Skip to main content

Full text of "De oude hollandsche en vlaamsche meesters in den Louvre en in de National Gallery"

See other formats


^is"-.. ■■■•■■ 






r ^ 






7»» •« . \ 



»«,c>^ii^^'i. 






c^> 



7 iiTt 



sS 




THE J. PAL'L Ghi i Y AlU^sEUIVl LIBRARY 



DE OUDE HOLLANDSCHE 



EN 



VL A AMSCHE MEESTERS 

IN DEN LOUVRE 

EN IN DE NATIONAL GALLERY 



DOOR 

MAX ROOSES. 



de oude hollandsche 
enVlaamsche meesters 

in den Louvrc en in de National Gallery* 



de oude hollandsche 
enVLAamsche meesters 

in den Louvre en in de National Gallery 



DOOR 



MAX ROOSES. 



Conservatettt van het Museum Plantin-Mor etus» 



REMBRANDT. 

FRANS HALS. 

ADRIAAN BROUWER. 

GEERAARD TER BORGH. 

JAN STEEN. 

GEERAARD DOU. 

PIETER DE HOOGH. 

KAREL DUJARDIN. 

MEYNDERT HOBBEMA. 

PAULUS POTTER. 

JAN VAN EYCK. 

HANS MEMLINC. 

QÜINTEN MASSIJS. 

PETER BREUGHEL DE OUDE. 

P. P. RUBENS. 

ANTOON VAN DYCK, 



JACOB JORDAENS. 
DAVID TENIERS. 



THOMAS DE KEYSER. 

REMBRANDT. 

NICOLAAS MAES. 

JAN VERMEER VAN DELFT. 

JACOB VAN RUISDAEL. 

AALBERT CUYP. 

JAN VAN DE CAPELLE. 

WILLEM VAN DE VELDE DE JONGE. 

GEERAARD DAVID. 

P. P. RUBENS. 

GONZALES COQUES. 

ADAM-FRANS VAN DER MEULEN. 



Met 32 Afbeeldingen hunner werken in houtgravure. 




UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER" AMSTERDAM. 
N.Z. VOORBURGWAL 64. 






iiL J. PAUL GETTY MUSEUM LIBRARY 



I3Sr ÜOTJID. 



I 

II 
III 

IV 

V 

VI 

VII 

VIII 

IX 

X 

XI 

XII 

XIII 

XIV 

XV 

XVI 

XVII 

xvin 



XIX 

XX 

XXI 

XXII 

XXIII 

XXIV 

XXV 

XXVI 

XXVII 

XXVIII 

XXIX 

XXX 



De Louvre. 

bladz. 

REMBRANDT 1. 

FRANS HALS 13. 

ADRIAAN BROUWER 20. 

GEERAARD TER BORGH 26. 

JAN STEEN 32. 

GEERAARD DOU 37. 

PIETER DE HOOGH 42. 

KAREL DUJARDIN 46. 

MEYNDERT HOBBEMA 52. 

PAULUS POTTER 56. 

JAN VAN EYCK 61. 

HANS MEMLINC 67. 

QUINTEN MASSIJS 73. 

PETER BREUGHEL DE OUDE 78. 

P. P. RUBENS 87. 

ANTOON VAN DIJCK 105 

JACOB JORDAENS 117. 

DAVID TENIERS 130, 

De National Qallery- 

THOMAS DE KEIJSER • 139. 

REMBRANDT 145. 

NICOLAAS MAES 154. 

JAN VERMEER VAN DELFT 160 

JACOB VAN RUISDAEL 168. 

AALBERT CUYP 176. 

JAN VAN DE CAPPELLE 181. 

WILLEM VAN DE VELDE DE JONGE 186. 

GEERAARD DAVID 191. 

P. P. RUBENS 196. 

GONZALES COQUES 210. 

ADAM-FRANS VAN DER MEULEN 216. 



ILLU5TRATIEN 
buiten den tekst. 



I 

II 

III 

IV 

V 

VI 

VII 

VIII 

IX 

X 

XI 

XII 

xm 

XIV 

XV 

XVI 

XVII 
XVIII 

XIX 
XX 



XXI 

XXII 

XXIII 

XXIV 

XXV 

XXVI 

XXVII 

xxvin 

XXIX 

XXX 

XXXI 

XXXII 



De Louvre. 

tegenover blz. 

REMBRANDT. Eigen portret van 1634 1 

,, De discipelen van Emaüs 8 

FRANS HALS. Portret van Nicolaas van Beresteyn 13 

ADRIAAN BROUWER. De rooker 20 

GEERAARD TER BORCH. De verliefde krijgsman 26 

JAN STEEN. Het slechte gezelschap 32 

GEERAARD DOU. De waterzuchtige vrouw 37 

PIETER DE HOOGH. Een Hollandsch binnenhuis 42 

KAREL DUJARDIN. Het paard bij den toom gehouden 46 

MEYNDERT HOBBEMA. De watermolen 52 

PAULUS POTTER. Koeien in de weide 56 

JAN VAN EYCK. Madonna en begiftiger 61 

HANS MEMLINC. Madonna vereerd door het huisgezin van Jacob Floreins. 67 

QUINTEN MASSYS. De bankier en zijne vrouw 73 

PETER BREUGHEL DE OUDE. De blinden 78 

P. P. RUBENS. De drie Schikgodinnen 87 

,, Thomyris' wraak 92 

ANTOON VAN DIJCK. Karel Lodewijk, hertog van Beieren en zijn 

broeder Robrecht, Heitog van Cumberland 105 

JAC. JORDAENS. De kmdsheid van Jupiter 117 

DAVID TENIERS. De verloren zoon 130 

De National Qallery. 

THOMAS DE KEYSER. Een koopman met zijn klerk 139 

REMBRANDT. Portret van een oud man (1659) 145 

NICOLAAS MAES. De luie meid 154 

JAN VERMEER VAN DELFT. Het vrouwtje bij het klavier .... 160 

JACOB VAN RUISDAEL. Het strand te Scheveningen 168 

AALBERT CUYP. Riviergezicht met hoomvee 175 

JAN VAN DE CAPPELLE. Riviergezicht 181 

WILLEM VAN DE VELDE, DE JONGE. HoUandsche schepen elkander 

begroetende 186 

GEERAARD DAVID. Het huwelijk der H. Catharina 191 

P. P. RUBENS. Landschap met het kasteel van Steen 196 

GONZALES COQUES. Een familiegroep 210 

ADAM-FRANS VAN DER MEULEN. Vertrek naar de jacht. . . . 216 

-f 




REMBRANDT. 

EIGEN PORTRET VAN 1634. 



DE LOUVRR 



L REMBRANDT. 



I. 

De Louvre bezit een twintigtal stukken van Rembrandt, nagenoeg de helft 
ervan zijn portretten ; sommige zijn pareltjes, een enkel is onbeduidend of onecht. 
De meeste stammen uit de oude koninklijke verzameling, drie maakten deel 
van Lacaze's legaat, één werd over een vijftigtal jaren aangekocht. Naar de 
tijdsorde gaan zij van 1633 tot 1661 en omvatten dus de verschillende tijdvak- 
ken van 's meesters werkzaamheid. 

Onder de portretten en onder al de aanwezige stukken is er een dat al dade- 
lijk de aandacht trekt : een vrouwenfiguur, dat bij de meesterstukken der we- 
reldkunst in den Salon Carré heeft plaats genomen en die onderscheiding ver- 
dient; het is het portret van Hendrikje Stoffels, de trouwe levensgezellin des 
meesters in zijn laatste jaren. De vrouw was nederig van stand, weinig ontwik- 
keld van geest, zij onderscheidde zich eigenlijk niet door lichamelijke schoon- 
heid en de liefde, die de groote kunstenaar haar toedroeg was niet van bij- 
zonder edelen aard. En toch hier waar hij ze als schilder zag schiep hij ze om 
tot een der heerlijkste vrouwenfiguren, die ooit gepenseeld werden. Men 
onderscheidt niet meer of men een dienstmaagd of eene hertogin voor 
zich heeft, of de trekken fijn of ruw zijn of er in het hoofd een ge- 
wone of een rijk begaafde geest huist; de vrouw is een wezen geworden 
van alle stoffelijke gebreken ontdaan en door den kunstenaar omgeschapen tot 
iets heerlijks, verre verheven boven de kinderen der gewone menschen; zij is 
geworden zijne geliefde, zij prijkt met al de heerlijkheden waarmede zijne ver- 
beelding haar tooide. De dosch is die van een sultanin : paarlen in de ooren, 
op de borst, aan de polsen; een groen fluweelen mutsje met rooden strik, een 
pelsen mantel en een rijkdom van gulden lokken en weelderig vleesch. En de 
schilder heeft er behagen in gevonden die prachtige gestalte te hullen in goud 
van licht en goud van kleur, in een stroom van goud die alles doet stralen en warm 
doet uitkomen op de donkere schaduw. Hendrikje was niet gewoon aan derge- 
lijke ophemeling en de meester is eerlijk genoeg geweest om hare bedeesdheid 
onder de koninklijke pracht niet te verbergen. Hare groote donkere oogen zien 

1 



2 REMBRANDT. 

aarzelend haren omtooveraar aan, en schijnen hem te vragen waaraan zij al 
die eer verdiend heeft. Wat hadde hij haar kunnen antwoorden dan dat hij ze 
onsterfelijk maakte omdat zij de zijne en hij Rembrandt was? 

Het treft wel dat wij in den Louvre Hendrik je nog twee, driemaal weervin- 
den. Eens in Bethsabe. De Bijbelsche schoone zit geheel naakt bij het bad, 
dat zij zooeven verlaten heeft; in de hand houdt zij een brief — de liefdesver- 
klaring van David — dien zij gelezen heeft en dien zij nu dubbend overweegt. 
Zal haar man naar den oorlog en zij naar het paleis van den psalmist gaan ? 
Das ewig Weibliche! Maar heerlijk is het naakte vleesch der anders nog al grof 
gebouwde vrouw, een tooverspel van licht, dat alle gedachte aan stoffelijkheid 
verbant en alleen de geheimzinnige verfijnende werking van de zonnigheid laat 
bewonderen. In Venus en de Liefde en in de Badende vrouw, vin- 
den wij hetzelfde model weer, maar hier bepaald grover en prozaïscher. 

Al deze stukken zijn van 1652 — 1654 den glansenden tijd in 's meesters kunst- 
leven. Van uit hetzelfde tiental jaren is het Mansportret van 1651 en het 
Jongelingsportret van 1658, beide treffend door de warme lichtwerking ; 
het eerste grover, het tweede merkelijk beter, frisch gemodeleerd, levend ge- 
dopt, met prachtigen gulden gloed dagende uit donkere schaduwen en lichten 
goudschijn op vaag gezien linnen. 

Van 1638 van den tijd der zorgvuldige penseeling is een G r ij s a a r d s-hoofd, 
met een gelaat waar de rimpels één voor één in geschilderd zijn, met bruin gul- 
den licht op half helderen grond, niet zeer uitvoerig maar stout en breed be- 
werkt. 

De Louvre bezit niet minder dan vier eigenhandige portretten van Rembrandt, 
het jongste, van 1633, in zalvige verf gepenseeld, met zwakke lichtwerking en kas- 
tanjebruine weerschijnen in het haar; het tweede, van 1634, dat hierbij afgebeeld 
is en waarvan wij verder breedvoeriger spreken ; het derde, van 1637, in fijne ge- 
daste schildering, met sterker licht uitkomende op half donkeren grond en einde- 
lijk een van 1660, waarin het licht is uitgedoofd en de gulden glimming van het 
gelaat nog nauwelijks door de donkere schaduw breekt. De machtige herschepper 
van het licht is lichamelijk verzwakt, maar zijn oog ziet nog scherp; hij geeft 
zich zelven weer zooals hij is, heel eerlijk, heel nauwkeurig; in zijn hoofd leven 
herinneringen aan wel en wee van vroeger dagen, kommer wellicht voor de toe- 
komst; maar de groote kunstenaar, die werelden van gedachten in ons oproept 
terwijl hij zich zelven peinzende schildert, leeft nog onverzwakt voort. 

In het portret van 1634 is Rembrandt in de volle kracht des levens, zijn kastan- 
jebruin haar omlijst met machtigen krullendons zijn gelaat; zijn lichte knevel 
bestaat uit een half dozijn omhoog gestreken haartjes; zijn onderlip wordt be- 
schaduwd door een bundeltje baardstoppels; tusschen de oogen plooit een rim- 
pel het vel, de zware wenkbrauwen dichter bij elkander halend en aan de wezens- 
trekken iets nadenkends en bezorgds gevende; maar de levendige bruine oogen, 
die zoo helder kijken uit hunne regelmatig gesneden luiken, maken het gelaat ver- 
standig en innemend. De tamelijk zware neus is knobbelig aan het uiteinde en 



REMBRANDT. 3 

legt een stoffelijken, eenigszins groven toets op het aangezicht, terwijl het zuiver 
en sierlijk ovaal er weer iets voornaams aan leent. 

Hij draagt een zwarte fluweelen muts met een korte klep, boven welke een 
gulden, met edelsteenen verrijkte band loopt. Over de schouders ligt een zwarte 
mantel gedrapeerd en op dien mantel hangt in zwierige bochten een zwaarder 
keten insgelijks met edelsteenen bezet, die de kunstenaar vasthoudt. 

Dit is Rembrandt van lichaam, van geest, van kunst. Van geboorte is hij 
een Hollansch burgerman : zijn weinig voorname trekken bewijzen het en de 
getrouwheid, waarmede hij ze weergeeft, getuigen van zijn onbeschroomden 
waarheidszin, die wat anderen schoon of leelijk vinden van gelijke waarde 
acht voor de kunst. Zijn open oogen, de plooi van den denker, die er tusschen 
ligt, spreken van den man, die verder in de wereld ziet en dieper peilt in 
het menschelijk gemoed dan de gewone sterveling; de zwierige haartooi en 
de vreemdslachtige pralcrige kleederpracht verraden al dadelijk, dat deze 
burger van geboorte iets ongemeens wilde zijn door de kunst, dat nevens 
zijn gadeslaan der werkelijkheid in hem een behoefte aan verdichten en om- 
scheppen leefde, die ten allen tijde de nuchtere waarheid verlevendigde en 
verhoogde door den adem der phantasie, dien hij haar inblies. 

Hij was 28 jaar oud toen hij dit stuk schilderde. Den 15den Juli 1606 te Leiden 
geboren, had hij in 1624 eene eerste maal die stad verlaten na er drie jaar bij 
Jacob van Swanenburg in de leer geweest te zijn, was zes maanden te Amsterdam 
bij Pieter Lastman gaan werken en keerde dan naar Leiden terug, ten einde 
zich door eigen studie voor te bereiden om als zelfstandig kunstenaar op te 
treden. In 1631 vertrekt hij opnieuw en ditmaal voor goed naar Amsterdam; 
hij huwt daar in 1634 zijn geliefde Saskia. 

Het is dus in zijn huwelijksjaar, dat hij deze zijne beeltenis maalde. Hij 
had drie jaar vroeger zijn Offerande in den Tempel uit het Haagsch 
Museum, een kleinood reeds van fijne lichtspeling, geleverd; het jaar daarop 
volgende had hij zijne Anatomieles voltooid. Na zijn terugkeer in Amster- 
dam had hij het druk gehad met bestellingen en was hij als conterfeiter gezocht 
door bij zonderen en door gilden. Hij was jong, vol scheppenslust. Hij was ge- 
lukkig, hij beminde zijne vrouw en werd door haar bemind; hij was niet on- 
bemiddeld en zijne gade had eenig fortuin medegebracht. Hij blikt in zijn por- 
tret onbeschroomd uit de groote goedige kijkers, omdat de gezichteinder des le- 
vens grenzenloos wijd voor hem open ligt en de lucht helder is. Op zijn voor- 
hoofd is nog geen schaduw gevallen, zijn oog is door geen wolkje verdoofd, 
omdat het bestaan zonder zorg voor hem is gebleven. Hij wist, dat hij de we- 
reld iets te verkondigen had, en zag, dat zij genegen was naar hem te luisteren. 

Hij kwam op zijn tijd: de Italianisten, volgelingen der groote zuidelijke idea- 
listen hadden uitgediend, van Mander's schilders-evangelie had men afgezworen 
en tot een nieuw geloof zich bekeerd. De schilders van het licht en bruin van 
gene zijde der Alpen waren de gunstelingen van den nieuwen tijd, en Elsheimer, 
die in stukken van kleine afmeting hun spelen met helder en duister, hun phan- 



4 REMBRANDT. 

taseeren met personages en onderwerp verder dreef, was de meester van Last- 
man, Rembrandt's meester. De portretschilders, zooals Theodoor De Keyser, 
zochten naar waarheid, niet de stijve, harde van vroeger, maar de levendige, 
die de vleezen helder en malsch zocht te schilderen en met eigen oog de model- 
len in hun werkelijk wezen en bewegen waarnam. Frans Hals had met forsche 
hand aan de schoolbanden gerukt en had er zijn kunst vrij van gemaakt; van Go- 
yen en Hercules Zeghers hadden het landschap ontdaan van zijn pralerig bijwerk 
en de natuur voor haar zelve geschilderd, en daarginder in Zuid-Nederland had 
Rubens de zegepraal van het bewogen leven en van het glanzend koloriet be- 
werkt en hadden van Dijck en Jordaens hunne personages doen tintelen van licht- 
gloed. Het rijk der academische lijnen, der schoolsche idealen was uit; de men- 
schelijke waarheid ging overheerschen, terzelfder tijd als het teekenkrijt in aan- 
zien daalde en de schilders in de eerste plaats schilders gingen worden. 

De rijzing der HoUandsche kunst was op verbazend korten tijd geschied; zoo- 
haast was niet het vaderland bevrijd van vreemde overheersching of zij maakte 
zich los van uitheemsche wetten en invloed; zij schiep naar haar eigen aard, on- 
afhankelijk, zelfstandig, een kind door de jaren, een kloeke vrouw door de kracht. 
Bij Rembrandt's optreden was zij jong en frisch, alles durvende, alles kunnende, 
zooals hij zelf was. 

Toen hij zich na zijn eerste kort verblijf uit Amsterdam terug naar Leiden had 
begeven, bracht hij daar verscheidene jaren aan den arbeid door, en oefende 
hand en oog. Hij vervaardigde tal van werken, waar hij weinig naam en geld 
mee verdiende, maar meesterschap over de stof en over palet en borstel ver- 
kreeg. Hij schilderde zich zelven, zijn vader en moeder; hij koos uit de Bijbel- 
sche geschiedenissen onderwerpen, die hij in kleine stukken afbeeldde. Wat 
hem bij zijne portretten zoowel als bij zijne historische tafereelen vooral aan- 
trok was niet enkel hoe zij zich vertoonden aan den juistzienden opmerker, 
maar ook en meer bijzonder hoe zij zich aan hem voordeden onder de ongewo- 
ne verlichting, waarin hij ze plaatste. Aan het leven vroeg hij de waarheid; aan 
het licht de schoonheid. 

Het portret zijner moeder van 1628 uit het Museum van den Haag toont zijne 
bezorgdheid om met nauwlettende, haast angstige vlijt al de deelen en onder- 
deden van het gelaat weer te geven. Zijn eigen portret van 1629 in hetzelfde 
Museum bewijst, hoe hij een jaar nadien reeds meer prijs hechtte aan de studie 
van Hcht en bruin. De Offerande in den Tempel van 1631 getuigt 
hoe hij in onderwerpen, die ruimer baan aan zijn verbeelding laten, al dadelijk 
zich liet meesleepen door zijn lust om op avontuur uit te gaan naar het geheim- 
zinnig land, waar klaarheid en duisternis met elkander zulk een vreemd en aan- 
lokkelijk spel drijven. Handeling, algemeene lijnen, bijzondere vormen trekken 
minder zijn aandacht, zij zijn het alledaagsche voor hem, het wetenswaardige, 
het aantrekkelijke, het schilderachtige is het licht, dat een kring van glorie 
trekt in het onmetelijk schip van den tempel en dien kring vult met een 
klaarte, waarin de menschen baden, hunne vastheid en logheid verliezen, onder- 



REMBRANDT. 5 

deelen worden van een onstoffelijk geheel. Hij heeft dit tafereel niet gezien 
met de oogen des lichaams, maar met die van den geest. Het voorval uit het 
Evangelie is voor hem een visioen geworden, dat hij niet verhaalt noch be- 
schrijft, maar bezingt. 

In zijn Anatomieles van 1632 herneemt de werkelijkheid weer hare rech- 
ten en overheerscht, maar hij herschept ze zooveel hij kan. Zijne menschen zijn 
gegroepeerd en handelen naar de eischen van het onderwerp, maar zij posee- 
ren ook wel wat voor hem. Met al den eerbied, dien hij toont voor hun eigen zeer 
persoonlijk leven, breekt zijn lust en kunst in het omscheppen en ontstoffelij- 
ken toch door. Uit hun figuren straalt een edeler dan de alledaagsche levens- 
vlam; er loopt niet enkel bloed maar ook licht door hunne aderen en, als om 
zich te wreken over de banden, die hun zelfstandigheid hem oplegt, laat hij van 
het vormelooze lijk, moedwillig op den voorgrond geplaatst, een straling uit- 
gaan, die aan het wezenlooze wrak meer glanzing, dat is voor hem meer waarde, 
geeft dan aan de menschen daar achter. 

In zijn portret van 1634 vloeit de dubbele strooming van zijne kunst dier dagen 
samen. Het is met zorg en eerbied voor de waarheid, zonder eenige vermetelheid, 
in al de bijzonderheden van het hoofd gepenseeld. Het is een studie van het 
licht. Het warm doorschijnend hoofd staat tegen een half verlichten achtergrond 
en doemt daaruit op, als ware het uit gestoken klaarheid gekneed : het is vleesch 
geworden licht. De haarlokken weerkaatsen er een deel van, de gouden kettin- 
gen op muts en mantel stralen er door, maar worden toch niet meer dan weer- 
schijnen van het zonnige gelaat. Het licht is nog jong en maagdelijk, de flikke- 
ring ervan is nog zacht en bedeesd, de huid heeft iets teeders en donzigs als 
zonneschijn, die door de morgennevelen breekt. Later, wanneer des schilders hand 
zekerder en krachtiger zal geworden zijn, zal zijn licht ook vaster en voller wor- 
den : zijne vleezen zullen dan blaken als roode of witte gloeiende metaalbonken ; 
maar heel zijn leven door zal zijn streven zijn het geheim te doorgronden van den 
strijd tusschen helderheid en duisternis, en het tooverwoord machtig te worden, 
dat heerschappij geeft over beiden. Zijn zegenpraal zal zijn dit geheim en die 
kracht meester te worden en zijne ware menschen te boetseeren in de minst stof- 
felijke aller stoffen, die ooit een kunstenaar bezigde, het pure zonnegoud. 

Een andere trek in Rembrandt's aard spreekt uit de kleedij, waarmede hij zich 
in zijn portret van 1834 tooit. Wanneer hij bestelde portretten te schilderen had, 
moest hij zich wel den dosch van het model laten welgevallen; waar hij zelf zit, 
kent hij dien dwang niet en mag hij offeren aan eigen smaak en gril. Of hij van de 
gelegenheid gebruik maakt! Als een kind, dat nooit moe wordt zich in vreemde 
plunjes te steken, hoe vreemder, hoe liever, had hij er pret in zich te sieren met 
allerlei zonderling gewaad: hier met een fluweelen muts van ongewonen snit en 
met een mantel verrassend genoeg met gouden kettingen behangen; elders met 
een tulband, of een helm; nu eens met een stalen harnas, dan met gouden bor- 
duursels op het linnen en met pelsen voering in den fluweelen mantel. En niet al- 
leen zich zelven maar zijn vader en zijn moeder worden in zonderling tooisel 



6 REMBRANDT. 

voorgesteld: hij met een rechtstaande pluim op de muts, zij met juweelen in het 
haar of een rijken pels om de schouders. Zijne Saskia smukt hij met niet minder 
welgevallen en grilligheid op dan zich zelven: nu eens als een prinses, dan als 
een joodsche bruid, dan met bepluimden Rubenshoed, met kostelijke kleeren of 
vreemdsoortige mantels. Dit was de gril nevens de waarheid, het aandeel van het 
sprookje in het echt verhaal. Wat bhnkt, wat schittert, wat rijk van kleur en on- 
gewoon van vorm is, trekt hem aan; hij bemint het om het zeldzame, het onbur- 
gerlijke. Hij is de groote romantieker van zijnen tijd, van alle tijden; hij zoekt 
vooreerst en vooral het schilderachtige ; hij geeft wel de natuur, maar voegt er van 
het zijne bij ; hij maakt haar genietbaar door zijne kunst, door zijne fantazie. 

In de tafereelen uit de geschiedenis houdt hij zich liefst bij onderwerpen aan 
Bijbel of Evangelie ontleend. Die gaven hem het vergezicht van afstand in tijd 
en plaats en lieten hem vrij naar eigen lust aan te vullen wat van zoover niet 
meer te onderscheiden valt. Het waren andere menschen, wien hij andere klee- 
derdrachten mocht aantrekken. Maar zoo geheel vreemd waren zij toch niet 
dat zij louter verzonnen waren. Daar toch in zijn naaste buurt, in zijn eigen 
straat woonden de afstammelingen van het mtheemsche ras, die nog in kleedij 
en godsdienst, in uitzicht en gewoonten, veel hadden meegebracht en bewaard 
uit het Oosten, dat hen onderscheidde van zijn landgenooten. 

Er waren zooveel andere schilders, die er tegen opzagen den Hollandschen 
burger in zijn dagelijksch leven en woning te schilderen, welke zij, evenals Rem- 
brandt, waarschijnlijk te koud en te saai vonden. Ze verkozen officieren in bonte 
kleedij zooals Terburg en Metsu; Italiaansche boeren zooals Berchem en Dujar- 
din; klanten van boerenkroegen zooals Brouwer en Adriaan van Ostade en wat 
er verder ondeftig te vinden was op Hollandschen grond, maar wat prikkelde en 
er ongemeen uitzag, wat schilderachtig was. Zoo ook Rembrandt. Maar hij ging 
veel verder: hij ontdekte de Joden in hetheden en het verleden, de Oostersche en 
de Westersche, en haalde aan hen zijn hart op, dat haakte naar iets dat afsmaakte 
in de werkelijkheid, naar geheimzinnige dingen, die opdoemden uit de duisternis 
der tijden, evenals zijne gloeiende gestalten opdaagden uit de duisternis van den 
nacht. Zij en hunne geschiedenis boden hem een werkelijkheid, rond welke hij 
zijne borduursels mocht leggen, zooals de gouden kettingen op zijn mantel en 
muts; een vasten grond, waarop hij dichtend en droomend mocht voortbouwen. 

Dus doende gehoorzaamde hij aan eenen aandrang naar het ongemeene, dien 
velen met hem voelden. De afstand, die er ligt tusschen hem en zijne voor- 
gangers, is zoo ontzaglijk, dat indien wij door opsporing en vergelijking er niet 
toe gekomen waren mannen te vinden van wie hij afstamt of met wie hij punten 
van aanraking heeft, wij wanen zouden, dat hij met een geweldigen sprong plots 
in de kunstwereld was opgetreden. Die verwantschap valt niet te loochenen, maar 
evenmin zijn uitstekendheid boven zijne voorgangers. Het bedeesde romantisme 
van Elsheimer en zijne Hollandsche volgehngen wordt bij Rembrandt een nim- 
mer uitgeputte noch vermoeide vindingskracht, die aan elk onderwerp, eenvou- 
dig of ingewikkeld, dadelijk een tref f enden, schilderachtigen kant ontdekt; de 



REMBRANDT. 7 

zwakke of ruwe werking van licht en bruin wordt bij hem kunstvol tooverspel; 
de kalme behendige portretschildering wordt omschepping van den mensch; het 
gadeslaan en weergeven der werkelijkheid wordt doordringen in haar innigste 
v/ezen en persoonlijke voorstelling harer treffende kenmerken ; de min of meer 
geslaagde pogingen der Hollandsche schilders om zich los te maken van de 
overleveringen en opvattingen van het zuiden wordt een zelfstandig optreden, in 
het volle bewustzijn van het beoogde doel, in het volle bezit der kracht vereischt 
om het te bereiken. 



II. 

Van verschillenden aard zijn de stukken van Rembrandt, die, behalve de por- 
tretten, de Louvre bezit. 

Eene Beenhouwerij, waarin men een gevilden en geruimden os ziet han- 
gen. De schilder van het leven en van de natuur werd getroffen door de 
heerlijke kleur van de doode natuur en heeft zich vermeid in het weergeven 
van het geweldige rood van het vleesch, het gesmijdige blond van de vetklom- 
pen; hij nam er behagen in die forsche en die malsche tonen te laten schitteren 
en glimmen op een rijk en fijn getinten achtergrond. 

In zijn twee Mediteerende filsofen schildert hij tweemaal denzelfden 
denker in dezelfde woonplaats op verschillende wijze gezien. Die woonplaats is 
een kelderachtig gewelf, waarin de filosoof leeft, afgescheiden van de wereld, 
voor studie en overpeinzing. Het doodsche van zijn verblijf wordt verlevendigd 
door het blijde licht. De stukken zijn van 1633 : kleine figuurtjes in fijne stille, 
haast bedeesde lichtspeling, in een ruim vertrek met warme tinten gevuld, met 
dezelfde blijde geheimzinnigheid der werken van dien aard en van dien tijd, de 
Opdracht in den tempel uit den Haag bijvoorbeeld. 

De Engel Rafaël Tobias verlatende, van 1637, is duidelijk van ver- 
haaltrant als men het zoo heeten mag, korrelig geschilderd met sterke lichtwer- 
king en doorschijnenden dampkring even rijk van uitdrukking als van kleur. 
De engel vliegt in geweldige, eenigszins stramme beweging de lucht in. Naïef 
en door en door menschelijk zijn de gevoelens, welke dit plotselinge heengaan bij 
Tobias en de zijnen verwekt. De vader valt op de knieën met de twee handen te 
zamen op den grond, de moeder volgt den engel met een blik vol verwondering, 
met opengeslagen handen en gapenden mond: dit alles is juist gezien, diep ge- 
voeld en onbewimpeld weergegeven. 

Het Huisgezin van den Timmermann, van 1640, is een Rembrandt- 



8 REMBRANDT. 

sche voorstelling van de H. Familie. Moeder zoogt haar kind. vader staat aan 
de schaafbank en terwijl dit alledaagsche gewone leven zijn prozagang gaat 
speelt het licht in het nederige verblijf en maakt een Zondag van den werken- 
dag, een paleis van dien winkel en legt den stralenkrans der heiligen rond die bur- 
gersmenschen. Het bescheiden stukje is een zang vierende het schilderachtige 
van het binnenhuis, het stille geluk van het familieleven. 

In den Goeden Samaritaan van 1648, overheerscht meer de schilder 
dan de verteller; hij heeft er genoegen in gevonden zijn penseel te laten gaan, 
het licht te laten spelen en zijne gulden vlagen naar links en rechts, fijn maar 
krachtig, te laten zenden. 

De Sint-Matthias van 1661 is ernstiger. Brokkelig en knoestig is de schil- 
dering, zwaar, machtig. De evangelist is verslonden in gedachten, beseffende de 
verhevenheid zijner zending; hij is van hetzelfde jaar als de Staalmees- 
ters en van hem straalt ook hun doffe gloed uit. 

De Discipels van Emaüs is het heerlijkste van die meesterwerken. 

Eene zaal met hoog gewelf; in den achtergrond eene nis, die tot aan de zolde- 
ring reikt; rechts eene deur, links een soort van schoorsteen. Christus en zijn 
twee volgelingen zitten aan tafel ; de Heiland met het gelaat naar de toeschou- 
wers gekeerd; een discipel op den rug, de andere in profiel gezien. Achter dezen 
laatsten een knecht, die visch opdient. Christus legt de hand op het brood en 
zegent het. ,,Toen gingen hunne oogen open en zij herkenden hem," zegt de 
Evangelist. De eerste heft de handen tot aan het gelaat in stille verbazing, de 
andere wendt zich, sterker getroffen, met vragenden blik naar den verrezene ; met 
de eene hand houdt hij de servet vast, die hij op de tafel heeft gelegd, met de 
andere vat hij de leuning van den stoel; de knecht ziet onverschillig toe, niets 
begrijpende, niets vermoedende. 

In hoofdzaak krijgen wij een tooneel uit het dagelijksch leven te zien. De drie 
voetgangers hebben een langen weg afgelegd, de avond is gevallen en zij hebben 
zich neergezet aan de tafel eener dorpsherberg, op stoelen, die men in elk boeren- 
huis kan aantreffen ; een hunner heeft zijn mantel gehangen aan den kapstok, 
die in een hoek staat; het blank zindelijk ammelaken is gespreid en de knecht 
dient het eenvoudige avondmaal op. Het weder is warm geweest en met den val- 
lenden schemeravond is er in de groote gelagkamer een geheimzinnig halfduis- 
ter neergedaald, dat het afgematte lichaam ontspanning brengt en dat, de uiter- 
lijke dingen omsluierend, den geest vrijer laat bewegen, vatbaar maakt voor 
zachte ontroeringen en hem het rijk der droomerijen opent. Het is het uur der 
vertrouwelijke gesprekken, waarop de herinneringen uit vroeger dagen, de plan- 
nen voor de toekomst, als van zelf opdoemen, naarmate de werkelijkheid van het 
oogenbUk wegdommelt in het uitdoovende daglicht. 

En keuvelend zitten zij aan tafel, opvangende de wijze woorden, die vloeien uit 
den mond van den onbekende, zooals kinderen in het halfduister luisteren naar 
wonderverhalen. En daar gaat de werkelijkheid ineens in het sprookje over. Zij 
hooren niet enkel meer de vreemde dingen, die de boeiende verteller hun zegt, 




REMBRANDT. 

DE DISCIPELEN VAN EMAÜS. 



REMBRANDT. 9 

zij zien ze. De gekruisigde is verrezen, daar zit hij tusschen hen beiden in; hij 
was het zelf, van wien hij hun sprak en als eenvoudige menschen verwonderen 
zij zich op eenvoudige wijze. Rembrandt laat hun de gedaante, de kleedij, de be- 
weging van mannen uit het volk; zij spelen geen rol, zij maken aanspraak op 
schoonheid noch voornaamheid ; zij zijn nederig van hart en van stand ; de knecht 
met zijn rond frisch hoofdje is naïever zelfs dan een gewoon tafeldienaar er uit 
ziet. 

Maar daar houdt de weergever der werkelijkheid op en nu vangt de kunste- 
naar, de dichter aan. De kamer, waarin hij zijne gasten plaatst, heeft door hare 
hoogte iets kerkachtigs en laat ons denken aan de weidsche gewelven uit de O f- 
ferande in den tempel. De dag, die valt in die ruimte, doet haar naakt- 
heid en alledaagschheid vergeten; men weet niet van waar hij komt. Zijn uiterst 
fijne nuanceeringen maken haast heel de kleurenladder van het tafereel uit. Chris- 
tus is gehuld in een geel kleed; het witte ammelaken ligt op een bruin doek; een 
discipels draagt een donker gewaad van onbestemde tint, de andere draagt een 
geel kleed. De kleurenkeus is dus bijzonder beperkt, maar de werking van licht 
en bruin wisselt af in het oneindige. Zij is het, die de boerenherberg omschept tot 
een passend tooneel voor hoogere gebeurtenissen. Het warme licht valt op het 
witte tafellaken, het bestraalt de handen en kleeren van Christus, het neemt af 
en wordt stiller naarmate het hooger klimt; maar het drijft overal zijn spel, af- 
nemend, toenemend, gloeiend, verdoovend, te voorschijn tredend waar men het 
verloren achtte : tusschen den mond en de hand van den eersten discipel, aan 
zijn knie, onder de tafel, aan den schoorsteen; nadruk leggend op een bijzonder- 
heid, zonder ergens uit zijn stillen harmonieusen toon te vallen ; immer zacht, fijn 
met een kostelijke gulden tint. Zoo stemt naar zijn verlangen de kunstenaar het 
gemoed, dat hij wil treffen, evenals de sprookjesverteller zijn jeugdige toehoor- 
ders voorbereidt op de gebeurtenissen, die hen zullen doen rillen en ijzen, met 
zijnen aanhef: ,,Het was in het diepste van een donker bosch." En nu mag de 
schilder als verteller van het wonderdadige optreden. Volgens het Evangelie her- 
kenden de discipelen Christus aan het breken van het brood; Rembrandt veroor- 
looft zich die verklaring te wijzigen. Niet naar de handen van hunnen geheim- 
zinnigen makker zien zij, maar naar zijn hoofd en in dit hoofd vatte hij dan ook 
samen wat er bovennatuurlijks in de schamele gelagkamer omgaat. Christus, 
die er daar straks als een sterveling onder de stervelingen moest uitzien, bidt; 
zijne oogen verheffen zich eventjes, terzelfder tijd als zijn gedachte de aarde ver- 
laat; zijn hoofd zakt naar den schouder als van iemand, die in vrome gepeinzen 
wegdwaalt. Zijne trekken zijn vermagerd, haast onstoffelijk geworden, de lange ha- 
ren, de pelgrimskleedij dragen er toe bij om zijn uitzicht weeker en onvaster te ma- 
ken. En, zie! daar stijgt van zijn schouders rond zijn lokken, tot boven zijn hoofd 
een zachte straling, die in het schemerlicht der kamer een lichtenden kring tee- 
kent. De twee dischgenooten bemerken het en nu gaan hunne oogen open : zij 
zitten aan tafel met eenen verrezene, met de schim van hunnen goddelijken 
meester! Zij zien het, zij begrijpen het, hen overvalt de schroomende eerbied, 



10 REMBRANDT. 

die hun heele lichaam zoo verschillend beweegt en hen uit de dagelijksche ka- 
mer in de wereld der wonderen verplaatst. 

Zoo loopt bij Rembrandt de meest onverbloemde waarheid met het bovennatuur- 
lijke ineen, zonder schokken, geleidelijk, als van zelve, door de enkele werking 
van licht en kleur. 

Wanneer von Uhde tafereelen uit het Evangelie schildert, waarin Christus op- 
treedt onder de dorpelingen onzer dagen, leent hij aan den Verlosser die zelfde 
zachte uitdrukking, dien stillen stralenkrans, die ingetogen houding. Wat ons bij 
hem aangrijpt deed Rembrandt hem voor, zonder stelsel, heel eenvoudig, en 
natuurlijk. 

De Discipels van Emaüs is een der kleinste werken des meesters ; wat 
het tot een juweeltje maakt is dat stille, maar diepe gevoel, dat in elk figuur is 
gelegd en dan ook, en meer nog, de uiterst kiesche bewerking van licht en kleur. 
De verf is met kleine toetsjes aangebracht, dadelijk, zonder aarzeling, zonder her- 
toetsing : het zijn zoovele tikjes, waarmede de schilder het visioen doet herleven, 
dat voor zijn oog opdoemde, wanneer hij het tooneel van dien zomeravond te E- 
maüs wilde zien. In zijnen stillen, zachten toon is de welsprekendheid van het licht 
doordringend; nooit werd het met fijner gevoel gebezigd om verband te bren- 
gen tusschen de buitenwereld en de stemming des gemoeds, die de schilder 
wenschte te verwekken. Geen wonder dat de grootste plaatsnijder onzer eeuw, 
Ferdinand Gaillard, jaren doorbracht om het schijnbaar onaanzienlijke stuk te gra- 
veeren en het met zijnen zachten lichtgloor en zijne geheimzinnige schemering 
weer te geven. De groote moderne kunstenaar besteedde langen tijd en groote 
moeite om te hermaken wat Rembrandt op korten tijd en zonder inspanning schiep. 

Het was in 1648, dat hij het schilderde: in het jaar van den vrede, in het tijd- 
stip, waarop de Hollandsche School haren hoogsten bloei bereikte. Frans Hals 
was nog in de volle kracht van zijn talent; van der Helst werkte aan zijne 
Schuttersmaaltijd; de van Ostades en Adriaan Brouwer, van Goyen en 
Aart van der Neer, de Vliegher, van de Capelle en Willem van de Velde, Albert 
Cuyp en Potter brachten hunne meesterstukken voort ; Nicolaas Berchem en Ka- 
rel Dujardin, Jan Steen en Peeter De Hooch, Jacob van Ruysdaal en Jan Hac- 
kaert traden met frisch en jeugdig talent hunne loopbaan in; de eerste leerlingen 
van Rembrandt, Ferdinand Bol, Geeraard Dou, Govcrt Flinck, Philips en Salomon 
De Koninck waren op hunne beurt meesters geworden. Een heel legioen van schil- 
ders van hooge begaafdheid werkten op het kleine plekje gronds en maakten 
het in de kunst tot een rijk van eersten rang. 

Rembrandt was nog in zijn tijdperk van welstand, van onbekommerd leven voor 
de kunst. Na 1634 had hij eenige gelukkige jaren doorgebracht met zijne jonge 
vrouw, de bestellingen van portretten waren talrijk, de meester was gevierd, de 
leerlingen stroomden toe, zijn invloed op zijne omgeving was machtig. In 1640 
had hij zich een patriciërshuis kunnen aankoopen; in 1641 was hem een zoon ge- 
boren. Daar trof een jaar later hem een zware slag : zijne beminde Saskia stierf, 
In de eerste tijden schijnt dit verlies geen merkelijken invloed op zijn toestand te 



REMBRANÖT. 11 

hebben gehad; hij vertrouwde zijn zoon aan een huishoudster, die bij hem in- 
woonde. 

In 1649 bemerkte deze met leede oogen, dat niet meer zij, maar de jonge dienst- 
meid, Hendrikje Stoffels, de uitverkorene des kunstenaars was. Zij verUet zijnen 
dienst en sedert dien leefde hij samen met de goedaardige en verkleefde vrien- 
din, die hem hetzelfde jaar een dochter schonk, in de oogen der wereld voor zijne 
vrouw doorging en een tweede moeder voor zijn zoon was. Het huiselijk leven 
was dus in 1649 heringericht, aan liefde en verzorging ontbrak het den nog jon- 
gen en krachtvoUen meester niet. 

Maar na dit jaar komen er wolken in zijn bestaan. Hij leeft te uitsluitend voor 
zijne kunst en is te weinig bedacht op de stoffelijke behoeften van den dag en 
van de toekomst. Hij is verzot op kunstwerken en verzamelt en koopt zonder na te 
rekenen of zijne beurs die uitgaven dragen kan. In 1656 is zijn fortuin ten onder 
gegaan; in 1657 worden zijn meubels en have, het jaar daaropvolgende zijn def- 
tig huis verkocht. Hij hield zich als kunstenaar recht, als mensch ging hij gebukt 
onder dien kommer. Zijn eigen portretten van die dagen toonen hem niet meer met 
den blos der jeugdige gezondheid op het gelaat en met den helderen glans van 
zelfvertrouwen en scheppingslust in het oog; vóór zijnen tijd ziet hij er verouderd 
uit, schaduwen van zorg verduisteren zijne trekken, verdooven zijn blik, doen het 
hoofd op de borst zakken. Hij leeft meer en meer afgezonderd, nog altijd onver- 
poosd voortwerkende en meesterstuk op meesterstuk voortbrengende in schilde- 
ring en etsing. Hij volmaakt immer zijn trant, wordt meer en meer eigenaardig, 
persoonlijk. Hij eindigt met zich zoover boven zijne tijdgenooten en leerlingen 
te verheffen, dat hij er gaat buiten staan, dat hij verlaten wordt door zijne vroe- 
gere volgehngen en dat de valsche behaagzucht, waar hij nooit aan geofferd 
heeft, veld wint en boven geraakt naarmate hij dichter bij zijn einde nadert. 

Hij sterft den 8sten October 1669, in den ouderdom van 63 jaar, denzelfden 
dien Rubens, de vorst der Vlaamsche schilderschool, bereikte. 

Van 1634 tot 1648, den tijd, die er ligt tusschen zijn portret van dit eerste jaar 
en zijne Discipels van Emaüs, verloopt er een glorierijk tijdperk voor 
Rembrandt. Hij legt alle bedeesdheid, alle aarzeling af, die hem nog van vroe- 
ger dagen mocht overblijven. Als portretschilder geeft hij zijne menschen een 
sterk uitgesproken eigen leven, zij zien er bloeiend en gelukkig uit zooals hij zelf 
is; uit hun gelaat lacht een levenswarmte, die voller en inniger wordt naarmate 
hij zelf rijpt in zijne kunst. 

Zijn portret van vrouw Elisabeth Jacobs Bas uit het Rijksmuseum, dat rond 
het midden van dit veertienjarig tijdsverloop geschilderd werd, is één uit de 
onoverzienbare reeks bewijsstukken van de volmaaktheid, van de rustige bewer- 
king, van het evenwicht bereikt tusschen de kalme waarneming en weerspiege- 
ling van het leven en den glans door de kunst er aan verleend. 

Zijn Korporaalschap van kapitein Frans Banning Cock van 
1642, zijn schoonste werk misschien, zijn stoutste zeker, getuigt er van hoe de 
groote heerscher over licht en duisternis, wanneer hij de eigen ingeving vrijen 



12 REMBRANDT. 

teugel vierde, stoutmoedig schreed door zijn rijk, gehuld in zijn macht, levende 
in de wereld, die hij zich geschapen had, en de anderen er in oproepende ; de men- 
schen doende bewegen naar zijn willekeur, hun vorm en leven gevende door 
zijn licht, en schoonheid door zijn kleur; de kunst boven de waarheid stellende 
en de eigen fantazie voor de hoogste weet uitroepende. 

Als zinnebeeld dier dagen van weelde en kommerloosheid schilderde hij rond 
1637 zich zelven met zijne jonge vrouw op de knie. Hij lacht den aanschouwer 
toe ; op zijn zwarten hoed praalt een bos witte pluimen, zijn lang krullend haar 
valt hem op de schouders, hij is in het rood gedoscht en om den gordel draagt 
hij een langen degen. In de opgeheven hand houdt hij een hoogen wijnbeker; 
de andere ligt om het midden van Saskia, die een schitterend blauw kleed draagt 
en zich stralend van gezondheid en opgeruimdheid, met goedigen glimlach naar 
den toeschouwer wendt. Kon het duidelijker gezegd worden, kon hij uitbundiger 
pralen met zijn geluk! 

Na 1648 sluipen zorg en kommer zijn leven binnen; na 1657 is het gedaan met 
zijne opgeruimdheid. Zijn portret in 1660 geschilderd, dat de Louvre bezit, toont 
ons wat er van den joligen en glansenden jonker met zijn degen aan de zijde, 
met zijn jonge vrouw op de knie is overgebleven. Mat en grijs is het licht gewor- 
den; in plaats der straling van zijn figuur is de schemering getreden, zijn oog is 
gebroken, een doek van twijfelachtige blankheid heeft den gepluimden hoed ver 
vangen. 

Lichamelijk en stoffelijk is Rembrandt erg achteruitgegaan; gelukkiglijk is de 
kunstenaar ongedeerd gebleven en zijn dezes gaven eerder gerijpt dan verzwakt. 
Zijn oog omvat onmiddellijker het onderwerp; zijn hand geeft het in vasteren 
vorm weer; het flakkeren van zijn licht is uit, maar in de plaats is getreden een 
rustige, diepe gloed, die niet tot den schijn, maar tot het zijn der dingen behoort. 
Zijn fantazie is gestild; alle bijzaken, alle opsmuk vallen weg, alleen het 
innigste wezen blijft. Natuur en kunst, waarheid en verbeelding zijn één gewor- 
den. Zoo doet zich een werk zijner latere jren voor, dat meer en meer algemeen 
voor zijn meesterstuk gehouden wordt : de Staalmeesters uit het Rijksmu- 
seum, van 1661. 

Acht jaar later was Rembrandt niet meer; zijn roem was reeds getaand vóór 
zijn heengaan, en bleef een eeuw lang verdoofd. In onze dagen is hij luider en 
luider verkondigd : de toen miskende is nu de meest gevierde meester der wereld 
geworden. Zijn stukje de Discipels van Emaüs, dat in de veiling van 
Burgemeester W. Six in 1734 tegen 170 gulden verkocht werd, en in 1777 voor 
de verzameling van den koning van Frankrijk 10,500 francs werd betaald, zou, 
indien het nog in veiling kon gebracht worden, zeker tegen geen tonne gouds 
meer te koopen zijn. 




FRANS HALS. 

PORTRET VAN NICOLAAS VAN BERESTEYN. 



2. FRANS HALS. 



Tot voor een tiental jaren lag in de lange Heerenstraat te Haarlem een hofje, 
gesticht in 1684 uit de nalatenschap van Nicolaas van Beresteyn, waar een twaalf- 
tal oude vrouwen van R. K. godsdienst een onderkomen vonden. In de regenten- 
tenkamer van het hofje hingen vier schilderstukken van Frans Hals, het portret 
van den stichter en dat zijner vrouw, een familieportret waarop de twee zelfde 
personen, hunne zes kinderen en twee dienstmeiden waren afgebeeld, en eindelijk 
het portret van een meisje hunner familie, freule Emerentia van Beresteyn. 1) 

Elders plachten vorsten en adellijke heeren hunne praalgraven van marmer en 
brons in kerken op te richten, waar duizenden hunne eeretitels zouden lezen; veel 
bescheidener zorgde de Haarlemsche edelman er voor dat in dit stille vertrek, 
de luidjes, die hem een gerusten ouden dag verschuldigd waren, dankbaar de 
oogen konden opheffen naar de beeltenis van hem en van de zijnen. Zijn wensch 
zal wel geweest zijn in dit afgelegen plaatsje voor weinigen voort te leven. 

Het lot heeft er anders over beschikt. 

De schilder, die Nicolaas van Beresteyn conterfeitte bleef een paar eeuwen 
lang verloren in den grooten hoop der mislukte kuntenaars. Daar klaarde, een 
halve eeuw geleden, het halfdonker op dat zijne verdiensten verborgen hield ; men 
leerde hem schatten als een der oorspronkelijkste meesters, die hier of elders het 
penseel hanteerden, en elk stuk dat zijn naam draagt werd naarstig opgezocht en 
duur betaald. 

De Beresteyns in hun hofje wekten al spoedig de belangstelling op : er lag een 
waas van geheimzinnigheid over al die stukken, waarvan ieder had gehoord en 
die weinigen hadden gezien, en de heeren regenten van het gesticht, die zoo lange 
jaren in rust en vrede geheerscht hadden, werden nu van velerlei zijden met 
vragen en aanbiedingen van kooplustigen bestormd. Zij weerstonden niet aan de 
bekoring. Eerst verliet het meisjesportret, het hoogst gewaardeerde kleinood uit 
den schrijn, het hofje en ging plaats nemen in het weidsche huis van Mathilde 
Rothschild te Francfort. Dit gebeurde in 1882. Drie jaar later verhuisden de drie 
andere stukken naar de zalen van den Louvre. Zij waren voor eene aanzienlijke 
somme gelds verkocht. Uit de opbrengst, der portretten werd het oude hofje ge- 
heel herbouwd. In de tegenwoordige regentenkamer hangen de kopieën der wer- 
ken van Hals door P. Th. van Wyngaarde geschilderd. Nicolaas van Beresteyn 

') Een artikel van M. G. Wildeman in Oud-Holland (XVIII, 129) stelt vast dat de portretten uit het 
hofje van Beresteyn verbeelden: a) Paulus van Beresteyn, vader van den stichter Nicolaas; fi) de derde 
vrouw van Paulus, Catharina Both van der Eem; r) Paulus van Beresteyn, met zijne derde vrouw en de 
zes kinderen uit zijn eerste huwelijk, onder welke Nicolaas zich bevindt; tf) Emerentia, zuster van Nico- 
laas. Wij behouden met deze aanmerking den naam van Nicolaas Beresteyn dien het mansportret draagt, 
omdat die naam van weinig belang is voor de studie van 's meesters werk. 



14 ■ FRANS HALS. 

en de zijnen deelden in de nieuw verworven onsterfelijkheid van hunnen conter- 
feiter, en evenals hij traden zij uit het schemerlicht eener plaatselijke bekendheid 
in het volle zonnelicht der wereldberoemdheid. Niet meer een dozijn oude vrouw- 
tjes, in eene kamer met wit gekalkte muren, zien nu in allen eenvoud en eerbied 
naar de oorspronkelijke stukken op, maar wel de schaar, die dag aan dag voort- 
schuift over den geboenden vloer van het koninklijk paleis aan de boorden der 
Seine. 

De stukken kwamen nog al erg gehavend te Parijs aan; vooral de afzonderlij- 
ke portretten van man en vrouw zagen er weinig bekoorlijk uit. De hersteller 
heeft de onherstelbare kneuzingen, door tijd en onkunde toegebracht, niet geheel 
kunnen genezen, maar genietbaar zijn de werken nu toch geworden. 

Het portret van Nicolaas van Beresteyn, die hierbij in gravuur gaat, is een 
kniestuk van natuurgrootte; de afgebeelde staat driekwart naar den toeschou- 
wer gewend, de rechterhand op de heup; de linkerhand, die een zwarten breedge- 
randen hoed vasthoudt, rust op een tafel. Het gelaat is bruin van vel met rozen- 
kleur op de wangen; het haar is van donkerder, de baard van lichter kastanje- 
kleur; de knevel is borstelachtig omhoog gestreken. Een rijk bewerkte kanten 
kraag windt zijne geborduurde pluimachtige bekken als een lichten en lich- 
tenden krans rond het stevige hoofd. Op de borst is over het zwarte kleed een 
dunne mantel geslagen, die met den linkerarm wordt vastgehouden; de zwarte 
damasten broek is met donkere figuren, de zwarte mouwen met gouden bloemen 
doorwerkt; de manchetten zijn omhoog geslagen, gesteven en doorschijnend. De 
uitdrukking is goedig en vriendelijk; uit den glimlach, die de wenkbrauwen doet 
neerzakken op de versmalde oogen, die de hoeken van den mond achteruit 
trekt, de wangen bolt en er een plooitje in legt, spreekt een onbezorgde ge- 
moedstemming. 

Het heele figuur ziet er zoo voornaam uit in zijn rijke kleedij, in zijne triom- 
fantelijke houding, in de zwierigheid waarmede de mantel is omgeslagen en de 
hoed wordt vastgehouden, dat men het, op die algemeene trekken afgaande, 
even goed voor een werk van van Dyck, den hofschilder, als van Hals, den bur- 
germaler, zou kunnen houden. Maar er is iets in het figuur, dat al dadelijk aan 
een andere opvatting van het leven doet denken dan die welke den Vlaamschen 
conterfeiter lief was. De Antwerpsche schilder adelt zijne modellen, zelfs wan- 
neer zij tot den burgerstand behooren en veredelt ze nog als zij voornaam zijn; 
men denke slechts aan de twee koningskinderen uit het Rijksmuseum om zich 
duidelijk te maken, hoe zelfs het vorstelijk karakter verhoogd wordt, waar het 
door hem wordt vertolkt. Frans Hals doet het gemoedelijke, het schalksche spre- 
ken ook uit zijne deftige figuren. Een man van goeden huize is deze Nicolaas van 
Beresteyn, men ziet het hem dadelijk aan; een man van edele inborst, wij weten 
het; maar trotsch is hij niet en weinig laat hij zich voorstaan op zijne waarde en 
deugden; zijn schalksche oogen althans zeggen ons, dat hij het leven luchtig 
opvat en meer bedacht is te genieten van het goede dan zich te ergeren om het 
kwade. 



FRANS HALS. 15 

In dien trek van het portret vinden wij een algemeen kenmerk van Frans 
Hals weder. Hij trad op in de wereld der kunst na een tijdperk van groote aange- 
leerde schijndeftigheid. Onze Nederlansche schilders van Noord en Zuid had- 
den haast een heele eeuw lang gepoogd zich op te heffen tot de hoogte der Stan- 
ze waar Rafaël's, of tot de gewelven der Sixtijnsche kapel, waar Michelangelo's 
ideale scheppingen troonden. Hun pogen had hun aangeboren gaven bedorven en 
alle oorspronkelijkheid in hen gedood. De school van Frans Floris en van Marten 
De Vos, zoowel als die van Scorel en Marten van Heemskerk, was één bombast, 
één na-aperij, één verrekeling. Er was gelukkiglijk nevens die ingevoerde kunst 
een inheemsche trant blijven bestaan en al was de vreemde voor het oogenblik 
hoog gevierd, de toekomst behoorde aan zijn nederigen mededinger. Quinten 
Matsys en Lucas van Leyden, Boeren Breugel, Hieronymus Bosch en Pieter 
Aertsen zijn eenige der vertegenwoordigers dier nationale richting : al te zamen 
zijn zij realisten, rondom zich ziende naar wat er schilderachtigs ligt in de waar- 
heid. Zij hadden het gemeenschappelijk kenmerk, in tegenspraak met de Italiani- 
seerenden, nog al licht waarheid en hoekigheid, eenvoud en boerschheid met el- 
kander te verwarren. Frans Hals ziet vastberadener dan eenig ander schilder 
de waarheid vlak in het aangezicht. Hij zoekt niet naar leelijkheid, naar mis- 
vormdheid, maar ontwijkt ze niet waar hij ze ontmoet. Hij is een verklaarde vijand 
van bombast, van aanmatiging en opgeblazenheid; maar hij vermindert noch 
verlaagt moedwillig den mensch. Van pret houdt hij veel, van spot niet; hij 
maakt zich vroolijk met zijne menschen, maar niet te hunnen koste; hij is de 
groote blijspeldichter in onze schilderschool, maar laat het kluchtspel aan an- 
deren over. Over heel zijn werk ligt een goedronde gulle lach, die nergens uit- 
bundig schatert noch snerpend grijnst. Hij neemt het leven zooals het is; hij vond 
het goed voor zich en voor de anderen, zij mogen dan klein of groot, oud of jong, 
arm of rijk zijn. Zijn visschersjongens, zijn straatbengels, zijn herbergdeernen, 
zijn soldaten, zoowel als zijne officieren der schuttersgilden en al zijne adellijke 
heeren, allen hebben lust in het leven en leeren het ons van de goede zijde be- 
schouwen. 

Wanneer zijne opvolgers luim en pret zullen schilderen, zullen zij koud zijn bij 
hem vergeleken of zullen zij in boertigheden van verdachten smaak vervallen; 
de dorpelingen van Brouwer, van Ostade en Teniers, de vroolijke gezellen van 
Jan Steen en van Jordaens zijn plomp of ruw bij de minder uitgelaten en toch 
zoo innig plezierige figuren van Hals; de liefdehandel van Terborch en Metsu, 
de vroolijke gezelschappen van Dirck Hals, Palamedes, Duck en Codde zijn koud 
en stijf in vergelijking met de snaaksche, opgeruimde tafereelen van den schil- 
der van Jonker Ramp en zijn liefje. 

Frans Hals is in de eerste plaats, men mag zeggen nagenoeg uitsluitend, een 
portretschilder. Hij was dus meestal gehouden aan de waarheid en mocht zich 
niet veroorloven aan zijne personages karaktertrekken te leenen, die niet de hun- 
ne waren. En toch weet hij hun zijn eigen levenslust in te blazen. Wij zagen het 
reeds in het portret dat wij bespreken en wij merken het nog in menig ander stuk 



16 FRANS HALS. 

en vooral in zijne Doelenstukken van het Haarlemsche Museum. Wat zien er daar 
de menschen opgeruimd van gemoed uit, tevreden met hun lot en vriendelijk 
voor den medemensch! ,,God schept den dag' en ik ga er door" schijnt de leus 
van al die goedronde en goedgezinde figuren te zijn. Zij zijn noch zwaarmoedig 
noch plomp, zij maken geen pret op zijn boersch ; zij lachen wel op goedige maar 
ook op geestige wijze. Vergelijk ze maar eens met de kolveniers van van der 
Helst. Deze ook doen zich te goed aan het vette der aarde, maar hoe logdeftig, 
hoe grofzinnelijk zij er uitzien tegen de lustige gezellen uit Hals' Schuttersmaal- 
tijden ! Bij andere schilders vallen de welgedane burgerlijke krijgslieden zwaar 
van leden uit, ingebakerd in hun bont pak, met groote vlakliggende kalfsoogen 
elkander of den toeschouwer aankijkende, als begrepen zij niet recht wat er daar 
rond hen omgaat. Hals' mannen daarentegen begrijpen het volkomen, wakker en 
schrander als zij zijn. Hunne oogen liggen niet bovenop of gelijk met het gelaat, 
zij zijn half toegeknepen en glimmen levendig uit hunne holen; de schilder laat 
er den wenkbrauwboog cenigszins over neerzakken en legt er aldus een schaduw 
rond, waarin zij verstandig en schalks lichten. Met al zijne vatbaarheid voor 
het schilderachtige dat er liggen kan in een personage van lageren stand en lus- 
tige stemming schijnt hij nog meer zin voor het sierlijke en zwierige te hebben. 
Wij merkten het op in het portret van Nicolaas van Beresteyn, in dat van Bere- 
steyn met zijne familie, in dat van de kleine Emerentia, in dat van Heythuysen 
en in zoo menig figuur uit zijn Doelenstukken. De vaandeldragers zijner Schut- 
lersgilden zijn zoo al nagenoeg wat er meest elegant geschilderd is in Holland. 

Hals hield vooral van leven en van beweging. De Regentenstukken, waarin 
vóór hem de figuren stijfweg in het gelid of houterig van postuur naast elkander 
stonden, bevolkt hij met afwisselende bevallige groepen. Hij laat er de persona- 
ges niet alleen vroolijk in zijn, maar ook handelen, spreken, gevoelen. De lede- 
poppen van vroeger worden vleesch en gaan leven ; op dit gebied is hij de groo- 
te voorlooper van Rcmbrandt en van zoovele schilders, die aan Holland eene 
eigen kunst schonken. Hij heeft vijftig, wellicht zestig jaar lang voortge- 
bracht en met uitzondering van zijne allerlaatste stukken is hem die milde en 
kostelijke levenslust bijgebleven. Verschillend in de opeenvolgende tijdperken zijns 
levens was echter zijn schildertrant ; maar even oorspronkelijk, van even eigen 
vinding als het leven dat hij zijne menschen inblies, was de afwisselende wijze, 
waarop hij ze conterfeitte. 

Wat zijn werken immer kenmerkte was zijne losse penseelvoering, de ze- 
kerheid en vrankheid zijner toetsen. \'óür hem, en ook meerendeels na hem, doen 
de schilders hunne borstelslagen ineenvloeien ; zij werken in de natte verf, zoodat 
ook van dichtbij gezien een brok van verschillende tinten een samengesmolten 
geheel uitmaakt. Frans Hals legt gaarne zijne kleuren nevens of op elkander, zoo- 
dat de vegen van zijnen borstel en zijne verschillende tonen duidelijk te onder- 
scheiden blijven. Die wijze van werken geeft aan zijne schildering eene breedheid 
en stoutheid, die door geen tweede geëvenaard wordt. In zijne eerste werken 
spreekt dit kenmerk minder duidelijk, maar gaandeweg valt het meer in het oog 



FRANS HALS. 17 

en in de groote Regentenstukken, die zich in het Museum te Haarlem be- 
vinden, en van 1616, 1627, 1633, 1641 en 1664 dagteekenen, kan men de toe- 
nemende vrijheid van het spel van zijn penseel van werk tot werk nagaan. Zijne 
eerste conterfeitsels zijn in versmolten tonen en met scherpe omtrekken, alleen 
de kleederen en bijzaken zijn breed geveegd; later worden ook in de vleezen de 
tonen meer nevens elkander gelegd en in zijne allerlaatste werken liggen de bor- 
stelslagen zoo afgezonderd, dat men geloofd heeft dat die stukken niet Afaren af- 
gewerkt. Zijne kleur wordt daarbij gaandeweg soberder. Al zijne voorgangers in 
de Nederlanden waren verzot op bontheid; Frans Hals is altijd een matig kolo- 
rist geweest, zoekende meer den rijkdom en de fijnheid dan de schelheid van 
toon. In zijn eerste stukken legt hij nog een warmen blos op de wangen zijner 
personages, vindt hij er genoegen in een blauwe of roode sluier of vlag hun op- 
wekkende noot in het kleurenspel te laten mengen; maar nooit drukt hij sterk op 
die bonte tonen, nooit laat hij ze tot volheid komen; hij blijft immer luchtig en 
langs om meer verzaakt hij alle kleurenpraal en vindt hij behagen in stille tonen 
en fijne lichteffecten. Op het einde zijns levens behoudt hij nog slechts wit, zwart 
en grijs. Hij vereenvoudigt gedurig zijnen arbeid, laat wegvallen wat hem bijzaak 
schijnt, streeft om tot den kern van het leven door te dringen en dezen alleen 
weer te geven. In zijn laatste stukken zijn de menschen samengevat en worden 
haast schimmen, wier lichaam als nuttelooze bijzaak wordt behandeld, maar wier 
levensgeest des te duidelijker uitkomt, evenals een zwak lamplicht, waarvan het 
gepink in den donkere krachtiger werkt dan een opvlakkerend vuur in vollen 
dag. 

Zijne eerste stukken worden doortinteld door een overvloedig licht, dat 
hij kunstig en vroolijk over zijn personages laat stroomen; gaandeweg wordt het 
licht schaarscher, neemt de schaduw toe. In zijn Regentenstukken van 1664 laat 
zijne stram geworden hand nog enkel sobere lichtvlekken uit den donkeren al- 
gemeenen toon opstralen. In den vallenden nacht zijns levens daalt ook de sche- 
mering op zijn werk, schemering die nog altijd meesterschap verraadt, maar droe- 
vig stemt, wanneer wij ze vergelijken bij de jeugdige vroolijke klaarte zijner eerste 
stukken. 

Het portret van Nicolaas van Beresteyn draagt voor datum 1629, de afge- 
beelde was toen 40 jaar oud; de schilder was in zijn volle kracht en tot zijn bes- 
ten tijd behoort het werk. 

Hals de sobere kolorist, verfijnde dus zijn kunst en vernieuwde haar. Bewon- 
derenswaardig is het wat leven hij aan zijne figuren weet te geven met die los 
daarheen geworpen toetsen, met dit sobere spel van licht en donker. Dat hij 
altijd juiste maat hield, zullen wij niet beweren. Hoe hoog wij zijn gaven en ver- 
diensten schatten, wij vinden hem soms bepaald te koud; hij wordt dan de schil- 
der der schaduw in plaats van die der helderheid. In den strijd, dien het licht 
tegen de duisternis te strijden heeft, behaalt deze wel eens en nutteloos de zege- 
praal. De vluchtige schilderwijze zijner figuren komt ook soms in tegenspraak 
met hunne afgewerkte koppen, die er dan zwaar en hard kunnen uitzien. Maar die 

2 



18 ^ FRANS HALS. 

voorbehoudingen gemaakt zijnde, kunnen de verdiensten van dezen oorspronke- 
lijken kunstenaar, dezen stouten baanbreker, ter nauwernood te hoog ge- 
schat worden. 

Wij zouden volledigheidshalve iets van zijn levensloop moeten zeggen, doch het- 
gene wij er van weten is te weinig om hem ons te doen kennen, te veel om den 
man recht te laten wedervaren. 

Het noodlot, dat onrechtvaardig is geweest jegens den schilder, is ook partij- 
dig geweest voor den mensch. Het heeft gewild, dat men uit het archief zijner 
vaderstad alleen zulke bescheiden opvischte, die zijne zedelijke beeltenis donkerder 
toetsen dan hij ooit het conterfeitsel van een tijdgenoot maalde. Hij heeft zich, 
zeggen die oorkonden, in een gegeven tijdperk zijns levens te buiten gegaan aan 
dronkenschap en andere onregelmatigheden ; hij heeft zijne eerste vrouw mishan- 
deld, zijne tweede verleid en hij heeft nooit een ordelijk beheer over zijne geld- 
kas weten te houden; hij leefde in schuld en stierf in armoede. Arme geniale zon- 
daar, wiens gebrek aan geld en braafheid de geschiedenis zoo trouw heeft ge- 
boekt zonder een enkele zijner goede hoedanigheden te doen kennen ! 

Hij werd waarschijnlijk geboren rond 1584 te Antwerpen, waar zijne ouders, die 
te Haarlem tot den deftigen burgerstand behoorden, eenigen tijd verbleven. Hij 
stierf den 7den September 1667. Gedurende zijn leven moet hij als kunstenaar groo- 
ten naam hebben gehad; daarvan getuigen de aanzienlijke werken, die hij uit- 
voerde en de voorname personen, die zich door hem lieten conterfeiten. Sprake 
de geschiedenis breedvoerig over hem, wij zouden over zijn leven kunnen han- 
delen met de overtuiging, dat wij hem mogen beoordeelen. Met de geringe be- 
scheiden, waarover wij beschikken, mogen wij geen uitspraak doen over den 
mensch ; alleen den kunstenaar kennen wij goed. 

Onder de regeering der fijnschilders, die hem opvolgden, werd de groote vran- 
ke penseeier vergeten, eerst in onze dagen heeft men hem leeren waardeeren 
en heeft men hem onmiddellijk na Rembrandt eene eerste plaats in het pantheon 
der HoUandsche meesters toegekend. Stellig is hij uit de schilders der zeven- 
tiende eeuw diegene, die de meeste punten van aanraking met onze moderne 
kunst heeft en van wien deze het meest heeft kunnen leeren. Het onbedeesde 
leggen der zuivere tonen, het weergeven van het leven en van de beweging der 
figuren, waaarnaar onze jongste schilders streven, waren zijn meest kenmer- 
kende gaven; de eerste bezat hij ze; geen andere verwierf ze in even hooge 
mate. 

De Louvre is niet bijzonder rijk aan werken van Frans Hals. Behalve het por- 
tret van Nicolaas van Beresteyn en, datzijner vrouw en zijner famiUe treffen wij 
er nog aan een vrouwenportret en de zoogenaamde Zigeunerin (La Bohé- 
mienne) alsook het portret van René Descartes. Het portret van Mevr. Beresteyn 
evenals het familiestuk heeft veel geleden, beide zijn van mindere beteekenis. In het 
laatste ziet de moeder er bleek uit, met effen gestreken gelaat, uitgekinderd, 
maar gelukkig te midden der haren. Geheel de familiekring geeft den indruk van 
een tafereel van huishoudelijk welzijn eenvoudig uitgesproken. 



FRANS HALS. 19 

Het vrouwen portret uit de Verzameling Lacaze is een gemeen figuur, ge- 
meen geschilderd. 

De Zigeunerin is geheel in lichte tonen, lachend, even pleizierig van schil- 
dering als van uitdrukking. Hare terzijde blikkende oogen zijn vol goedige 
schalkscheid; zij is jolig, zonder een zweem van boosaardigheid noch wildheid. 
Zij is stiller dan Hals' gewone pretmakende kinderen, maar de man die zulke 
bengels en dit lieve natuurkind schilderde moest een brave kerel zijn, die van jok 
hield maar geen gal in het hart had. 

De René Descartes heeft een ernstig denkend en sprekend hoofd zooals de kun- 
stenaar er niet veel penseelde. Breed en toch goed versmolten in de verf is de 
schildering. Merkwaardig vooral is de rijke goudtoon van hoofd, kraag en hand; 
die warmte laat aan Rembrandt denken, maar van den grooteren meester onder- 
scheidt zich dan Hals weer door de schaduwen, die hier wel doorschijnend zijn 
maar toch altijd grijs blijven, terwijl Rembrandt ze lichter en warm maakt. 




3. ADRIAAN BROUWER. 



Onder onze Nederlandsche schilders is er geen, die zoo onfatsoenlijke helden 
koos als Adriaan Brouwer. Zijne personages waren onze boeren : nos bons Vil- 
la ge o is. Het roept wezenlijk wraak voor God en de wereld, hoe hij er zich in 
heeft verkneukeld onze aandacht te vestigen op wat er onschoons is in het pos- 
tuur van deze onze medemenschen, wat er onidyllisch is in hunnen handel en 
wandel, wat er liederlijks in hunne uitspanningen en uitspattingen ligt. 

Het is wel waar, dat hij niet de eerste was, die aan de menschen en het leven 
op het platteland zijne onderwerpen ontleende en die den minderen man in zijne 
onbekoorlijke vormen en zijne ruwe zeden voorstelde. De groote schilders van 
het ware leven, de Boeren Breughel en zijn zoon de Helsche waren hem vooraf- 
gegaan en Hieronymus Bosch had dezen reeds den weg gewezen. De oude David 
Teniers had met voorliefde pretmakende boeren bestudeerd. Frans Hals had zich 
soms aangetrokken gevoeld door het schilderachtige van den gemeenen man. Voor 
al deze schilders had de omgang met de wereld van Jan Rap de aantrekkelijk- 
heid van het nieuwe, van het afstekende en terugstootende, van het koddige en 
het grappige. 

Wanneer men moe gezien was naar het bovenmenschelijke der godsdienstige ta- 
fereelen en het onstoffelijke der mystieken, die daar altijd zoo hoog in het gron- 
delooze diep hun statige figuren lieten tronen, wilde men als tegenstelling ook 
wel eens een kijkje hebben in het menschelijke, in het door en door stoffelijke. 
Er kwamen oogenblikken, dat het academisch correcte begon te vervelen en dat 
men afwisseling zocht in het onregelmatige, het ondeftige, het wanstaltige zelfs, 
dat ook waarheid is, en aan die nieuwe behoefte voldeed de lange, lachende of 
grijnzende, bewonderende of bespottende rij der schilders van boeren en boeven, 
van eerzame werklieden en brallende landsknechten, die hand aan hand heel de 
roemrijke eeuwen onzer schilderschool doortrokken. Na de Breughels en Hals, 
Jan Mienae Molenaer, de van Ostade's en Jan Steen; na Teniers vader, Teniers 
zoon; na Brouwer, van Craesbeeck en deRyckaerts en zoovele anderen, zonder 
nog te rekenen de meesters van verschillende richting, die zich bij gelegenheid eens 
aan het boertige en boerenvak waagden en waaronder wij Rubens en Jordaens in 
de eerste plaats te noemen hebben. Het koddige verdwijnt slechts uit de Neder- 
landsche kunst bij haar verval, wanneer het gemoedelijke verstikt wordt door 
voornaamheid, wanneer men een bewijs van deftigheid moest leveren om op een 
schilderij zoowel als in een voornaam huis toegelaten te worden. 

Maar van al deze schilders van goede boerten verschilt Brouwer dan toch nog 
al merkelijk. Hieronymus Bosch en de Breughels, wanneer zij hunne boeren of 




ADRIAAN BROUWER. 
DE ROOKER. 



ADRIAAN BROUWER. 21 

burgers tot wangestalten omscheppen, gelooven niet aan de wezenlijkheid der 
kinderen van hun penseel. Zij fantaseeren met het menschelijk lichaam gelijk 
met honderd andere dingen. En wanneer zij de werkelijkheid weergeven, zoeken 
zij te behagen door waarheid meer dan door grilligheid. De Teniersen, vader en 
zoon, zien hunne boeren en boerinnen van de mooie zijde. Krachtige, weigebouw- 
de figuren met de witte muts of de roode pet kranig op het hoofd, welgevoed, ge- 
nietende van het leven wat zij kunnen, maar aanstootelijk noch moedwillig grof. 
Zoo doen zich in het bijzonder de helden van den jongeren David voor; zelfs in 
zijn dolste kermissen merkt men nog, dat het de kamerheer van een aartsher- 
tog is, die zich onder de dorpelingen mengt, en dat de hand, die ze schildert, 
gewoon is handschoenen te dragen. De Ostade's schilderen de poëzie van het 
boerenleven. Jan Steen lacht mede met de vroolijke snaken zijner stukken om 
de bespottelijke figuren, die anderen vertoonen; maar zijn lach is goedrond 
zonder gal noch schamperheid. In het algemeen zoeken deze allen in het le- 
ven van den minderen man op het land of uit de stad het onverdorven natuur- 
lijke met zijn hoekjes en kantjes, zijn lichtjes en tintjes; het schilderachtige der 
potsierlijke gestalten of der kleurige kleedij, het forsche of het vreedzame van 
het leven in en met de natuur. 

Brouwer vat zijn onderwerpen en personages anders op. Er ligt een grof woord 
in den mond van ons volk, dat zegt, dat er boerenmenschen en boerenbeesten 
zijn. Ik weet niet of Brouwer het kende en er de waarheid van voelde, maar het 
schijnt wel dat hij de boerenmenschen aan zijne medekunstenaars heeft over- 
gelaten en voor zich zelve de ... . andere behouden heeft. Zie me die gezich- 
ten, indien men het nog gezichten mag noemen, zijner helden : borstelige haar- 
struiken en baardstoppels, half of driekwart toegeknepen oogen, een vettige 
kwabbe voor neus, een reepeltje bovenlip, waar geen knevel plaats op vindt en 
dat de tanden niet bedekt, een mond met een bijl gehouwen, een kin gefatsoe- 
neerd als het achterdeel van een holsblok. Dit misvormde hoofd wordt met een 
korten hals aan een hoogen ronden rug verbonden. De kleedij past bij het pos- 
tuur; een hoed waarvan randen en bol ineengeloopen zijn en die er als een ver- 
flenst koolsblad uitziet, een vest en een broek, die afgedragen en verhakkeld zijn 
en waartusschen het hemd uit komt kijken; het hangt alles aan de lijven, zon- 
der vorm, zonder iets wat smaak van tijd of van persoon verraadt. 

Wat die menschen doen is al even aanstootelijk. Drinken en rooken is hunne 
groote liefhebberij, hunne zending op aarde. De kroeg, niet de verleidelijke, waar 
de bekers en de meiden glimmen en lachen, waar het des winters warm is binnen, 
des zomers koel buiten; maar de naakte loods gestoffeerd als de hut van een 
Roodhuid, waar meubels noch gerief te vinden zijn, waar geen waardin troont, 
waar kaart noch kegelspel te ontdekken zijn is hun gewoon verblijf. Wanneer de 
boeren uit hun wezenloos dommelen door den drank zijn gewekt, worden de drin- 
broers, die daar zoo rustig en slaperig bij elkander zaten, verwoede vijanden en 
in de nauwe armoedige schuur wordt er dan geslagen met vuist of pot of stoel 
en gestampt en getrokken met blinde dierlijke woede. 



22 ADRIAAN BROUWER. 

Enkele malen schildert hij een landschap en legt een ware dichterlijkheid in 
zijn opvatten der natuur, maar dit was uitzondering. Een andere soort van onder- 
werpen trekt hem meer aan : de daden der barbiers, die wonden open steken, kop- 
pen zetten, de afzichtelijke boerkens pijnigen en hun grappige martelaarstroniën 
doen trekken. Zooals de schilder zich verkneukelt in de uitstalling der grofheid 
zijner uitverkorenen, wanneer zij op de drinkbank legeren, zoo vindt hij er ook 
genoegen in ons te toonen wat koddige figuren zij maken, wanneer zij op de pijn- 
bank zitten. 

Brouwer schijnt in zijn handel en wandel nog al verwantschap getoond te heb- 
ben met zijn geliefkoosde personages en niet minder dan zij van jenever en tabak 
gehouden te hebben. Wij zeggen dat dit zoo schijnt geweest te zijn, want veel 
duisters en onzekers is er in zijne geschiedenis. Hij werd waarschijnlijk te Au- 
denaarde in Vlaanderen geboren, in 1606, en begaf zich naar Holland, waar wij 
hem te Haarlem in 1626 aantreffen. Hoe en wanneer hij uit Vlaanderen in Hol- 
land kwam weten wij niet. Vermoedelijk was zijn jeugd woelig en, als geheel zijn 
levensloop, zeer avontuurlijk. In 1631—1632 landde hij te Antwerpen aan, waar 
hij in 1633 in het kasteel gevangen zat en waar hij in de laatste dagen van Januari 
1638 stierf. 

De ambtelijke oorkonden, welke wij bezitten over zijne lotgevallen, bestaan 
voor het grootste deel uit getuigschriften zijner armoede. In 1632 maakt een no- 
taris te Antwerpen een inventaris van ,,de meubelen hem competerende;" de 
inboedel werd aan een der crediteuren overgelaten. In den loop van 1633 teekent 
hij nog twee schuldbrieven; twee jaar later dreigt het gerecht alweer zijn scha- 
mele have in beslag te nemen. Toen hij stierf, legden nog zeven schuldeischers 
beslag op zijne nalatenschap. 

Al degenen, die over hem schreven, zijn het eens om hem te schetsen als een 
lustigen snaak, ook wel als een liederlijken kwant, die meer om wijn en tabak 
dan om geld gaf; onuitputtelijk in het verzinnen en uitvoeren van de dolste 
grappen, weigezien van al wie hem kende om zijn vroolijken aard. Een ongeluk- 
kig toeval, waarschijnlijk een misverstand, bracht hem, den man zonder zorg, ze- 
keren dag achter de grendels in het kasteel van Antwerpen ; maar anders vinden 
wij hem nooit dan in lustig gezelschap. In 1626 werd hij in Haarlem onder de 
,,Beminnaers" van het tooneelgezelschap Liefde bovenal opgenomen; van 
1634 tot 1637 maakte hij deel uit van de rederijkerskamer de Violieren der 
St. Lucasgilde te Antwerpen. 

Hij, die het leven zoo lichtzinnig opvatte, nam ernstig op al wat de kunst raak- 
te: zelfs wel eens te ernstig. Zijn vriend Nootmans draagt hem in 1627 het 
Spel van den bloedigen slach vanPavijen op, en Brouwer, de on- 
verbeterlijke spotter, wordt zelf bespottelijk, wanneer hij den vriend voor de be- 
leefdheid dankende den ronkenden toon van het treurspel aanslaat en de pop- 
penkast der bombastische Rethorica wagewijd openzet. 

Juycht Musen drymael dry! bralt uyt Bataefsche Maecht! 
Laet af van 't Helicon dijn Goude Wimpels swieren; 



ADRIAAN BROUWER. 23 

Wilt 't stale Nootmans brayn, met Lauwer lof verderen, 
Die 't hooghe Reenrycx lof, aen s' Hemels Poolen draecht. 

Zoo zingt onze snaaksche schilder. Kan het gekker en is die Brouwer op stel- 
ten nog niet potsierlijker dan zijn malle boerenfiguren. 

Ware hij met het penseel niet handiger geweest, dan met de pen, dan zou 
hij vóór en na zijn dood niet den roem verdiend en verworven hebben, dien hij 
zoo overvloedig verkreeg. 

Want, en dit is treffend bij dien liederlijken schilder van grof-grappige tafe- 
ereltjes, in zijn leven werd hij voor een der beste schilders van zijnen tijd ge- 
houden. Zijn vriend Nootmans bood hem zijn Slach van Pavijen aan met 
de woorden : ,,Aen den Constrijcken en Wijtberoemden jongman, Adriaen Brou- 
wer, schilder van Haerlem." De zoo vleiend betitelde was toen 21 jaar oud! Na 
zijn dood, die elf jaar later voorviel, maakte iemand hem het grafschrift: ,,De 
asch van Brouwer den zwierbol ligt hier, de stoutheid van zijn penseel stelt 
hem met Apelles gelijk." 

En niet in ijdele woorden, doch in overtuigende daden, bewezen zijne tijdge- 
nooten hoe hoog zij den kunstenaar schatten. Rubens bezat niet minder dan 
zeventien stuks schilderijen van Brouwer onder de 86, die hij van kunstenaars 
uit zijnen tijd bijeenbracht. In andere uitgelezen verzamelingen der XVIIe eeuw 
komen zijne stukken talrijk voor, zij werden druk gezocht en duur betaald. 

En dit niet zonder reden. Brouwer bezat schildersgaven van den hoogsten rang. 
Hij, de wilde gast, is teer en juist voelende, waar het geldt kleurenharmoniën 
te scheppen; scherp en fijn ziet hij de werking van het licht; hij heeft in zijne 
beste stukken een spel van stille kostelijke tinten, die verrukkelijk werken. Zel- 
den laat hij een noot hooger klinken dan zijn gewone zachte tonen, maar dan 
nog doet hij het met treffende juistheid. Men vergeet de woestheid zijner too- 
neelen bij het bewonderen der rijke en rare, der voorname en aristocratische 
kleuren waarin hij ze hult. 

Die ruwe tooneelen zelven hebben daarbij ook hunne eigenaardige verdien- 
sten. Er ligt een ongemeene dramatische kracht in zijne boerengevechten, zijne 
plompe mannetjes slaan forsch, huilen geweldig, leven krachtig in alle hunne 
ledematen. En zoo kronkelen zijne lijders onder barbiershanden, zoo staan en 
zitten zijne drinkers en rookers : er is juiste beweging, juiste houding in eiken 
trek van het gelaat. 

Na alle recht te hebben laten wedervaren aan het ongemeen talent van Brou- 
wer moeten wij echter tegen overdrijving zijner verdienste waarschuwen. Wij 
kunnen niet onvoorwaardelijk aannemen, dat hij een baanbreker, een ontsluiter 
van nieuwe vergezichten in de kunst zou zijn. Het boerenleven in wat het aan- 
trekkelijks heeft door zijne eigenaardigheid, de zeden in wat zij afstekends tegen 
die der beschaafde wereld vertoonen, de figuren met hunne kenmerkende plomp- 
heid en het scherpe contrast, dat zij met de academische vormen aanbieden, 
dit alles was reeds aangeduid door de beide Peter Breughel's. Deze hadden ons 
volk van stad en land met scherp oog en met ware ingenomenheid bestudeerd 



24 ADRIAAN BROUWER. 

en tot helden van zeer oorspronkelijke tafereelen gemaakt. Meer nog, zij had- 
den die tafereelen weergegeven in uiterst rijke en fijne tinten. Hals eveneens 
had in den minderen man het grappige, de schilderachtige leelijkheid opgemerkt 
en had een kleurenladder gebezigd, die de tonen milderde, verzachtte, verdunde. 
Brouwer zeker was geen slaafsch, geen vreesachtig volgeling zijner voorgangers, 
hij had zijne oorspronkelijkheid, zijn eigen opvatting, die wel benuttigde wat an- 
deren vonden, maar er ruimschoots van het zijne bijvoegde. De Breughels had- 
den sterk en moedwillig sommige hunner figuren getypeerd om zedelessen te trek- 
ken uit hunne misvormdhcid; zij hadden in donkerbruine tonen geschilderd, die 
nog krachtig bleven in hun tintcnrijkdom. Brouwer daarentegen had een onweer- 
staanbaren aandrang tot spotten, hij was nu eens een geboren grappenmaker; hij 
merkte zijne boeren niet met nuchteren blik op, gaf ze niet naar de eenvoudige 
waarheid weer, hij maakte ze tot spelers in kluchtige drama's ; hij vond ze potsier- 
lijk en legde nadruk op hunne gemeenheid en ruwheid; hij vond hunne onfatsoen- 
lijkheid koddig en deed ze daarom uitkomen ; hij beminde ze niet zooals Breu- 
ghel; integendeel hij vond ze slechts aardig, omdat zij zoo weinig beminnens- 
waardig waren. 

Hij was een rijke tinter als de Breughels, maar, evenals zijn meester Frans Hals, 
verzachtte, verweekte hij hunne kleuren ; hij schilderde dun en vluchtig, maar met 
rare, zachte, versmeltende tonen. Hij vond er wellicht een geestig genoegen in 
zijne gemeene boerenkinkels in verwen te malen, die door hunne keurigheid en 
verfijndheid in scherp contrast stonden met de grofheid van het onderwerp. Hij 
zocht harmonie in zijne kleuren en vond die in hooge mate, maar bekreunde er 
zich niet om of zijne teedere weeke inkleeding wel besteed was aan zijn ruwe 
of plompe helden. Hij wilde zooals een decadent van onzen tijd ,,la nuance, rien 
que la nuance", en de schildering schoon om zich zelve. Hierin, men mag het 
zeggen, gaf hij een voorbeeld door velen gevolgd. Tal van Hollandsche fijn- 
schilders zullen op dezen weg zijn spoor drukken, verzwakte en verdunde tonen 
boven het forsch koloriet van vroeger, en den toon boven de kleur verkiezen- 
de. De schilder der grove kroegendrama's, de woesteling in het leven is alles 
te zamen een leermeester der verfijning, een aristocraat in de kunst. 

De oude verzameling van den Louvre bevatte slechts één stukje van Brou- 
wer : een Rookersgezelschap; met het Kabinet Lacaze zijn er vier bijge- 
komen : het Binnengezicht eenerboerenherberg, een P e n n e s n ij- 
d e r, een Kwakzalver en een R o o k e r. De twee eerste tellen onder de ge- 
wone tooneeltjes uit het boerenleven. Ook de Kwakzalver behoort tot de- 
zelfde soort van onderwerpen maar meer bewogen en koddiger is het stuk. Ter- 
wijl de docter de wonde onderzoekt zet de lijder een vervaarlijk mondwerk open en 
huilt heel de buurt bijeen. Krachtiger is ook hier licht en kleur om gelijken tred 
te houden met de meer bewogen handeling. De Pennesnijder behoort tot een 
slag van personages zelden door Brouwer behandeld; een ernstig figuur in bruin 
kleed met witte muts aan stil deftig werk bezig. De uitvoering beantwoordt aan 
die keus, zij is zeer zorgvuldig; de kleur is zalvig, het licht fijn en zacht, stil en 



ADRIAAN BROUWER. 25 

warm van toon. 

De R o o k e r uit den Louvre, waarvan hier de afbeelding bijgaat, is om meer 
dan ééne reden een afzonderlijk stuk in Brouwers werk. 

Het stelt slechts één figuur tot aan de borst voor en dit ééne figuur is grootcr 
dan de gewone stukken van den meester, waarop verscheidene personages voor- 
komen. Een enkel ander werk de Artsen ij nemer uit het Museum van Frank- 
fort, is in denzelfden aard en zelfs iets grooter. Het eerste meet 41 centimeter 
op 32; het tweede meet er 47 op 35. 

De R o o k e r is geschilderd in kleurlooze tonen, gaande van het haast volle 
wit der hemdsmouwen tot het haast volle zwart der haren, met het grijze vest en 
het bruine gelaat als overgang. Het stuk vormt een symfonie van grijs. De verf 
is er in tegenstelling met 's meesters kleinere schilderijtjes dik en met gehakte 
borstelslagen op gelegd; de kleederen zijn breed geveegd. In alles, in opvatting 
van onderwerp, in borsteling en tonenladder, herinnert het sprekend aan Hals, en 
diens invloed valt geen oogenblik te loochenen. Maar van Brouwer komt er bij 
het moedwillig grappige, het onrustige, het gedramatiseerde der koddige han- 
deling. 

Men heeft wel eens de juistheid der toeschrijving van het stuk aan Brouwer be- 
twijfeld. Wij achten dien twijfel ongegrond. De kop is geheel dezelfde als die van 
de hoofdpersonage der Tabakdrinkers in het kabinet Steengracht van den 
Haag, waarvan de echtheid niet te ontkennen valt. 

Met de vraag naar de echtheid gaat noodzakelijk die naar het tijdstip uit 's 
kunstenaars loopbaan, tot welk het behoort, gepaard. Bode, die ons zooveel 
over Brouwer en over onze schilderschool leerde en die aarzelde het stuk voor 
echt aan te zien, plaatst het, of ten minste plaatst het tweelingwerk uit het mu- 
seum van Frankfort, in de laatste jaren des meesters, waartoe volgens hem zijne 
beste werken behooren. Wij gaan hier niet twisten over dit punt, maar doen 
aanmerken, dat, gezien de sterke verwantschap met Hals' manier, het stuk even- 
goed tot zijn allereerste zou kunnen behooren, zooveel te meer daar, in tegen- 
spraak met het oordeel van den Duitschen geleerde, de kunstkenners van Brou- 
wers leeftijd de werken zijner eerste jaren voor zijne beste aanzagen. 

De opmerking is gemaakt en waarlijk niet zonder grond, dat onze rooker met 
zijn potsierlijk vertrokken tronie wel het eigen portret van den schilder zou kun- 
nen zijn. En inderdaad de zware knevel, de lange haarlokken, de regelmatige 
trekken stemmen voldoende overeen met die, welke van Dijck hem leende, wan- 
neer hij zijn portret schilderde en dit als naar gewoonte verfraaide en veredelde, 
om die gissing aannemelijk te maken. 



4. GEERAARD TER BORCH. 



Van Geeraard Ter Borch, den schilder der verliefde heeren, der liefelijke dames, 
der jonge eleganten van beider kunne bezit de Louvre een viertal stukken, 
waarin hij zijne gewone onderwerpen behandelt : een Verliefden Krijgs- 
m a n, een Muziekles, een L e e s 1 e s en een vijfde dat enkel geschetst is en 
waarschijnlijk eenc studie is voor zijn groot werk de Afgevaardigden bij 
den Vredeshandel van ISI u n s ter. 

Onder al deze is het eerstgenoemde verreweg het belangrijkste, zooals het ook 
een der uitmuntendste voortbrengsels van 's meesters penseel is. 

