Skip to main content

Full text of "Overijssel onder Karel V. Gekend uit regesten op officieele registers en ..."

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



OVERIJSSEL ONDER KAREL V. 



OVERIJSSEL ONDER KAREL V. 



Gekend uit regesten op officieele registers 
en ddarhij beJioorende acten. 



UITOBQBTBN DOOR 



M^ J. I. VAN pOORMINCK, 

Archiyaris in Overysnel. 



<$^3— ^e^^-- 



DEVENTER. 

Detehter Bokk- en Stbbhdrukkrrij, trobqbr firma J. DB Lange. 



I. 



REGISTER A. 



380222 



N 



Van dit register zijn twee exemplaren in het Over- 
ijssehch archief aanwezig. Het eene^ het oorspronke- 
lijke^ ontving het in hruikhen van het rijks-archief. 
Het ayidere^ een nagenoeg gelijktijdig afschrift^ behoort 
er te huis. Ik verwijs naar beide. De romeinsche 
cijfers zijn die van het oorspronkelijke. Het afschrift 
is niet nautvkeurig. De meer uitvoerige^ doch niet 
geheel juiste titel is: y^Register van de commissien 
unde ofjicien van Ove7'ijssel mitten Drenthe f ^ intusschen 
bevat het ook acten van anderen aard^ en de inhotid 
is soms aan Groningen^ aan de Ommelanden en vooral 
aan Lingen getcijd. 

Ofschoon de acten overigens alle jonger dan 1528 
zijn^ treft men ook de volgende er in aan^ tvelke tot 
een vorig tijdvak behoor en: 

1385 op S'* Johans dach die in latgn heet ante 
portam latinam [6 Mei] (laatste bladz. 520). 

Elisabet van Nassou Abdis, Aleyd van Wilden- 
bergh Proostin, Elsebe van Aldenhoven Dekensche 
en gemeene jufferen der wereldlijke kerk te Essende 
roepen allen, die heilige goederen ongehuldet of 
gesplitst bezitten, in het Sticht van Utrecht op, 
om daarvan aangifte te doen en ze in het oorspron- 
kelijk goed terug te brengen. 

1407 den eersten saterdach nae Si« Mauritius dagh 
[24 Sept.] (fol. cxix v«— 163). 

Bisschop Frederik (van Blanckenheim) verklaart, 
dat Bertolt van Bakerweerde, Ambtman van 
Diepenhem, behoorlijk rekening en verantw. 
gedaan .... {niet verder ingevuld). 



8 

1450 Febr. 17 (fol. vii v«— 11). 

B. S. en R. van Deventer geven aan Bisschop 
Rudolph van Diepholt het regt, om het veer stal 
voor Deventer te lossen en terug te koopen 
voor 2000 gouden overl. keurv. R. gl., overeen- 
komstig den door den Bisschop en de 5 gods- 
huizen te Utrecht bezegelden brief. 

In het eene Hs. staat 1550, dat niet zoo vreemd 
is, als men bedenkt, dat het stnk tusschen 16« eenwsche 
acten staat. 

1496 Sept. 12 (fol. Lxxxii v«— 114). 

Bisschop Fred. van Baden stelt Berent van 
Bevervoorde aan tot Castellein toBlanckenburgh 
en Ambtman van BI. en Haecx bergen; daar 
hij aan de wed. en erfgen. zijns voorgangers Johan 
Stijcke 1000 ggl. afbetaald heeft, op het ambt 
staande wegens lossing van het slot te Liege en 
aank()op(?) van het slot Blanckenberch tijdens 
Bisschop David, wordt hem het ambt daarvoor 
verpand. 

Gedaan op het slot te VoUenhoe. 

1515 Sept. 16 (fol. Lxxix vo— 109 v<>). 

Joryen Schenck Vrijheer tot Tautenburgh, Drost 
te Vollenhoe, verklaart van Bisschop Frederik 
Markgraaf van Baden, met consent der 5 Utr. 
godshuizen, voor 169 R. gl. per jaar in erfpacht 
ontvangen te hebben een stuk land, geheeten den 
Habbenslach op Lewitweide bij VoUenho, 
genomen uit Habbenguet of den Rouwenhof en 
des Wilgengoet, waarnaast westwaarts geland zijn 
Evert van Ense's erfgenamen en de broeders op 
S. Jans Campe, strekkende oostwaarts over den 
Nieuwen weg aan de Nieuwe Wetering of Vene- 
broicke, aan de noordzijde aan land van het 
S. Agnieten-klooster te Campen en Thyman 
lleyndricxz, aan de zuidzijde aan land van 



Harmen van IJsselmonde en het convent van 
Claerenberghe met Johan Coeps, op voorwaarden 
vervat in een geïnsereerden brief van 3 Sept. 
1515, welken hij belooft na te komen. 

1518 Aug. 22 (fol xxxiii— 48). 

Opdragt van het Drostambt van Twenthe 
aan Johan van Twickelo door Bisschop Philips 
van Bourgondië. 

Zie ook Tijdr. Reg. V. 399. 

1527 Nov. 11 (fol. Lxxxiiij v^— 116). 

Bisschop Hendrik van Boijeren geeft aan Johan 
Mulert Rentm. van Salland en diens erfgenamen 
in erfpacht, voor 40 heerenponden per jaar, net 
goed te Sallhorst met de hoeve lands in het 
Holtbroick, in het kerspel SwoUe, buurschap 
Herckman (Berekman) en llurst (Haerst) dat 23 
heerenpond i)er jaar aan den Bisschop plagt te doen. 
Gegeven op het slot te Duerstede. 



1529 April 6 nae Paesschen (fol. Lxxvii — 106). 

Placcaat des Keizers tot oproeping van alle bezit- 
ters van leengoederen, om in Junij en Julij a. s. 
hulde en eed te komen doen op het slot te Vol- 
lenhoe of te Deventer voor den Stadhouder en den 
Griffier, op straf van verlies der leenen. 

Gedaan te Brussel. Get. Herdinck. 

Op den kant staat: dat de griffier Bartholomeus van 
Koelen berigt heeft, dat dit placcaat geen effect heeft 
knnnen sorteren, ten einde den hertog van Gelre niet 
wakker te maken in dergelijke zaken. 

1530 April 28 (fol. Lxxviij v-— 108). 

Tweede placcaat des Keizers, dat alle bezitters 
van leengoederen binnen 6 weken hulde en eed 
moeten komen doen voor den Stadhouder en den 
Griffier, op door hen aan te wijzen plaats, op 
verbeurte der leenen. 

Gedaan te Mechelen. Get. Herdinck. Volgens op- 
gave van den Griffier Barthol. van Koelen had 
ook dit placcaat niet het gewenschte effect „onermits 
andere alsdoen occurerende saecken de wederdopers 
aengaende." 

1530 Oct. 20 (fol. iiij— 6). 

Op het vertoog van de Rekenkamer van Holland, 
dat dagelijks mandementen van commissie, van 
wedden (pension) enz. gevonden worden betreffende 
de domeinen en financiën des Keizers in Fries- 
land, Utrecht en Overijssel, die op de keerzijde 
niet bekrachtigd zijn door de rekenkamer en niet 
volgens den gewonen stijl uitgevaardigd zijn, 
bepaalt de Landvoogdes, dat de daarop gedane 
betalingen als geldig beschouwd zullen worden. 

Gedaan te Mechelen. Get. Margarete en L. Herdinck. 
In het fransch. 



12 

1530 Julij 22 (fol. iiij— 6 v^. 

De Ridderschap van Sallant, Twente en VoUen- 
hoe en B. S. en R. der 3 Steden verklaren, dat 
Margaretha van Oostenrijk als Regentes, tot ont- 
heffing van de groote schulden der landschap, in 28 
brieven sprekende op diverse personen, op het 
Rentambt van Salland verzegeld heeft 1000 
ggl. per jaar, makende eene hoofdsom van 20,000 
ggl., waarvoor haar quittantie en dankbetuiging 
gegeven wordt. 

Werd bezegeld voor Salland door Adriaen van 
Twickelo, voor Twenthe door Otto van Rntenbnrgh 
en voor Vollenhove door Hendrick Haegen. 

1530 (1531) Febr. 6 (fol. i— 1). 

Daar Robbert van Jttersom, hofmeester des Her- 
togs van Gelre, voor zich zelf, en Evert van Graes, 
Castelein op 's Keizers huis in den Ilage, als 
gemagtigde van Juffer Agnieze, huisvrouw van 
zal. Jan van Jttersom, Drost van Sallant, 30 ggl. 
per jaar ter zake van het Drostambt van Zal- 
land en de 1621 ggl. daarop staande vroeger ten 
hunnen laste genomen hadden, doch bij aangehaald 
contract van 8 Oct. 1530 van de 30 ggl. ont- 
heven waren, bevestigt de Keizer dit contract, 
waarbij Agnes verhaal behouden zal op hen, die 
vroeger het Drostambt bekleedden en ook haar 
regt op Arkensteyn 

Gegeven te Brnssel. 

Daar op 6 Maart 1530 de Thesorier Generaal der 
Domeinen dit stnk fiatteert, moet men aannemen dat 
het jaar met Pasclien begon. 

1531 Sept. 30 (fol. ij— 3 v'). 

De Keizer benoemt Mr. Jan van Oostendorp 
tot Commissaris der domeinen in Overijssel 
op eene wedde van 60 pond k 40 grooten Vlaamsch 



13 

per jaar en 1 ear. gulden vacatiegeld per dag 
buiten de plaats zijner residentie, te betalen door 
den Rentmeester van Salland; den eed zal hij 
afleggen voor de Rekenkamer van Holland. 

Gegeven te Brussel. 

Volgt (fol. iy V® — 5 v®) het procesverbaal zijner 
beëediging op 13 Maart 1531 stilo curiae. Naar onze 
rekening zal het 1532 moeten zyn, want het wordt wel 
genoemd het 12e jaar van Karel's keizerschap; maar 
ook het 16e van zyn koningschap. 

1531 Nov. 22 (fol. iuj v^— 7 vo). 

Adriaen van Twickelloe en Jan van Boekhorst 
Heer Willemsz van wege Sallandt, Jan van 
Twickelloe en Adriaen van Reede van wrege 
Twente, Borchart van Westerholt on Heyndrick 
Haegen van wege VoUenhoe en B. S. en R. 
der 3 Steden, verklaren bij brieven des Keizers 
van 27 Aug. jl. ontvangen te hebben en voldaan 
te zijn wegens 16000 ggl. ter zake dat de landen 
van Drenthe bij het tractaat met den Vorst van 
Gelre gemaakt, niet weder met Overijssel ver- 
eenigd zijn, gelijk bij tractaat van Ov. met den 
Keizer op 7 Febr. 1528 naar het schrijven van 
het Hof van Utrecht beloofd was, en krachtens 
hetwelk Drenthe voor de oorlogsschulden gevallen 
in 1510, '11, '21 en '22 schuldig was te betalen 
4000 ggl. in handen van de Gedeputeerden v. 
Reede en Jan van der Vecht, Burgem. van Campen 
en 12000 ggl. aan een rentebrief van 600 ggl. 
geassigneerd op het Rentambt van Salland, boven 
de 1000 ggl. per jaar in '29 op dit rentambt 
geassigneerd. Behoudens het regt van Ov. om 
op Dr. te verhalen wat dit meec schuldig w^as. 

1531 (1532) Maart 24 voor Paschen (fol. v v«~9). 

De Keizer benoemt Frans van Papovelt tot 
Meester particulier der munt in Overijssel te 
Campen gevestigd op eene wedde van 100 car. gl. 
voor 3 jaren. 



14 / 

/ 

/ 



Gegeven te Brussel. 

Op 14 Mei 1532 deed hy den eed. 

üitgeg. door v. d. Chijs in Munten van Overijssel, 
bl. 347. Vgl. ook Pr. Cuijpers van Velthoven, Bijdr. 
tot het werk van v.- d. Chvjs. 

1533 (1534) Jan. 24 (fol. vij v«— 11 v«). 

De Keizer benoemt zijnen Secretaris ordinaris 
Mr. Leenaert Herdinck tot Rentmeester van 
Salland, op dezelfde voorwaarden als wijlen 
Joan Mulert, aan wiens erfgenamen hij terug- 
betalen moet wat op het ambt stond. 

Gegeven te Brussel. Get. G. Pensart. 

Onderaan staat, dat hij 14 Sept. 1534 den eed deed. 

1533 (1534) Maart 28 (fol. x— 15). 

Steenwijck had in 1510 als deel der oorlogs- 
kosten tegen Gelderland 2500 ggl. te betalen, 
doch was dit niet bij magte; de volgende oorlog 
onder Bisschop Philips van Bourgondië verergerde 
den toestand en in 1523 werd de stad bij nacht 
door de Gelderschen overvallen en geheel verbrand 
en vernield, terwijl de burgers gevangengenomen 
en van alles beroofd werden; in hetzelfde jaar 
werd zij door den Heer van Wassenaer en den 
Heer van Tautenburgh ingenomen en met Fries- 
land vereenigd; de Stadhouder had daarop in '25 
zeker verdrag met de regering der stad gemaakt 
en van hare j aarlij ksche inkomsten zekere som 
gereserveerd voor den Keizer, en tot onderhoud 
van een blokhuis binnen de stad opgerigt 
eenige perceelen weiland aangewezen, waarop de 
arme burgers hunne koeijen plagten te weiden, 
die nu groot gebrek lijden, benevens eenige stukken 
lands, het eene genaamd de Stads Veenen 
(jaarlijks ongeveer 4 ggl. doende), het andere 
genaamd het Loo (jaarlijks 3 gouden florijnen 
doende) en nog de inkomsten van de halve waag 
en turfmande, alle perceelen te zamen geschat op 



15 

80 ggl. per jaar. Voor onderhoud der vesting- 
werken moest de stad nog betalen den 3*" penning 
van excijsen van het ingebrouwen bier en zij had 
vertrouwd nu, als tot Friesland behoorende, van 
de Overijsselsche lasten bevrijd te zullen zijn. 
De geschillen hierover ontstaan, hadden den 
Keizer bewogen Steenwijk in 1530 weder met 
Overijssel te vereenigen, dat nu de stad aansprak 
voor hoofdsom en verloopen renten. In 1523 
was Capitein Ludolf van Eemken met een vendel 
van 200 knechten in de huizen der burgers in- 
gekwartierd, in dienst van Floris van Egmont, 
Grave tot Bueren, Luitenant en Cap" Generaal 
des Keizers, en met consent van Bisschop Philips 
van Bourgongien, tot bewaring der stad en tot 
bescherming van Drenthe en Friesland, hetgeen 
van 1 Mei tot 21 Sept. geduurd had en omtrent 
3000 Philips gulden bedroeg. Hun was daarvoor 
schriftelijk betaling wel beloofd maar nooit ge- 
geven. Onwil der soldaten om te waken had ten- 
gevolge, dat de stad door de Gelderschen bij nacht 
anderwerf overvallen, verbrand en geheel vernield 
werd en dat daarbij zoowel de registers van de 
opgeschoten 3000 gl. als de schuldbrief te loor 

ging. 

Deze zaken in een verzoekschrift van B. S. en 

R. en de gemeene burgers en ingezetenen der 

stad aangevoerd, doen den Keizer besluiten om 

de stad van het verdrag van 21 Nov. 1525 te 

onthefiFen en haar af te staan de zuider-meente 

(geldende 51 ggl. per jaar), de stads veenen (5 ggl. 

per jaar), Duerloo (4 ggl. per jaar) en de 

halve turfmarkt [sic] (geldende 16 ggl. per jaar), 

met bepaling, dat deze perceelen niet vervreemd 

of verkocht mogten worden zonder 's Keizers 

consent, en dat deze zal behouden de halve wage 

en 20 wagens turf per jaar ten behoeve van zijn 

officier van Steenwijk. 



16 

Gegeyen te Brussel. 

Volgt (foL xil ▼• — 19) de reversbrief, waarbü 
Steenwijk zich Terbindt de halve waag en de 20 
wagens turf aan den Keizer te laten volgen, van 
25 Sept. 1534. 

In verband met deze acten moet beschouwd worden 
No. 11935 der losse stukken van het Ov. archief, 
waarvan de korte inhoud deze is: 

1534 Aug. 21 en 23 (No. 11935). 

De Stadhouder bevindende, dat de fortif icatien 
van Steenwijck niet hersteld kunnen vrorden uit 
de opkomsten van de perceelen der gemeente Loe, 
de stad weeren, turfmand en waag, welke de 
Keizer in 1525 aan zich gereserveerd, doch nader- 
hand (behalve de halve waag) aan de stad terug- 
gegeven had, voert in overleg met eene commissie 
uit B. , S. en R. gemeene ingezetenen en burgers, 
eenige tijdelijke accijnsen, een omslag naar ad- 
venant van elks goed en gelegenheiden een belasting 
der geestelijkheid in, welke op zijn last 23 Aug. 
gepubliceerd zijn. 

