Skip to main content

Full text of "Onze kunst; voortzetting van de Vlaamsche school .."

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 



FAi- 3/. /o(^-) 



FINE ARTS UBRARY 



Harvard Univcrsity Library 
Bought fÏQm the 

ARTHUR TRACY CABOT 

BEQUEST 

For the Pmchase of 

Books on Fine Arts 



ONZE KUNST 



ONZE 



KUNST 



VOORTZETTING VAN DE VLAAMSCHE SCHOOL 



TWEEDE JAARGANG 

1 nnO ^^ EERSTE 
lyUsJ HALFJAAR 70 







*=^^!^ 



J.-E. BUSCHMANN 
ÖO ANTWERPEN ö3 



L J. VEEN 
AMSTERDAM 



,^/l /, 3/. lO (i-) 

L ^ 



y 




CONSTANTIN MEUNIER 




|WEE-EN-ZEVENTIG jaar al, maar zijn schep- CONSTANTIN 
pingswil blijft ongedeerd, springlevend. Mocht MEUNIER 
hij maar even oud worden als die andere boet- 
seerder van krachtige menschheid, Donatello 1 
Constanlin Meunier heeft lang gezocht en 
gewacht, maar dat is juist de schoonheid 
van zijn leven, dat erééne-lijn van grond- 
eerlij k streven doorgaat : hij had zich zoo 
gemakkelijk tot den « stiel » kunnen beperken, en geleidelijk een 
aldoor behendiger kunstenaar worden; doch het was hem nooit te 
doen om de techniek zelve, maar om de uitdrukking van een gevoelde 
gedachte, die in hem halfbewust aan 't leven was, en die hij eerst niet 
grijpen kon, doch hij móest toch, hij wroette voort, gepraamd door 
dat voorgevoel dat tot de hooger en algemeener waarheid der kunst 
wilde opgeroepen worden, en daar kreeg het eindelijk zijn eigen vorm, 
hij kon het in 't volle daglicht verwezenlijken, en in zijn ouden dag 
werd het heel een wereld, die zich ophief, in hare eigen definitieve 
schoonheid. 

Als beeldhouwer begon Meunier zijn loopbaan; hij studeerde aan 
de Academie te Brussel. Maar onder de beeldhouwers heerschte er te 
dien tijd geen eigenaardig leven, Meunier voelde zich daar op zijn 
plaats niet : 't was maar een muf wereldje. De schilders integendeel 
begonnen zich uit het academisch gareel te bevrijden. Meunier, door 
hun nieuwe beweging aangetrokken, ging met schilders om, greep nu 
zelf naar 't penseel, en werd de beste vriend van Charles Degroux. 
Waren zij niet geschikt om elkaar te begrijpen? Door heel de 
kunst van Meunier gaat er iets van den grooten ernst die Ch. Degroux 
bezielde, en beiden hebben zich, met hetzelfde gevoel voor de werke- 
lijkheid van 't leven, gebogen tot het stille lijden en de ruwe schoon- 
heid van het werkende volk. 

Meunier's eerste werk van beteekenis is werk van zwaarmoedige 
ingetogenheid. Eens verdween hij onverwacht naar de eenzaamheid 
van de Trappe, teekenend en droomend, onder de stilzwijgende mon- 



ONZE KUNST 1903, AH. 1. I. 




fHOT. ALIXANOII. •lUKIl 



CONSTANTIN 
MEUNIER 



CONSTANTIN MEUNIER, (naar de natuur). 

niken. De Begrafenis van een Trappist, in het Museum te Kortrijk, mag 
een uiterst merkwaardig debuut lieeten. S/. Slephanus' marteldood, 
te Gent, is ook een document uit dien tijd. 

In die richting had Meunier wel zijn eigen schoon kunnen bemach- 
tigen. Maar in dien tijd verkocht men geen schilderijen... Meunier 
trouwde, moest aan kunstnijverheid doen, teekende ontwerpen voor 
glasschilders. . Daar heeft die arme Degroux ook zijn beste jaren aan 





flC V 

m a 
S I 



O u 
U Q 



verspild; en men weel wat 
Rodin niet al heeft moeten 
doorbijten. In onze samen- 
leving is de kunstenaar zeker 
heel vrij, — binnen de per- 
ken van zijn economische 
afhankelijkheid. 

Eens, Meunier was al bij 
de vijftig, nam Camille Le- 
monnier hem meê naar Hene- 
gouwen : hij zou daar eenige 
teekeningen maken, ter op- 
luistering van Lemonnier's 
werk over La Belgique. Voor 
Meunier was die reis door de 
Kolenstreek een openbaring. 
Hij ontdekte er zichzelf, zijn 
kunst. In dat donkere land- 
schap van rook en vuur, in 
't reusachtig gehijg der fabrie- 
ken, bij de woeste mijnwer- 
kers en puddelers en glasbla- 
zers, heel een vervloekte en 
zwoegende menschheid, ont- 
ving zijn tragische ziel dat 
medelijden en die bewonde- 
ring die heel zijn kunst 
zouden doorluiden. Hij had 
zijn eigen gebied veroverd. 

Een korte afleiding : hij 
moest een kopie leveren van 
Campana's Kruisafneming te 
Sevilla,en verbleef zes maanden in Spanje. De Cigarreras van 't Brus- 
selsch Museum herinneren ons aan die vacantie in 't land van zengende 
zon en zwarte schaduwen. Maar, even terug, zat hij weer in den 
Borinage te werken. Van toen af zou niets hem van de zelfgekozen baan 
nog doen afwijken. Een groot deel zijner schilderijen zijn uit dien tijd. 

Maar de geweldige visie die in hem aan 't groeien was eischte 
nieuwe vormen van zijn hand. Hij had altijd vaag van beeldhouwkunst 
doorgedroomd, voor later, als er betere dagen zouden komen, — en 
zij kwamen nu... Het eenvoudige en hreede gevoel wilde zich uiten 
door algemeener gedaante, drong op naar het monumenlale. En 
Meunier, als in de vroegsle lijden zijner jeu^d, ging weer aan 't boel- 




CONSTANTIN 
MEUNIER 



CONSTANTIN MEUNIER : 
Man met den Hamer, (brons) 



CONSTANTIN seeren. Hij kneedde nu heel zijn ideaal van droefenis en kracht, in 
MEUNIER groote lijn opgebouwd. Hij liet zijn leekenen en schilderen daarom 

niet varen, maar met zijn beeldhouwwerk gaf hij ons het machtigste 
en oorspronkelijkste wat hij te geven had. Mocht hij nu nog den droom 
verwezenlijkt zien, die zijn leven bekronen zou : de oprichting van de 
Verheerlijking van den Arbeid^ het monumentale geheel dat als de 
samenvatting van al zijn streven is, van heel dat eerlijke en groot- 
willende trachten dat in de laatste jaren nog rijper en reiner werd. 

Nu heeft de stilzwijgende schepper, de grijze meester, ons een 
volledig beeld willen geven van wat hij volbracht heeft. Bij 't bezichti- 
gen zijner tentoonstelling, in den Brusselschen Kunstkring (daar werd 
in het vorige nummer van dit tijdschrift kort verslag over geleverd) 
kreeg men wel den indruk, dat er in dal werk iels leeft, waaraan geen 
mensch nog tornen kan. Het staèt daar nu, in zijn geheel, overweldi- 
gend. Zich oprichtend boven ons, met kalme' macht, boven het leven 
dat verandert en vergeet. Want dat voelt men heel duidelijk : er is 
iets in, dat groot levend is, en dus « jenseits » van alle kritiek, slechte 
of goede. 



Het werk van Meunier, zoo bijeengesteld, verschijnt als één 
hymne aan den Arbeid. 

De schilderijen, teekeningen, pastellen en aquarellen geven ons 
vooral het decor waaruit hem eens de openbaring van zijn kunst 
tegemoet kwam : het zwarte land, melaatsch en bar onder zijn laag 
van verdoofde lava, geschramd en onlschorst door het vuur en het 
wroeten der menschen, met zijn duizenden schouwen, die rooken 
naar den naren hemel, waar de zon zelve versmeull als achter 
een morsig floers ; en daarin de gedrochtelijke fabrieken en mijn- 
loodsen, als geniepige beesten nijdig neergehurkt, boven de dorp- 
jes met hun lage, geelachtig gel^alkte kotten, riekend naar goren 
kost en smook en armoede. Hier merkt men al hel algemeene van 
Meunier's visie, zijn trek naar het samenvattende. Men voelt overal de 
geheimzinnige donkere kracht die 't leven der lijfeigenen omsloten 
houdt, in dat hobbelige land van ellende. 

De eigen schoonheid der nieuwe nijverheid heeft Meunier voor 
de kunst veroverd : het geweldige der fabrieken, vol somber lichl en 
gedonder, de vuurfeesten der smeltovens, de balderende macht der 
machines. En steeds die neiging naar het monumentale : men denke 
maar aan die vier teekeningen : Brug op de Theems ; wie heeft dat met 
evenveel eenvoudige grootschheid gezien en tot een beeld van 't 
moderne leven opgebouwd? 

Een hymne aan den Arbeid, maar met meer lyrische kracht nog 
zingt die uit zijn bronzen beelden. Daar zijn ze : de zwarte zwoeger 



É» 



m^ 



\w 




die kolen loshakt, in de klamme lucht van lampenrook ; — de half- CONSTANTIN 

naakte puddeler, wroetend met langen rakel in de opbrieschende MEUNIER 

fornuizen, of uitrustend, met zwaar hijgende borst, en die plebejische 

lip die afhangt van vermoeienis ; — zij zijn er allen, de scheppers van 

kracht en rijkdom, harde muilen, waar zweet en kolenpulver op plakt, 

de oogbollen als ingevreten door vlam en duisternis, — de smid, de 

glasblazer, de scheepslosser, die staal en graan in de havens versjouwt, 

dat de wereld hel hebben zou, - en de weerharde visscher, en de 

zwijgende landman, die van de vroegste tijden af met hetzelfde gebaar 

over de voren stapt en 't brood voor allen zaait, kijkend met scherpen 

blik over de eindelooze vlakten. 

Meunier heeft de tragedie van den arbeid geheeld, hoe hij de 
ruggen kromt en de kneukels verroest, de beenen doet zwellen, de 
gezichten verhardt ; hel vreeslijke getob in de mijngangen, die zijn als 
de hellekreitsen uit een booze nachtmerrie, de labeur die de men- 
schen breekt en verbeest. Herinnert u dat bronzen verheven werk 
waar ^ij weer uil den nacht opgetrokken, naar het roetig licht van den 
schemeravond opkruipen en wegijlen, als verlost. F]n kijkt naar dien 
Terugkeer, de kudde der afgesloofden, bevuild en verkleumd, met > 

inzakkende beenen, in den werktuiglijken rylhmus van den gang voor- 
bijtrekkend als een overwonnen leger, donker door den avond. Zoo 
zwoegen kerels en deernen hun leven door, een verloren willoos stukje 
van een groote doening, intanding of wieltje van een ontzaglijke ma- 
chine, tol eens de onverschillige dood daar ingrijpt, — het grauwvuur, 
— en 't martelaarsvleesch dan uitgerekt ligt, verbrand, met daarover 
de hooge roerlooze silhouet der moeder, die naar beuren jongen kijkt, 
het hart verscheurd, en schreeuwt noch snikt. 

Elders toont Meunier den strijd van den mensch tegen de stugge 
aarde die hij openploegt met wreede inspanning van al zijn krachten, 
gebukt over haar ; of de maaier kijkt even op met verwijtenden blik, 
in de droeve verlatenheid der bijtende zon : weer de arbeid als vei^ 
maledijding, waar de menschen onder bedwongen liggen. 

Maar die bijbelsche opvatting moet eindelijk voor een andere 
wijken. Deernis wordt door bewondering overgroeid. Uit al die 
ellende stijgt telkens weer de trots eener eigene en machtige schoon- 
heid. Dit is geen kunst van droomend medelijden, maar eerst en 
vooral van mannelijke kracht : schoonheid van het werkende lichaam, 
van den ingespannen wil en de rekkende spieren, trots om het 
bewustzijn van het kunnen, hoogmoedige vreugd van den hardnek- 
kigen man die vecht met het natuurgeweld of de wildloeiende vlam- 
menvlaag der smeltovens, grootsche kalmte van wie zich sterk weet. Ja, 
een hymne I Kijkt naar hel brokstuk der Puddelers uit De Nijverheid, 
of naar den Man met de lang : een zang van kracht, en daarbij dat 



CONSTANTIN 
MEUNIER 



bijzonder moderne van 
den werker die de machine 
meester is, en zelfzeker, 
met scherpe gevatheid, 
aan 't wachten staat. Meu- 
nier is welHcht de kunste- 
naar, die het volledigst de 
grootheid van den werk- 
man heeft vertolkt. Hij 
lijkt zelf wel een van die 
stoere kerels, die met zijn 
geweldige werk-poolen 
zijn eigen kunstgebied ont- 
gonnen en bevrucht heeft. 
Niet alleen een nieuw 
gebied : maar — wat men 
niet zoo dadelijk opmerkt 
— zijn bewondering voor 
den arbeid heeft hem een 
nieuw gevoel voor 't leven 
der vormen doen verwe- 
zenlijken : ik bedoel de 
rythmische beweging van 
het werkende lichaam. Is, 
volgens Karl Bücher, die 
rythmische beweging de 
bron van alle prosodie, 
Meunier is er een bewijs 
voor, dat hare heilzame 
kracht niet beperkt bleef 
tot de primitieve kunst. 
Want zij heeft hem ge- 
leerd, wat de schoonheid is van den man, bij wien alle spieren ge- 
spannen staan, één met den willenden geest, tot het verrichten van 
een zware taak, maar tevens veerkrachtig gebalanceerd door het 
regelmatige, passende, juist gewogene van heupendraai en armen- 
zwaai, spannend gezwierd op dien rythmus die 't werk verlicht. Iets 
als de oude Schijfwerper is eigenlijk weinig meer dan een uitzonde- 
ring in de geschiedenis der plastiek : de meeste beeldhouwers 
hebben ons gegeven de rust van het staande beeld, of het hevig, uit- 
slaande gebaar van den hartstocht. Bij Constantin Meunier treft ons 
de beweging, struisch en harmonisch tegelijk, één-luidend, krachtig en 
licht, van den man aan het werk. De brutale Smedei\, met zijn platten 




CONSTANTIN MEUNIER : « Hiercheuse » (brons). 




fHOT. «itxANOHf, tiuiiri 



CONSTANTIN MEUNIER : 
MAN MET DE TANG, (brons). 



CONSTANTIN muil en zijn stierenek, is er een mooi voorbeeld van : men voelt er 't 
MEUNIER gemak van den zwier in, het geheel is prachtig van ponderatie. Het- 

zelfde zal wel opvallen bij den grooten zaaier, den maaier in den 
Brusselschen Kruidtuin, zooveel andere gewrochten. Maar leeft dat 
evenwicht en die lenigheid eigenlijk niet in alle goede werken van 
Meunier? Wat gratie bij die <( Hiercheuse » b. v., waarvan het jonge 
vleesch zoo kiesch onder de vuile manskleeren gevoeld wordt, met 
een zinnelijke frischheid die anders bij Meunier weinig voorkomt : iets 
conventioneel-beminnelijks is er zeker niet in, maar wat een mach- 
tige sierlijkheid in die korte armen, in heel het rythmische van dat 
lichaam aan 't werken gewend ; niet de kop drukt het uit, maar 
heel de stand : groot, zuiver, en veerkrachtig. Men zou kunnen zeg- 
gen : daar trilt nog iets door van het muzikale van den arbeid. 

Aan dien bijzonderen zin voor veerkrachtige struischheid is wel 
ten deele de schoone eenheid van Meunier's figuren te danken. De 
« Hiercheuse » zou tienmaal grooter zijn, zij zou nog door even zuiver 
ineensluitende verhoudingen trelTen als het oorspronkelijke model. 
Niet vele werken van onzen tijd kunnen die proef doorstaan ; maar bij 
Meunier hebben de kleinste figuurtjes de groote monumentale lijn. 
Die zin voor het monumentale geeft hem, onder de moderne beeld- 
houwers, een heel bijzondere beteekenis. 

Hij ziet in 't groot. Hij peutert niet : de sterke uitdrukking van 
zijn gedachte is hem voldoende. Dat is wel eens zijn zwakheid, en 
doorgaans zijne kracht. Hij bekreunt zich niet te veel om de bijzon- 
derheden, en richt zijn beelden op in hun geheel, zoo dat zij ineens, 
zonder te nauwgeziene verfijning, uit zijn geest en uit zijn handen 
schijnen gesproten. Vandaar de enorme grootheid van beeldjes als de 
Man die drinkt ^ de slanke sierlijkheid van den Glasblazer, 

Jammer dat Meunier geen monumenten werden besteld ! Wij 
zouden nu niet moeten treuren om de geestelooze fontein en gedenk- 
naald op de Brouckereplaats.... 't Is echter nog niet te laat : de 
droom van den ouden meester moet nu verwezenlijkt, - de Verkeer- 
lijking van den Arbeid^ met zijn massale kracht als gegroeid uit den 
grond zelf, bezingend in enorme beelden en reliëfs, werkelijklieid en 
poëzie voor een ieder, de grootheid van den handenarbeid, in de 
fabriek en in de mijn, in de haven, op het land, de machtige schoon- 
heid van hen die op hun breede schouders heel den maatschappelijken 
bouw dragen, de scheppers van allen rijkdom, — en vooraan de 
Moeder, die menschen maakt. Meunier is de man om, midden in ons 
leven,, in een samenvattend beeld de wezenlijkste krachten en het 
voelen en willen van heel de gemeenschap te belichamen. 

Want zijn gevoel zelf is monumentaal, algemeen van aard, 
rechtstreeks uitgedrukt maar vergroot door zijn eenvoud zelf, een- 




uf)r*-.D»f. ««u'sri, 



CONSTANTIN MEUNIER : 

MOEDERSCHAP 

(Groep uil hel Monument ter Verheerlijkinq van den ArheUT,. 




vond waar nog iets in is van den smaak der aarde. Het werk van CONSTANTIN 
Constantin Meiinier spreekt zooveel uil in lyrischen vorm, dat in de MEÜNIER 
menschen van dezen lijd, binnen in, aan 't sluimeren lag : dat opne- 
men van alle leven, ook het ruigste, in de schoonheid van een ruimer 
levenssamenvatting, dat meevoelen met de misdeelden... 
Race d'Abel, dors^ bois et mange,.. 

Hel ras van Kaïn zwoegt onder de aarde, maar 't bewustzijn van 
zijn kracht is nu ontwaakt, het begint zijn blik op te richten, die 
rekening vraagt. Verwachting en grootheidswil die thans in de 
volken wakker wordt, voorgevoel van velen en velen, het staat hier 
al geklonken lot vaste waarheid, voor allen. 

Ja, het werk van Meunier wordt gedragen door iets dat thans door 
de groote menigte stroomt ; zijn eenvoudige en geestdriftige ziel heeft 
opgericht, voor het volk der straten, het beeld dat van diepere en 
hechtere gemeenschap zingt. Zijn kunst is weer, als de Fransche kathe- 
dralen der xiiie eeuw, het open boek waarin iedereen zijn eigen 
gedachte leest, de stem van heel een spraaklooze massa. Zij is voor 
ons een werkelijkheid en een voorspelling. 

(SlotvolgV. A. VeRMEYLEN. 




CONSTANTIN MEUNIER : de Verloren Zoon, (gips). 



*noi. «icRANoar, tiuiiiL 




EEN INLEI- 
DING TOT 
RUBENS 




EEN INLEIDING TOT RUBENS ^ 

EN Hollynder van onzen tijd, en van mijn slag, 
die in Vlaanderland bij geval zijn geest aan 
oude schilderkunst komt opfrisschen, is, een- 
maal over de grenzen, allicht geneigd, van de 
Scheldestad uit, fluks rechts te zwenken, 
het Antwerpen der late Renaissance heels- 
huids versmadend, westwaarts door Ie sporen, 
en, gelijk dezen zomer een ieder het al deed, 
Gent en Brugge voor het dubbele doel van een pelgrimstocht uit te 
kiezen. 

Bijna behoort het bij ons tot den goeden toon, vroeger of later 
ereis een expeditie naar de Vlaamsche Primitieven gemaakt te hebben 
en den mystieken geur van hun kunst te zijn gaan inzuigen, vaak 
vergetend daarbij, — het zij in het voorbijgaan gezegd — dat de Neder- 
landsche kunst van het Bourgondische milieu in hoofdzaak noch ooit 
specifiek Vlaamsch, noch werkelijk primitief, noch inderdaad mystiek 
geweest is. 

Antwerpen, in elk geval, geldt voor de stad van Rubens, en wij, 
met onzen lichtelijk decadenten zin voor het uiterst zuivere, het 
verdiepte, het verfijnde, wij met onze neiging tot het ongemeene, het 
ongemengde, het onnaspeurlijke, wij met onze liefde voor de fier- 
trouwhartige van Eycken, voor den gemoeds-innigen Memling, voor 
den sober-statelijken Bouts, voor den waardig-weemoedigen Rogier, 
wij hebben aan den onrusligen, onrustbarenden Pelrus Paulus ronduit 
gezegd een beetje een broertje dood. 

In de meeste gevallen schijnt het ons veilig en verkieselijk dien 
vuurspuwenden berg, die Rubens was, maar zoo wat uil den weg te 
blijven. De zaal met de Rubensen in het Antwerpsche Museum is door 
Hollanders wel eens smalend de Vleeschhal genoemd en localiteiten 
met evenzoo negatieve aantrekkingskracht vindt men in verscheidene 
groote musea. Het is de ostentatie welke zij herbergen, die het ons 
onbehagelijk te moede doet worden, en beter begrijpen wij de overle- 
vering, welke papa Ingres, wanneer hij de galerij met de tafereelen 



10 



\ 



uit het leven van Maria de Medicis door moest, zijn parapluie laat EEN INLEI- 
opsteken om zooveel onrechtzinnigs af Ie dekken voor zijn beleedigde DING TOT 
oogen, dan wij er in slagen de geestdriftige bewondering thuis te RUBENS 
brengen, welke Delacroix gedurende zijn gansche leven voor Rubens 
heeft omgedragen. 

Toen Dante Gabriël Rossetti op zijn een-en-twintigste jaar met 
Holman Hunt een vastelandsche reis maakte, schreef hij uit de volheid 
zijner ongetemperde ontzetting over de werken van den Vlaamschen 
gigant een soort van vloeksonnet, dat in zijn eerste kwatrijn vrijwel de 
gevoelens van de meeste jonge schilders ook nog van onze dagen 
weergeeft : 

Non noi pittori! God of Nalure's trulh, 

If these not we! Be it not said, when one 

Of us goes hence : § As these did, he hath done ; 

His feet sought out Iheir footprints from his youlh i 

Weinig inderdaad is er in Rubens wat onze tegenwoordige schil- 
dersverlangens bevredigt, laat staan vervult. Bij hem, dus klagen wij 
als wij alleen nog maar op zijn vormentaal letten : nooit eens een stuk 
strakheid, een steile houding, een straffe expressie, altijd die smakeloos- 
kwallige uitbuitingen, die los en lieber zwiebelende kontoeren, die 
onrustig verdrongen bewegingen, dat luid naar buiten werkende geba- 
renspel. Indien hij maar eens ooit iets had gemaakt wat eenvoudig 
recht op zijn beenen stond, - want alle figuren schijnen bij hem wel 
bereid, het zoo aanstonds op een salto mortale te laten aankomen. Ons 
hindert die gezwollen zwier, die voor dieper bedoelingen geen plaats 
meer overlaat. Onze nadenkende beslotenheid, onze op het ingetogene 
gerichte mijmerzin kan zulk een uitgelaten schildersdrift niet meer 
dulden. En ik voor mij heb het als knaap aan Fromentin al kwalijk 
genomen dat hij zoo opgetogen over Rubens wist te schrijven in een 
boek dat voor Rembrandt geen ongemengde bewondering over had. 

Wij zijn nu eenmaal zoo : onze weinig pieuze tijd buigt zich liever 
voor uitingen van inniger vroomheid; de ongestrafte tuchteloosheid 
waarin de kunst zich heden ten dage vermeit, wreekt zich heimelijk 
in een kieskeurigheid van kunstsmaak welke de ongebreidelde kracht 
van Rubens weinig beter dan degoütant noemt; de bloedeloosheid 
van het moderne schilderen krijgt van zulk een overladen verve de 
koude koorts op het lijf. En over het algemeen is het zóó gesteld dat 
wij, die maar al te bezwaarlijk met een afgeronde levens-conceptie 
voor den dag zouden komen, te nauwernood aarzelen zelfs geheel 
elementaire levens-manifestatiën als de zijne rondweg buiten te sluiten. 

Het valt niet te ontkennen : onder al wat de schilderkunst van de 
laatste halve eeuw beïnvloed, wat de beste schilders van dezen tijd voor 
oogen gestaan heeft, speelt Rubens' kunst geen rol. In den geestes- 



11 



EEN INLEI- staat van de laatslgekomen geslachten vertegenwoordigt het begrip 
DING TOT Rubens geen levenwekkende kracht.... Maar toch blijft dit alles meer 

RUBENS kenschetsend voor de onbestendige neigingen zelve van deze periode, 

die ons trouwens tot vervelens toe als een overgangstijd wordt voor- 
gehouden, dan dat men er op ziclizelf de absolute beleekenis van een 
figuur als Rubens nog naar zou kunnen meten Want tegenover een 
verschijning van zulke allure kan het vragen naar sympathiek of niet 
toch kwalijk meer volstaan, en zelfs in buien waarin wij ons met den 
meest beslisten wrevel van hem wenden, blijven wij beseffen met een 
reus te doen te hebben. Dit laatste nu zal ons altoos dwingen tot hem 
weder te keeren. Den Homerus der schilderkunst vinden wij hem door 
Delacroix in zijn Dagboek tot driemaal toe genoemd, en inderdaad 
leeft en ademt er in Rubens iets van dezelfde elementaire kracht, die 
het antieke epos draagt, en deze is het die elke wezenlijk breede 
kunstconceptie altoos dwingen zal, rekening met hem te houden. 

Het is maar dat de afstand, die hem scheidt van schier ól wat wij 
het hoogste stellen, het ons zoo moeielijk doet vallen Rubens waar- 
deerend te begrijpen. Bovendien staat men, ongeschikt als wij blijken 
tot het benaderen van zijn grondaard, op tegenstrijdigheden als hij ons 
biedt, nog minder voorbereid. Tot in onze toegankelijkste gezindheid 
blijven wij daarom bezwaren tegen hem opperen welke zijn warmste 
bewonderaars niet uit den weg zouden kunnen ruimen. 

Want bij een kunst als die van Rubens zal men altoos komen te 
overwegen of het luidruchtigst geuite gevoel nu wel juist het wezen- 
lijkste is, en of niet het sprekende bij hem vaak met een al te groot 
verlies aan waardigheid betaald werd. Zelfs in een zoo eflfektvol 
schilderij als zijn Marteling van Sint Lieven te Brussel, ligt de hevig- 
heid van het drama meer in het tumultueuze van de voordracht dan 
in het aangrijpende der gemoedsuitdrukking. Bij den Sint Franciscus 
aan denzelfden wand is de pompeuze zwaai der uiterlijke tragedie 
zóó aloverheerschend, dat er vooreen nijpenden indruk geen plaats 
meer overblijft. De poezele Veronica die op den Calvarieberg welke 
daar eveneens in de buurt hangt, aan den neergestorten Christus het 
voorhoofd afwischt, heeft kuiltjes in de wangen. De op zichzelf superbe 
groep van de stoeiende engelen, die onder kozend zonlicht in een 
blijden rijdans de ten Hemel varende Maagd op de Brusselsche Verrij- 
zenis als een bloemenstoet omstuwen, passen minder bij een boven- 
aardsche gebeurtenis dan wel dat zij een feest van de bloeiende aarde 
vieren. Zijn blonde Magdalenas — voedsters van melk en bloed — 
komen ons voor doorgaands van nabijer heerlijkheid dan die des 
Hemels te droomen. De zielestrijd van zijn Mater Dolorosa openbaart 
zich te alleenlijk in haar rood beloopen oogen en haar verwrongen 
mond ; wel verre van ons een MoederGodsbeeld te doen aanschouwen 



12 




P. P. HUBKNS : 

DE AANBIDDING DKH K()MN(.I:N 

(Koninklijk Museum. Ant^^tTpen). 




blijft zij eenehaar rol niet vergelende Iragédienne. Zelfs op de in zoo EEN INLEI- 
veler schatting juist uitermate expressieve Kruisafneming in de Antwerp- DING TOT 
sche Lieve Vrouwekerk, zijn de helpers niet wezenlijk met den Gekrui- RUBENS 
sigden begaan, — zij doen maar zoo, en denken er niet aan om eenige 
ontroering hun mooie poze te bederven. Het valt moeilijk zelfs in zulke 
stukken de vertooning voorbij te zien, en van stille stichting is inder- 
daad maar al te zelden sprake. Met de athletische spierwerkingen van 
brutale rakkerts en het glanzend naakt van weelderige boezems, 
brengt hij het lachen van vruchtbare landouwen, de luid blaffende 
honden, de praatziek blinkende harnassen en de wapperende banieren 
mede het bedehuis binnen. Het door hoefgetrappel opgejaagde stof 
laat hij toe in den tempel, en de vogels doet hij kwinkeleeren in het 
kerkportaal. 

Maar kiezen wij, zulke bezwaren onverzwakt latende gelden, om 
nader tot hem te komen, eens een niet larmoyant, niet bloederig, niet 
in den slechten zin theatraal schilderij als de Aanbidding der Koningen 
uit het Antwerpsch Museum. Nemen wij ons dan voor, daarbij niets 
van hem te vragen wat hij niet van zins is te geven, en laat ons zien 
of wij dan niet wat beter met hem kunnen opschieten 

Inderdaad de Vlaamsche bedrijvigheid, de Vlaamsche uitbundig- 
heid, de Vlaamsche drukte, de Vlaamsche praalzucht zijn hier vrijwel 
van hun barok ontdaan en in werkelijken luister omgezet. Wel te 
verstaan in vleeschelijken luister. Want meer dan een Aanbidding 
heeft men hier toch een zeer wereldsch paradeeren voor oogen, en die 
rijkuitgedoschte koningen komen hun hulde brengen : waarlijk niet 
aan een geestelijk begrip maar aan het bloeiende leven zelf. Rubens was 
in het kerkelijk dogma thuis als de beste, maar de christelijke verhalen 
schenen voor hem geen heiliger beteekenis te dragen, dan de heidensch- 
mythologische geschiedenissen die hij zich onder het schilderen zoo 
gaarne liet voorlezen, — althans het pathos wat hij aan sommigen 
zijner altaarstukken bijzette, lijkt ons van minder onvervalscht allooi 
dan het pantheïsme, dat hij door alles heen met zoo ruiterlijke voor- 
liefde gehuldigd heeft. Rubens wilde ten hemel stijgen, maar bleef tot 
aan zijn knieën in de Hollandsche kaas steken, heeft een spotter van 
hem getuigd, — maar bergt deze uitspraak niet eigenlijk meer geest 
dan waarheid? Was hij wel waarlijk gezind de zegeningen van dit 
ondermaansche voor die van ongekende gewesten prijs te geven? 
Droegen zijn aspiraties tot het bovenaardsche in den grond niet het 
karakter van gelegenheidsbetrekkingen? Heeft hij niet meer haast 
dan eenig ander sterveling dit leven hartstochtelijk lief gehad? 
Mag het niet dubbel twijfelachtig heeten, of hij werkelijk bij zijn 
verscheiden, — naar het woord van een tijdgenoot — in den hemel 



13 



EEN INLEI- de levende modellen zijner schilderijen is gnan aanschouwen ? Had hij 
DING TOT zich niet zijn hemel naar de aarde eer dan zijn aarde naar de hemel 

RUBENS geformeerd? De deemoedigheid van van Eyck en Memlingen de straffe 

aandacht van Massijs waren l)ij hem wel tot op het merg vergeten, en 
vreemd als wij staan tegenover die clericale cultuur der contrarefor- 
matie, vraagt men zich af, hoe het mogelijk was dat een kerk zulke 
bandeloosheid kon blijven beschermen. Wanneer Arelino aan Michel 
Angelo schreef zich als Chrislen over de vrijheden te schamen, welke 
deze zich in het Jongste Gericht veroorloofd had, en hoe het hem te 
moede was alsof Buonarrotti, in plaats van de edelste kapel der Chris- 
tenheid, een wellustig bad met schilderingen versierd had, dan verbaast 
men er zich over, hoeveel onreligieuzer vrijheden men zich nog van 
den geloovigen Vlaamschen schilderprins liet welgevallen. Of heeft men 
ooit van altaarschilderijen gehoord die minder priesterlijk dan die van 
Rubens dorsten zijn? Zag men te eenigertijd een religieuze kunst over- 
moediger met de religie omgaan? Nooit richtte schilderen zich minder 
naar voorschrift, naar kanon, naar traditie. Nimmer heeft een schilder 
zijn opdrachten meer naar eigen lust begrepen en gekleurd. 

Zelden zeker werd gedurfder samenstelling dan die der Antwerp- 
sche Drie Koningen^ brutaler en meer onverwacht, en tegelijkertijd 
vanzelf sprekender en meer ongekunsteld in elkaar gezet. Nergens 
bespeurt men iets gepremediteerds : niets van de voegen, niets van het 
samenstel. Waar hij zijn bewegelijke figuren ook gelieft neer te smak- 
ken, altijd komen zij op hun beenen terecht, waar hij zijn wapperende 
draperieën heen laat vallen, zij leenen zich overal nog tot een aanne- 
melijk kleedingstuk. Het ordent zich steeds, lost zien gemakkelijk op, 
schijnt alles vanzelf zoo te moeten gebeuren. 

Ook wat de kleuren belreft, — de klare kleuren waarin de schilder 
zwelgt. Want heeft men ooit knalrood en karmozijn, zacht purper en 
oud goud, smaragd en amethyst. en wat niet van doorzichtige nuancen 
tusschen dat al, zich in stouler samenspel vloeiender ja stroomender 
zien voegen? Zij schijnen op het reusachtige doek geblazen, maar 
geblazen dan met de kracht van den stormwind. Het is hier : zóó 
gezien zoo geschilderd, — voetstoots, vlotweg, in een koninklijke roes 
van verrukking, met schuimende kracht, ja met l)azuingeschal. Maar 
in dat schijnbaar willekeurige zich laten gaan, in dat schilderen uit 
lillende oliën, in die ongekende bravour van aansmeren schuilt noch- 
tans een zeldzame welberadenheid, — men lette op kittige finesses als 
van de koelblauwe tippen tegen het roze van den koeiesnoet, die van 
een bijna brooze toonteerheid is — op die kleurontbinding is slechts 
aangestuurd om een opener kleurgewimpel te verkrijgen. De chaos 
zelf schijnt wedergezocht, maar voor onze verbaasde oogen tot 
blijder harmonie, tot weliger scheppingsbloei ontloken. 



14 



Wanl die klelseii kleur en die likken licht en die zwiebels van EEN INLEI- 
royale lijn, — zag men ooit onwaarschijnlijker figuur-improvisatie DING TOT 
dan dien ouden grijsgehaarden baanderheer met den vlammend wap- RUBENS 
perenden rooden mantel? — ordenen zich tot een vizioen van triom- 
fantelijk wulpsche levenskracht, lot een leest, een prachtvertooning, 
een zegetocht van koningen met hun rijk gevolg, die zich in deze 
weidsche, door het aanbrengen van een Korinlische zuilschacht tot paleis 
gemaakte Stal van Bethlehem, komen verdringen, om in vurige vereering 
hun overdaad neer te leggen aan de voeten van de vorstin en haar kind. 
Zijn lust tot vleeschelijk naakt is nog in de tegen den blauwen hemel 
glanzende en op schalksche kameelen hoog gezeten slaven losgelaten. 
Het is daarin en daar.imheen de weelde van het leven, saamgedonderd 
lot dien bonten stoel, die zich in brutale zinsverrukking om de mooie 
blanke jonge vrouw met het hoofsche kindje heenschaarl ; en uit het 
lippenzuigen en oogcMiglinsteren der omslaanders ziet men in dit 
kwasi-gewijd tafereel, en waarlijk niet tersluiks, de mimiek van den 
Minnehof heenblinken; geen wonder, als men overweegt welke de 
levensvisie van den schilder welbeschouwd was, — wanl heeft voor 
dezen gunsteling der fortuin, die een leven zonder plagen in volle, in 
overvolle teugen wist te genieten, het beslaan in den grond ooit anders 
dan als één eeuwige hoogtijd gestraald ? 

Zonderlinge tegenstelling : die andere, de groole ketter in kunst 
en leven, de schilder van hel gemeenzame, van de ware werkelijkheid, 
van de burgerlijke handelingen, hij was de eigenlijke droomer, de 
dichter, de ziener, de godsdienaar. En deze geletterde grand-seigneur 
die in dienst der Heilige kerk zijn werken zag gewijd, hij geeft ons 
per slot ^n in het beste van zijn kunst, de liefde voor het bijna dierlijk 
gezonde, voor hel fyziek welvarende, voor de overvloeiende vrucht- 
baarheid. Deze 'reus van de expansie was veel minder een oproeper 
van het onzienlijke dan een juicher in hel nabije, in het volle zinnelijke 
leven zelf, en zóó begreep hij hel christelijke dogma, dat hij ons de 
Moeder Gods, de Maler Misericordiae, wel beschouwd toch niet anders 
dan als een verleidelijke Abundanlia heeft voorgesteld. 

In den kooromgang der Antwerpsche Sint-Jacobskerk berust 
binnen Rubens' eigene grafkapel een altaarstuk van zijn hand, waarop 
men in Sint Joris des schilders eigen trekken vindt afgebeeld. Het 
monster wal hij zichzelf in die ridderlijke gestalte laat dooden is de 
draak van wat hem het nadrukkelijke, het laaie. Bet verstijfde, het 
steriele scheen. Veroordeel deze drift tegen geestesneigingen uit welke 
andererzijds zooveel diepzinnigs en schoons geboren werd, maar von- 
nis den meester niet alvorens gij hem in zijn eigen lijn vrijuit aan het 
woord hebt gelaten. 

Want men moet Rubens nahouden dat hij geen pogingen gewaagd 



15 



EEN INLEI- heeft andere gevoelens te verbeelden dan die er wezenlijk in hem 
DlNll TOT woonden, dal hij zich nimmer geweld aandeed, dat hij blijmoedig de 

RUBENS wereld die voor hem geopenbaard lag, aanvaardde en er gelukkig mee 

werd. Hij was er de man niei naar om het schilderen te zoeken in 
andere dingen dan waar zijn talent zich toe voegde. Maar welk een 
omvang, welk een rijkdom had dit in zichzelf! Want indien wij over 
zijn frapper jusie hier en daar al in twijfel kunnen verkeeren, over zijn 
(rapper fort en zijn frapper souvent bestaat nauwelijks gelegenheid tot 
verschil van meening. In een duizelingwekkende, men mag wel zeggen 
óver-productie, maakt hij nergens den indruk zijn kruid verschoten te 
hebben, zijn weldoorvoed heid te hebben doen afmageren tot iets min 
goedgeefs. Wèt zwaargebulte vleeschklompen zijn breidellooze fantasie 
ook te torschen vond, men kan niet zeggen dat hij er zich ooit aan ver- 
tilde. Een kunstenaar van zulk een omvademingsvermogen moet men 
niet naar afzonderlijke brokken-schildering nemen. Ik weet het wel, den 
zwier dien Rubens hooghield, vindt men — zie dien Jan Hoornebeek van 
Frans Hals in het zelfde Brusselsch Museum waar hij in groote doeken 
zijn ongeloofelijke bravour vertoont — met meer kernachtigheid, 
meer werkelijke gratie en meer smaak bij tijdgenooten terug; en even 
de straat over en bij den Hertog van Arenberg in de kleine galerij 
binnengegaan, heeft men daar (of is het waar dat men had moet 
zeggen) een stilglanzend doorkijkje van de Hoogh en een wonderklaar 
kopje van van der Meer, die al wat de rumoerige colorist uitbundigs 
heeft gebracht tot ijdel spel schijnen te verlagen. Maar wanneer 
Rubens niets van binnenkamer-poëzie in zich had, wanneer de orato- 
rische galm hem liever is dan het verteederend gefluister, dient wel 
in het oog te worden gehouden, dat zijn schilderijen door aard en 
bestemming ook juist geheel gericht zijn op het klankbord, en bedoeld 
om pilaren en gewelven te overschreeuwen, en dat de kracht, de hevig- 
heid, de schittering hem van de fijner sierlijkheid en de bekoring 
ontheffen. 

Neen hij was geen schilder om op den keper te bezien, hij, Rubens, 
de menschenkneeder in het groot, die als het hem lust, voor onze 
verbijsterde oogen de lichaamshoopen opstapelt en samensmakt of aan 
risten snoert en ze uitvierend door de ruimte opzweept, die orgiën van 
vleesch aanrecht, het vleesch doet tuimelen en golven en schuimen, 
dat het als een souverein-element water, vuur en aarde in zich 
opneemt, in zich doet samenzwellen, in zich doet uitklaroenen, als ter 
oneindige glorificatie van de furieuze vruchtbaarheid zelve. 

Hierboven heb ik gewag gemaakt van den afkeer dien Rossetti 
als jonge man voor de kunst van Rubens heeft gevoeld, en daarom 
schijnt het mij dubbel van belang te memoreeren, hoe zelfs deze bezie- 



16 





< 

< 

Z 

< 






5e * 

Z o, s 

ü w 'S 

«si 
": < I 

flu J :i 



Ier van het excluzieve prerafaëlitisme in later jaren evenwel nog onder EEN INLEl- 
de macht van het Vlaarasche genie gekomen is. Vier-en-twintig jaar DING TOT 
nadat hij hel aangehaalde vloeksonnet schreef, vinden wij hem in een RUBENS 
brief aan zijn broeder zich met spijt over het verbranden van een 
schilderij van Rubens uitlaten, en het verdient misschien opgemerkt 
te worden dat het daar een jachtstuk gold. 

Als landschapschilder over het algemeen laat Rubens zich vrijer 
bewonderen dan in zijn overige werk, waarin wij nu eenmaal niet 
altoos den van alle markten thuis zijnden wereldman vergeten, al kon 
hij dan ook zooveel maakwerk niet in opdracht krijgen of hij vond de 
kans nog schoon er iets van zijn bloeiende levensweelde aan te beste- 
den. Maar als zuiverder, betrekkelijk soberder schilder van het pasto- 
rale maakt hij den indruk, zonder zich ooit te overschreeuwen, een- 
voudigweg uit vrije borst gezongen te hebben, omdat hij het nu een- 
maal niet binnenhouden kon. Zijn vermogen vooral om aan alles een 
hevig organiesch leven mêe te geven, komt in zijn tafereelen van het 
buitenleven, gelukkiger dan in zijn groote flguurvertooningen tot zijn 
recht. Wanneer men op zijn landschappen de boomen ziet groeien, en 
de vlieten ziet stroomen, en de akkers ziet zwellen en de wolken ziet 
drijven, als bij geen ander, ligt daarin de bizondere kracht geopen- 
baard, die ons, meer dan de uitbundigheid van zijn figuurstukken, als 
natuurlijke epiek aandoet. De grootmeester-schilder in elk geval laat 
zich daarin ongestoorder genieten. 

In niet minder mate is dit met zijn jachtstoeten het geval, en het 
schijnt mij daarom niet toevallig als wij Rossetti door zulk een tafereel 
van Rubens' hand onder den indruk vinden. Zelfs is het mij wel eens 
in de gedachte gekomen of dergelijke schilderijen niet den rechten 
toonsleutel bieden, waarmee men, ik zeg niet alle scheppingen van 
Rubens zou leeren genieten, maar waarmee men den ganschen schitte- 
rend picturalen Rubens, zooals hij toch in den grond uit al zijn werken 
te samen getuigt, per slot van rekening beter zou kunnen benaderen. 

En omdat het mij lust mij hier tot Antwerpen en Brussel te be- 
perken, denk ik daarbij vooral aan zulk een stuk dat dan ook waarlijk 
niets van den overvaardigen gelegenheidsschilder vertoont, en daaren- 
tegen zijn bloedrijke kracht op haar prachtigst ontplooit, — aan het 
geweldige Woud in het Brusselsche Museum, bedoel ik, waarvan men 
weet dat het tot zijn dood in des meesters eigen collectie bleef. 

Op den voorgrond heeft men daar de briesende jachtstoet van 
Atalante en Meleager, dicht achter de hielen van het nagehitste Caledo- 
nysche zwijn, dat, reeds een pijl tusschen de schouderschoften, en 
twee rappe honden op het hijgende lijf, nu tot den rand van een 
stroom is genaderd, aan den overkant waarvan een athletische jager 
onversaagd gereed staat het woeste dier aan zijn speer op te vangen. 



m 



17 



EEN INLEl- Maar de diepe kleur-koralen die uit de gedrochtelij ke pracht van 

DING TOT torenhooge takkenwrongen en vervaarlijke bladerstoelen daarboven 

RUBENS en daarachter opdreunen, doorschateren het gansche tafereel als met 

een luid gebazuin van heldenmoed; heel het heroïeke woud, waardoor 
die wilde jachtbende gelijk een loeiende orkaan heenwoedt, is als een 
breed georkestreerd accompagnement voor de daverende zinnenweelde 
van dit stout bedrijf; en als bonzende juichtonen in dat sonoor geschal 
schijnen meer dan eén laaiende vuurbol zich achter die gigantische 
vegetatie, achter die drommen van dreigende bladerkronen, achter 
die ziedende trossen van donker loof, zengensmoê naar den topazen 
horizon te wentelen, intusschen met volle schampen nog een vurig 
afscheid vonkend over sidderende blaadrenriffen van brandend koper 
en kokend rood goud. 

Tegenover dit geëlectrizeerd gobelin, als van roostende ambers 
heet doorstoofd, en vol van die meeslepende kracht van wijd wuivend 
aanduiden, waaraan Rubens altoos boven koesterend uitvoeren de 
voorkeur heeft gegeven, staat men gewonnen als voor een dier hoog 
gedragen werken, waarbij het menschelijk uitbeeldingsvermogen, 
ik zeg niet tot zijn schoonste diepte, maar wel tot zijn uiterste span- 
ning reikt, en zelden in de geschiedenis der zuivere schilderkunst, — 
en ik vergeet hier geenszins de fierste picturale furiën van Gains- 
borough noch van Daubigny, van Constable nocli van Monticelli, en 
zelfs niet die van Turner en Delacroix, — is er in stouter lust, gran- 
diozer vizioen uit machtiger kwast gezwalpt, dan dit uit titanen-fantazie 
geteelde hooglied van het heroïsche levensvuur. 

Jan Veth. 




18 




HOLL A iN DSCHE GEBRUIKSKUNST 

= 't BINNENHUIS — DE WONING - ARTS AND CRAFTS E 

|EDERT de tentoonstelling in Turijn zijn we in HOLLAND- 
't buitenland zoo geducht bekend geworden, SCHE 
dat zelfs de meest droogstoppeliaansche Hol- GEBRUIKS- 
landers, die zich vroeger nooit om den vorm KUNST 
van hun stoelen en tafels en eetserviezen 
bekreunden, hun nationalen trotsch hooger 
gespannen voelen als er thans in gezelschap 
van buitenlanders over zulke dingen gesproken 
wordt. 

Nu is 't wel aardig zoo eens succes en, dat mag gezegd worden, 
verdiend succes gehad te hebben; maar 't komt mij voor, dat nu, aan- 
gezien de roes wat voorbij is en onze eerzucht weer voor eenigen 
tijd bevredigd mag heeten, de tijd is gekomen om de adreskaartjes 
eens te schiften die aan de kwistig geworpen lauerkransen gehecht 
zijn. 

Bij dit onderzoek schijnt aan 't licht te komen, dat de buiten- 
landsche, vooral de Duitsche kritiek, die soms tot patriotische dithy- 
ramben oversloeg (*) en liefst de geliefde Hollandsche broeders in ééne 
groote omarming geestelijk wilde annexeeren, geen of weinig verschil 
ziet tusschen de Hollandsche kunstuitingen onderling. Alle adres- 
kaartjes zijn even fraai en alle kransen even groot. Dat is nu niet zoo 
heel verwonderlijk; het gaat met onze jonge gebruikskunst evenals 
met onze schilderkunst. Het groote Duitsche publiek kent de Hol- 
landsche schilders niet anders dan als een vaste groep, naar 
't schijnt een behagelijke kring van geestverwanten, waar Maris 
en Apol, Israëls en Mesdag, Klinkenberg en Breitner naast elkaar 
zitten. Trouwens de appreciatie van andere landen moge iets fijner 
zijn, over onze inzending in Turijn heb ik nergens een scherp-onder- 

(*j Zie hel artikel Georg Fuchs in hel tijdschrift van Alexander Koch te Darm- 
stadt Deutsche Kunst and Dekoratioiu V^' Jahrg. H. 11; reeds besproken in Onze 
Kunst, 1902, 1I« haltj. biadz. 82. 



19 



HOLLAND- scheidende kritiek gevonden, wat ons niet mag beletten zélf zoo onbe- 

SCHE vooroordeeld mogelijk te blijven rondzien. 

GEBRUIKS- Daartoe geven de in de maand November te Amsterdam gehouden 

KUNST tentoonstellingen van Arts and Crafis in 't gebouw van de maatschappij 

tot Bevordering van Bouwkunst, de Woning in 't Odeon en de perma- 
nente tentoonstelling in de lokaliteiten van 7 Binnenhuis een buiten- 
gewoon gunstige gelegenheid. 

Van het Rokin naar 't Singel en vandaar naar de Marnixstraat 
wandelend, verschaft men zich een algemeen overzicht en komt tot 
resultaten, die van de buitenlandsche beoordeeling in meer dan één 
opzicht afwijken. 

Zoowel 7 Binnenhuis als Arts and Crafts en de Woning exposee- 
ren : enkele meubels, geheele ameublementen, metaalwerk en ver- 
sierde stoffen, terwijl het eerste bovendien aardewerk van de fabriek 
Amstelhoek te zien geeft. 

— De richting van 7 Binnenhuis is betrekkelijk stabiel ; 't pro- 
gramma is ongewijzigd : de vervaardiging van mooie gebruiksdingen 
door juiste keuze van materiaal, 't vermijden van overbodige versie- 
ring, zuiverheid en oprechtheid in de constructie en de afwerking. 

Over 't algemeen kan men zeggen, dat het tegenwoordig geëtaleerde 
aan die zelfgestelde eischen voldoet, ja dat er zelfs in vele opzichten 
een vooruitgang is te bespeuren wat de bruikbaarheid en de uitvoering 
der tentoongestelde voorwerpen betreft. Er is degelijkheid in die 
rechtlijnige kasten, in hun breeden stand op de alspooten doorloopende 
hoekstijlen, in die simpele kastdeurtjes die nooit meer dan de nóódige 
profielen vertoonen en de verhoudingen van hoogte en breedte pleiten 
voor een ernstig en systematisch zoeken. Datzelfde geldt van stoelen 
en tafels; breede vlakken van mooi behandeld hout, stevig staan, 
gladde zuivere omtrek en bruikbaarheid door juiste maten en practi- 
sche bekleeding. 

Begonnen met het strikt noodzakelijke, om zoo te zeggen bij den 
oervorm der dingen, is er door probeeren en weer probeeren voor 
sommige meubels, als bv. de stoel, een bevredigende oplossing gevon- 
den. De crapeauds van Jac. van den Bosch en de lichtere armstoeltjes 
van Berlage zitten werkelijk zoo prettig als men wenschen kan. 

Er valt dus zooiets als een geleidelijke ontwikkeling van den 
• Binnenhuisstoel » te constateeren, die zeker nog beter resultaten had 
gehad, als één model langzaam gecorrigeerd, en niet telkens nieuwe 
van meet af aan beproefd waren; wat natuurlijk voor het variatie- 
lievend publiek noodzakelijk was. 

Meer dan eenige andere is de gebruikskunst van ervaring en 
traditie afhankelijk en ik denk altijd aan dat grappige verhaal van 
Lichtwark in een van zijn causeries, waar hij opgetogen over de 



20 




JAN NAGKL VOORT : Salonmeubelen, ['t Binnenhuis). 

gemakkelijkheid van een stoel in de eetkamer van een Haml)urgsch HOLLAND- 
huis, van de familie hoort, dat de grootvader wel 8 modellen had SCHE 
afgekeurd, vóór dat het meubel naar zijn zin was. GEBRUIKS- 

— Zelfs 't scherpste overleg a priori helpt niet ; men moet onder- KUNST 
vinden. — Ik heb menschen hooren beweren, dat de gemakkelijke 
leuningstoel in Engeland reeds lang bestaat ; men behoeft maar na te 
volgen om zich alle moeite te besparen! Ja, maar men vergete niet, dat 
de moderne easy-chair ten bate van het gemakkelijk zitten of half 
liggen, alle vaste vormen heeft verloren, niets anders meer is dan een 
logge, leeren bak, een kussengezwel, heengegroeid, opgepoft om wie- 
weet wat voor houten ongerechtigheden. Het verbinden van een houten 
toestel met de elastische kussens, zóó dat het geheel er presentabel 
uitziet, is een lastig probleem en ik ga zoowaar gelooven dat het in 
Holland zal worden opgelost. 

Daartegenover staat, dat het programma op andere punten weleens 
al te bekrompen is volgehouden en tot misvattingen heeft geleid. Bv. 
wat aangaat het altijd eerlijk zijn in de constructie. Ik kan mij voor- 
stellen, dat de stoppennen, waarmee de ineengevoegde deelen worden 
vastgehouden, oorspronkelijk een origineele en tevens eerlijke ver- 
siering waren. Men maakte ze van ebbenhout en zoo stonden de ronde 
zwarte puntjes, op de juiste plaats aangebracht, logisch en pikant 
tegelijk tegen de lichtere houtsoort aan. Maar zooals het meer gaat, 
een juist principe is taai en wordt licht een stokpaardje. Of de zwarte 
schijtjes, die soms zelfs hinderlijk de aandacht van den grooten bouw 



21 



HOLLAND- 
SCHE 

GEBRUIKS- 
KUNST 



van het meubel afleiden, 
nog wel allijd op plaat- 
sen zitten waar de stop- 
pennen onmisbaar zijn 
en of men die niet soms 
van minder in 't oogloo- 
pend materiaal diende te 
nemen, geef ik ter over- 
weging, al vermoed ik, 
dat de vervaardigers dit 
zelf al hebben ingezien. 

Met alle logica hangt 
zekere nuchterlieid sa- 
men, die kans heeft in 
dorre fantasieloosheid te 
ontaarden; ook dat heb 
ik weleens gevoeld bij de 
meubels van Berlage, 
Jac. van den Bosch en 
Nagelvoort. 

Ik eisch geen exube- 
rante verbeelding, die in 
't buitenland tot de ploer- 
tigste materiaalverkrach- 
ting geleid heeft, maar die 
onuitputtelijke vinding- 
rijkheid, die als van zelf 
de eene goede oplossing na de andere doet geboren worden. Zoo gaan 
de a kasten » mij weleens vervelen, omdat er maar twee mogelijk- 
heden schijnen te bestaan ze te dekken, 't Is als stond er ergens ge- 
schreven : t Een kast is een ding tusschen vier hoekstijlen, tevens de 
» pooten, en gedekt als volgt : 

• a. Met een naar voren en opzij vooruitstekende, horizontale 
• plank. 

» b. Met een horizontale plank, besloten tusschen de vier hoek- 
» stijlen, die er als stompe paaltjes bovenuit steken. • 

Beide oplossingen zijn zuiver. Men maskeert niets; maar beide 
oplossingen zijn me op den duur toch wat primitief, hetgeen er niet 
op verbetert al snijdt men wat ornament in de koppen van de onder 
b genoemde paaltjes. Ik vind er niet volledig in uitgedrukt, wat ik 
van de afsluiting van een meubel naar boven toe verwacht. Bij a mis 
ik het verband, den overgang tusschen de romp van de kast en het 
dekblad, bij b de vaste geslotenheid, die een horizontale krachtig- 




JAC. VAN DEN BOSCH : Salonkast, ('t Binnenhuis). 




JAC. VAN DEN BOSCH 



Gesmeed ijzeren Haard 
('t Binnenhuis). 



onderschaduwde lijn 
vermag te suggereeren. 

Evenals de stop- 
pennen zijn ook de 
tallooze wiggen, die in 
veel doorgestoken 
sporten van tafels en 
stoelen zijn gedreven 
soms overbodig voor 
de constructie en niet 
meer dan een soort van 
versiering. Als ze los 
zitten kunnen ze den 
gelukkigen eigenaa r 
dezelfde genoegens be- 
zorgen als vroeger de 
wonderlijke knopjes in 
den vorm van urnen, 
bekers, balletjes en 

uien, die onze oude meubelwinkel-prullen al waggelend en rammelend 
heetten te verfraaien. 

Maar dit alles zijn slechts kleine gebreken, gemakkelijk te over- 
winnen wanneer ze eens zijn ingezien en we den tijd te boven komen, 
dat het constructieve versierings-element een propaganda-kwestie was 
tegen de plak- en knoeiwaar der officieele magazijnen. 

Met genoegen zagen we de rustige slaapkamer naar Berlage's tee- 
kening. Het deftige eikenhout met kleine roode laksterretjes spaarzaam 
versierd steunt daar de monumentaliteit der krachtige vormen en de 
waschtafel met het frissche witte blad is in weerwil van de robuste 
details zonder plompheid. Dat de scherpe hoeken en kanten, die de 
arc/ii7ec/-Berlage ook vaak zijn meubels geeft, prettig in 't gebruik zijn, 
geloof ik niet. De oude kwestie of wel gebouwen en meubels door 
dezelfde menschen moeten ontworpen, wil ik hier, bij allen eerbied 
voor Berlage's smaak en werkkracht, even aanstippen. 

Nieuw en bekoorlijk van kleur was de slaapkamer-inrichting in 
eschdoorn naar ontwerp van Jan Nagelvoort. Het mooie blanke hout 
geeft aan het geheele vertrekje een helderheid waarin *t dunkt me 
aangenaam ontwaken zal zijn. Alleen de tafel met de al te rechtvaardig- 
stevige pooten doet lomp, iets afschuinen naar onder had geen kwaad 
gekund. 

Metalen voorwerpen theestellen, bouilloirs, inktkokers, lampen 
enz., zijn, sedert de vroegere medewerkers voor dit vak, waaronder 
zeer getalenteerde, 7 Binnenhuis verlaten hebben, haast uitsluitend 



HOLLAND- 
SCHE 

GEBRUIKS- 
KUNST 



23 




H. P. BKnLA(iE Nz. : Geelkoperen Parapluiestandaard 
('f Binnenhuis). 



HOLLAND- I ~ 1 geteekend door Berlage en 

SCHE ^'i^^Mft^^A'^ï^r^rtr^Ü I ^^^' ^'^" ^^" Bosch. De laat- 

GEBRUIKS- t ■■ «■! «Bi* ■■Ta 1 1 ^re had op dit gebied trou- 

KUNST wens ook al vroeger enkele 

goede dingen geleverd. Zijn 
zonneschermlamp is bekend 
genoeg. 

Ook in dit werk is voor 
de praktijk wel iets gewon- 
nen. 

— De walmkapjes bo- 
ven de lampen, vroeger vast 
en daardoor moeilijk schoon 
te houden, hangen nu weer 
naar oud gebruik los aan 
een haakje; ze zijn « gewo- 
ner ï) geworden. En de ka- 
chels en haardmantels na- 
deren tot een beter type. Aanvankelijk waren ze wat barre ijzeren 
potten geworden, toen men ze om te beginnen maar eens van hun 
opzichtigen tooi van gietijzer en nikkel ontdaan had; maar in den 
laatsten tijd heeft van den Bosch door een juiste combinatie van koper 
en zwart en blank ijzer, toegepast op een intelligent gevonden grond- 
vorm, baardjes en kachels gebouwd waarvan een gezelligheid uitgaat, 
die onze met cuivre-poli en nikkel opgesmukte haardmonteeringen al 
lang hadden verloren. 

Als voorbeeld van een werkstuk, dat nu eens in 't geheel niets 
gemaniereerds heeft, noem ik een parapluie-standaard naar Berlage's 
teekening. — Een geel-koperen klokje — aardig van lijn — is mij te 
krijgshaftig gepantserd voor een zoo klein en vreedzaam voorwerp. 

In het aardewerk blijft veel variatie en ook wel vooruitgang. De 
glazuren en het émail worden voller, de kleuren nobeler, de ornamen- 
tiek houdt zich goed en sluit zich bescheiden, zonder naturalistische 
bestanddeelen aan bij den vorm van het gerij. Wel zou men graag 
eens een enkelen keer den forschen durf van een krachtiger talent 
willen zien. Wat zouden we genieten van iemand, die als sommige 
oud-Delftsche plateelschilders met de punt van zijn licht gehanteerd 
penseel, vast en fijntjes, een gemakkelijker vloeiend ornament op die 
schotels en vazen wist te vleien. Want bij allen smaak die men moet 
bewonderen, bij alle ingetogenheid en accuratesse, spreekt er toch uit 
dit goed niet meer die vreugde als uit zooveel oude faience. Deze serieus- 
droogjes gelijnde figuren, zijn toch eigenlijk voor aardewerk te strak 
gebleven; men zou veeleer meenen,dat ze oorspronkelijk met de vinnige 



24 



trekpen langs een stalen lineaal 
op H dorre papier waren getrok- 
ken. 

Maar laten we maar heel blij 
zijn, dat 't zóóver is, dat we van 
de a blommen » waarmee alles 
beklad werd, af zijn en dat we 
niet meer zijn genoodzaakt onze 
goedkoopere potten en vazen 
voor dagelijksch gebruik uit de 
miserabele sorteering der binnen- 
en buitenlandsche faux-luxe in- 
dustrie te kiezen. 

In elk geval heeft de fabriek 
Amstelhoek een stuw in de goede 
richting gegeven, en bij de beoor- 
deeling moet wel worden be- 
dacht, dat de ceramiek niet in 
dezelfde mate als verscheiden 
andere technieken in de macht 
der uitvoerders ligt, dat hier een 




W. PENAAT : Buffel, (De Woning). 



eeuwenlange empirie de eenige waarborg voor goede uitkomsten schijnt 
te zijn. We staan pas aan 't begin na eene lange periode, die onze 
tradities heeft afgebroken en 't is niet te verwonderen dat een simpel, 
groen Chineesch gemberpotje voor eenige stuivers, van kleur en glazuur 
nog altijd hooger staat dan al onze waar. 

't Best van de Amstelhoek-produclie leek mij 't witte goed waar 

de tengere ornamentjes van 
groen en bleek-oranje be- 
paald gedistingueerd staan 
tegen 't malsche roomwit 
van de stof. 

De batiks en drukjes op 
katoen en andere stoffen 
zeggen ons niets nieuws ; 
maar de blije kleurtjes waar- 
mee Mej. Leur haar zijden 
kussentjes borduurt in de 
open teekening die deze 
techniek vergt, zijn opmer- 
kelijk, daar ze afwijken van 
conventioneel-moderne 
kleur-samenstellingen. 

W. PENAAT : Buffet, détail. {De Woning). 




HOLLAND- 
SCHE 

GEBRUIKS- 
KUNST 



IV 



25 



HOLLAND- Niemand kan zeggen, dat 't werk op de tentoonstelling van de 

SCHE Woning in 't slecht verlichte Odeonzaaltje tegen hel hierboven be- 

GEBRUIKS- sprokene in contrast staat. Men ziet wel degelijk, dat de mannen van 
KUNST de e Binnenhuis-Sezession » zooals de nieuwe vennootschap in Duitsch- 

land al genoemd is, dezelfden zijn die de nader omschreven tradities 
van 7 Binnenhuis hebben helpen vormen. Hun richting is in hoofdzaak 
parallel gebleven ; maar er is toch wel verschil. Mijn algemeene indruk 
is deze : In de meubels van Penaat en MoU is een streven naar eleganter 
verhoudingen. Tegen de wel eens gewilde barheid in de massieve 
makelij van 7 Binnenhuis staat hier een meer studieus afmaken en 
vijlen van geheel en onderdeden. Als direct voorbeeld dient mij een 
dressoirtje van Penaat met een goede oplossing van 't boven aan- 
geduide probleem der afsluiting. Door de oorspronkelijke gegevens 
verder uit te werken is hier, zonder de oude lijmrommel, toch een gave 
overgang tusschen kast en plint verkregen. Dat moge iets duurder van 
bewerking zijn, de constructie is zoo eenvoudig, dat een eenmaal 
bestaand model voor vermenigvuldiging vatbaar en wellicht fabrikatiet 
uitvoerbaar zou zijn. Ook een mahoniehouten stel stoelen eti een tafel 
zijn mij belangrijk omdat er beter dan in de meeste Binnenhuis-meu- 
bels in is te onderkennen de samenhang met het bewegelijke moderne 
leven, dat zich tegen het machtig vierkante niet voelt opgewassen. 

Ik kan hier niet elk stuk afzonderlijk bespreken, maar ik wil toch 
nog even wijzen op een gemakkelijken leunstoel — eikenhout met 
goudgeel trijp — en op een crapeaud met hooge leuning, al beant- 
woordt die in zijn grootvaderlijke allure meer aan onze aesthetische 
verlangens dan aan de toch niet minder rechtmatige van onzen rug. 
Niet ongemakkelijk, maar nog lang niet zóó, dat het teekenende 
woord « luierstoel * te pas zou komen. 

Tegen hooge, overtrokken stoelruggen heb ik bovendien een 
bezwaar. Zal niet de verfoeilijke antimacassar weer noodig worden, 
tenzij er iets wordt uitgevonden om het stuk, waartegen de vlekkende 
achterhoofden rusten, telkens te verwisselen en te reinigen? 

Ook de Woning heeft de stoppennen niet afgezworen, maar 
gebruikt ze soms totaal als ornament. Door het wisselen van het aantal 
boven en beneden aan een zelfde velling weet iedereen, dat hier niet 
veel anders dan een inlegwerkje wordt bedoeld. 

Interessant is vooral de collectie metaalwerk van Jan Eisenlöffel. 
Hij komt met dingen van dagelijksch gebruik voor den dag; koffie- 
en theestellen, bouilloirs etc, maar ook met een mooie, kleine vitrine, 
waarin op wit fluweel een kostelijke verzameling van allerlei sieraad 
is uitgestald ; — gespen en spangen, colliers, ringen en armbanden, 
haarspelden en stokknoppen. — 

Het uitgangspunt is ook hier geen ander, dan voor al het overige 



26 




JAN EISENLOEFFEL : Juweelen, (De Woning). 

werk. Zoo sober mogelijk ; wat de edele grondstof zelf doet, kan de HOLLAND- 
goudsmid door veel bewerking hoogstens bederven. SCHE 

De gehamerde zilveren en gouden gespplaatjes met een enkelen GEBRUIKS- 
amethyst of topaas, met wat émail versierd, doen zoo natuurlijk en KUNST 
prettig aan, hechl als ze zijn en wel in staat om twee weerspannige 
einden van een ceintuur of twee zware slippen van een cape bijeen te 
houden, dat ik een vrouw liever daarmede wil gedecoreerd zien, dan 
met de wonderlijk ingewikkelde bijou's van een Lalique. 

Er is iets barbaarsch in dezen tooi en men kan wel zien waar 
Eisenlöffel geleerd heeft, en dat hij van de praehistorische spiralen en 



27 



HOLLAND- gebogen spelden en van de schatten uit Mykene meer lieefTt a^ezien, 

SCHE dan van de Golhische gildeketens of de overladen broches en agrafTen 

GEBRUIKS- van de Rudolfijnsche periode in Oostenrijk. 

KUNST Toch heeft hij in de meeste gevallen imitatie vermeden en belooft 

deze eerste proef nog veel goeds. Vergelijkt men zijn werk met dat van 
buitenlandsche kunstenaars als Morave, die getracht heeft Egyptische 
motieven voor onze hedendaagsche schoonen om te werken, dan treft 
bij EisenlöflFel de fijnere smaak, die hem weerhield zijn sieraden zoo 
pronkend groot te maken. Is de parure iels anders, dan een accent? 
Mag ze ooit domineeren? Waarom ook in de decadentecultuur van 
het late Egypte gezocht? EisenlöfTers idee is zeker zuiverder en een 
Hollandsche vrees voor alle uiterlijk vertoon heeft hem hier op de 
goede baan gehouden. 

Niet altijd zoo goed als vroeger, toen hij aan de firma Hoeker 
verbonden was, vind ik het émail op de verschillende stukken (onge- 
lijke oppervlakken, blaasjes enz.), maar de ivoren knop van een 
cachet draagt een ornament in deze techniek, van koninklijke kleuren 
gave pate. Kostbare steenen heeft hij weinig gebruikt, al zou er een 
heel enkelen keer met den dieperen gloed van een robijn, en het 
raadselachtig-groene vuur van een smaragd een hooger effect bereikt 
zijn, dan met cornalijn of turkooizen. Maar dat is ten slotte ook eene 
geldkwestie. Brillanten zijn vermeden en ik mis ze niet. De belache- 
lijke parvenu-mode heeft zich van dezen steen meester gemaakt, niet 
om de schoonheid doch om de duurte Het eigenlijke mooi van den 
witten steen kennen wij niet meer. Het geheim van deze gestolde drup- 
pels zonlicht weten alleen de Indiërs nog, die er geen diamantindustrie 
op nahouden; facetteeren maakt schitterend, maar klaterig en koud. 

De inzending van goedkoop metaalwerk is minstens even belang- 
rijk als dit luxekastje; ook hier is de oude samenhang met '/ Binnen- 
huiSy waarvoor Eisenlöffel veel heeft ontworpen, duidelijk, maar ik 
vind de vormen nu nog organieker. De tuiten groeien nog beter uit de 
wijde buik van waterketels en trekpotten, de koffiekan — een heele 
machine — heeft zelfs een dragelijke gedaante gekregen en in de 
onderstellen en komfoortjes is het lastige wankelen overwonnen. 

Ook de voorwerpen van nieuw-zilver, aan wier onvermijdelijk 
gewaande afschuwelijkheid de wereld al begon te wennen^ zijn er op 
vooruitgegaan, vooral de bouilloir is een trouvaille. 

De uitvoering is ook hier weleens ongelijk men ziet, dat de Wo- 
ning nog niet over geoefende werklieden beschikt, maar dat is niet 
onoverkomelijk, al blijft het te betreuren, dat twee lichamen, die 
hetzelfde willen, voortaan om bezwaren van mercantielen aard zijn 
gescheiden en beide die versnippering wellicht tot nadeel zullen onder- 
vinden. Maar het is niet mijn zaak hier te beoordeelen, wat in wijderen 



28 




JAN EISENLOEFFKL : Juweelen, {I)t Woning). 

zin een uitvloeisel is van onze verkeerde oeconomische toestanden, HOLLAND- 
evenmin als ik mij bevoegd voel om Ie voorspellen, of de Woning het SCHE 
met de billijke prijzen zal kunnen volhouden De verbetering van het GEBRÜIKS- 
machine-werk ligt op den weg van haar medewerkers. KUNST 

Onder de gedrukte en gebatikte stoffen van Mevrouw Lebeau- 
Leverington, Chr. Lebeau en Mesquita is veel goeds. Waarom zou 
men met smaak en liefde niet iets moois kunnen maken in een 
beproefd procédé, en waarom zou men zich de weelde niet veroorlo- 
ven die mooie lapjes in de kamer te hebben? 

Maar van een ander plan af is de balik-klein-induslrie Ie ver- 



29 



HOLLAND- oordeelen; ze past niet in den geest van onzen tijd. Met één bekwaam 
SCHlil chef in de ververij van een groote textielfabriek zouden wij meer ge- 

GEBRUIKS- baat zijn en de talentvolle patroonteekenaar, die tevens wever is, en 
KUNST ons door zijn invloed en werkkracht van veel leelijks zou afhelpen, 

laat nog op zich wachten. Ik geloof, dat de te vroeg gestorven Duco 
Crop nog de beste plannen had. 

De machine-verachllng is Ie eenen male mis en noch het batikken 
noch de handweefstoel noch de druk met kleine samengepasle blokjes 
zullen aan de textielindustrie teruggeven, wat zij in de negentiende 
eeuw verloren heeft : stijl, dal is de eenheid met de overige kunst- en 
levensuitingen van onzen tijd. Daarom kunnen we in dit werk niet 
anders dan aardige, soms wel precieuse handwerkjes zien, voorbij- 
gaande luxe-verschijnselen, die als zoodanig ontegenzeggelijk hoog 
staan, al blijft mij een oude sarong of slendang honderdmaal liever. 

Met deze gedachten de tentoonstelling van Arts and Crafts binnen- 
stappend, in het hoofd nog den nagalm van de waardeerende woorden 
der buitenlandsche pers, kan het niet anders dan leelijk tegenvallen. 

Hoe is het mogelijk, vraagt men zich af, dat al deze dingen een- 
drachtiglijk, naast het toch serieusc werk van de hierboven genoemde 
zoekers, is afgebeeld en beschreven in de meeste Europeesche vak- 
bladen? Is hier nu de ernst naar het stokje verhuisd, waarheen vroeger 
de gekheid werd verwezen? Of wkt dunkt u van een rustbank met drie 
halfronde spiegeltjes in het achterschot? Is dat om de vriendelijk 
ontvangen gasten ook van achteren te bespieden? En wat moet ik 
gelooven van dat geel-koperen klokje, dat wel een gestyleerde kattekop 
op een ze?r langen hals lijkt? — Iets als de Riesenkater van koningin 
Victoria, dien Th. Th. Heine eens zoo nachtmerrieachtig op het titel- 
blad van den Simplicissimus teekende ! 

Een andere pendule van rood-koper is gevormd als eene ovale 
doos, dwars op twee kromme voeten geplaatst, die op hun beurt staan 
op een laag uitgezakten pudding van koper. Wat kan hier de inspiratie 
gegeven hebben? Een zeemonster? Och had ik mijn zoölogie maar niet 
zoo schandelijk verwaarloosd ! 

Neen, ik wil rechtvaardig zijn en heb geen enkele reden tot over- 
drijven, maar dit is heusch niet te verdedigen. Ik heb bij nauwkeurig 
onderzoek, behalve de bekende batiks, niets gevonden, waarbij men 
behoefde te weifelen. 

Vaak was de vorm wel niet nieuw, maar de inrichting onpractisch, 
zooals bij de bouilloirs en trekpotten met gegoten koperen ooren, 
waaraan de hengsels zoo dicht boven het deksel zitten, dat men ze 
niet kan aanvatten zonder zich te branden en zijne vingers te klemmen. 

Soms zijn de vormen ook wél nieuw, maar dan zoo avontuurlijk, 
dat men ze eerder in een panopticum dan in eene woonkamer ver- 



30 




Joh. Thorn Prikker : Gebatikte Boekband, {Arts & Crafts). 



wachten zou. Ik herinner 
mij een geel- koperen kroon, 
die aan het geraamte van 
de bekende, opvouwbare 
Elzevier-globe deed denken. 

Andere dingen hebben 
het bepaald van de • van de 
Velde-manier » te pakken 
gekregen; op het eerste ge- 
zicht meent men ze te ken- 
nen, maar eigenlijk lijkt het 
er toch maar zoowat op. 

En de stoelen en tafels 
zijn ook al niet anders; 
excentriek, bizar, gezocht. 
Een ameublement van 
rechte stoelen en een tafel, 
is versierd (?) met zooveel 
ebbenhout-inlegwerk en 
zooveel onnoodige spijltjes 

tusschen sporten en zitting, dat het nu juist niet voor de gezondheid 
pleit, die volgens den heer F. Netscher — in een reclame-brochuurtje 
— eigen zou zijn aan al het werk uit de ateliers van Arts and Crafts. 
Neen, gezond is dit werk zeker niet en chic is het ook niet, want 
daarvoor zijn die meubels te houterig in elkaar gezet. 

Een schrijftafel in een bocht gebouwd, — niet onpractisch, maar 
ook niet origineel, — bestaat aan den voorkant uit latjes en plankjes, 
zóó schraal en bot tegen elkaar geplakt, als kwam het materiaal pas 
van de houtschuur onzer jeugdige timmermansproeven, het sigaren- 
kistje. En aan een damesbureautje zijn de bekende slappe S-lijnen 
zoozeer hoofdzaak, dat de meest welwillende kritiek niet zal beweren, 
hieraan nog een zweempje van het eigendommelijk HoUandsche te 
kunnen vinden. 

Ik wil best gelooven, wat de firma in de brochure met vette letters 
drukt, dat er HoUandsche werklieden, HoUandsche teekenaars, Hol- 
la ndsche rijksdaalders bij de fabriek in gebruik zijn ; maar dat de 
voortbrengselen een HoUandsch karakter dragen meen ik ten stelligste 
te moeten ontkennen. HoUandsche strengheid en eenvoud, kortom de 
ras-eigenschappen zijn hier niet. Men versta mij wel : ik oordeel 
natuurlijk alleen over wat ik hier zie, niet over hetgeen de firma zou 
kunnen maken en wat er op het oogenblik wellicht in den Haag staat. 

Iets minder aanstellerig is een haardmantel van rood- en geel- 
koper ^op elkaar geklonken is dit juist geen mooie combinatie) ; maar 



HOLLAND- 
SCHE 

GEBRUIKS- 
KUNST 



31 



HOLLAND- waarom men de smerige viilkachel door wijde, hiankijzeren tralies 

SCHE heen moet zien staan, begrijp ik niet; een minder kostbaar e a-jour •, 

GEBRUIKS- had betere diensten gedaan. ^ 

KUNST Als ik het wel heb is er bij de geheele onderneming eene vergis- 

sing; men heeft gemeend, dat er tusschen den t van de Velde-stijl t en 
onze Hollandsche neigingen voor stemmigheid een compromis te 
sluiten was, maar dat is averechts uitgekomen. 

Zelfs de batiks, waarvoor Joh. Thorn Prikker veel gedaan heeft 
en die soms door de keus der stoffen en de kleur eene fijnen, vrouwe- 
lijken smaak verraden, zijn rumoerig van ornament. Onwillekeurig 
denki men aan dat brani-type van een koetsier, waarover Münch- 
hausen opsneed, en die volgens hem, of het zoo maar niets was, het 
geheele dessin van het Engelsche wapen met de lange snoer van zijn 
zweep in de lucht klapte ; zóó gecompliceerd als die touwkronkels 
zijn de vliegende lijnen van deze patronen. 

Maar het is al genoeg. Mijn doel is hier niet om amusante verge- 
lijkingen te zoeken ; in den grond vind ik het geval verre van verma- 
kelijk en het feit, dat er een betrekkelijk groot publiek mede tevreden 
is, leidt er waarlijk niet toe om met blijmoedig vertrouwen de toe- 
komst in te gaan. 

Tegen een beweging, die van '/ Binnenhuis en de Woning uitgaat, 
tot stand gekomen door het initiatief van de krachtige mannen, die in 
spijt van het geschetter van zeer velen '/ Binnenhuis hebben opgericht, 
tegen dien krachtigen aanloop, werken ondernemingen als Arts and 
Craps met hun gevaarlijken invloed op het radelooze publiek als een 
rem toestel. 

Of de bedoelingen oorspronkelijk zuiver, maar de krachten daar- 
mede niet in overeenstemming waren, óf dat het van het begin af in 
den commerciëelen opzet van de zaak lag, meer rekening te houden 
met den bedorven smaak van een lichtgeloovig publiek dan met 
strenge beginselen, dat alles zal ik niet beslissen. 

Wel docht mij, dat ik bij vroegere bezoeken aan de magazijnen in 
den Haag minder onverkwikkelijke indrukken had opgedaan. 

Hoe dit ook zij, op het oogenblik maken de drie tentoonstellingen 
een scherpe onderscheiding noodzakelijk. 

W. VOGELSANG. 




32 



KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



UIT AMSTERDAM 




EEKENINGKN VAN 
J VOERMAN, BIJ DE 
FIRMA BUFFA ju^ 
De kleine collectie, 
die eerst in den Haag 
geweest is, hangt nu 
hier. Hel is werk van 
verschiilcnden datum en daarom te be- 
langrijker. 

Voerman is een van die weerbarsligen 
en eigenwilligen, die de overgeleverde 
manier niet grifweg hebben aangeno- 
men. Met benijdenswaarciiggeduld heeft 
hij voor zijn persoonlijken kijk op de 
wereld een eigen uitdrukkingswijze 
welen te vinden. Hij zocht alles precies- 
omschreven, strakker uil te beelden, 
zooveel mogelijk zonder toevalligheden, 
zelfs zonder die bekoorlijke weligheid, 
die de groote Haagsche meesters met 
onverholen vreugde op het papier zagen 
ontbloeien. En — het is al vroeger eens 
kort aangeduid — als het hem mocht 
gelukken toch iets te redden van de 
Jonste die uil den arbeid van alle begaaf- 
den klinkt : als hij er in mocht slagen 
iets van die weelde te behouden bij 
zijn stroevere werkwijze, dan zou hij 
voorwaar een respectabelen marsch 
hebben afgelegd langs den moeilijken 
weg, dien hij voor zich zelven heelt 
gekozen. 

Nu geloof ik werkelijk, dat op deze 
tentoonstelling, in vergelijking met vroe- 
gere, een nieuwe ontvouwing van zijn 
aanleg kan worden opgemerkt. Ik noem 
als voorbeeld, om niet te gaan opsom- 
men, slechts één tamelijk groote teeke- 
ning : (nagenoeg vierkant) Wolkeffekt. 

Tot een reusachtige architectuur zijn 
hier de vlokkige dampgevaarten opéén 
gestapeld, boven den spiegel van een 



BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



half beschaduwd watervlak. Teer als KTJNST- 
een droom in paarsche verten is de 
ranke lijn van den oever der lage landen 
gespannen tusschen lucht en water. Een 
paar koeien liggen op een schuin 
hoekje voorgrond. Vooral in de lucht is 
iets monumentaals; het evenwicht van 
wijs componeeren en de intuïtieve lust 
tot eerlijk volgen van de werkelijkheid. 
Als een plechtige melodie golven en 
strekken de wolkenomtrekken boven 
het effen water. En ook in het faire is 
hier weer dat vlotter uitvloeien der verf 
tot transparante vlakken gekomen, 
waardoor de sapverfleekening iets on- 
tastbaars krijgt ; een eigenaardig mooi, 
dat in Voermans vroegere teekeningen 
in het krijterige dekverfprocedé, ge- 
mist werd in weerwil van alle licht- 
sterkte. In de sobere scala der kleuren 
is een ingetogen hoogheid, die onmis- 
kenbaar wijst op de afkomst van het 
oude Holland, van een Van Goyen en 
Dubbels. Men moge juist in Voermans 
kunst tot nog toe eigenschappen te over 
gevonden hebben, die een verklaring 
uit het kosmopolitisme van onze lijden 
behoeven, in den grond leeft toch ook 
in dezen zoeker een « hollandschheid », 
een besef van het oprechte, het gedra- 
gene, het onopzichtige, kortom gevoe- 
lens die hem op den duur van te veel 
technische proeven afhouden. -- Het 
voorgrondje in den hoek op het Wolk^ 
effect isbï] het opzettelijk verduidelijken 
van de hoofdzaak, lucht en water, wat 
te kort gekomen ; niet alleen stil gehou- 
den, maar Ie glad en leeg-doorschij- 
nend, al te primitief tegen de gelukkige 
bewegelijkheid der overige partijen. 

De Zonsondergangen zijn mij altijd 
nog wat eenzijdig van conceptie. Aan 
het zoeken naar 't tintelend oranje van 
de lage lucht is alles opgeofferd; de 



33 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



bouw van hel geheel, het verband der 
plans onderling hebben schade geleden. 
Een enkele maal is ook als bij Bewolkte 
lucht {no\9) het geval uileen gescheurd 
tol losse brokjes mooie kleur. Men 
bewondert daar meer den technicus 
Voerman, die zijn zwarten en groenen 
tot de fluweeligsle diepten weet door te 
voeren en zijn wit en blauw als prachtig 
email naast elkaar zet, dan den gevoe- 
ligen schilder, die bij machte moest zijn 
vooral het psychische van het avond- 
landschap in volle kleuraccoorden te 
vertolken. Groole bedrevenheid in een 
bepaalde werkwijze is nooit zonder 
gevaar. 

De katalogus vermeldt ook eenige 
Studies. Of deze teekeningen uit den 
allerlaatsten tijd zijn, weet ik niet, maar 
wel staat vast, dal hier opvatting en 
procédé zijn veranderd. Ik twijfel echter 
of wel juist opeen wijze die op de hoog- 
ste verwachtingen recht geeft. 

Een roodgouden zandglooiing in een 
wazig bosch: een kasteeltje verscholen 
achter vreemd-vage, uit nevelsluiers 
opgerezen boomen; wal Hattemsche 
huisjes aan 't water; een tuintje met 
nevelgordijnen over de strakke perkjes 
hebben alle dat minder gebondene dan 
vroeger en soms iets pluizig-pastel- 
achtigs, iels toevallig-charmants, eigen- 
lijk juist veel van dat zelfde wat Voer- 
man in zijn ouder werk zoo angstvallig 
zocht te vermijden. Maar als deze reeks 
werkelijk de eerste bewijzen geeft, dal 
hij de glasscherpe strakheid, nu die 
hem eenmaal den weg heeft gewezen, 
weer wil laten varen, dan geloof ik toch 
niet dat hij dan moest belanden bij dit 
boven aangeduidde andere uiterste van 
vaagheid en wazig kleureiimooi; aldeden 
de mooiste brokjes uit deze laatste din- 
gen heel eventjes aan Pallerson denken. 
Ik houdt het er veeleer voor, dat dit 
alles samen de teekenen van een korte 
verjongingskuur zijn, waaruit de schil- 
der van hel stevig gebouwde en toch 
vrije Wolkeffect is te voorschijn geko- 
men. Maar we gelooven gaarne wat we 
hopen. — Voerman kan als landschap- 
schilder nog veel geven, als hij bestand 
blijft tegen hel verleidelijke van een 
manier, die hem nu al parlen speelt, 
waar hij zich door bijzaken laat afleiden. 
Schraalljes- kinderachtig priemen de 



puntige blaren van het pijlkruid naar 
boven, als een dor ornamentje, kind 
van abstractie, slijf als gebogen ijzer- 
draad, staan ze voor een landschap dal 
als forsche werkelijkheid is bedoeld. 
En het zuiver uitdrukken van den aard 
der dingen, niet enkel van hunne kleur, 
moet den schilder Ier harte gaan om te 
vermijden een hinderlijke onechtheid in 
dit opzicht Er zijn van die oude teeke- 
ningen, gezichtenop Hattem,met prach- 
lige, ruime, welvende luchten, mei 
't blanke schuim van een wolkenbank 
aan de kim en daarvóór een wei, die 
alleen de kleur met gras gemeen heeft ; 
groen fluweelen kussens lijken 't wel, 
gladgetrokken tafelkleeden en de 
vreemde houten koetjes en paardjes 
slaan er op als uit een Neurenbergsche 
doos. 

Minder dan anders is Voerman als 
bloemschilder op deze expositie ver- 
tegenwoordigd. Ik zag een van die ultra- 
marijnen gemberpotjes met vurige Oost- 
Indische-kers, tegen den voornamen 
achtergrond van een achtiend*eeuwsch 
lapje flctsblauwe zij. Van vroeger her- 
inner ik me felroode geraniums legen 
het koeldonkere van blauwe glazuren 
aan en ik dacht dat toen de stralende 
kracht van bloemenkleur en tevens de 
tcere substantie der trillende blaadjes 
nog verrassender waren weergegeven. 
Toch was ook dit bescheiden bloemtakje 
weer zóó, dat het er toe leidde Voerman 
mede boven aan te zetten op de lijst der 
hollandsche blocmschilders. Vergele- 
ken met Onnes, wiens positie ik den 
vorigen keer aanduidde, staat Voerman 
als de minder vluchtige en nooit senti- 
menteel-zwakke. Onnes' bioemenmooi 
is teer, als dat van zeepbellen ; brillant- 
kortstondig I Voermans bloemen dragen 
meer in zich de eeuwige essence, hel 
blijvende wezen der soort, het rustige, 
volle, niet-kwijnende mooi. Onnes' bloe- 
men worden tol stemmings-symbolen, 
zij fluisteren van hel ilroeve verwelken, 
de vrees voor 'l streven der schoonheid, 
als de vochtig glanzende oogen en de 
transparante blos van een teringpalient; 
zij openbaren de heldere stemming van 
een blijen zomermorgen, die koesterend 
zijn zal en goed voor hun zwakke leven. 
Voerman heeft geen bijgedachten. Zijn 
bloemen beslaan om huns zelfs wil. Zij 



34 




.lOSKF ISUAKLS: SCHUITKNI.OSSKRS. 



schijnen Ie geuren en al pronkencier Ie 
ontplooien in hel mntle licht. 

Let op Onnes' vazen ; bijzondere, 
slankehiacynthen-^^lazen met paarschen 
lustre, witte kannen als van bleek albast. 
Voerman zoekt de machtiger kleurnoot 
van den Chineeschen pot ; hij zet twee 
gewone roemertjes simpel naast elkaar 
voor zijn theerozen. In Kamerlingh 
Onnes is iets van een Couperus-natuur, 
daarom houdt hij van het wonderlijk 
zeldzaam-voorname der lila kas-orchi- 
deeén. Voerman weet alle grandeur Ie 
geven aan de vaste zwellende rozen en 
de verre van aristocratische geranium 
Maar als zuiver schilder bereikt hij 
stelliger zijn doel dan zijn confrater, 
die misschien een nerveuzer mensch 
is. Ik beken dat ik nimmer bloemen zoo 
geschilderd heb gezien als door Voer- 
man in zijn goede oogenblikken ; ik be- 
doel zoo zonder alle hulp van de impres- 
sionistische illuzie, die ons immers doet 
gelooven, dal een gesponsd vlekje een 
donzig bloemenhart is, die tooverend 
van een geronnen droppel verf een ver 
welkt blaadje, van een nat in de nétte 
verf getipt streepje géél het hoogste licht 
op een rozenblad kan maken. Zoo regel- 
recht op den man af zijn zijn bloemen 
neergeschreven ; zonder ooit decoratief, 



en om dit gevaarlijke woord eens te ge- 
bruiken, — geslyleerd te zijn. Trek voor 
trek is het mysterie van de roos gepor- 
tretteerd, alles staat er zonder nuchtere 
schoolsrhheid, blank en gaaf. In de 
geschiedenis derbloem-schilderkunst is 
dat éénig. Zelfs de Japanners geven nog 
iels meer hel ornament, meer de teeke- 
ning dan kleur en slof. 't Is of 't oude 
rijmpje weerlegd moest worden, dat zoo 
positief zegt : 

• Qui pingit florem 

Non pingit floris oclorem ! » 

Ten minste van zijn rozen... Maar ik 
dwaal af, wat wel eens mocht, omdat 
onze bloemschilders niet al te veel 
bestudeerd worden. De krans '•ozen op 
een aarden scholel, hier op de tentoon- 
stelling behoorde nog niet lot die pe- 
riode van volmaaktheid. Deze teekening 
was veeleer een schakel uit de ontwik- 
keling, die bij Voerman logisch over 
het harde, papierachlig-scherpe leidde 
tol het bloeiende en fijne - Een ten- 
toonstelling waar men weer eens meer 
van zijn bloemen zal kunnen genieten, 
behoort, hopen we, niet tol de v vrome 
wenschen t. W. V. 

BIJ BUFFA >o^ In de benedenzaal, 
bij de Firma Buffa, is een important 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



35 



KUNST- 

BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



UIT 
ANTWKIiPHN 



schilderij van Josef Israels Ie zien ; uit 
zijn rijpslen lijd. 

Twee mannen, bezij» mei hel lossen 
van een schuil, doen hun werlc mei die 
gelalenheid, die, als dikwijls bij Israéls' 
figuren, lot een slille bespiegeling kan 
leiden. Verder is ook dit werk niets 
anders dan voor de zooveelsle maal een 
verheerlijking van het droeve schoon 
onzei luchten, in den avond na een 
grijzen dag, vlokkig scheurend en door- 
vloeid van zacht flamingo-rood, onzer 
vaarten met den bevvegenden weerschijn 
van hel avondgoud. Het mooie buiten 
en het dofle treurige bruin en grauw 
der armzalig-ged wee voortlevende men- 
schen. W. V. 

BIJ VAN WlSShXINGH >c^ Bij de 
Firma Wisselingh waren twee kranige 
schetsen van Daumier. (^olleclioneurs 
in porle-feuilles en papieren verdiept. 

UIT ANTWERPEN • 

•:ntoonstklling 
A.-j. hi:ymans>in 

HET OUD MUSEUM, 
VENUSSTRAAT. > 
VAN 29 NOVEMBER 
I TOT 18 DECEMBER 
1902 ju^ Een ten- 
toonstelling als i\c'i.Q, waar nagenoeg 
honderd dertig werken uit de verschil- 
lende perioden van één kunstenaar 
vereenigd zijn, is wel geschikt om diens 
talent te ieeren kennen en waardeeren. 
Honderd dertig werken, voor hel 
grootste deel uit particuliere verzame- 
lingen, te dezer gelegenheid door de 
eigenaars in bruikleen afgestaan, en ver- 
eenigd lot een geheel, waar de ontwik- 
kelingsgang van dezen verdienstelijken 
en eigenaardigen landschapschilder naar 
wensch kan worden gevolgd. 

In onze correspondentie uil Brussel 
— waarHeymans nog vóór Antwerpen 
exposeerde — werd zijn leven en stre- 
ven reeds vluchtig geschetst. 

In de beperkte ruimte, die ons hier 
ten dienste slaat, zullen we het niet 
beproeven op dit onderwerp uitvoerig 
in te gaan. Een paar vluchtige aantee- 
keningen mogen volstaan om den indruk 
weer te geven, die Heymans' werk op 
ons maakte. 




Twee, drie, totaal verschillende ma- 
nieren heeft hij beurtelings toegepast. 
Eerst een schilderen met de volle, 
gebonden verf, dik gepleisterd soms en 
met het paletmes glad gestreken, in een 
streven naar fijne, precieuse toontjes, 
heldere luchtjes, met prettige opposities 
van teeder groen, rood, blauw, — een 
werken in den geest van zekere hol- 
landsche meesters van het voorlaatste 
geslacht. Deze schilderijen zijn soms 
wat droogjes, wat wolachtig, raken 
soms het conventioneele — maar blijven 
steeds aangenaam, heider van tona- 
liteit. 

Dan zijnstukken in krachtiger kleuren, 
gloeiend-paarse heidevlakten, zwaar- 
bewolkte luchten, fel-roode daken — 
met iets in het koloriet dat doet denken 
aan zijn kunstbroeder Jaak Rosseels — 
evenals hijzelf een der baanbrekers van 
het plein-airisme hier te lande. 

En ten slotte een nieuwe, verrassende 
omwenteling in opvatting en werkwijze, 
een onversaagd toepassen van de stippel- 
methode op heel andere onderwerpen, 
een zien van de dingen met een heel 
ander oog, een schilderen met een heel 
ander penseel. — Niet langer zijn het 
vredige, kalme tooneelljes die hem aan- 
trekken — brave koetjes in een groen 
weitje, of zeilende schuitjes onder een 
blanke lucht — maar vreemde, haast 
fantastische effecten, spelingen van licht 
en schaduw, tegenstellingen van de 
helderste en donkerste tonen. 

Nu eens het gloeien van lamplicht, in 
een huisje onder een geweldige storm- 
lucht bij nacht — dan het trillen van 
héél licht, héél heldere zonneschijn bij 
het allervroegste morgenkrieken — dan 
het weven van manestralen over een 
tonig-blauw avondlandschap —dit alles 
gezien, haast als in eeii hallucinatie, en 
weergegeven in mozaïeken van stippels, 
streepjes, vlekjes, waardoor een buiten- 
gewone trilling van licht en atmosfeer, 
een dolle speling van kleur bereikt 
wordt. Er is een hartstochtelijk streven 
in, naar het vallen van één indruk, een 
haast roekeloos omspringen met verf 
en penseel, om juist dat ééne moment 
vast te houden, — zij het dan ook door 
een procédé, dat van dichtbij bekeken 
niet anders is dan een verwarring van 
vreemde kleurstippels. Zoo hij hierdoor 



36 



meestal komt tot uitbeeldingen van 
inlens-gevoelde natuurpoëzie — dan 
wordt zijne kleur ook wel eens al te 
wazig, al te etherisch, en krijgt iets 
kalkachligs, dors, iels onreëels, door- 
dien de grenzen van het picturaal- 
bereikbare als het ware voorbijgestreefd 
werden. 

Hoe dit ook zij — in deze tentoon- 
stelling, die als een verheerlijking was 
van zijn levenswerk, deed Heyraans 
zich eens te meer voor als een hoogst 
begaafd kunstenaar, een onvermoeide 
werker en zoeker, die in ons kunstleven 
een gewichtige rol heeft gespeeld ; vele 
zijner werken — zooals het hier eens te 
meer mocht blijken — zullen als merk- 
stcenen blijven staan op den weg van de 
moderne kunstgeschiedenis hier ten 
lande. B. 

^^^^^^^^^^ 
UIT BERLIJN = 



mi 



lüNSTZAAL ED. 
SCHÜLTEyO^Hel 
Berlijnsche kunstle- 
ven,dattotvóórenkele 
jaren des zomers zijn 
hoogste punt bereikte 
in de a groote kunst- 
tentoonstelling o, komt nu ook in den 
winter tot volle ontwikkeling in de vele 
tentoonstellinkjes der kunstsalons. We 
mogen met deze uitbreiding tevreden 
zijn, want de ruslelooze wedijver dwingt 
de kunsthandelaren, hunne naar ver- 
houding kleine uitstallingen meer en 
meer te verzorgen. 

Toch ontbreekt hel dezen wedijver 
niet aan schaduwzijden : om het publiek 
te boeien, veranderen de meeste salons 
om de drie k vier weken hunne ten- 
toonstelling en het spreekt vanzelf dat 
er niet zoo veel deugdelijk werk kan 
voorhanden zijn, als er wel voor deze 
tentoonstellingen verelscht wordt. Het 
gevolg hiervan is de talrijkheid van col- 
lectieve tentoonstellingen van middel- 
matige krachten, — die zich door zulke 
tentoonstellingen meer kwaad dan goed 
doen — en de jachl op beroemde en 
gangbare namen, waarvan de onbedui- 
dendste voortbrengselen nog altijd ais 
uitgangbord gebruikt worden. Wij zul- 
len in onze berichten, waaraan in dit 
tijdschrift slechts een beperkte ruimte 



toegestaan is, alleen de gewichtigste 
kunstgebeurtenissen vermeden en den 
lezer niet vermoeien, met de opsom- 
ming van talrijke namen. 

Die strijd tusschen de kunstsalons is 
voor den oudsten onder hen, namelijk 
dien van Ediiard SchultCy van groot nut 
geweest. Ieder jaar geeft hij zich meer 
moeite om met degelijk werk voor den 
dag te komen Dit goede beperkt zich 
echter meestal tot een of andere speciale 
tentoonstelling, terwijl daarnaast de 
andere zalen het middelmatige en min- 
der-dan-middelmatige bevatten ; hel 
koopende publiek, waarvan de smaak 
doorgaans nog vrij laag staat, bepaalt 
er het gehalte van. 

Van *t najaar hebben wij het genoegen 
gehad, zeven zeer karakteristieke wer- 
ken van Arnold Böcklin — uil particu- 
liere verzamelingen — tentoongesteld 
te zien. Daaronder was hel wonder- 
mooie hoofdwerk : Triton en Nereïde 
(1875). Men heeft Bocklin soms bij Rubens 
vergeleken, en in hunne fantasie-voor- 
stellingen, waar zij de natuur met hunne 
fabelwezens bevolken, is er inderdaad 
eenige verwantschap. 

Toch springt bij een schilderij als 
Triton en Nereïde het verschil tusschen 
beide karakters aanstonds in het oog; 
in een enkel woord is het wellicht op 
te vatten als het verschil tusschen een 
Latijn en een Germaan ; bij Rubens : 
rijkdom van vreugdevol leven, over- 
daad van fantasie ; bij Böcklin de fan- 
tasie gebruikt als een uitdrukkingsmid- 
del van het innerlijke leven, de figuren 
wel bestemd om alles samen te vatten 
wat voor hem aan zielsindrukken in de 
zee verborgen ligt. Een rein lyrisch 
gedicht als de Herfstgedachten van 
Böcklin, een verheerlijking van den 
dood, als zijn Doodeneiland, zijn ver 
van Rubens verwijderd ; toch zijn beide 
kunstenaars eng verwant in een pi.the- 
tisch landschap als de Ruine aan de zee 
of een natuurtooneel als Pan en Dryaden, 

KUNSTZAAL BRUNO CASSIRER >c^ 
Het zaaltje van Bruno Cassirer wordt 
van alle Berlijnsche Kunstsalons wel 
met de zuiverste kunstbedoelingen be- 
stuurd. Het is een der kleinste, maar 
ieder schilderij hangl er goed — op 
weinige uitzonderingen na — en de 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT 
ANTWERPEN 



UIT BERLIJN 



37 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT BKRLIJN 



UIT BRUSSEL 



tentoonstellingen worden het minsl 
afgewisseld Twee kleine kamers, een 
zeer aangenaam leescabinet, en een 
expositiezaal : dat is alles, en uitstekend 
tol stil aanschouwen geschikt Lieber- 
raann is een der hoofdfiguren uit dit 
salon, en de Hollanders komen er dan 
ook dikwijls te gast. De eerste tentoon- 
stelling bevatte een reeks schilderijen 
van Josefisraéls. Het voornaamste stuk : 
De oude Jood, schijnt ons geheel uit 
Rembrandfs geest gesproten, zooals wij 
overigens ook in Holland den indruk 
gekregen hebben, dat Israéls eerst door 
Renibrandt zijn eigen karakter gevon- 
den heeft ; doch niets spreekt sterker 
voor de macht van zijn personaliteit, 
dan dat hij niet door Rembrandt over- 
weldigd is geweest. Onbewogen is de 
uitdrukking van den Jood, die de rol 
perkament met zijn geschrift bedekt, en 
toch is het, of wij zijn binnenste door- 
zien De kleurenladder van Israéls be- 
perkt zich hier tot bruin, geel en blauw; 
de ruimte is als vervuld met geleerde 
ingetogenheid. Kenige aquarellen van 
groot foimaat : Arbeiders die zand 
voeren, Badende Jongen, Landschap heb- 
ben die vochtige kleurenschemerende 
lucht der hollandsche vlakten getrouw 
weergegeven ; het portret van een 
Joodsche Vroutu en van den Kapel- 
meester Rebiczek zijn vol zielsleven. 

Jan Veth exposeerde eene voortreffe- 
lijke naar het leven geteekende portret- 
studie van J. Israéls. Ook Breitner wordt 
ten onzent meer en meer gewaar- 
deerd. Naast een Winteravond, Amster- 
dam, een zeer karakteristiek stuk, 
wekte hij ook onze belangstelling op 
door zijn intérieur Een Japansch Meisje. 
Van Jacob Maris was er één zijner 
lichtende landschappen : Omstreken van 
den Haag ; van Th. de Bock een Straat- 
hoek te Scheveningen. 

KLINGER'S BEETHOVEN >C*^ De 
groote gebeurtenis van het seizoen was 
de tentoonstelling van Max Klinger's 
Beethoven in de kunstzaal Keiler & 
Reiner. Over dit beeld werd er, toen 
het tentoongesteld werd te Leipzig, te 
Weenen en te Dusseldorf, oneindig 
veel geschreven en getwist. Wij achten 
het overbekend, en gaan er dan ook niet 
verder op in. Het hevige voor en legen 




e» de zeer handige reclame van Keiler 
& Reiner, hadden een buitengewonen 
toeloop voor gevolg, en het hoort tot 
den goeden toon er niet enkel geweest 
te zijn, waar den Beethoven te bewon- 
deren, mits kleine voorbehoudingen die 
het verlichte kunstbegrip van den toe- 
schouwer moeten doen uitschijnen. 

Wij hebben werkelijk niet veel ver- 
trouwen in deze bewondering, wanl 
wat het beeld aan grootsheid heeft 
spreekt niet tot ons in tegenwoordig- 
heid van zoo vele menschen. Het 
begeert ingetogenheid en vooral ver- 
langt hel toeschouwers die Beetho- 
ven «« medegeleefd » hebben. En dezulke 
zijn zeldzaam. W. 

UIT BRUSSEL = 

lENTOONSTELLING 
VAN f LE SILLON, » 
IN HET MODERN 
MUSEUM, VAN 8 
NOV. TOT 1 DEC. 
1902 >c.» Na de ten- 
toonstelling van La- 
beur werd die van Le Sillon geopend. 
Deze is veel beter dan verleden jaar. 
Meest al de leden van dezen jongen 
Kunstkring hebben voor goed afgebro- 
ken met de bruine, doorrookte schilde- 
ring, om lichtende vroolijke en heldere 
tonen te gaan gebruiken. Men krijgt de 
indruk, dal ze niet meer tusschen de 
vier muren van hun atelier zitten te 
werken, maar dapper bij de natuur in 
de leer gaan. Onder de meest opge- 
merkte stukken wil ik die van Apol, 
Haustrate, Smeers, Swynecop, Wage- 
mans, Tordeur, Pinot en Detilleux 
vermelden. Verder nog beeldhouwwerk 
van Mascrc. Bastien, een der knapste 
artiesten van den Sillon, heeft dit jaar 
niets ingezonden. 

TENTOONSTELLING A -J HEYMANS 
> IN HET KUNST VER BONI) > 
NOVEMBER 1902 a^^ In het 
Kunstverbond werd een zeer mooie 
tentoonstelling van werken van Joseph 
Heymans gehouden. Naast Courlens is 
deze kunstenaar een der meest bedui- 
dende Vlaamsche landschapschildei's. 
Deze twee groote meesters behooren 
nagenoeg tol hetzelfde geslacht lley- 



38 



mans is een zoon van de Kempen. 
Te Antwerpen geboren, groeide hij 
echter op in een van die dorpjes, waar- 
van de klinkende, haast barbaarsche 
naam zoo goed overeenstemt met de 
kleur en het karakter van het land : 
Wechelderzande. Joseph Heymans werd 
eertijds lot de strijders van het modeine 
impressionnisme gerekena, hoewel zijn 
persoonlijkheid zich eigenlijk aan iedere 
inlijving onttrekt. Toch behoort hij tot 
die schaar moderne artiesten, welke, 
als Corot, Daubigny, Monet, de waar- 
heid in de kunst gezocht hebben ~ en, 
om haar te vinden - dit éene en zege- 
vierende middel hebben aangewend : 
de eerlijkheid. Vóór Heymans hadden 
ten onzent reeds vele schilders met de 
oppermachtige tradities afgebroken ; 
Boulanger en hij vestigden echter voor 
goed het realisme in onze nationale 
school. Heymans was ook met Isidoor 
Meyers een der eersten, die de bitume- 
schildering opgegeven hebben. Steeds 
meer helderheid heeft hij in zijn kunst 
gebracht, hij heeft haar als het ware 
verlucht ; al wat hij niet in de volle 
natuur, in de volle zon zag, heelt hij 
verafschuwd. In het begin — nog vóór 
den tijd der tegenwoordige Fransche 
luministen — werd hij, onder het zoe- 
ken naar licht, wel eens krijtachtig en 
wit — maar later bemachtigde hij het 
procédé en gaf hij ons werken waar de 
lucht, het licht, de vloeibaarste ether 
rondzweefde, trilde als in de natuur 
zelve. Evenals Claus en Van Ryssel- 
berghe heeft Heymans gebruik gemaakt 
van de ontdekkingen der Fransche 
pointillisten, en als Claus heeft hij dit 
procédé toegepast voor zijn persoonlijke 
visie, zonder in overdrijving te verval- 
len. Hij heeft er wonderveel partij uil 
getrokken. Men heeft het kunnen nagaan 
op deze tentoonstelling, waar werken 
als Neuelachliye morgen. Koude regen. 
Schemering, Boerenruiters, Slal bij zons- 
opgang, Inde weiden enz., tol de beste 
behooren van den meester, die nu op 
de volle hoogte staat van zijn talent. 
Later komen we weüichl, in een volle- 
dige studie op Heymans terug. Intus- 
schen hebben we met genoegen de 
schitterende bijval van zijne tentoon- 
stelling in het Brusselsche Kunstverbond 
willen aanstippen. ü. E, 



v^^-^ft^^^^-^^^ KUNST- 
UIT DEN HAAG ^^^^ 



mn 



lüLCHRI STUDIO > 
KERETHNTOON- 
STELLIXG VAN 
WERKEN DOOR 
TACO MESDAG EN 
H. O. VAN THOL > 
16 N0V.-7 JEC. 1902 
>o^ Taco Mesdag, die zooals men zich 
zal herinneren, op tateren leeftijd te 
schilderen aanving,was iemand die men 
naar inhoud en den vorm van zijn werk 
zou moeten rangschikken onder de 
generatie waarvan de werkzaamheid 
valt in den lijd die even aan den bloei 
van hel impressionisme hier in Holland 
voorafging, of men zou hem moeten 
rangschikken onder die groep schilders, 
wier eigenlijke intenties allijd eenigszins 
om het impressionisme zijn blijven heen- 
gaan, hoezeer zij zich ook door deze 
nieuwe wijze van aanschouwen voelden 
aangedaan. Ook hij ging over 't alge- 
meen meer samenvattend dan ontledend 
te werk, hoewel hij zich dichter bij de 
werkelijke natuur hield dan de heroën 
der moderne Hollandsche schilder- 
school. Hij ideahseerde meereene reali- 
teit, die zich altijd hoogst eenvoudig 
voor deed, dan omgekeerd. Men zou er 
niet licht toe komen zijn werk voor 
eene gestalte der Idée te houden. 

Van Thol's werkzaamheid viel in den 
lijd na hel volbloeide impressionisme. 
Er was voor Holland eene nieuwe tra- 
ditie veroverd. Uil de werkplaats van 
ouderen brachten de jongeren eene ken- 
nis mee, die aanstonds aangeleerd, hen 
zou steunen in hun verder streven, zelfs 
zoo dit zich van hun leermeesters onder- 
scheidde. Ook Van Thol zou meer ontle- 
dend dan samenvattend te werk gaan. 
De landschapkunst is de lyriek der schil- 
derkunst. Deze lyriek heeft zich in Jacob 
Maris tol eene ongekende hoogte ver- 
heven. Hij is de compleetste, omvat- 
tendste landschap-schilder van den 
nieuweren tijd, hij is de vertegenwoor- 
diger der meest universeele lyriek, de 
zuiverste, eigelijkste impressionist. In 
hem zou deze kunstsoort kulminecren. 
De jongeren kwamen als van zelf meer 
tol analyse. De ontleding van het land- 
schap, is zelf-analyse. Edz. Koning en 



HKRICHTKN 
UIT DEN HAAG 



39 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



Jordens hebben we reeds in dit tijd- 
schrift als vertegenwoordigers van deze 
richting genoemd. 

Maar deze geestes-attitudc is niet Van 
Thol te zeer eigen. Zijn werk is meer 
te beschouwen als een directe uitlooper 
van het impressionisme. En ik geloof 
dat dit teren op eene erfenis hem niet 
van zoo hoogen rang maakt. 

Het is niet verwonderlijk dal Van Thol 
over grooterschildershabiliteit beschikt 
dan Taco Mesdag. Die habiliteit verovert 
men op tateren leeftijd niet altijd meer. 
Van Thol kan ze meegenomen hebben 
uit een van de werkplaatsen onzer 
oudere schilders. Hij bezit ze in ruime 
mate en ze zou hem altijd helpen om 
toch lot een aangenaam geheel te komen, 
miste hij bijwijlen de hartstocht, die 
vlam, die alleen maar in enkelen, steeds 
schijnt te branden. Deze habiliteit is 't 
ook die hij wel eeiiigszins met Mauve (die 
hem overigens slerk beïnvloed heeft) 
gemeen heefl. Maar 't is dan wel meer 
eigenaardig om op te merken hoe juist 
bij aquarellen, eene werkzaamheid die 
velen zoo eminent door Mauve gepleegd 
welen, die zelfde vaardigheid hem veelal 
in den steek laai. Er is misschien on- 
der de hier tentoongeslelde aquarellen 
een {WiiUernamidday) van eene uilne- 
mende doorvoerdheid, van eene zui- 
vere juistheid wat behandeling betreft, 
die op de hoogte slaat van zijn goede 
schilderijen en er de meesten van over- 
treft. Overigens — wal meer de ideéele 
inhoud aangaat ~ is hem evenals Mauve 
wel eens de weemoed eigen, nu en dan 
getemperd door een dosis humor, ge- 
tuige zijne houtakkers. Het is alweer 
een wintersch geval dat hem bijzonder 
in staat stelt eene fijne en interessant 
makende voordracht vooral te doen 
spreken. Maar wat hem ook aan de 
meeste vertegenwoordigers der oudere 
generatie minderwaardig zou doen zijn 
is het kiezen van een onderwerp, in zoo- 
verre er hier van keuze sprake kan zijn. 
Hij trok onderwerpen binnen de sfeer 
der schilderkunst die daar ten eenen- 
male buiten vallen Zoo meen ik me van 
deze expositie een buitengoed te herin- 
neren : een heerenhuis, op zichzelf zoo 
onsmakelijk en wellicht zoo onlogisch 
van constructie dal Bosboom er vóór 
staande zijn misnoegen zou kunnen ge- 



toond hebben, tevens met een aange- 
legden tuin, wat geen aanspraak op 
schilderachtigheid maakt. Want zoo'n 
geval toont te weinig geschiedenis en 
een natuurlijk geworden zijn, dan dat 
het, in een moment van hel wor- 
den voorgesteld, de gedachte aan en 
daaimede de belangstelling voor het 
eeuwige zou vermogen op te wekken. 
We hebben in deze onderwerpen van 
Van Thol tevens een invloed der roman- 
tiek te constateeren. 

Dat weinige naar voren treden van de 
techniek die eerder door het nog onvol- 
maakte in 't oog zou vallen, is 't wat 
Taco Mesdag, veronderstel ik, in 't oog 
van vele jongeren minder doet schijnen 
dan hij werkelijk is. Als Van Thol is hij 
gewoonlijk weinig diep. Maar behoo- 
rende tot de oudere generatie, waarvan 
er velen door de Franschen van '30 de 
oogen gpopend werden, is hij grooter 
van omvang. De ouderen zijn nu een- 
maal breeder van gebaar en hooger van 
opvatting. 

Nu moet men bij iemand als Taco 
Mesdag, de schilderwijze niet te kritisch 
beoordeelen en een oogenblik hel gebrek 
aan volledige natuurkennis vergelen, om 
tol de eigenlijke inhoud van zijne schep- 
pingen te kunnen doordringen. Dan zal 
men minder als bij van Thol eenige 
neiging naar het genre-schilderen en de 
lust tot typeering opmerken, dan wel 
een vermogen dat hem naar den aard, 
niet naar de uitkomst, boven een 
gewoon landschapschilder verheft. Er 
schuilt iets in hem van een psycholoog. 
Hel is alsof hij u somwijlen iets te den- 
ken wil geven. Dan schildert hij een 
hunnebed, of hij voert u in de navrante 
stemming van een winlersch geval (inde 
cal. toevalliger wijze n® 13): een veld be- 
dekt met sneeuw, een dorpstoren, met 
dor en spichtig geboomte in 't verschiet; 
er komen eenige beladen wagens op u 
af, die een zwerm kraaien doen opvlie- 
gen. Met hen schijnt het fatum over H 
land te zweven. 

Er is handeling in deze schepping. En 
is een geschilderd landschap in 't alge- 
meen te beschouwen als de weerspiege- 
ling van een zieletoestand, dan geeft dit 
u in 't bijzonder meer dan stemming, 
zoo als ik u reeds zeide : handeling. Het 
is het uitwerken, ontleden van een 



40 



zielstoestand. Dit is dus eene geesles- 
attitude die eigen is aan den tijd vóór 
en aan den tijd né Jacob Maris. Zij zal 
het een absuluut schilder niet zijn Zij is 
een moment op den weg die naar het 
absoluut schilderschap voert en analoog 
aan een moment op den weg waarlangs 
men het verlaat. 

H. D. B. 




UIT LEIDEN = 

I VN DAALHOFF 
Het is een bescheiden 
lalenl, mei een nei- 
f^iiig naar geheimzin- 
nigheid Soms heeft 
het werk iels van de 
nuilscheromnntieke- 
righeid, een anderen kec?r is 't klaarder 
geworden, nooit is 't overweldigend of 
over-diep. Werkelik bescheiden, maar 
niet zonder charme. Niet alle oogcnblik 
is *t leven in je zoo breed dat je hangt 
en verlangt naar een woord dat de 
deuren óp-zwaait met eenen grooten 
stoot, of naar een samenstel van kleuren 
dat een grootsch feest is, of lokt tot een 
zwierigen dans. En als je bent in een van 
de rustige uren die zelf bescheiden zijn 
in hun verlangen dan zijn deze dingetjes 
als een zacht verhaal, 't Doet je niet ver 
aan, het maakt je niet oproerig noch 
met mompelenden mond van hartstocht. 
Je ziet het, en 't is aangenaam. 
Poinlillés nemen soms breeér allure 
aan, zooals stadsgezichten, die hij schil- 
derde, maar als je nauwlettend en tas- 
tend doorproeft hoe ver de kracht gaat 
van 't werk, dan is het je duidelik dat 
ook dit niet wijder doordringt dan geest 
van de anderen, zooals huisjes van hem, 
wit en gele banden en de daken hel en 
egaal rood. 

Het is me soms moeielik te bedenken 
op welke plaat zoo een thuis hoort. 
Groote namen noem je dan niet, noch 
van vroeger, noch van nu of den laalsten 
pas verleéen tijd Maar dan krijg je die 
je na zulken opleest. Maar hierbij hoort 
hij evenmin. 

Het is aangenaam door een soort litté- 
raire neiging, zou 'k zeggen. Het is 
deemoedig werk en dal is ;eeker een van 
de onderscheidende dingen. De kleur is. 



of de niet donkere maar paarsche in de KUNST- 
poinlillés, of de eigenlik niet blanke, b^RICHTKN 
eerderheldere van sommige zijner stads- ui at 

gezichten, of alles is gezet in een gulden ^11 DEN HAAG 
licht of in een ander niet reéel-makende 
belichting. De realiteit is z'n doel niet. 
Stemming en die dan deemoedig .. 

Inderdaad het heeft een charme, als 
een zacht verhaal, over iets dat lijkt op 
't leven, maar dit nog niet is. 

Plasschaert. 

^^^'^^^^^^^ 

UIT PARIJS ^= 



UIT LEIDEN 






',NTO ON STELLING 
IN AMSTELHOEK» 
jC^ Een stukje Hol- 
liHid in het hart van 
Pil lijs, in het meest 
nuHidaine en cosmo- 
^^^^^__^^^^^_ polilische deel der 
slad, — rue du Faubourg St. Honoré, 
vlak bij de Madeleine en de Place de la 
Concorde. Vóór het magazijn, achter 
een kleine tentoonstellingsgalerij, uit- 
komend in de rue Boissy d*Anglas. Daar 
is een expositie van Hollandsche Mees- 
ters, de collectie-Van Gogh te Amster- 
dam. 

Het zaaltje is electrisch verlicht. Boven 
de glazen zoldering zijn de electrische 
lampen en men heeft zoo lang gemanoeu- 
vreerd met schermen en reflectors, tot- 
dat een licht verkregen was van onge- 
veer dezelfde waarde als het noorder- 
licht, iets warmer misschien, maar 
neutraal genoeg om alle kleuren zuiver 
te zien. Het kon alleen nog wat sterker 
zijn. Als de deur achter me dicht was, 
gesloten op het blauw-koude licht van 
den somberen winterdag, — in dat stem- 
mige zaaltje, met blank eikenhout be- 
timmerd en behangen grauw-blauw, 
waartegen de harmonieuse kleuren der 
schilderijen in het zachtglanzend goud 
van hun lijsten, onder dat stille licht, 
als van een exotischen dag, — voelde ik 
me als verplaatst in een ander land en 
builen deze wintersche wereldstad. 
Daar waren ze allen, de goede, oude 
bekenden, die ik in zoo lang niet gezien 
had, ze hingen daar zoo gezellig bij 
elkaar, ze waren een stukje vaderland, 
ledere lijst omraamde een kijkje naar 
buiten, als een gat in den muur, hier 



UIT PABUS 



Va. 



41 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT PARIJS 



over eindeloos polderland, over hel 
gouden koren onder de zalige lucht, daar 
in binnenkamers, vol hei-geel lamplicht 
of blanker buitenlicht, met bedrijvige 
vrouwkens, heel een serie van kijkjes 
in land en leven. 

Daar was vlak tegenover de deur 
Willem Maris met zijn Eenden, dons- 
blank in de trillende zonneatmosfeer van 
den slootkant, pluizend hun veeren; 
daarnaast de twee kleine Jaap Marissen, 
minder in het oog vallend, maar zoo 
voornaam, — In de duinen, met zijn 
hooggelegen dorp, waarvan het karak- 
teristiek silhouet van torens en molens 
op den horizont uitgesneden is, — die 
zand-grijzen en -gelen en lichte groenen, 
hier en daar beplekt van pannenrood, 
onder die hooge parel-grijze lucht; — 
zijn November-auond, als onder den 
grijs-bruinen hemel, zwoel en zwaar 
van storm en regen, de lantaarnlichtjes 
beginnen te pinken; — hoe voelde ik 
het sober-blonde van die duinkleuren 
en het sopperige van den laten herfst- 
dag! — Die kostelijke Gabriél, altijd zoo 
blank, met zijn Schoven, ros van goud 
in het rijpe zonnelicht. Een breede weg 
gaat dwars door de stoppelvelden naar 
den verren horizont, - hoe grootsch 
is dat wijde, vlakke land, onder den 
onmetelijken koepel van den hemel! 

O, heel dat goede land is daar, met 
zijn vette groen, zijn zilveren plassen, 
zijn waterluchlen. De Zwart z*n Zand- 
schuit, met hel zware grasgroen tegen 
het hemelblauwe water, Bastert's Dorp 
aan de vaart, waar de blanktinlelende 
wolkgevaarten langzaam over den zil- 
veren spiegel drijven, nog twee kleine 
dingjes van De Zwart, een Polderland- 
schapje, en een Mei kuur, waarin de boer 
met zijn blauwe kiel zoo kostelijk doet 
tegen de rood-en-witte flank van de koe. 
Ook de zandhoek is daar. Willem 
Roelofs heeft er naast zijn vruchtbaar- 
groen Abcoude een soberkleurigDren/5c/i 
dorp; — M. Boks een juweeltje van fijn- 
gelrofl^en harmonie : Schapen in de 
duinen. 

Van inlerieuren is er Hart Nibbrig's 
Larensch interieur, nog in een potige, 
impressionistische manier gedaan, van 
Kever een werkje, waarin een kalk- 
muurtje en tegeltjes, prachtig van stof, 
van De Zwart een binnenhuisje bij de 



lamp, wat zwaar, maar Inliem en ge- 
zellig. 

En hel trof me weer, hoe al die Neder- 
landers zijn als hun voorgangers, van de 
van Eyck's tol den Delftschen Vermeer 
en Pieter de Hooghe toe, al hun artis- 
tieke voorouders, — met hun hartstocht 
voor kleur en licht, hun innige liefde 
voor de geziene dingen, hun goeden 
eenvoud en hun conscienlieusheid. Hoe 
ze nooit bluffen of geuren, zich niel 
vergapen aan vreemde modes, nooit 
iels aannemen, zonder hel zich geheel 
eigen te maken en het op eigen wijze te 
verwerken. Er mogen er zijn, die naar 
den vreemde gaan, hun manier van zien 
en werken blijfl dezelfde. — Daar is 
Bauer met een groote leekening, Delhi 
in een kleur of drie. Van onder een 
roode spitsbogige poorlopeningeen kijk 
op de blaiike, bezonde moskee legen de 
Ooslersch-blauwe lucht. Zeker, in het 
losse spel van zijn vlotte lijnen, in hel 
indislincle van zijn poederige atmosfeer 
is iets exotisch, maar niet meer dan in 
Rembrandl, hel groote voorbeeld van 
zijn techniek, die geen voel buiten zijn 
land gezet had. De Bock heeft er een 
vroeg werk. Barbizon, — de zoom van 
het bosch van Fonlainebleau in avond- 
slemming. Rechts is de sombere, zwij- 
gende boschgevel, waarvoor een een- 
zame, halfdoode boom, zooals men er 
aan dien woesten, door bUksem geleis- 
terden boschrand zoovele aantreft, zijn 
naakte takken in de lucht steekt. Maar 
hel is dezelfde techniek, — merkwaar- 
dig weinig veranderd, wal zwaarder 
toen misschien, - als van zijn Gelder- 
sche landschappen van nu, diezelfde 
breede, vaste vlakken legen elkander 
met hier en daar een veeg van een toe- 
vallig lichtje of kleurtje. De prachtige 
Japansche vrouw van dien door-en-door 
Hollander Breitner, zij met haar be- 
bloemde wille satijn legen hel lerra- 
cotta-roode tapijt, wel, niets van Chinoi- 
serie steekt daarin ; — het is niel meer 
dan een stilleven van kostbare rijkkleu- 
rige stoffen. Alleen dal vroege werkje 
van Jozef Israéls, het Badende meixjCy 
heeft iets vreemds ; — dal zware boom- 
groen en dal zwoele blauw van de lucht 
heefl, dunkt me, iels on-Hollandsch. 

Voor hel laatst bewaarde ik M. Maris' 
Pelites amies. Een lief, droomerig dingje 



42 



als met j^roote kinderoogen gezien. Hoe 
leer dal groepje : de groole zus, die 
hel kleinlje op de wankele beenljes 
houdl. En hel geitje mei de houlen 
pooljes en den vierkanten rug, hel 
klaaglijk blaalkopje over hel hek naar 
hel kleine kindje gestrekt De zon strijkt 
met schuine stralen over z'n witten rug 
en over het puntig gras, waarvan de 
halmen als lancetten blinken. Alleen 
iemand met een kinderverbeelding kan 
aan zoo'n tooneeltje zulk een intensiteit 
en belangrijkheid geven. 

Haast zou ik het eenige stilleven ver- 
geten, Vincent's Aardappelen in blauw 
pluche ! Pikant idee, die ruwe, kaneel- 
kleurige kleiknollen in die zachtzijden 
stof te steken, — maar welk een 
voorname harmonie, die twee groole, 
eenvoudige kleuren legen elkander ! 

Er waren een paar vreemden onder 
hen, twee Fantin-Latours, waarvan éen 
een prachtig naakt, en een* Shannon, 
— maar zoo exclusief een gezelschap als 
deze Hollanders zijn, men heeft ze weg 
moeten nemen, zij vloekten in hun om- 
geving. En dit is juist de reden, waarom 
ik vrees, dat onze Hollandsche meesters 
weinig begrepen zullen worden. Zij 
doen zoo weinig voor, er is zoo weinig 
ostentatie in hen. Een koetje, een wei, 
een eindelooze lucht, een niets! Kan 
men hopen, dal een vreemdeling zulke 
fijne slemmingsbeeldjes zal verstaan? 
Zal hij niet even rondkijken en, niets 
ziende dal zijn aandacht onmiddellijk 
trekt, met een schouderophalen eraan 
voorbijgaan ? 

Wenckebach's fljngeteekende prenten 
van stille Amslerdamsche hoekjes be- 
hooren eigenlijk niet lol de expositie, 
maar zij doen zoo voornaam in hun 
eikenhouten lijsten, met een stukje 
ivoor ingelegd, dal ik ze niet mag ver- 
geten. — Dal de zoo erg-HoUandsche 
Markers en Vollenhovers van Cassiers 
als reclame in de winkelkasl slaan, 
spreekt van zelf. 

^o^De inrichting van hel magazijn.waar 
Amslelhoek's stoere en soliede meubelen 
en kostelijk aardewerk zijn uitgestald, 
is even voornaam als van het zaaltje. 
De fijne grijzen en bruinen van blank 
of even-gebeitst eikenhout, de sobere 
kleuren van hel aardewerk, een enkel 
lapje batik legen hel grijze fluweel, 



waarmee de muren behangen zijn. Er 
is een kleine eetkamer in blank eiken, 
met een grooten schoorsleen en een 
venster met vele luiken, en allerlei 
koperen gerei, alles prachtig van doel- 
matigheid en afwerking, — maar men 
kent hel werk van Amstelhoek en het 
was mijn bedoeling niet er thans over 
uit te weiden. Alleen, hel is ook alweer 
curieus, dat de moderne Hollandsche 
gebruiksvoorwerpen zoo iets eigens 
hebben, (hel goede werk wel te verslaan) 
en dat er van hel moderne-lijnengedoe 
zoo weinig te bespeuren is. Als men 
daartegenover ziel, hoeinbuitenlandsch 
werk hel principe van doelmatigheid 
en construcliviteit verloochend wordt, 
hoe alles overwoekerd wordt door een 
soort van krankzinnig-geworden rococo, 
slappe en nietszeggende krullen, hoe de 
soliditeit opgeofferd wordt aan een 
absurde elegantie ! 

Of ook deze eenvoud aan vele vreem- 
delingen niet een weinig nuchter en 
onnoozel moet voorkomen? Hoe hel 
zij, men moet, dunkt me, wel getroffen, 
worden door de voorname harmonie 
van hel geheel, door de eenheid van 
gedachte die alles beheerscht, dat is de 
voorwerpen te maken eenvoudig en 
bruikbaar, ze niet met ornament te 
overstrooien, maar ze door lijn en 
kleur zelf ornament te laten zijn. 

Parijs, 7 December. R. J. 

UIT ROTTERDAM ^^^^= 

ERK VAN EMIEL 
CLAUS y IN DEN 
ROTTERDAMSCHEN 
KUNSTKRING y VAN 
23 NOVEMBER TOT 
14 DECEMBER 1902 
Wij vermeenen 



KUNST- 
BEKICHTEN 
UIT PARIJS 




UIT ROTTERDAM 



dat het de eerste maal is dat in Noord- 
Nederland een speciaal-tentoonstelling 
is van dit werk. Geëerd en gezocht als 
Claus' is in den vreemde, is hel hier 
slechts sporatiisch dat men doeken van 
dezen Vlaming ziet. En wanneer men de 
zaal met zijn schilderijen binnenkomt, 
dan treft ook onmiddellijk de indruk, 
dal men tegenover een vreemdeling 
staal, iemand van andere inborst als de 
onze ; werk gemaakt in ander, dunner 
licht, in fijner schaduw, in andere 



43 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT ROTTERDAM 



grondformatie dan de onze. Zijn palet is 
vele lonen hooger dan het Hollandsche 
en het vibreerend licht, dal in al zijn 
werk hangt is een licht dat hel veel 
nevelachliger Holland niet kent. Als 
zoodanig begroet Holland dezen Vla- 
ming als een die een andere sprake 
spreekt, maar — evenals het Vlaamsch, 
schoon anders, als Nederlandsch ons 
verstaanbaar in de ooren klinkt, — zoo 
spreekt Claus' kunst, schoon een andere, 
eene verstaanbare taal tot ons, en zooals 
het Vlaamsch ons, zwaardersprekenden 
zoet, zacht en kinderlijk klinkt, zod 
spreekt Claus' werk in zijn lichte zonnig- 
heid een taal die ons wonder helder en 
blijmoedig aandoet. Claus heeft met zijn 
tintelend zonlicht stormenderhand har- 
ten veroverd ; langs de wanden van dè 
eenvoudige zaal is hel één feest van 
spelend zonlicht. 

Daar waar een ijle nevel het licht 
zeeft, bereikt Claus iels zeer fijns en 
aetherisch Aan de boorden van de Leie 
en 3for^en zijn specimen daarvan In het 
eerste is de gamma zeer fijn, door dunne 
waterdampen hangend boven het be- 
koorlijk riviertje, hoog is de horizon. In 
Morgen is ook een wedergave van neve- 
lig licht, voortdurend wint dit schilderij 
en telkenmale komt men tol de erken- 
ning dat Claus een knap werkman, een 
knap ziener is. Het teere moment in 
die fijne athmospheer maakt dit schil- 
derij tot een werk van mooie stemming 
en knap kunnen. Zoo ook is de Maan- 
opkomst een doek dal trekt en boeit 
door waarheid en eenvoud. 

Kr is hier met sobere compositie en 
algeheele afwezigheid van effectbejag 
iets zeer moois bereikt. 

De techniek van Claus is betrekkelijk 
zeer eenvoudig en een die geheel mee- 
werkt om tol het effect te komen dat hij 
wenschl. De kleine penseelzetjes legen 
elkaar, elk op zichzelf staande, geven 
een speling en tinteling die, wanneer de 
verven meer gemengd en vlakker be- 
handeld waren, niet zoo spoedig bereikt 
zouden zijn. Deze wijze van werken 
behoudt in de uilkomst iets brillanls. 
iets levendigs. 

Claus die de dartelende lichtstralen 



door het gebladerte vallend als ont- 
dekte, die graag de grillige schaduwen 
weergeeft die de boomen tegen muur- 
vlaklen en zandige gronden werpen, 
komt herhaaldelijk op dit onderwerp 
terug. Telkens keert weer het motief 
van vriendelijke boerenwoning, vroolijk 
wit of roze getint, volgeplekt met zon- 
nige licht- en doorschijnende schaduw- 
plekken in ongedecideerde vorm. Die 
doeken kenmerken als het ware Claus' 
kunst. Lente is een dergelijk effect op 
kinderkopje met als achtergrond een 
zonnige boerenerf; het is een der meest 
opgevoerde werken van deze expositie. 
Hr is iels frisch en vroolijks, iets darte- 
lend en levendigs in die willekeurige 
schaduwen en lichlspelingen, hel is 
volle zomer, volle, warme vroolijkheid 
op Claus' doeken. Verscheiden er van 
zijn uil zijn eigen omgeving ; zijn eigen 
huis en erf zijn op deze tentoonstelling : 
zijn huis en tuin op zonnigen sneeuw- 
dag, het water, de laan die langs zijn 
grondgebied gaan, de mooie, vriende- 
lijke Leie waarin de koeien zich spiege- 
len of de eenden liggen in den zonne- 
schijn, het is alles uit zijn onmiddelijke 
omgeving en alles inspireerde hem wan- 
neer de zon het belichtte. Enkele malen 
lijkt ons het Hchteffecl te cru, te oog- 
verblindend, wij o. i. geven die effecten 
gaarne voor de meer sobere en gere- 
serveerde; en nog eens in den Boomgaard 
in Vlaanderen in Klaver veld in Hooit ijd 
is de knappe artiest aan het woord, 
vooral het eerste zeer groote doek is 
verbazend knap. In Claus' werk voelt 
men steeds de kunstenaar die hard 
werkt omdat hij graag werkt, die steeds 
op nieuw en met hartstocht en groote 
liefde weergeeft wat hem boeit. Hij 
heeft innige vreugde bij het aanschou- 
wen en innige vreugd bij het weergeven, 
zoo kaatst zijn werk bij ons terug een 
indruk van tintelende vroolijkheid 
waarachter verborgen is : de ernstige 
kunstenaar die zich rekenschap geeft, 
die doel treft en raakt, niet in opper- 
vlakkige toevalliglieid, maar na jaren 
van grondige studie en nog grondiger 
denken. 



44 





CONSTANTIN MEUNIER 

(Vervolg en SlotJ, 



N ^t eerste deel van dit artikel heb ik getracht, CONSTANTIN 
den algemeenen indruk van Meunier's werk MEUNIER 
in woorden om te zetten, mij overgevend aan 
de lyrische macht die uit zijn beelden zingt, 
ons overweldigt en meevoert. Nu draai ik er 
weer rond, in kalmer betrachting : wèt heeft 
me eigenlijk gepakt, en hoe zit die kunst in- 
een? De visioenen van Meunier staan daar nog 
voor mij, omgeven met de trillende warmte der bewondering. Maar 
't is een geestdrift van korten brand, die niet nader bevoelen en 
inniger begrijpen wil. 

Het verklaart al veel van Meunier's vormenwereld, dat nooit de 
techniek óm de techniek voor hem van belang was, de uiterlijke knap- 
heid van doen, maar altijd en in de eerste plaats de gedachte, het 
innerlijke geziene, de wonderbare samengroei van werkelijkheid en 
verbeeldend gevoel, hel beeld dat in den dichter rijst en er zich tot 
passenden vorm doorworstelt. 

Hij was lang schilder en leekenaar, is eerst op tateren leeftijd weer 
beeldhouwer geworden ; sedert heeft hij met penseel en teeken- 
krijt niet minder dan met den beitel zijne idee benaderd : altijd eerst 
en vooral, door welke middelen ook, de sterke rechtstreeksche aan- 
duiding willend van het denk-beeld. 

Evenals de vroege Grieksche tempelplastiek, evenals de dertiende- 
eeuwsche kerkportalen van Chartres, Amiens of Bourges, — monu- 
mentale cyclussen waar een gemeenschappelijk ideaal in straalt, — is 
het werk van Meunier niet de nauwkeurige weergave van een brok 
natuur, maar belichaamt een breed gevoelde gedachte; de vorm is 
maar een teeken, dat den geest gaande maakt, dat den geest verder 
voert dan de grenzen der stoffelijke uitvoering; de idee en haar vorm 
leeft dan in ons voort, groeit voort in ons met de eeuwige schoonheid 
van den geest, wordt tot een herinneringsbeeld dat de volmaaktheid 
nabijer komt dan de steenen of bronzen gestalte van het werk zelf. 



Onze Klxst 1903. Afl. 2. VI 



45 




CONSTANTIN MEINIER : MAN ITT HET VOLK. 



CONSTANTIN 
MEÜNIER 



Ik sprak van een hymne aan den Arbeid : ja, de kunst van Meunier 
is in de eerste plaats van lyrischen aard. Zij wordt gedragen op de 
innerlijke beweging, en leeft door haar alleen. Vandaar, hare buiten- 
gewone aangrijpende kracht; vandaar ook, eenige tekortkomingen. 
Wat Meunier schept in oogenblikken van hartstocht of zachtwarme 
liefde zal onder *t allerbeste blijven staan, dat onze tijden hebben 
voortgebracht. Maar de geestelijke atmosfeer is niet altijd even geëlec- 
triseerd, het gevoel staat niet altijd even gespannen, soms lijkt het 
niet volgroeid en rijp van geleefd leven, niet rijk genoeg om tot één 
visioen te worden, het gehéél te doordringen en te bezielen, en dan 
mist het beeld wel eens de noodige hechte gebondenheid, en laat het 
beknopte der behandeling ietwat onbevredigd. 

Ik zeg wat ik voel, en wil hierin zoo eerlijk zijn als Meunier zelf. 



46 



Mag ik bekennen, dat ik hem óók om zijn gebreken liefheb? Want zij CONSTANTIN 

zijn een teeken van zijn eerlijkheid. Is het gevoel wat massaal, dan MEUNIER 

blijft het bij een onuitgewerkten vorm ; is het niet bij machte, om met 

overtuigende kracht uit alle bijzonderheden te spreken en die tot een 

geheel te klinken, dan zal er onderdoor wat losser werk loopen. Maar 

niets wordt onder mooien schijn verheeld, en kunstgrepen ontbreken 

ten eenenmale. Zooals het is, is het. Het echte, wezenlijke in Meunier is 

Ie groot, dan dat hij door knapheid zou willen verbluffen. Hel is geen 

geringe verdienste, dat de grijze schepper, met al zijn ervaring, aan 

een figuur nog 't een ol ander eens mislukken kèn, waar zoovele 

academisch-geschoolden, die nooit wat te zeggen hadden, hun leege 

gladheid en gewikste « perfectie >> zouden uitstallen. Wie zou zich op 

zulk een bijzonder ongekunstelde, innemend naïeve wijze kunnen 

vergissen, als in de onvaste samenstelling van sommig verheven werk 

der Verheerlijking van den Arbeid? Maar is er een lyrische kracht die 

door het reliëf waaien mag, als in üe Nijverheid, waar één innerlijk 

bewegingsmotief alle lichamen spant en plooit, onder de brieschende 

vlammenvlaag, dan worden alle standen en gebaren én uitdrukkingen 

door eenzelfden rythmus verbonden, machtiger dan welke behendig 

saamgevoegde lijnen-harmonie. 

Aan de echtheid van Meunier hebben wij 't te danken, dat hij zijn 
eigen meester was, altijd zijn eigen weg ging. Ik weet niet waar ik 
gelezen heb, dat hij den invloed van Rodin ondergaan heeft : zulks 
hoeft nauwelijks tegengesproken. Zijn beste werk stond er al, toen hij 
Rodin leerde kennen. Hun eenige verwantschap is, dat beiden met 
stouten greep, wars van alle academisme, hun ideaal verwezenlijkten, 
— en dal beiden boven al het verdienstelijke en gewetensvolle dat 
thans wordt voortgebracht, uitsteken door hun genialiteit, ontzag 
inboezemen door de hoogheid hunner pogingen, door omvang en 
beteekenis van hun werk. 

Rodin, — ik weet niet of er onder de zuiverste Grieken één is, 
die grooter dichter van het Leven mag genoemd worden, die op 
wonderbaarder wijze het minste stukje vleesch heeft weten te bezielen, 
gevoeliger het bloed heeft laten omloopen onder de ademende huid; een 
hand, een vinger, 't heeft alles bij hem dat onbepaalbare dat men de 
levenslijn kan noemen, de lijn die is als een kortstondig-ingehouden 
beweging. Veel meer dan door den dramalischen omtrek treft Rodin 
door de innerlijke boetseering, alle onmerkbare overgangen zoo rein 
uitwerkend, dat men aan 't gezegde van Hokusaï denkt : die wilde er 
toe geraken om geen punt meer te teekenen, dat geen leven zijn zou. 
Geen trek bij Rodin, of hij is als de samenstelling van een menigvul- 
digheid van plannen. Hij vereenvoudigt ook, maar dan na lange en 
zorgvuldige ontleding, na strenge uiteenzetting van alle geringste 



47 



CONSTANTIN bijzonderheden. Zijn rustige lijn is een samenstel van vele mogelijke 
MEUNIER bewegingen . 

Maar Rodin is bijzichüg, en laat het te dikwijls in zijn werk blijken: 
hij vervalt wel eens in het fragmenlarische. Zijn monumentaal werk 
behoort zeker niet tot het beste wal hij gemaakt heeft.... Meunier zal 
zich niet zoo pijnlijk bekreunen om de lot het uiterst doorgedreven 
behandeling aller onderdeeltjes, maar voelt en ziel groot, en weel hel 
gebaar dat machtig op de lucht afteekenl, en tol de menigte spreekt. 

Bij Rodin, als bij Donalello, de liefde voor alle vormen van het 
leven. Met dezelfde belangstelling, met dezelfde teedere bewondering 
heeft hij het harde of sappig-bloeiende vleesch weergegeven, de frissche 
huid van het jonge meisje, de ruïne van 't oude wijf. Alles wat rond 
hem heen in 's werelds zonneschijn wisselt in gestadige herschepping, 
hij heeft hel voor een oogenblik willen vasthouden en vereeuwigen, elk 
ding met zijn eigen schoon, eiken trek in zijn eigen beteekenis geval. 
Hel is wel kenmerkend voor hem, dat hij zichzelf ontdekte, den 
oorspronkelijken scheppingsdrang in zich voelde opstijgen, toen hij 
te Brussel wonend als werkman bij een beeldhouwer, eiken Zondag 
naar hel Zoniënbosch vluchtte, en er in de stilte den duizendvoudigen 
lenigen spontanen groei van boomen en planten gasloeg en in zich 
opnam. Hij is een der grootste vinders van vormen en rythmen die 
ooit beslaan hebben, de kunstenaar die met pantheïstische liefde het 
volledigst onzen nieuwen religieuzen zin voor het al-leven heeft uit- 
gebeeld. Die zin is de eenheid van zijn werk. 

Meunier is uitgegaan van een zekere visie, van een bepaalde 
opvatting der schoonheid van den werkenden man, veel meer dan van 
dien trek naar elke gedaante der eeuwig veranderende natuur, 't Is of 
Rodin zich door de natuur liet dragen, waar zij hem heenvoeren wil, 
terwijl Meunier van den beginne af vast staal, gevend een stuk werke- 
lijkheid zooals hij het in zijn binnenst weerspiegeld en herworden ziet, 
geheven op zijn gevoel, dat niet aan alle zijden openligt tot rijke 
verscheidenheid van plannen en ver verschiet, maar imponeert door 
zijn grootheid, zijn hooge en eenvoudige macht. 

Juist daarom wordt men, bij een tentoonstelling zijner werken, 
als welke vóór een paar maand te Brussel ingericht was, door eenige 
eentonigheid getroflfen. Er zijn koppen die men gestadig weerziet, 
bij mijnwerker als bij landbouwer, en in de behandeling van handen 
en voeten b.v. is zeker niet zooveel afwisseling als in de werkelijkheid 
zelve. De monumentale zin van Meunier heeft hem in de eerste plaats 
tot schepper van algemeene typen gemaakt. 

Sommige figuren schijnen zelfs meer te leven door de gedachte 
die in hem geworteld is, dan door de rcchlstreeksche gewaarwording 
van het zijnde en wordende rond hem heen. Er zijn er die naar alle- 



48 




CONSTANTIN MEUNIER : OUD PAARD. 



gorie overhellen (de Zaaier mei de ploeg) en in De Oogst wordt de CONSTANTIN 

werkelijkheid zoo. willekeurig gezien, dat de idee wel ietwat van hare MEUNIER 

overtuigingskracht verliest. Ja, het moet me van 't hart : ik weet niet 

waarom ik bij zekere beelden uit den laatsten tijd noodzakelijk moet 

denken aan de onreëele literatuur van iemand alsCamilleLemonnier: 

meer ingenomenheid mei een strekking, een persoonlijke opvatting, 

dan open oog en eenvoudig natuurlijke liefde voor wat is. 

