Skip to main content

Full text of "Oud Holland"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



tm%M 




4» 



fli!,^VARD COLLEGE 
LIBRARY 



'■^- FROM THE BEQUEST OF 

t :|3^N AMORY LOWELL 

,*. CLASS OF 1815 



Il 



;# 



i« 



!$<> 



:^ 



&• •• ^ ^ 













i 



V 



; 



I 

1 



A 



OUD-HOLLAND 



1902 



.»•- _ 



1 



1» 



eUD^HOLLAND 

VOOR UE 

fSis&Jild^^^^ö^^r Nederlandsche Kunst, 
*■#■-*■•#■ ;ï: ^jg- ;j5: ;i| ; ^ 

■jn^m^^Mftnde, Nijverheid, enz. 



ONDER RüDACTIE 



... _^ i^"^. A. B R E D 1 li S 

W !%''*%■ '^'<t h'i-v.nii. K'.i-intl :v-T Sth-DWiJtti U ' < Graf 
•#■"*■. 

,&.,*„.&. ^- ^'^- i^ Ö E S 

:|-^lC;NTIGSTE JaaRGANG I9O2. 




FA 15.6 



JUL 23 1921*^ 



A^^ Ll < ]jQio.v:XK. (£4 V *.J<^ 



INHOUD VAN DEN TWINTIGSTEN JAARGANG. 



Bladz. 

Hendrick Heück, de uitvinder van de gierbrug, door H. D. J. van 

Schevichaven {Met een prent) i 

Jacob Koninck, door P. Haverkorn van Rijsewijk {Met faC'Similes) . . 9 

De oproerige bewegingen der kanonniers te Amsterdam in i 796, door H. 1 1 a 1 i e 16 
Een kaart van Delfland geteekend dqor Jacob van Deventer in 1535, 

door M. G. Wildeman {Met een facsimile) 59 

Barend Bispinck, medegedeeld door J. L. v a n D a 1 e n 63 

Bladvulling 64 

PlETER Jansz. Quast, door Dr. A. B r e d i u s {Met twee prenten en een facsimile) 65 

De confiscatie der goederen van Hugo de Groot, door Mr. G. M o 1 1 . . 83 

Jacob van Campen, door A. W, W e i s s m a n {Met een prent) 113, 154 

EiN unbeschriebenes Bild von Jan Gabrielsz. Sonjé, von Dr. T h. v o n F r i m m e 1 1 28 
Adriaen Banckert en zijn gevecht bij het eiland Hveen in 1659, door 

G. L. Grove 129 

Willem van de Velde de Oude, door P. Haverkorn van Rijsewijk 170, 225 

Utrechts Mariekerk, door Mr. S. Muller Yzn. {Met een plattegrond en een prent) 193 

De godsdienstige belijdenis van Jacob van Campen, den bouwmeester, 

door J. J. Graaf 248 



PRENTEN EN FAC-SIMILES. 



Bladz 
Hendrick Heuck en zijn vrouw Catharina Brouwers, naar een schilderij in den 

Louvre te Parijs tegenover i 

Faosimile van twee handteekeningen van Jacob Koninck 12 

^ der handteekening van Jacob van Deventer 62 

y, y „ ^ Gerard Dou 64 

Kaartspelende boeren, naar een schilderij van Pieter Quast tegenover 67 

Fac-simile der handteekening van Pieter Quast 70 

'Prins Willem II, spelend met zijn pages. Prent van Hendrick Hondius; naar een 

teekening van Pieter Quast 75 

Portret van Jacob van Campen, naar eene teekenii\g van Jan Lievens . tegenover 154 

De St. Mariakerk te Utrecht, naar een teekening van Domer • . . . tegenover 193 

Plattegrond van de St. Mariakerk te Utrecht 194 



BL AD W IJZER 

OVER DEN JAARGANG 1902. 



A. 

Aa (A. J. van der) 2, 3, 129, 

151, 152 

Aa (C. van dei^ 16 

Aa (Piieter van der) 122 

Adelaer (Ourt) 163 

Aerts (Norbertua) ... 167, 248 

Aken (D. van) 41 

Albemarie (Christopher 

Monk, Hertog van) 2^-1 

Abemarle (George Monk, 

Graaf van) 171 

Alberdingk Th^jm (J. A-) 

116, 167, 848 

Albersz. (Dirk) 73 

Alb recht van Beieren, 

88, 92, 1(77, 108, 110 

Alckemade (van) 248 

Alessi (Galeazzo) 125 

Allard (H. J.) 167, 248 

Amalia van Solms .. .126-^127 
Ampfiing (Samuel) 115; 116, 

118, 119 

Amstel'(Jan van) 175 

A n c h e r (A. J. M. Brouwer) 159 

Aritjtoteles 106 

Asam 78 

Ascue (G.) 2A6 

Au bert (And re as) 14, 15 

Avignon (Catharina van) 76 

Baccart 3 

Backer (Joris Jorisz.) ... 13 

Backström (P. O.) 131 

Banckers (Adriaen van 
Trappen gez.) ... 129 — 153 
171, 176-178, 18a, CLB4, 187—189, 

191 
Banckers (Johannes van 

Trappen gez.) 132 

Banckers (Joos van Trap- 
pen gez.) 132 

Banckers (Joos van Trap- 
pen gez.!)«Jr 138 

Barck (Jan van) 210 

Barmout (Johan van) 6 

Barneveld 33—35 

Baten (Jasper vanj) 164 

Beca (Johannes de) 224 

Becker (P. W.) 131 

Beckerath (A. von^ 79 

B eeck (Cornelis van der) 81 
Beeckman (Engelbert) ... 6 
Beeldsn^der ... 24,177,35, 40 
Beerstraaten (An t on i e)... 198 

Bemmel (A. vad^ 116 

Bennet (Dr. J. A.) 182 

Berckley (Lord) 238 

BerendsB. (Cliae«) 117 

Berendrecht (Willem van) 

61, 62 

Berendrecht (van) 97 

Berend (W.) 136 

Bergen (Jacob van) 188 

Beringzus (Yitus) 136 

Berry 177 

Beumer (ThomAsO ^^ 

Beurnonville (P. B.) 26, 50-52 



Bleker 41 

Binkes 30 

Bispinck (Barend) 63 

Bloem (MattheusO 80 

Bloemendael (Jan Arentz. 

van) 71 

Blomberg (van) 38,. 45 

Bloot (Pieter de) 66, 81 

Bleyenburgh (van) 212 

Blöenburg 26, 29, 52 

Boer (Laurens Cornelis z. 

de) 72 

Boer 32 

Boetzelaer (Pieter van 

den) 81 

Born (Ni col aes van) 73 

Bort 81 

Bosboom (Simon) 123 

Bosch (B. van den) 41 

Bosch (Jufitua van den) 214 

Boshuysen 130 

Both (Jan) 65 

Both van derEem 81 

Brakel (C. J. van) 41 

Brakfl (Jan vani) 177—179, 182 
Brandt (Gerard) 90—83, 99, 100 
Bray {Salomon de) ... 119, 124 

B:rederode 126 

Bredius (Dr. A.) 169 

Br een (Dr. J. O.) 169 

Brest (MaillaertO 13 

Breijer 211, 212 

Broeck (Hendrik Pde- 

teraz.) 13 

Bronckhovet (Jan Ger- 

ritsz. van) 113 

Brouwer (A dr iaën) 66, 68. 

69, 80 
Brouwers (Catharina) ... 7 

Bruinvis (C. W.) .167, 161 

B ru ynsz (JanQ 61 

BncheHua (Arnoldua) 196 

Buchell (Hubert van) 202 

Burch (L amber tus van 

den) 2(A, 206, 209, 224 

Butler (Thomas) 187 

Buytendyck (Gosuinus k) 63 

Bylert (Jan vanO 113 

Bylewerff 100 



Calepinus 106 

Camerarius (Adam) 80 

Camerling (Johan^ 96 

Camp en (Cornel'ia van) 

117, 118. 165 
Camp en (Geertruyd van) 117 
Campen Gerrit van) 116, 117 
Dampen (Jacob van) 

113—127, 154—169, 248 

Campen- (Jan vazió 245 

Campen (Jan Berendt 

van) 117 

Campen (MachteJi van) 

117, 118 
Campen (Margriete van) 

117, 248 
Campen (Nicolaes van) 

118, 121, 165 



Campen (Pieter Jacobs z. 

van) 117—119 

Campen (Willem vajg 117, 118 

Capoen (P.) .• 164 

Carelsdr. (T anneke) 11 

Castro (Alfonsus a) 106 

Catz {Boudewyn van.) 222, 223 
Chesterfield (Lord]) 233, 

234, 236 

Ch ewoschinsky 76 

Chiceley (J.) 187 

Cicero 106 

Clarke 234 

Claesdr (Gerritgen) ... 117, 118 

C lementa (Piet er) 11 

Clowes (Laird) 171. 175, 176, 

189, 228, 237 

Codde (Pieter) ...80, 81 

Coelenbier (Jacques) 124 

Coenders (Rudolf) 171 

Cokken gen (vani) 212 

Collard 42, 46, 48 

Colvina (Audreas) fö 

Coninck (Jan de) 80 

Conrad, Bisachop van 

Utrecht 195, 208 

Cool (Johan) 10—12, 14 

Coomana (Willen^ 70 

Ooornaert (Pauwels) 69 

Coornhart (B.J 185 

Cornelisdr. (Jannetj ej) 12, 14 
Cortenaer (Egbert 

M eeuwsz.) 246 

Cotermans (Apollonia) ... 11 
Co ter mans (Catherina) ... 11 
Cotermans (Jan Jacobs z.) 11 
Cotermans (Maria 

Jan sdr.) ...^ 9—11 

Cox (John) 178 

Coyet (Petrus Julius) 

146—149, 151 
Coymans (Balthasar) 11&--121 

Craen (Laurens) 31 

Craesbeek (Joost) 66 

Cramereyns (Maria) ... 9, 12 

Cranen (Theodorus) 6 

Croll (Jacob) 202 

CTomhaIch (Allart) 158 

Cromhout (Nicolaes) 100 112 
Crommon (Gerard't) ... 100, 112 

Croock (Cornelia) 81 

Cruyff (Willem) 158 

Cruys (G.) 47, 48 

Crynen (Arnold) 7 

Cuper (Maillart) 2i0 

Cuyck (Joost Michielsz.) 178 
Cuyïenb'urgh (Willem 

van 187, 188 

Ouyp (Benjamin!) 14, 74 

Cuypers (Jos.) 195, 206 

D- 

Daey (Maerten Pietersz.) 80 

Dahl (WerneiO 75 

Dalbeny (Susan na) 14 

Dalen (J. L. van) 9 

Dallaway (James) 172,173 

Danckerts 120, 156 

Dapper (Olfert) 166 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1902. 



Dartmouth (Lord) ... 237, 238 

Dedel*(Johaa) '. 100, 112 

Dedel 115, 160 

Delarof f 77, 80 

Demosthenes 106 

Des Ardena 176, 187, JI26 

Deventer (J ac o b van) ...5^—62 

Biepraem ^rent) 66 

Diepvest 34, 38 

Dierèout 90 

Digby (Fv.b 178 

Dinteren (van) » 220 

Dionys (Anthonie) 168 

Does (J. van der) S6 

Doe tsch 78 

Domse^er (Tobias) 121 

D oome^Lambert) 196, 201 

Dou (Gerard) 64 

Doublet (Johan) 98 

Dozy (Mr. Ch. M.) 78 

Droste (Goenraet) 136 

Druyvesteyn (Gerrit van) 70 

Duck (Jacob Az.) 77 

Duquesne 176 

Duras (Louisö 254, 255 

Dury 42 

Duvignon (Jean) 81 

Duyfhuysen (Jacob) 92 

Duyndam (Corneliö Hen- 

dricksz) 124 

D uyv«n voorde (van5 90 

Dyckemans (Jacob) 73 

E- 

Eichhorn (Daniël) 155 

Elsevier (Louis) 91,104 

Elzevier ^77 

Embden (van) 206, 206 

Engelen (E. van) 209 

Engert 34, 58 

Erp (van) 5^ 

E« trees (Jeau Gom te u) 

176, 177, 187—189 

Evelyn . 2», 237 

E verding en (Caesar van) 158 
EViertsen (CoTn^eris) 176,246 
Evertsen (Jan) ... 17J, 246, 246 

Evertscn 231 

Everwijn 54 

Eyck van Zuylichem 

(Mr. F.) 2C5 

Eynden (R, van) 68 

F. 

Feversham (Lor^ 254, 235 

Finch (W.) 188 

Floris de Zwarte 196 

Foeyt (PeteiO 210 

Foreest (C van) 41 

Foss (Harald^ 15 

Franken D z. (D.) 66 

F r e d e r i k III, Koning van 

Denemarken 142, 152 

F red e rik II, Landgraaf 
vanHesse n-H o m b u r g 148 

150, 151 
Fr ed er ik Hendrik, Prins 
van Oranje ... 98, 100, 125, 

124, 126 

Frederiks (P. J.) 116, 118 

Jt'ridericia - 151 

Frimmel (Dr. Theod. von) 128 

Fruin (R.) 136 

Fuerstenberg 75 

G- 

Gabaret (J.^ 188 

Gaillard (Anthonie) 80 

Galen (Jan van) 156, 159 

Galland (G.) 159 

Garde (H. G.) 130, 151 

Geeltjes (F.) ^ 50 



Geleynse (Gillis) 247 

Gerritsen (H. Ph.j| 74, 75 

Ghent (Willem Josephus 

van 172, 176-184,. 186 

Gigas 147 

GiUisdr. (Sara) 91, 104 

Glaude (Joria) 71 

Giovlers * 252 

Goes (Adriaen ran der) 96 

Goes (Baron de) 147 

Gonnet (O. J.) 160, 169 

Gouda (Herman van<) 202 

Goud stikker 77 

Goyen (Jan van) 79, 80 

Goyer (Dirck de) 221 

Graeff (Coruelis de) 161 

Graeff (de) : 10 

Gregorius VII, Paus 195 

Grancy (de) 187 

's-Gravesande (Arent van) 

123, 167 
Gr e viel (Fe r di nan dus) ... 69 
Groenewegen (D. C o r- 

stiaien»'7. van) 97 

Groninigen (B. yam) 30 

Groot (Dr. C. Ho is t ede d^ 
1, 75, 76, 78, 116, 128, 193, 

198, 206, 234 

Groot (Hugo de) 85—112 

Groot (Jan de) 96 

Groot (Willem deO 86,88, 

96, 97 

Gyllengranat 131 

Gijn (Mr. S. van) 129 

Gysbert (Herman) 117 

H. 

Habich 79 

Hackaert (Joh. 14 

Hackaert (Susanna) 7 

Haen (Jan de) 176, 179—184, 

188, Idl, 225, 251, 246 

Haen (Johan d«) 87 

Hagelbeer (Germer GaL 

t usz. van) 156 

Hake (Peter) 143 

Halewat (Aris Hen- 

drick8z.D 82 

Hall (Mr. Maurits Corne- 

lis van) 22, 57 

Hallet 247 

Hallingh (Johan) 84—87, 

90, 91, 97, 100, 101, 104 

Hallingh (Pieten) 87 

Hals (Dirck) 78 

Hals (Frans) 66, 81 

Hamel (Jofaann Georgi) ... 150 

Hardenberg '. 29 

Harman (John) 176—178, 

181, 185, 184, 187 

Hartevelt (Adrianus) 41 

Hartman (Abriaham) 7 

Hartsoeker 80 

Hasselaer (Pieter Pie. 

tersz.) ., 121 

Hauzeur de Simony 76 

Heemskerk (Laurensvan) 172 

Heereman (GlaeieO ^^ 

Heereman (Geertruyd) ... 2A8 
Heereman (Geertruyd 

Margaretha) .'. 248 

Heereman (JacobO 248 

Heereman (Jan) ... 116, 117, 168 
Heereman (Margrieta 

Gerarda) 248 

Heereman (P i e 1 f 1 248 

Helsdingen (Elbert van^ 210 

Helsdingen* ....„ 30 

Helst (Bartbolomeus van 

der) 1 

Hendrik V, Keizer 208 

H e n d r i e k s z. (A n t h o n y) 

91, 104 



Hess (Joa-chim) 158, 159 

Heuck (Geertrudd) 7 

Heuck (Eva) 7 

«Heuck (Hendrick) 1—8 

Heuck (Joachim) 7 

Heuck (Johan) 5 

Heuck (Maria) 7 

Heuck (Susanna) 7 

Heyden(OorneliBvandeF)22l 

Hjörring 155 

Hoeckwater (Crispyn.) 

%jfi 251 252 

Hoeucke (Willem) ....! '. 2 

Hoelscher 78 

Hoen (Govert 'b) 171 

Hoeat (Jan de) 82 

Hogendorp (van) 97 

Holberg 151 

Hollis (Tretchvil) 177. 178 

Holmes (A.) 175 

Holmes (Robert) 171—175, 

177, 186 
Hondius (Hendrdck) ... 88, 74 

Hooft (Jacob) 248 

Hoof t (Ledewyn a) 248 

Hooft (Pieter Oornelisz.) 

• 162, 169 

Hooft (Reynier) 248 

Hoofferbeets (Rombout) S7 
Houbraken (Arnol/dD 66, 
115, 115, 118, 119, 122, 128, 

159, 160, 165, 242, 243 

Houck 78 

Houd't (G. van. der) 11 

Houve (van der) 59 

Howard' (Philip,) 172 

Hulsebosch (Harmanus 

van Ledden) 47 

Hulst (Abraham van der) 246 

Hulst (Eva) 164, 165 

Hunneme\jer 59 

Huygens (Constantyo) 

116, 118, 122—124, 126, 127 156, 
160, 162, 166—168, 198, 201, 248 

|. 

Ilchester (Lord) 77 

Isselt (M. ab.0 22Ö 

J- 

Jacob n. Koning van En- 
geland 174, 175—186, 
225-^0, 233—256, 238; 259, 

241-^1^, 246, 247 

Jacobsz. (Jacob) 12 

Jacobson 76 

Jansz. (Haveck) U 

Jansz. (Pieter) 161 

Jennings (William) 172 

Joan Maurits vao Nas. 

sau 122, 126 

Johnson (Nils) löi 

Jolles (R. A.) 45 

Joncourt (de) 74 

Jong (Adriaan de) 215, 214 

Jonge (D. deO 96, 97 

Jo n ge (Jh r. J. K. de) 129—151, 

153, 142, 144, 10e, 189 
Jongeneel de Jonge (G.) 

91, 92, 104, 105 
Jongh van Hedikhuv^en 

(J. de) .'. 41 

J o r d a n ( J o s e p h) 176, 181, 

183, 184 
Justinus Martyr 106 

K- 

Karel V, Keizer /. 94—96 

Karein, Koning van En. 
jreland 176, 184—186, 

225—250, 255, 254 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1902. 



III 



KarelXGustaaf, Koning 
van Zweden 133 — 135, 144, 

147—149, 151 

Kauffmann 77 

Keilen (J. Ph. van der) ... 74 
Kellenaer (Pieter Hen- 

dricksz.) 91, 92, 104, 105 

Kempthorn (John) 176, 179, 

181, 185, 184, 187 

Kent (Graaf van) 240 

Key (Lieven de) 122, 124, 

125, 168, 169 
Kevser (H end riek de) 121, 

122, 156, 162, 168, 169 

Kevser (Pieter del) 156 

Keyser (Willem de) 155, 

164, 165 

Kick (Cornelie) 80 

K i n t (L e o n a e r t J a D 8 z.^ 91, 104 

Klemming 144 

Knaua 77 

Knibbergen (FranQois) 69 

Koninck(Aert de) 10, 13 

Koninck (Daniel dé) 13 

Koninck (Elisabeth) 9 

Koninck (Jacob) 9 — 15 

Koninck (Jacob) Jr 16 

Koninck (Philips de) 12, 13 

Koopman 24,28 — 30 

Koudacheff 76 

Kramm (C.) 76, 82, 116. 159 

Kroon (A. W.) 162 

La Corte (A. de) 1S2 

Laere (van) 2-15 

La Lam (Jean^ 6 

Lange (Petrus d ej 133 

La n g enhoven (Johan van) 81 

La Rabinière 176 

Law (Ernestf 173, 174, 182, ^ 

185, 242 

Lawson (J.) 246 

Leeuw (van der) 41 

Leeuwen (BalthasarvanO 97 

Lemker (Wed. Mr. F.) 246 

Lenglart 75 

Le Neve 177 

Lennep (Jacob van) ... 116, 195 

Le R07 (Andrieaj) 10 

L e V e n a e r (G e r r i t J a n s z.) 175 
Liefde (Johan de; 176,178—184, 

191 ^16 

Land (H. D.) 13o! 131 

Lippmann 78 

Lodew\jk XIV, Koning 
van Frankrijk ... 190, 176, 

185, 241 

Lokhorst (J. N. van) 203 

Long (Isaac le) 197 

Lorrain (Claud e) 65 

Lutma 156 

M. 

M aarsenbroeck 220 

Madsen (Ivarl) 15 

Malse n (C o melis van) ... 210 

Manley (Roger) 134 

Maria van Est e. Konin- 
gin van Engeland 228 

Maria Stuart, Prinses 

van Oranje 226—233, 237—241 
M artsen de Jonge «(Jan) 76 

Mattheus (Pieier) 70 

Matthy^, Bisschop van 

Biduaen 216 

Matthysa. (Jar) 188 

Matthysz. (Matthys) 14 

Mfvtthysz. (Pieter)' 158 

Maurits, Prins van 

Oranje 86,89,156 



Mayer (DirckO 133 

Meer (Abraham van der) 

100, 112 
Meerle (Govert Hen. 

dricksz. van) 69 

Melque (Jannetgen) 64 

Meppel (Jan Cornelisz.) 

171, 174 

Meruia (Paulus) 106 

Meyster (EverardO ... 127, 164 

Michiels (Pieter) 155, 167 

Mierop (Johan van) 81 

Mille (Jan vaci) 163 

Moes (E. W.) 14, 237 

Monchen 77 

M o n ra o u t h (H e r it o g v a n) 236 
Monter ev (Hertog van) 

190 191 

Moor (David de) .'. 13 

Moritz (Nicolaus Ohris- 

tian) 15 

Morsing (Peter) 143 

Muelen van Oud-Broek- 

h u y 8 e n ( W d 1 1 e m van 

der 204 

Muller (Frederik) 182, 183, 

244—247 

Muylties 77 

Muylwyck (Willem van) 

100, 112 

Muyshout (Barbara) 12 

Myngs 246 

Mynsingerus 106 

N- 

NaeranuB (Isaac) •.... 95 

Naiveu (Matthys) 64 

Napoleon I 205 

Nassau (Amalia van) 186 

Neostadius (Corneliur*^) 106 

Nerven (van) 164 

Nes (Aert van) ... 181—184, 191 
Nes (Jan van) 174—177, 

179—184, 191 

Nicasius (Lenaert) 161 

Nispen (Pieter van) 71 

Nissen (Henningj) 38 — 40 

Nolpe (Pieter) 6b 

No vak (L V.5 128 

Nijenhuis (Bodel) 182 

Nyenrode 224 

Nyerup (R.) 131 

Nypoort (van der) 22l; 

Nys (Alezander de) 71 

O. 

Oldenbarneveddi (Jan) 

van) 87, 93 

Oly (Jan Volck) 175 

Ormea (Scipio) 161 

Ormond (James Butler, 

Duke of) ...235,236,259—241 
Oseory (Jamee Lord).. 235, 236 
Ossofy (Thomas Earl o£) 

186, 187, 192, 227 
Ostade(Adriaen van) 66, 77 
Outhoff (Paulus Pie- 

tersz.) 81 

Overmeer (van) 212 

Oxenstierna (Eric Garis- 
sen) 144 

p. 

Palamedes z- (Anthonie) 

77, 80, 81 

Pallade (Johan) 7 

Palladio ( A n d r e a) 119, 120, 

' 121, 126, 165 
Pa Handt (Barones v au) 244 
P'apendorp (van) 212 



Ptlques 75 

Pearce (George) 178 

Peckiufi (Petrus) 106 

P ei n V 78 

P-eltzer 75 

Penn (Sir Willian^ 246 

Philips IV, Konrng van 

Spanje 147 

Plato 106 

Ploos van Amstel (Oor. 

nelis) 74, 75 

Pockszen (Johannes) 150 

Poll (Herman van d^ 210 

Poll (Johan van de) 224 

Poortugael (denBeei|)33, 35 
Portland (Hertog van) ... 234 

Post (Jan Jansz.) 122 

Post (Pieteij 122—124, 126, 

169, 160, 162, 163, 165, 166, 169 

Pottere (Jacob de) 210 

Prouning (Jacob) 95 

Pufendorf 134 



Q 



Quast (Gonstantia) 69 

Quast (Pieter Janez.) .. 65^—82 

Quellimue (Artus) 159, 164 

Quellinus (Hubertus) ...164 

R- 

Rademaker (AbrahamO 160, 197 

Raephorst 97 

Ranke 235 

Rapho en (Joan) 80 

Rawlinson 186 

Rembrandt 14, 74, 80, 81, . 

113, 114 
Renesse (Oonstantqn Jer 

cub van) 81 

Renial'me (Johannes de) 81 
Repelaer van Driel (Jhr. 

van^ 64 

Reygersberch (Maria 

V a n) 84, 87—90, 9Q^-m, 97—101 

105, 107 
Reygersberch (Nicol&es 

vani) 88, 92, 94—97, 99, 105 

Riet (Henrick van) ?10 

Robert, Graaf van de 

Paltz ... 171, 105—191, 222, 246 

Roelofswaert (B.) 24 

Roeter s (Joan) 81 

Rogge (Go melis} 16 

Rooseboom 10 

Rosa (Henrick) ...88,91, 94 

Roukens (Johan) 7 

Rouwbergen (Gaspar van) 70 

Roven (Servaas van^ 15 

Ru e (P. de la) 153 

Ruel 164 

Ruempst (Aleyda van) ... 222 
Ruisdael (Jacob van) 65, 128 

Ruyter (Engel de) 178 

Ruyter (Michiel 

Adriaensz. de) 152, Ü71, 
174, 176— ]31, 183—191, 228, 

d16, 247 

Ryck (JAcob die) *. 210 

Ryckaert (David) 76 

Ry n (Jan Dani el van) 177 

R\jsew^k (P. Haverkorn 

van) 78 

S- 

Saenredam' (PieteiQ 1^> 

193, 196-302, 206, 206 

Saftleven (Gornelis) 66 

Sambeeck (Maria van) ... 221 
Sandwich (Edward Mon- 
tague, Earl of) 176-479, 



IV 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1.902. 



Santen, (Cl. van) 71 

Santvliet (Cornelisvani) 82 

SantToort 82 

Savry (Salomon) 68 

Scamozzi , ^ 161 

Schadenbroick (Joachim 

van) 210 

Schaep 10 

Scharff (VVessel^ 20 

Schenk (Leonard) 160 

Scheurleer (D. F.) 130 

Schoeff 77 

Schönborn 80 

Scholier 15 

Schonat (Hans WoHf) ... 158 
Schram (Volckert) 176, 179, 

180, 183, 188 
Schrevelius (Tbeodorus) 

115, 123, 127 

Scorel (Jan vanj) 202 

Seghers (Hercules) 80 

Seme.now 76 

Seneca 94 

Serrurier (L. P.) 197 

Servaea 220 

Severyn 184 

Siccama (L. C. Hora) 205 

Sioersdma (A.) 159 

Smyth 171 

Snoeck (Ddrk van der) 61 

Sörensen (S. A.} 131, 147 

Soestdyck (van) 212 

Sonjé (Jan Gabrielsz.} ... 128 

Soop (Floris) 80 

Sorgh (Hendrick (Maer- 

ten8z.f) 66 

Soto (Dominico) 106 

Spaeroogh (H armen 

Claeia.) 80 

Spakier 33 

Splinter (Annetje) ... 6i9, 70 
Spragge (Edwardj) 176, 179, 

181, 182, 186—190, 226 
Spreeuwen (Jacobus van) 74 
Stalpaert (DaniëlD 123, 

164, 159, 163—166, 169 

Star (Enno Doede») 176 

Steelink (Wilm) 206 

Steen (Janj 66 

Stellingwerf! (Auke) 246 

Stellingwerf! (Jy) 197 

Stern 78 

Stevin (Simon) 106 

Stolpe 143 

Straatman 45 

Stryen (Judryn vanO ' 96 

Sweelinck (Dirck) 158 

Sweerg (iBaacö 176, 176, 

178—194, 191 

Sylla (Laurena de) 84, 87 

Sypenesse (Jacob van^ 221 

T. 

Tedin^h van Berkhout 

(Adriaen) 88, 91 

Tekelenburg 34 

Telghuizen (Lambert^ ... 82 

Temminck (T. M.) 41 

Tempest (John) 188 

Temple (William) 5, 175 

Tenier» (DavidÖ 66 

Tentjs 146 

Terlon 134 



Tersyden 64 

Terwesten (Pieten) 128 

Tesaelfichade '(Maria) 118,158 

Thucydidea 106 

Thurloe (John) 151 

Tob i as (Thomas) 251, 232 

Toulia (Thomas) 188 

Tourville 176 

Tjalingii 27, 34, 35 

Tornquist 131 

Tresel (Daniël) 92 

Trissino (Giangiorgi o) ... 120 
Tromp (Oornelis) 171, 172 

174, 186—189, 191, 246, 246 
Tromp (Maerten Har- 

pertsz.j 129, 159 

Tu rek (Jacob Jansz.) 168 

Tyddiman (Th.) 246 

u. 

Udemans 229 

Unger(J. H. W.) 117 

Uwens (Jacob) 5 

Uylenborch (Gerrit) 82 

üytenbrouck (Wille- 

boort) 61, 62 

V. 

Valckenier (Jacob) ... 12, 13 
Veder (Mr. W. R^ 169, 175, 244 

Veegens (Mr. D.) 126, 127 

Velde (Adriaan van da) 

176, 243 

Velde (Sara van de) 176 

Velde (Willem van de) de 

Oude 170-192, 226—247 

Velde (Willem van de) de 

Jonge 173—175, 186, 186, 243, 244 
Velde (Willem van de) de 

Jongste 243 

V eltman (Hendrick) 8 

Ven (E. van deö 164 

Ven (J. van der) 70, 71 

Venne (Adriaen van de) 68 
Vennecool (Jacobua) 164—166 

Vereui 35 

Verhey (J.) 73 

Verhulst (Rombout) 169, 

164, 168 

Versteegh (Dirk) 36,46 

Verstolkv^an Soelen (Ba- 

ro») V 244 

Vertue 186 

Veth (G. H)^ 63 

Victoria, Koningin van 

Engeland 173 

Vinckenbrdnick (Alber- 

tua) 166, 157 

Visconti (de Mrlan) 212 

Vingboons (Philipi^ 123,162 
Visscher (Grietje (Pie. 

tersdr.) 117 

Visscher (Roemerj 117 

Vitringa (C. L.) 16 

Vliet (C.) 71 

Vlugh (David) 180, 181, 184, 188 

Vlugh (JanO 183 

Vollen hoven (Mr. H. van) 85 
Volmaryn (Cryn Hen- 

dricksz-«) 64 

Vondel (Joost vanden) 

116, 123, 127, 159, lb8 



Voogt (dei) 86 

Vos (Jan de) 124 

Vos (Philip deü 166,157 

Vries A z. (Mr. A. D. de) 12, 69 
Vries (Tjerk Hiddesz. 
de) 171 

w. 

Wachtelaer(Johan) ...221,222 

Waerden (Joris van) 82 

Wallensbeckius :(Henri- 

cus) ". 134, 135 

Wal po Ie 172, 186, 243 

Warmenhuysen (J. A. van) 

91, 107 
Wassenaer (Jacob van) 

136—139, 142, 145, 146, 246 

Watierworth 178 

Weber 75 

Weede van Dökveldi(Eve- 

rard van) 204, 214, 220 

Weede (Floris van) 210 

Weisflenbruch 205 

Wesenbecius (Matthaeus) 106 

Wesendonck 78 

Westrin (Dr. Th.) 148 

Weyerman (Jacob (Jam- 
po) 113, 115, 118, 122 

Wielant 106 

Wilde (George Hendrik 
de) 24, 26, 27, 29, 33—36, 43—47, 

57, 58 

Wilde (d«) 246 

Willem n, Graaf vanHol- 
üand, Roomse h K o n i n g 

198, 223 
Willem I, Prins van 

Oranje 74, 76 

Willem I, Prins van 

Oranje 159 

Willem n. Prins van 

Oranje 74, 75 

Willem m, Prins van 

Oranje ... 182, 184, 228—233 

236—243 
Willem V, Prins van 

Oranje 74, 75 

Willem, Graaf van Nas- 
sau 86 

Willigen (van der) 68, 119 

WilloQghby 178 

Wingendor'p (G.) 2 

With (Witte C'ornelisz. 

de) 130, 246 

With (Jacob de) 5 

Woermann 128 

Wol!f (Jacob Willemsz. 

de) 185 

Woltmann 128 

Woortman (Mattheus) ... 74 

Wynants (Dirck) 165. 157 

Wyngaerden (Johan van) 

100, 112 
Wynter (Oornelis) 210 

Y. 

Yvoy (Baron d') 214 

z. 

Zeeuw (Pieter de) 213, 214 

Zeiler (Johan van) 5 



l* ■ 









- ^"I 



«r « « i« •» 



"•F >»• 



Iffii <^4t-:- ■II.A 



l ililliltiCK HEUCK, 

<:;!" j3imwlv=i>ER VAN DE GIERBRUG, . 

% DOOR 




■^.;^.:ii VAN SCHEVICHAVEN. 



IJ )ï^s^|óheid, dat het Taal- cii Letterkundig Congres te 
"S^f»--^*' gehouden '.verd, in den nazoir.erwui 1901, deelde 
i^-4''É"C- HoFSTEnK DE Groot mtj mede, dat er in de 
•aw^riSte Parijs, een schilderij hangt (Coll. La CAZEno. 68), 
"^s^even aan BARTHOLOMEUS VAN DEli HÉLST, 't welk 
i^cSorteidp dat dei. uitvinder \ au de^ïerbug mo^st 

^ ^ j^ 'Wé^W'Wf *1P f^^'W* 



:^ 



w*i 



^ .f» .«^ «U .5.» <^ .«s? -JtJ .«^ 
.^ .J« •*• 



«* 



2 HENDRICK HEUCK, DE UITVINDER VAN DE GIERBRUG. 

van dat vaartuig en zijn vrouw. Het geluk is hem gunstiger geweest dan dengenen 
die het schaatsenrijden bedacht, aangaande wien KLOPSTOCK zegt, in zijn ode 
aan die kunst ,, Vergraben ist in ewige Nackt der Erfinder grosstr Name su 
ofty De naam van den uitvinder der gierbrug is bewaard gebleven. Hij 
heette Hendrik Heuck. 

De belangrijkheid eener uitvinding laat zich het best afmeten, door terug 
te zien naar de toestanden waarin zij verbetering bracht. Het veer over de Waal, 
van Nijmegen op Lent, werd in het midden der 17e eeuw bediend^ door een 
paar zeil- en roeiponten, benevens een vrij groot aantal roeibootjes. Aan klachten 
over afzetterij, onwilligheid en andere onaangename behandelingen door de veer- 
lieden, ontbrak het niet. Daarvan getuigen tal van raadsbesluiten. Men was 
dan ook in 1648 omgegaan met het plan om een vaste brug te leggen, maar 
ook dat had groote bezwaren. In dien staat van zaken bracht Heucks uitvinding 
een verandering. Zij was het ei van Columbus, dood eenvoudig in haar theorie. 
De stroom stuwde het geankerde vaartuig voort, en door middel van een roer 
werd het van den eenen oever naar den anderen gedreven Een aanzienlijke 
oppervlakte werd verkregen, door twee vaartuigen aaneen te koppelen en met 
een planken vloer te bedekken. Het was geen geringe verbetering, en hoe de 
wereld haar waardeerde, mag men afleiden uit den naam die de nieuwe brug 
ontving. Het sobere Nederland was tevreden met ,,gierbrug,*'zooals de uitvinder 
haar genoemd had ; voor de meer tot overdrijving geneigde naburen werd zij 
een fliegende Brücke, pont-volant, flying-bridge. 

Van den persoon in wiens brein deze uitvinding geboren werd bestaat een 
portret in zwarte kunst, uit het midden der zeventiende eeuw, door G. Wingendorp. 
Heuck is daar voorgesteld omgeven door een krans van speren, harnassen, 
strijdaksen, pijlkokers en ander krijgstuig, afgewisseld met schenkkannen en 
schotels. Deze bijzonderheid wordt medegedeeld door van der Aa in zijn 
Biographisch Woordenboek, doch daartoe, en tot de opmerking dat Heucks 
spreuk was „Selden Onberispt," bepaalt zich dan ook alles wat daar omtrent 
onzen uitvinder ten beste gegeven wordt. Iets meer aangaande zijn levensloop 
kan bijeengegaard worden in het archief van Nijmegen, de stad zijner inwoning. 

De geslachtsnaam Heuck komt daar reeds voor op de allereerste blad- 
zijde der Burgerboeken. Daar leest men dat AVlLHELMUS HOEUCKE het burger- 
schap verkreeg in 1337. ^^ dezen werd dit voorrecht in den loop der eeuwen 
nog^ door verscheidene andere personen genaamd Heuck verkregen, doch van 
geen hunner schijnt onze Hendrik een afstammeling geweest te zijn. Vermoedelijk 
was hij een zoon van dien koopman HENDRIK Heuck, die om het geloof uit 
Roermond geweken, den 13^° November 1616 tot Nijmeegsch burger aangenomen 



HENDRICK HEÜCK, DE UITVINDER VAN DE GIERBRUG, 3 

werd^ met zijn elf kinderen, en wiens tweede zoon HENDRIK heette. Zoo Iaat 
het zich verklaren dat zijn naam niet aangetroffen wordt in de Nijmeegsche 
doopregisters die met het jaar 1608 aanvangen. 

iTusschen 163 1 en 1654 komt onze HENDRIK Heuck meermalen voor in 
de raadsignaten : bij de boedelscheiding van zijn oom JOHAN ; als curator van 
een krankzinnige nicht, weduwe van den stadsrentmeester Baccart; ineeneisch 
om schadevergoeding tegen een schipper, wegens een partij verongelukte Spaansche 
zeep ; in een quaestie van betwist recht van weg ; als schuldeischer van de stad 
voor een bedrag van f 147 aan levensmiddelen, uitgereikt aan de bewoners van 
het naburige Oosterhout, bij gelegenheid van een dijkbreuk. In 1649 bezat Heuck 
een huis aan de Kannenmarkt, welks huurwaarde was aangeslagen op 100 gl., 
en dat dus een kapitaal huis moet geweest zijn, vermoedelijk de tegenwoordige 
Maas en Waalsche Bank. Van luitenant der hopmanschap van de Markt, waarin 
zijn huis stond, werd hij in 1654 bevorderd tot hopman. In 1656 kreeg hij 
verlof een tuintje te mogen aanleggen en met boomen beplanten, aan den voet 
van den stadswal, van de Mezekouw tot aan de St. Joristrappen, en in 1661 won 
hij een verzilverden degen, bij het prijsschieten der doelisten op den Mariénburg. *) 
Welk bedrijf Heuck uitoefende in al die jaren, is niet te vinden. Alleen blijkt 
het dat hij op den 6« Januari 1638 verkozen werd tot meester van het schippersgild. 

Op eens, als Minerva uit het hoofd van Jupiter, springt de gierbrug vaardig, 
volledig en reeds in het bezit van haar naam, uit zijn brein te voorschijn. Wij 
vernemen niets van proefnemingen. 0p den 2%^^ Febr. 1657 deden eenigeheeren 
gecommitteerden uit den raad, rapport dat zij in conferentie geweest waren met 
den hopman Heuck, yfiver het telgen ende qebruycken van een gier brugge over 
de Waelir Hun rapport was gunstig, weshalve zij geautoriseerd werden, y,om 
hetselve werck finalick te sluyten," en een accoord te maken met den uitvinder, 
aan wien de exploitatie er van werd verpacht Het tot dien tijd toe gebruikte 
veer was ao 1656 verpacht geweest voor / 1643; Heuck kreeg de pacht uit de hand 
voor / 1600. Geen spoor van eenige belooning voor de uitvinding leveren onze 
bescheiden, evenmin nam HEUCK een octrooi daarvoor. 

Den 30 April 1657 lag de brug reeds. De vroegere veerschuiten plachten 
af te varen van den voet van den Lindenberg, nabij het Oosteinde van de stad, 
opdat de schuiten, door den stroom afgedreven, niet al te ver beneden Lent 
zouden aanlanden. Bij de gierbrug, die geankerd lag, bestond daarvoor geen gevaar. 



1) Het conterfeitsel waarvan van der Aa gewaagt, werd misschien kort na deze gebeurtenis vervaardigd. 
De krans tooh die daar Heucks gelaat omgeeft, met syn combinatie van krijgs- en BaccbanaUsche emblema n 
roept weelderige drinklagen van feestvierende schutters voor den geest, «hun troniön gloeiende van den 
Rinschen wijn." 



4 HENDRICK HEÜCK. DE UITVINDER VAN DE GIERBRUG. 

weshalve zij verder stroomaf gelegd werd, ter plaatse waar z\] thans nog altijd 
afvaart. Dit punt was verkieslijker, omdat het zich meer in de natüjheid bevond 
van de woonplaatsen der brouwers en andere kooplieden, op de Lagemarkt en 
.n de omliggende straten. Misschien deed de gierbrug aanvankelijk de overtocht niet 
zoo periodiek en geregeld als tegenwoordig^, althans de raad bepaalde, 4 Juni 1657, 
dat er y^M gerUff van den nysende man, ende tot bevordering van de commereu 
ende coopmanschaff\ in het veer steeds een schuit gereed moest liggen. Ook 
kreeg Heuck een klokje van de stad te leen, dat vroeger op de St. Stephe.nspoort 
had gehangen, om het vertrek van de brug door luiden aan te kondigen. ' 

De veerlieden van het oude zeil- en roeiveer waren nu hun broodwinning 
kwijt, want alleen Heuck, als pachter, had het recht passagiers over te zetten, 
maar het vaderlijk bestuur trok zich hunner aan, en bepaalde, in 1657, weer in 
1662 en nogmaals zelfs in 1667, op voorstel van Heuck, dat zij bij het verlaten 
van hun betrekking, die een stads*aanstelling was, hun tractement van f 40 
'sjaars zouden blijven genieten, totdat zij een anderen dienst konden vinden. 
Maar daarvoor moesten zij dan ook zorgen dat yjin alle voorkoiptende nooden 
zooveel doenlijk^ w as, „A gierbrug tot gerief van passanten bruikbaar gehouden 
wèrd^\ alsmede hopman HeüCK en diens lasthebbenden in alles gehoorzamen» 
tegen genot .van 12 strs. daags, met de bedreiging van ontslag, in geval van 
onwilligheid. 

Den i«n Februari 1659 werd de gierbrug voor het eerst publiek verpacht, 
en weder werd Heuck de pachter; ditmaal voor zes jaren, tegen /2500'sjaars 
Het veergeld bedroeg toen 4 d. per persoon ; i st. voor een ton bier ; 4 d. voor. 
een ledige ton en een halve stuiver voor een zkk koi-en. Meer wordt niet opge- 
geven, maar dat Heuck vaak moeite had te krijgen wat hem toekwam, blijkt 
uit tal van gevalletjes waarbij de hulp van den raad werd ingeroepen. Oni 
daaraan een eind te maken, bepaalden de heeren dat hij het veergeld voortaan 
altijd contant moest eischen, onwilligen mocht hij aanhouden tot zij betaalden. 
Gaf hij krediet, dan verloor hij zijn aanspraak. « 

In 1660 beval de raad, dat de brug wanneer er menschen, karren, paarden 01 
andere beesten op waren, aan beide zijden met boomen en kettingen zou gesloten 
worden, ten einde ongelukken te voorkomen. De vaste brug aan de Lentsche zijde, 
moest voorzien worden met zwalpen; bij ongelukken zou HeüCK aansprakelijk 
zijn voor de schade. Vreemd klinkt dit gebod op het eerste gezicht ; men zou 
verwachten dat die voorzorgen van den beginne af genomen waren. Maar men 
bedenke, dat veerponten ook thans nog veelal aan alle zijden open zijn, en uit de 
veerpont had de gierpont zich ontwikkeld. Jaren na het beleg der stad door de 
Franschen in 1672, toen de brug vernield werd, bleef het Lentsche vak nog 



HENDRICK HEUCK, DE UITVINDER VAN DE GIERBRUG. 5 

zonder schuttingen. De Engelsche ambassadeur Temple beschrijft den angst 
dien hij daar uitstond, toen hij in 1676 het vredecongres kwam bijwonen en met 
zijn twee carossen met zes paarden, een wagen met koflfers benevens acht rijpaarden, 
zich moest wagen op die ^bru^ge^ omtrent 200 schreden lang^ van planken die 
slegt anderkouden werden^ sijnde vele los en schuddende,, hebbende geen schuttinge 
Ier eijdenj* En toen van uit de stad de eereschoten begonnen te donderen, 
werden zijn paarden y^zo breideloos, door dat geluit en 7 geraas der planken^ dat 
het scheen dat zij mij eer in de rivier, als op de gierbrugge wilden brengend 
Met de gierbrug was Z. E. overigens zeer ingenomen : hij vond het y^een bijzondere 
N, uztvinding'e en zo gemakkelijk^ dat ik verwondert ben, dat ik dezelve nooit in 
andere plaatsen in *t werk heb zien stellen.** 

Zooals boven werd opgemerkt, ontving Heuck van de stad Nijmegen 
hoegenaamd geen belooning voor zijn uitvinding, en er is geen spoor te vinden 
dat hij een poging deed om die te verkrijgen. Daarvoor wendde hij zich hooger. 
In 1661 deed hij een voorstel aan den Raad van State, om op kosten van het 
Land een gierbrug te leggen bij WeseL Btj die gelegenheid verzocht hij, voor 
de uitvinding van de gierbrug te Nijmegen, y^die tei ens tot dienst van het Land 
qehoudetC^ werd, een jaarwedde van ƒ looo. Den stedelijken raad vroeg hij dit 
request te steunen, waarbij hij beloofde gedurende zijn pachtjaren met ^ 500 
tevrede te zullen zijn, en de overige ƒ 500, of zooveel meer als het Land geneigd 
zou zijn hem toe te staan, ten bate van de stad te laten komen. De raad ging 
in op dit hoogst aannemelijk voorstel, doch bedong er bij, dat indien Heuck 
minder dan f 1000 mocht krijgen, hij in dat geval toch met de stad zou moeten 
deelen. Bij den Raad van State schijnt het verzoek geen ingang gevonden te hebben. 

Met Paschen 1665 kwam Heucks pacht ten einde, en daarmede zijn 
verband met de gierbrug. Uit dankbaarheid werd hem vergund, levenslang met 
zijn familie ^looor de inventie van de gierbrugge^ vrij en exempt van veergelt te 
zijnP De brug werd nu publiek verpacht, en ging over, voor een termijn van 
acht jaren, in handen van kaptn. VAN Erp en Jacob de Witt, tegen een pacht- 
penning van / 5000 's jaars. 

In 1660 deed Heuck een vergeefsche poging om een nieuwe betrekking 
ten zijnen behoeve te doen scheppen^ die van vierde tolbediende aan de Nijmeeg- 
sche tolkamer. De raad verstond dat men met drie kon blijven volstaan. Van 
1665 — 1669 was hij stads rentmeester, doch schijnt middelerwijl zijn vrije uren 
aan de verbetering eener toen betrekkelijk nieuwe industrie te hebben gewijde 
In 1658 hadden Jacob Uwens, M. D. en Johan van Zellar levenslang octrooi 
ontvangen voor het oprichten en uitoefenen eener glasblazerij, waartoe hun het 
oude St. Jacobsgasthuis of Pesthuis, in de Hezelstraat (thans de Gouden Leeuw), 



\ 



6 HENDRICK HEUCK, DE UITVINDER VAN DE GIERBRUG. 

met een aangrenzend huis en tuintje was afgestaan, met verlof om hun oven in 
de voormalige kapel te stellen. Die tak van nijverheid was nieuw in deze stad 
en de raad meende dat zij den Nijmegenaars belangstelling zou inboezemen. De 
bepaling werd derhalve gemaakt dat een bus in de tabriek moest opgehangen 
worden, en dat ^ihetgeen door yemant ut curieusheyt in de glasblazerije komende, 
daarin mocht gesteecken werden", tot voordeel van het Gasthuis komen zou. 
Bleef de opbrengst onder 50 gl, dan moesten de fabrikanten het tot die som 
bijpassen. Reeds in 1665 was deze onderneming overgegaan in handen van 
JOHAN VAN Barmont en consorten. Deze liquideerden in 1670 en bij die gele- 
genheid leeren wij de namen der consorten kennen ; het Wlsiren mannen van 
beteekenis : Theodorus Granen, hoogleeraar in de Wijsbegeerte aan de Nij- 
meegsche Illustre school, Dr. Engelbert Be^ckman, schepen en lid van den 
raad, hopman Hendrick Heuck en een ons verder onbekende Jean La Lam. 
Ook dit consortium liep te niet. Den 23 Jan. 1670 besloot de raad op hun 
verzoek, dat j^de brandende oven van cristalF* niet meer gestookt zou worden, 
niettegenstaande ^de potten die er nog vol op stonden**. La Lam kreeg verlof 
y^de kunst van kristalblazeii* verder op zijn eigen kosten uit te oefenen. De 
ytinstrumentent drogues, materialen en potten** mocht hij voor de helft van de 
kostprijs k contant overnemen. Dat deed hij niet, en de oven werd afgebroken 
De boedelinventaris dezer onderneming moet nog in wezen zijn en zich bevinden 
in het Notarieel Archief te 's Gravenhage. Tot mijn leedwezen is het mij niet 
mogen gelukken inzage van dat document te krijgen. Naar mij werd medegedeeld 
bevat het een lijst der werktuigenom bij het glasblazen te gebruiken ^lastt^rck, 
gemaecte (geboetseerde) fmyten^ om glas af te maecken^ enz!* 

Heuck schijnt een verdere ontwikkeling van zijn kennis op dit gebied in 
petto gehouden te hebben. Den 7^» Mei 1670 kreeg hij een fiat ut petitur op 
een request aan de Landschap, waarbij hij verzocht begunstigd te worden met 
een octrooi voor twintig jaren in de Vereenigde Provinciën, om y^ijne nieuwe 
inventie van V maken ende artificieuselijck tvercken van crystall de Montagne^* te 
exploiteren, alsmede om die voorwerpen te mogen venten en verkoopen^ 
Kwam deze onderneming ooit tot stand? Wij weten het niet; doch zoo ja, dan 
had zij een kortstondig bestaan. Twee jaren later brak het noodlottige jaar 1672 
aan. Bij den aanmarsch der Fransche troepen op Nijmegen volgde Heu^k het 
slechte voorbeeld van zoovele zijner stadgenooten, waaronder drie der vier predi. 
kanten en nam de vlucht. Waar hij heentrok is niet bekend; wellicht naar 
's Gravenhage, waar hij althans in lateren tijd een huis bezat. Den lo^n Juni 
werd hij vervallen verklaard van zijn rang als hopman en gecasseerd. 

Hoewel hij dus het krijgsgewoel door een overhaaste vlucht ontweken 



HENDRICK HEÜCK, DE UITVINDER VAN DE GIERBRUG. 7 

was, schijnt zijn geest zich toch in dien tijd op martiaal gebied bezig gehouden 
te hebben. Den 26 Maart 1675 verzocht hij van de Landschap, bij request, 
waarin hij zich betitelt: y^inventeur van de gierbrugge tot Nijmegen'\ provinciaal 
octrooi en attaché van een octrooi, hem verleend door de heeren H. M. M. De 
' uitvinding bestond in j^een soort van bagagiekarren, voerende twee stukken geschuts^ 
nevens al ^tgeene tot de artillerie specteert; en dan nog zeker affuit met twee 
wielen^ waarop drie stukken kanon en een borstweer^ schootvrij voor musket en 
karabijn^ ieder door één paard in bequame wegen facyl te treckenJ* 

De Landschap committeerde uit elk kwartier twee leden, om deze uitvin- 
ding te onderzoeken. Wat die commissie verrichtte en welk advies zij uitbracht 
is onbekend. Of HeüCK het octrooi verkreeg is ons evenmin overgeleverd. 

In het volgende jaar was Heuck weder in zijn vaderstad terug en wenschte 
de door den oorlog en daarop gevolgde occupatie der stad te niet gegane 
onderneming der glasblazerij weder op te vatten. Daartoe verzocht hij den 21 '''Ja- 
nuari 1676 de toestemming van den raad, j,omt chrystall^ of glashuys wéér aen 
te vangen.^* Men verwees hem naar de provisoren van het Arme Gasthuis, in 
wier beheer het gebouw was overgegaan ; doch zijn Verzoek om accijns- en 
vrachtvrijheid voor hemzelven en ^compagnie vant selve huys^\ werd alvast afge- 
slagen. Van de glasblazerij schijnt niets gekomen te zijn. 

Heucks levensdraad was dan ook weldra afgesponnen. Op den s^^ Dec. 
1677 werd de procureur JOHAN ROUKENS geautoriseerd, om van wegen de stad 
y,de nalatenschap van den hopman Heuck zaliger te bespreken*^ voor wat hij bij slot 
van rekening nog schuldig bleef, wegens een huis in de Nieuwstraat, door hem van de 
stad gekocht. Ook andere schuldeischers kwamen opdagen, o. a. zekere Abraham 
Hartman, die eehige goederen van Heuck ^over jaar en dag in verwin"* had 
bezeten, welke hij nu wenschte te verkoopen, terwijl hij tevens voor een ver- 
schuldigde som van f 7000 beslag legde op twee huizen van Heuck aan de 
Varkensmarkt, tegenwoordige Houtmarkt. De boedel werd door de erfgenamen 
aanvaard onder benefice van inventaris. Het moet een hopeloos verwarde aan- 
gelegenheid geweest zijn, zoodat een der curatoren den 10 Mei 16&5 bedankte 
er zich verder mede in te laten. JOHAN RouKENS, notaris en procureur, werd 
toen aangesteld, om de zaken verder te regelen en, zoover dit mogelijk was, 
de schuldeischers af te betalen. 

Als erfgenamen van Heuck worden genoemd de volgende spruiten uit 
zijn echtverbindtenis met Catharina BROUWERS : SUSANNA, gehuwd met JOHAN 
Pallade; Maria en Eva. Overleden waren een dochter Geertruid, die gehuwd 
was geweest met Arnold Crijnen, en een zoon Joachim, weduwenïiar van Susanna 
Hackert of Hackaert. Al deze kinderen waren geboren tusschen 1632 en 1669. 



m 



rËlt 



HEUCK, DE UITVINDER VAN DE GIERBRUG. 



werd medegedeeld, kan er wel geen redelijke twijfel 
iïll^'S* nllf O «enige aarspr-nl: op de herinnering vr.n htt :^2ge»lacht 

ÉHi90ii^]$4^tamf^ van de gierbrug. Dat was inderdand een gelukkige 
^li^t^JI> jHcn sedert slechts weinig heeft kunnen verbeteren. Om een 
M> M '^A^lHÉ^ken moeten drie factoren samenkomen: de scherpzinnig- 
^iü 9kê^dteii CU (Ic lechnische.bckwaaiiüieid um haar te verweeen- 
ll'''»!^ *^i^^5P'i^'^'' '^'^"''^' '"^* i;ii:--der i-.codzdkclijk; vcrei.clite, de behoefte 
||^l£»'fa|Mlfai^ ftvoclt aan het voortbrengsel. Ontbreekt dere, dan kan,de 
If'^^SiaO'^'^MQ^ZI^Iworden, doch zij heeft geen levensvatbaarheid. Irï Heucks 
||gW|0S^|[;'^^| fl^eftc aan een verbeterde overtocht in het 0(%. Aan het 
'^ '^K*^*?£^^'0S^.^É°.^£-^y-'''^^>" ''^^'^^ '"^'^ sedeit slechts weinig kunnen verbeteren, 
■S-*^^,''"|*3St''ï^*^'''SI' ^^■'■^ kabel ruftende op eciiige s.;huitje^, Iioe\ecl is giet 
■^^*^'* !»'^W'^^ Viltman's schilderij va-^ 1669, op het r-'?,dhuis te 
'X ^^^^^^ "^^ë^^ '^^'' ''^ vogelvlucht te aanschouwen geeft, ziet men er drie. 
-""^b:^^:}^2s^?g^'§Cug aan een ketting rustende op zeven bochtaken. In plaats 
'S'^^>'S?iJl^'^*''êl'Hf^u^cn onder water gespannen dwarskabel, waarmede de brug 
f'(^cIS-<>'^^<3^--||*rÉ;*ll'^'^'^"' veiboxideii v>erd, <.ti zuo is h<.l. gebleven lot op den 
i-^^ë*'^^^"*^'^''-^-**' ^'■''" gicrbriiggsn over i!c gehcclc wereld, hebben bet 
:ê-(W^f';*i^^fcSt:iS: onveranderd behouden. In Sib'erie b.v. vaart er een over 
•S-^»*»'*'^^^'^^^'^£ë^C'! ^'^ <^^'' 9^^ ">■ breed is; zij giert op niet minder dan 
^-^^IMK'^^^^^'^'^^' overigens, evenals onze „Zeldenrust", uit twee samen- 
I^-S^^'^*!^*^^^^-'"*^'' ^^^ pl^"ke'> vlocj' overdekt. 



i|' 



U 









1^5- 



lift KONINCK. 



■^^Mt 



I 



#-^;:|e^orn van rijsewijk. 



■s- .g. ^ .g. 



"S""^' i£?*"^""^^*''j''' -cb'''^''^''''ji 'J^t het Muse-jm-Boijmans 
;i5?4§^-s"*" d-?z«n zeldzr.TTicn meester, ?chreef ik In c!en 
"TG§ïfli3(us van 1893 eene beknopte biografie, waarin 
5^(:& wordt dat hij te Rotterdam was gehuwd met 
'M^%*^'^' Cka-MERLijNS eii dat zijn dochter EUSAbeTH 
f'--5l* \v^i"u op Ll.:n Ij-' September 1639. 




/ 
10 JACOB KONINCK. 

Ordinaris Register der huwelijksinteekeningen te Amsterdam. Daar staat: ^Den 
n7^ Januarij 1634'' is ^op d'acte van H. RooSBOOM secrts tot Dort ingeteeckent 
^Jacob Coninck & Marija CotermanSi sij woonende tot dort hij op de 
^Keijsergracht/' en hierbij in margine: ^tweede gebodt wort opgehouden, also 
^vsz. vader verschijnen voor Dr. Graeff en Schaep verclaert geen kennisse te 
Rebben van dit huwelijck/' Het was dus Aert de Koninck, de juwelier die 
te Amsterdam woonde op de Keizersgracht 195, blijkens het kohier van den 
200«» penning in 163 1 (Uitg. Kon. Oudheidk. Gen. p. 23), of „op *t eijnd van 
„de Keijzersgraft bij de Schans," zooals gezegd wordt in de aanteekening van 
zijn begrafenis, die het huwelijk van Jacob stuitte. Mocht men meenen om de 
vermelding der Keizersgracht als woonplaats van Jacob dat hij nog te Amsterdam 
woonde, dan helpt ons terecht een andere opgaaf uit het Huwelijks Proclamatie- 
boek van het stadhuis te Amsterdam. Daar wordt het huwelijk geproclameerd 
op „8 Januari 1634" van „Jacob Koningh en Maria Cotermans jANSdr. *^y ^ 
woonende tot Dordrecht." Een aanteekening in margine herhaalt: «itweedê ge- 
yibodt iS| door last van Commissie, van de huwelijcke saecken opgehouden den 
3^1 4*'» Januarij 1634." 

Na ongeveer drie jaren onder de geboden te hebben gestaan, had de 
echtverbintenis op 13 December 1636 plaats. Twee maanden daarna was de 
vrouw reeds overleden. Op 10 Febr. 1637 stierf zij te Rotterdam, waarheen zij 
met haar man waarschijnlijk korten tijd te voren was verhuisd, en in de week van 
21 tot 28 Februari 1637 werd in de St. Pieterskerk begraven „jACOB Coninx 
„vrou'', terwijl voor de begrafenis werd betaald / 14 — 9. (Rek. v. Kerkmrs.). 
Op den 3«° December van dat jaar werden ^Andries Le Roij, deurwaarder 
y,van den Hove van HoUant, ende JOHAN COOL, nots. publ. & procureur geordi- 
^neert voochden over 't weeskindt van Maria Cotermans, daer vader af is 
^Jacob de Coninck, schilder" (Voogdijboek IV). Reeds den volgenden dag 
werd ter Weeskamer ingediend de y^Invenfaris van alle de goederen enz., toebe- 
^hoorende Jacobus de CONING, schilder, woonende alhier tot Rotterdam, ende 
„MARrrGE Cotermans, zijn huijsvrou za., ged. overleden den 10 Febr, Ao 1637", 
ter presentie van de voogden. 

De inventaris (Inventarisboelc der Weeskamer, Reg. 000 f. 244—248) luidt: 

Inschulden. 

De voorn. Jacob de Coning competeert van zijn vader Aert de Coning, 
coopman tot Amsterdam, over zijn • moederL erfvenisse volgend zijn moeders 
testament de^somme van 2000 gld. van 40 g. & 7 %^^* 



JACOB KONINCK. 11 

Winckélwaeren . 

Kousen, 't Bedragh is ter somme van 213 — 15*^ 4, dewelcke bij Catherika 
COTERMANS, zuster vande voors. Maria Cotermans, aengenomen zijn op 
reeckening van tgene haer vanden boel competeert. 

Andere meubelen enz. 

Vrouwekleeren, lijnwaed, huisraed. Alle welcke meubelen door Pr. Clements 
vendumr. deser stede getaxeert bedragen tsaem 175 gld. volg. de acte van pri- 
satie, bij de voorn. Catherina Cotermans in minderinge van tgeen haer vanden 
boedel competeert aengenomen zijnde voor de voors. prisatie. 

Cleederen van Jacob de Contnck. 

Een mantel, Een paer slechte boxen & rocken, Een hoet, een paar cousen. 
Een paer schoenen. 

Uijtschulden daermede de boedel is belast. 

Aen kooplieden in Engeland 153 gld. 12 st. 
„ Catherina Cotermans tot Dordrecht van geleverde winckélwaeren 
448 gld. 10 st. 12. Daerop zij genoten heeft als boven 213 gld. 15 st. 4 p. 
ende 175 gld. 

Aen deselve voor onderhout vant kindt 19 gld. 7 st. 
„ Apolonia Cotermans volg. haer reeckening 91 gld. 
„ C0RNELIA Cotermans compt over reeckening 32 gld. 
„ Haveck Janss ten tijde van 't overlijden van Marta Cotermans 
10 gld. 11 st. 

Verder kosten van begrafenis, en: 
Over verscheijde reijsse tot Amsterdam te eijschen nopens de moederl. 
bewijs van den voors. Jacob de Coninck 18 gld. 

De notaris voor tmaecken vanden inventaris 4 gld. 12. 
Blijkens dezen inventaris had jACOB KONiNCK in 1637 den leeftijd nog 
niet bereikt, waarop zijn aandeel in de nalatenschap zijner moeder moest uitge- 
keerd worden. Waarschijnlijk was hij getrouwd in de hoop die 2000 gulden 
spoedig te ontvangen. Terwijl hij schilderde, had zijn vrouw een kousenwinkel 
opgezet, geholpen door haar zusters. En 't eind van 't lied was meer schuld 
dan goed. Nergens blijkt of en hoe die schuld werd vereffend. Wel passeerde 
notaris G. VAN der Houdt (prot. f. 17) op 20 Juni 1638 eene acte, waarbij 
„Jacob dé Coninck, burger alhier, machtigt notaris Johan Cool om voor hem 
y,te innen wat hem competeert uit de nalatenschap van Jan Jacobs COTERMANS 
„en Tanneke Carels." Op 25 Maart 1639 huurt „Jacob DE Cooninck, schilder, 



12 JACOB KONINCK. 

^van Jacob Jacobsz, een huis op de Meent voor twee jaren^ van i Mei af h. 
^26 pond Vlaamsch" (Not. JOH. COOL, Prot. II f St). Of hij dit deed op het 
bericht van het overlijden van zijn vader, die 28 Maart (niet Mei zooals De VRIES 
had opgeteekend, O. Holl. I p. 307) 1639 werd begraven in de Westerkerk? 
Of wel omdat hij zijn igjarigen broeder PHILIPS verwachtte, die in Juni 1639 
bij hem in de leer kwam ? Of omdat hij weder wilde trouwen ? 

Er waren te Rotterdam verscheidene Jacob Coninck of De Coninck. 
Een die met Maria Cramereijns was getrouwd ; een, Jacob Coninck van 
Amsterdam, weduwnaar, die 13 December 1637 trouwde met Barb ARA Mui JSHOUT 
J. Dr.; een Jacob de Coninck, wedr., van Amsterdam, wonende alhier, die 
18 December 1639 huwde met Jannetje Cornelis, J. Dr., van Rotterdam. 
Was onze Jacob een van deze gelukkigen? Het antwoord op die vraag wordt 
nog bemoeilijkt door de ongelijke spelling van den naam, niet alleen door anderen, 
ook door den schilder zelt. De machtiging van 20 Juni 1638 teekcnt hij : 



Jtiovij ^O-t^t^i^^ 



en de acte van 25 Maart 1639 : 




-W4MWfP^ 



Daar het minder waarschijnlijk is dat de voogden van PHILIPS dezen bij 
Jacob in huis zullen gegeven hebben als hij ongehuwd bleef, zou ik er toe 
neigen aan te nemen dat de stadstrouw van 18 December 1639 hem betreft. 
Dit huwelijk heeft echter ook niet lang geduurd, want in de week van i — 10 De- 
cember 1644 vermeldt het register van overledenen y, Jannetje Corns", de man 
^Jacqb de Coninck, aen de Raembrugge". Indien deze onze schilder is, zou 
hij van de Meent verhuisd zijn. 

Philips Koninck bleef maar anderhalf jaar bij zijn broeder, daar hij 
trouwde op i Januari 1641, toen hij amper 20 jaren oud was. 

In Oud-HoUand, D. I p'. 305 wordt vermeld de verkoop van een huis op 
de Westzijde van de Keizersgracht, waarbij Jacob Koninck betrokken was. 

Het schijnt mij wenschelijk nog eene andere acte (Register Weeskamer 
no. 24 / 211^) medetedeelen, luidend: 

„Den 23 Martij 1640 heeft Jacob Valkenier opgebracht: 



JACOB KONINCK. ' 18 

^,3800 gulden aen gelden gheleijt In de lade ten behoeve van de kinderen 
^ende erfgenamen van Aert Koningh Juwelier ende zijn huijsvrouwei daeronder 
^zijn twee onmondigbe als Philips ^i^/2oyarM ende Daniel out 22 jaren, de voors* 
,,penn. zijn gearresteert/' In margine staat, dat die/ 3 800 aan de voogden zijn over- 
handigd en daarvoor een Obligatie van f 4000 op 't land van Holland is gekocht» 

y^de voorsz. twee onmondigbe kinderen competeeren een derde part van 
y,een huijs ende erve staende op de Westsijde van de Keijsersgraft. 

^noch Y, van twee cleijne huijsgens achter 't voirsz. huijs staende op de 
„Princeg^ft neffens malcander. 

y^noch 7, van een huijs ende erve staende aen Oostsijde van de Keijsers* 
y^gracht noch diversche cleijne stucxkens landt gelegen tot Schellinghwou in 

^Waterlandt 

^en Obligatie van 4000 guL houdende op 't gemeene landt van Hollant 
y^dato den 24 April 1640 in ,de lade geleydt." In margine staat hierbij „dese 
yiobligatie van 4000 gld. competeert PHILIPS ende Daniel alleen toe. Is gelicht, 
^als hieronder geschreven. 

^Den 19 februari 1641 heeft Philips Coninck gehuwt zijnde bekent van 
^Jacob Valkenier ende David de Moor, de voochden, ontfangen te hebben de 
y^somma van vijfthien hondert gulden ende dat op rekeninge van de portie zijner 
^voorsz. goederei^. 

y»Den 19 Julij 1641 heeft Daniel de Coninck bekent van Jacob Valkenier 
^ontfangen te hebben pro resto op de rekeninge op huijden alhier aen Weesmrs. 
yigedaen veerthien hondert vijftien gulden ende 14 penn. 

„den 14 August, 1641 is de voorsz. obligatie van vier duijsent gulden 
^behandigt de voorsz. Daniel ende Philips de Coninck, als hun te samen 
^toecomende. In pres. van David de Moor, haren gewese voicht met Jacob 
^Valkenier, dewelcke zijl. Daniel ende Philips van de administratie hunner 
y»goederen bedancken*' enz. 

De in Oud-HoUand vermelde kwijtschelding van jACOB KONiNCK op 
9 September 1641 luidt: ,^voor ons gecompareerd sijn Jacob CONINGH, schilder, 
j, woont tot Rotterdam, & David Coningh, Ende geliede vercoft opgedragen 
^ende quijtgescholden te hebben Maillaert Brest een derde part van een huijs 
yCnde erve, staende ende gelegen aende Westsijde van de Keijsersgraft belent 
d'eersame JORIS JORISZ. Backer, jegenwoordig schepen deser stede, aende Noort- 
„sijde, ende Hendrick Pietersz. 'Broeck, Roedrager derselver stede, aende 
jjZuijt-zijde" . . . 

Nu nog een paar aanteekeningen uit Rotterdamsche register s^ deels 
misschien, deels stellig betrekking hebbende op den schilder. 



14 JACOB KONINCK. 

16431 2 Nov. is bij den notaris JOHAN COOL, met wien hij reeds in 1637 
in betrekking stond, getuige: Jacob DE CoNiNCK, burgen (JOH.CoOL,Pïi>tI f 560). 

1644, 12—19 November: jACOB KONINCX kint in de kerk f 7—3 (Reg. 
V. overl.) 

1644, I — 10 December begraven Jannetje Corns" de man Jacob de 
CONINCK, aen Raembrugge (dito.) 

1645, 26 Mei. Inventaris van Matthijs Matthijssen, schoenmaecker ; 
onder de incomende schulden: ^Jacqb DE CONINCK, schilder, voor schoenen 
/4-16;' 

Uit het bovenstaande blijkt dat Jacob KoNiNCK, nog minderjarig, uit 
Amsterdam naar Dordrecht ging, op zijn laatst genomen in 16331 en drie jaren 
later naar Rotterdam verhuisde, waar hij ruim tien jaren bleef. Voorspoed 
schijnt hij als kunstenaar in beide steden niet gevonden te hebben. Dedrieteeke- 
ningen ^) en de schilderij in het Museum-Boijmans bewijzen dat hij zich wijdde aan 
het landschap. De in Oud-HoUand medegedeelde acte van Februari 165 1 toont 
dat hij ook portretten schilderde. Zijn landschappen getuigen van verwantschap 
met Rembrandt, gelijk het werk van den Dordtschen schilder BENJAMIN CuijP, 
die in 1612 geboren werd. Waaruit die verwantschap te verklaren? Dkt behoort 
nog tot de raadsels, zoo als er nog meer worden aangeboden door zijn later 
leven en de zeldzaamheid van zijn kunst. 

Van Rotterdam verhuisde Jacob Koninck naar Den Haag. Een aldaar 
op 2 Mei 1647 verleden acte (O, H. I. 307) noemt hem ^woonende alhier in 
's Gravenhage,'* en in 1648 hertrouwde hij er met SüSANNA Dalbenij, weduwe 
van Job Hackaert •). Nog geen drie jaren later huurde zijn vrouw een huis 
.en op den i8«° Augustus 1651 werd in zijn afwezigheid een inventaris van de 
hem toebehoorende goederen gemaakt. Waarschijnlijk had hij dus Den Haag 
voor goed verlaten, hoewel hem daar een zoon geboren was, ook Jacob geheeten, 
die ook schilder werd en die, gelijk hij, naar Denemarken en Noorwegen trok. 

Dat hij in Juni 1690 te Kopenhagen was, het werd bewezen door de acte 
medegedeeld in Oud-HoUand I bl. 306. Wat zooeven gezegd werd van zijn 
zoon, het blijkt uit hetgeen Andreas Aubert mededeelde in het Mar^enbladet 
van Christiania, dd. 19 Juni 1901, door den heer E. W. MoES welwillend mij 
ter hand gesteld. Aubert vond op een tentoonstelling te Kopenhagen een 
miniatuurportret, dat op de achterzij geteekend was : Jac. Coning, fecit Aetaüs 



1) Een der 4 teekeningen, die op zijn naam stonden, is van Jjln Lietens. ' 

S) De inschrijving luidt: ^26 Juli 1648 in ondertrouw Jaoqubs de Coningh, schilder, wedr., v. 

„Amsterdam, met Susanna Dalbeny, wed*, van wijlen Jcb HackabrTi beijde wonende alhier". Raadhuis 

en in de Groote en de Kleine kerk ; geboden geregeld gegaan. 



lÉ^IOB KONINCK. 15 

a'THf'll'ISïSS'JH'iïS.^'flf ^Ê^"'^°"^ ^*^ ^^'^ '^^" Deerü^chen hndpchap- 

jé wÊ^'Wrf^^^^^* ^"v^'** twijfelt er niet aan, dat het een zelfportret is 

^ WI^'T-SCMc^S'^' «" d« kleediog. Ook twijfelt hij niet aan de 

FS"lllM-8JillÉ'lS''M' ^^ plaatsing op de achterzijd_e en het schrift 

l^-^H WW '^"Mjil'M^WlP"''^'^^'''^ ^^" dezen Jacou KonincK 'm het 

'^■''''"ttii'^^S »lS5|lbe:lu;t hij lüt ccn e:i ronder, dat deze Jacob 

S(gIlg|l^f-^^]|lJllft'H^* jjiren, moet geboren zijn in 1647/8. De heer 

^'^ H IT-^ BI ^^*^n^ in de doopboeken de doop van dit kind niet 

i'^^ll lifw^''li'fl^w|l^ ongedoopt. 

^I| ji!ffc*9.,<iB[H jSa^Sl JEf^ werk van JaCOB KONINCK Jr. een paar land- 

LiïiM^JR^ W| Jl jSiiL MAD3EX vc.-mcldc tceker.ing in het op de 

I^^^S-êS" «^^."É^ album v?-T deü I and s-chap ■schilder NiCOi.AUS 

fcCSii^ ^;^^ii§ik. Dit blad is onderteekend: ,,C/irisiiania 

EJScfSS'^^ffijl^Q^v^ gp AuBERT wil nu concludeeren dat jACOB 

'l^^l^gic^bezocbt en daarna Denemarken. De Jagermeeater 

■J^jïte: nwiiriporii-et, door Jacol Koninck geschilderd 

^ï^t^estigt hem in de meening, dat deze schilder 

^nS^itcEI'^ïnÜ^iir^'gelijk geven als hij zegt, dat deze feiten CaRL 
s-A*:<gj^t^^^l^:^c^^ „een eind te maken aan bet misverstand der 
""" *' ~ ~ " Xi^^COB KoNlNCK een broeder van PHlLli'sKOM^CK. 

L-S-ip 't laatüt in 161Ö zi-ttcii." Veekcr bev.-ijzcn 

_ p(^juistheid van het reed^ hier gerezen vermoeden, 

f(2§tiii§|ilgMlNCK zijn geweest, vader en zoon, die beiden 

üi^e^^.wij iets aan Carl Madsen mochten verzoeken, 

b^figLi^r naam staande schilderijen, te onderzoeken en 

ï'||'*"||iHfc^^-*s wijzen; 2a. op te sporen, wannetr beiden in 

~"1^^E% 3t*<«^lf'" "'-i»» en wai-iiccr cii v/aa ■ ::ij ge.torvet ^ijn. 

,M';1^-.^I •$. *^ ,i| -S- ,^l 

.•I' 



lÉr 



ilGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 
AMSTERDAM IN 1796.-) 



t 



H. I T A L I : 



fj^i^ceï 179G en vergat ni<--t, in officifiele stukken, van welken 
'^ *Ë-" "'" ^ '"-""^ geringe bcteekcnï: ook, achter het jaartal te 
; ttgr^fi : , 7rri t:vcde jf^tr licr Bata'xfsche vrijheid.^' Het was 
fllWlCJS'Solitieke geloofsbelijdenis, een merk van onvervalschte ge- 
1 cH^li^estgezindheid, waaronder men verstond: tegenstander te 
•4-^^^^^^ -S-^^^^^^^^"^''^^'^''J^ ^^ aristocratisch bestuur" en voorstander van 
. «I ^•«•^*'S-»>^ > '-'^" bewijs eindelijk, dat m*;n hoogelijk waardeerde de 

"i* '^k. If '«sl 'S "-k -^ ' ■* 



S'.^li^j'|ff3i|. 







i«S -a* '2* '*^ 



•II 



^1^ -g» .^^ **^ 






DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS ENZ. 17 

vrijheid, die men in en door de Bataaf sche Republiek genoot. En die waardee- 
ring had hare goede gronden. Sedert 1787 toch^ toen de strijd tusschen de 
Patriotten en de stadhouderlijke partij ten voordeele der laatste beslist was, 
zuchtten de burgers onder het juk van een waarlijk tiranniek bestuur, dat naar 
het scheen geen hooger doel kende, dan zich zelf met den stralenkrans van 
onfeilbaarheid te sieren en met souvereine minachting neer te zien op zijne mede- 
burgers, als waren dezen niet anders dan een troep lijfeigenen, die al tevreden 
moesten zijn, dat het den hoogen heeren behaagde, hen wèl te willen regeeren., 
Dat er bij dien stand van zaken geen sprake was van politieke rechten der 
burgers, spreekt van zelf. Wat de regeering, wat regenten, ofhoe de verschillende 
machthebbers ook heetten, goedvonden te decreteeren, moest onvoorwaardelijk 
worden opgevolgd. Bezwaren er tegen in te brengen, zich in ongunstigen zin 
er over uit te laten, gold als hoogverraad. Zware geldboeten, lijfstraffen, pijnbank, 
verbanning, verbeurdverklaring van goederen, ja zelfs galg en rad bedreigden 
elk, die het waagde, in woord of geschrift, zij het ook in een aan de eischen der 
betamelijkheid beantwoordend bezwaarschrift, zich tegen hen, die het heft in handen 
hadden, te verzetten. Het was een bange tijd voor het volk. 

Toen kwam de omwenteling van 1795. Het knellende juk der tirannie 
werd afgeworpen ; de bestuurders en regenten, die de burgers zoo lang gekweld 
en onderdrukt hadden, werden aan den dijk gezet ; alle menschen gelijkgerechtigd 
verklaard ; het volk tot souverein verheven met het recht, zelf de personen te 
kiezen, door wie het geregeerd wenschte te worden. 

Toch was er ondanks dit alles nog zeer veel, dat van treurigen, van hoogst 
bedenkelijken aard was. De naweeën van het verlossingswerk lieten zich op 
hevige wijze gevoelen: de schatkist was ledig, de schuldenlast drukkend; handel 
en zeevaart, de hoofdbestaansmiddelen, stonden stil ; de nijverheid gaf nauwelijks 
een teeken van leven ; de landelijke bevolking der streken, waar de bevrijdings- 
oorlog gevoerd was, was in armoede gedompeld; van de draagkracht der be- 
zittende klasse, wier vermogen toch reeds zoozeer geslonken was, werd het 
uiterste gevergd; de Fransche troepen, die gevoed, gekleed en van alle krijgs- 
benoodigdheden voorzien moesten worden, verslonden schatten gelds ; wat eindelijk 
de politiek betreft, was de in naam vrije Bataafsche Republiek feitelijk afhankelijk 
van de met haar verbonden Fransche Republiek. 

Al de donkere tinten van dit tafereel werden echter overstemd door het 
schitterlicht der burgerlijke vrijheid. Het volk gevoelde zich als van eene be- 
klemming verlost; de geest hernam zijne veerkracht, het gemoed jubelde bp in 
een gevoel van levenslust en voldaanheid ; de zorgen van het oogenblik werden 
niet geteld ; de toekomst vertoonde zich in een apotheose van goudglanzend zonlicht. 
Oud'Holland 1902. 8 



18 DE OPROERIG£ BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

Meikwaardiger- en gelukkigerwijze was de omwenteling zonder het ver- 
gieten van burgerbloed, ja zelfs zonder hevige en verderfelijke schokken tot stand 
gekomen. In nagenoeg alle gemeenten waren de oude regenten op het verzoek 
der omwentelingsgezinden vrijwillig afgetreden en werd hun bescherming van lijf 
en goederen verzekerd. Op dezelfde wijze ging ook bet bestuur der provinciën 
in andere handen over. Tegelijkertijd werden tal van personen, die aanzienlijke 
posten bekleedden, daarvan ontzet, wanneer zij bekend stonden als besliste aan- 
hangers van het vorige bewind of als zij rechtstreeks ofte wel zijdelings hadden 
medegewerkt tot de onderdrukking en vervolging der Patriotten in het pas afge- 
sloten tijdperk, of als zij het binnentrekken der Franschen in ons land hadden 
trachten te verhinderen. Deze allen berustten zonder verzet in dien maatregel, 
in het besef dat zij, tot de onderliggende partij behoorende, zich dien moesten 
laten welgevallen. Wat de ambtenaren van minderen rang betreft, zij werden, 
^voor zoover zij zich niet aan wandaden hadden schuldig gemaakt, die onder 
lederen regeeringsvorm strafwaardig zijn", nagenoeg allen in hunne betrekkingen 
gehandhaafd, 6f omdat hun werkkring van zoo ondergeschikten aard was, dat 
hun aanblijven geen gevaar voor eene tegenomwenteling hunnerzijds opleverde, 
öf omdat zij vooreerst niet goed als ambtenaren gemist konden worden. Het 
zou zeer zeker een onberaden stap zijn geweest, hen allen tegelijkertijd te ontslaan 
en te doen vervangen door lieden, wien het aan kennis en ervaring in zake hun 
nieuwen werkkring ontbrak; er zou eene verwarring zijn ontstaan, die tot de 
schromelijkste gevolgen had kunnen leiden. Daarom, al waren velen dier ambte- 
naren den vorigen regeeringsvorm nog toegedaan, liet men hen toch hunne posten 
behouden, als zij zich slechts ,,trouw, eerlijk en onderworpen" gedroegen. 

Deze gematigdheid jegens gewezen ,,Oranje-ambtenaren", zooals men hen 
placht te noemen, viel gansch niet in den smaak van een groot deel der burgerij. 
De meest hartstochtelijke Patriotten onder hen achtten het eene schande, dat 
men zich van ambtenaren bediende, die de tegenwoordige orde van zaken vijandig 
gezind waren, en drongen er uit dien hoofde op aan, dat zij allen, zonder uit- 
zondering, ontslagen zouden worden. Hierbij kwam nog, dat sommigen dier 
ambtenaren zich er op lieten voorstaan, dat men hunne hulp of voorlichting niet 
kon ontberen. Zulk eene aanmatiging mocht toch niet geduld worden. 

Er waren echter ook burgers, die behalve om politieke redenen, ook nog 
om beweegredenen van particulieren aard met de tegenstanders der „Oranje- 
ambtenaren" instemden. Het waren degenen, die, tengevolge van de ongunstige 
tijdsomstandigheden aan lager wal geraakt, hun geldelijke zaken door een ambte- 
naarsbetrekking hoopten te verbeteren. Inzonderheid was dit het geval met 
velen, wien om politieke redenen door de vorige regeering het verder verblijf in 



i^ 



TE AMSTERDAM IN 1796. 1» 

het land was ontzegd, of die, om zich aan eene vervolging te onttrekken, vrij- 
willig in ballingschap waren gegaan. De velerlei ontberingen en de ellende, die 
zij daar, van hunne dierbare betrekkingen verwijderd, hadden moeten verduren 
hadden reeds hun gemoed jegens de stadhouderlijke partij verbitterd. Hoe moet 
het hun dan te moede zijn geweest, toen zij, in het vaderland teruggekeerd, 
ontwaarden, dat hunne zaken verloopen waren, of dat de posten, vroeger door 
hèn bekleed, thans in handen waren van personen, die zich slaafsche dienaren 
van het gehate vroegere gouvernement hadden betoond en als zoodanig wellicht 
tot hunne vervolging hadden medegewerkt. Waarlijk zij hadden de zachtmoedig- 
heid van engelen moeten bezitten, als zij in zulke omstandigheden hunne ziel in 
lijdzaamheid hadden bezeten. 

Zoo waren er dan onnoemelijk velen in den lande, die de gematigdheid 
der regeerende personen afkeurden. Hun gevoelen vond aanhang en steun bij 
de talrijke clubs, volkssociëteiten en wijkvergaderingen, alsmede bij de meerder- 
heid der gewapende burgerwacht. Deze allen drongen er onophoudelijk en met 
den meesten klem bij ^e stedelijke en provinciale besturen op aan, dat allen, die 
„als aanklevers van het vorige bestuur" bekend stonden, uit hunne functiSn, van 
welken aard deze ook waren, ontslagen zouden worden, en vervangen door personen, 
„die de achting van een vrij volk verdienden." Ja zij gingen nog verder en ver- 
langden niets minder dan dat alle leden van het vorige gouvernement en „andere 
suspecte personen" gearresteerd en ter verantwoording geroepen moesten worden . 

Over het algemeen waren echter noch de provinciale-, noch de stedelijke 
regeeringen geneigd, aan deze eischen, die zij onbillijk, onrechtvaardig en on- 
barmhartig vonden, gevolg te geven. Dit had tengevolge, dat er in verschillende 
gemeenten oproerige bewegingen ontstonden. Waar de oproerlingen in de meer- 
derheid waren, wisten zij menigmaal hün zin door te drijven en waren de 
gemeentebesturen genoodzaakt^ de „Oranje-ambtenaren" te ontslaan. Meestal 
echter werden de bewegingen door tusschenkomst van het betrokken provinciaal 
bestuur of met de hulp van Fransche soldaten, voor wie de menigte groot ontzag 
koesterde, gestild. 

Te Amsterdam^ waartoe wij ons thans bepalen zullen, hadden meer dan 
elders dergelijke oproerige bewegingen plaats. Hier deed zich bovendien de 
eigenaardigheid voor, dat de voornaamste roervinken tot de kanonniers der stede- 
lijke artillerie behoorden. Waarom juist zij zich op den voorgrond stelden, is 
niet recht duidelijk. Zij hebben zich berucht gemaakt, doordien velen van hen 
de leus „Remotie der Oranje-ambtenaren" misbruikten als een vrijbrief, om allerlei 
uitspattingen en gewelddadigheden te plegen. Hierbij ontzagen zij niets en 
niemand en spotten zelfs met de bevelen hunner meerderen. Menigmaal drongen 

3» 



20 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

zij de huizen van rustige burgers binnen en mishandelden hen. Zoo werd o.a. 
den 5 November 1795 de wijnhandelaar Wessel Scharff zoodanig mishandeld, 
dat hij 18 dagen later aan de gevolgen overleed, Den 15 September van het- 
zelfde jaar drongen zij het stadhuis binnen en bedreigden de aldaar vergaderde 
raadsleden. En toen er een paar dagen daarna ecne proclamatie van den raad 
verscheen, om de gemoederen te stillen, werd zij op verschillende plaatsen van 
de muren a%escheurd. In den nacht van 4 op 5 November daaropvolgende 
maakten zij zich meester van de sleutels der poorten en boomen. Drie dagen 
later herhaalde zich hetzelfde tooneel. Toen echter 59 van de 60 wijkvergade- 
ringen het gedrag der oproerlingen afkeurden, begonnen dezen te bedaren en 
keerde de rust voorloopig terug. 

Inmiddels was het Provinciaal Bestuur van Holland, verontrust over de 
te Amsterdam en elders voorkomende woelingen, tot het inzicht gekomen, dat 
er iets moest gedaan worden, om aan den volkswensch tegemoet te komen. Bij 
decreet van den 12 November '95 gelastte het aan alle g^emeentebesturen, eene 
commissie te benoemen, die eene lijst moest opmaken zoowel van lands- als van 
stadsambtenaren, van wie het bewezen zou kunnen worden, dat zij zich schuldig 
hadden gemaakt aan de plundering of onderdrukking hunner medeburgers ten 
behoeve der voormalige regeering, of hadden medegewerkt tot hunne afzetting 
of vervolging. Dusdanige stadsambtenaren moesten door de gemeentebesturen 
ontslagen worden, terwijl met de landsambtenaren door het Provinciaal Bestuur 
naar bevind van zaken zou worden gehandeld. Verschillende gemeentebesturen, 
waaronder ook dat van Amsterdam, stoorden zich aan dit decreet niet, omdat 
zij er in zagen eene inbreuk op het stedelijk gezag en op dit punt waren zij 
zeer kitteloorig. Het gold hier stedelijke ambtenaren, door de stad zelve aange- 
steld, en nu waren de vroede mannen van oordeel, dat het Provinciaal Bestuur 
geen recht had, zich met het al of niet aanblijven van dergelijke ge^mployeerden 
te bemoeien. Zoodoende bl.eef alles zooals het was en smeulde het misnoegen 
der burgers voort. 

Toen nu het voorjaar van 1796 gekomen was en te Amsterdam de burgers 
in de zoogenaamde grondvergaderingen verschenen, om daar kiezers te benoemen, 
die leden voor de Nationale Vergadering ^) moesten kiezen, bleek het, dat van 
de Oranje-gezinde ambtenaren niet één was opgekomen, om het stemrecht uit 
te oefenen. Doch niet alleen zij, maar ook tal van ambtelooze burgers hadden 
door hunne afwrezigheid geschitterd. Dit baarde opzien en werd met niet weinig 
ergernis in de wijkvergaderingen besproken. Men hield het daar algemeen voor 



1) De Nationale Vergadering kwam den z Maart Z796 voor het eerst te 's-Gravenhage bijeen. 



T£ AMSTERDAM IN 1796. 21 

eene uitgemaakte zaak, dat de afwezigheid dier velen aan politieke beweegredenen 
moest worden toegeschreven, en het resultaat der besprekingen was, dat er in 
Maart '96 door de ^algemeene Vergadering der wijkvergaderingen" ^) een adres 
aan den gemeenteraad werd gericht, houdende het verzoek, dat de Raad alle 
bui^ers, die niet in de grondvergaderingen opgekomen waren, y,als vijanden des 
vaderlands en gevaarlijke leden der burgerlijke maatschappij verklaren en hen, 
indien zij eenig stedelijk ambt bekleedden, daaruit ontslaan zou". 

De Raad vroeg advies op dit verzoek bij het Provinciaal Bestuur, en 
vermits ook in andere gemeenten verzoekschriften van denzelfden aard als te 
Amsterdam waren ingediend, vond het Provinciaal Bestuur hierin aanleiding om 
in dato 5 April tot alle gemeentebesturen een decreet te richten, waarin hun 
werd aangeschreven, van alle ambtenaren, die geen wettige grond- of wijkver- 
gadering hadden bijgewoond af te vorderen de navolgende belofte : 

ylk beloove onderwerping aan zoodanige Regeeringsvorm, welke gegrond 
op de oppermacht des Volks, thans provisioneel bestaat en in het vervolg finaal 
zal worden daargesteld ; en nimmer met woorden of daaden te zullen mede- 
werken ter herstelling van het vernietigd Aristocratisch en Erfstadhouderlijk 
Bestuur." 

Wie dit niet onderteekende, moest ontslagen worden. Ook ditmaal was 
de Raad ongenegen aan het decreet gevolg te geven. Het werd voorloopig „in 
overweging genomen," wat zooveel beteekende als in den doofpot gestopt. Deze 
handelwijze getuigde zeker niet van staatsmanswijsheid na de gemanifeesterde 
denkwijze van een overgroot gedeelte der burgerij en het daaraan tegemoetkom 
mende decreet. De nadeelige gevolgen bleven dan ook niet uit. Weldra toch 
ontstonden er op nieuw oproerige bewegingen, die de vorige in omvang enduur 
overtroffen. Ook hierbij waren het de kanonniers, die de eerste rol speelden. 
Door hun onbeschaamd en gewelddadig optreden brachten zij niet alleen de stad 
in staat van anarchie, maar verwekten zij zelfs beroering in de Nationale Ver- 
gadering, Hoe zich dit alles in bijzonderheden toedroeg, zal in de volgende 
bladzijden verhaald worden. 

Vooraf echter het een en ander aangaande de organisatie der stedelijke 
regeering en hetgeen daarmede in verband stond. Een vaste wet» naar welke 
steden en dorpen geregeerd moesten worden, bestond er niet; iedere gemeente 
had het recht, deze aangelegenheid naar goedvinden te regelen. Het was echter 
regel, dat het bestuur werd uitgeoefend door den ^^Raad der gemeente," in den 



1) De „algemeene Vergadering der wijkvergaderingen" bestond uit afgevaardigden van al de 69 
wijkvergaderingen. 