Het stuk verbeeldt den minnenhandel aangeknoopt tusschen een officier der 
ruiterij, die de zaak met gereed geld wil afdoen en een jonge vrouw, die waar- 
schijnlijk nog meer hare waar heeft aan den man gebracht. Het tooneel grijpt 
plaats in de huiskamer der schoone. Een tafel, waarop een paar schotels met 
vruchten staan, en een schoorsteen links, een bed in den achtergrond; de twee 
lovende en biedende personages op den voorgrond naar den toeschouwer ge- 
keerd. 

De achtergrond is bruinrood en dof, ternauwernood genuanceerd, de schoor- 
steen wit en warm getint. De vloer is aan den benedenkant van een gouden 
toon, nauwelijks verschillend van de tint der gulden lijst; hooger vergrijst hij; 
zijn kleur sterft weg, waar de figuren beginnen. Uit dien verstilden voorgrond 
rijzen nu de personages op in rijken kleederdosch. De vrouw in wit satijnen 
kleed en zwart fluweelen jak met wit bont gevoederd, met strikjes en parels in 
het haar en den boezem half ontbloot; de ruiter in het weidsche, flodderige ge- 
waad van zijn wapen, trechtervormige laarzen, waaruit Uchtgele kappen met reus- 
achtige randen uitkomen, een paarsch getinte broek, boven welke om den gordel 
het hemd een witten boord teekent; een stalen borstkuras, waaruit een witte 
halsdoek en rijk bewerkte mouwen te voorschijn komen. Nevens zijn stoel ligt 
zijn groote lichtbruine hoed. Even rijk van kleur als de twee personages is de 
tafel, bedekt met rood fluweelen kleed, dat op den plooienworp der hoeken met 
gulden tintjes verhoogd is. Op de tafel staan twee schotels: een zilveren met 
een doorgesneden perzik en suikergoed en een steenen, waarin druiven en perzi- 
ken liggen. 

De kleurige dingen, of liever de wijze waarop die dingen gekleurd zijn, ma- 
ken heel de schilderij uit. Wat de menschen betreft, die er op te zien zijn. en 
wat zij doen is nauwelijks de moeite waard er van te spreken. Waarschijnlijk is 
zij een meisje van plezier, maar dan ziet zij er al heel weinig plezierig uit. Haar 
arm rust op een servet, die half van de tafel neerhangt; zij houdt in de eene 




GEERAARD TER BORCH. 
DE VERLIEFDE KRIJGSMAN. 



GEERAARD TER BORCH. 27 

hand een flesch in de andere een romer; maar zij heeft oog noch zin voor 
wat er in de flesch is, wat er op tafel Ugt en wie er daar voor haar zit. Het eenige 
wat haar aandacht trekt, en dan nog bitter weinig zijn de geldstukken in de hand 
van den liefhebber. In hem zit er dan ten minste nog eenig leven, al zij het dan 
ook maar luttel. Er ligt verlangen uitgedrukt en bezorgdheid aangaande den uit- 
slag van zijn aanbod, in het glimlachje, dat zijn lippen spant en in den gulzigen 
blik, naar het liefje gericht. Maar de man en de vrouw, evenals de tafel, zijn slechts 
kleurendragers, levende en overigens juist geteekende ledepoppen, gebezigd om te 
toonen hoe er een wit satijnen kleed uitziet, wanneer op de spanning, door de uit- 
stekende knie voortgebracht, en op de breking der neervallende plooien het licht 
straalt en in donzige schaduw verdooft; hoe rijk een wit linnen doek op een rood 
fluweelen tafelkleed afsteekt; hoe fraai een smaakvol gestoffeerde kamer er uit- 
ziet, wanneer zij door een kundige hand geschilderd is ; hoe heerlijk het licht rust 
en glanst op de satijnen huid van arm en boezem ecner welgevlecsde vrouw en 
wat kostelijke stof, kostelijker dan fluweel en bont, die huid is, wanneer de scha- 
duwen er hunne oneindig zachte en malsche tinten op werpen; hoe eindelijk tegen 
dit zachtere, stillere van de vrouwelijke kleurenschakeering de rijkere tooi en de 
hoogere tint der breede lappen van 's mans omgeslagen laarsboorden, van zijn 
schitterend borstkuras, zijn open oog en zijn bruine blos, van al wat hij om en 
aan heeft in steviger kleuren afsteken. 

De schilder stelde zich, wel is waar, niet tot taak het forsche van het eene fi- 
guur tegen het sierlijke van het andere te doen uitkomen; ook in den ruiter, grof 
van bouw en van zeden, ziet hij het fijne; hij zoekt in hem naar zacht glimmende, 
naar kiesche, kostelijke tinten. Zoowel de ruwe soldenier als het popperige vrouw- 
tje worden onder zijn handen kleinodiën. De boersche ruiterkapitein is voor hem 
een edelsteen, dien hij slijpt, waarvan hij de ruwe schors laat wegvallen en den 
gezuiverden kern doet glansen en glimmen op al zijn hoeken en kanten. Die om- 
werking, dit sieren en polijsten der werkelijkheid is een kunst in eere gebracht 
door Geeraard Ter Borch en lang in eer gebleven bij de fijnschilders der Hol- 
landsche School. 

Ter Borch's werk weerspiegelt nevens zijn eigen oorspronkelijke kunst den om- 
mekeer, M^elke in het Hollandsche leven had plaats gegrepen bij zijn optreden. 
Hij zelf behoorde tot den deftigen stand. Toen hij rond 1635 begon te schilderen 
was het vaderland het tijdperk van strijden en lijden doorgeworsteld. Met de ze- 
gepraal waren de rust en de weelde gekomen. De burgerij kon zich op handel, 
scheepvaart en veroveringen in vreemde streken toeleggen; soldaten van beroep 
vormden het leger. De mannen van den vrede, zoowel als die van den oorlog, 
mochten en zochten de vruchten van hun arbeid te genieten. Ter Borch schil- 
derde bij voorkeur die genietende menschen. Wanneer men zijn werk vergelijkt 
bij dat van de meesters van eenige jaren vroeger: Miereveld en Frans Hals, 
Rembrandt en van der Helst, dan vindt men dat de forsche gestalten uit hunne 
doeken behoorcn tot een soort van burgerhelden, die wel de dagen van kamp 
en gevaar achter zich hadden, maar die ze toch hadden mee doorleefd en die 



28 GEERAARD TER BORCH. 

gebouwd waren naar lijf en geest om staat en stad te stichten en te steunen. Ziet 
men hunne breede kruimige schildering dan schijnt zij de weerspiegeling dier 
mannen van de moedige daad en van de verheven gedachte. 

Met Ter Borch is het anders gesteld. Zijn helden behooren niet tot de soort 
van burgerlijke krijgers, voor wie de wapenhandel uitzondering en het leven en 
het werken in eigen woning of winkel regel is, die zich laten afbeelden in de Doe- 
lenstukken, aan welvoorzieae tafel vergaderd of onder het wapperen der kleu- 
rige vaandels als tot een pleziertocht uitrukkende. Hij schildert of wel rijke 
heeren in ledige bezigheid of wel officieren, die in het open veld hebben gestre- 
den, onder de tent hebben geslapen, in de kazerne verkeerd en voor wie het sol- 
datenpak de gewone dracht is. Wanneer zij in de stad teruggekeerd zijn gaan zij 
niet te gast bij edelman of rijken burger, zij versnipperen hunnen tijd en hun geld 
in de boudoirs van juffers van verdacht allooi. Hij toont ons hoe een ander Hol- 
land is geboren, maar toont ons bij voorkeur de keerzijde van 's lands welvaren. 
De beker in de hand, de vruchten in een zilveren schotel op tafel, het geld in den 
palm van onzen verliefde, zooals elders zijne musiceerende mannen en vrouwen, 
zijne mooie juffers, die minnebrieven lezen of schrijven, zijne liefelijke pages ge- 
tuigen van weelderige en verfijnde levenswijze. Niet alleen in zijne minder def- 
tige tooneelen, maar ook in andere, waar niets aanstoot geven kan, merken wij 
aan kleeding en opschik der kamer, aan handel en uitzicht der personages, dat 
de jaren van overvloed aangebroken zijn, dat de menschen verfijnd en, helaas! 
ook verweekt zijn. 

Even duidelijk zien wij dit nog in de portretten van Ter Borch, die een ge- 
wichtig deel zijner werken uitmaken. Waar zijn de burgemeesters van Hals en 
Rembrandt, hunne edellieden en predikanten en regenten, even breed van pensee- 
ling als van stal, even rond van borst als van gemoed, en hunne vrouwen, die ne- 
vens hunne mannen het land hebben verrijkt door hun werken en zorgen en ba- 
ren ? De mannen zijn voorname heeren geworden met ongekreukte jassen en das- 
sen, gladgeschoren kin en zorgvuldig gekrulde pruiken; de vrouwen rijk getooide, 
kunstlievende juffers, wanneer zij niet zijn wat de vrouw uit den Minnenhandel 
van den Louvre is, soldeniers van Venus, coquetteercnde met soldeniers van Mars. 

De schildering van Ter Borch en zijne volgelingen heeft een gelijken ommekeer 
als de modellen ondergaan. Zij is ook voornaam en verfijnd geworden. De man- 
haftige borstelslagen, de breede zwierige lijn, de volle tonen en de felle lichtstra- 
ling zijn geweken, alles is gemilderd, verzacht, beschaafd en afgeschaafd. 

Ter Borch staat bovenaan in de rij der fijnschilders, die een zoo hoogen rang 
en zoo gewichtige plaats bekleeden in de Hollandsche School. Hij komt wel niet 
de eerste: Dirk Hals en Palamedes gaan hem voor, maar hij wordt door geen 
voorganger of navolger overtroffen. Zijne kunst is geheel stoffelijk in den zin, 
dat hij er zich enkel op toelegt te vertolken wat zich voordoet aan zijn oog, dat hij 
prijs hecht noch aan wat de menschen, die hij afbeeldt, denken noch aan wat zij 
ons doen gevoelen. Hij teekent om juist te teekenen en schildert om goed te 
schilderen en hierin gelukt hij uitstekend en bereikt een zeldzamen trap van vol- 



GEERAARD TER BORCH. 29 

making. De natuurlijkheid van houding, en gebaar der personages, de juistheid 
der plaatsing van elk voorwerp geven u den indruk, dat alles zoo moest en niet 
anders kon zijn, dat het dus ook natuurlijk was, dat de schilder het zoo afbeeld- 
de en dit van hem kunst noch inspanning eischte : een indruk, die alleen verkre- 
gen wordt door een gerijpt en volmaakt talent. In den trant van Frans Hals en 
wellicht onder dezes invloed is hij een groot liefhebber van fijne, matte, dikwijls 
aschgrauwe achtergronden, waarop de figuren van het voorplan levend uitko- 
men. Hij laat het tweede plan en de dingen en menschen, die er op staan, ver- 
dooven en verdunnen in een wasem, die meer door zijn handigheid dan door de 
natuur wordt aangebracht. 

Op den voorgrond viert hij zijn triomf, hij laat geen licht een verrassende of 
eerste rol spelen, het is een bezadigde klaarte, die voor zichzelve op weinig aan- 
spraak maakt en alleen voor taak neemt de figuren wel te laten zien in al de fijn- 
heid, die zij bezitten of die zijne kunst hun leent. Geen kleur voert er haar hoog- 
sten toon, maar vol genoeg is elk en luid genoeg spreken sommige om tot hun 
recht te komen : hij liflaft niet om harmonie te verkrijgen en laat wel eens een 
zwart of donker kleedingstuk in zijn zwaren eenvoud staan; hij is verzorgd al- 
tijd en blijft niettemin immer vast en breed. Wanneer men zijne figuurtjes, de 
hoofden zijner portretten vooral, ziet, staat men verbaasd hoe het werk van het 
penseel geheel verdwijnt en de verf zacht als een zalf op het paneel schijnt ge- 
goten en hoe er toch niets gelikts noch porseleinachtigs in komt, hoe het zelf- 
standige leven en de waarheid gespaard blijven in dit verzachten der tinten, dit 
verdunnen der schaduwen, dit verfijnen der penseeling; hoe hij met al die zorg 
zijn stukken niet dood werkt en met dit tot het uiterst gedreven zoeken naar be- 
koorlijkheid nog stevigheid behoudt. Dit waagstuk bracht Ter Borch tot een 
goed einde, geen tweede deed het hem na. 

Gabriel Metzu, Gaspar Netscher, Eglon van der Neer, Schalcken, Frans van 
Mieris, van der Werff, en wie nog niet al, traden in zijn spoor, maar of wel be- 
reiken zij zijne keurige bewerking niet of wel overdrijven zij en worden de por- 
seleinen schilders der dagen van verval. Een enkele kunstenaar kan met hem op 
gelijken rang gesteld worden, het was geen volgeling, eerder een voorganger: 
David Teniers de jongere. Hij was een boerenschilder, maar was er niet minder 
voornaam om in zijn behandeling; hij hanteerde het penseel wel anders dan Ter 
Borch maar niet minder kunstig en daarom juist blijven beide groote meesters in 
het fijnschilderen zoo onafhankelijk van elkander dat wel hunne kunst op een 
zelfde lijn mag geplaatst worden, maar hun trant toch scherp tegen een afsteekt. 
Bij Teniers spreken kleur en licht in volle kracht, bij Ter Borch bekoort ons 
hunne zachte lieflijkheid; bij Teniers is elke penseelstreek onafhankelijk van de 
andere en blijft duidelijk te onderscheiden, bj Ter Borch wordt alles versmolten. 
De eerste heeft tot in zijn kleinste stukken gespierdheid, beweging, joligheid ; de 
andere is altijd van fluweelige malschheid, van voorname onbewogenheid, van 
gedempte glimmendheid. 

Wij zegden hierboven dat Ter Borch tot een deftige familie behoorde. Zijn 



30 GEERAARD TER BORCH. 

grootvader was ontvanger der in- en uitgaande rechten te Zwolle. Zijn vader ver- 
vulde hetzelfde ambt, waarin hij door een broeder van Geeraard werd opge- 
volgd. Vader Ter Borch was terzelfder tijd schilder en bezocht Italië en Frank- 
rijk. Geeraard werd te Zwolle in 't jaar 1617 geboren; al vroeg legde hij zich op 
zijn kunst toe onder zijn vaders leiding; wij bezitten teekeningen van hem gedag- 
teekend van 1625 tot 1628. Die van dit laatste jaar verraden reeds een geoefende 
hand. Toen hij vijftien jaar oud was bevond hij zich te Amsterdam in de werkplaats 
van een ons ongekenden meester. 

Van daar vertrok hij naar Haarlem, waar hij zich in 1634 bevond en waar 
wij hem in 1635 ingeschreven vinden op de lijst der schilders, die deze stad be- 
woonden. Hij volgde daar de lessen van Pieter Molijn. Hetzelfde jaar vertrekt 
hij naar Londen. Wij weten niet hoe lang hij daar bleef, maar in 1641 verbleef 
hij te Rome en in 1645 is hij in zijn vaderland teruggekeerd en houdt hij zich in 
Amsterdam op. Het jaar nadien vertrekt hij naar Munster, waar de onderhande- 
lingen voor het vredesverdrag tusschen Spanje en de Nederlanden begonnen wa- 
ren. Daar schilderde hij de portretten der vertegenwoordigers van de verschillen- 
de landen en inzonderheid het tafereel verbeeldende de afgevaardigden der Ne- 
derlanden en die van Philips den vierde, op 15 Mei 1648 eene overeenkomst be- 
treffende den vrede bezwerende. De afgevaardigden, die den eed doen, zijn acht 
in getal, maar een zestigtal andere staatsmannen zijn rondom hen geschaard en 
het heele stuk, dat zich tegenwoordig in de National Gallery van Londen bevindt, 
is geen volle twee voet breed en geen anderhalven voet hoog, een wonder van 
keurigheid en van volmaaktheid in de fijnheid. 

Van Munster keerde Ter Borch naar zijn vaderland terug. In 1649 vinden wij hem 
te Amsterdam, in 1654 huwde hij Geertje Mathijssen en vestigde hij zich te Deventer 
waar zijne bruid woonde. In 1655 kocht hij het kleinburgerschap en in 1668 het 
grootburgerschap in die stad, twee jaar voor dien laatsten datum was hij er tot 
gemeensman gekozen. Van den dag van zijn huwelijk, dat kinderloos bleef, tot 
op dien van zijn dood, welke op 8 December 1681 voorviel, woonde hij rustig te 
Deventer. Hij werd volgens zijn eigen laatsten wil in de St. Michielskerk van 
Zwolle, zijne geboortestad, begraven. 

Het Museum van den Haag bezit zijn portret. Hij ziet er als een heel deftig 
heerschap uit : lange krullende pruik, kanten bef, mantel met fluweel geboord, 
die tot aan de knieën reikt, strikken rond de kousen, strikken op de schoenen en 
hoog voornaam in houding, koel van uitzicht, verzorgd tot in de minste bijzon- 
derheden, maar met dit alles van een smaak, die den man van goeden huize ver- 
raadt. Zoo was hij in zijn schildering de welhebbende burger of patriciër, die zij- 
ne kunst beoefent zonder hartstocht, als een handwerk, dat een beschaafd mensch 
niet vernedert noch zijn hand bevuilt, indien hij slechts zorg draagt het netjes te 
verrichten: een soort van parnassien uit vroeger eeuwen. Hij koos zijn onder- 
werpen in hoogere, weelderige kringen, maar toonde hierbij een voorkeur voor 
galante voorvallen, die wel met de zeden dier standen konden strooken, maar toch 
bij den schilder van weinig verheven bemoeiingen getuigen. De cavaUers, die al- 



GEERAARD TER BORCH. 31 

tijd rond de satijnen rokken eener schoonheid van beroep fladderen en zich 
ophouden in vertrekken, waar een opgediende tafel op den voorgrond en een 
slaapstee in den achtergrond de voornaamste meubelen uitmaken, werpen op de 
neigingen van den kunstenaar geen zeer gunstig licht. En inderdaad, in zooverre 
wij de overleveringen, door Houbraken op Ter Borch's rekening medegedeeld, 
mogen gelooven, was onze schilder van zeer verliefde complexie, een bijzonder- 
heid, die, dunkt ons, gewaarmerkt wordt door de gedragingen zijner geliefkoosde 
helden en heldinnen. 

De verliefde krijgsman is een zijner meest gewaardeerde stukken ; het 
neemt in den S a 1 o n-c a r r é van den Louvre eene eereplaats in, welke er aan 
toekomt. Het behoort tot den besten tijd en den besten trant van den meester, 
rond het jaar 1660, wanneer hij de vluchtigere en grijzere schilderwijze zijner 
eerste jaren had verlaten om een steverigen en kleurigeren trant aan te nemen. 
Het werd verkocht in de veiling van der Vucht te Amsterdam in 1745 tegen 440 
gulden en in de veiling Slingeland te Dordrecht, in 1785, waar het voor rekening 
van koning Lodewijk XVI werd aangeworven tegen den prijs van 2635 gulden. 

Wij zeiden reeds dat Geeraards vader, de ontvanger der licenten ook aan schil- 
deren liefhebberde. Zoo deden ook Geeraards broeders Harmen en Mozes en zijne 
halfzuster Gesina. Het Rijksmuseum te Amsterdam bezit verscheiden albums, 
verzameld door Gesina Ter Borch en bevattende teekeningen van al de kunste- 
naarsleden dier familie en verzen geschreven ter verklaring dier werken of ter 
eere der kunstenares die ze samenbracht. De oudste teekening van Geeraard in die 
albums draagt het jaartal 1627. 



5. JAN STEEN. 



Het ware moeilijk onder de Xederlandsche meesters der zeventiende eeuw, 
groote of kleine, er een te vinden, die meer populair is dan Jan Steen, en die het 
in gelijke mate verdient te zijn. Hij is de episoden-schilder bij uitmuntendheid, 
de verteller met het penseel, en het publiek is nog altijd als de kinderen : het 
houdt van vertellingen, vooral wanneer ze zoo smakelijk en lustig zijn voorgedra- 
gen als Jan Steen het kan. 

Er is in de laatste tijden heel wat gezegd en getwist over het verhalend vak in 
de schilderkunst. Het is niet dood, zooals crediet, dat door de slechte betalers 
vermoord werd, maar het is in discrediet gevallen, omdat de slechte schilders het 
bedorven hebben. De teekenaars en borstelaars, die ecne grappige of wreede ge- 
schiedenis voorstelden en door hunne vinding op lachspieren of traanklieren 
zochten te werken, hadden zoo dikwijls geen ander talent dan dat van den vertel- 
ler, indien zij het dan nog hadden, dat men hun werk is gaan aanzien voor dat 
van schilders, die niet schilderen kunnen en die met het penseel uitvoeren wat 
eigenlijk met de pen diende behandeld te worden. Men is het verband tusschen 
Pictura en Poësis, waarvan de oude Horatius gewaagde, gaan loochenen, omdat 
menschen, die noch schilders noch poëten waren, met halve verdiensten dien dub- 
belen eeretitel wilden veroveren. 

Wij erkennen volgaarne de ongegrondheid hunner aanspraak en het misbruik 
der literarische schildering, maar kunnen hoegenaamd niet toegeven, dat mis- 
bruik door sommigen de veroordeeling wettige van allen, die het recht van den 
geest in de schilderkunst staven nevens dat van oog en hand. Alle scheppers van 
historische en godsdienstige stukken, van den oudsten tot den jongsten tijd, wa- 
ren verhalers in de kunst, denkers zoowel als uitvoerders; onder de groote mees- 
ters van heden zijn de schilders met inzichten en strekkingen, de weergevers van 
de daad en de gedachte, van het gevoel en de mijmering, talrijk en menigeen 
hunner telt onder de beste. Zoo, om er maar enkele te noemen, Adolf Menzel 
de humorist en Knaus de gemoedelijke. Courbet de naturalist, Puvis de Chavan- 
nes de Neo-Griek, Leys de Vlaming der Renaissance en Alma Tadema de oude 
Romein. Munkacsy en al de godsdienstige schilders, Pradilla en al de epikers, 
Meissonier en al de militaire schilders, Leighton en al de academiekers, Ro- 
setti en al de mystiekers, Bastien Lepage, Millet, Jozef Israëls en al de dichters 
der werkelijkheid, beelden af wat zij zagen daar buiten in de wereld of wat zij 
voelden daar binnen in hun gemoed; zij zoeken karakters terzelfder tijd als han- 
delingen weer te geven en onzen geest zoowel als onze oogen te treffen. Zoo- 
lang de kunst iets anders en iets meer dan een handwerk zal zijn, zullen zij niet 




JAN STEEN. 

HET SLECHTE GEZELSCHAP. 



JAN STEEN. 33 

alleen onder de kunstenaars gerekend worden, maar in dezer rei een eerste plaats 
bekleeden. 

Jan Steen is de eerste schilder der wereld in zijn vak, het humoristische. Hij 
is de ongeëvenaarde opmerker van de belachelijkheden en de gebreken van den 
evennaaste, van de zeden en gebruiken in het dagelijksch leven; de spotter met 
allen bombast en verwaandheid. Hij wil niemand de les spellen, hij filosofeert 
niet tot nut van 't algemeen, maar tot eigen voldoening; hij heeft geen haat 
tegen het kwade, zelfs geen medelijden met de slachtoffers van eigen gebre- 
ken of van andermans loozen of boozen zin. Hij merkt slechts op, verkneukelt 
zich in het grappige van het geval en neemt geen aanstoot aan wat zedemees- 
ters berispelijk zouden vinden. Hij trekt regelmatig partij voor den bedrieger 
tegen den bedrogene en stelt den laatste in het ongelijk, wanneer de eerste zijn 
part goed gespeeld heeft. Hij zorgt dat de ondeugd beloond worde, als zij maar 
ondeugend genoeg is. Het is een moraal, die in school noch kerk aangenomen 
wordt, maar het is de moraal van het volk, dat liever een schalkschen guit dan 
een verongelijkten sukkel ziet ; de moraal, die gepredikt wordt in onze groote 
nationale gedichten en verhalen, Reinaert de Vos en Tijl Uilenspiegel. 

Men zou in de rei der episoden-schilders wel enkele mannen kunnen aanhalen, 
die hekelen of moraliseeren in den trant van Jan Steen, maar geen hunner kan 
op gelijken rang met hem gesteld worden. De oude Pieter Breughel, de schilder 
der spreekwoorden en volkszeden, lacht te boersch; Hogarth en Troost morali- 
seeren te schoolmeesterachtig; allen daarbij ruimen te groote plaats in aan de 
les ; zij maken hunne wijsheid te pedant, hunne geeseling te scherp. Jan Steen 
neemt zijn rol niet zoo ernstig op; hij maakt geen aanspraak op den titel van 
zedeprediker : hij wil lachen en laten lachen. 

De Louvre bezit van hem drie stukken. Het eene verbeeldt een Feest in eene 
herberg, het telt onder de werken van betrekkelijk groote afmeting zooals 
de meester er eenige voortbracht en het is een braspartij in regel, zoo rumoerig 
en baldadig als de schilder aller liederlijkheid het maar wenschen kon. Mannen 
en vrouwen, kinderen en soldaten doen mede, de dansers zijn dronken en de mu- 
zikanten niet minder; maar al die menschen vermaken zich uitmuntend en zijn 
goedig in hun beroesdheid; een boer, die eene vriendin naar een eenzame plaats 
poogt mee te troonen, neemt het niet kwalijk dat een ander ze onderwege nog eens 
omhelst; een vrouw zingt, een andere speelt op den doedelzak; een kind trommelt. 
Het is een jolijt en een lawijd dat hooren en zien vergaan en bij dit alles is het 
stuk prachtig van kleur en licht, meesterlijk van uitvoering in dien gladde, ge- 
smijdigen trant, dien Jan Steen aanneemt in zijn groote werken. 

Het andere stuk heet Familiemaaltijd. Maar welke familie ! De meid 
schenkt te drinken aan den zoon des huizes, die reeds meer dan genoeg heeft; de 
die een zuigeling aan de borst heeft laat zich door een vrijer omhelzen; kin- 
deren spelen op den grond, genoodigden drinken elkanders gezondheid en op den 
grond ziet men nog een heelen voorraad flesschen en koelvaten. 

Het derde, waavan wij de gravuur meedeelen, is een der stukken, welke den 

3 



34 JAN STEEN. 

naam van „Slecht Gezelschap" dragen en een tafereel uit het leven van slempers 
en hoereerders. Het is een van 's meesters fraaie werken, dat in den grooten 
Catalogus van den Louvre nog niet staat vermeld, maar in den kleinen het num- 
mer 2580 draagt en opgegeven wordt als door het Ministerie van Schoone Kun- 
sten in 1881 aan het museum geschonken. 

In een herbergkamer zijn zes personen samen, een paar lichtekooien, een paar 
slempers, een vioolspeler en een oude koppelaarster. Een der klanten van het 
huis, een jong mensch van adellijken stand, is smoordronken met het hoofd op 
den schoot van een der deernen gevallen, zijn glas en pijp liggen aan stukken op 
den grond; de tweede deerne heeft hem ontlast van zijn overjas, van zijn degen 
en van zijn uurwerk, die zij aan de oude heksenmoer overgeeft. Aan tafel zit de 
makker van den jonker eene pijp te rooken, terwijl de vioolspeler op zijn instru- 
ment staat te krabben. In den achtergrond is de zaal met gouden leer behangen 
en staat er een bed met bruine gordijnen. 

De figuren zijn met groote zorg geschilderd, rijk is de gebruikte kleurenladder 
en frisch zijn de tonen gelegd. De jongman draagt een rooden jas, lichtblauwe 
hozen, witte kousen; het vrouwtje, op wier schoot hij ligt, is in blauwgroenen 
bouwen ; de andere, die hem uitplundert, is in donker groen en geel kleed. 

Zulke slechte of vroolijke gezelschappen schilderde Jan Steen in groot getal. 
Het zijn, als vinding, niet de belangwekkendste zijner werken. Stukken als twee 
dergene, welke het Museum van Brussel van hem bezit, zijn fijner van opmerking 
en geestiger van zin. In het eene ziet men een pracht van een vrouw, die zich 
omwendt naar een binnenkomenden vroolijken snaak, die haar een haring en een 
paar ajuinen aanbiedt en die welkom schijnt te wezen; terwijl bij de tafel haar snul 
van een man noten zit te pellen en zoo verdiept is in die gewichtige bezigheid, 
dat hij niet merkt wat spel er daar gespeeld wordt aan den anderen kant der tafel. 
In het tweede is een rederijker door het venster zijn verzen aan 't lezen en is 
zoo verslonden in het uitpakken met zijn talent, dat hij niet merkt, hoe achter zij- 
nen rug een ondernemend gezel zijne vrouw tracht te kussen. 

Andere zooals zijne St. Nicolaasfeesten, zijne Driekoningsavonden, zijne binnen- 
huisjes, zijn scherp opgemerkte zedestudiën, maar zonder stekeligen humor ; zijne 
kwakzalverstukken en zijn Bijbelsche tafereelen zijn dan weer grappiger. 

Als uitvoering zijn Jan Steen's werken zeer verschillend : sommige en dit zijn 
de beste, zijn geschilderd in fijne tonen, met vaste en gladde verflaag met zacht 
glimmende lichten en versmolten kleuren. Anderen zijn gehakt en ruw van pen- 
seeling, van onverzorgde bewerking, in sterk tegen elkander afstekende kleuren, 
in overhaasting voltooid of van jonger jaren dagteekenende. 

Daar, waar Jan Steen er zich op toelegt om verzorgd werk te leveren, even- 
aart hij als schilder de beste; maar of zijne schildering grover of fijner zij, im- 
mer is zij vol leven, vol geest en guitigheid. 

Jammer genoeg zijn wij weinig te weten gekomen van 's mans lotgevallen; de 
babbelzieke geschiedschrijvers der Hollandsche School, Houbraken en zijn na- 
prater, de virtuoos in kwatongerij, Campo Weijerman, disschen ons lange ver- 



JAN STEEN. 35 

halen op van zijn heldendaden in de kroeg en van zijn liederlijken handel en 
wandel, zonder te verklaren hoe een man van zijn gedrag een kunstenaar van 
zijn gehalte kon zijn. Het staat vast, dat zijn leven onregelmatig was, maar wei- 
nig bijzonders en bepaalds weten wij er van. 

Hij werd in 1626 te Leiden geboren. Zijn vader Havick Jansz. Steen was een 
welstellende brouwer; zijn meester was Nicolaas Knupfer, een in Leiden geves- 
tigde Duitscher. In 1648 werd hij lid der Sint-Lucasgilde zijner geboortestad, 
alhoewel hij toen reeds in den Haag woonde. In deze laatste stad huwde hij 
den 3den October 1649 Jan van Goyen's dochter. In 1654 woonde hij nog in 
den Haag, maar den 22sten Juli van dit jaar huurde hij de brouwerij de Slang 
in Delft voor 400 gulden 's jaars. In 1656 woonde hij in dezelfde stad in de brou- 
werij den Roskam. Van 1661 tot 1670 vinden wij hem te Haarlem geves- 
tigd. Hij keerde later naar Leiden terug, waar hij in 1673 Maria van Egmont, 
de weduwe van den boekhandelaar Nicolaas Herculens, huwde. Het jaar te 
voren had de stedelijke raad hem vergunning verleend tot het houden eener 
openbare herberg. 

Zijn leven was weinig rustig dus; zijn beroep van tavernier maakt de verha- 
len, die hem schilderen als verhangen naar kroeg en drank, waarschijnlijk. Nog 
andere feiten leggen getuigenis af van zijn onregelmatig leven. Reeds in 1657 
werd vader Steen aangesproken om de schulden van zijn zoon te betalen; in 
1666 had hij al 450 gulden moeten leenen en beloofde de intresten dier som met 
drie portretten te betalen; in 1673 liet een apotheker zijne schilderijen verkoopen, 
om betaling eener schuld van 12 gulden te bekomen. Al die feiten toonen, dat hij 
een goede klant zijner eigen brouwerij was. Zijne schilderijen spreken die ge- 
volgtrekking niet tegen, zooals men weet. Wat verwonderlijk mag heeten, is dat 
zijn zoo meesterlijk werk tijdens zijn leven en kort na zijn dood zeer lage prijzen 
gold. Eerst in onze eeuw is men hem niet alleen als zeer plezierigen, maar ook 
als hoogst verdienstelijken schilder gaan naar waarde schatten. 

Jan Steen's leermeester Nicolaas Knupfer oefende op hem al even weinig in- 
vloed als zijn schoonvader Jan van Goyen, bij wien hij insgelijks een tijd in de leer 
was. Van Dirk Hals schijnt hij meer geleerd te hebben. Niet alleen toch vindt 
men in zijn eerste werken de losse schildering van dezen jongeren broeder van 
Frans Hals weder, maar ook de keus der onderwerpen van menigeen zijner stuk- 
ken, vroolijke of liederlijke gezelschappen voorstellende, heeft hij met dezen 
voorganger gemeen. 

Later, wanneer zijne schildering vaster en meer verzorgd wordt, werkt hij meer 
in den trant van Adriaan van Ostade, van wien hij stellig, wat de uitvoering 
betreft, moet geleerd hebben. 

Een derde meester heeft volgens ons ook wezenlijken invloed op hem geoefend, 
namelijk de Antwerpenaar Jacob Jordaens. Niet alleen toch dat dezes laatsten 
geliefkoosde onderwerpen aan het werkelijk leven ontleend: het Driekonin- 
genfeest, Zoo de ouden zongen zoo piepen de jongen, de Sa- 
ter en de boer door Jan Steen herhaaldelijk zijn geschilderd ; maar ook in 



36 JAN STEEN. 

beider godsdienstige en historische stukken treft men dezelfde neiging aan om 
op weinig eerbiedige en soms gekscheerende wijze die hoog ernstige stof te be- 
handelen. Nog vindt men bij Jan Steen hier en daar het kenmerk van Jordaens 
weer om rijkgevleesdheid voor een ideaal van vrouwelijke schoonheid te ne- 
men. Zoo is bijvoorbeeld de voornaamste personage uit het „Aanbod van den 
verliefde" in het Brusselsch Museum, met hare uitborrelende vormen, een vrouw, 
die volkomen aan Jordaens' eischen zou beantwoord hebben. Zelfs zou het mis- 
schien niet al te gewaagd zijn de voorliefde van den Antwerpschen meester 
voor koperkleurig licht en schaduwwerking bij den Leidschen weer te vinden. 

Beide meesters zijn realisten, de eene in zijnen epischen, de andere in zijnen 
meer gemoedelijken trant, en drukken zoo sterk op sommige trekken, dat zij 
lichtelijk in de karikatuur vervallen. Jordaens heeft zijne smalle hoofden en sterk 
uitstekende kaaksbeenderen, Jan Steen heeft de kleine toegeknepen oogen, de 
lange scherpe neuzen, gekromd als een sikkel, de wijd gespleten monden met 
opgetrokken hoeken zijner komieke personage: overdreven wel is waar, maar 
onweerstaanbaar lachwekkend in hunne overdrijving. 

Die overeenstemmingen, laat het ons al dadelijk zeggen, nemen niets van Jan 
Steen's oorspronkelijkheid weg. Wat hij van anderen gezien, geleerd en zelfs na- 
gevolgd hebbe, hij blijft de geestige humoristische schilder bij uitnemendheid : 
geen evenaart hem in deze hoedanigheid, die zijn hoogste kenmerk uitmaakt. 




GEERAARD DOU. 

DE WATERZUCHTIGE VROUW. 



6. GEERAARD DOU. 



Geeraard Dou was een schilder, die van eerstaf en onafgebroken de gunst 
van het groote pubhek genoot : niet alleen in zijn land, maar ook daar buiten, 
werden zijne kleine keurige werkjes gezocht en in geen Museum of verzameling 
van belang in Noordelijk Europa ontbreken zij. Ook de Louvre is er rijk mee 
bedeeld: elf stukken vermeldt de Catalogus. Vooreerst zijn eigen portret. Hij 
beeldt zich zelven af met den arm leunende op den dorpel van een raam, door 
hetwelk hij den toeschouwer aankijkt. Hij houdt zijn palet en borstel in de hand; 
achter hem staat zijn schildersezel. Hij heeft een gezond kalm uitzicht, goed 
in het vleesch, regelmatig en fraai zelfs van trekken. Hij houdt van opsmuk: zijn 
lange haren vallen krullend op zijne schouders, een blauwe muts staat er zwie- 
rig boven op; hij is gehuld in een rood fluweelen kleed met pels geboord; al da- 
delijk herkent men in hem een man wien het welgaat en die reden heeft tevreden 
te zijn met zijn lot. Het stuk draagt geen jaartal, maar de kunstenaar schijnt 
ongeveer veertig jaar oud te zijn en het zou dus rond 1643 gemaakt zijn. 

Enkele jaren jonger zou dan de Kruidenier van het dorp zijn, een stuk 
dat het jaartal 1647 draagt en een dier tooneeltjes uit het dagelijksch leven voor- 
stelt, die Dou zoo gaarne in al hunne bijzonderheden te zien gaf. Een drietal 
miniatuurachtig fijn gepenseelde burgervrouwtjes met hun kleurigste plunje aan 
te midden van de honderd kleine dingen, die een winkel stoffeeren, met wat 
versche groenten er bij om die doode natuur te verlevendigen; meer had hij niet 
noodig om zijn talent te laten bewonderen. 

Van 1650 is de Keukenmeid die een haan buiten het venster hangt : eenig 
koperen glimmend huisraad, een dood hoen, een vinkje in zijn kooi en een al- 
lerliefst vrouwensnoetje. Van 1663 is de Waterzuchtige vrouw, die hier- 
bij afgebeeld gaat en waar wij op terug komen; van 1664 een Goudweger. 

Onder de ongedateerde stukken stippen wij nog aan de Bijbellezing: een 
oude vrouw, die tegen het raam gezeten de Bijbel leest voor haren man, die er 
aandachtig naar luistert, met een helder zonnenlicht vallende op het grijze paar; 
eene Keukenmeid, die haar werk verricht bij lamplicht ; een Oude Vrouw 
die in godvruchtige aandacht in een boek leest, een Trompetter die lustig 
voor het venster staat te blazen, terwijl dieper in de kamer een vroolijk gezel- 
schap aan tafel zit en een Ta ndentrekker. 

Het zijn allen bescheiden lieden, gelukkig in hun gedoen van alle dagen, lief- 
devol behandeld door den schilder, die ze doste in zijn kostelijke kleur, liet ba- 
den in zijn gulden licht en veredelde door zijne kunst. 

Onder alle deze stukken is de Watrzuchtige Vrouw verreweg het bes- 



38 GEERAARD DOU. 

te. Het is geschilderd in steviger hooger tonen dan de andere en verraadt hier- 
door reeds dat het uit 's meesters later jaren dagteekent, wanneer hij den zach- 
tcren, zalvigen, minder bonten trant dien hij bij Rembrandt had aangenomen, 
had laten varen om meer zich zelf te worden. Het wordt gehouden voor het 
meesterstuk van Geeraard Dou en, als beste werk van den keurigsten meester, 
kan het dus gelden voor het puik der Hollandsche fijnschildering. 

Het behandelt op dramatische wijze een onderwerp, dat vaak stof leverde 
voor kluchtige tafereclen. Een zieke vrouw zit in een leunstoel; nevens haar 
staat de doctor, die haar water in eene flesch tegen het licht houdt en onder- 
zoekt. Een ziekedienster geeft haar medicijn in : hare dochter is weenend nevens 
haar geknield en kust haar de hand. Als onderwerp kan men zich moeilijk iets 
ongelukkigcrs denken dan het vereenigen der lachwekkende handeling van den 
geneesheer met de uiting van het smartelijk gevoel der dochter. En die wan- 
smakelijke vermenging van ernstige en kluchtige motieven is niet het eenige wat 
stuit in het gevierde stuk. Moeder is ziek, de docter komt haar bezoeken in hare 
slaapkamer, het meisje zinkt neer van smart, en dit ziekenvertrek is opgesmukt 
als een boudoir; de geneesheer is aangekleed als een professor, die een rol van 
jeune premier in een opéra comique zou te vervullen hebben; ook de bedroefde 
dochter draagt een baltoilet. 

Het blijkt, dat Geeraard Dou wil schitteren door de verzorgdheid zijner uit- 
voering en dat hij denkt die zorg niet te kunnen besteden dan aan kostelijke din- 
gen. Hij houdt zich op in eene wereld, waar alle menschen dagelijks hun beste 
plunje dragen, en altijd kraakzindelijk voor den dag komen, waar de meubels en 
het huisraad van glansend hout of van glinsterend koper zijn, waar de tapijten 
schitteren met al de pracht der Oostersche weefsels, waar de zon altijd gereed 
is die bontheid en die reinheid te doen uitkomen en waar nooit een stofje danst 
in dit dienstige zonnetje. 

Zoo is het hier. De achtergrond der kamer is donker gehouden, maar van de 
zoldering daalt een tapijt, dat met ringen aan een roede hangt en dat, omgesla- 
gen, zijne rijke bloemen en kleuren laat zien. In het halfdonker, te midden der 
kamer, ontdekt men den schoorsteen, waarin vuur wordt gemaakt, het bed, een 
kast en een zetel. Op het voorplan, in het volle licht van het groote raam, komen 
de zitbank, de lessenaar waarop de bijbel ligt, een koelvat, een hangend hor- 
loge en een koperen luchter uit. Alles verraadt coquetterie in de stoffeering, 
nauwlettende bezorgdheid in de uitvoering. Standrart kenmerkt die vreesachtige 
keurigheid niet slecht als hij zegt, dat, wanneer Dou zich nedergezet had om 
te schilderen, hij vooraleer zijn verfbak te openen een poos wachtte om de opge- 
jaagde stofdeeltjes tijd te laten tot neervallen. 

Wij hebben in alle tijden in onze gewesten die angstvolle fijnschildcring zien 
beoefenen en bewonderen. Van Eyck en vóór hem de miniatuurschilders streef- 
den er naar; de landschapschilders Bril, de doodenatuurschilders De Heem en 
van Kessel deden als hij ; een goed deel der Hollandsche school maakte er naam 
mee; Dijckmans voor weinige jaren, Alma Tadema nu nog, danken er hunnen 



GEERAARD DOU. 39 

roem aan. 

In elk tijdperk en bij eiken kunstenaar verschillen echter de kenmerkende hoe- 
danigheden in ditzelfde vak. 

Vóór Geeraard Dou waren de miniatuurachtige schilders scherper van lijn, 
magerder van toets. Hij is malscher van penseeling en versmelt meer zijne to- 
nen ; hij ruimt meer plaats in aan de lichteffecten, die hij warm en sterk tegen 
elkander afstekend verkiest. Hij houdt daarbij van rijke kleuren en weet die op 
gelukkige wijze tot samenwerken te dwingen. Zoo krijgen zijne stukken het ju- 
weelachtige, dat hen kenmerkt, met den hoogen glans en het zuivere vuur, die de 
ware edelsteenen van de valsche onderscheiden. Hij was wellicht de meest ge- 
zochte schilder zijner dagen en, zoo andere hem in de gunst der kenners zijn 
voorbijgeloopen, dan wordt hij nog immer door het groote publiek, dat zich 
door uiterlijken schijn laat vangen, zoowel als door het kleine publiek, dat stren- 
ger eischen stelt, hoog gewaardeerd. 

Bij de burgerij van zijnen tijd en van alle tijden stelde men er immer prijs op in 
een welgestoffeerde niet te ruime kamer stukken van kostelijke bewerking te heb- 
ben hangen, die in kleinen omvang een groote hoeveelheid arbeid, kunstigen en 
keurigen arbeid, samenvatten. Dou's schilderijen waren in de meubileering van 
een huis wat een rijke doekspeld op het kleed eener vrouw is : een punt dat het 
oog lokt en bewondering wekt om de hooge waarde van metaal en steenen en om 
het talent waarmede zij bewerkt zijn. Er lag iets genoegelijks in, die fraaie hoof- 
den, die rijke kleuren, die kostelijke meubelen zoo gelukkig bijeengebracht en hun- 
ne fijne vormen en hun glansende straling zoo behendig weergegeven te zien. 

Een andere hoedanigheid moest Dou toen tot een gezochten kunstenaar ma- 
ken en doet hem ons ook nu nog hoogschatten. Hij was, wel is waar, overdre- 
ven in zijne jacht op kostbaarheid, maar hij schilderde toch tafereelen uit het 
leven en naderde hierdoor weer tot natuur en waarheid. Zijne binnenhuisjes en 
zijne tooneelen aan het venster of in de straat zijn aan de werkelijkheid zooals 
ieder ze kende en beoordeelen kon ontleend; zij laten het burgerleven zien op 
zijn Zondags; zij idealiseeren het nuchtere van eiken dag; zij brengen zonneschijn 
en kleinoodiënglans in de huiskamer; maar zij ademen liefde voor wat ieder onzer 
kent en gaarne ziet, en vonden aldus gemakkelijker den weg tot onze belangstel- 
ling dan onderwerpen uit de Schrift of uit de Fabel het konden doen. 

Dou's kunst wortelde dus in het burgerlijke leven van zijnen tijd : ook met de 
kunstbeweging zijner jaren stond zij in nauw verband. Hij was geboren te Lei- 
den den 7den April 1613 en was eerst in de leer geweest bij den plaatsnijder 
Bartholomeus Dolendo en dan bij den glasschrijver Peter Couwenhorn. Van bei- 
den leerde hij hoogen prijs stellen op ongemeene handvaardigheid in den arbeid 
en dit streven naar ambachtelijke volmaking in de kunst is hem zijn levenlang 
bijgebleven en is zijn hoogste kenmerk geworden. 

Maar toen hij vijftien jaren oud was keerde de meester der meesters terug in de 
gemeenschappelijke geboortestad en Geeraard Dou trad Rembrandt's atelier bin- 
nen. Daar ontwikkelden zich in den kundigen beroepsman de hoogere gaven van 



40 GEERAARD DOU. 

den kunstenaar. Het lijkt wel als een moedwillig gewaagde spreuk te beweren, 
dat Dou als kunstenaar een volgeling van Rembrandt is, en niets toch is min- 
der betwistbaar. Vergeten wij niet dat de schilder van Banning Cocq's kor- 
poraalschap in 1631, terwijl Dou in zijne werkplaats verkeerde, de Op- 
dracht van het Christuskind in den Tempel uit het Haagsche Mu- 
seum schilderde : herinneren wij ons de keurigheid der bewerking, de warmte en 
de fijnheid van het licht, den rijkdom der gewaden en hun vreemden snit en wij 
zullen begrijpen hoe de schilder der Waterzuchtige vrouw rechtstreeks 
van hem afstamt. Hebben wij in dit laatste stuk ook niet de verzorgde weerge- 
ving aller bijzonderheden; de warmte van het licht, de rijkdom der gewaden? Is 
die doctor geen familie van de fantastisch gekleede eigenportretten van Rem- 
brandt, van zijne rabbi's en patriarchen? Vinden wij in het Oostersch tapijt van 
Dou niet de rijke stoffen weer, die zijn meester zoo gaarne zag? En herinnert ons 
zelfs de hooge verdieping dezer ziekenkamer niet aan de nog hoogere van den 
tempel, waarin Simeon met het Cristuskind in de armen neerknielt? 

Het groote verschil tusschen de beide Leidsche kunstenaars is dat Rembrandt 
een dichter, een ziener, en Dou een talentvol burgerlijk schilder was. De eer- 
ste ging waarheen hem zijn innerlijke aandrang en zijne onuitputtelijke ver- 
beelding riepen, immer verder en hooger naar de sferen, waar kunst en natuur 
samensmelten en waar afbeelden gelijk staat met herscheppen; terwijl de an- 
dere voorzichtig blijft staan bij het vroegtijdig bereikte peil, dat hem het toppunt 
der volmaaktheid schijnt. Rembrandt wordt meer realist, schildert donkerder 
bruin en machtiger licht, altijd anders, altijd oorspronkelijk; Dou wordt mis- 
schien behendiger, maar blijft immer rijkdom van kleur, aanvalligheid van groe- 
peering, levendigheid van voorstelling voor zijn ideaal beschouwen. 

Maar met dit alles had hij veel van den grooten meester geleerd en onthield hij 
het goed, en dit juist was het wat den behendigen fijnschilder tot grooten kun- 
stenaar maakte; hij leerde zien dat kleuren terzelfder tijd schitterend en malsch 
kunnen zijn, dat het licht een heel tooneel kan drenken en verlevendigen, dat 
de strijd van hel en donker een der belangwekkendste studiën voor den schil- 
der is. En wat hij bij den grooten meester had bewonderd wist hij voor een groot 
deel in zijn eigen werken te doen overgaan. 

Zijne kunst stond stil, zoo ook, voor zooverre wij weten, was zijn leven kalm 
en bedaard; hij stierf in de stad waar hij geboren was en werd daar begraven den 
9den Februari 1675. Wij kennen zijnen levensloop weinig of niet, maar wij stel- 
len hem ons voor, zonder groote vrees ons te vergissen, als een eerzaam bur- 
ger, die zeer ingenomen was met zijne kunst en met zijnen arbeid, die in ge- 
moede zijne taak vervulde en de verantwoordelijkheid op zich voelde wegen zijn 
uiterste best te doen om het beste te leveren wat hij leveren kon. Hij was goed 
gezien en wel betaald; er heerschte weelde in zijn huis en tevredenheid in zijn 
gemoed. Hij zag het leven en de menschen van de goede zijde, zooals zijn tijdge- 
nooten hem ook met een goed oog aanzagen. In de wel verlichte kamer, waar 
hij genoeglijk aan het werk zat, hing de koperen luchter, dien wij in zijn schil- 



GEERAARD DOU. 41 

derijen zien, aan den balk; een rijk bewerkte kast stond tegen den wand; in 
die kast lagen een keus van kostelijke stoffen en kleurige tapijten. Aan den muur 
tikte de hangklok, die wij hier weervinden en die regelmatig en vlijtig den schil- 
der begeleidde in zijn nauwgezetten en zorgvuldigen arbeid. Het groote raam, 
dat wij ook in onze schilderij zien, liet het heldere licht overvloedig doordrin- 
gen en van 's morgens vroeg tot zoo lang de zon aan de kimme stond zat de 
schilder voor dit raam in die vroolijke, nette kamer, waar alles het liedje zong 
van een welverdiend en dankbaar genoten geluk. 

Men vergelijke dit wel geordend bestaan met het lot van een Rembrandt, een 
Jan Steen, een Adriaan Brouwer en men zal vinden dat Geeraard Dou de meest 
Hollandsche al dezer Hollanders was en bekennen, dat hij trouwer dan een zijner 
medemeesters het huiselijk leven weergaf, zooals zijne landgenooten het ver- 
stonden en meer en meer zouden leeren verstaan. Het bestaan moest deftig, de 
mensch goed in de kleeren, de woning stevig gebouwd en wel verlicht, de huis- 
kamer glimmend gepoetst en geverfd zijn. Al deze burgerlijke idealen maakte 
Dou tot de zijne en verheerlijkte hij in zijne werken; die beelden uit het nuch- 
tere leven werkte hij om tot juweeltjes van kunst. Hoe zouden zij, die hij zoo lief- 
had, hem niet met wederliefde geloond hebben ? 

De keerzijde van die wederzijdsche ingenomenheid was, dat de schilders Dou 
meer en meer gingen tot voorbeeld nemen en de welgestelde burgerij meer en 
meer met hun werken ging ingenomen worden. Zoo werden Hollands kleinmees- 
ters kleine kunstenaars en ging met rassche schreden scheppende kracht in am- 
bachtelijke vaardigheid over. 

Wij begonnen met te zeggen, dat de Waterzuchtige vrouw voor Dou's 
meesterstuk wordt gehouden; voegen wij er nog bij, dat het stuk door den palts- 
graaf tegen 30,000 gulden werd gekocht en hij het aan prins Eugenius ten ge- 
schenke gaf. Bij den dood van Eugenius kwam het door erfenis in bezit der 
hertogen van Savooien, die het in de galerij van Turijn plaatsten. Karel Emanuël 
IV schonk het bij zijn aftreden in 1799 aan burger Clausel, adjudant-generaal 
van het Italiaansche leger, als blijk van erkentelijkheid voor de kieschheid en 
de rechtschapenheid, waarmede deze zich van zijne moeilijke zending gekwe- 
ten had. Clausel schonk het op zijn beurt aan de Fransche natie. De schilderij 
draagt het opschrift „16 63 G. D o u, o u t 6 5 jaer." De aanduiding „out 
6 5 j a e r," die hoegenaamd niet overeenstemt met de waarheid is er klaarblij- 
kelijk door eene vreemde hand bijgevoegd. Niet de schrijvers, die Dou's geboor- 
te op 7 April 1613 plaatsen, begaan den misslag, waarvan de schrijver van den 
Catalogus van den Louvre hen beschuldigt; maar hij zelf vergist zich, wanneer 
hij op grond van dit onechte opschrift den schilder laat geboren worden in 1598. 



7. PIETER DE HOOGH OF DE HOOCR 



Twee stukken van Pieter De Hoogh bezit de Louvre, beide binnengezichten van 
Hollandsche woningen. In het eene ziet men eene dame, die kaart speek met 
eencn heer en haar spel toont aan eenen anderen nevens haar. In de opening 
eener deur staat een jong meisje te vrijen; een knechtje brengt eene flesch 
binnen; een pretlievend gezelschap in een rijk gestoffeerd vertrek, gezien in 
gedempt gulden licht, met uitzicht door een venster op de openlucht, bla- 
kende van lichtgloed. 

Het andere verbeeldt de huiskamer eener nederige burgerwoning. 

Ter rechterhand een trap met openstaande deur; in den trapmuur, een ven- 
ster. In den achterwand links een open deur en een open raam. Door de deur 
ziet men een binnenplaatsej, leidende naar een achterbouw met vooruitsprin- 
gend portaal. 

In deze ruimte bevinden zich twee vrouwen en een kind : de eene vrouw zit ach- 
ter een tafel, waarop een tob en waaronder een korf staat en verricht daar haar 
huiswerk. Het kind staat nevens haar met een stok in de hand; aan zijne zijde 
een emmer. De tweede vrouw gaat over het binnenplaatsej naar den achter- 
bouw. 

Dit zijn de menschen en de dingen, die het tooneel stoffeeren; maar het zijn 
niet veel meer dan bijzaken en figuranten; zij zijn slechts daar om de personage 
die de hoofdrol vervult, te laten gelden en om zijne glorie te doen uitkomen. 
Die hoofdpersonage is het Licht : Phebus-Apollo. Niet de stralende en schitte- 
rende, die dood en vernieling of leven en vreugde brengt, maar een stille be- 
scheiden huisgod, die zijn glans leent aan dit burgerlijk vertrek en het om- 
schept tot een heiligdom, waarbinnen hij troont. De schilder heeft groote zorg 
gedragen, dat de hooge gast goed ontvangen worde : zooveel deuren er zijn, zoo- 
vele staan er open om toch maar nergens den doorgang te versperren. Het heele 
huis is gebouwd om de heerlijkheid van den genoodigde te laten bewonderen : 
een open pleintje, waar hij zich in al zijne macht kan openbaren; vensters, 
die hem toelaten zijn glord te temperen en te tinten, in en uitsprongen, die 
hem gelegenheid geven zijn grillig goddelijk spel naar hartelust te spelen en 
heel de ruimte er mee te bewegen en te vervullen. 

Er zijn dozijnen schilders in de Hollandsche school, die al hun schoonheid 
aan den eeredienst van het licht te danken hebben, wij zouden haast mogen zeg- 
gen dat er geen andere zijn, en toch heeft Pieter De Hoogh iets boven of iets ne- 
vens de meeste. Rembrandt, de meester der meesters, dien men vergat op het oo- 
genblik dat men hem navolgde en wiens invloed men heeft ontdekt in de werken 




PIETER DE HOOGH. 

EEN HOLLANDSCH BINNENHUIS. 



PIETERDEHOOGH OF DE HOOCH 43 

van hen, die hem verloochenden, Rembrandt heeft het sein gegeven en het hoo- 
ge tooverwoord gevonden, waarbij de schilderkunst, macht verkrijgende op het 
licht, een nieuw rijk veroverde. Hij was en bleef in dit rijk de opperheer, de 
vorst bij Gods genade; hij gebood naar zijn welgevallen en als een slavin ge- 
hoorzaamde de dienstbare hemelsche macht hem in al zijn wenschen en werken. 
Zijn leerlingen en volgelingen hadden het raadselwoord van hem geleerd en be- 
nuttigden het, maar niet zoo onbeperkt werden zij gehoorzaamd. Daar waar de 
meester gehecrscht had over heel het rijk, voerden zij het gezag in een enkel on- 
derdeel. Ferdinand Bol kon nog een portret warmen aan den roostcrenden gloed, 
Nikolaas Maes den strijd tusschen dichte schaduw en forsche klaarte afbeelden, 
Hobbema den achtergrond van een landschap in lichtelaaie helderheid stellen, 
Dou het smeltende waas weerspiegelen, die het licht over vleesch en kleed 
spreidt, geen hunner bezit nog de almacht van den scheppenden kunstenaar. 

In de verbrokkeling van zijn rijk werd aan Pieter De Hoogh de meesterschap 
over het binnenhuis toegekend. Hij was tevreden met zijn aandeel, zocht er geen 
ander, en wist roem te verwerven in die heerschappij over een bescheiden plek. 

Hij schilderde door den band enkel huiskamers, waarin de vrouw haar 
werk verricht of waar een klein getal personen kaart of muziek spelen. In 
den achtergrond ontdekt men dan een binnenpleintje, dat door de zon besche- 
nen wordt en van waar door de open deur het licht binnen de kamer dringt. Soms 
ook plaatst hij zijn eenvoudig tooneel in het binnenplein of vóór het huis. De 
kleuren zijn sober, maar niet banaal, zij zijn koel en gekozen om de lichtwerking 
goed te doen uitkomen. In het begin zijner loopbaan hield hij meer van volle 
klaarheid, later verhoogde hij zijne lichteffecten door ze tegenover schaduwen te 
stellen, die hij gaandeweg dichter en dichter maakte. 

Heel zijn bezorgdheid en zijn eerzucht was de werking van het licht in de men- 
schelijke woning te doen bewonderen. Hij had op een gelukkigen dag bemerkt hoe 
heerlijk er het eenvoudigste hoekje van een kamer, de naaktste muur van een 
open plaats kan uitzien, wanneer de zonnestralen er op vallen; hoe geen goud zoo 
puur, geen zilver zoo blank, geen edelsteen zoo rijk getint is als een vensterglas 
of een vloersteen in het nederigste vertrek, wanneer het de zon belieft ze met 
haren glans te overgieten; hoe geen tapijt, geen vorstelijk gewaad zoo rijk van 
kleur is als de dakpannen en de deurplanken eener burgerwoning of als het eenvou- 
dig hnnen doek of wollen kleed eener burgervrouw, wanneer zij den zonneschijn 
weerkaatsen, en die opmerking besliste over zijn lot als schilder. Hij zou zijn 
leven lang als een Parsi het licht aanbidden en geen anderen God nevens dien 
herkennen. Hij zou zijn hulde niet bieden als een onbeschaafde; hij zou er de 
uiting van verfijnen, ze versterken door tegenstelUng met schaduw en donker- 
heid, ze verhoogen door trapsgewijze klimming of verdooving. 

Zoo zien wij in deze en in menig ander zijner schilderijen het licht met zijn 
fonkelenden gloed het open plaatsje vullen; daar rustig en vast tronen; dan 
door deur en vensters binnenstroomen, met afnemende kracht over den kamer- 
vloer schuiven, de blanke punten van kleeding en vleesch betonen, tegen de trap- 



44 PIETERDEHOOGH OF DE HOOCH 

deur afschampen en in alle hoeken en kanten spel, leven en afwisseling brengen. 

Hij had opgemerkt hoe het sterkste licht de grootste harmonie weet te behou- 
den in die af- en toeneming en ook hij vermocht van de gloeicndste klaarte tot 
de donkerste schaduw over te gaan en alle trappen, die er tusschen beide lig- 
gen zoo juist aan te duiden dat nergens hardheid noch overdrijving af te keuren 
valt. 

Anderen hadden het wel beproefd of zouden het nog wagen de fraaiheid der 
lichtspeling te doen bewonderen, geen dorst er het hevigste licht in al zijne 
intensiteit op een middelpunt samen te vatten en het van daar uit te verspreiden 
in afwisselende verdoovingen over heel het tafereel. Dit dorst en dit kon Pieter 
De Hoogh. Hij was een overtuigende, die zich bewust was een nieuw en vruchtbaar 
gebied in zijne kunst ontdekt te hebben en naar geen tweede meer zocht. 

Voor anderen was het licht middel geweest, hun dienende om menschenbeeld 
of natuurgezicht beter te doen uitkomen, voor hem was het licht het ware on- 
derwerp zijner schildering, zijn hoofddoel. Het komt er al weinig op aan wie 
of wat er door getroffen werd : hoe eenvoudiger de bijzaken zijn des te beter, 
zij zullen de aandacht van de hoofdzaak niet afleiden. Een muur, een vloer, een 
deur of venster, zelfs een onbewegelijk figuur zijn uit zich zelve weinig of niets, 
maar wat genoegen wordt het hen te zien. wanneer zij gedrapeerd zijn in het 
licht als in een fonkelend gewaad; hoe rijk wordt dan hunne armoede! Pieter de 
Hoogh gevoelde dieper dan wie ook, wist juister en krachtiger te verhalen van 
die omscheppingskracht. 

Hij had de zeer zeldzame gave te kunnen toonen hoe in den vollen zonneschijn 
de vormen terzelfder tijd verscherpen en verfijnen, hoe de schaduwen bij ons niet 
als in het zuiden de uitsprongen hard en zwaar doen voorkomen: maar hoe alles 
een glinstering verkrijgt, die aan de soberste vormen een edeler en reiner uit- 
zicht geeft; hoe het licht reinheid en blijdschap schept; hoe het wel niet alles 
wat het raakt in goud verandert, maar toch veredelt van stof en iets feestelijks 
iets zondaagsch medebrengt overal waar het binnendringt. Enkele anderen Esa- 
ias Boursse, de Delftsche Vermeer deden het hem na, Koed\ ck beproefde het met 
minder welgelukken. 

De menschen van zijnen tijd begrepen hem niet en eerst veel later brak voor 
hem de dag der verdiende waardeering aan. Niemand achtte het dan ook de 
moeite waard zich om zijn lotgevallen te bekreunen en zijne tijdgenooten stip- 
ten evenmin zijn geboortestad als zijn geboortejaar aan. Al wat wij over hem 
te weten kwamen danken wij aan de geduldige opsporingen in de archieven en 
aan gelukkig^ toevallen, die voor een klein deel de tekortkomingen der oude le- 
vensbeschrijvers onzer kunstenaren aanvulden. Zoo vond Dr. A. Bredius een paar 
oorkonden, waarin Pieter De Hoogh zelf getuigt, dat hij in 1630 geboren is en in 
1653 benevens de schilderkunst ook het ambt uitoefende van dienaar van zekeren 
heer Justus de La Grange, koopman en eigenaar, die zich waarschijnlijk te Delft 
ophield. Het schijnt wel dat in de uren, die zijn gewone dienstverrichtingen hem 
overlieten, onze kunstenaar voor zijn meester schilderde, want in 1655, toen Justus 



PIETERDEHOOGH OF DE HOOCH 45 

de La Grange zijne verzameling schilderijen aan zekeren Pieter Persijn overliet, 
telde men daarin tien stukken van Pieter de Hoogh, die aan 6,10 en 20 gulden elk 
geschat werden. Rond 1655 vestigde onze kunstenaar zich te Delft en werd daar 
den 20sten September van dit jaar als lid der Sint-Lucasgilde aangenomen. In 1657 
woonde hij nog in dezelfde stad, maar in 1668 vinden wij hem in Amsterdam. Waar 
hij overleed weten wij niet. Het laatste jaartal, dat wij op zijne schilderijen aan- 
treffen is 1677 en vermoedelijk stierf hij te Amsterdam kort daarna in weinig ge- 
vorderden ouderdom. 

De heer Haverkorn van Rysewyck slaagde er later in iets nauwkeurigers over 
hem te ontdekken en nu kwamen wij te weten, dat Pieter De Hoogh geboren 
is te Rotterdam, dat hij gedoopt werd den 20sten December 1629, den 12den 
April 1654 nog te Rotterdam woonde en den 3den Mei daaropvolgende te Delft 
trouwde met Anna van der Burch. Na zijn huwelijk ging hij zich in deze laat- 
ste stad vestigen, waar den Isten Februari 1655 zijn eerste en den 14den Novem- 
ber 1656 zijn tweede kind werd gedoopt. In het sterftercgister vinden wij dat ze- 
kere Anna van der Burch oveleed te Delft den 3den November 1667. Vermoede- 
lijk was dit de vrouw des schilders, alhoewel het register haar dien titel niet toe- 
kent, en het kan wel zijn dat hij ten gevolge van dit verlies kort daarna Delft 
verliet en te Amsterdam ging wonen. 

Volgens Houbraken heeft hij eenigen tijd bij Nicolaas Berchem geleerd; maar, 
alhoewel wij hem eerst in het laatste levensjaar van Rembrandt te Amsterdam 
vinden, valt het niet te betwijfelen of hij heeft meer dan van wien ook den in- 
vloed van den grooten lichtschilder ondergaan. 

Wij deelden hooger den prijs mede, waaraan zijne schilderijen tijdens zijn le- 
ven geschat werden : de beste konden wel 20 gulden waard zijn volgens het oor- 
deel zijner tijdgenooten. In de eerste helft der achttiende eeuw gaat men voort 
dezelfde spotprijzen te besteden; in de tweede helft komt er ommekeer en 
wordt er zelfs eens 450 gulden voor een der stukken betaald. Maar het is eerst 
in onzen tijd, nu men weer hoog belang is gaan stellen in de studie van het licht, 
dat men Pieter De Hoogh naar waarde leerde schatten en voor zijne werken 
ontzaglijke prijzen betaalt. De laatste zijner verkochte schilderijen, die der vei- 
ling Hope, gold 2150 guinëen. ruim 25000 gulden, voor die van het Museum 
van Berlijn werd voor weinige jaren het dubbele betaald. 



8. KAREL DUJARDIN. 



Karel Dujardin werd geboren te Amsterdam in 1622; men zegt dat hij leer- 
ling was van Niklaas Berchem, iets wat moeilijk aan te nemen is daar deze nau- 
welijks twee jaar ouder was dan hij ; men voegt er bij, dat hij den invloed van Pau- 
lus Potter onderging, alhoewel deze eerst in 1625 geboren werd. Hij vertrok al 
vroeg naar Italië en was vandaar in het vaderland teruggekeerd in 1652, wan- 
neer wij hem in Amsterdam en gehuwd met Susanna van Roy, weervinden; van 
1656 tot 1659 woonde hij in den Haag; later hield hij zich weer te Amsterdam op 
en in het laatst zijns levens keerde hij terug naar Italië, waar hij ongeveer drie 
jaar na zijne aankomst, in November 1678, te Venetië stierf. Dit is alles wat men 
te weten is gekomen van den uitmuntenden kunstenaar; dit alles is bitter wei- 
nig en in het weinige is er dan nog veel onbestemds en onzekers. 

Hij behandelde velerlei vakken. Hij schilderde portretten, afzonderlijk of in 
groepen, godsdienstige stukken en tafereelen uit het volksleven van Holland en 
Itahë, dierenstukken en landschappen met vee. 

Het oudste werk dat de Louvre van hem bezit is gedagteekend van 1646 en ge- 
titeld Ie Bocage. Het is een arcadisch landschap gestoffeerd voor het genoe- 
gen van het oog : op den achtergrond een massief van dicht loover met twee groo- 
te alleenstaande boomen en een rots ; in den achtergrond een heuvelenrij ; op den 
voorgrond eene beek aan wier boorden het vee rust en wier wateren bruischend 
van een kleine hoogte in het dal neerstorten; tusschen de beek en het bosschage 
een groene wei. 

Dan volgen twee stukken van 1657 : het eene een kermistent met den welbe- 
spraakten Scaramuccia op het tooneel; Arlechino met zijn guitaar er voor, en 
het publiek bestaande uit boeren en boerinnen, luisterende naar de vermakelijke 
dingen die zij te hooren krijgen. Het tweede stuk is het portret van een def- 
tigen, Hollandschen heer, met lange krullende lokken, platten kraag op zwarte 
kleedij waarin men, wellicht niet ten onrechte den schilder meent te erkennen. 

Van 1660 is een landschap waar een beek middendoor loopt, met waterval, 
brug, dieren en menschen. Van 1661 een Kalvariënberg met Christus en de twee 
moordenaars aan het kruis; zijne moeder en discipelen rondom hem en de solda- 
ten die zijne kleederen verloten op den voorgrond : een der weinige godsdienstige 
stukken die Dujardin voortbracht en een zijner meesterwerken. 

Ongedagteekende schilderijen zijn een groep boeren met vee, die eene rivier door- 
waden, eene weide en twee landschappen met dieren. Al die stukken, het portret 
en de Kalvariënberg uitgezonderd zijn gezichten uit Italië of tooneelen ontleend 
aan het Italiaansche volksleven. 




KAREL DUJARDliX. 

HET PAARD BIJ DEN TOOM GEHOUDEN. 



KAREL DUJARDIN. 47 

Onder dezen behoort ook het nr. 248 dat wij hierbij afbeelden. Het is als het 
grootste getal van 's kunstenaars werken een met dieren gestoffeerd landschap. 

Dit vak is het meest kenmerkende voor hem en bekleedt eene zeer belangrijke 
en zeer eigenaardige plaats in de geschiedenis der Nederlandsche kunst. De schil- 
derij, waarvan onze plaat alleen de rechterhelft weergeeft, telt niet onder de mees- 
terwerken van Dujardin, zij volstaat echter om ons een denkbeeld te laten vormen 
van zijnen trant. Zij verbeeldt eene sterkte op een heuvel. Tegen den warm blond 
getinten hemel is de rechte lijn van een met schietgaten voorzienen muur getrok- 
ken. Boven dien muur steken rechts een dak met vierkanten toren en een rond 
bolwerk uit; links enkele magere boompjes, die op den heuvel groeien. De helling 
van dezen is met dicht bruingroen plantgewas overdekt. Beneden, aan den eenen 
kant, eene ezelin met haar veulen en een schaap, aan de andere zijde een mager 
wit paard met bruine vlekken en twee jongens, waarvan een het dier bij den 
toom houdt. Het paardje is flink geschilderd, de zon slaat er langs achter op 
en legt haar gulden klaarheid op staart, bil en rug, terwijl pooten en buik in de 
schaduw staan. Ook de knaap, die het paard vasthoudt, krijgt een paar vegen 
van het zonnelicht op hoofd en been. 

Dergelijke onderwerpen zijn er met honderden in de Hollandsche school ge- 
schilderd, met zeer weinig afwissehng in stoffeering, met lichte verschillen in de 
meestal bewonderenswaardig fijne bewerking. Het hoofdthema was het zuide- 
lijk landschap, met Italiaansche gebouwen of antieke bouwvallen, een paar boe- 
ren, herders of reizigers, eenige stuks vee of paarden. 

Hoe kwamen onze Hollandsche schilders er toch toe, mag men zich afvragen, 
in de ver afgelegen streek den hemel en de aarde te gaan bewonderen en afbeel- 
den, terwijl zij thuis een veel schilderachtiger land bezaten, waarin de dieren, die 
zij zoo gaarne en goed maalden veel beter op hunne plaats zouden geweest zijn ? 
Het was, zooals het zoo dikwijls in de kunst, gelijk in de meeste dingen der we- 
reld, gaat, een kwestie van mode en navolging. 

Bij de eerste Vlaamsche schilders, de gebroeders van Eyck, vervulde het land- 
schap een rol van decoratieve stoffeering. Zij lieten in den achtergrond de blauwen- 
de bergheUingen, de grillig gebekte rotsen in liefelijke tonen oprijzen en verkre- 
gen aldus een zacht en kleurig verschiet, waartegen hunne sterk betoonde perso- 
nages goed uitkwamen. Het landschap was voor hen niet de ware natuur, die door 
haren grootschen eenvoud spreekt tot het gemoed; het was wat die kunstenaars 
voor de schoone natuur aanzagen, en om schoon te zijn voor hen moest zij van 
zeldzamen vorm wezen, voldoening geven aan het oog in lijn en tint. Wanneer later 
de schilders optraden, die zich meer bepaald gelegen lieten aan het landschap, 
Joachim Patinir, Hendrik met de Bles en Gillis van Coninxloo, huldigden zij het- 
zelfde beginsel : bergen, rotsen, met ongemeene vormen en streelende tinten, wa- 
ren ook voor dezen gehefkoosde stoffeering. Bij de landschapschilders van be- 
roep, de gebroeders Bril, leeft dezelfde overlevering voort. De uitvoering bleef 
altijd even verzorgd, de ontzaglijke massa's van water en steen vertoonden zich 
voor hen en in hunne schilderingen als keurig bewerkte en liefelijk getinte klei- 



48 KAREL DUJARDIN. 

nodiën. Sommige hunner Vlaamsche opvolgers, de Vloeren Breughel en zijn 
zoon Jan Breughel II, Vinckebooms en anderen volgen denzelfden weg, terwijl 
anderen weer, de De Mompers en Tobias Verhaecht, in overdrijving van den trant 
vervallende, in hunne ouwervvetsche natuurgezichten, uit bergachtige streken be- 
staande, niets anders dan het ontvleeschde geraamte of de gerimpelde huid der 
aarde schijnen weer te geven. 

Ondertusschen liet zich op het einde der zestiende eeuw en in het begin der 
zeventiende een andere strooming gevoelen. In de school van Bolonje, die meer 
waarheidsliefde met schoonheidszin zocht te paren, had Annibale Caracci (1560 — 
1609) zich toegelegd op nauwkeuriger waarneming van het landschap en had het 
weergegeven zooals hij het zag, niet echter zonder in de lichtwerking een decoratief 
uitzicht te zoeken. Rubens was in zijne eerste landschappen, in Italië geschilderd, 
zijn navolger; in het vaderland teruggekeerd schilderde hij zoowel de effen lan- 
douwen der Nederlanden als de sterk afwisselende en stout opgetimmerde gezich- 
ten van het zuiden. Met zijn zin voor het uitspattend krachtige en het weelderig 
gezonde begreep hij, de eerste, de schoonheid van een Vlaamsche weide, waar- 
op rustig herkauwende koeien grazen, van een akker, waar het gulden koren op 
golft, en verheerlijkt hij het leven van den landbouwer, die des avonds langs den 
veldweg met volgeladen wagens den oogst binnenbrengt of van den jager, die in 
den koelen morgenstond op het wild loert; hij ontdekte de schoonheid van het 
eenvoudige labeurland en van het boerenerf; en wat hij voelde drukte hij uit 
met die breedheid van lijn en die malschheid van toon, die hem eigen zijn in 
al zijn werken. Als landschapschilder was hij niet minder geniaal dan als histo- 
rieschilder en dit zegt voorzeker niet weinig. Zijn invloed is merkbaar op zijn 
leerlingen en onmiddellijke volgelingen, maar verflauwde en verdween al spoe- 
dig. Eerst in onze dagen vond men in de kunst de gemoedelijke liefde voor de 
ware natuur weer, die Rubens gevoeld had. 

Annibale Caracci had de eer den weg te wijzen aan een anderen der grootste 
landschapschilders van alle tijden Claude Lorrain, die de natuur niet beminde 
om hare schoonheid van alle dagen en alle gewesten, maar ze bewonderde als 
de meest decoratieve aller schouwplaatsen. Hij wil ze grootsch en plechtig op- 
getimmerd als een Grieksche tempel, rustig en aanvallig als een Virgiliaansche 
herderszang, badend in een lichtgloed als in de heerlijkheid eener apotheose. 

Zoo vatte de kunst de natuur op, toen de Hollandsche landschapschilders op 
het spoor der historiemalers den weg naar Italië insloegen. Wat er de eenen 
en de anderen heentrok was de bewondering voor de groote meesters, die daar 
ginder over de Alpen geleefd en gewerkt hadden in de vijftiende en de zestiende 
eeuw, en de dorst om met eigen oogen hunne werken te aanschouwen. En niet 
alleen in de ouderen der Renaissance, maar ook in de jongere Bolonneezen en 
Venetianen vonden zij navolgenswaardige toongevers ; zij vergaten hun eigen kunst, 
hun eigen zeden en de schoonheid van hun eigen grond om zich blind te staren 
op het hooger en algemeener beschaafde neo-classicism der Italianen. 

Op het spoor der gebroeders Bril droomde Van Poelenburgh (1586—1667) van 



KAREL DUJARDIN. 49 

Arcadische landschappen, fraai genoeg om de nymfen tot feestplaats te dienen: 
niet enkel zijne personages moesten klassiek zijn, zijne landschappen moesten 
in harmonie gebracht worden met de bovennatuurlijke schoonheid der onsterfe- 
lijken. 

Jan Both (1610? — 1652) volgde Claude Lorrain, naderde dichter tot de ware 
natuur, maar dweepte met de rijk beboschte bergruggen, tusschen welke de 
ondergaande zon haar heerlijk licht en hare kleurenschatten uitgoot. 

Met Pieter van Laer (1590 ? — 1674) laat de Nederlandsche gave van waarne- 
ming der volkszeden zich gelden. Het Italiaansche landschap blijft het eenige 
schilderenswaardige voor de kunstenaars dier groep, maar zij mengen in de klas- 
sieke natuur het realistisch element van het modern Italiaansch leven. 

Nicolaas Berchem (1620 — 1683) versmelt tot een zeker punt deze verschillen- 
de eigenaardigheden en voegt er voor zijn deel de stoffeering van het landschap 
met vee en lastdieren bij. Zoo verkrijgen wij dan een mengsel van de altijd min 
of meer theatrale natuur van het zuiden, met de romantische bouwvallen op de 
hoogte, met de schilderachtige figuren der Italiaansche herders, reizigers of 
landloopers en van het eenvoudig ware vee, gezien onder eenen hemel, die al- 
tijd als de achtergrond van een tooneel in behaaglijk licht gehuld is. 

Wij zegden reeds, dat dit alles met onovertroffen keurigheid was geschilderd: 
in die kenmerkende eigenaardigheid der Italianiseerende landschapschilders ligt 
hunne zeer groote maar dan toch nagenoeg enkele verdienste. 

Karel Dujardin nu was of wel een leerling of wel een kunstverwant van Ber- 
chem. Ook hij bemint de opgaande heuvelhellingen als schermen zijner tafe- 
reeltjes. Paarden en koeien vindt men in zijn landschappen; maar nevens deze 
ontbreken niet de geit en de ezel, meer eigen aan het bergachtig zuiden en meer 
ongemeen in hun scherpe lijnen en magere omtrekken dan de welgevulde ge- 
stalten van ons huisvee. Op zijn heuvels vindt men eveneens de antieke bouwval- 
len of ten minste de Italiaansche ,,fabriche" en de zuidelijke personages, die 
leven langs straat en weg, de boerin die ter zijde op haren ezel zit, den herder 
met den hoogen vilten hoed met omgekrulde boorden, den bedelaar in roman- 
tisch verhakkelde plunje. Bij Dujardin is ook de uitvoering meesterlijk; zijne 
penseeling, de behandeling van kleur en licht bereiken den hoogsten top van be- 
hendigheid en keurigheid. Hij verkiest voor zijne landschappen het getemper- 
de licht van den laten namiddag of van den vallenden avond, wanneer de zon 
niet meer blaakt op den weg en niet meer blinkt op het loof : het uur, waarop de 
gezichteinder nog niet prijkt met de rijke kleuren der ondergaande zon, maar 
zachtjes begint te blozen bij haren doovenden gloed. De wolkjes in den hemel 
zijn zilverig en hangen onbewogen in het scherpblauwe azuur; heel de natuur 
deelt in die koele zilverige tonen. In vergelijking met hem was Both een gewel- 
dige, die alles deed vlammen met zijn avondgloed, sprankelende en vonkelende 
op en door het loof. Zijne diertjes en groen zijn in dezelfde teere, matte tonen ge- 
schilderd. Bij Berchem waren de lichtslagen en lichtvlagen geweldiger, de 
schaduwen zwaarder, bij Albert Cuyp zijn de kleuren voller, de lichten warmer. 

4 



oO iCAREL DUJARDiN. 

Dujardin verzacht, verfijnt alles, spreidt fluweel over zijn vee, geeft aan zijn loof 
de grauwgroene tinten van Paul Potter 's boomen, legt op de rotswanden weer- 
schijnen, die ze doen glimmen als opaal en paarlemoer, laat in zijn getemperde 
lichten alle scherpe hoeken, alle vinnige tinten wegdampen en verdunt en verlicht 
zijne natuur en hare stoffeering zoodanig dat zij haast doorschijnend worden. 

Dit alles is uiterst behendig gedaan, uiterst lief om te zien, maar het is een 
spelen met waarheid en werkelijkheid en zulk een spel zelfs door den handigste 
beproefd is altijd gevaarlijk. Wanneer men het landschap en aarde en lucht niet 
bemint om hen zelve, om hun eigen en eigenaardig leven, om de poëzie, die er 
uit opgaat in allen staat en allen stond, maar wel om de gelegenheid, die zij 
bieden om uit te pakken met zijne meesterschap in de hanteering van het pen- 
seel, dan verlaagt men ze tot doode natuur, dan wordt de kunst stoffelijk, am- 
bachtelijk. En zoo blijft Dujardin, niettegenstaande zijne ongemeene begaafdheid, 
altijd een meester in kleine kunst; zooals overigens alle schilders van Italiaansche 
landschappen het waren. Zij durfden nooit de volle krachtige natuur aan, niet 
de zuidelijke zon in haren vollen gloed, niet de grootsche overweldigende tafe- 
reelen van hemel en aarde; zij moesten getemperde tonen en namiddaglichten 
hebben, afgeborstelde diertjes, bouwvallen die tot de speelgoeddoos behooren, 
figuurtjes in schiderachtige pose of pak, een arcadische wereld, zoeterig, liefe- 
lijk, behaagziek. Van verfijning tot verfijning vervielen zij in het kunstmatige, in 
het porseleinachtige, en van dit gebrek is Karel Dujardin niet geheel vrij te 
pleiten. 

Al die menschen droomden van Italië, zooals hunne voorgangers en tijdgenoo- 
ten de historieschilders er van gedroomd hadden; met dit verschil dat de laat- 
sten dweepten met de kunst van het zuiderland. terwijl de eersten vol bewondering 
waren voor zijn grond en zijn hemel. Wanneer zij in het vaderland teruggekeerd 
waren, teerden zij op hetgeen zij ginder ver gezien of geschetst hadden; zij ble- 
ven onder den Nederlandschen hemel den Italiaanschen, op hunnen lagen, voch- 
tigen grond de droge, heuvelige streek van hun land van belofte schilderen. 
Het is een afdwaling van den gezonden zin, eene mode, die anderhalve eeuw 
lang door een dichte schaar kunstenaars en door velen onder de beste gevolgd 
werd. Bij sommige was de ingenomenheid met de uitverkoren streek, die zij in hun 
jonkheid bezocht hadden, zoo machtig dat zij er in later jaren naar terugkeer- 
den, en hadden zij er niet in kunnen leven, er dan toch in wilden sterven. Ook 
bij Karel Dujardin deed zich dit heimwee gevoelen. Hij was in de vijftig toen 
hij voor de tweede maal zijn land verliet. Houbraken weet ons te vertellen, dat op 
zekeren dag de heer Joan Reinst, zijn buurman en huisheer, waarschijnlijk de 
zoon van Gerard Reinst, wiens portret, door hem geschilderd, in het Rijksmu- 
seum hangt, voornemens was eene reis naar Italië te ondernemen en Karel ver- 
zocht hem te vergezellen tot Texel, waar hij zich wilde inschepen voor Livorno. 
Onze schilder was op zijn pantoffels, maar toen het oogenblik van scheiden 
gekomen was, kon hij er niet toe besluiten; hij schreef om linnen naar zijne 
vrouw, voer mee naar Italië en kwam nooit meer terug. Het zal wel geoorloofd zijn 



KAREL DUJARDIN. 51 

eenigen twijfel uit te spreken over de echtheid dier anecdote; maar, waar of ver- 
zonnen, zij stelt den drang naar het geliefkoosde land bij de schilders van Dujar- 
din's groep in helder licht. De zucht om het weer te zien kon insluimeren, 
geheel doofde hij nooit uit, en er was slechts eene gelegenheid noodig om hem 
weer te wekken en het onweerstaanbare dahin! dahin! in het gemoed van 
den kunstenaar te doen weerklinken. 

Wij zeiden, dat Karel Dujardin ook portretten en godsdienstige onderwerpen 
schilderde. Zijne werken van de laatste soort zijn weinig in getal en van geringe 
beteekenis. Als portretschilder moet hij nogal naam gehad hebben, maar de 
zwakke zijden, die wij in zijne landschappen aanstipten en die in deze vergoed 
werden door vele degelijke hoedanigheden, doen zich ook voor in zijne conterfeit- 
sels en worden daar door geen ernstige verdiensten opgewogen. Zijne portretten 
zijn dan ook in zoeterigen, fletschen toon geschilderd, het vleesch ziet er zalverig 
uit, kracht en leven ontbreken er aan; het jacht maken op mooiheid en be- 
hagelijkheid heeft zijne menschen ontzenuwd, hun kracht en karakter ontno- 
men. Zoolang het er op aan kwam landschappen, onder den vreemden hemel ge- 
zien, met romantische stoffeering aantrekkelijk te maken voor het oog, mocht 
de fantazie zonder groot gevaar zich in het spel mengen en kon eene behendige 
en gelikte uitvoering volstaan om bewondering af te dwingen ; maar, toen in den- 
zelfden trant ware levende Nederlandsche menschen werden weergegeven, bleek 
die kunst te ongespierd en te gemaakt om te voldoen. 



9. MEYNDERT HOBBEMA» 



In een vorig artikel hebben wij de ontwikkeling der Italiaanschgezinde land- 
schapschilders nagegaan; thans hebben wij onze aandacht te vestigen op onze 
schilders van vaderlandsche natuurgezichten. De landschapschildering werd ge- 
boren in de Vlaamsche gewesten, waar zij in de eerste helft der XVIde eeuw 
door tal van kunstenaars van grooten naam, Hendrik met de Bles, Joachim de 
Patinir, en in de tweede helft derzelfde eeuw door Cornelis Molenaer, Jacob 
Grimmer, de gebroeders Lucas en Marten van Valkenburg, Gillis van Coninx- 
loo en de gebroeders Bril werd beoefend. Allen dezen voelden zich klaarblijkelijk 
aangetrokken door de schoonheden der natuur, alhoewel zij er bij voorkeur het 
bevallige, het ongemeene, het decoratieve van weergaven. Rubens de eerste be- 
minde ze om hetgene zij was en gaf ze weer zooals hij ze zag. De boerenschil- 
ders uit Zuid-Nederland namen de gewoonte in hunne werken de boerenna- 
tuur af te beelden. Dit deed Pieter Breughel, de vader, zijn zoon Pieter en de 
beide Teniers'en. 

Geen twijfel of de voorbeelden der oudere en jongere Vlamingen spoorden de 
kunstenaars der noordelijke Nederlanden tot navolging aan. In de eerste helft 
der zeventiende eeuw ziet men tal van Hollandsche landschapschilders de ei- 
genaardigheden van den vaderlandschen bodem tot onderwerp hunner taferee- 
len nemen. Esaias van de Velde (1590?— 1630) en Peter Molijn (1596?— 1661) ko- 
zen de eigen natuur als stoffeering hunner afbeeldingen van het volksleven of 
als hoofdzaak hunner schilderijen; Jan van Goyen (1596 — 1656) vond er beha- 
gen in de rivierstranden, die zoo kenmerkende Hollandsche natuurgezichten, te 
schetsen; Aart van der Neer (1603 — 1677) schilderde bij voorkeur de waterkan- 
ten bij maanlicht; Cornelis Decker, Philips Koninck, Jan van der Meer, Rem- 
brandt zelf, begrepen, dat ook in het effen, zich wijd uitstrekkende vlakke land 
schilderachtigheid en poëzie lagen ; terwijl weer anderen, Salomon van Ruysdael, 
van Everdingen, Jan Wijnants en eindelijk de grootste hunner allen, Jacob van 
Ruysdael, de voorkeur gaven aan de rijk gestoffeerde plekjes van het geboorte- 
land. De natuur in hare volle pracht, met zware knoestige boomen en dichten 
bladerendos, met afgewisselde vergezichten, met een boerenwoning, een beekje 
of een vijver en enkele figuurtjes, was voor hen en voor vele anderen een ge- 
liefkoosd onderwerp. Zij en hunne Vlaamsche kunstgenooten gaven de richting 
aan, waarin gedurende twee eeuwen de landschapschildering zich zou bewegen 
of liever den grond waarop zij zou stil staan. 

Een rechtstreeksche afstammeling of een leerling van Jacob van Ruysdael 
was Meyndert Hobbema, de gevierde Hollandsche landschapschilder. Als van 




MEYNDERT HOBBEMA. 
DE WATERMOLEN. 



MEYNDERT HOBBEMA. 53 

zoovele zijner kunst- en tijdgenooten kwamen wij zeer weinig te weten van zijne 
levensomstandigheden. Naar zijn naam te oordeelen was hij van Friesche af- 
komst en in zijnen tijd leefde inderdaad een familie Hobbema te Leeuwarden. Hij 
werd in 1638 te Amsterdam geboren en wij vinden hem daar gevestigd, telkens 
wanneer eenige oorkonde zijn verblijfplaats aanduidt. Het belangrijkste bericht 
hem betreffende geldt zijn huwelijk. Hij was dertig jaar oud toen hij den 2den 
November 1668 trouwde met Eeltje Vinck van Gorcum'. Jacob van Ruysdael, 
de groote landschapschilder, teekende als getuige zijn huwelijksakt. Den 25sten 
October te voren verleed Meyndert Hobbema een anderen akt, waarbij hij 
bekent dat hij gezworen wijnrooier was genoemd door tusschenkomst van Saert- 
gen Valentijn, eene vriendin zijner vrouw, die, evenals deze laatste, dienstmeid 
was van den burgemeester Lambert Reynst. In herkenning dier gunst verbond 
de schilder zich jaarlijks aan Saertgen Valentijn 200 gulden te betalen. Deze 
betrekkelijk groote som, geheven op de winsten van een stedelijken ambtenaar, 
schijnt het vermoeden te wettigen, dat de voordeelen aan het wijnrooiersambt 
verbonden, aanzienlijk moesten zijn. Het blijkt echter wel dat er na aftrek van 
het aandeel der burgemeestersmeid niet veel meer overbleef, want als zoovele 
andere groote kunstenaars van zijnen tijd leefde en stierf Hobbema in armoede. 
Den Yen December 1709 overleed hij; hij werd begraven in de armenklasse. 

Zijn oudste gedagteekende werk draagt het jaartal 1657; van 1663 tot 1669 le- 
verde hij de meeste en beste zijner stukken. Het schijnt dat het verkregen ambt 
zijn huishouden niet verrijkte en hem als kunstenaar tijd of werklust roofde. 

Zijne thans zoo gezochte schilderijen verkocht hij hoogstwaarschijnlijk voor 
spotprijzen, want de eerste hunner, die wij in openbare veiling zien komen ge- 
durende de halve eeuw na zijnen dood, golden 12, 14 en 40 gulden; de hoogste 
prijs voor een ,, prachtig" stuk van Hobbema betaald beliep 71 gulden. Dit ge- 
beurde in 1739. Honderd jaar later toen de nieuwe kunstkritiek de verdiensten 
van den grooten landschapschilder in het licht had gesteld, betaalde men twin- 
tig, vijf en twintig, tot vijftig duizend gulden toe voor een schilderij van den zoo 
lang miskenden meester. 

Hobbema, wij wezen er reeds op, behoort tot de klasse van schilders, die met 
voorliefde de rijk gestoffeerde landschappen afbeelden. Hij brengt in zijne lijs- 
ten bijeen alles wat bijdraagt om een natuurgezicht te verrijken. Zware dichtge- 
bladerde boomen, die aan beide zijden van het tooneel in de hoogte rijzen, een 
of meer nederige boerenwoningen, een landweg tusschen die boomen of langs die 
huizen, een stuk water op het voorplan, een beek, die een watermolen in be- 
weging brengt, zijn de elementen, die hij gewoonlijk bezigt. Uit het benuttigen 
derzelfde onderdeelen ontstaat voor het geheel een zekere eentonigheid in zijne 
werken en wat er noodzakelijk voortvloeit uit herhaling, iets fabriekmatigs. Wie 
vijf en twintig keeren denzelfden watermolen, dezelfde boomgroep, denzelfden ver- 
lichten weg schildert bezit geen frischheid van indruk meer; de aandoening, die 
hem in zijn werk moet bezielen en doen trillen, is verdwenen; met welgeoefen- 
de hand kan hij het stoffelijk landschap weergeven, maar het innige leven, de 



54 MEYNDERT HOBBEMA. 

harteklop der natuur, de indruk van het onmiddellijk gevoelde en geziene blij- 
ven afwezig. 