1534 Julij 27 (fol. viii V— 13). 

Daar Mr. Lenardt Herdinck op 24 Jan. jl. tot 
, Rentmeester van Salland benoemd was, doch de 
Aartshertogin hem gaarne als Secretaris behouden 
wilde, wordt hem vergund het rentmeester- 
schap op zijne verantwoording te lat^n waarnemen 
door E(n)gbert van Ensse. 

Gegeven te Brussel. 

Hij doet den eed 24 Sept. 1534. 

1534 (1535) Jan. 21 (fol. xv— 22). 

Daar bij de afbreking van het huis en de sterkte 

van Kuner (Cu in re) zeker officie van justitie 

onbediend staat en o. a. het Drostambt vaceert, 

benoemt de Keizer daartoe Burchart van Wester- 

holt, Drost en Rentm. van Vollenhove. 

Gegeven te Brussel. 

Gevolgd door gelykluidende acte, waarbij v. W. 



17 

aanjfesteld wordt tot Rentmeester van de Domeinen 
te Cuinre. 

1534 (1535) Jan. 27 (fol. xxi v«— 31). 

Daar 's Keizers Secretaris ordinaris in den secreten 
Raad Mr. Lenardt Ilardinck, op 24 Jan. van het 
vorige jaar tot Rentmeester van Salland 
benoemd, in October 1.1. aan de v^eduv^e en erfge- 
namen zijns voorgangers 2000 g. R. gl. betaald 
heeft^ die op het ambt stonden, scheidt de Keizer, 
ten einde vrijer dispositie over den post in het 
vervolg te hebben, deze 2000 ggl. daarvan af, en 
geeft darïrvoor een afzonderlijken schuldbrief tegen 
den 20«" penning uit de Sallandsche domeinen, 
die daarmede speciaal gehypothekeerd worden. 

Gegeven te Brussel. 

1534 (1535) Jan. 27 (fol. xvii— 25). 

Aangezien Mr. Ltnardt Herdinck, op 24 Jan. jl. 
na doode van Jan Mulert tot Rentm. van Salland 
benoemd, en hem op 20 Julij daarna vergund 
was het rentambt te laten waarnemen door 
den zoon zijner vrouw uit het V bed, Engbert 
van Ensse, ten wiens behoeve II. dien post ge- 
resigneerd heeft, keurt de Keizer dit goed wegens 
de bewezen diensten van v. E., die hem vergezeld 
had op zijne reis naar Duitschland en Hongarije, 
op zijn togt tot resistentie van de Turken en 
daarna op reis door Italië en Spanje, van waar 
hij onlangs teruggekeerd was. 

Gegeven te Brussel. 

Op 30 Mei 1536 doet v. E. den eed. 

■ 

1534 (1535) Febr. 1 „nae den loopen shoflfs van 
Hollandt.'^ (fol. xiii v*»— 20). 

Daar wegens de groote edificien en reparatien 
jian de sterkte van Geelmuyden een bekwaam 
persoon noodig is, om daarvan rekening te houden 

2 



18 

en toezigt uit te oefenen, committeert 's Keizere 
Rekenkamer in Holland daartoe Haeck yan 
Rechteren, op bijgevoegde instructie. 

1536 Julij 14 (fol. xviii v— 27). 

De Rekenkamer in den Haag draagt aan Dirck 
Oetgiers op het toezigt en de rekeningen van 
de herstelling aan het huis en de sterkte van 
Geelmuyden. 

Gedaan in den Haag. 

1536 Oct. 13 (fol. Lij V— 75). 

Daar de Stadhouder voor de ruiters en knechten 
tot verovering van de huizen Coev orden en 
Kinc horst uit de domeinen en beden geen 
voldoende gelden beschikbaar had, verkoopt hij 
aan Dirck van Kunre, Burgem. van Deventer en 
Johanna diens vrouw eene jaarrente van 50 gouden 
overl. keurv. gl. uit het erve Huddinckloo in 
het kerspel Woye, buurschap Tungeren, voor 1000 
ggl. te betalen in handen van den ontvanger- 
generaal der domeinen en financiën Hendrick 
Starcke, tn losbaar 1 jaar na opzage. 

Gegeven te Brussel. 

1536 Oct. U (fol. Liiii— 77 v°). 

Dito rentebrief voor Johan Keiser en zijn vrouw 
ook van 50 ggl., te betalen uit de 200 oude fr. 
schilden por jfuir, welke de Keizer van de stad 
Deventer had. 

1536 Oct. 14 (fol. Lvi— 90). 

Dito rentebrief voor Evert Dapper van 50 ggl. 
uit voornoemde 200 ggl. 

1536 Nov. 29 (fol. xix v''— 28). 

DiuxY het slot en de heerlijkheid Coeuerden 
met de landen van Drenthe in de magtvanden 



19 

Keizer gebragt waren, benoemt hij zijnen Raad 
in Friesland Mr. Frans van Alphen tot Rent- 
meester en Ontvanger der domeinen en inkomsten 
aldaar. 

Gegeven te Brussel. Op 3 Jan. 1536 (1537) doet 
hy den eed. 

1536 (1537) in Februarij (fol. xx— 29 v"). 

De Keizer legitimeert Roeloff de Vos, natuur- 
lijken zoon vanReynoltde Vos van Steen wijck 
en eene niet genoemde moeder, beide destijds 
ongebonden (ongehuwd), zijnde hij omtrent 31 jaar 
oud, van goeden leven en conversatie, zoodat hij 
van zijne ouders en magen zal kunnen erven, 
alsof hij wettige zoon was, en bij zijn dood ook 
zijn naaste magen van hem erven zullen, ofschoon 
hij een bastaard was. Voor deze gunst zal hij 
zekere som betalen in verhouding tot zijn ver- 
mogen, te begrooten door de Rekenkamer in den 
Haag. 

Gegeven te Brussel. Op 27 Oct. 1537 betaalt hy 
12 ponden van 40 groeten Vlaamsch het stnk. Op 
fol. XX is een verklaring van hem ingeschoven, dat 
zijn geheele vermogen omtrent 800 car. gl. bedroeg. 

1537 Mei 10 (fol. xxvi— 37). 

Daar het slot, drost- en rentambt van Vollen- 
hove, met de ambten van Hasselt en toebehooren 
door de Bisschoppen verzet waren voor 5133 
Arnh. gl. 12 krst. 1 pi. V» duitmer, 200 oude 
fr. schilden, en 1000 gouden overl. R. gl. , die door 
Borchart van Westerholt daarom betaald zijn op 
6 Jan. 1525, geeft de Keizer hem op zijn verzoek 
tot bevestiging een nieuwen commissiebrief als 
Castellein, Drost en Rentmeester van VoUenhove 
met de ambten van Hasselt en toebehooren, op 
eene wedde van 200 R. gl. per jaar, en verleent 
hem 100 g. R gl. pensioen, 



20 

Gegeven te Brussel. Deze brief komt op nieuw voor 
(fol. Lix v«— 84). 

1537 Sept. 5 (fol. xxiii v«— 34). 

Op propositie van Philips van Lannoy Heer 
tot Molenbais, Ridder van den order, Hoofd 
van de financiën en Overste Hofmeester der 
Koningin-Regentes, en van Mr. Lodewijck Schoor 
Doctor Raad, Vincent Cornelisz. Gecommitteerde 
tot d(> financiën, en Gerrit van Loo Rentm. 
Generaal van Friesland en Groningerland, Com- 
missarissen des Keizers, afgevaardigd door de 
Regentes, accorderen Ridderschap en de groote 
en kleine Steden van Overijssel den Keizer 32000 
car. gl. te betalen in 4 termijnen elk van 2 jaar. 

Gedaan te SwoUe. Get. door B. van Cuylen. 

Op den kant staat, dat Ëngelbert van Ensse die 
gelden verantwoord heeft achter zijne ?• rekening van 
Zalland. 

1537 Sept. 24 (fol. xxi vo— 35 v»). 

De Edelen en gemeene ingezetenen des lands 
van Drenthe accorderen den Keizer 12000 gl. in 
2 termijnen binnen 3 jaar te betalen, op voor- 
waarde van bevestiging der privilegiën, oude her- 
komen en deugdelijke gewoonten en costumen. 

Gedaan te Dalen bij Hulsbergen. (Lees : Hulsvoord. 
Zie Magnin III. 1. bl. 171). Get. van Renoy. 

1537 Sept. 24 (fol. xxv— 36). 

De Heer van Runen accordeert den Keizer 

voor zijne kerspelen en heerlijkheden gelegen in 

Drenthe 1200 ggl. in 3 jaar te betalen. 

Gedaan te Coevorden. Tegenwoordig : George Schenck, 
Vrijheer tot Tautenberch, Ridder van de order en 
Stadhouder des Keizers in Friesland en Overyssel, 
Court de Vos, Drost te Coevorden en Borchart van 
Westerholt, Drost te Vollenhoe. Get. als voren. 

1537 Oct. 2 (fol. xxi— 34 v°). 

De Staten van de stad en Ommelanden van 



21 

Groningen accorderen den Keizer in 4 2-jaAr- 
lijksche termijnen 30000 car. gl., doch met beding, 
dat indien de Ommelanden door eenige horden 
van knechten o vertogen of door storm en dijkbreuk 
met zout water overstroomd werden, de termijnen 
naar bevind van zaken verlengd zouden worden. 

Gedaan binnen Groningen. Get. B. van Coylen. 

1537 Nov. 13 (fol. xxviii— 40). 

. Daar R. en St. van Overijssel 32000 car. gl. 
aan den Keizer geaccordeerd hadden tot reductie 
der stad Groningen, van de Ommelanden, van 
de huizen van Delfzijl, Wedde, Coevorden, Diepen- 
heim, Kinckhorst en het land van Drenthe, be- 
noemt de Keizer tot ontfanger der distributie dier 
gelden den Rentmeester-Generaal zijner domeinen 
in Salland Engelbert van Ense. 

Gegeven te Brussel. Op 7 Aug. 1538 doet hy den 
eed. 

1537 Dec. 31 (fol. xxxix— 56). 

De Keizer benoemt Johan van Aessche, v^^egens 
diensten bewezen in den oorlog voor Masieres en 
Doornick en in de reductie van Overijssel, Coe- 
vorden en Drenthe, tot Schout van Mep pel. 

Gegeven te Brussel. 

Uitgeg. bij Magnin IT. 1. bl. 217. 

1538 Aug. 25 (fol Lxxvi v*^— 105). 

Op verzoek van Joris Schonck, Vrijheer tot 
Tautenburgh, om aan het niet vast bezoldigde 
drostambt van Drenthe en castolleinschap van 
Coevorden, evenals ten tijde der Utr. Bisschoppen, 
een wedde van 600 ggl. tp verbinden, boven den 
3" p«mning van boc^tt^i en andere vervalleen, legt 
de Regentes hem voor 2 jaar 500 ggl. per jaar toe. 

Gedaan te Brussel. Uitgeg. bij Magnin, III. 1. bl. 126. 



22 

1538 Oet. 25 (fol. Lxi v*— 87). 

De Stadhouder George Sohenck stelt Herman 

Goedenhoege in het rent- en sehrij versambt van 

Drenthe. 

Gedaan te Coevorden. Bg den dood des Stadkonders 
wordt zyn commissiebrief Terlengd tot 1 Oct. 1540. 

1538 Deo. 14 (fol. xxix— 42). 

Brief van de Regentes begeleidende de 3 obli- 

gatien wegens de den Keizer geaccordeerde gelden 

door de bewoners van Westerwolde, Beninck- 

wolde en Blij ham in Drenthe, krachtens appoin- 

tement onlangs met hen gemaakt door den Drost 

Renault van Burmannia. 

Volgen de obligatien, gedagt. 17 Oct., 22 Oct. en 
7 Nov. en een recepis van Gerrit van Loo, Rentmeester 
van Oostfriesland, Groningen en Ommelanden, waarby 
hij verklaart, de 3 obligatien van de Rekenkamer in 
HoUand ontvangen te hebben, gedagt. 5 Febr. 1538 
(1539) stilo cnriae Hollandiae. 

1538 Dec. 20 (fol. Lxvij V— 94). 

De Keizer draagt aan Adriaen van Reede, Rent- 
meester van Twenthe, het Drost- en Rentambt 
van Diepen hem op tegen eene wedde van 200 ggl. 
en de emolumenten. 
Gedaan te Brnssel. 

1538 (1539) Jan. 22 stijl van Brabant (fol. xxxiiii 
v«~- 50). 

Daar Jan van Twiekelo wegens ouderdom het 
Dr os tam bt van Twen the geresigneerd had ten 
behoeve van zijnen zwager (sic) Goossen van 
Raesfeldt, en deze de 1000 gouden overl. R. gl. 
bt^tiuild had, Wiuirmede het ambt bela^Jt was, ver- 
gunt de Keizer hem, om bij doode van zijn 
genoemden selioon vader v. Tw. , dezen als Drost op 
te volgen. 

Gegeven te Brussel. Op 19 Aug. 1539 doet v. R. 



23 

den eed. Vooraf gaat (fol. xxxiii— 48) de aanstellings- 
acte van V. Tw. van 22 Aug. 1518; terwyl (fol. 
xxxvii — 53) de qnittantie staat door dezen gegeven 
voor de 1000 ggl. gedagt. 4 Jan. 1539 (1540). 

1538 (1539) Febr. 15 (fol. xxxvij vo— 53 V) 

Op de „credentie'' van Mr. Nicolaes Verheyden 
van Venraedt secretaris, namens B. S. en R. van 
Deventer, antwoordt de Regentes: 1** aangaande 
de 100 ggl. welke de stad zeide te hebben op de 
heerlijkheid Diephenen (Die-penheini), en 80 
jaar lang zoowel onder de Bisschoppen, als terwijl 
die heerlijkheid was in handen van Heer Carel 
van Egmondt, onlangs overleden, genoten had, 
doch waarvan geen bezegelde brief te vinden was, 
zullen B. S^ en R. moeten overleggen extract 
hunner rekeningen over al die janen, geteekend 
door een secretaris en met het zegel der stad 
voorzien, benevens een eed doen, dat zij geen 
brieven daarvan vinden kunnen en dat Dirck van 
Konner (v. Kuinre) van 1511 — 1536 de rente 
ontvangen heeft; voldoen B. S. en R. hieraan, 
zoo zal de Regentes de 2 jaren achterstand betalen. 
2"* aangaande de accijsen van Diephenen, welke de 
erfgen. van Roloff van Twickell zeggen in pand- 
schap te hebben krachtens zegels en brieven, 
welke men echter bevindt, dat alleen gepasseerd 
zijn door den Bisschop van Utrecht, zonder rati- 
ficatie der 5 godshuizen van Utrecht, buiten wier 
consent de Bisschop zijne domeinen niet verzetten 
mogt, terwijl ook de erfgen. niet in het bezit zijn 
van die accijsen, is de Keizer niet verpligt deze 
te laten volgen, en zoo de erfgen. hun regt met 
justitie vorderen willen, zal de Regentes 's Keizers 
regt naar het landregt van Overijssel verantwoorden. 
3" aangaande het verzoek der stad Deventer, dat haar 
uit liberaliteit gegeven zouden worden 300 eiken- 
boomen, om de in den oorlog verbrande brug 
voor de stad weder te timmeren, zoo weet de 



24 

Regentes niet, of het profijtelijk zijn zoude de 
boomen op ^s Keizers erven in Overijssel te houwen 
of niet, doch schenkt zij 650 current gl. ad. 20 st. 
brab. tot den bouw der brug aan de stad, in 3 
jaarlijksche termijnen door den Rentm. van Salland 
te betalen. 

Gegeven te Brussel. 

Volgt eeiie acte van 19 Maart 1538 (1539) aangaande 
het 1« punt waarby aan D. voorloopig één jaar achter- 
stand toegestaan wordt. 

Op het 3« punt zal wel betrekking hebben de boven 
voorkomende acte van 1450. 

1538 (1539) Maart 7 (fol. xxxii— 46 vo). 

De Keizer stelt Jan Dop in het „rechtampt" 
van Goor en Rijssen, in plaats van Heyndrick 
van Ouer, die ontslagen was, tot vs'ederopzeggens 
toe, onder verpligting van aan genoemden Heyn- 
dri(!k den Ouer (.s/r) terug te betalen de 109 gl. 
(13 llasseltsche breede plakken = 1 gl.), 40 ggl. 
en 100 ggl. waarmede Bisschop Ilendrik van 
Beijeren het ambt belast had, en jaarlijks 10 ggl. 
in handen van den Rentm. van Twenthe te storten. 
Gegeven te Brnssel. 

1539 Junij 10 (fol. l— 72). 

Op de klagtcn van den Drost en Rentm. van 
Vollenhoe Burcliart van Westerholt, dat de Reken- 
kamer in den Ilaag niet goedkeuren wilde de 
reizen, die hij op l)ev(»l des Stadhouders doet naar 
landdagen (m claringen, bepaalt de Regentes, dat 
de Drost en derg(dijke officieren voortaan op ordon- 
nantie des Stadhouders reizende 2 car. gl. 
per dag zuUen hebben, of minder naar gcdang 
hunner qualiteit. 