» 



■p 



éi -^^ROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 



I municipalïteit" geheeten. Te Amsterdam bestond in den 
l^eschicdenis handelt, de gemeenteraad uit 6o ledeo. Zij 

wettt;n voor de gcmeciUe va^t te stellen on de wijze 
Zij kozen uit h!i;i midilcn ec:i President en een vice- 
^B^U'^SHS'elf^Bft'^ÉI na 14 dagen moesten aftreden, doch onmiddellijk herkies- 
i^^^AMl^ HiStf||dent was tevens Burgemeester. Hij was de hoogste auto- 
9S4li^ir^Jlië^^tt.i^3n belast met de ten uitvoerlegging van de wetten en be- 
w'iS &'tifêdKlt||'i£lï In deze kwaliteit heette hij Gouverneur. 
■^•*;"8j|0,jftm.n takken van dicii.t \.iucn opgedragen aan 5 verschillende 
■■'""■**■ ""■"**?, dat van algemcene W.iak7:i2mheid, 2". dat van Justitie, 
Jidel en Zeevaart, 40, dat van FinantiSn, 5°. dat van alge- 




. ■ X « 'MS^^^f^^'^'C,}"*'' algemecne Waaksaamlieid, uit 1 5 leden bestaande, had 

*^.'^ii.§^a^;^gd^nj|S;uëi.ving van de algcineene rust, orde en veiligheid" Linnen de 

■^ÏSt^^Mi^iïgiJ^ie, en voorts het waken tcgci-, allen „toeleg tot ".erraderij 

:5l^i^sr»H*'w'f35*^ -Ë^foer." Het had het recht, zoo noodiEj de hulp in te roepen 

^i^Ü^^^^'^i^^^ ^''g^i'^v^c'^t of van de militairen. Het hield zijne vergaderingen 

'^f^c^ente'' of stadhuis, thans het paleis van H. M. de Koningin 

~ '"" iMfcCin toen ter tijd ook „Revolutieplein" werd genoemd. Aan 

.^'onimité stond d'- Maiie, die iii rai;g nagenoeg gelijk stond 

_|miH'!r'.r!3 van politie. Hij werd door dtvi Raad benoemd. 

■^ ■§''■ ^'J^onder de zorg voor de politie opgedragen in overleg 

TK^'*^'SÏ^^^^^'^^'"'''^" ^^^ '*"■ ^ommite. Onder zijn bevel stonden de ver- 

l|^l^^i^e^g^(^bj|p^er politie, zooals „suppoosten, onderschouten, boden, dien- 

^^^ ^^- ^■^■"'1^1*^ toezicht op de tapperijen on de zoogenaamde nacht- of 

S&i^S:."I?Si''i^"^''-^-'^'J''''J^^ '■^' ^''j ''°'' ^"^ *^^"-''' ^■- '^'^ nr.chl politic, 

^P^^5S'"'^'^^''-è""^'^'^*'''''*^^*^' waarbij ook de rangen van kapitein en sei^eant 

-""■ :f :g>»-'S- 



nde^vas de stedelijke recht- 

^^m^^f''^ in den 

enoemd. 

ireur der 

g^'enoenid. 

"oe leden 

-r elkaar, 

^lA^f-iiten den 

i 

voor de 




■#- 



^r;r^b'4-r^ai I 



«S. '^ A!^ «^- 



J 



TE AMSTERDAM IN 1796. 23 

verdediging des vaderlands diende de gewapende burgerwacht, zijnde nagenoeg 
hetzelfde als onze schutterij. Zij droeg ook den naam van „onbezoldigde Natio- 
nale ^Garde", in tegenstelling met de bezoldigde militie of de troepen van den 
staat. Zij speelt in ons verhaal eene hoofdrol en moet daarom eenigszins uitvoerig 
besproken worden. Tot de gewapende burgerwacht behoorden volgens besluit 
van den Raad alle manlijke ingezetenen van 18 tot SS jaar, die niet bij de 
„generale loting" hadden vrijgeloot of om redenen van gezondheid waren vrij- 
gesteld. Bij het in dienst treden moesten zij den volgenden zonderlingen eed, 
vastgesteld bij decreet van 8 Febr. 1796, afleggen : 

y^Het volk is in de maatschappij oppermachtig : alle erfelijke gezag is 
onwettig : de wetten alleen gebieden : ik onderwerp mij aan dezelve : deze is 
mijne gelofte : God hoore mij !" 

De bepaling, dat zelfs burgers van betrekkelijk hoogen leeftijd voor den 
dienst konden worden opgeroepen, verwekte onder alle rangen der burgerij groote 
ontevredenheid. Ook de officieren keurden haar af. Die ontevredenheid was 
oorzaak, dat zeer velen zich onder een of ander voorwendsel aan den dienstplicht 
onttrokken. Meestal bestond dit in eeds weigering, y^^^t was zelfs eene leus 
geworden onder degenen, welke van de wapening verschoond wilden blijven, dat 
zij den eed weigerden af te leggen". j,Zij belachten de officieren, die hen er 
toe opriepen". Anderen legden hem „met excepties of onder reserve" af en 
vonden hierin een middel, om naar eigen goedvinden al of niet de bevelen hunner 
meerderen te gehoorzamen. Weer anderen, die „huns ondanks geënroUeerd" 
waren, maakten het den officieren op allerlei wijzen lastig. Dat er onder dus- 
danige omstandigheden van geen discipline sprake kon zijn, ligt voor de hand. 
Wel bestond er een Reglement op de discipline, maar de toepassing er van 
ontmoette allerlei zwarigheden. 

Het kwam dikwijls voor, dat schutters, die tot arrest veroordeeld waren, 
dit schonden of eenvoudig weigerden, zich aan de hun opgelegde straf te onder- 
werpen. Dezelfde verschijnselen van insubordinatie kwamen in veel gemeenten voor. 
Als een staaltje van verregaande schending der discipline en tevens van 
den geringen eerbied voor het openbaar gezag is het volgende karakteristiek.. 
Toen de Raad in Maart '96 de herziening van „de algemeene wetten betreffende 
de stedelijke krijgstucht" enz. ter hand nam, werd dit door veel schutters op« 
zettelijk zóó uitgelegd, dat tijdens de herziening, die wetten buiten werking waren 
gesteld. Daarom vond de Raad het noodig, bedoelde wetten te laten herdrukken 
en bij Publicatie van 2 April bekend te maken, dat zij van kracht bleven tot 
na de herziening; desniettemin zonden sommige schutters adressen aan den 
Raad — en enkelen deden dit „in onbetamelijke uitdrukkingen" — waarbij zij 



24 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

zich veroorloofden, t^en de gepubliceerde wetten te protesteeren en zich van 
alle gehoorzaamheid daaraan ontslagen te verklaren. Gelukkig dat de groote 
meerderheid der gewapende burgers een beter begrip van hunne plichten hadden, 
al was er dan ook veel, dat niet naar hun zin was. 

Bij de beoordeeling van de hier geschetste toestanden en feiten, moeten 
we niet uit het oog verliezen, dat de revolutie-tijd was eene periode van over- 
gang, waarin het gezag der verschillende autoriteiten nog niet op vasten grond, 
slag berustte. Trouwens beschouwden dezen zich zelven als slechts ^provisioneel" 
aangestelden. Ook moet men in aanmerking nemen, dat de geproclameerde 
„oppermacht des volks" in verband met de leus „vrijheid, gelijkheid en broeder- 
schap" op het gemoed van het minder ontwikkelde gedeelte des volks werkte 
als het felle zonlicht, op iemand, die geruimen tijd in duisternis heeft verkeerd. 
Zij werden er door verblind en dwaalden van het rechte spoor af. Zij achtten 
alle verschil van rang en stand opgeheven en beschouwden de bestuurders, door 
hen zelven gekozen, als hunne gewillige dienaren, die zij wel zoo vriendelijk 
waren geweest, uithoofde van hun meerdere bekwaamheid en geschiktheid met 
het bestuur der zaken te belasten. Uit deze beschouwing trokken zij devalsche 
conclusie, dat het hun vrijstond, naar eigen goedvinden, de besluiten dier be- 
stuurders al of niet op te volgen. Dit alles nagaande, ^behoeft het ons niet te 
verwonderen, dat „de algemeene Vergadering der wijkvergaderingen" te Amster- 
dam den 17 April 1795 de stoutmoedigheid had aan de municipaliteit te schrijven, 
dat die algemeene- vergadering „met het volkomenste recht het volk van Amster- 
dam [representeerde]." 

I^c „gewapende burgermacht" bestond grootendeels uit infanteristen. Voorts 
was er een corps burger-cavalleristen, meest allen onbezoldigde vrijwilligers, 
alsmede een corps van ongeveer 700 kanonniers of artilleristen. Chef der ca« 
vallerie was luitenant-kolonel Beeldsnijder, chef der artillerie luitenant-kolonel 
Koopman. De laatste was van beroep handelaar in effecten. Hij heeft in de 
door ons te verhalen troebelen eene minder edele rol gespeeld. De sterkte der 
gansche „onbezoldigde Nationale Garde" van Amsterdam bedroeg, volgens eene 
mededeeling in de Nationale Vergadering gedaan, slechts 12,000 man, een be- 
trekkelijk gering getal in vergelijking met de toenmalige bevolking dier stad. 
Zij waren verdeeld in halve brigades, deze in bataillons en deze weder in com- 
pagnieën. Commandant van de gansche burgermacht was George HENDRIK DE 
Wilde. Hij had zijn bureau gevestigd boven de stadswaag op den Dam, welk 
gebouw toen op de plaats stond, waar thans het monument staat. 

De schutters waren zóó ingedeeld, dat zij, die in eene zelfde wijk woonden, 
zooveel mogelijk bij eene zelfde compagnie werden ingedeeld. Zij werden bij 



TE AMSTERDAM IN 1796. 25 

trommelslag of door aanzegging aan hunne woning voor den dienst opgeroepen. 
Gedurende de door ons te schetsen troebelen hadden ze zware diensten te ver- 
richten zoowel tMJ nacht als bij dag. 

Behalve deze gewapende burgermacht had Amsterdam twee compagnieën 
^stadssoldaten'' onder den naam van „gesoldeerde Nationale Garde'-'. Zij moesten 
zich op hun woord van eer in den dienst der stad verbinden en beloven ^ten 
allen tijde te zullen obedieeren en opvolgen de bevelen van de municipaliteit". 
De jyStadssoldaten^' stonden' niet In aanzien bij de burgers; in de oogen van 
dezen golden zij slechts als huurlingen, die, hiertoe gelast, op hen zouden vuren. 
Hun chef was kapitein B. ROELOFSWAERT, die ook luitenant-kolonel was bij 
de stedelijke artillerie. 

De landmacht der Republiek stond onder het opperbevel der Nationale 
Vergadering. Zij kon echter in geval van oproer „of ter bewaring van goede 
orde en politie'' door de respectievelijke provinciale besturen gerequireerd worden 
en was alsdan gehouden, hunne bevelen te gehoorzamen. 

Ingevolge het tractaat van alliantie, den 16 Mei 1795 met de Fransche 
Republiek gesloten, moest in geval van oorlog des gevorderd de helft der land- 
macht met het Fransche leger samenwerken en zou alsdan door Fransche bevel- 
hebbers gecommandeerd worden. 

Een uitvloeisel van hetzelfde tractaat was, dat 25.000 Fransche soldaten 
in den dienst der Bataafsche Republiek overgingen, doch onder hun eigen bevel* 
hebbers. Zij moesten, daartoe gerequireerd, de provinciale- en stedelijke besturen 
bijstaan ^^tot beveiliging der publieke rust en bescherming van personen en 
eigendommen"; zelfs moesten zij, ingeval de leden van eenig bestuur, tengevolge 
van oproer of geweld zich in de onmogelijkheid bevonden, hulp te requireeren, 
uit eigen beweging «^geschikte maatregelen nemen tot herstel van orde en rust". 

Tot Generaal en Chef van de vereenigde Fransche en Bataafsche legers 
werd den 17 Mei 1796 door de Nationale Vergadering benoemd de Fransche 
generaal P. B. Beurnonville. Daarentegen stond het Haagsche garnizoen, 
dienende ter bescherming dier Vergadering, onder hare onmiddelijke bevelen. 
Het droeg den naam van „Garde der Nationale Vergadering*' en was 5000 man sterk. 

De Generaal en Chef had het recht, de bewegingen der troepen naar eigen 
goedvinden te regelen, doch was verplicht aan de Nationale Vergadering kennis 
te geven van de bewegingen, door hem geordonneerd. 

Na deze uitweiding gaan wij tot ons eigenlijk onderwerp over. Nadat het 

te Amsterdam een tijd lang rustig was gebleven, begonnen in April 1796 de 

kanonniers weder roerig te worden. Vooral Zondagsnachts was dit het geval. 

Dan zwierven zij als eene ordelooze bende langs de straten, braakten allerlei 
Oud'Hoüand 1902. 4 



26 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

liederlijke taal uit, bespotten de nachtwachts en uitten bedreigingen tegen het 
stedelijk bestuur. Veelal bezochten zij bij zulke gelegenheden de zoogenaamde 
drank- of nachthuizen, voornamelijk ^de Generaal Washington" in de Kal verstraat. 
En vermits zij bemerkten, dat men hen stil liet begaan of althans weinig zwarig- 
heid in den weg legde, werden zij met den dag doller en driester. Het kwam 
zelf zoover, dat men hen op 6 en 7 Mei met uitgetrokken sabel door de stad 
zag zwieren, waar zij op de vroeger reeds verhaalde wijze huis hielden. Zij 
vormden, om zoo te zeggen, eene soort van schrikbewind» waartegen niemand 
zich durfde verzetten. Vermits het nu zoodoende van kwaad tot erger liep, 
werden er den 7 Mei, zijnde een Zaterdag, door de autoriteiten eenige maatre- 
gelen verordend, die, waren ze behoorlijk ten uitvoer gebracht, hare uitwerking 
niet zouden gemist hebben. De Maire gaf last, dat alle tapperijen» speel- en 
wijnhuizen des avonds te 10 uur gesloten moesten worden en de Burgemeester 
gelastte den Commandant der burgerwacht, sterk te doen patrouilleeren, en eiken 
burger, die na taptoe met zijdgeweer op straat werd aangetroffen, zonder dat hij 
dienst had, te arresteeren. 

Ongelukkigerwijze was de Commandant George HENDRIK DE Wilde 
een persoon, die voor de belangrijke post, hem toevertrouwd, niet berekend was. 
Dat hij koopman was, was op zich zelf geen bezwaar ; immers behooren ook nog 
in onzen tijd de officieren der schutterij tot allerlei rang en stand. Ware hij 
met vastheid, en nadruk opgetreden, en had hij den hein opo^edragen last naar 
behooren ten uitvoer gebracht, dan zouden de onhebbelijkheden der kanonniers 
reeds toen gestuit zijn geworden. Maar DE WiLDE ging met groote laksheid en 
onverschilligheid te werk, en wat erger was, hij werkte degenen zijner onderge- 
schikten, die krachtdadig wenschten op te treden, onophoudelijk tegen. HierbQ 
handelde hij op zeer dubbelhartige wijze. Terwijl hij den schijn aannam, de hem 
van hooger Hand opgedragen bevelen naar de letter ten uitvoer te leggen, strekte 
de wijze, waarop hij dit deed, geheel en al, om ze ongedaan te laten. Men kan 
dus veilig aannemen, dat hij innerlijk met de kanonniers sympathiseerde. Zooveel 
is zeker, dat hij met opzet alle ten hunnen opzichte genomen maatregelen krachte- 
loos maakte en hierdoor de anarchie veroorzaakte, die de Amsterdamsche ge- 
meente een tijd lang in rep en roer bracht. 

Het teekent de machteloosheid van de toenmalige stedelijke regeering, 
dat het zulk een man niet onmiddellijk, nadat hij van zijn onwil en dubbelhar- 
tigheid blijken had gegeven, van zijn post ontzet en in staat van beschuldi- 
ging gesteld heeft Eerst nadat er volslagen anarchie was uitgebroken, ging het 
tot die maatregelen over. 

Nadat de kanonniers in den nacht van 7 op 8 Mei de rust der stad op 



TE AMSTERDAM IN 1796. 27 

de gewone wijze hadden verstoord, trokken een dertigtal hunner van eenige 
burgers vergezeld in den vroegen morgen van Zondag 8 Mei, voor afwisseling, 
door de Leidsche poort naar den Overtoom bij het Overhaal onder de gemeente 
Nieuwer-Amstel. Zij werden voorafgegaan door een speelman met een viool. 
Het was er verre van, dat zij den aldaar wonenden eene aubade brachten, integen- 
deel deden zij hun allerlei kwaadaardigen overlast aan. Zij zwaaiden met hunne 
sabels, sloegen tegen de deuren en hakten in de heggen. In een kruideniers- 
winkeltje sloegen ze een glasruit stuk en roofden een daarachter uitgestald 
stuk kaas, hetwelk zij echter kort daarna op de straat wierpen en vertrapten. 
Personen, die hun hunne baldadigheid verweten, werden mishandeld. Ergerlijk 
in hooge mate was hun optreden tegen eenige arme visschers, die daar met 
hunne schuiten lagen. Zij (Iwongen hen onder de grofste bedreigingen, hun paling 
voor bijna geen geld te verkoopen, en toen dit geschied was, sloegen en mis- 
handelden .zij hen zoo onbarmhartig, dat er bloed vloeide en de heelmeester er 
bij te pas kwam. 

Nog dienzelfden ochtend kregen de autoriteiten te Amsterdam officieel 
bericht van de gepleegde wandaden, en vermits zij bovendien van verschillende 
zijden gewaarschuwd werden, dat de kanonniers nog meer kwaad in den zin 
hadden, besloten zij met de uiterste gestrengheid tegen hen op te treden. Voor- 
eerst werden alle bevelen van den vorigen dag hernieuwd. Vervolgens werd, 
met het oog op het ernstige van den toestand, den commandant ten zeerste op 
het hart gedrukt, sterk te laten patrouilleeren, de wachten te verdubbelen en de 
roervinken niet te ontzien. Wat deed nü de commandant.^ Des middags zond 
hij aan alle wachten de volgende order: 

„Op speciale order van den Raad der Gemeente dezer Stad word gelast, 
dat geen Wagtdoend Burger, niet in functie zijnde, met Zijdgeweer na de Taptoe 
op publicque Wegen of Straten zal verschijnen." 

Toen er nu dien middag parade werd gehouden, iets dat, naar het schijnt, 
toen dagelijks gebeurde, en hem daarbij door den Ritmeester Tjallingii, die 
bij absentie van den Luitenant-Kolonel BEELDSNIJDER met het commando over 
de cavallerie belast was, gevraagd werd, welke orders hij bg het patrouilleeren 
moest geven, wanneer zij 's nachts burgers met zijdgeweer gewapend ontmoetten, 
antwoordde de commandant : „Hebt gij de order niet gelezen ?" Hierop vroeg 
Tjallingii weder : „Wanneer mijn patrouilles nu gewapende burgers ontmoeten, 
kan ik dan aan de patrouilles op Uw order last geven, dat zoodanige burgers 
verzocht worden, hunne sabels af te geven of, des niet verkiezende, door de 
patrouilles naar huis gebracht te worden ?^' Waarop DE Wilde antwoordde • 
„Hoor burger, ik ben gewoon mijn orders altoos naar de letter te volgen; gij 

4* 




i-|3lli>ERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 
- «• •• 

||jE^s|g's deze order aan Uw volk bekend te make 

Ï-JHj^I'HJKÏ:, iffig een copie voor U en ik heb verder niet: 

■I igl^tf'^uH.'^'rjguommanduiit, die aldus zijn taak opvatte, i\l 

H^^^'IÏll Sj'-.gSrlingcn du= vrij spel h.-.dden, laat ^ichvr.n: 

« '^^JS ''®**Sl'*'ê?* Waak!;aamheid kwam dien Zondagavor 

*"'*""■ ""■"**' '^de officiers-college, in de Kalverstraat gelegi 

■en te blijven, „ten einde in tijd van nood ac 

U.werd verzocht, bij die vergadering tegenwü 

'^^Ë'IW^8^ïW|j'S-.P^'*"g^'''^"''^'' '"^^ ysguiid, waiit onophoudelij 

.M^fffig gJSi'fïan allerlei riard ir.. 

• •• JWS^diik^..^« ^» : — ,. inmiddels ten getale van \ 



!C*^^^^^*i^'!P^'*"^''**^ ^^^'''"Ston" bijeengekomen, waar 
..s..,sE*iAï. jjjj^tggj^jl^j^llp hen bevond zicii, vreemd genoeg, ook 1 

_j'bS3evciis 




leiiige andere offidereii. De ee.sti 

gnigc glazc;i punch met de m'.:itziekj gasten. 

fTg was geweest, hen tot kalmte aan te spore 

i dat valt zeer te betwijfelen — dan 

^^erking gehad, want de troep werd hoe lan^ 

"ïi^z eindelijk toe over, aan de stedelijk regeeri 

ï.zij v::ii het Coriiiiiitrf vaii Wiuikzaamheid, d: 

giÖJri»S^er tapperijen er dat betreSende het dragen v: 

r^ifi^*|&&|^:^3^itiSn belecdigend voor hun corps," zouden 

^'^^^^^^' verbazen, als we lezen, dat de luit.-kol, I 

^f^Si^^E^ ;jË,ticïereii en minderen zich met het overbreng 

S*^''.2".*^'S''''i'^ '"^'S'"'''^'^ '^'•'' '-oii""''^ '^^11 *'^ch in te \. 

■*■*— "%^;!rde bc.'oegdheid, öc door Burgemeester en I^ 

^MÏig: Koopman verklaarde hierop, dat hij de^c ■ 

|: hij niet in staat was geweest, de kanonniei 

d^ir pai^iculie^n werden op^ehiUt^ Eyi^i 



t-dcir pau'culiei^n werden op^ehiUt. Eui i 






'S*'©» 's "^ '^ 'st — '«'I 




• %#* 



I sa^K^^^ïdtr' 



Ak 



-wfe# 



II 



TE AMSTERDAM IN 1796. 29 

daarna op veraoek van den luitenant-kolonel Koopman ontslagen, nadat het ge- 
bleken was^ dat zij van bedoelde orders onkundig waren geweest* 

Welhaast kwam er bericht, dat de kanonniers zich niet ontzagen, de pa- 
trouilles tegen te houden of zelfs aan te vallen. Hiervan was de kapitein der 
nachtwachts Hardenberg bijna het slachtoffer geworden. Toen hij met 9 man 
der wacht voorbij ,. Washington" patrouilleerde, werden zij door de kanonniers 
met de sabel aangevallen en moesten zij zich door de vlucht redden. Hardenberg 
verweerde zich wel, maar na een slag op zijn hoofd ontvangen te hebben, die 
echter slechts zijn hoed beschadigde, zocht hij een goed heenkomen. Toen dit 
voorval door 4 korporaals der aangevallen patrouille aan het Commité werd ge- 
rapporteerd, snauwde de commandant DE Wilde hun toe : „Wat had jelui daar 
te doen ; het was immers geen tijd, om daar te passeeren ?^' 

Het was inmiddels middernacht geworden, en het Commité inziende, ^dat 
de staat van zaken scheen te verergeren" en wellicht bevreesd zijnde voor over- 
rompeling, verlegde zijne vergadering naar het raadhuis, waar op hun verzoek 
zich ook de Burgemeester, de Procureur en de Maire bij hen voegden. Op ver- 
zoek van den Burgemeester verschenen ook de commandant en de luitenant- 
Kolonel Bleijenburg, wiens bataillon de wacht had» Toen kwam het bericht, 
dat de kanonniers er van spraken, de loslating te eischen van 3 cavalleristen, 
die door het Commité van Justitie kort te voren gedetineerd waren. Men voegde 
er bij, dat dit een truc was van de kanonniers, om de cavalleristen op hunne 
hand te krijgen. De vergadering deed toen aan DE WiLDE den voorslag, het 
drankhuis ^de Generaal Washington" te laten omsingelen en alle zich daar be- 
vindende personen in arrest te nemen. Dit werd echter door hem onuitvoerbaar 
verklaard. Toen hem hierna , — het was intusschen één uur na middernacht 
geworden — gelast werd, nog 2 compagnieën in de wapenen te doeA, komen, 
begaf hij zich te dien einde naar zijn bureau^ maar voerde den last niet uit vóór 
half drie. 

Na het vertrek van den commandant verscheen de luitenant-kolonel 
Koopman vergezeld van 4 officieren op nieuw in de vergadering, y,vragende uit 
naam van de vergaderde kanonniers in den Washington, of het niet mogelijk 
was, om de leden van het vorig bestuur verantwoording van hun gehouden gedrag 
af te vorderen of te arresteeren" en tevens de Oranjeambtenaren te removeeren? 
Zij voegden er bij, „dat zij zelve overtuigd waren, zulks niet konde geschieden". 
De afgezanten der kanonniers waren zeker bang. om het weigerend antwoord 
over te- brengen, althans wel een uur na hun vertrek kwam een luitenant der 
kanonniers vragen, waar Koopman toch bleef. Toen deze eindelijk aan „Was- 
hington" verscheen, vond hij er de deuren gesloten en werd hij door de voor 





,giï0^PROERIGE BEWEGINGEN DER KAN( 

Dnniers aangevallen en vervolgd. I 

bereiken, steeds dooi zijne vcivolg 

■or.d hij de deur gesloten, \v::arop 1 

llhij 700 onHnjt=^t en ontsteld binn 

hem op zijn verzoek een glas va 

l'KoorMAN begaf zich hierop in de 

iliging voüf zijn persoon en goed' 

dit; dien nacht A-^rd aangev;;! 

iccncti met huyine officicrer vcchie 

de dienders hadden kunnen verri 

ladden opgebracht, t.\\. B. van Gr 

nacht van 8 op 9 Mei, en ieder < 

twijfel af, hoe het verder zou gaa, 

echtend, Maandag 9 Mei, wa^ 

i einde maatregelen te beramen. 

de buri^er HELSDINGEN, commies 

ishandeld ; voorts dat hunne mak! 

ig hadden bedreigd, ingeval door 1 

ircn aan 's landü werf -uerdcn onti 

;Corp!^ artiücristcn bij piiblicr.tic te 

diegenen himner, die ^ich niet aan 

[aaT-^ts onteerends had, maar dat dezen 

^•3?' 'ïl^rden gereorganiseerd. De publica 

l^^|^;£iaakt worden. Ook zoude uit den 1 

iK _^ leden, gLdurendo de:;cn da^' en Z(. 

'[zon] worden, permanent blijven v 
iSftlfden avond ten volle van 8 tot l u 
^s ook het Commité van Waakzaam! 






•e^ «SsJ "W" «gi «g 



'■M 



TE AMSTERDAM IN 1796. 81 

had/ antwoordde hij, dat aan het Funie (of Funen), waar de kanonnen bewaard 
werden, een wacht van kanonniers stond, v»welke men gerustelijk konde vertrouwen, 
doch dat hij er zekerheidshalve een piquet fuseliers aan had toegevoegd''; voorts 
dat hij de wacht aan het gemeentehuis met eene compagnie grenadiers zou 
versterken, Den volgenden morgen bleek het echter, dat hij het piquet fuseliers 
niet had gezonden. Ook bleek het later, dat de officieren den commandant 
herhaaldelijk onder het oog hadden gebracht, dat hij de zaak te licht opnam, 
doch dat hij hierop ten antwoord had gegeven : y,Er zal niets gebeuren^' of ook 
wel: ,;Wat bliksem ik ben immers commandant: ik moet mijn zaak weten". 
Voorts kwam het uif, dat hij de rapporten, die ten nadeele der kanonniers 
inkwamen, ^altijd zocht te bedekken'\ 

De nacht van 9 op 10 Mei "verliep rustig. Het was de stilte, voorafgaande 
aan den storm, die er den loden losbarstte. Op den ochtend van dien dag kwam 
de Raad reeds te 9 uur bijeen. Er werd toen besloten, in de publicatie aan- 
gaande de ontbinding van het corps artilleristen op te nemen, dat zij hunne 
sabels en porte*épée's dien middag tusschen 2 en 4 uur moesten inleveren. Ook 
zou het y^Commité van Waakzaamheid^' dien ganschen dag ,,permanent verga- 
deren en in overleg met den Gouverneur alle maatregelen nemen tot voorkoming 
of stuiting van tumultueuze bewegingen", terwijl de Raad te 7 ure opnieuw zou 
bijeenkomen. 

Toen het middaguur had geslagen, werd de Publicatie van de pui van het 
stadhuis afgelezen. Reeds kort daarna zag men op verschillende plaatsen van 
de stad biljetten aangeplakt met den volgenden inhoud : ^Burgers, de reden, 
waarom de kanonniers ontwapend zullen worden is, omdat zij het vaderland 
willen redden en de Oranje-schelmen afgezet hebben." De dienders, die deze 
biljetten wilden afscheuren, werden daarin op verschillende plaatsen door burgers 
verhinderd. 

Er waren derhalve genoeg teekenen van gisting, doch de commandant 
veinsde ze niet te bemerken. Immers toen kort na 12 uur de gewone parade 
werd gehouden en de officieren bij hem op orders aandrongen, hoedanig te moe- 
ten handelen, zeide hij „dat er- niets was." *Met dit antwoord moesten zij zich 
tevreden stellen. Wat de kanonniers betreft, dezen stoorden zich weinig aan de 
publicatie, want 's namiddags 6 uur waren er slechts 99 sabels en porte-épée's 
ingeleverd, meest van officieren. Het lag dus voor de hand, dat eene botsing 
met het stedelijk gezag niet kon uitblijven. In den namiddag verspreidde zich 
het gerucht, dat de kanonniers op het Funie bijeenkwamen, en dit was inderdaad 
het geval. Reeds te 3 uur waren er ruim 200 hunner te vinden. Zij verbonden 
zich daar onderling bij eede, om voor het intrekken der publicatie des noods 



TE AMSTERDAM IN 1796. 88 

omstandigheden gehandeld moest worden. Hangende de deliberatiën verscheen 
een commissie uit de kanonniers onder aanvoering van luitenant Spakler, om te 
verklaren, dat de kanonniers niets anders voor hadden, dan te vragen de vernietiging 
der publicatie, omdat daarin de onschuldigen met de bedrijvers der wandaden over 
één kam werden geschoren. De President drukte zijn verwondering uit over hunne 
handelwijze^ ^waarvan hij de ijselijke gevolgen liet voor rekening van hen, die er 
de oorzaak van waren'\ Voorts verklaarde hij, dat de Raad ^van de publicatie, 
die door de gewezen kanonniers verkeerdelijk wierd uitgelegd, niet kon noch 
mocht afgaan, maar de wet zou maintineeren". Hierna werd door alle ter ver- 
gadering aanwezige ^geconstitueerde Machten als uit één mond gezworen, niet 
van het genomen besluit te zullen afgaan". De Burgemeester beseffende, dat 
langer dralen noodlottige gevolgen zou kunnen hebben^ gaf den commandant 
thans last, ^^om, ingeval de vergaderde menigte op den Dam, zich kanonniers 
noemende, binnen den tijd van een kwartier, niet behoorlijk hunne sabels in de 
hoofdwacht brachten^ hen te omringen, tweemaal te sommeeren, hen alsdan te 
ontwapenen^ zonder een eenig man gewapend uit den kring te doen gaan ; en 
bijaldien hij zulks niet konde effectueeren door de Burgermacht, alsdan de 
gesoldeerde Nationale gardes dezer stad te gebruiken''. De commandant, nu hem 
het vuur zoo na 'aan de schenen werd gelegd, geen kans ziende^ zich aan den 
gegeven last te onttrekken, verzocht, dat twee raadsleden hem zouden vergezellen, 
waartoe op hun aanbod de burgers VAN Barneveld en den Beer Poortugael 
werden benoemd. Blijkbaar moest dit escorte dienen als eene verontschuldiging 
* van den commandant jegens de gewezen kanonniers ; het moest hun toonen, dat 
hij niet uit vrijen wil, maar door den Raad gedrongen, handelde zooals hij deed. 
Nadat DE Wilde zijn opdracht had verkregen, begaven de raadsleden zich ter 
vergadering in raadkamer. Er waren er mèt de 2 genoemden en den Burge* 
meester 48 aanwezig? 

Intusschen waren er verschillende van de opgecommandeerde detachementen 
op den Dam verschenen, enkele nadat zij uren lang op de order daartoe hadden 
moeten wachten. Van de aldus aangekomen schutters liepen achtereenvolgens 
verschillende tot de kanonniers over; zelfs officieren staken hunne hoeden op de 
degens als blijk van goedkeuring jegens de oproerlingen. Andere schutters ver- 
klaarden, niet gezind te zijn, om op hunne medeburgers te vuren. 

Toen de commandant met de beide raadsleden op den Dam verscheen, 
was de situatie der gerequireerde burgermacht als volgt: Aan den ingang van 
het stadhuis stond de zoogenaamde hoofdwacht, die echter, evenmin als de overige 
schutters, order had, hoe te handelen. Vóór haar, op de vermaarde kleine 
steentjes, hadden zich gewapende vrijwilligers der burgerwacht geposteerd, die 

Oud'Holiand 1902. 5 



84 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

zich openlijk vóór de kanonniers hadden verklaard, alsmede eenige gewapende 
kanonniers. Tegenover den rechtervleugel der oproerlingen, met het front naar 
de Kalveratraat en den rechtervleugel naar het stadhuis gericht stond eene com- 
pagnie der burgerwacht onder kapitein Engert. Daarachter en in dezelfde 
positie een detachement onder kapitein Diepvest en daarachter een gedeelte der 
cavallerie, die zich vóór de kanonniers hadden verklaard. Aan de tegenover- 
gestelde zijde van het stadhuis, dus tegenover den linkervleugel der oproerlingen, 
met het front naar den Nieuwendijk en met den linkervleugel aan het stadhuis 
geleund, stonden 4 compagnieën cavallerie onder ritmeester TjALLmoiI en vóór 
deze in dezelfde richting een detachement schutters onder kapitein Tekelenburg. 
De niet door de troepen bezette ruimte werd door de toeschouwers ingenomen. 

Eindelijk aan de achterzijde van het stadhuis, derhalve op de Nieuwezijds- 
Voorburgwal, stonden 2 compagnieën schutters. Zij lieten telkens om orders 
vragen, wat zij te doen hadden, en hoe zij, ingeval er geweld werd gepleegd, 
moesten handelen, maar de commandant was, om reden, die ons weldra zullen 
blijken^ niet te vinden. Toen dit eindelijk gelukt was, gaf hij op de herhaalde 
vragen in substantie ten antwoord : „Ja, burgers, jelui moogt God danken, dat 
jelui zulk een commandant hebt, die zich zelf zoozeer meester is, als ik ben. 
Ik kan U verzekeren, dat ik volmaakt bedaard over alle voorkomende zaken kan 
denken en redeneeren, dat ik volmaakt mijn sangfroid heb behouden; en mijn 
officia du jour, de luitenant-kolonel EvERWijN, die hier tegenwoordig is, is even 
zoo tranquil als ik. Nadere orders kan ik U nog niet geven, maar gij moet van tijd 
tot tijd maar iemand van Uwe compagnie zenden^ om wat nieuws te vernemen". 

Volgen we thans den zoo bedaarden commandant met zijn beide geleiders 
naar den Dam. Daar aangekomen hield hij zich, zeker, om tijd te winnen, bezig 
met de terzijde staande burgers te verzoeken, dat zij uiteen zouden gaan, waarop 
VAN Barneveld hem aanmaande, deze bezigheid aan zijn adjudant over te laten, 
en te doen, wat hem gelast was. Hierop zich tot de kanonniers wendende, sprak 
hij hen niet aan op een toon van gezag, zooals het een bevelvoerend officier 
past, maar op eene flauwe, lijmerige wijze, als hield hij een gemoedelijk praatje. 
Dit hinderde VAN Barnev£ld zoozeer, dat hij zelf het woord opnam en den 
oproerlingen ia krachtige taal aansprak, In dien tusschentijd liep de commandant, 
als ging hem de gansche zaak niets aan, al heen en weer te wandelen langs het 
front der kanonniers. Tegelijkertijd liep een cavallerist over naar dezen en kwam 
er beweging in de compagnie van Engert. Van Barneveld vermaande nu 
nogmaals DE Wilde, om zijn plicht te volvoeren en bood hem daarbij zijn bijstand 
aan, maar DE Wilde antwoordde : „Het is onmogelijk en wie moeten de kanon- 
niers omsingelen?" waarop VAN Barneveld hernam: „Gij hebt soldaten". 



T£ AMSTERDAM IN 1796. 85 

Maar nu kwamen 3 of 4 officieren der kanonniers bij van Barneveld, 
om hem ^in Jezus' naam'* te bewegen, van eene omsingeling af te zien en 
vroegen» of de zaak niet voor schikking vatbaar was. Toen VAN Barneveld 
hierop vroeg, welke schikking zij bedoelden, antwoordden zij „dat de Raad de 
publicatie introk", waarop DE Wilde driftig inviel: ^Dat zal de Raad in eeuwig- 
heid niet doen". Hiermede achtte hij zijn taak volbracht ; hij maakte rechts-om- 
keer en begaf zich met het zwijgende raadslid, DEN Beer PoortUGAEL, terug 
naar het stadhuis, terwijl vAN Barneveld, wilde hij niet alléén te kijk staan, 
hen volgde. Men kan ^begrijpen, dat dit tooneeltje den moed der kanonniers 
niet weinig verhoogd had. 

In de raadkamer gekomen, betoogde den commandant aldaar de onmoge- 
lijkheid, om aan den wil van den burgemeester te voldoen en werd in dit betoog 
bijgestaan door den Beer Poortuoael, terwijl integendeel van Barneveld vol 
hield, dat het zeer goed zou kunnen geschieden, als DE Wilde maar cordaat 
genoeg was. Hiermede was dit incident afgeloopen. 

Het was voor de manschappen, van welke er velen reeds sedert 's ochtend s 
9 uur onder de wapenen waren, verre van aangenaana, zoo werkeloos op hun post 
te moeten blijven. Ook de officieren waren danig uit hun humeur. De toestand 
werd nog verergerd, doordien het een donkere, regenachtige avond was, waardoor 
de reeds zeer vermoeide manschappen doornat werden. Tal van burgers hadden 
zich van pekkransen voorzien, die het terreie spaarzaam verlichtten. Onder de 
kanonniers werd rijkelijk jenever geschonken en gedronken. TjALLlNGn het einde- 
looze wachten moede, liet eensklaps zijne manschappen eene zwenking maken, 
waarop dadelijk een gedeelte der kanonniers uit elkaar stoof; doch hij moest 
even zoo spoedig dit manoeuver staken, want hem* werd uit de hoop volk toe- 
geroepen ^^ ^Sta voor den bliksem, je hebt immers geen orders!'* iets dat hij 
niet kon ontkennen. 

Wat den Raad betreft, van tijd tot tijd kwamen er berichten bij hem in, 
dat er schutters overliepen of dat de kanonniers verzochten, de publicatie in te 
trekken. De burgemeester Vereul deelde mede, dat de luitenant-kolonel van de 
cavallerie, Beeldsnijder, hem gezegd had, y»dat zich o.a. bij zijn corps eene 
commissie uit de gewezen kanonniers [had] vervoegd, ten einde derzelver intentie 
ten hunnen opzichte te vernemen ; dat hij, B., had gedeclareerd tegen hen te zijn» 
dan dat hij, wat hun vraag betrof, of hij niet vóór de remotie der Oranje- 
ambtenaren was, daarop geantwoord [had]: Ja, mits dat het [bleek], dat de 
meerderheid der stemgerechtigde burgerij daar mede vóór [was]; dat [voorts] 
dezelve burger Beeldsnijder nog bericht had, dat de meeste van de gewapende 
burgermacht voor het huis der gemeente vergaderd zijnde, het met de gewezen 

5» 



IKII ||ll^ 4ft<0£RIG£ BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

II^^^Ü^I^II tl|^ f|i3 te zijn en met hen verbroederd waren''. In deze schil- 
'^^ii^i|'^'ili~<^'ïl'flEP^ "^ ^^^^ overdrijving, want het bleek later, dat, ïndiea 

|tóM^^^-0^S watl gewild, ve-^cliiUciidc d>.tachex-.ic,it«ii ;.jer zcl;er hun 

SM!%s*p, lp<ift:'-|| gedaan. Nu echter waren ?.c gedoemd, wcrkelooze aan- 

JrF^.|lijven. 

wM*^*?' lï^'^ echter aan de woorden van Beeldsnijder eene groote 

litten zij deo toestand kritiek en eene onderwerping der 

Zij kwamen tut de conclusie, „dat door de gcuianifes- 



II' fi^ W'W'iH^Ks^lP gc-.vap-,;idc. burgermacht de zaak geheel en al van aard 
ït'*S^S^^Si^'l|J| lirien de volgende bealuiteT : 

•• M'^Sl'S'''*^'*^ commandant gegeven orders, hangende de verdere delibe- 

— ■^'l^:S?^*'a*^' commissie uit de gewezen kanonniers, als individueele 
'i-^^^I^^^'S'-'^w^^^ ^''''' *^^'^'''^^ ^'i ^^^ Raad luochUii aanbieden, te confe> 
^■^^'¥i'^^*'!S?aK'*^*"°='^''^'' ^^^ vergieten v-n burgerblccd te voorl.-onen". 

^iten was het eerste een uitkomst voor nE Wti.dE: hij 

ioen en maakte zich daarom zoo spoedig mogelijk uit de 

lij zich op in de kamer van Justitie, dan weer nam hij 

of begaf hij zich elders, maar op zijn bureau, waar hij 

niet te vinden. Op die v.ij;:c \,ist hij de officieren, die 

te ontkomen. Dat dit hen ergerde behoeft geen betoog. 

itenant-kolonel DiRK Versteegh, chef de bataillon, dat 

van ongeveer half acht des avonds op de Bloemenmarkt 

in den regen had staan wachten tot 's nachts half twee. 

s hij iiiLcr dan ticuiuaal l^-vergcefs nu een:i naar het 

het strdlv.iis gcv.-eert, om orders te vragen, totdat hem 

crd met zijne manschappen nasr de Niemve-Zijds-Kapel 

T Uit patrouilles uit te zenden, wel te verstaan toen dit 

@C ^^'^^ bSL ©i, il 
B'^^^L •*'**'' <^ -Il -^«^.^t *M ■!£ «^ 





Ml-ife.:il-f r5- -tui: 



:ft:'J -^-Wt' 



TE AMSTERDAM IN 1796. 87 

aanbrengen". Hierop werd door den voorzitter in substantie geantwoord, dat de 
ontbinding juist strekte, om gemakkelijk de onwaardigen van de waardigen te 
kunnen scheiden en dat de laatsten zeer spoedig in hunne eer zouden Worden 
hersteld, doch dat het vast stond, y,dat de wet moest worden gemaintineerd/' 
Vervolgens verklaarde de commissie, dat de meerderheid der burgers ontevreden 
was, omdat de Oranje-ambtenaren nog niet geremoveerd waren, waarop de 
voorzitter antwoordde, dat deze zaak onverwijld in deliberatie zou worden gebracht, 
dat echter voor het oogenblik j,de publicatie gemaintineerd moest worden/* 
Onmiddelijk en in het bijzijn der Commissie werd nu door den Raad besloten 
vide reorganisatie nog dienzelfden dag te efrectueeren'\ De kanonniers behoefden 
slechts hunne wapens af te leggen en eene verklaring te onderteekenen, dat zij 
zich niet aan wandaden hadden schuldig gemaakt, als wanneer zij direct in hun 
yorigen rang hersteld zouden worden. De commissie vertrok hierop onder het 
uiten van de stellige verwachting, dat het incident nu spoedig ten einde zou zijn. 
Wij zullen zien, dat die verwachting op verre na niet verwezenlijkt werd. 



Na het vertrek der Commissie werd den Raad de jobstijding gebracht, dat 
de manschappen der compagnie, post houdende op Cattenburg, geêischt hadden, 
„ontslagen te worden van aldaar verder post te houden, ten einde zich naar den 
Dam te begeven, om hunne broeders, de kanonniers, te assisteeren". De beslissing 
in dezen werd aan den commandant overgelaten, die echter niet te vinden was. 

De commissie uit de kanonniers keerde nu terug, om ,,het dedaratoir'^ 
(de verklaring) te onderteekenen, waarop hun gezegd werd, dat ook de andere 
kanonniers bij ploegen van tien, mits zij vooraf hunne wapens afgaven, mochten 
binnenkomen, om insgelijks te teekenen. Wel verschenen hierna 10 andere 
kanonniers en werd hun het declaratoir voorgelezen, maar zij weigerden niet 
alleen beslist te teekenen, maar eischten ook op hoogen toon, dat onmiddellijk 
van de pui van het stadhuis zou worden afgekondigd, dat alle kanonniers in 
hunne eer hersteld waren. Dit werd hun echter met beslistheid geweigerd, 
waarop zij uit de vergadering vertrokken, zeggende, dat zij hun kamaraden van 
de weigering kennis zouden geven. 

Het was inmiddels reeds half twaalf geworden. Het regende hard en 
onweerde tusschenbeide, waarom vele toeschouwers naar huis gingen. Ook de 
kanonniers begonnen het moede te worden, nog langer in den regen te staan, 
doch ze wilden toch ook niet gaarne weggaan, zonder dat de kwestie tot eene 
beslissing was gekomen ; en aangezien velen hunner door het gebruik van sterken 
drank opgewonden waren, begon het al lAeer en meer onder hen te gisten en 




'ROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

^g hunner ontevredenheid zeer aanstaande. In dit kritieke 

^*eeii t'OOi'iiialigi; kanumiier ia de laadsaal en verzocht den 

Jt toon „toch orvcrwijld de cischen d=r vergaderde menigte 

t tijd Qtooter werd en hij voor de 

i deze woorden gesproken of daar 

^ _ „De kanonniers marcheeren op", 

Ml(l/^i#M^^l te waar. Er was eeiievoorwaartöche beweging ~>nt5taaii, 

"^i*ft"'^*S'*M^'^' Lia» de bedoeling, -,.aarn;cJc zij plaalo had. Ze b^on 

_^ ^^^|g«W4g,ltfi*)ii"iers-ge7inde cf.vallert-'teii bij de Mozc?- ea- Aron-straat 

l»M^^M''MfcM^Mi'<^'5r hen staande detachementen van DiEPVEST en EngeRT 

f" de manschappen verstrooid raakten. Zij zochten meeren- 

igomen In de Nieuwe kerk. Tegelijkertijd rukten de kanon- 

Éftdhuis. Van BLaMüLKG, de coiiiiaandcccndo chef van 

■ het stadhni" gegr.r.n, oiii var, h^jnrc beweging kennis 

j^lialdaar, geen orders hebbende, hoe te moeten handelen, liet 

• eenige burgers werden voorafgegaan, ongehinderd door. 

^htte de woeste hoop nog vóór de raadzaal tot staan te 

üiider de vuct. Iii een oogwenk is hij cchtcr weder op 

■?.?.r builen sp'^cden, mr.ar dit wordt liein door de woeste- 

j^elukt het hem, nanr buiten te komen; het detachement 

SfïSc hij echter niet meer. Evenzoo ging het kapitein ENGERT. 

'a'^jjEj^ii het stadhuis, om orders te vragen, en raakte mede onder 

~ 'Jtflfich bij tijds te redden, 

^t^':*. dan de oproerigc kanonnier?, door niet,'; veerhoiiden, met 

;nd en dreigend de raadraal binnen. Het is nochtans 

in den zin hadden, de raadsleden te vermoorden, ot 

ê*^, al schermden zij ook hevig met hunne sabels naar den 

. Voorloopig koeldon i:ij hunae wo^Je slcchu aan de tafels, 

I hunner 
[brzitter te 

temming 
-g^ * jl l*^^jn-majoor 
d«^t(t<r^V.«^^ sprak de 
^^^en. Zijne 
ktl^cli^t^ijll^i stonden, 
eden van 
«1^ B^j^^ik maakte 



«• 







-i'5 



'IS^M "'S:"* 

•Il ia ^- 



. TE AMSTERDAM IN 1796. , 89 

Henning Nissen gebruik, om zich naar buiten te spoeden, ten einde zoo mogelijk 
eenige vrijwillige ruiters (?) te hulp te roepen. 

T^r eere der raadsleden zij hier opgemerkt, dat zij te midden van dit 
angstverwekkend tumult volkomen hunne Kalmte bewaarden en rustig bleven 
afwachten, wat de muiters in het schild voerden. Deze houding bleef niet in 
gebreke indruk te maken op de woestelingen, die thans met hunne eischenvoor 
den dag kwamen, welke op het volgende neerkwamen : 

10. dat de publicatie wegens het licentiêeren (ontslaan) der kanonniers 
ingetrokken en verscheurd zou worden ; 

20. dat de twee kanonniers, welke das^s te voren gearresteerd waren, 
ontslagen zouden worden; 

3o« dat hetzelfde zou geschieden met 3 zich in de gevangenis bevin- 
dende cavalleristen ; 

40. dat een zekere Hunnemeijer, die in het Rasphuis zat, mede zou 
ontslagen worden. 

Wat den eersten eisch betrof, hij werd na eenig overleg onder de raads- 
leden ingewilligd en de publicatie onmiddellijk verscheurd. Aangaande de 
drie overige eischen durfde de Raad nog geene beslissing nemen, omdat zij 
bij den Procureur berustte. Terwijl men hierover aan het delibereeren was, 
kwam deze juist door twee leden van het Commité van Justitie en Henninq 
vergezeld binnen. Henning had, toen hij de trap vóór de wachtkamer wilde 
afgaan, aldaar deze drie heeren ontmoet. Zij waren door de kanonniers ver- 
hinderd, zich naar de raadzaal te begeven, maar NiSSEN wist hen met gevaar 
van zijn leven er heen te brengen. De voorzitter vroeg nu den Procureur 
onmiddellijk, of hij de gevangenissen wilde laten openen en de opgeêischte 
gevangenen ontslaan, waarop de aangesprokene vroeg, of de Raad daartoe door 
het provinciaal bestuur van Holland gequalificeerd was. Natuurlijk werd dit 
ontkend. De Procureur zeide toen: ^Nimmer zal ik mijn eed breken. Het recht 
is geschonden. Gij kunt de gevangenissen wel openbreken, want ik heb geen 
macht, om daar tegen over te stellen, anders zou ik het zeker doen'\ Ook de 
leden van het Commité van Justitie weigerden, hunne toestemming te geven. 
Nu begonnen de kanonniers zoodanig op te spelen, dat de voorzitter, om erger 
te voorkomen, de eischen der muitelingen toestond. 

Gedurende de hier beschreven besprekingen kwam er een burger woedend 
de raadkamer binnenstormen, schreeuwende: „Waar issie? ik zal hem het venster 
uitgooien, den hals breken" enz. Henning vroeg hem, wien hij zocht. ^Den 
Procureur'', was het antwoord. Gelukkig waren er een paar grenadiers aan den 
ingang der raadzaal verschenen en met hunne «hulp werd de woesteling door* 



40 DE .OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

Henning verwijderd. De verwarring in de raadkamer hield, ook nadat de ei 
der kanonniers waren ingewilligd, nog niet op. Sonunigen wilden de bevrijde 
gevangenen zien, anderen wilden onmiddellijk de y,Oranje-ambtenaren", geremo- 
veerd hebben enz. Het was intusschen één uur geworden en „de Raad vroege 
nu aan de hoop, of zij mochten weggaan''. Dit werd genadiglijk toegestaan. 
Sommigen hunner echter tot het koperen hek genaderd zijnde, moesten weer 
terug. De Procureur en eenige leden van den Raad werden eindelijk omstreeks 
twee uur door Henning uit het stadhuis tot op den Dam geleid, waar lang- 
zamerhand de menigte verliep. 

Nadat het op den Dam rustig was geworden en de commandant dus geen 
vrees meer behoefde te koesteren, dat hij orders moest geven, om tegen de 
kanonniers te ageeren, begaf hij zich eindelijk naar zijn bureau, omringd door 
een aantal officieren van den staf. Daar aangekomen gaven dezen lucht aan 
hnnne verontwaardiging over zijn schandelijk gedrag. Zij gaven hèm alleen de 
schuld van het* gebeurde op het stadhuis en verweten hem, dat hij hen als kwa- 
jongens behandeld had, doordien hij hun, ondanks hun herhaald aandringen, geen 
orders had gegeven. De luitenant-kolonel Beeldsnijder achtte zich zelfs zóó 
beleedigd, dat hij verklaarde, onder zulk een commandant niet langer te willen 
dienen en zich van stonde af als gelicentitord beschouwde. Andere officieren \ 

volgden terstond of later zijn voorbeeld. 

Zoo verkeerde dan de hoofdstad des lands in den toestand van anarchie. | 

Het stedelijk bestuur was slechts eene schijngestalte. De macht berustte feitelijk 
bij een handvol kanonniers, gerugsteund door duizenden van echt patriottische 
burgers, meerendeels leden van dubs o{ wijkvergaderingen. Justitie en politie 
waren geheel machteloos. De schutterij tot werkeloosheid gedoemd door de 
verraderlijke handelwijze van haren commandant. Als men niet leest, dat er 
onder deze omstandigheden diefstallen, plundering, gevechten, roof of moord, de 
gewone verschijnselen bij anarchie, plaats hebben gehad, dan is dit hoofdzakelijk 
te danken aan den kalmen aard der Nederlanders. Wat de patrouilles betreft, 
die door den commandant voor den vorm werden uitgezonden zonder orders, hoe 
in voorkomende gevallen te handelen, zij waren niets dan eene schtjnvertooning, 
hoedanig ze ook door de burgers beschouwd werden. 

De gemeenteraad, het ernstige van den heerschenden toestand inziende, kwam 
in den ochtend na den woeligen nacht, dus op 1 1 Mei, reeds om 6 uur des ochtends 
bijeen ; niet in het stadhuis, maar in de Doelen op de Gamalenmarkt Daar werd 
besloten, eene commissie, uit 4 raadsleden bestaande, naar het Provinciaal Commité^) 



1) Het Provinciaal CommiU was van gelijken aard als de ^Gtdtpute*rd€ Siateu*' in den tegenwoordigen tijd . 



TE AMSTERDAM IN 1796. 41 

te *s Hage af te vaardigen ^ om bericht te geven van wat er voorgevallen was en 
tevens om mede te deelen, dat de Raad zich niet in staat bevond, actief te kunnen 
optreden en zich slechts kon bepalen tot het afdoen der loopende zaken. Overi- 
gens zou de commissie geen klachten indienen ; evenmin mocht zij om hulp of 
bijstand verzoeken of zich inlaten met de maatregelen^ die het Commité met het 
oog op den toestand te Amsterdam mocht willen nemen. Derhalve schijnt het 
zenden der commissie geen ander doel te hebben gehadi dan den Raad bij voorbaat 
te vrijwaren voor een mogelijk verwijt wegens zijn niet actief optreden van zijde 
het Provinciaal Bestuur Van een krachtdadig ingrijpen door dit Bestuur tot 
herstel van het geschokte gezag wenschten de vroede mannen blijkbaar niet 
gediend te zijn. Dit behoeft ons na het vermelde op blz. 20, betreffende de' 
verhouding tusschen het provinciaal- en het stedelijk gezag, geenszins te be- 
vreemden. Vermits zij echter wèl begrepen, dat het Provinciaal Bestuur niet in 
gebreke zou blijven tusschenbeide te komen, namen zij met algemeene stemmen 

■ 

het besluit, dat ingeval dit geschiedde, zij allen hun mandaat als raadslid zouden 
nederlagen, ^lals begeerende geenszins door de bajonetten der troepen, maar 
alleen door de toegenegenheid en het blijkbaar vertrouwen hunner medeburgers 
in het stadsbestuur ondersteund en beschermd te worden". 

In overeenstemming met den gemeenteraad en met gelijke bedoeling besloot 
ook het Commité van Justitie eene commissie naar het Provinciaal Bestuur af 
te vaardigen. Beide commissies vertrokken reeds om 1 1 uur 's ochtends naar 
5 Hage en volbrachten daar hun last. Het Commité achtte het medegedeelde 
van zoo ernstigen aard, dat het het gansche Provinciaal Bestuur tegen 's nachts 
2 uur ter vergadering opriep. Er werd toen eene com|jpissie van 7 leden uit het 
Bestuur benoemd, die, door een militair escorte begeleid, zich naar Amsterdam 
zou begeven, om daar de orde en rust te herstellen en te zorgen, dat de schul- 
digen gestraft werden. De commissie bestond uit de heeren T. M. Temminck, 

Ads. Hartevelt, R. van den Bosch, D. van Aken Hendricksz., J. de Jongh 

VAN Hedikhuysen, gewone leden van het Provinciaal Bestuur, alsmede C. J. VAN 
Brakel en C. van Foreest, leden van het Provinciaal Commité. 

Nadat de vergadering te half vijf in den ochtend van Donderdag den 1 2 Mei 
getindigd was, begaf zich eene deputatie uit het Provinciaal Bestuur tot den heer 
BiCKER, die bij ontstentenis van VAN DER LEEUW waarnemend voorzitter der 
Nationale Vergadering' was, en verzocht hem, ^dat hij in voorschreven zijne 
kwaliteit order zou geven, dat dadelijk 2 escadrons ruiterij van het Haagsche 
garnizoen de Commissie uit het Provinciaal Bestuur ten geleide zouden dienen*'. 
Aan dit verzoek werd onmiddellijk voldaan : er werd een escadron Fransche 
huzaren en een escadron HoUandsche cavallerie ter beschikking gesteld. Van 

Oud-HoUand 1902. 6 



42 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

zijde het Provinciaal Bestuur werden ter escorte opontboden: een escadron 
Fransche huzaren, te Utrecht in garnizoen, een escadron Hollandsche huzaren, 
eindelijk een bataillon infanterie, te Haarlem in garnizoen. Al deze troepen 
zouden onder bevel staan van kolonel Dury. 

Er werd zooveel spoed gemaakt, dat de Commissie leeds des ochtends 
1 1 uur uit 's-Grravenhage vertrok. Te 7 uur 's namiddags kwam zij te Haarlem 
aan. Van hier uit werd des nachts per expresse aan den Gemeenteraad van 
Amsterdam kennis gegeven van het doel der Commissie en tevens, dat deze den 
volgenden ochtend, zijnde Vrijdag den 13 Mei met militair escorte te Amsterdam 
zou aankomen. Voorts werd den Raad verzocht, op bedoelden ochtend om 
10 uur ten stadhuize aanwezig te zijn, teneinde met de Commissie te confereeren. 

Het plan der Commissie was, dat de voorhoede van hel escorte, onder 
bevel van luitenant-kolonel COLLARD, zich bij het krieken van den dag naar 
Amsterdam zou begeven en er de Haarlemmerpoort binnentrekken ; ingeval echter 
de toegang geweigerd werd, mocht er geen geweld gebruikt- worden. De Com- 
missie zou intusschen te Haarlem blijven en vandaar niet vertrekken, voordat zij 
. bericht had ontvangen, dat de voorhoede Amsterdam ongehinderd was binnen- 
getrokken. 

Den 13 Mei 's ochtends 9 uur werd de Commissie verrast door de komst 
eener deputatie van wege den gemeenteraad van Amsterdam. Zij deed uit naam 
van den Raad het verzoek, dat de Commissie de reeds op marsch zijnde troepen 
tegenbevel zou geven en schetste haar met de levendigste kleuren, welke bloedige 
gevolgen de komst dier troepen te Amsterdam zou kunnen hebben. Ook deelde 
zij mede, dat de raadsleden allen hun mandaad zouden nederleggen, als de Com- 
missie bij haar voornemen bleef volharden* Wilde de Commissie echter zonder 
escorte komen, dan zou zij door een detachement van de burgerwacht afgehaald 
en met de noodige eerbewijzen ontvangen worden. 

Het yoorgedragene door de deputatie bracht de Provinciale Commissie in 
een eenig^ins moeilijken toestand. Zij had nog geen bericht ontvangen, ot het 
de voorhoede gelukt was, Amsterdam ongehinderd binnen te trekken, en wist 
daarom niet, of zij het verzoek der deputatie botweg zou weigeren, of dat zij in 
eene schikking zou treden. Vermits zij het echter ongeraden achtte, eenige 
weifeling te laten blijken, rekte zij de deliberatién in de hoop, dat er inmiddels 
een gunstig bericht van de voorhoede zou inkomen. Toen zich dit echter nog 
steeds liet wachten, nam de Commissie eene kloeke houding aan en verklaarde 
van de haar opgedragen last niet te kunnen noch te mogen afwijken. Ze wees 
er voorts op, dat van haar niet kon gevergd worden, zich zonder escorte te 
begeven y^tusschen de bajonetten dergenen, die met de sabel in de vuist de 



TE AMSTERDAM IN 1796. 43 

raadzaal waren ingedrongen en aldaar de verregaanste geweldenarijen hadden 
gepleegd/' Diensvolgens moest de deputatie, zonder haar doel te hebben bereikt^ 
vertrekken* 

Eerst te ongeveer één ure kwam er eindelijk bericht, dat de voorhoede 
vfdoor een gelukkig toeval" en bij verrassing, zonder eenigen tegenstand te ont- 
moeten, des ochtends half tien de Haarlemmerpoort was binnengetrokken. Nu 
was er niets meer, dat het vertrek der Commissie in den weg stond. Zeer 
spoedig begaf zij zich dan ook in twee rijtuigen op weg naar Amsterdam ; het 
escorte werd vooruitgezonden. Doch voordat de Commissie Halfweg had bereikt, 
vernam zij van een officier der HoUandsche huzaren y^dat de gansche gewapende 
burgerij te Amsterdam op het roeren van den alarmtrom in de wapenen was 
gekomen, en dat men zich tegen het inrukken van meer troepen met geweld 
zou verzetten". Voorts deelde hij haar mede, dat er zich een tweede deputatie 
uit de stad op weg naar de Commissie bevond. Dit laatste was inderdaad het 
geval, zooals te Halfweg bleek. De deputatie verklaarde hier, dat de rust te 
Amsterdam ^volkomen hersteld was" en de Raad weder vrij kon delibereeren • 
Zij verhaalde voorts, dat de commandant D£ WiLDE door een ander vervangen 
was en herhaalde overigens het verzoek der eerste deputatie. De Commissie, zeer 
in haar schik, dat de aanmarsch van het escorte eene zoo heilzame uitwerking 
had gehad, liet zich nu gaarne vinden tot eene nadere deliberatie met de depu- 
tatie. Ten slotte werd men het onderling eens over de volgende punten : 

10. dat slechts een klein gedeelte van de voorhoede in vereeniging met 
burgers de Haarlemmerpoort bezet zou houden, ten einde de communicatie voor 
de Commissie vrij en onbelemmerd zou blijven; 

20. dat het overige gedeelte der voorhoede met de andere militairen van 
het escorte in den omtrek van Amsterdam gecantonneerd en door de stad van 
vleesch, brood en fourage voorzien zouden worden; 

30. dat de Commissie voorloopig naar Haarlem terugkeeren en daar 
nadere instructie van het Provinciaal Bestuur zou afwachten; 

40. dat èn de Raad èn het Commité van Justitie van tijd tot tijd aan 
de Commissie rapport zouden zenden van hetgeen door hen gedaan werd tot 
volkomen herstel van politie en justitie. 

Zien wij thans, hoe de werkelijke toestand te Amsterdam was* Nadat de 
Raad op Woensdag den 11 Mei de Commissie naar 'sHage had gezonden, ver- 
legde hij 's ochtends 11 uur zijne vergadering naar het stadhuis, waar hij 
DE Wilde nogmaals nadrukkelijk en op diens persoonlijke verantwoordelijkheid 
gelastte, de noodige maatregfelen te nemen tot het bewaren der orde en rust in 
de stad. Dien dag viel er niets bijzonders voor; alleenlijk vervoegden zich 

6» 



44 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

des avonds 5 burgers, namens de grondvergaderingen der Bataafeche clubs, bij 
den Burgemeester en verzochten hem in zijne kwaliteit van Gouverneur der stad, 
dat, zoo er 's nachts Franscbe troepen voor de poorten mochten verschijnen, men 
de poorten gesloten zou houden. De Burgemeester verwees hen naar de raads- 
zitting van den volgenden dag. In die zitting werd den burgers als besluit van 
den gemeenteraad medegedeeld, dat er door den Raad geen troepen gevraagd 
waren ; mochten die zich echter voor de poorten bevinden, dan had de Raad 
niet de bevoegdheid, hun het binnentrekken te weigeren. Echter zouden de 
raadsleden, zoodra er troepen in de stad kwamen, hun mandaat nederleggen. In 
dezelfde zitting kwam er bericht van den commandant D£ WiLDE, dat de rust 
in de stad hersteld was en werden op zijn voorstel de buitengewone wachtposten 
ingetrokken. Vootts ging de Raad er eindelijk toe over, 13 ambtenaren te 
ontslaan ^die toegedaan [waren] aan het vorige Oranje- en aristocratisch Bestuur^'. 
Zij mochten nochtans hunne posten blijven waarnemen, totdat hunne opvolgers 
benoemd waren, hetwelk echter vooreerst nog niet plaats had. Het ontslaan 
dezer ambtenaren geschiedde blijkbaar uit vrees, dat een langer uitstel van deze 
zaak opnieuw wanordelijkheden zou veroorzaken. Overigens was het niet in 
overeenstemming met het voorschrift betreffende dusdanige ambtenaren, door het 
Provinciaal Bestuur gegeven. 

Aan den avond van dienzelfden dag verspreidde zich het gerucht in de 
stad, dat er troepen in aantocht waren ter begeleiding eener Provinciale Com- 
missie. Dit gerucht veroorzaakte eene algemeene onrust en opgewondenheid 
onder de burgerij. Men begon er van te spreken, dat alle middelen te werk 
gesteld moesten worden, om het intrekken der troepen te beletten, en het had 
er allen schijn van, „dat de tooneelen van wanorde herhaald zouden worden". 
Wegens het gevaarlijke van dezen toestand kwam de Raad te half één in den 
nacht van 12 op 13 Mei in de Doelen bijeen. Hier werd besloten, eene depu- 
tatie, bestaande uit 2 raadsleden, 2 burgers en 4 artilleristen, naar de Provinciale 
Commissie te Haarlem af te vaardigen. Waarin de last dezer deputatie bestond 
en hoe zij dien volbracht heeft, is reeds vroeger verhaald. In dezelfde raads- 
vergadering verschenen afgevaardigden der stedelijke infanterie en artillerie, 
verzoekende om orders y»tot het nemen van maatregelen, om de stad tegen de 
aannaderende troepen te verdedigen". Dit verzoek werd op de bekende gronden 
van de hand gewezen, onder de bijvoeging, dat wie zich tegen de troepen 
gewelddadig zou verzetten, als oproermaker zou worden beschouwd. Te half vier 
in den ochtend gaf de Raad aan den commandant DE WiLDE een schriftelijke 
order, dat hij alle mogelijke middelen zou aanwenden ^om door middel van de 
gewapende burgermacht de rust en veiligheid te maintineeren". Aangezien echter 



TE AMSTERDAM IN 1796. 45 

de commandant weinig lust had, uit eigen beweging gedetailleerde orders aan 
zijne manschappen te geven, en hij bovendien tijd zocht te winnen, om zich op 
eene of andere wijze aan zijn last te onttrekken, vroeg hij 'den Raad om gedétaiU 
leerde orders. Hierop kreeg hij van den President (toen R. A. JOLLES) ten 
antwoord: dat hij (de commandant) een generale order had, ^om geweld met 
geweld te keeren", en hij zelf diende te weten, hoe hij dien ten uitvoer moest leggen^ 
,,als behoorende men onderscheid te maken tusschen een- commandant en een 
kruier". Daarom gelastte hij (de President) hem nogmaals patrouilles uit te zenden, 
die zoo noodig geweld met geweld moesten keeren. Tevens gelastte de President 
hem, te zorgen, dat de stadspoorten op den gewonen tijd geopend werden. 

Wat deed nu de commandant ? Hij ging naar zijn bureau en schreef een 
order, dat al de 15 bataillons in de wapenen moesten komen. Dit was eene 
hatelijkheid tegenover den gemeenteraad, immers kon hij (DE Wilde) dan ver- 
klaren, dat hij hun order letterlijk opgevolgd en ,,alle mogelijke middelon" in 
het werk gesteld had. Toen de luitenant-kolonel Blomberg hem op het ver- 
keerde hiervan wees, antwoordde hij : yjk ben maar een letterknecht en ben 
gewoon* te obediCeren". Toch liet hij zich door den staf bewegen, slechts 8 
bataillons op te roepen. Toen hem de officieren om schriftelijke orders vroegen, 
hoe de patrouilles in geval van verzet te handelen hadden, weigerde hij ze te 
geven, waarop de officieren weigerden te laten patrouilleeren, zeggende, „dat zij 
niet teh tweeden male door gebrek aan orders met het beste hart werkeloos ^ 
wilden blijven". Om aan deze twist een einde te maken, stelde de adjudant- 
generaal Straatman een order op, inhoudende, ^dat alle attroupementen belet 
moesten worden en des noods geweld met geweld worden te keer gegaan". 
Toen hij den commandant deze order voorlas, zeide deze : ,Jongenlief, dat is 
geheel de intentie niet: ik volg de letter", waarna hij het opstel verscheurde. 
Zoo geschiedde er dus niets en wisten de officieren van geen boe of ba. Wat 
het openen der poorten betreft, hiermede werd verschrikkelijk lang gedraald, 
omdat de commandant weifelde, hoe in dezen te handelen. Ten laatste geschiedde 
het te ongeveer 10 uur, terwijl de Haarlemmerpoort reeds kort na negenen 
geopend was. Eerst toen kon de expresse binnenkomen, die kort na middernacht 
door de Provinciale Commissie uit Haarlem gezonden was. Sedert 4 uur 's ochtends 
had hij op het openen der poor( staan wachten. 

Intusschen waren er om ruim 5 uur vier of vijf Fransche huzaren voor de 
Weesperpoort verschenen, en hadden verzocht binnengelaten te worden. Nu was 
Holland in last. De burgers kwamen den Raad bestormen met het verzoek, dat 
men de huzaren den toegang zou weigeren en de poort gesloten houden. De 
Raad voldeed wijselijk niet aan dit verzoek ; zij zond echter eene commissie naar 



46 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

den bevelhebber der huzaren, om hem te verzoeken, dat hij niet zou binnenkomen, 
alvorens de (eerste) deputatie met het antwoord der Commissie uit het Provinciaal 
Bestuur zou zijn aangekomen. Dit verzoek werd ingewilligd, hetwelk de opge- 
wondenheid der burgers eenigszins kalmeerde. Doch zij nam weder toe, toen na 
het openen der Haarlemmerpoort 50 huzaren en 12 cavalleristen onder bevel van 
luitenant-kolonel Collard de stad binnentrokken en op het Haarlemmerplein post 
vatten. Onophoudelijk werd nu de Raad bestormd met de vraag, hoe men zich te 
houden had jegens de aanwezige troepen, waarop de President telkens het stereotype 
antwoord gaf, y,dat zij (de burgers) zooveel mogelijk de rust moesten helpen 
bevorderen*'. 

Terwijl de Raad nog aan het delibereeren was, hoe er in de gegeven 
omstandigheden gehandeld moest worden, gewerd hun op eens de tijding, dat 
de kanonniers opnieuw de vaan des oproers hadden opgeheven. Zij hadden zich 
,,zonder order of patent'' naar het Funie begeven, hadden van daar eenige stukken 
geschut medegevoerd en waren er mede naar de Nieuwe Markt gemarcheerd. 
Dit optreden der kanonniers was eenigszins bevreemdend. Zij waren namelijk 
dien ochtend tamelijk rustig geweest. Wel hadden een 70 hunner de poorten 
bezet, met de bedoeling, zich tegen het openen te verzetten, omdat zij begrepen, 
dat het gedaan zou zijn met hunne dwingelandij, en zij bovendien strafte wachten 
hadden, als er militairen in de stad kwanien. Maar toch lieten zij zich door den 
luitenant-kolonel Versteegh gezeggen, toen hij hen vermaande, zich niet tegen 
het openen der poorten te verzetten. Het schijnt echter, dat ze na dien tijd 
opgeruid werden, en daardoor weer in de oude kwaal vervielen. Te vergeefs 
was het, dat hunne officieren hen van het wegnemen der, kanonnen trachtten 
terug te houden : zij verkozen niet naar hen te luisteren, waarom de officieren 
hen verlieten. Zoodoende hadden de kanonniers vrij spel. 

Het liep naar het middaguur toen de Raad bericht kreeg van het bedrijt 
der kanonniers. Onmiddellijk daarop werd de commandant DE WiLDE'ter raads- 
vergadering gerequireerd. Hier werd hij door den Voorzitter op het ernstige van 
den toestand gewezen en hem met nadruk gelast, onmiddellijk orders uit te 
vaardigen tot het uiteendrijven der muitelingen. Hij antwoordde met de hem 
eigen tergende schijn-gewilligheid, dat hij dien last schriftelijk wilde hebben. 
Nadat hieraan voldaan was, vroeg hem de President, ot hij dien last dadelijk 
zou uitvoeren. Op deze vraag bleef hij het antwoord schuldig. De vice-President 
herhaalde de vraag, welke nu ^flauwtjes" beantwoord werd, terwijl D£ Wilde 
geen aanstalten maakte, om de raadzaal te verlaten, ten einde zijn plicht te 
doen, ofschoon verschillende aanwezige hoofdofficieren hem hiertoe aanspoorden, 
en hem bovendien aanzegden, ,,dat het volk (d. i. de burgermacht) voor het 



TÊ AMSTERDAM IN 1796. 47 

huis der gemeente hem wilde zien'\ De buiten staande officieren wilden namelijk 
gespecificeerde orders hebben, om niet gelijk de vorige maal werkeloos te moeten 
blijven. Vermits nu de commandant y,tot schamens toe'' bleef aarzelen, zoo om 
zich op het plein te vertoonen als om den hem gegeven last uit te voeren, en 
y,in dit oogenblik van gevaar alle vertraging van de ijselijkste gevolgen konde 
zijn", zeide de President op aandrang en met goedkeuring der raadsleden 
DE Wilde aan, dat hij in het stadhuis in staat van arrest gesteld en van zijn 
commandement vervallen verklaard werd. De hem uitgereikte schriftelijke order 
moest hij weer teruggeven en de wapens aflegden, waaraan hij voldeed. In zijne 
plaats werd onmiddellijk de luitenant-kolonel G. Cruys tot commandant benoemd, 
aangezien de kolonel Harmanus van Ledden Hulsebosch, die in rang op 
DE Wilde volgde, voor die waardigheid bedankt had. 

De benoeming van Cruys maakte op de burgers een goeden indruk. Zij 
gaven hunne tevredenheid er over te kennen, doch bleven er hardnekkig op 
aandringen, dat er geen troepen in de stad zouden komen. Onophoudelijk lieten 
zij door afgevaardigden 'deze hunne meening. aan den Raad bekend maken. De 
President kon echter niets anders doen, dan hen tot kalmte te vermanen en hun 
onder het oog te brengen, dat de Raad niet de bevoegdheid bezat, den militairen 
wetten voor te schrijven. De opgewondenheid nam intusschen al meer en meer 
toe, ook onder de burgermacht. Vele schutters zeiden de gehoorzaamheid op 
aan- hunne officieren en maakten zich gereed om naar de Haarlemmerpoort te 
trekken, ten einde de daar geposteerde militairen de stad uit te drijven. Onder 
anderen was het gansche bataillon van den luitenant-kolonel Blomberg, op 
weinige uitzonderingen na, uit elkaar gegaan. De toestand was hoogst kritiek. 
Daarom besloot de Raad, opnieuw eene deputatie naar de Provinciale Commissie 
af te vaardigen. Zij koos hiertoe 2 raadsleden en 6 officieren der burgerwacht.* 
Aan de burgerij werd hiervan onmiddellijk kennis gegeven met het verzoek, dat 
zij zich rustig zou houden tot na de terugkomst der deputatie en dit verzoek 
bleef niet geheel zonder uitwerking. De deputatie vertrok te ongeveer half twee 
^s middags. Wij hebben reeds verhaald, dat zij de Commissie te Halfweg ont- 
moette en dat het haar gelukte de komst dier Commissie en het binnenrukken 
van troepen in Amsterdam voorloopig af te wenden. 

Niet lang nadat de deputatie vertrokken was, werd er Aor een kwartier- 
meester der Fransche huzaren aan den Raad bericht, dat 64 dier huzaren de 
Weesperpoort waren binnengetrokken, waarop de Raad hem opdroeg, den bevel- 
voerenden officier te verzoeken ^van geen troepen meer te doen binnenrukken 
en zoo mogelijk de binnengekomenen wederom te doen uitmarcheeren''. Aan 
dit laatste verzoek werd tot nader order gevolg gegeven. 



48 DE OPROERIGE ^BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

Toen het half vier was geworden, konden de raadsleden eindelijk eens 
een poosje verademen. Zij zullen zeker erg vermoeid zijn geweest, want sedert 
's nachts half één waren ze onafgebroken in het getouw geweest Een langen 
rusttijd gunden zij zich echter niet, want reeds om 5 uur werd de vergadering 
al weder geopend op het stadhuis. Ook nu werd de Raad onophoudelijk lastig 
gevallen met het verzoek, dat de militairen de stad zouden verlaten; de Raad 
was echter machteloos. Daar traden de kanonniers weer handelend op. Zij 
marcheerden met het geschut van de Nieuwe Markt naar den Dam en stelden 
hier de stukken op. Naar het heette geschiedde dit, om den Raad te „beveiligen"! 
De Raad liet hierop den commandant Cruys ontbieden, die weidra met eenige 
burgers en een kanonnier verscheen. Toen de President hen vroeg, „wat de 
oogmerken der kanonniers waren ?" antwoordde een der burgers, „dat zij eischten 
dat de aangekomen troepen wederom zouden uitmarcheeren, voegende de kanon- 
nier hier bij, dat de gansche schutterij op hunne zijde was en ook reeds een 
gedeelte van de cavallerie". De commandant Cruys wel inziende, dat bij dezen 
stand van zaken met geweld niets was uit te richten,* deed aan den Raad het 
voorstel, dat hij met eene commissie uit hun midden zich naar het Haarlemmerplein 
zou begeven, „ten einde den aldaar zijnde commandant te trachten te bewegen, 
om wederom ter poorte uit te trekken". Aan dit verstandige voorstel werd 
onmiddellijk gevolg gegeven, en de commissie slaagde naarwensch. De comman- 
dant der huzaren, luitenant-kolonel COLLAKD, die zich zeker niet op zijn gemak 
bevond te midden der dreigende menigte, waardoor hij onafgebroken aangegaapt 
werd, verklaarde zich bereid met zijne manschappen de stad te verlaten, op voor- 
waarde, dat de Raad hen alvorens „in stads eed" wilde nemen en hen voorzien 
van vleesch, brood en fourage, alsmede dat er een detachement zou achterblijven, 
om in vereeniging met schutters de Haarlemmerpoort te bewaken, opdat de 
Provinciale Commissie langs dien weg de communicatie met de stad zou kunnen 
onderhouden. Nadat de Raad in deze voorwaarden was getreden, vertrokken de 
huzaren, op 50 man na. 

Inmiddels was de (tweede) deputatie van Halfweg teruggekeerd en had 
den gunstigen uitslag van hare zending gerapporteerd. Dadelijk hierna werd de 
overeenkomst met de Provinciale Commissie van de pui van het stadhuis aan de 
gewapende burg^ij bekend gemaakt en werden de kanonniers „ten ernstigste^* 
vermaand, „om het geschut, dat zij zonder patent uit het magazijn hadden ge- 
haald, onverwijld op zijne plaats te brengen". De burgers gaven hunne vreugde 
over het medegedeelde te kennen en de kanonniers maakten zich niet alleen 
gereed, de kanonnen weg te brengen, maar beloofden ook plechtig, „dat zij zich 
voortaan als brave burgers zouden gedragen en de rust zouden helpen mainti- 



TE AMSTERDAM IN 1796. 49 

neereti". Zoo was dan gelukkig het gevaar van een tweede oproer afgewend. 
Toch zag men met bezorgdheid de Pinksterdagen, die toen op 15 en 16 Mei 
vielen, te gemoet; zij verliepen echter tegen alle verwachting zeer rustig. 
De kanonniers hielden woord en verzetten zich niet weder tegen het stedelijk 
bestuur. Wel waren zij, vooral des Zondagsnachts, nog wel eens luidruchtig of 
bedreven zij baldadigheden, maar het was niet van zoo ernstigen aard, dat daar- 
tegen bijzondere maatregelen moesten worden genomen. Met dit al was het gezag 
der stedelijke regeering nog geenszins hersteld. De ontevreden burgers hadden 
gezien, hoe zij, door stoutmoedig op te treden, den Raad konden dwingen naar 
hunne pijpen te dansen. Zij dachten er uit dien hoofde dan ook niet aan, zich 
willoos en onvoorwaardelijk aan diens gezag te onderwerpen. Doch ook èn de 
Raad èn het Commité van Justitie waren er zich van bewust, dat zij zoo goed als 
machteloos stonden tegenover den wil der groote menigte. In weerwil hiervan 
wilden zij van de tusschenkomst van het Provinciaal Bestuur niet gediend zijn ; 
vandaar dat de Raad voortging al het mogelijke te doen, om de komst der Com- 
missie uit dat Bestuur te verhinderen. In dit opzicht konden de raadsleden op de 
instemming der burgers rekenen. Bovendien werd de Raad in zijne houding jegens 
die Commissie zedelijk gesteund door de afkeuring, die in de Nationale Verga- 
dering door sommige harer leden uitgesproken was over de bemoeiingen van het 
Provinciaal Bestuur in zake de onlusten te Amsterdam alsmede door de heftige 
wijze, waarop de Voorzitter dier Vergadering door vele leden werd geïnterpelleerd, 
toen hij de mededeeling had gedaan, dat hij 2 escadrons van het Haagsche 
garnizoen ter beschikking van het Provinciaal Bestuur had gesteld, zonder vooraf 
de goedkeuring der Vergadering te hebben gevraagd. 

Wat het Provinciaal Bestuur betreft, dit bleef even als te voren van oordeel, 
dat alleen door zijne tusschenkomst een volkomen herstel van orde en gezag te 
Amsterdam te verwachten was. Vandaar dat hare Commissie zich bij voort- 
during te Haarlem bleef ophouden, om daar de gelegenheid af te wachten, die 
het haar mogelijk zou maken, de haar opgedragen taak ten uitvoer te brengen. 
Volgens de gemaakte afspraak ontving zij nagenoeg eiken dag bericht, hoe het 
te Amsterdam gesteld was. 

Den 16 Mei berichtte de Raad, ,,dat alles stil was, schoon zij daardoor niet wilde 
te kennen geven, dat de rust volkomen hersteld was. Echter scheen in het midden 
van deze onzekerheid een flauw licht te ontstaan, zoodat de Raad zich vleide, dat 
zich de zaken zouden schikken". Er deden zich inderdaad verschijnselen voor, 
die deze optimistische verwachting wettigden. Den ij Mei werd door 68 en den 
volgenden dag door nog ongeveer 250 kanonniers een zoogenaamd j^declaratoir*' 
bij den Raad ingediend, waarvstn de inhoud op het volgende neerkwam: 

Oud^Holland 1902. 7 



50 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

i" dat de oproerlingeti van lO Mei niets anders hadden beoogd dan eene 
demonstratie te houden tegen de publicatie aangaande de ontbinding van het 
corps der artilleristen ; 

2^ dat de Raad volkomen amnestie zou geven; 

3® dat de onderteekenaars hoofd voor hoofd op hun woord van eer zich 
plechtig verbonden, het geconstitueerde gezag te eerbiedigen en te doen eerbiedigen ; 

4® dat zij zouden medewerken, dat degenen van de artilleristen gestraft 
werden, die zich in het vervolg aan wangedrag zouden schuldig maken; 

5° dat zij hoopten, als fatsoenlijke lieden beschouwd te worden, voor wie 
de publicatie van lO Mei niet noodig was; 

6^ dat zij voortaan als leden der artillerie slechts zouden beschouwen de 
onderteekenaars van het adres of hen, die ingevolge gemelde publicatie de wapens 
hadden afgelegd. 

Ofschoon dit declaratoir meer geleek naar een voorstel tot het aangaan 
van een compromis dan naar eene acte van berouw en onderwerping, bleek er 
toch uit, dat de onderteekenaars gezind waren, tot het herstel van de orde te 
willen medewerken en dit was reeds een gelukkig verschijnsel. Wij zullen straks 
zien, in hoeverre de Raad aan dit declaratoir gevolg gaf. 

Even als onder de kanonniers was er ook onder de clubisten (d. z. de 
leden der verschillende half-en-half politieke clubs) en de schutters eene beweging 
ontstaan, tot het aanbieden van een adres van sympathie aan den Raad. Deze 
bleef niet in gebreke zoowel van deze beweging als van het declaratoir aan de 
Commissie te Haarlem kennis te geven. 

Zoo verkeerde dan de Raad in de blijde verwachting, dat zij welhaast haar 
gezag ten volle zou kunnen hernemen, en dientengevolge de stad bevrijd zou 
blijven van het bezoek van genoemde Commissie alsmede van vreemd garnizoen. 
Men verbeelde zich dus, hoe het den vroedcn mannen te moede werd, toen hun 
den i8 Mei door Beürnonville, Generaal en Chef der vereenigde Fransche- en 
Bataafsche troepen, werd bericht, dat hij binnen eenige dagen een bataillon Fransch 
voetvolk en een escadron Fransche huzaren naar Amsterdam zou zenden. y,Ik 
hoop", — aldus schreef hij o. a. — j,dat deze beschikking noch U mishagen zal, 
noch de burgers der stad Amsterdam, die mij altijd gereed zullen vinden tot 
alles, wat tot derzelver veiligheid en 'tot het algemeen geluk strekken zal**. In 
deze woorden lag blijkbaar eene verdekte toespeling op de plaats gehad hebbende 
troebelen. De brief had een post-scriptum, dat volkomen ironie geleek : „Amster- 
dam geen garnizoen hebbende, heb ik de inwoners pleizier meenen te doen, van 
er hun een te zenden; dit garnizoen is overigens noodig tot het plan van oorlog" enz. 

Het geheele post-scriptum was bezijden de waarheid, want vooreerst wist 



TE AMSTERDAM IN 1796. 51 

Beurnonville zeer goed, dat men te Amsterdam geen vreemd garnizoen ver- 
langde en overigens geschiedde het zenden van garnizoen daarheen enkel en 
alleen op verzoek der Provinciale Commissie, ten einde het haar mogelijk te 
maken, zich onder bescherming der Fransche soldaten naar Amsterdam te 
kunnen begeven. 

Hoe onaangenaam het stedelijk bestuur ook gestemd was over het bericht 
van Beurnonville, zoo was het hem toch onmogelijk, zich tegen diens plan 
de campagne te verzetten. Het eenige, wat het doen kon, was den generaal te 
verzoeken, dat hij van zijn voornemen zou afzien. Dit verzoek werd hem te Utrecht, 
waar hij zich toen bevond, door twee raadsleden overgebracht. Tegelijkertijdver- 
zocht de Raad de Commissie te Haarlem om hare tusschenkomst in dezen, maai" 
dit was natuurlijk aan een doovemansdeur geklopt. 

Beurnonville antwoordde den 20 Mei, dat hij van zijn plan niet kon 
afgaan. Hij deed uitkomen, dat het geenszins in verband stond met de plaats 
gehad hebbende troebelen en beloofde, dat de thans te Amsterdam geïnkwar- 
tierde troepen zouden uittrekken, op het oogenblik, dat de Fransche troepen 
gereed zouden zijn de stad binnen te trekken. Voorts verzekerde hij, dat zijne 
militairen in vriendschap en broederschap met de stedelijke Nationale Garde zouden 
verkeeren. Ten slotte verklaarde hij, ^dat ingeval hij in zijn plan gedwarsboomd 
zou worden, hij tot de sterkste maatregelen zou moeten overgaan". 

Na dit antwoord ontvangen te hebben, maakte de Raad bonne mine h, 
mauvais jeu. Zij overlaadden den generaal thans met vleiende complimenten. 
O. a. schreven ze : ^Zij (t. w. de Raad en de burgers) beminnen U, zij eeren U, 
en Uwe troepen zullen als broeders ontvangen en behandeld worden'\ Ook 
vragen zij hem heel ;iederig, dat hij persoonlijk een bezoek aan Amsterdam 
zal brengen. 

Op dit vleiend schrijven volgde een even zoo vleiend antwoord, dat echter 
ook ditmaal niet vrij was van dubbelzinnigheid, voor zoover er de oorzaak van 
de zending der troepen in vermeld werd. 

Den 25 Mei o^itving de Raad officieel bericht van BEURNONVILLE, dat een 
gedeelte der Fransche troepen dien dag op marsch waren gegaan naar Amsterdam, 
en twee dagen later waren ook de overigen aangekomen. 

Hoezeer de Raad er ook had tegenop gezien, Fransch garnizoen in 
Amsterdam te moeten ontvangen^ gaf het hun toch eene zekere gerustheid, toen 
l^et was binnengetrokken, want voor Fransche soldaten hadden de burgers heel 
wat meer ontzag dan voor de Nederlandsche troepen. Wellicht is het aan deze 
gerustheid toe te schrijven, dat de Raad, naar aanleiding van het ingekomen 
dedaratoir der kanonniers, den 26 Mei eene publicatie deed. In dit stuk erkent 



52 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

de Raad, ^in de eerste oogenblikken [na het bekende oproer] niet in staat te 
zijn geweest, ^om de geschonden eer der wet te handhaven en te herstellen. 
Nu echter ^de denkwijze van het grootste gedeelte der gewapende burgermacht*' 
veranderd is, acht hij zich in staat, het gezag weer n°^^^ klem en veerkracht" te 
hernemen. Voorts merkt hij op, dat het doel der publikatie van lO Mei thans 
niet meer kan worden bereikt. De Raad wil wel de beleediging, zijnen leden 
aangedaan, vergeven, maar het recht moet zijn loop hebben. De Raad bepaalt nu: 

10. dat zij, die den lo Mei de wapenen hebben teruggebracht, gereorga- 
niseerd zullen worden ; 

20. hetzelfde geldt van hen, die aan j,de schandalen" geen deel hebben 
genomen ; 

30. daarentegen zal het den schuldigen verboden zijn, ^om met de wape- 
nen of monteering der artillerie op straat te verschijnen", of ^^on^ eenigen dienst 
bij dezelve te verrichten", totdat hun schuld onderzocht en gestraft of uitge- 
wischt zal zijn; 

40. hetzelfde geldt van de infanteristen en de cavalleristen, die deoproe* 
rige kanonniers op eenige wijze gesteund hebben; 

50. mocht echter de hoogst geconstitueerde Macht in Holland (d. i. het 
Provinciaal Bestuur) verschoonende omstandigheden laten gelden, dan zullen 
dezulken, die dit treft, hersteld worden in hunne resp. bataillons en compagnieën. 

Van onvoorwaardelijke amnestie, zooals in het declaratoir verzocht was, 
is in deze publicatie geen sprake. 

De Raad haastte zich afschriften ervan te zenden aan het Provinciaal 
Bestuur en aan diens Commissie te Haarlem met de bijvoeging, dat zij (t. w. de 
raadsleden) door deze publicatie getoond hadden, het wettig gezag hun compe- 
teerende hernomen te hebben, in wejke bijvoeging opgesloten lag, dat de komst 
der Commissie thans geheel overbodig was. Doch èn het Provinciaal Bestuur 
èn de Commissie dachten er niet aan, aan dien verborgen wenk gevolg te geven. 
Trouwens hadden zij zich reeds den 14 Mei in contact gesteld met BëurNONVILLE 
en om diens steun verzocht, voor het geval het oorspronkelijke escorte der 
Commissie niet voldoende zou blijken te zijn. Beurnonville was dan ook 
den 17 Mei nauwelijks tot generaal en chef^ van de vereenigde Fransche en 
Bataafsche troepen benoemd, of hij berichtte het Provinciaal Bestuur, dat hij den 
dienst zóó zou inrichten, dat hij aan hun wensch gevolg kon geven. Op een 
nader verzoek der Commissie antwoordde hij den 23 Mei o. a. ^dat hij 'het van 
de uiterste voorzichtigheid oordeelde, dat de Commissie ter vermijding van allen 
argwaan, de troepen van haar escorte, op het oogenblik, dat zijn garnizoen 
gereed zou zijn [Amsterdam] in te trekken, naar hunne vorige destinatie deed 



T£ AMSTERDAM IN 1796. 58. 

marcheeren, alsmede dat, zoodra zijn garnizoen zou zijn geïnstalleerd, hij de 
Commissie des noods het noodige escorte te hunner veiliglieid zou zendeh*\ 
ofschoon hij veronderstelde, dat dit niet zou behoeven te geschieden. 

De Commissie dankte hierop haar escorte af en bleef te Haarlem, totdat 
zij van ^het arriveeren en de installatie der Fransche troepen te Amsterdam zou 
zijn geïnformeerd", hetwelk den 27 Mei plaats had. En zoo was dan eindelijk 
voor haar het zoo vurig verlangde tijdstip aangebroken, dat zij hare zending 
kon volbrengen. Den volgenden morgen om 10 uur vertrokken hare leden ,, zonder 
eenig escorte of statie in twee koetsen" naar Amsterdam, waar zij om 12 uur 
aankwamen. Als distinctief teeken hunner waardigheid droeg elk hunner over 
zijne kleeding ^een driekleurige sjerp met franjes en met het wapen van Holland". 
Elke sjerp kostte ruim / 38. Zij waren voor rekening der provincie vervaardigd. 