De groote Zaaier b.v., bovenop de Verheerlijking van den Arbeid ^ 
zou me nog meer aangrijpen, als hij niet in de toekomst scheen 
te kijken De gedachte wordt hier al voldoende uitgesproken door de 
heerlijke beweging van den zaalenden arm, het gebaar sterk van spier 
en zenuw, vol latente wilskracht,bemeeesterd en zeker : die arm is 
zeer duidelijk van beteekenis, maar toch geheel en al en niets dan 
leven, gezien en gevoeld door een geniaal beeldhouwer, terwijl er in 
het hoofd een symbolistisch bijsmaakje is, dat zich eenigszins opdringt. 

In zijn meeste landbouwers-figuren geeft Meunier ons iets anders 
dan zuivere werkelijkheid. Elk stuk is als een strofe van den zang — 
zang van mannelijken wil en strevende kracht — die in hem zelf aan 
't luiden is. Om nu maar op eene bijzonderheid te wijzen : opstand 
tegen het drukkend geweld der natuur heb ik nooit in den blik van 



49 



CONSTANTIN een boer gelezen : die opstand is iets van ons, — iets van Meunier (of 

MEUNIER Millet), niet van den boer zelf. 

Alleen het feit, dat ik hier Meunier en Millet in éénen adem noem, 
bewijst dat het me eigenlijk niet te doen is om « kritiek », maar om 
kenmerking van *t wezen dier kunst : dat soms Meunier, evenals 
Millet, de menschheid niet in allen eenvoud vertolkt zooals die is, in 
hare eeuwige en algemeene beteekenis gevat, maar eigen streven, van 
tijdelijk belang, en bij-bedoelingen, die naar elders wijzen, sterk 
betoont en vooruitschuift, stempelt nog een goed deel van zijn werk 
tot romantische kunst. 

Een goed deel, misschien vooral onder het werk der tien laatste 
jaren te zoeken : meer dan vroeger schijnt daar de welbewuste wil te 
hebben meêgetimmerd aan 't gevaarte van die kunst. Maar — evenals 
bij Millet — voel ik me nog meer aangetrokken en gepakt door zoo 
menig innig geziene, direct eenvoudig uitgedrukte visioen, waar 
opvallend gebaar van handelende figuren ten eenen male ontbreekt. Ja, 
Meunier heeft genoeg werk geleverd, waar de persoonlijke idee, die 
van een nieuwe gemeenschap droomt en zingt, moet verbleeken vóór 
een alles doordringende Hefde, die de nieuwe gemeenschap is. Daar 
zoek ik zijn zuiverste daad, zijn volste kunst. Men denke aan sommige 
beelden van « kolenkoppen » (« tiess'-di-houille »), die ik niet nader 
meer weet aan te wijzen. Iets van dat gevoel leeft ook in 't hier 
afgebeelde oude en stramme Mijnpaard^ die ruïne van hoekige 
schonken en ingeslonken balg, den achterpoot lam optrekkend in 't 
werktuiglijke van den stap, de verslaafde knol, die veel afgezien heeft, 
zoo gedwee en zoo goed. Maar nergens, geloof ik, zoo breed en grootsch 
als in de Vrouw uit het Volk : daar is een innigheid die het geheel 
doortrilt en bezielt, zoodat het minste trekje ons ineemt en warm aan- 
doet. Dat afgesloofde en stille hoofd blijft in mijn herinnering staan, 
omgeven van *k weet niet welke atmosfeer van vrome genegenheid, — 
van begrijpende liefde. 

AuG. Vermeylen. 




50 



DE TEEKENINGEN DER 



VLAAMSCHE MEESTERS 



DE ROMANISTKN (Vervolg). 




[rans Floris (1520-1570), is een der aanvoer- DE TEEKE- 
ders van de Antwerpsche school uil de xvi^ NINGEN DER 
eeuw. Met liem verovert die school den VI.AAMS(^HK 
eersten rang in onze gewesten en vangt hare MEESTERS 
heerschappij aan, die gedurende drie eeuwen 
voortduurt. Naar Antwerpen stroomden de 
beoefenaars der Vlaamsche kunst, van hier uil 
werden hare voortbrengselen over heel de 
beschaafde wereld verspreid. 

Met Frans Floris* optreden verdwijnen de laatste sporen van den 
middeleeuwschen trant en wordt de hervorming in den geest der 
Italiaansche Renaissance voltrokken ; de klassieke oudheid, de groote 
meesters uit het zuiden : Rafaël, Michel-Angelo en de meesters van 
minderen rang, die hun spoor volgen, worden de hoogste en onfeilbare 
wetgevers. Met hem ook neemt het teekenen den voorrang in boven 
het schilderen, niet meer het teekenen naar de werkelijkheid, zooals 
deze zich voordoet in het gewone leven, in de huiskamer, op de straat, 
in het veld en zooals Peter Breughel ze afgespied en weergegeven had, 
maar naar de natuur zooals men ze leert zien in de Academie, in het 
atelier, met menschen gevormd naar de voorschriften der school en 
naar de voorbeelden der antieken, onberispelijk van vorm, sierlijk van 
beweging, kunstig van groepeering.Tooneelen uit het ware leven worden 
onwaardig geacht vereeuwigd te worden door het penseel ; gebeurte- 
nissen uit de Bijbelsche geschiedenis, in deftige samenstellingen ver- 
tolkt, worden behouden, maar daarnevens worden de heidensche fabel 
en het academisch zinnebeeld bronnen, waaraan men rijkelijk put. 

Floris teekende gemakkelijk en veel, veel meer voorzeker dan ons 
van hem is bewaard. Van zijne overgebleven teekeningen kennen wij 
vooreerst een groot getal allegorische figuren met de pen geteekend 
en gewasschen met inkt. Meest al deze zinnebeelden bestaan uit een 



51 




DE 1 EEKi:- 
NIXGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



DK STHAF DER ÜIEHIGEN, NAAH FEDERKiO ZfCCARü 

DOOR EEN VOLGELING VAN FRANS FLORIS, (Londen, BriUsh Museum). 

enkel personage, eene vrouw doorgaans, op zijn antiek gedrapeerd. 
Antiek ook en heidenseli en doortrokken van de denkbeelden üer 
wijsgeeren, dichters en kunstenaars van oud-Rome zijn de onderwer- 
pen, die deze figuren voorstellen. Ofschoon allen in gelijken geest zijn 
opgeval vormen zij talrijke afzonderlijke reeksen. Zoo onderscheiden 
wij de Vier Levenstijden der wereld, de Vier Werelddeelen, de Zeven 
Kunsten, een grooter getal van Deugden, Begaafdheden, Toestanden, 
ook wel verpersoonlijkingen van Latijnsche spreuken. Nauwelijks treft 
men onder al deze stukken, waarvan wij er 75 kennen, een enkel met 
christelijken zin aan, namelijk een vrouwentrits : Geloof, Hoop en 
Liefde verbeeldende. Het Museum Plantin-Moretus bezit 50 dier stuk- 
ken, de heer René della Faille te Antwerpen 22, het Rijksmuseum te 
Amsterdam 3. Alle dragen den naam van het voorgestelde in het Latijn 
met Nederlandsche vertaling ; een paar voeren daarbij de dubbele 
samengevoegde F, naamteeken des kunstenaars; een paar dragen 
namen van Anlwerpsche edellieden en wel het eene Malineus, het 
andere H. de Halmale, de waarschijnlijke bestellers van de schilder- 
werken, voor welke deze leekeningen studiën waren. 

Het British Museum te Londen bezit eene reeks van zes groote 
teekeningen, de straffen der hoofdzonden in de hel verbeeldende. Wij 
deelen er een stuk van mede : de Straf der Gierigen. De belangrijke 
teekeningen staan op Kloris' naam, maar worden hem verkeerdelijk 
toegeschreven. Zij verbeelden dezelfde onderwerpen op nagenoeg 
dezelfde wijze als de fresco's, die door Federigo Zuccaro in den koepel 
der hoofdkerk van Florence werden uitgevoerd. Zuccaro (1542-1(H)9) 




FRANS FLORIS : 

EXPERIENTIA 

(Antwerpen, Museum Plantin-Moretus). 




kwam later dan Floris. Deze kan dus zijn werk niet gezien hebben DE TEEKE- 
en daar er geen twijfel bestaat of de vervaardiger der teekeningen NINGEN DER 
heeft de Florentijnsche fresco^s tot model genomen, zoo moeten de VLAAMSCHE 
bladen uit het British Museum aan een anderen kunstenaar, waar- MEESTERS 
schijnlijk een leerling van Frans Floris, toegeschreven worden. 

Hel British Museum bezit nog een drietal andere stukken van 
Frans Floris : een Vroolijk Gezelschap^ zingende, musiceerende, drin- 
kende en minnekoozende mannen en vrouwen ; de Vier Evangelisten 
en de Doop van Christus. In den Louvre bevinden zich dertien bladen 
van geen bijzonder belang. In het Museum te Dresden, de Val van 
IcaruSy bijzonder stout van beweging en de Marteldood van een heilige, 
beide zijne naamletters dragende, alsook eene Venus zonder naam, 
maar met het jaartal 1556. 

Zijn trant was breed en los : met enkele pennetrekken gaf hij een 
figuur weer, grootsch van worp, edel van lijn, aanvallig in zijne statig- 
heid. Met enkele penseel trekken van bister geeft hij er uitsprong en 
malschheid aan. 

Inde laatste helft der zestiende eeuw werd Antwerpen ook de voor- 
naamste zetelplaats van den boekhandel in onze gewesten, een der 
voornaamste in heel de wereld. Er ontstond daar eene werkplaats voor 
graveurs en een markt van kopersneden zooals er elders geene tweede 
te vinden was. Ontelbare platenreeksen, tot bundels verzameld, ver- 
schenen daar en werden naar alle streken verzonden. Tot in het 
midden der xvne eeuw, duurde de bloei van dien kunsttak voort en 
onder den invloed van Rubens en door de werken der graveerschool, 
die hij in het leven riep, werd zijn beteekenis voor de kunst een 
zeer aanzienlijke. De graveurs, die deze markt voorzagen vóór het 
optreden van Rubens' plaatsnijders^ waren ongeëvenaard in de fijnheid 
hunner bewerking, in den glans hunner prenten van geringer afme- 
ting. De namen der gebroeders Wiericx, der Sadeler's, der CoUaert's 
worden nog altijd en te recht in hooge eer gehouden. In de grootere 
stukken en meer bepaald in die welke de vele platenreeksen vormden 
was de bewerking ruwer en de kunstwaarde minder. Zij die de 
teekeningen voor die gravuren bezorgden leverden meer blijk van 
vruchtbaarheid in het vinden en gemak in het uitwerken dan van 
edeler gaven. Zij waren altijd bij der hand wanneer er iets in beeld 
te brengen was uit de heilige of uit de wereldlijke Geschiedenis, uit 
het rijk der Allegorie of der Wetenschap, waar er dieren of men- 
schen of wat ook af te beelden was. 

Hun voorganger en de vruchtbaarste uit de handvaardige 
schaar was Marten De Vos (1532-1603). Wat die voortbracht aan 
teekeningen van allerlei aard grenst aan het fabelachtige ; tellen kan 



vu 



53 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



men ze niet, men mag ze schatten op 800. Geen pen bracht hij op 
het papier of er ontstond een beelJ, geen beeld was er geteekend 
of een ander kwam er zich neven plaatsen en vele andere volgden 
om een tafereel te maken dat er altijd ordentelijk uitzag, nooit sterk 
aangreep, maar nooit erg tegenviel; waar altijd leven en beweging, 
maar nooit groote kracht of eigenaardigheid in te vinden was. Met 
hem triomfeerde de kunst in de school aangeleerd en pasklaar gemaakt 
voor eenieder, stoffelijke kunst die werkte op de oogen, maar den 
geest onaangeroerd liet en die geheel in kunstnijverheid verliep. Ge- 
woonlijk zijn het godsdienstige onderwerpen. Zoo 143 stuks aan het 
leven der eremijten gewijd, 53 heiligen van België, eene reeks van 51 
tafereelen uit het leven van Christus en een ander van 46, 15 vrouwen 
uit het Nieuwe en 20 uit het Oude Testament, omstreeks 150 andere 
onderwerpen uit het Oud- en het Nieuw Testament, 8 stuks in de Evan- 
gelicce Imagines historice van Hieronymus Natalis, 10 stuks voor een 
Missaal, 7 stuks Christelijke Deugden, 3 Goddelijke Deugden, 12 Zinne- 
beelden op de Vervolging der eerste Christenen. Verder ook allerlei 
reeksen van Deugden en Ondeugden, van Kunsten en Wetenschappen, 
tal van Landschappen, de Vijf Zinnen, de Vier Jaargetijden, de Vier 
Werelddeelen, de Vier Elementen, de Zeven Planeten, de Zeven 
Wonderen, de Twaalf Maanden, de Tien Geboden, 8 stuks Patria 
libertali restituta, 134 stuks in de Metamorfosen van Ovidius, 14 Bono- 
rum el Malorum Consensio^ zonder nog te rekenen wat hij leverde ter 
versiering van boeken van minder belang. 

Vele dier teekeningen zijn bewaard. Het Museum Plantin-Moretus 
onder andere bezit nog 8 platen geteekend voor een Missaal, waarvan 
wij er een mededeelen (1582-1588) en 40 van de 46 die hij maakte voor 
een Getijdenboek ; in den Louvre vindt men er 21 : de Vier Kerkvaders 
(1587) zes stuks onderwerpen uit het Oud en Nieuw Testament (1578, 
1582, 1584, 1585, 1587, 1588), vier allegorische triomfwagens (1585-1586), 
drie andere allegoriën (1583), een Jacht van edellieden (1584), een prach- 
tige titelplaat (1588). De Albertina bezit er 14 uit de Geschiedenis van 
den Bijbel en.van de heiligen ; het oudste stuk draagt het jaartal 1573, het 
jongste 1589. Het Prentenkabinet van het Rijks-Museum te Amsterdam 
bezit er 5 ; het Prentenkabinet te Dresden één, dat van TErmitage te 
St. Petersburg 6, dat van Windsor Castle één. Al die teekeningen zijn 
met de pen gemaakt en met bister gewasschen, zij zijn keurig uitgevoerd 
zoodat de graveur ze trouw en gemakkelijk op zijne plaat kon weer- 
geven. Met kleine gekreukte lijnen leent hij hun beweging, met over- 
vloedige bister-penseeling maakt hij ze tot een soort van waterverf- 
schildering. 

Van Stradanüs of Jan van Straet (1523-1605), den Bruggeling die 
naar Italië uitweek, zich daar in Florence ging vestigen en ontzaglijk 



54 




MARTEN DE VOS : 

DE KRONING VAN MARIA. — Teekening vooreen Missaal. 

(Antwerpen, Museum Plantin-Moretus). 




veel modellen voor de graveurs leverde, bezit de Louvre niet minder DE TEEKE- 
dan 33 teekeningen meestal Jachten en Dierenstukken, onderteekend de NINGEN DER 
eene Stradanus ftamingho firenze 1567; de andere Joan Stradanus VLAAMSCHE 
Academicus Florentinus 1596. Een enkel historisch onderwerp : de MEESTERS 
Koningin van Saba, bevindt zich in het pak : het is een zeer verdienste- 
lijk werk geteekend : Praticca della Strada fiamingho 1567. Al deze 
stukken zijn door de graveurs nagesneden. 

Een andere, maar een weinig of niet gekende kunstenaar verschafte 
in denzelfden tijd talrijke modellen aan de graveurs, namelijk Peter 
VAN DER BoRCHT, die uit Mechelen naar Antwerpen kwam en die van 
1565 tot 1599 verscheiden honderden teekeningen voor de Plan tij nsche 
drukkerij vervaardigde. Van al zijn werken is er ons niets met zeker- 
heid bekend dan 15 teekeningen, berustende in het Museum Plantin- 
Moretus, met veel zorg uitgevoerd in scherpe miniatuurachtige bewer- 
king. Eene reeks van veertig teekeningen toehoorende aan den Louvre 
te Parijs geteekend B en toegeschreven aan Jacob De Backer zal ook 
wel van zijne hand zijn. 

Het archief van het Museum Plantin-Moretus deed ons dezen 
vruchtbaren kunstenaar van naderbij kennen. Vroeger werden de 
naamletters P. B., op de platen door hem of naar hem gesneden, 
doorgaans verklaard door • Peter Breughel d met wien hij niets 
gemeens heeft. Men verwarde hem daarbij nog met een Peter 
VAN der Borcht, landschapschilder^ geboortig van Brussel; van dezen 
laatste vonden wij in het prentenkabinet te Berlijn eene fijne pen- 
teekening, een landschap, met herder en schapen, zijn monogram 
dragende en het opschrift Peeter van der Buercht uan Brussel in 
Ausborch 1615. 



[^ 



Crispun van den Broeck (1530-1601) werkte insgelijks voor Plantijn. 
In de verzamelingen der groote Antwerpsche drukkerij wórdt van hem 
eene teekening bewaard van O. L. V, uan de zeven Weeën y die door 
Hieronymus Wiericx werd gegraveerd. Het British Museum bezit van 
hem eene Besnijdenis uan Christus, dragende zijn naamletters en het 
jaartal 1570, eene Ontmoeting uan O. L. V. en Elisabeth en eene tweede 
Besnijdenis; de Louvre, een Allerheiligen vs^n 1576 en eene Vlucht in 
Egypte van 1586; de Uffizi te Florence, een gewrocht met allerlei dieren 
in verschillende kleuren, gedagteekend van 1588 ; het Rijks-Museum 
te Amsterdam, twee stuks Bijbelsche geschiedenis van 1576 en zeven 
stuks Allegorien ; het Prentenkabinet te Berlijn, een Jupiter en Pluto 
van 1588. De meeste dezer stukken zijn voor de graveurs uitgevoerd. 
Hij teekent met kleine trillende pennetrekjes en toetsjes van bister op 
eenen grond van chineeschen inkt en verkrijgt aldus eenigszins zwe- 
vende figuren, maar toch treffende efifekten. 



55 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



Onder de historieschilders van dien tijd blijven er ons een drietal 
te vermelden 

De eerste Lambert van Nooht (1520-1571), Van hem bezit de 
Albertina twee belangrijke stukken, onderwerpen van groote schilde- 
rijen, de eene verdeeld in vijf arcaden, onder welke Onze-Lieve- 
Vrouw drie apostels en een bisschop-begiftiger afgebeeld zijn; de 
andere een groot stuk met de pen en blauwe waterverf Christus bij 
Caïphas, beide onderteekend i Lambertus a Noort 1559. i> 

De tweede is Frans Poürbus (1569-1622). Van hem vinden wij in 
het British Museum een Zondvloed in den trant van Frans Floris met 
het onderschrift • F. Pourbus fecit. • 

De derde is Denijs Calvaert (1540-1619), een Antwerpenaar, die 
naar Bolonje trok en werkte in den aard van Marten De Vos. De Louvre 
bezit van hem een Bekeering van Paulus, onderteekend « Dionisis 
Calva . . 1579 • en een Elièzer en Rebecca « 1570.Dionisi Calvart; • het 
British Museum, de Bruiloft van Canaan van 1591, de Moord der 
Onnoozele Kinderen, een bijzonder fraai stuk en een Agnes met den 
draak van 1589. 

Met Otto V.cnius (1558-1629) treden wij de zeventiende eeuw in ; 
alle zijne prentwerken, en hij vervaardigde er verscheidene, verschenen 
na 1600 : Horatii hlacci Emblemata in 1607, Amorum Emblemata in 
1608, Vila D. Thomae Aquinaiis in 1610, Batavorum cum Romanis 
Bellum en Hisioria Septem infantium de Lara in 1612, Amoris divini 
emblemata in 1615, Emblemata sive Symbola a principibus viris Eccle- 
siasticis ac Militaribus aliisque usurpanda in 1624. Van al de teeke- 
ningen voor deze gravurenbundels is mij slechts een enkel blad onder 
het oog gekomen : het hoort toe aan het Prentenkabinet van de Ermi- 
tage te St. Petersburg en bevat vier zinnebeelden. Op een stuk berus- 
tende in het British Museum en onderteekend Otto Ven f, beeldt 
de meester zich af aan zijn ezel zittende en een emblema teekenende. 
De Albertina bezit van hem nog een portret van Giulio Romano (Otto 
Venius del* .4" 1600) en een portret van den Aartshertog Albertus, die 
hem tot zijn hofschilder had benoemd. In het Museum te Berlijn 
worden een paar stukken hem toegeschreven. Alles bijeen maar weinig 
voor een man, die zoo ontzaglijk veel voortbracht. Hij teekende niet 
alleen veel, maar goed; gemak van vinding had hij in groote mate; hij 
maakte met de pen evenals met het penseel correct werk, glad in de 
uitvoering, behagelijk, maar zonder gespierdheid. Dat Rubens veel van 
hem leerde blijkt ook uit zijn teeken werk; de hoofden uit de Albertina 
brachten mij tot de overtuiging dat meer dan een der koppen van 
onbekenden aan Rubens toegeschreven en wat zoeterig van trant van 
zijn meesters hand is. Het portret van Aartshertog Albertus is om- 



56 



ringd door eene zinnebeeldige omlijsting, zooals Rubens er ook eene DE TEEKE- 
teekende rond de portretten van de Infante Isabella, van Olivarez en NINGEN DER 
van Charles de Longueval. VLAAMSCHE 



MEESTERS 



Van een anderen van Rubens' meesters Adam van Noort (1562- 
1644) bezitten wij veel meer teekeningen ; zij zijn voor ons zooveel te 
belangrijker daar het de eenige werken zijn die wij hem met zekerheid 
mogen toekennen ; al de schilderijen toch die op zijnen naam staan 
worden hem willekeurig toegeschreven. Van groot belang zijn de 
werken echter niet, alleen leveren zij een bewijs onder meer andere 
dat Adam van Noort geen merkbaren invloed op zijne beroemde leer- 
lingen uitoefende. Het Museum Plantin-Moretus bezit er veertien van; 
negen werden geteekend om tot modellen te dienen voor de plaatjes 
in Riverus' Sacruni Oratorium en vijf voor Saillius* Thesaurus Precum, 
In den Louvre treflfen wij er achttien aan : verscheidene kinden- mans- 
en vrouwenportretten, een paar onderwerpen uit de fabelleer en uit 
den Rijbel ; vele er van zijn gedagteekend met jaartallen, die loopen 
van 1584 tot 1611. In de Albertina zijn er drie, een ervan geteekend 
« Adam van Oort fecit ; * alle drie behandelen Rijbelsche onderwerpen. 
Het Rritish Museum heeft een Noë en dochters ; het Museum te Dresden 
bewaart onder den naam van Cos^teri een stuk dat zijn naamletters 
draagt A. V. N., alhoewel het weinig overeenkomt met de overige 
teekeningen. Deze hebben niets gemeens met Rubens, zij laten als 
trant van bewerking eerder aan Marten De Vos denken. 

Max Rooses. 




57 



DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK EN 
COLENBRAN- 
DERS 
ONTWERPEN 




DE DEVENTER TAPIJTFABRIEK EN 
COLENBRANDER'S ONTWERPEN = 

lOO min als een photografie in staat is het 
IdeureflFect van een tapijt van Colenbrander 
sveer te geven zoo weinig gelooven we in het 
onderstaande ook de eigenlijke aesthetische 
waarde van dezen vorm van toegepaste kunst 
te kunnen toe lichten. Er is bovendien al be- 
trekkelijk veel geschreven over de voortreflFe- 
lijkheid van Colenbrander's tapijtontwerpen 
en de uitmuntende manier, waarop ze achtereenvolgens door de 
Amersfoortsche en Deventer tapijtfabrieken worden uitgevoerd. Vragen 
we hieronder dus nogmaals het woord, dan is het meer om nog eens, 
en naar we hopen onder een nieuw publiek, de aandacht te vestigen 
op dezen tak van zeer nationale kunstnijverheid en een ietsje bij te 
dragen tot de trouwens reeds zeer bevredigende verspreiding ervan. 
Laten we dus trachten met onze eigene woorden te zeggen datgene wat 
anderen vóór ons al met de hunne hebben gezegd : dat Colenbrander 
een tot nu toe waarlijk onovertroflFen tapijtteekenaar is en dat de 
Deventer fabriek een inrichting blijkt, waar zijn werk wordt uitgevoerd 
zoodanig dat hij het niet beter wenschen kan. 

Het is intusschen niet gemakkelijk deze waarheden, helder als 
glas voor wie ze eenmaal aanvaardden, ook aannemelijk te maken voor 
de hardhoofdigen, tot wie ze ditmaal in hoofdzaak zijn gericht. 

Deze tapijten zijn zoo zuiver kunst en zoo uitsluitend gevolg van 
den wensch iets moois te vervaardigen, dat ze behooren tot dat gebied, 
waar de menschelijke geest slechts tot voertuig moet hebben het 
gelouterd gevoel om er door te dringen. We bedoelen daarmee nu 
niet, dat deze tapijten tot hoogere gedachten of moreele voortreffelijk- 
heden zouden opvoeren. Het tegendeel is juist : ze zijn uitsluitend ver- 
siering en al moet het voortgezet verkeer er mee een opheffenden 
invloed hebben op den geest, betoogen in eenigerlei zin doen ze niet. 
Dit laatste is het bewijs van de aanwezigheid eener eerste deugd. 
De grootste fout van een kleed is wel dat het een voorstelling bevat : 



58 




TH. A. C. COLENBRANOER : TAPIJTONTWERP. 



kleedjes met honden of herten, andere met bloemruikers of met 
wondere gelijkmatigheid verspreide rozen zijn zaken, die ieder van 
ons nog wel kent uit den tijd, dat de menschelijke banaliteit vrij spel 
had in de industrie. 

Een tapijt van Colenbrander is een versiering, een rand in dezen 
toon rond een veld in dien toon, en niets meer! De uitdenker van deze 
tapijten is, in dit opzicht, er een in de negativiteit geweest : hij heeft 
bergen geëlimineerd op het gebied der vloerversiering; en niets gela- 
ten dan wat kleur en lijn, welke beiden in de practijk ten slotte zich 
samenstellen tot een enkele functie : kleurtegenstelling. Zijn kleuren 
hebben nuancen. In catalogi en in kunstrecensies zien we deze tapijten 
aangeduid als Lenle^ Tranen^ Artisjok, Takken, en zoo voort. Toch is 
het, dunkt ons, verkeerd te meenen dat deze namen eenigermate 
zouden aanduiden welke « stemming :» aan de verschillende aldus 
betitelde tapijten te hechten zou zijn. Het is onjuist aan te nemen dat in 
Tranen iets droevigers zou zijn dan in Lente, en in Takken iets meer 
boomachtigers dan in het kruidachtige Artisjokken. M die namen dui- 
den slechts op een vorm en samenstel van lijnen, wier primaire vorm 
trouwens verdwijnt in den overvloed van andere, later bijgebrachte 
versierings-figuren. De titels zooals we er boven enkele gaven en zoo- 



DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK EN 
eOLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 



58 



DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK EN 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 



als er nog meerdere in gebruik zijn, zijn niet meer dan namen. Ze 
dienen ter onderscheiding, maar duiden evenmin als Jan of Piet een 
eigenschap van het ontwerp aan. 

Het is van eenig belang om daarop de aandacht te vestigen, opdat 
men ook hier weer niet hoogere bedoelingen gaat veronderstellen, 
waar ze absoluut afwezig zijn. De symboliek en het mysticisme zijn 
de zwakke zijden van onze moderne kunst. Ze zijn het kenmerk waar- 
door men de zwakkere geesten constateert ; en op den duur vergroo- 
ten ze zich wellicht nog eens tot den factor die het werkelijk aesthe- 
tische element vervangt. Het zij dus nog eens herhaald dat men het 
versieringsmotief bekend als Tranen niet uitsluitend behoeft te gebrui- 
ken in eene rouwkamer maar ook in eene eet-, of werk- of andere 
kamer, dat Lente niet bij voorkeur verbonden worde aan jeugdige 
vroolijkheid en Artisjok niet bij de keuze van een eetkamertapijt bij 
voorkeur in aanmerking mag komen. Men zal zeggen dat dit dingen 
zijn, die wel van zelve spreken; maar toch bleek het reeds een enkele 
maal, dat dit voor sommigen niet het geval is. De liefhebberij om bij 
kunstzaken er iets meer achter te zoeken is er allengs diep in geraakt; 
en men kan niet zorgzaam genoeg zijn bij zijn pogingen haar weer uit 
te roeien ! 

Wat Colenbrander dan wel doet met zijn tapijten, als hij niet 
huilt met • Tranen » en lacht met a Lente * ? 

Wel, hij verschaft een verbazend hecht kleurfondament in uwe 
kamer, waarop ge met uw stoelen, uw meubelen, uw schilderijen voort 
kunt bouwen ! Hebt ge een tapijt van Colenbrander op uw vloer, dan 
weet ge, dat uw kamer iets dragen kan, dan hebt ge als het ware 
een symbool van de hechtheid der balken en der fundamenten, waar- 
mee uw architect uw veiligheid waarborgde Dit is de symboliek die 
aan Colenbrander's kleursamenstellen toegeschreven kan worden. 
Een vergelijking kan de waarheid daarvan misschien duidelijker 
maken. We denken er natuurlijk niet aan hier nog de waanzin der 
honden- en bloemen-tapijtjes aan te halen. We denken slechts aan 
dingen die althans passabel zijn, bijvoorbeeld aan een lichtgrijs kleed 
met een versierings motief, dat uit ongeveer cirkelachtige figuren is 
samengesteld. Zoo 'n kleed zal al heel weinig een fond zijn, ook al 
kwetsen kleur en teekening nu niet bepaald het oog. Men zal er iets 
in voelen van het wankelende, dat den eerstbeginnenden fietsrijder 
belaagt, het onzekere dat eigen is aan alle figuren, die zonder daartoe 
genegen te zijn tot de functie der vlakversiering worden gedwongen. 
En het grijs, als hoofdtoon van deze vloerbedekking zal u bezwaarlijk 
voorkomen in verband met de sterkere kleuren, die ge wel van zelve 
in uw kamer brengen moet. Het koper van een lichtkroon, het diepe 
bruin van een eiken kast, de gloed van een schilderij dat alles zal u 



60 




Oereproduoeerd met de welwillende toeateniinlng van « het Mudelhain >, Amsterdam. 
TH. A. C. COLENBRANDER : TAPIJT. 

voorkomen te wichtig te zijn om door dat lichte grijs met al de hoepel- 
achtige figuren gedragen te worden. En als ge herhaaldelijk en te 
vergeefs hebt getracht een goed geheel te krijgen, en verschillende 
meubelen zonder resultaat hebt geprobeerd, dan zult ge eindelijk tot 
de slotsom komen, dat uw lichtgrijze kleed geen kleurfondament voor 
uwe meubelen is, tenzij het lichte breekbare en weinig bruikbare 
dingetjes zijn in een van de Lodewijkstijlen ! 

Het vermogen veel kleur en kleurtegenstelling te dragen nu bezit- 
ten Colenbrander-tapijlen in zulke een mate, dat ge niet bevreesd 
behoeft te zijn dat eenig meubelsoort er voor te wichtig zou wezen. 



DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK EN 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 



vm 



61 



DE 

DEVENTER 

TAPUT- 

FABRIEK EN 

COLÈNBRAN- 

DER'S 

ONTWERPEN 



Uitzondering maken we natuurlijk voor de Fransche salondingetjes, 
die op een Colenbninder-tapijt zouden slaan als een lelietje der dalen 
op den rug van een olifant. 

Opeen stevige kast van Hollandsche eikenplanken, die veel eeuwen 
heeft bestaan en nog een paar eeuwen mee kan doen, zet men geen 
Louis XV-penduletje; maar men neemt daarvoor van dat zware vaste 
Delflsche blauw, dat zelf ook weegt als ijzer en lood ! Dezelfde hechte 
constructie als de eiken kast in Ylaamsche of ander renaissance-stijl 
heeft het kleurengamma van Colenbrander's tapijten. En ook voor de 
eikenplanken vindt men een equivalent : het zijn de krachtige vaste 
kleuren, die in de Deventer tapijt-fabriek aan de wol worden gegeven. 
We bedoelen voor het oogenblik niet, al verdient dat ook wel vermel- 
ding, dat het kleuren der wol geschiedt met de grootst mogelijke zorg 
voor de vastheid der kleuren, zoodat eerst een lange reeks van zomers 
over een kleed moet gaan voor men een spoor van de werking der 
zonnestralen ontdekt ; maar wel de kracht der gebezigde kleuren uit 
een aestetisch oogpunt. De afdeeling der Deventer-fabriek, waarin aan 
de kleuren kwestie de noodige zorg wordt besteed, behoort onder dege- 
nen, die aan de directie het minste hoofdbrekens gekost hebben. 
Het geldt immers het verstrekken van een materiaal, dat geheel buiten 
de controle van den ontwerper omgaat, die dus ook niet in de gelegen- 
heid is door toevoeging van een tint of anderszins aan eventueele 
gebrekkigheden tegemoet te komen. Zoodra de teekening het atelier 
van Colenbrander verlaten heelt geschiedt de uitvoeringvan het kleed 
natuurlijk geheel mechanisch. De wol wordt geverfd, de verschillende 
kleuren worden verdeeld over de bakjes van de werksters, die de 
c puntjes • aan de kettingdraden strikken» volgens het hun verstrekte 
patroon ; de lade valt en een geheele reeks atoompjes is langs zuiver 
machinalen weg aan het tapijt toegevoegd. Andere werktuigen grijpen 
het kleed aan en het wordt geacheveerd, slechts door de blinde bewe- 
ging van ijzer en staal. Het is dus duidelijk dat de atoomen die zoo 
snel door de handen der werksters gaan, vooraf van zoodanigen aard 
moeten zijn dat ze aan de illuzie die de artiest zich stelde in alle 
opzichten voldoen. En dat gebeurt in de « chemische afdeeling • der 
fabriek, alias de ververij, die thans onder leiding staat van den Heer 
H. J. Peters. Daar is het dat die mooie kleuren worden, die vervolgens 
worden overgeleverd aan die lange reeks van werkplaatsen en machi- 
nes, en een gang gaan, die de wol brengt van den rug der schapen 
naar den salon. We zullen hier niet spreken van die aandoening 
welke men krijgt wanneer men bedenkt dat het vieze product der 
natuur door een reeks van bewerkingen vervormd wordt tot een voor- 
werp, waarop het talent des kunstenaars zijn onmiskenbaren stempel 
heeft gedrukt. De wonderen der techniek te beschrijven is onze 



e2 




TH. A. C. COLENBRANDER: TAPIJTONTWERP. 



bedoeling niet : en zoo zwijgen we ook over de Deventer fabriek 
zelve, die tegelijk met den tegenwoordigen directeur, den Heer J. G. 
Mouton een artiest als Colenbrander aan zich verbond en daarmee 
het recht verwierf zich te rekenen onder de eerste kunstnij verheid- 
instellingen van ons land. 

Het was voorzeker een moedige daad van deze fabriek, die 
dateert uit de 2de helft der achttiende eeuw en waaraan natuurlijk 
allerlei eerbiedwaardige maar ook sommige lastige tradities vast- 
kleefden, een modern kunstenaar te verbinden die met zijn kunst- 
revolutionaire opvattingen menige gevoeligheid moest kwetsen. 

Aan den anderen kant mag niet worden vergeten dat de Heer 
Colenbrander in deze fabriek, berekend op een krachtige productie en 
die in practischen zin toch haar verleden had dat voor haar pleitte, 
gevonden heeft wat hij noodig had. Tapijten te teekenen en de gelegen- 
heid te missen ze te doen uitvoeren, tapijten te doen uitvoeren en de 
kunst niet te verstaan, ze in de wereld te brengen; het zijn beide 
dingen, van zeer geringe feitelijke waarde. Deze laatste werd dan ook 
eerst ten volle aan Colenbrander's talent toegevoegd, toen met den 
nieuwen directeur der fabriek de practische factor zich aan de aesthe- 
tische, zooals hij in Colenbrander vertegenwoordigd was, huwde. Daar- 
mee kreeg onze moderne « tapijtkunst ^ (zullen me het maar voor een 



DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK EN 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 



63 




GrppntdiiMfMil iiu-t «!•• 
TH. A. C. CüLliNBUANDKH : TAPIJT. 



Mflwilleiuio t«»f>'t«>niming van It^t Modelhuis », AtnsterdMU 



DE 

DKVENÏER 
TAPIJT- 
FABUIEK EN 
COLENBRAN- 
DERS 
ONTWERPEN 



oogenblik noemen) haar maatschappelijke waarde; en daarmee werd 
de weg gebaand naar de winkeliers, de tentoonstellingen, de salons, 
in een woord naar de bekendheid bij en de waardeering van het 
publiek. 

Dat dit voor dezen vorm van kunstnijverheid een levenskwestie is 
geweest, behoeven we nauwelijks te zeggen. Er is geen zaak van 
dagelijksch gebruik, waarvan de productie een zoo uitgebreide reeks 
van bewerkingen vereischt als het tapijt. Waar een stoel, een kast, 
een stuk koperwerk nog dooreen werkman desnoods met een enkel 
exemplaar te gelijk gemaakt kan worden, daar verlangt het tapijt 
verschillende ervaren werkers en vele machines. Het spreekt dus wel 
van zelve dat een kunstnijverheid als deze zonder steun van de zijde 
van het « kapitaal • — passez-moi den zeer zakelijken term — niet tot 
ontwikkeling kon komen. In de Deventer-tapijtfabriek bestaat de 
mogelijkheid van een bekrompen productie in het klein met hand- 
werk en al de euvelen van dien, waarmee anders vaak de moderne 
kunstnijveren nog dweepen, eenvoudig niet. Het is een moderne 
fabriek geworden, niettegenstaande haar eerbiedwaardigen ouderdom ; 
de laatste uitvindingen worden er in practijk gesteld. Dat dit allerlei 
voordeden met zich brengt, dat kunnen we verzekeren, en geen 
nadeelen, daarvan overtuigt men zich bij de beschouwing van Colen- 
brander s tapijten. 



64 




Gereproduceerd met de welwillende toestemming van < het Modelliuis •, AmHterdani. 
TH. A. C. COLKNBRANDKR : TAPIJT. 

Maar we hadden het over de atomen, waaruit de Deventer-tapijt- 
tahriek Colenhrander's kunstwerken opbouwt. Natuurlijk draagt de 
vervaardiging daaraan veel bij tot de hechtheid der aesthetische kleur- 
sanienstelling van deze tapijten. Gebeurde er alles niet met die zorg 



G5 



DE 

DKVKNTliH 

TAPIJT- 

FABRIKK EN 

COI.KNIilUN- 

DEU'S 

()NT\VE1\PEN 



en nauwgezetheid waar het erop aankomt den wil van den ontwerper 
te gehoorzamen, diens voortreflfelijke illusies zouden eenvoudig bedor- 
ven worden. En juist daarom staan we voor deze tapijten als voor 
kunstwerken, waaraan geen andere hand raakte dan die des meesters. 
Het is geen toegepaste kunst meer, maar de wenschen van Colenbran- 
der worden in die mate getrouw door de fabriek vertaald, dat de 
producten diens kunst zelve worden. We kunnen dus denken dat 
het heel wat moeite heeft gekost de machines, de grondstof en een 
heel leger werklieden en beambten te drillen tot de discipline, die een 
voorwaarde is, waar het er op aankomt de uitvoering der ontwerpen 
een bijna volmaakte te doen zijn. Ze moet aanwezig zijn ; en vandaar 
dat we bij de bespreking van deze tapijten geen rekening behoeven te 
houden met het verschil tusschen de illusie van den kunstenaar en de 
werkelijkheid. Deze tapijten zijn als schilderijen. Het streven en trach- 
ten van den maker vindt men erin terug; en bij eenige nauwlettend- 
heid is het zelfs niet onmogelijk den ontwikkelingsgang na te gaan, 
waardoor het eenvoudige motief en den geest van den ontwerper 
groeide tot een compleete versiering. 

Men heeft eens opgemerkt dat het wel steeds onmogelijk zal 
blijven schijnen de schoonheid aan Colenbrander's tapijten met de 
noodige scherpte onder woorden te brengen. En inderdaad, waar men 
tracht die woorden te vinden voelt men zich wel telkens nader komen 
bij het doel, maar tevens wordt men zich meer bewust ervan, dat dit 
dóel nog niet bereikt is. Het blijft, waar men de schoonheid zelve met 
woorden poogt aan te duiden, bij een noemen van de eigenschappen. 
Misschien vooral daarom is deze moeilijkheid zoo groot omdat de 
aesthetische hoogte die Colenbrander in zijn tapijten bereikt een 
impressionistische blijft. Het is iets meer dan kleurtegenstelling en wal 
meer dan vlakversiering, In de manier, waarop de kleuren hier naast 
elkander komen, en vooral ook in de wijze waarop de versiering is 
verdeeld ligt iets spontaans, dat in het impressionistische schilderij 
zijn equivalent vindt in de lyriek. Men voelt het, het is hier niet een 
architect die zijn middelpunten heeft uitgezet en zijn verhoudingen 
heeft verdeeld en daarnaar zijn motieven uitwerkt tot de vlakversie- 
ring. Maar deze en de verdeeling van het vlak moeten te gelijk zijn 
geworden. Ze zijn niet te scheiden; ze zijn erbeide op neergeworpen 
door het artistiek gevoel, nog vóór het verstand den tijd had de 
mogelijkheid ervan na te gaan. Ze zijn als de natuur, waarbij alles 
mogelijk is. En de kleuren zijn van te hoog effect dan dat ze niet meer 
dan een banale combinatie zouden zijn van tonen, die goed bij elkander 
staan. Er bestaat een onderlinge wisselwerking, die van het kleurvlak 
meerdere kracht bijzet en aan de kleurmengeling een diepte van toon- 
werking verschaft zooals men diekentop het impressionistisch schilderij. 



6ü 




Gerepruduceerd met d«* welwillende toevtemming van < het Modelhuin >, AniRterdaro. 
TH. A. C. COLENBRANDER : TAPJJT. 



Het is een fout Colenbrander s tapijten te vereenzelvigen met de 
« moderne Kunstnijverheid • en met de moderne kunst in het alge- 
meen. Al mag hij dan een voorlooper heeten, die thans zijn plaats in 
de vaderlandsche Kunstnijverheid open vindt, de synthese van zijn 
kunst is een heel andere. Voor hem moet er van illusie tol werkelijk- 
heid, van fantasie tot ontwerp, maar éen afstand zijn, zonder rustpunt. 
Zijn tapijten kunnen niet het voortbrengsel zijn van verstandelijke 
overweging, al duurt het misschien langen tijd voor de plannen tot 
deze tapijten tot werkelijkheid kwamen. Bij de « moderne • schilder- 
kunst en de « moderne • kunstnijverheid ligt er een beteekenisvolle 
é/ape tusschen illusie en daad. Het is daar geen direct gevoel; maar 
integendeel gevoel in den vorm eener gedachte. Men ziet het in de 
symboliek en zoo deze afwezig is, in het meer overwogene van de 
factuur. Omdat dit onderscheid ons voorkwam van nogal beteekenis 
te zijn, meenden we er in den aanvang uitdrukkelijk op te moeten 
wijzen, dat men uit de namen, die aan deze tapijten verbonden zijn, niet 
moest opmaken, dat het des ontwerpers bedoeling zou zijn er eenige 
abstracte beteekenis aan te hechten. Ze zijn kleur en teekening, zonder 
meer. Juist die beperking van eigenschappen moet ze in die mate 
expressief doen zijn. Een kleed van Colenbrander op den vloer spreekt; 
en het heeft wel het hoogste expressie-vermogen dat met louter kleur 
te bereiken is. 

We komen hier nu zelve weeron geveer bij ons uitgangspunt terug : 
waar de kleeden van het voorgeslacht ons allerlei dwaasheden lieten 
doen als honden op hun kop trappen, rozen vertreden en het gezellig 



DE 

DEVENTER 

TAPIJT- 

FABRIEK EN 

COLENBRAN- 

DER'S 

ONTWERPEN 



67 



DE 

devi:nti:h 

TAPIJT- 
lABHlEK i:X 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 



samci>//ijn vanJierders en herderinncn versloren, daar spreken Colen- 
branders tapijten slechts van de hechtheid van den vloer, die ons 
draagt. Ze geven ruimte aan de kamer en kracht aan de atmosfeer om 
den gloed van allerlei dingen van aesthetische waarde te dragen. Een 
kleed van Colenbrander is de basis, het fundament van heel ons inte- 
rieur, omdat het, als kleur vast, krachtig en harmonieus is en — ver- 
der niets. 



We gelooven dat, nu de Heer Colenbrander aan de Deventer tapijt- 
fabriek verbonden is, de kunsttraditie haar wel niet meer zal verlaten. 
Ook al komen eenmaal geen nieuwe dessins van hem meer beschik- 
baar, toch, gelooven we, zal zijn beginsel gehandhaafd blijven en ook 
de volgende eeuwen zullen tapijten zien worden, die aan de door Colen- 
brander gestelde voorwaarden voldoen. Daarom moge in het kort ver- 
meld worden hoe de tegenwoordige tapijtfabriek is ontstaan. Het zal 
velen verbazen dat het aanvankelijk een philantropische instelling was. 
Naar de vroegere directeur, de Heer J. G van Schermbeek bij gele- 
genheid van het honderdjarig bestaan der fabriek, op 24 Augustus 1897 
mededeelde, klaagde men te Deventer in de tweede helft der xvuri« 
eeuw zeer over de heerschende armoede. Ter oplossing van dit vraag- 
stuk besloten schepenen en raad van Deventer in 1776 een of andere 
fabriek op te richten, waar de armen van de stad hun brood zouden 
kunnen verdienen. Ze loofden een premie uit van 200 gulden voor 
dengeen, die het beste plan voor een fabriek van wollen stoffen zou 
indienen. De Zwitser Gautier Lindel uit den Haag verdiende zich 
de premie voor zijn ontwerp van een katoenfabriek. Deze echter wilde 
niet bloeien; want in 1791 werd weereen oproeping gedaan. Pieter 
Roers kwam toen aan met het idéé aan zijn reeds bestaande dweelen- 
fabriek een nieuwe tak van nijverheid toe te voegen. Hoe het met deze 
onderneming ging is niet bekend. Mogelijk is het echter dat de • Fabriek 
van tapijten, zeildoek, enz. • door de Heeren Birnie en Sauret in 1797 
opgericht, een voortzetting was van Roers* zaak. Men neemt althans 
de mogelijkheid aan dat deze gevestigd was in hetzelfde gebouw. 
Eenigen tijd later was de armoede in de stad alweer zoo groot dat op 
aansporing van het armbestuur twee Deventer burgers zich met boven- 
genoemde oprichters associeerden, op voorwaarde dat in de fabriek 
aan « bedelende personen genoegzaam werk » zou worden verschaft. 
Een paar jaar later stond de stad Deventer een pand aan de fabriek 
af, opdat daar nog meerdere personen werk zou worden verschaft. 

Sinds dien gaat de philantropische draad in de geschiedenis der 
fabriek verloren. 

We zullen hier van het verleden der fabriek verder niets zeggen, 
ledereen kenl de reputatie, die haar fabrikaat allengs verwiert en den 



68 




TH. A. C. COLENBRANDER : TAPIJTONTWERP. 



hoogen dunk dien men had na het artistiek gehalte daarvan. De vol- 
heid des tijds kwam echter eerst toen de Heeren Mouton en Colen- 
brander er aan verbonden werden. Het was in zekeren zin een durf, 
het nieuwe element in deze oude fabriek zoo plotseling in te voeren. 
Maar het experiment blijkt levenwekkend geweest te zijn. De fabriek 
heeft daarmee haar plaats gekregen in de moderne kunstslrooming. 
Nederland mag er trotsch op zijn nu zij meehelpt de jonge in vele 
opzichten zoo voortreffelijke kunstnijverheid ingang te doen vinden in 
het buitenland, en in het binnenland vooral. 

Ten slotte mogen we er hier misschien wel even op wijzen dat de 
fabriek onder goede leiding staande en onder goede voorwaarden 
produceerende dan toch niet de verschrikkelijke vijandin is van de 
kunst, waarvoor ze al te vaak is uitgekreten. Is er iets aan te 
merken op de uitvoering van Colenbrander 's tapijten ? En toch zijn ze 



DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK EN 
COLENBRAN- 
DERS 
ONTWERPEN 



DE 

DEVENTER 
TAPIJT- 
FABRIEK EN 
COLENBRAN- 
DER'S 
ONTWERPEN 



slechts het product van dat louter machinaal-proces dat den ontwer- 
per alle controle ontneemt zoodra de teekening zijn atelier verlaat. De 
Deventer tapijtfabriek is integendeel een nieuw bewijs voor de waar- 
heid, dat er slechts dan van ernstige kunstnijverheid sprake kan zijn 
als deze zich aanpast aan de voorwaarde der moderne techniek, en 
ook daarvan dat deze alle waarborgen bieden kan voor de meest 
conscientieuse uitvoering. 

Ed. Thorn Prikker. 




70- 



irTTXICT^ÜTrUïi^Xn^üXr ^an onze eigen 

JVIJilloXJÖlilvlV^llXlj^ill CORRESPONDENTEN 



UIT AMSTERDAM 




[J BUFFA > TEN- 
TOONSÏRLLING 
VAN 35 TEEKRNIN. 
GEN DOOR J. VAN 
OORT A-^ In ver- 
voering zal men niet 
raken bij dit werk en 
zells zal t.e eerbied, die nu eenmaal elk 
vlijtig doorgevoerd werk afdwingt, niet 
verkeeren in bewondering 

De meesten zullen er wel een glimlach 
van appreciatie voor over hebben, maar 
feller aandoening geloof ik niet dat hel 
kan opwekken. 

Eigenlijk is dat jammer, want er is 
ontegenzeggelijk wat sympathieks in 
vanOort'skunst.Al ware het alleen maar 
de ernst, waarmee hij zich aanhoudend 
in zijn onderwerp heeft verdiept, de 
volharding waarmee hij het telkens 
weer heeft aangepakt. Er spreekt uit de 
keuze van zijn stoffen een verstandige 
beperking, die toch in elk geval op 
zelfkennis wijst en tevens op de liefde 
voor zijn vogel- en kikkerwereld, voor 
de groene schildbladen van de waterlelie 
en het vreemde gestrengel der plompe- 
stelen in onze plassen. 

Maar daarmee alleen is het niet ge- 
daan, van Oort's teekenmanier is éér 
schoolsch dan correct, eer braaf-uitvoe- 
rig dan rijk. Zijn kennis van den aard 
en den vorm der dieren is niet zoo groot 
als eigenlijk noodig is om van anato- 
misch juist geteekende beesten levende 
wezens te maken en vooral niet toerei- 
kend om die vreemde schepsels als 
acteurs onder regie van den teekenaar 
een parodie op de menschenwereld te 
laten opvoeren, zooals Wenckebach dat 
met zijn muizen kon. En als de actie 



pathetisch of humoristisch moet zijn, KUNST- 

als bv. bij die kikkers, die aan de maan- «pRTfUT'pM 

lichle slootkant hun dooden makker 

komen beklagen, dan schiet zijn kunnen ^^^ AMSTERDAM 

geheel te kort. Men moet ook haast wel 

zoo onbegrijpelijk knap als Oberlander 

zijnom dieren te laten lachen en weenen, 

minnekozen en zingen, alsof dat zoo hun 

eigen wil en wensch was. 

Een schilder in den eigenlijk Holland- 
schen zin van 't woord is van Gort niet. 
Het sappige, volle is niet wat hij zoekt 
en daardoor missen dan ook zijn vogels 
zoo dikwijls juist dat mooi wal alleen 
een puur schilder hen kan geven. Ik 
ben nooit een groot vereerder van den 
fabricatieven Melchior d'Hondecoeter 
geweest; maar ik beken, dat ik hem op 
deze tentoonstelling beter heb leeren 
waardeeren. En bij de trap naar het 
bovenzaaltje hangen een paar vogels van 
Hoytema, waar men dezen keer maar 
liefst niet naar moet kijken, wil men in 
H belang van van Gort handelen. 

Zonder te willen ontkennen, dat deze 
serie teekeningen vaak blijken geeft van 
smaak en steeds van accuratesse en zelfs 
met genoegen vermeldend, dat sommige 
brokken van slootkantjesen waterplan- 
ten prettig aandeden — waartoe de 
ivoorachtige strakheid van het perka- 
ment, waarop ze geschilderd zijn, 
meehielp moet ik er toch bij blijven, 
dat het geheel mij niet tot een hartelij- 
ken gelukwensch aan den artiest heeft 
gestemd. 

Sommige teekeningen als bijvoorb. de 
Aalscholvers, op een omgevallen dieren- 
tuin-boomstam in het water gezeten, 
herinnerden met het flauwe verschiet 
en die gezochte gearrangeerdheid eigen- 
lijk sterk aan de prentjes uit een leer- 
boekje voor natuurlijke-historie. 



71 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



BIJ VAN WISSKLINGH yC*^ Twee 
teekeningen van M. Bauer; herinnerin- 
gen aan zijn spaansche reis, die hem 
verrijkte met krachtige nieuwe indruk- 
ken, die zijn werkkracht schijnt Ie 
hebben aangezet en wellicht in de ont- 
wikkeling van dezen kunstenaar tot een 
nieuwe periode heeft geleid. 

Het zijn groote kathedraal-interieurs 
met machtig-stijgende kolommen en 
hoogwelvende bogen, ruimten vervuld 
met amberen schemering, waarin het 
bewegen van kleine menschen, van 
geestelijken in scharlaken, van zangers 
in blauwe klecdij aandoet als een voor- 
spelling van lerugkeerende roman- 
tiek. 

De makelij is geserreerder, dan we in 
den laatsten tijd van Bauer gewoon 
waren, de tonen lijken dieper doorvoed 
en in hel geheel leeft een jonge vreugde 
en een gemak van decoratieve groepee- 
ring als deze srhilder van weeldige 
schoonheid ons tot nu toe slechts als 
uiting zijner gelukkigste stemmingen 
heefl kunnen schenken. 
«♦-5^ Een mooi schilderijtje van Jong- 
kind van *t jaar 1870. Stil water met een 
paar schuiten. Zilver-licht en van een 
techniek die aan eenen kant naar fran- 
sche schilders als Monet aan den ande- 
ren naar oude Hollanders als Dubbels 
wijst. 



BIJ VOSKUIL yc*- Een hoogst merk- 
waardig schilderij van Albert Neuhuys 
toen hij nog modellen in crinolines 
schilderde; van 1867. Twee dames in 
een kamer van den second-empire tijd. 
-- Eigenlijk heel grappig, al die vreemde 
leelijkheden als de deftige bronzen 
prullaria op den schoorsteen, het por- 
tret van Richard Hol in ovale lijst aan 
den wand, de geborduurde randen 
der statiegordijnen aan het raam. het 
rare asch-spelden-bonbon-bakje op de 
ronde tafel. Maar afgezien van die 
uiterlijkheden is dit wat stijve werk 
van degelijke peinture zonder valsche 
kleurtjes en niet buiten zekere deftige 
charme. Dat wil voor 67 altijd nogal 
wat zeggen. — 

W V. 



G. J. H. POGGENBEEK f 5 JANUARI 
1903 yc-^ Na lang sukkelen is Poggen- 
beek gestorven. Dehoop, die veel zijner 
vrienden hadden toen hij bij de opening 
van de laatste ledententoonstelling op 
Arti, als bestuurslid in functie, bijzonder 
wél scheen, de hoop, dat de levens- 
lustige en nog niet oude man nog weer 
eens volkomen zou herstellen, is ijdel 
gebleken. Een al te vroeg en te droevig 
einde aan een leven van zooveel liefde, 
tot in de laatste dagen vol van droomen 
over de heerlijkheid van blauwe luch- 
ten en het rijke groen der HoUandsche 
weide. 

Van het geslacht schilders, dat den 
verder afstnanden criticus van later 
dagen zal voorkomen als een geslacht 
van geestelijke erfgenamen, van ver- 
diepers en verbreeders ook wel, van 
telkens andere gedeelten uit de kunst 
der Marissen en van Mauve, van die 
generatie was Poggenbcek dunkt me 
wel een der allerbesten. Zelfstandig, 
hoewel in de traditie der Haagsche 
school, heefl hij bescheiden, maar met 
groote overtuiging, ingetogen, maar met 
pittige kracht, vroolijk, maar zonder 
vertoon, beminnelijk, maar buiten alle 
zoelelijkheid weten uit te zeggen wat 
hij voelde voor ons HoUandsche mooi. 

Zijn leven lang heeft hij gehouden van 
de voorname manieren, die de schilder- 
kunst der groote Hagenaars heft boven 
de uitingen van veel andere schilders 
der nu afgeloopen eeuw. En zoo was hij 
wellicht de meest beschaafde van dien 
jongeren kring, waarmee bij gebrek aan 
nakomelingschap, ons tweede bloei- 
tijdperk ten einde schijnt te gaan. Meer 
nog dan de onze, heeft die generatie het 
besef gehad van wat zonder alle schijn- 
originaliteit zuiver schilders-mooi was 
en wijsselijk is zij tevreden geweest met 
de vertolking van wat onze natuur zelve 
gul geeft op lederen zilveren morgen 
en in den valen schijn van lederen dam- 
pigen avond. 

Later zal er wel eens gelegenheid ge- 
vonden worden op Poggenbeek's werk 
terug te komen en de aantrekkelijke 
schoonheid van zijn groene bongerds, 
zijn malsche weiden, zijn blank en 
zwarte koetjes breeder te bespreken; 
voor 't oogenblik voel ik alleen de be- 



72 



hocfle er nog eens op Ie wijzen dal deze 
uiterst bescheiden kunstenaar, gevormd 
in een tijd toen de Marissen en Mauve 
al beroemd werden, zijn eigen stijl heeft 
bewaard en dat het hem, die willen en 
kunnen voortrefTelijk in evenwicht wist 
te houden, gelukt is eigenlijk nooit iets 
uit handen te geven wal niet voldragen 
en niet echt was. Hij had een hekel aan 
hel onrijpe en zoo waren zelfs zijn 
studies, — ik denk vooral aan enkele 
koeien en de mooie brokjes uit Norman- 
dié en Parijs — prachtig doorwerkt ; hij 
hield van het materiaal en kende het 
grondig en zoo zijn zijn teekeningen en 
schilderijen haast altijd van een ver- 
zorgdheid en een weligheid tevens, als de 
jongeren, misschien ten bate van andere 
eigenschappen, niet meer hebben be- 
reikt. Hij wilde niet veel omvatten, er 
was niets weidsch in zijn talent, maar 
hij kon op zijn intiem gebied gaaf en 
volkomen uitbeelden wat hij zag. Verder 
zocht hij niet; composities zijn uit zijn 
atelier niet gekomen. Het was zijn zaak 
niet verscheiden indrukken van buiten 
te verwerken tot een éénheid die in zijn 
eigen ziel leefde. Zoo mogelijk koos hij 
zijn gevallen direct zoo, dat ze een 
evenwichtig geheel gaven. Zoo komt het, 
dat zijn schilderijen weleens ver opge- 
voerde studies en zijn sludies telkens 
begonnen schilderijen zijn. Men moge 
gevoelen, dat het toevallige bij zulk een 
werkwijze een te groote rol kan spelen, 
veel van het frissche, sappige in Poggen- 
beek's kunst is aan die methode te 
danken. Of wij nog een nieuwe periode 
van hem hadden kunnen verwachten, 
ware hij behouden gebleven, is een 
vraag van weinig belang. Kalme voor- 
uilgang was dunkt me voor hem meer 
de aangewezen weg dan verrassende 
ontplooiing van nieuwe eigenschappen. 
Maar het is een allersmartelijkst besef, 
dat we dezen sympathieken artiest 
moesten verliezen, dat zijn loopbaan 
is gestuit op een leeftijd, die voor een 
schilder veelal de beste en belangrijkste 
wordt. 

W.V 



UIT BERLIJN 



mi 



|E BERLIJNSCHK 
SKCESSrON 1902-1903 
ƒ «ZEICHNENDK 
KÜNSTE » A^ De 
vroegere benaming 
dezer grafische expo- 
sities « Zwart-Witten- 
toonstelling » is sedert lang in onbruik 
geraakt, omdat zij tegenwoordig buiten 
teekeningen, etsen en gravuren zelfs 
groote aquarellen en pastellen omvatten. 
Alleen bij bepaalde olieverfschilderijen 
wordt de grens getrokken. De tentoon- 
stelling van dit jaar is van buitenge- 
wone beteekenis omdat zij ook uit het 
buitenland uitgebreide en belangrijke 
inzendingen ontving. 

Het meest beteekenende werk leverde 
wel Theophile Steinlen (Parijs), die door 
meer dan 150 teekeningen, schetsen, 
gravuren en lithographien vertegen- 
woordigd is; en hoewel zijn aanplak- 
biljetten, waardoor hij misschien het 
meest bekend werd, geheel ontbreken, 
krijgen we hier toch een voorstelling 
van den buitengewonen omvang van 
zijn talent. Hij wekt onze belangstelling 
met ieder blad, onze bewondering door 
de zeldzame vastheid en juistheid van 
toets waarmee hij ons de menschen 
minder vaak het landschap^ voor oogen 
stelt; H zij dat het werkstakende arbei- 
ders zijn met enkele flinke halen ge- 
schetst, of verlepte, hysterische mon- 
daines, in bijna spookachtig ijle litho- 
graphien van de teerste en wazigste om- 
trekken, of Parijsche artislen, of grove 
boerinnen. — Wat zijn objectiviteit be- 
treft is hij bijna onovertroffen; met mee- 
dogenlooze scherpte ziet en geeft hij de 
menschen weer. Dit heeft weliswaar 
ten gevolge, dat wij bij zijn voorstel- 
lingen niets van warmte in ons voelen 
overgaan In zijn Visioen van Victor 
Hngo bijv. proeven wij nog geheel het 
verstandwerk, dat er aan voorafging. 

Voor Otto Greiner uit Rome heeft men 
eveneens een geheele zaal ingeruimd. 
Het best is hij in zijn portretten. Die 
steendrukjes zijn verrassend levendig 
van effekt. Ook als decoratief artist mag 
hij tot de besten gerekend worden ; in 
het prachtige blad Aan Max Klinger, in 



KUNST- 
BERICH'IEN 
UIT BERLIJN 



73 



KUNST- 
BERICHTEN 
ürT BERLIJN 



zijn Cantateproyrammn, in zijn Uitnoo- 
diginyskaarien voor arlislenfeesljes, en 
en zelf op een zoo verwaarloosd gebied 
alsSc/i/i//e/*sd/p/o/im's ontwikkelt hij zulk 
een talent dat aan al zijn producties een 
nieuw en frisch leven mededeelt. In de 
voortbrengselen zijner fantasie kunnen 
wij hem minder goed volgen, ook bij 
hem wordt de werking der verbeelding 
door het verstand overheerscht. 

De medewerkers aan Simplicissimus 
en Jagend^ de schild ersbent Karlsruhe, 
waaronder meer bepaald Hans von 
Volckmann, en de Worpstveders zijn 
allen uitstekend vertegenwoordigd. On- 
derde Berlijners vooral MaxLiebermann 
met studies, schetsen en aquarellen uit 
Italié, — Walter Leistikow met een im- 
portante reeks teekeningen, die ons een 
goeden blik geven op hel werk van dezen 
meest volmaakten vertolker der Mark 
Brandenburg, — Ludwig von Hofmann, 
met een groot ontwerp van een fries 
voor de muren van het Berlijnsche 
Standesamty en verder nog tallooze an- 
deren. Slechts enkele namen te noemen 
zou ons tegenover velen onrechtvaardig 
doen zijn, voor éen maar wil ik, omdat 
hij nog te weinig bekend is, een uilzon- 
dering maken : voor Paul Baum, wiens 
landschappen in pastel van onvergelij- 
kelijke teerheid en wazigheid zijn: het 
teere, donzige waas van de boomen, is 
recht van de werkelijkheid afgezien en 
weergegeven. 

Holland wordt vertegenwoordigd door 
Jozef Israéls, die enkele voortreffelijke 
etsen inzond : Kinderen van de Zee, de 
Wieg, Avonduur, Nettenboeten. De ets 
van Jan Velh Kop van een ouden Boer is 
buitengemeen plastisch en wèèr : zel- 
den heb ik Velh zoo slerk in de expressie 
gezien ; een geheele reeks gesteendrukte 
portretten verbleeken tegenover deze 
ets, hoewel daaronder ook uitstekende 
koppen zijn te vinden. — De Engelsch- 
man John Whisller bereikt in zijn etsen 
en schetsen de meest verbazende licht- 
effecten met enkele weinige halen die 
heel fijn en voorzichtig zijn gedaan : 
hij is een meester in de kunst om in 
zeer klein bestek ons een geheele haven 
met schepen, menschen en al voor 
oogen te tooveren. Onder de Skandi- 
naviérs staat Anders Zorus met zijne 
portretten in de voorste rij. 



KUNSTZAAL KELLER & REINER f 
t OTTO FXKMANN >c^ De nalaten- 
schap van Otto Eckmann in het kunst- 
zaaltje van Keiler en Reiner gaf ons 
slechts een zeer onvolkomen beeld van 
het kunnen van dezen te vroeg gestorven 
artist. Door het toeval alleen was bijeen 
gescharreld wat hier op 't gebied van 
boekversiering, tapijten, schilderijen, 
en meubelen ten toon was gesteld. Niet 
alleen als Anreger op H nieuwe gebied 
van toegepaste kunst heeft Eckmann 
zich verdienstelijk gemaakt, maar hij 
heeft ook werkelijk oplossingen voor 
een geheele reeks vraagstukken gevon- 
den. Meer dan nauwlijks iemand anders 
met fijn begrip voor het wezen van 
vormen en materiaal begaafd, zal zijn 
invloed zich vooral doen blijven gelden 
op het gebied van boekversiering en 
binderij. De banden, die hij voor de 
firma S. Fischer, vooral die welke hij 
voorde uitgaven van Ibsen en Haupl- 
mann ontworpen heeft,zijn meesterlijk ; 
het monumentale van een zoo eenvou- 
dige vorm als bijv. de 7 op het tijd- 
schrift die Woche/is bijna onovertroffen. 
In Duitschland heeft de toegepaste kunst 
door zijn dood een onherstelbaar ver- 
lies geleden. 

KUNSTZAAL VAN EDUARD SCHUL- 
TER > GROUP OF GLASGOW LAND- 
SCAPE PAINTERS /e*. Waar we ook 
de Schotten binnen vier muren ontmoe- 
ten, trekken zij ons altijd door het 
intieme in hun opvattingen aan ; er 
zijn maar weinig landschappen die zoo 
precies in het kader van een behagelijk 
interieur schijnen te passen. Maar waar 
we de Schotten zien optreden als groep 
doet zich hun werking veel geringer 
gevoelen : hun ontbreekt de krachtige 
persoonlijkheid, die het landschap op 
geheel eigenaardige wijze ziet en ons 
dwingt om het op dezelfde wijze te 
bekijken. Alleen A. Brownlie Duchartie 
schijnt mij zulk een persoonlijkheid te 
zijn die ook in zijn motieven meer dan 
een der anderen naar het breede en 
groütsche uitgaat, frisscher en scherper 
waait hier de wind, het is maar niet 
zoo alleen zachtjes wegschemeren in 
droonien. 



74 



^^^^^^•^^^^ ^^^^^^^^^'^ KUNST- 



PAUL CASSIRER'S KUNSTSALON > 
FRANSCHKN >o^ Een twaalftal schil- 
derijen van Guslave Courbet, zijn nóch 
voldoende nóch geschikt om ons den 
grooten realist genoegzaam te doen 
kennen, maar op een zijde van zijn kun- 
nen, het landschap, werpen zij toch een 
helder licht. Wondermooi van harmonie 
zijn bijv. : de kleuren op zijn groot 
doek Schimmel op hol In den avond- 
schemer van het groene woud met een 
licht uitkijkje in de verte, de appel- 
schimmel met vier geheel zwarte bee- 
nen in geslrekten galop en geelgrauw 
zadel. De Sneeuwstorm, eveneens in 
groot formaat, de reusachtige witte 
vlakte, de dennenboomen, de half be- 
dolven postwagen, alles in plastische 
helderheid gezien. Andere wintergezich- 
ten die zich lot bruinrood en wit bepa- 
len, maken een eenigszins droogen in- 
druk ; daarentegen zijn de kleine land- 
schapjes in */ Bosch, met zijn vroege 
herfststemmlngen het dal van Inlerlaken 
vol glanzend en doorschijnend licht. 
De Kerk van Chaillg van J. F. Millet is 
een van zijn meest typische werken. 
De voorgrond : groene akkers met een 
versch omgeploegd brok grond, de 
weide met schapen, de hofsteden, de 
kerk, men voelt het leven in dit alles en 
ademt letterlijk de frissche lucht. Van 
Rousseau is er niets als een Gebergte, 
dat ons heel koud liet, van Corot, hoe- 
wel geen zijner intieme landschappen, 
toch enkele goede stukken : Meisje met 
Tortelduif^ geheel in zilvergrauwen 
toon gehouden, het roode kleedje los, 
evanals hel blauwe lint om de haren, 
de Leerlooierij bij GisorOj enkel in wit 
en grauwe lonen en de Weg bij een 
glanzende Zomerdag, waar de lichtjes 
van de zon door de hoornen heen naar 
de groene aarde dringen. 

W. 



UIT BRUSSEL 





IkNT o ONSTELLING 
MAURITS BLIECK ƒ 
KUNSTKRING > 
24 NOVEMBER-3 DE- 
CEMBER 1902 yc^ 
Onder onze jonge 
schilders die recht- 
streeks volgen op de generatie die ons 
Victor Gilsoul en Eugène Laermansgaf, 
is Maurits Blieck één der krachtigste 
en meest begaafde. Er is kleur en 
kruim in zijn werk, twee dingen die 
immer eigen zijn geweest aan de goede 
schilders van ons land. Zijn penseel- 
streek is beslist en breed. Hij schildert 
met geestdrift en in de volle verf, 
maar niet ten koste van oprechtheid, 
houding en distinctie. Nooit verliest 
hij de eischen van schikking en samen- 
stelling uit hel oog. Hij ordent, kiest 
uit, verplaatst, zelTs dan wanneer hij 
de heerlijke natuur naar het leven 
schildert. Hij verafschuwt dat bande- 
looze, dal onsamenhangende, dat zoo- 
lang voor 9 impressionnisme •> doorging. 
Er was verscheidenheid zoowel in 
onderwerp als in werkwijze in de drie- 
ën-twintig doeken welke hij in den 
Kunstkring te Brussel ten toon stelde. 
Als een oprecht schilder, als een vol- 
komen kunstenaar, wenscht de heer 
Blieck uil te drukken, alles wat hij van 
het heerlijke schouwspel van het 
aardsche leven in zich opgenomen 
heeft. Ook oefent hij zijne penseelen en 
zijn oog tot het behandelen van alle 
genres. Hij beperkt zich niet tot een 
enkel vak, dat zooveele handige en te 
zeer ervaren, om niet te zeggen al te 
slimme specialisten in herhaling doet 
vervallen, en vandaar lot kunstgrepen 
en o chic- •* schildering brengt. Zoo hij 
tot nogtoe uitmunte in het landschap, 
begint hij nu reeds de figuur, het 
portret, zelfs het naakt aan te durven 
met een zelfvertrouwen en een gemak 
van werken dat ons latere werken van 
eersten rang belooft. Ik wil hier enkel 
vermelden : zijn vrouw in het zwart, 
Weemoed, die in de laatste tentoon- 
stelling van Gent zeer werd opgemerkt; 
een belangrijk mansportret; een^ inte- 
rieur met figuren getiteld Schumann en 



HKRICHTKN 
UIT BRUSSEL 



75 



•KUNST- 
BERICHTEN 
UIT BRUSSEL 



een Vrouw voor den Spiegel, üit al deze 
doeken blijkt een zoeken, een liefde- 
volle studie van lichtspeling en kleur- 
schakeering, van tegenstellingen en 
vervloeiïngen,een strevenom mensclien 
en dingen te schikken tot een karakter- 
vol geheel; een prijzenswaardige neiging 
om den stijl van een onderwerp te 
vatten en te doen uitschijnen, wat 
Taine in deze drie punten bepaalde : 
de belangrijkheid van het karakter; het 
weldadige van het karakter en het 
samenwerken der indrukken. 

Dit zijn nu nog maar pogingen, maar 
pogingen die werken beloven, die zich 
zullen opdringen. Wij juichen van harte 
deze oprechtheid, dit streven, deze 
zelfbeheersching toe. 

Voor hel oogenblik, zooals ik reeds 
zei, uit zich het talent van den heer 
Blieck met den meesten luister en de 
meeste kracht in het landschap. Er 
waren er prachtige tentoongesteld ; 
ik vermeld slechts : De Wolk (toebe- 
hoorend aan Mevrouw Osterrieth, te 
Antwerpen), Onderde vluchtende wolken, 
In de heide, Winter in de Kempen, met 
prachtige horizonnen, luchten, samen- 
gesmolten tinten, plans en lijnen — 
zoo eigenaardig in hun samenstel- 
ling, en • een weelde van kleuren, die 
den waren schilder verraden. Alleen 
de titels van enkele dezer schilderijen 
duiden reeds aan hoeveel de heer 
Blieck houdt van ruimte, licht, van de 
vlucht of de trage optocht der fantas- 
tische wolken door het blauwe hemel- 
veld. Van den bodem zelf, vat de 
schilder tot hiertoe het zichtbare en 
soms wrange uiterlijke ; hij vertolkt er 
met driestheid de rijke en schilder- 
achtige zijden van. Zijne landschappen 
zijn wat men noemen mag « waag- 
stukken • en om een vergelijking aan 
de muzikale wereld te ontleenen, schijnt 
me de kunst van den heer Blieck op 
dit oogenblik uit te munten in het 
scherzo — zijn kunst zingt met een 
jeugdig lyrisme dat nog geen verfijnde 
indrukken zoekt. Zij spruit uit hem, 
spontaan onweerstaanbaar. Het is een 
mooi temparement dat zich geeft en 
voorbrengt zonder tellen. Men krijgt 
den indruk van een eerlijke visie en 
een gezond, zij het dan ook nog wat 
ruw gevoel. Zonder twijfel zal hij later 



wat dieper voelen, en de t ziel > van het 
landschap ontdekken; zal hij er het 
innigste wezen en karakter van door- 
gronden, en er ons, als een Heymans, 
een Courtens of een Claus de trilling en 
geheimste gedachte van mcdedeelen? 
In afwachting dat hij ons aangrijpende 
en bevende Adagio's zingt, loopt hij 
over van juichende blijdschap en ver- 
wekt onmiddellijke sympathie. 

De landschappen die hij zag in Hol- 
land, in Frankrijk — vooral in de om- 
streken van Fontaineblcu — in Vlaan- 
deren, aan de boorden van de zee of in 
de Kempische heide, trokken hem aan 
door het frissche, dadelijk vatbare, 
levendige van hun mooi, door wat zij 
hem veropenbaard hebben bij hunne 
eerste ontmoeting. Zoo werd hij ook 
geboeid door het schilderachtige, sugges- 
tieve en eigenaardige van zekere stads- 
hoekjes. Ik vermeld enkel zijn Herinne- 
ring uit Holland met een gezicht op 
Dordrecht, met heerlijk verzachte en 
versmolten tinten als van oostersche 
tapijten, een ware Venitiaansche in- 
druk door de veelkleurigheid der gevels; 
en over dit alles een hooge distinctie, 
een heerlijk tafereel waaraan een eigen- 
aardige omlijsting nog meer voornaam- 
heid bijzet. Ik wil nog vermelden zijn 
Trekschuiten bij avond, eveneens in 
Holland geschilderd, zijn Zonnige vaart, 
met zulke schitterende, schakeeringen, 
frische en ik zou haast zeggen schalk- 
sche tinten, zoo zeer leggen zij getuige- 
nis af van de goede luim en de kleuren- 
weelde van den schilder. 

Ik heb ook met genoegen een aangrij- 
pend zeegezicht teruggevonden : De 
Golf, gelukkig door den Staat (d. w. z. 
door den heer Ernest Verlant) aange- 
kocht. Dit siuk bewijst dat onze jonge 
schilder zich ineens verhief tot de hoogte 
van onze beste Noord-Nederlandsche 
marinisten, als Mesdag b. v. — Dit is 
wel een levendige, ontstuimige water- 
golf, vloeibaar, en niet van geschilderd 
blik of bordpapier, zooals maar al te 
dikwijls het geval is bij zoogenaamde 
zeegezichten ; zij draait, zij kolkt, zy 
duikelt neer, spreidt zich open, schuimt; 
men hoort haar bijna razen en huilen. 

De Stroom, een ander schilderij dat 
mij lief is, munt uit door de pracht en 
de aantrekkelijkheid van de streek. 



76 



evenzeer als door de adel en de sappig- 
heid der uilvoering, een knap stuk 
werk, een museumschilderij. 

Wal de tenloonstelling van den heer 
Blieck vooral belang bijzette, is dal hij 
in al zijn werken heeft afgebroken mei 
de sombere, gepatineerde, met bruin 
overgoten verf der oude schilderijen. 
Hij is nu helder en lichl als de beste. 
Hij dorst naar zon en stroomenden 
ether. Door zijn schilderijen waait de 
dartele bries van de zee en van deNoor- 
derlijke velden. Ik mag zelfs zeggen dal, 
vergeleken bij de vorige tentoonstellin- 
gen van Blieck er nu een vooruitgang 
vall waar te nemen, die wel een her- 
schepping heeten mag. Zoo innig gevoeld 
zijn deze indrukken, zoo geestdriftig en 
overvloeiend is deze schildering, dat zij 
het werk schijnt te zijn van een pas 
genezen jongeling, die spoedig weer 
herleven wil, en dorst naar pantheïs- 
tische vreugde en levensweelde. 

G. E. 

^^^^^^^^^^ 

DE XLIII« TENTOONSTELLING DER 
AQÜARELLISTEN ƒ IN HET MO- 
DERNE MUSEUM ƒ VAN 6 TOT 31 
DECEMBER 1902 ju^ De tentoon- 
stelling der waterverfschilders is eiken 
winter een aangename verpoozing tus- 
schen de bestendige en overvloedige 
uitstallingen van olieverfschilderijen. 
De oogen zijn verblind, vermoeid door 
zooveel kleurenschittering, en rusten 
gaarne op de meer bescheiden en inge- 
togen uitingen der aquarel. Zoo ge- 
voelt men ook na het machtig jubelen 
van het volle orkest, een behoefte aan 
de zachte droomerige en teedere kamer- 
muziek. De schilders zelve, na den 
kunststrijd die ze streden vóór hun doek, 
zoeken rust en uitspanning in de minder 
geweldige, minder hartstochtelijke proe- 
ven op het whatmann-papier. Déze 
kunst is een verpozing voor gene. 

Onder de werken die het meest mijne 
aandacht trokken op de 43«(e tentoon- 
stelling der Waterverfschilders, wil ik 
naar mijn beste herinnering de volgende 
aanstippen : prachtige marinen van 
A. Marcette, een kloek en volhardend 
kunstenaar, wiens talent steeds vooruit- 
gaat en die zich heden reeds uitdrukt 
met het gezag van een meester; de wer- 



ken van Stacquet,üytterschaut,Cassiers, 
Hagemans, die sinds lang aan het hoofd 
der Belgische school staan en die, zon- 
der ons iels nieuws te laten zien, zoo 
flink hunne geliefkoosde onderwerpen 
omwerken, dat deze zich steeds zoo 
frisch en zoo levendig voordoen als in 
den aanvang; de gevoelde kerk-inlérieurs 
van Delaunois, een jong kunstenaar dien 
men vaak bij den Nederlander Bosboom 
vergeleken heeft en wiens werk inder- 
daad trekken van overeenkomst met de 
kunst van dezen meester heeft, voor 
zoover het mogelijk is de gevoelvolle 
en droomerige katholieke godsdienst 
van onzen landgenoot met het ernstige 
protestantisme van wijlen den beroem- 
den Nederlander te vergelijken ; de 
smakelijke en flink opgevatte landschap- 
pen van Theodore Hannon, dien schit- 
terenden schilder die ook een waar 
dichter is; de aantrekkelijke en krach- 
tige aquarellen van Amedée Lijnen .; een 
Asschepoester van Evariste Carpentier ; 
de Zonnebloemen en Intérieur van Jacob 
Smits, een zeer eerlijk kunstenaar, die 
zijn werk bestudeert en medeleeft, en 
er een aandoening en passie weet in te 
leggen als in een akte van geloof; de 
interieurs en landschappen geleekend : 
Frans van Leemputten, een ander eer- 
lijk vertolker van het buitenleven, wiens 
werken door hun karakter, hun uit- 
drukking, en hun poëzie zoo suggestief 
zijn, zoo innemend door hun juist-gc- 
zienheid, zoo persoonlijk en zoo malsch 
in hunne uitvoering; Het geheim van 
Fernand Khnopff, die steeds de meester 
is der aristocratie en van het dandysme ; 
levendige, kranige militaire tooneelen 
van Joseph Van Severdonck ; ten slotte 
het merkwaardige werk van Isidoor 
Verheyden die ons met kracht het inge- 
togen Vlaanderen toont, de Vlaamsche 
ziel doet oprijzen en zingen, en voor 
onze oogen den ruigen en sappigen 
bodem van het geliefde land doet tril- 
len, waar de gorige maar vruchtbare 
atmosfeer wasemt ; enkel wil ik van 
dezen meester aanstippen : De Winter^ 
de oude Molen^ de oude Hofstede^ Trek- 
schuiten op de Schelde en het Moeras. 

Onze Belgische waterverfschilders 
maken uitstekend figuur naast hunne 
geduchte collega's uit den vreemde. 
Hieronder een heele groep Italianen : 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT BRUSSEL 



77 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT BRUSSEL 



Brugnoli, Cabriani, Cipriani, Luigini en 
Tarenghi; dan de te recht beroemde 
Hollanders: Van der Waay, Hendrik 
Mesdagh,Oppenoortb,Rink en Melchers ; 
de Amerikaan Robinson, die als een 
ware Vlaming marktlooneelen te Brugge 
behandelt ; de Engelschman Charles 
Bartlett, steeds een fijn opmerker en 
bescheiden humorist; de Franschman 
Gaston La Tombe wiens drie stukken 
ver boven die van zijne landgenooten 
staan ; eindelijk talrijke Duitschers, 
waaronder Skarbina en Deltman. 

^ ^^ ^^^^ ^^^ 

TENTOONSTELLING WILLEM VAN 
STRIJDONCK EN FRANS TAELMANS 
IN DEN KUNSTKRING > DECEMBER 
1902 yC^ Een vleiend succes in den 
Kunstkring voor de tentoonstellingen 
der werken van Willem Van Strydonck 
en Frans Taelmans. De eerste is een 
volbloed Vlaming, kunstenaar door zijn 
oorsprong en door zijn temperament, 
en die bij zijn eerste slappen zich op- 
drong, in die heldhaftige dagen van 
het ontstaan van den Es^or en de Twin- 
tigen. De heer Van Strijdonck is ge- 
bleven wat hij was vóór twintig jaar ; 
ongeschonden behield hij zijn oorspron- 
kelijke gaven; de juistheid, de waar- 
heid, het gepaste in de visie, het goede 
begrip van de kleur, met kracht in 
den breeden toets, sappigheid en be- 
valligheid in de interpretatie. De heer 
Van Strijdonck verrijkte nog deze merk- 
waardige gaven. Hij verliet de baan niet 
die hij in den beginne koos, maar hij 
maakte ze breed, helder, prachtig zelfs 
edel, naarmate hij vooruitging. De kuns- 
tenaar heeft met éen bijzondere voor- 
liefde die hij hoe langer hoe meer aan- 
stekelijk maakte, het karakter van het 
landschap en het type van zijn land- 
lieden doen uitschijnen. Bij een uitste- 
kende uitvoering voegt hij heden dat 
diepe gevoel dat het kenmerk is van een 
volledige kunst. Hij bezielt zijn weel- 
drige stoffelijke scheppingen; hij blaast 
er een adem van leven in. Na als een 
nieuwsgierige, als een vriend van het 
schilderachtige, de boeren van Mache- 
len, het lieve dorpje tusschen Brussel en 
Vilvoorde, geschilderd te hebben, ging 
hij voor goed belang stellen in die 
decoratieve en plastische figuren, ging 



hij ze van nabij ontleden en hij heeft er 
iets hoogers en aangrijpenders van aan- 
getoond dan het eenvoudige en ruwe 
uiterlijke. Een twintigtal werken expo- 
seerde hij in den Kunstkring ontleend 
aan de heerlijke Brabantsche boeren- 
wereld, vol blijde licht, kranig gekleurd, 
uitstekend samengesteld, gestoffeerd, 
met de gezonde aandoening en echte 
poëzie van een Vlaamsch hart. Hel meest 
bevielen mij naast zijn groot stuk Ramp, 
twee zeer volledige schilderijen : Bezoek 
bij Grootmoeder en Kegelbaan. 

Bij Taelemans vinden we minder 
drift, minder passie maar meer gevoel, 
meer bestudeerde emotie. Als een Hol- 
landsch klein-meesterder besle periode, 
behandelt hij zijne tafereelen met liefde, 
met een gewetensvolle, bijna gods- 
dienstige zorg. Het is een Vlaming, maar 
een Vlaming met een innig gevoelvol 
karakter. Hij koestert zijn indruk, hij 
verfijnt zijn genot van fijnproeverden 
schilder. Hij beeldt niet enkel de natuur: 
hij geniet ze en neemt haar als het ware 
godsdienstig in zich op. Terwijl Van 
Strydonck ons het klankvolle landlied 
zingt, fluistert Taelmans ons de lieve 
en streelende idylle toe Hij is meer de 
herderlijke dan de boerendichter. 

Maar beiden zijn volbloedschilders, 
echte mannen van hun vak; de eerste 
in zijn breede, de tweede in zijn meer 
intieme manier. Van Taelmans bewon- 
derde ik vooral een maanefTekt, dat 
door de techniek en door de overtuiging 
een zijner besle werken is. Voor zulk 
een uilslag vergeet men het procédé, 
om geheel overwonnen, te bewonderen. 
Het is hooge kunst, in alle opzichten van 
een onbelwistbaren meester. 

G. E. 




78 




UIT DEN HAAG = 

|rJDF FIRMA F.BÜFFA 
& ZONEN > ETSEN 
VAN J. M. GRAADT 
VAN ROGGEN >c^ 
Ik geloof wel dat 
Graadt van Roggen 

als etser reeds eene 

goede reputatie geniet, dat zijn werk 
vooral op reproduceerend gebied van 
eene algemeene bekendheid is, ten 
minste het behoorde ie zijn. Hij heeft met 
zijne etsen naar den Delftschen Vermeer, 
Ruysdael en Jacob Maris de bewonde- 
ring van alle technici verwekt. Waren 
reeds eenigc van zijne oorspronkelijke 
etsen bekend en in den handel, nu komt 
hij zich het publiek vooral voorstellen 
als iemand die de schepper is van een 
niet gering aantal oorspronkelijke wer- 
ken En ten eenenmale heeft hij daar- 
mede het vertrouwen dat men in den 
reproduceerenden kunstenaar stelde, 
versterkt. 

Velen toch zijn geneigd de beteekenis 
van dezen etser vooral op reproducee- 
rend gebied te zoeken. Hij heeft daarop 
werkstukken geleverd die waarschijn- 
lijk alles wat in deze kunstsoort geleverd 
werd, overtreffen. Aan die etsen is 
gewerkt met hel geduld en de aandacht 
van een kloosterling. Aan de elsnaald 
is hare volle beteekenis gelaten. En 
zonder in een minitieus gedoe te ont- 
aarden, heeft hij met versmading aan 
moderme trucs, als het wrijven van 
een toon op de plaat (waarvan ik de 
waarde hier niet wil verkleinen), de 
oorspronkelijke schilderijen met toon 
en kleur, met al de stevigheid en de 
soepelheid der factuur en al de kenmer- 
kende eigenaardigheden teruggegeven. 
Dit is geen bekwaam werk meer, dat is 
het werk van een virtuoos, die zich zelf 
in de sfeer der oorspronkelijke schep- 
ping verliezende er bovendien het vor- 
menschoon wonderlijk van weet te ver- 
tolken. Zoo heeft Jacob Maris in enkele 
van zijne schilderijen in eene donker- 
tonige waterpartij op een oneffen onder- 
vlak breede lichtvegen aangebracht. 
Men vindt ze bij Gr. v. R. weer als 
waren ze geschilderd. Op deze wijze, 
alles ziende en toch overzichtelijk te 



werk gaande, schijnt zijne weergave 
nauwkeuriger dan die van een toch 
altijd eenigszins onbewogen doode foto- 
graphie, terwijl dit zijn werk het 
levenwekkende heeft van eene directe 
voordracht. 

Is dus in H algemeen zijne beteekenis 
als reproduceerend kunstenaar, groot, 
in zooverre hij de verspreiding van de 
intenties der groote geesten verzorgt, 
zoo kan zijne beteekenis het nog meer 
zijn ten opzichte van oude kunst. Door 
in te dringen in de kunstsfeer der ouden, 
wat niet ieder op eene ingaande wijze 
vermag, kan hij, die in zijne (repro- 
duceerende) els getuigenis aflegt van 
zijn doorvoelen en begrijpen van dit 
oude, het voor het groote publiek 
genietbaarder maken. Men begrijpe mij 
goed : niet eene populariseering is 't. 
die ik hier voorsta. Maar ik bedoel, dat, 
evenals een tooneelspelers-ensemble den 
geest van een oud werk ons klaarder 
kan maken, ook een reproduceerend 
etser, door nadruk te leggen op het 
algemeene en het eeuwige en door het 
verwaarloozen van het bijzondere en 
tijdelijke — wijl hij uit den aard der zaak 
toch niet anders kèn doen en doel — , 
dit oude als van zelf meer binnen onze 
levensfeer brengt en binnen de aan- 
dacht van het groote publiek, welks 
assimilatie-vermogen tot nog toe stellig 
niet te groot is. 

Waar ik nog vooral op wil wijzen — 
in den aanvang van mijne bespreking 
doelde ik er reeds op — is het feit, dal 
hel oorspronkelijk-kunstenaarschap de 
beteekenis van dezen etser als repro- 
duceerend kunstenaar verhoogt, maar 
levens weer op onze hoede doet zijn. 
Toont hij aan den eenen kant zelf het 
land, waaraan de kunstenaar wiens werk 
hij reproduceert, zijne motieven ont- 
leent, stellig beter dan een leek en waar- 
schijnlijk beter dan een bloot repoducee- 
rend etser te kennen, zoo geeft dit ver- 
trouwen. Als men weet dal hel volledig 
begrijpen van een kunstwerk veronder- 
stelt, dat men de levensverschijnselen 
waarvan het, spiegelbeeld is, zelve of 
ten minste door ttaanvoelingoof a priori 
kent, dan wordt dit vertrouwen ver- 
sterkt Bedenkt men aan den anderen 
kant dat elk oorspronkelijk artist de 
vertegenwoordiger is van eene bepaalde 



KUNST- 

BERICHTKN 
UIT DEN HAAG 



79 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



of onbepaalde geestesstrooming die 
noodwendig geheel of len deele met 
eene andere in strijd is, dan aanvaarde 
men het reproductieve werk van zoo 
iemand voorzichtiger; men heeft na te 
gaan of eene subjectieve opvatting wel 
genoeg objectiviteit bezit om meer te 
zijn dan eene persoonlijke opvatting 
van, of een « eigen kijk • op een mees- 
terwerk. 

Maar ik geloof niet dat de groote 
gerustheid waarmee we Graadt van 
Roggen's reproductief werk aanvaar- 
den, zijne beteekenis als oorspronkelijk 
kunstenaar daarom aanstonds behoeft 
te verkleinen. Er zijn zeer meegaande, 
elastische kunstenaars-naturen. 

Dat meegaan met de intenties van 
een ander is overigens ook in zijn eigen 
werk bespeurbaar. Ik wijs daardoor op 
zijne etsen naar de représentanten eener 
vroeger eeuwsche bouwkunst. Zoo zeer 
is in deze gothiek het karakter aange- 
zien, dat zelfs de lucht in een aanver- 
wante stijl door den etser schijnt opge- 
bouwd. Maar tevens wilde ik in dit (en 
ook in hel overige; werk enkele leeke- 
nen eener bepaalde geestes-strooming, 
die zich na het inpressionisme ontwik- 
kelende, erkennen. Behalve een nauw 
merkbaar decoratief element, bemerk 
ik een vermogen dat zich vooral ken- 
merkt door typeering, wat zich weer 
wonderwel aansluit bij zijne beteekenis 
als reproduceerend kunstenaar. Dat is 
dus eene geaardheid meer episch dan 
lyrisch. Zij zou bijzonder kenmerkend 
kunnen zijn voor een acteur die zich in 
1 voordragen van een anders schepping 
vermeit. In dit verband wilde ik nog 
wijzen op eenige invloed van Dürer, die 
zich meer in de techniek van enkele 
etsen verraadt. Op het verschijnsel 
dat motieven aan oude (z. g. doode) 
steden ontleend werden zal ik na het 
voorgaande niet te zeer ingaan. 

Door zijne omgang met het werk van 
Jacob Ma ris schijnt gedurende de oogen- 
blikken dat hij voor zichzelf werkte, 
ook eenige invloed hiervan te zijn nage- 
bleven. De sporen hiervan vinden we 
in Buiig weer (met mooi-werkende 
lucht) en in een achterbuurtte, dat bijna 
een reproductie naar den grooten mees- 
ter zou kunnen zijn. Maar bespeuren we 
hier niet een mysterieus bewegen der 



verschijnselen, de adem van den chaos, 
zoo blijft toch vast in onze herinnering 
ken grimmige lichten van de kalkbrok- 
het eener door den tijd geteisterden 
muur uit den diepen zonneschAuw, als 
het (roebel wit van een ontdaan oog. 

Gr. V. Roggen's gezichten op Haar- 
lem (tegen *t licht ingezien) zijn meester- 
stukjes van doorvoerdheid, even als 
het Kasteel Westhoven. Als bijzonder 
leeken ik aan de fluweel- tin tige ets : 
Rue du Marais te Brugge, het stem- 
mige Graue, de intieme Oude Pastorie 
te Bergen (N. H.) en de Watermolen 
bij Schoort, eene ets vol verheffing 
waarin hij zich in de eenheid van sub- 
jectiviteit en objectiviteit een absoluut 
kunstenaar toont. Ik zou dan nog 
kunnen noemen, als zich naar 't aspect 
mee aansluitend bij 't zuivere inpres- 
sionisme, eenige nummers, waaronder 
ook, om de compositie, het Sluisje te 
Bergen valt. Hiermee heb ik eenige 
kanten van den etser belicht. 

Er wordt hem wel eens vragend ver- 
weten, dat bij het werken met tinten 
achterwege laat. Beide manieren hebben 
hunne voordeden. Maar de door Gr. 
van Roggen toegepaste heeft als ken- 
merk eene grooter eenheid wat de wijze 
van bewerking betreft. 

Slechts enkele etsen hebben het luch- 
tige, speelsche, ragge en, zoo noodig,^ 
diepe, mysterieuze, zware, pittige en 
omschrijvende van b. v. Rembrandts 
etsen. Er zijn er die enkele van deze 
eigenschappen beslist aan een ets willen 
zien, zeggende dat de etsnaald niet als 
een graveernaald gebruikt mag worden. 
Maar dit alles is niet volkomen waar en 
daarom eveneens onwaar te noemen. 

Met dit al geloof ik dat Gr. v. R. onder 
de moderne etsers (oorspronkelijk en 
reproductief) eene niet geringe plaats 
waardig vervult. 

BIJ DE FIRMA PREYER/l^ De Firma 
Preyer opende in de Paleisstraat, tegen- 
over het Koninklijk Paleis, haar nieuw 
ruim huis met eene expositie. Uit archi- 
tektonisch oogpunt won bij eene kleine 
verandering, dit stadsgedeelte zeer. Van 
Rastert, Bosboom, Du Chattel, Jozef 
Israéls, Kever, Klinkenberg, W. Maris, 
Albert Roelofs, van der Weele en Wijs- 



80 



muller zijn er goede eii uil nemende 
aquarellen. Blommers, Le Conite, Jacob 
Maris, Mauve, Ter Meulen en Neuhuys, 
zijn zelfs goed vertegenwoordigd. Van 
Poggenbeek is er behalve een schilde- 
rijtje, dat wel een goed doorgevoerde 
studie gelijkt, een ietwat romantisch 
getinte € schemering! (teekening). Wat 
in de uitstekende teekeningen van 
Blommers en Neuhuys weer duidelijk 
wordt, is dat bij Blommers het dich- 
terlijke, lyrische overwegend is, bij 
Neuhuys het schildermatige. In het 
werk van den eerste voelen we zelfs 
soms iets waaien, dat ons aandoet 
als had de mysterieuse adem van het 
leven deze dingen beroerd. Neuhuys 
daarentegen is opener, forscher en 
breeder en geeft zich meer rekenschap 
van het < doen » der dingen, hij is een 
knapper « schilder o ; wat niet belet dat 
er van beiden hier een paar teekeningen 
zijn, die èn wat het ideêele èn wat de 
factuur aangaat, tegen elkaar gewogen 
kunnen worden. Van Jacob Maris noteer 
ik, behalve een Melkmeid (een meerma- 
len behandeld onderwerp), een Stadsge- 
zicht bij avond. Naar men mij vertelde 
was dit het ontwerp voor zijn laatste 
schilderij, dat velen zich van de Maris- 
expositie in Pulchri zullen herinneren. 
Het is een tonige teekening, bij al het 
schetsmatige volkomen de intenties van 
den schilder weergevende. Ze doel den- 
ken aan het gezegde, dat Maris een doek 
of vel papier met atmosfeer had en er 
de dingen in teekende, of er teekenend 
in drenkte. Onder Mauve's teekeningen 
is er vooral belangrijk : Ploegen, Dat is 
een zeldzaam compleet werk, volmaakt 
van factuur, zonder een enkele fout of 
hinderlijkheid in een zeer moeilijk 
samenstel van verhoudingen, een onder- 
werp dat in zijn eenvoud verre van leeg 
of onbelangrijk is. 

We vermelden tot nog toe slechts één 
schilderij, dat van Poggenbeek hetwelk 
met rouwfloers omgeven, geëxposeerd 
wordt voor H raam. Maar we zagen er 
verder nog een prachtige Daubigny, 
Opkomende maan, in veel aan de oude 
Hollanders doende denken, in sentiment 
en lichtverdeeling zelfs een weinig aan 
Rembrandt. Dan wijs ik nog op de aan- 
wezigheid van een paar zeer compleete 
schilderijen van Jacob Maris De twee 



Molens en Strandgezicht, naar vinding KUNST- 
en bereiken lol zijn goede of beste wer- ouoi/'ot^ukt 
ken behoorende. BLRILH 1 LN 

UIT DEN HAAG 

^^^^^^^^^^ 

PULCHRI STUDIO > GROKPENTEN- 
TOONSTELLING 1» SERIE ƒ 13-28 
DECEMBER >c*. Dat Pulchri er weer 
is toe gekomen groepcntentoonstellingen 
te houden, zal velen mei mij verheugen. 
Het ligt in de geest maar ook in de 
noodwendigheid van den tijd. Het is de 
aangewezen manier om in de gewone 
slem een nieuw opwekkende verande- 
ring te brengen en om weer eenigszins 
tol klaarheid te komen omtrent de 
toestand onzer huidige schilderkunst, 
die men toch altijd in de vertegenwoor- 
digers der verschillende slroomingen 
weerspiegeld wil zien. 

Niet voor één schilderij kan men om- 
trent de beleekenis van een schilder Ier 
klaarheid komen. Om hel begrip van 
deze beleekenis te verkrijgen, is het 
noodigdat men zijne kunst kent in hare 
evolutie, en van dit besef is 't weer, dat 
het juiste begrip van een harer momen- 
ten afhangt. 

Men kan niet zeggen dat in deze expo- 
sitie, waarop Anna Abrahams, Akkerin- 
ga, Arnlzenius, Rastert, BaufTe, C. Bis- 
schop, R. Bisschop, Mevr. S. Bisschop- 
Robertson, Bleckmann, De Bock, Bou- 
dewynse, Broedelel, Mevr. Mesdag- Van 
Houten, Imes Browne en Willy Sluyler 
exposeeren, zoo aanstondseene leidende 
gedachte zichtbaar wordt. Er had met 
het eenmaal gegeven materiaal meer 
bereikt kunnen worden. 

Maar voor hoevelen niet biedt overi- 
gens eene expositie- wijze als deze eene 
ongezochte gelegenheid om eens flink 
omschreven voor den dag te komen, 
voor hoevele anderen en ouderen om 
zich nog eens in volle glorie te vertoo- 
nen. 

De neiging tot het stil leven is een 
verschijnsel, waarop we in dezen tijd 
van verloopend impressionisme de 
aandacht mogen vestigen. Op deze 
expositie is dit genre nog al sterk ver- 
tegenwoordigd Bij Mej. Abrahams 
wordt duidelijk hel streven merkbaar, 
om tot eene wijdsche, hooge en sleni- 
mingsvolle voordracht te komen. Van 
C. Bisschop noteer ik met voorliefde 



81 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



een vruchten stilleven, dat de gelegen- 
heid, de kracht, het sonore van oude 
stillevens heeft. Verder zijn er stil- 
levens van Mevr. Mesdag- Van Houten 
en Arntzenius. Het is opmerkelijk dat bij 
geen van deze allen het resultaat onbe- 
langrijk is. Arntzenius vooral komt hierin 
zeer bijzonder voor den dag en even als 
bij Mevr. Mesdag schijnt dit, zoover dat 
hier op te maken is, zijn sterke kant te 
zijn of althans te kunnen worden Zon- 
dert men zijn uitnemend, café-interieure 
uit, dan blijft in al zijne pogingen om 
het publiek of soms om het massale der 
huizengroepen te geven, veel te loven, 
vooral wat kleur-ziening betreft, maar 
bij het werk van I. Israêls en Breitner, 
die tot een meer organisch geheel ko- 
men, blijft dit werk nog te onbelangrijk. 

Bastert zou men na de Bock kunnen 
noemen, wilde men een lijn van ont- 
wikkeling vaststellen. Zij beiden zijn 
uitnemend vertegenwoordigd. Bastert 
komt voor zijn doen zelf buitengewoon 
voor den dag met eenige winters. Er is 
in een paar dezer eene neiging naar het 
genre op te merken, terwijl in « Sneeuw 
en Zon » het warme der voordracht, in 
een factuur die volzwaar en toch plooi- 
baar als fluweel is, opvalt. 

De jonge Bisschop schildert kerken 
die men — met *t oog op het vermogen 
der jongeren — na Bosboom liefst niet 
meer geschilderd zou willen zien. Maar 
Bisschop gaat toch wee*- een eigen kant 
op, gaat weer op 't bijzondere in. Hij 
dringt niet door in de raysterieuse 
diepten van deze architekturale schep- 
pingen, maar zijne aandacht meer tot 
het ornemenlale bepalende, is hem o. 
m. de beteekenis van het gods-licht dat 
door de beschilderde ramen valt, wel 
duidelijk. Bij Akkeringa bespeuren we 
steeds weer de neiging tot verdieping 
en het grooter wordende vermogen om 
tot een juister samenvatting van het 
kleurgehalte der verschijnselen te 
komen. 

Als opmerkelijk vertegenwoordigd 
heb ik dan nog te noemen : Willy Sluiter 
met pastelteekeningen. En ook hier 
waar de oude karikaturist der mon- 
daine wereld zich in het schilderachtige 
van de gewone binnenhuis- en buiten- 
gevalletjes vermeit, doet hij 't ook zon- 
der grandiose allures aan te nemen. En 



toch zou men bij zoo'n fantastisch ver- 
licht geheel als Vuur aanmaken is, mei 
den dans der reuzige schaduwen op de 
wanden, wel iets van het wonderbaar- 
lijke tot definitiever uitdrukking ge- 
bracht willen zien, en in het wijf dat er 
pookt of stookt, minstens iets hekserigs, 
zooals dat de oude Israéls wel weet ie 
doen. Het schilderen van deze onder- 
werpen heeft eene gevaarlijke zijde, 
waar ouderen en grooteren reeds voor- 
gingen. Wat zou b. V. een Daumier in 
dezen al niet gepresteerd hebben. Willy 
Sluiter zoekt het nog altijd niet te diep, 
wat wel met zijne oude neiging tot 
karikatuur strookt Zoo werd ook in de 
bekende types als c Aalt en Jacob Kulk » 
het individuêele en daarmee het diepe, 
ie zeer gemist Maar wellicht nog zoe- 
kende, is er veel in het huidige streven 
van dezen artiest te prijzen. In de Os 
alleen zien we een gevaarlijken kant. 
Hieruit komt iets van het walmige der 
romantiek waarvan het vuurtje of lie- 
ver ; vuur nog steeds door onze ooste- 
lijke naburen onderhouden wordt. Met 
het overige werk komt anders Sluyter 
wel in de lijn der jongeren. 

Het bestek is hier te eng om verder 
op het bijzondere van deze groepen- 
tentoonstelling, die wat gehalte betreft 
ver boven de gewone exposities staat, 
in te gaan. 

2^2^ 28^ S^J8^2^ 28^ S^ S^ S^ 

HAAGSCHE KUNSTKRING > TEN- 
TOONSTELLING VAN TEEKENINGEN 
DOOR OUDE HOLLANDSCHE MEES- 
TERS, UIT DE VERZAMELING VAN 
Dr CORN. HOFSTEDE DE GROOT > 
16-24 DECEMBER EN VAN 28 DECEM- 
BER-2 JANUARI >c^ Rembrandt's en 
Adriaan Brouwer's teekeningen maken 
de attractie van deze tentoonstelling uit. 
De eerste is er met een 46-tal nummers, 
waaronder ik een Winterlandschap in 
't bijzonder wilde memoreeren. Het is 
eene gewasschen bruinige penteekening. 
We zien op een vaart met huizen, 
boompjes, brug en een schip aan den 
overkant ; rechts is nog gedeeltelijk een 
schip zichtbaar. Hiervoor staande heb 
ik me afgevraagd, « wie van de moder- 
nen teekende zoo? » Dit schijnt mo- 
derner dan hun werk, ook omdat het 
langer zal leven ; hel is modern omdat 



82 



't zoo klassiek is. En welk eene eenvoud 
overigens, zonder ^(rooldoenerij. Maar 
de innige hartstocht die deze kleine 
teekening tot een zoo levend iels maakte 
maakt ze dieper, Hollandscher dan ik 't 
ooit in een teekening naar een winter 
zag, en tevens is ze zoo universeel, een 
zoo algemeen natuur- of levensbeeld, 
dat elke niet-Hollander er genoegen mee 
zal nemen. Zoo'n teekening zou voor 
iemand, die een Hollandsche winter lief 
heeft, een schat zijn die hij zou savou- 
reeren als een droombeeld van den 
winter zelf. 

De breede en forsche teekeningen van 
Adriaan Brouwer toonen den genialen 
te vroeg gestorven meester van een 
mooien kant. Daar is al de grootheid in 
aanwezig, in *t geheel en in enkele 
figuren, reeds volledig of nog in kiem, 
die — men zal voor alle groote genre- 
schilders nu wel langzamerhand tot 
deze erkenning komen — hen met vele 
grooten op één lijn stelt. Een schilde- 
rijtje, ook aan hem toegeschreven, is 
van minder rang. — Zoo er omtrent de 
oude genre-schilders een spijt aanwezig 
kan zijn, dan is 't zeker wel deze dat 
deze, anders door de natuur zoo bij- 
zonder uitgeruste schilder, met dat 
eene : een langen en hechten levenstijd, 
zoo poo verlij k bedeeld werd. 

Verder is hier eenig werk uit de 
school van Rembrand t, teekeningen van 
Abraham Bloemaert, van Albert Cuyp, 
van J. van Goyen, Philips Koning, J. 
Lievens, A. van Ostade(?), Isaac van 
Ostade. Verder vindt ik in mijn catalo- 
gus aangeteekend : H. Uylenburgh, W. 
van de Velde (de Jonge) en A. van de 
Venne, Jac. de Gheyn ^de Oude), L. 
Doomer. (Landschap met bergen, een 
rivier en een vrouw op een ezel; wat ik 
noteerde om de sterk sprekende invloed 
van Rembrandt). Vervolgens zijn hier 
nog veel teekeningen van R. Roghman, 
meest al gebouwen tot onderwerp heb- 
bende ; uit picturaal oogpunt is dit 
werk doorgaans onbelangrijk. Noem 
ik dan nog C. Berensteyn, A.van Borsum, 
C. Dusart, Josua de Grave, J. Porcellis, 
A. Rutgers (de oude), F. Saenredam, 
H. Saftleven, P. Santvoort, J. van der 
Ulfl en A. Verboom, dan heb ik, op een 
enkele onbekende meester na, alle expo- 
santen genoemd. H. D. B. 



^^^^^^^^^^ VARIA 



VARIA 



Langzamerhand wordt de verza- 
meling van vroegere Nederlandsche 
Meesters in den Louvre uitgebreid. Niet 
lang geleden vond het prachtige stuk 
van Geertgen tot Si. Jans, de Opwekking 
van Lazarus er een plaats; nog vóór het 
einde van verleden jaar werd een lezende 
Vrouwenfiguur (heilige?;, van een onbe- 
kenden Vlaming aangekocht in de ver- 
kooping der verzameling C. Lelong. Het 
stuk stond op naam van Jan Mostaert 
(alweer!) maar moet waarschijnlijk tot 
de school van den z. g. Meester van 
Flémalle worden teruggevoerd. Er werd 
fr. 20.200 voor betaald. Verder gaf de 
heer Lucien-Claude Lafontaine een luik 
van een triptiek ten geschenke : de Drie 
Heilige Vrouwen, (met SI, Barbara in 
grauwschildering op de keerzijde) dra- 
gende den naam van den schilder : 
Colijn de Coler en de stad ; Brussel. Deze 
aanwinst is voor den Louvre van des te 
grooter waarde, daar het middenstuk 
van dit drieluik, de Drievuldigheid zich 
reeds in het dépöt van dit Museum be- 
vond. De heer Camille Benoit houdt 
zich met de studie van dezen kunstenaar 
bezig en is nu ook op zoek naar het 
nog ontbrekende luik. — Ten slotte 
werd in de verkooping der Verzame- 
ling Otlet te Brussel, een Maria mei 
Jesus en SL Jan van Barend van Orley 
voor fr. 13.500 aangekocht. Het stuk is 
geteekend en draagt het jaartal 1521 ; het 
is herkomstig uit de verzameling van 
James H van Engeland, en behoorde 
later toe aan den markies van Peralta. 
«♦^ Voor het Berlijnsche Museum werd 
een zeer belangrijk stuk van Rubens 
aangekocht : de Bekeering van Paulus 
(Hoog 2 m., breed 3,5 m.) geschilderd 
omstreeks 1617 en herkomstig uit Leigh 
Court in Engeland, waar het in het bezit 
was van de familie Miler. 
<^^c Het Binnenhuis » zal na aftreden 
van den Heer W. Hoeker als directeur op 
1 Januari j.1., voortaan onder directie 
staan van L. Simons en H. P, Berlage Nz, 
♦V De heer J. Del vin, kunstschilder, 
werd benoemd tot Directeur der Aca- 
demie voor Schoone Kunsten te Gent. 
•^^ In December van verleden jaar 
werd te Parijs in het « Petit Palais » de 



83 



VARIA 



verzameling ingehuldigd, welke Rugène 
Dutuit (met een som van 4 raillioen voor 
inrichting en onderhoud) per testament 
aan die stad vermaakte, op voorwaarde 
dat de aanvaarding binnen de twee 
maanden na zijn dood (tl Juli 1902), en 
de ofüciéele opening binnen de vier 
maanden na de aanvaarding zou ge- 
schieden ; bleef Parijs in gebreke, dan 
zou het legaat toekomen aan Rome. Dat 
dit laatste niet gebeurde, spreekt van 
zelf. — Deze verzameling, in 1832 reeds 
aangelegd door Eugène en zijn broeder 
Auguste Dutuit, is dan ook een der 
rijkste welke ooit door particulieren 
werd gevormd. Zij bevat kunstwerken 
uit alle tijdperken van de kunstgeschie- 
denis : egyptische beelden in brons en 
basalt, grieksche marmers, oostersch 
^leiswerk, ivoor en zilver, beelden en 
schilderijen uit de Renaissance, meu- 
bels, tapijten, juweelen, een prachtige 
bibliotheek met prentenkabinet, enz. 
— Voor ons is echter van bizonder 
belang de keurige collectie van Hol- 
landsche Meesters uit de xvii« eeuw, 
welke de Dutuit's met fijnen smaak 
wisten bijeen te brengen. In de eerste 
plaats verdient hier vermelding een col- 
lectie etsen van Rembrandt welke om 
de fraaiheid der afdrukken en zeldzaam- 
hein der staten haast onovertrofTeu is ; 
een afdruk van het Honderd Guldenblad 
o. a. werd voor frs. 100.000 aangekocht. 
Van Rembrandt ook een geschilderd 
portret in Oostersche kleedij. Verder 
een klein, bizonder kostbaar schilde- 
rijtje van Metsu, twee meesterlijke 
Terburg^s, een kleine maar ook weer 
precieuse Cuyp, een typige Brouwer, 
een paar merkwaardige Hobbema's, 
stukken van Ruysdael, de Hooch, Th. 
De Keyser, Maas, Is. en Adr. van Ostade, 
van de Velde, enz. 



' De Bibliothèqne Nationale te Parijs 
is in het bezit gekomen van de nage- 
laten handschriften en de briefwisseling 
van Eugène Müntz — waaronder ver- 
scheiden bijna voltooide werken, o. a. 
over da Vinci, Rubens en Rembrandt, 
Dürer en Holbein, over verschillende 
takken van kunstnijverheid enz. 

Deze papieren zullen binnen enkele 
maanden gerangschikt en gebonden, 
voor het publiek beschikbaar gesteld 
worden. 

-♦^ In de Hoyal Academy te Londen 
wordt een tentoonstelling gehouden van 
een aantal stukken van Alb. Cuyp, naast 
werken van Engelsche meesters als 
Turner, Wilson, Gainsborouh en Con- 
stable. 

«♦^ De twee luiken van het bekende 
Baumgartner-altaar van Dürer (in de 
Pinakolheek te München) hebben een 
belangwekkende restauratie onder- 
staan. De twee mooie ridders, als dona- 
leuren op de luiken afgebeeld waren 
waarschijnlijk reeds in de XVII« eeuw 
gedeeltelijk overschilderd ; deze over- 
schildering is weggenomen, en onder 
de helmen die ze droegen zijn de 
oorspionkelijke kappen te voorschijn 
gekomen, een schild is een draak ge- 
worden en bovendien zijn ook de land- 
schappen en paarden uit den achtergrond 
verdwenen, die nu effen zwart is. Reeds 
lang bestond het vermoeden dat aan 
die stukken iets niet in den haak zat. 
Men kreeg echter volle zekerheid toen 
men onlangs het werk met oude copieén 
vergeleek. Op den achterkant van een 
der luiken is een Madonna onder een 
effen verflaag te voorschijn gebracht; 
ook het middenpaneel schijnt over- 
schilderd te zijn, en zal misschien ook 
worden onder handen genomen. Prof. 
Hauservoertdit zeer gevaarlijk werk uit. 




84 



DIRK NIJLAND 




IE algemeene indruk van de kunst van Dirk DIRK 
Nijland is deze : dat we hier te doen hebben NIJLAND 
met een zeer bizondere persoonlijke uiting, 
die niet onder praedomineerende inlandsche 
of exotische invloeden staat. Dus gerekend 
kan worden tot de artistieke begaafdheid, die, 
eigen weg gaaande, nationaal is en een ware 
verheuging voor het vaderlandsche hart. 
Het persoonlijk kachet, Dirk Nijland van den aanvang af eigen, 
voor zoo ver ik zijn werk zag, maakt hem tot iemand, die stellig 
belooft het eigenaardige hooger-op te zullen voeren, te zullen verfijnen 
en verdiepen, te zullen verlevendigen en versterken, zonder van den 
hak op den tak te gaan door zijsprongen; zonder zichzelf en zijn be- 
wonderaars in de war te brengen door telkens ander werk, andere 
opvattingen, andere sfeer- of milieu-uitingen, waardoor zoovelen zij- 
ner tijdgenooten aan het publiek teleurstellingen brengen inplaats 
van stijgende vreugde. 

Of het nu niet mogelijk is tusschen hem en anderen verwantschap 
te ontdekken? 

Zeker is het dit. Houden we in het oog ; of wil men liever : 
bedenken we, dat overal wisselwerkingen zijn, overal saamhang is, min 
of meer duidelijk, min of meer bemerkbaar, dan zal men, bij menig 
stuk werk van dezen artiest, denken aan dezen of dien beroemden 
voorganger of bekenden tijdgenoot : vooral wanneer men, be-voor- 
invloed door kennis van milieu, haast van zelf of onwillekeurig tot 
vergelijkingen komt. 

Zóo zag ik van onzen artiest een stilleven — ik herinner mij niet 
meer of het in 't openbaar indertijd te zien was — zoo teer en fijn 
gevoeld als menigeen zich dat denkt bij de droomerige kunst 
van Wiggers ; of, wil men een anderen beroemden tijdgenoot, 
bij Thys Maris. Ik zou nog eenigen kunnen noemen. Ik zag een 



Onze Kunst 1903, Afl. 3, XI 



85 



DIRK penteekening, zoo uitvoerig en konscientieus, met zooveel aan de 

NIJLAND lucht besteede zorg, zoo zeer elk wolkje gerond of lang-dun 

gestreept of sluierachtig uitwaaiend en daartegen van een prachtige 
gothische torenspits den karteltop met zijn doorzichtige boogvormige 
zuil-openingen en door kolonnaden omvatte verdiepingen, elk de- 
tailtje vol groote toegewijde zorg, dat ik terstond naast deze teekening 
de visie kreeg van een els van Dürer. Bij eenig nadenken zou men 
ook Lukas van Leiden kunnen noemen of menig ander oud-duitsch 
of oud-nederlandsch graveur. Maar wat wil dit nu zeggen ? Alleen dal 
Dirk Nijland werkt met ongeveer dezelfde opvattingen van kunst ; 
maar niet met de hunne. 

Het goede moet terugkomen ; en dan daaruit de kunst, de nieuwe 
kunst^ die het publiek, zonder twijfel terecht, door massaal spontaan 
gevoel juist geleid, in de toekomst verwacht. 

Van deze komende lente is Dirk Nijland mei eenige anderen, bij 
ons en in het buitenland, een groote verwachtingen opwekkende 
boodschapper. 

Waarom ik dit alles nu zoo vind? 

Omdat het mij duidelijk is geworden uit het werk door mij van 
Dirk Nijland gezien. 

Waarom dacht ik, heeft hij niet gedaan, zooals bijna elk beginnend 
schilder, die behoefte gevoelt zijn uitingen te brengen onder aandacht 
van het groote publiek ? 

De olie-verf-techniek ! Hierop toch leggen de nieuwelingen in 
kunst zich van meet-af het liefst met de borst toe. Maar in deze 
techniek verfijning te bereiken, is voor iemand die de kleur fijn ziet 
juisl verbazend moeilijk in onze dagen. De meeste schilderijen van de 
beginners blijven dan ook studies ; slaan wat kleur betreft niet hooger ; 
zijn geë:npateerd, verf legen verf, zonder diepte of doorschijnendheid ; 
met schaduwen van stopverf en lichlschijningen, die truc-achtig glans 
krijgen door reflexie van het buitenlicht in de olieachtige verfkorsl. 
Met deze ónkunst verwarre men niet het pointillé-procédé. Dit is zoo 
oud als de schilderkunst, als de graveerkunst : en zal blijven waar 
men licht en leven goed wil uitdrukken, zooals dit ook in olie- verf 
o a. door den Delflschen Vermeer zoo dikwijls is gedaan. Dit 
pointillé wordt ook door Dirk Nijland in zijn penteekeningen herhaal- 
delijk toegepast en, voor zoo ver ik zag, deed hij het overal goed. 
Maar waarom gebruikt hij nu geen olie ? Omdat hij de fijnheid van 
kleur, waaraan hij behoefte gevoelt, niet zoo fijn weet uit te drukken 
met olie als — met de pen. 



86 





f 



U3 

17 



2 S 



De zoogenaamd primitieve of de golhieke kunst wijst op een DIRK 
aanvankelijk zeer sterke inwendige verdieping, reiigieuse levensbe- NIJLAND 
hoefte, die blijkt niet uil de onderwerpen alleen, maar ook door 
technisch zeer volmaakte middelen, tot uitwendige verschijning 
gekomen in gelaatsuitdrukking, gebarenspel, houding; in één woord : 
in vastgelegde emotie : ziels-emotie of geestelijk leven : geestelijke 
smart of geestelijke vreugd. De uiting van den artistiek gevoelige kon 
niet anders dan dit alles geven : het kwam onwillekeurig waar het 
onderwerp het eischte. Men wist bijna niet dat het komen moest, het 
hoorde er bij. En daar men toen nog niet, zooals nu, hel materiëele 
en ónmateriëele verstandelijk scherp scheidde, volgde hieruit tevens 
scherpe waarneming van het uitwendige, waaraan men al zijn zelf- 
bewuste zienskracht kon geven, zoodat aan elk onderdeeltje van het 
geheel dezelfde teeken- of fixeer-kunst werd gewijd : zoodat het van- 
zelf-sprekende plicht werd elk gebouwtje, kerkje, spitsje, wegje, 
watertje ; elk heestertje, boompje of bosch ; in één woord elk landschap 
minutieus met al zijn kleine stof-verschillen even juist weer te geven als 
hel uitwendig oog het zag. Maar altijd nog als achtergrond, als iets 
bijkomstigs : omdat de ziels-uiting toch altijd het sterkst spreekt uit 
den mensch, uit den persoon : en deze daarom hoofdzaak moest 
blijven. Nu heeft inwendige geestelijke verfijning, verfijning tengevolge 
van het stoff'elijk oog. Van daar in zooveel primitief werk de juweel- 
achtige schittering, zuiverheid en diepte : die men met de tegenwoor- 
dige hulpmiddelen niet meer kan bereiken : vooral omdat het gros 
der artiesten tegenwoordig niet meer zoo geestelijk verfijnd ziet. 

Waar zijn fijnere, voor het gewone oog haast onmerkbare, kleur- 
wisselingen dan — in de lucht ? Waar zijn ze fijner, onspeurbaar haast, 
dan — in het water? 

En juist in zijn luchten, in zijn waters drukt Dirk Nijland de 
meeste kleur uit — met de pen. Benijdenswaardige gave ; — maar ook 
werk van groote studie, van taai geduld. Van studie... ja; want niet op 
eenmaal is hij hiertoe gekomen. Ik zag van hem een aquarel, een 
gezicht uit een zoldervenster van het ouderlijk huis over daken, 
tusschen ijl voorjaarsgroen op een tegen-overliggende gracht met dun 
gewasschen, in voorjaars-atmosfeer wegdroomende huizen. Een mooie 
leekening, waarvoor ik lang bleef kijken en met aandacht; maar de 
lucht nog zwak : omdat het werk was van eenige jaren geleden. Ik 
zag ook een paar olie-schetsen; en zie : hier alle studie, alle aandacht 
gewijd aan de lucht; met nauwelijks eenige duimen ondergrond; want 
de lucht was hoofdzaak, de lucht, de lucht! Zooiets exposeert hij niet, 



87 




DIIiK NIJLAND : DE BOOM 
(Teekening). 

DIRK en terecht. Maar bewijs voor mij, dat die lucht, die wonderbaar fijne, 

NIJLAND esquise Hollandsche polderland-Iuchl hem prikkelde tot studie, tot 

inspanning. En nu heeft hij van de luchten op zijn teekeningen werk, 
veel werk, een enkele maal te veel werk gemaakt. Dan komt er iets 
pijnlijk nauwkeurigs in; en dit is uit het bovenstaande te verklaren en 
zal bij grooter techniek-beheersching geheel verdwijnen. 



«8 





2 ^ 
^ < 

Q Q 



Maar tegenover dit soms pijnlijk nauwkeurige staat dan weer het DIRK 
spontaan-breede, het grootsche in lijn en massa, waaruit zoozeer de NIJLAND 
echtheid blijkt van zijn artistiek gevoel. Hoe knoestig, hoe gegroeid, 
hoe in-eens vang-armen de takken door elkaar als lijn-kluwens van 
het berceau, van het bladerlooze laantje, waaronder men ver door- 
kijkt, tot het wordt symbool van ruimte, van atmospheerische einde- 
* loosheid. 

In welk een verre ruimte staat het molengevaarte, alsof het met 
zijn stuggen, stierig gebogen kop wil aanstooten tegen het onbereikbare. 
Ook die teere Gothische spits, die als een Madonna zich rein voelt 
boven den rookwalm uit de schoorsteenen rond-om zich en haar voet... 
ook zij is symbool in anderen zin, in zin van ópstrevings-zucht naar 
het oneindige die de kunstenaarsziel gevoelt. De bootwerker weer, taai, 
mager en gespierd en alles koncentreerende tot uiterlijke kracht in 
den strijd om het bestaan, symbool van de inspanning, van 't levens- 
verlies dat de kunstenaar zich moet getroosten terwille van zijn groot 
doel. Soms ook wordt de bootwerker, waar hij meedoet aan 't politieke 
tinnegieten, tot karikatuur, lot KaaUphilosoof; teekeningen met zwart 
en een weinig rood krijt, en soms met een weinig rood gewasschen 
achtergrond. Met de pen is weer, ernstig symbolisch, een deftige 
jonge man; een sludie-mensch, een portret van een vriend, die aan- 
dachtig zit te lezen Inet de linkerhand aan 't hoofd, terwijl éen der 
vingers de regels volgt van het boek. Hierin is ook alweer de stof mooi 
uitgedrukt en tot groote verscheidenheid gebracht : stof van -boek, 
lamp, licht, achtergrond en kleeding. Dit uitdrukken van de stof-ver- 
scheidenheid met de pen is één der strevingen van den artiest, die 
groote waardeering verdient en zeer moeiHjk te bereiken is. Kunst-/i>/y(? 
is hier de groote motor. En ik zag dit hel duidelijkst in een uitvoerige 
teekening De Tuiiiy tuin rondom hel ouderlijk huis; met achter een 
tuinmuur het huis zelf in al zijn verscheidenheid van panne- en 
steenrood; kozijn-stijl-hout en gegordijnde ramen, waarlangs een paar 
stammen opgaan tusschen heesters, elegant-slank van vorm en in al 
hun bladverscheidenheid afgebeeld. 

Alles is hier mooi en zelfs het kiezel langs het tuinpad. En dit 
beter voor te stellen dan min of meer poinlilleerend met de pen, zal 
wel niet mogelijk zijn : althans niet op een teekening als deze, waar- 
voor geen ander hulpmiddel dan de pen is gebruikt. Mooi vooral ook 
is hier het wegwazende, teer uitgewerkte loofhout, achter hel lagere 
huisdeel links opgaande. Anders is weer Rumoer : ik herinner mij hel 
van de exposities in Rotterdam en Den Haag. De wegwaaiende rook- 



DIRK pluimen uit de hooge schoorsteenen tegen de zwaarbewolkte avond- 

NIJLAND lucht doen mij weer zien, zinrijk, de groote tegenstelling van 

het zichtbare en onzichtbare, tastbare en ontastbare, materieéle en 
ónmaterieële, waarmee de groote industrieële bestaans-slrijd ons 
dagelijks in aanraking brengt. Van liefde, groote liefde tot kunst 
getuigt weer de Brusselsche achterbuurt, waar in het oude hout elke 
noest is uitgewerkt, elke steen een individu is geworden en de lucht 
ver^ mooi ver gaat. Jaagpad is weer anders; weer meer zinrijk, waar 
de lijntrekkende man naast de kalm spiegelende hoornen, molen- en 
huizen-silhouetten stil tégen de gestamde avondlucht, sterk de 
Jegenslelling aangeeft van het tot rust gekomene en bijna nooit rust 
krijgende. Dan zag ik nog een Oude Stal^ weer met sterke, zinvolle 
tegenstelling, die van licht, en donker. Het is een akwarel. Of er met 
de pen in gewerkt is, heb ik niet kunnen zien. Maar als akwarel is 
het een goede getuige van wat de kunstenaar in dit opzicht reeds 
kan. Mooi valt door de open deur het licht met een lange breede lijn 
over de steenen, aan wier kleur-verandering in dat licht groote zorg 
is besteed ; terwijl het grijsachtig verweerde hout van de steunbalken 
op den voorgrond goed is van lijnen. Door de open deur ziet men, 
over een watertje en een molen met hout er achter, de lucht. 

Ik zag nog een paar akwarellcn. De éen is een Maasgezicht met 
gelig golvend water op den voorgrond en verderop saamvloeiïng met 
paarsblauwig. Daarin zeilen een drietal schuiten achter elkaar; terwijl 
tegen het gele aan een sleepstoomer eenige andere trekt, leek het mij. 
Hier boven eenige blank-rondgerolde wolken in de blauwe ruimte 
Alweer dat trekken en zwoegen onder de sereniteit van den pol- 
derlandschen hemel — zinrijk als in zoo vele andere teekeningen 
van den artiest. De tweede, even groote, is een dergelijk riviergezicht, 
met veel water op den voorgrond en aan den einder niets als een 
blank-groen polder-verschiet. Hierin vooral is ruimte aangeduid en 
het geeft een gevoel van het grootsche wat aan het Dordtsche landschap 
eigen is. 

Het picturale van het oude Dordt is natuurlijk van invloed geweest 
op de artistieke vorming van Dirk Nijland. Wil men van invloed 
spreken, dan is hier punt van uitgang : Dordt en het ruime water- 
landschap rondom de stad. Numero twee : het ouderlijk huis. Dit, in 
artistieke kringen zeer bekend, bergt schatten van kunst, die Dirk reeds 
jong voor oogen kreeg. Bescheidenheid verbiedt hier in bizonderheden 
te treden. Maar zou hij, reeds zoo jong, tot die breede, vrij-aangezette, 
spontaan uitgevoerde lijn zijn gekomen, waarvan onder anderen een 



00 





M^ 



< H 

J CS 

2 O 



lithografie getuigt, die ik er zag, een Veluwsche watermolen, als hij DIRK 
niet rondom zich de voorbeelden had gezien, dagelijks gezien van NULAND 
datzelfde sponlaan-vrije, in-eens uitgedrukte gevoel, waarvan die door 
hem op steen geleekende molen spreekt? Toch is het zoo mooi en 
getuigt hel van zijn conscientieuse opvatting, wanneer hij, niettegen- 
staande dit breede en dikwijls al-te-vrije, de teekening verwaarloo- 
zende exempel, lot het tegenovergestelde is gekomen : alleen om de 
stol uit te drukken, juist uit te drukken; waartoe hij niet anders dan 
door inspanning van studie geraken kon. 

Maar zoo teekent hij niet altijd. Aardige typen zijn de achter-elkaar 
te voorschijn komende koppen met de schreeuwmonden van eenige 
kiezers op een kiezersvergadering, breed aangezet met krijt, zwart-op- 
wit. Met welk werk is dit nu te vergelijken? Het is een teekening naar 
het leven; en karikatuur geworden, omdat de teekenaar van het ver- 
gaderen van dergelijke lieden het lachwekkende het sterkst voelde. 
Had van Gogh zooiets kunnen maken? Nooit. Het belachelijke bestond 
voor hem niet. Als men zijn werk slechts even ziet, weet men, dat hij 
het sterkst de ellende voelde; het vermagerde, afgetobde, verzwoegde; 
de ontzettende inspanning hem bij-bleef, die het leven van zoo velen 
vordert. In Baymans is, ik erken het, een prachtige raapster, een buk- 
kende vrouw, naar het leven in-eens, heerlijk van lijnen van Vincent. 
Maar in de meeste van zijn teekeningen geeft hij zich den tijd niet om 
te teekenen : omdat hij meeleeft met Les Humbles, met Les Misérables 
en, wat ze ook doen, hij zich dadelijk sterk in hun lijden verdiept, 
waardoor de teekenaar, en ook de kolorist, op den achtergrond geraakt. 
Hier en daar kleurt hij slechts even zijn wit en zwart, met een 
weinigje rood, een weinigje bruin, een weinigje geel. En altijd weer 
zijn het zwoegers, tobbers, die we te zien krijgen, lichamelijk verloope- 
nen, ouden van dagen of door huiselijke zorgen geplaagde ellendigen. 
Maar dit altijd ernstig ; nooit met een zweem van spotternij ; wat hij 
niet kón, omdat hij meeleefde met hen. 

Waar daarentegen Dirk Nijland de zwoegenden op het papier 
brengt, doet hij dit bijkomstig : als middel niet als doel ; om een 
gedachte uit te drukken. Ook Toorop doet dit; maar heel anders. 
Hier het symbool om het symbool. Het wordt gezocht, saamgesteld, 
raadselachtig ; het is uniek en wordt beschouwd als iets a-parts van 
de werkelijkheid rondom ons. Als in een Zerr- of Hohlspiegel zien we 
de dagelijksche dingen om ons anders worden : alleen om ze pasklaar 
te maken voor een symboliesche gedachte. Daar-en-tegen in vele 
van Dirk Nijland*s teekeningen treedt het symbool ons voor oogen 



91 



DIRK zooals de werkelijkheid dit geeft, zooals het in alle natuur-dingen 

NIJLAND rondom ons besloten ligt, zichtbaar is, qï onbewust tot ons komjt. 

Trekt een onderwerp den kunstenaar, laat een ander hem koel^ dan 
komt dit omdat hij de mindere of meerdere volheid als bij ingeving 
gewaar wordt. Te Katwijk schilderde Dirk Nijland naar de natuur. 
De oude witgrijze, verweerde kerk alweer trok hem ; maar het strand 
en de pinken, en de zee zelfs, liet hij weg. 

De groote, tot dus ver de grootste zijner teekeningen, Bomkade^ 
pleit alweer voor deze opvatting. Voor den gewonen beschouwer is dit 
gewirwar van door-elkaar slingerende lijnen, van uitwaaiende wimpels, 
opgestapelde tonnetjes, langs dekken van met allerlei kleinigheden 
beladen schepen, tusschen duc-d'alves door, langs kade-keien en 
scheepsplanken en over krinkelend water, wat druk. Maar tusschen al 
dat touwwerk door, en over die schepen heen, ziet men de huizen 
in rijen, waar de zwoegende menschen kunnen rusten. En boven deze 
omgeving, reeds kalmer dan de voorgrond is, steekt hoog op de 
vierkant breede, grijs-grauwe torenreus, met eigenaardig gekroonden 
uurwerk-top; waarlangs de wijzers schuiven dag-in dag-uit... als een 
eeuwigheids-memento voor het menschen-bedrijf aan zijn voet... als 
een waarschuwing om als het getij verloopt niet te vergeten het baken 
te verzetten. 

Voorburg bjd Haag. J^ WiNKLER PrINS. 

6 Febr. 1902. 




92 





I 



d ^ 



a ^ ^ 

-< C/3 § 

2 cc 5 

y^ '^ •^ 

\4 ^ t 

E 3 -2^ 

5 c '^ 




DE TEEKENINGEN DER 



VLAAMSCHE MEESTERS 



DE KLEINMEESTERS DER XVP EEUW 




E Vlaamsche kleinmeesters van de xvie eeuw DE TEEKE- 
ondergaan in mindere mate den invloed der NINGEN DER 
Italianen ; zij blijven in hoofdzaak fijnschilders, VLAAMSCHE 
zooals onze middeleeuwsche kunstenaars het MEESTERS 
waren. Wel worden hunne figuren leniger, 
hunne tonen smeltender en zoeken zij te 
behagen door aanvalligheid ; maar zij volgen 
geen vreemden na, zij zoeken naar geen 
Academische regelmaat; zij stofifeeren zoo rijk mogelijk hunne toonee- 
len en plaatsen deze gaarne in landschappelijke omgeving. 

Hendrik met de Bles en Joachim de Patinir (1490?-1524) vormen 
den overgang van de oudere tot de nieuwere school. Van den eerste 
kennen wij geene teekening; van den tweede bezit het British Museum 
een blad, waarop verscheiden hoofden uitmuntend geteekend zijn, op 
den rug staat in geschrift van den tijd te lezen « Joachim de Patinir ». 
In tijdsorde volgt Marten van Cleve (1527-1581), die in kleine 
tafereeltjes tooneelen uit de Bijbelsche geschiedenis of uit het volks- 
leven schilderde. Al zijne werken zijn verloren gegaan, behalve een 
Vlaamsch huishouden^ dat het Rijksmuseum van Weenen van hem 
bezit en dat voortkomt uit de verzameling van Aartshertog Leopold- 
Wilhelm. Een Boerenkermis en een landschap, dat vroeger te Weenen 
was, werd in 1877 door Woltmann te Praag gezien. De Albertina bezit 
van hem eene teekening in den aard van Pieter Breughel, verbeeldende 
eene Boerenbruiloft. 

Van Hendrik van Cleve (1525-1589) zijn broeder, van wien ons 
ook nog slechts één schilderij bekend is, namelijk de Verloren Zoon in 
het Rijksmuseum te Weenen, in den trant van Peter Aertsen, kennen 
wij verscheiden teekeningen : een landschap met puinen in den Louvre 

met zijn naamteeken l^JT ; in de Albertina nog een landschap met 

veel gebouwen, waarvan de afbeelding hierbij gaat; als slofifeering : een 



xu 



93 




DE TEEKE-^ 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



JOACHIM DE PATINIR: SU' DIEHOOFDEN 
(Londen, Brilish Museum). 

stroom met brug en een boot. Het is een zeer fijne teekening met de 
pen uitgevoerd en met blauw getint, zijn naamteeken en het jaartal 
1588 dragende. In dezelfde verzameling een andere teekening, waarop 
van later hand zijn naam Herri van Cleve geschreven is; te Amsterdam, 
een mansportret met zijn naamteeken en het jaar 1582; te Berlijn, 
drie stuks : een zeestrand met water en schepen in denzelfden trant als 
de stukken uit de Albertina; een bouwval op een hoogte, wat vaster 
van teekening met bruin en blauw opgehaald; een bouwgevaarte aan 
zee, met de pen en gewasschen met bister. Alle drie dragen het naam- 
cijfer van den kunstenaar; het eerste is gedagteekend van 1585, het 
tweede van 1584, het derde van 1582. 

In de Albertina troffen wij eene teekening aan gemerkt van later 
hand Cornelius van Cleve, * verbeeldende Saters, die een pedestaal 
maken voor een vrouw, die een bloemenkorf op het hoofd draagt. Een 
drager van dezen naam is ons alleen bekend uit de Liggeren der Ant- 
werpsche Lucasgilde, die hem onder 1659-1660 vermelden als leer- 
jongen. 



Jacob Grimmer (1526?-1590) schilderde volgens van Mander hoofd- 
zakelijk landschappen; dit moge waar zijn, even zeker is het dat hij 
gaarne zijne veldgezichten stoffeerde met gebouwen en ook wel 



91 






r^ *^ 



iri\ 








• o 

;;; ca 

> ^ 

X ^ ^ 



> i =2 

'^ X ^. 

1 1 1 

a j ? 



tooneelen uit hel gewone leven en uit den Bijbel in den volksirant DE TEEKE- 
schilderde. Zijne leekeningen zijn ongemeen fijn en fraai. De Albertina NINGEN DER 
bezit \an hem een Stalleken nan Bethleem; hel Brilish Museum, een VLAAMSCHE 
gezicht op Anlwerpen langs den Scheldekanl en een zeer fraai land- MEESTERS 
schap met woningen en mei een boer, die een kar voortdrijft, onder- 
teekend Jac. Griemaer. 

De twee voornaamste teekenaars onder de kleinmeesters van dien 
tijd zijn Hans Bol en Jan Breughel I. 

Hans Bol werd geboren te Mechelen den 16^" December 1534. In 
zijne jonge jaren bezocht hij Duitschland, verbleef daar eenigen tijd 
en keerde omstreeks 1560 terug naar Mechelen. In 1572 verliet hij 
opnieuw zijne geboortestad en vestigde zich te Antwerpen, waar hij 
drie jaar later het poorterrecht bekwam. In 1584 begaf hij zich naar 
Holland, woonde daar in verscheiden sleden en eindelijk te Amsterdam, 
waar hij den 20" November 1593 overleed. Hij schilderde eerst 
landschappen met figuren, later ook walerverfstukken en miniaturen. 
Er werd veel naar zijne werken, die gewoonlijk van kleine afmetingen 
waren, gegraveerd; hij zelf was een eiser van talent. 

Een groot aantal teekeningen, altijd in zijn keurigen, fijnen 
trant gemaakt, zijn ons bewaard gebleven. De Louvre bezit van hem 
twee landschappen dragende zijn naam; een ervan is gedagteekend 
van 1586. De Albertina bezit er veel meer; de gedagleekende zijn van 

1572, 1580, 1582 en 1588. De Uffizi te Florence hebben een landschap 
met jagers te voet en te paard van 1568, een bergachtig landschap van 

1573, een gezicht op een kasteel met velerlei personages van 1580. Het 
Prentenkabinet van Amsterdam een Belhsahé van 1568, een bergachtige 
streek en op de achterzijde « hel huys leBorgvliet toten Ossenheuvel, » 
een heuvelachtig landschap met gebouwen van 1570, en drie land- 
schappen met figuren van 1573; het Museum te Dresden, een heer en 
eene dame voorafgegaan door muziekanten van 1573; het Prenten- 
kabinet te Berlijn een zeer uitvoerige teekening met de pen, het 
Huwelijk van Joseph en Maria, vóór een tempel in Renaissance-stijl, 
op een groote markt vol huizen en menschen van 1565; een gezicht op 
land en stad van 1569, een ander van 1570 en een gezicht op een 
kasteel met mannen, die in den tuin werken, van 1573. Verscheiden van 
die stukken zijn zoo zorgvuldig bewerkt dal zij klaarblijkelijk bestemd 
zijn om tot modellen voor den graveur te dienen; zij zijn met de pen 
geteekend, meestal met bister, enkele met blauwe of purperen water- 
verf gewasschen. 

Jan Breughel I of Fluweelen Breughel werd te Brussel geboren in 
1568 ; al vroeg kwam hij naar Antwerpen ; in zijne jongelingsjaren 
begaf hij zich naar Italië, van waar hij in de tweede helft van 1596 naar 
hel vaderland terugkeerde ; hij vestigde zich te Anlwerpen, waar hij in 



95 




I 





H.CT 

lONSTICH 




SEBASTIAAN VRANCX : Titelblad van het register der Rederijkkamer c de Violieren > 
(Archief der Koninklij ke Academie, te Antwerpen). 



96 



1625 overleed. De datum, dien sommige zijner teekeningen dragen en DE TEEKE- 
hun onderwerp bewijzen dat liij na zijn aankomst te Antwerpen nog NINGEN DER 
menige reis in den vreemde ondernam. Zijne fijne miniatuurachtige VLAAMSCHE 
stukjes, gewoonlijk landschappen gestoffeerd met personages, zijn MEESTERS 
algemeen gekend en bewonderd ; buitendien schilderde hij allerlei 
dieren in geringe afmeting en keurigen trant, bloemen en velerlei 
doode natuur. 

Belangrijk voor zijne geschiedenis zijn de opschriften, die zijne 
teekeningen dragen. Het British Museum bezit van hem het gezicht op 
eene ruïne gedagteekend H October 159i Roma fecil BrueghelJ''; een 
ander met de woorden : In Roma november 159i van zijne hand en 
flu Bruegel fe van lateren tijd. Te Rotterdam in het Museum vinden 
wij een rotsig landschap onderteekend BRVEGHEL 1596. Hij moet 
later een paar malen in Duitschland geweest zijn; een zijner teekenin- 
gen inliet British Museum draagt het opschrift : BRVEGHEL fecit in 
Praga i60^; op een stuk te Amsterdam, een echte miniatuur in 
kleur, met blauw en groen gewasschen, leest men : « St, Jopskerck 
Joan Brueghel 1616 ten 10 october in Neurenberg. » Te Berlijn vinden 
wij een zeestrand met schepen ; de figuren zijn zeer vettig, de booten 
in lichte tint, het water blauw, alles zeer breed en flink gedaan, getee- 
kend B...g hel fecit primo decembri 16Hj een bewijs dat hij ook kleinere 
studiereisjes ondernam. 

Het is waarschijnlijk dat op Breughel's naam tal van landgezichten 
in zijnen aard geplaatst zijn ; hij was toch de voorganger en bleef de 
meest gekende vertegenwoordiger van een heele groep schilders van 
landschappen, gestoffeerd met personages, fijn en wat magertjes van 
bewerking, tooneelen uit het werkelijk leven of ideale natuurgezichten 
voorstellende. Behalve de hooger vermelde vonden wij door hem 
onderteekende stukken : in den Louvre, een landschap met het 
woord BrugelOy wellicht een veritalianiseerde vorm van zijn naam ; 
in de Albertina, een rotsige plek met een Siby Hen tempel en den naam 
/ brSgel ; in het British-Museum, een vaas met bloemen met Jan Breu- 
ghel^ de naam met eu geschreven zooals de Breughel's wel eens meer 
deden ; te Haarlem, in het Teylers-Museum, een riviergezicht met 
J. Breughel ; te Amsterdam nog vijf stuks, waaronder een rivier- 
gezicht met J, B reugel fecit; en een overval van eenreiswagen met 
Andere stukken van hem, die echt zijn, ofschoon zij zijn naam niet 
dragen, bezitten de openbare verzamelingen te Dresden, te St. Peters- 
burg, te Stockholm en de Albertina te Weenen. Berlijn vooral is rijk 
aan teekeningen van hem : buiten de reeds genoemde bevinden er 
zich daar vijf latidelijke tafereelen, een studie van karren en paarden 
en een IJsvermaak. 