Laat ons rechtvaardig zijn en aanstippen, dat in menig zijner werken, als bij 
voorbeeld in de welbekende dreef van Middelharnis, Hobbema aan geen ineenzet- 
ten van zijn landschappen met stukken uit zijn schermenmagazijn dacht en hij 
de natuur nam in haren frisschen eenvoud en in hare onopgesmukte uitzich- 
ten. 

En dan, hetzij hij iets herhale, hetzij hij den onmiddellijken indruk door het 
landschap op hem gemaakt, weergeve, immer bezit Hobbema hoedanigheden 
van den eersten rang. Hij is een schilder van ongemeene behendigheid en on- 
feilbare zekerheid in de uitvoering: hij bouwt een boom op met gemak, laat 
zijne verf loopen over een stam, een weg, een bruggeleuning, zonder aarzeling, 
maar ook zonder afdwaling; de kroon der boomen legt hij uit den heele met dof- 
fe tonen, daarop spikkelt hij kleurentoetsen, die de bladeren aan de takken doen 
regenen, waar zij als van zelfs de hun toekomende plaats innemen. Door eene 
bewerking, die bij nader onderzoek luchtig en vluchtig blijkt, bereikt hij eene 
juistheid van toets en eene uitvoerigheid, die men voor een gevolg van langen ar- 
beid en sterke inspanning zou houden, ware zij niet op zoo eenvoudige wijze ver- 
kregen en behielde zij niet in zoo hooge mate het karakter der waarheid. 

Hobbema is een kruimige landschapschilder, de kruimigste van alle tijden, 
hij penseelt met de kracht en de zekerheid alleen aan groote meesters eigen, met 
een juistheid in het geheel en in de onderdeden, die aan zijne natuurgezichten 
een ongemeene stevigheid verleenen. Niet alleen zijne groote eiken en berken of 
andere boomsoorten van het voorplan zijn treffend van gespierdheid, maar zijne 
diepe vergezichten blijven ook vast tot waar de stoffeering van microscopische 
afmeting wordt. 

Als elke goede en groote Hollander is Hobbema een vereerder van het hcht; 
bij geen landschapschilder der wereld is het zoo sterk als bij hem. Hij heeft in 
zijne beboschte gronden van die zavelachtige gele wegen, waar de zon op valt 
met een vonkeling als van vloeibaar goud, en van dit brandpunt uit stroomt het 
licht tusschen de boomen door; wordt weerkaatst door de stammen, door de 
gevels der hutten en glijdt voort over de pleinen tot in de diepste verte. Even- 
als heel zijn landschap is dit hcht kruimig en stevig, geen schemerHcht, geen 
namiddagzon, samengevat op de plaats waar de gloed het sterkst uitkomt. Hij 
is de Pieter De Hooch van het landschap en als de binnengezichtschilder heeft hij 
ook op afstand van het brandpunt de fijne toetsen der lichtspeling in hare 
verschillende graden weergegeven. Ook bij hem leent het licht niet alleen war- 
mer, maar ook fijner tinten aan wat het treft in zijne afnemende kracht. Zijne 
hemels zijn daarentegen luchtig en dun gemaald, als geblazen. 

Hoe het mogelijk is dat zulk een schilder, waar dan toch niets gewaagds, niets 
onduidelijks, niets ongemeens dan de prachtige uitvoering bij te vinden is, zoo- 
lang kon miskend worden door de bewonderaars van keurige bewerking en van 
belangwekkende stof, die zoo talrijk in zijn land voorkwamen, is waarlijk niet 



MEYNDERT HOBBEMA. 55 

te verklaren. De liefhebbers en de burgers van zijnen tijd moeten geen oog ge- 
had hebben voor het natuurschoon en voor zijne kunstige weergeving en Hob- 
bema was een der hoogstgeschatte gunstelingen van dien ommekeer in den 
kunstsmaak. 

De Louvre bezit twee stukken van hem. Het eerste een boschgezicht waar- 
in drie personen op een kronkelend pad stilstaan; ter linker zijde ziet men een 
dichte groep boomen en onder deze een eik die door den bliksem getroffen is; 
Op den voorgrond een waterplas. Het tweede stuk een watermolen, een van die 
werken, waarin licht en bruin gelukkigst tegen elkander uitkomen, waarvan alle 
deelen en onderdeden keurigst geschilderd zijn en waarin des schilders eigen- 
aardige gave en trant gunstigst uitkomen. Ook hier weer is een plekje uitgeko- 
zen, dat men schilderachtig pleegt te noemen. Op den voorgrond liggen eenige 
uitgerooide stronken en afgekapte takken, twee groote en een kleine boom verhef- 
fen rechts hunne zware kroon in de lucht ; aan de uiterste rechterzijde ligt een ei- 
kenboschje, ter linkerzijde nog een groep boomen. Tusschen de twee groote 
stammen en het boschje rechts loopt een weg, die leidt naar een woning, be- 
staande uit een paar huizen en een watermolen, liggende achter een stuk water 
waarover een brug geslagen is. Water, brug, huizen, molen en het erf, dat er 
voor ligt, vormen een zonnig nestje, omlijst door het zware donkere gebladerte, 
dat ze langs alle kanten omsluit. Door de boomen links en rechts ontwaart men 
verlichte vergezichten. Boven den molen en de woning is de hemel bedekt met 
een dunne witte wolk, die in de hoogte warm betoond is; boven de groote boo- 
men is de lucht van donkere groengrijze tint. Ziedaar het onderwerp, behalve ee- 
nige kleine figuurtjes op verscheiden plaatsen aangebracht. Het is het land- 
schap van Hobbema's voorliefde, rijk gestoffeerd en verlicht, een gezicht zooals 
men er honderd in het vaderland kan aantreffen maar dat niettemin met zorg ge- 
kozen of geschikt is om effect te maken. Het is waar en decoratief tevens, krui- 
mig en breed. Het is niet het werk van een droomer of van een dichter, maar 
van een man, die de schoonheid van het eigen land weet te waardeeren, en ze 
gaarne en goed laat uitkomen, die geene impressies weergeeft, maar de natuur 
in al haren glans, al hare kracht en al haren rijkdom afbeeldt, zooals hij ze 
gezien en bewonderd heeft op eigen grond. 



JO. PAULUS POTTER. 



Paul Potter wordt met reden en recht de koning der dierenschilders genoemd. 
Het vak, dat hij beoefende, is een plant van onzen bodem, die hier ontkiemde, 
bloeide en rijper vruchten dan elders droeg. Onze schilder was niet de eerste en 
op verre na niet de eenige, die zijne onderwerpen aan de dierenwereld ontleende. 
Onder de Vlaamsche fijnschilders van het begin der XVIIde eeuw waren er, 
die zich met groote voorliefde toelegden op het weergeven van den kleurigen en 
afwisselenden dos der bewoners van aarde, water en lucht. De Vloeren Breu- 
ghel op zoek naar wat er schitterendst in de natuur te vinden was en naar wat 
zijn behendig penseel de vreugd der overwonnen moeilijkheden kon verschaffen, 
leverde tal van werken, waarin allerlei dieren op kleine schaal en op de meest 
uitvoerige wijze waren afgebeeld. Zijne volgelingen Jan Breughel II, Jan van 
Kessel, Pieter Gijsels wedijverden met hem in nauwgezette weergeving dier bonte 
wereld. De dierenschilders uit Rubens' school Frans Snijders, Paul De Vos, 
Adriaan van Utrecht, Pieter Boel, Alexander Adriaenssens schilderden in mach- 
tiger en niet minder kleurige trekken dood en levend wild. Meesterlijk wisten 
zij de bonte tinten, het glimmen van veder en schub, de stroomingen en tinten 
van pels en wol in vereenvoudigde en juiste borsteling samen te vatten en weer 
te geven. Al die meesters van het koloriet, al die minnaars der schilderachtige en 
ware natuur vierden hunnen triomf in het afbeelden van een deel der schepping, 
dat men vóór hen niet schilderenswaardig had geacht. 

Rubens neemt ook hier een hooge en eenige plaats in. Hij schilderde het le- 
vende dier, waar het optreedt in hoogst dramatische handeling; het paard strij- 
dende even hartstochtelijk als de ruiter; den leeuw, den tijger, den wolf, den 
ever, het hert kampende op leven en dood tegen den jager of zich verwerende tegen 
den woedenden aanval der jachthonden. Maar hij schilderde ook het vee in de 
weide en inzonderheid de koeien grazende of liggende in de beemden, stoffee- 
rende met hare bonte, zacht lichtende gestalten het weelderig groene landschap. 
Voor hem was het goedige melkdier bijzaak, dat hij ontmoet had zonder het te 
zoeken en dat hij schilderde zonder het uit zijn lijst te lichten als een van de 
vele dingen, die bijdragen tot de volledigheid \an een landelijk tafereel. 

In Holland speelt het horenvee een veel aanzienlijkere rol dan in Vlaanderen en 
niet te verwonderen is het, dat wat hier bijzaak was ginder hoofdzaak werd. Be- 
langrijker voor dit land was het melkdier, meer aandacht moest men er geven op 
de eigenaardigheden van vorm, op den kenmerkenden bouw van elke soort, meer 
Hefde moest men er voelen voor die voedstermoeders des lands en natuurlijk ge- 
noeg is het dus dat er daar kunstenaars gevonden werden, die zich met voorlief- 






w 




Q 




1— 1 




W 


^^ 


w 




H 


w 


H 


Q 


O 




►-4 


1— 1 


P 


w 


< 


o 


dn 


w 



PAULUS POTTER. 57 

de toelegden op het afbeelden van het hooggeschatte rund en die er schoonhe- 
den in leerden vinden, die aan het oog van den gewonen man ontsnapten. 

Volgden zij Rubens na of viel hun optreden enkel bij toeval samen met het 
zijne? Het zou moeilijk zijn een antwoord op die vraag te geven. Zeker is het 
dat wij kort na 1640, het jaar van Rubens' dood, een heele schaar kunstenaars 
van groot talent zich zien toeleggen op het schilderen van vee en huisdieren : 
Albert Klomp in 1618 geboren, Philips Wouwerman van 1619, Albert Cuyp en 
Nicolaas Berchem beide van 1620, Karel Dujardin van 1622, Govaert Camp- 
huyzen van 1623 of 1624, Jacob van der Does van 1623 en de jongste maar de 
grootste, Paulus Potter, geboren in 1625. 

Van diens leven, valt weinig te verhalen. Hij werd gedoopt den 20sten No- 
vember 1625 in de kerk van Enkhuizen.Zijn vader Pieter Potter, een niet onver- 
dienstelijk schilder van onderwerpen uit het soldatenleven, van doode natuur 
en onbeduidende landschapp2n, verhuisde naar Amsterdam toen zijn zoon zes 
jaar oud was. In 1646 vinde.i wij Paulus Potter als lid der Sint-Lucasgilde van 
Delft geboekt: in 1649 wordt hij als meester der schildersgilde van den Haa;j," aan- 
genomen en den 3den Juli van liet daaropvolgende jaar huwde hij in clezelfde 
stad Adriana Balckeneynde, de dochter van den stadstimmerman. In Mei 1652 
verhuist hij naar Amsterdam, den 17den Januari 1654 wordt hij in die stad be- 
graven. Zijn vader vond een karig bestaan in zijne kunst en in het bestuur eener 
goudleerfabriek, dat hij in 1639 te Amsterdam voerde. Zijn schoonvader was 
van deftigen stand. Zijne werken werden, indien wij Houbraken gelooven mo- 
gen, weinig gezocht en karig betaald gedurende zijn leven, maar al spoedig na 
zijn dood werden zij zeer gewaardeerd. Die hoogschatting is sedert dien gedurig 
gestegen. 

Zijn vader leerde hem het penseel hanteeren, maar de zoon sloeg een heel 
anderen weg in. De losse min of meer fantazeerende manier van schilderen, die 
de meester uit de school van Frans Hals had overgenomen, bezat voor den leer- 
ling geene aantrekkelijkheid. Hij zocht vlijtig en met inspanning naar waar- 
heid en volmaakte zijne rijke gaven door onverdroten oefening. Hij stierf toen 
hij nauwelijks 28 jaar oud was en in zijnen jammerlijk korten levensloop bracht 
hij ruim een honderdtal schilderijen voort, zonder zijne teekeningen en etsen te 
rekenen. En dit aanzienlijk getal werken bestaat uit geene vluchtige penseelingen : 
het zijn met zorg en liefde behandelde kunststukjes, voor het meerendeel ju 
weekjes. Hij begon met eenigszins vreesachtige nauwgezetheid en onvaste hand 
zijne onderwerpen af te beelden; zijn groot stuk de J o n g e S t i e r uit het Haag- 
sche Museum verdient wel niet den naam van zijn meesterstuk of van meester- 
stuk, in het algemeen, daar men het zoo gaarne mede doopt, maar het bewijst 
toch met hoeveel eerbied hij de natuur waarneemt en weergeeft. Hij behield 
zijn leven lang in zijn landschappen iets bedeesds en nuchters. De planten- en 
boomenwereld trok hem niet aan, hij voelde er het schoone, het dichterlijke, 
het afwisselende niet van; hij was doof voor de verleidelijkheid der natuur en 
schilderde haar in haren kouden uiterlijken vorm, eenigszins werktuigelijk. Hij 



58 PAULUS POTTER. 

nam voor zijn boomenloof een grijsgroene tint aan, die hij eentonig genoeg 
gedurig herhaalde en waaraan hoogere schoonheid en waarheid ontbreekt. 

Hij had slechts ééne liefde, maar die was dan ook diep en leende hem won- 
derkracht : het was de liefde tot het vaderlandsche vee. Wel waagde hij zich 
enkele malen aan het schilderen in groot of klein formaat van jachten op wilde, 
vreemde beesten, maar die bleven hem ook altijd wild en vreemd; hij bevond zich 
slechts te huis bij zijn koeien, ossen en stieren. Hij was geen dichter of verdich- 
ter in het algemeen, hij was vooral een waarnemer, maar in het aandachtig be- 
studeeren zijner geliefkoosde helden en heldinnen vond hij er eene schoonheid, 
eene onderscheiding in, die aan zijne voorgangers ontsnapt was. De oudste mees- 
ters onzer kunst hadden de dieren uit het hoofd geschilderd met bolle, worstvor- 
mige ledematen, zonder nauwkeurigheid, zonder liefde; Potter schilderde ze naar 
de natuur, naar de waarheid, in hun element. De schoonheid, die hij in zijne mo- 
dellen vond, deed hij gaarne uitkomen, zooals elk kunstenaar, die met een onder- 
werp is ingenomen, en zoo krijgen zijne runderen eene fraaiheid van vorm, eene 
fijnheid van tooon, die hun burgerrecht geven in de schilderswereld. Wat ken- 
nen wij voor prachtige koeiengestalten in de Hollandsche School : die van Al- 
bert Cuyp glimmende als ware hunne huid van stralend fluweel geweven, die van 
Berchem, die van Dujardin, van Klomp en zoovele anderen, wier pels gestreeld 
wordt door zachter licht en die zoodanig verfijnd worden dat zij, de nederige ge- 
zellinnen van melk- en kaasboer, tot den rang van aristocratische dieren op- 
klimmen ! 

Paulus Potter vermijdt die overdrijvingen, vooral in zijne beste werken, die 
van de laatste helft zijner korte loopbaan. Zijne dieren zijn geene pronkstukken 
geene ledepoppen met rijken dos omhangen: zij leven in hun midden en, zon- 
der er mede te pralen, verheugen zij zich in hunne eigen aangeboren schoonheid. 
Of zij staan of liggen, van voren of van ter zijde gezien zijn, zelfs wanneer hij ze 
op heel naturalistische daden betrapt, vond hij ze schilderachtig en opmerkens- 
waardig en weet hij ons zijn gevoelen te doen deelen. 

De Louvre bezit niet minder dan vier stukken van hem. Het eerste verbeeldt 
twee paarden vastgemaakt tegen den muur eener hut; een boer is water gaan put- 
ten aan de beek en brengt het de dieren aan; het is gedagteekend van 1647. Het 
tweede is van 1650; het heet het Haagsche Bosch en stelt eene weide in een 
bosch voor. Twee koeien staan te drinken aan een vijver; verder door rust eene 
kudde onder de boomen; links rijdt eene koets voorafgegaan door een ruiter 
naar eene herberg. Het derde, gedagteekend van 1653, vertoont eene weide met 
een paard op den voorgrond en drie hertebeesten in den achtergrond. 

Het vierde is het stuk, waarvan wij de gravure hierbij laten gaan, het behoort 
tot de goede werken uit den besten tijd van onzen meester, is gedagteekend van 
1652 en maakte achtereenvolgens deel uit van beroemde verzamelingen. Het 
werd in 1772 in de veiling van den hertog van Choiseul tegen 8.001 frank ver- 
kocht, in 1777 in de veiling van den prins van Conti 9.530, in 1784 in die van Vau- 
dreuil 15.000, en eindelijk werd het door koning Lodewijk XVI tegen 22.000 



PAULUS POTTER. 59 

frank aangekocht. 

Het verbeeldt eene weide, waarin zich drie ossen en drie schapen bevinden. 
Een der ossen staat Hnks tegen een boom en tegen een afsluiting in planken; 
hij is ros en wit, heft het hoofd half op en loeit. Een tweede, nevens hem, is 
zwart en ligt op den grond. De derde staat recht en is als de eerste van ter zijde 
gezien; hij is van zeer gemengde kleur.grijs, wit, zwart, bruin. De drie schapen 
zijn los aangeduid. De weide heeft een lichte golving op den voorgrond en verlengt 
zich aan de overzijde der zakking van liet plein. Aan den versten gezichtein- 
der ontwaart men de microscopische silhouette van een kerktoren; rechts een 
hoeve met boomen omgeven. De lucht is haast gelijkvormig overdekt met een 
hchte wolkenlaag, die zich warmer tin: naarmate zij den grond nadert, hoo- 
gerop rechts verdunt en in den bovenhoek aan dezelfde zijde zich rozig samen- 
pakt. 

Het landschap is van weinig belang. De groote boom rechts heeft enkele tros- 
jes bladeren en is op zijn stam beschelferd met groen. De hoeve en het loof 
daarrond zijn lichtjes aangegeven. De weide vertoont de lichte grijsachtig 
groene tint met een blauwen schijn, die aan zeegroen laat denken en Potter 
eigen is. Zoo het stuk den landschapschilder weinig doet kennen, dan geeft het 
integendeel een hoogen dunk van den dierenschilder. 

Tegen de warme lucht komen in sterker licht de ossen uit : hunne zware, wel- 
gevulde gestalte en hunne kalme houding geeft hun een indrukwekkende sta- 
tigheid: men begrijpt dat Egyptenaren en Indiërs deze dieren aanbaden. 
De rijke licht- en kleurendos veredelt ze, maakt ze tot personages, waardig 
door de kunst vereeuwigd te worden. De bruinwitte is wat schuins geplaatst, 
zoodat heel zijn zijkant door het licht wordt getroffen; hij teekent een sterker 
uitgesproken vlek tegen den boom, de beschutting en zijn zwarten makker. Zijn 
wit komt krachtig uit en is het hoogste punt van lichtheid in de schilderij : zoo- 
als zijne rosse vlekken het hoogste punt van kleurenwarmte vormen. In hem 
zijn de uiterste tonen tegenover elkander gesteld en worden door een warm licht 
harmonisch verbonden. 

De grijswitte daarentegen wordt in zuiver profiel gezien, zoodat de zijde naar 
den toeschouwer gekeerd mat tegen den helderen achtergrond uitkomt Het is 
een staal van runderlijken vormenadel, goed in het vleesch, zonder plompheid, 
stevige pooten en fijnen kop, glimmende horens, die een schitterend punt te 
midden van het stille licht der schilderij vormen. Hij vertoont een rijke menge- 
ling van kleuren en tinten, wat helderder waar het licht hem over den rug glijdt, 
wat warmer en molliger waar het den buik en de schouders afrondt, wat steviger 
waar de fijne kop tegen de lucht afsnijdt. Hij is geheel in gebroken tonen en 
zeldzame tinten, met ingenomenheid behandeld, zonder peutering, een kleinood van 
een dier. Hij staat alleen, zijne schoone lijn is door niets gebroken, de stille kleu- 
ring van den achtergrond laat gansch zijn tintenschat op het voordeeligst uitko- 
men. Er is geen plekje aan zijn lijf, dat niet met lichte, kiesche hand ge- 
toetst is, geene golving of ronding in de ribbenkast, geen verdunning of verdik- 



60 PAULUS POTTER. 

king der haren, die niet met bescheiden maar met vasten toets is aaangegeven. 
De opborsteling van het dichtere haar, de mengehng der kleuren wordt met 
kleine penseeltikjes aangegeven, vrij nevens elkaar geplaatst door samenwer- 
king een wel versmolten geheel uitmakende. 

In die verzorging ligt geen liflafferij, in de fijne verlichting geen willekeurig 
spelen met zon-effecten, in die ingenomenheid met de schoonheid van het dier 
geen lust om het om te scheppen tot iets anders, iets fraaiers dan de waarheid. 
Potter's schildering blijft frank, krachtig zelfs daar waar zij miniatuurfijn wordt. 
Zijn groote eerbied voor de waarheid vrijwaart hem tegen geliktheid, zijn eerbied 
voor de schoonheid van het gezonde dier weerhoudt hem van te vervallen in het 
gebrek van menigeen zijner vakgenooten, die het omschiepen tot een kunststuk, 
dat beter op zijne plaats is in een rariteitenkast dan in een groenende weide. 





JAN VAN EYCK. 
MADONNA EN BEGIFTIGER. 



U. JAN VAN EYCK. 



Jan van Eyck, de jongste der twee broeders van dezen naam, werd in het 
Limburgsch stadje Maaseik geboren in een jaar, dat niet met juistheid te bepa- 
len valt, maar dat met voldoende waarschijnlijkheid omstreeks 1380 mag ge- 
plaatst worden. Men hoort weinig van hem in zijne jongere jaren; hij moet eerst 
schilder en kamerdienaar geweest zijn van Jan van Beieren, bisschop van Luik, 
tot wiens vorstendom zijn geboortestad behoorde. Toen die heer in 1417 afstand 
deed van zijn bisdom om Holland te gaan veroveren, volgde zijn hof schilder 
hem naar den Haag, waar hij werkte van October 1422 tot September 1424. 

Toen het jaar daaropvolgende Philips de Goede, hertog van Burgondië, de lan- 
den van Jan van Beieren had geërfd, ging Jan van Eyck in dienst van dezen 
vorst over. Weer een jaar en Philips gelast hem met een geheime zending. In 
het jaar 1428 voegt hij hem toe aan het gezantschap, dat hij naar het hof van 
Portugal zendt, om de hand van Isabella, des konings dochter, te vragen. De 
kunstenaar schilderde het portret der vorstin, dat den 12den Februari 1429 vol- 
tooid was, en maakte daarna een reis door de Christene en Mahomedaansche 
landen van Spanje. 

Hij was gedurende vijftien maanden afwezig en kwam den 25sten December 
1429 te Sluis aan. In Vlaanderen teruggekeerd zette hij het werk voort, dat zijn 
broeder Huibrecht had begonnen en dat de dood was komen onderbreken. Dit 
werk was het altaarstuk, het Lam Gods, voor de kapel van Joost Vydt, in 
de St. Baafskerk van Gent, bestemd. Den 6den Mei 1432 was het onovertroffen 
m,€esterstuk voltooid, dat het ontstaan en terzelfder tijd de rijping der Vlaam- 
sche schilderkunst in de geschiedenis aanduidt. 

De hertog van Burgondië onthield ge ene bewijzen van hoogschatting aan zij- 
nen genialen dienaar: bij zijne aanstelling tot hofschilder in 1425 kent hij hem 
een jaarwedde toe van honderd ponden Vlaamsch, ,, omdat hij van hem gehoord 
had en wist, dat hij behendig en bekwaam was in de schilderkunst;" in 1434 
hield hij van Eyck's dochter over de doopvont en schonk zijn petekind zes zil- 
veren tassen; hetzelfde jaar beveelt hij schriftelijk aan zijne schatmeesters het 
jaargeld van den kunstenaar stipter te betalen, omdat, ,, mocht deze zijnen 
dienst verlaten, hij de weerga in kunst en bekwaamheid niet zou vinden." Van 
Mander geeft als sterfdag van Jan van Eyck den 19den JuU 1440 op. 

Wij kennen een stuk van den meester, gedagteekend van 1421 en verscheidene, 
die tusschen 1432 en 1440 zijn uitgevoerd; andere ook welke geen dagteekening 
dragen: het zijn allen portretten of afbeeldingen der Moedermaagd, die vereerd 
wordt door de bestellers der werken. 



62 JAN VAN EYCK. 

Een der best gekende schilderijen van dien aard is het paneel, waarvan de af- 
beelding hierbij gaat. Het stelt de verheerlijkte Moeder Gods voor, aangeroe- 
pen door Nicolas Rolin, den kanselier van Philips den Goede, die dit paneel aan de 
kerk van Autun schonk. 

Het tooneel is geplaatst in eene zaal, die aan de achterzijde openstaat en uit- 
zicht geeft op een landschap. De Heilige Maagd, boven wier hoofd een Engel een 
kroon houdt en op wier schoot het Jezuskind zit, troont ter rechterzijde; ter 
hnkerhand knielt de schenker voor een bidbank. 

Rijk is de stoffeering : de vloer der zaal is gevormd uit marmeren tegels van 
vier verschillende kleuren, afgewisseld met steenen, waarin uit bonte marmer- 
soorten geometrische figuren gevormd zijn. Langs de drie zichtbare zijden van 
het vertrek wordt de zoldering gedragen door pijlers met rijk gebeeldhouwde ka- 
piteelen, waarop ronde verhoogde bogen rusten. Links en rechts heeft men door 
de arcades zicht op nevenvertrekken en op vensters, waarvan de ruiten bestaan 
uit glazen in den vorm van flesschenbodems; langs de achterzijde bemerkt men 
boven de bogenopening, heel in de hoogte, twee vensters met rijk gekleurd glas. 
Het landschap, dat men langs dien kant ontwaart is in het midden doorsneden 
door eenen stroom, waarop een schip vaart; links, rechts en in den achtergrond 
strekt zich een heuvelige grond uit; aan beide zijden van den stroom rijzen de 
huizen en de kerken eener stad op, waarvan de twee helften door een brug ver- 
bonden zijn. 

Rijk is ook de kleederdracht der personages. Onze Lieve Vrouw is gehuld in 
een scharlakenrooden mantel, geboord met sierlijk gulden borduursel en edel- 
steenen, waar boven de woorden : Exultata sum in Libano (Ik ben ver- 
heerlijkt op den Libanon) te lezen staan; hare lange blonde lokken dalen golvend 
op den mantel neer; de kroon, die de Engel boven haar hoofd houdt, is een mees- 
terstuk van goudsmeekunst. De begiftiger draagt een gewaad van donkergroe- 
nen toon, doorweven met groote patronen in lichtgulden tint en geboord met 
pelswerk. De knielbank, waarop een boek opengeslagen licht, is behangen met 
een blauw kleed. De Engel draagt een donkerblauwen tabbaard, zijn vleugels 
vertoonen de ineensmeltende kleuren van den regenboog. Het Christuskind is 
naakt, het draagt een kristallen wereldbol met groot kruis in de linkerhand en 
heft de rechterhand op om den knielenden vereerder te zegenen. De troon, waar- 
op de Moeder zit, is een gebeeldhouwde stoel met hoogen rug en met kostelijk 
geborduurde kussens op de zitting. 

Tusschen de zaal en het landschap strekt zich een tuintje uit, waarin klein ge- 
was en bloemen groeien en dat afgesloten is door een lagen muur, waarop een 
paar miniatuurmannetjes staan; verder door een gekanteelden muur, die de wo- 
ning van het landschap scheidt. f .-^ i ■• . ■. / . ^ f ^!- -']''■': 

Er ligt een waas van ingetogenheid en ernst over het tooneel: de H. Maagd 
met den engel en met de kroon boven haar troont in haren glans en wordt door 
heel de omgeving verheerlijkt (Exultata est), maar zij zelve deemoedigt zich voor 
het godskind, dat zij ver vooruit op het einde der knie houdt, in rechtop zitten- 



TAN VAN EYCK. 63 

de houding, met neergeslagen blikken, die veel meer van eerbiedige vereering 
dan van moederliefde en teederheid getuigen. Het kindeken is niet het lijdzaam 
gekoesterd wicht der aardsche moeders, het is een klein mensch, met een uit- 
drukking te gewichtig en een voorkomen te oudachtig voor zijn jaren. 

De begiftiger blikt op de heilige groep met eenigszins bezorgde uitdrukking; hij 
is niet verslonden in godsvrucht; hij gaat niet op in het gevoel zijner gering- 
heid tegenover het hemelsche paar; hij smeekt niet met aandrang om eenige 
gunst of genade : hij is een man van zwaarmoedigen aard, die het leven ernstig 
opvat en kommervol heeft gevonden en die met zijn opgewekte aandacht en zijn 
gekweld gemoed van alle dagen naar het ongemeene schouwspel blikt. Er straalt 
scherpe waarneming uit dit gelaat, dat met al zijn trekjes en tintjes, rimpel- 
tjes en plooitjes zeer nauwlettend is weergegeven, evenals er zorgvuldige opmer- 
king spreekt uit de haarfijne afbeelding aller bijzonderheden van kamer en land- 
schap. 

Onvoorwaaardelijk te roemen in het werk is de uitvoering, die den rijkdom 
van het geheel en vkn de onderdeelen doet uitkomen, evenals de kunst van den 
juwelier den glans en de kostelijkheid van edele metalen en edelsteenen ver- 
hoogt. Hoofd en handen van den begiftiger zijn naar het leven geschilderd met 
een uitvoerigheid en een breedheid tevens, die wellicht nimmer geëvenaard en 
zeker nimmer overtroffen werden. De oneindige details van gebouw en land- 
schap, van gelaatstrekken en haarlokken, van borduursel op de kleederen, van 
beeldhouwwerk aan de kapiteelen der kolommen en pilasters, van de bloemen 
in den tuin en van de gebouwen in de stad zijn allen miniatuurachtig weerge- 
geven. 

De kunst van van Eyck is dan ook de kunst der miniaturisten tot haar hoog- 
ste punt gedreven, de bloem van een lang streven en oefenen om wat er schoonst 
en kostbaarst in de wereld is op schoone, keurige wijze af te beelden. Het is 
de kunst der decorateurs in het klein, jarig geworden door de studie van den 
mensch, door de opmerking van het leven, die in den dooden glans van den stof- 
felijken rijkdom bezieling bracht; het was de zesde dag der schepping in dit vak. 

Een heelen tijd vóór hem en ook nog in zijnen tijd zaten de enlumineurs van 
handschriften over hunne perkamenten boeken gebogen om in afbeeldingen een 
hand of een halve hand groot de liefelijkste kleuren te leggen op kleine figuur- 
tjes, die zij aan de geschiedenis van hemel en aarde ontleenden en die zij op- 
tooiden met de rijkste gewaden en sieraden, die ze bedenken konden. De fi- 
guurtjes waren eerder gronden om kostelijke verwen op aan te brengen dan 
levende wezens. Als zijn werk maar blonk en glom, keurig en zoetsappig was, 
was de miniaturist voldaan. 

Van Eyck verlangde meer: zijn menschen moesten leven en niet alleen zij 
zelven moesten naar waarheid worden afgebeeld, maar ook alles wat hen omring- 
de. Zeker werd de zucht naar rijkdom van details, schittering van kleuren, kos- 
telijkheid van stoffen niet opgegeven; daarin bleef hij trouw aan de overlevering. 
Hij erft van zijne voorgangers nog de groote uitvoerigheid in alle deelen en on- 



64 JAN VAN EYCK. 

derdeden van zijn werk. Maar in den glans en in de keurigheid zijner schilde- 
ring staat hij tegenover en boven hen als een kunstenaar tegenover en boven een 
behendigen ambachtsman. 

De kunst van vóór zijn tijd blikt meer naar den hemel dan naar de aarde : God 
en zijn heiligen hebben niet de gevoelens der stervelingen, noch hunne toevallige 
onvolmaakte vormen ; zij dragen dezelfde kleederen en kleuren niet en leven in een 
geheel ander midden. De schilders voelden geen behoefte zich rekenschap te geven 
van de mindere of meerdere waarschijnlijkheid der gedaanten, die zij leenden aan 
wezens, die zoo hoog gezeten waren, dat nooit een menschelijk wezen ze aan- 
schouwde en hun grootste zorg was dan ook ze echt schoon te maken en schitte- 
rend uit te denken. Jan van Eyck deelt die zorg, maar het is niet zijn eenige, 
evenmin als het de eenige was van zijn broeder. 

In hun gezamenlijk werk, de altaartafel van Judocus Vydt's kapel, zijn de ge- 
stalten van God den Vader, Onze Lieve Vrouw en den H. Joannes weergaloos 
indrukwekkend; er bestaan er geen verhevener in de kunst van welken tijd ook. 
Maar reeds in de gestalten der twee heilige personages straalt het menschelijk le- 
ven sterk door. De figuren van Adam en Eva op de twee zijdevleugels zijn met 
argelooze trouwheid naar den ontkleeden mensch geschilderd; die der begiftigers 
op de buitenzijde zijn ongekunstelde portretten. De waarheid, de menschelijke 
waarheid nam in hun werk plaats nevens het gevoel van godsdienstige vereering. 
Zoo ook in het stukje van den Louvre : de Onze Lieve Vrouw is nog immer de 
hemelinge, de heilige maagd reiner dan de aardsche vrouw, verhevener dan de 
menschelijke moeder, ongeroerd door de gevoelens der stervelingen, omhangen 
met stoffen, die hier beneden niet gedragen worden en die niet alleen met de 
rijkste kleuren geverfd, met de kostelijkste kleinodiën gesierd zijn, maar nog 
geheiligd worden door de bijbelteksten, die er in geborduurd staan. 

Het juweeltje van kunst hangt nevens la Belle Jardinière van Rafaël, 
een Madonna uit den Renaissance-tijd. Hoe zeer verschilt het er van! Bij den Ita- 
liaanschen meester is de Heilige maagd geheel mensch geworden: een vrouw, 
een moeder, die bezorgd is om haar kind, zich verlustigt in zijne pret en in zijne 
liefde; dit kind zelf is jong, donzig, speels ch; de heele heilige groep is uitgelezen 
van schoonheid en fijn van gevoel, maar schoonheid en gevoel zijn aardsch. Van 
Eyck tracht in zijn Madonna meer naar bovenaardsche verhevenheid, naar eer- 
biedwekkende glanzendheid, dan naar wereldsche fraaiheid van vormen, in zijn 
biddenden vereerder tracht hij naar waarheid, niets dan naar waarheid en zoo 
staan daar op het kleine schilderijtje scherp tegenover elkander het dubbel stre- 
ven van den meester, terzelfder tijd als de kunst van het verleden en de kunst 
van de toekomst. Hij leeft in den overgangstijd van twee werelden : de middel- 
eeuwsche, doordrongen van kerkelijken zin, de moderne hervormd door de men- 
schelijke opvatting; het humanismus, en zijn werken zijn de trouwe weerspiege- 
Ung van die twee stroomingen, de ondergaande en de opkomende, wier wegsmel- 
tende scheidslijn loopt in dit kleine paneeltje tusschen de verheerlijkte Maagd 
van den laibanon en den scherp toezienden man knielende op de bidbank. 



JAN VAN EYCK. 68 

In zooverre de opvatting der onderwerpen; wat de uitvoering betreft is er in de 
kunst ook een heele ommekeer door de gebroeders van Eyck gebracht, de groot- 
ste, die de geschiedenis der schilderkunst heeft te boeken gehad. Zij vonden 
de oUeschildering uit, zegt de legende ; zij pasten ze toe op de kunst, zegt de his- 
torie, en legende en historie volledigen elkander. Zij worden de oudste olieverfschil- 
ders genoemd, omdat zij de eerste waren, die met het nog weinig gekende mate- 
riaal echt kunstwerk voortbrachten. Met de olie is de gesmijdigheid in de to- 
nen gekomen. De kleuren der miniaturisten en der eiwit- of lijmschilders blijven 
schril en ruw tegenover elkander staan of wel zijn zij van verwaterde en versui- 
kerde fletschheid ; in de olieschilderingen der van Eyck's versmelten de tonen en de 
halve tonen, het licht en de schaduw zacht en geleidelijk in elkander. Zooals de mi- 
niaturisten zijn zij wel ingenomen met liefelijkheid en vreemdsoortige kostelijkheid 
van tinten, maar zij zijn tevens bedacht op natuurlijkheid ; zij schilderen nog met on- 
eindige zorg, maar hun penseeling is even malsch als stevig en vol of getemperd 
behouden in de olieschilderingen der van Eyck's de kleuren altijd hunne kracht 
en waarheid. 

Jan van Eyck is een ware en een groote schilder in den volsten zin des woords. 
Hij neemt in zijne bescheidenheid wel de leus aan ,,Als ik kan;" maar hij wist 
wel, of wij ten minste weten het heel goed, dat hij alles kon wat men van zijne 
kunst in hare volmaaktheid mag vergen. Hij geeft met de meeste nauwkeurigheid 
weer wat hij gezien heeft, daar hij de natuur op den voet wil volgen; hij schil- 
dert het aardsche leven in geheel zijne verscheidenheid en het bovenaardsche in 
al zijne heerlijkheid en ingetogenheid, dit is in al zijne poëzie; hij bezigt de vol- 
ste, schitterendste kleuren en brengt een hooge harmonie in hunne rijke ver- 
scheidenheid; hij geeft de lichtwerking weer in al hare warmte en fijnheid. 

In het stukje van den Louvre zijn het scharlaken rood, het licht- en donker- 
blauw verstorven en verdoofd, de kleuren van het gelaat versteend, de glans 
van het licht getaand, maar die verdooving is de matheid, die de jaren leggen 
op marmer en brons; uit de verf zijn edelsteenen gegroeid; het licht is een stille 
diepe gloed geworden zooals hij na zonsondergang nog een tijd lang aan den 
hemel gloeit. 

Het is een kunstjuweel en het dagteekent van den eersten tijd waaruit Vlaam- 
sche schilderwerken tot ons gekomen zijn. Leveren de gebroeders van Eyck 
dan het wonderdadig verschijnsel van kunstenaars, die hunne kunst scheppen 
en ze in eens volmaken, zooals men het van Homerus verhaalt, of zijn zij de af- 
stammelingen van een geslacht penseel ers, wier werken verloren en wier namen 
vergeten zijn? De waarheid bestaat voor een deel uit de eene en voor een deel 
uit de andere verklaring. Vlaanderen had kunstschilders voortgebracht vóór dat 
de gebroeders van Eyck in Brugge aankwamen. Met naam en door een zijner 
werken kent men Melchior Broederlam, die schilder der hertogen van Burgon- 
dië was en die in 1398 de luiken van een altaartafel maalde voor het Karthuizers 
klooster te Dijon, die nu nog in het Museum dier stad bewaard zijn; met den 
naam alleen kent men zijn opvolger Jan Malouel; enkele anderen zijn nog aan 



66 JAN VAN EYCK. 

te halen. Van deze voorgangers waren de van Eyck's geen volgelingen, zelfs 
geen landgenooten. De schilders van het „Lam Gods" kwamen uit Limburg en 
daar ginder in het land tusschen Maas en Rijn, op de grenzen van het Dietsche 
en het Duitsche taalgebied, was vroeger dan in onze gewesten een school ont- 
staan, waarvan de eene tak zich te Keulen in Meester Wilhelm en Meester Stephan 
ging ontwikkelen en waarvan de andere tak met de gebroeders van Eyck in 
Vlaanderen ging bloeien en heerlijker vruchten dragen. Dit belet niet dat Hui- 
brecht en Jan hunne kunst een vooruitgang deden maken, die. gelijk staat met 
een herschepping. Met hen werd zij in onze gewesten heel iets anders dan wat 
zij aan de boorden van de Maas was en wat zij aan den oever van den Rijn nog 
lang bleef: zij maakt zich los uit de banden der kinderlijke schroomvalligheid en 
der kerkelijke overlevering en stapt met vastberaden stap en bewustzijn van ei- 
gen kracht de ware wereld in. 




12. HANS MEMLINC 



Van Brugge gaat de geschiedenis der Nederlandsche kunst uit; daar stond 
haar hoofdzetel van het ©ogenblik, dat zij van beteekenis wordt in de wereld, tot 
den afloop der middeleeuwen. Dezelfde stad bekleedde gedurende dien tijd in 
onze gewesten den eersten rang door haren koophandel. In hare muren waren de 
kantoren gevestigd der vreemde natiën, met wie de Nederlanden de voortbreng- 
selen hunner nijverheid verruilden; daar meer dan elders stroomde de rijkdom 
toe en daar heerschte al vroeg eene weelde, die in andere plaatsen van ons land 
onbekend was en van de vreemden bewondering afdwong. Reeds in 1301 had de 
koningin van Frankrijk bij hare intrede in de overwonnen stad en bij het zien der 
mooie en rijk getooide Brugsche vrouwen het woord van afgunst gesproken : „Ik 
dacht hier alleen koningin te zijn en ik zie er honderden rondom mij." 

Gedurende heel de veertiende en het grootste deel der volgende eeuw duurt 
die toestand van bloei voort. Wanneer in 1384 de grafelijke kroon van Vlaan- 
deren in het huis van Burgondië overgaat ten gevolge van het huwelijk van 
Philips den Stoute met Margareta van Vlaanderen en achtervolgens de onder- 
scheiden Nederlandsche vorstendommen in het bezit komen der groote hertogen 
van het Westen, wekken meerder rijkdom bij de burgers en meerder macht bij 
de vorsten hoogeren zin voor pracht en praal. 

De. hertogen van Burgondië staan bekend als de prinsen, wier hofhouding 
de weelderigste van Europa was en de kunst behoorde bij hen tot de eerste 
der weelde-artikels. Philips de Goede was de groote beschermer van Jan van 
Eyck geweest en had het voorbeeld gegeven den luister van het leven te verhef- 
fen en te veredelen door de scheppingen der schilders. De vorsten gingen voor, 
de burgerij volgde. Het meesterstuk der oudste Nederlandsche School werd door 
den burger Judocus Vydt besteld en de meesterstukken van Memlinc uit 
het Sint-Jans-Hospitaal van Brugge werden voor geestelijke of wereldlijke le- 
den der burgerij geschilderd. 

In de vijftiende eeuw bleef Brugge de eerste kunststad der Nederlanden. 
Wel werden hare groote meesters niet binnen hare muren geboren: de van 
Eyck's kwamen uit Limburg, Peter Christus en Hugo van der Goes uit Oost- 
Vlaanderen en Memlinc, de grootste na de van Eyck's, kwam uit Duitschland; 
maar allen werden zij aangetrokken door den kunstzin der Bruggelingen, die 
de rijkste stad van het Westen ook tot de schoonste had gemaakt. Dit duurde 
zoolang als de handel en de nijverheid daar bloeiden. In de tweede helft der 
vijftiende eeuw brachten de inwendige onlusten en de verzanding van het 
Zwijn een ommekeer te weeg : Brugge verviel veel spoediger dan het opgeko- 



6Ö HANS MEMLINC. 

men was; Antwerpen erfde haren handel en welvaart en de Vlaamsche kunst 
verhuisde van het strand der Noordzee naar de boorden der Schelde. Al de 
schilders, wier werken wij nog te bespreken hebben, woonden te Antwerpen. 

Betrekkelijk kort van duur was dus de Brugsche School, maar heerlijk was 
haar glans. Jan van Eyck staat aan het hoofd; Memlinc behoort tot haar 
laatste jaren, maar neemt door zijn verdienste een rang in, die onmiddellijk 
na en dicht bij dien der schilders van het Lam Gods komt. 

Wij zegden, dat hij van Duitschland naar Brugge kwam. Men heeft langen 
tijd gezocht naar de plaats waar hij geboren Averd, na nog langeren tijd zon- 
der er naar te zeken er zeer verkeerde bevestigingen te hebben over uitgespro- 
ken. Weinige jaren geleden ontdekte men in de nagelaten papieren van den 
ouden geschiedschrijver Jacob De Meyere een aantal uittreksels uit een dag- 
boek gehouden door Romboudt De Doppere, priester en keizerlijken en apos- 
telijken notaris bij het kapittel van Sint-Donaas te Brugge, een tijdgenoot van 
Memlinc, die dezen goed moet gekend hebben, daar hij in 1489 de ,,acte van 
translatie van de reliquien in de Ryve door Hans Memlinc geschilderd" op- 
stelde en onderteekende. Onder de brokken door de Meyere overgeschreven 
uit het dagboek van Romboudt De Doppere is er een die Memlinc betreft en 
aldus luidt: ,,1494. Den elfden Augustus stierf te Brugge meester Hans Mem- 
melinc geprezen als de behendigste en uitstekendste schilder der toenmalige 
christenheid. Hij was afkomstig van Mainz en werd begraven in Sint-Gillis te 
Brugge". De Duitsche oorsprong van den grooten kunstenaar, die vroeger reeds 
vermoed was, werd aldus vastgesteld. Daar Memlinc in de gelijktijdige oor- 
konden herhaaldelijk van Memlinc of van Memmelynghe genoemd wordt, 
ligt het voor de hand, dat, volgens de gewoonte van zijnen tijd, zijn naam dien 
van zijn geboorteplaats aanduidt, en daar nu inderdaad op Mainzer grondgebied 
een dorp ligt, dat Mimlingen of Memlingen heette en nu Mömlingen heet, zoo 
lijdt het geen twijfel of onze schilder werd daar geboren. Het jaartal dier geboorte 
is onbekend; met voldoende waarschijnlijkheid mag het tusschen 1430 en 1435 ge- 
plaatst worden. 

Hij moet te Keulen verbleven hebben, want de gezichten dezer stad, op de 
achtergronden der relikwiekas van Sint Ursula voorkomende, zijn natuurtrouw 
afgebeeld. Toen hij daar woonde kwam hij in betrekking met de Keulsche schil- 
ders en voorzeker heeft hij den invloed der oude school van den Rijn ondergaan. 

Wij weten niet met juistheid wanneer hij zich te Brugge vestigde; de oudste 
oorkonde welke van hem spreekt, dagteekent van 1467. In dit jaar of in het vol- 
gende schilderde hij het portret van den medaliesnijder Nikolaas di Forzore 
Spinelli dat nu aan het Antwerpsche Museum toehoort, alsook een drieluik voor 
Jan Donne, dat zich nu te Chatsworth bevindt. 

In 1470 ongeveer vervaardigde hij den Sint Jan den Dooper uit de Pinakotheek 
van Munchen. Rond 1475 schilderde hij het kleine tweeluik dat de Louvre be- 
zit en waarvan op de eene helft Onze Lieve Vrouw wordt afgebeeld met het kin- 
deken Jesus dat den ring aan den vinger der H. Katharina steekt. De heilige 



HANS MEMLINC. 69 

Barbara, Agnes, Cecilia, Margareta en Lucia omringen de hoofdgroep. Op de 
andere helft ziet men den begiftiger Jan Du Celier, lid van de gilde der Meerse- 
niers met zijn patroon Sint Jan Baptist en Sint Jan den Evangelist. 

De Louvre bezit verder van Memline twee vleugels van een drieluik, waarvan 
het middelstuk is verloren gegaan. Zij verbeelden Sint Jan Baptist en Maria 
Magdelena in een landschap met tooneelen uit hun leven, in den achtergrond. 
In 1478 maakte hij het altaar voor de kapel der boekhandelaars en verlichters 
in de kerk van den Eekhout te Brugge, stuk, dat zich nu in de koninklijke ga- 
lerij van Turijn bevindt. Het jaar nadien schilderde hij voor het altaar van Sint- 
Jans-hospitaal in Brugge een tafel, zijn meesterstuk, die wij nog bewonde- 
ren in den ouden refter van hetzelfde gasthuis. In 1479 schilderde hij de 
Aanbidding der Koningen, een klein drieluik aan dezelfde kapel ge- 
schonken door Jan Floreins, broeder profes van Sint-Jans-Hospitaal. In hetzelfde 
huis bevindt zich sedert 1489 de beroemde relikwiekas of Rijve van Sint Ursula, 
insgelijks door Memline uitgevoerd. Het spreekt van ^elf dat de man, die in 
1478 een altaartafel schilderde voor een der stedelijke gilden en het jaar daar- 
opvolgende twee stukken vervaardigde voor de kapel van het Brugsche hospitaal, 
geen nieuw aangekomene in de stad was. Maar het feit, dat hij in een zelfde 
jaar twee belangrijke werken voor de kapel van het hospitaal uitvoerde en dat 
zijn meest beroemde schildering daar ook aanwezig is, gaf aanleiding tot de 
legende, dat hij als arm soldaat, ziek en verlaten in Brugge aankwam, dat hij ver- 
zorgd werd in Sint-Jans-huis en daar zijn ledigen tijd doorbracht met het schil- 
deren der stukken, die er zich nu nog bevinden en die hij als blijk van dank- 
baarheid aan de broeders en zusters, die hem zoo wel verzorgd hadden, aanbood. 

Die legende is een louter verzinsel, gebouwd op de aanwezigheid van des kun- 
stenaars werken in het gastvrije huis. Memhnc was geen arm en verlaten man 
en werd niet opgenomen in Sint-Jans-hospitaal. De schilderijen, die men daar 
bewondert werden hem besteld. Dat hij een zeker vermogen bezat blijkt uit 
het feit, dat hij vóór de maand Mei 1480 drie huizen kocht en een stuk grond 
gelegen te Brugge in de straat ,,Over de Vlaminc-Brugghe" en dat hij in het- 
zelfde jaar onder de 247 voornaamste burgers telt, die werden aangeslagen om 
de gelden voor te schieten, die keizer Maximiliaan, voogd van zijn zoon Phi- 
lips, hertog van Burgondië, noodig had om den oorlog tegen Frankrijk te voeren. 

Grootere en kleinere altaarstukken met de portretten der begiftigers of por- 
tretten in klein formaat zijn over het algemeen Memlincs schilderijen. Eene 
uitzondering maken de drie groote paneelen, die als orgelbekleeding voor de 
kloosterkerk van Nejara in Spanje gemaakt en onlangs door het Museum van 
Antwerpen aangekocht werden: God de vader en zestien zingende en spelende 
engelen zijn er op afgebeeld. 

Onder de belangrijkste zijner werken telt het stuk uit den Louvre, waarvan 
de afbeelding hierbij gaat. Het is betrekkelijk groot: 1.30 meter hoog op 1.57 
breed; het werd geschilderd voor Jacob Floreins den kruidenier, een broeder 
van den schenker van het klein drieluik de Aanbidding der Koningen, 



70 HANS MEMLINC. 

waarvan wij hooger spraken. Zijne vrouw was eene Spaansche van de familie 
Quintanaduena. Jacob Floreins stierf in 1489 — 1490 en daar zijne vrouw in 
weduwengewaad is afgebeeld moet de schilderij na dit laatste jaar voltooid zijn. 
Onze Lieve Vrouw is gezeten op haren troon te midden van het tafereeel; zij 
heeft het Christuskind op den schoot en houdt het met de eene hand vast terwijl 
zij op de andere hand een boek open houdt, waarin zij leest. Zij draagt een 
blauw kleed, dat aan den hals uitgesneden en met edelsteenen en goud geboord 
is en waaronder men een zwart gewaad ontdekt ; daarover hangt een roode man- 
tel. Het haar is boven het voorhoofd omringd door een smallen fluweelen band 
met edelsteenen gesierd en valt in golvende lokken op de schouders neer. Het 
kindeken Jezus is geheel naakt en strekt zegenend de rechterhand uit naar den 
begiftiger, terwijl het de linker legt op het boek waarin zijn moeder leest. De 
troon is van wit geaderd marmer, keurig bewerkt en op den rug behangen met 
een tapijt dat blauwe bloemen op een gulden grond vertoont en met een groe- 
nen boord is afgezet. Heel in de hoogte vormt een roode stof den hemel van den 
zetel. Ter rechterhand der Madonna knielt de begiftiger, Jacob Floreins, 
met zijne zeven zonen en kleinzonen, allen strak voor zich uit blikkende naar 
het goddelijk wicht. De vader in zwarten rok met pels geboord, de oudste zoon, 
een priester, met purperen tabbaard, waarover een kleed van doorschijnend lin- 
nen groenachtige tinten legt. Achter vader en zonen staat Sint Jacob, blikkende 
ook hij naar het kindeken Jezus en eerbiedig zijn hoed afnemend, als beval hij 
zijn naamdrager aan. Zijn onderkleed is rood, daarover is een zwarte pij gewor- 
pen, die, door den linkerarm opgeheven, de groene voering laat zien. 

Aan de linkerhand der Moedermaagd knielt de vrouw van den begiftiger, 
in zwarte falie en witte huif gehuld; achter haar hare twaalf dochters in het 
zwart of donkerbruin gekleed. Een van haar draagt het gewaad der kloosterlin- 
gen met zwarten sluier over de witte huif; de andere hebben witte hoofddeksels of 
zijn blootshoofds. De oudste is een geheel volwassen vrouw, de jongste zijn kleine 
kinderen. Achter deze staat de H. Dominicus recht: de eene hand vooruitge- 
stoken om de vrouwen aan de H. Maagd aan te bevelen, met de andere een pro- 
cessiekruis houdende. 

De vloer is bedekt met een rijk Oostersch tapijt; in den achtergrond ziet men een 
gebouw, dat best gelijkt op het koor eener Gotische kerk, met een doksaal in 
Renaissancestijl; aan de uiterste rechter- en linkerzijde heeft men zicht op een 
landschap met een boerenhuis rechts, een kasteel links. Op den weg naar het 
heerenhuis ontwaart men den ruiter op het witte paard, die volgens Memlincs 
jongsten geschiedschrijver het gewone kenmerk van onzen meester is. 

Memlinc is alles te zamen een voortzetter van van Eyck's kunst : de Onze-Lieve- 
Vrouw met het eironde gelaat, het kindeken Jezus met zijn oudachtig uitzicht, 
het rijke kleed der Moedermaagd, de kostelijke architectuur en de rijke stof- 
feering van het tafereel, de trouwe weergeving van natuur en menschen, het 
hoog harmonische koloriet, de zeer verzorgde schildering, dit alles behoort tot 
de oude Brugsche school. 



HANS MEMLINC. 71 

Maar is de trant in den grond dezelfde, de school is niet blijven stilstaan 
en de kunstenaar leeft zijn eigen leven. Van Eyck was een streng godsdiens- 
tige schilder; zijne Madonna's tronen in hare heiligheid en de afstand, die haar 
scheidt van de stervelingen, is een groote en herinnert aan dien welke er ligt 
tusschen hemel en aarde. Bij hem is alles statiger, verhevener; de heiligen zijn 
wel op de aarde gedaald, maar door den rijkdom hunner omgeving en hunner 
kleedij wekken zij duidelijk de gedachten aan het bovenaardsche. De bewerking 
en de kleur stemmen overeen met dit plechtige: geen sieraad is te kostelijk, 
geene verf te rijk om die tafereelen uit hooger sferen af te beelden. En even 
verzorgd als het bovenaardsche gedeelte zijner werken, even nauwlettend wordt 
het rein menschelijke weergegeven. Hierdoor krijgt dit laatste het reaUstisch 
karakter dat wij er in waarnemen. 

Realisme, dit is zorgvuldige navolging van het geziene, vinden wij weer in 
de kunstenaars die komen tusschen van Eyck en Memlinc : in Petrus Christus, 
Hugo van der Goes, Rogier van der Weyden. Deze allen zoeken meer bepaald 
naar treffende waarheid, zij moge dan schooner of onbekoorlijker wezen. In 
Memlinc treffen wij een anderen mensch en een andere opvatting van menschen 
en heiligen aan. Hij is niet meer de streng godsdienstige, wien het te doen is 
om het verhevene, het majestatische in den godsdienst, om het onverbloemde 
in der menschen vorm en handeling. Integendeel het bloemige trekt hem aan, 
het zachte droomerige, dat de mystiekers leggen in den godsdienst, het liefde- 
volle, dat voor hen heel de godsdienst is. Zijn gemoed is teeder, meer vrouwelijk; 
hij is de beminnende schilder, de stille ingetogene; zijne geliefkoosde persona- 
ges zijn de maagden, de Madonna, Sint Ursula, Catharina, Barbara, de en- 
gelen, die Gods lof zingen in den hemel. Deze allen en ook de andere heiligen 
teekent hij met teeder minnend gemoed, met aanvallig vriendelijke, eenigszins be- 
deesde houding. Men zie slechts de patronen van Jacob Floreins en van zijne 
vrouw, hoe innemend hunne houding, hoe stil harmonisch hun gebaar is. 

Het is alles nog wel de overlevering der van Eycks, maar de opvatting is 
menschelijker geworden; Onze-Lieve- Vrouw is nog ingetogen, maar zij blijft niet 
meer vreemd aan wat er buiten haar en haar kind bestaat en omgaat; zij leest 
in een boek en leest met aandacht. Zoo ook het Christuskind, dat zijn gezichtje 
tot een lachje plooit en zich wendt naar den begiftiger, terwijl hij met de andere 
hand eenige bladen van het boek omhoog doet schuiven. De ouders en de kin- 
deren kijken nog wel statig en ernstig voor zich, maar de jongste steken hun 
hoofdjes boven die der oudere uit om ook iets van het schouwspel te zien te 
krijgen, en de heiligen achter hen bewegen zich als woonden zij op de aarde. 

De vorm der menschen is ook anders geworden. Bij van Eyck en zijne eerste 
volgelingen zijn zij stevig van bouw, hoekig van gebaar, streng van uitzicht; 
bij Memlinc worden zij tenger en slank van leden, aanminnig en lenig van hou- 
ding en handeling. De nauwlettende waarheid, die zich vermeldt in bijzonder- 
heden, die geen trekje en geen rimpeltje van het gelaat, geen draadje van de stof, 
geen letter van het boek onverlet laat, maakt bij hem plaats voor een 



72 HANS MEMLINC. 

breeder opvatting, die de nevenzaken minder doet uitkomen, om de aandacht 
te trekken op het echt belangrijke. Hij ziet in zijne personages meer het alge- 
meen menschelijke ; de kleine miniatuurachtige trekjes vallen weg; aan de stof- 
felijke waarheid wordt minder aandacht geschonken. Het zieleleven treedt meer 
op den voorgrond en dit is goedig, zachtzinnig, rein en teeder bij de heiligen 
zooals bij de sterfelijken. 

Terwijl deze laatste aldus gelouterd worden in den vorm en veredeld in de uit- 
drukking komen zij een grooten stap dichter bij de eerste, die ook liefelijker 
van vorm, gemoedelijker van aard worden. En zoo verdwijnt de afstand, die 
er vroeger lag tusschen het aardsche en het bovenaardsche in de kunst en 
komt er in deze meer eenheid, meer harmonie. Niettegenstaande haar adel, haar 
afkeer van al wat ruw en scherp is doet zij bij Memlinc een gewichtigen stap 
tot hare menschwording, tot dit wonen onder ons dat haar in de latere tijden 
zal kenmerken. 

De schildering krijgt daardoor zelf meer breedheid, zij verliest iets van de be- 
wonderenswaardige fijnheid van uitvoering en van den rijkdom van kleur, die 
haar onderscheiden bij de van Eycks; maar zij wordt malscher, gesmijdiger. Zij 
vermindert ook van glans : in plaats van den donkeren gloed van den schilder 
der Madonna met den kanselier Rolin, krijgt zij een zachteren meer zilverigen 
toon, overeenstemmende met het stillere, fijnvoelende, maagdelijke gemoed van 
Memlinc. Ook hier maakt de kracht plaats voor de aanminnigheid, de over- 
weldigende pracht voor de zachtere welluidendheid. In dit stuk is de kleur bij- 
zonder licht en klaar gebleven ; zij is niet verdonkerd, zelfs niet uitgestorven : 
frisch blijft zij als den eersten dag, met het bloemige dons. de doorschijnendheid 
van toon en schaduw, die zij bezat op het uur dat de schilder haar van zijn pa- 
let op het paneel bracht. 




QUINTEN MASSYS. 

DE BANKIER EN ZIJNE VROUW. 



13. QUINTEN MASSIJS. 



Over Memling sprekende zegden wij, dat in de tweede helft der vijftiende 
eeuw Antwerpen van Brugge den rang van eerste handelstad der Nederlan- 
den erfde, en dat de hoofdzetel der kunst terzelfder tijd van de Vlaamsche naar 
de Brabantsche haven werd overgebracht. Gedurende de eerste helft der zes- 
tiende eeuw groeide de bloei dezer laatste gedurig aan, zij werd een der groote 
wereldmarkten; tal van prachtige gebouwen, burgerlijke zoowel als kerkelijke, 
rezen binnen hare muren op; hare bevolking groeide met verbazende snelheid 
aan; niet alleen de kooplieden en nijveraars werden aangetrokken door die jon- 
ge klimmende welvaart, maar ook geletterden en kunstenaars kwamen van wijd 
en zijd naar dit nieuwe middelpunt van bedrijvigheid en ontwikkeling. 

Quinten Massijs was wel niet de oudste der Antwerpsche schilders, maar hij 
was de eerste, wiens werken bekend zijn en wiens naam met roem vermeld 
wordt. Met hem vangt de lange reeks kunstenaars aan, die gedurende twee 
eeuwen de Scheldestad maakten tot het glanzende middelpunt der Vlaamsche 
School. Na Quinten Massijs, den laatsten der middeleeuwsche meesters, bloeide 
daar gedurende het grootste deel der XVIe eeuw, met Frans Floris, Marten 
De Vos, Otto Venius en zoovele anderen, de groep der Romanisten, volgelingen 
der groote Italianen uit den tijd der Renaissance; Rubens en zijne school over- 
heerscht en vervult heel de XVIIe eeuw; de landschapschüdering werd er om 
zoo te zeggen geboren, en naast meesters in de hoogere vakken der kunst bloei- 
de er een schaar van schilders, die in het dagelijksch leven van burger en boer 
of in de afbeelding van dieren en doode natuur welverdiende triomfen vierden. 

Of Massijs te Leuven dan wel te Antwerpen geboren werd is een vraag, die 
aanleiding heeft gegeven tot warmen twist; de strijd mag beschouwd worden als 
zijnde ten gunste der laatste stad beslist. In welk jaar zijne geboorte moet ge- 
plaatst worden is niet uit te maken. Wij weten enkel, dat hij in 1491 werd inge- 
schreven als meester in de Antwerpsche Lucasgilde ; zijn oudste zoon werd in de- 
zelfde gilde in 1501 als meester aangenomen en moest dus rond 1480 geboren 
zijn, iets wat bewijst dat de vader niet na 1460 ter wereld kwam. Wij weten nog 
dat Quintin in 1508 voor de tweede maal huwde en dan nog tien kinderen won, 
zoodat het bezwaarlijk is aan te nemen dat hij lang vóór 1460 het daglicht zag. 
Geen twijfel dus of omstreeks dit laatste jaar werd hij geboren. 

Eerst rond dertigjarigen ouderdom zou hij zich dan als meester in de schil- 
dersgilde hebben laten opschrijven, iets wat niet te verwonderen is, als men ge- 
loof slaat aan de vaste overlevering, volgens welke Massijs eerst het ambacht 
van smid zou uitgeoefend hebben. Zooals men weet wordt sedert eeuwen de kun- 



74 QUINTEN MASSIJS. 

stig gesmede kevie, die vroeger een waterput bekroonde en nu nog een 
der openbare pleinen van Antwerpen versiert, voor zijn werk gehouden. 
P>ns dat hij in de St. Lucasgilde was getreden verwierf hij zich grooten naam. 
In 1508 werd hem het ahaarstuk voor de kapel der schrijnwerkers in Onze-Lieve- 
Vrouwe kerk van Antwerpen, de Graflegging van Christus verbeelden- 
de, besteld; het jaar nadien voltooide hij voor de kapel van de broederschap 
van Sint Anna te Leuven het drieluik der Legende van Sint Anna. Toen 
in 1520 Albrecht Durer te Antwerpen verbleef, bracht hij een bezoek aan Quin- 
ten en teekende dit als een meldenswaardig feit in zijn dagboek aan. Hij was 
bevriend met Peter Gillis den geleerden stads-secretaris, die zelf een vriend was 
van Erasmus, en door tusschenkomst van deze beiden leerde Massijs Thomas Mo- 
rus, den kanselier van Engeland, en Hans Holbein, den beroemden schilder, ken- 
nen. Hij maakte in 1517 de portretten van Gillis en van Erasmus op één doek en 
de Rotterdamsche humanist zoowel als de Engelsche staatsman spreken met groo- 
ten lof over den Antwerpschen schilder. Hij stierf tusschen den 13en Juli en den 
16en September 1530. 

Weinig werken zijn ons van Quinten Massijs overgebleven. Behalve zijne twee 
meesterstukken, welke wij hooger vermelden, kennen wij nog een paar Madon- 
na's, enkele godsdienstige stukken, portretten en onderwerpen ontleend aan het 
burgerlijk leven. Wij zijn overtuigd dat hij vele patronen voor tapijten geschil- 
derd heeft, waarvan de ontzaglijke reeks aaa Christus' leven ontleend en de 
hoofdkerk van Aix-en-Provence versierende en die uit het koninklijk paleis te 
Madrid de voornaamste zijn. Dat er veel van hem verloren ging in de tijden, 
toen alle ouderwetsche schilderingen voor barbaarsch werk gehouden werden, 
valt niet te betwijfelen. Hij staat op de scheidslijn, die de oude school van on- 
gemengd Vlaamschen aard scheidt van de verrekelde volgelingen der Italianen, 
onder welke reeds zijn zoon Jan telde. Hij zelf, alhoewel behoorende tot de XVIde 
eeuw drukt nog het spoor der meesters van de XVde, de gebroeders van 
Eyck, van der Weyden, Memlinc en Bout; hij hecht nog grooten prijs aan de 
keurige bewerking der onderdeelen en aan den hoogeren glans der kleuren; 
hij wil eerder treffen door kracht, dan behagen door liefelijkhcid. Hij heeft 
nog de klassieke schoonheid der lichamen niet leeren verkiezen boven de schilder- 
achtigheid van den mensch met de eigenaardigheid zijner kleur en de kenmer- 
kende vormen zijner persoonlijkheid. Hij is geen academieker en hecht even 
weinig prijs aan regelmatigheid van wezenstrekken als aan fraaie spierengolving. 
Er bestaat voor hem zooals voor zijne groote voorgangers geen geijkt model 
van vormenschoonheid : de mensch zooals hij hem ziet is hem een welkom onder- 
werp; hij ontkleedt hem niet om zijne fraaie naaktheid te bewonderen en verge- 
noegt zich met het rijke gewaad zonder zich veel te bekommeren om wat er 
onder zit. 

Hij heeft evenmin aan de bewegingen zijner personages de lenige buigzaamheid 
leeren geven, die het oog streelt, of de forschheid, die hunnen ledenbouw laat 
bewonderen. Zij zijn door den band hoekig en linksch van houding. Om hunne 



QUINTEN MASSIJS. 75 

gewaarwordingen uit te drukken overdrijven zij het gebaar; om zich zekerder 
te doen verstaan roepen ziji luider dan noodig is. Maar al die menschen leven 
dan toch en bewegen zich naar eigen aard en hunne krachtige handeling is 
soms bewonderenswaardig van juistheid en stoutheid, namelijk in de twee over- 
spannen stokers op het rechterluik der Graflegging. Zijne twee groote drie- 
luiken bewijzen, dat hij heeft geleerd zijne personages te groepeeren, en hun- 
ne handeling te doen samenwerken omeen gelukkig geheel te vormen. In d e 
Legende van Sint Anna is die groepeering symetriek tot het naïeve; in 
de Graflegging daarentegen bekomt de schilder een goed geordend geheel, 
dat oog en geest even sterk treft. Dit streven naar eenheid in de samenstelling 
is een groote stap vooruit naar de hervorming der kunst, naar hare verjon- 
ging in de richting als die, welke reeds door de Italianen was verwezenlijkt. 

In dezelfde twee stukken en in zijne Madonna's bewijst Massijs, dat hij groo- 
ten prijs hecht aan het weergeven der ontroeringen. De aangezichten zijner per- 
sonages zijn vlak en vlok geschilderd, de rimpels en plooien, de scherpe trek- 
ken der oudere meesters zijn er uitgeveegd en niettegenstaande die effenheid van 
het gelaat zijn de menschen vol gevoel. Niet enkel dan ook hun wezenstrekken 
maar heel hun houding en al hun gebaren drukken het uit op aangrijpende wijze. 
In de figuren van zijn meesterstuk, de Graflegging, is de heele toonladder 
der smart te vernemen : de erbarming der moeder over haren doodgemartel- 
den zoon, het luid gejammer der jonge vrouw, de verkropte smart van Joan- 
nes, die Maria steunt. De latere kunst zal meer fatsoen geven aan de uiting van 
het gevoel, maar treffender zal zij het menschelijk lijden niet uitdrukken. 
Quinten Massijs is een schilder van het gemoed, een dramatisch kunstenaar 
van hooge waarde. 

Maar de grootste hervorming door hem in zijn kunst verwezenlijkt, is, dat 
hij het eerste den gewonen mensch in zijn gewoon doen en leven het schilderen 
waard achtte en soms stof voor zijne tafereelen zocht in de burgerlijke, alledaag- 
sche wereld, zooals het stuk, waarvan de gravure hier bijgaat, bewijst. 

Achter een tafel, met vaalgroen laken bekleed, zitten een bankier en zijne 
vrouw. Hij weegt geld; zij ziet toe Hij is gekleed in een licht-schalieblauwen 
tabbaerd met een gordel om het midden vastgegespt, aan hals en pols met 
bont geboord; op het hoofd een muts van donkere stof in zonderlingen vorm, 
die met afhangende lappen ooren en achterhoofd bedekt. In de linkerhand houdt 
hij een schaaltje, waarin hij een goudstuk weegt; met de rechterhand telt hij 
geld. Verder op de tafel liggen de goudgewichtjes, een omlijst bol spiegeltje, 
waarin een man, die door het venster ziet wordt weerkaatst, een kostelijke vaas 
van geslepen kristal in goud gevat, ringen aan een papieren buisje geregen en 
fijne parelen in een open fluweelen zakje. De vrouw zit recht, met de eene hand 
keert zij een blad om van haar geënlumineerd getijdenboek, de andere legt zij 
op het geopend handschrift. Zij draagt een rood kleed met fijne plooien, met 
groenen bonten kraag en omslagen en een groenen gordel. Haar hoofd is be- 
dekt door een witten doek, die op haar voorhoofd en slapen in groote ronde 



76 QUINTEN ^lASSIJS. 

bekken neervalt en waarvan de uiteinden van het achterhoofd tot op de schou- 
ders neerdalen. Daarop rust een hoed van nog ongemeeneren vorm dan die van 
den man, die met twee tuiten aan de beide zijden van het hoofd uitsteekt. Boven 
het paar zijn twee planken aan den muur vastgemaakt, waarop kantoorboeken, 
papieren, een schaaltje en velerlei klein gerief zijn geplaatst. Rechts ziet men 
nog door een open deur een man en een vrouw, van miniatuurachtige afmeting, 
met elkander praten. 

Wij zijn nog altijd in de oude school, die voor grondregel heeft menschen en 
dingen naar de waarheid af te beelden en de bijzaken niet aan de hoofdzaak 
op te offeren. De figuren van man en vrouw zijn aan het gewone leven ontleend, 
niet mooier noch leelijker dan in de natuur, hunne handen zijn knokkelig als 
die van menschen, die veel gewerkt hebben. Al wat hen omringt is in vollen 
toon en met groote onbevangenheid geschilderd. Zooals bij de menschen en de 
heiligen der Gothieken in het algemeen is het leven hun ernst. De schilders 
van godsdienstige onderwerpen waren zoo zeer doordrongen van de verhevenheid 
der onderwerpen, welke zij afbeeldden, dat wanneer zij tooneelen uit het dage- 
lijksch leven voorstelden, de ernst hun bijbleef en dat zij aan de burgerlui in 
hunne ambtsbezigheden iets van het stille ingetogene der biddende of meditee- 
rcnde geloovigen behielden. 

Maar de verwereldlijking der kunst heeft een merkelijken stap vooruit ge- 
daan. Wij zien voor de eerste maal in een Vlaamsche schildering iets anders dan 
godsdienstige of historische feiten en portretten voorgesteld; het burgerlijke 
werkelijke en werkzame leven is een onderwerp van opmerking en studie ge- 
worden: het genrestuk is geboren. Niet alleen meer het bovennatuurlijke 
wordt vereeuwigd, maar ook het zuiver aardsche wordt waargenomen. Niet alleen 
meer het conterfeitsel van een gewoon burgerman, wordt door de afbeelding 
tot iets hoogers verheven; maar de bezigheden, die men voor iets vernederends 
placht aan te zien, worden veredeld door het penseel; het is een nieuwe wereld, 
die ontdekt wordt, met veruitgestrekten gezichteinder, met eindelooze afwisse- 
ling van streken. In de vroegere kunst kon de schilder wel toepassen op het 
leven daarboven wat hij hier beneden had waargenomen en de hemelingen ver- 
plaatsen in de woningen der stervelingen maar dit bleef altijd een overdracht, een 
fictie. Hier wordt de natuur op het feit betrapt, de mensch in zijn dagelijksch 
leven voorgesteld. Onze bankier werkt wel degelijk, de vrouw bemoeit zich wel 
met wat haar man verricht; de ingetogenheid, de extase der menschen in om- 
gang met de heiligen zijn vreemd aan deze figuren geheel door aardsche al- 
ledaagsche bemoeingen ingenomen. 

De schilderkunst heeft insgelijks een zekere verandering ondergaan. Menig de- 
tail, als daar zijn de kleinodiën en het gerief, zijn met groote zorg uitgevoerd, 
het spiegeltje op de tafel, de miniatuur in het getijdenboek, het kostelijk glas en 
de rijk bewerkte schotel zijn even uitvoerig als van Eyck ze zou gemaald heb- 
ben; maar de menschen zijn niet meer met dezelfde keurigheid bewerkt; de ge- 
laatstrekken zijn effener, veel minder scherp geteekend, de schilder zoekt de 



QUINTEN MASSIJS. 77 

malschheid van het vleesch weer te geven zonder er bijzonder in te gelukken. 

De kleur heeft een wijziging ondergaan : de fijn afgewerkte voorwerpen komen 
uit op groote vakken van grondtonen, warmbruin in het hoogere deel der 
schilderij, vaalgroen in het lagere, er is een neiging op te merken om in de klee- 
deren de hooge volle tonen door zachter weerschijnen te tinten. Zoo worden de 
plooien van het roode kleed der vrouw op de brekingen wit, en werkt in het 
kleed van den man de speling van licht en schaduw verzachtend op de donkere 
kleuren. Er is dus een pogen om enkele grondtonen te laten overheerschen in het 
tafereel, om licht en donker hun spel te laten spelen, om ook hier eenheid te bren- 
gen in de plaats der oude verbrokkeling, een werk dat een latere en een jonge- 
re kunst zal voortzetten. Dit belet echter niet dat Quinten Massijs nog altijd 
een onzer heerlijkste koloristen blijft: zijne Graflegging legt hiervan klaar- 
der getuigenis af dan zijn Bankiers, en stellig is het dat de hoofdgroep van 
zijn meesterstuk een pracht van kleuren vertoont, die door hun rijkdom zoo- 
wel als door hun harmonie in geen ander schilderwerk overtroffen worden. 

Wij bemerken dus in het stuk uit den Louvre evenals in de andere ons bekende 
werken van den meester een geleidelijke hervorming der oude Vlaamsche kunst, 
met eerbiediging harer overleveringen. Wanneer de Italianiseerende school zal 
overheerschen in het land zullen de meesten zich vergapen aan het nieuwerwet- 
sche, eenigen echter zullen den ouden vaderlandschen schilder getrouw blijven 
en onder hen zullen wij de beste vinden. Pieter Aertsen en Jan van Hemissen, 
Joachim Beukelaer en boven allen Peter Breughel stammen van Quinten Mas- 
sijs af. Niet alleen als waarnemers van het dagelijksch leven zullen deze allen 
en velen na hen onder de kleine meesters der XVI Ide eeuw Massijs' spoor volgen, 
maar evenals hij zullen zij den eeredienst voor het koloriet, het hoogste kenmerk 
onzer School trouw blijven. 

De schilderij uit den Louvre draagt voor opschrift : Quinten M a s s ij s, 
schilder 1518. Zij werd gekocht in 1806 van Marivaux, tegen 1800 frank. 
Een kleine kopie ervan bevindt zich op de schilderij Apelles' Atelier in 
het Mauritshuis, no. 403; een herhaling ervan hoort toe aan den heer Della 
Faille te Antwerpen. Quintens zoon. Jan Massijs, en Quintens volgeling Mari- 
nus van Roymerswale schilderden herhaaldelijk hetzelfde of soortgelijke on- 
derwerpen, in navolging van hunnen voorganger. 

De Louvre bezit van Massijs een tweede stuk, een Zegenenden Christus. 
De Zaligmaker is geheel van voren gezien met blonde haren en blonden baard, 
wijd geopende oogen, en rechtlijnige wenkbrauwen. Hij draagt een rooden man- 
tel die met een kostelijk gedreven haak is vastgemaakt boven een blauw kleed. 
De eene hand heft hij op met de twee voorste vingers opgestoken om te zegenen; 
in de linkerhand houdt hij een kristallen bol waarin een raampje en een land- 
schap weerschijnen. Zooals gewoonlijk is het gelaat weinig gemodeleerd, ter- 
wijl het overige der schildering zeer verzorgd is. 



U. PETER BREUGHEL DE OUDE. 



Peter Breughel de oude werd geboren in het dorp Breughel, waarvan hij den 
naam draagt, en dat bij Breda in Noord-Brabant gelegen is. Men kent zijn ge- 
boortejaar niet, maar voortgaande op de datums van zijn leven, welke met ze- 
kerheid bekend zijn, plaatst men het rond 1525, Wij weten uit de Liggeren 
van de Antwerpsche Lucasgilde, dat hij in dien kunstenaarskring opgenomen 
werd als meester in 1551. Uit de opschriften van een paar platen, naar zijne tee- 
keningen gegraveerd, vernemen wij dat hij in 1553 te Rome verbleef. Van 1558 
tot 1568 zijn verscheiden zijner schilderijen gedagteekend. In 1563 huwde hij 
Maria Coecke, de dochter van zijn Antwerpschen meester en ging zich te Brus- 
sel vestigen, waar hij in 1569 stierf, twee zonen nalatende, die zich ook in zijn 
kunst grooten naam verwierven, Peter Breughel den jongen, bijgenaamd den Hel- 
schen Breughel en Jan Breughel bijgenaamd den Vloeren Breughel. Hij zelf werd 
door zijne landgenooten de Vieze (dit is: de Kluchtige) Breughel of de 
Boeren Breughel gedoopt. 

Bij die karige levensbij zonderheden hebben wij niets te voegen, enkel willen 
wij eenen twijfel opperen betreffende het jaartal zijner geboorte, dat wellicht 
vroeger dan 1525 dient gesteld te worden. Onder de teekeningen, welke de Lou- 
vre van Peter Breughel bezit, is er eene, de Dood van Maria voorstellende, 
die het jaartal 1540 draagt; op zijn portret, dat voorkomt in de Illustrium 
pictorum effigies met tekst van Dominicus Lampsonius, wordt hij af- 
gebeeld als een man, die merkelijk meer dan 44 jaar telt, den ouderdom, dien 
hij zou bereikt hebben op het oogenblik van zijn overlijden, indien hij waarlijk in 
1525 geboren ware. Het komt ons daarom waarschijnlijk voor, dat zijn geboor- 
te eerder omstreeks 1520 danlater zou dienen gesteld te worden. Hieruit zou dan ook 
volgen, dat hij eerst in meer gevorderden ouderdom dan dit gewoonlijk het ge- 
val was werd toegelaten tot het meesterschap in de Antwerpsche kunstenaars- 
gilde. 

Kort nadat hij lid van dezen kring geworden was verliet hij het land om de 
gewone kunstreis te ondernemen over de Alpen. Hij bracht van daar geene her- 
inneringen mede aan de groote zuidelijke meesters; hij bewonderde in Italië 
het sterk bewogen landschap, de zee met hare kasteelen op het strand en hare 
fiere en sierlijke driemasters op de golven; van 1553 tot 1556 bezitten wij tee- 
keningen, die zulke gezichten voorstellen; van 1561 kennen wij nog een bergach- 
tig landschap; van 1556 dateert de oudste droUige teekening; te beginnen van 
1558 levert hij modellen aan de graveurs. Zijne teekeningen hebben voor onder- 
werp tafereelen uit het volksleven, spreuken en morahsatiën; in zijne schilde- 




Q 

O 

W 
Q 

w 
^ w 

W cq 

5 w 



PETER BREUGHEL DE OUDE. 79 

rijen behandelt hij dezelfde stof of wel gebeurtenissen uit het Oud en Nieuw 
Testament : de Dood van Maria, de Kruisdraging, de Moord der 
Onnoozele Kinderen, den Val van Saül, den Toren van Babel. 

Zijn landgenooten, zegden wij, doopten hem met den dubbelen bijnaam van 
Boeren Breughel en van Viezen Breughel; zij toonden aldus dat de meester hun 
hart gewonnen had door twee eigenaardigheden : ten eerste door den landbou- 
wer en den minderen man in het algemeen te nemen tot zijn meest geliefkoos- 
de personages en ten tweede door zijne onderwerpen van ernstigeren of minder 
verheven aard op luimige wijze te vertolken. De beoordeeling was juist, de hoog- 
schatting verdiend. 

Breughel koos meer onbewimpeld en meer bewust dan een zijner voorgangers 
den minderen man, en meer bepaald den boer, tot voorwerp zijner studie. Peter 
Aertsen (1508 — 1573) was hem voorgegaan in het schilderen van tafereelen uit het 
volksleven; Jan van Hemissem, een nog vroeger tijdgenoot, had het volk van Je- 
rusalem onder de trekken van den eigen landaard de voornaamste rol toegekend 
in zijne Bijbelsche voorstellingen; Breughel ontgon gretiger de rijke mijn der 
volksgebruiken en der volkswijsheid en nevens de stedelingen ruimde hij de 
boeren eene aanzienlijke plaats op zijn tafereelen in. Al deze schilders zetten 
de richting voort, die Quinten Massys hun eerst aanwees en Lucas van Leyden 
met zoo grooten bijval had gevolgd; zij waren de echt vaderlandsche kunste- 
naars van hunnen tijd. 

Maar, zooals wij zegden, Breughel was meer dan een hunner de boeren- 
schilder. Wij kunnen licht begrijpen hoe hij zijn eigen weg vond. Hij was 
begonnen als landschapschilder : zijn oudste teekeningen bewijzen het ten dui- 
delijkste; hij had zich naderhand en waarschijnlijk op aansporing der Antwerp- 
sche drukkers en uitgevers van gravuren, die in hem een ongemeene lust en be- 
gaafdheid vonden om het volksleven af te beelden, gaan toeleggen op de stu- 
die van de zeden en gebruiken van den minderen man en die beide neigingen 
versmeltende vond hij er smaak in den bewerker van het veld af te beelden in 
zijn gewone omgeving, het landschap. 

Niet alleen voor zijne Jaargetijden kiest hij het veld tot schouwplaats, 
ook in zijne Bo erenkermissen, in zijn Begankenis te Meulebeek, 
komt het landschap als achtergrond te pas ; in zijn MoordderOnnoozele 
Kinderen, in zijn Kruisdraging, in zijn Val van Saul ruimt hij het 
een aanzienlijke plaats in. Hoeveel te meer, daar waar hij geen ander inzicht schijnt 
te hebben dan ons een tooneel uit het boerenleven voor oogen te stellen, moest 
hij blijk geven van zijn liefde voor het landschap en van zijn kunst om het te 
schilderen. In de natuurgezichten zijn het niet alleen de boomen en de velden, 
die hem aantrekken; ook de schilderachtige vorm der boerenwoning, der dorps- 
straat en der dorpskerk bekoren hem. 

Hij schijnt wel de eerste geweest te zijn, die iets en veel gevoeld heeft voor 
den bewoner van het platte land. Terwijl voorgangers en tijdgenooten, op wei- 
nig uitzonderingen na, alleen godsdienst, fabelleer of geschiedenis waardig ach- 



80 PETER BREUGHEL DE OUDE. 

ten om in beeld gebracht te worden en dat voor die uitzonderingen enkel het 
burgerlijk leven hunner eigen omgeving of wel het landschap en wat zij als 
prachtstaaltjes ervan aanzagen bekoorlijkheid bezaten, vond Breughel er behagen 
in den eenvoudigen landman te laten optreden als hoofdpersonage in een hande- 
ling voorvallende op zijn eigen gebied. Onder de talrijke stukken, welke de 
keizerlijke galerij van Weenen van hem bezit, is er een waarop, aan den voet 
van een boom, een boer een jongen bedreigt, die in de takken geklommen is om 
een vogehiest te rooven; op een ander ziet men in een winterlandschap twee 
jagers en talrijke honden door het besneeuwde veld trekken, terwijl de boeren voor 
hun huis vuur maken en de kinderen schaatsen rijden op de bevrozen vijvers; 
of wel de boeren zijn aan den dans, of wel zij zitten aan den bruiloftsdisch, op 
boersche wijze feestelijke uren doorbrengende. 

Er was dus buiten het schilderenswaardige, het deftige, het godsdienstige leven 
nog een ander bestaan, dat verdiende opgemerkt te worden; de mensch leefde 
dus niet alleen van het woord, dat komt uit Gods mond, maar ook van het brood, 
en den schilder mag niets menschelijks vreemd blijven. Men had gemeend dat 
het penseel alleen hen mocht vereeuwigen, die verheven zijn boven de gewone 
stervelingen en omringd en bekleed zijn met het rijkste en kleurigste dat er 
schittert onder de zon of daarboven, en daar wordt het nu op eens verkondigd 
en bewezen, dat ook de nederigsten kunnen schilderachtig zijn in hunne alle- 
daagsche vormen en bezigheden ; dat er schoonheid liggen kan in het roode wam- 
buis van den boer, in den witten voorschoot der boerin, in hunne verweerde hoe- 
ven en hutten, in hunne plompe vormen en verstompte tronies. 

En dat Breughel pret vond in het figuur en in het gedrag der boeren lijdt geen 
twijfel. Zijn oudste levensbeschrijver leert ons niets verrassends, wanneer hij 
ons vertelt van de bezoeken, die Breughel bracht aan boerenkermissen en boeren- 
herbergen; zijne schilderijen zeggen het duidelijk genoeg,, dat hij met die men- 
schen leefde en dat hij hun leven eigenaardig en bekoorlijk vond, eigenaardi- 
ger voorzeker en aantrekkelijker dan de beschaafde en afgeschaafde gebruiken 
der fatsoenlijke lieden. Zijne teekeningen bewijzen ons klaar, dat hij zijn nederige 
helden bespiedde in hun lief en leed, hun werken en vermaken : aldus zijn stu- 
diën naar dansende boeren, naar bijen- kweekers, die de korven ledigen, in het 
British Museum; die der Albertina, waarop een bedevaart is afgebeeld met het 
opschrift : ,,dit sin dije pelcrommen die op Sint Jansdach 
buyten brussel te muelebeec danssen moeten ende als 
sij over een brugge gedanst of gesprongen hebben dan 
sin sy genesen vor een heel jaer van Sint Jans sieckte. 
P. bruegel MCCCCCLXIIII. „En die andere in dezelfde verzamehng, 
waarop hij schrijft onder een zittend mansfiguur: „Naer hedt leven" en de 
kleuren aanteekent, die hij heeft opgemerkt: swardte hoedt, swardte 
broek, swardte Ie (erzen), swartte pantens (panden), g r i s s e 
rock." 

Daarom kreeg en verdiende Breugel zijn eersten toenaam, dien van Boeren 



PETER BREUGHEL DE OUDE. 81 

Breughel, ook zijn tweeden, dien van Viezen Breughel, welken zijn volk hem gaf 
en waarbij het nog eiken grappenmaker aanduidt, was juist gekozen. Hij was 
een snaaksch gezel. Zeker hij hield van de boeren, hij vond ze schilderachtig 
en prettig; maar hij vond ze ook dikwijls koddig om te zien en koddig van 
doen. Niet dat hij ze bespottelijk wil voorstellen; neen, hij die zoo onbe- 
schroomde karikaturen leverde, geeft de boeren trouw weer; wel niet mooier, 
maar ook niet leelijker dan zij zijn. Bij voorkeur toont hij ze ons in vroolijke 
stemming en handeling: zij eten en drinken, vieren vastenavond of kermis, 
dansen of vechten. Door den band dus zien zij er vroolijk en kluchtig uit. 

Dit vonden de menschen natuurlijk aardig en leidde er hen toe hem zijn 
naam van vroolijken Hans te geven. 

Hij hield nog van andere grappen. Als zijn meester noemt de geschiedenis 
Peter Coecke van Aalst, den schilder- graveur, en Hieronymus Cock, den uit- 
gever-graveur; maar hetzij de geschiedenis hier waarheid of overlevering heb- 
be geboekt, stellig is het dat de kunstenaar, die den grootsten invloed op 
Breughel oefende geen van deze beiden, maar wel Hieronymus Bosch, de schilder 
der fantastieke wangedrochtelijkheden, was. Breughel volgt wel niet dikwijls de 
buitensporige droomerijen van zijn voorganger, die immer onder den druk der 
nachtmerrie schijnt te werken; maar meer dan eens toch treffen wij in zijn 
werk dezelfde koddige monstertjes aan, die op allergekste wijze uit menschen 
en dieren of menschen en levenlooze dingen zijn samengeflikt. Ook in zijn 
werken, die rekening houden met gezonden zin en werkelijkheid, veroorlooft hij 
zich gaarne een sprong buiten de alledaagsche waarheid en buiten de deftig- 
heid om de klucht in het leven haar recht te geven of om te herinneren hoe 
in de meest tragische toestanden vroolijke episodes worden aangetroffen. Zoo 
omringt hiji in zijn gang naar Golgotha Christus, die onder het kruis bezwijkt, 
en zijne moeder, die bezwijmt van smart, door uitgelaten boeren en burgers, 
die naar het galgenveld trekken als naar een kermisplein. Ons volk was wellicht 
meer getroffen door de komische groepen dan door de dramatische, en zeker 
is het dat Breughel door vreugde en droefheid zoo naast elkander te stellen, 
de scherpte der laatste deed uitkomen; stellig ook dat met de historische lij- 
denstaf ereelen als de Kruisdraging en de Moord der Onnoozele 
Kinderen af te beelden, zooals hij begreep dat zij in de waarheid zich heb- 
ben voorgedaan, hij wel buiten den gebaanden weg liep, maar toch een aan- 
grijpend beeld leverde van wat die personages uit het Evangelie leden en wat 
de omstanders deden. Al die menschen traden wel op in treurspelen, die het 
aanschijn der aarde veranderden; maar toch hielden zij niet op, in zich zelve 
en voor ons, menschen te zijn gelijk de millioenen, die lijden en sterven zon- 
der dat hun gaan en komen meer beteekenis voor het nageslacht heeft dan de 
bladeren, die groenen en verdorren op de boomen. 

Nog in een ander deel zijner werken doet Breughel zich kennen als een nauw- 
lettenden en belangstellenden opmerker der volkszeden en terzelfder tijd als een 
spotter, die al lachend lessen geeft, twee hoedanigheden die hem de gunst van 

6 



Ö2 PETER BREUGHEL DE OUDE. 

het groot publiek moesten verwerven. Ik bedoel zijne moraliseerende teekenin- 
gen, die gegraveerd en met toepasselijk opschrift voorzien werden. Breughel was 
door deze stukken de Vader Cats van zijnen tijd, even populair als de andere, 
maar een pittiger en stoutmoediger kunstenaar dan deze. Hadde hij de kwar- 
tijncn van den Zeeuwschen dichter te illustreeren gekregen, hij hadde er eenige 
pittige prenten voor geschapen, die wat rijker aan fantasie en wat levendiger 
van beweging waren geweest dan die, welke van de Venne leverde. 