De Commissie nam haren intrek in ,,de Doelen*' op de Garnalenmarkt. 
Onmiddellijk na hare aankomst aldaar zond zij door haren secretaris bericht ervan 
aan den Gemeenteraad. Reeds kort daarna werd zij gecomplimenteerd door eene 
delegatie uit den Raad, bestaande uit den voorzitter, vice-voorzitter en den secre- 
taris, terwijl haar eene eerewacht van twee grenadiers der gewapende burgerwacht 
werd aangeboden, welke zij accepteerde. Den volgenden dag (29 Mei) werd de 
Commissie op bijzonder plechtige wijze door den Raad, welks leden bij hare 
binnenkomst van hunne zetels opstonden, op het stadhuis ontvangen. Onmid* 
dellijk hierna liet zij door haren secretaris van de pui van het stadhuis eene 
proclamatie afkondigen. In dit stuk, dat in sterk gezwollen stijl was opgesteld, 
deelde zij den burgers mede, wat het doel was van hare komst en dat zij eerst 
thans kon arriveeren „onder de toevallige beveiliging van een onzijdige macht, 
die de rust en orde [verzekerde]". 

De proclamatie werd gevolgd door eene publicatie, waarin vooreerst werd 
gewezen op de verontwaardiging van het Provinciaal Bestuur wegens de plaats 
gehad hebbende gewelddadigheden en wanordelijkheden vóór, op en na den 
10 Mei, en vervolgens vernietigd werden verklaard alle resolutiön en concessies, 
aan den Raad met geweld afgeperst. 

De taak, die de Commissie zich had voorgesteld ten uitvoer te brengen, 

« 

was van drieledigen aard: 

10. ^eene behoorlijke kennis te bekomen van hetgeen vóór, op en na 
den 10 Mei bij gelegenheid der alstoen plaats gehad hebbende onregelmatig- 
heden was voorgevallen"; 

20. zoo mogelijk het ontdekken van de oorzaken dier onregelmatigheden 
«^alsmede, of en in hoeverre men ïich zoo tot stuiting der oproerige bewegingen 
als tot stiptelijk nakomen der daartoe gegeven orders van zijn plicht had gekweten"; 



54 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

30. y^om alle zoodanige middelen aan te wedden en te helpen daarstellen, 
waardoor de zoozeer gestoorde rust en geschonden orde hersteld en voor het 
vervolg Verzekerd konden worden". 

De volvoering van deze taak ging niet zoo gemakkelijk als de Commissie 
zich had voorgesteld en werd zelfs, in zoover het punt 3 betrof, grootendeels 
onmogelijk gemaakt. Een en ander was te wijten aan het gemeentebestuur, dat 
velerlei middelen te baat nam, om de Commissie tegen te werken of te dwars- 
boomen. Deze handelwijze behoeft ons niet te verwonderen, als wij nagaan met 
welken tegenzin het de komst der Commissie had moeten dulden. Elke handeling, 
door deze in hare kwaliteit verricht, elk verzoek door haar aan den Raad of het 
Commité van Justitie gedaan werd met een wantrouwen begroet, y,aIsof zij op 
de stedelijke rechten eenige inbreuk wilde maken". Tal van zaken, die eene 
spoedige afdoening vereischten, werden door obstructionisme van zijde den 
Raad op de lange baan geschoven. Daarenboven legde dit Bestuur menigmaal 
jegens de Commissie eene j^minachting" aan den dag, die met recht kwetsend 
mocht genoemd worden. Evenwel verdroeg zij al deze krenkingen met eene 
bewonderenswaardige kalmte. 

Wij willen thans in korte trekken schetsen, in hoeverre het de Commissie 
gelukt is, haar program uit te voeren. Wat punt i en 2 betreft is zij daarin 
tamelijk wel geslaagd. Hieraan hebben wij het te danken, dat wij de bijzonder- 
heden aangaande de oproerige bewegingen in dit opstel hebben kunnen vermeldea. 

Ter uitvoering van punt 3 begon de Commissie hiermede, dat zij de in 
den nacht van den 10 Mei uit nooddwang verscheurde publicatie in haar ^voUe 
kracht en werking" herstelde. Dientengevolge ging de Raad er toe over, den 
12 Juni te publiceeren, dat zijne publicatie van 26 Mei grootendeels werd inge- 
trokken en buiten effect gesteld, zoodat derhalve het corps der artillerie opge- 
heven was ; dat in het vervolg niemand meer ^^de monteering of eenig ander 
onderscheidend teeken hoegenaamd van de gewezen artilleristen" mocht dragen ; 
eindelijk dat zij, die nog wapenen in hun bezit hadden, die aan het stedelijk 
Bestuur moesten „afgeven". (De Commissie had voorgesteld, de wapenen van 
dezulken „af te halen".) 

Wellicht zou de Raad er niet zoo spoedig toe zijn overgegaan, aan het 
voorschrift der Commissie gevolg te geven, indien niet reeds onmiddellijk na de 
publicatie van 26 Mei door de ofHcieren en de meeste overige leden der artillerie 
eenparig de verklaring was gedaan, „hunne sabels niet weder terug te kunnen nemen, 
vermits zij in hunne vorige kwaliteit geen dienst meer zouden doen, dewijl zij niet 
verkozen gelijk te staan, veel minder te dienen met lieden, die hun eéd en plicht ver- 
zakende, zich aan alle baldadige en oproerige be wringen hadden schuldig gemaakt*'. 



TE AMSTERDAM IN 1796. 55 

Minder gewillig of liever zeer onwillig toonde zich de Raad, toen de 
Commissie van hem verlangde, dat het besluit van den 12 Mei betreffende de 
afzetting der „Oranjeambtenaren" thans zou worden herroepen, op grond dat 
het een gevolg was van het oproer op den 10 Mei, toen door de oproerlingen 
herhaaldelijk op die afzetting was aangedrongen en bovendien indruischte tegen 
de resolutie van het Provinciaal Bestuur aangaande dergelijke ambtenaren. De 
Raad wist de onderhandelingen over deze zaak slepende te houden van 18 Juli 
tot I September; toen echter was het geduld der Commissie uitgeput en maakte 
zij aan het onverkwikkelijk gehaspel een einde, door kort en goed aan al de 
afgezette, doch voorloopig nog fungeerende „Oranje-ambtenaren" te schrijven, 
dat zij „in hunne vorige respectieve posten en bedieningen hersteld waren", 
doch zich hierin stipt te houden badden aan de instructie, hun door de gemeente 
gegeven of nog te geven. 

Van dezen stap der Commissie werd natuurlijk aan den Raad kennis 
gegeven, waarop deze bij missive van den 12 September antwoordde, „dat de 
Raad het daarvoor [hield], dat het recht van af- en aanstelling hunner stedelijke 
ambtenaren niemand toekwam dan hun alleen, en aan zich te reserveeren, om 
zich nader deswege te verklaren". 

De Commissie liet dezen brief onbeantwoord, vooreerst omdat zij het 
daarin genoemde recht nooit had betwist en vervolgens omdat zij zich verzekerd 
hield, dat het Provinciaal Bestuur wel een wakend oog over bedoelde ambte- 
naren zou houden. 

Tot een volledig herstel van rust en orde achtte de Commissie het bovenal 
noodig, dat de gewapende burgermacht naar behooren gereorganiseerd en onder 
discipline gebracht werd. Op haar aanhoudend aandringen nam de Raad eindelijk 
deze zaak in zooverre in behandeling, dat hij den staf opdroeg, een plan van 
reorganisatie op te maken. Nadat deze zich van die taak had gekweten, werd 
het Plan ter üne van advies gesteld in handen der „Commissie tot de zaken van 
stads veiligheid". Beide, zoowel deze Commissie als de staf, ofschoon het in 
hoofdzaak met elkaar eens zijnde,- verschilden echter aanmerkelijk in zake de 
discipline, waarom de Provinciale Commissie besloot, door hare bemiddeling deze 
zaak spoedig tot een gewenscht einde te brengen. En dit was hoogst noodig, 
omdat reeds „verscheidene brave en kundige officieren, uit hoofde van het gebrek 
aan eene behoorlijke krijgswet en de dagelijks toenemende indiscipline, hunne 
demissie hadden gevraagd", en werd dit verzoek ingewilligd, dan was er aan 
geen discipline meer te denken. Daarom drong de Commissie er bij den Burge- 
meester, „als Gouverneur der stad" op aan, dat hij het houden van krijgsraad, 
waarin de gevraagde demissiën zouden worden verleend, moest trachten te 



56 DE OPROERIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS 

verhinderen ; doch de Raad was zoo verblind door zijn antipathie jegens de 
Commissie, dat hij het namens haar door den Gouverneur ingediende voorstel 
verwierp. Toen echter ook de stafofficieren in vereeniging met de Commissie 
er op aandrongen, dat er voorloopig geeii krijgsraad zou worden gehouden, nam 
de Raad hoewel slechts schoorvoetend in dien zin een besluit. 

De Commissie rustte niet, maar wist te bewerken, dat er den i6 Sep- 
tember eene gecombineerde vergadering werd gehouden door haar, door een 
gedeelte der stafofficieren en eene delegatie uit den gemeenteraad, waarin men 
het volkomen eens werd aangaande vijf punten, die een voorloopige verbetering 
in den toestand zouden brengen. Maar de Raad was onwillig aangaande deze 
punten dadelijk eene beslissing te nemen j,en stelde ze in handen der Commissie 
van stads veiligheid, om daarop te dienen van advies". Het advies volgde spoedig 
en luidde gunstig, maar nu was de Provinciale Commissie nog even ver, want 
thans werd de zaak opnieuw door den Raad zelf in advies gehouden, op grond 
dat jjde tijd nabij was" (men schreef 2 1 September), „in welken het Decreet der 
Nationale Vergadering voor de algeweene wapening in werking zou worden 
gebracht". Den 29 September verklaarde de Raad zich eindelijk bereid, 4 van 
de 5 vastgestelde punten aan te nemen, maar dit geschiedde in zoo vage termen 
en met zooveel resticties, dat de Commissie er duidelijk in kon ontdekken den 
toelegi om de zaak op de lange baan te schuiven. 

Vermits de Commissie nu wel inzag, dat zij op medewerking van den Raad 
niet behoefde te rekenen, wist zij niets beters te doen dan Amsterdam weder te 
verlaten. Vooraf stelde zij eene publicatie vast, waarin zij de strafbepalingen in 
het vigeerende stedelijk Keglement op de discipline uit naam van het Provinciaal 
Bestuur sanctioneerde en aan de kanonniers, die zich niet aan wangedrag hadden 
schuldig gemaakt, de gelegenheid openstelde, weer actief te kunnen dienen. Twee 
dagen later (5 OctoberJ vertrok zij naar 's-Gravenhage, na „ter vermijding van 
het anderszins gebruikelijke ceremonieel" bij missive afscheid van den Raad te 
hebben genomen, waarin zij o. a. haar ^^leedwezen betuigde over de menigvuldige 
entraves welke zij gedurende den loop haref commissie zoo dikwijls had onder- 
vonden", en waarbij zij hem tevens het noodige getal exemplaren der evengemelde 
publicatie toezond „met last, om daarvan de gewone publicatie en affixietedoen 
geschieden". De publicatie werkte niets uit, vooral omdat de Raad er eene 
notificatie aan toevoegde, die veel naar eene ironie geleek. 

Hiermede eindigt onze geschiedenis; we willen er echter voor den belang- 
stellenden lezer nog eenige mededeelingen aan toevoegen. 

Het corps der artilleristen bleef vooreerst ontbonden. Nadat echter den 



TE AMSTERDAM IN 1796. 57 

■ 

22 Januari 1798 de staatsgreep van MiDDERlQH c«s. had plaats gehad en de 
politieke wind dientengevolge uit een minder conservatieven hoek waaide, wendden 
de gelicentiterde kanonniers zich den 8 Februari tot de Constitueerende Verga- 
dering, om zich er over te beklagen, dat de ^^aristocratische*' regeering der stad 
nog steeds in gebreke was gebleven, hun corps in zijne eer te herstellen. Zij 
vonden een gewillig oor. Weldra werd er eene commissie naar Amsterdam 
gedelegeerd, om ten dezen de noodige stappen te doen, en het gevolg was, dat 
het corps artilleristen begin Maart 1798 in zijne eer hersteld werd, met uit- 
zondering nochtans van degenen onder hen, die zich den 10 Mei 1796 aan 
openbare oproerigheid hadden schuldig gemaakt. 

Toen echter den 11 Mei 1798 een aantal der herstelde kanonniers er bij 
dè Eerste Kamer op aandrongen, dat ook de uitgezonderden alsmede de ^schan- 
delijk ontwapende^' leden der Gewapende Burgermacht, die hen hadden bijgestaan, 
toen zij ^voor hun wettig recht" waren opgekomen, „in hun eer en recht" hersteld 
zouden worden, werd ook dit verzoek ingewilligd. 

Wat DE Wilde betreft, die, zooals we gezien hebben, den 13 Mei 1796 
van zijn commando ontzet en op het stadhuis in arrest gesteld was, hem werd 
den volgenden dag vergund, zich naar zijn huis te begeven eti daar op zijn 
eerewoord tot nader order te blijven. Hij verkoos dit echter niet, en werd toen 
op de zoogenaamde modelkamer van het stadhuis in hechtenis gehouden. Blijk- 
baar was het hem er om te doen, als martelaar te poseeren, en dit is hem ook 
in zooverre gelukt, dat hij later als zoodanig werd beschouwd. 

Door den Raad werd nu eene commissie benoemd, om het gedrag van 
den gewezen commandant te onderzoeken en dienaangaande rapport uit te brengen. 
Den 27 Juni was zij met haar taak gereed. Het rapport luidde bezwarend, en 
had tengevolge, dat de zaak van den betrokkene in handen van den Procureur der 
gemeente. Mr. M. C. van Hall, derhalve in handen der justitie werd gesteld . 
Op verzoek van den Procureur werd de beklaagde, hangende het onderzoek, 
den 5 Juli uit zijn arrest ontslagen. 

Wel protesteerde DE WiLDE er tegen, dat zijn zaak bij de justitie aan- 
hangig was gemaakt, en verlangde hij van den Raad, dat hij voor een krijgsraad 
zou terecht staan, maar de Raad hield zich Oost-Indisch doof. 

De beklaagde werd nu tegen 30 Augustus 1796 „ter Schouten RoUe" 
gedaagd. Daar verschenen, weigerde hij op de hem gestelde vragen te ant- 
woorden, waarom hij „in besloten hechtenis" werd gezet. Evenwel werd hem 
toegestaan, zijn practizijn bij zich te mogen ontvangen en zijn huisknecht ter 
bediening bij zich te mogen houden. 

Den 2 September daarna verklaarde hij zich bereid, de hem gestelde 

Oud-Holland 1902. 8 



4 



||j^f;|||{)^StIGE BEWEGINGEN DER KANONNIERS ENZ. 

ft '*» I* •• ^' 

r|ISÖ^fi|li'^3Ë4 <^°ch slechts onder protest, omdat hij voor een militaire 

'^'^ïr^^Mll^tCftcht te staan. Hierop werd hij uit de hechtcais ontslagen. 
SuR WfH M*eii lang sleepcr.de gchoudcii. D^ ^Hecen v;:ii den 



lang sleepciide gclioudc: 
.^it^RÏRfrfjpIgen op te zien, cene vcroordeeling uit te spreVen. Om 
'fcll?*H|i84ii|ken toestand een einde te make"n, dienden twee leden 
l|l^'SJ^?if9i@'J|'<nacht den 15 September 1797 een verzoekschrift in bij 
^£&y.@ijnili^||,_M waarin zij er op aandrongen, dat de zaak van DE WiLDE 
iiH ^ViKlI^fii^ie" onttrokken en in handen van een krijgsraad gesteld 
'iÊ^fii'llJS'Bl'^^ ^^^ tengevolge, dat genccir.d Bestuur den ir Januari 



1»* 



«iiJures zoo tegen= den bnrger de Wilde als tegens anderen 
[jE^ van gesustineerde disobedientie , ïndiscipline of ander 
_ S;>cÉzuim in hunne functi£n van officieren, onder-ofhcieren of 
[u^l^ii^'iiBde maand Mey 1796 begaan, en als nog aanhangig zijnde, 
'jS'^.i^£a ci.^seercn". 

^gtwBï-: er nog ma.ir aan, dat de gev.-ezen commandant in zijne 
:^:gci^éld werd. Dit geschiedde den 15 Mei 1798 op last der 
.^a4|<üg'door eenige burgers van Amsterdam aangezocht. Onmid- 
hj^i'w^^' kolonel in zijn eer en rang hersteld was, vroeg hij het 
:l£li^ls£: ontslag. Het werd hem op eervolle wijze verleend. 



|*#M; 



■* 'gi 'S" 



^^.s..*|lp;fliiT VAN DELFLAND 

'^^r$if$:f -f I^JACOB VAN DEVENTER IN 1535 

^fEDEGEDKELD DOOR 

h.M WILDEMAN. 



- A • m^tf - A ' 



-s 




."^i^S ^ *^^ Ji>or den berüemden VAN DEVENTER op last 
;S"Ë«"¥'^e<^ 'ide-i ■•■*" Delfland in 1535 begonnen en 
.g.-rg»iig|-Vg 1548 aan dat College in zes 
■"" ~ " dat niet één exemplaar da; 



xemplaren afge- 
13 aan te 



giaiiwgezetheid waarmede de bekende cartograaf 

«^ «®S "isS •ajl «St er .3 

JF» pi^ - ^j»£ -^s^ «^" '«Sl^ ««ca 

;Ǥ!.# '^ 'W # -p *# -F 



I m^: 



60 EEN KAART VAN DELFLAND GETEEKEND DOOR JACOB VAN DEVENTER. 

Articulen daerop die hiemraden van Delfl(an)t 
besteden willen Mr. Jacob van Deventer 
te becaerten die geheele circonferencie 
ofte rinck vant hiemraetscap van Delflant, 

1. Eerst sal die voorn(oemde) Mr. Jacob gehouden wesen te maken een 
Carte opte cleyne voet van alle die polders die gelegen zijn in den 
selven rincq en(de) de molens caden en(de) watertochten vande selve 
polders op haer mate in dieselve Caerte te stellen elke polder en(de) 
molens mit haer namen, 

2. Voerts sal den voornfoemden) Mr. Jacob gehouden wesen te descri- 
be(re)n alle lencten en(de) breten van de duynen in denselven rinck 
gelegen tot inde Mase toe, 

3. Noch sal hy gehouden wesen te bemeten den gehelen Maesdyck vant 
beginsel of bij der Heyde tot inde stede van Schiedamme toe, describe- 
rende opte cleyne voet alle die distancien houfslagen, sluysen, steenen 
dycken en(de) van de vuyter gorsseo buyten denselven dyck gelegen. 

4. Voorts sal hy noch gehouden wesen van(de) voorsz. stede van Schie- 
dam off tot ande zijtwint ofte lantscheydinge toe en(de) voorts van(de) 
voorn(oemde) zijtwint ofte lantscheydinge tot anden leytschen dam toe 
en(de) van den leytschen dam voorts tot ande duynen toe en(de) van 
de duynen tot in de zee toe, describerende altyts alle notelicken wercken 
totten voersz. heemraetscap dienen(de). 

5. Voerts sal hy noch gehouden wesen een scheijt te maken binnen den 
voorn (oemden) ring tusschen die acht Westamb(ach)ten ende vijffOost- 
amb[ach]ten en(de) voerts daer inne te stellen op haer mate alle wegen 
en(de) banwateringen int buytenwater gelegen mit haer huelen of! bruggen 
dienen (de) tot *t voorsz(eyde) hiemraetschap. 

6. Voorts zal hy noch gehouden wesen te stellen alle kercken binnen den 
voorn(oemden) ring gelegen op haer behoerlicke plaetse opte cleyne 

voet navolgen(de) die proporcie van de groote voet. 

• 

7. Ende' daerenboven sal den voorn(oemden) Mr. Jacob in deselve carte 
rontsom(m)e denselven ring stellen de limiten daer naest gelegen. 



Sfc'SJSïiSjSl'll'&'S'S'GETEEKESD DOOR JACOB VAN DEVENTER. «1 

ïf'ö Bj« ::|i ?•«:§: 

'si Ü filjlÜ^-* ^^11 M voorsz. Mr. JacOB den hceniraden afleveren 

^1- l^!'i<|iiwé&-«\^ftrden heeft M. JACOB VAN Deventer angeno- 
i&'TIléÊ'fl ??d^>3$^^<:e van Deldant daer voren hy geeyst heeft die 
M;^(^ ^^l^ki^^Tifia^^jDnden van xl gr(ooteu) het pont en(de) es van 
'i£aMÏa|| '^M W a o i tt Jl} hcvmr>.dcii dac.op geboden vijfTcatzev^ntich 
'm'WJ|'^^5*''"W''B'*H^ "' hebben sccveel nk na t opleveren vp.Ti(de) 
*A^'(^ï^l -^kAP eM8?'c§ïnden sal werden verdient te hebben, te weten 
l|g'rf||'w9QI8ht|l)5;K4ll^ voorsz. ponden noch min dan vijf en{dej 

:f ^igQC»:iig:h|[ :«age ten huyse van Jan Bruynsz. op ten XXVIen 

■3^ ' co ■ - ^ ' *ip ' 

,.^|>4i^,*s?fe'-K'^^^- ^■^ ^^'^'"'^ ^''^ betaald met honderd caroli guldens, 
'***^c'S"^ï*S ^^-Mï'SS'^oS'^^**" ^'^'' ^'J" arbeid de tevredenheid der Hoog- 
_-.._ — ..__.. .... jg^gi^ ^ ]^ jjj ,j. j,elfjje Regi-.ter op fo I47 v». 

^van Delfl(an)t ordonne(re)n d amb{ach)tsbewaer- 

-ï^^§ 3iB;Sl4|^Sa;gl*Si'^êslaeii hondert carolus guidena die Mr. Jacob 

^g||C^^^j^^i«!-]^ bclocft U byden Ingclar.den ter c.mso vr.n ;^ijn 

i^i?'"a^S5?'Si'^'"^^^M''"'^^ ^^ gehecle circonferencie off rinck vant 

J»aervolgen{de) zekere articulen daervan wesende 

É^^ ^'^^'^ ^^^^^ ^'j °^^ '^^ heemraden van Delfl(an]t daervan 
|§n:^d»^%<^ ^gü^l^' (tselve sal strecken in rekenin(ge) daer en(de) 
^" ||isa!;g:i^T5'>^iSêngi.ii(de) dcselvc quacrlen g^-zerificrt na de 
"ï*^^^ S''w'^Ss-S-''i;^ÏJe^W^'*"C'^'^) ^^" der.selven Mr. Jacob sonder meer, 
!fl:Eei|SvC§r^CKtln',S3eye Ao XVc een en(de) veertich." 

**«>>■ -Kie '*^fe «fi» ««^ •%• <3^ miW ««^ ^^ ' * 




II 




ILFLAND GETEEKEND DOOR JACOD VAN DEVENTER. 

onder BERENDRÊCHT voorst, geconsigoecrt heeft, die h^ 
itfangen hadde vaii(de) acht westambachteti in Delfl(an)t 
■de) caerte voorsz., ende tderdedeel hebben die vijff oost- 
Hflant daertoe betaelt in handen van berendrecht voor- 
oenen(de) dese ordonnaD(tie) tuitte quitan(tit:) van Mr. 
TEi; sal hem t celvc betalinge streeleen. Actiini den 
'c acht en(de) veertig. 

at (thans in portef. A 208) de origineele kwitantie van 
22 Sept. van 't zelfde jaar, waarop zijne handteeke- 



'^a'"^ vrÖt\K% J^-Nf^ 



%% 









1*^ 



B I S P I N C K 



^*4:-|:l:t:VAN DALEN. 




:ï:-* ■*■ 



>i^'.'3ï^<*É?j'Sfg*"g van Oud-Holland bl. 156 deelde de heer 
■'_g^Ew:ig*i||.incJe omtrcit den schilder Barend Bispinck. 
'»in*ëïgV:^den DorcïtFcher. l;erkcrr,3d vo::d ik- .-angor.tide 
:l@t'g>l^|jï«, dat wel niet met zijn kunst in verband staat, 
iSSiLëSuE^r^'^anleiding kan geven, dat nog meer over hem 



^]^C^;-^hiIder van hier nae den Hacge gcrcist syr.de 

•fl'daer nae Hulst, daer hij sich nu heeft neder- 

^-GAi:||^^&^e sijne Attestatie. Alsoo de veigaderinge van 

_ "^'^ ^'-'* ''*^'' leedwesen vernomen (heeft), datse 

^3i^-^q)§3^cten censureren, sal hein door de predicant van 

LoB|oÊJj.; ^l'erdcn, dat hem de keickijraetgcen attestatiec 

^•9^-^11 ^ geen beteringe synes Icvena cal betaont ende 



«* "» 



BLADVULLING. 



Dat Matthys Naivbu in 1669 bij Dou in de leer was, is bekend (Obr. V 259). 
Uit dri^ door zijn leenneester onderteekende kwitanties, verschenen in Mei 1667, *68 
en '69 blijkt, dat hij cok gedurende beide eerstgenoemde jaren onderricht van dezen 
schilder ontving. 

Daar deze kwitanties niet alleen belangrijk zijn wegens het bedrag van het leergeld, 
maar ooi omdat zij de eeoige mij bekende geschreven handteekeningen van Dou ver* 
toonen, druk ik een er van hieronder af. 

Ontvangen bg mij onderges. uijt handen vanden Notaris Tersijden als administree- 
rende voocht over de vijer weeskindren van za: Matthijs Naiveu enjANNSTGENMELQUE 
een Somme van hondert gulden, over een jaer te onderwijsen en institueren inde schil- 
derkunst Matthijs Naiveu. Verschenen den derden Meye u9 xvjC achtensestich. 




Dr. W. martin. 



CRIJN HENDRICKSZ. VOLMARIJN. 

In den twaalfden jaargang van dit tijdschrift (1894) gaf ik een biographie van dezen, 
omstreeks 1604 te Rotterdam geboren en in 't laatst van Augustus 1645 aldaar overleden 
schilder. Daarbij voegde ik een beschrijving van het eenige mij bekende schilderij van 
zijn hand» Christus en de Emmaüsgangers, dat zich bevindt op het landgoed Dordtwijck 
onder Dubbeldam. Het was toen echter moeilijk te zien, en nu ik het onlangs weergezien 
heb in de villa van Jonkheer van. Repelaer yan Driel, waar het een zeer goede plaats 
kreeg, bemerkte ik een fout te hebben gemaakt, die ik mij haast te herstellen. Ik schreef, 
dat rechts van den jongen, die achter den links van Jezus gezeten Emmausganger staat 
en met beide handen een tinnen schotel in de hoogte houdt, nog het hoofd van een 
grijsaard zich bevindt Dit bleek mij een zinsbedrog te zijn geweest, veroorzaakt waar- 
schijnlijk door lichtreflecties op den achtergrond. Die grijsaard is er niet; er zijn slechts 
vier figuren : de drie aan een tafel gezeten hoofdpersonen en het dienend knechtje. Ook 
is het stuk niet geschilderd op doek, maar op een eikenhouten paneel. 

P. HAVERKORN VAN RIJ8EWIJK. 





I.,.JANSZ. QUAST 



DOOR 

:èdr. a. bredius. 






^"^^w ^ '^^'«fc ng ("er kunsfgeBcliJcdfnis een zoo vcclhoogcr 
§ «E'''^S 4I"'2 sedert men het verdienstelijke n-erk van vele vergeten 
JK i'§;^'^^M *^" ^^' ''^^^ bracht en begon te toetsen aan het 
S wi^É'v^ Stkendere meesters, is er veel veranderd indewaar- 
~' ~ childers. Sommigen, wier werk vromer 

iJl, het mc^it 



1 # 1^'f 't" 

*■. S n "^ ♦ ^ ^ a**^ SuTst L taï^ldL, het mc^it ge-cchte gc;ekciid we/d, 
^ ■^!^^'^"^ =23^ _ i^ X ^^"^ BOTH bijvoorbeeld, ééns veel lioogcr d^ti 




l» 



66 PIETER JANSZ. QUAST. 

Onder de miskende schilders, wier werk op die wijze lang onbillijk beoor- 
deeld werd, behoort ook PlETER QuAST. Hoe vele stukken heb ik van dien 
schilder onder andere namen op veilingen zien paraderen ! Gewoonlijk heette een 
QUAST, als hij van wat betere kwaliteit was, dan Adriaen Brouwer, soms 
OsTADE. Inderdaad lijkt zijn beste werk op dat van zijn grooten tijdgenoot. 
Het is niet onmogelijk, dat de jonge QUAST te Amsterdam, waar hij in 1632 
huwde, den precies even ouden Brouwer, die er omstreeks 1627 nog vertoefde, 
persoonlijk leerde kennen; in elk geval kende hij zijn reeds spoedig gezocht 
werk. Weinige schilders ten onzent hadden een zoo grooten invloed op het werk 
van hunne tijdgenooten als Brouwer. En dat in zoo korten tijd, want — afgezien 
er van dat Brouwer reeds op 32jarigen leeftijd overleed — was hij slechts 
enkele jaren bij ons werkzaam. Hoe onmiskenbaar echter is zijn invloed op hel 
werk van QüAST, PiETER DE Bloot, Cornelis Saftleven, Sorgh, den jongen 
Adriaen van Ostade (die met hem het atelier van Hals bezocht), Diepraem, 
om maar enkelen te noemen I Te Antwerpen volgden dan Craesbeek en Teniers. 

QuAST koos voor zijn onderwerpen ook meest kroegscènes, — boeren bij 
het bier en het kaartspel, of bij hun huisselijk bedrijf. Evenals Brouwer had 
' hij een voorliefde voor het afbeelden van sommige chirurgicale operaties, het 
snijden van den kei ofandere minder appetijtelijke verrichtingen. Evenals sommige 
stukken van Brouwer zijn ettelijke schilderijtjes van Quast weinig geschikt om 
in een salon — zelfs sommigen om in een Museum opgehangen te worden. 

Evenals Brouwer schijnt Quast een leven geleid te hebben, waarin hij 
dikwerf getuige van vechtpartijen en dronkemansgedoe was, zoodat de scènes, 
die hij Ons schildert waren y,pris sur Ic vif.'' Bovendien schilderde hij ook 
bijbelsche onderwerpen, waarbij hij het niet kon laten karikatuurachtige koppen 
en figuren aan te brengen, geheel als ook Jan Steen dit deed in verscheidene 
van zijne ,,gewijde'' onderwerpen behandelende stukken. 

Zijn werk is zeer verschillend van kwaliteit. Te herkennen is het aan 
zijne t3rpen. Meestal geeft hij zijn drinkebroers een dikken, roodachtigen neus 
en hij kiest maar zelden een fatsoenlijk gezicht voor zijn modellen. Hij schildert 
alles in warme bruine tinten terwijl zijne hoofdfiguren met sterke lokale kleuren 
— rood, een warm groen, een geelbruin, een paersch en sterk geel — getooid 
zijn. In vele stukken vinden wij een krachtige, vette schildering ; hij is breed 
van opvatting en uitvoering en heeft eene neiging tot overdrijving bij de uit- 
drukking op de tronieën zijner figuren die soms aan karikaturen doen denken. 

Wij bezaten tot voor korten tijd maar één goed werk, een klein schil- 
derijtje van hem in onze Musea. In 's-Rijks Museum te Amsterdam is als legaat 
van den Heer D. Franken opgenomen een stukje, voorstellende een man, die 



CCfl 

m 

\2 



'è 






'S» '™ 's^ "^ 'S 






!«!*• 



PIETER JANSZ. QUAST. 67 

eene operatie aan het been ondergaat. Op deii voorgrond rechts drie figuren; 
de geopereerde is in 't geelbruin. Zijn voet wordt op een bankje gesneden, er 
bij een bekken met bloed enz. Links op den voorgrond een open boek, waarop 
een doodshoofd ; links op den achtefgroiid wéér drie figuren. Een zit op een 
bankje, een tweede zoekt iets ... op hét hoofd van den vorige, een derde zit op 
den grond. Deze drie figuren in paersch-grijze kleuren; Achter tegen den muur 
een kast met heiligenbeeld en flesch. Voor Quast bizonder koel van kleur^ in 
grijze, grauwe toonen geschilderd. 

Een ander stuk in die verzameling, te kwader ure aangekocht, wks eens 
goed, maar heeft alle belangrijkheid verloren door slijtage en overschildering (de 
hoofdfiguur, een jonge vrouw, heeft een geheel nieuw geschilderde kop !) 

In het Mauritshuis bevond zich reeds sedert 1879 een groot en zonderling 
werk van QUAST, voorstellende den triumf der zotheid. Het is in 1643 ge- 
schilderd, met zijn monogram (P.Q. inéén) en dat jaartal voorzien. Het is 
h. 0.695, br. 0.99. 

De zotheid, in de gedaante van een in het geel gekleed man met een 
narrenkap op^ 't hoofd; tioet zijn feestelijken intocht op den rug van drie voor 
overgebogen mannen. Vóór hem een nar in het rood met een rommelpot in de 
hand. Rechts van hem een guitaarspeler, links een violist. R. en 1. nog drie 
mannen met groote neuzen, en nog eenige' andere personages met karikatuur- 
koppen. Op den achtergrond ziet men een vorst met drie personen van een 
balcon toekijken. Het is geen karakteristiek werk van den meester ; het figuurtje 
van „de zotheid*' is echter aardig van teekening en expressie. 

In 1900 werd voor het Mauritshuis. niet zonder moeite, een der fraaiste 
stukken, die ik ooit van QüAST ontmoette, aangekocht. Als echt „boerenstuk" 
is dit werk veel meer een „specimen" en wel een zeer fraai, van zijn hand dan 
het voorgaande. 

De schilderij, die sedert eenigen tijd het Mauritshuis tot sieraad verstrekt, 
is op een ovaal paneel, niet onwaarschijnlijk de deksel van een tonnetje, tot 
schilderspaneel omgewerkt, geschilderd. *) Zes mannen, waarvan er drie aan een 
tafeltje zitten bij het kaartspel, schijnen in de herberg te vertoeven. Bij den eenen, 
rechts, in lichtgrijzen jas en geelbruine broek, die met een boos gezicht zijn kaarten 
laat kijken — het schijnen drie azen te zijn — ^ staat een glas bier. Zijn mede- 
speler over hem in 't groen met bruinen weerschijn en bruinrose broek, kijkt er 
vrij onverschillig na; de derde man achter de tafel in bruinachtig groen, die den 
toeschouwer en face aankijkt, brult bij het vioolspel van een rechts op den 
achtergrond staand, zeer geestig getoetsten muziekant in licht 'paersch, die zelf 

1) Het ronde stuk is circa 0.337 k 0.334 cm. in diameter. 

9* 



68 PIETER JANSZ. QUAST. 

ook meezingt. In den linkerhoek zit een drinkebroer in grijs blauwen jas, half 
zat, te soezen en wordt juist ruw tot de werkelijkheid teruggebracht door een 
loozen kameraad in 't warm lichtbruin die hem een kan water op het hoofd giet. 
Het vlot en geestig behandelde stuk is van links boven mooi verlicht en in breede 
manier, de lichten geempateerd» de schaduwen transparant geschilderd, 

In geen enkele schilderij mij bekend, staat QuAST zóó dicht bij Brouwer, 
zoowel wat opvatting als toon betreft. De fijne, grijs bruine achtergrond is 
bizonder goed voor hem, en de gesloten degelijke compositie zeer gelukkig. 
Minder dan ooit gebruikt hij hier sterke lokaalkleuren ; de lichtwerking is zeer fraai. 

De schilderij is niet gemerkt. Toch is het mogelijk het tijdperk te bepalen 
waarin QuAST het geschilderd heeft. In het Keizerlijk Hof-Museum te Weenen 
bevindt zich onder No. t 300 een stuk van onzen meester, voluit gemerkt: Pieter 
QUAST fc 1633. Het stelt voor vier boeren aan tafel, waarvan één met een 
verbonden oog, links op den tweeden grond staat er een met de handen op den 
rug ; een der vier steekt een pijp aan in een comfoor, een ander geett zijn 
makker over de tafel de hand alsof hij : .top I toeslaat. Rechts op den voorgrond 
een minder aesthetisch tooneeltje : een kind gebruikt een zeer primitieve kakstoel, 
liefst met ...... zijn rug naar den toeschouwer gewend. Op den achtergrond . 

doen twee oude paren samen een rondedans. De figuren op den voorgrond wéér 
in krachtige kleuren : paersch met rood, roserood met bruin, zijn geliefd geelbruin. 
Verder is alles in zijn bruinige grijze transparante toonen. De achtergrond is 
licht; het heele stuk is helder en doorschijnend. Boven op een leer ziet men 
Imks nog een man op een doedelzak spelen. 

Kleuren, toon geheel als op het Haagsche stuk. Maar het laatste is als 
compositie en kwaliteit verreweg verkiesselijk. Het stuk te Weenen is van veel 
grooter afmetingen : hg. 48, br. 63 cM. 

Wat de levensgeschiedenis van QüAST betreft : HoUBRAKEN zwijgt geheel 
over hem en van Eyndën en van der Willigen zijn de eersten die zijn naam 
vermelden. Zij zeggen : 

„Pieter Quast wordt gemeend een Hagenaar geweest te zijn, doch wij 
^hebben geen levens-omstandigheden van hem kunnen vinden. Het jaartal 1632, 
„dat op sommige van. zijne werken gevonden wordt, geeft te kennen dat hij in 
y»het laatst der zestiende of in het begin der zeventiende eeuw geboren is ; en 
^derhalve een tijd- en kunstgenoot was van Adriaan van DER Venne, wiens 
„smaak hij somtijds in de verkiezing der onderwerpen gevolgd heeft ; maar zijne 
'^teekening is min nauwkeurig en zijne schilderwijze onachtzamer. Hij heeft veel 

« 

,^met potlood op perkament geteekend. De zoogenaamde Batailje tusschen visch 

^en vleesch, of den twistenden hond en de kat, boerenbedrijven en drinkgelagen, « j 



PIETER JANSZ. QUAST. 6» 

^soldatengevechten, ftedelaars .en soortgelijke voorwerpen zijn door hem geschilderd 
^en eenige derzelve heeft hij gegraveerd, ook hebben P. Nolpk, S. SAyRY en 
yH. HONDIUS naar zijne schilderijen en teekeningen, prenten vervaardigd. In de 
^galerij van Salzthalen waren voorheen eenige zijner uitvoerigste schilderijen". ^ 

Het is mij gelukt» het volgende omtrent hem op te sporen. 

Uit de Kerkboeken teekende DE Vries aan, dat 26 Juni 1632 PlETER 
QuAST van Amsterdam, out 26 jaeren, schilder, wonende in de Molensteech, en 
Annetie Splinters, uit *s-Gravenhage, wonende als vooren in het hpwelijk 
traden. De bruid had verklaard met eede een vrije persoon te zijn. Het huwelijk 
werd te Sloten voltrokken. •) 

Hij is dus 1605 of 1606 te Amsterdam geboren. Zooals ik reeds zeide, 
het is niet onwaarschijnlijk, dat QuAST vóór dien tijd Brouwer (en zeker diens 
toen te Amsterdam zeer bekende en hoog geschatte werken) leerde kennen. 
Wellicht door zijne Haagsche vrouw daartoe aangezocht, trok onze schilder 
weldra naar de hofstad, waar hij 1634 als Lid van het St. Lucasgilde werd inge- 
schreven. ') Hij bleef er geruimen tijd ; o. a. werd i Juli 1639 een dochter 
CONSTANTIA van hem gedoopt in de Kloosterkerk (de schilder Knibbergen was 
getuige) en 27 Aug. 1641 een ander kind, wiens naam oningevuld bleef. ^) 

3 Oct. 1643 wordt QüAST voor den gerechte aangesproken door Pauwels 
Coor^aert, koopman. De schilder wil zijn schuld betalen maar verzoekt 
9 maanden uitstel* 5 Maart 1642 eischt de herbergier Ferdinanbus Grevel 
betaling van zijne schulden. De advokaat van QuAST zegt, die eerst te zullen 
betalen als de eisscher teruggeeft y,twee teijckeninghen die den eyscher van den 
y^gedaegde is hebbende.'! 19 Juli 1641 blijkt het dat y,de gedaechde aen eijscher 
^gelaten heeft drye teyckeningen wesende Spaensche pantalons (harlekijns)"; 
eerst als de schilder die terugontvangt zal hij betalen. 2 Oct. 1641 wordt hij 
echter, nadat zijne huisvrouw ^in juditio" gehoord is, veroordeeld de geeischte 
som te betalen cum expensis. *) 31 Dec. 1639 had QuAST éen huis gekocht, 
aan de Oostzijde van de Groene Burchwal ; hij betaalde / 100. — in geld en de 
rest in twee schuldbrieven samen 'groot / 1600.— De ééne, groot / 1000. — 
werd in Mei 1648 door Quast's weduwe betaald, de andere van ƒ 600. — eerst 
in 1662 door GOVERT Hendricx van Meerle afgelost. •) Volgens de klap- 
wakersboeken van 1644 woonde de schilder nog in dat jaar op de paveljoensche 



1) Thans in het Museum te Branswijk. 

>) Oud-Holland UI, p. 309. 

8) Obrbbn's Archief v. Ned. Kunstgeschiedenis III. 

A) Doopboeken der Kloosterkerk te 's-Gravenhage. 

*) Rollen, Haagsch Schepenarchief. 

1) Reg. Verk. ▼. huizen, Haagsch Archief. 



70 PIETER JANS2. QUAST. 

gracht oost van de groenmarckt. Maar wij vinden hem in Januari van dat jaar 
reeds te Amsterdam. 14 Januari 1644 transporteert den E. PlETSR Quast, 
Konstscbilder, aan zijne vrouw Anna Splinters een huis en erve in 's-Graven* 
hage op de Groene burgwal aldaar („om verscheijde importante redenen, item 
y»genoegsaem als obligatoire schultkennisse**) belend aan de N.zijde Willem 
Coomans, aan de Z^ijde Gerrit van Druyvesteijn^ ten westen de Heerestraat ^) 
Hij teekent: 



/v 



luf^ir^ 



Zelfs woonde hij reeds vroeger weder in de Amstelstad, en wel met zijne 
egade, zooals blijkt uit de «volgende acte : 

I Juni 1643 verklaren eenige personen, ten behoeve van Anna Splinters, 
huysvrouw van Piêter Quast, wonende in de Calverstrate tusschen beyde de 
Doelens, dat Gaspar Ruijbergen daar groote moeite had gemaakt ; hij had met 
den voet van een roemer ANNA Splinters' gezicht opengesneden pn gekrabd 
^sulcx dat de gaten toegenayt worden moesten'\ Een schilder, PieterMaitheus, 
is getuige*'.*) 

Zou deze heer RuYBERGEN dezelfde ^Domheer" zijn in de volgende Acte 
vermeld? 3 Juni 1643, dus een paar dagen later, verklaren eenige personen ten 
verzoeke van d'Heer Gaspar van Rouwbergen, Domheer tot Wtrecht, dat zij 
Donderdag laetstleden, s'avonts tusschen 8 en 9 uren geweest sijn tenhuysevan 
Pieter Quast, schilder, wonachtich in de Calverstraet, tusschen beyde Doelens. 
De huysvrou van QuAiST was in de koocken. De Domheer was met haer 
spreeckende over eenige hoeren en seijde (o. a.) . . . ick soude een hoer wel voor 
haer aensicht slaen, waerop de huysvrou van QUAST seijde: Wel, Mynheer, 
gae je in sulcke huysen ? antwoordende de requirant daerop : in kercken comen 
wel hoeren, souden der dan in de herbergen geen comen ? waerop de vrouw van 
Pr, QuAST wederom : Wel, mynheer, ick looff wel dat gy der- wel hondert getast 
en gevoelt hebt enz. Eindelijk schold de Domheer haar uit voor een 

1) Prot. Not. J. VAK DER Vbn, Amsterdam. 
S) Prot. Not. J. YAN DEK Ven, Amsterdam. 



PIETER JANSZ. QUAST. 71 

hoer, waarop zij hem als een furie aanvloog, krabde en sloeg. Op het gerucht 
kwam de schilder zijn vrouw te hulp. Hij greep naar een mes, zette het den 
Dornheer op de borst en riep uit: Sacrament wat heb je gedaan, segh*t of ick 
bruy 't daer deur. Eerst met groote moeite werden de vechtenden gescheiden. 
PlETER VAN Nispen was er bij en is de hoofdgetuige ; hij had uitgeroepen: 
^Wat gij doet, met geen messen.'' ') 

Hebben wij hier niet bijna een schilderij van QUAST voor onze oogen? 

Er scheen nog wel eens meer ^herrie" te zijn bij QuAST aan huis. 
II Februari 1644 doet zijne vrouw wéér eene verklaring opmaken door den 
Notaris J. VAN DER Ven. Den 3^ Februari ^quamen aan hare deure doppen 
yALEXANDER DE Nijs en JoRis Glaude *), en toen sy hen niet in wilde laten, 
^liepen sy 't huijs met geweld oiider en boven, en onder andere moetwillicheden 
^naemen sy. • • boven op de Schildercamer het conterfeytsel van de requirante 
^schonden 't selve met hare vingeren in swarte verff gesteecken, de tronije 
^kruyselingh over met messen geschrabt en uytgedaen (hebbende) schandige 
^smaetheden daerop geschreven." (Volgt nog een lang relaas van al de schand» 
daden door die heeren in haar huis bedreven, twee groote bladzijden voll) 

15 April' 1644 bekent PlETER QuAST, schilder, schuldig te zijn aan 
Jan Arentsz. van Bloemendael te Weesp f 235.— per reste van huishuur 
van het huis daar hij, QuAST, in woont, staande tusschen de beide Doelen in 
de Calverstraet. . • QUAST zal vóór i Mei / 160. — betalen, de rest zes weken 
later. Als hij met i Mei uit het huis vertrekt, zal hij zijne goederen daarin 
laten tot alles betaald is. ') 

Uit deze Acte blijkt, dat onze schilder niet ruim bij kas was. Hij schijnt 
inderdaad verhuisd te zijn, en wel naar de Nes. Die nieuwe woning was niet 
veel bizonders. „De Witte Sterre" hing er uifr. Verscheidene personen verklaren 
voor den schilder, dat het onbewoonbaar was door het lekken en 17 Mei 1646 
verklaart PlETER QuAST, kunstschilder, zelf voor Not. VAN DER Ven, dat 
het huis is ongerepareerd, vochtig, en dat het er overal lekt. Hij dreigt «^geen 
huur te betalen eer een en ander in orde gebracht is. De eigenaar belooft te 
komen zien. 

Reeds een jaar later had men het ^doode lichaem" van onzen kunstenaar 
uit dat huis ten grave gedragen. Ik heb in de begrafenisboeken van Amsterdam 
uit dien tijd niet zeer compleet, te vergeefs naar den juisten datum gezocht. 



i) Prot. Not. Cl. van Santen, Amsterdam. 

3) Beiden schilders ! 

8) Prot. Not C. Vliet, Amsterdam. 



72 



PIETER JANSZ. QUAST. 



Hij moet omstreeks Mei of begin Juni 1647 overleden zijn, zooals men moet 
aannemen naar den^ volgenden : 

INVENTARIS. 
6 Juni Anno 1647. 

Inventaris der naergelaten Goe'deren van wijlen PiETER jANSZ. QüAST, 
Schilder, bevonden in de hüysinge van Laurens Cornelisz. 
DE Boer staende in de^Nes, daer de Witte Star uythangt, 
gedaen maecken door denselven eygenaer als volcht: 

In 't voarhuys. 



elff Italiaensche glasen Tafel Borden, 
een Dito Schotel 
een Dito Kannetgen. 
een Dito Kelckgen. 
een groote Kaert met rollen van de 
Belegeringe van Rochel(le}. 



een onvoltogen ConterfeytseL 

een Spaensche Stoel. 

een voeder met 5 flesschen. 

een secreetkofTer. 

een Kaert(p)rintgen met rollen. 

een Parsgen. 



In een kas ander de Trap van 'tvüorhuys. 



drie Brabantsche huyckhoetgens. 

een mof met sabelsche Randen in een kas. 

een Do met witte Randen. 

twee swarte Pluymasien. 

een witte gesteken Schort. 

twee nopdoecksche kinderlijfgens. 



twee witte linde spreyen; 
elff ellen silverpassement. 
elff swarte haere kleerbesems. 
een mantgen met Lappen, 
een geborduerde . Borst met een out 
Lysgen. 



Beneden in de Binne Kamer. 



twee contrefeytsels van mans met 

Lysten. 
een dito fruyte Bort met ebbenhoute 

lysten. 



Noch een schilderye Bortgen van 

een Vrou, 
Noch twee klyne Bortgens met Lysten. 



Voor de Schoorsteen. 



een Bortgen van een Oude Vrou's trony 

met swarte Listen. 
Ses prienten Rontgens met Rollen, 
fier stoelen. 
een Eycken houte Cantoortafel met 

een oude Sprey daerover. 



een out Jack. 

een macheyersche gevoerde Rock. 

een Bedt; een Peulu, een oorkussen, 
twee dekens, een paar Lakens, een 
paer gordynen met een Valletgen, 

twee Stoelkusschèn(s). 



PIETER JANSZ. QUAST. 



78 



In kas staende oen dê Italiaenscke Bedstede. 



een glase kandelaer. 

een do Italianscbe Wyn Romer. 

een glasen ey. • 

een Ost Indische hoorn. 

een Brootmantgen, 

vier Beffen, tien neusdoecken. 

een linne Voorschoot. 

drie Lakens. 

een Linde Borstrock. 



een Nachthalsdoeck met kant. 

een Vroushemt. 

een Borst. 

ontrent een pont Gaeren. 

een Kleerbesum. 

een eL 

een oude Kleremandt. 

een Reys Sa(e)ck. 

een paer grove overmouwe. 



In de achter Keucken* 



Seven vlesschen. 

drie kannen met litten. 

een tinne do. 

een do. Soutvat. 

twe bierglasen. 

twe Roemers. 

een geschilderde tresoor. 

een out Tafelken met een kleetgen 

daerover. 
twee Tangen, een schop, een heugel. 



een heugelkettingh. 

vier stoelen. 

twe snuyters. 

twee stryckysers. 

een rooster. 

een Braet spiet. 

een stryckbeckinghe (?) 

een hackmes» een ketel, een emmer. 

eenich out aerdewerck. 



Op de hangkamer. 



een kleyn out betgen. 
een deckentg^en. 
twee Laeckens. 
een Reys Rock. 



een onvoltogen Schilderije bort son* 

der lijste. 
een Leer. 
een frans Salmboeck. 



Op Voor^Boven kamer. 



twee Schilder Ramen met een geplu< 

meerden doeck. 
twee Prientbortgens. 
een stoel. 



een Banck. 

vQff schilderijen sonder listen. 
een kinder Slaep Banckgen. 
een tinne Sausiertgen. 



Aldus geinventariseert ende gedaen in Amsterdam ten overstaan 
van NiCKLAES VAN BORN, Not»., beneffens DiRCK Albersz 
en JACOB Dyckmans, schilder, getuygen, op den sesten 
Juni Anno sestienhondert seven en vertich. ^) 



1) Piot Not. J. Vbshey, Amtterdam. 
Oud^Holland 1902. 



10 



74 PIETER JANSZ. QUAST. 

Hoe zijne weduwe kort na zijn overlijden met een anderen Schilder in 
het huwelijk trad (Jacobus van Spreeuwen) hoop ik binnenkort in een volgend 
artikel mede te deelen. 

Sommigen, naar ik hoor ook de Heer Ph. van der Kellen, gelooven 
dat QuAST de leermeester van den jeugdigen Prins Willem II is geweest. Aan- 
leiding tot dit vermoeden geeft een prent door HONDIUS gegraveerd naar onzen 
meester (P, QuAST inv.) waarop men zes elegant gecostumeerde jongens ziet 
spelen. Rechts zit er een op een stoel ; voor henx een jongen voorovergebogen 
met het hoofd in diens schoot en een andere jongen op zijn rug» daarachter weer 
een jongen die zich voorover wil buigen terwijl een ander achter hem blijkbaar 
ook op diens rug wil springen. Achter de groep staat de zesde, met een hoed 
van veeren op, te kijken. Onder de prent : 

Siet hoe Sijn Hoocheyts Soon, een Prins vol van Couraigien 
Hem somwijlen vermaeckt Int springhen van syn Paigien. 

De Heer H. Fh. Gerritsen te 's-Gravenhage bezit in zijne rijke kunst- 
verzameling een band met 22 potloodteekeningetjes, gedeeltelijk zeer zwakke 
copieën naar teekeningen van QUAST. Op de eerste teekening^ een spits van 
een gothieke kerktoren, leest men: Princeps Wuill. De anderen zijn ongemerkt. 
Een gedeelte zijn zwak gedane stadsgezichten. 

Voorin ligt een briefje waarop het volgende : 
Amsterdam. Myn Heer Cs PLOOS VAN Amstel I.C. debet 

1774. aan Mattheus Woortman. 

17 Mey ^ Voor Een portefoolje, franse bant, voor zijn Doorl. Hoogh. 

\ Wm de SDe Prins van Oranje &a &a / 4 • — - 

76 stuks Teekeninge op 39 bladen opgeset met Lijsten door 

Prins Wm de 2de Geteekend in *t Bov.staande Portefoolje „ 8 : — : 

f %2: — : 
Ploos van Amstel schreef onder „17 Mey" 
dit Woortman op myn reek. gebragt. 

En er onder: 

Deeze bovenstaande 76 Teekeningen en Porte folie heb ik door d'Heer 
Joncourt Zyn Hoogheid doen overhandigen; Zyn Hoogheid heeft my doen be- 
danken en doen zeggen, dat ik de resteerende hier in geplaatste Teekeningen 
nevens het boekje voor my bewaaren zoude. Vervolgens ben ik door zyn Hoog- 
heid voor de gedaane proeven van myn Plaatwerk volgens myn uitvinding in 
zyn tegenwoordigheid en wegens Zyn Hoogh. eigenhandige Proeven en deeze 
gedaane moeyten, beschonken met een gouden Medalje. 



PIETER JANSZ. QUAST, 75 

Waar de andere teekeaiag^en gebleven zijn is onbekend. Denkelijk met 
de overige kunstschatten van Prins Wilum V.naar Frankrijk vervoerd, is die 
collectie daar ergens blijven hangen,, lyellicht in het Prentkabinet der Bibliothèque 
nationale. Nu blijft de vraag: is het waar, wat ons Ploos van Amstel vertelt: 
2ijn dit werkelijk, echte teekeningetjes van Prins Willem II ? Het is blijkbaar 
kinderwerk; vreemd is bet, dat ze met potlood en niet met zwart of rood krijt 
gedaan zijn. Doch ook van QuAST.. zelf ken ik teekeningen met potlood op 
perkament. Den .Heer Gerritssn, die mij welwillend opeen en ander opmerkzaam 
maakte en mij tijdelijk het Album met deze teekentngen afstond, hierbij mijn 
hartelijke danki 

Behalve de hier genoemde stukken vermeld ik nog ; 

Een jong man, in bruinachtig 'geel costuum, in zijn .gewone manier. Bij 
den Landgefricbtsrath Dr. Peltzer, te Keulen. 

Een borstbeeld van een man met een groote muts en mantel. Gemerkt. 
Coll. FORSTENBERG; was op de tentoonstelling te Dttsseldorf iS86. 

Twee damesy musiceerende. De eene bespeelt de luit, de andere zingt. Twee 
heeren spelen tric-tiac. (Bizonder fraai werk.) Gemerkt. CoU. Dahl te Düsseldorf. 

Het verbinden van een voetwond. Vijf figuren op den voorgrond; een 
zesde Wordt door een zevende op den rug binnengedragen (dus een ^chirurgyns- 
winpkel'0 Kleurig. (Coll. P&QUES te Luik.) ') 

Soldaten in een herberg. Rechts beneden gemerkt en 1640 gedateerd. 
10 figuren. Museum te Mannheim. 

Twee bedelaars of venters, de man met een bak voor het lijf gebonden. 
Copie naar de schilderij te Brunswijk. Museum van Duinkerken ^). 

Een tweede copie of repliek naar die schilderij bij den Heer Lenglakt 
te Rijssel *) 

Een Corps de garde, in schemering gehuld Hoofdpersoon is de wacht- 
hebbende officier met een met veeren getooiden hoed, geelen kolder, bmine laarzen, 
witte koussen, naar rechts gewend. Een mantel over den L schoudérj een stok 
in de^r. hand. Hij ziet den beschouwer aam Een zijner soldaten, op den rug 
gezien, gaat in het wachtlokaal. Rechts een aantal soldaten en een boer en 
boerin om een brandend vuur. Donkere achtergrond; voluit gemerkt. Coll. Weber 
te Hamburg, No. 215. 

Twee goede stukken in het Museum te Bamberg, zijnde: 

Een dorpscfairurgijn opereert een vrouw (vaü den steen ?) aan het voorhoofd. 
Een man houdt de op een stoel zittende vast. Een lachende boer, die een 
kermende vrouw op den rug draagt, komt de kamer binnen. Gemerkt. 

1) Mededeeling vdn Dr. C Hofst|ob de Gkcot. 

10« 



76 PIETER JANSZ. QUAST. 

Tandmeester, die een jongen boer een kies trekt. Naast hem zit aan tafel 
een vrouw die glimlachend toeziet hoe een tweede boer zijn vrouw op een kruiwa- 
gen in de kamer rijdt. Gemerkt als voren. -(Nos. 266 en 267 van den Catalogus.) 

Ruitergevechty in den trant van Jan Martsen de Jonge Links de hoofd- 
groep, rechts enkele ruiters, gedeeltelijk in het water. Vet en krachtig geschilderd, 
bruine tronies. Met het Monogram P. Q. gemerkt. CoU. Semenow, St. Petersburg. 

Een zeer groot ruitergevecht als voren bij Prins KOUDACHEFF, St. Petersburg. 

Paartje» de menuet dansend. Hij in 't wit, zij in 't blauw. Links 4 musicee- 
rende personen. Monogram en 1639 Coll. Sbmenow, St. Petersburg. 

Soldaten in een keuken. Vier personen op den voorgrond; twee officieren 
met twee vriendinnen. Elf personen op den achtergrond, die min of meer mono- 

• 

chroom gedaan zijn. Volgeus Dr. C. Hofstede de Groot de kleurigste Quast 
hem bekend. Gemerkt en 1636 gedateerd. Slot Kronenborg, No. 284 (daar aan 
Dav. Rijckaert toegeschreven.) 

Zes tafereelen uit het Lyden van Christus. Gevangenneming, Avondmaal, 
Petrus' verloochening, de Kruisdraging, Christus voor Herodes en Gethsemané. 
Dr. Hofstede de Groot zegt: herinnert half aan de school van Rembrandt, 
half aan Benj. Cuyp. Niet zeer fraai. De meesten gemerkt: P. QVAST, en 
1641 gedateerd. Slot Gaunö in Denemarken. 

NB. Ik vond deze stukken reeds vermeld in een Inventaris van Kathryna 
VAN AviGNON, den Haag 1648, als: Twaalf stucken van de passie, gedaen by 
QUAST. Waar de andere zes zijn bleef mij onbekend. 

Een kwakzalver. Coll. Hauzeur de Simony, Verviers. 

De- plundering van een rijke. woning. De eigenaar smeekt om genade. 
Dit stuk in de Verzameling Chewoschinsky te St, Petersburg, is voluit gemerkt 
en 1634 gedateerd. 

Vrolijk gezelschap met een vrouw die op de luit speelt. Gemerkt en 
1638 gedateerd. Museum te Göttingen. 

Bij Kramm wordt vermeld een gezelschap met musiceerende en zingende 
lieden, achter de deur van een kamer, waarin een deftig gekleededame voor 
een crucifix op den grond ligt. 

Kaartspelers. Coll. Jacobson, Stokholm. 

Barbierswinkel. Museum te Cassel. 

Met den brand van het Museum Bojrmans te Rotterdam ging te gronde: 
een chirui^jn, die een oude vrouw opereert, en een grijsaard met een schedel 
in de hand. 

In de Ermitage te St. Petersburg : Een elegante dame, in rijk toilet. Gemerkt . 

Een operatie, door een in wit satijn gekleed chirurgijn. 



PIETER JANS2. QUAST. 77 

De dood, een skelet, komt, op een trompet blazend, de kamer binnen. 
Nog verscheidene andere figuren. 

Twee schilderijen met een tandarts en een oogarts in het slot te Schleissheim. 

De karikatuur van een mismaakt man. Museum te Nantes (No. 471.) 

QUAST schilderde ook figuren in landschappen van ScHOEFF (o. a. in een 
stuk in mijne verzameling) en in die van Adriaen Muylties ^seer aerdich en 
plaisant" *) 

Jk zag o. a. nog : 

Een kerk, waarin links een monnik in een preekstoel staat te preeken, de 
kerk goed geschilderd; twee zingende kinderen links in geel en rood, opkoper. 
Coll. DSLAROFF, Pawlowsk. 

Een man met harnas links, op den achtergrond tilt iemand een meisje 
in de hoogte. Ten onrechte aan DUCK toegeschreven. No. 130 der Gallerie 
Leuchtenberg, St. Petersburg. 

Een enkel mansfiguur. Coll. Kauffmann, Frankfurt a/M. 

Een ruiter, met zijn linker been op een ton staande, terwijl een man met 
bruinen knobbelneus zijn laars vastmaakt. Een olijke meid steekt haar rechter arm 
door 's^ruiters linker arm terwijl zij haar linker hand doet rusten op dén kop van 
zijn helper. De ruiter houdt in de rechterhand een pijpje. Links staat een 
schimmel; op den voorgrond rechts een paar bossen stroo. Nog 3 figuren. Vet 
en krachtig geschilderd in warme bruine tinten, aardig als sujet en geestig gedaan. 
Gem. P. Q. Was 1897 bij den kunsthandelaar GOUDSTIKKER. 

Een corps-de-garde bij Lord ILCHESTER, aan Palamedes toegeschreven, 
leek naij eer van Q(JAST. 

Een man, die een boer van de Kei snijdt. Goede kwaliteit. Museum te 
Nimes. No. 136. 

In een schuur een speler op de doedelzak, een tweede muziekant, een 
man met een pot in de hand en twee kinderen. In het midden twee dansende 
paren. Links vrijende paren« Heet ten onrechte OstadE. Museum te Aix en 
Provence No. 325. 

Een merkwaardigen QuAST, gemerkt, zag ik voor c^. 20 jaren bU den 
kunsthandelaar MONCHEN te VGravenhage. Het stuk stelde een vrek voor te midden 
van zijne schatten, terwijl de dood (als skelet) de kamer binnentreedt. Dit werk 
was bizonder uitvoerig en fijn gedaan en een zeer goed specimen van den meester. 

Een tamelijk groot enkel mansfiguur ten voeten uit, geel bruin costuum 
met rooden rand. Gem. P. Q. (inéén). Bij den schilder Knaus te Berlijn. 



1) Zie Ottd-Holland 4, X97. 



78 . PIETER JANSZ. QUAST. 



tt., 



Twee dergelijke stukken bevonden zich eertijds in de CoU. DoBTSCH te Londen. 

In de coU. HOUCK te Deventer bevonden zich twee grappige stukken van 
.Quast; de broektrekkers, en de overwinning der vrouw. Op het laatste kruipt 
een man op handen en voeten over den grond, terwijl een oude leelijke vrouw, 
met een zweep in de hand, hem ment. Was dit soms een zinspeling op het 
huwelijksleven van den schilder zelf? 

In 1883, Nov. werd er door Fr. Muller & Co. te Amsterdam een 
aardige corps-de-garde van Quast verkocht, gem. P. Q. (aanéén) 1639. 

Een boer (in licht rood met geele broek) die door een kwakzalver in 
't groen aan den voet geopereerd wordt. Een helder, vroeg werk. CoU. 
Wesendonck, Berlijn. 

Een dame (in geel bruine zijde) met 2 heeren, de een speelt op een 
mandoline; rechts op den achtergrond een vrijend paartje. Groote figuren. 
Museum, Leipzig. 

Een musiceerend gezelschap; links een dame in roode japon, de viola di 
gamba bespeelende. Bruinachtig; goed werk. CoU. HOLSCHER, Mühlheim a/Rh. 

Bij Christie, Manson & WOODS te Londen werd 28 Febr. 1891 een 
echte Qt^AST verkocht onder No. 84: Portrait of a Cavalier, voor 28 guinjes. 

Volgens Dr. Hofstede de Groot is er te Bordeaux in de CoU. ASAM 
een zittend man bij een kruiwagen door QuAST. 

Een vrouw, die een man een pot vol water over den nek gooit. Gem. met 
monogram bij den Heer Haverkqrn van Rysewijk te Rotterdam. 

Een geselschap met 16 figuren. Op den voorgrond eenige zeer karak- 
teristieke typen van Quast. Heette in de CoU. LiPPMANN DiRCK Hals. CoU. 
Stern. Weencn. *) 

In het Museum te Brunswijk vindt men drie stukken : 

No. 568. Een brandewijnverkooper met een oude vrouw. 
„ 569. Een bedelaar met sijn wijf. 
^ 570. Een zittend drinkebroer. 

Mr. Ch. M. Do^ zag in 1896 bij een R. K. geesfeUjke te Delfshaven 
een Christus aan het kruis, gem. P. QuAST. 

In de CoU. Pein te Berlijn bevond zich een zeer goed stuk van Quast, 
gem. P. Q. 164... dat aldus in den Catalogus (Keiden, 1888) beschreven wordt: 

Linfirfmrie. Grande saUe, ornée d*une Statue de la Yierge ; on y voit 
péle-méle des estropiés, des blessés, des malades, hommes, femmes et enfants, 
debout assis ou couchés parterre sur de la paiUe. A gauche un homme dormant. 



1) Mededeeling vau Dr. C. Hofstede db Groot. 



t 
PIETER JANSZ, QüAST. 79 

enveloppé dans un manteau rouge. En face de ce dernier sur une marche 
un cavaUer, portant épée et b&ton. Paneel H. 62^ br. 47 cm. Dit fraaie 
stuk, licht en in warme helderbruine toonen geschilderdi bracht toen reeds 
1450 Mk. op. 

Onder de teekeningen die ik van QuAST in particuliere verzamelingen . 
zagy noem ik een P, Quast 1640 gemerkte in de voormalige CoU. Habich te 
Casself met vijf heeren en 5 dames, een pauw en een fontein als een der besten. 
Ook was er in die verzameling een ^luijseknippertge" op perkament. 

Zelf bezit ik van hem een teekening op perkament, zijnde Jezus in 
Gethsemané. 

Een rijke verzameling Quast-teekeningen bezit de Heer A. VON Beckerath 
te Berlijn. O. a. : een man met een uil op zijn rug; rood krijt. Gemerkt Een 
dito ged. 1636. De Engel bij Maria; genu Piêter Quast 1638; met potlood op 
perkament Een zeer fraai ijsvermaak. Met potlood en O. I inkt. Beeldig en 
geheel genre van Goyen doch voluit gemerkt: P. Quast. 1638. Deze geheel 
afwijkende teekening is zttx mooi: schaatsenrijders, 1. op den voorgrond een 
groep bij een tent 

Ook een groote, wat vervelende potloodteekening op perkament: 9groote 
figuren. In een armoedig huis zit men te rooken en te drinken, terwijl een 
vrouw zich in een bedstede aan een beddekwast opricht. Ook bezit de Heer 
voN Beckerath een olieverf-studie op donker papier met wit en grijs. 

In de Albertina te Weenen ziet men een reeks teekeningen van Quast. 
Een vreesselijk zeeziek'' man. 5 aardige figuurtjes, costumes, op perkament. 
Een groote teekening, kermisscène. Achilles en Polixena, bij ApoUoaltaar, rechts 
PariSi die zijn boog spant om hem in de hiel te schieten, gem. Pieter Quast 1645, 
alles met potlood op perkament. 

- In het Prentkabinet te Dresden wéér een serie van Quast-teekeningen . 
Drie dansende arlekijns met rood krijt. (Zie hier voren onder de biographische 
bizonderheden.) Een schaatsenrijder met dito« Allen van achteren met zijn 
monogram gemerkt en genummerd; er schijnen er 40 geweest te zijn. Onder 
de vele anderen (van 1638 o. a.) één teekening die aan een hierboven beschreven 
schilderij herinnert: een vrek, omringd door geldzakken, terwijl de dood hem 
komt halen; gem. en 1643 gedateerd. 

In het Museum te Darmstadt bevinden zich verscheidene aatdige teeke- 
ningen van Quast. Eene van 1645, stelt voor een tooneel waarop een schilder 
onder de toeschouwers, die eens anderen toeschouwers partes posteriores gebruikt 
als doek of paneel om er op te schilderen 1 Een heele serie aardige teekeningen, 
meest gemerkt 



80 PIETER JANS2. QUAST. 

In het Louvre bevindt zich een heel studiéboek met teekeningen van 
QuAST ; merkwaardig genoeg zijn dit meest landschappen 1 

Ook in de Oude Pinakotheek te München zijn verscheidene teekeningen 
van QuAST; o. a. 19 stuks met rood krijt en een aardig vrouwenkopje van 1634. 

In oude veilingen komen schilderijen en teekeningen van den meester te 
dikwijls voor om ze allen hier op te sommen. In de l8e eeuw brachten 9e meest 
maar enkele guldens op. Alleeninde veiling Schönborn, Amsterdam 16 April 1738, 
werd een Bataille van Vis en Vlees, door PlETERQüASTmetruim/6i. — betaald. 

Veiling Hartsoeker, 1742, den Haag: een capitaale Ordonnantie met 
vrolijke boeren, seer schoon geschildert door QuAST, h. i v. 8 d, br. 2 v. 4 d. f45. — 

Wel het vroegst genoemde werk bevond zich bij CORNELIS VAN Santvliet 
te Amsterdam, die o. a. bij een schilderij-transport van 17 Nov. 1633 overdroeg: 
een soldaetje van QüAST voor f 10. — (eenC0DDE^30. — ^^ een Palamedes ƒ 36. — ) 

In 1638 bezat Jan üe Cokinck, o. a. een keysnijder van QUAST. 

Bij Floris Soop (te Anisterdam) hingen 1657 aan den wand: 11 teeke- 
ningen van QuAST in lijsten. Ook schilderijen van Hercules Seghers en 
VAN Goyen. 

.In 1654 vind ik reeds een copie naar QUAST in een Amsterdam' schen boedel. 

De schilder Mattheus Bloem leende 165; geld op zijne zeer laag ge- 
taxeerde schilderijen. Daarbij een tronie van QuAST f lO.— (zijnde een teeke- 
ning) een grotje van QuAST / ï2. — , een graeuwe boerentronie van QüAST ƒ 5. — 

Interessant zijn de stukken in den boedel van JOAN Raphoen 23 Apr. 
1657 te Amsterdam. Behalve teekeningen ook een naeckte Venus van Quast; 
•een groot stuck sijnde een leger van QuAST. 

Maerten Pietersz. Day bezat 1659 vijf teekeningen van QUAST, die 
naast een out man van Rembrandt hingen. 

De schoonvader 'van den bloemschilder CORNELIS KiCK, H ARMEN Claesz. 
Spaeroogh, die een aardige collectie bezat, liet in 1676 o. m. na een gezel- 
schap van QuAST. (Ook een stuck met kinderkens van den tamelijk zeldzamen 
Camerarius.) 

In een zeer groote collectie, die van Anthoni Gaillard, te Amsterdam, 
bevond zich bij diens overlijden 29 Oct. 1639: 

Een barbierswinckel van Pietèr Qüast. 

Vier boertgenSy een cleyn stuckge. van denselven. 

Een boerekerck van PiETER QUAST. (Denkelijk het hierboven genoemde 
stuk te Pawlowsk bij den Heer Delaroff.) 

Ook reeds een copy naar QUAST, soldaten. 

In die verzameling waren ook verscheidene schilderijen van ADR. BROUWER, 



PIETER JANSZ. QUAST. 81 

D£ Bloot, Codde, Palamedes e. a. Dé ca 200 schilderijen zijn allen nauw- 
keurig gecatalogiseerd. 

Eens, in 1654, wordt een zeer fraaie teekening van QUAST op/ 25, — geschat. 

JOAN ROETERS, secretaris van Amsterdam, liet bij zijn overlijden^ 1668, 
na: een quacksalver met een geselschap van QuAST. 

Bij JOHAN VAN MiEROP bevonden zich (te Delft) in 1644 reeds 2 personagien 
van QüAST. Bij Cornella Croock te Delft (1662) een stuck van Christus in 
't HofT van Gethsemané door Quast, 

De Heer Johan van Langenhoven in den Haag bezat 165 1 o.a. een 
banquetje van QuaSiT, en ses teykeningen van den selven. 

Bij Cornelis van der Beeck te Delft worden in 1646 twee zijner 
teeckeningen op / 4«— * geschat ! 

Mr. PlETER VAN DEN BoETSELAER, Rentm^ der Domeynen van S. H*. 
transporteert aan Burgem^^. Both VAN DER £em o. a.: Seven teeckeningen van 
QüAST met glas overdect. (den Haag, 1656) Tusschen 1640 — 1670 vind ik zeer 
vele zijner teekeningen in goede boedels uitdrukkelijk vermeld. Zij worden meest 
op / I. — i / 3. — het stuk gewaardeerd. 

PAULUS PlETERSZ. OUTHOFF bezat 1670 (in den Haag) Twee stuckies 
van Craen en Juffrou QuAST (ƒ 15. — r). Men zou hieruit opmaken dat de 
vrouw van Quast óók het penseel hanteerde I 

De commies BORT in de Molenstraat (den Haag, 1646) bezat een heele 
verzameling werken van QuAST. 

Onder de c^ 30 teekeningen trekken de aandacht 14 stuks, uitbeeldende 
de Passie, die op / 95. — getaxeerd worden, wat ons doet denken, dat zijn werk 
gedurende zijn leven toch wël gezocht was. Een schilderij, masqueradej / 27. — 
Een groot stuck, Antonius en Cleopatra, ƒ 37. — 

De schilder Jean Duvionon in den Haag bezat in 17760. a. een teekening 
van Quast, gevecht van romeinsche krijgsknechten te paard op perkament 
uitvoerig geteekend. 

CONSTANTIJN Jacob van Renesse liet in 1781 na: een te bed liggende 
vrouw door P. QüAST. 

Reeds 14 Maart i634wordtte Amsterdam een stuckje van QUASTgeschildert, 
op ƒ 12. — getaxeerd. In 1660 geldt er een bordeeltje van QuAST / 8. — De 
fameuse kunstkooper JOHANNES DE Renialme had 1640 een tronietje vanQUAST 
in een koperen lijst f 4. — . Maar vergeten wij niet, dat een toebacqdrincker 
van Hals toen op ƒ 12. — , een priester van Rembrandt op / 100. — geschat 
werd. De chirurgijn DiRCK VAN DER Snoeck bezat te Leiden in 1656 vier 
schildertjtgens met de pen gedaen van PiETER Quast. 

Oud'Holland 1902. 11 



PIETER JAN'SZ. QUAST. 



K«/«#i'^ 



."i^gli^V^ l|4§*8|§"W verschcyde Anticquen in een ebbe lijst, door QuAST 
*^ S"1I*^''^^^'S''*° wesende een boerengezelschap door Quast/2.— 



1 JORisVAN WAERDEN-.'te Amsterdam, 1 1 July 1^63, 



J$^^^|i||-tt,tt*^ S'ipedel van 1667 komen 35 teekeningen van QuA^T 
|l^:^iÈtrfïJ-ii|^'lÖPG5^l» Arai.terdammcr LaMLERT TelghlizeN, 1CS5 komt 
iJl IH Lil *^«« **.!•• jjfijt vo"rhui=, met p^rsconnsien, daerin onder anderen 
-^TCIANDT, van OUAST (/ 2^.—). 

Ischilders Santvoort en GerRIT UvleNBORCH den 
:ij bezat o. a. een stuck daar LaSARus van den doot 
(hiu'rbij geene prijzen). 

.>-t speelt van Quast f6.~ 
__'rckt geer nr'.nsprarik op volledigheid, manr geeft ons 
^^ftrti^rC§':§rt;|^UAST, die in de kracht van zijn leven overleed — hij 
^^M^^'^'ë'^^^' W.^ geworden — niet stil gezeten heeft ; dat hij in de 
^^ »''s'"S**^*S*W^''l?s behoorde, wier werk in goede verzamelingen werd 
^llgrtS' -S^*^ '^^'^ff '" '' vergeetboek geraakte. QUASi heeft eenaantal 
^iS^"ifc^^^" .§^ "s? reeks zij:ier schilderijc;; in prent gebracht. Kk.'.mm 
'' ' ~ S^flft>K'«KH^' van. Mijn mederedacteur hoopt later die prenten 



llltlfitl^i 



* '*■ S^Cent^ï^lw.'c^: ife werken genoeg van dezen verdienstelijken schilder 
^^g^f|g')^:s^^e^iï^c^en, en ik verheug er mij over dat een zijner allerbeste 
^|:Üx^£gf^^'f|l^I3sch Museum siert. 



■U 




''mMm "lè^^ 'M 
■S* '& •#« '^ '^ 'm'^ 




IA. IA. 



.*• 



s:s. , 



ii^=fi3iJ^!|GiTIE DER GOEDEREN VAN 

..Uti^ DE GROOT, 



-;^K. G. M o L L. 



> -i!^*^ - & ■ ■?*' j> ■ït' ^ 



4 



f» 



:g »t Rijk sarc hief te 's Gravenh:ige -bevindt zicli een 

Ig"i|S^el stitkk'-ti, bev.ittende o. :i. een inventaris der 

S^ïteren van HuGO DE Groot, opgemaakt in het 

I5^;l6i9, nadat in het vonnis, waarbij deze tot levens- 

Igaj^j gevangenschap was veroordeeld, de confiscatie 




«^^ *m}^ «1^> *mK 



4» 



84 DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 

vonnis door het Hof van Holland gegeven omtrent den afkoop der in beslag ge- 
nomen goederen worden afgedrukt. 



Op den i8<*«n Mei 1619 werd aan HüGO DE Groot, na een voorloopige 
gevangenschap van 9 maanden, voorlezing gedaan van het vonnis, waarbij hij 
werd „gecondemneerd tot eeuwige ghevangenisse ende dienvolgende gebracht te 
worden in een verseeckerde plaetse, bij Hooghgemelte Heeren Staten-Generaal 
te ordonneren, ende aldaer syn leven lang ghehouden ende bewaert te worden'*, 
en waarbij zijne goederen werden in beslag genomen. Reeds drie dagen voor de 
uitspraak van dat vonnis hadden de Staten-Generaal benoemd ^) tot „Curateurs 
ende Ontfangers van de geconfisqueerde goederen van de geva/!gens, volgende 
de gepronunchieerde Sententien Mr. LaüRENS de Sylla ende Jan Halling". 

Door deze confiscatie was DE Groot niet in staat de vertrekken in 
het slot Loevestein, die hem ter bewoning waren aa^igewezen, zonder ver- 
lof van de Staten-Generaal van de noodige meubelen te voorzien. Zijn 
gansche vermogen was in beslag genomen, zoodat hem alles ontbrak en toch 
was het noodig, ten einde zijn leven in de gevangenis dragelijk te maken, 
hem te voorzien van boeken en eenige meubelen. De Staten-Generaal zagen de 
noodzakelijkheid hiervan in en besloten bij resolutie van den S*^^" Juni 1619 de 
vrouwen van de veroordeelden te doen weten, dat zij uit de geinventariseerde goe- 
deren zooveel meubelen aan de gevangenen bij hunne overbrenging naar Loeve- 
stein mochten medegeven, als ieder noodzakelijk op zijne kamer zou behoeven. 
Tevens werd aan Maria VAN ReygeRsberch en aan de vrouwen der andere 
gevangenen aangezegd, dat zij zich zonder verlof der Staten-Generaal niet naar 
Loevestein mochten begeven. 

Aan het bevel van de Staten-Generaal om de noodige meubelen aan D£ 
Groot bij zijn vertrek naar Loevestein mede te geven kon intusschen niet 
worden voldaan, omdat er nog geen inventaris was opgemaakt van het huisraad 
dat zich in zijn huis te Rotterdam bevond. Die inventarisatie schijnt voor 
den 8*t«n Juni 161 9 te hebben plaats gehad. Immers bij een request van 
Maria van Reygersberch, waarop door de Staten-Generaal den 8*^«n Juni 
werd beschikt, verzocht zij in de gelegenheid gesteld te worden in tegenwoor- 
digheid van een of van beide Schepenen van Rotterdam, die bij het opmaken van 
den inventaris waren tegenwoordig geweest, de meubelen, die zij noodig zoir 
hebben y uit haar huis te vervoeren. 

Daar het kantoor van haar man bij gelegenheid van de inventarisatie was 



1} Xtsoiutien Staten^Gentraal van 15 Mei 1619. 



DE CONFJSCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 85 

verzegeld, verzocht zij de zegels te verwijderen, ten einde haar in staat te stellen 
eenige boeken voor haar echtgenoot mede in te pakken. ^) 

De in beslagneming der goederen van de gevangenen op last der Staten- 
Generaal had in de vergadering der Staten van Holland aanleiding gegeven tot 
discussie. De Fiscaal van het Hof van Holland was herhaaldelijk op last van 
de Rekenkamer van Holland in de vergadering van de Gecommitteerde Raden 
geweest om er op aan te dringen dat dit College er op letten zoude, dat het recht 
van de Staten van Holland op de in beslag genomen goederen der gevangenen 
zou worden gehandhaafd. 

In de vergadering der Séaten van 28 Juni 1619 werd besloten alle on- 
^- roerende goederen, aan de gevangenen toebehoorende, en in de provincie Holland 
gelegen, in beslag te nemen en daarvan kennis te geven aan de Staten-Generaal, 
^ten einde de Hoogheyt^ het Recht ende Overighe3rt van den Lande ende de 
Vasalheeren hooge jurisdictie het recht van confiscatie hebbende, behoorlycken 
mogen werden geconserveert, sonder het selve in deze gelegenheydt te laten 
violeren, inbreucke ofte vercortinge lijden'\ ^ 

Van dit besluit werd aan de Rekenkamer kennis gegeven. Dit College, 
' thans verzekerd van de medewerking der Staten van Holland, besloot onmid- 
dellijk krachtig op te treden tegen de Curateuren, welke door de Staten-Generaal 
waren aangewezen de geconfisqueerde goederen in beslag te nemen. Het besloot 
aan JOHAN Hallingh, een der Curateuren, te doen aanzeggen, ^dat hy sich nyet 
en vervordere verder met de voorsz. goederen alhyer in HoUant ende West vries- 
vriesland gelegen hem te bemoeyen ofT d'selve eenichsints teondervinden, maer 
daermede late bewerden den geenen die daertoe by de voorsz. van de Rekeninge 
van wegen de Graeflyckheyd sullen werden gecommitteert''. ') 

Dit besluit werd den ï6^^ Juli <i«A«v. ten uitvoer gebracht ^) 

Intusschen was den Curateuren ter oore gekomen dat er in de Staten van 
Holland bezwaar was gemaakt tegen hun inbeslagneming der goederen en in de 
onzekerheid wat te doen, richtten zij zich, reeds voor zij de insinuatie ontvangen 
hadden^ tot de Staten-Generaal, die hun hadden bevolen een inventaris van de 
geconfisqueerde goederen over te leggen. Den i S^^ Juli ') kwamen Curateuren 
in de vergadering van de Staten-Generaal en deelden mede, dat hun door de 
Staten van Holland was verboden zich verder te bemoeien met de geconfisqueerde 



1) Zie Broedtrs gevangenisse. Dagboek vam Wiliem éte (rr^o^Mi. door Vr. H. van VOLLEIiHOTEN,bl. X84. 

2) Ra, SiaieM van Holland van a8 Jnni 16x9. 

8) AppoinUmtnttn van dé Rêktmkamtr 3 Juli z6x9| f>. 46. 

^) Memoriaal van de Rekenkamtr van Holland 16 Juli 16x9. 

*) Res, Staien^Gener<Ml X5 Juli 1619. 



86 DE CONFISCATIE ÜER GOEDEREN VAN HÜGO Dp GROOT. 

goederen in Holland gelegen. Daar de Staten gedreigd hadden, bij niet vol- 
doening aan het bevel, hunne particuliere goederen te zullen aanspreken, maak- 
ten de Curateuren bezwaar verder met de administratie der goederen voort te gaan. 
Zij verzochten dus van de Staten-Generaal te mogen vernemen hoe zij verder in 
deze moesten handelen. 

Naar het schijnt bracht deze tusschenkomst van de Staten van Holland 
de leden der Staten-Generaal in een niet geringe verlegenheid. Hoewel de 
Staten-Generaal de Curateuren hadden benoemd, was het niet te ontkennen, dat 
de Staten der provinciën, waarin de goederen zich bevonden, rechten daarop 
konden doen gelden. De afgevaardigden van Holland, ter vei^dering aanwezig, 
verklaarden in den eisch hunner provincie te moeten volharden en verzochten de 
afgevaardigden der andere provinciën zich daartegen niet te verzetten. De ver- 
tegenwoordigers der overige provinciën stelden voor de door de Staten-Generaal 
gedane benoeming van Curateuren voorloopig te handhaven, ^zonder prejuditie.'* 

Daar men omtrent deze zaak niet tot overeenstemming kon komen, werd 
besloten de bezwaren der Staten van Holland aan Prins MaurITS en aan graaf 
WllXEM VAN Nassau voor te leggen, ten einde van dezen eene beslissing te 
verkrijgen. Uit elke provincie werd een lid der vergadering aangewezen, ;,om te- 
ad viseerenende te beramen een middel van accommodement." *) 

Het onderhoud met Prins Maurits en Graaf WiLLEM had plaats onmid- 
dellijk na het besluit der Staten-Generaal om de tusschenkomst der vorstelijke 
personen in te roepen. Dezen schijnen er gemakkelijk in geslaagd te zijn de 
strijdende partijen tot elkaar te brengen, want reeds detf volgenden dag — i6 Juli — 
verzochten de Staten*Generaal haar medelid DE VOOGT het verdrag op te stellen, 
dat den vorigen dag gemaakt was tusschen de provinciën onderling in zake de 
administratie der geconfisqueerde goederen. ^) Het is mij niet gelukt dit verdrag 
te vinden, maar het valt niet moeielijk de bepalingen daarvan op' te maken uit 
de bekende feiten.' 

Vermoedelijk zal bepaald zijn dat de administratie der goederen v^n de 
veroordeelden, binnen de provincie Holland gelegen, bleef bij den ontvanger 
Hallingh, die zooals blijkt uit den hier volgenden inventaris van de goederen 
van HUGO DE Groot en uit enkele andere stukken in het Rijksarchief berustende, 
voor het vervolg alleen en zonder medewerking van zijn medecurateur optrad. 
De goederen, buiten de provincie Holland gelegen, werden vermoedelijk gesteld 
onder het beheer van Curateuren, benoemd door de Staten der provincie, waarin 
zich de goederen bevonden. 



1) ^«. Staien'Generaal 15 Juli 1619. 
ï) Res, Siaien-Generaal 16 Juli 1619 



DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 87 

9 » 

Hallingh, aldus in zijn betrekking gehandhaafd, zette nu ongestoord zijne 
werkzaamheden voort. Reeds den iZ^^^ Juli bood hij den Staten van Holland een 
staat aan van de onroerende goederen en de renten door hem en Mr. Laurens 
DE Sylla in beslag genomen en behoorende tot de geconfisqueerde goederen van 
wijlen Oldenbarnevelt, Hoogerbeets, de Groot en de Haan. ^ 

Den 23*^ Juli besloten de Staten-Generaal Hallingh te belasten met de 
administratie van y,de meuble goederen, actiën endecrediten'" van de veroordeelden 
in Holland gelegen en bevalen hem tevens den inventaris dier goederen in te 
leveren met de declaratie van de onkosten, door hem en de Svlla gemaakt. ') 

Aan dezen laatsten last werd door Hallingh spoedig voldaan. Den i6^^ 
Augustus 1619 bracht de Tresorier-Generaal de BiE in de vergadering der Staten- 
Generaal rapport uit over de declaratie der onkosten, gemaakt door de Sylla en HAL- 
LINGH. Er werd toen besloten aan de Curateuren de gemaakte onkosten te res- 
titueeren en hun als salaris toe te leggen de som van / 4. — per dag, gerekend 
van 15 Mei tot 16 Juli 1619, te voldoen uit de opbrengst der geconfisqueerde 
goederen.') 

Middelerwij 1 hadden de Staten*Generaal Hallingh gemachtigd ^) over te 
gaan tot den verkoop der goederen en deze machtiging werd eenige dagen later 
bevestigd door de Staten van Holland. '} De Staten-Generaal hadden tevens 
den Curateur gelast ^sufHsante cautie^' voor zijn beheer te stellen tot een som 
van tienduizend Carolus guldens, *) en tevens om de veertien dagen een overzicht in 
te leveren, waaruit de staat van zaken telkens zou blijken. De acte, waarbij deze 
cautie werd verleend, moest worden verleden ten overstaan van het Hof van 
Holland. Aan dit bevel heeft Hallingh spoedig voldaan; rebds den22«^Augus» 
tus ^) werd in de Staten-Generaal voorlezing gedaan van de acte van borgtocht 
dd. 17 Augustus, waarbij PlETER ÜALUNGH ') verklaarde zich borg te stellen 
voor zijn broeder Jan tot een bedrag van lO.OOO ponden. 

Intusschen had MARIA VAN Reygersberch niet stil gezeten, maar had 
herhaalde malen gepoogd ontslag te verkrijgen van de ge<^onfisqueerde goederen 
haar en haren man tpebehoorende. Zoodra zij vernomen had, dat aan Hallingh 
verlof gegeven was tot verkoop der goederen over te gaan, richtte zij een re<}uest 



1) 


Rtu Staitn^Gtntraal 18 Juli 1619. 


*) 








33 Juli 161 9. 


8) 








16 Aug. 1619. 


4) 








ia Attg, 1619. 


5) 








20 Aug. 16x9. 


6) 








15 Aug. 16x9. 


7) 








2a Aug. X6X9. 



s) PiBTBR Hallingh was Commies bij de Griffie der Suten van Holland. 



88 DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 

tot het Hof van Holland, waarbij zij verzocht dat het privilegie, door Hertog 
Albrecht van BfiVEREN aan de poorters van Delft geschonken^ volgens hetwelk 
geen poorter dier stad ooit meer mocht verbeuren dan 60 pond, ten opzichte van 
haar man gehandhaafd zou worden. ^) 

Bij apostille van 24 Augustus 161 9 werd dit request gesteld in handen 
van den Advocaat<-Fiscaal, ,,omme nae voorgaende communicatie mette heeren 
van de Reeckenynge, hierop te seggen t'gene hem goet duncken sal." 

Den 6den November d.a.v. verklaarde het Hof dat de siy>pliante zich, voor- 
zoover het de roerende goederen betrof, zou moeten wenden tot de Staten-Gene- 
raal. Wat de onroerende goederen aanging, daarover moest door haar geproce- 
deerd worden voor Commissarissen, door het Hof aangewezen, Mr. Henrick 
Rosa en Mr. Adriaen Teding van Berkhout. 

Tegen deze merkwaardige uitspraak, die niet pleit voor het doorzicht van 
het Hof van Holland, kwam Maria van Reygersberch onmiddellijk in verzet, 
na ongetwijfeld vooraf haar schoonvader, haar zwager Willem de Groot en 
haar broeder Nicqlaas van Reygersberch te hebben geraadpleegd* In een 
request, *) vernooedelijk den 7d«n November bij het Hof van Holland ingeleverd, 
zette zij de gronden uiteen waarom, volgens hare meening, de beslissing van het 
Hof onjuist en onbillijk was. 

Zij wees er op, dat uit het privilegie, aan Delft verleend, zeer duidelijk 
en klaar bleek dat geen poorter dier stad van zijne goederen „in geender ma- 
nieren'' meer mocht verbeuren dan JS 60.—, en dat derhalve het privilegie in 
het geheel moest worden toegepast, zonder ondersclieid te maken tusschen roe- 
rendte en onroerende goederen. Zeer ter snede merkte zij op, dat haar man 
niet kon worden gehouden voor een poorter van Delft ten opzichte van zijne 
onroerende goederen, en ten opzichte van zijne roerende goederen voor een 
poorter van een andere plaats. Voorts wees zij er op^ dat de uitspraak van het 
Hof haar noodzaakte voor twee verschillende Colleges hare rechten te verdedigen, 
wat groote kosten en moeite zou veroorzaken en in strijd was met het recht in 
Holland geldende. Haar man was geboren in Holland en stond dus onder de 
jurisdictie van het Hof van Holland, dat alleen gerechtigd was uitspraak te doen 
in zaken, de privilegiën der steden betreffende. Zij herinnerde er het Hof aan 
dat „naer gemeen rechte ende stijl van dese landen" een ieder vrij was in de 
keuze van een rechter, wanneer meerdere Colleges bevoegd waren van eene zaak 
kennis te nemen en dat zij reeds vroeger een beroep had gedaan op de uitspraak 



^) Zie Broeders gtvangeniiu^ bl. aai. 
S) id., bl. 33 z, aanteekening. 



DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 89 

van het Hof, dat dus niet bevoegd was de zaak te splitsen en haar te verwijzen 
naar een College, dat geen bevoegdheid tot rechtspraak bezat. 