Gedaan te Brnssel. 

1539 Aug. 26 (fol. xLviii v«— 69 v°). 

Ordonnantie op d(» goud(*n <»n zilveren munt 
van Campen, Deventer en Zwolle. 



25 

Uitgegeven in v. d. Chijs, de Munten v. Overijssel, 
bl. 211. 

1539 Sept. 5 (fol. xLÜi vo— 65 v»). 

Acte waarbij George Schenok Vrij heer tot Tauten- 
bergh zich verbindt tot nakoming van alle punten, 
vervat in den brief des Keizers van 25 Aug. 1538, 
tot vaststelling van zijn tractement als Drost en 
Rentmeester van Drenthe en Castellein van 
Coevorden. 

1539 Sept. 7 (fol. Lxxxi v— 112 v»). 

Georgen Schenok, Vrij heer tot Tautenberch, vol- 
doende aan de acte van 20 Aug. 1538, verklaart 
aangaande de heerlijkheid van Diepenhem geen 
andere brieven te hebben, dan eene missive van 
de Koningin (van Hongarije) waarin- deze hem 
belooft de gift van die heerlijkheid, welke missive 
hij aan de Rekenkamer vertoond heeft, met ver- 
klaring, dat hij te dezer zake volkomen voldaan 
is, met uitzondering van eenige achterstallige rente. 

Gegeven in den Haag. 

1539 Sept. 7 (fol xL— 57). 

George Schenok, Vrijhoor tot Tautenbergh, en 
Stadhouder van Friesland, Overijssel en Gnmingen, 
bij aangehaalden brief van den Keizer van 25 Aug. 
1538, tot vergoeding zijner vooral in 1536 be- 
wezen diensten, beleend met het slot Wedde en 
de heerl. Westwoldingerland en Benninck- 
wolde enz. als een Overijsselsch leen, te ver- 
heerg(*waden met een paard 50 oar. ggl. wiuird, 
verbindt zich tot nakoming der hem en zijnen 
erfgenamen daarbij o})gelegde pligten. 

1539 Sept. 7 (fol. xuii v»— 62). 

Dezelfde, voornoemd leen, dat 700 oar. gl. per 
jaar vertegenwoordigt, ontvangen hebbende in 



26 

mindering van de hem vroeger beloofde 1000 car. gl. 
per jaar, en daarbij eene erfrente van 300 car. gl. 
uit den Jaertax" van Groningen ook op 25 Aug. 
1538 als leen ontvangen hebbende, verbindt zich 
als voren. 

1539 (1540) Febr. 13 (fol. Lxiii— 88). 

Daar door den dood van Heer George Schenck 
vaceert het castelleinschap van Co e verden en 
het drostampt van Drenthe, wordt door den 
Keizer bij provisie daartoe gecommitteerd Reynout 
van Bourmania, schildknape. 

Gegeven te Denremonde. Hy doet 14 Febr. den eed. 

1540 Junij 13 (fol. Lxiii v«— 89). 

De Keizer stelt zijn schildknaap Reynout van 
Bourmania, met consent der 3 hoofdsteden van 
Salland, tot Castellein van Coev orden en Drost 
Vcin Drenthe aan. 

Gedaan te Brnssel. Hij legt den eed af 26 Jnlij 
1541. Volgt z\jn Jnstmctie ook van 13 Jnnij 1540. 

1540 Junij 13 (fol. Lxii v«— 87 v«). 

Daar door den dood van George Schenck het 
Rentmeesterschap van Drenthe vaceert, dat onder 
zijne hand bediend werd door Herman Goeden- 
hoegen sedert 1 Oct. 1538, en de tijd van dezen 
1 Oct. 1540 om is, wordt hij door den Keizer 
voor 2 jaar in zijn dienst gecontineerd. 
Gedaan te Brnssel. 

1540 Junij 15 (fol. Li— 73). 

De Keizer stelt bij den dood van George Schenck 
Vrijheer tot Tautenburgh tot Rentmeester van 
Drenthe aan Johan Renoy. 

Gedaan te Brnssel. Hij doet den eed op 97 Ang. 
Op den kant worden als zijne borgen genoemd Gerrit 
Pieterz te Asperen en Haesken Jans dochter Coman 
Claes Jansz wednwe te Gorinchem. 



27 

1540 Nov. 10 (fol. Li v^— 74). 

Jan van Assche, Schout te Meppel en pachter van 
de tollen te Meppel, en in het land van Kinck- 
horst, erlangt verlenging zijner pacht voor één 
jaar, beginnende 1 April. 

Gedaan in de Rekenkamer in den Haag. 

1540 (1541) Febr. 6 stylo brabantiae (fol. Lvii v<>— 82). 

De Keizer stelt Herman van Westerholt aan 
tot Cagtellein, Drost en Rentmeester van Vollen- 
hoe met het ambt van Hasselt, in plaats van 
wijlen zijn vader Borchart v. W. op een wedde 
van 200 R. gl. en de profijten daartoe staande. 
Gedaan te Byns. Op 15 Jnnij 1541 doet h\j den eed. 

1541 Julij 12 (fol. Lxix v«— 96 v^. 

Op het verzoek van Herman van Westerholt, 
Drost van Vollenhoe en Rentmeester van de 
Kun er, en van de wed. van Burchart v. Wester- 
holt, wier man sedert 1534 dat Drost- en Rent- 
ambt bediend had zonder wedde, stelt de Keizer 
40 ggl. per jaar vast, door de wed. te genieten 
van het tijdstip af waarop het slot te Cuinre 
afgebroken is, tot den dood haars mans, en voor 
Herman van zijn in functie treden af. 
Gedaan te Brnssel. 

1541 op maendach na S*' Victoris dach [17 Oct.] 
(fol. Lxx v«— 98). 

B. S. en R. van Genemuyden verklaren, dat 
Yde wed. van Johan ten Kloeke, met Johan 
Egbertsen als momber, aan Herman van Wester- 
holt, Drost van Vollenhoe, ten behoeve van 
's Keizers huis op Genemuyden, voor 110 ggl. 
verkocht heeft een vrij edel eigen stuk land met 
2 graften of wateren aan weerszijden, groot 1 
morgen en 2 hont, oost- on westwaarts naast land 
van Yde, zuidwaarts naast land van het H. Geest 



28 

aldaar en noordwaarts naast het Swartewater ge- 
noemd die Ae en aan land van Yde. 

1541 Dec. 31 (fol. Lxxi v«— 99). 

De Keizer stelt Goort van Reede aan tot 
Castellein van het huis te Laege en Rentmeester 
van Twenthe, in plaats van zijn onlangs over- 
leden vader Adriaen v. R. 
Gedaan te Bijns. 

1541 Dec. 31 (fol. Lxxiij v^— 101 v«). 

Aanstelling van denzelfden tot Drost en Rent- 
meester van Diepen hem. 

Gedaan als voren. 

1542 Julij 22 (fol. xcii v°— 126). 

Revnolt van Burmannia, Drossaert te Coeverden 
doet aan den Stadhouder en 's Keizers commis- 
sarissen opgave der „gebreken'^ van Drenthe, 
met verzoek daarin te voorzien, met de kant- 
beschikkingen daarop. 

Gedaan te Leeuwarden. 

1543 (1544) Maart 3 stylo brabantiae (fol. Lxxv v» — 104). 

Maximiliaen van Egmont, Grave tot Bueren, 

magtigt als Stadhouder den Drost van IJsselsteyn, 

(Tijsbrecht van Baecx, om Goort van Reede als 

Rentmeester van Twenthe te beëedigen. 

Gedaan te Lannoy. Op 16 April 1544 doet v. R. 
den eed te Utrecht. 

1545 Junij 15 (fol. c— 136). 

Op })r()p()sitie der Regentes aan de gedeputeerden 
van Drenthe nl. den Drost Reynolt van Bourmannia, 
Reinier van den Clooster en Koert de Vos gedaan, 
besluiten dezen wegens de groote kosten door den 
Keizer geniiiakt, van wege Drenthe hem 17000 
car. gl. toe te staan, in 4 termijnen te betalen, 



29 

waarvoor de Regentes hun namens den Keizer 
dank zegt (van uit Deventer). 

1545 Junij 26 (fol. c v«— 137). 

Op verzoek der Koningin Regentes schenkt 
Ileynrick van Munster, als lieer van Ruynen, 
tot tegemoetkoming in de groote onkosten des 
Keizers, 1800 car. gl. in 4 termijnen te betalen, 
waarvoor de Regentes hem haren dank betuigt 
(uit Gnmingen). 

1545 Juli) 20 (fol. Lxxxv v»--117). 

Daar het eastelleinsehap van het. Huis te Lage 
en het rentambt van Twen the belast zijn met 
een leening van 3500 gouden keurv. R. gl., waar- 
voor het verpand is aan den Rentm. Goert van 
Reede blijkens brieven van 31 Dec. 1541, welke 
ook zijn vader Adriaen v. R. en diens voorzaten 
gehad hebben tegen eene rente van 175 ggl., en 
de Keizer het rentambt van die schuld en pand- 
schap losgemiiakt wil zien, worden min Juffer 
Lucia van Goor w^ed. van Adr. v. R. en hunne 
kinderen twee rentebrie ven gegeven, te betalen 
door den Rentmeester van Twenthe, elk groot 
1750 ggl. en rentende 87V* ggl., met teruggave 
en cjissatie van den pandbrief. 

Gedaan te Utrecht. 

Op 11 Sept. kwam de zaak voor goed tot stand. 

1545 Julij 20 (fol. xci— 123 V). 

Daar Geurt van Reede het rentambt van 
Twenthe, Laege en Diepenhem met het 
Drostambt van Laege en Diepenhem geresigneerd 
heeft op zijn broeder Frederick v. R. , wordt dit 
goedgekeurd en bekrachtigd door den Keizer, doch 
daar de huizen van Laege en Diepenhem verwoest 
zijn, behoudt deze zich alle emolumenten voor 
van landen, molens, visscherijen, boomen, enz. 
van die twee plaatsen. 

Op 26 Sept. doet hy den eed. 



30 

1545 Oct. 2 (fol. xcv V— 129 V). 

Brief van den Thesorier-Generaal en de Commis- 
sarissen tot de financiën te Brussel aan de Reken- 
kamer in Holland, in antwoord op een brief en 
ad vijs van deze van 19 Sept. over het request 
aan den Keizer door Frederick van Reede, Rentm. 
van Twenthe, ingediend om evenals zijn voor- 
gangers, magt te hebben om hofhorigheid te 
laten af koopen en holle boomen te laten hakken 
„es prayeries de la Have" bij Diepenheim; de 
Regentes zal Commissarissen zenden om deze zaak 
te onderzoeken, doch voorloopig zal men den 
Rentm. vergunning kunnen verïeenen voor den 
tijd van 3 jaar wat het 1' punt betreft, en aan- 
gaande het 2' wordt goedgekeurd wat door de 
Rekenkamer van Holland bepaald was. 

Geschreven te Brussel. In het fransch. 

1545 (1546) April 11 voor Paschen (fol. xcvi-130). 

B. S. en R. van Zwolle, ten behoeve van den 
rijdenden man en vooral van de uitheemschen, 
die met wagens, paarden en beesten over de Vecht 
trekken, voor eenige jaren hoewel onverpligt een 
houten brug te Berckmede gelegd hebbende, 
verkrijgen van den Keizer octrooi om als weggeld 
van de uitheemschen te vorderen als volgt: van 
eiken pakwagen met laken, woUe of ander goed 
van het oosten komende of derwaarts gaande 1 st. 
brab. , van een man te paard 1 oort brab., van 
een os, koe, paard of ander beest 1 duit en van 
elk persoon te voet of rijdende 1 duit; doch met 
bepaling, dat die van Overijssel vrij zullen zijn 
en dat de Landheer dit octrooi steeds zal kunnen 
wijzigen. 

Gedaan te Brussel. 

Op 7 Mei 1546 is de hrief geregistreerd by de 
Rekenkamer in den Haag. 



31 

1546 (1547) Maart 16 (fol. xcvij v«— 132). 

De Keizer stelt Johan van Reede, na doode 
van diens broeder Frederick v. R. aan tot Rent- 
meester van Twenthe, Laege en Diepenhem 

Gegeven te Brugge. Hy doet den eed 31 Maart 
1546 voor Paschen (1547). 

1547 Mei 28 (fol. xcviii v«— 134). 

De Keizer geeft aan Johan van Renoy, Rent- 
meester van Drenthe, 40 pond vermeerdering 
van wedde. 

Gegeven in de vrijheid van Turnhout. 

1547 Sept. 14 (fol. cv— 143). 

De biiurschap Oldeniel in het kerspel van 
Zwolle geslagen zijnde in 32^^/2 waren, waarvan 
aan Berndt van Hackfort 27V^, aan Berndt Iler- 
mansz 2, aan Busch Johansz 2 en aan den Keizer 
1 waar toegeslagen zijn, vergunt de Keizer aan 
Berndt op zijn verzoek, ten einde des tegevoege- 
lijker in het onderhoud en herstel der dijken en 
hoofden te kunnen voorzien, ook zijne waar te 
gebruiken, mits dan ook voorziende in de daaraan 
verbonden dijklasten. 

Gegeven te Arnhem. 

De reversbrief is van 9 Jan. 1551 (1552). 

1547 Oct. 27 (fol. ciii— 140). 

Daar het drost- en rentambt der heerlijkheid 
van Blanckenbergh en Ilaecxberge, tot 
dusver in pandschap gehouden door Claes van 
Be vervoerde en zijn vader, gelost is, draagt de 
Keizer dat drost- en rentambt op aan Johan van 
Reede, Drost van Diepenheim en Rentm. van 
Twenthe. 

Gegeven te Brussel. Hy doet den eed 30 Juny 
1550. Zyne borgen waren Wouter van Heyden en 
Heyndrick Nyekercke, Rigter te Haecxhergen. 



32 

1547 Nov. 9 (fol. ei— 138). 

Op verzoek van Joh«an Dop, Rigter van Gooi- 
en Rijssen, die jaarlijks in het Rentambt van 
Twenthe, boven de beleeningc welke hij op dat 
Rentambt heeft staan, 10 ggl. betalen moet, brengt 
de Keizer deze tot 5 ggl. terug. 
Gegeven te Brussel. 

1548 April 7 (fol. cxLvi V- -199 \% 

De Rekenkamer schrijft aan Jan van Reed e, 
Rentmeester van Twenthe, dat de Drost van 
VoUenhove aangeschreven is 957 pond 12 str. te 
leveren tot lossing van eenige domeinen des Keizers 
nl. het hof van Vaerwerck te Huncker, het hof 
te Losser, in het jaar 1352 verzet voor 306 
oude sch. makende in ponden van 40 ponden (sic), 
ten prijze van 42 st. het stuk 642 8 xij s. en 
de rente beloopende 315 ffi, en het hof van 
Nederhaermolen, verzet voor 150 sch., mits 
ontvangende de originele brieven van pandschap 
en behoorlijke kwijting. 

1548 Nov. 28 (fol. cii v°— 139 v'). 

De Rekenkamer te Brussel schrijft in antwoord 
op een missive van die van Holland van 17 Nov., 
dat in die missive wel sprake was van hetgeen 
de Ontvangers van Salland, Engelbert van Ense 
en Johan van Reede, over 1547 nog schuldig 
waren, doch dat niet gespecificeerd was, wat laatst- 
genoemde wegens Diepenheim schuldig was. 

1549 April 17 (fol cxLvii v°— 200 v°). 

Daar tusschen de Gecommitt. des Keizers en 
die van den Graaf van Benthem geschil gerezen 
is over den prijs der gouden schilden, vermekl in 
den losbrief van den Hof Nederhaermolen te 
Jlaecxbergen, volgens dezen IV» Andries gl. van 
27 st. br. het stuk waard, terwijl volgens brief 



33 

des Keizers aan Johan van Roede bevolen is het 

gouden sch. tegen 42 st. brab. te betalen, aang. 

de rentebrief spreekt van schilden goed van goud 

en zwaar van gewigt, waarmede een koopman een 

anderen betalen mag, aang. voorts de termijn voor 

de losse Petri cathedra was, zoo hebben 's Keizers 

Gecommitt. bepaald, dat voor elk schild 43V2 st. 

br. betaald zoude worden, gelijk de Keizer voor 

heergewaden en zegelregten in Overijssel gewoon 

is te beuren. 

Gedaan te Delden. 