Ons volk schepte al vroeg behagen in moralisatiën en in die behoefte aan 
gangbare zedeleer voorzag Breughel door zijne sterk gekruide en schalksche af- 
beeldingen van spreekwoorden en spreuken, van hekelingen der volkszeden 
en volksgebreken. Boeren en geringe lieden speelden natuurlijk de hoofdrollen 
in die plastische zedepreeken. De Alchimist (Al gemist, zegt Breugel), die 
alles wat hij liggende en roerende heeft verspilt om zijn droom te verwezen- 
lijken; de schoenmaker en zijn vrouw, die een ,, Allemode school" houden, waar 
de gekste wanorde heerscht; de boeren, die elkander naar het leven staan 
om een twist bij het kaartspel opgerezen; de Zeven Hoofdzonden en de Ze- 
ven Hoofddeugden; de Strijd om de geldzakken; de Strijd der vette tegen de 
magere keuken, dit alles levert hem stof om te moraliseeren, om te spotten, 
om zijne wijsheid en die van zijn volk lucht te geven. Hij neemt het niet tra- 
gisch op in zijn strijd tegen het kwaad, in zijn propaganda voor sociale her- 
vormingen; hij vindt het enkel kluchtig, dat alles zoo geheel anders is dan het 
behoorde. De menschen van zijnen tijd vonden pret in die scherp gekruide aan- 
vallen, in dit ongenadige, maar ook onpersoonlijke uitlachen van wat er ver- 
keerd loopt in ons wereldje. Ik zal niet beweren, dat de aardigheid van die spot- 
prenten voor ons nog genietbaar is : het zout is wat heel grof om ons te sma- 
ken of het zinnebeeld wat ver gezocht om ons te treffen. 

Maar wat voor ons niets van zijn aantrekkelijkheid heeft verloren is de kunst 
van den schilder. Langen tijd heeft men die miskend, men heeft in Breughel, 
den groven spotter, ook een groven borstelaar gezien. In de laatste tijden 
heeft men dit dwaalbegrip verlaten en heeft men bemerkt, dat de schilder 
der volkszeden een groot schilder, een aristocratisch kolorist was. En wezen- 
lijk zijn onderwerpen mogen soms alledaagsch, zijn helden plomp, zijn scherts 
wansmakelijk zijn, in hem zit de ziel van een kunstenaar en de uitvoering zij- 
ner dorpere onderwerpen bewijst dit ten klaarste. 

Hij had een hart voor het schoone in de ware natuur. Een boom, die staat 
te bloeien op den boord eener rivier, op het erf van een hoeve, of die zijn 
donkeren stam afteekent op de witte sneeuw en met zijn ontbladerde takken 
tegen den grijzen winterhemel een grillig net teekent; de bloempjes en het 
gras in de weide; het lisch aan den waterkant; de huizen met hun trapgevels, 
die krachtig en kleurig tegen den helderen hemel afsteken, behagen hem. De 
redelijke menschen mogen hem proza leveren, nuchter of gek; de onredelijke 
en eeuwige natuur levert hem in rijker mate nog het dichterlijk tafereel van 
haar immer aantrekkelijk en immer gezond leven ; zoo potsierlijk en wan- 



PETER BREUGHEL DE OUDE. 83 

staltig hij de eersten vond, zoo eerbiedwaardig en schoon in haren eenvoud 
vond hij de andere. 

En hij is een kolorist van uitstekende geliake; hij bemint de waarheid in de 
menschen en de waarheid in het schilderen; hij neemt de kleur even pittig 
en even scherp waar als de zeden: hij verbloemt geen van beide, hij geeft 
ze in al hun ongetemperde kracht, maar ook in al hun aantrekkelijke eigen- 
aardigheid weer. Terwijl de itaUaniseerenden niet alleen zochten naar beha- 
gelijke lichaamsvormen, maar ook naar opgesmukte tonen en tinten, hield hij 
vast aan de oude vaderlandsche overlevering van eerlijke waarneming der wer- 
kelijkheid en van hoog koloriet. Er lag iets boersch in de wijze waarop hij 
die overlevering toepaste : brokken uit den heele van stevig rood, ongemilderd 
wit, volle geel en bruin leggen kruimige plekken op zijn tafereelen, maar ge- 
ven hun een stevigheid, die gunstig afsteekt tegen de gezochtheid van de ver- 
waterde en verliflafte verwen der Romanisten. 

Hij schildert echter niet altijd in volle kleuren, hij wist ook dat in de na- 
tuur de tint van menschen en dingen verweer*^ en een zachtheid en warmte 
krijgt, die harmonie brengt tusschen de hoogste en de schelste tonen. Dit had 
hij opgemerkt en dit gaf hij in zijn schildering weer. Zijn koloriet is daarom 
stevig en malsch, eenvoudig en onderscheiden, natuurlijk en kunstig ter zelf- 
der tijd. Hij weet zijn volle tonen te verzachten, warmer of koeler te maken, 
te streelen en te koesteren zonder hun pit en kracht te ontnemen. Zoo leverde 
hij van die heerlijke bruinen, van die kostelijke gelen van die prachtige roo- 
den, die zijne werken eene ongemeene aantrekkelijkheid en hem een waarde 
als schilder geven, die moeilijk te overschatten is. Terwijl de andere schil- 
ders schitterende tonen naast elkander plaatsen in volle kracht en heerlijkheid, 
gebruikt hij eenvoudige boersche kleuren, maar weet hun door ze met licht 
te drenken, door ze te toetsen, zooals in de werkelijkheid de lucht alles tint 
en toetst, een fijnheid en kostelijkheid te geven, die zijn voorgangers niet ken- 
den, maar die wij bij zijne opvolgers en inzonderheid hij boerenschilders als 
Brouwer en van Ostade zullen bewonderen. 

Voor enkele jaren bezat de Louvre van Peter Bre^ughelU geen enkel stuk. Wel 
stonden toen op zijn naam een paar zeer kleine schilderijtjes. Gezicht op een 
dorp en Boerendans, maar geen van deze beiden kan met eenigen schijn 
van grond hem toegeschreven worden. In 1892 werd aan het Museum een 
ander klein stukje geschonken door Paul Mantz, getiteld de Bedelaars, 
gedagteekend van 1568 en merkwaardig fijn van toon, een fraai staaltje van 
's meesters keurigen trant. Eindelijk verwierf het nog de schilderij, waarvan 
wij hierbij de gravuur laten gaan en die om meer dan ééne reden van 
ongewoon belang is ; zij behandelt hetzelfde onderwerp als een groot stuk 
van Breugel, dat toehoort aan het Museum van Napels, ook van 1568 ge- 
dagteekend en in waterverf geschilderd is. Onze meester gebruikte wel 
eens meer die ouderwetsche stof. Zoo bezit het Museum van Napels een twee- 
de stuk en de heer Ed. Fétis een tafereel de Drie Koningen, die op dezelf- 



84 PETER BREUGHEL DE OUDE. 

de wijze geschilderd zijn. Het stuk uit den Louvre is geen trouwe kopie van 
dat uit het Museum te Napels. Wel zijn de personages in hun handeling vol- 
komen dezelfde, wel stemt het landschap in zijn groote trekken overeen, maar 
in vele gewichtige bijzonderheden verschilt voor- en achtergrond van de eene 
schilderij met die van de andere. Breughel heeft zich zelven herhaald zonder zich 
te kopieeren. Daarbij komt dat de heele vinding en ineenzetting pittiger en ei- 
genaardiger, de bewerking rijker en keuriger dan gewoonte is, hoedanigheden 
genoeg om het werk voor een van Breughels meesterstukken uit te roepen. De 
Louvre kocht het in de openbare veiling van baron Leys in Antwerpen tegen 
18.000 frank, den hoogsten prijs, die ooit voor een schilderij des kunstenaars 
betaald werd. Die prijs was een verrassing voor iedereen, ook voor het Ant- 
werpsche Museum, dat gaarne het stuk zou bezeten hebben, maar zijn verte- 
genwoordiger geen vrijheid gelaten had een prijs te besteden zoo hoog en zoo 
geheel buiten de vroeger aan schilders werken betaalde. Na die veiling mag 
men gerust zeggen, dat de goede werken van Breughel verdubbeld zijn in geld- 
waarde, en die stijging in prijs is het gevolg der meerdere aandacht,, die men 
in de laatste tijden gewijd heeft aan de kunst van den meester en de groo- 
tere achting, die men er voor is gaan gevoelen. 

Het onderwerp der schilderij is eene plaats uit het Evangelie van Mattheus 
(Cap, XV, v. : 14) waarin Christus zegt : ,,De Phariseërs zijn blinden en leiders 
van blinden. Zoo een blinde een blinde leidt vallen beiden in 
den put." Zes blinden gaan door het dorp, zij houden elkander vast bij den 
schouder of bij middel van hun gaanstokken. De eerste, de leider, is in den put 
getuimeld; de tweede valt boven op hem; de anderen gaan voort en geen twij- 
fel of hetzelfde lot staat hun te wachten. Op den achtergrond strekt het dorp 
zich uit met zijn kerk en het grasplein daarvoor, waarop de boer zijn koe weidt 
en de hoenders rondloopen, met zijn beek, waaraan een tweede koe drinkt, met 
zijn hoeven en huizen tusschen de bosschen verspreid. 

De jammerlijke geschiedenis der blinden werd wel vroeger verteld, maar nim- 
mer op zoo humoristische en terzelfder tijd zoo pakkende wijze. Het is grap- 
pig en treurig : die menschen zijn ongelukkige stumpers, deerniswekkende mis- 
deelden: in gewone omstandigheden zouden zij medelijden wekken; maar het 
ligt niet in Breughels aard of bedoeling het menschelijk hart week te maken; 
hij wekt veel liever lachlust. Hij maakt dus van zijne blinden bedelaren, die 
op den boer gaan en een plunje zoo potsierlijk als schilderachtig dragen : 
een lichten of donkergrijzen of witten mantel, een hoofddeksel zonder naam 
en zonder vorm, een hoed of muts of koof, grijze, witte, roode of groene broe- 
ken en kousen; aan den gordel een bedelzak of eenig ander gerief. En hun 
hoofd ziet er al even wanstaltig uit : een aangezicht zonder oogen, slecht ge- 
schoren, verhard en verwoest door weer en Avind. Zoo strompelen zij daar voort 
met klagende uitdrukking en deerniswaardige onbeholpenheid; onmachtig om 
zich zelven te helpen kunnen zij elkander nog minder bijstaan. Een heel ge- 
dicht van kommer en ellende staat op hun uiterlijk te lezen, het spreekt van dagen 



PETER BREUGHEL DE OUDE. 85 

zonder brood, van nachten zonder dak, van gesukkel langs den openbaren weg, 
ten laste van den boer, tot spot van de kinderen. Want zij zien er vreemd en 
belachelijk uit en nog kluchtiger tooneel gaan zij verbeelden, wanneer zij straks 
het voorbeeld van hun leider volgende, hals over kop in den put zullen bui- 
telen. 

Maar terzelfder tijd als de ongenadige opmerker en spotter dit jammerlijk 
menschensnoer op den voorgrond voorbij laat trekken, laat de bewonderaar der 
altijd gezonde en altijd heerlijke natuur op den achtergrond een gezicht oprij- 
zen zoo helder en rustig, zoo liefelijk en lachend als het andere wanstaltig 
en onrustig is. Wat ziet er zoo'n boom frisch en forsch uit; wat heeft zoo 'n 
koe pret in de weide; hoe vriendelijk lacht u zoo 'n gevel en dak en toren 
uit het verschiet toe: die weten van geen menschelijke ellende en leelijkheid, 
hunne waarheid is altijd gezond en deftig. Er is klaarblijkelijk fantasie in de 
potsierlijkheid der menschen : Hieronymus Bosch is niet vreemd aan die grap- 
pige aantakeling; er is geen fantasie, enkel eerbiedige weergeving in het 
landschap. 

En nu de kolorist. De lucht is helder, vast tot hardheid toe, maar het is 
een lichtende vastheid, waartegen gebouw en gewas krachtig afsnijden. De 
grond is bruin, groenbruin is het loof der boomen, lichtbruin of groenachtig 
zijn de gebouwen, vaalgroen de weide : het is een heele toonladder van bruine 
en sobere tinten, waarin het licht van den dag heerlijke fijne spelingen legt, 
een mengeling van stevigheid en malschheid. Zoo ook in de figuren en de klee- 
deren van weinig verschillende grondkleuren, maar rijk aan tinten, die aan de 
schijnbare armoede van het palet een ongemeene kostelijkheid geven. De 
schilder heeft de werking van het licht op de neutrale, weinig sprekende tonen 
gadegeslagen en gevonden dat het er een ingewikkeld leven en hooge waarde 
aan geeft. Hij weet de tonen door elkander te doen gelden; het kouder grijs 
in al zijn schakeeringen komt gelukkig uit op het warme bruin, doortrokken 
van licht; een plekje rood of wit doet zich gelden op de stillere tonen. Eene 
ontdekking en verrijking der kunst is deze tegenstelling der kleuren, die op 
een samenwerking uitloopt, en deze werking van het licht, die de tonen verzacht, 
vermalscht en veredelt zonder dat ze er door ontaarden. 

Wij zegden, dat Breughel twee zonen had, die als schilders roem verwier- 
ven. Jan en Peter; de eerste, die een gansch anderen trant aanneemt; de 
tweede die zijn vader trouw blijft. De laatste vooral is belangrijk in de ge- 
schiedenis van den ouderen Peter. Inderdaad er valt niet te twijfelen of de 
jonge Peter kwam zijn vader zoo dicht bij dat de werken van beiden allicht 
met elkander moeten verward zijn. Nooit kwam dit treffender uit dan in de 
veiling Leys, waarvan wij reeds spraken. De groote Antwerpsche schilder, die 
zooveel van de Breughels leerde en ze zoo hoogschatte, bezat niet alleen d e 
Blinden en een ander fraai stuk van Boeren Breughel, maar ook een Boeren- 
bruiloft. geteekend ,,P. Breughel 1610" een Winterlandschap met schaat- 
seniijders van 1621 en een Boerenkermis van 1626; al deze stukken van den 



86 PETER BREUGHEL DE OUDE. 

zoon zijn van groote kunstwaarde en bewijzer klaar de ongemeene verdien- 
sten van den helschen Breughel. Welnu onder de werken van Boeren Breughel 
zijn er die wij kennen uit gravuren, terzelfder tijd als uit schilderijen. De mee- 
ning is vooruitgezet, dat de jongere Peter de teekeningen van den ouden tot 
onderwerpen zijner schilderijen bezigde en die zoo uitstekend in kleur bracht, 
dat zij voor het werk van den vader doorgaan. Voor sommige werken doet dit 
twijfel ontstaan, aan wie van beiden zij toe te schrijven zijn. De vraag is op 
dit oogenblik wel opgeworpen, maar niet opgelost; het valt niet in ons be- 
stek ze hier nader te onderzoeken. 





PETRUS PAULUS RUBENS. 

DE DRIE SCHIKGODINNEN DEN LEVENSDRAAD 

VAN MARIA VAN MEDICI SPINNEND. 



15. R R RUBENS. 



I. 

De Louvre bezit een aanzienlijk getal schilderijen van Rubens : vooreerst de 
wereldberoemde Geschiedenis van Maria van Medici, bestaande uit 
24 stuks, over welke wij later wat uitvoeriger willen spreken en dan nog 17 an- 
dere werken afzonderlijk in den loop der tijden aangeworven. 

Een dezer stukken de Vlucht van Loth(Nr. 425) draagt een jaartal en 
eene handteekening, het is een van het halfdozijn stukken, die Rubens aldus ken- 
merkte. Het jaartal is 1625. De Catalogus geeft niet aan op welke wijze het in 
de verzameling gekomen is, maar voor mij bestaat er geen twijfel of het is ge- 
maakt voor het Fransche hof gedurende het laatste verblijf, dat de meester 
in Parijs maakte om de Medici-Galerij af te werken en te plaatsen. Het is nog 
geheel in den trant van de galerij zelve en van 's meesters vroegere jaren, 
trant dien hij na zijn terugkeer uit Frankrijk voor goed zou vaarwel zeggen. 
Loth en zijne vrouw verlaten de veroordeelde stad. De eerste volgt gedwee, 
maar diep bedroefd den engel die hem leidt; de laatste aarzelt en keert zich 
om, luisterende naar den engel, die haar vermaant voort te gaan zonder het 
hoofd om te wenden. De twee dochters volgen; de eene in een mand op het 
hoofd den huisraad dragende, de andere den ezel bij den toom leidende. Het is 
een rei beeldschoone, zware gestalten in harmonische beweging vooruitgaande; 
met zorg geteekend, geschilderd met dunne verf in rijke bonte kleur en ge- 
broken tonen met overvloedig licht, dat van gulden klaarte rechts naar vaster, 
koeler helderheid links overgaat. 

Behalve de dagteekening komt er op de schilderij een kleine bijzonderheid 
\üor, die bewijst dat zij wel gemaakt is terzelfder tijd als de Medici-Galerij. 
Nevens de voorste der dochters loopl een schoothondje, hetzelfde diertje dat 
Rubens afbeeldde in het stuk de Geboorte van Lodewijk XIII en dat 
de infante Isabelle hem had meegegeven om het aan de koningin van Frank- 
rijk van harentwege te schenken." 

Een ander stuk uit den Louvre, dat insgelijks door Rubens geschilderd werd 
gedurende zijn verblijf te Parijs in 1625, is het portret der koningin van Frank- 
rijk Anna van Oostenrijk (Nr. 459). Ongelooflijk mag het heeten, maar waar 
is het, dat dit portret eener koningin van Frankrijk in het groot Museum van 
Parijs eenen verkeerden naam draagt en gedoopt is „Elisabeth koningin van 
Spanje," terwijl elders, zooals in het Rijksmuseum te Amsterdam, het zijn echten 
titel voert, Anna van Oostenrijk was vooraan in de twintig toen Rubens ze 



88 P. P. RUBENS. 

schilderde. Eene schoone vrouw was zij niet, daarvoor waren hare oogen te dik 
hare oogschelen te zwaar en het onderdeel van het gelaat te log; maar zij had 
wonderschoone armen en handen en Madame de Motteville getuigde van haar, 
dat heel Europa er den lof van zong en dat hunne blankheid die van de sneeuw 
evenaarde. Het is een staatsieportret, maar de stijfheid en loomheid van het 
model meer nog dan de vorstelijke praal, waarmede het omgeven is, nemen 
de grootste aantrekkelijkheid weg, die een vrouwenportret hebben kan : leven en 
bevalligheid. 

Een ander portret uit den Louvre werd eveneens door Rubens in Parijs uit- 
gevoerd en het model staat in betrekking tot de Medici-Galerij. Het is dat van 
baron de Vicq, ambassadeur der Spaansche Nederlanden bij het Fransche hof 
in den tijd toen Rubens zijn groot werk voor de koningin-moeder schilderde (Nr. 
458). De overlevering wil dat door toedoen van dezen staatsman de uitvoering 
der Medici-Galerij aan den grooten kunstenaar werd opgedragen. Dat hij een 
hoofdrol hierbij zou gespeeld hebben is niet aan te nemen: Maria van Medici 
was de zuster der hertogin van Mantua, wier hofschilder Rubens lange jaren was 
geweest, zijn roem was heel ons land door en ook over de grenzen verspreid 
en de vorstin zal wel zelve de keus van den schilder harer geschiedenis ge- 
daan hebben. Dat baron de Vicq in de onderhandelingen tusschen de Fran- 
sche vorstin en den Antwerpschen kunstenaar optrad is echter hoogstwaarschijn- 
lijk. Rubens schilderde zijn portret en dat zijner vrouw in of rond 1625, zonder 
twijfel te Parijs. Beide portretten zijn bij elkander gebleven tot in 1850, wan- 
neer zij in de veiling van koning Willem II gescheiden en aan verschillende 
koopers toegekend werden. Het portret van den baron de Vicq is dat van een 
stoeren, krachtigen, ofschoon grijzenden man, in stevigen breeden trant geschil- 
derd. 

Een derde portret staat ook, ofschoon minder rechtstreeks in verband met 
de Medici-Galerij, dat der dame uit de familie Boonen (Nr. 461). Het stuk werd 
aangekocht door den hertog van Choiseul in de veiling der baronnes van Boo- 
nem (Brussel, 1776); het droeg toen en niet ten onrechte den naam van „eene da- 
me uit de familie van Boonem" dien het tot heden toe nagenoeg bewaard heeft. 
In 1793 kocht de Staat het aan. Het heeft lange jaren gehangen in de groote 
galerij van den Louvre vlak onder het stuk de Opvoeding van Maria 
van Medici en in dit stuk kwam dezelfde vrouw voor als eene der Drie Gra- 
tiën. De overeenstemming der twee hoofden is volkomen en echter schijnt zij 
niemand opgevallen te zijn. De vrouw die hier afgebeeld wordt, behoorde dus 
tot de bekenden van Rubens; wij mogen er bij voegen dat zij was zijne beste 
vriendin, zoodat men, oneerbiedig genoeg en zonder eenig bewijs, haar den naam 
van 's kunstenaars geliefde heeft gegeven. Zij is niemand anders dan de V r o u w 
met den Strooien hoed uit de National Gallery van Londen, Susanna 
Fourment, de toekomende schoonzuster van Rubens. 

Vóór en na zijn huwelijk met hare zuster Helena schilderde Rubens haar her- 
haaldelijk. In zijn eigen sterfhuis bevonden er zich niet minder dan zeven exem- 



P. P. RUBENS. ' 89 

plaren van haar portret. En toch men ziet het hier zoowel als in Londen, zij 
was geene vrouw die een Antwerpenaar „een stuk van Rubens" zou heeten, ver- 
re van daar, zij is teer van lichaamsbouw, fijn van gelaatstrekken, met groote 
oogen die u droomerig aankijken, eene vrouw die aantrekt door haar verstandig 
uitzicht eerder dan door haar weelderig uiterlijke. Zij moet Rubens' uitverko- 
rene geweest zijn naar den geest, de vrouw die hem verstond en met wie het 
hem een genot was van gedachten over zijne kunst te wisselen. 

Susanna's zuster Helena Fourmant, die wij daar zooeven noemden, hangt ook 
hier (Nr. 460). Zij was Rubens' tweede, hartstochtelijk beminde vrouw. Zij is af- 
gebeeld met een harer kinderen op den schoot, een tweede staat links, rechts 
ziet men een paar vooruitgestoken kinderhanden die aan een derde wicht toe- 
hooren. Het stuk is merkwaardig, vooreerst omdat het onafgewerkt is geble- 
ven en men aldus te zien krijgt hoe de meester zijn werk aanlegde en voort- 
zette. Op een lichten amberkleurigen grond schilderde hij de hoofden tamelijk 
ver af, het overige is enkel geschetst, het witte kleed van Helena Fourment 
en haar grijze hoed met witte pluim, het zwarte mutsje van het kind op haren 
schoot, met rood lint, zijn zwart kleed en dat zijner zuster, met de roode dra- 
perij op den stoel, is al wat er hier kleur heeft. En niettemin is het werk meester- 
lijk, zoo levendig zijn de hoofden, zoo fijn de lichtjes aangeduide tonen. 

Niets natuurlijker dan te veronderstellen dat het geschilderd werd in Ru- 
bens* laatste levensdagen en dat de dood hem belette het te voltooien. En noch- 
tans zou men zich bedriegen. Wij kennen de twee kinderen, die hier afgebeeld 
staan; het meisje is het oudste kind van Helena Fourment, Clara-Joanna, ge- 
boren den 18en Januari 1632; het jongetje op moeder's schoot is Frans, haar 
oudste zoontje, geboren den 12en Juli 1633, de lieveling zijns vaders; de uitge- 
stoken armen zullen wel toehooren aan den onzichtbaren jongeren dreumes Isa- 
bella-Helena, geboren den 3en Mei 1635 Clara-Joanna kan 5 jaar oud zijn; 
Frans drie en half, de jongste zou dan anderhalf jaar tellen en de schilderij 
moet gemaakt zijn in het begin van 1637, ruim drie jaar voor 's meesters af- 
sterven. Tusschen zuster en broer ziet men eenige vegen verf in de lucht; het 
is de schets van een vogel, waarmede de kleine jongen speelt, zooals het kruk- 
je bewijst dat hij in de hand heeft. 

Behalve de Vlucht van Loth bezit de Louvre verscheiden godsdiensti- 
ge stukken van Rubens vooreerst een Elias in de Woest ij n (Nr. 426) 
en een zoo genoemde Triomf van den Godsdienst (Nr. 432). Volgens 
den Catalogus, die hierin de legendarische overlevering herhaalt, zouden beide 
schilderijen deel gemaakt hebben van de kartons eener reeks tapijtwerken be- 
staande uit negen stukken, welke Philips IV aan Olivares zou geschonken heb- 
ben om er het Karmelieten klooster van Loeches, dat hij gesticht had, mede 
te versieren. De waarheid is dat de tapijten gemaakt werden in het jaar 1627 
voor de Infante Isabelle, die ze schonk aan het klooster der Descalzas Reales 
te Madrid, waar zij zich nog bevinden. De volledige reeks bestaat uit twaalf 
stuks, een der twaalf werd in vieren verdeeld, zoodat het geheele getal steeg 



90 P. P. RUBENS. 

tot vijftien. Hun oorspronkelijke naam en onderwerp was de Triomfen en 
de figuren van het H. Sacrament des Altaars. De kartons 
bleven tot in 1648 in het paleis der landvoogden te Brussel, dan werden zij op 
zijn verzoek gezonden aan koning Philips IV', die ze waarschijnlijk schonk 
aan de kerk van het klooster van Loeches. De schetsen, die terzelfder tijd naar 
Madrid gezonden werden, bleven in het bezit des konings en bevinden zich 
nu nog in het Museum te Madrid. De schilderijen, die tot in 1808 in de kerk 
te Loeches hingen, werden in dit jaar door de Franschen ontvoerd; twee ervan 
werden geschonken aan generaal Sebastiani, die ze verkocht aan den Louvre; 
de vier andere kwamen later en zijn nog in het bezit van den hertog van West- 
minster te Londen. Het tweede genoemde der stukken uit den Louvre stelt voor 
de Zegepraal \an het H. Sacrament op de Wijsbegeerte 
en de Wetenschap. Beide stukken zijn de minste uit de reeks : het zijn 
weidsche, ruwe schilderingen gemaakt om te dienen als modellen voor de tapijt- 
wevers, op doek gebracht door leerlingen naar de schetsen van den meester en 
door dezen vluchtig hertoetst. 

Dan komen een paar groote altaarstukken vooreerst de Aanbidding der 
Koningen, die besteld werd door de weduwe van Petrus Peckius, den kan- 
selier van Brabant, voor het hooge altaar der kerk van de Annonciaden te Brus- 
sel. De twee dochters van den staatsman woonden in dit klooster, hij zelf werd 
in de kerk ervan begraven. Die kerk werd in 1627 gewijd, het was in dit jaar 
of korts daarna, en niet in 1612 zooals de catalogus van den Louvre zegt. dat 
het stuk werd geschilderd. Het is een van Rubens' beste werken grootendeels 
van zijn eigen hand, gelukkig van ineenzetting en schitterend van kleur. De 
hooge tonen der vorstelijke gewaden, rood, oranje, goud en zilver, wisselen af 
in rijke harmonie, en worden verhoogd door de malsche schaduwen en ver- 
zacht door de speling van lichten en tinten. 

Het tweede groote stuk is een Christus aan het Kruis met Maria, Jo- 
annes en Maria Magdalena (Nr. 431) geschilderd in 1616 of 1617 voor het hoofd- 
altaar der Jezuïetenkerk te Sint Winnoxbergen, zonder groote kracht van kleur 
maar in stille gesmijdige tonen. Wat het stuk onderscheidt is de diepte der 
uitdrukking : de Godmensch is gestorven, de menigte heeft den Golgotha verlaten, 
enkel een drietal getrouwen zijn overgebleven en dragen de wanhoop op hun 
gelaat. De verduistering der zon heeft opgehouden, de hemel is opgehelderd en 
een zacht gelijk licht heerscht overal. Het is een tooneel van verlatenheid: de 
misdaad is zegevierend heengegaan, de deugd is overgebleven, alleen met 
hare smart en rouw. 

Eindelijk een paar Madonna's. De Moedermaagd omringd door de 
heilige onnoozele kinderen heet het eene stuk (Nr. 448). Onze Lieve 
^'rouw met het kind op den arm is omringd door een veertigtal engelen, waarvan 
enkele haar dragen, anderen haar kronen, de overige rondom haar zweven. 
Rubens hield van dit onderwerp en schilderde het meer dan eens. Het stuk uit 
den Louvre onderscheidt zich van de andere doordien de engelen talrijker en 



P. P. RUBENS. 91 

kleiner zijn. Kinderen waren voor den grooten dramatischen kunstenaar de lie- 
felijkheid en de vreugde in het leven; hij was nooit moe de malschheid hunner 
lijfjes, de gratie hunner beweging, de argelooze guitigheid hunner gezichtjes 
te bewonderen en te doen uitkomen. Hij deed het hier met ongeëvenaarde licht- 
heid van hand en frischheid van toon. Ieder bewonderaar van Rubens heeft een 
stuk dat hij voor het beste van zijn werken aanziet ; Jozef Israëls bekende mij 
dat hij deze Madonna met de engelen hield voor het schoonste aller stukken van 
den meester. Het dagteekent van 1615 ongeveer. 

De andere Madonna, Onze Lieve \'rouw met het Kind en Enge- 
len in eenen bloemenkrans (Nr. 429) werd geschilderd in 1621 voor den 
kardinaal Frederik Borromaeus, een der helden van Manzoni's Ipromessi 
Sposi. De vloeren Breughel schilderde er de bloemen rond en schreef er 
over aan den zaakgelastigde van den kardinaal: .,Ik zend U hierbij het schoon- 
ste en zeldzaamste stuk dat ik van mijn leven maakte. De heer Rubens heeft 
ook bewijs gegeven van zijn talent in het middeldeel, waar hij een zeer fraaie 
Madonna geschilderd heeft. De vogels en de dieren zijn geschilderd naar het 
leven en naar. die welke de doorluchtige Infante (Isabella) bezit." Het stukje is 
inderdaad zeer lief; Rubens heeft zich klaarblijkelijk beijverd om zijn tonen in 
harmonie te brengen met de vastere, meer emailachtige penseeling van zijn me- 
dewerker. 

Van geheel anderen aard is de Boeren kermis (Nr. 462\ een van Ru- 
bens' meesterstukken. Het werd door hem geschilderd na 1635, wanneer hij den 
zomer placht door te brengen op zijn pas aangekocht landgoed. Buiten een klei- 
neren Boerendans in het Museum te Madrid is dit het eenige stuk dat hij 
gewijd heeft aan landelijke pret. Maar hij heeft zijn onderwerp op zijn manier 
opgevat, zooals geen andere het deed noch doen kon. Hij heeft aan die kermis- 
vreugde eene epische grootheid geleend, die van zijn stuk het heldendicht van 
het Vlaamsche vreugdebedrijf maakt. De boeren van Teniers vergeleken bij de 
zijne worden stille voorname lieden, die van Ostade verfijnde dorpelingen, die 
van Brouwer versufte drinkebroers. Hier leeft alles met eene uitgelatenheid en 
eene ongebondenheid, die deze kermishelden boven eerder dan beneden het men- 
schelijke stelt. Met zooveel toomeloosheid, met zooveel Berzekirs-woede werd 
er nooit gedronken, gedanst, geminnekoosd : het is een titanenwerk in zijnen 
aard. Ook als schildering, als uitbundigheid van kleur en licht is het een mees- 
terstuk. 

Twee landschappen van Rubens bezit de Louvre. Het een (Nr. 464) een veld- 
gezicht, waar twee houtzagers aan het werken zijn, en een vogeljager op steek 
zit bij zijn net. Het is in den morgen, de zon is daar zoo even opgestaan en zendt 
hare jonge stralen door de dampen, die het veld nog overdekken, een tooneel 
dat Rubens gezien heeft en waar hij meer de stemming dan de bijzonderheden 
van weergeeft. 

Het tweede stuk, indien men ook dit een landschap mag heeten, verbeeldt een 
Steekspel dat gehouden wordt bij ondergaande zon in de nabijheid van een 



92 P. P. RUBENS. 

kasteel, welk aan Rubens' zomerverblijf ,, Steen" herinnert (Nr. 463). Evenals 
het eerste is dit zeer vluchtig geschilderd, niet veel meer dan geschetst, zoodat 
beide stukken wel tegenhangers schijnen te zijn, het eene een morgen- het andere 
een avondtooneel weergevende. Wel zijn beide in een zelfden tijd, in 1639 on- 
geveer, geschilderd, maar verder zijn zij geheel onafhankelijk van elkander. 

Onder de stukken, die de Louvre reeds sedert geruimen tijd bezit, valt nog te 
vermelden een landschap met een regenboog, waarin herders hunne kudde wach- 
ten en zich met fluitspel vermaken (Nr. 465). Het stuk is de middelmatige her- 
haling van een oorspronkelijk werk, dat zich in de Ermitage bevindt. Ten on- 
rechte wordt ook aan Rubens toegeschreven een Vlucht in Egypte (Nr. 430) 
Onder de vele misslagen door de opeenvolgende schrijvers van den Catalogus 
begaan is wel de koddigste, dat zij dit stuk voor echt doen doorgaan er bij- 
voegende dat een tweede exemplaar, dat zich in den tijd van Napoleon I te 
Parijs bevond en toen voor een pasticci de Dietrich doorging aan Cassel 
werd teruggegeven. Het stukje van Cassel integendeel is een juweeltje van Ru- 
bens' hand in navolging van Elsheimer geschilderd; dat van Parijs is een on- 
beduidende kopie van het werk van den Duitschen schilder. 

Onder de stukken ,, toegeschreven" aan Rubens verdient aangestipt D i o g e- 
nes die een mensch zoekt (Nr. 467). Het groote werk is inderdaad niets 
meer dan een atelierstuk, maar de samenstelling is wel van Rubens, zooals 
bewezen wordt door de schets die hij er voor maakte en die het Museum van 
Frankfort bezit. 

Onder de laatst aangeworven stukken dient nog vermeld een fraaie kleine 
schetsder Verrij zenis van Lazarus (Nr. 692). Het groote eenigszins gewij- 
zigde stuk bevindt zich in het Museum van Berlijn. 

Met de verzameling Lacaze zijn tal van Rubensen in den Louvre gekomen, 
geene echter van bijzondere waarde. De meeste zijn schetsen : belangrijk onder 
deze zijn vier stuks voor de plafonds der Jezuïeten-kerk van Antwerpen Abra- 
ham en Isaac, Melchisedech en Abraham, de Kruisrechting en 
de Kroning van Maria. Verder nog de schets van Philopoemen 
krijgsoverste der Acheërs, waarvan de schilderij niet meer te vinden 
is, en de schets eener brok uit de Verheerlijking van Jacob I in Whi- 
tehall te Londen. Met de Lacaze-verzameling trad de Louvre nog in bezit van 
een portret van Maria van Medici, als genius van Frankrijk voorgesteld, een 
groot maar onbeduidend stuk en een studiekop gemaakt voor den H. Joris 
uit de schilderij de H. H. Dominions en Franciscus de wereld be- 
schermende uit het Museum van Lyon, verkeerdelijk door den Catalogus 
aangegeven als een H. Joannes. Een Romeinsch Landschap, een Job 
door de duivels geplaagd en het portret van een oud man zijn on- 
echt. 

Het voornaamste der afzonderlijke werken van Rubens die de Louvre bezit 
is Thomyris Wraak waarvan de afbeelding hierbij gaat (Nr. 433). 

Het stuk stelt een gruwelijke daad op eene meer decoratieve dan afschrik- 




PIETER PAULUS RUBENS. 
THOMYRIS' WRAAK. 



P. P. RUBENS. 93 

kende of aangrijpende wijze voor. Toen de koningin der Scythen, Thomyris, 
den koning der Perzen Cyrus had overwonnen, liet zij hem het hoofd af hou- 
wen en dit in een vat, met bloed gevuld, doopen, zeggende : ,, Verzaad u met 
bloed, gij die er altijd naar gedorst hebt." 

De koningin zit op haren troon, waar een viertal treden, met een bont Oos- 
tersch tapijt bedekt, heen leiden; boven haar welft zich een hemel van rood 
fluweel. Zij draagt een wit zijden kleed met gulden bloemen doorweven en een 
witzijden mantel, rijker met gouden figuren bezaaid en met hermelijn ge- 
voerd. Aan den rechterarm is een roode mouw van een ander kleed zichtbaar, 
van het hoofd op de schouders daalt een zwarte kanten sluier, hare voeten rus- 
ten op een blauw kussen. Haar bovenlijf is voorover gebogen; zij ziet naar 
het afgehouwen hoofd van haren vijand, door een beul boven een rijk ge- 
dreven koperen vat gehouden. 

Aan de linkerzijde der koningin bevinden zich twee jonge hofdames, de eene 
bruin van haar, gekleed in een amberkleurigen bouwen, waarover een blauwe 
draperie geslagen is; de andere is eene blonde, van wie men niets dan het 
hoofd ziet. Achter deze staat een oude vrouw, die men op meer schilderijen 
van Rubens aantreft en die al ouder en ouder wordt naarmate de schilderijen 
van jongeren datum zijn. Hier is zij een besje met tandeloozen mond, scherp 
vooruitstekende kin en ingevallen wangen. Aan de rechterzijde der koningin 
staan twee soldaten met Romeinsche helmen, en twee hovelingen, waarvan de 
oudste een tulband, de jongste een Hongaarsche pelsmuts draagt. Tusschen 
deze beiden hurkt de beul met het afgehouwen hoofd in de hand. Al de per- 
sonages richten den blik naar de verrichting van dezen laatste. Een hond- 
je staat tegen de vaas, gereed om het bloed op te likken, dat van het vat 
zou druppelen. In het bovendeel, tusschen de roode draperie en een torso- 
kolom, heeft men uitzicht op een licht bewolkten hemel. 

Hei drama beslaat weinig plaats in de samenstelling. Zeer koelbloedig, 
zachtzinnig, ik geloof waarlijk glimlachend, buigt de koningin het hoofd om de 
bloedige daad aan te zien. Hare maagden staan heel koel in haren prachti- 
gen dos en hare prachtige gestalte met kinderlijke argeloosheid overeind; en- 
kel verwaardigt zich een der twee ter nauwemood haar hoofd, haar blanke 
blonde hoofd, te buigen met eenige nieuwsgierigheid. Aan de andere zijde rij- 
zen de maannen op in hunne gewichtige deftigheid, en ook alweer in hunnen 
rijkgekleurden dos; de oude heel voornaam neerblikkend zonder er veel acht 
op te slaan; de roode, de eenige die nauw toeziet, let op of het werk netjes 
wordt verricht, maar blijft anders hardvochtig, onbewogen. Van den beul al- 
leen is het gelaat tot een wreeden grijns vertrokken. Wat het meest treft in 
hem is de knoestige arm, die aanduidt dat er een werk van ruwe macht en bar- 
baarsche ongevoeligheid wordt gepleegd. 

Hoe is die onbewogenheid, dit gebrek aan dramatische kracht in den dra- 
matischen kunstenaar bij uitnemendheid te verklaren ? Rubens was, ja, in zijne 
kunst een ongeëvenaard tragisch dichter: het roerendste en het wreedste, het 



94 P. P. RUBENS. 

heldhaftigste en het meest bewogen onderwerp durfde hij aan, en zoo grootsch 
of zoo gruwehjk kon het niet zijn of zijn bewerking klom aan en tot boven 
het peil van het gekozen drama. Men denke slechts aan zijn Christus in de 
Kruisrechting van 1610, aan zijn Geschiedenis van Decius Mus 
van 1618, aan zijn Slag van Ivry van twaalf jaar later, aan zijn Moord 
der Onnoozele Kinderen, zijn Martclie van Sint Lieven en zijn 
Feestmaal van Herodes uit het laatste tiental zijner levensjaren om zich 
te overtuigen dat het niet was uit gebrek of verzwakking van tragische ontroe- 
ring en dramatische uiting, dat hij deze gruweldaad zoo zachtzinnig opvatte. 
Waar is het dat hij in zijn eerste tijdperk (1600 — 1610), waarin het krachtige 
en reusachtige overheerscht, den toeschouwer sterker zou aangegrepen hebben, 
en dat hij in het tweede gedeelte zijner kunstenaarsloopbaan (1610 — 1624), waarin 
vooral de kleur hem aantrekt, het ontzettende der daad meer hadde doen uit- 
komen. Dit laatste zeggen wij niet, als een gissing of gevolgtrekking uit het 
gezamenlijke zijner werken, maar op vasten grond. Rubens toch behandelde Tho- 
myris' wraak tweemaal ; eens in het stuk uit den Louvre en eens in een 
ander werk, dat toehoort aan lord Darnley en dat door de gravuur van Pontius 
beter bekend is dan dat, welk wij hier bespreken. Het oudste der twee dag- 
teekent van rond het jaar 1623. Daar als hier aanschouwt Thomyris hare 
wraakoefening, maar niet onbewogen blijft zij bij dit schouwspel; haar gelaat 
vertrekt, krampachtig spreidt zij de vingeren uit, heel hare omgeving volgt met 
levendiger belangstelling het beulenwerk. 

Maar tusschen de eerste en de tweede bewerking van hetzelfde thema was 
een tiental jaren verloopen en in dien tusschentijd had Rubens' trant zijn 
laatste omschepping ondergaan. Hij was meer en meer schilder geworden, en 
had aan de kunst van penseelen langs om meer die van teekenen en samen- 
stellen ondergeschikt gemaakt. Het spel van kleur en tint, van licht en weer- 
schijn was meer en meer een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem 
gaan uitoefenen, en of dan zijne personages wat minder of wat meer tot het 
gemoed spraken, daarom bekommerde hij zich minder. Als zijn verf maar bekoor- 
de, als hij er maar in slaagde uit zijne tonen van kleur en van licht een ge- 
heel te scheppen dat hem behaagde, een schilderwerk waar zang in was, een 
gedicht in verf met zijn eigen rythmus, zijn eigen welluidendheid en harmonie, 
dan was hij tevreden en vierde hij zijn hoogsten triomf. En dit wilde hij en 
bereikte hij in de tweede uitgave van zijn Thomyris. 

De rijkdom van tonen, het oneindige spel van licht en kleur, dat hij hier bij- 
eenbracht, is iets ongeëvenaard. In het midden het witzijden kleed der koning- 
in met het goud er op, gedeeltelijk in volle blank licht, gedeeltelijk in door- 
schijnende schaduw; rechts het weidsche amberkleurig kleed, op welks breken- 
de plooien het licht een fonkeling strooit van goud alsof het zelf geheel van 
het edel metaal ware; daarnevens de blauwe sluier en de purperen mouw; aan 
de overzijde het kapitale roode gewaad met de vale pelsmuts en de vale hooge 
laarzen; aan de benedenzijde het blauwe voetkussen, het oostersche tapijt, het 



P. P. RUBENS. 95 

witte en zwarte hondje, het kostehjke vat; in de hoogte de roode draperie, 
de Hchte hemel, de kostehjk bewerkte kolom, en ter halver hoogte de lich- 
tende vleezen van aangezicht, schouders en handen, het helderste en glan- 
zendste deel van al, waar het overige slechts tot omlijsting van dient. 

De werking van het licht in dien rijkdom van kleur is al even heerlijk. Het 
daalt van rechts omhoog naar links omlaag, treft eerst de vrouwenhoofden in 
volle blankheid en valt dan in volle kracht op den blooten arm van den beul 
en op het gelaat van den man in het rood. Het glijdt langs de blauwe dra- 
perie der vrouw naar haar amberkleurig kleed, waarvan het de rondingen en 
brekingen in fonkelende schittering doet glansen en glimmen, gaat van daar 
over het wit zijden kleed der koningin naar het roode kleed van den hoveling, 
stemmiger maar krachtig nog; in de hoogte en in de laagte verdooft het, 
doorschijnend, warm, donzig, nergens hard, nergens donkere vlekken leggende, 
spelende, overal, trillende, de kleuren verbindende, een tooverstaf in de hand van 
een dichter. 

Voor Rubens zijn de personages minder denkende en handelende menschen 
geworden dan wel dragers van licht en kleur; de wereld is in een onmetelijken 
tuin omgeschapen, waarin hij rondgaat bloemen plukkende en tot den liefelijk- 
sten aller tuilen samenlezende. Bloemen handelen niet, denken niet, hun rol be- 
paalt zich bij kleuren en schitteren. En dit geeft Rubens' werk in zijn laatste 
jaren meermaals te verstaan en te genieten. 

En daarom heeft zijn werk dan de heerlijkheid, die wij in zijn T h o m y r i s 
bewonderen en waaraan het stuk de eer verschuldigd is in de vierkante zaal van 
den Louvre onder de meesterstukken aller scholen te hangen. 

Vergeleken bij alles wat zich daar bevindt en waaronder de A n t i o p e van 
Correggio, de Bruiloft in Canaan van Paolo Veronese, de Onbevlek- 
te Ontvangenis van Murillo, la Belle Jardinière van Rafaël, het 
vrouwenportret van Rembrandt en zooveel andere schilderingen van helderen 
kleurenglans of lichtbruinen gloed tellen, is Rubens' stuk het meest lichtende, het 
rijkst gekleurde; geen meester weet licht met kleur en kleur met licht te door- 
dringen en te doen samenwerken als hij. Hij kende zeker nog wel wat meer 
en deed nog wel wat anders, maar daar spreken wij liever later nog eens over. 

Laat ons hier nog slechts aanstippen, welke zijn rol was in de geschiedenis 
der Vlaamsche Schilderschool en welke hervorming hij deze deed ondergaan. 
Rubens die geboren werd in 1577 en in 1600 naar Italië toog, had gestudeerd 
bij Tobias Verhaecht den landschapschilder, bij Adam van Noort den weinig 
gekenden en bij Otto Vaenius den welgekenden historieschilder. Deze laatste 
aan wien hij het meest te danken had is nog geheel en al italianiseerend. Hij 
behoort tot de laatste der Nederlandsche schilders, die hunne meesters en 
voorbeelden gaan zoeken over de Alpen en geen grooteren eeretitel kennen dan 
zoo dicht mogelijk bij een der nakomelingen van Rafaël of Michel Angelo te 
naderen, al behooren deze jongeren dan ook geheel tot de decadenten der roem^ 
volle meesters uit de jaren veertien- en vijftienhonderd. Rubens ging naar Ita- 



96 P. P. RUBENS. 

lië evenals zijne meesters en evenals alle Vlamingen der zestiende eeuw het de- 
den. Hij bleef er acht jaar lang, studeerde er met groote vlijt en keerde in 
1608 terug naar het vaderland. Hij was geheel doordrongen van bewondering 
voor de groote zuidelijke meesters en er is er geen van wien hij niets geleerd 
heeft : zoowel van de Florentijnen alsvan de Bolonneezen, zoowel van Rafaël 
als van Tiziano en de andere groote Venetianen. Maar hij was altijd zich zel- 
ve gebleven : hij bezat dit kenmerk van den grooten kunstenaar dat hij oorspron- 
kelijk was : hij had al wel een voorganger na te volgen, soms zelfs een schil- 
derij voor een goed deel te kopieeren; hij legde er altijd iets in dat van hem 
was en van hem alleen; hij had al wel zich te vervormen en geschiedenis, of land- 
schap, of dieren te schilderen, te teekenen of te schetsen: al wat hij voort- 
bracht waren stukken van Rubens. 

Hij nam van de Italianen over wat hij van hen benuttigen kon, neiging naar 
Academische korrektheid, zucht naar pralerige schoonheid, en bevallige samen- 
stelhng, alles wat zijne landgenooten een eeuw lang bekoord had en ze nog 
even lang bekoren moest; maar hij bracht er evenveel van het zijne bij. De 
academische korrektheid toetste hij aan de natuur, aan de Vlaamsche natuur 
vooral, zooals hij die zag en liefhad : rijkgevleesde lichamen, donzige leden, door- 
schijnende huiden, vrouwenwangen waar rozen op blozen en leliën op bloeien 
en zoo bracht hij een mengeling voort van zuidelijke kunst en noordelijke na- 
tuur, die aan de waarheid en de onmiddellijke waarneming een even groote 
plaats inruimde als aan de school en de overlevering. Hetzelfde deed hij in de 
kleuren : in plaats van de armoedige of valsche tonen, voor welke de italiani- 
seerenden het volle rijke koloriet der voorvaders verzaakt hadden, herstelde 
hij weer de machtige kleuren in eer, hun meer malschheid gevende dan vroe- 
ger en ze verwarmende, verlevendigende en tintende door zijne milde licht- 
speling. 

Daarbij blies hij de verrekelde en versuffende kunst de ziel in, die haar 
ontbrak. Hij zag helder en onbevangen de waarheid in de oogen, maar harts- 
tochtelijk klopte hem het hart in den boezem en van den overvloed van het 
leven, dat in hem woelde, stortte hij een goed deel in zijn werken uit. Hij schiep 
niet enkel gezonde geesten in gezonde lichamen, hij bezielde reuzenlichamen 
met onstuimige driften; hij wilde niet enkel schoone vormen, hij wilde ook krach- 
tige spieren, heldhaftige daden, tragische ontroeringen. Was me dat een omme- 
keer, een beweging en een woeling in den rustigen en roestigen vijver der 
Vlaamsche kunst, gevoed door een uitheemsche waterleiding! Zoohaast Rubens 
optrad was het gedaan met het aangapen en naiipen van Italiaansche kunst; hij 
werd de groote, de alleenheerschende meester en bleef het een volle eeuw. 
Wij zeggen dit te zijner eer, niet ter eere zijner navolgers, waaronder de min- 
dere al te vaak zijn werk en zijn woord voor de waarheid en het leven namen. 
Maar daargelaten deze sleepdragers, die in elk geval iemand hadden nagevolgd 
en aan wie dus niet veel te bederven viel, had hij een machtigen en weldadi- 
gen invloed op de Vlaamsche School. 



P. P. RUBENS. Ó7 

Nauwelijks uit Italië in het vaderland teruggekeerd wordt hij uitgekozen voor 
de gewichtigste werken. De kerken waren door de beeldstormers van hunne 
kunstwerken beroofd en, aangespoord door den heropgewekten geloofsijver, 
waren de kathoheken er op bedacht hunne tempels weer met altaarstukken te 
versieren. Achtervolgens ontving Rubens de bestelling zijner Kruisrech- 
t i n g voor de Sint-Walburgiskerk (1610), die van de Afdoening voor O. L. 
Vrouwekerk van Antwerpen (1612), die van O. L. V. Hemelvaart voor de 
Kapellekerk van Mechelen (1614), die van de Aanbidding der Koningen 
voor de Sint-Janskerk te Mechelen (1616) en zoo gaat het voort, heel het land 
door. Dan komen de vreemde natiën, de Genueezen, de prins van Neuburg, de 
koningin Maria van Medici en de koning van Frankrijk Lodewijk XIII, de ko- 
ning van Spanje, de koning van Engeland. Zoohaast men hem leert kennen 
wordt hij door al wie ten onzent een pen voert en een vers schrijft uitgeroe- 
pen tot den Apelles zijner eeuw, en met de jaren klom onafgebroken en in stij- 
gende mate zijn beroemdheid. 

Even druk als de bestellingen kwamen de leerlingen aangevloeid. Al spoedig 
moest hij de aanvragen weigeren, omdat in zijn atelier geen plaats te vinden was 
voor al wie verlangde toegelaten te worden. Het werk was zoo overvloedig 
en de scheppingskracht zoo onuitputbaar dat hij zelf niet kon voltooien wat hij 
ontwierp. En zoo komt het dat een goed deel zijner stukken niet geheel door 
hem geschilderd werden, maar door hem geschetst en aangelegd en door zijne 
leerlingen in minder of meerder mate afgewerkt zijn om ten slotte door hem 
hertoetst te worden. In zijn laatste jaren gaf hij niet alleen werk aan de be- 
volking van zijn atelier, maar aan heel de kunstenaarsbent van Antwerpen. In 
1635 waren er twintig schilders en zes beeldhouwers noodig om de praalbo- 
gen uit te voeren, die hij ontworpen had voor de Intrede van den Kardinaal-In- 
fant; de stukken, die hij van 1636 tot 1640 aan Philips IV leverde, werden 
door negen verschillende meesters gemaakt. Niet enkel vormde hij historieschil- 
ders; landschapschilders nog zorgden voor den achtergrond zijner stukken of 
voor de uitvoering zijner geschetste natuurgezichten; dierenschilders penseelden 
de vogels en de viervoeters in zijne jachtstukken en in andere werken. 

Zoo overheerschte hij de Antwerpsche en heel de Vlaamsche School; geen 
ontsnapt aan zijn invloed; de rijkst begaafde zijner leerlingen van Dijck, die 
zich zelf blijft als de groote zoon van een grooteren vader, Jordaens, die even 
scherp zijn eigenaardig kenmerk behoudt, zoomin als de dienstbare geesten: 
van Thulden, van Diepenbeeck, Erasm Quellin en twintig andere. Hij hervormt 
de landschapschildering, die hij maakt tot eene breede weerspiegeling der na- 
tuur, tintelend van licht en leven; hij maakt de dierenschilders tot weergevers 
eener ademende en handelende wereld; allen die zijn invloed ondergingen, en 
allen ondergingen hem, schilderden breeder, levendiger, krachtiger dan zijn voor- 
gangers het hadden gedaan; de kleuren werden rijker, het licht stralendier, het 
leven warmer in hunne werken. Hij blies zijn forschen adem de vaderlandsche 
kunst in, hij herschiep ze uit een zijner ribben, 

7 



98 P. P. RUBENS. 



II. 



Het belangrijkste werk van Rubens, dat de Louvre bezit, en ook wel het 
belangrijkste van al de werken, die in deze verzameling gevonden worden, is 
de Geschiedenis van Maria van Medici. Nagenoeg al de andere 
stukken van het Staatsmuseum zijn voor andere bestellers dan het Fransche rijk 
gemaakt, de uitvoering dezer reeks is door een koningin van Frankrijk den 
meester toevertrouwd ; zij stelt een aantal gebeurtenissen voor uit de geschie- 
denis van het land ; zij behoort sedert haar ontstaan aan den Staat : het is dus 
voor Parijs een werk van uitzonderlijk belang. Ook in des kunstenaars leven 
neemt het een aanzienlijke plaats in. 

Het werd geschilderd van 1622 tot 1625, toen Rubens in de volle rijpheid 
van zijn talent was; het is het eerste werk, dat hij voor een vreemden vorst 
vervaardigde; het was ook het eerste, dat hem met vorstelijke mildheid werd 
betaald; het is het uitgebreidste, dat hij ooit schiep; twee eeuwen lang is het 
de beroemdste zijner scheppingen gebleven. Het is dus alleszins de moeite 
waard dat wij er ons een poosje bij ophouden. 

Zooals men weet werd de Geschiedenis van Maria van Medici geschilderd 
voor het Palaisdu Luxembourg, dat de koningin-moeder na den dood van 
haren man Hendrik IV voor zich liet bouwen. Men was aan het werk gegaan 
in 1613, het paleis was voltooid in 1620; en toen was de koningin er op bedacht 
de twee eerezalen te doen versieren met twee groote reeksen geschilderde doe- 
ken: de eene haar eigen geschiedenis, de andere die van Hendrik IV voorstel- 
lende. De vorstin was een Italiaansche, uit het roemrijkste en meest kunstlie- 
vende geslacht, dat haar vaderland voortbracht; zij herinnerde zich hoe in 
hare geboortestad Florence, de kerken, de kloosters en paleizen met muur- 
schilderingen versierd waren en kon zij er niet meer aan denken de wanden 
van haar paleis met frescos te doen bedekken, dan kon zij toch, getrouw blij- 
vende aan de gebruiken van den dag, er dichtst bij komen door de muren te 
laten bekleeden met olieverfschilderingen. 
'Eens dat het plan gerijpt was moest er gedacht worden aan den uitvoerder. 

De Italiaansche school had in 1620 uitgebloeid, alleen de laatste Bolonnee- 
zen waren nog in leven, en de Florentijnsche prinses was wijs genoeg in haar 
geboorteland naar niemand te zoeken, wien zij het werk kon toevertrouwen. In 
haar nieuw vaderland had zoo iemand nooit bestaan. Rubens daarentegen was 
wijd en zijd beroemd. Ook zonder dagbladen en tentoonstellingen verspreidde 
zich de faam eens kunstenaars toen in korten tijd over de beschaafde wereld. 

Op het einde van 1620 noodigde Maria van Medici Rubens uit naar Parijs 
te komen om zich met haar te verstaan over het werk. Op zijn weg naar 
Fri'nkrijk reisde hij over Brussel en bezocht daar de Infante, die hem belastte 
in haren naam aan de koningin een hondje en een halssnoer, met vier-en-twin- 
tig geëmailleerde platen versierd, aan te bieden. 



P. P. RUBENS. 99 

Rubens bevond zich te Parijs den 17den Januari 1621 en den 26sten Febru- 
ari was hij uit die stad vertrokken; den 4den Maart was hij te Antwerpen terug. 

Hij was overeengekomen met de koningin, dat hij de twee eerezalen van 
haar paleis zou versieren tegen betaling van 20.000 kronen, wat in geld 
van onzen tijd met ruim 300.000 frank gelijk staat. Hij zou beginnen met de 
Geschiedenis van Maria van Medici in 25 tafereelen af te beelden. De zaal, 
welke diende versierd te worden, was van beide kanten door negen vensters ver- 
licht en aan weerszijde moesten er tien schilderijen geplaatst worden; de overige 
kwamen in de breedte der zaal. De tien eerste bevonden zich aan den kant 
van den tuin, de elfde en de twaalfde waren in de breedte aan het een uit- 
einde der zaal geplaatst; de tien volgende kwamen tusschen de vensters aan 
de zijde van het binnenplein ; aan het ander uiteinde bevonden zich de por- 
tretten der ouders van Maria van Medici boven de deuren; het portret der 
koningin zelve hing boven den schoorsteen. Al de schilderijen zijn 3.94 meters 
hoog. De eerste en de laatste zijn 1.55 m., de tiende en de elfde zijn 7.27, de 
twaalfde 7.02, de andere 4.95 breed. 

Rubens mocht het werk in zijn atelier te Antwerpen afmaken, alUeen moest 
hij het te Parijs komen plaatsen en voor zooveel noodig zelf daar hertoetsen. 
Hij stelde zich dadelijk aan den arbeid en den 19den Mei 1622 bood hij het al- 
gemeen plan aan, dat den Isten Augustus door de koningin met enkele wijzi- 
gingen was goedgekeurd. Een jaar daarna had Rubens de negen eerste stuk- 
ken voltooid en in het begin van Juni 1623 kwam hij ze plaatsen. De konin- 
gin was er zeer over tevreden. In December 1624 was het werk ver gevorderd 
en ontving de schilder bevel in de eerste dagen van Februari 1625 te Parijs 
te zijn. Geheel de reeks moest voltooid en geplaatst wezen op den dag van het 
huwelijk van Karel I van Engeland met Henriette van Frankrijk. Rubens ver- 
toefde toen vier maanden te Parijs om de laatste hand aan zijn schildering 
te leggen; in het begin der maand Juni 1625 keerde hij naar Antwerpen terug. 

De bijval, dien de schilder bij de opening der zaal inoogstte was bijzonder 
groot; in verzen en in proza werd de Galerij van Maria van Medici beschre- 
ven en geprezen. De onderwerpen waren van aard om de dichters en de ge- 
leerden van dien tijd gelegenheid te verschaffen om niet alleen blijk van goe- 
den smaak, maar ook van kennis der geschiedenis en schranderheid in het 
verklaren der zinnebeeldige en mythologische figuren te geven. Van dien kant 
was de eerezaal van den Luxemburg een waar buitenkansje voor de latere ge- 
schiedschrijvers van Rubens. Gretig namen zij de beschrijving der vier-en-twin- 
tig stukken en de verduidelijking der allegorische figuren van elkander over en 
vulden er tal van bladzijden mede. 

De schilderingen bleven in het Luxemburg-paleis tot in 1802. Toen werd het 
gebouw tot zetel van den Senaat ingericht, de eerezaal werd afgebroken om 
plaats te maken voor de groote trap en de schilderijen werden overgebracht 
naar den Louvre. 

De schetsen werden het eigendom van den abbé de Saint- Ambroise, die de 



100 P. P. RUBENS. 

gewone bemiddelaar tusschen den schilder en de koningin was geweest en aan 
wien Rubens ze hoogst waarschijnlijk uit erkentelijkheid schonk. Tegenwoordig 
bevindt zich het grootste deel er van in de Pinacotheek te Munchen, enkele 
ook in het Museum te Kopenhagen en in dat van Sint Petersburg. 

De tweede zaal, die Maria van Medici door Rubens wilde laten schilderen 
en die den levensloop van Hendrik IV haren gemaal moest verbeelden, kwam 
nooit tot stand. 

Er was een oogenblik spraak geweest van den Italiaanschen schilder Giusep- 
pino (Giuseppe Cesari, il Cavaliere d'Arpino) met het werk te gelasten. De 
kardinaal de Richelieu had in 1626, die toen zeer bekende en later vergeten 
grootheid aan de koningin-moeder aanbevolen ; zij zelve had zich tot den kar- 
dinaal Spada gewend om te vragen of Guido Reni het werk niet op zich zou 
kunnen nemen, maar toen deze laatste er zich niet bereid toe verklaarde en 
Giuseppino te oud bleek, kwam men ten slotte toch tot den Antwerpschen 
schilder terug. Waarom men aarzelde na de voleinding der galerij van Maria 
van Medici hem ook die van Hendrik IV toe te vertrouwen, zooals in den 
begin besloten was, weten wij niet. 

In 1628 had hij er een aanvang mede gemaakt, maar de reizen, die 
hij in Augustus van dit jaar ondernam naar Madrid en Londen als diplo- 
matiek onderhandelaar kwamen het werk onderbreken. Toen hij in 1630 terug- 
gekeerd was in Antwerpen, hervatte hij het ; in den loop van dit jaar bracht 
een oneenigheid over de afmeting der stukken nieuwe vertraging te weeg en 
weldra deden de vijandelijkheden, uitgebroken tusschen Maria van Medici en 
haren zoon Lodewijk XIII het plan geheel opgeven. De koningin ging het vol- 
gende jaar in ballingschap en keerde nooit meer in Frankrijk weer. Die ge- 
beurtenis, volkomen onbeduidend in zich zelve, mag een ware ramp voor de 
kunst heeten. Rubens had reeds tal van schetsen gemaakt voor de tweede ga- 
lerij, twee groote stukken waren er aangelegd en tamelijk ver gevorderd : bei- 
de bevinden zich in het Museum der Uffizi in Florence. Zooals zij daar zijn ne- 
men zij een eerste plaats in Rubens' scheppingen in, en zonder den minsten twij- 
fel zouden zij tot zijn uitstekendste meesterstukken gerekend worden had hij ze 
kunnen voltooien. 

Het was een zware taak, die Rubens aanvaardde, toen hij op zich nam de 
geschiedenis van Maria van Medici te schilderen. Een minder belangwekken- 
de koninklijke levensloop dan de hare, een onbehagelijker vorstin dan zij ware 
moeilijk te vinden. Zij maakte Hendrik IV het leven bitter door haar heersch- 
zuchtig en twistziek karakter; zij leefde in onmin en in oorlog met haren zoon 
gedurende een goed deel van haar leven en werd eindelijk door hem verplicht het 
land te verlaten en in den vreemde een bestaan te gaan vragen aan hare 
vrienden van vroeger of aan het toeval dat zich niet altijd gunstig toonde. Na 
den dood van haren man (1610) had zij als regentes velerlei muiterijen te be- 
kampen gehad. Toen zij haar zoon meerderjarig had doen verklaren in 1614 was 
de strijd tusschen hen beiden begonnen; de koningin werd overwonnen, in 



P. P. RUBENS. 101 

hechtenis genomen (1617) en door het waagstuk van een aanhanger verlost 
(1619). Daarop volgde een nieuwe verzoening, een nieuwe oorlog en een nieuwe 
wapenstilstand, die van 1620 tot 1626 duurde. In die jaren van rust en verade- 
ming vond Rubens tijd om zijn galerij te voltooien. 

Ziedaar de heldin, die de schilder te verheerlijken had: geene gebeurtenis 
van belang dan die welke getuigenis aflegde van hare gebreken en van den 
haat, dien zij zich hierdoor op den hals haalde; ongelukken genoeg maar niets 
hartsverheffends, niets tragisch in dit leven van onrust en tegenspoed. De strijd 
tegen hare onderdanen en haren zoon, die haar bestaan eene treurige betee- 
kenis gaf, moest door den schilder van haren levensloop verzwegen worden, 
Hoe weinig behandelenswaardige stof lag er in dit alles! 

Rubens had dan ook te zorgen dat hij uit dit nietige, uit dit weerzinwekken- 
de iets kunstigs maakte en daar de waarheid hem in den steek liet nam hij 
zijn toevlucht tot de verdichting. Uit Maria's leven koos hij de algemeene on- 
derwerpen en zooals een dichter voor familiefeesten doet, nam hij de algemee- 
ne menschelijke voorvallen om ze door eigen vinding en opsmukking een be- 
lang bij te zetten, die zij uit zich zelve niet bezaten. Zoo kregen wij achtereen- 
volgens te zien de Schikgodinnen die Maria van Medici's levenslot spinnen, ha- 
re Geboorte, hare Opvoeding, hare Verloving met Hendrik IV, haar Voorloo- 
pig Huwelijk, hare Aankomst in Frankrijk, de Voltrekking van haar Huwelijk, 
de Geboorte van haren zoon, het Huwelijk harer dochter. Daarnevens komen 
de staatkundige gebeurtenissen : Hendrik IV die naar den oorlog gaat en zijn 
vrouw het bestuur van het land toever- trouwt, de Kroning van Maria van Me- 
dici, de Verheerlijking van Hendrik IV en de Tusschenregeering zijner wedu- 
we, hare Reis naar Pont de Gé, waar zij ging strijden tegen hare vijanden, de 
Overgave van 's landsbestuur aan haren zoon, hare Vlucht uit het kasteel van 
Blois waar zij gevangen was, de Verzoening met haren zoon, het sluiten van 
den Vrede en de Zegepraal der Waarheid. Heel die staatkundige reeks is één 
fraaie leugen; de opvolging van twist en oorlog werd gemaakt tot een verheerlij- 
king van krijgsmoed, van vredelievendheid en eendracht. Veel wat had dienen 
gezegd te worden werd verzwegen en wat gezegd werd behoefde een behendigen 
uitlegger om het aannemelijk te maken. Rubens wist het wel, en evengoed wist 
het de omgeving der koningin. Twee dagen nadat de nieuwe galerij was in- 
gewijd kwam Lodewijk XIII Rubens' werk zien; bij die gelegenheid schreef 
de schilder aan zijn vriend Peiresc : „De koning heeft mij ook de eer gedaan 
onze galerij te komen bezichtigen; het was de eerste maal dat hij den voet 
zette in het paleis, waar men 16 of 18 jaar geleden is beginnen aan te wer- 
ken. Zijne Majesteit toonde zich volkomen tevreden over mijne schilderin- 
gen; iets wat mij werd medegedeeld door al diegenen, welke er tegenwoordig 
waren en voornamelijk door den heer de St. Ambroise. Deze heeft toen de onder- 
werpen uitgelegd, hun waren zin met groote behendigheid verdraaiende en 
verbergende. 

Een minder vindingrijke geest dan Rubens ware te kort geschoten in die las- 



102 P. P. RUBENS. 

tige taak: hem gaf hare poverheid gelegenheid zijne scheppingskracht in al ha- 
ren veelzijdigen rijkdom te openbaren. Van de gebeurtenissen, huiselijke zoo- 
wel als staatkundige, nam hij wat hij geschikte stof achtte om onverbloemd te 
worden behandeld en hij gaf het naar waarheid weer. Zoo deed hij voor het 
A'oorloopig Huwelijk der koningin, voor hare Kroning, voor het Vertrek des ko- 
nings naar het leger, ofschoon in dit laatste stuk reeds een paar zinnebeel- 
dige figuren voorkomen. In meerdere, ofschoon ongelijke mate, wordt in de 
andere tafereelen plaats ingeruimd aan Allegorie en Mythologie. Zoo wordt bij- 
voorbeeld de Geboorte der koningin voorgesteld door de godin Juno Lucina, 
die de pas geborene in de armen legt der stad Florence in tegenwoordigheid 
van den stroomgod van den Arno, van de godin van Overvloed en van de Ge- 
lukkige Uren, die de kenteekens van het koningdom en bloemen strooien rond 
het kind; zoo worden, in het tafereel harer Opvoeding, Minerva, Mercurius, 
de Gratiën en de Harmonie er bij gehaald, terwijl in den achtergrond de wa- 
teren der fontein Castalia een doorschijnend vochtgordijn vormen ; zoo wordt 
heel de Olympus ter hulpe geroepen om den vorspoed des lands onder het 
Regentschap van Maria van Medici te vertolken. 

Een overdaad van zinnebeelden, een overstrooming van godengestalten! Maar 
hoe heerlijk zijn die figuren, uit het rijk der fabel en der verbeelding in dat 
der geschiedenis binnengevoerd ! Wat gaf het Rubens of Maria van Medici het 
onbehagelijkste aller figuren en hare lotgevallen de meest weerzinwekkende wa- 
ren ? Bleven de goden uit den Olympus niet het schoonste wat de menschen 
schiepen; riep hij zelf in zijne allegorische figuren niet de bevalligste aller we- 
zens en de prachtigste en machtigste aller gestalten op ? Mocht hij ze niet be- 
kleeden met de donzigste huid en met het kleurigste gewaad; mocht hij ze niet 
plaatsen in de sierlijkste houding en de bekoorlijkste omgeving? Was het ge- 
bied zijner verbeelding niet onbeperkt en kon hij met de geschiedenis te ver- 
wijden zich geen hemel en aarde scheppen naar zijn eigen fantazie, de weelde- 
rigste die ooit een kunstenaar bezat ? 

En hij deed dit alles: zijne Schikgodinnen, zijne Drie Gratiën in de Opvoe- 
ding, zijne Waternymfen in de Landing der Koningin, zijn Geniussen 
der Gezondheid en der Vruchtbaarheid in de Geboorte van L o d e w ij k 
X I I I, de Overwinning en de Faam in de Verheerlijking van Hendrik 
I V, zijn Apollo in de R e g e e r i n g der Koningin, zijne roeisters in de 
Meerderjarigheid des Konings en zoovele andere figuren tellen on- 
der de schoonste gestalten, die ooit door het penseel werden voortgebracht. Min- 
der rijk is het zuiver menschelijk element bedeeld; maar ook daar is menig fi- 
guur uitstekend. Zoo Hendrik IV, die met bewondering het portret zijner bruid 
aanstaart; zoo de moeder, die haar pas geboren zoontje belonkt; zoo de kleine 
Lodewijk tusschen vader, die naar den oorlog gaat, en moeder, aan wier zor- 
gen hij wordt toevertrouwd. 

Zeker er zijn zwakke deelen in het werk; de overdaad der allegorie, waar- 
van wij een voorbeeld aanhaalden in het tafereel der Geboorte van de 



P. P. RUBENS. 103 

Koningin, is volgens onzen smaak overdreven en wordt stuitend; de karige 
plaats toegemeten aan de waarheid in vergelijking met het ruime aandeel toe- 
gekend aan de verdichting bevredigt geenszins onze opvatting der historieschil- 
dering ; maar dit neemt niet weg dat in zijnen aard de Geschiedenis van 
Maria van Medici onder Rubens' meesterstukken telt. 

De schilder was in den vollen gloed des levens en der scheppingskracht, hij 
had ruime baan om op een armoedig, maar toch door den rang der heldin 
nog immer schitterend onderwerp te borduren wat hij wilde; hij bevredigde nu 
eens voor goed zijn zin voor vernuftige zinnebeelden en voor heerlijke klassieke 
godengestalten, die bij hem was aangekweekt in het atelier van Otto Venius, 
in Italië en door zijn oudkundige studiën; vrijer dan ooit vierde hij den teu- 
gel aan zijn gave om het leven en de geschiedenis van de decoratieve zijde te 
beschouwen, de mannen en vrouwen óm te scheppen in toonbeelden van kracht- 
volle schoonheid. 

Het was een blijk van verwaanden trots bij de koningin haar eigen lotgeval- 
len in haar eigen paleis door de kunst te laten vereeuwigen en te laten ver- 
heerlijken. Den schilder werd de taak opgelegd van een officiëelen lofredenaar 
en zulke opdracht was zeker niet van aard om hem te bezielen. De Galerij van 
Maria van Medici zou dan ook beneden die van Hendrik IV gebleven zijn, zoo- 
als wij duidelijk genoeg zien uit de twee groote stukken der Uffizi; maar het 
was Maria van Medici's wensch een koninklijke zaal op te smukken met wat de 
kunst sierlijkst aanbrengen kon. En Rubens toonde zich volkomen op de hoog- 
te der taak. Zijn decoratief werk is geniaal : al wat hemel en aarde, geschie- 
denis en poëzie hem aan de hand konden doen van behagelijke zinnebeelden en 
van heerlijke gestalten, al wat licht en kleur konden bijdragen om de weidsche 
zaal feestelijk en vorstehjk te maken bracht hij samen. Men verbeeldt zich niets 
glanzenders dan de pralende en stralende doeken in een met passenden rijkdom 
gestoffeerd paleis, niets dat een grooteren lust aan de oogen en aan den geest 
moest bieden dan die vernuftige vindingen met die heerlijke vormen en kleu- 
ren omkleed. 

Rubens schiep de ontwerpen alleen en nam aan de uitvoering het grootste 
deel ; wel liet hij zich helpen door zijne leerlingen en meer bepaald door Jus- 
tus van Egmont in het schilderen der figuren, wel benuttigde hij het talent 
van Snijders en Wildens om de dieren en bloemen en andere bijzaken aan te bren- 
gen, maar hij zelf hertoetste alles wat hij niet geheel opschilderde en maakte 
het tot zijn werk. 

Het tafereel dat wij in gravuur weergeven is het eerste in de rei. Hoog in 
den hemel zetelen Jupiter en Juno: zij, streelend en verleidelijk, poogt hem gun- 
stig voor de toekomstige koningin te stemmen; hij blikt majestatisch, maar toch 
goedig neer, niet zonder eenigen argwaan tegen de verleidende woorden : een 
brokje van Rubeniaansche vormenschoonheid en van Vlaamsche gemoedelijkheid. 
Lager de Schikgodinnen tegen den gloriegloed van daar boven en de donkere 
wolken van beneden : heerlijke vrouwenlijven op kleurige draperijen gezeten. De 



104 P. P. RUBENS. 

vreeselijke beschiksters over het menschelijk lot zijn omgeschapen in bevalhge 
welwillende figuren. Zij zijn over het tafereel verdeeld zooals Rubens alleen dit 
kon, dit is: zoo natuurlijk en zoo gelukkig, dat niemand zich verbeeldt dat hun- 
ne houding anders en fraaier denkbaar zij. Het zijn Rubens' vrouwen: geen bui- 
tensporig zware lichamen, geen wonderen der natuur, maar uitgelezen typen van 
weelderigen levensbloei met al het bloemige en frissche, dat een milde gesteldheid 
meebrengt. Wel zijn de koppen fijn en aanvallig, maar de zware spieren, de 
rijkgevleesde ruggen herinneren ons dat Rubens in de vrouw meer het vleesch 
dan den geest bewonderde, dat zijn ideaal altijd iets stoffelijks had. 

De schilderij, zooals heel de reeks, behoort tot de middeljaren van Rubens, 
een tijdstip van overgang van zijn vroegeren tot zijn laatsten trant, geen reu- 
zenlijven meer, geen sterke werking van licht tegen donker, die overigens in die 
muurbekleedingen niet zou gepast hebben : maar nog niet het dartele en toove- 
rende spel van kleur en tint, nog niet de alleenheerschappij van het licht, nog 
geen ondergaan van den teekenaar in den schilder; een tijd van gematigd- 
heid, van redelijkheid, van werken zonder gejaagdheid, van overvloedige en sier- 
lijke zeggingskracht, van evenwicht tusschen zijne vele en heerlijke gaven. 

Behalve de groote stukken der Medici-gallerij bezit de Louvre de schets van 
twee der stukken op een enkel paneel geschilderd; het eerste en het laatste 
der reeks. ,,De Schikgodinnen die Maria van Medici's levensdraad spinnen" en 
de ,, Zegepraal der Waarheid." Beide werden laatst van al geschilderd en zijn 
veel smaller dan de overige stukken. 

Een paar jaren geleden bij het naderen der opening van de laatste wereldten- 
toonstelHng werd de Medici-galerij uit de oude Louvre-zalcn weggenomen en over- 
geplaatst naar eene nieuw ingerichte welke zij geheel innemen. Ongelukkiglijk 
vond de volledige reeks daar geen plaats. Maar zooals zij er hangen in uitmun- 
tend licht, op eenigen afstand van elkander, in prachtige doch passende omgeving 
komt hunne hooge waarde als kunst en als decoratief werk op de treffendste 
wijze uit. Deze herschikking strekt het bestuur van den Louvre tot groote eer; 
het is daarbij eene hulde bewezen aan Rubens zooals daar aan geen tweeden 
kunstenaar te beurt viel. 



M 



16. ANTOON VAN DIJCK. 



Het schoonste werk van Rubens is van Dijck. Deze is de groote leerling van 
den grooteren meester, hij is hem zooveel verschuldigd als Rafaël aan Perugi- 
no. In den beginne zijner loopbaan valt zijn werk kwalijk te onderscheiden van 
dat zijns voorgangers; later verandert zijn trant, wordt hij meer en meer zich 
zelve en niettegenstaande hij altijd zijn oorsprong klaar en duidelijk blijft ver- 
raden, komt hij er toe door menigen trek zich tegenover zijn meester te stellen. 

Rubens is de volbloedige, de zanger van het heldenlied in de schilderkunst, 
de nooit scheppensmoede oproeper van werelden vol reuzen, vol kleurenfonke- 
ling en lichtgloed, de onfeilbare, wiens werk altijd meesterwerk is. Van Dijck 
daarentegen is in zijne rijpe kunstenaarsjaren de gevoelvolle zanger der smart, 
de fijn bewerktuigde, die veredelde wat hij raakte, die niet schiep maar die her- 
schiep, die niet overweldigt maar onweerstaanbaar bekoort door zijn stillen wee- 
moed, door de hooge voornaamheid, die in hem lag en hem het zeldzame voor- 
recht schonk met zijn penseel meer ridders te slaan, dan ooit een koning het 
met zijn zwaard deed. 

Hij werd geboren in 1599 te Antwerpen van ouders behoorende tot den gegoe- 
den burgerstand. Al vroeg vinden wij hem bij Rubens in de leer en vermeld 
als de beste der leerlingen, als de leerling bij uitnemendheid in het wijd be- 
roemde atelier. Wanneer Rubens op 28 April 1618 verscheiden zijner schilde- 
rijen te koop bood aan Sir Dudley Carleton, den Engelschen afgezant in den 
Haag, vermeldt hij er een als ,,eenen Achilles in vrouw verkleed, gemaakt 
door den besten mijner leerlingen en hertoetst door mijne hand, een schitterend 
tafereel vol van allerschoonste meisjes." Het stuk hangt tegenwoordig in he*^ 
museum van Madrid en geen twijfel of de medewerker, dien Rubens hier zijn 
besten leerHng noemde, was van Dijck. Wanneer den 29sten Maart 1620 Ru- 
bens overeenkomt met pater Jacobus Tirinus om de zolderstukken der Jezuïten- 
kerk van Antwerpen te leveren, bepaalt de akte als tweede voorwaarde : „dat 
den voorschreven Sieur Rubens de teekeninge van alle de voorschrevene 39 
stucken zal gehouden syn met syn eygen handt in 't cleyne te maken ende 
door Van Dyck mitsgaders sommige andere syne discipelen soo in 't groot te 
doen opwerken ende volmaken als den he\ sch van de stucken ende van de 
plaetsen daar s'ingeset moeten worden, wesen sal." 

Dat Rubens veel van hem hield toen hij hem aan zijne zijde werken zag, be- 
wijst het groot getal schilderijen uit van Dijck's eerste jaren, welke hij aan- 
kocht en die wij terugvinden in zijn sterfhuis : terwijl er van de overige leerlin- 
gen geen enkel stuk in 's meesters verzameling aanwezig was, telde men er van 



106 ANTOON VAN DIJCK. 

Van Dijck niet minder dan acht. Wij kennen die stukken nog en kennen er an- 
dere ook, die allen te zamen bewijzen hoezeer de leerling den trant van den 
meester tot den zijnen had gemaakt en hoc dicht hij zijn voorganger genaderd 
was. Dit ging zooverre dat meer dan één zijner werken uit die jaren tot op on- 
ze dagen voor het werk van Rubens doorging. Zoo de welgekende Heilige 
Martinus, die zijn mantel met een bedelaar deelt in de galerij 
der koningin van Engeland, te Windsor; zoo de Koperen slang uit het Mu- 
seum van Madrid, die nog altijd op den naam van den meester staan en inder- 
daad voor diens werk konden gehouden worden, alhoewel, zooals ik elders be- 
wees, zij aan den leerling toehooren. In zijn eigen leeftijd zelfs ging een der 
meesterwerken van Rubens, de Geschiedenis van Consul Decius 
M u s, in 1618 geschilderd, voor een gewrocht van zijn medewerker door. Van 
toen af hield hij zich veel met portretschilderen bezig; ook in dit vak bieden 
zijn eerste werken zooveel overeenkomst met die van zijn meester aan, dat 
men ze tot op onze dagen gedurig met elkander verwarde en dat voor sommige 
stukken het tot op dit oogenblik nog moeilijk valt te bepalen aan wien van bei- 
den zij moeten toegeschreven worden. 

Van Dijck was opgeslurpt door den albeheerscher der Antwerpsche school en 
indien hij iets kenmerkends heeft in die dagen is het dat hij de eigenaardig- 
heden zijns meesters overdrijft. Hij is woester van behandeling, ruwer en reus- 
achtiger dan de reuzenschilder. Zijn Martelie van den H. Petrus in 
het Museum van Brussel, bij voorbeeld, is buitensporiger van vormen, dan 
Rubens' werken van dien tijd. Andere stukken weder, zooals de reeds ge- 
noemde H. Martinus en de H. Hieronymus in het Museum van Dres- 
den, zijn moeilijk uit die van zijn meester te herkennen. Wat hem toen en altijd 
van zijn voorganger onderscheidt is zijn mattere kleur; nimmer, noch in de uit- 
bundige penseeling zijner eerste jaren, noch in de gloedvol of voornaam ge- 
kleurde tafereelen van later tijd bezit hij den rijkdom en de forschheid van toon 
van hem wiens welbeminde volgeling hij was. 

Toen hij nog bij Rubens werkte, verwierf hij zich een goeden naam niet alleen 
in zijne onmiddellijke omgeving, maar ook bij de vreemden. Den 17en Juli 
1620 getuigt een dienaar van graaf Thomas Arundel aan zijn meester dat Van 
Dijck's werken haast zoo hoog geschat worden als die van zijn meester en dat 
het moeilijk zou zijn hem zijn land te doen verlaten. Hij was 21 jaar oud en 
Rubens in den vollen glans zijner faam ! Men was er dus toen reeds op be- 
dacht om hem naar Engeland te lokken en men slaagde er ook in, natuurlijk 
niet dan onder gunstige voorwaarden voor den jongen kunstenaar. Den 25sten 
November van hetzelfde jaar bericht Toby Matthew, een vertrouwde van Sir 
Dudley Carleton, den Engelschen afgezant te 's-Gravenhage, aan dezen staats- 
man dat van Dijck, Rubens' beroemde leerling, naar Engeland gegaan is en 
koning Jacob I hem een jaarlijksch pensioen van honderd pond sterling toe- 
gekend heeft. 

Lang bleef hij toen niet in Engeland. In het begin van Maart 1621 bekomt 



ANTOON VAN DIJCK, 107 

hij een verlof om een reis van acht maanden te gaan doen; den 12den Decem- 
ber 1622, toen zijn vader stierf, stond hij aan zijn doodsbed. In 1623 vertrok hij 
naar Itahë en ondernam hij de onvermijdehjke reis naar het zuiden; naar het 
land der groote meesters! 

Van Dijck hield er zich in verschillende steden op, studeerende, voortbren- 
gende. Naar Tiziano ging zijn voorkeur en zijn werken van de eerstvolgende 
jaren dragen klaar den stempel van die bewondering. Toen Maria van Medici 
hem in 1631 te Antwerpen bezocht, toonde hij haar een heel kabinet meester- 
stukken — waarschijnlijk kopieën door hem zelven gemaakt — van den grooten 
Venetiaan. Als portretschilder vooral koos hij hem tot voorbeeld en als por- 
tretschilder ook was hij nagenoeg uitsluitend in Italië werkzaam. Tal van vor- 
stelijke en adellijke personen conterfeitte hij in verschillende steden van het 
schiereiland en voornamelijk te Genua. Daar vinden wij nog in menig paleis 
de leden der historische familiën Balbi, Pallavicini, Spinola ten voeten uit in 
deftig gewaad en statige houding door zijn handen afgebeeld. In Engeland had 
de koning voor hem gezeten; hier waren de mannen en vrouwen van den hoogen 
adel zijne modellen; hij werd van dan af als portretschilder de meester der voor- 
naamheid, der aristocratie. 

Hij was dit van natuur en het was door een afwijking van zijn eigen aard dat 
hij Rubens* uitbundige forschheid navolgde in zijn leerjaren. Van lichaam was 
hij tenger, van gelaatstrekken zwierig. Men kent zijn aanvallig figuur uit zijn 
eigen ets, den correct gesneden neus, de groote amandeloogen, den licht opge- 
streken snor, den weelderigen haardos in breede lokken het voorhoofd omlijs- 
tende en de slapen beschaduwende, de zwaaiende houding, die hem laat zien 
half op den rug, den mantel op den schouder, de gouden ketting van onder den 
breeden kanten kraag uitkomende, met iets pronkerigs, iets romantieks in heel zijn 
wezen, dat wij in zijn werk weervinden. Er ligt een zucht naar sierlijkheid, naar 
bevalligheid in, die eigen was aan zijn persoon en aan zijne kunst. ,,Hij was 
schitterend in zijn doen en in zijne manieren," zegt Bellori, die het vernam van 
hen die den jongen schilder in Italië gekend hadden; ,,hij zocht zich te onder- 
scheiden door pluimen op den hoed, door gouden kettingen op de borst, door een 
gevolg van dienstboden. Men noemde hem : Jonker de Schilder." Wel gedoopt en 
met een naam, dien hij meer en meer verdienen zal ! 

Wanneer hij op het einde van 1626 in zijn vaderstad terugkeerde had hij zijn 
trant geheel veranderd. Kenmerkend voor dien tijd zijn de tafereelen van R i- 
naldo en Armida aan Tasso's Verlost Jeruzalem ontleend, een lied 
van weeke verliefdheid, in warm dampige tonen geschilderd. Zijne Italiaansche 
portretten hebben eenc fraaie deftigheid, die niet zonder stijfheid in den vorm 
en donkerheid in den toon is. Zijne godsdienstige tafereelen dagteekenende van 
na zijn terugkomst zijn in smeltend geroosterde tonen, waarin de invloed der 
Venetianen klaar te bemerken is; maar de figuren zijn leniger van vorm, droo- 
merig of smachtend van gevoel, met iets vrouwelijks in het uitzicht. Zijne meest 
kenmerkende personages zijn de groote engelen van wie men niet zeggen kan 



108 ANTOON VAN DIJCK. 

tot welk geslacht zij behooren, maar die allen een trek van gelijkenis vertoo- 
nen met het fraai maar weinig mannelijk wezen van den schilder. 

Hij schilderde in die jaren vele zijner meest gekende historische stukken : den 
H. Augustinus voor de Augustijnenkerk te Antwerpen (1628); de H. Ro- 
sa 1 i a voor de Sodaliteit der ongetrouwden te Antwerpen, nu in het Museum 
van Weenen (1629) ; den Christus aan het Kruis met den H. Domi- 
nicus en de H. Catharina van Sienna voor de Preekheerinnenkerk 
van Antwerpen, nu in het Museum dier stad (1629); den H. Hermannusjo- 
s e p h u s, eveneens voor de Sodaliteit en nu ook in het Museum van Weenen 
(1630); den K a 1 v a r i ë nb e r g in de St. Michielskerk te Gent (1630); de 
Kruisrechting voor de Hoofdkerk van Kortrijk (1631); den Kalvariën- 
b e r g voor de Minderbroederskerk van Mechelen, nu in de hoofdkerk dier stad ; 
Christus aan het Kruis met St. Franciscuste Dendermonde en 
andere meer. Ondanks hunne groote waarde zijn die stukken de zwakste onder 
van Dijck's werken. Zij herinneren sterk aan Rubens' behandeling van dezelfde 
onderwerpen, maar missen diens geweldige kracht. Van Dijck schildert die 
hoogst dramatische toestanden met weeke gevoeligheid en vervalt aldus in het 
gemaniëreerde. 

Daar echter, waar die onderwerpen overeenstemmen met zijn weemoedige ge- 
aardheid brengt hij meesterwerk voort. Zijn Christus, in het Museum van Ant- 
werpen, alleen, verlaten aan het kruis en het oog opheffende naar zijn Vader, 
smeekende dat zijn lijden moge eindigen, is van aangrijpende juistheid van ge- 
voel. Zijne Maria met het lijk van haren zoon op de knieën, in hetzelfde Muse- 
um is een onovertroffen meesterstuk. Herhaaldelijk behandelde hij dit onder- 
werp : de moeder kermende over den dood van haar kind, wat is er roerender 
in het menschelijk leven; de moeder van den Heiland zich erbarmende en wee- 
klagende over het lot van den gekruisigde, wat is er meer dramatisch in Chris- 
tus' geschiedenis ? Niemand voelde het dieper dan van Dijck en niemand wist 
dit jammerlijk tafereel zoo treffend in zijn waarheid weer te geven als hij. 
Hij was de schilder van den dood, zooals zijn meester die van het leven; hij 
was de schilder van Maria, zooals Rubens die van Christus. 

Niet alleen in de smartelijke tooneelen uit het leven der Mater dolorosa 
ook in die harer moedervreugd brengt hij meesterwerk voort. Zijne Onze Lie- 
ve Vrouwen met het kind op den arm of op den schoot vereenigen den adel 
der Italiaansche en de donzigheid der Rubensche Madonna's met een gemoe- 
delijkheid, die nog een uiting van schilders gevoeligheid is. 

In de jaren, welke hij na zijne Italiaansche reis doorbracht in zijn vaderland, 
schilderde hij tal zijner beste portretten. Hij was teruggekomen van zijne ruwe 
borsteling uit de eerste tijden, van zijn stijve deftigheid uit zijn Italiaansch 
tijdperk; hij schilderde het leven in zijn modellen, zich meer toeleggende om 
de ziel dan om het lichaam te doen gelden. Zijn verf is gesmijdig, zijn toon 
warm, zonder in het smachtende van zijn heiligenbeelden te vervallen; hij schil- 
dert burgers, kunstenaars, edellieden en vorsten en deelt aan allen met eene 



ANTOON VAN DIJCK. 109 

milde hand de schatten van zwierigheid en sierhjkheid uit, waarover hij in on- 
uitputbare mate beschikt. Hij verUflaft zijne modellen niet, zij leven een hoo- 
ger leven, maar zij leven volop. 

Hij wordt de meest gezochte portretschilder van zijn land, en weldra niet al- 
leen meer van zijn land, maar ook van zijn tijd. Hij schildert niet enkel zijne 
personages, hij teekent ze en etst ze zelf, of geeft ze aan de groote plaatsnij- 
ders uit Rubens' school te graveeren en vormt aldus zijne wereldberoemde Ico- 
nografie. Nog heden worden de weinige etsen, die hij zelf leverde aanschouwd 
als het pittigste, het natuurlijkst aanvallige dat in dit vak werd voortgebracht. 

Andermaal werd hij in het begin van 1632 naar Londen geroepen als hof- 
schilder van Karel I. Hij verbleef daar tot aan zijn dood, die den 9den De- 
cember 1641 voorviel, met uitzondering van een paar jaren, die hij in 1634— 
1635 in zijn vaderland en in 1640 — 1641 hier en in Frankrijk doorbracht. 

In zijn laatste tijdperk wordt van Dijck de hofschilder bij uitnemendheid. 
Karel I kent hem in 1632 een jaarwedde van 200 pond sterling toe, slaat hem 
tot ridder en vereert hem met een gouden ketting, waaraan 's konings portret 
met brillanten omzet hing. Aan geen zachteren band kon hij den kunstenaar 
vastleggen. Buiten zijne jaarwedde werden aan van Dijck nog betaald de por- 
tretten, die hij schilderde voor den koning en de koningin en dat deze vele waren 
weten wij vooreerst uit de talrijke exemplaren die er in de paleizen van En- 
geland nog te vinden zijn en dan uit de rekening door van Dijck in 1638 inge- 
diend, waarin voorkomen een paar dozijnen portretten der koninklijke familie, 
geleverd aan Karel I voor hem zelven of voor vreemde vorsten en staatslie- 
den. 