Dat het voorts alleen de vraag was, of haar man zich op het privilegie 
van Delft kon beroepen en dat geen College meer kennis had van de privilegiën 
aan de ingezetenen verleend, dan juist het Hof van Holland. Op alle deze 
gronden verzocht zij dus aan het Hof haar het recht te verleenen, ingevolge de 
bepalingen van het privilegie de confiscatie der goederen van HuGO DE Groot 
af te koopen tegen betaling van een som van 6o ponden. 

Ingeval het Hof zich niet met hare argumenten kon vereenigen, verzocht 
zij haar de bevoegdheid te verleenen alle geconfisqueerde goederen, na taxatie en 
onder zekerheidsstelling, onder haar te mogen houden, totdat door het Hof na 
behoorlijke procedure uitspraak zou zijn gedaan over de vraag of het privilegie 
van Delft in deze op haar man toepasselijk was. 

Onmiddellijk na de overgave van haar request aan het Hof van Holland 
richtte MARIA zich tot de Staten-Generaal. In een request, den Q^en November in 
de vergadering dier Staten gelezen, ') deed zij mededeeling van de beslissing van 
het Hof van Holland en verzocht onder aanvoering van redenen, aan haren man 
toe te staan gebruik te maken van de bepaling van het privilegie, aan de stad 
Delft verleend. 

Vermoedelijk zal Maria weinig hoop gekoesterd hebben dat de Staten- 
Generaal in deze onrustige tijden, toen haar man en zijn partij door de meer- 
derheid in de verschillende provinciën zeer werd gehaat, op haar verzoek zouden 
ingaan. Een beslissing werd door de Staten dan ook niet genomen en hoewel tusschen 
9 November en 2 December^) vier requesten door Maria werden ingeleverd, 
waarin hetzelfde verzoek werd herhaald, vinden wij in de resolutiên steeds aan* 
geteekend, dat de Staten ^^al noch opgehouden hadden daerop te disponeren". 

De vroedschap van Rotterdam, die zooals bekend is, in 161 8 door Prins 
Maurits was verzet, kwam nu, hoewel dit geenszins bedoelende, Maria te hulp. 
De Vroedschap had goedgevonden het huis in de Prinsenstraat te Rotterdam, 
in der tijd aan DE GROOT als dienstwoning aangewezen en waarin zijne meu- 
belen zich thans nog bevonden, gedeeltelijk een andere bestemming te geven. *) 
De Kerkeraad der Hervormde gemeente had aan de Vroedschap mededeeling gedaan, 
dat de Prinsekerk, grenzende aan het huis door de Groot bewoond, te weinig 
ruimte bood om het aantal toehoorders te bevatten, en dus noodzakelijk vergroot 
moest worden. Dit huis bevatte een zaal, die gemakkelijk met de kerk ver- 



1) Hes, Staiem^Gmeraal 9 Nov. 16 19. 

3) Zie Broeders gevangenis se bl. 220—2^7. 

^ ResoluHtn der Vroedschap van Rotterdam 8 Nov. 1618. 

Oud'Holland 1902. 12 



•» 



90 DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 

eenigd zou kunnen worden, waardoor in het gebrek aan ruimte zou kunnen 
worden voorzien. De Vroedschap had den S^ten November 1618 reeds besloten 
deze zaal bij het kerkgebouw te trekken, maar men had aan dit besluit nog 
geen uitvoering gegeven. In den loop der maand November 1619 wenschte men 
nu de beschikking over DE Groot^s woning te verkrijgen, ten einde tot de 
vergrooting van de Prinsekerk over te kunnen gaan. Men gaf dus aan Maria V^ 
Reygersberch bevel de woning te ruimen en de daarin aanwezige roerende goe- 
deren naar een andere plaats over te brengen. Natuurlijk kon MARIA niet aan 
dat bevel voldoen, daar de boeken haars mans verzegeld waren en zij het beheer 
over hare overige meubelen verloren had. Zij richtte zich dus ten vierden male 
tot de Staten-Generaal en deed mededeeling van het feit, dat zij „seer wert ge- 
molesteert by de Regierders van Rotterdam/' die wenschten, dat zij het huis in 
de Prinsenstraat zou ontruimen en verzocht nogmaals op hare vorige requesten 
te beschikken. Dit hielp. Den 2*" December werden de requesten in de ver- 
gadering der Staten-Generaal nogmaals gelezen ^) en toen werd besloten den rent- 
meester Hallingh te bevelen om de meubelen en boeken, welke zich in het huis 
van DE Groot bevonden, te doen taxeeren, waarna alle roerende goederen door 
Maria ^onder suffisante cautie'' mochten worden vervoerd. Intusschen moesten 
er, cm welke reden blijkt niet, nog ruim drie maanden verloopen eer Hallingh 
gevolg gaf aan den last, hem door de Staten-Generaal gegeven om tot de ,,pri- 
salie" der goederen van DE GROOT over te gaan. Den 23*" Maart 1620 begon 
Hallingh met de taxatie der goederen, waaraan hij drie dagen besteedde. 

De boeken en papieren waren reeds te voren door eenige Gecommitteerde 
Raden onderzocht en gedeeltelijk in beslag genomen. •) Volgens resolutie van 
de Gecommitteerde Raden van 3 October 16 19 hadden de leden van dit Col- 
lege, de Heeren VAN DUIVENVOORDEN en DiERHOüT zich met den rent- 
meester Hallingh naar Rotterdam begeven, waar zij, ten overstaan van 
eenige leden der Vroedschap dier stad, de papieren van DE GROOT onderzochten 
en in beslag namen, zonder tegelijkertijd daarvan een behoorlijken inven- 
taris op te maken. Maria van Reygersberch had zich tegen deze handeling 
ernstig verzet, maar het had niet mogen baten; alle papieren van D£ GROOT 
werden mede naar den Haag genomen. De Groot zelf, die het grootste deel 
daarvan nooit heeft teruggezien, heeft zich over deze handeling later zeer 
beklaagd, *) Toen het Hof van Holland van deze willekeurige handeling kennis 



1) Xe*» Siaten-Gtneraal a Dec. 1619. 

2) Zie C. Brandt, Nistoru van het Uven des Hteren Huig de Grooiy uitgave van 1727, bl. 220. 

») Zie De Groots Verantwoordingh van de wettelijke Regieringk va» Holland ende Wett^ Vriesland 
HoUandscbe oitgave, zonder jaartal en naam van drukker. 



DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 91 

had gekregen, liet dit College bij monde van de raadsheeren RoSA en Teding 
VAN Berkhout in de vergadering der Gecommitteerde Raden vragen op wiens 
last de in beslagneming der papieren van DE Groot had plaats gehad. De 
Gecommitteerde Raden antwoordden droogweg, dat die inbeslagneming had plaats 
gehad op order van hun College en met voorkennis der Staten -Generaal. ^) 

Met dit antwoord moest het Hof zich tevreden stellen : de papieren waren 
en bleven in beslag genomen. 

Bij de inventarisatie der goederen, welke plaats had ten overstaan van den 
notaris J. A. VAN Waï(MENHUYSEN, werd Hallingh, voor zoover het de meubelen 
betrof, bijgestaan door Leonaert Janz. Kxnt, „gewoonlicke priseerder in 's Gra- 
venhage'' en Sara Gillisdochter, huisvrouw van Anthony Hendricx, ^oude 
cleercoopster ende uytdraechster tot Rotterdam." De schatting der boeken van 
DE Groot geschiedde door LoülS Elsevier, boekverkooper te *s Gravenhage, 
terwijl de Schepenen van Rotterdam, PiETER Hendriksz. Kellenaer en 
C. Jongeneel de Jonge als vertegenwoordigers van de Vroedschap dier Stad 
tegenwoordig waren. 

Uit den inventaris blijkt, dat de inrichting van DE Groot's woning zeer 
eenvoudig was. De noodige meubelen werden er gevonden, ter versiering der 
vertrekken strekten meerdere schilderijen, meest portretten, terwijl één kostbaar 
stuk zilverwerk, ,^een silvere Lampet ende Becken", getaxeerd op £ 300.-^ op 
een zekere luxe wees. Het komt mij evenwel voor dat de inventaris niet alle 
goederen bevat, die aan De Groqt toebehoord zullen hebben. Immers het lijf- 
en linnengoed van hem, zijne vrouw en kinderen wordt niet vermeld, zoodat men 
mag veronderstellen, dat een deel der goederen vóór de in beslagneming naar 
elders was overgebracht. 

De geheele inboedel vertegenwoordigde een geschatte waarde van £ 794, 
9 stuivers, een bedrag dat zelfs voor dien tijd niet groot was te noemen, in 
acht nemende den stand, waarin DE Groot verkeerde en de aanzienlijke 
betrekking door hem bekleed. " Zijn bibliotheek, voor die dagen niet onaan- 
zienlijk, werd getaxeerd op £ 340, 7 stuivers. De goederen en boeken, door 
DE Groot naar Loevestein vervoerd, eH daar bij hem en zijn gezin in gebruik^ 
zijn wel in den inventaris afzonderlijk vermeld, maar niet getaxeerd. Uit de 
opsomming dier goederen blijkt, dat zij geen groote waarde konden vertegen- 
woordigen en derhalve geen grooten invloed op het eindcijfer der taxatie konden 
uitoefenen. De Groot was trouwens geen vermogend man ; zijne ouders waren 



1) Zie Brandt, t a. p. bl. 220. 

12' 



92 DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 

in de dagen van zijn gevangenschap beiden nog in leven en ook het vermogen 
zijner vrouw schijnt niet van eenige beteekenis geweest te zijn. In zijne „Ver- 
antwoordinghe ^) zegt hij dan ook dat zijne goederen weinige waren, en dat dit 
weinige was gespaard uit zijne salarissen, uit het inkomen zijner vrouw en uit 
hetgeen „door groote naerstigheyt in 't oefenen van de practycque" was over- 
gewonnen. Maar het strekt hem tot troost, dat men door de onbeduidendheid 
van zijn vermogen tot het besluit moet komen, j^dat hy syne conditie uyt den 
dienst van 't Landt niet en heeft verbetert/' 

Terstond nadat de taxatie der goederen had plaats gehad, werd ten over- 
staan van de Schepenen Pieter Hendriksz. Kellenaer en C. Jongeneel de 
Jonge een acte gepasseerd, waarbij Nicolaas van Revgersberch, de bekende 
broeder van DE Groot's vrouw, zich borg stelde voor de betaling eener som van 
1134 Carolus guldens, 16 stuivers, vertegenwoordigende de waarde der getaxeerde 
goederen. 

Na de taxatie kon Maria van Reygersberch eindelijk gevolg geven aan 
het verlangen der Vroedschap van Rotterdam, haar herhaaldelijk kenbaar gemaakt, 
om de vrije beschikking te krijgen over DE Groot's woning. Maar zij deed dit 
niet zonder herhaald protest en toen zij eindelijk gedwongen werd deze te 
ontruimen, verklaarde zij bij acte, gepasseerd den io<i«n April 1620, ten overstaan 
van den notaris Jacob Duifhuisen, ') dat zij alleen tengevolge van dwang afstand 
had gedaan van hare woning, waarop zij, volgens het contract, door haar man 
bij de aanvaarding zijner bediening als Pensionaris met de Vroedschap van 
Rotterdam gesloten^ voortdurend recht meende te hebben. 

De vijanden van DE GROOT hadden intusschen niet stil gezeten. Zij 
vreesden maar al te zeer, dat het Hof van Holland, uitspraak doende in het 
geding betreffende den afkoop van de confiscatie der goederen, DE GROOT in 
het gelijk zou stellen, waardoor de straf der confiscatie waardeloos zou worden 
en alle gevangenen in het bezit hunner goederen zouden blijven tegen voldoening 
van een geringe som. Daartegen moest worden gewaakt. 

In de vergadering der Staten-Generaal werd derhalve het voorstel gedaan 
de gewezen rechters, die het vonnis over de veroordeelden hadden geslagen, op 
nieuw bijeen te roepen, ten einde hun de vraag voor te leggen of de veroor- 
deelden schuldig waren aan het crimen laesae raajestatis. Wanneer deze vraag in 
toestemmenden zin beantwoord werd, meende men, dat het privilegie door Hertog 
Albrecht van Beyeren aan verscheidene steden, en ook aan Delft, geschonken. 



1) Zie BSANDT t. a. p., bL 977. 
S) Zie aldaar, bl. aai. 



DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 93 

niet zou kunnen gelden en dus de confiscatie niet voor een bedrag van £ 60.— 
70U kunnen worden afgekocht. Dit voorstel werd in de Staten-Generaal aange- 
nomen en in het begin van Juni 1620, ruim een jaar na de uitspraak der von- 
nissen, werden de rechters op nieuw bijeengeroepen om de gestelde vraag in 
overweging te nemen, 't Spreekt van zelf, dat alle rechters, die vroeger over de 
gevangenen recht hadden gesproken, niet konden tegenwoordig zijn. Sommigen 
waren overleden, anderen door ziekte of om andere redenen verhinderd, zoodat 
de vergadering bij de behandeling der gestelde vraag niet voltalh'g kon zijn. Dit 
was evenwel voor de vijanden der onderliggende partij geen bezwaar: den 
afwezigen werd verzocht hunne meening schriftelijk mede te declen. 1) 

De uitspraak der gewezen rechters kon onder de bestaande omstandig- 
heden niet twijfelachtig zijn : den ö^en juni 1620 verklaarden zij, dat ten tijde van 
het arresteeren der sententiën, hunne meening was geweest, dat Oldenbarnevelt 
en de andere gevangenen en gecondemneerde personen gecommitteerd of begaan 
hadden crimen laesae majestatis, uitgezonderd Daniël Tresel. 

Deze verklaring verwekte bij DE Groot en zijne vrienden een groote 
verontwaardiging. In zijne j,Verantwoordingh" *) toont DE Groot, niet zonder 
bitterheid aan, hoe onrechtvaardig deze verklaring was, die gegeven werd namens 
alle rechters, terwijl vele^j niet tegenwoordig waren geweest en meerderen reeds 
waren overleden. Hij wijst er op, hoe gehandeld is tegen recht en gewoonte, 
toen men de afwezigen schriftelijk hun stem liet uitbrengen, daar allen, die in 
rechtszaken stemmen, op één plaats moeten tegenwoordig zijn „om malkanders 
redenen te verstaen." 

En de rechters ! Onder hen waren weinigen, die bekend waren met wet 
en rechtj velen waren „ongeleerd, die het woort sdf van crimen laesae majes- 
tatis, ick laet staen de kracht van 't woort, niet en verstonden," Ook de om- 
standigheid dat men niet, zooals het gebruik hier te lande wilde, de veroordeelden 
had gehoord voordat men tot het geven^ der verklaring besloot, werd door 

DE Groot gegispt. 

Nadat dit stuk was bekend gemaakt, deed de rentmeester van Noord- 
Holland aan de vrienden van DE GROOT aanzeggen, dat hij thans voornemens 
was al diens goederen te verkoopen. •) 

Maria van Reygersberch diende daarop bij het Hof van Holland op 
16 Juni op nieuw een request in, waarbij zij nogmaals verzocht uitstel te bevelen 
van den verkoop. Zij beriep zich weder op het privilegie aan de stad Delft 



1) Zie Brandt, t. a. p., bl, 223 ; Verantwoordinght bl. 162. 

S) t. a. p. bl. 277. 

8) Zie Broeders Gevangenisse t a. )'., bl. 248. 



? 



94 DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 

gegeven en toonde aan, dat de verkoop der goederen niet kon worden toegelaten, 
zoolang niet door het Hof was uitgemaakt of het privilegie in de zaak van DeGroot 
toepasselijk was. Het Hof gaf Maria last dit verzoek nogmaals te doen aan de 
Heeren Commissarissen door het Hof benoemd, opdat de partijen door dezen 
konden worden gehoord. Den S^ten jui; had naar aanleiding van dit bevel een 
comparitie plaats voor een der door het Hof aangewezen Commissarissen, H.ROSA. 
Aanwezig waren NiCOLAAS VAN Reygersberch met den advocaat DE JONGH, die 
de belangen van Maria voorstond en deFiscaal van het Hof van Holland. In deze 
bijeenkomst vielen harde woorden. Toen Reygersberch zich beriep op het privilegie 
van Delfty antwoordde hem de Fiscaal dat dit privilegie te niet was gedaan door 
een plakaat van Keizer Karel DEN Vijfde, in 1 549 uitgevaardigd, waarbij bepaald 
waS| dat de goederen van al degenen, die zich aan het crimen laesae majestatis had- 
den schuldig gemaakt, overal verbeurd verklaard mochten worden, zonder dat eenige 
privilegiën hiertegen konden helpen. Het lid van het Hof RoSA nam daarop, zonder 
den Advocaat-Fiscaal te laten uitspreken, het woord en zeide op boozen toon, dat 
het tegen zijn hart was in zulk een zaak te zitten; dat de Staten^^Generaal de 
rechters hadden doen vergaderen om de verklaring te geven, opdat daarna van 
de zaak niet meer zou gesproken worden. ^) En zich tot NiCOLAAS VAN 
Reygersberch wendende, zeide hij, dat men den advocaten behoorde te verbieden 
zulke zaken te behandelen. Reygersberch, terecht verontwaardigd over den 
toon door den raadsheer Rosa aangeslagen, antwoordde hem, dat hij hoopte dat 
men niet in zulk een. tijd leefde, waarin het iemand verboden kon worden zijn 
recht te verdedigen; dat men met kennis van zaken de rechtsvraag moest be- 
spreken, zooals het Hof had toegestaan en haar niet maar kon verwerpen. En 
ten slotte riep hij uit: Qui statuit aliquid, parte inaudita altera, aequum licet 
statuerit, haud aequus fuit. ^) 

Het spreekt van zelf, dat op een conferentie, waar de hartstochten zich 
zoo uitten, de rechtsvraag niet kalm kon overwogen worden. De partijen gingen 
dan ook uiteen, zonder een stap verder te zijn gekomen, REYGERSBERCH ver- 
moedelijk met de overtuiging dat het in deze bewogen tijden voor zijn zwager 
DE Groot moeielijk zou zijn recht te verkrijgen. 

Vier dagen later, den 12 Juli had er opnieuw een conferentie plaats tusschen 
dezelfde personen, waarbij de Advocaat-Fiscaal ongestoord zijne meening kon ont- 
vouwen. Hij herhaalde zijne vorige verklaring, dat het privilegie van Delft ge* 
deeltelijk vernietigd was door het plakaat van Keizer Karel DEN Vijfde. 



1) Zie Broeders gevangettisst, bl. X14/5. 

«) Woorden ran Senbca in het treurspel Medea^ vs. 199/aoo. 



DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 95 

Reygersberch daarentegen gaf als zijne meening te kennen, dat Keizer Kakel 
niet het recht had de privilegiën der steden krachteloos te maken zonder hare 
toestemming. 

De vraag of de Groot nog als poorter van Delft kon beschouwd worden, 
die bij vorige gesprekken was aangeroerd, bleef onbesproken en scheen door den 
Fiscaal van weinig gewicht geacht te worden. Benige dagen na deze conferentie 
waarbij Reygersberch zijne conclusiën schriftelijk had overgeleverd, ontmoette 
deze den commandant van Loevestein, luitenant Jacob Prouning, genaamd 
Deventer, wien hg verzocht aan' de Groot de copieen der ingeleverde requesten 
met *s Hofs apostille en de conclusifo over te geven, ten einde dezen in de 
gelegenheid te stellen zijne meening over de rechtsvraag uiteen te zetten. Prouning 
weigerde dat evenwel kortaf, zeggende dit niet te durven doen. Reygersberch, 
verontwaardigd over dit antwoord, toonde Prouning zijn minachting door hem 
toe te voegen, dat hij weigerde aan dit billijk verzoek te voldoen, omdat hij de 
Staten-Generaal te vriend wilde houden tot het verkrijgen van een andere betrek- 
king. Reygersberch heeft daarop de copieën naar Delft aaii de Groot's ouders 
gezonden, die gelegenheid hebben gevonden ze aan hun zoon te doen toekomen. ^) 

De ontvangst van die stukken gaf HuGO DE Groot aanleiding tot het 
opstellen van eene memorie, *) bestemd voor het Hof van Holland, waarin hij 
zijne rechten, voortspruitende uit het privilegie van Delft, verdedigde. In dat 
stuk toont hij aan, hoe dwaas de meening is zijner tegenstanders, als zouden 
de rechten, aan de poorters van Delft bij het bedoelde plakaat gegeven, 
te niet zijn gedaan door een later plakaat in 1 549 door Keizer Karel DEN ViJFDE 
gegeven. Bij dat latere plakaat werd verklaard, dat in geval van ,,heresie en 
crimes de la^sae Majesté, tant divine que humaine," confiscatie van goederen 
zou zijn toegelaten, ^non obstant Coustumes, Privileges et usances au contraire, 
par aucunes Villes, ou Pais." In zijne memorie wijst de Groot er op, dat dit 
latere plakaat te niet is gedaan ^idoor de Wapenen, aangenomen voor de vrijheid 
van conscientie en door de Pacificatie van Gent'\ Immers na de afzwering van 
den Koning van Spanje was het plakaat van 1549, waarbij ketterij o. a. gestraft 
werd met confiscatie van goederen, krachteloos geworden en het ging niet aan 
zich op het zelfde plakaat te beroepen, waar het gold het crimenlaesaemajestatis. 
Wat meer is, beweert DE Groot, het plakaat heeft van het begin al geen kracht 
gehad om de privilegiën te niet te doen, zonder toestemming en medewerking 
van diegenen, die het privilegie hadden verkregen. Want indien het den vorst. 



1) Zie Brotders gevanginifie^ bl. zi6. 

2) Zie CoHtultaHtHt Advysen en adverHsstmenten gegeven, en geschreven bij verscheiden trefelijhe Hechts* 
geleerden in Holland en elders, Rotterdam bij I$AAK Nabbanus 1689, deel V, bl. 8. 



96 DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGODE GROOT. 

die in het privilegie is Pars contrahens, vrijstond alleen interpretatiën en exceptién 
te maken, die niet in het oorspronkelijke privilegie worden gevonden» dsin zouden 
alle privilegiën krachteloos zijn. Bovendien, intrekking van een privilegie, dat was 
gesproten ex causa onerosa, ,^te weten oft om groote zomme van geld ott om mercke- 
lyke verdiensten", kon niet geschieden, daar Keizer Karel DE VijFDE zoowel als 
zijne onderzaten zich bij eede hadden verplicht, alle privilegiën van de landen en 
steden te handhaven en te doen handhaven. ««Want het gunt een prins met eede 
bevestigt, 't selve kan hy niet wettelijk revoceren". „In dese landen" — aldus 
beweert DE Groot — „kan niet vreemder nochte absurder worden geimagineert, 
als te sustineren, dat den prins, een privilegie by hem bezworen, zoude mogen 
revoceren of restringercn, of ook dat by hem alleen, of by zyne dienaars, d'inter- 
pretatie daarvan zoude hebben gestaan". Immers in de Nederlanden is het altijd 
gebruikelijk geweest wanneer de^ privilegiën eenige interpretatie behoefden, de 
Staten bijeen te roepen, die de belanghebbenden gehoord, hunne meening te 
kennen gaven. Om al deze redenen meende de Groot dat de bewering, als zoude 
het privilegie van Delft niet op hem toepasselijk zijn, als onjuist kon worden 
voorbijgegaan. 

Intusschen had de vader van DE Groot een onderhoud gehad met den 
Pensionaris van Delft, Camerling, ') met het doel van hem te vernemen of de 
regeering van Delft bereid zou zijn zich in het geding van zijn zoon te voegen 
en als hare meening uit te spreken, dat het aan Delft geschonken privilegie ook 
van kracht bleef waar het crimen laesae majestatis gold. De Pensionaris antwoordde, 
dat hij meende, dat de regeering van Delft daartoe niet geneigd zou zijn, tenzij 
een advies van onpartijdige rechtsgeleerden werd overgelegd, waarbij werd ver- 
klaard dat DE Groot steeds poorter van Delft was gebleven. ') 

Den 3istea October 1620 werd door den broeder van HuGO DE GROOT, 
Willem, met de advocaten A. VAN DER GoES, •) Q. van Strijen, J. van der 
Does, D. de Jonge en N. van Reygersberch de vraag besproken of HuGO 
DE Groot nog als burger van Delft kon worden beschouwd. De rechtsgeleerden 
vonden dit zeer twijfelachtig, maar ook zij raadden aan een advies te vragen 
van bekende onpartijdige advocaten en dit aan de regeering van Delft te ver- 
toonen. Wat het proces aanging, gaven zij den raad slechts langzaam voort te 
procedeeren, daar men met het oog op den toenmaligen staat van zaken geen 
vonnis ten voordeele van DE Groot durfde verwachten. Eenige weken later, 
II December 1620, had Willem de Groot een onderhoud met den advocaat 



1) Mr. JOHAN Cambkling, ridder, in 1620 Ambassadeur in Engeland. 

^) BrottUrs gcuangenisst^ bl. xi6. 

») Adriaan van der Goks teekende zich ook A. Vergoes en A. Goes. 



DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 97 

Balthasar van Leeuwen, met wien hij de vraag van het poorterschap besprak. 
Deze toonde zich niet ongeneigd een advies in den verlangden geest te geven, 
maar wenschte dat Willem de Groot vooraf nog met eenige andere advocaten 
de vraag besprak. Deze gaf aan dat verlangen gehoor en wendde zich tot de 
advocaten Raaphorst en VAN Berendrecht, die op 4 Januari 162 1 met van 
Leeuwen en de Jonge een advies gaven, waaruit bleek, dat naar hunne mee- 
ning HuGO de Groot het poorterschap van Delft met al de daaraan verbonden 
rechten door zijne benoeming tot Pensionaris te Rotterdam niet had verloren. ') 
Gewapend met dat advies, richtte Willem de Groot op 15 Februari 1621 een 
request tot de Vroedschap van Delft, met het verzoek, dat die stad zich in het 
geding zou voegen, ten einde op te komen voor het privilegie, op welks be- 
palingen zijn broeder zich beriep. Willem gaf dit request persoonlijk over 
aan den Burgemeester D. CORSTIAENSZ. VAN Groenewegen, maar had geen 
succes, want de Burgemeester gaf hem tot bescheid, ,,dat de Heeren daer als- 
noch nyet op konden resolveren." Den 21 Februari d.a,v. herhaalde WiLLEM 
DE Groot bij een nieuw request zijn verzoek en voegde er bij, dat men met de 
voortzetting van het proces niet langer kon wachten. Ook ditmaal werd aan 
zijn wensch geen gehoor gegeven : hij ontving hetzelfde antwoord als een week 
te voren, *) 

Het spreekt vanzelf, dat de resolute Maria van Reygersberch door al 
deze tegenwerking en besluiteloosheid ongeduldig werd. In hare brieven aan 
haren broeder Nicolaas spoorde zij hem herhaaldelijk aan den voortgang van 
het proces zooveel mogelijk te bevorderen. •) 

Ook de Staten van Holland» begeerig om de opbrengst der in beslag genomen 
goederen van de gevangenen te ontvangen, dreven tot spoed aan, Den gdc" Maart 1621 
ontboden zij den Advocaat-Fiscaal van het Hof van Holland en vroegen hem, 
waarom de confiscatiën nog niet ten einde waren gebracht Deze gaf vele redenen 
op waarom de zaak geen voortgang kon hebben en hem werd ten slotte gelast 
,,met alle neerstigheydt" voor de afdoening te zorgen *). Men ging intusschen 
ijverig voort met de in beslagneming van enkele goederen, die aan het scherpziend 
oog van den ontvanger HallinGH waren ontsnapt, Den 25 ^^^^^ Maart 162 1 werden 
te Rotterdam ten huize van VAN HoGENDORP eenige goederen van Maria van 
Reygersberch, die aldaar werden bewaard, in beslag genomen '}. De ijver om 
zich van de goederen der gevangenen meester te maken was groot genoeg, maar 



1) Zie Bruders gevangenissen bl. 141 en 143. 

S) t a. p. bl. X48. 

8) Zie Brieven van Maria van Reygersberch, Middelburg 1857, bl. 8. 

4) Res. Staten van Holland 9 Maart 1621. 

fi) Zie Broeders gevangenissen bl. 155. 

Oud- Holland^ 1902. 13 



98 DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 

hield geen gelijken tred met de begeerte oen recht te doen ten behoeve van hen, 
die om recht vroegen. De zaak werd slepende gehouden, op welke wijze endoor 
wiens invloed blijkt niet Het is niet onmogelijk, dat Prins Frederik Hendrik 
in het geheim, in het belang der gevangenen, de afdoening der processen tegen- 
werkte. Het is bekend, dat hij zeer welwillend gezind was tegenover DE GROOT 
en Maria van Reygersberch geeft in hare brieven herhaaldelijk te kennen, 
dat zij zich over den uitslag van haar proces niet ongerust zou maken, indien de 
Prins zijn machtigen invloed slechts wilde doen gelden^ Maar de Prins kon in 
die dagen, toen DE Groot pas uit Loevestein was ontsnapt, niet openlijk voor 
diens belangen opkomen. De stemming der bovendrijvende partij bleef heftig 
tegenover de Groot en zijne vrienden, en de Prins was vooralsnog machteloos. 

De bronnen, waaruit ik tot dusverre mijne mededeelingen heb geput, zwijgen nu 
verder over de zaak. Alleen vind ik nog vermeld, dat de Ontvanger-Generaal Johan 
Doublet den 2S^^^ Augustus 1623 bij de Staten*Generaal een request heeft inge- 
diend, ') waarin hij, er op wijzende dat hij indertijd 72.000 ponden had moeten 
leenen voor de onkosten van de processen tegen de verschillende gevangenen, er 
op aandringt; in staat gesteld te worden dit bedrag, dat inmiddels met rente tot 
90.000 ponden was gestegen, uit de opbrengst der geconfisqueerde goederen terug 
te betalen. 

De Staten -Generaal, die niet konden handelen buiten medewerking der Staten 
van Holland en van Utrecht, in welke provinciën het grootste gedeelte der in 
beslag genomen goederen was gelegen, besloten aan deze te schrijven en 
hun te verzoeken met elkaar in overleg te treden, ten einde tot afdoening 
der confiscatién te komen. Die aansporing schijnt evenwel niet geholpen te 
hebben, want den 10 October 1623 werd op nieuw een request van den Ontvanger- 
Generaal gelezen, ^) waarbij hij zijn vorig verzoek herhaalde. Ook nu weder werd 
besloten aan de Staten der betrokken provinciën te schrijven en te verzoeken een 
staat, vermeldende de taxatie der geconfisqueerde goederen, in te zenden. Den 
igden JanuarL.1624 ') wcrd dit vcrzoek weder herhaald, maar of er ooit aan is voldaan, 
is mij niet gebleken: de resolutien der Staten-Generaal zwijgen verder over dit 
onderwerp. 

In het begin van Juni 1624 begaf Maria VAN ReygERSBERCH zich van 
Parijs naar Holland om de zaken van haar echtgenoot te behartigen. Nadat zij 
vele invloedrijke en gezaghebbende personen in Amsterdam en elders had be- 
zochti ten einde met dezen de belangen van haar man te bespreken, richtte zij 



1) J?«. StaUn'Generaal 35 Aug. 1633. 
8) j^ „ , xo OcU 1623. 

8) , , » »9 Jan. 1624. 



DE CONFISCATIE DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 99 

een request tot het Hof van Holland, waarbij zij verzocht de helft der geconfis- 
queerde goederen/ als haar toebehoorende, met de renten daarvan, te mogen 
ontvangen. *) 

Bij apostille van i8 September 1625 ^) besloot het Hof aan haar verzoek 
te voldoen en het deel der goederen^ waarop zij rechten kon laten gelden, 
werd haar alzoo uitgeleverd. De overige goederen bleven hangende het ge- 
ding onder beslag en het liet zich niet aanzien, dat het Hof spoedig uitspraak 
zou doen. 

Gedurende een aantal jaren bleef de zaak hangende. In hare brieven aan 
NiCOLAAS VAN Reygersberch spoort Maria haren broeder voortdurend aan er 
voor te zorgen dat de zaak ten einde wordt gebracht, maar alles was te vergeefs : 
het Hof deed geen uitspraak en DE GROOT bleef van zijne goederen verstoken. 

In de bibliotheek der Remonstrantsche Gemeente te Rotterdam ') vond ik 
tu&schen allerlei belangrijke brieven en bescheiden betreffende HuGO DE GROOT 
een in het Fransch gestelde memorie van de hand van NiCOLAAS VAN Reygers- 
BERCH| waarin hij de redenen uiteenzet, waarom volgens zijne meening DE GROOT 
gerechtigd was de confiscatie zijner goederen voor £ 60. — af te koopen. Deze 
memorie, die niet gedateerd is, kan niet voor het Hof van Holland bestemd 
zijn geweest, daar alle stukken, die bij dat Hof werden overgelegd, in de Hol- 
landsche taal behoorden gesteld te zijn. Het is evenwel niet onmogelijk, dat 
Reygersberch afschrift heeft genomen van een door de Groot zelfin het Fransch 
gestelde memorie, die hij te Parijs aan dezen of genen onder de oogen heeft 
willen brengen. De gronden, door van Reygersberch in het belang van de Groot 
aangevoerd, zijn ongeveer dezelfde als die, welke DE Groot zelf in de hierboven 
medegedeelde nota heeft ontwikkeld, en behoeven hier dus niet nader te worden 
uiteengezet. 

Eindelijk, den ly^^^ Mei 1630 *) deed het Hof van Holland uitspraak, 
nadat inmiddels de regeering van Delft, opkomende voor de belangen van 
de poorters dier stad, zich in het geding had gevoegd, verklarende dat naar 
hare meening de confiscatie der goederen van DE Groot voor £ 60, — kon 
worden afgekocht, ook dan, wanneer de veroordeelde aan het crimen laesae 
majestatis schuldig was bevonden. ^) 



1) Zie Bbandt, t« a. p. bl. 320. 

t) Zie li Memoriaalbotk van kêt Hof vam holland P. 244. 

5) Zie Cala/ogMS van HandschrifUn op de Bibliotheek der Remonstrantseh Gereformeerde Gemeente ie 
Rotterdam do. 3x9. 

^) Zie de civile Sententien van het Hof van Holland dd. 17 Mei 1638. 

6) De vroedschap van Delft van 1630 was «en andere dan de vroegere. De oude regenten waren 
weer op bet kussen gekomen : vandaar de veranderde stemming. 

13* 



m 



Z DER GOEDEREN VAN HUGO DE GROOT. 



M %9-*Si S^8 '^uïifi^^Jdie de Regeering van Delft tot deze tupsdienkomst 
|S:|{|ljSllLl9ri|8ljqr^tljlekend. De Resolutien der Delftsche Vmf-Hitrhan crpven 
""" "^iJl4M*ÏS^3Si5M-''d^"' i" het Archief dier Gemeente 






!Ëtt 



H MB -inu^iwt komt mij niet ouwaarschijnlijk voc 



«• 



S^jftjH éw^Sï^Ö" machtigen invloed heeft doer> 
^J|JJ.^54t»WkÖlx*| M afdoening vnn het reeds zoob.rg hr.' 
t* M^'***^!» *Vi het Hof van Holland, dat hierna ' 
li&'H'r|I^Mf^l'M^''^ï*C" verklaard gerechtigd te zijn 
imen goederen tot zich te nemen. 
iii-n den Hovc daertoe movere 
iljjfcj§! Öêbracht. Het vo;inïs v.r.s gev..'zer. 
?K.ogn'^rijhoeve, President, Johan van Wi. 
:^i^ü§:DER Meeb, Willem van Muylw 
L^ het Hof van Holland. ') 
igcs eeti zaak, die jarenlang de gemoe 
Ki^^^-fecdaan ui Maiua va:^ RE\GERSEi:i 
hf^ÜT^'^ begin vr.n het janr 1631 werden vc 
'~''jg;CgE'a§rvan de goederen aan haren man toel 
ning van alle goederen aan Dl 
i4l'''il^*. heb ik niet gevonden. Zooals 
'^sii^.^^ci^- J^^i^iSt^lL'!^- het Hof van Holland blijkt, moe 
^^^.^^tS-'.IwTk^r.^c^c^ende goederen, ir.aar waar die eig 

^: J^pcÏÉcSt'ïpstende ïn de Koninklijke Bibliothe 

-^^'^-a-^a'^^.cgs'S'HALLlNGH in beslag genomen renti 

t£tt^^. '^r'gl^O DE Groot, ten comptoire van 

»"erschcneii den x Mei 1G19." Van l 

"•JS^ldnan w"r''cn, b:'iLiraf""de £ 365.— 





•-.*» 






ii 



B IJ L A G E N, 



INVENTARIS ENDE PRISATIE VAN DE MEUBELE GOEDEREN 
ENDE BOECKEN VAN Mr. HUGO DE GROOT. 

Volgens de ordre ende apostille van de Hoochmogende Heeren Staten 
Generael, in date den tweeden December anno sestienhondert negentien, gestelt 
opte requeste van Maria Reygersberch, huysvrouwe van Mr. HuGO DE GROOT, 
heeft JOHAN Halungh, Rentmeester van de exploicten van den Hove van Hollandt, 
ende van de geconfisqueerde goederen, sich op den XXIII*" Marty anno ses- 
tienhondert twintich gevonden binnen de Stadt Rotterdam, ende aldaer doen 
priseren de meubele goederen van den voornoemden DE Groot, tot des selffs 
Huyse berustende, volgens den Inventaris 'te vooren daervan gemaeckt, mitsgaders 
oock de Boucken ende andere meubelen int Comptoir, *t welck toegesegelt was, 
by Inventaris gestelt, ende doen priseren, alles sulcx als volcht, gestelt in pon- 
den van XL grooten, stuyvers ende penningen. 

Eerst int voarhuys. 

Vijff caerten, vier gelijst ende een met rollen 6 £ 

Een cleyn tafereeltge — 12 st. 

Een wageschotte parsse 4 £ 

Twee taefTellaeckens met ses servietten 6 « 

Twee spaense stoelen 2 y, 

Twee groene stoelen — 14 st. 

Twee gesteken sitcussens 4 ^ 10 st. 

Een wageschotte kasge met twee deuren opgaende . . , . 10 ,, 

Een hantdoeck i ^ 

Acht slechte droochdoecken 2 ,, 8 st. 

Twee paer slaeplaeckens van twee breette 10 y» 

In de voorcamer^ naest het voorhuys. 

Thien schilderijen, conterfeytsels van personen 18 „ 

Vijff tafereeltgens op papier met rolletgens 2 „ 



102 BIJLAGEN. 

Twee cleyne globen i £ 

Een wageschotte uyttreckende tafel, met een groen tafel- 

cleet daerop 5 ,^ 

Twee copere brandysers . , 9 ^ 

Een papieren tafereelken — <„ 8 st. 

Een wageschotte slaepbanck met noch een ander banck . . T ^ 

Twee spaense stoelen, met een vrouwen stoel ...... 2 ,^ 10 st. 

Een halve elle met silver beslagen — 15 st. 

Ses boecken i ^ 10 st. 

Een wageschotte kist, de dienstmaecht toecomende, is niet 

gepriseert. 

Een kints krebbe, met zijn toebehoiren i ,<i 10 st. 

Een silvere lampet, ende becken 300 ,<, 

Een silvere beecker, met een commetge 12 ,, 

Op de tweede Camer daer de Suster slaept. 

Een schilderie van een bancket 4 „ 

Noch een schilderye 4 j. 

Een groote schilderye van de cruycinge Christi, de Heeren van 

de Stadt toecomende ende bij deselve nae haer genomen, 

niet gepriseert. 

Een cleyn landtschapge 2 „ 

Een groote wageschotte uyttreckende tafel 7 ^ 

Dertien spaense stoelen, zoo groot als cleyn 26 „ 

Een marmerstenen coelvat met copere voeten 48 n 

Een bedde, peuluwe ende oircussens met zijn toebehoiren, 

behangen met saeijen gordijnen 46 ,^ 

Twee brandijsers, ende een tangh, met copere knoppen . • 3 „ 

Een wageschotte banck. ••*..* i ,, 15 st 

Een cofTer van lackwerck, met een coleurt cleet, de suster 

toecomende, is bij dezelve mede genomen ende sulcx 

hier niet gepriseert. 

Een Advocaets tabbert met fluele opslaegen 48,^ 

Noch eenige vrouwen cleeren, die sustineerde de Vrouwe geen 

prisatie subject te zijn, ende sulcx op haer begeerte 't 

selve gelaten. 
Een cleyn viercant wageschotte kasgen, met een weynich 

confituren daer in 8 ,, 



BIJLAGEN. 103 

Op de eerste .bavencamer. 

Een gcborduyrt tafereel, met deuren opslaende p.6 £ 

Een geglaest casge met deuren, endeeenichpoppengoetdaerin 8 ^ 

Een viercant wageschotte kas ge, met twee deuren opgaende 6 „ 

Vijff mans hemden lo „ 

Een groote wageschotte bedstede behoort in de huysinge, 

ende comt de Stadt toe ende sulcx niet gepriseert. 

Acht spaense stoelen, cleyn en groot, met drie andere stoelen lo „ 
Een groot coffer met ijsere banden, ende daerinne ses 

oircussens, cleyn en groot I4„ 

Een wageschotte uyttreckende tafel I2^ 

Een wageschotte banck. 5 „ 

Op het bovencantertgen daer naest. 
Een banck ende stoel ., 6 



« 



Op de solder. 

Eenighe rommelinghe 4 „ 

In de keucken. 

Een slechte eycken tafel ...... ^ — 

Vijff groene stoelen i „ 

Een gesteken sitcussen 2 ^ 

Twee copere ketels S „ 

Een blieken coelvat i „ 

Twee blieken braedtpannen i „ 

Twee coperen kandelaers i ^ 

Drie coperen handtblaeckers 

Twee tangen 

Een ijsere beugel ende vouthengel i ^ 

Een kannebert met seven blauwe aerden kannen .... i „ 

Een braedtspit — 

Een beddepan i . • in 

In de bottelrie. 

Thien tinnen schotelen, groot en cleyn 6 „ 

Acht tinnen teljoren 4 ^ 



IS 


st. 


lO 


st. 


4 


st. 


lO 


st. 


4 


st. 


lO 


st. 


lO 


st. 


i6 


st. 


lO 


st. 


lO 


st. 



104 BIJLAGEN. 

Twee tinnen teljoren met gaten i £ 

Twee tinnen waterpotten 2 ^ 8 st. 

Een tinnen gedecte pot i ^ 

Een silveren beeckertge 6 ^ 

Twee porsteleyne schotelkens — lO st. 

Meubelen int Comptoir gevonden. 

Een ledicant 30 ri 

Een uyttreckende tafel iS,, 

i^ Somma 794 £ 9 st. 

Aldus gedaen ende gepriseert bij Leonaert Jansz. Kint, gewoonlicke 
priseerder in 's Gravenhage, ende Sara GilliSdr., huysvrouwe van Anthony 
Hendricxz., oude cleercoopster ende uytdraechster tot Rotterdam, verclarende 
dezelve personen de voorschreven prisatie te hebben gedaen ter goeder trouwen 
ende nae de «rechte waerde van de goederen hier voren gestelt, presenterende 
t* selve ^ allen tijden naerder te afiirmeren, hebbende ten oirconde desen onder- 
teyckent ende hiervan genoten haer behoirlick salaris, den 24 Martij anno zestien- 
hondert twintich, ende is onderteyckent: Lenaert Janssen Kint, t' merck van 

Sara "T Gillis Dr. 

Volght den Inventaris van de boecken int Comptoir van den voornoemden 
DE Groot gevonden^ gemaect bij den voorschreven Rentmeester Hallingh, ende 
doen priseren bij Louijs Elsevier, Boeckvercooper in 's Gravenhage ende dat 
in presentie van PiETER Hevndricx Kellenaer ende C. Jongeneel de Jonge, 
Schepenen der Stadt Rotterdam, ende gesloten den 25^ Martij, anno 1620.^) 

2^. Somma 340 £ 7 s\ 

S\ totalis 1134 £ 16 st 

Aldus gedaen, geinventarieert, ende gepriseert bij ende ter 

presentie als boven, verclarende de voorn. Elsevier de 
voorschreven prisatie ter goeder trouwen ende nae de rechte 
waerde van de boecken te hebben gedaen, ende heeft ten 
oirconde desen, neffens d* voorschreven Schepenen onder- 
teijckent, hebbende hiervan genoten haer behoorlick salaris, 
ende is onderteyckent Lowis Elzevier, Pieter Heynderix 
Kellenaer, C. Jongeneel de Jonge. 

1) De vermelding der titels van de boeken acht ik overbodig, daar dese in den inventaris seer onnauw- 
kearig zijn weergegeven en het mij onmogelijk is gebleken de juiste titels van alle boekwerken op te sporen. 
De inventaris vermeldt 305 verschillende werken. 



BIJLAGEN. 10& 

Ten voorschreven dage voor Schepenen voornoemt comparerende, Nicolaes 
Revgersberch, broeder van de voorsz. Maria Reygersberch, heeft hem selven 
voor den Inhouden van den voorschreven Inventaris, bedragende te samen 
elffhondert vierendertich car. guldens, sestien stuijvers, tot 40 grooten den 
gulden, geconstitueert borge als principael, in conformite ende tot voldoeninge 
van de apostille int hooft van desen geroert, daertoe renuntierende de beneficien 
excussionis et ordinis, den effecte van dien wel verstaende, verbindende hier 
vooren zijn persoon ende goederen, roerende ende onroerende, geene uytgesondert, 
tot bedwanck van allen Heeren, Hoven, rechten ende rechteren. 

Ten oirconde desen neffens d* voorschreven Schepenen onderteijckent, ten 
dage ende jare als boven, ende is onderteyckent, Pieter Heynderix Kellenaer, 
N. Reigersberch, C. Jongeneel de Jonge. 

t*. Gunt hier nae volcht zijn de meubelen ende boecken, die de huys- 
vrouwe van den voorschreven DE Groot, volgens d'apostille ende ordre van de 
Hoochmogende Heeren Staten Generael al in date den achtsten Junij sestien- 
hondert negentien, op hare Requeste gestelt, sijn laten volgen, om tot haer ende 
haere mans dienste opt Huijs te Louvesteyn te mogen gebruycken, dewelcke 
oversulcx hier niet gepriseert hebben connen werden. 

Meubelen. 

Drie bedden, met haer peuluwen, vier oorcussens ende t' vorder 

toebehooren. 

Vieréntwintich servietten, 

Vier taeflellaeckens, 

Ses hantdoecken. 

Vier paer slaeplaeckens, ende noch twee paer cleyne slaeplaeckensi 

Een silvere beecker, 

Een tafel, 

Twaelff sloopen. 

Drie gesteken ofte geweven sitcussens, 

Drie coperen kandelaers, 

Thien tinnen schotelen, 

Twaalf tinnen teljoren. 

Een silvere soutvat. 

Een tinnen lampet, met een schotel, 

Een tinnen waterpot, 

Twee silvere lepels. 

Twee ammelaeckens voor de boden, 
Oud^Hoilandj 1902. 14 



106 BIJLAGEN. 

Twee tinnen commetgens. 

Drie roosters, ende noch een weynich keuckengoet 

Boeckén. 

1'Arethmeticque de SiJMON Stevin, 

Een boeck van Abistoteles, 

Opera CiCERONiS, in twee stucken, 

DOMINICO SOTO, de Justitia et Jure, 

Placcaet ende Ordonnantie opt stuck van den opheve van de gemeene 

middelen» 
Keure ende Ordonnantie van t'Heemraetschap van Rijnlant, 
Maniere van procederen van Merula, 
Pracktijcke ende maniere van procederen van WiELANT, 
Commentaria Petri Peckij, 

Tractatus de Testamentis conjugum, authore Petro Peckio, 
Griecksche poëten, een groot boeck, 
Matthaei Wesenbecij In pandectas juris civilis. 
Platonis, in drie stucken, 
Thucydides, 
Calepinus, 
Corpus Juris, 

Fratris Alfonsi a Castro Zamorensis, 
Privilegiën ende willekeuren van Amsterdam, 
Lexicon Graeco-Latinum. 
Hantvesten ende privilegiën van Amsterdam, 
Demosthenes, in 5 stucken. 
Nomen clator, 

Costuijmen van Vrieslandt, 
Poemata Grotij, 
Institutiones juris Anglicani, 
JUSTINÜS Martir, 
Institutiones Impériales, 
De feudi juris, CORNELio Neostadio, 
Mynsingerus Institutiones, 
Keuren van de Weescamer van Rhijnlandt. 
Zeerechten. 

NiEUSTADT de pactis antenuptialibus, 
Twee boeken met de handt geschreven, in folio. 



BIJLAGEN. 107 

Alle t' gene voorsz. is mede gedaen in presentie van mij onder- 
geschr. Notaris, ende is desen mette originele minute, bij 
mijn eygen handt geschreven, ende onderteyckent als 
boven, accorderende bevonden, Bij mij 

J. A. V. Warmenhuysen, Not Publ. 



VONNIS GEGEVEN DOOR HET HOF VAN HOLLAND, 

DEN I7dcn Mei 1630. 

Joufr« Maria van Reygersbergen reqt« contra 
den Procureur Generael gereq<*«. 

In der saecke hangende voor den Hove van Hollant, tusschen JoufF^ Maria 
VAN Reygersbergen, huys vrouwe van Mr. Huygo de Groot voor haer selven 
ende vuijtten name van hare kinderen bij denselven haren man geprocreert, 
requirante, mitsgaders Burgemeesters ende regierders der Stede Delft met haer 
gevoucht ter eenre, Ende den procureur Generael van den voorsz. Hove vuijt 
den naem ende van wegen de Hooge Overigheyt ende Graeifelicheyt van Hollant, 
gerequireerde ter andere zijden. 

In welcke saecke de voorn. Jouff» Maria VAN REYGERSBERGEN voor haer 
selven ende vuijtten name van hare voorsz. kinderen den voorsz. Hove requeste 
hadde gepresenteert, ende daer bij te kennen gegeven, dat hoewel bij privilegie 
van Hertoch Aelbert van Beyeren een poorter van Delft in geender manieren 
meer sijns goets en mochte verbeuren dan 'tsestich ponden, het nochtans den 
fisco van Hollant hadde belieft aen te slaen ende te annoteren sulcke goederen, 
meubelen ende boucken als den voorsz. Mr. HuYGO DE Groot, poorter der 
Stede Delft, ende haer requirante sijne huysvrouwe waren toebehoorende met 
interdictie van geen verloopen aen haer requirante te betalen ende communi- 
catie van eerstdachs tot vercoopinge derselver goederen te willen procederen, 
Alle het welcke alsoo het streckende was in prejuditie van her privilegie haer 
requirantes man competerende, ende tot groote be^waringe van haer requirante 
ende hare voorsz kinderen, soo was sij genootsaeckt haer te addresseren aen 
desen Hove ende te versoecken provisie van Justitie daerbij den fiscael van* 
Hollant ende allen anderen die haer parthije souden willen maecken geordon- 
neert wierde haer requirante ende hare voorn, kinderen te laten volgen ende 
behouden alle de geannoteerde goederen, mits aen den fisco betalende de somme 
van tsestich ponden te 40 grooten t stuck, ende in cas van oppositie, dat haer 
requirante bij provisie vrij volgen soude de administratie ende ontfanck van 



108 BIJLAGEN. 

het incommen van de voorsz. aengeslagen ende geannoteerde goederen, mits- 
gaders den eijgendom van de meubelen ende boucken, mits dat deselve 
wierden getaxeert ende geprijseert, bij luijden hen des verstaende, alles onder 
cautie ende verseeckeringe dat aen den fisco boven de voorsz. tsestich 
ponden soo veel van de voorsz. de Grootens geannoteerde goederen soude 
werden gepresteertj als hem soude mogen competeren, indien naermaels 
bevonden wierde sulcx te behooren, ende dat den opposanten bevolen soude 
werden den Hove te rescriberen de redenen haerder oppositie, de voorsz. 
provisie te accorderen off contradiceren ende voorts te procederen als naer rech- 
ten. Op welcke voorsz. req^ ende te kunnen geven bij den Hove geordonneert 
was, dat de voorn, parthijen compareren souden voor twee Commissarissen van 
den voorsz. Hove, ende dat sij req^ aldaer soude mogen doen ende nemen al- 
sulcken eysch ende conclusie ter saecke voorsz. als sij te rade vinden soude, 
dat den gerequireerde daer jegens soude antwoorden ende voorts procederen 
als naer rechten, welcken volgende de voorn, parthijen voor de voorsz. Com- 
missarissen gecompareert sijnde, was deselve comparitie aldaer voor seeckeren 
tijt gecontinueert, waer naer de voorn, requirante den voorsz. Hove andermael 
bij req® hadde te kennen gegeven, hoe dat sij requirante omme té voorcomen 
de proceduyren die den voorn, gerequireerde tegens de goederen van haer 
voorsz. man soude mogen intenteren, den Hove eenigen tijt geleden hadde 
verthoont het privilegie bij Hertog Aelbrecht vai4 Beyeren alle poorters 
van Delft, consequentelijcken oock haer requirantes man, ingebooren poorter der 
selver Stede gegunt, waerover 'tvoorz. Hoil belieft hadde de voorn, parthijen te or- 
donneeren te compareren voor seeckere Commissarissen ten fijne als vooren 
ende hoewel sij requirante vuijt crachte vant selve appoinctement wel behoorde 
te blijven ongemolles teert van eenige vordere extrajuditiele proceduyren ter tijt 
toe kennisse van het voorsz. privilegie soude sijn genomen, soo hadde het noch- 
tans den Rentmr van NoorthoUant belieft de naeste vrunden van haer requirante 
die overmits hare detentie selfTs niet en conde vigileren, 't insinueren dat hij van 
meijninge was alle de goederen van den voorsz. haer requirants man datelijcken 
aen te slaen enUe tot proffijte van de GraefTelijche)^ van Hollant te beneficieren. 
Alle het welcke alsoo het streckte omme haer requirante illusoir te maeckenhet 
voorsz. privilegie ende appoinctement van desen Hove, daer bij aireede was 
verstaen dat sij requirante dies aengaende soude hebben te compareren voor de 
voorsz. Heeren Commissarissen, dat men aldaer te vergeeffs het voorn, privilegie 
soude disputeren, naer dat de goederen souden sijn gedistrabeert ende vervremt, 
dat oock de interpretatie onlancx gedaen daer bij haer requirantes voorn, man 
wierde verstaen crimen laesae majestatis gecommitteert te hebben (onder reve* 



BIJLAGEN. 109 

rentie) de natuyre van het privil^ie ofte de disputen, die daerop souden mogen 
vallen, niet veranderde, nademael het privilegie dat generalijck ende in geender 
manieren sprack (notando sunt verba) oock illo casu haer reqtes man verstaen 
moste werden te patrocineren, sulcx als de Stede Delft, Haerlem ende andere 
Steden die gelycke privilegiën waren gegunt ten tijde het recht van de confiscatie 
opt scherpste ende rigoureuste wïerde geextendeert, voor hare burgers altijts 
hadden gesustineert ende daervan gebleven waren in possessie, dat immers 
ingevalle den voorsz. gcreqde tegen s den text van een claer privilegie contrarie 
wilde sustineren, daervan kennisse moeste werden genomen, dat hangende het 
selve examen haer requirantes voorn, man moeste blijven ongeledeert ende 
ongeprejudicieert, hetwelcke indien den Voorsz. Rentmr met sijne proceduyren 
wilde voortgaen omme redenen vooren verhaelt ende meer andere niet en conde 
geschieden, soo versocht sij requirante dat 't Hoif soude gelieven haer tegens 
den voorn. Rentmr van NoortHolIant ende alle anderen die hen van wegen 
den gereqde de saecke souden mogen bemoetjen te verkenen surchantie . van alle 
vordere proceduyren, ter tijt toe de voorn. Commissarissen kennisse van het privilegie 
van haer requirantes man souden hebben genomen, welck versouck bij den Hove 
gesien sijnde, was bij t' selve Hoif geordonneert dat het voorsz. versouck soude 
werden gedaen voor de Commissarissen voor dewelcke parthijen gecompareert waren 
geweest, omme parthijen daer jegens gehoort voorts gedisponeert te werden als naer 
behooren welcken volgende de voorn, parthijen wederomme gecompareerd sijnde 
voor de voorn. Commissarissen, hadde de requirante bij de middelen hier vooren 
verhaelt ende onder benefitie van de geofTereerde t' sestich ponden te 40 grooten 
t' stuck geconcludeert dat sij verclaert soude werden de confiscatie van de voorn, 
hare mans ende hare kinderen vaders goederen voor soo veel van noode soude 
mogen sijn te hebben voldaen ende geredimeert, ende den voorn, gerequireerde 
gecondemneert aff te doen d'annotatie ende saisissement van hare ende de voorn 
hare mans goederen, ende haer alle deselve vryelijck te laten volgen, ende 
behouden, ende dat in cas van proces sij requirante bij provisie soude werden 
geadmitteert tot de hantlichtinge ende vrije administratie van de voorsz. goederen 
ende tot den ontfanck van t' incomen van dien, onder soufïisante cautie van te 
restitueeren t' geene sij vuijt saecke van de selve soude hebben ontfangen, indien 
naermaels bevonden mochte werden sulcx te behooren, verclarende wel tevreden 
te sijn, dat interdictie gedaen soude werden van middelertijt des voorn, hare 
mans goederen .niet te alieneren, nochte de capitalen van sijne rente te ont- 
fangen, ende dat vooral ende mede bij provisie den voorn, gerequireerde ende 
allen anderen diet aengaen mochte gelijcke interdictie ofT inhibitie van alienatie 
van de goederen, mitsgaders ontfanck van de capitalen van de voorsz. renten 



\ 



110 BIJLAGEN. 

gedaen soude werden, maeckende in cas van proces eysch van costen ; ofte 
tot andere fijnen ende conclusie haer requirante oirbaerlicxt sijnde, waer jegens 
den voorn, gereq** dede seggen, dat den voorsz. Mr. HüGO DE Groot des 
requirantes man bij sententie diflïnitive van de Heeren gedelegueerde Rtehters 
gecondemneert was in een eeuwige gevanckenisse, ende verclaert alle sijne 
goederen geconfisqueert ter saecke hij gecommitteert off begaen hadde crimen 
lese majestatis, ende dat vuijt crachte van de voorsz. sententie van wegen de Hoge 
Overigheit ende Graeffelicheijt van Hollant, gesaiseert waren de onroerende goederen 
des voorsz. Requirants man toegecomen hebbende, ende in HoUant gelegen tegens 
welcke saisissement ende hetgeene daerop vorder gevolcht was ofte noch soude 
mogen volgen de requirante haer tevergeefts poochde te opposeren, naerdemael 
het selffde gedaen wierde vuijt crachte van de voorsz. diffinitive sententie, met 
kennisse van saecken gegeven, ende bij dewelcke als vooren geseijt is, de voorsz. 
goederen Verclaert waren gecontisqueert, sonder dat daer tegens dede het gealle- 
geerde privilegie bij Hartoch Aelbrecht VAN BeyeREN aen de Stede van Delft 
gegeven, naerdemael soo naer de beschreven rechten, als de placcaten ende 
coustumen van dese Landen sulcke ende diergelijcke privilegiën verstaen 
wierden geen plaetse te hebben in persoonen ex crimine lese majestatis gecon- 
demneert sijnde; bovendien soo sprack het voorsz. privilegie van poorters 
ofte poortressen binnen der voorsz. Stede van Delft ende vant geene bij 
deselve binnen der voorsz. Stede soude mogen verbeurt werden, hetwelcke oock 
daerinne tot voordeel van den voorn. Mr, HuGO DE Groot niet en conde geap- 
pliceert werden, doordien hij lange jaren voor date van de voorsz. sententie 
selver oock noch privatus sijnde niet binnen Delft, maer elders gewoont hadde en 
oock in particulieren dienst van een andere Stadt was geweest ende aldaer jaren 
ende dagen sijn domicilie gehouden hadde, mits welcke ende andere redenen 
naerder te deduceren, waert noot, hij gerequireerde refuserende de oblatie ende 
presentatie bij de voorn, requirante gedaen, concludeerende dat de requirante bij 
sententie diffinitive van desen Hove verclaert soude werden tot haren eysch ende 
conclusie in desen gedaen ende genomen te wesen niet ontfanckelijck ende bij 
ordine dat haer deselve ontseyt soude werden, ende dat voor de requirante geen 
provisie en behoorde te vallen, maeckende eysch van costen ofte tot andere 
fijnen ende conclusie als bevonden soude werden te behooren. De voorn, 
requirante daertegens replicerende dede seggen, ofischoon bij missive ter ordon* 
nantie van de Heeren gedelegeerde rechteren den oden Juny 1620 aen de Ho. 
ende Mo. Heeren Staten Generael van de Geünieerde provinciën geschreven 
verclaert wierde dat ten tijde van t' arresteren van de sententie onder andere 
jegens haer requirants voorn, man gewesen, der voorsz. Heeren gedelegeerde Rech- 



BIJLAGEN. UI 

teren meyninge ende verstandt geweest soude sijn, dat deselve haer requirantes 
man gecommitteert ende begaen soude hebben gehadt crimen lese majestatis, 
waerop, indien sij requirante off haer man hadde mogen gehoort sijn geweest, 
souden met advijs van raden ende vrunden daerop hebben geallegeert t' gundt 
sij souden hebben verstacn, soo na de gemeene rechten als na de wetten, cou- 
stumen ende privilegiën van dese landen gefundeert te sijn, dat echter vuijt crachte 
vant voorsz. privilegie de confiscatie van de voorn, hare mans goederen met de 
somme van 't sestich guldens mochte werden geredimeert, alsoo t' contrarie 
t' geallegeerde van den gerequireerde t* selve privilegie den huiveren der Stede 
Delft, ende van gelijcke privilegiën aen andere Steden vergunt oock notoirlijcken 
plaetse hadden in goederen van gecondemneerden ex crimine lese majestatis, dat 
mede sij requirante haer met t' voorsz. privilegie niet en hadde behouven, nochte 
mogen behelpen voor ende aleer tot laste van den voorn, haren man confiscatie 
van goederen was gedecerneert geweest, s.eyde voorts sij requirante dat den text 
van 't voorsz. privilegie wel ingesien sijnde oock plaetse hadde in burgers ofT poorters 
gecondemneert vuijt saecke van 't geene gecommitteert soude mogen sijn buyten de 
vesten ofte resort der voorsz. stede Delft, dat mede haer requirantes man, door 't 
houden van sijne residentie buyten der voorsz. sijn geboortestede t' ware ter oor- 
saecke van sijne stuydien ofte ampten daerinne hij geemployeert was geweest, niet 
geseyt konde werden t' beneficie van het voorsz. privilegie verlooren te hebben, 
alsoo hij nochte te Rotterdam, noch elders daer hij hadde gewoont, poorter en was ge- 
worden, maer hadde alleen binnen Rotterdam bij contracte verkregen alle privi- 
legiën ende gerechticheden gelijck ofT hij ingebooren poorter ware, mits wekken 
de voorn, requirante persisteert voor replycque bij haren voorsz. eijschende 
conclusie, ende naer dat van wegen den voorn, gerequireerde affslaende de mid- 
delen van de voorsz. replycque bij denegatie ende impertinentie, gepersisteert 
was voor duplycque, hebben de voorsz. parthijen in conformite van den verbale 
voor de voorsz. Commissarissen gehouden, onder dese;lve Commissarissen gelevert 
ende recht versocht, waernaer hadden de voorn, gevouchdens den Hove te kennen 
gegeven, dat sij onderricht wierden dat voor denselven Hove proces was han* 
gende ongedecideert tusschen de voorn, req^* ende gereq'* ende alsoo int selve 
proces disput was opt verstant van seeckere privilegie die van Delft gegunt 
aengaende de confiscatie van goederen van haerluyder poorters ende poorterssen, 
vonden daeromme sij gevouchdens (tot voorstant van deselve hare poorters ende 
poortressen) geraden hen in den voorsz. processe te vougen mette voorsz. req**, 
versoecken mitsdien dat sijluyden souden mogen doen de voorsz. vouginge, ende 
dienaengaende nemen soodanigen conclusie als sijluyden te rade souden vinden, 
waerop den voorn, gereq** verclaerde dat hij consenteerde in de versochte 



«1 



■f 



(^^f 



yii|| BIJLAGEN. 

11?'^^^^ ••'«f'Sfïsnde dat de principale saecke daermede nieten soude werden 
Éft>M":.,**.|g^^'J| ^(eicl^c vci-claeringc de \-.:.on;, gevcuchder.s bij d'tn hove ver- 



(laSILIff'.^ittjIlj^^ hen te diener ende strecken als nner behooren 

itt iii'S^S''H W*'*' ^ehoort t' rapport van de Commissaris ïn desen geordonneert 
j|fl^f gggiilf fl(g(*®iatie van rade deurgesien ende overgewogen hebbende alle f geene 
Wii^ JSïSlidtt^.i.^ie is, doende recht in den name ende van wegen de Hooge 
— ^M JS. ..".- S9 g-^ij^i,gj., .^.^„ Holkiit, Zecla.it ..iiJe VrLslar.t, mits bij de 
levc van de voorrz. Grr.effeücheyt vr.n HoHant betalende de 

-_.-.. -, _„ „ ,^„) jrrooten tpont bij baer geofferecrt ende breder in den pro- 

II M H^'^jN\2l?j|j* verclaert deselve req" daermede de confiscatie van haer 
**'^^J^?^'-^1s'hare kinderen vaders goederen voldaen ende geredimeert te 
lQgl^ao<^a||iHgit dicavolgciide den voorn, gcieq*'' aff tedü--.id'ai;i:otatieende 
Ts^SgrïSr^: "S-er rcq" c;ido hr.cr vocrsz. m.ir-.s goederen cndshrer alle deselve 
'"" ' :l^:b§r^volgen ende behouden, ende compenseert de costen van den 
■<^i^ -^enen den Hove daertoe moverende. Gedaen in den Hage 
•Mglï^-JS-UROMHOUDT, Heere van Vrijhouve President, JOHAJ* VAN 
'tgji Deuel, Abraham van dek Meer, Willem van Muijlwijck 
f'.^pT^- iglOMMON, Raetslu}'den van Hollant cr.de gcpronanchieert den 




•S» '^ -^. 



:1» 



r> 



»» .■g,. ,«. •^fm BS _ — -" 

.-T!k.^iSt. ^«»sk -f^ '^sr 



,10^^'ltN CAMPEN, 



-iv;|.lj WEISSMAN. 



i 

'Vfc 



- •i6».^*.-J6*'S' -S- •&■ -&- «^ -S" 'S' 'S" 

ZÖJ'g'ó^ '^COE VAN Campen' niet aan roem ontbroken; 
zijner tijdgenr-otcn als zijnlevcntbeschrijver 
I. Pas HOUBRAKEN ^f in zijn „Groote 
lü^ïh der Nederlantsche Kunstschilders en Kunst- 
het een en ander omtrent vak Campen, 
r^jACOC Campo Wi:veRM-u«" weid overgenomen, 
l^ek^Kcji^ nvp^t 2£akf^r!'£#=hti wq^^S 

^•'*- >.S<i.g|'.## >'£ .f > 



rU**-*'. ! 











M X. M Jm- : 



-«ST- '^w ■^.- m.^m ■««» ««• .^•">«iSt. 
^# ^ «» ^ ^ ^ ^ «P 



114 JACOB VAN CAMPEN. • 

relaas gaf aan de gasten: ^^Rembrands groote naam stak van Kampen in de 
oogen, (vertelde hij) en daarom heeft hij die Harderin geschildert, die zo stemmig 
is toegetakelt met een strooije Hoed op 't hoofd, waar op een Roos, het zmne- 
beeld van schaamte, is vastgehegt, gekleed in een stijf keurslijf, bloedrood 
gecouleurt en een gele bovenrok, beidde forsse couleuren. Zoodra had die beroemde 
Bouwheer en Kunstschilder die schoone Veldnimf niet gemaakt, of hij noode alle 
de beste kunstkenners en verzogt aan die Heeren, van hun oordeel te geven 
over dat Tafreel, die het eenpariglijk prezen en tot den Hemel toe verhieven, 
zeggende nooit schooner stuk van zijn hand gezien te- hebben. Daarop verzogt 
hij hun, van de oogen voor het grootste gedeelte toe te nijpen, en dan het 
geheel te beschouwen; hetgeen zij deeden; en daarop vroeg hij: En wat speelt 
nu den Meester, of is het krachtigste in dit stuk ? Waar op zij zo dra niet hadden 
gerepUceert, het Aangezicht en de Handen : of hij sprak, daarin bestaat de kunst^ 
Heeren, maar niet in alles te overtaanen of zwart te maken, om een Tronie ot 
Hals te doen afsteeken, gelijk als de beroemde Rembrand doet. Ik heb de twee 
couleuren uitgekipt, die alle andere couleureii overkraaijen, en des niettegenstaande 
triomfeert het Hoofd van mijne Harderin en haare Handen; ook is er bloed in 
de wangen en handen: daar de Beelden van R. van Rijn er meestendeels uitzien 
als bloedelooze schimmen. 

^Wij willen wd bekennen, dat hij ten deele gelijk had, en ten deele ongelijk; 
want het was waar, dat men het bloed zag spelen door de wangen van zijn 
bevallige Harderin, en dat alles aanvalliglijk was behandelt ; maar het conterfijtzel 
van Rembrand van Rijn was zoo krachtig en verstandig van lichten en scha- 
duwen, en de houding had hij zoo zonderling in acht genomen,, dat men fluks 
in het intreden van de koffijzaal het stuk van Rembrand zag en naderhand de 
schilderij van den kunstschilder J. VAN Kampen moest gaan opzoeken. ^ 

yDaar wordt verhaald, dat hij in zijn tocht, die hij deed naar ItaliGn, 
voornemens was zich in die luchtstreek te oeffenen, na de schilderkunst der 
alderberuchtste kunstschilders. Dan, zeggen de Chronykschrijvers, hij ontmoette 
bij den weg een Waarzegster, die hem om een aalmoes vroeg, en zich aanbood, 
om hem goeder geluk en zijn toekomend fortuin te voorzegden. Jacob van 
Kampen gaf haar eenig geld en liet haar zijn hand kijken; waarop zij hem 
aanstonds zei : Dat hij een Schilder was, die na Italien trok, om aldaar zijne 
kunst voort te zetten. Doch, vervolgde zij, gij gaat als Schilder daarna toe, 
maar zult voor Bouwmeester wederkeeren, en in uw Vaderland worden gebruikt 
tot heerlijke Werken. Ook voorzeg ik U, dat het oud Raadhuis van Amsterdam 
zal afbranden ; maar gij zult *uit deszelfs assche een heerlijker gebouw doen 
opreizen, waardoor uw naam tot aan het gestarnte zal steigeren en eeuwiglijk, 



• JACOB VAN CAMPEN. 115 

gelijk een Ceder van Libanon, groenen bij de naneeven. De jonge kunstenaar 
lachte met die Voorzegging: die echter in alle deelen op tijd en wijlen is vervult 
geworden, wijl hij te Romen belande, en zich aldaar inwikkelde in de gunst van 
een Kardinaal, die hem aanleiding gaf, om de Bouwkunde te leeren, waarin hij 
zo een Overvlieger wierd, dat die zelve Prins van de H. Kerk hem naderhand 
gebruikte in het opregten van onderscheidene kerkelijke gebouwen. Hij was de 
voornaamste Bouwheer die gebruikt is geworden in het stichten van het Stadhuis 
van Amsterdam, geschat, en bij de gantsche Waereld goedgekeurd voor het 
achtste Waerddswonder. Ook heeft hij dat overheerlijk gebouw gesticht in 
'S Gravenhage, zo ongelukkig afgebrand, uit wiens assche wel een jonge Fenix, 
doch min schoon als de oude, is herboren. Daarbij heeft hij dat kunstig gebouw 
geordonneerd, de Amsterdamsche Schouwburg, dat voor geen Schouwburg in 
Bouwkunst, (wij spreeken van geen groote) behoeft te wijken. Noch is die beroemde 
Jacob van Kampen de Bouwmeester van het Huis van den Heer van Zuiuchem, 
te Voorburg, nabij *s Gravenhage, als van's gelijken van den Heer Dedel te Lis ; 
en van een groot aantal weetgalooze gebouwen. Hij is overleden op zijne Heer- 
lijkheid van Ramsbroek en te Amersfoort begraven. Zijn grafstede pronkt met 
het volgende Vaersje: 

d^ Aertsbottbeer uit den stam 
Van Kampen, rust hier onder : 
Die 'tRaedhuis t' Amsterdam 
Gesticbt beeft, 't acbtste wonder'*. 

Dit is de uitvoerigste mededeeling, omtrent den bouwmeester, die te vinden 
is. Dat de anecdote geen waarde heeft spreekt vanzelf! Maar de berichten, die 
WijERMAN aan Houbraken ontleende, zijn in hoofdzaak juist, zooals nader zal 
aangetoond worden. 

Eerst volge, wat de twee Haarlemsche stedebeschrijvers, VAN Campens 
tijdgenooten. Ampzing en Schrevelius, van hem zeggen, waar zij de beroemde 
mannen vermelden, die Haarlem heeft opgeleverd. 

Ds. Samuel Ampzing zegt, in 1628 : 

^Van Kampen en beboefd voor niemand ook te wijken, 
Ja, gaet de kroon van ^tboofd van alle schilders strijken: 
Beslet sijn beelden maer in 'tBoscb voor aijnen Hof 
£n geeft bem zijne eer, en spreekt van sgnen lof.*' 

Dr. Schrevelius, rector der Latijnsche School te Haarlem zegt, in 1647 : 
^AUe deze noch overtreft Jacob van Kampen, soo noble Schilder als 

geswinde Mathematicus, en Architect van den Prince van Orangiên sijn Hoogheydt ; 

self een man van groote middelen, dewelke uyt de konst gheen winst ghesocht 

heeft maer de naem/' 

15» 



116 JACOB VAN CAMPEN. 

Deze schrijvers beschouwen dus ook vak Campen als te Haarlem geboren. 
In ^Oud-HoUand" is aangetoond, dat het geslacht VAN Campen reeds in de 
i6e eeuw te Amsterdam ge/estigd was. 

In zijn nQuellenstudién zur HoUdndischen Kunstgeschichte'^ blz. 442 en 
443, kwam Dr. C. Hofstede de Groot, daarin zich aansluitende bij wat C. Kkamm 
in 1864 had geschreven, tot de slotsom, dat er twee van Campens geweest 
moesten zijn. De eerste zou te Amsterdam, de tweede te Haarlem het levenslicht 
hebben aanschouwd. 

Voor deze onderstelling pleitten verschillende bijzonderheden. Houbraken 
had in zijn ^Schouburgh" geschreven : ^Nu hebben wij te spreken van den 
vermaarden Schilder en Bouwmeester Jakob van Kampen, Heer van Rambroek. 
Deze was een Haarlemmer van geboorte, dog het jaar van zijn levensbegin is mij 
onbekend, alleen heb ik uit een kieupelvaers, genoemt Haarlems Dood-Basuin, 
uitgeblasen op de Tombe van den Heer jACOfi VAN Kampen enz. zijn sterftijd 

« 

ontdekt, voorgevallen op 't jaat 1658 den 4 van Lentemaand.'' De beroemde 
bouwmeester is echter, blijkens wat op zijn grafzerk te Amersfoort staat, den 
13 September 1657 gestorven. 

Daarenboven had AifPZiNG in 1628 reeds een Jacqb van Campen genoemd 
als een der bouwmeesters van het in 1608 voltooid Haarlemsch Oudemannenhuis ; 
dit moest een ander zijn dan de beroemde, die pas in het laatst der 16^ eeuw 
het levenslicht kon hebben aanschouwd. 

De zaak werd nog ingewikkelder, omdat VONDEL, in zijn y«Nachtegael van 
Amersfoort", den lof dier stad zingende, zei : 

„De Held van Randenbroek, de bouwheer van de Vorsten, 
£n 't raedhuis t' Amsterdam, verheerlijkt haeren lof: 
Want zij hem baerde en zooghde aen haer getrouwe borsten. 
Om bou- en teekenkonst te heffen uit het stof', 

dus Jacob van Campen als te Amersfoort geboren beschouwde. De 1 8e eeu wsche 
Amersfoortsche stadsbeschrijver van Bemmel volgde den dichter daarin na, en 
Mr. Jacob van Lennep aarzelde niet, in zijn uitgaaf van VONDEL zich aan 
hunne zijde te scharen. 

Een onderzoek, door den heer P. J. Frederiks op het Amersfoortsch 
archief ingesteld, had als uitkomst, dat den 22 Januari 1609 Gerrit van Campen 
een zoon, Jacob genaamd, liet doopen. 

Maar dit kon de bouwmeester niet zijn. Want reeds Alberdingk Thijm 
had er op gewezen, dat de wapens, die men op het Amersfoortsche grafteeken 
ziet; die waren van een man uit het Leidsche geslacht Heereman en zijn echt- 



JACOB VAN KAMPEN. 117 

genoot uit het geslacht van Campen. En in het Amsterdamsche Weesboek 
stond vermeld, dat 30 April 1625 Jacob van Campen, Jan van Campen, Jan 
Heereman, als man van Geertruyd van Campen, kinderen van Pi eter van 
Campen, het huis ^de Witte Swaen" op den Nieuwendijk te Amsterdam verkocht 
hadden. Jacobs vader heette dus niet Gerrit, maar Pieter. 

In het Weesboek komt echter* ook de volgende acte voor: 

y)Den IX february 161 7 Is ter weescamere schiftinghe ende scheydinghe 
van d'onroerende goederen gedaen, naergelaten sijnde bij Griete Pieters, wedu van 
*JaC0B van Campen ende dat onder deszelfs kinderen ende kindskinderen, agter- 
volgende de acte van scheydinge alhier ter weescamer uyt register van de diversche 
memorien ende extra ordinaris saecken gestelt, Daerbij blijct dat de vijff kinderen 
van Pieter van Campen, als Jacob, out 21 jaeren, Geertruyd, out 19 jaren, 
Jan Berendt, out 17 jaeren, Maghtelt, out 15 jaeren ende Margriete, out 
13 jaeren, daer moeder aff is Gerritgen Claes BERENDSdochter, opghecome 
ende aenbestorve is voor haer gedeelte van de voirsz. onroerende goederen 
alsmede voir haere portie van de verdere meublen ende penninghen voor haer 
grootmoeders erff hetgene volgt/' 

Uit deze acte blijkt, dat de vader van Jacob vAN Campen een zoon was 
van een anderen jACOB VAN Campen, die met Griete Pieters gehuwd was. 

Deze Griete Pieters was êen zuster van Roemer Pieters Visscher. 
Haar man werd in 1559 voogd over zijn minderjarigen zwager. Hij huurde in 
1560 het huis der Visschers, aan de noordzijde van de Oudebrugsteeg, op den 
hoek van het Damrak gelegen, voor 7 jaar, tegen 150 Caroli gulden 's jaars. 

Hun oudste zoon Cornelis werd in 1564 geboren, daarop volgde Pieter 
in 1568, zooals uit het doopboek der Oude kerk blijkt. 

De heer Unger heeft in „Oud-HoUand" indertijd een uittreksel uit de 
Amsterdamsche huwelijksproclamatien medegedeeld, dat op Pieter van Campen 
betrekking heeft. De bron, die hij opgeeft, is niet juist. Het register is niet 
het kerkelijke, maar het Extraordinaris-puiboek, waarin de huwelijken staan opge- 
teekend, als een der partijen niet te Amsterdam woonde, of niet tot de Gerefor- 
meerde kerk behoorde. Men leest daar, op 4 November 1594, dat voor 
Commissarissen compareerden : „PlETER VAN Campen Jacobsz., oudt 26 jaeren, 
wonende op de Nieuwendijck, geassisteert met WiLLEM VAN Campen, zijn oom 
en Cornelis van Campen, zijn broeder, wiens moeder aen den Hr. Herman 
Gijsbert haer consent verclaert heeft, versoeckende sijne drie sondachsche uyt- 
ro'epinghe van de puye met Gerritge CLAESdr., van Haerlem ende aldaer 
woonachtich/' 

De vijf laatste woorden heeft de heer Unger weggelaten. Toch zijn zij 



118 , JACOB VAN CAMPEN. 

zeer belangrijk, omdat zij een aanwijzing vormen voor de richting waarin het 
onderzoek naar Pieters verder leven behoorde te geschieden. 

Toen PlETER Jacobsz van Campen in 1594 trouwde, was zijn vader reeds 
overleden. Zijn oom, Willem van Campen, was de vader van Nicolaes, den 
j^bouwheer*' van den Amsterdamschen Schouwburg, 

Pieter komt na 1594 in de Amsterdamsche archieven niet meer voor. 
Daarom was een onderzoek te Haarlem waar zijn vrouw „woonachtig*' was, als 
van zelf aangewezen. 

Allereerst diende de Jacob van Campen, door Ampzing genoemd, of^e- 
spoord. Het bleek, dat hij PlETER Jacobsz van CampeN was, en dus dezelfde, 
die in 1594 te Amsterdam in ondertrouw was opgenomen. Hij behoorde tot de 
vijf eerste regenten van het Oude Mannenhuis; van zijn hand bewaart het Haarlemsch 
archief een register van ontvangsten en uitgaven, loopende van 1607 tot 1613. 
In dat register boekte hij den 18 Juli 1607 een bedrag, dat hij aan zijn broeder 
CoRNELlS te Amsterdam zond, om hout voor den bouw te betalen. 

En nu vermeldt het Haarlemsche doopboek, dat 16 Juli 1595 gedoopt 
werd Jacob, zoon van Pieter Jacobsz en Grietgen. Degeen, die het inschreef, 
heeft eerst Oer. als naam der moeder geschreven, doch dit doorgehaald. 

Pieter Jacobsz van Campen stierf in 161 5, en werd den 11 Octobervan 

dat jaar begraven in de Groote Kerk te Haarlem. Volgens den Heer P. J. Frederiks 

werd Gerritje Glaes Berendsdochter 19 Januari 1605 beleend met het adellijke 

huis Randenbrock bQ Amersfoort, welk leengoed, toen zij in 1626 overleed^ den 

28 Juni van dat jaar overging op haar zoon Jacob. De acte van 30 April 1625» 

op het Amsterdamseh archief aanwezig doet echter zien, dat Gerritje en haar 

dochter Maghtelt toen reeds niet meer in leven waren. In 1623 toen Maria 
Tesselschade Roemers trouwde, was de familie van Campen op haar bruiloft 

^ geweest. Ook HUYGENS had mede feestgevierd, en was op Maghtelt verliefd 

geraakt. Hg was misschien door Jacob in dezen kring binnengeleid. 

Deze bijzonderheden doen zien, dat de kunstenaar zoowel te Amsterdam, 

te Haarlem, als te 'sGravenhage relaties had met de beste kringen. 

Wij komen nu tot het bespreken van de reis, die Jacob VAN Campen naar 

Italië gemaakt zou hebben. Wat Weyerman daarvan zei, is reeds vroeger 

medegedeeld. Houbraken laat het verhaal voorafgaan door het volgende: ^Ik 

heb onder zijne beroemde Bouwerken aan 't Amsterdamsche Raathuis gedagt, 

waardoor zeker vreemt verhaal, mij door geloofwaardige menschen overhandigt, 

mij in den zin schiet, 't gene ik niet kan naalaten den Lezer meé te deelen ; 

schoon zulke, die van aart zijn als de ongeloovige Tomas was, 't zelve niet zullen 

willen voor zuivere waarheid aannemen." En als hij dan de geschiedenis van 



JACOB VAN CAMPEN. 119 

de heidin en den kardinaal opgedischt heeft, besluit hij aldus : ^Zie daar. Lezer, 
heb je het verhaal, zoo zuiver als het mij overhandigt is. Waarom zou ik er 
iets toe of af doen ? Ik zoek er niet op te schacheren of winst mede te doen ; maar 
geef het voor denzelven prijs en in dezelve waarde als ik het heb ontfangen." 

^ HOUBRAKEN werpt dus alle verantwoordelijkheid voor de geschiedenis van 
zich af. En wij meenen dan ook zoowel heidin als kardinaal naar het rijk der 
fabelen te moeten verwijzen. 

Maar de reis naar Italié heeft VAN Campen toch wel gedaan. Omtrent 
den tijd, dat hij naar Italië ging, ontbreken echter alle aanwijzigingen. Ampzing 
die zijn beschrijving van Haarlem in 1617 voor het eerst uitgaf, noemt den 
schilder niet. Volgens VAN DER Willigen werd Jacob van Campen in 16 14 
als lid van het Haarlemsch St. Lucasgild aangenomen. De jeugdige gildebroeder 
kan twee jaar later nog niet beroemd geweest zijn. Misschien valt zijn reis naar 
Italië wel in dien tijd, en had het vaderlijk erfdeel, dat de zoon in 161 5, na 
PIETERS overlijden ontving, hem er de middelen voor verschaft. 

Toen Ampzing zijn yiLof van Haarlem" in 162 1 andermaal uitgaf ver- 
meldde hij VAN Campen onder de vermaarde schilders, die in de Spaarnestad 
woonden, zonder echter in bijzonderheden te treden. Het is dus waarschijnlijk, 
dat Jacob zijn Italiaanschen studietijd toen achter den rug had. In 1626 werd 
begonnen met den bouw van het huis voor Balthasar Coymans te Amsterdam 
waarvoor VAN Campen blijkens de v^Architectura Moderna" het ontwerp maakte; 
dit ontwerp is geheel Italiaansch gedacht. 

Wat Ampzing in 1628 omtrent van Campen zegt, en wij hierboven reeds 
overnamen, dat „hij de kroon van 't hooft van alle schilders stryken'' mag, bewijst 
wel, dat zijn faam toen reeds groot was. Wat Ampzing bedoelt met de „beelden 
int Bo^ch van synen hof' is niet duidelijk. Onder „beelden" moet hier zeker 
„schilderijen" verstaan worden. De uitnoodiging, die AmpziNG aan den lezer 
richt, om die schilderijen te gaan bezien, maakt het waarschijnlijk, dat zij 
zich te Haarlem bevonden. Misschien dienden zij wel tot versiering van een 
tuinhuis. 

En in 1631 noemt Salomon de Bray in de „Architectura Moderna" 
onzen kunstenaar „den verwonderlijcken en dapperen Schilder en Bouw-meester 
d'Heere Jacob van Campen.^' Dat zulk een volleerd man, toen 36 jaar oud, 
nog naar Italié gegaan zou zijn om te studeeren, valt bezwaarlijk aan te nemen. 

Het meest waarschijnlijk is het dus^ dat de Italiaansche reistusschen 161 5 
en 161 8 heeft plaats gevonden. 

Van Campen moet zich in Italié vooral te Vicenza, de stad van Andrea 
Palladio, hebben opgehouden. Had ik dit vroeger reeds vermoed^ thans nu het 



]gp«» JACOB VAN C 

Sl'M^II ^Ë&lJI^ geveest, Vicenza te be 



•Ij ö fit , 



Z4^È[^< S 3-1550) 

— — 5?HfHD Hij was als jong 



; stee 

r§*il'S*H*'^ 3&*n njken Giangiorgio 
M*A^li! n'^£it$l'''^ ^'''^^ opvoeding dee 
*^s8ftO ^^éI;-H>« V "DREa 2ich voortaan 
lilSfci S]I^E^" ^ ^'^'' eigcn^iardigc. 
jffi'^£S^ ^H '0^^^ ^Ö ^'J" leven vermr\ 
f ||/l«J |*S»a bewonderd. 

?"y# ï''*" ^^" jACOB VAN CaM 
[gjC yan de Vijf Orderen der 
~ ^est getrock^n uyL dcii 1 
"" ^ d verk komt ccn haol 
I af ^komsten, Zalen, Voorkan 
id-o*'^!:^ dat VAN Campek zich s 
gjrgi^S Ü^^P^ heeft gehouden. 
* A ^ • 'S Sxd gleden, waai door VA^ 
I >.„ ^5 «1 Ü I do bo,;-.vwcrkcn va;i 
■- w S .S, ïj 2 

S%i]£S^Hai| taft g oote pilasters, zoo als 

* ""■" " '" ^ nden zijn, was het Pa 

I boven elkander zijn ge 

i il Haag, het huis v^ 

\N CaMPEN blijkba:: 

istiek voor van Cat 

nsters aanbrengt, en dii 

Raadhuis te Haarlem 

al i-n All ViXiiza outl 





«i»Qsr viSf< - m>o<''- «i-r. «^^ «ï^ «lüStk 

^ w «» «• ^# ^ mm 




^M:^M:è iêll: 



JACOB VAN CAMPEN. 121 

bouwmeester geweest. In de ordonnanties te Vicenza vindt men de regelen, waaraan 
Van Campen zich bij zijne ontwerpen gehouden heeft, terug* 

Wij weten, dat reeds in 1626 Balthasak Koymans onzen kunstenaar met 
het ontwerpen van zijn huis te Amsterdam belastte. Eenige jaren later zou ook 
het bestuur der Amstelstad de diensten van Ja(;ob van Campen noodig hebben. 
Zoolang Hendrik pe Keyser, de bekwame stads-steenhouwer, dit ambt bekleedde 
was dien kunstenaar het maken der ontwerpen voor de stadsgebouwen opgedragen. 
Zijn zoon PlETER» die na zijn overlijden in 1621 tot het ambt werd geroepen, 
was iemand van minder talent. Heeft misschien de laatste fabrieksmeester PlETER 
PlETERSZ Hasselaer, die in 1633 van zijn betrekking ontheven werd, PlETER 
de hand nog boven het hoofd gehouden, toen daarna Thesaurieren zelf het beheer 
in handen namen, zochten zij bij jACOB VAN Campen voorlichting. Hem werd 
gevraagd, het ontwerp voor de in 1637 voltooide Heiligewegspoort te maken, 
aan hem is het te wijten, dat het bovendeel van den in 1638 gereed gekomen 
Westertoren een geheel anderen vorm kreeg, dan de ontwerper, Hendrik 
DE Keyser, blijkens de afbeelding in de Architectura Moderna van 163 1 
bedoeld had. 

Van Campen heeft aan den Westertoren de Jonische orde, zooals Palladio 
die aan de Basilica te Vicenza gebruikt had, toegepast, en daarop de Korinthische 
doen volgen. De Jonische orde vertoont zich eveneens aan de Heiligewegspoort, 
zooals zij nog staat afgebeeld op een gevelsteen aan het Koningsplein. 

In de besluiten van de Amsterdamsche Vroedschap komt het volgende voor, 
dat 1 5 October 1636 genomen werd : „Aenghesien de Heylighe Weghspoort noodigh 
sal dienen verandert en de wachthuysen mits haer bouvalligheid vernieuwt, is 
verstaen, dat men daer een nieuwe poort met een wachthuys ter wederzijden sal 
stellen, naer het model, daervan den Raede vertoont, en zijn de heeren Thesaurieren 
geauthoriseert, om met het opmaecken derzelfde naer den eysch van dien met 
den allereersten te mogen voortvaren." 

Wie dit ^model*' gemaakt heeft, wordt dus niet gemeld. Domselaer 
(III, 205) zegt dat VAN Campen de poort ontwierp. Het Amsterdamsche archief 
bezit een ontwerp van de poort, dat eenigszins afwijkt van de vormen, die men 
op de afbeeldingen van het uitgevoerd bouwwerk ziet. '^ 

De Jonische orde vindt men ook terug aan het voormalig Accijnshuis, op den 
hoek van het Damrak en de Oudebrugsteeg, dat thans in zulk een onwaardigen 
toestand verkeert, nu particulieren het in eigendom hebben. De geheele ordon- 
nantie van dit in 1638 gestichte gebouw is ongetwijfeld van jACOB VAN Campen, 
die door NicOLAES VAN Campen^ zijn neef, welke Accijnsmeester was, voor dit 
werk zal zijn aanbevolen. 

Oud-Holiand^ 1902. 16 



122 JACOB VAN CAMPEN. 

In het jaar 1637 valt de voltooiing van het huis, dat Constantyn Huygens 
aan het Plein te 'sGravenhage deed bouwen. Men vond hier, toen de woning 
in welstand was, al de eigenaardigheden des meesters, als de strenge pilasters, 
de festoenen en de gevelbekroning terug. Toen het Departement van Justitie 
gesticht zou worden, is het huis afgebroken. HOUBRAKEN noemt ^'t huis van den 
Heer van Zuilichem'^ als door van Campen ontworpen.' Dat hij hier niet, zooals 
Weyerman later, de buitenplaats Hofwijck te Voorburg bedoelt, blijkt daaruit, 
dat hij ^'t Speelhuis te Voorburg^' nog afzonderlijk noemt. Dit huis van Huygens, 
aan de zuidwestzijde van het plein, werd tegelijkertijd begonnen met dat, hetwelk 
Johan Maurits van Nassau aan de noordwestzijde stichtte en dat Houbraken 
mede als een werk van Jacob van Campen vermeldt. 

Beide gebouwen werden uitgevoerd door PiETER PoST, den zoon van 
Jan Jansz. Post van Leiden, die zich als glasschilder te Haarlem vestigde. 
PlETER Post werd den isten Mei 1608 te Haarlem gedoopt, en was dus dertien 
jaar jonger dan VAN Campen. Aanvankelijk was hij glasschilder, doch hij be- 
kwaamde zich ook, misschien wel onder de leiding van Lieven de Key, den 
Haarlemschen stadssteenhouwer, in de practische bouwkunst. Te Haarlem heeft 
hij ongetwijfeld Jacob VAN Campen's onderricht genoten. 