In de groote Fransche verzamelingen der achttiende eeuw kwam 



3 



97 




l 
f 







SEBASTIAAN VRANCX : Zinnebeeldig ))lnd in het register der Redcrijkkamer < de Violieren » 
(Archief der Koninklijke Academie te Antwerpen). 



98 





< 



y. 



^ :i^ •= 

5 ^' t 

- ö- £ 

2 5 < 

« i i 

^ % l 

■ï "3 c 




SEBASTIAAN VRANCX : CARTOUCHE 
(St. Petersburg, Ermitage). 

men vele teekeningen van Jan Breughel tegen. De Catalogus van pvg TEEKE- 
Crozat, opgesteld door Mariette, beschrijft er niet minder dan 68; jjivrpjj npp 
onder deze komen er vier landschappen en drie gezichten op Puzzoli VLAAMSCHE 
voor, die door Gilles Sadeler werden gegraveerd. Een der stukken is \ieeSTERS 
gedagteekend van 1593, een van 1596, een van 1597, dat bij aan 
Theodoor Galle ten geschenke gaf, een van 1611 ; een Gezicht op de 
brug van Heidelberg en een Prediking van den H. NorbertuSy een onder- 
werp, dat hij behandelde in een schilderij, die het Museum te Brussel 
bezit. 

Van de kleinmeesters geboren in de laatste jaren der XVI® eeuw 
hebben wij nog te vermelden Hendrik van Balen (1575-1632), van 
wien de Albertina eene Aanbidding der Herders, gedagteekend H. v. 
Balen 1617 en geheel in Rubens' trant opgevat, bezit. In de TT^ 
Ufïizi vinden wij nog een Europa op den stier geteekend 1 13^ 
162i^j hem toegeschreven, maar zeer twijfelachtig. 

Willem Nieulant (1584-1633; maakte, zooals wij weten, vele tee- 
keningen in Rome en op andere plaatsen in Italië. Daarvan getuigen 
verscheidene stukken : een Triomfboog in puin gedagteekend A" 1610 
en twee andere teekeningen van vervallen gebouwen in het prenten- 
kabinet van het Rijksmuseum te Amsterdam ; een brug met gezicht op 
puinen, gedagteekend Adi 10 September 1603^ ie Dresden', de Triomf- , 
boog van Simplicius Severus met het opschrift : In Roma il 20 Septem- 
bre 1609 en een rotsachtig landschap geteekend WILLIAM NIEVLANT 
1609, beide te Berlijn. Al deze stukken zijn met de pen geteekend met 
zorg, maar zonder groot talent bewerkt. 



99 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



Van zijn broeder Adriaan Nieuwlant (1587-1658) bezit de Albertina 
een bergachtig landschap, een landschap met stadsgezicht en een 
derde met vier zingende en op de rinkeltrom spelende vrouwen, 
geteekend A. Nieuivlandt. 

Sebastiaan Vrancx (1573-1647), was een bijzonder smaakvol tee- 
kenaar van cartouches en omlijslingen in den Renaissance-trant, 
die den overgang vormt tusschen den stijl van Vredeman de Vries en 
dien van Rubens. Staaltjes van zijn talent vinden wij in een cartouche 
toebehoorende aan de Ermitage te St. Petersburg, gemerkt Anno ^609^ 
S. V. en in een paar bladen in waterverf, die hij vervaardigde voor het 
register der Violieren, nog berustende in het Archief der Koninklijke 
Academie te Antwerpen. Het eene vormt het titelblad van dit register; 
het andere omlijst een van die zinnebeeldige schilden, waar de Rede- 
rijkkamers toen veel liefhebberij in hadden en waar in de Landjuwee- 
len prijzen werden voor uitgeloofd. Sebastiaan Vrancx, die ook aan 
letterkunde deed, schilderde er zoo nog wel meer. Dat, welk wij hier 
afbeelden geeft terzelfder tijd als het schild de uitlegging van den rebus 
in een vierregelig gedichtje, beiden door onzen kunstenaar vervaar- 
digd. 

{Wordt voortgezet). MaX RoOSëS. 




100 



EEN NIEUWE VAN DER GOES 



IN HET BERLIJNSCHE MUSEUM 




iT Berlijnsche Museum heeft weer een slag EEN NIEUWE 
geslagen, die we met bewondering (en laten VAN DER 
we ook maar zeggen met een beetje afgunst) GOES 
meesterlijk mogen heeten : de aankoop van IN HET 
een tot nu toe vrij onbekend hoofdwerk van BERLIJNSCHE 
I lugo van der Goes. De uitgelezen verzameling MUSEUM 
werken van vroege Nederlandsche meesters, 
welke dit museum reeds bezit, wordt hierdoor 
op even schitterende als onverwachte wijze verrijkt. Wij, Vlamingen, 
mogen het betreuren dat nu voor goed alle kans verloren is, een 
werk van zoo groote beteekenis nog ooit binneji onze grenzen te krij- 
gen, — maar we kunnen ons troosten met de gedachte, dat dit kind 
van onzen bodem aan goede handen is toevertrouwd. Het Berlijnsche 
Museum-bestuur zij dan ook met deze nieuwe aanwinst van harte 
geluk gewenscht. 

Dat de waarde van dit werk, niet enkel op zichzelf en voor zich- 
zelf, maar ook als document in de geschiedenis onzer schilderkunst, 
niet licht te overschatten is, blijkt vooral wanneer wij nagaan hoe 
bitter weinig ons aan scheppingen en levensbijzonderheden van dien 
schilder is toegekomen. Zijn leven is vol mysterie en verschrikking. 
Met volle zekerheid is maar heel weinig over hem geweten. Van Mander 
was, zooals hij het trouwens zelf erkent, over hem zeer onvoldoende 
ingelicht, en putte zijn gegevens uit weinig vertrouwbare bronnen. Er 
bestaan slechts een paar oorkonden waaruit iets stelligs is op te 
maken. Zoo staat het nu vast dat van der Goes te Gent geboren 
werd; in 1467 belast werd met de artistieke leiding der feesten voor de 
intrede van Karel den Stoute, en het volgend jaar, te Brugge aan der- 
gelijke werkzaamheden deelnam, ter gelegenheid van het huwelijk van 
den Hertog van Burgondië; in 1468 onder-deken, en van 1473 tot 1475 
deken was van de St. Lucasgilde te Gent ; — rond 1476 als leekebroer 
in het Klooster Roodendale of Roode Klooster^ bij Audeghem (in het 
Zoniênbosch) trad, en er in 1482 stierf, na een- of tweejarige geestes- 



xiu 



101 



I 



EEN NIEUWE ziekte. Over het laatste gedeelte van zijn leven bezitten we een kostbaar 
VAN DER bericht in een latijnsche kroniek, (*) opgesteld door een kloosterbroe- 

GOES der, Gaspard Ofhuys van Doornik, die gelijktijdig in het klooster leefde. 

IN HET Breedvoerig wijdt deze uit over de levenswijze van den schilder als 

BERLIJNSCHE kloosterling, en vertelt hoe hij omstreeks 1480-81 een reis naar Keulen 
MUSEUM ondernomen hebbende, op den terugweg door de kwaal werd aangetast, 

waarvan hij niet meer genezen zou. Onder de wijdloopige beschouwin- 
gen van den kroniekschrijver willen we de volgende naïeve en eigen- 
aardige opmerking aanhalen : • Deze broeder was, als uitstekend 
schilder zooals hij toen genoemd werd, door een overmatige verbeel- 
dingskracht aan droomerij en afgetrokkenheid ten prooi : hierdoor 
werd een ader in zijn brein getroffen. In de nabijheid van dit laatste, 
is er, naar men zegt, een kleine en teedere ader, beheerscht door 
scheppingskracht en droomerij. Wanneer onze verbeelding te veel 
werkt en wij veel droomen, wordt die ader gekweld en wanneer zij 
zoozeer geschokt en geteisterd wordt dat ze breekt, ontstaat er waanzin 
en razernij. Ten einde ons voor zulk noodlottig en onherstelbaar 
kwaad te vrijwaren, moeten we niet toegeven aan onze droomerijen, 
inbeeldingen, achterdocht, of andere ijdele en onnoodige gedachten, 
die onze hersenen kunnen versloren. ».... 

Deze treurige bijzonderheid uit het leven van den kunstenaar, 
krijgt voor ons echter haar volle beteekenis, wanneer wij haar in 
verband brengen met het eigenaardige karakter van zijn kunst. In al 
zijne werken, die we als authenthiek mogen beschouwen, leeft iets 
heel a-parts, dat we in geen enkel zijner voorgangers of tijdgenooten 
wedervinden. Ik bedoel, om het met één woord te noemen : een hef- 
tigheid, een hartstocht, een woestheid, een ongebreideldheid, die wars 
is van overlevering en conventie en gretig nieuwe banen zoekt. Hij 
streeft naar intensiteit van uitdrukking, naar levendigheid van bewe- 
ging ; hij kiest sterk sprekende types, die hij bijna als karikaturen 
weergeeft. Als een da Vinci haast, schept hij behagen in een gerimpelde 
tronie, trekt scherp een profiel, laat domheid of hartstocht om de 
monden spelen. Wanneer hij een portret schildert, vermooit hij het 
niet, maar verzwaart de trekken, doet ten koste van het aanvallige de 
uitdrukking luider spreken, legt balken onder de oogen, holt de wangen 
uit, laat haar en baard liefst ordeloos. En ook zijn handen dragen dat 
karakter : — het zijn handen waar men den meester aan herkent — 
knoestige werkhanden, of fijnere vrouwenhanden, maar altijd duide- 
lijk gekarakteriseerd, hoewel een enkelen keer misschien misteekend, 
sprekende handen, die de heele figuur kenschetsen. — Zijn uit- 

(*) Medegedeeld en in het Fransch vertaald door Alph. Wauters : Hugues van 
der Goes, sa uie et ses ceuureSy Bruxelles, F. Hayez, 1872, p. 12 vgg., ook overgeno- 
men door H. Hymans : Le Liures des Feintres de Carel van Mander, Paris, J. Rouam, 
1884, T. I, p. 57, vgg. 



102 



drukking van vreugde of smart is bandeloos, — hij geeft zich geheel, EEN NIEUWE 
ten volle, met diepgevoelde passie. Men voelt dat hij door zijn oplei- VAN DER 
ding, zijn omgeving nog niet over de middelen beschikt om zijn GOES 
denkbeelden volledig te uiten, om alles uit te zeggen wat hij in zich IN HET 
heeft — en daarom blijven zijn voorstellingen dan ook soms wat BERLIJNSCHE 
onbeholpen, wat links. Zijn lyrische drang wordt nog gekortwiekt MUSEUM 
door de opvattingen van zijn tijd, waaraan hij nog niet ontkomen kon 

— maar hij voelde reeds dat de kunst weldra nieuwe en andere vor- 
men zou brengen. Zoo zijn werk reeds duidelijk den weg wijst naar 
Quinten Massys ^^zijn zijne herders niet even levendig en sterk gety- 
peerd als de stokende beulen op het groote drieluik van Quinten ?) 

— zien we er ook reeds den geest ontkiemen, die bij Dürer zou ont- 
luiken in zijn Geheime Openbaring van Johannes, bij Baldung Grien 
zelfs in zijne fantastische teekeningen, — tot bij Breughel toe, den 
sappigen • Peer den Drol », in zijne boerentooneelen .... 

Heftige expressie kon hij geleerd hebben van Meester Rogier van 
der Weyden — maar deze gaf meer pathetische smartuitdrukking, 
smartmimiek, luid klinkende ontboezeming, zuiver en vol van toon, 
maar koud- verheven, als gekristallizeerd tot ideale, onschendbare mooi- 
heid. Van der Goes geeft meer de diepere gemoedstroomingen, men 
voelt in zijn werk meer den levenden mensch, men voelt zijn warme 
hartebloed kloppen — hij spreekt direkter tot ons, — raakt dadelijk 
de gevoeligste snaren van onze ziel. 

En als tegenstelling, maar toch in den grond parallel met de 
hartstochtelijk en soms ruw geteekende menschentypes — zien we 
zijn Madonna's en engelen, teedere, droomfijne figuurtjes, van hoo- 
gen adel en bevalligheid. Maar hierin vinden we weer de uiting van 
's kunstenaars eigen inborst en karakter : hij dweept met het mooi 
van teedere vrouwen- en kindergezichtjes, evengoed als hij dweept 
met het typische, het grove en zinnelijke van manstronies; — waar hij 
deze verleelijkt, verscherpt, — vermooit en verzacht bij gene. Hij houdt 
evenveel van een engelenvleugel met duivenpennen of pauwenoogen, 
als van een ruige herders- of heremij tenpij, — hij schept evenveel beha- 
gen in een parelenkroon op zijzachte blonde haren, als in een grove 
muts op een stekeligen haarbos. — Hij is een dweeper, een enthousiast, 
een lyricus, die uit moest zingen wat hij in zich had, die genieten 
wou door zijn kunst, van zijn kunst, en van zijn leven. 

En is het zoo heel vreemd, dat een man met dezen aanleg en dit 
temperament, vol illuzie en droombeelden, vol behoefte aan expansie, 
aan krachtverbruik, — niet geschikt was voor het kloosterleven — en 
dat de schitterende vlam van zijn vernuft allengs verteren moest bij 
gebrek aan 't rijkere voedsel waaraan zij behoefte had?... 



103 



EEN NIEUWE Deze Aanbidding der Herders, nu te Berlijn, behoort lot de zeer 

VAN DER weinige werken, die met voldoende zekerheid aan van der Goes 

GOES kunnen worden toegeschreven Zooals men weet bestaat er eigenlijk 

IN HET maar één stuk, waarvan de echtheid door historsche oorkonden is 

BERLIJNSCIIE geslaafd : het groote drieluik, ook een Aanbidding der Herders (*) om- 

MUSEUM streeks 1476 geschilderd voor Tonimaso Porlinari, zaakgelastigde der 

Medici te Brugge — en tot vóór een paar jaren nog bewaard door het 

gasthuis van St. Maria Novella te Florence, waarvoor het oorspronkelijk 

bestemd was — en nu definitief geplaatst in het Museum der Uffizi. 

De toekenning van alle andere werken van dien meester moet naar 

hun uiterlijke kenteekenen aan dit standaardwerk worden getoetst 

— en niet meer dan een half dozijn schilderijen hebben de harde 

proef doorstaan, waaraan de moderne kunstgeleerden — o. a. 

L. Scheibier — ze onderworpen hebben. Hier zij gezegd dat we toch 

in het Museum te Brugge een stuk hebben bewaard, dat wel degelijk 

van 's meesters hand is : de Dood van Maria, hoewel we dit niet meer 

in zijn oorspronkelijk koloriet kunnen bewonderen. Verder worden 

als echt erkend een kleine Aanbidding uil de verzameling Liechtenstein, 

Weenen, (op de Brugsche Tentoonstelling van verleden jaar aanwezig) 

twee zeer eigenaardige, kleurige en uiterst teeder bewerkte luikjes uit 

het Museum te Weenen, Adam en Eva en de Graflegging y twee groote 

luiken met donateurs in Holyrood Palace te Edinburgh, (*) en een paar 

minder belangrijke stukken te Frankfurt en te Neurenberg. 

Het sluk dat we hier op het oog hebben (•) sluit zich rechtstreeks 
aan, zooweldoorhel onderwerp als door de behandeling, bij het beruchte 
Porlinari-altaar te Florence. Bij den eerslen aanblik springt de overeen- 
komst in het oog — ook al zijn dan hoogst waarschijnlijk eenige jaren 
tusschen het onlstaan van beide werken verloopen. Wat het eerst 
opvalt zijn de buitengewone verhoudingen van het stuk : 2.46 m. lang 
bij slechts 0.97 m. hoog. Heeft de kunstenaar uit eigen beweging deze 
afmetingen gekozen, of had hij slechts deze ruimte lot zijn beschikking? 
Of is het schilderij een fragment, een predella, van een veelluik waar- 
van de overige deelen verloren zijn gegaan?... 

Hoe dan ook, de schilder heeft zijn lang panneel op zeer eigen- 
aardige wijze weten te vullen. Hij slelt ons het tooneel voor, als 
gebeurde het achter een gordijn, dat door twee halflijfsche, levens- 
groote figuren (profeten), in de beide hoeken staande, wordt openge- 

(•) Afgebeeld in Onze Kunst, 1902, I^halfj. blz. 42-43. 

(*) O. a besproken door W. von Seidutz in het Repertorium für Kunstwissen- 
5c/ia/]f;XIIblz 399. 

(3) Algebeeld in het Jahrbuch der Kgl. Preussischen Kunstsammlungen, (Berlin, 
G. Grote'sche Verlagsbuchhdlg.) 1903, blz. 100-101, bij een opstel van Wilhelm 
Bode, waaraan we enkele gegevens ontleenen, evenals in het tijdschrift Kunst und 
Künstler, (Berlin, Bruno Cassirer), 1903, blz. 145, waarin het door Max J. Fried- 
LANDER besproken wordt. 



104 



schoven. Deze schikking geeft aan het geheel iets vreemds, fantastisch EEN NIEUWE 
haast, waarin we weer ten volle het origineele karakter van den mees- VAN DER 
ter weervinden. Het beeld dat ons op die wijze door de profeten ont- GOES 
huid wordt, heeft hoog-dichterlijke bekoring; er is een eenheid van IN HET 
gevoel, van handeling in, die we haast in geen enkel ander werk van BEIRLIJNSCHE 
dien aard in zoo hooge mate aantreffen, en waarbij ook het Floren- MUSEUM 
tijnsche stuk van den schilder ver ten achter blijft. Alles concentreert 
zich om het middenpunt van het geheele tooneel : het schamele 
Christuskindje in zijn kribbeken. Ter linke zijde knielt de Moeder, — 
een der zuiverste, teederste Madonna-figuren uit onze vroege schilder- 
school — ter rechte zijde de mooi-getypeerde St. Jozef, en daartusschen 
en daar rond, dicht om het Kindje, de vroom-aandachtige engeltjes. 
En van links komen, gehaast, nieuwsgierig, de herders hunne hulde 
brengen,.. Al de figuren zijn blijkbaar naar het leven geteekend, met 
een waarheidsliefde, die wel in de van Eycken een voorbeeld had, 
maar zich toch nooit te voren zoo driest, zoo recht-op-den-man-af 
had voorgedaan. Wat van het naïeve natuur-gevoel der aanbiddende 
herders in het Portinari-lriptiek reeds meermaals elders gezegd werd, 
is ook hier ten volle van toepassing; — die figuren zijn zóó portret- 
achtig behandeld, dat men ze nog iederen dag in levenden lijve zou 
kunnen ontmoeten; de ééne fluit-spelende man achterin, waarvan men 
alleen het hoofd ziet, heeft iets in zich, dat ons misschien niet zonder 
eenige reden tot het vermoeden zou kunnen brengen, dat de kunste- 
naar hier zichzelf heeft afgebeeld... Ook het détail werd met liefde 
behandeld : zoo de teedere grasplanten die op de muurtjes groeien waar- 
door de profetengestalten van het overige van de voorstelling werden 
afgezonderd, de engelenvlerken, de kroontjes, de rijke brokaatstoffen 
waarmee de profeeten zijn gekleed... 

Het stuk is herkomstig uit Spanje — een land dat voor onze oude 
schilderschool een ware goudmijn is — en werd gekocht uit de 
nalatenschap der Infante Maria Cristina van Bourbon. Rond hel 
midden der XlXe eeuw werd het een tijdlang in het Museo Nacional te 
Madrid tentoongesteld, waar het door Crowe en Cavalcaselle werd opge- 
merkt ; het werd het eerst op naam van Van der Goes gezet door 
Carl Justi, volgens wiens mededeeling het vermeld werd door Ed. 
Firmenich-Richartz in een studie over den meester, met critische lijst 
zijner werken. (*) 

De gelukkige aankoop van het Berlijnsche Museum heeft weer 
eens te meer de algemeene aandacht op dezen zoo hoogst merkwaar- 
digen kunstenaar ingeroepen. Moge er aanleiding tot verdere opsporing 
over zijn nog zoo duisteren levensgang en weinig gekende werken in 
gevonden worden ! P. B. Jr. 



(«) Zeitschrift für Chrisüiche Kunst, 1897, p. 225, 289 en 371. 



105 



KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



UIT AMSTERDAM 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 




IJ DE FIRMA WIS- 
SELINGH ƒ TEN- 
TOONSTELLING M. 
BAUER>c^Wat uit 
de beide groote lee- 
keningen van de ka- 
thedraal te Toledo, 
die ik te dezer plaatse signaleerde, 
reeds bleek, is nu stelliger nog bevestigd 
door de schilderijen uit Spanje : een 
kleine collectie uit één zelfde fase. Er is 
iets nieuws in Bauer's werk. Wie vrees- 
den, en er waren er zelfs onder zijn 
beste vrienden en bewonderaars, dat 
zijn gemakkelijke peinture en zijn gave 
zonder alle gedwongenheid te charmee- 
ren, hem misschien ten langen leste 
dien hechten grondslag zouden doen 
verliezen, waarop ook de meest virtuoze 
artiest moet kunnen bouwen, wie bang 
waren voor al te lenige buigzaamheid, 
voor een gereedelijk toegeven aan uiter- 
lijke bekoring en elegantie, dezulken 
kunnen nu hun angst voor anderen 
reserveeren. Hier toch is weer zoo 
groote kracht en zooveel taaie energie 
^an den dag gelegd, is in het braveeren 
van tallooze moeilijkheden zoozeer ge- 
toond hoe een Bauer er op bedacht was 
zijn kunst jong en frisch te houden, dat 
ik sedert lang niet zulk een prettige 
expositie gezien heb — Gelijk is ook 
dit werk natuurlijk niet. Bauer is nooit 
een van die halflndustrieéle schilders 
geweest, wier uitingen op elkaar lijken 
als twee tegels uit dezelfde pers, daar- 
voor heeft hij nooit het vervelende van 
de onfeilbare berekenbaarheid gehad. 
Grootsch van aanleg is het avondlijke 
berglandschap uit Spanje : Onder de 
donkere lucht, aan den horizont, ge- 



kleurd als na lange regens, strekken de 
bergruggen, van een nog hooger punt 
op den voorgrond af gezien, vér weg 
tot waar hun brokken en lijnen ver- 
schemeren in het avondgrouw; daar 
staan kaal en dachtzwart de rotswanden 
zich voegend tot één majestueuzen om- 
trek tegen den hemel ; en voor over het 
kale steenige terrein een ruiterfiguurtje 

— Don Quichotte met Sancho ? — voor- 
zichtig neerstappend naar de fluweelbe- 
hangen droomvalleien, gapend uit duis- 
tere, onpeilspellende diepten, geheim- 
zinnig onheilbaar. ~~ En de Drug van 
Toledo, die haast zooveel schilders 
heeft gelokt, als het c Canale Grande » 
is hier opnieuw gezien, zonder alle ba- 
naliteit. Brokkelig staan de vervallen 
torens, zacht beschenen door een mild 
gouden licht -~ Spanje gezien door hol- 
landsche oogen — de vervallen groot- 
heid der hooge bruggewelven, waart 
door het geheel als een weemoedige 
melodie. En die brug is geteekend met 
naarstige uitvoerigheid wel, maar toch 
met vlotten streek. Teekenend met de 
richting mee, is alles geborsteld en in 
tegenstelling gehouden met een eenvoud 
als aan Daumier eigen is. Iets fransch' 
is er in al deze stukken, niet alsof Bauer 
aan fransche meesters gedacht zou heb- 
ben, maar in hemzclven leeft iets van 
de hooge allure, die het opus van Dela- 
croix maakt tot wat het is — Romantiek 

- zeker aangekondigd reeds in die ka- 
thedraal-teekeningen, voorspeld door 
de wierook omsluierde stoeten van pra- 
lend priesterrood en smeulend goud, 
maar nu volmondig uitgezegd, eerlijk 
bekend als diepste confessie. Is er een 
onder de Hollanders, die ons die sensa- 
ties zou kunnen geven, die onze neigin- 
gen, ons geheim verlangen naar het oude 



106 



i 



romantische land zou kunnen bevredi- 
gen ? Thys Maris' romaniiek is intiem, 
meer gerniaansch, mystiek en vol van 
tooversproken ; maar uit dit werk klinkt 
de poëtische illuzie van het grandioze, 
voor het trotsch-reusachlige. 

Daar is een smal schilderij Het Paleis 
Ambir, wellicht het duidelijkst docu- 
ment voor deze gevoelens ; tegen de ber- 
gen vér breiend onder een zilver-waai- 
erende lucht, is het kasteel gebouwd 
door vele geslachten, door duizenden 
op den roep hunner vorsten. Maar de 
tijden zijn er meedoogenloos overheen- 
getrokken en nu staat H daar, groezelig 
wit met ontelbare torenstompen en 
muurbrokkels, met honderden myste- 
rieuse ramen en deurgaten, als een 
vizioen uit vervlogen dagen. Het licht 
van een eden dag strijkt over den ouden 
rooden muur, die als een verroeste 
kroon kartelt op den bergkam. — En 
daarbij is de voorgrond zoo raak van 
behandeling en zoo overtuigend van 
expressie, dat een onomstootelijke rea- 
liteit dit gevaarlijke sujet vrijwaart van 
alle banale Ruinen-Seiüimentalilat^ dat 
in weerwil van de zeer sobere kleuren- 
schaal, die Bauer ook nu niet verrijkt, 
het werkelijke echte buiten hier rond 
ons heen luwt. 

Ik zou nog wel lang willen beschrij- 
ven, maar op gevaar af, dat men mij 
verkeerd zou verstaan. Niet de sensatie 
van het onderwerp is bij de meeste van 
deze schilderijen de hoofdzaak, maar 
het zuiver picturale, de oneindige nuan- 
ceering van toon, de roode, modelee- 
rende toets, het zeer eigen sentiment 
voor kleur, waarin veel aan oude Hol- 
landers herinnert, maken boeiend wat 
hier boven zwak omschreven is. 

Overal waar de strijd met de stugge 
materie, de korstige, vette olieverf door 
den schilder, wien de volle, gesmijdige 
waterverfpenseelen tot nu toe een ge- 
makkelijker instrument waren, niet is 
gewonnen, waar de makelij nog niet 
beantwoordt aan de pracht der gegevens 
daar helpen ook de stoffen niet - zoo 
bv. bij het Kasteel^ in groote brokken 
van nr 3 Tanger. — Maar over 't geheel 
is de tentoonstelling een verblijdend 
feit en een prachtige belofte voor de 
toekomst. 

Van andere schilderijen in den loop 



der maand bij de firma te zien, noem 
ik alleen een kleine Monticelli. Een 
feeénkring op hoogcn bergtop. De wol- 
ken drijven in snelle vaart voorbij de 
bleekc maan, rakelings langs de ijle 
elfen gewaden, die in dien zilveren 
schijn zich vereencn tot een wonderen 
tuil van frambozenrood en citrocngcel, 
van flikkerend blauw en voornaam 
paarsch, heerlijk naast elkaar en tegen 
den kruimigen,roestigen grond, waarop 
de tooverwezens luisterend gezeten zijn 
rond de blauwe zuster, die zangerig 
voorleest uit een opengeslagen wonder- 
boek. 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



IN DE KUNSTZAAL VAN GOCH 
Twee schilders met nog weinig uitge- 
breide reputatie. C. F. L. de Wild en 
G. C. Haverkamp. De éérste, door 2 
aquarellen en 16 schilderijen en studies 
vertegenwoordigd is,dat dient onmiddel- 
lijk te worden gezegd, van een knapheid 
die vaak aan het virtuoze raakt. Zelden 
heb ik iemand zijn publieke loopbaan 
zien beginnen met zooveel vaardigheid, 
met zulk een beheerschen van alle 
metier-geheimen. Maar tot nog toe kan 
ik met den besten wil, dien men niet 
licht verliest bij 't zien van zooveel rij- 
pen smaak en zoo degelijke zelf-kritiek, 
weinig bespeuren van dat ééne noodige, 
waar wij het van moeten hebben, 't Is 
of alles wat zóó en zooveel halve schil- 
ders gemaakt hebben, alles wat bij de 
diminores nog herinnert aan de groote 
Haagsche meesters, of dit heele reper- 
toire hier is samengetrokken en opge- 
voerd tot het hoogste wat een smaakvol 
compilator met groote behendigheid 
kan bereiken. Ik geef onmiddellijk toe, 
dat in de Omnibushalte — de malsch en 
pittig geschilderde wagentjes in den 
regen — dingen zijn van een charme 
als ze in het werk van Arntzenius mis- 
schien wel gezocht maar zelden gevon- 
den zijn, dat andere brokken de zwarte 
stukken in sommige opzichten vooral 
door de minder klonterige, lichtere 
toets overtreffen. Maar met dat al spelen 
me toch al weer twéé namen door 't 
hoofd en als ik dan verder wandelend 
bij elke studie, bij elk verder gebracht 
geval haast wéér een nieuwen naam in 
gedachten hoor, dan verlaat ik toch 



107 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



UIT BERLIJN 



zoo'n tentoonstelling eindelijk niet zon- 
der wrevel. Iemand die zooveel kan, 
want men moet er heel wat voor in zijn 
mars hebben om een vischslilleven zoo 
te schilderen, dat het gerust naast 
Adriaansen of van Beyeren in een Mu- 
seum zou kunnen hangen, iemand die 
de techniek zoo meester is, voor dien is 
het gemis aan eigen klank in 't werk een 
droevig feit. Toch hebben de enkele 
schilderijtjes als Aan de Staalsspoor, de 
OmiubushaUey bij Kranenburg iets zelt- 
standigs. De diepere tonen zijn mooi 
doorvoed, het zwart is rijp, de in loon 
geschilderde plekken getuigen van eigen 
studie. Als deze stukken van den tateren 
tijd zijn, wat ik niet weet, dan is het 
altijd nog mogelijk, dat de schilder van 
een gedistingeerd en smaakvol compila- 
tor, van iemand wien het maar al te dui- 
delijk is aan te zien, dat hij meer aan 
gezonde kritiek dan aan een volwellend 
talent dankt, ten slotte nog een eigen 
onbetwistbare plaats zal mogen inne- 
men. Maar bescheiden zal het altijd wel 
moeten blijven. 

Het werk van Haverkamp is in veel 
opzichten het tegendeel. Niet dat het 
van een sterke persoonlijkheid zou ge- 
tuigen. Het is ook niet anders dan een 
deel uit een bepaalde, door krachtiger 
voorgangers als Van der Valk en Ver- 
ster gevormde groep. Maar terwijl De 
Wild zich overal als een habiel techni- 
cus vertoont, die zijn talrijke voorbeel- 
den soms in détail overtreft, blijft Haver- 
kamp in de meeste gevallen daar bene- 
den. Terwijl b.v. bij Verster, hoe strak 
hij ook soms alles tracht te omschrijven, 
toch altijd nog de volle ronding der voor- 
werpen tegenover elkaar geobserveerd 
blijft, zijn de groote massas bij Haver- 
kamp al te vaak ten achtergesteld bij 
't minutieus en ohgeloofelijk geduldig 
besludeeren der bijzondere eigenschap- 
pen van ieder ding. De boomschors is 
groef voor groet, kloof voor kloof ge- 
photografeerd maar de loonwaarde van 
den stam tegenover het muurtje dat er 
op eenige meters afstand achter moet 
staan is er bij ingeschoten. Dat kunnen 
kleine tekortkomingen zijn, waar ze 
een enkelen keer worden gevonden, 
maar hier zijn ze telkens weer. Boven- 
dien de pure klaarheid^ door de boven 
bedoelde groep gezocht als reactie op 



de uermoffelende groezeligheid der im- 
pressionisten behoejt geen onrijpheid 
te worden. Op de waterverfleekening 
Uit mijn Venster en op menige andere 
is de lucht papierachtig transparant, 
onaangenaam glazig gebleven, zooiets 
van dat waterachtig gekleur, waarmee 
de architecten op hun gewasschen tee- 
keningen de lucht recept-matig plegen 
aan te duiden. — Kortom, want het 
werk is nog niel op een hoogte dié 
lange uitweidingen zou rechtvaardigen, 
er is bij eenlijke bedoeling en prijzens- 
waardig geduld nog heel wat onbehol- 
penheid te bespeuren en er zal nog veel 
van het allereenvoudigste moeten ge- 
leerd worden voor we eigenlijk kunnen 
oordeelen. 

De conscientieuse etsen zijn tot nu toe 
verreweg 'l beste, in N»" 19, Op de boer- 
derij, is heel veel moois in het fijn 
doorwerkte muurtje. 

W. V. 



UIT BERLIJN 




lUNSTZAAL EDÜARD 
SCHULTE >c^ Bij 
Schulte werden in 
deze maand een ta- 
melijk groot aantal 
schilderijen en beeld- 
houwwerken van 
Frunz biücR uil München geëxposeerd. 
De algemeene indruk, dien wij er van 
ontvingen, was die van een zéér weinig 
sympathieke persoonlijkheid, met bui- 
tengewoon groote technische gaven, 
bedeeld, die den kunstenaar meer en 
meer tot gezochtheid en half bewust, 
half onbewust — tot effektbejag hebben 
verleid. Zijn beste werk bewonderen 
we wel in zijn bronzen : de Aihleet bijv. 
met den machtigen bol, is van verwon- 
derlijk grondige bewerking en zijn 
Amazone is zéér bekoorlijk. 

a^^ a^ iê^ a^ a^ a^^a^a^ a^ 

KUNSTZAAL PAUL CASSIRER. /lj^ 
Er bestaan tegenwoordig maar weinig 
kunstenaars, die geen profeeten voor 
hun leer kunnen vinden, mits ze in hun 
buitenissigheid maar « primitief » ge- 
noeg weten te zijn. Met dit mooie 
bijvoeglijk naamwoord worden tegen- 



108 



woordig alle technische capaciteiten 
verontschuldigd, welke een artist, en 
we spreken hier niet alleen van beel- 
dende kunstenaars, niei bezit. Ook de 
Noor Edvard Munch, heeft zoo zijn pro- 
feeten gevonden, die ons de leer ver- 
konden dat we hier aan de bron der 
toekomst-kunst staan. De groote ten- 
toonstelling van zijn geheele oeuvre 
bewijst ons echter dat dit absoluut niei 
het geval is. Zeker primitief is hij, als 
primitief zijn beteekent om landschap- 
pen en menschen met kinderachtige 
omtrekjes en gillende kleuren op H 
papier te gooien. Hij bereikt daarmee 
misschien enkele decoratieve effecten, 
maar stellig ook niet meer dan dat. Eén 
kwaliteit moeten we echter in hem be- 
wonderen : we voelen de eerlijkheid 
van den kunstenaar overal ; en dat zijn 
manier niet aan technische onbekwaam- 
heid toegeschreven moet worden, zien 
we 't best in die reeks portretten van 
minutieus, fijne teekening en buitenge- 
wone levendigheid. 

KUNSTZAAL KELLER EN REINER ƒ 
TENTOONSTELLING VAN WERK VAN 
HANS THOMA >c^ Een reine, groote 
vreugde hebben we genoten bij dit 
overzicht, dezen algemeenen blik op 
het werk van dezen, meer dan zeventig- 
jarigen meester. Wat hij ons geeft is 
Kunst van Eigen Land, in den edelsten 
zin van 't woord, maar ook binnen haar 
eigen eigenaardige grenzen. Men moet 
haar alleen in U nauwste verband met 
den bodem van het Middel-Duitsche 
landschap beschouwen. Maar dan heeft 
hij ook, als geen ander, de lieflijkheid 
van de vruchtbare Main-vlakte ver- 
staan — van de zachtgroene hellingen 
van de bergen — van het Odenwald met 
zijn schilderachtige ruinen, van de wijde 
velden in broeiende middagzoelte, bij de 
eerste gouden stralen van de zon of in 
den moeden avondschemer. Er ligt iets 
van 't karakter van Eichendorf in zijn 
geheele persoonlijke verhouding tot de 
natuur, die altijd zijn goede vriendin 
geweest is, die hij nooit op eenige wijze 
van zich heeft vervreemd. De vrede 
van een Idylle ligt ei- in al deze 
stukken, waar eenvoudige menschen bij 
gezonden arbeid een behagelijk leven 



ÜIT BERLIJN 



leiden. In de accoorden, die de natuur KUNST- 
er in aanslaat, mengen zich begeleidende 3EJ\JCJJTEN 
tonen, droomerig, lang aangehouden 
verlangende tonen van een viool; en 
ook de goede dieren sluiten zich bij de 
natuurstemming aan. Men zou Thoma 
een romanticus van de werkelijkheid 
kunnen noemen. Want waar hij zich 
van haar losmaakt, waar hij zijn fanta- 
sie, zonder aanknoopingspunt in het 
ijle laat zweven, krijgen we stukken 
als die in zijn jeugdmanier, onmogelijk 
als compositie — onmogelijk van kleur, 
zoo iets wat wij Duitschers Schahlonen- 
haft noemen, als een doortrekje van 
een borduurpatroon. Afschrikkende 
staaltjes van deze wijze van behande- 
ling zijn zijn Stoei van Amptiiiriie en 
uit de laatste jaren Siegfried, die Brun- 
hilde wekt en Jezus met de Samaritaan- 
sche Vrouw, Hoezeer is hij niet aan 
zichzelf gelijk gebleven, ook in zijn 
gebrek aan bekwaamheid in het afbeel- 
den van het levend model. Zijn Christus 
draagt bijv. geen geraamte onder zijn 
kleed. Maar ook aan zichzelf gelijk in 
zijn ernstig streven om aan dat wat hij 
te zeggen heeft den besten vorm van 
zijn uitdrukking te geven. 

Daarenboven pakt hij ons dadelijk 
met het intime van zijn portretten en 
dit geldt op de tegenwoordige tentoon- 
stelling vooral voor de prachtige buste 
van de Dame in liet Rosé, die met beide 
handen een boeket geurige Erica vast- 
houdt. Een wezenlijke verdienste van 
Hans Thoma ligt in zijn energieke 
krachtsinspanning om aan de verschil- 
lende vormen van reproductiekunst 
nieuwen bloei, nieuw leven mee te 
deelen. Zijn mannelijke houtsneden, 
zijn prachtige, oorspronkelijke litho- 
graphien, hebben er veel toe bijgedra- 
gen dat kunstenaars van naam zich van 
deze te lang verwaarloosde kunstvor- 
men hebben meester gemaakt. 

De tegenwoordige tentoonstelling was 
een gelukkige keuze uit het oneindig 
verscheiden werk van Thoma. 

W. 







XIV 



109 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DRN HAAG 




UIT DEN HAAG E 

|IJ DE FIRMA BUFFA 
y TENTOONSTEL- 
LING VAN GABRIÊL 
> 24 JANUARM4 FE- 
BRUARI A^^ Wan- 
neer deze expositie 
niet enkele, uit een 
bizonder oogpunt, maar daardoor te- 
vens in algemeenen zin belangrijke 
werken bracht, dan zou men haar be- 
staansrecht niet aanstonds willen erken- 
nen. Want ik geloof niet dat hier veel 
actueels, of dat er genoeg is, waaruit 
men het materiaal zou kunnen putten 
om den schilder alomvattend te karak- 
teriseeren — Er is eenig werk uit zijn 
Belgischen tijd, o a. eene Korenoogst, 
waaruit duidelijk Fransche invloed 
spreekt. Maar de Hollander doet zich 
in eene verre doorvoerdheid, te samen 
gaande met groole eenvoud, kennen. 
Het heeft al reede iels van een dier 
werkjes die hunne (idiéele) inhoud niet 
opdringen, die treffen als een gelaat vol 
ingehouden hartstocht. Speurt men een- 
maal den diepen zin, dan trekt deze 
ingetogenheid voor immer en ze is 
voortaan elk uur uw gezellin. - Er is 
hier ook een genre-sluk van Gabriél, 
eveneens uit zijn Belgischen tijd. Men 
wil, dat een onzer landschapschilders 
den schilder het doorgaan in eene rich- 
ting als deze ontraadde. Men is geneigd 
dit jammer te vinden, met dit scliilderij 
voor oogen. Want hèd Gabriél werkelijk 
voor altijd het vermogen bezeten in 
deze richting door te gaan, dan waren 
we stellig een uitnemend genre-schilder 
rijk er geweest. Dit stuk ademt sentimen- 
ten, die het brengen in de dichterlijke 
sfeer van Adriaan van Ostade. Dit is 
maar eene aanduiding. Want Van Ostade 
was veel als van verstoken geheimenis 
vol en dit werk schijnt 'eerst open en 
klaar en blijft het immer, trots de 
poëtische dracht. Het ademt hier al de 
wonne van een rosblonden zomerschen 
dag, waarvan de stemming het geheel 
draagt en aan H spreken brengt, de 
vrouwelijke figuren en het huis met zijn 
wit gepleisterden muur en nog groenen 
wingerd. — Dan is erGabriél's bekende 
l'Aube du Jour, Maar kon een werk als 



dit, bij al zijne zuivere doorvoerdheid 
niet levens grooler van eenvoud zijn? 
Dit laatste bereikt Gabriél 't meest in 
zijne kleine stukjes : een plas of een 
vaart met riet, met eendekooien, of 
netwerk. Men heeft in verband met dit 
werk gedacht aan de eenvoud en manier 
der groote Japanners maar heeft dan 
tevens te bedenken dat Gabriél nimmer 
decoratief wordt. Hij houdt zich over 
't algemeen dicht bij de natuur, dichter 
dan de meeste schilders van zijne 
periode. Dat blijkt wel het duidelijkst 
uit eenige dorpshuisjes met groente- 
akkers. Hier spreekt in de blakende 
stilte van den dag, de natuur zelf, de 
schilder is er vér van zich zelven op te 
dringen. En niet Ie min weel hij u won- 
derwel slemmingen te suggereeren. Zijn 
werk is over 't algemeen van een dich- 
terlijk realisme, het is geïdealiseerde 
realiteit en minder het omgekeerde. De 
schilder is eenig in het uitbeelden van 
de fijne doortintelde en doortochtte 
polderatmosfeer boven rimpelend of 
rimpelloos water en ruischend-stil of 
zangerig riet, over de verre strekking 
der bedijkte polderlanden naar den 
horizont, soms onderbroken door een 
weg of dijk met schrale boompjes, een- 
tonig gereid. En het liefst is hij mij bij 
dit al in zijne lumineuse morgens, 
waarin we het ruchtend aanbreken van 
den dageraad meenen te hooren, in zijne 
avonden, waar in de stilte over de riet- 
landen het wonderlijk geroep van den 
roerdomp : d'onzichtbare, verluidt, of 
in een zijner molenstukken : 'n morgen, 
'n geheimzinnige avond, of een dier 
doornevelde dag-stonden als de zon 
hoog en ver in de lucht verwijlt — 
zooals er hier een is, groot van suberbe 
eenvoud, met een meesterlijk gecon- 
centreerd diffuus licht en met een lyriek 
zóo wijdsch en hoog, dat zij — op een 
middag, als een warm licht de deelen 
als magisch verbindt— u zeldzaam kan 
verrassen bij dezen, wel veel als pittig, 
krachtig, frisch en misschien ook wel 
als dichterlijk, maar toch zelden als 
groot geprezen meester. 

BIJ DE FIRMA PREYER > TENTOON- 
STELLING VAN ARN. KONING ƒ 
JANUARl-21 FEBRUARI yc.^ Het werk 
van Arn. Koning maakt op het eerste 



110 



gezichl al den indruk, als te zijn ge- 
schilderd in een eigenaardig gamma; 
verder dat het zici: niet volkómen 
bij de traditie der Haagsche school 
aansluit. De Hagenaars toch bewogen 
zich, in eene volkomen vrije opvatting, 
op eene universeeler wijze. Hun natuur- 
visie was er weinig eene die op verbi- 
zondering uitging. J. Maris b. v. gaf een 
zoo algemeen natuurbeeld van Holland, 
dat een vreemdeling de onderwerpen 
die liij schilderde te vergeefs in levenden 
lijve zou vinden. Zoo zochten de Ame- 
rikanen in het Gooi met evenveel succes 
naar de gevalletjes die Mauve schilderde. 
Ik verbeeld me dat men de onderwer- 
pen van Arn. Koning eerder zou kunnen 
thuis brengen. Er zal natuurlijk ook 
gecomposeerd zijn ; maar de aard dezer 
schilderijen doet vermoeden, dat de 
schilder zich trouwer aan het natuur- 
voorbeeld hield Dat bijzondere gamma 
is 't verder wat hem van de Hage- 
naars onderscheidt. Zijn groen, rood, 
een soms wel fluweelig, maar over 
'l algemeen te zwarl donker, bruin er. 
grijs, mee de sterkst domineerende kleu- 
ren in het vaste van zijne onderwerpen, 
vinden we waarschijnlijk bij geen ander 
huidig schilder zoo. Hij brengt én in de 
(eenigszins decoratieve) strekking der 
plans en in dit gamma het kenmerkende 
van eene heidestreek tot ons. Maar, 
vragen we ons af, spreekt dit locale 
niet te sterk in zijne overigens episch 
geaarde landschappen, en zou zelfs bij 
eene ruimere opvatting de waarheid 
van het voorgestelde ons niet tevens 
sterker aandoen? Al dit bijzondere 
heeft als tegendeel van het algemeene 
een minder ware schijn. Zoo brengt 
ons J. Maris altijd eenigszins omtrent 
de zuivere opvatting der andere land- 
scliapschilders aan het twijfelen, en *t is 
voor zijne werken dat we eerst uilroe- 
pen : « dat is de natuur! « Ik waag H — 
in dit gedachle-verband — het vermoe- 
den uit te spreken, dat deze schilder 
zich misschien te eenzelvig, te speciaal 
in direct contact met eene natuurstreek 
beweegt, die op zich zelf misschien al 
niet zoozeer aangewezen is tot een leve- 
ren van algemeen interesseerende stof. 
Het is dan wel opmerkelijk te zien, dat 
juist die onderwerpen welke binnen de 
universeeler sfeer der Haagsche school 



en hare traditie vallen, stellig niet de 
slechtste zijn. Ik bedoel en de koeien 
op den weg en de stadshoekjes in den 
winter. Deze kenmerken hem niet zoo 
zeer, maar zij hebben vóór zich dat 
algemeene dat ze in aansluiting met eene 
bestaande traditie, eene zuiverder scha- 
keering van eene groote kunstsoort 
doet zijn. En juist de weg met koeien 
doet vermoeden, dat, bijeene mogelijke 
toekomstige vereeniging van beide soor- 
ten, de weg gevonden zou kunnen zijn 
tot eene glorieuzer verdere ontwikke- 
ling. 

^^^^^^^^^^ 

PULCHRI STUDIO > GROEPENTEN- 
TOONSTELLING 2^ SERIE > 25 JA- 
NUARI-8 FEBRUARI >c^ Wat men 
hier bijeen heeft gebracht, vormt een 
zuiverder geheel, dan dat wat de 
vorige expositie te zien gaf. Ik geloof 
dat Du Chattel de eenige is, die, naar 
den aard van zijn werk, te rangschikken 
zou zijn onder de groote generatie. Van 
al zijn werk hier verkies ik het Dorps- 
buurtje. Dit vertegenwoordigt wat men 
eenigszins de epische beschrijving van 
een landschap zou kunnen noemen. Het 
is in dit soort zoo aantrekkelijk — wijl 
de stemming, die men in een landschap 
vooral liefst niet mist. aanwezig is — 
dat *t mij begeerenswaardiger lijkt dan 
b. V. het grootere Dordrecht, dat welis- 
waar van dramatischer spanning is. — 
Toon Dupuis is o. m vertegenwoordigd 
met het interressante kopstuk naar 
Haverman en met een portret van 
Bouwmeester; vermoedelijk in een rol 
uit diens klassiek repertoire? Het schijnt 
eene mooie opgave voor een beeldhou- 
wer, eene klassieke flguur uit te beel- 
den (uit een van Shakespeare's dramas?) 
En toch kon om zeer veel niet in .den 
geest der ouden gewerkt worden. 
Immers deze stelden op den voorgrond 
het type, Shakespeare (en ook wij) het 
individuéele, het karakter. Een gezicht 
uit te beelden dat bewogen is geweest 
door de meest verschillende hartstoch- 
ten. Wel is waar waren deze slechts 
schijnbaar, maar de spier- en zenuw- 
werkingen hebben dit gelaat toch bij- 
zonder gestempeld. Nu is het karakteris- 
tieke immer eene afwijking van den 
norm. Ziedaar, wat het met de opvatting 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



111 



KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT DEN HAAG 



UIT LEIPZIG 



der ouden in strijd zou gebracht hebben. 
Hoe verstandig gaat van Wijck te werk 
die het ideéele voorop stelt, hel typi- 
sche niet verwaarloost en naar atmosfe- 
rische werking tracht, waar hij boeren- 
arbeiders enz. uitbeeldt. Het verweerde, 
het be-leefde uitgesproken door middel 
van het blanke marmer? Dan is brons 
of zelfs klei of graniet een nog zuiverder 
materieel, meer aangewezen hier, om 
tragische werking te bereiken. Dupuis' 
Bouwmeester is eveneens in brons en 
zeker een opmerkelijk werk. Maar in 
zijn Visscher b. v. (hoewel in brons) 
weet hij, zich houdende aan de tradio- 
neele werkwijze, weinig tot uitdruk- 
king te brengen. 

Als représentante van eene verfijnde 
geestesrichting noemen we Mej. Anna 
Fles. Hare Chimère de Notre Dame ken- 
schetsten we reeds vroeger. Maar het 
overige werk is over 't algemeen te 
onbelangrijk. Het zou later op zichzelf 
wellicht onvoldoende en alleen in 
samenhang met het andere werk van 
dezen tijd begrepen worden. — Met de 
twee beste van zijn figuurstukken 
levert Van der Haar hier goed en 
eerlijk werk. In Zware Arbeid is het 
doen der arbeiders niet bloot uiter- 
lijke, maar tot gevoels-actie gewor- 
den. Als geheel is evenwel Naar huis 
beter. De drie koppen leenden zich tot 
eene interessanter compositie. Hier is 
niet gestreefd naar de overdreven voor- 
stelling van een vaag levend beeld. Het 
is de werkelijkheid gezien zonder charge 
in de uitbeelding, welke nochtans ty- 
peerend genoeg is om de belangstelling 
voor deze menschen op te wekken. — 
Het is werkelijk een innerlijk genoegen te 
zien, welk een minnaar Gruppé is van 
ons Holland « het paradijs der schilders,» 
zooals ik 't zijne vrouw wel eens heb 
hooren noemen. Buitenlander van ge- 
boorte, zag hij eerst in Holland vooral 
het typische en immer was zijne com- 
positie interessant. Nu verdiept hij zich 
steeds, het interessante blijft, maar ook 
het individuéele dat men van een land- 
schap kan zien (en dat de weerspiegeling 
is van een eigen individuahteit) komt 
nu hoe langer hoe meer tot uitdrukking, 
en dit alles ten voordeele ^natuurlijk) 
van zijn werk, waarvan het genieten 
nu meer is dan eene aangename ver- 



poozing. Dan heeft zijn verf gewoonlijk 
niet die vervelende droog- en stug-heid, 
waarmee dikwijls buitenlanders ons 
plegen te vervelen. 

Gratama exposeert o. a. zijn bekend 
portret van den cigaretrookenden jon- 
gen man (ten voeten uit^. Zelden zien 
wij van onze schilders portretten waar- 
van het idiêele zich zoozeer losmaakt 
van de voorstelling. In deze gestalte is 
een verfijnd intellektualisme overwe- 
gend. En zoo werd de opgave in juist 
begrip mooi vervuld. Gratama's stil- 
levens zouden bij zuiverder teekening 
nog zeer winnen. 

Verder is hier o. m. nog interressant 
werk van Jan van Essen (de knapste). 
Franken (de innigste). Frankfort (de 
compleetsteschilder) en Gorter (de meest 
analyseerende). Afzonderlijk noemen we 
nog Haverman's portret van professor 
Rosenstein. De ontleder en de uitbeelder 
doen bij Haverman dikwijls meer het 
werk dan de eigenlijke t schilder ». En 
toch bloeit uit dit portret eene zoo 
schoone zuiverheid van met innerlijk- 
heid doordrongen kleur op, dat ge u 
gevangen geeft met uwe overwegin- 
gen. Het is bij al deze doordringendheid 
breed en open, breeder dan men het 
gewoonlijk in een samengaan van deze 
eigenschappen ziet. 

H. D. B. 



UIT LEIPZIG 




EDERLANDSCHE 
BOUWKUNST IN 
DUITSGHLAND>c^. 
Op de Augustüsplatz, 
te Leipzig, heeft de 
Amsterdamsche 
B e u r s b ou wmeester 
H. P. Berlage, een kantoorgebouw in 
baksteen neergezet voor de Amster- 
damsche Algemeene Maatschappij van 
Levensverzekering en Lijfrente aan het 
Damrak aldaar. Van het gebouw geven 
we een afbeelding en laten hier de ver- 
taling volgen van een artikel, door een 
Duitscher, Dr. Paul Kühn, in de Leip- 
ziger Neueste Nachrichten van Donderdag 
22 Jan. 1.1. geopenbaard, 't Heeft waarde 
zoowel om de daarin uitgesproken prin- 
cipiéele opmerkingen over onze nieu- 



112 




H. P. BEKLAGE Nz. : Kantoorgebouw te Leipzig, 



were bouwkunst, als om hel feil dal ze 
door een duitscher in een Duilsch blad 
zijn neergeschreven, en hel beleekent 
voor onze kunst dus meer dan het 
oordeel van naar deze of gene richting 
zoo licht bevooroordeelde landgenoo- 
ten. 

« Aan den hoekbijde Johannisgasse is 
de Augustusplalz nu afgesloten door het 
nieuwe gebouw der Nederlandsche 
Levensverzekeringsmaatschappij, en dit 
op een wijze waartegen men om de 
harmonie van dit schoone en ruime 
plein, terecht Leipzig's trots, moet pro- 
testeeren. Men moet dit doen, ook al 
ontvangt men van dit gebouw, zoodra 
men het nauwkeuriger en op zichzelf, 



van de omgeving los, gaat bekijken den 
aangenaamslen indruk. Wil men tot het 
bewustzijn komen van de eigen schoon- 
heid ervan, dan moet men het zich gaan 
voorstellen in de omgeving van zijn 
HoUandschen oorsprong, de straten van 
Amsterdam, en hooge boomgroepen er 
om heen. — Zooals hel hier slaat, werkt 
hel als beleedigende smakeloosheid, en 
de schreeuwende disharmonie van dit 
bouw-complex loont wel duidelijk aan 
hoe in ons overgangstijdperk alle ver- 
houdingen uiteengereten worden. Groo- 
ler tegenstelling is moeilijk denkbaar 
dan tusschen den monumentalen bouw- 
Iranl van ons Museum, in rijke Italiaan- 
sche Renaissance, met zuilen en beeld- 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT LEIPZIG 



113 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT LEIPZIG 



bouwwerk, en dit moderne kantoorge 
bouw met zijn vele vensters, zijn rooden 
baksteen en spaarzaam toegepaslen 
zandsteen, dat zicb in zijn slrakken geo- 
metriscben vorm schijnt op te bouwen 
uit niets dan lijnen, borizontale, verti- 
cale en een paar in de scbuinte, lerwijl 
in bet Museum, de Universiteit, de 
naastliggende kantoorgebouwen der 
scbeppende fantaisie baar vrij spel ge- 
laten is. Docb deze veroordeeling van 
bet gebouw als dissonant in bet gebeel 
van de Augustusplatz beeft niets uit te 
sta^n met zijn zelfstandige kunstwaarde. 
Bij bet bescbouwen ervan geraakt men 
in bet weinig aangenaam dilemma, aan 
den eenen kant te moeten veroordeclen, 
anderzijds te prijzen. Want boe meer 
men zicb inwerkt in dit gebouw, dat op 
bet eerste gezicbt aldus afstoot, des te 
meer wint bet, en men eindigt met te 
erkennen, dat we bier een brok moderne 
bouwkunst van voornamen eenvoud en 
waaracbtigbeid voor ons bebben. Wijst 
bet ons terug naar een ontstaan uit 
boUandscbe tradities, bet is tocb wel 
waarlijk een modern bouwwerk, en de 
arcbitectoniscb-artislieke grondbegin- 
selen, die den Amsterdamseben bouw- 
meester H. P. Berlage geleid bebben, 
gelden voor altoos. Zoo sterk staan we 
nog onder den invloed van de Renais- 
sance-fagade en de na-aperij van vorste- 
lijke pracbt, dat men zicb in H algemeen 
geen scboonbeid denken kan zonder 
Renaissance-pronk en barokke-wcel- 
derigbeid, en niet inziet, boe dit diep 
ingeworteld misverstand tot systcmati- 
scbe barbaarscbbeid ontaard is. Voor- 
gevels, die tegen de Italiaanscbe paleizen 
UIT ROTTERDAM der xv« en xvi»^ eeuw volkomen de be- 
scbaving van dat tijdperk uitdrukken, 
worden aan een modern buurbuis of 
kantoorgebouw tot leege ombulsels van 
een weggestorven bestaansvorm. Docb 
een buis als dit Hollandscbe weerspie- 
gelt bet levensbegrip van onzen eigen 
tijd en getuigt van de veranderingen 
welke we beleven. De burgerij begeert 
niet langer zicb uit te dosscben met de 
restjes van oud- vorstelijke pracbt. Zij 
speelt niet langer leentje-buur docb 
openbaart zichzelf in haar bouwtrant in 
eenvoudigen, gewonen, eerlijken vorm. 
Hoe voornaam doet bier niet juist dat 
verzaken van alle in bet oogloopende 



versiersels. Het fijn geometri.scbe orna- 
ment der boven-zandsteen-omlijsting 
van de vensters is volkomen voldoende 
om het gansche buis een aanzien van 
vriendelijkheid en stille blijheid te (te- 
ven. De bouwmeester beeft de vensters 
gegroepeerd in drieën op de eerste ver- 
dieping, in tweeën op de twee volgende. 
— De benedenverdieping, voor winkel- 
ruimte bestemd, wordt doorgedrongen 
en met bogen verbonden granietpilasters 
verdeeld. Boven deze verheffen zich de 
fa^aden, die door de aantrekkelijke, in 
fijn aanzwellende lijnen uitbuikende 
erkers op bet lieflijkst verlevendigd 
worden en die van boven uitloopen in 
twee geveltoppen en een hoektorentje 
en naar beide zijden in pilonen-achtige 
fronten. — De schoonheid van het ge- 
bouw ligt in de fijn bezonnen verhou- 
dingen en in de vaste lijnen vol uitdruk- 
king, die bovenal aan den stompen boek 
op de Augustusplatz van een krachtige 
lieflijkheid zijn. De figuren (van Zijl), 
links en rechts van den ingang uitgebei- 
teld, zijn in hun vorm gebeel architecto- 
nisch verbonden en herinneren aan 
soortgelijk werk van Minne. 

» Het dissoneerende met het afgesloten 
gebeel van de Augustusplatz, dat nu van 
het gebouw opvalt, zal gaandeweg ver- 
zwakt worden, als eenmaal de Groote 
nivelleur van Leipzig, de roest, op bet 
frissche rood van den baksteen en het 
krachtig contrast tegen den grauwen 
zandsteen zijn werk gedaan zal hebben. 
En dat zal niet lang duren. » 

^^^^^^^^^^ 

UIT ROTTERDAM ^^^^ 

lUNSTZAAL OLDEN- 
ZEEL y VINCENT 
VANGOGH^MAAND 
JANUARI /.♦► Dat 
is wel een verrassing, 
deze verzameling, 
voor wie meende Vin- 
cent van Gogh te kennen. Het is al 
jaren geleden, dat Mevr Oldenzeel het 
schilderwerk uit zijn Franseben tijd 
exposeerde en — herinnert men zich 
nog dat doekje, - zoo karakteristiek 
voor die periode van zijn leven, toen 
de hartstocht met zoo felle vlammen 
uitsloeg, — waar bij gaat, gebogen 
onder den last van zijn schilderkist, 



l-ia-t 



114 



midden door den da verenden, bijna pij- 
nigenden zonneschijn, onder die groene, 
starre luctit? Ik moest daaraan terstond 
denken, toen ik dit zoo gelieel andere 
werk zag. 

Het is een vroegere periode ('82-'86), 
zijn HoUandsche. Den Haag, Sctievenin- 
gen, het Brabantsche, — een enkel 
werkje, een eenzaam kerktorentje op 
een hooge vlakte, onder een zonderling 
onheilspellende lucht, lijkt me reeds 
beslist on-Hollandsch. Maar overigens : 
de Schenk weg met de lage huisjes, wel- 
bekend uit een teekening in de collectie 
Hidde Nijland, de zee en het strand, 
een Westlandsch boerenhuisje, Brabant- 
sche vrouwtjes en wevers aan hun 
getouw. Aan de teekeningen is hij ge- 
makkelijk genoeg te herkennen : zijn 
figuren die soms als in hout uitgesneden 
lijken, omdat hun hockigheid, het lede- 
poppige hunner bewegingen het sterkst 
gezien is: zijn ongelijke techniek, die 
van bewonderenswaarde vaardigheid 
tot kinderachtige onbeholpenheid wis- 
selt. Dat is het wel, wat ook aan de 
schilderijen het eerst opvalt, vergelijk 
me b. V. dat prachtig-gedane Stilleven, 
No 11, dat van de kool en de klompen 
met de visscherskarikaturen, die naast 
de deur hangen. Maar vooral : zijn 
grijsheid, ja kleurloosheid op het eerste 
gezicht ; hij stelt te leur in den begin, 
het is niet de Vincent, dien we gewoon 
waren. Het is alles zooveel stiller, effe- 
ner, rustiger. Geen schallende fanfares 
van krasse, ongebroken kleuren in min- 
der tonige atmosfeer dan de onze, — 
maar een algemeene grijze, bruinige, 
groenige toon, waaronder de weinig 
sprekende lokale kleuren schuilgaan. 
Weinig sprekend — op het eerste ge- 
zicht. Want — en dit is de gemeene 
eigenschap van dit zoo ongelijke werk 
— het blijkt weldra, dat er een groote 
kleurenkracht achter steekt. Neem N» 2, 
den Watermolen, twee bruingeteerde 
schuren met roode pannen gedekt, 
waartusschen het scheprad, dat een 
opstaandeo schuimkant in het water 
snijdt. Hoe weinig gedecideerd echter 
deze kleuren onder de bruine atmosfeer, 
die zelfs het hemelblauw versombert ! 
(Het lijkt wel een Van Goyen in de 
bruine manier.) Maar één oogenblik, — 
en hoe vult zich de ruimte met zonne- 



goud, hoe gaan de verschietboomen KUNST- 
schuil achter den tintelenden gloed, hoe dltpiz-utpm 
voelt men de eenheid van belichting, DbKlCMlt.I\ 
de zaligheid van dat rijplichte zomer- ^'^ ROITI^RDAM 
middaguur. Grijzer zijn andere en so- 
berder, zoo de Aardappelrooister (N" 30) 
en hel Heigehuchlje met zijn hooge 
stroodaken, groenig is de atmosfeer in 
de Aardappelrooisters (No 13), een Millet- 
achtig ding, waarin de lijven der spit- 
tende vrouwtjes zoo wonderlijk tegen 
de blanke lucht afsteken, — maar in 
alle is een diepe hartstocht voor kleur, 
die zich weldra ontdekt aan wie zich 
niet door den uiterlijken schijn van 
kalmte laat misleiden. 

O, het brandde en kookte in hem, 
toen als later, — maar het sloeg nog 
niet uit, of zelden maar. Is het wee- 
moed, is het resignatie, wat de heilig- 
heid van zijn werk besluiert? Waarom 
is de doffe, verholen gloed van den 
watermolen niet in het tegenoverge- 
stelde omgeslagen ? Spiegelde hij zich 
aan de gedweeen, de nederigen, de 
gevangenen der met schuttinkjes om- 
hokte bleek veldjes van de woningen 
aan den Schenkweg, of de stille ge- 
kromde slaaQes op het weefgetouw, — 
zag hij zijn leven zich bewegen langs 
dien eindeloozen rechten weg met de 
trieste, spichtige boompjes tot aan den 
onzichtbaren horizont? Trachtte hij 
wijsheid van onderwerping te leeren 
van dien subliemen B/c/c/enc/en oude, om 
*s avonds de handen gevouwen over het 
dampend papschoteltje, den kalen sche- 
del ootmoedig gebogen, God te danken 
voor het schrale maal en den doorge- 
sjouwden dag? In anderen zag hij hef- 
tiger levenstragedie, als in die Boeren- 
vrouw, met haar al te schitterende 
zwarte oogen in het taankleurige, leer- 
achtige gezicht, — hoe de onrustige 
ziel, brandend in gestagen onvrede, 
daaruit kijkt ! En niet minder dat Osje, 
alleen gelaten in den naren mist, terwijl 
kraaien zijn karretje omfladderen, hoe 
het lijdzaam wacht, gevangen io het 
span, — maar welk een smeekende 
onrust uit zijn navrante oogen kijkt, 
stomme-dieren-oogen, maar die ver- 
volgen ! 

Gevangenen, gevangenen die allen en 
zag hij zichzelf zoo ook? Is hij in dezen 
tijd nooit vrij en blij geweest en zal men 



115 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT ROTTERDAM 



hem dan den ongelukkigen naam van 
« zoeker » geven, wat gewoonlijk een 
« nooit vinden >' beduidt? Zie dan de 
n»*» 17 en 18, twee Strandgezichten. Het 
laatste : de zee hoog van het duin af 
gezien, het machtige rollen der bran- 
dingen naar het strand en van de wolken 
daarboven. Vóór, waar een pink op de 
uiterste schuimkammen rijdt, een kalme 
vloedplas, die de hooge, Ojngrijze lucht 
weerspiegelt. Wat een beweging zit 
daarin ! De groote golvenkudden komen 
van den horizont, onophoudelijk, de 
een na de ander, hun rumoerige stem- 
men roepen in de ruimte. Wat vrij en 
wijd is dat, hoe waait de frissche wind 
daardoor! Nog mooier misschien, van 
een groolsche rust is dat andere, stille 
Zee, met die voorname harmonie van 
drie fijne kleuren : roodachtig zandgrijs, 
het geelgroen der zee, een prachtig-gave 
kleur, en het delicate grijs van de 
reflexrijke lucht, waarvan de factuur 
zoo sterk herinnert aan een Constable 
in het Louvre. Een ding van klare 
kalmte en gelijkmoedigheid, van vol- 
komen zichzelf bezitten. En een prach- 
tig staaltje van zijn magistraal kunnen. 

Want het gaat niet aan, nu nog maar 
altijd over van Gogh's € onbeholpen 
techniek » te spreken. Hij had er een, 
en enorm, als hij wilde, — in deze beide 
laatste werkjes, in al zijn komisch- 
samengelapte stillevens, die zuivere 
kleurstudies zijn (men zie het bierglas 
in het kruikenstilleven, n<> 8), in de 
aquarel van den Schenkiveg (de geveltjes 
van de uilgebouwde keukentjes b. v. !) 
Als hij onhandig lijkt, is het hem om 
wat anders te doen. Zijn sterk gevoel 
voor het karakteristieke in de actie van 
een wezen trekt zijn figuren soms in het 
karikatuurachtige. Het is, of hij zijn 
sujet altijd van dien kant aanpakt, — of 
zijn oog daaraan blijft hangen en het 
andere zijn aandacht ontgaat. Een lech- 
niek, altijd vaardig, die in de hand zit, 
buiten het oogenblikkelijk gevoel om, 
bezat hij nu eenmaal niet. 

Dat is jammer voor de liefhebbers 
van correctheid. Maar het was zóó met 
grooteren dan hij. Rembrandt om er 
maar een te noemen. 



Rotterdam, 2A Jan. i903. 



R. Jacobsën. 



ROTTERDAMSCHE KUNSTKRING > 
TENTOONSTELLING VAN GEBRUIKS- 
KUNST UIT € 'T BINNENHUIS * TE 
AMSTERDAM > VAN 18 JANUARI AF 
Het zijn voor het grootste ge- 



deelte voorwerpen van de Turijnsche 
tentoonstelling afkomstig. Het uitvoe- 
rig artikel van Dr. W. Vogelsang over 
Hollandsche Gebruikskunst in het Ja- 
nuari-nummer van Onze Kunst, ont- 
slaat me van de verplichting over deze 
tentoonstelling uit te weiden. Of zal 
ik zijn ervaring met de mijne komen 
bevestigen, dat de crapeauds van 
Van den Bosch en de armstoeltjes van 
Berlage werkelijk lekker zitten, en mee- 
deden, dat ik niet door het krijgshaftig 
pantser van een klokje geërgerd ben, — 
maar dat Jac. v. d. Bosch zijn haard me 
te veel op het met klinknagels bezette 
harnas van een landsknecht lijkt? Ik 
vind het ook heel wat aangenamer op 
een tentoonstelling als deze rond te 
loopen en al kijkende over de dingen te 
redeneeren, dan erover te schrijven. 

Maar een paar dingen wilde ik toch 
nog memoreeren. Ten eerste, het bind- 
werk van J. A. Loebèr. Het lijkt me, of 
hij als vakman het hoogst staat van 
allen. Zijn werk is zoo eenvoudig, zoo 
vanzelf-sprekend, zoo vrij van alle mooi 
doenerij. Vooral zijn royale perkament- 
banden met de eenvoudige versiering 
van het doorgestoken bindreepje vind 
ik kostelijk. Niet minder leent zich dit 
materiaal voor beschildering, zooals een 
paar andere boekbanden bewijzen. Dan 
een mohair tapijtje van Colenbrander, 
dat schittert in oriëntale pracht. De 
batiks blijven altijd aantrekkelijk werk, 
vooral als het karakter der dessins zich 
niet te ver van dat der Indische voor- 
beelden verwijdert, d. w. z., dat het 
fijn en arabeskachtig blijft. Wonderfijn 
van teekening en uitvoering zijn die van 
Ghr. Lebeau in een kamerschut van 
Van den Bosch. 

Over het algemeen is de waar nog te 
duur. Maar dat zal wel verbeteren met 
de grootere afname. Misschien is de 
toekomst niet zoo ver, dat het verschil 
tusschen « mooie •>,want duurdere, onge- 
bruikte voorwerpen en wansmakelijke 
dingen des dagelijkschen gebruiks zal 
verdwijnen. Hoe spoedig, dat zal afhan- 
gen van de wisselwerking tusschen den 
smaak van het publiek en de artistieke 
kracht der producenten. 

Rotterdam, 5 Febr. R. J. 




116 



DE VERZAMELING PACULLY 



TE PARIJS 




|P het einde der maand Februari 11. bracht ik DE VERZA- 
eenige dagen te Parijs door en had toen MELING 
gelegenheid de verzameling Pacully Ie bezoe- PACULLY 
ken, waarvan ik enkele stukken op de ten- TE PARIJS 
toonstelling te Brugge gezien had. Ongeluk- 
kigerwijze waren de schilderijen opgestapeld 
in het werkhuis van den heer Petit, die ze met 
het oog op de aanstaande veiling aan het 
reproduceeren was. Ik zag ze dus niet alle, maar nam den korten 
tijd te baat, waarover ik beschikte, om de voornaamste stukken van 
Vlaamsche en Hollandsche meesters in oogenschouw te nemen. 

Van de vijf stukken primitieve Vlaamsche meesters, die te Brugge 
aanwezig waren, herzag ik er drie. De H, Maagd een kazuivel aan den 
H. Ildefons breng ende^ O, L. V. den dooden Christus omhelzende en 
de lezende Jonge Vrouw van den Meester der halve vrouwenfiguren. 
Van deze drie schijnt mij te Brugge enkel het halve vrouwen- 
figuur naar waarde geschat te zijn. Het is inderdaad een uitgelezen 
werk van den meester, die in de laatste tijden zoo druk besproken 
werd. Liefelijk harmonieus doet het ons aan : de stemmige kleedij, 
donkergroen onderkleed en rood bovenkleed, het groene tafelkleed, 
hel stille licht passen zoo goed bij het fijne, effen, zalvige gelaat en de 
lange lichtbruine haarvlechten, die langs de wangen neerdalen, dat er 
uit het geheel een figuurtje ontstaat, rein zonder ingetogenheid, gelukkig 
zonder uitgelatenheid, een overgang tusschen hel mysticism van 
vroeger en hel heidensch behaagzuchlige van later. 

Dat de schilder van Nederlandschen oorsprong is blijft onbetwist; 
dat hij aan het Fransche Hof werkte staat even vast; dat het de Antwer- 
penaar Jan Clouet, de hofschilder van Frans I was, heeft Franz 
Wickhofl* op stevige gronden hoogst waarschijnlijk gemaakt. Ik zou de 
vraag van den naam niet aangeroerd hebben, ware hel niet dal onder 
al diegene, welke bij de nasporingen over de eenzelvigheid van den 



Onze Kunst 1903, Afl. 4, XV 



117 



DE VERZA- kunstenaar aangehaald werden, er niet een vergeten was, die volgens 
MELING mij zich onmiddellijk opdringt, die van Jan Massys, Quinten's zoon, 

PACULLY namelijk. Niet alleen Jan Clouet wordt genoemd als vervaai'diger van de 

TE PARIJS halve vrouwenfiguren, maar ook verscheiden anderen, hetzij men ze 

opgeeft als de eenige of de voornaamste vervaardigers der bevallige 
freules, hetzij men hun werken toeschrijft, die met deze zooveel over- 
eenkomst in de keuze der onderwerpen en in den trant der uitvoering 
vertoonen, dat zij samen een zelfde groep uitmaken. 

Jan Massys was zeker geen trouwe volgeling zijns vaders, maar er 
blijven in zijn werk sporen genoeg van den invloed van zijn grooten 
voorganger over, om de verwantschap hunner kunst te bewijzen. Dat 
ook de meester der halve vrouwenfiguren van Quinten Massys afstamt, 
valt niet te be wisten. Onder zijne werken lelt men een Geldiveegster 
en een paar Lucretia's^ twee onderwerpen die, zooals men weet, ook 
door Jan Massys behandeld zijn. In meestal de gekende stukken van 
dezen laatste vindt men daarbij jonge mooie vrouwen, zoo in Susaima 
en de twee boeven, Lolh en zijne dochter, een Lustig Gezelschap. Men 
kent betrekkelijk zeer weinige stukken van hem, ternauwernood een 
dozijn, zoodat men zekerheid bezil dat er vele verdwenen of verkeerd 
genoemd zijn. Van 1544 tot 1558, den tijd ongeveer waarop de halve 
vrouwenfiguren geschilderd zijn, was Jan Massys uitlandig om geloofs- 
zaken, zonder dat men wete waar hij zich ophield, en best mogelijk 
is het dat hij toen te Parijs verbleef. Zijn trant, ja, verschilt tamelijk 
sterk van dien van Jan Clouet, hij is matter en grauwer van kleur, 
minder verfijnd van bewerking, maar hiertegen valt dan weer aan te 
merken, dat zijn gedagteekende stukken behooren tot zijn laatste 
levensjaren en dat zijn Lucretia, die wij te Brugge zagen, wel zijn 
naam, maar geen jaartal draagt, dat deze glanzend van kleur en van 
een bij hem ongekende keurigheid van bewerking is. Deze Lucretia, 
zooals de jonge vrouwen in zijn latere werken, heeft eene treffende 
overeenstemming met de halve vrouwenfiguren : dezelfde gladde gelaats- 
tint, de smal gespleten en half toegeloken oogen, de fijne teerstrepige 
wenkbrauwen, de kleine puntige kin. Ik dring niet verder aan en stel 
geen nieuwe kandidatuur voor het vaderschap van de aanminnige 
vrouwenschaar, maar wilde alleen het verwantschap van Jan Massys 
met den vermoedelijken auteur doen uitkomen. 

Het belangrijkste der werken, dat wij te zien kregen in PacuUy's 
verzameling, is de H. lldefons den mirakuleuzen kazuivel ontvangende 
van de H. Maagdj een werk van Memlinc of van zijne school, maar in 
elk geval een werk van belang. In eene kathedraal van fantazie- 
gothischen bouwtrant zit de H. Maagd op eenen troon. Vóór haar 
knielt de heilige ; een engel helpt de Moedermaagd den begenadigde 
het priesterkleed over het hoofd heff'en, een tweede engel houdt den 



118 




DE MEESTER DER VROUWELIJKE HALFFIGUREN : 
LEZENDE JONGE VROUW, (Verzameling Pacully, Parijs). 

staf, een derde den mijter. Wij zijn verre van de voorstelling der DE VERZA- 

legende. De H. Ildefons was een warme voorstander van het dogma MELING 

der onbevlektheid der H. Maagd. Op zekeren dag, toen hij in den PACULLY 

vroegen morgen de kerk van Toledo binnentrad, voorafgegaan door TE PARIJS 

den diaken, den onderdiaken en de koorknapen die toortsen droegen, 

werden zij getroffen door de straling van een hemelsch licht, waarvan 

hun oogen den glans niet konden verdragen. De gezellen van den 

heilige werpen hunne lichten weg en gaan, meer dood dan levend, 

aan hunne makkers verhalen wat zij gezien hebben. Allen begeven 

zich nu naar de kerk om getuigen te zijn van het mirakel. Maar de 

H. Ildefons voortgegaan zijnde tot aan het altaar van O. L. V., ziet 

Maria in zijn eigen zetel zittende en, boven haar, heel het gewelf der 

kerk vol santinnen, die psalmen zingen. De H. Maagd overreikt hem 

nu een gewaad, van haar eigen hand gemaakt, zeggende : • Strijd te 

mijner eere, moedige dienaar, en ontvang uit mijne hand het kleine 

geschenk dat ik u breng uit den schat van mijn Zoon. y> 



119 



DE VERZA- Kr is geen zweem meer van verrassende verschijning, van schrik, 

MELING van verbazing, zelfs niel meer van ontroering in onze schilderij : 

PACULLY O. L. V. is heel bedaard gezeten op den bisschoppelijken troon, even 

TE PARIJS bedaard knielt de heilige en leenen de engelen hunnen dienst. Maar 

prachtig ^s hel stoffelijk deel van het tafereel geschilderd : de achter- 
grond der kerk met hare opeenvolgende gronden en haar afnemend 
licht in l^et verschiet ; de rijke kleedij der engelen, een in scharlaken 
rood, een andere in het groen ; zoo nog de troon in groen en goud. 
Overheerlijk is de uitvoering van den kazuivel en van den mijter. 
De heilige in zijn wit gewaad en de stillichtende achtergrond maken 
met die hooge tonen en met Maria's blauw kleed en rooden mantel 
een tegenstelling van kleuren meesterlijk harmonieerende. 

Maarzoo van de stoffelijke zijde het werk een prachtstuk heeten 
mag, dan is de weergeving van het onstoffelijke, de aandoening van 
de ziel, uitgedrukt in gelaat en beweging, veel minder. Er ligt in den 
H. Ildefons iets zoo kinderlijks dat het figuur er ongevoelig door wordt 
en onbekwaam schijnt zoowel om de rol te spelen die hem wordt toege- 
kend als ^m te begrijpen wat er met hem omgaat. Ook de Lieve Vrouw 
wordt houterig en gratieloos ; de engelen handelen werktuigclijk. En 
wanneer wij de vraag stellen : Memlinc of niet? dan antwoorden wij : 
niet de meester, maar stellig een zijner beste volgelingen. De hoofden 
hebben niet meer de lichtende doorschijnendheid in de verf, de 
teederheid in de uitdrukking, de natuurlijke aanvalligheid in de 
beweging ; ook de gelaatstrekken zijn gewijzigd en minder ideaal 
schoon geworden. De verwantschap blijft bestaan, de uitvoering van 
het levenlooze is eerder volmaakter dan bij den grooten meester, maar 
het hoogere zieleleven is merkelijk gedaald. 

Het laatste stuk der merkwaardige primitieven is de Maria den 
dooden Christus omhelzende. De bedrukte moeder heeft het hoofd van 
haren zoon met de twee handen omvat en drukt het tegen haren 
mond : dikke tranen rollen over hare wangen, dikke bloeddroppels 
vloeien uit Christus' voorhoofd, ontdaan van de doornenkroon. Het 
hoofd van O. L. V. is gehuld in een roomwitten doek. Scherp is het 
contrast tusschen het innig bedroefde gelaat van Maria met het starre 
hoofd van Christus, tusschen haar rozige huid, waar het warme bloed 
door schijnt, en zijn doodsbleek en groenachtig grijs getinte wezen. De 
schildering is met groote keurigheid en gevatheid uitgevoerd ; haar en 
baard van den doode zijn pijltje voor pijltje geschilderd, de handen 
zeer fijn, met lange adellijke vingers, de tranen doorschijnend als 
kristal. 

Wie is de maker van dit zeer verdienstelijke stuk? Men zegt 
Geeraard David of een zijner volgelingen. Ik geloof het niet. De 
verwantschap met de bloedende en tranende Christushoofden, met de 



120 





2 < .£. 



CS 

H 
< 



§ i 



rouwklagende Maria van Quinlen Massys zijn Ie IrefiFend om geioo- DE VERZA- 
chend te worden. De penseeling is Ie scherp, te kleurig, te hoog om MELING 
aan een Bruggeling te laten denken. Het werk is wel Antwerpsch, niet PACULLY 
echter van Quinten zelf, daarvoor ook zijn de gelaatstrekken te TE PARIJS 
snijdend, de kleur van den doode te hard, alles te emailachtig ; maar 
alles verraadt de school van den laatstgenoemden meester en het werk 
van een zijner beste volgelingen, misschien wel van zijn zoon en dan 
uit dezes eersten tijd. Men denke alweer aan zijne glanzende, weiver- 
zorgde, emailachtige Lucretia om het aannemelijke dier toeschrijving 
te wettigen. 

.Onder de verdere Antwerpsche meesters komt natuurlijk in de 
eerste plaats in aanmerking de grootste van alle. Twee stukken van 
Rubens verdienen vermelding : de Israëlieten het Manna rapende in de 
Woestijn en Thetis haren zoon Achilles badende in den Styx. 

Het eerste stuk behoort tot de reeks : de Triomf en de Figuren van 
hel /ƒ. Sacrament des Allaars, Er bestaan verscheiden exemplaren der 
schetsen van dit grootsche werk. Vooreerst maakte Rubens er vluch- 
tige krabbelingen met het penseel in grauwverf van. De meeste dezer 
kleine stukjes bevinden zich in het Museum der Universiteit van 
Cambridge, twee die daar ontbraken : Elias in de Woestijn en de Israë- 
lieten het Manna rapende^ waren op hel einde van 1901 in bezit van den 
heer Kleinberger te Parijs. Dan volgden er grooter schetsen in kleur. 
De meeste dezer, namelijk acht van de dertien stukken, bevinden 
zich in het Museum te Madrid : onder de ontbrekende lelt men de 
schets der Israëlieten het Manna rapende, In den Inventaris der nala- 
tenschap van den schilder Victor Wolfvoet, leerling van Rubens, 
opgemaakt den 23«n October 1652, worden vermeld vijf • schetskens 
van Rubens » voor de hier besproken reeks « op paneel in ebbenhouten 
lijstkens. -» Onder deze bevindt zich dat « daer het hemelsbroot regent. » 
Maakt dit laatste deel van het exemplaar, waarvan het Museum te 
Prado er acht bezit, en is het hetzelfde als dat wat wij in de verzame- 
ling Pacully aantreffen ? Ziedaar eene vraag, die wij niet met zekerheid 
kunnen beantwoorden. Waarschijnlijkst is het dat de schets, welke 
wij hier bespreken, eene is uit het exemplaar, waarvan de meeste zich 
te Madrid bevuiden en dat de stukken, die Victor Wolfvoet bezat, niet 
behooren tol die reeks, vermits de onderwerpen van enkele hunner 
ook behandeld zijn op paneelen, die in 1652 reeds in Spanje waren. 
Dat onze schets behoorde tot het exemplaar van Madrid wordt des te 
aannemelijker, daar zij er, evenals de stukken uit het Prado-Museum, 
meer uitziet gelijk een half afgewerkte kleine schilderij dan gelijk een 
gewone schets van Rubens. 

Zij is niet meer in haren oorspron keiijken toestand van afzon- 
derlijk paneel, maar gevat in een bijgetimmerde omlijsting, waarop een 



121 



DE VERZA- krans van bloemen en vruchten geschilderd is. Deze is niet van de 
MELING hand van fluweelen Breughel, maar wel van een laleren Anlwerpschen 

PACULLY bloemenschilder, vermoedelijk Pieter Gysels. Ik herinner mij niet ooit 

TE PARIJS een dergelijke samenvoeging aangelrofTen te hebben. Het stuk van 

Rubens neemt een veel gewichtiger plaats in dan dit gewoonlijk 
gebeurde met de omkranste cartouches, en zijn aanvallige samen- 
stelling en rijk koloriet paren zich bijzonder wel met den keurig 
geschilderden bloemenkrans. 

De tweede Rubens is, evenals de eerste, gemaakt om te dienen 
als karton voor een tapijtwerk. Hel is het eerste van de reeks van acht 
stukken de Geschiedenis van Achilles, verbeeldende Thetis die haren 
zoon in den Styx dompelt. Rubens maakte eerst de schetsen ; twee 
exemplaren dezer, een van zeven en een van acht stukken, worden 
vermeld, maar ik heb geen van beiden gezien. Naar die schetsen 
werden schilderijen gemaakt van halve natuurgrootte en naar deze 
werden waarschijnlijk de grootere modellen voor de wevers uitgevoerd. 
De schilderijen van halve natuurgrootte hoorden in de verleden eeuw 
toe aan den hertog van Infantado en later aan den hertoa van Pastrana 
te Madrid. In de tweede helft der laatste eeuw werd de reeks verbrok- 
keld : een paar stukken werden aan het Museum van Pau geschonken, 
twee andere werden vroeger verkocht in de veiling Salamanca (Parijs, 
1867», de vier overige werden door de hertogen van Pastrana met het 
paleis dat ze bevatte aan de Damen van het Heilig Hart geschonken. 
Tot deze laatste behoorde de Thetis en Achiiles der verzameling 
PacuUy. 

De indompeling heeft plaats bij het licht eener toorts, dat zijn 
bruinen schijn over het tooneel werpt. De handeling is door Rubens 
geschilderd met zorg, de figuren van Thetis en haar kind zijn zeer 
fraai, aan Cerberus heeft hij de koppen gegeven van de twee honden, 
zwart met witte vlekken, die hij schilderde in de Kroning van Maria 
van Medici. De omlijsting, Pluto en Proserpina met de vedermuis- 
vlerken in de hoogte, is van de hand van een leerling, wellicht Erasm 
Queilin. 

Verder belangwekkende stukken van Vlaamsche Meesters, zijn 
behalve een landschap met herberg en drinkende boeren vanTeniers, 
een drietal stukken door denzelfden meester gemaakt om als modellen 
Ie dienen voor kartons van tapijten, die wel eenig in hunnen aard in 
het werk van onzen schilder zullen zijn. Zij verbeelden het Vertrek 
van Don Juan, bastaard van PhiHp IV, die in 1656 aartshertog Lode- 
wijk- Willem als landvoogd onzer gewesten kwam vervangen, zijn Reis 
op zee en zijn Aankomst op onze kust. De zeegezichten zijn van 
Teniers' hand, evenals de omlijstingen, samengesteld uit scheepstuig, 
visschen en andere voortbrengsels der zee, samengebonden door kleine 



122 




P. P. RUBENS ! 

THETIS ACHILLhS IN DEN STYX DOMPKLKNDE 
[Omlijsting van Erasmus Quellijn ?J 
(Verzameling Pacully, te Parijs). 



H 



123 




REMBRANDT : EIGEN PORTRET OP JEUGDIGEN LEEFTUD 

(Verzameling Pacully, Parys). 

geniussen, echte Tenierskinderen : alles mei de handvaardigheid en DE VERZA- 
de bevallige vlugheid van onzen veelkunslenaar gemaakt. MELING 

Nog hebben wij aan te stippen een zeer interessant stuk van PACULLY 
Alexander Adriaensen, den visschenschilder, verbeeldende bij uitzon- TE PARIS 
dering een schotel vruchten : peren, pruimen, vijgen, druiven, met veel 
talent in Snyders' trant, maar niet zoo schitterend als deze, geschilderd 
en dragende het handteeken en hel jaartal 1634. Eindelijk twee goede 
stukken van Fyt in zijn bruinen toon, elk een hond en patrijzen voor- 
stellende. 

Onder de Hollanders valt met lof te vermelden, in de eerste plaats 
een Rembrandt : het eigen portret van den grooten meester, toen hij 
vooraan in de twintig jaar oud was. Op het kroezelend haar draagt 



XVI 



125 



DE VERZA- hij een platte muts, om den hals een stalen kraag en een donkere sjerp, 
MELING een vroege proef van fantastische opsmukking. Heel verstandig ziet hij 

PACULLY er niet uit met zijn half geopenden mond, zijn bobbelneus, zijn ver- 

TE PARIJS wonderd opkijkende oogen, maar de glanzende lichtslag, die hem op 

de wang valt, de fijne bewerking van de schemerige deelen geven 
hooger leven aan het figuur en waarde aan de schildering. 

Van Jan van Goyen, is er een waterkant bij vallenden avond, goed, 
alhoewel wat zwaar van wolken en donker van toon. Van Ruysdael ten 
slotte een heerlijk tafereel, een waterval. Het water springt over twee 
rotsbanken; boven is het kalm, spiegelglad, fijn getint en het blauw des 
hemels weerspiegelend ; bij den eersten val bruischt het witschuimend 
op, dan dwarrelt het tusschen brokken steen en rotsklompen en baant 
zich hortend en kokend een weg. Op de effen hoogte spreidt zich een 
zonnig plein uit en daarboven is de hemel helder met witte wollige 
wolken, malsch en doorschijnend, en tusschen dat licht en dat leven 
verheffen de rotsen en boomen hun donkeren bruingroenen decor 
en helpen mede tot het vormen van een der heerlijkste natuurtooneelen 
die men droomen kan. 

Max Rooses. 




12G 




D. WIGGERS 

(Een indruk) 



|OEN Wiggers het op de kantoorkruk niet D. WIGGERS 
harden kon, besloot hij in elk geval de kwast 
te zullen hanteeren. En hij ging als gewoon 
schildersknecht aan hel werk, verfde in het 
voorjaar en in den zomer; en dan in het 
najaar trok hij naar buiten, om er te teeke- 
nen en later te schilderen. 

Deze korte samenvatting van zijn wor- 
dingsgeschiedenis tot kunstenaar lijkt mij een zeer aannemelijke ver- 
klaring voor de keus van onderwerpen, waartoe we hem zich zelf 
heel lang bepalen zien. Niet de natuur in haar volheid schijnt tot hem 
te spreken. Er is geen weelderigheid van bladergroen en geen uitstra- 
ling van kleur, 't Is de natuur in haar verstorven heid als de blaren van 
de takken zijn weggewaaid en de heel fijne takvingertjes waaiervormig 
zich in de lucht spreiden, in hun donkerheid scherp afgeteekend tegen 
de witte luchten, 't Is de natuur in de verfijning van haar wegtering, 
droomerig weemoedig van komende verlatenheid; alle vormen vlak- 
getrokken; alle kleur weggezogen; de stammen eenzaam staande 
in dorre knoestigheid, hoog opgaand tot in de oneindigheid verloren ; 
woningen staan stil pensief in de dorpsrustigheid en in de verte 
vloeien water en vlakte weg, in kalme gedweeheid om de onvermijde- 
lijkheid van het einde. 

Van velerlei teekeningen, silverpoints, etsen en waterverven door 
Wiggers op papier gezet is dit wezenlijk het grondmotief en de ziele- 
stemming : — een groote rust, een stille aangedaanheid, een meditatie 
die zich uit in heel weinig geluid en nog zachter beweging. Heel eer- 
biedig wordt de natuur aangekeken, heel zorgvuldig haar vormen 
bestudeerd, en met zachte hand haar leven neergezet in de stemming, 
welke de schilder zelf haar verleende. De fluweelen teerheid van het 
potlood is nog bijkans te hard, om er haar verdrooming op papier 
mee te verwezenlijken. De zilveren punt, die het voorbereid papier 
bestrijkt om er enkel vage herinnering van zijn tegenwoordigheid op 



127 




D. WIGf;ERS : MAANNACHT, (aquarel,. 
(Eigendom ttan den lieer G. H, Muller, RoUerdamJ. 

I), WKIGERSJ achter te laten, is welkomer uitingsmiddel. Of met de etsnaald wordt 
het plaatbedeksel zoo fijntjes weggepikt, dat de duizenden vertak- 
kinkjes van bladerlooze boomen, dat de grassprietjes en de wilgen- 
takjes, de plantjes en de waterrimpeling elk heel stilletjes gaan mee- 
neuriën in het dommelig zwijgen der inslapende natuur. En wordt 
verf benut, het is om er heel vlakke tinten mee uit te wasschen, wèl 
diep en strak soms van toon, maar ongebroken in rustigheid en slui- 
merig van stemming in den waaknacht der klare maan. 

In al dit ceuvre van Wiggers voelen we een zich afwenden van 
druk werkdagelijkschheid, van de onrust van ons leven, de rumoerig- 
heid onzer steden. Zijn gaan naar de natuur is er niet om er het licht 
te zoeken, of de vochtigheid van onzen dampkring, of de hooge wel- 
ving onzer wolkenluchten. Niet om met haar te worstelen, haar kracht 
te breken in zijn verf, en dan haar weer op te bouwen tot een eigen 
macht naar 's kunstenaars wil. Stemmingsschilders zijn de groote 
Haagsche meesters waarlijk niet minder geweest dan hij ; de lyriek van 
Jacob Maris was er niet minder lyriek om, wijl ze sprak met harts- 
tochtelijkheid, en van Mauve omdat ze graag wegvloeide in teederheid. 
Doch met onze jongeren, met wie Wiggers éen voelt, is een nieuw 
element in die lyriek gekomen : de contemplatie. De stemming wordt 
niet meer dadelijk geuit; ze gaat eerst lósworden uit den kunstenaar, 
een ding op zich zelf, een fijn nevelgordijn, waarin het aanschouwde 



128 





o 
cc 



•• 2 E 
«^ S b 
gis 

t5 ^ E 

ö 99 



Q 



N S 




D. WIGGERS : HERFST, (aquarel). 
(Eigendom uan Mej. M. Mees, Rotterdam), 

en het doorvoelde tot een eenheid worden. Thys Maris is de eerste D. WIGGERS 
geweest onder ons, om dit te zoeken ; het klinke niet oneerbiedig voor 
zoo grooten meester die voorging, nu te zeggen dat hij zoekende is 
gebleven; dat bij hem het nevelgordijn inderdaad een ding bleef, 
zichtbaar in zijn werk gematerialiseerd, waaronder hel sensuëele leven 
bleef woelen, en waar de zielestemming overheen streek. Zelden heeft 
een kunstenaar, die het nog onuitgesprokene zocht weer te geven, ook 
dadelijk de zuivere uiting er voor gevonden ; meestal gaat hij te vèr in 
zijn pogen toch alles te zeggen wat hij voelt dat nog ontbreekt. — Eerst 
wie na hem komen zijn gelukkiger, meestal, en zij slagen in het vinden 
der preciese uiting buiten het opzettelijke zoeken. Zoo heeft Wiggers 
zijn contemplatie kunnen maken tot het onzichtbare; heeft hij de 
werkelijkheid in haar kunnen doopen zonder wegneveling; heeft hij 
strakke en eenvoudige klaarheid kunnen laten doorstralen door de 
stilheid zijner stemming, en eerbiedig naklanken van het fijnste en 
teederste van 't buiten kunnen doen hooren zonder, als andere jonge- 
ren, te verraden het raderwerk van zijn instrumentatie. Er is in zijn 
werk een heel zuivere vormenspraak ; de lijnen en omtrekken, hoe 
fijntjes ook neergezet, verliezen zich nooit in de impressie van het 
geheel; uit de stemming maakt de expressie zich altijd los met onmis- 
bare duidelijkheid. Maar hoe peulerig haast of hij detailleeren mag, 
het onderdeel overheerscht nooit, maakt zich niet los, dringt zich niet 



129 




D. WIGGERS 



D. WIGGERS : NA DR ZON, (aquarel). 

{Eigendom van Jhr. Mr. B. W. F. van Riemsdijk^ AmsierdamJ. 

uit; gaat integendeel óp in de contemplatie, die des schilders stemming 
weer in rustig bedwang houdt. 

En alweer is het geen toeval dat dezen teekenaar en schilder niet 
onze hollandsche weiden met hun vochtig licht, noch onze hollandsche 
steden met hun sterk gebaar, zoomin als onze vlakte met haar hoog 
overwelfde hemelruimte hebben geboeid. Dat hij liefst wijlt in ons 
heuvelland, waar een kerkje mag staan op een hoogte, den omtrek 
beheerschend en alle denken tot zich trekkend als levensmiddelpunt; 
of, zelf van de hoogte neerziet over de wijde, heel langzaam ver- 
glooiende vlakte, door welker eenzaamheid de witte glans van een 
kronkelende rivier zwemt, met statige zwanenvaart èn rust èn gang 
naar de wegzwemelende wijdte aanduidend. Hier, rond die heuvels, 
vindt het zoeken rust; hier, in die verdwijnende verheid, kan het 
droomen meegaan de oneindigheid in. Hier gaat het denken langzaam 
naar boven ; hier deinst het zoeken ongestoord verder, naar de onzicht- 
baarheid en de onbekendheid toe. — Er ligt een stillieve huiselijkheid 
om de woningen onder hun rieten dak ; een strakke weemoed over de 
ontblaarde boomen, die trouw als wachters, om en bij die huizinkjes 
staan, heel het kerkje beschermen met hun gespreide vleugelen. — 



Het droomerig staan voor de dingen en het gevoelig zich verliezen 
in stemming blijft alevel gevaarlijk. De droom kan tot slaap en de 
gevoeligheid tot zwakheid worden. Dan doet reactie deugd : het hèl 



130 











I 



3 

I 

s: 
e 

•g 

s: 



12 d 



wakker wezen, het ongevoelig indrinken van de felheid des levens. D. WIGGERS 
Zoo'n losschudingstijdperk is ook voor Wiggers gekomen. Toen is hij 
gaan werken met de rauwere werkelijkheid, en haar kleuren hebben 
zijn oogen nog feller aangedaan dan een die gewend was in de zon te 
staren. Met waterverf, dekverf en olie is hij toen gaan neerzetten het 
land in zijn schelle waarheidstonen. Groen en geel en rood; en blauwe 
luchten er boven als krachtglanzing van licht ; de wolken hard droog 
erin. Het decoratieve van vroeger alleen nog bewaard in de lijnen, en 
in het verdeeld houden der kleurvlakken, meer naast dan door elkan- 
der. Toen, weer terug tot zijn vroegere sujetten : weer de ijle wilgen 
en popels, de glooiende heuvels, het wegvlietende water in kronkel- 
rivier. Maar dit nii niet in de afgestorvenheid van het najaar en in de 
stilte van zijn zieleschouwing ; nü nog in de zon, geelglansend in de 
lucht, en voor het eerst schaduwkrachtig. Nü sterk uitlaaiend de blijde 
plekken kleurig geel van het rijpende land ; nü contrastwerking van 
lijn en licht en toon. En toch dit alles wèl ingehouden, en nooit de 
vormen geofferd aan het uitstormend gevoel. (Eigendom van den heer 
Drucker). 

Op de vierjaarlijksche te Arnhem van 1902 heeft Wiggers zijn 
eerste groote * schilderij » doen zien. En vooral na de gedeeltelijke 
omwerking ervan, voornamelijk van den voorgrond, mag dit zijn 
rijpste en volste werk heeten, dat ik in onze Amsterdamsche verzame- 
ling van moderne kunst zou willen opgenomen zien. Weer zijn 
geliefkoosd onderwerp van een wijd rivier-panorama, van boven 
gezien, in de lichtne veling van verkwijnenden zomerdag bij het opkla- 
ren der maan. De hooge lucht, die strak over de ruimte welft, beeft 
na van het verdwijnende en komende licht in een klare onbevlekte 
strakheid, gansch buiten alle verf gebracht. Het water der verglijdende 
rivier vangt lichtglans op van het hemelwelf, die in het zachte nevel- 
waas, over de vlakte gespreid, wordt verdofd. In de wordende 
toonloosheid van het avondgetij gloeien de roode daakjes der in de 
verte neergehurkte dorpjes stil-intiem na ; warme huiselijkheid broeit 
over het stedeke aan de rivier, dichter bij ons gezichtspunt. — Een 
werk, alweer van contemplatie, doch van eene die heeft meegetrild 
van het hartstochtelijke schoonheidsleven ; nü üitvibreert in blijgenie- 
tend berusten. Niets van wat is in die wijde uitgestrektheid vóór ons is 
verwaarloosd ; alles, integendeel, is eerbiedig in zijn eigen waarde 
gelaten van lijn en tint, vorm en kleur. Maar alle waarden zijn 
zachtkens gedempt onder het zachte zielespreken van den kunstenaar. 
En niet hém hooren wij, maar de stilte. 

Wiggers is geen snel werker, en zijn oeuvre mist daardoor nog den 
omvang van dat van gelijk-ouderen. Hij is ook niet veelstemmig, 



131 



D. WIGGERS 



doch in de betrekkelijke eenheid van zijn uitingen ligt toch veel ver- 
scheidenheid. Het voornaamste blijft trouwens, dat wat geopenbaard 
wordt van 's kunstenaars zielestemming, uiting is in zuiverheid en 
echtheid. En wij vinden in hem niet het minste pogen tot uitzetting 
van zijn geluid, of tot aanstellen van wat niet in hem is. Er is geen 
mooi-doenerij, geen modern-doenerij, geen anders-willen-doen in zijn 
werk, en het gevaar van oververfijning, dat in zacht sprekende droom- 
lyriek als de zijne voor de voeten ligt, is hij gelukkig ontkomen. Bij al 
de finesse van zijn toets wordt die nooit precieus ; en in het eerbiedig 
weergeven van het soms oneindig kleine blijft zijn visie zelve breed. 
Omdat hij de wijde ruimten en den breeden zwaai van het water zoo 
lief heeft ; omdat hij achter het stil-intieme het oneindig verlorene niet 
vergeet, doet zijn meeste werk ons ook de grootheid voelen, die 
opstijgt uit de onbegrensdheid van het hooggeziene. Een kunstenaar 
niet van ons hardlevend westelijk Holland, maar de vertolker van het 
stilvergetene heuvelland in het Oosten van ons kleine vaderland. 



Amaterdam, Februari 1903 



L. Simons. 




D. WIGGERS: KERKJE TE HEELSUM, (els). 
{Eigendom uan den Heer L. Simons, Amsterdam). 



132 





.a c 



'i t 1 

^ ë .1 





DE DRUIVEN PERSENDE BOSCHGOD 
MET TIJGERIN DOOR RUBENS ^^= 

EK der weinige om niet te zeggen het eenige DE DRUIVEN 
der werken van Rubens, die bewaard gebleven PERSENDE 
zijn in een oude Antwerpsche familie, is de BOSCHGOD 
Druiven persende Boschgod mei tijgerin. Van MET TIJGERIN 
^^eslaehl tot geslacht ging het over in het adellijk DOOR 
huis der de Pret's. In onzen tijd hoorde het toe RUBENS 
aan den heer Jos. de Pret Roose de Calesberg 
en na hem aan zijn zoon Arnold, den welge- 
kenden kunstliefhebber. Na den dood van dezen laatste kwam het 
in bezit van zijne erfgenamen, gravin Constantin de Bousies en 
mevrouw Gaston de Kerckhove d'Ousselghem. De heer Jos. de Pret 
bezat benevens dit stuk een kopie ervan. Het oorspronkelijk werk 
bewaarde hij met groote zorg in een gesloten vertrek waarvan 
hij den sleutel bij zich droeg en wanneer iemand zich te zijnent 
aanbood om zijne schilderijen te zien en hij niet te huis was, toonde 
de dienstbode die den bezoeker rondleidde de kopie, die nu aan 
graaf de Pret Roose de Calesberg toehoort. Deze kreeg ik ruim twintig 
jaar geleden in een slecht verlichte kamer te zien, toen ik de bouw- 
stoffen voor mijn (Euvre de Rubens verzamelde en vermeldde ik in mijn 
werk met een paar regels als een herhaling van het stuk, dat zich in het 
Museum te Dresden bevond, niet vermoedende dat in hetzelfde huis 
het oorspronkelijke werk bewaard werd. Op het oogenblik dat de erf- 
genamen van den heer Arnold de Pret de verzameling van dezen laatste 
naar Brussel overbrachten, verschaften zij mij welwillend de gelegen- 
heid de oorspronkelijke schilderij in uitmuntend licht te zien en nu 
bevond ik dat zij de oorspronkelijke bewerking door Rubens' hand 
was en dat de schilderij van Dresden, zooals ik het vroeger reeds had 
vastgesteld, eene herhaling was door een leerling, hertoetst in de 
vleezen van den boschgod en van de jonge saters. 

Ik maak van de gelegenheid gebruik om terug te komen op de 
beschrijving van Rubens' schilderij en ze beter te doen kennen. Zij 
is geschilderd op doek en meet 1,35 m. in de hoogte en 0,95 m. in de 



xvu 



133 




Sf.HOOÏ. VAN at aENïi DHUl VEN l'ïiHSKKDE BUÏïClIGOD. tteekcoingj* 
(Ei^ttiaat : Mux ïiooses^ Antwerpen}, 



'M 



DE DRUIVEN breedte. Zij is dus merkelijk kleiner ditn tic hcrluiling te Dresdetl. 
PERSENDE (H. 2,23 m. en B. l,4ü ni). Üu boschgod /M op eene hoogte; hij is 
BOSCHGOD naakt en draagt enkel een geilenvel op den rug eii oui hel niiddeiüijfj ea 
MET TIJGERIN een wijngaardrank in liet giijze haar. Tiisseheii de handen perst hij 
DOOR druiven en laat het sap in een gulden kan druppelen, die een jonge 

RUBENS sater vasthuudl; een tweede saterskind knabbelt aan een tros druiven; 

lager op den grond ligl een tijgerin, die hare welpen zoogt en een 
druiventros tusschen de voorpooten houdt. In de hoogte ziet men 
een boom tusschcn %viens takken wijngaardrankeii slingerenj daar 
achter een i)lau\\e hemel inel witgrijze wolken. De schildering is ge- 
heel van Rubens' hand. Hel gelaat van den boscbgod is dik in de verf 



134 




4 J^i 



y 



•^ 



met gloedtonen op de warme kleuren. Hij heeft pret in het spel, zijn DE DRUIVEN 
mond vertrekt zich tot een lach van tevredenheid, zijn kleine oogen PERSENDE 
glimmen onder zijn neergezakte wenkbrauwen, een puntige bakke- BOSCHGOD 
baard volledigt zijn guitige uitdrukking. Borst en buik zijn ferm en MET TIJGERIN 
breed gepenseeld, met forsche plooien in de vleezige deelen en warme DOOR 
lichten in de doorschijnende schaduwen ; de armen pezig, de handen RUBENS 
knoestig. De bokspooten zijn vinnig gekleurd, heel het figuur komt 
lichtend uit op den stemmigen hemel en tegen de' matte tonen van 
den boom. De kleine sater, die de vaas houdt, is blond van haar en 
rozig van vleesch, hier en daar wat ontsierd door weekere rozige 
hertoetsingen ; de andere zit in de halve schaduw te knabbelen. 
De tijgerin is een stuk meesterlijke schildering, de kop is samen- 
gevat in eenige forsche kladden ; de zwarte strepen op de bruine huid, 
de witte pels op het onderlijf zijn met breede vegen geborsteld; het 
heele dier springt vooruit met hooge kracht en toch harmonieerend 
met de figuren, een staaltje van wat Rubens, de grootste der dieren- 
schilders, vermag. 

Het werk dagteekent uit den tijd der Silenusstukken, 1618-1620. 
Het werd nooit gegraveerd; dat Rubens op een gegeven oogenblik 
voornemens was het in plaat te laten brengen, blijkt uit eene tee- 
kening in bezit van den schrijver dezes. Zij is hierbij afgebeeld en 
werd klaarblijkelijk in dezelfde jaren, door of voor den graveur 
Vorsterman gemaakt. Men ziet er den boschgod met de twee kleine 
saters met veel zorg en gevatheid weergegeven in den veltigen glansen- 
den trant, die soortgelijke teekeningen kenmerkt; de tijgerin is slechts 
aangegeven met eenige strepen in waterverf in een omtrek met 
potlood ; de boom ontbreekt nog in den achtergrond. Het werk 
moet begonnen zijn toen alleen de figuren voltooid waren, de tijgerin 
enkel aangelegd was en de boom nog geheel ontbrak. Het werd nooit 
afgewerkt en nooit op koper gebracht. 

Max Rooses. 




135 



KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



UIT AMSTERDAM 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 




!J VAN WISSELINGH 
& Co is een nieuwe 
aquarel van W. Wil- 
sen te zien. Over de 
natbesneeuwde ach- 
terstevens van twee 
logge turfsch uiten, 
vlak vooraan in den hoek, kijkt men 
heen naar de wegschuinende overkant 
van een Amsterdamsche gracht bij dooi- 
weer. Een bolle wind flapt door de 
goorgele wasch opgehangen in het 
tuig en stuwt vér aan de lucht de 
grijze wolkenflarden over elkaar heen. 
Het geval is op de massa der schuiten 
en een enkel brok van de huizen ge- 
concentreerd, al het overige is daar- 
tegen wat teruggehouden en ook niet 
zoo loodrecht, monumentaal-vast ge- 
bouwd als Witsen dat anders wel kan. 
Het donkere water met smeltend-gele 
ijsschotsen is maar zeer ondergeschikt. 
De schuiten met de fluweelig-diepe brui- 
nen van den turfstapel, den druiligen 
plankenrommel van het dek, het nal- 
zwarte tuig en de wegviezende sneeuw- 
vlekken zijn bedoeld als importantste 
deel. De factuur is ongeloofelijk verfijnd 
en doordacht. Wat enorme bedreven- 
heid is er noodig om die uitgesponsde 
en gespaarde plekken papier buiten 
alle schraalheid te houden en er alle 
zichtbare eigenschappen van de natte 
sneeu wlaag aan te geven; wat moet 
men er voor kunnen om zonder alle 
droogte en krijterigheid de aquarel- 
bruinen tot zulk een gevelouteerden 
rijkdom op te voeren en hoezeer moet 
men de toevalligheden der vloeiende 
verf weten te beheerschen om de kleur- 
grenzen tusschen sneeuwdak en lucht- 
grijs in zoo brozen omtrek aan te duiden 



als ontstaat uit het stremmen en opdro- 
gen der materie zelve. 

Maar niettegenstaande slechts de 
voortreffelijkste werken van Witsen 
door zóó hoogopgevoerde techniek ver- 
bazing en bewondering gaande maken, 
is mij dit laatste specimen toch geens- 
zins het liefste— Witsen's kunst is door- 
drongen van een hooghartige zelfbe- 
wustheid, ze is er eene van voornaam- 
strakke allure. Het werk is altijd af en 
met kennelijke bedoeling tot in onder- 
deden verzorgd, doch meest zonder 
schoolsche dorheid. Witsen maakt u 
niet wrevelig als de ondermeester die 
zuiver wil spreken en met hinder- 
leik en kinder/ei/r aankomt ; zijn taal is 
gesoigneerd en zonder hiaaten of ver- 
wardheden, ook zonder de kruidende 
specerij van tusschenwerpsels en ver- 
rassende wendingen ; klankrijk, gebon- 
den en bovenal van gedegen inhoud. 
Nu vind ik in dezen forschen opzet wel 
veel van al deze eigenschappen terug, 
maar het is als ware bij het zoeken naar 
meerdere bewegelijkheid een zweem 
van de oude soliditeit prijsgegeven. Hoe 
kloek ook die schuitenrompen in elkaar 
zitten en hoe teer de grijze muurtjes 
van het gindschc dwarsstraatje wijken, 
de meer naar de lijst toegeschoven 
gevels zijn niet volkomen vast van doen 
en in de blauwgrijze verschieten met 
het torensilhouetje is iets plomp-opaaks. 
En waar zooals hier, zonder impressio- 
nistisch wegmoffelen, de structuur der 
dingen wordt blootgelegd, daar stelt 
men bij intuïtie hoogere eischen aan de 
correctheid van teekening en doet het 
dubbel onaangenaam aan als in een uit- 
voerig bewerkt roeibootje op het aller- 
eerste plan een ton is neergelegd met 
kinderachtigen teekenfout in het ver- 
kort. Niet dat zulk een nalatigheid in 



136 



het werk van een meester over *t alge- 
meen als iets heel ernstigs gegispt mag 
worden ; maar juist bij den stijl van 
Witsen hindert dit nietige foutje in het 
toch al niet rustige geheel. Mocht de 
schilder ; hetzij in geheel nieuwen opzet, 
hetzij door verandering van het be- 
staande, nogeens op een en ander terug- 
komen, mij dunkt onze dankbaarheid 
voor zijn werk zou er slechts op kun- 
nen vergrooten. 

«♦y Van een jongen Schot Duff is er 
een pastelteekening — en er waren er 
meer, die grif zijn verkocht voor wij ze 
mochten zien — zwartkop-schapen in 
een chromaatgeel-bloeiend mosterd veld. 
De zwarte, zachte snoeten vlekken don- 
ker tusschen het sterrelend bloessem- 
gewemel ; habiel gemodeleerd en met 
smaak verdeeld. Alleen de groene boo- 
menwand in de verte is niet buiten de 
verf en ik weet niet of op den duur dit 
effect van het gele gewas en de zwarte 
wol wel genietbaar zal blijven en niet 
als gezocht zal vervelen. 
In elk geval knap en frisch ! 

^^^^^^^^^^ 

IN DE KÜNSTZAAL VAN VOSKUIL zag 
ik een heistudie van Poggenbeek, nau- 
welijks grooter dan een handlengte in 
't vierkant, 't Moet al van wat ouderen 
datum zijn en behoort ook niet tot het 
werk waarmee het groote publiek 
Poggenbeeks naam pleegt te verbinden. 
Er zijn haast geen groenen in en heel 
geen koeien, maar er gaat door die lucht 
van windgedreven wolkenstoeten, 
paarschgrijs en wit, een blij geschat en 
op één plekje, langs een geul bleekgeel 
heizand is het, tintelt de even ontsluier- 
de zon, kaatst de luchtvreugde neer 
op de zware paarsbruine heidevacht. 
Spontaan en zonder alle bijbedoeling, 
als ter herinnering van een blij oogen- 
blik, geschilderd op een haastig voor 
den dag gehaald oud stukje doek, zoo- 
dal de onafgeslepen moet van een 
bloemstudie nog duidelijk onder de 
dunne verf te zien is. 

Dan was er een curieus waterverflee- 
keningetje van den gestorven broer van 
Albert Neuhuys, Jozef. Kinderen onder 
aartsvaderlijke parapluie op een kron- 
kelend wegje met kale regenboomen 
ter weerszij. Neemt men in aanmerking. 



dat de teekening 77 gemerkt is, dan is 
het nog meer te apprecieeren, dat het 
onderwerp van die saamgescholen kin- 
deren niet meer illustratief naar voren 
gehaald is, maar de triestige regen- 
floersen, de slorpende grond en het 
doordrenkte grasgroen den schilder tot 
vreugd werden. De figuurtjes zijn wat 
vluchtig en van al te transparante kleur. 
Niet een grandioos lyrisch talent heeft 
dit geschilderd, maar het is al geboren 
uit een gevoelig gemoed en voor dien 
tijd met veelbelovende vrijheid gedaan. 

Van Louis van Soest zijn er sinds 
eenigen tijd twee karakteristieke land- 
schappen ; een voorjaarsavond aan de 
drassige oevers van een wereld vergelen 
slootje en een intiem gezien winter- 
stukje. Van het jongere geslacht is van 
Soest een der meest serieuzen, die zon- 
der flair en kunstjes, alleen door solied 
aaneenvoegen van doorwerkte plans 
een prijzenswaardige degelijkheid in 
zijn werk weet te houden. Droog is het 
nog wel eens even, maar misschien 
alleen om weionderlegd te wezen als 
eenmaal de krachten voor een kraniger 
stijl toereikend moeten zijn. Droog wijl 
zakelijk en precies in hoofdzaken, niet 
om als velen uit het slinkende kamp der 
« puren en trouwen », die van geen ge- 
zonde weligheid willen weten, duizend 
onbelangrijke dingen met photografi- 
sche verveling te noteeren. 

Verder noem ik nog vun Tholen een 
aan den dijk gemeerde schuit; wat heet 
van den rooster naar 't mij lijkt; de gele 
lichtspranken en verwiegelende reflexen 
van de zon in het water en op de schuit 
zijn ten minste erg verfachtig gebleven. 
Misschien een studie voor iels heel rijps, 
dat we hier niet te zien kregen. Of men 
hierThol^ niet begrijpt? Hoelang heeft 
zijn heerlijkste sneeuwgezicht niet bij 
allerlei kunsthandelaars gehangen zon- 
der een kooper te vinden ! 

^ S^ S^ a^ ^ a^^^S^ S^ 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



BIJ BÜFFA/i^^ Een mooi schilderij van 
Albert Neuhuys werd op 't zaaltje der 
firma Buffa getoond. Het valt ook den 
volslagen leek als iets bijzonders voor 
Neuhuys op. Immers hier was niet die 
roostende zomergloed van zijn anders 
zoo rosse palet. Door een groot stuk 
beddegordijn op den achtergrond van 



137 



KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT AMSTERDAM 



ÜIT 

ANTWERPEN 
ÜIT BERLIJN 



het boerenhuis kwam er een vreemde 
noot blauw in; kranig ultraraijn met 
een spel van pauwenstaartgroen. Met 
het mooie wit van den muur er tegen 
aan vormt dat een contrast dat zonder 
mankeeren heel even de herinnering 
aan Vermeer van Delft wakker roept 

— wat trouwens bij nader toezien toch 
niet dan een zeer vage associatie bleek. 

— Maar ook zonder zulk een hoogen 
peet is dit stuk van Neuhuys vol ver- 
rassende kwaliteiten. Alsof het ééne 
nieuwe element aan heel de peintuur 
fierder dracht kon verleenen is het oude 
sujet van de moeder, gebogen staande 
over haar boersche jungske in de wieg 
met buitengewone jonste geschilderd. 
Het groene lapje over de wiegekap, de 
({oudelende biezen, het brabbelend 
kindje zelve, de bestorven roode vloer 
alles ademt de lust van het maken. 
Alleen het kopje van de moeder, strak 
in profiel tegen den blauwen fond, is 
tegen al 't overige wat modelachtig 
doodsch. Zou wellicht de gedachte aan 
Vermeer ook even bij den meester zelve 
opgekomen zijn en hem van de wijs 
hebben gebracht? Op dit eene, jammer 
genoeg gewichtige, plekje heeft hij zijn 
natuurlijk voor de vuist weg schilderen 
tegen leege compositie geruild. 

Van Jozef Israêls noem ik twee groote 
aquarellen : Oud Vrouwtje aan het raam 
en een Badende jongen 't Laatste ook 
om het onderwerp voor Israëls belang- 
rijk; met groote meesterschap is het 
rijke naakt van den mijmerenden jon- 
gen man tegen de gobelintonen van een 
droomen-bosch gewogen. 

Uit den laatsten tijd ook een heel 
klein, guitig teekeningetje. Een boeren- 
dreumes leidt een stijfbeenigen zwart 
naar de wei. Kleinduimpje met zijn 
paard mocht *t wel heeten. W. V. 

^^^^^^^^^^ 
UIT ANTWERPEN ^^^^= 

I^NTOONSTELLING 
EDGARD FARASIJN, 
INDEVERLATZAAL 
> VAN 7 TOT 15 
j MAART 1903 yc^ 
Eenvoudig, eerlijk 

werk — niet over- 

welüigeud, niet medesleepend, maar in 
zijne bescheidenheid des te aantrekke- 




lijker. Farasijn is sedert jaren stil zijn 
weg gegaan, geleidelijk zich ontwikke- 
lend, zijn gaven tot volle ontluiking 
brengend — vreemd blijvend aan het 
onrustige dat er woelde en gistte in onze 
jonge kunstwereld. Farasijn heeft nooit 
erg meegedaan met deze of gene nieuwe 
bent, die het alleen-zaligmakend recept 
meende gevonden te hebben, luid eigen 
voortreffelijkheid uitkrijtend. — Hij 
heeft gezocht en gewerkt, in zij eentje, 
voor eigen rekening — bestudeerend 
zichzelf en de natuur, en er naar stre- 
vend in de eerste plaats zoo oprecht en 
eerlijk mogelijk te vertolken wat zijn 
kunstenaarsoog vermocht te boeien. 

Zoo heeft hij thans op een zeer belang- 
wekkende tentoonstelling zijn werk uit 
de laatste jaren bijeengebracht. — Een 
veertigtal landschappen en interieurs: 
gezichten op de heide, op de kust, op 
het platteland — eenvoudige natuurtoo- 
neeltjes van de werkelijkheid afgekeken, 
met liefde voor de roalsche, Vlaamsche 
kleur en geestdrift voor het heerlijke 
Hollandsche licht. Het licht is in Fara- 
sijn*s schilderijen een steeds grooter rol 
gaan spelen — in dit opzicht mag deze 
tentoonstelling verrassend heeten : er 
schittert en straalt een zonnevreugde 
zooals hij die vroeger niet gekend heeft ; 
het zonnevuur verheldert en vervroo- 
lijkt zijn tooneelljes, ontsteekt er een 
lichte laaie brand die de kleuren fel 
doet opleven. Zoo mag deze verovering 
weer gevoegd worden bij degene welke 
de schilder geleidelijk behaalde gedu- 
rende zijn reeds eerbiedwaardige loop- 
baan : de verovering van 't zonnelicht. 
Door deze tentoonstelling heefl Farasijn 
eens te meer bewezen met reeht te 
mogen geplaatst worden in de voorste 
rij van onze hedendaagsche landschap- 
schilders. X. 

^c^S^ ^ ^S^S^ 2^ S^ 2^ 

UIT BERLIJN — 

|AüL CASSIRER'S 
KÜNSTSALON yc^ 
In November 1898 
kwam de groep der 
Fransche Neo-Im- 
pressionisten ten eer- 
sten male naar Ber- 
lijn : over hun tentoonstelling bij Keiler 
en Reiner is destijds veel te doen ge- 




138 



weest, temeer toen Paul Signac de school 
ook theoretisch met groote energie be- 
gon aan te vallen. Wij zelf legden er 
toen nadruk op, dat men bij dezen strijd 
over de techniek, niet vergeten mocht 
dat ze slechts van secundair belang 
is, en dat wat de persoonlijkheid van 
den kunstenaar zeil ons biedt in de 
eerste plaats in aanmerking behoort te 
komen. Nu zijn ze andermaal in ons 
midden verschenen en brengen in hun 
gevolg eenige Duitsche kunstenaars mee, 
die zich een ongeveer gelijke techniek 
hebben eigen gemaakt en in H algemeen 
kunnen we ons over die schilderijen 
verheugen. Van Rijsselberghe, die in 
*tjaar 1898 met zijn reuzengroot beeld 
Badende meisjes aan de Zee en enkele 
landschappen en portretten een der 
ijverigste profeeten van de daad van 
het Neo-Impressionisme of Pointillisme 
was, wordt ditmaal, behalve door een 
studie en een portret, slechts door een 
wazig strandgezicht Le Cap Grisnez 
vertegenwoordigd, dat in vochtigheid 
schijnt te zijn gedrenkt; in deze schil- 
derij komt hij zeer dicht bij Paul Signac, 
die wellicht van de gansche groep der 
landschap- en vooral van de waterland- 
schapschilders de allerintiemste bekoor- 
lijkheden openbaart : ^ hoe nauwelijks 
zichtbaar, een teedere nevel over het 
water ligt, hoe de rook van den stoom- 
boot zich daarmee vereenigt — hoe de 
schuitjes door het water glijden, dat 
den hemel weerspiegelt en het strand. 
De meeste zijner schilderijen zijn in 
Samois ontstaan. Een tweede, Mac Luce 
die eveneens zijn hoofdelTecten aan het 
water dankt, is veel krachtiger, forscher 
en plastieker; alleen verliezen zijn 
schilderijen, zoodra men ze in groot 
getal aantreft, omdat hij alles op dezelf- 
de grondtonen, een lilaschemerend 
blauw en een blauwschemerend rood 
terugvoert: zooals bijv. in zijn Pont 
SuUg en sur la Seine, terwijl we 
hetzelfde kleurenprobleem in zijn 
Femme se peignant terugvinden. Bon- 
nard zoekt vooral den toover van kunst- 
lichteffekt Scène de Thédire e. m. a., 
Cross laat de zon op boomen en water 
en kinderen spelen, Denis, minder ge- 
compliceerd in zijn techniek, zet in 
breedere penseelstreken zijn Toüeiie de 
VEnjanl^ Le Déjeuner, enz., op het doek, 



Roussel heeft een serie landschappen 
tentoongesteld. Een geheel eigenaardige 
plaats wordt door Vuillard ingenomen, 
wiens geraiflnecrd voorname, discrete 
kleurmenging vaak aan de Japanners 
doet denken. Onder de Duitschers heb- 
ben zich vooral Paul Baum, Curt Herr- 
mann, Christian Rohlfs op de pointil- 
leermethode toegelegd, maar alleen bij 
Baum komt zij geheel met zijn eigen 
temperament overeen: zijn Lenleland- 
schappen, evenals zijn Schetsen uit den 
Bosporus geven in bekoorlijk schemeren 
van de lucht en geurigheid van teere 
kleuren, niets toe aan de schilderijen 
van Signac. 

De Nco-Impressionisten werden bij 
Cassirer door een der oudste en hecht- 
ste steunpilaren van het Impressio- 
nisme : Claude Monet gevolgd. Enkele 
van zijn stukken, bijvoorbeeld het oud- 
ste, het groote portret van Madame M 
(1866) waren hier reeds bekend : de 
groote trek der lijnen, de volstrekte 
soberheid der kleuren helpen ons toch 
maar bezwaarlijk over dat zekere harde 
en drooge heen ; in het geheel waren er 
17 tafreelen uit verschillende perioden 
tentoon gesteld, die biezonder leerrijk 
zijn voor het nagaan van de ontwikke- 
ling van den kunstenaar : de tendenz 
voert tot immer sterker wegvagen van 
de omtrekken, tot altijd subtieler pen- 
seelvoering, die eigenlijk niet meer de 
voorwerpen zelf, maar enkel hun weer- 
kaatsing in de luchten — om het heel 
kort, zij 't ook niet heel juist — uit te 
drukken, tracht vast te houden. — Van 
Robert Breger eenige zeer bekoorlijke 
stillevens. Waar hij vroeger bij voorkeur 
frissche bruine tonen behandelde, voelt 
hij zich nu meer aangetrokken door een 
helder-doorzichtig koloriet; de Verloren 
Zoon van Mac Slevogt was ons al uit 
de Secession bekend. Het is een prachtig 
onvermoeibaar talent, dat nog niet tot 
volkomen ontwikkeling is gekomen ; dat 
bewijzen o. a. zijn Japansch Tooneel 
(Sada Ajacco), zijn Naaklstudie en 
Voor 7 Café Bauer. Van Leistikow zijn 
er een paar schitterende Sneeuwland' 
schappen uit het Reuzengebergte, van 
Liebermann een HoUandsche Dorpsma- 
goog en een Boerenmeisje, welke verdie- 
nen te worden opgemerkt 



KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT BERLIJN 



m 



KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT BERLIJN 



UIT BRUSSEL 



KUNSTSALON KELLER & REINER 
/u^ De luide reclame, die er voor de 
23 jarige beeldhouwer Arnold Rechberg 
uit Leipzig gemaakt is, zal naar we 
hopen geen nadeeligen invloed op zijn 
talent uitoefenen, want dat zou inder- 
daad doodjammer zijn, omdat hij is een 
van de uitstekende talenten. Acht groote 
cartons en eenige beeldhouwwerken 
worden hier van hem tentoongesteld ; 
de meeste er van figuren, die hem door 
werken Van Nietsche werden geïnspi- 
reerd. Door allen loopt éen groote trek, 
die hier en daar echter van het pathe- 
tische naar het theatrale afdwaalt bijv : 
op het Karton « het Genie », dat als mar- 
telaar is voorgesteld. Maar het sterkst is 
hij juist dèar, waar hij lijden heeft uit 
te drukken : bijv. op het karton De 
Weg naar den Roem waar op een smal 
pad tusschen hooge rotswanden een- 
zaam omhoog stijgt, de gedaante van 
den Nood, een oude vrouw. Zoo ook 
op het kleinere karton « Eenzaam «, de 
man, die rechtop, als versteend, het 
hoofd slechts een weinig voorovergebo- 
gen, achter de kist gaat van die hem de 
liefste was : hier niets van affectatie of 
van pose : in de stijt toegeknepen lip- 
pen, den ver voor zich uitstarende blik, 
de vast ineengeperste handen, wordt 
alleen de diepe zielesmart uitgedrukt. 
Wondervol van eenvoud is de buste 
Noodlotstar en onverbiddelijk ; van zeer 
krachtige werking de Vorst der Duister- 
nis^ de hoogopgerichte heerschersge- 
stalte van een ftnsteren jongeling, met 
reuzenvleugelcn, die heel het tengere 
lijf omhullen kunnen. 

Ludwig von Hofmann, een der weinige 
werkelijk veelbeteekenende Berlijnsche 
schilders, vormt met hem de scherpst 
mogelijke tegenstelling : dèar lijden en 
nood, — de onverbiddelijke worsteling 
in de duisternis — en hartstocht, die 
geen erbarmen kent : hier de Lente met 
haar zonnenschijn, de innigste vreugde 
van 't bestaan in harmonisch samenle- 
ven met de natuur— en zalig — gelukkig- 
makende liefde. Alles is bij Hoffmann in 
schitterend lichte, helle kleuren ge- 
drenkt, — een biezonder vroolijk, hei- 
rood gewaad, keert op bijna al zijn 
schilderijen weder. Zijn grootste schil- 
derij « Idylle > is tevens ook zijn beste. 



Naast den vijver, waarin zich van den 
achtergrond de herfstgetinte boomen 
spiegelen, ligt een naakte jonge man 
uitgestrekt, — levensgroot ; — naast hem 
staal een meisje, met niets bedekt dan 
haar roode rokje, dat zich met beide 
handen de haren tegen 't kopje steekt 
Het bij elkander passende van deze 
beide nienschen en bij de vredige na- 
tuur, de kleurenharmonie, de plastische 
klaarheid, waarmee de naakte lijven 
aflossen tegen de lichte lucht, het jui- 
chende rood van het rokje, dat door 
de naaste omgeving toch weer tot stil- 
lere vreugde wordt gedempt : dat alles 
is eenvoudig wonderbaar. Al^ Hofmann, 
zooals in zijn Idylle, de natuur onmid- 
delijk wedergeeft, o. a. ook in zijn 
Paarden die naar het Wed gereden wor- 
den — als hij het zonlicht op de zee, — 
de blauwzwarte en witte paarden, de 
naakte jongens, in zeldzame glanzen 
spelen laat, dan geeft hij ons het beste 
van alles wat hij geven kan. Minder 
kunnen we hem volgen in zijn decora- 
tive schilderijen, zooals bijv zijn trip- 
tiek t Freude schoner Götter/unken », 
omdat hij hier niet de noodige stappen 
tot styliseering van het geheel heeft 
gedaan : wel styliseert hij enkele figuren 
om een zeker ornamentatief effect te 
bereiken, maar hij is blijkbaar schuw 
om daar geheel realistische motiven 
mee te verbinden. En zoo kunnen wij 
ons bij deze stukken, alleen vermeien 
in de details. 

W. 

UIT BRUSSEL = 




ILEINE TENTOON- 
STELLINGEN TE 
BRUSSEL > (POUR 
L'ART — LIBRE 
ESTHÉTIQUE- 
WIJTSMAN — JEF 
LEEMPOELSyC.» 
In de zalen van het Moderne Museum 
deed de Kring pour VArt ons vooral 
werken bewonderen van de schilders : 
Ciamberlani, Fabry, Verhaeren, Amédée 
Lijnen en van den beeldhouwer Victor 
Rousseau. Ciamberlani en Fabry behan- 
delen vooral het decorative en zeer plas- 
tische naakt. De eerste doet denken aan 
Poussin en aan Puvis de Chavannes, de 



140 



tweede aan Primalice. In een Elysee- 
sche omgeving, als genomen uit een 
bladzijde van Vondel's Lucifer, schept 
Ciamberlani figuren van sereene en 
rustige schoonheid, in goed getroffen, 
eenvoudige en haast peinzende houdin- 
gen. Fabry teekent wondermooie mo- 
dellen, ware voorbeelden van schoon- 
heid, met een kennis der anatomie, 
welke aan de slankheid geen afbreuk 
doet, wel integendeel ; als bij de Floren- 
tijnsche meesters, schilders of beeld- 
houwers, schijnt het of de volmaakte 
kennis van het menschelijk lichaam 
hem de macht geeft zijn scheppingen 
een ideale gratie te verleenen ; hij ver- 
sterkt en vervast de spieren zijner 
modellen, met een door en door Vlaam- 
sche sensualiteit verheerlijkt hij er het 
weefsel en de kleur van. 

Alfred Verhaeren is te zeer bekend 
om hier lang uit te wijden over zijn 
schitterende stillevens en heerlijke Bin- 
nenhuizen. Amédée Lijnen legt zooveel 
gratie en geest in zijn archaike tooneel- 
tjes dat ze springlevend worden en met 
den stempel van verleden tijden of van 
een denkbeeldige omgeving, sappig, 
Vlaamsch, en jong blijven. Want men 
vindt er al de beste hoedanigheden van 
de Kleinmeesters uit dit land : een dui- 
velsche humor, de juiste en smakelijke 
kleur, het fijneen bescheiden gevoel, ver- 
borgen onder overvloeiende schalksch- 
heid, — en bovenal de vaste potlood- of 
penseelstreek. Niets is zoo bekoorlijk 
bijv. : als de volksmassa, die te Yper- 
damme, de fabelachtige en toch zoo 
waarschijnlijke door Eugène de vlolder 
geschapen stad, een van die optochten 
ziet voorbijtrekken, die onze goede 
landslieden zoo gaarne op de been 
brengen. 

In Pour VArl stelde de beeldhouwer 
Victor Rousseau een reeks kleine figuur- 
tjes ten toon, stevig en flink van stijl, 
van gespierde slankheid en verfijnd 
gevoel. 

"♦^ De Libre Esthéiique heeft Pour VAri 
vervangen in de zalen van het Modern 
Museum. Deze tentoonstelling, waaraan 
de Heer Octave Maus evenals vroeger 
veel zorg heeft besteed, is zeer belang- 
wekkend, zoo niet opgangmakend. Naast 
meesterlijke maar niet onverwachte 
werken vindl men er de vrucht van veel 



inspanning, van veel zoeken, welke ver- 
dient geprezen of ten minste vermeld te 
worden. Het geslippel en de lichte 
tonen worden er zeer getapt. Ik wil, 
o. a. Theo Van Rijsselberghe vermel- 
den, met portretten, schitterend van 
kleur, en trillend van licht, waaronder 
die van Drie Meisjes en dat van Mevrouw 
Clara de Molder tot de beste werken van 
den meester kunnen gerekend worden; 
George Morren en Alois de Laet, twee 
Antwerpenaren, waarvan het werk 
frisch en vroolijk is. Van den eersten 
bewonderen wij een overvloeiende 
Kermis te Berchem ; de tweede heeft een 
Zondag^ die ons doet denken aan de 
bloemige, mystische. onnoozele zonda- 
gen van een anderen Antwerpenaar, 
den teederen dichter Max Elskamp. 
George Lemmen, die sedert lang niet 
meer had tentoongesteld heeft gezellige 
Interieurs, stevig en gewetensvol behan- 
deld, rijk van kleur en onberispelijk 
van uitvoering. 

Degouves de Nunques heeft van een 
lang verblijf te Mojorca (Balearen) land- 
schappen met wasemend, helder licht 
medegebracht, waarin de kleur vervaagt 
en versmelt in smorzandi van onbe- 
schrijfelijke zacht- en teerheid, zooals 
bijv. : in zijn Amandelboomen^ dat rosé, 
dat blauw, dat amandelgroen, die berg- 
toppen, die heuvelen aan den boord der 
zee verdonzen, verwalten. Fritz Thau- 
low heeft slechts één schilderij tentoon- 
gesteld, een wonder, het glanspunt der 
tentoonstelling : de Marmeren Poort. 

Vermelden we nog de inzendingen 
van Baertsoen, Le Brun, Baisnard, 
Blanche, — der beeldhouwers, Alexan- 
der Charpentier, de Vreese, Minne, 
Paul Dubois, enz. 

«♦yin het Kunstverbond waren de laat- 
ste tentoonstellingen, — om de tien da- 
gen afgewisseld, — die van den Heer en 
Mevr. Wijtsman en van Jef Leempoels. 

De Heer en Mevrouw Wijtsman zijn 
nu algemeen erkende artisten, die zich 
onderscheiden door de teerheid van 
hun visie en de distinctie van hun fac- 
tuur. 

Jef Leempoels hield een uiterst be- 
langrijke en zeer afgewisselde tentoon- 
stelling, getuigenis afleggend van zijn 
ernst, zijn werkkracht, zijn volharding 
maar ook van zijn onbetwistbare gaven 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT BRUSSEL 



xvni 



141 



KUNST- 
BERICHTKN 
ÜIT DEN HAAG 



als teekenaar, en dikwijls van zijn 
gevoel als dichter. Leempoels' factuur 
moge sommigen mishagen, maar het is 
onbetwistbaar dat ze past bij zijn kunst 
en haar uitstekend dient. En hier toch 
komt het vooral opaan. Hij haalt er 
beslist voordeel uit. En op zich zeli' 
beschouwd is zijn techniek zelfs mees- 
terlijk. 

Leempoels gebruikte vroeger een 
bruine en onaangename kleur; tegen- 
woordig heeft hij zijn palet erg verhel- 
derd en verrijkt, zoodat hij thans in 
menig landschap onze beste luministen 
nabijkomt en dat zijn Doode Natuur 
{bibelols) even kleurig en sciiilterend is 
als van onze beste koloristen. Zijn por- 
tretten zijn treilend van waarheid. Het 
zijn wonderen van teekening, dat van 
Imbart de la Tour bijv. 

De wijze waarop Leempoels zijn 
schilderijen samenstelt, zijn figuren 
plaatst en schikt, verdient ook lof: hij 
vindt de meesi ongedwongen houdingen, 
de natuurlijkste en meest iiarmonieuse 
standen. 

Onder de meest bewonderde werken 
van den kunstenaar vermeld ik Droo- 
merij, Leerjoiiyeiiy de Oude Vaart, Ver- 
helderiny, Oude Kade in Vlaanderen, 
Begijnhof, Jezus Christus, liustend Modet, 
Herinneringen, alle werken, welke met 
zijn portreileu en zijn wonderbaar stil- 
leven den schilder een mooie plaats in 
onze jongere school verzekeren. Om 
Leempoels in alle eerlijkheid op prijs te 
kunnen stellen, is het noodig de mode, 
de actualiteit, — en laten we 't maar 
zeggen — het snobbisme te vergeten, 
men moet « Ie dernier Bateau, Ie der- 
nier cria) vergeten en dan kan men niet 
anders als dezen eerlijken en hoogbe- 
gaafden kunstenaar al de waardeering 
en bewondering verleenen, waarop hij 
aanspraak mag maken. Hij belioort lot 
dezulken, waarvan de werken winnen 
door herzien en bestudeerd te worden. 
Anderen steken schitterende vuurwer- 
ken af, maar Leempoels doet een deug- 
delijk kool- of houtvuur branden, waar 
men zich aan warmen kan, wanneer de 
laatste luidruchtige en veelkleurige 
vuurpijl in den nacht verdwenen is. 

G. E. 



UIT DEN HAAG = 






ITSEN EN LITHO'S ƒ 
« ARTS & CRAFTS d 
>ó^ Bijna alles is 
werk van Fransche 
meesters als Steinlen, 
Leandre, Carrière 
enz., een enkele vroe- 
ger in Frankrijk wonende Hollander : 
Dupont, exposeert mede. Wat wij uit een 
niet stichtend wijl onzakelijk samenge- 
steld geheel kunnen opmaken is o.m. het 
volgende. Het Parijsche leven beweegt 
zich in grooter tegenstellingen dan bij ons 
en in de wonderlijkste schakeeringen. 
Dat is ons, die gewend zijn aan een groo- 
ter eenvoud, aanstonds duidelijk. Deze 
Fransche artiesten beschikken over eene 
ervaring en eene kennis van het leven, 
al is die dan ook misschien veelal eene 
objectieve, of eene a priori, die het hen 
mogelijk maakt tot eene ware en niet 
troebele voorstelling ervan te komen. 
Maar deelen ze ons die groote levens- 
wijsheid mede, die gezien wordt in het 
mysterie '? Ik weel mij ademend in hunne 
sfeer, in een wonderlijk rijk verplaatst, 
maar ik mis er de oer-groote verhou- 
dingen, die onze groote meesters en die 
ook den Franschen Millet, kenmerken. 
Wel is er in dit werk grootheid, maar 
hel is eene die door Daumier verre 
overtroffen werd. Het heeft niet de 
dramatische grootheid die de grootheid 
van het universum zelve is. Maar dil 
strookt met de geaardheid van dit werk. 
Het is werk van verfijnde geesten, wier 
intenties de grenslijnen der artistieke 
verbeelding raken; dit doelt vooral op 
de meer middelmatigen.Hetiseen kunst 
van steeds hevig gehouden spanning, 
soms van overspanning. En nochtans is 
zij bij de schijnbaar heftig aangeziene 
werkelijkheid eenigermate onreéel. 

Zij neigt soms naar hel karikatureele 
en door het locale en tijdelijke der toe- 
standen, mist deze kunst dikwijls dat 
universeele, dat in hare groote lijnen de 
eeuwiger verhoudingen toont, die voor 
den aanschouwenden geest de grootste 
werkelijkheid zijn. Het is eene kunst 
die aan lijdelijker nooden voldoet, die 
meer anecdotisch, voor de kennis van 
haar tijd belangwekkend kan zijn en 



142 



die slechts zelden het onzienlijke ademt 
van eenen in en uit zich zelf bewegen- 
den, geordenden chaos. Het is eene 
absolute kunst, die in een harer laatste 
stadia verkeert en in hare grootere be- 
trekkelijkheid zich -dienstbaar gaal ma- 
ken. 

^^^^^^^^^^ 

HAAGSCHE KUNSTKRING > TEN- 
TOONSTELLING VAN SCHILDERIJEN, 
TEEKENINGEN EN BEELDHOUW- 
WERKEN VAN THÉRÊSE VAN HALL, 
VICTOR HAGEMAN, A H. KONING EN 
H. J. WOLTER y FEBRÜARI-MAART 
1903 ju^ Men wordt in de expositie- 
zaal van het jongste Haagsche genoot- 
schap niet altijd plezierig gestemd. Was 
de vorige keer het werk van Rembrandt, 
Brouwer e. a. in staat ten minste ons 
innerlijk te koesteren, ditmaal maakt 
met het verwarmings-toestel ook het 
geëxposeerde ons niet bijster behage- 
lijk. Zou de legende toch waar zijn, 
die fluistert dat het verval langs de 
wanden van den Kunstkring waart? 
Bij eene gelegenheid als deze kan men 
een huiverig gevoel niet van zich af- 
zetten en alleen de wetenschap dat dit 
genootschap leden heeft die met goed 
gevolg werkzaam zijn in de richting der 
steeds meer en algemeen ontluikende 
gebruikskunsten, kan werken als een 
troost. 

Ph. Van Hall, Hageman en Koning, 
ook zij hebben neigingen naar het deco- 
ratieve. De eerste met haar beeldhouw- 
werken, die invloeden toonen van 
Oostersche kunst, wel het meest. Er kan 
bij dit werk natuurlijk geen groote 
diepte geêischt worden, wel eene meer 
symetrisch en stijlvolle verder-door- 
voering van een architektonisch be- 
ginsel. Dat dit staat bij werk als dit 
immer op den achtergrond, wordt ten 
minste als zoodanig gedacht. En is er 
éen kunst waar zoozeer als bij deze met 
volkomen absolute beeldhouwkunst 
naar eene uitdrukkingsvolle zuivere 
proportie-werking moet worden ge- 
tracht? Om dat Mej. Van Hall juist in 
deze richting zich (met anderen nog) 
van de massa onderscheidt, meenden 
we hierop eenigen nadruk te mogen 
leggen. Er is van haar ook werk dat als 
meer absolute kunst aan meer alge- 



meene nooden zou kunnen voldoen. 
Maar waar we hierin het beteekenis- 
volle der Oostersche beelden die een 
begrip verpersoonlijken, het ideale der 
Grieksche, die veralgemeenden, niet 
mogen veronderstellen, zoeken we toch 
ook te zeer naar iets dat eene idéé vol- 
doende verwerkelijkt. Inmiddels willen 
we door deze opmerkingen hare betee- 
kenis niet verkleind zien. 

Over het werk der anderen kunnen we 
kort' zijn. Het belangrijkste van Hage- 
man — het moge zijn talent misschien 
niet het meest juist kenschetsen — Man 
en Vro//a;, schijnt eenigszins op religieuze 
schilders geïnspireerd. — Niet immer als 
in Kleilossen verheft Wolter zich vol- 
doende boven de bloole werkelijkheid. 
Zijn schildering is zelden kernachtig of 
uitdrukkingsvol In zijn Haven bij Zons- 
ondergang, bedoelt hij iets groots, maar 
geeft dit evenmin volkomen. Ook hier 
is het middel (pastel) door volmaakte 
of schoone toepassing niet onstoffelijk. 