Niet alleen de koninklijke familie conterfeitte hij, maar al wat Engeland 
bezat aan hoogen adel of bevallige dames. Het getal dier stukken was te on- 
telbaar om met voldoende zorg en keurigheid te worden afgewerkt; ook komt 
het niet zeldzaam voor dat de stukken van dien tijd los daarheen geborsteld 
zijn, zonder modelecring en zonder leven. De kleur wordt dan grijzer en grij- 
zer en heeft fleurigheid noch fijnheid meer. Hij had echter hoegenaamd niets 
van zijne uitstekende gaven verloren; integendeel, wanneer er hem de tijd toe 
verleend wordt en hij er zich de moeite toe geeft, dan brengt hij parels van 
kunst voort. Het blijkt dan dat zijn talent nog verfijnd, zijn kleurenharmonie 
nog gelouterd, zijn opvatting van het menschelijk figuur nog van hooger en e- 
deler persoonlijkheid geworden is. Zijne koningsportretten in den Louvre, in de 
National Gallery, in Windsor Castle, zijne groepen der koninklijke familie te 
Windsor, te Turijn en zijn Willem II met Maria Stuart, te Amsterdam, zijn wel 
de hoogst aristocratische figuren die ooit werden gepenseeld. 

Tot die klas van verfijnde, gelouterde, verheerlijkte beeltenissen behoort het 
dubbelportret uit den Louvre, waarvan hier de gravuur bijgaat. Het zijn Karel- 
Lodewijk van Beieren en zijn jongere broeder Robrecht, later hertog van Cum- 
berland. De oudste is geboren in 1617 en kan 20 jaar oud zijn; de jongste is 
geboren in 1619 en kan 18 jaar oud zijn; de schilderij dagteekent dus van 1637 



110 ANTOON VAN DIJCK. 

ongeveer. 

Karel-Lodewijk is nagenoeg „de face" gezien, geheel baardeloos, met lange 
blonde haren, die met enkele vlokken op het voorhoofd en in rijk golvende 
krulling in den hals nederdalen. Een groote kanten kraag stijgt tot tegen de 
kin en valt ver over de schouders neer; hij is in volle harnas met een Sint-Joris 
aan een gouden ketting op de borst hangende; in de rechterhand houdt hij 
een bevelhebberstok ; de linkerhand rust op het gevest van zijn zwaard. Robrecht 
draagt geheel dezelfde kleeding en heeft een gelijken haardos, alleen wat don- 
kerder van tint; hij heeft geen medaille aan den hals; de rechterhand rust op 
de borst, de rug der linkerhand steunt op de heup. Op den achtergrond ziet 
men links een rood gordijn met gulden bloemen bewerkt, te midden heeft 
men een uitzicht op het landschap en op den lichtgrijs bewolkten hemel. 

De twee prinsen zijn jonge lieden van bevallig uiterlijk, van zeer onderschei- 
den voorkomen; hunne lange rechtlijnige neuzen, hunne zacht droomerige oo- 
gen onder de fraai geteekende wenkbrauwen, hun sierlijke mond en licht voor- 
uitkomende kin en vooral hun zwierige lokken maken ze tot twee dier konings- 
kinderen, waarvan de sprookjesdichters ons verhalen. Zij poseeren in hooge def- 
tigheid zonder iets dat aan pose laat denken. Hun kalm fijn besneden gelaat 
waaruit het oog zoo zacht wegdwalend blikt, verraadt een edelen geest in een 
adellijk lichaam; de vleugelvormige lippen, vastgesloten, verraden kalmte des 
gemoeds, zonder spijt noch wrevel, bewust van eigen voornaamheid, zonder 
trots noch hooghartigheid; hun ongedwongen, smaakvolle houding getuigt van 
gemakkelijken omgang, natuurlijke bevalligheid. Maar in al die bekoorlijkheid 
van trekken en houding en in de uitdrukking van het gelaat ligt er een zweem 
van overbeschaving, die met het krijgshaftig gewaad minder overeenstemt. De 
harnassen zijn blijkbaar een parade-uitrusting, de bevelhebberstok is evenals 
de medaille een blijk van vorstengunst; het getuigt voor van Dijck's kieschen 
takt en voor zijn meesterschap in het opvatten en ineenzetten van een portret, 
dat dit stalen gewaad schijnt te behooren bij die jongelingsgestalten en aan hun 
haast vrouwelijke trekken een sierlijkheid te meer bijzet. 

De schildering is geheel in overeenstemming met die opvatting. Mat, alles mat : 
de glans van het oog, de gloed van het bloed, de schittering van het staal, de 
tint van tapijt en lucht, alles doortrokken van een ambertint en van het ge- 
dempte licht dat meer warmte dan klaarheid geeft. Zij zijn niet geborsteld in 
den vluchtigen schetsmatigen trant van vele portretten dier dagen, noch in hun 
koele grijze tinten; de hoofden integendeel zijn met veel zorg gemaald, de pen- 
seelslagen versmolten, de tinten en schaduwen zacht neervallende, het dons der 
jeugd verspreidende op het gelaat. Breed zijn de lichtplekken op de harnassen 
gelegd, met vlugge maar zekere borsteling, de handen zijn losser gedaan met 
minder leven dan het gelaat. Er ligt een hooge onderscheiding, laat ze dan 
eenigszins afgesproken zijn, een wasem van ridderlijkheid in die verdoofde, ver- 
zachte kleuren en lichten, niets dat luide spreekt, dat ruw klinkt. De stof is 
tot een minimum gebracht, het gevoelsleven treedt op den voorgrond. 



ANTOON VAN DIJCK. lil 

De hooge kunst van van Dijck is geweest die onderscheiding en dit ge- 
voel, dat tintje van weemoed in de uitdrukking en die gedemptheid in den 
toon verkregen te hebben zonder aan de gezondheid en de levendigheid zijner 
personages te kort te doen, zonder in gezochtheid en onnatuur te vervallen. 
De portretten geven wezenlijk de begoocheling dat de menschen zoo waren en 
zoo moesten geschilderd worden, dat de kunstenaar doorgedrongen is in hun ge- 
moed en door hun vorm dit gemoed vertolkt, dat hij zich verheugt in hun be- 
koorlijken adel en ons met zich die schoonheid laat genieten zonder iets aan 
eigen fantazie en verdichting toe te geven. En toch weten wij het wel dat hij 
zich zelven in zijn menschen uitdrukt, dat hij ze, zoo niet omschiep, dan toch 
omtoetste naar zijn eigen beeld en ze evenveel uit zijn eigen rib als uit hun 
vleesch en bloed vormde. 

De Louvre bezit nog een groot getal stukken van van Dijck en onder deze 
vindt men er uit elk tijdperk der loopbaan van den kunstenaar. 

Uit zijn eersten tijd, vóór zijn vertrek naar Italië, dagteekenen het portret van 
een man en van een vrouw elk met een kind naast zich (Nrs. 148 en 149). Hij 
geheel in het zwart, rechtstaande, eenigszins stijf van houding en gebaar, met 
de eene hand geopend op de hoogte van den gordel; zij insgelijks in het zwart 
met veel juweelen aan hals en borst, achter haar een oranjegeel gordijn. Het 
kindje nevens haar draagt een wit kleedje, dat opgeschorst is en een blauwen 
rok laat zien; het is, zoowel als het jongetje van het andere stuk, zeer leven- 
dig van beweging, snoeperig van vorm, rijk en fijn van kleur. Zij is kalm en 
rustig neergezeten, pronkende in haar staatsiekleedij. Het zijn blijkbaar man en 
vrouw. De schilder geeft met nauwgezetheid, zonder veel glans noch zwier 
de natuur weer. Later zal hij meer breedheid en malschheid in zijne schilde- 
ring, meer bevalligheid in zijne figuren leggen. Eene eigenaardigheid van die 
jaren (1620 — 1623) is dat hij gaarne zijne vrouwen zittende voorstelt, zoo de 
dame te Dresden met haar kind op den schoot, de zittende vrouw in de Ljech- 
tenstein-Galerij en in de dubbelbedden van Munchen en Cassel. De kolom en 
de breed gedrapeerde gordijn in den achtergrond ontbreken hier zoomin als in 
de meeste ten voeten uit geschilderde portretten van dien tijd. 

In vroeger jaren en wel in zijn allereersten tijd schilderde van Dijck nog d e 
Martelie van Sint Sebastiaanuitde Lacaze-verzameling. De figuren 
zijn grof van ledenbouw, de beulen woest geschilderd, de beweging overdreven : 
alle in den trant der Martelie van Sinte Peeter uit het Museum te 
Brussel. 

Het grijsaardshoofd uit dezelfde verzameling is eveneens een werk van 's 
meesters jongste jaren, een der wilde zoogenaamde Apostelshoofden, waarvan 
men er zoovele kent. 

Uit zijn Italiaanschen tijd zijn de Madonna met de boetvaardige n, 
de H. Sebastiaan door engelen bijgestaan en een paar manspor- 
tretten. 

In de O. L. V. met de b oe t va ard i g en (Nr. 136) ziet men de Madonna 



112 ANTOON VAN DIJCK. 

met beide handen haar zoontje vasthoudende, dat recht staat op hare knie. Vóór 
haar Maria Magdalena met naakten schouder en boezem, geknield en smeekend het 
kindeken Jesus aanziende; koning David met de kroon op het hoofd en rouwvol 
de handen openslaande en een derde personage, die zoo gemakkelijk niet te 
noemen is. Het is een nog jong man met overvloedig haar en baard en een 
grof weefsel over schouders en borst geslagen; in de beide handen houdt hij 
een voorwerp dat niet wel te onderscheiden is. In de verschillende uitgaven van 
den Catalogus van den Louvre heet hij ,,Sint Jan Baptist leunende op een stok 
en een dierenhuid over de schouders." Niets in dit figuur, in zijne houding en 
uitdrukking laat denken aan Christus' voorlooper. In den Catalogus van het Mu- 
seum te Berlijn komt de beschrijving voor eencr herhaling van het stuk, daar heet 
de derde persoon, de Verloren Zoon; ook voor die benaming bestaat geen goe- 
de grond. Van Dijck's werken leveren ons verder geen bewijzen op om met vol- 
doende zekerheid te bepalen wien hij heeft willen voorstellen; de werken zijns 
meesters kunnen hieromtrent met meer vrucht geraadpleegd worden. Wanneer 
Rubens de boetvaardige zondaars af te beelden heeft kiest hij : Magdalena, ko- 
ning David, den Verloren Zoon, den H. Augustinus en den Goeden Moordenaar. 
Dezen laatsten stelt hij dan voor als zijn kruis vasthoudende. Het is duidelijk 
dat de hier afgebeelde een goedig bandietengezicht heeft en al valt het niet wel te 
onderscheiden wat hij vasthoudt, zoo duidt de wijze waarop hij dit doet toch ge- 
noeg aan dat het een zwaar stuk hout is en komt zijn gebaar trouw genoeg over- 
een met dat van den goeden moordenaar uit Rubens' stuk in de Pinakotheek te 
München opdat er geen de minste reden besta om te betwijfelen dat van Dijck 
hier dezelfde personage heeft willen voorstellen. 

Het stuk is geschilderd met de smachtende uitdrukking in het zwoele wazige 
licht en den gouden toon, dien van Dijck in navolging der Venetianen over de 
Alpen aannam. Zijn Magdalena herinnert ten duidelijkste aan de vrouwen van 
Giorgione met den ,,üppigen" boezem; aan de O. L. V. gaf hij het kleine fijne 
hoofd dat zij bij Tiziano heeft. De schildering draagt ten duidelijkste het spoor 
van Italiaanschen invloed en is ongetwijfeld op het laatste van van Dijck's 
verblijf in het zuiden geschilderd. 

De H. Sebastiaan (Nr. 139) is voorgesteld na zijne martelie; hij is aan een 
boom gehecht en wordt bijgestaan door twee engelen. Het figuur is geheel in 
geroosterde tint; het hoofd smelt weg in warme schaduwen; op het lijk ligt een 
bloedroode draperij. 

Twee mansportretten dragen de kenmerken van denzelfden tijd. Het eene (Nr. 
154), Jordaensachtig van lichaamsbouw, van Dijckachtig van pose, heeft het am- 
berkleurige vleesch dat de schilder van de Venetianen had overgenomen; het 
andere (Nr. 153) is vaster van gloed, korreliger van schildering en meer Ita- 
liaansch nog van uitzicht dan de vorige. 

Van de jaren, die hij na zijn terugkeer uit Italië in Antwerpen doorbracht, 
dagteekent zijn Rinaldo en Armida (Nr. 141). Tweemaal koos hij de lief- 
de der personages uit Tasso's Verlost Jeruzalem tot onderwerp zijner 



ANTOON VAN DÏJCK. 113 

schilderingen. Eenmaal in het stuk uit den Louvre, waarin hij Rinaldo af- 
beeldt met het hoofd op den schoot van Armida liggende, terwijl Cupidootjes 
paardrijden op zijn zwaard en de toovenares zich nog verleidelijker maakt door 
haren kunstig berekenden opsmuk. Het andere stuk verbeeldt Rinaldo ingesla- 
pen en met bloemenstrikken geboeid door zijne minnares. Beide tooneelen spe- 
len in de heerlijke tuinen der koningsdochter. Van Dijck bracht op het doek de 
dichterlijke herinneringen uit Italië en leverde in den achtergrond der twee 
stukken de belangrijkste brokken landschap die hij schilderde. Het stuk uit den 
Louvre heeft niet veel te beduiden als kunstwerk ; alles is hier weer overgoten 
met gulden tinten en baadt in warme schaduwen. Men zou al dadelijk ver- 
moeden dat het stuk over de Alpen geschilderd werd, wisten wij niet uit goede 
bron dat van Dijck eerst in 1629 voor Karel I van Engeland een zijner twee 
stukken Rinaldo en Armida schilderde. Wij weten wel niet met zekerheid 
of dit het stuk uit den Louvre was, maar beide zijn tweelingwerken en er be- 
staat geen twijfel of zij werden in denzelfden tijd gemaakt. 

Geheel van denzelfden aard en vermoedelijk uit dezelfde jaren is een ander 
stuk uit den Louvre Venus in de smis van Vulcanus eveneens een stuk 
zonder groote kunstwaarde. 

Het belangrijkste werk, dat de Louvre bezti van Van Dijck uit de eerste ja- 
ren na zijn terugkeer uit Italië is de O. L. V. m e t d e b e g i f t i ge r s (Nr. 
137). Het is een zijner meesterstukken. Men kan niets aanvalligers en roeren- 
ders zien dan het Jesuskind, dat, op den schoot zijner moeder gezeten, zich ter- 
zijde wendt om de wang van den begiftiger te streelen, die in biddende houding 
teederlijk het wichtje aanblikt, het hoofd naar hem neigt, en met gemeenzame 
vertrouwelijkheid de gevouwen handen op de knie der Moedermaagd laat rus- 
ten, terwijl zijn vrouw zeer statig geknield met strakken blik en ontsloten han- 
den het tooneel aanstaart alsof zij hare oogen niet gelooven kon. 

Niet minder liefelijk is de Maria die in losse bevallige houding gemoedelijk 
het biddende paar aanziet ; ook de bloemenstrooiende engeltjes in de lucht voe- 
gen een bevallig motief in het bekoorlijk tooneel. De invloed der zuidelijken 
is duidelijk te merken in den warmen toon van heel het stuk en in de Tiziaan- 
sche vormen van Maria. Geen de minste twijfel echter of het stuk werd in Vlaan- 
deren gemaakt : de menschen zijn wel landgenooten van den schilder, de leven- 
digheid der behandeling, de gelukkige schikking van het tooneel bewijzen ten dui- 
delijkste dat het werk gemaakt werd toen het talent van den meester tot volle 
rijpheid was gekomen. Het stuk bevond zich reeds onder Lodewijk XIV in de 
koninklijke kunstkamer. Men wist tot nu toe niet van waar het herkomstig 
was noch wie de afgebeelde personen zijn. Onlangs trof ik eene oorkonde aan 
die mijn dunkens licht werpt op die duistere punten en dit wel in de boedelbe- 
schrijving van een Antwerpschen geestelijke. Onder de schilderijen nagelaten 
door den Eerw. heer Guilielmus van Hamme overleden op 24 Mei 1668 wordt 
vermeld ,,een groot stuk schilderye van den Cavailler van Dyck, wesende een 
Marienbelt met twee conterfeytsels, op doeck, in swertte lyst met een vergul- 

8 



114 ANTOON VAN DIJCK. 

de binnelyst, behangen met eene gordyne (1)". Ik twijfel niet of het stuk hier 
beschreven is dat uit den Louvre en de afgebeelde personages zijn verwanten 
van Guilielmus van Hamme, wellicht zijn vader en moeder. Onder al de wer- 
ken van van Dijck is dit toch het eenige dat past op de boven aangehaalde be- 
schrijving; het zou dus niet voor eene kerk gemaakt zijn, maar voor een huis- 
kamer der afgebeelden. 

Het prachtig portret van den president Richardot (Nr. 150), is van denzelf- 
den tijd. Het kan niet naar het leven gemaakt zijn, daar de afgebeelde stierf toen 
van Dijck slechts tien jaar oud was; het is dus naar een schilderij van ouderen 
datum geschilderd. Het is geheel in den gulden toon en den verzorgden trant 
waarin enkele portretten uit die dagen gemaakt zijn, bij voorbeeld de M a r t e n 
Pepyn uit het Museum van Antwerpen, gedagteekend 1632. Een heelen tijd 
lang werd het zonder eenigen grond aan Rubens toegeschreven. 

Uit hetzelfde tijdperk dagteekent het portret der Infante Clara 
Isabella Eugenia in de kleed ij van kloosterling (Nr. 145), 
een goed portret in gulden toon, en de schets van een Nood Gods (Nr. 138). 
Het is niet die van de schilderij welke van Dijck maakte voor Scaglia om ge- 
plaatst te worden in zijne grafkapel in het Minderbroedersklooster te Antwer- 
pen, zooals de verschillende Catalogussen van den Louvre zeggen, maar wel 
die van het stuk uit de Pinakotheek te Munchen. In dit laatste en in de schets 
van den Louvre ziet men O. L. V. gezeten tegen het omgekante kruis met den 
dooden Christus uitgestrekt voor zich en het hoofd tegen hare borst geleund, Ma- 
ria slaat een arm open en houdt met den anderen het lijk van haar zoon vast. 
Drie engelen beweenen en aanbidden hem. In het stuk van Antwerpen ligt het 
hoofd van Christus op Maria's schoot en slaat zij weeklagend de twee armen 
open; Joannes en twee engelen beweenen den dooden Godmensch. Beide stuk- 
ken zijn de hoogste uitdrukking van van Dijck's menschelijk en godsdienstig 
gevoel; ik houd meer van het Antwerpsche omdat de uitdrukking inniger is, 
omdat het kruis een stoffelijke en nuttelooze herinnering aan het gebeurde, weg- 
gelaten is en ook omdat de koele blauw grijze toon meer overeenkomt met het 
tooneel van smart dan de warmbruine uit het stuk van Munchen. 

Van Dijck schilderde zijn eigen portret dat de Louvre bezit (Nr. 152) tus- 
schen 1627 en 1632. Een fijn hoofd is het eerste woord dat het stuk uitlokt. Een 
hoog voorhoofd glad als een spiegel, bruine amandelvormige oogen, een regel- 
matig gevormde en lange neus, een fijne mond met knevel en kinnebaard, licht 
bruin haar ver achterwaarts geplant, ordeloos weggestreken, zware hals, zware 
lippen en een voorname matte gelaatskleur; het gezicht van iemand die wel 
een of meer zusters op het begijnhof heeft maar die er zelf niet gaarne zou wo- 
nen; een licht dat te snel doorvlamt en te weinig brandstof heeft om lang 
te duren, daarbij met een zekere hooghartigheid op de wereld van alle dagen 
neerziende. Hij draagt een blauw fluweelen vest op een wit hemd en ziet er in 

i) F. J. van den Branden: Verzamelingen van schilderijen te Antwerpen (Antwerpsch Archieven- 
blad XXII, 455.) 



ANTOON VAN DIJCK. 115 

zijn opschik nog altijd de zwierige kunstenaar uit die zijne makkers te Rome 
,,den jonker" doopten. De schildering past bij den vorm, een zeer fijne amber- 
kleurige toon ligt op het gelaat, wel passende bij het kostelijk gekleurde pakje 
dat hij draagt. Van de verscheiden eigen portretten die wij van hem kennen 
geeft dit hemj te zien in zijn middeljaren, 1627 tot 1630. In dat van St. Peters- 
burg en in dat van den hertog van Grafton is hij nog nauwelijks de jongelings- 
jaren ontwassen; in dat van Florence draagt hij de gouden ketting die Karel 
I hem schonk; in dat van Madrid ziet hij er een weinig ouder uit dan hier. 

In Vlaanderen ook werd het portret van Moncada geschilderd dat de Louvre 
bezit, (Nr. 146) waarschijnlijk niet vóór van Dijck's vertrek naar Engeland in 
1632, maar gedurende den tijd, dien de kunstenaar hier kwam doorbrengen in 
1634 — 1635. Francisco de Moncada markies van Aytona was den 30sten Decem- 
ber 1633 door den koning van Spanje aangesteld als landvoogd der Spaansche 
Nederlanden, een titel dien hij voegde bij dien van opperbevelhebber der krijgs- 
macht, welken hij sedert 1630 droeg. Van Dijck die een goed deel van 1634 te 
Brussel doorbracht zal wel in dien tijd het ruiterbeeld gemaald hebben, waar- 
in Moncada heel het uitzicht heeft van een man die met de oppermacht in den 
lande bekleed is. Hij komt uit het doek den toeschouwer toegereden, in rusti- 
ge houding, met de hand op den bevelhebbersstaf, die op den zadel steunt. 
Het witte paard in zijn stouten en nochtans natuurlijken draai is half in het 
verkort gezien en een der schoonste van zijn soort, die van Dijck den grooten 
paardenmaler schilderde. Het geheel geeft den indruk van iets monumentaals, 
van een standbeeld in schildering. 

De Louvre bezit ook het portret van de Moncada in borstbeeld, een studie 
voor de groote schilderij veel warmer van toon dan hoofd en borst in het rui- 
terbeeld (Nr. 147). 

De overige stukken zijn in Engeland na 1631 geschilderd. Vooreerst zijn be- 
roemde Karel I op de jacht (Nr. 142), die korts na 1632 geleverd werd 
aan den Koning. Hij is nog geheel in de fijne gulden tonen, die van Dijck uit 
Italië had meegebracht en die sedert dien wat waren afgekoeld. De vorst komt 
in lichte helderheid uit op de doffer geroosterde tonen van al wat hem om- 
geeft. Men verbeeldt zich geen trotscher en tevens voornamer houding, met de 
eene hand vooruit op den wandelstok leunende, de andere op de heup geplaatst. 
Te midden van het beboschte landschap met zijn paard en de twee mannen van 
zijn gevolg laat hij zich geheel alleen gelden. Met zijn breed geranden hoed 
schuins op het hoofd, zijne lange lokken op de schouders golvende, zijn opge- 
streken snor en puntigen kinnebaard, zijn kleeding heel rijk en heel los, is hij 
v/el de koning der Cavaliers, vol levenslust en nog al verwijfd, zeer verfijnd 
van smaak en belust op alle genot, denkende dat de wereld gemaakt was om 
hem te behagen en te gehoorzamen en gaande naar den afgrond met den glim- 
lach van hooghartigheid en zelfvertrouwen op de lippen. Het is een portret 
waaraan van Dijck blijkbaar zijn beste zorg heeft besteed, dat hij gevoeld heeft 
en gekoesterd, een der meesterstukken zijner verfijnde kunst, een der meester- 



116 ANTOON VAN DIJCK. 

werken van de wereldkunst. 

Nevens het portret van den vader vinden wij het portret zijner drie oudste kin- 
deren (Nr. 143). Het is de schets van het stuk uit de koninkhjke verzameling van 
Windsor-Castle, alleen zijn er twee honden bij de kinderen in de groote schil- 
derij en een enkel in de kleine : want een schilderij mogen wij wel het kostelijke 
stukje, schitterend van licht en kleur, noemen. 

Behalve het dubbel portret van Karel-Lodewijk van Beieren en zijn jongeren 
broeder (Nr. 144) van welke wij hooger spraken, bezit de Louvre uit van Dijck's 
Engelschen tijd nog het portret van den hertog van Richmond (Nr. 151). De voor- 
stelling is eigenaardig en verrassend, de jonge man met lange blonde lokken is 
tot aan den gordel enkel gekleed in een wit hemd dat hem los over de borst 
hangt, verder draagt hij een bruinroode broek. In de hand houdt hij eene vrucht, 
citroen of peer. Een portret in grand négligé zou men zeggen, zeer zacht 
en fijn gedaan in de koele, grijze tonen, welke in de werken van dien tijd afwis- 
selen met de warme zuiderlijke lichten. De hertog van Richmond was van ko- 
ninklijke bloede, hij was een der vele hovelingen die van Dijck portretteerde, 
die hij kende in al de weelde en den levenslust heerschende in de omgeving van 
Karel en die weinige jaren later in de dagen van tegenspoed aan de zijde van 
hunnen meester zouden staan en met onverzwakten moed voor hem en zijn ge- 
slacht hun bloed zouden vergieten en hun leven laten op het slagveld. 

Men leert van Dijck in den Louvre kennen van verschillende zijde en hem 
hoogachten, men bekomt er de overtuiging dat hij te recht met Rubens een 
eereplaats in de geschiedenis der Antwerpsche school bekleedt; zoo hij den 
troon met hem niet deelt, staat hij op de hoogste trede naast hem. In zijnen 
tijd wist men het wel en wanneer Boeyermans een zijner volgelingen, een zol- 
deringstuk ten geschenke aan de St. Lucasgilde schilderde, plaatste hij van 
Dijck nevens Rubens aan de zijde van Antwerpen, de voedstermoeder der kun- 
sten. De rij der Antwerpsche schilders van het volgende tijdperk verdeelt zich 
in hun voorkeur tusschen de twee groote meesters, de forscheren scharen zich 
onder Rubens', de gevoeligeren onder van Dijck's banier. In Engeland even- 
eens leeft zijn invloed langen tijd voort, de portretschilders zijner eeuw volgen 
hem na en wanneer op het einde der verleden eeuw de nieuwe Engelsche school 
herleeft met Reynolds, Gainsborough en anderen, dan valt het niet moeilijk in 
hun meesterwerk de kenmerken van den grootsten der Vlaamsche portret- 
schilders weer te vinden. 






(^ 




w 




H 




i-H 




(1h 




1 — 1 




'^ 




< 




> 






w 


W 


< K 


n 


c/J 


o 




1— 1 


^ 


< 
1— > 





17. JACOB JORDAENS. 



In de glorierijke trits der groote Antwerpsche meesters uit de XVI Ie eeuw be- 
kleedt Jordaens eene scherp afgeteekende plaats. Rubens is de epische schil- 
der, van Dijck is de dichterlijke aristocraat, Jordaens is de realistische bur- 
german. Alle drie waren hoog aangeschreven in hunnen levenstijd; door de 
eeuwen heen werden Rubens en van Dijck aanschouwd als vorsten in hun rijk; 
Jordaens verloor van zijn aanzien in den loop der tijden, toen men alleen be- 
wondering gevoelde voor de Academische kunst, het deftige schoone. In onze 
dagen eerst, nu men den schilder als eerste verdienste aanrekent dat hij schil- 
deren kan, is men Jordaens weer in eere gaan houden. 

De Museums zijn gewoonlijk niet rijk voorzien van zijne werken en hechten 
er blijkbaar geen groot belang aan; maar de tijd is nakende, waarop zijne stuk- 
ken zullen gezocht worden als die van de groote meesters der wereldkunst en 
met afgunst zal men die verzamelingen prijzen, die, den smaak van den dag 
vooruitloopende, schatten hebben bijeengebracht, die niet langer meer te vinden 
zijn. Zoo bijvoorbeeld het Museum van Brussel, dat in de laatste jaren mees- 
terstuk op meesterstuk van hem kocht en nu reeds een rij zijner werken bezit, 
die den kunstenaar in zijn volle waarde doen kennen. 

Zeker Jordaens stuit af door sommige opvallende eigenaardigheden. Hij ver- 
kneukelt zich in de opmerking der alledaagsche waarheid en geeft ze onbe- 
schroomd weer, aldus nog al gemakkelijk in het ruwe en gemeene vervallende. 
Sommige zijner stukken getuigen van onverzorgde borsteling en van kunsteloo- 
ze slordigheid; zijn opmerking der waarheid is wel eens erg nuchter, zonder 
pit of eigenaardigheid. Maar daartegenover, in zijne goede stukken, wat heer- 
lijke schildering, wat eigenaardige kleurenrijkdom en kracht van licht, wat uit- 
spattende humor, wat schaterende joligheid, wat machtige persoonlijkheid! Men 
geniet dit alles zoo niet terstond, omdat men afgeschrikt wordt door de bru- 
tale weergeving der werkelijkheid, maar hoe beter men hem leert kennen, hoe 
meer men hem leert smaken en liefhebben als een der oorspronkelijkste kun- 
stenaars, die ooit het penseel hanteerden. 

Iets dergelijks gebeurde ook in den Louvre; tot voor korten tijd hingen de wer- 
ken van den grooten Antwerpenaar ergens tegen de zoldering verloren of wer- 
den zooals zijn Laatste Oordeel in het magazijn geborgen. Toen men in 
1900 een nieuwe zaal opende waar de Rubensen en andere Vlaamsche meesters 
als mede de meeste Hollanders plaats vonden werden Jordaens' stukken, in goed 
licht en op passende hoogte geplaatst en kon men ze naar waarde leeren schatten. 

Jordaens was wezenlijk een oorspronkelijk meester. Men heeft zijnen trant 



118 JACOB JORDAENS. 

willen afleiden van dien zijns leeraars Adam van Noort, wien men ook grooten 
invloed op Rubens toekende. Maar het eene is zoomin te bewijzen als het an- 
dere. De stukken van van Noort, waarin men overeenstemming m.et de werken 
zijner twee groote leerlingen weervindt, bezitten geene erkende echtheid en de 
onbetvvistbaar echte voortbrengsels van van Noort verraden geen eigenaardig- 
heid, waaraan Rubens of Jordaens hunnen trant zouden ontleend hebben. 

Onloochenbaar is de inwerking van Rubens op Jordaens, evenals op al de kun- 
stenaars van zijnen tijd. Van den ouderen meester heeft de jongere de schitte- 
rende forsche kleur, het overvloedige licht, het malsche vleesch, het levensvol- 
le en het levenslustige leeren liefhebben, !Maar in afwijking met Rubens vermijdt 
hij niet het onschoone in het ware; Rubens' licht is van goud en zilver, dat van 
Jordaens heeft koperen weerschijnen; Rubens vat zijne scheppingen als een hel- 
denzanger op, Jordaens ook is breed en machtig, maar past zijn weidsche behan- 
deling toe op het burgerlijk of het boertig vak. Wanneer hij ernstiger of ver- 
hevener onderwerpen behandelt wordt hij in een geheel van hooggestemde op- 
vatting alUcht getroffen door het kluchtige van een détail, door het contrast 
van een prozaieke bijzaak. 

Vergelijken wij hem bij zijne voorgangers, dan vinden wij in hem den 
voortzetter der realistische kunstrichting, die wij bij Quinten Massijs en Pe- 
ter Breughel aanstipten en die bij meer andere meesters onzer oudere school 
weer te vinden is. Als de laatstgenoemde merkt hij de bijzonderheden van het 
alledaagsche leven op in de tooneelen uit de gewijde geschiedenis en morali- 
seert hij gaarne, waar hij zijn tafereelen aan de burgerwereld ontleent. Maar zijn 
grappige figuren zijn geen kreupelen, mismaakten en misdeelden der natuur: het 
zijn krachtig gebouwde mannen en vrouwen, gezond van lichaam, opgewekt van 
geest, helden in het jolige, die evenals Frans Hals' figuren ons doen lachen, 
maar niet belachelijk zijn. Hij voert het alledaagsche en het potsierlijke op tot 
de afmetingen van het epische, hij hult het burgerlijk proza in kleuren en lichten, 
die tot dan toe voor de hoog ernstige scheppingen voorbehouden bleven. 

Ook in zijn leven verschilt Jacob Jordaens merkelijk van de kunstenaars van 
zijnen tijd. Terwijl al de Vlaamsche historieschilders zich ten dienste stelden van 
prelaten, kloosteroversten en rijke geloovigen om de Roomsch-katholieke kerken, 
door den beeldstorm beroofd van hun kunstwerken, in hun ouden luister te 
herstellen, terwijl zij in hun leven als in hiui kunst behoorden tot de onderda- 
nige zonen der heerschende kerk, leeft Jordaens buiten die kerk, erger nog 
scheidt hij zich van haar af om de verboden leer der protestanten in het open- 
baar te belijden. Hij werkt voor zijne katholieke omgeving, maar zijn hart is 
in het Noorden bij de afgescheurden van Spanje en van Rome. 

Jordaens werd geboren te Antwerpen den 19den Mei 1593. In 1607 werd hij 
als leerling bij Adam van Noort en in 1615 als meester in de Lucasgilde aan- 
vaard. 

In de Liggeren van de gilde werd hij ingeschreven als ,,Waterschilder.'" Men 
heeft de gissing gewaagd, dat die uitzonderlijke titel hem gegeven werd, om- 



JACOB JORDAENS. 119 

dat hij voor zijn vader, die koopman in lijnwaad was, geschilderde behangsels 
maakte. Dit is louter een gissing, maar wat vaststaat is dat Jordaens tal van 
kartons voor tapijten leverde. Het keizerlijke huis te Weenen, bezit een reeks 
van acht stukken, onderwerpen uit het landelijk lev^en voorstellende en naar zijn 
teekeningen geweven. Van deze vonden wij er zes weer in de tentoonstelling 
te Brussel in 1880 gehouden. Een paar malen leverde hij patronen voor tapij- 
ten met tafereelen van paarden en andere meer. Onder de teekeningen, die het 
British Museum van hem bezit, treffen wij nog verscheiden onderwerpen van 
soortgelijke werken aan. Een stelliger bewijs dat aan Jordaens niet zonder reden 
de naam van Waterverfschilder werd gegeven is dat wij van hem dozijnen ge- 
kleurde bladen bezitten in waterverf uitgevoerd. Terwijl al de overige mees- 
ters hunne teekeningen of schetsen in inkt of krijt vervaardigen, schildert Jor- 
daens ze. Menigeen onder deze is even rijk in de kleur als zijn schilderijen. 

Den 15den Mei 1616 huwde hij de dochter zijns leeraars Catharina van Noort. 
Uitzondering makende op den algemeen gevolgden regel ging hij niet naar Ita- 
lië; hij bleef in Antwerpen wonen tot aan zijn dood en verliet zijn geboortestad 
enkel om korter of langer reizen in Noord-Nederland te doen. Hij genoot al 
spoedig groeten bijval, zoodat hij in 1639 in de Hoogstraat een ruime woning 
kon aankoopen, palende aan die, welke hij sedert 1618 bezat. Beide eigendom- 
men liet hij afbreken en op hun plaats een prachtig huis bouwen. Het ach- 
terdeel ervan, waar hij zijn atelier in had, bestaat nog en is een der merk- 
waardigste overblijfsels van bouwkunst, dat van dien tijd in zijn geboortestad is 
bewaard gebleven. 

Toen Rubens in 1640 stierf, werd Jordaens erkend als de eerste der nog le- 
vende schilders van Antwerpen. Balthazar Gerbier, de kunstenaar-diplomaat, 
die zoo goed de toestanden ten onzent kende, getuigde dit van hem. Aan het 
hof van Engeland genoot hij reeds vroeger een goeden naam. In 1639 werd hij 
aangeduid, eerst gezamenlijk met Rubens en daarna alleen, om twee en twintig 
schilderijen te maken, bestemd om de zolderingen en de v/anden van de kamer 
der koningin te stoffeeren. De omwenteling en de dood van Karel I, kwamen 
dit werk onderbreken, toen een enkel stuk afgemaakt en opgezonden was. 

Gelukkiger was Jordaens met een ander aanzienlijk werk. In 1645 was Ama- 
lia van Solms het Huis-ten-Bosch beginnen te bouwen; na den dood van ha- 
ren gemaal prins Frederik-Hendrik besloot zij er de eerezaal van te laten ver- 
sieren met schilderijen, waarop zijn daden en deugden zouden verheerlijkt wor- 
den. Verscheiden Antwerpsche schilders werden met die taak gelast. Aan Jor- 
daens werd de uitvoering van het voornaamste stuk, de Zegepraal van 
Frederik-Hendrik, en een der schilderijen van minder belang opgedra- 
gen. Het groote stuk, dat Jordaens' meesterstuk is, werd in 1652 afgemaakt en 
met 3000 gulden betaald. 

Sedert lang kennen wij van dit groote stuk de schets, toehoorende aan het 
Koninklijk Museum te Brussel; onlangs daagde eene nieuwe op, die aangekocht 
werd door het Museum van Antwerpen, een prachtig werk, dat hoofdzakelijk 



120 JACOB JORDAENS. 

verschilt van de groote schilderij doordien de stoet niet recht vooruit naar den 
toeschouwer komt gereden, maar naar links afkeert en in die zwenking wordt 
gezien. 

Voor Christina van Zweden schilderde hij, waarschijnlijk rond denzelfden tijd, 
een vierkant zolderingstuk met vier schuinsche paneelen, die echter niet afge- 
leverd werden ten gevolge van den afstand der koningin en in de veiling zijner 
nalatenschap in 1734 verkocht werden. De zoldering verbeeldt de geschiedenis 
van Psyche. Een tweede exemplaar van hetzelfde onderwerp kwam in zijn vei' 
ling voor; een derde schilderde hij voor zijn eigen woonhuis. Voor den koning 
van Denemarken, voor het Stadhuis van Amsterdam, voor zijn eigen kamers voer- 
de hij nog grooter of kleiner reeksen uit. 

Jordaens stierf den ISden October 1678, in den ouderdom van 85 jaar, denzelf- 
den dag als zijne dochter Elisabeth, aan een besmettelijke ziekte, die toen te 
Antwerpen woedde. Sandrart, die hem kende toen hij 78 jaar oud was, ge- 
tuigt van hem dat hij in rust de eer en den rijkdom genoot, die hij had ingeza- 
meld. Constantijn Huygens, die hem bezocht een jaar vóór zijn dood, vermeldt 
dat hij alsdan den stoel niet meer verliet, waarin hij gedragen werd en dat hij 
zwak van geest was geworden. Als belijder der hervormde leer kon hij te Ant- 
werpen niet begraven worden; zijn overblijfsels moesten buiten de grenzen op 
Hollandschen grond in de gemeente Ossendrecht — tegenwoordig Hollandsch 
Putte — vervoerd worden. 

Was Jordaens van protestantsche ouders geboren of ging hij in min of meer 
gevorderden leeftijd tot het Calvinismus over? De laatste veronderstelling is de 
meest waarschijnlijke. Wij weten dat Jordaens als katholiek gedoopt werd in 
de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk den dag na zijn geboorte en ook zijn kinderen daar 
liet doopen. Eerst toen hij vijftig jaar is, vernemen wij iets van zijn belijden der 
hervormde leer. Maar al de getuigenissen stemmen overeen om hem als een vu- 
rigen aanhanger der protestantsche kerk te doen kennen. Tusschen de jaren 1646 
en 1650 werd hij veroordeeld tot een boete van 200 ponden om ,,eenighe schan- 
daleuse geschriften" geschreven te hebben. Toen hij in 1660 als getuige in een 
proces verscheen, zwoer hij enkel ,,bij God" met weglating der gewone for- 
muul „en bij al zijn heiligen." Te rekenen van 1671 bezitten wij de lijst der 
protestantsche gemeente te Antwerpen, ,,den Olijfberg" geheeten: van dit jaar 
af komt zijn naam onder die der 90 leden voor. Van 1675 tot 1678 werd het 
Avondmaal in zijn huis bediend. 

Hij verborg dus zoo weinig als het mogelijk was zijne godsdienstige ziens- 
wijze; dit belette echter niet dat hij tot in zijne latere jaren nog bestellingen van 
kloosters en kerken ontving om altaarstukken te schilderen. Zoo voltooide hij 
nog in 1647 de Bekeering van den H. Paulus voor de abdij van Ton- 
gerloo, in 1655 den H. Carolus Borromaeus voor de Carenna-kapel in 
de St. Jacobuskerk te Antwerpen, in 1663 den Christus te midden der 
Schriftgeleerde n voor de St. Walburgiskerk te Veurne, nu in het Muse- 
um van Ment. 



JACOB JORDAENS. 121 

Wij wezen er reeds op, dat er een zeer merkelijk verschil bestaat tusschen de 
werken van den meester en moeten bekennen, dat de verklaring der zorgeloos- 
heid, waarmede sommige zijner stukken geschilderd zijn, den moedwil waarme- 
de alle eerbiediging van vorm met den voet wordt gestooten, met geen voldoen- 
de zekerheid te leveren is. 

Maar wij twijfelen niet of de mindere waarde dier werken komt voort uit twee 
redenen. Ten eerste liet Jordaens, evenals Rubens, zich door zijne talrijke leer- 
lingen helpen en vergenoegde hij zich soms zijne stukken met eigen hand 
,,te overschilderen en te herschilderen, te veranderen en te verbeteren". In de- 
ze werken is de algemeene toon doffer en komen de stralende lichten den mees- 
ter eigen, slechts bij plekken voor; de figuren hebben minder karakter, minder 
pittigheid en vervallen in het onverzorgde en banaal prozaieke. Zoo bijvoor- 
beeld zijn de twee stukken uit het Musem van Gent, de twee uit het Museum van 
Rotterdam en de Christus met de Pharizeërs uit het Museum van 
Rijsel. Daarbij komt dat Jordaens zelf in latere jaren breedcr en losser werd, dat 
hij zich minder ontzag bepaald onfraaie vormen te bezigen, dat er minder har- 
monie tusschen de hoofddeelen en de bijzaken heerscht in zijn werk, dat aldus 
minder samenhangend en onbehagelijker wordt. Soms ook dragen de twee oor- 
zaken er samen toe bij om de stukken een minder verzorgd, minder kunstig 
uitzicht te geven. 

Jordaens dagteekent zeer zelden zijn schilderijen en ze in tijdsorde te schik- 
ken is op verre na niet gemakkelijk. Het oudste stuk, waarvan wij weten wan- 
neer het gemaakt werd, is de Christus aan het kruis in of rond 1617 voor 
de Predikheerenkerk van Antwerpen geschilderd en daar nog aanwezig; men 
herkent er zijne hand wel in, maar evenzeer den onmiddellijken invloed van Ru- 
bens. Van 1618 is gedagteekend de Aanbidding der Herders in het Mu- 
seum van Stockholm, krachtiger reeds van licht en kleur; van 1625 zijn Ja- 
ger met honden te Rijsel; de H. M a r t inu s in het Museum van Brus- 
sel, waarin de warme rosse toon overheerscht, is van 1630; het prachtig exem- 
plaar van Zoo de Ouden zongen zoo piepen de jongen, dat het 
Museum van Antwerpen bezit en dat behagelijke vormen in glanzende lichten 
en kleuren hult, draagt het jaartal 1638; van 1644 is zijn Aanbidding der 
koningen te Diksmuide; van 1645 zijn Paulus en Barnabas te Lystra uit het 
Museum der Academie te Weenen; van 1646 zijn Zoo d' ouden zongen te 
M u n c h e n ; van 1649 zijn Nymfenmet den horen van Overvloed te 
Kopenhagen; van 1652 zijn meesterstuk de Triomf van prins Frederik- 
H end rik in het Huis-ten-Bosch; van 1653 zijn Susanna in het Museum 
van Kopenhagen; van 1660 zijn Isaac Jakob zegenende te Rijsel; van 
1663 zijn Christus onder de d o c t o r e n, in het Museum van Mentz. Tot 
het midden zijner loopbaan (1630 — 1663) behooren ons dunkcns zijn voornaam- 
ste werken. Het stuk Zoo de ouden zongen en het Laatste Avond- 
maal in het Museum van Antwerpen, de Sater de Boer en de Vrucht- 
baarheid in het Museum van Brussel, het Driekoningenfeest in het 



122 JACOB JORDAENS. 

Museum van Weenen, de Kindsheid van Jupiter in den Louvre, de K o- 
ni ng Candaulus te Stockholm, de Triomfvan Bacchuste Arras, het 
Huwelijk van S. Catharina te Madrid, de Kinderen met het 
schaap te Valencijn, de Triomfvan Frederi k-H e n d r i k, de Chris- 
tus onder de doctoren en de Aanbidding der koningen hoogcr 
vermeld. 

Tot zijn later tijdperk behooren stukken als de G a s t h u i s n o n n e n, de 
Graflegging en het Zolderstuk der St. Lucasgildein het Mu- 
seum van Antwerpen. De twee eerste dezer werken zijn krachtig nog, maar niet 
schitterend van kleur; het laatste van 1665 is met behulp van zijne leerlingen 
gemaakt en vereenigt aldus de twee oorzaken, die wij opgaven om de minder 
waarde sommiger stukken uit te leggen. 

In zijn laatsten tijd worden de schaduwen zwaarder en zwarter, de warme 
bronzen tonen en de blauwgetinte schaduwen van vroeger verdwijnen, de vor- 
men worden houterig, de schildering harder, de ambachtelijke handvaardigheid 
treedt in de plaats der kunstvolle fijngevoeligheid. 

Jordaens was buitengewoon vruchtbaar. Gedurende meer dan zestig jaar 
braclit hij alleen of met de liulp zijner leerlingen en kunstgenooten ontelbare 
godsdienstige, historische en mythologische stukken, tafercelen uit het burgerle- 
ven en portretten voort. 

Binnen en buiten de stad voorzag hij dozijnen van kerken met altaarstukken. 
In deze moet hij zich noodzakelijk binnen de palen der strenge betamelijkheid 
houden. Sommige dier godsdienstige tafereelen, bijvoorbeeld zijn Christussen aan 
het kruis, zijn meer conventionneel decoratiewerk, waarop de verplichte per- 
sonages in de gebruikelijke houding staan en waar niet veel oorspronkelijkheid 
noch zelfstandigheid in te vinden is. Die onderwerpen waren dan te heilig om 
boert of gemeenzaamheid toe te laten. Daar waar de gewijde geschiedenis aan het 
gewoon leven raakt vindt hij er een lust in en heeft hij er een handje van haar 
te ontwijden. Het rein menschelijke trekt hem dan aan en hij vergeet het boven- 
natuurlijke om alleen aan de natuur en de dagelijksche waarheid te denken. 
Die opvatting belet hem niet prachtige werken voort te brengen, zooals zijn 
Laatste Avon d m a a 1 te Antwerpen, een meesterstuk van kleurenrijkdom 
en Hchtspeling. In andere stukken laat hij zich weer medesiepen en maakt hij 
van zijn bijbelsche onderwerpen tafereelen uit het volksleven, nu eens bewogen 
als een straattooneel, dan grappig als een volksklucht. De Kooplieden uit 
den tempel gejaagd in den Louvre is een staaltje van deze opvatting ; S u- 
sanna en de Grijsaards is er een andere. Als voorbeeld hoe hij een schrif- 
tuurlijk verhaal inkleedde, moge de behandeling van dit laatste onderwerp gel- 
den. Ik ken er drie voorstellingen van: die uit het Museum van Rijsel, die uit 
het Museum van Kopenhagen en die uit het Museum van Brussel, alle drie ver- 
schillen merkelijk van opvatting en hebben alleen de prachtige schildering met 
elkander gemeen. In het eerste exemplaar hebben de twee grijze liefhebbers Su- 
sanna ontdekt in het bad en hebben een pret van belang in het avontuur. En zij 



JACOB JORDAENS- 123 

is bedremmeld, en geheel onthutst; zij weet niet of zij onder het water zou dui- 
ken of op de vlucht gaan; haar verlegenheid is zoo koddig en de onbescheiden 
bespieders schateren het zoo luid en vroolijk uit dat men gaarne hun onfatsoen- 
lijkheid vergeet om — 't is haast schande het te moeten belijden — hun jolig- 
heid te deelen. In het tweede exemplaar gaat het erger toe. Daar neemt Susan- 
na het geval lichter op; zij heeft de twee oude heeren in het oog gekregen en 
vindt het zoo komiek in haar primitief toilet verrast te worden, dat zij de eerste 
is om er zich vroolijk om te maken en eerder de overjaarsche minnaars uit- 
lacht, die gretig de hand naar haar uitsteken dan zich om die vrijpostigheid te 
ergeren. In het derde exemplaar weer wat anders: Susanna ziet er tamelijk kalm 
uit en beproeft vruchteloos aan het oog van den toeschouwer evenals aan dat 
der ouderlingen, die van bewondering getroffen staan, hare weelderige vormen, 
glanzend van licht, van rondheid en gezondheid, te verbergen. 

De Louvre bezit een drietal godsdienstige stukben van Jordaens. Vooreerst 
een groot stuk in de breedte, Jesus jaagt de verkoopers uit den 
tempel. Zoo wij het een godsdienstig stuk noemen is het alleen omdat het onder- 
werp aan het Evang'elie ontleend is, anders in het zoo wereldsch mogelijk. 
Met een zweep in de hand jaagt Christus de verkoopers weg; hij is kalm en 
zonder eenige haast of verontwaardiging verricht hij zijn werk: niet de daad 
van den wreker der geschonden zedelijkheid trok den schilder aan, maar de 
opschudding die zijn optreden te weeg brengt onder dit volk van handelaars en 
schacheraars en onder de toeschouwers. De verjaagde woekeraars scharrelen bij- 
een wat zij kunnen en zoeken haastig weg te geraken, de veehandelaars mia- 
ken zich met hunne dieren uit de voeten, tafels en banken vallen omver en de 
vluchtenden struikelen er over; de honden blaffen, de vrouwen weenen, de 
omvergeworpen jammeren. Het groote publiek heeft pret in dit grappig too- 
neeltje en la^chende zien de menschen heel dit geharrewar aan. 

Jordaens vond gelegenheid in dit stuk zijn voornaamste gaven te laten be- 
wonderen. Hij was een schilder van het blijde volksleven, hij hield van opge- 
wekte, woelige bedrijvigheid, van lach en jok en van dit alles vloeit dit tafe- 
reel over. Maar hij was geen alledaagsche opmerker, hij studeerde de karak- 
ters en wierp een diepen blik in de ziel zijner menschen : zoo doet hij ook hier. 
Rechts ziet men een groep van drie man; de eene, een oude, trekt misprijzend 
de lip op, vragende wie de indringer is die hier de wet komt geven; nevens 
hem kijken twee tollenaars toe, verbaasd over de vermetelheid van den her- 
vormer en zoo doorloopt hij heel de rij der gewaarwordingen door het standje 
veroorzaakt: een jonge vrouw met een fruitkorf op het hoofd, die ong'edeerd 
uit het gewoel komt, gaat lachende heen; een oude vrouw ergert zich over de 
haar toegebrachte schade; de verjaagden zijn woedend. 

De schildering is hooggekleurd, de scharlaken draperij van Christus en een 
paar goudgele tonen zijn schitterend; het licht is overvloedig en zacht met door- 
schijnende bruine en zwart grijze schaduwen. Het heele stuk herinnert aan 
het 'meesterw'erk dat het Museum van Mentz bezit, Christus onder de 



124 JACOB JORDAENS. 

Schriftgeleerden, dat van 1663 gedagteekend is. 

Wat nog treft in deze schilderij is dat Jordaens gaarne dieren schildert en het op 
uitmuntende wijze doet. Hadde men zijn werk ooit ernstig bestudeerd men zou 
deze gave en deze voodiefde al lang opgemerkt hebben. Hij koos herhaalde- 
lijk stukken, waarin hij huisdieren en vee kon te pas brengen en Jiet nooit eene 
gelegenheid voorbijgaan ze in zijne tafereelen te laten optreden. Behalve het 
stuk dat wij hier bespreken vinden wij tal van groote en kleine doeken waar- 
in zij een aanzienlijke iplaats innemen : zoo in den Diogenesmetdenla n- 
t a r e n en in den \'^erloren Zoon uit het Muis€um te Dresden, in de V i s c h- 
V angst te Keulen, in den Moor die zijn mee /ster een paard toont 
te Cassel, in zijn Mercurius en Argus te Lyon, zijn Jager met hon- 
den te Rijsel en zijn Neptunus en Amphitrite bij den hertog van 
Arenberg te Brussel ; zoo nog in zijne talrijke exemplaren van de Aanbid- 
ding der Herders en van de Opvoeding van Jupiter. Zijne gewo- 
ne stukken stoffeert hij zoo dikwijls het mogelijk is met een papegaai, een 
paard, een hond of eenig ander huisdier. 

Het tweede g'odsdiienstfge stuk verbeeldt de Vier Evangelisten. Zij 
staan met hun vieren voor een tafel op wier boord eenige boeken liggen; zij 
staan op eene rij en met eene zelfde uitdrukking van aandacht in het open- 
geslagen boek te lezen. Het eenige noemenswaardige verschil tusschen 
de vier is dat 'een der Evangelisten, Joannes waarschijnlijk, een jongeling fraai 
van gelaatstrekken is, en de drie andere grijsaards zijn m^t krachtige doch ruwe 
hoofden. Allen zijn verslonden in hunne studie en in hun werk;, de inspraak 
komt niet van boven, eigen overweging leidt hen. Het zijn vier zeer menschfe- 
lijkc, zeer werkelijke figuren, verbazend van waarheid in den vorm en van ver- 
scheidenheid in hunne gelijke bezigheid. Hier zijn geene verkondigers van het 
bovennatuurlijke voorgesteld, maar mannen uit het leven van alle dagen en 
met de begaafdhedcn van den gewonen sterveling ; en toch ligt er een diepe eerbied 
in voor Üie kruimige figuren, die met zooveel ingetogenheid en nauwge2>et- 
heid een werk verrichteïi dat blijkbaar boven en buiten hunne gewone bezig- 
heid staat. Als schildering is het zuiver meesterwerk : zoo juist is ieder trek ge- 
legd, zbo etout is d'-e uitsprong van Joannes' witte draperij tegen de donkere 
tonen van de kleedij zijner oudere makkers, zoo «schitterend is het licht, zoo 
krachtig is heel de toon. 

Een derde godsdientig stuk is eerst verleden jaar van den zolder gehaald, 
waar het een heclen menschenleeftijd is opgeborgen gebleven, namelijk het 
Laatste oordeel, gedagteekend van 1653. Het is de gewone voorstelling 
van de ontzettende gebeurtenis, die zal volgen op het vergaan der wereld. 
Christus in de hoogte omgfeven door de gelukzaligen spreekt recht over de men- 
schen van alle tijden; de veroordeelden worden in den afgrond der hel neder- 
gestort, de rechtvaardigen stijgen ten hendel, en nog altijd rijzten nieuwe scha- 
ren uit het graf op oml geoordeeld te worden. Jordaens heeft Rubens nage- 
volgd in de nederstorting der verdoem,den, de hemelvaart der gelukzaligen is 



JACOB JORDAENS. 1^5 

meer van eigen vinding. Het faalde hem aan de noodige gave van ineen- 
zetting om dicze machtige stof te, beheeischen ; hij beeldde de verwaoring af 
zonder de hooge dramatische kracht die het Werk van zijn grooten voorganger 
zoo diep aangrijpend maakt'. De schildering is geheel in bjruinen toon met op- 
gloeiend ^varm fluweehg licht en doorschijnende schaduwen. 

Het treft dat Jondaens een ketter en nog iwel Calvijn, vnens leer hij toen reeds 
of korts naderhand volgde, onder de neerstortende verdoemden plaatste. Was hij in 
1653 nog niet bekeerd of verloochende hij hier zijn denkwijze om verdenking 
af ïe wenden ? 

Jordaens evenals Rubens minde de vrouw in hare vleeschelijke rijpheid, maar 
hij schiep zijne modellen niet om tot Venussen of matronen zooals zijn voorgan- 
ger, of deed ze niet stralen in den matten gloed harer weelderige donzigheid als 
de Venetianen; hij liet ze wat ze waren, Vlaamsche burgervrouwen van wie het 
keurs de blanke stralende zwellingen niet bedwingen kan en de blozende wan- 
gen u toelachen als rijpe zomervruchten. 

Dit is zijn ideaal van schoonheid en dit leent hij aan zijn heiligen, zoowel als 
aan zijn heldinnen uit het volk. Zijn Heilige Catharina uit het Museum 
van Madri)d is een vaji die statige vrouwen, ontzagwekkend door omvang en 
gestalte, in zware schitterende draperijën gehuld, die zich het aanbieden van 
den huwelijksring door het Christuskind meer laat welgevallen als een korts- 
wijl dan er zich vereerd door te voelen als door een uitzonderlijke hemelsche 
gunst. 

In zijn mythologische onderwerpen is hij gewoonlijk deftiger. Zijn Jonge 
B a c c h u s, in mijn bezit, en zijn Triomf van Bacchus in het Museum 
van Arras en van Cassel zijn meesterwerken en evenals zijn Pan en Syrinx 
te Brussel kan hun geen de minste overdrijving van realistischen aard ten laste 
gelegd worden. Het is waar dat een ander zijner mythologische stukken C a n- 
daulus en Gyges in het Museum van Stockholm alle paal en perk te bui- 
ten gaat en het meest gewaagd realistisch werk is dat ik ken. Gewoonlijk heeft 
hij meer eerbied voor de helden der fabelleer, al geeft hij hun avonturen ook 
wel eens een prozaiek tintje. 

Zoo het stuk waarvan de afbeelding hierbij gaat. Jordaens zou de kindsheid 
van Jupiter afbeelden en hoe de jonge God door de geit Amalthea werd ge- 
voed. Alle gedachte aan bovennatuurlijke wezens en ongewone daden ver- 
dwijnt; wij krijgen een alledaagsch tooneeltje te zien. De personages zijn eene 
naakte boerin, die hare geit melkt, en een kind, dat zijn zuigflesch heeft gele- 
digd en gekweld van den honger om drinken krijscht. Ware het niet de sater, 
die hem tracht te paaien met hem een tros druiven te toonen, men zou zich op 
een boerenerf wanen bij een pachteres uit de tijden toen er nog geen kleermaak- 
sters bestonden, die haar dagelijksch werk verricht en in die bezigheid gestoord 
wordt door haren lastigen zuigeling. Die vrouw is een zijner geliefkoosde mo- 
dellen, machtig van ledenbouw met het langwerpige gelaat dat kenmerkend bij 
hem is. Alles is breed geborsteld, in ge smijdige vloeiende kleur, in doorschij- 



126 JACOB JORDAENS, 

nende blauw of bruinrood getinte schaduwen, vol levenslust en humoristischen 
waarheidszin. 

Het Museum van Cassel bezit van hem een stuk, hetzelfde onderwerp behan- 
delende, alleenlijk staat de schreiende Jupitcr daar recht, en zet Amalthea onge- 
lukkig genoeg den poot in de melkteil, zoodat de jonge dondergod gevaar loopt 
nog een heelen tijd te vergeefs naar laving te moeten wachten. 

Als portretschilder heeft Jordaens dezelfde kenmerken. Van Dijck doet de 
ziel uit de beeltenis spreken en veredelde zijne modellen; Jordaens hecht zich 
aan de stoffelijke vormen en toont eene duidelijke neiging om deze te verzwaren. 
Moest men den eerste gelooven, dan waren alle menschen aristocraten, zwierig 
van stal en houding; raadpleegde men enkel den tweede, dan waren alle zijn 
modellen zwaar van lijf, blakend van volblocdigheid, prijkende met dubbele kin- 
nen en gezwollen wangen. Dit belet niet dat hij die onbevallige vormen weet te 
schilderen met een malschheid van toets en een gloed van licht, die ze ons te 
recht doen bewonderen. 

In den Louvre vinden Avij een uitmuntend portret van Jordaens en zeker wel 
een der beste die hij maakte, dat vroeger verkeerdelijk den naam van admiraal 
Michiel de Ruyter droeg. De voorgestelde is een zwaarlijvig man; hij is bloots- 
hoofds, de linkerhand op zijn gulden degenriem; de rechterhand een hand- 
schoen houdende steunt op de heup. Het is een figuur vastberaden van uitdruk- 
king en houding, geheel in bruinen gloed met hooge lichttinten op gelaat en hand, 
geschilderd in den trant van den Triomf van Frederik Hendrik en in den zelfden 
tijd, dat is omstreeks 1652. Het is een echt Jordaens-figuur : de mannen moch- 
ten voor hem zoo groote helden en de vrouwen zoo bekoorlijke schepsels we- 
zen als zij wilden, hij maakte ze blakend van gezondheid, bij voorkeur met iets 
zwadderigs in de wangen; hij schilderde ze breed en malsch in hoog warm licht, 
weelderig zich ontwikkelende en genietende van het leven zonder leed en zon- 
der zorg. 

Het eigenaardigste deel van Jordaens' werk zijn de tafereelen uit het volksleven. 
Bijzonder vindingrijk was hij niet. Behalve enkele kleine stukken van één of twee 
figuren, behandelde hij drie onderwerpen : Zoo de ouden zongen zoo pie- 
pen de jongen, het Driekoningenfeest en de Sater en de boer. 
Elk dier onderwerpen schilderde hij verscheiden keeren; zij zijn een stof, die 
hem bevalt en waarop hij telkens weer met voorliefde terugkeert. 

Alle drie hebben denzelfden hoofdtrek, den lust in het leven, het prettige van 
zich aan een wel voorziene tafel te goed te doen. In Zoo de ouden zongen 
is het gezelschap voornamer, de vreugde stiller : het is vooral het genoeglijk 
samenzijn der familie, dat hier gevierd wordt. In het Driekon inge n- 
feest gaat het rumoeriger toe, de koning drinkt, maar al de anderen hebben 
gedronken, boven hun maat, en schateren en gillen het nu uit om strijd. In 
plaats van het fatsoenlijk huisgezin van daar zoo even hebben wij hier eene 
vergadering ruwe landsknechten, slempers en stumperds, heele of halve gekken. 
Het derde stuk is gewijd aan het nog grover genot van den landman, die dier- 



JACOB JORDAENS. 127 

lijk gulzig zijn eten verslindt, wiens wangen zwellen van 't blazen in zijn pap, 
voor wie er op aarde niets bestaat dan zijn schotel. Alles burgerlijk van han- 
deling, van lichaam en van geest, maar boeiend door de juiste opmerking der 
volkszeden, door het volle leven en door die sierlijke kleur en dit rijke licht, 
die Jordaens zoo kwistig en zoo kunstig over alles laat stroomen. 

De Louvre bezit een behandeling van beide meest geliefkoosde onderwerpen 
van Jordaens : het Koningsfeest en Zoo de ouden zongen. De twee 
maken een paar uit en bleven samen van hun ontstaan af. Het zijn stukken uit 
de vroegere jaren van Jordaens, van denzelfden aard en tijd als het stuk Zoo 
de ouden zongen uit het Museum van Antwerpen, dat is van 1637 onge- 
veer. De onderwerpen zijn op deftige wijze behandeld, zonder eenige onhebbe- 
lijkheid in de daden, de personages zijn fraai en regel'matig van vormen, het 
licht is fluweelig, schitterend, de schaduwen zijn grijs en doorschijnend, de 
kleuren zacht glimmend ; in een woord een paar goede deftige stukken zonder 
onstuimigheid maar met veel talent geschilderd. In het Koningsfeest zit 
de Qude Adam van Noort nog de tafel voor ; in Zoo de oude zongen heeft 
Jordaens het Vlaamsche spreekwoord in het latijn laten overzetten: Ut genus 
est genius concors consensus ab ortu (Wie verwant is door het bloed is ver- 
want door den geest; van hun geboorte af stemmen zij in alles overeen.) 

Opzettelijk verbande hij de aanvallige figuren niet, zijn jonge B ace bus- 
sen, zijne Twee kinderen met e en schaap spelende in het Muse- 
um van Valencijn, menig figuur uit zijn Aanbiddingen der Herders en 
zelfs uit zijne genrestukken zijn allerbekoorlijkst. Maar hij zocht naar geen lie- 
felijke gestalten, hij achtte ze niet noodig om prachtig schilderwerk te leveren. 
Hij had genoeg aan zijne . personages uit het volk, aan de menschen die hij 
rondom zich zag. 

Hij putte uit het leven meer dan uit de school; hij is een burger, een Vlaamsch 
burger als schilder ; hij laat zich niet verleiden door de aanlokkelijke stemmen, ■ 
die hem toeroepen uit de kunst van het Zuiden. Alhoewel hij ze niet op haren 
geboortegrond gezien had, kende hij die kunst wel, al ware het slechts uit de 
werken die in zijn land waren overgebracht of uit de navolging, die zijn voor- 
gangers in grooter of minder mate zich tot regel hadden gesteld. Maar hij vond 
poëzie en stof tot Bchilderen genoeg in het gewone leven dat hij kende, dat hij 
had medegeleefd om ze niet elders te gaan zoeken. Hij had opgemerkt hoe 
het licht valt op de menschen rondom hem en hoe de kleuren zich in dit licht 
gedragen, en licht en kleuren waren voor hem hoofdzaak in de kunst. In het 
ontleden hunner verhouding tot elkander, in het nagaan, in het herscheppen der 
oneindige verscheidenheid, en der nooit genoeg bewonderde liefelijkheid hunner 
speling, lag voor hem de hoogste taak van den schilder, de groote toover- 
kracht die zijn werk moet bezielen en verheffen ook boven de natuur. 

Want de burgerlijke Jordaens is een dichter, een verdichter zelfs en niet bij 
toeval, maar opzettelijk en in hooge mate vervult hij die eerste voorwaarde om 
kunstenaar te zijn. Licht en kleur beteekenen en zingen voor hem heel wat an- 



128 JACOB JORDAENS. 

ders dan wat zij zeggen voor den prozamensch. Zij zingen hem een lied, ver- 
rukkelijk in zijn melodie, nu eens streelend zacht, dan eens helder schaterend, 
nu eens blij lachend, dan vol ernst en weemoed. Denk niet, dat, wanneer hij 
zijn burgermenschen of zijn boeren aan tafel zet, het hem alleen te doen is 
om hun prettige gezichten af te beelden of het smakelijke van den disch en het 
kostelijke van het tafelgerief te doen uitkomen; dat wanneer hij de liefelijke moe- 
der met het kind op den schoot of de naakte rijkgevleesde Susanna schildert, 
hij enkel het aanvallige der eene of het wellustwekkende der andere wil te 
genieten geven; dat waar hij heilige of mythologische figuren schildert, hij en- 
kel voor doel heeft de juistheid te doen bewonderen waarmede hij beweging 
en uitdrukking weergeeft — boven dit alles staat voor hem de aantrekkelijk- 
heid van kleur en licht. 

Hij legt er zich op toe ons te laten zien, hoe in een heldere kamer de klaarte 
van den dag in blanken glans weerkaatst wordt door de satijnen huid eener 
jonge vrouw, hoe dit licht dan in haren hals neerdaalt en daar in blauwachtig 
grijs of in vlamachtig bruin schaduwen legt, hoe het verwarmd wordt en ver- 
zacht door een wit wollen lijfje, hoe het verhoogd en verrijkt wordt op een rood 
jakje, hoe het dan weer verkoelt op een gestreken linnen doek, afneemt ter zijde, 
daar kampt met zwaarder schaduwen en overal binnen dringt en hier en daar 
doorbreekt; hoe het een meubel doet glimmen, een pot doet blinken, hoe het 
langzamerhand indommelt en uitdooft, maar weer eens gewekt wordt, waar het 
de bruine tronie van een oud man en zijn witte haren ontmoet; hoe het leeft 
en tintelt en de kleuren, licht of donker, doet samenleven en samensmelten. 
En al naarmate het tooneel zich in een wel verlichte kamer, in den zonneschijn 
of in de gemengde klaarheid van dag en lamp vertoont, wisselt die uitwerking 
van het licht af tot in het oneindige ; nu eens legt het forsche plekken op blanke 
gewaden en huiden, dan glijdt het zacht en warm over een wang of een doek, 
of schampt af op een schouder of een tafelkleed, of blijft hangen in een dra- 
perij of schuift over den vloer, altijd bewegelijk, veranderlijk. 

Dit alles had Jordaens opgemerkt, dit alles wist hij met onovertroffen ge- 
vatheid weer te geven. De strooming en de zwalping van het albeheerschend 
element, het drenken en doordringen, het verheffen en veredelen van alles door 
zijn tooverkracht, wist hij met eigenaardige en onovertroffen kunst weer te ge- 
ven. Dit is het hooge en bekoorlijke lied, dat zingt uit zijn werken en dit 
maakte den stoeren burgerman tot een dichter van hoogen rang. 

Hij verstond weinig van teekenen en samenstellen en toch bracht hij figuren 
en groepen voort zoo prachtig als er ooit geschapen werden. Wanneer men in 
de eerezaal van het Huis-ten-Bosch binnen komt en daar eensklaps voor zich 
den triomfantelijken stoet ziet aanrennen met zijn vier witte paarden, zijn schaar 
van juichende mannen en vrouwen, dan krijgt men een schouwspel te genie- 
ten zooals er geen stralender bestaat, een opvatting van een triomfgejubel 
zooals er geen uitbundiger te denken is, een samenwerking van licht en kleur 
en figuren overweldigend door macht en stoutheid. En zoo in menig ander 



JACOB JORDAENS. 129 

stuk. In zijn burgerlijke eet- en drinkgelagen heerscht eene levendigheid, eene 
stoutheid van beweging, die wel niet in de Academie geleerd is en weinig met 
die der klassieken te stellen heeft, maar die naar de natuur is afgezien en ge- 
tuigt van den forschen adem, waarmede hij zijn scheppingen bezielt. 

Hij was zich zelve en staat alleen in zijn trant; hij is zonder voorgangers en heeft 
ook geen navolgers. Jan Cossiers is de eenige zijner talrijke leerlingen, die iets 
van hem behouden heeft. Niet alleen door zijn verkeer met Holland en door 
zijn godsdienst, maar ook door zijn schildertrant verbindt hij Noord-Nederland 
aan Zuid-Nederland. Monumentaal als die van het monarchaal en katholiek zui- 
den is zijn kunst, maar ook waarhcidlievend en volksgezind als die van het re- 
publikeinsch Noorden; verwant met die van Rubens, maar door menigen trek 
van gelijken aard als die van Frans Hals. 




18. DAVID TENIERS. 



David Teniers, de jongere, werd geboren te Antwerpen en aldaar in de St. 
Jacobskerk gedoopt den 15n December 1610. In 1632 of 1633 werd hij als 
meester in de St. Lucasgilde aanvaard. Den 22n Juli 1637 huwde hij Anna 
Breughel, dochter van den Vloeren Breughel. In 1647 benoemde de pas aan- 
gekomen landvoogd Leopold-Wilhelm van Oostenrijk hem tot zijn hofschilder; 
vier jaren later ging hij naar Brussel wonen, waar hij verbleef tot aan zijn 
dood, die den 25n April 1690 voorviel. 

Zijne eerste vrouw Anna Breughel stierf in Mei 1656 en liet hem weduw- 
naar met zeven kinderen, drie zonen en vier dochters. Den 21n October van 
hetzelfde jaar huwde hij Isabella de F ren, dochter van Andries de Fren, se- 
cretaris van den raad van Brabant, die hem nog twee zonen en twee dochters 
schonk. 

Van groote beteekenis in zijn leven is het ambt, dat hij aan het hof van 
den landvoogd vervulde. Aartshertog Leopold-Wilhelm was een hartstochtelijk 
liefhebber van de schilderkunst. In den loop der tien jaren, gedurende dewelke 
hij de Spaansche Nederlanden bestuurde, bracht hij een zeer rijke verzameling 
van schilderijen bijeen, die hij bij zijn terugkeer naar Oostenrijk medenam en die 
den eersten kern vormde der keizerlijke galerij van Weenen. Teniers was zijn 
raadsman bij den aankoop dier kunstwerken; hij schilderde herhaaldelijk ge- 
zichten, genomen in de zalen waar zich de kunstschatten bevonden en wan- 
neer de aartshertog besloten had, zijn schilderijen te laten graveeren, gelastte 
hij zijn hofschilder met de verzorging van dit werk. Teniers begon met op klei- 
ne paneeltjes de Italiaansche stukken der galerij te kopieeren, liet ze door ver- 
schillende plaatsnijders graveeren en door zijn broeder Abraham onder den naam 
van Theatrum Pictorum uitgeven. Door het vertrek van Leopold-Wil- 
helm werd de verdere uitgave van het werk gestaakt. 

Teniers behield zijn ambt van hofschilder bij den opvolger van Leopold-Wil- 
helm, don Juan van Oostenrijk. De landvoogden plachten van vóór het jaar 
1600 hunne hof schilders te Antwerpen te gaan zoeken. Otto Vaenius, Rubens, 
Jan Breughel hadden dien titel gedragen zonder de Scheldestad te verlaten. Het 
duidt een verandering aan in de tijden, een vermindering der beteekenis van 
den zetel der Vlaamsche kunst, dat onder Leopold-Wilhelm de hofschilders zich 
te Brussel gingen vestigen. Niet alleen Teniers maar ook Jan van den Hoeckc, 
zijn ambtgenoot, verhuisde naar de hofstad. 

Teniers deed anders wat hij kon om aan Antwerpen zijnen rang te doen be- 
houden. Toen men daar het ontwerp had gevormd een Academie in te richten, 



DAVID TENIERS. 131 

zooals er reeds vroeger te Rome en sedert de laatste jaren ook te Parijs eene 
bestond, beijverde onze kunstenaar zich om het plan der Antwerpenaars door 
te drijven en gelukte hij er ook in. Op 26 Januari 1663 hield hij met de dekens 
der St. Lucasgilde feest om die heugelijke gebeurtenis te vieren. Wel zou de 
nieuwe instelling het verval der Antwerpsche school in die dagen niet tegenhou- 
den; zij bleef toch in Teniers' geboortestad een middelpunt van kunstbeoefe- 
ning en wanneer anderhalve eeuw later de tijden beter werden was het van 
daar uit dat de hergeboorte daagde. 

Teniers was dus niet, zooals men het vroeger gaarne vertelde, een man, die 
in bekrompen omstandigheden leefde en gewoonlijk verkeerde met het slag van 
lieden, die de geliefkoosde personages zijner tafereelen leveren. Hij was een 
heele sinjeur, in blakende gunst staande bij de grootste heeren des lands, 
aanspraak makende op een adellijk wapen, door zijn tweede huwelijk schoon- 
zoon van een der hoogste ambtenaars des lands, een woning in de hoofdstad 
en een buitenverblijf, „de drie Torens," in het naburige dorp Perk bezittende. 
Hij was veeleer een aristocratisch kunstenaar dan een makker van boeren en 
herberggasten. Stellig studeerde hij de zeden der dorpelingen naar het leven 
en had hij pret in die studie; maar wanneer hij zich afbeeldt als optredende 
in de feesten dier menschen is hij de rijke heer, voor wien het schouwspel dat 
hij in lager kringen gaat zoeken even aantrekkelijk is door het contrast met 
zijn eigen leven als door zijn natuurlijke schilderachtigheid. 

Teniers was in de eerste plaats een boerenschilder. Hij is als zoodanig gekend 
en verdient het. Dit belet niet dat hij menig onderwerp van anderen aard be- 
handelde. Wij noemden reeds de gezichten der galerij van aartshertog Leopold- 
Wilhelm, en de kopieën naar de stukken, welke zich daar bevonden; wij ver- 
melden nog de afbeeldingen van openbare feesten, die tot zijne belangrijkste 
en uitmuntendste werken behooren : zoo zijn de Gilden op de Groote 
Markt van Antwerpen vergaderd, een stuk dat hij voor de St. Sebas- 
tiaansgilde zijner geboortestad schilderde en dat zich nu in het Museum van 
St. Petersburg bevindt, de Intrede der Aartshertogen te Vil- 
voorde en te Brussel, in het museum van Cassel en de G a a i s c h i e- 
ting van prins Leopol d-W i 1 h e 1 m in het museum van Weenen. Hij 
schilderde ook sommige onderwerpen, waar onze oudere Vlaamsche meesters 
van hielden : de Bekoring van St, Antonius, de Geldwegers, dé 
Eksteroogsnijders, de Alchimisten, Begankenissen; verder ve- 
lerlei tooneeltjes uit het volksleven en zelfs weleens uit het dierenleven. 

Dit bewijst al dadelijk hoe zijne kunst samenhangt met die zijner voorgan- 
gers. Zijn eerste en voornaamste leermeester was zijn vader David Teniers I. 
Spijt genoeg dat wij dezen niet voldoende kennen en zonderling is het dat de stel- 
lig echte werken van hem andere dan tooneelen uit het boerenleven behande- 
len ; aan hem worden echter een nog grooter getal stukken toegeschreven, die 
de meeste overeenkomst met die van zijn zoon hebben; faalt nu de overlevering 
niet geheel, dan moet men wel aannemen, dat hij dikwijls landschappen met dorpe- 



132 DAVID TENIERS. 

lingen schilderde, van denzelfden aard als de welgekende werken van David Te- 
niers den tweede. Hoe groot het verschil ook zij tusschen de kunst van vader en 
zoon er zou dan nog altijd overeenkomst genoeg tusschen beider trant bestaan 
om te bewijzen dat de jongere David ook als kunstenaar de rechtstreeksche af- 
stammeling van den ouderen is. In de keus zijner stof en in de samenstelling 
heeft hij klaarblijkelijk somtijds het voorbeeld gevolgd onzer schilders van spo- 
kerijen en volkszeden. Het is niet minder zeker dat zoowel Brouwers onderwerpen 
als zijn rijke en prettige kleurenharmonie eenen, al ware het slechts tijdelijken, in- 
vloed op hem oefenden en onbetwistbaar ook is het, dat Rubens' breede pensee- 
ling, zijne duidelijke en zwierige voordracht, zijn bewogen handeling en zijn over- 
vloedig licht hem in bewondering brachten en gunstig op hem werkten. 

Maar alhoewel hij dus een zoon van zijn tijd en een voortzetter der echte va- 
derlandsche overlevering was bleef hij zelfstandig genoeg om, benevens en bo- 
ven dit, een oorspronkelijke kunstenaar te zijn. Bij zijn voorgangers zijn de boe- 
ren eenvoudige, tamelijk logge en stijve persoontjes; bij hem krijgen zij leven en 
joligheid in overvloed. Zij zijn ook niet meer bij hem als bij Brouwer de versuf- 
te of door den drank verwilderde stakkers met hun verneuteld lijf en hun ver- 
dierlijkte zeden; zij genieten het prettige des levens op hunne boersche maar niet 
aanstootelijke wijze, zij houden fatsoen in hunne joligheid. Hij heeft veel van 
Rubens geleerd, maar blijft altijd luchtiger, opgeruimder dan de meester. Hij 
smelt zijn verf niet ineen alsof zij op het doek geblazen ware gelijk Brouwer en 
giet ze niet in breede vegen gelijk Rubens over het doek, hij penseelt fijntjes met 
kleine trekken en slagen van den borstel, die nevens elkander liggen, vrij en on- 
afhankelijk, en toch gelukkig samenwerken om een gespierde, veerkrachtige 
schildering te maken. Zijn toon is niet altijd dezelfde : in den beginne is hij 
zwaarder en bruiner als die zijns vaders; later onder den invloed der kleurige 
en lichtende schilders wordt hij warmer, eerst gulden, dan zilverachtig en ein- 
delijk koeler grijs. 

In het algemeen is Teniers' schildering prettig zooals zijne onderwerpen het zijn : 
zijne werken bevallen het groote publiek omdat er alles zoo lustig in leeft, en 
den meer geoefenden kenner omdat zij met zoo lichte hand zoo juist gepen- 
seeld zijn, omdat de kleur zoo pittig en terzelfder tijd zoo fijn is. 

Hij geeft ons het Brabantsch dorpsvolk te zien, uitgelaten in zijn vermaken, 
altijd dorstig, altijd eetlustig, niet nauwlettende in zake van minnespel, maar 
goedrond, in al zijn kommer en last het leven van de goede zijde opnemende en 
gemakkelijk in een dag van genot een week van ontbering vergetende. Stoffe- 
lijk genoeg is dit volk en indien het zich naar het lichaam sterk afslooft, dan 
vermoeit het zich weinig aan inspanning naar den geest; wel is het uitgelaten 
rumoerig, zwelgachtig op zijn kermisdagen, die het zoo talrijk mogelijk maakt; 
maar grof is het dan toch niet en in zijn midden zou Brouwer lang naar mo- 
dellen moeten zoeken. En die bewegelijkheid, die zinnelijkheid, die plezierige 
stemming vertolkt Teniers op zeer meegaande en op zeer meesleepende wijze. 
Hij heeft zijn boerenvolk lief en ziet door de vingeren wat er ruws in ligt, om 



DAVID TENIERS. 133 

vooruit te schuiven wat er prettigs in te vinden is. Hij heeft een duidelijk uit- 
gesproken trek om te vergoeHjken niet alleen, maar ook om te verfraaien, een 
trek, dien hij als ware Sinjoor overigens met alle Antwerpsche schilders gemeen 
heeft. Een boerenkermis wordt onder zijn handen een tooneel, waar de toe- 
schouwer evenveel lust in vindt als de deelnemer. 

Het landschap is voor hem doorgaans geen hoofdzaak, maar een vollediging 
en omlijsting der handeling, die hij daar los en licht zonder aanspraak op groote 
beteekenis of zelfstandigheid aanbrengt. Het is even gemakkelijk geschilderd 
als zijne figuren, even levendig zonder in het banaal decoratieve te vervallen. 
Zoo opgevat dragen zijn boomen en zijn bewassen gronden er toe bij om zijn 
tafereelen iets sierlijks te geven. De natuur is nooit gemeen, zij verheft en ver- 
edelt elk tafereel, dat zij omgeeft. 

Ook zijne huizen of zijne hutten maakt Teniers aantrekkelijk door de schilder- 
achtigheid hunner optimmering, door de fijnheid der tinten, waarin hij ze hult. 
De bruine houten gevel of de binnenwand eener herberg wordt bij hem niet en- 
kel de stille achtergrond, waar zijn levendige figuurtjes helder op uitkomen, 
maar verkrijgt een eigen waarde door de heerlijke tonen, welke er op rusten of 
glimmen. En zoo met alles : een eenvoudige tinnen pot, een koperen ketel, een 
bierglas wordt een kleinood door de keurigheid, waarmede het wordt afgebeeld. 

En wat hij doet voor al die bijzaken doet hij eveneens voor zijn menschen : 
een boerken mag nog zoo onbeduidend van vorm zijn, van het oogenblik dat 
hij een roode pet op het hoofd, een wit hemd of een rood slaaplijf op den rug 
draagt, wordt hij een sieraad van het tooneel. Zoo ook de vrouwen : met hare 
krachtig betoonde witte mutsen en voorschooten, hare bonte kleedij in blauwe, 
gele, groene tinten brengen zij iets voornaams, iets levendigs bij. 

Door de teekening zijner personages, door den vorm van hun hoofd, door 
het zwierige hunner houding zorgt Teniers er voor dat zij niet in het plompe 
vervallen. Een speelman, dien hij op een ton plaatst, houdt zijn doedelzak of 
zijn vedel, draagt zijn muts en zijn baard zoo kranig, dat hij er meer als een 
kunstenaar uitziet, die uit liefhebberij een deuntje speelt, dan wel als een ar- 
me duivel, die straks met de pet in de hand om een cent gaat bedelen. Een 
boertje, dat zijn pijp stopt, een boerin, die met opgeheven hand en voet aan het 
dansen is hebben een natuurlijke bevalUgheid, die hoe jolig en ongekunsteld 
zij zich voordoen ze nimmer grof of nuchter laat worden. 

Natuurlijk onderscheiden de tooneelen door Teniers aan het leven van andere 
menschenklassen ontleend, zijn openbare feestelijkheden, zijn episodes uit de ge- 
^vijde geschiedenis, zich nog meer door die aanvalligheid van vorm, door die 
keurigheid van behandeling en voornaamheid van toon. In deze werken volgde 
hij eenigszins het voorbeeld der kleine Antwerpsche meesters, die hem onmid- 
dellijk voorafgingen, den vloeren Breughel, van Balen, Francken en Sebastiaan 
Vrancx. Hij schilderde keurig en zorgvuldig als zij, maar overtrof ze allen door 
zijn koloriet, dat bij hen meestal hard en scherp was en bij hem zachter, ge- 
smijdiger, malscher werd. 



134 DAVID TENIERS. 

Een staaltje van zulke stukken levert ons datgene, waarvan de afbeelding 
hierbij gaat en dat in zich de hoedanigheden vereenigt, die in zijn boersche en 
zijn meer hoofsche onderwerpen waar te nemen zijn. 

De Verloren zoon zit aan tafel met twee voorname juffrouwen, een jonge die- 
naar schenkt wijn, een andere is tot dienen gereed, de waardin schrijft het ver- 
teer op de plank der in het krijt staande klanten, de herbergier draagt een ge- 
recht op, bij de vrouwen staat het geheimzinnig figuur eener koppelaarster, 
achter de tafel een paar potsierlijke muzikanten. Waren het niet deze drie laat- 
ste personages, men zou wanen een tafereel van ordentelijke jongelui te zien, 
die zich op een wandeling door het veld aan het vermaken zijn. Wel is waar 
houdt de held der geschiedenis de hand der juffer, die naast hem zit, wat 
heel vertrouwelijk vast; maar hij ziet er zoo jong, zoo frisch en netjes uit, dat 
niemand in hem het schrikbeeld van den bijbelschen verbrasser zou erkennen. 
De andere juffer ziet er al heel weinig losbandig uit, de jonge dienaars zijn 
aanvallige kinderen, de waard en zijn vrouw zijn gewone herbergiers. 

Het gelag heeft plaats in de open lucht voor een grof getimmerd schutsel 
van planken; links ziet men de herberg met een boom ervoor, rechts het land- 
schap met een hut en een kerktorentje. Het is er stil en landelijk, de lucht 
is vol zon en het veld is vol rust, een uur en een omgeving voor verkwikkend 
tafelgelag. De Verloren zoon is eigenlijk maar een voorwendsel om een jong 
mensch te schilderen, die zich den wijn en de liefde laat gevallen, en eerst 
bij nader onderzoek herkent men dat hij door schuimers en schuimsters om- 
ringd is. 

Het stuk is buitengewoon aanvallig van schildering : het dagteekent van 1644 
en is in den licht gulden toon gehouden, dien Teniers toen had aangenomen. 
Het geeft den indruk van een tooneel bij het ondergaan der zon, wanneer haar 
glans is verzacht, maar warm en helder blijft. Heel het land baadt in stuivend 
licht, hemel en aarde versmelten er in met zachte uitgeveegde vormen en kleu- 
ren. Tegen dit weeke deel komt de groep aan den disch krachtig uit. Zij ook 
zitten in volle lucht en licht, maar al hun vormen en kleuren zijn helder en 
vast. De witte tonen van het ammelaken, van de kragen en voorschooten doen 
zich blij en levendig gelden boven de groene jakken en de kleederen van een 
der deernen; terwijl de roode rok der andere juffer, de roode kousen van den 
jonker en zijn roode mantel, die met hoed en zwaard op den stoel ligt, zijn 
bruin pak en de donkere kleederen van muzikanten en koppelaarster, afwisse- 
ling van rijkere of stillere tonen leveren. 

Alles bijeen is het een heel lief tooneeltje, een uitmuntend staaltje van Te- 
niers' kunst om een groep gelukkig ineen te zetten, gemakkelijk en duidelijk, 
en het landschap als het fraaiste decor in zijne tooneelen te doen dienen. In 
Rubens' school staat hij tegenover den tragischen meester als de schilder der 
menschelijke comedie, die zijn personages laat spreken, laat bewegen, zooals 
het past, en hun leven met het leven der natuur laat samengaan, als waren 
zij allen onderdeden van een zelfde hooger harmonisch geheel. 



DAVID TENIERS. 135 

De Louvre bezit van hem nog een overvloed van stukken verschillend van 
aard, alle van degelijke verdiensten. Het gaat niet aan ze afzonderlijk te ont- 
leden of breedvoerig te bespreken, wij moeten ons vergenoegen met eene be- 
knopte opsomming. 

Eerst komen een tweetal godsdienstige stukken de H. Petrus Christus 
verloochenende (Nr. 511). Meer een Corps de garde dan een Bijbelsch stuk. 
Hoofdzaak is een groep soldaten, die aan het kaartspelen zijn en een andere groep 
die het vertrek verlaat. Petrus staat in den achtergrond zich te warmen bij een 
hoogen schoorsteen, eene dienstmaagd ondervraagt hem. Het tooneel speelt in eene 
donkere kamer, waar fijne lichten op stillen donkeren grond goed uitkomen. Het 
stuk draagt het jaartal 1646. 

De Zeven werken van b ar m har tigheid (Nr. 513). Ook hier biedt 
het onderwerp gelegenheid aan om even zooveel tafereeltjes uit het volksleven 
op te voeren als er werken van barmhartigheid zijn. Er wordt eenheid gebracht 
in de handeling door een drietal der werken bijeen te groepeei;en en de overi- 
ge in uiterst geringe afmeting naar den achtergrond te verschuiven. Het stuk 
heeft een duidelijk uitgesproken Rubeniaansch karakter. Het licht overheerscht 
onverdeeld, de schaduwe valt bijna geheel weg. 

Een laatste stuk dat ook al onder de godsdienstige werken geplaatst wordt en 
nog minder recht heeft op dien titel dan de andere is Antonius' Tentatie 
(Nr. 514). Een uitmuntend exemplaar van dit veel behandelde onderwerp met 
het fijn zilverig licht van Teniers en zijne heldere vroolijke kleuren. 

Een drietal stukken Boerenvermaak. Vooreerst de Boeren kermis (Nr. 515) 
gedagteekend 1652. Het gewone tooneel: de Speelman op de ton, boeren en 
boerinnen dansende op den voorgrond, terzijde de dorpelingen etende en voor- 
al drinkende en ter linker zijde Teniers, de eigenaar van Perck met zijne vrouw, 
twee dienstmaagden en een page, geheel in den trant der adellijke heeren optreden- 
de om de landlieden aan gang te zien. De samenstelling is geheel in den aard van 
het stuk te Brussel, maar de afmetingen zijn kleiner. De toon echter is geheel 
anders- in Brussel stevig donker en bruin, hier helder blauwgroen van uitzicht, 
met kleine bruine tinten in den achtergrond, waartegen de pretmakenden tame- 
lijk hard uitkomen. 

Een herberg bij een rivier (Nr. 516). Een groep van Teniers' gewone 
helden, een boertje met een roode pet, een andere met een witte muts, vinni- 
ge lichtvlekken op sober getinten grond. Verder een paar groepen visschers, ge- 
doodverfde mannetjes. Op den voorgrond de kleurige, lichtende stoffeering, een 
koperen ketel en een bruin aarden kruik. De rivier trekt een witte streep door 
het bruine landschap. Als lichteffect is het stuk overschoon. Het stil gehouden 
natuurgezicht waarop de zon zoo zilverig speelt, waarop de figuurtjes zoo zuiver 
uitkomen, de afwisseling van honderd tinten van grijs en bruin ontstaande in he- 
mel en aarde en water en zich overal versmeltende zijn oprecht verrukkelijk. 
Dan nog een klein maar lief stukje, boeren die dansen voor een herberg (Nr. 
517). 



136 DAVID TENIERS. 

Twee binnengezichten van herbergen. De eene (Nr. 518) geheel in gulden 
toon. De gekende personages in hun gewoon gedoen: een jonge boer met roode 
muts en haneveer en een groen vest ; een oude met witte slaapmuts, een groen- 
achtig ondervest en gele mouwen; twee boeren met slappe vilten hoeden, die 
in gewillige plooien en kreuken het hoofd dekken. Twee der boeren spelen met 
de kaart, twee mannen en een vrouw zien toe; links teekent de baas het gelag 
aan; rechts een gezicht in de huiskamer waar de vrouw met de kinderen bezig 
is. Een stuk in den gulden toon met warm licht overgoten, waarop de fijne fi- 
guurtjes levendig uitkomen. 

Minder belangrijk is het tweede herberggezicht (Nr. 519), waar op den voor- 
grond een boerenvrijage te zien is en in den achtergrond rookende gasten. 

Minder gewoon is de Reigers jacht (Nr. 520). Een reiger vecht tegen een 
valk, die hij op den grond geworpen heeft; een andere valk zit hem op den rug. 
Een valkenier komt ter hulp gesneld van zijn vogel in gevaar. Aartshertog Le- 
opold Willem en twee ruiters zien het tooneeltje aan. Een stuk geheel in het 
grijs, treffend toch van uitwerking; de vogels zijn niet alleen fijn geschilderd, 
maar hun handeling is bijzonder levendig weergegeven. 