Post is, dit blijkt uit alles, meer een practicus dan een kunstenaar geweest. 
Jacob van Campen liet in den regel het uitwerken zijner schetsen en het uit« 
voeren zijner plannen aan hem over. Huygens zegt in zijn Hofwijk dat PosT heeft: 

„Gevroeyrout door sijn Penn, hetgeen dat ujt den sinn, 
Den reden-rycken sinn van Campen wierd geboren, 
Van Campen, dien de eer voor eeawigh toe sal hooren 
Vant blinde Nederlands mis-bouwende gesicht 
De vuile Gotsche schell te hebben afgelicht. 

Het Mauritshuis gaat op naam van PoST, sinds PlETER VAN DER Aa het 
in 17 15 tot diens werk verklaarde. Maar PosT zelf, die reeds bij zijn leven zijn 
voornaamste bouwwerken in prent uitgaf, heeft het Mauritshuis, dat zoo bewonderd 
yrerd, daar niet bijgevoegd, wat zeker bewijst, dat hij zich niet als den ontwerper 
beschouwde. 

De plannen voor het Mauritshuis en voor het huis van Hu YGENS dagteekenen 
uit het jaar 1633, PosT was toen pas 25 jaar, en het is niet wel aan te nemen» 
dat hij op zóó jeugdigen leeftijd reeds ontwerpen van zoo groote beteekenis kon 
maken. Beide plannen hebben de eigenaardige grootschheid, het echt Palladiaansche 
dat al de bouwwerken van Jacob van Campen kenmerkt. Toen Post op lateren 
leeftijd zelfstandig optrad, en het Huis ten Bosch bouwde, volgde hij een andere 
manier, minder grootsch, minder klassiek, met verschillende herinneringen aan de 
kunst van HENDRIK DE Keyser en Lieven de Kèy. Alleen aan het nu zoo 



JACOB VAN. CAMPEN. 12S 

deerlijk gehavende huis Swanenburg te Halfweg is de invloed van jACOB VAN 
Campen bemerkbaar. De architectuur van het Mauritshuis werkt hier na, gelijk 
ook in verscheidene der latere werken van Philips Vingboons. 

Als HUYGENS, ruim een half jaar na VAN Campen'S dood, den l Mei 1658, 
in een gedicht zijn vriend herdenkend, vraagt: 

gVloe light hij marmerloos, hoe gunt m'hem niet een steen, 
Ter eer-gedachteniss van spo veel ed'le steenen?" 

dan geeft hij daarop het volgend antwoord, dat doet zien, hoe de meester heel 
wat leerlingen moet hebben gehad. 

,,lck meen, de reden is, en 't is wat meer dan meenen, 
Hier stond een Graf-gebouw, hadd* hij het self bestaen: 
Nu hg 't verwaerloost heeft en dnrft er niemand aen 
Van air de leerlingen, die njt hem syn gesproten. 
Want, zeggen zj, waer 't niet net in syn vorm gegoten, 
£n schoeyde Ut voor lit niet even op syn leest, 
Daer nu %jn lichaem rust ontroerde 't noch syn geest ; 
• £n wat geest zou dien geest, nu ledenloos, vernoegen, 
Dien, noch in 't logg$ vleesch, geen geesten op en woegen?'* 

Men zal hier onder leerlingen natuurlijk hebben te verstaan menschentdie 
zich onder VAN Campens invloed vormden, als Post, Arent van 's Gravesande, 
Stalpaert, Vingboons, Bosboom en anderen, wier faam niet tot het nageslacht 
is doorgedrongen. 

De gevel van het Oude Hof, het tegenwoordig Koninklijk Paleis te 
's Gravenhage, is in 1641 gemaakt. Het geschilderde pleisterwerk is een I9«eeuwsche 
verfraaiing (?) maar overigens zijn de oude vormen nog wel bewaard. Deze 
ordonnantie gaat op naam van PoST. Maar, al mag deze de uitvoering niet hebben 
geleid, het ontwerp draagt het stempel van Jacob VAN Campen, De Jonische 
orde beneden, de Korinthische daarboven, het fronton, dat als het ware een 
voorstudie is voor die van het Amsterdamsche Raadhuis, dit alles wijst op den 
Amersfoortschen bouwmeester. . 

Post heeft dit paleis dan ook niet onder zijn uitgegeven werken opgenomen ; 
slechts eenige schoorsteenmantels, in het Oude Hof gemaakt, vindt men daar. 

Vondel heeft Jacob van Campj^n ^den Bouwheer van den Vorst'*, 
SCHREVELIUS heeft hem y^den Architect van den Prince van Orangien, zijn 
Hoogheydt'* genoemd. Vooral de laatste getuigenis van 1647 heeft groote waarde. 

Er is door verschillende schrijvers aan getwijfeld, o( de titel den bquw- 

meester wel toekwam ; zij meenen, dat slechts PiETER PoST er aanspraak op had. 

Dat Frederik Hendrik er een hof-architect op na heeft gehouden, kan worden 

betwijfeld. Maar hij had verscheidene bouwmeesters af en toe in zijn dienst. Dat 

16« 



||:|i JACOB VAN CAMPEN. 

31jJi4|Vj|lÖJ^^^( tot hen behoorde, h aan geen twijfel onderhevig:. In 1636 
||i±ff5(gö|p^JiK"^; Hendrik hem op het ka-tcc;l te Bure^i, ^«l^-^ eeo trap en 
'^J^.^lï^^'^'^ W P'^"i*" werden uitgevoerd, zooah HuYGENS meldt. 

•• HVv'^iB'''^^^^ ^^^ bestuur zijner vaderstad de diensten van den bouw- 

IK»|g|Mjf^>Wy0iWas het voor de eerste raaa' -*-' -■■- ' ■' '"' 

llfi^^f ï^'ïi ;j;geloüven, dat de btreug klass 
l|lS"ipiH"^^'^ni Lieven Dr_ Kcv te Ha:;rk::i 

t|<fgLf^gifWi«^ A^r van Campens invloed 
||:^M^.£^C^^jhet huis van HUYGENS treft 

lll^iSojm^l^^Bl-R zou geneigd zijn aan te ne 
■S-^?'^^:^ii^?J^'"S ^^" ^'^' raadhuii heeft uil 
§. 'S'*©: 'U'S de St. AnnaT:cr^ te Haarlc 
{ï:5:^^^ien toren had toegevoegd, zoo 
huizen, die aan de kerk ] 

-S-jgiH'rf[t3e zich tot Salomon de Bk. 
.J^w- ^^2"^ "»*" ■^■o'deed den hccren niet. l 
■|"|^'@^)^na,.|J'ii§-iiij deed den 15 Maart 1645, „vo 
^ ^'p|'^^^-''^'^c''ck, mitsgaeders het maeck 
■è-a&'ï^^'l^-aojicns last en ordre der E. H' 

■i-i^§f§-i- 

«- S&'^"Si9S?° ^^^'^^ eerzame Haarlemmer,' 

■^5^fg|>en Jacques Coelenbifr, co 
^rttpiiij|Ëi^, die het wel goed vonden, 
"""^rffic^ te maken, en den 7 Augui 
§'^|^L^oct gcaprobcert, present de I: 
'*^-"' ' "|iiniiche ambtenaren dLr .itad 




li» «te»* «IS^ **^ '£ 






te 



JACOB VAN CAMPEN. 126 

Eerst toen de kerk in 1649 voltooid was, diende van Campen zijn declaratie in. 
Toen werd betaald: „Aan Mr. Jacob van Campen XC £» voor 't geene door 
ordre van Burgemeesteren aan hem int coUegie gestelt is over zijn dienst, soo int 
ordonneren van die nieuw gemaekte kerck, de nieuwe kerckstraet daerop respon- 
derende, als over andere diensten bij hem tot verbeteringh dezer stadt gedaen." 

Op het archief van Haarlem bevindt zich een teekening van de Nieuwe 
Kerk, door PlETER Saenredam, waarop deze eigenhandig heeft geschreven: 
„1650, den 8 July. Pr. Saenredam fct De oude St. AnnaThorenintjaer 1613 
gemaeckt. De Nieuwe St. Anna kerck Ao. 1649 voleynt. Van deze kerck is 
Monsr. jACOB VAN Campen Architect geweest." Dat de schilder met VAN Campen 
goed bekend moet geweest zijn, daar beiden Haarlemmers waren, kan gerust 
worden aangenomen. Reeds in 1628 heeft VAN Campen het portret van Saen- 
redam geteekend, dat nu in het Britsch museum bewaard wordt. 

De Nieuwe Kerk, een vierkant gebouw, bijna geheel van gebakken steen, 
welks gevels alleen door een Dorische kroonlijst met triglyphen en mutulen, een 
Dorisch portiek met festoenen, benevens twee wapenschilden verlevendigd worden, 
welks steunbeeren en vensters uiterst eenvoudig zijn, vormt een sterke tegen- 
stelling met den toren, dien Lieven de Key ruim dertig jaar vroeger voltooide. 
Toch heeft de kerk uit een bouwkundig oogpunt beschouwd, groote waarde. 
Aan VAN Campen werd gevraagd, een kerk voor den Gereformeerden eeredicnst 
te ontwerpen, een kerk die streng en helder zou zijn als de leer die er gepredikt 
moest worden. Toen herinnerde hij zich de gebouwen van Italië en hij maakte 
van zijn plan een kruis met gelijke armen, dat zich in een kwadraat sluit. Dit 
kruis begrensde hij door zuilen en pijlers in streng Jonischen stijl en verkreeg 
zoo een perspectievisch effect, dat toch aan de practische bruikbaarheid van het 
gebouw geen afbreuk doet. Galeazzo Alessi heeft Santa Maria da Carignano 
te Genua op een soortgelijk plan gebouwd. Had VAN Campen zijn pijlers ver- 
zwaard en er een koepel op geplaatst, de gelijkenis zou nog treffender wezen. 
En waar ALESSI slechts met moeite de koornis, die toch voor een Katholieke 
kerk het voornaamste is, in den plattegrond kon bergen, heeft VAN Campen op 
de natuurlijkste wijze deze aangebracht. 

PietER Saenredam heeft de eigenaardige poëzie van dit interieur gevoeld, 
en het herhaaldelijk geschilderd. Behalve de reeds genoemde afbeelding van 
1 650 bezit het Haarlemsch museum een schilderij van hem, gedagteekend 23 Mei 
1652. Ook in de Esterhazy-verzameling te Budapest trof ik een schilderij van 
Saenredam, die de Nieuwe kerk te Haarlem voorstelt, aan. 

Dit gebouw is niet het eenige belangrijke werk geweest dat VAN Campen 
tusschen 1645 en 1649 tot stand bracht. Amalia van Solms was in 1645, dus 



01 



M..t- 




JACOB VAN CAMPEN. 

7an Frederik Hendrik, met den bouw 
Post, toen als stadsfabriekmeester in d< 
len gemaakt, en leidde ook de uitvoe 
hici- VAN CamteN de ontwerper 2oa f 
-_--._„ ^.'^"^ '^-^'*' "°2 ^'i ^'^ '^'■'*" ^'"^ Jacob 
Ijffe^C^'^g' II &^erprenten openbaar gemaakt en het va 
)|fv^PKl)viï|llSt>Ac^cnt>urg voorzien. 
ÏL ..'M|i^4^9'JËKnblik is het gebouw niet meer ia zijn oo 
'^? llpk^f <,^v,9w0'^'boiiwing heeft itan den voorgevel een 
||=l|'ji|l;g,^|tcort die -.veiiiig mor.ur.ientalc, ja bi-rg 
iii;|P')S' tt'^ B^eft aangewend, M-nar hij zelMn.ndig opti 
!♦. A •É*'^*ftaf>»S«''lnng vau Jacob van Campen begon 
^.^^I^* st^ ^H^ ^^"^ ^^47 gestorven was, en Amalia 
^^.^- ^'^i£^1^i<ig van den stadhouder te wijden. Op < 
3E^É^ '^^ 'b*^"^ doen ijrav^ei^a: „De Oidonnantie 
^'^S'Ï^É' ^^^~' ^^^'"' Uj-tbeeldeide de Geb^orl 
^1^!$^ \|gtt:£tt]S: Hoocht den Heere Prïnce van Orange 
iloop van andere cieraten, daertoe diene 
den Hr. Jacob van Campen, uytn 
ildcrijcii soo door heui selvcn ali^ aad 

;cckt." 

reeds in den plattegrond van PoST aa: 

jgen. Van Campen maakte de ordonnt 

iegelijk werden opgetrokken, en een koe 

de zaal dekte. De zoogenaamde R 

■.■.c:\ waj, heeft o:igetv.ijfold va:." Campen 

linde bc-'chciden, door Mp. D. Vfkgi 

doen zien, dat VAN Campen voor all 



«*s| 



m 




^' 



t^' e»'^ CAMPEN. 127 

"■fi'^^^Wl^** 2*° '"^ g*^''=n) omvaii^dienongemakkclyken 
?«*AS*««jr|(tip.derdmd dit bedrag a."n den meester '.verd 
^'*W ^■^^'' steeds van zijn diensten gebruik. Uit 
•ember löjl aan Amalia VAN SoLMS ge- 
le toen als geëindigd beschouwde. Huvgens, 
j gaf de vorstin in overweging, Jacüü van 

^ J 'f 'S^ jt'^'l*- 
'rflll8^*^R''M'*^'^^^*^^* ^^^^^- '^ ^^^ HUYGENSFchrijft: „Cest 
\itt5i5t|§i'ïi!c^|| 'fttl a grand besoing d'argent." Van CaMpen's 
!'i'Mls^^)|t^'fli^«« tf*^ ^''' ^'^''^ ^^'^' ^'J" diensten niet, of althans 
■5lÉ^W*'* -feit'ï^*""' ^^' '" ^^^■^ ^^ JaCOB van CAMPEN,.Uyt 

■.-_-a^ ;«^e., _-.^. «:„„ .).. ^» Joiike/ EvERAkDMtv.'STER 

toen hij „Der goden Landspel" schreef 






LCÏl^i^^lgSjegend- «uw, 
C-!a.*i5oS-®oïfi£er 't Stad-h uys 




Gouwt". 



ï^ die voge!, geen loon verlangde. 

gelijk heeft. Mr. D. Veegens gelooft, 
ie||*n is, toen hij, om de een of andere reden 
j:^iyaBgehad. Hij voegt daarbij: „In elk geval 
-§Di^cï:dat hij aan zijne vcDringenomcnheid zoozeer 
"IS zelf in zijn sneldichten getuigde, dat zijn 
i^tn de onsterfelijkheid verzekerden." 

dat HuYGENS VAN Campen hier in een 
it^/ij weten, dat hij, ,00 do_Ji erfe^iis 



■f5# 






Ilisi!i|§|riebenes Bild von Jan Gabrielsz Sor 




ÜR. Th. von FRIMMEL. 



^ger Zett »iiide mir in der bekanntcn Galerie I- V. Hovai:. nt Pra| 

gnirtcr jAtOR van KuisrAFi. vorgcwiesen. Die Benennung 

^.^j^IgnaLur macliLen aUbald uiciiie Z^^ulfel r>;2<^> und \ch erba: mir die 

^r^^b, da; Bild bei directer Sonnenbcleuchtung untersuchcn ;u dtïifen. 

'«5^er, bekwint dureli sein frcundKcbcs Entgegenkommen, ivenn ea gilt, 

*■*- ■ ■ -n s^iuLT Biidcr riclilig ra i.ldleii, lies den .-ingebllch.n Ruisi 

FenStcr bringen, und da zeïgte es sich, dass cine gans gesa 

ir iorhanden ist, die lautet: ,J sonje f. Ao. 1639"- J und S 

.ich imbcdingt bichcr. D;i:i BÏIdcl.^n sdb^t isl c'iv.i itdVw.-.iadie Li 

Behandlung einc cntfernte ^nlichkeit mit der bei den holUndi» 

ippe (luf Eichenhol; H. 0,47, Br. 0,11). kb kennc von J. SonjÉ nu 

i lïluic das Dild bei Nuvak m tücIitJg, dass leb iliui LÏnige Zx 

ilerdam isl es viellcicht langst in iveitem Krcise bekannl, dcnn e» stai 

'.unsthandel (1898). Dass es irgcndwo beschrieben wiire, ^¥iis5te^chni 

Knappheit an, was man auf dem Bi1Jchi:ii, dai grau in grau gemalt 

Links ïtciles felsiges Ufer mit cinem beivachscnen Absati. Mittcn 

Eter zurück mhig flicssendes Wasser. Rechts ein mannigfach gesalt 

Waiiorfall 2:\d Marnier «elicn, Wciscr ohcn rectii oine Zïeg 

steilcn Anhöhe im fcrnercn Miuelgninde rechts eine Ruïne 

idthurin. In den fernen Cründen steile Berge.*) 

.aillc wcist augcnichcinlich auf Jan Gadrillsz. Scnjé hin, dei 

; und nach ^'>$^ iro Rotterdam vorkommt. Gcsiorben ist er e 

l'^^iterdaiu, D'k sichcicu Werkc, dïc ich von Ilun kenne, bcfindeo ücl 

' — "' ' Rottï£da:n ')» Ich hoTi: dais i!ic»c Z:ilen ^n Anslf-^ dan gt 




II 



II 



M --«t ^^, -u •^, 'ê^%. 



Hè i% 



•|ill|;Mi|.».BAN CKERS 



ftS'if :fl# eiland Hveen in 1659, 
l^:|;.:9f;R0VE. 



V^^ ■^- ^ ' A - ^ ' 




S'*i?''Hf*ll'''ll^w'('rk van deJonhe over de gcrchicdcnis 
5i-ji,S3.,£&^S'*cèerlandsche Zeewezen, wordt een Hoek 
^»iSrl^m^r^d, door den iater als Nedcrkndsch admï- 
^'.^ ■?F*B^^en Adriaen Banckers i), of meervol- 
gi.Sgi^^'^.^jiN VAN Trapplk, gezegd Banckeks, in 
~"'^" ■S'flft-jSn de Sont vjrriclit. 



■««ai ■«^'.■•a ^'j^^ '«s*'-"ïi 

'.^ 4^£ «^£ nt!^ '•? 

'-"» -isa ■'^ «• ®* ^ *' 
^* «• ^v 




II 



130 ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 

slot Kronenburg een doortocht baande door de Zweedsche vloot, en vervolgens 
het belegerde Kopenhagen ontzette. Hij was toen bevelhebber van het fregat 
yde Zeeridder"^ een schip van 28 stukken, en maakte deel uit van de voorhoede, 
die door den Viceadmiraal WiTTE DE WiTH werd gekommandeerd. 

Eenige tot hiertoe ongedrukte stukken ^), afkomstig van een verhoor voor dea 
krijgsraad, die op 28 December 1658 te Kopenhagen gehouden werd» toonenaas, 
dat hij zijn Vice-admiraal {volgde, toen deze den strijd met de Zweden opnam, 
terwijl verschillende andere schepen van diens eskader het ongeluk hadden io 
het nauwe vaarwater terstond met elkander in botsing te komen, hetgeen vcd 
bijdroeg tot de katastrofe van DE WiTH, wiens schip, zooals bekend is, door 
overmacht bedwongen, veroverd werd en zonk, terwijl de zwaar gewonde Vice- 
admiraal het leven verloor. Banckers was de eenige scheepsbevelhebber in de 
nabijheid van DE WiTH geweest, geen musketschoot in lij van hem. Na hem 
het dichtst bij was kapitein BOSHUYSEN, die weder een „gotelingsschot" in lij 
van Banckers was. Deze wendde twee malen naar de With toe, om hem ter 
hulp te komen, maar te vergeefs, omdat hij verhinderd werd zoowel door den 
stroom als door den brander „de Noorman", die zijn fok vernield had. Banckers 
verklaart echter, dat ,,so den haeck van den voornoemden branders fock niet 
waer gebroocken, souw door onsen eygen brander licht in groot ongemack g^ 
raeckt hebben.'' Ofschoon hij dus zijn eigen admiraal niet kon helpen, had hij toch 
zijn best daarvoor gedaan, en ook zijn deel van de aan dezen bereide warme 
ontvangst gekregen : 20 schoten door 't s^hip, schade aan de fokkeraa, de boeg- 
spriet enz. en, volgens opgaaf van den chirurgijn, S dooden en 20 gewonden. 

De Jonge vermeldt geene bijzonderheden aangaande den strijd van 
Banckers bij deze gelegenheid, maar noemt hem alleen onder de dappere 
scheepsbevelhebbers. Daarentegen zwaait hij hem grooten lof toe wegens de 
dapperheid, waarmede hij weinige maanden la^er zijn schip, dat door het ijs 
onder het eiland Hveen aan den grond was gedreven, tegen een Zweedsche 
overmacht verdedigde. 

Ofschoon deze strijd, die Banckers in zijn vaderland een beroemden naam 
en een eervolle belooning verschafte, maar op weinige uren afstands van Kopen- 
hagen plaats vond, wordt er geheel over gezwegen in de hoofdwerken over de 
geschiedenis van het Deensche zeewezen in dezen tijd, nl. die van Garde en LiND.*) 

1) Deze papieren, die nog in het bezit der familie Wassen^eb zijn, vond ik in den zomer van 1900 op 
de Geschiedkundige Marlne-tentoonstelUng in Den Haag, alwaar ik» door de welwillende tusschenkomst nz 
den president, den Heer Sohburlber, toestemming van den eigenaar verkreeg om se te laten afscM^^'^ ^ 
er later gebruik iran te maken ter toelichting van den vermelden zeeslag, die voor de redding van Denemaikei 
in 1658 van zooveel beteekenis was. 

S) Zie H. G. Garde, ^RfUrrtiningtr m» dtn damke og iMTii/ .SAm;^f"I,Bladz. 158— 60, en «I>M^<^^' 
ncrskt SSmoffts Hisiorü" I, blz. 229-35, enH.D. L,wd,^Küms FredtrikdêH TVö/töSffsMyr.bladz.iösenTolg. 




r 
ai 
e 



. ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 181 

Vooral de laatste behandelt anders de krijgsgebeurtenissen in 1659 zeer uit- 
voerig, en zijn verhaal daarvan berust op een zorgvuldig onderzoek in Deensche 
archieven. Ook zoekt men te vergeefs den naam van Banckers in bekende 
werken aangaande de algemeene geschiedenis van Denemarken onder Frederik III, 
zooals : de ^Samlinger'* van P. W. Bkcker, Holberg* s Geschiedenis van Dene^ 
marken^ de ^Efierretningef^^ van R. Nyerüp, y^Adelsvaeldens sidste dagé*^ van 
Fridericia en j^Kjohenhavns BeleiringshistorW^ van S. A. SöRENSEN, waarin 
de gebeurtenissen van den zeeoorlog toch af en toe worden vermeld. 

De meer bekende nieuwere hoofdwerken aangaande de geschiedenis van 
het Zweedsche zeewezen zwijgen ook over deze gebeurtenis, zoo bijv. TORNQUIST 

in „ Ut kast till Svenska Flottans Sjih Tag^* (vergelijk bladz. 131, waar deze periode 
, behandeld wordt), Gyllengranat in y^Sveriges Sjökrigs-Historia*^ (I 219) en 

P. O. BacKSTRöM in ^Svenska Flottans Histaria'^ (bladz. 105). 

Dit is in zooverre minder opvallend, als de laatstgenoemde , geschriften 

maar weinig in détails treden, te minder omdat Banckers' strijd bij het eiland 

Ilveen den Zweden maar weinig roem bracht Voor hen bestond ook niet de 

aanleiding, die voor de Denen geldt, nl^. om de dapperheid hunner bondgenooten 

^ bij deze gelegenheid in herinnering te brengen. 

Maar hetzij deze kleine leemte in de geschiedenis van het Scandinavische 
zeewezen daaraan is toe te .schrijven, dat de gebeurtenis geene groote gevolgen 
had, hetzij aan andere oorzaken ^), zoo zal het toch vermoedelijk niet zonder 
^ belang zijn dit verzuim te herstellen, door mede te deelen wat dienaangaande in 

het genoemde werk van de Jonge vermeld wordt, en daarna nauwkeurig te 
onderzoeken, in hoeverre dit van Nederlandsche zijde gedane verhaal van den 
' ^ strijd wordt bekrachtigd of verzwakt, of mogelijk nog aangevuld kan worden door 

óc^' gedrukte en ongedrukte mededeelingen in gelijktijdige en geloofwaardige bronnen» 

2<^ Nadat DE JONGE in het eerste deel van zijne Geschiedenis van het Neder ^ 

landschè Zeewezen^ bladz. 576 vlg. ') eerst verhaald heeftj^ hoe de Nederlandsche 
eiafii vloot het in het nauw gebrachte Kopenhagen in 1658 ontzette, en tot de dappere 

fa:i verdediging van de hoofdstad van Denemarken het hare heeft bijgedragen, laat hij 

b^ daarop volgen: 

j^Met stilzwijgen mag te dezer plaatse niet voorbijgegaan worden de 
^ dapperheid, omtrent dezen tijd betoond door den toenmaligen Zeeuwschen 

^ 1) ZooaU bijY. hieraan, dat Gardb en LiHD bijzonder ttreng er aan vast houden, alleen datgene 

mede te deelen, dat de Deensche vloot direkt aangaat; vandaar dat door hen zelfs van een voor het behoud 

^ van Denemarken zoo belangrijken zeeslag als die in de Bont, November 1658, maar met weinige regels mei- 

''^^ ding wordt gemaakt. 

^ >) Wij dteeren den derden dmk, die gelijk is aan den tweeden. 

17» 



*>* 



l 



\ 
ï5:. 



2l< 



SR 



kl 



182 ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 



scheepsbevelhebber , later Vice- en Luitenant- Admiraal van dat gewest, 
Adriaen van Trappen, gezegd Banckers, moedigen zoon van den voor- 
maligen Vice-Admiraal Joos Banckers, en broeder van twee manhaftige 
kapiteins, JOOS en Johannes, beiden, zes jaren geleden, strijdende voor het 
vaderland, gesneuveld. 

Deze scheepsbevelhebber, die bij den zeeslag in de Sont door dapper- 
heid uitmuntte, had met de Nederlandsche vloot in Denemarken overwinterd, 
en was met nog vijf andere oorlogsschepen, toen de felste koude ophield, 
naar Landscroon gezonden, om voor die haven de beweging der Zweedsche 
zeemagt gade te slaan. Hier liggende, wordt hij op den 23^^®° Maart des jaars 
1659 door het ijs onder het eiland Ween aan den grond gedreven. Zoodra 
de Zweden zulks bemerken, loopen twee van hunne kloekste oorlogsschepen, 
waarvan het eene met 40 en het andere met 50 stukken gewapend was, 
benevens een fluit van 24 stukken, eene galjoot eneene scheerboot zuidwaarts 
het eiland om, terwijl vijf andere goed gewapende en met krijgsvolk voor- 
ziene scheerbooten en sloepen benoorden het eiland zeilen, ten einde Banckers, 
wiens schip slechts met 28 stukken gewapend was, aan te tasten en te 
vermeesteren. Door tegenwind had echter de onderneming op den eersten 
dag geen verderen voortgang. Den tweeden dag wordt eenig krijgsvolk op 
het eiland ontscheept, om Banckers ook van die zijde te bestoken. Ver- 
volgens beschieten de vijandelijke schepen, heen en weder zeilende, den 
Zeeuwschen kapitein, die hun nogtans niets schuldig blijft. Met het aanbreken 
van den derden dag wordt de aanval met* verdubbelde hevigheid hervat. 
De beide Zweedsche oorlogsschepen en de overige gewapende vaartuigen 
maken thans een geweldig vuur op den kloeken Zeeuw, en voeren onder 
begunstiging van dat vuur eenen brander tegen hem aan, terwijl van de 
landzijde eenig vijandelijk geschut en meer dan drie honderd soldaten zonder 
ophouden zijn schip en volk beschieten. Maar BANCKERS wordt door dezen 
dubbelen aanval niet vervaard. Versmadende alle aanbiedingen tot lijfsbehoud, 
hijscht hij, ten teeken dat hij en de zijnen besloten hebben, zich tot den 
laatsten man te verdedigen, alle vlaggen en wimpels omhoog. De brander 
wordt eerst in brand, daarna in den grond geschoten, en de dappere Zeeuw 
verdedigt zich tegen de overraagt der vijandelijke schepen zoo moedig, dat 
zij na een langdurig en hardnekkig gevecht, zeer gehavend, genoodzaakt 
zijn hem te verlaten. Naar verdienste werd door den Koning van Dene- 
marken aan Banckers, bij zijne terugkomst te Koppenhagen, ruime lof 
wegens deze zijne heldhaftige daad toegezwaaid; en de Raad der Admiraliteit 
van Zeeland bewees aan zijne dapperheid eene regtmatige hulde, toen deze 



ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 138 

hem met eenen gouden penning vereerde, op welken de afbeelding van dit 
ongelijk en bloedig gevecht voorgesteld was/^ 

In een noot verwijst DE JONGE naar y^HeldJiaftig Zeeland^ door P. DE LA 
RUE, en naar twee ongedrukte stukken. Een daarvan is een brief, waarin 
Banckers aan zijne Admiraliteit een bericht van het gevecht geeft, in de vol- 
gende eenvoudige bewoordingen : dat hij den 25 Maart door de Zweden werd 
aangevallen, ^doch Godt gaf, dat wy den brander eerst in brant ende daerna in 
den gront schoten; toen moesten wy vechten met de schepen en tegen 300 
soldaten op het eilant, maer Godt gaf dat wy 't geluk hadden, dat sy moesten 
al wycken ; den eenen was seer schaloos." De Jonge voegt hierbij : ^verder 
zegt hij niets van het gevecht. Zoo paarde deze held nederigheid met verheven 
moed." Het andere ongedrukte stuk is een extract uit de „Notulen der Admi- 
raliteit van Zeeland", waarin men het besluit van 26 November 1659 vindt, aan^ 
gaande den aan Banckers, bij zijne terugkomst in het vaderland, vereerden 
gedenkpenning. 

Na deze warme woorden van DE JONGE over het wapenfeit van zijn lands- 
man is er reden om de bewijsstukken daarvoor nader te onderzoeken. 

Als gedrukte noemt hij alleen DE LA RUE. Deze is echter hiervoor geen 
bron uit de eerste hand. Hij werd eerst in 1695, dus lang na het verhaalde 
feit geboren. Wel was hij in de woonplaats van Banckers, Middelburg, geboren 
en kan hij dus uit de tweede hand iets over de vermelde gebeurtenis vernomen 
hebben, maar zijn in 1734 verschenen werk: ^^Staatkundig en heldhaftig Zee- 
land^ is uitgegeven om als tegenwicht te dienen tegen een boek, waarin de 
Zeeuwen bespot werden^ en men moet derhalve, al erkent men zijne nauwkeurigheid, 
toch eenigszins voorzichtig zijn tegenover den lof, dien hij aan zijne landslieden 
in engeren zin toezwaait. 

Veel oudere gedrukte bronnen hebben echter het heldenfeit van Banckers 
bij zijne landslieden bekend gemaakt, zoo bijv. de ^Hollandise Mercurius*^ van 
1659. ^) Deze stemt in hoofdzaak met het bericht van DE Jonge overeen, 
want de yjdercurius^* is de bron van de la Rue en daardoor middellijk ook van 
DE Jonge, maar het verhaal beslaat slechts eene bladzijde in kwarto en geett maar 
weinig meer dan DE JONGE (vergel. hierna.) Daarentegen heb ik te vergeefs mede- 
deelingen aangaande denzelfden strijd gezocht bij de gelijktijdige schrijvers, 



1) Zie het lode deel, gedrukt te Haarlem, 1671, bladz. 36 en volg. Zoo goed als woordelijk hetzelfde 
bericht, alleen met verandering van de vreemde' woorden in de overeenkomstige Nederlandsch e, vindt men bij 
Petrus db Lange, „Sweetse Wapenen, dat is Oorlogen, gevoert onder... Carolus Gust ayus etc. t' Amster- 
dam 1660," bladz. 288 en volg., en in |,Bondich Verhael des Oorlogs tusschen de twee noordsche Rycken 
Deenemarcken en Sweeden (1657 — 60) t' Amsterdam. Dirok Mater, 1660", bladz. 32. 



1 wmüfÊpK 



j^^ERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVE 

„ T^e Hislory of the late Warres in Denmark 

en PuFEiNDOKF in het bekende werk: „De 

■ 1696, bladz. 518 — 19). De Fr^oschc ] 

■j Frr-.nsch en 't Deen^ch uitgegeven zijn, vi 

t op 3 November 1658, aieuwe stijl, ja, toei 

fiS^ÏÏ IJisteel Kronenbui^ het eerste schot tegen 1 

gft^lVil^N de eer Karel GustaaF bij de eene hand t 

"~ |de lont Lianbracht; hij volgde heni later op ■ 

[boot naar Laadakrona, r.-.aar n-.oest ccn niinn 

•ar Polen reizen, zoodat zijne verhalen over di 

Wouden. 

xlers zijn echter niet de eenige, die in den ti 

l^iagit hebben medegedeeld. Het „Thealrtnn Eb 

-61 omval ei; in 160/ te Fr^nkfüit 3a/> de 

fr^^gebeurten 15! mede (fol, 12SOJ, ivel veel korter 

^a3©r stemt het mei diens bericht overeen en t< 

^!|bUICK£RS' dapperheid. 

_ ' ~ nog verder in den tijd terug, dan vindt 

,S*ïM*^- ^^ï^"^""^^^"^ ^'"'j'*'^'^ "^'^^ daakbaarhoid Jt.i dapp;: 

InJOTÏ^Ii^-hSïfcfiïï-sionclp'' echter zulke ge d<5taill eerde inHchtingei 

~ ' ~ \ WalleNSBECK '), op den 14*'='» Maart 1659 

Hvi monne de 
Hvad :;':al dct 
Fr» Hvena her 

Eanciiardus -d 
Ey lader sig fa 
Af Caroli Snii 





i^SiV «^ m^, «Ti 



*' •?« Mt 



««V 'S' 



.„ ,^^ .jg, 



•#; 






:^ 



ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 185 
En op den iq^^i^ Maart: 



Banchardus felix Magnanimus- 
que redit. 



See Banchard forsande 
Nu kommer til Lande»- 
Den redelig Mand, 
Hand er udi Frelse, 
Som SUECUS iod helse 
Ved Hveens lille Land. ') 

In de uitgave van Hjörring's ^LeyrS'Krants^\ die in 't jaar 1677 bij 
Daniel Eichhorn te Kopenhagen gedrukt is, vindt men verder het volgende 
bericht ^)y dat in zekere opzichten zelfs nieuwe bijzonderheden mededeelt, echter 
onder een verkeerden datum, namelijk 27 Februari 1659: 

j^Hier (nh te Kopenhagen) ..lag een HoU^ndsch schip, als voorwacht voor 
de andere schepen ; daarop was een kapitein, met name Banchart ; het ijs voerde 
dit schip mee en zette het vast onder het eiland Hveen, zoodat hij niet terug 
kon komen. Toen de Zweden, die in de haven van Landskrona lagen, dit zagen, 
en ontdekten, dat niemand hem te hulp kon komen, gingen zij met 2 schepen 
op hem af en dachten, dat hij zich dadelijk zou overgeven. Toen Banchart 
hen zag aankomen, stak hij een bloedvlag uit; toen zij dit zagen, begrepen zij 
dadelijk, dat er geen hoop op was om zonder vechten bij den flinken Hollander 
te komen, derhalve lieten zij het anker vallen en zonden hem een boodschap 
aan boord of hij zich over wilde geven, dan kon hij alles goeds van hen ver- 
wachten. Hij van zijn kant bood hun lood en kruit aan ; zij lieten hem zeggen, 
dat hij daarvan genoeg zou krijgen. Maar hij antwoordde, dat hij het daarop 
zöu wagen. Toen gingen deze twee Zweedsche schepen op hem af, maar hij 
deed ze afdeinzen, zoodat zij terug liepen naar de haven van Landskrona. Kort 
daarna lieten zij 3 oorlogsschepen en een brander op den Hollander afgaan, den 
brander voorop, maar de Hollander liet dezen zoo nabij komen, dat hij alle 
zijne stukken van de eene zijde tegelijk op den brander gericht kreeg, waarop 
hij met alle tegelijk vuur gaf, zoodat de brander weg ging en hem geene schade 
deed. Toen de Zweden dat zagen, verdroot dat hun, en daarom vielen zij den 
Hollander geducht aan met hunne drie oorlogsschepen, welke schepen later door 
4 andere Zweden ondersteund werden. Maar Banchart lag in het ijs, dat hem 



1) De vertaling Tan dece Deensche regels luidt : «Wat moet dat beduiden ? Waarom schieten ze uit de 
richting van Hveen? Bahokbrs, niet bang, laat dch niet vangen door de list van Carolus. — Met vuur en 
vlam mag Cakolus het schip van den Schout-bij -Nacht bedreigen, maar Banokess, niet bang, laat zich 
nie^ vangen, hij weert dch ferm. — Zie, Banckbss, de flinke man, komt nu aan land; hij, dien de Zweed 
bij het kleine eiland Hveen (zoo warm) liet begroeten, is nu gered." 

S) Opvallend genoeg, is het in de latere uitgave van 1729 geheel weggelaten. 



iM^S' 



II 



lS»II^M'.M»êC'CKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEE» IN 1659. 

la.& y>i^*jll«: Hvcen vastgezet had. En hij had zijnt stuklren zoo gencU, 
'ïntiiafi'B.n vuren en sd.icten, en zoo gebe-rd= het, dat de Zweed «« 

i ttnUM tft zijae 7 -orloj.,chcpc:, vor dit cene schip de vlucht moK 
^fmlII'H-Sl'^/idcr in de haven van T,ind*rona redden, en den Hinken Hol- 
■i^lft'»'§t|»lif;sen enbravceren. Eenigen tijd daarna gaf God dooiweei;toet 
,8^|»l«i#5t»E' =»■! « Hollandsche oorlogsschepen uitgüü.idc;-. om BAÜCauI 

K#ilS &l§,§i zijn volli binnen te liaicn. Want zij nistcn i-cI, dat het ms 
.ftwffiE'Sn»- ^'- "- - ' ■■'' -'- '■■—'' "'■■'"n hnd, moeste. 



^. 



lji€.£jl 



. ^^ ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVÈEN IN 1659. 187 

^(ki gedurende Wassenaer's oponthoud in Denemarken geschreven zijn (tijdens den 

^Pi\ zeeslag in de Sont, de belegering van Kopenhagen en later). Ik had het geluk 

^dc^ daaronder niet alleen mededeelingen van Wassenaer te vinden, maar als bijlage 

t^Goddr een afschrift van Banckers' eigen journaal, dat zijne geheele expeditie omvat, 

[>iide:]c: ^^^ ^^^ ^^ ^^j waarop hij door het ijs bij het eiland Hveen aan den grond 

* »i: gezet werd, totdat hij weder in Kopenhagen terugkwam, door welk journaal het 

edaaa^ ^^^ dusverre bekende met uitvoerige mededeelingen uit de allereerste hand ver- 

ij (jjjj meerdcrd wordt. 

j^^ Hoewel de mededeeling van een uittreksel uit de brieven van Wassenaer 

f'p&T ^^ ^^^ ^" afschrift van het journStal noodzakelijk tot eenige herhalingen moet 

iwcE. leiden, en dit journaal bovendien op zich zelf eenigszins dor is, wil ik de publi- 

catie daarvan niet nalaten, omdat zij deze weldra 250jaren oude gebeurtenis, naar 
de voorstelling, daarvan door de hoofdpersonen gegeven, levendiger met hunne eigen 
woorden ons voor oogen brengt. In aanmerking genomen ook de geringe belang- 
stelling, die men hier in Denemarken langen tijd in deze gebeurtenis getoond 
heeft, lachte het mij toe, ter vergelding tevens van de diensten, ons door onze 
^ Nederlandsche bondgenooten bewezen, een poging te wagen om de kennis hunner 

wapenfeiten te vermeerderen, door in een Deensch tijdschrift *) over deze ge- 
beurtenis te schrijven en daar voor de eerste maal een volledig afschrift van 
BancKERS' tot hiertoe niet gedrukt journaal te publiceeren. 

In drie brieven, alle te Kopenhagen geschreven, bespreekt Wassenaer 
^^ het gevecht van Banckers. In den eersten, van 10/20 Maart 1659, schrijft hij o,a.: 

„Kaptein Bancker heeft, in 't begin van de vorst, door het ijs twee 
anckers verloren, en met het ijs tot onder het eylant Ween gedreven', daer 
hy alsnoch leyt, en werwaerts ick alle devoiren doen om een galiotmeteen 
ancker te krygen, alsoock twee oorlochschepen om hem te assisteren ; wil 
hopen, dewijl het hantsaem weer is, dat wy henï, met Godts hulp, weer 
behouden by ons sullen krygen". 

In zijn schrijven van 17/27 Maart zegt hij, als voortzetting hiervan: 

Yfüet galiot is by hem geweest en refereerden ons, op sijn weder- 
kompst, dat hy aen de gront sat, weshalven wy alle de galiots ordre gaven, 
^ alle xnogelijcke devoir aen te wenden, om nevens de twee oorlochschepen 

^ naer hem te gaen; doch des nachts daeran bracht ons den Oostenwint 



entk 



!!22£ 

ie te 



r23 









0: 



1) Ditzelfde artikel — waamm met goedTlnden van de redactie thans de vertaling verschijnt in 
Ond-Holland — is kort geleden, onder den titel ^Adriatn Banekeris og hans Kamf ved Hvttn i 1659" ge- 
publiceerd in het Deensche tijdschrift y^Tidsskrift for Sifvaisnt^ Kjöbenhavn 1902". 

Oud-HoUandy 1902. 18 



I I 
t 



188 ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659- 



soved ijs van de Schoonse kust, dat men van hier tot Ween geen 
kost sien, soodat het onmogelijck was, eenich vaertuycb ter wer^t derwaeits 
te krygen. Op den 25 deses, smorgens heel vroech, quamp een j<^ van 
Helseneur, die over het ijs getrocken was, waervan de schippers mijn rappor- 
teerden, dat der twee groote Sweetse oorlochschepen by hem waeren met 
eenige sceerboots en een brander, die schutgevaer met hem hieuwen; dathj 
een van de scheerboots in den gront en den brander in den brant geschotca 
hadt, en dat hy noch geen mangel en hadt. lek gaf terstont ordre, dat mea 
de witte vlagge op mijn schip sou laeten waeyen, om de capitejmen aen 
boort te hebbeUi en ginck terstont selffs derwaerts om met haer te over^aen, 
of niet mogelijck waer, dat men eenige schepen tot sijn secours derwaerts 
sou kunnen senden ; doch oordeelden alle eenparich : neen, waerop ick aes 
de twee capiteynen ende galiotsluy ordre gaf, soo haest het eemchsiiis 
doenelijck sou sijn, haer terstont naer hem te vervoegen." 

Eindelijk schrijft Wassenaer den 20/30 Maart: 

yiDen g dito was het sulcken harden weer uyt den Westen, dat maer 
een van de oorlochschepen onder seyl kosten komen, en most het noch tussen 
Ween en hier setten. Vier galiots quameit ontrent hem, waervan hy mijn 
een terugge sont, om mijn te seggen, dat sijn schip soo leek was geworden, 
dat hy het qualijck met de pomp gaende kost houden, sonder dat hy eigentlijck 
kost weten, waer het hem schorte. Waerop ick ordonneerde, dat der gisteren 
morgen noch vijff oorlochschepen naer toe souden gaen, om hem soo veel 
doenelijck op d'een middel of d*ander te helpen ; doch door het hooge water, 
dat hem de n.w. wint toebracht, met Gods hulpe, op den geseyden g, des 
avonts tussen 3 en 4 uyren los geraeckt sijnde, is hy des avonts laet hier 
op de rede, en des anderen daegs, smorgrens vroech, by mijn gecomen, ver- 
soekende, . dat hy mochte binnen korten en sijn schip op den Holm setten 
om sijn lecken te soecken en te stoppen, twelck ick hem geconsenteert hebbe. 
Hoe het hem gegaen is, sedert het ijs hem heeft wegh gedreven, gelieven 
UEd. Grootmog. uyt het hiernevens gaende extract van sijn joumael te 
vernemen, daeruyt UEd. Groot Mog. sullen sien, dat Godts machtige hant 
by hem, en consequentelijck by ons geweest is, deweicke sijn volck ge€ncou- 
rageert en sijn vianden een schrik aengejaeght heeft. Die goede Godt,hoop 
ick, sal met sijn segen verder by ons hlyvtnj' 

In een naschrift voegt Wassenaer hierbij : „Mijn wert verseeckert, dat 
de Coninck van Sweden in een sceerboot daeromtrent was, doen syne schepen 
Capiteyn Bancker attaqueerden.'* 



ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 189 

Het hierbij gevoegde „Journael van den Capteyn Adryaen Banckerts, 
sedert den 8 Martij anno 1659", luidt aldus: 

^Den 8 Martij begonde het ijs af te commeuy den wint n.o., stille; 
hoorden en sagen eenige schooten tot Lantscroon. De schepen, die by ons 
op de wacht lagen, seylden naer de wall met den doncker; meynden het 
oock te doen, maer worden soo beset, dat niet conden ons ancker crygen; 
mosten by de drie touwen vieren ende lieten ons plichtancker vallen; 4 
glaesen in de daghwacht brack ons dagelijckx touw en het plichtancker 
ginck deur. 

Den 9 dito, den wint oostelick, met stereken ijsganck, siende dat ons 
plicht niet ter houden en quam, wondent op, hadde maer een arm, staecken 
ons dagelickx touw in ons boechancker; metten avont resolveerden ick met 
mijn offycieren, om ons beste ancker toe te laeten gaen, hieuw het ancker 
met een arm op de boech, laegen doen tusschen Zeelant ende Ween ; int 
leste van de eerste wacht brack ons touw, wondent in, hadden doen geen 
anckers meer als dat met een arm, lietent met het ijs dry ven daer tye ons 
soude geleyden. 

Den 10 dito, stille, dreven met het ijs voort; doch Godt gaf dat het 
ijs van selfs in tween borsten, smorgens, soodat ons volck aen elcke zyde 
met I dregge op 't ijs liepen ende wy ons schip met de dregge soo varde 
over stjer brochten tot int (uit ?) wrack ; lieten ons ancker met een arm vallen 
omt schip door de wint te crygen, en wondent datelijck weer op, eer de 
andere zoom ijs by ons was ; seylden doen naer het eylant Ween, alsoo 
geen anckers meer en hadden, tot tegen de walle, brochten ons ancker met 
een arm na zee ende ons worpancker na de walle, hieuwen't soo sittende. 

Den II dito, den wint n.n. west, daernaer oostelick, mooy weer, 
stereken ijsganck. 

Den 12 dito, den wint o.z.oost, stereken ijsganck. 

Den 13 dito, den wint o.z.oost, stereken ijsganck. 

Den 14, 15, 16, 17, 18, den wint oostelick, met vorst. 

Den 19 dito, den wint n.w. ten noorden, cregen veel ijs op ons, soodat 
ons schip wel 2^ voet op de gront worde gekruyt, tusschen veel groote 
steenen, alsoo wy tusschen 2 reeven saeten. 

Den 20 dito quam een galioot van Coppenhagen by ons, dat ons een 
ancker brocht, door ordre van den heer admirael Obdam, dat ons seer wel 
te passé quam, alsoo geen anckers en hadden. 

Den 21 dito ginck de galjoot van ons af na Coppenhagen. 

18« 



a. 



l^ill'eff'HsSïHlCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ H 







f dito, den wint oost, styve coe 
|:en fleuyt met 24 ^ 26 stucken 
cleine (?) sloepe, die quame 
üüS-' Ö^ft'-Sff" quanicu noch vijf cleine (?J 
•^«i;t;||fÖ, ^^^ durfden 0:1'; niet acndoc 
i»-.-^ W'ic quamen 2 Jollen van' Innt 
,en boort blyven, alsoo sy vree 
fcn souden crygen, roeyden aan 
r--.--^dM^^)mcii; de fleuyL en de jndtitc 
g!iim||^ Stldcn keycn van lant om scliro 
«li^'^g^rgiadden. 

'** ||lM''|yi dito, den wint oost, styve c 

m!jg*^C^K>n, doch moeyden ons niet; hi 
!^JgJ^Ere oock een cloeck schip; sy : 
'S^^-^iSS^ 2^ vooivn by ons h^ddc geweest, 
'*"-=l^.-a^ dito, den -vint oostelijcl;; die ■ 
A*^3D3n'3S«i||ooort, seg^ende dat de Swecden 
:§£Ïk)J^Ï^c^ 4 cleine il) sloepen vol votck 
' ^i^lcigif^eg^ met den avont quamen 2 grool 
ick bojuycii het uylant uiut de 4 
;m-een r-.nder sloep, --amen 7 stcrc 
ende f^aven malkanderen de 
amen sy alle buyten schoots 
dito, smergens met den dach 
Swcedschu schepen van oorlog 
ttc, dat c^n br--ider was, ciï 
wy maeckten on?; wel claer e 
uyren in't rysen van de sonne 
ier aen boort te bringcn ; sy b 




i^«-^w*>« «s^^ 






'>t.- 



«* 



4-S- 









>. 






ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 141 

middach quam het luchjcn suydelick, doch stille; de 2 Sweeden dreven be- 
noorden het eylant. lek kreegh drie man doot ende noch 10 gequesten, 
voorts eenige schooten doort schip, alsoock alle beyde de masten en reen 
aen stucken, veel loopent ende staende want ontstucken; doch den vyant 
^ buyten schoots wesende, herstelden ons, sooveel alst mogelick was, om haer 

weer te verwachten, maer het luchjen liep aen't z. oosten ende daer quam 
eenich ijs afdryven, soodat sy naer Croonenborch mosten zeylen ; met den 
'^ doncker haelden ons onderschutt in binnen de poorten, hadden boot en 

2 sloeup oock met lappen dicht gemaeckt, alsoo alle bey in de gront waeren 

£^ geschooten geweest; den wint z.z.oost, overtoghe lucht, sneejacht^ anders 

hantsaem weer. 

Den 26 dito smorgens heel mistich en stille; voormiddach claerden't 
Z' op9 stille, den wint hieuw geen plaetse; sachtermiddachs sagen 10 k 11 schepen 

:. in de Zont comen, daer worden eenige schoten geschooten, soo van de 

schepen als van Croonenburch; de schepen quamen by het casteel ten ancker; 
s met den avont het luchjen n.west, cregen veel ijs op ons aen; als4glaesse 

K in de hondewacht uyt waeren, soo hoorden 7 k 8 schooten in de Zont 

c schieten ; alsser 6 glaesen in de hondewacht uyt waeren, soo quamen 2 seylen 

y by ons op elcke wintveeringe, vreesden dat het branders mochte weesen, 

schooten met musquetten naer die naest het lant was, alsoo hy dicht aen't 
rif was, schooten oock een schoot met schutt; lagen rontom int ijs, doch 
het .was niet seer sterck ; de zeylen wenden van ons. 

Den 27 dito, smorgens den wint w.z.west, moeye kouwe; de 2 seylen, 
die snachts ontrent ons hadden geweest, waeren 2 galjoots, die snachts door 
de Zont waeren gecoomen; sy seylden naer Coppenhaege; daer was een 
van de Sweeden oock onder zeyl geweest, lach heel by de wall, aen Schoonen; 
in de voormiddach liep hy weer naer Croonenborgh, daer laeghen noch 
7^8 schepen onder Croonenborch, dat wy voor coopvaerders aensagen ; 
wy laegen noch int ijs en vast aen de gront; naer de middach haelden ons 
worpancker thuys, dat aen de wall hadde gestaen, sagen 2 schepen van 

Croonenborgh op coomen laveeren, den wint z.w., dichte sneejacht ende 

« 

motteregen ; daer quamen 2 boeren aen de cant roepen, die ons seyden dat 
de Sweeden smorgens vant eylant waeren gegaen naer Lantscroon, bedt en 
bulster van de inwoonders geplondert hadden ; snachts waeydent heel hart, 
den wint w. ten noorden, de zee stack heel seer, soo meynden dat alle 
oogenblick dat ons schip in de gront stack. 

Den 28 dito, smergens met den dach den wint w.n.west, harde coelte; 
ons schip was heel ontsett voor aen de steeven van stooten, soodat wy ons 



f 



s 



142 ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 

broot boven vluchten ende wat gort; deden noch ons best om af te winden, 
maer conden niet, het stootede noch al om der harts, het water quam noch 
al op, soodat met een jeyn op de cabel allenxkens met groote stooten wat 
afwonden, cregen met groote moeyte soo vorde tot by 't ancker, doch stooten 
soo seer, dat wy vreesden alle reysse in de gront soude gaen; resolveerden 
om de schooverseylen claer te maecken ende het ancker op en neer te winden, 
ende af te cappen, dat wy deden, ende hadden maer een arm ; seylden soo 
met schooverzeylen langhs het laager op ons vlootte tot boven den hoeuck 
van't eylant; dancten Godt dat wy van't laeger waeren, wendent innewaert 
heen; savonts quamen seylen na de schepen, totdat wij meynden ten ancker 
te coomen, ' raeckten weer op *den hoeck van't Reefshol ') vast, den wint 
n.w. ten westen, harde coelte, schoverseyls coelte, hadden anders geen anckers 
als ons op den 20 deser van de heer Admirael Obdam was gestiert, lieten 
dat vallen, maer bleven op de gront sitten. 

Den 29 dito, smergens den wint w.n.west, brochten een worp uyt, 
corten int vlotte ; ick kreegh ordre van den heer Admirael om met het schip 
in te corten, om te sien hoe't onder gestelt was van't hart stooten." 

Men zal zeker moeten erkennen, dat bovenstaand journaal, naar zeemans- 
gebruik, op zoo weinig grootsprekerigen toon is gesteld, dat er geen reden bestaat 
om het bericht van DE JONGE in het algemeen, en zijne lofspraak op de be- 
scheidenheid van Banckers in het bijzonder, te verwerpen. Slechts een paar 
mededeelingen van DE Jonge, namelijk dat Banckers, tot teeken van zij n besluit 
om zich tot het laatste toe te willen verdedigen, alle vlaggen heesch, en dat hij 
bij zijne terugkomst te Kopenhagen door Koning Frederik III zeer werd ge- 
prezen over zijn wapenfeit, zoekt men tevergeefs in het journaal. 

Daaruit mag men echter niet opmaken, dat DE Jonge dit uit zich zelf er 
heeft bijgevoegd, om de geschiedenis wat op te sieren. Want reeds de „Hol-' 
landtse Mercuriu^^ van 1659^) vermeldt, met onmiskenbaren trots over de daad van 
zijn landsman, hieromtrent het volgende : ^^Banckert en de syne seyden tot 
den laetsten man sich te willen defïenderen, en toonden met het uythangen van 
al hare wimpels en vlaggen, dat sy goet Zeeus en goet ront hun debvoir voor 
't vaderlant deden" ; ongeveer hetzelfde vindt men ook in het bericht van 
y^Leyrkrantzen*\ dat hij de bloedvlag uitstak enz. De y^Hollandise Mercurius^* 
vermeldt verder, dat Banckers ,,met lof weder te Koppenhaven komende • . • 
most selfs den Koningh van sijn wedervaren rapport doen, die neffens den 



1) Refshaleo, een ondiepte bij Kopenhagen. 
*) Vgl. hiervóór, bU 133, noot i. 



ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 148 

A.dmirael van Opdam en vele andere hooge officieren de vertellinghe met groot 
vergenoegen opnamen, oordeelende dat de kloeckheid van i Zeeu wel 3 van 
de Sweden gewassen waren/' 

Men zou verwachten dat men over zulk een audiëntie eenige inlichtingen 
kon bekomen uit de gelijktijdige te Kopenhagen gedrukte kranten.^) Maar van 
de twee eenige boekdrukkers, die in dezen tijd het privilegie hadden kranten uit 
te geven, was de eene, Peter Morsing, den 18 September 1658 door een vijande- 
lijken kanonskogel gedood, en de andere, Peter Hake» stierf in 't b^n van 
1659. De weduwen kregen niet dadelijk vernieuwing van hunne privilegies, en 
de weinige vliegende bladen van het voorjaar van 1659 bevatten niets aangaande 
Banckers. *) 

Maar voor het gemis van Deensche kranten vindt men een vergoeding in 
een gedrukten brief uit Kopenhagen, gedagteekend den 19/29 Maart 1659, toen 
Banckers aan wal ging en door den Koning werd ontvangen.") De ongenoemde 
schrijver heeft zelf met Banckers op dien dag gesproken en een bericht van 
hem gekregen, dat uitstekend aan bovenstaand journaal aansluit. Om niet te 
wijdloopig te worden zal ik dit bericht niet in zijn geheel aanhalen, maar alleen 
het volgende uittreksel er uit mededeelen : 

y»Am ^ dito, mit anbrechendem Tage, giengen die Schweden sëlmbtlich 
wieder unter Seegel; kamen so nahe, dasz sie Ihr Brandt-schifT an das, am 
Grunde liegendes, HoU&ndisch Orlogs-Schiff dergestalt anbrachten, dasz beyde 
einander mit einem Bothshacken erreichen konten. Dieses aber hat das 
Brandt-schiff, indem Er fünf von seinen Stücken dompen liesz, nicht alleine 
in den Grund und Brand zugleich geschossen, sondem auch die vorgedachten 
OrlogsschifTe und Scheer-Bothe, deren Er mit seinen Canon nicht fehlete, 
manlich repoussiret, nachdem Er verschiedene Attacquen ausgestanden . 
Zugleich als der Feind gedachten Bankaert attacfuirte, lies Er Ihn von- 
dar gleichfals mit Mousquetaden incommodiren, konte ihn aber zu keinem 
Accord, wie sehr die Schweden solchen auch gesuchet, disponiren, indem 
mehr-gedachter Schultze-zu-Nacht, sambt seinen Leuthen, standhaftig resol- 
viret blieben, sich bis auff den letzten Bluthstropfen zu wehren, auch dem 
Feinde zu Bravade und die Seinigen zu encouragiren, Wimpels undFlaggen 
wehen lies. Er ist den Schweden nichts schuldig geblieben, sondern (hat) tapfer 
unter Sie, so wol am Lande, als auff Ihre Schiffe, geschossen ; wodurch ihrer 



1) Sinds 1657 venchenea deze te Kopenhagen. 

9) Zie Stolpi, Dagtprêssen i Danmark I bladc. z8»— 5, 197 vgg. 

S) ^Schrnim aus* Kopenhagm dtn 19/39 MariU A\ 1659": vergeUjk BibUothua D^mca III a, bladz. 165. 



,.ii|}|siigji 



'KERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND IIVEEN IX 1659. 

Ö'^Ö «fc'^ m von de:i Seiiiigcn, vcrwundct und gcb!i,-;ben, ausser ^och 
'S^ïï' Ï9}b^^^^''''"''^'^^'-''^*^" Br.ndt=chiffe, ivorauf ein jftmmerÜch Wioselea 
'^'^HFlilit^ll'^''' ^" Grunde gerichtet ist. Das eine Schwedische Orlc^s- 
M^ ^H«^gteo viel, dasz es seine grosse Roe von oben niederfallen lies 
i^vm •l,'||-^jr"- Welchem das andere, so eine halbe Stuud langer gefochten, 
^^■ftfÖ Ö'S2lc. Ei liat aLo iiiclir-bc^agter BaNCkacrt, :=i:zende ans 



'S^^= llrll''Of'^'^''^'^' ^'^ eincm Br;:'!id^chiff von hiüden, zvey Orlogs-schiffe 
'^^M^'S^'** '5^5° ^ ^°° Mousquetierer auff Hveen, umb üïcbgehabt, welche 
"~ "" istes angewendet, Ihii zu ruiniren. 

t^-ll-'Ieute fruhe ist der Capitain und Schultze-zu-Nacbt Adrian 
^mbt seiiii-ui Orlugs-schiff, friach und gcsuad wieder allhier 
itfln Ihre Königl. Mayi, wie r.icht wenij^er ar. Il:rer Hoch- 
irren Admïral Genera! etc. von allem murdlichpelbst Rapport 
fbe selbst mit Ihm gesprochen. Er confirmiret alles, was 
,t mehr nicht als 3 Todte und 10 Gequetzschete". 

inschclijl; geweest ook gelijktijdige berichten aangaande den 

zijde te vinden. Ik heb echter gcene ijdegenheid gehad 

jven te bezoeken '), en te vergeeiis heb ik gedrukte Zwcedsche 

Klemmings ^FörUckning öfver Kongl. Bibliotkekets Samling 

^■i^a^ser om Sveriges Krig" (Stockholm 18Ó7J, voor zooverre 

^lu<q|r>^ Werken alhier |^te Kopenhagen) toegankelijk zijn. Slechts ééa. 

^Td^ bericht heb ik gevonden, dat, zonder BaNCKER.^ cf zijn schip 

IsTaarbüjkelijk daarop doelt. Het is een bericht, gedagteekend 

Sijl), van .,Faltlagret fOr Kopenkamn" til Landshövding Eric 

l'^ftiB^c^*), waarin o. a. staat: 

'^ï^::£bllandsch schip, dat bij Hveen lag, is door het ijs op den 

zoodat het nauwelijks daarvan af kan komen ; de onze hebben 

«J^-*^^ r^^^m ^^^"**i^'J^ te steken. 




«fei.^. *.^ 







i»ii^ «*®t» »^^ 
99 ■» ^ 



I ^^*ï^:*'*:p^'*^«.'0a5®'"JBJt "iS- "«Ü- "ü ^ •«Sfe «^Ö, «'S:-» «'S:-» 



ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 145 

Dezelfde bronnen toonen overigens aan^ welke ernstige ongelukken de 
ijsdrift in deze dagen ook aan andere schepen berokkende. Drie schepen met 
kostbare ladingen waren op de kusten van de Sont gestrand, en in Landskrona 
was het Zweedsche oorlogschip ^Samson*'^ zoodanig door het ijs beschadigd, dat 
het op 4 vadem water zonk. 



Deze brief kan, hoewel men dit zou verwachten, niet dezelfde zijn als de 
door D£ Jonge bedoelde. Want de woorden, die hij daaruit aanhaalt, worden 
in het geheel niet in den hier afgedrukten brief gevonden ; en het origineele 
journaal, dat daarbij gevoegd was, heeft wel, te oordeelen naar de door Wassenaer 



1) In het Jotmaal van Wassknakr worden gedurende den geheelen winter Tan 1658— 1659 bijna 
da|;elijks iterfgeyallen van matroxen vermeld. 

Oud-HoUandj 1902. 19 



Hierboven is medegedeeld, dat een van de twee stukken, die DE JONGE 
citeert, een brief is, waarin Banckers aan zijne Admiraliteit bericht van den 
strijd geeft. Toen ik het origineel daarvan in het Rijksarchief in Den Haag 
zocht, vond ik onder de betrekkelijk weinige en verspreide zaken, die uit den 
brand van de marine-archieven gered zijn, in portefeuille No. 939, den vol- 
genden karakteristieken brief van Banckers aan de Gecommitteerde Raden ter 
Admiraliteit in Zeeland, te Middelburg: 

„Ed. Mog. Heeren, 
Mijn heeren, 

Desen dient om U. E. Ed. Moggende bekent te maecken, als dat ick 

met ons schip op de brantwacht liggende, op den 8 Marttij 1659 ^^^ ^^^^ '^ 

den stereken heysganck gaende geraeckt, ende daernaer op den 10 deser ^ j 

aen Ween geraeckt, op den 25 ditto tegen 2 Sweeden en een brander slaghs J 

geweest, 't welcke U. E. Ed. Mog. better utt dit nevengaende sult geliven | 

te verstaen, alsoo 't Journael is vant geene ons is wedervaeren van dat ick ^ 

wegh dreeff, tot dattum dessen, dat ick weer by de vlootte ben gecommen ; ; 
hier sterft noch veel volck in de vlootte ^) ; ick hebbe van den heer admirael 

Opdam order gecreggen om ons schip binnen te cortten, ende te sien hoet ^ 

doort stootten aen de gront gestelt is ; niet anders, wensche U. E. Ed. Mog. \ 

geluck en saelycheyt, amen. Acttum int schip den Zeeridder, voorCoppen- i 

haven, den 30 Marttij anno 1659. \ 

Ed. Mog. Heeren, 

U. E. Ed. Mog. oottmoedigen dienaer 

Adryan v. Tr. Banckers." 




,'^ÏERS EN ZIJN GEVECHT bIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 



IJ 



i>at@ M& boven), ecnige soortgelijke uitdrukkingen, maai riet dezelfde 
l|WP^JHae<iIec!celing v»n b'^venst.-.anden onget-.vijfcld echte:', brief vaa 
itiisschen van weinig belang, verder bij den door DE JONGE 
f staan. Er is alle reden te gelooven, dat wij in den door 
^{ het eerste rapport van Banckers hebben aangaande den 
ïrking genomen, dat liij dit geschreven heeft den dag nadat 
l docrstaiic gevMi.n, gelukt was weder in Kopcr.hagen binnen 
il hij' nog de versche holde vtr^r zijn mood geroot, kan men 
^•de Jonge's lof voor zijne bescheidenheid instemmen ; want 
Jelijk voorstellen, hoe hij een rapport zou hebben kunnen 
i.mindêr over eigen verdiensten uitwijdde. 

jfc "H^ ''^''^^■*''^'^ medcdeelingcn aangaande de:i strijd kan het ten slotte 

~ "?t'^3^*l?^l'*S^bben, de re=!olutic af te drukken, wanrbij de Admiraliteit van 

^^'^P^ beloonde, te meer omdat daaruit blijkt dat hij ook bij eene 

i^ voordat hij de Deensche vaarwateren verliet, nieuwe bewijzen 

_^manschap ea moed heeft gegeven. 

■» "S^fll^ ^^^ vindt nieii in cc.i piotokol met extracten uit de ResoluHte 

'1^* w^-''^t?^' ■£" ^^-lar-d, d.d. 26 November 1659 (Fo'- 40l) in het Rjjks- 

'ï3tglitiE:ig:l|Sri;^3!g[5, Portefeuille $68 a van het Marine-archief; zij luidt aldus: 
-»-.jy. jj. .^. .—. .5, jj. 

■ aS'^*^§?É*'^''^^' 'I'^N'J^' ^ prcsedcnt, vcorgedrngcn, d:it de Cap" AdrIAEN 

"" fin verscheyde occasiSn in Dencmarcken peer wel enloffelijck 

b, en namentlijck dat sijn schip, wesende in den voorleden 

^anck gedreven opt eylant Wuen, en aldaer soo van lant als 

pedse oorlochschepen, geassisteert met een brander en eenige 

fji, acnget^iüt, hy deselvc met gr^ote couragci-.istjudvasticheyt 

rifgeslcigen, en trelve ?chip dncraf gebracht, met groot 

^datjff^de i*^ herAaert ■"wnS'^fe't D'-uemp'^Ten, inheb- 





2'-"t U''a^™p'''^'en, in 
^'t/^elW 't riir 



f g«^&s]HH <a» >(^ :ÜÏSi 







*a»-- 






*^w *«'»fe *:^ «. v?A' '^i'u "jü" "ü ^ *,^=%s *^=^ 'm^B •ij'* ^ 



ADRIA.EN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 147 

behooren te vereeren met een gouden medaille of penninck, is na deliberatie 
en gedanen omvraech goetgevonden den voorn. cap>^ BanckeRi om reden 
hier boven verhaelt, sal werden vereert van wegen het lant met een gouden 
penninck van hondert rijcxdaelders, daerop gesneden sal werden aen d'eene 
syde d'afbeeldinge van de voors. batalje, en op d'ander syde tvoors. schip, 
soo als het op 't voornoemde riflf heeft geseten, werdende den heer Tenijs 
versocht ende gecommitteert de sorge vant maken der voors» medaillie op 
sich te willen nemen. £n is den voornoemden cap^^ Bancker binnen ontboden 
en, verschenen sijnde, alle tselve aengesecht, ende denselven voor de voor- 
geroerde en andere syne goede diensten bedanct, met aenmaninge daerin te 
continueren, suilende in voorvallende occasie daerop reflexie en reguard 
werden genomen.'' 

Dat ook de stranding op Anholt een zeer ernstige en gevaarlijke gebeur- 
tenis was, die alleen door Banckers' zeldzame tegenwoordigheid van geest en 
moed zoo gelukkig afliep, wordt bevestigd door verschillende uitspraken van 
tijdgenooten, die wel verdienen .te worden aangehaald, daar bovenstaande resolutie 
slechts spaarzame inlichtingen daaromtrent geeft 

De keizerlijke gezant te Kopenhagen, Baron de Goes, schrijft in een 
brief') aan Koning Philips IV van Spanje, d.d. Kopenhagen, 15 October 1659, 
na van de stranding te hebben gesproken : ^De kapitein van het schip, Bancart, 
iemand, die bij andere gelegenheden in dezen oorlog grooten moed getoond heeft, 
wilde niet alleen het schip niet verlaten en. zich uit een zoo oogenschijnlijk gevaar 
redden, maar hij dwong zelfs, met den degen in de hand, zijn volk aan boord te 
blijven, totdat een zware storm het schip bevrijdde en het weder vlot maakte", 
en voegt daar bij : y^Hij is nu met zijn schip hier binnen gekomen, en antwoordde 
den Rijkshofmeester, toen deze hem vroeg, waarom hij bij zulk een klaarblijkelijk 
gevaar zich niet had zoeken te redden : een goed kaptein blijft waar zijn schip 
is, — een handelwijze, die terecht door allen zeer is bewonderd en geroemd.'^ 

Banckers had bij deze gelegenheid den secretaris van Koning Karel X 
GuSTAAF, Petrus Jülius Coyet, aan boord, die op weg naar Holland was met 
een gewichtige zending'). Men kon dus verwachten, dat deze aan zijn Koning 

1) Medegedeeld in Deensche ▼ertaling door Dr. Gigas in ^Historisk Tidsskrifl^' 5 Raekke, 3 Bind« 
bladz. 19X volg. 

%) S. A. SÖRBNSBN zegt in ^^;ööenhavms BtUfring*\ bladz. 147 volg., hieromtrent : «CoYET moest in 
het grootste geheim den Staten-Generaal voor oogen brengen, hoe nuttig de vriendschap van Zweden voor 
hen zou zijn ten opzichttf van de opperheerschappij ter zee; indien zij aan Karbl Gustaap de vrije hand 
tegen Denemarken wilden laten, bood hig hun ter vergelding daarvoor tolvrijheid In de Sont, de vesting 
Glflckstadt, het graafschap Oldenburg en FÜnen aan." Maar het voorstel strandde, in den letterlijken zin van 
het woord, op Anholt. En de Nederlanders, wier handen zoo lang door de Haagsche tractaten gebonden 
waren, kregen in November gelegenheid Denemarken hulp te verleenen bij de wederverovering van Funen. 

19» 



I» 



8 




de straii 
sü^'^ BanCK) 



_ fw( ccnige 

jf- ilglf ;Sr||ief Ie Sto< 

ideze zaal 
^-H^'Ofvaii Cov 



•' ■tlMl 

til 







3-t«-:S:ndm£ hc: 

•fS:: „Konde 

j: ;|EJl|^ten, dan 

iï^%££<C^en doen,' 

:^Li» ^«I^i onderdai 

"'"" " » »J 

«5 







^Ife *'^* *'^Sfc *^^ • * ' 



ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 149 






ad 



k'> 



*"r! 



X 



',*•» 
-*,» 



lot van het schip, sluit COYET met den uitroep : j,Deerniswaard!g is het, dat 
zoovele schepen voorbij het gestrande schip zullen zeilen en niemand zal zich 

^^ over de arme lieden erbarmen, die aldaar in het grootste levensgevaar zitten. 

^' God almachtig moge hun genadig te hulp komen." 

^ Reeds den 2^^^ October kan Coyet echter in een nieuwen brief aan den 

Koning mededeelen : juist toen wij over den gedurigen tegenwind ten zeerste 

fe2 bezorgd waren, vernamen wij hier met hartelijke blijdschap dat. het schip voor 

wind en stroom hier naar toe is gedreven, met al de aan boord zijnde manschap- 
pen en goederen," met uitzondering van eenige weinigen, die te Anholt aan wal 
waren gezet. Hij schrijft verder : „De kapitein van het schip, Adrian Banckerts, 

pc die zich ten allen tijde zeer hoffelijk jegens mij en het geheele gevolg heeft 

gedragen, en zich ook een dapper dienaar van zijne principalen heeft getoond, 

[is kwam heden dadelijk aan wal" en verzocht vergunning om naar Kopenhagen te 

r 

^ vertrekken, waar hij met de Hollandsche gezanten wilde spreken, en wat hout 

.v wilde bekomen, om een stuk mast te maken, in plaats van die verloren was ge- 

gr; gasin, om aldus een zeil midden op het schip te kunnen aanbrengen en de reis 

voort te zetten, en eveneens om wat hout voor de bezaansra te krijgen, die hij 
ook verloren had. De kommandant vervulde zijn wensch, ter vergelding van 
Banckers' j^civilité", en deze was zeer ingenomen met die „courtoisie" en 
beloofde er bij de gezanten loffelijke vermelding van te zullen maken, waarna 
hij naar Kopenhagen vertrok; COYET roept dan wederom uit: ^Het is eengroot 
wonder, dat het schip zoo zware stooten heeft kunnen verdragen, en niet in 
duizend stukken verbrijzeld is". Hij vindt het in het belang van den Koning, 
dat Banckers beleefd behandeld wordt, „omdat hij een buitengewoon goede 
kerel is, die van harte eene goede en bestendige vriendschap tusschen Uwe Kon. 
Majesteit en de Staten-Generaal wenscht" '); en ten slotte verzoekt hij met aan- 
drang om schadeloosstelling voor de vele buitengewone onkosten, waaron(ler 
genoemd wordt een belooning voor de moeite en het gevaar, waaraan twee Hol- 
landsche matrozen zich blootstelden, door tijdens den storm hun leven te wagen 
op een klein vlot, van vier kleine balken, om aan boord van de Hamburgsche 
galjoot te komen en zijn gezagvoerder over te halen hun te helpen. 

Den 6 October bericht COYET, dat BANCKERS op bevel van de Hollandsche 
gezanten ^^de Zeeridder^^ laat herstellen ; den 8 October dat Banckers goeden 
moed heeft om de reis voort te zetten, j,ofschoon het schip alleen een stuk mast 
Hl plaats van de groote mast voeren moet." Den 16 October stak Coyet in 



k: 



»• 
*»•• 



w» 



1) De wensch naar Trede was op dit tijdstip xeker algemeen bij de Nederlandsche zeeoffideren, die 
gebonden door de Haagsche traktaten, den geheelensomer met hunne sterke vloot niets hadden kunnen uitrichten. 



*^ ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 151 

^'^- die Arm, und gaben ihm zwei Ruder in die Hd,nde und banden einen langen 

Strick an das Flosz, das reichet bis an das grosze Schiff. Wie er nun an 
^.% das grosze Schiff ist kommen, hat der Schiffer erfahren^ dasz ein vornehmer 

^^ Herr darin ist, hat er ihm gleich ein klein Schiff [nl. Boot] geben und hat 

^'^t sich gleich mit dem Strick zurückgezogen, denn der Strick ist fest gewesen 

^ecl an dem groszen Schiff. Haben sich Ihro Durchlaucht gleich resolvirt und 

in das Schiff gesessen und haben ihre ChatouU zu sich genommen, und haben 
bdei) sich mit dem Mann wieder hinüber ziehen laszen bis an das grosze Schiff. 

ktijrc - ^^ seind die Wellen zu stark gegangen, dasz auch die Wellen das kleine 

|{s^ Schifï wieder das grosze geschlagen und davon entzwey ist gangen, dasz 

(290* auch Ihro Hochfürstliche Durchlaucht mit halbem Leib im Wasser gestanden, 

25 j^ dasz auch der Schiffer Ihro Durchlaucht einen Strick über den Leib geworfen 

^ und so hinauf auf das Schiff gezogen. Ihr SchatuU ist in dem Meer ge- 

^. blieben mit vielen Pretiosen und grosze Obligation, so Sie wirklich von der 

Königlichen Kron Schweden noch zu fordern haben. Auch batten Seine 

Hochftlrstliche Durchlaucht dem Admiral die Parole gegeben, ihn auch abholen 

^I^ zu laszen; weil aber das Schiff zerbrochen war und verunglückt, woUte der 

^ Schiffer nicht warte;n, und gieng fort, und kamen also glücklich zu Hamburg an." 



ftri- 



Uit dit verhaal moet men dus afleiden, dat de Prins op een ander schip 
naar huis is gekomen, maar COYET moest met Banckers geteisterde schip weder 
verder gaan, en het blijkt uit Coyet's rapporten dat Banckers, niettegenstaande 
zijn schip geen grooten mast had, op den 16 October van Elseneur wegvoer en 
den 22 October te Tessel aankwam, een vlugge reis, vooral onder deze omstan- 
digheden. Volgens een brief uit Den Haag van 11 Nov. 1669, nieuwe stijl*), 
moet hij van Kakel X Gustaaf, door tusschenkomst ^an Coyet, als belooning 
een ketting en een penning ter waarde van 400 Rdlr. bekomen hebben, behalve 
300 daalders voor de scheepsbemanning. ') ^ 

^^ In het y^Biographisch Woordenboek der Nederlanden*^ zegt van der Aa 

aangaande Banckers, dat hij voor den strijd bij Hveen een gouden penning 
kreeg van den Deenschen Koning, waarop een afbeelding van zijn daad. Ik heb 
o. a. bij de Koninklijke muntverzameling geinformeerd, of een zoodanige penning 
daar bekend was, maar een ontkennend antwoord gekregen. Misschien hebben 






L,2 



"é. 



it 



>) John Thurlok, Stati Pafers VoL U bladx. 775. 

S) Hiennede stemt overeen dat Karbl X Gustaaf op 24 Oct. 1659 («Riksregistratur" in R.A., Stock- 
holm) aan den boekhouder NiLS Joi^sON -~ die geen penning in toorraad had voor den gouden ketting, dien 
de Koning aan ,den schipper van Coybt's scUp" wilde vereeren — beval, om voorloopig den penning te 
nemen, die anders voor „den Moldavischen gezant" bestemd was. 



152 ADRIAEN BANCKERS EN ZIJN GEVECHT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 

wij bij het bericht van van der Aa te denken aan een verwisseling met den 
penning, dien BANCKERS van de Admiraliteit van Zeeland kreeg ; maar aan den 
anderen kant, het ieit dat men hier in Denemarken van dezen penning niets meer 
weet, is nog geen bewijs, dat die niet bestaan heeft. Eveneens heb ik in de 
Deensche „Kancelli-registranter^^ van 1659 en op andere plaatsen te vergeefs naar 
eene koninklijke belooning voor BANCKERS gezocht. ^) 

Vijf jaren na zijne thuiskomst werd Banckers bevorderd tot Schout bij- 
Nacht, het jaar daarna tot Vice-Admiraal en nog in hetzelfde jaar 1666 tot 
Luitenant- Admiraal van Zeeland. *) In den oorlog met Engeland stond hij dikwijls, 
met DE RuYTER als opperbevelhebber, aan het hoofd van een eskader^ wordt door 
DE Jonge herhaaldelijk geprezen en altijd onder de dappere zeeofficieren genoemd, 
hetzij dat hij tot den goeden uitslag van een gevecht bijdroeg, of dat hij tot de 
roemrijke uitzonderingen behoorde, als anderen zich minder goed hielden. Hij 
onderscheidde zich in den vierdaagschen zeeslag, en eveneens den 4den Augustus 
1666, ofschoon hij toen werd omsingeld en door de Engelschen zoozeer in 't nauw 
gebracht^ dat hij ten laatste, liever dan zijn schip aan den vijand prijs te geven, 
de bemanning in booten redde en het schip in brand stak; verder in den slag bij 
Solebay, 1672, waar hij gewond werd, en in den slag bij Kijkduin, 1673, waarna 
hij met een geschenk van 4000 gulden beloond werd. Maar vooral spreekt 
DE Jonge, zooals vroeger vermeld is, uitvoerig over zijn strijd bij Hveen, Klaar- 
blijkelijk heeft deze veel tot zijne beroemdheid ') bijgedragen en daarom is het 
opmerkelijk, dat die zoo spoedig in Denemarken vergeten is. 

Voor eene natie is er iets mistroostigs in, wanneer in de historische litte- 
ratuur van het buitenland slechts zwakke of hoegenaamd geen sporen meer ge- 
vonden worden van wapenfeiten, door harezonenin vreemde landen of in vreemden 
dienst verricht, al moge men het natuurlijk vinden, dat ieder volk het liefst bij 
de verdiensten van zijn %igen zonen verwijlt. En zulk eene nalatigheid kan 
allicht tot het besluit leiden, dat de berichten over zulke in het buitenland be- 
dreven wapenfeiten misschien overdreven, of verzinselen van een verkeerd patrio- 
tisme zijn« Dit behoeft toch niet altijd het geval te zijn, al zou zelfs het eigen 
land alleen kennis daarvan dragen. Een Nederlander zou bijv. zeker moeite 
genoeg gehad hebben om een woord over het gevecht van BaNCKERS bij Hveen 



>) Het zou dan moeten rijn dat dese hierin gesocht moet worden, dat de Koning, ia April 1659, tu 
Kolonel A. de la Cortb gelastte om uit het tuighnis aan .Commandeur Adkian Bavckbkt" een kasoo 
▼an za pond uit te leveren. 

>) Admiraal Banckers was driemalen getrouwd, stierf in 1684 te Middelburg en is aldaar in de 
St« Pieters Kerk begraven. 

*) Van der Aa segt in sijne biografie van Adriabn Banckers juist, dat hij xich door dit gerecht 



nberoemd maakte.*' 






:HT BIJ HET EILAND HVEEN IN 1659. 163 



I» 
I» 



l^im.JÖ^SlB It'*** is het feit onomstootelïjk. Bij ons in 
*'é^-^'iHeBÏ:^ta -^(rekkingen uit het zwijgen van Venetiaan- 
'^u„'.'_^BÉuB>aii.flB^K.<. ,.^1. ~..:__^_i.»4.i..«j» maar — zooals 





verkeerde oordeel- 



■crige geschiedenis 

oorlog t'jsschen Denemr.rker en Zweden 

jlïm volledig beeld daarvan geven, wanneer 

de Nederlanders van belang is, of 

t»li4tie bronnen, vooral in een tijdvak als het 

* ^nncn zoo schaars vloeien. Ik ml hopen, 

sSenc kleine leemt? in de kennis van dezen 

^,' p^SH-kzaam moge maken op eenige tot dusver 

»fejï^ïé!i^.en er toe bijdragee om op dit gebied den 



:?-■= 




^M 



ri 



VAN CAMPEN, 



A. W. WEISSMAN. 




I AD de Oranjezaal den meester gelegenheid gegevra, ia 
den Haag zijn talenten te toonen, ook Amsterdam, de 
slad, \>aar zijn vader geboren was, en waar hij nog vele 
ver-.vartc:: hr.d, riep zijn liulp \i:dcron-. in. DeNieuwe 
Kerk was in het begin van Januari 1645 door braad 
geteisterd. Men begon haar aaastonds^te herstelten, eo 

■ ****^^'>«]^'«.&> '^'^.ife ' «.^ .haar van CM 

«* n^Ê^->*^M^^ffi^%'^È i«3ft;«^fcteekend,wie 



uitgegeven, 

als van het 

geweest is. 

Il^cht. Daar de 

^-«^ym die zijde 



^» 0& '<fgf 'W® - hekken vaa 
iiSIki.^J«<^ .ln^ren overdni 
*^^ «ë^ «^> 4^K 



■t-t- 



10 
m 



10 



■m 









" '^ '^ '^ '^ '^ 
•M 'S' -sï -st -.a» 



• 



JACOB VAN CAMPEN . 155 

Nu vaststaat dat Jacob van Campen den toren en het orgel der Nieuwe 
Kerk heeft ontworpen, terwijl tevens kan worden aangetoond, dat hij voor de 
tombe van Jan van Galen de teekening maakte, is het zeker niet gewaagd, ook 
de ontwerpen voor de overige herstellingswerken aan hem toe te schrijven. 

Het is zeer januner, dat men haast nooit in de Amsterdamsche archief- 
stukken uit de I7« eeuw den naam van een bouwmeester genoemd vindt. Maar 
tusschen 1635 en 1648 werd, wij zagen het reeds, alleen Jacob VAN Campen 
door Burgemeesteren en Thesaurieren om ontwerpen gevraagd. 

Bijzonder merkwaardig is de hardsteenen balustrade om het kerkdak, met 
de fialen daartusschen. Dit bouwdeel werd tot dusver als een werk uit de i Sleeuw 
beschouwd. Doch een betrekkelijke kleinigheid, in het jaar 1646 voorgevallen, gaf 
den Oud-Raad den 29 October van dat jaar aanleiding, om zich met die balustrade 
bezig te houden, zoodat wij omtrent haar iets vernemen. 

Het werd als volgt geboekstaafd: „Alsoo aen de Niewe Kerck buyten 
kennisse van de Heeren Burgemeesteren en Thesaurieren twee schoorsteenen, de 
eene int comptoir van de Diaconen, d'ander int Huyssittencomptoir sijn opgehaelt 
soo hoog als de kap van deselve kercke; alsoo volgende de last van voorgaende 
Burgemeestaren geordonneert is, een Crans van hartsteen omt dack van deselve 
kercke te maecken; dat de nieuwe schoorsteenen het sieraet van deselve kercke 
f eenenmale sijn weghnemende ; werd dit bij de heeren Burgemeesterön en Oudt- 
Burgemeesteren in communicatie gelegt en daerop geresol veert de schoorsteenen 
te doen aibreecken." Tot dit werk werden geauthoriseerd : j^DlRCK Wynants, 
onder*fabryck, Pieter michiels, stats-timmerman en Philips de Vos, statsmet* 
selaer." 

Hieruit blijkt dat de tegenwoordige balustrade in 1645 en 1646 gemaakt 
moet zijn. Het is wel zonderling, dat geen andere aanteekening, op een zoo 
belangrijk werk als de herstelling der Nieuwe Kerk betrekkelijk, te vinden is. Nog 
vreemder mag het heeten, dat, blijkens de staten der wedden van die jaren, de 
stad geen meester steenhouwer in haar vasten dienst had. PlETER en Willem 
de Keyser waren nog in leven; zoo zij toen aan het hoofd der stads-steenhouwerij 
hebben gestaan, waren zij niet, als hun vader, ambtenaren op een vaste jaarwedde. 

Vele traceeringen in de vensters der Nieuwe Kerk moeten in dezen tijd 
vernieuwd zijn ; doch alleen wie zeer goed in de latere Gothiek thuis is, zal dit 
bemerken. Maar waar zelfstandig moest worden opgetreden, zooals toen een nieuw 
portaal aan de oostelijke koorkapel gemaakt werd, is een eigenaardige vermenging 
van Gothiek en Baroque elemeqten ontstaan, gelijk men ook aan den toren ziet 

Die torenbouw werd in 1652 reeds gestaakt. Wat verrees, is later weer 

gesloopt. Van den toren bestaan twee modellen, die nu in het Rijksmuseum 

20» 



156 



JACOB VAN CAMPEN. 



bewaard worden. Het eene is in Palladiaanschen geest, het andere vertoont een 
poging om Gothische vormen toe te passen. Dit tweede model is bij de uitvoe- 
ring gevolgd. Dat VAN Cabcpen, die, volgens HUYGENS, ^de vuyle Gotscfae 
scheir* van de oogen der Nederiandsche bouwkunst had afgenomen, die ^'t Gotsche 
kruUigh malF' voor ^Staetigh Roomsch" had doen plaats maken, zich aan 
de Gothiek waagt, is zeker opmerkelijk. Wij zien hier een pogii^, om in een 
historischen stijl te werken, ondernemen. Dat VAN Campen de Gothiek niet 
begrepen heeft, bewijst zoowel het model, als het overblijfsel van den toren, dat 
thans nog den westelijken ingang der Nieuwe Kerk vormt. 

Ook de beroemde predikstoel en het kleine orgel der Nieuwe Kerk, ja 
zelfs het niet minder vermaarde koperen koorhek vertoonen een soortgelijken stijl. 
Het eerstgenoenide kerkmeubel is door Albertus Vinckenbrinck in 1649 vol- 
tooid, en daar zijn naam er verscheidene malen op voorkomt, heeft men den 
houtsnijder ook als den ontwerper beschouwd. Vele onderdeden zullen zeker 
van zijn vinding wezen. Maar de ordonnantie van het geheel, die naar een 
Laat-Gothisch voorbeeld gevolgd is, schijntmij van Jacob VAN Campen afkomstig. 

Dapper vermeldt in 1663 den vroegeren predikstoel, ,,daer lange jaren en 
met groote moeite aen gearbeit was en die ten opzicht van allerley aertigh beeldt- 
werk en ver-inziende gezichten haers gelyk in gansch Nederland niet had." 

Dat ook het koorhek een voorganger gehad moet hebben, is wel waar- 
schijnlijk, doch DAPPER zwijgt daarover. LUTMA gaat voor den vervaardiger 
van het koorhek door. De streng klassieke Korinthische ordonnantie, die het 
geraamte van het geheel vormt, draagt al de kenmerken van Jacob van Campens 
manier; maar in de vullingen wordt men aan het grillig lijnenspel der Gothiek en 
der Renaissance herinnerd. Ook aan den predikstoel ontbreken de klassieke 
elementen niet. 

In het jaar 1645 was er, door den brand der Nieuwe Kerk, gebrek aan 
ruimte voor het houden van godsdienstoefeningen te Amsterdam gekomen. Reeds 
sedert het jaar 1639 ^^^ ^^^ voornemen bestaan, om de Oude Zijds* of St Olois 
Kapel, die in 161 8 aan de oostzijde was verbouwd en die toen door Hendrik 
DE Keyser van een fraai portiek voorzien was, andermaal te vergrooten. Dit 
portaal aan den Zeedijk is er nog, doch in 1840 aan het oog onttrokken. 

Den 26 Augustus 1639 had de Oud-Raad besloten : „Opt versoeck van 
den kerckeraedt om St. Olofs Capelle te vergrooten is geresolveert dat men de 
vergrootinge voor dees tijd soude uytstellen, doch bij provisie de twee huysen, 
die daer aenleggende sijn, soude aencopen." 

In 1645 werden deze woningen afgebroken om aan het voornemen, de 
kerk te vergrooten, gevolg te geven. Zeer merkwaardig is de wijze, waarop het 



JACOB VAN CAMPEN. 157 

verbouwen geschiedde. Men brak de zuidelijke en oostelijke muren weg, doch 
behield de kap, en steunde die door zuilen, welke niet den antieken vorm kregen, 
doch in Gothischen trant werden ontworpen. 

Deze zuilen • zijn rond, zij hebben achthoekige basementen en kapiteelen. 
De abacus heeft een simaprofil met een parellijst daaronder. Tusschen deze lijst 
en de astragaal is blad werk aangebracht dat, ten deele, wat in de 1 5« eeuw placht 
gemaakt te worden, zeer nabijkómt. Een aandachtige beschouwing is noodig om 
de overtuiging te verkrijgen, dat men hier I7« eeuwsch werk voor zich ziet. Bij 
andere kapiteelen is het acanthusblad toegepast, doch zoo eigenaardig gestyleerd, 
dat men eer aan de 13® dan aan de 17^ eeuw moet denken. 

De archieven vermelden den naam van den ontwerper niet. DiRCK Wynants 
was toen onder-fabriekmeester, Pieter MICHIELS stads-timmerman en Philips 
DE Vos stads-metselaar. Wat van dit drietal bekend is, wijst er op dat deze 
ambtenaren wel ervaren technici, doch geen kunstenaars waren. MICHIELS en DE Vos 
werden naar Leiden ontboden om daar hun oordeel te geven over de paalfundeering 
der Marekerk, maar over het ontwerp dier kerk, door Arent VAN 's Gravesande 
gemaakt, vroeg men hun oordeel niet. 

Wij moeten dus aan iemand anders denken, en dan komt vooral jACOB 
VAN Campen als ontwerper in aanmerking. Deze kunstenaar stond bij de toenmalige 
burgemeesters in hooge g^nst; zijn werkzaamheid voor de Nieuwe Kerk' kan zich 
niet tot . den toren en het orgel alleen bepaald hebben. Ook voor de overige 
herstellingswerken heeft hij ongetwijfeld de teekeningen vervaardigd. 2iOO kwam 
hij er van zelf toe, zich met de studie der Gothiek bezig te houden. Een vrucht 
dier studie was het ontwerp voor den toren, doch een andere was dat voor de 
zuilen der Oude Zijds Kapel. 

Het blijft merkwaardig, dat die studie er van Campen niet toe leidde, 
met zijn Palladiaanschen stijl te breken. Hij bediende zich van wat hij als 
Gothische vormen beschouwde slechts daar, waar hij met de reeds bestaande 
architectuur in harmonie meende te moeten blijven. Maar zoodra hij zelfstandig 
te scheppen had, hernam hij zijn vrijheid weer. 

Dit bewijst het bijzonder fraaie portiek van eikenhout, in de Oude Zijds 
Kapel aan de noordoostzijde aanwezig, en met zijn Jonische pilasters, hoofd- 
gestel en frontispies een echt Palladiaansch geheel vormend. Meesterlijk is 
het houtsnijwerk der fries, dat ik aan ViNCKENBRiNCK meen te mogen toeschrijven. 