Geteekend: Gerlich Doys en Bartholomeus van Coelen, 

1549 Junij 18 (fol. cxL~191 v«) 

Engelbert van Ensse, Rentm. van Salland, Mr. 
Jan van Oostendorp, Commissaris van Overijssel, 
en Albert van Loo, Auditeur van 's Keizers 
Rekenkamer in den Haag, komen met Willem van 
Bronckhorst overeen, dat hij voor 18 jaar in pacht 
zal hebben 's Keizers oudhoevig land met de lage 
landen in Sallickerbrock, geheeten des Abts 
land van Staveren, voor 11 goudgl. per jaar op 
bijgevoegde voorwaarden. 
In dnplo opgemaakt. 

1550 April 16 (fol. cxLviii— 200 v°). 

Daar de losbrief van het erve N e d e r h a e r m o 1 e n 
in 't kerspel Haecxbergen inhoudt, dat, zoo tijdens 
de losse eenig getimmerte er op stcmd, men dit 
vergoeden zoude naar taxatie van 2 borchmannen 
van Diepenhem, wordt 3 Mei 1549 door Z weder 
van Werneloe en Johan van Berkem als zoodanig, 
na vaststelling van eenige voorwjiarden het ge- 
timmerte op 105 current gl. van 20 st. geschat. 
Aang. echter na de denunciatie van de weder 
losse aan den Graaf van Benthem gedaan door 
Mr. Philibert de Bruxelles, Raad en Advokfuit- 
fiscaal in den Grooten Raad van Mechelen en 



u 

door de Geoommitt. des Keizers op 16 Mei 1548, 
2 gebinten ium het oude huis getimmerd en een 
nieuwe schuur er op gebouwd is, met hout deels 
uit de marke, deels van het erve zelf, en aang. 
de Drost en Rentm. J. van Reede beweerd heeft, 
dat de taxatie uit dien hoofde verminderd moest 
worden, hetgeen de tegenpartij ontkent, zal deze 
zaak ter uitspraak gesteld worden van denRigter 
van Haeexbergen. . 

Gedaan door Mr. Gerlich Doys Raad en Bartholomeus 
Tweenberger van Coelen, Griffier van Overijssel, als 
gecommitt. des Keizers; Johan van Lennep, Drost te 
Steinforden, Heer Johan van Loen en Mr. Barnart 
Sturman en Bernardus Lubbertsz als gecommitt. der 
gr. van Benthem en Steenforde. 

1550 Aug. 4 (fol. ciiii v*' — 142). 

De Rekenkamer in den Haag verpacht aan 
Luytgen Cruysc voor 6 jaar de bijstere tienden 
^omlancx'' Deventer gelegen, welke de 3 laatste 
jaren in het o})enbaar verpacht slechts 1 mud 
l)()ven de oude pacht konden doen, voor 5 mud 
garst en 5 mud haver per jiiar, in plaats van 4 
mud gai'st en haver, te betiilen aan den Rentm. 
van Salland. 

Gedaan in den Haag. 

1551 den stmnendach nae den hevlighen dach Paessche 
[5 April] (fol. cxxxvii— 187). 

Feyg Engelherts, gezworen Gograve en Rigter 
te Lingen, op bevel van Anna van Egmont, Gravin 
tot Buyren en Leerdam, enz. verklaart, dat Adolf 
van Limborgh, Rentm. te Lingen, voorgedragen 
heeft, dat alle volwarigen of lieele erffwoonders, 
die (mder het gogerigt der Graafschap Lingen 
bi^hooren, om het derde jriar elk op het huis te 
Lingen 1 s(»hepel „goekoorens'' en elk jaar 3 voer 
hoogtijdshout geven moeten en de halve erven of 
katen de helft, waiirvan de Rentm. een ordel 



verlangt, dat besteed is aan Kersten Nyenhuys, 
die na vermaninge des gerigts met het gansche 
land daarop beraadslagende voor regt wijst: dat 
de zaak is zooals de Rentni. voordroeg, behoudens 
zoo iemand bewijzen kan, vrijstelling ontvangen 
te hebben. 

Bijzitters des gerigts: Wichman Bos tot Eengerke, 
Claes Miller. 

Ommestandera : Willem van Baer, Drost te Lingeu, 
Aloff Kloppenborgh, Rigter te Freeren, Gert Flainck 
voogd en het gansche land. 

1551 Aug. 30 (fol. cxix— 162). 

Daiir bij de overdragt der heerlijkhoid Lingen 
moeijelijkheid ontsüum was ()V(^r de artillerie, 
munitie, levensmiddelen, enz. op het huis aan- 
wezig, verklmirt de Koningin, na hierover ge- 
handeld te hebben met den Graaf van Arenberg 
namens den Prins van Oranjes, dat allo genoemde 
zaken iu\n den Keizer behooren, behalve de artillerie 
voorzien met het wapen van wijlen den Grajif van 
Bueren, vader der prinees van Oranje, en é/m 
stuk afkomstig van wijlen Bisschoj) Philips van 
Bourgondië, met 4 ton buskruid uit Devcïiiter 
komende, en de meubels, wc^lke de Gi*. van Buren 
er had doen plaatsen. 

Gedaan te Brussel. In het fransch. 

1551 Sept. 5 (fol. eviii v° — 147). 

Daar aan Herman van Westorholt, Castellein, 
Drost en Rentmeester van Vollenhoe en Cundere, 
op bevel des Keizers betaald is de som, die o]) 
het ambt stimd, opdat het RcMitmeesterschaj) ver- 
eeniji'd zoude kunnen worden met dat van 's Keizers 
donn^nen van Zalland, benoemt de Keizer thans 
tot Rentm. van Vollenho Engcdbert van Ensse, 
R(»ntm. zijner Zall. domeinen, die 1 ()(*t. in functie 
treden zal. 

Gedaan te Brnssel. Hij doet den eed op 31 Oct. 



36 

Zijne borgen waren Herman Mnlart, Schout van 
Zwol, en Mr. Johan van Oostendorp, wonende te Zwol, 
voor 1000 car. gL 

1551 Oct. 22 (fol. cxii— 151 v») 

De Keizer de heerlijkheid Li n gen met toebe- 
hooren verkregen hebbende door overdragt van den 
Prins van Oranje, diens vrouw Anna van Egmondt 
en de executeurs van het testament van Maximiliaen 
V. Egmond, Graaf van Bueren, Anna's vader, stelt 
Adolff van Lijmborgh aan tot Rentm. over de 
stad, het land en de heerlijkheid Lingen, op nader 
te bepalen vredde. 

Gedaan te Brussel. Op 15 Dec. doet hy den eed. 
Zijn borgen waren Johan Backemoir en Lambert 
Ham, Burgemeesters van Lingen. 

1551 Nov. 6 (fol. ex— 148 v«) 

De Regentes schrijft aan den Rentm. van Lingen, 
dat zij gelast heeft alle levensmiddelen, hout, kalk 
en andere te Coevorden aanwezige materialen 
naar de stad Lingen over te brengen, en verzoekt 
hem aan den brenger den Privot der Artillerie 
bewijs van ontvangst te geven. 

Geschreven te Brussel. In het fransch. 

1551 Nov. 7 (fol. ex v-— 149). 

Instructie voor den Rentm. van Lingen, hoe 
te handelen met de voornoemde tot verdediging 
der stad benoodigde levensmiddelen en materialen, 
gegeven door de Rekenkamer te Brussel. 

In het fransch. 

1551 Nov. 7 (fol. cxvii y° — 159 v*). 

De Keizer benoemt tot Drost van Lingen 
Willem van Baer op eene wedde van 350 gl. 
k 20 st. 

Gegeven te Brussel. 



37 

1551 Nov. 20 (fol. cxxvii— 173). 

Instructie voor Adolff van Limborgh als Rent- 
meester van 's Keizers domeinen te Li n gen. 

1551 (1552) Jan. 9 (fol. cxiii— 153). 

Nadat het Drostambt van VoUenhoe en het 
Castelleinschap op het huis aldaar en te Kuinre 
• gelost waren uit de pandschap van Herman van 
Westerholt, benoemt de Keizer Johan Sloet tot 
Drost en Castellein van Vollenhoe en de 
Kuinder op nader vast te stellen instructie. 

Gegeven te Brugge. Op 19 Jan. 1551 stylo curiae 
HoUandiae legt hij den eed af. 

1552 Mei 10 (fol. cl— 204). 

Acte waarbij Arent Graaf te Benthem en te 
Steinforden, Heer van Weuekelhouen verklaart, 
dat de losse van het erve Nederhaermollen 
naar behooren heeft plaats gehad. 

1552 Aug. 11 (fol. cxv vo — 156). 

Daar Heer Johan Haneton Priester, Proost der 
collegiale kerk van S. Lebuinus te Deventer, Raad 
Ordinaris in den Raad van Brabant, eenigen tijd 
geleden zich bij den Keizer beklaagd had, dat 
sedert menschen geheugenis in Overijssel en het 
Graafschap Zutphen vele goederen van de Proostdij 
in leen gehouden werden, waarvan altijd de 
Proosten directi domini zijn geweest, zonder 
dat de Bisschoppen daarover iets te zeggen of 
eenig regt tot confiscatie hadden; dat nu echter 
Seyno Mulart, Drost van Salland, krachtens zeker 
vonnis door Stadh. R. en St. gewezen en krachtens 
zekere ordonnantie des Keizers tegen de her- 
doopers, zeker leengoed der Proostdij in Bath- 
raen, dat behoord had aan Alijt ter Poerten, 
aangeslagen had half ten bate des Keizers en half 
ten eigen bate, ofschoon het slechts verbeurd kon 



:{8 

■ 

worden ton prof ij te des leenheers uit wiens boezem 
hfit jj^oed p^ekonien was, waarop de Drost geant- 
woord heeft met een beroej) op de sterke mandaten 
en plaeaten des Keizers tegen de ketterij der 
winlerdoopei's en op het feit, dat Alijt Deventer 
(Ml de ehristelijke godsdienst verlaten en naar 
Munster getogen was tot vei'sterking der her- 
dooperij; voorts zeggende, dat hij het goed met 
h(,'t regt ^besproken" had voor den Rigter onder 
wien het lag, dat deze het hem toegewezen, doeh 
de Proost' geappelleerd had naar de elaring, dat 
daar het vonnis bevestigd was en het goed 14 
jaar lang rustig bezeten was door den Keizer en 
den Drost, dat hij Drost met 2 leenmannen zich 
vervoegd had bij Mr. Johan van Visbeken, vicarius 
van den Proost, presentenmde het leen te ver- 
heffen, te ont^^angen en te doiMi wat een vasal 
schuldig w^as, doch dat de vicarius geweigerd 
had zulks te adnntteren, waarop de Proost gerepli- 
c(^erd heeft, dat de sentcMitie tot confiscatie gewezen 
was door een iiu^ompc^tcMiten regter, daar gepro- 
cedcMM'd liad motsten worden voor de leenmannen 
der Proostdij on dat de declaratie op de cimfiscatie 
zich ni(^t uitstrekken kon tot leengoederen immediate 
van de kerk of gec^stel. ])ers(men in leen gehouden 
en dat d(^ ordonnantie ook uitdrukkelijk sprak van 
leengo(Hl(M'(m van Zijne Maj. of zijne vasallen te 
leen gc^houden, enz. waarop de Drost in plmits 
van te dupliceren geschreven had naar de Reken- 
kamer, die di) zaak aan den Stadh. zond, om goed 
kort regt en administratie van justitie te doen, 
terwijl intussdien het leen verheven moest worden 
bij den Proost, zoo deze wilde, doch salvo jure. 

1552 Sept. 22 (fol. cxiv v*»— 155 v*»). 

l^aar de lleeren van 's Keizers financiën de 
Rekenkamer in den Haag gelast hebben Willem 
van Baer, Drost te L in gen te ontbieden, om 



;39 

zijn eed te doen, cautie te stellen en te rekenen 
overeenkomstig zijne oommissie, doch de Drost 
wegens den tegenwoordigen oorlog zoolang niet 
van huis kan, en daar waarschijnlijk eerstdaags 
Jacob 8plinter, auditeur der Rekenkamer voor 
andere zaken van 's Keizers domeinen derwaarts 
reizen moet, zoo wordt deze door de Rekenkamer 
gecommitteerd, om eed en rekening af te nemen 
van V. Baer en hem een borgtogt van 500 ggl. 
te laten stellen. 

Gedaan in den Haag. 

1552 den sondagh auont nae Franciscum [9 Oct.] 
(fol. cxxxvi v« — 186). 

Feyge Engelbrechts, gezworen Gogreve en Rigter 
te Lingen, verklaart, dat Karsten Nieuwenhuys, 
als voorspraak voor het gansche land of de beide 
gogerigten op den Tuuerbrucken en Lingen, 
geklaagd heeft over nieuwe opkomsten of pachten, 
waarmede deze bezwtxard werden, dat zij tijdens 
Graaf Niclaes een meilam per jaar gaven en bij 
Graaf Courts tijden tot nu toe een schapetaxt 
aan den Jjandheer hebben moeten geven, waarop 
Adolph van Limborch Rentm. te Lingen, hun 
gevraagd heeft door w^elken heer hun die „be- 
ladinge'' der schapen opgeh^gd was, w^aarop zij 
antwocn-dden, dat Graef Coenraet van Teeckelen- 
burgh ingesteld had, dat zij van 100 schapen 2 
hamels en 2 lammeren gaven, van 50 de helft 
en van 25 het eene jaar een lam, het andere een 
hamel. Hiervan is den Rentm. met ordel en regt 
een bewijs gegeven. 

Byzitters des gerigts : Claes Miler en Otto (xodslich. 

Omstanders: Wilhem van Baer, Drost te Lingen, 
Lambert Budde, Johan Teckeneburgh, Haecke van 
Heeck en het gansche land. 

In het Divers, van het Prov. archief nog al vele fonten, 
welke uit dat van het Ryks-archief verbeterd zyn. 



40 

1553 Mei 3 (fol. cxxxviii— 188 v'). 

De Koningin Regentes in aanmerking nemende 
de groote moeite en kosten tot het vernieuwen en 
ververschen der victualie en ammunitie op het 
slot te Lingen, komt met Jan van Ligne, Graaf 
van Arenberg, overeen, dat deze in ontvangst zal 
nemen de 300 mud koren, 468 mud garst om 
bier te brouwen, 100 mud hop, 18 ton zout van 
Limburg en Zeeland, 24 loop ander zout, 12 
ton eek, 4800 pond spek, 1259 pond stokvisch, 
24 ton boter k 350 pond, 19 andere tonnen boter 
wegende 6319 pimd en 25 „schippont" ka^is elk 
schippond op 300 pond gerekend, alles aanwezig 
op het huis te Lingen, en ontvangen zal 150 pond 
per jaar tot onderhoud van dien voorraad, be- 
ginnende 1 Oct. '52. 

Gedaan te Brassel. 

Onder deze acte staat aangeteekend, dat de com- 
missie van Aloff Beeckenbrouck van het holtrigters- 
ambt van het land van Lingen en de 4 kerspelen 
geregistreerd is in het Zwarte Register van commissien, 
beginnende Mei 1540. 

1553 Aug. 26 (fol. cxx v«— 164). 

Instructie voor Johan van Ret^de en zijn op- 
volge^rs als Rentmeesters van Twenthe, Laege, 
Diepenhem, Ilaecxbc^rgen en Blanckenburgh, atin- 
gaande de regtcn en gewoonten der horige eigen 
lieden, en de pachtconditien van 's Keizers erven. 

17 artikelen. Gedaan ten burele der Rekenkamer 
in den Haag. 

1553 Oct. 6 (fol. cxxvi v°— 172 v^. 

Daar Engelbert Hermans Hoen en Margriete 
Verhorst ehel. zich beklaagd hebben, over het 
bevel van Willem van Baer, Drost te Lingen, 
om hunne stallingen aldaar af te breken, hun 
weleer door Graaf Curth van Teckelenburch met 
eenige plaats, die zij ook betimmeren mogten, 



41 

verkocht, ofschoon zij behalve de kooppenningen 
jaarlijks aan den Keizer betaalden 7 ggl. , en dat 
de schadevergoeding hun door de Princes van 
Oranje beloofd niet befciald was, vergunt hun de 
Rekenkamer voorta^m slechts 5 ggl. per jaar te 
1)6 talen, enz. 

Gedaan te Brussel. 

1555 Mei 9 (fol. cxxxv v" — 185 vo). 

Op het request van Aloff* Kloppenborgh te 
Lingen, die op 4 Maart 1551 stylo curiae Hol- 
landiae van den Rentmeester van Tjingen, in bijzijn 
des auditeurs Ja(M)b Splinter, gepacht had 's Keizers 
visscherij of waterdijk geheeten den Haserdijck 
voor 3 jaar tegen 9 daalder per jaar, doch daarvan 
geen profijt gehad heeft, omdat de Graaf van 
Arenberch kort voor de verpachting nagenoeg alle 
visschen er uit had laten halen, weshalve hij 
kwijtschelding van de pacht verzocht, wordt hem 
de halve pacht kwijtgescholden. 
Gedaan in den Haag. 