Een viertal kleine stukjes met een enkel figuur: Een Rooker (Nr. 521), een 
Scharensliep, een Doedelzakblazer (Nr. 523), het portret van een 
oud man (Nr. 524), goed gedraaide figuurtjes met lichte hand en heldere kleur 
gedaan, immer prettig om te zien. 

Het laatste stuk (Nr. 525) is een zeer lief kind met gepluimde muts op het 
hoofd, dat zeepballen blaast te midden van een rijken krans van bloemen en 
vruchten. 

De verzameling Lacaze telt niet minder dan negentien stukken van Teniers. 
Bij uitzondering van een boerenkermis zijn het alle kleine dingetjes van een paar 
decimeters of minder vierkant, die tot geen bijzondere aanmerking aanleiding 
geven. 



II. 



DE HOLLANDSCHE EN DE VLAAMSCHE MEESTERS 
IN DE NATIONAL GALLERY TE LONDEN. 



"mt' i^ ■ 




THOMAS DE KEYSER. 

EEN KOOPMAN MET ZIJN KLERK. 



19. THOMAS DE KEYSER. 



Onder de Hollandsche schilders ken ik er geen, wiens werken mij zoo dui- 
delijk de geschiedenis van zijnen tijd te binnen roepen als Thomas De Keyser. 
Hij werd geboren in 1596 of '97 en stierf in 1667. Hij doorleefde dus het schoon- 
ste gedeelte der gulden eeuw van zijn vaderland. De zware strijd voor het be- 
staan was uitgestreden toen hij ter wereld kwam, die voor de verovering eener 
breedere en voornamere plaats onder de zon was begonnen. Van verwerend was 
de oorlog aanvallend geworden. In 1591 had prins Maurits zijne veroverings- 
tochten in de oostelijke provinciën begonnen; in 1594 had hij Groningen ingeno- 
men en aldus den boord der Noorderzee van de Schelde tot aan de Eems 
tot Nederlandsch strand gemaakt. En nu gingen onder zijne leiding tot aan het 
Bestand van 1609 de veldtochten voort om aan Spanje het een of ander stuk 
van het onverloste grondgebied te ontrukken. Dan kwamen de twaalf jaren van 
het Bestand, een tijd van vreedzame overwinningen en na deze herbegon tegen 
Spanje de strijd in raadzaal en oorlogsveld, die uitliep op den Munsterschen 
vrede, de plechtige bekrachtiging van het sedert lang voldongen feit der onaf- 
hankelijkheid. Intusschen had de kleine republiek plaats genomen onder de Mo- 
gendheden, hare vertegenwoordigers hadden stem gekregen in het kapittel over- 
al waar er beschikt werd over het lot der Europeesche staten. 

Met dien glansrijken vooruitgang op het gebied der staatkunde hield de uit- 
breiding van zeevaart en handel gelijken tred. Naar alle vier de winden zeilden 
de vloten uit, schatten en landen buit makende. Was het vaderlandsch grond- 
gebied binnen enge grenzen beperkt, daarnevens lag de grenzelooze zee open 
voor alle stoutmoedigen, voor alle ondernemenden en die ontbraken er toen 
niet. Er lag iets heldhaftigs, niet enkel in wat de veldoversten en vlootvoogden 
uitvoerden, maar ook in wat de aanvoerders van den handel tot stand brach- 
ten. Allen te zamen waren zij waardige kinderen van de mannen, die pal stonden 
tegenover Alva's benden en zijne schepen bestookten op zee. 

Amsterdam, dat achterlijk was gebleven in den Geuzenstrijd, trad nu flink 
vooruit; had het zich lauw getoond in den zaaitijd, nu de oogsttijd aanbrak 
toonde het zich als ware koopmanstad zooveel te ijveriger, en, tot haar lof zij 
het gezegd, zooveel te vastberadener om de eerste plaats te veroveren onder 
de handelsteden der wereld. 

Antwerpen was geslagen in den kamp voor de onafhankelijkheid door Span- 
je; het werd ten onder gebracht in zijn handel door de Hollandsche zeemacht: 
het verloor vrijheid en welvaart terzelfder tijd en door twee elkander bekam- 
pende machten. En evenals al de zuidelijke gewesten zag het de beste zijner 



140 THOMAS DE KEYSER. 

burgers in gedwongen of vrijwillig ballingschap de noordergrens overtrekken 
om in het pas geboren gemeenebest het kostelijkste te gaan overbrengen wat een 
land bezitten kan, mannen van kennis en van karakter. Amsterdam erfde van 
de Scheldestad wat op deze een eeuw voeger uit Brugge was overgegaan; zij 
werd de groote koopstad niet alleen, maar ook de zetel van kunst en kennis. 

Uit de schilderijen van Thomas De Keyser spreekt dit groote feit, de op- 
komst, de bloei, de zegepraal van Holland en van Amsterdam met glanzende 
klaarheid. Zijne helden zijn niet de prinsen, niet de beroemde krijgslieden of 
staatsmannen, de grooten der aarde die veel van zich deden spreken en wier 
portretten wij in velerlei plaatsen en vormen weervinden; neen, het zijn mees- 
tendeels ongekende personen, eerzame kooplieden van Amsterdam, vertegen- 
woordigers der burgerij, die door haar beleid en haar werken zich een hooge 
plaats veroverd heeft in de stad en in de wereld, die zich zelve verrijkende het 
land heeft groot gemaakt en in wie zich op dit oogenblik belichaamd heeft de 
degelijkste kern van het Nederlandsche volk. Later zullen die mannen den stand 
vormen der stijve patriciërs, der zelfzuchtigen, benepen van hart en van geest, 
versteend in hunne geërfde deftigheid en voorrechten; nu zijn zij jong, genie- 
tende van den welstand, dien zij zelven geschapen hebben, vol bewustzijn van 
hun kracht en wetende dat, moest de fortuin hun den rug keeren, zij mans genoeg 
zouden zijn om haar haar gunsten af te dwingen. 

En ook des schilders kunst is jong; zij heeft zich pas bevrijd van de ban- 
den der geestelooze en gevoellooze overlevering; zij heeft nog niet de losheid 
gekregen, die de groote mannen van later en bij uitzondering Frans Hals, en- 
kele jaren ouder dan hij, bereikten; maar zij heeft de gespierdheid der onver- 
dorven jeugd, gepaard met de zorgvuldigheid der pas ontvoogde jongeling- 
schap, die wel geen bedeesdheid meer kent, maar zich nog aan geene vermetel- 
heid waagt. 

De portretschildering is van de eerste tijden der Vlaamsche en HoUandsche 
scholen immer een geliefkoosd vak geweest, met den gelukkigsten aanleg be- 
oefend. De conterfeitsels, geschilderd door Jan van Eyck en Hans Memlinc 
tellen onder de meesterwerken onzer vroegste schilders, die van Antoon Moro, 
Frans Floris, Adriaan Key vormen het gezondste deel der voortbrengselen uit 
de dagen der navolging van Italiaansche kunst. De vroegere HoUandsche School 
bracht met minder talent een even grooten overvloed van portretten voort. Men 
heeft slechts in het Rijksmuseum de Regentenstukken van Dirk Jacobsz, Cor- 
nelis Tennissen en Dirk Barentsz aan te zien, om zich hiervan te overtuigen. Lan- 
ge rijen van mannenfiguren, droog van uitvoering, stijf van houding in rechte 
lijn voortloopende, toonen hoe de portretschildering toen werd opgevat: het zijn 
geschilderde documenten meer dan kunstwerken. Met het ingaan der gulden 
eeuw daagden de rijker begaafde conterfeiters in groot getal op. Cornelis Ketel, 
Cornelis van der Voort, Werner van Valckert, Nicolaas Elias, Cornelis Janson 
van Keulen zijn de oudsten onder hen, de voorloopers van Thomas De Keyser. 
Allen werkten te Amsterdam en droegen het hunne bij om hun woonplaats 



THOMAS DE KEYSER. 141 

den eersten rang te doen innemen in de rij der Hollandsche steden waar de 
schilderkunst werd beoefend, een eererang die vroeger door Haarlem werd be- 
kleed. Hunne voornaamste werken zijn Doelen- of Regentenstukken, de histo- 
rische schilderingen bij uitmuntendheid en de trots der Hollandsche School. Het 
waren degelijke kunstenaars, die hunne taak vervulden met nauwgezetheid en 
talent, maar zonder de hoogere gaven, die Thomas De Keyser onderscheidden. 
Deze overtreft hen, maar is hun wettige opvolger, de voortzetter hunner overle- 
vering. 

Weinige jaren vóór hij optrad had Frans Hals zijn eerste schuttersstuk ge- 
schilderd; de Haarlemsche schilder brak af met de vaderlandsche kunstoverle- 
vering; in plaats van hare nauwgezette bewerking, die de natuur met zorg maar 
niet zonder vreesachtigheid volgde, gaf hij eene persoonlijke vertolking zijner 
modellen, hun guller leven inblazende, losser houdingen leenende, die getuigen 
van verjongden levenslust, van onbekommerd genot der vrijheid. Zijne schilde- 
ring was breeder, vlugger, lichtender, hij deed den stoutsten sprong uit den ge- 
baanden weg, die in heel de geschiedenis der kunst aan te stippen valt. 

Thomas De Keyser was niet die hervormer, die omwentelaar. Hij was een 
voortzetter, haast een bekroner van het begonnen werk. Hij deelt aan zijn men- 
schen een innigheid van leven mede, een ongedwongenheid van houding, een be- 
hagelijkheid van groepeering, die men te vergeefs bij zijn voorgangers zoekt. 
Aan hunne vleezen geeft hij een stralendheid, aan de heldere deelen van hun 
kleeding en van de voorwerpen hunner omgeving een glans, die het kleurenge- 
toover van Rembrandt voorspellen. Men heeft het hem en te recht als een eere- 
titel aangerekend de voorlooper van den meester der meesters geweest te zijn; 
maar voor wat hij gaf meer dan voor wat hij liet voorzien heb ik hem lief en 
schat ik hem hoog. 

Hij schilderde enkele figuren, kleine groepen, groote regentenstukken. Deze 
laatste zijn zijne zwakste werken : hij had niet de vlugheid van borstel die noo- 
dig is om groote massas samen te doen werken, niet de kracht vereischt om 
groote lichamen leven in te blazen; hij vatte zijne effecten samen in engere af- 
metingen, hij had meer oog voor de keurige dan voor de breede bewerking. 

Zoo komt het dat hij zijne burgersportretten niet in levensgrootte en ten halve 
lijve penseelde, zooals de gewone schilders deden, maar ten voeten uit, in sterk- 
verkleinde afmeting. Niet enkel het hoofd is voor hem van belang, maar ook 
de kleederen en de wijze waarop zij gedragen worden, de houding en de han- 
deling van den persoon, het leven en het zijn van heel het lichaam. En liefst en 
best vat hij dit alles samen in zijn kleine figuurtjes. 

Maar in deze is hij dan ook bewonderenswaardig. Zijne personages nemen het 
leven ernstig op en ernstig, met hoogachting nog meer dan met liefde, zou men 
zeggen, geeft hij ze weer. Vast zitten zij en rustig in hun vertrekken met dege- 
lijke weelde gestoffeerd, in smaakvolle en rijke, maar toch stemmige kleedij, 
den vilten hoed met breeden rand op het hoofd, den witten geplooiden kraag om 
den hals, geheel in zwarte, rijk bewerkte stof gekleed; zij kijken zoo helder uit 



142 THOMAS DE KEYSER. 

de oogen, zij zijn zoo ten volle bewust van hun eigenwaarde dat men al dadelijk 
in hen erkent de mannen, die zich zelvcn zoo gaarne achtbare, weledele, hoogmo- 
gende noemden en hooger dravende titels toekenden. 

Stevig zijn de menschen en stevig is ook hun conterfeitsel, met zorg geteekend, 
trouw naar het leven en het innerlijk wezen samen met den uiterlijken vorm 
weergevende. In sobere maar onverzwakte tonen gekleurd, met een helder en 
toch stil licht overgoten ziet alles er knap en flink uit. Maar er is meer dan 
waarheid, er is ook een eigenaardige adel in de figuurtjes; de kleederen en de 
heele stoffeering worden kostelijker door de fijnheid van toets en tint, de bur- 
gerfiguur krijgt een treffende voornaamheid door het hoogere leven dat er straalt 
uit dit hoofd, vast van trek en toch zoo doorschijnend dat het licht u tegen- 
straalt door de blanke huid en dat gij gaat gelooven dat de verf van zoo kos- 
telijken en zuiveren deeg was dat zij door de penseeling tot een glanzend email 
is geworden. 

De Koopman met zijn klerk, dien de National Gallery van Londen van hem 
bezit geeft een juist denkbeeld van die groote en eigenaardige gaven van Tho- 
mas De Keyser. 

De hoofdpersonage zit in zijn woonvertrek en wendt zich ten halve om naar 
een jong mensch, die hem een brief aanbrengt. De stoffeering der kamer is rijk 
en afgewisseld. In den achtergrond, een gehistorieerd wandtapijt, een geopende 
deur, een hooge schoorsteen; op de tafel, een oostersch kleed, een wereld- en 
een hemelbol, boeken, een papier waarop plannen geteekend zijn. De kleeding 
der personages is meer verzorgd dan men voor mannen aan den arbeid waarschijn- 
lijk zou achten. De koopman draagt een vilten hoed met breede slappe randen 
op het hoofd, een grooten witten geplooiden kraag om den hals, een zwart kleed 
met een overvloed van knoopen en borduursel, witte hozen, hooge kaplaarzen; 
de jonge boodschapper heeft insgelijks zijn beste en zeer sierlijke plunje aan. 

Het leeft al wat er aan is. De koopman, die daar gelaarsd en gespoord zit, 
poseert klaarblijkelijk voor den schilder; wat hem omringt is aangebracht om 
getuigenis af te leggen van zijn rijkdom en zijn bedrijf. En echter is zijne hou- 
ding zoo natuurlijk, zijne handeling zoo ongedwongen, dat men aan geen pose 
denkt. Eenvoudiger en daarom nog bevalliger en innemender is de houding 
van den knaap, die zijn boodschap aflegt en er niet aan denkt zijn mooie klee- 
deren te laten bewonderen. Beide figuren zijn klaarblijkelijk portretten, por- 
tretten niet alleen naar het leven maar in het leven; hunne alledaagsche daad is 
een stuk uit hun geschiedenis, hun groep is in het klein wat de Regenten- 
stukken der beroemde meesters in het groot zijn, beelden uit de geschiedenis 
van der kunstenaren tijd. 

Als schildering is het werk uitgelezen. Malsch zijn de vleezen gedaan en de 
lichte blos op de wangen geeft hun meer dan gewone warmte, de witte kragen 
en lobben komen op de donkere kleedij en den stemmigen achtergrond bijzon- 
der krachtig uit, en de witte hozen van den heer des huizes en het witte pa- 
pier op de tafel maken het tafereeltje nog levendiger van uitzicht. Het licht 



THOMAS DE KEYSER. 143 

speelt door heel het werk heen, zacht maar helder, op de zwarte kleederen, op 
den geelgrijzen vloer, op het tafelkleed met donkerblauwen grond en bonte oos- 
tersche teekening. Het stuk is gedagteekend van 1627 en behoort tot den vroeg- 
sten en besten tijd des meesters. 

Wie de heer aan de tafel is weten wij niet. Is hij de Koopman en zijn Klerk, 
zooals de officieele titel luidt? Is hij een vermogend man, die de plans van zijn 
nieuwe woning met zekere praalzucht ten toon spreidt ? Wie zal het ons zeggen ? 
Maar in elk geval is het een van de mannen, die hun land hielpen stichten, ver- 
rijken, machtig maken. Wanneer wij hem zoo omgeven zien met plannen, met 
boeken, met wereldbollen, dan herinneren wij ons al dadelijk hoe grootsch de 
ontwerpen en de werken der burgerij van zijnen tijd en van zijne stad waren, 
hoe veelzijdig hare ontwikkeling en hoe haar werkkring over heel de wereld 
zich uitstrekte. In de weelde, die den man omringt, zien wij de vruchten van 
zijn arbeid, in zijn ernstige deftigheid het gevoel van zijn persoonlijke waarde, 
in heel zijn omgeving den hoogen trap van beschaving, dien het vaderland toen 
reeds bereikt had. En daarom is dit werk evenals al de andere van Thomas 
De Keyser, een stuk geschiedenis. De HoUandsche portretschilders zijn de his- 
torieschilders van Holland en een der oudste en der beste onder hen is de 
vervaardiger van dit bescheiden tooneeltje in een huiskamer. 

Wij stipten het reeds ter loops aan, dat Thomas De Keyser in 1596 of 1597 
te Amsterdam geboren werd. Zijn vader was een kunstenaar van grooten naam, 
Hendrik De Keyser, bouwmeester en beeldhouwer, de vervaardiger van des Zwij- 
gers graf te Delft, van het Oost-Indisch Huis en van menige kerk en aanzien- 
lijk gebouw te Amsterdam. Hooft van den vader sprekende zei: ,,Het vaderland 
zal bij de nazaten uwe werken gebruiken tot de voornaamste getuigen van 
zijn tegenwoordig geluk;" van des zoons schilderijen hadde de groote schrijver 
hetzelfde kunnen verzekeren. Zijn broeder Petrus volgde zijn vader op als stads- 
steenhouwer, zijn broeder Willem vervulde later hetzelfde ambt, en het zal wel 
geen gewaagde veronderstelling zijn in den koopman met zijn klerk uit de Na- 
tional Gallery een der klanten van den vader of van een broeder des schilders 
te zien, die het plan ontvouwen heeft door hem aan een dier bouwmeesters 
besteld. Zijne moeder was een Antwerpsche, Beyken Pietersdochter van Wil- 
der. Zijn leermeester kennen wij niet, maar of hij bij hen aan huis in de leer 
geweest zij of hunnen trant anderszins hebbe bestudeerd, duidelijk is het dat 
zijn onmiddellijke voorgangers de Amsterdamsche portretschilders, Nicolaas Eli- 
as of Cornelis van der Voort hem den weg wezen. Zijn oudste werk met ge- 
kenden datum is dat welk hij in 1619 voor het Chirurgijns-gild van Amsterdam 
maakte en dat zich tegenwoordig in het Rijksmuseum bevindt; het verbeeldt 
Dr. Sebastiaan Egbertsz de Vrij voor vijf leerlingen een les van anatomie op 
een geraamte gevende. Dezelfde verzameling bezit nog een paar schuttersstuk- 
ken van hem: het korporaalschap van kapitein Allart Cloeck van 1632 en het 
korporaalschap van kapitein Jacob Symmonsz de Vries van 1633. Een regenten- 
stuk van hem bevindt zich in het Museum van Straatsburg, namelijk de hoofd- 



144 THOMAS DE KEYSER. 

lieden van het Gild der Zilversmeden. Als tot dezelfde soort van werken be- 
hoorende mag men het kleine maar uitstekende werk van 1638, de Burgemees- 
ters van Amsterdam, in het Mauritshuis, rekenen. 

Van zijn werken met één of twee personages en van de familiegroepen vindt 
men er in tal van Museums. Het Rijksmuseum bezit vijf stukken van dien aard, 
een enkelen persoon of een huisgezin afbeeldende; het Mauritshuis bezit er een 
enkel, maar van groote waarde, gedagteekend van 1631. 

Het schijnt wel dat in 1640 Thomas De Keyser zijn tijd ging verdeelen tus- 
schen zijn eigen kunst en die van zijn vader en van zijn broeders Pieter en 
Willem. Den 16den April van dit jaar kocht hij een erf met getimmerten op 
den hoek van de Lindengracht en van de Brouwersgracht en den 14den Mei daar- 
opvolgend liet hij zich als steenhouwer inschrijven in het Metselaarsgild. 

Van zijn steenhouwerswerk is ons geen ander getuigenis overgebleven dan een 
zegeboog in Salomon de Bray's Architectura modern a, een boek waar- 
in de gebouwen van zijn vader zijn afgebeeld en dat in 1631 verscheen. Dat hij 
echter wel het schilderen niet geheel opgaf bewijzen zijn ,, Portret van den Land- 
graaf van Hessen, Willem VI," waarschijnlijk in 1646 gemaakt en behoorende 
tot de Galerij van Cassel; zijn „Vrouw met haar zaakgelastigde" in de Pinako- 
theek van Munchen (van het jaar 1650) met de ongemeene handteekening T. 
Keizer en meer bepaald zijn ,, Pieter Schout, Drost en Dijkgraaf van Hage- 
stein," in het Rijksmuseum van het jaar 1660 en zijn ,,Twee ruiters" uit het 
Museum van Dresden, gedagteekend van 1661. Hij stierf in 1667 en werd den 
7den Juni in de Zuiderkerk te Amsterdam begraven. Hij was een eerste maal 
in het huwelijk getreden in 1626, een tweede maal in 1640. Al te karig zijn 
de levensberichten die wij op dit oogenblik bezitten over den hoogst verdien- 
stelijken kunstenaar. Tot voor weinige jaren wist men niet eens hoe zijn voor- 
naam luidde en werd zijn persoon gesplitst in een Thomas en een Theodoor, 
die dan ook onder elkander zijne werken verdeelden. 




REMBRANDT. 

PORTRET VAN EEN OUD MAN (1659). 



20. REMBRANDT. 



De National Gallery van Londen is ongemeen rijk aan werken van Rembrandt. 
Zij, de jongste onder de groote openbare verzamelingen van schilderijen in Eu- 
ropa, heeft het ongemeene geluk gehad in een tijd, toen Rembrandt reeds sterk 
in waarde gestegen was, maar nog koopbaar bleef, tal zijner stukken ten ge- 
schenke te ontvangen of door aankoop machtig te worden. 

Zestien werken van zijne hand zijn hier bijeengebracht uit zijne verschillende 
manieren van 1633 tot 1666; de stukken uit zijn laatsten en kostelijksten tijd 
zijn ongemeen rijk vertegenwoordigd. 

Men kan hem hier van stap tot stap volgen in zijne lange afgewisselde kun- 
stenaarsloopbaan, nagaan hoe hij het rijk der kleuren intrad, blij en argeloos 
het leven tegenlachende en het warme zonnelicht in zijn oog opvangende, za- 
lig als een geloovige die den hemel zou zien opengaan; dan bewust van zijn 
kracht, de wereld onbeschroomd ondervragende, de werkelijkheid peilende en 
menschen en dingen herscheppende, naar zijn opvatting; hooger licht, inniger 
bezieling en beteekenis aan alles uitdeelende; en eindelijk ontgoocheld, zich los- 
makende van het uiterlijke, eenzaam nadenkende over de wereld, waar hij bo- 
ven stond en die zich harteloos wreekte over den man, die haar beheerscht en 
bedwongen had en zich niet had bekreund om wat zij van hem zou zeggen, die 
buiten haar stond en meer en meer met zich zelven zou gaan leven, stil, afge- 
zonderd in zijn gedachten, scheppende door zijne kunst en deze zelve herschep- 
pende en zijnen wil tot hare wet makende : door niets meer gehinderd, almach- 
tig in zijn eenzaamheid. 

Het eerste stuk naar tijdsorde is de C h ri stus voor Pil at us (Nr. 1400) 
van 1633 ongeveer. Het is een kleine grauwschildering, zeer kenmerkend voor 
den jongen meester. Hij verzaakt aan alle aangenomen voorstellingen van het 
onderwerp, aan alle ouwerwetsche patronen. Pilatus zit op zijnen troon te hal- 
ver hoogte, de priesters geknield en rechtstaande dringen tegen hem aan, bidden, 
smeeken, roepen, klagen, opdat hij Christus zou overleveren. Pilatus steekt de 
handen naar hen uit om ze van zich af te houden met een gebaar, niet als van 
een alvermogend Romeinschen landvoogd, maar als van een gewonen mensch, 
die anderen reden wil doen verstaan en zich van hen wil losmaken. Men heeft 
zich maar de theatrale voorstelling die andere meesters van hetzelfde tooneel 
gaven, te herinneren om te voelen hoe eenvoudig waar en hoe hoogst eigen- 
aardig daarom zelve, Rembrandt het standje gezien heeft. Hij heeft geen kleur 
noodig geoordeeld om het kleine drama te doen leven; het vinnige licht, de flu- 
weelen schaduwe, die hij in zijne grauwschilderingen wist te leggen, vol- 

10 



146 REMBRANDT. 

stonden. 

Van 1634 is gedagteekend het welgekende portret eener 83jarige vrouw (Nr. 
775). Het is een zeer statige figuur, die al dadelijk laat denken aan vrouw Eli- 
sabeth Bas uit het Rijksmuseum, even zoo levend, zoo persoonlijk, zoo juist 
gezien en zoo meesterlijk, zoo doordringend en overtuigend waar weergegeven. 
Maar de oude matrone uit de National Gallery heeft niet meer het zachte aan- 
minnige der Weduwe van Admiraal Swartenhout; zij is ook wel een tiental 
jaren ouder en ofschoon de tijd haar niets ontnomen heeft van haar parmantig- 
heid zijn de rimpels toch wat veel en diep geworden om het gelaat nog bevallig 
te laten. Maar het moet een kruimige vrouw geweest zijn, regelmatig van trek- 
ken, nog flink uit de oogen ziende en scherp lettende op wat er rondom haar 
omgaat. Dat zij nog heerscht in hare omgeving en met vaste hand den scepter 
zwaait, ziet men haar al dadelijk aan. Rembrandt heeft niet met haar gefanta- 
seerd, het was dan ook geene vrouw die hield van droomen ; zij dwong ontzag af 
van iedereen en ook van haren schilder, die door haar gepakt werd en ze in 
volle kracht heeft weergegeven. Haar spierwitte kraag en muts snijden haar ge- 
laat scherp af en omlijsten het geheel; het is met korte trekjes in al zijn tallooze 
détails met eene ongemeene uitvoerigheid en malschheid tevens geschilderd, 
een ware triomf voor den achtentwintigjarigen meester, bewijzende dat hij toen 
reeds alles met gemak, met juistheid zeggen kon, op zijn eigen wijze en toch 
trouw naar de natuur. 

Van een jaar later, 1635, is het Mansportret (Nr, 850). De afgebeelde ge- 
lijkt aan Rembrandt, hij ziet er jong uit, fiks en vaardig, met zwart haar, licht 
opgestreken knevel, toegeknepen mond, een rimpel in het voorhoofd en helder 
uitkijkende oogen, het eene minzaam, het andere strak, zoodat de beide zijden 
van het gezicht verschillend van uitdrukking zijn en de beradenheid van de eene 
gemilderd wordt door de zachtheid van de andere. Een blakende gloed straalt 
uit het gelaat als ware achter de huid een licht verborgen dat er door henen 
schijnt. De groote witte kraag is met al zijn plooitjes weergegeven; om den hals 
ligt een driedubbel gouden ketting. Het is alles te zamen een prachtig figuur 
met groote zorg uitgevoerd, verwarmd door een blakend licht en aldus veredeld 
zonder eenige fantazie. 

Rembrandt's eigen portret (Nr. 672) draagt het jaartal 1640. Hij rust met 
den eenen arm op een borstwering en ziet kalm over den schouder naar ons toe. 
Duidelijk en met zorg zijn zijne trekken geschilderd, rijk zijn kleeding; een flu- 
weelen muts, een fluweelen overkleed met pels geboord, dat een wit hemd met 
fijne plooien op de borst laat zien. Hij is zeer fijn van figuur, teer van kleur, 
eenigszins porseleinachtig glimmende en badende in stillen schemerschijn en 
wazige schaduwen. Een portret con amore en met volle meesterlijkheid ge- 
schilderd. 

Dan komen een drietal kleine Bijbelsche onderwerpen Christus van het 
kruis genomen (Nr. 43) van het jaar 1642, de Overspelige vrouw 
(Nr. 45) van het jaar 1644 en de Aanbidding der Herders (Nr. 47) van 



REMBRANDT. 147 

het jaar 1646. Het eerste stukje is eene schets, niet veel meer dan een krab- 
beUng in grauwschildering, met de geheimzinnige werking van het warme licht 
tegen de velerlei getinte schaduwen. In de Overspelige vrouw vinden wij 
weer een der Bijbelsche tooneeltjes die spelen onder hooge gewelven, in myste- 
rieuse lichtwerking, wellicht het heerlijkste in zijne soort. De klaarheid valt 
in warmen gloedglans op de groep van Christus met de vrouw, de discipelen 
en hare beschuldigers; hooger op bevindt zich de opperpriester op zijn troon in 
fantastische schemering en daarboven in de onpeilbare gewelven van den tempel 
sterft het licht weg. Wij bevinden ons in het land van dichten en droomen, de 
deuren der verbeelding worden geopend en meegetroond worden wij als door 
een zachte vlottende muziek naar het onbekende, het onaardsche, ver buiten en 
boven de wereld van het wezenlijke. Juweelachtig van kleurenglans zijn de tal- 
rijke kleine figuurtjes op den voorgrond. De Christus alleen is wat stijf; hem 
mangelt zijne gewone menschelijke gemoedelijkheid; hij is te groot en te grootsch; 
de beschuldiger daarentegen in zijne boosaardige hartstochtelijkheid is een figuur 
vol waar leven. 

De Aanbidding der herders geeft in schetsmatige behandeling het ge- 
kende tooneel te zien, zooals vele, en ook Rembrandt in zijn grooter stuk uit 
de Pinakotheek te Munchen van hetzelfde jaar, het voorstelden. De achtergrond 
in den stal is donker, de voorgrond wordt verlicht door de klaarte uitgaande van 
het kind en door een lantaren. Het stukje is geheel in zachten toon met zwak 
licht en mollige doorschijnende schaduwen. Zoo Rembrandt de gebeurtenis niet 
anders heeft voorgedragen dan zijne voorgangers, zoo heeft hij haar toch door 
zijne tooverachtige werking van licht en bruin een ongemeene poëzie geleend; 
Zij krijgt onder zijn penseel een geheel nieuw uitzicht en wordt de voorstelling 
van een sprookje met iets heiligs en wonderdadigs. Rembrandt was in waar- 
heid de grootste dichter van zijn land, een der grootste van heel de wereld : de 
daden van het gewone leven laat hij ons zien door zijne oogen en schept hij om 
tot visioenen. 

Uit de jaren vijftig een drietal portretten, eene Joodsche Koopman (Nr. 
51) een Rabbijn (Nr. 190) van 1657 en een Mansportret (Nr. 243) van 
1659. De Joodsche Koopman zit in een armstoel met de beide handen op zijn 
wandelstok. Hij is gezien in halve kleur en sterk geroosterd licht tegen een 
donkeren grond. Het is een man in volle waarheid, in troebele schemering, met 
licht dat eventjes raakt en glijdt, dat alleen de bleekgroene stof van de 
mouw en den pels van zijn mantel laat uitkomen en handen en baard in zachte 
donkere glimming laat opdoemen. 

De R a b b ij n is gezien tegen licht-bruinen achtergrond in zwarte kleedij ; zijn 
gelaat staat in warmen schijn met schemerschaduw op het voorhoofd. Hij is 
een man die afgezonderd leeft met zijn gedachten, een geheimzinnig wezen be- 
hoorende tot een andere wereld, een schim opgeroepen tot werkelijkheid en 
ontwakend uit zijn geestessluimer. Fijn als immer is dit half nevelachtige be- 
staan weergegeven. 



148 REMBRANDT. 

Ook het mansportret van 1659 behoort tot die soort van droomerige denkers 
die Rembrandt aantrokken en wier dommelig geestesleven hij zocht te door- 
gronden. Altijd op nieuw keert hij tot tot hen terug, een tip van den sluier die 
hen omhult licht hij op, zelf nieuwsgierig om het raadsel op te lossen dat 
hem kwelt en onweerstaanbaar tot ontcijferen aanlokt. De afbeelding van laatst- 
genoemd portret gaat hierbij en wij komen er op terug aan het einde van dit 
hoofdstuk. 

In hetzelfde tijdperk schilderde hij de Badende vrouw (Nr. 54) gedagtee- 
kend van 1654. Het is Hendrikje Stoffels, de levensgezellin zijner latere jaren. 
Hij heeft haar gekozen tot model omdat hij ze bij der hand had en ook wel 
omdat hij lust en wellust vond in haar stevige vleeselijkheid en in haar warm- 
glansende huid. Zij staat in het water; voor alle kleedij heeft zij haar hemd, 
dat zij opheft zoo hoog als geoorloofd is. Achter haar liggen haar kleeren in 
een kleurig pakje opgehoopt. Het figuur is wel wat onbeschroomd, maar niet 
onbeschaamd, en liefelijk toch in haar argeloos gedoen. Vettig is het hemd ge- 
schilderd, een forsch kleurenvak uitmakende; hoofd en beenen zijn even krach- 
tig met een rijk spel van dunnere en zwaardere schaduwen; liefelijk is het kleu- 
réngeglim in het water dat hare kleeren weerspiegelt; alles bijeen een prachtig 
stuk schildering. 

Uit het laatste tiental jaren dagteekenen vooreerst drie stukken: een Capu- 
cien (Nr. 166), een portret van Rembrandt (Nr. 221) en een Vrou- 
wenportret (Nr. 237) gedagteekend van 1666. 

De Capucien is een werk van weinig belang, zeer donker, zonder eenig deel 
dat uitspringt. 

Het eigenportret daarentegen, dat omstreeks 1664 moet geschilderd zijn, is weer 
een meesterstuk. Het is geheel in bruinachtigen toon, het hoofd komt stralend 
uit in verbrokkelde tinten; een zacht licht glijdt over den bruinen mantel en 
de roode mouwen. Op het hoofd draagt hij een lichtpurperen muts en daaron- 
der een witten band. De kunstenaar is verouderd vóór zijn tijd, zijn aanzicht 
ziet er vervallen uit, zijn oogen zijn toegezakt, maar zijn uitdrukking is rustig, 
kalm, gelaten. Hij bekreunt zich weinig meer om de wereld daar buiten, lang 
zijn de jaren heen, waarin hij pret vond in mooien vreemden opsmuk, in fluwee- 
len mutsen met pluimen, in gouden kettingen en zijden kleeren. Wat kon dit 
alles hem nog schelen ! Maar schilder is hij gebleven en meer dan ooit gewor- 
den. Uit weinig stof en met weinig kleur weet hij nog wonderen te verrichten, 
zijne techniek is meesterlijker dan ooit : eenvoudiger en juister en persoonlijker 
nog dan vroeger drukt hij zich uit. 

Het vrouwtje van 1666 is een portret. Zij is nog jong, legt de handen overeen 
op den gordel, draagt een zwart kleed, een witten kraag en op het hoofd een 
zwart kapje. De schildering is stevig, naar den donkeren kant met ingetoomde 
kracht van licht. Het figuur is stemmig, volkomen waar, zeer eenvoudig en eer- 
lijk. Alle zweem van fantazie, alle decoratief, dat wij nog vonden in het por- 
tret der 83-jarige is weggevallen; wij krijgen niets meer te zien dan een burgers- 



REMBRANDT. 149 

vrouw, rustig, droomerig, maar gezond van lijf en weergegeven in gezonde krui- 
mige kunst. 

In Rembrandt's laatsten tijd, maar eenige jaren vroeger dan dit vrouwtje wer- 
den twee portretten geschilderd, die de National Gallery onlangs aankocht en 
die tellen onder de kostelijkste harer bezittingen. Het zijn een mansportret ge- 
naamd een Burgemeester (Nr. 1674) en een Vrouwenportret (Nr. 1675) 
twee pendants die altijd samen bleven en die beiden in 1837 toen zij aan Sir 
W. Middleton toehoorden in de British Gallery werden tentoongesteld (John 
Smith, Catalogue raisonné IX. blz. 794.) 

De man zit in een leunstoel en draagt een rijke kleedij onbestemd van vorm 
en stof, alleenlijk ziet men dat het doek van het overkleed een kostelijke met 
goud doorwerkte is en dat een pelzen boord het bezoomt. Tusschen de ope- 
ning van het kleed of van den mantel ziet men een witten fijn geplooiden sjerp. 
Op het hoofd draagt hij een fantazie-deksel, half tulband half muts, wit en geel 
van kleur. In de rechterhand houdt hij een knoestigen stok, met de linkerhand 
houdt hij de boorden van den mantel samen op den schoot. Het hoofd is rus- 
tig en kijkt bedaard uit de lijst, vreugde noch droefheid staat op het gelaat te 
lezen; wel eenvoudige tevredenheid. Er ligt iets heel voornaams, haast hooghar- 
tigs in de trekken, iets zegepralends in de houding. Daarom heeft men er een 
persoon van gezag in gezien en hem naar ouder gewoonte tot Burgemeester 
benoemd. Is zijn rang onzeker en zijn naam onbekend, wat geen twijfel lijdt is 
dat het stuk als schildering van de allerhoogste waarde is. Dat glijden en smelten 
van licht en kleur, dat opdoemen van kostelijke tonen en geheimzinnige tinten 
uit het waardelooze niet der duisternis, van warmte en helderheid uit den don- 
keren nacht is toovenaarskunst, nooit elders gezien noch bereikt. 

Ook de oude vrouw is in een armstoel gezeten, met de twee armen op de leu- 
ning, op den top van eenen dezer ligt hare eene hand, de andere houdt, zooals 
bij vele van 's meesters vrouwenportretten, een helder witten zakdoek. Zij draagt 
een zwart kleed met een paar strooken pels, een grooten dicht gepijpten kraag 
in vorm van molensteen, een zwarte muts met op het voorhoofd vooruitstekend 
tipje. Zij kijkt strak voor zich met de bedaarde eenigszins lijdende uitdrukking 
van een oude uitgeleefde vrouw, vermagerd en verrimpeld. Het verschrompel- 
de gelaat is brokkelig, de kraag daarentegen zeer effen en met veel zorg ge- 
schilderd. Het figuur daagt op uit de schaduwe, die nergens tot duisternis ver- 
zwaart maar overal doorschijnend blijft. De werking van het gebroken, getinte 
en toch krachtig opdoemende licht is van heerlijke fijnheid en maakt dit stuk 
evenals zijn tegenhanger tot een der volmaaktste portretten die de meester voort- 
bracht. 

En nu keeren wij terug tot het mansportret van 1659 dat ons bijzonder aantrok. 

Tegen een donkeren achtergrond, waarop in vaag kastanjebruin eene nis ge- 
schilderd is, zit een oud man; aan den wand te linker zijde hangt een instru- 
ment als een pijp of een pistool; op een tafel, die men niet ziet, ligt een dik boek 
eveneens in vaag bruin. De man zit met de handen ineengevouwen, met den 



150 REMBRANDT. 

elleboog op de tafel geleund, den blik naar links gericht in overweging weg- 
gezonken. Hij draagt een dik overkleed met pels geboord en een roode muts; 
het haar en de baard zijn grijs. Uit de tronie straalt een helder blank licht, vol 
maar zonder trilling, dat de trekken van het gelaat scherp doet uitkomen. Het 
aangezicht is de eenige lichtvlek in het doek. Wel schemeren de handen in half 
licht door en vallen de strijklichten op de kleurige muts en op den boord van het 
kleed, maar overheerschend, alleenheerschend is het gelaat. Het is een figuur 
waar men iets en veel aan heeft, dat niet alleen te zien maar ook te denken 
geeft. 

Rembrandt schilderde het in 1659 toen hij 53 jaar oud was, gebroken als 
burgermensch, ongedeerd en gelouterd als kunstenaar. Het valt onmiddellijk na 
zijn groote levenscrisis. In 1656 werd hij insolvent verklaard, rond het einde van 
het volgende jaar zou zijn have verkocht worden. Den 4en December 1657 ver- 
het hij de aanzienlijke woning op de Breestraat, waar hij de zonnige dagen van 
zijn leven en van zijn kunst had doorgebracht en nam zijn intrek in het loge- 
ment de Keizerskroon in de Kalverstraat. Daar werden den 25en December van 
hetzelfde jaar zijne kunstverzamelingen verkocht, het eenige goed waar hij waar- 
de aan hechtte, en waar hij, het onpractische genie, zijn huiselijk geluk had 
aan opgeofferd. In Februari daarop volgende veilde men zijn huis en in Sep- 
tember wat hem aan onroerende bezittingen overbleef. Terwijl hij in de af- 
spanning onder een allemansdak woonde maakte hij het stuk, dat wij voor 
ons hebben. Zijne schulden waren niet aangezuiverd, hij bezat niets meer, maar 
hij was dan toch van allen stoffelijken last ontslagen, hij kon aan zijne kunst 
denken en wijdde er zich geheel aan toe. Verstandelijk was hij niet geknakt, 
maar een zware schaduw was over zijn leven gerezen en die gemoedstemming 
spreekt zoo duidelijk mogelijk uit het beeld van den ouden man, het zij dan 
een portret of wel zijn eigen levensbeeld. 

De voorgestelde man is, ja, vergrijsd, maar niet versleten van lichaamsbouw; 
zijne gedachten zijn ernstig, zijn denkkracht is niet verzwakt; het leven heeft 
hem wellicht meer zuurs dan zoets aangebracht, maar hij is niet overwonnen, 
niet ontmoedigd. Zijn gepeinzen dwalen weg. Wat ziet hij daar in het wegsche- 
merend verleden ? Zijn jeugd vol hoop, zijnen mannenleeftijd vol kracht en ge- 
luk, de jonge vrouw die hem dartelend op de knie zat en wie hij lustig den 
vollen beker toereikte, plannen van groote daden die hij kweekte en koesterde, 
die hij gedeeltelijk verwezenlijkte, hervormingen in de wereld van het werkelijke, 
omwentelingen in de wereld der kunst, zedelijke macht, geestelijk en lichame- 
lijk genot, al de droomen van vroeger, al de rampen, al de voldoeningen en al 
de ontgoochelingen van later trekken voor zijn geest voorbij. Alles is heen ge- 
gaan; alleen is hij nu, met het groote boek, de familie-bijbel wellicht, die ge- 
sloten is omdat hij meer in zijn herinneringen te lezen heeft dan in wat van an- 
deren verteld wordt. Hij staart stil, bedaard op dit bezinksel van zijn bestaan; 
droef is hij niet; is het vervlogen leven met zijn genoten geluk, met zijn onvol- 
dane begeerten, met zijn geleden tegenspoeden wel waard dat men er om irouwe 



REMBRANDT. 151 

of zuchte? Is het niet beter, kalm te blijven, zich niet te laten ontroeren of 
verwecken, zich op te sluiten met zich zelve, de wereld haren eeuwigen onver- 
stoorbaren gang te laten gaan, zich te laten medesleepen met al wat zij aan- en 
wegvoert, nietig zandkorreltje in de matelooze ruimte, zonder morren, zonder 
juichen, zonder liefde, zonder haat. 

Ons dunkt wij zien den man zoo denken. Vast blikt zijn oog op eenzelfde punt. 
Goed geopend en helder staart het in het ledige ruim ; het heeft levendiger geblon- 
ken dan nu, iets treurigs heeft zich gemengd in zijn helderheid, de balken eron- 
der zijn verzwaard en de wenkbrauwen zijn naar het midden gezakt; de opschik 
is weinig verzorgd, maar niet onsierlijk, de achteruit geschoven muts laat de 
lokken hun vrijen gang gaan, de pelsen tabbaard getuigt van meer zucht naar 
gemak dan naar vertoon. Maar met dit alles blijft het een aristocratisch fi- 
guur, met trekken regelmatig van vorm en fijn van teekening; de opgestreken 
knevel, de zorgvuldig geknipte kinnebaard bewijzen de zorg gedragen voor het 
voornaam uitzicht. Het hooge voorhofd, heel de fraaie bouw van het hoofd spre- 
ken van verstandelijke ontwikkeling en adel. Het is geen bekrompen geest, geen 
suffer, wel een denker en (froomer. 

Rembrandt schilderde in dien tijd gaarne zulke menschen, die zich om de we- 
reld daar buiten weinig bekreunden, die zich opsloten met hun eigen gedachten, 
die leefden in de wereld van hunnen geest, in de wereld der geesten. De Jan 
L u t m a van 1656, met welken deze peinzer veel gelijkenis heeft, de L a n d m e- 
t e r uit het Museum van Cassel en de grijsaard van den hertog van Devon- 
shire van hetzelfde jaar, de Arnold Tholinx van de ets van 1655, de 
Sint Matthias van 1661, zijn eigen portretten van dezelfde jaren, meer an- 
dere stukken nog, zijn afgetrokken, verslonden in gepeinzen. Alleenlijk zij hou- 
den zich met iets bepaalds bezig, met wat zij gaan bouwen, gaan schrijven, gaan 
schilderen, gaan doen. Hun geest is naar een vast doel weggetroond, zij bere- 
kenen, zij denken. Ik heb den peinzer van de National Gallery zoo lief omdat 
hij zijne gedachten niet richt, ze vrij laat dwalen waar zij heen willen en ze volgt, 
ze goedig toeknikkende, terwijl hij zich laat leiden, rust en geluk vindende in 
die weeke overgeving van zich zelve. 

Schilderde nu Rembrandt naar zijn eigen geestesleven of leende hij zijn stem- 
ming aan anderen, aan een model, dat voor een portret kwam zitten of aan een, 
dat hij voor zich plaatste en waarin hij zich zelven ontdubbelde en weerkaatste 
als in een spiegel? Het doet weinig ter zake; in elk geval is het verbazend en 
bewonderenswaardig hoe hij kwam tot die opvatting van den mensch of van 
het portret. Zie maar eens wat anderen in Holland, in Vlaanderen, in Italië vóór 
hem schilderden. Het is altijd de mensch in vleesch en beenen, die zich gelegen 
laat aan het uiterlijke, aan rang, aan rijkdom, aan uitrusting of opsmuk; de 
vrouwen, snoeperig van vleeschelijke weelderigheid, de mannen heel voornaam, 
heel sterk, heel machtig poseerende voor den schilder, voor heel de wereld, zich 
zelven ernstig opnemende en zich doende gelden voor wat zij zijn of zich inbeel- 
den te wezen. Rembrandt zelf was vroeger niet anders; een pluim op den hoed, 



152 REMBRANDT. 

een stalen kraag om den hals, wat geflonker van stof of van juweelen stalen 
zijn oog en zijn hart. En daar komt hij zoo opeens tot de ontdekking dat er 
menschen zijn, die zich voor niets uitgeven en voor niets poseeren, die zich niets 
aandragen wat anderen verleidt, die hun hartstochten hebben uitgeschoten ter- 
zelfder tijd als hunne mooie kleeren en deftige gebaren en die dan toch nog 
altijd de moeite waard blijven bestudeerd te worden, die in tegendeel een veel 
hooger, veel edeler, veel inniger waarde krijgen. Hadde hij te huis gehoord 
in het land van Leonardo da Vinci, den schilder van Mona Lisa, men zou kun- 
nen veronderstellen dat door het lezen van dichters, door het omgaan met men- 
schen van zeer verfijnden geest, hij gekomen was tot die studie der ziel; maar 
niet wat hij van anderen leerde vormde hem, het eigen leven met zijn ontgoo- 
chelingen, met zijn teleurstellingen bracht hem dien ernst, die afgetrokkenheid, 
die zwaarmoedige overwegingen aan; zijn geest ontwikkelde zich vooral toen zijn 
hand volkomen meester was geworden in zijn kunst. 

Uit den man die gretig de buitenwereld had aangestaard en zijn hoogste triomfen 
had gevierd met elk wezen in zijn waarheid weer te geven, met eiken zonnestraal 
hoe hoog hij scheen, hoe roosterend hij gloeide, in al zijn pracht te doen her- 
schijnen op zijn tafereelen; uit den schilder, die zijn menschen had getooid in 
den dos zijner fantazie en met den fabelachtigen rijkdom zijner kleurenschatten, 
groeide er een denker, die in zich zelven terugkeerde, zijn eigen gedachten en 
die zijner medemenschen doorpeilde en het leven van den geest meer nog dan 
dat van het lichaam ging waarnemen en weergeven, in reinen eenvoud, in ge- 
louterde gevoeligheid. 

Hij kwam in die jaren tot een soberheid van schildering, die hem allen praal, 
alle gezochtheid, alle jacht op schittering als overtollig en onwaar deed verwer- 
pen. Penseel en verf waren hem geworden onderdanige dienaars, die niet enkel 
meer uitdrukten wat hij zag daar buiten, maar belevendigden de beelden, die 
opdoemden in zijnen geest. Het licht is blank, zilverig helder, krachtig zonder 
straling; het valt op het gezicht alleen en geeft ongemeene vastheid aan het 
vleesch. Wel glijdt een half licht op de handen, maar deze zijn slechts als een 
weerschijn van het gelaat, en terwijl het hoofd denkt, de oogen werken, liggen 
zij in ledigheid toegevouwen. Op de roode muts rust een warme schemering, een 
zacht geglim en gegloor van korstig rood, dat vonkt door de duisternis, om de 
koelheid van den algemeenen toon wat op te warmen, iets als een tol betaald aan 
den eisch van des schilders kleurenzin en aan zijne fantazie, die van dezen een- 
zamen peinzer een meer dan alledaagsch wezen maakte, evenals de gulden kring 
boven het hoofd der heiligen de hoogere natuur der hemelingen aanduidt. De 
verf is gelegd in de lichtende deelen met korte afgebroken slagen en gedopt, 
alsof de borstel, geleid en bezintuigd door zijn gevoel, samengegroeid met de 
vingeren, op het doek de weerspiegeling liet stroomen van het beeld, dat hij 
in zich droeg. Uit den nacht van het onbekende, uit de duisternis van het waar- 
delooze treedt de mensch te voorschijn; zijn geest alleen geeft waarde aan de 
stof; het overige is de duisternis, het onbestaande. 



REMBRANDT. 153 

Rembrandt schilderde zoo in meer en meer persoonlijken trant, naar zijn ei- 
gen zin, voor zich zelve, zich niets meer aandragende van regel of schoolwet, van 
wat anderen beviel of door het publiek werd verstaan. Zijn bewerking was op- 
gegroeid uit zijne overtuiging, samengegroeid met haar; hij had dien trant niet 
gezocht; die opvatting van het leven en van de kunst was over hem gekomen; 
hij kon niet anders dan weergeven wat hij voelde. De gunst van liefhebbers 
en kenners verliet hem, zijn leerlingen verloochenden hem en sloegen de Avegen 
in der bevallige alledaagschheid, der richting door stijgende marktprijzen aan- 
geduid. Men ging hem aanzien als een zonderling, als een afgezonderde. 

Hij was het wel degelijk in zijnen tijd. Hij is het niet meer voor ons. Wij zijn 
in voeling gekomen met dien geest, even teer besnaard als zijn hand fijn be- 
werktuigd was. In den kunstenaar van derdehalve eeuw vóór onzen tijd vinden 
wij een mensch weer, wiens gemoed de aandoeningen van het onze gekend 
heeft, die het leven heeft ondervraagd zooals wij het ondervragen, die in de 
wereld meer heeft gezocht dan de lichamelijke genietingen en meer heeft gele- 
den dan het stoffelijk leed, die inniger voelde dan zijn tijdgenooten en die deze 
geheimzinnige gewaarwordingen wist te vertolken op een Avijze die zij niet be- 
grepen, omdat haar galmen te zacht gestemd, te diep getoond waren. De schil- 
der van het stralende licht werd op het einde zijns levens de vertolker der 
beangstigde gemoederen; in hem was voor het eerst de poëzie van het Noor- 
den vleesch geworden. 

Wij noemden Mona Lisa, die tegenvoeter van ons portret. Bij haar is uiterlijk 
alles helder, de lijnen scherp getrokken, de vormen juist aangeduid, tevredenheid 
blikt uit haar wel geopend oog, zij ziet u flink aan, met iets geheimzinnigs in 
den blik, 't is waar, iets meesmuilends in den mond, maar met niets zwaarmoe- 
digs, niets beklemds in het gemoed. Zij is de Zuidelijke die het leven neemt 
van de goede zijde, die jong is, stralend van schoonheid, blijmoedig van geest, 
het hoofd rechtop, rustig in de bewustheid harer waarde. En onze droomer uit 
het Noorden; geen blijmoedigheid bij hem, geen vertrouwen, geen pronkzucht, 
het hoofd is gebogen, de stemming week. De jeugd is heen, hij heeft de ver- 
latenheid over zich voelen aansluipen, langzaam maar zeker; hij bevindt zich al- 
leen in de woestijn des levens, gelaten vouwt hij de handen, gesloten is het boek, 
rustig maar strak richt hij het oog op zijn lief en leed van vroeger dagen, op het- 
geen verdwenen ligt in de schemering van het verleden, op hetgeen nog om- 
huld is met de duisternis van de toekomst; hij staart voor zich eindeloos diep, 
eindeloos ver, eindeloos lang. 



21. NICOLAAS MAES, 



Rembrandts invloed was groot op de HoUandsche School der XVI Ie eeuw, 
niet zoo alles beheerschend en alles verdringend en bedwingend als die van Ru- 
bens in de Vlaamsche kunst van denzelfden tijd, maar machtig toch en eigenlijk 
meer weldadig in zijne gevolgen. Om alleen de voornaamste te noemen, die hem 
tot leermeester of tot voorbeeld kozen zijn de namen van Geeraard Dou, Phi- 
lips Koninck, Govert Flinck, Ferdinand Bol, Jan Victors, Gerbrand van den Eeck- 
hout, Karel en Bernard Fabritius, Samuel van Hoogstraten, Nicolaas Maes, Aert 
De Gelder zeker voldoende, ten bewijze hoevelen onder de besten zijn spoor volg- 
den. Wij gewagen dan nog niet eens van hen die rechtstreeks of middellijk met 
hem verwant zijn of van hem afstammen; gingen wij ook deze opsommen onze lijst 
bevatte de grootste helft der HoUandsche school in haren bloeitijd; wij zouden er 
bijvoorbeeld Pieter De Hooch, Jan Vermeer en Hobbema met volle recht kunnen 
op vermelden. 

Onder hen, die wij hooger opsomden, zijn er vier geboren Dordtenaars, Fer- 
dinand Bol, Samuel van Hoogstraten, Aart De Gelder en hij met wien wij ons 
voor heden meer bijzonder hebben bezig te houden : Nicolaas Maes. Zijn leven 
als burger schijnt niet veel vertellenswaardigs te bevatten. Houbraken, die goed 
ingelicht moet geweest zijn, weet er bijzonder weinig van, en wanneer een navor- 
scher onzer dagen zich neerzette om aan te vullen wat er aan dit weinige ont 
brak, kwam hij tot nagenoeg geen anderen uitslag dan door eensluidende oorkon- 
den te staven de voornaamste feiten vermeld door den schrijver van den Groe- 
ten Schouw burg h der Nederduitsche Kunstschilders. 1) 

Nicolaas Maes werd volgens die getuigenissen geboren te Dordrecht in 1632; 
zijn vader heette Gerrit en was zeepzieder van beroep; zijn moeders naam was 
Ida Herman Claesz. Op 13 Januari 1654 huwde hij Adriana Brouwers, weduwe 
van ds. Arnoldus De Gelder, predikant. Houbraken verzekert, en er bestaat niet 
de minste reden om dit te betwijfelen, dat ,,hij de teekenkunst in zijne jeugd 
bij een gemeen meester en de schilderkunst bij Rembrandt geleerd heeft." Hij 
zal dan wel enkele jaren vóór hij trouwde in Amsterdam doorgebracht hebben. Na 
zijn huwelijk vestigde hij zich in zijn geboortestad; op 9 September 1654 werd 
hem daar een zoon geboren, die in Mei 1656 stierf; een tweede kind, Ida Mar- 
griet, werd in Mei 1664 geboren, maar stierf waarschijnlijk jong. Den 24n 
April 1656 werd zijn dochter Johanna gedoopt. In 1659 kocht hij het huis, 
dat hij in de Steegoversloot bewoonde. In December 1673 verhuisde hij met 
zijne echtgenoote, hunne dochter Johanna en Justus De Gelder, een zoon uit het 
eerste huwelijk zijner vrouw, naar Amsterdam, waar hij bleef wonen tot aan zijn 
dood. Hij werd begraven den 24n December 1693. Zijne kunst bracht hem wel- 
stand aan, hij leefde, ,,stil, beleefd, vergenoegd en vroolijk, uitgezonderd in zijne 

I) G. H. Veth in Oud Holland. VIII, 125—142. 




NICOLAAS MAES. 
DE LUIE MEID. 



NICOLAAS MAES. 156 

laatste jaren waarin hij deerlijk met de jicht geplaagd werd." Ziedaar zijne heele 
levensbeschrijving. 

Blijven zijne werken en zijn kunstenaarsleven, die belangwekkender zijn. Nico- 
laas Maes kwam in de leer bij Rembrandt rond 1650, toen de meester in zijn volle 
kracht en hoogsten bloei was; hij verliet hem in 1654. Vóór dit laatste jaar ken- 
nen wij geen werken van hem; van 1655 dagteekenen eenige zijner goede stuk- 
ken, de Luie Meid in de National Gallery, en de Wortelschrapster uit 
hetzelfde Museum; van 1656 is het portret van Nicolaas Heinsius in de Aren- 
berg-Galerie ; van 1657 de L u i s t e r v i n k bij Six in Amsterdam en het portret 
van Jacob De Witt in het Museum van Dordrecht. Al deze stukken zijn uitmun- 
tend; de schilder was 23 tot 25 jaar oud toen hij ze penseelde: een vroegrijpe 
kunstenaar dus. 

Aan den trant waarin hij toen werkte bleef hij, in zoover wij het kunnen na- 
gaan, een tien of twaalf jaren trouw ; van 1665 dagteekent nog zijn Luister- 
vink in Buckingham Palace. Zijn beste en meest gekende werken behooren 
tot deze jaren ; behalve die welke wij reeds noemden zijn het : de W i e g s t e r 
en de Kaartspelers, twee stukken die de National Gallery van hem bezit 
en die met de twee hooger vermelde en het mansportret, dat wij later nog zullen 
te bespreken hebben, het Londensche Museum tot de verzameling maken, welke na 
het Rijksmuseum het overvloedigst bedeeld is met stukken van Nicolaas Maes. 
Verder de Biddende Vrouw, het Peinzende Meisje en twee stukken 
eene Spinster voorstellende in het Rijksmuseum ; het Lezende Oudje en 
de Slapende Vrouw uit het Museum van Brussel ; de Pannekoekbak- 
ster uit de verzameling Steengracht in den Haag, en de Vrouw met het 
Kerkboek uit het Museum van Montpellier, een weinig gekende verzame- 
ling, die wel meer paarlen van Hollandsche kunst bezit. 

Enkel bij het nagaan der titels van al deze stukken treft ons iets : de schil- 
der koos zijne onderwerpen uit het volksleven en liet de menschen in hun mid- 
den blijven. Hij verschilt hierin met zijn meester. Rembrandt is niet gebonden 
aan een stand, aan een werkelijkheid. Zijn het bedelaars of zijn het prinsen, 
dienstmeiden of koningen die hij schildert? Wie zal het zeggen? Zijne fantazie is 
zoo geweldig en zijne kunst zoo veredelend, dat de personages zijne kinderen, 
zijne schepselen worden en dat zij voor hem allen gelijk blijven, zooals het be- 
taamt dat menschen voor hunnen schepper zijn, Maes daarentegen neemt zijne 
figuren uit het alledaagsche ware leven ; hij heeft eene voorliefde voor vrouwen 
en nog wel naar zijn meesters voorbeeld voor oude vrouwen, moedwillig aldus 
verbannende wat er altijd liefelijks en bekoorlijks ligt in een jong meisje. Het 
tooneel, waarin hij zijne personages plaatst, is al even weinig dichterlijk. Het 
is eene burgerlijke huiskamer zonder opsmuk, zonder kostelijke noch kleurrijke 
stoffage: een kandelaar en een stoop op een rek, een sleutel opgehangen te- 
gen den wand, wat gewoon huisraad op tafel of vloer en daarmee uit. 

Ook in de uitvoering is Maes meer realist dan Rembrandt. Deze laatste schijnt 
gedurig zijne personages, ook al behooren zij tot de klas der minderen van 



156 NI CO LAAS MAES. 

stand en van geest, in een luchtkring van apotheose te laten leven; zijn gulden 
licht, zijne verfijnde bewerking verheffen en veredelen ze, maken ze tot wezens 
van uitzonderlijke en hoogere natuur. Niet aldus bij Maes. Hij laat zijne men- 
schen in hun gewone omgeving, in hunnen eigen aard; door kleur en licht wil 
hij ze wel doen uitkomen, maar hij zoekt niet ze om te scheppen, ze tot bui- 
tengewone verschijningen om te tooveren. 

Een nuchtere waarnemer dus der werkelijkheid, een schilder van het levens- 
proza? vraagt men wellicht. Toch niet. Maes is wel degelijk een kunstenaar. 
Er is voor hem als voor Rembrandt, voor De Hooch, voor Jan Vermeer, en 
voor Rembrandt's school in het algemeen, iets dat schoon en treffend is en 
tot weergeven lokt, onverschilHg in welk midden men het aantreft : de werking 
van het licht, de heerlijkheid der kleur. Hij ziet die zijde der wereld met een 
ander oog als zijne schoolmakkers ; hem treft de tegenstelling van de machtige 
helderheid tegen de zwarte duisternis; hij is de schilder van licht en bruin bij 
uitmuntendheid. In de Italiaansche school der XVI Ie eeuw zal men wel meer 
van die gewelddadige tegenstellingen ontmoeten, maar die zijn dan baldadiger 
doorgedreven, schetterender van uitwerking. Maes blijft fluweelig, zelfs daar 
waar zijn opzet het sterkst uitgesproken is. Zijn oude vrouwen of andere per- 
sonages komen in volle licht uit op een pikdonkeren achtergrond; zij snijden er 
niet op af, zij verheffen er zich uit, zij doemen er uit op. De dag scheidt zich 
van den nacht, niet op eens, hardweg, zooals bij de Italiaansche clair-obscu- 
risten, maar in zachten overgang, zoodat op de boorden van beider gebied het 
licht doordringt in de duisternis en dat op de helle plekken er nog vlokken 
van donkerheid blijven hangen, evenals na een regenbui plasjes water blijven 
staan in de holten van den opgedroogden grond. De rimpels zijner slapende of 
biddende oudjes liggen donker en zwart op hunne van licht blakende aangezich- 
ten; in de plooien der kleederen, waar het felle licht niet doordringt, nestelt 
de kooltint nog in al haar puurheid. Maar op de boorden versmelten de vijan- 
dige elementen gemoedelijk samen en geven aan die strook gemeenschappelijk 
gebied een donzigheid, die alle hardheid voorkomt en aan de geweldigste te- 
genstelling eene fluweeligheid behoudt, die de sterkste contrasten gewillig doet 
aannemen. Hij houdt niet van bontheid in de kleuren; enkele, zeer weinige, vol- 
staan hem, maar hij wil ze dan vol, hoog, lichtend. Een wit, nu eens roomachtig, 
dan eens blauwachtig getint, een helder steenrood of een stevig bruinrood, on- 
gebroken, wel uitkomend, gedrenkt van licht, welgevallig zich uitstallend: meer 
vraagt hij niet of behoeft hij ook niet om leven te brengen in zijne binnenhuisjes. 
Hij behandelt de verlichte deelen met groote zorg, zijne handen en aangezichten 
zijn meesterlijk gepenseeld. Zoo schilderde Maes in zijnen eersten tijd, toen hij 
pas Rcmbrandts atelier verlaten had. 

En in dien trant is ook zijn Luie Meid uit de National Gallery behandeld. 
De dienstmaagd is aan het slapen in hare keuken, potten en pannen staan on- 
afgewasschen op den grond, op eene kast is de kat bezig het gebraden eend 
weg te kapen. Daar komt de huisvrouw binnen om bier te halen en ontdekt 



NICOLAAS MAES. 157 

het mooie spektakel. Zij neemt het nog al goedig op, ghmlacht en wijst met 
de hand haar parel van een dienstmeid aan. In de eetkamer, eenige treden hoo- 
ger, ontdekt men links de genoodigden aan tafel. De achtergrond der keuken 
is donker, de figuren op den voorgrond komen er malsch en sterk lichtend op 
uit. De huisvrouw draagt een zwart lijfje met witten bont geboord en een witten 
voorschoot op een roodbruinen rok. De meid is in haar witte hemdsmouwen en 
draagt een donkeren rok met een enkele roode strook op het witte ondergoed. 
Op den grond staan twee witte borden nevens een donkeren schotel en een don- 
kerder kookketel. Het werk is gejaarmerkt van 1655; Maes was 23 jaar oud en 
het stuk is dus een zijner vroegste. Het vertoont dan ook eenigszins de sporen 
zijner onervarenheid. Wel vermijdt hij ook hier de heldere op de donkere tinten 
scherp te laten afsnijden en zijn de afstompingen van licht en bruin behendig 
aangebracht, maar dit belet niet dat het werk nog wat zwaar en het effect ge- 
zocht schijnt, vooral wanneer men het vergelijkt, wij zeggen nog niet eens bij 
dat van Rembrandt, maar zelfs bij dat van Pieter De Hooch, die nauwelijks 
noodig acht zijn volle licht door eenige korte en dunne schaduwen te verhef- 
fen. Wij kennen stukken van lateren tijijd waarin Maes zich van die onervaren- 
heid ontdaan heeft, waarin zijn licht en kleur fijner, zijn heele schildering mal- 
scher wordt, zooals zijn reeds genoemd Lezend Moedertje en zijn Sla- 
pend Oudje te Brussel, zijn Biddend Vrouwtje en zijn Meisje aan 
het Venster te Amsterdam. 

Van denzelfden aard en van het zelfde jaar (1655) is zijn Wortelschrapster 
uit de National Gallery. Het is een klein stukje, eene vrouw die voor de keuken aan 
het zorgen is met haar kind nevens zich. Een geweldige lichtslag valt vonkelen- 
de op den pikdonkeren achtergrond; de tegenstelling van het licht en bruin is 
moedwillig maar handig ; de schemering tusschen beide uiterste tonen fijn en kun- 
stig; de schildering is glad en vast als email. 

De Wieg, eveneens een klein stukje, verbeeldende een meisje dat een kind 
in slaap wiegt, is geheel in denzelfden trant. Het eenige verschil is dat hier niet 
enkel het figuur verlicht wordt, maar dat ook het sterk gekleurd tafelkleed, de 
blauwwitte bierpot en de geopende Bijbel in sterke helderheid uitkomen. De 
schildering ook is niet zoo fijn als die van het vorige stukje. 

Geheel anders ziet er het groote stuk de Kaartspelers uit. Aan eene ta- 
fel zitten een jonge man en eene jonge vrouw; zij aandachtig de kaarten bezien- 
de, hij wachtende tot zij uitgespeeld hebbe. Zij draagt een volrood kleed met wat 
wit linnen op borst en armen, hij een zwart vest met een witten boezelaar. Het 
zijn twee nog al gemeene figuren in tamelijk deftige kleedij, uitkomende op don- 
keren grond in helder, niet zeer sterk licht. Maes schildert hier het ware alle- 
daagsche leven zonder eenige veredeling noch idealiseering ; hij wil waar zijn en 
krachtig en vervalt nog al gemakkelijk in grofheid. Wat hem vooral aantrekt 
zijn de fijne spelingen van licht en kleur: de groote brok rood opvlammend in 
de stemmige omgeving, de malsche vleezen en het witte linnen zich verheffende 
op den donkeren achtergrond. De doorschijnende schaduwe en de halve toon 



158 XICOLAAS MAES. 

van het bronskleurige tafelkleed, tusschen de twee hooge tonen schijnen hem 
en zijn werkelijk bestudeerenswaardig; zijne kunstige weergeving van den fluwee- 
len dampkring waar alles in glooit en glimt leent aan dit erg nuchter onder- 
werp en aan die leelijke menschen een sterken uitsprong en een eigenaardige 
aantrekkelijkheid. 

De genre-stukjes van dien trant behooren tot de jaren vijftig en zestig. In het- 
zelfde tijdperk schilderde hij, voor zooveel ons bekend is, enkele weinige portret- 
ten : dat van Heinsius in de Arenberg Galerij en dat van Jacob De Witt te Dor- 
drecht, namelijk. Beide zijn in krachtige tonen, geheel naar waarheid gepenseeld. 
Treffend is om die reden zijn laatstgenoemd stuk : een doorleelijke kop, lang zon- 
der einde, een vel van perkament, met scherp gegriffelde rimpels, lang, sluik, 
zwart haar, alles van hout, maar eerlijk in zijn leelijkheid en levend in zijn hou- 
terigheid. 

Er kwam een tijd, toen dit alles veranderde: Houbraken verhaalt dat Maes, 
om wat uitspanning te nemen, een speelreisje naar Antwerpen deed om de wer- 
ken van Rubens, van Dijck en andere ,, hoogvliegers" te leeren kennen. Hij 
kwam dan bij Jordaens terecht, den eenigen nog levenden der groote Antwerp- 
sche schilders. Daar had hij gelegenheid de werken van vele brave meesters 
te bewonderen. Als gevolg van die reis pleegt men de verandering in zijn trant 
te beschouwen. Hij zou door de meer behaagzuchtige dan waarheidminnende 
manier der Vlaamsche portretschilders zich hebben laten verleiden om ook meer 
te gaan toegeven aan de mode van den dag; hij zou afgebroken hebben met de 
alledaagschheid zijner portretten en zou gaan offeren zijn aan de praalzucht zij- 
ner modellen, die er op uit waren om er ten alle prijze deftig, voornaam en zwie- 
rig uit te zien. 

Het uitstapje naar Antwerpen kan best plaats hebben gehad; dat de veran- 
dering van Maes' trant er een gevolg van zou geweest zijn, is niet aan te ne- 
men, al ware het slechts om de reden dat er op dit oogenblik, dat wij nu maar 
eens in 1665 zullen stellen, geen portretschilders in de Scheldestad meer waren, 
die groote bewondering konden wekken of tot navolging verleiden. 

Het treft anders nogal zonderling dat er van Maes een portret bestaat en nog 
wel in de National Gallery, dat des schilders naam en het jaartal 1666 draagt, 
en dat wij even goed aan Jordaens als aan hem zouden kunnen toeschrijven. 
Een dikkerd van belang, bol van gezicht, vlok van vleesch, in het zwart gekleed 
met een witten halskraag, in een leunstoel gezeten, op wiens arm een zijner 
handen rust ; in den achtergrond een rood gordijn : geheel het figuur, de kleedij, 
de stoffeering en de schildering van den Antwerpschen meester, een stuk alleen 
voldoende om te doen vertellen en gelooven dat Maes Jordaens heeft ontmoet, 
getroffen is geweest door zijn manier van schilderen en hem is gaan navolgen. 

Maar dit portret en de twee uit het Museum van Budapest zijn de eenige 
ons bekende van hun soort; die welke later komen zien er heel anders uit en 
de ommekeer in 's meesters trant moetaan andere meer falgemeene oorzaken toe 
te schrijven zijn dan aan het Antwerpsch reisje. Rembrandt was gestorven in 1669, 



NICOLAAS MAES. 159 

een paar der beste zijner leerlingen Govert Flinck en Ferdinand Bol waren hem 
reeds vóór zijn dood afvallig geworden; Nicolaas Maes stelde die verlooche- 
ning wat langer uit, maar dreef ze het verste en tot in het ergerlijke. Hij woon- 
de wellicht nog te Dordrecht toen hij afbrak met wat hij bij Rembrandt geleerd 
had, met wat hem groot had gemaakt en hem in onze oogen nu nog verheft 
tot een echten kunstenaar, om een schilder naar de mode te worden. Toen hij 
in 1673 naar Amsterdam verhuisde, werd hij de meest gezochte portretschilder 
der voorname lieden; hij kreeg de handen zoo vol werk, zegt zijn oudste le- 
vensbeschrijver, „dat het voor een gunst gerekent wierd, als den eenen voor den 
anderen gelegentheid wierd ingeschikt van te konnen voor hun pourtret zitten 
en dit bleef zoo duuren tot het einde van zyn leven." Te rekenen van den tijd 
dat hij zoo in den smaak was gaan vallen schilderde Maes haast niets anders 
meer dan portretten. Wij kennen tal van die producten in het Rijksmuseum, 
in het Museum van Brussel en elders. Welk een ommekeer, welk een deernis- 
waardige afval van het eigen, vroegere, zaligmakende geloof! De mooie dames 
en de deftige heeren konden niet gediend zijn met conterfeitsels als die van 
Jacob De Witt, wij nemen het gewillig aan; maar zij hadden ook geen vrede 
met hun eigen wezenlijk uitzicht; zij moesten naar den smaak van den dag ge- 
kleed, geschilderd en omgewerkt worden. En nu verdwijnen uit Maes' schil- 
dering ook de volle kruimige kleuring, het machtige natuurlijke licht, de so- 
bere stoffeering, het stevige en stoere, het ernstige en gedrukte en al wat aan 
een figuur iets arme-menschachtig en onbeschaafd kan geven, al wat de sporen 
van zorgen en lijden kan verraden, maar meteen verdween al wat pit en ka- 
rakter aan een figuur geeft, al wat er eigen leven en geest aan leent. 

Nu krijgt men menschen te zien, behoorlijk gelouterd en verbeterd in de 
trekken, het haar of de pruik gekapt naar den laatsten patroon, een vaag 
glimlachje op het rozig gelaat, gedost in kleederen, die kunstig om het lijf 
gedrapeerd zijn. De kleuren der kleeren hangen af van den smaak van den 
dag, alleen mogen zij nooit sober of somber of vrank zijn; zij worden gebroken, 
gedempt, gehalveerd : een jas in tint van feuille morte met bronzen weerschijn, 
een kleed of een mantel van karmozijn rood met speling van krieken- of ker- 
senrood er opgelegd, onnatuurlijke tinten met onware spelingen worden wet 
en regel. En in plaats van het eenvoudige zwarte wambuis van den goeden 
ouden tijd, krijgen wij nu flodderige, fladderende draperieën, die geen vormen 
teekenen en zelf geen vormen hebben. Zelfs de lucht, de heerlijke Hollandsche 
blauwe of grijze lucht, wordt niet met vrede gelaten, zij ook moet geblanket wor- 
den. Op haar azuur en wolkendons worden donker oranje-tonen gelegd, die toen 
heel voornaam konden schijnen, maar die in waarheid vuil en gemeen zijn. 

Zoo deerniswaardig was het uiteinde van Rembrandt"s grooten leerling, zoo be- 
droevend de middelen, waarmede hij in de laatste helft zijner loopbaan geld en 
naam maakte. De algemeene kunstgeschiedenis kent geen ergeren val, de va- 
derlandsche kent geen ergerlijker verbastering. 



12. JAN VERMEER VAN DELFT. 



De geschiedenis der Hollandsche meesters is over het algemeen weergaloos 
onbeduidend; de menschen, die wij nu zoo bewonderen, van wie wij met ang- 
stige zorg het minste spoor opzoeken en met bhjde gretigheid het geringste be- 
richt aanteekenen, leefden een paar honderd jaar geleden in een wereld, be- 
schaafd als de onze, te midden eener burgerij, die hun werken kocht of ze be- 
sprak; zij verkeerden met mannen der pen, die over allerlei dingen: godgeleerd- 
heid en wetenschap, politiek en geschiedenis schreven, die in proza en verzen 
uitdrukten, wat zij dachten of voelden, die zelfs over kunst en kunstenaars han- 
delden, maar die ons nagenoeg zonder eenig lezens- of wetenswaardig bericht 
lieten over tijdgenooten, die later voor heel de wereld de groote scheppende 
geesten des lands, de glorierijkste vertegenwoordigers van hunnen stam waren. 
Indien wij die uitgelezenen van ons volk moesten leeren kennen uit de boeken, 
dan zouden zij ons voorkomen als de meest gewone der stervelingen, leidende 
een leven zonder meldenswaardige voorvallen, zonder glans, zonder kleur, zon- 
der iets, dat hen doet verschillen van den kruidenier of den schoenmaker uit hun- 
ne buurt. Zij werden geboren, huwden, stierven, verkochten veel of weinig, dit is 
al wat wij er van te weten komen, als er ons nog zooveel van verhaald wordt : 
juist wat men noodig zou geacht hebben ons te melden van een slager of een 
meubelmaker, indien men behoefte hadde gevoeld ook over deze te schrijven. 

En toch, het bewijs ligt bereids in dit schrijven, bekommerde men zich om hen 
en om wat zij voortbrachten; men voelde en begreep, dat deze hanteerders van 
het penseel, die zich verdiepten in het bestudeeren der werking van een licht- 
straal, die gelukkig waren in het aanschouwen en weergeven van een rijken toon 
en een zeldzame tint, in het bespieden eener uitdrukking op het gelaat of eener 
houding of beweging van lijf en leden, menschen waren met hooger gaven en 
edeler bemoeiingen. Men voelde het, men zegde het, maar men waagde zich niet 
aan het ontleden dier gaven, aan het verklaren, waardoor en waarom zij werden 
en waren, wat zij geweest zijn. Zoo staan wij voor werken van verbazende oor- 
spronkelijkheid, die ons bij het eerste zicht aangrijpen, ons vervullen met bewon- 
dering voor een zoo verfijnde opvatting van de kunst; wij vinden een naam op 
die werken, en die naam is in de geschiedenis een ijdele klank. Wij twijfelen niet 
of iemand, die zoo wist te tooveren met kleur en licht, zulk een schepper van 
nieuwe werelden, moest door al zijn tijd- en landgenooten gekend en gevierd 
zijn, men moet van hem gesproken, geschreven, gezongen hebben, zijn werken 
aangeteekend, zijn stappen door het leven gevolgd hebben; wij willen onzen weet- 
lust bevredigen, wij zoeken naar de geschiedenis van dien uitverkorene; soms 




JAN VERMEER VAN DELFT. 

HET VROUWTJE BIJ HET KLAVIER. 



JAN VERMEER VAN DELFT. 161 

vinden wij zijn naam niet eens vermeld, en waar deze wel gekend is vinden wij 
over het leven van den kunstenaar de onnoozelste vertelsels, eenige winkeliers- 
achtige waarnemingen, wat herbergpraatjes. 

Het treffendste voorbeeld van die waarheid zal wel Jan Vermeer van Delft 
zijn. Hij was een schilder, zooals de wereld er geen voornamer gekend heeft, 
een soort van Memlinc in het land der kleinmeesters en in de eeuw der burger- 
lijke kunst. Zijne werken trekken aan door den glans van hun uiterlijk, zoowel 
als door de juiste waarneming van het innerlijke leven; zij boeien bij den eer- 
sten blik en schijnen altijd gewaardeerd en gezocht geweest te zijn, en van dien 
zoo keurigen werker en zoo gezonden denker, van dien drijver van zoo kostelijke 
kunstjuweelen weten of wisten wij voor enkele jaren zooveel als niets. 

Er hebben vier schilders van zijn naam, Jan van der Meer of Jan Vermeer, 
geleefd; de eene, die van wien wij hier spreken, de figuurschilder, is van Delft; 
twee anderen waren landschapschilders, van Haarlem, de vierde was een histo- 
rieschilder te Utrecht. Men heeft wellicht een eeuw lang de werken der drie eer- 
ste aan een zelfden kunstenaar toegeschreven en wanneer het onderscheid gemaakt 
was, en de bewondering voor de zeldzame gaven van den Delftschen Vermeer 
nieuwsgierigheid voor zijn lotgevallen had gewekt, vond men, dat de geschied- 
schrijvers vergeten hadden hem een woord te wijden en men moest in doop- en 
notarisboeken gaan zoeken naar eenige schaarsche datums en weinig bedui- 
dende feiten om met dit sprokkelhout een mager levensberichtje op te timmeren. 

In de kerkelijke registers van Delft ontdekte men, dat hij gedoopt werd 
den 31n October 1632 en dus den dag te voren geboren was. Zijn vader hiet 
Reynier Janszoon Vermeer, zijne moeder Dingnum Balthasars. 

Dan vinden wij vier verzen van Arnold Bon in een gedicht, gemaakt ter gele- 
genheid van den dood van Carel Fabritius, den leerling van Rembrandt, die 
omkwam in 1654 bij het springen van het Delftsche kruitmagazijn, in welke 
verzen Vermeer's naam voorkomt : 

„Soo doov' dan desen Phenix (Fabritius) t'onser schade 
In 't midden en in 't beste van zyn swier 
Maar weer gelukkig rees 'er uyt zyn vier 
Vermeer, die meesterlyck betrad zyn pade." 

Hieruit en uit de overeenkomst van hunnen trant besloot men met reden, 
dat Jan Vermeer een leerling of ten minste een volgeling van Karel Fabritius, 
dus een afstammeling in den tweeden graad van Rembrandt was. 

Wij vinden hem ingeschreven in het Delftsche schildersgild op 29 December 
1653; in 1662—1663 en in 1670—71 was hij hoofdman van dit gild. Hij huwde 
den 5n April 1653 Catharina Bolenes; hij werd begraven in de Oude-Kerk den 
15n December 1675, nalatende acht minderjarige kinderen. 

Was hij welstellend of niet? Het antwoord op die vraag is twijfelachtig. Wij 
vernemen wel is waar, dat bij zijne intrede in de Schildersgilde hij het inkom- 

11 



162 JAN VERMEER VAN DELFT. 

geld van zes gulden niet dadelijk betaalde, maar slechts anderhalven gulden 
gedurende vier op elkander volgende jaren aftelde; wij weten nog, dat hij in 
1655 een leening aangaat ten bedrage van 200 Carolus-gulden, die hij belooft over 
een jaar terug te betalen met vier en een half pet. interest; ook nog, dat zijne 
weduwe op 27 Januari 1676 aan Hendrik van Buyten, haren bakker, voor gele- 
verd brood, 617 gulden en 6 stuivers schuldig was, voor welke schuld zij hem 
twee schilderijen van haren man in pand geeft. Dit alles zijn geen bewijzen van 
rijkdom, maar toch nog niet van armoede. 

Daar tegenover staat dat den 18n Juli 1671 Jan Vermeer verklaart voldaan te 
zijn over de erfenis zijner zuster, behalve eene som van 648 gulden, die zijn zwa- 
ger hem schuldig blijft. In 1661 werd aan zijne vrouw een eigendom ver- 
maakt in Bon repos, bestaande uit eene woning en negen en een halven mor- 
gen land. Wanneer zij begraven werd waren er 12 dragers van dienst. Dit alles 
zijn bewijzen van welstand. 

Er is ook iets vreemds in die schuld van 617 gulden en 6 stuivers aan ge- 
leverd brood. Hoeveel jaren moest die bakker het huisgezin wel voorzien met 
zijne waar om zijne rekening zoo hoog te doen stijgen! En dan is het niet min- 
der wonder te zien, dat hij zich tevreden stelt als onderpand met twee schil- 
derijen van zijn schuldenaar. Iemand, die schilderijtjes van 300 gulden het stuk 
vervaardigde in dien tijd, moest een kunstenaar van naam zijn, die geen schuld 
bij zijn bakker behoefde te maken. 

Trouwens, zooals wij vroeger reeds aanstipten, werden zijne schilderijen, ook 
wanneer men van hemzelven nog slechts een zeer onduidelijk en verward be- 
grip overhield, altijd betrekkelijk hoog geschat. Zoo vinden wij in de veilin- 
gen der 17e en 18e eeuw, dat men aan zijn werken prijzen besteedde van 160 
gulden, van 175, van 200, van 320, van 400, van 500 tot 560 zelfs, prijzen die 
alleen de grootste meesters haalden. In 1798 bereikt een stukje reeds 1550 
gulden ; in 1813, 2125 ; in 1864 in de veiling W. Burger wordt ons Vrouw- 
tje bij het Klavier met 29.000 francs betaald en later zijn die prijzen blij- 
ven stijgen. 

Zeldzaam genoeg zijn die werken. In de catalogussen van oude veilingen 
tellen wij er niet meer dan 30 en nu men sedert jaren den meester hoog in eere 
houdt en het voorkomen zijner stukken in verzameling of veiling algemeen de 
aandacht trekt, zou het moeilijk zijn er veertig echte op te sommen. Veertig 
schilderijen voor een Hollandschen schilder der zeventiende eeuw, die 25 jaar 
lang werkte; het is klaarblijkelijk veel te weinig, er moeten er vele verloren 
zijn gegaan. 

En in de geschiedenis dier schilderijen treffen wij weer een paar vreemde 
feiten aan. In de veiling, gehouden den 16n Mei 1696 te Amsterdam, eener ver- 
zameling, waarvan de eigenaar niet genoemd wordt en die slechts 134 stuks bevatte, 
komen er niet minder dan 21 schilderijen van hem voor. In de boedelbeschrij- 
ving van den drukker Jac. Abrahamsz Dissius van Delft, in 1682 opgemaakt, 
treffen wij er 19 aan. Er werden dus kort na zijn dood één of twee liefhebbers ge- 



JAN VERMEER VAN DELFT. 163 

vonden, die hem zeer hoog schatten en ijverig bijeenbrachten wat van hem te 
vinden was. Het schijnt dat met den tijd die warme vereerders al min- 
der en minder werden gevonden, tenzij men verkoos aan te nemen, dat ergens 
een ramp een kabinet, waarin een groot getal zijner schilderijen was bijeengege- 
bracht, deed verloren gaan. Verbazend toch is het dat, wanneer wij de oude Ca- 
talogussen van veilingen nagaan, wij vinden dat er van de jaren 1696 tot 1735, 
36 schilderijen van Jan Vermeer verkocht werden, waaronder 25 verschillende 
stukken te vinden zijn, terwijl er van 1736 tot 1749 slechts twee en van 1750 
tot 1770 slechts één zijner werken onder den hamer kwamen. 

Gelukkig vond in onzen leeftijd Jan Vermeer nog een dier verafgoders zijner 
kunst, zooals er in de 17e eeuw bestonden. Het was een Fransche banneling, 
genaamd Thoré, die zich na 1851 een tijd lang in Holland en België ophield en, 
vaarwel zeggende aan de politiek, die hem meer zuurs dan zoets had opge- 
bracht, zich op de studie onzer oude kunst ging toeleggen en er over schreef on- 
der den naam van W. Burger. Menige veropenbaring zijn wij aan dien vreem- 
deling schuldig en in de eerste plaats die over Jan Vermeer. Met warme inge- 
nomenheid spreekt hij over de groote Hollandsche en Vlaamsche meesters der 
XVHe eeuw en met onverdroten ijver spoorde hij de geschiedenis van hun 
leven en van hun werken na. Maar voor den Delftschen sfinx, zooals hij hem 
noemde, flakkerde zijn geestdrift nog heel wat levendiger op dan voor zijn andere 
heele of halve goden. Toen hij in 1857 de tentoonstelling van Manchester be- 
zocht, vond hij geen gelegenheid om over zijn lievelingsmeester breedvoerig te 
spreken, hij noemt hem dan slechts terloops een grooten, haast onbekenden kun- 
stenaar. Het jaar nadien treft hij in het Museum van den Haag het Gezicht 
op de stad Delft aan ; weer een jaar en in de Galerij van Arenberg vindt hij 
het Meisjesportret, en telkens barst hij los in kreten van bewondering. 
In 1860 beschrijft hij het Museum van der Hoop, hij houdt nu lang stil bij het 
Lezende Vrouwtje en begint een Catalogus van Vermeer's werken te 
schetsen, dien hij verder zal uitwerken. In 1864, in zijn artikel der G a z e 1 1 e 
des Beaux Arts over de Parijsche galerij der gebroeders Pereire, komt hij 
nogmaals terug op den hooggeschatten meester; in 1866 eindelijk geeft hij aan 
dezelfde G a z e 1 1 e een reeks van drie artikels, waarin hij hem nu eens naar har- 
telust bespreekt en bewondert en alles bijeenbrengt wat hij over hem te weten is 
gekomen. Van de eerste ontmoeting is hij getroffen geweest; hoe meer hij van 
hem zag, hoe beter hij hem leerde kennen, hoe warmer ook zijn liefde en bewon- 
dering werd. Hij had tal van schilderijen van den Delftschen Vermeer gekocht 
en verkocht; in den Catalogus zijner veiling vinden wij er nog drie, waaronder 
die welke wij hervinden in de National Gallery. 

Burger had weinig of niets nieuws ontdekt over het leven van Jan Vermeer, 
hij had vooral zijn werken en hunne zeldzame verdiensten doen kennen, alhoe- 
wel ook over deze zijn inlichtingen niet altijd nauwkeurig zijn. Zoo had hij nog 
het scherpe onderscheid niet weten te maken tusschen de landschappen der 
van der Meer's van Haarlem en de echte stukken van den Delftschen Vermeer. 



164 JAN VERMEER VAN DELFT. 

Na hem kwamen de Hollandsche beoefenaars onzer kunstgeschiedenis. Obreen 
en Bredius die in het Archief voor Nederlandsche Kunstgeschie- 
denis (Deel IV blz. 289) en in Oud Holland (III — 217) bekend maakten 
wat zij in de oude oorkonden over onzen meester gevonden hadden. Zij brachten 
ten minste eenige echte feiten en datums bijeen, die den sfinx plaats deden ne- 
men onder de kinderen der menschen. 

Die plaats was in de burgerlijke wereld zoo bescheiden mogelijk. Jan Vermeer 
is een van die eerzame penseelers geweest, die zoo talrijk in de 17e eeuw in 
Holland leefden om te schilderen, die zich niets aantrokken van wat er daar 
buiten voorviel en om wie zich de buitenwereld ook zoo weinig mogelijk be- 
kreunde. Hun eerzucht ging niet verder dan degelijk werk te leveren, hun groo- 
te zorg was het spel van licht en kleur na te gaan en het op kunstige wijze te 
vertolken. Hunne geschiedenis ligt in hun werk. Hunne beteekenis voor het na- 
geslacht ligt in de wijze, waarop zij de wereld of een brokje er van zagen en 
ze ons door hun oogen laten zien. 

Jan Vermeer zag de wereld altijd als een kolorist ; wat hem in haar aantrok wa- 
ren de tinten en de tinteling van het licht. Hij schilderde als doode natuur: ste- 
den en huizen ; als levende natuur : menschen in woonvertrekken. 

Van de eerste soort werken kennen wij het Gezicht op de stad Delft 
in het Haagsche Museum en het Straatgezicht bij Six van Hillegom te Am- 
sterdam. Beide wonderwerken. Het stadsgezicht geeft Delft te zien achter de 
rivier. Tusschen den stroom met zijn zonnige strand en den lichtblauwen, met 
warme wolken doorzaaiden hemel teekent de stad de stemmige rij harer huizen, to- 
rens en bruggen af. Het is een klomp van kleur, zooals in onze dagen Jacob 
Maris hem weer samenkneedt uit honderd tinten van daken en muren; maar 
bij Vermeer is hij hooger, vaster van toon, scherper van lijn en niettemin on- 
eindig verbrokkeld, met doortrillende en doorschijnende schaduwen tegen het 
licht gezien, zoodat hij zich in gedempte schemering, stevig, met iets geheimzin- 
nigs, voordoet. In de Straat bij Six is het lichtspel nog rijker; een paar huizen 
teekenen zich in vaste, rustige klaarte af, tusschen den krachtig verlichten he- 
mel en de straatsteenen, tintelend van witte zonnigheid, terwijl een zeer klare 
lichte band aan den voet der huizen loopt. Het is een harmonie van licht met 
warmte doortrokken, zwaar licht, vet licht, dat in die stille, kalme achterbuurt 
zijn heerlijke symfonie aan het spelen is. 

Er licht iets statigs, eerbiedwekkends in die oude stadsmuren en burgerhui- 
zen, badend in pracht van hemelglans, iets dat laat denken aan sprookjes uit lang 
verleden dagen. De schilder, die dit voelde en zijn gevoel zoo warm en over- 
tuigend uitsprak was een dichter, vatbaar voor de fijnste indrukken, bedeeld 
met de gave zijner zeldzame gewaarwordingen in passende vormen van eigen 
vinding uit te spreken. 

In zijn binnenhuisjes doet hij zich anders voor. Gewoonlijk is de hoofdper- 
soon een vrouwtje, lezende, spelende, huiswerk verrichtende, met of zonder min- 
naar, eerzaam of liederlijk van aard; soms ook een manspersoon aan de studie, 



JAN VERMEER VAN DELFT. 165 

of kleine groepen muziek makende of vrijende: allen gering van afmeting, be- 
halve de M i n n e h a n d e 1 uit het Museum van Dresden, waarvan de figuren 
levensgroot zijn. Het eerbiedwaardige en haast plechtige, dat Vermeer's stads- 
gezichten kenmerkt valt hier weg; de wereld is hier jong, jong zijn de menschen 
en jong het licht. In hare kamer zit of staat de freule of de deerne; door het 
raam dringt het licht binnen, helder, vroolijk, als verliefd op de schoone en om- 
speelt en omhelst haar, juichende om die aanraking, verheerlijkend de be- 
minde. 