In dienzelfden geest is het orgel der Nieuwe Kerk behandeld. Dit orgel, 
dat tegen den torenmuur werd geplaatst, was niet het eerste waarvan aan jACOB 
VAN Campen de ordonnantie werd toevertrouwd. Volgens de aanteekeningen, die 
de heer C. W. Bruinvis in het archief van Alkmaar vond, was reeds in 1638 



158 JACOB VAN CAMPEN. 

door de regeering dier stad aan den meester het ontwerpen van het orgel der 
Groote Kerk opgedragen. Maria Tësselschade Roemers, van Campen's nicht, 
die zoo muzikaal was, woonde toen te Alkmaar als weduwe van den in 1634 
gestorven Allart Crombalch. Men zou hier aan haar invloed willen denken, 
nu VAN Campen, toen nog niet zoo vermaard als later, de opdracht kreeg. 

Van het ontwerp, door Jacob VAN Campen in 1638 ingediend, had Willem 
Cruyff een model gemaakt. Het duurde echter tot 1641 eer de orgelmaker 
Germer Galtusz. van Hagelbeer aan den arbeid ging. Nadat in 1642 door 
Mr. Anthonie Dionys de zailen geleverd waren, voltooide Jacob JANSZ. TüRCK 
in 1643 de orgelkas, welker beeldwerk door PlETER Matthijsz. gesneden werd. 
Claes van e verdingen schilderde in 1644 de luiken, en in 1647 werd het 
instrument door een viertal organisten, waaronder ook Dirk Swelinck behoorde, 
beproefd en goedgekeurd. 

Aan Jacob van Campen werd ruim f 390 uitgekeerd als vergoeding voor 
reiskosten. Hij werd, als hij te Alkmaar kwam, voor stadsrekening in het 
Moriaanshoofd geherbergd. Bovendien werd hem f 1800 als honorarium be- 
taald. Gelijk wij reeds vroeger zagen, werkte Jacob VAN Campen dus geens- 
zins voor niets. 

Het Alkmaarsche orgel wordt gedragen door vier zuilen en zes pilasters 
van de Jonische orde, van hout, doch als zwart marmer geschilderd. Boven deze 
zuilen en pilasters staan, op een attiek, even zooveel Korinthische, waardoor een 
smalle galerij gevormd wordt. Het rugpositief, dat deor drie gevleugelde vrouwen 
gedragen wordt, sluit op weinig fraaie wijs tegen het overige aan en behoort 
blijkbaar niet tot VAN Campens ordonnantie. Boven de Korinthische orde begint 
de eigenlijke orgelkast, die door een fronton wordt gedekt In dit fronton zijn 
drie kinderbeeldjes geplaatst, waarvan het middenste het wapen der stad houdt, 
terwijl de andere festoenen dragen. De geheele ordonnantie, klassiek, met groote 
lijnen, heeft al de eigenaardigheden, die 's meesters manier kenmerken. 

Het orgel in de Nieuwe Kerk te Amsterdam is in denzelfden geest als 
dat te Alkmaar. Reeds in 1645 moet het ontwerp gemaakt zijn, want den 28 De- 
cember Van dat jaar heeft „Germer van Hagelbeer, Orghelmaecker, aengenomen 
een g^oot orgel in de Nieuwe Kerck." Kort daarop stierf deze echter. Zijn zoon 
maakte toen het orgel te Alkmaar af, doch de Amsterdamsche stadsbestuurders 
namen een ander meester aan. Inzijn y^Luistervanhetorger', zegtde iSeeeuwsche 
organist JOACHIM Hess, waar hij het Amsterdamsche instrument bespreekt: 
^Ao. 1652 hebben de Heeren Burgemeesteren geresolveert, wederom een groot 
orgel te plaatsen in dezelve kerk, door Hans Wolff Schonat uit Kitzingen 
bij Frankenthal, zijnde de Tekening geformeerd geweest door Jacob VAN Campen, 



JACOB VAN CAMPEN. 159 

architect van 't Stadhuis." Wij vinden dus hier de mededeeling van Stalpaert 
bevestigd. En dat ook de door Hess genoemde orgelmaker de vervaardiger van 
het werk is, bewijzen op het archief te Amsterdam aanwezige bescheiden, die 
door den heer Brouwer Ancher in het Amsterdamsch Jaarboekje werden 
openbaar gemaakt. 

Het Amsterdamsche orgel is rijker, dan dat te Alkmaar, ofschoon het dezelfde 
hoofdlijnen vertoont. Het benedendeel bestaat uit zwart en wit marmer. De 
suilen zijn van de Korinthische orde; de vier buitenste^ zoogenaamde muurzuilen, 
staan tegen pijlers, die door QUELLIJN in 1652 van prachtig marmeren beeld- 
houwwerk zijn voorzien, waarmede eveneens de fries werd versierd. Ook hier 
komt het rugpositief op zeer onorganische wijze uit de kroonlijst naar voren, 
zoodat het den schijn heeft, alsof het pas later is aangebracht. 

Men vindt de ordonnantie van het benedendeel van dit orgel terug aan 
het grafteeken, dat in de Oude Kerk te Delft voor MaertEn Harpertzoon 
Tromp werd gesticht. Op gezag van Kramm heeft Galland dit monument 
aan PlETER PoST toegeschreven. Maar de overeenkomst van de compositie met 
die van het orgel bewijst wel, dat van Campen de schepper van het ontwerp 
moet zijn geweest. Men zou ook nog het getuigenis van Houbraken kunnen 
inroepen, die zegt: „wat zijn wonderbaar vernttft door de bouwkunde uitgewerkt 

heeft is blijkbaar aan verscheiden graftomben van Batavische zeehelden, als 

Tromp, van Galen, enz." Maar alle twijfel wordt opgeheven door de prent, 
met een drieregelig vers van Vondel, waarop vermeld wordt, dat Jacob van 
Campen de ontwerper en Romboüt VerhüLiST de beeldhouwer is. 

Dit monument is merkwaardig als het eerste voorbeeld van een eigenlijke 
tombe. Terwijl de vroegere gedenkteekenen slechts epitaphia geweest waren, en 
alleen dat van Prins Willem I een sarkofaag vertoont, heeft van Campen hier 
den langwerpig vierkanten vorm, die aan de altaren van Italië doet denken, 
toegepast. Het beeld van den held, die in volle wapenrusting met het hoofd op 
een kanon ligt, is een meesterlijke schepping van Verhulst. 

De tombe van Jan van Galen, welke gelijktijdig met die van Tromp in 
de Nieuwe Kerk te Amsterdam gemaakt werd, heeft daarmede zoo groote gelij- 
kenis, dat Houbraken, waar hij het ontwerp aan van Campen toeschrijft, wel 
geloof verdient. Doch er bestaat ook een prent van A. SlOERDSMA, waarop dit 
monument is afgebeeld, met vermelding: j^v. Kampen, inv.'' 

De ordonnantie tegen den muur, die aan het Delftsche monument zulk een 
rijk aanzien geeft, ontbreekt hier evenwel, en is vervangen door een trofee van 
vlaggen en oorlogstuig, die minder goed voldoet. 

Onder de werken van Jacob van Campen noemt Houbraken verder 



160 JACOB VAN CAMPEN. 

^'t Speelhuis te Voorburg, 't huis van den Heer Dedel te Lis en veele andere 
meer, als te Haarlem: 

' „De gevel van het huis des Heeren Guldewagen 
Daar boven op de plint Jachthonden 't Hart najagen*" 

Met „het Speelhuis te Voorburg" bedoelt Houbraken het buitenverblijf 
Hofwijck, dat HuYGENS liet bouwen. Dit was een tamelijk bescheiden woning 
Zei HuYGENS zelf ons niet, dat vak Cam PEN er de geestelijke vader van is, dan 
zou men hier aan een zelfstandige schepping van PoST willen denken. 

Welk gebouw het ^huis van den Heer Dedel te Lis'' was, heb ik niet 
kunnen vinden. Het fraaie en uitvoerige plaatwerk „Rhynlands gesichten, vertoonende 
alle deszelfs Lustplaatzen, Heerenhuizen, door Lisse, Sassenheim enz/' dat Abraham 
Rademaker ^met een gedicht, daarop toepaslijk" in 173 1 bij Lbonardus Schenk 
te Amsterdam het licht deed zien, noemt den Heer Dedel niet als. den bezitter 
van een der buitenverblijven. Door het welige geboomte zijn de huizen op de prenten 
zoo weinig zichtbaar in den regel, dat ook de stijlkritiek nietlcan worden toegepast. 

De gevel te Haarlem is, zij het dan ook in zeer veranderden toestand, nog 
in de Groote Houtstraat tegenover den Anegang, aanwezig. Naar de vormen te 
oordeelen moet de tegenwoordige pui omstreeks 1760 vernieuwd zijn. Misschien 
is toen de plint, waarvan Houbraken spreekt, tevens veranderd. Althans de 
jachthonden zijn niet meer te zien, en alleen het fraai gebeitelde hert versiert nog 
den gevel. Het wordt geflankeerd door twee steenen met Anno 1652, eenjaartal, 
dat er op wijst, hoe de gevel inderdaad nog bij het leven van Jacob VAn Campem 
gemaakt is. 

Nog erger werd de gevel misvormd toen hij, wellicht omstreeks 1820, 
andermaal verbouwd, zijn geheele bovendeel verloor en van de pilasters alleen de 
basementen in wezen bleven. De schachten werden naar boven toe verlengd, 
doch de kapiteelen verdwenen. Alleen de festoenen, waarvan jACOB VAN Campen 
zulk een liefhebber was, bleven gespaard. 

De heer C J. GONNET vermoedt, en zeker niet ten onrechte, dat nog twee 
Haarlemsche gevels door VAN Campen ontworpen zijn. Die, welke men Groote 
Houtstraat 113 ziet, is, wat zijn benedendeel betreft, goed bewaard gebleven. Op 
een Toskaansche rust hier een Jonische pilaster-orde. Het bovendeel van: den gevel 
js gemoderniseerd. De hoofdgestellen vertoonen de eigenaatdige vormen, die 
VAN Campen zoowel in de Nieuwe Kerk te Haarlem als in de gangen van het 
Amsterdamsche Raadhuis heeft gebruikt. 

De tweede gevel. Gedempte Oude Gracht 60, is in de l8e eeuw geheel verbouwd. 
Slechts enkele onderdeelen zouden nog van het ontwerp, door. Van Campen ge- 
maakt, over kunnen zijn. 



JAGOB VAN CAMPEN. 161 

Het is niet onwaarschijnlijk, dat de meester voor zijn Haarlemsche vrienden 
nog meer ontwerpen gemaakt heeft. De gevel Barteljorisstraat 1 2 althans, ofschoon 
wat zijn pui en bovendeel betreft veranderd, heeft een gebeeldhouwde venster- 
omlijsting en een kroonlijst, die geheel in den trant van den architect zijn behandeld. 

Moeten wij ook de tegenwoordige Hoofdwacht^ die Mr. SciPio Ormea 
omstreeks 1645 als zijn vorstelijke woning deed verrijzen, aan Van Campen 
toeschrijven? Reeds in de i8e eeuw, toen het huis tot hoofdwacht werd ingericht, 
is de gevel zoo Verminkt, dat men over zijn oorspronkelijke gedaante niet meer 
kan oordeelen. Het balcon, het balconvenster, de festoenen zijn wel in Van 
Campen's manier. 

Onder de werken, door den meester geordonneerd behoort ongetwijfeld ook 
de witmarmeren afsluiting, waarvan Cornelis de Graeff de vroegere doopkapel 
der Oude Kerk te Amsterdam deed voorzien, toen die in 1648 de grafstede van 
zijn geslacht was geworden. De strenge Korinthische ordonnantie met de festoenen 
is in denzelfden geest als die van het oi^el der Nieuwe Kerk. 

Dat Van Campen zich niet te hoog achtte, om ook voor zaken, die wij tegen- 
woordig onder de kunstnijverheid zouden rangschikken, ontwerpen te leveren, 
bewijst een aanteekening, die de heer C, W. Bruinvis in het Alkmaarsch archiei 
vond. De schrijnwerker PlETER JANSZ. nam 3 November 1655 aan het maken 
der banken tegenover den predikstoel in de groote Kerk te Alkmaar y,naar de 
teekening van den Heer Van Campen'\ Deze banken, wier overhuivingen door 
Jonische zuilen, volgens ScAMOZZi gedetailleerd, gedragen worden, zijn met fes- 
toenen versierd, die uit vruchten en schelpen zijn samengesteld en met groot 
meesterschap gesneden werden. 

Min of meer tot de kunstnijverheid behooren ook de overblijfselen der betim- 
mering van het Hoogerhuis bij Amersfoort, die thans in het Rijksmuseum te 
Amsterdam bewaiard worden. Dit landhuis had JACOB VAN Campen voor zijn 
eigen gebruik gebouwd. Men wil, dat het decoratieve schilderwerk met de wijs- 
geerige Spaansche spreuk: ,.E1 todo es nada" van zijn eigen hand is. 

Toen 7 Februari 1651 de bliksem den top van den toren der Lieve Vrouwe- 
kerk te Amersfoort in brand had gestoken, was het aan den moed van den stadstim- 
merman Lenaert Nicasius te danken, dat de brand zich tot de spits beperkte. 
Jacob van Campen schilderde het portret van den wakkeren timmerman, dat 
zich nog op het Raadhuis te Amersfoort bevindt. In 1655 heeft van Campen 
ook zijn advies omtrent het herstellen van den toren gegeven. Een andere schilderij 
van den meester, vroeger in het St. Pieters en Bloklands-gasthuts, doch thans 
ook op het Raadhuis te Amersfoort, verbeeldt Christus, die den draak vernietigt, 
terwijl engelen met bazuinen levenden en dooden tot het Laatste Oordeel roepen. 

Oud-Hoüand^ 1902. 21 



162 JACOB VAN CAMPEN. 

Deze beide schilderijen doen zien, dat van CampbN als schilder geheel andere 
idealen had, dan zijn tijdgenooten, wier werken thans zoo gewaardeerd worden. 
Hij beoogde, monumentaal schilderwerk te leveren, zooals de Italianen en de 
Vlamingen dit gemaakt hadden. De onder zijn leiding tot stand gekomen Oranjezaal 
heeft verscheidene der HoUandsche schilders er toe gebracht, hun vroegere manier 
te laten varen, om zich op de monumentale schilderkunst toe te leggen. 

Het Raadhuis te Amsterdam is VAN Campens meest vermaarde werk 
geweest. Hij heeft het niet voltooid gezien. Doch bij zijn leven, toen het gebouw 
pas in wording was, heeft hij ruimschoots de waardeering en de bewondering 
van zijn landgenooten ondervonden* 

Al wat omtrent de stichting van dit Raadhuis in de archieven te vinden 
was, werd in i866 door A. W. KROON openbaar gemaakt. Deze ijverige onderzoeker 
kan het niet helpen, dat op^vele vragen, die men zou willen stellen, door de aanteeke" 
ningen geen of althans geen voldoend antwoord gegeven wordt 

Zoo zou men willen weten, wanneer Burgemeesteren en Thesaurieren met 
Jacob van Campen in verbinding zijn getreden omtrent het maken van plannen. 
Het besluit tot het bouwen van een nieuw Raadhuis werd reeds 28 Januari 1640 
genomen ; toen ontvingen Burgemeesteren machtiging, om de vereischte teekening 
te doen vervaardigen. Is men toen reeds de hulp van Jacob van Campen gaan 
inroepen ? 

De archieven geven geen licht. Van Campen had in 1640 ongetwijfeld 
nog niet de vermaardheid van later. Doch was er toen een ander bouwmeester, 
die hem in faam overtrof.? PlETER PoST moest zijn sporen nog gaan verdienen, 
want wat hij in Brazilië gebouwd had, kon hem, zoo min als zijn werkzaamheid 
onder Jacob van Campen in den Haag, niet beroemd gemaakt hebben. 

Ook Philips Vingboons, een geboren Amsterdammer, had zijn loopbaan 
pas begonnen. Dat deze niet in den smaak der heeren viel, blijkt wel daaruit, 
dat in 1645, toen hij een plan voor het Raadhuis had ingezonden, zijn werk 
eenvoudig ter zijde gelegd werd. 

Sinds 1633 hadden Thesaurieren het beheer van het fabrieksambt zelf in 
handen genomen. Beseffende, dat onder hun ambtenaren niemand was, wien men, 
als aan HENDRIK DE Keyser, het maken van eenigszins belangrijke ontwerpen 
kon opdragen, hadden zij reeds in 1636 jACOB VAN CampEN het projecteeren 
van de Heiligewegspoort toevertrouwd. 

Dit alles maakt het waarschijnlijk, dat men zich ook nu tot VAN Campen 
gewend zal hebben. Dit vermoeden wordt bijna tot zekerheid, als wij ons 
herinneren, hoe HUYGENS mededeelt, dat hij 15 Februari 1640 met Jaco'b van 
Campen uit den Haag vertrok, en met hem tot 22 Februari bij HoOFT bleef. 



JACOB VAN CAMPEN. 168 

Van Campen is waarschijnlijk niet alleen voor zijn genoegen naar de Amstelstad 
gegaan. Het ligt voor de hand, dat Burgemeesteren hem toen over de opdracht, 
die zij ruim twee weken vroeger van de Vroedschap gekregen hadden, zullen 
hebben geraadpleegd. 

Het raadhuis-ontwerp had aanvankelijk zeer bescheiden afmetingen, want 
toen het lo December 1642 werd ingediend, was de gevel slechts 40 M. breed 
gedacht. Telkens was men er echter op uit, het gedenkteeken grooter te maken, 
en werd weer een nieuw plan aangeboden. Den ri October 1646 verklaarden 
Burgemeesteren aan de Vroedschap, dat zij andermaal 'met deskundigen geraad- 
pleegd hadden, en tot de overtuiging gekomen waren, dat het gebouw nog 
aanzienlijker afmetingen behoorde te hebben. Zij werden toen gemachtigd, het 
^naer vereysch van 't werck" te vergrooten. 

De deskundigen worden in het besluit niet genoemd. Maar uit andere 
aanteekeningen blijkt, dat het van Campen en Post geweest zijn. Immers aan 
yijAN VAN MiLLE^s weduwe werd betaelt de somma van vyffentseventich gl. 
vijff stv. voor verteerde costen 't haeren huyse gedaen bij den ingenieur VAN Campen, 
sedert den i January 1647 tot den 29 dito incluis.'' En den 5 April 1647 werd 
aan y^P. PoST betaelt de somma van drie hondert twaelff gl. seven st. voor zyne 
moeyten, vaoatién ende dachloonen, mitsgaders verteerde costen bij hem gehadt 
ende gedaen ten tyde hy alhier heeft gebesoigneert over het teyckenen van de 
modellen van een nieuw te maken stads raethuys." 

Zooals in den regel heeft dus PosT ook nu het teekenwerk voor Jacob 
VAN Campen gedaan. In Januari 1648 werd met het heiwerk begonnen ; het is 
dus zeker, dat het plan in 1647 moet zijn gereed gekomen. 

Men mag aannemen, dat het heien onder toezicht der stadsbazen geschiedde. 
Maar toen het werk meer vorderde, werd Daniël Stalpaert als stadsarchitect 
aangesteld om met zes beéedigde opzichters de uitvoering te leiden. Hij kwam 
reeds i Augustus 1648 in dienst, doch zijn aanstelling geschiedde 29 October 
daaraanvolgende. 

Reeds de tijdgenooten meenden, dat Jacob VAN Campen voor zijn raadhuis- 
ontwerp geen honorarium had ontvangen. Maar dit wordt weersproken door de 
aanteekening van 5 September 1652: ,^betaelt aen jACOB VAN Campen de somme 
van duysent gulden per resto ende volle betalinge tot May lestleden voor diverse 
teergelden, reiscosten, vacatiën ende teeckeningen als andere gelycke diensten 
door hem ten behoeve deser stede fabryck gedaen." 

Dit bedrag is dus slechts één termijn van wat de bouwmeester ontving. 

Tijdens den bouw kwam VAN Campen dikwijls te Amsterdam, waar hij 

op stadskosten gehuisvest werd. Aan de beeldhouwkunst was bij het monument 

21* 



164 JACOB VAN CAMPEN. 

een groote rol toebedeeld; door de Oranjezaal was VAN Campen met de beste 
Vlaamsche schilders dier dagen in aanraking gekomen. Door hen zal zijn aandacht 
gevestigd zijn op Artus Qüellijn en Rombout Verhülst. 

Het was in 1654, dat het gerucht ging» als zou niet van Campen, maar 
Stalpaert de ontwerper van het Raadhuis zijn. VAN Campen vertoefde dat jaar 
verscheidene malen te Amsterdam en nam zijn intrek bij ARTUS Quellijn, wien 
j^voor 't kostgeld van Mr. Jacob van Campen" van stadswege f 300 werd 
uitbetaald. 

Het schijnt wel, dat VAN Campen in het verschijnen van Stalpaerts 
^Eerplicht" de hand heeft gehad. Immers het gedicht is door Jonker Everard 
Meyster, van Campens buurman te Amersfoort, gemaakt. En in het protocol 
van den notaris E. VAN DS VEN komt de volgende acte voor van 7 December 
1654: yiComparecrde Artus Quilinus, oudt omtrent 44 jaren, bedthouwer hier 
ter stede, ende HUBERTUS QuiLlNUS, oudt 32 jaeren, schilder, ende hebben Uj 
waere christelijcke woorden gedeponeert ende verclaert dat huyden dato deser 
eenen van Nerven, constschilder, tegens hen deposanten bekende en verclaerde 
dat in de voorleden weecke hij, VAN NERVEN, geweest was in de herberge die 
wert genaemt Apensuyer in een gangh bij de boshuyssluys, alwaer door eenen 
JacobüS Vennecool uytgedeylt wierde aen de presente personen gedructe bil- 
letten off pasquilen geintituleert : Eerplicht aen mijn heer en meester Jacob 
VAN Kampen, etc. ende dat hij, selffs daer present sijnde, meede een van deselve 
ontfangen hadde; voorts verclaert HuBERTUS QuiLlNUS alleene, dat eenen const- 
schilder RUEL genaémt 't geene voorsz. staet huyden dato desés oock tegen hem 
deposant bekent ende verclaert heeft, ende dat hij een van deselve billetten o& 
pasquilen bewaert hadde, dat op sijn camer oock aldaer aengeplact stonde. Ende 
also 't seivé de waerheyt is versochten sij deposanten verclaringe, etc." 

De gebroeders Quellinus lieten dus door een notaris vaststellen, dat, 
volgens geloofwaardige personen, de ^lEerplicht" door Vennecool in de kunste- 
naars-kroeg j^Apenzuur" was uitgedeeld. Wie nu deze VENNECOOL was, leert 
ons het protocol van den notaris P. Capoen. Daarin bevindt zich een acte van 
4 Juli 1658, waarbij ^Willem de Keyser, out 55 jaeren; Jasper van Baten, 
out 30 jaeren en Eva Hülst, weduwe van THOMAS BeumEr, out 47 jaeren, 
verclaeren, ten versoecke van jACOB VENNECOOL, dat zal«. Jacob VAN Campen, 
in zijn leven architect ende schilder, woonachtig op Randenbroeck buyten Amers- 
foort den requirant een geruymen tijdt in zijn dienst heeft geemployeert ende 
gebruyckt soo om eenige teyckeningen te maecken als anderszins daer hij d'selve 
in verscheyde occasien hadde van doen, gevende voor redenen van wetenschap 
de twee eersten dat sy meermalen gesien hebben dat hy verscheyde teyckeningen 



^té^mimtmmiu 



— '• —• - - — ■ 



JACOB VAN CAMPEN. 165 

voor VAN Campen heeft gemaeckt ende hem, Keyser, oock ten deeie to^e- 
bracht om van stadswege daernaar te wercken, Eva Hulst dat sy samen vaeck 
bij haer hadden gelogeeit/' 

Het blijkt niet, waarvoor Vennecool deze verklaring, dat hij teekenaar 
bij VAN Campen geweest was, en ook nog andere diensten voor hem verrichtte, 
noodig had. Het meest waarschijnlijk is wel, dat hij by Burgemeesteren er 
gebruik van wilde maken, om van hen de opdracht tot het vervaardigen der 
nog vereischte teekeningen te verkrijgen. 

Of hem dat gelukt is, blijft onzeker. Aan Pieter Post werd het maken 
der teekeningen voor de versiering der krijgsraadskaroer, die nooit is uitgevoerd, 
opgedragen. Maar het kan wel zijn, dat Vennecool voor PoST en Stalpaert 
dezelfde diensten verricht heeft, als voor VAN Campen. Het feit, dat hij 
de teekenaar is van de y,Af beeldingen van *t Stadhuis van Amsterdam", die 
Danckerts van 1661-— 1664 uitgaf, spreekt daar voor. 

Het laatste werk van Jacob van Campen, dat Houbraken noemt, is de 
Schouwburg te Amsterdam. Men heeft op verschillende gronden aan de waarheid 
dezer mededeeling getwijfeld. Immers Nicolaes van Campen, de neef van Jacob, 
den 2 April 1638 overleden, wordt als de „bouwheer" van den kort te voren 
geopenden schouwburg uitdrukkelijk genoemd. En daarenboven was de schouw- 
burg, die Houbraken krnde, pas in 1665» dus na van Campens dood, ter ver- 
vanging van den eersten gebouwd. 

Ondertusschén, HOUBRAKEN moge zich in het gebouw vergist hebben, in 
hoofdzaak is zijn mededeeling ongetwijfeld juist. Want Nicolaes, de „Excijs- 
meester", was er zeker de man niet naar, om een gebonw als dit, her eerste van 
dien aard in Noord-Europa^ te ontwerpen. Daartoe in staat gesteld door de 
erfenis van den kort te voren overleden schatrijken CoRNELlS VAN Campen, zal 
hij hoogstens een belangrijk deel van de bouwkosten voor zijn rekening hebben 
genomen. Nog in onzen tijd is de „bouwheer" de man, die iets laat bouwen. 

De ordonnantie van het geheel moet van Jacob van Campen zijn. Tusschea 
1636 en 1638 was hij met de Heiligenwegspoort, het Accijnshuis in de Oudebrug- 
steeg en het voltooien van den Westertoren bezig. Al deze werken vertoonen 
duidelijk zijn manier. 

Te Vicenza had de bouwmeester het Teatro Olimpico van Palladio 
gezien. Dit is zijn voorbeeld geweest, toen hij den eersten Nederlandschen 
schouwburg kreeg te ontwerpen. De strenge Korinthische ordonnantie zoo van 
zaal als tooneel wij«t daarop, terwijl ook de nissen met beelden aan Palladio's 
schepping ontleend zijn. 

Er was destijds geen enkel bouwmeester in Nederland, die iets dergelijks 



166 JACOB VAN CAMPEN. 

had kunnen maken. En de festoenen, waarvan de architect zooveel hield, die hij na 
1630 overal heeft gebruikt, waar hij iets versieren wilde, ontbreken ook hier niet 

Ofschoon het VAN Campen bij zijn leven en ook na zijn dood niet aan 
roem heeft ontbroken, zijn PiETER PoST en Daniël Stalpaert toch door het 
nageslacht aangezien als de scheppers van veel, dat in werkelijkheid hem tot 
geestelijken vader had. Post noch !§talpaert hebben daartoe aanleiding gegeven* 
Toen de eerste zijn voornaamste werken in prenten openbaar maakte» nam hij 
niets op, dat door VAN Campen ontworpen was; toen de tweede als de ontwerper 
van het Amsterdamsche raadhuis werd gedoodverfd, heeft hij, hetzij dan vrijwill^ 
of gedwongen, zijn y,Eerplicht'' in het licht gezonden. 

Dat Post in zijn zelfstandige scheppingen verre beneden van Campen 
blijft, werd reeds opgemerkt. Er is iets kleins in zijn werk, iets onartistieks. Waar 
hij, zooals bij het raadhuis te Maastricht; iets beters heeft geleverd, staat hij 
zoo onder den invloed van Jacob van Campen, dat diens medewerking waar- 
schijnlijk wordt En waar STALPAERT zijn eigen weg gaat, als hij tenminste de 
hulp van Vennecool niet heeft ingeroepen, wordt hij droog, zooals de Ooster- 
kerk te Amsterdam en de kerk te 's Graveland overtuigend bewijzen. 

Karakteristiek voor PoST z)jn sommige huizen in den Haag, bijvoorbeeld 

die Kneuterdijk 6 en 13. Dat is wel werk van den man: 

„Die soo wel huysen op 't papier weet voor t« stellen, 
Dat hy elck, die *t maer eiet, naer timmeren doet hellen, 
En groote bouwlust maeckt, schoon datser niet en was, 
En soo't beschimmeld geit doet komen uyt de kas". 

Post was een practicus, een man van zaken, die de klanten wist op te 
zoeken, en die een aardig vermogen naliet, toen hij in 1669 stierf. Hij was 
geen ^fascheux homme ^ gouvefner'', doch een eerzaam burger, die zijn vak goed 
verstond. Artistieke neigingen waren hem vreemd. 

HuYGENS wist dit wel. Toen PiETER PosT 3 Mei 1669 ^in 2 Dagen sieck 

en doot" was, maakte de dichter op hem het volgend grafschrift: 

„Bij dese Post 
Ught PiETER Post, 
Die won sijn kost 
Soo veel hij kost 
Aan Balck en Post. 
£n wierd verlost 
Met hij begost: 
Want als hij most 
Verging te post. 

Dit grafschrift, met het slot, dat de bouwmeester yiper post" naar betere 

gewesten verhuisde, heeft wel iets van een aardigheid. PoST is ondertusschen zeer 

juist door gekarakteriseerd. 



j 



JACOB VAN CAMPEN. 167 

Een geheel anderen toon slaat HüYGENS aan, waar hij van Campen gedenkt^ 
Van een der verzen werd vroeger reeds een fragment medegedeeld. Het fraaie 
begin luidt dus : 

„Hoe light hier Marmerloos die soo veel Marmer sleet, 
Én 800 wel slyten leerd' als noch heel Holland weet, 
£n noch heel Neerland niet en Neerlands ommelanden: 
Die *t Gotsche krulligh mair met staetigRoomsch vermanden 
£n dreef onw kettery voor ouder Waerheit heen ?'* 

Hier wordt dus VAN Campen genoemd de bouwmeester, die veel werk 
gemaakt, veel leerlingen gevormd, en die wat er nog voor Gothische elementen 
in de 17e eeuwsche architectuur waren gebleven, daaruit verwijderde, en zuivere 
Romeinsche vormen invoerde. 

Zelfs waar HUYGENS, in een ander gedicht op VAN CamPEN, zich meer 
den „sneldichter" toont, geeft hij hem grooten lof: 

„In dit dood-bedde light VAN Campen met sijn tween : 
Hij groot herstelder van wel-bouwenskonst, dats een, 
Hij (fie'in edel vuer en stelling had doorkropen 
Al waer men Nederland en Roomen om siet loopen : 

Dat's twee. en hij alleen, 

Cierae^ en hoeft hier geen. 
Het cierlyxte van all heeft hij sich selfs gegeven, 
Hij die de sterfHickheit des tyts sal overleven 
In d'onversterfflickheit van Oly en van Steen."* 

Deze gedichten zijn door HuYGENS den i Mei 1658, dus ruim een half 
jaar na het overlijden van jACOB van Campen, gemaakt. De dichter, die zulk 
een ijverig Protestant was, zou deze verzen niet geschreven hebben, als Jacob 
VAN Campen Katholiek was geworden, gelijk door J. A. Alberdingk Thijm 
in 1862, toen hij den bouwmeester tot den held van een romantisch verhaal 
maakte^ is beweerd. Ik heb te vergeefs getracht, bewijzen te vinden voor de 
juistheid van het uittreksel uit de Acta door Pater NORBERTUS Aerts gecom- 
pileerd uit de Litterae Annuae, welke beide handschriften, naar mij door professor 
H. J. Allard welwillend werd medegedeeld, op het Staatsarchief te Brussel berusten. 

Toen VAN Campen gestorven was, had zijn vaderstad Haarlem alle reden, 
den dood van haar beroemden zoon te betreuren. Maar het schijnt vreemd^dat 
4 Maart 1658 de Haarlemsche doodbazuin geblazen werd y^op de tombe" van 
den overledene, want een tombe is er nooit boven zijn graf geweest. En volgens 
HuygENS lag VAN Campen nog i Mei 1658 ^^marmerloos", dus zonder gedenkteeken. 

Over het monument, dat zich in den noorderbeuk der St. Joriskerk te 
Amersfoort bevindt, is reeds door verschillende schrijvers wat gezegd. Naarden 



m 



JACOB VAN CAMPEN. 






ta*'Öplf''0few"||3 het uit de werkplaats van RoMBOUT VerHDT.ST afkomst^. 
#Wl^tlittt4|nn''^^ dikwijls voor menschcn, die zich door niets bijzonder 
°^|pjm|^^0/il,-f| en, zulke grafteekenen, 'maar hij engeltjes deed treuren end 
^S^Mr ^^iS^^'^^^'^^^''-)'^^^''^ en der eeuwigheid een [>laats gaf. Waarschijnlijl 
^ft='S|H|*i*^'S M^'S'^liJl^ ucrk in vooiraad r.iaaktc. De crfgenariiv.a ^van zal 
^wl^r^''HJS?.:UiN", die den 23 Septcnber 1657 v^or / 100 het graf in d 
""l^'Wjgïlli kochten, kunnen het gedenkteeken tevens hebben aangeschafi 
~ " ^Wapenschilden hebben toen Jan Heerman en zijn vrouw hnnn< 
Matsen. Doch om den erflater eer te bewijzen, deden zij naas 
'w ^^tëi^'K^Qiistoenen met bouwmee^iters- en schildersgercedschap ophan{^ 
^-^W^'JÊ^W^'^ '■"* grafschrift var. Vondel hakken. 

.% 'S'^^B'e^ -^UYGKNS er zich in zijn gedicht o'-er verbanst, dat voor VAI 
^t^Gra. i^^^dnjdood geen marmeren grafgesticht verrees, dan moeten wij di 
sBT^zc^ r^%i;Btssn)s een speling van 's mans vernuft beschouwen. WantHUYGEN: 
^5>S:$^:^(pj|»,-^4t kunstenaars in zijn tijd nog nïet voor een gedenkteeken 11 
""■ "VigSjn. AUeea zeehelden kiegen hun tombe; i;iik'elc aanzienlijkei 
^cten ccn bescheiden dionuraeut inaken. De deftige familie vai 
'S*^^e dit voorbeeld. 
-- m ■». -^■^"*^*'*'^^*' '^ beroemd gebleven tot in de 19" eeuw toe; voora 
^ ||^^5^^^ wonder" werd geprezen. Doch toen de Gothiek, de schilder 
9gD>^ll^d s>S^iC§Oud-IIollandschc in dt; mode Icwamen, begon de bewondering 
ïi|*'J5\cË* «I^"'^' tl. verminderen er. Stolde men zijn voorgangers HENDRIK Di 
S^^i-te'^ïij ^S Dr Kev boven hem. 

^^iK^^^3^l de bouwwerken van JacOB vaN CaMPEN de geestige afwis 

;p^'\C^" .g: rood, de grillige versierselen, waarin DE Keyser en DE Kei 

~ ~ "~ Als, bij de uitvoering, niet alles groefsteen is geworden, dai 

^H dit slechts toegelaten, omdat de middelen het niet ander 

■gr een efff -■ Iiec''t: hij er niet mede bedoeld. 





. , . . . , 9tS>' «<©>- «<©>- 



m^nti- ^vir- •^a»- m^ar 

4A .Zm^ -%k .t,. ^»«k 




^H4§t^^'4ii*\^*'Mf i^ nemen. De liefde voor het klassieke 
S^>i>A^^^||l3't|^'^^" <^^ dichters en de geleerden, maar 

*""*'i8"i^'fSiÉ'&''É?"^'^'^ maakten, gingen bij de antieken ter 
■g,<ifjS.^;tt=|iItt,'JJ.dc Itali:i:ic:i nog na, dit duurds niet lang. 
'S'fl WJ§'|§tfSiati§nke!ijk uit die bron. Hn.dden DE Kevsef, 

^li^MHiê 19 S9 ^Mder Drost, men had hen ongetwijfeld in 

„. S^^ ÖI||bJIjK tflsn door klassieke Omgeving bloeide onze 

8iïi^4il4^,i^ 'M^H'^^J^ hebben niet door beschaving naai de 

*'"'*■ fi.^(ë5Élll^*S'=--'»nt. Zij veelden zich :;lccht2 liand- 

^H'W>ï|tbSê^fK'^'' ^"" tijdgenooter gewaardeerd, schiepen 

'êr|4. op de juiste waarde zou .schatten. 

fkT||BR en DE Key, de stadssteenhouwers, zich 

'Scï^ «*'"É^'^*^'^^ PiETER PObT en DantEl Stalpaeei' 

^i-a-ordcn beschouw J. jAtOL va:.' Cami'EN was 

■ '*- . . 

,, ^„'CS" ontwierp kon hij niet anders, dan r.nn de 

i^'^pijK, waartoe hij behoorde, uitdrukking geven. 
''I^m'^Io**^^™^» ''^^y^^ "^^ uitbundige lof, hem door de 

;lgt^^t^:^a woord van dank te brengen aan den heer 

j^js uit het Amst^idarasch Not,u;cel Aichief 

"1~ J. GONNET, die het Haarlemsch Archief 

e?ii:(§^^ló Mr. W. R. Veder en Dr. J. C. Breen, 

■S^^-*^'**^^"**'''^^'"^*^'' Archief vergemakkelijkten. 



■i^'M 



'^ 




<<§>' 



II 

IJ 



-£ï^» 



VAN DE VELDE DE OUDE 



DOOR 

P, HAVERKORN VAN RIJSEWIJK. 









' Schooneveld, 



kE vicrd;iagjchc zeeslag, ii tot 14 Juni 166C '), was eeoe 
I overwinning vo^r de Nedcrl.indsche Rcpjiblick. Men was 
f, er dadelijk op bedacht, partij te trekken van het behaalde 
3 voordeel. Reeds den 4en Juli werd de vloot verzameld op 
1 soldaten aan boord in de hoop eene 
_ i iding op de Engelsche kust te kunnen ondernemen. Den 
ï 10^'' Juli lag zij voor de Theems. Eta i-skr 1-v voer naar 

fi^JSVvtBI,.C^, ra^ •>^'|^ /Seinen werf». 
it1,^tai^ «^ Dgustus de 

_ s»^.*« ,tüte bdelte 
•«BK .Sr ,^ 



«• 




■S*.J- 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 171 

Schooneveld, door de Engelschen the St. James fight genoemd. De uitslag was 
ongelukkig voor onze vloot, niet het minst door de handelwijze van C. TROMP. 
Laird Clowes zegt in zijn History of the Royal Navy : ,,C. Tromp always fond 
^of independent action, and anxious, it may be, to distinguish himself above 
^his chief, put before the wind and broke through just ahead of the English 
^rear, thus, as on a previous occasion, separating himself by his own act from 
„his friends." De HoUandsche voorhoede onder J. EVERTSEN vocht dapper. In 
korten tijd verloor zij drie vlagofficieren : J. Evertsen, Tjerk Hiddes de Vries 
en Rudolf Coenders. Maar voor de overmacht der Engelsche voorhoede moest 
zij wijken. De twee middentochten streden met gelijke volharding. De Engelsche 
opperbevemebbers,. Prins ROBERT en Albemarle, moesten op een ander schip 
overgaan ;. de Royal Katherine en de St. George het gevecht verlaten. De Zeven 
Provinciën van DE Ruijter verloor alle masten in een heeten strijd met Holmes 
op de Henry. Ten vier ure begon de Ruijter te wijken, maar de eskaders 
waren zóó verwikkeld in elkaér dat zij, naar 't schijnt^ eenige uren tezamen 
zuidwaarts dreven, te uitgeput voor een. algemeene actie. Des avonds had 
DE Ruijter zijn eskader weer geordend voor zoover dit mogelijk was. Hij 
. plaatste den Vice-Admiraal Adriaen Banckers met twintig der minst bescha- 
digde schepen in de achterhoede van zijn linie, en begon een meesterlijken 
aftocht, terwijl de Engelschen den aanval hernieuwden. Gedurende den nacht 
werd het gevecht zoo wat voortgezet, en in den morgen van den 5 en Augustus 
levendig hervat. HetMaggeschip van Banckert en 't schip Sneek werden ver- 
laten en verbrand. De wind keerde naar het Noord-Oosten ; hierom en omdat 
men de banken der Nederlandsche kust naderde^ moesten de Engelschen de ver- 
volging opgeven. 

Tromp was den bevelhebber der Engelsche achterhoede gevolgd, toen deze 
opzettelijk week om hem van het centrum te verwijderen. Hij en de Luit.- 
Admiraal Meppel vochten dapper en verbrandden de Resolution. Maar den 
5en had het Engelsch eskader den wind en joeg TROMP achterna, die week op 
het bericht der nederlaag van de twee andere eskaders. De Schout-bij-nacht 
GOVERT 't Hoen sneuvelde. Des avonds zagen Prins ROBERT enALBEMARLE, 
te ver lijwaarts en niet in staat tusschenbeide te komen, Tromp naar de havens 
vluchten met het eskader van Smyth op zijn hielen. De Engelsche voor- en 
middentocht waren reeds des voormiddags omstreeks elf uur ten anker gegaan. 
Den volgenden morgen kwam Smyth bij hen en berichtte dat Tromp en MeppeL 
niet de beschadigde schepen, welke zij nog hadden, ontsnapt waren en veilig 
achter de banken lagen. 

Het was een gevoelige nederlaag. De Republiek verloor ongeveer twintig 

22' 



^ai^ WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

MP%^al|S'iH6V»>!>*d£ reeds genoemde vier vlagofficieren, verscheidene kapiteins. 
^Ih^^IS^— Ih^^^^"'^ ^''^'^^^ '^^'" B^^i'P C''' '~'^'> P-^^i" brandeis, geen vlag- 
|||f.gif ^1^ »)f tnpitein,. 

• Sl^'^ifA^H^M* den ïjen Augustus ontslagen en vervangen door kolonel 

'a-jgiftiHiUMsMan waren meester van de zee. Zij ankerden een poos bij 

fl^||ï.M'M Kl^ M'en toen langzaum voorbij di; kust. 

%'»* 'wilfjlTO '^N er: VrLDE dezen zceshig trijgcv.-oond ? Voor zoover ik 

S^ïr- w'S'ilfe^^ö^*^' ^^^J^^"'"» "^l" 'schilderij, welke op die vraag een toestetn- 



ielsche vloot langs de Hollandsche kust voer, vertelëc kapitein 
|||mskerk, die tot den vijand was overgeloopen, aan de Ëngelsche 
^j^dat i:/ op de eilanden Vlieland en TgiochclliiiggucJ voorziene 
|r,-a^i achter rüe eila;;c!en ecu vloot va:i rijkbclr.den l;cjpvaarders 
i;t:glit ROBERT HOLMF.s van het eskader der roode ving enkapi- 
wiwiNGs werden erop afgezonden met 9 kleine oorlogschepen, 
::k, met 300 man van elk eskader, '/, zeelieden en '/, soldaten 
KukPiiii-Ip Howard. Op den iS^-a Aug. verliet dit eskader de 
_ J.^e mijlen va:i de buitLiiüLe toiiüen, \,clke hi.t k..;iadl tusschco 
jg-^«^iKi^'^^?Jan' vezen. Oe Idt- FriTifan, op verkenning uitgevonden, be- 
'•^li^liFd op de aanjreweTen plaats een talrijke koopvaardijvloot lag. 
|iee van zijn grootste schepen, de Ad»ice en de Hampshire, 
i'*Sd^^^ op de koopvaarders, welke zouden trachten te ontsnappen. 
^i^3l*<S~i:2epen voer hij, bij Legen^ind, het gal van Terschelling binnen, 
'■^^' '^'^'^S^'^^Z-^^^ci ::a, giiig z>;]f .^ar, boord \an de Far.faa, cii stuurde het 
-5w»li*:ïES^^^*^'*3orlog9chip, de Pctnbrolre, met de branders raar de koop- 
■^i^<?^iS>t .^ngrwerd bewaakt door slechts twee oorlogschepen. Het grootste 
"" ' ^ " Tj^per vernield ; het andere week, geraakte op een zandbank en 

urn #i.llc l^flT^^e booten 

" "*" '^^jÊ ^^^|id worden. 

'*^! %^^eer twaalf, 

4^x|^t>«^& Terschel- 
4p^ ''at^ 4i^ 

'■^m^ ^^ nderde dit 
•/i^*^*w James 








(Sjf Mv m^ gi 







•^ 



■fl-.a- 



*ilA.*JfÉ3JA3i;A. !§k lm -4^ !^k l-%k >l!k ;a. 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 178 

Dallaway, die de uitgave der Anecdoies van 1876 verzorgde, verklaarde dat 
hij „has not found any authority for this assertion.'' Straks zullen wij overvloedig 
bewijs vinden, dat W. VAN DE Velde geen man was tot dergelijke laagheid in 
staat^ daargelaten nog de vraag, hoe en waar hij bevelhebbers der Engelsche 
vloot kon ontmoet hebben. Het is zelfs twijfelachtig of hij toen op Terschelling 
of Vlieland is geweest. Op de Geschiedkundige Tentoonstelling van het Neder- 
landsche zecwezen, in 1900 gehouden, was eene teekening van W. VAN DE Velde 
den oude ingezonden, welke zou voorstellen den brand der vloot in het Vlie 
(N. 493a), maar deze attributie leek mij volstrekt niet gerechtvaardigd. 

Het Britsch Museum bezit een schets in O. I. inkt, welke zonder twijfel 
deze gebeurtenis voorstelt Op den achtergrond ligt Vlieland met kerktoren en 
molen links, Terschelling met Hoofddorp rechts. Vóór Vlieland eenige Engelsche 
schepen, en op den voorgrond een menigte brandende schepen. Links is opge- 
plakt het opschrift: „12 a i^ fregatten j 4 branders 40 kidttsen of gallyoodtsj 
60 saloupen ofte cleijn vaertuijgej de fiag root was met s^ robbert holms op de 
faenfan\ rechts het opschrift: yjhier onder in de eerste trop (troep) zijn wel 
inde 80 schepen verbrant westvaerders*\ iets verder : y^hier op Schelling shals zijn 
inde 60 verbrant oost & noortvaerders*' . Ook W. van DE Velde Jr. maakte 
twee schetsen betreffende deze plundering, welke tezelfder plaats worden bewaard, 
vlugge krabbels met de pen. De eene laat op den voorgrond een strook duin 
zien, dan water met brandende koopvaarders en Engelsche branders; op den 
achtergrond links eenige schepen. Zij heeft tot opschrift, voor zoover leesbaar : 
^van ter schelling en Vlie den 19 en 20 Augusti A** 1666". De tweede, grootere, 
geeft ongeveer dezelfde voorstelling als de schets van zijn vader. Er is op aan- 
geteekend: y^stille weder bijna kalnC^\ vervolgens: yfiese troupe schepen zijn 
westvaerders tussen de 40 ende 50 sterci"; verder: yfussen de io ende <)0 noordt^ 
vaerders ende oostervaerders almeest verbrandf\ 

In Hampton Court Palace hangt op naam van W. van de Velde den oude *) 
een olieverf schilderij, getiteld : „Destruction of a Dutch fleet at Schelling and 
Burning of Banderis (zóó noemden de Engelschen Hoofddorp) by Admiral Sir 
A. Holmes, August 8th 1666." Koningin VICTORIA zond het in 1891 naar de 
Royal Naval Exhibition te Chelsea. Zond zij het ook niet, met een duplicaat 
in 1900 naar de tentoonstelling van het Nederlandsch zeewezen te 's Gravenhage.^ 
No. 489 en No. 490 van den Catalogus werden zóó genoemd, maar in de „Toe- 
voegingen en Verbeteringen" werd aangeteekend, dat die stukken ,,wegens het 



1) Ernest Law. B. A. The Royal GaUery of Hampton Court, 1898. In The Queen's Prescnce 
Chamber No. 88z. 



174 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

landschap dit feit niet voorstellen'' konden. Het waren er dan ook twee van 
het vijftal in Hamptoncourt, voorstellende een gevecht in één haven en genoemd 
The Attack, Sunset, Midday, Night, The morning, welke door E. Law ten 
onrechte worden thuis gebracht bij den slag in Solebay. Op het stuk betrefiende 
den plundertocht van 19 Augustus, ziet men een reeks branders een vloot koop- 
vaarders verbranden, welke door een aantal kleine schepen naar het strand njn 
gedreven. Volgens den heer Law werd dit stuk, op verlangen van Jacob II, 
ruim 20 j^en later gemaakt. 

Gelijk dit stuk, missen de genoemde schetsen alle historische waarde. 
Niemand hier te lande kon vermoeden dat deze plundertocht zou plaats hebben. 
Anders was de koopvaardijvloot wel gewaarschuwd, waren de tonnen in het Gat 
weggenomen, enz. Ook de VAN D£ Velde'S konden er niet op verdacht zijn 
en zorgen present te zijn. Oe tegenstrijdigheid hunner opgaven bewijst dat zij 
zelfs niet goed waren ingelicht toen zij deze schetsen maakten. Beiden kenden 
echter de eilanden en 't was voor hen niets om, gelijk anderen, van deze ge- 
beurtenis een voorstelling te maken, al hadden zij haar niet bijgewoond. 

Nauwelijks had de Engelsche vloot onze kust verlaten ofdeNederlandsche 
stak voor de derde maal in zee. Op 5 September zeilde DE RüijTER uit; op 
den gen lag zijn vloot ter hoogte van North-Foreland en de Engelsche in South- 
wolt Bay. Vergeefs zag DE RuijTER naar het beloofde Fransche eskader uit. 
Om dit op te zoeken stak hij, gevolgd door de Engelsche vloot, naar de Fransche 
kust over; en een gevecht zou niet zijn uitgebleven, als niet een geweldige storm 
de Engelschen had verdreven en DE RuijTER genoopt naar Duinkerken te wijken. 
Waarschijnlijk dacht hieraan de persoon, die op een schets van W. VAN DE VELDE, 
hoog 0.22 en breed 1.77, welke in het Britsch Museum wordt bewaard» een 
papiertje plakte, waarop hij geschreven had : „dit zijn de 2 dagen voor 't ge- 
vecht 1666," De teekening geeft de Nederlandsche vloot wéér, en bij een in 
't midden liggende galjoot staat : „fni/n gaUijoodf\ door een ander opgehelderd 
met: y,den ouden W. VAN DE Velde". Het opschrift luidt: rf^gg^^ «^^ ^ 
^vloot te weten de 2 september f ad^ de ruijter mèt van nesj & tromp & van 
y^meppelenf geteickent oi> donde^dach omtrent ^ a 6 uren soo de fictalyschepen na 
y^dunckerke gesonden worden^\ De 2e' September 1666 viel op een Donderdag, 
maar hoe komt TROMP hier te pas, die 21 Augustus ontslagen was? 

In 1667 had de vermaarde tocht naar Sheerness plaats. W. VAN DE Velde 
ging echter niet mede. Dat mag veib'g worden aangenomen, omdat er geen 
teekening of penschilderij van hem bekend is, dat het doorzeilen van den in 
Maart reeds over de Medway gespannen keten voorstelt, of andere wapenfeiten. 
Toch geloof ik dat hij de vloot heeft zien vertrekken, en daarvan een penschilderij 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 176 

heeft gemaakt, die in het Palazzo Pitti te Florence hangt Eene reproductie van 
die schilderij werd gegeven in den i6en jaargang van dit tijdschrift, en ik noemde 
haar toen y»een gedeelte der Nederlandsche Vloot in Mei 1673 op Schooneveld/' 
Later bleek, dat VAN DE Velde toen in dienst was van den hertog van York 
en de Engelsche vloot volgde, zoodat deze op zijn teekeningen van dien slag op 
den voorgrond ligt, wat op dit stuk niet het geval is. De driedekker De Oliphant 
komt het eerst voor in de vloot van 1677, als schip van den Vice- Admiraal 
ISAAC SwEERS. Ook *t Huis Tijdverdrijf behoorde tot de vloot, kapitein J. VAN 
Amstel. Het eerste schip, behoorend tot het eskader van L. Adm. VAN Ghent, 
ligt rechts ; het andere, van 't eskader van L; Adm. VAN Nes, ligt links. In het 
midden ligt het eskader van DE RUIJTER. Roeibooten varen af en aan. t)e 
geheele voorstelling duidt op een vertfekkende vloot. 

Doch ander werk van W. VAN DE VELDE betreffende dezen tocht ken ik 
niet, en ik kan ook niet verklaren waarom hij die expeditie niet heeft meegemaakt. 

Ruim vier jaren duurde de vrede, die op 31 Juli 1667 te Breda werd ge- 
sloten. En gedurende die jaren vernemen we weinig van W. VAN DE VELDE Sr. 
Den 4en Sept. 1667 werd zijn kleinzoon WiLLEM gedoopt, maar hij wordt niet 
vermeld als getuige, en toen zijn kleindochter Sara op 18 Aug. 1671 werd 
gedoopt, was wel zijn vrouw present, maar hij niet. Men weet, dat zij in 1662 
van haar man was gescheiden van tafel en bed. Het is dus begrijpelijk dat zij, 
op 7 Augustus 1669 haar testament makend, tot universeele erfgenaamen aanwees 
^hare beide zonen Willem en Adriaan'\^) Zij was blijven wonen in de Korte 
Koningstraat en het is dus mogelijk dat hij de ^Willem van de Velde, schilder'' 
is geweest, die in 1670 woonde in de Utrechtschestraat, tusschen de Keizers- en' 
de Prinsengracht, in het huis De Leijenaar, dat in 1668 gebouwd was door 
Gerrit Jansz. Leijenaar '), maar het kan ook zijn zoon zijn geweest 

Van zijn werk in deze vier jaren is mij niets bekend,' dan de reeds ver- 
melde penschilderij betreflende den Vierdaagschen zeeslag, die hij maakte in 1668 • 

In 1671 was reeds te voorzien dat de vrede niet lang zou duren. Engeland 
en Frankrijk hadden zich verbonden, en Engeland begon wéér de heerschappij 
ter zee voor zich te eischen. Toen de vrouw van den gezant Temple op^ 
24 Augustus werd afgehaald door het jacht Merlin, had de kapitein bevel zich 
te plaatsen in den weg der Nederlandsche vloot en te schieten als de vlag niet 
werd gestreken. ') De kapitein, ontevreden over het salueeren van kolonel 
VAN Ghent, schoot dan ook tweemalen op diens schip. De Statèn-Generaal 



1) Prot. Notaris Jan Yolok Olij. Amsterdam. 

9} Mededeeling van Mr. W. R. Vbdbr. 

S) Laibd Olowbs, History of the Royal Navy, D. III. 



176 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

begrepen waar het heen moest en lieten in Februari 1672 gereed maken 75 linie- 
schepen en een aantal kleinere vaartuigen. 

De oorlog begon vóór hij verklaard was. Op bevel van koning Karel II 
viel Sir HOLMES op 23 Maart de Smirnasche koopvaardijvloot aan, toen deze ter 
hoogte van Wight gekomen was. De convooischepen weerden zich echter dapper, 
zoodat Holmes weinig voordeel had van deze illoyale daad. 

Toen de oorlog begon, had de Republiek geen ongunstige vooruitzichten, 
ondanks bet bondgenootschap der twee machtige rijken. Frankrijk's medewer- 
king was zeer platonisch; LODEWIJK XIV wilde zijn vloot zooveel mogelijk 
sparen. De krijgstucht op de Engelsche vloot was veel verslapt, Daarentegen 
toonde de Nederlandsche — gelijk Laird Clowes getuigt' — grooten vooruitgang 
in 't krijgs wezen. 

Den 7en Juni 1672 had de slag bij Solebay of Southwoldbay, tusschen 
Harwich en Yarmouth, plaats. W. VAN DE Velde Sr. vergezelde de Neder- 
landsche ' vloot en maakte verscheidene teekeningen. Een dubbel stel, zou ik 
zeggen: één toen hij zich bij de vloot bevond, en één toen hij te Londen was. 
Zij zijn te onderkennen hieraan, dat op de eerste de Nederlandsche, op de andere 
de Engelsche vloot op den voorgrond ligt. Curieus, dat juist de eerste zich 
meerendeels in het Britsch Museum bevindt, de andere inhetMuseum-Boijmans. 

De Nederlandsche vloot was verdeeld in : de middentocht onder den Opper- 
bevelhebber de Ruijter op de Zeven Provinciën, de rechtervleugel onder Luit.- 
Admiraal VAN Ghent op de Dolphijn, de linkervleugel onder Luit.-Admiraal 
Banckert op de Walcheren. Elk eskader was verdeeld in drie smaldeelen. Van 
de smaldeelen van het eerste waren bevelhebbers DE Ruijter, Luit.-Admiraal 
VAN Nes op de Eendracht en Vice- Admiraal DE Liefde op de Maagd van Dord- 
recht. Bij het tweede eskader werden de smaldeelen gecommandeerd door Vice* 
Admiraal SwEERS, Vice- Admiraal Schram op de Pacificatie en Schout-bij-nacht 
DE Haen op de Gouda ; bij het derde eskader waren de bevelhebbers Vice- 
Admiraal CoRN. EvERTSZ. op de Zierikzee en Vice- Admiraal Enno Doedes Star 
op de Groningen. Van de Engelsch-Fransche vloot was de Hertog van YORK op 
de Royal Prince opperbevelhebber èn bevelhebber van het eskader der roode 
vlag, terwijl hij tot onderbevelhebbers had Spragge op de London en JOHN 
Harman op de Charles. Het Fransche eskader voerde de witte vlag^ en stond 
onder Graaf D'ESTRÉES op de St. Philippe, met de onderbevelhebbers DUQUESNE 
op de Terrible, La Rabinière op de Superbe, DES Ardens op de Tonnant, 
TOURVILLE op de Sage. Het derde eskader, dat de blauwe vlag voerde, stond 
onder Ed. Montague Earl of Sandwich op de Royal James, en zijn vlagofficieren 
waren Jos. JORDAN op de Souvereign, J, Kempthorn op de St. Andrew. 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 177 

De Nederlandsche vloot hoopte de Engelsche te kunnen aanvallen vóór de 
komst der Fransche, maar DE RuiJTER moest hiervan afzien omdat het Zeeuwsch 
eskader niet gereed was en keerde terug. De Engelsch-Fransche vloot ging ten 
anker in de thans verdwenen Soutwoldbay, parallel met de kust : het Fransch 
eskader zuidwaarts, het eskader der roode vlag in *t midden, dat der blauwe vlag 
noordwaarts. De Nederlandsche vloot naderde uit het O.N.0. in twee linies, de 
voorste was i8 linieschepen en fregatten en een groot aantal branders sterk; 
de tweede bestond uit drie afdeelingen, de linker of zuidelijke onder Banckert, 
het centrum onder DE RüiJTER, de rechter of noordelijke onder VAN Ghent. 
York en Sandwich voeren noordwaarts, maar d*Estrées in Zuid- Oostelijke 
richting, zoodat dadelijk tusschen de Fransche en de Engelsche divisies een gaping 
ontstond, welke steeds grooter werd. DE RüiJTER zond BanckERT met een 
betrekkelijk kleine macht naar de 33 Fransche schepen, en voer zelf met 50 of 
55 linieschepen en fregatten, en met de meeste branders, op de 65 Engelsche 
schepen los. De strijd begon tusschen 7 en 8 uur 's morgens. Door verander- 
lijkheid van wind en windstilte konden de vloten elkaér niet in geregelde orde 
voorbij zeilen, • als in den vorigen oorlog. De schepen geraakten door elkaér en 
het werd een gevecht in kleine groepenof van schip tegen schip. JanvanBrakel 
op de Groot HoUandia tastte de Royal James van Sandwich aan, bij hem 
voegden zich VAN Ghent en twee branders. Het gevecht duurde twee uren, de 
branders zonken, van Ghent sneuvelde. Toen kwam Jan Danielsz. van Rijn 
met zijn brander, stak de Royal James aan, zoodat Sandwich 't schip moest 
verlaten^ in een boot naar een ander schip wilde gaan, maar de boot sloeg om 
en Sandwich verdronk. 

Dit gevecht en de dood van VAN Ghent demoraliseerde den rechter- 
vleugel der Nederlandsche vloot, zoodat hij eenigen tijd buiten gevecht bleef. 
Hierdoor kregen de Engelsche eskaders gelegenheid zich te vereenigen tegen 
den HoUandschen middentocht. De Ruijter en van Nes vielen het eskader 
van den hertog VAN YORK aan. Vóór elf uur verloor de Royal Prince de 
steng van den grooten mast en was zö6 beschadigd dat YoRK overging op 
de St. Michel van Robert Holmes. De Phenix van kapitein Le Neve, de 
Resolution van kapitein Berrv en de Cambridge van kapitein Sir Tretchvil 
Hollis dekten nu den Hertog, die tusschen. twee liniCn vijandelijke schepen lag. 
Terwijl de Ruijter nu vocht met Sir JOHN Harman, en in den namiddag 
ténauwernood een brander ontkwam, viel VAN Nes met een gedeelte van DE RuiJTER*s 
eskader YORK en zijn bijstanders aan. De Stavoren, kap. ELZEVIER, moest zich 
overgeven aan de Greenwich; maar de Victory werd zóó toegetakeld, dat zij 
moest verwijderd worden, en haar plaats bij den Hertog werd ingenomen door 

Oud-Hollandy 1902. 28 



178 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

de Fairfax. Omstreeks vijf uur had de St. Michel zóó geleden, dat de Hertog 
overging op de Londen. Terwijl DE RuiJTER vocht met de Royal Prince, werd 
de Róyal Catherina door anderen buiten gevecht gesteld. DE RuijTER wendde 
in den namiddag zuidwaarts om Banckert's afdeeling met de vloot te vereenigen. 
Dit gebeurde ook omstreeks zeven uur en een uur later voer de Nederlandsche 
vloot naar de HoUandsché kust. Zij had, behalve de Staveren, verloren de Josua 
die in den grond werd geschoten, en na het gevecht verbrandde de Westergo. 
Van Ghent sneuvelde ; Banckert, Engel de Ruijter, van Brakel en ver- 
scheidene andere officieren werden gewond; JOOST MiCHlELSZ. CüijCK, van de 
Windhond, alleen stierf aan zijn wonden. De Engelsche vloot verloor de Royai 
James, en buiten gevecht werden gesteld, behalve de St. Michel en de Victory, 
de Charles the Second, de Henry, de Royal Catherine, de Fairfax, de Dunkirk 
en de York. Bij haar lieten het leven, behalve Sandwich, Willoüghby 
Harmans van de Triumph, George Pearce van de St. George, Sir JOHN Cox 
van de Royal Prince, Tretchvil Hollis van de Cambridge, Waterworth 
van de Anne, Fr. Digby en de kapiteins van twee branders. Vier van de 12 
officieren van York's regiment, mariniers, sneuvelden. Het verlies van man- 
schappen was bij de Engelschen aanzienlijk grooter, dan dat der Nederlanders. 
Beide partijen schreven zich de overwinning toe. De Engelschen omdat 
zij meenden de zee te hebben behouden; de Hollanders omdat zij den vijand 
hadden belet de zee over te steken naar de HoUandscKe kust, zooals zijn plan 

was geweest. 

De schetsen, welke W. VAN DE Velde maakte, terwijl hij de Nederlandsche 
vloot verdoezelde, zijn, gelijk gezegd is, in het Britsch Museum. Op de eerste, 
welke veel geleden heeft, ziet men de Nederlandsche vloot zeilen naar Foreland; 
y^het esquadr$ van de Zeeuweti* voorop. Drie schepen worden aangewezen als 
die van : visad. Liefde, visad. Sweers, en de heer de ruijter. Bovenaan staat een 
opschrift van vijf regels, .waarvan nu nog slechts leesbaar zijn de woorden: 
^voorde wint naert voorlant - ie seijllen .... creusen niet ende te grifpen. Godi 
ygeve zijn sege en keijl bewaer ons lieve vader landt xijnde . . . . mineren de (i Juni 
„1672 pijnxterfnaenda^'*\ Wien treft deze hartelijke ontboezeming niet? 

20. Ook van deze teekening, hoog 0.37 en breed 2.53, is het opschrift groo- 
tendeels onleesbaar geworden. Te ontcijferen z^jn de woorden: ytdynxdack van 's mcr^ 
ygens 6 (later veranderd in 7) uure... of en half 10 urentoe**, In een lange linie 
liggen de Nederlandsche en Engelsche schepen naast elkander ; de Nederlandsche 
op den voorgrond, de Engelsche er tusschen. Op een afstand links 't eskader 
der Zeeuwen ook vechtend, zonder dat het Fransche wordt gezien. Boven en 
onder de schepen verscheidene namen, enz. Er boven van links af: Van de 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 179 

Zeeuwen — • Lad van Nes — de eendracht — visad SPRAG root Londen — 
heer DE RUIJTER — duck de YORCK de prins — adl. Sweers — root de siarles — 
blau — adl. Zantwits de royael james — een in de brant — .... met de roo 
vlag laet waeijen." Onder staat, van links af: zeelant van rotterdam — schip 
schielandt — de maeght van dordrecht — tschip Delfit — fregadt Agatha — 
Brakel soo vande blau adl. seer schadeloos affraeckt nadat Hj lang aen zijn 
boort vast gelegen had — gydeon — de schout bij nacht hoen seer reddeloos — 
dolfijn. [De Schout^ bij-nacht jAN DE Haan voer op de Gouda en behoorde tot 
het eskader van van Ghent]. 

30 Boven de derde teekening, hoog 0.37, breed 2.22^ staat : yiuervolgens 
jflan 10 uur tot ^smiddachs toe^ Boven de schepen staat van links af: y^de 
yfransen hier in V verschiet bijna .... grote mijlen van ons met de seeuwen 
.f^doende zijnde'* — y/teeft 4 branders in brant geschoten dat wij gesien hebben 
yfiils ick tegen de heer de ruijter ook geseijt hebbe^\ wat lager ^van nes*^ — dan 
iets over een brander waarorider staat ^dl. vande blau vlag soo in brant sonder 
rJtulp bij hem dat nog gelooof veel vokk gebleven is^ [Naast het schip van 
Sandwich ligt een brander, beide branden ; aan weerszijden een rookwolk, waarin 
straat geschreven: (ge)ySchut los".] Boven een schip dat meer naar achter ligt, 
zonder groote steng, staat : r^root v.d. duck York groote steng vande prins'^ — 
yiroot Schout-bij-nacht de sjarles" — bij 't eskader van de blauwe vlag ^visd. 
liefde" — y»gent" — „blau visd hebbende de louff" — verwijzend naar een zinkend 
schip : ^hier blijft de Joshud' — „Sweers" — „visd Schram". — Van de Velde's 
galjoot ligt op den voorgrond. 

40 Van deze schets, hoog 0.36 en breed 2.40, is het opschrift zóó uit- 
gewasschen, dat nog slechts leesbaar zijn de woorden : — y^middagi'* — yfip 
^dijnsdag de 7 (waarvan met de pen is gemaakt 6) Juny 1672. „No. 4". 
Boven de schepen staat, van links af: „/ Verschiet gevecht tussen geeuwen ^ 
het franse esguadre** — London spragg". — Bij een schip dat den standaard 
voert, op den *:weeden grond: y^duck de York op een ander schip de michier — 
„ruijter" — „root" — „gent" — „root" — „kenthorn" (J. Kempthorn, vlag- 
officier van Sandwich's eskader) — „haen" — „root" — wbl." — „bl. — „bl. 
visad." — ^Staveren raeckt hier verre in de parttje". Op den voorgrond ligt 
van de Velde's galjoot, en daarbij staat: ^ick was door de blauw esguadre 
afgesneden soodat de ruijter & tgèen omtrent hem was in V verschiet gesicht 
most teickenefi\ 

No. S. Deze schets, hoog 0.36 en breed 0.815, heeft geen opschrift. De 
bijschriften luiden : ^^root vlag blijft vor op de prins op de voorsteng [nadat de 
Hertog van York dit schip had verlaten] — „gent" — „visd liefde*' — „heer 

23* 



IBO WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

mijter*' — „van nes" — „schram" — „vlug". Beneden staat: ^Josuwa is gg- 
bleven** — „veldes galyoot" — „fregat hessen" — „t schip Oosterwijk" — 
„schout bij nacht de haen". — De schepen komen hier naar voren, met veel 
gaten in de zeilen. 

No. 6. Het opschrift' van deze sihets is met de pen ovei^etrokken door 
iemand die het oorspronkelijke niet verstond en dit goeddeels onleesbaar heeft 

gemaakt. Te ontcijferen waren de woorden : y^eteicktnt van 2 uur tot 5 

duerende van tgeen in die fijt gepasseert is*\ „No. 5." Boven de schepen staat: 
j^van nes" — „root^ — „<& dtu:k op de michieP* en hieronder de verbetering 
Y^hür landen naer anderrichting van de duck de Yorck selffs aen mij gedaen^' — 
„de Sjarles" — „root" — „comeetstar". Bij een opgeplakt stukje papier met 2 
vlaggen ter gemelde plaats staat nog eens : yfonden^ alwaer de ducke op avergaet\ 

Ook het Museum te Weimar bewaart een uitvoerige schets, hoog 0.36 en 
breed 0.76, van den slag op het oogenblik dat de Josua zinkt. Ook hier wordt/ 
behalve Jan van Nes, Sweers, de Liefde, de Haen, Schram, ook van Ghent 
vermeld, maar niet zijn dood. Herkenbaar zijn de Zeven Provinciën en de Josua. 

De aanteekening op de zesde schets, betreffende de onderrichting van den 
Hertog van York, is eene inleiding voor hetgeen op een der schetsen, welke 
het Museum-Boijmans bezit, wordt vermeld. Dit is om zoo te zeggen een platte- 
grond van den zeeslag. De schepen zijn er slechts met streepjes aangewezen in 
de «linie van bataille, en verscheidene streepjes, alsmede de daarjtiij geplaatste 
namen zijn met pen en inkt ge^vijzigd. Het schetsje is maar 0.185 hoog en 
0.295 breed. Bovenaan links staat : y^aenwijsihge van duck de Yorck omtrent de 
^2 uuren na de noen i^^ geven Sater dag 2 wee ken nae de eerste seUerda^ & heeft 
y^dit weder met eijgen kant geteickent & ick bij hem staende na si/n onderwijs 
^bij elck zijn schip de naem geschreven**. In den benedenhoek rechts staat door 
een andere hand geschreven ^twa afternon^* en daarbij schreef VAN DE Velde: 
y^dit is de ducke si/n schrift*'. De dfrectie van het Britsch Museum .vergeleek 
een facsimile van de twee Engelsche woorden met schrift van den Hertog, en 
erkende dat deze zóó schreef maar minder compact, wat echter het gevolg kon 
zijn van het schrijven in een hoek. Het is te begrijpen dat de Hertog groote 
belangstelling toonde in de teekeningen van dezen zeeslag, niet alleen omdat hij 
opperbevelhebber van de Engelsch-Fransche vloot was geweest, ook en vooral 
omdat het de laatste zeeslag was, die door hem werd bijgewoond. De Test-acte 
toch van 7 April 1673 dwong hem zijn ambt neer te leggen. 

Op de teekening loopen van boven af als uit een middenpunt vijf linies 
naar links, waarvan twee naar beneden zich verwijderen van de drie andere. Bij 
de tweede links staat bovenaan „van Gent"; in de derde bij een brandend schip 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE* 181 

^Santwits^i lager ^Kenthorn 5 schepen blau'\ vóór dezen „de ruiter", rechts 
y,de fenickx*^ ^duck op de MichieP' — w^regat zoek om volk te bergen'' — <- 
^chambrig** — j^resolution'' — de fairfackx" — j^de fictorya" — y^root S. Edward 
Sprag" — j,de reijnbour*' (rainbow) — ^S. harmens root**, „root de royael prins". 
Achter deze, ter hoogte van de Phenix „tol** — „sweers" — en achter de Victory 
„de royael Katarijne**. 

Deze schets heeft zeer veel overeenkomst met een andere in het Prenten- 
kabinet te Leiden. Het opschrift daarvan luidt: y^dü is tselve gesicht & geschü» 
ytdenis gemerckt V doch gesUlt op hooger orisont na konings en duckx believen ér 
yfirdre bequaem tot de tapijtten ; desself s formate van hoogte & breedte doch alles 
^tdjt de teifckeninghe naer leven getrocketi^ Beneden rechts staat de aanteeke- 
ning : y4^ actije vant gevecht ten twéé ueren na den noen^\ Ook hier liggen de 
schepen in van boven rechts naar beneden links loopende liniön. Slechts JORDAN 
met vijf schepen ligt links op den achtergrond, met edn linie Hollanders vóór 
zichy waarvan genoemd worden: Vlugh, de Haen, DE Liefde, Sweers, baron 
VAN Gent, en rechts op den achtergrond liggen Jan van Nes, het schip Sta- 
voren en Luit Adm. van Nes. In het midden ligt het brandend schip van 
Sandwich, wat meer naar voren staat „hier de Josuwa", vervolgens naar link$ 
„mijter**, en nog meer links „Kenthorn m. 5 schepen." Op de linie rechts van 
Sandwich, in de hoogte „fregat de phenix*' — „de duck op de mickieC\ ver- 
volgens „fregat v. d. duck geordonneert om volck te bergen", dan — steeds de 
richting naar links volgend, j^chambrig** — „fairfakx** — „fictorya** — „Eduard 
spragg roo visad vande ducke" — „reijmbou" — „Harmens**. 

De overeenkomst tusschen deze twee is zóó groot, dat ik in de eerste 
meen te mogen zien „de aenwijsinge'* van den Hertog hoe hij wilde dat de 
teekening voor ^de tapijten*^ zou worden gemaakt. 

Nauw verwant aan deze teekening is een tweede — bijna even groot : 
0.36 X 0.475 — van het Prentenkabinet te Leiden. Het opschrift staat hier 
links en is bijna hetzelfde : yfiit is tselve gesicht gemerckt V doch gestelt op 
rJtooger orisont naer konings & duckx order ende alles ui/t de teijckeninge ge- 
^rocken^^ De tijdsbepaling, welke onderaan links staat, verschilt: „de actie 
„vant gevecht soo ten 4 Sf tot l uuren omtrent dueretide nae de noen*\ Hier 
liggen de schepen in van den voorgrond links en rechts naar dei) achtergrond 
het midden naderende liniën. De Engelsche vloot heeft den voorgrond. Daar, 
en dus in de achterhoede, liggen : links een brandend schip, in *t midden „de 
royael prins'*, door den Hertog verlaten, rechts „de royael Katarijne wederom 
vrij zijnde'*# Op de eerste linie links worden van den voorgrond af, aangewezen: 
„michiel** — ^de reijnburgh" — „ruijter" — „kenthorn" — „J. Harmens" — in 



181 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

het midden: rispragg'' en daarbij de aanteekening ngevet hem over op visad". 
Op de tweede linie links: „de haen" — „liefde*' — „van gent'' — jan van nes — 
„stavoren'', en er tegenover rechts : ^^duek op landen^^ — „chambridge" — ^eso- 
lution" — „brander van duck** — „komeetstar" — „lad. v. nes" — „swccrs" 
(met de aanteekening) „wijkt voor de branders*'. 

De overeenkomst tusschen deze drie schetsen is voldoende om te gelooven 
dat de eerste, „de aenwijsinge" van den Hertog, diende voor de anderen, die ten 
behoeve der „tapijten" zijn gemaakt % Werden deze tapijten gemaakt? Waar- 
schijnlijk wel. In de Prince of Wales' Bedroom van het Hampton Court Palace 
hangen er twee, welke den zeeslag te Solebay betreffen. Op het eene ziet men 
de Engelsche vloot onder zeil. Op het andere is de Engelsch-Fransche vloot 
afgebeeld, dicht bij de kust, in een halve cirkel, en ziet men rechts eenigeNeder- 
landsche schepen naderen. Ernest Law gelooft dat er meer zijn geweest. 
Indien deze een overwinning van de Engelschen voorstelden, dan zullen die wel- 
licht verwijderd zijn eer Willem III Hampton Court kwam bewonen. 

Uit welke teekeningen heeft VAN DE VELDE deze schetsen getrokken? 
Verscheidene kunnen hiervoor gediend hebben, vooral degene die hij in Enge- 
land heeft gemaakt -^ waarschijnlijk met gebruik der aanwijzingen van den Hert(^ 
VAN York en op diens order, — daar ook op deze de Engelsche vloot op den 
voorgrond ligt. Het Museum-Boijmans en het Rijksprentenkabinet bezitten elk 
twee zulke teekeningen. Op de eene, van Boijmans, ligt het Engelsch eskader 
van de blauwe vlag links dat der roode vlag in 't midden, en het Fransche, de 
witte vlag voerende, op eenigen afstand. De vijandelijke vloot ligt geschaard 
eenigszins in een halven cirkel, waarin op den tweeden grond de Hollandsche 
vloot ligt. De Engelsche voorhoede, de blauwe vlag, is in gevecht met de 
Hollandsche voorhoede; aan het schip van den bevelhebber SANDWICH heeft zich 
vastgeklampt de Groot-HoUandia van Jan van Brakel. Ter hoogte waar de 
voorhoede grenst aan den middentocht ligt een HoUandsch schip, de Josua, te 
branden tusschen de twee slagordes. In den middentocht der Engelschen li^en 
de Royal Prince en de St. Michiel bij elkaér ; de Hertog VAN York verlaat het 
eerste schip om zich te begeven naar het tweede. De Vice-Admiraal van Nes 
heeft de Royal Catharine nog niet aangetast. Het Zeeuwsch eskader onder 
Banckert en het Fransche liggen verwijderd van de vloten, op den tweeden 
grond, rechts. 



1) Fr. Muller. Historieprenten No. 2343, zegt dat de Leidsche schetsen door den heer Bodkl 
NijENHUijs werden gevonden in den boedel van den Leidschen Hoogleeraar Dr. J. A. Bbnnbt, die vroegef 
zich lang opgehouden had in Engeland, en uit dien boedel gekocht in April iSai. 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 188 

De talrijke bijschriften behoeven niet vermeld te worden, daar zij geen 
nieuws behelzen. Deze teekening is hoog 0.385 en breed 2.00. 

Hierop volgt de teekening van het Prentenkabinet te Amsterdam (F. MULLERi 
No. 2341), want hierop staat, dat de j,duck de Yorck op de S. MichieP' is; het 
schip van Sandwich brandt, maar de Vice-Adm. van Nes is op de Royal 
Catharina nog niet losgetrokken. Ondanks kleine wijzigingen in de plaatsing van 
sommige schepen, is de positie der vloten vrij wel dezelfde. Links het eskader 
van de blauwe vlag tegenover het eskader van van Ghent; in 't midden het 
eskader van de roode vlag tegenover het eskader van DE RuiJTER. 

Om «de tijdsorde èn omdat ik geloof dat zij ouder is dan de tweede teeke- 
ning van het Prentenkabinet te Amsterdam, volgt nu de tweede uit het Museum- 
Boijmans, hoog 0,36 en breed 0.93. Boven rechts staat het opschrift: j^dit is 
dén actije tegen den avondf* (deze drie woorden z\]xï doorgtschx^^^t) y^^è 6 uuren 
y^doen sijn kanincklicke hoogheijt ducke de Yorck op tschip Londen was avergegaen*\ 
De Engelsche vloot maakt rechts een bocht naar den tweeden grond. Achter 
haar ligt de HoUandsche vloot. Beide zeilen naar rechts. Op den voorgrond 
branden links een groot en twee kleinere schepen. Bij het eerste staat: v»bran- 
dende Royal James" (*t schip van Sandwi(;:h). Boven die drie schepen, dus 
links, ligt een HoUandsch smaldeel, waarbij staat v,Jan Vlugh'' en ^Schram". 
Rechts van de brandende schepen een Engelsch smaldeel, dat, zooals gezegd, 
achterwaarts buigt naar links vóór een HoUandsch eskader. Bij de Engelsche 
schepen: ;,JOHN Harman, Reynbourg, Sr John Kenthorn.'* De laatste ligt 
dicht bij ^E Ruiter", op wien volgen „van Gent, de Liefde, Dp Haen". 
Tot de voorhoede van dit Engelsch eskader behooren nog „de fictory, Hoseray" 
(Ossory), waar achter liggen „JORDANS" en „SwEERS". Geheel rechts een 
kluwen schepen, waarboven : y^de sware bejegeninge die Jan van Nes kreeg van 
yfile duck^* — y,de ducke op Londen^* — y/aerdt van nes doen hy de ducke pas* 
fySeerd^\ Het schip van den Schout-bij-nacht VAN Nes werd zwaar beschadigd 
door den Vice-Admiraal van de blauwe vlag Jordan, maar ontzet door Aert 
VAN Nes. De Schout-bij-nacht ging toen over op de Zeelandia en zijn schip 
de Ridderschap van Holland werd naar Zeeland gesleept. Het Fransche en het 
Zeeuwsche eskader ontbreken. 

De teekening van het Rijksprentenkabinet is vollediger, ofschoon zij minder 
breed is^ 0.725, en slechts een weinig hooger. De positie is er in hoofdzaak 
dezelide; links en rechts de Engelsche eskaders, op den tweeden grond in 't 
midden DE RuiJTER en links van Ghent. Onderaan links: „van de Velde's 
galjoot'' en rechts (bij F. Muller No. 2342 gedeeltelijk opgegeven); j,actije van 
y^verandering savonts daer de duck wint en. ., . Jordaens komf\ Hier ligt het 



184 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

schip van den Hertog met het bijschrift „de ducke op Londen" op de eerste 
linie links en op den voorgrond, daarachter op de tweede linie „de michier, 
terwijl JORDAN op de eerste linie rechts ligt en ook op den voorgrond. Achter 
dit eskader ligt het HoUandsche met „Schram, Vlugh, V. Gent (wiens sdüp 
brandt), DE Haen", voorop „kd DE Liefde, fregat de bcscherminge cap. severijk, 
SWEERS". Vóór den laatste ligt DE RüiJTER vechtend met ^JOHN Kenthorn". 
Wat meer links „v. NES" en bij dezen S. JOHN Harman*'. Deze twee zijn de 
voorste van de eskaders links en niet ver van die twee is ^^Lad VAN Nes." 
In de achterste linie liggen hier „de royal prins" en ^nfoJk van ttvrack van Sant- 
wüs*^ (dat in de vorige teekening op den voorgrond ligt). 

Op den achtergrond is een kuststrook met heuvels. Tusschen de kusten 
de vloten ziet men een weinig rechts ,,de kataryne", meer links het fransch 
eskader met het bijschrift : „de achterste vande franse noch wat in actije wesende." 
Tusschen dit eskader en de vloten het Zeeuwsch eskader met ^BANCKERT" en 
„de voorste schepen v. de zeeuwen noch wat in actije wesende*'. Nog vergat ik 
bijna te melden dat op den voorgrond, ongeveer in 't midden, één schip ligt ,,het 
fregadt dat bij de duck hoorende'^ (was). 

Deze teekening maakt op mij den indruk later te zijn gemaakt met het 
doel eene voorstelling te geven van den geheelen zeeslag tegen den avond. 
Daarom de kust, en de Fransche en Zeeuwsche eskaders dichter bij de Engelsche 
en HoUandsche. Ook de bijschriften zijn niet geheel betrouwbaar. Bij Jordan's 
schip staat ook J. Harman, die tevens, en terecht, staat bij de voorste schepen 
van de eerste linie der vleugel links, en ook. JOHN KempthORN (zóó nauwkeurig 
schreef van de Velde nimmer dezen naam) staat bij een schip van den vleugel 
rechts, terwijl „JOHN Kenthorn" terecht staat op 't schip, dat tegenover 
DE RuiJTER ligt. 

Op den gen Juni ankerde de Nederlandsche vloot vier mijlen ten N.N.0. 
van Westcappel. Zij kon nu niet meer doen dan de zeegaten bewaken. Twee 
duizend man werden van haar genomen voor het landleger, dat allereerst ver- 
zorging vereischte wegens de vorderingen van het Fransche en het Kculsch- 
Munstersche leger. 

De Nederlanden verkeerden in den hachelijksten toestand. De ^janden 
hadden vele steden in de Oostelijke gewesten genomen, Gelderland en Utrecht 
bezet. De regeering trachtte onderhandelingen aan te knoopen met Karel 11} 
doch moest dit wegens zijn hooge eischen opgeven. De bekende omwenteling 
had plaats. De partij der de Witten viel. Prins Willem werd Stadhouder van 
Holland en Zeeland, kapitein-generaal der Unie. 

In Juni stak de vloot der geallieerden, met een groot corps landingstroepen, 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 185 

over naar de HoUandsche kust. De Ruijter volgde nu een andere taktiek dan 
te voren, geheel defensief. Hij voer de vijandelijke vloot niet tegemoet, maar 
bleef op de kust en bij de banken, waar de vijand hem niet durfde aanvallen. Ook 
later bleef hij zóó handelen, toen zijn vloot sterker was dan nu, en viel hij den 
vijand slechts aan, wanneer een goede kans zich voordeed. De RuiJTER liet zich 
niet verlokken tot een gevecht. De geilllieerden maakten toebereidselen om op 
Texel te landen (14 Juli), maar een storm verijdelde het plan, en de Hollandsche 
vloot kon einde Augustus worden opgelegd. 

De twee eerste zeeslagen werden door W. van de Velde bijgewoond, 
maar hij deed dit in dienst van Karel II. Hij liep dus over naar den vijand. 
Een handeling niet goed te keuren, maar wel te verklaren. Sedert Juni 1672 
waren de Nederlanden in zóó'n treurigen toestand geraakt, dat een kunstenaar er 
geen brood had, allerminst W. VAN DE Velde, meer teekenaar dan kunstenaar . 
Karel II, die ook als kunstbeschermer Lodewijk XIV copieerde, de hertog 
VAN York, die in vlootafbeeldingen bijzonder belang stelde. Prins ROBERT, dien 
hij waarschijnlijk vroeger hier te lande had leeren kennen, zij allen konden hem 
geven wat hij te Amsterdam niet meer krijgen kon : werk en brood. Daarbij 
kwamen omstandigheden van intimer aard. In 1662 waren hij en zijne vrouw 
gescheiden van tafel en bed. Maar zijn vrouw bleef steeds even jaloersch op de 
vrouw van Jacob Willemsz. de Wolff (zie O. H. XVIII p. 26). Zoo kwam 
zij den I2en September 1672 's avonds voor het huis van DE WOLFF, schreeuwende 
dat zijn vrouw haar man ^gedebaucheert'* had. Waarop hij den 24en September 
door den notaris B. Coornhart van haar eischte hare beschuldiging te „pro- 
veeren". 'En zij antwoordde, dat te kunnen doen „bij des Insinuants huijsvrouw 
eijgen brieven" '). Voor zoover mij bekend, heeft deze zaak geen gevolgen 

. gehad. Maar zij moest het leven van den öojarigen W. van de Velde, schuldig 
of onschuldig, te Amsterdam niet aangenamer maken. Den datum van zijn vertrek 
naar Londen kon ik nergens vinden. De tijdsbepaling op de schets van den slag 
te Solesbay, door den Hertog VAN YORK gecorrigeerd, geeft geen licht. Wegens 
de talrijke teekeningen van den slag bij Solesbay, die hij in Engeland maakte, 
moet hij in de laatste maanden van 1672 ') of zeer in 't begin van 1673 naar 

. Engeland verhuisd zijn, daar hij den eersten slag bij Schooneveld op 7 Juni 1673 
heeft bijgewoond. Aandacht verdient dat ook zijn zoon, de zeeschilder Willem 
VAN de Velde Jr., in 1673 te Londen was. Twee schilderijen van dezen meester, 



^) PrOt. Not. B, COOSMHART. 

^ e. Law zegt in zijn Royal Galiery of Hampton Court, 1898, dat yan db Vbldb den slag bij 
Solcbay nattended in a small boat by order of the Dulce of York." Uit het bovenstaande blijlct dat hij toen 
'^ nog volgde de Nederlandsche vloot. 

Oud-HoUand^ 1902. 24 



186 WILLEM VAN DE VELDE BE OUDE. 

in het Museum-Boijmans en in de National Gallery te Londen, zijn geteekend 
W. V. Velde, in londe 1673, en W, VAN DE Velde, Londio 1673. DeTestacte 
van 7 April 1673 dwong den Hertog VAN YORK af te treden als Lord High 
Admiral, en Prins ROBERT of RuPERT, zooals de Engelschen hem noemen, weid 
hoofd der Marine, maar Jacob II zelf had het grootste aandeel in het bestaur 
van het departement. Hij stelde veel belang in haar. Gewoonlijk wordt gezegd, 
dat hij in 1677 de twee van de Velde's als teekenaar en schilder aanstelde, maar 
dit strookt niet met hetgeen Walpole vertelt in zijn Anecdotes of Painting, 
ed. 1876, D. II p. 138.. Diens mededeeling luidt: ,,Dr. Rawlinson, the anti- 
quary, gave Vertue a copy of the foUowing privy-seal, purchased among the 
papers of Secretary Pepys : Charles the second, by the grace of God etc, to our 
dear cousin Prince RUPERT, and the rest of our commissioners for executing the 
place of lord high-admiral of England, greeting. Whereas we have thoughtfitto 
allow the salary of lOO pounds per annum unto WiLLlAM Vandevelde the 
elder for taking and making draughts of sea-fights ; and the like salary of 100 
pounds per annum unto WILLIAM Vandevelde the younger for putting the said 
draughts into colours for our particular use; our will and pleasure is, and we do 
hereby authorize and require you to issue your orders for the present and future 
establishment of the said salaries'' enz. ^^Given under our privy seal at our 
palace of Westminster, the 20th. day of Februari, in the 26th year ofourreign". 
Indien deze ietwat gemoderniseerde copie juist is, dan zou, daar Karel II zijne 
regeering rekende te beginnen met den dood van zijn vader, de aanstelling ge- 
geven zijn op 2 Maart 1674 (n. st.) Op zichzelf is dit waarschijnlijker dan dat 
hij daarmee zou gewacht hebben 3^4 jaren na de komst der van deVelde's. 

Bij dé Nederlandsche en bij de Engelsche vloot kwamen in 't begin van 
1673 eenige wijzigingen. CORNELIS Tromp werd in de plaats van van Ghent 
Luitenant- Admiraal, terwijl DE RuiJTER als Luitenant- Admiraal Generaal opper- 
bevelhebber bleef. Prins ROBERT trad — gelijk gezegd is — in de plaats van 
den Hertog VAN YORK als opperbevelhebber, en Sir ROBERT HOLMES werd ver- * 
vangen door Edward Spragg. 

Op den 26en Mei ging Karel II met den Hertog van York en ver- 
scheiden edellieden de vloot bezoeken, waarbij des ^morgens het Fransche eskader 
kwam. Op den 29en keerde hij terug, na den Earl of Ossory ') benoemd te 
hebben tot Reer-Admiral (Schout-bij -nacht) van het eskader der blauwe vlag. 
De vloot lag ter hoogte van Dungeness, gereed om uit te zeilen. Prins ROBERT 



1) Thomas Earl of Ossory was gehuwd met Amalia va v Nassau, dochter van den Heer van Bbtbrwxbit, 
den onechten soon van Prins Mausits. 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 187 

op de Royal Charles, welke op 20 Maart te Portsmouth was te water gelaten, 
had onder zich het eskader van de roode vlag, en tot vlagofficieren Vice-Admiraal 
J. Hakman en Schout-bij-nacht J. Chicëley ; Vice-Admiraal Spragge had tot 
vlagofficieren van het eskader der blauwe vlag Vice-Admiraal J, Kempthorn, 
Thomas Butler en den Earl of Ossory. Bevelhebber van het Fransche eskader 
of dat der witte vlag, was Admiraal Jean Comte d'Estrées op de Reine, met 
Vice* Admiraal Des Ardens op de Terrible en Schout-bij-nacht Markies DE Grancy 
op de Orgueilleux. De' vloot bestond uit 81 linieschepen, 10 fregatten, 42 bran- 
ders, behalve de jachten, enz. 

De Ruijter was van de Nederlandsche vloot opperbevelhebber en tevens 
aanvoerder van den middentocht, C. Tromp bevelhebber van de voorhoede en 
Adr. Banckert bevelhebber van de achterhoede. Den i oen Mei stak DE Rui JTER 
over naar den Theemsmond, dien men door zinkschuiten hoopte te verstoppen. 
Maar Prins Robert verzamelde de gereed zijnde schepen van middelmatigen 
diepgang en voer door de Narrow, in 't gezicht der Nederlandsche vloot^ welke 
bij de Gunfleet voor anker lag. Deze gaf nu het plan op, voer den mond der 
rivier den I2en op, maar keerde toen terug naar Schooneveld, een bank in de 
Noordzee, niet ver van de Zeeuwsche kust. Daar kreeg hij ^^sterking en kwam 
ook Tromp bij de vloot, die nu telde 54 linieschepen, 14 fregatten, 25 branders, 
14 adviesjachten en 7 galjooten. 