1555 Julij 26 (fol. cxxxix v^— 191). 

De lieden van de rekening in den Ilaag komen 
op schriftelijk advijs van Baudewijn Willemsz 
van den Boe, Commissaris der Rekenkamer in 
Overijssel vertoevende, overeen met Herman Goeden- 
hoven, dat hij des Hoves weide tot Berspick 
met het voorslag op nieuw in pacht hebben zal 
voor 6 jaar, beginnende S. Martijn, voor 25 ggl. 
per jaar. 

1555 Aug. 31 (fol. cLi— 204 v<^). 

Adolph van Limburch, Rentmeester van Lingen, 
wordt wegens de groote krijgskosten door den 
Keizer gecommitteerd, om zijne domeinen door 
verkoop van erfrenten ter losse den penning 18, 
16, i4 of 12 tot een bedrag van 60.000 pond 
van 40 gr. Vlaamsch het pond te bezwaren. 



II. 

REGISTER B. 



Dit register draaft tot titel: ^Juditiael register hy 
tyden Georgen Schenck, Stad holder etc,^' Het loopt 
strikt genomen van 17 Mei 1530 tot 12 Oct, 1535, 
doch sommige aden zijn ouder ^ hoeivel ook deze be- 
hooren tot Keizer KareVs tijdvak^ onderstaande alleen 
uitgezonderd. Het Hs, bevat 230 folio' s^ waarvan 
fol. 116, j18, 194 en 196 uitgesyieden zijn. 

Zooals een vlugtige inzage zal doen zien^ bevat dit 
register niet enkel 7'egtszaken^ veel minder alleen von- 
nissen in claringe gewezen. Immers.^ ook het op de 
Landdagen verhandelde is geboekt en zelfs aden van 
w^lke men een zekere registratie wenschelijk achtte. 

[1363] (B XL) 

Dijkregt van Vollenhove. 

Uitgeg. door de Vereen, tot beoef. van Ov. regt en 
gesch. naar het ex. op perkament, dat thans in het 
Gr. O. Mnsenm berust. Mogelijk is dit hetzelfde Hs. 
als dat, naar hetwelk afgeschreven werd het Hs. op 
den Gelderschen toren (No. 971 der G. O. Tentoon- 
stelling) „naar het ex. op francyn bemstende bij den 
dijkschrijver." Hoe 't zij, dat afschrift geeft het niet 
onwaarschijnlijk jaartal 1363 op. Dat dit dijkregt na 
1354 en vóór 1387 gemaakt is, betoogde teregt Mr. 
J. A. Baron de Vos v. Steen wyk op bl. 67 zijner 
(ieschiedk. verhandelingen over Vollenhove. 



1529 Aug. 9 (B xxxi v»). 

In zake Herman Mulart Schout te Zwolle, 
namens de moeder zijner vrouw, tegen Claes de 
Ruijte en Stijne in den Geile diens vrouw aan 
gaande 5 gl. rente, door Stijne tijdens zal. Herman 
ten Buseh, Schout te Zwolle, uit hare goederen 
gegeven blijkens zegel en brieven, is door den 
Stadh. in bijzijn van Burchart van Westerholt 
Drost te Vollenhoe, Jan Mulart Rentm. van Sal- 
land en Lubbert Mulart, Schout te Hasselt, ver- 
klaard: dat Stijne de 5 gl. rente haar uit de 
goederen van Herman gegeven verkoopen mag om 
dmirvan hare kinderen op te voeden. 

1529 Aug. 12 (B xxxi v»). 

Heer Ernst en Hinrick van Isselmuden ge- 

broedei-s, vcjrbinden zich de vrouwe van Dijckeningen 

behoorlijke vestinge te doen op het land van 

Vollenhoe van 15 ggl. per jaar, krachtens daarvan 

gemaakt verdrag. 

Gedaan te Vollenhoe in bijzijn van Burchart van 
Westerholt, Drost te Voll. en Jan Mulert, Hofmeester. 

1529 Oct. 31 (B xxxij). 

In zake Bruyn Tymensz tegen Evert ter Acker, 
is verklaard, dat Bruyn de sententie door den 
Stadh. gewezen nakomen zal, terwijl partijen de 
achterstallen in regten op elkander verhalen mogen. 

1529 (1530) Febr. 21 (B xxvi). 

De Stadh. Ridd. en Steden bevelen aan B. S. 
en R. en de Gezw. Gemeente van Hasselt, de 
„palijnge van den dry juck'' die ontdekt zijn in 
het diep, terstond op te trekken, op straf van voor 
rebel gehouden te worden. Als de 3 jukken op- 



48 

g('tr()kk(iii zijn, willen de vrienden van Deventer 
en Canipen fjiiarne tusschen die van SwoUe en 
Hasselt handelen en zoo zij dezen niet verzoenen 
kunnen, zullen die van Hasselt de bnig geheel 
en al afbreken, en zoo die van Hasselt dan met 
landregt die van Swolle aanspreken willen, zal 
hun dit geopend worden. 

Gedaan binnen Hasselt. 

1529 (1530) Miiart 17 (B xxxv). 

In bijzijn van Stadh. George Sehenck, Vrij- 
heer tot Tautenburch, Mr. Gerart Mulart, Rmids- 
h(»er, Johan Mulart, Rentmeester van Salland, 
is door de gedeputeerden van het kerspel Zwolle, 
nl. Johannes van Oldenzeel, Pater van Belheem, 
Bernt van Ytterssum, Herman Mulart, Thomas 
Knoppert en Jasper ten Holte t. e. z. en Heer 
Ernst van Ysselmuden, Priester Seyno Mulert, 
Jan van Boekhorst to Salliok en Claes Kroeses, 
als „geschicte'' van de kwade dijken, gister op 
den dijk daartoe gemagtigd, t. a. z. bemn^ens 
Geert Borchartsz en Jan van der Vechten, Burge- 
meesters van Campen als middelaars, in (de) 
^gebreken" tusschen die erfg. bestaande over de 
„gebroeeken hoeffden" in der minne bepaald: 

V dat men tot opmaking van het hoofd te 
Vee koe ten en van een nieuw hoofd beneden 
omtrent Jaeob van Itterssohems dijk eene uitzettinge 
doen zal van 1200 ggl., waartoe de erfg. van de 
kwade dijken 800, en het kei-si)el van Zwolle 
400 geven zullen; doch dat deze contributie niet 
in consequentie zal getrokken worden. De Stadh. 
bepa^ilt, dat de gelden betaald en rekening gehouden 
zal worden door den Pater van Belheem, met 
behulp van Herman ten Bossche, en dat Herman 
Mulart en Claes Kroes uit de gemeene erfgen. 
en het kerspel de hoofden zullen laten maken aan 



49 

wie de Stadh. na afloop van het werk een eerlijk 
en tamelijk geschenk geven mag. 

2° voor de opmaking van het hoofd te Wils- 
se m zal eene uitzetting van 600 ggl. gedaan 
worden, waartoe de Keizer V», het kerspel van 
Zwolle V» en de gemeene erfgenamen van de 
dijken ook V^ geven zullen, met bepaling als 
voren; is de som onvoldoende, zoo zal naar even- 
redigheid elks deel verhoogd worden. Hiertoe 
zijn aangesteld: door den Keizer Claes Kruesser, 
Schout van Campen, Henrick van Dotinchem, en 
door die van Zwolle Jasper ten Holten als namens 
de gemeene erfgen. , en daarbij de Prior van den 
Sonnenberghe bij Campen en' Heer Ernst van 
Ysselmuden, Priester, om de gelden te ontvangen 
en rekening te doen. 

Gedaan te Zwolle. In het opschrift der acte staat 
1539, in de acte zelf juister 1529. 

[1530?] z. d. (B i— iiij v»). 

In zake het kerspel van den Hardenberge 
tegen het klooster van Sipkeloo, dat door de 
zetters van de schatting op 200 ggl. gesteld was, 
is door Stadh., R. en Sted. geklaard („verclaert''): 
aang. het klooster den 10*" penning voor al zijn 
in 't kerspel gelegen goederen, evenals anderen, 
betaald heeft, en tusschen partijen nog verschil is 
over zekere platte landen gelegen omtrent Grams- 
berge, welke het klooster zelf gebruikt, zoo zal 
het klooster van die platte landen vrij zijn van 
contributie, maar van verpachte of verhuurde 
stukken zal het schatting betalen evenals anderen; 
en betreffende den „wthoif" te Marienburch zal, 
daar deze in de marke van het kerspel ligt, de 
10* penning van het gewas en verbouw door het 
klooster betaald worden tot voordeel der boer- 
schap, waarin die gelegen is, terwijl de molen 
vrij van schatting zal zijn. 

4 



50 

Betreffende de „hoeffluden" Dierick van der 
Reedze, de Blanckevorts, beide Baken gebroeders, 
Otto en Clais van Vilsteren, Jan Schonekamp en 
Kemena in het genoemde kerspel, is geklaard, 
dat zij (de Schout alleen uitgezonderd) zamen 
ditmaal 50 ggl., elk naar gelang van zijn goed 
zullen betalen. 

Betreffende de hofhorige lieden is aan Jan 
Mulert, Rentm. van Zallant, Seyne Mulert, Drost 
van Zallant, Adriaen van Twickel en Jan van 
Vorst bevolen, de registers van de schatting te 
visiteren en partijen in hun geschil tot een ver- 
gelijk te brengen. 

Op supplicatie van het kerkdorp te Dalleffzen 
aangaande den pastoor, de priesters en den 
koster is geklaard: zoo zij meer brouwerij, 
beesten of neringe hebben, dan tot hun corpus 
en onderhoud behoort, zullen zij daarvan con- 
tribueren evenals anderen, volgens het mandement, 
en van hunne renten en pachten den 10" penning 
betalen. 

Dit zal ook in alle andere kerspelen gelden. 

De meijer van juffer Geertgen van Haerst zal 
betalen evenals anderen; zij zelve zal voor haar 
gezin en de beesten, die zij zelve gebruikt, 
vrij zijn. 

Ingerman van Camphusen zal mede contribueren 
als anderen. 

Jan van Oetmerssem zal vrij zijn gedurende den 
tijd, hem bij brief toegestaan door Bisschop Hinrich 
Palsgraaf en Ridd. en St. 

Frederich de Bake zal voor ditmaal betalen 
volgens het mandement. 



51 

Óp de suppl. van het kerspel Dallefsem be- 
treffende Seyno Mulert te Mep peil, Herbert 
Splijtloff, juffer van Scharpenzeell te Zwol 1, is 
geklaard, dat dezen volgens het mandement be- 
talen zullen, evenals anderen. 

Frederich van Twickeloe zal één van de 4 
erven of huizen uitkiezen, en vrijen mogen, doch 
van de andere 3 moeten betalen. 

Aangaande den hof te Ekenkaeten, toebe- 
hoorende aan 't klooster Belheem binnen Zwoll, 
is geklaard: dat de daarop wonende meijer zal 
betalen evenals andere meijers en dat het klooster 
den 10" penning zal geven van het gewas. 

Hinrich Janssen in 't kerspel Dallesem zal 
betalen als een ander volgens het mandement en 
gelijk de zetters hem getaxeerd hebben. 

Op de suppl. der buurschap Mij Hingen in 
hetzelfde kerspel aangaande det twee Veers, de 
Maller en Korte Bernt is geklaard: dat zij naar 
hun have, goed en bouwerij evenals anderen zullen 
betalen, volgens het mandement. 

Jan van Oetmerssem zal vrij zijn gedurende 
den tijd, bij zijn brief bepaald. 

Jonker Hinrich van Rechteren zal één zijner 
4 huizen mogen vrijen en van de andere 3 
betalen. 

Op de suppl. der buurschap Lenthe in het- 
zelfde kerspel, aangaande juffer van Scharpen- 
zeel's meijer en den meijer op het hof te Lenthe, 
den meijer van Jan van Ytterssum Wolffsz en 
den muller te Lenthe, is geklaard, dat het goed 
van juffer v. S., dat zij zelve gebruikt, vrij zal 
zijn, doch dat haar meijer volgens het mande- 



52 

ment contribueren moet; dat de mei] er op 't hof 
te L. vrij zal zijn, daar het een ,,frijho(fy' des 
Keizers is; dat de meijer van J. v. G. vrij zal 
zijn, als zijnde een riddermatig goed; en dat 
de muller evenals anderen betalen zal volgens het 
mandement. 

Juffer van Rutenburch in de buurschap E mme 
zal contribueren van het erve de Hoeve evenals 
anderen. 

De wed. van Arnt Brant in 't kerspel Dalleifsen 
eveneens van haar goed. 

Op de suppl. der buurschap Gerner aangaande 
Bernt van Ytterssum, op wiens goed nu een meijer 
woont, is geklaard, dat de meijer volgens het 
mandement betalen zal. 

Op de suppl. der buren van . . , . in het kerspel 
Dalleffzem, aangaande de onkosten van „ley- 
stinge," door de nalatigheid der on willigen ont- 
staan, is geklaard, dat de onwilligen de kosten 
dragen zullen, elk naar gelang van hetgeen hij 
verzuimde te betalen. 

Hetzelfde zal elders gelden in Sallant, Twenth 
en VoUenhoe. 

Op de suppl. des kerspels van der Heyne is 
geklaard: dat Jan van Ytterssum vrij zal zijn 
voor wat hij zelf gebruikt, doch dat zijn meijer 
contribueren zal volgens het mandement; en dat 
Willem Gelmer, Jan Rammelman's huisvrouw en 
Jacob de Wrede voor ditmaal contribueren zullen. 
De klagt van die van der Heyne, dat zij te 
hoog gesteld zijn, zal later onderzocht worden. 

Op de suppl. des kerspels van Wij e aangaande 
de pastoors en priesteren, is geklaard evenals 
onder het kerkdorp Dallesem, en dat de anderen, 



53 

die tot geen dagvaart verschenen zijn, volgens 
het mandement zullen betalen. 

Op de suppl. derbuurschap Herxsem in Wijer- 
kerspel aangaande den meijer van Bernt van 
Hackfort, op het Rigterschijn daarop gehoord, 
en op het schriftelijk antwoord van Bernt^ is 
geklaard : dat zijn meijer volgens het mandement 
betalen zal. 

Op de suppl. der buurschap Tongeren in 
't kerspel Wije is geklaard: dat Dirck van 
Scharpenzeel voor ditmaal en Luken van Camp- 
husen evenals anderen contribueren zal, en dat 
men van de woeste erven, waarop vroeger 
huizen stonden, den lO*" penning volgens het 
mandement betalen zal. 

Hij klaagt 17 Maart te Vollenhoe voor Stadh. R. 
en St. in de klaringe hierdoor bezwaard te zijn, 
waarop is geklaard : dat de klaringe ditmaal in waarde 
zal big ven, doch daar hij voor Riddermatig ge- 
houden wordt, zal hg voortaan zijn vrgheid genieten 
en van de schatting gevrijd zgn. 

Op de suppl. van Jan Essinck bij het klooster 
te Wijnssem, is geklaard: dat hij in zijn buur- 
schap contribueren zal. 

Op de suppl. des kerspels van Hellendoren 
is geklaard: aang. de kloosters Diepen fe en en 
Wijnssem en juflfer van Rechteren (voor het 
goed te E gen) hunne erven en meijers niet willen 
vrijen, maar evenals andere erfgenamen volgens 
het mandement contribueren willen, zullen zij 
vrij zijn van de „settinge", door de buren in 
strijd met het mandement op hun beesten gedaan ; 
en aangaande den Hof te Eylen van den Heer 
van Bronchorst, vermits de meijer onder 3 Land- 
vorsten gecontribueerd heeft (zooals de buren en 



54 

zetters zeggen) zal hij ditmaal ook betalen volgens 
het mandement, onverkort zijn oude vrijheid. 

Op de suppl. der buurschap van Langenholte 
tegen Jan van Wermel is geklaard: dat deze vrij 
zal zijn voor de woonstede, waarop hij woont, 
doch dat zijn meijer te Langenholt contribueren 
zal volgens 't mandement. 

Op de suppl. van juffer Kueckmans, dochter 
van Hinrich de Suyre te Ysselmuden is ge- 
klaard: dat de vrouw zal volgen de natuur 
en qualiteit van haren tegen woordigen man Clop- 
penburch en contribueren volgens het mandement, 
behoudens de vrijheid en geregtigheid der voor- 
kinderen van Jan Kueckman. 

Geklaard: dat Tij men en Claes van den Veen 
contribueren zullen, hetgeen waarop zij gezet zijn. 

1530 Mei 5 (B. xxii v^. 

In zake Jan en Goert van Aene tegen Wil- 
lem ten Grotenhuys en zijn kinderen over V* 
van het erve Waeterinck, dat verw. in bezit 
hebben, is verklaard, dat, aang. het goed wegens 
zijn natuur niet gesplitst of verdeeld mogt worden 
en dus geen possessie helpen kan, verw. binnen 
6 weken bewijs van hun „inganck" hoe zij er 
aan gekomen zijn, zullen stellen in handen van 
Jan Mulart Rentm., na welk bewijs de aanl. 
aan verw. uitreiking en betaling doen zullen. 
Wordt het bewijs niet geleverd, zoo zal de Rentm. 
Jan en Goert weder in het bezit van het goed 
stellen. 