Het vrouwtje wordt dus hoofdzaak; het is niet een levenloos ding, aange- 
bracht om kleur te dragen en schaduw te werpen, het heeft zijn eigen leven, 
denkende en voelende, droomende of slapende, weinig bewegende, maar altijd 
juist gezien. Sterker nog dan de weergeving van het innerlijk leven zijner perso- 
nages treft ons hun uiterlijke verschijning. In een kamer vol licht, met zeer 
weinig meubelen en even weinig getimmerte worden zij voorgesteld; in de al- 
ledaagsche omgeving verrichten zij werk van alledaagschen aard. Een ongemee- 
ne vinding van persoon of daad of kleedij of drapeering geeft de schilder niet 
te bewonderen; een huiselijk burgertooneeltje doorgaans of een minnehandel, 
die weinig belangwekkend is, beeldt hij af. Alles ligt voor hem en voor ons in 
de behandeling en meer bepaaldelijk in het licht en in de kleur. Zijn licht, wij 
zegden het reeds, is jong en helder, niet de geroosterde tonen van Rembrandt, 
de gloed van Peter De Hooch, het schaduwspel van Nicolaas Maes onderscheidt 
hem; zijn licht is blank en zilverig, zoo volkomen passend bij zijn jonge vrou- 
wenfiguurtjes als de reine, stille klaarte, die Memlincs figuren beschijnt, met den 
aard zijner hemelingen overeenstemt. Zijne kleuren zijn niet veel : geel, blauw, 
groen, rood, enkele malen een oostersch tapijt. Die kleuren laat hij op zich zel- 
ven staan, gewoonlijk met een lichte, eigenaardige tint. Wat men zijn citroen- 
geel noemt, is niet de verdonkerde kleur der gedijde vrucht, het is hare heldere 
tint, waar men nog zou wanen den groenen schijn van het onrijpe ooft in te onder- 
scheiden; zijn blauw is niet het volle azuur, het is een hemelsblauw, verjongd 
en verweekt door het waas van den dampkring; in zijn geel mengt hij soms een 
weinig bruin, dat er dan eene oranjetint aan geeft; aan zijn blauw voegt hij wat 
grasgroen toe, dat het een doorschijnende zeekleur geeft. Gaarne stelt hij zijn 
figuurtjes tegen den dag en laat dan op hun satijnen huid licht en schaduw sa- 
mensmelten tot een schemertint met paarlemoeren weerschijnen. Het is in zijne 
binnenhuisjes de jeugdige, zilverige schilder bij uitnemendheid, conterfeiter der 
lente en der blijheid in het leven en in het licht. 

Het Vrouwtje bij het Klavier uit de National Gallery geeft een juist 
denkbeeld van dit soort van werken. 

Een vrouwtje staat recht voor een geopend klavier, met de vingers op de toet- 
sen, met het aangezicht naar den toeschouwer gewend. De kamer is zoo een- 
voudig mogelijk gestoffeerd: een vloer van blauw en wit marmer; een boord 
van Delftsche steentjes, elk met een enkel figuurtje, langsheen den grond; de 
mmir lichtgrijs; daarop twee schilderijen van ongelijke grootte, een Cupido brief- 



166 JAN VERMEER VAN DELFT. 

besteller en een landschap. Klavier en schilderijen trekken rechte, scherpe lijnen 
nijdig op den muur; het vrouwtje staat pal en onbeweeglijk, er is geen samen- 
stelling, geen schikking in heel het tafereel. Kleur is er ook niet veel: de schil- 
derijen en het landgezicht, geschilderd op het opengeslagen deksel van het kla- 
vier; verder niets dan grijs en blauw. Grijs is de muur, grijs is het satijnen 
kleed der vrouw; blauw is haar zijden lijfje, blauw de stoel nevens het kla- 
vier, blauw een deel der vloersteenen. Maar in dit eenvoudig vertrek dringt 
het licht binnen langs een groot venster ter linkerhand en zijn tooverkracht is 
genoeg om de ledige, koude woonkamer te vullen en te verrijken met een glans 
schooner dan de kostelijkste meubelen haar zouden kunnen leenen. 

Het licht komt warm door het raam gestroomd, maar verder doordringend 
koelt het af, het doet de satijnen en zijden kleedij en het fluweel van den stoel 
niet schitteren, maar enkel zacht glimmen. De vrouw krijgt een lichtslag op de 
wang, maar verder staan het gelaat, het haar en de armen in lichte warme 
schaduw. Bij nader toezien bemerkt men dat aan de witte zijden mouw, aan het 
blauwe lijfje en in het haar roode strikjes zijn vastgemaakt. Met het snoer fijne 
parelen om den hals werpen deze eenige lachende puntjes in het grijze geheel. 

Jan Vermeer is hier nog soberder dan gewoonlijk in zijn teekening en kleu- 
ring, maar nog fijner en wonderdadiger in zijn lichtwerking. Grijs is alles; maar 
niet eentonig, noch doodsch, noch grauw is dit grijs : het is verfijnd, verle- 
vendigd, verrijkt door den hemelschen stroom, die door het raam binnenvloeit. 
Geen kostelijker stof dan de eenvoudige dingen, aangeraakt en omgeven door 
dien verzilverden glans; geen edeler persoontje dan dit burgerinnetje in die glo- 
rie; zij lijkt wel een heiligenbeeld je zooals zij daar geïdealiseerd wordt in haar 
doodeenvoudige omgeving en in haar middelmatige schoonheid van vormen 

Wanneer men het stille schilderijtje vergelijkt met de rijkgekleurde stukken 
die het omgeven, dan kijken de overige donker bij zijn licht; wanneer men het 
vrouwtje vergelijkt bij de lichtende stoffeering der kamer, dan is deze omge- 
ving doodsch en wordt haar figuur levendig, trillende en tintelende met den 
weerschijnenden glans eener parel; dan lijkt de doode natuur rondom haar een 
koele, klare lijst, enkel bestemd om haar glorend, maagdelijk figuurtje in zijn 
zeldzame kostelijkheid van tinten te laten uitkomen. 

Vermeer legt weinige schaduwen in het tafereeltje, veel minder dan in de mees- 
te zijner overige werken, waarin dikwijls het krachtige donker aangewend wordt 
om het fijne licht sterker te doen uitkomen. Ook de kleuren zijn tot een mini- 
mum van bontheid en rijkdom teruggebracht : alles is berekend om een zeer 
teer uitwerksel, een zeer onstoffelijk leven te verkrijgen. Wanneer men ziet met 
hoe weinige middelen dit alles bekomen is, hoe de schilder het er op aange- 
legd heeft om alle zwaarheid te vermijden, om een luchtig, haast etherisch leven 
te scheppen en met hoeveel zekerheid hij er in geslaagd is dit hooge doel te 
bereiken, dan komt men tot de overtuiging dat dit werk behoort tot den tijd 
waarop zijn kunst gerijpt was, waarop hij het klaarste zag wat hij wilde en het 
gemakkelijkst uitsprak wat hij als het laatste woord zijner kunst beschouwde. 



JAN VERMEER VAN DELFT. 167 

In den laatsten tijd kwam de National Gallery nog in bezit van een stuk aan 
den Delftschen Vermeer toegeschreven. Het heet de Les en geeft het levens- 
groot figuur van een vader of van een meester te zien die aan een tafel geze- 
ten met een pen in de hand les geeft aan een jongetje. In de weinige werken 
van den meester maken de levensgroote figuren een uitzondering zooals wij zagen ; 
om de afmeting moet het stuk hem dus niet ontzegd worden; wel om den toon 
waarin het geschilderd is. Het ziet er zeer bleek uit en fletsch met blauwachtige 
schijnen in de witte deelen van het tafelkleed en van den marmeren vloer; de 
lichte blauwe kleur die er in voorkomt is verbleekt en verstorven, het licht heeft 
de koele tint eigen aan Vermeer. Er is wel aanleiding om aan hem te denken, 
maar te flauw van toon toch is het stuk om het tot een werk van den grooten 
meester uit te roepen 




23. JACOB VAN RUISDAEL. 



De National Gallery is buitengewoon rijk aan werken van Jacob van Ruisdael : 
zij zijn dertien in getal zonder datgene te rekenen, waarvan de afbeelding hier 
bij gaat, dat eerst onlangs werd aangekocht en dat, toen ik het zag nog niet ver- 
meld was in den Catalogus. 

Wij vinden er een landschap met een bleekerij (Nr. 44). In den voorgrond 
ziet men een rivier kronkelend door een grasplein, waar landvolk bezig is met 
linnen te wasschen en te bleeken. Ter linkerhand een knoestige eik, wiens 
donkergroen zwaar afsteekt tegen den fijn getinten heuvel daar achter. 

Vier stukken met watervallen allen om ter prachtigst. 

Nr. 628 is het schoonste der vier. De waterval spoelt daar in het midden door 
een spleet tusschen twee rotsen, begroeid rechts met een eik en een berk, links 
met mast. De heldere lijn van het bruischende water trekt heel het stuk door, 
het licht geeft leven en klaarheid overal. Het landschap is als immer wat don- 
ker, hier minder dan elders ; maar de hemel met zijne dunne lichte wolken is heer- 
lijk: geen verstond het als Ruisdael het wazige met azuur gedrenkte uitspansel 
in al zijne teere doorschijnendheid weer te geven. 

Nr. 627 is van denzelfden aard als het vorige stuk, en haast even schoon, 
enkel minder schilderachtig van vorm en wat te zeer verbrokkeld om een even 
machtig effect voort te brengen. 

Nr. 737 is de klassieke waterval. In de hoogte de rotsen, zwaar begroeid 
met pijnboomen; het water dat tusschen de steenklompen naar beneden schiet, 
daar in schuim opborrelt en dan verder door voortgolft. In de hoogte, als tegen- 
hanger van het donkere woud, de zeer schoone, teerwitte, zacht bewolkte lucht. 

Nr. 855. Een heuvel doorsnijdt heel het stuk van boven rechts naar bene- 
den links, de hemel is donkerder bewolkt, het landschap minder dicht begroeid; 
alles komt beter en scherper uit, maar de toon is wat zwaar en het landschap 
wat gezocht. 

Dan komen twee landschappen met watermolens, van minder belang; in het 
eene (Nr. 989) rijst eene groote rotsmassa hoekig ten hemel op; in het andere 
(Nr. 986) is alles te donker en te hard. Aan hetzelfde gebrek lijdt het rotsige 
landschap met bergstroom (Nr. 987), in het midden eene kerk en huizen : alles in 
woest romantischen trant. 

Een landschap met puinen (Nr. 746) gedagteekend 1673, geeft ons een na- 
tuurtooneel uit Walter Scott te zien, met glansende lichteffecten op de puinen, 
donker groene boomen, en een prachtigen zacht verlichten hemel. 

Een zeer schoon landschap ofschoon wat verdonkerd is het Woudgezicht 



Illljllfllli 



VI I ■ b'.i' T'"n'7li'|r"'l!il'T''p 



.ÏÏ'tfVMVl\i?'M»ïP 



m 






^ 




w 




o 




^ 




1— 1 




^, 




w 




> 


^w 


w 


w 


m 


< 


o 


Q 


c/D 


'Tl 


w 


H^ 


H 


P^ 


Q 


^ 


^ 


< 


< 


> 


P^ 




H 


CQ 


(f) 


O 
u 
< 


H 
W 

i-rt 



JACOB VAN RUISDAEL. 169 

(Nr. 854). Te midden van een eiken bosch ligt een poel of loopt een rivier, waar- 
in de donkere boomen zich spiegelen. In den voorgrond een verdorde nog recht- 
staande berk, op den boord van het water een ander die er in gevallen ligt. 

Heerlijker nog is het gezicht over een vlak beboscht land (Nr. 990), een soort 
natuurtooneel zooals Ruisdael er weinig schilderde. Hij hield meer van theatrale 
schikkingen, maar in stukken als het hier vermelde bewijst hij dat hij niet onge- 
voelig is aan de schoonheid van den effen grond, die zich uitstrekt zoover het 
oog draagt en die alleen gestoffeerd is met wat aarde en hemel overal vertoo- 
nen. Op den voorgrond ziet men een stuk water met wat puinen en boomen, 
eenige schapen en een paar herders; verder door een windmolen en enkele kerk- 
torens. Midden in de lucht hangt een zware wolk, op den achtergrond valt een 
heldere zonneslag. Met ongemeene fijnheid is het glansend water op den voor- 
grond en het verlicht vergezicht geschilderd — een meesterstuk in zijn aard. 

Volledigheidshalve vallen er nog twee kleine paneeltjes op te sommen : de 
boord van een bosch met een ouden eik op den grond liggende (Nr. 988) en een 
beboscht landschap met een rechtstaande en een gevallen boom op den voorgrond 
(Nr. 991). 

Ruisdael vertoont zich hier dus in zeer verschillende uitingen van zijn talent, 
nog niet in alle. Van zijn zee- en wintergezichten, bijvoorbeeld, vinden wij er 
geen enkel. 

Welke zijn de kenmerkende hoedanigheden van dezen grootsten der Hol- 
landsche landschapschilders ? Waardoor onderscheidde hij zich van zijn voor- 
gangers ? Tot welken tak der vaderlandsche school behoort hij ? Wat weten wij 
van zijn leven ? Ziedaar een viertal vragen, die wij in het kort te beantwoor- 
den hebben. 

Jacob van Ruisdael behoort tot een kunstenaarsfamilie. Zijn vader Isaac was 
een ebbenhoutenlijstenmaker en terzelfder tijd een schilder; zijn vaders broeder, 
Salomon, is de zeer verdienstelijke lanschapschilder; dezes zoon Jacob was 
eveneens een landschapschilder, maar zijne werken, zoowel als die van Isaac, 
zijn niet met zekerheid gekend. 

Onze Jacob werd geboren te Haarlem. Den 9en Juni 1661 verklaarde hij 
32 jaren oud te zijn, zoodat hij in 1628 of 1629 ter wereld kwam. Hij leerde 
bij zijn oom Salomon, wellicht ook bij zijn vader, en werd in 1648 in de schil- 
dersgilde zijner geboortestad aangenomen. Reeds vroeger bracht hij werken van 
verdienste voort, want enkele zijner schilderijen en etsen zijn gedagteekend van 
1646 en van 1647. In 1659 was hij naar Amsterdam verhuisd en verwierf er het 
poortersrecht. Hij bleef er wonen tot in 1681. Den 28en October van dit jaar 
keerde hij terug naar Haarlem, waar hij door zijne vrienden besteed werd in 
het aalmoezeniershuis. Den 14en Maart 1682 werd hij begraven in de Groote 
Kerk derzelfder stad. 

In het midden zijner loopbaan bezat hij eenige geldmiddelen, want toen hij, in 
Mei 1667, zijn testament maakte bepaalde hij dat bij zijn overlijden zijne goe- 
deren moesten verpand worden en de rente ervan betaald aan zijn vader, van 



170 JACOB VAN RUISDAEL. 

wieii hij veel hield en voor wien hij groote zorg droeg. In eigendom moesten zij 
na dezes dood aan zijn zuster overgaan. Wat er naderhand gebeurde weten 
wij niet en over het algemeen zijn de inlichtingen, zijn levensloop betreffende, 
buitengewoon schaarsch; maar, zooals wij zagen, verviel hij op het laatst zijns 
levens in armoede en moest door den onderstand van vrienden tegen de el- 
lende bevrijd worden. 

Het ging hem als zoovele anderen zijner tijd- en kunstgenooten. Hij bleef 
onbekend, ongeacht in zijn leven, men sprak niet van zijn talent en had wei- 
nig of niets over voor zijne werken. Eerst jaren of eeuwen nadien is men tot 
juistere waardeering van zijn talent gekomen en is men voor een enkel zijner 
stukken sommen gaan betalen, die voor hem een fortuin zouden geweest zijn. 
En ook nopens hem rijst de kwellende vraag: Wat verlangden dan toch de lief- 
hebbers van zijnen tijd voor hun geld? Zijne kunst is niet van zulken aard dat 
zij moeielijk te begrijpen of te genieten is voor een gewoon burgermensch. Hij 
schildert keurig, uitvoerig, zijn onderwerpen zijn afgewisseld, bevallig, decora- 
tief zelfs. Waarom bevielen zij niet? Waarom brachten zij hem met hun groot 
getal geen hoogen naam en ruim bestaan op? Wie zal de grillen van den heer- 
schenden smaak verklaren? Waarschijnlijk vond men de onderwerpen te een- 
voudig, de natuur te natuurlijk, wilde men iets meer ongemeens, meer in het 
oog springends, meer pralerigs. Ruisdael was niet modisch genoeg en de hee- 
ren en dames van toen zullen wel geweest zijn wat zij tot nu toe bleven, be- 
oordeelende een kunstenaar als hun kleermaker of hun naaister, die hun waar 
moeten leveren naar den laatsten patroon. 

En nochtans hoe weinig kooplust het publiek mocht toonen, voor zijne of 
andere natuurgezichten, hij leefde in een tijd en in een stad waar de landschap- 
schildering in ongemeenen bloei was. Allart van Everdingen, Peter Molijn, Cor- 
nelis Vroom en Esaias van der Velde waren hem in Haarlem voorafgegaan; 
Jan van Goyen had er een tijd gewerkt; de van Ostade's hadden er hunne ge- 
moedelijke zedetafereelen met landelijke omlijsting gestoffeerd; Salomon van 
Ruisdael had in de natuur stof gevonden voor boeiende tafereelen. Zij allen had- 
den naar eerlijke weergeving van de natuur gestreefd. Jacob van Ruisdael deed 
als zij, onderging klaarblijkelijk hunnen invloed, maar maakte zich dan ook weer 
van hen los en streefde hen allen voorbij. 

Voor zijne voorgangers was de natuur in zekere mate een decor, omgevende 
de eene of andere handeling, hoe onbeduidend deze ware, of wel zich uitstal- 
lende tot een liefelijk of indrukwekkend tooneel. Zij hadden de natuur niet zoo 
hartelijk lief, schatten ze niet zoo hoog voor haarzelve als hij het deed. Zij dron- 
gen niet door in hare eigenaardigheden , vonden haar niet schoon en belangwek- 
kend in al haar vormen en oogenblikken. En zoo kwam het dat zij haar een 
soort van algemeenheid, van onpersoonlijkheid lieten, die haar verlaagde tot een 
tooneelscherm, zooals zij uitsluitend geweest was bij de oude Vlamingen, zoo- 
als zij het minder werd, maar toch nog bleef bij de Bril's, de De Momper's, de 
Savery's en meer anderen, zooals zij het in zekeren zin was bij de Italianisee- 



JACOB VAN RUISDAEL. 171 

renden, de Both's en de Berchem's. Zeker de Haarlemsche school was een an- 
deren weg opgegaan, maar zij had zich niet ontdaan van alle conventie en be- 
haagzucht. Ruisdael zelf bleef eenigszins bezield met de overgeleverde neiging, 
maar meer dan eenig ander wist hij er zich van los te maken en in het grootste 
deel zijner werken geeft hij de ware natuur te zien. Haar alleen zoekt hij; hij 
maakt zoo weinig werk van de stoffeering, dat hij de figuurtjes in zijn schilde- 
rijen door anderen laat schilderen, door Berchem, door Adriaan van de Velde, 
door Wouwerman, door Adriaan van Ostade en Lingelbach. 

Hij heeft de natuur lief zooals zij zich vertoont waar en wanneer het zij, 
daar komt de afwisseling in de keus zijner tooneelen en de waarheid in het 
weergeven der bijzonderheden van voort. Hij schildert de plaatsen zooals hij ze 
zag, hij had een scherp oog voor de eigenaardigheden, niet alleen van het geheel, 
maar ook van het onderdeel; hij merkt een boom op gebroken door den blik- 
sem, ontworteld door den bergstroom, een zwaren toren, een nederig stulpje. Zijne 
landschappen zijn geen algemeenheden; zijne boomen geen karakterloos loover, 
elk draagt zijn kruin, wringt zijn takken, bezit zijn blad naar eigen aard. Het 
geheele gezicht heeft iets individueels. Niet dat hij bladen uit het album van 
een tourist schildert ; neen, hij bemint altijd nog meer de natuur in hare groote 
algemeenheid dan in de toevallige kenteekens der bijzaken. Hij schildert wel 
bij voorkeur boschrijke streken met zwaarkronige boomen, maar hij vindt even- 
eens behagen in geheel tegenovergestelde zichten, in een grasland met prozaïeke 
linnenbleekerijen op den voorgrond bijvoorbeeld; hij houdt van beboschte heu- 
velen, van bonkige rotsen, maar hij is ook gevoelig aan het schoone van een 
effen strand met uitzicht op de zee; hij schildert gaarne den zomer, die de 
wouden rijk bebladert, maar hij voelt ook de eigen schoonheid van den win- 
ter, die de boomen zwart, den grond wit maakt en den wind doet bijten in de 
wangen of den dampkring met dompigen nevel verkilt; hij schildert den storm 
op ;zee, die de ontredderde schuiten over de opgezweepte baren erbarmelijk 
voortjaagt en den vreedzamen weg door het weelderig landschap, langs wel- 
ken de herder zijne kudde drijft en de ruiter zijn wandelrit maakt. 

In een belangrijke groep zijner werken offerde hij aan behaagzucht en week 
hij van de waarheidsliefde af. Allart van Everdingen, een zijner onmiddellijke 
voorgangers, die in 1621 te Alkmaar geboren was, had te Utrecht bij Roeland 
Savery en wellicht nog elders gestudeerd en was in 1640 naar Noorwegen ver- 
trokken, vanwaar hij vol ingenomenheid met de bergnatuur was teruggekeerd, 
In 1645 zette hij zich te Haarlem neer, waar hij zijne studiën naar grimmige bergen 
en wild voortstormende bergvloeden uitwerkte. Jacob van Ruisdael was toen zeven- 
tien jaar oud en die vreemde theatrale natuur trof hem door hare ongemeen- 
heid en hare romantische schilderachtigheid. Hij ook wilde watervallen schilde- 
ren, en schilderde er vele zonder er wellicht ooit eenige andere dan die uit van 
Everdingen's schilderijen gezien te hebben. Het was een afdwaling van zijn 
smaak en van zijn eigen regel; maar hij wist zich de kenmerken dier uitheem- 
sche streken zoodanig eigen te maken, dat men zou wanen, dat ook die stukken 



172 JACOB VAN RUISDAEL. 

naar de natuur gemaakt zijn. Hij zette dus die gezichten ineen en ging nogal ver 
in dit fantaseeren. Zoo schilderde hij aan de eene zijde van het Jodenkerkhof, 
dat hij afbeeldde naar een begraafplaats bij Amsterdam, een waterval, die, zoo 
hij ergens bestaat, wel honderd uren van daar ligt, wat niet belet dat het stuk 
met zijn vinnige lichtspeling op de rechtstaande witte zerken en met zijn mooien 
verdroogden berkenboom prachtig is. Het bevindt zich in het Museum van Dres- 
den, waar men ook nog twee andere meesterwerken van den kunstenaar aantreft, 
het Slot van Bentheim, dat hij naar de natuur schilderde en wel het ui- 
terste punt kan zijn waarheen hij ooit reisde, en de Jacht met haar liefelijk 
halflicht vallende tusschen de wazige boomen en weerspiegelende in het water. 

Wij zullen niet beweren, dat hij in het landschap de stemming van het gemoed 
der natuur zag, dat hij er zijn eigen stemming in uitsprak, zooals wij dit bij de 
modernen tot hunne eer zoo graag aanstippen. Hij was niet in de eerste plaats 
een dichter met het penseel. Hij liet zich gemakkelijk verleiden door de schoon- 
heid van een ligging, door den gelukkigen samenhang van de verschillende zijden 
en brokken, van een schilderachtige plek, of door de aantrekkelijkheid van een 
klein hoekje. Een dichte groep geweldige boomen, die zich duidelijk afteeke- 
nen tegen den hemel, een stam, die op pakkende wijze gebogen of gebroken 
of gekleurd is : een zonnetje, dat op een gunstig plekje valt, zijn licht laat glij- 
den tusschen het loof of laat voorthuppelen over de hobbeligheden van den 
grond; een waterval, die baldadig tegen de rotsen buldert, of een rivier, die vroo- 
lijk dartelt aan den voet van een heuvel ; een wolk, die zich bolt tot een lichtenden 
klomp of zachtjes den hemel tint : dit alles trok hem aan door zich zelve. En dan, 
hij hield van de natuur in groot toilet, hij heeft haar vooral lief in haar pracht- 
gewaad en in haar zomergestraal. 

Maar hij ware niet wat hij is, ware hij ongevoelig geweest voor haar innig le- 
ven, ware hij doof gebleven voor de zachte stem harer poëzie en hadde hij die 
gewaarwording niet uitgedrukt, waar zij opkwam in zijn gemoed. Men heeft 
slechts een zonnig stukje van hem te zien nevens een onweerachtig om er 
van overtuigd te zijn. Te Brussel in het Museum, bijvoorbeeld, hangen op wei- 
nige stappen van elkander er zoo twee, die mij troffen door hunne verschillen- 
de stemming. 

Het eene is een klein hoekje beboschten grond met twee groote wilgen rechts, 
wat klein geboomte links, een houten loods onder de wilgen en een zonnetje, dat 
met warmen slag midden op het kleine plekje ledigen grond valt, het groen ver- 
kleurt en verguldt, het water doet ghmmen. Rustig en vol behagen spreiden de 
boomen hunne loofwaaiers tegen den hemel uit. Alles spreekt op de aarde van 
weelde en rust, van gezondheid en kracht. In de lucht weinige en dunne wol- 
ken, die het blauw temperen tot een fijn grijs, waar het groen der boomen krui- 
mig tegen uitkomt als juweelwerk op wazig satijn. 

In het andere is het oord verlaten en onherbergzaam. Aan de eene zijde op 
een lagen heuvel twee boomen, die met wanhopig gebaar hunne takken wrin- 
gen en kronkelen. De bliksem heeft een deel der grootste gebroken, andere zijn 



JACOB VAN RUISDAEL. 173 

ontbladerd en dood en teekenen tegen den hemel klagend en deerniswekkend 
hunne verdorde knokkelige stekken af. Aan den voet der hoogte een onbeweeg- 
lijke waterplas, die in moerassige gronden uitloopt; aan den overkant een kale 
grond, waar niets dan de stomp van een bouwval te zien is. De lucht ziet er 
onweerachtig uit; het licht, dat op boom en grond valt, heeft loodachtige tinten, 
de schaduwen zijn blauwachtig donker, onheilspellend; het oord is en lijkt on- 
zalig en verwenscht. 

De poëzie der natuur moge in beide stukken niet gezocht zijn; zij ligt er in 
en spreekt met zooveel te meer waarheid uit stoffeering en toon van beide tafe- 
reelen. 

Ruisdael is een eerste meester in het weergeven van allerlei werking van licht 
en kleur. Wij bewonderen evenzeer zijn wolken, die in vast zilverwit of in vlok- 
kige blankheid uitkomen op een helderen of een bewasemden hemel, of van 
wit naar grijs overgaan en dan tot schalieblauwe massa's verdonkeren; zijn wa- 
ter, dat huppelt over de rots, danst beneden in den waterval, dan vluchtig he- 
nenspoedt, recht voor zich uit, of verwijlt aan den voet van den heuvel, met 
al de tinten, de schijnen, de korreligheid of de gesmijdigheid van het bewogen of 
rustige element; zijne denneboomen, die, naar van Everdingen's trant, zoo rijzig 
de hoogte ingaan, slank en stijf, in sierlijke gebaren hun armen plooiende als 
drapeerden zij zich in hun aristocratieke dracht; zijne eiken, zoo machtig en toch 
zoo licht. 

Hij heeft een zekerheid van penseeling, die hem bij eiken slag het gevoelde 
effect doet treffen. Dicht opeen volgen de stippen, altijd verschillend van tint 
en van vorm, maar telkens speling en leven aanbrengende. Zij schijnen onafhan- 
kelijk van elkander en werken toch samen om het waar en fijn geheel uit te 
maken. Is zijn toets kernachtig in zijn boomen en gronden, week en zilverig zijn 
de luchten, die niet gestipt zijn, niet geborsteld schijnen, maar gegoten, gebla- 
zen, opgedampt uit eigen aard, samengekoekt of uiteengewasemd. Vast als email 
is die schildering, altijd pittig, nu eens aangedikt, dan weer doezelig, altijd ver- 
zorgd, gemakkelijk, stevig en breed. 

Iets valt te bejammeren, namelijk dat zijn groen gewoonlijk verdonkerd is; al 
blijft de gezamenlijke indruk van het geheel harmonisch, de toon van het loof 
heeft zijn oorspronkelijke frischheid en jeugdigheid verloren. Hoe minder ge- 
bladerte in de schildering, hoe minder verdonkering der kleur : daarom zijn dan 
ook zijne strandgezichten de lichtste, de helderste zijner werken. 

Zoo is ook het Scheveningsche strand uit de National Gallery van Londen. 
Links hgt het water, rechts het strand met de duinen aan de uiterste linker- 
zijde, heeren en dames wandelen op het zand, een paar schuiten komen aan; 
een hooge hemel, zooals in al zijn schilderijen, met dunne lichte wolken bezaaid, 
overwelft alles. Het is een heel licht gehouden stukje : de zee in donker grijzen 
toon, met witte brekende golfjes, het strand lichtgeel, de duinen weer donker- 
grijs, de figuurtjes kleurig. 
• Nergens schilderde de meester zoo uitvoerig, zoo lichtend; de natuur is in al 



174 JACOB VAN RUISDAEL. 

hare liefelijkheid, maar in al hare waarheid weergegeven. De hemel is prach- 
tig, met doorschijnende wolken bezaaid, licht en donker. Het zal wel een zijner 
vroegere werken zijn, het werk van een fijnschilder, maar heel harmonieus in 
zijne verzorgdheid, met jongen blijden zin gepenseeld en met onverwelkte frisch- 
heid bewaard. 




24. AALBERT CUYP. 



Aalbert Cuyp: een naam van goeden klank in de geschiedenis der Neder- 
landsche schilderschool, gedragen door een kunstenaar van ongemeene ver- 
diensten. Hij schilderde zoo wat van alles : rivier- en zeegezichten, landschappen 
met vee, ruiters, maanlichten, onderwerpen uit de geschiedenis, kerkgezichten, 
portretten, vechtende vogels en meer andere dingen. Hij onderscheidde zich in 
verscheiden dezer vakken, niet zoo zeer omdat hij anders schilderde dan zijn 
tijd- en landgenooten, als omdat hij het beter deed. Men kan niet zeggen, dat 
hij een voorlooper, een baanbreker, maar wel, dat hij een verbeteraar en vol- 
maker in zijn kunst was. Hij werd geboren in 1620 en trad nagenoeg terzelfder 
tijd op als de beste der Hollandsche dierenschilders. Isaac van Ostade is van 
1617, Philips Wouwerman van 1619, Niklaas Berchem van 1620, Karel Dujardin 
van 1622, Paul Potter van 1625 ; Jan van Goyen de rivierschilder is van 1596 ; 
Aart van der Neer, de maanlichtschilder, van 1603. Hij stond dus midden in de 
gulden eeuw; hij was de bevoorrechte, die de talenten van een heel geslacht 
samenvatte en ze tot een hooger punt, tot het toppunt voerde; men vindt de 
gaven en eigenaardigheden van meer dan een zijner kunstmakkers bij hem weder, 
maar gelouterd dan en verhoogd. 

Dit zeggende denken wij meer bepaald aan de koeschilders van zijnen tijd. 
Er waren er in Holland velen en van de besten geweest, die de vaderlandsche 
voedstermoeder tot het geliefkoosd onderwerp hunner schilderijen hadden ge- 
kozen. Het was hun opgevallen welk een heerlijk plekje kleur en licht zij in het 
zonnige grasland maakte en nu gingen zij beproeven den gekregen indruk op 
hun doeken te doen herleven. Zij deden het ieder op zijne wijze, de een wat 
nuchterder en fletscher, de anderen wat fijner en kosterlijker ; de oudsten on- 
der hen bereikten niet de hooge glanzende tonen hunner modellen, de later 
komenden overdreven de schittering der bonte huiden en vervielen in een ma- 
niërismus, dat de goedige melkgeefster omschiep in een kleinood stralende met 
allerlei zeldzame tinten en schijnen, die de virtuozen van het penseel wel kon- 
den gedroomd maar niet gezien hebben. 

Paul Potter en Aalbert Cuyp hielden de gulden middenmaat of liever bereik- 
ten het ideaal. Zij voelden wat zij uit de natuur konden nemen en wat zij er 
van het hunne mochten bijvoegen om zoo schoon mogelijk te worden, zonder 
op te houden waar te zijn. Geen van beiden was een realist. Paul Potter was 
het het meest in zijn jongen Stier. Of hij nog wel een kunstenaar was in dit 
hooggeroemde werk, is een andere vraag. Aalbert Cuyp had in de werken van 
zijnen besten tijd de zeer uitzonderlijke gave van scherper te zien en fijner weer 



176 AALBERT CUYP. 

te geven dan wie ook : hij was wat alle ware kunstenaars zijn, een vertolker der 
natuur. Ik geloof dat er geen groot schilder is, die de buitenwereld afbeeldde 
in allen eenvoud des gemoeds, nauwgezet en vrij van elke andere bedoeling 
dan die van trouw na te bootsen. Jan van Eyck, noch Memlinc, Rubens noch 
Rembrandt, Rafaël noch Michel-Angelo, geen Venetiaan, geen Spanjaard deed 
het, allen maakten een keus in vorm en toon en allen verwerkten naar eigen 
hartelust het gekozene. 

Zoo deden ook de Hollanders der zeventiende eeuw. Zij vonden in de natuur 
meer thema's om te behandelen dan modellen om werktuigelijk weer te geven. 
Hunne landschappen, hunne boertjes en huizen en huisgerief, hun koetjes en 
paardjes waren onderwerpen, waarop zij varieerden; de eenen een grooter deel 
aan de waarheid latende, de anderen meer naar de fantasie luisterende; de eenen 
levendiger voelende, handiger uitdrukkende, de anderen meer uit de school mee- 
brengende, oppervlakkiger ziende en zoekende te behagen door kunstmiddeltjes. 

Aalbert Cuyp stond klaarblijkelijk in verrukking voor de bevalligheid van den 
stevigen en lichten omtrek, dien een koetje teekent tegen den hemel, voor het 
doordringen der zonnigheid in haren gladden pels, voor den sierlijken bouw van 
haren fijnen kop, het geglim harer kleine horens; hij was opgetogen bij het op- 
merken hoe de witte vlekken zoo rein, zoo vol en warm uitkomen tegen het 
rosse daarnevens, hoe fluweelig het bruin kan glimmen en hoe ros en wit en 
zwart in den zachten gloed van daar binnen en de speling van het licht daar 
buiten een schakeering van kleuren maken zoo harmonisch als er nergens een 
te vinden is. Hij zag dit niet met het nuchtere oog en het kalme gemoed van 
den alledaagschen mensch., hij was er door aangetrokken, hij was er door inge- 
nomen met heel zijn hart en hij wilde die bewondering, dien geestdrift uitdruk- 
ken, getuigenis afleggen van den eerbied, die haast een eeredienst was, voor 
het schoone in de schepping. En het oog vol van die glanzen en het hart vol 
van die liefde ging hij aan het vertolken van wat hij zag en voelde. Hij schil- 
derde met diepe overtuiging; hij hadde gegruwd zijn penseel te doen liegen, 
evenals van het koel te laten blijven, waar het moest verhalen van de heerlijk- 
heden, die hij ontdekte en van de vreugde, die hem vervulde. En wonderwel ge- 
lukte hij er in; hij had eene juistheid van toets, een rijkdom van kleur, die in 
zijne beste stukken ongeëvenaard zijn. Al het opgemerkte drukt zijn penseel uit 
zonder eenige aarzeling, zonder zoeken, zonder horten of stooten, alsof het weer- 
geven van de fijnste tinten en tonen het natuurlijkste werk der wereld was. 

Hij moet een gelukkig mensch geweest zijn, niet alleen door de hooge vol- 
doening uit zijne kunst geput, maar ook in zijn stoffelijk bestaan. Het doet waar- 
lijk goed aan het hart dit ook eens te mogen getuigen van een der beroemde 
schilders van Holland. 

Hij was zoon en kleinzoon van kunstenaars. Zijn grootvader Gerrit Gerritsz. 
Cuyp was glasschilder; hij was uit Venlo zich te Dordrecht komen neerzetten 
en overleed daar in 1644. Zijn vader Jacob Gerritsz. Cuyp was in die laatste 
stad geboren in 1594 en was daar in 1651 of 1652 gestorven. Deze was een 



AALBERT CUYP. 177 

verdienstelijk portretschilder, van wien vele werken bewaard zijn; hij schilderde 
ook Bijbelsche onderwerpen en etste een reeks van twaalf dierenstukken. Een 
halve broeder van Jacob Gerritsz. was Benjamin Cuyp, geboren in 1612, ge- 
storven in 1652, die tal van vluchtig geborstelde tafereelen, meestal Bijbelstuk- 
ken, vervaardigde. 

Aalbert Cuyp werd in October 1620 te Dordrecht geboren. Overlevering en 
waarschijnlijkheid zijn het eens om hem voor een leerling van zijn vader te doen 
houden. Hij onderging, in zijn eerste werken althans, den invloed van Jan van 
Goyen. In het Museum van Brussel bevindt zich een gezicht op Dordrecht, 
waarin van Goyen het landschap en Aalbert Cuyp de figuren schilderde; de 
eerste dagteekende zijn aandeel in het werk van 1644, de andere van 1653. 
Over de jongelingsjaren van onzen meester weten wij niets; hij was reeds lang 
de 37 jaar voorbij toen hij den 19den Juli 1658 in den echt trad met Cornelia 
Boschman, eene weduwe, die eenige jaren ouder was dan hij en hem eene doch- 
ter, zijn eenig kind, schonk. Zijne vrouw was verwant met aanzienlijke fami- 
liën. Haar grootvader van moeders zijde was de vermaarde Leidsche theologant 
Franciscus Gomarus; haar eerste echtgenoot, Mr. Johan van den Corput, was 
raad der Admiraliteit van Zeeland. 

Aalbert Cuyp's vader was niet onbemiddeld, en door zijn huwelijk en zijn per^ 
soonlijk vermogen werd onze schilder dus een gegoed man. Onder zijne mede- 
burgers stond hij om deze reden en wellicht ook om de achting, die men hem 
als mensch toedroeg, in hoog aanzien. Verscheiden eervolle ambten, die men 
enkel aan de voornaamste burgers aanbood, werden hem beurtelings toever- 
trouwd. Zoo werd hij in December 1659 voor de twee volgende jaren tot diaken 
der Hervormde Gemeente gekozen; op 11 December 1672 werd hij voor de ja- 
ren 1673 — 1674 tot ouderling uitgeroepen in de vergadering van den kerkeraad; 
in 1672 ook werd hij op bevel van Prins Willem Hl opgegeven als een van de 
honderd mannen, waaruit de dekens van Gilden en Neringen het ambtgenoot- 
schap der mannen van Veertigen zouden kiezen; in 1675 — 1676 was hij Heili- 
gen-Geest-meester in het Pesthuis der groote kerk; in 1680, 81 en 82 werd hem 
het aanzienlijk ambt van Welgeboren of Mans-Man van den Hove en Hooge 
Vierschaar van Zuid-Holland opgedragen. Voegen wij er nog bij dat de rekenin- 
gen der Hervormde Gemeente vermelden, dat de voorschotten door hem als 
diaken gedaan in 1660 tot f 685—4 en in 1661 tot f 893—10 beliepen, en dat 
hij in de rekeningen van den 200sten penning herhaaldelijk voorkomt als aange- 
slagen voor 210 gulden, wat een vermogen van f 42000 laat veronderstellen. Dit 
alles duidt voldoende aan dat hij onder de gegoede en aanzienlijke burgers zij- 
ner geboortestad telde. 

Verder weten wij, helaas! niets meer van hem. Wat hij verrichtte in de hoo- 
ger opgenoemde ambten, zal gewis niet veeel beteekend hebben; of van hem 
iets meldenswaardigs als burger of als kunstenaar te melden valt, vond men 
niet aangeteekend. De veronderstelling is geuit dat hij vóór zijn huwelijk zou 
gereisd hebben en gezichten van uitheemsche streken hebben meegebracht, een 

12 



178 AALBERT CUYP. 

gissing berustende op de bergachtige landschappen, die in menigeen zijner stuk- 
ken voorkomen, maar in elk geval een loutere gissing. De registers van ker- 
ken en openbare instellingen, waaruit de heer P. H. Veth de eenige en al te 
schaarsche inlichtingen over hem putte *), behelzen nog eenige aanteekeningen 
over zijn laatste jaren. In November 1689 verloor hij zijn echtgenoote; in No- 
vember 1690 huwde hij zijne dochter Arendina uit aan Pieter Onderwater, brou- 
wer in de Leliën; in November 1691 stierf hij en den 15en dier maand werd 
„d' Heer Aelbert Cuyp" uit de brouwerij van de Leliën, waar hij toen bij zijn 
schoonzoon inwoonde, gedragen naar de Augustijnenkerk, waar hij werd begraven. 

Hij had, zooals wij zegden, allerlei onderwerpen behandeld, zijn meest gelief- 
koosde waren koeien in de weide, ruiters op de jacht of voor de deur eener af- 
spanning, en riviergezichten. Dit alles en wat hij verder maakte was door en 
door Hollandsch, gevonden en genoten op den eigen grond, behandeld met de 
kennis, die men van eigen omgeving heeft en met de eigenaardige kenmerken, 
die de Nederlandsche kunst onderscheiden en die Aalbert Cuyp op zoo uitsteken- 
de wijze bezat. In zijn veestukken voert hij altijd zijn hoogsten triomf. In zijn 
rivierzichten kan hij natuurlijk zijn glanzend koloriet niet een zoo belangrijke 
rol laten spelen, daarin trekt ons de zachte warme wazigheid aan van het ver- 
gezicht, waartegen de zeilen in hunne kleurvastheid uitkomen ; het is in zijn werk, 
de dichterlijke snaar, die weerklinkt, de zucht en de vlucht naar het wijdere, 
het onbestemde en onbegrensde. Minder gelukkig is hij in zijn ruiters, de man- 
nen te schel van toon, te massief van vorm, de paarden niet de lenigheid en de 
malsche zonnigheid zijner koeien hebbende. 

Als mensch was hij geacht, zagen wij, of hij het als kunstenaar ook was blijkt 
niet even duidelijk. De eerste, die over hem spreekt, een kwart eeuw na Cuyp's 
overlijden, Amold Houbraken, zegt van hem, dat hij alles ,,even fraai en na- 
tuurlijk schilderde" en dat hij de tijdstonden, waarin hij de voorwerpen ver- 
beeldde, wel in acht heeft genomen „zoodat men den benevelden morgenstond 
van den klaren middag en dezen weer van den saffraan-kleurigen avondstond 
in zijne tafereelen kan onderscheiden." Een magere lof voorwaar! Ook bij de 
liefhebbers schijnen zijn werken in het begin niet veel bijval genoten te hebben. 
Eerst in de tweede helft der achttiende eeuw gaat men hem hoogschatten en 
duur betalen, en sedert dien groeide van lieverlede zijn naam. Op dit oogen- 
blik vormen zijne werken de pronkstukken van openbare en bijzondere verza- 
melingen. 

De Engelschen waren de eersten om de hooge waarde van Aalbert Cuyp te 
herkennen en in hun land vindt men dan ook de meeste en de beste zijner 
stukken. De National Gallery van Londen bezit er tien. Een avondlandschap 
met een herder en zijne kudde en een ruiter: deze laatste draagt het roode 
kleed dat de schilder zijne mannen te paard zoo gaarne geeft en dat hier als 
elders een sterk sprekende kleurenvlek maakt (Nr 53); een mansportret, zeer 
vast van vleesch en met groote zorg uitgewerkt, zoodat de baard haartje voor 

*) Zie Oud-Holland, 1884 en 1888. 



AALBERT CUYP. 179 

haartje geschilderd schijnt (Nr. 797); een landschap met vee en herders, bij- 
zonder hoog van glans en aan Berchem herinnerend, maar meer fonkelend van 
licht (Nr. 1289); koeien in de weide en een man te paard, stiller van toon (Nr. 
822); een derde stuk koeien in de weide met herders, waarin men tegen een licht 
neveligen hemel vier groote runderen ziet, in gulden tinten gehuld door de 
avondzon, een recht heerlijk werk (Nr. 962); een ongemeen groot stuk,, koei- 
en die men aan het melken is" met een landschap in warm licht, in den trant 
van Both en met het zicht van Dordrecht in de verte (Nr. 961); een oud kas- 
teel in puin door de avondzon beschenen, prachtig in zijn stille gouden glorie 
(Nr. 824); nog een groot stuk met een stad, op welker vesten drie windmo- 
lens staan, met een man te paard, melkende boeren, en een riviergezicht (Nr. 
960); eene studie van het paard, met de forsche zilverwitte plekken, op de don- 
kervale huid, dat hem dikwijls tot model diende (Nr. 1683); en eindelijk het 
stuk, waarvan de gravuur hier bij gaat. (Nr. 823). 

In dit laatste ziet men op den boord eener rivier vijf koeien staan, waarbij 
de herder neerzit; rechts stijgt een heuvel met vaal groen bedekt, links strekt 
zich een breede rivier uit, waarop, in den voorgrond, twee mannen in een 
bootje gezeten met de hengelroede aan het visschen zijn; verderdoor schuitjes 
op het water, in den achtergrond het rivierstrand : alles zoo echt Hollandsch 
mogelijk, de heuvel alleen uitgezonderd. 

De lust van Aalbert Cuyp, hier en elders, is den zonneschijn op menschen 
en dieren, op het land, op het water en in de lucht te laten vallen en glij- 
den. In zijn grootere stukken is die werking wel eens wat verwaterd, hier in 
dit kleine tafereeltje is zij samengetrokken en zoo sterk verhoogd als mogelijk 
was zonder onwaar te worden. Het warme licht vervult en verblijdt heel het 
tooneel, het doordringt de schaduw, die ligt op den heuvel, het breekt door 
de wolken in de hooge lucht, het hult het verre verschiet in stillen gloed, het 
toetst het water en de schuitjes, de visschers in de boot en de koetjes op het 
strand. 

Deze vooral zijn heerlijk. De eerste, die een weinig van de andere afgezon- 
derd in het midden van het paneel staat, is een licht bruine met witte vlek- 
ken op den kop; zij is geheel langs voren genomen, verkort en ineengedrongen; 
de tweede is langs de achterzijde weergegeven; de derde; eene zwarte, is 
schuins gezien; de vierde weer langs voren; de vijfde van ter zijde. De twee 
eerste staan in volle licht; de andere in halve schaduw. Lief om te zien is het 
hoe de schilder ze daar plaatste, stevig op hare fijne pooten, gemakkelijk, na- 
tuurlijk in hare eenvoudige runderen-schoonheid; hoe hij ze plooit en keert 
en juist waarneemt in haar leven, in haar geheel en onderdeelen. Liefelijker 
om te zien is het nog hoe hij ze laat toetsen door het licht. De eerste krijgt 
het op de zwarte gepunte horens, die glimmen als juweelen in hun harde ge- 
polijstheid; het valt op de witte vlek van den kop en van de halskwabbe; het 
glijdt langs het dikke lijf, dat er haast heel wit door wordt. De tweede krijgt 
het op de bulten, die het achterlijf vormt; bij de andere wordt de schemerscha- 



180 AALBERT CUYP. 

duw doordrongen van de warme klaarheid, die hier en daar een puntje laat 
uitkomen en zachtjes aan dan afneemt, zonder ergens geheel uit te dooven. 

De koetjes staan in het water en daar waar de pooten het nat raken sprin- 
kelt het licht als blinkend zilver op de scherpe glanspunten. Al die glansen, dit 
vonkelen, die schijnen en weerschijnen steken af als edelsteenen op het matte 
metaal, waarin het overige van het stuk gedreven schijnt en zijn gelegd met de 
zekerheid en de fijnheid, die Cuyp eigen is en hem verheft tot den grootsten 
herschepper van licht en kleur onder de HoUandsche veeschilders. 





"-"^T»l«^\ 




25. JAN VAN DE CAPPELLE. 



Voor de oudste der Vlaamsche en Hollandsche zee- en rivierschilders waren de 
uiterlijke vormen van water, kust en schepen het aantrekkelijkste deel der too- 
neelen, die zij afbeeldden : zij gaven weer wat zij zagen, meer dan wat zij daarbij 
voelden. Onder de lateren waren er sommigen, zooals Bakhuijzen, die zich lieten 
verleiden door het vreeselijke drama, dat er gespeeld wordt op de zee, wanneer 
de storm het broze vaartuig voortjaagt over de opgezweepte golven, de donderwol- 
ken in zware massa's aan den hemel samenpakken en al de elementen samen- 
zweren tegen de menschen, die over kolken en bergen van water worden voort- 
geslingerd. 

Tusschen beide groepen, belust op uiterlijke verschijnsels en zich inspannende 
om ze nauwkeurig weer te geven, staat er een derde, die de zee en de rivier 
liefheeft om zich zelve en om wat zij gevoelen bij haar zicht, ook dan wanneer 
zij vroolijk ligt te deinen in het zonnelicht of vreedzaam ligt te slapen bij 
maneschijn, onverschillig of zij dan statige driemasters of bescheiden beurt- 
schuiten draagt, of zij zich uitstrekt eindeloos ver of op beperkten afstand in- 
gesloten ligt tusschen hare oevers. 

Deze laatsten zijn de ware, de hooge kunstenaars; niet enkel de fijnschilders, 
zooals ons volk ze roemt, maar ook de fijnvoelers. Zeker, zij blijven niet on- 
verschillig bij het zien hoe de speelsche golfjes dartelen en hobbelen en hunne 
kruintjes laten sprankelen in de zonnestralen; zij bewonderen wel hoe rank en 
licht mast en touw zich afteekenen tegen den hemel, hoe liefelijk het kleurige 
wimpeltje wappert bij het minste windje en zij zoeken dit alles keurig en kleu- 
rig af te beelden. Maar er is iets dat meer hun oog bekoort en hun dieper in 
het gemoed grijpt, namelijk het gezamenlijke van het tooneel; schepen en strand 
en menschen zijn voor hen niets dan stoffeering, het ware onderwerp is het 
hoekje van het heelal, zooals het zich daar ontvouwt voor hun oog; de groote 
held is het licht, dat leven, rijk afgewisseld, fijn bewerktuigd leven, geeft aan 
het schouwspel. 

Waar die toovenaar optreedt maakt hij het zicht doodsch of juichend, droome- 
rig of opgewekt, naar of vreugdevol, somber of glorierijk volgens zijn goeddun- 
ken. Hij herschept in zijn dagen van goeden luim een hoekje water en lucht in 
een tempel zoo grootsch, dat hij tot zwijgend bewonderen dwingt of tot ingeto- 
gen bidden stemt. 

Kunstenaar is hij, die den indruk van het geziene levendig ontvangt en tref- 
fend weergeeft. In zijn ontvankelijk gemoed mengt het bestaaa der natuur zich 
met het zijne, haar wel en wee baart zijne stemming, den polsslag van het a\- 



182 JAN VAN DE CAPPELLE. 

gemeen leven voelt hij in zich zelven en wordt hij gewaar daar buiten. En geeft 
hij dan weer wat hij gezien heeft, dan spreekt hij ook uit wat hij daarbij voelde; 
zijn vormen worden levend, welsprekend, zij krijgen eene hoogere waarheid dan 
de stoffelijke nauwkeurigheid. 

Jan van de Capelle was in dien edelen zin een groot kunstenaar. Wat er op 
het water omging, wat er daar te zien was, schip en boot en schuit trokken hem 
aan; hij had er pret in na te gaan hoe de mast zoo hoog en slank boven den 
blok oprees; hoe de zeilboom schuins in de hoogte ging, met een gebaar zoo 
zwierig als dat van den arm eener antieke kannedraagster ; hoe de zeiben half 
gereefd als van zelf de bevalligste plooien aannamen of hoe zij geheschen in 
volle staatsie zich ontplooiden; hoe wimpel en vlag flodderig lobberden daarbo- 
ven of losjes om de steng waren gedraaid en hoe die dingen altijd en van natu- 
re bekoorlijk waren. Hij wist daarbij dit alles weer te geven met malschen bor- 
stel en met een juistheid die verried, dat die vormen in zijn geest waren vast- 
gegroeid en hij op zijn doek slechts liet weerspiegelen de beelden die hij in 
zich omdroeg. 

Maar er was voor hem nog heel wat anders op het water te zien dan de boo- 
ten en hun tuig; er waren de wolken, daarboven, het dichterlijkste en schoon- 
ste dat er op de wereld bestaat, het altijd veranderende en rustelooze, het luch- 
tige en vluchtige dat een schilder duizend vormen voor één biedt en in alle dui- 
zend even moeilijk te vatten is; er was het water even bewegelijk en alhoewel 
eentoniger van vorm, in zijn speling en spiegeling even moeilijk in een beeld 
vast te zetten. En boven alles was er voor hem het licht, de ziel en het leven 
van al het overige, zoo oneindig afwisselend: nu eens losbarstende op een punt 
als een slagregen van stralen, dan verblindend van schittering, of in luwe ver- 
dooving hemel en aarde omglorende als de moeder, die haar kind met een don- 
zig deken omzwachtelt. Ook die werking en die uitzichten van het onstoffelijke 
en rustelooze gaf hij in hunne fijnste tinten met lichte en vaste hand weer. 

Men zie slechts zijn riviergezicht op de gravuur, die hierbij gaat. Op een bree- 
den stroom, een zeebocht gelijkende, liggen een menigte schepen en schuiten; 
in het midden een dichte groep, die in kruimige tinten zijn slanke want en 
zijn donkere en lichte zeilen rustig en fier tegen den hemel afteekent. Links 
en rechts van dien kern, een doorzicht op den eindeloozen waterplas en aan bei- 
de buitenkanten eenige zeilende vaartuigen. Vóór elke opening in het verschiet 
ziet men op het voorplan een lage boot, waarvan de eene, rechts, geroeid wordt 
en eenige voorname personages wegvoert. In het kalme water weerspiegelen 
de fijne vormen der schepen; in de verte wordt alles onvaster, woUiger; in den 
hoogen hemel hangen warm verlichte wolken, het wazig gewelf van het onme- 
telijk tooneel. Kleur is er bijna niet te vinden : een wimpeltje of een vlag hier 
en daar, voorts niets anders dan de tinten van grijs en wit en donker. Alles is 
vol beweging, vol tinteling, vol zachte doorschijnendheid : niets is er hard, 
noch gezocht, noch geposeerd : het is de beweging op het water op heeterdaad 
betrapt, het is het hooggetij van het licht, alles doordringende, alles bezielende. 



JAN VAN DE CAPPELLE. 183 

en van de kunst, die zich verheugt in die algemeene bhjdschap. Jan van de Ca- 
pelle is de schilder der levende zee, der minnekozerij van water en licht. Voor 
hem was het daar altijd feest en altijd zomer, was de zon altijd mild met hare 
stralen, en strooide zij goud en weelde in matelooze stroomen uit. Hij genoot op 
zijn geliefkoosd element de volheid van het leven; het schouwspel dat het hem 
bood, was er een van warmte en pracht; alles was er schoon en ieder gelukkig. 

Hij zelf was dan ook een gelukkig mensch : zijn geschiedenis getuigt ervan, 
in zooverre stoffelijk welzijn bijdragen kan tot tevredenheid; zijne werken be- 
vestigen het, indien het waar is, dat zij de weerspiegeling zijn van des kunste- 
naars gemoedstoestand. 

Tot voor weinige jaren was zijne geschiedenis geheel onbekend. In 1892 deel- 
de Dr. A. Bredius in Oud-Holland tal van wetenswaardige bijzonderheden 
over hem mede. Zijn ouders waren Franchoys van de Capelle, karmozijnver- 
wer van beroep, en Anneken Marien. Hij moet geboren zijn in 1624 of 1625, 
want den 19den November 1666, bij het afleggen eener getuigenis, verklaart hij 
omtrent 42 jaar oud te zijn. Hij oefende evenals zijn vader en heel zijn leven 
door het beroep van karmozijnverwer, en waarschijnlijk ook van koopman in 
zijden stoffen, uit. Den 12den September 1653 was hij reeds gehuwd met An- 
netje Jansdochter van Serhuijsen ook Anna Grotingh genaamd; hij won bij haar 
vier zonen en drie dochters. Hij maakte zijn testament den 3den September 1679 
en werd den 22sten December daaropvolgende begraven; den 4den Januari 
1680 maakte men den inventaris van zijne nalatenschap. 

Uit dien inventaris en uit zijn testament blijkt het dat Jan van de Cappelle 
een schatrijk man was. Hij bezat 13 huizen in Amsterdam, een buitengoed te 
Nieuwersluis, aan de Oostzijde van de Vecht, en eigendommen te Loenen, een 
speeljacht en een roeischuit. Hij liet in klinkende munt de fabelachtige som 
na van 27.720 gulden in 44 zakjes met ducatons en dan nog 13.000 gulden in 
contanten. Daarbij kwamen nog wel 52.000 gulden in obligatiën en een partij 
zijden stoffen. Hij bezat een verzameling schilderijen, schetsen en teekeningen, 
die een heel museum zouden gevuld hebben : in één woord, hij was een echte 
millionair. 

De inventaris zijner bezittingen somt de schilderijen zijner verzameling op; 
zij zijn 192 in getal ; daaronder telt men 7 stukken van Rembrandt, een ervan 
zijnde Jan van de Capelle's portret, 8 van Frans Hals, 4 van Rubens, 9 van 
Simon De Vlieger, 17 van Jan Porcellis, 10 van Jan van Goyen, 5 van Hercules 
Seghers, 7 van hemzelven en onder dezen een stuk naar Porcellis en een naar 
Simon De Vlieger. Ook was er een portret van den overledene door Gerbrand 
van den Eeckhout voorhanden. 

Zijne verzameling schetsen en teekeningen telde 7081 stuks en onder deze 
883 teekeningen en 381 schetsen van Simon De Vlieger, waarbij nog komen 
een portefeuille met 97 schetsen van Simon De Vlieger en anderen en een 
tweede met 48 schetsen van Simon De Vlieger en Willem van de Velde. Van 
Jan van Goyen bezat hij 417 teekeningen; van Rembrandt zijn er aan teeke- 



184 JAN VAN DE CAPPELLE. 

ningen 56 „historiën," 89 ..landschappen," 135 ,,teekeningen, zijnde het vrouwen- 
leven met kinderen" en 188 schetsen van landschappen," waarbij nog komen 
48 „schetsen van Rembrandt en Pinas." \^an hem zelven liet hij 1157 teeke- 
ningen na. Verder heele bundels teekeningen van Peter Molijn, Esaïas van de 
Velde, Willem Buytewech, Peeter van Laer, Elsheimer, Hendrik Gout, van 
Avercamp, van Everdingen en van veel andere, genoemde en ongenoemde uit- 
heemsche schilders. 

Hij had geen meester gehad. Gerbrandt van den Eeckhout schreef bij eene 
inktteekening door van de Cappelle in het album Amicorum van Jan Heyblocq 
geplaatst, het volgende vierregelig versje ,,0p de schilderconst van Johanncs 
van de Cappelle, bij hem selffs uijt eygen lust geleert:" 

Off schoon int choor van dees Cappelle 
Geen Tyberlesse oyt wiert gelesen 
Noch schijnt in dees de Const verresen 
Des overconstigen Apell. 
A. 1654, 29 Junius. 

Hij had dus geen lessen in zijne kunst ontvangen, noch in Italië noch elders, 
maar de talrijke schilderijen, schetsen en teekeningen van Simon De Vlieger, 
Jan van Goyen, Porcellis en Rembrandt in zijne nalatenschap aanwezig, maken 
het duidelijk genoeg wie hij zich tot voorbeeld koos en naar wie hij „uijt ey- 
gen lust bij hem selffs" studeerde. 

Er ligt een zonderlinge overeenstemming in de geschiedenis van Jan van 
de Cappelle en die van den grooten Hollandschen zeeschilders onzer dagen, 
die ook begon met koopman te zijn, die ook geen school bezocht, die ook een 
schatrijke verzameling van kunstwerken bezit ; alleen ving Jan van de Cappelle 
vroeger aan te schilderen. Toen Gerbrand van den Eeckhout zijn albumvers 
schreef was onze kunstenaar slechts dertig jaar oud en het meesterstuk der Na- 
tional Gallery dat wij lieten graveeren, is gedagteekend van 1650, toen de ver- 
vaardiger slechts 25 of 26 jaar oud was. Hij onderscheidt zich nog van W. H. 
Mesdag doordien hij veel minder voortbracht; zijn stukken toch zijn betrekkelijk 
weinig in getal. Het kan best zijn dat hij in later jaren het grootste deel van zij- 
nen tijd aan zijn handel en nijverheid besteedde en enkel de kunst als een bij- 
zaak beoefende. Dat hij nochtans een vlijtig student in zijn vak was bewijzen de 
dikke pakken teekeningen en schetsen die hij naliet. Wij verbeelden hem ons 
in zijn speeljacht op de Vecht en op de Zuiderzee varende, rivier en zee opne- 
mende, ijverig teekenende en schetsende en zijn studiën tot schilderijen verwer- 
kende, wanneer hij er den noodigen rustigen tijd toe vond; niet liefhebberende 
als rijke heeren wel eens plegen te doen uit tijdverdrijf, maar werkende als een 
ware, zijn vak liefhebbende kunstenaar. 

Buiten zijn rivier- en zeegezichten, die het overgroote deel van zijn stukken 
uitmaken, schilderde hij nog wintergezichten, waarvan er ons een half dozijn 



JAN VAN DE CAPPELLE. 186 

bekend zijn en die zich onderscheiden door de fijne paarlemoerachtige tinten, 
waarmede de sneeuw weergegeven is. 

Ook aan Jan van de Cappelle's werken is de National Gallery bijzonder rijk. 
Behalve het groote stuk, dat wij hierboven bespraken, vinden wij er nog twee 
groote en twee kleine van hem. 

Het zijn alle riviergezichten. Van de twee kleine verbeeldt het eene (Nr. 964) 
een stroom met verscheiden zeilbooten op den voorgrond; tegen den wal ligt 
een boot met vier personen; men ontwaart een dorpskerk in de verte. Het paneel- 
tje heeft weinig te beduiden, de toon is bleek en grauw. Het andere (Nr. 865) 
is in tegendeel een brok hooge kunst. Men ziet er tegen de kust een zeilboot 
links, een visscherssloep rechts, een kleine boot midden in. Er is veel speling 
van licht en kleur op de zeilen en de vaartuigen, een teere fijne weerspiegeling 
in het water. 

De twee groote stukken verbeelden het eene (Nr. 966) een zeer bewogen too- 
neel. Rechts ziet men een oorlogschip, dat een officier daar juist verlaten heeft 
in een zeilboot. Het groote schip lost een kanonschot; andere booten zijn ver- 
spreid over de rivier. Daarboven welft zich een prachtige hemel, zware wolken 
voorop, die verderdoor afnemen; tegen den gezichteinder een warme lichte 
streep. De stevige schildering van het benedendeel steekt treffend en geluk- 
kig af tegen het lichtende bovendeel. In het andere stuk (Nr. 967) ziet men een 
rivier geheel overdekt met zeilende schepen, tusschen welke men een overzet- 
boot ontwaart. Hier is de hemel zwaar bewolkt, de schaduwen zijn donker, en 
het fijne licht is te zwak om zich voldoende te laten gelden. 

Niettegenstaande de ongelijke waarde der stukken, die de National Gallery 
bezit van van der Cappellen, mag het Londensche Museum er op roemen dait 
geen andere verzameling der wereld zoovele en zoo belangrijke werken van 
Nederland's grootsten zeeschilder rijk is. 



2(y. WILLEM VAN DE VELDE DE JONGE. 



In Jan van de Cappelle hebben wij een schilder leeren kennen, die Hefheb- 
berde in zijn vak en de riviergezichten Hef had om hunne grootsche, stille po- 
ëzie, om de heerlijke Hchtspelingen, die er zich op voordoen; in Willem van de 
Veelde den jonge, zijn mededinger naar den roem van eersten zeeschilder van 
Holland, treffen wij een kunstenaar van beroep aan, die trouw naar het leven 
afbeeldde wat het water hem te zien gaf, en wat er merkwaardigs op voorviel; 
meer nog een ambtelijk verslaggever met het penseel van de staatsvloten en 
wat zij belangrijks verrichtten. 

Hij behoorde tot eene schildersfamilie. Zijn vader, Willem van de Velde de 
oude, was geboren te Leiden in 1611 of 1612. De jongste geschiedschrijver der 
van de Velde's verbindt aan denzelfden stam al de dragers van dien naam, die 
het een of ander kunstvak beoefenden: Jan van de Velde I, den schoonschrij- 
ver uit Antwerpen afkomstig, zijn zonen Jan II den graveur, Esaias den schil- 
der-graveur te Haarlem gevestigd, den ouden Willem, die de jongste der zo- 
nen van Jan I zou geweest zijn en Willem's zonen, Willem den jonge en Adri- 
aan van de Velde, de twee beroemde schilders. 

Met zekerheid weten wij enkel dat de drie laatstgenoemden bloedverwanten 
waren. Vader Willem moet zich al vroeg te Amsterdam gevestigd hebben, ver- 
mits zijn oudste zoon Willem de jonge daar geboren werd in 1633. Hij schijnt 
aanvankelijk niet als kunstenaar, maar als scheepsbouwer vaartuigen getee- 
kend te hebben en in die hoedanigheid als ., Kondschapper" in dienst der Ad- 
miraliteit van Amsterdam getreden te zijn. Hij vergezelde de oorlogsvloten, die 
uitliepen, en bracht over en weer berichten van en aan hare bevelhebbers. Bij 
de tijdingen, die van zee naar land werden gezonden, voegde hij teekeningen 
van zijne hand en leverde dus wat wij geïllustreerde verslagen zouden noemen. 
De schetsen, die hij met dit doel maakte, werkte hij later uit tot veel grooter 
en kunstiger teekeningen. Zoo bezit het Rijksmuseum van hem eene penteeke- 
ning van den vierdaagschen zeeslag door De Ruyter tegen de Engelschen gele- 
verd van den Uden tot den 14den Juni 1666, die gedagteekend is van 1668 en 
1.17 meter hoog en 1.78 meter breed is; eene van de overwinning, bij Duins 
door Tromp behaald op de Spaansche vloot den 22sten October 1639, die dag- 
teekent van twintig jaar later en nagenoeg van gelijke afmeting is; eene van 
den zeeslag bij Terheide den 8sten en den lOden Augustus 1653 geleverd en 
waarin Tromp sneuvelde, die in 1657 geteekend werd en 1.72 meter in de hoog- 
te op 2.88 meter in de breedte meet. 

Op lateren leeftijd ging hij naar Londen en trad daar in dienst bij het En- 



WILLEM VAN DE VELDE DE JONGE. 187 

gelsch zeewezen. ,,Het strekt hem niet erg tot eer, zegt Walpole, dat hij de 
Engelsche vloot gidste, die SchelHng ging verbranden." Het is al jammer ge- 
noeg dat wij aan te stippen hebben, dat de man, die vroeger de glorierijke da- 
den der vaderlandsche helden afbeeldde, zijn kunst ging wijden aan de verheer- 
lijking der wapenfeiten van den vijand, al beschuldigt men hem nog niet, en 
dit geheel ten onrechte, van een zoo schandelijk landverraad. Het in brand ste- 
ken der woningen op het eiland Ter Schelling gebeurde den 20sten Augustus 
1666, dus stellig verscheiden jaren voor dat Willem van de Velde naar En- 
geland trok. Tot aan zijn dood bleef hij in dienst des konings; hij stierf te 
Greenwich in 1693 en werd in de St. James-kerk te Londen begraven. Op 
zijn grafsteen betitelde hem het opschrift:, ,Willem van de Velde de oude, ge- 
wezen zeeschilder der zeeslagen van hunne Majesteiten koning Karel H en ko- 
ning Jacobus," alhoewel hij uitsluitend, of ten minste hoofdzakelijk, zeeslagen 
geteekend had, en er geen schilderijen van hem met voldoende zekerheid ge- 
kend zijn. 

Hij had twee zonen, van welke de jongste, Adriaan van Velde, geboren werd 
te Amsterdam in 1635 of 1636 en aldaar overleed in 1672. Deze was een der 
beste HoUandsche vee- en landschapschilders en onderscheidde zich daarenbo- 
ven nog als figuurschilder. Hij stoffeerde menig stuk van de landschapschil- 
ders zijner dagen met personages. Wij vermelden slechts terloops dezen talent- 
vollen kunstenaar om wat langer bij zijn ouderen broeder Willem van de Velde 
still te staan. 

Deze laatste werd geboren te Amsterdam in 1633 en ontving eerst de les- 
sen van zijn vader, daarna die van Simon De Vlieger, den zeer verdienstelijken 
zeeschilder die, zooals wij zagen, ook door Jan van de Capelle tot voorbeeld 
werd genomen. Al vroeg bracht hij werken voort, die behooren tot het beste wat 
de HoUandsche kunstenaars in dit vak leverden. Het Museum l'Ermitage te St. 
Petersburg bezit van hem een havengezicht gedagteekend van 1653; van het- 
zelfde jaar is eene ,, Stille Zee," die zich bevindt in het Museum van Cassel. 
Veertig jaar lang bleef hij in zijne geboortestad wonen; eerst schilderde hij zee- 
gezichten naar eigen fantazie, later vergezelde hij zijn vader op een galjoot om 
gezichten van staatsvloten en zeeslagen te schetsen. Het Rijksmuseum bezit van 
hem ,,den Vierdaagschen Zeeslag," geleverd den 13den Juni 1666 en de ,, Vero- 
verde prijzen," dat is de schepen buitgemaakt op de Engelschen in dit gevecht. 

Van zijn huiselijk leven uit de eerste veertig jaar is men tot nu toe weinig 
te weten gekomen. Alleen vindt men in de parochieboeken aangeteekend dat hij 
den 23sten Maart 1652 ondertrouw deed met Pieternelle Le Maire en den 23sten 
December 1656 met Magdeleentje Walravens, zoodat zijn eerste huwelijk bijzon- 
der kort van duur geweest is. 

Toen zijn vader naar Engeland overstak, vergezelde hij hem. Wij vinden ze 
daar samen werkzaam in 1677. In dit jaar vaardigde koning Karel II een or- 
donnantie uit, last gevende aan prins Rupert en |andere bevelhebbers der vloot, 
dat zij een jaarwedde van honderd pond sterling zowden uitbetalen ,,aan Wil- 



188 WILLEM VAX DE VELDE DE JONGE. 

lem van de Velde den oude om teekeningen te maken van zeegevechten en even- 
veel aan Willem van de Velde den jonge om dezelfde teekeningen in olieverf te 
schilderen voor 's konings gebruik." Op grond dezer oorkonde bevestigt men 
algemeen, dat de beide van de Velde's in 1677 naar Engeland geroepen werden 
en vertrokken. Het blijkt echter dat zij er vóór dit jaar gevestigd waren en zelfs 
vóór het jaar .1675, dat door sommigen als den datum waarop zij hun land ver- 
lieten, wordt aangegeven. Inderdaad op een der schilderijen van Willem van de 
\>lde den jonge, die de National Gallery van Londen bezit, leest men W. Van 
deVelde Londio 1673; en een zicht van Texel in het Museum Boymans 
te Rotterdam draagt een gelijkluidend opschrift. Wij mogen uit die dubbele dag- 
teekening wel afleiden dat de schilder in 1673 te Londen werkte, en daar ge- 
zichten van het vaderlandsche strand voltooide, die hij kort te voren geschetst had. 

Vader en zoon werkten samen op de wijze aangeduid door Karel II: de eene 
teekende, de ander schilderde zeeslagen of gezichten der vloot tot versiering 
van 's konings paleizen. Men vindt te Hampton-Court een dozijn groote stuk- 
ken op die wijze tusschen 1675 en 1682 vervaardigd. De zoon maakte echter zoo- 
wel als de vader teekeningen naar oorlogschepen. In South-Kensington Museum 
zijn er zoo negen van hem tentoongesteld; een er van is gedagteekend van 1690 
toen zijn vader nog leefde, een ander van 1704 toen deze lang dood was, 

Willem van de Velde de jonge schilderde wat zijn vader teekende : zoo lee- 
ren wij hem kennen uit al zijne werken. Beiden waren in hunne kunst de offi- 
cieele vertegenwoordigers van hun land en hunnen tijd; het land en de tijd van 
onverpoosde werkzaamheid in handel, scheepvaart, strijd om het bestaan en om de 
uitbreiding der bezittingen. Holland is gemengd in alles wat Europa en de 
wereld beweegt : in de beraadslagingen van vorsten en ministers zijn de staats- 
mannen der Vereenigde provinciën te vinden, op de slagvelden ontmoet men 
hunne legers, hunne schepen doorkruisen alle zeeën, hunne vloten vooral zijn al- 
tijd slagvaardig en loopen uit tegen Spanje, tegen Engeland, tegen Frankrijk, 
tegen Zweden. Een halve eeuw lang strijden zij om het oppergezag te water. 
De roemrijke tijden en daden van de Evertsen's, van Piet Hein, van Tromp, van 
De Ruyter, van Banckers en zooveel anderen, mochten wel een weergalm vinden 
in de vaderlandsche kunst en vond hem in de zeeschilders. Niet alleen de offi- 
cieele teekeningen en schilderingen der van de Velde's spreken ons van die 
hartverheffende gebeurtenissen, de ongeëvenaarde bloei der zeeschildering in 
hunnen tijd getuigt van de groote plaats, die koopvaardij- en oorlogschip in het 
leven des volks beslaan. 

Zijn kunstenaarsroem is Willem van de Velde de jonge vooral verschuldigd 
aan zijne zeegezichten zonder historisch belang, zijne stille en zijn bewogen zee- 
ën, geschilderd naar eigen keus en lust. Ook daarin was hij in zekeren zin de 
volgehng van zijn vader. Voor Jan van Goyen, Simon De Vlieger, Hendrik Dub- 
bels, Jan van de Cappelle is de zee met haar water en lucht en strand, haar 
licht en donker hoofdzaak; de schepen zijn stoffeering. Voor Willem van de 
Velde zijn de schepen hoofdzaak, het overige omlijsting. Hij had zooveel bij zyn 



WILLEM VAN DE VELDE DE JONGE. 189 

vader zien teekenen en met hem geteekend, zooveel acht leeren geven op bouw 
en tuig, op vorm en beweging, dat hij de schepen leerde beminnen voor hen zel- 
ve en hun liefde toedroeg om de groote vertrouwelijke kennis, die hij met hen 
had aangeknoopt. Hij is en blijft altijd de schilder, die de scheepsteekeningen 
in kleur brengt. Zeker er ligt een oneindige afstand tusschen zijne persoonlijke 
zeegezichten en zijne officieele kondschappen der oorlogsvloten: alle stijfheid, al- 
le houterigheid en pedantisme van den vakman zijn vreemd aan de eerste dier 
werken. In deze schildert hij de schepen niet om ze zoo trouw mogelijk op het 
doek te brengen, maar omdat hij ze mooi vindt en omdat hij er behagen in schept 
hun fraaiheid te doen uitkomen; hij schildert eigenlijk schepen op zee, zooals an- 
deren de zee met schepen er op schilderen. Hij is vol licht, warm licht, lichten- 
de wolken, weerschijnen van blok en mast in het water, maar zijn booten vindt 
hij toch belangwekkender dan al het overige. Hij heeft er groote en kleine, drie- 
masters en schuiten met zeilen uit den heele, zeilen verdeeld over heel het 
want, uitgespannen of opgebonden; hij heeft eenvoudige bakken en fraai be- 
werkte achterstevens en roeibooten, alles zoo verschillig van soort en van tuig 
dat men zijn vaktaal wel zou moeten kennen om er ordentelijk over te spre- 
ken; hij laat ze zien in alle richtingen en wendingen; hij plaatst ze en schikt 
ze om ze best tegen elkander te doen uitkomen en ze tot het behagelijkst ge- 
heel te ordenen; hij is een decorateur der zee, en een decorateur waardig van 
het grootsche tooneel dat hij te stoffeeren heeft. 

Zeker weet hij wat het mateloos element van hem eischt; hij schildert een he- 
mel met al de lichtheid en de lichtendheid, die de wolken vereischen; hij weet 
dat in de ruimte de vormen van zijn vaartuigen verdunnen en verflauwen, dat 
zij in de verte wegsmelten; dat wie een penseel hanteert, liniaal en trekpen mag 
terzijde laten liggen, dat hij in de inwerking van licht en lucht de omtrekken 
moet laten versmelten en afstompen, en toch is hij meer miniaturist dan zijn 
tijd- en vakgenooten, dan van de Cappelle bijvoorbeeld om niet eens van Jan 
van Goyen te spreken. Hij is harder dan zij, zijne zeilen onderscheppen en 
weerkaatsen meer het licht, maken meer plek; zijn water leeft minder, zijn licht 
speelt flauwer, hij schildert minder het werk der natuur, meer het werk der 
menschen; hij is stoffelijker en dus nuchterder. 

Maar hij is een fijnschilder van eerste klas, met dezelfde lichte en zekere 
hand, waarmede een Dou en een Terburg hunne huiselijke tooneelen, een De 
Potter en een Ruysdael hunne zichten van buiten's huis afbeeldden, de zee en 
wat er op leeft op het doek tooverende; de keurigheid van den miniaturist pa- 
rende met de breedheid van den kunstenaar, juist uitdrukkende wat hij zeg- 
gen wil als iemand, die met gemak een taal spreekt, die hem in al hare ge- 
heimen bekend is. Hij is de meest beroemde der Hollandsche zeeschilders en 
al zij hij om hooger aangehaalde redenen dan ook de grootste hunner niet, 
het mag ons niet verwonderen, dat zijn ongeëvenaarde handvaardigheid en al 
de hoedanigheden die hem kenmerken en door geen enkel gebrek ontsierd wa- 
ren, hem dien eererang verwierven. 



190 WILLEM VAN DE VELDE DE JONGE. 

De National Gallery van Londen bevat een rijke keus van Willem van de Vel- 
de's werken, veertien in het geheel, allen kleine stukken op een paar na. Een 
der twee grootste, stelt een storm op zee voor, een soort van onderwerpen, die 
onze schilder enkele malen, en dan weer met zijn gewoon talent behandelde. Het 
andere, is het rivierzicht waarvan de gravuur hier bij gaat. Op den gladden 
waterspiegel, nauwelijks door een lichte schommeling gerimpeld, ligt een dozijn 
groote en kleine schepen, waartusschen zich dan nog enkele roeibooten bewe- 
gen. Middenin ligt een klein oorlogschip, waarop een kanonschot gelost wordt, 
een motief dat van de Velde herhaaldelijk te pas bracht. Op hetzelfde schip 
blazen een paar trompetters de andere schepen den groet toe, deze wordt be- 
antwoord door den trompetter van een kleiner staatsvaartuig. Boven het too- 
neel verheft zich de hemel heel hoog, vol warm, fijn licht; in de verte ontwaart 
men de smalle lijn van het strand, dat zich nauwelijks boven het water verheft. 
De schepen zijn heel uitvoerig geschilderd, zij zijn zoo afgewisseld mogelijk ge- 
tuigd en geplaatst, ten toon gesteld zou men haast zeggen, om hen in al hun 
verscheidenheid en fraaiheid te zien te geven : de hoogste aan de uiteinden, 
de lagere in het midden, tusschenin de kleine booten, zoodat heel het tooneel 
gevuld is zoo decoratief en zoo feestelijk mogelijk. Want feest is het op het wa- 
ter : het kanonschot, de groetende trompetten, de manschappen en heerschap- 
pen op het dek, fladderende wimpels en vlaggen, de lichtende hemel en de kal- 
me zee, alles getuigt en verwekt de stemming ervan. De schepen liggen stil 
en toch is het tooneel bewogen; alles is met groote uitvoerigheid geschilderd en 
alles is toch harmonieus, alles is licht en toch is er contrast; alles verrraadt 
den handigen samensteller van zeetooneelen, den kenner en vriend van de sche- 
pen, den geoefenden teekenaar, den fijnen penseeier, dien wij in hem roemden. 



27. GEERAARD DAVID. 



Er bestaat geen groep van kunstnaars, wier geschiedenis zoo weinig gekend 
is als die der oudste Nederlandsche schilders, der Gothieken, zooals men ze 
noemt. Geen twijfel of zij waren honderden in getal, en de namen en werken van 
ter nauwernood een tiental hunner zijn ons met zekerheid bekend. Somtijds ken- 
nen wij van hen weinig meer dan hunne namen en één of twee schilderijen. Van 
geen enkel weten wij den levensloop in zijne bijzonderheden of kunnen wij ons 
vleien de scheppingen in zulke hoeveelheid te bezitten dat het meeste deel er 
van ons niet onbekend zij gebleven. Wanneer wij de gebroeders van Eyck, Pe- 
trus Christus, Hugo van der Goes, Judocus van Gent, Rogier van der Weyden, 
Albert van Oudewater, Gerrit van Haarlem, Dirk Bouts, Memlinc, Geeraard 
David en Quinten Massijs genoemd hebben, dan is de lijst ten einde van hen 
die plaats genomen hebben in de geschiedenis. Geen twijfel of onder dezen be- 
vinden zich de uitstekendste onzer oude meesters, maar nog zoovele stukken van 
belang komt men tegen in Museums, in kerken, en bijzondere verzamelingen, 
die aan geen dezer hoofdmannen onzer school kunnen toegeschreven worden, 
dat wij ons gedurig treurig te moede voelen, wanneer wij ons voor een gothieke 
altaartafel bevinden, en den maker er van met een vraagteeken moeten aan- 
duiden. 

Uit hoofde van het gebrek aan oorkonden uit de oude tijden zijn de ontdek 
kingen op dit gebied bedroevend zeldzaam en het mag als een wezelijke buiten- 
kans beschouwd worden, wanneer een onzer onvermoeide opzoekers van zijn 
tocht in de donkere streek terugkeert met een aantal bescheiden, groot en 
duidelijk genoeg om een der verloren meesters weer te vinden. 

Dit geluk en die verdienste bezit James Weale voor den voorlaatstgenoemde 
onzer oude meesters, voor Geeraard David *), Al wat wij van dezen kunstenaar 
wisten tot in de laatste jaren was dat Giucciardini zekeren Geeraard van 
Brugge rekende onder de beste afzetters of miniaturisten, dat Vasari dit 
herhaalde en dat Karel van Mander getuigde : „Daer is oudt tijdts geweest 
noch eenen Gheerardt van Brugghe, daer ick gheen bescheyt van weet, dan 
dat hy van Pieter Poerbus hooglijck is ghehoort prijsen voor een uytnemende 
Schilder." Geen werk stond nog op zijnen naam; de van hem bewaard geble- 
ven schilderijen waren aan anderen toegeschreven. Langdurige en verlichte op- 
zoekingen in de Brugsche archieven en in de verschillende Museums stelden 
James Weale in staat zoo over zijn leven als over zijn werken tal van belang- 

*) James Weale. Bijdragen in Catalogut du Mmée de Bruges 1861. — Beffroi. — Gazette des Beaux 
Arts en laatst in The Portfolio, Monograph 24 (December 1985.) 



192 GEERAARD DAVID. 

rijke bijzonderheden vast te stellen. 

Geeraard, zoon van Jan David, werd geboren te Oudewater in Zuid-Holland 
in het begin der tweede helft van de vijftiende eeuw; hij kwam te Brugge wo- 
nen op het einde van 1483 of in de eerste maanden van 1484. Den 14den Ja- 
nuari van dit laatste jaar werd hij als meester-schilder aanvaard in de Gilde van 
Sint Lucas en Sint Elooi. Waarschijnlijk had hij de eerste lessen in zijne kunst 
ontvangen in Haarlem, den zetel van de oudste Hollandsche school. Te Brugge 
onderging hij later den invloed van Memlinc, die in zijn hoogsten bloei was, 
toen Geeraard David in die stad aanlandde. 

In Memlinc bezat Brugge nog altijd den grootsten kunstenaar van zijn tijd, 
die haar den rang der eerste kunststad van westelijk Europa behield; haar han- 
del was nog immer bloeiend, hare welvaart ongedeerd en, al bracht zij zelve 
geen groote meesters voort, zij bleef het oord waar de schilders, die naam en 
fortuin zochten, zich bij voorkeur heen begaven. Korte jaren nadien zou die 
bloei geknakt worden door de inwendige politieke woelingen en zou met de 
verhuizing van den handel naar Antwerpen de stad met rassche schreden ach- 
teruitgaan. Geeraard David was de laatste groote kunstenaar die er zich ging 
neerzetten; hij kwam de laatste in de glorierijke reeks der mannen, die Brug- 
ge's kunstroem vestigden. 

Geeraard David leefde en werkte in Brugge tot den 13den Augustus 1523, 
den dag van zijn dood. In 1488, 1495 en 1498^ — 9 was hij lid van den raad 
der schildersgilde ; in 1501 — 2 was hij deken. In 1496 of kort daarna huwde 
hij Cornelia, dochter van Jacobus Cnoop den jongere, deken van het goud- 
smeden-ambacht. 

Al spoedig kwam hij als schilder in aanzien: in 1488 werd hem opgedragen 
twee schilderijen uit te voeren voor de rechtszaal in het Brugsche stadhuis, 
verbeeldende de eene de veroordeeling van den oneerlijken rechter Sisamnes 
door koning Cambyses, de andere de straf van Sisamnes, die levend gevild 
werd en een rechtszitting, waar zijn zoon als rechter zetelt op den stoel bekleed 
met het vel zijns vaders. Beide stukken bevinden zich tegenwoordig in het ste- 
delijk Museum van Brugge, zij werden eerst in 1498 voltooid, het jaartal, dat 
een hunner draagt. 

In 1501 of iets vroeger werd aan Geeraard David door kanunnik Rijkaard de 
Yisch van de Capelle opgedragen eene schilderij te vervaardigen voor het altaar 
van Sinte Catharina in de Collegiale Kerk van Sint Donatianus te Brugge. Zij 
verbeeldt het Huwelijk der H. Catharina, werd uitgevoerd tusschen 1501 
en 1511 en bevindt zich tegenwoordig in de National Gallery. Naar haar werd 
de gravure gesneden, die hierbij gaat. 

Na 1501 bekwam een andere kanunnik van Sint Donatianus, Bernardijn Sal- 
viati, zoon van een rijken Florentijnschen koopman, oorlof om het altaar van 
Sint Jan Batist en Maria Magdalena in dezelfde kerk te herstellen en te ver- 
sieren. Hij liet door Geeraard David twee luiken schilderen voor dit altaar. Een 
er van is verloren gegaan, het andere behoort aan de National Gallery en ver- 



GEERAARD DAVID. 198 

beeldt kanunnik Salviati, biddende en omringd door de h.h. Donatianus, Bernardus 
van Sienna en Martinus. 

Na deze stukken en waarschijnlijk in 1507 of 1508 schilderde Geeraard Da- 
vid voor Jan des Trompes, baljuw van Oostende en schatmeester van Brugge, 
een drieluik, verbeeldende in het middenpaneel den Doop van Christus, op 
de binnenzijde der luiken Jan des Trompes en zijne eerste vrouw Elisabeth van 
der Meersch met hunne kinderen en patronen; op de buitenzijde zijne tweede 
vrouw Magdalena Cordier, knielende voor de Madonna en vergezeld door hare 
dochter en hare patrones. Het stuk bevindt zich in het Museum der Academie 
te Brugge. 

In 1509 gaf Geeraard David een altaartafel ten geschenke aan de Carmeli- 
tersen van Sion te Brugge. Zij verbeeldt tien Santinnen, twee engelen, den schil- 
der en zijn vrouw, geschaard ter zijde van den troon der H. Maagd, met het Je- 
zuskind op den schoot en behoort nu toe aan het Museum te Rouaan. 

Wanneer wij bij deze werken nog voegen een drieluik van O. L. V. Hemel- 
vaart, die vroeger de collegiale kapel van Grancey Ie Chateau in Frankrijk 
versierde, en die nu toebehoort aan mevrouw van Denterghem te Astene in 
Oost-Vlaanderen ; het drieluik van de Nederstorting der Verdoemden 
in het Keizerlijk Museum te Weenen, zullen wij al de schilderijen opgesomd 
hebben, die aan Geeraard David met zekerheid kunnen toegeschreven worden. 
Een drieluik toebehoorende aan de Gilde van het Heilig Bloed te Brugge, waar- 
op de Graflegging van Christus afgebeeld is, een Bruiloft te Ca- 
n a a n in den Louvre, twee portretten in het Keizerlijk Museum te Weenen, 
een O. L. V. Boodschap in de Hohenzollem-verzameling te Sigmaringen 
worden door James Weale nog herkend voor werken van zijne hand. 

Zooals wij zagen in de oudste vermelding van Geeraard David's naam was 
hij ook gekend als schilder van miniaturen. Van zijn werken in dit vak kennen 
wij nog enkel twee stuks : een Prediking van Sint Jan Baptist en een 
Doop van Christus, die zich beiden in het Museum der Academie van 
Brugge bevinden. Zijn historieschrijver bewijst dat verscheiden bladeren uit den 
wereldberoemden Brevier van Grimani kopijen of navolgingen zijn van Geeraard 
David's werken, zonder te beweren, dat hij zelf die zou gemaakt hebben. 

Een der belangrijkste werken van hem, die ons overgebleven zijn, is het 
Huwelijk der H. Catharina, dat aan de National Gallery van Londen 
behoort. In het midden van het tafereel zit de H. Maagd op een troon overdekt 
met een scharlaken draperij. Achter haar, tusschen twee kolommen van roodach- 
tig marmer, hangt een doek van gulden en donker blauw brokaat, waarop een 
rijk juweel is vastgemaakt. Zij zelve draagt een groenblauw kleed en een wij- 
den blauwen mantel geboord met Hcht gouden borduurwerk. Een band met 
dubbele paarlenrij kroont haar en van onder dezen daalt haar lang blond haar 
in gewaterde lokken tot aan haren gordel neder. Met dooreengekruiste vingeren 
houdt zij het Christuskind, dat op haren schoot zit, rond den hals een koralen 
rozekrans draagt en in de linkerhand den ring houdt die hij zijne mystieke bruid 

13 



194 GEERAARD DAVID. 

aan den vinger steekt. 

Deze, de H. Catharina, de groote wonderbare Santinne der middeleeuwen, 
knielt nevens het Jezuskind neer en heft de hand op om het onderpand harer 
verloving te ontvangen. Zij draagt een rijk kleed in rood en gulden brokaat 
en een kroon van goud en kostelijke edelsteenen. 

Aan hare rechterzijde knielt de schenker van het beeld kanunnik Rijkaard de 
Visch van de Capelle in wit koorhemd, met gevouwen handen, eerbiedvol het 
tooneel aanziende. Voor hem ligt de cantorstaf, rijk bewerkt in verguld zil- 
ver, zijn brevier en een windhondje dat op zijn halsband het wapen van de 
Visch — van Axele draagt. 

Links van de Madonna zit de H. Barbara en de H. Magdalena. De eerste is ge- 
huld in een gewaad van bruin en gulden brokaat op een onderkleed van goud, 
waarop twee pauwen geborduurd zijn. Op het hoofd draagt zij een roode kap met 
rijke juweelen omkranst. In beide handen houdt zij een geopend getijdenboek. 
De H. Magdalena draagt een donker met goud geborduurd kleed en daarover 
een bruin zijden mantel. Op haren schoot houdt zij de vaas met de kostelijke 
olie, waarmede zij Christus' voeten zalfde. 

Achter de personages loopt een tuin van rozen en een wijnberg. In dezen be- 
vindt zich ter rechterhand de H. Antonius, die het tooneel gadeslaat; ter linker- 
hand een engel, die druiven plukt. Hooger op, achter den muur, die den wijn- 
berg afsluit, verheffen zich monumentale gebouwen en links een groep boomen. 

In den achtergrond van menigeen van Geeraard David's stukken treft ons de 
aanzienlijke plaats ingenomen door het landschap, terwijl in andere zijner wer- 
ken die plaats niet ongemeen groot is en de achtergrond door gebouwen gevormd 
wordt. Eene nogal verrassende verklaring wordt hiervan gegeven. Geeraard Da- 
vid zou in zijne oudste schilderijen den achtergrond hebben laten uitvoeren door 
Joachim de Patinir, zijn tijdgenoot, die meer dan eenig ander oude historieschilder 
in zijne stukken plaats inruimde aan het lanndschap. En is het een toeval of 
een bewijs van samenwerking der beide kunstenaars : in 1515 vinden wij Gee- 
raard David ingeschreven als meester der Lucasgilde van Antwerpen en de 
naam, die op den zijnen volgt, is die van Joachim de Patinir. Uit dit feit blijkt al 
vast dat de Brugsche schilder eenigen tijd te Antwerpen verbleef; niet te be- 
twijfelen valt het dat hij er kennis maakte met zijn collega, die wel zijn medewer- 
ker kan geweest zijn. 