De Engelsch-Fransche vloot stak de zee over, maar windstilte en storm 
beletten elke actie tot den morgen van 7 Juni. Toen zond Prins ROBERT een 
eskader van 35 schepen met 13 branders om de Hollanders van de banken te 
lokken. Met een snelheid, welke den vijand verbaasde, lichtte DE RuijTER de 
ankers, en terwijl het vijandelijk eskader in verwarring naar de hoofdvloot terug- 
keerde, werd het door de Nederlandsche vloot in uitstekende orde nagezet, zoódat 
het algemeen gevecht veel eerder begon dan Prins ROBERT waarschijnlijk ver- 
wacht had. Bovendien had de snelle beweging der Hollandsche vloot tengevolge, 
dat verscheidene schepen van het Engelsch eskader zich borgen bij eskaders 
waartoe zij niet behoorden, de geheele vijandelijke vloot eenigszins in verwar- 
ring geraakte, en eenigen tijd niet durfde schieten uit vrees haar eigen schepen 
te treffen. Omstreeks den middag begon het gevecht. Naar gewoonte was Tromp 
te onstuimig en scheidde hij van de vloot. Zijn schip, de Gouden Leeuw, moest 
hij weldra verlaten. Hij ging toen over op de Prins te paard, daarna op de 
Amsterdam, eindelijk op de Comeetster. De Ruijter kwam hem te hulp en 
brak door de linie van het eskader D'ESTRÉES. De Royal Katherine nam de 
Jupiter, die heroverd werd. 's Avonds zonk de Deventer, die onder kapitein 

Willem van Cüijlenbürgh zich kloek geweerd had tegen de Foudroyant, 

?4* 



188 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

kapitein J, Gabaret. De Franschen verloren La Friponne, de Foudroyant 
en 5 of 6 branders; de Engelschen verloren kapitein W. FiNCH van de York, 
Thom. Toulis van de Lyon en JOHN Tempest van de Sweepstake; de. Neder- 
landers verloren Vicer Admiraal Volkhard Adriaensz. Schram, Schout-bij-nacht 
David Vlugh, de kapiteins CuijLENBURGH en Jacob van Bergen. Het was 
een bloedige maar geen beslissende strijd. Des avonds ankerde de Ruijter, die 
zich niet ver van de ondiepten wilde verwijderen, weder achter de zandbanken, 
omstreeks 2 mijlen W.N.W. van Westcapelle, tei*wijl de geallieerden 2 mijlen 
N.W.t.W. van hem bleven. 

Zes teekeningen van W. van de Velde Sr. betreffende dezen zeeslag 
worden in het Museum-Boijmans bewaard. Allen hebben de Engelsch-Fransche 
vloot op den voor- en de Nederlandsche vloot op den achtergrond. Wijst dit 
het gezichtspunt van den teekenaar reeds aan ; de plaatsing van zijn galjoot bij 
de Engelsche vloot maakt dat op sommige teekeningen nog duidelijker, alsmede 
enkele aanteekeningen, zooals : ypm vragen of dese de warspigkt is.** Op de eerste 
teekening liggen de drie esskaders der vloten tegenover elkaér; Prins ROBERT 
tegenover Tromp, d'Estrées tegenover de Ruijter; Spragge tegenover Banckert. 
De geallieerde vloot zeilt voor den wind naar links. Van Robert's eskader, dat 
de voorhoede had, ziet men de Resolution — die later zonk — vooraan; desge- 
lijks de Jupiter, van Tromp's eskader, die 's namiddags afgesn^en, genomen en 
heroverd werd. Deze teekening, hoog 0,375 en breed 2,60, zal dus het begin 
van den slag weergeven. Al herkende VAN DE Velde de meeste Nederlandsche 
schepen, uit één aanteekening blijkt dat bij niet meer geheel op de hoogte was. 
Hij noemt namelijk ,,Jan Matijsen sch. bij n. van Zeelant^', terwijl D. Vlugh 
moest genoemd worden. 

Op de tweede teekening, hoog 0.264 en breed 4.40, liggen de vloten 
ongeveer in dezelfde orde als op de vorige. De vloot der geallieerden zeilt in 
dezelfde richting naar links, maar nu tegen den wind. De Resolution en de 
Jupiter zijn beiden nog op dezelfde plaats, maar de bevelhebber van het eskader 
der blauwe vlag en dat van Banckert zijn in gevecht, zooals ook de aantee- 
kening leert ^Sprag is vechtend hier tegen het Zeeusse esquadrt?\ Ook teeken t 
hij aan : ^iV» dese damp heb ik den Hoen gesien*^ (Schout-bij -nacht DE Haen 
op de HoUandia behoorde bij Tromp's eskader). 

De derde teekening, ho<^ 0.365 en 2.423 breed, geeft niet veel verandering 
aan. In de bijschriften is zooveel geknoeid, dat zij niet meer betrouwbaar zijn. 

De vierde teekening, hoog 0.305 en 3.36 breed, is belangrijker. DeRuijter 
schreef den 8en Juni in zijn rapport, dat hij des namiddags ten 2 ure de vloot 
deed wenden, dat BANCKERT door het eskader van de blauwe vlag boorde, daarbij 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 189 

zijn voorsteng verloor, 't hierom niet meer dienstig vond den vijand te vervolgen, 
maar weder wendde om ook Tromp te hulp te komen. Het opschrift van deze 
teekening luidt: ypmtrent 5 uren na noen de vloten wenden* \ Met verwijzing 
naar den achterjgrond staat yfromp konde somtij ts de vlag moer sien^'; en rechts: 
rfianckert van zeelant voorsteng wegk hiel{t) licht af de zeeuwe zoo heen*\ 

De vijfde teekening betreft het gevecht tegen den avond. Op den voor- en 
den tweeden grond ziet men slechts Engelsche en Fransche schepen, de meeste 
erg gehavend. Eene aanteekening zegt: „visd. wit ('tFransch eskader) wen(V* 
eene andere: ^Hier waren om dese tijt de leste ofte achterste schepen van de 
nederlantse vloof'; 'een derde i>ij verscheidene Fransche schepen yfomende uyt 
de vloof'. Het opschrift luidt : ^tegen de avonf\ De teekening is hoog 0.37 
en breed 2.25. 

De zesde teekening schetst een gedeelte der Engelsch-Fransche vloot op 
Zaterdag 10 Juni. Het is een kalme zee met schepen, die bijna geen zeil voeren, 
en een groot aantal roeibooten. Boven links bij een groot schip met de vlag 
aan de groote mast (de Londen?), omringd door verscheidene roeibooten, staat 
j^de gequeste uyt het schip gedaen op saterdag den 10 juny\6yi*\ Op den tweeden 
grond rechts ligt een dergelijk vaartuig en daarboven staat : y^deprins*^ (Robert) 
y4^ fransche sloupen aen boort hebbende & oock zijn bagagie uijt et schip** (de 
Royal Charles), y^opt schip londen over gebracht wert alsoo daer opgaen sal, dog 
^aet over oi> de souvereijn*\ Deze aanteekening helpt beslissen welke opgave 
der historieschrijvers (de Jonge, Ned. Zeewezen, noemt den I4en) de juiste is. 

Den I3en woei de wind van de landzijde. Een aanval van DE- RuiJTER 
was dus mogelijk, en Prins RoBERT maakte zich gereed. Den volgenden morgen 
was 't een sterke bries uit het N.O. De bevelhebber en de schout-bij-nacht 
van het blauwe eskader waren bij Prins ROBERT aan boord of hadden zooveel 
moeite om terug te keeren, dat dit eskader niet tijdig gereed was. Omstreeks 
II uur lichtte de Nederlandsche vloot de ankers en voer op den vijand los. De 
middentocht der geallieerden, onder Prins ROBERT, en het Fransche eskader 
waren spoedig klaar, maar het eskader der blauwe vlag, onder SprAGG, kwam 
achteraan. De Nederlandsche vloot volgde de vijandelijke vloot. Eerst omstreeks 
5 uur waren de eskaders in vol gevecht; Tromp met Spragg, de RüIJTER met 
den • Prins, Banckert met d'Estrées. Omstreeks 10 uur s' avonds voer de 
Nederlandsche vloot terug naar Schooneveld, en den volgenden morgen was de 
vloot der geallieerden niet meer te zien. Prins Robert berichtte wel dat de 
Nederlanders omstreeks middernacht hun koers hadden veranderd en hij om 
2 uur en tot 6 uur voortging, maar Waird Clowes merkt terecht op, dat 
Prins Robert niet 2, wellicht 6, uren zou hebben getalmd met het nazetten der 



190 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

Nederlandsche vloot, indien hij in staat was geweest deze te vervolgen, zoodat 
DE Ruijter's terugtocht „is perfectly consistant with the Dutch claim, that the 
Allies had some what the worse of this encounter*\ Blijkens den brief van 
Prins ROBERT dd. 15 Juni (L.ondon Gazette) verloren de Engelschen geen schip, 
maar sneuvelden de kapiteins van de Warspite en van de Crown. 

Het Museum-Boijmans bezit de volgende teekeningen betreffende dezen 
zeeslag : 

Eén met het opschrift; y^op sannendag soo de koningsvloot voor de noen 
^onder seijlt goei denckende dien dag te vechten doch niet wesende wederom ten 
yflncker komty Zij' is hoog 0.24 en breed 1.485. De vo<A'stelling is wat het 
opschrift vermeldt. Van de Nederlandsche vloot geen spoor. Bij een salueerend: 
schip staat geschreven: y)Cap(itein) doot & overhoort geset met 7 k 9 schooten'\ 

De tweede teekening, hoog 0.34 en breed 2.27, heeft ten opschrift 
^eteickent na de noen op sonnendag de 11 junij 1673, konings vloot ten ancker 
Afleggende f woeij harf\ Onder de aanteekeningen bij de schepen is er eene bij 
een groot Engelsch schip: y,schoot 9" veranderd in „li schoten aparent van 
^hooge officiers doot & over boort geset". 

De derde teekening, hoog 0.24 en breed 2.74, voert het opschrift: y^voor 
^de noen soo het getij kenterde ende ebbe begon. — Geteickent de iSjunij 1673 
jfOp dijnxdag soo de koninglicke zeemacht neffens de franse ten ancker legt om* 
^trent 8 mijlen buijten de zeeuse kust^ de wint hebbende n,oost & oost n.oost woeij 
yfllle dagen vrij hart & de hollantse vloot boven de wint van ons leggende omtrent 
„3 mijlen water". Op de teekening ligt het Fransche eskader aan de linkerzij en 
daarnaast het eskader van Spragg of dat der blauwe vlag. Blijkens de aantee- 
keningen trok vooral het Fransch eskader de aandacht van W. van DE Velde. 
Hij schrijft: ^f(ransch) adl & visadl van Vranckrijck.. laet de wimpel voor af 
waijen" — een eind verder naar rechts : (hier) „eijndigt desquadre vande franse 
schout bij nacht*'; verderop staat: „s. michiel graef van Monterey'\ en dan : „hier 
begint esquadre Spragg", 

Op de vierde teekening ziet men de Nederlandsche vloot op den achter- 
grond, en op den voorgrond de vloot der geallieerden. Haar opschrift luidt: 
„geteickent dijnxdag s *s middags de 13 junij soo de (weer.') zijdige zee armaden 
„ten ancker leggen de wint hebbende O.N.O. de hollanse vloot boven wint'. 
Zij is hoog 0.275, breed 0.897. 

De volgende teekening, hoog 0.28^ en breed 2.59, geeft weer eene voor- 
stelling der vloot op denzelfden dag later. Het eskader van Prins ROBERT, wiens 
^^Souvereijn'^ wordt aangewezen, ligt links ; het eskader van de blauwe vlag op 
den achtergrond rechts. Het opschrift luidt: y^dè li juni; 1673 voort na de noen 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 191 

ten 4 a S ^^^ ^^ blauwe esquader int verschiet voordat de volgende y woensdag 
gevochten wiert.*^ 

Eindelijk komen wij met de zesde teekening den zeeslag nader. Hoewel 
links een gedeelte ontbreekt, is zij hoog 0.18 k 0.20 en breed 1.45. Jammer 
genoeg is van eenige vellen de benedenrand afgesneden, waarop gewoonlijk de 
aanteekeningen staan! Het opschrift luidt : ygeteickent woensdag te 10 ure voor 
y/ü noen soo de staten vloot onder seijl komt & konings vloot oock onder seijl 
j^aet No. I de 14 Jny 1673.'* Dit opschrift behelst dus de bekentenis dat 
Prins ROBERT niet zóó vroeg gereed was als D£ RuijTER. Op den achtergrond 
de Nederlandsche vloot, met de bijschriften : y^koe de hollantse vlooi op de orisont 
aenkomf\ bij drie schepen j,Sweers" — „Tromp" — ,,de Haen", meer naar rechts 
,,liefde" — ^ruijter" — ^Jan van Nes" — „adl. van Nes" — en op zij daarvan 
„Adriaen Banckers" — „Visad. Everts". Op den voorgrond ligt de Engelsch- 
Fransche vloot, links „de leste fregadts onder den schout bij nacht de blau(we 
vlag?) de graeff VAN Monterey", rechts daarvan het eskader onder de roode 
vlag van den „prins". Tusschen de twee vloten de Engelsche brandwacht r»van 
„de achterste brandwacht retireerendt", en „dito (d. i. brand) wacht die tusschen 
„beijde partijen leggen." 

De zesde teekening, hoog 0.27 en breed 2.72, geeft weinig verandering 
aan, dan dat de vloten elkaér meer genaderd zijn. Het opschrift luidt: ^^soo de 
j^statenvloot aenkomt No. 2 op woensdag omtrent de noen^ op woensdag de 
„14 Jny 1673". 

Meer teekeningen, welke de geschiedenis van den zeeslag konden geven, 
zijn er niet, maar nog vier die den afloop voor de geallieerden schetsen. De 
eene is hoog 0.345 en breed 1.375. Het opschrift is: ygeteickent saterdags tegen 
y^de avont ^de 17 Jny 1673 soo konings vloot seijllt & laveert naer Searnesse^ 
^tlant van Scheppeije int verschiet siende^ Op den achtergrond ziet men links 
de bergachtige noordkust van Kent, rechts het eiland Scheppey, waarop Sheerness 
ligt. Op den voorgrond de laveerende schepen. De tweede teekening heeft tot 
opschrift: ^eteickent op sonnendag de li juni 1673 soo koningsvloot neffens de 
franse voor & omtrent sernesse ten ancker leijt & de somme (sommige) schepen 
y^die schadeloos waren daèr binnen^\ Op den achtergrond links de kust van het 
eiland Grain, in 't midden de mond der Theems, rechts Sheerness met ft>rt, poort 
en wallen, vooruitspringend tusschen de Theems en de Medway. De schepen 
liggen gewend naar rechts, tegen den wind, en rechts liggen er vele in de Medway 
achter het fort van Sheerness. Van de aanteekeningen dunkt mij slechts mel- 
denswaard : ^^de spreker in de marij^'\ zou VAN DE Velde daarmee bedoelen 
een bezoek van den Speaker van 't Lagerhuis? Deze teekening is hoog 0.355 en 



i^ WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

'S ^^è •■ v ^■ 

S'j'g!^JlFl|)^ Brde teekening, hoogo.37 ko.jSen bre«d r.475,gecft devlootop 

at'^«{||f^)||lka)i||'ngevee'r in denzclfden toestand weer. Links, waar vermoedelijk 

iK' Kw'M €9^£fïekt, liggen twee schepen achter een strook land ; in 't midden 

<*iS*i$m/^^Jl- i-;itcr ca lechta het ktstecl \an Shcern^ód. Achter 't kasteel 

••*? lf'i'S''0'^'JI'' *-'" ^^'^ ^^^ v.-r^.ter op den voorgrond i? vol rchepen, ffij 

iMS^^tt ^^'||oi''o''d hoserey (de Earl of OsSORvJ op de Andries" — ,de 

IS»1S"*- ffsJ^^lfy^" ~ „dunkerke" (de Dunkirk) — ^de henry." De laatste 

'*'^^|| ^'H '^45 en breed 1.405, heeft tot opschrift; ^eteickeni op mamm- 

' 1**-Af ïöiïJ^Wifl|*''i' uk des konings zetvloot laetop dcreedcvan Sernessiff^ 

'M 8'B''H^'^'" &" S*'^'^^ <^'"'" binui^i om u rep..i\.'re7. kk s^ijUnde mit tl 

jÈ-t^^^*'w''^ï' "''■ nvicr op nacr s!nff<tm -rrt cr.p. Sc^-Ucy^'' Op denadlter- 

~ "* "^^Ï^Sf -^"l^-'' opc" water, dan het kasteel van Sheerness en rechts de 

^ ^^nt met een dorp op een heuveltop. De Dyamond zeilt naai 

^^og een kleine teekening, hoog a32 en breed 0.70 geeft eea 

^i^bij SIieerne:is te zien. 

{Woidt vaz'clgd.) 




'^ 



m 



'1?''S'''W''^ "S* 'S *2' *g' 'S" '2 '^ 



,,.-«♦■ 



-1» 



o- it 




iill^i MARIEKERK 



:il^^:l!|jLLER Fz. 



-£it^'-.j& .&. A .^ • 



•£'*e'&''S^^^^£^>ren zijn twee plaatwerken verschenen, 
">t^:u^i^'lj^:echtü heerlijke St. Mariakerk een onver- 



i-»v^ 






:3enJ helder licht liebhcr. dooi schijnen. 

ine rmaie pitbli- 

'^ec/ttsche kerken niet minder dan lorepro- 




'^]GKi^ iX £k licht, vervaardigd naar teekeningen, door 

S^eg^ i^w^iüiK kerkschildei PiiiTER Saenredam bij zijn 

"'" " l^recht 01 .'.leeki 163'^ . 





194 



UTRECHT'S MARIEKERK. 



Steunende op deze beide plaatwerken en op eenige afbeeldingen in den 
Stedelijken atlas van Utrecht (die te weinig bezichtigd wordt en die door deze 
bescheidene poging eenige bekendheid moge verkrijgen !) kan ik in de volgende 
bladzijden met u eene wandeling door het verdwenen gebouw ondernemen, die 
de beide plaatwerken door eenige historische bijzonderheden zal toelichten, waarbij 
ik tevens de gelegenheid kan waarnemen, om u op eenige merkwaardigheden 
van het gebouw te wijzen. 

Van de gelegenheid maak ik gebruik, om eene verzameling oude bescheiden 
te doen drukken, die de lotgevallen van alle onderdeelen van het zeer samen- 
gestelde gebouw in hoofdtrekken verhalen en documenteeren. Oorspronkelijk was 
deze door mij bijeengebrachte verzameling bestemd, om bij CUYPERS' reconstructie 
in het licht gegeven te worden ; om redenen, onafhankelijk van mijnen wil, is dit 
niet geschied. Maar ook op zich zelve schijnt mij de collectie belangrijk genoeg 
om eene uitgave te verdienen, en ik geef ze dus thans hierbij in het licht. Nu in 
de volgende bladzijden telkens naar de stukken verwezen wordt, behoeven zij 
geene nadere toelichting; de bijgevoegde plattegrond stelt den lezer in staat 
zich voldoende te orienteeren. 




STMARIAKERK 



UTRECHT 



A. 


KERK. 


B. 


VOORPORTAAL. 


CC 


TORENS 


P 


VOORHAL. 


E. 


KLOOSTERGANG. 


F 


REFECTORIUM. 


G 


KAPlTTELHUia 


M 


NIEUW KOOfl 


1 . 


NIEUWE SACRISTIE 


J. 


NIEUWE KAniTCLKAMCR 



KKKJgiEUWE KAFELLtN. 



UTRECHT'S MARIEKERK. 195 

Het is waarschijnlijk zelfs aan de meeste inwoners van Utrecht niet bekend, 
dat de stad van ouds roem kon dragen op eene tweede kerk, die evenals de ' 
Dom in hare soort wellicht de fraaiste was in geheel Nederland. Ik bedoel de 
St. Mariakerk, die zich tot 1814 verhief op de nog heden naar haar genoemde 
Marieplaats, — een juweel van den romaanschen bouwstijl, zooals de Dom dit 
was van den gothieken. 

Reeds de oorsprong der St. Mariakerk is merkwaardig. Twee Latijnsche 
verzen, van ouds gebeiteld op de twee pilaren, waarop het kruis der kerk rustte 
(Bijl. I i) verhaalden, dat de kerk gesticht was door niemand minder dan een 
Duitschen keizer, den ongelukkigen Hendrik IY, bekend door zijn strijd met 
paus Gregorius VII en zijnen gang naar Canossa. Ik geef u de versregels zelf 
zooals zij door een Utrecbtschen prulpoeet in 1658 zijn overgebracht : 

„Henriic de viirde, toen hy keyser was van Romen, 

Heeft gaatsch Italien med wap'nen ingenomen ; 
De stad Milaan alleen, weerspannig ende stout, 

De poorten tegen hem wel vast gesloten houdt; 
Daarna hj wint de stad en plundert di ten lesten, 

Verrykt lich eerst med bujt en geeft de rest tsn besten 
En blyft ook van den brand niit vry dat heerlik werk, 

Van witten marmersteen gebouwd, Marie kerk. 
Dit rouwd* hem, en door liefd' godvruchtiglyk ontsteken, 

Nam voor in eenig land in di oft dese streken 
Te stichten op een niiu een kerke, di bequaam 

Zou wesen tot den diinst van dien eerweyrden naam". 

Zoo verhaalde de legende, die te Utrecht algemeen geloofd werd. En zij 
wist nóg meer te vertellen over den moord van' bisschop CONRADj die de kerk 
in opdracht des keizers gesticht had (vgl. Bijl. I i), — een verhaal, door 
VAN Lennep in zijn Frieschen bouwmeester smakelijk naverteld. In 1081 werd 
de kerk volgens onze versregels gewijd. 

Nu schijnt het waar, dat de geschiedenis van deze verwoesting eener 
Milaneesche St. Mariakerk door keizer Hendrik IV niets hoegenaamd weet. 
Zekerder nog gaat het, dat vroeger ook in den Dom twee overoude tafelen opge- 
hangen waren, die over de stichting deser kerk een verhaal deden, dat meer dan 
verdacht is. De conclusie schijnt dus te moeten zijn, dat de sceptische 19e eeuw 
over de geheele legende der St. Mariakerk de schouders moet ophalen. Doch 
indien zij zoo doet, dan rekent zij buiten ^^het getuigenis der gesteenten''. Immers 
de bouwtrant onzer St. Mariakerk, althans van haren gevel, is in Nederland 
uiterst zeldzaam, ja geheel zonder parallel. Doch ieder, die bij een bezoek aan 
Milaan de beroemde kerk van San Ambrogio bezoekt, zal even verrast zijn als ik 

vijf en twintig jaren geleden was, toen ik, de kerk binnentredende, mij in Utrechts 

25* 



196 UTRECHT'S MARIEKERK. 

St. Mariakerk verplaatst waande. Dezelfde pilaren, dezelfde galerijen boven de 
zijbeuken, dezelfde voorhal als die, waarvan de gevel van .de Utrechtsche kerk 
nog de sporen vertoonde ! Alleen ëén onderscheid : San Ambrogio is eene hallen- 
kerk, terwijl St. Maria eene kruiskerk was. 

Werkelijk was dus de Utrechtsche Mariekerk in zuiver Italiaanschen stijl 
gebouwd, en de geleerde Utrechtenaar Arnoldus BucheliüS, die een bevoegd 
beoordeelaar was en zelf op het laatst der i6e eeuw Italië bezocht had, zegt dan 
ook met eentge verwondering, dat de kerk een uitstekend bouwwerk is, in een 
ouden stijl, die echter meer aan de Romeinsche dan aan de ^barbaarsche" (dj. 
gothische) architectuur doet denken. Wij negentiende-eeuwers, juister dan BJCHELL 
ingelicht over de oude kunstvormen, zien met één oogopslag, dat de kerk gebouwd 
was, noch in den Romeinschen, noch in den gothischen stijl, maar in den zoo- 
genaamd romaanschen, die den overgang tusschen beide stijlen vormt, — den 
romaanschen stijl, thans te Utrecht niet meer in hare kracht te bewonderen (noch 
in de wat primitieve en kale St. Pieterskerk, noch in de hopeloos verknoeide 
St. Janskerk), n>aar die in zijne schoonste exemplaren zeer aantrekkelijk is. Hij 
schijnt op den eersten aanblik wat zwaar ^) en treft minder dan de elegante 
gothische stijl ; bij hem domineert (in tegenstelling met den gothischen) niet de 
vertikale, maar de horizontale lijn en zijne voortbrengselen schijnen daarom naast 
die der jongere zuster wel eens wat zwaar en gedrukt. Maar hij is rustiger, 
ernstiger, strenger, en hij moge het groote publiek niet dadelijk treffen, in zijne 
edelste voortbrengselen maakt hij op den duur wellicht dieperen indruk dan de 
monumenten van den spitsóoogstijl. 

Ik ga u de merkwaardige kerk vertoonen. Maar vooraf een paar opmer- 
kingen over de kunstenaars, die mij daartoe in staat gesteld hebben. Boven 
allen blinkt uit de beroemde Haarlemsche kerkschilder PiETER Saenredam, die 
niet minder dan 19 malen de kerk afgebeeld heeft. Een merkwaardig artist! 
Zeker, Rembrandt's leerling Jacques Domer leverde aantrekkelijker werk en 
zijn (hierbij gereproduceerd) gezicht in de Mariekerk geeft ons een veel dieperen 
indruk van het mysterieuse en imposante bouwwerk dan Saenredam, wiens wat 
nuchtere schilderijen daarnaast hard, droog en koud schijnen. Maar zijne talrijke 
aquarellen en zijne met gekleurd krijt opgewerkte penteekeningen zijn allerliefst 
En bovendien wat zijn ze nauwkeurig ! Deze man is een ware schat voor den oudheid- 
minnaar: meer historicus dan artist, geeft hij ons zijne modellen terug met eene 
getrouwheid, die in den kunstenaar wellicht overdreven geoordeeld worden zaL Zijne 



1) Reeds dadelijk, toen de kerk nog ^eene halve eeuw oud was, werd fij dan ook door den bekenden 
Floris dbn Zwaktb en zijne partij tijdelijk als eene Yesting gebruikt. (Zie B^l. I x.) 



UTRECHT'S MARIEKERK/ 197 

afbeeldingea der Mariekerk stellen ons in staat, hem in zijne manier van werken 
op den voet te volgen. 

Eerst maakt hij een aquarel van matigen -omvang en merkt die nauwkeurig 
met den datum: ,,Den 30 Juny deesen geyndicht met teyckenen Ao, i636'\ 
Dan, een halfjaar later, zet hij zich aan een grooter ontwerp voor eene schilderij, 
eene architectuur-teekening met strenge lijnen, waarbij passer en liniaal te pas 
komen, op den maat van het bedoelde schilderstuk. Ja nog meer, om geheel 
zeker te zijn dat hij de bouwkundige figuren goed zal weergeven met het penseel , 
construeert hij op de achterzijde van zijn ontwerp de basementen en kapiteelen 
der zuilen zóó nauwkeurig, dat geen architect het hem verbeteren zou, en nbg 
niet tevreden, schrijft hij zelfs de afmetingen daarbij. De kapitale teekening (die 
de stad Utrecht dankt aan de mildheid van Teylers stichting) wordt weder nauw- 
keurig gemerkt : ^Den 8»ten January 1637 is dese geeyndicht met teyckenen". 
D^n eindelijk wordt de schilderij &elve ter hand genomen en SaenrëDAM werkt 
er lang over: eerst vijf vierendeel jaars later voltooit hij het stuk (thans berus- 
tende in het museum te Brunswijk en helaas, in de i8e eeuw overschilderd) en 
kan hij met voldoening op zijne teekening bijschrijven : yden 2C>sten April 1638 
heb ick dit volmaeckt met schilderen binnen Haerlem, dus groot." 

Vrij wat minder zijn de andere kunstenjars, die de kerk later hebben 
afgebeeld. In de eerste plaats ABRAHAM Rademaker, die aardige etsjes maakte 
bij het Kabinet van Nederlandsche en Kleef sche oudheden van ISAAC LE LONG, 
en wiens teekeningen in sepia (meest naar oudere teekeningen gevolgd) er ook 
wèl genoeg uitzien. Maar wat zijn ze bitter onnauwkeurig I Zonder bezwaar 
verandert hij rondbogen in spitsbogen en geeft zoodoende aan een gebouw een 
geheel anderen stijl. En de kroon spant een gezichtje van zijne hand, dat den 
westgevel onzer Mariakerk vertoont en daarnaast het bekende gezicht op de 
Mariaplaats nauwkeurig afbeeldt, maar.... dat dit zonder eenig gewetensbezwaar 
rechts in plaats van links van de kerk plaatst! Nbg iets erger zijn de talrijke 
teekeningen van J. Stellingwerff en L. P. SerruRIER: onrijpe vruchten, 
meestal slordige kopieën naar Rademaker's werk, evenals dit bestemd voor de 
topografische verzamelingen der talrijke i8e eeuwsche lieihebbers. 

Maar ik houd mij onnoodig op en u met mij. Ik vermoed, dat gij haast 
zult hebben om met mij eene wandeling om de kerk te doen aan de hand onzer 
teekenaars. Hun werk moge uitnemend zijn of gebrekkig, vereenigd stelt het 
ons in staat, om in gedachten ons de St. Mariakerk voor te stellen met bijna 
evenveel nauwkeurigheid, alsof zij nog heden de Mariaplaats versierde. Wij 
beginnen onze wandeling aan de westzijde, waar wij den hoofdingang der kerk 
vinden. 



198 UTRECHT'S MARIEKERK. 

De gevel is zeer merkwaardig en wel het meest typisch Italiaanscb. De 
afbeeldingen, die Saenredam ons daarvan naliet (het zijn er niet minder dan 
drie) g^ven, hoe nauwkeurig ook, u echter een gebrekkigen indruk van het ge^ 
bouw. Ook al is men gewend aan den vreemden bouwtrant, dan schijnt de 
eenigszins geruïneerde gevel abnormaal en men merkt daaraan dan ook spoedig 
allerlei sporen op, die bewijzen, dat bij zich niet meer vertoont *in zijn oorspron- 
keiijken luister. Eerst de bovenvermelde kerk van San Ambrogio te Milaan geeft de 
oplossing van het raadsel aan de hand. Met verrassing ziet gij op eene naar 
dit voorbeeld gereconstrueerde afbeelding een pleintje voor de kerk vorfijzen, door 
eene zuilengalerij omgeven, — een ^paradijs'', zooals men destijds zeide, — dat 
hier te meer de aandacht trekt, omdat ge u herinnert, hoe koning Willem van 
Holland in 1255^. hier eene samenkomst met het kapittel had, waarbij een 
onbedachte steenworp van een Utrechtsch burger den koning wondde en de goede 
verstandhouding tusschen den vorst en de stad voor goed verstoorde (Bijl. V i). 

Behalve Saenredam's teekeningen bezitten wij nog eene andere» bont- 
gekleurde afbeelding van den gevel der kerk, — eene schilderij in het Museum 
Kunstliefde, langen tijd toegeschreven aan verschillende makers, maar eerst onlangs 
door Dr. Hofstede de Groot herkend als een staaltje van de vroege kunst 
van den schilder Antonie BEERSTRATEN. Het stuk is merkwaardig, omdat de 
schilder de Utrechtsche kerk gebruikte als stofiage voor een Italiaansch land- 
schap en dus het bewijs leverde, dat reeds den kunstenaars van x66o het 
Italiaansche karakter van den bouw in het oog gevallen was. 

Maar wij verlaten nu den gevel en slaan den hoek om : het is weder 
Saenredam, die ons naar de Marieplaats vergezelt. Wat schijnt het ons bekend 
dit pleintje, en toch hoe wondervreemd ! Een zéér karakteristiek stadsgezicht I 
Toen CONSTANTIJN HUYGENS in 1620 Mainz bezocht, trof hem het eigenaardige . 
karakter dezer bisschopsstad. „Jt trouvay la ville grandement solitaire", schrijft 
hij in zijn dagboek, „k petites mes estroittes, bien qu'en bastiments assez brave, 
mais è F ecclésiastiquei quasi comme è Utrechf\ Voor ons is het natuurlijk moeielijk 
thans nog na te gaan, waarin het geestelijk karakter, dat HuYGENS in de Utrecht- 
sche huizen opmerkte, bestond. Maar vergis ik mij niet, dan geeft Saenredam's 
gezicht op de Marieplaats daarvan een goeden indruk. Mij althans doet dit gezicht 
op het onbestrate pleintje, waar een paar stijve boompjes in de zon staan te 
droomen, altijd wonderlijk aan. Het is doodstil in dit afgelegen hoekje, door den 
muur der immuniteit van St. Marie geheel afgesloten van het gewoel der stad ') ; 
aan alle zijden geven hooge muren door kleine poortjes toegang tot de groote 



1) Een gedeelte van het plein (zeker aan de westzijde) was reeds in z6z6 op verzoek van de vroed- 
8chd[p van deze afsluiting ontdaan. (Zie Bijl. VI z.) 



UTRECHT'S MARIEKERK. 199 

tuinen, waar de kanunniken van St. Marie in ouderwetsche paleizen zich in ge- 
leerde studiën verdiepen of hunne genotzucht aan het oog der buitenwereld ont« 
trekken'). Niets gelijkt zoo op dit pleintje dan de afgelegene hoekjes, die in 
'vervallene Duitsche stadjes nog wel te vinden zijn. Hier als daar gevoelt men, 
dat het leven in de schaduw dezer imposante kerk vóór alles rustig was; hier 
als daar wordt het duidelijk, dat de stad, waartoe zulk een pleintje behoort, 
werkelijk ,,grandement solitaire*' moet geweest zijn en een zéér bijzonderen indruk 
gemaakt hebben op den bezoeker, hij mocht dan komen uit het gewoel der drukke 
koopstad aan het Y of uit de vriendelijke Hage, waar de hovelingen der Oranjes 
zich vermaakten. 

Maar wij zetten onze wandeling voort langs de noordzijde onzer kerk, die 
ons meestal vertoond wordt in het verschiet van den stadswal af> maar toch 
duidelijk genoeg om de hoofdvormen te onderscheiden van het transept met zijn 
eigenaardigen voorbouw. Dan komen wij aan het koor^), dat ons reeds op den 
eersten aanblik treft als geheel verschillend van den stijl der. kerk en dat dan 
ook eerst in 142 1 werd aangebouwd (zie Bijl. II 2, 3), tegelijk met de kapel aan 
de noordzijde, die de sacristie en de nieuwe kapittelkamer bevatte. 

Ik vestig de aandacht op een merkwaardig détail van de fraaie teekening, 
die Saenredam ons ook van dit gedeelte der kerk leverde. Boven de deur, die 
(natuurlijk in veel lateren tijd) in den koormuur gebroken werd, is in eene fraaie 
gesnedene lijst een bord op den muur bevestigd. Het geeft een gezicht te zien 
in eene kerk en het schijnt voor de hand te liggen, dat het een gezicht is in 
de Mariakerk zelve, wellicht door onzen teekenaar aangebracht ter aanvulling 
zijner teekening? Maar deze gissing is, naar het mij voorkomt, niet juist. Zóó was 
niet de manier van doen van den nauwgezetten Saenredam, die veeleer afbeeldingen 
van oude gebouwen gaf dan zelfstandige kunstwerken schiep, waarvoor hij deze 
gebouwen als motieven gebruikte. En bovendien, het kerkgezicht gelijkt niet op 
onze Mariakerk: het is een overwelfde zaal, rijk gestoffeerd met houten kerk- 
banken en andere meubelen. Ik zie dan ook in dit bord iets geheel anders: een 
uithangbord. Het koor der reusachtige kerk (die in 1656 aan de kleine Engelsche 
gemeente voor hare godsdienstoefeningen werd afgestaan *)) was voor den dienst 
niet noodig, en toen SAENREDAM werkte, was reeds sedert 1619 het Bijlhouwers - 
gild er gevestigd, dat er zijne producten tentoonstelde (zie Bijl. II 4). De 



1) De oude huUen schuilen nog altijd weg. nóg meer xelfs dan vroeger, daar er nu meestal andere 
huizen zijn voorgebouwd. 

^) Over den vorm van het oude koor zie, behalve den platten grond : Bijl. II z. 

8) Zie Bijlage I 5. De hervormde eeredienst was er reeds sedert 1585 in uitgeoefend (Bijl. I 4). 



200 UTRECHT'S MARIEKERK. 

geopende koordeur toont ons dan ook reeds eene eikenhouten kist, en het bord 
daarboven geeft ons gewis eene eenigszins vrije voorstelling van de andere kunst- 
producten, die de Utrechtsche „kistenmakers" of meubelmakers daarbinnev 
uitstalden, smakelijk geëtaleerd in eene fraaie gewelfde hal, opgebouwd door de 
fantasie van den kladschilder, die het uithangbord maakte, In de fraai gesnedene 
lijst van het bord leverden de gildebroeders zei ven tevens nog een proeve van 
hunne kunst. Zóó wist een artistiek geslacht reclame te maken voor het schoone 
door het schoone! 

Trouwens Saenredam's gezicht op het kerkkoor geeft ons overigens weinig 
reden, om ons te verheugen over den eerbied van het voorgeslacht voor het 
fraaie monument. Het koor is geheel ingebouwd en beklemd tusschen allerlei 
wanstaltige huisjes en kraampjes. Ik maak eene uitzondering voor het kleine 
soLtdige gebouwtje naast den ingang van het Bijlhouwerspand, dat de van ouds 
beroemde Mariapomp overhuift, destijds geplaatst tegen den achtermuur van het 
koor. Maar overigens ziet men overal eene reeks van onoogelijke huisjes, 
schuurtjes en loodsen van hout of steen, die toenemen en steeds meer naast en 
voor elkander verrijzen, naarmate men voortgaat in de eeuwen, zooals deatbeet 
dingen van het koor uit de 1 8e en 19e eeuwen ten duidelijkste bewijzen. 

Slaan wij den hoek van het koor om, ten einde de zuidzijde der kerk te 
bezien, dan wordt ons die niet volkomen duidelijk. Deze zijde, waaraan de 
kloostergang zich aansloot, was toch van ouds niet goed zichtbaar en werd door 
allerlei aanbouwsels nog verder onkenbaar gemaakt. Met moeite herkennen wij 
met behulp van den plattegrond de interessante voorhal voor het zuidertransept: 
eene overwelfde ruimte, in het midden gesteund door eene pilaar, waarboven 
zich een vertrek moet bevonden hebben, dat van uit het zuidertransept toegan- 
keiijk was door eene trap en eene galerij. Wellicht mogen wij in die bovenkamer 
eene bibliotheek of een archieflokaal herkennen, — in de benedenzaal, die door 
haren bouw herinnert aan de Engelsche chapterhouses, het oudste kapittelhuis. 
Maar seisr is dit niet : immers ten zuiden van den kloostergang en daaraan 
sluitende (dus op de plaats, waar wij bij onzen Dom en bij vele andere kapittel- 
kerken het kapittelhuis vinden) zien wij op eene geestige teekening van onbe- 
kende hand van omstreeks 1610 een hoog gebouw met traptoren verrijzen, welks 
tufsteenen (en dus overoude) fundamenten nog onlangs teruggevonden zijn bij 
den bouw van het gesticht van de broeders van St. Johannes de Deo (zie den 
plattengrond hiervoor); het zal wel het oude refectorium geweest zijn, maar 
mogelijk is het toch ook, dat dit het kapittelhuis was. 

Bij onzen rondgang werpen wij even een blik in den kloostergang der 
kerk met de put, die het pleintje versiert. Maar de gang verkeert niet meer in 



UTRECHT'S MARIEKERK. 201 

zijn primitieven toestand : hij wordt reeds ontsierd door de daarop ïn 1633 *) 
gebouwde verdieping (die twee teekeningen, in 1839 vervaardigd door de leer- 
lingen der Stadsteekenschool, ons nauwkeurig afbeelden.) Slechts eenmaal 'sjaars 
vieren schoonheid en kunst hier nog hoogtij ; gedurende de kermis, want althans 
sedert 1661 vindt men er dan de kramen, waarin de schilders hunne producten te 
koop stellen •). Wij verlaten den gang weder door een van de vele deuren, 
die daarop uitkomen en die (door de aangrenzende huizen heen) den Roomsch- 
Katholieken de gelegenheid geven, om hunne bidplaats in de nabijheid der Mariekerk 
onbemerkt te bereiken en zoo noodig ook te verlaten zonder opzien te baren. 

Thans hebben wij onzen rondgang volbracht en staan wij weder voorden 
westgevel der kerk. Laat ons nu door de voordeur binnengaan. Zoodra wij de 
zeer donkere kerk betreden, trekt het koor, hel verlicht door de groote gothische 
vensters, onze aandacht. Het is van de kerk afgesloten door een muur, bekroond 
door een rijkgesneden hekwerk ; slechts twee deuren, waartusschen vroeger zeker 
altaren gestaan hebben, geven toegang tot het koor. Het hek is fraai en het 
koor, dat daarboven zichtbaar wordt, niet leelijk. Maar toch is er zekere dishar- 
monie tusschen de beide deelen der kerk en wij begrijpen niet goed, dat de 
warme kunstvriend CONSTANTIJN HuYGENS juist dit gezicht heeft gekozen ter 
opluistering van zijn nieuwgebouwd huis op het Haagsche Plein, bij welks afbraak 
Saenredam's sombere en ietwat drooge schilderij verhuisde naar het Neder- 
landsch Museum. 

Wij voor ons haasten ons liever van uit de lage orgelgalerij voor de 
kerkdeur, waaronder wij staan, naar de lage zijbeuk der kerk, waar het gezicht 
op het koor ons niet ontstemt. Hier zijn wij geheel in romaansche omgeving, 
misschien wat zwaar masgr rustig en stemmig. Wij nemen in het voorbijgaan 
met belangstelling kennis van de kleurige heiligen, die nog (1636) op de pilaren 
geschilderd zijn en den killen toon der kerk wat verlevendigen. Eerst op Domer's 
prachtige aquarel (circa 1660) blijken zij verdwenen te zijn. Het is waar, het 
kapittel van St. Marie bleef met bijzondere hardnekkigheid trouw aan het oude 
geloof, zooals het nog in 1621 toonde door zijn verzet tegen den gedwongen 
aankoop van aandeelen der West-Indische Compagnie, die bijzonder aggressief 
tegen Spanje zou optreden. Maar met dat al verwondert het ons toch, dat de 
(niet ten onrechte; onverdraagzaam gescholdene Calvinistische predikanten zoolang 
deze zuiver Katholieke kunstwerken geduld hebben onder hunne oogen. 



1) Zie Bijl. IV z, 9, 4- 

S) Zie Bijl. IV, 3. (Vroeger stonden de kramen ook in het schip der kerk.) De kermiskramen stonden 
er nog tot het begin der 196 eeuw (Zie Bijl. I, 7); later diende de kloostergang alleen tot bergplaats van de 
kramen der weekmarkt. 

Oud^Holiandy 1902. 26 



202 UTRECHT'S MARIEKERK. 

• 

Doch wandelen wij voort, het oog gericht op de halfronde kapel naast 
het koor^ die eenmaal na de afbraak der kerk door de onkundigen als eene' 
heidensche kapel zou worden gebrandmerkt. Weldra bevinden wij ons in het 
zuidertransept bij de galerij» die naar de bibliotheek voert. De openstaande deur 
rechts laat ons een blik werpen in de voorhal der kerk en toont ons de deur, 
die zich daar opent naar den kloostergang. Ook hier hebben wij een fraai gezicht 
in de kerk. Recht over ons in het ruitvormige venster van het noordertransept 
zien wij het geschilderde glas (volgens de overlevering ontworpen door den be- 
roemden schilder Jan van Scorel), dat den stal van Bethlehem en de aanbidding 
der Drie koningen voorstelt en dat geschonken werd door den kanunnik Hubert 
VAN BuCHELL, den stichter van Utrecht's Academische bibliotheek. Ook het hekwerk 
voor het koor, het oxaal, kunnen wij thans beter beschouwen. Het blijkt nu 
een prachtig stuk beeldhouwwerk in den fraaisten, vroegen renaissance-stijl ; wij 
kunnen ons thans begrijpen, dat niemand minder dan Jan van Scorel ook 
daarvan de ontwerper was. (Het duidelijkst is het kunstwerk te zien op eene 
fraaie penteekening van Saenredam in het Prentenkabinet te Berlijn.) Werpen 
wij nog éen blik naar boven in den koepel boven het kruis der kerk, dan kunnen 
wij het schip der kerk inwandelen, dat ons alweder duidelijk wordt, voorgesteld 
doqr den nauwkeurigen Saenredam op twee schilderijen in de musea van 
Brunswijk en Cassel. Ook hier treffen ons de muurschilderingen op de breeds 
pijlers ; ditmaal zijn het prachtig geschilderde tapijten, die eenmaal als achtergrond 
gediend hebben voör groote heiligenbeelden, die ' aan de pijlers bevestigd 
waren. In het voorbijwandelen ziet ge op een daarvan ook den gebeeldhouwden 
stier met het tweeregelige Latijnsche versje (Bijl. I i), die als eenig overblijfsel 
van den grootschen bouw thans nog in het Stedelijk, museum van Utrecht be- 
waard wordt. Hij herinnert aan het bekende verhaal, waarop ik boven reeds 
zinspeelde, dat de Friesche bouwmeester, die zijne hulp verleend zou hebben 
bij de stichting der kerk, dezen pijler in den moerassigen grond op stierenhuiden 
zou hebben gegrondvest. In het schip heeft men een fraai gezicht op de beide 
galerijen boven de zijbeuken en op het orgel, dat tegen den westgevel geplaatst 
is en waarboven de groote, later in dien gevel gebrokene roos zichtbaar wordt 
Eene schilderij van Sarnredam te Hamburg geeft dit gezicht terug. 

Werpen wij in het voorbijgaan nog even een blik op enkele fraaie graf- 
zerken, vooral op die van JACOB Crqll, den Jeruzalemsvaarder van 1 524, wiens 
beeltenis gij zien kunt op ScOREL's schilderij in het Museum Kunstliefde. Fraaier 
nog is het grafmonumentje van den deken der kerk Mr. HERMAN VAN GoüDA, 
dat onder het oxaal ingemetseld is; van dit monumentje berusten, als ik mij 
niet bedrieg, nog eenige overblijfselen in het Utrechtsche Stedelijk Museum. 



UTRECHT'S MARIEKERK. 208 

Maar overigens zult ge van al het fraais, dat de kerk eenmaal versierde, niet 
veel terugvinden. Verdwenen is de fraaie koperen gothieke lichtkroon met de 
Heilige Maagd en de twaalf Apostelen, die de heer J. N. van Lokhorst toch 
in 1858 nog afteekende. Als gij goed zoekt, zult gij te Utrecht nog een monu- 
mentje terugvinden, dat uit onze kerk afkomstig heet te zijn. In de pastorie 
van de Oud R. C» Kerk in den Driehoek wordt bewaard een merkwaardig 
voorwerp, dat wel verdiende voor het publiek ter bezichtiging gesteld te worden 
en volgens de overlevering uit de St. Mariakerk afkomstig is : een houten hamer, 
waarin gevat is een geslepen zwartgroene steen, blijkbaar afkomstig van onze 
heidensche voorouders en waarvan men niet licht een tweede nog in hout gevat 
exemplaar zal kunnen aanwijzen. Reeds voos zes eeuwen zag men het belang 
daarvan in en vatte het voorwerp als blijk van vereering in een zilveren surtout 
met een Latijnsch versje, zinspelende op het verbrijzelen der afgodsbeelden door 
den hamer van St. Maarten. Volgens de overlevering is met dezen hamer 
St. Bonifacius door de heidensche Friezen vermoord; maar de overlevering 
vergist zich hier blijkbaar, want hoe zou St. Maartens hamer in handen van de 
noordsche heidenen gekomen zijn ? De reliquie heeft dan ook eene andere geschie- 
denis 'en stamt niet uit de St. Mariakerk: een inventaris van de kerkschatten 
van den Dom uit het jaar 1504 vermeldt hem als den ^^malleus beati Martini, 
cum quo percussit dyabolum.^' 

Van den kerkschat van St. Marie vindt men dus te Utrecht niets meer. 
Maar het Amsterdamsche Rijksmuseum bewaart nog eene prachtige vergald zil- 
veren miskelk uit de 13de eeuw, — een paar merkwjtardige bronzen beeldjes, 
sinds eeuwen als afgodsbeelden befaamd, doch onlangs met waarschijnlijkheid 
gedetermineerd als afbeeldsels van 12de eeuwsche krijgslieden, die eenmaal den 
voet van groote kerkkandelaars moeten versierd hebben, — d^n het beroemde 
hemd zonder naad, een overoud weefsel, dat eenmaal bij plechtige gelegenheden 
aan de belangstellende geloovigen getoond werd, — met de drie nog veel vermaardere 
zoogenaamde eenhorens, een keizerlijk geschenk aan de kerk, over wier bezit 
eenmaal- vorsten gestreden hebben en diplomatieke onderhandelingen gevoerd 
zijn, en die ik voor eenige jaren slechts bij toeval herkende in de rommelkamer 
van het Mauritshuis, waar ze bekend stonden als ^drie staven, waarvan een 
gebroken"! 

Sic transit gloria mundi I Deze les verkondigt ons zoo duidelijk mogelijk 
de geschiedenis van Utrechts eenmaal beroemde St. Mariakerk. , De hierachter 



„Ydola vana ruunt, cesa Martini securi : 
Nemo deos credat, qui sic fueraot ruitori." 

26' 



204 UTRECHT'S MARIEKERK. 

uitgegevene bescheiden, toegelicht door afbeeldingen in den Stedelijken atlas, 
leveren ons ook de gelegenheid om kennis te raaken met haar trapsgewijs verval. 

Reeds 'in 1576 was een der kerktorens door het geschut van Vredenburg 
zwaar beschadigd en ingestort (Bijl. III e). Al schijnt de beeldstormerij aan de 
kerk zelve geen nadeel gedaan te hebben ^), kort daarna (1582) verkeerde de 
geheele kerk in gevaar om afgebroken te worden •). De voorhal, zeker bij den 
torenval zwaar beschadigd, was in 1636 (blijkens Saenredam's teekening van 
den kerkgevel) verdwenen, nadat zij zich reeds in 1617 (volgens een verhaal van 
den deken Lambert VAN DER BuRCH) als eene ruïne had voorgedaan (Bijl. V 2). 
De tweede toren eindelijk moest in 1682 worden afgebroken (Bijl. III 2). 

In 17 12 werd een tweede aanval op de kerk gedaan. De gevel zelfwas 
bouwvallig geworden, ja het geheele westelijke deel der kerk neigde ten val. 
Men verwachtte echter eerlang de gezanten voor het vredescongres te Utrecht; 
de raad der stad en het kapittel oordeelden het dus niet passend, de Engelsche 
kerk in zoo ontredderden toestand te laten (vgl. Bijl. I 6). Ongelukkig waren 
de tijden barbaarsch en werd de loffelijke bedoeling der heeren langs de gruwe- 
lijkste wegen nagestreefd. Men besloot het westelijk deel der kerk eenvoudig te 
amputeeren, en daar de zoo merkwaardige oude gevel dan natuurlijk vervallen 
moest, besloot het kapittel een wedstrijd uit te schrijven voor een ontwerp van 
eene nieuwe iafade. De drie ontwerpen worden nog in het Utrechtsche rijks- 
archief bewaard : zij moeten werkelijk ijzingwekkend heeten. De lijnen van de 
gevels, bestemd om de fraaie verhoudingen der kerk aan te kondigen, zouden 
terugstootend schijnen ook zonder de smaakvolle inventie van den teekenaar, die 
in overweging gaf de kerk met roode vensters en blauwe deuren te versieren. 
Wij weten niet, welk ontwerp ten slotte gekozen werd, maar hoe ook de keus 
uitgevallen is, wij hebben aanleiding om ons te verwonderen, dat aanzienlijke 
mannen als de deken Willem van der Muelen van Oud-Broekhuysen en 
de fabriekmeester Everard van Weede van Dijkveld hunne reputatien er aan 
gewaagd hebben, door dezen gevel als een sieraad der kerk en als een verdienste 
voor hen zelven in een opschrift te verheerlijken (Bijl. I 6). 

Z90 bleef de toestand tot 1765, toen een derde aanval op de kerk gedaan 
werd; het koor, reeds lang door een muur van de kerk gescheiden, werd toen 
ingericht als muziekzaal (zie Bijl. II 5). D.e documenten ook van dit misdrijf 
bestaan nog. Wij bezitten nog de origineele ontwerpen van de paalwoning, die 
men stichtte in het koor (tegenhanger van het voorhistorisch bouwwerk, dat thans 
nog het koor van Utrechts St Pieter opluistert). En ook een verleidelijk schoon 



1} Zie Bijl. I 3. 9) Zie Bijl. I 3. 



UTRECHT'S MARIEKERK 205 

geteekend gezicht van het zaaltje, zooals het zich in 1780 na het volvoeren der 
euvele daad vertoonde : met lieve houten pilastertjes langs de muren, een gebom*^ 
beerd plafonnetje van stuc en een orchestje style Louis XV met een hekje er om. 
Wij mogen het nauwelijks betreuren, dat zelfs de kunstlievende heer L, C. HORA 
SicCAMA in 1844 mede het initiatief nam, om dit even ondoelmatige als afzich- 
telijke bouwwerk te vervangen door het monumentaal elegante Gebouw voor 
Kunsten en Wetenschappen, waarop de Utrechtsche burgerij thans sinds eene 
halve eeuw trotsch is. 

Na de kerk en het koor kwam de kloostergang aan de beurt. Reeds 
in 16 J3 ontving het aardige bouwwerk een bovenbouw (Bijl. IV i, 2). Maar de 
gang bleef als begraafplaats in gebruik, sedert 1733 bij de Oud R. C. gen\eente, 
aan wie toen een gedeelte overgedragen werd (Bijl. IV 4): nog in 18 14 was de 
toestand aldus. Hij veranderde eerst merkbaar, toen men na de afbraak der 
kerk goedvond, om het vrijgekomen pleintje te gebruiken voor het bouwen van 
arbeiderswoningen. De eerwaardige gang, die sedert zeven eeuwen de processiCn 
had zien voorbijtrekken en die aan zoovele geslachten van dooden eene rustplaats 
had verleend, kwam daardoor te staan in een slop en werd door de bewoners 
der huisjes op de ergerlijkste wijze meer en meer verontreinigd. Schilderachtig 
bleef hij ; maar ieder, die eenige piëteit gevoelt voor de eerbiedwaardige over- 
blijfselen van het verledene, moest zich toch met weerzin afwenden, wanneer hij 
het inwendige van den gang ontluisterd zag tot rommelkamer en bergplaats 
van oude prullen. 

Intusschen, de Mariakerk zelve aanschouwde dezen jammer niet meer. 
Nadat het kapittel in 181 1 was opgeheven, bracht Napoleon's geweldige hand 
de kerk in 181 3 ten val (Bijl. I 7). Het koor met de aangrenzende, zooge- 
naamde t^heidensche'' kapel, waren de eenige overblijfselen van de kerk, totdat 
ook deze herinneringen aan een roemrijk verleden in 1844 werden afgebroken. 

Sic transit gloria mundi ! herhalen wij. Maar toch zijn wij, althans tot 
zekere hoogte, getuigen geweest van de herleving der kerk. Bij de afbraak had 
de architect VAN Embden genoeg piéteit om nauwkeurige plattegronden te ver- 
vaardigen, die het uitgangspunt werden van verdere reproductifo. En de heer 
Hora Siccama nam bovendien het geheele koor der kerk voor de afbraak 
nogmaals nauwkeurig op. Zoo kon reeds de voortreffelijke Eyck VAN ZUYLICHEM 
den plattegrond der kerk geheel reconstrueeren. In de serie van historische 
tafereelen van de maatschappij Arti et Amicitiae gaf de schilder Weissenbruch 
ook eene reconstructie van den gevel (die trouwens mislukt is). Maar door de 
langzame vereeniging (in origineel en in reproductie) van zoovele van Saenredam's 
voortrdTelijke teekeningen in de stedelijke verzamelingen van Utrecht werd het 



206 UTRECHTS MARIEKERK. 

allengs mogelijk, iets meer en iets beters te bereiken. Geholpen door deze voor- 
treffelijke gegevens, werd het JOSEPH Cuypers mogelijk, om op den plattegrond van 
VAN Embden het geheele monumentale gebouw steen voor steen weder op te 
bouwen. En Saenredam's aquarellen zelven zijn daarna in de fraaie reproductieo der 
firma Emrik en Binger uitgegeven door Dr. HOFSTEDE DE Groot: een ieder 
kan thans genieten van deze voortreffelijke gezichten in de wonderschoonekerk. 
Tot zoover sprak ik van eene wederopstanding der kerk in beeld. Doch 
althans een gedeelte der kerk zal, als alle voorteekenen ons niet bedriegen, ook 
in werkelijkheid weder opstaan. Het is de kloostergang, die menig Utrechtenaar 
zich zal verbazen te vernemen dat nog heden bestaat. Eene onoogelijke snijding 
tusschen twee gebouwen geeft in een hoek der Mariaplaats thans toegfang tot 
een slop, waar de belangstellende bezoeker met eenige moeite het deerlijk veront- 
reinigde bouwwerk zal vinden. Verwaarloosd als dit monumentje is, verdient 
het, als nagenoeg het oudste gebouw van Utrecht en als misschien de eenig 
overgeblevene van de talrijke romaansche kloostergangen, die Nederland eenmaal 
bezat, wel in eere hersteld te worden. Het was het kapittel der Oud R. C. keric 
van St. Geertruida, dat de goede gedachte had, den hem behoorenden doch thans 
nutteloozen gang over te dragen aan den staat, ten einde hem als een monument 
van geschiedenis en kunst te herstellen. De broeders van St. Johannes de Deo, 
aan wie de bovenbouw behoorde, waren niet al te moeielijk met de overdracht 
hunner rechten 'aan het rijk. En de gemeenteraad, reeds lang verlangend om deze 
plek, die als een broeinest van besmettelijke ziekten befaamd was, te zuiveren, 
werkte mede door de meeste der op het pleintje gebouwde huisjes aan te koopen. 
Zóó wijst alles er op, dat deze kloostergang eerlang zal opstaan uit zijn verval 
Nbg zijn er bezwaren, die de spoedige uitvoering van het plan belemmeren. 
Maar de grootste moeielijkheden zijn overwonnen en wij mogen vertrouwen, dat 
wij binnen enkele jaren dit laatste overblijfsel van Utrecht's beroemde St. Maria- 
kerk weder voor ons zullen zien in den toestand, waarin het eenmaal was. De 
aardige schets, die Steelink van dien ouden toestand gaf ^), moge eei^e profetie 
zijn van de werkelijkheid, zooals wij allen die nog hopen te beleven I 



1) In DB Roever en Dozt, Het leren van onxe voorouders. 




B IJ L A G E N. 



I. DE KERK. 

I. Stichting der kerk. 1081. 

Origo fundati templi. 

Tempora cum causis templi venerabilis huius 
Quisquis nosce cupis, metra te subscripta docebunt. 
Henrico quarto Romani sceptra tenente 
Imperü, cum iam totam victricibus armis 
Subderet Italiam, soli praecludere sola 
Urbs Mediolanum portas est ausa rebelles. 
Quam tandem captam, spoliis prius auctus opimis, * 
Evertit victor, nee templo flamma Mariae 
Virginis abstinuit, candenti marmore structo. 
Unde dolens, mentemque pio succ^nsus amore^ 
Instaurare novam venerandi nominis aedem 
Proposuit, quocunque solo solisve sub axe. . 
Tune Traiectensis praesul, nutricius olim 
Principis et duris semper comes acer in armis, 
Nomine Conrardus, tulit hoc a Caesare munus, 
Ut templum sublime loco fundaret in isto^ 
Turribus excelsis constructuraque peren ni, 
Adiutus donis et multo Caesaris auro, 
Quale vides firmis subnixum stare columnis, 
Fornice perpetuo fastigia summa tegente. 
Hoc fanum praesul venerabilis ipse dicavit 
Primus, et instituit praebendas canonicosque, 
Canturos laudes tibi, virgo Maria ! perennes. 

Post ubi sacrati ter sex ab origine templi 
Fluxisscnt anni, fatalis venerat hora 
Pontificis sacri, miseranda caede perempti. 
Causa necis fuit haec: nam dum fundamina muro 
Ipsius ecclesiae latomi perquirere tèntant, 



208 BIJLAGEN. 

Invenere lutum fluidum fixo sine fundo. 

Hoc vitium tardabat opus ; netno sapientum 

Huic morbo valuit quantalibet arte mederi. 

Ars mendicat opem, miratur nescius artis 

Artificum coetus, non artem posse iuvare. 

Dum sic ergo rei spes esset nuUa superstes, 

En rudis hanc Friso solidare spopondit abyssum; 

Pro quo dum prelium sibi posceret immoderatum, 

En ceptum cessavit opus denuo atque quievit 

Huic dilectus erat adoleecens lilius ; illum 

Accersit praesul secrete, suadet ut artem 

Eliciat patri, promittit munera. Patrem 

Filius auxilio genitricis inebriat, artem 

Elicit, elicitam pastori clam patre pandit. 

Continuo surgebat opus, iam tempore longo 

Postpositum ; gaudent omn'es super arte reperta. 

lUe sed irarum stimulis agitatus acerbis ; 

Deceptumque dolo tantus dolor urget, ut ipsum 

lam descendentem gradibus, missa celebrata, 

Pontificem ferro trux Friso necaret acuto. 

Eius in Aprili mortem dant festa Tiburti 

Anno mtUesimo nonagesimo quoque nono. 

(Opschrift op de beide oostelijke hoekpijlers van het schip der 
kerk te;jenover het koor, gedrukt vlg. eene schilderij van 
P. Saenredam te Hamburg en vlg. L. van der Bürch, 
Aedis D. Mariae admiranda origo.) 

Accipe posteritas quod per tua secula narres : 
Taurinis cutibus fundo solidata columnaest 

(Opschrift op eene pilaar in de kerk, thans in het Stedelijk Museum.) 

1099 Cunradus episcopus interfectus est a quodam plebeio cultello misera- 
biliter, eodem momento postquam missam cantaverat et ad domumvix 
venerat. Heinricus V rex Aquis coronatus est. 

Altare primum et precipuum beate Marie, quod postea ad occi- 
dentem translatum et, consecravit dominus episcopus Cunradus, in quo 
condite sunt reliquie apostolorum 5 : Johannis, Pauli, Andree, Philippi, 
Bartholomei; martyrum 12: Stephani prothomartyris, Sebastiani, Panta- 
leonis, Uitalis, Alexandri, Quintini, Ualeriani, Marcellini, Cesarii^ Secundini, 
Quiriaci, Innocentii pape ; confessorum 6 : Martini, Benedicti, Fortunati, 
Pamphilii, Mariani diaconi, Willehadi ; Agnetis et Lucie virginum. 



BIJLAGEN, 209 

1134 Florentius occisus est, et tribus dehinc mensibus 

1135 incastellata ecclesia nostra, ejectis de loco et domibus canonicis, 
primum a Florentio et ministerialibus episcopi, eo autem occiso, eisdem 
statim fautoribusy a fratre Theoderico, comité de HoUant, 5eu volente 
seu permittente Liudgero imperatore, ipsorum avunculo. Clerus cum anti* 
stite suo antichristiane crudelitatis rabiem omnimoda persecutione sustinuit. 

(Extract uit de Annalen van het kapittel van St. Marie 
te Utrecht, in: Bijdragen en mededeelingen van het 
Historisch Genootschap te Utrecht. XI p. 475, 477.) 



2. Plundering der kerk door de beeldstormer s. 1580. 

In ea ipsa aede praesul (Conradus), puero ad pedes coUocato, conditus 
fuit. In quo monumento (quod annis aliquot post in sacratiorem istius templi 
partem, quam chorum vulgo vocant, quae posterius exstructa, translatum fuit) ad 
annum Christi usque 1580 quievere; tune nempe quidam maleferiati homines, ne 
sepulcris quidem manus abstinentes, sublata ex monumento hoc praesulis de re nostra 
optime meriti ossa canibus objecere. Verum enimvero Decanus caeterique aedis 
hujus canonici collectas reverenter, quae varie inhumate sparsaeque jacebant, 
reliquias arculaeque inclusas, veteri tandem monumento restituere, hoc adjecto elogio: 

^Eruta Ao D. MDLXXX sub Martii mensis initium Conradi episcopi Ultraiec- 
tensisi huius aedis fundatoris, ex arca plumbea (in qua saeculis p. m. quinque 
pacifice quieverant) pessimorum quorundam hominum, non in vivorum solum» sed 
mortuoruni etiam debacchantium, ossa et varie dispersa proiectaque, Decanus et 
Canonici 'eiusdem aedis, ut optime de hoc collegio et provincia universa merito 
patrono gratiam aliquam reponerent, in unum denuo collecta et hactenus in cistula 
iignea diligenter asservata in pristinum quietis locum IV Cal. Octobris anno 
MDXCII D.A. reposuerunt." Teste me Lamberto van der Burchio, aedis eiusdem 
Decano. ^ 

(Volgens eene aanteekening van den deken VAN DER BuRCH 
zelven, afgeschreven in een handschrift van E. VAN 
Engelen in de Stadsbibliotheek van Utrecht. II p. 1 79.) 



3. Plan tot afbraak der kerk. 1582. 

1582 Maij 15. Alsoe op gisteren by den rade geresolveert is ter fortifi- 
catie behouflf deser stadt an te tasten enige kercken, daer men tmeeste geit of 
meent te crigen, so is op huden nairder geresolveert, dat men antasten zal de 
Oud-Hollandj 1902. 27 



210 BIJLAGEN. 

kerck van sinte Marien, so daer vele materialien an zijn van lo9t, yser ende 
duysteen, daer men terstont geit of sal cunnen crigen. Ende omme tselve teffec- 
tueren ende toe te sien, datter nyet gestolen noch ontdragen en worde, sijn 
gecommitteert Jan van Barck anderde cameraer, CoRNEUS Wynter, Joachim 

VAN SCHADENBROICK, JACOB DE RiJCK, HENRICK VAN RiET, ELLERT VAN HELS- 
DINGEN, JACOB DE Pottere, Maillart Cüper ende Cornelis van Malsen, radeiL 

De raet heeft Jan van Barck anderde cameraer gecommitteert ende com- 
mitteert by desen, omme van den coster van sinte Marien afvorderen die sluetden 
derselver kercke, ten eynde hy dselve voir een corten tijt sal mogen gebruycken 
in saken hem belast. 

1582 Maij 16. Geordonneert publicatie te doen, van dat hemnyemanten 
vervordere enige materialien van sinte Marien kercke an te tasten, verdragen of 
vernielen buten den commissaris, op pene van de kaeck. 

1582 Junij 18. Gelesen in den rade de brieven van Sine Excellencie, an 
de Staten gescreven nopende t casseren van den eersten staet ende het demo- 
lieren van sinte Marien kerck. 

1582 Junij 26. De burgermeester Peter Foeyt, Floris van Wede 
scepen, Jacob de Pottre raet ende Mr. Herman van de Pol scepenen-secre- 
taris, zijn gecommitteert om te reysen an Sine Excellencie ende te defenderen 
de cassatie van den eersten staet ende die demolitie van sinte Marien kercke. 

1582 Augusti 8. De cameraer Barck is absolute macht gegeven, om 
tloot, van sinte Marien kercke gecommen, te vercopen so na hy kan, ten eynde 
de fortificatie haren voirtgang hebben mach. 

(Extracten uit de resolutiCn van den Raad van Utrecht) 



4. Openstelling der herk voor de hervormden 1585. 

1585 Julij 23. Geordonneert by den rade^ dat die predicanten van sint 

Jacob voirtan alle weke des Vrydachs te negen uren een sermoen doen sullen 

in sint Marien kercke. 

(Extract uit de resolutiCn van den Raad van Utrecht) 



5. Afstand der kerk aan de Engelsche gemeente. 1656. 

1656 Julij 14. De Vroedschap gehoort de mondelinge propositie ende 
versoeck, uyt de naem van de eerwaerde Kerckenraedt ende diaconen alhier 
gedaen, heeft deselve geconsenteert ende consenteert by desen, uyt te sien ende 
om te horen nae een bequaem ende behoorlijck gequalificeert persone, om de 
Vroedschap voorgedragen ende vervolgens beroepen te worden tot prcdicant in 
de Christelycke gemeynte alhier, in conformite van de Kerckenordening, mits dat 



BIJLAGEN. 211 

voortaen alle Sondach een ofte twee reysen int Nederduytseh gepredickt worde 
in St. Jans kercke. Ende sullen daertegens die van de Walse gemejnte geaccom- 
modeert worden in St Peters ende d'Engelse in St. Marien kercke. 

(Extract uit de resolutien der Vroedschap van Utrecht.) 

6. Afbraak van den westgevel der kerk. 17 12. 

17 10 December 22. Rapporteerden de heeren Breijer en vordere gecom- 
mitteerdens tot de visitatie van de kercken en toorns, dat haer Ed. hadden 
geëxamineert dé requeste, ten dien fine gepresenteerd by deken en capitulairen 
van St. Marien, ende ook by oculaire inspectie hadden bevonden de bouwvallig- 
heydt van de westergevel en een gedeelte van St. Marienkerk aen die kant, 
hetwelke seer dreyght met desselfs gewelff te sullen instorten ende apparent deese 
winter door niet sal blyven staan. Dat het dieshalven nodigh sal sijn, aen welge- 
melte deken en capittulairen haer versoek toe te staan, namentlyck van de 
bouwvallige westergevell en een gedeelte van de kerck, ontrend 34 a 35 voeten 
langh, te doen afTbreecken en al^daer de voorschreeve kercke weder met een 
sufficante en cierlycke gevelmuur, volgens het model ter vergaderinge geöxhi- 
beerdt, te sluyten» Waerop gedelibereerd sijnde, heeft de Vroedschap de heeren 
borgermeesteren met ende beneffens de heeren gecommitteerdens tot de kercken 
en toorns versoght en ook geauthoriseerdt, omme desen aengaende met die van 
den capittule voorschreeve nader te spreeken, ende alsdan aengaende het ver- 
korten van de voorschreeve kercke tot 34 a 35 voeten te disponeren en resol- 
veren na bevindt van saeken. 

171 1 Januarij 12. Gehoort het rapport van de heeren borgermeesteren en 

gecommitteerdens tot de visitatie van kercken en toorns, die volgens resolutie 

van den 22 December 17 10 by nader inspectie hadden ondervonden de bouw- 

valligheydt van de westergevel met een gedeelte van de Mariekerckdaer annex; 

heeft de Vroedschap na deliberatie de heeren decan en capitulairen van St. Marien 

conform deselver versoek by requeste gedaan, gepermitteerd, omme aff te breeken 

de westergevel van voorschreeve kerk met een gedeelte van deselve tot eerste 

grote [pylaeren, mits dat deselve kercke tussen de voorschreeve eerste pylaeren 

wederom doen sluyten met een cierlyke gevel en een stene frontespice, conform 

het vertoonde model; en vorder mits dat voorschreeve kercke door die van den 

capittule ende die daerinne gehouden sijn, weder op nieuws behoorlyk worde ge- 

plaveyt. Ende sijn vervolgens de heeren borgermeesteren en gecommitteerdens 

voor haere genome moeyte bedankt. 

27» 



212 BIJLAGEN. 

17 II Augusty 31. Bragten de heeren borgermeesteren ter vergaderinge 
voor, dat aen de Mariekerk seedert weynige daegen een groot defect wierd be- 
vonden, ende beyde seydsgevelmuuren mitsgaeders dé pylaeren bevonden wierden 
merkelyk te versacken, sulx te vresen was, dat de geheele kerk wel mogte 
instorten. Sijn omt voorschreeve werk te inspecteren, hetselve te examineren 
en daervan te rapporteren, versoght en gecommitteerd de heeren borgermeesteren 
en oud-borgermeesteren mitsgaeders de heeren gecommitteerdens tot de kercken 
en toorns. 

1711 September 2i. Gehoort het rapport van de heeren borgermeesteren 
en gecommitteerdens tot de kercken en toorns, die volgens resolutie van den 
31 Augusty 17 II hadden geéxamineert het defect ende versackingh, die bevonden 
word aen ^e Mariekerke, heeft de Vroedschap na deliberatie eenparigh goed- 
gevonden en verstaen, het capittul van St. Marien by insinuatie deses te lasten 
en ordonneren, dat sylieden de Marienkerk in vorigen staet, conform het model 
en concept, alhier op den 12c» Januarij 171 1 gedient en vastgesteldt, sullen 
moeten herstellen, ende het werk, dat althans versakt is, ten spoedighste be- 
hoorlyck en suffisantelyck sullen moeten ondervangen, en die voorsieninge moeten 
doen, dat door graven off breeken geen oud werk vorder worde ontset ofte 
geluxeerd; ofte sal by faute van dien door de Vroedschap sodanigh daerjeegens 
worde voorsien en ordres gesteld, als haer Ed. Achtb. na bevind van saekeh sullen 
oordeelen te behoren. Sijnde de heeren DE MiLAN VISCONTI, VAN BleYENBüRGH, 
VAN PapendorP en van Cokkengen, alvorens deese resolutie is genoomen, 
gedurende de deliberatie pver deselve uytgegaen, vermits van haere nabestaende 
respective waeren canoniquen in den capittule van St Marien. 

(Extracten uit de resolutiên der Vroedschap van Utrecht) 

171 1 Januarij 9. De heere LONS ende andere heeren gecommitteerde 
rapporteerden, dat op Saturda^ den 20 December des affgegaene jaars 1710 
naamoens ten drie uyren aan de Ed. heeren Breyer, van Soestdyck ende 
VAN OvERMEER, commissarissen van de Ed. Agtb. heeren burgermeesteren ende 
vroedschap der stad Utrecht aanwysinge hadden gedaan van de bouwvallicheyd 
van een gedeelte van het gewulffsel deser kerke, onder de plaatse daar het orgeU 
geweest is, ende het gevaar, dat het overige gebouw deser kerke daardoor soudc 
konnen lopen, ende voorts openinge gegeven van het ontwerp, om het voor- 
seyde gevreesde gevaar te connen voorkomen met het leggen van een nieuwe 
gevellmuyr jegens de twee laaste hooffdpylaren. 

Dat de voorseyde heeren commissarissen, ter vergaderin ge van de Ed. Agtb. 
heeren burgermeesteren ende vroedschappe der stad Utrecht gerapporteert hebbende 



BIJLAGEN. 218 

van hare Ed. verrigtinge cnde ondervindinge, myne heeren van de vroedschap 
ampliatie van commissie hadden believen te decerneren op beyde de hjceren rege- 
rende borgermeesteren ende vorige heeren commissarissen. . 

Dat welgemelte heeren burgermeesteren ende commissarissen, op gisteren 
voor de middag met den fabrijk der stad ende deses capittels metselaar in de kerke 
gecompareert zijnde, de heeren rapportanten aan hare Ed. de novo aanwysinge 
ende openinge van tgeene voorseyd gedaan ende gegeven hebben ; dat oock de 
voorseyde stadtsfabrijk ende metselaar op ordre van de heeren burgermeesteren, 
onder ende boven in de kercke naaukeurige inspectie hadden genomen, ende van 
het gevaar berigt aan de heeren burgermeesteren en commissarissen gedaan. 

Dat vervolgens beyde de heeren burgermeesteren ende commissarissen aan 
haar rapportanten hadden believe te seggen, dat op Maandag ter vergaderinge 
van de Ed, Agtb. rapport souden doen, met byvoeginge, dat de heeren van den 
capittule staat conden maken, dat het versoeck, by requeste gedaan, ende de 
voorstell tot het stellen van een nieuwe gevelmuyr, volgens het bestek ende 
teekeninge daarvan gemaakt, soude worden geaccordeert, mits ende onder con- 
ditie, dat het capittelde vloer van de kercke in beter staat zal doen brengen; 
hetwelke zy heeren rapportanten hadden aangenomen met versoek, dat myne 
heeren van de vroedschapp den capittule de hand souden believen te bieden, 
soo ten reguarde van de voorsieninge, die het capittell soude meynen gedaan te 
worden omtrent het slepen ofte voeren van sware kisten ten tyde van de jaar- 
merkt ofte kermisse, alsook ten opsigte van de contributie dergeener, die kelders 
ende graffsteden in de kerke ende het paradijs possideren. 

Dat vervolgens de heeren burgermeesteren ende commissarissen hadden 
belooft, den capittule in desen behulpsaam te sullen zijn. 

Dat zy heeren rapportanten van alle hetgeene voorseyd by missive aan 
mijn heere den deken ken nisse hadden doen geven, ende versogt, dat zijn Wel 
Ed. Eerw., nu tot Amsterdam zijnde, de goedheyd belieffde te hebben, om te 
doen informeren naar een bequaam en habiel architect, dewelke men, den heere 
deken alhier gereverteert zijnde, soude mogen ontbieden ende het werk doen 
visiteren, ende ayne consideratien versoecken over het gemaakte bestek ende 
teekeninge. ' 

1711 Januarij 16. Mijn heere den deken communiceerde, dat PlETER 
DE Zeeuw ende' Adriaan de Jong, architecten tot Amsterdam, in gevolge van 
de missive ende versoek van hare Wel Ed. Eerw. hadde versogt, om alhier te 
komen ende inspectie te nemen van de kerke, ende hare consideratien te geven 
over het bestek ende teekeninge van een nieuwe westgevellmuyr deser kerke, 



214 BIJLAGEN. 

waarvan de eerstgenoemde aungenomen hadde op aancomende Maandag hier te 
sullen komen, ende de laatste Adriaan D£ Jong over een weeke a drie. Ende hebben 
haar Wel Ed. Eerw. mijn heere den Deken voor de genomene moe3^en bedankt. 

17x1 Januarij 23. De heere fabrijk-cameraar VAN Dykveld ende andere 
heeren gecommitteerde rapporteerden, dat op voorleden Maandag Pieter DE ZeeüW, 
architect^ woonende tot Amsterdam, ten versoeke van mijn heere den deken 
overgekomen, nae gedane aanwysinge ende naauwkeurige inspectie vandebouw- 
valligheyd, soo van een der pylaren ondert orgell, alsook van de gevell aan de west- 
zyde, ende examinatie van het bestek van een nieuwe gevell, opgesteld door 
wylen den architect JUSTüS VAN DEN BosCH, weder naar Amsterdam was gereyst, 
ende binnen weynig dagen hetselve bestek ende teekeninge vooraff senden ende 
nogmaal soude overkomen, om nader te overwegen de middelen om het gevreesde 
gevaar te konnen ontgaan. 

17 II Februarij 20. Nog heeft den secretaris capituli ter vergaderinge geCx- 
hibeert extract uytte resolutiCn van de Ed. Agtb. heeren burgermeesteren ende 
vroedschappe der stadt Utrecht van dato den 12 Januarij 1 71 1, by welke haar Ed. 
Achtb« aan den capittule permitteren, om conform het versoek, by requeste gedaan, 
afftebreken de westergevell met een gedeelte van de kerke tot de eerste grote 
pylaren, mits dat de kerke tusschen de voorseyde grote pylaren wederom doen 
sluyten met een cierlyke gevel ende een steene frontespies, conform het vertoonde 
modell, ende vorder mits dat de kerke door den capittule tot haren laste ende 
die daarinne gehouden zijn weder op nieuw behoorlyk werde geplaveyt. 

(Extracten' uit de resoluti^n van het kapittel van St. Marie.) 

Nobilissimorum et amplissimorum consulum senatusque huius urbis assensu, 
Gulielmus vaa der Muelen, dominus Oudtbrouckhuysii, Niecopii, Portengii, decanus, 
et capittulum sanctae Mariae Maioris Traiectensis partem huius aedis imperialis 
occidentalem, turribus organo monumentisque decoratam olim, ipsa confectrice 
rerum omnium vetustate factam caducam, demoliendam et hunc parietem, qui 
ceteris sartis tectis ornamento esset, coUocandum decrevit, exsequente Everardo 
van Weede, domino Dyckveldti et Ratelesii, magistro fabricae, anno millesimo 
septingentesimo duodecimo post Christum natum, pacificatoriis totius ferme 
Europae legationibus in hanc urbem missis insigni. 

(Opschrift van den nieuwen westgevel der kerk, volgens een 
afschrift van baron d'Yvoy in den Topographischen atlas 
der stad Utrecht. No. 764****.) 



BIJLAGER. 215 

7. Afbraak der kerk^ 18 13. 

Het voorportaal en de galerijen der kerk waren nog in onzen tijdingerigt 
tot het plaatsen van kramen gedurende de jaarmarkt; wij herinneren ons, dat 
de voormalige buik der kerk toenmaals een tuin was, met een houten hek tusschen 
pilaren afgeschoten. Zij was echter toen hare slooping nabij. Uitgenomen het 
gedeelte, hetwelk de concertzaal uitmaakt, werd de gansche kerk op den 30*° Augus- 
tus 1813 verkocht voor de som van f 18.500, enden 2«ïi September daaraanvolgende 
met afbreken een aanvang gemaakt, zoodat in December 18 16 niets meer daar vkn 
overig was dan de grond, welke in het jaar 18 17 werd verkocht aan den heer 
Van Laere, die denzelven heeft ingerigt tot eene boomkweekerij. 

(Extract uit een opstel qver de St. Maria-kerk, in : Tijdschrift 
voor geschiedenis van Utrecht, I (1835) p. 323.) 



II. HET KOOR. 

I. Het oude koor. 108 1. 

Hoewel van het oorspronkelijke koor geen spoor meer te zien was, vermoedde 
ik, dat de sluiting van hetzelve halfrond zoude geweest zijn, wegens de overeen- 
komst in den platten grond met den bouwtrant der basiliken en met die van 
andere kerken in deze streken, zooals te Oldenzaal en de voormalige te Marien- 
have in Oost- Vriesland. Dit vermoeden werd bevestigd, toen men bij het afbreken 
van het nieuwere koor, in 1844, de halfronde grondslagen van het oorspronkelijke 
vond, die van tufsteen en zoo hard waren, dat men van het wegruimen moest afzien. 

(Extract uit een opstel van Mr. F. Eyck tot ZüYLICHEM, in : 
Vermeulen, Tijdschrift, voor geschiedenis van Utrecht. II p. 27.) 



2. Begin van den bouw van een nüuw koor. 1340. 

Structura novi chori ecclesiae S. Mariae Trajectensis anno 1340 facta *). 
Ex litteris domini Henrici de Jutfaes, decani Trajectensis, eodem anno datis 12 
Octobris, Mr. HuGO POLLAERT, olim canonicus Majoris, legavit ecclesie S. Mariae 
100.000 coctorum laterum, ad usus et constructionem novi chori ejusdem ecclesie 
dudum inchoati, solvenda eidem ecclesie, cum animo perficiendi eundem chorum . 

(Extract uit een handschrift van E. van Engelen in de 
Stadsbibibliotheek van Utrecht. II p. 165.) 



1) De juistheid van dit bericht sc^jnt zeer twijfelachtig : denkelijk ii eene gift roor den bouw van het 
Domkoor bedoeld. 



216 BIJLAGEN. 

3. Inwijding van hei nieuwe koor. 1421. 

Item in denselvenjaer (1421^ op den XXIII ^) dach in Maerte wert die eerbaer 
bisscop Coenraeti die dat collegium van onser Vrouwen t^ Utrecht gesticht hevet 
ende dieselve kerck dede maken in der eren van onser Liever Vrouwen, opge- 
graven uyt den grave, dair hy eerst, doe hy doot was, in gegraven was, daer 
hy langer dan CCC jaren in gegraven hadde geweest. Ende doe men dat gra^ 
opdede, doe lach dat doode lichaem noch al byeen, dat veel van den heren^ 
diet sagen» ende ander luden mede seer verwonderde, dattet lichaem, dat also lange 
onder die aerde hadde geweest» noch also heel ende also gesien was. Ende opten- 
selven dach wert dat lichaem ende dat gebeent van denselven bisscop van '} 
grooter waerdicheit uitten grave genomen van bisscop Matthijs bisscop van 
Biduaen, dair veel van den heren van denselven godshuys by waren ende wairlike 
luden een groot deel; ende wert weder op dat nye choer gebracht ende aldaer 
weder begraven in een nye graff, dat hem aldair gemaect was tot sijnre groter erc^ 
dat ie hoop dat hy wel verdient hadde. Ende op denselven dach wert dat nye 
choer gemaect') gewyet van bisscop Matthijs by der eren Gods ende onser 
Liever Vrouwen ende meer van sinen lieven heyligen in den euwigen leven. 

(Uit het vervolg der kroniek van B£KA, gedrukt bij: 
Matthaeus, Analecta. III p. 398.) 



4. Afstand van het koor ah toonkatner voor het Bijlhouiversgild. 1619. 

1619 Martii 8. Gelesen de requeste van deken ende capittule van Ste. 
Marien, in wiens kerckens choor die van den Bijlhouwergildt over acht dagen 
versochten haer gemaeckt schrijn werck te mogen stellen te coope, ende daerby 
gehoort het rapport van de heeren commissarissen, 't voorseyde choor gevisiteert 
ende het capittule daerop aengesproken hebbende, ende daeruut verstaen, dat 
d'heeren deecken ende capittule hiervan naer luydt haerder Edele requeste d'in- 
tentie niet wel en hadden verstaen, soo sijn voorige commissarissen versocht, 
den capittule nochmael sulcx t' onderrichten ende daerby te voegen, dat heure 
Edele sullen vermogen de choorde'uren alsoock die van de sacristie toe te leggen, 
daermede haere kerck vrygestelt wordt, mits stellende een ander int choor ter 
straetwaert. 

1619 Martii 22. Op de requeste, by den deeckens ende gildebroeders van den schrijn- 
werckergilde, versoeckende, dat de Vroetschap soude believen tinduceren die van 



1) Een HS. van Beka in de Kon. Bibliotheek te 's Gravenhage heeft: „XIII.' 
9) Het bovengemelde HS. leest juister: „mit." 
S) Het bovengemelde HS. leest juister: „aldaer." 



isi^C.EN. 217 

' S^S fl*6& |t'^;if'i"S'^ van haer chcor, om hacr gemacckt 
- ^^SW^t-H JS Ejt'^w^.s^*" Martij voorleden gecoirmitteert sijn 
^^f^fl^;^''||)^k||''i^'f9Vttewae]. raden, stondt: De vroetschap, 
^S^gt5^j^i||IB*S4||vBfiommitteerden voornoemt, die het choor 
^'^^m'-M ^EÜ t4^'W'*'^^£'i B i ^^" ''^'^ capittule hiervan gesproockea 
^<^tli['^^^;8''||>S'Cl£i ||tke..i;gen etc, cnüe dat hetsclvo capittule 

: li '^'«"t^ H «(lgn|?«)rden gebruyckt, doch d; 
38^^^* t^Jfi'U'S'^:" ^^"^ ^''"^^ becosticht h< 
** ~ïl*^l tt' Ö^&'W"^* ''^'*^ voorseyde capit 

^^w^fm&ifk^Au cücneiide, teii prouftyte vant capittule; 

wordt, dit t^ gedogen cnde tvoor- 
ille materialen, jejfen woord ich 



Utrecht.) 

de bijceiikomstcv van het Sfadt 
■^iegf. 1765. 

X' 

'«* vcrgaderiiige zijnde voorgebragt c;i ge- 
ifijtteerdens tot het Bijlhovnversgüd, alsmede 
anïiirectie van Stads-fioancie, 14 dagen ter 
egen, houdende, zoo nopens de requeste, 
I van St. Mariae aan Haar Ed. Acht- 
SS^ardi; doleren over den slegtcn staat van 
Ed. Achtbare, tot voorkoning vr.n het 
;e gelieven te doen aU zullen meenen 




218 BIJLAGEN. 

penningen, van gemelde goederen provenierende, en eenige andere inkomsten van 
nieuw aankomende pand-gildebroeders ordentelijk zoude worden gerepareerd en 
onderhouden, thans zedert eenige jaaren geheel buiten reparatie gebleven was, 
naardien 't getal derzelve pand-gildebroeders op twee na was uitgestorven en 
verminderd, en dus 't inkomen, gedestineerd tot onderhoud van 't pand, in geen 
consideratie kwam bij 't geene daartoe vereyschd*word *), Waardoor dan ontwijfel- 
baar te wagten stond, dat het gebouw, van tijd tot tijd vergerende, eindelijk 
geheel zoude vervallen. Om 't welke voor te komen haar Ed. Eerwaarde eerbie- 
dig verzogten, dat Haar Ed. Achtbare daartegen een bequaam middel mogteo 
gelieven te beraamen, t' zij door de voornoemde pand-gildebroeders het verdere 
gebruik van gemelde pand op te zeggen en de vertoonders daarmede als met 
hunne andere goederen naar hun goedvinden te laten ageren, t' zij door 't zelve 
geheel en al ten behoeve van de stad over te neemen en als andere stads- 
gebouwen te doen behandelen, t' zij door zoodanig ander middel, als Haar 
Ed. Achtbare daartoe beter en bekwaamer zullen oordelen. 

Dat zij heeren gecommitteerdens bij examinatie bevonden hadden, dat, 
gelijk in de requeste is geposeerd, de pand-gildebroeders op twee na verminderd 
en uitgestorven zijnde niet in staat zijn om 't zelve pand te onderhouden, hoe- 
zeer dezelve, ook daarop gehoord zijnde, te kennen gegeven hebben hun verlangen 
om 't zelve te moogen blijven gebruiken, en eenige meerdere penningen s' jaarlijks 
tot de reparatiën hebben geoffereert, egter op verre na niet toereikende, en met 
verzoek, dat Haar Ed. Achtbare 't te kort komende mogten gelieven te suppleren, 
en het pand tot hun gebruik repareren en in goeden staat houden. 

Dat Haar Ed. ook bevonden hadden, dat 't gebouw, schoon in muur en 
kluyswerk nog hegt en sterk zijnde, geheel ontbloot van glazen en bij gebrek 
van onderhoud in veelen opzigten vervallen en haaveloos is, tot groot discieraad 
van geen gering gedeelte dezer stad, en daardoor te dugten is, dat, zo niet bij 
tijds daartegen gezorgt word, 't zelve geheel zal vervallen. 

Dat Haar Ed. derhalven eenparig van advis zouden zijn, dat de noodzake- 
lijkheyd vereyscht dat Haar Ed. Achtbare daartegen op de eene of andere wijze 
voorzien, en dat Haar Ed. Achtbare ten dien eynde zouden kunnen resolveren 
de twee overgebleven pand-gildebroeders het pand op te zeggen, en't zelve aan 
't capittel te restitueren en overlaten, om door 't zelve te worden gerepareerd 
en onderhouden, ofte dat Haar Ed. Achtbare 't zelve gebouw geheel ten 
behoeven en gebruike van de stad zouden kunnen overnemen en 't zelve in goeden 
staat stellen. 



1) Een merkwaardig feit, dat bewijst, boe het gexameniijk tentoonstellen van de leden der gilden in 
hallen — een middeleeuwsch gebruik — in 1619 nog in vollen gang, doch in 1765 geheel verouderd was. 



B IJ L A G E N. 219 

Eu hebben Haar Ed. ten opzigte van dit laatste geval en voorstel gemeind, 
niet ongemerkt te kunnen nog moogen laaten voorbijgaan de gelegentheyd, welke zig 
thans opdoet, on) dit gebouw als een publicq stadsgebouw te kunnen emploieren, 
tot luister en aanzien dezer stad en academie en een eerlijk vermaak, zoo voor 
de studerende jeugd als voor de aanzienelykste der ingezetenen en zig hier 
ophoudende vreemdelingen van beide sexea; naamentlijk de begeerte, welke de 
heren leden van 't •Musicq-collegie aan Haar Ed. Achtbare hebben te kennen 
gegeven, om hun collegie van de tegenswoordige plaats op een geschikter te 
zien overbrengen. Maar hebben Haar Ed. gedagt te moeten inquireren, of dit 
gebouw daartoe geschikt en de kosten, om 't zelve daartoe te approprieren, voor 
de stad dragelijk zouden zijn.*' 

(Volgt de berekening der kosten.) 



j, Rapporteerden de heeren Gecommitteerdens ter directie van stads-financiën, 

dat zij heeren Gecommitteerdens deeze redenen, midsgaders de bekrompenheyd 
van stadskasse ponderende tegen 't nut en agrement, dat uit dusdanige verande- 
ring zoude voortvloeyen, eenparig van advis waaren, dat Haar Edel Achtbare 
stads-finantien niet meer behoorden te benaauwen om eene zaak, dewelke 
geen universeele utiliteyt involveerd; maar dat de Vroedschap zig zoude kunnen 
conformeren met het eerste alternativ van't rapport der heeren gecommitteerdens 
tot de Bijlhouwersgilde, om namentlijk 't pand aan de pand-gildebroeders op te 
zeggen, en 't zelve aan die van den capittule van Ste. Marie te restitueren, om 
daarmede te handelen als met haar andere goederen ; en dat Haar Ed. Achtbare 
verders aan de heeren leden van Stads-Musicq-coUegie, om aan deselve te gemoet 
te koomen, tot vuur en ligt en verdere augmentatie van subsidie jaarlijx zoude 
kunnen accorderen f 250. — , en hen teffens de liberteyt laten, om haare musicq- 
zaal te verplaatzen, waar zij 't zelve 't gevoeglijkste en decentste zullen oordeelen." 
Heeft de Vroedschap na serieuse deliberatie en omvrage de heren, in dezen 
gecommitteerd,^ voor haar genomen moeyte en gedaan rapport bedankt; wijders 
goedgevonden en geresolveert, omme het schrijnwerkerspand over te nemen en 
tot een concertzaal voor welgemelde heeren leden te doen appropriëren, conform 
den voorslag bij het rapport der heeren gecommitteerdens van 't Bijlhouwersgild 
gedaan, zig daarmede conformerende bij dezen. En zijn de heeren Gecommit- 
teerdens ter directie van stads-finajicie verzogt en geauthoriseerd, omme hetzelve 
zoo en in dier voege te doen werkstellig maaken. 

(Extract uit de resolutiön der Vroedschap- van Utrecht.) 