De teekeningen van Arn. Koning zijn 
te beschouwen als eene aanvulhng van 
zijn door ons als episch beschreven 
schilderwerk bij Preyer. We vinden 
hierin dikwijls eene grootere klaarheid 
van voorstelling en zuiverheid van 
kleur, en soms eene meer lyrische nei- 
ging. 

BIJ DE FIRMA BÜFFA & ZONEN > 
EXPOSITIE VAN MEVR. MESDAG VAN 
HOUTEN y^ 18 FEBRUARM4 MAART 
yc^ De eerste groepenlenloonslelling 
bracht ook werk van deze schilderes. 
Maar hier vinden we haar completer 
vertegenwoordigd. Wel zou nog een 
enkel werk kunnen worden gemist en 
door een beter, dat haar dan tevens 
veelzijdiger deed kennen, vervangen 
kunnen worden, maar wat hier bijeen 
gebracht is kan mogelijk naar omstan- 
digheden zeer voldoende zijn. 

Mevr. Mesdag van Houten is sterk 
door de Franschen van '30 beïnvloed 
geweest. Maar deze invloeden zijn zoo 
goed verwerkt, dat haar beste en gave 
werk een volkomen eigen cachet heeft. 
Er is hier werk, er zijn hier stillevens 
van een zoo rijpe dracht dat het woord 
uitbloei, u door uwe gedachtengang 
ingefluisterd, u aanstonds op de lippen 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



143 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



besterft. Want waar een vrouwelijk 
artistiek vermogen zich zoo krachtda- 
dig, maar bij een wijs bestier op zoo 
ingetogen wijze zich kond geeft, daar 
kan van uilbloei in de eigenlijke betee- 
kenis van het woord geen sprake zijn. 

Ook is hier een zeer beschaafd portret- 
stuk, wat toch op veelzijdig kunnen 
wijst. 

In haar landschappen — ik bedoel 
hier niet de Avond op de hei, koslelijk 
van kleur, of het uitstekende Maaneffekt 
— wordt een onderling verbandhouden 
der dingen wel eens te zeer gemist ; in 
haar stillevens weet een smaakvol arran- 
gement en een bekwaam compositie- 
vermogen de deelen goed bijeen of aan 
eengesloten te houden. — Dat superbe 
stilleven van Millet uit de collectie 
Mesdag, kan als een eeuwig voorbeeld 
gelden. Hoe dikwijls vragen we ons 
niet af voor een stilleven : wat bracht 
die dingen bij elkaar f Welke diepe in- 
nerlijke noodwendigheid zit achter dit 
toevallig samenzijn? Deze noodwendig- 
heid, we vinden ze in dit schijnbaar 
eenvoudige werk van Millel. Daar zit 
een wereld achter die meer doet ver- 
moeden, dan direct zegt. Ook dit samen- 
zijn wordt bewogen door de myste- 
rieuze adem van het onzichtbare. 

We hebben in den laatsten tijd op 
veel goede stillevens kunnen wijzen en 
dit verschijnsel in verband gebracht 
met het stadium waarin het impres- 
sionisme zich bevindt. Ten onzent heeft 
in den nieuweren tijd Bisschop de 
meesterlij kste stillevens geschilderd, 
maar die van Floris Verster waren het 
meest bcteekenisvol. De laatste gaf o. a. 
bloemstukken — die eigenlijk geen 
5///levens meer zijn — waarin het leven, 
de mysterieuze groei dezer bestaans- 
wijzen geopenbaard werd op eenc wijze 
als na de primitieven en den al-weten- 
den Rembrandt niet geschiedde. En 
toch gunnen we, naast dezen, met cenige 
anderen nog, Mevr. Mesdag gaarne eene 
plaats. Haar beste werk neemt in, stemt 
behagelijk, verheugt door de weligheid, 
de sappigheid der factuur. Het is door- 
voed van kleur, die smeltend tot toon- 
kleur wordt. En soms zelfs verrast het 
u dooreen wezen-lijke uitdrukking (als 
in een enkel appel- en peren-stilleven) 
of brengt u een dieper bestaan der din- 



gen nader (als in Uien), — Er is hier no'f 
een werk een Antieke Vaas, waarlangs 
zich zeepaardjes slingeren, dat velen 
omtrent haar schildersvermogen kan 
gerust stellen, mocht men veronder- 
stellen, dat bij haar eenig onvermogen 
achter eene te gelukkig de dingen sa- 
menvoegende en -houdende losbandige 
schilderswijze schuil ging. In dit werk 
is voldoende die gevoelig berekenende 
toets, die bekwaam, plan-vol, maar 
natuurlijk de verschijnselen in eene be- 
grensde, maar juist in hare schematische 
afgepastheid als oneindig aandoende 
ruimtelijkheid, weet te zetten. 

PULCHRI STUDIO > GROEPENTEN- 
TOONSTrXLINGEN 3^ SERIE > 21 FE- 
BRUARI-8 MAART >:.» Met het werk 
van Jozef Israêls, Isadc Israéls en 
Bernard Hoppe en het beste van Van 
Hoytema en De Jonge, zou wat deze 
serie onderscheidt, genoemd zijn. 

Jozef Israéls — zijn werk is immer 
belangrijk, evenals dat van Isadc Israêls 
en Van Hoytema — hoewel in mindere 
mate — het gewoonlijk is. Aan de Jood- 
sche Weischrijver, dat sublieme werk, 
hebben we in dit tijdschrift alreeds een 
bespreking gewijd. Overdenking, heer- 
lijk van verve en schildering, maar 
niet zoo wezenlijk als de Studiekop, is 
geen recent werk. Deze studie naar een 
arm sjovel man is buitengewoon, een 
werk van diep realisme, dat levens de 
puurste idealiteit is. Deze onaanzienlijke 
man, bij al zijne plaatselijke onbewo- 
genheid, doemt hij op als eene geestver- 
schijning. Het schijnt de verwerkelij- 
king van een visioen door den schilder 
ergens aanschouwd toen zijn geest 
reizen ging in het rijk der droomen. 
A Wij zijn dan dezelfde stof waarvan 
droomen gemaakt zijn » Iemand die de 
diepe waarheid van deze woorden door- 
voeld heeft, is in staat de ware werke- 
lijkheid van het leven in deze in 
waarheid uil het onzienlijke opgeroepen 
verschijning te beseffen. 

Wat is er mooi na een werk als dit ? 
Vlak tegenover Israéls in de uitbouw 
der zaal hangt het werk van Van 
Hoytema. Het schijnt het tegendeel van 
dat van Israéls. De laatste is een teeke- 
naar in de ruimte zooals de wereld er 



144 



na Rembrandt geen voort heeft ge- 
bracht. Hoytema's kunnen zit in *t deco- 
ratieve. Teekent hij portretten dan faall 
hij wel eens en de menschen komen er 
door eenige charge op de werkelijkheid 
op eene wijze geidealiseerd af, die den 
teekenaar en ons meer zal behagen dan 
den afgebeelde zelf. Zoo krijgt een Laar- 
sche boer iets van een krombekkigen 
vogel. Ook zijn kleurzin neigt naar 
't decoratieve en in een enkele prent 
van zijn kalenders kan hij ons aandoen 
met eene zoo weldadige warmte en met 
eene al zoo volle innerlijkheid, dat 
ook uw gevoel — al deed ge het al lang 
redelijk — deze kunst direct na het 
genieten van Israéls* werk vermag te 
erkennen. Dit is geen losbandigheid, 
maar de oneindige, diviene vrijheid van 
den geest, die twee kunst-uitersten in 
beider waarheid erkent. Hoytema's 
talent — het is benijdbaar in dezen tijd 
van ontbloeienden decoratieven zin. 
Hii is al verwonderlijk compleet voor 
dezen tijd, en een meester die, wanneer 
geest en hand in de juiste richting 
werkzaam zijn, zelden faalt. 

Isaac Israêls toont vooral in drie schil- 
derijen, onderwerpen uit de café-chan- 
tant-wereld, verwantschap met zijn 
vader. Het is als bij dezen een op den 
voorgrond stellen van atmosferische 
werking, die de draagster is van het 
innerlijk leven en de boodschapster van 
het onzienlijke dat hij niet in even rijke 
mate tot u weet te brengen dan Jozef 
Israêls. Maar zijne intenties zijn over 
't algemeen ook andere. Zijne psycholo- 
gie is over H algemeen evenals bij zijn 
vader verrassend juist en zuiver. Er is 
hier nog een pastel van hem Orkest, 
waar we in de duizeling van klank- en 
kleurstemming even het werken voelen 
van een onzichtbaar heerschende macht, 
die deze schijnbare warreling in zeld- 
zame harmonie beweegt. Dit is werk 
van spontaan orgasme maar tevens van 
zeldzame organiek. 

Bcrnard Höppe's inzending bestaat 
uit degelijk, niet immer in alle deelen 
* deugdelijk werk. Hij is een origineel 
schilder, die meer aandacht verdient 
dan hij tot nog toe genoot. Als vele 
schilders heeft hij eene voorliefde voor 
witte paarden. Maar ziet hoe ongezocht 
hij in zijn stemmige, aan oud-HoUand- 



sche schilderijen herinnerende Maan- KUNST- 
avond dit paard als een sterk meewer- nc«nTr>i:r'T'i7XT 
kend motief in de stenimuig weet te 
doen versmellen. — De Jonge exposeert ^^'^ ^^^ HAAG 
o. m. verdienstelijke portret-stukken 
en aantrekkelijke landschapjes, waar- 
onder een frische fijn-atmosferische 
Lentedag ; Hijner o. m. een Zeeuwsch 
Binnenhuis waarin goed de binnenhuis 
stemming tegen den vollen Zon-dag 
buiten is uitgedrukt. Ook het andere 
werk kenmerkt zich door werkelijk 
ongemeen zware en diepe dracht van 
kleur. Maar van verstrekkende of uni- 
verseele beteekenis is dit niet voor- 
name werk nog niet. Van Jansen wil- 
len we een Wintermiddag te A msterdam 
niet ongenoemd laten. Daar zit in dit 
bar-wintersche geval met die rook- 
scheuten uit zoo'n kuchenden stoom- 
pijp wel een kracht van diepe beteeke- 
nis. Ook van Van Horsen is hier eenig 
goed werk, evenals van Hoynck van 
Papendrecht, een illustratief talent met 
goede zaakkennis. De overige exposan- 
ten zijn (alphabetisch) de Hrn Hemkes, 
Horrin, Ph. Windt en de dames Sara 
Hense, Pruys van de Hoeven en van 
Hagendorp 's Jacob ; de laatste met een 
nog niet onknap druiven-stilleven. 

H. D. B. 



UIT ROTTERDAM 




USEÜM BOYMANS ÜITROTTERDAM 
^r/ Een mooie aan- 
winst voor de prent- 
je verzameling van ons 
museum zijn een 
twintigtal etsen, klein 
en groot, van J. M. 

Graadt van Roggen. Fijngevoeld, in 

hooge mate stemmingsvol werk. 
Wat is hel toch, dat deze nobele 

kunst altijd en opnieuw zoo kostelijk 

voor ons maakt? Wat lijnengespeel, 

wat fluweel-donkere schaduw, wat 

atmosfeer, — maar de hand volgt de 

bevingen der fijnste zielemelodieén, 

schrijft hiéroglyphen en geheime tee- 

kens in het koper, overweeft ze met 

andere arabesken ; de aandoeningen 

trillen uit, als krinkels in stil water of 

toontjes in de lucht. Het licht ontbindt 

zich in stralende lijnen en schaduw 



145 



KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT ROTTERDAM 



wemelt als zichtbare stof in een ver- 
loren hoekje. Hel is de kunst der rag- 
fijne, en daarom vaagste aandoeningen. 
Het is als het trillen van violensnaren... 
Zóó — vol van die stilste, teerste stem- 
ming — zijn hier dingen, als dat Gezicht 
op een verre stad tegen licht gezien, — 
een atmosfeer, doorweven van licht, 
waarin de torens der stad als een 
luchtheveling slaan ; — hel oude kas- 
teeltje aan de watergracht, oud ge- 
steente, geen steenen meer, maar een 
bouwsel van schemering ; — een paar 
zeeuwsche huisjes, éen blank in schaduw 
met zonlichljes beplekt, waarvoor slok- 
rozen parmantig opstaan, een ander, 
zoo vol van licht, dat het is, of de jonge, 
jolige kleuren zóó voor den dag zullen 
komen. Er zijn kostelijke verloren hoek- 
jes van oude stadjes, met gewichtige 
daken en eigenwijze schoorsteenen, — 
of een boschje van vreemden groei, als- 
of het sierlijker boomen van een andere 
wereld waren, waaronder de grond be- 
dekt is met een miniatuur-woud van 
zware bladeren en palmachtige varens. 

Strenger wordt zijn stijl, met strakke 
lijnen, in een heigezicht, een ruw en 
hoog land met daken van lage huisjes 
daarboven, voor een duisteren bosch- 
gevel, een land van aarzellooze conlou- 
ren onder de ernstige buienlucht.— Zijn 
wolken zijn altijd karakteristiek, — 
soms zijn ze luchtig en hoog, fijngeve- 
derd als drijvende vlokken van licht, 
dan schijnen zij bedachtzaam te groeien, 
rand boven rand, van den horizont op- 
gedreven als door een geheimzinnige 
kracht,— of als in een echt-Rembrand- 
tieke ets, waar een sterk licht in het 
midden uitschijnt, daar is het omgeven 
van nijdige, striemende krassen, als 
bevochten de wolken het licht met felle 
hagelslagen. 

Een zeer groote en fraaie ets is een 
gezicht op de Groote kerk te Nijmegen, 
tegen het zuider-portaal. Een ding als 
een oude koperprent, van een echt 
historischen kijk en techniek. Die opeen- 
stapeling van oude grauwe steenen, hoe 
zij samen nog nauwelijks de door den 
tijd geknauwde profielen vormen ! Nog 
houdt het muurverband ze bijeen, maar 
straks zullen ze tot hun oorspronke- 
lijken staat van ruwe brokken terug- 
keereu; de door elkander-geslagen, laat- 



gothieke lijnen om de poortopening 
lijken wel versteende boomtakken ge- 
worden, heel dat open portaal staat te 
draaien en te wankelen op zijn door 
weer en wind vervreten kolommen. 
Een vrouwtje met een paar emmers aan 
een juk wordt den hoek omgewaaid. 

Boven de dakmassa ziet men den 
hoogen klokkentoren met zijn rijen van 
klokjes in het chineesch-achtige koe- 
peltje. Daar om heen wringen zich de 
ornaméntale, stijlvol-behandelde wol- 
ken. Zijn het wolken, of zijn het klank- 
galmen uit den toréntop ? 

Deze ets is niet alleen een indruk van 
hoe die oude kerk op dat oogenblik 
was; het zijn geen doode steenen, maar 
met rauwe hand schijnt de tijd zijn 
verhaal erin geschreven te hebben, zijn 
teekens erin gevoord. De geschiedenis 
van eeuwen is hier te lezen. En dat is 
het toch wel, wat oude gebouwen voor- 
al zoo interessant maakt. 

(2S Fth.) 

KÜNSTZAAL OLDENZEEL > TEN- 
TOONSTELLING VAN WERKEN VAN 
FRANTZ MELCHERS EN CHARLES 
VAN WIJK > MAAND FEBRUARI 
/u^ Melchers' werk maakt me krie- 
belig. Men zegt dat hij mondain is, — 
dat is wel aardig voor een keer, als het 
maar echt is. Chic moet heelemaal chic 
wezen, anders.... 

In sommige dingen wil hij Holland 
laten zien als een sprookjesland, — best ! 
Maar of men dat nu bereikt, door het 
<• sprookje o in levenden lijve, met 
gouden oorijzer, langs den kant van een 
niet-bizonder-gezien en nict-mooi-ge- 
schilderd Delftsch grachtje te laten 
wandelen? Men kan zelfs filosofeeren 
over de tweeslachtigheid van zulke 
schilderijen, — maar waaróm niet, als 
de sprookjesstcmming maar onder de 
boomen van het grachtje zweeft, en als 
dan het figuurtje maar door die stem- 
ming opgeroepen lijkt ! Dat behoeft 
geen juffertje van fantasie te zijn, dat 
kan een heel alledaagsch meisje wezen. 
Maar de stemming moet het hem doen, 
niet hel figuurtje ! 

Al even onbehaaglijk is de Visite. Wel, 
ik voel wal voor de breede voornaam- 
heid van dal rococohuis, waarvan de 



146 



lijnen nog zwieriger en drukker in het 
water weerspiegeien ! Maar de kleur 
mist alle diepte, de stammen van de 
boomen aan den .waterkant komen niet 
van den gevel los. Het geval is misscliien 
mooi gezien, — maar niet mooi gegeven. 
En is het toen maar aangekleed mét de 
mooie juffers met de wespentailles en 
de twee misleekende honden ? 

Als Melchers nu trachten wil, de ziel 
van zoo*n huis te geven, « hoe het kijkt » 
— want dat is de bedoeling hiervan, 
evenals van de dingjes uit Veere, en van 
een van zijn laatste werken, Feest, — 
waarom gaat hij dan onze aandacht 
afleiden met figuurtjes, die er niet in 
behooren ? Zoo iets moet eenzaam zijn ; 
wat dan ook bij Feest hel geval is. Dit 
lijkt me trouwens, mee daarom, een der 
beste werken van de verzameling. 

De dorpskijkjes zijn alle slap, soms 
bepaald onaangenaam van kleur. Men 
moet evenwel zeggen, dat de sujetten 
goed gekozen zijn, ook de leekening is 
gewoonlijk knap, raak zelfs van het 
vrouwenOguurtje in het Volendamsche 
geval Kinderzorgen, 

En wat nu te zeggen van de quasi- 
naieve, bonte prentjes uit Veere? Iets 
eigens hebben ze zeker. Maar ik benijd 
iemand zoo^n kijk op de Veersche kade 
niet, als van Voor het feest, met zijn 
schreeuwend-gekleurde rococo-huisjes ; 
dat is toch wel sollen met het arme, zoo 
droef-doode stadje, dat in zijn wezen- 
loos staren naar het oud verleden aan 
heel wat anders dan aan feesten denkt 1 

En dan die ruiten, die van alle doeken 
zoovele spiegels maken ! Was al dat 
werk nu waarlijk zoo versch, dat het 
niet gevernist kon worden ? 

De dingen uit Veere ten minste heeft 
Plasschaert reeds jaren geleden (ik meen 
in 1895) in « de Nieuwe Gids » besproken 
en veel van het overige heb ik verleden 
jaar (Maart) te Berlijn bij Keiler & 
Reiner gezien. 

Bij Keiler & Reiner, ia, in die hyper- 
moderne omgeving, — daar was dit 
werk op zijn plaats ! Want, dit moet me 
nog even van het hart, — het is niet de 
kijk van een Hollander op het echte 
Holland : het is die van een vreemdeUng 
die hier eens is komen neuzen, die zich 
verbeeldt, dat, als het juffertje in 
SprookjCy 's avonds de koningin (mèt 



een gouden oorijzer !) een luchtje komt 
scheppen langs den kant van een 
grachtje. Het is « HoUandereil • 
•♦^ Van den jongen beeldhouwer 
Charles van Wijk zijn er mooie stuk- 
ken. Uit het leven van die zwoegende 
Velu wsche werkertjes, hoe zij hun koren 
slaan, hoe zij rusten na den arbeid, — 
van hun vrouwen, hoe die de schoven 
binden en de goede moeders hunner 
kinderen zijn. Het werk, dat een goede 
plicht is, dat gedaan wordt met ernst 
en toewijding, omdat God het wil. En 
even gewetensvol en ernstig is de kuns- 
tenaar zelf. 

Zijn werk is ruw en bonkig : het zijn 
vooral geen salonstukken. Om de knoes- 
tige werkleden zijner bouwlieden staat 
de grove, harde stof van broek en buis 
in stijve plooien, zooals de arbeid ze 
gekreukt, de regen ze aan het lijf geplakt, 
de zon ze gedroogd heeft. En zorg en 
zwoegen hebben hun stijve gezichten 
geboetseerd. 

Zoo 'n schuitenjager op zijn paard, is 
het niet alsof het gedwecé dier met aan- 
dacht zijn werk doet? En wat doet het 
zijn beweging wel ! Want het is onnoo- 
zel te zeggen, dat Van Wijk de bewe- 
ging juist observeert : zijn figuren heb- 
ben een eigen actie, men denkt er niet 
meer aan, dat dat zoo gemaakt is ! Zoo 
zijn maaier (de rompbeweging boven 
het schrapstaande beenengestel I), zijn 
schovenbindster, het mooie oude vrouw- 
tje aan het spinnewiel, dat trekt aan een 
langen draad. 

Maar vooral zijn moeders, met haar 
zorglijke goede gezichten, madonna's- 
op-klompcn. Wat hebben die koppen 
iets echt-middeleeuwsch, zoo oud en 
leelijk als ze zijn, — gezichten van 
moeders van smarten alle. Ik denk 
voornamelijk aan die groote pleister 
moedervreugde, een vrouw met twee 
kinderen op den schoot, waarvan zij 
het eene aan de borst heeft, — met 
welk een goede teerheid ziet ze op dat 
zuigende kleintje neer ! Een verpersoon- 
lijking van de middeleeuwsche caritate ! 

Een beetje humor ook : de guitaar- 
speler met den grooten, genialen bol op 
het magere houterige lijfje, — het 
schreeuwkopje van een zuigeling in zijn 
o zoo komische, groote smart I Wat 
getuigt ook dat van Van Wijk's zuive- 



KUNST- 
BERICHTKN 
UIT ROTTERDAM 



147 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT ROTTERDAM 



UIT UTRECHT 



VARIA 



ren kijk op de dingen, want hoe licht 
had niet het muzikantje tot karikatuur 
kunnen worden ! 

Het is zulk heuchelijk werk. We 
kunnen zoo iels in ons plastiek-arm 
landje best gebruiken ! 

(Rotterdam, 6 Maart). R. J. 

UIT UTRECHT = 



Vl%AÏ 



<öwln 



lEREENIGINGVOOR 
DE KUNST > TEN- 
TOONSTELLING 
VAN PORTRETTEN 
VAN OUDE EN MO- 
DERNE MEESTERS 
>c^^ Dat is een nieu- 
we proei ue lö^^', 17<i" en lO**" eeuwers 
samen te exposceren. Er wordt meestal 
gedaan of alle oude meesters onze tijd- 
gecooten de baas zijn — en deze het in 
zulk een illustre gezelschap ongetwij- 
feld af zouden leggen, maar deze ten- 
toonstelling overtuigt ons van het tegen- 
deel en de werken die hier van Jan 
Veth, Van Looy, Haverraan, tusschen 
de 17<^o eeuwers hangen, houden zich 
uitstekend ; maar al zijn ze niet minder 
begaafd dan de oude meesters, zij zijn 
minder schilder en dit is zeer opmerke- 
lijk en wordt hier tot een onloochen- 
baar feit. 

Zooals men weet, heeft Rafaélli een 
procédé uitgevonden, een soort vet- 
achtig krijt waardoor het schilderen 
met de kwast zou vervallen. Zou deze 
uitvinding zijn gedaan, wanneer er niet 
plaats voor haar geweest was ? Immers 
niet, want de behoefte zelve is wel altijd 
als de moeder van alle uitvindingen te 
beschouwen. In onze nerveuse tijd, 
waarin het intellect meer het onbe- 
wuste verdringt en de wetenschap op 
den voorgrond treedt, wordt feitelijk de 
levenswarme peinture met den dag 
schaarscher en hiervan kunnen wij ons 
ook op deze tentoonstelling overtuigen. 
Er was een zoo groote blijheid en durf 
in*de wijze waarop onze oude Hollan- 
ders de kwast hanteerden — een spontane 
levendige schilderstrant was de hunne 
— maar deze heerlijke qualiteit is wel 
gansch verloren gegaan. Daarvoor is in 
de plaats gekomen een zeer groote 
knapheid, de zielkundige analyse en de 
kritiek ; daarom kunnen wij ons ook al 



deze portretten even goed geteekend 
denken, voor het schilderen was geen 
reden, de kleur is dan ook over 't alge- 
meen zeer ondergesc|iikt aan de lijn, 
het probleem van licht en bruin houdt 
den portretschilder niet meer bezig. 
Wel nog de generatie van Israéls, J. Geo 
Schwartze en Jacob Maris, maar niet 
kunstenaars als Toorop, Haverman, 
Veth en Josselin de Jong, die nu aan 
de spitse onzer hedendaagsche portrai- 
teurs staan. Van Looy's zelfportretten 
sluiten zich het meest aan onze 17*^*^ 
eeuwers aan omdat dit kind uit het volk 
nog fiks de kwast in de verf durft 
doopen. In zijn blauwe kiel en de hoed 
achter op 't hoofd gekwakt, ziet hij er 
ook nog zoo recht uit als een van die 
stoere oude Hollanders. Wij kunnen ons 
hem bezwaarlijk voorstellen in een 
zwarte gekleede jas of zeer kritiesch 
zijn modellen ontledende. Van de oude 
meesters zijn hier o. a. een prachtig 
vrouweportret van Moreelse. Ook een 
zeer mooi portret van Menno Simons 
dat aan Moro is toegeschreven, verder 
een van Scorel, een uiterst delikate 
Mabuse en verscheidene goede portret- 
ten van onbekende meesters. 

Van de modernen is wel *t mooiste 
een kinderkopje van Jacob Maris en 
een jongmeisje's portret van J. Georg 
Schwartze. Ook zijn er nog mooie 
studies van Breitner, Onnes en Van den 
Maarel. Over 't algemeen een hoogst 
belangrijke tentoonstelling. B. 

-<i^ *o.^ *^— «^— «^— <<i^ *o.^ '-^^ '-^^ *^^ 

2^ sgW aK^ aK^aK^ S^ 2gWS^S^«^ 



VARIA 



In ons voorlaatste nummer (blz. 
84), vermeldden we de zeer verrassende 
restauratie aan het Baumgartner-altaar 
te München toegebracht. Nu blijkt het 
dat deze bewerking niet overal met 
onvermengde vreugde werd begroet. 
Franz Dülberg (*) betreurt het verdwij- 
nen van de romantische landschappen, 
waarin de ridders stonden, en er in den 
loop der tijden mee waren samenge- 
groeid; hij betreurt het, dat de twee 
vleugels nu niet meer bestaan in den 
vorm die zoo gunstig op het herleven 
van de duilsche kunst heeft gewerkt. 
Hij vraagt zich af waarom men maar 
niet liever de beslaande oude kopie 

Oy Kunslchronik van 30 Januari. 



148 



heeft aangekocht, die hel werk in zijn 
oorspronkclijken vorm vertoont — of 
enkel een fotografie daarvan — mits 
men de door drie een wen geijkte over- 
schildering had laten bestaan. Ook de 
heer Auguste Marguiller {*) houdt een 
vurig pleidooi voor het behoud van 
kunstwerken in hun traditioneelen 
vorm, en vaart tegen de praktijk van het 
Miinchencr Museumbestuur uit met een 
heftigheid, die o. i. op zijn minst geno- 
men overdreven mag heeten. Waar 
Dülhcrg eenvoudig zegt : t Um die 
» Hösslein, um den grünen Wald is mir 
» es leid », en zijn inderdaad wel goed- 
gemeende woorden ons sympathie voor 
zijn zienswijze inboezemen, heet het bij 
den Heer Marguiller ontreciüdance iii- 
croyable — aberration — acte monstrueux 

— deslruction (Viuie ceiwre dart — bar- 
bares procédés^ enz. — 

Met een eigen opinie willen we hier 
niet voor den dag komen, vooral om- 
dat we het stuk alleen in zijn ouden 
vorm gezien hebben, die, hel dient 
gezegd, op zichzelf niets stootends had, 

— immers de bijgevoegde motieven 
waren grootendeels aan andere werken 
van Diner ontleend (o. a. aan Ridder, 
Dood en Duivel.) Maar we stuiten hier 
weer op de eeuwige vraag, die van zoo 
algemeen belang is dat ze ook in dit 
lijdschrift weer eens mag worden opge- 
worpen : moet men een kunstwerk 
respecteeren in den vorm waarin 
hel uit vroegere tijden tot ons is 
gekomen, of moeten wij er naar 
streven het te ontdoen van latere 
bijvoegsels, en het te herstellen 
zooals de kunstenaar het in den 
aanvang schiep? 

Wie logisch redeneert, moet natuur- 
lijk tot hel laatste besluiten. Het is 
toch een elementair begrip, dal de eer- 
bied voor een kunstwerk in de eerste 
plaats gaal lot het werk in zijn oor- 
sproi. keiijken vorm, zooals hel naar 
den wil van den artiest geschapen 
werd — en tegen dit rotsvast argument 
lijden alle andere beschouwingen schip- 
breuk. En vooral waar het schilderkunst 
betreft, evenals bij iedere kunst die 
voor zichzelf beslaat, zonder recht- 
ctreeksch doel van practischen aard — 

(•) Chronique des Arts van 14 Februari. 



moet dit princiep zich onwrikbaar doen VARIA 
gelden. — In de bouwkunst waar de- 
zelfde vraag zich nog meer voordoet, 
kunnen andere beschouwingen in reke- 
ning komen. Zoo kan b. v. een gebouw 
in den loop der tijden zoozeer met 
latere aanbouwselszijn samengegroeid, 
dat het één architectonisch geheel is 
geworden, waar van geen absolute 
« restauratie » meer sprake kan zijn. 
Maar even dwaas als het zcu zijn aan 
een dergelijk gebouwencomplex de 
hand Ie slaan, even dwaas ware het, uit 
een valsche sentimentaliteit, tol lederen 
prijs op zichzelf waardelooze bouwsels, 
die veelal oude kerken of monumenten 
omringen, te willen behouden. Als alge- 
meen princiep zou men in deze kunnen 
formuleeren : herstel ieder kunst- 
werk zooveel mogelijk in zijn 
oorspronkclijken vorm, zoolang 
geen ander kunstwerk van min- 
stens even groote waarde hier- 
door bedorven wordt. 

Dit laatste was, om tot het Dürer- 
allaar terug te komen, hier zeker niet 
het geval. Men kan dan larmoyeeren 
om het te gronde gaan van iels dat men 
te recht of te onrecht had lief gekregen, 
om het vernielen van een oude traditie 
— maar men slicht er tevens een 
nieuwe, die de eenig-zuivere is, en 
waarvoor het nageslacht ons dankbaar 
zal zijn. B. 

-♦^ Door wijlen deA Heer des Tombes 
zijn bij testament gelegateerd aan het 
Maurilshuis te s'Gravenhage : 

Van G. Flinck, een kinder-porlret, 
ten voelen uil, van 1640; — van J. Ver- 
meer van Delft, een meisjes-portret ; — 
van II. van Beyeren, een stilleven met 
visschen ; — van E. van de Velde, een 
winterlandschap, van 1624; — toege- 
schreven aan B. Zwaardecroon, een 
kinder-porlret; — van A. Bosschart, 
een bloemstuk ; — van Carel Vogelaer, 
een zelfportret ; — van H, W. Schweick- 
hardt, een vruchtenkoopman ; — van J. 
van Goyen, een gezicht op een stad ; — 
van een monogrammisl, C. V. B., een 
winter- en een zomerlandschapje, en 
een ongeteekend stuk, 18o eeuw, een 
decoratief werk in 't grijs-grauw : on- 
derwerp waarschijnlijk uit de mytho- 
logie. 



xvnia. 



149 



BOEKEN & TIJDSCHRIFTEN 



BOEKEN EN 
TIJDSCHRIF- 
TEN 






^^ls% 



HKNHl HYMANS > L'HXPOSITION 
I)i:S PHIMITIFS FLAMANDS A BHUC.KS 
> PARIS, « GAZKTTH DKS HKAUX- 
AHTS «, 8 nUi: FAVART, 1902 >c^- 

\\ T zeer veel genoegen 
hebben we de ver- 
schijning van (lil 
werk begroet. Immers 
nu zijn in handig for- 
maat en tot betrekke- 
lijk geringen prijs een 
reeks artikels uit de Gazel te des BeauX' 
Arls te samen gebracht en geïUustreerd 
met een keur van platen uit vroegere 
jaargangen, welke anders niet licht 
-onder het bereik zouden vallen. Welis- 
waar hooren niet alle platen recht- 
streeks bij den tekst. Niet eens de helft 
ervan waren op de tentoonstelling aan- 
wezig — maar het geheel is er niet 
minder aantrekkelijk om. 

Ilenri Hymans was voorzeker bij uit- 
stek de man die ons door zijn opmer- 
kingen over de te Brugge verzamelde 
werken zou weten te boeien — die door 
zijn eigen, helder inzicht evenzeer als 
door zijn speciale kennis en belezenheid 
licht zou weten te verspreiden over 
vele duistere punten in de geschiedenis 
van onze oudste schilderschool. Wie 
heeft- niet, — zaakkundige zoowel als 
leek — bij zijn bezoek aan de Brugsche 
tentoonstelling, stilgestaan voor zich 
telkens als groote vraagteekens voor- 
doende werken? Wie heeft er niet 
gezocht, getwijfeld, vergeleken, onder- 
stellingen gemaakt? Ken genoegen zal 
het dan ook voor velen geweest zijn, 
aan de hand van iemand als Hymans de 
zalen nog eens te doorwandelen, en 
heel wat nieuws en wetenswaardigs 
over de tentoongestelde werken te ver- 
nemen. 



We kunnen den auteur hier natuurlijk 
niet in zijn veelvuldige beschouwingen 
volgen en minder ons nog wagen aan 
een ontleding van de verschillende 
meeningen welke hij uitspreekt. Over 
het algemeen plan van zijn opstel echter 
een woord : zeer terecht heeft hij 
gemeend de zeer bekende en alom 
besproken werken alleen met een vluch- 
tig woord te moeten vermelden, — maar 
des te meer nadruk te leggen op de 
bespreking van de weinig bekende en 
weinig besproken stukken, welke hier 
in zoo grooten getalle aanwezig waren. 
Hierdoor verkrijgt zijn boek een niet 
licht te overschatten beteekenis, ook al 
werd het door den auteur zelf meer als 
een bundel vluchtige nota's dan als een 
definitieve en geheel doorwerkte studie 
opgeval, 

B. 

peti:r vischer by ckcil headlam 
b. a. (handbooks of the great 
craftsmen > edited by g. c. wil- 
liamson litt. d.) london george 

BELL AND SONS. 1901 >o^ 

|ET Peter Vischer — 
eigenlijk had de titel 
wel de Werkplaats 
van de Vischer s mogen 
luiden — wordt de uit- 
gave der Handbooks 
of the Great Crafls- 
men voortgezet. De tekst werd ditmaal 
door Cecil Headlam geleverd die, zooals 
vele critici, zijn taak wellicht wat te 
veel als levens- en kunstbeschrijving en 
te weinig als kunstappreciatie heeft 
opgevat. 

Verder is hij misschien wel eens wat 
haastig in 't vooropstellen van zijn 






150 



mceningeii en 't Irckken 
van conclusies; bijv. : om- 
dat Pclcr Vischer Senior, 
e^nmiaal duizend florijnen 
ontving voor Zivei grosze 
messene Pilder, besluit de 
heer Headlain maar dade- 
lijk dat er hier sprake is van 
de prachtige bronzen beel- 
den van Theoderiky koning 
der Goihen en Koning Ar- 
//iiir, die in de Franciscaner 
kerk te Innsbruck het graf 
van keizer Maximiliaan om- 
ringen. En wel Theodorik 
meer bepaald van de hand 
van Pelcr den Vader, ko- 
ning Arlhur daarentegen 
van Peler den Zoon. En dan, 
— op dit thema voortbor- 
durend — moet de prachtige 
Delende Madonna in 't Ger- 
maansche Museum te Nfi- 
remberg dan ook maar van 
Peter Junior zijn ! Hoewel 
er zeker veel waarschijn- 
lijkheid voor deze opvattin- 
gen bestaat, is er toch ab.so- 
luut daaromtrent niets ze- 
ker bewezen. 

Overigens geeft de heer 
Headlam wel interessante 
bizon derheden uit het leven 
van beide artisten — het 
verdere Vischergezin — de 
Vischerwerkplaats en heeft 
hij de vele bronnen, die hij 
raadpleegde met grondigen 
ijver bestudeerd. 

De uitvoering van het boekje en van 
de vele platen is natuurlijk zeer ver- 
zorgd, alleen slaat er voorin een heel 
leelijk sentimenteel portret van Peter 
den Vader naar een modern-duitsche 
teekening. 




BOEKEN EN 

TIJDSCHRIF- 

1'EN 




PETER VISCHER : 

EIGEN PORTRET, (Si. Scbaldusgraf, Neurenberg). 

[uil : Cecil ïhadlam. Veter Vischer, landen, George BeU S: Sons. 



SIH JOSHUA REYNOLDS, HIS LIFE 
AND ART > BIJ LORD RONALD 
SUTHERLAND GOWER, F. S. A. > 
(BRIÏISH ARTISTS' SERIES) > LON- 
DON GEORGE BELL AND SONS, 1902. 
|i /.E onvermoeide uit- 
gevers-firma geeft se- 
dert eenigen tijd naast 
] laar vele andere groo- 
tere en kleinere wer- 
ken over buitenland- 
sche Artisten ook een 
BrilishArtists' series uit,\vaarin o.a, reeds 
studies over Burne-Jones, Leighton, 
Milais verschenen zijn. Aantrekkelijke, 
gedistingeerde boekjes, in keurige wit- 
linnen stempelbandjes, met goede repro- 
ducties. 






151 



BOEKEN EN 

nJDSCHRIF- 

TEN 



De tekst voor Sir Joshua Reynolds, 
die we hier meer bepnnld op het oog 
hebben, en waarvan de bewerking aan 
Lord Sutherland werd toevertrouwd, 
is bepaald minder goed dan we het van 
de auteurs der Bell-firma gewoon zijn. 

De schrijver, die overtuigd is dat er 
nooit een grooter artist dan Reynolds 
bestaan heeft, verdiept zich o. ni. in 
wljdloopige beschouwingen hoe de vele 
nu gebarsten en gehavende stukken van 
den Kngelschen meester er wel zouden 
hebben uitgezien als hij niet zoo'n over- 
dadig gebruik van sterke pigmenten 
gemaakt had, die een groot deel van 
zijn werk reeds lang voor zijn dood ver- 
nielden.Verder volgt hij de o. i. meestal 
verkeerde methode om het Leven van 
den Mensch en de Producties van den 
Kunstenaar dooreen te haspelen, waar- 
door meestal een verwarde voorstelling 
ontstaat. 

De bronnen, waaruit hij de levens- 
bizondcrheden putte, zijn echter ook 
door hem zeer gewetensvol bestudeerd 
en H is aangenaam om iets meer te 
weten van dezen op het vastenland te 
weinig bekenden kunstenaar, die een 
groote mate van distinctie in zijn werk 
wist te leggen, vooral in zijn polret- 
tcn van vrouwen en kinderen, en die 
daarom vooral een interessante ver- 
schijning blijft, omdat hij bijna geheel 
selfmade was en in den goeden piuiken- 
tijd optrad, toen de kunst bijna dood 
was op het continent. 

A. W. 

GESELLSCHAFT FUR VERVIELFAL- 
TIGENDE KUNST > WIEN >o^ 

|ET voorname Wcener 
Gezelschap en het 
door dien kring uitge- 
geven tijdschrift Die 
Graphischen Künsle 
brachten onlangs het 
vijf-en-twintigstc jaar 
van hun bestaan ten einde en niet- 
tegenstaande dien cerbiedwaardigen 
levensduur blijven beide nog vol levens- 



*4^.ê»^r 



;f*>.C»5i 



kracht en levenslust en hunne uitgaven 
wel de merkwaardigste in hunnen aard, 
die in Europa verschijnen. 

Zoo ontvingen wij nu de laatste afle- 
vering van den 25" jaargang en de eerste 
van den 26". Behalve mededeelingcn 
van huishoudelijkcn aard bevat de eerste 
der twee afleveringen een artikel over 
Rudolf von Alt ter gelegenheid van zijn 
90>un verjaardag. Met frissche pen 
geschreven is het artikel rijk geïllus- 
treerd. Het bevat talrijke afbeeldingen in 
den tekst, namelijk verscheiden gezich- 
ten uit Oud-Wcenen en daarbij drie 
platen buiten den tekst : een wezenlijk 
prachtige kleurendruk, een gezicht op 
Durnstein naar eene akwarel, en twee 
etsen, de eene van W.Woernlc, de andere 
van William Unger. beide meesterwerk, 
eveneens naar waleiverfschilderingcn 
van den jubilaris. 

De eerste aflevering van den 26" jaar- 
gang bevat een dikken bundel • Studiën 
und Forschungen • over allerlei wetens- 
waardigs, een uitvoerig artikel over 
den hooggevierden schilderFranzSluck, 
met een schat van afbeeldingen binnen 
en tusschen den tekst: etsen, fologravu- 
ren en autotypien. Een tweede uitvoerig 
artikel handelt over den onlangs afge- 
storven schilder Ludvvjg von Gleichen- 
Russwurni in gelijkeh trant geïllus- 
treerd. 

Daarbij zendt het gezelschap aan hare 
leden eene groote prachtige ets van 
William Unger naar Franz Stuck's 
Bacchaniensioet, verbazend van kleur, 
van leven, van malschheid en wel het 
moedwillige, haast baldadige van 
's kunstenaars teekening en schildering 
weergevende. 

Verder liet het Gezelschap nog ver- 
schijnen zijn Jahres-Mappey bevattende 
zes groote bladen, een kleurenets door 
Richard Ranft, drie etsen door Oscar 
Graf,Richard Muller en Otto Uhbelohde, 
een kleuren-lithographie door Emiel 
Orlik en een hcliogravure naar eene 
teekening van Felix Jeneweins : alles 
kruimige, springlevende kunst. 

M.R. 



152 



JAN VAN BRUGGE 




E regeering van Lodewijk van Male, geken- JAN 
merkt evenals de regeeringen van alle graven VAN BRUGGE 
van Vlaanderen door jaren van vrede en jaren 
van oorlog, niïiar vooral door den bloei der 
gemeenten die na de roemrijke zegepraal van 
1302 tot een ongewonen graad van welvaart 
en macht gestegen waren, draagt de eer weg, 
de eerste Viaamsche kunstenaars te zien ver- 
schijnen, van wie liien ten minste naast den naam, ook enkele kleine 
levensbijzonderheden en eenige wei-ken kent. 

Op het einde der xiv***" eeuw openbaarde zich die buitengewone 
kunstbloei, en wel op een wijze die bewijst, door de hooge ontwik- 
keHng waartoe de kunstenaars gekomen waren, dat men niet meer 
stond voor onhandige pogingen, maar dat een reeks kunstenaars 
voorafgegaan waren wier werken voor ons grootendeels verloren 
zijn en die een voorbereidend stadium zijn geweest. Het waren vooral 
de kerkv^ersieringen, heerlijke grootsche muurschilderingen waarvan 
we nu en dan onder de kalkverf een brok terugvinden. 

Jan van Hasselt, schilder, te Kortrijk verblijvende, werd in 1374 
op verzoek van graaf Lodewijk van Male, belast met de versiering der 
kapel der graven van Vlaanderen in de kapittelkerk van Onze-Lieve- 
Vrouw, waarin hij de portretten schilderde van 28 graven van Vlaan- 
deren, Lodewijk van Male inbegi'epen. Andries Beauneveu, schilder 
en beeldhouwer van Valencijn, werd insgelijks ontboden om het 
snijwerk der nissen uit te voeren waarin de portretten afgebeeld waren, 
en wellicht leverde hij dan ook het zoo mooie beeld der H. Katharina, 
beschermheilige der kapel, dat heden nog de kerk versiert. 

Een tijdgenoot van deze twee kunstenaars was Jan van Brugge, 
die, hoewel hij wellicht heel weinig in Vlaanderen verbleef — geen 
sporen vindt men van zijn verblijf te Brugge — voor de geschiedenis 
der Brugsche schilderschool van het hoogste belang is, omdat hij 
de eerste niet naamlooze kunstenaar is waarmede de geschiedenis 
dezer school mag geopend worden, en vooral omdat hij optreedt 



OiiZB Kunst 1903, Afl. 5, XIX 



153 



JAN zoo in eens, met een talent, met een knnstgenie die bewonderens- 

VAN BRUGGE waardig zijn. 

Zijn naam en zijn werken verraden zijn Vlaamschen oorsprong, 
zijn bijnaam alleen : Jan van Brugge want we zien verder dat zijn 
echte familienaam in deze laatste jaren ontdekt werd laat ons 
vermoeden dat hij te Brugge of in de omstreken geboren werd. 

Het is in het handschrift van een bijbel met miniaturen versierd, 
heden berustend in het Museum Westhreenianum te 's Gravenhage, 
dat men voor het eerst den naam aantreft van den Brugschen kunste- 
naar en wel in het volgende latijnsche opschrift, dat de eerste minia- 
tuur van het boek voorafgaat : 

« Anno Domini millesimo trecentesimo septuagesimo primo, istud 
» opus pictum fuit ad preceptum et honorem illustri principi Karoli 
» regis Francie, etatis sue trecesimo quinto et regni sui octavo, et 
» Johannes de Brugis, pictor regis predicti, fecit hanc picturam pro- 
» pria sua manu. » 

Deze eerste oorkonde leert ons dus dat Jan van Brugge in 1371 
schilder was van Karel V den Wijze, Koning van Frankrijk. 

Een andermaal werd den naam van Jehan de Bruges ontmoet 
door J. M. Richard (*) in een rekening die bewees dat de schilder 80 
pond ontving in den loop der jaren 1371 tot 1373 voor het versieren 
van den draagstoel der gravin van Vlaanderen en Artois. 

Jules Guiffrey, schrijver van de Hisloire générale de la Tapisserie^ 
ontdekte verder in de rekeningen van Lodewijk, hertog van Anjou, 
broeder van Karel V, dat dezelfde Jan van Brugge, in de jaren 1378 
tot 1379, « pourtraictures et patrons » schetste voor de tapijtwerken 
welke Nicolas Bataille, de Parijsche haute-lissier, voor dezen prins 
vervaardigde en die nu in de Hoofdkerk van Angers berusten. 

Eindelijk verschijnt nog eens den naam van den Brugschen 
kunstenaar in de rekeningen van Lodewijk van Anjou, in de maand 
Januari 1379, maar ditmaal gespeld « Jehan de Burges, peintre et 
valet de Chambre du Roy » waarin hem toegekend wordt een som 
van 120 pond voor « les bons services qu'il lui a fait en faisant certai- 
nes pourtraictures. » De kunstenaar ontving 50 pond in Januari 1379 ; 
50 pond in Juli en het overige den 7***^" Maart 1381. (-) 

Deze eerste documenten samengevat door B. Prost (^) wierpen 
slechts zeer weinig licht op het leven van den kunstenaar. Zijn naam, 
zijn oorsprong, zijn geboorteplaats, zijn eerste stappen op de baan der 
kunst, de naam van zijn meester, indien hij er een had, de namen 
zijner leerlingen, indien hij er vormde, het jaartal zijner dood, al die 

(*) Archioes de VAri frangais, 1878. 

(*) Mgr. De Haisnes. 

(»j Gazeite des Beaux-Arls, 1892. 



154 




JAN VAN BRUGGE : Koning Karel V van Frankrijk ontvangt een handschrift 
uit de handen van zijn Kamerheer, (miniatuur uit La Bible Hystorians). 
(Museum Meermanno Westhreenianum, den Haag). 




155 



JAN bijzonderheden die gering schijnen, maar die soms zoo plots een 

VAN BRUGGE helder licht kunnen werpen op een heel tijdstip en bijdragen om de 
schakels te vormen van de keten der kunstgeschiedenis, dat alles bleef 
raadsel. 

B. Prost mocht erin slagen eenige nieuwe oorkonden te ontdek- 
ken die weer een hoekje van den sluier ophieven, en wel in de Natio- 
nale Archieven van Frankrijk (Trésor des Chartes. Registre J. J. Q. Q. 
fol. 72, n° 193) : 

« Charles... enz... savoir faisons que pour considérations des bons 
» et agréables services que nostre amé Jehan de Bondolf, dit de 
» Bruges, nostre paintre, nous a faiz Ie temps passé, fait encores chacun 
» jour... enz. et lui donne une maison a Saint Quentin, a Fenseigne 
» du Faucon. 

« Donné è Paris, en nostre Chastel du Louvre, au mois de 
» Décembre, Fan mil CCC.LXVIII. » 

Onder den datum 1374 vindt men in de Journaux du trésor : 
« Joannes Bandol, pictor regis ad vadia de 200 libris parisiensium per 
» annum tali conditione quod tenebitur servire in omnibus operagiis 
» picture que rex precipiet fieri, absque aliis vadiis, lam pro se quam 
» pro famulo suo. Nihil, quia fuit in suis negotiis et voluit sibi deduci. » 
Onder den datum 1378 : « Johannes Bandol, pictor regis, ad vadia de 
« IP 1. paris, per annum,... enz. » 

En het laatst wordt van hem gewaagd in de Recepta communis 
Thesauri, 1380 : 

« Joannes Bandol nobis super vadiis suis ad vitam. C. francos 
» XX* februarii. » 

Uit deze oorkonden blijkt het dat de naam Jan van Brugge slechts 
een bijnaam was, die gewoonlijk de geboorteplaats van den drager 
aanduidt, dat zijn echte familienaam Jan van Bondolf of Bandol was, 
dat hij een huis bezat te St. Quentijn, genaamd de Valk en dat hij een 
leerling had die met hem werkte. 

Verder gaat het licht weer uit op het leven van dien kunstenaar. 

Jan van Brugge leefde bij een meester die een buitengewoon 
kunstliefhebber was, en vooral een liefhebber van handschriften. 
« Bien Ie demonstroit, » zegt Christine de Pisan, (*) « par la belle 
» assemblee de notables livres et belle librairie qu'il avait de tous les 
» plus notables volumes qui par souverains auteurs aient esté compi- 
» lés, soit de la Sainte Escripture, théologie, de philosophie et de 
» toutes Sciences, moults bien escrips et richement adornez. » 

(«) Faüs de Charles V. 



156 




JAN VAN nniGGi: : 

Fragnionl vnn <Ip lapijtworkon van i\v Ojtfuhariiuj 
(Kathedraal. Angors). 




JAN zajjen, schijnt de I^tijnsche tekst te bewijzen dat Jan van Brugge er 

VAN BRLCiüE slechts één maakte. 

Wellicht versierde de Brugsche kunstenaar andere werken voor 
zijn meester KarelV, die een groot boekenliefhebber was. Maar tusschen 
de perkamenten folios blijven de schatten, merkwaardig bewaard, ver- 
holen en naamloos, tot op het oogenblik dat een of andere omstan- 
digheid ons den naam van den kunstenaar aan het licht brengt. 

Doch zijn kunstroem steunt niet enkel op de miniatuur van de 
Vulgata, maar vooral op de ontwerpen door hem geteekend voor tapijt- 
werken welke een Parijsch tapijtwever, Nicolas Bataille, voor Ix)de- 
wijk I, hertog van Anjou, uitvoerde. Lodewijk van Anjou, broeder van 
Karel V, was een kunstminnaar, die niet aarzelde groote sommen te 
besteden aan de voldoening van zijn kunstzin. Zoo liet hij voor zijn 
slot te Angers een reusachtig tapijtwerk maken, dat de wanden van een 
der zalen moest versieren, en waarover J. Guiffrey, die in het Registre 
de la Trésorerie des ducs d'Anjou^ opzoekingen deed voor zijn werk 
Nicolas Bataille, tapissier parisien du xiv* siècley sa uie, son (xiwre et 
sa familie^ de twee belangrijke hier volgende artikelen vond : 

« A Nicolas Bataille, sur la fa?on de deux draps de tapisserie a 
» rhistoire de TApocalice, qu'il a faiz pour monsieur Ie duc, par Ie 
» mandement rendu ei dessus en la prouchaine partie et quictance du 
» dit Nicolas, donnée Ie septième jour d avril 1377, 1000 franz. 

« A Hennequin de Bruges, peintre du Roy, Notre Seigneur, par ce 
» qui lui peut ou pourra estre due a cause des pourtraictures et patrons 
)) par lui faiz pour les ditz tappiz a listoire de TapocaHce, par mande- 
)) ment du dit notre seigneur Ie lieutenant, donné Ie derrenier jour de 
» janvier 1377 et quictance du d. Hennequin de Bruges, donné Ie vingt 
» huitième du dit mois^ 5() franz. » 

Zoo werd ons in eens den naam bekend van den kunstenaar die 
de ontwerpen teekende en van den tapijtwever die zijn cartons 
uitvoerde. 

Jan van Brugge gebruikte, voor het maken zijner modellen, een 
handschrift met miniaturen versierd : l Apocalypse en franfois loute 
figurée el ystoriée et en prose, dat toebehoorde aan Karel V, en 
welke deze tot bovenstaand doel aan zijn broeder den hertog van 
Anjou leende, zooals blijkt uit een nota in margina van den cataloog 
der boeken van Karel V : « Le roy Ta baillée a Monsieur d'Anjou 
» pour faire son beau tappis. » (*) 

Dit boek maakte lang deel uit van de bibliotheek van Lodewijk 
van Brugge, heer van Gruuthuuse, en berust heden in den LouvTe 
(N° 403, Fonds francais). 

Wellicht zocht Jan van Brugge zijn inspiratie voor zijn cartons in 

(«) A. GiRY : VArt 1876, blz. 301. 



158 




JAN VAN BRUGGE (?) : 

Miniatuur voor Mattheus Evangelie in La Bible Hyslorians 

(Museum Meermanno Westhreenianum, den Haag). 




159 



JAN andere handschriften nog, want er bestond te dien tijde heel een 

VAN BRUGGE literatuur, rijk versierd met miniaturen, betreffende de Openbaring van 
Johannes te Patmos. Doch waar Jan van Brugge ook zijn inspiratie 
zocht, hij verwerkte de stof met een geniaal talent, en zijn roem is er 
niet minder om, evenmin als de roem van Shakespeare verminderd 
is omdat hij soms het onderwerp of zelfs geheele tooneelen voor zijn 
drama*s JetterUjk overnam uit werken van tijdgenooten. 

Te uitgebreid zou een nauwkeurige beschrijving zijn van die reeks 
tafereelen en een korte inhoud van het boek van Johannes te Patmos, 
korte inhoud die slechts de onderwerpen volgt door Jan van Brugge 
behandeld, zal beter nog een denkbeeld kunnen geven van de epische 
grootheid van het onderwerp door den Brugschen meester behandeld. 

Johannes zal aan de zeven kerken van Azië zijn Openbaring zen- 
den : hij heeft God gezien, tronend tusschen zeven kandelabers, op een 
regenboog : de vier dieren, mensch, adelaar, leeuw en kalf, zitten 
rondom hem, alsook de ouderlingen die God aanbidden en zijn lof- 
zang zingen. Zij wachten op hem die waardig is- het heilige boek te 
openen. Jesus-Christus, voorgesteld door het geofferde lam, is alleen 
waardig de zegelen van het boek te ontsluiten. Als de eerste zegel 
ontsloten wordt, vertrekt de overwinnaar met boog en pijl, gezeten 
op een wit paard, om te strijden voor de kerk. Ook hongersnood op 
een zwart paard, en de dood, onder den vorm van een geraamte, 
vertrekken om den dood te wreken van hen die stierven voor het 
geloof. De vorsten en al de grooten der aarde gaan schuilen in de 
bergen, vluchtend de woede van God. De martelaars komen God, en 
het heilige lam dat op zijn schoot rechtstaat, bedanken omdat Hij hen 
gered heeft. 

Weldra zullen de zeven engelen hunne trompetten doen weer- 
schallen : een engel die voor God staat, tronend boven een brandend 
altaar, vervult zijn wierrook vat met het vuur van het altaar, en werpt 
het op aarde; hagel, vuur en bloed vallen neder, de zee wordt rood 
van bloed en verslindt schepen en matrozen, een ster stort neder op 
aarde en de lieden vallen dood, de arend die zweeft in de lucht voor- 
spelt de verdelging van de stad, de afgrond gaat open en de sprink- 
hanen met menschengelaat verslinden de menschen. De vier engelen 
die op den Euphrates gebonden waren en die het derde gedeelte van 
het volk moesten vernietigen, worden losgelaten, ze trekken ten strijde, 
op hunne paarden met vuurspuwend leeuwenhoofd. Een engel ver- 
schijnt die verkondt dat de zevende engel de trompet zou blazen 
wanneer het mysterie Gods zou volbracht zijn en schenkt aan Johan- 
nes, opdat hij het verslinde, het heilige boek. 

Een engel geeft aan Johannes een roede om den tempel van 
God te meten en het getal van hen die er Hem aanbidden. God zal 



160 




JAN VAN BHl GGK 

Fragment van de lapijlwerken van de Openlnirimj . 

l Kathedraal, Angers). 




twee getuigen op aarde zenden om te prophetiseeren, zij zullen won- JAN 
deren volbrengen, maar toch worden zij eens overwonnen door het VAN BRUGGE 
beest met menschenhoofd, en hunne lijken liggen in de straat. Doch 
een engel roept ze op en ze stijgen ten hemel, terwijl een aardbeving 
een tiende gedeelte van de stad doet instorten. De zevende engel 
blaast de trompet. God verschijnt in de wolken, aangebeden door de 
ouderlingen. Dan gebeurt, bij het schallen der zevende trompet, het 
groote wonder der vrouw die het kind baart dat geroepen is om* over 
al de volkeren te regeeren. Een draak verschijnt om het kind te ver- 
slinden, doch het wordt door een engel gered. De heilige Michaël, 
gevolgd door de schaar der engelen vangt den strijd aan met den 
draak die op aarde geworpen wordt, waar hij de vrouw vervolgt : 
hij spuwt een stroom van vuur tegen de vrouw die gered wordt door 
de engelen, en gaat den strijd voeren tegen hen die de geboden Gods 
bewaren. Uit de diepte der zee rijst het ondier met zeven hoofden op 
en ontvangt van den draak den scepter der macht. Het saamge- 
stroomde volk komt den draak en het ondier aanbidden. Een tweede 
ondier rijst uit de aarde op en oefent op de menschen een overgroote 
macht uit. Tronend op het altaar Gods wordt het aangebeden door 
het volk, dat het door wonderen verleid heeft. Maar het lam verschijnt, 
houdend den standaard der opstanding, het kalf zetelt op den troon, 
die rust op den regenboog, en een engel voorspelt de verdelging van 
Babyion. De woede van God zal op de aarde vallen, reeds rijzen de 
zielen op van hen die stierven in het waar geloof; de engelen komen 
de druiven afsnijden van den wijngaard der aarde en werpen ze in de 
kuip van den duivel, volbrenger van Gods woede. Een stroom van 
bloed overstroomt de streek, de vasen inhoudend de woede van God 
worden over de aarde geworpen, de rivieren worden bloed, het vuur 
valt uit den hemel; de groote hoere, beeld van Babyion, tronend 
op den rug van het ondier, zal ook vernietigd worden. Een engel heft 
een steen op die Babyion zal verdelgen ; reeds ligt de hoere in de 
lijkwade en wordt vernietigd door het vuur. 

Het woord Gods trekt ten strijde tegen de vervolgers van zijn 
godsdienst, de roofvogels worden uitgenoodigd tot het maal van den 
oorlog. De draak die voor duizend jaar geketend was staat weer op 
om de heilige stad aan te vallen. Maar Gog en Magog worden door het 
hemelvuur verslagen. Het uur der redemptie slaat ; de dooden rijzen 
op uit aarde en zee, en Johannes van Patmos ziet het nieuwe Jerusa- 
lem glinsterend van edelgesteente, waartoe een engel hem leidt, en hij 
aanschouwt God, tronend in de hoogte met het heilige lam. 

Dit grootsche onderwerp dat menig kunstenaar zou afgeschrikt 
hebben, durfde Jan van Brugge aan en voerde hij volkomen ten 
goeden uitslag. 



XX 161 



Schets van één der 6 tapytreeksen uit de Kathedraal van Angers. (24 x 5,2 m.). 



JAN 

VAN BRUGGE 



In zes groote paneelen (24 meters lang op 5,2 meters hoog) en 
bevattend ieder 15 tafereelen, behandelde hij het onderwerp. Telkens 
wordt ieder paneel, dat verdeeld is in twee reeksen van 7 tafereelen, 
aangevangen door een heilige, tronend in een gothische nis en verdiept 
in (Je lezing van een tekst. Onder ieder tafereel stond den tekst van 
den bijbel betreffend het behandelde onderwerp. Boven elk paneel 
was een hemel met starren, en engelen spelend op allerlei instrumen- 
ten, van onder, aarde met bloemen, planten en allerlei dieren. Van de 
90 tafereelen die het kasteel van Angers versierden en dan later 
gedeeltelijk aan de Cathedraal geschonken werden, zijn er 70 volledige 
overgebleven en 8 fragmenten, 12 tafereelen zijn gelïeel verdwenen. 

Wilde men den Vlaming zoeken in deze paneelen dan zou men 
hem terug vinden in enkele bijzonderheden van bouwkunst, zooals 
dèn Vlaamschen trapgevel dien men op enkele plaatsen ontmoet. 
Maar vooral in de stoutheid van het onderwerp, in die ware waag- 
halzerij het moeilijkste boek uit den Bijbel te behandelen, her- 
kent men den Vlaming. Niets was lastiger dan de visioenen van 
Johannes te Patmós in beeld te brengen, die visioenen met hunne 
fantastische bevolking van monsters en gedrochten, ontzettend van 
vorm en samenstelling, met hunne verbazend duistere gebeurte- 
nissen. 

Deze moeilijkheden overwon de kunstenaar; en in hem mag 
men, zoo niet den wer keiijken vader zien van gansch de Brugsche 
schilderschool, toch wel een synthetische figuur van den invloed 
dien het midden op een man van talent uitoefent. Datzelfde midden 
werkte ook op de volgende kunstenaars, en zoo zal men in Van Eyck 
dezelfde majestatische figuren vinden van God, Maria en Johannes 
(Aanbidding van het Lam), als men ontmoet in het groote heiligen- 
beeld dat ieder der zes paneelen der Apokalyps tapijten vooraf- 
gaat ; zoo zal men in Memling datzelfde durven ontmoeten in het 
behandelen in e^n enkel tafereel, van de Passie Christi of het Leven 
van Maria, als men in Jan van Brugge's Apokalyps behandeling ont- 
moet ; en zoo ook zijn aan zijn monsters en gedrochten, de fantas- 
tische monsters van Bosch en Breughel verwant. 

Een kunstenaar die zulke cartons leverde, zal zich niet bepaald 
hebben bij dat enkel werk. Een rekeningboekje van een of ander prins, 



162 



wat stoffige papieren rustend ergens in een archief, bevatten misschien JAN 

het geheim van andere werken van den Brugschen kunstenaar, en VAN» BRUGGE 

zullen wellicht eens hun geheim onthullen, zooals zij ons zijn waren 

naam en zijn Openbaring lieten kennen. 

Jan van Brugge stierf waarschijnlijk omstreeks 1390. Het is enkel 
een vermoeden, omdat in dit jaar Andries Beauneveu van Valencijn 
als schilder van den vorst optreedt. 

Jan van Brugge behoort met den gevoelvollen meester der muur- 
schildering van Sint Lodewijk uit de O.L. V. Kerk, mei den krachtigen 
teekenaar van de grafplaat van Wouter Copman (1387) in de Sint 
Salvator's Kerk te Brugge, tot die reeks meesters die de verschijning 
der Van Eyck's voorbereid hebben. Om die verschijning te begrijpen, 
die anders een wonder zou zijn in de geschiedenis der menschheid^ 
moet men in denkbeeld terug gaan leven in die halve eeuw die 
de komst der gebroeders Van Eyck voorafging, loopen door de 
kerken, waarvan de muren van onder tot boven versierd waren 
mei heerlijke fresco schilderingen zooals de brokken die nu en dan 
onder de latere kalkverf ontdekl worden het bewijs ervan leveren, — 
moet men de kasteelen bezoeken die versierd waren met tapijtwerken 
van ontzaglijke afmetingen, behandelend grootsche onderwerpen, in 
een stijl en een coloriet die niet onderdoen voor die der Van Eyck's 
als bewijst het tapijtwerk der Openbaring te Angers; moet men zich 
nederbuigen op die grafplaten gesneden in het koper als die van 
Wouler Copman en als die van een kunstenaar uit het tijdstip van Jan 
Van Eyck en gesneden voor het graf van Joris de Munter en zijn 
vrouw (1439) (Sint Salvator's Kerk). De weergade van deze twee 
levensgroote figuren — gesluierd in hunne lijkwade, prachtig gedrapeerd 
als de mooiste beelden uit den klassiek-griekschen, heldenlijd, zoekt 
men te vergeefs in gansch onze Vlaamsche Schild erschool. Kunstenaars 
die op zulke meesterlijke wijze konden samenstellen, groepeeren en 
teekenen, behooren niet meer tot de onhandige naïeve « primitieven * 
maar zijn de waardige kunstvaders der Van Eyck's. 

Hendrik de Marez. 




163 




H. P. BERLAGE, Architect : c Park-Wyck > In de Van Eeghenstraat te Amsterdam. 



NAAR AAN- 
LEIDING VAN 
« PARK- 
WYCK » 



NAAR AANLEIDING VAN 



" PARK-WYCK „ 




ET was in het voorjaar van 1893 dat ik het 
dienstig achtte in «de Gooi-en Eemlander» 
JL^ts te schrijven naar aanleiding van de villa 
van den Heer Frederik van Eeden. Hel ging 
k)en over het kleine wit-gepleisterde villatje 
dat te Bussum gebouwd was. In enkele regels 
vatte ik mijn gedachte daarover samen, be- 
toogende dat dit werk beter was, dan wat er 

gewoonlijk in het Gooi gebouwd werd. 

Berlage was toen juist begonnen eenvoudiger, en daarom beter, 

werk te maken dan hij vroeger gedaan had en het kwam mij wensche- 

lijk voor dit streven aan te moedigen. 



164 




H. 1'. flt:Jll,Ariï-: N ï , Arcliitrtl: 
m Pflrk-Wyik • tl e Hul. 







Daarna heb ik enkele kleine artikelen geschreven over Berlage's NAAR AAN- 
werk in « de Kroniek » o. a. naar aanleiding van het kantoorgebouw LEIDING VAN 
aan het Sophiaplein te Amsterdam, waarin ik eveneens toejuichte « PARK- 
diens streven om zoo eenvoudig mogelijk werk te maken. Tot een WYCK > 
kritiek, een bepaalde beoordeeling der kwaliteiten van Berlage's kunst, 
heb ik het nooit gebracht; en daar zijn redenen voor. 

Het beoordeelen van bouwwerken, in het algemeen, is geen aan- 
genaam werk in een tijdperk, dat het ontleden van zulke werken den 
beoordeelaar dichter bij die werken brengt, dan hem lief is. In het 
groot bezien is er aan de werken van het einde der negentiende eeuw 
zoo weinig begrip van kunst te bemerken, dat het beoordeelen, en het 
telkens constateeren van afwezigheid van begrip van kunst, zou doen 
denken aan het najagen van nooit te verwezenlijken ideeën bij den 
beoordeelaar. Het afkeuren van bijna alles, om met grooté moeite op 
enkele eigenschappen te wijzen die, op den langen duur, misschien 
aanleiding zouden kunnen geven tot ietwat frisscher kunst, zulk 
afkeuren is geen werk waarmede iets bereikt wordt. 

Komt er dan plotseling iets beters dan waaraan men gewoon is, 
zoo is het voorzichtiger dit werk meer van harte toe te juichen dan 
het te kritiseeren. Immers het vellen van een oordeel over werken 
ontsproten uit zoo-even zich ontwikkelende gevoelens, is, als het 
niet uiterst zorgzaam geschiedt, te vergelijken met het beroeren van 
een teer spruitje; er is meer kans, dat 't plantje er zwakker dan sterker 
van wordt. 

Zoo wenschte ik ook Berlage's werk niet te kritiseeren, vóór hij in 
de gelegenheid zou zijn geweest zich in eenig werk geheel te geven ; 
en nu met den Beursbouw die gebeurtenis heeft plaats gehad, is de 
tijd voor kritiek daar. Berlage's kunst moet besproken worden met de 
Beurs als veld van kritische studie en niet met een werk van zoo veel 
minder omvang als « Park-Wyck ». Het is daarom, dat hier naar aan- 
leiding van dit laatste bouwwerk slechts enkele opmerkingen worden 
gemaakt. 

Het verschil tusschen Berlage en zijn vakgenooten, die omstreeks 
1880 begonnen te bouwen bestaat daarin, dat hij, in het groot bezien, 
bij overigens gelijksoortige talenten meer geest heeft dan dezen. 

Ten einde dit duidelijk te maken dient gezegd, dat ik onder «talent» 
versta de begaafdheid om dadelijk die middelen te kiezen die tot een 
bepaald doel leiden en dat hier met « geest » bedoeld wordt, het 
onderscheidingsvermogen om uit de voorstellingen die ontstonden 
tengevolge van verschillende waarnemingen met bewustheid een keuze 
te doen. 

Geest en talent, onderscheidingsvermogen en handigheid, distinctie 



165 



NAAR AAN- 
LEIDING VAN 
cc PARK- 
WYCK » 



en habiliteit, ziedaar verschillende namen voor de gaven, die Berlage 
bezit. Het is daarmede, dat hij de architectuur van een bepaalde 
periode kan typeeren en werk kan maken belangrijk voor die periode. 

Deze zelfde eigenschappen zijn ook te vinden bij Doctor Cuypers. 
Ook hij is een talentvol man, die in zijn jonge jaren toonde distinctie 
te bezitten, toen hij, voor de vraag komende welke vormen voor 
moderne katholieke kerken beter nagemaakt konden worden, de 
Gothische of de Klassieke, de eerste koos. Ik heb het reeds meer 
gezegd : ware Cuypers op dezen weg voortgegaan, ware het niet bij 
deze ééne keuze gebleven, maar waren er telkens en telkens meer of 
minder belangrijke omwentelingen in zijn werk te zien geweest ten- 
gevolge van een voortdurende analyse, dan ware Nederland in Cuypers 
een genie rijk geweest. Want de eigenschap van het genie is deze, dat 
het niet blijft vasthouden aan een eens gedane keuze, maar door aan- 
houdend analyseeren het werk opvoert, tot een hoogte, die *t niet 
meer doet zijn belangrijk voor één periode, maar voor altijd. 

Uit het voortdurend vergelijkend-ontleden komt bezield werk 
voort, dat is zulk werk, waarin men den kunstenaar voelt, die ten 
slotte gekomen is tot een eindpunt ;Van menschelijke beschouwingen. 

Het onderscheid tusschen geestig en bezield werk berust dan ook 
daarop, dat het eerste ontstaat tengevolge van het onderscheidings- 
vermogen van den geest, als zijnde een deel van de ziel, het tweede 
uil de ziel zelve, uit de ziel in haar geheel, waarbij dan met « ziel » 
bedoeld is de al-omvatting van dat wat leidt tot denken, willen, 
voelen-en-be wonderen. 

Het is de plaats niet om hier op deze zaken dieper in te gaan ; 
toch is het wenschelijk de verhouding van geest-talent met ziel-genie 
even te bepalen, om het werk van Berlage naar behooren te beoor- 
deelen. 

Genie staat tot de ziel, zooals talent staal tot den geest. Een geniale 
aanleg is oorzaak van het telkens veranderen, het voortdurend dieper 
indringen in het leven zelf. Een geniaal kunstenaar voelt zich steeds 
in zijn verhouding tot het hem omringende Geheel, en tracht dit steeds 
inniger in zijn werk weer te geven. Het is te zien uit het werk van 
geniale mannen, hoe zij leefden met de Oneindigheid in hun hart. 

De vraag in hoeverre Berlage's werk geestig en talentvol is, kan 
nu reeds beantwoord worden. Of het geniaal zal worden, zal de 
toekomst leeren. 



Het onderscheidingsvermogen — den geest — van Berlage heb ik 
sinds een twaalftal jaren kunnen constateeren. Telkens als er wat 
nieuws gebeurde op architectuur gebied, maakte hij er zich van mees- 
ter, bestudeerde 't, deed 't na, nam 't in zich op. Ik herinner mij, hoe 



166 




H. P. BERLAGE, Architect : « Park-Wyck » schoorsteen en vensterbank in de zitkamer. 

hij niet tevreden met hel bestudeeren der uiterlijke kenteekenen van NAAR AAN- 
Gothiek en Renaissance, er toe kwam het uiterlijk van alle stijlen te LEIDING VAN 
bestudeeren, en toen brokstukken van alle stijlen en van alle perioden ^ PARK- 
boven elkaar stapelend voor den dag kwam met de studie voor een WYCK » 
mausoleum, een tentoonstelUngsontwerp, dat dan ook op een der 
Parijsche tentoonstellingen heeft gehangen. Ik herinner mij zijn 
enthousiasme, toen dat leuke boekje van Camillo Sitto uitkwam over 
stedenbouw. Berlage bestudeerde het, nam 't in zich op, en hield er 
een lezing over toegelicht met teekeningen. Een ander maal voelde hij 
bewondering voor de vlotheid van teekenen van den overigens nog al 
lawaaiigen Otto Rieth en kort daarop onstonden Otto-Riethsche schet- 
sen. Een paar jaren geleden kwam het ontwerpen op een stelsel van 
driehoeken in zwang. Berlage ging er direkt toe over en ontwierp 
volgens dat stelsel zijn laatste Beursproject. 

Zoo zou ik kunnen doorgaan met het noemen van vele voorbeel- 
den, waaruit zou blijken zijn lust om veel in zich op te nemen, te 
wikken en te wegen, te onderscheiden, na te doen. 

Zijn handigheid als teekenaar behoef ik niet te bewijzen. Wie 
maar eenig teeken werk van hem zag, weet, hoe vlot hem dit van de 



167 



NAAR AAN- 
LEIDING VAN 
« PARK- 
WYCK » 



hand gaat ; daarover is geen discussie mogelijk en acht ik toelichting 
overbodig. 

Tengevolge nu van dien geest gepaard met ^ die handigheid was 
Berlage in staat te koppelen dal, wat in hoofdzaak aanleiding 
gegeven heeft tot de karakteristiek van wat hij tegenwoordig maakt, 
te weten : een poging om constructief en een poging om eenvoudig te 
zijn. 

Zijn waardeering voor Dr. Cuypers bracht hem er toe het con- 
structieve streven, zich uitend in diens binnen architectuur, te volgen, 
en zoo ontstond Berlage's liefde voor het geconstrueerde intérieur. 
Wat den eenvoud betreft, de neiging daartoe is uit Amerika tot hem 
gekomen. De groote Amerikaansche bouwwerken zijn te buitenmo- 
dels van vorm dan dat de versieringen der oude bouwstijlen op den 
duur daarop konden toegepast worden. 

Een gothische, — een renaissance, — een rococo-hemelkrabber ! 
Neen, dat ging niet. De Amerikaansche architecten moesten wel tot 
vereenvoudiging komen en kozen de romaansche vormen, als zijnde 
de meest constructieve. Eerst werden de romaansche versieringen, 
kapiteelen, tajidlijsten enz. nagemaakt ; later liet men die weg en bleef 
de eenvoudige romaansche gi-ondvorm over. Aangezien die grondvorm 
nu, voor moderne behoeften, de eenvoudige constructieve vorm bij 
uitnemendheid is, werd er in de nieuwe wereld werk gemaakt, dat ons 
oplossingen deed zien veel soberder dan wij gewoon waren. 

Het onopgesmukte uiterlijk, dat ontstaat door het terzijde stellen 
van alle onnoodige ornament trok Berlage aan ; stel daarnaast het 
constructie karakter van om een voorbeeld te noemen, het trappen- 
huis dat Cuypers gebouwd heeft in de woning van den Directeur van 
het Rijksmuseum ; vat in gedachte deze twee elementen te zamen en 
het werk van den modernen Berlage staat voor u met zijn gevels 
samengesteld uit muren van baksteen, alleen voorzien van bogen, en 
met zijn intérieurs gegroepeerd om een constructieve centrale trap. 



Gevraagd zou kunnen worden : a Heeft dit moderne werk nu 
waarde voor de Néderlandsche kunst als kultuuruiting of is het mode- 
werk ? 

Om niet in het ongereede te komen dient hier een korte definitie 
van « mode » vooraf te gaan. 

Beschouwt men modewerk als te bezitten die vormen, die zonder 
reden van noodzakelijkheid of doelmatigheid louter zijn ontstaan door 
willekeurige ingevingen van het oogenblik, dan is Berlage's werk niet 
van mode-invloeden vrij te pleiten. Dit is een gevolg van zijn geest en 
van zijn handigheid. 

Ik heb gezegd dat zijn werk berust op zijn onderscheidingsvermo- 



168 




H. P. BERLAGE, Architect : « Park-Wyck », de Eetkamer. 

gen èn op zijn vlotheid als leekenaar. Als zijn onderscheiding goed is, jj^^jj aAN- 
is zijn werk goed. Maar.... is zijn onderscheiding niel goed, niet rijp, leIDING VAN 
niet bezonken, niet volkomen, dan speelt zijn handigheid en zijn zucht ^^ park- 
tot veranderen hem parten en dan komt er uit zijn handen dat vluch- wyCK » 
tige werk, waarvan de geesteHjke waarde recht evenredig is aan den 
weinigen diepgang der onderscheiding, dan ontstaat dat werk, dat 
alleen een tijdelijke toejuiching ten deel kan vallen, omdat 't niet is 
voortgekomen uit rijpe overweging maar uit willekeurige ingevingen. 

Eerlijk gezegd is er in Berlage's werk nog heel wat modieus, 't Is 
dat deel, waarmee hij het meeste succes heeft bij de groote menigte, 
die toch eigenlijk niet vraagt naar grooten diepgang; 't is dat deel wat 't 
meest wordt nagevolgd door de architecten van minderen rang, die 
altijd er op belust zijn, werk, dat opgang maakt, na te bootsen. 

Die vlotte oppervlakkigheden, zooals Berlage ze soms te zien geeft, 
zal men nooit bij Cuypers aantreffen. Het werk van den eerste is 
luchtiger, en minder rijp, maar daarom ook frisscher en aantrekke- 
lijker dan dat van den laatste. Cuypers met zijn ernstig doorwrocht, 
maar ook, zwaartillend en vermoeiend werk is als architect eigenlijk 
nooit in de mode geweest. Er worden thans menschen gevonden, die 
lijden aan een ware Berlageo-manie ; deze eigenaardige eer is Cuypers 
nooit te beurt gevallen. 

In hoeverre staal het werk van Berlage boven de mode, in hoe- 



XXI 



169 



NAAR AAN- 
LEIDING VAN 
c PARK- 
WYCK » 



verre is het een kultuuruiting ? Juist voor zooverre het een uiting is 
van een blijvende verandering in den tydgeest. 

Het is door de blooUegging der onderdeelen, door het laten zien 
der onversierde samenstelling, dat Berlage's kunst zich aansluit aan 
geestelijke stroomingen van deze tijden. 

Het zou mij veel te ver voeren hier te gaan bewijzen dat uit de 
bestudeering der kultuurgeschiedenis het volgende blijkt : de moge- 
lijkheid een constructieve architectuur te kunnen toepassen wordt den 
architect gegeven in een geestelijk zich ontwikkelende kultuurperiode, 
en daarmede verbandhoudend : een geestelijk zich ontwikkelende 
kultuurperiode vindt bevrediging in een meer constructieve dan deco- 
ratieve bouwkunst. 

Hij, die dit voor waar wil aannemen, zal begrijpen, dat de waarde 
van Berlage's werk zit in het aanpassen van zijn kunst aan de stroo- 
mingen die onze kuituur gaan beroeren. 

Het laatste kwart der negentiende eeuw heeft zich geuit in een 
zinnelijke architectuur die berust op uiterlijke, — op vorm-hoedanig- 
heden. Eeur overgang van deze tot inniger — tot constructieve eigen- 
schappen wijst op eene kentering in de kuituur. Het is Berlage gegeven 
geweest, dit feit door zijn werk te constateeren. 

Bedriegen deze teekenen niet, dan is zijn werk voorzeker als een 
blijde boodschap te beschouwen. Wanneer de lust voor louter zinne- 
lijke genoegens over gaat tot meer geestelijke, wijst dat op een dieper 
denken, een ruimer voelen, een zuiverder bewonderen. 

Er wordt aan dergelijke verschijnselen nog te weinig waarde ge- 
hecht en toch is de werking van de kuituur op de bouwkunst een der 
belangrijkste en onbedriegelijkste kenteekenen in de geestes-geschiede- 
nis van een volk. Als men langzamerhand kunst zal gaan leeren 
beschouwen als een kultuuruiting en niet meer als een aanleiding tot 
vermaak, zal de beteekenis van deze feiten in haar vollen omvang 
begrepen worden. 



Ware het thans mijn bedoeling op Park-wyck een ernstige kritiek 
te leveren, dan zou ik behalve de bespreking van vorm, kleur, indee- 
lipg, samenstelling enz., deze beide vragen moeten beantwoorden : 

welke is het verband tusschen dit bouwwerk en de kultuurbe- 
grippen die heerschen of gaan heerschen ; en 

zou het mogelijk geweest zijn voor den architect — als zijnde een 
op bestelling werkend kunstenaar — binnen de grenzen door de 
opdracht gesteld, werk van meer beteekenis te maken? 

Doch Park'Wyck, als zijnde de woning van een particulier, leent 
zich niet tot dergelijke beschouwingen, en hel is te minder noodig 
over deze dingen hier uit te weiden nu een zooveel belangrijker 



170 




H. P. BERLAGE, Architect : c Park-Wyck >, de Studeerkamer. 

we rk van Berlage eerstdaags een ruim veld voor zulke besprekingen NAAR AAN- 
kan openen. LEIDING VAN 

Maar wal wel gevoegelijk kan geschieden is hel wijzen op eenige « PARK- 
verschilpunten in de versiering van dit moderne werk en het vrij WYCK » 
staand buitenhuis van vroeger. 

Hier geen gekruld- ijzeren hekjes, geen banden en blokjes, car- 
touches en diamantkoppen en druipers, geen bogen met versierde 
vallingen, geen uithangende balkons en geen onbruikbare erkers. Er 
komt iets moois in werk dat al deze dingen mist, iets dat aansluit bij 
de natuur. Immers ook daar komen geen versierselen voor zonder 
doel ! 

Slechts zijn geverfde band versieringen aangebracht op de goot- 
lijsten en de dakvenslers en op een paar houten balken en stijlen. 
Berlage ontwerpt dergelijk ornament met smaak. De versiering is een 
uiterlijke ; hoewel vlot gedaan is ze overigens zonder eigenlijke beteè- 
kenis, zonder zin, zonder waarde. Is het daarom dat ze succes heeft 
en nagedaan wordt? Reeds nu zijn er in de Van Eeghenstraat een paar 
bouwwerken te zien versierd met beschilderde gootlijsten, die echter 
minder smaakvol zijn dan die van Park-wyck, 

Dat overigens bij afwezigheid van versiering de kleur van Park- 
ivyck rustig is, is bijna een natuurlijk gevolg. 



171 



NAAR AAN- 
LEIDING VAN 
« PARK- 
WYCK » 



De distributie is verdienstelijk hoewel ze niets bizonders Ie zien 
geefl. De kamers, gegroepeerd om een trappenhuis komen in elkaar 
en op de trapportalen uit. De trap, hel trappenhuis en de hal zijn 
mooi; zij zijn tengevolge van hun eenvoudig constructief uiterlijk, de 
best geslaagde gedeelten van de binnenarchitectuur. 

Inwendig is Berlage hier overigens zwakker dan uitwendig. De 
houten plafonds, samengesteld uit schrooten waartegen geprofileerde 
latten werden gespijkerd, zijn zonder architectonische waarde. De 
kasten in de bibliotheek gemaakt als verdiepte muurkast, waarvoor de 
buitenmuur eerst moest inspringen en later weer moest uitspringen 
zijn toch wel een beetje onnoozel van makelij. De schoorsteen in de 
salon is geen meesterstuk. Bij deze onderdeden zit de mode-geest 
voor, die Berlage succes bezorgt. Deze dingen zijn anders dan in 
eenig andere woning, zonder dat dit anders-zijn op een degelijke 
gedachte berust. 

Moest ik in een paar woorden mijn gevoelens over Park-wyck 
samenvatten dan zou ik zeggen, uitwendig : frisch, vlak, fatsoenlijk, 
hier en daar mooi, b. v. aan den ingang; inwendig : soms leuk, soms 
genoegelijk^ soms oppervlakkig en modieus, maar overal knus en ge- 
zellig om er te wenen. 



Wat ik noode mis is diepgang in de compositie. Wat mij spijt is 
het ontbreken van schaduwen, van ruimte, van innigheid, eigenschap- 
pen die den kern raken onzer Hollandsche kunst, en die den beschou- 
wer moeten opvoeren tot 't hoogste waartoe kunst leiden kan. 

Niet alleen aan Park-wyck is dat gemis waar te nemen, ook 
Berlage's andere composities toonen hetzelfde verschijnsel. 

Zal dat zoo blijven ? 

Ik heb er op gewezen hoe Berlage steeds geneigd is zijn werk te 
veranderen, te verbeteren. Zal hij er ook ruimte in krijgen? Als hem 
dit gelukken mocht zou zijn verschijning inde Hollandsche bouwkunst 
veel aan waarde gewonnen hebben. Mag ik zijn werk nu dat van een 
man van geest noemen, als het ruimte bevat is het op weg bezield d. i. 
geniaal werk te worden. 

J. E. VAN DHR Pek. 



15 Maart 1903. 




172 



DE TEEKENINGEN DER 



VLAAMSCHE MEESTERS 



DE LANDSCHAPSCHILDERS DER XVP EEUW i 




N Vlaanderen werd het landschap geboren. DE TEEKE- 
Onze vroegste schilders die met groote liefde NINGEN DER 
de kleinste bijzonderheden van menschen en VLAAMSCHE 
dingen zochten weer te geven, voelden zich MEESTERS 
evenzeer aangetrokken om de natuur met 
gelijke nauwgezetheid af te beelden. De bloe- 
men trokken hen aan door hunne lieve 
vormen en hooge kleur, het gras en de plan- 
ten door hun frisch loof, de boomen door hun grillige en fijne takken 
en twijgen, de bergen en rotsen door hunne scherpe lijnen en zachte 
tinten, het water door zijn weerspiegelend vlak en zijn kabbelende 
golQes en dit alles poogden zij over te brengen op hunne paneeltjes als 
waren het kleinodiën, kostelijk van stof en liefelijk van uitzicht. Onze 
oude landschappen zijn dan ook echte miniaturen met fijne tintjes, 
liefelijke toontjes en weerschijntjes ; zij stellen de verst verwijderde 
deelen even keurig voor als de dichtst bijgelegen ; hunne penseelers 
hebben geen oog voor het grootsche der natuur, maar zijn vol be- 
wondering voor de onderdeden. Die karaktertrekken merkt men reeds 
op in de voor- en achtergronden onzer godsdienstige schilders te 
beginnen met de van Eycks; men vindt ze nog duidelijker weer in 
de werken onzer eigenlijke landschapschilders. 

De gebroeders Bril : Matthys (1550-1584) en Pauwel (1556-1626), 
zijn, zooals men weet, de oudste. De eerste was al vroeg naar Rome 
vertrokken, de tweede was hem daar in 1580 gevolgd en bleef er tot 
zijn stervensdag wonen. Van Matthijs kennen wij slechts ééne teeke- 
ning, die zich in het Prentenkabinet te Berlijn bevindt en dan nog een 
twijfelachtig handteeken draagt. Van Pauwel zijn de teekeningen niet 
zeldzaam. De Louvre bezit er een heele reeks van, die als modellen 
voor den graveur dienden en waarvan er een het opschrift Pa* Bril 
1603 en twee andere zijn naam met het jaartal 1604 dragen ; de Alber- 



173 



DE TEEKE- 
NINÜEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



tina, het British Museum, Teylers' Genootschap te Haarlem, de pren- 
tenkabinetten te Amsterdam, te Dresden en te Berlijn bezitten er 
eveneens. In het British Museum is er een gedagleekend Roma W Juli 
1603^ een gezicht op de Piazza S. Maria Maggiore te Rome, rechts een 
kerk met koepel, links een kolom met het standbeeld van O. L. V. ; 
te Amsterdam is er een havengezicht met een deel van het strand, 
waarop een kasteel staat, van 1626, het stervensjaar van den kunste- 
naar ; te Berlijn een van 1615. Crozat bezat er niet minder dan 121, 
daaronder een reeks, de maanden van het jaar voorstellende en ge- 
maakt in 1598, een stuk van 1604 door den kunstenaar aan Paul van 
Halmale, zijnen vriend, geschonken; andere van 1609, 1613 en 1621. 
De meeste van Bril's stukken zijn landschappen, met veel zorg 
maar altijd mager geteekend ; eenige geven ons gezichten op gebou- 
wen, op stadspleinen, op het zeestrand te zien. Zij zijn met de pen 
geteekend soms met wat blauwgrijs opgehoogd, met vaste hand gedaan. 
Wij deelen er een mee uit het Museum van Dresden, dat als een 
staaltje van zijnen trant kan dienen. 



Onmiddellijk na de gebroeders Bril volgt Joos De Momper (1564- 
1635). Hij bezit niet meer de groote fijnheid van penseeling zijner 
voorgangers, hij is schraler en droger van lijn en van toon. In zijne 
goede stukken toont hij zich echter een kunstenaar van degelijke 
waarde. Boven de gebroeders Bril heeft hij het voordeel, dat hij ons 
dikwijls gezichten en tooneelen uit het volksleven in het eigen land te 
zien geeft. De Louvre bezit van hem een Val van Icarus, gezien in een 
landschap, waar een boer aan het ploegen is, met een kasteel op een 
rots in den achtergrond, geteekend Joes de Momper Anno 1610. In de 
Albertina vindt men een rotsig landschap met kasteel op den voor- 
grond ; het stuk draagt een eigenhandig opschrift : Monper, waar later 
bijgevoegd werd Giacomo fecil 1622 ; een ander stuk in dezelfde verza- 
meling draagt het handteeken Momper en de aanduiding : Naer het 
leven in Tirool S' Jurgen berg en clooster 1616 den 10 Junius. Deze 
woorden bewijzen dat de Momper wel zijn land verliet, iets wat 
betwijfeld wordt, en ter plaatse de Alpengezichten geteekend heeft, die 
hij zoo gaarne in zijne schilderijen afbeeldt. Het prentenkabinet van 
Dresden bezit van hem een paar teekeningen, de eene, een weinig 
gekleurd met /. D, Momper 7 JuliuSy de andere met /. D. M. F. ; de 
verzameling der koningin van Saksen een rotsig landschap met een 
watermolen en een lichttoren waarvan de afbeelding hierbij gaat. De 
trant van zijne teekeningen stemt volkomen overeen met die van zijne 
schilderingen, zij worden gekenmerkt door een groote voorliefde voor 
rotsige landschappen ; zij zijn gewoonlijk met de pen gedaan en met 
inkt of kleur gewasschen ; zij geven den achtergrond in wegdampende 
tinten weer, de voorgrond daarentegen in scherpe, graatachtige lijnen. 



174 





< 

X 



A 

< 



C rz 



< 




JOOST DE MOMPER : LANDSCHAP MET BERGSTROOM 
(Verzameling der Koningin tfan Saksen, DresdenJ. 

In denzelfden aard werkte Tobias Verhaecht, Rubens' eerste DE TEEKE- 
meester (1561-1631), van wien de Albertina een landschap bezit met NINGEN DER 
torenvormige mastenboomen, een water met een brug en rotsen, die VLAAMSCHE 
als bergen oprijzen. Het stuk is onderteekend Tobias Verhacht. MEESTERS 

Ook RoELANT Savery (1576-1635), die al vroeg ons land verliet om 
zich eerst in Duitschland, daarna in Holland te vestigen, bewerkte zijne 
landschappen in denzelfden mageren, scherpen trant. Hij echter had 
soortgelijke gezichten van dichtbij leeren kennen en grondig bestu- 
deerd, daar hij door zijn beschermer, keizer Rudolf II, voor twee jaar 
naar Tyrool gezonden werd. Hij was een uitmuntend schilder van 
dieren en stoffeerde er ook gaarne zijn natuurgezichten mede. Van hem 
bevinden zich tal van stukken in den Louvre, in de Albertina, in het 
British Museum, in Teylers Museum te Haarlem, te Amsterdam, te 
Dresden en te Sint Petersburg. Een stuk in TErmitage is bijzonder 
merkwaardig; het is gedagteekend : Rolandt Savery fecit 1600 en ver- 
beeldt een feestelijke boerenmaaltijd, geheel in kleur. Het is een ware 
schilderij, ook door de afmeting, een tafereel van de volkszeden te 
zien gevende en bewerkt in den trant van Peter Breughel, maar minder 
ouderwetsch. Een der teekeningen uit de verzameling van het prenten- 
kabinet te Amsterdam verbeeldt eenen aap aan de ketting en is de 
eenige studie naar dieren, die wij van Roelant Savery kennen. 

David ViNCKEBOONS (1578-1629), de schilder van gezichten op 
adellijke kasteelen en perken, met feestvierende heeren en dames, bleef 
als kunstenaar wat hij als schilder was, zeer uitvoerig en keurig van 
bewerking, zeer voornaam in de keuze zijner gezichten en personages. 



175 



IjE tkekf> 
vlaamv:he 



HH Br/.-h Muvrurn en h»-t prrn! r.tji.nri te A.-n<rri.m bcri'Jrr 
i/^Ó^-U \'^n h*'fn ; B^ri.^n h»-rft er h-t rurt-^tr ^ mjTrrrr< trtn r>rrts \iTi 
der1i*-ri ja< h ♦;;*'/!< hl*- ri. Ln^p ^♦'lun ^i!'^ :nin,rr, nir! ór firn t-n «>Tvtf- 
l*^Mr^/i rn*-l bijter rri hi<iuw; \fr<lt'r etrn \' Ik^frt^U I-.I*;* m !-^ n _-e*trr- 
ké-ïtii^nt^in^^i hlaiim'oj>^»:h'j*r^«len*skufi^!«rrixai>* n^^rn^ frrf^^ X/^ p 
dra;>^fKle, 

NVrm^-lrJen mij ten slolte rn>^ een j^aar LindM.hiips*.L!IJc-r>», \an 
m*-!k*- uij ni^-ls aruli-rs krnnen ddri enkele It-rkmir^t-n De L^-*u\rr 
l/e/il twee stukken b.'.ijv^iiap, ;>t'leekt n«l htt eenr F-^^ui^rL iSlTJ. bet 
an'J'-re t^^^ui^r I:j77. Wel kennen mij etrncn Antwerpx-he l^jr.d-^chiip- 
vh.hJ*-r iactth Foijqui«r uit ile /eventiende eeuw, nuidr een uit de 
v#K>r;;;i;jnde eeuw is ons ontn-kend gebleven. De AltiertiniÉ bezit et-n tijn 
Uindvhap niet een weini;^ kleur, yeteekend 0>rk fe lij'2H : van denze-lf- 
d#'n kunslena;jr l>e/it het British Museum een blad in den Iranl \an 
Bril. geteekend CckA /e tfjJ3. 




DE GRAVEURS - DE BOUWMEESTERS - DE VERLUCHTERS 

T zijn niet alleen schilders, wier teekeningen bewaard 
bleven : graveurs, verlucbtersof enlumineursen bouw- 
kundigen lieten er ons ook en nog wel van de mooiste 
na. 

De oudst gekende onder hen is Hans Ljefrinck, 
de Antwerpsche houtsnijder en plaatdrukker (1518-1567). Van hem 
l>ezit het British Museum een paar hoofden van Fransche koningen : 
het eene, luidens de opschriften, Karel IX en het andere dat van zijn 
broeder Hendrik 111, toen hij nog hertog van Anjou was, beide onder- 
teekend Hans Liefrinck Fee. Het zijn fijne Fransche koppen in pot- 
lood, met wat rood krijt, zeer fraai l)ewerkt in den aard van Clouet's 
krijtteekeningen. 

De graveur Jan VViericx (1549-16.) was een uitmuntend teekenaar, 
ongeëvenaard in de fijnheid zijner bewerking. Zijne stukjes met de pen 
zijn niet minder verbazend om de keurigheid hunner behandeling dan 
zijne kopergravuren en die zijner broeders. Dat zij reeds in zijn levens- 
tijd zeer gezocht waren wordt ons bewezen door het feit dat Filips van 
Valckenisse, stadsecretaris en groot liefhebber van kunst, toen hij den 
3" Maart 1614 te Antwerpen overleed, zestien « Constige stucken 
» gemacct bij Jan Wiericx metter pennen • naliet. Ook nu nog kennen 
wij er een aanzienlijk getal in openbare en bijzondere verzamelingen. 
In de Albertina vinden wij een portret, zeer fijn geteekend, met eene 
allerliefste omlijsting, dragende het opschrift Johan Wiericx fecit 1613. 



176 



Onderaan bevindt zich 
een bordje dat een naam 
moest dragen maar le- 
dig is gebleven : wij ver- 
moeden dat het portret 
dat van den kunstenaar 
zelven is. Eene O. L. V. 
Boodschap^ in een om- 
lijsting van vruchten en 
Johan Wiericx invenlor 
geteekend, als ook een 
aantal ronde stukken, 
tooneelljes uit de passie 
met Johan Wiericx in- 
Dentor et fecit 1599. Een 
porlret van Thomas 
Morus en een ander 
mansportret, verbazend 
fijn en mooi, bevinden 
zich in dezelfde verza- 
meling ; even als de 
vorige stukken bewijzen 
zij dat de graveur dik- 
wijls naar zijn eigen 
vindingen sneed. Het 

British Museum bewaart eene reeks van 21 stuks en vele andere 
teekeningen van Bijbelsche geschiedenissen op dezelfde wijze ge- 
merkt, alsook een porlret der vrouw van Jan Pelier (Johan W. f. 
i58i)y dat hij in 1605 graveerde. Berlijn bezit een vrouwenkopje 
van 1588 en zes stukjes^ gewijde geschiedenis, alles op perkament en 
fijn bewerkt als gravuren ; de Ermitage te Sint Petersburg een Adam 
en Eva in het Aaidsch Paradijs met allerlei dieren rondom zich, het 
opschrift luidt Johan Wiericx inventor 1615 ; het Museum van Stock- 
holm, een mansportret van 1595 en een ander portret van 1857 met 
het onverklaarbaar opschrift SRNODATE. 

Van een anderen Antwerpschen graveur Adriaan Collaert (1560- 
1618) bevindt zich in het prentenkabinet van het Rijksmuseum te 
Amsterdam een uitmuntende fijne teekening : een biddende Johannes 
Baptista met hel lam nevens zich in een landschap, waarin de Doop 
van Christus in den achtergrond afgebeeld is. Het stuk draagt het 
opschrift « Ter liefden van synen goeden vriendt den vromen Joannes 
Baptista Favolia, heeft Adriaen Collaert dit gestelt den 8^ Julij 1589, • 

Van onze twee beroemdste bouwmeesters uit de tweede helft der 




JAN WIERICKX : 



EIGEN PORTRET (?) 
(Albertina, Weenen). 



DETEERE-^ 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



xxn 



177 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 




zestiende eeuw Hans 
Vredeman de Vriese 
(1527-1569) en Cor- 
NELis Floris, be- 
slaan er enkele tee- 
keningen. Van den 
eerste in de Alber- 
tina eene reeks Han- 
delingen der Aposte- 
len, onderteekend 
Hans de Vriese 1555, 
1557, )558; in het 
British-Museum een 
brok architectuur 
en een Christus in 
den tempel onder 
de schriftgeleerden. 
Van zijne bouwkun- 
dige studiën bezit 
het Museum van 
Oudheidkunde, het 
Steen te Antwerpen, 
een gansche reeks. 
CoRNELis Floris 
teekende in waterverf de dertig beeldlettei^ zoo vol vroolijken zin en 
van zoo grillige rijke vinding, die de Liggeren der Antwerpsche Sint 
Lucas-gilde versieren in de aanteekeningen van 1541 tot 1560. Die van 
1547 draagt zijn monogram C. F. 

Een onzer rijkste teekenaars en illustrateurs was voorzeker Joris 
Hoefnagels. Men stelt zijn geboortejaar op 1545, maar volgens 's kun- 
naars eigen verklaring moet het op 1542 gebracht worden. Al vroeg 
verliet hij ons land ; in 1561 bevond hij zich in Zuid Frankrijk, in 1563 
in Spanje, in 1569 in Engeland, in 1570 was hij terug te Antwerpen. 
Hij had heel westelijk Europa dooiioopen en daar een lange reeks 
gezichten van steden geteekend voor het groote werk van Georg Braun : 
Civitates orbis terrarum. In 1577 stelde hij zich weder op weg en dit 
maal met den beroemden aardrijkskundige Ortelius, voor wiens Atlas 
hij ook tal van teekeningen maakte. Samen gingen zij over Duitschland 
naar Italië. In Duitschland kwam hij in betrekking met den aartshertog 
Frederik van Beieren, voor wien hij een geschreven Missaal versierde. 
In 1590 toen dit werk voleindigd was, werd hij door Keizer Rudolfll 
naar Praag geroepen en werkte daar en te Weenen in dienst van den 



JAN WIERICKX: O. L. V. BOODSCHAP 
(Albertina, Weenen). 



178 




ADRIAEN COLLAEUT : JOHANNES DE DOOPER 
(Prentenkabinet vnn het Rijksmuseum, te Amsterdam). 

vorst lol aan zijn dood, die den 9" September 1600 viel. Met Georg DETEEKE- 
Bocskay maakte hij een boek van schriftmodellen op 114 perkament- NINGEN DER 
bladen, die hij alle met randversieringen omlijstte. Deze twee voor- VLAAMSCHE 
naamste werken van den kunstenaar, die zich beide in de keizerlijke MEESTERS 
bibliotheek te Weenen bevinden, zijn in waterverf uilgevoerd en 
samengesteld uit al wal de schepping bruikbaars oplevert tot opsmuk- 
king van een hoekblad. Daarbij komen er nog lal van kleine tafereel- 
tjes in voor ; zij behooren lol het laatste wal de kunst der afzetters 
voortbracht, en ook tot het beste wal in dit vak geleverd werd in de 
X\l^ eeuw om niel te zeggen in alle eeuwen. 



179 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



Van de stadsgezichten door hem gemaakt voor Braun's Ciuitates 
is er heel weinig overgebleven. De Koninklijke Bibliotheek van Brus- 
sel bezit van hem een wonderfraai gezicht op Sevilla in eene rijke 
omlijsting met het opschrift Georgiiis Hoefnagle invenior faciebal anno 
M.D.LXXIII natura sola magistra; het Museum te Rotterdam een alle- 
gorische voorstelling met het opschrift : Aliende Spectator ne vuniim 
putes amoris simulacrum quce origo quce finis. Georgii Hoefnagli et 
Joannis Rademacheri mutuum absentice Solalium Anno A" MDXC ; het 
prentenkabinet te Amsterdam een emblema : een muis voor een eindje 
kaars en een stukje vleesch en een muizenkop uit de val stekende, met 
de verkkring : Neque navem una anchora neque vitam una spes fulciat. 
Mus non uno fldet antro. Monument : amicitiae D. Joanni Muisenhol G. 
Hoefn. D. genio duce A' 159i, 

[Wordt voortgezet). MaX RoOSES. 




180 





= c 



< 't^. i 

i t - 

= £ t 

? § « 

c r: :jè 




KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



UIT AMSTERDAM 




Ju VAN WISSELINGH 
>c-^ Het is, nu er 
hier zoo heel andere 
dingen aan de orde 
zijn, feitelijk geen lijd 
voor kunstberichten. 
— Trouwens de te- 
rugslag is duidelijk waar te nemen. In 
den kunsthandel is bepaald weinig 
nieuws. Niet uit gebrek aan productie 
vermoedelijk, vééleer — opzettelijk 
teruggehouden, evenredig aan den 
bijkans tot op nul gezonken kooplust. 
Bij de firma v. Wisselingh, die onder- 
wijl met veel succes, een van verschil- 
lende zijden als uitstekend geprezen, 
tentoonstelling te Hamburg houdt, is 
de permanente expositie toch altijd 
belangrijk genoeg. Ik zag in den loop 
van de maand weer een nieuwe teeke- 
ning van Witse^. De achterzijde van 
het paleis op den Dam van de Nieuwe 
Zijds-Vóórburgwal afgezien. De straat 
staat blank van den regen, spiegelt de 
glimmend-groene boomstammen en de 
triestige huizenrij. Op den achtergrond 
rijst het machtige paleisrisaliet omhoog; 
een heerlijk brok grijs. De fiere be- 
kroning van den Alias blinkt vaag 
door het temperend watergaas heen. 
In het kader van Witsens andere werk 
verdient deze tcekening een goede, 
hoewel geen aparte plaats. Ook hier is 
de stroeve, ernstige naaktheid van zijn 
groot gehouden vlakken van hooge 
pracht; maar de straatvloer heefl in 
den zondvloedregen alle vastheid van 
de hobbelige keien verloren en schijnt 
wat al te gewild genivelleerd lot de 
egale spiegeling van een glazen plaat. 
De contrasten van steenen, lucht en 



boomen, ieder in hun eigen slof hebben 
we van Wilsen nog wel eens pakkender, 
overtuigender gezien. Maar behoudens 
kleine ongelijkheden, is het geheel reëel 
en vol fameuze defligheid. 

Bij de hier gekozen buurt denkt men 
allicht ook nog aan een ander verband, 
waarin het een genoegen is Witsens 
werk te vergelijken : dat der Holland- 
sche stedenschilders van voorheen en 
tegenwoordig. Hoe dikwijls is juist die 
achtergevel van het paleis van dezen 
kant bekeken. Daar gingen de zeven- 
tiend' en achtiend'eeuwsche teekenaars 
en schilders als G. Berck-Heyde heen. 
Op de welvende weessluis stonden ze 
te kijken langs Bloem- en Pijpenmarkt, 
toen nog niet in parvenu-achtige boule- 
vard-manie gedempt. En nu is er van 
dat kostelijke grachtje met oevers vol 
kleurige bedrijvigheid een platte, suffe 
straal geworden, waarover deftige min- 
naars van oude prenten om meer dan 
enkel historische redenen de vroede 
hoofden schudden. Maar Witsen vindt 
er nog mooi genoeg, al is het van andere 
soort. In de manier waarop hij de 
droeve straalleegte aankijkt, in zijn 
genieten van het zilveren regenwaas 
om het, tot nog toe door sloopers onge- 
moeid gelaten, paleis, zijn de kwaliteiten 
onzer twintigst'eeuwsche liefde voor 
Amsterdam gedocumenteerd ter beoor- 
deeling door het nageslacht. Men moet 
door één of ander hersen- of opvoe- 
dingsgebrek het genot niet kennen dat 
de prenten schenken van den groot- 
zienden Reynier Nooms, van den kunst- 
vertellenden dccoratief-begaafden Claes 
Jansz. Visscherj van den meer induslrie- 
elen Jan van Meurs, om te zeggen, dat 
bij de schilderkunst van zulk een histo- 
rische strekking niet mag gerept wor- 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



181 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTKRDAM 



den. Hoeveel en hoedanige huizen er in 
onze steden stonden, wat voor soort 
steenen in de gevels zaten, hoe de brie- 
venbussen er uit zagen, al zulke 
historische bijzaken zullen onze achter- 
kleinkinderen waarschijnlijk desge- 
wenscht uit verbleekte photografleén, 
kooldrukjes en aannemersrekeningen 
kunnen nagaan ; maar hoe u}{j die din- 
gen zagen, wat ons interesseerde aan 
het ook heden nog geweldige Amster- 
dam, boe het zich spiegelt in onze ge- 
moederen, dat bewaart geen mecha- 
nische reproductie. 

Men kan er aan twijfelen of zich over 
twee-honderd jaar nog iemand om zulke 
oude malligheden zal bekreunen ; het 
is bijna exact te bewijzen, dat de be- 
langstelling in de dingen van ons ver- 
leden eeuwig menschelijk is, meer nog 
van alle tijden dan de oekonomische 
kwesties der samenleving. 

Daarmee is het gerechtvaardigd man- 
nen als Breitner en Witsen eens van dit 
standpunt te bezien, ook al is het er 
lieiizelven allerminst om te doen ge- 
weest zich consciëntieus aan toevallig- 
heden te houden. Immers als elders in 
kunstdingen geldt hier de zin van van 
Deyssels gezegde, dat de kunstenaar 
misschien niet van alle dingen het 
mééste maar wel het beste ziet en 
begrijpt. Witsens Voorbrugival is niet 
minder speciflek-Amsterdamsch doordat 
er een paar leelijke puien zijn wegge- 
laten. Er is meer zeventiend'eeuwsche 
werkelijkheid in de forsche halen van 
Reynier Nooms, die zich waarlijk 
ook niet bezondigd beeft aan steentjes 
tellen en schoorsteenen konterfeiten, 
dan in de blonde gaafheid van de 
oneindig-precies geteekende bladen van 
uan Meun. 

Mocht toch ook Witsen, behalve zijn 
groote teekeningen, nog eens opnieuw 
een serie maken van gemakkelijker in 
ieders bereik vallende etsen van Amster- 
dam! Overtreft niet zijn kleine St. Antho- 
nieswaag in licht en stemming verreweg 
hel meeste wat we van oude Hollanders 
en lijdgenooten op dit gebied hebben? 

In het buitenland wordt op sommige 
plaatsen door Museum-direciies en 
kunstvrienden voor zulke gewichtige 
zaken gezorgd. Schilders en teekenaars 
worden aangespoord en geroepen om 



het hunne bij te dragen tot deze im- 
portante documenten voor de steden- 
geschiedenis. Of dat de juiste weg is? 
Er moet iets van de officiéele sanctie 
der onderneming op het werk overgaan 
dunkt me ; en al mogen ook de besten 
der officieel aangezochten zich niet aan 
het doel der bestelling storen en in hun 
interpretatie zich zelf blijven, wat uit 
eigen liefde van den kunstenaar gespro- 
ten is zal toch van grooter waarde 
zijn. Op de productie in deze lijn te 
letten en na ernstige schifting te collec- 
tioneeren wat er schoons voor te vin- 
den is, dat moest ook hier een der 
eerste plichten der publieke verzame- 
lingen zijn. Er bestaat naar ik meen, 
een vereeniging met het doel materiaal 
voor de geschiedenis van Amsterdam 
bijeen te brengen, maar heeft dat genoot- 
schap voldoende middelen ? Koopt het 
ook moderne kunst ? En wordt er niet 
te eenzijdig op de nauwkeurigheid der 
geteekende aspecten en op het curieuse 
gelet ? 

-♦y Heel kort was er van Breitner een 
van vroeger bekend groot stuk te zien : 
De Haven, veel naast elkaar gemeerde 
schuiten in het ijs en de spookachtige 
romp van een reusachtigen Oostinje- 
vaarder in de verte, tegen een rosgloei- 
ende avondlucht ; ten minste zoo was 
het vroeger ; nu is het van een schemer- 
avond een grijze dag geworden. Een 
twééde groote stoomboot is te zien door 
het getralie van masten en tuig. In 
plaats van in sombere tonen is het schil- 
derij nu in kleurige kracht gehouden. 
De geverfde deelen van de schuiten, 
het sterke blauw van een aak-roer, de 
groene roeven komen helder uit tegen 
het geteerde en geoliede zwart en bruin. 
De achterste plans in het water wijken 
beter dan vroeger. Ik zag het niet lang 
genoeg om er veel over te zeggen, 
maar signaleer het alleen om de cu- 
rieuse verandering, waardoor de oude 
vorm welke heel veel moois had, voor 
degenen die het schilderij vroeger niet 
mochten zien, nu voor altijd verlo- 
ren is. 

'^^ Uit het atelier van A. Mauve is er 
een olieverfstudie uit den lateren tijd. 
Met vlak geborsteld bronsgroen en 
bruin in het doekje geprepareerd voor 
de vettere p^te van weinige leekenen- 



182 



de toetsen en vegen, waarin het geval 
is aangezet : twee kalfjes, één rood- 
bruin en één zwart, staan bij een hek 
in den diep-tintelenden schaduw onder 
zonnig verlichte hoornen. 



den voorgrond is nog veel van het KUNST- 
oude ; maar in de zwaardere pAte, den opDipuTPV 
breederen zet in liet gras en sommige "^rVlUtt 1 t-IN 
brokken der boomen kondigt de latere ^'^ AMSTERDAM 
durf zich aan. 



5^5?^rf&^»é»é»^S^^ ^SP^^^^^^^J^^^^S^^^&^&^&^^^^&J^ 



IN DE KUNSTZAAL VAN VOSKUIL 
was een schilderijtje van Alberl Neu- 
huys dai volgens des schilders eigen 
meening, naar men mij meedeelde, van 
omstreeks 1875-80 moet zijn. Over de 
onderdeur van haar kleine huisje praat 
een oud moedertje met een buurvrouw. 
Een planken schutting sluit daarnaast 
een voorjaarsgroenen tuin af. Gouden 
lichtschampen schuren door de reeten 
van het oude hek. Het diepe rood van 
den baksteenmuur, het witte pleistervak 
onder het raam, de donkere kleeren 
der vrouwtjes en vooral ook de malsche 
groenen van de boompartijen over de 
schutting heen, zijn voornaam geschil- 
derd. In de teekening der figuren, de 
harde proflelen, een wal te nonchalant 
behandeld handje en een groen emmer- 
tje, dal niet wil ronden, zijn enkele 
onbeholpcnheden, niet te miskennen. 

Een mooi gebonden studie naar het 
zelfde huisje van een anderen kant was 
ter vergelijking heel belangrijk. Nuchter 
en vast, zonder zoeken naar eenige 
mise-en-scène, maar ook zonder iets te 
geven wat toen nog boven des schilders 
krachten ging was mij dit verfomfaaide 
atelierblad, ingeschoten en vuil, even 
lief als het toch altijd een beetje opge- 
maakte resultaat. 

Van den pas gestorven J. Hendrik 
Weissenbruch, die te dezer plaatse niet 
uitvoeriger kan besproken worden, was 
er een van de latere olieverfstudies in 
zijn vlotten trant. — Een zijlschuil in 
een vaart ,- over de weilanden een effen 
sombere regenlucht met blankgele licht- 
streep aan den horizon. — Voor de ont- 
wikkeling van den kunstenaar was een 
grooter, afgemaakt stuk van 1863 inte- 
ressant. Een breede wilgenlaan in vollen 
zomer, met donkere boonienpoort en 
helder doorkijkje op hel eind. — 't Is 
de tijd waarin de stoutere schilderwijze 
langzaam begint. In de kleuren, het bij 
't valsche af geelachtige groen en het 
blauw van de lucht, in de uitvoerigheid 
der blaadjes en afgebroken takken op 



DE HEEREN BUFFA EN ZONEN had- 
den een tentoonstelling van aquarellen 
gearrangeerd, waar niet veel van te 
zeggen valt. 53 Nummers van zoo hete- 
rogene k>yaHteit, dal het goede door 
het bijster middelmatige, het betere 
door het heel slechte werd doodgesla- 
gen. Ik noem alleen een paar aardige 
kleine teekeningetjes van Bosboom : 
Tamelijk vroege kerkinterieurs ; wat 
oude bekenden, als Israëls Badende jon- 
gen. Een wat droge waleivertleekening 
van Weissenbruch In mijn Atelier, een 
Rink van '99 : Lente : drie kinderen in 
het groen, die er uil zien als hadden ze 
op een of andere manier met L. Fré- 
déric te maken en een wel aardig 
stadsgezichtje van Hanau : een rijtje 
provinciestadhuisjes, spiegelend in de 
gracht ; spichtige boompjes ervoor met 
nog enkele herfstbladen, 't geheel slil 
als was het kerktijd. — 
Aprü W. V. 

UIT DEN HAAG 'z 

ÜLCHRI STUDIO > 
GRO EPENTEN- 
TOONSTELLING 4^ 
SERIE > 11-26 
MAART /.» Het zal 
nu iedereen wel dui- 
delijk geworden zijn 
dat deze groepententoonsteUingen niet 
hebben gebracht en verder niet zullen 
brengen wat bij eene mogelijke zuiver- 
der samenstelling het resultaat kon ge- 
weest zijn. We hebben bij den aanvang 
onzer bespreking dezer groepen reeds 
gewezen op een mogelijk zuiverder 
resultaat. Welk eene verheldering kan 
ze brengen, eene samenvoeghig van 
werk van Willem Maris, Konijnenburg, 
Lapidoth, Koster, Mcj. Marius, Klinken- 
berg, Arn Koning, Kramer, Oppenoorth, 
Van der Laan, Laszlö, Marlens en Wil. 
Maris Jzn? Is 't haast wel mogelijk zich 
een samenzijn van grooter tegendeelen 




UIT DEN HAAG 



183 



KUNST- 
BERICHTKN 
ÜIT DEN HAAG 



te denken. Wie brengt nu orde in dezen 
chaos. 

Willem Maris, hij schijnt de eenig 
levende mensch onder deze allen. Werd 
er ooit uit voller horst en tevens op 
ingetogener wijze gezongen ? Zie zijne 
Melkbocht aan en vraag u af of er ooit 
op schooner wijze een bard de min tot 
ons aller voedster : de natuur, bezong. 
Is er eene landschap-kunst denkbaar 
die stemmiger werkt dan deze, terwijl 
zij tevens zoo voluit en open zegt wat 
zij te zeggen heeft ? De stemming, daar- 
door is onze kunst de meest ideéele van 
alle landen en ze is hier door tevens als 
tijdsverschijnsel in de evolutie der kunst 
gezien, van de zuiver absolute kunsten 
de meest moderne. 

Oppenoorth*s en Klinkenberg's kunst 
opent naar wezen nog maar een pers- 
pektief op de eigenlijke impressionisti- 
sche kunst. Van den eerste noteeren 
we, onder dit licht gezien, de aanwezig- 
heid van een paar niet onverdienste- 
lijke landschappen; van Klinkenberg 
een zeer voldragen werk : Winlevavond, 
dat den aanvangstijd van het impres- 
sionisme hier te lande in herinnering 
brengt. Hierin herkennen we dat (in 
zijne soort) zoo complete schilder mo- 
gen, het niet loslaten van een onder- 
werp voor het naar in- en uiterlijkheid 
voluit voor u staat, terwijl ge er — 
vooral uit het voorplan — de restee- 
rende kracht van den maker uit proeft. 
Wat men overigens in ideëelen zin ook 
op het werk van Klinkenberg aan te 
merken moge hebben, hij is ten minste 
iemand die zijn onderwerpen be- 
heerscht en niet zoo spoedig bulten 
adem geraakt als vele meer willende 
jongeren. 

De inzending van Arn. Koning kan als 
een welkome aanvulling beschouwd 
worden van zijne exposities bij Preyer 
en in den Kunstkring. Er is bier een 
werk Achter de Boerderij, van epische 
grandeur en De Molen een schilderij 
dat, door het eenigszins dramatisch 
opgevatte onderwerp van werkelijk 
meer dan gewone, van diepe beteekenis 
is. 

Koster's inzending lijkt me het aan- 
trekkelijkst in zijn warmtonig Hyacin- 
then' en Tulpenvelden. Zuiver is in de 
Tulpenkweekerij te Bennebroek, het licht- 



gevende der bloemen in den grijzen dag 
tot uitdrukking gebracht. 

Konijnenburg en Laszlö, vertegen- 
woordigen op deze expositie de roman- 
tiek. Hun kunst is er eene die niet op 
zoo reêelen bodem wortelt dan de 
eigentlijk Hollandsche. Van den eerste 
is er hier behalve ander werk, waar- 
onder een weg door velden, dat zich 
meer direct bij de Hollandsche school 
aansluit, een meisjes-portret, waarin 
zich de neiging openbaart tot eene in- 
directe voorstelling der idéé. Het is er 
nog verre van, symbolisch of allego- 
risch te zijn, maar dit werk heeft iets 
van eene neiging daar naar toe ; het is 
dus eene tusschen-vorm en daarom 
weer van eene bizondere beteekenis in 
de evolutie der huidige kunsten, die we 
daarom wilden noteeren. 

Laszlö is meer een handig dan een 
bekwaam schilder; en tevens geen 
psycholoog van bizondere beteekenis. 
Het portret van kardinaal Rampolla 
dien man met dat half gezonken lid 
van het stille linkeroog en dien vollen 
straffen kijk van het rechter, als de 
vereeniging van open- en verborgen- 
heid, van een denken met de wereld 
en een denken met zichzelf — deze 
samengestelde natuur, dat was een 
mooie opgave voor een schilder. Er is 
in dit werk van Ldszlö soms wel uitge- 
drukt het leven van eene maatschappe- 
lijke klasse, maar de gezichtskring van 
dezen schilder is beperkt tot deze sfeer. 
Hij is een behendig penseelvoerder, 
maar geen deugdelijk schilder die werk 
zonder verwarring geeft bij schijnbaar 
eenvoudige maar werkelijk ingewik- 
kelde compositie en is eerder het tegen- 
deel van dit te noemen. Het is meer 
werk van uiterlijke dan van innerlijke 
voldoening en daarom voor iemand die 
dit helder doorziet, verre van over- 
bluffend. 

Van Lapidoth noteeren we dan een in 
blijkbaar pieuze aandacht geschilderde 
Boerderij ; van Willem Maris Jz. een Meis- 
jes-kopje en de Haliaansche, die weliger 
van factuur, het ietwat bloedelooze van 
zijn overig werk missen; van Willy 
Marlens een uitstekend Portret, opgevat 
in een zin die het genre-beeld nadert, 
eenige goede studies en eene niet onver- 
dienstelijke atmosferische Boomgaard^ 



184 



waarin het soms Ie suiker-zoete van 
zijn ander werk gemist wordt. 

Verder is hier nog werk van Mej. 
Marius, waaronder haar bekend en in 
deze rubriek al eens eerder besproken 
slilleven ; van Van Mastenbroek, die in 
zijn Winter y Schiedam een op zichzelf 
treffend effect voelbaarder had kunnen 
maken, en van Van der Laan. 

^^^^^^^^^^ 

PULCHRI STUDIO ƒ GROEPENTEN- 
TOONSTELLINGEN 5« SERIE ƒ 28 
MAART-12 APRIL ^c^ Het is een 
moeilijk werk de besprekingen van 
eene reeks groepententoonslellingen 
belangrijk te houden, wanneer lusschen 
de deelen, soms niet meer dan een 
schijnbaar, gewoonlijk weinigen zelden 
een werkelijk verband bestaat. De foul 
in den opzet van deze groepententoon- 
slellingen is geweest, dat men in plaats 
van te trachten — zoo veel mogelijk 
als dat de omstandigheden toelieten — 
in de gansche reeks een evolutionistisch 
verband te brengen en het geheel als 
een historisch tafereel voor de oogen 
van het publiek te laten verloopen, eene 
oogenblikkelijke wanorde heeft gesticht, 
die weinig tot verheldering van het 
besef zal meewerken. — Wij voor ons 
zijn genoodzaakt ons tot het geven van 
enkele notities te bepalen. 

Drie ouderen : J. Van de Sande Bak- 
huyzcn, Mesdag en Ter Meulen, en twee 
of drie jongeren : Van Wijk, Moulijn en 
Oldewelt houden met hun werk een 
oogenblik de meer dan gewone belang- 
stelling gaande. Ter Meulen's Houtladen 
(in bezit van den beeldhouwer Van 
Wijk) zelfs vermag het u te verheffen 
in die sfeer waar in het gewone het 
ongewone, in het tijdelijke het eeuwige 
aanschouwd en het leven gezien wordt 
als in een schoonen roes. Dit werk is 
van ongewone atmosferische bewogen- 
heid, die de weerspiegeüng lijkt van 
eene zieletoestand die als moment in de 
orde der verschijnselen verheven te 
noemen is. Iemand die het sublieme 
tot een zoo daadwerkelijk deel van zijn 
werk — dat toch een schijnbaar dood- 
gewoon onderwerp voorstelt — weet te 
maken, is waard boven velen geprezen 
te worden. Hier is het mysterieuze zoo 
direct gegeven en stijgt het gevoel van 



vreugde over de aanschouwing ervan 
tot een zoo hooge en spontane veruk- 
king, dat elk minder dadelijk en hevig 
aandoend schilderij tegen dit ontroe- 
rende werk onbelangrijk schijnt. 

Er behoort een andere houding van 
den geest toe, om hierna in de sfeer 
van Mesdag's Gereed om uil ie gaan door 
ie dringen. In zijn werk is evenals ook 
in Ter Meulen's Schapenstai meer een 
buitengemeen breede dan diepe aan- 
schouwing der natuur-verschijningen. 
Werk van zoo groote en hooge aan- 
doening als Houtladen en van zoo groote 
en breede eenvoud als de Schapenslaf, 
gaf Ter Meulen zelden. Bewogenheid te 
samen gaand met eene breede kijk is 't 
wat Mesdag's werk kenmerkt. Maar 
zijne geaardheid is er geene die in 
landelijke natuurverschijningen beha- 
gen vindten ze ziet als de spiegel zijner 
innerlijke gemoedstoestanden. Hem is 
lief het kalme, heftige of breede, het 
soms beteekenisvolle en majestueuze 
gebaren der zee. Haar melodisch rui- 
schen, stormend bulderen is hem als de 
echo van eene innerlijke stem. Zij is de 
spiegel van een geleidelijk rijzen en 
dalen der ziels-stemmingen van drei- 
gend uitbarsten of plots weer bedaren 
van een stormend getij. Er is in meest 
al dit werk een stoere kracht en bijna 
onverzettelijke wil die de gemoeds- 
golven stuwt naar een kftii van einde- 
lijke oplossing. 

De beeldhouwer Van Wijk exposeert 
behalve bekend werk — als dien buiten- 
gewoon diepe en ook hoog opgevatten 
Bedelaar, zijn Schuitenjager en zijn Naar 
huisy werken zoo s/em/n/n(/-wekkend 
als er waarschijnlijk geen bronzen ge- 
maakt werden — ook nieuw werk : een 
Iragmentschets voor een grafmonument 
en een Moeder met Kinderen. De groote 
moderne beeldhouwers, waaronder ook 
langzamerhand Van Wijk mag gerekend 
worden te behooren, gaven werk dat 
over 't algemeen van een picturaal- 
plastische opvatting getuigt. Het mooie 
kopje van de fragmentschets getuigt 
van die opvatting en ook weer het 
andere, de Moeder met Kinderen. Deze 
opvatting toont overeenkomst met de 
kijk der moderne HoUandsche figuur- 
schilders, met Israéls, Neuhuys en de 
anderen. Maar vermogen deze als schil- 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



XXIIa. 



185 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



ders de atmosferische werking in beeld 
weer Ie geven, zoo is den beeldhouwer 
en vooral den modernen, de atmosfeer 
toch wel een heerschend element in 
zijn kunstaanschouwing, maar zij is als 
zoodanig nog maar in aanleg aanwezig. 
Verwonderlijk nu 't is, hoe Van Wijk 
zijne bronzen de omringende atmosfeer 
weet te doen beheerschen, zoo dat deze 
als 't ware een meer erkend deel wordt 
van zijne schepphig. En dit vermogen, 
de idéé zoo picturaal-plastisch te doen 
uitstralen, is 't wat zijn stemming- 
wekkend werk hare diepe en belang- 
rijke beteekenis geeft. 

We willen van J. Van de Sande Bak- 
huyzen nog met voorliefde noteeren een 
Eendensloolje, een werk van glanzende 
en gave factuur, een technisch bekwaam 
in natuurlijke luchtomhuUing geschil- 
derd Duinen in Bergen en een verdiens- 
telijk Enloo in Drenthe dat van het 
welig tieren der natuur onder een zoet- 
roosterend zonnetje een niet onaanlok- 
kelijk beeld geeft. 

Het zuiverste deel van Moulijn's in- 
zending zijn wel een teere litho en de 
illustratie uit Nacht Silene. Overigens 
lijkt men bij Moulijn's werk de verhou- 
ding van idee en werkelijkheid niet 
immer evenwichtig. Dat het schoone 
zijn leven in den schijn heeft vergeet 
menig modern kunstenaar. Het bloote 
copiéeren der natuur leidt tot onware 
voorstellingen. Maar toch is het kennen 
der natuur de vereischte om tot eene 
ware (dat is de meest waarschijnlijke) 
voorstelling der idéé te komen. 

Oldewelt schijnt in zijn Sombere dagen 
(waarin een knap in atmosfeer geschil- 
derde zieke-mannenkop) eene fout te 
begaan, die zeer kenmerkend is voor 
werk van dezen tijd. De bedoeling gaat 
hier bij hem voor de waarheid van het 
gevoel. Hij wil dit geval in sombere 
stille tonen schilderen en overdrijft 
daarin : de indirecte werking van het 
zonlicht wordt te zeer verwaarloosd. 
De bedoeling doet hier aan de waar- 
heid der voorstelling te kort. Er zijn 
anders in zijn binnenhuizen goede kleur- 
hoedanigheden en vervolmaakt hij 
eenmaal het vermogen om zijne flguren 
belangrijker voor te stellen, dan is er 
in dit genre wellicht nog aantrekkelijk 
werk van hem te verwachten. Elen 



bloemstuk Seneraria is zijne belang- 
rijkste inzending. Hierin schijnt de volle 
warme gloed der bloempartij daad- 
werkelijk. 

De verdere min of meer belangrijke 
inzendingen zijn (alphabetisch) die van 
Mevr. Mesdag-Van Calcar, Frits Mon- 
driaan (In de lage Waard, Een rustig 
Hoekje en een paar studie-matige wer- 
ken), J.A. Mondt, Morgenstjerne Münlhc 
Het Uitgaan der Comédie yWiWcm Muller 
Melkbocht, W. C. Nakken, J. C. Pabst 
Bij Scheveningen, Willem C Rip, Avond 
bij '/ kasteel Asgten en P. A. Schipperus. 



f J. H. WEISSENBRUCH >c^. Te wei- 
nig werk is mij nu nog van dezen 
schilder bekend om zijne beteekenis 
voldoende te kunnen omschrijven. Maar 
dat hij wellicht onze meest origineelc 
meester was, is zonder die meer uitge- 
breide kennis wel op te maken. 

De kunsthandel Biesing is in 't bezit 
van een schilderij uit Weissenbruch's 
eersten tijd. Hier uit spreekt eene op- 
vatting die eene directe voortzetting 
schijnt van die der Oude Hollanders, 
terwijl in dit merkwaardige en zeer 
uitvoerige werk als zeer duidelijk de 
latere Weissenbruch te erkennen is. 
De algemeenc meening die wil dat de 
schilder weinig Fransche invloed on- 
derging, wordt hierdoor te waarschijn- 
lijker. Zoo'n feit zou dan tevens betec- 
nisvol zijn met 't oog op de andere 
groote Hagenaars. 

De vertegenwoordigers der Haagsche 
School waren in zoo verre ook nog 
beteekenisvoller en universeele figuren 
dan de dichters en schrijvers van '80, 
dat zij nimmer originaliteit met parti- 
cularileit verwarden, wat deze laatsteu 
evenals vele schilders der jongere ge- 
neratie wel deden. Zelfs bij een zoo 
krachtig uilgesproken persoonlijkheid 
als Weissenbruch is dit niet het geval. 
En dit is kenschetsend voor zijne ge- 
zonde kunst. 

Bosboom heeft dè lust nog bij hem 
aangewakkerd vooral naar de natuur te 
studeeren en • Uit eigen leus» te blijven 
kijken. De schilder kwam zoo in het 
bezit van eene groote niet aan een dezer 
ontleende en zelden door hen geleidde 
natuurkennis. Die uitgebreide zelf ver- 



186 



worvcn kennis, die reeds slcrk spreekt 
uit cenc oude warm bruinige tcekening 
in hel bezit van het schilder-genoot- 
schn|> Pulchri Studio, zou hem juist in 
slant stellen langzamerhand te werk te 
gaan met die groote eenvoud die zijn 
latere werk kenmerkt en die steeds 
opnieuw verbaast. 

Heeds vroeg begreep hij dat in een 
Huliandsch landschap de lucht het alles 
beheerschendc element is. t Lucht en 
licht, zeide hij, zijn de groote tooveraars; 
zij bepalen een schilderij. Schilders kun- 
nen nooit genoeg naar de lucht kijken. 
Wij moeten het van boven hebben Wij 
leven van regen en zonneschijn en 
gaan met ons palet door de drooge 
buien. 

f Want de natuurr... de natuurr... 
zeide hij op zijne eigenaardige wijze, de 
natuurr is mijn prrecepteurr! Als het 
stormt en regent, als het dondert en 
bliksemt ben ik in mijn element. De 
natuur moet men in werking zien. Dan 
buiten, trek ik mijn jekker aan, steek 
mijn voeten in klompen, zet een soort 
hoed en ga op niarch. Als de buien be- 
daren, met houtskool of zwartkrijt een 
krabbel gemaakt, om vast te houden 
watje ziet. Bij het uitwerken komt toon 
en kleur van zelf in herinnering. 

« In een roeibootje door het polder- 
land varen of visschen, dat is ook zoo'n 
kostelijke natuurstudie. In een schuitje 
zitten schilderen, het water in een 
oude klomp, een lekker pijpje in den 
mond, dat is schildersheerlijkheid. » 

Deze woorden — met eenige wijzi- 
ging wellicht — uit Weissenbruch's 
mond opgeteekend, vormen in hunne 
naive, soms grootschc en treffende 
eenvoud, eene waardevolle bijdrage tot 
de kennis van den schilder. Hij was 
iemand die moest werken met de slem 
van de natuur nog in zijn ooren en haar 
licht nog in zijn oog. Er zijn weinig 
schilders wier werk zoo de dadelijke 
echo der natuur is. Als een echt zoon 
van hel land van Rembrandt was hij 
uit op lucht- en licht-efTecten. Teeke- 
nend is weer in dit verband eene eigen 
zegswijze van hem, dat hij eerst een 
klap of schok van de natuur moest 
gekregen hebben, om te kunnen wer- 
ken. Zijn werk is dan ook over H alge- 
meen bizonder frisch en getuigt zelfs 



nog op tateren leeftijd van groote spon- 
taniteit. 

Kvenals J. Maris, bij wien echter alle 
natuur- aandoening meer vergeeste- 
lijkt is, gaf hij misschien directer dan 
anderen weerstenmiingen, het weer in 
zijn werk. Teekenend is ook voor zijn 
werk de kenschetsing : dimmer groene 
Weis. De heer Biesing bezit eenige 
binnenhuisjes van den schilder, die er 
op wijzen, dat deze soms zeer sterke 
groene toonaard niet alleen het moge- 
lijke gevolg van het vele werken onder 
het buitenlicht kan zijn. Een domi- 
neerende toonaard, in sommige teeke- 
ningen te samen gaand met eene 
decoratieve strekking der plans, zijn 
kenmerkend voor het evolutie-stadium 
der schilderkunst. In eene teekening die 
ik zag, vormden de lijnen, ontstaan door 
het in elkaar loopen der waterverf op 
de grenzen der plans de eigenlijke meer 
uitspringende teekening, die bij de 
soberste eenvoud als compositie het 
geheel droeg. De firma BufTa gaf ter ge- 
legenheid van Weissenbruch's expositie 
in '99 eene — nu zeldzaam geworden — 
catalogus uit, die o. m. reproduceert 
twee teeken ingen : Koeien op den weg 
en Weiland mei Koeien^ waarvan de 
eerste aan later werk van Poggenbeek 
en de laatste een weinig van Voerman 
doet denken. 

Bij den heer Biesing zag ik vroeger 
eens een Binnenhuis met een wónder- 
grillige, beklemmende lichlstemming, 
zooals het door het door wolken gere- 
flecteerde zonnelicht ze weleens ver- 
oorzaakt. Deze raadselachtige lieRig 
aandoende stemming bracht me plots 
de sfeer, die sommige stukken van Van 
Gogh ademen, naderbij. Destijds ook 
toonde de heer Biesing mij nog een 
prachtig binnenhuis van den schilder, 
dat, evenals eene teekening in de col- 
lectie Mesdag, de sfeer van het sublieme 
raakt. Het is aangezet in warm-bruine, 
soms groenig-bruine tonen, waarin des 
te beteekenisvoller een enkel voller 
kleur-nool sprak. Dit werk is bizonder 
voor Weissenbruch, daar hierin door 
hem gezocht werd niet naar eene meer 
klare, maar naar eene mysterieuze uit 
straling der idee. De dingen spreken 
hier tot u, gehuld in een van wonder- 
lijke geheimenissen levende atmosfeer. 



KUNST- 
HERICnTi:N 
UIT DEN HAAG 



187 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



VARIA 



Hier geen klare slem, maar het won- 
derbare geprevel van hel onzienbare. 
Er zit een bezig vrouwtje in deze loove- 
rende spokerij van warrig duister en 
licht, dat door al dit geheimzinnige 
verdoken gedoe bestookt en omfluislerd 
wordt. — Dit is een bizondere kant van 
Weissenbruch. En toch lijkt dit werk 
als deel van zijn oïuvre gedacht, voor 
hem niet ongewoon. 

Hiermee wil ik mijne bespreking van 
dezen typisch Hollandschen kunstenaar, 
die meestal zijn slof zocht bij Naarden, 
bij Nieuwkoop of in de omgeving van 
den Haag, eindigen. Wellicht dat binnen 
kort er zich eene gelegenheid voordoet 
het noodige materiaal te verzamelen lot 
vervollediging mijner overige, nu nog 
teruggehouden nolilies, die me, te zamcn 
met deze enkele, zullen nopen tot eene 
omvattender en meer samenhangende 
beschrijvingdezerzooinleressanleschil' 
ders-figuur. 

H. D. B. 



VARIA 



PUR HUBERT UND JAN VAN 
EYGK! belilclde Dr. Ferdinand Laban, 
Bibliolhekaris der Kon. Musea te Ber- 
lijn, een arlikel, dal in de Knnstcliroiuk 
van 20 Maart is opgenomen. Schrijver 
wijst op de groole belcekenis der foto- 
grafie voor kunslstudie en kunslver- 
spreiding — en beklaagt er zich bitter 
over dat het groole Genlsche allaar der 
van Eycken lol nu toe slechts gedeelte- 
lijk gefotografeerd werd. Er dienden 
van de verschillende luiken foto's ge- 
maakt Ie worden, op één en dezelfde 
schaal, (zoo groot mogelijk), zoodat ze, 
samengevoegd, de lotaal-indrik van het 
compleete werk zouden geven. Voor de 
luiken welke zich te Berlijn en te Brus- 
sel bevinden, wordt hier geen bezwaar 
gemaakt, wel integendeel. « Alleen Gent 



verzet zich, zegt Dr. Laban, verzet 
zich hardnekkig, onverbiddelijk : non 
possumus. Te Gent zouden de daar aan- 
wezige vier paneelen uit de kleine, 
donkere kapel waar ze zich bevinden, 
in het volle licht moeten gebracht wor- 
den, om ze te fotografeeren ; ook zou 
een reiniging — geen restauratie maar 
een eenvoudige zuivering van slof en 
vuil, waarbij zelfs het vernis onaange- 
tast zou blijven, — het fotografeeren 
moeten voorafgaan. De hooge geeste- 
lijkheid te Gent deinst voor die a waag- 
stukken » terug. Zeker is het op prijs Ie 
stellen, dat men daar dezen eenigen 
schat als de oogappels bewaart. Maar 
duizen<l voorbeelden uit alle openbare 
en particuliere Europeesche Verzame- 
lingen zoowel als uit vele kerken be- 
wijzen dal dergelijke terughoudendheid 
hel doel ver voorbijstreeft. » 

En verder : f De Duilsche Rijksdag 
heeft de middelen verstrekt, om de schil- 
deringen in de Sikslijnsche kapel te 
Romein goede afbeeldingen uit Ie geven. 
Het geldt hier vele tienduizenden Mark. 
Zou hel nu niet een aardige attentie zijn 
wanneer men Ic Rome — waar Ilaliaan- 
sche, pauselijke kunst in zoo hooge 
male door Noorderlingen vereerd wordt, 
— hel besluit nam de Duilschen een 
kleinen wederdienst te bewijzen, door- 
dien gezagvoerende personen -— ik waag 
het zelfs eerbiedig Z. Heiligheid Ie noe- 
men — de geestelijke overheid te Gent 
er zouden toe aanzetten, de daartoe 
geroepenen vergunning te geven lot het 
folografeeren van hel meest groolsche 
werk der Germaansch-godsdienslige 
schilderkunst... » 

De wenschen van Dr. Laban maken 
we gaarne lot de onze en hopen vurig 
dat ook de GenLsche geestelijkheid aan 
dat oor niet doof zal blijven. Er beslaat 
voor haar gelegenheid om een blijk van 
helderziendheid en grootmoedigheid te 
geven. 




188 




JAN HOLSWILDER 



KARIKATUURTEEKENAAR 




E kunst van de spotprent : die taal van den JAN 
kritischen, ironisclien, polemischen geest, HOLSWILDER 
bloeide niet onder ons, toch wel oordeelvaar- KARIKATUUR- 
dig, schertslievend, strijdlustig, Hollandsch TEEKENAAR 
volk, van later tijden. 

De letterkunde, hoewel de samenlevings- 
satire, zooals die zich in het blijspel liefst doet 
hooren, stiefmoederlijk behandeld ziende — 
noemde niet Potgieter eens Jan Klaassen den meest verwaarloosde, 
den wreedst verstootene van Jan Holland's zonen ? — de litteratuur 
had over te weinig strijdbaarheid bij haar beoefenaars nimmer te 
klagen, doch, ofschoon ook de beeldende kunst meermalen haar krij- 
gers in de arena voerde, vermocht ze deze de toch beschikbare 
wapens uit haar eigen arsenaal niet te doen hanteeren. 

Niet hier nu voegt een zoeken naar de oorzaak van dit ons gebrek 
aan spotprentkunst en de vraag, of dat wellicht aan de te weinige 
gelegenheid, ertoe verstrekt — wat onwaarschijnlijk is — , dan wel aan 
missen onzerzijds van een kijk, als elders zoo kwistig tot karikaturen 
maken drong — hetgeen onbewezen is — te wijten mocht zijn. Want 
ik bedoel slechts toegestemd te zien, dat de satirieke teekenkunst, die 
in Engeland na een Rowlandson en Gillray, de rijke Punchschool 
bracht — in Frankrijk, Decamps en Monnier onder haar vele volgers 
tellen kon, tot ze een Dauiiii^r naar voren treden deed, en in Duitsch- 
land zich gausch de kracht van een Busch en een Oberlander, benevens 
talrijke spotbladteekenaars van verdienste, wist gewijd, - dat de 
karikatuur zich in het geestelijk overigens veel bevoorrecht Nederland 
gedurende de geheele xix*^ eeuw% door niet meer dan een tweetal kun- 
stenaars, waarvan de laatste M. Bauer met zijn kostelijke kroniek- 
prenten, de eerstkomende de Uilenspiegel- en La/?/aar/Jteekenaar Jan 
Holswilder geweest is, waardig mocht vertegenwoordigd achten. 

Een vergefelijke aanleiding is intusschen deze erkenning, doch geen 
genoegzame grond tot een bewonderend herdenken van Holswilder's 



ünzkKinst 1903. An. O, XXIII 



189 



JAN figuur. Het is dan ook niet alleen, zelfs niet in hoofdzaak, omdat deze, 

HOLSWILDER. in 1890 overleden, spotprent-teekenaar in zijn bepaald vak bijna 
KARIKATUUR- zonder ernstige mededinging is gebleven; het kan niet slechts om 
TEKKENAAR negatieve verdienste zijn, dat nu en hier nog eens uitvoeriger dan 
elders (*) gedaan is, van zijn werk mag worden gewag gemaakt. 

Er is beter reden. Was hij verre van volmaakt, zelfs in het 
gemiddelde, wist hij zijn gaven niet vootdurend te blijven be- 
heerschen, leverde hij ook in het hem eigen en door hem geliefd 
karikatuur teekenen onbegrijpelijk veel slechts en leelijks - niet min- 
der kostbaar zij er ons de waarheid om - dat zelden in de satu'ieke 
prentkunst nimmer bij de in wezen grimmige, doch naar het uiter- 
lijk zich bij voorkeur uitgelaten toonende, oudere, - ook niet bij de 
toch vooral in trekken meer dan in totaal-indruk schertsende, latere 
Engelschen, het minst bij de van inhoud heerlijk ondeugende, doch 
in voordragen zoo wonderbaarlijk zwaar-op-de-hand blijvende Duit- 
schers — niet doorloopend zelfs in het gi'ootsche oeuvre van den 
eenigen Daumier, die, in zijn felsten toorn om het gemeene, zoo hoog 
blijkt van houding en zoo trotsch van gebaar — dat in de sterker con- 
. cepties van geen dezer, enkelvoudiger karakteruitdrukking zich, juist 
door volkomen eenheid ook van picturale expressie, met meer klaarheid 
en nadruk mededeelde, dan ze, in het allerbeste van zijn, zichzelf in 
waarde telkens zoo ongelijk, werk, deze te onbekende Hollander met 
geheel impulsieve zekerheid wel zegevierend wist neer te leggen. 
En hierom alleen reeds schijnt zijn frisch en bij welslagen schitterend 
blijkend talent prijzende bespreking hier zoo waard, omdat deze 
beginner in een genre, waarin hij slechts door buitenlanders was 
voorafgegaan, met deze, zoo bij uitnemendheid Hollandsche, deugd 
zich daar wist te blijven sieren. Zoo is dan in deze eerste inheemsche 
karikaturen, naast en boven het zeer karikaturale, het bij uitstek in- 
heemsche onmiddellijk te onderkennen. 