Voor het overige is Geeraard David vooral een volgeling van Hans Memlinc, 
dien hij nog een tiental jaren lang in Brugge gekend heeft. Zijne Onze Lieve 
Vrouw heeft nog de bedeesde roerloosheid der middeleeuwen, de ingetogen- 
heid van Memlinc's Madonna's. Haar voorhoofd is hoog en ruim, het beneden- 
deel van haar aangezicht is kort, de haren hangen los en zijn gewaterd als bij 
den grooten Brugschen voorganger. Heel het tafereel is gevuld met kostelijke, 
keurig uitgevoerde dingen; hemelingen moesten in rijker dan aardschen tooi en 
omgeving afgebeeld worden. De juweelen zijn talrijk en blijkbaar is de schilder er 
op belust te bewijzen hoe keurig hij die pronkstukken van den menschelijken ar- 



GEERAARD DAVID. 195 

beid wist weer te geven. Deze kleinodiën, de stoffen van kleeren en tapijten, de 
plooitjes in het koorhemd van den kanunnik, de bloemen en de gebouwen, alles 
tot de vloersteenen op den voorgrond toe, zijn met de grootste uitvoerigheid ge- 
schilderd, in Memlinc's trant, maar zonder zijne ongeëvenaarde fijnheid van 
penseeling. 

Er is echter nog een ander verschil met den grooten Brugschen voorganger 
te merken in David's werk. De menschen worden meer stoffelijk, meer vleesche- 
lijk levend voorgesteld. De H. Catharina, zoowel als de twee Santinnen, zijn 
zeer gezonde vrouwen met roode, blozende wangen; de vingeren zijn wel dun 
en lang, maar zij zijn knokkelig, het hoofd van den kanunnik is zwaar, zijn 
oogen scherp toeziende. De Madonna en de H. Catharina kunnen in heilige ge- 
peinzen verslonden zijn en in mystische ontheffing de aarde verlaten hebben, 
de overige personages zijn wel ware menschen, bekommerd met wat er rondom 
hen omgaat. 

Er is in de schilderij ook meer zucht naar speling van licht en bruin waar te 
nemen; de kleuren glimmen sterker en harder dan bij Memlinc, de bontheid 
is veel grooter, de schaduwen vallen zwaarder. Zonder een beslisten stap 
naar het reëele te doen is de kunst meer aardsch, minder etherisch, en ook min- 
der fijn geworden. 

Niet minder voortreffelijk is het tweede stuk dat de National Gallery be- 
zit, een der luiken voor het altaar van Sint Jan Baptista en Maria Magdalena 
in de Sint Donaatskerk te Brugge. Men ziet er den begiftiger Bernardijn Sal- 
viati, geknield tusschen den patroon der kerk, zijn eigen patroon en den H. 
Martinus. In den achtergrond een boomenrijk landschap, waar een weg door- 
loopt op welken men een kreupelen bedelaar ziet aankomen. Al de personages 
zijn treffend van waarheid met het idealiseerend gevoel der godsvrucht. De 
schildering is stemmig, zeer verzorgd, in stille tonen, met overvloedige doch 
doorschijnende schaduwen. Het stuk is helderder van licht dan het vorige, vas- 
ter van lijn, zeer treffend van uitdrukking. Geeraard David bewijst ook hier 
dat hij een groot meester is; hij bezit niet de miniatuurachtige keurigheid van 
van Eyck, noch het sentimenteele van Memlinc, hij heeft niet de verleiden- 
de kracht van beiden ; hij is een koele waarnemer der werkelijkheid, die zich niet 
laat medesleepen en ons niet medesleept, maar hij is dan toch een meester en 
een bewonderenswaardige. 



28. P. P. RUBENS. 



Onder al de Vlaamsche meesters is Rubens, gelukkiglijk, nog het beste verte- 
genwoordigd in de National Gallery. Er zijn daar van hem veertien stuks; vier 
ervan zijn schetsen, één is een grauwschildering, de negen andere zijn werken 
van belang en onder deze zijn een half dozijn echte meesterstukken. 

Rubens verbleef in 1629 — 1630 verscheiden maanden in Engeland; Karel I 
hield veel van hem en bestelde hem verscheiden schilderijen. Wij vinden hier 
enkele dezer terug; niet dat zij onafgebroken in het bezit bleven van vorst of 
volk, maar in den loop der verleden eeuw kwamen zij door aankoop of schen- 
king in het bezit der National Gallery. 

De belangrijkste dezer is Oorlog en Vrede (Nr. 54). Rubens was door zijn 
vorst Philips IV naar Londen gezonden om een verdrag tusschen Spanje en En- 
geland voor te bereiden. Hij was een vriend van den vrede, omdat de oorlog 
zijn vaderland in de laatste vijftig jaar op de jammerlijkste wijze had geteis- 
terd, omdat heel Europa er onder leed, omdat Kunsten en Letteren en Weten- 
schappen er in hun boei en hun bestaan door bedreigd werden. Met zijn wel- 
sprekend woord en zijn hoog beleid van staatsman had hij bij Karel I de zaak 
van den vrede gepleit, hij zou het nu ook doen bij middel van zijn penseel: hij 
schilderde voor den vorst het stuk, dat wij hier voor ons hebben. 

Midden in de samenstelling zit de Godin van den Vrede : zij verspreidt zegen 
en overvloed rondom haar. Uit een harer borsten spuit zij de moedermelk in 
den mond van een wichtje, dat zich tegen haar aansluit; drie andere kinderen 
komen naar haar toe; een ervan, de grootste zuster, ontvangt in haren schoot 
de vruchten die een liefdegoodje neemt uit den horen van Overvloed, dien Pan 
heeft aangebracht; het jongere zustertje houdt eene druif in de hand; het broer- 
tje legt de armen om de schouders zijner zuster en haalt een wingerdrank naar 
zich toe. Een kleine Genius houdt eene toorts in de eene hand en heft een bloe- 
menkrans boven het hoofd van het oudste der meisjes. 

Links brengen Rijkdom en Vreugde hunne schatten van goud en geluk aan. 
Alles ademt hier welvaart, tevredenheid, kalmte. Maar het gevaar dreigt: Mars 
met uitgetogen zwaard nadert, ongeluk en vernieling volgen hem. De weldadi- 
ge godin is onbewust van het gevaar dat haar dreigt, maar Minerva waakt over 
haar en stoot met forschen arm den Oorlog terug. Het is een treffend en een 
roerend pleidooi voor den Vrede met beweegreden ontleend aan den zegen, 
dien zij verspreidt over de aarde. 

Rubens schilderde het stuk met eigen hand, en besteedde er veel zorg aan, 
de kindergroep is allerliefst, zoo ook de groote vrouwenfiguren. Geen twij- 



P. P. RUBENS. 197 

fel of het stuk was in zijn oorspronkelijken staat een werk van eersten rang, 
ongelukkiglijk heeft het veel geleden door het samentrekken en barsten der verf 
en door onkundige herstelling. Terwijl de meester het vervaardigde woonde hij 
te Londen bij zijnen vriend Balthazar Gerbier; de kinderen van dezen beunhaas 
in de staatkunde, van wien hij veel hield en dien hij meer dan eens schilder- 
de, dienden hem hier ook tot model, Gerbier's vrouw zat voor de Godin van 
den Vrede. 

De meester herschilderde nog een paar malen hetzelfde onderwerp, maar 
telkens deed hij het dan op meer dramatische wijze. Niet meer de Vrede speelt 
in de latere stukken de groote rol, maar wel de Oorlog en zijne ijselijkheden. 
Een der stukken bevindt zich in de Pinakotheek van Munchen; het andere, 
dat in 1637 of 1638 geschilderd werd voor den groothertog van Toskanen, hoort toe 
aan de Uffizi te Florence. De National Gallery bezit er de schets van (Nr. 
279), een zeer fraai en wel verzorgd stukje. 

Een tweede werk van geheel anderen aard werd insgelijks door Karel I aan 
Rubens besteld, namelijk het ontwerp eener zilveren schotel, waar hij de 
Geboorte van Venus op afbeeldde (Nr. 1195), De schenkkan, die er bij 
behoorde, was versierd met een Oordeel van Paris. Het mythologisch ta- 
fereel werd in grauwschildering met vlugge hand uitgevoerd en is als sa- 
menstelling volkomen den meester waard. De bestemming van het werk wordt 
vastgesteld door het opschrift dat de zeer zeldzame gravuur, welke Jacob Neeffs 
er naar sneed, draagt : P. P. Rubens pinxit pro Carolo I magnae 
Britanniae, Franciae et Hiberniae rege. Theodorus Rogiers 
c e 1 a V i t a r g e n t o. (P. P. Rubens schilderde het voor Karel I, koning van En- 
geland, Frankrijk en Schotland. Theodorus Rogiers dreef het in zilver). Laatst- 
genoemde was een beroemd Antwerpsch zilversmid uit Rubens' tijd. 

Een derde stuk staat eenigszins in betrekking met Rubens' verblijf in Enge- 
land, namelijk de zoogenaamde Verheerlijking van Willem den Zwij- 
g e r (Nr. 187). Het is de schets van een rond zolderingstuk, dat zich bevindt 
in Osterley Park, het Kasteel van lord Jersey. De benaming is verkeerd. Ru- 
bens heeft nooit den Zwijger afgebeeld en zou. het in geen geval hebben willen 
doen. Hoogstwaarschijnlijk is de afgebeelde de hertog van Buckingham, tot 
wien de schilder langen tijd in de beste betrekkingen stond. Dat hij de V e r- 
heerlijking van Buckingham uitvoerde blijkt uit de rekening zijner na- 
latenschap, waarin wij lezen dat eene kopie van dit stuk aan Herman Druyl 
gegeven wordt om te voldoen aan eene verplichting, die Rubens tegenover hem 
had aangegaan. 

De National Gallery bevat een drietal stukken van godsdienstigen aard. Het 
eerste eene Rust in Egypte met den H. Joris (Nr. 67) heeft als schilde- 
ring niet veel te beduiden en Rubens heeft er dan ook de hand niet aan gehad : 
de figuren zijn geschilderd door een leerling naar het oorspronkelijk exemplaar, 
dat toehoort aan het Museum van Madrid, het landschap werd geschilderd 
door Lucas van Uden. Als samenstelling is het een allerliefst tafereeltje. O. L. V. 



198 P. P. RUBENS. 

met het slapende kind op haren schoot rust uit, gezeten tegen een boom, de 
spcelgenooten van haar zoontje, St. Jan en een paar engeltjes, brengen hem een 
lam aan, een der drie doet teeken aan de twee andere geen gerucht te maken 
om hun slapend vriendje niet wakker te maken. De vinding had grooten bijval. 
Zij werd herhaaldelijk nagevolgd, van Dijck zelf schilderde een paar Kinderdan- 
sen blijkbaar door Rubens' schepping ingegeven. 

Een tweede stuk de Bekeering van St. Bavo (Nr. 57) is slechts eene 
schets, maar belangrijk is zij toch. Zij werd gemaakt in 1612 voor bisschop 
Maes van Gent en moest tot model dienen van een drieluik bestemd voor het 
hoofdaltaar der St. Baafskerk te Gent. Kort nadien stierf de besteller. Zijn op- 
volger, bisschop van der Burch, wilde de verbintenis tegenover Rubens aange- 
gaan niet uitvoeren. Deze drong gedurende twee jaren te vergeefs aan; dan 
wendde hij zich tot Aartshertog Albertus om zijne tusschenkomst te verzoeken. 
Niets baatte : marmeren beelden namen op het altaar de plaats in bestemd 
voor de schilderij. Bisschop van der Burch werd verplaatst in 1616, zijn opvol- 
ger Jacobus Boonen wilde al evenmin van het drieluik hooren. Eerst in 1623, 
wanneer Antoon Triest, een bijzonder goede vriend van Rubens, bisschop van 
Gent gewijd was, werd er gevolg gegeven aan de bestelling van 1612; alleenlijk 
kreeg Rubens nu een enkele altaartafel te maken in plaats van het oorspron- 
kelijk bedoelde drieluik. Het groote stuk bevindt zich nog in de St. Baafskerk 
te Gent; de schets is in de National Gallery en verschilt natuurlijk van het de- 
finitieve werk. 

Het belangrijkste der Bijbelsche onderwerpen is de Koperen Slang (Nr. 
59). Het is een groot stuk geheel van Rubens' hand. Aan de eene zijde links 
ziet men Mozes en Eleazar, zoon van Aaron, die aan de Israëlieten de koperen 
slang toonen, vastgemaakt aan eenen hoogen staak : voor hen, het middeldeel en 
de rechterzijde van het tafereel innemende, de gebetenen, die hulp komen af- 
smeeken: mannen, vrouwen, moeders met kinderen; op den grond twee dooden. 
Mozes en Eleazar komen in een warme wolk tegen den zwoelen achtergrond in 
bruine gloedschemeringen uit; de lijdenden staan tegen een donkere rots en mal- 
schere schaduwen doen hun warme vleeschtonen krachtig uitronden. Als een 
half of heel verlichte massa worden de vleezen uit den achtergrond opgeheven; 
als een aaneengeschakelde en gestrengelde kring komen al de lijders naar de 
reddende slang, de onderste zijn reeds bezweken of stervende, de bovenste 
vragen hulp voor zich zelven of voor hunne kinderen. 

Het is geen eigenlijk drama, maar een tooneel van lijden naar lichaam en 
del, dat zich niet heftig en woest uitspreekt, maar waarin de menschen in stille 
doordringende wijze jammeren en smeeken. Het is bovenal een groep lichamen, 
de eene gezond van kleur, de andere verbleekt door smart of dood, die door 
het licht opgevangen en naar voren gedrongen worden. Het is een feest voor 
het oog te zien hoe uit de duisternis de vormen opwasemen en uit de scheme- 
ring de volle klaarheid malsch en krachtig oprijst. 

Het werk is van 's meesters allerlaatsten tijd, van 1639 waarschijnlijk, er is 



P. P. RUBENS. 199 

veel overeenkomst tusschen de vervorming, die zijn trant op het einde zijns levens 
ondergaat met die welke wij bij Rembrandt opmerken. Rubens verwaarloost de 
kleinigheden van den vorm: zijn Mozes en Eleazar hebben geene priesterlijke 
waardigheid, zijn vrouwen en kinderen geen lichamelijke schoonheid meer; het 
zijn vormen die licht opvangen en weerkaatsen; de handeling en de strijd grij- 
pen plaats tusschen het licht en de duisternis en die kamp boeide den schilder 
nog ruim zoo zeer als die tegen de slangen. 

Twee mythologische onderwerpen treffen wij aan, een Silenustocht (Nr. 
853) en een Oordeel van Paris (Nr. 194). 

De Silenustocht werd door Rubens geschilderd in denzelfden tijd als 
de verschillende stukken, die het zelfde onderwerp behandelen, dit is in 1617 of 
1618. Als deze is het eene hymne aan het stoffelijk genot; die hymne is geen 
loutere lofzang: een hekelende geest spreekt uit de afbeelding van dien ver- 
stokten onbeholpen voortstrompelenden wijnbalg, uit de perten die men hem 
speelt, uit den groven wellust zijner gezellen en gezellinnen; maar er ligt niets 
bitters in die bespotting, eer iets goedigs. Rubens wettigt de overdaad niet, hij 
begrijpt ze en vergeeft ze, hij stelt ze niet voor als terugstootend of onteerend, 
hij vindt ze plezierig en hij heeft pret in de uitspatting van de half godde- 
lijke en half dierlijke wezens, die over den weg des levens voortzwieren, dan- 
sende en jubelende en musiceerende en minnekoozende. Wat zij doen moge grof 
zijn, de wijze waarop zij het doen is vermakelijk en aantrekkelijk; hunne vreug- 
de werkt aanstekend, zij zien er wel ondeugend niet ondeugdzaam uit. Hen daar 
zoo mooi gegroepeerd ziende, zroo argeloos en kommerloos zich vermeiend in 
alle aardsche genietingen krijgt men den indruk van een antieken Camee, im- 
mer edel van vorm, hoe onedel ook van handeling. 

Deze Silenustocht onderscheidt zich van de anderen doordien de God der 
dronkaards, achterover liggende in de armen van een Sater voortgestuwd 
wordt, terwijl hij elders altijd voorover gebogen voortsukkelt. Anders dezelfde 
joligheid bij de fluitspelende, liederlijke, dartele saters en bij de bacchan- 
te, die Silenus, nu hij geen vocht meer innemen kan, hem ten minste voor uitwen- 
dig gebruik nog bedruppelt met druivensap. 

Silenus komt helder uit tegen de minder sterk verlichte nevenpersonages, de 
oude Sater met zijne niet meer jonge geliefde staan in gloeiende tinten, de bac- 
chantin met de handkleppers daarentegen is blank en blond; maar alles is flu- 
weelig van werking, smeltend van licht alsof er binnen die personages een 
gloed zat die langs een doorschijnende stof uitstraalt. Allerliefst zijn de kinde- 
ren op het voorplan, een van beide het grootste, dat drie of vier jaar oud schijnt, 
heeft de trekken van Albert Rubens geboren in 1614. 

Het prachtigste der werken van Rubens uit de National Gallery is ongetwijfeld 
Paris' Oordeel (Nr. 194). In de zwoele gezengde avondlucht van een war- 
men zomerdag, in een landschap met knoestige boomen, massief loover en groene 
heuvelen, achter welke de gezichteinder wegvlucht, grijpt het tooneel plaats. 
Paris en Mercurius zitten rechts, zij zijn verweekt van tint in den opslurpenden 



200 P. P. RUBENS. 

tonengloed van den dampkring; de godinnen staan voor hen, blank en vast uitko- 
mende tegen een gordijn van groen en wolken. Juno krijgt het volle licht op 
den rug en bruine malsche schaduwen op de rondingen; zij houdt een weidsche 
karmozijnen draperij, die van den rug gegleden is, op den schouder en tusschen 
heup en knie vast. Venus wordt geheel van terzijde gezien; zij heeft een kinder- 
lijk argeloos gezichtje, blond haar, groote oogen; met een bedeesd gebaar 
vouwt zij de handen voor den boezem. Zij is niet minder weelderig van vormen 
dan hare mededingsters, maar zij is niet zoo overdadig breed als Juno en lan- 
ger dan Minerva. Zij is bevalliger en edeler van gestalte, eenvoudiger van hou- 
ding. Juno en Minerva zijn meer behaagzuchtig en zoeken meer zich te doen gel- 
den, Minerva vooral : jong en lief stalt zij zich pralerig uit. Paris ziet er bezorgd 
uit, angstig zoekt en peinst hij hoe hij de lastige vraag zal oplossen : „ik heb 'nen 
appel in mijn hand, aan wie zal ik hem geven?" zooals ons kinderrijmpje luidt; 
Mercurius ziet er schalks en speelsch uit, maar gretig toch kijkt hij op naar de 
schoone kampsters. 

Het is het bekoorlijkste tooneel dat men zien kan, met al die beeldschoone fi- 
guren en het fraaie landschap, met de fijne, rijke, lichte tonen van het blanke, 
malsche godinnenvleesch tegen den donzigen achtergrond met zijn geroosterde 
tinten. Rubens schilderde het herhaaldelijk : het Museum van Madrid bezit er 
een grooter, dat van Dresde een kleiner exemplaar van. Het stuk uit de National 
Gallery is zeker het prachtigste der drie, alhoewel het eenigszins geleden heeft 
door herstellingen. Het is geheel van Rubens' hand en van zijn laatste jaren, 
1635 ongeveer. 

Twee stukken uit de Romeinsche Geschiedenis de S a b ij n s c h e M a a g- 
denroof (Nr. 38) en de Triomf van Cesar (Nr. 278). 

Het eerste dezer twee geeft ons de gekende gebeurtenis uit de vroegste ja- 
ren van het Roomsch koninkrijk te zien. In een open ruimte, te midden van 
prachtige paleizen, zijn de Romeinen binnengedrongen en zijn begonnen de Sa- 
bijnsche \Touwen te ontvoeren. Het is een sterk bewogen tafereel, bestaande uit 
een half dozijn goed aan elkander verbonden groepen. Een groote bedrijvigheid 
heerscht er in, maar de handeling zelve liet geene groote dramatische effecten 
toe. Rubens heeft er zich dan ook niet aan gewaagd: het ontvoeren van een 
groep vrouwen door trouwlustige mannen, al gebruiken zij zelfs geweld, is dan 
toch zoo geen treurige zaak dat ons het hart zou breken of verteederen bij het 
zien van den strijd en bij het nagaan van het lot der slachtoffers. Er komt bij dat 
Rubens ongelukkig genoeg als prooi der verliefde Romeinen vrouwen gekozen 
heeft, die er hoegenaamd niet als lammeren uitzien en onder welke sommige 
een rijpheid van vormen verkregen hebben, die meer aan eerbiedwaardige moe- 
ders van familie dan aan jonge bruiden passen. De tooneeltjes op den voor- 
grond zien er dan ook weinig aandoenlijk uit. De logge vrouw met het gulden 
kleed en de bloote borsten, die smeekend de handen samenvouwt en die zich 
achterover werpt terwijl een begeerige Romein haar zoekt voort te stuwen; de 
andere weinig minder vollijvig die twee man op een paard pogen te tillen, de 



P. P. RUBENS. 201 

derde die zich ruggelings op den grond werpt en spel genoeg levert aan twee 
mannen, van wie de eene hare rokken tot boven de knieën optrekt, dit alles 
nadert nog al dicht bij het potsierlijke. Maar de beweging blijft altijd machtig 
en prachtig. 

Kleur en licht zijn het ook. Een rijke gloed is over het geheel verspreid, die 
in ambertinten de vleezen, de draperijen en de witte marmeren gebouwen laat 
baden. In dien warmen dampkring glimmen met rijken weerschijn het rood. het 
blauw, het groen, het roos, het staal van hamassen en helmen, het marmer in 
den achtergrond, dat samensmelt met hemel en Avolken. Het is een werk van 
uitbundigheid in den vorm; niet zonder een eenigszins vleeschelijken wellust 
laat de schilder de weelderige vrouwen aanpakken, om armen en heupen grij- 
pen door gulzige en woeste verliefden. Geen rijker buit werd ooit gemaakt, 
geen vuriger begeerd, geen steviger omkneld en met sterker inspanning ver- 
voerd: het zijn wel menschen en daden van Rubens die wij te zien krijgen. 

Het groote stuk is geheel van zijne hand en dagteekent van 1635 ongeveer, 
den tijd van de Kindermoord, waar ook vrouwen geschilderd naar dezelfde 
modellen strijden tegen woeste krijgslieden, maar in oneindig meer tragische 
omstandigheden. Wij vinden hier dezelfde gebouwen op de hoogte, badende in 
denzelfden lichtelaaien gloed, dezelfde Romeinsche soldaten, dezelfde vrouwen 
en onder deze zijne geliefkoosde modellen, onder andere zijne jonge vrouw He- 
lena Fourment, die heel in de hoogte met de handen over de borst gevouwen 
zit en 'wie niemand poogt aan te raken. 

De Triomf van Julius Caesar (Nr. 278) is ongemeen belangwekkend. 
Het is eene soort van kopie door Rubens gemaakt naar de schilderingen, die 
Mantegna uitvoerde voor Francesco van Gonzaga, hertog van Mantua en die 
Rubens zag in het paleis van Sint Sebastiaan te Mantua in den tijd dat hij 
die stad bewoonde. Later kwamen zij in bezit van Karel I van Engeland. Het 
wil wel treffen dat zij naar Londen werden gebracht in 1629, weinige maanden 
vóór dat Rubens daar aankwam, zoo dat hij ze nog zien kon in hun nieuw 
vaderland. Zij bevinden zich tegemvoordig in Engeland in het Koninklijk pa- 
leis van Hampton Court. Rubens had gelegenheid ze na te schilderen in 1629 — 
1630 of in 1600 — 1608; naar den stijl van zijn werk te oordeelen deed hij het 
rond 1606. Maar waanneer wij van naschilderen spreken drukken wij ons on- 
juist uit; Rubens liet zich door het werk van Mantegna verleiden om op zijne 
wijze den triomftocht van Julius Caesar voor te stellen; hij nam uit het werk 
van zijn Voorganger wat hem beviel en voegde er van het zijne bij wat hij goed 
vond. Zoo maakte hij van de negen stukken van Mantegna er drie welke vol- 
gender wijze beschreven werden in den inventaris zijner nalatenschap: „Drie 
doeken op paneel geplakt, verbeeldende de Triomfen van Julius Caesar naar 
Mantegna, onvoltooid." De National Gallery bezit een der drie stukken, drie 
der werken van Mantegna weergevende; wat de twee anderen geworden zijn is 
onbekend; Nvellicht waren zij minder afgewerkt als het bewaard geblevene. In 
dit laatste is alleen de helft gevolgd naar Mantegna, het vertoont olifanten 



202 P. P. RUBENS. 

die kandelabres en bloemenkorven dragen en een offerdienaar die een stier 
leidt : al het overige, een priester, twee zijner helpers die een stier vergezellen, 
een jong mensch die twee rammen leidt, de muzikanten, de dansende vrou- 
wen en de menigte der toeschouwers zijn er door Rubens bijgevoegd. Zijn 
werk is niet eene schets, maar een breed geborstelde schilderij, gevende leven 
en beweging aan de stille statige groepen van Mantegna; het leent uitbundig- 
heid van feestbedrijf en zonnigheid aan de koele schildering van den Italiaan- 
schen meester. 

De National Gallery bezit slechts een portret van Rubens, maar het is een 
wereldberoemd, het meest gekende der portretten die hij schilderde: de 
Vrouw 'met den Strooien hoed (Nr. 852). Ik heb elders bewezen dat 
de afgebeelde Susanna Fourment Rubens' toekomstige schoonzuster is en kom 
daar niet meer op terug. Susanna Fourment Werd geboren in 1599, Rubens 
schilderde ze omstreeks 1620, toen zij een twintigtal jaren oud was. Zij was 
toen reeds weduwe van haren eersten man Raymundus Delmonte, dien zij den 
29n Januari 1617 gehuwd had; den 8n Maart 1622 huwde zij Arnold Lunden. 

Zij is hier geschilderd ten halven lijve met de handen over elkander ge- 
legd op den gordel, nagenoeg vlak van voor gezien. Zij draagt een zwart zijden 
lijfje waar wit linnen uit te voorschijn komt; de mouwen zijn van scharlaken 
roode stof met kanten manchetten. Haar hoed is het belangrijkste stuk van 
haar toilet, hij is van zwarten vilt met breede geplooide boorden, waarop 
zware witte en zwarte struisvogelveeren liggen. Hare groote donkerblauwgrij- 
ze oogen zien u van terzijde aan met iets droomerigs en toch diep doordrin- 
gend; de wenkbrauwen zijn welgevuld en regelmatig geplant; de neus is fijn 
en fraai, de mond klein. Zij treft niet door hare schoonheid wel door hare ele- 
gantie; de lijnen van haren hoed, de wijze waarop zij hem draagt met de twee 
kusjes haar die er uit los fladderen, met de doorschijnende schaduwe die hij 
werpt op haar voorhoofd, maken de grootste aantrekkelijkheid van het beeld 
uit. Madame Vigée Le Brun was zoodanig getroffen door deze lichtwerking 
op 'het bovendeel van het gelaat dat, zooals feij zelve getuigt in hare gedenk- 
schriften, zij er werd door aangespoord om in den zelfden trant haar eigen por- 
tret te schilderen. Dit werk waarop zij zichzelve met hare dochter afbeeldde 
is haar meesterstuk. 

Als schildering heeft anders de Susanna Fourment niet zooveel bijzonders, 
het is de bleekste, hchtste figuur die Rubens ooit maakte naar het bleekste, 
lichtste model, er is geen gloed daar binnen, geen stof aan het lijf, maar de 
draperijen [zijn in volle tonen de roode mouwen vooral met hunne overvloedige 
en 'warme weerschijnen. En weer vraagt men zich af wat iedereen toch te be- 
wonderen vindt in die tengere vrouw en wat ook ons er in aantrekt. Uiter- 
lijk heeft zij veel van Da Vinci's Mona Lisa : dezelfde houding der handen, de- 
zelfde wending der oogen, dezelfde snit van het kleed: jalleen SuSanna Four- 
ment ziet er ernstiger uit en haar hoed geeft haar eene zwierigheid die de ge- 
heimzinnige Italiaansche niet bezit. Maar ook de Vlaamsche ds een vrouweüjk 



P. P. RUBENS. 203 

raadsel; zij is eene onstoffelijke. Men vergelijke haar met Rubens' heerlijkste 
vrouwenportretten, zijne prachtige Helena Fourment, zijne gemoedelijke Isa- 
bella Brant, zelfs zijne tengere Jacqueline van Caestre, alle zijn aardsche we- 
zens en schijnen zwaar in vergelijking van deze etherische wazige gestalte, half 
schaduwe, half vleesch, met hare golvende vormden, zoo oneindig sierlijk en 
toch zoo stil, zoo rein. Rubens heeft zich de vraag gesteld die wij ons stellen: 
wat weerspiegelen die groote oogen, zoo doordring'end en zoo verleidelijk? 
En nogmaals en immer is hij teruggekomen op die vraag, heeft hij dubbend 
gestaan voor dit raadsel en getracht het te ontc'ijferen. Zij was klaarblijke- 
lijk voor hem een ideaal van zwierigheid, wellicht ook van fijngevoeligheid, ge- 
heel landers dan de .vrouwen van vleesch die hij schilderde; zij betooverde hem 
omdat dj heel andere gaven bezat dan die welke hem in gewone menschen- 
dochters bekoorden. 

In de National Gallery vinden wij twee kostelijke landschappen van Rubens 
en een schets (Nr. 948), die hem verkeerdelijk toegeschreven wordt en niets 
meer dan eene nabootsing van zijn trant is. 

Van de twee landschappen geeft het een een Zonnenondergang te zien 
(Nr. 157). Het is «een juweeltje van bekoorlijkheid en rijkdom van kleur en 
licht, een mooie hemel en een mooie aarde. Rechts ziet men een dorp met kerk, 
kasteel en hoeve; in den achtergrond een heuvelig terrein met een rivier, 
op het voorplan een herder met schapen. Van rechts ,uit zendt de ondergaande 
zon hare gulden stralen, die over heel het landschap schuiven en alles kleur 
en leVen geven. Het is niet de zwoele bruingulden toon, die hier overheerscht 
maar de lichte gele vol glans en pittigheid. 

Het ,andere stuk is het landschap met het Kasteel van Steen (Nr. 66), waar- 
van de afbeelding hierbij gaat. 

In 1635 kocht Rubens het Kasteel van Steen met de gronden, die er van 
afhingen. Hij was toen een schatrijk man geworden, aanzienlijk door de eere- 
ambten, die hem iwaren verleend, en door de gewichtige diplomatische zen- 
dingen, die hij had vervuld; hij was tien jaar lang de vertrouvirde raadgever der 
aartshertogin Isabella geweest, was geadeld door den koning van Spanje en 
ridder geslagen door den koning van Engeland. Zooals het een man van zijn 
rang en fortuin paste, zou hij dan ook een ridderlijk kasteel en uitgestrekte 
landerijen bezitten. Niet dat hij tot dan toe geen grondeigendommen, buiten 
zoowel als binnen de stad, had aangekocht : in den staat van goederen den 
21sten Augustus 1628 opgemaakt na het overlijden zijner eerste vrouw, vinden 
wij reeds aangeteekend ,,cene hoeve mette huijsinge, gronden ende toebehoor- 
ten gelegen onder Swyndrecht in Vlaanderen," en ,,een hoeve metten huijse 
van plaisancien geleghen tot Eeckeren genaemt 't hoff van Urssel *)." Maar dit 
mochten nog burgerbezittingen heeten. Den 12den Mei 1635 kocht hij het hof 
en de heerlijkheid van Steen, met de landen, bosschen en beemden daartoe be- 



*) Zwijndrecht is het eerste dorp dat men aantreft, wanneer men de Schelde voor Antwerpen overzet; 
Eeckeren ligt een uur gaans ten noorden van Antwerpen. 



20é P. P. RUBENS. 

hoorende; later liet hij aan de huizing wat bijbouwen en kocht nog een beemd 
en een paar bosschen om zijn domein te vergrooten. De uitgaaf voor den 
grooten aankoop beliep 93,000 gulden; die voor verbetering van gebouwen en 
aanwinst van gronden 7000 gulden, zoodat de waarde van het geheel geschat 
werd op 100,000 gulden, voor welke som het dan ook in rekening werd ge- 
bracht bij de Verdeeling van Rubens' nalatenschap tusschen zijne tweede vrouw 
en zijne kinderen. De som was aanzienlijk : de waarde van het geld in 1635 bere- 
kenende op het driedubbel der waarde van heden zou zij gelijk staan met onge- 
veer 300,000 gulden onzer dagen. De aangeworven goederen zijn dan ook van 
geweldige uitgestrektheid. Wij vinden ze opgesomd in den plakbrief hunne vei- 
ling aankondigende op 13 October 1682, negen jaar na den dood van Helena 
Fourment : zij beslaan wel een halven meter dichten druk van het folio-papie- 
ren vel. Bedoelde verkooping had plaats te Brussel in de Kamer van Ukkel op 
het Stadhuis. De plakbrief beschreef aldus de te koop geboden goederen. 

,,De heerlijkheid ende goederen Van Steen ghelegen tot S. Huybrecht Ele: 
wyt bij Perck tusschen Eppeghem ende Weerde, toebehoorende de kinderen van 
wijlen den heere iPedro Paulo Rubbens Riddere ende vrouwe Helena de Four- 
ment. 

,,In den eerste een Hof-Stadt met de groote steene Huijsinghen ende andere 
schoone Edificiën in forme van een Gasteel daer op staende met den Hof, 
Boomgaert, Fruytboomen, op treckende Brugghe, met eene groote Motte, ende 
den grooten hooghen, vierkantighen Thoren in t' midden van deselve Motte, 
rontsomme sijne Vijvers gheleghen met ook het Neerhof met zijne appaerte 
Pachters-woninghen, Schueren, diversche Stallinghen, ende alle hunne toe be- 
hoorten, 't samen groot vier bunderen 50 Roeden. Item de plantagien, Eycken 
als anderen rontsomme de voorsz. ende naer volgende goederen staende." 

Dan volgt eene lange opsomming van landen, weiden en beemden gelegen on- 
der Elewijt, Eppeghem en Weerde en een bosch te Houten onder Vilvoorde. 
Tot den eigendom behoorde ook het Cijns- en Leenboek van Steen en Otten- 
voorde. 

De „Hof-Stadt met de groote steene Huijsinghen ende andere schoone Edifi- 
ciën in forme van een Gasteel, met eene op treckende Brugghe, met eene groo- 
te Motte ende üen grooten hooghen vierkantighen Thoren in 't midden van de- 
selve Motte rontsomme sijne Vijvers gheleghen" is het gebouw, dat Rubens af- 
beeldde in het landschap der National Gallery, waarvan de gravuur hier bij 
gaat. 

Het is een ridderlijk verblijf, niet bijzonder groot van afmeting, maar schilder- 
achtig van uitzicht. Aan de voorzijde springt een middelgebouw vooruit, met de 
groote poort aan gene zijde der steenen brug, daarboven twee verdiepingen en 
een hoog zoldervenster openende op den feodalen duivenkijker ; rechts de hee- 
renwoning met zes vensters beneden en evenveel op de eenige verdieping; ter 
linkerhand het lage koetshuis en de stalling. De achtergevel had nagenoeg den- 
zelfden vorm, alleen rees daar nevens den middelbouw een achtkante toren met 



P. P. RUBENS. 205 

spitse bekroning op, die tot trapkast diende. De hooge, vierkante, gekanteelde 
toren verhief zich op eenige stappen van de woning. 

Alles was gebouwd in den Vlaamschen Renaissancestijl rond het midden der 
XVIe eeuw, in rooden steen, met omlijstingen van deuren en ramen en met 
muurhoeken van witten steen, en trapgevels aan hoofdgebouw en zoldervensters. 

Tot over 25 jaar bleef het kasteel uitwendig nagenoeg onveranderd, behalve 
dat de gekanteelde toren toen reeds afgebroken was. Sedert dien is het ge- 
heel hersteld; aan de voorzijde is geen verandering toegebracht, de achterzijde 
is nog al merkelijk gewijzigd; het binnenste is grootendeels hertinimerd, alleen 
de oude steenen wenteltrap is nog behouden. Rond het kasteel zijn vijvers en 
grachten gedeeltelijk verlegd; maar in hoofdzaak is het uitzicht van Rubens' 
verblijf gebleven wat "het voor twee honderd vijftig jaar was. 

De grond was toen en is nog buitengewoon vruchtbaar, de groote opgaande 
eiken en andere boomen, omringen nog altijd de woning. Water is er in over- 
vloed. Rechts in het landschap, daar waar Rubens het houten bruggetje schil- 
derde, loopt nog altijd de Barenbeek, die zich in de Dyle ontlast, en waarin, 
links achter het hof, de Snoekengracht valt. Langs alle zijden strekken zich, 
zoover het oog draagt, de pleinen van het Dijle- en Senne-dal uit. 

Het was nadat Rubens eigenaar was geworden van het kasteel van Steen 
en gedurende de laatste vijf zomers zijns levens, die hij daar doorbracht, dat hij 
alle of nagenoeg alle zijne landschappen schilderde. Wij kennen een veertigtal 
zulker stukken van hem. Een ervan, wij weten het, schilderde hij te Rome, als 
men ten minste den naam van landschap wil toekennen aan het zicht van den 
Palatijnschen berg, dat hij te pas bracht als achtergrond in zijn groep van Jus- 
tus Lipsius met zijn leerlingen uit de Pitti-galerie van Florence en dat hij ook 
afzonderlijk schilderde. Een ander, de herder die op de fluit speelt in een land- 
schap met regenboog, waarvan wij twee exemplaren kennen, een te Sint-Peters- 
burg in de Ermitage en een te Parijs in den Louvre, behoort ook tot een veel 
vroegeren tijd. De Geschiedenis van den verloren zoon in het Mu- 
seum van Antwerpen, en de Stal waarin het sneeuwt in Windsor Pa- 
lace, die door de graveurs of uitgevers van gravuren onder de landschappen ge- 
rangschikt werden, zijn ook van ouderen datum; het zijn, wel is waar, tooneelen 
uit het boerenleven, maar geen landschappen. 

Dat de landschappen behooren tot Rubens' laatste werken blijkt onder an- 
deren uit het feit, dat in zijn nalatenschap niet minder dan zestien stukken van 
dien aard, door hem geschilderd, gevonden werden. 

Verscheidene van die stukken zijn verloren gegaan en zijn ons nog enkel be- 
kend door de gravuur. Wat voor geen andere soort van 's meesters werken 
gebeurde, geschiedde voor deze : graveurs of plaatdrukkers die voor hem, of 
onder zijn leiding plachten te werken, gaven ze in ireeksen uit. Zoo bestaan 
er wat men noemt Rubens' groote landschappen ten getale van zes, waarvan 
vijf door Schelte a Bolswert en een door Petrus Clouet gesneden werden; zijne 
kleine landschappen, twintig in getal, gegraveerd door Schelte a Bolswert, 



206 P. P. RUBENS. 

en de reeks van vier stukken door Lucas van Uden naar zijn meester gegra- 
veerd. Van deze dertig stukken zijn er tien, waarvan wij het spoor verloren hebben. 

Evenals in zijn historiewerken liet Rubens zich dikwijls in zijn landschappen, 
en in deze wellicht meer dan in andere stukken, door zijne medewerkers of 
leerlingen helpen. Zijn gewone handlanger voor de natuurgezichten was Lucas 
van Uden, dien wij hooger reeds noemden, die geboren "werd op 18 October 
1595, in 1627 als vrijmeester in de Sint Lucasgilde werd aangenomen en in 
1672 stierf. Al vroeg moet hij Rubens ter zijde gestaan hebben, want van hem 
zal het wel geweest zijn, dat de meester in zijn brief aan Sir Dudley Carleton 
van 28 April 1618 zeide, dat in het stuk „Saters en Nymfen met tijgers" het zeer 
mooie landschap door een man, verdienstelijk in dit vak, geschilderd was. De 
oorspronkelijke trant van van Uden was die zijner ouderwetsche voorgangers, 
Rubens leerde hem de natuur anders zien en weergeven en toen hij hem naar 
zijn hand had gezet, maakte hij hem in de vijf laatste jarenn zijns levens tot zijnen 
gewonen medewerker. 

Het landschap bij Rubens' voorgangers was meer ingegeven door fantasie dan 
gevolgd naar de natuur. Onze oudste Vlaamsche schilders, in navolging van on- 
ze nog oudere miniaturisten, stoffeerden de achtergronden hunner schilderin- 
gen met landschappen; hetzij om gelegenheid te vinden die achtergronden te 
doen oprijzen boven hunne personages, hetzij om natuurzichten te kunnen af- 
beelden, die zeldzaam voorkwamen ten onzent, kozen zij in het algemeen stij- 
gende landouwen of bergen of rotsen. Zooals zij het voor het overige van hun 
werk plachten te doen, schilderen zij ook dit gedeelte tnet de meeste keurig- 
heid en uitvoerigheid, en kleurden zij het in de hoogste tonen. Zoo ziet men bij 
hen het kleinste bloempje, met al zijn blaadjes prijken in hunne weiden en de 
rotsen in het verschiet afgebeeld met hun minste berstje of schilfertje. Hendrik 
met de Bles en Joachim de Patinir, die een grooter plaats inruimden aan het land- 
schap, deden niet anders, even zoo weinig als de gebroeders Bril, de oudste ei- 
genlijke landschapschilders. De kleine paneeltjes van Pauwei Bril zijn nog altijd 
miniaturen, haarfijn de boomen en gebouwen en de natuur weergevende, 
lucht en berg en rots doende glansen met de teerste kleuren. In zijn groote 
stukken, die hij als decoratieve wandschilderingen in olie- of waterverf uitvoer- 
de, nam hij een breedere manier aan, maar hechtte immer meer belang aan 
het bijeenbrengen van sierlijke motieven dan aan het afbeelden der waarheid. 

Na hem vinden wij zijn dubbele opvatting gevolgd door twee verschillende 
groepen van schilders. De een, zooals Lucas en Marten van Valkenburg, Roe- 
land Savery, Jan Breughel vader en zoon, Peeter Gijsels zetten tot lang in de ze- 
ventiende eeuw de miniatuurachtige bewerking van het landschap voort. Voor 
hen was een boom en een rots nog altijd een fraai ding, dat men in al zijn be- 
koorlijkheid moest doen uitkomen; een berg of een beemd was eene stoffee- 
ring zeer geschikt om fijn getinte achtergronden te leveren. De andere rich- 
ting, die van Bril's groote stukken, werd gevolgd door Gilles van Coninxloo, 
Joost De Momper, Tobias Verhaecht, Rubens' meester, en anderen. Zij wil- 



P. P. RUBENS. 207 

den treffen door de stoute optimmering hunner natuurgezichten : naakte, steile 
rotsen, torenhoog en grimmig, vallei en berg tegenover elkander gesteld vin- 
den zij de aantrekkelijkste motieven. De eene groep zoowel als de andere laat 
gaarne de harde bruine schaduwen van de eene zijde tegen den helder ver- 
lichten overkant en tegen den wegdampenden achtergrond uitkomen. Bij de ee- 
nen ook zooals bij ide anderen overheerscht conventie, gemaaktheid, onnatuur. 
Lucas van Uden behoorde bij zijn optreden tot de school van het keurig land- 
schap, zijne fijne boomen gaan in sierlijken zwaai en kronkelend de hoogte 
in; hij geeft overvloedige stoffeering en werkt die in hare bijzonderheden af. 
Er lag nochtans in hem een vatbaarheid voor natuurschoon, die zich al ras on- 
der Rubens' invloed zou ontwikkelen. 

De groote meester herschiep in wezenlijkheid het landschap in het Vlaam- 
sche land, in de Nederlanden. Hij had zeker in Italië de natuurzichten van An- 
nibale Carracci gezien, die het landschap breeder opvatte dan de Vlamingen van 
vroeger en van zijn tijd, maar die het dan toch nog academisch optimmerde en 
stoffeerde; hij had den ouden Pieter Breughel bewonderd, die in de natuur ge- 
zien had Wat er in te zien was en het trouw had weergegeven, maar de landelijke 
gezichten nooit anders dan als bijzaak had beschouwd. Wanneer hij echter te 
Elewijt, te midden der Vlaamsche landbouwen, leefde, werd hem hunne eigenaar- 
dige schoonheid veropenbaard ; zijn oog dat altijd geboeid was geweest door de 
schoone vormen van mensch en dier ging nu open voor de bekoorlijkheid van 
boom en water en wei en akker; zijn gemoed, geëigend om de hevigste drama's 
mee te leven, zou zich nu verlustigen in het aanschouwen van de eenvoudigste 
landelijke tafereelen. 

Hij herschiep niet enkel het landschap in de Nederlanden, hij schiep het mo- 
derne landschap, datgene waarin de natuur wordt weergegeven zooals zij is, 
wordt verheerlijkt in hare waarheid, hare ongekunsteldheid, wordt bemind in ha- 
ren tooi van alle dagen, in hare nederigste zoowel als in hare grilligste vormen. 
Hij was niet alleen de onmiddellijke voorlooper der groote en kleine Holland- 
sche en Vlaamsche meesters der zeventiende eeuw; Verre over hen weg stelde 
hij zich aan het hoofd van de landschapschilders der XlXe eeuw, voor wie de 
natuur schoon is om haar zelve en ten allen tijde, onverschillig of zij uit wei- 
den of bosschen of bergen bestaat of zij bij avond- of middag- of morgenlicht 
gezien wordt en die haar alleen met minder forschen kleurengloed dan hij af- 
beelden. Rubens voelde toen reeds dat de werking van het licht in het land- 
schap een hoogst belangrijk verschijnsel is, "het belangrijkste van alle voor den 
schilder, dat een boerendeerne met hare koeien, een landbouwer met zijn wa- 
gen, een hoeve en een hut even aantrekkelijk of aantrekkelijker zijn in een 
landschap dan de dichterlijkste episodes en de rijkste fabrieken. 

Hij was Ivan natuur een heldenschilder, de heldenschilder hij uitnemendheid; hij 
was het in zijne onderwerpen, hij was het in zijne uitvoering; hij was de meest 
dramatische kunstenaar die ooit leefde, terzelfder tijd als de rijkste en meest 
verfijnde kolorist, en geen wonder dan ook dat die overheerschende kenmer- 



208 P. P. RUBENS. 

ken zich weerspiegelen in zijne landschappen. Een Viertal ervan zijn met my- 
thologische tooneelen gestoffeerd: de geschiedenis van Philemon en Baucis, de 
schipbreuk van Eneas, de jacht van Meleager en Atalante, Ulysses op het ei- 
land der Pheakiërs aanlandende; maar die episodes nemen eene volkomen on- 
beduidende plaats in. In een grooter getal is de natuur zelf dramatisch en e- 
pisch opgevat : zoo het geweldig onweer dat heel de bergstreek, waar Philemon 
en Baucis wonen, in een onmetelijken waterval omschept; het tempeest op zee 
in de schipbreuk van Eneas, met de waters, die komen beuken tegen den voet 
van den berg en de boomen, die gebroken in den afgrond rollen. Bij andere 
neemt de afgebeelde menschenhandeling eene aanzienlijke plaats in; zoo de Boe- 
rendans en de herder die op de fluit speelt. Een enkele maal vervullen de bouw- 
vallen een gewichtige decoratieve rol. Maar over 'het algemeen wordt het land- 
schap in zijnen vollen eenvoud gegeven, het 'boerenlandschap zooals het in Bra- 
bant te 7ien is met zijne weelderige weiden en akkers, zijne hoog opgaande boo 
men, met rijke bladerenkroon, en met de gewone 'handelingen die er voorval- 
len : de boer, die met zijn kar van het veld terugkeerende in den modder blijft 
steken, een voorvalletje dat op de boorden der 'Barebeek vroeger altijd aan te 
2ien was, 'de jager, die des morgens op het wild loert, de stalmeiden, die de 
koeien melken, 'de paardeknecht, die zijne beesten drenkt of soortgelijke alle- 
daagschheden. 

De held op deze tooneelen is het licht, dat hier als elders zijn wonderen ver- 
richt, dat geene beperkte en afgesloten kringen beschijnt, 'zooals in zijne his- 
torieschilderingen, maar ver weg over onbegrensde ruimten glijdt en speelt. 
Elk oogenblik van den dag wisselt dit licht af Van aard, van tint en van wer- 
king, en in Rubens' landschappen vindt men ,al die gedaante-veranderingen 
weergegeven met de stemmingen, die zij in 's kunstenaars gemoed doen ont- 
staan. De (yroege morgenstond met de lucht vol biist en nevel, die traagzaam 
optrekt en (den jager in den killen daimpkring doet "huiveren; de middagzon, die 
vroolijk het water doet sprankelen in de beek, op ^vier oever de herder 
leunt op 2ijn staf in de schaduw der boomen ; de ondergaande zon, die ginds 
achter den heuvel in een glorie van stralen wegzinkt pf wel, die in het dichte 
bosch door het loof hare stralenvlammen schiet en ials in vuurpijlen losknalt ; de 
kalme nacht, waar in het droomende rustige plein, pp den boord van een bosch- 
je, het ipaard geheel alleen, verloren in de eenzaamheid, staat te grazen, terwijl 
de maan idaarboven op de wolken rust en hier {beneden vlot op het ven. Al 
die dingen zijn gevoeld met innigheid, met het geluk ze te mogen genieten 
en uitgesproken met den eenvoud en het gemak van zeggen, dat Rubens ei- 
gen is. 

Hij liet zich dikwijls helpen door Lucas van Uden zooals hij zich dikwijls 
liet helpen in zijn andere werken door van Dijck ien van Thulden, en Quellin, 
door Snijders ;en Paul De Vos en Jan Wildens en Jan Breughel, niet omdat hij, 
wat zij schilderden niet beter schilderen kon, 'maar om spoediger te gaan en 
omdat hij met weinige penseelstreken hun werk toch tot het zijne omschiep. 



P. P. RUBENS. 209 

De werken, die van Uden naar zijne teekeningen aanlegde, hertoetste hij, gaf 
hij Ucht en zoo doende leven. Menig stuk ook schilderde hij geheel alleen en 
in deze, izooals in zijne twee groote werken uit de pinakotheek van Munchen 
komt vooral 4e oorspronkelijkheid zijner opvatting van het landschap terzelfder 
tijd als zijn ongeëvenaarde vlotheid en breedte van joets uit. 

Het landschap met het kasteel van Steen is een van die eigenhandige en 
meesterlijke landschappen van Rubens. Het is bij het naderen van den avond 
gezien. Rechts spreidt zich eindeloos ver het weiland uit, alleen door lichte rim- 
pelingen van den grond en groepjes knotwilgen onderbroken. JDaar neigt de on- 
dergaande zon ten westen en verft hemel en laarde in roodgetinten gloed. Te 
linkerhand glijdt het felle licht door de boomen, die het kasteel omringen; het 
wordt door jhet loof getemperd, gezift en verfijnd. Het gebouw wordt bestraald 
door de dalende zon en baadt en brandt in vollen gloed. Op de brug een hen- 
gelaar, te linkerhand Rubens zelf met zijne vrouw, een zijner kinderen en de 
min ; op den voorgrond een boerenkar en een jager, die, verscholen achter een 
gewirwar van takken en struiken, op een klad patrijzen loert, die ginder ver 
bij de beek neerligt. 

Het stuk toont ons Rubens in al zijne kracht. Het Brabantsche landschap 
is in heel zijnen eenvoud, in zijne boersche armoede zou men mogen zeggen, weer- 
gegeven; het heeft niets aantrekkelijks dan zijn ongemetenheid, die ver, zoo ver 
het oog draagt wegschuift naar den achtergrond en vrij spel laat aan het zonne- 
licht om er over te glijden en op te spelen met al zijn rijke glansen. Aan den rijker 
gestoffeerden kant viert het zonnelicht een blijder feest, het kaatst daar tegen 
de boomstammen, tjegen den jager, tegen de boerenkar en sprankelt in blank 
vlammende vonken op; verder dringt het door tot het gebouw en dompelt het 
in een bad van goi^d, omtoovert het met een glorie, rijker dan die waarvan de 
sprookjes gewagen. 'Hemel en aarde gaan mee op in die apotheose, het schoon- 
ste wat de mensch te zien krijgt, te schoon zou men wanen om door het pen- 
seel te worden weergegeven en te schoon inderdaad, wanneer dit penseel niet 
door de band van een Rubens gehouden wordt. 



14 



29, GONZALES COQUES. 



Gonzales Coques bekleedt eene afzonderlijke plaats in de Vlaamsche schil- 
derschool, het meest overeenkomende met die, welke Thomas De Kesyer in- 
neemt in ide Hollandsche : hij schilderde voornamelijk familieportretten van klei- 
ne afmeting. Toen hij rond 1640 tot de jaren gekomen was, waarop hij zijn ei- 
genaardigen trant aannam, stierf Rubens en met hem de hoogste vertegen- 
woordiger der historieschildering; Jordaens kon nog tot in 1678 in dit vak den 
roem van Antwerpejn ophouden, maar buiten hem was het verval zichtbaar en 
snel toenemqnd. Rubens' leerlingen vervaardigden groote doeken, ledig vain stof 
en zonder oorspronkelijkheid van bewerking. Nevens heh trad de kleine en de 
gemoedelijke kunst meer en meer op den voorgrond. I;i de laatste toen ver- 
loopen honderd jaar waren er in Antwerpen wel voortdurend schilderijen van 
bescheiden afmeting voortgebracht: heel de familie Breughel had er geleverd 
en eveneens de van Balen's, de Teniersen, Sebastiaan Vrancx, van Craesbeeck, 
om niet eens van de dieren- en bloemenschilders te gewagen; maar het gemoe- 
delijke, het intieme ontbreekt in nagenoeg al deze werken. Zeker de oude 
Breughel beeldde tafereelen uit het huiselijk leven en uit de volkszeden af, 
maar gewoonlijk gaf hij hun een moraliseerenden bijsmaak of een algemeene be- 
teekenis. Teniers' tooneelen zijn waarnemingen van het openbaar meer dan van 
het bijzonder leven -der dorpelingen; de stukken van vloeren Breughel en van 
Hendrik van Balen behandelen onderwerpen aan de fabelleer of aan het zinne- 
beeld ontleend; de portretten zijn groote staetsiestukken : de bijzondere mensch 
in zijn huiselijk leven heeft nog geen burgerrecht in de kunst verworven. 

Met Coques komt hier verandering in; een heele groep Antwerpsche schilders 
zoeken hunne onderwerpen in den huiselijken kring der burgerij. Christoffel- 
Jacob van der Laemen, die spelende en musiceerende gezelschappen, Hierony- 
mus Janssens, die danspartijen, Karel-Emmanuel Biset, die vergaderingen en fa- 
milieportretten schilderde, Hendrik van Herp, die zijne onderwerpen uit het boe- 
renleven putte, de Ryckaerts, die ze gingen zoeken in de huiskamer van den 
nederigen werkman, en meer anderen, volgden hem op. 

Men mag gerust aannemen, dat de schilders van de huiselijke tooneelen veel 
leerden van vloeren Breughel en van David Teniers, die den overgang van het 
tijdperk der algemeene naar dat der bijzondere onderwerpen vormden; men 
mag er bijvoegen, dat de bloei der fijnschildering in Noord-Nederland bij be- 
oefenaars en liefhebbers van kunst den ommekeer hielp te weeg brengen, dien 
wij hier aanstippen; maar stellig blijft het dan toch, dat onze Antwerpsche 
schilder met zijnen Spaanschen naam de eerste was, die, met beradenheid en 



GONZALES COQUES. 211 

talent, uiting en voldoening zou geven aan den gewijzigden kunstsmaak. 

Wij leefden onder Spanjes heerschappij en hoe weinig diep de invloed van 
den Zuidelijken geest op den onzen ook inwerkte, uiterlijk waren er bij ons 
volk hier en daar wel sporen van navolging van het regeerend ras te bemer- 
ken. En zoo kwam het, dat, toen onze toekomende schilder ten doop werd ge- 
bracht, zijne ouders het goedvonden hem met den uitheemschen voornaam Gon- 
zalo te begiftigen. Met zijn familienaam hiet hij Kocks of Cocx, en in die laat- 
ste spelling het hij zich in 1640 nog inschrijven als meester der Lucasgilde. 
Maar hij vond weldra geraadzaam overeenstemming te brengen tusschen zijn 
Spaanschen voornaam en zijn Vlaamse hen van en daar Gonzales niet te ver- 
duitschen was, verspaanschte hij zijn stamnaam en maakte er Coques van: zoo 
vinden wij hem geschreven in de aanteekening van zijn huwelijk in de boeken 
van St. Jacobskerk den Uden Augustus 1643. 

Hij werd geboren te Antwerpen, in 1614 of 1618. Er bestaat verschil van 
meening over den datum. Op zijn port et, uitgegeven in 1649 door Jan Meys- 
sens en overgedrukt in Cornelis De Bie's Gulden Cabinet van 1661, staat 
te lezen, dat hij in Antwerpen ter wereld kwam in 1618 en in een akt, aange- 
haald door den heer van den Branden *) en verleden den 15den Januari 1666, 
verklaarde hij zelf 48 jaar oud te zijn, aldus bevestigende de opgave van den 
graveur. Maar de heer van Lerius zocht te vergeefs in 'de doopboeken der pa- 
rochiën van Antwerpen op het jaar 1618 naar zijn naam; hij vond integendeel 
een Gonzalo of Gonzala Coc ingeschreven den Isten December 1614. f) De 
heer van den Branden ziet in den doopeling van 1614 een zuster van onzen 
Gonzales. Maar wij moeten doen opmerken, dat deze laatste reeds in 1626 — 1627 als 
leerling in de schilderkunst werd ingeschreven in de Liggeren der Sint-Lucas- 
gilde; dus wel wat heel vroeg voor iemand, die in 1618 zou geboren zijn. De 
twijfel schijnt mij nog altijd geoorloofd over den waren datum. 

Wat er van zij, in 1626 — 7 trad Coques in de leer bij Pieter Breughel den 
derden van dien naam, in zijn tijd gekend als een zeer verdienstelijke portret- 
schilder. Eerst in 1640 — 1 werd hij meester in de Lucasgilde; van hetzelfde jaar 
dagteekent zijn oudste gekend stuk, een jonge geleerde aan zijn studietafel ge- 
zeten, terwijl zijne vrouw bij het klavier staat, geteekend : Gonzales F. 1640 
en toebehoorende aan het Museum van Cassel. Drie jaar later huwde hij Ca- 
tharina Rijckaert, dochter van David Rijckaert, tweeden van dien naam, bij wien 
hij ook in de leer was geweest. Hij maakte zich al spoedig gunstig bekend, 
want toen in 1649 zijn portret werd gegraveerd wist men reeds tot zijn lof te 
getuigen, dat de koning van Engeland, Karel I, hem stukken had besteld, dat 
de hertog van Brandenburg, Fredcrik- Wilhelm, groot genoegen in hem vond 
en dat de prins van Oranje, Frederik-Hendrik, hem hoogschatte. Cornelis De Bie 
voegt er bij, dat de aartshertog Leopold-Wilhelm en don Juan van Oostenrijk, 
landvoogden der Zuidelijke Nederlanden, ook van hem hielden en dat de prins 

*) Geschiedenis der Antwerpsche Schilderschool. Blz. 965. 
t) Biographies d'Artistes. I. 134. 



212 GOXZALES COQUES. 

van Oranje, hem een dubbel gouden keten schonk, 

Voor al de seldsaemheyt van sijne Const-pinceel. 

Daer hij 't Nassous gheslacht gevrocht had op 't paneel. 

wordt er bij gerijmeid door den zanger onzer kunstenaars, die hem aan Apel- 
les vergelijkt en hem een Phidias roemt. Die keten draagt de schilder op zijn 
reeds meer gemeld portret en toont hij met blijkbare zelfvoldaanheid. 

Hij stond zeer bijzonder in de gunst van ,,'t Nassou's geslacht." In 1645 ver- 
langden Amalia van Solms en de koninklijke prinses van Engeland door hem ge- 
conterfeit te worden en den 27sten Mei 1646 liet Frederik-Hendrik hem 450 gulden 
betalen voor beide portretten. *) Hij schilderde voor denzelfden prins nog een 
geschiedenis van Amor en Psyche in tien tafereelen, met levensgroote figuren, 
die zich in de verleden eeuw nog op het kasteel van Honselaersdijck bevonden. 
Van den Branden verhaalt een grappige geschiedenis over het ontstaan van dit 
werk. t) 

Frederik-Hendrik had het werk besteld aan Gonzales Coques en deze ver- 
getende, dat, wie een keurig portretje kan schilderen, daarom juist nog geen his- 
torieschilder is, had de taak aanvaard. Was het van eerst af zijn plan geweest 
zich te laten helpen door iemand, die aan soortgelijk werk gewoon was of onder- 
vond hij bij de uitvoering, dat hem de noodige krachten ontbraken, wij weten 
het niet, maar vernemen toch, dat hij zich wendde tot Abraham van Diepen- 
beeck, „een wyt vermaert meester van inventiën," om van hem schetsen voor 
de weidsche tafereelen te bekomen. Van Diepenbeeck borstelde in der haast 
eene schets voor het eerste stuk; Coques ijlt er mee naar den Haag en laat 
ze goedkeuren door den prins ; daarop schildert van Diepenbeeck de negen an- 
dere. Coques zou hem voor de eerste 20, voor de overige 18 gulden het stuk 
betalen, wanneer het werk zou voltooid zijn; hij telde hem al vast 60 gulden op 
rekening. Nu zette hij zich aan het werk en bracht het naar zijn beste vermogen 
ten einde. Wanneer het voltooid was reisde hij er mee naar den Haag om het 
daar zelf te toonen. 

Hier wachtte hem echter een wreede teleurstelling. Van Diepenbeeck had zijn 
confrater de leelijke poets gespeeld zijne schetsen te maken naar de gravuren 
van Raphael's Amor en Psyche en Coques had niets gemerkt ; maar Huy- 
gens, een degelijk kunstkenner, had al dadelijk het bedrog ontdekt en toonde 
de gravuren om iedereen er van te overtuigen. Daar stond nu Coques verne- 
derd en beschaamd; Amalia van Solms nam de zaak goedig op, aanvaardde 
het werk en betaalde den 28sten Juli 1648 den bedongen prijs van 2000 gulden. 
Maar Coques toonde zich minder inschikkelijk; hij weigerde van Diepenbeeck 
de nog verschuldigde 122 gulden te kwijten. Hieruit ontstond een proces, dat 
eerst in 1654 afliep met een beslissing der dekens van de Sint Lucasgilde, die 

*) Oud Holland. IX, 189. 

t) In zijn hooger genoemd werk. Blz. 968, 



GONZALES COQÜES. 213 

oordeelden, dat het werk van Van Diepenbeeck al duur genoeg betaald was 
met de 60 gulden, die hij op rekening ontvangen had. 

Rond denzelfden tijd als de Geschiedenis van Amor en Psyche werd aan Gon- 
zales Coques een der tafereelen van de Oranje-zaal in het huis ten Bosch be- 
steld door Amalia van Solms, namelijk ,,de Aanbieding der Survivance." Het 
is best mogelijk dat het ongeval, overkomen bij het afleveren van Amor en 
Psyche, den schilder deed afzien van het nieuwe werk, want niet hij maar 
Theodoor van Tulden voerde het groote historiestuk uit. 

De voorkeur door de prinses van Oranje gegeven aan de schilders uit het 
zuiden of aan kunstenaars van gelijke strekking: Jordaens, Frans Pietersz. De 
Grebber, Theodoor van Tulden, Gesar van Everdingen, Geeraart van Hont- 
horst om haren gemaal te vereeuwigen, wanneer in haar eigen land Rembrandt, 
Frans Hals, Govert Flinck en zooveel anderen in vollen bloei waren, geeft 
wel stof tot verwondering. De vorstin hadde zich waarschijnlijk tot Rubens ge- 
wend hadde deze nog geleefd; zij koos leerlingen of kunstverwanten van hem 
nu de groote meester uit het zuiden verdwenen was. Om een gelijke reden moet 
zij Gonzales Coques gekozen hebben om haar portret in klein formaat te schil- 
deren, liever dan zich tot Thomas De Keyser, Geraard Ter Borch, Geraard Dou 
of een der groote portretschilders van haren tijd te wenden. Want Coques, hoe- 
zeer hij zich mocht onderscheiden van zijne landgenooten, en welke ook de in- 
vloed der Hollanders op hem mocht geweest zijn, was dan toch nog altijd Vla- 
ming, bezittende de kenmerken, die de Antwerpsche School van die der Noor- 
derburen onderscheidden. De Zuiderlingen schilderden vettig en gesmijdig, wa- 
ren malsch in hunne vleezen, min of meer theatraal in hunne voordracht; de 
Hollanders waren in vergelijking keurig van bewerking, vast van vleesch, hoog 
van toon, puttende uit de werkelijkheid en vijandig aan opgeschroefdheid en 
pralerigheid van voorstelling. Coques behield ook in zijne kleine fijne stukjes 
de eigenaardigheden van Rubens' stadgenooten. 

Hij schilderde nagenoeg uitsluitend portretten en meestal familiegroepen, ver- 
eenigd in de pronkkamer of voor den achtergevel hunner woning; het portret 
werd aldus onder zijn hand niet meer de mensch, die genomen is uit zijn eigen 
wereld om geplaatst te worden in een lijst, die hem afzondert van zijn mede- 
menschen en zijn gewone omgeving; de modellen blijven deel maken van hun 
gezin, leven voort in hun huiselijk midden, dragen bij om een tafereel te vor- 
men, waarin zij minder verplicht zijn te poseeren en zich natuurlijker kunnen 
houder, en bewegen. 

Van die stukken bestaan er wel niet bijzonder veel en zullen er wellicht een 
groot getal verloren gegaan zijn, maar toch vindt men ze, al zij het dan slechts in 
een of twee exemplaren, in een dozijn Museums of groote verzamelingen van 
Europa. 

Historiestukken schilderde hij niet veel, zijn avontuur met Amor en Psy- 
che verklaart genoeg waarom ; de Arenberg-galerij te Brussel bezit echter van 
hem een Martha en Maria, het keizerlijk Museum van Weenen een R u- 



214 GONZALES COQUES. 

dolf van Habsburg en den priester, beide in zijn gewoon klein for- 
maat. Hij schilderde in verscheiden Galerijgezichten de figuren der liefhebbers zoo- 
als het koninklijk Museum van den Haag er een van hem bezit, maar deze stuk- 
ken verschillen eigenlijk niet van aard met zijne familiegroepen. Nog maakte hij 
kleine tafereeltjes van zinnebeeldige beteekenis of karakterstudiën, zooals de 
V ij f Zinnen toehoorende aan de National Gallery, waarvan het Museum van 
Antwerpen een tweede exemplaar bezit en voor welke hij zich zelven en ge- 
kende personen tot modellen koos; en zoo nog de Zeven Hoofdzonden vermeld 
in de „Besluijt-reden" van Ogier's Seven Hooft-Sonden. 

De V ij f Zinnen zijn kleine stukjes, bruin in de vleezen, maar licht en dun 
gepenseeld, schetsmatig van bewerking en fijn van toon. De halve miniaturist, 
die Coques is, toont zich hier breeder van penseeling dan de meeste historieschil- 
ders van zijnen tijd. 

Behalve deze vijf paneeltjes bezit het Londensche Museum vooreerst nog een 
vrouwenportretje op zilver geschilderd, ivoorachtig van toon, kostelijker van 
licht en tint en liefelijker van uitzicht, zooals trouwens wel past bij een dames- 
portret; verder nog een familiegroep, waarvan de afbeelding hierbij gaat, verre- 
weg het belangrijkste van wat in de National Gallery van den meester te vinden 
is en een der merkwaardigste stukken van Coques. 

Een heel huisgezin wordt voorgesteld : vader, moeder, vijf kinderen en een juf- 
fer die bloemen plukt. Vader, met een deftig gebaar en sierlijke houding, zet 
den voet op de onderste trede van de trap, die naar zijn rijke woning leidt, 
hij is geheel in het zwart met breeden witten geborduurden kraag en zwarte, 
lange, krullende pruik; hij is een man van gewicht, die het weet en toont. Dan 
volgt moeder, gekleed in een zwart zijden japon, die aan de voorzijde uitge- 
sneden is en in een rooden zijden rok met breeden gouden boord belegd, kan- 
ten kraag en mouwen. Zij is de stille ernstige huisvrouw, voornaam genoeg, 
maar zonder veel vertoon, de kalme dienares — of meesterse — van den win- 
derigen mijnheer. De kinderen steken in het rijke en bevallige pak dier dagen, 
wel wat moedertjesachtig met hunne lange rokken, maar toch allerliefst. Het 
jongste der kinderen op één na, loopt aan moeders hand, een vogel op de kruk 
dragende en dien doende opvliegen met een allerbevalligsten zwaai van hoofd 
en arm. De oudste der vijf bespeelt een mandolien, nummer twee draagt een 
pop in den arm, nummer drie rolt den loopstoel van het kleinste voort : laat 
ons hopen voor den heer des huizes, dat deze zijn jongste spruit een jongen 
moge wezen. In den achtergrond links ziet men den ingang des huizes met 
een paar cariatiden tegen de deurposten, rechts eene gebeeldhouwde fontein; 
in het midden heeft men een zicht op den tuin en de lucht; op den voorgrond 
spelen een paar hondjes. Het stuk werd in 1826 van den heer Mettepenning 
te Antwerpen gekocht, later door Nieuwenhuys aan Sir Robert Peel verkocht 
en in 1871 met dezes verzameling door de National Gallery aangeworven. 

Men kan bij het zien van dat stuk waarhjk niet zeggen, dat Coques van 
iemand afstamt: hij schildert keurig zonder gemanierdheid en gepierdheid; hij 



GONZALES COQUES. 215 

blijft breed en los. Er is wel iets van Rubens in de naïeve waarheid en bewe- 
ging van de kinderen, wel iets van van Dyck in de voornaamheid der ouders, 
maar dit zijn niets meer dan weergalmen van den stijl, die toen heel de school 
overheerschte. Zijn kleur is Vlaamsch, maar herinnert aan die van geen ander 
schilder in het bijzonder. Alles te zamen is hij een zeer smaakvolle en talent- 
volle kunstenaar, oorspronkelijk genoeg om zijn eigen plaats te veroveren en te 
behouden; niet dat die plaats zoo hoog is, maar het is de zijne, en hij mag er 
fier op zijn. Hij bracht de fijnschildering, de losheid van houding, de breede 
zwierigheid in het portret ; op voorname en harmonieuse wijze schilderde hij voor- 
name en gelukkige menschen. 

Er zijn, helaas! ook donkere punten in zijne werken, donker in den dubbelen 
zin des woords: het schoone licht van Rubens, van Dijck en Teniers is uitge- 
doofd en in de plaats is getreden een valsch en gekunsteld, in den aard van dat- 
gene, welk de achtergronden der portretten van de gelijktijdige Hollanders, Ni- 
colaas Maes in zijn tweede manier en Govert Flink in zijn latere stukken on- 
derscheidt en ontsiert. Bij Coques heerscht een opzettelijk donker gehouden 
toon, geen zwaar donker, maar een grijs, dat gemengd is met blauw en bruin, 
dat onoprecht, onzuiver is, dat in de natuur niet bestaat en dat door de schil- 
ders van die dagen uitgevonden werd om hunne figuren beter te doen uitkomen. 
De figuren komen er dan ook tegen uit; op lichten grond zouden zij mat schij- 
nen, hier fonkelen zij als het ware en leggen warme lichtpunten op het onver- 
kwikkelijk kunstmatige donkergrijs. 

Niettegenstaande de nog al ergerlijke dingen, die het proces tegen van Die- 
penbeeck aan het licht had gebracht, bleef Coques tot het einde zijns levens 
de achting en de gunst van kunstmakkers en publiek genieten. In 1665 — 6 werd 
hij voor de eerste en in 1680—81 voor de tweede maal deken der Lucas-gilde 
gekozen; den 26sten Augustus 1666 verloofde hij zijn eenig kind aan ridder 
Jaques de Grave, heer van Launay; in 1671 werd hij hofschilder van onzen 
landvoogd den graaf van Monterey; in 1680 werd hij door zijn medeleden aan- 
geduid om een kunstkamer in den trant van die, welke zich in het Koninklijk 
Museum van den Haag bevindt, te schilderen voor Jan van Bavegom, procureur 
van den raad van Braband, die veel had bijgedragen om aan de gilde een pro- 
ces te doen winnen, dat zij en de rederijkkamer de Olijftak hadden ingespannen 
tegen den Jongen Voetboog; een proces, dat 18 jaar duurde en in den loop van 
hetwelke Coques met den grootsten ijver de belangen der kunstkringen tegen de 
aanmatiging der gewapende gilde had verdedigd. Om hare dankbaarheid te be- 
tuigen stemde de gilde den 16den October 1680 hem eene vergelding van 
1550 gulden. 

Gonzales Coques stierf den 18den April 1684 en werd in de Sint-Joriskerk 
begraven. 



30. ADAM-FRANS VAN DER MEULEN. 



Adam-Frans Van der Meulen was een historieschilder in den volsten zin des 
woords. Hij beeldde niet af, zooals zijne vakgenooten dit plegen te doen, de 
eene of andere gewichtige gebeurtenis uit vroeger of later tijden, gekozen met 
zorg om het gewichtige van het feit of het treffende der handeling, samenge- 
vat in een enge ruimte en tusschen een klein getal personen, gedramatiseerd als 
een tooneel, dat op de planken wordt gebracht; hij schilderde de geschiede- 
nis van den dag, zooals hij ze had zien gebeuren onder zijne oogen, in al 
hare bijzonderheden; het geheel en de onderdeden, met de hoofdpersonen en 
met de ondergeschikten van allen rang; hij gaf ze te zien zooals de dagblad- 
schrijver ze zou verhalen, met getal en omstandigheden, met de episodes uit 
de alledaagsche werkelijkheid, die het leven en de kleur van het oogenblik 
leenen aan de feiten van algemeene bet eekenis en aan de handeling der groote 
menigte. 

Het is de eerste, dien wij in de zeventiende eeuw als Vlaamschen meester 
aantreffen buiten Antwerpen en zijn opdagen te Brussel hangt samen met de 
geschiedenis der Zuid-Nederlandsche provinciën. Sedert onze gewesten in het 
bezit van keizer en koningen, erfgenamen van het huis van Burgondië, waren 
gekomen, was Brussel de gewone verblijfplaats van landvoogden en staatsbe- 
stuur geworden; sedert Philips H onze streken had verlaten om er nooit meer 
den voet te zetten en de Noordelijke provinciën waren verloren gegaan voor 
hem en zijne opvolgers, was dezelfde stad meer bepaald de hoofdplaats der Zui- 
delijke Nederlanden geworden. Daar woonde het hof, daar Vestigde zich de hoo- 
ge adel, daar hielden de voornaamste staatslichamen hunne zittingen, en daar- 
heen ook werden de kunstenaars gelokt. Sommige verlieten Antwerpen uit vrij- 
en wil. zooals de oude Peter Breughel; de meesten volgden de uitnoodiging, die 
zij als hofschilders van vorsten of stadhouders ontvingen : dit deden Otto Vae- 
nius, de jongere David Teniers en meer andere minder bekenden. Aldus ont- 
stond te Brussel, zoo niet een kunstschool, dan toch een kunstleven. Antwer- 
pen bleef nog altijd de bakermat, de zetelplaats van de Vlaamsche schilderschool, 
maar met het verdwijnen harer groote meesters, moest zij haren roem, die al 
erg aan het verminderen was, nog gaan deelen met de naburige mededingster. 
Meer dan één hofschilder onzer landvoogden, hoe druk de bestellingen hem 
dan ook uit Brussel toekwamen, bleef in Antwerpen wonen, zooals Rubens en 
Vloeren Breughel deden; anderen, die, om zoo te zeggen, in den dagelijkschen 
dienst der vorsten waren, moesten zich metterwoon wel te Brussel vestigen. 

Onder deze laatsten telt Peter Snayers, die te Antwerpen geboren was en 



ADAM-FRANS VAN DER MEULEN. 217 

aldaar gedoopt den 24sten November 1592. Hij ging in de leer bij Sebastiaan 
Vrancx en leerde van dezen de kleine kruimige figuurtjes schilderen, die Wij op 
beider tafereelen aantreffen. Maar hij legde zich meer bepaald toe op het schil- 
deren van veldtochten en veldslagen. In 1628 vertrok hij naar Brussel en bleef 
daar in dienst van den landvoogd, totdat hij er in 1667 overleed. De man is ons 
weinig bekend, zijne beste stukken bevinden zich in het buitenland, waarheen 
onze landvoogden ze meenamen bij het verlaten onzer streken of waarheen hun- 
ne erfgenamen ze deden zenden. Het koninklijk Museum van Madrid bezit er 
zoo zestien, het keizerlijk Museum van Weenen zeventien. Snayers had een leer- 
ling, die hem moest navolgen en overtreffen. 

Deze was onze Adam-Frans van der Meulen. Hij werd geboren te Brussel 
in 1632, ging in de leer bij Peter Snayers, schilderde jachten en waarschijnlijk 
ander bedrijf, waar paarden bij te pas kwamen, en maakte zich al ras een goe- 
den naam. Colbert, de machtige minister van Lodewijk XIV, zoo gaat het ver- 
haal, zag van zijn werken, was er zeer mee ingenomen, kreeg lust om ze te 
koopen, maar raadpleegde, vooraleer een beslissing te nemen, Le Brun den 
hooggevierden koninklijken schilder. Deze was vooral getroffen door het talent, 
waarmede de jonge kunstenaar zijne paarden schilderde, berekende dat hij in hem 
een geschikten helper zou vinden om die dieren in zijne historiestukken te 
penseelen en ried den staatsman aan den Brabander naar het Fransche hof te 
lokken. Zoo gebeurde het, en in 1665 vinden wij van der Meulen gehuisvest in 
de koninklijke weverij der Gobelins bij Parijs met een jaarwedde van 6000 li- 
vres, als hofschilder zijner Majesteit Lodewijk XIV. 

Het eerste werk, dat hij maakte voor de Gobelins, gezamenlijk met Le Brun, 
waren twaalf kartons voor tapijten, waarop zoovele koninklijke kasteelen wa- 
ren afgebeeld, elk in een verschillende maand des jaars. De kasteelen ziet men 
in den achtergrond ; de voorgrond is gestoffeerd met personages ; op de zijkanten 
rijzen twee kolommen in de hoogte, tusschen welke bloemfestoenen of draperij 
en hangen, die in het midden opgehouden zijn aan een schild, dragende het maand- 
teeken van den dierenriem. Landschap en handeling der personages zijn geko- 
zen naar het jaargetij, waarin het kasteel is afgebeeld. De twaalf schilderijen 
bevinden zich tegenwoordig in het kasteel van Versailles, tot Museum inge- 
richt; twee der kasteelen door van der Meulen vindt men insgelijks in het 
Museum van den Louvre. 

In 1667 verandert de taak van van der Meulen. Philips IV van Spanje 
was twee jaar te voren gestorven en de koning van Frankrijk vond het oogen- 
blik gunstig om zijn opvolger Karel II, een zwak kind, te berooven van een 
deel zijner erfelijke staten. Lodewijks vrouw was een dochter van Filips IV, 
en in haren naam eischte hij de provinciën van het oude Burgondische Huis, 
de Spaansche Nederlanden en Franche-Comté, op. Hij viel in de Belgische 
gewesten met een leger, aangevoerd door zijn grootsten veldoverste Turenne. 
Achtereenvolgens werden Charleroi, Winoxbergen, Veurne, Ath, Doornik, Den- 
dermonde, Aalst en Rijsel ingenomen. Het volgende jaar veroverde hij Franche- 



218 ADAM-FRAXS VAN DER MEULEN. 

Comté en sloot een vrede, waarbij hij die laatste provincie weergaf, maar de 
steden, in het Vlaamsche en Waalsche land buitgemaakt, behield. 

Van der Meulen vergezelde den koning op zijnen tocht naar Vlaanderen en 
Burgondië, schetste en schilderde wat hij kon, en in Parijs teruggekeerd toog 
hij ijverig aan den arbeid om af te werken wat op reis slechts aangelegd of voor- 
bereid was. Zoo bracht hij op het doek de voornaamste gebeurtenissen van dezen 
tweejarigen veldtocht, die meer een plezierreis dan een gevaarlijke onderne- 
ming was. Van der Meulen had dan ook geen bloedige gevechten te schilderen, 
alleenlijk legers in aantocht, of kampeerende rond een ingesloten stad en de in- 
trede van koning en koningin in de eene of andere veroverde veste. De Louvre al- 
leen bezit acht schilderingen, gebeurtenissen van 1667 weergevende: het Leger 
des Konings kampeerende rond Doornik, een onderwerp dat even- 
eens op dezelfde wijze behandeld werd door hem in een stuk, dat het Museum van 
Brussel bezit ; de Aankomst van Lodewijk XIV voor Dowaai; de 
Optocht van het leger naar Kortrijk; de Belegering von Aude- 
naarde; de Intrede van den koning en van de koningin in A- 
t r e c h t ; het Gezicht op Rijsel in gesloten door het leger des ko- 
nings; het Gevecht nabij de vaart van Brugge. Uit den veldtocht 
van 1668 bezit hetzelfde Museum geen ander stuk dan de Belegering van 
Dole, waarschijnlijk het eenige werk, waartoe de krijgsdaden van dit jaar stof 
leverden. 

Er verliepen nu vier jaren zonder eenig wapenfeit van belang, maar in 1672 
voelde de koning nogmaals behoefte zijne veldoversten en legers te benuttigen 
en lust om zijn macht uit te breiden. Ditmaal moest Holland het ontgelden en 
werd het aangerand zonder eenigen schijn van recht of rede. De inval gebeurde 
langs Limburg, de Rijn werd bij Elten overgetrokken, Gelderland, Overijsel, 
Drenthe, Utrecht veroverd, Amsterdam bedreigd. Op het oogenblik dat alles ver- 
loren scheen werd echter het gevaar afgekeerd; Lodewijk XIV verliet Holland en 
ging voor de tweede maal Franche-Comté veroveren. Het jaar nadien keerde hij 
terug naar Limburg, waar hij Maastricht belegerde en innam. Van der Meulen 
had hem gevolgd op den veldtocht in het Noorden; hij schilderde zelf den 
overtocht van den Rijn en woonde de belegering van Utrecht, Grave en Naarden 
bij. Van deze laatste feiten maakte hij teekeningen, die zijne leerlingen Martin 
en Bonnard op doek zouden brengen. Hij zelf schilderde het beleg ven Maas- 
tricht, waarbij de koning zich bijzonder onderscheiden had. Eveneens was hij 
den vorst op zijn tweeden tocht naar Burgondië gevolgd, waar hij gezichten van 
verscheiden steden en kasteelen afbeeldde. 

Zoo duurde de oorlog voort tot in 1678, wanneer de vrede van Nijmegen er een 
einde aan kwam stellen. Van der Meulen vergezelde immer den koning, zijne 
voornaamste wapenfeiten op het doek brengende: in 1675 de Intrede in het 
veroverde Dinant; het jaar daarop volgende, de Belegering van 
C o n d é en van A i r e ; in 1677, die van Valenciennes en van K a m e r ij k 
en den Slag van Cassel; in 1678 de Inneming van lepere n. Hier- 



ADAM-FRANS VAN DER MEULEN. 219 

mede eindigt het tijdperk van zijn onafgebroken werkzaamheid in dienst van Lode- 
wijk XIV. De Louvre, die van hem den Overtocht van den Rijn, de In- 
neming van Maastricht, de Belegering van Dinant en den 
Stormloop tegen Valenciennes bezit, heeft van zijn jaren na 1678 niets 
anders meer dan de Belegering van Luxemburg in 1684 en die van 
Namen in 1692. Onnoodig te doen opmerken dat de laatste hem verkeerdelijk 
wordt toegekend, daar de schilder — ook volgens den Catalogus van den Louvre 
— den 15den October 1690 overleed en dus sedert twee jaar gestorven was, 
toen het wapenfeit zich voordeed. Waarschijnlijk werd het stuk vervaardigd 
door een zijner leerlingen, die trouw zijnen trant volgde. 

Men zegge wat men wille, de taak, die van der Meulen op zich had geno- 
men, was, van een zedelijk standpunt beschouwd, niet by zonder hartverhef- 
fend noch vereerend. De meeste overwinningen of innemingen van steden die 
hij te verheerlijken kreeg, keerden ten nadeele zijner eigen wettige vorsten en 
de rooftochten, waarop hij den grooten koning vergezelde, waren ondernemin- 
gen tegen zijne landgenooten. Onze koningen woonden niet in ons midden, zij 
waren nagenoeg vreemdelingen voor ons geworden; maar Lodewijk XIV kon 
tegen hun recht toch geen ander recht doen gelden dan dat van den sterkste 
en den zwaren last dier pleging van ruw geweld hadden burgers en boeren 
uit des schilders geboorteland te verduren. Hij was bijna in den toestand der 
van der Velde's, toen zij in den dienst van den koning van Engeland tra- 
den en op zijne vloot tegen die der Hollanders uitzeilden. Lodewijks verove- 
ringen waren wel niet erg bloedig; maar verwoesting op den akker, ellende 
in de steden, verarming tallen kante waren er toch de noodzakelijke gevolgen 
van. De koning en zijne troepen konden er heel schilderachtig uitzien in hun 
kleurig pak met al hun strikken en kwispels; de platgeloopen velden, de bescho- 
ten vesten der steden moesten dan toch een pijnlijken indruk maken op eiken 
Brabander, die niet alle gevoel van verwantschap met de geteisterde bevolking 
verloren had. 

Als schilder bezat van der Meulen een zeer wezenlijk talent. Zijn meester Snay- 
ers had hem het goede voorbeeld gegeven; deze wist de belegering eener stad 
of den tocht van een leger op te vroolijken en kleur te geven met op den voor- 
grond allerlei schilderachtige groepjes te scharen, die er hoegenaamd niet bloed- 
dorstig noch oorlogszuchtig uitzien. De belegerde stad wordt op het achter- 
plan geschoven, te midden van groene weiden, waar zij afgeteekend staat, meer 
als een stedeplan op een kaart dan als een machtige groep van gebouwen, die 
hunne nokken en torens tegen den hemel afteekenen. Van der Meulen had een 
gelukkiger opvatting. Op het voorplan is ook bij hem het bedrijvige en opgewek- 
te leven in vollen gang, de belegerde stad of de oprukkende troepen worden 
naar het achterplan geschoven en doen daar enkel dienst als toevallige bijzaken 
in het landschap en stoffeering van het tooneel. Bij Snayers ziet men, dat de 
episodes er moedwillig bijgebracht zijn als schermen om het tooneel te sieren; 
zij zijn heel mooi gedaan, maar blijven zonder verband met de dingen, die ginder 



220 ADAM-FRANS VAN DER MEULEN. 

ver omgaan en om welk het dan toch eigenUjk te doen is. Bij van der Meulen is 
er versmelting, harmonie van lijn en toon tusschen den voor- en den achtergrond, 
tusschen de gemoedelijke en jokkende personages van hier en de hoog ernstige 
en positieve dingen van ginder. Het heele tafereel wordt niet enkel een stuk uit 
het ware leven; het krijgt iets natuurlijks, iets genoeglijks, haast iets feestelijks. 
Zijne stoffeerende personages zijn daar dan ook niet omdat hij gedwongen was 
ze er bij te halen en spelen geen rol van nuttigheden; zij zijn er omdat zij er 
bij hooren, omdat zonder hen het tooneel niet volledig zou zijn; zij worden ge- 
kozen, geschikt, geteekend en gekleurd met een zelfde gemak, met een gelijke 
gesmijdigheid en behagelijkheid als alles wat van der Meulen penseelt. 

Men zie bijvoorbeeld het Beleg van Doornik door LodeAvijk XIV uit 
het Museum van Brussel of uit den Louvre. Op den voorgrond, rechts, een pa- 
ter vóór eene officierstent op een koffer gezeten, die zijn getijden leest; man- 
nen, die slapen; andere, die hun toilet of dat hunner paarden maken; hoefsme- 
den, die de paarden beslaan; soldaten, die kaart spelen, of drinken in het zon- 
neken of in de schaduw der hooge boomen; de schilder, die voor zijti doek zit 
te werken; kisten en pakken, over den grond verspreid; bontgekleurde tenten 
en nog bonter krijgslieden; uitgespannen wagens; in het verschiet troepen rui- 
terij, die in verkenning of om voeder uitgereden zijn en heel in den achtergrond 
de stad met hare vesten en torens, die samen met het landschap een rijke om- 
lijsting tot dit afgewisselde en drukke tooneel levert. 

In de schilderij uit de National Gallery, waarvan de afbeelding hierbij gaat, 
krijgen wij iets anders te zien. Tegen den kant van een beboschte hoogte en 
bij het ingaan eener vallei, die door kale heuvels is afgesloten, heeft eene koets, 
waarin een paar aanzienlijke heerschappen gezeten zijn, stil gehouden. De zes 
schimmels, die er voor gespannen zijn, staan rustig stil of trappelen van on- 
geduld; vóór hen liggen de jachthonden op den grond. Nevens het raam van 
het rijtuig staan twee ruiters in eerbiedige houding de bevelen der meesters 
te wachten; daar achter tal van jonge edellieden, te voet of te paard, evenals 
de andere personages niet in jachtkleedij, maar in lange pruik en stadsgewaad. 
De heeren in de koets zijn klaarblijkelijk van den hoogsten rang en naar het 
leven geconterf eit ; de paarden zijn prachtig van stal en uitvoering en ze zien- 
de begrijpt men dat Le Brun zich veel beloofde van van der Meulen's mede- 
werking; want het stuk dagteekent van vóór des schilders verhuizing naar Pa- 
rijs: „A. F. V. MEVLEN FEC. 1661 BRVXEL" staat er op te lezen. Het 
landschap is zoo licht weg en zoo behendig gemaakt, dat men er het werk 
van een man van het vak meent in te zien, en van der Meulen mocht wel voor 
zoo een doorgaan. Het is een aanvallig, schitterend tafereeltje met zijne hel- 
der glimmende paardjes en de heertjes fijn van kleur en penseeling. Het ver- 
kregen effect is buitengewoon decoratief, de schilder heeft het gezocht en ver- 
kregen met de figuurtjes van het voorplan vinnig te doen uitkomen tegen het 
gedempte achterplan en de vaalgrijze lucht. Al de hoedanigheden, die wij te 
loven hebben in van der Meulen's latere werken, vinden wij hier, hij wist 



ADAM-FRANS VAN DER MEULEN. 221 

reeds, toen hij nog in Brussel werkte, alles zoo te schikken dat het tooneel er 
bevallig en harmonisch uitzag. Hij was een geboren hof schilder en vóór hij de 
wapenfeiten van den vreemden grooten koning verheerlijkte, had hij de feest- 
bedrijven der heeren van het eigen land op prettige wijze afgebeeld. 

Hij neemt geen rang onder de groote meesters, zooals er in de eerste helft 
zijner eeuw hadden gebloeid; maar hij was hun kunstvaardige volgeling, die 
hun alle eer aandoet en die in het buitenland onze kunst deed hoogachten, 
wanneer zij ten onzent naar haar verval neigde en hier niet meer den steun 
en de waardeering vond, die zij in ruime mate aan het Fransche hof genoot. 








£^1/ 






Onder toezicht van MAX ROOSES werd door de 

UITGEVERS-MAATSCHAPPY ,,ELSEVIER'' UITGEGEVEN: 

^ HET SCHILDERSBOEK ^ 

NOORD- EN ZUID-NEDERLANDSCHE SCHILDERS IN MONO- 
GRAPHIEËN DOOR TIJDgÉnOOTEN, MET REPRODUCTIËN IN 
HOUTGRAVURE, AUTO- EN PHOTOTYPIE IN DEN TEKST EN 
MET ETSEN, PHOTOGRAVURES EN VOLBLAD-AUTOTYPIEÊN 
ERBUITEN. jfcjfcjfc^^jifcjfcjftjïj» 
ETSEN VAN PH. ZILCKEN. jfc jfc j* jfc j» jt jfc 
DEELEN J— 4 BEVATTEN DE BESCHRIJVINGEN VAN DE KUNST 
EN HET LEVEN VAN 48 HOLLANDSCHE SCHILDERS; DEEL V 
IS GEWIJD AAN DE VLAMINGEN, jt jfc ^ jfc ji j» 
PRIJS BIJ INTEEKENING / 22.50 PER DEEL, GEBONDEN IN 
LINNEN STEMPELBAND NAAR EEN ONTWERP VAN W. O. J. 
NIEUWENKAMP. — PRIJS PER DEEL AFZONDERLIJK / 24.50. 



GETTY CENTER LIBRARY 



3 3125 00448 8470 



/•;* 



,^../ 



'^A< 



•>;v"^.*;- 



V*-