(1530 Mei 7) (B vii— viii). 

Geklaard: dat de juffer van Rutenburch in 
de buurschap Emmen, in 't kerspel Dallefsem 
in de schildschatting zal betalen „naadvenant 



55 

Yan meijersche wyse," indien en Yoor zoover een 
huis gestaan heeft tijdens Bisschop David op den 
„voerslach" of het land waarvan questie is. 

Jan van Wermels meijer in de buurschap 
Lan genhol te zal in de schildschatting deelen, 
evenzoo de meijer van Bernt van Ytterssum 
in de buurschap Gerner, behoudens Bemts oude 
vrijheid en geregtigheid. 

In zake de juffer van Gramsberge en Heynen 
Valqk ten Hardenberge aangaande het goed 
Odijnck te Collendorn in 't kerspel Hardenberg, 
of dit goed schildschatting moet geven of niet, is 
geklaard: aang. men de oude Registers nog niet 
bij de hand heeft, zal het geschil blijven rusten 
tot de volgende klaring. 

De zaak tusschen Aloff van Rutenberch en 
de buurschap Zuythem over schildschatting is 
uitgesteld tot de verschrijving der buurschap, die 
zonder verlof van mijn gen. heer van hier 
gereisd zijn. 

Op de suppl. van die van Voerst en Westen- 
holte tegen Johan van Ytterssum, Drost te Yssel- 
muden, over betaling van schildschatting van 2 
erven in die buurschap, is geklaard: dat indien 
„van den goederen gecommen sy", Jan evenals 
anderen betalen moet. 

Geklaard: dat Herman Brant of zijn meijer 
in de buurschap Anckem in de schildschatting 
deelen zal. 

Geklaard: dat Arent Mulert's meijer evenals 
anderen in de buurschap Wijt man in de schild- 
schatting betalen zal, behoudens de actie van 
Arent tegen de erfgenamen van Jan van Tijve- 



56 

campe goed geheeten op te Horte, volgens 
zegels en brief. 

1530 Mei 7 (B. xxii). 

Op de aanspraak van de Jufferen van Ruten- 
borch tegen Jan van Oetmerssum is geklaard: 
dat partijen de zaak met regt en ordel naar 
landregt vervolgen zullen. 

In het geschil tusschen Hans Duytsche, Herman 
van Oetmerssum, burger te Zwolle, en Claes 
Claesz van Wije, klagers, en Aloff van Ruten- 
burch verw. over een contract te Zwolle gemaakt, 
is geklaard: dat Alof de keus heeft om te zaak 
te laten uitspreken door Stadh. R. en St. op den 
naasten landdag, of voor het gerigt van Zwolle, 
waar het contract gesloten is teregt te staan; en 
daar er meer klagten zijn van burgers te Zwolle 
togen Aloff en hij daar woont en „vuyr ende 
roeck holt,'' zoo zal hij daar voor het stadsgerigt 
teregtstaan, behalve tegen Beel jnden Blancken- 
stoyn, die ten naasten landdage tegen hem ver- 
schijnen zal. Aloff verklaart daarop ter zake van 
het contract te willen verblijven bij Stadh. R. en St. 

1530 Mei 8 (B vi). 

In het geschil tusschen de erfgenamen, huis- 
lieden en buren van 't kerspel Ommen en die 
van den Ham over den 3*" penning, waar op 
die van den Ham aangeslagen zijn, welk geschil 
door partijen onderworpen is aan Stadh. R. en 
St., te VoUenho vergaderd, en door dezen ge- 
committeerd aan Seyno Mulert, Drost van Sallandt, 
Johan van Boekhorst te Sallick, Pieter van Mou- 
wick. Burgemeester te Deventer en «lohan van 
der Vecht, Burgemeester te Campen, zijn partijen 
het eens geworden: dat, als het geheele kerspel 
van Ommen met inbegrip van Averreest 100 gl. 



57 

schatting moet geven, het kerspel den Ilam daarin 
28 gl. dragen zal. 

Ten aanzien der schatting van beesten, 
welke door arme lieden had moeten betaald worden, 
die hunne woonsteden ontruimd en de 
kerspels verlaten hebben, is geklaard: dat ieder 
kerspel de hieruit voortvloeijende te korten betalen 
en daarvoor een nieuwen omslag over hetgeheele 
kerspel doen zal; blijvende intusschen van kracht 
de bepaling aangaande woeste en deserte 
erven, in het mandement vermeld. 

Wie na de publicatie van het mandement zich 
in een ander kerspel vestigt, zal contribueren 
alsof hij niet verhuisd was. 

1530 Mei 9 (B. xviii). 

Op de klagt der Abdis van Dijcklingen over 
gelden, door haar en haar klooster van de land- 
schap te vorderen krachtens zegels en brieven, 
is haar betaling beloofd na 4 jaar. 

Op het verzoek der Abdis van het Convent van 
Assen is op 15 Nov. geklaard als voren, doch deze 
en de vorige zaak zal men vervolgen op de dagvaart 
(te) Cnlenborch tot last der landschap Drenthe. 

Op het verzoek van het C(mvent van S. Jo- 
hanneskamp wegens 4 artikelen van opgeschoten 
gelden, is verklaard, dat het geduld moet hebben 
tot het einde der 6 loopende jaren (1529 — 1534). 

Op het verzoek van Willem van Dotekom, 
Schout te Deventer, wegens achterstand van 1510 
en 1511, is verklaard als voren. 

Op de klagt van de wed. Andries Bonnye te 
Deventer, wegens vordering van haren zoon 
Willem B., is verdragen als voren. 

Op het verzoek van het Convent van de Cart- 
huser op den Sonnenberch bij Campen, aan- 



58 

gaande 300 fl. aan de landschap in 1510 geleend, 
is verklaard als voren. Evenzoo op verzoeken van 
de kloosters Wijnssem, Beelhem te Zwolle, 
S. Agnetenberch, Sijpkeloe, het Frater- 
huis en Kinderhuis te Zwolle, Zwartewater, 
Clarenberge, Diepenfeen en het tè Hasselt. 

Op het artikel in het verzoek van Proost en 
Convent van Schwartewaeter van „prafande" 
(proviand) en andere zaken uit het klooster ge- 
haald door de knechten te Hasselt, is verklaard, 
dat zoo dit tot profijt der landschap uit de reke- 
ningen blijkt van de soldij afgetrokken te zijn, 
vergoeding gegeven zal worden na 1534, daar 
de landschap nu reeds te zwaar belast is. Evenzoo 
wordt beschikt op verzoeken van de kloosters 
Clarenberge, het Zusterhuis te Hasselt en 
den Commandeur van Oetmerssem. 

1530 Mei 9 (B viii). 

Daar op 27 April (15)26 te Deventer door 
R. en St. blijkens de notulen een schriftelijk 
verdrag gesloten is met Jan van Ytterssum 
Wolffsz aangaande zijn achterstand bij de Land- 
schap, is nu door Stadh., R. en St. geklaard en 
door diens wed. en kinderen (met rade harer 
vrienden on magen, „de op hueren dach gestaen 
hebben'') bewilligd, dat dat cantract in volle kracht 
blijven zal; en vermits zij klaagt, dat veel be- 
satinge en arresten gedaan zijn op de „ver- 
wesen penningen der verdeylinge vp de notele 
verclaert,'' waardoor zij groote onkosten gehad 
heeft, is overeen gekomen en geklaard: dat de 
Landschap de wed. en kinderen voor alle actiën 
en schaden, uit de overeenkomst en verdeeling 
voortspruitende, 300 ggl. zal betalen op St. Jan 
(15)31, niet als regtens daartoe verpligt, maar 
uit gunst; en aangaande het verschil over de 



59 

handgelden, staande op de kerspelen van Zwoll, 
Raelte en Enschede is bepaald, dat de wed. 
een jaar handheld naar gelang der „bewesen" 
som op die kerspelen ontvangen zal. 

1530 Mei 9 (B xxiij). 

In het geschil tusschen Herman Claesz en 
Hinrich Woltersz klagers en Jorgen Muller verw. 
over een molen, door verw. gezet met consent 
van Jan Stellinck Castellein en van de gemeene 
ingezetenen van de Kuynre, is verklaard: daar 
de aanl. bevonden worden sedert onheugelijke 
tijden in het bezit van een molen te zijn en dat 
hun molen „den van den Kuynre gheen gerack 
alleen doen kan" zullen zij en niemand anders een 
anderen molen er bij mogen zetten, mits voor 
den ouden prijs malende. 

In zake de ingezetenen van Oetmerssum tegen 
den Graaf van Benthem namens zijn onderzaten 
te Noerthoern, is verklaard, dat de zaak rusten 
zal totdat de Stadhouder in Twenthe komt of 
iemand committeert, om partijen te hooren; het 
door die van O. gelegde arrest zal bij voldoende 
borgschap opgeheven worden. 

Op het schrijven van Mijn Heer van Benthem 
aangaande die van Gramsberge on Holtheem, 
van turfsteken, committeert de Stadh. Jan van 
Twickel en Seyno Mulart, Drosten van Twenthe 
en ' Salland, om een plaatselijk onderzoek in te 
stellen en zal schrijven aan den Heer van Benthem, 
dat deze ook iemand committere. 

1530 Mei 9 (B xxj V). 

Op het verzoek van Juffer Marie van Ytterssum 
wed. van Jan van Coevorden, als erfgen. van 
Roloff V. Ytterssum, aangaande 1115 ggl. met de 
rentm., welke zij op het ambt van Diepenhem 



60 

te vorderen had, is besloten te schrijven aan den 
Vorst van Gelder, onder wien dat ambt nu staat. 

Daar deze echter geantwoord had, dat hij tot be- 
taling ongenegen was, besloten Stadh. R. en St 17 
Mei op herhaald verzoek van de wed., deze zaak op 
te dragen aan hen, die gezonden zonden worden naar 
de dagvaart tusschen den Keizer en den Vorst van 
Gelder. 

1530 Mei 10 (B. xvii v*, xix, xix v"* en xxvi). 

Op de klagten van hen, die van de landschap 
nog gelden te vorderen hebben uit de jaren 1510 
en 1511, is verklaard, dat over de jaren 1529 — 34 
de landschap geen lasten meer dragen kan, maar 
dat na dien tijd billijke overeenkomsten met hen 
gemaakt zullen worden en hun uit de schattingen 
gelden „bewezen" zullen worden. 

Op het verzoek van Johan van Kalker aan- 
gaande 94 Phs. gl. en 1 oort voorgeschoten aan 
proviand, gebruikt binnen Hasselt en op de 
oorlogsschepen, blijkens afschrift eens briefs van 
Philips van Bourgondië, is verklaard, dat men 
hem over 4 jaar helpen zal. 

Op het verzoek van Hinrich van Rechteren 
van „verset ende recompenss" voor schade ge- 
leden aan het huis Rechteren, is verklaard: 
aangezien dit huis, na door den Vorst van Gelder 
ingenomen te zijn en nadat daaruit aan de land- 
schap veel schade toegebragt was, met groote 
kosten weder in de magt van de landschap ge- 
bragt en aan Ilinricli teruggegeven was, terwijl 
hij het anders geheel had moeten missen, behoort 
hij zich niet te beklagen, maar veeleer de land- 
schap te bedanken. Aangaande de schade door hem 
geleden aan het huis te Almelo door de daarop 
gezonden knechten, is verklaard, dat zoo dit niet 
geschied was, hij het geheele huis verloren zoude 



61 

hebben en hij zich ook hierover dus niet heeft 
te beklagen. 

Op het verzoek van het Convent te Di e pen- 
fee n aangaande schade door de legers geleden, 
is verklaard, dat de landschap te zwaar belast is, 
om hen terstond te helpen. 

Op de klagt van Peter van Mouwijck, burgem. 
van Deventer, aangaande de „ontlastinge ende be- 
danckinge" door Bisschop Ph. van Bourgondie 
en R. en St. hem voor zijn rekening gedaan 
over 1510 en 1511 blijkens acte van 5 April 1521, 
wordt na rijpe deliberatie die acte door Stadh. 
R. en St. bevestigd, met verklaring, dat Peter en 
zijn erfgen. van alle pretensien des wegens bevrijd 
zullen blijven, hetzij van dienstgeld, hetzij van 
verdiende soldij of geleende penningen. 

1530 Mei 11 (B. xi, xx — xxi en xxiii v°). 

Op het verzoek van Gerrit Spaen en de 
„voerschriften" van den Graaf van Buren en 
Lubbert en Willem Turck gebroeders, door hem 
overgebragt, is geklaard : aang. de Landschap aan 
Gerrit niets schuldig is en hij van zijn dienst 
en gevangenis genoegzaam tevreden gesteld is 
binnen Oldenzeell, zal hij de Landschap niet 
meer lastig vallan; doch ter wille van den Gr. 
V. Buren, schenken zij hem 20 ggl., die men hem 
„over jaer" betalen zal, door uit te zetten pen- 
ningen, waarin Twenthe en Follenhoe elk 6 
en Sallant 8 ggl. betalen zal. 

Op het artikel verhaald in het verzoek van 
Schweer Scheel van 3 maand dienst op 3 paarden 
ten tijde van Hendrik van Beijeren, die de I^and- 
schap hem nog schuldig is, is geklaard, dat men aan- 
gaande de betaling in overleg met hem zal treden. 

Op het verzoek van Lutgen Schouwe en 



62 

Wijbrant Astebrinck over 2 paarden, door hen 
in dienst der Landschap verloren, en op 20 en 12 
Phil. gl. geschat, is geklaard: aang. hun beweren 
door deu Drost van VoUenho Westerholt en Jan 
Stellinck, Kastellein te Kuynre, bevestigd wordt, 
zal men hen bevredigen. 

De behandeling van het verzoek van Geert 
Albertsz, burger vanCampen, aangaande „'tverset 
van den verbranden karveel voer den Koeburch" 
is tot de volgende dagvaart uitgesteld. 

Jan Bijtter in de Kuinre moet geduld hebben. 
Insgelijks Peter Evertsz, burger te Campen, 
binnen Gelmuyden tot „befestinge" ingehaald, 
toen Hasselt door de Gelderschen ingenomen was. 

Op het verzoek van Rolof van Hoevel, aan- 
gaande 400 gl. herkomende van zijn gevangenis 
tijdens het bestand en verdrag tusschen den Hertog 
van Gelder en de landschap, is verklaard: aan- 
gezien deze zaak te Deventer door de Gedeputeerden 
der landschap afgedaan is en hem toen uit gratie 
voor zijn gevangenschap en „lemptnis" 200 ggl 
toegelegd zijn, is de landschap hem verder niets 
schuldig; doch diuir de gevangenschap binnen het 
bestand geschied is, mag hij zich wenden tot de 
Conservatoren van het tract<aat op de eerste dag- 
vaart, . welke tusschen den Keizer en den Vorst 
van Gelder gehouden zal worden. 

Op de klagt van Bernt van Beverfoerde to 
Weemsel, 1^ aangaande schade en gevangenschap 
door wijlen zijn oom Jan van Beverfoerde bij het 
innemen van Oldenzael geleden, is verklaard, 
dat daar Jan cim oud man was, die geen „be- 
stellinge" had van zijn Ijandheer, maar alleen 
naar O. getogen was tot bescherming van zich 
en zijn goederen, men hem geen vergoeding 
schuldig is; daar echter Bernt beweert, dat zijn 



63 

oom door den Drost van Twenthe binnen O. 
„verschreven" was op een dagvaart, maar van 
zulk eene verschrijving niets bekend is, zal Bernt 
na 4 jaar bewijs hiervan mogen leveren; 2*^ aan- 
gaande zekere penningen, welke van zijn ver- 
diende soldij afgetrokken waren, deze zullen 
afgetrokken blijven, terwijl men over zekere uit- 
staande panden met de schuldenaars spreken zal; 
3*^ betreffende restanten penningen, waarop hij aan 
de landschap van Salland „bewesen" is, doch 
waarop Mr. Jan Oistendorp, Canunnik te Deventer, 
„bespreek gedaen'' heeft, is verklaard, dat Pieter 
van Mouwick die restanten aan den Drost van 
Salland overleveren en Bernt behulpzaam zijn zal, 
om zijn achterstand daaruit te ontvangen. 

Op het verzoek van Ijucie Roeden van wege 
haren zal. man Jan de Roede, is geklaard: aan- 
gezien Jan te Oldenzael gekomen was, om zijn 
lijf te beschermen, en de landschap ook aan anderen 
daarvoor geen „versef' gedaan heeft, moet Lucie ge- 
duld hebben en de landschap niet verder molesteren. 