De grootste bekoring immers van Holswilder's beste prenten is 
het volkomen uitgedrukt zijn der innerlijke bedoeling in het voorko- 
men van het geheel. Had men iemand, van de hier weergegeven Rijks- 
museum-preui willende spreken, verteld, hoe daar drie mannen, en 
beschreven wat voor mannen, devoot knielen op een kleed, hoe 
scharen kloosterlingen achter hen zijn opgesteld, hoe geestelijken in 
processie voorbijtrekken, binnenschrijdend dat zeer pompeus, doch 
vooral met strengheid prachtig, dat uitermate indrukwekkend, maar 
allermeest drukkend-luguber, geheimzinnig en majestueus priesterpa- 
leis, waartoe 's lands kunsttempel hier werd gemaakt, dan nog zou 
die iemand uit deze beschrijving niets van een totaal-indruk hebben 

(*) In den Nieuwen Gids van April 1891. {Hollandsche Teekenaars ƒ, door Jan Veth). 



190 




JAN HOLSWILDER : Wijding van het Risschoppelijl( Pnleiïi, 
genaamd c het Rijksmuseum te Amsterdam. > 




191 




JAN HOLSWILDER : Toekomstmuziek, € Vox Populi vox Dei. » 

JAN medegekrcgen als dien bouw, kleur, toon, dien alles in deze gi'andioze 

HOLSWILDER lithogi-afie bij den besehouwer wekt, niets van het aloni-heersehende 

KARIKATUUR- wónder-sinistere der duidinj^svolie pleehtigheid in deze monumentale 

TEEKENAAR prent, hebben gevoeld. Niet de paar menschen, kon hij dan nu met 

recht zijn zegsman tegemoetvoeren, - niet het gebouw, zijn hier 

karikatuur, maar de geheele handeling, de denkbeeldige gebeurtenis 

zelve, als daad, w^rd tot één eharge : tot één spottend wijzen naar al, 

wat den teekenaar in het katholicisme der heeren de Stuers, Thijm en 

Cuypers, doodsch en donker fanatisme is voorgekomen. 

Een even welsprekend gebaar nu maakt al het beste. In de ont- 
zettend luidruchtig uitziende prent. Toekomstmuziek doet bijna wer- 
kelijk het oproerig getier van een galmende, krijschende, bulderende 
schare, met daverend geschal en donderend geroffel begeleid door een 
toeterend, trompettend, trommelend reuzenorchest, ons de ooren 
suizen; trekken eenige politici aan een touw om het langste eind, dan 
doet de plaat ons welhaast met spanning toekijken wie toch wel zoo 
dadelijk zullen moeten meegeven en wanneer elders een vliegerwed- 
strijd is voorgesteld, dan is de geheele scène één feestelijke herrie van 
zwierig omhoog-gewapper. 

Dat deze eenheid van indruk, het meest nog wel voelbaar in de 
gechargeerde portretten, daar evenwel misschien nog meer des teeke- 
naar's luim dan het karakter van het voorwerp zijner beschouwing 
te zien geeft, strekke tot bewijs van zijn temperament-vol teekenen : 



192 




JAN IIOLSWILDËR : David RIes. 



Zoo schijnt hel 
mij, alsof uit zijn 
guili{» karikaluurtje 
van David Bics, die 
in ccn met bedacht- 
zame scherts gevon- 
den en met smake- 
lijke vroolijkheid ge- 
componeerd ovaaltje 
staal, waarop eenige 
van des schilders be- 
kende typen den 
achtergi'ond stoffee- 
ren, heerlijk geka- 
rakteriseerd figuur- 
tje, als het zich in ik 
weet niet wat voor 
een buitenmodel- 
schen kamerrok, aan 
ons presenteert met 
innigtamme,zoetsap- 
pige pose, van de 
hand, die het penseel houdt, de pink gracelijk even omhoog gehe- 
ven, als ware deze verfkwast een kopje thee en hij zelf de meest 
zorgzaam welgemanierde burgerheer van de oude school, - zoo 
komt het mij voor als knipoogde uit dit vermakelijk portretje de 
allergemoedelijkste speelschheid. Met Willem van Zuylen echter, in 
een brutaal rake charge. Jan ten Brink, vol opzichtigen zwier toos- 
tende. Verhulst, in eens gelrolTen in een mooie, losse krabbel, HalTmans, 
Lohman, oreerende voorgesteld in kleine Uilenspiegelprenijes, werd 
al wat meer een loopje genomen, al bleef elk van deze bewaard voor 
het lot van een der bekende laatste Conservatieven. De wijze, waarop 
de karikaturist dezen zich tot een lange rede doet opmaken, en het 
erg nadrukkelijke hoofd, — waar alles zoo uiterst gewichtig in de 
breedte is uitgemeten — het zelfgenoegzaam gelaat als zwaartepunt 
der prent toont, zooals het oprijzen van dit personage de gebeurtenis 
is, waarom men Dr. Schaepman vol wanhoop in elkaar ziet zakken 
en den heer Lohman zich omkeeren met een duidelijk : is het alweer 
zoo Iaat ? — de manier van doen in Mr. Wintgens, als de satirist ze 
kenmerkt, is dan wel zoo potsierlijk van zelfingenomenheid, is zoo 
belachelijk door behagelijk niets-vermoeden van de oneerbiedige 
houding zijner collega's achter hem, dat de scherts van straks tot iets 
ergers zelfs dan spot : tot hoon is geworden in deze, jammer genoeg in 



JAN 

HOLSWILDKR 
KARIKATUUR- 
TlilIKENAAH 



193 



JAN 

HOLSWILDER 
KARIKATUUR- 
TEKKENAAR 




JAN HOI^WiLDKH : Lohman. 



bijfiguren niet immer zoo mooie, Lantaarn 
teekening van prachtige allure, welke met 
een « ouderling van koloniën » Keuchenius, 
(een in onderdeelen nog beter doorgevoerde 
tweede Kamer-scene in Uilenspiegel^ die dui- 
delijk aantoont, hoe hij daar naar het leven 
teekende) van de personen-charges tot de 
meest moedwillige behoort. 

Deed nu de malice Holswilder hier met 
de gelukkigste stoutmoedigheid een hevige 
expressie vatten en in waarlijk meesterlijke 
creaties bewaren, fijner, mooier van kijk zijn 
de zonder kenbare spotzucht zelfs getypeerde 
J. Israëls, J. Maris en Alb. Neuhuys op een 
plaat bij elkander en het zijn deze, - toch gechargeerde, zeker in 
uitdrukking erge - prachtige figuren, die het meest herinneren aan 
sommige der latere, minder heftige karikaturen van Honoré Daumier 
(als dat van den beeldhouwer en afgevaardigde David d'Angers), 
terwijl de bijtender satirieke portretten zulke van den Franschen 
meester slechts in scherpte, niet in vreeselijkheid, gelijken. 

De Uilenspiegelplaien, die niet, als én de Charivari^ én de Lan-- 
/aarnplaten, lithografien zijn, gelijken in aspect al heel weinig op het 
werk van den Franschen teekenaar. Maar de geestelijke verwantschap 
is in beide bladen dikwijls groot. Want niet het meest, — het zijne was, 
zooal een kleiner, een zeer origineel talent niet het wezenlijkst 
aardt het werk van den Hollander naar dat van den giooten PVansch- 
man, wanneer men vermoeden mag, dat hij (zooals hij wel placht te 
doen), zoekend naar een idéé, den Charinari heeft opgeslagenen zelfs 
sommige figuren, gelijk twee geestige in de (Lantaarn-) plaat <( het 
nieuwste artikel 194 » wel direct op personages bij Daumier geïnspi- 
reerd schijnen. Zooals uit deze mooie lithogi'afie waarop men een 
schoolkind ziet volgooien met godsdienst onderwijs en druppelen met 
kennis - uit deze fraaie steenteekening dan ook naar den geest iets 
geheel anders is geworden, daar er veeleer iets van den prettigen humor 
des Engelschman's Leech uit meesmuilt dan dat hier een nagalm van 
een pijnlijk smakelijken lach, als de « Ventre Législatif » was, ons de 
harten beklemmen zou. 

Maar met iets als den toorn van den man, die op zoo grootsche 
wijze spotten kon, is in een, van trant heel niet Daumiereske, plaat 
als het luguber Hollandsch landschap met opkomende bnien de 
woeste lucht doortrokken, welke boven zwarte priesters en dominés 
en hun kudden hangt te dreigen. Zoo een fel sarkasme uit zich ook 
in de vinnige wijze, waarop hij den paus teekent, op rolletjes door 



194 




. 'i^*'. 



JAN HOI^WILDER : De drie Kranigste schilders op de Rollerdamsche Tentoonstelling. 

(J. Isniéls, J. Maris en Alb. Neuhuys]. 

Drie Schilders : Zeg ereis, vrind, Kun-jij niel zorgen voor beter licht binnen, 

bij den aankoop van schilderijen voor hel Rijk of hel Boymans-Museuin ? 

Ijintaarnopsieker : Gossiemijiie nee, heeren, der niotlen eerst allemaal 

nuwe pijpen in, want de boel is leelijk verstopt. 




195 



JAN 

HOLSWILDER 
KAKIKATUUR- 
TEEKENAAR 




JAN HOLSWILDEH : Jnn ten Rriiik 



Bismarck voortge- 
trokken in een plaat, 
die van opzet gelijkt 
op des fermen Ten- 

fK^^JS^wgmj^^^^^^j^^^'^ nieFs werk, doeh de 

1^^^^ ;p., ?^^^^^^^ volmaakter eoneep- 

ties van dezen ki ach- 
tigen cartoonteeke- 
naar in warmbloedig- 
heid en durf even- 
zeer overtreft, als de 
leeuw, die, elders. 
Heemskerk op den 
rug draagt, het in 
vreeselijkheid en trots 
wint van de taaier, 
meer rustig imponee 
rende koningen der 
dieren bij dien waar- 
digen Punch-man. 
Zulk een vlijmende 
satire ook is de Vilcnspieijelphvdi waar hij bij den « uitslag der ver- 
kiezingen » de katholieken en anti-revolutionnairen met ontzetting 
doet vluehten voor den liberalen duivel, - een van zijn volmaakste, 
zoo al niet van zijn mooiste prenten : ziet die wilde en toornige 
gezichten en vol schrik omhooggeslagen armen ; niet minder hatelijk 
zijn intusschen de demonen, die een heksendans uitvoeren om hel 
wetsartikel op het bizonder onderwijs : groteske en sinistre silhouet- 
ten, vol walgelijke vroolijkheid ; niet matiger spreekt de afkeer uit 
zijn typeeren der priesters, die Dr. Schaepman om zijn democratie 
aanvallen ; veel zachtzinniger heeft de karikaturist Dr. Kuiper ook 
al niet bekeken, wanneer bij hem een gecombineerde mananivre van 
heilsleger en doleerenden doet leiden of een hagepreek houden - alles 
in dal weekblad. En als hij mede in Uilenspiegel^ Vulcaan-Schaepman 
de Wijsheid (in den vorm alweer van meergemeld artikel 194) uit 
Jupiter-Heemskerk's hoofd doet slaan, is met de voldaanheid van den 
smid evenals met de slachtofferachtige houding van den patiënt, de 
onbarmhartigste spot gedreven. Doch van de teekeningen, welke door 
ergheid van expressie verdienen vergeleken te worden met veel van 
wat in den Charivari verscheen, schijnt mij geen waarlijk geestiger 
dan een, geen meer ontzettend in felheid dan een andere van twee 
composities en wel de volgende La/?/aa/7J-prenten. Dombardemenl 
van Scheveningen is de eerste. Oorlog^ groote troepen van optrek- 



liH) 




JAN HOLSWILDEH : De ware Nachtwacht. 



kende, reeds aanvallende soldaten op den bedrijvigen voorgrond j^j^ 
en Marine, een indrukwekkende vloot van fraaie schepen beschie- HOLSWILDEH 
ten het haventje, — dat ofschoon verder op, dichtstbij toont, wijl men KARIKATUUR- 
er de figuren het grootst en duidelijkst ziet : den burgemeester met de XEEKENAAR 
vlag, visschers met een ton voor kanon en een bezem voor laadstok, — 
bombardeeren de belachelijk armzalige veste, waar een Haagsch 
diender, plechtig, nieuwsgierige vrouwen terugwijst. Bij de pracht van 
dit vreemde tafreel vol gebeuren, met die rijke drukte, die mooie 
beweging aan alle kanten, maken talrijke ironische trekjes dit geheel, 
in zijn grotesk-ergen toeleg, tot een wild sollen, een woeste geestigheid. 
Inmiddels, de toon hier wordt vriendelijk bij een moedwil als in 
de tweede : « Wee u, gij blinde leidslieden. » Op een grooten Bijbel, 
daar ze met ladders opkHmmen, krioelt het van dominé's : tot malkaar 
met teksten om de ooren slaande, elkander de kerkelijke fondsen gretig 
bekijvende schriftgeleerden werden deze, tot wreede woeste, zwarte 
kabouters schrompelen ze, welke grissen naar schatten, dan wel die 
gierig bewaken ; waarvan er in ombarmhartigen ijver hun broede- 
ren het ontkomen aan de helsche pijnen metterdaad ontzeggen, alvast 
hen smijtend in de vlammen om het boek. Daumier nu kon oj) hoo- 
ger toon, wie hem laag schenen, hoonen hij heeft ze nooit misschien, 
hatelijker zoodje van afschuwelijker gedrochtjes, in massa, met gruw- 
zamer leedvermaak door hellegloed beschenen. 



XXIV 



197 



JAN De Uilenspiegel kon aan de vooral op steenteekenen berekende 

HOLSWILDER trant van Holswilder, in haar procédé van autotypie, geen kans op zoo 
KARIKATUUR- krasse picturale effecten geven, en, hoewel gezegd moet worden, dat 
TEEKENAAR het gros van zijn teekeningen in dat blad, beter is dan de groote 
meerderheid der La/i/aar/?prenten, vindt men er daar geen van zoo 
grootsche eenheid als wat we van de lithografien als het mooiste 
zagen. Maar een plaat, als waar Heemskerk de bloemententoonstelling 
bezoekt en in de knoppen de hoofden zijner politieke vrienden en tegen- 
standers, scherp getypeerd, te herkennen zijn ; en de vele fijne charges 
ook daar van Schaepman, die zich nu eens sneeuwman, dan weer hond, 
vogelaar, veldheer, of pauselijk zouaaf toont, van Kuiper ook en Keu- 
chenius, behooren wel tot de beste concepties in zijn gezamelijk werk. 
Helaas ! dat beste Hgt uitgesproken in een gering aantal prenten, 
verborgen en neergedrukt door een overweldigende hoeveelheid slechte 
waar. Want men kan, zonder schade, wel de helft van de Lantaarn- 
platen ter zijde leggen ! 

Van de tekortkomingen in dit werk dan, betaamt het niet, meer 
dan volstaan zal tot kenschetsing, te spreken. Dat van al zijn teekeningen 
slechts een klein deel goed mag heeten ; dal hij direct van het leven, 
en dan nog in eens, bij ingeving, een uitdrukking vatten moest ; dat 
zijn arbeid ten slotte uit veel ronduit slechts en maar weinig heel 
moois bestaat, deze feilen moeten te zeer uit die spontane, onover- 
dachte uitingsdrang geboren zijn, welke, vlolweg, de enkele glansrijke 
prenten schiep, dan dat men ze, zijn goeds herdenkend, hem met 
onnoodigen nadruk zou mogen of willen ten laste leggen. 

Vooral ook, daar het misschien bij geluk wüs, indien hij zooveel 
moois nog mocht maken. Het lot immei-s heeft dezen ziekelijken, 
hardwerkenden man nimmer verwend en hem hel grootste deel van 
zijn leven tot een emplooi gezet, dat hem niet voegde. Toen hij, op 
zijn veertigste jaar, aan tering stierf, had hij weinig tijd tot beters 
gehad. 

Hij was van 1850 en te leiden geboren, begon als kantoorbediende 
en kwam, na lessen te hebben genomen en later gegeven in zijn 
moederstad, in den Haag te wonen. Kostwinner van zijn ouden vader 
en diens gezin, was hij genoopt voor de firma I^nkhout en anderen 
als lithogiaaf allerlei broodwerk van minder allooi men zegt : 
plaatjes voor sigarenkistjes te maken. Ook zijn teekeningen in het 
Humoristisch Album waren maakwerk. Vooral in de Lanlaarn echter, 
waar zijn vriend, de heer (Jan C. de Vos), wien ik de biografische 
feiten, hier gegeven, dank, redacteur van was, mocht hij zich geven 
en als vrucht van deze vrijheid, hem uit waardeering gelaten, heeft hij 
zichzelf, maker van zooveel minderwaardigs, in glorieuze prenten, als 



198 




JAN HOLSWILDER : Tempelridders te velde. 




199 



JAN een van het fierste geiizenras kunnen toonen. Zoo bevatten de jaar- 

HOLSWILDEIR gangen 1885 en '86 van dit blad, het allerbeste van zijn werk; evenwel 
KARIKATUUR- vindt men ook in Uilenspiegel 1887/9(), een reeks zeer goede platen, 
TEEIKENAAR mede de laatste van zijn hand. 

Er moet eigenlijk toch in dezen man zelf ~ de bitterheid van den 
minder bevoorrechte bracht hem anderzijds toch tot zooveel groots — 
iels zijn geweest, dat, meer dan druk van buiten af, tot het al of niet 
slagen zijner pogingen afdeed. 

Waar men hem, in het steenteekenen geroutineerde, soms zoo 
grandioze effecten mag zien bereiken door het felste zwart, dat dan 
prachtig wordt van diepte en kracht; door de zijïgste der zachte 
tusschenlinten zooveel kleur aan rustiger partijen, door brutaalweg 
uitgehaalde lichten zooveel waarde aan zijn wit ziet geven, wordt dit 
alles, indien hij faalt, morsig vegen, grauw invullen, krassen zonder 
beteekenis ; vandaar dat vele Uilenspiegel-prenien het winnen van een 
groot deel der lilhografien. In het onderwerp vindt men ook al geen 
aanduiding. Gevoelt men lust, het te betreuren, dat hij, van Imis uit 
karikatuurteekenaar, wat men noemt « serieuze » portretten, moest 
geven van gestorvenen en vindt men verklaarbaar, hoe beeltenissen 
als van Huet, Bosboom en Multatuli, dan gemaakt, prullig zijn, 
staan niet de kop en gestalte van den oud-minister Blussé bij zulk 
een gelegenheidsportret die van een zeldzaam fijne typeering zijn, — 
in een prachtig stuk Tweede Kamer, waar de soezig muffe, alles ver- 
vagende lucht hangt van overal waar veel menschen lang bijeen waren? 
Bewijst het mislukken van een plaat, die enkel op de- niet uitgedrukte 
- actie van één persoon drijft, als Een Strijd om hel KnpitaaU indien 
men elders juist een korzelig wegloopende man een gansche gebeur- 
tenis wel degelijk belangrijk ziet maken, iets tegen de kansen van 
zulk een opgaaf? Elders wordt een nobele opzet door een hoofdfigimr, 
een armelijk verzonnen en zonder pit geteekenden duivel, totaal bedor- 
ven; vervelende juffrouwen doen een groep, waar, door den mooien 
Dr. Schaepman als biechtvader, iets van had kunnen worden, jammer- 
lijk in het water vallen, -conventioneel-Hevige pofferkraam-belles, 
als men er warempel weer tot zijn verdriet een in gezelschap van een 
droogjes-vriendelijken, koddigen Sprenger van Eyk moet aantreffen — 
en Dr. Schaepman weder volstaat niet, grotesk en vreeselij k zelfs als 
hij in de lucht zit en potsierlijk plechtig noodt met lokkende, voor de 
wolken uitkomende reuzenhand ; zelfs deze prachtige karikatuur kan 
de Zeven Martelaren niet redden, - waarom dan ook willen deze 
heeren, in hun luchtig engelen-pak, ons met zoo smaakloozen aan- 
drang hun immers al te domweg naar fotogi'afiën nagetrokken hoof- 
den toch vooral doen bewonderen? En in een kleine Uilenspiegelplaal 
vormen die zelfde zeven figuren een prachtige groep I Hoe drommel 



200 



komt, van twee trekschuitgeschiedenissen dan weer, de een goed, de JAN 

ander troosteloos er-naast te zijn ? HOLSWILDER 

Men bemerkt het : ik ben toch aan de gebreken toe. Te slechter KARIKATUUR- 
ziet het er voor mij dan uit, — hoewel ik weet ze te moeten vermei- TEEKENAAR 
den tot beter begrip — te erger voor mij zelven dan, die wel vreezen 
moet, dat, wie slechts het hier weergegevene, uitnemende, ziet, mij 
niet gelooft. Want niets blijkt hier van niet-kunnen, van slapheid, van 
gemis aan feu sacré. Te eerder neme men dan aan, dat het geman- 
keerde eigenlijk ook nooit door onhandigheid, nimmer door lafdoen, 
nergens door onechtheid gevallen is. De inspiratie was er slechts niet. 

Was die er wel, dan heeft ze hem doen maken, wat in zijn soort 
tot het allerbeste is te rekenen. Want een driftig voelen in, een gedurfd 
dingen naar, een plotseling komen tot de fierste uitgesprokenheid van 
sentiment in het bereikte geheel, heeft van dezen schepper der vele 
meesterlijke charges van Schaepman, Heemskerk en Lohman vooral, 
van Keuchenius, Thijm, Willem Maris, een beter kunstenaar gemaakt 
dan velen die buitenslands het genre meester waren, - een grooter 
spotprentteekenaar, dan Bauer zich in zijn mooie K^ron/Vfrplaten, die 
door alles heen speelsche invallen zijn van een snaakschen toeschou- 
wer, tevens prachtlievend schilder; glansrijke composities, met karika- 
turen er in, blijven van één, voor wien het opzetten eener prachtige 
mise en scène wel kinderspel schijnt, - ooit toondie. Want, zoo al de 
veelal vernuftiger, meestal puntiger, bijna altijd rijker, immer zwieri- 
ger, kleuriger, schitterender prentenreeks van een tiental jaren later, 
als geheel iets volmaakters, iets geslaagders is, dan de voor een goed 
deel mislukte serie van de Lantaarn het schijnt mij toe, dat de lof, 
van, in een heel klein groepje charges, zich van een zóó grootsche 
welsprekendheid te hebben bewezen, als uit weinig satirieke teekenin- 
gen, — als nooit uit die weelderiger en luchthartiger, prikkelender en 
meer luisterrijke, doch wel' een weinig om het spel van schertsen 
spotprent geworden, lithografieën, welke eens de Kroniek zoo smukten, 
— heeft gesproken, Holswilder, den meest zuiver picturalen der kari- 
katuristen, eerlijk toekomt. 

CoRNELis Veth. 




201 



HET MUSEUM 

WILLET- 

HOLTHUYSEN 




HET MUSEUM WILLET-HOLTHUYSEN 

\t HET SAKSISCH PORCELEIN EN ZIJN NABOOTSINGEN # 

|E schallen van Chineesch en Japansch por- 
celein, in de xvii« eeuw door de schepen der 
Zeven Provinciën aangebracht en over Europa 
verspreid, hadden benijdende bewondering 
verwek l overal waar zij kwamen. Zij ver- 
schenen als toonbeelden van een vreemde 
technische kunst, zoo geraffineerd, als de 
westersche beschaving haar niet kende. Hun 
volkomen onconventioneele versiering, vreemd maar tevens zoo los- 
sierlijk en voornaam, het brooze en fijn-doorschijnende, maar toch 
harde en vaste van hun melkwitte onbekende substantie, de gloed 
van de kleuren, de vaardige zekerheid van de zeer ongewone leeke- 
ning, het bracht er alles wel zeer toe bij zoowel de begeerte te >yekken 
van prachtlievende vorsten en adel, als de nieuwsgierigheid en lust tot 
navolging van een kunsthandwerk, dat nog op hoogen trap van onl- 
wikkeHng stond. Waarbij komt dat allerlei hoogere en lagere heeren 
aanstonds bereid waren namaak-pogingen te steunen en onder hun 
patronaat te nemen, wijl hel eventueele slagen een goudmijn zou 
openen voor den gelukkigen ontdekker van een eigen Europeesch 
porcelein en zijn hooge beschermers, die dit goud in deze eind-xv^^ 
begin-xvHi« eeuwsche lijden, in deze tijden van buitensporige, 
Versailles-nagedane, weelde en niet minder buitensporig schulden- 
maken, zeer behoefden. Zoo zette men zich dus overal aan den 
arbeid, terwijl intusschen de aardewerkfabrieken alvast trachtten 
om, zoo zij dan niet in staat waren een gelijke waar te fabri- 
ceeren, ten minste een gelijkuormige voort te brengen, een die in 
gestalte, kleur en versiering oppervlakkig beschouwd voor het zoo 
begeerd Chineesch kon doorgaan en... veel minder kostte. En geen 
pottebakkers zijn daarin zoo wel geslaagd als de Delflsche, reeds vóór 
het midden der xvn^ eeuw. 

Maar al omtrent dienzelfden lijd wordt hier en daar, vooral 



202 



in Frankrijk, vernomen van geslaagde pogingen om de geheiiiizinnige HET MUSEUM 
slof te prodiiceeren. In Rouaan, St. Cloud, Lille worden fabrieken WILLET- 
opgericht en al is de met oneindige moeite en volharding gevonden HOLTHUYSEN 
pate hel Chineesche porcelein ook niet, en zelfs nauwelijks porcelein 
te noemen, omdat in het mengsel de kaoline, de echte porceleinaarde, 
ontbreekt, toch voldoen de daarmee gemaakte voorwerpen aan de 
eerste hongerige begeerten, wijl zij volmaakt op het Chineesch 
gelijken en sommige hunner kleuren zelfs zoo vol en diep zijn, als bij 
het aanporcelein nooit te bereiken was. 

Maar nog was dit er niet en zou ook in Frankrijk niet gevonden 
worden. Het geheele laatste kwart der xvn« eeuw ging voorbij in 
resultaatlooze pogingen in verschillende landen van het westen, pogin- 
gen, die wel menigeen zijn vermogen, zijn gezondheid en zelfs zijn 
leven kostten. 

Toen binnen de eerste twintig jaren der xvni^ eeuw werd het in 
Duitschland, in Saksen, door Johann Gottfried Böllger ontdekt, 
maar... zoo heel gemakkelijk is dat waarlijk niet gegaan en het toeval 
heeft er zich zeer mee moeten bemoeien. 

Deze Böttger was een alchimist ofte goudmaker van zijn vak, 
gelijk er toen, in die tijden van gebrekkige physische en chemische 
kennis velen waren, naïef-in-eigen-kunst-geloovigen of bedriegers, 
doch bijna allen hun avontuurlijke leven op gewelddadige wijze, hetzij 
op den brandstapel, hetzij aan de galg beëindigend. Het verhaal van 
zijn kort leven en werken is als een roman van avonturen en karakte- 
ristiek voor dat tijdvak van onophoudelijken oorlog, van kunstzinnig 
vorstenabsolutisme, van middeleeuwsche geheimzinnigheid en bijge- 
loof naast de doodnuchlere rede-philosophie der beginnende « Auf- 
klarung. » De smaakvolle pracht van Versailles onder Lodewijk XIV, 
waar de beschaving der wereld geconcentreerd scheen, had menigen 
vorst tot navolging geprikkeld, doch niemand meer dan Augustus^ 
bijgenaamd De Sterke, keurvorst van Saksen en later koning van 
Polen, die zijn hof tot een ander Versailles en Dresden, door zijn 
bouwwerken, tot een klein Parijs zocht te maken. 

Maar dat alles kostte geld en voortdurend geld, waarbij nog kwam 
in 1700 de noodzakelijkheid van uitgebreide krijgstoerustingen tegen 
Karel XII, koning van Zweden, die Rusland en Polen den oorlog 
had verklaard en, bij Narva de Moscoviten verslagen hebbende, 
op Polen aanrukte. In deze drukkende omstandigheden is het wel 
duidelijk dat Augustus zich de mogelijkheid een deugdelijken goud- 
maker machtig te worden niet liet ontnemen. Te Wittenberg scheen 
er zoo een te zijn, juist gevangen genomen ten behoeve der 
Brandenburgsche overheid, die zijn uitlevering als Brandenburgsch 
onderdaan eischte. 



203 



HET MUSEUM Böttger was die jonge alchimist, wiens faam als goudmaker te 

WILLET- Berlijn reeds zoo groot was, dat de keurvorst Frederik-Wilhelni, die 

HOLTHUYSEN zich onlangs tol koning van Pruisen had doen kronen, hem beslist 
voor zich zei ven wenschle te houden. 

Op het nader bericht van de toedracht der zaak, liet echter 
Augustus den jongen Böttger, — hij was toen 19 jaar oud — zonder 
veel omslag oplichten en in 't geheim naar Dresden brengen, om daar, 
in de slrengsle afzondering, van niemand bekend en zelf langen lijd 
onwelend van de plaats waar hij zich bevond, te arbeiden aan de 
vorslelijke opdracht, zoodra en zooveel mogelijk goud te produceeren. 
Maar dit bracht Böttger in de pijnlijkste verlegenheid. Hij, die 
uit vrees voor F'rederik-Wilhelm naar Saksen was gevlucht, vond zich 
hier van den regen in den drup geraakt. Want hij was zich volkomen 
bewust dat hij geen goud kón maken, al twijfelde hij niet aan de 
mogelijkheid eens Ie zullen slagen, en zijn Berlijnsche glorie berustte 
voornamelijk op een mystificatie, die hem bij ontdekking aan de galg 
had kunnen brengen. En nu was hij voorshands wel geborgen in een 
warmen stal met goed voer, doch hij miste zijn vrijheid en leefde in 
wreede onzekerheid of het geduld van den keurvorst wel zoo lang 
duren zou als zijn proeven. Zijn onmacht openlijk en berouwvol te 
bekennen, daar was heel geen denken aan. Men was niet teeder 
gestemd legen zulke bedriegers in die dagen en hel minste, dal Bötlger 
in dat geval mocht verwachten, was zijn uillevering aan Pruissen, 
met wal daaraan vast zou zijn. Zoo bleef hij liever stil waar hij was, 
vond allerlei uitvluchten voor zijn dralen, werkte hard, maar zonder 
veel resultaat bij zijn ovens en zocht intusschen, behalve naar goud, 
ook naar een gelegenheid tot vluchten. 

Hij was waarschijnlijk een man, gelijk de tijd er toen (en mis- 
schien immer) velen voortbracht : een fantast en een flesschentrekker, 
een scherp intellect bij veel onbeheerde fantaisie en een zwak, genot- 
zuchtig karakter. 

Er was ongetwijfeld iels geniaals in hem en bij tijden miste hij 
ook geenszins de volharding en werkkracht, die bij hel genie plegen te 
behooren, als een vizioen hem vasthield en hij zich op 't punt geloofde 
zijn doel te bereiken. Maar lot geregeld, dwangloos werken zonder 
die zenuwspannende prikkels van een geheimzinnig, veelbelovend 
doel, of van angst voor zijn leven, was hij — hel is later gebleken — 
eigenlijk niet in slaat. 

Thans echter, onder de drijvende kracht dier beide genoemde 
motieven, werkte hij hard en aanhoudend, en steeds zonder gevolg. 
De jaren vergingen. Een poging tot onlvluchting mislukte al evenzeer 
als de goudmaak-proeven en nog steeds oeïende de keurvorst geduld, 
ofschoon de uitvluchten van Böttger gewis al minder aannemelijk wer- 



204 





^ I 

c "^ 



§ I 

a ? 
o :^ 



E E 



XXV 



205 



HET MUSEUM den. Waarschijnlijk echler, hcefl Aiiguslus zich bedacht, dat hij er 
WILLET- niets mee won de zaak te bruskeeren en dal men lol ophangen altijd 

HOLTHUYSEN nog kon overgaan. Inlusschen was op den duur, ook al omdat Böltgers 
gezondheid daaronder scheen te lijden, zijn afzondering minder streng 
geworden. Hij ging met enkele Dresdenaars om en daaronder was een 
adellijke joiige geleerde, von Tscliirnliaus genaamd. Deze, gewonnen 
door Böltgers geestdrift en de bekoring, die ongetwijfeld in den om- 
gang van dit half-genie uilging, hielp hem waar mogelijk, en volgde 
zijn proeven met belangstelling, schoon met luttel vertrouwen op den 
goeden uitslag. 

Hlindlijk toen, op 't einde van 1707, na zoovele jaren van ruslloos 
en vruchtloos zoeken, van ontmoediging, angst, onzekerheid en, onder 
de dreiging des doods, weer opschrikkende wanhopige energie, kwam 
de beslissende keer in Böltgers leven. De keurvorst had nog eens, en 
nu scheen het wel voor 't laatst, gedreigd, als de jonge man zijn goud- 
beloften niet nakwam, en deze, in koortsige haasl arbeidend, beklaagde 
zich hij von Tschirnhaus dal het hem aan genoegzaam weerstands- 
krachtige smeltkroezen ontbrak voor een laatste beslissende proef bij 
zeer hooge temperatuur. Von Tschirnhaus verschafte hem toen een 
soort roode leemaarde die, meende hij, aan alle vereischlen voldoen 
kon. Zij vervaardigden daaruit ook inderdaad hun onsmeltbare kroe- 
zen en... bleven daarbij, zelf verwonderd en verheugd over de nieuwe 
soori ceramiek, die zij als toevallig geschapen hadden : hun roode 
steengoed ! 

In een tijdperk dat allerwege met zooveel wanhopige volharding 
naarde vervaardiging van porcelein getracht werd, behoefde aan twee 
zulke schrandere mannen, van wie de een zelfs met den dood bedreigd 
werd zoo hij zijn vorslelijken heer niet op een of andere wijze tevre- 
den kon stellen, de groole beteekenis van hun vondst niet eerst 
betoogd te worden én op zichzelf als oorspronkelijk produkt én 
wellicht als voorlooper van hel veelbegeerd hard-porcelein. 

Het was inderdaad een ontdekking en de koning bleek niet min- 
der tevreden dan de vinders zelf over het nieuwe steengoed, dat 
wijdschelijk Uöllijei'-porcchin werd gedoopt. Van nu af was de goud- 
makerskunst viM'geten. In een brief had Bötlger den koning beleden 
hoe het daarmee, wat liem betrof, stond en deze wilde wel genadiglijk 
vergeven en vergeten mits Bötlger hem nu ook hel echte porcelein 
verschafte. Niets liever dan dit wenschte de jonge man. Op raad van 
von Tschirnhaus, die intusschen gestorven was, had hij zich eerst op 
de vervaardiging van aardewerk toegelegd, daarvoor zelfs een fabriek 
ingericht te Dresden, maar hel voorname doel van zijn experimentee- 
ren bleef toch de verandering van zijn roode steengoed in het witte, 
harde, doorzichtige porcelein der Chineezen. Het duurde echter lol 



20G 



1715 en er was waarlijk nóg een klein toeval voor noodig, eer het HET MUSEUM 
zoover kwam. Want nog immer was de ware leemaarde niet gevon- WILLET- 
den, die, onsmeltbaar tusschen al het smeltbare gemengd, aan het HOLTHUYSEN 
product zijn vormen doet behouden. Eerst in de jaren 1713 en *14 
werd deze door Böttger ontdekt en beproefd, en er is een verhaal, 
— misschien niet meer dan een anecdote — dat de toedracht van 
dezen vondst vermeldt. Böttger zou op een morgen zijn pruik onge- 
woon zwaar bevonden hebhen. Opzijn vraag naar de oorzaak, vernam 
hij van een nieuw poeder, dat veel goedkooper dan het gewone meel, 
in den laatsten tijd overal voor pruikbestuiving werd gebezigd. En dit 
poeder, dat zijn nieuwsgierigheid gaande maakte, bleek te zijn het 
lang gezochte kaolien, de waarachtige porcelein-aarde, die te Aue bij 
Schneeberg te vinden bleek. 

Het porcelein nu eenmaal gevonden, ging snel zijn eigen weg van 
ontwikkeling, maar Böttger had niet lang tijd van leven meer om het 
bij te wonen. Want nadat te Meissen, op de Albrechlsburg, een fabriek 
was ingericht, die uiterlijk allen schijn van een vesting in oorlogstijd 
had en waarvan Böttger de directeur zou zijn, leidde deze er, thans 
door niets meer weerhouden, een uiterst ongebonden leven, dat zijn 
toch al niet meer krachtig lichaam schielijk ondermijnde. In 1719 stierf 
hij, gelukkiger wijze nog juist voor er vonnis zou gewezen worden 
in het strafproces, dat tegen hem aanhangig was, een strafproces 
wegens verraad van industriegeheimen aan de Pruisische regeering. 
Böttger zou dan toch de galg niet ontloopen zijn, als de genadige dood 
hem niet tevoren op zachtzinniger wijze had gehaald en dit einde 
schijnt op gepaste wijze zijn avontuurlijk en hartstochtelijk leven te 
besluiten. 

Met den dood van Böttger eindigt de eerste periode der Meissener 
fabricatie, welker producten zeer zeldzaam en alle, wat ornament en 
vormen betreft, aan het roode steengoed gelijkend zijn. 

Met Herold, een uit Weenen beroepen schilderen chemicus, vangt 
in 1720 een tweede tijdperk aan, een van groolen artistieken en com- 
mercieelen bloei en het is vooral het Rococo, dat, omstreeks dezen 
tijd opkomend, in de versiering zijn triomphen viert en door zijn veel- 
vuldige aanwending op porcelein in zijn invloed als heerschende stijl 
zeer wordt versterkt. 

Wat het commercieele betreft : Meissen leverde weldra over 
gansch West-Europa. Het werd spoedig de mode Saksisch porcelein, 
vooral figuurtjes, te bezitten en de bestellingen kwamen van heinde en 
ver. Maar een der grootste afnemers bleef toch het keurvorstelijk hof 
zelf, dat ontzaglijk veel behoefde zoowel voor eigen gebruik als voor 
geschenken. Het een en het ander werd met een bijzonder merk 



207 



HET MUSEUM voorzien : de initialen A. R. (Augustus Rex) dooreengeslingerd, alleen 
WILLET- of onder de koninklijke kroon, ten bewijze van het persoonlijk recht 

HOLTHUYSEN des vorsten. 

In de verzameling van het Museum Willet-Holthuysen zijn van 
deze categorie twee kleine vazen, zoogenaamde Potpourri-vazen, 
(20 cm. hoog) aan te wijzen. (Fig. 1). Behoorende tot de eerste periode 
van Meissener productie, (na 1720 werden de koninklijke initialen 
niet meer ingebrand), is de versiering niet zoo smaakvol noch zoo 
correct als zij in de bloeiperiode werd en ook in de vormen en de 
reliefgedeelten bleef nog een zekere grofheid. Maar toch zijn zij in hun 
versiering van verguld, waarlusschen polychrome médaillons, met hun 
opengewerkte deksels en halzen, wel aardige, sierlijke vormen uit een 
tijd die op het klein-bevallige verzot was. Zij • doen » het wel op 
eenigen afstand gezien, met hun weekbuigende lijnen. Zij zijn sierlijk 
en enkel ter versiering, rijk, met een zweempje van overlading, vroolijk, 
grillig en coquet. 

En hun gelijk is eigenlijk al het Meissener porcelein uit den besten 
tijd, in zijn teere, kneedbare, nietig-kleine, bizarre vormpjes de 
apotheose van het Rococo^ meer dan misschien eenige andere gebruiks- 
kunst de uitdrukking van den tijd en draagster van zijn geest, niet 
groot-mooi, maar klein-bevallig, met een zeer merkbare neiging tot 
hel zuiver (of liever onzuiver) zinlij ke en perverse. Maar dan nog is er 
in dat lichte spel van sierlijk gebogen lijnen, in dat achteloos daarheen 
geworpen ornament van schelpen en loof iets zonderling onrustigs en 
onbevredigds, merkwaardig harmonieerende met den gelijktijdigen 
staat zooveler geesten, die openlijk de gave en waardij der mensche- 
lijke Rede, van het nuchter en klaar verstand, hemelhoog prezen en... 
heimelijk vergingen van radelooze verveling en onrust. Zoo ooit, dan 
is toen wel gebleken, dat niet enkel het onbeheerd Gevoel, maar ook 
het onbeteugeld Verstand de vloek der menschheid worden kan, als 
het ontkent wat het niet te verklaren weet en geloofd wordt in die ont- 
kenning. Dan wordt alle gevoel saamgedrukt en enkel toegelaten in 
den dagelijkschen, wereldschen vorm van vroolijkheid, goeden smaak 
en sierlijkheid. Dan wordt geestigheid boven al geacht en legt men 
zich toe op omgangs- en wellevenskunst, alsof het daarom alleen te 
doen ware. Dan gaat tenslotte alles zinken wat hel leven inhoud en 
waarde geven kan, tot niets meer boven drijft op de grauwe, leege zee 
dan twijfel, malerialiteit en het meest grove cynisme. 

Bij al het voortrefTelijke dat de xvui^ eeuw ongetwijfeld heeft 
voorlgebracht, schijnt dit de diepste grond van haar wezen, en elk 
harer producten geeft daarvan een blijk, zij het ook maar even en als 
uit de verte. Ook het porcelein, in de gejaagde grilligheid van vorm en 
ornament, in den voorkeur van verliefde scènetjes in een valsche 



208 




Fig. 2. Nnakt vrouwebeeldje in foudraal. 
(Musfium Wület-Holthuysen, Amsterdam). 

idylliteit, in de uitdrukking van zoo menig alleraardigst figuurtje. HET MUSEUM 

Of wat is er aan deze Venus van Medici (fig. 1) van het nionumen- WILLET- 
taal klassieke anders overgebleven dan de behaagzieke, lascieve beval- HOLTHUYSEN 
ligheid van een naakt vrouwtje (*), en dit blijkbaar tot in de arniban- 
den, die in zeer vrije nabootsing van het origineel zijn aangebracht, 
omdat ze zoo aardig op de vleeschkleur uitkomen ? 

En welke beteekenis men wel toekennen moet aan het heel klein 
naaktfiguurtje, 5 cm. hoog (fig. 2) waarbij een foudraaltje van geperst 
leer behoort, als ware het poppetje bestemd geweest in een vestzakje 
overal meegevoerd te worden tot voortdurende aanschouwing en 
amuzement... 

In vroegere tijden, middeleeuwen en Renaissance, had de 
zinnelijkheid zich geheeld in vormen, die vrij wat grover en brutaler 
waren, dan de beschaafde productjes der xvnie eeuw. Doch toen slond 
naast het Beest-mensch de Engel-mensch, die, diep begaan met 
zooveel zonde, rouwde over zijn gevallen tweelingbroeder. In de 
xvine eeuw echter is die tegenstelling weggevallen en al het felle en 
ruwe verzacht. Het Beest en de Engel der middeleeuwen hebben 
beide iets toegegeven, hun verschil zoowat gedeeld, maar het Beest 
lijkt daar ten slotte het allerbest bij gevaren en wordt, zoo niet voor 
Engel, dan toch voor echt-menschlijk gehouden, zonder eigenhjk veel 
van zijn ware karakter te hebben afgelegd. Die zeer verzachte zede- 

(*) Dit Venusbeeldje is uit de fabriek van Ludwigsburg, (h. 13 era.). 



209 




Fig. 4. Iteeldjes van Höchsl, f.ucUvigsbiirg, Meissen, enz. 
(Museum Willet-Holthuysen, Amsterdam). 

HET MUSEUM loosheid, dal bijzonder, beminnelijk perverse in eleganten, omsluier- 
WILLET- • den vorm geldt dan nu voor schoonheidsideaal. Mits het gracieus is, 

HüLTHUYSEN schijnt alles goed en geoorloofd. Gratie is het hoogste en... is in die 
dagen ook inderdaad uiterst verfijnd en zeer aanlokkelijk. 

Die vier witte beeldjes, theaterpereonages voorstellende, (fig. 3) in 
de kleeding uit het laatste vierendeel der xvuf eeuw, zijn er een aardig 
bewijs van.. Zoo glad week-sierlijk als zij zich vertoonen, zoo coquet- 
elegant in hun zwakgebogen houdingen en bestudeerd-smaakvol 
gebaar, beelden zij voortreflijk de Wellevenskunst van den tijd, zijn 
ideaal van Gratie, die voor alle schoonheid staat. Zij zijn bovendien 
van een volmaakte faire, gevormd in pate tendre, dat porcelaine tendre 
artificielle^ dat, wel beschouwd, nooit porcelein is geweest, maar een 
kunstvol, uiterst bewerkelijk surrogaat van F'ranschen oorsprong. 

Minder karakteriseerend en nog al zeer verschillend in makelij 
zijn de veelkleurige beeldjes van het stoetje in fig. 4 gereproduceerd 
en waarvan er enkele uit de met Meissen concurreerende fabrieken van 
Höchst (bij Maintz) en Ludwigsburg (in Wurtemberg) afkomstig zijn. 
Doch bijna alle hebben zij die typische grimas, dat eigenaardig ge- 
draaide en gemaniereerde, dat den tijd van Baroc en Rococo eigen is, 
een bevalligheid uitermate bekorend, doch met natuur en eenvoud 
niet volkomen vereenigbaar. 

Uit den eersten tijd van Herolds directie — hij was in 1720Böttger 
opgevolgd — zijn er in de verzameling-Willet geen volkomen betrouw- 
bare voorwerpen aan te wijzen. Doch uit die latere periode na 1730, 
toen de koning zelf de opperleiding der fabriek had en de ^ Model- 
meester » Kandler allengs den grootsten invloed begon te oefenen, 
stamt het bord, dat in fig. 5 is afgebeeld. Het Meissener product was 
toen wel op het toppunt zijner volmaaktheid, zoowel in vorm als 
in beschildering en dit bord is er een goed voorbeeld van. Op het 
diepe, glanzende koningsblauwe fond, zijn aan den rand medaillons 



210 





c V 



tl 

« I 
§ I 

e- t 
I ^ 

3 

« s 



211 



HET MUSEUM uitgespaard, door verguld rococo-ornament afgezet. En hierin 

WILLET- bevinden zich levendig-kleurende, fijn* en bekwaam geschilderde 

HOLTHUYSEN voorstellingen van vogels en planten, subtiel uitkomende legen den 

blauwen ondergrond. De geheele versiering maakt een aangena- 

men indruk van pracht, volheid en weelde, zonder overlading of 

buitensporigheid . 

Uit den Marcolinitijd, die omstreeks 1774 begint en de tijd van 
verval beteekent, waartegen de graaf Marcolini vergeefs trachtte op 
te werken, zijn er in het Museum Willet geen andere producten dan 
beeldjes, en die zijn niet van de beste, veel minder dan Meissen er 
vroeger voortbracht. De monumentale vazen en serviesstiikken in den 
fijn-rustigen Louis XV-stijl of het zwaar-strenge Empire ontbreken 
geheel en dat is wel jammer, want ook toen nog werd menig fraai stuk 
gemaakt, dat zich houdt naast zijn voorgangers uit Rococo- of Baroc- 
tijd en de periode waardig karakteriseert. 

En daarna is het met Meissens eigenlijke kunst-ceramiek voor 
lange jaren gedaan. 

Reeds in het tweede, maar vooral in het derde en vierde kwart 
der xvnie eeuw, waren door den opgang der Saksische producten, 
allerwege fabrieken ontstaan, die allengs Meissen een geduchte concur- 
rentie aandeden. Porcelein was een veelbegeerd mode-artikel gewor- 
den en het te kunnen maken in een eigen inrichting en bedrukken 
met een eigen stempel, werd de illusie van zoo velen der overtalrijke 
potentaatjes, die het Duitsche land onder elkaar verdeelden. Maar, 
zoomin als het gemakkelijk gegaan was de eerste porcelein-pate te 
vinden, gelukte hel vervolgens zijn recept af te kijken en na te maken 
en menigen « Serenissimus » berouwde te laat zijn vertrouwen in 
dezen of genen tamelijk verdachten avonturier, die beweerde in 
zekere gerenommeerde werkplaats het onontbeerlijke porceleindeeg 
mede gemaakt en in zijn samenstelling goed begrepen te hebben. 
Want maanden aan maanden verliepen, de vorstelijke kas moest de 
eene toelage na de andere verschafTen en wat er uit de ovens kwam 
was of heel geen porcelein, of een zoo gebrekkig, dat niemand er van 
weten wilde. 

En de beste dier aldus gestichte fabrieken, zij die waarlijk 
technisch-goed en smaakvol werkten, konden het nog niet tot bloei 
brengen, gelijk Höchst, Ludwigsburg, Frankenthal, Fürstenburg enz. 
bewijzen. Na korter of langer tijd gingen zij alle te niet, wijl hun 
vorstelijke ondernemer of beschermer de voornaamste, en vaak schier 
de eenige, afnemer was. 

Van Ludwigsburg een fabriek, die in 1757 door den hertog van 



212 




Fig. 5. Bord uit de derde periode van Meissener fabrikaat 
(m. 23 Vt cm.) (Museum Willet- Hollhuysen, Amsterdam. 

Wurtemberg werd overgenomen en een kleine driekwart-eeuw bleef HET MUSEUM 
bestaan, is het chocoladeketeltje afkomstig, dat in de groep van fig. (5 WILLET- 
aan de rechterzijde staat. Het is daar als vertegenwoordiger van een HOLTHUYSEN 
gansch koffie- en chocoladeservies, alle stukken even zoo grauw-achtig 
wit (de eigenaardige nuance van Ludwigsburg), en met een rococo- 
ornament in laag relief voorzien, dat met een fijnen wijnrooden rand 
is afgezet. Op den geschulptcn grond (een andere speciahleit der 
fabriek!) zijn verder niet onbevallig grootere en kleine bloemruikers 
gestrooid in polychrome schildering. Tegenover dit keteltje staat een 
ander uil de fabriek te Frankenthal «in de Pfalz), die ook maar een 
kleine 50 jaren beslaan heeft. Haar kenmerk, in tegenstelling van de 
Ludwigsburgsche fabriek, was juist een blinkend-witle pate, en dit is 
ook zeer opmerkeHjk in het afgebeelde keteltje, dat overigens niets 
bijzonder merkwaardigs vertoont. De beide klein-sierlijke pop- 
petjes, niet meer dan hoog op dezelfde afbeelding, zijn van Höchst, 
de fabriek van den keurvorst van Maintz, zeker wel een der voor- 



XXVI 



213 




HET MUSEUM 

WILLET- 

HOLTHUYSEN 



Fig.6. Kannetje van Fiankenthal — Poppetjes van Höchst (h. 11 cm.) — 
Kannetje van Lud wigsburg (h. 21 cm.) — Kop en Schotel van Amstelporcelein. 
(Museum Willet-Holthuysen, Amsterdam). 

naaniste van de laler opgerichte en die vooral door de vervaardiging 
van ontelbare voortreflijk gemodelleerde figuurtjes haar groote bekend- 
heid heeft verworven. 

Vele van de beste uit de verzameling-Willet zijn met het raadje 
van de Höchster fabriek, alleen of onder een kroontje, gemerkt. 



De kop en schotel op standaard van fig. 6 en die beide andere in 
fig. 7 afgebeeld zijn echter niet van Duitsche fabrieken. Zij zijn Hol- 
landsch werk en wel Amstel en Haagsch porcelein. 

Ook de Vereenigde-Provinciën hebben nl. in de tweede helft der 
xviiie eeuw hun porcelein-manufactuur gehad, toen in den zevenjarigen 
oorlog, die de Duitsche productie zeer nadeehg was, de kans om te 
concurreeren hier te lande schoon stond. 

Eerst in Weesp een fabriek, die in 1764 opgericht, echter reeds 
in 1771 weer te niet ging. Ilaar inventaris werd opgekocht door zeke- 
ren dominee Mol uit Oud-Loosdrecht. Met geldelijken steun van 
Amsterdamsche kooplieden kon deze vervolgens in datzelfde plaatsje 
een fabriek stichten, die jarenlang bestaan bleef. In de Patriottentijd, 
omstreeks 1785, ging zij echter hard achteruit en nadat zij van Oud- 
Loosdrecht naar Ouder-Amstel en vervolgens naar Nieuwer-Amslel 
was overgebracht en nog een tijd lang van koning Lodewijk Napoleon 
ondersteuning had genoten, ging zij, omstreeks 1810, bij de Fransche 



214 




Fig. 7. Haagsch porcelein. 
(Museum Willet-Holthuysen, Amsterdam). 

inlijving te niet. Of zij in commercieelen zin eigenlijk ooit heeft HET MUSEUM 
gebloeid is twijfelachtig. WILLET- 

Ook in den Haag ontstond in 1778 een fabriek, die echter evenmin HOLTHUYSEN 
als de Loosdrecht-Amstelsche den troebelen tijd van het eind der 
xvnie en begin der xixc eeuw vermocht te overleven. 

De kop en schotel van fig. 6 nu is cc Amstel ï> geteekend en schijnt 
dus tot de latere producten der Mol-stichting te behooren. Zij is 6 cm. 
hoog van binnen verguld en zeer delicaat met vergulde guirlanden en 
bloemen op koningsblauwen fond versierd. Er is in dezen rechten 
vorm, in dit levendige en fijne Louis XVI-ornament iets smaakvol- 
deftigs en sobers dat allerplezierigst aandoet. Het lijkt op de Sèvres- 
versiering en vorm en toch is 't weer iets zwaarder en tegelijk iets 
gereserveerder; in *t algemeen van een zeer uitgesproken karakter. 

Minder dien zoo eigenen aard vertoont misschien het .sierlijke 
blakertje (fig. 8) dat uit de eerste periode der Loosdrecht-manufac- 
tuur dateert en M. O. L. geteekend is. Maar in zijn wijnrood Rococo- 
ornament op 't glanzend wit, met een enkelen streep verguld 
verlevendigd, is 't van een bijzondere bekoring, licht, eenvoudig en 
bevallig. 

Ofschoon men dit laatste gewis niet volkomen zeggen kan van de 
beide Haagsche koppen (fig. 7) is echter het nationaal karakter, dat ook 
uit deze Amstelkop bleek, hun weer duidelijker eigen. Die linksche kop, 
(h. 7 cm.) waarvan er vier in de verzameling zijn, is zelfs wat zwaar, 
wat heel solied geplant in een wellicht wat al te veilig-diepe schotel. 
Maar overigens hoe melk-wit is deze pate waarop het zware blauw van 
den rand, het kleurige... der beide verbonden wapens zoo glanzend uit- 
komt ! En die gedekselde kop, (h. 9 cm.) waarop in grijs de buste van 
Gellert, den Duitschen dichter uit de xvui^ eeuw, is geschilderd, ver- 
toont een zelfde karakter van Hollandschèn eenvoud en evenmaat. De 
kleuren, bleek-groen, rosé en grijs op den witten grond, zijn voortref- 
felijk gekozen en er is, bij alle kiesche terughoudendheid, allen 



215 



HET MUSEUM 

WILLET- 

HOLTHUYSEN 



schroom voor het uitspatlende en al te wijdsche, toch een volkomen 
goed besef van ornamenteele versiering, dat zich even goed te bewaren 
weet voor armoede en schraalheid, als voor de soms ietwat poenige 
pronkerigheid veler Duitsche producten. Deze beide Haagsche koppen 
met de Amstel-kop en het Loosdrechtsch blakertje geven wel een 
aardigen kijk op hetgeen de va'derlandsche kunstnijverheid in de laatste 
helft der xvni^ eeuw nog vermocht en hoe de goede tradities en eigen- 
schappen van versiering, die in het Delftsch aardewerk allengs verloren 
waren gegaan, bewaard bleven en tot het eind der eeuw toe triomfan- 
kelijk bleken in de porcelein-manufactuur. 

Na dien tijd ging alles teloor in de groote geestelijke en finantiêele 
verarming, die over de natie gekomen was en waaruit zij zich eerst 
na drie kwart eeuw eenigszins vermocht te herstellen. 

En hiermede meen ik het voornaamste over deze dingen wel ge- 
zegd te hebben. 

F. C. Jr. 




Fig. 8. Loosdrechtsche blaker (li. 6 '/t cm.] 
Museum Willet- Holthuysen, Amslerdnm). 



216 



KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



UIT AMSTERDAM 




ENTOONSTELLING 
VAN KUNSTWER- 
KEN,VERVAARI)IGD 
DOOR LEDEN DER 
MAATSCHAPPIJ 
ARTI ET AMICITL*: 
Neen we hebben 



het vroeger al eens moeten zeggen een 
ledententoonslelling van Arti is nu een- 
maal niet voor de fijnproevers. Daar- 
voor kan men het bestuur niet aanspra- 
kelijk stellen. Het bestuur is in een 
eenigszins afgepaalde positie. Ware het 
minder gastvrij, tien tegen één, dat er 
heelwat leden zouden bedanken en de 
materiéele belangen der maatschappij 
gevaar zouden loopen. Verbetering in 
den toestand zou uitsluitend van den 
kant der leden verwacht moeten wor- 
den en daar is toch al bedroefd weinig 
kans op. Zelfkritiek is zulk een bitter 
gerecht; slechts de grooten en sterken 
verdragen hel, de zwakken en kleinen 
missen het liefst op den dagelijkschen 
disch. - 

We mogen al blij zijn, dal de schilders 
van 'l echlc bloed hun inzendingen niet 
staken uil vrees voor minder wenschc- 
lijke entourage van matigs en afgc- 
zaagds. Zoo blijft er ten minste toch nog 
een attractie, blijft er iels verrassends 
aan deze tentoonstellingen. 

Op een apart schot, ruggelings tegen 
een goede watervcrfleekening van Pog- 
genbeck aan, hangt Jan Vclh's portret 
van Mr. Vening Meinesz. Het is een der 
rustpunten, waarheen men, na telkens 
manmoedig hervatte wandelingen, te- 
rugkeert, waar men lang voor kan blij- 
ven zitten en waarover men zonder 
mankeeren aan 't mijmeren raakt. 

Boeiend-fatsoenlij k, respectabel-erns- 



tig is dit konterfeitsel van den oud- 
burgemeesler. Zóó heeft Amsterdam 
dien man gekend, zóó heeft men hem 
onverstoorbaar achter de groene tafel 
zien zillen Dat is die door geen wei- 
willenden glimlach vergemeenzaam- 
de physiognomie, waarop slechts offi- 
ciéele korrektheid en beslist gehand- 
haafd gezag den onuitwischbaren stem- 
pel drukten. Nog ééns voor *t laatst 
zetelt de grijze voorzitter in zijn gewone 
werk-omgeving; maar de vroeger bezige 
handen, die den hamer voerden, of 
papieren schikten, liggen nu rustig in 
den schoot. Bij al het gewone is er 
daardoor toch iets zeer bijzonders in 
deze houding van rust te midden der 
ambts-attributcn in de sfeer der besogne. 
En ziet men langer toe, dan is het of 
door dat strakke, welbekende masker 
dezen keer ook nog iets anders straalt, 
dan de kille hoogheid van den publieken 
ambtenaar, alsof er dieper innerlijkheid 
treurt uit dien doffen blik, of ongewone 
ontroering huivert langs die, anders van 
krachtig zelfbedwang getuigende, ka- 
ken. Is het de bekommerde overweging 
van den oud-magistraat, die zorgelijk 
terug en bijkans angstig vooruit ziet, 
als de oude stuurman, die het roer 
dat hij dagelijks te hanteeren plag 
noode heeft losgelaten ? Het ligt er niet 
dik op, maar het schuilt er in en het 
schijnt óf van dat geresigneerde gezicht, 
zóó dat ieder het vinden kan, ook al 
weet hij niets van den geportretteerde. 
Het is te lezen en bij even toeven te 
ontraadselen voor elk, die gewoon is 
menschen nog om iets anders gade te 
slaan dan om de kleur hunner oogen 
of de coupe van hun jas. Het wezen der 
ziel binnen die leven acleerende mensch- 
pop is met zekeren blik erkend en in 
onvermoeibaar pogen weergegeven. Aan 



KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT AMSTERDAM 



217 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



een zeer hoogen eisch dien men een 
porlrelschilder slellen kan, dat hij blijk 
geve de teekentaai der gelaatstrekken 
als zijn eigene te verstaan, is voldaan. 
Naar het geestelijke gaat dit portret 
buitengewoon diep. Zoo positief, over 
alle hindernissen der weerbarstige ma- 
terie heen, op een karakteruitbeelding 
afsturen, kan slechts een artiest van 
hooge cultuur en eminente zelfkritiek. 
Snel gegroeid, in de jubelende weelde 
van een extatischen scheppingsroes tot 
lillend leven gewekt, is dit werk niet. 
Onder de beeltenissen wier schoon 
bovenal in de glansrijke interpretatie 
van het stofTelijke gelegen is zou men 
het niet kunnen rangschikken. Op groo- 
ten afstand gezien smelten de blanke 
vleeschpartijen en het grijze haar nog 
wel tot een blinkende, fljngetemperde 
eenheid saam, in nobele contrasten 
klinkend tegen het donker loodgrijs van 
den wand ; maar gaat men er dichter 
bij tot op twee drie pas — een afstand 
wel vereischt om alle onderdeden van 
een zoo bewerkt portret goed te onder- 
kennen — dan valt die deftige gebon- 
denheid uitéén tot een geschuif van 
toetsjes en vegen. De vlakken schijnen 
nagenoeg nergens strak en glad, al is 
dit soms kennelijkde bedoeling geweest; 
langzaam, onder geduldig opeenstape- 
len van dunne verfkorstjes is alles tot 
een bladerige, weinig smijdige pAle 
geacheveerd. Naarstig zoeken meer en 
secuur benaderen, dan argeloos vinden ; 
delermineeren veeleer, dan instinctief 
vallen; kortom een makelij, hoesavant 
ook, toch mei zooveel moeilijks, dat ze bij 
een vergelijking met de factuur van een 
of anderen ouden Hollander licht niel 
mee zou vallen. Zeer zeker is Hil portret 
niet wat in alelier-slang iieet lekker ge- 
schilderd ; maar wel met zuiveren 
smaak en zeer fijn gevoel gearrangeerd 
en met groole liefde in alle deelen be- 
handeld. Van hooger inensclielijke en 
historische dan van picturale waarde 
verdient hel toch altij.i onmiddellijk in 
de nabijheid van het beste genoemd te 
worden. 

Een sprank van de goddelijke vrijheid 
die werken in scheppen verkeert en het 
zou volkomen zijn. Zal de schilder zelve 
nog een nieuwe periode mogen beleven 
als de oogst na het ploegen en zaaien? 



Of zal een volger, woekerend met dit 
hem in den schoot geworpen bezit, de 
stroefheid overwinnen? 

Voor de zooveelste maal zoekend 
naar een evenknie van Jan Veth in 
de geschiedenis, dachten we, niet aan 
Holbein wiens email-achtige oppervlak- 
ken den hoveling en ook altijd nog den 
middeleeuwer karakteriseeren, niet aan 
Nicolaes Elias of Thomas de Keyser met 
hun vloeiender en bloeiender schilder- 
wijze, noch aan één, der bekende xix^ 
eeuwers van het vak, 't zij Whistier, 
Watts of Lenbach; eigenlijk dachten 
we in 't geheel niet aan een schilder, 
maar aan den man wien het rusteloos 
streven naar de waarheid liever was, 
dan haar rustig bezit en die het schoon- 
ste en rijpste van zijn oeuvre voor een 
groot deel dankte aan eigen inzicht, 
wijsheid en ijver; we dachten aan dien 
littcrairen minnaar der kunsten met 
zijn zelden geëvenaarde werkkracht, 
aan G. E. Lessing. 

— Na deze breedvoerig uitgevallen 
notitie over één schilderij van een 
artiest wiens oprecht werk meestal met 
eenige beleefde zinnetjes wordt afge- 
daan, moeten we voor al 't overige kort 
zijn.(*) Wat baat ook het opsommen van 
vele stukken, beter noch slechter dan 
men verwachten kon ; waartoe dient 
het releveeren van de grooler of minder 
groote handigheid waarmee efilecten 
bereikt zijn, als geen hevige ontroering 
beefde in de werkende hand ? Waartoe 
onderling vergelijken, als er geen nieuw 
inzicht wordt geopend ? Voor de dag- 
bladpers kan dit van belang i^ijn, op 
eenige blijvende waarde mag het geen 
aanspraak maken. Zoo noem ik hier 
van de oudere garde slechts Tholen's 
blauw -zilveren Zomernachlj die zoo 
zuchte-stil gestemd is en alleen door de 
strcelen<le gladde schilderwijze op den 
duur eenigszins doet denken aan som- 
mige amatcur-folos, welke om 't quasi 

{•) Dit nrtikel was reeds ter perse toen in 
• De XX»" Eeuw » een waardeering van Jan Veth's 
werk verscheen uit de pen van den heer A. Pit. 
Verre van de hier bovengenoemde beleefdheids- 
phrases, is hier een studie gegeven zoo juist en 
rank, zoo onomwonden en ernstig, zoo kritisch 
en toch vol hartelijkheid en respect, dat de schil- 
der zelve er vermoedelijk meer mee In zijn schik 
zal zijn dat een honderdtal ephemere kranten- 
stukjes. 



218 



schilderij-aspect in zulke vage blauwe 
tinlen afgedrukt worden. 

— Van de minder onzelfstandige na- 
turen onder de jongeren vermeld ik bij 
elkaar : Dooyewaard, Langeveld en van 
der Ven. 

De eerste is niet 3 nummers vertegen- 
woordigd, alle drie vol en vast van toon 
en bij brokken van kranige schildering, 
't Beste lijkt mij een lange dame in 't 
zwart op 7 punt van uitgaan voor den 
spiegel; al geloof ik niet, dat ze er even- 
zoo zou uitgezien hebben als Breilner 
nooit had geleefd. Langeveld heeft een 
mooi gezien en habiel saamgeiiouden 
geval van een donkerbeschaduwden 
bongerd met een boerenhuis op den 
achtergrond, en een Larensch binnen- 
huis met veel persoonlijks, maar door 
een kras paarsch gordijn voor de bed- 
stee niol volkomen in harmonie. Bij van 
der Ven denk ik aan zijn deilig avond- 
landschap, met de donkere kap van een 
molen, groot uitrijzend boven het vèr 
gestrekte lage land, dat meer en meer 
wegbruint in sluiers van schemerrook. 
Dan moet W. E. Roelofs genoemd wor- 
den, wiens vischstilleven zoo bedre- 
ven van handeling is ; geteekend naar 
nauwkeurige studie, en op zichzelf 
al geschikt met zoo gelukkige intuïtie, 
dat alles schijnt mee te helpen om 
ons dit zilverende hoopje in vollen 
werkelijkheidsglans frisch en nat vet 
en glibberig tot een begeerlijke, oogen- 
spijs te maken. Roelofs' talent moge 
vooralsnog veel aan Vollon te danken 
hebben, het schijnt heel veel te beloven. 
Mocht zulk een vaardigheid gesteund 
worden door wijs beleid, mocht dit 
onmiskenbaar schilderstemperament 
een diepere beschaving, een rijp ge- 
voelsleven tot ondergrond hebben, 
dan zal deze inzending de bescheiden 
voorbode van iets zeer hoogs kunnen 
zijn. Verder herinner ik me nog een 
verdienstelijk portret in waterverf van 
Cohen Gosschalk, dat bij alle zakelijk- 
heid levend en bewegelijk gebleven was, 
alhoewel wat onnoodig strak gecon- 
toureerd en van Hart Nibbrig eindelijk, 
die lang geen nieuweling meer is, een 
paar mooibewerkte serieuze schilde- 
rijtjes. In zijn heldere manier, onder 
vermijding van de schreeuwerige kuns- 
ten die velen het pointilleeren voor 



altijd onverdragelijk gemaakt hebben, 
heeft hij hier ernstig gestreefd naar 
een zonnevoU^, stralende schoonheid. 
— Zoo was er bij lang zoeken nog wel 
't een en ander; maar daarna kwam 
weer die, jaarlijks griezelig aangroeien- 
de, schare van Ncuhuysianen, Marissers 
en Mauvenisten, benevens nog eenige 
ongepast luidruchtigen wier namen 
maar 't best verzwegen worden en wier 
werk hoogstens kan dienen om later 
stof te leveren aan het nimmer uitster- 
vende ras der snufTelaars. Men schrijft 
immers nu zelfs wel over de imitatoren 
van Cornelis Poelenburgh. 

-*^^ *d^ *<3^^ «^— ' fc*^— Kl^ <<1^ Kl^Kl^Kl^ 

a^ ag^ sg^ g^g^ 5g^ a^ag^ag^ag^ 

BIJ VAN WISSELINGH was een kleine 
expositie van gebruikskunst. Een tapijt 
meubelen, marmer-mozaieken en enkele 
ander voorwerpen ontworpen door en 
uitgevoerd onder toezicht van T. Nieu- 
wenhuis. Het is een feest van de hooge 
luxe. Met alle middelen, kostbare hout- 
soorten, steek- en inlegwerk, gegra- 
veerde en geétste metaalmonteeringen 
enz. is hier een aristokratische pracht 
gecreëerd, die zich met die van den 18**® 
eeuwschen inventaris, zonderde minste 
verwantschap nochthans, kan meten. 
Zonder te leenen van den historischen 
rom meizolder, ook zonder ziekelijk- 
overdreven zucht naar origineele mo- 
dellen, waardoor gemeenlijk de eenvou- 
digste dingen tot modern-individueele 
onbruikbaarheden worden verwrongen, 
is hier iets zeer aparts verkregen. En al 
is het er duidelijk aan te zien, dat men 
met dure waar te doen heeft, toch zijn 
deze meubels — ik noem vooral een 
kastje met glazen deuren — van stem- 
mige rust. Geen pathos van plechtsta- 
tigheid, als sommige buitenlandsche 
Ausstattungs-künsUer^ vertoon en maar 
gedegen deftigheid verkondigt dit en- 
semble. De werkplaatsen van de firma 
van Wisselingh kan men niet met andere 
inrichtingen op dit gebied vergelijken. 
Hier komt het woord meubelindustrie 
in 't geheel niet te pas. Wat ons wordt 
voorgezet is zooveel mogelijk handwerk 
van de hoogste soort; het is, zoover dat 
in deze materie kan, het werk van den 
artiest zelve, waar hij het niet zelf in 
de hand heeft gehad, stonden toch zijn 
helpers onder zijn directe controle en 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT AMSTERDAM 



219 



KUNST- 
BERICHTEN 

UIT AMSTERDAM 



7.00 blijft dus het resullaat aan hem, 
zoo goed als de maniiergroep hel werk 
van den beeldhouwer blijft, ook al heeft 
niet hij alleen er aan gebeiteld. Wat we 
hier zien zijn unica, iedei* met eigen 
wordingsgeschiedenis als een schilderij, 
steeds verder opgevoerd, gecorrigeerd, 
met liefde versierd en met uiterste 
nauwgezetheid tot in de minste onder- 
deden verzorgd Geen riggei onacht- 
zaam behandeld, geen schot, ook al is 
't niet in 't gezicht, zonder gepaste af- 
werking. Werkelijk een achevé, dat zelfs 
oudere europeesche meubels niet had- 
den, dat hoogstens de Japanners hebben 
gekend. ledere moet van den beitel in het 
ingewikkeld è jour vertelt van de gevoe- 
lige hand van den maker, ieder spik- 
keltje ivoor van de decoratie bewijsi 
zijn geéleveer<len smaak. De zwarte 
deurtjes van een kastje zijn zoo verfijnd 
geornamenteerd met een symetriscli stel 
van ijle, witte bloessemtrossen, bij alle 
strakheid van 't geheel, zoo lustig neer- 
geregend en zoo vrij van alle quasi- 
japanschen flair, dat de bezitter van dit 
meubel een c» objet d'art » van den hoog- 
sten rang rijk is. — Had ik ruimte, ik zou 
liefst alle voorwerpen in volgorde be- 
spreken, maar ik moet me tevreden 
stellen met deze korte aanduiding van 
het hier heerschend principe en met 
het uitspreken van den wensch nog eens 
aan de hand van vele goede reproducties 
afzonderlijk op Nieuwenhuis' kunst 
terug te komen. Tegenover het buiten- 
land, dat, naast allen lof over de nieuwe 
beweging in onze gebruikskunst, toch 
zoo nu en dan eens met het verwijt 
aankomt, dat de Hollanders geen talent 
hebben voor het hooger genre van hel 
verfijnde werkstuk, hebben we hier een 
deugdelijk bewijs van het tegendeel. 
Het strekt, dunkt me, den heer Nieu- 
wenhuis en zijn geestverwanten tol eer, 
dat zij zich in weerwil van hun aan den 
dag gelegd persoonlijk talent toch overal 
blijven schikken naar de gewichtigste 
praktische eischen van hel meubel en 
dat hun beschaafde ingetogenheid hen 
heeft afgehouden van alle reclameach- 
tige bizarrerie. 

Wil men al het mooie echt genieten 
en ten volle waardeeren dan moet men 
met toewijding en liefde de soms weinig 
opvallende versiering willen volgen. 



Men moet iets voelen voor de hooge 
technische eigenschappen van de hout- 
bewerking. Gemakkelijk te< verteren 
kost voor een groot pupliek is het niet, 
maar een kostelijk smullen voor den 
echten liet hebber. Geen meubels in 
gewonen zin; maar prachtstukken voor 
de inrichting van een verzamelaar. 

En is dit nu bij uitstek hollandsch ? 
zal men vragen. In toepassing, in den 
aard van 'I werk, (b.v de nimmer dorre, 
altijd smijdige, haast schilderachtig 
malsche uitvoering van snij- en sleek- 
werk) in de matigheid der ornamentalie, 
de soberheid in 't aanbrengen van be- 
slag, zeker wél; in de tegenstelling 
der kleuren eveneens ; maar in de 
complicatie der è jourornamenten, de 
aanwending van ivoor, goud en geelst 
metaal is — op 't eerste gezicht ten 
minste— ook ietsoostersch, ietsarabisch 
en japansch. En dat kan niet verwon- 
derlijk zijn, als men bedenkt hoeveel 
juist technisch van het Oosten te leeren 
viel en hoe er ten slotte, wal men ook 
make, altijd wel iets gelijksoortigs op 
's werelds rond te vinden is. Dit moet 
echter gezegd worden, meer dan de 
algemeene Anregimg uit den vreemde 
is niet te constateeren ; naar beslist 
eigen beginsels en met europeesch 
gevoel is alles verwerkt. Over het ge- 
heel een mooie tentoonstelling. Aan- 
merkingen op détails passen niet in dit 
kader ; op de marmor-mozaieken zou 
anders misschien wel wat te zeggen zijn. 

^^^^^^^^^^^ 

'T BINNENHUIS had een étalage van 
metaalwerken van Amstelhoek. Naast 
vele bekende modellen was er ook vrij 
veel nieuws, ongemeen van vorm en zeer 
prijzenswaardig afgewerkt. De ziluer- 
uilrine omsloot het belangrijkste deel. 
Sedert de laatste tentoonstellingen is 
hierin werkelijk vooruitgang naar den 
kant van meerdere fijnheid. Vergelijkt 
men de enkele oude voorwerpen, als 
de kandelaars en i\en parapluieknop^ met 
de latere exemplaren dan blijkt veel, 
wat toen al aardig scheen, toch nog 
maar onbekookt probeeren geweest te 
zijn. Van een geestige vinding, een ferm 
contrast beloofde men zich toen te 
veel ; nu is alles edeler van bouw, pre- 
cieuser van versiering, gaver van slof- 



220 



bchaiuieling. Kr is dus beslist technisch 
veel gewonnen, en hoewel de variëteit 
der motieven altijd nog beperkt is ge- 
bleven, als steunend op één vast sys- 
teem, is de schat toch met vele gelukkig 
gevonden oplossingen verrijkt. 

Onder het beste van 't nieuwe werk 
stip ik aan : 

No 87. Een Iheebus, Glad trommeltje 
met afgeronde hoeken. Geen andere 
versiering dan de scharnieren, het slui- 
tingje en een sterretje van wit en don- 
kerblauw émail op den deksel. Om de 
voorname verhoudingen en de bekoor- 
lijke werking van dat scherp starrelende 
kleurvlekjc tegen het gladde zilver was 
het geheel zoo charmant, dat ik, de 
relatief lage prijs in aanmerking geno- 
men, niet begrijp hoe hel niet reeds op 
den dag der opening verkocht was. 

No 93. Ken cylindrisch krislallen flacon 
met rechlen zilveren slop en decor van 
groen en wilte blokjesfiguren. 

Verder : aardige zoutvaatjes, broches 
met steenen en émail. In combinatie 
ook, minder gelukkig toegepast, email 
op gedreven zilveren broches, wat on- 
gelijk en blikkerig van oppervlak (n*" 111 
en 112). Een prettige bemoedigende 
collectie. 

^r^^rti-» ^nin ^rti-» ^nin ^Hi-» ^^t^ ^rtj» ^Tti-» ^^tSi 

OP DE KÜNSTZAAL V. v. GOCH was 
een serie van teekeningcn (zwartkrijt, 
waterverf en pastel) van den kosmopo- 
litisch getinten Genard Muller, Er is zeer 
zeker veel handigheid bewezen in die 
natgeschilderde aquarellen. Die vrou- 
wenkoppen, halzen en armen, die glazen 
en bakken van krystal, die meloenen, 
druiven, citroenen, lelies, primutas, zijn 
allé met hetzelfde flair gedaan ; maar 
houdt dit heele kleurenfeest bij lan- 
ger toezien wel stand ? Volgt er niet 
eene ontnuchtering ? En gaat het ten 
slotte niet te ver als Th. de Bock in 
zijn welwillende voorrede op den cata- 
logus zegt : « Toch is hij ras-Hollander 
gebleven en is evenals de oud-Delftsche 
plateelbakkers, die zich veel inspireer- 
den op het Japansch en Chineesch 
decor, onmiddellijk als Hollandsch 
kunstenaar kenbaar? » Dit werk is in 
werkelijkheid zoo enkel handig en op- 
pervlakkig behaagziek, dat ik de over- 
eenkomst met hollaudsche peiutuur 




hoogstens in de natvloeiende aquarel- KUNST- 
techniek kan vinden Meer voor een pppTptrTïTM 
fabriek van bonbondoozen of voor t>fc-mi.H 1 t.JN 
waaierbeschildering, dan om het als UIT AMSTERDAM 
schilders-opus au sérieux Ie nemen. 
Knapheid in dienst van een te wuft ge- 
moed zou men zeggen ! 
Mei W. V. 

*0,^ *^^ *Cl^ «^^ *^^ *^^ *<l^ *^^ *C^ *<X^ 

58^ Jg^'j^o^ Jg^Jg^'j^ 'j^a^Sg^ 

UIT BRUSSEL = 

|N HET KUNSTVER- UIT BRUSSEL 
BOND werd van 30 
Maart tot 8 April een 
tentoonstelling van 
werken van Jan Gou- 
weloos en Paul Ma- 
Ihieu gehouden, wel- 
ke tot de mooiste en belangwekkendste 

van dit jaar mag gerekend worden. 
Gouweloos exposeerde een twintigtal 

zeer verscheiden werken, die getuigenis 

afleggen van zijn rijke begaafdheid, 

gesteund door zijn groote technische 

vaardigheid en degelijke virtuositeit. 

Portretlen, landschappen, zeegezichten, 

bosschen en vlakten, naaktstudies en 

genrestukken, hoekjes uit ons land en 

uit den vreemde. — Gouweloos ziel, 

gevoelt en verwekt dit alles met dezelfde 

vlijt en hetzelfde talent. Toch zijn er 

enkele doeken waaraan ik de voorkeur 

geef, en die niet enkel den stempel dra- 
gen van een bestagen technicus, maar 

ook van een diep en ernstig kunstenaar, 

van een dichter, van een schilder uit 

den bloede. Met zijn Kind alleen reeds 

zou Gouweloos zijn plaats in de voorste 

rij onzer figuurschilders hebben ver- 
overd. Dit is inderdaad hoogere kunst, 

dit kleine kindje, in zijn teedere onschul- 
dige naaktheid, rozig, gezond, mollig — 

door de moeder, welke men van ter- 
zijde ziet, den toeschouwer als het ware 

ter bewondering voorgehou<len. Dit 

schilderij is voortreffelijk samengesteld ; 

stijl en sentiment verhelfen er zich tot 

een hoogte die denken doet aan de 

meest aangrijpende voorstellingen der 

Aanbidding of der IL Familie, En hoe is 

dit geschilderd ! Het kind — dat van den 

schilder zelf— herinnert door de factuur 

aan de beste Hollanders ; een waar 

museumstuk. Buiten dit bewonderens- 
waardig schilderij, vermeld ik nog als 

van allereersten rang een untte schuil en 



XXVII 



221 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT BRUSSEL 



in de schuil — lierinr.eringen vaii Coni- 
pièj»iie - Iwce heerlijke barcaroUen, 
van fialanl romantisme, met een zeker 
Walleau-achlig lintje van droomerij 
en elegantie, vooral in de dame met 
haar kleed van pompadour-kleuren, 
arislocralisch in haar schuitje gezeten. 
De lioudi!:g van dit vrouwtje is prach- 
tig gevonden ! En, nogmaals, wat pittige 
schildering ; zoo, b. v. om nu alleen 
maar van dit stuk te spreken, hoe won- 
derbaar is de behandeling van den 
weerschijn van hel schuitje in hel don- 
kergroene water - weerschijn die 
tevens door de schaduw van het vaar- 
tuig en de doodsche kleur van den 
vijver verdonkerd wordt. 

Paul Mathieu heeft zich als meester- 
landschapschilder doen gelden Hij 
beschikt over een zekere en eerlijke 
techniek, welke hij loepast op het weer- 
geven van indrukken van tcedere en 
hoogsl voorname, haasl aristocratische 
poëzie. In zijne landschappen vindt men 
nóch geweld, nóch hartstocht, maar 
toch gaat er een hinig gevoel van uit ; 
zij leggen getuigenis af van het hooge 
genot dat de kunstenaar smaakte door 
hen uit te kiezen, te aanschouwen, te 
streelen. Zijn aandoening is verfijnd, ik 
zou haast zeggen beredeneerd en ver- 
standelijk; hij is geen brutaal of bar- 
baarsch overvloeiend lyrisch bewonde- 
raar van de natuur, maareen aanbidder 
die als fijnproever de heerlijkheden 
onzer Vlaamschc gouwen geniet en 
wieii geen enkel tintje, geen momentje, 
hoe vluchtig of teer hel ook zij, ontgaat, 
een dichter die een buitengewoon mees- 
ter is in de behandeling en die bij uit- 
nemendheid in staat is een trillend en 
doordringend fluidium te doen uilgaan 
van de oogenschijnlijk meest kalme en 
gewone landschapjes. Vooral de Kempen 
trekken hem aan. Paul Mathieu is er in 
geslaagd ons de Kempen op heel nieuwe, 
onverwachte wijze te doen zien. Na de 
tragische of spookachtige heidegezich- 
ten van een Heymans, een Coosemans, 
eenVerslracte en zoovele anderen, heeft 
hij als het ware een nieuwe zijde van 
de Kempen ontdekt : de kalme, droome- 
rige Kempen, waarvan de weemoecl 
nooit tol wanhoop overslaat, en waar- 
van de ellende allijd door een straaltje 
hoop verhelderd wordt. Vandaar iels 



rustigs, aantrekkelijks en zalvends dat 
ons lang doet stilstaan voor de doeken 
van dezen teederen en oprechten kuns- 
tenaar. Vraag hem geen groote harts- 
tocht, geen aangrijpende ontboezemin- 
gen—neen, hij geeft enkel doordrin 
gende poëzie, van een wonderbaar 
egale, gematigde en versmolten uiting, 
juist treffend als van iemand die niet 
zeer luid zingt maar waarvan de heer- 
lijk klinkende stem alle hulpmiddelen 
van ile voordracht machtig is en in een 
eenvoudig lied van Schumann inniger 
en misschien duurzamer aandoening 
kan leggen dan een tooneel-tenor of 
soprano uit een daverend recitalif van 
Wagner. 

Mathieu exposeerde een vijftiental 
doeken in het Kunstverbond — bijna 
alle gezichten uit de Kempen, op alle 
uren, in alle jaargetijden, uitmuntend 
vooral door bewonderenswaardige ge- 
zichleinders, vergczichicn waarin men 
zich verdiept en verdwaalt als onder de 
macht van een onweerstaanbaar mag- 
netisme. Zoo b.v. herinnert ons Stille 
Avond de kostbaarste uren van ons 
leven, van die uren zoo zoel om te be- 
zwijken, zooals een dichter gezegd 
heeft. In al deze doeken, ik herhaal het, 
vindt men naast een meesterlijke tech- 
niek een teeder gevoel door onze land- 
schapschilderschool zelden bereikt, en 
eigenlijk nooit nagestreefd. P, Mathieu 
heeft daarom dan ook een tot nu toe 
om zoo te zeggen open plaats ingeno- 
men, tussciien onze zoo talrijke en 
dikwijls zoo verdienstelijke laiidschap- 
schilders. 

^r/ Jules Merckaert heeft verleden 
maand in zijn werkplaatseen zeer mooi 
landschap tentoongesteld uit de om- 
streken van Schaerbeek van zoo vreemd 
en aangrijpend karakter en waarvan 
de jonge schilder de stijl zoo pittig en 
krachtig gevoeld en gevat heeft. Dit 
stuk waarop een laan tusschen moes- 
velden is voorgesteld met een waarlijk 
vloeiend-blauwe lucht — een stralende 
hemel zooals de schilderij betiteld is — 
zal op het aanstaande Salon te Brussel 
worden ingezonden, en daj r ongetwij- 
feld opgang maken Verder zagen we 
nog verscheiden kranige landschap- 
pen, waarop zekere holle weg was 
afgebeeld uit de omstreken van het 



222 



oude Schacrbeek, waar de kunstenaar 
zoo bizonder veel van houdt, en waar 
hij de aantrekkelijke, eeni^szins som- 
bere kleur op de verschillende uren 
van den dag heeft weergegeven Het 
ware zeer Ie wenschen dal hel bestuur 
van een zoo belangrijke gemeente als 
Schaerbeek eenige werken van Merck- 
aert aankocht ; nooit zullen die lol 
verdwijnen gedoemde hoekjes nog met 
evenveel toewijding en in zoo juislen, 
gepaslen en plaatselijken loon geschil- 
derd worden. 

G. E 



UIT DEN HAAG 




rijkheid 
Roelofs, 
Thérèse 



lULCHRI STUDIO > 
GR O KP ENTEN- 
TOONSTELLINGEN 
Cy^ SERIE y 15-19 
APRIL >c^ Zij, wier 
werk aan cleze expo- 
sitie eenige belang- 
geeft, zijn Blommers, Albert 
Roermeester, Schregel en 
Schwartze. Blommers' inzen- 
ding is, als zoodanig, eenc teleurstelling. 
Zij bestaat uit een groot doek : Garnalen' 
visscher, geflankeerd door twee studies. 
En nu mag de schilder mei hel vol- 
looien van het eerste aan zijne luminis- 
tische, coloristische en tonalislische 
neigingen voldaan hebben, hij mag in 
hel eene sludielje een groolsch natuur- 
gezicht hebben willen verheerlijkt zien 
en in het andere (tegen de zon ingezien) 
een dieper en dichlerlijker zin geloond 
hebben... het is bij dit al niet Blommers 
zooals we dien verwacht hadden. Was 
er geen ander werk bij de hand, geen 
binnenhuis b v. om deze inzending te 
completeeren en den schilder te loonen 
van een kant welke sommigen nog het 
liefst van hem kennen? We zagen on- 
la. .gs van hem een binnenhuisje, dat 
naar hel heette van jongen datum was, 
en dal we hier ter plaatse wel eene ve» - 
melding waard achten. Het was Blom- 
mers, wellicht niet op zijn zondags, 
maar door eene samenvatting van vele 
eigenschappen toch bijna wel op zijn 
volledigst. Of hel een aquarel was of een 
schilderij ben ik vergelen, zoo helder 
staat mij nog het wezenlijke van dit 



geval voor den geest, maar het is moge- KUNST- 
lijk dat hij ze allebei gemaakt heell Er BERICHTEN 
was hier in deze lonige binnenhuis- ^jiT BRUSSEL 
atmosfeer speling van haardvuur en 
builen-licht door deurkier en vensier, 
hier en daar getemperd door ragge 
schaduw-schemer en rook van vuur en 
pijp. Het had de gemoedelijkheid van 
een Israëls, zonder in de versie verte 
ook maar een Israëls te zijn. Er was in 
het geheel eene verdoken joligheid die 
losgelaten, losgebarsten scheen in de 
schildering van dien vuurbeschenen 
geel-rossen, rookenden, half-voolijken 
mannekop. Er ging door hel geheel een 
geadem van leven en de vagelijk aange- 
duidde dingen schenen er in hel onwe- 
zenlijke een zoo wezenlijk beslaan te 
leiden, dat het mij somwijlen wil voor- UIT DEN HAAG 
komen als was dil alles geen schildering, 
maar eene levende droom geworden 
werkelijkheid, zoo als ik die wel eens 
moet hebben bijgewoond. Iemand dil 
bij te brengen, een aiuleren mensch in 
dezen waan Ie laten, al is zij van eene 
telkens gaande en komende tijdelijk- 
heid, is een der wezentlijkste dingen 
waartoe een schilder kan komen. 

Ik wil nu dil de waarde van een 
weidsch gezicht als het op deze expo- 
sitie aanwezige doek van Blommers is, 
niet verkleinen. Ik heb er wel degelijk 
die bizondere bekoring van on((ergaan 
die eene samenvatting van luministische, 
coloristische en tonalislische neigingen 
te weeg kan brengen en ten slotte blijkt 
ook dil werk hel meest beteekenende 
van alle deze geëxposeerde te zijn, door 
dal hel op de in aanleg meest ware 
wijze de idee vertolkt. Hel blijft Blom- 
mers (in dil werk wil ik zelfs een goede 
Blommers zien), en diens individualiteit 
is nu eenmaal eene meer waardige. 

Men noemt hel werk van Thérèse 
Schwartze wel eens virluoze-werk. 
Maar wat is de techniek van een Rem- 
brandt, b. v. in de anatomische les van 
Deyman, nog oneindig bekwamer. Dat 
is eene virtuositeit die ontstelt door 
geheimzinnigheid van doen ; daar 
schijnt niets gewoon-menschelijks meer 
aan. Het is of het universum zelf deze 
geestelijke werkelijkheid opgebouwd 
heeft. Voor den aanschouwenden geest 
wordt in dil besef de techniek van een 
Kalf, Vermeer, Verlasquez of wien ge 



223 



KUNST. 
BERICHTh:N 
UIT DEN HAAG 



maar wilt, kleiner, bekrompener. Zelfs 
die duivelskuiislenaar Hnis, zooals die 
zich voordoet in zijn j^roej) regenten van 
het oude mannenhuis, de bij een voor 
dood-en-Ieven niet deinzende levens- 
houding, in een soms bijna verheven 
dwaasheid liet hoogste aanschouwen 
en pogen rakende techniek, deze tech- 
niek zelf van een tachtig-jarig man 
die nu al lang besefte dal zotheid en 
verhevenheid son)s elkaar beroeren, 
heeft niet dat goddelijk- onnaspeurbare, 
het ontzag-wekkende dat de techniek 
van Rembrandt kenmerkt. In diens 
werk, het mag geschilderd zijn in 
dronken vervoering, of in diepzinnige 
berusting, ademt het universum zelve. 
Hn hier licht ten slotte ook het besef op 
dat, die techniek welke niet bestuurd 
door warme of koelere, maar immer 
levende hartstocht, een schijnbaar knap- 
pe of eene doode techniek is dal hare 
grootte en ware knapheid bepaald 
wordt door de min of meerdere betee- 
kenis van het hare. bij wijs overleg 
besturende initiatieve gevoel. 

We hebben dus in dit werk van Th. 
Schwartze, behalve de beteekenis dal 
zich in de techniek eene goede traditie 
op zekere wijze handhaaft (wat ten allen 
tijde belangrijk kan zijn), te zoeken in 
hoeverre deze techniek (genomen in 
hare wijdste beteekenis) de draagster is 
van eene geestelijke verschijning, en 
daarnaar hare waarde te bepalen. Kn 
dan voelt men weldra dat al die habili- 
leit er eene enkele maai niet dan om 
haar zeltswil schijnt te zijn. Maar soms 
ook wordt het geheel der factuur le- 
vender en bewogen door edeler aan- 
drift. Dan maakt ze uitstekende por- 
tretten zooals ik er u een tweetal noem 
dat van een Jong meisje en dat van Mr. 
Kappeyne Van de Cappello In hel eer- 
ste en ook in een Mansportret vinden 
we eene levenshouding die eenigszins 
verwant is aan die van Mancini. 

Roermeester's inzending, met 't oog 
op zijne capaciteiten niet te belang- 
rijk, verheugt toch (als bijna im- 
mer) door de levens-sfeer waarin hij u 
brengt. Dit werk is gewoonlijk van 
eene weldadige warmte en van eene 
aangename gulheid. De techniek is, 
vooral van zeer dichtbij beschouwd, 
over 't algemeen solide, pittig en kern- 



achtig de penseelstreek. F'^n op haar 
rust een deel van de werking, die 
van zijne schilderijen uitgaat,- welke u 
meestal voeren in de omgeving van 
plassen, riet en wilgen en boere- of 
arbeiders-woningen, die 's daags stem- 
men door het harmonieuze hunner 
zich tot interessante en gesloten com- 
petities leenende verhoudingen en ook, 
als het donkert, door de omsluierende, 
transparante schaduw-partijen, waarin 
soms met intieme bekoring het schaar- 
sche lamplicht lonkt, of waarover de 
maan haar schemer-schijn giet en wei- 
felende glanzen spelen doet. 

Mancini is 't weer, wiens naam we 
fluisteren als we staan voor de interieurs 
van Albert Roelofs. Diens hoofdwerk 
In de rust zegt weinig meer dan dat 
zoo 'n opgave hem nog te machtig is. 
De kleinere stukken als Schetsje, 7 
Briefje, Spelend Kindje, Poesjes' ontbijt, 
en Spelend met een katje en ook de 
andere zijn volkomener. Er blijkt verder 
uit dit werk een pogen dat door oude 
Hollanders, maar ook door modernen 
als Neuhuys e. a., zelfs door Israéls, al 
aangegeven is. Maar waren deze alge- 
meener, Albert Roelofs schijnt te willen 
verfijnen wat zij in breeder opvatting 
gaven. Men bespeurt in Poesjes* ontbijt 
klcurhoedanigheden, in Spelend met een 
katje kwaliteiten van kleur-toon (deze 
ook in de gewoolijk in atmosfeer weg- 
doezelende kopjes der vrouwen-figuren) 
en in hei Schetsje, bij een geestig gespeel 
van toon-kleur, het vermogen van licht- 
werking, wat doet vernioeden dat bij 
positiever werkwijze nog beter werk 
verwacht kan worden. 

Juist die beshste manier van doen, 
doet bij overdrijving, Hernard Schre- 
gel's werk wel eens kwaad. Het Deurtje 
alleen heeft, behalve goede technische, 
die ideéele eigenschappen welke het in 
zijne soort tot een bijna volmaakt 
werkje stempelen. Van dezen schilder, 
wiens studieuze arbeid nu al langzamer- 
hand voldoende gewaardeerd wordt, 
mogen we nu ideceler opgevat werk 
beginnen te eischen. Er is van hem o. m. 
nog een Sprookjeshuis, dat duidelijk 
maakt wat hem nog ontbreekt Zijn 
stevige, maar soms te harde en een 
weinig ongevoelige streek, schiet te 
kort waar het luchtige, bewegende 



224 



moet uit geheeld worden. De bij dit 
Sprookjesluüs zwevende duiven zijn te 
zwaar, Ie massief van doen, in plaats 
van een stenimingwekkend, zijn ze nu 
een liinderlijk element geworden. Over 
't geheel is U overigens Schregel, die 
wel hel best voor den dag komt op deze 
van buitengewone dingen niet belang- 
rijke expositie. 

De overige inzenden zijn (alphabe- 
tisch» : Sterre de Jong (dit werk ken- 
merkt zich door een eenigszins sprook- 
jes-achtige opvatting, maar is te zwak). 
Jan van Rhijnen, Willem Roelofs (met 
o. m. een paar niet onverdienstelijke 
slillevensj PI. Sadée, F. Salberg, C. 
Schermer, M. Schildt en Willem J. 
Schütz. 

H.D.B. 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



UIT ROTTERDAM 



'^•i!^ 



,J?f?#%ïl 



fTTERDAMSCHE 
KUNSTKRING > 
TENTOONSTEL- 
LING VAN WERKEN 
VAN M. W. VAN DER 
VALK y 26 MAART- 
26 APRIL >o^ Een 
uitgebreide tentoonstelling van over de 
honderd nummers; schilderijen en schil- 
derstudies, teekeningen en eenige aqua- 
rellen. Van der Valk had, dunkt me, 
wijs gedaan, de studies een beetje te 
ziften, ook ter wille van de betere. Nu 
werkt de lange wand met al die uniform- 
omlijste paneeltjes, om de blijkens de 
geornamenteerde lijsten tot schilderij 
gepromoveerde, nog al vermoeiend ; er 
hangt te veel en niet alles is interessant 
genoeg. Men ziet wel: deze studie is 
hier, die dèèrom gedaan, zeker belang- 
wekkend voor de ontwikkeling van des 
schilders techniek, — maar te veel lee- 
ring in dit opzicht moet zelfs een afzon- 
derlijke tentoonstelling niet geven. Veel 
van dit werk is al te onèf, al bewondert 
men, wat er met een enkele smeer voor 
het oogenblikkelijk doel bereikt is; in 
andere dingen betreurt men, dat de 
stemming zoo weinig volgehouden is 
(het mooie moment b. v. van n^ 53, 
Aan den Sloleriveg) en sommige laten 
geen anderen indruk na, dan dat ze 
zoo gebarsten en doorgeslagen zijn. 



alsof de schilder zich niet altijd even- 
veel om de Chimie de lapeinlitre bekom- 
merde. 

Voor het overige, want dit is maar 
ee.i kleine bedenking, — zijn er krach- 
tige, goed-doorvoelde dingen genoeg. 
Daar is n© 1, het aanleggen van een 
nieuwe straat te Amsterdam, waar de 
hooge huurkazernen de polderwei gaan 
overgroeien. Het krachtige, bijna te helle 
voorjaarsgroen onder de wreed-lichte, 
onverschillige lucht is mooi gegeven. 
Er zit, ik weet niet wat voor dreinende, 
landerige stemming in : wat men altijd 
voelt aan den zoom van een groote stad, 
waar het land zijn karakter en lieflijk- 
heid verliezen gaat. Waardig wordt dit 
geflankeerd door een windstemming 
aan den Schinkel, Amsterdam (n^2), waar 
de regenslierten door de stormvlagen 
over het verbolgen water geveegd wor- 
den en door den zoo tonigen heikant 
te Scherpenzeel (n© 4), met zijn droo- 
merig-drijvende wolkjes in zacht blauw, UIT ROTTERDAM 
boven het warmkleurige, van zon gon- 
zende land. Aardige dingen zijn ook de 
Tuin (no 14) met zijn ongebroken groen, 
rood en blauw, frisch en pikant, en 
no 15 (Opkomend onweer), waarin de 
schrille tegenstelling tusschen het nog 
verlichte verschiet en de dreigende 
wolkmassa nog wel wal fijner kon ge- 
geven zijn. Van krasse contrasten houdt 
hij, van het staalblauw van door den 
wind opgezweepte plassen tegen vlak- 
verlicht straf-groen, — als dreef het 
platte land in hel ijle tusschen even- 
blauw water en lucht, van scherp- 
gesneden silhouetten tegen den lichten 
avondhemel Maar hij weet niet altijd 
te vermijden, hard te zijn. Zijn schadu- 
wen zijn soms zwaar en dik en veel te 
stoffelijk, als in n© 5, het gespeel van 
het licht door de lakken op een bosch- 
grond, waar in de schaduwen de lokale 
kleur geheel verloren gaat. En soms 
komen er bonte dingen voor den dag, 
als n" 27, de Tuinman^ woning en n» 1 
van de aquarellen (in den Polder), het 
laatste vooral. Omdat hij liever alles 
wil zijn dan slap. 

Sprekend van contrast zijn ook de 
Stillevens, afzonderlijk midden in de 
zaal, die deftig doen in hun donkere 
houten lijsten. (Waarom nog zooveel 
schilders boven deze de drukke gouden 



225 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT ROTTERDAM 



lijsten blijven verkiezen, is me een 
raadsel, de meeste doeken houden het 
tegen een eenvoudig-gcprofileerd don- 
ker kader veel beter uit). Deze bloemen 
en vruchten tegen donkere stoffen missen 
haar effect niet. Maar nauwer bekeken 
zijn ze niet altijd uit <ie verf, vooral de 
bloemen niet. Een uilzondering moet ik 
maken voor No 31, dat van een oud. 
Hollandsche degelijkheid is. Op een 
nikkelen of zilveren bord een enkele 
sappig-groene, glanzende peer. Daar- 
achter een karaf met water, legen een 
paars-neutrale fluweelen draperie. In 
den buik van de karaf, kristal-glad en 
rond, wordt de geheele kamer weer- 
kaatst, een gebroken wereld. Alles is 
vast en klaar gedaan en de zuiverheid 
van oppervlak lijdt niet door al die 
spiegelende reflexen. 

Van de Fransche dingen is N» 29, 
Binnenplaatsjes, A uers - sur - A iibe, ver- 
rassend delicaat van kleurstemming. 
De schaduwen zijn kostelijk blank en 
de stofuitdrukking van de poeierige 
zandsteen in de heet-lichte atfosmeer 
is uitstekend. 

Toch geeft al dit werk in olieverf een 
allesbehalve helder beeld noch van 
Van der Valk's kunnen, noch van de 
richting van zijn kunst. Zijn eigenlijke 
kracht zit in de teekeningen. Daarin 
bereikt hij zijn sterkste stemmingen. 
Stil en een weinig droomerig, met een 
lichte neiging naar het geheimzinnige. 
Kleine oazen van peinzende rust in het 
dichtbewoonde land. Hij vindt ze tot 
onder den rook van de groote stad, 
zooals die oude knotwilg (n» 15), een 
oude, waai de Amsterdamsche Wester- 
toren in het verschiet verrijst. Zijn fan- 
tasie heeft er een betooverd wezen van 
gemaakt, half-menschgedrocht, half- 
boom, als een ridicuul raadsel, een 
relikwie van eeuwen, staat hij daar aan 
den slootkant, terwijl achter de wei de 
nuchtere stad begint. 

Al deze teekeningen zijn van een ver- 
bazend geduld en uitvoerigheid, zonder 
dat het groote geheel daaronder verlo- 
ren gaat Hij teekent daikpannen en 
schoorsteen potten tot in het oneindige, 
lange rijen verschietboompjes, die als 
heele gelederen tegen den horizont ge- 
schaard slaan. Zoo N" 5, Achter de 
dubbele buurt, een kijk over het door 



arbeiderswoningen, schuttingen, sloten, 
wegen verbrokkelde lanci, N» 31, een 
zelfde onderwerp, zwarlkrijl-leekening 
op getint papier ; N** 32, Wiuler, waarin 
het popperige en kleine van al dat 
huizengedoe tegen de sneeuw nog ster- 
ker spreekt. Gewoonlijk zijn de kleuren 
met een streekje pastel aangegeven, 
soms zoo, dat hel de paslelteekening 
nadert ; de lage, gele wolkenbanken 
aan den horizonl blijven wel eens een 
beetje krijlig. Maar doorgaands bereikt 
hij met zijn eenvoudige middelen zeer 
veel. 

Zijn liefste moment is de avondsche- 
mering. Hel verloren tuinhoekje met 
den oudei. pereboom Ie Scherpenzeel 
(N" 1) krijgt dan een stille groolschheid 
en belangrijkheid, alsof het wonder wat 
was, aan den dijk langs een plasje 
(N" IG en 23) vindt hij idyllische plekjes 
(bijna zoetig !), als den ingang naar een 
paradijsje. Wal later is hel moment van 
hel effectvolle Avond te Scherpenzeel 
(No 2). Het kromme dorpsstraalje ver- 
breedt zich tot een beboomd pleintje, 
waaronder het duister begint te wor- 
den. In de lucht zijn een paar gouden 
strepen, de randen van wegt»ekkende 
buien, en alle natte keikoppen, alle 
druipende bladeren vangen sprankels 
van dal licht, een regen van vloeibaar 
goud overal, lale avondluisler na een 
troosteioozen regendag. Eenvoudiger 
gekregen zijn de dorpsbunrtjes in 
maanlicht (N" 22 en 28), mei hun fulpen 
grijze luchten. 

Van verscheidene karakteristieke 
boomstudies is de Wilgenboom (N» 3), 
wel de meest stemmingsvolle. Hier 
slaat de oude tronk als een uit honderd 
lichamen samengegroeid afgodsbeeld 
tegen de gouden lucht uil. Mooi spreekt 
daartegen hel geheimzinnige brons- 
groen van de wei, een zeer bijzondere 
kleur. 

Van de aquarellen dienen de stillevens 
(No 5 en 6), vermeld Ie worden, beide 
mooi vlot en sappig gedaan, vooral van 
het blauw-geémailleerde kannetje van 
N" 5 is het stof karakter, het geblutste, 
glimmende, knap gegeven. - Maar het 
aantrekkelijkst werk van de tentoon- 
stelling blijven de teekeningen. Ik heb 
hier en daar een greep moeten doen, 
doch onder het niel-besprokene is ge- 



226 



noeg. dat evenzeer de de moeite waard 
is. K\' is er bijna geen, die door een 
nuance van stemming niet wat eigens 
te zeggen lieeft. 

^^^^^^^^^^ 

ROTTERDAMSCHE VERKHNIGING 
« VOOR DE KUNST » > TIINTOON- 
STELLING VAN ANTIEK SMEED- 
\Vi':RK > IN DE ZAAL PRO PATRIA, 
VAN 11-20 APRIL 1903 /l^^ Overeen- 
komslig liet populair Icarakter dezer 
tentoonslellingen geeft de inleiding van 
den (*.atalogus een beknopt overziciit 
van <le de ijzerleciiniek in den loop der 
tijden, lot den ondergang van de sier- 
smeedkunst in bet begin der negen- 
tiende eeuw. toen bet industrialisnie 
het wanscbapen gegolen-ijzerornament 
in de plaals bracbt. 

Het was een goede gedaciile van de 
Vereening « Voor de Kunst • door het 
organiseeren van «leze tentoonstelling 
wal mooi werk uil <len bloeitijd van dit 
handwerk onder de oogen van velen Ie 
brenyen Een herlevend handwerk, 
maar dal nog altijd, meer dan andere, 
bij «Ie late nnddeleeuwen en de vroeg- 
renaissance te leer kan gaan. Want wel 
terecht noemen de Renaissance-poëlen 
hun eeuw de ijzeren, — al meenen zij 
hel symbolisch en naar klassiek voor- 
beeld. Smeedkunst als het hang- en 
sluitwerk door hel Museum van Kunst- 
nijverheid Ie Haarlem ingezonden, 
ciscleer-werk als van de sloten uit het 
Kaslcel Heeswijk afkomstig, waaron- 
der vooral exemplaren uil de Vroeg- 
Renaissance uitmunten, bewijzen op 
welk een hoogte hel vak in dien lijd 
stond. Een gesmeed ijzeren rooster, 
waarvan de slaven op wonderlijke wijze 
door elkaar gevlochten zijn, brengt de 
mannen van het vak in verbazing; de 
mooie, met ijzer beslagen koffertjes zijn 
van een bruikbaarheid en sierlijkheid, 
die nog uitkomt onder de laag roest en 
stof, waarmede de dingen bedekt zijn. 
En welk een gewichligheid moeten 
deze geweldige sloten niet verleend 
hebben aan de deuren, die zij dienden 
en versierden, en niel minder voorname 
voorwerpen — de sleutels, die het ge- 
heime mechaniek openden en sloten! 

Was de huis-smeedkunsl goed verte- 
genwoordigd op deze tentoonstelling, 



BERICHTEN 



het werk van den wapensmid miste men KUNST- 
er bijna geheel. En juist daarin pleegt 
zich steeds de kunst het best en rijkst te 
uiten. In de inzending van Jhr. Victor UIT ROTTERDAM 
de Stuers waren eenige pieken (xvii« 
eeuw) en een zeer eenvoudige lands- 
knechlrusling uit denzelfden tijd, van 
Jhr. Van Sypesteyn was o. a. een rad- 
slolgeweer, geheel van ijzer, (ingeko- 
men ;i maar dit weinige gaf geen denk- 
beeld van de weeMerige behandeling 
van het wapentuig uit dien tijd. 

Het Haarlemsche Museum had een 
paar moderne stukken ingezonden, 
waarvan vooral een plaat, met 4 phasen 
voor hel smeden van een kopje, door de 
krachtige en karakteristieke behande- 
ling trof 

Behalve de reeds genoemde waren 
inzendingen ingekomen van hel Haag- 
sche Museum van Kunstnijverheid, een 
zeer uitgebreide collectie, in bruikleen 
aldaar afgeslaan door den Heer J. A. 
Frederiks te Middelburg en kleinere 
van den Heer Hidde Nijland te Dor- 
drecht en den Heer H. J. Melis te Rot- 
terdam. 

KUNSTZAAL OLDENZEEL > MAAND 
APRIL yc-^ Het achlerzaaltje van dezen 
kunsthandel bood ditmaal een bijzonde** 
aangenaam aspect. Een ameublement 
van Pool (Werkplaatsen Onder den 
SI. Maarten)^ een praktische c-iuseuse 
met bijbehoorende stoelen en tafel, van 
donker notenhout met fijn-paars ge- 
streept trijp bekleed, maakte er een 
gezellig hoekje. Onder het overige 
muntte vooral uiteen iraaie eikenhouten 
linnenkast met koperen beslag, waarvan 
de paneeltjes met veel smaak gestoken 
waren. 

Bij dit meubelwerk waren de wanden 
versierd met litho's, houtgravuren en 
monotypieén van J. J. Aarts te *s Gra- 
venhage. De prachtige, diepkleurige 
lithographieën van schel - doorlichle 
avondstraten, waar uit het duister de 
ruwe koppen van opgewonden feestvolk 
komen opdagen, — van zwoegende 
polderjongens met bultige spieren en 
armen als de kabeltouwen, waaraan zij 
trekken, kerels (inderdaad) uildekluUen 
gewassen^ wat een hand zit daarin, hoe 
zijn die dingen aangepakt ! Of licht en 



227 



KUNST- 

BERICHTEN 

UITROTTKHDAM 



schaduw spontaan op het papier gesla- 
gen waren ! 

Dingen van fantasie zijn de meeste 
houtsneden, die mylhologische en Sha- 
kespeareaansche onderwerpen behan- 
delen. Al doen zij een enkele maal aan 
vreemde inv oeden denken, zij zijn 
eigenaardig-karakteristiek en in hooge 
mate suggestief. Van de blijde antieke 
fantasie, kind van de volle zon, hebben 
zij niets, zij zijn nachtelijk-noordsch, 
van zware wilde droomen gemankt. 
Shakespeare's fantasie, — als het niet 
veel moderner was. Het is de ziel van 
een nerveuzen, modernen mensch, die 
éen oogenblik als een sterk-geconcen- 
treerd licht de wereld om hem bestraalt, 
een chaotisch visioen van diepe scha- 
duwen en schelle lichten. -- Er waren 
eenige fraaie boekillustraties van Aarts 
Juist voor illustrator maakt zijn sugges- 
tief talent hem uiterst geschikt. 
«♦^ Van Mevr. Adriani-Hovy waren in 
het voorzaaltje eenige teekeningen en 



etsen tentoongesteld, benevens een paar 
aquarellen, waarover het beter is maar 
niet te spreken. Zij dagteekenen dan 
ook van een paar jaar hèr. Maar de 
latere teekeningen zijn knap en vlijtig 
gedaan. Het zijn bijna alle gezichen van 
het dak van den Utrechtschen dom, 
langs de verweerde muren en contre- 
forten en op de stad in de diepte. Een 
dezer kijkjes in de hooge wereld, aan 
het koor der kerk. waar men onder een 
paar enorme luchtbogen, natlig, groen- 
bemost, doorkijkt, treft door de goede 
stofuitdrukking en hel zuivere pers- 
pectief — l)c etsen zijn ook weer 
consciëntieus geteekend, maar lijden 
aan een zonderlinge leegheid en uitdruk- 
kingloosheid van luchten. Mevr. Adri- 
ani lijkt daarin minder thuis dan in het 
ingewikkeld sieenen netwerk van de 
vensters harer kathedraal en in het 
warrig veld van daken, schoorsteenen, 
boomen van haar stad-in-vogelvlucht. 

R. J. 




228 



= INHOUD VAN HET EERSTE HALFJAAR 1903 = 

Blz. 

CoENEN Jr. (Frans) : Hel Museum Willet-Hollhuysen 

(Het Saksisch Porcelein en zijn nabootsingen) 203 

Marez (Hendrik de): Jan van Brugge 153 

P. B. Jr : Een nieuwe Van der Goes in het Berlijn- 

sche Museum 101 

Pkk (J. K. Van der) : Naar aanleiding van « Park-Wyek • . . . 164 
HoosHs (Max) : De Teekeningen der Vlaamsche Meesters 

De Romanisten, Vervolg 51 

De Kleinmeesiers der XVI»? Eeuw 93 

De Landschapschilders der XVI« Keuw — De 

Graveurs, Bouwmeesters en VerluclUers . . 173 

De Verzameling Pacully te Parijs 117 

De druivenpersende Boscligod met tijgerin 

door Rubens 133 

Simons (L.) : D. Wiggers 127 

THORNPRiKKER(Ed.): De Deventer tapijtfabriek en Colenbran- 

der's Ontwerpen 58 

Vermeylen (Aug.) : Conslantin Mennier 1-45 

Veth (Cornelis) : Jan Holswilder, Karikatuurteekcnaar . . 189 

Veth (Jan) : Een Inleiding tot Rubens 10 

VoGELSANG (W.) : HoIIandsche Gebruikskuust 19 

Winkler Prins (J.) : Dirk Nijland 85 

^^^^^^^^= KUNSTBERICHTEN ^^^^^^^^= 

Uit Amsterdam : J. Voerman — bij BufTa — bij van Wisselingh (W.V.) 33 
J. van Oort — bij van Wisselingh — bij Vosicuil — 

tPoggenbeek (W.V.) 71 

M. Bauer — bij van Gogh (W.V.) 106 

Bij van Wisselingh - bij Voskuil — bij Buffa (W. V.) 136 
Bij van Wisselingh - bij Voskuil — bij BufTa ( W. V.) 181 
Arti et Amicitisc — T. Nieuwenhuys — 't Binnen- 
huis — bij van Gogh (W.V.) 217 

Uit Antwerpen : A. J. Heymans (B.) 36 

Edg. Farasijn (X.) 138 

Uit Berujn : Bij Schutte — bij Cassirer — Klinger's Beethoven 

(W.) 37 
Zeichnende Künste - f ötto Eckmann — Glasgow- 

landscape painlers — Fransche Meesters . (W.) 73 

Fr. Stuck — Edvard Munch — H. Thoma. . (W ) 108 

Bij Cassirer — bij Keiler & Reiner .... (W.) 138 



XXVIIa. 



221) 



Uit Brussel : Lc Sillon — A. J. Heymans (GR.) 38 

Maurits Blieck — Aquarellislen — Willem van 

Strydonck en Fr. Taelmans (G. E.; 75 

Ponr l'Arl, Libre Esthétique, Wylsnian en Leem- 

poels (GE) 140 

J. Gouweloos en P. Mathieu <G. E.) 222 

Uit den Haag : J. Mesdag en H. O. Van Tliol . . . . (H. d B.) 39 
J. M. Graadt van Roggen - bij Preyer — Pulchri 
Sludio — Teekeningen van oude HoUandsche 

Meesters (H. d. B.) 79 

Gabriël — Arn. Koning — Pulchri Studio (H. d. B.) 110 
Arts & CraÜs — Uaagsche Kunstkring — Mevr. 

Mesdag-van Houten — Pulchri Studio (H. d. B.) 142 

Pulchri Studio — f Weissenbruch . . (H. d B.) 183 

Pulchri Studio (H. d. B.) 223 

Uit Leiden : Van DaalhdfT (Plasschaert) 41 

Uit Leipzig : Nederlandsche Bouwkunst in Duilschland ... 112 

Uit Parijs: Amstelhoek * (R J ) 41 

Uit Rotterdam : Emiel Claus (P.) 43 

Vincent van Gogh - 't Binnenhuis (R. Jacobsen) 114 
Museum Boymans — F. Melchers en Ch. van Wijk 

(R.J) 145 
W. van der Valk — Antiek Smeedwerk — bij 

Oldenzeel (R. J.) 225 

Uit Utrecht : Portretten van Oude en Moderne Meesters . (B.) 148 

Varia 83-148-188 

= BOEKEN & TIJDSCHRIFTEN — 

Gesellschaft fur Vervielfaltigende Kunst (M. R.) 152 

Headlam (Cecil) : Peter Vischer (A.W.) 150 

Hymans (Henri) : L'Exposition des Primitifs Flamands . . . (B.) 150 

SuTHERLAND GowER (Lord Ronald) : SirJoshua Reynolds .... (A.W.) 151 

= PLATEN = 

N. b. De cijfers met * gemerkt geven de bladzijden aan tegenover dewelke de platen buiten tekst 
moeten tusschengevoegd worden. 

Tekstuersieringen en Band door Ch. Doudelel, 
omslag der Afleveringen door H, P. Berlage Nz. 

Berlage Nz. «H. P.) : Geelkoperen Parapluiestandaard 24 

Kantoorgebouw te Leipzig 113 

« Parkwijck » in de Van Eeghenstraat 164 

de Hal *164 

Schoorsteen en Vensterbank , 167 

De Eetkamer 169 

De Studeerkamer 171 

Bosch (Jac. van den) : Salonkast 22 

Gesmeed ijzeren haard 23 

BREUGHELDEOuDE(Jan) : Landschap met karren en voetgangers . . , . . *98 

Bril (Paul) : Rotsig Landschap *174 

Brugge Jan van) : Koning Karel V van Frankrijk 155 

. Fragment van de tapijtwerken te Angers .... *156 

(?) Miniatuur voor Mattheus' Evangelie 159 

Fragment van de tapijtwerken te Angers .... *160 

Schets van een der tapijtenreeksen te Angers . . 162 

Cleve (Hendrik van) : Landschap met Gebouwen *94 

CoLENBRANDER(Th.A.C.):Tapijtontwerpen en tapijten . . . 59-61-63-64-65-67-69 



230 



CoLLAERT (Adriaan) : Johannes de Dooper 179 

EiSENLOEFFEL (Jan) : Juwceleii 27-29 

Floris (Frans) : Experientia *52 

(Volgeling van Frans FlorisJ : De Straf der Gierigen 52 

GoES (Hugo van der) : De Aanbidding der Herders *I02 

HoEFNAEGELS (JoHs) : Gezicht op Sevilla *180 

HoLSWiLDER (Jan) : Hel Rijksmuseum Ie Amsterdam 191 

Toekomstmuziek ..... 192 

David Bles 193 

Lohman 194 

De drie Kranigste schilders op de Rotterdamsche 

Tentoonstelling 195 

Jan ten Brink 196 

De ware Nachtwacht 197 

Tempelridders te velde 199 

Meester DER Vroüweujke Halffigüren : Lezende jonge vrouw .... 119 

Meuniër (Constanlin) : De Terugkeer *2 

Man met den Hamer ' 3 

Brokstuk uit « Nijverheid » *4 

« Hiercheuse » 6 

Man met de Tang 7 

Moederschap *8 

de Verloren Zoon 9 

Man uit hel Volk 46 

de Oogst — de Mijn — de Nijverheid -- de Haven . *46 

Oud Paard : 49 

Momper (JoosI de) : Landschap met Bergstroom 175 

Naüelvoort (Jan) : Salonmeubelen 21 

NiJLAND (Dirk) : Het oude Huisje *86 

de Boom 88 

de Fabriek *88 

Oud Buurtje te St. Gilles *90 

Rumoer *99. 

Patinir (Joachim de} : Studiehoofden 94 

Penaat (W.) : Buffet en Détail 25 

Rembrandt (?) : Eigen Portret op jeugdigen leeftijd 125 

Rubens (P. P.) : De Aanbidding der Koningen *12 

Landschap met de Jacht van Atalante en Meleager *16 

Thetis Achilles in den Slyx dompelende .... 123 

Druiven persende Boschgod met tijgerin .... *134 

(School van Rubens) : Druiven persende Boschgod 134 

Ruysdael (J. J. van) : Landschap roet Waterval *120 

Thorn Prikker (Joh.) : Gebatikte Boekband 31 

Vos (Marlen de) : De Kroning van Maria *54 

Vrancx (Sebastiaan; : Titelblad van het Register der Violieren .... 96 

Zinnebeeldig blad 98 

Cartouche 99 

WiERiCKX (Jan) : Eigen portret 177 

O. L. V. Boodschap 178 

Wiggers (D.) : Maannacht 128 

Zomer *128 

Herfst 129 

Na de Zon 130 

Kasteel *130 

Kerkje te Heelsum 132 

Herfst *132 



231 



Ongenoemde Meesters en Fotografische opname naar de Natuur : 

Conslanlin Meunier 2 

« Polpourrie « vazen en Venusbeeldje 205 

Naakt Venusbeeldje in foudraal 209 

Beeldjes van Höchsl, enz 210 

Theaterpersonages 211 

Meissener Bord 213 

Kannetje van Frankenlhal enz. 214 

Haagsch Porcelein 215 

Loosdrechtsche blaker 216 







ML^ WAT DL BOSCHHJy^ PLIJ<T 



<&EPML VO<gRMET LAWP.Ag 



Gedrukt door 

J.-E. BUSCHMANN 

te Antwerpen. 



232 



ONZE KUNST 



ONZE 



KUNST 



VOORTZETTING VAN DE VLAAMSCHE SCHOOL 



TWEEDE JAARGANG 

inr^Q dööD TWEEDE 

1\j\j3 halfjaar öO 




'Umu 






J.-E. BUSCHMANN 
^ ANTWERPEN öD 



L J. VEEN 
AMSTERDAM 



J 




DE TEEKENINGEN DER 



VLAAMSCHE MEESTERS 

^^^^^^^^= RUBENS (1577-1640) 




IIT alleen als schilder, ook als teekenaar brengt DE TEEKI'- 
Hiibens een heele omwenteling in de Vlaam- NINGEN DER 
sclie school te weeg. Met hem verdwijnt het VLAAMS(IH1^^ 
angstvallig verzorgde in de bewerking, het MEESTEHS 
bedeesde gestippel en getoets ; hij teekent 
lorsch en breed, hij schildert met de pen en 
liet krijt, met vaste hand de omtrekken aan- 
i^L^vende, met vettig geschommel licht en 
schaduw verspreidende. Wel had Otto Vaenius hem den weg gewezen 
en was hem voorgegaan in malschheid van toets en gezondheixl van 
vorm, maar aan Rubens was het voorbehouden het leven op heeter 
daad te betrappen en uit eiken trek te laten stralen, alles en allen 
eene ziel, zijn eigen verheven geest, in te blazen, zonder de waarheid 
geweld aan te doen. 

Hij bezat al die eigenschappen niet van den eersten dag. Wanneer 
wij zijne vroegste teekening zien : zijn Doop uaii Christus in den 
Louvre van 1610 ongeveer, zijn titelblad voor Agüilonü Optica in het 
British Museum van 1611 of 1612, dan treffen ons de geduldige be- 
werking van die bladen, het magere van de lijnen, het donzige van de 
modeleering. Maar toen reeds in de gelukkige uren, wanneer de schep- 
pingslust hem meesleept en zijn hand voortjoeg, zoo als in zijne 
geteekende schets voor de Kruisrechting in den Louvre, van 1610, is 
zijn tokkelater (*) even breed en stout als zijn penseel. Zijn stijl ver- 
vormt zich mettertijd in al de uitingen van zijn kunst. In de studiën 
voor zijne schilderijen van 1615 tot 1620, de Herderinnen uit de 
Aanbidding der Herders in de Albertina, de Leeuwen voor den 
Daniël uit dezelfde verzameling, de neergebliksemden voor den Val 

(*) Tokkelater = Krijt- of GrifTelhouder. De oude Italiaansche benaming Toe- 
catatora, nog in gebruik bij de Antwerpsche schooljongens. 



Onze Kunst 1903, Afl. 7, 1 



1 




DE TEEKE 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



P. P. RUBENS : STUDIE VOOH EENE EEEUWIN 
(Nationnl-Gallcry, landen). 

der Verdoemden in de National (lallery, legt hij de volle kracht, de 
vaste lijn, het uitspattend leven der schilderingen uit die jaren. In de 
overheerlijke portretten van 1()2() tot 1630 viert hij zijn hoogsten 
triomf : met breeden zwier, met rustig gemak, al spelende zou men 
zeggen, en elke trek raak maakt hij het papier tot spiegel der natuur. 
In het laatste tiental zijner levensjaren, van 1()3() tot 1G40, wordt zijn 
teekening breeder, gesmijdiger, meer aangedikt ; de hand blijft even 
vast, maar wordt zwaarder : zijn eigen portret van omstix^eks 1639, 
zijn studiën voor de Conversatie a la Mode in het Museum Fodor te 



r 

1 




# 



i ^ 

U -r 

üi ^ 

CC J= 

i£ ^ 

CC «c 

.C u 

b3 c 

f5 E" ? 

^ &E es 

UJ f Q. 

CS C 

CS Q> > 

. 'S 3 

O. ^ c 

a: -2 " 




P. P. RUBENS : DK PROFEKT JOEL NAAR MICHEI.ANGELO 

(I^ouvrc, Parijs . 

Amsterdam en elders, zijn titelbladen voor Maplicvi poemala van 1634 DE TEEKE- 
en voor Jiisti Lipsii opera van 1037 bewijzen het. NINGEN DER 

Rubens teekende veel, naar evenredigheid even veel als hij schil- VLAAMSCHE 
derde, en zijne teekeningen waren van zeer uiteenloopenden aard. MEESTERS 
Toen hij in Italië verbleef maakte hij er naar de groote meesters der 
gulden eeuw en naar de antieken. Michel-Angelo boeide hem het 
meest ; de groote beeldhouwer-schilder trok hem aan door het mach- 
tige van zijnen stijl, het overmenschelijke van zijne figuren. De schep- 
per van den Mozes w^as de onmiddellijke voorganger van Rubens ; de 
jongere gaf aan de statige, forsche figuren van den oudere leven en 
blijheid ; hij kwam na hem en zette hem voort ; hij deed de kunst een 
stap verder doen naar het nieuwere, het barokke. 

In de Sixtijnsche kapel bracht hij menigen dag aan het teekenen 
door. Bewaard gebleven zijn de kopieën van Adams Schepping^ de 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



ƒƒ. Familie^ zes der Profeten^ twee der Sibyllen uit de zoldering der 
Vatikaansche kapel. Rafaël was de tweede meester, bij wien hij in de 
leer ging ; het Vizioen van Ezechiël naar de schilderij nu in het Pitti- 
paleis, de blinde Elymas uit het karton de Straf van Elijmas^ bezitten 
wij nog ; verder werden een paar gravuren door Rubens graveurs 
gesneden naar de teekeningen, die hij in Italië naar Rafaël moet 
gemaakt en van daar meegebracht hebben. Aan Leonardo da Vinci 
ontleende hij enkele stukken en groepen. Het Laatste Avondmaal werd. 
naar zijne teekening door Soutman gegraveerd ; uit hetzelfde werk 
koos hij nog het figuur van Christus en een der discipelen, een groep 
uit den Slag van Anghiari (of van Cascina) werd naar zijne teekening 
vereeuwigd in een der meesterstukken van den graveur Edelinck. 
Verder teekende hij naar Giulio Romano, den meester wiens werken 
hij zoolang te Mantua had kunnen studeeren, naar Primaticcio, Poly- 
doro Caravaggio, Tiziano zijn geliefkoosden leeraar en naar andere 
Venetianen : Paolo Veronese, Pordenone en Giorgione. 

Naar de antieken teekende hij vooral hoofden van keizers en 
beroemde mannen, die hem konden te pas komen bij zijne studiën 
van medailles en gesneden steenen, waarin hij al vroeg liefhebberde. 
Hij had in Rome een marmeren borstbeeld van Seneca aangekocht, 
dat hij meer dan eens teekende. Ook een ander beeld ten voeten uit, 
dat zich tijdens zijn verblijf te Rome in de Borghese-Galerij bevond 
en nu in den Louvre is en dat den naam van Seneca draagt, maar in 
werkelijkheid een Afrikaanschen visscher voorstelt, teekende hij van 
drie verschillende zijden gezien; de drie afbeeldingen worden bewaard 
in het prentenkabinet van TErmitage te S' Petersburg. 

De belangrijkste reeks van teekeningen, door Rubens naar de 
antieken gemaakt, zijn de vijf stukken, welke hij te Rome vervaardigde 
om het boek van zijn broeder Filips Eleclorum libri II (Plantin, 1603) te 
versieren en toe te lichten : een standbeeld van Titus, langs drie zijden 
gezien verduidelijkende hoe de Romeinen de toga droegen; een Tooneel 
uit den Circus, ontleend aan een halfverheven beeldhouwwerk bij de 
Nomentaansche poort gevonden; een beeld van Rome en een van 
FlorOy toonende hoe de Romeinsche vrouwen zich in hun bovenkleed 
hulden; een afbeelding van verscheiden hoofddeksels en een ander 
van altaargeriéf. 

Evenals Rubens in het nateekenen der werken van de groote 
schilders zijne modellen niet slaafs navolgde, zoo ook gaf hij niet met 
angstvallige nauwgezetheid de beeldhouwwerken der oudheid weder. 
Hij verwerkte ze wel is waar niet tot eigen herscheppingen zooals hij 
deed met den Triomf van Cesar in zijne schilderingen naar de kartons 
van Mantegna, maar hij zag ze toch door zijn eigen Vlaamsche oogen 
en gaf hun iets van zijn weelderig leven, van zijn eigen zonnigheid. 




P. P. RUBENS: DRUKKERSMERK VAN JAN MEURSIUS 
(Museum PlanÜn-Morelus, Antwerpen). 

De teekeningen voor Filips Rubens' Elecla waren de eerste, welke DE TEEKE- 
hij leverde tot versiering van een boek. Kort nadat hij te Antwerpen NINGEN DER 
teruggekeerd was begon hij er andere te teekenen voor zijnen vriend VLAAMSCHE 
den drukker Balthasar Moretus en tot in zijn laatste jaren ging hij MEESTERS 
voort met dit bescheiden werk. In 1637 liet hij het aan zijn leerling 
Erasm Quellin over, die hij dan nog met raad en daad bijstond. Ik 
reken dat hij twee en tachtig zulke teekeningen vervaardigde : meestal 
titelplaten, ook enkele portretten, een reeks van zes vignetten voor 
Aguilonii Optica en een reeks van tien platen voor den Brevier. Al die 
werken zijn met de pen geteekend, behalve een drietal, die met grauw- 
verf geschilderd zijn. Verreweg de meeste werden door de Plantijnsche 
drukkerij besteld, enkel vijftien zijn voor andere drukkers gemaakt. 
Zij dienden als modellen voor de graveurs; de meeste werden door 
Cornelis Galle, vader en zoon, in koper gesneden. Betrekkelijk weinige 
ervan zijn ons bewaard gebleven; het Museum Plantin-Moretus bezit 
er nog zeven, waaronder twee der drie grauwschilderingen. 

In de teekeningen voor boekentitels en vignetten spreidt Rubens 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



de vindingrijkheid van zijnen geest ten toon. Hij was een volgeling 
van Otto Vaenius, eenen der vernuftigste scheppers voor zinnebeelden 
uit het begin der zeventiende eeuw, een nakomeling der rebusschilders, 
die toen en vroeger voor de Rederijkkamers werkten. De groote 
meester had een heele schaar emblema-teekenaars achter zich en 
evenals zij vond hij genoegen in die spelen van den geest. Zijn natuur- 
lijk vernuft was verrijkt en gescherpt door zijne studiën; hij was een 
wetenschappelijk ontwikkeld man en was niet kwaad het te kunnen 
toonen. Zijne titelplaten zijn hieroglyphische aankondigingen van den 
inhoud van het boek, verpersoonlijkingen van de wetenschappen, 
mythologische herinneringen in verband met de behandelde stof. Zoo 
bijvoorbeeld teekent hij voor de Oplica van Aguilonius de Gezichts- 
leer, houdende in de eene hand haren scepter met een oog bekroond, 
wijzende met de andere op een pyramide, die de gezichtstraal ver- 
beeldt, puntig aan het oog, zich verbreedende aan het uiteinde waar 
zij het geziene voorwerp raakt. Nevens haar zit aan de eene zijde 
Juno's vogel, de pauw, met den staart vol oogen; aan de andere, de 
Arend, Jupiters zinnebeeld, die de klauw op den aardbodem legt, 
zinspelende op de albeheersching van het gezicht. Aan de beide zij- 
den als kariatiden Mercurius met het hoofd van Argus en Minerva, de 
godin der wetenschap. Onderaan een aap, die naar het volksgeloof in 
onmacht valt bij de maansverduistering en blijde zich opricht bij het 
herzien van het zonnelicht. Het is het werk van een geleerde, geholpen 
door een dichter; het raam, waarin dit alles vervat is, verraadteen 
bouwkundige ; de figuren, een teekenaar van eersten rang. 

Het titelblad der Optica is heel wijs en verstandig ineen gezet, 
al de deelen wegen tegen elkander op, wat echter geen afbreuk doet 
aan zijn smaakvolle sierlijkheid. I^ter verdwijnt die afgemeten- 
heid, wordt de vinding stouter de ineenzetting meer bewogen, de 
figuren forscher. Zoo in zijn titelblad voor de Gedichten van Urbanus 
VIII (Maphcci Pocmata) van Iföl, waar men Samson ziet, die op een 
gewelfden boog liggeqde de kaakbeenderen van een leeuw openrukt 
en er een bijennest in ontdekt, eene zinspeling op de bijen in het 
wapenschild van Urbanus' geslacht, de Barberini. 

Als korte samenvatting van zijn werktrant in dit vak diene een 
zijner eenvoudigste platen, het drukkersmerk van Jan van Meurs, 
Moretus' vennoot. Deze had als leus gekozen de spreuk Noctu incubando 
diuque (Hroeiend dag en nacht). Noodzakelijker wijze kwam hier de 
hen op hare kuikens te pas, die dan ook in het midden ligt, dan volgt 
even natuurlijk het zinnebeeld van den dag, de haan, en dat van den 
nacht, de uil. De uil, Minerva's vogel, doet aan deze godin denken, die 
gelukkig en toevallig ook de godin der wetenschap is. Minerva moest 
een tegenhanger hebben en daartoe bood zich heel geleidelijk Mercu- 



rius, de God van handel en nijverheid, aan. Zoo werd de zedelijke en DE TEEKE- 

stoffelijke zijde van het uitgevers-ambacht m beeld gebracht. Voeg NINGEN DER 

daar nu bij de lamp, zinnebeeld van het licht verspreid door het boek, VLAAMSCHE 

Mercurius' slangenstaf en de bazuin der Faam, toespelingen op den MEESTERS 

Plantijnschen boekhandel en diens grooten naam en gij zult een 

heelen voorraad bouwstof voor een zinnebeeldig schild hebben. Maar 

wat alleen Rubens er bij leveren kon was de gratie, waarmede die 

bouwstof gebezigd werd, de rustigheid in de beweging, de eeniieid in 

de afwisseling, het plezier dat al die dingen hebben zich zoo goed op 

hun plaatsen bij elkander te vinden. Zij schijnen samengegroeid en in 

geen andere orde denkbaar te zijn, en zoo verraadt dit allerbeschei- 

denste zijner werken ook op zijn manier de hand van den grooten 

schepper. 

Rubens teekende ook wel eens de modellen voor de plaatsnijders 
zijner schilderijen. Het was noodig dat hij die kunstenaars hielp, want 
zeer dikwijls gaven de platen, die onder zijn toezicht werden uitge- 
voerd, zijn werken niet dan me^ min of meer aanzienlijke wijzigingen 
weer. Nu eens zijn het veranderingen van gering belang, die hij aan- 
brengt; dan weer werkt hij de oorspronkelijke samenstelling gedeelte- 
lijk om; soms maakt hij er een heel nieuwe, die van de vroegere 
niet veel meer dan het onderwerp bevat. Het spreekt van zelf dat 
wanneer de omwerking zoo aanzienlijk werd er een nieuw model 
moest gemaakt worden. Rubens deed dit dan in grauwschildering of 
in krijt; waren de wijzigingen geringer dan bracht hij ze wel eens aan 
op de teekeningen vervaardigd door zijne leerlingen of door de gra- 
veurs, soms zelfs op de eerste proeven der gravuren, wanneer deze 
gemaakt werden door de plaatsnijders, die voor hem werkten, zooals 
Vorsterman, Pontius, Witdoeck. Maar of hij zijn eigen kleurenbeelden 
in zwart en wit overbracht of anderen hierin hielp, altijd wilde hij dat 
de graveur niet levenloos en werktuigelijk de lijnen der schildering 
weergaf en het oog alleen door keurig snijwerk streelde; hij wilde 
leven en beweging in de gravuur, malschheid van vleesch en weer- 
spiegeling van den glans der kleuren in de speling van licht en 
donker. 

Veel teekeningen van heele stukken door Rubens' hand kennen wij 
niet : Christus en de twaalf Aposteten in de Albertina, die hij in Italië 
teekende, of korts na zijn terugkeer, Al)raham en Melchisedech en 
Christus in het Graf in dezelfde verzameling, de H. Familie die Michel 
Lasne graveerde, in het British Museum, de Doop van Christus en de 
Doode Christus op Maria's schoot in den Louvre, de Wonderbare Visch- 
vangst te Weimar, de Christus aan het Kruis te Rotterdam, de Neder- 
daling van den H, Geest in de National Gallery, de Martelie van St, 
Stephanus in de Ermitage, zijn zoowat al de overgebleven werken die 




DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



P. P. RUBENS : JONGE ZITTENDE VROUW 

(Niet benuttigde studie voor de Conversatie n la Mode. Museum, Berlijn). 

wij kennen. Van Dyck leekende er veel toen hij in Rubens' atelier 
arbeidde en deze werken van den grooten leerling zijn wel die van 
den grooleren meester waard. 

Onder de teekeningen, die Rubens voor de graveui-s maakte, lelt 
men er eenige van bijzonderen aard : het waren modellen voor 
Chrisloffel Jegher, den houtsnijder. Deze was de eenige kunstenaar 
van het vak, die voor Rubens weikle; jarenlang had hij reeds aan de 
Plantijnsche drukkerij kleinere houtsneden geleverd toen onze mees- 
ter hem met aanzienlijkeren arbeid belastte. Van 1633 lot 1636 sneed 
hij negen platen, die Rubens voor hem leekende, meest allen naar zijn 
eigen werken en met zekere wijzigingen van deze. Twee ervan, de Rust 
in Egypte en hel portret van doge CornarOy zijn in tweekleurendruk, 
een bewerking, die Jegher van 1631 tot 1633 reeds had toegepast op de 
medaillons der Romeinsche keizers, gegraveerd voor de Plantijnsche 
uitgave van Huberlus Gollzius* werken; de andere zijn de Bekoring 
van Christus in de Woestijn en de Bekroning van Maria^ naar zolder- 
stukken der Jezuïetenkerk, Hercules de Tweedracht verslaande naar 
een stuk uit de plafonds van Whilehall, een Susanna, het kindeken 
Jesus en Joannes spelende met een /a/ii, de Gang van Silenus en de Con- 
versatie a la Mode. Wat Rubens aldus leverde is weer heel ander werk 



dan wat hij leekende voor zijne kopersnijders. Vooreerst is het met DE TEEKË- 
eene zorg en een nauwgezetheid gemaakt, die den graveur toeliet het NINGEN DER 
trek voor trek na te snijden. De wonderbare kunstenaar teekent hier VLAAMSCflE 
met een handigheid en eene ambachtehjke volmaaktheid, die laat MEESTERS 
denken aan de geoefendheid en de vaardigheid van een graveur van 
beroep, in zooverre zelfs dat een der allereerste kunstkenners mij in 
vollen ernst staande hield dat de twee groote teekeningen voor de 
Conversatie a la Mode, vroeger in bezit van sir Charles Robinson, 
niet het werk van Rubens maar van Jegher zijn. De twijfel is hier, 
wel is waar, geen oogenblik mogelijk : van de blaadjes aan den 
boom tot de toppen der vingeren, is alles ontegensprekelijk Rubens' 
werk en van zijn beste werk, maar de uitvoerigheid en de nauwge- 
zetheid zijn er zooverre gedreven dat de vergissing niets verbazends 
heeft. En toch wat gemak, wat breedheid, wat kleur in de zorgvul- 
digheid! De personages uit de Coiwevsaiie a la Mode om een stuk te 
noemen, waarvan wij hierbij de afbeelding geven, zijn figuren naar 
modellen onder Rubens' verwanten gekozen, maar zij laten denken 
aan een geslacht van hoogeren aard, dat epischen minnehandel drijft, 
en door den kunstenaar uit de wereld waarin hij het zag bewegen, 
overgebracht werd in de wereld waarin hij met zijn droomen leefde. 
Jegher vormde zijn trant geheel naardien van Rubens. Deze heeft hem 
waarschijnlijk als modellen voorgehouden de houtsneden van Nicolo 
Boldrini en van Andrea Adreani naar Tiziano en hem de navolging 
gemakkelijk gemaakt door zijn afgewerkte modellen, waaraan hij de 
breedheid gaf der Italiaansche houtgraveurs, en waaraan hij zijn eigen 
kleurigheid en weelderigheid leende. 

(Wordt voortgezet). MaX RoOSES. 




HET METAALWERK VAN 



HET METAAL- 
WERK VAN 
JAN EISEN- 
LOEFFEL 



JAN EISENLOEFFEL 




LS ik mij afvraag, waarom ik sympatliie 
gevoel voor het werk van Eisenloeffel, dan 
geloof ik, dat de hoofdoorzaak daarvan ge- 
zocht moet worden in de groote natuurlijk- 
heid en in den eenvoud van dit werk. Hel is 
inderdaad van een bewonderenswaardigen 
eenvoud en naluurHjkheid. 

Vooraf dient echter met 'n enkel woord 
gezegd, wat ik versta onder « eenvoud. » Dit is noodzakelijk, daar dit 
begi'ip zoo langzamerhand dreigt synoniem te worden met droogheid, 
dor- of nuchterheid, met geesteloosheid, gemis aan fantazie ; in één 
woord : met gebrek aan scheppingsvermogen. 

Een niet gering deel van 't dorre werk, dat de wereld binnen- 
stroomt vanuit onze koele landen, ontleent voornamelijk zijn faam 
aan het opschrift a Eenvoud d dat het dekt ; het begrip eenvoud dreigt 
zich te vereenzelven met afwezigheid van pracht en luister. 

Niets is bedroevender dan deze schromelijke begi'ipsverwarring. 
De goddelijke werken der Ouden zijn daar om te bewijzen, hoe 
uitstekend pracht en eenvoud kunnen samengaan, niet alleen, doch, 
hoe zij elkander in echt werk steeds ontmoeten. Hoe simpel zijn de 
werken der Ouden ! die der Klassieken, der Indiërs, der Eg}ptenaars 
en die der Christenen in hun groote tijden : uit welk tijdperk ook wij 
de kunstvoortbrengselen beschouwen — steeds toonen zij, hoe klaar 
de hoofdgedachten zijn die hen deden geboren worden, hoe ongezocht 
en prachtig tevens, hoe groot en schitterend van fantazie, hoe luis- 
terrijk. 

Eenvoud toch beteekent niet anders dan : klaarheid van 
conceptie; het beteekent: onopgesmuktheid, absolute onthouding van 
alles wat overbodig is. Eenheid in grondgedachte, geheelheid, vol- 
maaktheid, helderheid in hoofd verhoudingen, natuurlijkheid en 
zuiverheid, deze alle zijn kenmerken en omschrijvingen — geestelijke 



10 




Fig. 1. JAN EISENLOEFFEL : Nieuw-zilveren theeservies. 



JAN EISEN- 
LOEFFEL 



synoniemen — zwemmend om een zelfde onuitsprekelijk begrip, upy vfi;"yA at 

Het begrip eenvoud wijst op het gemakkelij k-overzienbare van ivrrk VAN 
het geschapen gedachtebeeld ; het wijst op het onmiddellijk-bevatte- 
lijke ervan. Het beteekent absentie van willekeur in den kristalbouw 
der geestelijke grondgedachte en de praktische bij-oogmerken waar- 
aan alle kunstwerken moeten voldoen; waardoor het dezen mogelijk 
wordt te groeien tot een ondeelbaar « Heel. » 

Zooals gezegd : alle goede werken der groote kunsttijdperken 
bevatten deze eerstnoodige en onmisbare eigenschap. In gronddenk- 
beeld zijn zij alle eenvoudig als bloemen. Hoe samengesteld en ver- 
schillend in plichtvervulling hun levende organen zijn, drijven zij 
open op de stroomen van den geest ; als een énkele gedachte, 'n 
énkel beeld in simpelheid en koninklijke pracht bloeien zij op de 
velden der innerlijke aanschouwing. 

Déze eigenschap is het, die ons instaatstelt monumentale en 
geestelij k-verheven kunstwerken van hunne minderwaardige, meer 
rustieke, meer eigenaardig-decoratieve, meer wilde en opgesmukte 
zusteren onmiddellijk te onderscheiden. In deze eigenschap van gees- 
telijken eenvoud bestaat het wezenverschil van het Barbaarsche en 
het Klassieke. Het vormt het verschil tusschen het ongetemde en het 



11 



HKTMiyrAAL- 
WERK VAN 
JAN lilSKN- 
LOKFFKL 



beschaafde, tiis*- 
schen het onbe- 
wuste en het be- 
wuste, tusschenhet 
onbeheerschte en 
het zichbeheer- 
schende, tusschen 
het zich-onbewus- 
te kunstgevoel en 
het geestelijk we- 
ten. 