28* 



1 



220 BIJLAGEN. 

III. DE TORENS. 

I. Val van den noordelijken toren, 1576. 

Davila cum per aliquot dies a tormentorum maiorum explosione non 
desisteret, multos cives civiumque splendidas aedes perdidit atque prostravit. 
Turrem alteram insignis ecclesiae Divae Mariae Virginis et partem turris Divi 
Jacobiy eo quod ex iis multum damni inferebatur Hispanis^ disturbavit. 

(Extract uit M. ab Isselt, Sui temporishistoria. (1602) p. 506.) 



2. Afbraak van den zuidelijken toren. 1682. 

1676 Januarij 16. De Vroedschap heeft naar deliberatie ende omvrage niet 
connen goetvinden, in te treden 't versoeck van den Decan ende Capittule S^. Marien, 
om consent tottet afibreken van haer toren tot betalinge van de ongelden etc 

(Extract uit de resolutifin der Vroedschap van Utrecht.) 

Die Veneris 24 Novembris 1682, Gehoort het rapport van heerc raatsheer 
Servaes wegens tgeproponeerde aan de Borgemeesters van de stadt over t'aff- 
breeken van deser kerken toorn, hebben deken ende capittule d* heeren Van der 
Nypoort, Van Maarsenbroük ende raatsheer Servaes versocht ende gccom- 
mitteert, om dienaengaende verder met de heeren Burgemeesters te aboucheren. 

Die Veneris i Decembris 1682. Is op de propositie van de heeren gecom- 
mitteerden tot het af)breken van den toorn goetgevonden, dat nae sal worden 
gesien, aan wat personen en onder welke conditién het capittel eertijts geconsen- 
teert heeft tegens de muyr van de voorseyde toorn te timmeren. 

Die Veneris VIII Decembris 1682. Dede de secretarius capittuli rapport 
wegens de timmeringe aan den toorn deser kercke. 

Die Veneris XXII Decembris 1682. Gehoort het rapport van de heeren, 
met den heere burgemeester Van Dinteren geaboucheert hebbende overt amo- 
veren van deser kerken bouwvalligen toorn, hebben deken en capittule nae eenige 
deliberatie goetgevonden ende de heeren, bevorens in desen gecommitteert, ver- 
socht, omme met de heeren Burgemeesteren die saeke te adjusteVen. 

Die Veneris XXIX Decembris 1682. De heere Van Dijckvelt maekte ter 
vergaderinge bekent, dat de heeren Burgemeesteren ende Vroedtschap der stadt 
Utrecht hadden bewillicht en geconsenteert int aflbreeken van deser kerken toora. 

(Extracten uit de resolutiên van het kapittel van St Marie.) 

1682 December 27. Refereerden d' heeren Borgermeesteren, dat met ge- 
committeerden van den capittule van S^ Marie op derselver versoeck hadden 



BIJLAGEN. 221 

gereassumeeit voorgaende conferentiën over 't afibreecken van den eenen toren 
van duycksteen, ende dat haer Eerw. Edele hadden gepresenteert een recognitie 
van vierhondert ducatons voor 't consent te betalen in 't midden van 't af breecken 
van dien, ende dat in minderinge. van de jaarlixe subsidito souden betalen twee 
duysent gulden gereet, sullende de vordere cooppenningen, sooverre diestrecken, 
mede worden geëmployeert tot betalinge van de resterende subsidiên, waerinne 
vervolgens sal worden gecontinueert. Hetwelcke in deliberatie geleyd sijnde^ 
heeft de Vroedschap geconsenteert in de versochte affbreeckinge onder de gedane 
presentatie. 

(Extracten uit de resolutiën der Vroedschap van Utrecht.) 



IV. DE KLOOSTERGANG. 

I. Bouw eener verdieping boven het zuiderpand. 1633. 

Wij deecken ende capittule der kercke Ste. Marien 't Utrecht doen condt 
ende kennelijck allen luyden met dese onse openbaere brievCi dat wy capittu- 
lariter vergadert (capïittulo specialiter desuper indicto) met goede voorgaende 
deliberatie hebben onwederroepelick vergost, gelijck wy vergunnen mits desen, 
aen den Ed. heere DiRCK DE GOYER, outborgemeester der stadt Utrecht, te 
moegen tot syne Ed. gelieve lichten ende openen het dack van onser kercke pant 
aen de suytsyde, streckende langes sijn huysinghe ende erve, die ende soo hy 
nu tegenwoordich besit, ende alle die materialen, daeraen vast, die tot synen 
oorbaer sal mogen gebruycken, mits dat hy hierentegens gehouden sal sijn, 
hetselffde pant wederom tot s}men costen te bedecken ofte te betimmeren ter sijnder 
beste gevalle, ende onser kercke fabrycque van de laste van decken ende repareren 
ten euwigen dagen costeloos ende schadeloos te bewaren, waertoe hy hemselven 
ende syne naervolgers in de voorseyde huysinge mits desen is verbyndende van 
die eerste ure aff, in dewelcke hy het dack voorseyt sal doen lichten ofte oopenen. 
T eenen oirconde deses hebben wy voorseyde dese onse opene brieve mit 
ons capittels van secreet segel nefTens twee capittulaire heeren doen besegelen. 
Gegeven int jaer ons Heeren XVlc, drie ende dertich opten elflfden Januarij. 

(Oorspronkelijk charter dd. 1633 Januari 11, in het archief van 
het kapittel van St. Marie.) 



2. Bouw eener verdieping boven het westerpand. 1633» 

Mr. Jacob van Sypejnesse transporteert namens Mr. Johan Wachtelaer 
aan juffrouw Maria van Sambeeck, weduwe van Cornelis van der Heyden 
^die alinge huysinghe ende hoffsteede met alle t' geene daer aert- ende 



222 BIJLAGEN. 

nagelvast in is^ staende op Ste, Marie kerckhoff alhier, van outs genaemt het 
Choraelhuys, mitsgaders het school, gelegen naest het pandt der kercke voor- 
seyt, met synen vrycn uut-ende inganck in hetselve pandt ende voorts door de 
kercke, daer het achste huys claustrael, dat alsnu toebehoort joffrouw Aleyda 
VAN RüEMPST, west- ende zuydwerts, ende het voorseyde pandt oostwerts, ende 
noortwerts die voorseyde kercke naest gelegen sijn, eertijts by de vpomoemde 
Mr . JOHAN Wachtelaer van . ons gekoft, mitsgaders de verbeteringe^ by deselve 
Mr. JOHAN Wachtelaer daeraen gedaetty namentlick het nieuwe getimmer boven 
het pandty achtervolgens onse onwederroepelick consent in date den elfTden 
Januarij XVIc. drie ende dertich." etc. 

(Extract uit een transport dd. 1641 Maart 26, voorkomende in het 
Register van de claustrale huizen van het kapittel van St, Marie.) 



3. Plaatsing van kermiskramen in den kloostergang. 1661. 

1661 Junij 24. D'heeren Commissarisen van de jaermerckt sijn versocht 
te overleggen ende adviseren, ofi men, ten aensien nu weeckelicx int Engelsch 
gepredickt wordt in de Marienkerck, op de merckten voortaen in deselve kerck 
niet meer sal veylstellen schilderyen, caerten ende diergelijcke ; nemaer alleen 
int portael ende pandt van de voorseyde kercke ')> ende voorts in de nabuyrige 
kercke van den Duytsen huyse. 

1661 Julij I. Conform t'advijs van de heeren Commissarisen van de jaer- 
merckt is goetgevonden ende verstaen, dat men dese reyse noch in de Marien- 
kerck sal voorstaen met schilderyen, buyten de plaetse tot de predicatie afTgeschoten; 
ende dat men de vreemde luyden sal waerschouwen van in toecomende niet meer 
in de voorseyde kercke te sullen mogen toonen. 

1662 Junij 23, Geresumeert sijnde de notule van den len Julij 1661, 
daerby verstaen is, dat voortaen niet meer in de Marienkerck sal worden voor- 
gestaen met schilderyen, heeft de Vroedschap eenpaerlijck by de voorseyde 
resolutie gepersisteert, ende de commissarisen gelast sulcx t'efiectueren, ende 
tottetgeene voorseyt aen te wysen t' pand ende portael van dien, mitsgaders 
t' Duytschen huys-kerckjen. 

(Extracten uit de resolutifin der Vroedschap van Utrecht.) 



4. Overdracht van het westerpand. aan de Oud R. C. Cleresy. 1733, 1736. 

Het kapittel van St. Marie transporteert aan BOUDEWIJN van Catz „sekere 
erve of grond in het westerpand aan de zuydzyde van onse kercke, streckende 

]>) Nam. in het oude kapittelhuis en in den kloostergang, die alleen van daar uit te bereiken was. 



BIJLAGEN. 228 

van de trap van den toorn tot aan de kelder van het choraalhuys, ter leng^te van 
vijf en veertig en ter breedtte van twaelf voeten/' 

Het kapittel van St. Marie transporteert aan BOUDEWIJN van Catz „sekere 
erve of grond in het westerpand aen de zuydzyde van onse kercke, streckende 
van de kelder van 't choraelhuys zuydwaarts op, ter lengte van vijf en veertig 
en ter breette van twaelf voeten." 

(Extracten uit twee transporten dd. 1733 October 9 en 1736 
Januari 27, berustende bij de Oud-Roomsche Clerezy in 
den Driehoek te Utrecht.) 



V. DE VOORHAL. 

I. Vergadering van koning Willem II met de prelaten der Utrecht sche 

kerk in de voorhal der kerk. 1255 ^). 

ReXy confestim in manu robusta Trajectum descendit, et praelatos ecclesiae 
simul in atrio S. Mariae congregavit, ut ibidem locum aptum exquireret, ubi 
capellam in honore S. Georgii Martyris devote construeret Dum autem ipse 
rex cum prelatis resideret in jucundo contubernio et de curialibus causis optato 
frueretur alloquio, ecce quidam turbator sanctae pacis ac intentor novae litis a 
remoto volatile saxum secreto projecerat, et regis honorandum caput fere contri- 
verat. Quapropter circumsedentes praelati nimium scandalizati sunt: quinimo de 
tanta praesumtione plurimum stupefacti sunt. Rex autem eundem lapidem 
trutinando suscepit in manibus, hujusmodi verba promens coram astantibus 
^Reverendi patres ! attendite quam talionem Trajectenses nobis impendunt, qu 
jactu tam grandis silicis nos absque demeritis neci dare quaerunt, quorum 
fidelis conburgensis hactenus fuimus et quorum forenses hostes sub expensis 
propriis laboriose subegimus. Scd vivit Dominus et martyr ejus Georgius, quoniam 
et hoc forefactum nequaquam transibit inultum, si vita nos incolumes conservare 
queat ad annum/' Nee mora, quin •et ipse rex, cursatilem equum ascendens, cives 
diffidari jussit et ad expugnandam civitatem modis omnibus se praeparavit; 
Trajectenses, pro casu talis infortunii plurimum disturbati, destinaverunt magistros 
civium ad HoUandiam, tentantes cum eodem rege reformare pacis amicitiam, 
Sed quid plura? Rex immobilem sententiam edidit, quatenus civitas grassatorem 
sibi traderet ; alioquin ipsam urbem humotenus everteret. Itaque Trajectenses, 
obtenta pace modici temporis, redierunt ad judiciale capitolium, statuentes pro 



1) Zie over de tijdsbepaling (Juli 1251:): Böhmer, Regesta imperü V a p. 981. 



HM BIJLAGEN. 

™ &■••§• .. 
||uf!^ft|(^^$>'ttP^TCanu[n scrutmium, ut ipsius regrjs indignationem aliquo modo 

II^V w^^V^SsW^ Iii.iocui ::icel<.ri^ tanti in pace quictissima pe. m^iiierent 

||. DE Beka, Chronica. p. 87.) 

Sï* 

•• H mi^i *"" '^■^^ '''"^ ^'""' *'''' westgevel der kerk, 1617. 

^'w'm til;,||tequa vana illa, Conrardo episcopo constitutum fuisse alteram 
"^^^S^^'^^^h'^^^^''''^'^ ^"''^ conliguar.'. LX3trui.i'e a.:d<.m, quam, DIvae quoque 
*''^^SI'B'^*^'H^'"^^ nobiles, cf.nonicatus cn^spicr": titiil", referent habita- 
%f^^^JBwVir^^tis, que etiamnufn exstant. fundamentis. ppereque interrupU 
iK^S^m M' |?f-l| Iftf^ ipsum, an quod mors ea molientem oppresserit, an quod 
' ™ -f:j|c3£: ^^i^j^-^^)^ 'Suam aedificio hoc vellet exornare, omissum (uerit, in incertoest 
'* * '* * '*".^xtiact uil L. VAN DLi; BURuii, Acdid Divac Mariae Virginis 
* in civitatc U! traject en si admiranda origo. 1617.) 



tü 



VI. HET KERKHOF. 
'•^heQing vatt de afstuiting van het kerkhof. 1616. 



Om de hci.,(jn DLcckoii end^- Capittule der kercke van 

ï-^ritlij'ck te vcrioeckcn, ilnt hare Ede!e villen tot vrrbredïnge van 

,K.i*i £•«■--. va -M- ^^^r ^^'^ts jaermerct gehouden wort, demuyrvoorhet voorseyde 

*«* 'I'm^iP^^^^^E^'^^ doen breecken, ende voorts de eerste rye boomen om te 

ilSl 'S'' "^ats wegen gestraft te worden, tcii eynde de coopluyden, de 

[;j|Ë<^D:|et frcquenteiende, Ie bcquaiiitr me: hare Ck.,opii.jiiscliap endc 

S^ï^lïï'*^^^^^''*^'^^''': "■■o£^" v.'orden, '.-.ortïcn geconimit teert de heeren BOR 

■ ■'=-• ■ ■■- "•-"ï-Schepcnen, met JoiiAN van df. Poi , raeth. 

-gfextract uit de resolutien der Vroedschap van Utrecht.) 




'# ::> 






"■&f 






■-% «J 






iK.WiW VELDE DE OUDE 



|:^^»J^^#VAN RIJSEWIJK. 



■5''-S- 



^3;^^^W^=*ÖB:^Ï^ ■^73 keerden alle vloten naar de havens terug 
^-S^^t^sS^c^^^r^^agr Brest en Rochefort ; maar de teekening 
('s4^'^ m'^w'-IS^^^'S^ ^^'- l-rouwciis waarschijnlijk wus, dat zij 
^"^ ^'^^ ^*^ ^ * "Sgii^S "^^f Sheer:;ers. Wcldrr. ver- 
||+»'*'t^(Si' 5|»fiBi<^^^ de Theems een observatie-eskader onder 
1 f^ugkwam en 't beticht hiacht 




<:^ 



226 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

21 tot 23 Juni. W. VAN DE Velde giag toen, naar het schijnt, niet mede, 
maar van twee bezoeken in Juli maakte hij een reeks teekeningen, welke het 
Museum-Boijmans bezit. De eerste reeks omvat 27 teekeningcn, hoog omstreeks 
0.285 en breed 0.435. ^^ dagteekening is nu eens in den nieuwen, dan in den 
ouden stijl, soms in beide. De eerste teekening heeft tot opschrift : nAür begint 
de reys van doen ick de eerste reijs met de koning naar Sernesse (Sheerness) was^^ 
en de aanwijzing: „SonnedacA smorgens den 16 jFuly 1673 soo sijn konkklyckt 
majestijt int jacht kleveland omtrent Wollidts (Woolwich) by ons komt alsoo ick 
in de Keuckenjacht waSy om te varen naar koning s vloot in Sernesse.*^ N*. 3 heeft 
tot aanwijzing : y^soo wy eeriff (Erith) op de rivier van Londen passeeren op 
sonnendag smorgens ten ^ èt 6 uuren?^ N^ 7 geeft te zien op den tweeden grond 
^tcasteel yoor grevesenf* (Tilbury-fort) ; N®. 9 ^revesent en tcasteel daerever 
innewaert te iien,** alsmede een schuit y^vol soldaten roojacken^^ en een salueerend 
vaartuig: yjeen schip van smirna gecom^ri'* \ N^ 10 de J}aersie die de duck de 
jorck aen boort bracht'* van het jacht van den koning; N®. 12 y^daer de spijs 
wert overgevoert op sonnendag den 16 July 1673" en ^de konniclicke spijs wert 
overgegeven in de werry ; N®. 1 3 y^prins robbert comt neffens noch 2è 3 sloupen den 
koning begroeten en verwellecomen^* ; N^ 14 „prins robbert aen boort by de konini^^ \ 
N®. 15 ^hier begint maenendach de Je July 1673 prins robbert vaert naer de 
koning aen kleveland het f acht. De Franschc vloot was den I7en Juli present, 
want bij de hoofdstengen van sommige der naast elkan der liggende oorlogschepen 
schreef Van de Velde niet alleen yfila'* (eskader der blauwe vlag) maar ook 
„W", het Fransche eskader der witte vlag. De volgende teekening meldt dan ook: 
^komt een frans opper hooft aent jacht van den koning** De 19e teekening: (het 
jacht)) y^des konings vaert naer seernesse soo wert de vlaggeingenomenopmaenendag 
smorgens omtrent 9 uur de je (17*) July 1673, wonden ons anckers om de kaning 
te volgend De 23e teekening geeft te zien : j,soo wij met de jachten Sernesse in- 
laveren met de jachten en den koning te volgen*' Op N®. 25 „^ koning^ vaert 
aen boort van de franse schout-bij-nachf* (Des Ardens), Op welk schip deze 
voer zegt het volgend N®. y^frans schout bij nacht sweerelds wonder^** De laatste 
teekening is : ^getiickent op maenendag al tegen den avont soo de standaert int 
besaenswant waeift tot seyne mi; onbekent, het geschiede terwijl (de koning) aen 
boort van de suyvereyn was den Je (i7^«) July 1673." Achter elkaer liggen 
twee kolossale linieschepen ; het voorste voert den koninklijken standaardvlag. De 

• 

Sovercign van 100 stukken geschut, was het grootste schip der vloot. De roode en de 

witte eskaders worden vermeld, ook S. SpRAGG bij een roeiboot, maar het blauwe 

eskader niet, waarvan Spragg bevelhebber \^as. Deze teekening is breed 1.09. 

Dit bezoek is naar ik meen, nergens vermeld. Van het volgende geeft de 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 227 

London Gazette van 18(28) Juli het volgend bericht: On Tuesday last 25 Juli 
in the morning H. M. and R, H. attended by several of the Principal of the 
Nobility and other persons ot quality went down to the Fleet. Yesterday 
(27 Juli) his Royal Highness (de Hertog van York) returned and that morning 
the Fleet sailed from the Buoy in the Nore. H. M. having been with them as 
low as the Middle Ground, where to lay at Anchor with his yacht, till the 
whole Fleet passed by, and this day, (28 Juli) about noon His Majesty arrived 
here (Whitehall) again." Het Museum-Boijmans bezit van 't journaal door Van 
DE Velde van dezen tocjit gemaakt 20 teekeningen, meestal hoog 0.235 en 
breed 0.575. Het opschrift van de eerste luidt : „90 siuckr begonnen op den 
'S (25) July 1673 op dijnxdack soo de koning voor de tweede moei naer de 
vloot gaet. Op den achtergrond ziet men den heuvelachtigen rivieroever met 
een stadje, aangewezen als „WoUidts" (Woolwich). Op den voorgrond de rivier 
met drie jachten, aangewezen als „de Klevelandt", „tjacht anne duck de York*' 
„de Keucken" ; verder drie barges met overdekte kajuiten en een roeiboot. Op 
den tweeden grond liggen drie oorlogschepen. Ook in deze reeks vergeet Van 
DE Velde niet aan te teekenen y^middags so konings spijs wert overgegeven en 
maeltijt gehouden^ Na den maaltijd ypmtrent 4 ure na de noen^' teekende hij : 
^soo wij des konings vloot int verschiet sien^ De voorstelling der volgende 
teekening wordt vermeld met de woorden: y^dynxdags savons sop de konick ten 
ancker liggende & sommige saloupe den konig aen boort komen, eijndigt de 
dyncxdag de 2$ July 1673 nieuwe stijl 6' 15 oude stijliy Op de volgende staat 
dan ook yjtier begint de woensdag de 26 July 1673 stylo novo & 16 oudestijll^ 
Op den achtergrond een van rechts tot bijna links afioopende heuvelrug. Daar- 
voor een aantal schepen. Op den voorgrond links een jacht met sloepen, aan- 
gewezen als de ^rissemont" (Richmond) ; daarachter in één lijn vier schepen, 
waarvan één, de Sovereign, de groote vlag voert, dan een groot schip en geheel 
rechts nog twee. Tusschen deze, op den voorgrond een jacht, waar bij een 
persoon, die op den stuurstoel zit, staat geschreven de „konig." De volgende 
teekening geeft o, a. te zien „rf^ koning hier in deze snauw^^ waarmee hij van 
zijn jacht naar een oorlogschip vaart, terwijl de ^duck de Jorck vaert na den 
koning'* Achter diens jacht ligt er een, waarvan nu de naam „Henryette" 
wordt vermeld. Het staat ook op het volgend nummer, waar tevens het linie- 
schip „oud Jems" (de Old James) wordt aangewezen. Daarna wordt vertoond 
een bezoek van den „koning" aan „de prins." Enkele teekeningen overslaande 
welke niets bijzonders geven, komen wij aan eene waar ^de henneryette (wordt) 
geordmeert ten dienste van lord hosserey^ 

Op de laatste teekening ziet m en behalve de reeds genoemde schepen en 

29» 



228 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

jachten nog „tjacht de ould katarijn." Waarschijnlijk behooren tot deze periode 
drie teekeningen van het Britsch Museum (5214 N. 28, 29 en 42), die ook 
Engelsche oorlogsschepen en jachten op de rivier vertoonen. Twee ervan geven 
de Engelsche vloot, zooals zij in den riviermond lag. Vermeld worden de St Joris, 
de London, de Royal Charles, de Duchess, de Windsorcastel, de Albemarie, de 
Royal Prince, de Neptune, de Breda, de Royal Oack, de Henriette. Op ééa 
ervan is 't jacht met den koninklijken standaard. Twee teekeningen zijn echter 
veel grooter, breed i.io, en behooren dus niet tot het Journaal. Waar de 70 
aan het Journaal ontbrekende teekeningen gebleven tzijn ? 

Weldra, op den 2ien Augustus, volgde de slag bij Kijkduin, in Engeland 
de slag bij Texel genoemd, welke voor Nederland den allergunstigsten uitslag 
had, door het meesterlijk beleid van DE RuiJTER vooral. Laird Cowes kan hem wd 
niet overwinnaar noemen, maar erkent dat DE RuijTER alle reden had om tevreden 
te zijn, daar hij de Hollandsche havens had gevrijwaard voor blokkade en de 
geallieerden zóó had toegetakeld dat zij aan eene landing niet konden denken. 
Van DE Velde heeft den slag niet bijgewoond; anders zouden er wel hier of daar 
teekeningen van hem zijn gevonden, In de Queen's Presence Chamber in Hampton- 
Court Palace hangt een schilderij, toegeschreven aan W. VAN DE VELDE den oude, 
dat de slag bij Kijkduin heet voor te stellen, N^ 882 (1042) van La w^s Catalogus. 
Het werd ingezonden op de Geschiedkundige Tentoonstelling van het Neder- 
landsche Zeewezen in 1900 (Catal. N*. 567). De Nederlandsche vloot ligt er 
links, die der geallieerden rechts ; overigens niets dat dit werk kenmerkt als dat 
van een ooggetuige. 

De slag bij Kijkduin was de laatste van den derden oorlog met Engeland, 
welke met den vrede van Westminster op 19 Februari 1674 eindigde. W. van 
DE Velde moest nu teekenen wat zijn hooge beschermers verlangden. Zoo maakte 
hij ook waarschijnlijk een reeks schetsen van de reis van KA.REL II toen deze in 
November 1673 Maria, prinses d'Este van Modena, echtgenoote van den Hertog 
van York, na haar. aankomst te Dover ging verwelkomen op de rivier. Het 
Britsch Museum bezit er ééne van, hoog 0.30 en breed 1.14, welke genommerd 
en vernommerd is: „N*. 5 segge 6.". Een onderschrift luidt: de koning komt bij 
de jonge duchesse van Yorck uijt sijn baersie in de duckbaersie over^^"* ^nttmni^ 
onderschrift y^Ducke de Yorck met de duchesse gaen hier over met^s konin.*»- 
{r)ojael baersie en passeeren alsoo de rivier tot..,.** Beide momenten zijn op 
de teekening voorgesteld. 

Op 14 November 1677 trouwde Prins WiLLEM III met Prinses Maria, 
dochter van den Hertog van YORK. CrispiJN Hoeckwater heeft uit- 
voerig bericht gegeven van 's Prinsen vertrek uit Holland en zijn ontvangst 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 229 

in Engeland^). WiLLEM VAN DE Velde heeft geen journaal gemaakt van 
*s Prinsen landreis van Harwich naar Londen, wel een van zijn reis huiswaarts. 
De London Gazette vertelt : y,on monday last (29 November) about nine of the 
clock in the morning their Highnesses the Prince and Princess of Orange passed 
from hence (Whitehall), in order to their embarking on the yachts appointed to 
transport their Highnesses for Holland. His Majesty and his Royal Highness 
being pleased to accompany them as far as Erith, where their Highnesses went 
on Board." Willem van de Velde was echter reeds op Vrijdag, 26 November, 
te Erith aan den Theems. Men weet dat het vertrek van Prins WiLLEM III 
door verschillende omstandigheden langer opgehouden werd dan hem lief was. 
Drie dagen wachtte WiLLEM van de Velde, en begon vast te teekenen. Het 
Museum-Boijmans bezit 22 stuks: 15 ter plaatse gemaakte schetsen en 7 later 
gemaakte teekeningen. Den 26en maakte hij 7 schetsen. De eerste heeft tot 
opschrift: y^vrijdags. . . . 16 november oude stijll 1677 en de aanteekening : 
y^voor ebbe tije^ Op den achtergrond de oever der rivier met eeriige huizen en 
een molen. Op de rivier liggen vijf jachten voor anker njiar links gewend, 
verscheidene roeischuiten varen er tusschen ; achter hen liggen 6 grootere schepen. 
Bij de jachten staan de namen : de Katarijn, de Marye, de Siarledt (Charlotte), 
de Anne en de Navyjacht. Dè tweede schets is ook „z^^^r^M^/f;>" ; de vijf jachten 
liggen in dezelfde positie, de roeischuiten en de mannen op het dek zijn meer 
uitgewerkt, en nu liggen er negen grootere schepen, waarvan één wordt aange- 
wezen als de „grahont", de kits Greijhound van 18 stukken, die de jachten 
vergezelde. Op de derde schets liggen de vijf jachten en de Greijhound nog 
eender, maar heeft de achtergrond slechts vier grootere en twee kleinere schepen. 
Bovenop staat: yfichuijns van heriff (Erith) innewaerts te sten de jachten van 
, ebbe beginnen te swaeijen^ De vierde vertoont de vijf jachten in dezelfde 
orde, maar naar rechts gewend, tegen den wind. Bij deze teekening is geno- 
teerd : . y^voor vloet draeijendej* Ongeveer tzelfde de 6© en de 7e teekening^ 
De 8e is uitvoeriger; men ziet den oever met den molen en de huizen duidelijker, 
en links splitst de rivier zich in tweeën. Achter de jachten vier grootere 
en verscheidene kleinere schepen ; rechts nog drie schepen, waarvan één 'n saluut- 
schot lost. Waarschijnlijk past op dit schip de aanteekening ^'t aenkomen van 
de portsmout*' (het jacht Portsmouth). De veranderde ligging der jachten wordt 
verklaard door het bijschrift: ^leggende voor vloet tij e!* De negende teekening 
is gedagteekend : y^Saterdag op den achtermiddag, soo de soldate bij de jachten 
komt schuif ns van heriff uijtwcurts te sien de vloot leggende off swaeijende van 



1) TxBLB, Bibliotheek van pamfletten, No. 7560. 



2S0 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

de vloety Met yide soldate^' wordt bedoeld de kits Soldan, die de jachten moest 
begeleiden. Hij wordt dan ook vermeld, gelijk de Greyhound en de Portsmouth, 
op de volgende teekening, waar de jachten, enz. ook „uijtwaerts te sien" zijo. 
De tiende is veel uitvoeriger en grooter« zooals het opschrift doet verwachten. 
Dit luidt: ^eteickent op Sater dag 17 November 1677 oude stifll tot Eeriffalwaer 
wij de komst van S. ff. de prince van Orangie verwachten omnaehollant overU 
gaen met de princesse*^ Het blad is nagenoeg van dezelfde hoogte als de vorige, 
0.32, maar i.4i breed. Links ligt in eene bocht der rivier het dorp Erith, en 
van daar strekt de oever zich naar rechts uit. Op den voorgrond links springt 
de bocht naar voren, en daar staan eenige menschen te kijken, terwijl eenige 
roeibooten en een galjoot den oever- verlaten. De zes jachten liggen op de rivier 
in verschillende posities. De kitsen liggen rechts en nog meer rechts naderen 
eenige zeilende schepen, 

Op Zondag heeft van de Velde^ naar het schijnt, niet geteekend. Ook 
het aan boord gaan van den Prins en de Prinses op Maandag is door hem niet 
vereeuwigd. Het eerst volgt nu eene teekening van het Britsch Museum. Zij 
heeft tot opschrift : j^eteickent op maenendach soo wij een weijnig tijt bij heriff 
ten ancker gelegen hadden door stilte & een weijnig wint krijgende onder se^l 
gaen^\ Voor anker liggen een aantal jachten, de meeste vol menschen; daarbij 
bariges en schuiten ; links op den achtergrond een oorlogschip. Onderaan staat 
geschreven : de grahont — de portsmouth — de marye alwaer de royael princes 
in was — de navy — de anne — de kataryne — de sjarles — de soldate. 
Bij deze teekening sluiten zich aan twee uit het Nationaal Museum te Stockholm. 
De grootste, H. 0.246 en breed 0.720, vertoont de jachten, wier namen met de 
eerste letter zijn aangegeven, onder zeil, en tüsschen de jachten verscheidene 
kleinere schuiten. Zij heeft ten opschrift: 1677, maendach No, 6, en op de 

rugzijde staat: het vertreck de{s) koning[s)y den duck en al het eedeldom 

de 2 fiaghejachte de mari en de sar lot si/n hier de voorste, si/n majesteijt ge- 
passeert sijnde dandre jachte komt in (onleesbaar). Op de tweede, kleinere 

teekening ziet men de zts jachten, met de namen voluit vermeld, drie links, die 
op zijde, en drie rechts, die van achter gezien worden, met verscheidene schuiten 
er tüsschen. Op den achtergrond zes schepen, waaronder de y^grahont". Bovenaan 
links staat : 1677 maendach 8. Links is een sü'ook afgesneden, en gangen de 
eerste woorden verloren van hetgeen op de achterzijde staat : (de \i6^ing nu 
uijt gesichtf het geheel nu bij den andre (•...) cnde voortsettinge wat sij kannen 
dit het laesf\ De laatste woorden zijn raadselachtig, maar de bedoeling is 
duidelijk. Van de Velde wilde schetsen het vertrek van Karel II, den hertog 
VAN York en hun gevolg, die de jonggehuwden uitgeleide deden. 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 281 

Nu Volg^ weer eene teekeaing van het Britsch Museum. Van de Velde 
schreef op de achterzij : „ Van mijn journael aen zijn doorluchtig hoogh, van 
Orangie*^, en het opschrift luidt : yysoo imj dijnxdach smorgens sernesse (Sheemess) 
passeeren & de prins van Orangie met eerschoten begroet wert\ De jachteif 
zeilen naar links, het jacht met dsn standaard voorop, saluutschoten lossend ; op 
den achtergrond de oever met het kasteel van Sheemess. Onderaan staat voor 
het eerste jacht : de marye alwaer de prins van Orangie met de royaell princes 
doenmael in waren^ en de namen der overige jachten. 

De volgende negen zijn weer in het Museum Boijmans. De I3« heeft tot 
opschrift: op dynxdag het passeeren van '*skoning$ schip de Sint^davit 
waervan den prins van orangie met eerschoten ende juigende stemme begroet wert 
omtrent de noen. De voDrstelling stemt met het opschrift. Op de St. David 
zijn alle mans op dek ; de jachten worden genoemd en bij de Mary wordt niet 
vergeten ^^alwaèr den prins en de prinses doenmael in waren*\ Nu volgt er een 
met het opschrift : In de diepte ten ancker leggende om tij e te stoppen van vloet 
ende stille zijnde naer de regenbuije op dynxdag, V^Te zien er nog de St. David, 
op den achtergrond eenige schepen int koningskanaal^ de jachten met de marye 
alwaer de prins & de royal princèsse in waren. De 15® teekening meldt: 
dynxdag in de diepte ten ancker leggende de kolbers dwers van ons hebbende^ 
ons passeerden doen een konvooijer van oostende ende quamen eenige heeren zijn 
hooght den prins van orangie besoucken. Bij de ^^marye alwaer de prins & princes 
in waren'^ liggen twee röeibooten ; zij wisselt een saluutschot met de convooijer 
van Ostende, die half zeil voert en geroeid wordt. Verder de overige jachten. 
De St. David is niet; meer te zien. Op den achtergrond links een landtong met 
duinen en een kerkje met twee torens. Crispijn Hoeckwater zegt dat de 
Prins en de Prinses in de Baai verwacht werden door het admiraalsfregat Mon- 
tague, het fregat Deptford en de kitsen Soldan en Grayhound, die we reeds 
vermeld zagen. Bovendien was daar wachtend het geleide der vijf Nederlandsche 
oorlogschepen ^onder bevel van kapitein THOMAS TOBIA.S, vergezeld met den 
Admiraal DE Haen. Er woei een harde storm, en Z. H., adviseerende met de 
Engelsche commandeur EVERTSEN, die toen aan boord was, besloot te Sheemess 
aan land te gaan". De vijf nommers, welke ontbreken, gaven waarschijnlijk de 
Engelsche oorlogschepen en 't HoUandsche geleide te zien. De volgende teeke- 
ning, welke Boijmans bezit, vertoont den terugkeer naar Sheemess. Het opschrift 
luidt : ^woensdag smorgens omtrent siemesse komende alsoo wij wederom seijllen 
^door kontrarije winf\ Van DE VELDE vond het dus geen storm, maar tegen- 
wind was ook voldoende reden om niet in zee te gaan. Op den achtergrond 
links de kust ; in 't midden saluutschoten lossende schepen, waarbij VAN DE VELDE 



282 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

aanteekende : „3 schepen van Tobyassen en noch 2 noorthollanders^\ Op den 
voorgrond de naar links zeilende jachten en kitsen. De Maria voert den standaard. 
Op de volgende teekening naderen de Prins en de Prinses Sheerness. Zij heeft 
tot opschrift : ^de Woensdag soot fort Siernesse verwellekomt nut eereschoten din 
^prins van Orangie^\ Op den achtergrond links het saluutschoten lossend fort, 
waarheen alle vaartuigen zeilen; rechts de kust van Shappey. De Prins en de 
Prinses zijn gescheiden. Twee jachten voeren standaards ^^de marye alwaer de 
princes in was'\ en y^de starlet alwaer de prins van Orangie in was^\ Crispijn 
HOECKWATER vertelt dat de Prins en de Prinses te Sheerness „logeerden ten 
huize van kapitein Glovers, en het kwaad weder continueerend, gingen zij naar 
Canterbury, waar zij bleven tot de wind omkeerde." Drie nommers ontbreken 
hier aan het journaal van W. VAN DE Velde, waarschijnlijk betroöen zij het aan 
wal gaan. Het logies bij kapitein Glovers is echter geen nachtlogies geweest. 
De zesde teekening heeft tot opschrift: ^^dito Woensdag soo de prins van orat^it 
gelieft hier na Sittyburgh (Sittingbourne) te varen om voort te gaen naer Kantel- 
burij op den zelven dag als doen wij in Siernesse gekomen waren op Woensdag 
den 21 November 1677 oude stijlt^ (i December n. st.) Men ziet er op den tweeden 
grond rechts Sheerness, dan den mond van de Medway, links de kust van 
Graves. Op den voorgrond liggen de jachten. De Maria voert den standaard. 
Bij een sloep, die daarheen vaart, staat : y^de prins in dese sloup met de roijael 
princes.'* Behalve de overige reeds bekende jachten en kitsen, worden vermeld 
de Engelsche schepen: ^de Eigel," de „swaluw,*' j,de foresight." De schepen 
lossen saluutschoten* Storm is niet te bespeuren. De volgende teekening is ygeteichnt 
op Vrijdag den 23 November 1677 oude stijlF, (3 December n. st.), soo eenige 
staetj offeren opvaren naer Sittiburgh om te gaen tot Kanteloury tot de prinses! 
Van den voorgrond reqjits de kust tot den achtergrond tot voorbij Sheerness, 
Op den voorgrond de bekende jachten en kitsen : bij één staat : y^een queenburys 
vaertuijgh met jufferen & anders^*' verder bij een schip : „de Liefde" en drie 
onttakelde oorlogschepen. 

Op Woensdag 8 December ging het vorstelijk echtpaar weder scheep te 
Margate, daar de wind gekeerd was. Dit geldt de volgende teekening, welke 
ten opschrift heeft : ^ • • • • sdagsmorgens de comm. Thomas Thobyas komt nut dne 
schepen bij ons te weten schip Amsterdam^ fregadt Damyaette (fregadt na boetselacr 
genoemt), tfregadt hasperen, van dewelcke zijn hoogh. de prince van OrangU 
met eerschoten begroet wert.*' Op den achtergrond links de kust, rechts open 
zee. De vijf jachten, op den voorgrond, zeilen naar de op den tweeden grond 
liggende fregatten. De Mary voert den standaard en lost saluutschoten, evenals 
de Damiate en de Amsterdam. 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 28$ 

Op den gen des voormiddags landde de Prins met zijne echtgenoote te Ter 
Heijde, waar zij in de woning van den predikant vertoefden tot de koetsen 
kwamen die hen brachten naar Honselaarsdijk. 

Willem van de Velde zal ook na deze teekeningen, behalve die naar 
schepen, nog verscheidene gemaakt hebben, welke niet tot ons gekomen zijn. 
Het Museum-Boijmans bezit er twee, die waarschijnlijk eene gebeurtenis van 
1681 betreffen. Beide geven de Theems te zien, met twee Eugelsche oorlog- 
schepen, zes jachten en een aantal roeibooten. Eén jacht heeft de vlag in top, 
en op de ééne teekening begeven zich daarheen eenige barges, terwijl op de 
tweede teekening een barge naast het jacht lig^ De oorlogschepen worden 
genoemd „de Chambridge'' en „de Mommouth". Bij het jacht staat op de tweede 
teekening : j^de moroxsè Ambassadeurs waren in een sloup om aen lant te kamen 
doch bleven echter eten boort'\ Waarschijnlijk wordt bedoeld het gezantschap, dat 
van Marokko naar Engeland kwam in 't begin van Januari 1681, den I2en van 
Deal naar Londen vertrok, te Greenwich werd ontvangen en langs de rivier in 
de koninklijke barge naar Towerhill werd gebracht. ^) 

Karel II bleef in het zeewezen steeds belang stellen. Zoo ging hij met zijne 
gemalin en zijn broeder — volgens de Letters ofLordChesterfield — in Juli 1682 
naar Chatham om het te water laten van de Britannia bij te wonen. En er is 
een serie teekeningen van W. VAN DE Velde, waarvan lóoverzijn, die vertellen 
van een tocht, dien hij in Augustus 1682 deed, langs Gravesand, Tilbury-fort, 
Woolwich, Blackwall en Greenwich, waarbij hij een nieuw schip de Tiger bezocht. 
Zeven teekeningen van deze serie zijn in het Museum-Boijmans en negen in het 
Rijksprentenkabinet te Amsterdam. Op eene, waarschijnlijk de eerste, staat : 
^begonnen vrijdags smorgens 6 de kloek soo de koninck na de kasteel vaert over 
grevesentf zijnde 20 (veranderd in 19, moest zijn \Z) Augusty \(A2*\ Dat kasteel 
was Tilbury-fort, dat door Karel II aanmerkelijk werd vergroot. Hij gaat het 
dan ook bezichtigen, zooals een volgende teekening leert, waar het fort en eenige 
schepen saluutschoten lossen. Dat y^de koning komt wederom uytet kasteel aen 
de hennerüté"^ gaf stof tot een volgende teekening. Op een andere schets staat: 
y^de wint anders & is qualick geweest dit is int rack van Wollitsbay dan naer 
bij blackwall) een andere geeft het panorama y^tussen Wollits & blackwalP* met 
de aanteekening „dfe koning gaat hier mjt de henneryte (het jacht Henriette) in 
de baersie^^ en bij de Henriette ligt een schuit vol ^roorocken als lijfwacht van 
de koning*\ Als hij bij de boei de Nore is, ziet men ook het oorlogschip 
^de thijger^^ liggen, en teekent VAN DE Velde aan: ^^schanskleden omde marssen 



1) London Gazette van $\ts Januari 1681(2). 
Oud'Holiand, 1902. 30 



2S4 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

geUick$mt dat ick moêr redelick sten kon. gaet wederom ten aneker omirent ie 
pkuis daer hij eerst gelegen had b^ boei de noorf\ Op de volgende teekening 
wordt de koning van de Henriette geroeid naar de Tiger, die saluutschoten lost 
V\N DE Velde verzuimt niet een en ander aan te teekenen. Terwijl koning Kar£L 
bij de boei de Nore vertoefdei voeren twee Oost-Indievaarders voorbij. Op zijn 
terugtocht, verzuimde hij niet deze te bezoeken. Waar hij dat deed, wordt 
vermeld in de aanteekening : yJiUr gaet de koning door stilte in de boerste êUc 
hij gelieft de 2 oostyndysvaerders tot eriff (Erith) leggende te besoecken die ons 
bij buoy de noort gepasseert waren & verwachten de jachten alhier J* Een volgende 
teekening laat de overige jachten zien, en daarna eene : ,,hier komt de koning 
wederom f oen de hennerytte uyt de oostyndischvaerderJ** 

Van de Velde's werk wordt nu schaars. Dr HOFSTEDE de Groot vond 
op Welsh Abbey, behoorende aan den Hertog van Portland, een penschilderij 
van zijn hand, hoog O.405 en breed 0.58, dat een HoUandsche vloot voor anker 
voorstelt, en belangrijk is vooral om handteekening en jaartal : W. v. Velde 
1685 houdt (oud) 74 jaren. Dit stuk is dus uit het eerste jaar der regeering 
van Jacob IL Men weet hoe het optreden van dezen katholiek Engeland ver- 
ontrustte, en zijn bigotte politiek weldra zijn koningschap in gevaar bracht 
Hg was er dan ook spoedig op bedacht het leger te versterken. In Qarke's Life 
of James the second D. II. bl. 71 wordt verteld hoe hij daarom in 1686 ^took 
great pains to view and discipline (the army), and to that end formed a sort 
of camp all that Summer on Hounsloe heath, and by the great attention he had 
to their cloathing, armeing and discipline, render 'd it a very compleet body of 
men, which though not very numerous(as notexceeding 13 or i4thousand)hadthe 
reputation however of being the best payed, the best equipped ant the most 
sightly troops of any in Europe. This was what the king spent the greatest 
part of the summer in". Ook in 1687 en 1688 liet Jacor II zijn troepen kaïn- 
peeren op Hounslowheath, en een bezoek aan dat kamp was voor de Londenaars 
een geliefkoosd uitstapje. Zelfs de HoUandsche Mercurius van 1687 vertelt er van, 
niet vergetend te vermelden dat de koning er y^een capel soo groot als op Withal 
liet oprichten/' enz. In de Letters of Lord Chesteriield, bl. 323/4, wordt op 
21 Juli 1686 hiervan reeds melding gemaakt en gezegd, dat in de kapel van 
het Hoofdkwartier geregeld de mis werd gehouden. Het Museum-Boijmans bezit 
acht teekeningen van een belegeringsspel, dat in het kamp gehouden werd in 
1687. Op eene wordt de versterking genoemd ^de stadt buijda*\ waarschijnlijk 
wordt Breda bedoeld, dat in 1686 werd belegerd. In de aanteekeningen worden 
*als geleiders van J acob II gQnotmd : y^degeneraelmeLordDuras, me JLord Hosserejfi 
meLord Dortmonthy LOUIS DURAS, Lord Feversham, wa3 Franschman van 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 885 

geboorte» een neef van TURENNE, en in Engelands dienst. Ranke noemt hem 
in zijn Englische Geschichte den vertrouwde van den Hertog van YORCK* 

È 

Deze stelde, nadat hij den troon bestegen had, DURAS aan 't hoofd der troepen 
tegen den Hertog van Monmouth, In 1688, na de landing van den Prins van 
Oranje, ontbond DuRAS op eigen hand het Engelsche leger, en werd daarom 
door den Prins korten tijd gevangen gezet. Lord OSSORY is jAMES, zoon van 
den in 1680 overleden Thomas, Earl of Ossory, van wien reeds vroeger 
sprake was. Lord Dortmont is James Butler, Duke of Ormond, geboren 
in 1610 en overleden in 1688. 

De eerste teekening is een schets der versterking. De tweede heeft tot opschrift: 
ffMer maecAt men een werck van defensye al vechtende & de spidt in de aerde^'' 
Men ziet er ongeveer in het midden op den tweeden grond een wal met een 
hoektoren, bezet met ballasten en kanonnen, waaruit druk wordt geschoten. 
Geheel rechts, meer naar achter ook een wal met een torentje op den hoek. 
Links in de verte een heuvelachtig land met boomen ; op den voor- en den tweeden 
grond bataillons soldaten. Meer in het midden zijn de soldaten in liniën opgesteld 
en schieten druk. Vóór de versterking in het midden, en tusschen de linies is een 
ruimte waar vele soldaten in den grond spitten. Geheel op den voorgrond rechts zijn 
verscheidene toeschouwers te paard en te voet. Links is een strook papier opge- 
plakt met de volgende opgaven, waarvan de aanwijzingen met inkt op de teekening 
zijn geplaatst : „^;. hier maeckt men een werck vam defensije al furieus schietende 
& de spidt in de aerde"^ ; b. al lustig vechtende secours om de stormders ; c. het werck 
deffendeert Lustig & vecht met kanonneren & mosketteren seer {h)ivigh ; d. den 
koning alhier met veel Lorts & edele beneffens veel fatsoenlicke gevolge te peter f \ 
De derde teekening geeft wederom den wal met torentjes op de hoeken rechts, 
vooruitspringend voor een grooteren dergelijken wal^ welke beschoten worden 
door kanonnen tusschen schanskorven geplaatst, en uit batterijen links, waarvan 
de granaten met een boog de lucht doorklieven en springen boven de ver- 
sterking. Links verscheidene bataillons, als op het vorig nommer. Er wordt 
druk geschoten. Op den voorgrond rechts staat een met toeschouwers gevulde 
tribune. De vierde teekening geeft hetzelfde te zien, maar omgekeerd. Wat daar 
rechts was is hier links en omgekeerd. Deze teekening draagt de met inkt 
overtrokken handteekening W. v. Velde doude f 1687. Op de vijfdes teekening 
wordt de inneming der versterking vertoond. Een troepje soldaten trekt door 
een bres naar binnen. Links de loopgraven der belegeraars; in de eerste een 
hoop soldaten aangevoerd door generaal DURAS ; in de tweede achter een troep 
soldaten de koning en eenige lords ; achter deze kanonnen tusschen schanskorven, 

gelijk er ook rechts staan. In het midden een rei soldaten, aangewezen als 

80» 



28« WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

y^vers secours^\ en achter deze een naar links marcheerende rei, aangewezen als 
de j^aftreckende\ De opgeplakte strook geeft de aanwijzingen, die reeds vermdd 
zijn, met het opschrift : yfiier wertet werck ingenomen stormenderkant de vendils 
& pUcken treden toé\ Ongeveer hetzelfde schouwspel geeft de zesde teekening, 
die tot opschrift heeft : rthUr was soo scheen een stilstant van 7 schoten dog 
evenwel trocken de bestormers van alle kanten {h)e7ng toe & nemen 't werd 
stormenderhant in^'* en nog de aanwijzing : „den koning te paert nut vele eddi 
omtrent henC\ De zevende teekening is ook gewijd aan de inneming en het 
planten van ^Ae vaendels op vijants walU\ De koning komt hier tegelijk op 
verschillende plaatsen voor : y4^n koning gaet te voet om t ingenomen ie sien^; 
^den koning gaet hier over de gallerij & de bres int werck te sien"; ^den koninj 
komt wederom uijttet werck*^; ^den koning gelieft hier het geteickende van sgn 
dienaer Willem van de Velde te besien^* (hier staat de koning achter een lagen 
wal, waarop Willem van de Velde, die aan de andere zijde van den wal staat, 
zijne teekeningen heeft uitgespreid); ook worden vermeld ypmtrent de koningm 
Lord hosserey te paerf' en „me Lord dortmont te paeri\ De achtste teekening 
vertoont „soo de geheele armee aen komt marseren naer het gemaeckte werck ven 
de stadt buijda hetwelcke dien dag wiert ingenomen op saterdag den 21^ jul%ji6&f\ 
Al deze teekeningen zijn gedaan met zwart krijt en O. I. inkt, sommige zijn 
hier en daar met de pen of met potlood geretoucheerd. Dedagteekening^Sater- 
dag den 21^ Julij" kan niet goed zijn, daar de Zaterdagen in Juli 1687 vielen 
op den iQcn en den 26en. Dit achttal teekeningen stond in den Catalogus van 
't Museum bij de verzameling : y, Aankomst van Willem III en feesten ter geI^ 
genheid van zijne kroning." 

Uit het jaar 1688 zijn mij slechts twee teekeningen van Willem vakde 
Velde den oude bekend, in Boijmans. Een is een kapitale en fraaie teekening in 0. L 
inkt en zwart krijt, hoog 0.437 en breed 0,918. Men ziet er vier der grootste oorlog- 
schepen van Engeland bij elkaar voor anker liggen met den voorsteven naar 
voren. Zij zijn onttakeld. Een is zonder masten, een ander heeft er slechts één. 
De grootste • schepen voeren op voor- en achtersteven de Engelsche vlag. 
Bij de eene liggen één bemande zeilschuit, twee ledige en één bemande 
roeiboot; bij een andere zes roeibooten, bij een derde een vlot, waarheen eeoige 
personen worden geroeid. Verder ziet men nog eenige zeilende schuiten op de 
rivier en op den achtergrond een heuvelachtigen oever met een fort. Kennelijk 
is dit de Medway. Onder de schepen staan de namen: royall prinsythebritafgf 
(Britannia), nepthune (Neptune), the nieuw opgemaeckte Souver eyn. Het is duidelijk 
dat deze schepen daar liggen ter reparatie. De Brittannia werd, volgens de 
Letters of Lord Chesterfield, bL 221, te Chattam te water gelaten op 24 Juni 1682 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 287 

de Neptune, volgens EVELYN*s Diary, op 17 April 1683. W. Laird Clowes 
geeft in het tweede deel van zijn werk The Royal Navy een lijst der vloot op 
18 December 1688, vermeldende tevens den toestand der schepen. Bij de Royal 
Prince, van 100 stukken, staat dat het herstelling noodig heeft ; bij de Souvereign, 
van IOC stukken, dat het wordt hersteld ; hetzelfde staat bij de Britannia van 100 
en bij de Neptune van 90 stukken. Niet alleen hieruit, maar uit de geheele 
teekening blijkt de onjuistheid van den titel, in 1 869 aan haar gegeven: y^Schepen 
op de Engelschen genomen". Geen van deze schepen werd door de Nederlan- 
ders veroverd. De teekening geeft ze, zooals zij in 1688 op de Medway ter 
reparatie lagen. 

Op 15 November 1688 landde Prins Willem III te Torbay; op 29 Decem- 
ber kwam hij in Westminster^ en nam hij zijn intrek in St. James. Hoewel hij en 
zijne gemalin eerst op 'den 2ien April 1689 gekroond werden, was hij van December 
1688 reeds het hoofd van Engeland's regeering. Dit was ook de meening van 
Willem van de Velde den oude, die Prins Willem' s aankomst te Londen 
teekende, en er boven schreef: y^No. i ^tjaer 1688 bij de regeering van koning 
Willem en marijk'*. De schets is gedaan met zwart krijt, hoog 0.205 ^" breed 
0.745. Op den voorgrond ziet men den Theems met verscheidene sloepen en 
roeibooten, twee voor anker liggende schepen met gereefde zeilen en de 
Engelsche vlag in top. Eenige *barges volgen elkaer en bij een daarvan staat 
geschreven : Lord (of the) Navy. Aan de overzijde der rivier een gedeelte der 
stad, welke rechts een sterke bocht naar voren maakt, zoodat de hooge huizen 
daar op den voorgrond staan ; een der huizen heeft een balkon. De schets is 
echter te onduidelijk om stellig te zeggen dat het een gezicht op Westminster 
is. Meer dan deze ééne schets, in het Museum-Boijmans, is mij niet bekend, al 
zou het nummer i van het opschrift doen vermoeden dat VAN DE Velde er 
meer gemaakt heeft, b. v. van 's Prinsen aankomst te Westminster in een rijtuig, 
omstuwd door de burgerij. Dat hij niet stil zat, al was hij TJ jaren oud, blijkt 
uit een brief, dien hij op den 8en October 1688 schreef aan Lord Dartmouth. 
Die brief werd opgenomen in het 9e rapport van de Historical Manuscripts 
Commission, appendix. Part v, (The manuscripts of the Earl of Dartmouth), London 
1887. De heer E. W. MoES was zoo vriendelijk mij de volgende copie van dit 
belangrijk schrijven te zenden. 

1688, Oct. 8th., London. — WiLLlAM Vandevelde de oude to Lord 

Dartmouth. 

^This serves only to give your Lordship notice that according my Lord's 
order I brought laste Friday at myLord's house the five pieces of pictures, as 
are known to myLord, and these day being Moonday I have put them intheire 



288 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

golden frameS| which are extraordinary curious and preciouse, which I did in the 
presence of myLord's brother, to whome it is knowne, and myLord's brother 
ordred me to write these few Unes to give myLord notice hereof, which he 
promised me to take along withim, by reason he went in persen to my Lord. 
Concerneinge the frames I have agreed to pay for each one of them 3 L lO s.> 
which, myLord, otherwise should cost 5 1. and more, so that the frames comc 
to 17 L. 10 s. Concerneing my art of drawing the pictures, myLord BerckL£Y 
payd mee for a piece of four foote and a halfe twenty pound ; and my 
Lady Barckley^ my Lord Barkley's mother, payd mee for a piece five 
foote long the summe of twentye three pound ; so that in reguard of these 
as I have made for my Lord, I leave that totally in the generosity 
and high juste consideration of my Lord himselfe, not doubting of [or : if] me 
Lord shall take such more favourable consideration intherateofmy art, accordiog 
my Lord^s pictures really are more excellent as they whereof I mention in this 
present, I having in those pictures bestowed my utmost endeavours and myart 

Allereerst treft ons de beschrijving die W. van de Velde de oude hier 
geeft van zijn schilderijen ; hij schrijft : ^my art of drawing the pictures/' niet 
y^of painting/' Het zullen dus wei stukken zijn, gedaan met de pen en O. L inkt 
Ook verdient het opgemerkt te worden, dat voor dezen tijd te Londen, gelijk 
in Holland, de prijs der schilderijen werd bevekend naar de gprootte en deze bij 
voeten werd bepaald. En curieus, dat W. VAN DE VELDE één maand vóór de 
landing van Prins WiLLEM III, toen reeds de oppositie t^en JACOB II dieos 
troon bedreigde, dezen brief schreef aan den Admiraal Lord Darthmouth, één 
der voornaamste hoofden van de Jacobieten, wien jACOB II bevel gal de landing 
van den Prins te beletten, wat hij gaarne zou getracht hebben te doen als de 
wind het niet had belet! Hij werd in 1691 «p den Tower gebracht en stierf er 
op 4 November. Jammer genoeg, de drie schilderijen zijn niet meer te vinden. 
De families hebben ze niet en herinneren zich niet ze gehad te hebben. 

De kroning van Prins Willem III en Prinses Makia tot koning en koningin 
van Engeland was te belangrijke gebeurtenis dat Willem van DE Velde daarvan 
geen notitie zou hebben genomen. Het groote publiek, waartoe ook hij behoorde, 
zag slechts het gaan en terugkomen van HH. MM. van Whitehall naar West- 
minster. Daar dit langs de Theems geschiedde, was W. van de Velde ui zijn 
element. De HoUandsche Mercurius van 1689 vertelt van dit komen en gaan: 
„HH. MM. vervoegden haer den 21 en van Grasmaent (April) 's morgens omtrent 
zeven uuren langs de geheijme trappen (de privystairs) van Withall in een seer 
rijckelijck opgepronckte Bark (barge) ; voeren na Westminster", en „Na 't afloopcn 
der maeltijt vertrocken HH. MM. met groote luijster en deftigheijt 's avonts ten 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 239 

tien uuren na Withall'\ De London Gazette van Donderdag 1 1 April (oude stijl) zegt: 
j^about eight in the Evenirig Their Majesties returned to Whitehall". Deze tijdsbepa- 
ling zal wel de juiste zijn, daar het om tien uur donker was, en eenige van de volgende 
schetsen — in 't bezit van het Museum Botjmans — dan niet konden gemaakt zijn. 

De eerste teekening, in zwart krijt en O. I. inkt, hoc^ 0,295 en breed 1.142 
stelt voor het vertrek van den Prins en de Prinses van Whitehall. Op den voor- 
grond de Theemsy op den achtergrond Londen. Ongeveer in 't midden van den 
achtergrond de yiprivy Whitehall stairs". Daar ligt gemeerd de koninklijke barge, 
en bevinden zich verscheidene roeischuiten. Aan den waterkant een hoop volk. 
De rivier is bedekt met barges en roeischuiten, die zich voortspoeden naar 
Westminster. Schepen zijn er niet, dan rech|s één zeilschuit met wimpel. Nog 
meer rechts en achterwaarts een eerepoort achter een hek. Het is Weste- 
wind. Het opschrift luidt : y^den kaning gelieft alkier oen de frive staer te inbar^ 
queren, No. i/' Onderaan staan eenige aanwijzingen voor enkele barges, waarvan 
sommige onleesbaar geworden én andere met potlood overgetrokken zijn. De 
leesbare zijn : ^baersie vande lord dortmont" (Hertog van Ormond) — „de 
,,baersie daer de.... met de septer in was", — „lord maijors en oldermains 
baersie*' — tegenover de privy stair: „de koning inbarqueert alhier". Bijna alle 
booten zijn afgewerkt; het stadspanorama niet. 

De tweede teekening, iets grooter dan de vorige, heeft ten opschrift : 
YtAlkier gelieft de kaning te landen aen de Westmunster staer. No. 3." Op 
den achtergrond rechts ligt Westminster. Men ziet het Westelijk ge- 
deelte der kerk van de abdij van St. Peter's Westminster uitsteken boven 
de dichter bij de rivier gelegen gebouwen. House of Commons, enz. Drie 
trappen leiden van Westminster naar de rivier. Bij de trap rechts zullen de 
Prins en de Prinses de barge verlaten. Daar liggen een groot aantal schuiten 
en staan een menigte menschen. De rivier is bedekt met barges en sloepen, die 
van den linkerkant, van Whitehall, komen, en die, tusschen de reeds aanwezige 
schuiten door, zich spoeden naar het ten Zuidwesten van Whitehall gelegen 
Westminster. Van DER Velde's standpunt is geweest dicht bij het Westelijk 
gedeelte van Westminster, daar de Abdijkerk wordt gezien boven het 
Westelijk deel van Westminster. Op de rivier liggen voor anker drie jachten, 
met de vlag in top, eereschoten lossend. Bij het tweede jacht staat geschreven: 
^bl" (van het eskader der blauwe vlag). Bij de landingsplaats twee jachten, 
achter elkaer, en op den voorgrond, ongeveer in 't midden, een schuit met iets 
dat op een heistelling gelijkt. Zeven barges roeien van links naar rechts, waar 
een open ruimte is tot de landingsplaats. Boven de vierde barge, de eenige 
met twaalf roeiers, staat een j^k", tot aanwijzing dat Prins Willem en zijne 



940 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

gemalin zich daarin bevinden. Rechts op de tweede rei, een barge met acht 
roeiers, op den benedenkant aangewezen als y^Lord mayors barsie". 

Daar Whitehall Noord-oostelijk van Westminster ligt, en de barges roeien 
van links naar het rechts geplaatste Westminster, gelijk ook de wind hier uit den 
rechterhoek waait, ligt het vermoeden voor de hand dat deze,, èn de volgende 
teekeningen zijn gemaakt later en in omgekeerde richting, misschien over- 
drukken zijn der in zwart krijt gemaakte schetsen. 

De volgende teekening geeft bijna dezelfde voorstelling. Het gezichtspunt 
is echter meer links, zoodat de Abdykerk staat niet meer vlak maar een weinig 
links achter de Banquetting-Hall, die hier geheel is weergegeven. Van de drie 
eereschoten lossende jachten zijn hier slechts de twee voorste te zien, met ver- 
korten afstand. De zeven barges zijn er niet meer. Geheel rechts op den 
voorgrond is er één, waarbij staat: y^lande van (of: my)Lord maeyor van Londe'*, 
onder een volgende staat : „melord dortmont", onder een derde ^graeff van kent*' . 

De vierde schets vertoont het vertrek van den koning en tle koningin van 
Westminster. Rechts Westminster. Tusschen de op den voorgrond en verder 
liggende sloepen en schuiten roeien naar de linkerzijde, dus van Westminster a( 
vier barges. Naar de tweede, door twaalf man geroeide barge, verwijst eene 
aanteekening y^de koninge". Overigens ongeveer dezelfde voorstelling als op de 
twee voorgaande ; alleen heeft VAN DE Velde zijn gezichtspunt aangegenen door 
te schrijven ^mijn plaet(sy', bij een geheel links op den voorgrond liggende roeiboot. 

De vijfde schets heeft tot opschrift : y^kier gelieft de koning te inbarcque- 
ren ande Westminster stoer gekroont zijnde^\ Op den achtergrond rechts een 
grooter gedeelte van Westminster dan op het vorig nommer. Tusschen de op 
de rivier liggende schuiten een reeks barges, welke zich verwijderen van West- 
minster. Bij de voorste, met twaalf roeiers, staat : ^baersie van de koning hier''. 
Ook vergat VAN DE Velde niet te melden j^voor vloet". 

De volgende, kleinere schets, laat zien hoe verscheidene barges Westminster 
verlaten na het vertrek van den koning en de koningin. De landingplaats wordt 
ook hier gezien in haar geheele lengte, maar het Banquetting-House steekt hier 
niet meer uit boven de ervoor staande gebouwen. 

De zevende schets vertoont jjiiér gelieft de koning te landen gekroont 
zijnde aen de privé staer*^ van Whitehall. Op den aQhtergrond links de ingang 
van Whitehall uitvoeriger dan op nommer één, en ook de daar voorkomende 
eerepoort. Boven een flauw aangegeven barge aan den voet der landingplaats 
staat : ^\C\ aanwijzende den koning. Twee eereschoten lossende jachten en de 
schuit met het heitoestel (voor 't vuurwerk *s avonds.^) zijn ook hier present. 
Tusschen de sloepen en booten ettelijke barges achter elkaer varend naar Whi- 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 241 

tehall. Volgens eene aanteekening zitten in een roeiboot ^2 laddys als hartog- 
inne...." en ook nu wordt de aanwijzing niet vergeten van de ^Lordmaeyor 
baersie'*. De wind is West. 

Op deze teekening volgt er een, waar de barges van den hofstoet niet 
meer te zien zijn. Links ligt de roeiboot met de aanwijzing: „2 joffers als 
hartoginne gekleedt"; meer rechts een bargemet: „een hartog gelooff albermarle", 
en nog meer rechts een roeiboot met: „4 justis hier van welcke een was hr. 
william boermay*'. 

Twee teekeningen schetsen vreugdebedrij ven na de kroning. Volgens de 
officieele berichten werden op den 21 en na de kroning vuurwerken ontstoken, en 
op den 22en des namiddags de „Knights, Citizens and Burgesses in Parliament 
assemblcd walked from Westminster to the Banquetting House" om HH. MM, 
geluk te wenschen. De twee teekeningen, uit het Museum-Boijmans, met de pen 
en O, I. inkt, ongeveer één meter breed, geven van verschillend gezichtspunt 
de Theems met Londen ten oosten van Whitehall op den achtergrond. De rivier 
is vol schuiten en roeibooten, die in de breedte naast elkaêr liggen, en rechts in 
twee reien met een open ruimte er tusschen. Deze teekeningen zijn gemerkt 
No. I en No. 3. Vermoedelijk behooren zij tot eene r^eks, waarin de optocht 
van het Parlement naar het Banquet in g-house werd weergegeven. In elk geval 
schijnt het op No. i geplaatste opschrift twijfelachtig : r,den dag na de kroningdag 
als wanneer de vuurwercien haer effect deden voor Withair\ Vuurwerk is er 
niet te zien, wel de reeds vermelde timmeragie, die *t meest gelijkt op een tijdelijke 
eerepoort welke met vuurpotten, enz. kon worden versierd. 

Zonderling is het dat op al deze teekeningen koning Willem III alleen 
wordt vermeld en niet koningin MARIA, die toch ook gekroond werd. 

„Lord Dortmond" is de bekende ijverige Protestant, die in 't najaar van 
1688 's Prinsen zijde had gekozen. Albemarle is Christopher, de zoon van 
MONK, die zijn vaders titel erfde in 1670. 

De toestand in Schotland, en vooral in Ierland, de oorlogsverklaring van 
LODEWIJK XI V^ die door JACOB II te helpen hoopte Engeland aan zijn zijde te 
krijgen, noopten WiLLEM III ondanks de beslommeringen der organisatie van 
de regeering, zijn aandacht ook te wijden aan het leger. Hij had 14,000 man 
meegebracht, zijn garde, Engelsche, Schotsche, Duitsche regimenten ; en zijn 
eerste order na de landing was een bevel aan de commandanten der Engelsche 
armee hun troepen bij elkaér te houden. Twee maanden ongeveer na zijn kro- 
ning meldde de London Gazette' uit Whitehall van den 17 Augustus (O. S.) : 
^His Majesty went yesterday to the Camp on Honslowheath and was there again 
most of this day to see the troops exccrcise." Willem van de Velde heeft 

Oud^Hollandf 1902. 31 



242 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

waarschijnlijk vele teekeningen van dit bezoek van WILLEM III 'gemaakt, zooals 
hij twee jaren tevoren had gemaakt van het bezoek van Jacob II. De teekening 
in zwart krijt en O. I. inkt, welke het museum-Boijmans bezit, is gemerkt N*. i. 
Haar opschrift luidt: ^Het kamen vande koningsregement ofte gaerdens ziayy kom- 
panye siarck op de hosselheidt den i6e Augustus 1689/^ Het oorspronkelijk opschrift 
in zwart krijt is later met potlood overgetrokken en niet altijd leesbaar. Misschien 
heeft die latere hand rechts van 't opschrift erbij gezet : Woensdagh ; hetgeen 
onjuist is daar de l6e Augustus 10, S.) viel op een Vrijdag. 

Het is een landschap met ongelijken grond en hier en daar laag geboomte. 
Aan beide zijden van den voorgrond heuveltjes met enkele toeschouwers. Ia 
't midden een landweg, waarop een koets met v^ier paarden en twee bagage-* 
wagens, die naar rechts rijden, waar een houten brugje ligt. Vandaar loopt een 
weg links af naar den tweeden grond langs een huis, waarvoor staan verscheiden 
personen die diep groeten. Want dichtbij rijdt de met een ^R'' aangewezen 
koning in galop, met gevolg. Ook eenige op een afstand staande kanonnen 
salueeren. Op den achtergrond rechts marcheert de garde naar den tweeden 
grond links, waar zij weder omz wenkt. 

Dan is er nog In particulier bezit een kleine teekening met schepen uit 
ditzelfde jaar, hoog 0.194 en breed 0.29. Rechts ligt een Engelsch oorlogschip 
en een Nederlandsch vaart het voorbij. Een sloep zal van 't eerste eenige 
personen naar 't laatste brengen. Links op den tweeden en op den achtergrond 
zeilen nog eenige schepen, waarvan het voorste de Hollandsche vlag voert De 
teekening is met O. I. inkt gedaan, zeer peuterig en zorgvuldig, klein en benepen 
van uitvoering en opvatting tegenover de teekeningen van vroegere jaren. Zij is 
dan ook van 1689, zooals de handteekening leert, 's Mans leeftijd verdoofde den 
just tot werken niet, maar roofde hem de kracht. Hij werkte des te voorzichtiger. 
En door deze gedateerde teekeningen blijkt welk karakter zijn werk kreeg met 
het klimmen der ;aren. Zoo kunnen stellig tot zijn laatste jaren ook gerekend worden 
teekeningen, welke wij, den loop der gebeurtenissen volgend, reeds vermeld hebben. 

Heeft Willem van de Velde de oude met olieverf geschilderd ? Houbraken 
(D. I. bh 355} zegt: ^dat hij ondernam ook met olyverf te schilderen in zijn 
ouderdom". 

Voor zoover mij bekend, draagt geen der hem toegekende schilderijen in 
olieverf zijn naam ; al staat bij sommigen, b. v. N^. 888 in Hampton-Court op 
de achterzijde: W. v. Velde de oude f. 1683. Dit is vreemd, daar hij zelden 
vergat zijn naam te zetten op zgne teekeningen en penschilderijen, zooals ook 
de twee penschilderljen No. 745 en 754 in Hampton-Court, die, volgens de 
meedeeling van Ern. Law, reeds behoorden aan Jakob II, zijn handteekening, dragen 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE, 248 

„W. V. Velde" en één het jaartal 1682.. De kwestie schijnt mij weinig belang te 
hebben. Immers, heeft hij in zijn ouderdom ondernomen met olieverf te schildereni 
de kunst zal er niet veel door gewonnen hebben. De schilderijen, welke hem 
worden toegekend» zijn bovendien van weinig beteekenis, en zijn ook stellig 
niet van zijn zoon ; onhandige^ leelijke dingen. Zij kunnen wezen van zijn kleinzoon, 
den op 4 September 1667 te Amsterdam gedoopten en met zijn familie naar 
Londen verhuisden WiLLEM VAN DE VELDE, den derde, die den kost verdiende 
met ^t werk van zijn vader na te doen. Zij kunnen ook zijn van een ander lid 
der Hollandsche kolonie te Londen, die op het einde van de 17e en in 't begin 
van de i8e eeuw, schilderijen fabriekte. 

Willem van de Velde de oude, werd zeer oud. Hij woonde op 't eind 
van zijn leven, in Sackfieldstreet in Picadilly, en werd daaruit den i6en December 
1693 gedragen naar de parochiekerk van St. James. Zóó verhaalt Houbraken 
D. I. bl. 355) die bij een van zijne kleindochters, een dochter van Adriaen 
VAN DE Velde, het begrafenisbriefje vond. Walpole (Ed. 1876, d. II, bl. 129) 
meldt zijn grafschrift: ^WlLLiAM VAN DE Velde, senior, late painter of seafights 
to their majesties King Charles II and King jAMES, dyed 1693." Dezelfde titel 
als hem in 't begrafenisbriefje werd gegeven. Natuurlijk, want beide werden door 
zijn familie bezorgd. Koning Willem III vernieuwde zijn aanstelling niet; 
waarschijnlijk kon deze hem zijn overloopen naar den vijand niet vergeven. 



' N^T' 



81' 



AANVULLINGEN EN VERBETERINGEN. 



1652. Woonplaats van W. van dê Velde. 

Op bl. jy van Oud-HoUand, 1898, wordt gezegd bij de vermelding' van 
W. VAN DE Velde Jr., dat het als zijn woonplaats in het protocol genoemde 
Nieuwland te Amsterdam zou gelegen zijn bij het Mannengasthuis, thans Oude 
Turfmarkt. De heer H. W. Veder deelde mij later mede, dat meer plaatsen te 
Amsterdam op verschillende tijden dien naam hebben gedragen. Het Nieuwe 
Waalseiland werd ook zóó genoemd omstreeks het midden der 17e eeuw. Blijkens 
het op bl. 78 vermelde testament van W. VAN DE Velde Sr., dd. 1652 woonde 
deze op het Nieuwe Waalseiland aan den IJkant. Volgens bovenstaande mede- 
deeling is het dus waarschijnlijk dat de zoon thuis was bij zijn vader. 

1653. Slag bij Ter Heijde. Het Rijksprentenkabinet te Amsterdam bezit 
vier teekeningen van W, VAN DE VELDE den oude, die door Fr. Muller fn 
November 1867 werden aangekocht, en door dezen zijn beschreven in zijn werk 
De Nederlandsche Geschiedenis in Platen onder N®. 2074, zeeslag voor Katwijk, 
9 Augustus 1653; N*. 2225, Vierdaagsche zeeslag, 11 — 14 Juny 1666; N*. 2341 
en 2343, zeeslag voor Soulsbay, 7 Juny 1672. Bij de laatste deelt hij mede, 
dat dit viertal omstreeks 1S26 te Alkmaar uit de kunstverzameling van een 
Pastoor voor f90, — is verkocht, later in het bezit gekomen is van Baron Verstolk 
VAN SOELEN voor f700, en na diens dood overgegaan aan zijne zuster de 
Baronesse VAN Pallandt. 

De eerste teekening, die een voorstelling geeft van den zeeslag bij Ter 
Heijde op 10 Augustus 1653, werd behandeld in het opstel „De Eerste Oorlog 
met Engeland en W. VAN DE Velde, de oude" (Oud-HoUand, 1899); de derde 
en vierde in dit opstel. 

De tweede teekening is ook zonder twijfel van W. VAN DE Velde den 
oude, en geeft ook een voorstelling van een zeeslag tusschen de Nederlandsche 
en de Engelsche vloten, maar ik durf haar niet zooals Fr. Muller doet, thuis 
brengen bij den Vierdaagschen zeeslag. Deze schrijft : ^zeer uitvoerige en belang- 
rijke afbeelding van de gevechten der 4 dagen, waarschijnlijk naar schetsen tijdens 
het gevecht genomen, geteekend door W. van de Velde, in O. I. inkt en zwart 
krijt, op 3 aan een behoorende bladen, met enkele aanduidingen der schepen in 
Hs., en met vele verbeteringen later op de plaat geplakt." Klinkt het niet vreemd, 
dat W. VAN DE Velde op eene teekening de gevechten van vier dagen, gedurende 
welke de vloten en eskaders telkens veranderden van positie, op ééne teekening 
zou hebben afgebeeld ? Dit is m. i. onmogelijk, en bovendien in strijd met zijne 



WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 245 

gewone manier van doen. De teekening toch draagt hetzelfde karakter als die 
waarop hij één of twee opvolgende momenten van een zeeslag teekende. Dat 
F. MULLER haar zoo beschreef bewijst m. i. dat ook hij niet goed uit haar 
wijs kon worden. Hij geeft de volgende aanwijzingen : y,Op het ie blad links, 
ziet men naar de regterzijde: het schip van den L^ Adm. Jan EvertS; het 
schip de ZeeUy de Adm. de Widt ; op 't 2e blad de Bul v. Jan van Kampen^ de 
Wilde oi> de Vrede^ de Heer Tromp ; op 't 3e blad veel groote Engelsche schepen 
in brand, doch zonder aanduiding.^ 

Hierbij kan gevoegd worden dat ook vermeld wordt De JRuyter; dat 
links van De Vrede ligt het schip de Windhond. 

Luit. Admiraal WiTTE CORNELISZ. DE WiTH sneuvelde op 8 November 
1658. En als men op de gegeven aanwijzingen mag afgaan, dan hoort deze teekening 
thuis in eene periode toen de Nederlandsche vloot tot bevelhebbers had TROMP, 
De Rüijter, J. EvERTSEN en De With. Dat was in 1653 bij den slag ter 
Heijde. Toen behoorde ook het fregat De Windhond tot de vloot, was De Wilde 
kapitein van De Vreede, en voer ook Jan van Campen mede, echter niet op 
De Bul, maar op de Overijsel. 

Jammer genoeg, de teekening zelve geeft geen aanwijzing om deze gissing 
te preciseeren. 

1658, 8 Nov. Sli^ in de Sant. Ook het Museum te Kopenhagen bezit 
eene teekening van W. VAN DE VELDESr. uitditjaar. Men ziet er de Hollandsche 
vloot te Kopenhagen in 't verschiet. Voorstelling nk het gevecht en het passeeren 
van de Sont. 

Behalve de drie penschilderijen, die reeds vermeld werden, is er nog één 
in het Museum te Alkmaar, ingezonden op de tentoonstelling van het Nederlandsch 
Zeewezen, 1900. De voorstelling komt vrij wel met de andere overeen; ook 
hier ligt Kronenburg rechts. 

1650, Mevrouw de Weduwe Mr. F. Lemker te Kampen, bezat een pen- 
schilderij van W. VAN DE Velde den oude, dat zij onlangs schonk aan het 
Museum-Boijmans. Het stelt voor een spelevaart van boeiers. Op den voorgrond 
liggen er twee met rijk versierde spiegel, waarvan de dames en heeren en de 
bemanning duidelijk te zien zijn. Op den achtergrond rechts een kust met twee 
groote torens en een kasteel. Het is gedaan op wit geplamuurd eikenhout, hoog 
0,58, breed 0.82 ; en is geteekend W. v. VELDE. Om de bewerking, de kleeding 
der personen en de handteekening zal het dateeren uit 't laatst van de eerste 
helft der 17e eeuw. 

1665, 13 Juni. Slag^ bij Lowestof. Op de Tentoonstelling van het Neder- 
landsch Zeewezen (N*. 864) was eene schets van W. VAN DE Velde Sr. ingezonden 
door de Royal United Service Institution te Londen, met een zeeslag, waarvan 
de datum in den Catalogus niet was aangewezen. Blijkbaar werden de aantee- 
keningen op de schets niet vertrouwd. Gelijk bij zoovele schetsen van dezen 
teekenaar, waren ook hier opschrift en aanteekeningen van een ander, die misschien 
sommige origineele, half uitgewischte, zoo goed en kwaad als 't ging overschreef 
en zelf er wat bijvoegde. Het opschrift : y^de VII november geteijckent metet 
aenbreken van den dach^^ is reeds weinig betrouwbaar, omdat Van DE Velde 
voor datums altijd Italiaansche cijfers gebruikt. Ook het bijschrift bij een op 



246 WILLEM VAN DE VELDE DE OUDE. 

den voorgrond liggend galjoot : y^soo van de Velde leijt & drijfft^ is niet naar 
zijn gewoonte. Op de teekening liggen een Nederlandsche en een Engelsche 
vloot tegenover elkaar. Maar in de drie oorlogen tusschen de Nederlanden en 
Engeland is geen ontmoeting op een /en November bekend. Bij de Engelsche 
vloot worden genoemd : ,,visad. Askue, visad. Santwits, visad. Lawson van de 
ducke op de royal Kateryne, prins robbert van 't witte esquadre, cap. Minnes 
(lees Myngs) visad. van prins Robbert.*' De aanteekeningen bij de Nederlandsche 
vloot luiden, ook van links naar rechts : „de Haen, Tromp, Stellingwerff visad 
van Friesland, Kortenaer, van der Hulst, marsseveen, de baron van Wassenaer 
heer van Obdam, de haen, lad. Johan de..., visad Jan Everts, Holland (?) 
tschip Orange, Comelis Everts." Deze opgaven doen denken aan een schets der 
vloten, die streden op 13 Juni 1665. Opperbevelhebber en aanvoerder van de 
middentocht onder de roode vlag was de hertog van YoRK, diemetSir WiLLIAM 
Penn op één schip voer, en tot vice-admiraal had J. Lawson, niet op de Royal 
Katherine, maar op de Royal Oack. Prins ROBERT was bevelhebber der voortocht 
met de witte vlag en had MvNGS tot vice-admiraal. De graaf van Sandwich 
commandeerde het eskader der blauwe vlag, waartoe behoorden G. ASKUE op 
de Henry en Th. Tyddiman op de Royal Catherine. Het schip Marsevcen 
verbrandde in den slag bij Lowestoff; ook het andere schip der O. I. C. Oranje 
behoorde toen tot de vloot. WassENAER, wiens naam door Van de Velde 
nooit voluit geschreven wordt, was bevelhebber van het eerste eskader, waartoe 
ook behoorden de vice-admiraal Van DER HüLST en 't schip Marsseveen. Het 
tweede eskader stond onder J. EvERTSZ, bij wien behoorden de Schout-bij-nacht 
C. EVERTSZ en 't schip Oranje. KORTENAER commandeerde het derde eskader; 
Stellingwerff het vierde; C. Tromp het vijfde, waartoe behoorde kapitein 
J. DE Haen; C. Evertsz het zesde, waarbij behoorde kap. A. DE Haen. Slechts 
met den y^lad. Johan de..." weet ik geen weg. Zijn schip ligt dicht bij dat 
van Jan Evertsz., en misschien is bedoeld diens vice-admiraal JOHAN DE 

Liefde. 

Links ligft het eskader van SANDWICH, in 't midden dat van YORCK, rechts 
't eskader van Prins ROBERT. Zoo ook links 't eskader van TROMP, dan dat 
van Stellingwerff, Kortenaer, Wassenaer, C Evertsz, J. Evertsz. Deze 

poaitie is wel te rijmen met het begin van gemelden zeeslag, en is hier de linie 
van bataille weergegeven, waarin de vloten elkander naderden. Dat begreep de 
onbekende schrijver, die er onder schreef: „so de lynye van de duytse vloot 
gereed lag ende de Engelse.... (?) partye". 

Fr. Muller meent nog eene teekening te kunnen voegen bij die welke 
op den slag bij Lowestoff betrekking hebben. Hij vermeldt haar in zijn Historie- 
prenten D. IV. bl. 219, No. 2214 A, en z^t dat de zeer vele geschreven bijvoe- 
gingen op de teekening door een deskundige van onzen tijd na 1840 met veel 
succes ontleed en tot een geheel gebracht zijn. De teekening berust bij het 
Rijksprentenkabinet, bestaat uit sY* vel, is hoog 0.33 en breed 2.54. De geschreven 
aanteekeningen zijn in potlood en van lateren tijd. Het is noch het schrift, noch 
de spelling van Willem van de Velde den oude. Tot bewijs voor het laatste 
dient het opschrift : j,Dit is gheteekent (W. v. d. V. schrijft : „geteickent") naar 
(niet naer of na) 't springen van heer VAN Obdam alwaar (sic) de hoUantse (sic) 

vloot scandelyck. ... en (sic) veel onser schepen ghenomen (sic) werde verbrant/' 

j,De kundige van onzen tijd" merkte trouwens zelf reeds, dat het jaartal 1672, 
dat bij den naam W. VAN DE VELDE is geplaatst, ^^ongetwijfeld naderhand erop 




ELDE DE OUDE. 247 

Jiingea. De Engelsche vloot ligt op den 

«.*,Bakt voor Engeland. Het is cch mooie 

^' ' ■ 1 stijl en artistieker dan 

3i!^_^éWiJ| Een der laatste schepen op het eerste 

SWK W'tgSi'Jli 't is dus een gevecht, w.iarbïj de hertog 

^ j»'*«;'^«^'0hWl(^|ng der vloten maakt waarschijnlijk dat 

j|rïj|'^'',(jt>§i^5jy8(jif|j- voorstellen, maar een bepaald moment 

H^* fl'WÜr'®^'^^^'''"'^^'^^''J'^' '^ '''^ teekciiing ook ecnige 

g |l|9L^4Jn|§^&'Ëi^^K-*> <ien jongen van DE Velde dan van 

■ — _•* '— .«•-_.-•«• . . ,y_ v.d. Velde" zondermeer. 

deze serik: behoort nog de" 

gezicht op een Nederlandsche 

.S«S!"S' *^^ '3^ September i66. . . doen wij 
Steven afgesonden wierden op het dishouck 

^Kê opschrift ; „dus verru de vloot die v/e 

f sijn die wij sonnendach smorgens achter 

_" 13e September, die Zondag was, is 

^Avat onduidelijk, maar het zegt dat VAN 

[tit Dishouck werd gezonden naar kapitein 

" kapitein van het advïesjacht De Souke, 

as. Het is dus een gezicht op de vloot 

te Weimar, H, o. 73, B. a 52, behoort 

,r Bergen. Men ziet er 6 groote Neder- 

S'spiegel naar voren. Een voert het wapen 

~;-He Eenhoorn. Die drie schepen behoorden 

tus 1665 wcgzeilde. 

Zeeslag. Op bl. 22 van Ond-Holland, 

W, VAN Velde den oude toegeschreven 

ran den vierdangschen zeeslag, aan het 

IrcSrdoor het departement van Marine. Niet 

■■ÖgSheidkundigc Genootschap verrijkte er 



■•*i» ■•t 






««►■ «■«&«■.»» 



,■& 



plf^^ïaistige belijdenis van Jacob van Camp 
"'^ ' ' ' den bouwmeester, 



J. J. GRAAF. 



.*.-*. 



-ï'-ï- 




ï' «r. '^^'^' verschenen a&evcring van Oud-HoUand (so jrg. 

siïëÏÏjft de heer A. W. Weissman, dat „HuYOtf^s, de dichter 

XL^^ ijverig Protestant was", de verzen aldaar meegedeeld , 

t-;;Machreven hebben als jAcon vak Caupen katholiek was gi 

hJ^Jijk door J. A. Aleêrdingk Tbijm in 1862, toen hij den boa' 

;'t^ den held van een romantisch verhaal maakte, is beweerd". 

ïrtjvcr ^aat voort: „Ik heb te vergecfsgciracht, bewijzen te vin 

Jlt uittreksel uit de Acta door Pater Norbertus Akrts geco 

^C^fie, welke beide hand schriften, naai mij door professor H.J. 

_ _^'T|«legedeeld, op het Staiitsarchief te Brussel berusten". 

-S/^ïggg dan, of, beter gezegd, tot recht verstand van het bericht, 

i^jsSïÏDpileerd" mogen hier «enige aanieekeningen plaats vinden, 

'^n'j^Atr doopboeken van de oude beggijnhof-static te Haarlei 

'"iï»:wier archief zij vóór eenige jaren door mij werden afgeschre 

|S(f:Soon: PiETER, Claes Heeremak, Ledewijktje Hooft. 

■Ts'Soon: Jacob, Ci^es Heerehans, (sic) Lidia Hooft. P(etc: 

* ,üYi) Heeremans ('ir). 
,:*;ochtei); Margrieta Gerakda; Claes Hüerïwan, Ledewïtw 
loi^T. Jdffrou Margrieta Vav K*mpek. 

„rr:*?: GeertruvdtMakgreta: Nicolaus Heerbmau, Ledewtn* 
ï4t|^PEN. Joffrou Margrieta van KAiTPEN. 
lïfi^slellhig -- -■-' ' ■-= '■ "-- 




;^Jp ;gV .g 



'f^ "^ «^ •^ -^ 



nociudu jACOii Via Kahssn ge< 

'"'-""«Sin 



*^» ;# 



■ï* 



w 



^S^^^IbS'll 



M 



■ II 'i p> " il 






)LLAND 






«Hè W^? ' 



*• ^ W^^^êê-'sÊ'i^'i^yer/aMdscke Kunst, 

%\ •• Wf «f i^S" - •*?* Ijft ** '® A 



i^^^W^ Wijverheid, enz. 



[lACTIE VAN 



,8 #,a.i|::i!|R E D I US 

^«^l.gC'iü^/ van SiMUiriJtn U 'i GravinUgi 




Twintigste Jaargang. 



ii . ■ . '1 . - 'iè-I-"^!-*^' •<!♦ •^' 'W' ^S 'St » 









I fli 



•';'! 






::J> 



• » 



«• 



Voorwaarden van Inteekening 



Het Tijdschrift OUD-HOLLAND verschijnt vier 
malen 's j aars, ongeveer om de drie maanden. 

ledere aflevering zal acht vellen druks in 40 en eenige 
afbeeldingen bevatten. 

De. prijs van iedere aflevering is ƒ2.50. 

De inteekening is verbindend voor den compleeten 
jaargang van vier afleveringen. 

» 

Afzonderlijke afleveringen worden niet gelevenL 
Over het bedrag wordt telkens na de ui^ve van 
twee afleveringen beschikt 

Men teekent in bij alle Boek- en Kunsthandelaren. 



l 
\ 

i 


«1 






* 


• èi; 




«• 


3 








n 


^«ïff"'^''^"*- 


■il^'ÉkJiS »M. 




JL 


1 


JJ 


IhilJIlf 


1 


»^wte-5. 


A^ 






9 








■0' 




é*~ 'ét- 




.'" §li. •« 



iliill'^ijiïtagen 



'^^^*^f-^^>§'$^eGler/atidscAe Kunst, 
* ï- ^Ê^i^^&^u, Nijverheid, enz. 

^ ,4. -^ *7Ff *7a- «?t- 

■ •* ^.il:^.mLl,r.cim van 



|. .;Mii#ÉR E Dl us 

■* 1, '" 
♦ . ^:jfes-I^M: MOES 



tl te AiisltrJam. 



■•9-'V •VV * V 



,;f-^- 









Twintigste Jaargang 




'.". •#11-^. -t» 




•*• •» !#'- 



• m- -'t 



Voorwaarden van Inteekening 



Het Tijdschrift O UD-HOLLAND v.erschijnt vier 
malen 'sjaars, ongeveer om de drie maanden. 

ledere aflevering zal acht vellen drüks in 4^ en eenige 
.afbeeldingen bevatten. 

De prijs van iedere aflevering is ƒ2.50. 

De inteekening is verbindend voor den compleeten 
jaargang van vier afleveringen. 

Afzonderlijke afleveringen worden niet geleverd 

Over het bedrag wordt telkens na de uitgave van 
twee afleveringen beschikt. 

Men teekent in bij alle Boek- en Kunsthandelaren. 



o"" 
II .. . . 

t» 



ïCPPtl-tlDLLAND 



= i. 






feÉB ^(JbtaaEn 



44 






^^#fli'i^?i- Nijverheid, enz. 



:t* *■* 



'■:|:*":|::;;:ï:|j 

cS c^; l:^; E D A c T I E \- a n 



''.*..».t%l.'>-|B RE DIUS 



■-rt 






...i-Jlfcf-i^P MOES 



«♦ -= -15» • **s- - ■al 



Pi "^ •«*. •«€ 'gil '^ 

I» •».: ■.^. ■■'%■ 



# M- 




Voorwaarden van Inteekening 



Het Tijdschrift OUD-HOLLAND verschijnt vier 
malen 'sjaars, ongeveer om de drie maanden. 

ledere aflevering zal acht vellen druks in 4° en eenige 
afbeeldingen bevatten. 

De prijs van iedere aflevering is ƒ2.50. 

De inteekening is verbindend voor den compleeten 
jaargang van vier afleveringen. 

Afzonderlijke afleveringen worden niet geleverd 

Over het bedrag wordt telkens na de uit^ve van 
twu afleveringen beschikt. 

Men teejcent in bij alle Boek- en Kunsthandelaren. 



* .f. *i 



MriflOLLAND 



itpi: ^ijbragen 



•A:^ a- »: 



^*OOR DE 



U- -ï- 



I 



I 



Ï^^^Ml"^^ a^^derlandsche Kunst, 
fMi&^^^Ê^-i, Nijverheid, enz. 

]Es4aiOTSEDACTIE VAN 

■* "*' ' ft. t'S^^'S^ ^ R E D I U S 

* * * .at. * A. ^ 

k^/«J|(k>iê|^j'<ïó-.^.5S^ir.Cv Prmunkabintt tt Amtttrdam. 



Twintigste Jaargang 







W 



■I» 






«^ 






IN DE VOLGENDE AFLEVERINGEN ZAL O. A 

I 

OPGENOMEN WORDEN: 



Dr. A. Breüius, HoUandsche kunst in Fransche provinciale musea. 

Dr. A. Brèdius en Dr. W. Martin, Een en ander over het Leidsche St. 

Lucasgild. 
Dr. A. Brediüs en E. W. Moes, De schildersfamilie Mytens. 
Mr, A. H. H. VAN der Burgh, Aanteekeningen betreffende de oudste DelCsche 
plateelbakkers. 

Dr, Th. von Frimmel, Cornelis van Poel«iburgh und seine Nachahmer. 
Dr. C. Hofstede de Groot, Het ^Ibum amicorum van Jacob Heiblocq. 
Mr, J. e. Heeres, Jahus Rutgersius. 
Dr. W. Martin, De schilder-etser Michiel Sweerts. 
Graaf G, Mycielsiö, Theodoor und Christoflfel Lubienietzki. 
P. Haverkorn van Rijsewijk, Willem van de Velde de oude te zee en te land« 
Jhr. Dr. J. Six, De Amsterdamsche schutterstukken van 1578 tot 1618. 
j. F. M. Sterck, Alardus van Amsterdam en zijne vrienden. 
J. H. W. Unger, Vondeliana. (Briefwisseling tusschen Brandt en VoUenhove), 



y 



li 

•I 









«» 




.tói...... *A*.,..,jA, :a. 




3^ 2044 039 062 427 



, 



This book should be retnmed 
the Library on or before the last da 
Btamped below. 

A fine of five oente a day is inourr< 
by retaining it beyond the speoified 
time. 

Please return promptly. 




CUE m / i '87 



la.:.^^