In het geschil tusschen het Capittel van Olden- 
zaell en Adriaen van Reede aangaiinde de losse 
van zekere roggerente, welke v. R. doen wilde 
met aftrekking van eenige pachtpenningen, welke in 
'22, '23 en '24 door den vijand jian zijne meijers 
afgedrongen zouden zijn, een geschil bij compromis 
onderworpen aan de uitspraak der claring, wordt 
geklaard: dat v. R. zoo hij de rente lossen wil, 
de geheele som met de verloopen renten en pachten 
betalen moet in handen van het Capittel, en zoo 
hij over de door den vijand gebeurde pacht- 
penningen ageren wil, zal hij dit op den volgenden 
landdag mogen vervolgen tegen het Capittel. 

Op de klagten van het convent van Sijpkelo 
aangaande schade door de 3 zonen van Jacob 



64 

van Uiterwick het klooster aangedaan, zal de 
Pater den Stadh. onderrigten, onder wat heeren 
zij gezeten zijn, ten einde aan die heeren te 
schrijven en indien het klooster eenige aanspraak 
daaromtrent meent te hebben tegen die van 
Steenwijck, zal het dit naar landregt mogen 
verhalen en vervolgen. 

1530 Mei 11 (B xxviii v** en xxix). 

Daar de Praesten en Oiïicialen der geestel. 
regten en jurisdietien zioh bij de Aartshertogin 
beklaagd hadden, dat de geestelijke jurisdictie 
niet in waarde gehouden werd, ontving de Stadh. 
last te zorgen, dat zij in hare oude en gewone 
geregtigheid onderhouden zoude worden, mits over- 
eenk(mistig gebruik en in den vorm geschiedende 
en de inwoners niet onbehoorlijk bezwaard worden ; 
R. en St. dit vernemende antwoorden, dat in het 
administreren der ge'estel. regten vele „ongebuyr- 
licker'' zakcm door de Rigters en hunne Officieren 
gepleegd werden in strijd met de landregten en 
tot groot bezwaar en kosten der ingezetenen; 
Stadh. R. en St. verklaren echter, dat de geheele 
jurisdictie haren voortgang naar oude gewoonte 
hebben zal in zaken, die „den Landrechten niet 
contrarie noch preiudiciabell'* zijn; en over de 
„gebreck ende ongebuerlicheit" zullen zij op den 
volgenden landdag artikelen in schrift stellen. 
Gedaan te VoUenhoe. 

Op de impedimenten en misbruiken van de 
geestelijke inhibitien en mandementen, dage- 
lijks gopractiseerd tegen hen, die hunne pachten 
en renten vorderen, op hun onderpand met zegels 
(Ml brieven of rustig bezit en andere deugdelijke 
titels, is geklaard: dat een ieder zijn renten en 
pachten mag invorderen op zijn onderpand gelijk 
naar landregt behoort en dat men geen geestel. 



65 

inhibitien of mandementen ten contrarie gebruiken 
of achten zal. 

1530 Mei 12 (B xiiii, xvi en xxvii). 

Daar met Claes van Munickhiisen, Drost van 
Ahuys, in '26 een verdrag door R. en St. ge- 
sloten was over 8 jaar verstane pensie van 
100 ggl., waarbij tot geschenk nog 100 ggl. ge- 
voegd waren, en op deze 900 ggl. 4 jmir pensie 
verloopen zijn, zoodat de som nu 1300 ggl. be- 
droeg, welke door de verschillende kerspels afbe- 
taald is, zullen de voortaan te betalen 100 ggl. 
per jaar strekken tot mindering der verschuldigde 
1000 ggl. hoofdsom. 

Gedaan te VoUenhoe. 

Daar eenige amptluden en gecommitteerden 
van de schattingen hunne handen gestoken hebben 
in penningen, door hen gebeurd en tot betaling van 
particulieren aangewezen, zullen die amptluden 
gehouden zijn uitbetaling van zulke gelden te 
doen, of aan te wijzen, waarvoor zij die ten be- 
hoeve der landschap besteed hebben. 

Daar Hinrich Mulert, Dijkgraaf van Salland, 
Egbert Jansz te Herxen een paard afgepand 
heeft wegens dijk zaken, waarvan deze niet ver- 
wonnen was voor de Heemraden, is verklaard, 
dat de Dijkgr. het paard teruggeven en zijn actie 
vervolgen zal voor de Ileemraden, zich regelende 
naar het ordel door dezen te wijzen. 

In zake Jan van Haerst Hermansz., namens 
zijn zal. vader Dijkgra^if indertijd, tegen RoloflF 
van Ytterssom Wolffsz wegens een bijster in 
den Ysseldijk en de wetering in de marke van 
der Heyne, is verklaard: dat Roloff moet op- 
volgen de laatste „benoetelinge'' van Donderdag 
na presentationis Marie (15)26 door de Heemraden 

5 



66 

en dedingsluden uitgesproken; eii zoo hij, na 
hieraan voldaan te hebben, vermeent dat het 
proces tegen den vorm van regten gehouden en 
„beleyt'' is, krachtens 2 gerigtsschijnen door den 
Schout van der Heyne Egbert van Rechteren be- 
zegeld en door RolofF voorgebragt, zoo zal hij 
tegen den klager zijne actie mogen instellen voor 
de Heemraden, op kosten van ongelijk. 
Gedaan te Vollenho. 

1530 Mei 13 (B iiij v**, xiij v°, xvj v*, xxj on xxiiij). 

Op de suppl. des kerspels Ysselmuden van 
de 2 erven van die van Campen de Groote en 
Kleine Esch, is geklaard: aang. bij copie eener 
klaring te YoUenhoe van Jan. (15)13 gebleken is, 
dat zij gecontribueerd hebben, zullen zij h(ït nu 
ook doen, totdat die van Campen ander bewijs 
leveren. 

Op de 8uj)pl. van den Proost en het klooster 

van Schwartewaeter is geklaard: dat het 

. klooster ditmaal voldoen en het contract nakomen 

zal, met de buren van Rouvene gemmikt door 

Lul)b(n't Miilart^ Schout van Hasselt. 

Op de suppl. van Cla(\s Tymesz en Dirick 
Gerritsz van wege de ingezetenen van der Kuynre 
aangaande 100 ggl., voor w(ïlke zij gearresteerd 
zijn te Campen door Jan Cruse, die op de 
Kuynre van de beestenschatting „bewesen" 
is, \vanrt(^g(Mi zij aanvoeren 40 ggl. betaald te 
hebben te (lelmuyden, 25 gl. te mogen 
korten van landen en pachten tot Friesland 
behoorende, en 31 gl. omdat de pachten van de 
Kuynre hooger opgeschnn^en waren, dan zij be- 
droegen, is geklaard: P. dat de ingezetenen van 
d(^ Kuynre hen van de „besatinge" ontslaan 
moeten; 2". als die van de K. bewijzen kunnen, dat 
aan andere kerspels op het land van Vollenho e op 



67 

gelijke wijze van penningen uit de beestenschatting 
te Gelmuyden gebragt zijnde in hunne schatting 
gekort is, zal men hun in de nieuwe „uitsettinge'' 
op het land van Vollenhoe die 40 gl. weder 
^bewijsen" en zoo zij dit niet doen, zullen zij 
zelf onderling die 40 gl. dragen; 3°. daar zij de 
25 en 31 gl. zelf hebben laten aanschrijven en 
de namen der schuldenaars hun opgegeven zijn, 
zullen zij dit onder elkander weder omslaan, even- 
als in andere kerspels met dergelijke „gebreken'' 
geschiedt. 

Op aangeven van Jan Mulart, Rentmeester 
van Sallant aangaande zijn achterstand van 267 
ggl. blijkende bij een schrift van Gerardus Bruy- 
ninck, wordt, daar men niet vindt, dat men hem 
betaald of op het land van Drenthe „bewesen'' 
heeft, besloten hem te betalen uit de 20,000 gl., 
door den Keizer aan de Landschap toegestaan. 

Op verzoek van Jan ten Toern namens zijn 
zal. vader Herman t, T. vertoonende een brief, 
waarbij 275 ggl. 25 st. aan hem toegewezen 
worden op het land van Drenthe, wordt besloten 
hem die som uit voornoemde 20,000 gl. te betalen, 
doch dat hij met de verloopen rente en schade 
pacientie hebben moet. 

Op het verzoek van Hans van Kalb, hoofd- 
man van Genemuidon, aangaande ecno rost van 
314 ggl. hem „bewesen'' op de landschap Drenthe, 
317V^ Phs. gl. hem op den Keizer door R. en 
St. bewezen, en 370 ggl. den burgers te Gel- 
muyden „verwesen" op het land van Drenthe, 
is verklaard, dat Hans en de burgers schriftelijke 
rekening hiervan indienen moeten. 

Op het verzoek des convents van Mr. Ge erts- 
huis te Deventer, van penningen in 1510 voor- 



68 

geschoten, is verklaard, aangezien die penningen 
op het land van Twenthe verdeeld zijn, moet 
het convent haar zaak vervolgen tegen den Drost 
Jolian van Twickel. 

Op het verzoek van de wed. van Aernt Brant 
wegens schade geleden door de Mijndischen, 
is verklaard, daar meerderen dergelijke schade 
geleden hebben, zal men met haar handelen even- 
als met anderen. 

Op het verzoek van ITerman Aerntsz en 
Dirich van Hasselt aangaande een huis, dat die 
van Hasselt afgebrand hadden, is verklaard, 
dat zij geduld moeten hebben, daar ook anderen 
dergelijke schade leden, zonder dat de landschap 
hun „verset" gedaan heeft. 

■ 

Op het verzoek van Seyno Mulert te Meppel 
aangaande zijn gevangenschap en pandschap van 
het huis te Kuinre, kan op dezen landdag niet 
beschikt worden, (midat zij, die daarvan weten 
kunnen, niet tegenwoordig waren. Uitgesteld tot 
de volgende dagvaart. 

Op de klagten der erfgenamen en buren van 
Anckem en Gerner (kerspel Dallessem) tegen 
Frerik van Twickel aangïiande schuttinge van 
beesten van de Houue, dat een voorslag des 
Keizers is. zijn gecommitteerd Jan Mulart, 
Rentm. van Salland, Seyno Mulart, Drost van 
Salland, en de vrienden van Zwolle, om de ge- 
legenheid te zien, partijen te hooren, en zoo 
noodig rapport te doen. Daarna is het geschil door 
toedoen van den Stadh. verbhn^en tot vriendelijke 
vereeniging van partijen aan Jan en Adriaen van 
Twickel, gebroeders, Herman van den Cloester, 
Seyno Mulart en Jan van Voerst. 



69 

De killet van Michiel Hcrtofcn's, Hans Diiyts(^h 
en RolofF Keteler tegen Marten Blaw van wege 
de stad Deventer, aangaande zekere belofte door 
dezen binnen Zwolle gedaan in bijzijn van Claes 
Krueser en Jan van Breda, gezondenen van 
Kampen, wordt als zonder vorm vnn regt voor- 
gebragt aan de klagers geremitteerd, om hun actie 
en aanspraak te verzoeken voor den behoorlijken 
Rigter. 

1530 Mei 14 (B. xv v* — xvij, xix, xxiiij v« en xxvij). 

0[) verzoek van Alijt Vriese, wed. van Tymen 
Vriese, wegens penningen haar door de Land- 
schap verschuldigd blijkens handschrift gegeven 
door zal. Geert van Langen, Drost van Salland, 
Johan Mulert Rentm. en Jan van Buckhorst 
te Sallick, is verklaard: aangezien Gheert van 
Langen ettelijke penningen van die van Ens en 
Wilsem gebeurd had, wiuirop v. Buckhorst 
^verwezen" was om Tyman en anderen te betalen, 
zal V. B. die gelden op Geert's wed. verhalen 
en Alijt betalen. 

Op verzoek der stad Enschede aangaande een 
rest van 450 ggl. van het jaar '10 en 110 ggl. 
wegens teringe der knechttm onder Jacob van 
Covorden en Baex, naar hun zeggen opgeschreven 
in het register van Oldenzaal, en van den 
Sijngelgraven, is verklaard: dat de stad zich 
voor de 450 ggl. wenden moet tot Peter van 
Mouwick, om te vernemen, op wie die som 
„bewesen ende verdeylt" is; dat zij voor de 110 
ggl. na 4 jaar opnieuw vermaninge doen zouden; 
en dat de zaak van den Sijngelgraven rusten 
moet totdat de Stadh. aldaar komt. 

Op het verzoek van Juffer Agnes van Ytters- 
som tegen Herman van Keppel neemt deze aan 



70 

haar te betalen, en aangaande de vordering van 
penningen (van de landschap), is dit* uitgesteld 
tot de komst van 's Keizers Commissarissen. 

Op het verzoek van Jacob Ruese, wien 63 ggl. 
toegewezen waren op C olm scha te, Wijhe en 
01 st, waarvan Herman van Keppel „bedrijffende 
befel" had, en op de klagte van dezen, dat ette- 
telijke hem „togetaxeerde" penningen hem door 
anderen ^ontbeert" waren, zoodat hij .lacob niet 
betalen kan, is verklaard, en overeengekomen, 
dat men Herman op de nu te geschieden ver- 
deeling „bewysen" zal wat hem „ontbeert'' is, en 
dat deze daaruit Jacob betalen zal. 

Op verzoek van Herman Bijtter aangaande zijn 
achterstand aan het kerspel Ommen en Ileino 
van de pi o eg schatting, worden gecommitteerd 
Seyno Mulart, Drost van Salland, en Peter van 
Mouwick, Burgem. te Deventer, om de „parten 
te verglicken" waarmede Bitter betaald kan 
worden. 

Op de klagt van Adolff van Rutenburch aan- 
gaande de hem op termijnen toegewezen gelden 
en dat men hem nog meer „versetten" zoude voor 
geleden schade, is verklaard, dat hierover imiertijd 
te Hasselt geklaard is en daarop niet kan worden 
teruggekomen. 

Op het verzoek van Arent Ghysen aangaande 
schade in dienst der landschap geleden op de 
Velu we, is verklaard, dat men hem na verloop 
van 4 jaar 25 ggl. „bewijsen" zal. 

Op het verzoek van Schweer van Werniel 
is verklaard, dat hij 4 jaar geduld moet hebben. 
Zoo ook oj) het verzoek van de wed. Jan van 
Bcckom met haar kinderen, en op de vermaning 



71 

van Otto Stegeman, die 225 ggl. te vorderen had. 

Op de klagten van Drost en Ridderschap des 
lands van Vollenhoe tegen Roloff Stegeman 
jiangaande zijn verantwoording van de beesten- 
schatting, is verklaard, dat hij deze afleggen 
moet en daar men vreest, dat hij fugitief worden 
zal, zal men hem „doen halden^' totdat hij ver- 
antwoording gedaan heeft. 

In het geschil tusschen Ilinrich Hagen en Volkier 
Sehloet van wege de Ridderschap en erfgenamen 
van Vollenhoe, klagers, tegen Bernt en Frans 
van Beverfoerde gebroeders, aangaande eis tin g 
door dezen gedaan op die van Vollenhoe, van 
zekere onbetaalde handgelden (renten), is ver- 
klaard: aangezien de rekening en het reces te 
Oldenzaal gemaakt, zooweL als de obligatie van 
klagers van geene handgelden spreken, en de 
gebroeders l)lijkens quitüintie de rest van de 
hoofdsom ontvangen hebben, zoo is de leisting 
ten onregte gedaan en zullen de klagers daarvan 
bevrijd zijn. 

Op de suppl. van Otto van Rutenburch tegen 
Aloff V. Rutenburch, is verklaard: daar Aloff de 
ziiak niet in vriendschap wil afdoen, zal Otto zich 
naar landregt mogen reguleren. 

Op de suppl. van Gerardus Kost tegen Heer 
Ernst van Ysselmuyden op de claringe tijdens 
Bisschop Ph. V. Bourgondië gedaan, tegen welke 
claringe Ernst inhibitie van den Officiaal van 
Deventer verworven en pand wering gedaan 
heeft; aangezien een schriftelijk mandaat door den 
Bisschop blijkt gegeven te zijn aan den Pander 
van Salland Herman van Haerst om aan Ernst 
te panden ten name zonder zich aan inhibitiën 
ter contrarie te storen, verklaren Stadh., R. en 



72 

St. de eerste claringe van waarde en zal de Stadh. 
Gerardus ^j)ant8terckinoe Un' name'' weder ver- 
leenen. 

Op suppl. der erfji^en. en buren te Oldeneel 
is den Rentmc^ester van Salland opgedragen zich 
te informeren naar de schade hun door die van 
Hattem aan^^edaan en daarvan rapport te doen; 
en aanji^juinde hnn andere ^jj^ebreken'' op de erf- 
genamen, dit mogen zij aan hen met regt ver- 
volgen. 