Voerde het niet 
l^^i 'ftf^H ^^ ^'^^* ^^^ ware 

^^H i^^V '^^^ wTnscheUjk 

^^H '^v^^r^ voorbeelden te ge- 

^^H ^^^HÉI^^^^^ ^^^ ^^^^ beide 

^^H il^^M^^^^^^k ^^ kunst- 

^^H \ V^^I^^^^V openbaring, waar- 

^^B ^^^^^^^ een kind en 

^^B^ |B andere als een 

^^^ /.^^^ moeder; het eene, 

■ ^^^^^^^^gr^^^^^^^^^^^^^^ 7'ich bevattend 

^ ^^^^^^^^ ^^^^^^^^^^^^^^^^ en onbewust- 

strevende van de 
jeugd (vandaar, 
ondanks het on- 
volmaakte, zijn on- 
beschrijfelijke aan- 
trekkelijkheid;) 
het andere, in zich sluitend de ingehoudenheid, de zich beradende 
omzichtigheid, de wijsheid van de kracht van 't leven. (En helaas, 
hierdoor maar al te spoedig oud....) Voerde het niet te ver, dan 
ware het wenschelijk de oneindige overgangen dezer beide uitersten 
te schetsen, hun ontkiemen, groeien, bloeien en vervallen, hun ebbe 
en vloed hun rusteloozen overgang. Moge het echter voldoende 
zijn, aan deze enkele regelen, gewijd aan het begrip « eenvoud, » nog 
deze toe te voegen : Eenvoud in hoogste instantie is : véél zeggen in 
weinig woorden. Het is : met weinig middelen veel bereiken. 

Na deze opheldering moge het niemand verwonderen, dat 'k voor 
alles het eenvoudige en natuurlijke waardeer, waar ik dit in het beste 
werk van Eisenloeifel meen te ontmoeten. Dit werk - ofschoon 




FIg. 2. JAN EISENLOKFFEL : Proeve van een goedkoop 
pctroleuinlnmpje met papieren kop. 



12 




Fig. 3. JAN EISEN LOEFFEL : Koperen theeservies. 

hehoorend tot het gebied der Klein-Kunsteii — der kleine kunst - jjEX METAAL 
schijnt mij deze eigenschap met verhevener werken, niet hehoorend Wi{RK VAN 
tot de dingen van « alledag, » gemeen te hebben. Niet, dat ik de j^x FlISEN- 
waarde ervan zou willen vergelijken met die van min-vergankelijke LOEFFEL 
kunst. Doch, waar de zucht naar afwisseling en gestadige verandering 
in niets een zoo groote aanleiding tot gezoclitheid geeft, als bij de 
dagelijks-wisselende « gebruiksvoorwerpen, » daar, meen ik, kan dit 
enkel punt van overeenkomst niet genoeg worden gewaardeerd. Het 
werk van Eisenloeifel bevat die eigenschappen van eenvoud en oor- 
spronkelijkheid die alle goede dingen gemeen zijn. Het is ongezocht, 
niet gewild ; men ziet het dit werk aan, dat het gegroeid is, dat het 
beantwoordt aan zijn doel. 

De wetten en eischen van het materiaal worden er niet in over- 
schreden. Integendeel! het komt in de beste voorwerpen niet alleen 
tot zijn recht; maar 't glanst en blinkt erin en toont zijn schoonste 
eigenschappen. Hoe prachtig vol bijvoorbeeld is het koper. Vol en 
krachtig ongebroken straalt het, en smijt het 't licht terug; zoodat dit 
brandpunten vormt in de stille omgeving die het leven doet : schit- 
terende punten, vurige stippen vormen deze kleine dingen. 

Beschouwt men dit werk, dan wordt men niet in de eerste plaats 
getroffen door het bizarre en would-be oorspronkelijke, dat veel 
modern werk eigen is. Het heeft iets van de echte originaliteit van 
oud werk. 



13 



HEÏMEÏAAL- 
WliRK VAX 
JAN EISKN- 
LOEFFKL 



Oude gebruiksvoorwerpen zijn ori- 
gineel, doordat zij voldeden aan de 
steeds-geboren-wordende behoeften van 
den tijd; zij werden daarom oorspron- 
kelijk; in tegenstelling van veel nieuw 
werk, dat oorsi)ronkelijk wordt ge- 
maakt. Het is 't verschil in den opzet 
waarmee eenig werk begonnen wordt, 
dat hiervan oorzaak is. D. w. z. of het 
begonnen wordt met de bedoeling iets 
goeds, of «etwas niemals dagewesenes» 
te geven. In het laatste geval ligt de ori- 
ginaliteit erop, is zij eraan geplakt; in 
het eerste vormt zij de kern of inhoud 
der dingen. 

Het komt me voor, dat Eisenloeffel 
zich de eerste vraag stelt bij zijn ont- 
werpen. Dit schijnt mij oorzaak, waar- 
door zijn werk aantrekkelijk is. En 
door deze eigenschap ook herinnert 
het soms zeer sterk aan oudere werken ; 
daar namelijk waar het eischen geldt 
die ook vroeger reeds bestonden. Vele 
zijner gebruiksvoorwerpen doen vaak 
aan oudere dito's denken. Doch, mag 
het al niet moeilijk zijn dit op te mer- 
ken, tevens dient erkend, dat men ze 
nooit voor copijen dezer oudere hou- 
den zal. En dit is wel het beste bewijs, hoe men gevoelt, dat zijn ont- 
werpen vóór alles willen beantwoorden aan hun doel. 

Is er inderdaad iets afschu weiijkers denkbaar, dat dit heden-zoo- 
in-zwang-zijnd streven naar would-be oorspronkelijkheid? 

Reeds Goethe waarschuwde tegen gezochte originaliteit, tegen 
het streven origineel ie willen zijn. Ook hij verkondigde, dat oorspron- 
kelijkheid vanzelf moet komen, dat zij het gevolg moet zijn van een 
fatsoenlijk streven naar iets goeds. Volgens hem is, wat velen origi- 
naliteit noemen, niets dan gebrek aan ontwikkeling en kennis van 
lieden, die niet op de hoogte zijn van de eischen, aan elk voorwerp 
in 't bizonder gesteld, wat betreft aard, doel en bestemming; waar- 
door zij ertoe worden gedreven allerlei bizarre, nooit geziene en 
praktisch onbruikbare knutselarijen voort te brengen. 

Ik haal hier bij voorkeur Goethe aan, omdat men hèm niet zal 




Fig 4. JAN FISKNI.OI IFKL: 

Koperen bouilloir met standaard 



14 




Fig. 5. JAN EISENLOEFFEL : Koniuseivics, vervaardigd van Alhold. 

verwijten gebrek aan wetenschap omtrent de beteekenis van echte HETMETAAL- 
oorspronkelijkheid! WERK VAN 

O, is het eerste fleurtje, het eerste geurtje van het « nooit geziene » jan EISFIN- 
af, wat blijft er dan over van het meeste modern werk? « Niets is zoo LOEFFEL 
spoedig oud als het nieuwe », 'n paradox, eerbiedig ter befilosofeering 
aangeboden aan hen, die iets gevoelen voor de pit van kunst. Rem- 
brandt is oud als Methusalem en eeuwig jong tevens; de Klassieken 
zijn oud, jong en onsterfelijk. Zoo waren er zoo velen op ieder gebied 
van kunst. — Dit heeft zijn oorzaak hieraan alleen te danken : dat zij 
IETS GOEDS hebben voortgebracht. 

Trouwens men weet : het valt maklijk genoeg te verklaren, waar- 
aan het zijn ontstaan dankt, dat huidig streven naar quasi-oorspron- 
kelijkheid. Door den opbloei van nieuwe maatschappelijke ideeën 
werden nieuwe verlangens geboren ook op kunstgebied. En een der 
eerste daarvan was de overtuiging : dat kunst en leven dienden één 
te zijn, gelijk dit was in alle groote tijden. Voor alles dus moest de 
scheiding tusschen samenleving en kunst uit de wereld geruimd. 

Een deel der artisten — doordrongen van het gegi'onde van dezen 
eisch, en vroeger uitsluitend zich bewegend op het gebied der 
« vrije kunst » — trachtte dit ideaal te verwezenlijken door zich op 
het ontwerpen van « gebruiksvoorwerpen » toe te leggen. Afgescheiden 
nu van de vraag : of dit de eenig juiste methode is voor de verwezen- 



15 



HET METAAL 
WERK VAX 
JAN EISEN- 
LOEFFEL 



lijking van een beter en 
gelukkiger staat voor kunst 
en maatschappij, dient er- 
kend, dat velen in dit stre- 
ven iets goeds bereikten, 
en een « revival » in de 
schijndoode kunstambach- 
ten in 't leven riepen, 
waaraan wij het weinige 
goed danken, dat in de 
laatste tijden allerwege 
ontstond. 

Tegenover deze enkele 
werkers, wier poogen niet 
genoeg kan worden ge- 
waardeerd, staat echter 'n 
heir van half-krachten, die 
tot de kleinkunsten werden 
gevoerd omdat zij misluk- 
ten in de « vrije kunst ». 
Deze laatste mislukte 
genieën — kunstschilders, 
beeldhouwers, architecten 
en vrouwelijke blauwkou- 
sen — zijn de groot-leve- 
ranciers van de wereld- 
markt der « toegepaste kunst. » Zij vormen het leger der krullen- 
bakkers van verweg het giootste deel van « L'Art Nouveau. » Zij zijn 
het, die - niet op de hoogte van de eischen die aan elk voorwerp in 
't bizonder te stellen zijn, wat betreft grondstof en bestemming — 
alles, wars van de oude en deugdelijke regelen der technieken, 
overgieten met het zelfde mengelmoes van redelooze, slappe, onbe- 
kookte lijnen. Zij zijn de wurmers en de wormen, tegen wier werken 
niet genoeg kan worden geageerd, daar zij den nauwelijks weer ontwa- 
kenden, aigenieenen smaak vergiftigen. 

Het oorspronkelijke is niet gelegen in den oppervlakkigen uiter- 
lijken schijn der dingen. Het bestaat in den atmosfeer^ die door de 
voorwerpen wordt verwekt. 

Dit begrij) van het verwekken van een bizonderen atmosfeer of 
levenssfeer is de karaktertrek van alle echt-oorspronkelijke werken, en 
het bevat de kern van wat wij onder « stijl » verstaan. 

De goede werken van alle tijden hebben een bizondere sfeer 




FIg. 6. JAN KISENLOEFFKL : Kopereren vierlichtskroon. 



16 




FIg. 7. JAN EISENLOEFFEL : Uit één plaat geslagen, zilveren theepot. 

geschapen, een levenstoestand, een « middenstof », voor elk bepaald HETMETAAL 
stadium in den ontwikkelingsgang der nienschheid. WERK VAN 

Zoo heeft iedere stijl zijn eigen « atmosfeer ». Het Egyptisch of het JAN EISEN- 
Indisch staat bijvoorbeeld op een geheel ander levensplan dan het LOEFFEL 
christeUjk-middeleeuwsch; terwijl dit weer hemelsbreed van den 
geestestoestand van het tijdperk der Renaissance verschilt. Dit teekent 
de bizondere standpunten in de menschelijke ontwikkeling in 't groot 
genomen. Zoo heeft verder ieder land zijn eigen atmosfeer; en zijn 
eigenaardigheden spreken in de verscheiden karakters zijner kunst- 
voorwerpen en gebouwen. Zoo geeft iedere landstreek zelfs in zijn 
onderscheiden woningtypen en kleederdrachten duidelijk het verschil 
in de levensopvattingen der verschillende stammen weer. Zoo hebben 
we — om alleen ons kleine land te noemen - de Hollandsche, de 
Friesche, de Zeeuwsche, de Drenthsche, de Brabantsche interieurs en 
woonhuistypen, ieder met zijn vele wisselingen door de tijden. — En- 
zoo-voort. — 

Doch — hier staat tegenover, dat, alnaarmate de ontluikende be- 
grippen voeren naar algemeene, geestelijke eenheid en niet naar 
afscheiding, naar de zelfde mate ook de onderlinge verschillen uit de 



Hl 



17 



HET METAAL- 
WERK VAN 
JAN EISEN- 
LOEFFEL 



wereld verdwijnen en leiden tot een algemeenen 
« stijl ». Dit is : naar eenheid, ook in uiterlijken 
verschijningsvorm. 

Dit laatste nu vormt het streven der maat- 
schappelijk-werkende kunstenaars. En zij alleen 
zijn de waarlijk « modernen ». 

Tot hen, die hier in Holland trachten meete- 
werken tot het doen ontluiken van een dergelij- 
ken algemeenen levensfeer behooren Eisenloeffel 
en Penaat, wier werk, gelijk men weet, veel over- 
eenkomst heeft. Penaat in het aankleeden van 
eenvoudige woonvertrekken, Eisenloeffel in zijn 
gebruiksvoorwerpen, vertoonen beiden veel ver- 
wante eigenschappen, dikwijls voerend tot een 
treffend geheel. Er is atmosfeer in hun werk; en 
daar zij, als gevolg van hun levensopvatting, vóór 
alles trachten eenvoudig te zijn, spreekt het van zelf, 
dat hun werk van grooten invloed is, als vallend 
binnen het bereik van een groot aantal individuen. 

Ik dien er echter op te wijzen, niet de mee- 
ning te zijn toegedaan, als zouden zij reeds nu iets 
volmaakts geleverd hebben. Dit is niet mijn be- 
doeling. De gebreken ook in hun werk zijn nog 
vele. Doch wat ik meen, is, dat hun werk rust op 
een goede basis, op een gezond uitgangspunt, en, 
Fig. 8. JAN EISENLOEFFEL: ofschoou iiaar ziju aard behoorend tot het meest 

Geëmailleerde zilveren 

bonbonlepel. ondcrgeschikte gebied van geestelijke kunst, zal 

het niettemin in staat blijken een grooten invloed 
ten goede uitteoefenen... Wanneer het niet verloopt. 

Het is geen fictie, dat voor dit laatste eenige kans bestaat. 

Want juist dit streven naar het voortbrengen van iets, dat voor 
een zoo groot mogelijk aantal personen bereikbaar is, heeft ook een 
zeer gevaarlijke zijde. De zucht namelijk, de gebruiksvoorwerpen zoo 
goedkoop mogelijk te kunnen leveren, brengt maar al te dikwijls met 
zich, het vervallen in dezelfde gebreken als die aan al onze industieele 
voorwerpen eigen zijn : de kwaal van uiterlijk schijnvertoon, de par- 
venuachtige, kleinburgerlijke zucht, de dingen iets te doen schijnen 
wat zij niet zijn. 

Maar dit is niet het ergste ; want dit verval wreekt zich onmiddel- 
lijk aan de dingen zelve. 

Het voornaamste kwaad van een minder kieskeurig verlangen 
naar goedkoopheid is : dat men er niet naar vraagt op welke wijze en 
waar de voorwerpen vervaardigd worden. 



18 




Fig. 9. JAN EISEN LOEFFEL : Geslageti zilveren bonbonbak, 
versierd met geëmailleerd ornament en edelgesteenten. 



Wij behoeven hier niet lang bij stil te staan ; het is duidelijk, dat HET METAAL- 
men zoodoende met de eene hand afbreekt wat men met de andere WERK VAN 



heeft opgebouwd... 

Er zijn tegenwoordig twee zeer onderscheiden richtingen in de 
voortbrenging van gebruikskunst. De eerste verlangt uitsluitend hand- 
werk en verwacht uitsluitend heil van de herleving van den handen- 
arbeid. De tweede staat de machinale of fabriekmatige voortbrengings- 
wijze voor. 

Beide richtingen kleven groote gebreken aan. Het nadeel van de 
eerste werkwijze is : dat de, op deze manier voortgebrachte gebruiks- 
voorwerpen in 't algemeen slechts bereikbaar zijn voor een zeer klein 
aantal finantieel bevoorrechte personen. En vooral is dit het geval daar 
waar de ontwerpers tevens gekant zijn tegen het meermalen vervaar- 



JAN EISEN- 
LOEFFEL 



19 



HET METAAL- digen van voorwerpen volgens een zelfde ontwerp. Eerstens zijn de 
WERK VAN ontwerpkosten in verhouding tot het voorwerp dan zeer hoog (niets 
JAN EISEN- toch vereischt zooveel studie als het uitdenken van waarlijk goede 
LOEFFEL gebruiksvoorwerpen) en tweedens het arbeidsloon. 

Dit maakt dat er bij op deze wijze verkregen voorwerpen geen 
sprake kan zijn van « Gemeenschapskunst » in den eigenlijken zin. 
De voorwerpen worden bij enkelen opgeborgen; voor het algemeen 
zijn zij verloren. De goede kant van deze werkwijze is echter, dat zij 
een zeer gi*ooten invloed heeft op het kunstambacht; daar zij den 
werkman de gelegenheid biedt zijne capaciteiten te ontwikkelen, en 
de goede tradities van het zoozeer gedaalde ambacht herleven doet. 
Het nadeel van het Fabriekswerk daarentegen bestaat, gelijk men 
weet, hierin, dat het totaal zonder invloed blijft op de herleving der 
ambachten. Wat geeft het al voor het ambacht of de ontwerpen goed 
zijn, of zij beantwoorden aan hun doel, als zij gemaakt worden op de 
wijze zooals dat nu op de fabrieken de gewoonte is. Ieder toch maakt 
een ondergeschikt deel van het voorwerp; de machine doet de hoofd- 
zaak. De een maakt 'n kop, de ander *n arm of been, de derde 'n oor, 
de machine het lijf; een is er die alles aan elkaar trommelt, en — klaar 
is Kees. Dit is het huidig systeem van werken op de fabrieken : honderd 
dingen in 'n uur; ram! Wat zou hier machinaler zijn, de machine of 
de werkman?.... 

En deze nadeelen in beide, elkaar totaal tegengestelde werkwijzen 
worden zeer goed gevoeld door onze moderne kunstnijveren ; en zij 
hebben vaak getracht een bevredigende oplossing ervoor te vinden. 
Reeds geslaagd daarin zijn zij echter niet; en het is de vraag of dit 
wel volkomen mogelijk zou zijn, reeds nu, in dezen tijd van maat- 
schappelijken overgang waarin alles dezelfde embryologische halfheid 
of tweeslachtigheid verraadt. Zoo is er bijv. nog een derde groep 
artisten, die trachten handwerk te leveren, doch dan zoo goedkoop 
en zooveel mogelijk. Maar wat is hiervan weer het gevolg? Twee za- 
ken : uitputting en dorheid. Het is wel jammer; « maar de mensch is 
nu eenmaal geen vaatje, waarin men slechts 'n kraan behoeft te slaan, 
om de kunst eruit te tappen ». 

Er zou over dit alles nog heel wat zijn te zeggen. We dienen het 
hier echter bij te laten ; reeds een te groot deel dezer studie was wel- 
. licht naar het oordeel van velen aan algemeene beschouwingen ge- 
wijd. (Ofschoon volgens mijne overtuiging dit algemeene van iedere 
studie steeds den grondtoon dient te vormen). 

Hoe wij tot een beteren toestand geraken zullen ? 

Door algeheelen terugkeer tot het handwerk ? 

Ik geloof het niet. Het gaat niet aan, zich te kanten tegen den 



20 



drang der tijden. In iederen tijd schuilt een geheimzinnige wil, een HETMETAAL- 
mystieke drang. En onmogelijk is het zich daartegen te verzetten. WERK VAN 

Het eenige wat wij kunnen doen, is, de stem der tijden trachten JAN EISEN- 
te verstaan, misverstand en overdrijving uit de wereld ruimen, en LOEFFEL 
werken vóór alles, naar plicht en geweten. 

De bezigheid van EisenloefFel op het gebied der kunstnijverheid, 
bestaat in het ontwerpen (in sommige gevallen ook in het zelf-vervaar- 
digen) van drie zeer onderscheiden soorten van gebruiksvoorwerpen. 

Eerstens : zoodanige voorwerpen, als hoofdzakelijk langs machi- 
nalen weg, dus zoo goedkoop mogelijk verkregen worden. Deze soort 
bestaat dus uit het zoogenaamd « geforceerde » werk. 

Voorbeelden hiervan geven de afbeeldingen : fig. 1, 2, 3, 4, 5, 6. 

De tweede soort bestaat uit voorwerpen die door handenarbeid 
worden vervaardigd. Het zijn de « gedreven, » geëmailleerde of gecise- 
leerde gebruiksvoorwerpen in zilver en koper. 

Voorbeelden hiervan geven de afbeeldingen : fig. 7, 8 en 9. 

De derde soort wordt uitsluitend door « sieraden » gevormd; dus 
geen gebruiksvoorwerpen in den eigenlijken zin. Het zijn gouden en 
zilveren snuisterijen, vaak met edelsteenen bezet. 

Van deze laatste zijn geen voorbeelden bij dit artikel gevoegd. 

Over eenigen tijd zullen ook afbeeldingen van deze, meer eigen- 
lijke kunstvoorwerpen, in dit tijdschrift gepubliceerd worden; als 
wanneer ik tevens gelegenheid hoop te vinden, nader op bespreking 
der onderscheiden voorwerpen zelve integaan. 

H. Walenkamp. 




21 



KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



KUNST- 
BERICHTKN 
UIT amstp:rdam 



UIT BRUSSIX 




UIT AMSTRRnAMr^^ = 

|IJ I)K FIRMA BUFFA 
was een groot en 
merkwaardig schilde- 
rij van Daubigny Ie 
zien. Een onweers- 
luchl mei stralenden 
regenboog boven de 
valsch verlichte goudgroenen van een 
weiland met hooistapels De lei-zwarte 
lucht is in krachtige schildering gebrost, 
de zwaar gecmpaleerde groenen van 
den grond, schijnbaar a la prima, maar 
in werkelijkheid onder herhaardelijk 
verbeteren, breed gestreken. 
-♦y Fen schets van Willem Maris. 
Variant naar of compositieschets voor 
het groote schilderij Zomevweelde, in 
het Stedelijk Museum. 
-♦y Van Jacob Maris een oud schil- 
derij, de slayersiüinkel, dat we hier 
kunnen reproduceeren. In meesterlijke 
zekerheid en fijngevoeligheid, plat en 
soms met veel olie schilderend, heeft de 
meester dit eenvoudig inkijkje doen tin- 
telen van zulk een blonden dag en in 
immer beteekenis-volle kleur zooveel 
stemming aan het leege, holle vertrek 
welen te geven, dat zoo ergens dan 
hier aan de verwante kunst van Pieter 
de Hoogh moet gedacht worden. Geda- 
teerd is het paneeltje niet. 
-♦y De firma Scheltema&Holkema heeft 
een Catalogus van fraaie en zeldzame 
boeken verzonden, over kunst- en 
kunstnijverheid. Eir is veel bij wal de 
moeite waard is. Ik cileer al bladerend : 
Viollel-le Duc, Dictionnaire rais, de 
r Architecture fran^aise ; J. J. v. Ysendyk, 

(«) Wegens plaatsgebrek wordt de gewone cor- 
respondentie uit Amsterdam tot de volgende 
aflevering verschoven. 



Documents classes de F Art dans les Pays- 
Bas; Barlsch, Le peintre graveur, — Een 
Handschrift uit de XVI*^ eeuw van de 
Kroniek van Eusebius, in ouden band ; 
Max Klinger, Radierungen.Zeichnungen, 
Hilder, Skulpturen des Kunst Iers ; etc. 
etc. W. V. 

^^^^^^^^^^ 
UIT BRUSSEL = 




: TENTOONSTEL- 
LING VAN DE SO- 
CIÉTÉ DES BEAÜX 
ARTS > 11 APRIL- 
24 MEI 1903 >o» Het 
is eene bij uitstek 
voorname tentoon- 
stelling, correct, bezadigd en hoogst 
eerbiedwaardig. Men aanvaardt daar 
alleen uitstekende kunstenaars, en een 
aroompje van mondaniteit mengt er 
zich met de geuren van olieverf en 
vernis Kortom, een academisch midden 
vol goeden smaak en defligheid. Dit 
jaar is de tentoonstelling vooral be- 
langwekkend, door eene aanzienlijke 
verzameling geschilderde en gebeeld- 
houwde portretten, waartusschen zeer 
merkwaardige. Ik vermeld Blanche, met 
twee portretten, gezegd van de Norman- 
dische- en Volks-reeks, vooral dit eener 
jonge keukenmeid, — graaf J. de Lalaing, 
Cluysenaer, vader en zoon, de beeld- 
houwers Paul De Vigne, Juliaan Dillens 
en Jul. Lagae. Deze laatste toonde won- 
derbare borstbeelden van zijn kunst- 
broeder Dillens en van M. Schoenleber. 
Van J. Lagae bewondert men ook een 
marmeren groep, moeder en kind, ver- 
rukkelijk van uitdrukking, fijnheid van 
bewerking en boetseering. Ik had ook 
de gelegenheid, in zijn werkhuis het 
borstbeeld te zien van den groolen 



22 



vlaamschen dichter 
Guido Gezclle dal on- 
langs te Kortrijk ingehul- 
digd werd. Tusschen de 
gebeeldhouwde portret- 
ten vermelden we vooral 
dat van Mevr. Kelly Gil- 
soul, schilderes, door M. 
Viclor Rousseau; even- 
eens van eerste gehalte 
en van prachtige tech- 
niek zijn de portretten 
van De Vigne en van Pu- 
vis de Chavannes door 
Rodin. 

Om terug te keeren tot 
de geschilderde portret- 
ten, waren er zeer be- 
langwekkende ondertee- 
kend Leo Frédéric, (eene 
dame in zceuwsche klee- 
dij, in volle lucht, op 
een zeedijk vanwaar zij 
een stralend landschap, 
bij vogelvlucht gezien, 
beheerscht) ; van Len- 
bach zagen wij vroeger 
veel schooner dan hij nu 
inzond ; Mellery een on- 
afgewerkt portret van 
zijn vriend De Vigne ; 
Constantin Meunier een 
doek uit vroeger tijd, 
Isid. Verheyden, Watts, 
Emiel Claus, Lieven de 
Winne, enz. 

Ik gaf echter de voorkeur aan een 
portret van Fantin-Latour door hem 
zelf geschilderd; aan portretten van 
Uaverman, welke aan Velasquez doen 
denken, en aan een jong meisje van 
John Laverry, een meesterwerk van 
bewerking en van bevalligheid. 

Maar ler was nog wat anders dan por- 
tretten in de Société des Beaux-Arts. 
Franz Courtens had twee prachtige doe- 
ken ingezonden, Paul Mathieu deelde 
in den bijval van dien groolen land- 
schapschilder door eene heerlijke syii- 
thesis van Brabant, opgeval in blonden 
en lachenden toon. Vermelden wij ook 
de inzendingen van Viclor Gilsoul, drie 
doeken als het ware de verkondigers 
van eenen ommekeer in de werkwijze 
van dien krachtigen kunstenaar; water- 
verfschilderingen van Mevr. Kelly Gil- 




KUNST- 
BERICHTEN 
UIT BRUSSEL 



JACOB MARIS : Slagerswinkel. 

soul en van Cassiers, prachtige stukken 
van Alfred Verhaeren, een diclilerlijk 
en aangrijpend werk van Verheyden, 
de Spinsters van Dicrckx, enz. enz. 

IN HET KUNSTVERBOND had eene 
belangrijke tentoonstelling plaats der 
werken van den betreurden Gustaaf 
Van Aise. Deze reeds gekende stukken 
lieten niet te min, aldus verzameld, de 
groote kunde, de degelijke en nauw- 
gezette uitvoeringskrachl van dezen te 
jong overleden kunstenaar waardeeren. 
Builen zijne groote geschiedkundige 
doeken bevonden zich daar vele 
schoone portretten. 

In den Cercle werden ook een aantal 
werken van den plaatsnijder Des Vachez 
uitgestald. Belangwekkende tentoon- 
stelling welke dezen verdienstelijken 



23 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT BRUSSEL 



kunstenaar deed betreuren, te meer 
daar deze kunst bijna geene vertegen- 
woordigers meer in het land telt. 

TENTOONSTELLING VERWÉE TE 
SCHAERBEECK /u^ Bij gelegenheid 
der inhuldiging van het gedenkteeken 
opgericht ter nagedachtenis van den 
grooten landschap- en dierenschilder, 
Alfred Verwée, op den hoek der Col- 
lignon plaats te Schaerbeek, had in de 
zalen van het gemeentehuis dier ge- 
meente eene belangrijke tentoonstelling 
plaats van de werken van den kunste- 
naar. Deze tentoonstelling waar vele 
der schoonste schilderijen van den 
meester te zien waren, verwierf grooten 
bijval. 

Het gedenkteeken zelf, door den 
beeldhouwer Van der Stappen verheer- 
lijkt de lorsche en weelderige kunst van 
den gloedvoUen schilder van hei Lever- 
kruid en hei Schoone land van Vlaande- 
ren, Het geheel heeft een zeer decora- 
tief aanzien en de onderdeden zijn be- 
werkt met de kunde en de voornaam- 
heid die de werken van Charles Van 
der Stappen kenschetsen. 

NATIONALE KRING DER AQUAREL- 
LISTEN EN PASTELLISTEN ju^ Deze 
jonge kring legt veel levendigheid en 
kloekheid aan den dag en zijne kleine 
tentoonstelling bevat vele belangwek- 
kende inzendingen en eenige namen die 
aan te stippen zijn : De belommerde 
vesiingen en de Oude vaarl van Boulvin, 
De Oude Vuurioren van Plompe Tore 
van G. DelsauXy Herfsi en Najaar van 
Rombouts, de opgehaalde teekeningen 
van Karel Michel, De Siraaijonyen van 
Karel Walelet die verwant is aan Jacob 
Smits ; een portret door Leo Rotthier ; 
de scharenslijper van Frans Gaillard, 
het koperschuren van Leempoels ; Elle, 
Toussaint en Allard die zich blijkbaar 
inspireeren op Cassiers' manier van 
Holland te zien en op te vatten. Marga- 
retha Stiénon die van Uyterschout na- 
volgt in eene Lenie ; eenige belang- 
wekkende zeegezichten van Bamps. En 
dan nog de etsen van Gaudy, de bloei- 
ende Kriekelaar van A. Heins een zee- 
gezicht van Modave; Zeelieden van 
Bartholomé ; gezichten van Mont Sainl- 
Michel van Kegeljan; koolteekeningen 



van Ecrevisse ; Nacht en de Weduwe 
van Keulier; en ten slotte bloemen van 
Mev. Dupré, Georgette Meunier Mottart 
en Jamar. G. E. 

UIT DEN HAAG = 



'éis-isii 



üf»-*^. 



lULCHRI STUDIO > 
GROEPENTEN- 
TOONSTELLING > 
7c' SERIE, 2-16 MEI 
1903 yu^ Deze serie 
brengt van Van der 
Weele eene koestudie, 
die bizonder is door haar schildermatig 
wezen. De opvatting is modern, maar 
hoezeer doet de meesterlijke techniek 
hier niet denken aan die der oude Hol- 
landers. De koestaal van ter zij door den 
toeschouwer gezien, een weinig in *t ver- 
kort, zoo dat de kop meer dan 't overige 
gedeelte in *t donker verwijlt. Dit dier is 
van eene magnifleke zuiver-schilder- 
achtige plastiek en met sobere doel 
treffende, ja bijna alles omschrijvende 
techniek, zoo deugdelijk opgebouwd 
dat het geheel, uit een bruine onder- 
grond opgeschilderd, met zijn warme 
donkertonige kleuren werkelijk het 
type is van eene goede soort (alleen 
de schaduw om den kop zou men te 
zwart mogen vinden). Is dit werk meer 
tonig, in zijn ander werk hier is hij, 
ook door zijn plastisch vermogen dat 
op knappe wijze de ruimtelijke ver- 
schijningen hun relief weet te geven, 
meer luminist dan b.v. Steelinck, wiens 
werk met het zijne verwantschap toont. 
Van der Weele's coloriet is krachtiger, 
glanzender. Zijn streek veerkrachtiger. 
Bij Steelink is ze ruiger, maar diens 
werk doet wel eens droog. Niet te min 
is de laatste meer tonalist. Van de 
Weele is breeder en grooter en over 't 
algemeen zuiverder, Steelinck in zijne 
beste studies malscher van kleur. Bei- 
den schijnen dit gemeen te hebben, dat 
zij in hunne studies zuiverder aandoen 
dan in hun vrijer scheppingen, wat bij 
de 2« generatie der impressionisten wel 
eens meer het geval is en een verklaar- 
baar verschijnsel. Zoo is het studiema- 
tige werk van beiden ook wel het beste 
deel hunner inzending. Van Steelinck 
willen we notecren een boomgaard in 
een gamma van blonde grijzen en groe- 



24 



nen, een schaapskooi en een paar stu- 
dies van weidende schapen. 

Van V. d. Weele zijn de schetsen en 
studies over 't algemeen van eene uit- 
nemendheid, die ze het studie-achtige 
ontneemt en compleet doet zijn. 

Een der beste inzendingen is ditmaal 
die van Louis van Soert. Zijn factuur 
is beschaafd, soms bij alle ingetogenheid 
van doen, getuigt ze van over-bescha- 
ving, een verschijnsel dat na de weelde- 
tijd van het impressionisme ook niet 
vreemd te noemen is. Dit knappe werk 
is niet altijd van eene volstrekte orga- 
nische eenheid en een echt buitenman 
zou het allicht soms een weinig te 
salonfahig vinden. Om u te doen oplich- 
ten wat ik bedoel, noem ik u het werk 
van JacG^ Maris. Hierin zit, of liever 
huist, bij alle deugdelijkheid en voor- 
naamheid van factuur, het weer. Zelfs 
zoo'n volledig werk als Winter geeft bij 
alle technische bekwaamheid, als het 
veelkleurige schitteren der mollige, 
blanke en ongerepte sneeuw, meer het 
type vén een winter dan de winter zelf. 
Op dit laatste zou niets aangemerkt mo- 
gen worden indien de winter zelf in dit 
werk maar meer ademde. Dit werk 
mist bij alle soliditeit, bij alle natuur- 
kennis, bij alle natuur-aandoening die 
er uit spreekt, nog de levende hartstocht 
die het tol natuurware geestelijke 
gezichten zou maken. Het is voorloopig 
nog meer werk van bijzondere smaak, 
dan van alles doordringend gevoel, hoe- 
wel dit laatste in zekere mate en in 
aanleg voldoende aanwezig is. 

We willen verder kort zijn. Storm van 
's Gravesande exposeert één groot schil- 
derij : Novemberdag aan het IJ, stoer 
van schildering, guur en buisend-gc- 
weldig van weérstemming, maar niet 
geheel uit de verf. Texeira de Mattos 
o. m. : Bedrogen, een dame in groot 
toilet uit de voorname wereld, een 
stemmig beeldje, als eene illustratie 
voor eene moderne en alyslischc no- 
velle of roman; verder een ontwerp 
voor een monument van Willem den 
Zwijger. De wakende leeuwinnen zijn 
goed in hun stille actie, de flguren van 
grootheden die zich om den Zwijger 
groepeeren, natuurlijker van houding 
dan men ze gewoonlijk op pleinen ziet. 
Ons trof nog in het groote links zij- 



tafereel het bewegingsvolle van een 
groep (rechts boven) aanrukkende rui- 
terij. Allelta van Thol-Ruysch : in de 
stillevens waar als *t ware gemodel- 
leerd kon worden met de verf, is zij 
hier 't best. Sinaas-appelen schijnt ge- 
ïnspireerd op de oude Hollanders. Het 
is in deze sfeer stil en tevens, alsof ons 
innerlijk de negatie hiervan oproept, 
klankvol, het is even geheimzinnig van 
een wonderbaar leven. De Vries-Lam : 
werk met eene decoratieve neiging. Het 
is evenwel niet altijd zuiver en stem- 
mingsvol genoeg om de werkwijze te 
doen aanvaarden. Na zijn dikwijls leege 
decoratieve vlakken, zonder veel samen- 
hang. Het ideële in dit werk is nog niet 
zuiver genoeg tot verschijning gebracht 
en doorgevoerd om het vol te doen 
schijnen en naluurwaar. Jan van 
Vuuren : verdienstelijk studienialig 
werk. Het schijnt als voor het aange- 
zicht der natuur geschilderd en verheugt 
door direkt, zonnige, hoewel niet altijd 
hooge natuurspiegeling. N. van der 
Waay : diens kleurgevoel, dat uit Portret- 
studie zou moeten blijken is niet bui- 
tengewoon. Zijn factuur in dit werk 
niet zuiver of sterk in de uitdrukking 
van vleesch. Hij blijkt tenslotte een zeer 
bekwaam aquarcllist, die in schilder- 
studics naar de natuur faalt (onvoldoen- 
de is ook de stofuitdrukking van de 
Clematis), die verdienstelijke stem- 
mingstukken weet te maken, als Qnartet 
en een Kunst-beschouwing (levens por- 
tretten-studie en als zoodanig zeer han- 
dig) maar die weinig dieper gaat dan 
een illustratief talent het gewoonlijk 
in deze zoekt. Mej. Wandscheer : in 
de Cineraria's is hel vreemde in de 
bloemenwereld en het wondere van 
hare kleuren aangestaard en het zachte 
blocmenblad wonderwel weergegeven. 
Rijk en gouder van toon is Vrouwtje, de 
kleur van fond-japon en haar in Lucie 
decoratief voornaam ; ook van de ove- 
rige figuurstukken is de kleur het heer- 
schend element en zijn de flguren bijna 
onbelangrijk door gebrek aan eenige 
actie en door weinig diepe psycholo- 
gische weergave. De andere inzenders 
zijn : Hobbe Smilh, J. G. Smits, H. van 
Steel en C. A. Van Waning. Van den 
laatste is hier een Schuit aan het strand. 
Hoevéél nijpender heeft niet Jacob 



KUNST- 
ÜERICHTh:N 

UIT DEN HAAG 



IV 



25 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



UIT KREFELl) 




Maris, aan wien Van Waning's werk, 
niel ten zijnen voordcele, veel doel 
denken, de weidsche starre eenzaam- 
heid van zoo'n geval gegeven. Dit werk 
schijnt geïnspireerd op Maris. Maar het 
ontwikkelt niet verder, het voert in 
grooler verfijning geen enkele eigen- 
schap door. Het is hierom en ook om 
andere redenen, nog ! niet bijster be- 
langrijk. H. D. B. 

UIT KREFELD = 

r.NTOONSTELLING 
VAN HOLLANDSCHE 
KUNST /J^ Nu ja 
een gulle maaltijd met 
stevig glas wijn, een 
hartelijke ontvangst 
en speeches over en 
weer zijn er wel bij elke plechtige ten- 
toonstellingsopening; maar dezewEröff- 
nungsfeier » zou toch een eenigszins 
bijzonder cachet hebben. Men wilde 
een soort symboliek tintje aan de fees- 
telijkheid geven. Er openbaarde zich 
iets dergelijks als we vroeger meer van 
onze zuidelijke buren gewoon waren, 
een onbewimpeld uitgesproken ver- 
broederingszucht klonk in de al of niet 
handig in elkaar gezette toespraken. 
En eindelijk rees de stemming zoo hoog, 
dat het kleine aantal Hollanders dat aan 
de invitatie gevolg had gegeven — en 
waaronder geen enkele schilder was — 
devan jongs^fingepiente «mofrenvrecsv 
totaal had vergeten en gaarne op goede 
en betere verstandhouding wilde klin- 
ken. Want dat die verstandhouding tot 
nu toe niel bestond, dat de Duitschers 
van vlak over de grenzen gemeenlijk 
niet veel anders van ons kennen dan 
gesmokkelde jenever en tabak en dat 
wij, als we heel eerlijk zijn, onze anti- 
pathie tegen alles wat met Duitschland 
te maken heeft ook niet op grondige 
kennis van land en volk kunnen basee- 
ren, slaat vast. Hollandsche arlisten zijn 
in Frankrijk iet of wat, in Engeland en 
America zeer goed, in Duitschland, op 
enkelen na, weinig bekend. Dat ligt niet 
uitsluitend aan den weinig ontwikkelden 
smaak van het Duitsche publiek; maar 
moet zeker mede voor een deel in aller- 
lei ekonomische kwesties schuilen. 
Onze prijzen waren voor duitsche koo- 



pers langen tijd onbereikbaar en dat 
de kunsthandel niet happig was in 
Duitschland gratis exposities te organi- 
seeren, terwijl men in Engeland de som- 
men maar voor 't noemen had, kan 
niemand kwalijk nemen. Maar nu zijn 
de tijden van het arme Duitschland 
reeds lang voorbij en de jaren dat het 
opkomende rijk zich in patriotischen 
roes Anton von Werner c. s. liet welge- 
vallen of dat c Siegesalleén » meer dan 
officieele bewondering wekten gaan hun 
einde tegemoet. Men heeft heel wat ge- 
leerd en gezien; er is wel kans, (iat de 
bodem genoeg geploegd is om een 
nieuw uitgestrooid zaad op te nemen. 
En de onvermoeibare directeur van het 
Museum te Krefeld heeft voor zijn stad 
willen zaaien. 

Of deze eerste kennismaking geeste- 
lijke resultaten zal hebben; of de ge- 
wekte algemeene belangstelling tol 
duurzame gevolgen zal leiden, kan voor- 
alsnog niet beslist worden. Onze voor- 
loopig gunstige indruk was misschien 
van eenigszins persoonlijkeu aard en 
dateerde reeds van liet bezoek van 
Dr. Deneken — den bovengenoemden 
directeur — in ons land, toen hij mate- 
riaal verzamelde voor zijn tentoonstel- 
Ung. Waarlijk men had met een gansch 
andere natuur te doen, dan de duitsche 
beoordeelaar van onze afdeeling te 
Turijn was, Georg Fuchs^ die toen ter 
tijde het succes der Hollanders gemaks- 
halve verklaarde uit de « stammver- 
wantschaft» met 't groote duitsche 
vaderland en ons zoo ongemerkt geeste- 
lijk wilde inlijven. Dr. Deneken is een 
man van koeler vernuft. Wie gelegen- 
heid had hem in Holland aan 't werk te 
zien en wie hem eens zoo kalm weg lieefl 
hooren praten over Hollandsche . en 
Duitsche kunsttoestanden, wie eindelijk 
zijn bemoeiingen in Krefeld vergelijkt 
met het phlegmatieke steurtje dat Mu- 
scumsmenschen en zaken maar al te 
vaak zoetjes aan nekt, die komt tot de 
slotsom, dat hier een der vertegenwoor- 
digers van een nieuw geslacht kunst- 
geleerden is opgetreden, een geslacht 
waar nog heelwat bruikbaars uit groei- 
en kan, wijl het lot leuze heeft nimmer 
om de liefdevolle studie van het oude, 
het heviger levensrecht van het rondom 
ons groeiende te vergeten. En deze 



26 



directeur krijgt met bednclilzamen laitt 
allerlei gedaan vaii zijn soms naïef- 
enthqiisiaste publiek van Rijnlnnders, 
waar hij als rustig overleggend Noord- 
Duitscher tegenoverstaat. Hij heeft ge- 
voeld hoe noodighet was, dat men voor- 
loopig in Duitschlaiid inplaats van over 
Hollanders te hooren en te spreken 
eens werk van hen op allerlei gebied in 
samenhang te zien kreeg En waar hij 
't er zoowaar op aanlegt van zijn Mu- 
seum een paedagogische « kunstbeurs » 
te maken, waar de waarden der geheele 
wereld zullen gewogen en gescliat wor- 
den, daar komen de Hollanders al gauw 
aan de beurt. 

Men moet bewonderen, dat er in 
dezen, door allerlei tentoonstellingen in 
binnen- en buitenland, bezetten tijd 
zooveel kon bijeengebracht worden. De 
517 nummers van den statieus versierden 
katalogus omvatten : schilderijen, beeld- 
houwwerken, architectuur in teekenin- 
gen en fotos, etsen en aquarellen en 
heelwat gebruikskunst. Dit alles is in 
een paar ruime zalen en zaaltjes en 2 
lange galerijen ondergebracht, zoodat 
men voor de schilderijen één groote 
hoofdzaal en een paar kleinere compar- 
timenten reserveerde, eenigszins soor- 
telijk kon groepeeren en de galerijen 
met vitrines en afgeschoten gedeelten 
voor de gebruikskunst inrichtte. In alle 
afdeelingen is het verblijdend op te 
merken, dat hier niet, als anders wel- 
eens in 't buitenland, slechts een toe- 
vallige rommelzoo van hollandschen 
afval is terecht gekomen, madr dat er 
volgens een bepaald beginsel ernstig is 
gezocht zooveel mogelijk voortreffelijks 
bijeen te krijgen. Dat dit niet altijd is 
gelukt spreekt, de gegeven omstandig- 
heden in aanmerking genomen, vanzelf. 
Er is weleens wat te veel en er man- 
keert soms iets. Van de gebruikskunst 
krijgt de buitenlander hier zeker een 
juister beeld dan van onze schilders. 
Door de welwillende hulp van kunst- 
handelaars en particulieren is evenwel 
ook deze afdeeling, die in onzen tijd 
niet meer zoo gemakkelijk goed te krij- 
gen is als een 10 jaar geleden, tamelijk 
compleet, al had men onder de levende 
schilders b. v. Verster liever niet gemist. 

Schilderijen : voor een Hollander, die 
in Amsterdam aan de bron zit, waren er 



wel voor *t meerendeel oude kennissen ; 
maar voor H buitenland kan deze col- 
lectie, als ze ten minste met zorg en 
misschien zelfs met eeuige leiding van 
den kundigen directeur, wordt bekeken, 
veel nut stichten en bijdragen tot meer- 
der begrip. 

En zelfs als men uit het centrum komt 
en dagelijks veel ziet, dan verrassen 
hier toch enkele oudere werken, die op 
heel wat hooger peil staan, dan het 
hollandsch publiek tegenwoordig over 
het algemeen van dezelfde meesters 
gewoon is. Zoo herinner ik me in lan- 
gen tijd niet zulk een goed stuk van 
Theophil de Bock gezien te hebben, als 
dit groote boschlandschap in schemer- 
avond, van een fijne, even fransch aan- 
doende tonaliteit ; zoo zuiver en voor- 
naam geschilderd in een tijd toen de 
begaafde kunstenaar nog niet als thans 
meer en meer een handig vervaardiger 
van courante stukken geworden was. 
En van Karsen van wien men niet zoo 
heel veel ziet en die ook wel eens wat 
opzettelijk zonderling en eigenwijs kan 
wezen hingen hier drie delicate schil- 
derijtjes in een gezellig hollandsch 
hoekje bij elkaar. Een donker boe- 
renhuis tusschen Irisch groen, een 
boerenerf met hooibergen en een bij- 
kans pikant afgesneden stadsgezichtje 
in hoog formaat. Hier was geen enkele 
gewilde afwijking, geen decoratieve 
overdrijving van raar dakenrood tus- 
schen gesombreerde groenen, geen wat- 
tige boomkontoeren en ook niet van 
die gladde groene pompons, waarmee 
de olmen, op Karsens grachtstukje der 
laatste Arti-tentoonstelling, hun ruis- 
schende bladerfontijnen hadden ver- 
wisseld. 

En van de ouderen der Haagsche 
school? Wel had men beter specimen 
van Jacob Maris' kunst te zien kunnen 
geven, dan die magistrale brug uit de 
verzameling van den heer Reich ? Voor 
de zooveelste maal kwam hier weer 
uit, dat in deze richting het laatste 
woord — voor langen tijd ten minste — 
door Jacob Maris is gezegd. Evenwicht, 
evenwicht tusschen techniek en gevoel, 
olj'mpische kalmte, nergens ongedeci- 
deerd zoeken en toch evenmin ergens 
koude, schoolsche plekken. Dit stuk 
weer te zien is altijd een revelatie. Mo- 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT KREFELD 



27 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT KRKFKLD 



numcntaler van werking dan de meest 
gecomposeerde Ruysdael, mei machtige 
hand geborsteld, hecht en rijk gebouwd 
in dien sloeren teekenstij) van louter 
rechte en gebroken lijnen, zonder een 
enkele slappe rondingen bij alle kracht 
zoo malsch en frisch van pjite, dat hel 
alleen al door deze uiterlijke kwaliteiten 
gemakkelijk het meeste impressionis- 
tische werk van anderen uil dezelfde 
school slaat. 

En hoe ook meester der materie, 
Maris is nooit een goochelend virtuoos 
geworden, 't Is alles ontvangen in een 
diep ontroerd, maar sterk en mannelijk, 
nimmer sentimenteel gemoed. Deze 
brug is een stuk werkelijkheid, heerlijk 
afgesloten, uit hel omringende geligt, 
van het kleine en bijzakelijke ontdaan, 
gekuischt en vereenvoudigd, maar ner- 
gens van der wereld ruigte vervreemd. 
Machtige brokken kleur, staan de kleine 
huisjes (usschen het oude zomergroen 
terweerszij van hel strakke brugje, waar 
de zwarte melkmeid met zwaarwiege. 
lende emmers aan U juk tegenopsjouwt. 
En vér onder het schaduwend brug- 
plankier dóór, ziel men hel hollandsch 
landje zich breiden, met schuilen, roode 
huisjes en spiegelende vaart, als was 
het de overal geldige synthese voor al 
wal Holland heet. Zoo hollandsch is 
zelfs de in mineur gestemde Zandschip- 
per van Israéls (ik meen uit dezelfde 
collectie) niet. Het is een van Israéls' 
beste werken, die duwende man voort- 
stappend langs de dommelige avond- 
vaart, en de schimmen van boomen, 
aan het zwarte water. Maar al wie 
bij schilderijen, behalve het genot 
eener hooge geeslesuiting, behalve 
stemming, ook nog zijn lijfelijke oogen 
wil dronkendrinken aan de heerlijkheid 
van de mooie materie, die zie deze 
twee werken uit zoo verschillende sfeer 
liefst niet achter elkaar, om zuiver te 
blijven in zijn oordeel. Dat beide schil- 
derijen hier hangen verhoogt de paeda- 
gogische waarde der tentoonstelling 
zeer. Ze zijn de standaardmeters tot 
bestendige controle van den maatstaf 
,bij de beoordeeling van het andere 
werk, dat men zoodoende van een heel 
hoog plan at bekijken kan. Ze zullen — 
ik herhaal hel, bij eenige leiding— veler 
oogen kunnen openen. 



Wat al 't overige betreft ; detailbè- 
sprekingen kunnen hier geen plaats 
vinden. Er was *l een en ander moois 
van Bosboom^ die den Duilschers trou- 
wens, evenmin onbekend is als Mesdag. 
— Ik weet niel hoe dat juist zoo komt 
Maiwe was goed, maar niel schitterend, 
Neiihuys matig, Breitner niel al te karak- 
teristiek vertegenwoordigd. Van Poggen- 
beek vond men er een curieus vierkant 
schilderij. Heelemaal niel wat men 
noemt een « echte Poggenbeek t. De 
Nieuwmarkt met het drukke gewarrel 
en gevlek van schotsch en scheefstaande 
tentjes en kramen om de oude toren- 
muren van de St. Anthonieswaag heen. 
Die rijpe baksleenkleur met de sraake- 
1 ij k-groene luikjes als achtergrond en, 
als hoogste licht in den grijzen dag, de 
glorie van een kar met sinaasappelen, 
zuidelijk, pralend-oranje boven de stem- 
mige hollandsche grijzen uit. Israëli' 
Thoraschrijver hing goed in een klein 
kamertje, bij weinig maar uitgelezen 
gezelschap ; midden op een wand en op 
eiken afstand te bekijken door de open 
deur van een voorzaal, was de levende 
kop van den oude met de bevende 
hanglip en het werkende voorhoofd 
aangrijpend expressief. Van de Jongeren 
had alleen Toorop een eenigszins aparte 
plaats, wat om zijn zoo geheel afwij- 
kend palet noodig was geweest, lu het 
zelfde licht-behangen vertrek hingen 
o. a. ook nog twee landschappen van 
Vincent van Goch, die gemakkelijker voor 
menschen die zijn overige werk kennen, 
dan voor vreemden in 's schilders rijk te 
genieten waren. Toorop's inzending is 
omvangrijk : Gepointilleerde schilderij- 
en, ethisch-didaktische composities in 
gekleurde leekening, symboliek als de 
drie bruiden en een subtiel damespor- 
trel in weinige, scherpe potloodlijnen 
en met een tintje geel in de japon afge- 
maakt. Ik noem hier bovenal het portret 
van Dr, Timmermans, (*) In het trillende 
licht dat het pointillé veroorzaakt rondt 
dat zwarte achterhoofd wel met verba- 
zende plastiek achter het lezend-aan- 
dachtige profiel. En om dien stillen 
mensch heen danst het flikkerende licht 
in spectrale schijnsels over de bonte 
kamerdingen. Maar er blijft in die tin- 

(«) Gereproduceerd in hel Tijdschrift Die Rhein- 
lande, 111* Jahrgang, HeA 9. 1903. 



28 



telende verlichting iets eigenaardig 
onwaarschijnlijks voor het binnenka- 
mersche. Op welken afstand ook gezien, 
altijd korrelt hel beeld weer uiteen en 
blijft dat paars-zwarle, rondende ach- 
ter hoofd als in levende vervluchtiging, 
als een zongeblakerd akkerland in hitte- 
trilling. 

Eenigszins tusschen de portrettuur 
van Israéls, die in de spontaan in el- 
kaar geveegde physiognomie, uitslui- 
tend de teekens van het zieleschrift 
zocht te geven en die beeltenissen van 
Toorop, welke veelal een absolute ver- 
heerlijking van licht en absiractie van 
lijn beduiden — soms met den wrangen 
bijsmaak van pessimistische of sen- 
sueele lyriek — tusschen deze beiden in, 
staat het trouwe, pijnlijk objectief vol- 
gen van het levensbeeld zooals Jan 
Veth hel doet. Men kan hem hier van 
verschillende kanten leeren kennen. 
Want daar hangt weer dat schrijnend- 
smartelijke oude vrouwengelaat met de 
roodgekreten oogen, dat met veel 
woorden nauwelijks suggestiever kan 
beschreven worden dan in den veel- 
zeggenden titel « Als de doodsklok 
luidt 9. Hier is wel in de eerste plaats 
de ernstige, kritische teekenaar uit te 
kennen, die nimmer een atoom van de 
waarheid aan verleidelijk decoratieven 
chic op te offeren verkoos; maar 
tevens voelt men, dat er in dien nuchter, 
speurcnden observaleurnog een tweede 
natuur schuilt. Die andere Jan Veth 
heeft niets van een onbarmhartigen ont- 
leder, het is een bleeke mijmeraar 
veeleer, dien het ten allen tijde een 
zoete marteling docht, te luisteren hoe 
het ruisschen der levensbeeken droef 
gaat versterven. En terwijl anders deze 
melancholieke philosoof eerder uit den 
teederen toon van een zinnetje zijner 
geschriften, dan uit zijn messcherpe por- 
tretten spreekt, komt hier zijn levens- 
beschouwing hartroerend te voorschijn 
in dat weemoedig en bang gezicht. — 
Daarnaast hangt een groot salonportret 
van 2 personen ; een bestelling zoo het 
schijnt. (•) — Heer en dame op hun veran- 
dah gezeten en ten halven lijve geschil- 
derd, tegen 't licht in. Of dit laatste in 
den aard der bestelling lag weet ik niet, 
maar voor Veth's drooge en uitvoerige 
(«) Gereproduceerd t a. pi. 



werkwijze is het niet de gunstigste 
manier van poseeren Gaarne wil ik 
gelooven, dat beide personen perfect 
gelijken ; maar toch blijft dit een onbe- 
hagelijk schilderij. Zelfs de teekening is 
niet zoo goed als Veth dat wel kan, de 
leunende hand van den heer is zwak 
van constructie, de plooien van zijn jas 
zijn star als steen. Maar 't vreemdste is 
het landschaps-uitkijkje over boschrijke 
heuvelen. Wel drommels ! sneed men 
het er uit en werd het afzonderlijk in 
een lijst gezet, zou dan niet ieder arge- 
looze, dien men het liet zien, aan Thoma 
denken of aan een anderen duitschen 
naam? Nooit of te nimmer aan Jan Veth. 
Dit krijterige bosch en deze dunne 
sluierlucht zijn van kleur en behande- 
ling duitsch. We zullen zeker niet tegen- 
spreken dat (c Andere landen andere 
zeden, b een gulden regel is, en we 
zullen ook den Duitschers niet alle 
begrip van beeldende kunst teneenen- 
male ontzeggen, als de rechtgeaarde 
Hollander dat met een hoogwijs air kan 
doen ; maar Jan Veth, die nog pas, van 
een duitsche reis teruggekeerd, zoo on- 
omwonden zijn verlangen naar Hol- 
land's smijdige luchten heeft bekend, 
Jan Veth zullen we altijd meer lief 
hebben waar hij van top tot teen Hol- 
lander is. 

En daarmee heb ik, naar ik meen, 
het gewichtigste van de schllderijen- 
afdecling aangestipt om me een volgen- 
den keer uitsluitend tot de verdere 
inzendingen te kunnen bepalen. 
Juni W. V. 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT KREFELD 



VARIA 



De SI, Joris van Ed. Pellens van 
Antwerpen is een oorspronkelijke tee- 
kening en houtsnede. Zij onderscheidt 
zich daardoor van de liieeste gravuren 
die doorgaans slechts de vertolking zijn 
van het werk van een ander kunstenaar. 
Wat de techniek betreft wijkt deze plaat 
ook af van de laatste akademische be- 
werking welke vooral naar het naboot- 
sen van de kopergravure streefde. Al 
de eigenaardige voordcelen benuttigen 
die de gebruikte stof oplevert is stellig 
een verdienste bij het vervaardigen 
van elk kunstwerk. Hier werd in deze 
houtsnede eerlijk naar gestreefd. P. B. 



VARIA 



29 




BOEKEN & TIJDSCHRIFTEN 



BOEKEN EN 
TIJDSCHRIF- 
TEN 






HET HUIS» MAANOELIJKSCH PREN- 
TENBOEK GEWIJD AAN HUISINRICH- 
TING, BOUW- EN SIERKUNST, MEU- 
BELEN > UITGAVE VAN EI). CUYPERS 
ARCHITECT TE AMSTERDAM >c^ 

|p hopen eens geie^^en- 
Iieid Ie vinden om 
het slreven van Ed. 
Cuypers op dit gebied 
in passend verband 
Ie bespreken. Op deze 
plaats slechts een 
woord over dit aardige prentenboek. 
Bij den tekst — een causerie over alge- 
meene eischen van de huisinrichting en 
voor zoover ik tot heden zien kan 
vooral van de meubeleering uit een niet 
al te schrale beurs — zijn open lijn- 
teekeningen gevoegd van interieurs, 
meubels, opstanden en plattegronden 
van huizen onder welke sommige er 
heel aantrekkelijk uitzien Niet alleen 
om het afgebeelde dat men bij de kleine 
dimensies toch moeilijk kan beoordee- 
len, maar voornamelijk om het juist 
gekozen procédé, de smaakvolle ver- 
deeling van volgedrukte plekken en de 
magere lijnteekening, waarin wriemelige 
onduidelijkheid is vermeden. Kleine 
reproducties van gcbruiksdingen, ook 
al zijn ze met behulp der photografie in 
tint gedrukt, geven toch gewoonlijk ook 
niet méér dan een vaag idee van het 
origineel en daarom is het verblijdend, 
dat iemand het zonder zinco- en auto- 
typie en dus ook zonder het akelige 
kunstdrukpapier gewaagd heeft Daar- 
door wordt dit boekje dat, zij het dan 
ook in beschnafden vorm, toch ook 
eenigszins ais reclame bedoeld is, een 
werkelijk bewijs van goeden smaak. Ook 
de kleur, het stevige steenrood van tekst 
en prentjes doet aangenaam op het gele 



papier. De Eckmann-letters zijn wel wat 
geaffecteerd ; maar het is niet gemakke- 
lijk voor zulk een uitgave iets geschikts 
te krijgen tenzij men het opzettelijk laat 
maken. En dan nog, ivie maakt er een 
letter voor ons? Karig is de opzet van 
deze onderneming anders niet, het is 
zelfs geen teeken van zuinigheid dat de 
bladen slechts aan één kant bedrukt 
zijn; typografisch onpraktisch, kan men 
in dit feit slechts een teeken van weelde 
zien, waardoor het hinderlijke door- 
drukken van weerskanten vermeden 
wordt. Goed gezet is de tekst wel, 
in geserreerde blokken door gevari- 
eerde groene ornamentrandjes omlijst. 
Het best is misschien de omslag, be- 
stempeld met knap ingedeelde front- 
versiering naar een teekening van 
's heeren Cuypers* huisportaal (Jan 
Luykenstraat 2). De donkere druk, ver- 
levendigd door wat handig aangebrachte 
stukjes geel, geeft aan het Amerikaan- 
sche, wijnroode kaftpapier een deftig 
karakter. 

Het uiterlijk van dit tijdschriftje is 
best verzorgd en ook de drukkers 
Ipenbuur & van Seldam hebben er eer 
van ; zulk een uitgave is in alle geval een 
loffelijke daad. 

Over de behoefte ook voor Nederland 
eindelijk een tijdschrift te bezitten, dat 
zich met gebruikskunst bezig houdt, 
zullen we met den heer Cuypers niet 
debatteeren. We willen het gelooven, 
dat er nog altijd meer behoefte aan 
bestaat, al heeft Onze Kunst, dunkt ons, 
ook getoond ten allen tijde bereid te 
zijn over zaken van dien aard te berich- 
ten. We veronderstellen, dat de heer 
Cuypers, wien dit wellicht niet onbe- 
kend is, bedoelde een tijdschrift uHslui- 
tend aan gebruikskunst gewijd. W. V. 



30 



WALTER PATER >DIE RENAISSANCE 

> STUDIËN IN KUNST UNI) POESIE 

> LEIPZIG, E. DIEDERÏCHS 1902. 
-♦y WALTER PATER > IMAGINARE 
PORTRAITS LEIPZIG, INSEL-VERLAG, 
1904. 

-♦y WALTER PATFR > DAS KIND 
IM HAUSE, EIN IMAGINAIRES POR- 
TRAT > LEIPZIG, INSEL-VERLAG, 
1903. 



tS^. — 



|E niet talrijke geschrif- 
ten van den Engelsch- 
man Pater, werden 
nu eerst in goede 
Duitsche vertalingen 
uitgegeven. Deze op- 
stellen behoorcn tot 
het beste, wat ooit over kunst geschre- 
ven werd. Zij onderscheiden zich door 
een kristalhelderen, buitengewoon aan- 
schouwelijken stijl, waarin menschen 
en dingen zich in rijke reflcksen spie- 
gelen. En dit geldt wel in de eerste 
plaats daar, waar hij van concrete din- 
gen spreekt; — de philosofisch aesthe- 
tische gesprekken zijn daarentegen 
moeilijker te volgen. 

Slechts met éen enkel boek is Pater's 
Renaissance te vergelijken, met Burck- 
hardt's Kultur der Renaissance. Bij bei- 
den ontmoeten wij het zelfde protest 
tegen de algemeen verspreidde opvat- 
ting, dat de Renaissance een geheel op 
zichzelf staande beweging is geweest, 
die op een zeker tijdstip werd afgeslo- 
ten; evenzeer als we bij beiden den 
wensch en ook de bekwaamheid vinden 
om de kunstbeweging met de geheele 
geschiedenis van onze Kuituur samen 
te voegen, de draden op te sporen, 
welke de middeleeuwen en de Renais- 
sance saam verbinden en om in de 
menigvuldige verschijnselen der Re- 
naissancecultuur, den geest te ontdek- 
ken, die deze beweging heeft geleid. 
Pater behandelt verdereenige Fransche 
dichters en Italiaansche schilders Pico 
della Mirandola, Botticelli, Luca della 
Robbia, Michel Angelo, Leonardo da 
Vinci, Giorgione, Winketmauw, etc. 

Hoogst eigenaardig zijn de Imaginaire 
portretten : Om ons het karakter van 
een tijdperk, het intiemste zijn van een 
kunstenaar op de duidelijkste wijze 



voor oogen te stellen, geeft hij ons het BOEKEN EN 
beeld van een periode in een verdichtte «rjir^cpoDip 
figuur, de schepping zijner eigen fan- 
taisie, wier lotgevallen hij ons vertelt. 1 EN 
Zoo rijst het beeld van Watteau uit hel 
dagboek eener zuster van een zijner 
leerlingen voor onze oogen op; in 
mooie, heldere kleuren wordt ons het 
Frankrijk der xiii« eeuw geschilderd; 
in het derde portret Sebastiaan v'an 
Storck, de Hollandsche zoon, vinden we 
een menigte belangrijke opmerkingen 
over Hollandsche schilderkunst, Hol- 
landsche kultuurgeschiedenis en het 
Hollandsche leven in het algemeen uit 
den bloeitijd van dat land. 

Pater's werken zijn ook uiterlijk zeer 
goed verzorgd en verdienen ongetwij- 
feld een groot debiet. 

ü^ s^ ^ s^ s^ s^^^s^s^ 

ALTE MEISTER II Lfg. 8 TAFELN 
IN DREIFARBENDRUCK AUF PASSE- 
PARTOUT IN MAPPE, M.5 — LEIPZIG 
E. A. SEEMANN. 

^m-/ HUNDERT MEISIER DER GE- 
GENWART, IN FARBIGER WIEDER- 
GABE, Lfg. 1-4 EBDA. 
^♦yTÜRMERS BILDERSCHATZ, 
KUNSTBLATTER DES TÜRMERS, 15 
PHOTOGRAVUREN I. MAPPE MIT 
TEXT VON DR. WOLFG V. OETTIN- 
GEN, STUTTGART, GREINER UND 
PFEIFFER /u^ 

|E uitgevers-firma E. A. 
Seemann, die zich op 
kunsthistorisch ge- 
bied reeds zoo dik- 
wijls verdienstelijk 
gemaakt heeft, tracht 
thans de driekleuren- 
druk cp grooter schaal in dienst van het 
reproduceeren van schilderijen te stel- 
len, bij de Oude Meesters. Wel is waar 
mei zeer afwisselend gevolg ; het bruine 
der meeste stukken, treedt in driekleu- 
rendruk zoozeer op den voorgrond, dat 
de fijnere nuancen er voor een groot 
deel door verloren gaan. In de laatste 
elfde aflevering, die we hier meer be- 
paald op het oog hebben, zijn een Mans- 
portret^ van Holbein, een Dorpsstraat 
van Peter Breughel d. O. en Ostade's 
Boeren in een Prieel, als zeer goed gelukt 
te beschouwen. 
Waar de Oude MeeslerSy slechts onder 



'rk^^ 



it^^sfi 



31 



BOEKEN EN 
TIJDSCHRIF- 
TEN 



zeer sterk voorbehoud geprezen kun- 
nen worden, verdienen de reproducties 
van de kunstwerken der Modernen, on- 
bedingden lof. Juist voor schilderijen 
en studiën van krachtige borstel voering, 
is deze vorm van kleurendruk biezon- 
der geschikt. O. a., werden er schilde- 
rijen van Liebermann, Leibl. Meyer- 
heiin, Schönleber e. a. in het tijdschrift 
gereproduceerd, die het karakter van 
het origineel op waarlijk verrassende 
wijze weergeven. Van de eerste vier 
nummers zijn er twee aan Munchen, 
aan Carlsruhe en Berlijn ieder éen 
gewijd. De bijschriflen zijn smaakvol 
en laten zich vloeiend lezen, de prijs is 
zeer bescheiden, zoodat we allen die 
belang stellen in Moderne kunst, aanra- 
den om op het tijdschrift in te teekenen. 
•^o^ In tegenstelling met de altijd doel- 
treffende keuze in de uitgaven van de 
firma Seemann, krijgt men bij de Tür- 
mets BilderschatZy het gevoel dat de 
keuze louter een kwestie van toeval is 
geweest. De fotogravures, zijn over het 
algemeen vrij goed, maar de text is een 
beetje te veel in den positiven geest van 
den Türmer geschreven. Van Neder- 
landsche Meesters vinden wij in den 
uiterst goedkoopen BUderschatz o. a. c/e 
Heilige Familie van Rembrandt die, 
even als het Drie Koningenfeest van 
Jordaens, te vaag, te wazig van bewer- 
king is; het teere Hollandsche Land- 
schap van Ruisdael en het eigenportret 
van Van Dyck, verdienen daarentegen 
een woord van lof. 

W. 



^^^^^^^^^^ 



im 



HENRY VAN DE VELDE f RENAIS- 
SANCE IM KUNSTGEWERBE f BER- 
LIN, B. CASSIRER, J901 jcm^ 
HENRY VAN DE VELDE > KUNST- 
GEWERBLICHP LAIENPREDIGTEN 
LEIPZIG > H. SEEMANN NACHF, 1902. 
IXAST Van de Velde's 
voortbrengselen op 
het gebied van mo- 
derne kunstindustrie 
verdienen ook zijne 
geschriften, waarin 
hij zijne leerstellingen 
verkondigt, onze belangstelling. De He- 
naissance im Kunstgewerbe heeft bijzon- 
dere waarde door de zeer getrouwe 
schildering van den strijd om den 
«• nieuwen stijl ». In beide werken wekt 
de geheel onhistorische opvatting der 
kunstontwikkeling echter argwaan : 
uiterst eenzijdig wordt de decoratieve 
kunst als eenig levendig doel der kunst 
uitgekreten — en ter wille van deze stel- 
ling worden de feiten maar stoutweg 
omgekeerd. Goede woorden spreekt hij 
echter over de werkzaamheid van 
Ruskin en Morris; het beste aan theorie 
geeft hij in de uiteenzetting van de wet 
ten der ornamentiek. 

De Kunsigewerblichen Laienpredigten 
zijn voor een deel herhalingen uit het 
vorige boek. De vier voordrachten loo- 
pen over de jaren 1892-1902 en geven 
dus een duidelijk overzicht van den 
ontwikkelingsgang van den auteur. 
Het meest verheugend is de opmerking, 
dal met de jaren de schrijver allengs 
tot meer bewustheid gekomen is en zijn 
stijl dan ook helderder wordt, waar hij 
in de eerste voordrachten opgeschroefd 
en precieus was. 

De tekst is voortreffelijk vertaald en 
keurig gedrukt. 




32 



NIEUWE GRAVEERKUNST 



IN NEDERLAND 




OEN in het jaar 1883 de Heer Rudolf Stang mjeuWE GRA- 



uit Düsseldorf tot Professor in de Graveer- 



VEERKUNST 



kunst aan de Rijksakademie van Beeldende r^ 
Kunsten te Amsterdam benoemd was, werden mederijvND 
door den nieuwen Hoogleeraar, op de Haag- 
sche Tentoonstelling van het volgende jaar, 
twee zijner reproduktieve gravures ingezon- 
den, en hel was in den Nederlandschen Specta- 
tor dat toen over die prenten het volgende geschreven werd : 

« Met leedwezen zagen wij de beide gravures van den Heer Stang. 
» Zijne benoeming tot professor aan de akademie te Amsterdam 
» heefl strijd van meeningen opgewekt.... Kunde wil ik dien graveur 
» voorzeker niet ontzeggen, maar als ik dat doode, drooge, louter 
» mechanische werk zie, en dan denk aan de genieën der oude Hol- 
.» landsche graveerschool, dan wordt het mij benauwd te moede. Dan 
)) voorwaar, had men bij ons personen kunnen vinden, die ifieer 
)) volgens onze oude tradities werken, wier werk misschien minder 
» koude geleerdheid, maar zeker meer gemoed en artistieke hand 
» verraadt. Ik bid dat de invloed van het Amsterdamsche prenten- 
» kabinet behoede tegen het veldwinnen van des Heeren Stang's 
» methode. » 

Dit kras uitgesproken oordeel, wat toentertijd aan Alberdingk 
Thym een heftige tegenspraak ontlokte, was in den grond van 
de zaak zeker niet onjuist. Het geval wilde echter nu eenmaal 
dat er in Nederland een Rijksakademie bestond, en dat er aan die 
inrichting volgens de wet ook onderwijs in de graveerkunst be- 
hoorde te worden gegeven. De oude Kaiser had zijn ontslag geno- 
men, en ofschoon zich al vele jaren lang ook bij hem geen enkel 
leerling voor het vak had aangemeld, diende de vakant geworden 
plaats toch vervuld te worden. Maar niet alleen dat er blijkbaar 
geen jongeHngen waren, die het graveeren wenschten te leeren. 



On2b Kunst 1903, Afl. 8. V 



33 



NIEUWE GRA- 
VEERKUNST 
IN 
NEDERLAND 



er was ook geen Nederlandsch graveur (en in zooverre had de Spec- 
talor ongelijk) dien men mei voeg kon aanwijzen om hel graveeren 
Ie onderwijzen. Bij dien stand van zaken was het, dat men naar een 
geschikt persoon in het buitenland omzag, en zoo viel hel oog der 
Regeering op den Heer Stang, die een in haar soort stellig zeer be- 
kwaam uitgevoerde gravure naar Rafaëls Spozallizio gemaakt had, 
waar Thym en een aantal liefhebbers met hem, bizonder onizach 
voor koesterden. Rudolf Stang, meende men, zou de bij ons afgebro- 
ken traditie van hel graveeren waardiglijk kunnen herstellen. Van 
hem, zoo dachten zijn bewonderaars, was er kans dal eene nieuwe 
Nederlandsche graveerkunsl zou uitgaan. 

Hel aldus naar Amsterdam doen komen van den Düsseldorfer 
graveur is echter op een algeheele mislukking uitgeloopen, hetgeen 
vooral jammer geweest is voor den Heer Stang zelf, die het eigenlijk 
toch niet helpen kon, wanneer men hem, onwillekeurig in een onaan- 
gename pozitie getroond heeft. Degenen die hem hierheen riepen, 
konden veel beter weten wat zij in hem aanwierven, dan waarschijnlijk 
de Heer Stang zelf toen besefte wat hij aan Holland hebben zou. En zijn 
schuld was hel per slot niet, wanneer in de negentien jaar, gedurende 
welke hij hier zijn ambt bekleed heeft, zich geen enkele leerling voor 
de door hem te onderwijzen graveerkunsl aan de Amsterdamsche 
Akademie heeft aangemeld. Van een veldwinnen van des Heeren 
Stang*s methode, waarvoor de Spectator bij zijn komst bleek te vreezen, 
is onder die omstandigheden in elk geval weinig sprake geweest. 



Toen nu de Heer Slang onlangs op zeventigjarigen leeftijd zijn 
afscheid nam, moest er wederom naar een graveur worden omgezien, 
die geschikt kon worden geacht aan de Amsterdamsche Akademie, de 
kunst van hel burijn te onderwijzen. Indien bij geval de ervaring 
intusschen geleerd zou hebben, dat hel graveeren in onzen lijd eeniger- 
mate als een doode kunst beschouwd moest worden, dan zou dal iels 
zijn waar de Regeering zich waarschijnlijk luttel om hadde bekom- 
merd. De wet immers schrijft voor, dal er aan de Amsterdamsche 
Akademie een leerstoel voor hel graveeren zal zijn, en al zou er nu 
nooit meer een jongeman naar talen, om in deze kunst te worden 
opgeleid, en al ware er op alle vier de winden ook geen enkele levende 
plaatsnijder meer te ontdekken geweest, de voorschriften der wel 
zouden tóch vervuld moeten worden ! 

Het was intusschen niet de verdienste van de wet, noch van den 
heengaanden Hoogleeraar in de graveerkunsl, wanneer zich intusschen 
uit een oud-leerling der Akademie, die tijdens zijn discipel-schap nog 
aan geen burijn gedacht had, op het onverwachtst en langs een om- 
weg, een hoogst opmerkelijk graveur van wel zeer bepaalde levens- 



34 




P. DUPONT 

PLOEGENDE OSSEN, (Kopergravure). 

(Op 1/4 der ware grootte). 




ü. L. vttQ Looy, Uitgever Atustenlaiu. 




kracht gevormd had. Maar het was wel een bizondere buitenkans dat NIEUWE GRA- 
men, om zoo te zeggen volgens wettelijk voorschrift zoekend naar VEERKUNST 
iets wat men een paar jaar geleden nog eenvoudig onvindbaar had IN 
moeten noemen, nu den 32-jarigen oud-leerhng der Akademic, die NEDERLAND 
wel zeer zijn eigen weg gegaan was, en sedert al een aantal jaren in 
Frankrijk yerblijf hield, voor de vakante betrekking in het vaderland 
vermocht te winnen. Een buitenkans bedoel ik nu in de eerste plaals 
was het voor degenen die, wanneer zij dezen man niet hadden gevon- 
den, al in een wonderlijke impasse zouden zijn gekomen, maar een 
buitenkans was het nog stelliger voor de Nederlandsche kunst. Niet 
dat er altoos een direkt verband voelbaar zou wezen tusschen den bloei 
eener kunst en het meer of -minder goed bezel zijn der professoralen 
aan een nationale kunstakademie, — en niet dal wij de Amsterdamsche 
inrichting in eenig opzicht voor een Eldorado zouden houden. Inte- 
gendeel meen ik dat de wet die haar organisme regelt uit veelszins 
verkeerde inzichten is voortgekomen, en dat zich de kwade gevolgen 
daarvan wel degelijk laten nawijzen. Maar daarom geloof ik toch, op 
zichzelf genomen, wel zeker, dat het ons ten zegen moet komen wan- 
neer een man, wiens krachtig talent bepaald in nederlandsche opvat- 
tingen wortelt, maar die voor de kunst van onzen stam op den duur 
allicht verloren zou zijn gegaan, door de omstandigheden weder in 
ons midden teruggevoerd mag worden. 

Het is overigens met die Akademies een wonderlijk geval In 
haren oorsprong zijn zij ongetwijfeld van de gezondste bedoeling. Een 
man die gewerkt en gedacht heeft, en die iets leeraren kan, zet zich in 
een middelpunt van beschaving neer, en roept de jongelieden van ver 
in den omtrek tot zich, opdat hij hen met zijn ervaring en zijn rijper 
inzicht den weg wijze tot vruchtbaar onderzoek en deugdelijken arbeid 
in wetenschap of kunst. 

Kan het natuurlijker, kan het heilzamer? Maar nu bieden er zich 
niet voortdurend vanzelf mannen met zulk een sterken innerlijken 
drang aan, — wèl daarentegen heeft men voortdurend jongelieden die 
wat leeren willen, en — ik bepaal mij nu tot de beeldende kunst — bij 
gebrek aan praktische meesters in wier werkplaats zij een natuurlijke 
opleiding kunnen vinden, worden er dan voor hen en hunsgelijken 
instellingen geschapen naar papieren systemen, en die systemen vastge- 
legd zijnde, gaat men mannen zoeken welke aan zulk een instelling 
een leerstoel zouden kunnen innemen, in de hoop dat zij er in zullen 
slagen, leven te geven aan de wel die hen opriep. 

Wat hiervan de bedenkelijke zijde is behoeft waarlijk niet betoogd 
te worden. Hoezeer het wezen der kunst ook aan hoogere en in zeke- 
ren zin eeuwige wetten onderworpen moge zijn, de vraag op welke 



35 



NIEUWE GRA- 
VEERKUNST 
IN 
NEDERLAND 



wijze deze zich in diegeeslelijke uitingen, welke uit de geheimste instink- 
ten van het volk voortkomen, voor het oogenblik zullen manifesteeren, 
laat zich zeker langs wettelijken weg niet oplossen. Een kunst bloeit 
en tiert, wordt begrepen en bewonderd, en zinkt soms in enkele jaren 
voor onze verbaasde oogen in het niet. De kunst der groote Haagsche 
schilders die toch geen waardige school schijnen te zullen achterlaten, 
is er een hedendaagsch bewijs van, en van den anderen kant ziet 
men wel plotseling en op het onverwachtst een kunst opduiken die 
niemand had kunnen voorzien. 

Dat wij in Nederland in dezen tijd op een waarachtige monumen- 
tale schilderkunst zouden mogen wijzen, wie die het twintig jaar ge- 
leden had kunnen denken? En dat wij op het oogenblik een wezenlijk 
uit krachtigen drang zich aan de gravure wijdend kunstenaar zouden 
bezitten, wèl, een dozijn jaar geleden had men het nog een onmoge- 
lijkheid geacht. Ik geloof niet dat het een persoonlijk oordeel was toen 
ik in 1891 in het Weekblad de Amsterdammer in een voornamelijk aan 
een jonge Duitsche kunstbeweging gewijd artikeltje £/snaa/d ofburijn 
o. a. het volgende dorst zeggen : 

« Het burijn voorziet niet in wat wij in eenig opzicht behoeven. 
» De werkelijke bekoring die de bloote gravure kan geven is tegen 
» onzen ingeboren zin voor toon volheid in. Niet alleen ter reproduktie 
i> van echt Hollandsche kunst eigent het graveerijzer zich niet, -- wie 
» het etswerk onzer origineele etsers van deze dagen kent en begrijpt, 
i> ziet in, dat al wat hier door ons ras wordt gevoeld, gezocht, ge- 
To maakt, buiten hetgeen een herleving van het burijngra veeren ons 
1^ brengen kan, ganschelijk omgaat. i> 

Het moge eenigszins als een boetedoening gelden wanneer ik die 
lichtvaardige verzekering van een dozijn jaar geleden hier openhartig 
afschrijf, maar ik wilde er tevens een bewijs mêe aanvoeren, hoe zelfs 
iemand die toch als jonge man middenin de beweging van zijn tijd- en 
bentgenooten staat, zich schromelijk in de algemeene ontwikkeling 
der opkomende kunst kan vergissen. Hoeveel te onmogelijker nog 
moet het dan voor een verder van de bron blijvende regeering zijn, 
onbeweegbare wetten te maken, die in de gedurig wisselende kunstbe- 
hoeflen van het opkomend geslacht voorschriftelij k zullen voorzien. 

Toch neemt dit alles niet weg, dat een krachtig overtuigd, welbe- 
wust, door de tucht der zelfkritiek gesteund kunstenaar bij gunstigen 
loop van omstandigheden aan een Akademie door opwekking, voor- 
beeld en wegwijzen den beginners in het beoefenen der kunst zeker 
van groot nut kan wezen. En om ons tot het eigenlijke kader dezer 
bespreking te beperken, dunkt mij dat vooral een leeraar in de gra- 
veerkunst, de jongelui die zijn vak willen leeren, van eminente voor- 
lichting zal kunnen dienen. Onafwijsbaarder toch nog dan misschien 



36 









Ui 

ö 

os 
< 

Z C/3 

O » 

CU CQ 

i O 



eenige andere beeldende kunst berust het graveeren in zijn wezen op NIEUWE GRA- 
een bindend handwerk. VEERKUNST 

En dat nu vooral in zulk een kunstvak, dat zoo vanzelf tot strenge IN 
tucht van organiesch begrijpen en sireng saamvattend teekenen moet NEDERLAND 
voeren, — dat bij een zoo in haar deugdelijk metier orthodoxe kunst 
als die van het graveeren, van een krachtig overtuigd en frisch begaafd 
man, ook aan zulk een Akademie, als voorganger groote kracht kan uit- 
gaan, schijnt moeielijk te betwijfelen. En in elk geval is de heer P. 
Dupont, die aan de Amsterdamsche instelling tot opvolger van den 
heer Stang werd aangewezen, meer dan iemand anders de waardige 
om als Leeraar op te treden in een kunst, welke hij, en dat is het 
voornaamste, al door zijn voorbeeld schitterend en op het oogenblik 
zelfs zonder mededinging dient. 

Laat ons nu eens nader mogen nagaan in hoeverre, terwijl de 
benoeming van den heer Dupont aan de Amsterdamsche Akademie 
licht eenigszins als een offlcieele erkenning van zijn verdienste zou 
kunnen worden beschouwd, hetgeen hij nastreeft zelve ook inderdaad 
algemeen begrepen en gewaardeerd kan worden geacht. Wij willen 
daartoe de zaak nog weder eens wat verder ophalen. 

Toen onze beste schilders, dertig jaar geleden, zich weder alge- 
meener aan de bij ons lang verwaarloosde etskunst gingen wijden, kon 
deze beweging zich aanvankelijk niet in zeer veel sympathie bij de 
kunstminnende menigte verheugen. Naar de mooie etsen welke Israëls, 
Maris, Mauve en Blommers in de zeventiger jaren maakten, keek 
toentertijd ongeveer niemand om. 

De etsproeven welke een jonger geslacht ongeveer een dozijn jaar 
later begon de wereld in te zenden, werden, niet omdat zij van beter 
kwaliteit waren, maar omdat in de toongevcnde schilderkunst, de 
smaak intusschen wat aan het kenteren was geraakt, reeds met eenige 
meerdere belangstelling ontvangen. Toch had de ets als zoodanig het 
toen in de officiëele schatting nog niet gewonnen. Er zat nog een 
ietwat verstijfde overlevering, welke de eigenlijke gravure voor het 
summum van.prentkunst hield, en in elk geval was het wel degelijk in 
naam van het burijnwerk wanneer de etskunst toentertijd op eenige 
geringschatting bleef stuiten. 

Heel lang intusschen heeft deze tegenstand niet geduurd. De lief- 
hebber is een wezen van in den grond volgzamen aard, en evenals de 
schilderijen der Haagsche schilders van lieverlede gezocht werden, 
gedeeltelijk door dezelfden die zich aanvankelijk tegen hunne kunst 
hadden verzet, evenzoo werd de vroeger versmade els door de verza- 
melaars allengs met modegreligheid binnengehaald. 

Niet zonder een in haar eigen verzwakt gehalte te zoeken grond 



37 



IN 
NEDKRI.AND 



NIEUWK GRA- trouwens, was de graveerkunst, gelijk zij nog beoefend werd, spoedig 
VEERKUNST na het veldwinnen van een frisschere etskunst, in de achting gedanld. 
Een eenigszins levendige kritiek kon zij bezwaarlijk meer doorstaan. 
Geen kunst toch waar men ondraaglijker schoolsche opvattingen in 
was gaan dienen dan in die van het burijn. De uitgepieterde voor- 
schriften der alleen nog maar voor reproduktie van zoogezegd klas- 
sieke schilderijen gebruikte graveerderij steunden zelfs niet meer op 
schijn van bezieling. Ik spreek nu niet van Nederlandsche verhoudin- 
gen alleen, maar over wat zich ook elders liet opmerken. Zoozeer was 
in de tweede helft der negentiende eeuw de burijn-gravure nog maar 
alleen als middel tot vertolking van schilderijen in gebruik, dat de 
overigens toch zeer univerzeele Charles Blanc in zijn Grammaire des 
Arts du dessin, het karakter dezer kunsV vrij fondamenteel naar eischen 
welke aan een richtig weergeven van andere kunstwerken gesteld moe- 
ten worden, bepaalt. Maar hoe zonderling bovendien werden die 
eischen dan nog begrepen! Het verloop van de lijn diende düs te zijn, 
de kruising der lijnla^en onderling, onder dien voorgeschreven hoek. 
In bepaalde gevallen werden de door de kruisende lijnen opengelaten 
ruiten met juist in het midden daarvan geplaatste stippen opgevuld. 
Het naakt vergde zulke arceeringen, drapericn eischten lijnen van diè 
dikte, zóó gelepen, achtergronden moesten op déze manier behandeld 
worden, voorgronden op diè. Hout, marmer, wolken, boomen, hel 
werd alles naar voorschrift, door bizondere schikking van lijnlagen 
uitgedrukt, en deze buitengewone schematische bedremmeldheid, die 
bovenal in den vreeze leefde dat het burijn uit de rails zou loopen. 
was oorzaak dat het heele lijnenschema van een gravure veelal eerst 
voorzichtig in den etsgrond geteekend, en luchtig in het koper gebeten 
werd, om dan, in die ondiepe gelinieerdheid van de plaat, met grootcr 
zekerheid, het burijn zelf tot dieper insnijding te gaan gebruiken. 
Bovenal echter had alles open van behandeling te zijn, gelijk een 
mazennet, en bedaardheid, ijzige bedaardheid moest te bewonderen 
vallen in het overleg, waarmee die onberispelijke systematische lijn- 
lagen in het gelid waren gevleid, terwijl beweging en kleur, kleur 
en beweging de grootste vijanden van die koude, gebreide, schoolsche 
gravure bleven. 

Natuurlijk was dit alles slechts een verdroogde doktrine, een 
verarmde konventie, een ontwricht begrip van wat in vroeger dagen 
toen het handwerk nog door warmte en geest geregeerd werd, tol 
mooie vrije uitingen had geleid, en wat toen levende noblesse mocht 
wezen, was nu in verstarde burgerlijkheid ontaard. Het zou profaan 
zijn de geestelooze platen der graveurs uit het einde der negentiende 
eeuw, met het heerlijk bloeiende graveerwerk van Schongauer, Dürer 
en meester Lucas, ook maar even in één adem te noemen, en hoe 



38 





Q 

< 

< 
CU 

z 

5 > 

9 w 

CU c 
Q H 

« w 



heeft zelfs een vroeg graveur als Mantegna met een nog vrij onred- NIEUWE ORA- 
zaam hanteeren van het graafijzer, toch oneindig meer karakter aan VEERKUXST 
zijn prenten weten te geven dan zelfs de allerbesten onder de geleerde IN 
systeem-graveurs van later het vermochten I NEDERLAND 

Doch omdat het hurijn stellig in verkeerde handen was geraakt, 
daarom is het nog geen in zichzelf te minachten outil geworden. 
Wanneer de rechte man er maar is, die het in den rechten geest ge- 
bruikt, is het een bij uitstek karaktervol werktuig. Hoezeer ook voor 
een gedragen totaalaspect van de prent, de door totaalbij tingen van 
heele partijen gesteunde ets ongetwijteld voordeden biedt, (want door 
het zoo vaak misbruikte procédé van wat de Franschen het rentrer 
la taille noemen, kan het totaaleffekt der gravure wel geleidelijk 
opgevoerd en vervolkomend worden, maar zoo eenvoudig en ineens 
als de bijting bij het etsen de krachtkontrasten beheerscht, gaat dat 
bij de burijngravure toch niet), heeft de gegraveerde lijn door haar 
innerlijke deugd op de geëtste nu eenmaal ontzachlijk veel voor. 

De in den etsgrond met de naald ontbloote lijn wordt over haar 
geheele lengte gelijkelijk diep door fiet sterk water in de plaat inge- 
beten : aan de uiteinden houdt de dus diepgevreten geul even scherp 
op als aan de zijkanten. Dit geeft aan de luchtig gedirigeerde etslijn in 
haar toestand van drukbaarheid (en geenszins altoos is dit een deugd), 
iets abrupts. Het graveerijzer daarentegen, al richt dit zich minder 
bewegelijk dan de etsnaald, heeft een soepeler eigenschap daarin, dat 
het aan het begin van de lijn glijdend inzet, en aan het einde er van 
omzichtig het krulletje koper uit de plaat opwipt, en, zoodoende op 
het midden dieper duwend, de lijn aan haar uiteinde glooiend ver- 
loopen laat. 

Trouwens men behoeft de gegraveerde lijn niet met de geëtste 
lijn te vergelijken, om te begrijpen dat zij uit eigen aard de prach- 
tigste eigenschappen kan hebben. Haar grondkarakter toch is om 
zonder hulp van eenig bij-middel, onmiddelijk en onvermengd uit 
te drukken, wat de geest van den kunstenaar door het stuwen van de 
pols aan het hem gehoorzamend instrument dikteert. 

Dit instrument, het graveerijzer, dat dus met de plaat in onmid- 
delijk kontakt komt, er innig handgemeen mee wordt, er dwingend 
in ploegt, is den kunstenaar in den strijd met de materie niet alleen 
een willig wapen, maar gelijk elk goed werktuig tevens een stevig 
medewerker, omdat door het speciaal bedwang wat de gepunte stalen 
staaf over het weerstrevende koper erlangt, de zuiver, door harder in 
weeker metaal gesneden teekening een eigen karakter van strenge on- 
omwondenheid en klare veerkracht verwerft. 



39 



NIEUWE GRA- 
VEEHKUNST 
IN 
NEDERLAND 



En bovendien verleent de smijdige aard van hel egale koper, dal 
de soepele snede van dit stalen graalijzer ontvangt, aan de veerkrach- 
tig in haar vlak geslierde lijn, nog die edele malschheid en dien gaven 
glans, welke deze zelfs in den goeden afdruk op het papier vermag af 
te spiegelen. 

Dit eigenaardig karakter van de gegraveerde lijn, beheerscht van 
zelf het karakter van de gansche gravure, die daarmee een eigen 
opzet, een eigen vormvertolking, een eigen verdieplheid, een eigen 
kleur erlangt, welke in hoofdzaak wel zeer op hel smijdig veerkrach- 
tige in der dingen kennelijk samenstel gericht zullen zijn. De ware 
kunstenaar voelt zijn konceptie, met een nooit afdwalend besef van 
den aard zijner kunst geboren worden en groeien, — vizie en uitvoe- 
ring zijn bij hem geen twee te verzoenen elementen, maar hij kweekt 
ze als eendrachtige machten hand in hand. En daarom is het nóodig 
dal degene, die zich van hel levende karakter eener gravure reken- 
schap wil geven, ook iets bevroede van het in den aard van burijn en 
koper besloten liggende métier, gelijk de waarachtige graveur dit zal 
verstaan. 



Tol een door zulk deugdelijk rekenschap geven gesteund begrijpen 
van puponl's werk vindt men, voor zoover als er in Holland op het 
oogenbUk van wezenlijke kunstbeschaafden gesproken mag worden, 
deze bij ons toch niet zeer algemeen in staat. Er is in de laatste twin- 
tig jaar ongetwijfeld door velen en met warmte voor beter inzichten 
in kunstzaken opgekomen, en niet ik zal loochenen dal de vruchten 
van zulken arbeid in vele dingen nawijsbaar zijn. Maar teleurstellend 
blijft het toch vaak te moeten zien, hoe hel tol zijn recht doen komen 
van de eene kunstmanifestatie juist weder gebruikt wordt om de 
andere te bekampen, en hoe het in hel algemeen wel iq de beperkt- 
heid van het menschelijk begripsvermogen schijnt te liggen, dat het zich 
op hel verworven geestelijk bezit verheft juist om zich van het nog niet 
verworvene te gemakkelijker te mogen afmaken. De Nederlandsche 
schilderkunst van wat wij de Haagsche school plegen te noemen, heeft 
in de laatste kwart eeuw een menigte van schoone en welverdiende 
triomfen gevierd, en schrijver dezes is er Irolsch op in de rijen van 
hen die voor hare erkenning ijverden met warmte te hebben meege- 
slreden. Doch verdrietig stemt het op te merken hoe thans alle kunst, 
ook wanneer zij van anderen grondaard is, wel uitsluitend schijnt ge- 
meten te worden naar een maatstaf, die voor deze Haagsche schil- 
derkunst evenzeer deugt als zij b. v. voor hel beoordeelen van 
Duponl's graveerwerk een willekeurige behoort te worden genoemd. 
Een wezenlijke breeder en dieper kunstkulluur zou er toe moeten 
voeren, elk kunstwerk in zijn aard naar zijn innerlijke waarachtigheid 



40 




2 
ï 




z 

CA 

Q 

55 

-< 
-< 

Z 

Q 

CU ^ 

S « 

CU ^ 



en zijn zuivere uitgesprokenheid te schatten, doch maar al te vaak NIEUWE GRA- 
houdt men zich enghartig vast aan eenige formule zelve, in plaats van VEERKUNST 
aan de levenskracht welke het kunstwerk bij aanvaarding dier formule IN 
vermag te openbaren. Dat er in de periode die het laatst achter ons NEDERLAND 
ligt bij velen onder ons een groote liefde voor mooie etsen ingegroeid 
is, kan niet anders dan als verblijdend worden beschouwd. Maar 
wanneer men daarom de effekten van een ets als uitsluitende norm 
voor een prent gaat nemen, en men juist omdat men voor deze spe- 
ciaal gevoelig is gaan worden, te minder openstaat voor het genieten 
van een voortreffelijke gravure, dan wordt de verkregen verrijking toch 
slechts een bedenkelijke, en gaat de vraag licht rijzen of men toch ook 
hier weder niet zich aan het uiterlijke vergaapt, zonder het wezenlijke 
te verstaan. 

Eene deugdelijke herleving van de graveerkunst kan, het lijdt 
geen twijfel, alleen verwacht worden van werk dat zich niet op het 
reproduklieve bazeert, doch dat zijn eigen natuuropvatting, zijn eigen 
motieven zijn eigen grondaard meebrengt. Het is dan ook zulk een 
zelfscheppende graveerkunst die door den jongen Amsterdamschen 
graveur weder wordt ingeluid. 

Nog vóór zijn terugkomst naar Holland heeft Dupont, nadat hij 
eenige hoogst opmerkelijke gravures van kleiner omvang had uitge- 
voerd, en waaraan gedeeltelijk dezelfde motieven die hij in zijn latere 
etsen verwerkt had, ten grondslag lagen, één groote, waarlijk wel 
monumentaal te noemen gravure gereed gebracht, die ten volle gele- 
genheid biedt den aard en den omvang van zijn talent voor het oogen- 
bUk naar te waardeeren. 

De bij den heer van Looij te Amsterdam uil te geven oorspronke- 
lijke prent, stelt vier van ter zijde genomen ploegende ossen voor, en 
de bedoeling van den kunstenaar is deze gravure de eerste van zes in 
verband gebrachte voorstellingen van den landarbeid te doen zijn. 
Wat nu deze hierbij gereproduceerde groote prent met de vier ploe- 
gende ossen zelve betreft, het is een waarlijk statig stuk werk, doorloo- 
pend in wèl saamgaande liefde voor beide zijn stof en zijn edel hand- 
werk uitgevoerd. 

De snede van het burijn is overal lenig en veerkrachtig. Nergens 
is de uitvoerigheid verstard, of ontaardt hel subtiele lijnen werk in bloot 
invullen. Stukken als de romp van den os die het dichtst bij den 
ploeger komt, als het stukje landschap achter den man, als de rechter 
voorpoot van den voorsten os aan onze zijde, raken aan het volko- 
menste, diepst uitgesprokene wat mij in de geschiedenis der gravure 
nog bekend werd, — en het gevaar om bij zoo ontledend in onder- 
deden ingaan op het samenstel, de aansluiting der verschillende par- 



^ 41 



IN 
NEDERLAND 



NIEUWE GRA- tijen te missen, den bouw der massa's te verbrokkelen, is in het groot 

VEERKUNST genomen op gelukkige wijze veraieden. 

Moest ik een opmerking zoeken, ik zou zeggen dat de omgangen 
der grootste krachten soms wat malscher hadden gekund en dal de 
oogpartijen niet het mooiste van de beesten bieden. 

Men is wanneer een kunstenaar van tegenwoordig zijn werk ba- 
zeert op gelijke neigingen, als waaruit de oude meesters voortbrachten, 
al licht bereid te zeggen, dat hij dus die meesters vlijtig bestudeerd 
heeft, of zelfs dat hij hen in het spoor volgt. En nu zou ik wel de laatste 
zijn om het bestudeeren der klassieken voor een kwaad te houden, 
maar zekere verwantschap behoeft nog niet op een direkl verband te 
wijzen, en ik voor mij geloof b. v. niet dat Dupont zich lot nu toe zeer 
om het werk van Albrecht Dürer bekommerd heeft. Zijn graveerwerk 
zag men zich daartoe te geleidelijk, te zeer langs natuurlijken logisclien 
weg uit zijn etswerk ontwikkelen. 

Wanl dit is bij het graveeren van Dupont zeer eigenaardig. Hij 
was de maker van een aantal zeer zuiver en kras gekonstrueerde etsen, 
die ofschoon volkomen vei^schillend van diens sujetten, eenigszins 
naar de prenten van Meryon schenen te aarden. Maar nu kwam er 
een periode in zijn werk die hem deed gevoelen, hoe het eigenlijkste 
wat hij zocht toch met het spartelende sterk water bezwaarlijk kon 
worden bereikt. En zoo, door een verstandig vriend er op gewezen 
hoe er een tegenstrijdigheid kwam tusschen zijn outil en wat hij er 
mede wilde bereiken, kwam hij er langs natuurlijken weg toe, het 
strenger stuwende burijn op te nemen, waarin hij dadelijk geheel het 
hem passende werktuig vond. 

Het is ook nog van belang dit in aanmerking te nemen omdat 
wanneer men Duponts werk verder ontledend, het met dat van Dürer 
vergelijkt, dit veel zal verklaren. Want men dient niet te vergeten hoe 
men bij hel graveerwerk van den ouden Duitscher en bij dat van 
Dupont in een tegenovergestelden stroom is. Bij den eerslen hebben 
wij den graveur die binnen hel karakter van zijn rijp gekultiveerde 
kunst alles kan en allengs — men neme b. v. zijn schitterenden Siul 
Eusldcius met de heerlijke dieren — beproeft, met hel gi^aveerijzer ook 
de kleurige diepte van een schildering, de dartele speling en stoute 
tegenstelling van een ets, de zachte schuiving van een aquarel nabij 
te komen. Dupont daarentegen is van de verslapte ets lot de sterkende 
gravure gegaan, en zoekt nu, wars van effekten die naar anders geaarde 
kunst neigen, in den zuiveren snit van de burijn-lijn, en daarin alleen, 
alles uil te drukken Wie die hem in dit beslist zoover mogelijk ingaan 
op den te zeer vergeten aard eener edele kunst niet loven zal? En al 
houdt hij zich verre van al wal buiten het grondkarakler van hel 
strenge werktuig gaat, wat heeft hij juist in het wel hanleeren van dal 



42 



li 

Ik' 
tï 

na 

;| 
JU 

at 








o 
q 

& c 
;^ cc 

. < 

CU o. 



werktuig zelf, gedurende de toch nog maar enkele jaren dal hij gra- NIEUWE GRA- 
veert, reeds een bewonderenswaardige vrijheid en buigzaamheid VEERKUNST 
bereikt ! Bij de glanzende, gulle gespierdheid van Duponls eenvoudige IN 
lijnen doet zelfs de expressieve snede van Meesier Lucas als stroefheid NEDERLAND 
aan, en de partij van de wolken boven het dorp op Dupont's Ploegende 
Osseiiy is zonder twijfel zuiverder en schooner dan zelfs menige land- 
schapachtergrond van den klassieken Leidenaar te noemen. 

Wellicht is in deze bewonderenswaardige prent de voor een 
gravure passende omvang bijna geforceerd. Legt men ten minste een 
blad als Dürers Wappen mii dein Hahn er naast, dan is men geneigd 
te gelooven, dat beperkter formaat ook bij Dupont op den duur tot nog 
grooter koncentratie, nog kernachtiger totaalindruk zou kunnen 
voeren. Maar het verlangen alleen al, om een blad van zulken omvang, 
om zelfs een serie bladen van dit gehalte te maken, bewijst nog te 
sterker wat een machtige drift voor de waarachtige gravure dezen, 
men zou willen zeggen vromen kunstenaar, bezielt. 

Ik voor mij, ik bid den Hemel af, dat hij dit krachtige en oorspron- 
kelijke talent niet doe ondergaan of verslappen in de niet te misken- 
nen gevaren van zijn officieel leeraarschap, of in de verweekelijking 
der groote sukcessen welke hem zonder twijfel wachten, maar dat het 
integendeel als een volle bloem uit den prachligen knop nog weliger 
moge uitbloeien, tot ons aller verheffing, sterking en genot. 

Jan Veth. 




43 




E DE TEEKENINGEN DER 



DE TKEKlv 

ningkn deu 
vlaamsche 
meesti:rs 



VLAAMSCHE MEESTERS 



RUBENS (Vervolg en Slot) 




C belangrijkste leekeningen van Rubens zijn 
de studiën voor zijne schilderijen ; men ziet 
er in de eerste uiting zijner gedachten, den 
eersten worp van zijn scheppingslust, ofwel 
de nauwgezetheid waarmede hij het leven 
waarnam, de immer verbazende breedheid 
en zekerheid, de -natuurlijke sierlijkheid, 
waarmede hij het weergaf. Voor enkele tafe- 
reelen maakte hij volledige vschetsen met pen of krijt : onder de voor- 
naamste tellen wij de Kruisrechting in den Louvre. In deze eerste 
opvatting zijn de luiken met het middelpanneel samengesmolten, het 
kruis snijdt van rechts naar links het tafereel door, en niet van links 
naar rechts, zooals in de schilderij. Een paar personages ontbreken 
nog, maar de hoofdgedachte is aangegeven :. uiterste krachtinspan- 
ning, woest geweld van spieren, die werken als hefboomen; van 
beenen en ribbenkasten, stevig als kolommen; van trekkende en hef- 
fende en stuwende reuzen, met zoo razend geweld samenwerkende 
om den lijdzamen almachtige, den onderworpen klager, in de hoogte 
te hefien, alsof heel het gewicht der wereld met haren schepper moest 
verzet worden. De teekenaar wordt voortgejaagd door zijn scheppings- 
drift en toch blijft hij zijn vorm meester en zal hij in zijn laatste 
bewerking weinig aan de eerste ingeving te veranderen hebben. 

Veel talrijker zijn de studiën van afzonderlijke figuren en groepen 
voor zijne schilderijen. Er zijn er onder zijne werken enkele, welke hij 
met eene ongewone voorliefde voorbereidde, bijvoorbeeld de Nederstor- 
ling der Verdoemden^ voor welke hij een tiental zeer uitvoerige studiën 
teekende. Wij kennen er vier in de National Gallery en een in het 
British Museum te Londen, zonder nog van de krabbelingen en van 
de in oude catalogussen vermelde groepen te spreken. Elk der vijf 
eerste teekeningen geeft ons eene belangiijke brok van de menschen- 



44 




P. P. RUBENS : DE MARKIES VAN LEGANES 
(Albertina, Weenen). 





P. P. RUBENS : Studie voor den Val der Verdoemden, uit de Pinacotheek te Munchcn. 

(National Gallery, Londen). 

lawien te zien, die Rubens uit den hooge naar den afgrond deed DE TEEKE- 
nedertuimelen in zijn grootsch werk. NINGEN DER 

Voor zijn Conversatie a la Mode leekende hij even lalrijke bladen, VLAAMSCHE 
enkele figuren of koppels schetsende uit dien Tuin der Liefde^ zooals MEESTERS 
men gewoonlijk het werk noemt. De Louvre bezit er twee van, het 
Museum Fodor te Amsterdam vijf. Frankfort, Berlijn en de Alberlina 
elk een. Niet al deze stukken werden benuttigd, enkele zijn slechts stu- 
diën van het kostuum, maar alle zijn merkwaardig door de weidsche 
behandeling en door de hoedanigheden, die wij reeds bewonderden in 



45 




DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



P. P. RUBKNS : 

Studiehoofd voor hel Mirakel inin den II. Ildefons uit het Keii^erlijk museum te Weenen. 

(Museum, Genua). 

de leekening gemaakt voor C.hrislofTel Jegher en die hier nog in hoo- 
ger mate te vinden zijn. 

Een derde werk, dat Rul)ens met vee! zorg bereidde, is zijn 
Mirakel van den H Ildefons ; hij teekende er tal van vrouwenhoofden 
voor, de liefste, reinste, heiligste, die hij opvatte. Voor de O. L. V. en 
twee der santinnen bezit de Albertina praehtige teekeningen; de UfTizi 
te Florenee bezit er een derde; in het Museum te Genua vonden wij 
er een vierde, dat daar toegeschreven wordt aan Giovanni Andrea 



46 




P. P. RUBENS : Sludie voor een Christus aan het Kruis 
(British Museum, Londen). 

Ferrari, maar dal onbelwislbaar van Kiibens hand is en dal wij hier [)i£ TEEKE- 
mededeelen. NINGEN DER 

Andere schihlerijen, voor welke hij sliidiën maakte, zijn de Ver- VLAAMSCHE 
zoening van Esaü en Jacob (Pinacolheek, Munchen), voor welke hij MEESTERS 
een vrouw en Iwee kinderen leekende tfie hel Museum Plantin-More- 
tus bezit; de Aanbidding der Herders^ (Museum, Rouen), voor welke 
hij een paar herderinnen leekende, die de Alberlina bezil; de Martelie 
van de tl. Caiharina (SI. Calharinakerk, Rijsel); Chrisioffel hei Chris- 
iuskind dragende (O. L. V. Kerk Ie Anlwerpen); een Lachende Boschgod 
en een drinkende sater (Pinacolheek, Munchen), Minerva en Hercules 
Mars lerugdrijuende (Ibid). Voor de Boerenkermis (Louvre), maakle hij 



47 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



verscheiden krabbelingen op een blad, dal toehoort aan de National 
Gallery Ie Londen; \oor een Christus aan hel Kruis maakte bijeen 
fraaie studie, die wij hier me^edeelen; voor zijn Danièl in den Leeuwen- 
kuil^ teekende hij een blad mei tien leeuwen, waar\'an hij er sommige 
ook nog wel elders benuttigde en waarvan hij er een uitvoeriger be- 
werkte. Dezen laatsten gaven wij in de eerste helft onzer studie weer. 
Merkwaardig is de kunst, waarmede hij het machtige lichaam samen- 
trekt, de stevigheid waarmede hij het op de poolen zet, de veerkracht 
en hel geweld dat er uil die bonkige leden spreekt. Hij teekende nog 
enkele andere dieren : een gezadeld paard en een os in de Albertina, 
een studie van koeien bij den hertog van Devonshire. Al even merk- 
waardig zijn zijne landschappen en boomenstudiën, nu eens de kalme 
Brabantsche hoeven en velden, dan weer de woeste woudennaluur 
afbeeldende. 

Maar zijn hoogsten triomf als teekenaar viert Rubens in zijne 
portretten. Hij teekende die met pen of krijt, in het enkele uur dal hel 
hem gegeven was de personage, wier portrel hij te schilderen had, vóór 
zich te zien. De stukken van dien aard, welke de Albertina bezit : 
Buckinghnnu Leganès^ Susanna Founnenl, Nicolaas Iiuhens(iVifee maal), 
Rubens zelf in 1()30, de Zaaldochler der Infante; de geleekende por- 
tretten uit den Louvre : Maria van Medici^ Rubens op zesligjarigen 
ouderdom^ en verder de Graaf Arundel uit de verzameling van graaf 
Duchaslel-Dandelol te Brussel en Isabella Brant uil de National Galler}' 
te Londen zijn zoovele meesterwerken van Rubens en van de wereld- 
kunst. 

Hij maakte ze als modellen voor zijne geschilderde conterfeitsels 
en hij scheen te schilderen met het krijt ; hij gaf met nauwgezetheid 
eiken trek, elke verhooging of verdieping van hel gezicht weer en niets 
hards toch is er in die scherpte der lijnen. Het vaste of mollige 
vleesch, de frissche of verlepte huid is in weinig toetsen aangeduid. 
De leekenaar schijnt in de ziel van de menschen als in een open boek 
te lezen : de schelmachtige onbeschaamdheid van Buckingham, de be- 
krompen hooghartigheid van Leganès, de koninklijke onbeduidendheid 
van Maria van Medici, de schuchterheid van het lieve kamermeisje, 
de fijngeestigheid van Susanna Fourmenl, de argeloosheid van den 
kleinen Nikolaas Rubens, de doordringende scherpzinnigheid van hem 
zelven op dertigjarigen ouderdom en de ónverzwakte voornaamheid 
van zijnen geest in zijn verzwakt lichaam op zestigjarigen ouderdom, 
worden even duidelijk weerkaatst in al de wezenstrekken als hij ze 
erin bespied had. De verf kan nog de bekoorlijkheid der kleuren aan 
de teekeningen toevoegen : meer leven, welsprekender uitdrukking 
kan zij aan de conterfeitsels niet meer leenen. 

Rubens hechtte hoogen prijs aan zijne teekeningen en zijne lijd- 



48 



*>•;.: 

.^<^ 




P. P. HÜBEXS : RUBENS OP Z EST I (.JA Hl GEN OUDEHDOM 
Studie voor cle schll(i«»rij uit het Keizerlijk museum te Weenen 
(Lou\re. Parijs). 




''**^ 



•^ *\ %.-^u*f 




f^^^ 




.*--- 




>- *^v . 



-^^ 







tjl^^ 



^ 



p.p. RUBENS : NIKOLAAS RUBENS, ZOON VAN PETRUS-PAULUS 

(Albertina, Weenen). 

genooten deden als hij. Zij waren het eenige deel van zijne nalaten- £)E TEEKE- 
schap, dat hij niet wilde dat in veiling werde gebracht na zijn NINGEN DER 
afsterven. Zij moesten volgens zijn uitdrukkelijken wil bewaard VLAAMSCHE 
worden, totdat zijn jongste kind achttien jaar oud zou zijn en, indien MEESTERS 
dan geen zijner zonen schilder was geworden of geen zijner dochters 
met een vermaarden schilder was getrouwd, mochten zij eerst ver- 
kocht worden. Geen zijner erfgenamen was een kunstenaar en den 
28" Augustus 1657 had de verkoop plaats. Hij bracht de aanzienlijke 
som van 6557 gulden 16 stuivers op, ongeveer veertig duizend frank in 



vn 



49 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



munt onzer dagen. Onder die teekeningen waren er, wel is waar, die 
door leerlingen naar zijne schilderijen waren gemaakt of stukken van 
anderen die hij zelf vergaderd had. Na den verkoop werden zij naar 
alle zijden verspreid. De Keulsche bankier Jabach kocht er een groot 
getal van, die in 1671 met zijne verzameling in die van den koning van 
Frankrijk overgingen en nu in den Louvre bewaard worden. Een 
aanzienlijk deel en daaronder de puikste stukken moeten in onze ge- 
westen gebleven zijn, waar de stichter der Albertina, de hertog Albert 
van Saxen-Teschen, de man der aartshertogin Christina, dochter van 
keizerin Maria Theresia, die landvoogdes was onzer gewesten van 1780 
tot 1790, ze vond en kocht. Een stempel van de gemeenschappelijke 
afkomst der voornaamste stukken uit de Albertina vindt men in de 
opschriften, die verscheiden der portretten dragen en die de namen 
der voorgestelde personen vermelden. Al die namen zijn door 
dezelfde hand, klaarblijkelijk die van een vertrouweling van Rubens 
en waarschijnlijk Jacques Moermans, die de veiling der nagelaten 
schatten bestuurde, geschreven. 

In vele openbare en bijzondere verzamelingen, vindt men teeke- 
ningen van Rubens, in de Albertina de meeste en beste, in den Louvre, 
in het Britisch Museum, in de Prentenkabinetten der Museums te 
Berlijn en te St. Petersburg, in het Museum Plantin-Moretus te Ant- 
werpen en op meer andere plaatsen nog. 

Wordt voortgezet). MaX RoOSES. 




50 



KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



UIT AMSTERDAM 




lACOBMARIS ^SNOK- 
PKND MEISJE yu^ 
Door (ie plaalsver- 
^ende berichlen uit 
Krefeld kon ik de Ain- 
sterdamsche markt, 
waar veel te zien was 
in deze dagen van vreemdelingen-be- 
zoek niet uitvoerig genoeg beliandelen. 
Heden releveer ik alleen, in verband 
met dat andere vroege schilderij van 
Jacob Maris de Slagerswinkel^ dal we 
den vorigen keer konden reproducee- 
ren, een ditmaal afgebeeld stukje van 
den meester uit *t jaar '68, Snoepend 
meisje; met den schijn van een verkoop- 
baar genre-stukje, een o zoo snoezig 
verhaaltje; maar in werkelijkheid mees- 
terlijk zuiver al en zonder litteraire bij- 
bedoeling, alleen om de pracht van be- 
zonken kleuren en deftige lijn, bijkans 
als stilleven, geschilderd. Hel doekje is 
in het bezit van de firma van Goch. 

W V 

UIT BERLIJN — 



||{(H)TE KUNST-TEN- 
TOON STELLING 
A^ Eindelijk begint 
ook onze c Groote 
Boiiijnsche tentoon- 
sU'lEing » iets van an- 
^!^'i" steden, vooral 
van Dresden te leeren en haar lokalen 
op zulke wijze in te richten, dal de ge- 
zamenlijke indruk harmonisch werkt, 
en niet meer, zooals vroeger, in leege 
eentonigheid de wanden met schilde- 
rijen te behangen. De doellrefTeiide ver- 




anderingen, welke in het tentoonstel- KUNST- 
lingsgebouw zijn aangebracht, mogen BERICHTEN 
we dan ook als een groote slap in de „jt AMSTERDAM 
goede nchlmg begroeten ; er zijn een 
paar groote zalen bijgebouwd, de geva- 
rieerde kleuren van de wanden en den 
vloer komen in toon goed overeen ; in 
't korl, het verblijf in het gebouw dat 
vroeger een soort marteling was, is nu 
niet zonder een zekere bekoring. Bo- 
vendien is het niveau van het ten- 
toongestelde over het algemeen aan- 
merkelijk gestegen, maar wanneer zal 
men toch eens gaan inzien dat zulke 
omvangrijke jaarlijksche tentoonstel- 
lingen, hel publiek zoowel als den kun- 
stenaar meer kwaad doen dan goed ?.... 
Hel was evenwel verblijdend om te 
zien, hoe goed België vertegenwoordigd 
was en hoe goed het ingezonden werk 
overhel algemeen voldeed. Onder al de 
anderen noemen we Laermans in de 
eerste plaats. Het is vooral eigenaardig 
om hel contrast op te merken, tusschen 
zijn forsch realisme en zijn gladde, bijna 
gelikte techniek, zooals bijvoorbeeld in 
de dicht opeengedrongen groep van de 
ellendige slakkers op de Hoofdschêel- 
plaatSj op de moede, afgetobde gezich- 
ten van het volk, dat van den arbeid UIT BERLIJN 
huiswaarts keert, op in hel Dorp. Maar 
hij zelf heeft *t zoo gevoeld, zoo, en op 
geen andere wijze, de tegenstellingen 
die er zijn in het leven : in de avond- 
schemering de vriendelijk lachende 
dorpjes met hun roode daken, onder 
groene boomen, op hel groene veld. 
Plekjes van vrede, waar vrede toch zoo 
ver te zoeken is. Leemputlen's Paarden- 
tved, is een uitstekende opvalling van 
het eigenaardig tooneel; aan weerszijden 
van den kerkingang de ernslige mannen 



51 



KUNST- 
BERICHTKN 
UIT BKRLÏJN 




JACOB MARIS: SNOKPKND MEISJK 
(in het bezit van de firma Van Goch). 

op hun stoere paarden, het kerkpleintje 
heel frisch groen met veel roode bloe- 
men. Khnopff openbaart ons in zijn 
vrouwenfiguur Wierook geen nieuwe 
zijde van zijn talent. Voor 't eerst maak- 
ten we kennis met Ciamberlani, die 
verscheiden groole doeken had geëxpo- 
seerd : Het blijde Leven, Een Lied voor 
schoonheid en Herdersleven hij ook 
voert ons in een wereld waarin we 
reeds door Puvis de Chavannes waren 
binnengeleid. Het Avondmaal van Mer- 
tens vertoont raffinement in de groe- 
peering der figuren, die in het steegje 
om den hoek bij het huis in roode bak- 
steen staan ; zijn Spiegelend Wat er , is 
echter minder zelfstandig 

Met dit stuk zijn wij aan de land- 
schappen genaderd. Onder deze noe- 
men we in de eerste plaats de Storm 



bij Nieuwpoort^ van Gilsoul, 
dat hij met groote kracht 
geschilderd heeft ; zijn villa 
aan het water op In Juni, 
is echter een beetje droog: 
Matthieii deed zich met 
eenige groene, vlakke land- 
schappen, Marcette door 
llooge Zee en een Landschap 
aan de Beneden-Schelde, stx- 
tegenwoordigen, het laaLste 
vooral is van groote be- 
koorlijkheid, met zijn laag 
neerhangende wolken en 
wijde horizonten Heymans, 
die bij de Fransche Neo- 
Impressionisten in de leer 
is geweest, toont ons van 
zijn besle werk in zijn 
zonnetrillend landschap 
Zonsopgang in de Kempische 
Moerassen. 

De plastiek wordt hoofd- 
zakelijk door Lagae verte- 
genwoordigd in zijn ener- 
gieke scherp gekarakteri- 
seerde portretbusles, waar- 
van o. a., de bronzen kop 
van een Filosoof bizondere 
vermelding verdient; Dil- 
lens was er met eenige 
Plaques en acht allerliefste 
bronsfiguurljes, de Gilden 
voorstellend. 

^ S^2^ S^ S^ 2^ S^ S^S* 

BERLINER SF.CESSION jC^ In de 
groote tentoonstelling van de Beriijn- 
sche Secession vonden vooral de Bel- 
gen een gastvrij onthaal, terwijl de 
groote Hollanders met eenige weinige, 
maar uitgelezen stukken waren verte- 
genwoordigd. Van Jozef Israëls Bool- 
werkers in grauwbruine en groene lo- 
nen ; op den voorgrond de twee arbei- 
ders, die de schuit lossen, de rivier met 
grauw voortvloeiende water, waarin 
zich het dorjije spiegelt aan den over- 
kant, alles met vochtige lucht als ge- 
drenkt ; — Stormweder op hooggaande 
golven, dicht bij het strand liggen sche- 
pen op en neer te dobberen — een 
meisje en een kind kijken naar den 
storm; 't geheel in geelachtig bruin. 
Verder Troost, een oude vrouw, leelijk, 
rimpelig, die met beide handen haar 



52 



kommetje koffie aan den mond brengt 
en er in zit te blazen, het binnenliuisje 
in zijn geheel in donker gehouden, 
alleen om den kop, het kommetje en de 
metalen kan concentreert zich 'l licht, 
een stuk vol Rembrandtgevoel. Wil men 
echter voor zijn zoon Isaac Israéls naar 
een Peet zoeken, dan zou men Frans 
Hals moeten noemen ; in ongeloofelijk 
breedc st reeken zijn zijn Fabriekmeisjes 
op het doek gezet, over de straat zweeft 
de damp van de fabriek. Op zijn Gracht 
in den Winter heeft hij vooral zijn hart 
kunnen ophalen aan zijn geliefde rood- 
bruine tonen die buitengewoon effectief 
uitkomen tegen de sneeuw. Jan Veth, 
van wien we op de voorlaatste tentoon- 
stelling enkele zeer vlot geteekende por- 
tretten hadden gezien, toonde er ons 
ditmaal eenige waarvan vooral de 
details met de grootste zorgvuldigheid 
en liefde bestudeerd warm. Bijv. zijn 
portret van een Ouden Heer in profiel; 
blozende wangen met een dunnen wil- 
len baard, zwarten jas, zwart satijnen 
kalotje doet zeer voornaam tegen een 
teergrijzen achtergrond Nog teerder 
van behandeling wellicht is de buste 
van een meisje van een jaar of zestien; 
het hoofdje houdt ze een beetje voor- 
overgebogen, vol hoop, — vragend, zien 
ons de helderblauwe oogen aan, 't haar 
is blond, het kleedje glanzend groen, 
met smalle roode biesjes, al die kleuren 
komen prachtig uit tegen een blauw- 
lila fond. 

Meunier had een Huisgaanden Vis- 
scher ingezonden, paard en man zijn 
als aaneen gegroeid, beide figuren even 
energiek, vol i obuste kracht. Het is ver- 
wonderlijk hoe Meunier ook met zijn 
kleinere beeldhouwwerken een monu- 
mentaal effect weet te verkrijgen. 

W. 

'^^^^^^^^^^ 

UIT DEN HAAG = 

IINNKNHUIS DIE HA- 
GHK ƒ TKNTOON- 
STELLING VAN 
SCHILDERWERKEN 
DOORW. DEGOUVE 
DE NUNCQÜES EN 
JULIE MASSIN jc^ 
Na wat ik van De Gouve de Nuncques 




bij Toorop gezien had, is dit werk me 
bepaald legen gevallen, het is voor wie 
de ontwikkelingsgang van dezen artiest 
niet kennen, bij gemis van eenig gelei- 
delijk verband, misschien moeilijk hier- 
in eene persoonlijkheid te erkennen, 
die zich op normale wijze heeft ontwik- 
keld uit de vorige. 

Met de natuur waaraan deze schilder 
zijne motieven ontleent, zijn we niet 
vertrouwd. En juist bij iemand als 
D. d. N. die het algefmeene in de na- 
tuur, de idee, in bizonderen vorm 
geeft, is 't voor een ' Hollander die 
zelden of nooit zijn haardsteden ver- 
liet, bedenkingsvol in anderen dan 
algemeenen zin over dit werk, dat 
zoozeer verschilt van hel beeld dat 
landgenoolen van het Zuider. gaven, te 
spreken. Stellig zijn er builenlandschc 
artiesten, die vrij wat zuiverder schil- 
derden en voor welker werk zoovele 
bedenkingen niet rijzen. Een rasschil- 
der zou men op deze expositie niet 
leeren kennen, meer iemand wiens be- 
teekenis in psychologischen zin belang- 
rijk is. Daarbij is er in het meeste wat 
hij maakt eene decoratieve neiging, 
die verwant is aan eene zinnebeel- 
dige. Uit rotsgevaarten rijst de ge- 
stalte van een gemanlelde figuur met 
duidelijk omschreven kop-vorm. Elders 
vormen de knoesten van eenen wilg 
een doodskop. Zelfs al was dit de ver- 
beelding eener werkelijkheid die door 
't inwerken der natuur of door bemoei- 
ingen van menschen zoo gevormd is, 
dan wijst de lust om deze dingen uit te 
beelden en ze in het rijk der schoone 
aanschouwing tot ideêeler en waarder 
werkelijkheid te verheffen op eene gees- 
tes-houding die eenige verwantschap 
heeft met dezen zich gaarne in het 
bovennatuurlijke (soms in het groteske) 
zich verdiependen zin. 

We gelooven dat de waarachtige be- 
teekenis van deze kunst slechts door 
enkelen gezien wordt, die meer van 
bizonderen dan juist van algemeenen 
geestes-aanleg zullen zijn, terwijl de 
troebelheid der aanschouwing, de on- 
voldoende techniek en de het schilder- 
malige soms geweld aandoende wijze 
der voorstelling, die soms aangewezen 
kunnen worden, weinig tot grooter ver- 
heldering zullen bijdragen. 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT BERLIJN 



UIT DEN HAAG 



53 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



' In dezelfde zaal hangt ook het van 
serieuzen arheid getuigende werk van 
Julie Massin, de vrouw van I). d. N. 
Dit is geen hizonder bloeiend talent. 
Ze schijn I werkzaam, geeft over het 
algemeen wel sympathieke dingen, 
soms een weinig droog, vooral waar 't 
betreft het beweeglijke, het luchtige en 
doorzichtige uit te beelden wel eens te 
kort schietend, maar soms ook vinden 
we onderdeden van knappe bewerking, 
knappe kleur-combinaties en van ge- 
voelige aandoening. De Hut is een 
sprookjesachtig geval met weinig diepte 
van innerlijkheid, maar niet geheel on- 
aantrekkelijk. Het overige werk, meest- 
al berglandschappen, is van reêelenzin, 
geeft weinig expressieve momenten 
waarvan de techniek (die van het plain- 
air) hier de expressie niet verhoogt. 

PULCHRI STUDIO ƒ GROEPKNTKN 
TOONSTELLINGEN 9^ (LAATSTE SE- 
RIE) ƒ 6-20 JUNI >c*. Met de namen 
Wiggers, Ritsema en De Wild zijn de 
drie belangrijkste inzendingen dezer 
serie aangeduid. Die van Wiggers is, 
omdat zij in ideéelen zin hel hoogst 
staat, de meest belangrijke. Nochtans 
zal De Wild voor zijn werk wel de 
meeste aandacht gevraagd hebben. We 
hopen dat deze meer dan eene voor- 
loopige zal blijken te zijn. 

We zien hier de verrassende werkproe- 
ven van iemand, die wal hij ook anders 
moge zijn, wel het meest treft, door 
een buitengemeen imitatief verrtiogen. 
Hier niet «• het stomachtig goochelspel 
van een fantastisch palet »», er werd zel- 
den naar *t schijnt zoo in koelen bloede 
geschilderd en gespot met alle bereke- 
ningen van vooruitziende theoretici. 
Met ontstellende juistheid en eene fabu- 
leuse techniek, die zelden faalt, waar 
't betreft de dingen op eene juiste schil- 
dermatige wijze te omschrijven, wordt 
het uitzicht der verschijnselen benaderd. 
Maar — en hierop moet terstond ge- 
wezen — zijn aandacht voor het levende 
is niet bizonder groot. Waar hij als 
Breitner eene omnibus-halte wil geven, 
daar is de uitdrukking van hel levende 
niet treffend, omdat hij er als deze 
meester niet buitengewoon door aange- 
grepen is. En de techniek, zonder deze 



weerschijn van een bevend innerlijk, 
schijnt haar doel — dat is middel Ie zijn 
— voorbij te streven en zelf doel te 
worden en wordt zonder beteekeois 
' Het is een werk waaruil nog nergeus 
sterk de bizondere geestes-houding van 
den maker blijkt. 

Wiggers' inzending lijkt me het best 
in de aquarellen. In Herfst, een schil- 
derij, wordt juist door het vele geel, de 
beteekenis van deze kleur, door gebrek 
aan voldoende tegenstelling opgeheven. 
In het groote Maanlandschap waarvan 
de voltooiing nog een weinig boven de 
krachten van den schilder ging, is 
iets van die epische weidscheid die 
ik evenwel nog rustiger, ingetogener, 
hoewel minder klankvol gegeven weel 
in de maannacht, die met het Kerkje it 
Heelsum het zuiverste en meest stellig 
uitspreekt wat het inhoudt. In deze 
laatste maanwereld is meer de innigheid 
van den lyrischen zanger, de innerlijke 
diepte is bewogener, de uitbeelding 
hartstocht- voller; bij het eerste Irefl een 
peinzender beschouwen van de natuur- 
vormen zooals die zich uitstrekken 
onder het schemerlichten van een verre 
maan. Schildermatig is dit werk zeer zui- 
ver. De maan trekt als los van hare om- 
geving dooreen volle en toch ijle lucht. 
Er is in veel van Wiggers' werk iets van 
de romantische verbeelding zooals die 
in hare zuiverste uitingen zich toont. 
Er is een zin van werkelijkheid, die op- 
geheven wordt in de verbeelding der 
ideéele wereld; er is een sterke drang 
naar hel beschouwende, met de wereld- 
sche natuur als weerschijn van de inner- 
lijke; bet is, meer in *t bizonder, de 
visie van een dichterlijk peinzer, die 
uitgaat over de wereld en zich zelden 
tot het dichtbije bepalende, vele domei- 
nen tracht te beheerschen. 

Zijn Wiggers en De Wild in zekeren 
zin twee uitersten, bij Ritsema vinden 
we in aanleg de zuiver picturale hou- 
schilderschoon gezien in een samengaan 
ding : het van realiteit en idealiteit, zoo 
als dat door Mauve, aan wie hij verwant 
is, op bewonderenswaardige wijze werd 
gegeven. Het schilderij met het geitje, is, 
In den Hof, door zijn groenen toonaard 
aan een uitgewerkte studie doende 
denken, is een mooi en zuiver specimen 
van deze opvalling. Het vrouwenkopje 



54 




Tentoonstelling te Krefeld : Interieur van DysseldorlT, Lion Cachet en Nieuwenliuys 
inzending van de firma van Wisselingh & C*. 



evenals het stemmige Avond, is als ge- 
heel te veel aanzei en blijft min of meer 
decoratief. De studies zijn frisch en 
degelijk en versterken het geloof in de 
waarachtigheid van dit streven. 

De overige inzenders zijn Bongers, 
Siebe ten Gate, Dankmeyer, José Frappa, 
Mevr. Grandmont-Hubrecht, Anna Ker- 
lingy Paul Rink, Carl Sierig, Jacob Smits 
en Anna Veegens. H. d. B. 

UIT KREFELD = 

lENTOONSTELLING 
VANHOLLANDSCHE 
KUNST (Slot) jc^ 
Veel rechtvaardiger 
dan over onze schil- 
derkunst, die hier 
door de omstandig- 
heden geen volkomen indruk van den 
bloeitijd van '80 geeft, wordt door de 
duitsche kritiek geoordeeld over onze 
gebruikskunst. E, Schafer heeft in het 
tentoonstellingsnummer van het Tijd- 
schrift Die RheinlandCy ten minste eer- 




KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DEN HAAG 



lijk erkend, dal de Hollanders het in 
dal opzicht van zijn landgenoolen 
winnen. Toch blijft zijn appreciatie 
in onderdeeien echter onzuiver. De 
oude parmantig-geleerde frases over 
den javaanschen invloed worden voor 
den zooveelsten keer herhaald en geven 
nu juist geen hoogen dunk van 's 
schrijvers kennis der Indische kunst- 
vormen. Zoo'n exotisch woord als 
c batik » brengt de hoofden in rep en 
roer en die tropische klank gevoegd bij 
de wetenschap, dal Toorop van Ooster- 
sche afkomst is, zet het voor de Duit- UIT KREFELD 
schers als een paal boven water, dat 
de ethnografische sjeu niet mag gemist 
Worden bij het redeneeren over holland- 
sche kunst. Maar het had erger kunnen 
zijn en is wel eens erger geweest ook 
Koele waardeering is altijd nog beter 
dan oogverdraaiend opvijzelen of ver- 
achtelijk neusoptrekken. Het Binnen- 
huis en wal met die richting in verband 
staat, krijgt wat hel verdient. Een 
baardje van Jac. v. d. Bosch wordt zelfs 
zeer geprezen en men moet zeggen de 



55 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT KRKFKLI) 



heer SchSfer kon wel gelijk hebben, dal 
zulke werkstukken, in duilsche kunst- 
nijverheidsscholen geplaatst, heel wat 
nut zouden stichten. Berlage*s meubels, 
vooral zijn damesstoellje worden niet 
vergelen ; EisenlöfTers werk wordt ge- 
roemd. Maar fijnere onderscheiding 
vinden we in dit lange artikel niet. 

Men kan nu, wars van zotte kronkels, 
blij zijn dat hier de constructie in haar 
naakte schoonheid zegeviert, dat moti- 
veert dunkt me toch niet, dat de gcheele 
inzending van de firma v. Wisselingh, — 
dus van Dysselhof, Cachet en Nieuwen- 
hnys — met een paar losse zinnetjes 
zijdelings wordt geraakt, maar niet in 
haar geheel bekeken, zelfs niet met 
name genoemd. Ik geef toe dal het or- 
nament bij al dit werk een groote rol 
speelt en ik begrijp, dat de heer Schafer 
die zijn leven lang met siervormen is 
vcrginigd, liever eindelijk eens het 
« Ding an sich > wil zien. Maar eigenlijk 
komt het er toch maar op aan hoe hel 
ornament is toegepast en hoe het is be- 
handeld. Noch hel Binnenhuis, noch de 
Woning heeft ooit naar zulk een luxu- 
euse versiering gestreefd, dal valt niet in 
hel kader ; maar daarom moet er toch 
elders ruimte blijven voor rijker vormen 
zoolang er weelde bestaat moei dat 
toch ergens in uitgedrukt worden. Of 
meent men ernstig, dat rijke verzame- 
laars, wier smaak aan japansch lakwerk 
en meubels uit den Louis XV tijd is 
geschoold, zich ooit op hun gemak 
zouden voelen op een purileinschen 
Berlage-stoel, aan een eenigszins ver- 
edelde keukentafel met linnen koffiekan 
van HüsenlofTel en een streng georna- 
menteerd servies van Amslelhoek voor 
zich? En wal men ook op hel praktische 
van Nieuwenhuis' meubels, die gedeci- 
deerd te zwaar zijn, moge aanmerken, 
hier viel toch over een sierkunstenaar 
te praten, die begrip toont van intieme 
weelde. Hel is een weldaad de gegoede 
burgerij in slaat te stellen zich van de- 
gelijk en, bij gepasten eenvoud, mooi 
huisraad Ie voorzien, tegen vrij matige 
prijzen; maar het gaal toch niet aan 
ook hen die méér kunnen en willen uit- 
geven voor hun intérieur dezelfde arti- 
kelen met alle geweld op te dringen. 

In onze maatschappij is nog plaats 
voor pracht en rijkdom, en daarom 



alléén al had de heer Schafer hel mooie 
hoekje van de lange galerij niet mei 
een paar smalende opmerkingen mogen 
voorbijgaan. We hebben een vorigeD 
keer al eens over de verschillende 
meubels van Nieuwenhuis, toen in bet 
lokaal van v. Wisselingh tentoongesteld, 
gesproken en kunnen hier volslaan mei 
hen in het verband der overige inzen- 
dingen hun plaats aan te wijzen en nog 
eens te herhalen, dat deze met groole 
toewijding en nobelen smaak verzorgde 
voortbrengselen den hoogslen lof aU 
werkstukken verdienen. Ook hier is 
voorzeker niet alles geslaagd ; Cachets 
standaards voor portefeuilles lijken niet 
hecht genoeg van bouw, de aanwending 
van verguldsel is weleens op hel kantje 
van overlading, maar zijn snij werk is van 
vorm en factuur voortreffelijk. Dysscl- 
hofs wandschermen, verraden in de 
constructie nog wel eens te zeer den 
schilder. Ik herinner me b. v. een wit- 
ten paravent met aardig borduurwerk 
van Mevrouw Dysselhof, maar raar 
aangezette gothiekerige conterfortjes 
aan de zijkanten. 

Aan de hoofdzaak doet dal niet veel 
af; deze afdeeling was belangrijk io 
vele opzichten en dat heeft de heer 
Schdfer in zijn waanwijsheid niet gezien. 
Aardigheden over de inrichting van eeo 
allergracieusl kastje met glazen deuren : 
« eine Art modernes Vertikow, > komen 
in hel geheel niet te pas, daar in zulke 
aangelegenheden niemand dan de b^ 
steller te beslissen heeft, en in geen 
geval mocht dit werk in één adem ge 
noemd worden met het allerzondigsle 
reuzcnmeubilair van Thorn Prikker. 
Het is jammer van Thorn Prikker, 
een man die getoond heeft voor vlak- 
versiering een bijzonder talent te heb- 
ben, die de lijn in zijn macht heeft en 
bij alle nerveuse spontaniteit toch wist 
Ie gehoorzamen aan de eischen van bet 
te versieren vlak, dal deze geboren tee- 
kenaar zoodra hij gedwongen is de 
dingen in drie dimensies te vormen, aan 
zijn verlangens naar de uitdrukking 
van het etherisch -lichte, of het massief- 
geweldige geen paal en perk weel te 
stellen, ten gunste van de bruikbaar- 
heid. Hel bouwen van meubels is 
een nuchterder vak dan voor zijn 
hartstochtelijk gemoed past en boe 



56 



schoon ook van bedoe- 
ling het eerste plan voor 
een te vervaardigen 
voorwerp moge zijn, ten 
slotte uitgevoerd zonder 
de remmende controle 
van praktische ervaring 
en technische bedreven- 
heid, lijkt het resultaat 
een persiflage op hetgeen 
men wilde bereiken. 

De heele inzending van 
Thorn Prikker met de 
overigens verdienstelij- 
ke sculptuur van Alldor- 
fer, is zooals ze daar 
staat niet imposant maar 
gewoonweg lachwek- 
kend en de artiest is te 
begaafd om zelf met het 
hier bereikte tevreden te 
zijn. 

Maar als een artiest als 
Thorn Prikker zich eens 
een keer deerlijk vergist 
in wat men zou kunnen 
noemen zijn « emplooi it, 
dan is het toch altijd nog 
minder erg, dan dat een 
langgevestigde en over 
goede technische krach- 
ten beschikkende inrich- 
ting als de fabriek Hoo- 
zenburg, nooit tot een eenigszins 
voldoende resultaat komt, maar inte- 
gendeel dieper en dieper zinkend, een 
vitrine-porselein tentoonstellen durft, 
als hier te zien was. Toen dit nieuwe 
materiaal gevonden werd, heeft men 
zich in den lande en daarbuiten voor- 
bereid op een industrie van belang. De 
stof had eene bijzondere hardheid en 
gering gewicht, ze stelde haar eigen 
eischen. De eerste exemplaren waren 
wel wat raar, deksels die op vlokken 
zeepschuim van de scheerkwast gele- 
ken, ooren die — het werd geloof ik door 
de vervaardigers zelf als iets bijzonders 
aangeprezen — niet waren aangezet, 
maar, door een vindingrijk materiaal- 
verkrachtings-procédé, uit het voor- 
werp zelve schenen voort te komen, en 
het geheel verfraaid met een spinnekop- 
pen decor zonder eenig verband met 
den vorm van kan of pot. Men dacht : 
nu ja dat zal nog wel veranderen ; maar 




KUNST- 
BERICHTEN 
UIT krefi:ld 



Kijkje in een der Tentoonstellingzalen te Krereld. 

het is inderdaad niet veranderd. De 
buiken, halzen, deksels en ooren zijn 
nog altijd zoo verdraaid en zot, de 
teekening is bepaald gestaag natura- 
listischer geworden, zoodat deze won- 
derlijke potjes, broos als eierschalen 
en toch eigenlijk ook gemeen hardwit 
van stof, nu beklad zijn met irissen 
en andere blommen, naar het lieve 
moderne recept. Dr. Deneken is van 
meening, dat een tentoonstelling ook 
altijd 't een en 't ander moet vertoonen. 
a Wie man's nicht machen soU. » Een 
gevaarlijk idéé, als er geen suppoost op 
de plaats in kwestie wordt gezet met 
het bevel alle bezoekers daaromtrent in 
te lichten. Hetzelfde geldt voor de éta- 
lage van het Binnenhuis die Haghe dat 
een soort van tweede weinig veran- 
derde editie van de hier niet vertegen- 
woordigde zaak Arts & Crafts schijnt 
te willen geven. Altijd nog onbruik- 
bare hengsels aan koperen theepotten 



vni 



57 



KUNST- 
BERICHTEN 

UIT KREFELD 



en bouilloirs, altijd nog veel Ie veel 
moeile gedaan om iels ordentelijks 
pretentieus en leelijk te maken. En wat 
men ook de Woning^ die goedkoop wil 
leveren en daardoor altijd gedwongen 
is hel ergens op te vinden, kan verwij- 
len, dat het metaal te blikachlig en te 
dun, te onsolicde doet, dal is hier nog 
meer van toepassing. Aschbakken met 
de blikschaar uitgeknipt, lepeltjes zoo 
slap, dat ze in hel gebruik haast oprol- 
len, en hoekig en kantig, onbeschaafd, 
ongeacheveerd, dat men maar weer de 
concurentiezucht en de koppigheid in 
ons kleine landje moet betreuren, die 
de verschillende instellingen op een 
nieuw gebied als paddenstoelen in een 
regenachtigen zomer doet groeien en 
geen enkele van al die kleine pruts- 
industrieljes veroorlooft, zich eens tot 
iets bchoorlijks te ontwikkelen. Wal de 
soliede makelij der voorwerpen be- 
Irefi, stond Amstelhoek ditmaal boven- 
aan Hoe we over de verhouding tus- 
schen hel Binnenhuis en de Woning 
denken, hebben we vroeger eens te 
dcfzer plaatse gezegd. Ik houd het niet 
voor gepast, daar na zulk een kort 
tijdsverloop weer op in te gaan. Zie ik 
juist, dan divergeeren de richtingen kort 
uitgedrukt zóo : Het Binnenhuis heelt 
kans te blijven wal het is ; De Woning 
zal vroeg of laat overgaan in de groote 
industrie en zoo indirect van onderaf 
aan de missie vervullen waarnaar hel 
Binnenhuis van boven af tracht. Hel 
Binnenhuis zal door zijn voorbeeld 
blijven werken op het oordeel der be- 
schaafden en meer gegoeden, de Wo- 
ning zal wellicht door een algeheele 
revolutie in de groote industrie het 
lagere en minder bemiddelde publiek 
door veranderd aanbod van betere 
goedkoope machine-waar om zoo te 
zeggen dwingen tol meerdere kieskeu- 
righeid. 

Ik denk hierbij uitsluitend aan de 
richling geenszins aan de kleine ven- 
nootschappen zooals ze op 't oogenblik 
zijn. Misschien is er nog een volkomen 
wijziging noodig, andere krachten, 
andere combinaties; maar de woorden 
Binnenhuis en De Woning gelden ons 
als formules van verschillende induslri- 
êele begrippen, die men als zoodanig 
naast elkaar kan stellen en wier functies 



voor de toekomst eenigszins te voor- 
zien zijn. 

Voorloopig balanceeren de kansen 
nog Naar aanleiding van de Krefeldsche 
tentoonstelling kun men slechts consla- 
leeren, dat de producten van beide in- 
stellingen nog wat erg veel op elkander 
lijken, en daar is, het prijsverschil in 
aanmerking genomen iets onzuivers in 
Moge De Woning nooit door omstandig- 
heden gedwongen worden met geringer 
middelen toch apen prés hetzelfde effecl 
te bereiken als duurder fabrikaat, om 
zoodoende in de oude fout van faux- 
luxe te vervallen. Goedkoop en duur 
moet men kunnen onderscheiden, zon- 
der de dingen op de hand te wegen. 

De afdeelingsscliotten waren aarditj 
behangen met crélonnes van DucoCrop 
Dat heldere gespeel van goedgekozen 
kleurtjes in rijke stilgehouden teekening 
stemde de hokjes tot prettige gezellig- 
heid. Duco Crop was nog maar aan hel 
begin van wat hij had kunnen bereiken 
als hij langer had mogen werken en 
zoeken. Er hapert nog iets aan hel 
verband van decor en stof. Die volle, 
pronkende patronen doen soms wal 
huichelachtig tegen de armoe van de 
dunne kaloentjes; maar hoe weinig zou 
er noodig zijn om op dezen weg lol 
iels bevredigends te komen. Is er nu 
niemand die dit te vroeg afgebroken 
werk weer eens wil opvatten? Er is nog 
zoo reusachtig veel voor te doen; de 
gedrukte winkel-chitsen zijn nog allijd 
zoo schreeuwend en gemeen. Me dunkt 
de ceramiek-rage bekoelt al wat, alle 
menschen krijgen hun huis vol potten 
en pannen ; zou er niet eens eeu betere 
lijd voorde textiel-industrie aanbreken? 

Iemand als Lebeau zou het zeker kun- 
nen, als hij zich behalve voor zijn prach- 
tige, dure batiks ook voor bescheidener 
productie wilde interesseeren, en als er 
fabrikanten te vinden zijn die zijn grool 
talent en rijpen smaak op prijs welen 
te stellen. 

En tusschen al die uitstallingen van 
verschillende waarde, tusschen al dat 
concureeren en zoeken stond wonder- 
gaaf en van hooge eenheid het steeuen 
wereldje van Mendes da Costa. In die 
kleine tiguurtjes is zooveel persoonlijks, 
zooveel innig menschelijk besef, en 
tegelijk zooveel karakterislieks voor 



58 



onzen lijd, zooveel waarheid en toch 
zooveel begrip van stijl dal de elegante 
leugen van de frivole 18^ eeuwsche 
porcelein- maatschappij het er tegen 
aflegt. In dezen beeldhouwer van één 
turf hooge poppetjes leeft het ingehou- 
den machtig talent van één die in staat 
zou zijn reuzenlijven te slaan uit een 
rotsblok. 

Hier is veel meer dan bevallige vorm, 
hier is ingetogen grootheid, tragisch 
gepeins, en spottend cynisme in die 
groepen van oude jodenbuurlypen, die 
contemplatieve clowns; hier i^ levende 
natuur-visie maar beheerscht en ge- 
staald door architectonisch gevoel in 
die liggende kameelen, die apen met 
rimpelige deiikerskoppen, die vogels 
tot symelrische ornamenten versteend. 
En een bekwaam technicus blijkt 
Mendes, één die voelt wat het brons 
vergt tegenover de rulle pète van hel 
minder aristokratische gres. Zijn bron- 
zen Snoepslertje is monumentaal van 
omtrek, strak en toch nergens dood, vast 
en toch wonderteêr; het meest verblij- 
dende van de geheele tentoonstelling. 
Juli, W. V. 



UIT KREFELD 



UIT ROTTERDAM 



y?^"^ 



-^^22^. 



lUSEUM BOYMANS 
>c^ Ons Museum is 
o. a. een Van Gogh 
rijk geworden, een 
heel mooi specimen 
van zijn kunst uit zijn 
latere Hollandsche 
periode. In meer dan éeii opzicht is het 
een werk van overgang De techniek 
houdt het midden tusschen de manier 
van zijn Haagschen en Brabanlschen 
lijd, zooals we die een paar maanden 
geleden op de Van Gogli-tentoonstelling 
bij Mevr. Oldenzeel hebben leeren ken- 
nen, en de neo-impressionistische van 
zijn Fransche werk. Het fond van deze 
schilderij is vast en breed in elkaar ge- 
smeerd, een émailachlige pAle van dis- 
crete tonen en daarop is gewerkt met 
zetjes en likjes van schoone, bijna on- 
gebroken kleur. 

Tegen een regenzware buienlucht, 
strafgrijs met een lint in het groene, op 
den voorgrond een laan van herfstboo- 



men, schuin naar rechts. Daarachter KUNST- 
hel wijde land en de zich eveneens naar DpoTrufiTM 
rechts verwijderende donkere wal van 
den horizont. Ongeveer in hel midden 
is een dorpje, een torenspits en daken, 
met hooge boomen er omheen. — De 
boomen van den weg hebben al hel 
klapperige, rammelende van populie- 
ren, hun kleuren, — op een hei-groen 
na, als ware de lente in het najaar terug 
gekomen, — spelen door alle mogelijke 
herfsl-nuancen, — van een warm zilver- 
wit, als van ju<iaspenningen, door stroo- 
en goudgeel en dofrood en ros-grauw, 
tol hel bleek-karmijn en donker wijn- 
bruin van een hoogen kruin, een echte 
Monlicelli-kleur. Met het zuiver-blauw 
van een enkele schoone plek, hoog in 
de lucht, en het oud-goud van eenen 
lageren boom, maakt dit een rijke, 
voorname harmonie. Van links schijnt 
een bleek waterzonnetje in, — als een 
even glimlach trekt het over de losse 
popelblaadjes, — over de opslaande 
voren en klonters van den weg... Hel 
land daarachter, onder de duistere 
dreiging van de regenzwangere lucht, 
wordt er nog te ernstiger om. Het 
zwaarst valt de wolkschaduw op het 
dorpje in het midden. Over den einder 
schuift de rand van de bui, laat daar 
een streep rel en wreed blauw-en-wit, 
waartegen spits en strak de silhouet van 
het donkere dorpstorenlje. Slechts even 
worden de groene en blauwe neutralen 
van het verschiet gebroken door het 
dónker-karmijn van een dak-in-scha- 
duw. — Er is spanning van verwachting 
onder deze zware herfslbui. Zelfs de 
wind, die in de blaadjes van de laan- 
boomen klappert, schijnt daar in rust 
te zijn gegaan. 

Op den weg, vooraan, bewegen zich 
een paar kleine vrouwenfiguurljes, 
even-geheimzinnig Beide zijn donker 
gekleed, éen in rouw-zwart, waartegen 
het zeer bleeke vleesch van gezicht en 
hand vreemd afsteekt. Hebben deze 
twee stil-voorlschuifelende figuurtjes 
een be teekenis, of zijn zij slechts een 
zuiver-picturaal element, zooals zeker 
het mannetje-in-blauw, dat meer naar 
achter den weg omschofTelt? 

Er is niets melancholieks, niets droef- 
geestigs meer in dit werk, zooals het in 
zijn vroegere Brabantsche. De kleuren 



UIT ROTTERDAM 



59 



KUNST- 
BERICHTEN 
UITROTTKRDAM 



zijn gedekt, deftig, maar niet zoo ge- 
smoord, minder in een algeroecnen toon 
gehouden. Het is een strakke, ernstige 
stemming. Met klare oogen gezien, met 
aarzelloozc hand gedaan, het kalm- 
overtuigde werk van een, die weet, zijn 
weg gevonden te hebben. « Zoo is het 
en niet anders, > schijnt ieder likje te 
zeggen, dat opgezet is. 

Daar hangen zij nu naast elkaar, de 
beide profeten, die in hun vaderland 
niet geëerd zijn : Vincent's Iler/stbui 
naast Jongkindt's Gezicht bij maanlicht 
op Ouerschie. En wel is het een droeve 
gedachte, dat zij moesten zwerven en 
sterven in den vreemde, eer men er in 
Holland toe komen zou, te waardeeren 
de zeldzame kunst, die zij brachten. 

Met dat al, men mag zich verheugen, 
dat er weer een groot werk van Van 
Gogh veilig en wel in een Hollandsch 
Museum beland is. En dan vooral een 
prachtstuk als dit ! 

KUNSTZAAL OLDENZEEL a^» Mevr. 
Oldenzeel had weer eenige Van Goghs 
uit de geheime voorraadkamer voor 
den dag gebracht, — ditmaal toch wel, 
naar men mij zeide, de laatste. Het wa- 
ren negen schilderijen en een teekening. 
Sujetten uit den Haag en uit Brabant, 
maar minder dof en gesmoord van kleur 
dan de vorige collectie. Er is b. v. in de 
meeste van deze schilderijen een onbe- 
wimpelder groen. 

Er waren weer een paar van zijne 
meesterlijk-gedane boereiwroiiiven^ kop- 
pen grandioos van leelijkheid ; een 
mooi stilleven van wat rommel : een 
paar tabakszakken, een flesch, een vod 
van een spiegeltje, met een prachtig 
groen-en-blauw in het fond, dal ik weet 
niet waardoor gekregen was; een voor- 
al uit een oogpunt van techniek bewon- 
derenswaardig intérieur ; — maar liever 
sla ik een oogenblik bij een paar land- 
schappen stil, die Van Gogh weer van 
een heel bijzonderen kant doen kennen. 

Het eerste, een stadsgezicht. Aan een 
bleekveldje, sappig-groen van kleur, 
staan een paar vervallen huisjes, fijn- 
grijze muurtjes met gapende galen van 
vensters. Achter-boven de oranje-en- 
roode pannennaken staat hoog-uit in 
de elTen-blanke lucht het dak van een 



kerk, met een torentje in het midden 
(de Nieuwe Kerk, den Haag?). — Het is 
een koele, stille stemming, een een- 
zaamheid niet zonder mysterieusheid 
De venstergaten kijken vreemd als 
blinde oogen. Zulk een blankdroomerig 
ding, dat bijna angstig van stille gaat 
worden ; — het was me een oogenblik 
of ik een vers van Gorter hoorde. 

Het maangezichi is inniger, vertrou- 
welijker. Het is geheel in een warm- 
bruinen toon gehouden. Dwars door 
het hooge koren gaat een weg naar hel 
donker geboomte om het spilstorenlje. 
Hoe wijd is dat goud-bronzen koren- 
vlak, hoe huivert er het warme, late 
> avondlicht en weeft een teeren sluier 
voor de verschielboomen. Alsof het 
koren nog wat van de hitt*ï van den dag 
bewaard had. — In het oosten een Iti- 
blauwe wolkenbank, waarop de rosse 
volle maan rust ; daarboven is de hemel 
tederlichl, als van opaal, een onbe- 
schrijfelijke kleur. De heilige vrede van 
den avond ademt over dien akker. 

Een paar prachtige staaltjes van fijn- 
gevoelde lyrische landschapskunst. 
^o< In de maand Mei exposeerden in 
hel achlerzaallje Ch. Gruppe en Dr. C. 
H. Dee Het werk van Gruppe is gema- 
ligd-impres<>ionistisch, angstvallig-be- 
schaafd en lichlelijk-vervelend. Mis- 
schien dat hij er nog eens toe komen 
zal, hel Hollandsch landschap wat 
minder door den bril van zijn Holland- 
sche leermeesters te zien. 

Het werk van Dr. Dee bewijst, dat men 
zich als amateur in de kunst kan bege- 
ven, zonder tot dilettantisme te verval- 
len. Zijn knap geaquarelleerde bloem- 
stukken blijven altijd serieus werk, 
alleen een enkele maal een beetje droog. 
Hoe vlakker en decoratiever gehouden, 
hoe beter ze geslaagd zijn. Zijn beschil- 
derde zijden waaiers en blouses zijn 
van een fijnen, bijna vrouwelij ken 
smaak, vrij van alle modiste-fraaiig- 
heden. Al dit werk is aangenaam om te 
zien. Vooral omdat het zonder preten- 
tie is. 

^-y Naschrift. Het verslag over de 
maand Mei had in de Juli-aflevering 
moeten verschijnen : het manuscript is 
is echter aan de post zoek geraakt. Zoo 
was ik genoodzaakt dit artikeltje nog 
eens te schrijven, voor zoover dat mo- 



60 



gelijk was. De belangrijke tentoonstel- 
ling van den stilleven-schilder P. Mei- 
ners in den Kunstkring moet nu, bij 
gebrek aan bruikbare aanteekeningen, 
tot mijn spijt onbesproken blijven. (*) 

VEREENIGING « VOOR DE KUNST « ƒ 
TENTOONSTELLING VAN SCHILDE- 
RIJEN EN TEEKENINGEN VAN JOZI' F 
ISRAÊLS EN BEELDHOUWWERK VAN 
GEORGE MINNE ƒ 30MEI-7 JUNI yc.^ 
Israëls, Het is de dompige atmosfeer 
van de Scheveningsche visscherswo- 
ningen. Het licht valt er groezelig door 
kleine, troebele ruitjes en alle kleuren 
worden erin ontsluierd en verdoofd. 
En de menschen verouden vroeg 
daarin, hun oog wordt kleurloos, hun 
haren mat. Met dat al is deze kunst 
geen schildering van menschelijke mise- 
rién. Evenmin van het pittoreske, dat 
er in armoedsrommel is. Allerminst ! 
Het is slechts te doen om de atmosfeer 
en de menschen die groeien daarin. 

De atmosfeer. Dat onstoffelijke, ver- 
vloeiende, dat de vaste contouren der 
dingen vervaagt, de stemming draagt, 
— dal grommend-duister is als van 
smart, of doorschenen van de gedempte 
goudheid van een kalm geluk, terwijl 
de schaduwhoeken steeds doorweven 
zijn van het bevend spinsel van myste- 
rie ; — het wezen, de ziel van een 
schilderij, zonder hetwelk hel een dood 
en rammelend geraamte is. Israêls is 
een en al atmosfeer. Al het lokale wordt 
bij hem van ondergeschikt belang. On- 
der die flodderige grijzen en bruinen, 
van allerlei nuancen en waarden, gore 
roodjes, zeepsopklruren, een enkel 
Qauw-blnuw of onzeker paars zoekt 
men vergeefs een ongebroken kleur, of 
het moest het vuurrood van een kooltje 
in den haard zijn. 

Plaats en tijd worden even onzeker, 
ten minste onbelangrijk. En zijn men- 
schen zelf, wat doel het er toe, dat het 
Scheveningsche visschers en visschers- 
vrouwen zijn, daar ze de dragers zijn 
van eeuwige mysteriën en aandoenin- 
gen ? Een voorbeeld : hel bekende Op 
Hollandsch duin (N© 5), een jonge vrouw 
op den uitkijk. Is het nu de anecdole 

l«) Op Blz. 63, vindt men een algemeene appre- 
ciatie van Mciners' werk door Alb. Plasscliaert. 

(Bed.) 



van dit opzichzelf misschien triste ge- 
val, dal haar belangwekkend maakt? 
Zij is meer dan een wachlende vis- 
schersvrouw : zij is het verpersoonlijkte 
wachten. Om haar- is de nieuwe morgen 
gerezen, nuchter en kil, zooals de dag 
komen kan, met onverschilligheid, en 
heefl haar blank gezicht met de strakke 
waakoogen verlicht. Maar het licht heefl 
geen ontspanning gebracht. Leeg de zee 
en leeg de lucht. En zonder te weten, 
dat zij nog een lichaam heeft, blijft ze 
zitten in het helm, al haar levenswil 
heeft zich geconcentreerd in staren. 

Machtiger nog, ook om zijn ongewis- 
heid, om wat het te raden laat, is de 
Werkman van de zee (N© 2), rechtop 
tegen lucht en zee, een mand op zijn 
schouder. Het is in schemering. Tegen 
den nevelachtergrond, even- doorlicht 
van late zon, met zijn vagen horizont, 
staat de duistere kop met de harde, 
leerachtige plooien. De oogen, bijna 
onzichtbaar in de diepe kassen, zijn vol 
raadsel en oneindigheid : deze man, 
half zeedier zelf, met zijn kleeren van 
een kleur als avondgolven, zijn visch- 
achlig-uilziende, glibberige naakte voe- 
ten, kenl al de verschrikkingen van de 
zee. Het is gegeven zonder eenigen om- 
haal, dit is de werkman van de zee. 

Van welk een innerlijke schoonheid 
zijn de Biddende vrouw (N" 4) en Oude 
dag (No 3). In hel eerste, hoe bloeit daar 
de bidster op in het licht, dal door het 
hooge raam diep in de kamer valt, 
luisterrijk. Ook van N" 3 is de kop van 
den ouden man, blanke eerwaardigheid, 
geliefkoosd door den warmen dag, de 
lichtkern van de schilderij. 

De mensch is de kern van zijn aan- 
dacht en arbeid : hij maakt menschen. 
No 6 b V. [Langs den weg) met zijn 
breedgedakte hoeve en wijden horizont, 
laag onder de enistige lucht, is een 
mooi, stemmingsvol landschap, maar 
zijn volle belangrijkheid krijgt het toch 
eerst door de figuren van de vrouw en 
den jongen vóór op den weg ; dan be- 
seft men eerst hoe wijd en verlaten hel 
land, hoe slraf-crnstig de hemel is. 

Van de teekeningen dient de aquarel 
De Herder (N" 13) genoemd te worden, 
verder de beide Bedelaars, waarvan de 
een zoo prachtig en karakteristiek 
Joodsch. 



KUNST- 

BERICHTEN 

UITROTTERDAM 



61 



KUNST- 
BERICHTKN 
ÜIT ROTTKRDAM 



Al deze nederigen. Zooals hij stille 
pracht vindt in zijn vage, vaak onnoem- 
hare kleuren en luister van licht in de 
dompige atmosfeer van zijn visschers- 
hutten, zoo vindt hij verborgen schoon- 
heid in het nederige leven, de schoon- 
heid, die gezocht wil zijn. • 11 n'y a pas 
de grande et pelite vie... » 

Het geëxposeerde is afkomstig uit de 
verzameling van de firma Scholtens & 
Zoon, kunsthandelaars te Groningen ; 
van de door deze firma uitgegeven etsen 
naar schilderijen van den meester (door 
Dake en Grasdl van Roggen) waren 
eenige mooie exemplaren mede tentoon- 
gesteld. 

^ry George Minne, Kr is natuurlijk niets 
tegen te zeggen, met het werk van Jozef 
Israéls dat van George Minne te expo- 
seeren, maar dan moet het een het ander 
niet hinderen, zooals op deze tentoon- 
stelling het geval was. Een beeldje een 
schilderij tot fond te geven, doet geen 
van beide goed. Het is waar, dat van het 
ongeschikte zaaltje van * Pro Patria • 
niet veel te maken valt. 

Minne's archaïstische kunst hoort zoo 
echt in Vlaanderen thuis, zou zich in 
geen enkel land buiten Vlaanderen zoo 
zuiver en stijvol kunnen openbaren. 
Want daar zijn «Ie middeleeuwen nog 
bezig zoetjes en zachtjes te sterven en 
nergens is een teruggrijpen op haar plas- 
tiek, om aandoeningen uit te drukken, 
die dicht bij haar gevoelsfeer slaan, 
minder gewelddadig dan daar. Fr moge, 
als in iedere archaïseerende kunst, iets 
decadents in deze zijn, men kan haar 
ervan beschuldigen dat zij hel rijke 
leven ontwijkt, dal zij zich kunstmatig 
afsluit, — maar valsch is zij in elk geval 
niet. Een Vlaming kan, als hij wil, nog 
een halve Middeleeuwer zijn. Waar dit 
tenslotte heenvoert, doel op hel oogen- 
blik niets ter zake. 

George Minne herleidt zijn menschen 
door hen, als hel ware van spieren te 
ontdoen, of door ze met een gestyleerd- 
geplooid gewaad te bedekken. In beide 
gevallen ontneemt hij hun de zuiver- 
menschelijke gestalte, om ze lol dragers, 
lot verbeeldingen eener idee of aandoe- 
ning te maken. Hoe zijn werk zich bij de 
Middeleeuwen aansluit, — men zie de 
Drie heilige Vrouwen, wier gezichten 
onzichtbaar zijn door de ver-overhan- 



gende kappen. Deze houding herinnert 
terstond aan de treurende nonnen van 
een grafmonument in hel Louvre Ik 
spreek hier niet over uiterlijke gelijk- 
heid, nog minder over navolging. Want 
al is er zooveel gelijkheid, dat men deze 
groep op hel eerste gezicht voor Middel- 
eeuwsch werk zou kunnen houden, - 
de heiligheid, die huivert uil de straf- 
geplooide gewaden van deze bijna ge- 
slachtsl&oze wezens getuigt van de 
zuiver-persoonlijke aandoening, die den 
arlist beheerscht heeft. Er is dus in de 
eerste plaats verwantschap van stem- 
ming. 

Bij alle overeenkomst, treft bij de 
overige werken, naaktflguren, terstond 
een groot onderscheid met Middeleeuw- 
sche kunst. De anatomie van Minne's 
naakten gaat uit van geheel andere prin- 
cipes. Zooveel is er echter weer van 
geestelijke verwantschap dat alle (op de 
Badende vrouw na) zonder de geringste 
zinnelijkheid, zonder liefde voor de uit- 
wendige schoonheid van het mensche- 
lijk corpus zijn. De deemoedige Gekniel- 
den, man en vrouw, hebben het alle- 
daagsche, vulgaire, dat de Vlaarascbe 
naakten onderscheidt, die bijzondere 
leelijkheid, die de Duitschers aan gebrek 
aan « idealen Formensinn » toeschrijven. 
Maar zij hebben iets anders : hun « ge- 
reduceerde • vormen berusten op een 
krachtig realisme en zij zijn in zoo 
hooge mate expressief. Hun naaktheid 
is zoo argeloos, zij zijn gekomen als 
vrome Middeleeuwers voor God, met 
niets dan hun menschelijkheid, hun 
knielen is ongekunsteld en zonder affec- 
tatie, zij steunen elkander in innige 
vertrouwelijkheid en onbewuste hulp- 
vaardigheid : hun deemoed is zonder 
slaafschheid en zeer schoon. No 40 Op- 
standing zou ik wel eens in een ander 
materiaal dan in pleister hebben willen 
zien; ook stond hel te vlak verlicht, 
waardoor de partijen niet te voldoende 
geschakeerd uilkwamen. De jonge Ba- 
dende vrouw, van een tengere, wilde 
gratie, is prachtig gevleeschd, de stof- 
uitdrukking verrukkelijk, vooral van 
het marmeren exemplaar. Zulk een 
figuurtje is bij alle overslankhcid toch 

wel zuiver modern gevoeld. 

R. J. 



62 




JAN EISENLOEFFEL : Bouillolr. 



^^^^^^^^^^ 




P. MEINERS 



]R zijn véle verdeelin- 
gcn mogelijk in den 
aard der schilderijen 
en een van deze is 
die in zelfzuchtige en 
allruislische. De zelf- 
zuchtigen zijn de tal- 
rijkste. Ge voell in deze naast hel 
behagen in hel verbeelde voorwerp 
sterk en scherp en duidelijk de vreug- 
de van den schilder om zich en om 
zijn kunsl; de allruïslische die zeer 



v^einige zijn en die meestentijds een 
zachtzinnige schroom bezitten hebben 
die in zichzelf verheugde vreugde om 
de kunst niet, maaralleen de ontroering 
om het af te beelden. En zijn grooter, 
voller meesterwerken meestentijds te 
vinden van de zelfzuchtigen, maar dit 
is geen reden noch noodzaak om oogen 
toe te houden voor de dikwijls kleinere 
maar uitermate bekorende eigenschap 
der anderen. 

Dit is het wat Meiners heeft in zijn 
Portret van de dame met de roos tegen 
den hals. Wat is hier van de aangename 
eigenschap'? Het is niet grootsch, niet 



P. MEINKRS 



63 



P. MEINERS 



VAHIA 



hevig noch ontzaggelijk. Het is eenvou- 
dig en onzelfzuchtig. De vrouw wordt 
gezien en face; het hoofd (in een ellips) 
staal voor een behang, blauw met grij- 
zige bloemen ; ze draagt een zwarte 
japon en als enkele heffing in al deze 
kalmte een kleine rozeknop tegen den 
hals. tiet haar is meest gewoon in het 
midden gescheiden ; het gezicht is 
geenszins schoon, maar nieuwsgierig 
en vol oplettendheid, vrindelijk en aan- 
genaam ; een vrouw met een gevoeligen 
geest. De schildering is natuurlijk naar 
den aard van het werk, kalm en gedul- 
dig, niet brokkelig, noch hoog opge- 
legd. 

Het is een stil-leven. Vruchten en 
rozen zijn niet de eenige voorwerpen 
voor dit soort van werk ; menschen- 
gezichten kunnen evenzeer zoodanig 
behandeld worden. Ken guldener gloed 
ligt over een ander werk van Meiners: 
Vruchten waarachter een tegel, waarop 
een amor vHedt — maar bij al zijn 
dingen blijft de hoofdzaak : de chunne 
van het geringe, of liever 't dagelijk- 
sche, zeer aanduchlig volgend^ rustig 
uit te vinden. Dit is het beste in dit 
werk dat niet van een eersten rang is, 
maar van een liefelijke hoedanigheid. 
Plasschaekt. 

^^^^^^^^^^ 

^^^^= VARIA ^^^^= 

^o^ Naar aanleiding van een onlangs 
in de Chroniquedes Arts verschenen nota 
hebhen verschillende kunsthistorici in 

(V L. Maeterlinck in n' 8 en in n' 13; - Henri 
Hymans in n' 9; — Gustav Glück in n' 12. 



dit tijdschrift («) hunne opmerkingen 
medegedeeld over een weinig bekend 
landschapschilder uit de xvi-xvir- eeuw: 
K, D Kauninck, K. D Keuninclc, K. l) 
Keuning^ of Cerstiaen Coninck, Deze va. 
rianten komen voor op zijne werken 
welke zich bevinden te Gent, te Kortrijk, 
te Keulen, te Leipzig en te Freiberg 
(Saksen)'. De laatste schrijfwijze wordl 
gegeven door de Liggeren de Antwerp- 
sche St. Lukasgilde, waar hij in 1580 als 
vrij meester werd ingeschreven en ver- 
der nog in 1585-86, 1589, 1599 en 1629 30 
vermeld wordt. 

Het lijdt weinig of geen twijfel of hel 
geldt hier wel degelijk éen en dezelfde 
kunstenaar. Hij waste Kortrijk geboren, 
en werkte in den geest van Patinier en 
Fluweelen Breughel, en meer recht- 
streeksonder den invloed van een ander, 
weinig bekend Vunstenaar, Hans Bol, 
geboren te Mechelen in 1534, werkzaam 
te Antwerpen tusschen 1574 en 1584 en 
in ballingschap gestorven te Amsterdam 
in 1593. 

Zijn zoon, die denzelf<len doopnaam 
droeg en eveneens schilder was, werd 
te Antwerpen in 1613 als vrij meester 
aangenomen en stierl in 1642 of 1643. 
Een zijner werken in den trant van Paul 
Bril en Toost de Momper, bevindt zich 
in het keizerlijk Museum te Weenen. 



^Achterstaande werk van Jan Eisen- 
loeiïel behoort bij het artikel van den 
heer H. Walenkamp in ons vorig num- 
mer, waarbij het echter niet meer kon 
opgenomen worden. Het vinde thans 
hier zijn plaats. 




f)4 



VAN GOYEN-TENTOONSTELLING 



IN A]^STERDAM«> 




|E htulden hel aan den ondernemingsgeest van VAN GOYEN- 
de firma Frederik Muller & C° (A. W. Men- TENTOON- 
sing) te danken, dat er in het stedelijk Mu- STELLING IN 
seum een Van Goyen-lentoonstelling was. AMSTERDAM 
Vooraf zij dus opgemerkt, dat we naar deze 
omstandigheid wel onze heoordeeling te rich- 
ten hehben; dat wil zeggen, onze kieskeurig- 
heid had bij het hier aangebodene niet het 
recht dezelfde eischen te stellen als bij een tentoonstelling, georga- 
niseerd door een officieel lichaam, dat uitsluitend het kunstbelang 
heeft voor te staan, 't Ging thans uit van een particulier, die kunst- 
kooper is; en mocht hij, afgescheiden van materiëele bedoelingen, in 
zich zelf voldaan zijn geweest over de verrassing die hij den kunst- 
liefhebbers bracht, — wat ik niet betwijfel — de « affaire » had bij 
deze onderneming natuurlijk ook haar belang. 

We willen uit bescheidenheid dus niet het algemeen gehalte van 
deze tentoonstelling gaan criliseeren : bijv. door aanwijzing van stuk- 
ken die zeer onvolkomen de waarde van den meester vertegenwoor- 
digen, van andere die voor een keurcollectie te veel gesleten of bijge- 
schilderd waren en van enkele die... wel nooit door Van Goyen gemaakt 
zijn. We hebben te veel reden tot erkentelijkheid jegens den onderne- 
mer, die aan alle belangstellenden gratis gastvrijheid verleende. Er was 
tevens een goedverzorgde fransche Catalogus bij uitgegeven, met een 
werkelijk treffende kenschetsing van den schilder, als inleiding. Deze 
tentoonstelling zij hier dus alleen de welkome aanleiding, om een der 
merkwaardigste talenten onder de oude Hollanders eens afzonderHjk 
onder de aandacht te kunnen nemen. 

Wie spreekt over het landschap in de schilderkunst, denkt aller- 
eerst aan de zeventiend' eeuwsche Hollanders en dan, naast eenige 



(V) Van 15 Juli tot 1 September 1903. 



Onze Kunst 1903, Afl. 9, IX 



65 



VAN GOYEX- 
TENTOON- 

steujng in 
amste:ri)am 



anderen, in *t bijzonder aan Jan Van Goyen. Want hij is misschien wel 
de innigste, en zeer zeker de vruchtbaarste, vertolker van de eigen- 
lijke bekoring der Hollandsche vlakten en intieme landelijke hoek- 
jes. Van hel Holland met zijn enorme luchten — stoeten van wolken 
durend verwisselend hun wentelgang boven het lage land, — zijnopene 
waterstroomen waar de zeilscheepjes onder windstuwing heenjachten, 
of op kalm-deinende golQes, bootjes dobberend worden voortgedragen, 
de karaktervolle boerenwoningen onder de breede glooing van hun 
hellende daken, met hun verweerde muren en logge schoorsteenstom- 
pen, de verwaaide boomen in de onbeschutte wijde ruimten en dan 
vóóral de perspectievische betoovering van naar alle zijden wegschui- 
vende terreinen, vrijelijk te overheerschen door het oog in hun ver- 
schillende plans, dichtbij en veraf, tot waar er versluiering is van de 
stoffelijke aarde in deizend licht-genevel : de horizont. 

Al wat ons het hollandsche land dierbaar doet zijn, al wat wij 
onder zijn verschillende aspecten als teekenachtige natuurbrokken 
opmerken, daarin de uitdrukking vinden van innige vredigheid — 
diezelfde stemming van stille verrukking suizelt ons gewaar-worden 
binnen uit de werken van Jan Van Goyen. Dan bemerken we haast 
met verwondering, .dat een schilder van vóór bijna driehonderd jaren 
met dezelfde oogen zag als de onze, een gelijkelijk ontroerde waar- 
nemer was van de streken, die wij nog doorwandelen, en een vorm koos 
voor zijn uitzegging, die den modernen kunstzin zeer bevattelijk is. 
Door de echtheid van zijn sensatie en de onbevangenheid van zijne 
uitzegging kan hij ons zoo onmiddellijk overtuigen. Niet zoozeer ontzag- 
wekkend is zijne kunst, maar ontroerend, wijl daaruit zich doet ken- 
nen een mensch die geleefd heeft, en zoo innig, dat al zijn dagen wel 
gevuld schenen met het uitzingen der verrukking voor wat zijn ziels- 
neigingen het dierbaarste was. Zijn tallooze teekeningen en krabbels, 
tintelen uit zijn rusteloozen drang tot ontboezeming. 

En ondanks veel materiëelen tegenslag, en geringe ingenomenheid 
met zijn werken bij zijn medeburgers, bleef de veerkracht van zijn 
zielsvreugde tot aan het einde ongebroken. Ik geloof niet, dat er onder 
de oud-hollandsche schildei*s een is, wiens werken zoo grif benader- 
baar zijn voor de tegenwoordige appreciatie van schilderij-kwaliteiten. 
De grondtoon van zijn kunst werd een voornaam motief in de uitzeg- 
ging van een der grootste modernen : Jacob Maris. 

Als we de lijn volgen van de phases der kunstontwikkeling, ver- 
kennen we bij Jan Van Goyen op volkomene wijze de ontbloeiihg van 
het Landschap als een zelfstandige tak in de schilderkunst. Die hem 
in leeftijd slechts even vóór waren : Avercamp, Arent Arentsz, Adr. 
Van de Vcnne, zijn leermeester Esayas Van de Velde, — zij hebben 
zeker in hun werken reeds een belangrijke aanwijzing gegeven van 



66 






cc M 

•• s ï 

>, N b: 

^ '^ ^ 

c g -« 



z S ë» 

:S ^ ^ 



wat het landschap als afzonderlijke schoonheidsuiting te beteekenen VAN GOYEN- 
heeft. Maar met welke onverdeelde liefde en fijnheid van opmerken TENTOON- 
zij reeds trachtten naar de wedergave van een builentafereel, het STELLING IN 
landschap, dat vóór hun lijd veelal als een belendende aangelegenheid AMSTERDAM 
in het scliilderijbeeld werd beschouwd, ze hadden nog niet bereikt het 
groote begrip, hel gerijpte inzicht van de hoofdvoorwaarden tot vertol- 
king der immensiteit, tot uitdrukking van het buitenlicht op het klein 
begrensde kader. Zij specificeerden nog allijd; tot de macht van het 
groote samenvatten waren zij nog niet geraakt. In Van Goyen's kunst 
wordt eerst voluit merkbaar het beantwoorden van de hoofdeischen : 
het uitdrukken van ruimte, het licht ontwikkelen van dingen naar de 
voorwaarden van hunne onderlinge ligging, het waarschijnlijk maken 
van de afstanden, zooals die door het oog worden waargenomen. 

En hij maakt van zijn luchten onbereikbare hemelgewelven, waar 
de wolken opwerken vanaf den verren horizont tot boven den toeschou- 
wer ; zijn gronden schuiven, positief en onderscheidbaar op den voor- 
grond, raadselachtig naar het verschiet waar de lichltrilling over de stof- 
verschijning heerschende wordt. Bij hem het verdere begrip van de 
verhoudingen in het landschap, die moeten leiden naar de harmonie 
in zijn verschijning; eerstens door de verdeeling van licht en schaduw- 
partijen ; maar dan ook door de teekening : de accentuatie van de 
vormen, naar zij strak staan in het licht of verschemeren in schaduwen. 

Kenteekenend voor zijn streven is, dat hij in nagenoeg alle werken 
het voorgrondplan geheel of gedeeltelijk in schaduw houdt met het 
oogmerk den achtergrond te doen wijken. Een procédé, dat hier met 
zooveel overtuiging is aangewend, dat het in geen stuk den bedenke- 
lijken kant krijgt van een <( loopje. » 

Op de tentoonstelling was eenige gelegenheid den hoofdovergang 
in Van Goyen's kunst waar te nemen. Daar hingen eenige schilderijtjes 
uit zijn eersten tijd, toen hij nog geheel, zoowel in wijze van zien als in 
trant van schilderen, zijn leermeester Esayas van de Velde tot voor- 
beeld nam (*). Buitengezichten, 'k zou haast zeggen landschap- 
interieurtjes, bedachtzaam opgebouwd, waarin van alles de afzon- 
derlijk waargenomen vorm zorgvuldig weergegeven en vooral ook de 
kleur détailsgewijze aangeduid werd. Toch vinden we hier reeds zeer 
opmerkelijke proeven van een deugdelijk schilderstalent; er is vastheid, 
diepte zelfs, in de kleur, expressie in de teekening en de tonalist doet 
zich reeds kennen in de delicaatheid van den penseelzet. 

Maar zoowel palet als factuur worden te eenenmale gewijzigd als 
het eigen streven zich koers zet. Van Goyen wordt nu de impression- 

(*) De reproductie vaii het cirkelvormig paneeltje geeft daarvan een toon- 
beeld. 



67 




JAN VAN GOYEN : DROKVKi WKDER 
(Eiqenaar : de Heer Arthur Kay, Glasgow). 



VAN (lOYKN- 
TENTOON- 
STELLIN(i IN 
AMSTERDAM 



nisl, die de belangrijkheid voelt van hel groole geheel boven de 
nadrukkelijke aanduiding van het détail. Hij vereenvoudigt nu zeer 
aanmerkelijk zijn palet, wetend dat de bedoelde stemming treffendsl 
uitdrukking vindt in de toonverhouding en dat het eigenaardig karak- 
ter van alle voorwerpen, gewijzigd van voorkomen naar hunne plaals 
in de ruimte en versehijning in het licht, in zijn teekenende kanten 
moet worden weergegeven. En vooral in het hollandsche landschap, 
dat is : het overheerschend motief van grijzig weer, als door hel 
schuiven van zich samenpakkende of uiteenscheurende wolken, hier 
de schaduwen samenscholen, en verder het licht weer gaat uilwim- 
pelen. De bekoring van de wisselwerking der licht en schaduwpartijen, 
de sensatie van gedruischlooze beweging, mysterie, waarop de ver- 
beelding zich wiegen gaat. Rembrandt gaf daarvan in zijn landschap- 
pen het hoogste. 

De lucht neemt in Van Goyen's werken steeds de overgroole plaats 
in ; ze beslaat soms vier-vijfde van het kader. Hij besteedt daaraan dan 
ook in eens zijn groote kracht. Zijn geest verdiept, zijn oog verloren in 
die bewegelijke onstoffelijke wereld, laat hij de wolken stout op varen in 



68 





e 
r 



Ui k, 
CC 

u ? 

^ § 

u -2» 





5^ ,• 

w 2 I 

O O. i 

cc."" 
^ ^ 5; 

^ 5 « 



natuurlijken samenhang, of spant de grauwe sluiers van uitgestrekte VAN GOYEN- 
regen velden strak vóór liet licht, dat aan de hoorden uitschiet, of TENTOON- 
glimmcrend zwijmt. Hij schildert met hreede en gevoede horstels in SÏRLI ING IN 
koene heweging, want hij heeft een vast begrip van de coirstruclie der AMSTERDAM 
wolken, van hun organisch verbanden logisch bewegen. En legen het 
hemelveld vormt hij met luchtiger penseeldruk de gedaanten van 
gebouwen, de bladermassa's van boomen, zoodat gebouwen werkelijk 
in de builenalmosfeer verrezen slaan, de boomen hun bladergewemel 
verloonen in omslrooming van licht. En in de verschieten verslaat hij 
het, de middelen van uitvoering aan te wenden, om de subtiliteit van 
het overgaan van slof in lucht als een embryo van aardsche dingen 
uil te drukken. 

Opmerkelijk is, dat bijna altijd de lucht dikker in de verf is 
gezet, dan de dingen der aarde. Toch is de lucht altijd onstofTelijk, 
heeft de aarde constantie. Over 'l algemeen schildert Van Goyen zeer 
dun ; eerder nog lijkt het een teekenen met het penseel, noleerend in 
eene gamma van sobere tinten, van ieder onderdeel hel saillante van 
zijn karakter. Zijn werkwijze is buitengewoon expressief, zonder eenige 
beweging van aarzeling, of pijnlijke inspanning. Hij vertoont in het 
landschap soms een bewusten en zekeren slag, die vlótheid van schil- 
dering, als Frans Hals in het portret. Hier is zeker wel de uiting van 
een die innig vervuld is van wat hij zeggen wil. Hij componeert zijn 
landschappen in warme omberkleur, zoekend de werking der groote 
tegenstellingen ; dan toetst hij luchtig en gevoelig daarin kleuriger 
tinten, zóó dat de hoofdaanslag bewaard blijft, de tonaliteit gebonden 
doch gerijpt, en legt met gedegener penseeldruk de lichtpartijen vast, 
die een kleur definitief onderscheidbaar doet zijn. 

Soms, bij het ineenzetten van een buitengeval, waar een hofstede 
met boomen om zijn teekenachtig rustiek uitzien meer van nabij 
en afzonderlijk werd genomen, is de verf voller doorkneed. Zijn 
schilderswijze is dan bijzonder plastisch, doch steeds los en lenig. 

Ook bij de figuren, die zijn landschappen bevolken, toont hij een 
zeer persoonlijke opvatting van het onontbeerlijk slofTeeren, en in 
de behandeling een overtuigende meesterschap. Waar figuurtjes of 
dieren worden aangebracht, doen zij het ook steeds. Ze zijn dikwijls 
een aanmerkelijke versterking van de bedoelde werking; ze staan, ze 
bewegen zich werkelijk in de buitenlucht. 

Er was op de tentoonstelling een zeer belangwekkend schilderijtje 
dat wel geheel een figuurstuk kon heeten : een bevroren wetering, 
die ongeveer de volle breedte van het kader besloeg en bevolkt was 
met schaatsenrijders, karren met paarden, priksleden — het gansche 
hollandsche ijsvermaak. Niet alleen, dat de figuurtjes het in hun 
verschillende actie's goed deden en met snedige, bijna zwierige schil- 




JAN VAN r.OYKN : YKIUiKZiCIIT IN (iKLDKUhAND 
(Eigenaar : de lieer llttiniihry W'ard, tAUulen) 



VAN GOYKN- 
TKNTOOX- 
STELLING IN 
AMSTERDAM 



deriiifï waren nangetoctsl, ze vertoonden zich ook natuurlijk in de 
buitenlucht, en maakten gezamenlijk den indruk van een woelige 
menigte. Ook hierin beteekent Van Goyen's arbeid de voortzetting van 
Avercamp e. a. ; is hij zelfs Aert van der Neer vooruit, bij diens 
mooie en ijlfijne wintergezicht in het Rijksmuseum, waar echter de 
ijsgangers nog al te zeer afzonderlijke vlekken zijn. 

Van Goyens' schilderijen geven voluit het eigenlijke wezen van 
hollandsche streken en het hollandsche landleven, wijl zij de intimiteit 
daarvan bezingen. Toch kunnen we opmerken, dat bij dezen schilder 
met zijn gezonde blijmoedigheid in waarnemen en ongekunsteldheid 
van uitzeggen, de aandoening dieper welde dan uit een burgerlijken 
zin voor het schilderachtige buitenleven. Meer dan eens heeft hij 
blijken gegeven, dat zijn kijk op de dingen zich verheffen kan boven 
de realiteit : tot de visie, die verzinnebeelding van de werkelijkheid 
betracht. De opgewekte verteller over het bekorende van het vrije 
buiten en die op zoo snedige wijze de tallooze karaklerteekenen 
daarvan weet aan te stippen, wordt dan de rustige uitzegger van de 
verrukking, die haar illusie's op de werkelijkheid bouwt. Zijn verras- 
sing bij het zien van een simpel geval, als die twee op eene hoogte 



70 




JAN VAN tiOYEN : RIVIERGEZICHT 
(Eigenaars: de Meeren Th. Agnew Je Sons, Londen). 




JAN VAN GOYEN : SCHEMERING 
Eigenaar: de Heer Arthur Kay, Glasgow). 





JAN VAX r.OYKN : YKIUiKZ.CIIT IN (illLDKKLANI) 
(Eitfcmwr : de llcir Ihimithry Ward, lAmdcn) 



VAX (lOYKX- 
TKNTOOX- 
STKLLIX(i IX 
AMSTKHDAM 



dcring waren nan^^cloetsl, ze vertoonden zich ook natuurlijk in de 
buitenlucht, en maakten gezanienhjk den indruk van een woehge 
nienigle. Ook liierin beteekent Van Goyen's arbeid de voortzetting van 
Avercanip e. a. ; is hij zelfs Aert van der Xeer vooruit, bij diens 
inooie en ijlfijne winlergezicht in het Rijksmuseum, waar echter de 
ijsgangers nog al te zeer afzonderlijke vlekken zijn. 

Van Goyens' schilderijen geven voluit het eigenlijke wezen van 
hollandsche streken en het hollandsche landleven, wijl zij de intimiteit 
daarvan bezingen. Toch kunnen we opmerken, dat bij dezen schilder 
met zijn gezonde blijmoedigheid in waarnemen en ongekunsteldheid 
van uitzeggen, de aandoening dieper welde dan uit een burgerlijken 
zin voor het schilderachtige buitenleven. Meer dan eens heeft hij 
blijken gegeven, dat zijn kijk op de dingen zich verheffen kan boven 
de realiteit : tot de visie, die verzinnebeelding van de werkelijkheid 
betracht. De opgewekte verteller over het bekorende van het vrije 
buiten en die op zoo snedige wijze de tallooze karakterteekenen 
daarvan weel aan te stippen, wordt dan de rustige uit/egger van de 
verrukking, die haar illusie's op de werkelijkheid bouwt. Zijn verras- 
sing bij het zien van een simpel geval, als die twee op eene hoogte 



70 




JAN VAN GOYEN : RIVIERGEZICHT 
(Eigenaars: de Heeren Th. Agnew & Sons, Londen). 




JAN VAN (lOYEN : SCHEMERING 
Eigenaar: de Heer Arthur Kay, Glasgow). 




staande, afgeknolte boomen in hel Rijksmuseum, sloeg over in hel VAN GOYEN- 
verbeelden van iels geweldigs. Hel thema van drijvende volkenscharen TENTOON- 
over eene onafzienbare ruimte kan hij verwerken lol een welhaast STELLING IN 
monumentale uitbeelding van plechtige rust. Van een bepaald groolsche AMSTERDAM 
conceptie getuigen zijn werken dan, met wijde aanschouwing van vèr 
zich heenslrekkende streken, waarin sleden liggen, rivieren voorlkron- 
kelen en heel ginds weer een toren alleen zijn spits omhoog staat te 
wijzen. Daar was, meer nog dan zijn picturale neiging geboeid, zijn 
geest geraakt geworden. 

Treffend bij die uitdrukking van majesteitelijke vredigheid, is zijn 
opvatting van ruïnes of massale wallen in hun architectonische ver- 
schijning. Ook wel doet hij zich 'kennen als een dichterlijk droomer, 
in schilderijen waar veslinglorens of een burcht rijzen, als verbeeldings- 
gedaanlen bijna, tegen de lichtende grijsheid van een lucht, waarin 
broze wolken in luchtig zweven hun vormen nauw onderscheidbaar 
doen zijn. En de wallen spiegelen zich in een rivier, met onvergelijke- 
lijke teerheid van kleurvervloeiïng in hel lichl-tinkelend watervlak. 

Op deze tenloonslelling waren er, onder de kleine schilderijtjes 
vooral, verschillende, die in Van Goyen den visionnair doen ontdekken ; 
stadsbuurtjes nabij de rivierwallen, groot in hun massale eenheid ge- 
zien en de huisjes geleekend met streng geheven lijnen als bij Jacob 
Mans; ofwel een rivier, die spoelt langs een stad, gelegen op hel 
tweede plan; het geheel overheerscht door één wolk, die, zich zelf 
onverstoorbaar voortdragend, heenwiekl naar den horizont achter 
huizen en toren van hel stadje. 

Ik geloof, dat dit de drie hoofdphases zijn in Van Goyen's kunst : 
Eerst was hij, gekomen uit de school van Esayas Van de Velde, de 
bedachtzame maar toch ook gevoelige uitvoerder van die kleuriger 
paneeltjes, waarin hij zijn werk een gewetensvolle observatie van 
détail en goed geschoolde techniek ten eisch stelde ; dan erkent hij eigen 
neigingen; ontplooien zich eigen hoedanigheden, doet hij zich kennen 
als de warme bewonderaar van hel holiandsche landschap in zijn 
picturale verschijning, ontdekt hij den tintenrijkdom in de eindelooze 
wisselwerking der licht- en schaduwpartijen, en geeft daarvan getuige- 
nis in bezielde daad ; eindelijk wordt hij de ziener, die breeder 
overschouwen gaat de schilderachtige verschijning en naar hel uit- 
groeien van zijn levensjaren in dieper mensch-aandoening de idéé 
naspeurl die daarin gedragen wordt. Dan bemerken we in zijne kunst, 
dat niet alleen deze 17<ie eeuwsche schilder zag gelijk wij, een uitings- 
wijze had voor onzen tijd nog zeer verstaanbaar, maar ook, dat 
zijn geestelijke aspiratie^s aan het verlangen van ons modernen niet zoo 
achterlijk kunnen geheeten worden. Dal inzicht kan haast weemoedig 



71 



VAN GOYEN- stemmen en ons heimelijk doen smachten naar het geluk, dal deze 

TENTOON- trouwhartige onder\'onden moet hehhen, wijl hij met zoo onbevangen 

STELLING IN handeling en onverdeelde vreugde uiting mocht geven aan zijn sen- 

AMSTERDAM satie. 

\V. Steenhoff. 



BIOCiRAPHIE. Jan Van Goyen werd Ie Leiden geboren in het jaar 1596. Reeds 
vroegtijdig was liij in de gelegenheid gesteld zich aan zijn lievelings-bezighcid over 
te geven. Van zijn lO* tol aan zijn 20« jaar was hij ter leering bij drie verschillende 
meesters. Toen kwam in hem de lust tot reizen. Hij trok naar Frankrijk en bezocht 
ook, naar vermoed wordt, Parijs. Toen hij van dezen zwerftocht terugkwam, ging 
hij, om deugdelijk in de beoefening van landschapschilderen onderlegd te worden, 
voor een paar jaar in i\e leer bij Rsayas van de Velde, te Haarlem. Daarna keerde 
hij terug naar Leiden, zette zijn huishouden op in 1618 en begon zelfstandig zijn 
weg te banen. In 1631 vestigde hij zich in den Haag en stierf daar in 1656. Hoe 
geacht de kunstenaar door zijn collega s ook blijkt geweest te zijn, het publiek 
waardeerde slechts zeer weinig zijn zeldzame gaven. Voor weinige guldens was hij 
genoodzaakt zijn schilderijen van de hand te doen. Slechts één keer t deed hij een 
goeden slag», toen hem voor de som van 650 gulden werd besteld, het maken van 
een groot gezicht in vogelvlucht op de stad 's Gravenhage (nu nog aanwezig in 
het Stedelijk Museum van die stad). Uit den druk van zijn financiëele moeilijk- 
heden trachtte hij zich te ontheffen door speculatie in gebouwen, schilderijen en 
tulpen ! Daardoor geraakte hij echter niet uit de kommer ; nog minder kou hij 
zich aldus schatten vergaderen. Zijn weduwe was verplicht den boedel en zijn 
nagelaten schilderijen te verkoopen onder benefice van inventaris. Ook lang na 
zijn dood werden zijn schilderijen en tallooze teekeningen op slechts geringe 
waarde geschat. (Ook van 't goede kan men te veel hebben). Eerst onze tijd 
vermocht tot het inzicht te komen van de werkelijke beteekenis dezer kunst. 

W. S. 




N.B. De af becidingen bij dil artikel konden op de Tentoonstening speciaal voor dil lijdschrifl 
worden opgenomen, dank aan de groole dienstvaardigheid der inrichters en der eigenaars welke 
welwillendheid hun toestemming en niedehulp verleenden. De Meeren Frederik Muller & O, 
Arthur Kay, Ch. L. (.ardon. Th. Agnew & Sons. Huniphr>- Ward. F. Kleinberger en de Directie van 
hel Rijksmuseum zeggen wij hierbij van harte dank. Red. 



72 




JAN VAN GOYEN : I.ANDSCHAP MET RIVIER EN ROUWVALLEN, (teekening) 
(Eigenaar : de Heer Arthnr Kay. Glasgow). 



> V 




JAN VAN GOYEN : DIJK MET KAR EN RUITERS, (teekening) 
(Prentenkabinet vnn het Rijksmuseum te Amsterdam). 




VAN GOYEN- stemmen en ons heimelijk doen smachten naar het geluk, dat deze 
TENTOON- trouwhartige ondervonden moet hehben, wijl hij met zoo onbevangen 
STELLING IN handeling en onverdeelde vreugde uiting mocht geven aan zijn sen- 
AMSTERDAM satie. 

W. Steenhoff. 



BKXiRAPniE. Jan Van Goyen werd Ie Leiden geboren in hel jaar 1596. Reeds 
vroegtijdig was hij in de gelegenheid gestehi zich aan zijn lievelings-beziglieid over 
te geven. Van zijn 10'- lot aan zijn 20*^^ jaar was hij ter leering hij drie verschillende 
meesters. Toen kwam in hem de lusl lol reizen. Hij Irok naar Frankrijken bezocht 
ook, naar vermoed wordt, Parijs. Toen hij van dezen zwerftocht terugkwam, ging 
hij, om deugdelijk in de beoefening van landschapschilderen onderlegd te worden, 
voor een paar jaar in óe leer bij Rsayas van de Velde, te Haarlem. Daarna keerde 
hij terug naar Leiden, zette zijn huishouden op in 1618 en begon zelfstandig zijn 
weg te hanen. In 1631 vestigde hij zich in den Haag en stierf daar in 1656. Hoe 
geacht de kunstenaar door zijn collega's ook blijkt geweest Ie zijn, hel publiek 
waardeerde slechts zeer weinig zijn zeldzame gaven. Voor weinige guldens was hij 
genoodzaakt zijn schilderijen van de hand te doen. Slechts één keer c deed hij een 
goeden slag», toen hem voor de som van 650 gulden werd besteld, hel maken van 
een groot gezicht in vogelvlucht op de stad 's Gravenhage (nu nog aanwezig in 
het Stedelijk Museum van die stad). Uil den druk van zijn flnanciêele moeilijk- 
heden trachtte hij zich te ontheffen door speculatie in gebouwen, schilderijen en 
tulpen! Daardoor geraakte hij echter niet uit de kommer; nog minder kon hij 
zich aldus schatten vergaderen. Zijn weduwe was verplicht den boedel en zijn 
nagelaten schilderijen te verkoopen onder bciieficC van inventaris. Ook lang na 
zijn dood werden zijn schilderijen en lallooze leekeningen op slechts geringe 
waarde geschat. (Ook van 't goede kan men te veel hehben). Ecrsl onze tijd 
vermocht tot het inzicht te komen van de werkelijke beteekenis dezer kunst. 

W. S. 




N.B. De nf heeldingen bij dit artikel konden op de TcntoonstoUing speciaal voor dit tijdschrin 
worden opgenomen, dank aan de groote dienstvaardigheitl der inrichters en der eigenaars welke 
welwillendheid hun toestemming en niedehulp verh'enden. De Meeren Frederik Muller i C\ 
Arthur Kay, Ch. L. (Uirdon, Th. Agnew & Sons. Huniphry Wnrd. F. Kieinberger en de Directie van 
het Rijksmuseum zeggen wij hierbij von horte dank. Red. 



72 




••*N VAN GOVES, DIJK Mp-, ,. 



m. 



JONG HOLLANDS HUIS TE BREDA 




[ERLEDEN jaar is op de markt te Breda een JONG HOL- 
betrekkelijk smal winkelhuis ingericht tot LANDS HUIS 
Jong Hollands Huis. Wie, gewaarschuwd door TE BREDA 
't eenvoudig uithangbord langs een klein por- 
taal in 't stemmige expositiezaaltje binnen- 
treedt, ziet op den achtergrond deze spreuk 
geschilderd : « Mooie dingen als vrienden om- 
ringen. » Naam en spreuk, als variant op 
Keats' bekenden aanhef van zijn Endymion, kenmerken dit huis. Het 
werd bedoeld om voortdurend het werk der jongere hollandsche 
nijverheidskunstenaars tentoon te stellen. Verder om aan ieder die 
dat werk bezichtigen wil degelijke inlichtingen te verschafTen, en de 
gelegenheid, om aan de kunstenaars verlangde gebruiksartikelen te 
kunnen opgeven. In V Binnenhuis en de Woning had het streven der 
hollandsche kunstnijverheid reeds geloond hoe goed en noodig het is 
dat de artiesten zich te samen vereenigen om voortdurend zich met 
hun werk tot het publiek te richten. Sciiilders en dichters behoeven 
zich weinig om het publiek te bekommeren. Er buiten kunnen zij wel 
niet, maar kunstkoopers en uitgevers vormen de tusschenpersonen. 
Voor gebruiksartikelen, meubelen, vaatwerk of geweven stoffen zouden 
de steedsche magazijnen en winkels zijn aangewezen. Doch voor de 
sierkunstenaars moest niets afschuwelijker zijn dan hun werk als ver- 
dwaald te zien in de winkelkasten langs de veel-begane straten, en 
tusschen een eindelooze variëteit van leelijke prullen en conventioneel 
doode kunst. Tentoonstellingen duurden eciiter te kort en werden te 
weinig bezocht. Zoo moest de kunstnijverheid komen tot een eigen 
huis, en zóo is ook Jong Hollands Huis bedoeld. 

Wat onderscheidt dit echter van de oudere zusterinstellingen ? En 
met welk recht wordt de aandachtervoor gevraagd? Wie 't nieuw 
leven der hollandsche gebruikskunst met vreugde begroet heeft zal 
natuurlijk hare ontwikkeling met belangstelling blijven volgen. En tot 
die ontwikkeling behoort ook hare uitbreiding van uit de gi'oote steden 
over het verdere land. Is die uitbreiding wel zoo belangrijk? Wat 



73 



Jong hoi.- 
lands huis 

ÏK BREDA 



hekoiniiKTcn zich scliil- 
ders en dichters om hun 
naam in de provincie? De 
fjroole sleden en de onmid- 
dellijke omgeving daarvan 
hevalten de inlellecluêele 
en aethetisclie kringen op 
wier oordeel prijs wordl 
gesteld. Kn IJong Hollands 
Huis staat in Breda, wat 
voor vele Hollanders gelijk 
luidt met : in het Brahant- 
sche zand. Het staat daar 
op de Markt. Deze is niet, 
als veelal in hollandschen 
stedenhouw wordt aange- 
troffen, een groot open 
plein in het centrum, waar- 
op de straten uitloopen als 
beekjes in een meer, en 
dat door enkele monu- 
mentale gebouwden wordl 
heheerscht. De Bredasche 
^h)rkt is meer als een dam 
geworpen in den loop van 
een drietal bijna evenwij- 
dige smalle hoofdstraten, 
een lange, iels breedere 
straat op zichzelf. De wei- 
nig sprekende gevels van 
Raadhuis en Waag, bijna 
willekeurig tusschen de 
andere huizen geplaatst, gaan in de lijnen dier huizen op, en toonen 
geen uitdrukking en karakter. Evenmin doet dit de mooie gothische 
Si. Barbara, die aan het Markleinde met een vervallen en verwaarloosde 
vleugel even Ie voorschijn komt kijken boven den dwang van kleine 
leunend aangebouwde huisjes tusschen en om de steenen beeren. En 
de pronk van het Bredasche stadsprofiel, vooral wanneer dien bij 
avond gezien wordt achter de hooge iepen van hel ingebouwde stads- 
park, het Valkenberg, — de ranke en kantige kerktoren, die zelfs de 
smalle Markt op grootsche wijze zou kunnen beheerschen, rijst op 
in een nauw achlerslraalje. Dit is te gelijk hel beeld van de stad der 
historisch zoo bekende baronie, eng gebouwd en verbergende de 




GEZICHT OP BREDA. 

Naar een penteekening van B. Klikm:. 



74 




JONG HOLLANDS HUIS : Ontvangkamer. 

weinige schoonheden die zij bezit. Na de ontmanteling als vesting JONG HOL- 
ontstonden wel breedere en door boomenrijen vroolijker wijken, LANDS HUIS 
maar deze uitbreiding van de laatste tientallen jaren is als veel in 't j^ BREDA 
moderne leven, oppervlakkig, zonder karakter. Verlevendigd is het 
echte provinciestadje met typische bevolking door den toevloed van 
vreemde bewoners, die aan de buitenzijden door de bosschen en 
Brabantsche natuur zijn aangelokt. 

In zoo'n provinciestad is nog eer dan b. v. in Rotterdam het 
voorbeeld varf 't Amsterdamsche Binnenhuis, zij 't ook op bescheiden 
schaal, nagevolgd. En dat het voorbeeld meer algemeen nagevolgd zal 
worden is toch zeer wenschelijk. Wij hopen daarom dat verschillen- 
den met behulp der reproducties eerst - later misschien door per- 
soonlijk bezoek een kijkje willen nemen van de inrichting en het 
tentoongestelde in 't Jong Hollands Huis. 

De beginselen der nieuwe hollandsche kunstnijverheid ook door 
't Jong Hollands Huis voorgestaan, zijn bekend. Het werk van Onder 
den Sint Maarten^ Arts and Crafls^ Amsielhoek, Willem Brouwer, 
Mendes da Costa, Jan en Nico Eisenloffel, Chris Lebeau, e. a. zullen 
de lezers op bijgaande reproducties herkennen. Dit behoeft voor 
Onze Kunst wel geen verdere bespreking. De inrichting van het huis 
is ontworpen door den directeur B. Klunne met den architect J. J. van 



75 




JAN VAN (iOYKN : VKIUiKZ^CIIT IN (iKLDKHLANO 
(lugeiiaar : de lieer lluinphry Ward, lAttulen) 



VAN GOYKN- 
TENÏOOX- 
STELLIX(i IN 
AMSTERDAM 



dering waren nangetoetst, ze vertoonden zich ook natuurlijk in de 
buitenlucht, en mnakten gezamenlijk den indruk van een woelige 
menigte. Ook hierin beteekent Van Goyen's arbeid de voortzetting van 
Avercamp e. a. ; is hij zelfs Aert van der Neer vooruit, bij diens 
mooie en ijlfijne wintergezicht in het Rijksmuseum, waar echter de 
Üsg*^"8^''s nog al te zeer afzonderlijke vlekken zijn. 

Van Goyens' schilderijen geven voluit het eigenlijke wezen van 
hollandsche streken en het hollandsche landleven, wijl zij de intimiteit 
daarvan bezingen. Toch kunnen we opmerken, dat bij dezen schilder 
met zijn gezonde blijmoedigheid in waarnemen en ongekunsteldheid 
van uitzeggen, de aandoening dieper welde dan uit een burgerlijken 
zin voor het schilderachtige buitenleven. Meer dan eens heeft hij 
blijken gegeven, dat zijn kijk op de dingen zich verheffen kan boven 
de realiteit : tot de visie, die verzinnebeelding van de werkelijkheid 
betracht. De opgewekte verteller over het bekorende van hel vrije 
buiten en die op zoo snedige wijze de tallooze karakterteekenen 
daarvan weet aan te stippen, wordt dan de rustige uitzegger van de 
verrukking, die haar illusie's op de werkelijkheid bouwt. Zijn verras- 
sing bij het zien van een simpel geval, als die twee op eene hoogte 



70 





u 



C/3 



O 
X 

c 

o 



77 



spoediger gelegenheid zal vinden tot bekoring, dan in de rusteloo/e JONG HOL- 
drnkte van het moderne maatschappelijk leven. LANDS HUIS 

Toch schijnt de werkelijkheid van de jongere kunstnijverheid in TE BREDA 
tegenspraak met haar bestemming. Hoe zij ook door kunstenaars is 
bedoeld, en hoe in hun werk de vormen daarvan spreken, in de 
bestaande toestanden is zij een luxe. Het rijke koopkrachtige publiek, 
verwend door grillige mode, ziet er vaak met verfijnden smaak een 
gewenschte afwisseling in. En voor velen, die naar denk- en leefwijze 
van het rustig schoon zouden kunnen genieten, is het onbereikbaar. 
Dit weet de scheppende kunstenaar zelf heel goed. Ook moet hij zich 
dikwijls afvragen of niet de geheele maatschappelijke ontwikkeling 
ingaat tegen zijn streven ; of niet de geregelde overgang van het klein 
bedrijf en van het ambacht in een groot-industrie die slechts massa- 
producten voortbrengt, de hoop dat zijn beginselen tot heel het volk 
zal doordringen ijdel maakt. 

Is dan niet de nieuwere kunstnijverheid, gebouwd op een her- 
leefd kunstambacht, veroordeeld omdat de bedoeling verduisterd 
wordt door de feiten. Allereerst daar haar eenvoud begeerd wordt 
door weelderig gezinden, dan ook omdat zij toch nooit tot het volk zal 
doordringen. De moderne groot-industrie blijkt in staat door haar 
massaproducten, die zij tegen ongelooflijk lage prijzen en tot bijna 
over de geheele wereld te koop aanbiedt, voor de menigten een 
gebruiksgenot te scheppen dat zij vóórdien niet kenden. Wel is waar 
wordt zij daarbij beheerscht door de zucht naar geldverdienste en kan 
zij het slechts bereiken door een leger loonarbeiders bij scherp door- 
gevoerde arbeidsverdeeling en machinegebruik in den ban van een 
eentonige dagtaak te slaan, maar zij geeft iels. De kunstnijverheid, 
hoe ook geleid door de illusie schoonheid te doen ontbloeien uit en 
te doen schijnen in — het dagelijksch leven, houdt den grooten 
menigten slechts het onbereikbare vóór. 

In dit betoog liggen ernstige en moeilijk te weerleggen bezwaren 
tegen het streven der sierkunstenaars. Doch daartegenover staat dat 
het leelijke en banale in de producten der gioot-industrie alle grenzen 
heeft overschreden. Het scheppen van behoeften door kunstmatige 
verlokking en lage prijzen, en daarbij het schreeuwend onlogische om 
bij hooge ontwikkeling van techniek steeds slechter producten te 
vervaardigen n.1. slecht door ondeugdelijk materiaal en onpractische 
vormen — heeft een punt bereikt dat een omkeer noodzakelijk maakt. 

Goed, degelijk werk, doelmatig en met eenvoudige begrijpelijke 
versiering, schoon door geest, ijver en toewijding van den vervaardi- 
ger, is een blijvende eisch door geen grillige tijdgeest en monsterach- 
tige groeionlwikkeling der maatschappij tegen te houden. Zooals elke 
gang door een winkelstraat ons hiervan kan overtuigen, en weerzin 



79 



JONG HOL- 
LANDS HUIS 
TE BREDA 



wekt tegen al den nutleloozen arbeid besteed aan 'i vervaardigen van 
den inhoud der opeenvolgende vitrines, zoo brengt ons echter ook hel 
werk der sierkunstenaars in de ontmoedigende stemming dat hel 
onbereikbaar is, voor wien het zoo'n blije troost zou kunnen zijn. hi 
dat werk voel ik niet alleen door mijn eigen gedachten erover, maar 
ook in de werkelijke vormen die tegenspraak. Het is goed, rustig en 
mooi. Het stelt al de aanmatigende doode vormen van vroegere kunsl- 
tijdperken volkomen terzij, en wordt daardoor tot een genot. Doch 
zooal niet hier en daar een grillige lijn of vlak hindert, alsof de ont- 
werper te gauw vrede nam bij zijn zoeken, door meer of minder 
fantastische losbandigheid, dan ontstaat weleens onbevredigdheid 
door te groote soberheid van kleur of vlak, herinnerend aan een 
armoe van uitbeelding die te gauw berustte. Daartusschen in, liefsl 
naar de kant van het sobere, ligt de richting ter ontwikkeling. Maai 
wat zich bijzijden bevindt en toch te samen in de eenheid van nieuwer 
streven geslagen is geeft den onbehagelijken indruk die elke innerlijke 
tegenstrijdigheid wekt,. ook reeds wanneer deze nog niet blootgelegd is. 

Doch de tegenspraken zóó in de bestemming als in het werk der 
nieuwere sierkunst worden verklaard door haar jeugd. Elk beginnend 
leven heefl nog de onzekerheid van waar het heen wil en van waar hel 
door het lot heen zal moeten. Juist daarin en daardoor toont zich 
echter een krachtig zoeken. En in alle historische tijdperken vóór dal 
zich stijlen en scholen ontwikkelden, verleende dit aan de kunst- 
producten een zeer bijzonder schoon. Dikwijls is het niet minder, 
ofschoon van geheel anderen aard, dan de schoonheid eener voltooide 
kunstuiting. Het is meer onbeholpen, minder afgemaakt, met spreken- 
der fouten, maar ook met de evensprekende deugd om meer tot uilin«{ 
te brengen, dat, wat ten slotte alle kunst haar volle waarde geeft, de 
ziel van den scheppenden kunstenaar, van den warm en hoog leven- 
den schoonheids zoeker. 

Dat de kunstnijverheid staat tusschen de machtige industrie-ont- 
wikkeling, en de pogingen om het nadeel daarvan op de vakbekwaani- 
heden der loonarbeiders op te heffen door veredeling van hel ambacht, 
en dat zij vervaardigd door kunstenaai^, warmgevoelend voor een 
ruimere volkseenheid buiten standsbegrippen, plaats gaat vragen in 
de woningen der rijksten, leiders van liandel en nijverheid, maakt 
haar tot een bijzonder toekomstzaad. 

Slecht zal het nog opbloeien in den grond, waarin hel toch 
gedwongen is wortel te schieten. Sleclils de rijken kunnen de sier- 
kunstenaars in de gelegenheid stellen overal te zoeken en van allerlei 
te beproeven. Doch in dien grond put zich haar ontwikkeling uit door 
gebrek aan voedsel, en vertoont grillige abnormaliteiten. Zaden kun- 
nen zich echter altijd verplaatsen. Allerlei winden dragen ze, beekjes 



80 




JONG HOLLANDS HUIS: Spreekkamer. 

en rivieren voeren ze mee, doen ze stranden aan de oevers, en tallooze JONG HOL- 
insekten brengen ze over. Tot eens het zaad den vruchtbaren grond LANDS HUIS 
gevonden zal hebben de voeding bevattend, die het noodig heeft om TE BREDA 
zich dan in breedprachtigen bloei rijkeHjk te vermenigvuldigen. 

Zoo lost elke ontwikkeling en voortbouw van het leven de inner- 
lijke tegenstrijdigheden zelf op. Wanneer er eerst voldoende kracht is 
om het leven te behouden en — zij het tol beperkte — bloemendracht 
te brengen, moet de toekomst rustig worden afgewacht. Rustig in zoo 
ver er geen plaats mag zijn voor wantrouwen en moedeloosheid. 
Daarentegen echter krachtig en levenslustig om het beginsel der 
nieuwe kunst verder te ontwikkelen binnen hare eigenschappen. 

Daartoe is noodig dat de sierkunst zich overal en zoo goed en 
zuiver mogelijk vertoont. Het beteekent niet meer maar ook niet 
minder dan zich zelf te zijn, vrij van schijn zoowel die zich van 't ver- 
leden uit over haar wil werpen, als die uit de toekomst naar haar toe- 
straalt. Zij is en kan geen andere zijn dan een kunst van dezen tijd. 
Het koopkrachtige publiek blijkt uit grilligheid of door de warme be- 
koring die van het werk uitgaat, den modernen sierkunstenaar aan- 
vaard te hebben, hoe ook zijn denkbeelden over 't wezen zijner kunst 
waren. Zoo moet de artiest ook het feit aanvaarden dat hij nog niet 
voor het breede volk doch voor de « bovenste tienduizend y> arbeidt. 
De arbeid zelf moet eri kan voor hem voldoende zijn ; kunst tot bloei 
brengen, mits zuiver en met de volle verantwoordelijkheid die elke 



XI 



81 



JONG HOL- 
LANDS HUIS 
TE BREDA 




B. KLLNNK : Kikenhouten Klokje. 



schoonheid vergl, is de moeiUjke en 
heerlijke laak. De lijd zal het resul- 
laat daarvan tol de volle v^'aarde bren- 
gen, die zij innerlijk bevat. Hoe dil 
gaan zal kunnen wij, en kan de kuns- 
tenaar zelf niet weten, al is het moge- 
lijk zich een beeld daarvan te ont-wer- 
pen. Want vertoont zich de sierkunsl 
in steeds breederen kring, verovert zij 
zich de opdracht om de huizen der 
rijken in Ie richten, en onderwerpt zij 
hun gril en smaak aan haar gezag, dan 
dringt dit noodzakelijk van boven af 
tot naar beneden door. 

Al wat hel groote publiek in klee- 
ding en woningversiering van de 
massaproductie der industrie vraagt, 
berustte op het streven van uiterlijke 
gelijkheid, op de nabootsing van de 
meerderen in materieel bezit door de 
minderen. Elke mode, die de heele 
beschaafde wereld beheerscht, wordt door enkelen uit de high-life 
aangegeven, en dan door de menigten nagevolgd. Hoewel daarom 
juist die mode en voortdurende afwisseling doodend zijn voor zuiver- 
heid van smaak, kan het langzaam aan ontstaan van meerdere rust en 
gelijkmatigheid, die reeds waarborg is voor vermijding van het leelijke, 
slechts in de toongevende kringen beginnen. Eischt dan ten slotte hel 
publiek dat, wat aan de moderne versieringskunst ten grondslag moet 
liggen n. 1. goed en degelijk werk, dan kan de vèr-ontwikkelde tech- 
niek van het menschelijk kunnen misschien eens van vloek die zij nu 
is, worden lot de werkelijke zegen, die zij kan en behoort te zijn. 

De berekenende geest die de schoonheid vergat in zijn vlucht, 
en daarom doodend dor werd voor elke levensblijheid, kan door die 
schoonheid veredeld meer bereiken, dan ooit een tijdperk uit de 
menschelijke geschiedenis te zien heeft gegeven. Kweeken wij daarom 
te midden van allerlei tegenstrijdigheden en moeiten het zaad dier 
schoonheid aan. En dit zaad is de ernstige wil van de kunstenaars om 
het schoone te willen en te zoeken, ondanks en door alles. 

Dergelijke toekomstvisies slaan buiten verband bijna met de be- 
scheiden poging, die in Breda is gewaagd bij de stichting van H Jong 
Hollands Huis. 

In de provinciestad is hel een pionier voorde nieuwere beginselen, 
die het zuiver wil vertegenwoordigen. Met nieuwsgierigheid begonnen, 



82 





E 

es 



m 

CA 

Q 
Zi 

< 

o 

Ü 

o 



83 



kijkt het publiek eerst vreemd naar de ongewone uilstalling en inkijk JONG HOL- 
door de ramen. Doch het blijft kijken en gewent zich aan voorwerpen LANDS HUIS 
en vormen die het daar ziet. Dit moet leiden tot vergelijking met wat TE BREDA 
zij elders zagen en meenden mooi te vinden. Langzamerhand moet 
hen wel opschik en bonte kleur gaan tegenstaan bij de eenvoud en 
kleurdistinctie vergeleken die zij in 't Jong Hollands Huis zien. 

Moeilijker is de taak om het vol te houden in Breda dan elders 
in de groote steden. Niet alleen omdat de aandrang van het publiek 
om met zijn eischen de bedoelingen der artiesten te verdringen grooter 
is, maar ook omdat uit den aard der zaak het voor de leiders der 
inrichting zelf moeilijk is hun eigen werk tot ontwikkeling te brengen, 
waar zij dat van anderen met rijper ervaring en meer bewuste richting 
te gelijk propageeren. Doch te meer is het hun pHcht zuiver vast te 
houden aan de beginselen en steeds meer zich daarvan te doordringen. 
Doelmatigheid, uitstekend materiaal, zuiver doordachte constructie en 
geen versiering dan die uit den aard van voorwerp en grondstof voort- 
komt, blijven eischen die steeds herhaald moeten worden. Mits deze 
bedoeling in al het werk duidelijk uitgesproken blijft, moet het voor 
ieder begrijpelijk zijn dat soms aangepast moet worden aan bestaande 
toestanden. Zoo was het reeds onmiddeUijk bij de oprichting van het 
Jong Hollands Huis. Want winkel en woning, die in huur werden 
genomen, mochten en konden niet al te veel veranderd worden. 
Behalve een bureau en teekenkamer zijn daarin een expositiezaaltje 
met achteraf een hoekje als ontvangplaats. 

Boven zijn twee modelkamers ingericht, waartusschen zich een 
portaal bevindt, dat nog voor het toonen van enkele meubelen dienst 
doet. Lage verdieping, slechte verlichting, onregelmatige verdeelingen 
leverden moeilijkheden op, die gekend moet zijnen voor een rechtvaar- 
dig oordeel over 't werk der heeren Klunne en Van Dongen. Vooral 
treft de goede keuze der kleuren, die overal stemmigheid en distinctie 
geven. Het expositiezaaltje, met geel en bruine mat, grijs gobelin- 
linnen wand, greenen betimmering, en dof grijzen bankbekleeding, is 
vroolijk en licht. De salon met licht-groen en terracotta, geschikt voor 
meer fijne meubelen, dan het blauw met geel fries en donkerder terra- 
cotta kleed voor de eetkamer. 

De klok van 't expositiezaaltje, in de betimmering opgelost, — 
hoezeer ook strijdig met het voelen daarvan als een afzonderlijk 
levende gezel in de kamer — maakt op de fotografie een onaangena- 
mer indruk dan werkelijk, daar ermee het achtervlak wordt afge- 
wisseld door een goed aangebrachte opening — en de ontwerper aan 
de afmetingen van den achterwand was gebonden. Twee meubelen, 
een stoel en bank, ontworpen den heer Klunne, beide zichtbaar in de 
fotografie van de eetkamer, vertoonen sprekende fouten — de onge- 



85 



JONG HOL- nioliveerde gebeeldhouwde aehterplank was onnoodig voor hel op- 
LANDS HUIS nemen van zoo'n zware stoel — en de groote spieën geUjken meer op 
TE BREDA vhiehtig lininierinanswerk dan dat van den precieseren meubelmaker. 

— Zoo is ook de gouden ring naar zijn ontwerp door Zwollo gedreven 
met seherpere punten dan wel doelmatig sehijnt. De parapluiestander 
van Van Dongen herinnert te veel aan eonventioneele modellen, hoe 
ook verder degelijk en eenvoudig geeonstrueerd. Het klokje is frisch 
van kleur met goed aangebraehte diermotieven op de hoeken, maar 
wat zwaar voor de afmetingen, en te ver vooruitspringend voor de 
lengte. Doeh duidelijk is hun bedoeling bij alles om naar aard van 't 
materiaal en de bestemming van het voorwerp hun ontwerp te richten, 
vrij van alle doode kunstvormen. In en door hen werkt het beginsel 
der jongere kunstnijverheid ook voor Breda voort. 

De wereld kent in de li)***' en 'iO"**" eeuw wel snelle wisseHngen 
vergeleken bij vroeger, doeh voor 't oog der toeschouwers gaat toch 
elke krachtige en degelijke ontwikkeling langzaam en geleidelijk. 

Wie dat gelooven en hopen zullen ook zeker belang stellen in de 
Breda'sche poging, haar toejuichen en succes toewenschen als de 
schrijver doet, die het hiermee bij de lezers van Onze Kunst heefl in- 
geleid. 

nreda, Juli lim. Is. F. DE VoOYS. 




86 




KlXJNSTBERICHTEN corresm)nde™ 



UIT PARIJS 




IKNTOONSTELLING 
VAN PERZISCHK 
KUNST TE PARIJS > 
(DE WATERVERF- 
MINIATUREN VAN 
DEN HEER L.GONSE) 
>c^ Naast een nogal 
erge onverschilligheid van de zijde van 
het groote publiek staat voor deze ten- 
toonstelling een bewonderende over- 
gave van den kant der ernstige kunst- 
vrienden. Men is verrukt, en men is 
verbaasd. Hoeveel waren er toch, die 
van Perzische kunst wat wisten? Hoe- 
veel waren er vooral, die haar miniatu- 
ren kenden? En nu : t wat een rijkdom !» 
roept men uit, u welk een gratie, welk 
een techniek ! » 

Toch waren voor de ouderen onder 
de vaste museum-loopers deze kunst- 
uitingen niet vreemd. Reeds tweemaal 
immers stonden er te Parijs van ten 
toon : het eerst in 78 en laatstelijk in 
'93. Maar het jongere geslacht weet daar 
niet van. 

Wat de miniaturen betreft is vooral 
één collectie van belang, die van den 
heer L. Gonse. Zijn exemplaren stam- 
men haast uitsluitend uit de 16i'« en ITf**? 
eeuw; wat daarna komt is trouwens 
van minder waarde; niettemin dikwijls 
genoeg, evenals de vroèg-Pcrzische 
kunst, historisch interessant. Deze laat- 
ste toch vertoont de nauwste samen- 
hang met de primitief-christelijke ver- 
luchtingen, terwijl de IS***-' eeuwsche 
minialuur de in 't koddige vcrloopende 
rcminiscensen draagt van den Pómpa- 
dour-tijd en van Duitsche villa's! 

Maar om en bij de zestiende eeuw 
ligt de bloeitijd. Perzié kent dan twee 



« scholen ». De eene de zoogenaamd 
Perzisch-Arabische, die sterk onder 
invloed slaat van Chineesche en Japan- 
schc artiesten, de andere Indisch-Per- 
zich genoemd en een waardig leerling 
van onze groote primitieven in Vlaan 
derenland. 

Hoe komt Perzié met Vlaan<leren in 
verkeer? 

Als wij aan de kruistochten denken 
en aan de Arabieren, die tot in Zuid- 
Frankrijk hun sporen lieten, en wc 
weten daarbij, dat het Kalifaat een groot 
beschermer was van de Perzische schil- 
ders, die medegevoerd werden on de 
zegetochten van den Islam, dan is het 
eene land al nader aan het andere. We 
weten ook wel, dat de Indo-Pcrzen de 
Grieksch-Romeinsche beschaving leer- 
den kennen, ja dat hun naam zelfs wijst 
op een bizondere beïnvloeding door de 
Indische kunst, maar in hun schoonste 
werken predomineeren toch zonder 
eenigen twijfel onze oude Vlamingen. 

Dit doen zij het volledigst in één 
schilderij, het portret van een Indischen 
rajah. Daarbij dringt zich door een zeld- 
zaam precieuse uitvoerigheid en door 
distinctie van lijn en kleur de naam aan 
ons op van niemand minder dan den 
grooten van Eyck. 

Wij zullen straks zien waarom de 
Pers toch, als geheele verschijning, ver 
beneden den man blijft, waarmee wij 
hem vergeleken, maar voor zoover hij 
met hem vergeleken wil worden, komt 
hij niet erg in de minderheid. 

Zie de uitvoerige... soberheid, de adel 
van den zetel reeds, die den rajah draagt, 
't Lijkt alles louter latwerk,— maar welk 
een verhoudingen, welk een noblesse ! 

De man zelf zit in voorname gerust- 
heid, de gepantolfelde voeten deftig 



KUNST- 
BERICHTKN 
UIT PARIJS 



87 



KUNST. 

berichti:n 

UIT PARIJS 



nnasl elkaar op de trede van den zetel. 
Hij is dun gekleed in een wit katoen 
met rood-en-groene bloemeljes en heeft 
in zijn linkerhand een lang zwaard. Met 
zijn vrije rechter houdt hij zichzelven 
een bloem toe, een ranke narcis. En het 
nobele hoofd, waarop een zachlkarmo- 
zijnen doek wordt vastgehouden door 
sierlijke banden, staat zóó wel op dep 
tengeren romp, de in groen-roze ver- 
vloeiende groenachtige lucht op den 
achtergrond, het witte doodeenvoudige 
maar allerliefste hekwerk, de bloemen- 
tuin daarachter en het witte terras 
waarop hij zit, alles is zoozeer in har- 
monie met den Oosterschen aristocraat, 
die zich daar deftiglijk laat portrettee- 
rcn, dat u een zucht van bewondering 
ontsnapt, en ge de gelijkwaardigheid 
met menig Vlaming uit den goeden tijd 
gaarne toegeeft. 

En wat u bovendien verrast in dit 
schihlerij is de aanwezigheid van atmos- 
feer, üat im treft men bij de Perzen zel- 
den. En 't is dan ook de reden, dat de 
Parijsche critici, arme slaven der Bou- 
levard-bladen, gewend aan de technisch 
knappe 5a/o/i-stukken, nauwelijks een 
goed woord hebben over gehad voor 
deze échte kunstuitingen, of geklaagd 
hebben over « gebrek aan perspectief. » 

Behalve dit reeds genoemde schilderij 
is er echter nog een, dat deze menschen 
heet jokken. 

't Is een nogal groot stuk. Aan den 
oever van een water zitten twee vrou- 
wen te rooken uit een Turksche pijp, 
aan de overzij speelt er een op een soort 
guitaar, en een vierde is bezig door den 
s'room te waden. De figuurtjes zelf, het 
gras en de hard-groene hoornen zijn wel 
inieressant, hebben echter minder 
waarde dan veel ander werk uit deze 
collectie. Maar het verschiet kon van de 
hand zijn onzer beste aquarellisten. 
Daar is een wijking in en een atmosfeer! 
— de boompjes die er trillen in de zon, 
het blikkerende water, alles is gehou- 
den in een transparanten toon van 
blauw en lichtgroen, die van een zeld- 
zame vaardigheid getuigt. Deze schilders 
stammen trouwens direct af van de 
Koran-verluchters, van calligraphcn 
dus, en missen daarom, gelijk de eerste 
Vlamingen in den beginne, alle zin voor 
« verschiet » en voor de natuur anders 



dan als bijwerk. Er moet nog steeds 
« iets gezegd worden *, de beweging is 
nog alles. 

Wat in deze richting te bereiken is 
viert hoogtij in een portret van onna- 
volgbare gratie, een prins voorstellend 
te paard. Het paard is naar evenredig- 
heid te groot, en de schilder bereikt 
daarmee het dubbele effect van hel ver- 
tengeren der vorstelijke gestalte en te- 
vens van het bovennatuurlijk worden 
der majesteit. 

Dit kunstwerk van Indischen oor- 
sprong en geteekend door Miyan Sebel, 
een schilder van de vijftiende eeuw, is 
het zuiverste uit de collectie en een ge- 
tuigenis van diep sentiment. 

Op een fond van zilver komt de 
schimmel uit, welks enkels rood ge- 
verfd zijn, en dien de jonge ruiter, in 
licht-rood plooien-kleed stijf gehuld, 
aan gele loomen bestuurt. 

liet schoone steekt hem ook hier 
vooral in het gebaar : een gebaar van 
zeldzame zekerheid, verheven en ge- 
streng, en toch mild en daadloos. 

En het coloriet met zijn opgelegd roze 
en prachtig zilver is het voortbrengsel 
van een rijpen smaak. 

De beweging, het gebaar domineert 
ook in de grisailles, wier uitvoering 
onder Chineeschen invloed staat, die 
dus behooren tot de zoogenaamde Per- 
sisch-Arabische richting. 

Mooi is vooreerst een jonge prinses 
tegen een boom aangehurkt in een en- 
tourage, rustig en toch vol leven — met 
een gratie van gebaar, die, de geeste- 
lijke overpeinzing gevend, toch mede de 
uitdrukking is van een verfijnde zinne- 
lijkheid. Terwijl de Chineesche invloed 
niet valt te miskennen I De schuine stand 
toch der langwerpige oogen, de tech- 
niek der teekening, alles roept het u 
toe. 

Hetzelfde is het geval met een ander 
• grauwtje»», eene vrouw voorstellend 
die wandelt. 

Aan haar eene gracieus gebogen arm 
houdt zij een vierkant bloempotje, in 
haar opgeheven andere twee crocussen. 
Haar wangen zijn zacht-rood, haar 
even-Mongoolsche hoofd is omwonden 
met een gouden doek en een losse sjerp 
deint mee met de onuitspreekbaar Uete- 
lijke gang van haar slanke lichaam. De 



88 




INDISCHE RAJAH; Perzische Miniatuur. 
{Verzameling van den lieer L. Gonse, Parijs). 



omgevende dingen, rotsen, planten en 
een boom met groote decoratieve bla- 
ren, ze zijn mee in beweging, men weet 
niet hoe, maar men ziel het voor zijn 
oogen : dezen schilder is de beweging 
weer alles geweest, hel is niet de mate- 
rie, die bij hem domineerl. 

De geestelijke bedoeling, de bewe- 
ging, het gebaar, — wanneer het Irach- 
len dédrnaar de Perzen verbindt aan de 
Oude Vlamingen, scheidt hen iets an- 



ders : namelijk de onderwerpen hunner 
schilderijen. 

Terwijl de Primitieven ongeveer uil- 
sluitend uiting trachten te geven aan 
hun religieuse sentimenten, zien wij 
hier bij de Perzen een analoog procédé 
voor vaak tegenovergestelde voelingen. 

Immers hel zijn gedurig de gewoon- 
menschelijke ontroeringen, en dan in 
't bizonder de zinnelijke, welke zij af- 
beelden. Hier een prinses droomend 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT PARIJS 



XII 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT PARIJS 



over haar lief, ginds een rijkaard Irolsch 
als een pauw, die bekijks heefl, daar 
weer de verheerlijking van den bruids- 
nacht of hel enkel conlerfeilen van een 
favorile mei haar slavinnen. Moge 
de opsomming dezer oiiderweq>en op 
zichzell al niet voldoei.de wezen om de 
UIT ROTTERDAM reeils aangeduiile mindere waardij der 
Perzen len opzichle van een Van Kyck 
bijvoorbeeld Ie willen slaven, door haar 
heefl de lezer loch wel reeils een 
voorvoelen van hel lagere niveau, dal 
men bij aaiischouwing-mel-eigen-oogen 
koml Ie conslaleeren. 

Inderdaad, we zijn hier nog wèl verre 
van ilie groiïlsche verbinding van natu- 
ralisme en geloof, door Van Kyck tot 
uiting gebracht; hier hebben wij de 
diepte niet en hel triumpheerende 
soms van Memlinc; i\cn hartstocht mis- 
sen wij van Roger van der Weyden. 
Alles Ie zamen genomen w ij zijn op een 
lager plateau. 

Wal nood, als men er overgelukkige 
uren heefl doorleefd ? Als men den heer- 
lijken wind door zich heen heefl gevoeld 
van een onbekende beschaving? 

Want wij moeten ook niet vergelen, 
dal ondanks allen invloed van buiten 
de Perzische Miniatuur een eigen cachet 
heefl, een cachet van verfijnde prinse- 
lijkheid, waar de mollige tapijten bij 
hoorcn en de olieën en reukwerken. 

Laten wij lol karakteriseering nog 
één schilderij zien, een zeer bekoorlijk! 

In een gebouw van Moorschen stijl, 
op kostbare tapijten, loopt met beide 
armen sleunend op haar slavinnen, die 
donker van huidkleur zijn en rijk ge- 
tooid, een droevige jonge prinses. Moei- 
lijk beweegt zij zich in haar slijve broek 
van rood-doorwerkt goudbrocaat, en 
haar lange blanke armen, die ze haar 
dienaressen op de schouders legt, liggen 
in een sierlijke lijn van loomheid en 
rijkdom. Zij schijnt de rechtsche vrouw 
een vaag antwoord te geven op een be- 
langstellende vraag. En toch is meteen 
in haar blik de zoele dank even te lezen, 
van wie met zijn lusteloosheid coquel- 
teerend deze opgenomen ziel voor 
diepen ernst. 

Hier is de Pers in zijn element, dit is 
voor hem een onderwerp van nooit 
slinkende bekoring. Wel kent hij het 
groole van Majesteit, zooals in dien 




Prins Ie paard, maar zijn durender 
poëzie is hel Serail loch, de zinnelijke 
ver\oering, de Peri. 

H. WiESSING. 

'S^'S^S^S^S^S^ s^ s^ ^ s^ 

UIT ROTTERDAM ^^^= 

lUNSTZAAL OLDEN- 
ZEEL > TENTOON- 
STELLING VAN 
WERKEN DOOR 
WILLY SLUYTER > 
MAAND JUNI A»^ 
Deze handige pastel- 
list bezit al de eigenchappen van een 
goed reporter. Een oog, scherp, als een 
snel-werkende lens. dal onmiddellijk 
hel typische pakt en een vaste hand, 
die het waargenomene in scherpe lijnen 
vastlegt, zonder dal er iels verloren 
gaal. Zijn portretten van Kalwijksche 
visschersen visschers vrouwen zijn ver- 
rew^eg hel beste werk van de heele ten- 
toonstelling. Hij ff interviewt • zijn 
menschen, als hel ware. Wal er l>T)isch 
is aan zoo^n oud wijQe, haar rimpels 
en plooien, de opslag van haar guitige 
of straffe oogen, hel mummelen van 
haar landeloozen mond, wal er knus is 
aan haar wille muts en bril en schou- 
dermantel, dal brengt hij getrouwelijk 
over. En zonder dal zijn portretten 
fotografieën worden. Al deze koppen 
hebben karakter, — zij zijn met leuken, 
goedharligen humor gezien en vluchtig 
maar raak getypeerd. Men kent ze ter- 
stond. Krijn (N" 8), het wijfje met de 
heldere oogjes achter de brilleglazen, 
hel tanige vel strak geplooid over de 
scherpgeleekende kaken, — dispulecr- 
lustig oudje, dat voor geen katechizeer- 
meester uit den weg gaat; Antje (N*»20), 
een mooie, oude kop, nog kleurig van 
huid, met fijnen neus en fraai-gebogen 
wenkbrauwen, — in haar jeugd de 
1 belle » van het dorp; een derde, oolij- 
ke, dikke koffijlanle, wier geweldig 
lichaam schudden moet van lachen, als 
zij haar vervaarlijke, grove geeslighe- 
den loslaat.' — Enkele zijn wal dieper, 
wal minder humoristisch gezien; — de 
oude visscher Jacob Kulk b. v. mei zijn 
strakke oogen in den onverstoorbaren, 
als in hout gesneden kop, — een gezicht, 
dal den beschouwer niet gemakkelijk 
loslaat. 



90 




PRINS TE PAARD; Perzische Miniatuur. 
(Verzameling uan den Heer L. Gonse, Parijs). 




91 



KUNST- 
BERICHTEN 
L'ITHOTTKRDAM 



Als Sluiter zich nu mnarliield bij deze 
dingen, die hij zeker kèn ! En als hij het 
pastel, dat hij met zoo aangenaam ge- 
mak hanteert, maar niet liet liggen voor 
de V bAtons HalTaêlli » ! Vergelijk me de 
luchtige brosse slof van het krijt eens 
met de dikke, vette laag, die dat nieuwe 
produkt geeft, en vooral als de verf be- 
sterven gaat. En zoo zien verscheidene 
van Sluiter's schilderijen in olieverf er 
misschien erger uit, dan ze inderdaad 
zijn. De drie Katwijksche meiden b. v. 
{Windj No 14) zijn heel aardig gezien. 
Het zal, toen hel versch was, zeer pre- 
sentabel geweest zijn. Maar nu hel in- 
geslagen is, wal een kleuren, wat een 
dóode verf koek ! 

Doch afgezien van de materie, — de 
meeste van die groote dingen doen hel 
toch niet. Die visschersmeisjes op-haar- 
zondagsch (N" 1), hoe gladjes zijn die 
koppen opgelikt! En haar schouder- 
mantels, hier ter afwisseling met den 
borstel gedaan, staan toch ook stijf van 
de verf! 

De landschappen zijn niet onaardig, 
maar het effect van hel roode avond- 
zonnetje, dat de hoornen kantlicht, gaat 
op den duur wel wat vervelen. Hel lijkt 
ook machtig veel op dat van de v uur- 
scènes. Die groote doeken laten bijna 
alle den indruk van iets gemaakts. 

Liever zie ik zijn — wel heel vluch- 
tige — krabbels van boulevard- en 
renbaan-scènes, waar de scherpe no- 
teerder van het even-geziene weer voor 
den dag komt. Zijn humor ziet deze 
mondainelieden natuurlijk schamperder 
dan het brave visschersvolkjeen zonder 
goedhartigheid wordt humor sarcasme. 
Zoo naderen deze teekeningen soms de 
karikatuur. 

R.J. 

^^^^^^^^^^ 

KUNSTZAAL OLDENZEEL > MAAND 
JULI >c^ Hart Nibbrig. Wal de poin- 
tillage het eigenaardigst vermag uit te 
drukken, is het trillen van de atmosfeer 
voor vlakverlichte voorwerpen. Hoe 
grooter het volumen lucht tusschen het 
oog van den waarnemer en de lichamen, 
hoe meer deze dus hun sloffelijk karak- 
ter verliezen en zich voordoen als louter 
kleurvlakken, hoe beter het procédé 
tot zijn recht komt. Omdat het zich 



voornamelijk eigent tot de weergave 
van het onstoffelijke licht. 

Zoo wordt de keus der onderwerpen 
noodzakelijk beperkt, of — wal op het- 
zelfde neerkomt - zoodra hel licht niel 
meer ongebroken van een wolkloozen 
hemel valt, kan de arlist zijn procédé 
niet meer volhouden. Nemen wij b. v. 
Hart Nibbrig's groote schilderij Engh en 
Meent. Een vlak-verlichl panorama, 
even-glooiende akkers, waarvan de 
effen kleurvlakken in rechtomlijnde 
vierhoeken en gerekte ruiten legen 
elkander staan, een land cis een wijd- 
gespreid tapijt, zonder te veel acciden- 
ten, met een oneindig-hoogen hemel 
erboven. Dit en dergelijke onderwerpen 
slagen het best. Dat is wel de heer- 
schappij van de van daverend licht ver- 
zadigde atmosfeer over hel eindeloos- 
wijde laagland. 

In sommige dingen is het begrip s///e/ 
zoo goed als verloren. De stoffelijke 
voorwerpen als zoodanig zijn verdwe- 
nen; men wordt hun bestaan slechts 
gewaar aan de kleur, die zij aan de 
atmosfeer meedeelen. Tusschen hel 
groene Hcht van het land en hel blauwe 
van de lucht, een paars-blauwe strook, 
die de zee is, ziedaar een gezicht van 
de Terschellingsche duinen. Een pijn- 
lijk-nauwgezette, technisch zeer Ie 
waardeeren wedergave van een ge- 
zichtsindruk, een projeclie-op-doek 
van een zenuwaandoening. Maar vol- 
komen mechanisch! Van al wal naar 
opvatting zweemt, blijft zoo'n studietje 
ver. 

Tegenover zijn rijkkleurige en fijn- 
geschakeerde lichten zijn de schaduwen 
opvallend oppervlakkig gezien. Dal is 
er nog niet geheel ! De kleuroplossing 
in de formule blauw-rood is te eenvou- 
dig en te veel doorgevoerd. 

Er is b. v. een dorpsgezicht, een kijk 
van onder zwaarschaduwende plein- 
boomen op den hei-verlichten kalkrauur 
van een kerkje. Dat muurlje is goed 
gegeven : éen en al licht en toch vasl 
van stof, maar de groote slagschaduw 
heeft niets te zeggen. Het blijven roode 
en blauwe confetti, die hoogstens de 
wemeling, maar niel de compaclheid 
van de schaduw uitdrukken Om van de 
kleur maar niet te spreken. 

In het bar-zonnige Slille wegje zijn de 



92 



schaduwen zeker van een warme linte- 
ling, — maar de nerveuse aandoening, 
teweeg gebracht door de contrastwer- 
king van de roode en blauwe stipjes 
kan men toch eigenlijk niet met een 
kleur-indruk gelijkstellen! 

Het schijnt wel of de pointiilage over 
het geheel den kleurenzin wat vervlakt. 
De grootere gevoeligheid voor de licht- 
kracht in de kleur, brengt die een min- 
der levendig gevoel voor het eigenlijk- 
coloristisch element mee? Het onge- 
broken licht geeft ook niet de fijnste 
toonschakeeringen . 

Die fijnere kleurstemmingen vindt 
men in de niet gepointilleerde Oclober- 
dag en Straatje in Vlieland, Er is stille 
onder de lage boomen van het laatste ; 
de dag is hoog en blank, de kleuren 
hebben haar volmaakte rust en tintelen 
niet. Kr zijn heel mooie kwaliteiten in 
dit werkje, van stemming en van atmos- 
feer. 

Ook de beide portretten zijn zeer 
waardeerbare dingen. Hel is wel op- 
merkelijk, dat in den laatsten tijd de 
landschapsachtergrond weer meer het 
vlakke kleurenfond gaat vervangen. Is 
dit alleen navolging van het middel- 
ecuwsche portret? Zelfs indien dat zoo 
was, is het niet waar, dat ook navol- 
ging haar oorzaken heeft? 

R.J. 



S^S^S^S^^^^^S^S^S^S^ VARIA 



VARIA 



VOOR HUBERT EN JAN VAN EYCK ! 
>c^^ In verband met den oproep van 
Dr. Laban, in oiis Mei-nummer onder 
dezen titel overgenomen, is het ons 
thans een genoegen onze lezers te kun- 
nen mededeelen, dat door de bekende 
Pholographische Gesellscha/l van Berlijn, 
op dit oogenblik een totaalopname van 
het meesterwerk der van Eycken wordt 
voorbereid. 

We achten het onzen plicht hier in 
de eerste plaats de Kerkfabriek van 
St. Bavo hulde te brengen voor de 
groole welwillendheid, waarmede zij, 
blijkens een particuliere mededeeling 
der Phologr, Gesellschaft^ het ten uitvoer 
brengen van deze onderneming heeft 
in de hand gewerkt. 

Te Gent en te Brussel zijn de fotogra- 
fieën reeds opgenomen; op dit oogen- 
blik is men bezig aan de luiken welke 
zich te Berlijn bevinden. Daar de afbeel- 
dingen echter niet in fotografie maar 
wel in fotogravurc (koperdruk) zullen 
uitgegeven worden, komen de platen 
waarschijnlijk pas in den loop van 
Januari a. s. gereed, wanneer wij gele- 
genheid hopen te vinden op deze zoo 
hoogst belangrijke uitgave uitvoeriger 
terug te komen. 




93 



BOEKEN EN 
TIJDSCHRIF- 
TEN 



gaande studie der speciale literatuur 
en levendige herinnering adn vele elders 
geziene werken, op de duistere sporen 
kon leiden, die gaan van werk tot werk, 
van meester tot meester, van scliool tot 
school.... en moest iemand die ons daar 
wou rondleiden zonder anderen gids 
dan eigen oog, eigen intuïtie, ons niet 
dikwijls jammerlijk doen verdwalen? .. 

We kunnen noch willen hier in ver- 
dere analyse treden en moeten ons bij 
dezealgemcene beschouwingen bepalen. 

Maar waar de schrijver zich op het 
gebied van zuivere esthetiek, naar ons 
oordeel ten minste, een enkele keer 
vergist — meenen we te moeten protes- 
teeren 

Zoo zijn we het niet met hem eens : 
waar hij zijne bewondering uilspreckt 
voor den overschilderden kop op den 
z. g. Jan van Eyck van den heer Helle- 
putte (ni* 14), een werk dat trouwens in 
zijn tegcnwoordigen toestand nagenoeg 
alle waarde verloren heeft ; — waar hij 
de Rijve van S» Ursula, senielen arbeid 



noemt, want al is dit werk nu « vluchtig 
^ bewonderiugspont van Engelschen- 
» op-reis » is dit nog geen reden om de 
heel zeldzame verdiensten eenvoudig te 
miskennen ; — waar hij de (Ihrisliis mei 
de Engelen (Memlinc), in Antwerpeu, 
« die groote aandacht toch niet waard t 
heet ; — waar hij vol geestdrift is voor 
een middelmatig Iripliekje zoogezegd 
van Margareta van Eyck (!;; — waarbij 
iets « roerends » vindt in de tranerig- 
gealTeclcerde, porselein-koude Piela, m^ 
i. ten onrechte aan G. David toegeschre- 
ven in'' 218), — en méér nog waar h) 
gevoelskwaliteiten ontdekt in een zeer 
inferieur stukje in*" 127) van een onbe- 
duidend meester .. 

Doch genoeg; we wilden enkel bel 
werk van den Heer v.d. Woest ij ne inziJD 
geheel kenschetsen ; zoo hier dau qi 
zekere zwakke zijden moest gewezeo 
worden, dienden vooral de zeer prij- 
zenswaardige hoedanigheden erkend eo 
naar volle waarde geschat. Hieraan 
wilden we vooral niet te kort komen. 

P. B JR. 




96 





^^^= DE TENTOONSTELLING VAN 
OUDE PORTRETTEN IN DEN HAAG <^> 

;)OROP moei gezegd worden, dat deze ten- DK TENTOOX- 
toonslelling onvolkomen was. Ze werd zeer STELLLIXCl 
bezienswaardig genoemd, en met reclit; VAN OUDE 
ecliler was ze hel niel in haar geheel, alleen POR 1 RETli^N 
door aanwezigheid van verschillende belang- IN DEN HAAO 
rijke slukken. Hij, die verwachtte daar een 
wijd overzicht te hebben van onderscheiden 
beginselen en velerlei opvattingen bij de 
behandeling van het portret, hij die meende van de ontwikkeling 
dezer kunst, althans hier te lande, de hoofdlijnen te zullen gewaar- 
worden, ook hij, die hoopte daar te vinden uitsluitend voortbreng- 
selen van werkelijke meesters, vertegenwoordigd door voortreftelijke 
of goed kenmerkende stalen van hunne kunst, — zij allen, zijn zeker 
teleurgesteld uitgekomen. 

Indien hel ideaal : van dezen belangrijken lak in de schilderkunst 
een historisch beeld te geven in de groote proporties van opkomst, 
overgang en bloei, onbereikbaar werd bevonden, ware het toch zeer 
verkieselijk geweest niet anders samen te brengen dan werken van zoo- 
danige waarde, dat zij gezamenlijk een keurcollectie hadden gevormd. 
Want, nu er toch bij den opzet van deze tentoonstelling van geen enkel 
systeem werd uitgegaan, was de aanwezigheid van zooveel minder- 
rangs werk uit den bloeitijd en vooral ook van ettelijke dingen, die 
een vervaltijdperk vertegenwoordigen, bepaald ongemotiveerd ; dal 
povere stelletje toonbeelden van .primitieve portretkunst, op een 
enkel werk na, verdiende werkelijk ook niet de eer van zeldzame 
expositie. 

Neen, 't is niet waar, dat de wanden o den roem van de oude 
Nederlandsche portretkunst verkondigden », gelijk er in de voorrede 
van den catalogus beweerd werd. 

't Is misschien gepast uit waardeering voor de welmeenendheid 

(«) Van 1 Juli tot 16 September 1903. 



Onze Kunst 1903, Afl. 10, XIII 



97 




SIMON DE VOS (?) : MANSPORTRET 
(de Heer Werner Dahl, Dusseldorp). 



DE TENTOON- 
STELLING 
VAN OUDE 
PORTRETTEN 
IN DEN HAAG 



en den ijver van de Commissie, en ook gewenscht bij een beschou- 
wing van een tentoonstelling, de critieke kanten ervan niet al te 
zwaar te doen wegen. Dat ik, zooals zeer waarschijnlijk vele anderen, 
er niet vond waarnaar ik verlangd had, — 't kan onbillijk zijn er den 
oprichters een grief van te maken ; maar wel gerechtigd is, meen ik, 
de wrevel over het feit, dat bij opsporen en verzamelen, de keuring 
niet meer réserve in acht nam. Met deze voorafgaande opmerkingen 
heb ik echter ook te verstaan willen geven, dat er voor principieele 
beschouwingen over de portretkunst niet het noodige materiaal voor- 
handen was, en we ons dus, bij bespreking van de Haagsche tentoon- 





1 

1 




.4Ê 


S. 


1 .- 1 


1 


& 



THOMAS DE KKYSEU : 

PORTRET VAX EEN HEER IN STAANDE HOUDING 

[de Heeren Doufdesutell & Dowdesiuell's, Londen). 








z 

< 






V t 1 



§ ? 



stelling, voornamelijk tot de merkwaardigste inzendingen zullen DE TENTOON- 
bepalen. STELLING 

Bij een br^ed historisch overzicht van de groote meesterwerken VAN OUDE 
die het Portret tot onderwerp hebben, mogen we constateeren dat de PORTRETTEN 
oud-Nederlandsche kunst daartoe een zeer belangrijk aandeel heeft IN DEN HAAG 
bijgedragen. Ons nu niet bepalende tot dit land en tot de geroemde 
17e eeuw, zou de uitspraak te verdedigen zijn, dat in het Noorden, 
meer dan in het Zuiden, die kunst tot zuiveren bloei is geraakt. 
Wanneer we er enkelen afzonderlijk houden, gelijk in Spanje, de 
koninklijke schilder Velasquez en in ItaUë den strak-speurenden teeke- 
naar Leonardo, kan overwogen worden of tegenover zooveel roem- 
rijke portretschilders, vooral uit de Venetiaansche School, het 
Germaansche ras niet strenger en waarachtiger de fundamenteele 
voorwaarden van deze kunst tot ontwikkeling heeft gebracht. En daar 
zijn in een lange rij heel wat namen te noemen, te beginnen bij de 
Primitieven met Jan van Eyck aan het hoofd, gaande naar meesters 
van een ander Noordelijk land in wat later tijdvak : Holbein en 
Dürer; weer hier in Holland, Scorel en Moro onder zooveel andere 
tijdgenooten, en eindelijk die heele phalanx van HoUandsche portret- 
schilders, allen echter overheerscht door Rembrandt en ook door 
Hals. De Zuidelijke schilders zijn schitterender geweest om wat ik zou 
noemen de mise-en-scène van het portret ; met hun aangeboren en 
door de omgeving gekweekte neiging voor de decoratieve weelde van 
monumentale kunst, hebben zij ook bij het portretteeren een overwe- 
gende waarde toegekend aan de welstandigheid van uiterlijke verschij- 
ning, in voornaamheid van houding, adel van vormen, rijkdom van 
kleur. En daarin zijn ze onbetwistbaar groot geweest. Ze gaven van 
den te portretteeren mensch meer het type in ideëelen zin, dan het 
onverholen wederbeeld van zijn persoonlijk wezen. We kunnen als 
toonbeelden van hun styleerenden zin even verwijzen naar de por- 
tretten in zuiver profiel, vrouwenkoppen vooral, als besloten in éen 
enkelen contour, met het kennelijk hoofdstreven naar de schoonheid 
der lijn. 

Maar als portretschilders in den eigenlijksten zin, bleven zij toch 
meer aan de oppervlakte, geven hun werken niet als die der Noordelijke 
kunstenaars het getuigenis van psychologisch ontleden door nuchter, 
doch wijsgeerig-scherpzinnig waarnemen. Over het algemeen zijn hun 
portretten indrukwekkend door schoonheid van uiterlijke verschijning, 
eerder dan treffend door de uitbeelding van een mensch, gezien in de 
intimiteit van zijn eigen wezen. 

Dat Rubens en Van Dijck aan de Italiaansche bron geput hebben, 
was zeker wel oorzaak, dat zij van de HoUandsche portretschilders 
zoozeer afwijkend zijn. 



99 



DE TENTOON- Het portret van Rul)ens in den Haag viel lang niet mee, wanneer 

STELLING men de oogen gewend had aan zooveel portretten in de omgeving 

VAN OUDE (N« 116a). Men kon op dezen kop dan zoo niet inzien; daar was geen 
PORTRETTEN diepte in de uitdrukking, de teekening leek grof en nonchalant, en 
IN DEN HAAG de kunstmatig warme kleur drukte weinig vleesch uit. Zeker was dit 
ook geen voortreffelijke Rubens, ik dacht zelf aan een copie of 
navolging. Maar een keer, van af de zitbank in het midden der zaal, 
den wand afziende, trof me ineens de, zij 't dan ook wel wat pom- 
peuse, werking van het geheele stuk. Ik zag de figuur machtig in hou- 
ding en gloeien in kleur, zoodat ik over de goedkoopte van den kop 
als portret-teekening nu gaarne heenzag. 

Het maken van een goed portret eischt wel in 't bijzonder het 
zuivere doorvoeren van de grondregelen der schoonheidsuiting in lijn 
en kleur. De rechte opvatting van de gegeven laak vindt nu in hel 
onderwerp wel zooveel stof om deugdelijk te verwerken, dal er hier 
't minst gevaar is het inzicht te verliezen van de bestaans- voorwaarden 
der schilderkunst in verbastering van het opgemaakte schilderij-wezen. 
Hel afbeelden van den mensch, met hel doel van exacte gelijkenis, 
dringt altijd weer naar het standpunt van objective waarneming, 
aldoor verscherpt; het onderhoudt waarheidszin bij uitzegging, trouw- 
heid in natuurvolging en versobering van het werkmiddel. Zeker, de 
portretschilders waren ook wel kinderen van hun lijd; maar op te 
merken valt dan, dat in tijden van wufte schoonheidsbegrippen, de 
portretten, hoewel dikwijls van verlokkende sierlijkheid, toch maar 
in geringe mate die eigenschappen bezitten, welke onontbeerlijk zijn 
bij volle en natuurlijke levensuitbeelding, 'k Geloof, dat het por- 
tret in 't bizonder kan dienen als maatstaf van de beteekenis eener 
kunstperiode ; zelfs ook van de levensvatbaarheid van uilwijkende 
richtingen. Want de weergave van een menschengelaat, in volko- 
men werkelijkheidsschijn slechts te bereiken door de kunst van 
schilderen, eischt van hare middelen de toepassing op meest con- 
creete en uitgebreide wijze. De grootste schilders hebben bij hel 
« conterfeiten » dan ook hunne beste krachten uitgezet, en daar waren 
er wel, die met valsche idealen als kunstenaar afdwaalden, maar in 
het Portret weer geheel en krachtig zich zelf werden, 'l Is of hier meer 
dan ergens anders de proef is te nemen, of een schilder bij zijn 
arbeid nog werkelijk wakkej', en zijn streven gezond is. 

Intusschen, al is uit den aard van het onderwerp een nauwkeurig 
copieeren van de werkelijkheid het vooropgezette streven, en hangt hel 
welslagen hier grootelijks af van vak-meesterschap, toch is het ook in 
deze lijn van schoonheidsuiting dat de opvatting, de visie van den 
schilder het portret tot kunstwerk maakt. Indien een portret alleen 
zijne waarde had om de bloote ^uiterlijke) gelijkenis, zouden we zeker 



100 




PALIAS MOREELSE : 
PORTRET VAN EEN JONC.E DAME 
V. V..., Londen). 




zooveel afbeeldingen van vroegere menseben niet als kunstschatten te DE TENTOON- 
bewaren hebben. Bij het spreken over gelijkenis wil ik opmerken, dat STELLING 
ze niet alleen te constateeren is door personen, die de identiteit VAN OUDE 
kunnen vaststellen, maar dat ze ook overtuigend kan zijn voor hen, PORTRETTEN 
die den afgebeelden persoon niet kennen. We kunnen dikwijls voelen^ IN DEN HAAG 
of een portret gelijkend is. 

Wat draagt er in de natuurverschijning grooter geheimenis dan 
het menschelijk gelaat ; waar trachten we meer den geest achter 
de stofte benaderen, of zoeken te ontraadselen uit het karakter der 
vormen, den zin van uitdrukking. In den gewonen levenswandel is het 
onbewust, dat we den mensch zoeken te doorspeuren in de ontmoe- 
ting van het oog ; we beturen onder het gesprek niet beurtelings 
verschillende onderdeden van zijn gelaat. In het oog willen we, in- 
stinktmatig, verkennen al wat er van den geest, en onvatbaar is ; al 
wat de innerlijkheid, dat is de essentie van een in zich zelf besloten 
individueel leven, uitmaakt. Met verbazing komen we wel eens tot 
ontdekking, dat we van een mensch, dien we bij wederontmoeting 
zeker zullen herkennen, toch geen omschrijving van zijn uitzien kun- 
nen geven, zoo het althans niet door eigenaardigheden van het nor- 
male gelaatstype afwijkt. Toch is het volledig signalement in enkele 
regelen aan te duiden ; het geheele eigen-wezen van een mensch, dat 
hem tusschen duizenden herkenbaar doet zijn, is gelegen in drie 
plans van het gelaatsmasker : van voorhoofd, van wenkbrauwen tot 
neustop en van daar tot aan de kin, Maar door de groote over- 
eenkomst in het soortelijk type, is de onderlinge afwijking in uiter- 
lijke kenteekens bezwaarlijk te determineeren. Wat echter een per- 
soonlijkheid duidelijk onderscheidbaar doet zijn, is de werking der 
innerlijke sensibiliteit op de uiterlijke vormen, waardoor de gelaats- 
deelen, in proportie en bouw zoo zeer overeenkomstig aan die van 
duizende anderen, onder impulsie der zielsbewegingen, dat eigen- 
aardige en niet te omschrijven cachet verkrijgen, dat de Ikheid van 
het individu bepaalt. Na een korte ontmoeting houden we yan 
een mensch meer de herinnering aan zijn zedelijke verschijning, 
dan — om het zoo te noemen, een plaatselijke kennis van zijn 
gelaatsvorming. Ik bedoel, we zullen ons niet precies kunnen her- 
inneren, welken vorm zijn neus had, hoe de kleur van zijn wenk- 
brauwen was, mogelijk niet eens of hij al dan niet een knevel of 
bakkebaarden droeg, maar wel hoe zijn oogopslag was en dat een 
groef langs zijn mond, onder 't spreken verscherpt, een verborgen 
zielsaandoening deed vermoeden. De kunstenaar nu, heeft bij het 
portretleeren wel zoo juist mogelijk het evenbeeld van zijn model te 
geven in ware verhoudingen van zijn gelaatsdeelen en in trouw nage- 
bootste vormen, maar juist om door het meer bestudeerende aanzien 



101 




MICHIKL JANSZ. VAN MIEREVELT : PORTRET VAN EEN BEJAARD MAN 
{Dr. A. Bredius, den Haag). 

DE TENTOON- een volledige definitie Ie geven van den algemeenen indruk der 
STELLING korte ontmoeting ; hij heeft zich te verdiepen in de complicaties van 

VAN OUDE den totaal-indruk, om in het verloop der lijnen, het karakter der 
PORTRETFEN vormen, de eigenaardigheid der trekken na te speuren, die subtiele 
IN DEN HAAG bewegingen, waardoor de levenskern naar buiten zich openbaart, 
en zijn centralisatie-punt vindt in het oog. 

Nochtans zijn ook bij het portret verschillende opvattingen mo- 
gelijk, allereerst natuurlijk van het karakter en de uitdrukking. In het 
gewone levensverkeer reeds, komt het herhaaldelijk voor, dat een- 
zelfde kop op verschillende menschen een uiteenloopenden indruk 
maakt ; of wel, dat we bij nader kennis maken met iemand, diens 
gelaat heel anders gaan zien, dan bij de eerste ontmoeting. Ook hier is 
het n la nature vue a travers un temperament. • Dan kan ook bij het 



102 




REMBRANDT : 

PORTRET EENER DAME 

(de lieer J. llage, Sivaa, Denemarken). 





r«OT. ■•„C(««< 



FRANS HALS, DE ÜL'ÜK : 
MANSPORTRET TOT AAN DE KNIEËN 

{Earl Spencer, Althorp). 




gedaante-geven der mensch-verschijning van verschillende opvattingen DE TENTOON- 
worden uitgegaan. De Grieksche beeldhouwers uit het Archaistische STELLING 
tijdvak gaven het menschheeld met symetrisch geplaatste lichaams- VAN OUDE 
deelen, in afgemeten, haast verstijfde houding. Daar was het kinderlijk PORTRETTEN 
trachten naar natuurlijke afbeelding door waarheid van vorm en IN DEN HAAG 
juistheid van proportie. Later verwijdt zich het streven en wordt naar 
beweging gezocht ; nagespeurd hoe het lichaam overeenkomstig zijn 
constructie zich roeren kan en houding aannemen. Dit houding- 
aannemen is bovenal van belang als dramatisch element in een kunst* 
uiting, kenteekenend het individueel temperament of openbarend de 
werking van menschelijke passie. Deze innerlijke beweegkracht naar 
buiten, is in de figuren van Michel Angelo misschien wel op meest 
grootsche wijze uitgedrukt. 

Bij mensch-af beelding, als portret bedoeld, is het zeker van het 
grootste gewicht het gelaat « sprekend » gelijkend te maken ; maar 
de pose van het geheele beeld, voor zoover het, met of zonder han- 
den te zien komt, is, vooral in verband met het karaktervan den kop 
nog van bijzondere en ook onmisbare waarde. Daarom kan er bij 
een portret even goed sprake zijn van compositie als bij een uit veel 
figuren samengesteld tafereel. 

Zoo was op deze tentoonstelling het groote mansportret door 
Frans Hals een indrukwekkend stuk, dat de heele omgeving over- 
heerschte (N° 38). En zeker niet alleen door de techniek, die hier zelfs 
voor Hals schitterend uitgevierd was. Zonder eenige gezochtheid van 
uitgedachte pose (zooals bijv. wel even hindert in het kniestuk-portret 
door Th. de Keyser, onder andere opzichten echter een uitmuntend 
werk — N^'GS) vult die mansfiguur het kader; de kop, met een uitdruk- 
king van ronde zelfbewustheid bij een burgelijk welgedaan Seigneur, 
staat stevig geplant op den z waren romp, die gekleed is in deugdelijk 
zwart gewaad en waarvan over den buik vrijmoedig de knoopjes zijn 
losgelaten, tot ontspanning van het zware lichaam. 

Zooals ik reeds zei, bood deze tentoonstelling geen stof tot alge- 
meene overwegingen betreffende de Portretkunst. Van uitgangspunt 
bij de Primitieven kon echter eenig inzicht verkregen worden bij het 
portret van Isabella van Oostenrijk door Jan van Mabuse (^N° 31a). 
Daar is nog de kinderlijkheid, om zuiver en duidelijk af te schrijven 
het physionomie met nauwkeurig getrokken lijntjes ; het naïeve geloof 
in de almacht van de teekening, bekleed met een de werkelijkheid 
naderende kleur. *t Is de teekening, die hier de werking der kleuren 
leidt, zelfs nu de schilder vrijer hand heeft, om bij het kostbaar gecoif- 
feerde kopje en rijk getooide buste, gelegenheid vond zijn zin voor 
kleur reeds op verrassende wijze te openbaren. Geen Van Eyck zeker 



103 




ritANS HAl^. UK OVllE ; UANSPUKTtlliT. IIALVB PJÜIÜJA 
[dr Ufrr W Gmnf$rtthi, Bertijni 

DE TENTOON- is dit i>ortrel, innar luM hiu'fl !cich hij/cjudere aaulrekkelijkbeiil Vil 
STELLING eenvoud en waiiiiti*» 

VAN OUDE 'l 1^ ï^tHr jiniinur, dal liit (lornitr uil dien lijd niet iiiideitj 

PORTRETTEN belangrijke wei kin heell kunnen bijeenluengen* Hel meer4*ïideclj 
IN DEN HAAG schildei ijeiT %v;is üöllandsche kunsl uil de 17« eeuw, en Imewel 

daarbij ook (Hideischeidene ncliliagefi xijn waar Ie nemrn, hebbai| 
al die werken Icïeh een t^incïlen Irek van genieenscha|K 

Ken voelbare leem Ie bij de/x lenloonïitelling, was de alweziglif 
van Jan vun Scnrel en Antonis Moor» en van den laatste vooral 
wonderl hel mij» dat uit de nnmidiJellijke nabijheid geen inzeiu 
kon verkregen woiden. ICen kar^ddei iüliek exemplaar vati liet lijdp* 
omtrent U\W was lul vrnuwepoihet van Cüriielis Ketel cN" tiö). He 
Rijksnniseuin bezil van liem een scbiitlerssluk, dut mei zijn or 
dwongenheiil van tomiiositie en sloulheid van schilderen van 



104 




GERARD TER BORCH : 

PORTRET EENER BEJAARDE DAMK 

ide Heer Ad. Schloss, Parijs). 





(.ERAIII) TKR BOnCH : 

PORTRET EKNKR JONC.E WEDIWE 

(de Heer Mr. M. L. Luykrn (Hashorst. Amstvrilann. 




levendiger werking is dan zooveel schutters- en regentenstukken uit DE TENTOON- 
den bloeitijd. STELLING 

Deze vrouwebeeltenis (verwonderlijk dat de plaatsing ervan zoo VAN OUDE 
ongelukkig was) is als portret voluit een krachtig en gezond stuk werk. PORTRETTEN 
Een werk, dat getuigt van beginselvastheid en van volkomen kunnen. IN DEN HAAG 
Het heeft heelemaal geen pretentie van kleur en toch is het door 
deugdelijke schildering overtuigend plastisch. Want bovenal treft dit 
portret door vaste constructie en straffe uitdrukking van het gelaats- 
type. De kleur, zeer sober en zelfs koud, doet hier uitsluitend haar 
werking, om de zekere en scherp artikuleerende teekening vollediger 
te maken door verhoogde waarschijnlijkheid van ronding en relief 
der vormen. 

Als vertegenwoordigers van een tijdperk even na Ketel, kunnen 
gelden Michiel van Mierevelt, Cornelis van der Voort, Nicolaes Eliasz, 
Jan Antonisz. van Ravesteyn, Thomas de Keyser, Paulus Moreelse. 
Van de talrijke portretschilders in het bloeitijdperk is de ontwikkeling 
op het voorbeeld van deze ouderen dikwijls na te speuren. De invloed, 
dien Van der Helst in zijn vroegen tijd van Eliasz onderging, viel hier 
heel sterk op bij het Regentenstuk uit het Walenweeshuis te Amster- 
dam (No 42). In deze frappante navolging van zijn meester heeft 
V. d. Helst reeds vroegtijdig doen blijken, dat hij geboren was om 
een buitengewoon virtuoos in het schilderen te worden. Maar Rem- 
brandt heeft ook van genoemde meesters den invloed ondergaan, 
minder echter in den zin van technisch afkijken, en dan wel 't meest 
opvallend van Thomas de Keyser. 

Van Mierevelt, van wien er zooveel portretten met volle naam- 
teekeningzijn nagebleven, die al te veel het voorkomen hebben van 
leverantie-werk, was er een portret van een bejaard man dat in eens 
weer zijne beteekenis als geboren en deugdelijk portretschilder rele- 
veert (N® 83). Bij zijn werk constateeren we dan een aanmerkelijke 
schrede voorwaarts in de ontwikkeling der hoUandsche kunst. Niet 
alleen is deze kop vast en expressief van teekening, maar ook de kleur 
is hier een belangrijke factor bij het streven naar gelaats-gelijkenis. 

Eliasz vertoonde zich hier niet in zijne werkelijke kracht, maar 
glansrijk vertegenwoordigd was Cornelis van der Voort. Ik herinner me 
geen werken van dezen meester met een zoo bloeiend kleurenaspect, 
van zoo royale smijdige schildering, die, gelijk sommige portretten 
van Ravensteyn, aan Rubens doen denken om de coulante factuur en 
de vleeschige verf-pète (N^» 132-133). 

Van Moreelse deden we reproduceeren het meisjesportret, dat zeker 
wel een der aantrekkelijkheden van de tentoonstelling uitmaakte 
(No 94). Moreelse is hier juist ver genoeg verwijderd gebleven van 
de zoetelijke herderinnen uit zijn laatsten tijd waarmede hij den 



XIV 105 



DE TENTOON- bannlen smaak streelde, om voluit een behaaglijke meisjesbeeltenis Ie 

STELLING schilderen. De zuivere blankheid van het portret is bij de reproduclie 

VAN OUDE wel terug te vinden, maar het origineel gaf nog zooveel meer Ie 

PORTRETTEN genieten ! Want het heel stuk was één weelde van blij en frisch kUur- 

IN DEN HAAG zien met de combinatie van jong bloeiend vleesch in 't open licht 

tegen een kraak-heldere witte kraag, verlevendigd door een geel 

kettinkje en even wat rosé van een lintje; daaronder een zwart kleed 

weer wat meer in zijn kracht gezet door een borduursel, wat groen 

en wat rood. De verrukking van den scliilder over een aangenaam 

kleur-ensemble heeft hier een glansrijk resultaat bereikt. Nog een 

ander merkwaardig vrouweportret van Moreelse (eigendom van den 

heer Werner Dahl), in grauwer toonaard geschilderd, was uit een 

vroeger tijdperk van den schilder. 

Uit het z. g. bloeitijdperk, dat hier het ruimst vertegenwoordigd 
was, waren natuurlijk de hoofdmannen : Rembrandt en Frans Hals 
aanwezig; maar de eerste had minder het voordeel van goede ver- 
tegenwoordiging. Het damesportret van Rembrandt uit het jaar 1632 
was evenwel een belangwekkend staal van zijn kunst als heenwijzing 
naar de eerste phasen in één streven, dat tot aan zijn dood zich altijd 
breeder en ongebroken zou uitzetten (N*' 113). Hij is nu al over den 
tijd heen, dat hij met bijna angstvolle penseeltrekjes een portret door- 
voerde, ontledend zorgvuldig de vormen van een gelaat in hun ken- 
merkende hoekjes en plooitjes. Maar de zin voor realiteit, die hem 
aanvankelijk met zoo groote eerlijkheid deed trachten naar het geven 
eener juiste gelijkenis, is al verder ontwikkeld ; hij wil nu de afbeel- 
ding van een menschengelaat meer werkelijkheids-schijn bijzetten 
door het schilderen van het vleesch zooals het, onder gegeven lichtval, 
het leven overtuigender doet uittintelen. Dit portret is een treffend 
resultaat van dat streven en tot nu toe ongeëvenaard; want hadden 
voorgangers als Th. de Keyser het vleesch om zijn zelfstandig karak- 
ter van een lichthoudende stoffelijkheid reeds geschilderd in heldere» 
uitgestreken vlak-plans, zooals het licht hier straalde op dat blanke 
effene voorhoofd, heeft Rembrandt alleen door eigen gaven en zijn 
groote liefde voor werkelijkheid weten te bereiken. 

Frans Hals was met twee werken in zijn volle kracht te zien : 
het groote mansportret, straks al genoemd, en dan nog een mansbuste 
op half levensgrootte, (in bezit van den heer Gumprecht te Berlijn) 
(N^40). Een werkje, klein van formaat en daarbij heel simpel van 
uitzien : een man met een vulgair, welhaast wanvormig, gelaat heefl 
zijn kop even gewend naar den toeschouwer; de buste, op sjofele wijze 
gehuld in een mantel waaronder armen en handen verscholen zijn : 
als een piëdestal van gelijktonig zwart onder den kop. Maar geen 
portret was er misschien op de heele tentoonstelling, dat telkens en 



106 




Piot. iiucvmai 



GERARD TER BORCH : 

PORTRET VAN CORNELIS DE GRAEFF 

{Douairière van Lennep, geb. Deutz uan Assendelft, 's Grauenhage). 





JACOB GERRITSZ. Cl'YP : 
VROUWEPORTRKT 
{Graaf Zdzistaa Tarnowski, Dzików, Galicie). 




telkens weer de bewondering voor zijn kwaliteiten zoo deed groeien. DE TENTOON- 
Zonder twijfel was het uit den laatsten tijd van den schilder, herinne- STELLING 
rend aan de fameuse Regentenstukken in Haarlem. Met zoo vermetele VAN OUDE 
zelfbewustheid en absolute negatie van alle methode werd er wel PORTRETTEN 
nooit een kop raker geschilderd en een portret volkomener uitge- IN DEN HAAG 
voerd. Zonder eenigen steun van bepalende lijnen tot houvast aan de 
teekening, werd die tronie zeker in eens in de verf gezet en met ver- 
bijsterend stoute penseelbewegingen, slag op slag, naar de voleindiging 
geleid. Maar iedere beweging zoo spontaan en zeker, dat de struktuur 
van den kop, de vormen in hun zuiver verband en ware karakter, 
logisch uit al die intuitieve kleurtoetsen te voorschijn kwamen; en 
daarbij tot in de luchtigste penseelslipjes geworden tot zulk een vasten 
samenhang van bloeiende kleur en rijpen toon, dat het geheele kopje in 
onverbroken staat de zenuwen van het leven zelf scheen uit te trillen. 
Het portret van Peter Tjarck was zeker ook wel een juist staal van 
Hals' techniek, maar te veel van den uiterlijken kant : het mechanisme 
als 't ware van zijn werkwijze (No36). De handeling was ook hier weer 
feilloos maar te weinig aangedaan. Aldus een door en door echte, 
maar een koude Hals. 

Met Hals was Gerard Terborch het best vertegenwoordigd. De 
laatste zelfs nog beter, want daar er van Hals verschillende aanwezige 
werken (waaronder zeer twijfelachtige) onbesproken kunnen blijven, 
was het viertal portretten van Terborch gelijkelijk uitmuntend. 
Tegenover Hals vertoont deze zich als een schilder met gematigde 
bewegingen. Hij maakt zijn portretten altijd op kleine schaal, maar des 
te beter had hij ze onder het bereik zijner vingers voor zorgvuldig- 
détailleerende uitvoering. Zijn uitvoerigheid is echter niet de uitkomst 
van een klein-turende nauwlettendheid. Zijn handeling is wel 't verst 
verwijderd van de koene breedheid van Frans Hals; toch is hij met zijne 
bedachtzame schilderwijze, die streeft naar glad verelfend modelé, 
even snedig van uitdrukking. Want, is zijn observatie ook langwijliger 
en uiterst nauwkeurig, zijn kijk op de natuur blijft frisch, zijn speuren 
naar het karakter in de wezenstrekken van een gelaat steeds scherper, 
zoodat zijn waarneming als een filter wordt en zijn uitvoerigheid 
alleen geeft wat de levensessentie van vormwezen en kleurverschijning 
uitmaakt. Daarbij is zijn smaak van bijzondere beschaafdheid en zijn 
voordracht van zeldzame distinctie. Zijn portretstukken, die hij zoo 
gaarne geeft in beelden ten voeten uit, hebben dan eene houding, die 
in verband met het karakter van den kop, de geheele persoonsver- 
schijning volkomen maakt. Hij geeft zich daarbij niet veel moeite 
met accessoires het schilderij-wezen op te sieren, en de effen toon van 
een zwart kleed weet hij veel diepte van kleur te geven. Zie bijv. de 
statige waardigheid in de houding van die matrone (N^ 5), de rustige be- 



107 



DE TENTOON- weging bij de jonge weduwe, (N® 4) die in zoo natuurlijken gang 
STELLING voren getreden is en daar heeft stand gehouden, met haar waaier in de 

VAN OUDE ' hand; wat een innigheid, een sentiment in dat kopje met kalm star^^ 
PORTRETTEN den blik. Zie ook het kniestuk van den jongen man, (N« 6) dat k(^ 
IN DEN HAAG met even luikende oogleden en het geheel in rustigen toon geschilde!^ 
maar fijn uitgeslepen is hier zooveel kostelijks van onderdeden ; Al . 
is ook vooral kenmerkend voor Terborch, zijn groote liefde voordi. 
natuurverschijning tot in ondergeschikste dingen; met welke precieiMfr 
uitvoerigheid is daar alles geschilderd : de zwarte hoed op het éut 
roode kleed, de wandelstok in zijn verkort, tot even nog een sISSê 
lichtschittering op het gevest van een degen. Hij kon zich met zooveel, 
innigheid in minste détails om hun verborgen eigen schoon verdiepo^ 
en tevens met zijn voornamen smaak de verschijning daarvan addaiy 
dat hij tusschen alle oud-Hollanders, als schilder van kleine portretlea, 
een onvergelijkelijke is en hierom wel een grooten voorganger, Jifi 
van Eyck, in gedachten brengt. 

In de onmiddellijke nabijheid der Terborchen hing een portret 
stuk, dat, om het tevens een welgevallig schilderijtje te doen zijn, ah- 
familietafereel was ingekleed, 't Was van Gaspar Netscher, de schilda 
die Terborch als eens op zeer bekwame wijze had gecopiêerd en M 
de kennelijke bedoeling had den meester met eigen werk te evenaren. 
Een schilderijtje dus van pretentie en dat werkelijk met zijn geaffieo* 
teerde voorkomen veler bewondering wist te winnen (N» 103). Daarvoor 
werd dan ook veel over Terborch gepraat. Maar al wat hier als de 
bijzondere waarde werd aangewezen : zuivere schildering, gedistia- 
geerde teekening, *t was toch heusch niets anders dan de gemaniereerde, 
navolging van een bezielde uitdrukking. Al die keurig getoetste figuffl»^ 
Ijes waren levenloos als opgetooide poppen. 

Van meer karakter dan en waarlijk dichter te brengen bij TerborA 
was het porlrelje van een vrouwtje op gevorderden leeftijd, gegevöl 
als half-figuur, hel kopje in rust, even hangend over de borst, met het 
burgerlijk gelaat van een « goede ziel » en de handen in vreedzame 
ligging over elkaar vóór hel lichaam (N^ 14») ; Jacob Gerritsz. Cu^ 
was er de schilder van. De kleur had wel niet die teedere broosbd^ 
de schildering was niet van zoo verfijnde beweging als bij Terbordit 
maar het werkje kon toch aan dezen doen denken door de ongedwofr 
genheid van stand-houden, de in uitvoerigheid zich steeds nififf- 
verleederende schilderwijze en vooral door de uitdrukking van W 
gelaat, waarin kalmte van gemoedsstaat was opgeblonken. De oW 
elkaar geslagen handjes waren daarbij heel mooi, niet alleen om hiili 
natuurlijke ligging, maar ook als kleurtegenstelling : de eene hairf 
in lichlende blankheid rustend op de ander in gedempter en wanner 
toon. 



108 



Nemen we het ook niet zoo streng als portretstuk, toch was hel DE TENTOON- 
schilderijtje van Jan Steen een der merkwaardigheden van de ten- STELLING 
toonstelling (buiten catal.). Het was als schilderwerk met zijn pittige VAN OUDE 
uitvoerigheid een zeldzaam voldragen uiting van dezen populairen PORTRETTEN 
meester. Met groote uitbundigheid, als in een uitschatering van schil- IN DEN HAAG 
derslust heeft hij zich zelf in deze houding afgebeeld, een houding 
onverwacht gevonden : wippende op een stoel, het eene been lustig 
over het ander geslagen, romp en kop achteruitgegooid bij een uitge- 
laten joolbui van levensgenot in alles beschertsen, onder het bespelen 
van een cither. Dit is zeker wel een werkje van c< bravoure », maar 
van een volkomen ongekunstelde ; een zeldzaam voorbeeld van ener- 
gieke uitdrukking eener haast buitensporige actie. Al krijgen we van 
zijn gelaat dan ook maar weinig te zien, Jan Steen heeft hier toch een 
waarachtig naar zijn wezen afgebeeld zelf-portret gegeven. 

Bij het portret van Arent de Gelder moest er wel rekening mee ge- 
houden worden, dat het doek in ziekelijken toestand verkeerde ; de 
verf dreigde in slaat van afschilferen te geraken (N^ 31). De Gelders 
werk heeft kwaliteiten, die hem duidelijk onderscheidbaar doen zijn van 
het gros der Rembrandl-leerlingen. Niets is in de verschijning der 17^ 
eeuwsche Hollandsche kunst zoo onverkwikkelijk als het werk van de 
talrijke Rembrandl-navolgers. De grootste kunstenaars schijnen dik- 
wijls door hun voorbeeld en leerwijze slechts gering opvoedende 
kracht te kunnen brengen. De kunst van de machtige kunners wordt 
bij de leerlingen verbasterd in levenlooze conventie. 

Arent De Gelder is van de zeer enkelen, die, al getuigt hun 
werk ook duidelijk van trouwe bewondering voor het groote 
voorbeeld, evenwel hun zelfstandigheid hebben weten te behouden. 
Hij en Carel Fabrilius hebben zich het meest roemwaardig uit de 
leerschool van Rembrandt ontwikkeld. Toch hebben beiden naar 
verschillende zijden hun weg gevonden. Fabritius heeft daarbij 
gewonnen aan rijkheid van palet en gespierdheid van schilder- 
wijze. Aert De Gelder, al is ook bij zijn factuur, zijn wijze van verf 
opbrengen, het inkneden van kleurpartijtjes als 't ware, de invloed 
van Rembrandt onmiskenbaar, heeft toch den kleur-aard in zijn werk 
van een geheel ander motief doen uitgaan. Een kleur minder sonoor, 
minder verzadigd, koeler, soms op het schrille af. Zoo in dit werk 
bijv. het groen van een tafelkleed, ook de hand in 't volle licht. Toch 
heeft De Gelder zijn voorname beteekenis als colorist of tonalist, hoe 
je 't noemen wil. En davert zijn kleur ook niet, er zijn fijne klanken 
in als glazig gerinkel. 

Meer dan van het stoffelijke, heeft De Gelder echter van het gees- 
telijke element in Rembrandt s uiting overgenomen. Ook zijn werk 
vertoont de neigingen van een fantast ; dit portret doet het duidelijk 



1^9 



DE TENTOON- blijken. Als Rembrand!, bij de compositie van zijn Nachtwacht, heeft 
STELLING De Gelder zich de afbeelding van den te conlerfeilen persoon gegeven 

VAN OUDE in een gedaanle, boven de nuchtere werkelijkheid uit gedroomd. Als 
PORTRETTEN Rembrandt verlustigde hij zich in het schilderen van rijken kleer- 
IN DEN HAAG dos, die Oostersche weelde doet aanvoelen en de verbeelding voeden 
kon bij het schilderen van dat flets-blonde jonge gelaat, dat hij 
ging zien in een kwijnende straling van blank Hcht. Het dralend 
gebaar van de rechterhand versterkt het feeërieke karakter van dit 
werk en in den achtergrond vermeide zijn verbeelding zich nog in de 
geheimenissen van een schemerwereld. De Gelders beteekenis moet 
men wel niet allereerst zoeken in het Portret; niet als Rembrandt had 
hij de macht de levensraadselen in de menschenverschijning te door- 
gronden. Maar dit portret is toch een gewichtig kunstvoortbrengsel, te 
belangrijker als uiting in een vervaltijd, die reeds was ingetreden. 

Rembrandt-leerlingen, die, in hun eersten tijd vooral, de kunst 
van hun meester alleen naar de letter begrepen, waren Govert Flinck 
en Ferdinand Bol. 

De grofheid van die navolging kon men hier gewaar worden in 
het Portret van een jongmensch door FUnck ; één uit die helaas zoo 
ruime serie van banale rembrandtieke producten (de jeugd van den 
schilder bij het maken van dit stukje verschoont echter veel). Maar 
daar waren in den Haag van Flinck toch een paar portretten en 
wel in 't bijzonder dat van Maria Coymans (N^ 29). Flinck heeft 
hier de ontwikkeling van zijn eigenschappen op zeldzame wijze in 
evenwicht weten te houden. Persoonlijk als de Gelder of Fabritius of 
Nicolaas Maes in zijn eersten tijd, is hij er nog wel niet. Hij is ook 
hierin weer de dociele scholier. Maar behalve de uitdrukking van iets 
als vredige gelatenheid die dat kopje zeer behagelijk van uitzien deed 
zijn, was het als « peinture » van een vaste gedragenheid, gehouden 
in een gamma van warm geroosde kleuren. Volrijp was het, even op 
het kantje echter van beursworden. 

De aanwezigheid van Van der Helst was, buiten het vroege 
schilderij daar straks genoemd, niet zoo bijster gewichtig, al verwekte 
zijn portret van een heer ten voeten uit afgebeeld en op een stoel 
gezeten, nog al eenige sensatie op de tentoonstelling (N^ 43). Dit werk, 
als zoovele andere, was hem ook weer al te gemakkelijk uit zijn vaar- 
dige schildershand geloopen. Het entrain in de schildering is hier 
voornamelijk opzienbarende vlotheid van ongemeene routine. De 
vleezige schildering van den kop was al te veel een in gelijkmatige 
beweging gestelde penseelvoering. Vergelijke men hierbij bijv. den kop 
van het groote portret door Hals, eveneens in egaal licht geschilderd, 
dan is die van Van der Helst plat, ondanks het malsche modelleeren, 
en die van Hals vlak, gevend meer den werkelijken indruk \zn 



110 




AR ENT DE GELDER : 

PORTRET VAN ERNST VAN BEVEREN, 

HEER VAN WEST-YSSELMONDE EN DE LINDE 

{K. J. G. Baron van llardenhroek'van 's Heeraartsberg en Rernitmbacht, 's Gravenhtige). 





rttor. •■»»«*>•». 



BARTHOI.OMEl'S VAN DKR HELST : 
PORTRET VAN EEN ZITTEND HEER 
(de I heren Wallis tt Son, landen). 




vleeschsubslantie. Naast deze losheid van beweging of zwier in DE TENTOON- 
houding, had de mansfiguur aan Rubens toegeschreven, ook veel STELLING 
echter en ongedwongener allure. Van der Helst is een dergenen, die VAN OUDE 
bij een eenmaal verworven standpunt in hun schildersontwikkeling PORTRETTEN 
zijn blijven stand houden. IN DEN HAAG 

Gelijk het ons plan was, hebben we nu ongeveer de werken gere- 
leveerd, die de Haagsche tentoonstelling gedenkwaardig doen zijn. 
Het groote familiestuk van Miense Molenaar verdient echter nog bijzon- 
dere vermelding ; het leende zich echter niet tot reproductie. Het kin- 
derportretje van Dirk Santvoort, een schilder nog él te weinig 
gewaardeerd, was voor bezichtiging zeer ongunstig geplaatst. Een 
minder bekend schilder als Dubordieu viel hier nog al verras- 
send onder de aandacht. Maar meesters als Ravensteyn, Wybrant 
de Geest, N. Maes, Verspronck kon men hier niet op hun werkelijke 
waarde schatten. Dan was er van Albert Cuyp een flinke mannenkop, 
en opmerkelijk als schoolsche techniek in de perfectie, daadzakelijk 
als een fotografische opname, waren de portretten van Pieter Nason. 

Maar 't is, nu de tentoonstelling niet meer te zien is en deze 
beschouwing ook niet het karakter heeft van kunsthistorische studie, 
vrijwel vruchteloos nog andere portretten te bespreken en willen dus 
hierbij het overzicht van de Haagsche tentoonstelling voor gesloten 
houden. 

W. Steenhoff. 




111 




TWEE 

VLAAMSCHE 
PRIMITIEVEN 
OP DE 
TENTOON- 
STELLING 
VAN OUDE 
PORTRETTEN 




TWEE VLAAMSCHE « PRIMITIEVEN > 
= OP DE TENTOONSTELLING VAN = 
OUDE PORTRETTEN ^^^^^^^= 

N hel heerlijke kunstmidden der Haagsche 
tentoonstelling schenen twee portretten niet 
heelemaal thuis te hooren. Van onbetwistbaar 
Nederlandschen oorsprong toonen zij op tref- 
fende wijze aan hoe groot de afstand is, welke 
door de Hollandsche Meesters der XVII<^ eeuw 
werd afgelegd. Aan de werken, die ik op het 
oog heb, werd geen virtuositeit ten koste ge- 
legd. Heeft het meerendeel der bezoekers ze 
wel opgemerkt? Het is mogelijk, maar volstrekt niet zeker, want buiten 
hun ouderwetsch uitzicht hadden ze waarlijk niets opmerkelijks. 

Ze hebben overigens weinig met elkaar gemeen; het eene is 
minstens een eeuw ouder dan het andere, en ze behooren beide tot 
een tijdperk, waarvoor de belangstelling veel meer ontwaakt bij het 
licht der moderne navorsching, dan door het kunstgenot dat we er 
in kunnen vinden. Toch is hun oprechtheid van uitdrukking treffend, 
terwijl schilders en modellen klaarblijkelijk niet aan tijd of uur 
hebben gedacht. Zoo « gauw gemaakt » ook « gauw gezien » is, ligt 
de bekoring van doorwrochte werken in de uitdrukking welke er uit 
straalt en ons boeit; dit is ook* het geval met deze twee portretten — 
het eene een mansportret uit de xve eeuw, ingezonden door den Heer 
W. Gumprecht te Berlijn, — het andere een meisjesportret uit de 
xvie eeuw, toehoorende aan Graaf Tarnowski te Dzikow. 

Deze twee onderscheiden tijdperken zijn duidelijk herkenbaar 
uit de kleederdrachl en de wijze van schilderen. Zij spreken niet 
minder beslist uit de behandeling. 

De man, bijna in profiel gezien, is een van die statige figuren 
zooals we die in de kunst van dien tijd, in Italië zoowel als in Vlaan- 
deren, aantreffen. Geen baard en geen zichtbaar hoofdhaar. Het kapsel 
brengt ons door zijn snit dichter bij het begin dan bij het midden 
der XV*' eeuw. De olievei'flechniek werd echter reeds volledig, met al 
haar hulpmiddelen toegepast. Noodzakelijker wijze denken wij aan 
Van Eyck, maar we vinden hier niet de minste overeenkomst met 



112 




DE MEESTKR VAN FLÉMALLE 

MANSPORTRET 

(de Heer W. Guniprecht, Berlijn). 




zijn trant. Wel is het de geest maar niet de lijn noch de schilderwijze TWEE 
van den Vlaamschen grootmeester. De behandeling is trouwens be- VLAAMSCHE 
wonderenswaardig en breed gezien. De verf is in heldere vlakken PRIMITIEVEN 
uitgespreid, gelijkmatiger dan bij Van Eyck, die gewoonlijk met qP DE 
gewetensvolle hand de huidrimpelljes bij mannen van middelbaren TENTOON- 
leeftijd, zooals ons model óók is, weergeeft. De zwarte kaproen vormt STELLING 
een effen, donkere massa, waarvan de toon prachtig uitlost op den yk^ oUDE 
groenen achtergrond en het roode kleed. We treffen hier veelmeer pnRTRPTTFN 
de eigenschappen aan van Petrus Cristus en nog meer bepaaldelijk 
van den tot nogloe onbekenden, maar niettemin zeer duidelijk onder- 
scheiden schilder, welke de « Meester van Flémalle » wordt genoemd. 
Ik weet niet of men zich kortelings met dit stuk heeft bezig gehouden ; 
de herkomst is mij ook niet bekend. Hoe onaanzienlijk ook de gege- 
vens zijn welke wij over de meesters der xve eeuw bezitten, kunnen 
we er door vergelijking over oordeelen, dank aan de spoorbaan en 
dank aan de fotografie. Vergelijking moet m. i. de toeschrijving aan 
« Flémalle » bevestigen. 

Het kapsel, van zonderlingen snit, vindt men in denzelfden 
vorm weer op een portret in het Brusselsch museum : een lid der 
familie Latruie van Doornik; dit stuk werd door H. von Tschudi 
eveneens aan den Meester van Flémalle toegeschreven. 

Op ons stuk wordt het hoofddeksel echter door een zonderling 
aanhangsel versierd, dat niet door Viollet-le-Duc vermeld werd onder 
de voorwerpen welke in de XV*' eeuw tot den opschik behoorden. 
Op de hangende tippen van de kap, ter hoogte van de borst, zijn twee 
kleine boekjes geschilderd of liever vastgehecht. Het zijn waarschijnlijk 
geëmailleerde kleinodiën. Wat hooger is op de zwarte stof in het wit 
een notenbalk van vijf lijnen geborduurd. Is dit een zinnespreuk? Dit 
zou een kennerder muzikale paleografie misschien kunnen uitvorschen. 
Maar intusschen wilden we de aandacht der liefhebbers vestigen op 
dit prachtige brok schilderwerk, dat weinig bekend is en op de 
Brugsche tentoonstelling van verleden jaar stellig een eereplaats zou 
verdiend hebben. 



Het tweede portret dagteekent uit de XVP eeuw. Het stelt een 
meisje voor, haast een kind nog, wier lief gezichtje, zachte oogen en 
gulden haar ons niet onbekend schijnen. 

Zou dit ook Christina van Denemarken kunnen zijn, waarvan 
Holbein het heerlijke portret schilderde dat aan den Hertog van 
Norfolk toebehoort? Zonder twijfel bestaat hier veel gelijkenis — en toch 
geldt het hier nóch hetzelfde model, nóch denzelfden schilder. Deze 
laatste herkennen we overigens dadelijk : Jan Gossaert van Mabuse. 
Wie ook maar eenigszins bekend is met de werkwijze van dien grooten 
kolorist zal hier zonder moeite zijn kleur en zijn trant wedervinden. 
Het is trouwens een zeer teeder behandeld stuk. 



XV tl3 



TWEE 

VLAAMSCHE 
PRIMITIEVEN 
OP DE 
TENTOON- 
STELLING 
VAN OUDE 
PORTRETTEN 



Hoe fijn zijn de gewrichten, hoe slank de handen, onachtzaam 
rustend op een borstwering, en hoe uitvoerig is heel het tooisel weer- 
gegeven I Goudbrokaten keurslijf, vierkant uitgesneden op de borst 
welke gedeeltelijk bedekt is door een zeer fijn hemd, dat ook mei 
goud is afgezet; halssnoer van een dubbele rij paarlen, met juweelen 
kruis, dit alles met een zeldzame fijnheid geschilderd. Evenals in hel 
andere portret maakt hier een eigenaardigheid van het hoofddeksel 
onze aandacht gaande. Het zal ons op het spoor brengen van den 
naam van het model. Over een mutsje van het fijnste linnen draagt 
het slanke hoofdje een kap van zwart fluweel, omzoomd met een 
geborduurden goudrand van het kostbaarste werk, bestikt met parelen. 
Wanneer we dien rand van nabij beschouwen, zien we dat hij is 
samengesteld uit een aaneenschakeling van de hoofdletter Y. 

Zonder ver te zoeken komen we er toe (in aanmerking nemende 
de gelijkenis met het portret van Christina en met dat harer moeder, 
Isabella van Denemarken) in het stuk uit Zwiko Isabella te herkennen, 
en wel door de beginletter van haar naam (Yzabel). 

We zien hier dus eigenlijk de jongere zuster van Keizer Karel 
Elisabeth of Isabella van Oostenrijk, geboren in 1501, gehuwd in 1514 
met Christiern van Denemarken, bijgenaamd de Nero van het Noorden. 

Het portret dagleekent natuurlijk van vóór het huwelijk, dat er 
zonder twijfel spoedig op gevolgd is. Het is wel mogelijk dat Gossaerts 
werk gediend heeft om de jonge en beminnelijke bruid in haar nieuw 
vaderland te doen kennen. 

Behalve een portret in het bezit van den Heer C. L. Garden, dat 
te Brugge werd ten toon gesteld, bestaat er nog een ander afbeeldsel 
van Isabella, op meer gevorderden leeftijd, door denzelfden schilder; 
Dr. Justi heeft er een uiterst merkwaardige studie over geschreven, 
waarbij tevens het origineel, dat zich in een Italiaansche verzameling 
bevindt, werd afgebeeld (*). 

Isabella stierf, zooals bekend is, in 1526 te Swynaarde, bij Gent 
Zij had dus pas den leeftijd van 25 jaar bereikt. Haar vormen waren 
erg vei'zwaard - of, om een sierlijker uitdrukking te gebruiken : hare 
schoonheid had zich tot vollen bloei ontwikkeld. Toch vindt men 
onder de weelde der vormen het aantrekkelijke van het vijftienjarige 
meisje weder. 

Men weet dat de drie kinderen uit het huwelijk van de ongeluk- 
kige koningin gesproten, eveneens door Gossaert werden geconterfeil, 
en wel op een prachtig stuk in de Koninklijke Galerij van Engeland 
waarvan verschillende herhalingen bestaan. 

H. H^-MANS. 

(«) Zeilschrifl jür Bildcnde Kunst, 1895, bl. 161. 



114 




JAN GOSSAKRT GKN. VAN MA BUS E : 
PORTRET VAN ISABELLA VAN DENEMARKEN 
(Graaf Zdzixlas Tariwivski, Dziköw, Galicie). 




RUBENS OF VAN DYCK ? 




|N de tentoonstelling van oude portretten, in- RUBENS 
gericht (door den Haagschen Kunstkring, OF 
bevond zich onder n»' 116», een mansportret VAN DYCK? 
toegekend aan Petrus-Paulus Rubens en in 
den Catalogus aldus beschreven : « Portret 
)) van een staand heer in levensgroote, meer 
» dan halve-figuur, van voren gezien. Met 
» zijn linkerhand zijn mantel vasthoudende, 
» de rechter langs het lichaam. De achtergrond bestaat Hnks uit een 
» rood gordijn, rechts een kijkje naar een landschap. Rechts boven 
» zijn wapen en het opschrift : A*" 1620 oetatis suae 30. Het jaartal is 
» wellicht uit 1619 verbeterd. — Paneel, hoog 97 cm., breed 72 cm. 
)) George Donaldson Londen. » 

Bij den eersten oogslag maakt het stuk wezenlijk den indruk van 
een werk van Rubens : het krachtige leven van heel den persoon, het 
door en door gezonde van zijn uitzicht, de natuurlijke zwier zijner 
houding, de fijne doorschijnende kastanje-bruine tinten in de oog- 
holten, langs den neus en in den hals, het warme bloed rood stralende 
uit lippen en neusgaten : dit alles verraadt den grooten Antwerpschen 
meester. 

Een tweede oogslag doet ons echter iets vreemds in dien Rubens 
ontdekken. De troebele tint van het gelaat, dat van een zeer licht bruin 
is, met zonnigheid doortrokken, de schaduwen, die meer uit een wasem 
dan uit een echte verdonkering bestaan, wekken een eersten twijfel. 
Op het zwarte kleed liggen sterk uitgesproken blauwig-grijze tinten, 
die al even on-rubensachtig zijn. Onwaardig van den meester zijn ook 
de beurzenachtig geschilderde handen De gestalte is te plomp ineen 
gezakt ; Rubens hadde die slanker, veerkrachtiger voorgesteld. 

Gaat men de schildering na in mindere bijzonderheden, dan wordt 
de twijfel immer versterkt en groeit aan tot zekerheid : de korstige 
aandikking op het voorhoofd en rond het rechteroog, de alledaagsche 
schildering van den kraag, die er als een vischnet uitziet, het onpittige 
van het geheel. 



115 



RUBENS En stelt men dan de vraag, wie anders dan Rubens schilderde toen 

OF zoo Rubensachtig? Dan volgt onmiddellijk het antwoord : zijn groote 

VAN DYCK? leerling Antoon van Dyek. Vraagt men : Is er iets in heel de schilderij 
dat stellig Rubens verraadt? Dan luidt het antwoord: Neen. Hij 
moge soms wat vlug en oppervlakkig een portret behandeld hebben, 
zijn borstelslag wordt toch immer verraden door de eene of andere 
toets : iets fijners in den toon, iets tintelends in het licht, een penseel- 
slag, een stip soms ; maar, altijd toch iets dat geen ander hem nadoet, 
dat geest geeft aan het nuchtere, glans aan het doffe. Dien slag of dien 
tik der bezielende tooverroede heeft dit portret niet ontvangen. 

Het zij dan in 1619 of in 1620 geschilderd, de portretten van 
Rubens, uit die jaren die ons goed bekend zijn, zien er heel anders uit. 
Wij hebben slechts te denken aan den Jan-Karel de Cordes en de 
Jakelijn van Caestre van 1617 of 1618, uit het Museum te Brussel, aan 
de familie Arundel, uit de Pinakotheek te Munchen van 1620, ofwel 
aan zijn historische schilderingen uit die jaren : den Kalvariënberg 
uit het Antwerpsche Museum bijvoorbeeld, om voor ons oog te zien 
opdagen een penseeling overvloedig, breed en glad, koel en helder 
van licht, frisch en doorschijnend van kleur, niets gemeens hebbende 
met deze troebele onoprechte tonen. 

En neemt men dan de tegenproef, en vraagt men of van Dyck 
zoo wel schilderen kon en inderdaad zoo wel schilderde in 1619-1620 
dan luidt het antwoord bevestigend. Wij kennen, wel is waar, geene 
portretten die dit jaartal en zijnen naam dragen, maar wij weten toch 
voldoende dat conterfeitsels van zijne hand, die meerdere punten van 
overeenkomst met het stuk uit de Haagsche tentoonstelling hebben, 
door hem geschilderd werden vóór zijn vertrek naar Itahê, dus vóór 
1623, om te bevestigen dat zijn toenmalige trant ons bekend is. Het 
mansportret van 1619 uit het Museum te Brussel, ook aan Rubens 
toegeschreven, de portretten van den heer en mevrouw de Vinck uit 
de Antwerpsche tentoonstelling van 1899, de portretten uit van Dyck's 
eerste tijdperk te Dresden en in de Liechtenstein-galerie, andere nog, 
leveren stof genoeg tot vergelijking. Uit die stukken kennen wij de 
hoogroode draperij in den achtergrond, den vinnig blauwen hemel, 
de niet zeer voorname, maar eerder burgerlijke hoofden met een 
neiging naar het romantieke, die wij in ons portret weervinden. 

De vraag : « Rubens of van Dyck? » betreffende de portretten van 
1619-1620 is eerst opgeworpen door Bode en herhaaldelijk door hem 
behandeld of aangeroerd. Wij nemen het stelsel van den vader der 
kunstcritici al te gader niet in al zijn toepassingen aan en beamen 
niet al de bevestigingen, die hij uitspreekt om het te steunen; 
maar wij zijn het wel eens met hem om te zeggen dat van Dyck's trant 
zoo zeer met dien van Rubens samensmolt in die werken, dat twijfel 



116 




FMor. «iiuciiMAXii. 



ANTOON VAN DIJK (op de Tentoonstelling : Rubens 
PORTHET VAN EEN LID DER FAMILIE CHARLES 
(de Heer Georges Donaldson, Londen). 




dikwijls wel geoorloofd en onderscheiding moeilijk wordt. Wij zijn RUBENS 
echter overtuigd dat van Dyck in 1620 niet schilderde als Rubens in OF 
hetzelfde jaar, maar veeleer als de Rubens van verscheiden jaren VAN DYCK? 
vroeger. 

Het werk waar wij voorstaan is niet dat van een gerijpten mees- 
ter, maar van een zeer gevatten leerling, die met al zijn verbazende 
gave van navolging zich toch nog door nuchterheid en ongeoefendheid 
laat kennen. 

Ongemeen belangrijk is het portret : het is wel een der meest 
Rubensachtige die van Dyck schilderde, het bezit in hooge mate de 
eigenaardigheden, die in 1620 de leerling van den meester had over- 
genomen, in niet mindere mate de tekortkomingen die het ons 
mogelijk maken beider werken van elkander te onderscheiden. 

In den hoek van de schilderij vinden wij een wapenschild : drie 
zwarte meerltjes en een zwarten keper op gouden veld. De figuren 
zijn die der Antwerpsche familie Charles, de kleuren verschillen. De 
Charles droegen een gouden keper en drie gouden meerltjes op een 
rood veld. Maar er is geknoeid aan het wapenschild en de overeen- 
stemming der figuren is zoo treffend dal wij wel mogen aannemen 
dat de kleuren door hertoetsing vervalscht zijn. 

De Charles zijn geen onbekenden in de Antwerpsche kunstwereld. 
Gaspar bestelde aan Rubens de Laatste Communie van den H. Fran- 
ciscus uit het Antwerpsch Museum en betaalde het stuk in 1619, het 
jaar waarop hel portret dat wij bespreken geschilderd is. Treffende 
overeenstemming van datum inderdaad en een kostelijk argument 
voor wie de toekenning aan Rubens zou willen verdedigen. Ons kan 
het niet overtuigen en wij moeten wel aannemen dat de groote mees- 
ter aan zijn leerling opdroeg den liefhebber te conterfeiten, die hem 
gelegenheid gaf een zijner meesterstukken voort te brengen. 

Max Rooses. 




117 




KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



UIT DEN HAAG 



KUNST- 
BERICHTEN 

DIT DEN HAAG 



•4«i.t^' 



i.f*?-^\ 



lOLLANDSCHE, 
FRANSCHE EN 
ENGELSCHE MEES- 
TERS IN PULCHRI 
STUDIO >c^ Wal de 
Londensche en Ani- 

sterdnmschc firma 

Van Wissenlingh & O van deze mees- 
ters laat zien, vult al de exposilie-zalen 
van het gebouw. Eene rcspeclahele hoe- 
veelheid dus. 

De Hollanders zijn hel besl, de Engel- 
schen hel minst goed verlegenvvoor- 
digd Evenals de poëzie der laalslen 
heefl ook hunne beeldende kunst over 
*t algemeen iets aantrekkelijks. Men valt 
er weinig als bij de Duilschers over 
groolsche bedoelingen en kwasi-diep- 
zinnigheid. Ze hebben dit voor, dal ze 
over 'l algemeen helder zijn en vaak 
ongezocht dichterlijk. Whisller en Svvan 
zijn de eenigen die hier ee^ie serieuze 
kritiek tot hechle waardeering kunnen 
brengen. Whisller met zijn ongemeen 
dichterlijke verbeelding, zijn ielwat 
decoralievc neiging, toonde zich wat 
men zou kunnen noemen een kunste- 
naar die de psychologie van slemmingen 
door middel van kleur tot uitdrukking 
bracht. 

Swan's stilleven heefl uitstekende kwa- 
liteiten, maar is wat ondoorzichtig van 
atmosleer. Een knappe techniek be- 
schreef hel uiterlijk der dingen buiten- 
gewoon kranig, maar wist ze niet te om- 
hullen met dat bewogen ongewone die 
sommige oude Hollanders en nu nog 
Verster soms weet te suggereeren. Van 
den brons-modelleur Wells is hier een 
rustende boerevrouw, met in het gelaat 
iets van die diepe physische uitstraling, 



welke evenals bij Millet's rustende wijn- 
gaardenier verzuiverd wordt en ver- 
geestelijkt in de sfeer der schoonheid. 

Legros verplaatst ons met zijne etsen 
en teekeningen bij voorkeur in eene 
wereld van zinnebeeldige voorstellin- 
gen. Eenvoud bij schijnbare gecompli- 
ceerdheid is het kenmerk van dit werk. 
Hel is als de aandacht van een kinder- 
lijke verbeelding die te luisteren zit aan 
hel vlammende haardvuur van oude, 
primitieve verrukkingen 

Da u mier, met zijn ontzagwekkende 
meening, die een wereld heefl doen ont- 
stellen door de bovenmenschelijkheid 
van zijn rechtenden hoon, hij toont zich 
in zijn Wagon 3"^ klasse tevens een schil- 
der met een zeer algemeene levens- 
houding Een zeer gewoon, physiek 
sterk ontwikkeld wijfis geschihlerd in 
een loover van licht die haar bij alle 
enormiteit iels van een heilige geeft 
In Cour de jerint, dat waarschijnlijk 
van ouder datum is, ontwikkelt hij een 
schildermalig vermogen en een diepte 
van ziening bij eene eenigszins tragische 
geesteshouding die dit werkje in zijn 
eenvoud tot iets zeer bizonders stempe- 
len. 

Van Fantin Latour is hier ook zoo'n 
eenvoudig bloemslukje : dahlias, zeer 
gewoontjes gecomposeerd, maar toch 
mei eene zoo sterke uitdrukking van 
wat men het wezen dezer min of meer 
boersche sierbloemen zou kunnen noe- 
men, dat ze in de werkelijkheid uwer 
aandacht beginnen te fleuren en geuren 
als echte dahlia's. 

De diepzinnige Rousseau geeft in zijn 
Payxage een sterk sprekende weerslem- 
ming, het wonderlijk schijnen en reflec- 
teeren van door regenwolken onder- 
broken licht langs een groen- en ruig- 



118 




JACOB MARIS : Winter 
{met de iwlwillende toestemming der firma E. J. Van Wisselingh <t C*j. 



begroeide heuvelhelling, door een danr 
legen liggend, lange schaduwen wer- 
pend, boscbje. Achler den voorgrond, 
aan een waterige strook lager land, is 
eene vrouw bezig aan 't spoelen Het 
wil van hel waschgoed iszeerstemming- 
suggereerend. 

Mauve geeft niel zijn Auond zeer sterk 
den HoUandschen toon aan. Men niag 
het wal donker vinden van voorgrond, 
maar hoe innig geelt <lit onderwerp : 
een boer met melkemmers en koeien 
tegen het slreepende kimlicht, de 
avondlijke poëzie van ons weideland 
weer. Hoe aandachtsvol is het verloop 
der kim gevolgd, van het licht naar het 
oostelijk duisteren, vaag in de schemer 
van den komenden, dauwigen nacht. 

Van de Marissen is Jacob eigenaardig 
vertegenwoordigd door een magistrale 
schels van een onstuimige zee. Van hem 
zijn er verder nog een aantal land- 
schappen, zee-en stadsgezichten en een 
paar jagertjes te paard. Van Willem 
Maris is Koeien aan den plas wel een der 



zuiverste en compleetste schilderijen KUNST- 
die hij maakte. Van hem noemen we püpTpo'ppxT 
dan nog de krijtteekening Koeien aan öt-KlChl 1 HIN 
een plas. met het myslerieuse lichtge- UIT DEN HAAG 
waar om een molen, die voor het titel- 
blad van de catalogus gereproduceerd 
werd. Matthijs, er is van hem hier een 
van die tot de ragste droomverbeelding 
gelransformeerde landschappen : Moni- 
martre, een gezicht over huizen met 
erfjes Verderop rijst het terrein heuve- 
lig met gestruik, gebouwen en verre 
vierkante molentjes tegen het nauw 
bewogen luchtgewelf als vol van ver- 
stild, uitgezegd verlangen, waarvan het 
aêmlooze beweeg blijft in een atmosfeer 
van uitgesponnen ge|)einzen, opgelost 
in die een weinig vlottende lucht. Rechts 
van de zich naar omhoog wringende 
tuinmuren, toeven, eendrachtelijk da- 
lend, eenige figuurtjes. Achler de muren, 
in een tuin, schemerlicht het ijle wit van 
een kapje en — meer op den voorgrond 
— omward door een omgeving van 
ruigte en wonder geheimzinnig licht, 



119 



KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT DEN HAAG 



tooit zich voor een spiegel?) zoo'n i)rin- 
cesselijk figuurtje : rag als droomen, 
teer als gepeinzen. 

Er is nu nog éen waard na dezen 
bizonder herdacht te worden : Verster. 
Ook hem ontranken de bloemen der 
schoonheid. Dit SlUleuen is niet uit zijn 
< stillen » tijd. De hartstocht is laaiend 
nog en uitbundig. Hier is zij van een 
warme en diepverzadigde verrukking. 
Het diep-bruin fond is geschilderd 
niet als fond maar als de algemeenst 
voorstelbare verbeeldings-achtergrond. 
Rembrandt schilderde in dezen geest 
een fond. 

Er zijn veel schilders die we nog 
zouden kunnen noemen : Israéls, Meu- 
nier, Breilner e. a. Onder de etsers 
zou 't nog Bauer zijn. Maar we willen 
met 't oog op de veelheid ons tot dezen 
slechts bepalen. 

^^^^^^^^^^ 
DE HOLLANDSCHE TEEKENMAAT- 
SCHAPPÏJ IN PULCHRI STUDIO >c^ 
De Teekenmaatschappij die eenmaal 
in het jaar een maand lang vergaart, 
vult in die dagen de zalen van Pulchri 
met de meest superieure aquarellen die 
in het kort verleden voltooid werden. 
Terwijl de pas gestorven leden Gabriél 
en Rink hunne inzendingen nog zelf be- 
paalden, zorgden andere handen er voor 
dat Weissenbruch en Poggenbeek met 
de deugd van hun werk een geheel vak 
vulden. Nu hebben de Londensche in- 
zendingen den laatste meer goed gedaan 
dan over 't algemeen den eerste. En 
toch vormen deze vakken te samen 
een eigenaardig overzicht van het ver- 
loop onzer landschapskunst. Terwijl 
van Weissenbruch's werk in Koeien aan 
een sloot en De Hengelaar, nog even 
de romantiek woedt en de elementen 
stookt tot een buitensporig doen, ge- 
baart reeds in de Trekvaari^ met 
wezenlijker en waardiger houding, 
een zuiverder natuur. En mag men 
de Schemering een dier teederzinnige, 
wonderslemmige en geheimnis-volle 
uitingen van het harlstochtvoller im- 
pressionisme vinden, in de Schets ver- 
heft zich een natuuraanschouwing in 
zoo wijdsche vlucht lot ijlste hoogten 
van ziening, dat hier ook weer een on- 
bewuste drang opwelt het impressio- 



nisme als een der meest aeslhelische 
en kunsthistorisch onvergankelijke 
uitings-perioden in aandachtvolle liefde 
te erkennen. 

Van de z. g. romantiek over het im- 
pressionisme voert een weg naar de 
médidatie. Poggenbeek was een dier 
schilders — het wordt in deze collectie 
voelbaarder — die door het bezonkene 
hunner stemmingen, die door hun aan- 
dacht voor het meer puur geestelijke 
in de natuur deze in getransformeerden 
staat deden opleven en zoo doende 
reeds onbewust een reactie vormden 
tegen het impressionisme. Zijn enkele 
werken hier nog te beschouwen als 
eene directe reflectie daarvan, in ande- 
re als b. V. Liggende Koe, Schemering 
en Hoog Water, vinden we enkele der 
essentieélste elementen van beide 
kunstsoorten harmonisch versmolten. 
En deze verhouding is 't juist die niet 
zal nalaten steeds eene innige bekoring 
uit te oefenen op de teederen van zin. 

De catalogus volgende ontmoeten we 
van Akkeringa : Kleine broer, een genre- 
matig werkje waarvan de dichterlijke 
realistiek doet denken aan onze jongste 
novellistische kunst. 

Hel is jammer dat Bauer hier niet 
vollediger vertegenwoordigd is met 
werken naar Spaansche motieven, die 
naar het éene aanwezige staal : Kathe- 
draal te Toledo, te oordeelen wijzen op 
een daadsverkelijker uitbeeldingsver- 
mogen. Er is een goud-zonnige Blora- 
mers meteen zuivere karakteristiek der 
bezige figuurtjes. Van Gabriél een mo- 
lensluk met expressieve avondslille, 
koel naar "het Oosten en met een tin- 
telend leven van even ros en purper 
en goudkleurige bruinen van riet, ruigte 
en lucht aan den zon-kant. Israéls' in- 
zending : vier teekeningen geven hem 
van verschillenden kant, een naaiend 
meisje voor het raam lokt tot mijme- 
rend peinzen; de ankerdragers en de 
wachtend^ groep aan hel strand verha- 
len van het leven aan de zee. De prach- 
tig diep gekarakteriseerde pannekoeks- 
bakster met de open aandacht der kin- 
deren daarom heen, is zuiver schilder- 
malig van handeling. Het is rakelend in 
het diep glorend vuur van het leven, 
de sfeer is die van het geheimzinnige 
en welhaast die van het wonderbare. 



120 




P. J. C, GABRIËL : Drenthe 
(me/ de luelwillende toestemming der firma E. J. Van Wisseiingh <Sr C»). 



Isaac Israéls* pastel is vermeldens- 
waardig vooral om de diepe rake 
karakteristiek van den neuzenden oude. 
Van Swan noleeren we een nacheffect : 
de magische gloed van puma-oogen 
in een blauw-naclilelijke omgeving. De 
Zuid Amerikaansche legende : The cap- 
live Maldonado prolecled bij piimas is 
mooi-Ienig en soepel van atmosferische 
teekening. 

Verster : Dorplmis te Borger. Dit is 
als een heizingende zang van geluid- 
looze uren. Het is de uiiing van een 
onverstoorbare en eenzelvige. Hel heeft 
een verte om zich, wijd als een wereld- 
ruimte. Het staat als een merUtecken 
onverwoestbaar in den tijd. Het is een 
uiting van een wónder-begenadigde, die 
als heimelijk licht een wereldziel in 
zich ronddraagt. 

Gedenken we dan nog de aanwezig- 
heid van meer of minder goed werk van 
Basterl, C. Bisschop, Breitner, Haver- 
man, Kever, Lhermitte, Liebermann, 
Mesdag, Ter Meulen (een paar frische 
teekeningen). Hink (episch, in eene leuk- 
rake, gemoedelijke, soms blije, soms, 
als in de Visschcry naar het machtige 
wijzende omschrijving van het « type "), 
W. Roelofs Jr (een stilleven, wal ver- 
ward door veel groen, maar met 
opmerkelijk goede kwahteiten in de 
vischparlijen), Wilsen en de Zwarl. 

H. D. B. 




^^^^^^^^la^^ KUNST- 

P. J. C. GABRIËL t == BERICHTEN 

R zijn onder de oude P. J. C GABRIËL 
garde een drietal 
schilders geweest, 
wier beteekenis zich 
zeer nauw aaneen- 
sluit. Jacob Maris, 
Weissenbruch en Ga- 

briél. Willem Maris was niet in dien 

volstrekten zin een landschapschilder 

als zij. Gabriél's werk had een lyrischen 

aard, dat van Weissenbrucii was in 

tegenstelling daarmee meer episch. 

Heftiger gebaart in diens werk de na- 
tuur. Jacob Maris scheen deze beide 

elementen te vereenigen : zijn aard is 

meer — steeds in tegenstellingen ge- 
dacht — naar het dramatische. GabricI 

was de dichter van het polderlandschap. 

Hoewel hij veel bij Kortenhoef gewerkt 

heeft en in Drente — op de expositie 

Wisseiingh was nog zoo'n Drenlsch hut- 
ten-geval met een magnifieke, teedere 

verle — heeft toch niemand zoo zeer als 

hij zijn naam aan het eigenlijke polder- 
land verbonden en de poëzie van deze 

zoo bij juitstek Hollandsche streek doen 

geluiden in zijn werk. Weissenbruch gaf 

meer een verdiept type van dit land, 

GabricI leende het land zelf een stem. 

We hebben onlangs ter gelegenheid van 

zijne expositie bij BufTa het karakter 

van zijn kunst reeds in deze rubriek 

trachten te typeeren en verwijzen daar 

naar. 



XVa. 



121 



KUNST- 
BERICHTEN 
P. J. C. GABRIÉL 



Gabricl was een minnaar van och- 
tenden, wanneer hel zonlicht de nevels 
van het koele polderland klaart en in 
difTuse straling een wijdsche glorie 
fspreidt. Van avonden die met stil-vlot- 
tende weemoed het ruischende rietland 
met zijn roode houten molens om waren. 
Maar ook heeft hij de blakende middag- 
sliltc van zonnedagen veHolkl met zulk 
een natuurlijke kracht, dat aanstonds in 
't oog moest vallen dat die dichterlijke 
mijmeraar achter een teeder gemoed 
toch ook een machtigen zin voor het 
sterk uitgcsprokene borg Is er wel 
iemand die zoo pittig en met zoo tref- 
rende soberheid die eigenaardigste 
hoekjes van ons waterland : riet- en 
struik-omgeven eende-korven aan een 
stronkige staak, droogende palingfui- 
kcn aan een ruig omgroeide vaart, heeft 
gegeven? Die zoo karakteristiek de 
eenzame strekking der bijna rechtlijnig 
omdijktc polderlanden met hun leger 
van windmolens, de donkerende sil- 
houetten van baggeraars in een door 
kabbelend, wónder-lichtend polderwa- 
ter omgeven schuit. Zoo zijn er onder- 
werpen die men haast niet zou kunnen 
schilderen, zonder dat de herinnering 
aan hel werk van den meester er min 
of meer het karakter van directie oor- 
spronkelijkheid aan zou onlnemen. 
Felle effecten, het lichten van een bre- 
kende wolkenlucht achter de tonige en 
diep gloedende silhouetten van een door 
ranke boomen omgeven pover huis, 
heeft hij met onvergelijkelijke veelzeg- 



gendheid een uitdrukking weten te ge- 
ven. 

Maar wat het innigst, het eigenlijkst 
zijn teeder besnaard gemoed ontsprak, 
wat het zuiverste, het wezenlijke ademt 
van dezen waarlijk superieuren, dicli- 
terlijk aangelegden geest, dat ziju de 
frisch-blije dageraads-stemmingen : ge- 
zichten op het Oosten, waar als dronken 
van den eigen luister het licht koml 
tuimelen uit de hooge kim, — de lichl- 
verzadigder ochtenden : boven de damp. 
omvangen streek van water, riet, 
land en molens, staat, nauw vermoed. 
de zon als een verheven aardsclw 
luchter, die wijdsch stralend zijn reis 
begint, — de in sonoorder toonaard 
gestemde avonden : uit een vlak-be- 
wolkte lucht met rosse en gele gloelin- 
gen, gloort tegen de diepkleurige 
silhouet van een rood houten molen, 
wonder-stemmig het late lichl. Er is 
nog even de ruisching van nauwbewo- 
gen riet en in de luchtc kabbeling vnn 
water om spiegelende eilandjes van 
warm-bruine ruigte, venloft de slil- 
bevende glorie van den dag En hel 
geheel, het riet en de nevel-donkcre 
verte zijn zoo teeder om waard niel een 
heimelijke poëzie, de lucht is zoo vol 
van eene koesterende gemoeds-warnile 
dat de aandacht, innig verdiept, even de 
schijn van het onzienlijke meent te ont- 
waren. En een schilder die dit weet Ie 
suggereeren, kan met zekerheid zijn 
naam geschreven welen in het boek 
der eeuwigheid. 

H. D. B. 




122 



DE DRIEJAARLIJKSCHE 



TENTOONSTELLING TE HRUSSEL 



(1) 




|EN heeft van deze Tentoonstelling veel kwaad I)E DRIEJAAR- 
gezegd, hoewel ze, alles wel beschouwd, al LIJKSCHE 
niet beier of slechter was dan een der vorige. TENTOON- 
Zooals trouwens bijna altijd het geval is, schit- STELLING 
terden de waarlijk superieure doeken, de TE BRUSSEL 
meesterslukken, bijna geheel door hun afwe- 
zigheid, hoewel ik er toch een twintigtal 
waarlijk interessante en ongeveer een vijftig 
goede stukken heb kunnen opteekenen. Voor 't overige bestond dege- 
heele slww uit ongeveer drie honderd middelmatige producten en een 
duizendtal lorren. Daar de jury dit jaar buitengewoon toegevend was, 
werd het cijfer van deze laatste noodzakelijkerwijze grooter dan de 
vorige jaren. Maar over 't algemeen kan men zeggen dat het niveau 
der kunst zich vrij wel gelijk is gebleven. 

Dat wil zeggen, dat er nóch meer, nóch minder interessante wer- 
ken waren dan in de vorige tentoonstellingen. Bij den aanvang van 
haren arbeid, had de plaatsingscommissie een zeker ziftingsproces 
trachten toe te passen. De eerste kleine zijzaaltjes, b. v., uitkomende 
op zaal VII, verraden duidelijk de zorg, die men besteed heeft aan het 
zooveel mogelijk bijeen brengen van de beste stukken in één vertrek, 
en om aan de groote meesters geen andere buren dan hun gelijken of 
in ieder geval slechts de meest belovende beginners te geven, ten einde 
het effect van het eene doek door dat van het andere te verhoogen 
en daardoor een aangenaam geheel te verkrijgen. Juist in deze kleine 
zaaltjes waren, zoo al niet de beste stukken der tentoonstelling, dan 
toch het grootste gedeelte der merkwaardige doeken vereenigd. 

Later echter, toen de commissie door de groote massa schilde- 
rijen overstroomd werd, heeft zij klaarblijkelijk het hoofd verloren en 
maar blindelings allerlei producten aanvaard, ze hudje bij mudje aan 
de wanden opgehangen, al naarmate ze uit hun withouten doodskistjes 

(*) Sep ember-November 1903. 



Onze Kunst 1903, Afl. lï, XVI 



123 



DE DRIEJAAR- 
LUKSCHE 
TENTOON- 
STELUNG 
TE BRUSSEL 



werden opgedolven en hel gouvernemenl ettelijke kilometers houten 
schotten en nieuwe lootsen liet optimmeren. Er bestaat zelfs nu nog 
reden om te gelooven dal, indien het openingsuur van deze schilderijen 
kermis niet eindelijk geslagen had, de commissie nu nog doende 
zou zijn met deze Sisyphusrots, of het vullen van dit val der Danaïden. 

Een hoogst deerniswaardig en grotesk vertrek was hetgene dal 
aan den Godecharles-wedstrijd was gewijd. Het was duidelijk aan deze 
monsterachtige composities te zien dat de mededingers geen flauw 
begrip van geschiedenis hadden, en dat ze van mythologie, volksover- 
leveringen, godsdienstleer en symbolismus geen jota verslonden. Hel 
was literair en geschiedkundig geschilder, in denafschuwelijkstenzin 
van hel woord. Maar in welk licht worden poëzie en historie ook ge- 
woonlijk aan onze schilderscholen onderricht! Het geheugen van al 
die stumperls wordt overladen met namen, data en opschriften. Nooil 
doet men hun den zin, de schoonheid, het fluide van een gebaar, een 
karakter of een gebeurtenis gevoelen. In plaats van door goede lectuur, 
gevoelde beschrijvingen, levendige voorstellingen van het verleden, 
van sympathie trillende commentaren en ontledingen van geschiede- 
nis, voor helden, gedichten en sagen, hun geestdrift op te wekken, 
— zet men hun niet anders dan het geraamte, de mummie, de ledepop, 
hel opwarmsel van vergane eeuwen voor. 

Toch was er inderdaad éen sensatiesluk (om een modewoord Ie 
gebruiken) of liever een stuk dat sensatie maakte, ingezonden voor den 
wedstrijd, namelijk : de Venus van Henri Thomas. Aan deze Veuus was 
echter absoluut niets mythologisch te bekennen, ze stelde, op eenigs- 
zins ironische wijze misschien, een zeer moderne « schoone » voor. 
In een eer slordig dan elegant négligé, voldeed ze absoluut niet aan 
de eischen van den wedstrijd, en de juryleden, die niet anders zijn 
dan slaven van den vorm, zullen het zeker niet in hun hart durven 
halen om hel werk van dezen echten schilder te bekronen. Het is een 
stuk van een inderdaad verbazende techniek, vooral wanneer men 
bedenkt dal deze beginneling nog maar heel jong is, terwijl het nog 
meer onze verbazing en bewondering wekt door het karakter, de 
uitdrukking, het scherp opgemerkte en de perversiteit van het t}T)e, 
dat hij als model heeft gebruikt. Men vindt er al de handigheid van 
Manet en de geest van Felicien Rops in weer. 

Dit is wel de echte lichtekooi, met lippen geverfd in een prikke- 
lend rood, met eer bruin dan blank vleesch, waarvan de ontbloolte 
schouders de ronde vormen van een irritanten boezem toonen; die tinl 
en dat vleesch zijn in verwonderlijke harmonie met de zachte kleur 
van verwelkte rozen van haar rokje, met het groen van een papegaai, 
die op den kant van het bed zit en die bij deze Venus van de vliering- 



124 





K 

O 
•o 

C/3 

Z 

-t: 
cc 

b 



c 



STELUNG 
TE BRUSSEL 



kamer, de plaats inneemt van de onafscheidelijke duif der godin van DE DRIEJAAR- 
Cylhera. Dit stuk heeft inderdaad sensatie gemaakt en loonde ons een LIJKSCHE 
schilder van 't echte ras. Thomas was er verder nog met een stuk J^fJ^tvr^t!" 
De roode Trap dat een even gunstig getuigenis aflegde van zijn tempe- 
rament en zijn techniek. 

In plaats van aan de Venus van Thomas, zal de jury de Gode- 
charlesprijs misschien wel aan Isidore Opsomer toekennen, voor zijn 
drieluik Het Verloren Paradijs, hoewel dit stuk, op den keper be- 
schouwd, ook maar nauwelijks aan de voorwaarden van den wedstrijd 
voldoet. Dit zou alleen hel geval met het middenluik zijn, het meest 
middelmatige van de drie, voorstellende de verdrijving van Adam en 
Eva uit het Paradijs, door den engel, dien de schilder heeft goed ge- 
vonden om ons op een paard voor te stellen! De twee zijluiken, met 
de Antwerpsche Dokkers, vooral het rechlerluik, waar een moeder 
naast het bedje van een allerliefst kind — een meisje — geknield ligt, 
bezit onmiskenbare verdienslen van teekening en compositie. 

Het schoonste doek van het geheele salon, was zonder eenigen 
twijfel Het Nest van Frans Courlens. Het was een van die stukken, die 
volkomen picturaal zijn, en, zoowel wal schildering als compositie 
betreft, volmaakt. Deze dieren, die door onze christelijke beschaving 
met bijna evenveel geringschatting en verachting behandeld worden 
als door de wet van Mozes, en die algemeen als vuil en verwerpelijk 
worden beschouwd, hoewel Homeros ze in zijn Odyssee en Theocrilos 
in zijne Idyllen, met sympathieke toegeeflijkheid bezongen en geprezen 
hebben, worden door Frans Courlens behandeld met een zekere wel- 
willende coquetterie. Kortom en zonder ons in lange periphrasen te 
verwarren, Frans Courlens had ditmaal varkens geschilderd; een 
zeug, die met haar pas geboren biggen rondscharrell door hel groene 
bosch, — een half dozijn rosé biggetjes — cupidootjes van allerliefste 
kleine varkentjes, kneuterend en knorrend en met hun rosé snuitjes 
snuffelend, dicht tegen elkaar aangedrukt om de kille van hel koele 
bosch of tegen de breede glinsterende flanken van hun eerwaardige 
moeder. En de groole kunstenaar heeft met al den toover van palet en 
penseelen, dit intiem en huiselijk tooneeltje verlicht. Hij verheerlijkt, — 
hij rehabiliteert, in een decoratief zoowel als in een plastisch opzicht, 
deze slachtoffers von onzen tegenzin, die we bij hun leven verachten 
om hun na hun marteldood de hulde van onze lekkerbekkerij te bren- 
gen. Want Frans Courlens heeft hier aan deze nederige dikhuidigen 
een ware apotheose bereid. Met welk een rijkdom en overvloeiende 
weelde heeft hij het spekglanzend gewaad van deze onnoozele Iruff'el- 
zoekers doen schitteren en glanzen in rijke refleksen! Hun schubbige, 
harige huid is rijker en verblindender geworden dan pauselijk paars 



125 



DE DRIEJAAR- of koninklijk purper ; — zijde noch fluweel, moiré, satijn, peluche noch 



UJKSCHE 
TENTOON- 
STELLING 
TE BRUSSEL 



brokaat, vertoonen rijker, vuriger refleksen, iriseerender streeling van 
tinten en tonen. Ze zijn glanzend als een geopend kleinodiënschrijn. 
Het rood van robijnen, zonsondergangen of vlammen van brand, 
noch het purper van hun eigen bloed helaas, dat daags vóór de kermis 
door den slachter vergoten wordt, is zoo inlens van leven en gloeing, 
als die ééne brandende vlek, die de schilder midden in het oor van 
die vruchtbare moeder heeft gelegd. En op dat strooisel van gloeiend 
goud, dat uit zonnestralen schijnt te zijn geweven, heeft de toovenaar 
van de kleur, die geringe en gesmaadde dieren, die parias van de 
schepping neergelegd. Machtiger dan Circe, die de gezellen van 
Ulyssos in zwijnen veranderde, heeft Courtens van die nederige dieren, 
een apotheose van schitterende goden gemaakt. De mesthoop is een 
brandend braambosch en 't varkenshok een berg Thabor geworden. 
Nooit, zelfs niet in zijn beroemde Gouden Herfsten, heeft Courlens 
zich zoo sterk, en in zulk een mate, als de colorist bij uitstek onder 
onze hedendaagsche Vlaamsche meestei^s, doen kennen. Behalve zijn 
prachtige Varkens, heeft hij nog twee andere mooie en interessante 
doeken : Onder de Beuken en Morgen geëxposeerd, twee stukken vol 
licht en vol droomen, waar de figuren- en dierenschilder zich lot de 
hoogte van den landschapschilder verheft. Want een der heel groote 
verdiensten van Courtens bestaat hierin, dat hij, evenals de groot- 
meesters van de schoonste tijdvakken, alle genres weet te behandelen 
en zich superieur toont, zeker van zijn techniek en de middelen die 
hij aanwendt, welk onderwerp hij ook verkiest aan te vatten. 

Van de Ongeroepenen van Eugène Laermans, heb ik mede een 
zeer gunstigen indruk ontvangen. 

Een ellendige vader en moeder, met hun vier kleine kinderen, 
waarvan het eene nog maar een zuigeling is, verbannen en uitgesloten 
door de ongastvrije bevolking van het dorp, dat ze doortrekken. 
Zelden heeft Laermans een in zulk een mate roerend tooneel met 
zulk een fluide van noodlot geschilderd. De weg, die langs een stil- 
staand water en een hoogen muur loopt, kronkelt heen naar een 
prachtig verschiet, en bij een wending van het pad, dicht bij hel 
kruispunt van een smal steegje, dat naar de kerk heenvoeit 
ziet men de klokketoren boven eenige daken en hooge boomtak- 
ken uitsteken. Daar staat een troep boeren, groote en kleine, de 
stakkerts op het voorplan uit te jouwen en na te schreeuwen. De 
moeder drukt het kleinste tegen zich aan, — een jongetje loopl 
naast haar, zich angstig vastklampend, aan haar schamel rokje, 
en een hangen blik werpend op het onheilbroedende, verraderlijke 
water, waartegen de borstwering maar een onvoldoende beschutting 
is. De angst van den kleinen jongen schijnt volkomen gegrond. 



126 



Hel spiegelen van dit stilstaande water is al even somber en DE DRIEJAAR- 
sinister als die bleeke, koperkleurige lucht, dat valsche daglicht en LUKSCHE 
het grimmige schaterlachen van den horizon. Men zou zeggen dat de TENTOON- 
dingen en het wezen der dingen met de inboorlingen samenspannen ^AELLlMi 
om die arme Ongeroepenen te verjagen. Natuur en menschen trekken *^ ^ "" ^ 
één lijn. Het kleine meisje, dat haar moeder bij de hand houdt, heft 
haar gezichtje, meteen heel goed begrepen beweging naar het hare 
op. Een ander, grooler meisje, dat tusschen haar vader en het kleine 
zusje in loopt, schijnt eveneens gehypnotiseerd te zijn door dat drei- 
gende water. De vader, onder zijn last gebogen, ziet met meelijdende 
oogen zijn kleintjes aan. Alles, tot zelfs de straatsteenen, die ze 
betreden, schijnen het op de stumperls gemunt te hebben. 

Wij zagen met groot genoegen, dat de uitstekende schilder meer 
en meer van zijn vroegere, noodlottige neiging terugkomt om van 
zijn Nederigen der aarde, een soort van karikaturen te maken, om 
hun profllen van microcephalen toe te deelen en er, in plaats van 
menschen met zenuwen, spieren en beenderen, een soort van vogel- 
verschrikkers aan een kapstok van te fabriceeren. Ditmaal echter 
waren de gezichten interessant, en zelfs bijna schoon, en hij heeft zijn 
toevlucht niet hoeven te nemen tot monsters en gedegenereerden om 
ons medelijden op te wekken. Zijn kunst is hooger en reiner gewor- 
den, zonder aan oorspronkelijkheid iets te verliezen. 

Een. zeer begaafd artist, een vrij en krachtig bewonderaar van 
levendige tonen en schitterende kleuren, Marten Melsen, moeten we 
waarschuwen tegen een tamelijk goedkoope, maar daarom niet minder 
fatale neiging van overdrijving en grimassen trekkende hansworste- 
rijen. Behalve een sappige Melkster^ en een drietal smakelijke /on^e/ï5, 
die nestjes uithalen^ door de zon verbrand en typisch, die zouden 
kunnen dienen als illustratie bij een vertelHng van Süjn Streuvels, 
heeft hij een Landelijk Avondgezelschap tentoongesteld, waarvan de 
compositie en de verlichting amusant zijn, maar juist wat de teekening 
betreft, een beetje leelijk gezien en grotesk, en een Kermis^ pastel, die 
bepaald onaangenaam aandoet door den spottenden en sarcaslischen 
geest, die er uit spreekt. 

In verband met deze boerenstukken van Melsen, wil ik de niet 
minder veel belovende en reeds mooie en stevige stukken van een 
jongen Antwerpenaar, Walter Vaes vermelden, waarvan ik vooral den 
Vlaamschen Liedjeszanger uit den Spaanschen tijd, op prijs stel. 
Het was oorspronkelijk voor mededinging aan den Godecharles wed- 
strijd bedoeld, maar, evenals het werk van Thomas en Opsomer, 
schijnt het mij maar onvoldoende aan de gestelde eischen te voldoen. 
(Het is ergerlijk, hoewel tamelijk pikant, dat de eenige goede 
schilderijen die aan dien wedstrijd deelnamen, niet echte geschied- 



127 



DE DRIEJAAR- 
LIJKSCHE 
TENTOON- 
STELLING 
TE BRUSSEL 



kundige werken konden zijn ; zoo ook de Scheepsjagers van Van 
Beurden). De compositie van Walter Vaes, een zonderling mengel- 
moes van realisme en archaïsme, mei den een beetje dooden en 
afgestomplen toon van stoffige tapijten, ademt toch een geur van 
landelijke gezondheid uit, en brengt echt Vlaamsche typen vol goed- 
jonstigheid en naïveteit op het tooneel, zonder iets van dal triviale, 
dat m. i* zooveel boersche tooneelen ontsiert. 

In denzelfden zin moet ook Piet Verhaert met lof vermeld worden, 
voor zijn Vylenspiegel, hoewel dit schilderij wellicht niet volkomen in 
overeenstemming mei hel onderwerp is, en wij het iets van het 
archaïsme van den heer Vaes zouden hebben toegewenscht. De jonge 
zeeman, die staal te zingen, gelijkt inderdaad zeer weinig op den 
Uylenspiegel van de legende, en de zeebonken, die naar hem luisteren 
hebben niets weg van de Geuzen uit de XVI<^ eeuw. Het looneel speelt 
in den tegenwoordigen tijd, maar wanneer men deze realistische 
opvatting aanvaardt, kan men niet ontkennen dat ze op aangename 
wijze behandeld is. De compositie er van is goed gevonden, de schil- 
dering stevig, en de typen zijn welgekozen en passen goed bij elkaar; 
het kranige voorkomen van den zanger, het aantrekkelijke blonde 
gezichtje van Nele, die haar Thyl op de fluit begeleidt en *t lieve 
snuitje van 't kind, dal zit mee te zingen, zijn in sterke tegenstelling 
met de scherp geteekende, bonkige gezichten van den trommelslager 
eti de overige zeelui. 

Onder de merkwaardige schilderijen, waarin de menschenfiguur 
een hoofdrol speelt, haal ik nog aan, zoo maar op mijn geheugen 
vertrouwend : de Wachter van den Vuurtoren en de Vrouw uan 
<ten Visscher van August OlefTe, nog al duister, maar zeer beslist, 
en zeer fijn gevoeld, vol karakter en van een buitengewoon eigen, 
personeelen stijl, eigenlijk meer een uitgewerkte teekening, dan epn 
bepaald schilderij, omdat de kleur, zooals men in dit land van 
warme, — vaak zelfs vreemde en kakelbonte tonen, kleur verstaal, — er 
maar voor weinig tusschcn is; Vader Jacob van A. Boudrjs is ook wel 
een beetje zwart en rookerig, maar er ligt veel gevoel in dit schilderij 
dal bovendien met veel zorg geleekend i^. Mijn Buurman, van den 
armen grooten Door Verstraete, die in dit salon ook een landschap, 
of liever een zeestuk had tentoongesteld, vol van een wonderbaar licht 
en doorschijnend zwevenden ether; de Virtuoos van Léon Brunin, 
een, nu ja, knap saamgesteld stuk, maar porceleinachtig geschilderd, 
met blauwsel- en bessensapkleuren die aan een slechten Verlat of aan 
de ergste school van Weimar doen denken; Bekentenis en Bij de 
Armen van André Collin, een eerlijk leekenaar en een melodramist 
als Slruys van de eei-ste periode, zoo niet een eerste-rangs schilder. 
De Roode Koeien van Frans Simons, worden door zulk een onfraaie 



128 





OS 

< 

X 



R * au té 
^ H * '^ « 

So si 

|I3S 

- S « C 





c 
c 

u 

§ s 

< i 



koewachtster geleid, dal men meenen zou dal de schilder er om gewed DE DRIEJAAR- 
had om nu eens iets heel gemeens Ie schilderen I Gelukkig zond hij LIJKSCHE 
ook een Terugkeer uit den Stal en een Landschap in, die len minsle TENTOON- 
niel zoo hinderlijk waren: drie plukken van Jacob Smits, mystiek en J^IELLING 
ingetogen, met dat diepe, fluweelachtige blauw en gloeiend rood, ^titsni^MiL 
die de laatste manier van dezen schilder kenmerken. Een heel volle, 
woelige en ingewikkelde teekening, die de Mensch-God wordt betiteld, 
gaf ons het handig crayon van Jan Delville. Het Lied van Liefde 
van Auguste Levêque, nogal banaal in de keus der modellen en van 
een zonderling gedraaide, weinig gracieuse houding, ten minste zoo- 
ver het de vrouw betreft, is toch interessant als naakt-studie van een 
degelijk schilder ; van denzelfden Levêque een Paulientje met een 
vrij gemeen snuitje, maar zeer netjes aangedaan en eindelijk óok 
van Levêque, een Marteltooneel, dat geheel mislukt is ; van Pieter 
Jacob Dierckx Spinsters, reeds elders gezien, maar steeds even ver- 
dienstelijk ; verder goede Saaktsludies van Jef Leempoels, altijd een 
knap teekenaar en degelijk schilder; het Kind van Gouweloos, waarop 
ik, toen het in den Kunstkring te Brussel w^erd tentoongesteld, reeds 
de aandacht vestigde; Vrouwelijkheid van Maurits Blieck, een naakte 
vrouw van achteren gezien. De delicate vleeschtoon van de schouder, 
is in wondervoUe harmonie met het leedere groen, hel roze, het wijn- 
rood en hel zeer gedistingeerde rood. 

De Nettenboeters en Garnalenvisschers van Edgar Farazijn, zijn 
vooral interressant om de grillige wijze waarop het licht om hun 
silhouetten speelt; Saar de Kerk, van Frans Van Leemputlen, is een 
eenvoudig dorpswegje, waaraan de schilder een ontroerden toon, 
een bekoorlijke beteekenis heelt weten te geven en waar men meer en 
meer in komU vooral als men de twee brave Kempische vrouwljes, 
die naar de mis gaan, meer aandachtig beschouwt ; Winteravond van 
Mevr. Madeleine Lemaire, een van de beste stukken der gansche 
exposilie, gaf ons twee merkwaardig interessante figuren van twee 
goede, oude burgermenschjes, die geheel als portretten zijn opgeval. 
Als Philemon en Baucis, zitten ze zamen in hel hoekje van den haard, 
zij, in herinneringen verloren, te droomen vóór haar spinnewiel, en 
hij met hel hoofd gebogen, nog dieper weg in zijn oude herinneringen, 
terwijl er een kaarsje achter hen staat te branden en een onzichtbaar 
krekellje of een klokje, hen wiegen met hun tik-tak of hun teeder 
kriek-kriek; Italiaansche muziekanten van Frans Smeers, waarvan de 
compositie tamelijk woest en ordeloos ineen geflanst is, de figuren uit 
't lood zijn gezakt, de eene links en de andere rechts valt, en de 
aandacht van den beschouwer wel eenigszins vierendeelen, maar die 
al deze gebreken goed maken door de magnifieke kwaliteiten van 
kleur en verfstof, die de meeste artislen van Ie Sillon eigen zijn. 



129 



TE BRUSSEL 



DE DRIEJAAR- Eindelijk noem ik nog Uitdaging van Firmin Baes; een Oude Geschie- 
LIJKSCHE denis van Jacoby; en de Koopman mei Luchtballonnetjes^ van Georges 

TEN i (JON- Morren, en de Schippers, de Kolendraqers en de Wakers van E. Van 
rnf- liiifVt^c'VT Mieghem, die wel eens de lang verwachte schilder zou kunnen wor- 
den der origineele bevolking van hel Antwerpsch schipperskwartier. 
Wanneer we nu tot de portretten overgaan, vinden we al dadelijk 
eenige kranige werken, o. a. van J.-E. Blanche de Kinderen van Meur. 
Langeweil en Claude Debussy^ de moderne componist, die onlangs de 
Partituur voor Pelléas en Méiisande heeft geschreven; twee andere van 
Mevr. L. S. en Mevr. F. V. door Isidore Verheyden, nog een van onze 
heel goede schilders, die zijn magistraal talent voor alle genres weet 
te gebruiken. Verder een van Dangès, in de rol van EscamUle door 
Ph, Swijncop, van een Violonist door M. Wagemans, nog een van 
Zevenberghen en enkele andere van Roll, Flameng, Gabriêl Nicolet, 
de Jans, Richir, Rassenfosse en MIchel ; een paar pastelteekeningen 
van Devaux en Walter Vaes, zonder de fijne miniatuurtjes van Louis 
Moreels, de jonge prinsen van Croy^ Mevr, X en den Kleinen Max 
te vergeten. Onder de dierenschilders heeft, na Courtens, Geo 
Bernier misschien het meest solide werk tentoongesteld : Een Paard, 
dat door een Stier wordt aangevallen; wat beweging betreft zeer goed 
begrepen, maar wat plat en zwaar van kleur. 

De landschapschilders zijn talrijk; ik had bijna gezegd dat ze ons 
overstelpen, aangezien het genre van zijn beoefenaren, volgens zekere 
opvatting, alleen maar de eerste beginselen van teekenen, geen studie 
hoegenaamd van anatomie en slechts zeer betrekkelijke rudimenten 
van stijl en compositie vergt. Maar dit belet niet dat er enkele zeer 
belangrijke landschappen ter tentoonstelling aanwezig waren, te 
beginnen met de landschappen met dieren van Courtens, die we reeds 
hebben vermeld. Verder de Stralende Nacht vsm Jozef Heymans, dat 
etherisch visioen, die ijle plek tusschen de boomen in den nacht, die 
symphonie in zilver en blauw, waar vage gedaanten van vrouwen, 
nimfen of sylfiden ons aan zekere stukken van Corot, en ook aan de 
muziek der Elyzeesche velden in Glück's Orpheus doen denken. De 
drie GilsouFs, waarvan er twee tot de beste schilderijen van den jeug- 
digen meester gerekend mogen worden : zijn Docht aan de Brugsche 
vaart, een half synthetisch stuk van de Vlaamsche vlakte, met haar 
peinzend water, haar sappige weiden en haar optochten van boomen. 
Zijn Huizen bij een vaart^ met hun malsch-roode daken, die spits 
hoog tegen den opalen hemel afleekenen en die prachtig, door den 
vochtigen spiegel van het water worden weerkaatst. 

Paul Mathieu was er ook met drie goede doeken, heel teeder 
van toon, lief en innig zooals onze landschapschilders ons sedert 



130 





cc 
< 

< 



X 

;^ 

cc 

CQ 

c o 



ii o 



den dood van den een beetje vergeten Meester : Huberti, niet DE DRIEJAAR- 

meer hadden gegeven. Ik weet niet aan welk van de drie ik de LIJKSCHE 

voorkeur zou geven. Waar Mathieu ook maar zijn ezel neerzet, in TENTOON- 

de Kempen, in Vlaanderen of in Holland — overal vat hij dadelijk STELLING 

TP RRIISSFI 
de eigenaardige, ik had bijna gezegd verborgen bekoring van ^ o^uooill, 

het land en verstaat even goed het vertrouwelijk gefluister van de 

groote wateren der Merwede, als de weemoed van de wolken, de 

resignatie der heide en van de duinen, de blonde, lachende blijheid 

der Brabantsche vlakte. Laat mij verder nog een woord zeggen over 

de lancischappen van Jules Merckaert en Armand Apol, van den 

eerste, vooral een Oud Dorpsplein^ met devote aandacht gezien; van den 

tweede, een Zonsondergang in een Eikenboscli, waar de oranje tonen 

van de lucht prachtig overeenkomen met het reeds omnevelde groen 

van het hooge hout. Dan waren er nog twee zeer solide en suggestive 

landschappen van L. A. Roessingh : Stormweer en Avond; uitstekende 

inzendingen van Isidore Meyers, vooral zijn Mystieke Uren^ dat heel 

evocatief en pakkend was; krachtige en gezonde zeestukken van 

A. Marcette, doortrokken van de stoute en mannelijke poëzie van het 

open, wijde visschersle ven en nog een heel mooie marine: Hooge Vloed 

van Maurits Blieck; Garnalcnuisscher van Baseleer, was heel origineel 

gezien, een kunst van eenvoud en abstractie. 

Ferdinand Willaert en Fr. Taelemans leverden stadsgezichten ; de 

eerste is heel knap in het weergeven van de droefheid der oude 

stadskwartieren in Gent, terwijl de ander het Antwerpen van vóór 

1880 voor onze oogen doet opleven, met al het aantrekkelijke 

van een colorist, de sympathie van een dichter en de liefde van een 

kind van 't land. Zeggen we verder nog een woord over de doeken van 

Frank Spenlove-Spenlove, van den onlangs gestorven Eug.Verdyen, van 

Piet Stobbaerts, Henry Houben en Herman Courtens, den zoon van den 

meester; — over de religieuse binnenhuisjes van A. Delaunois, een 

magnifieke Keuken^ van G. Van Zevenberghen en van Alfred Ruytinx 

een Stilleven met figuren, die de schoonste van Feyt en Snijders naar 

de kroon steekt. En dan nog de akwarellen van Uytterschaut, Theo 

Hannon, Cassiers, Titz, Maurits Hagemans en Mevr. Gilsoul-Hoppe. 

De Fransche beeldhouwkunst was prachtig vertegenwoordigd 
door Rodin's Burgers van Calais^ wonderen van uitdrukking, van 
scherpe physionomiek en plastische schakeeringen. Nooit vóór hem 
heeft iemand aan gekneedde en gemodelleerde klei zulke subtiele en 
teedere indrukken van de moreele zijde van een mensch weten te 
geven. Het is een bij uitstek gevoelige kunst, vol van een geheel 
modern fluide, wellicht dat ze met die van Rops in zijn etsen, een van 
de ontroerendste is uit het laatse vierde der vorige eeuw. 



XVII J3J 



DE DRIEJAAR. 
LIJKSCHE 
TENTOON- 
STELLING 
TE BRUSSEL 



Conslantin Meunier exposeerde zijn heerlijke groep Moederschap, 
die deel uitmaakt van zijn Monument van den Arbeid (*) ; Jef Lambeaux 
was er met Gebeten Faun, een machtige lyrische schepping, vol van het 
overvloeiend leven der heidensche tijden en een overborrellende 
sensualiteit ; Victor Rousseaux had er een schoone groep van vrouwen : 
De drie Zusters van de Illusie, van een bijna klassieke, half Fransche 
kunst, die ons aan de gratie van Canova en Clésinger, en meer nog aan 
de elegantie van de Florenlijnen deden denken. Julien Dillens zond 
een prachtig en statig brok marmer in, een borstbeeld : de Vrede; 
Paul Dubois een machtige groep van zinnebeeldige beleekenis, 
de Gerechtigheid^ die hij aan den vroegeren minister Lejeune opge- 
dragen had; Jules Lagae zijn Moeder en Kind^ Alfred Madoux een 
decorativen Stier, 

In de kleine zaaltjes voor teekeningen en pastels vond ik veel 
mooie en pikante dingen, o. a. een heel schoone teekening van 
Firmin Baes : Hel Kind. 

Eindelijk, in de afdeeling voor Toegepaste Kunst ^ figureerden vier 
prachtig geborduurde paneelen, de Vier Jaargetijden^ door Me\T. 
Hélène de Rudder, met feëenvingeren uitgevoerd ; kleinodiën en een 
ontwerp voor een electrische lamp van Wolfers, met nog enkele 
juweelen van Mevr. Alice Chanal, zonder van de proeven van meu- 
belen en andere voorwerpen te spreken, waar men gerust een afzon- 
derlijk opstel aan wijden mocht. 

Maar ik geloof reeds genoeg te hebben gezegd om aan te toonen 
dat dit salon, waarop zooveel is afgedongen, de aandacht van de 
bezoekers wel verdiende en ons in staat gesteld heeft om kennis te 
maken met een aantal interessante en een half dozijn superieure 
doeken. En is dat niet al wat men verwachten kan van zoo'n groote 
en anti-artistieke instelling als deze schilderijen-jaarmarkten, waar 
het naast elkaar hangen van stukken, die tegen elkaar vloeken, ons 
een even koortsig en ongezond gevoel geven, of we in een benauwd 
gedrang waren geweest?... 

Georges Eekhoud. 




(*) Reeds vroeger iii Onze Kunst afgebeeld. 



132 







z 




p 




< 


X 


u* 


< 


y^ 


09 


t 






È 






DE TEEKENINGEN DER 



VLAAMSCHE MEESTERS 



DE LEERLINGEN VAN RUBENS 




MuoN Van Dyck (1599-1641). Van Dyck slaat DE TEEKE- 
nïs schilder ver boven de andere leerlingen van NINGEN DER 
Hul)ens; als teekenaar overtreft hij ze in VLAAMSCHE 
Lveu hooge mate. Ook in die hoedanigheid MEESTERS 
iieeft hij wel is waar veel geleerd van zijn 
meester, maar niet minder heeft hij aan de 
eigen oorspronkelijkheid te danken. Zijne 
ht'gaafdheid was in alle opzichten wonderbaar. 
Veel meer dan zijn leeraar was hij een wonderkind ; Rubens toch 
bracht zijn eerste werken van belang voort toen hij ten halve de 
twintig was; van Dyck schilderde stukken, die men slechts met groote 
moeite van die zijns meesters kan onderscheiden, toen hij nauwelijks 
de twintig bereikt had. En zoo ging het ook met zijne teekeningen. 
Na die leerjaren en dien tijd van navolging, maakt hij zich los van den 
trant van zijn grooten voorganger, wordt hij zich zelve en brengt met 
het teekenkrijt een menigte meesterwerken voort, die in getal, in 
waarde en afwisseling dicht bij Rubens' scheppingen van gelijken aard 
staan. 

Als teekenaar en als schilder wijzigt hij zijn trant bij elk tijdperk 
van zijn kunstenaars-loopbaan en zoo wij in hem altijd den meester 
van het zwierige en het dichterlijke erkennen, weeker van gevoel en 
vorm dan de heldenzanger wiens lessen hij ontvangen had, dan ver- 
schillen zijne werken toch bij elke wisseling van zijn levensloop. Wij 
onderscheiden in zijne teekeningen die van vóór zijn reis naar Italië, 
die van zijn verblijf in dit land, die van na zijn terugkeer in het 
vaderland en die van zijn tweede verblijf in Engeland. 

Bellori getuigt van hem : « Rubens achtte zich gelukkig een leer- 
» ling naar zijnen zin gevonden te hebben die zijne samenstellingen 
» en teekeningen wist om te zetten om ze in koper te laten snijden : 



133 




DE TEEKE- 
NINGEN DEH 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



A. VAN DIJCK : HET VKHRAAD VAN JL'DAS 
(Louvre, Parijs). 

» onder deze aldus vertolkte werken vindt men den Aniazonenslag, 
» dien Antoon alsdan teekende. » Wij kennen veel meer van de wer- 
ken door hem voor Rubens' graveurs geteekend ; de Louvre bezit er 
zoo onder de tentoongestelde teekcningen zeven, die Vorsterman tot 
modellen dienden : Loth Sofloma verlaieiide, de Aanbidding der Her- 
ders, de Aanbidding der Koningen (twee verschillende bewerkingen) 
den Terugkeer uit Egypte, de Afdoening van het Kruis, den H. Francism 
de litteekens ontvangende. Weinige teekeningen van dien aard vindt 
men elders : het prentenkabinet van de Ermitage te St. Petersburg 
bezit nog den //. Micliaël de engelen neerbliksemende, die Vorsterman 
tot model diende; de Albertina : de Sederlaag van Sennacherib die 
Soutman sneed. Niet alleen naar Rubens* werken vervaardigde hij 



134 




A. VAN DIJCK 

CHRISTUS, BESPOT DOOR DE SOLDATEN 

(LouvTC, Parijs). 





A. VAN DIJCK : Studiehoofd 
(Albertina, Weenen). 

zulke teekeningen, naar zijn eigen stukken voerde hij ze ook wel eens de TEEKE- 
uit. De Louvre bezit in zijn portefeuilles een prachtig stuk door hem NINGEN DER 
naar zijn eigen schilderij Christus met doornen gekroond door Schelle a VLAAMSCHE 
Bolswert afgebeeld. Al die teekeningen zijn met de grootste zorg be- MEESTERS 
werkt, in malsche, zuivere trekken met vaste hand gehaald, de glan- 
sende, volle kleur van Rubens en ook van den van Dyck uit dien tijd 
uitmuntend weergevende. Zij zijn uitgevoerd in zwart krijt. Rubens 
hertoelste die welke naar zijne werken werden gemaakt met inkt en 
witte waterverf. Van Dyck toonde zich hierin een leekenaar, zoo vol- 
maakt en zoo keurig als men het van een graveur kan verwachten. 

Geheel anders doet hij zich voor in de schetsen, die hij voor zijn 
eigen schilderijen in deze zijne leerjaren maakte. Somtijds zijn het 
niet veel meer dan losse krabbelingen in weinige minuten op het papier 



135 




A. VAN DIJCK : Schets naar een schilderij van Tiziano Uacopo Pesaro, bisschop van Paphos, 
wordt door paus Alexander M aan den H. Petrus aanbevolen) thans in het Antwerpsch Museum 
(Italiaansch Schetsenboelc van van Dijcic. Hertog uan Deoonshirt, Chatsworth). 



DE TEEKE- 
NINGEX DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



geworpen en alleen de groepeering der figuren aangevende, en zelfs 
dan, wanneer hij wat nauwer de vormen der personages aanduidt, 
doet hij dit met vlugge hand zonder zich om de bijzonderheden te 
bekreunen. In een paar lijnen geeft hij een hoofd aan, een paar 
schreeQes voor de oogen, twee rechte lijntjes met een dwarsche daar- 
onder voor den neus, alles vlug weg, scherp gehakt, als door iemand 
die een invallende gedachte opteekent. 

Talrijk zijn de werken van dien aard Tot de oudsle behooren 
zeker die welke het Verraad uan Judas helmndelen. Een dezer bezil de 
Louvre, het is een heel andere samenstelling dan die der geschildei^de 
stukken. Judas vat Christus bij de hand; nevens Christus aan de eene 
zijde staat een engel, aan de andere dreigende soldaten, iipostelen 
slapen op den grond, in de hoogte ziet men banieren en liinstMi, breed 
geteekend met de pen, gewasschen met inkt. Twee andere bewerkin- 
gen van hetzelfde onderwerp bevinden zich in de Albertina, heide noy 
schetsachtiger, een vierde in het Prentenkabinet te Berlijn* vervaarlijk 
wild samengeveegd met bister. Van denzelfden tijd zijn voorzeker de 
krabbeiing voor de Üoorneiikroning in South-Kcnsington Museum 
(Dyce Collection) en de meer uitvoerige maar nog altijd romantische 
samenstelling uit het British Museum, die evenals de eerste sterk ver- 
schilt van de schildering. Van die vroegere jaren dagteekenen nog de 
H. Drievuldigheid en zijn eigen portret in den Louvre, de Kruisiging 



136 




A. VANDIJCK: 

DE NEDERDALING VAN DEN H. GEEST 

(Albertina, Weenen). 





A. VAN DIJCK : DE H. DRIKVULDIC.HEID MET E:ENE HEILIGE 

(Kasteel van Chantilly). 

van Sint Petrus en O. L. V. aangeroepen door heiligen in de Albertina, \)]^ TEEKE- 
de Nederdaling van den H. Geest en de Martelie van een heilige in de XINGEN DER 
Ermitage, een andere Martelie, bij graaf Ducliaslel-Dandelot te Brussel, N'LAAMSCHE 
de Aanbidding der Herders en de Apostelenkoppen, studie voor een MEESTERS 
O. L. V. Hemelvaart, te Berlijn. Een aantal andere Apostelkoppen en 
de Bedelaarskop uit de schilderij van Saventhem in de Albertina wer- 
den eveneens voor werken van dien tijd geteekend of gekrabbeld. 

Van zijne Italiaansche reis bracht van Dyck kostelijke herinne- 
ringen mede. Naar meesters van over de Alpen teekende hij met de 
pen een heel studieboek vol, dat nu aan den hertog van Devonshire 
behoort, in 1899 te Antwerpen was tentoongesteld en in 1902 
door Lionel Gust werd uitgegeven. De meeste stukken zijn naar 
Tiziano, enkele naar andere meesters : Sebastiano del Piombo, Paolo 
Veronese, Rafaël ; soms wel eens naar een gravuur, naar een antieke 
schildering of naar de natuur. Over het algemeen zijn zij uitgevoerd 
in denzelfden vluchtigen, gehakten trant als zijne penschetsen van de 
vorige jaren ; hier en daar voegt hij er nota's bij om de kleuren aan 
te duiden. Buiten het boek van den hertog van Devonshire troffen 
wij nog enkele krabbelingen naar Italiaansche meesters, « pensieri di 
Tiziano », zooals hij ze doorgaans noemde, aan, namelijk een blad in 
den Louvre en twee in het British Museum. Studiën voor portretten 
uit Italië vindt men weinig of niet, een vrouwenportret te Berlijn kan 
tot die soort van stukken gerekend worden. 



137 




par. \r.: Petrus et . _ 
<fe Stderdaling vr.i n-; •. ... 
Ennilage, een ander» i •• 
^Aanbidding der H'-it' ..■ , 
0. L V. Hemelvaart, it ht-. . _. 
deBedelaarskopuildtscnLjf -.; - 
den eveneens voor weitCT. vu ,.. 
Van zijne Ilaliaansciit r-t ,•:. 
rivaiDtde.Xaarmeeslen.vai - . 
I*a tt2 bed studieboek vüL oa •■ 
^y--^- i= 1«99 ie Anlwerp«\: 

™"^'-"-^^ andere meest... . 

".•™*-^"^-««nsweleensnaa .. 
Ü:'"''""^'^''^^^ natuur, (her,. - 

"•^ ^ ostïr voed hii « 
r^\:;;-^7^naar,u,^^:__;_ 













DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



Na zijn terugkeer uit Italië herneemt hij de godsdienstige onder- 
wei pen voor zijne altaarstukken en teekent er schetsen voor. Sommige 
dezer gelijken aan zijn vroegere werken van denzelfden aard, andere 
zijn meer verzorgd ; alle zijn vol leven, licht van toets, hevallig van 
ineenzetting. Zoo zijn de Aanbidding der Herders^ de Nederdaling van 
den H. Geest en de O. L. V. met engelendans in de Albertina, Christus 
graflegging in Teylers Museum en de H. Drievuldigheid met den 
dooden Christus, bij graaf Duchastel-Dandelot, de prachtige studie te 
Chantilly voor den Engelendans, de Maler dolorosa en de O. L. V. met 
Jesus en Joannes in het British Museum. 

Zeer belangrijk uit dit tijdperk zijn de teekeningen, die Van Djck 
maakte voor zijn Iconografie. Het is nog niet duidelijk wat hij de 
graveurs der portretten dezer verzameling voor modellen gaf. Wij 
kennen een reeks van grauwschilderingen, waar\'an het grootste deel 
in het bezit is van den hertog van Buccleugh te Londen en waarvan 
enkele nummers, meer valsche dan echte, zoo wat overal verspreid 
zijn. Vermoedelijk was het naar die paneeltjes dat de plaatsnijders 
werkten. Er is een andere reeks geteekend op papier, meest altijd in 
potlood, soms ook met zwart krijt en gewasschen met inkt, die hoogst 
waarschijnlijk naar de natuur werden geteekend en dan in grauw- 
kleur werden overgebracht. Die teekeningen behooren tot het fijnste 
en geestigste wat de groote conterfeiter voortbracht. Zooals blijkt uil 
den Theodoor van Thulden, in den Lou\Te tentoongesteld, werden 
de draperijen op voorhand gereed gemaakt en de lioofden er later 
naar het leven bijgeteekend. Die hoofden zijn meesterwerk, uitgevoerd 
met de nauwgezetheid waarmee Van Dyck werken kon als hij wilde. 
Vooral zijne kunstenaars en geletterden zijn merkwaardig : er zit in 
hen meer geest dan stof; het zijn, men ziet het hun aan, mannen \^u 
beteekenis, slag\'aardig in den strijd der gedachte, schoon door 
geestesadel. Hunne houding is zwierig, altijd wat romantisch dichter- 
lijk, wat jonkerachtig. Het is de keurbende van zijn tijd, de schaar 
van mannen zooals hij ze verstond en met wie hij gaarne leefde. Men 
vindt de teekeningen zoo wat overal verspreid. In den Lou\Te 
Theodoor van Thulden, Jan Snellinx^ Robertus van Voersl, Simon De 
Vos; in het Petit-Palais te Parijs Lucas van Uden, in de Albertina 
Kenelm Digby, Petrus Stevens, Artus Wolfaert en Gevartius; in hel 
British Museum Hendrik Liberti, Henry Danvers, Endymion Porter, 
Horatius Genlileschiy Gaspar Gevartius (eene herhaling van het stuk 
uit de Albertina), in Teyler-Museum, Sebastiaan Vranckx, Peter 
Breughel de oude, Adam van Noort; bij den heer Heseltine te Londen 
Lucas Vorsterman, Jan WildenSy Adriaan Stalbent, in het prenten- 
cabinet te Stockholm Cornelius van der Geest, in het Museum te Frank- 
fort Adam De Coster; bij den hertog van Devonshire Jan Snellinx hier 



138 




A. VAN DIJCK '. 

DE AANBIDDING DER HERDERS 

(Albertina, Weenen). 





A. VAN DIJCK : 

JAN SNKLLINCX 

(Verzameling ïhï/i den llerUtg mm Devonshire, Chalsnmrth). 




ten halven lijve, in den Louvre alleen tot aan de borst gezien en DE TEEKE- 
Carolus de Mallery; bij den heer Léon Bonnat, nu het Museum van NINGENDER 
Bayonne : Anlonius Cornelissen en J. B, Barbé. In de oude catalo- VLAAMSCHE 
gussen treft men er nog andere aan, zoo bij Mariette de portretten MEESTERS 
van Marlinus van den Eede^ Geeraard Zegers^ Philippe Ie floy, Paul 
De VoSy Cornelis Sachlleven, Jacob Cachiopin. 

Tot van Dyck's laatsten trant behooren de teekeningen, die hij 
vervaardigde tijdens zijn tweede verblijf in Engeland, van 1632 tot 
aan zijn dood. Een drietal ervan bevinden zich in den Louvre : het 
manshoofd dat veel gelijkenis heeft met dat van Karel I, een recht- 
staande man in zijn mantel gedrapeerd en een studie van draperij, 
beide laatste niet ten toon gesteld ; ook in de Albertina treft men er 
een paar aan : een mansportret en een studie voor twee wapen- 
herauten; in de verzameling van Sir Ch. Robinson : Karel I met 
ronden hoed. Verreweg de meeste hooren toe aan het prentenkabinet 
van het British-Museum. Men vindt daar een heel dik pak stukken 
van denzelfden tijd en van denzelfden aard, meestal portretten, zeer 
breed geschetst in enkele trekken met zwart krijt op grauwbruin, 
grauwgroen of grauwgeel papier, groot van afmeting, grootsch van 
lijn, een geniaal ruwe aanleg voor afgewerkte aristocratische schilde- 
ringen, die heel de wereld bewondert : Karel I met zijn schildknaap^ 
James hertog van Richmond^ Lord John en Lord Bernard Staart, Lord 
Francis Villiers^ Jan hertog van Nassau^ Thomas Howard graaf van 
Arundel en tal van andere, onbekende, figuren. Tot denzelfden tijd 
behooren ook enkele vrouwenfiguren ; men vindt er van in het British 
Museum : koningin Henriette met een kind op den arm, de gravin 
van Exeter, de gravin van Bedford en andere meer. Het schoonste van 
alle, wellicht het volmaakste van al de teekeningen van Van Dyck is 
de lady Rich uit de verzameling Heseltine te Londen. 

Een verrassing brengen ons de portefeuilles uit het British Mu- 
seum : men treft er onder van Dyck's naam een menigte teekeningen 
van landschappen aan. Wie hadde het gedacht dat de saletjonker, de 
schilder van al wat wereldsch en aristocratisch en hoofsch was, ook 
smaak zou vinden in de schoonheid van veld en bosch ? Men gelooft 
zijn oogen niet en toch is het zoo. Nu eens zijn het natuurgezichten in 
waterverfkleuren : een hoeve met boomen en koeien ; dan een pen- 
teekening : wollig loof tegen een heuvel, geteekend A. vanüyckF. 163^\ 
dan een kerk op een heuvel met waterverf en inkt, en zoo gaat het 
voort; akkers of bosschen met of zonder huizen en menschen, een 
enkel maal een studie van groenteloof waar hij de namen gedeel- 
telijk in het Engelsch, gedeeltelijk in het Vlaamsch heeft bijgeschre- 
ven. Ook buiten het British Museum bij Sir Ch. Robinson en bij den 
heer Heseltine treft men zulke studiën voor landschappen aan. Van 



xviii 139 




A. VAN DYCK : GASPAR GEVARTIUS 
(Albertina, Wecnen). 

DE TEEKE- denzelfden tijd bevinden zich in het British Museum en in Windsor 

NINGEN der Castle eenige studiën van paarden met of zonder ruiter en van honden. 

VLAAMSCHE 

MEESTERS De overige leerlingen van Rubens, zooals wij het reeds zegden, 

staan verre beneden van Dyck, ook als teekenaars. Hun werken zijn 
min of meer getrouwe weerklanken van den trant des grooten mees- 



140 




A. VAN DIJCK : 

LADY RICH 

{Verzameling Heseltine, Londen). 





ERASM QUELLIN : O. L. V. OMGEVEN DOOR ENGELEN 
(Museum Plantin-Moretus, Antwerpen). 

ters, altijd verzwakt, verminderd, zonder merkelijke eigenaardigheid DE TEEKE- 
of kracht. Wij bepalen ons daarom bij een vluchtig overzicht van het- NINGEN DER 
geen wij van hen kennen. VLAAMSCHE 

Antoon Sallaert (omstreeks 1590 tot in 1647) was de oudste en MEESTERS 
een der beste. De Albertina bezit van hem een H. Petrus in zwart krijt, 
die op Rubens' naam staat, een H. Joannes geheel in denzelfden zwa- 
ren forschen trant en een glasraam. 

CoRNELis Schut (1597-1655), teekende veel en goed; hij was een 



141 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



behendig etser en zijn werken in zwart krijt, waarvan men er vele in 
de Albertina vindt, zijn somtijds in den trant van den graveur. Andere 
met de pen zijn nogal los gekrabbeld, zooals die welke het prenten- 
kabinet van Amsterdam bezit. 

Abraham van Diepenbeeke (1596-1675) was een onvermoeide teeke- 
naar, al de openbare verzamelingen bezitten bladen van hem ; in den 
Catalogus van Hoet's veiling worden er 218 stuks van zijn hand ver- 
meld ; bij Prins de Ligne 113; bij Crozat 110; in de Albertina zijn er 
een honderdtal, nagenoeg alle devote onderwerpen met gemak gedaan, 
maar zonder veel belang. 

Erasm Qüellin (1607-1678), was al weinig minder vruchtbaar; 
hij was de trouwste navolger en de geliefkoosde voortzetter van 
Rubens' werk. Wanneer de meester ophield zijne boekenversieringen 
te leveren aan de Plantijnsche drukkerij, duidde hij hem tot zijn op- 
volger aan. Het Museum Plantin-Moretus bezit tal vaiï penteekeningen 
door hem ten gevolge dier overdracht uitgevoerd ; in den Louvre en 
in de Albertina vindt men er insgehjks. 

Van Theodoor van Thulden (1606-1676), mag nagenoeg hetzelfde 
gezegd worden : zijne etsen voor de Pompa Introïtus Ferdinandi en 
andere werken van hem te Florence, in de Albertina en in het British 
Museum toonen hoe gevat hij den meester volgde en hoe hij dezes ver- 
trouwen verdiende. 

Van JusTUs van Egmont (1601-1674), en van de minder onmiddel- 
lijke volgelingen van Rubens, Peter van Lint (1609-1690), Gaspar 
VAN Opstal (1654-1717), bezitten wij weinig of niets; van den voorlaatste 
vermelden wij, voor het opschrift, een Profeet met een engel in zwart 
krijt op blauw papier in het Prentenkabinet te Rerlijn, waarop te lezen 
staat P. V. Lint fef a fresco a Madonna del Popoio a Roma. Het Mu- 
seum van Rrunswijk bezit van hem eene keurige teekening voor een 
boekentitel, in rood krijt. Ook om een der opschriften vermelden wij 
een der werken van Matthias van den Rergh. Het hoort toe aan het 
Prentenkabinet van Amsterdam; het verbeeldt een gezicht op een 
kasteel en draagt deze woorden : Van den berg rubens dissipel goet 
en tot alcmaer overleden naar 7 leven gedaen. Andere teekeningen 
van denzelfde in dezelfde verzameling dragen zijn handschrift en de 
jaartallen 1657, 1658, 1677 en 1678. 

(Wordt voortgezet). MaX RoOSES. 




142 



KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



UIT ARNHEM 




[■MO ON STELLING 
VAN TOEGEPASTE 
MODERNE KUNST 
^ Augustus-October 
\\m /u^ Om met 
h(?l minder prijzens- 
w.'iarde aan Ie van- 
gen : er zijn flrmaas, die door hun 
inzendingen van duizende futiliteiten, 
die men in een goedvoorzienen winkel 
vindt, aan deze tentoonstelling het ka- 
raktergeven van *n bazaar.Hiertoe reken 
ik de tallooze lijfsieraden ; ook heel veel 
aardewerk; ook toestellen voor baden 
en koken ; de haarden voor eetkamer en 
salon en bureau, voor huis- en heeren- 
kamer, waarvan ik de onderscheiding 
niet begrijp. Dan de ontelbare lampen, 
hoog- en laagstaande, van koper^ ge- 
flankeerd door kleinere gebruiksvoor- 



werpen van 't zelfde metaal. Ook de 
uitgever-bockverkooper draagt het zijne 
tot 't bazaarachtige bij, terwijl een en- 
kele 'n eenigszins gunstige uitzondering 
maakt door H inzenden van uitsluitend 
eigen uitgaven. En wat de kostuum- 
teekeningen en vaandels van de Delft- 
sche Studentenmaskerade hier doen, die 
wel een antikair, maar geen modern 
gebruiks-kachet dragen, begrijp ik 
heelemaal niet. 

Dit bazaarachtig voorkomen spruit 
voort uit de aanwezigheid van te veel 
dingen van de zelfde soort of van dingen 
die te sterk op elkaar gelijken. De 
plateelbakkerijen hebben hiervan het 
handje. Eén ding zag ik, dat me genoe- 
gen deed en nieuw voor me was : de 
geïmiteerde metaal-tegel, breed-sober 
artistiek met ouderwetsch kachet en 
gekleurd in overeenstemming met het 
onderwerp. Maar helaas aan veel meu- 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT ARNHEM 




Tentoonstelling te Arnhem : Inzending van « 't Binnenhuis * 
(Meubels van Berlage, v. d. Bosch en Sageluoort). 



143 




Tentoonstelling te Arnhem : Inzending van K. Van Lf.f.i'wen 
[Meubels van Zivollo, horduuru»erk van Mevr. Van Leeuiven, enz.) 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT ARNHEM 



beien van verschillende inzenders de- 
zelfde metaal- ot koperversieringen le- 
gen schuiflade of als deur-scharnier. 
Ook dezelfde wijze van inleggen met 
wil en zwart hout ; meest met zooge- 
naamd elpenbeen en ivoor. Wel mooi 
soms; maar ze doen elkaar Ie veel na. 
*t Zelfde mei de voorwerpen uit metaal. 
Wie is de navolger, wie de vinder? Of 
exposeeren hier meester en leerling ? 
Menig keer staal men mijmerend stil en 
vraagt zich al : zou er reeds stof zijn 
voor 'n geschiedenis van de Holland- 
sche gebruikskunst ? 

Soms zijn de meubelen slordig be- 
werkt. Ik trek*n lade open met aan den 
binnenkant de scherpe spiraalwinding 
van de koperen schroef. Aan dezelfde 
meubels waren doorkijk-naden. Gleu- 
ven waren dichtgepolitoerd. Ook de 
proeve van goedkoope kamermeubi- 
leering mist voor mij attraktie. 't Had 
kunst kunnen zijn door eurythmie van 
lijnen : harmonische vormverhouding. 
Maar *t zong niet : H huilde van ordi- 
naire goedkoopheid. 

Ook bij de veel betere meubel-inzen- 
dingen merkte ik gebreken van détail. 
Bij sommige waren aan de bovenstijlen 
van kastjes ingelegde versiersels, maar 
in patroon dat niet uitgegroeid was uit 



het geheel. Aan het trap-portaal, dal 
als geheel wel den indruk geefl van iets 
grootsch, hinderden mij de koperen 
schroefkoppen van de meubels en van 
de leuningstijlen, zooals ze niet door 
zwaluw-staarten, maar door schroeven 
vastzaten aan de traptreden. 

Maar er zijn ook meubelen vrij van 
dergelijke gebreken. Ik noem die van 
Pool, die van Huizinga, die van Chris 
Wegerif. Die van den laatstgenoemde 
maken door hun eenvoud en harmo- 
nische afmetingen een rijken indruk 
en zijn stellig wel mee vmh de beste der 
geheele tentoonstelling. Tot li vond ik 
wat kamerbekleeding belrefi, de kleu- 
ren lang niet alle in toon. lIcLzelfüe bij 
Huizinga, waar het roo^l van de bak- 
steenen vloekt met het overige l>e 
grondtoon — de grond loon die alles 
saambindt en doordrin^l, voor den 
schilder bestaat uit phinuuirklcm^d^ 
dat de kleurtjes tot kleur mntikl — die 
toon is veel teveel afwezii^ üji loeh ook 
in 'n eetkamer of woonkamer op z'n 
plaats. 

Ik vroeg mij af : als de heeren een 
salon moesten meubelen, zou die toon 
dan aanwezig zijn? 

In-der-daad, waar de dames aan het 
woord komen, is het reeds beter. De 



144 




i'-^ « 



: h / 



!•• ■ ( M iit I I \ St. MA.'mi:x» 
(/. .!. ƒ•.«ƒ, J/.. lUttirL.Ing). 



baliU-iifiIcclin^, Insji's, znUdoik-clozcsi, 
cnkadrenicnUM), vlocihockcn, l>()ekl):»n- 
den, Infcl-loopcrs. InfolUlccdrii, por- 
lièrcs -- (lal alles is reeds veel lianno- 
lüschcr, zoowel in oni^ievinj^, a'.s ooU 
onderlintf door kleur en i)alroon. De 
modellen s'.enniïen overeen niel de lijn- 
versierinj;en van de honlen meubels en 
toonen niel veel ve!sehei(!enheid; waar- 
<loo:* Irouwens de Nerkoopbaai held, 
wegers de enorme pi j/cn, \erd\\ ijne.» 
zou Maai' de kleuren zijn zóó r]j'<. zio 
kraehü;*, liep. ('oi.ker, z( o selii .ei\ nd. 



lieh', lieliier, zoo leer, zaeh', ziji.^, dat KUNST- 



men de ba.iks vooral in dil opziebt be- 
wonderen moei. Ze maken den indruk 
van iels wal leefl : al lieb ik j^een knop, 
blad of bloem tol nu «gevonden in een 
palroon. 

Ver;:elijk er mee. andere baliks, oii- 
eindij4 j^ekonipliceerder, oneindij^ moei- 
lijker, I unlij^er van model, mei eindc- 
h)os ««eduld en eindeloozen lijil saamge- 
go:e:i^ maar dcod als een pier en in 
'ï ;;elieel niel arlisüek — en de waarde 
\a 1 de eeis (• <Iiipj^l z!eh .enjeroj) 



liERICHTEN 
UIT ARNHEM 




'Jfiiloï»nsl lliiiK Ie Ai'nluin : Inzending van K. W. limnimTttK t^ Zoon 

[MriÜK s vdii l . lilhns). 



115 



KUNST- 
BERICHTEN 
CIT ARNHEM 



ÜIT 
ANTWERPEN 




REMBRANDT : FLORA 

(naar de fotogravure, uitgegeven door 

Scheltenm & Uolkema's Boekhandel,. 

Er is nog 'n afdeeling, 'n kleine, maar 
volmaakt in zijn soort, smaakvol en 
elegant : ik bedoel die waar de refonn- 
kleedingstukken tentoongesteld zijn 
van Madame de Vroye. 

Over deze kleedingstukken zelve kan 
ik niet oordeelen; maar de lijnen van 
de wandversiering herhaalden zich 
rijker in het kleed op den vloer : terwijl 
het meubilair, de kasten, van ziiver- 
grijs-ahorn, met deels noest, deels vlam 
in de verschillende paneelen, in een 
salon op hun plaats zijn. 

Er is nog wel iets wat ik mooi vind. 
Het zilver van Amstelhoek; het PYicsch 
houtsnijwerk van Neellje Lettinga uit 
Beltzum; ook de schaak-figuren van de 
bcensnijders van der Gronden uit Oos- 
terbeek; en de talloozc doozen en kist- 
jes en kastjes van den houtsnijder 
Corbcek uit Arnhem. Ook de ontwerp- 
détail-teckeningcn van Le Comte en 
eenige teekeningen naar de levende 
natuur van de Haarlemsche school 
voor kunst-nij verheid. Ook de stoffen 
van de Hengelosche zij weverij, machi- 
naal en uit de hand ; benevens de tapij- 
ten van Stevens. 

Maar de eikenhouten eetkamer-be- 
timmering van Beriage-Hillen is, hoewel 
groolsch uit één stuk, toch weer één 



groote kleur-dissonant. Wat men niet 
kan zeggen van de parketvloer van Van 
Malsem en de wandbetimmering er bo- 
ven ; waar\'an de deur in 't midden, 
met zijn uit verschillende houtsoorten 
ingelegde bloemfiguren in rijk gesne- 
den posten, op zich zelf reeds 'n waar 
prachtstuk is. 

Maar toch, ondanks het vele goede, 
wekt deze tentoonstelling den indruk 
van halfheid. En, zooals het spreek- 
woord zegt, op halfheid rust iets anders 
als zegen... 

Bij *n volgende gelegenheid strenger 
keus : het bazaarachtige gemeden : de 
kunst op den voorgrond : de utiliteit 
tijdelijk er achter : zooals in het eenig- 
zinshalfsachtige begripswoord in al zijn 
variaties toch inderdaad kunst numero 
één is. 

Beekbergen, by J. WiNKLER PrIXS. 

Apeldoorn. 

UIT ANTWERPEN ^^^^ 

JOTÜGRAVÜREN EN 

i:Tsr:N naar oude 
A moderne mees- 

TKHS > UITGEGE- 
VEN DOOR SCHEL- 
Ti^MAi&HOLKEMAS 
HO JK HANDEL EN 
TENTOONGESTELD DOOR DEN NE- 
DERLANDSCHEN BOEKHANDEL ƒ 
KUNSTZAAL LEYSSTRAAT >o^ Het 
versieren van onze kamers met 
afbeeldingen naar werken van groote 





A. VAX DIJCK : WILLEM II VAX ORAXJE 
(naar de fotogravure uitgegeven door 
Scheltema A liolkema's Boekhandel). 



146 




G H. BREITNER : DAMRAK TE AMSTERDAM 
(naar de fotogravuie, uitgegeven door Scheltenm & Hoi ke ma's Boekhandel. 



meesters komt meer en meer in gebruik. 
De onovertroffen verzameling kool-fo- 
tografieén van Braun bieden liierloe de 
rijkste keus. Maar wie nog voornamer 
uitgevoerde afbeeldingen vvenscht, op 
mooier papier en met dieper, fluweeli- 
ger tonen, met verrassender liclilefTec- 
ten en geheimzinniger cluaroscnro.,. die 
kieze een fotogravuie of lieliogravure, 
dat is : een op koper gebeten fotografie, 
gedrukl als een ets of burijngravurc. — 
Scheltema & Holkema's Boekhandel 
heeft er een heele reeks van uitgegeven, 
in portefeuille of smaakvol geënca- 
dreerd zonder witten rand, als heusche 
schilderijen Ze werden te Antwerpen 
voor de eerste maal tentoongesteld : 
V oreerst de prachtige reeks uit het 
bekende Rembrandl-werk, dan nog 
weer eenige Rembrandls op extra for- 
maat (60x70 zonder den rand) ; verder 
ineestersl ukken van eenige der meest 
bekende oude Hollanders; dan enkele 
Rubensen, van Dycken, van Eycken, en 
eindelijk nog Duilsche, Ilaliaansche en 
Fransche meesiers. Daarbij zijn de mo- 
dernen niet vergelen, met J. Maris, 
Israéls, Breitner e a —Moderne Vlamin- 
gen onlbreken,- maar men kan natuur- 
lijk niet alles inééns verlangen. Naast 
<leze fotografische afbeeldingen, een 
aanlal reproductieve zoowel als oor- 
spronkelijke etsen en lithografieën, met 
namen als Dake, Baue-, Graadt van 
Roggen, Derkinderen. 

Een alleszins merkwaardige verzame- 
ling dus, die we verspreiding toewen- 



schen op vele kamer wanden, tot rijk KfTVQT. 

sieraad en beslendigen oogenlust. i>i-dï/-ut^i-xt 

3 BERICHTLN 

UIT 

^^^^^^^^^^ ANTWERPEN 



UIT BRUSSEL 




|endrik Luylen heeft 
het winterseizoen in 
den Kimstkring met 
een tentoonstelling 
zijner werken ge- 
opend. Zooals men 
weet debuteerde deze 
Kunstenaar met zijn opgang makende 
Stniggle for Life, een werkstaking, 
welke wij nu in den Kunstkring terug- 
gezien hebben, ditmaal als drieluik 
behandeld en waarin we de verdiens- 
ten van het vroegere werk, hier als 
het ware steviger geworden, weder- 
vinden. Het is een mooie compositie, 
flink geteekend vol leven en beweging, 
waarin alleen de zwartachlige tint en 
het ietwat goedkoop melodramatische 
effect ons minder bevallen. Luylen 
toonde ons verder een andere hervat- 
ting van een zijner vroegere stukken : 
zijn Avondzang, een koewachlsterlje 
dat hare beesten naar den. stal, brengt. 
Er waren zelfs twee schilderijen met 
ditzelfde onderwerp ten loon gcsleld, 
beide even mooi en even meesterlijk 
behandeld. 

Verder uitstekende porlrelten, zeer 
verscheiden van toets en van modellen : 
de eene met zware penseelstreken ge- 



Urr BRUSSEL 



XVII Ia. 



147 



KUNST- 
BERICHTEN 



borsleld, gepleisterd haast — de andere 
zorgvuldiger, fijner gepenseeld. 

Onder het dertigtal tentoongestelde 
UIT DORDRECHT smukken willen we enkel nog vermelden : 
Steenbakkerij in volle zon ; Oeslerbank, 
in het vroege morgenlicht; October aBU- 
trekkelijkejnnig-gevoelde voorstelling; 
en vooral Storm : een visschersgezin 
rond een wieg geschaard, terwijl de 
woedende zee zonder twijfel de afwe- 
zige vader ter schipbreuk voert — een 
even pathetisch doek als de diepst ont- 
roerde en best geschilderde van een 
Israéls. 

Een uitstekende expositie dus welke 
Hendrik Luylen alle eer aandoet. 

G. E. 



UIT DORDRECHT 




IXPOSITIE HENKES > 
DORDRECHT'S MU- 
SEUM >o^ Deze 
tentoonstelling doet 
vreemd te midden 
van het ongeregelde 
Dortsche museum. Er 
hangen daar naast goede en schoone 
dingen als het Kind met de kat, van 
Jacob Maris, of het geweldige mist- en 
avonddamp-volle gezicht op Amster- 
dam, van Breitner, veel onverschilligen 
en noch der moeite noch het aanzien 
waard. Daartusschen huizende Henkes! 
Kent ge 't genre ? Het is al oud en heeft 
een oerhaaltje in zich. Het is aangenaam 
voor de meesten. Wat vertellen ze 
elkaar, de twee kletsende vrouwmen- 
schen; wat doet de uitdrager voor 
geheimzinnigs voorhet raam? Ik schreef 
dat de Hollanders in hun hart stilleven- 
schilders waren, maar van dezen zou ik 
dit niet durven beweren. Want, hoewel 
uiterst stil, is het niet meer levend. Hoe 
wel uiterst vervelend, is het uiterst 
dood. 'n Schilderij heet de Regenten : 
vier oudcrwetsche heeren en een slafe- 
lijke man, die ze een brief overreikt. 
Het kreeg eens de gouden médaille. 
Van waar kwam die gouden médaille 
toen toch aan, en hoe wandelde hij 
officieel allicht juist, in de werkelijk- 
heid en voor de eeuwigheid zoo aller- 
wonderbaarlijkst verkeerd ? Zijn het 
Zebedeussen^de gouden médailles, moe- 



ten ze altijd verkeerd wandelen ; is er, 
een uitzondering, soms een die wél den 
weg bewandelt? De heer Henkes ont- 
ving uit de handen van een commissie 
dan de gouden médaille. Daarmee moest 
hij den dood vergulden. Hij moest daar- 
mee het slappe julfie dat zijn kunst is 
een kleurtje geven. Zelf had ze geen 
kleurtjes. Zelf verblijft zij in de oud- 
bakken huisjes met versleten zonlicht 
op een achlergeveltje. Zelf drinkt ze 
thee en breit ze en heeft ze een te 
groote bril, onder de muts, op *r neus. 
Deze kunst is dooier dan dood. Ze 
hoort in de ellende van de Hollandsche 
achttiende eeuw thuis. Het genre is een 
bemind genre. Zelfs Allebé, de fijne 
schilder, vindt het verhalende in een 
schilderij een genoegen en een titel als 
een Visite geeft te denken, vindt hij. 
Bakker KorflF, de spitse, en Allebé, de 
degelijke en keurige schilder, ze maak- 
ten ondanks deze lieflalligheid hun « te 
denken gevende .• werken tot iets, Allebé 
soms tot veel. Hij vergat zich soms wel 
eens en schilderde een schoon stilleven 
of een romantisch fijn Duitsch-achtig 
intérieur. En Bles? Hij was van een 
nare gemakkelijke geestigheid. Hij had 
het soort Semitische aardigheden die 
te duidelijk, uiterlijk te delicieus gezegd, 
zijn. Maar Henkes heeft niks dan dufheid. 
Deze zet hem apart. Dit is zijn type. Hij 
heeft een soort van groen en of *t nou 
een landschap is of een spiegel met 
reflexen, het groen is Henkes' groen, 
naar éen praecept bereid. Hij heeft éen 
soort menschen, en die zijn altijd dood, 
en éen soort licht : Huislicht. En er zijn 
charmant goeiige menschen die hun 
geld hiervoor geven. Ze zijn ook al 
gestorven — en ze komen zoo de muflTe 
Slyx overvarend in hel land der wezen- 
loozen waar de Meester (zie katalogus) 
< wandelende kranten » beschouwt. De 
Meester wuift kleinsteedsch-edel met de 
hand zoo hij ze ziet aankomen. Hij 
wendt het eindeloos-diepzinnig gelaat 
naar den kooper en excuseert zich : 
« Juist bezig met een keuken, maar de 
afi'c schilderijen staan in de achter- 
kamer ». Een lange lijs slaat daar en 
draagt den titel : Bus voor den koop- 
prijs. Een deur, groen geschilderd, is 
versierd met een pastel en een calligra- 
phisch ornament a W. C. b. Het water 



148 



pruttelt in de gelegenheid. En onder 
deze indruk-in-ze-zingende en melo- 
disch ze dood latende muziek zweeft de 
wezenlooze bewogen naar de bus en 
stort zijn koopprijs, en neemt in den 
laten na-middag langs den Meester 
gaand, het werk mee. 

Plasschaerï. 



BERICHTEN 
UIT DORDRECHT 



UIT DEN HAAG 




llLLEM MARIS BIJ DE 
FIRMA BÜFFA >o^ 
Dezelfde Eendensloot 
die een deel uitmaakte 
van Willem Maris' 
groep in Pulchri is nu 
door den schilder 
omgewerkt tot machtiger geheel. Een 
door enkele statige wolken verlichte 
lucht wordt bijna geheel afgesloten 
door hoog warm-kleurig gestruik aan 
den walkant van een sloot, waarin een 
moeder-eend met haar gouden kroost 
drijft. Rechts rijst uit den kant een uit- 
geschoten wilg die door haar teer lente- 
groen een luchte schaduw sluiert over 
het in zachten cadans gebrachte water. 
Het bizondere van dit schilderij is, dat 
't niet als velen in dit soort weinig 
verder gaat dan eene brillante kleur- 
notitie, maar dal 't eene complete com- 
positie is die al zeldzaam volledig de 
illusie van leute geeft. 

Tegelijk met dit zeer voorname schil- 
derij willen we even noteeren een dier 
molen- en weidekant-gezichten die den 
schilder in de laatste jaren meermalen 
bezighielden. Over dit natuurgezicht 
licht de triomf van den zomer die de 
weiden siert met den uitbundigen vlam- 
mentooi van groen, van rosse water- 
planten, en die de nevelverten klaart 
in de vreugde van haar hoogen lach. Er 
is lansend riet, ritselend bewogen onder 
den drachtigen adem van een geuren- 
voerende wind, er is een vagelijk, maar 
schoon gekleur van wat leeft in die 
verten, het steen-rood van het jak eener 
vrouw met een spichtig wit geitje onder 
de wijdsche spanning van een blauw 
hemelgewelf, door van hetle witte 
wolkjes schaarsch verlucht. 

Jeugdiger is de hartstocht die een 
aquarel voltooide, dateerende van een 



10- è 15- jaren terug. Ze lijkt me nog KUNST- 
vaq vroeger datum te kunnen zijn. Het 
roodbruin van een koe kleurt warm en 
wonderstemmig in den dag, het voor- 
grondje is mooi en doordacht van 
behandeling, fluweelig en sappig, de 
wilgen zijn zeldzaam volvoerd. Ze 
heeft niet de méér volmaakte volheid 
van het vorige werk, maar ze schijnt 
zoo innig een slemmingsvol gemoed 
ontgroeid, dat ze sympathiek is als 
weinig werken uit geestvollen aandrang 
ontstaan. 



EXPOSITIE ZILCKEN >c*^ Ziicken 
heeft een Fransch voorbeeld gevolgd en 
in zijn atelier ^Hélène Villa) een expo- 
sitie van eigen schilder- en teekenwerk 
gehouden. Het heeft wel iets vóór zoo 
iets te doen in de intimiteit van een 
atelier, maar er is een gewoonterecht 
dat — ook wat lijsten betreft — eenige 
officieliteit vraagt en mag eischen. 

Deze expositie geeft een aardigen kijk 
op den artiest Ziicken, maar of hij met 
dit, naar we vermoeden, het intiemste 
deel van zijn oeuvre het brevet van 
meester-schilder heeft verworven is te 
betwijfelen. Er is hier geen enkel schil- 
derij dat men nu een « doorwrocht » 
werk zou mogen noemen. Tot diepe 
rijpheid is er welhaast geen een door- 
gevoerd. Het lag in den aard der zaak 
dat zulk werk mogelijk zijn koopers 
vond en hier dus gemist wordt. 

Maar elk schilder is naar zijn aard te 
beoordeelen en zoo zullen er genoegzaam 
velen zijn die Zilckens' artistocratische 
neigingen waardeeren. Heeft men ook 
hem te rangschikken onder die moderne 
zwerversnaturen, wier geest niet dat 
diep-bezadigde heeft van een Jacob 
Maris, wier artistieke bandeloosheid 
niet immer voldoende beteugeld wordt 
door het wijs beraad der rede, als die 
onrustige dichtergeesten wier muze 
nergens een vaste woonplaats vond ? 

Overigens maakt deze expositie — ze 
mag onvolledig zijn — een sympathieken 
indruk. Er is hier een klein doekje (of 
paneel) : een arbeider bij een schutting 
met een fijntakkig wilgje legen een ijle, 
magisch lichtende lucht. Dat is het werk 
van een sensitivistische natuur. Er is een 
pastel, waar een leeder zomergedroom 



UIT DEN HAAG 



149 



KUNST- 
BERICHTEN 
UIT DRN HAAC. 



een ochtendlijke stemming suggereert, 
waar vlinders zweven als bloemen en 
bloemen als vlinders in schemer-luchle 
atmosfeer.Hooge warm-kleurig getuigde 
• Barques h Venise •, waar spiegeling een 
verfijnde kleurzin een dubbele weelde 
gaf ter vreugdige verrukking. Maar ook 
Hollandsche onderwerpen (als de wel 
heerlijk vet geschilderde weide met de 
vrouw en het kalf op den voorgrond) en 
weer stemmingen : de zwoele, rosse 
brand van den nazomer, het teêre 
lentsche geleef, de herfst die suizelt in 
bruine blaren, de diep-zinniger kracht 
van een winter, vinden hunne schoone 
weerspiegeling in een fijnvoelend ge- 
moed, 

H. D. R. 

^^^^^^^^^^ 

TENTOONSTELLING VAN AQUAREL- 
LEN EN ONTWERPEN, DOOR G. H. 
DEE >o^ Wat de heer Dee in de 
voorzaal van den heer Scholier laat 
zien zijn decoratieve aquarellen. Ze 
zijn niet absoluut decoratief : deze 
composities, samengesteld uit iris, tul- 
pen, papavers, begonias, klaprozen, enz. 
In Oost- Indische kers b. v. houdt hij zich 



vrij dicht aan de natuur. En hoewel hel 
resultaat hier al bizonder aantrekkelijk 
is, lijkt me toch de totaal-indruk het 
zuiverst, daar waar compositie en werk- 
wijze niet de tegenstrijdigheid vormen 
van *t decoratieve of dienende en het 
absolute of vrije. (Er zijn slingers van 
violen en andere bloemen, waar dit 
wél het geval is), en daar waar de aard 
der voorgestelde dingen van eene aesthe- 
tische harmonie is. Soms springen kleur 
en vorm der papavers te veel uil. Er is 
een compositie waar in de iris een ver- 
holen gloed beeft, en juist deze inge- 
houdenheid, deze stille gloeiïng van 
kleur heeft iets wat in een decoratief 
verband door innigheid zou kunnen 
treffen. 

De bescheidenheid van het Ontwerp 
voor een reclameplaat is hier eene aesthe- 
tische deugd. Er zijn er die door sterker 
aangenaamheid de aandacht zullen trek- 
ken. Deze heeft niettemin de zakelijke 
verdienste een niet onaangename heu- 
chenis te laten als zoo vele die wanden 
en muren ontsieren. In aanleg is hier 
dus eene goede verhouding tusschen 
doelmatigheid en schoonheid. 

H. D. B. 




150 




DE TEEKENINGEN DER 



VLAAMSCHE MEESTERS 




JORDAENS EN ANDERE HISTORIESCHILDERS DER XVHe EEUW 

f; Historieschilders. — De historieschilders, DE TEEKE- 
die niet onder Rubens' onmiddellijke leiding NINGEN DER 
werkten, maar die nochtans zooals al de VLAAMSCHE 
Vlaamsche kunstenaars der xvne eeuw zijn MEESTERS 
invloed ondergingen, vertoonen dezelfde ken- 
leekens als zijn eigen leerlingen, met uitzon- 
dering altijd van Antoon van Dijck. Het zijn 
weergalmen van de groote stem, die de nieuwe 
leer verkondde, hetzelfde zeggende, maar met minder kracht, zonder 
eigenaardigen klank. 

Van verscheiden hunner bezitten wij zooveel als geen teekenin- 
gen : van Gaspar De Graver (1582-1669), een paar twijfelachtige stuk- 
ken; van Geeraard Zegers (1591-1651), een teekening voor de plaat- 
snijders in Teyler's Museum en een fraai en echt stuk den H. Franciscus 
van Assisi tussclien twee engelen in de Ermitage; van Jüstus Sütter- 
MANS (1597-1681), eenige studiën voor portrelten in den Louvre en in 
de Uffizi. 

Van een anderen Vlaming, die zich ook al vroeg in Italië ging ves- 
tigen, den Rruggeling Peeter De Witte of Candido (1617-1667) vinden 
wij een Aanbiddinq der Koningen en een Graflegging van Christus in 
den Louvre. Op dit laatste leest men het opschrift : Dipinto da me 
Pietro Candido per uno altare alla badia di S'*" Jiusto poco fuori di 
Volterra questo e il secondo altare di niia mano in detta Chiesa. 

Van een derden Vlaming, die het grootste gedeelte van zijn leven 
in Italië doorbracht. Lieven Meüs of Mehus (1630-1691), van Aude- 
naarde, bewaart de Louvre de Martelie van een heilige onderteekend 
« Livio Meus. » 

NicoLAAS VAN DER HoRST (1598-1640), bczorgdc veel leekeningen 
aan de boekdrukkers om hunne uitgaven te versieren. Het Museum 
Planlin-Moretus bezit er zoo eene, de Intrede van Maria van Medici te 



Onze Kunst 1903, AH. 12. XIX 



151 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



Amsterdam; in het Biïtish Museum vinden wij er een andere : een 
stuk uit de Bijbelsche Geschiedenis. 

Onder de mannen van een volgend geslacht zijn er twee vrucht- 
bare teekenaars. De eerste is Godfried Maes (1649-1700), van wien 
men onderwerpen uit de heilige geschiedenis vindt in den Louvre, in 
het British Museum, in de Albertina, in de Ermitage, in het Prenten- 
kabinet te Berlijn en in het Museum-Plantin Moretus. De tweede is 
Jan-Erasm Quellin (1634-1715), die zijne teekeningen placht met naam 
en jaartal te onderteekenen en van wien wij godsdienstige, mytholo- 
gische en allegorische stukken vinden in de Albertina, in Teylers 
Museum, in het Museum Plantin-Moretus, in de verzameling René 
Della Faille, in de Prentenkabinetten te Amsterdam en te Stockholm. 
Een der minder bekenden onderscheidt zich door zijn trouwe en 
gelukkige navolging van Rubens, het is Antoon Schoonjans (1650-1717), 
van wien het British Museum een Susamm en een Noè met zijn dochters 
bezit. 



Zeer sterk boven deze allen staat door zijne oorspronkelijkheid 
Jacob Jordaens (1593-1678). Hij ook is van Rubensche afkomst door 
menigen trek, door de rijke kleur, het volle uitbundige leven; maar 
hij bewaart als schilder zooveel eigenaardigheid, dat hij bij den eersten 
oogslag te onderscheiden valt van den grooten voorganger, en dat 
grondiger studie zijne zeer persoonlijke opvatting der onderwerpen 
en zijne glansende weergeving meer en meer doet bewonderen. Ook 
als teekenaar is hij merkwaardig en verdient dat wij bij hem stil- 
staan. 

Jordaens werd in 1615 als vrijmeester in de St. Lucasgilde aan- 
vaard en werd toen in de Liggeren geboekt als c Waterscilder ». Hij 
is op verre na niet de eenige, die met deze benaming werd ingeschre- 
ven, maar hij is de eenige schilder van naam, die aldus wordt aange- 
duid in het register onzer kunstenaarsgilde. Door <i Waterschilder » 
of « Waterverfschilder i> verstond men iemand, die wandbehangsels 
in waterverf schilderde. Zulke schilderingen werden soms uitgevoerd 
op doeken, waarop de figuren in omtrek gedrukt waren. Wonder ge- 
noeg, geen enkel dier waterverfschilderingen is bewaard gebleven of 
ten minste is ons bekend. Jordaens vervaardigde vele patronen voor 
tapijten, hetzij dat zijn werken in tapijt werden geweven, hetzij dat 
zij in waterverf op doek geschilderd werden. In den inventaris van 
wijlen Signor Michiel Wauters, koopman in tapijten, opgemaakt den 
16» October 1679, het jaar na des schilders overlijden, worden er dertig 
stukken vermeld, « de patroonen den welcke de voornoemde over- 
ledene gecocht heeft in het sterf huys van wylen Signor Jourdaens 
in syn leven schilder binnen deser stadt Antwerpen, w 



152 




JAC. JORDAENS 

VERITAS DEI 

(British Museum, Londen;. 





JAC. JORDAENS : DE VALKENJACHT 
(British Museum, Londen). 



Kennen wij de patronen zelve niet meer, dan kennen wij uit DE TEEKE- 
dezen inventaris ten minste eenige der onderwerpen, welke Jordaens NINGEN DER 
er voor schilderde op papier. Als een echte waterschilder vervaardigde VLAAMSCHE 
hij de schetsen voor zijne patronen in waterverf en indien zijne teeke- MEESTERS 
ningen verschillen van die der andere kunstenaars, doordien zij meest 
altijd gekleurd zijn, dan komt het wel voort uit de gewoonte, die hij in 
zijn eerste jaren had aangenomen, zijne studiën voor tapijten in bonte 
verf op het papier te brengen. Belangrijk voor de geschiedenis zijn de 
overgebleven stukken van dien aard, omdat zij getuigenis afleggen 
van die eigenaardigheid en ook om hun kunstwaarde. Jordaens toont 
zich in deze als een geboren kolorist ; hoog en stout van toon, bont in 
de kleur, verfijnd van tint, harmonisch in de kracht. 

Teekeningen in kleur, bestemd om als modellen voor de tapijtpa- 
tronen te dienen, vinden wij in verscheiden verzamelingen. In den 
Louvre, een Voorraadkamer, waar men een kok en een kokin ziet ; hij 
houdt een reebok, zij een mand met fruit in de handen. Kolommen 
rechts en links en een vruchtenfestoen omlijsten het tafereel. De tapijt 
geweven voor dit stuk werd in 1880 te Brussel door den heer Braquenié 
ten toon gesteld en maakt deel uit van een reeks van acht tooneelen 
ontleend aan het leven der tafelvoorzieners, waarvan ook een exem- 
plaar aanwezig is in het keizerlijk paleis te Weenen en die verbeelden : 



153 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



het Hoenderhok en het Hoenderhof, de Keuken, de Wildkoopers- 
winkel, de Wijnkelder, de Jacht met de honden en met de valken en 
het Vroolijke Gezelschap. De teekening voor de Valkenjacht hoort toe 
aan het British Museum. In deze laatste verzameling vinden wij nog 
een Waterpartij voorgesteld op een tooneel met weggeschoven gor- 
dijn, klaarblijkelijk bestemd om als tapijt geweven of geschilderd Ie 
worden. 

Het prentenkabinet te Berlijn bezit een keuken, waarin men een 
meid ziet die vruchten aanneemt van twee vrouwen ; ook dit gezicht 
is omlijst met een architecturaal raam en kolommen en hoort klaar- 
blijkelijk toe aan een soortgelijke reeks. Een stuk, dat in de verza- 
meling Habich voorkwam, verbeeldende eene vrouw, die bloemen 
aanbrengt en een boot die dood gevogelte aanvoert, schijnt eveneens 
tot zulk een groep te behooren. De Ermitage te St. Petersburg bezit 
een teekening in inkt en rood krijt, een der maanden voorstellende 
en waarschijnlijk tot een reeks van twaalf stukken behoorende, ver- 
schillende van de plafonds, die zich in den Luxembourg Ie Parijs 
bevinden. Het opschrift luidt : 



Den Meert seer lange begeert 
Hij steeckt met synen steert 
Boreas die blaest hij maeckt 
Flerecyn, gicht en tertiaen 
(Die den mensch) doen vergaen. 

Ik zou het zoo boud niet durven bevestigen, maar het komt mij 
voor dat een deel der teekeningen van Jordaens, wier onderwerp ont- 
leend is aan Bijbel en Evangelie of die stichtende allegoriên vertoonen 
en waarvan men in geen zijner schilderijen de weerga vindt, voor 
tapijtwerken bestemd waren : zoo een Offer van Abraham in het Mu- 
seum te Berlijn, zoo nog een drietal stukken ontleend aan de Hande- 
lingen der Apostelen te Rotterdam, een paar allegoriên Justitia en 
Charitas te Amsterdam, een Veritas Dei, in het British Museum, ver- 
scheiden tooneelen uit den Bijbel en het Evangelie in de Ermitage, onder 
ander een met opschrift : « Overmidts de Joden teeckens begeeren en 
de Griecken wysheyd soecken, doch wij predicken Christum den 
gecruysten den Joden een ergernisse en den Griecken een dwaesheydt, 
maer beyde de Joden en Griecken die predicken wy de wijsheijdt 
Godts en de Gracht Godts, I Cor. 2. 22, 23, 24. » Het stuk is gedag- 
teekend « 27 Martii 1658, Hagê. » Het opschrift heeft een sterken pro- 
testantschen smaak en er bestaat dan ook geen twijfel dat, toen 
Jordaens het schreef, hij reeds tot den hervormden godsdienst was 
overgegaan. 



154 




JAC. JORDAENS : 

HET MIRAKEL VAN DEN H. MARTINUS 

{Max Rooses, Antwerpen). 





JAC. JORDAENS : EEN VIGNET 
(Albertina, Weenen). 

Van hetzelfde jaar, 9 Januari 1658, bestaat er in het Museum te DE TEEKE- 
Grenoble een teekening van hem, eveneens van leerenden aard, waar- NINGEN DER 
van het opschrift, beginnende met de woorden : « De Waerheyt is VLAAMSCHE 
voor Coninghen en prinsen Eenen seer seltsaemen vogel,» ook nogal MEESTERS 
puriteinsch-calvinistisch klinkt, vooral wanneer men in aanmer- 
king neemt dat onder de koningen en prinsen ook afgebeeld staan 
bisschoppen en kardinalen. 

Ook in zijne overige teekeningen bleef Jordaens over het alge- 
meen een waterverfschilder. Het is niet heel duidelijk met welk inzicht 
hij deze vervaardigde. Wij onderscheiden er van twee soorten. De 
eerste zijn met zorg bewerkte stukken metende van 20 tot 50 centime- 
ters aan de langste zijde, in bonte verf van de hoogste tonen : rood, 
blauw, geel, bruin, berekend op machtig kleureneffect, niet zooals 
een schilder een studie zou maken of een schets aanleggen, maar 
zooals een hedendaagsche aquarellist een werk zou vervaardigen, be- 
stemd om ingelijst te worden. Andere zijn soberder gekleurd, in 
weinig versmolten, matte tonen, maar behagende toch door hunne 
stille harmonie. Sommige eindelijk zijn met inkt of bister geteekend 
en met eenige weinige tinten gewasschen en schijnen eerder los daar 
heen geworpen ontwerpen, dan wel afgewerkte stukken. 

Onder de rijkgekleurde, zorgvuldig bewerkte stukken rekenen 
wij : een Salerskop in den Louvre, een Bootj mannen, vrouwen en vee 
overvoerende j den //. Marlinus mirakels doende, en de Aanbidding der 
Herders in het British Museum, de Bruiloft van Chanaan^ en een Her- 
derlij k tafereel in het Prentenkabinet te Berlijn, de Opdracht in den 



155 




DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



temitrl in i\r AlhetliiKK (ten !f. Xfartittus mirakfls doende^ in mijn bej?il. 
7,vvv v\i\m;\i\vi\U^ is IhI khin*' sinli uil de Alherlirui. vvuv muit* %t«iiw 
niL'i WW Mt'iviii üiS'litK'd np \w\ \\ni\U\, dt* beide tuinden aan een sdio- 
lel, in eene omlijsting met hvee doUijnen, ncïvtMiü welkt? een )}a)ileil ea 
een Itnilanii, in hhuivve vu hï uin^ele verf, khuu hl ijkelijk een vignet en 
het eeni^i' dal wij van ,(ord;HMis lieniien. 

Tnj de niei k waard igsjt* van de Iweede snort, de Hohergetinto 
wulerverneekenini^en helnHiren : een sttik in mijn lïezit^ vet'beeUIetide 
S/< Ptiütus rn Ihiitutluts fr IJsini, mt^lenile 7."i centi nieters in de batigle 
en 98 in de breedte, een lieel sehilderij, het l)elangrijkste werk van 
dien aard dal Jordaens maakte en het grootste dat hij of eenig ander 
Vlaamsehe schilder voortbracht; een Optocht te paard en te voel met 
een horenblazer voorop en een oude vrouw op een ezel te midden van 
een bosch in den Louvre ; de Moeder die de kinderen slapen doet^ een 
tafereel uit Jordaens' huiselijk leven, waarin zijn vrouw de hoofdrol 
speelt in de Albertina, en de Graflegging nan Christus in het Rijks- 
museum te Amsterdam. 

In zijne godsdienstige teekeningen, evenals in zijne schilderijen 
van denzelfden aard, is Jordaens de groote realist ; hij verloochent de 
Academie en volgt alleen het leven ; hij geeft dit weer naar den uiler- 
lijken vorm ; hij let meer op sterk en juist sprekende uitdrukking van 
het gelaat dan op schoonheid, meer op trefTende beweging dan op 
fraaie houding. In de bewerking der tooneelen uit het volksleven is hij 
een episch genreschilder, verheffende het huiselijk tooneel, in stout- 



156 





C/3 

CS 
De] 

O 
CC 

w ^ 
S e 

es -o 

S s 

a i 
^ I 



-9 Q e 




JAC. JORDAENS : DE GEIT AMALTHEA 
(Louvre, Parijs). 

heid van gebaar en in glans van kleur en licht, lot het heldhaftige. Dg TEEKE- 

De meeste van al deze stukken behandelen onderwerpen die hij NINGEN DER 
ook in zijne schilderijen heeft uitgevoerd ; sommige zijn studiën voor VLAAMSCHE 
die werken, andere zijn samenstellingen sterk afwijkende van de in MEESTERS 
olieverf behandelde. Zoo stemt de geleekende Opdracht in den tempel 
te Rotterdam overeen met de schilderij te Dresden ; de middengroep 
uil de Aanbidding der Herders in het British Museum, vindt men 
weer in de schilderij te Stockholm van 1618, terwijl de Aanbidding der 
Herders te Rotterdam weergegeven wordt door de gravuur van Marinus 
naar een onbekende schilderij ; de Aanbidding der Herders uit den 
Louvre stemt overeen met de schilderij Ie Antwerpen ; de Rust op de 
Vlucht naar Egypte met de schilderij bij Mevr. Bosschaert in dezelfde 
stad ; de Goddelijke en Menschelijke Wet in de Ermitage geeft trouw 
het schouwstuk uit het Gerechtshof te Hulst weer. 

Veel talrijker zijn die welke een zelfde onderwerp behandelen als 
Jordaens' schilderijen, maar in sterk gewijzigden vorm. Zoo zijn 
Paulus en Barnabas ie Listra en de //. Martinus bezetenen genezende in 
mijn bezit, geheel verschillend van de schilderijen uit de Academie te 
Weenen en uit het Museum te Brussel; zoo nog wijken de Susanna uit 
den Louvre, de H. Martinus uit het British Museum, de Graflegging te 



157 




DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



JAC. JORDAENS : MANSPORTRET 
(Louvre, Parijs). 

Amsterdam, Christus de kooplieden uit den tempel jagende Ie Bruns- 
wijk, de Aanbidding der Koningen in het Museum Plantin-Moretus, 
evenzeer af van de schilderijen uit de Museums te Brussel, te Ant- 
werpen, uit den Louvre en uit de kerk van Diksmude. 

Jordaens' drie geliefkoosde onderwerpen de Sater en de Boer, Zoo 
de ouden zongen zoo piepen de jongen^ de Koning drinkt, vinden wij 
behandeld in verscheiden teekeningen. Een teekening in het British 
Museum geeft het eerste onderwerp weer in een vorm afwijkende van 
de ons bekende schilderijen; in de Ermitage en te Rotterdam vinden 
wij een teekening van Zoo de ouden zongen en in het British Museum 



158 




JAC. JORDAENS : 

DE AANBIDDING DER KONINGEN 

(Museum Plnntin-Moretus, Antwerpen). 






ia* 





JAC. JORDAENS : VROÜWENPORTBET 
{Louvre, Parijs). 

een andere, deze laatste overeenstemmende met de schilderij te de TEEKE- 
Munchen; te Berlijn vinden wij een Drie Koningenfeest van gelijke NINGEN DER 
samenstelling als een der twee schilderijen van hetzelfde onderwerp VLAAMSCHE 
in het Mnseum te Brussel. MEESTERS 

De teekeningen van Jordaens leeren ons enkele onderwerpen 
kennen ontleend aan spreekwoorden en behandeld in den trant der 
drie bovenvermelde onderwerpen, van welke wij geen geschilderde 
bewerkingen kennen. Vooreerst het spreekwoord : Een oude kat 
speelt met geenen bol^ waarvan de Louvre twee exemplaren bezit, het 
eene tentoongesteld, het andere in portefeuille. Het is een tooneeltje 



XX 



159 



DE TEEKE- 
NINGEN DER 
VLAAMSCHE 
MEESTERS 



in den trant van Zoo de ouden zongen^ maar sterk vereenvoudigd. In 
de Ermitage vindt men een stuk in den aard van den Sater en den 
Boer^ behandelende het ondel-werp aangeduid door het opschrift : ; 
Gaept als men u de pap biedt 
Ofl andersins en crijgdij niet 

In de veiling Habich kwam er een stuk voor op het thema Men 
can geen cat in eenen sack coopen. Een oude vrouw biedt een wild- 
handelaar een kat in een zak, deze gedenkt het spreekwoord en 
wijst het aanbod van de hand ; in den achtergrond een jonker, die wil 
weten welke meid hem zoekt op te vrijen, licht het masker eener 
juffrouw op. 

Gedeeltelijke studiën voor zijne schilderijen vinden wij uiterst 
zelden. Wij troffen enkel aan in den Louvre de nymfe, die de geil 
Amalthea melkt, voor de Kindsheid van Jupiler in hetzelfde Museum ; 
eenstudie van ossen, ook in den Louvre; een vooroverhellend mans- 
figuur,een vrouwendraperij en een biddende figuur, alle drie te Berlijn, 
gedagteekend 1671 ; nog eene studie voor de nymphe die Amalthea 
melkt en verscheiden vrouwenhoofden in het Museum te Brunswijk. 

Slechts één model voor zijne graveurs geteekend door Jordaens 
kennen wij, namelijk de Koning drinkt^ dat Pontius in plaat bracht 
en de schilderij uit het Museum te Brussel weergeeft, die wij reeds 
noemden naar aanleiding der teekening te Berlijn. Het is een teeke- 
ning in privaat bezit van verbazend keurige bewerking, verre weg de 
meest verzorgde, die de kunstenaar maakte, een pronkstuk in zijnen 
aard. Pontius zelf en welk andere graveur of schilder hadde niets 
fijners, niets miniatuui*achtigers kunnen leveren. Ook dit juweeltje 
vervaardigde Jordaens in waterverf. Zooals het hem dikwijls gebeurde 
stelde hij hier zijn papieren blad samen uit verschillende brokken, die 
hij aaneen plakte. Een verandering bracht hij aan bij middel van een 
lap slechts aan eene zijde vastgemaakt : oorspronkelijk zag men daar 
de moeder, die een meisje uit een glas laat drinken; in de plaats daar- 
van kwam een moeder die haren zuigeling reinigt. Ook het opschrift 
is gewijzigd, op de teekening evenals op de schilderij leest men : In 
een vrij gelach ist goed zijn; op Pontius' gravuur: Nil similius insano 
quam ebrius. 

Van geteekende portretten kennen wij er slechts twee, de man en 
de vrouw in den Louvre, modellen voor het mansportret, dat in 1902 
op de veiling Huybrechts te Antwerpen verkocht werd en voor hel 
vrouwenportret in het Museum te Brussel, beide zorgvuldig en stevig 
geteekende conterfeitsels, van stevige burgers, welgedaan van uiterlijk, 
tronende in de rijke woning die zij zich bouwden en in de lichtglorie 
waarmede de schilder ze omhulde. 



160 





¥^ 



i 



/ 



JAC.JOHDAKNS: 
VROUWKNHOÜFD 
(Museum, Brunswijk). 





JAN COSSIERS (?) 

PORTRET VAN JAN-FRANS COSSIERS 

{Sir C/l. Robinson, Umden). 




Jordaens vormde geene leerlingen van naam; de eenige die men DETEEKE- 
als een rechtstreekschen volgeling van hem mag aanzien is Jan Cossiers NINGEN DER 
(1600-1671). Wij kennen geene teekeningen van hem, maar zijn gene- VLAAMSCHE 
gen voor zijn werk aan te zien twee fraaie portretten, het eene in het MEESTERS 
British Museum voor opschrift dragende Jacobus Cossiers 1658 in rood 
en zwart krijt; het andere in de verzameling van Sir Ch^ Robinson 
gemerkt Jan-Frans Cossiers 1650 A*** 16. Wellicht zijn het de por- 
tretten van schilders' twee zonen geboren uit zijn huwelijk met Joanna 
Darragon tusschen 1630 en 1639. 

( Wordt voortgezet). MaX RoOSES . 




161 



KUNSTBERICHTEN 



VAN ONZE EIGEN 
CORRESPONDENTEN 



KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT AMSTERDAM 



mi 



UIT AMSTERDAM ^^^^ 

IK VIKRJAARLIJK- 
SCHE TENTOON- 
STELLING IN HET 
STEDELIJK MU- 
SEUM >c^ Hel is 
voorwaar weinig be- 
moedigend Ie begin- 
nen mei de klaclil, dal ook deze groole 
exposilie, als alle andere in dien geesl, 
een uilgezocbte kwelling is Geen 
middel kan dienen zulk een lentoon- 
slelling eenigszins Ie rechivaardigen en 
men mag er ook niel naar Irachlen, 
want als iels ter wereld verdient bespol 
en onmogelijk gemaakt te worden, dan 
zijn het deze jammerlijke feesten van 
onmacht en ijdelheid. Zalen vol met 
beschilderd doek ! Een duilsche nurks 
van mijn kennis placht ze <» die kunler- 
bunlen Sale des Elends » te noemen. 
Hel is om razend te worden, als men 
hel weinig goede en ordentelijke ver- 
trapt en néérgelawaaid ziel in dit brute 
gezelschap van dolle aanstellerij en 
holle onbenulligheid. 

Hel ensemble der buitenlanders is 
veeleer een raar mengelmoes. Er zijn er 
met sentimenlalileilen, die zelfs den al 
te handigen Hans Dartels er toe brachten 
vooral poesmooie, duitscherig-ronde 
visschersmeisjes te laten poseeren. An- 
dere houden van geaffecteerde wijsneu- 
zingen als de steeds symboheke half- 
buitenlander Huib. Luns, die tenslotte 
toch nog veel te weinig virtuoos is om 
zich zulk een kwasterighcid met eenige 
kans van slagen te veroorloven. Eindelijk 
zijn er buitenlanders, vooral Duilschers, 
die als Hans Hermans een ongelukkige 
liefde voor Holland hebben, en dit stille 
land in valsche kleuren en met onnoodig 
gezwaai van kwasten schijnen te belas- 



leren. Buitenlanders in soorten; maar al 
heel weinig bijzonders, om niel eens 
over de nog altijd beslaande klasse der 
lieve-verhaaltjes-verlellers te spreken, 
als Prof. Paul Meyerheim, en anderen. 
Ook de Schot Brown, die in zijn 
Northern City, hel rookig myslerieuse 
der avondlijke vallei even gevat heeft, 
toont in zijn ander stuk, ja zelfs in 
sommige plans van het éérste, dat er 
toch nog heel veel toeval bij in 't spel 
is en dat wellicht meer Patterson's 
recepten dan eigen verrukking en on- 
feilbare inluilie hem lot gids dienden. 
Als ik met de oogen dicht en zonder 
me door de krioelende namen van den 
kalalogus van de wijs te laten brengen, 
overdenk, wat er van buiten onze gren- 
zen hel kijken eigenlijk wel waard was, 
dan verschijnt me niets dan een enkel 
elsje van Baertsoen. Een klein straatje 
was 't met kaduke huisjes, traag geleund 
langs een grachlspiegel. Dit was groot 
gezien; in machtige licht en donker par- 
tijen verdeeld looverde hel de kleine 
ruimte binnen hel kader lot weidsche 
werkelijkheid. De rust van Witsens et- 
sen, de distinctie van Witsens gevels 
en vloeren ; maar met iels Uchter ont- 
roerds, iets willend bewegelijks er in 
dat niel van den Hollander is in 't alge- 
meen, dat van breeder leven, meer 
geëmotioneerde dagelijksche gedachten 
spreekt Een klein niel onaangenaam 
kosmopoHlisch tintje was er aan, dat 
naast onze reéeler kunst pikant aandoet. 
— Als Jakobson's Niels Lyhne naast een 
roman van Coenen. — Maar waarom 
zou deze te hooi en te gras bijeengeko- 
men collectie uil 't buitenland ook bij- 
zonder zijn of leerzaam? Wie niet zoekt 
zal niel vinden en zoolang men bij ons 
te lande niet inziel, dat builenlandsche 



162 




ALB. BAERTSOKN : STADSGKACHT (els). 

kunst met on vermoeiden ijver moet 
worden opj^espeurd en oordeelkundig 
gegroepeerd om een tentoonstelling op 
te leveren, die ons publiek eenigszins 
den maatstaf voor rechtvaardige beoor- 
deeling kan geven, zoolang zullen er 
wel altijd incohaerente prullen maar 
nooit fatsoenlijke werken in voldoende 
aantal ter vergelijking verschijnen. Voor 
onzen toch al tamelijk krassen eigen- 
waan is dat wel bevordelijk : maar ons 
begrip is er al heel weinig mee gebaat. 
En wat nu onze eigen landgenooten 
betreft. Och, tusschen al luet dilletanten- 
gedoe in was nog wel iets te vinden : 



Velh's soliede portretten, waaronder het 
blank geschilderde, als toets voor toets 
rake portret van Prof. Kooyker het 
sterkste en dal van den kleinen wereld- 
burger in Italié, een fijn jongenskopje 
met aristocratischen neus en mond en 
echt jongensachtig wijdafstaandeooren, 
het boeiendste was V^an der Valk had 
er minutieus en diepgaand werk : Een 
prachtig bosch; stammen alleen en de 
herfstig bebladerde grond, hel geheel 
nauwelijks een paar decimeters in *t 
vierkant. In een hoekje van een zaal 
weggestopt liepen de gedweeé bezoe- 
kers er rustig voorbij, zonder Ie bevroe- 



KÜNST- 
BERICHTEN 
ÜIT AMSTERDAM 



163 



KUNST- 
BERICHTEN 
ÜIT AMSTERDAM 



den wat kostelijk innigs hun ontging 
Dit ademde den kruilgen geur van hel 
bosch, de takken kraakten en de blaren 
ritselden door onzichtbare oorzaak Het 
was als een sprookje maar een van de 
goede soort, dat men er zelf bij dicht en 
droomt zonder het geheel onder woor- 
den te brengen en daardoor te versto- 
ren. Verder denk ik nog aan Karsens 
oude huisjes, die, hoe vaak herhaald, 
toch altijd weer opnieuw liefdevol ge- 
concipieerd zijn, aan van Soests mooie 
sneeuwlandschap, dat nog mooier ge- 
weest zou zijn als het geval niet wat 
gedachteloos afgesneden was. Nu is het 
eigenlijk een ver opgevoerde studie; 
maar een ernstig doorwerkte studie en 
habiel zonder alle trucs geschilderd, 
vol glanzend, stofgoudelend winterlicht 
op de wit gepoederde boomen. Wat te 
knap hoogstens al en te weinig speciaal 
van Soest. Wal Wiggers en 'l Hooft, 
H. Nibbrig Bastert en enkele anderen 
inzonden, geefl geen aanleiding onze 
meening opnieuw over deze artiesten, 
wier kracht gemeten en bekend is, neer 
te schrijven. Ook over de reeks van wat 
men weleens zeer ten onrechte, want 
in kunst bestaat zoo iets eigenlijk niet 
« tweede-rangsschilders » noemt, ook 
over deze breede schare valt niets 
nieuws te zeggen en waarom er tóch in 
de laatste dagen en weken zooveel dag- 
bladkolommen over gevuld zijn, is mij 
niet duidelijk, tenzij het als reclame of 
een soort van • Komt, ziet en oordeelt ! • 
bedoeld is. Over de jongeren, die in den 
laatsten tijd debuteerden, over de bij de 
vorige Arti-tentoonstelling veelbespro- 
ken Monnikendam, Dooyewaard en Lan- 
geveld kan nog eens herhaald worden, 
dat ze geen van allen op een vast punt 
schijnen aangekomen te zijn, dat ze, bij 
zekere zeKstandigheid, allen nog te zeer 
de verwantschap toonen van één en 
dezelfde school. Aan Monnikendam is 
buitendien iets uit een franschcn studie- 
tijd blijven hangen. Een liefde tol 
bontere expressie dan Holland in waar- 
heid wel vereischt, een lust tot figuur- 
schilderen, en 't dient gezegd een be- 
kwaamheid flguur te schilderen als men 
onder onze artiesten zeldzaam vindt. 
Maar hollandsche figuren zijn het, trots 
echte schuttersuniform, niet ; Gavarni- 
reminiscences en schilderijen uit den 



tijd en de richting van Trut al moeten 
tot deze visie hebben bijgedragen. 

En nu zou ik diabolisch graag zeggen 
wat ik op 't hart heb over al de andere 
nummers en dat zijn er bijna 700 ; maar 
hoe aantrekkelijk hel ook zou zijn, in 
allen ernst hel ware te veel eer en hoe 
nadrukkelijker er gezwegen wordt, hoe 
meer kans er is, dal we vroeg of laat 
eens worden verlost van deze dwaze 
instellingen, waar der goe-gemeente al 
het leelijks wat gedurende vier jaar is 
opgestapeld, zoo pretentieus wordt 
voorgezet. 

Over de goed tentoongestelde maar 
och zoo magere afdeeling architectuur 
kan ik hier niet in den breede uitweiden. 
Ook hier is niet heel veel nieuws. Van 
decoratief standpunt was wellicht de 
roode lijst van Ed Cuypers met dedruk- 
jes uit zijn tijdschriftje er in, hel sma- 
kelijkste object. Hel meest serieuse en 
architectonisch belangrijkste de Bazels' 
Teckeningen van kleine landhuizen. 
Over Berlage's invloed zou een artikeltje 
te vullen zijn en over de eischen van 
comfort in een koninklijk paleis in ver- 
band met € de beursstijl toegepast op 
gebouwen, die geen beurzen zijn > zou 
men een genoegelijke lezing kunnen 
houden. Maar er is iets waarom ik 
de sculptuur-afdeeling op deze tentoon- 
stelling toch niet had willen missen. 
Dat is om hel werk van MejufTr. Th. v. 
Hall, naar ik meen vroegere leerlinge 
van Mendes da Costa, in de afdeeling 
t Beeldhouwkunst. » Drie werken zijn 
er. Een jongen tol onder de borst toe, 
voorovergeleund, een meisje in derge- 
lijke houdingen een oude vrouwenbusle 
in hardsteen. Alleen bij de laatste heb ik 
even aan Minne gedacht. *l Is ook over 
*t algemeen niet het pakkendste van de 
drie stukken. Maar die meisjes- en jon- 
genslijven zijn van heerlijk tengere 
gratie. Fier en koninklijk eenvoudig is 
dit ras, uit een eigen wereld, sereen en 
streng, niet van menschen met toeval- 
ligheden en nimmer gave uiterlijkheid. 
Er is zekere analogie met Mendes' kunst; 
maar hoezeer zijn deze sujetten uit een 
andere ziel gesproten, dan a de kleine 
Snoeper v en « Baby ». Er is iets van de 
monumentaliteit, die Zijl wel bewust 
gezocht heeft ; maar ze is hier, ik zou 



164 



zeggen, spontaner en zonder ruwheid, 
verfijnder geleid door een liooger in- 
tellect. 

De schouders van den jongen zijn zoo 
volkomen èf, als de schouders van een 
archaïschcn Apollo ; maar ze zijn daar- 
bij rillend menschelijk als een schouder 
van Houdon. De polsen van het meisje 
zijn zoo teer en vrouwelijk en toch 
door een weloverdachte vereenvoudi- 
ging zoo in 't geheel niet naturalistisch, 
in *t geheel niet levcnsnabootsend als 
een wassenbeeld of een schets in klei. 
Hier-over hoop ik weleen anderen keer 
meer te kunnen zeggen, want wie zich 
op de tentoonstelling geërgerd mocht 
hebben zal hierdoor verzoend zijn en 
wie, en dat is gewichtiger, weleens ge- 
twijfeld heeft of onze sculptuur in haar 
hoopvoUen opbloei met Zijl en Mendes 
weer gestuit zou worden, die zal hier 
voelen, dat het verre van hopeloos is 
zoolang er naast deze artiesten een 
jongere zulk werk geeft. 

Oetober, 1903. W. V. 

• <^» ^ 1^» ^ l^ ^ V^^R>» ^(^»^J^»^l,^^'..^^V>»^W» 



UIT BERLIJN 




INDER den titel Hel 
doode Brugge, is in 
zeereigenaardigen en 
aantrekkelijken vorm 
onlangs een vertaling 
van Georges Roden- 
bach's BrugesJa-nwrie 
verschenen, (Berlijn, Julius Bard). De 
eigenaardige Dit/t, die er zweeft over 
dit gedicht, het mystieke van deze zeld- 
zame stad, vinden wij terug in de deco- 
ratie-ontwerpen die Ferdinand Khnopf 
voor de dramatiseering van deze ver- 
telling geleekend heeft, (Expositiezaal 
van Cassirer). Het is zeker heel moeilijk 
geweest om op een heusch tooneel deze 
uiterste discretie der tonen in beeld te 
brengen : men ziet de dingen als door 
een sluier en slechts langzamerhand 
maken ze zich los van een zeker onbe- 
stemd iels. Er is o. a. een interieur uit 
den rococo-tijd met een heel stil grijs 
kleed op den grond, wandmeubelen, 
met alleen hier en daar, als versiering, 
een heel klein beetje goud en de gor- 
dijnen en draperieën van een heel zacht, 
gedempt blauw, of een studeervertrek, 



geheel in schemer gehouden, met zware 
eikenhouten meubelen : alleen de rood- 
gekapte lamp en het haardvuur ver- 
lichten een klein gedeelte van het ver-