De behandeling der klagt van Geert Bon^hartsz. 
Burgemeester van Campen, e. s. tegen de wed. Jan 
en Rolofl' van Ytterssem, over zekere dijk zaak, 
is uitgesteld tot den volgenden landdag, waarop 
de zeven Ilinrieh Krues(»n erfgen. te Campen, 
Andries van Essen's erfgen. te Zwolle, Prior en 
Convent van de Carthuser op den Sonnenbereh 
bij Campen, Bernt van Ytterssem te Zwolle, Jan 
van Ytterssem, Drost te IJsselmuiden, Prior en 
Convent van Belheem en Geert Ijukesz te Zwolle 
versc^hreven zullen worden, terwijl partijen al hun 
bescheid bijbrengen zullen. 

De 8upj)l. oviTgegeven door Jan Gover, Arent 
van Kepj)el, Ilinri(»h Oest(»rhoff (ni Prior en Convent 
van Alberg(m is, daar de t(*genj)artij absinit, de 
toenmalige dijkgraaf hierop niet gehoord en geen 
proces g(^toond is en daar dé heemraden in de 
supplicatie niet genoemd werden, uitgesteld tot de 
volgende dagvaart. 

Op de gebreken van de hoofden en dijken 
betreffende en aangaande de erfgen. van Wyer- 
schaer en Scherpenzeel, committeren Stadh. 
R. en St. Jan Mulart, Rentm. van Salland, 
Burchart van Westerholt, Drost van Vollenhoe, 



73 

Seyno Mulart, Drost van Salland, Herman van 
Keppel en Jan van Bochorst to Sallick, om maandag 
na beloken Pasehen de hoofden en dijken te be- 
zigtigen en met de erfgen. te overleggen, hoe 
hierin te voorzien, terv^'ijl de steden hare gede- 
puteerden daar ook zenden zullen op een door 
den Stadh. te geven instructie en de erfgen. door 
den Rentm. van Salland bij kerkespraak opge- 
roepen zullen woorden. 

1530 Mei 15 (B. iv v», xi v*» — xv v» en xxv vj. 

In het geschil tusschen de Ridderschap en in- 
gezetenen van Twenthe en Hinrich van Rechteren 
met zijn broeders en zusters over schatting, 
door die van T^Ncnthe op de heerlijkheid Alraeloe 
gesteld, komen partijen, door tusschenspreken van 
den Stadh., de Ridderschap van Zallant en VoUenhoe 
en de Steden, overeen, dat hiervan geen questie 
meer k(mien zal voor Stadh., R en St., behoudende 
Hinrich c.s. hun oude vrijheid en geregtigheid ; 
aangaande de schatting, w^aarop de heerlijkheid 
vroeger gesteld is, zullen partijen al hun be- 
wijzen op den volgenden Landdag leveren, om 
dan da^irin te ordonneren naar behooren, terwijl 
. ondertusschen alle regtsvordering zal blijven rusten. 

Op de supplic. der stad Enschede aangaande 
de erven buiten de stad, die met haar plagten te 
contribueren, is geklaard: dat Jan van Twackel, 
Drost van Twenthe, hierin ordonneren zal over- 
eenkomstig de schatregisters en de billijkheid. 

Op de suppl. der kleine steden van 
Twenthe is den Drost bevolen toe te zien, dat 
het mandement gevolgd worde. 

1530 Mei 15 (B. xi v^) 

Op de suppl. van Tymen Lambertz aangaande 
11 ossen, hem met de Drentsche ossen als vijan- 



74 

delijk goed uit Mastebroeck gehaald en getaxeerd 
op 70 Phil. gl., is geklaard: aang. aan die van 
Drenthe, die dergelijke schade geleden hebben, 
daarvan „verset gedaen'* is, zoo zal men ook aan 
hem „verset geven'' van zijn schade en de 70 ggl. 
betalen op termijnen van de verdeeling, die nu 
geschieden zal. 

Op den eisch van Bertolt van Langen van 400 
Phil. gl., welke de Landschap hem schuldig zoude 
zijn voor dienst- en (mderhoud van knechten op 
het huis Enschede, op bevel van Bisschop 
Hendrik, is wegens de onvormelijkheid en duisternis 
zijner rekening, hem toegelegd 200 Phil. gl., 
waarmcHle hij tevredcni is, hebbende hij op zich 
genomen de leveranciers van proviand hiervan te 
betalen, wat hij besteld had. 

Op verzoek van juffer Else van Voerst wed. 
van Mijddel om 85 ggl. hoofdsom, haar toege- 
wezen op die van Batman en Holten, doch 
door anderen ha<ar ontbeurd, benevens de daardoor 
verloopen handgelden, door haar geschat op 84 
gouden fl.; is bepaald, dat men haar „bewysen" 
zal op het land van Sallant; het land van Sallant 
heeft hierop haar 119 ggl. 14 st. toegew'ezen, op 
het kerspel van Oldst 69 ggl. 14 st. en op het 
kerspel Dallefsen 50 ggl. Verder meent de 
liandschap, dat de wed. geen reden heeft om meer 
kosten en handgelden van haar te eischeu, omdat 
„men den wtheymschen geen verloop van hant- 
gelden van hoeren dienstgelt wtgereyckt hefft.*' 

Het verzoek van Hans Franck van wege Zwarte 
Jan van Delft van zeker achterw^ezen aan de 
Landschap blijkens zegel en brieven, is met copie 
van den brief overgeleverd aan Henricus ten 
Spijll, om in de registers na te zoeken. 



75 

Op verzoek der wed. Geerlieh ter Helle aan- 
gaande de schade, door achterstand bij de landschap 
geleden door Boldewijn van Kuechen (?) die de 
landschap voor haren man gediend had, waarover 
door commissie des Stadhouders onderhandeld is 
door Jan van Bochorst to Sallick en Gheert 
Borchertsz, Burgem. van Campen, geven Stadh. R. 
en St. haar nog boven het vroeger gegevene 200 ggl. 

Gedaan te Vollenhoe. 

Willem van Dotekom, Schout te Deventer, die 
96 ggl. van de landschap te vorderen had sedert 
1526, welke hem uit de beestenschatting van 
Ommen zouden betaald worden, klaagt, dat Jan 
van Voerst uit die schatting 60 ggl. gebeurd heeft, 
zoodat hij onbetaald bleef. 

Hierop wordt verklaard, dat uit genoemde 
schatting over 1529 aan v. D. 60 ggl. betaald 
zullen worden, terwijl voor de andere 36 ggl. 
een nieuwe uitzetting over het kerspel gedaan 
zal worden. 

Aan Reynt van Coevorden die 350 ggl. hoofd- 
som, 200 ggl. asm verloopen handgelden, en voor 
andere kosten nog 122 ggl. van de landschap te 
vorderen had, worden „bewesen*' op het kerspel 
Ommen 350 ggl. voor hoofdsom, van wege 
Lijpperheyde van een paard 50 gl. en van wege 
den Schout van Deventer 60 gl. terwijl hij voor 
de handgelden eerst nader opgave doen moet. 

Op verzoek van Jan Mulert, hofmeester des 
Stadhouders, namens de erfgen. van Symon van 
Dehem, voor een rest van 100 Ph. gl. hen op 
het kerspel van Rijssen „bewesen", is verklaard, 
dat Mulert de wed. van Geert van Laugen, Drost 
van Salland, vervolgen zal voor 75 Ph. gl., en 
krijgt hij geen geld, zoo zal zijn actie gereserveerd 



76 

blijven op het land van Salland, en de andere 
25 fr\, zal hij krachtens bekentenis van Jan van 
Twiekelo, Drost van Twenthe, manen uit het 
kerspel van Rijssen. 

Op de klagt van Jan van Wermel de 01de is 
verklaard, dat hij tevreden moet zijn met de ver- 
leende „bewysinge" en aangaande zijn klagt van 
schulden van 1510 zal hij aan het einde der 
loopende 6 jaar weder vermaninge doen en zijn 
bescheid bijbrengen. 

In zake Mr. Willem Scheppinck alias Husinck 
en zijn zuster Trutgen Husinck met hun adherenten, 
teg(»n Mr. Henri(?k Middelwick over de possessie 
van het goed ten Dam in het kerspel Colmen- 
schaote, welke quaestie beroepen is in claringe 
wtiar zij naar de natuur des goeds behoort, is 
vfn'klaiird : dat Mr. Henrick blijkens zekere schrif- 
tuur in de possessie bevonden, daarin blijven zal, 
totdat hij met de claringe daaruit „geschleten" 
is, doch het goed niet „bloeten" of verergeren zal. 

1530 Mei 16 (B viii v« en xij). 

Daar de wed. van Jan van Ytterssum Wolffsz 
klaagt door de crediteuren overvallen te worden, 
en niet tot de haar (op 9 Mei) toegelegde pen- 
ningen kan geraken, zonder dat een accoord met 
haar crediteuren gemaakt en de arresten afgedaan 
worden, is door Stadh. R. en St. te VoUenho de 
volgende „notele" tusschen haar en de crediteuren 
gemaakt. 

Daar op 27 April 1526 door R. en St. met 
J. V. Y. Wz. een verdrag gesloten is aangaande 
zijn achterstand bij de landschap, dat op 9 Mei jl. 
aan zijn wed. en kinderen bevestigd is, doch de 
haar toegewezen gelden gearresteerd zijn, zoo 
schenkt de landschap haar 300 ggl. voor kosten 






77 

en schaden op dat verdrapf geloopen, en nog 1 
jaar handgeld op de gelden haar van de kerspelen 
toekomende; daar zij voorts schuld met schuld 
wenscht te betalen, draagt zij over: aan Schweer 
Schele 200 ggl. door het kerspel R aal te te be- 
talen, om daarmede te lossen 20 mud rogge per 
jaar, opgenomen van het klooster te Sipkeloe; 
aan Roelof van Scheven 500 ggl. op het kerspel 
Enschede en 100 ggl. op het kerspel Riuilte, 
om d:iarmede te lossen 30 ggl. per jaar door 
Roelofs zal. vader voor Joh. v. Y. verset aan 
Heer Bemt Morninc, Deken van S. Lutgert te 
Munster; aan .luffrouw van Coef orden 500 van 
de 600 gl. op het land van SfiUand tot kwijting 
eener rente van 25 gl. per jaar, door Johan aan 
de wed. Boschhoeves te Zutphen verzet; aan 
Heer Florishuis te Deventer 100 gl. en260gl. 
op de Landschap tot vrijing van gelden aan Johan 
voorgeschoten; aan Herman Mulart Schout te 
Zwolle 620 ggl. op het kerspel van Zwolle; 
aan Dierich van Kuynre 304 ggl. op het land 
van Vollen hoe. Verder zal de wed. zelve ont- 
vangen van het kerspel Zwolle 31 en van het 
kerspel Raalte 28 ggl. aan verloopen rente, terwijl 
Jan Bentinck en Mr. Jacob van Langen voldaan zijn. 

Op verzoek van Rolofif van Wterwick aan- 
gaande zijn gevangenis, kosten en schade, 
hebben R. en Öt. overwegende, dat hij trouw ge- 
diend heeft, hem 80 ggl. toegelegd, die hem in 
de aanstiiande verdceling zullen toegewezen worden. 
Roloff hiermede tevreden heeft de Landschap be- 
dankt (»n zijn aanspraken kwijtgescholden. 

Op de klagt betreffende Jan öoyer is geklaard: 
dat men met hem verrekenen zal wat hij aan de 
Ijands(»hap geleend heeft met de verloopen hand- 
gelden, en is gebleken dat hem toekwamen 210 ggl. 



78 

hoofdsom en 175 fl. handg^eld, van welke 385 gl. de 
Landschap op Michaëlis 200 fl. en de rest een 
jaar later betalen zal; aanpfaande zijne gevan- 
genis en de kosten en schade daardoor geleden 
is bevonden, dat dit de Landschap niet aangaat, 
die zich hierover verantwoorden zal op de eerste 
dagvaart, welke tusschen den Keizer en den 
Vorst van Geiler gehoudeji zal worden, waar 
Adriaen van Twickel en Herman van den Clooster 
namens de Ridderschap verschijnen zullen en de 
steden zullen er ook 2 van harentwege zenden. 
Betreffende een handschrift, door hem aan Ilenrick 
ien Oever gegeven tijdens zijne gevangenis, is 
geklaard : aang. Henrick bekend heeift de knechtc^n 
voor die penningen „geloefft" maar nog niet betaald 
te h(^l)ben, zal Goyer van dat handschrift en Henrick 
van de knechten vrij zijn volgens het tractaat. 

Op het artikel in de klagt van Roloff van 
Hoevel aangaande 115 gouden fl., hem afgetrokken 
van zijn „soldt van wegen sinen werdt to Deventer," 
dien hij ten deele betaald heeft en ten deele nog 
betalen moet, is geklaard: dat men hem bij de 
volgende verdeeling die som zal toewijzen en dat 
zij weder zal gc^kort worden aan de som der 
burg(iren van Deventer. 

Op het verzoek der wed. van Bernt van Loen 
a^ingaande 40 Phil. gl. voor 2 dagen soldij, die 
de Landschap aan hem en zijne knechten schuldig 
was gebleven tijd(^ns Paltzgraiif Hendrik, is men 
op voorstel van Pet(^r van Mouwijck ovennmge- 
komen, daar er geen bewijs aanwezig was, dat de 
Landschap bij de et^rste uitzetting aan de wed. 
zal toewijzen 25 Phil. gl. en verder niet aan haar 
schuldig zal zijn. 

1530 Mei 17 (B. v v«, x v°, xxij, xxv v** en xxviij). 
In het geschil van de stad Hasselt met de 



79 

Ridderschap en erfgenamen van het land van 
VoUenhoe over de „wtsettinge'' van de schatting 
waardoor Hasselt zich bezwaard acht in zijne 
vrijheid en geregtigheid, is geklaard: dat die van 
Hasselt van de 32081 ggl. waarop het land van 
Vollenhoe voor de laatste 6 jaar gesteld is, 480 
ggl. voor het laatste jaar, verschenen St. Jan 1529, 
en voor de andere 5 jaren 1100 ggl. betalen zal. 
Gedaan te VoUenhoe. 

Op do klagt van Aernt Schutte, harnasmaker 
van Wesel, dat hem de landschap van de hoofd- 
som van 438 ggl. 9 st. rente en schade schuldig 
is en niet betaalt, besluiten R. en St hem 160 
ggl., 19 st. te geven, makende met de hoofdsom 
600 ggl. verbindende zich de 3 steden voor de 
betaling. Voor kosten zijner reis naar Vollenhoe 
krijgt hij 6 Phil. gl. 

Daar geschil ontstaan is door „'t verloep der 
veeden" en de inneming van Hasselt in 1527 en 
1528 aangaande de platte landen, klaren 
Sbidh., R. en St. : P. waar de platte landen niet 
altijd voor het ossen weiden gebruikt hebben 
kunnen worden, zal de pachter over '27 den 4en 
penning en over '28 den 3en penning korten 
mogen; 2®. waar de geheele pacht van een land 
door den vijand gebeurd is, zal de rente daaruit 
gaande dat jaar niet betaald worden; 3^. waar 
de ossen door den vijand van het land genomen 
zijn, zal de pac^hter vrij zijn van pacht tt^ betalen ; 
van landen voor anderen beschadigd zooals de 
landen voor Hasselt, waarop het leger geweest 
is, zullen de rigtcvrs des verzocht „sich gebuer- 
licken halden" en diiarin naar billijkbeid laten 
geschieden, zullende de .huislieden op die erven 
wonende hiervan uitgezcmderd zijn, die hun volle 
pacht bij behoorlijke korting „van der dingtails 
penningen" betalen zullen. 



80 

(.'p de klagt van do wed. Dirick Wayer tegen 
Willem Kuster van 2 „vullen'' door Willem van 
haar gekocht voor 9 Phs. gl. en 1 oort, welke 
hij niet betaalt wegens „hesactinge/' welke hij 
zegt op het geld gedaan te zijn door Herman 
Mulart wegens zeker exces, dat Dirick aan den 
dijk gedaan zoude hebben, is verklaard, dat 
Willem de wed. betalen zal, terwijl wie een actie 
tegen den man heeft, deze met regt zal mogen 
aanleggen op den man en niet op de penningen. 

In zake de hoofden te Vekoten en Wilssem 
is besloten zondag e.k. te Zwolle en Campen 
kerkespraak te laten doen, dat de erfgen. die het 
aangaat maandag daarna zich te Zwolle vervoegen 
moeten, en gedeputeerden ordonneren des anderen 
daags de rekeningen te hooren van de hoofdmeesters 
te Vekoten, des woensdags te Wijlssem om de 
rekeningen van de hoofdmeesters aldaar te hooren, en 
daarna zullen de erfgen. en gedijkten van Vecaeten, 
Zwollerkerspel, Wijlssem en Uterwijck op 
den Stoudijk komen des vrijdags morgens ten 8 
ure, om overeen te komen aangaande verder uit- 
zetting volgens het verdrag over de hoofden ge- 
maakt. 

Op het artikel van de munt consenteert de 
Ridderschap in den voortgang, doch dmxr de steden 
nog niet „beraeden'' zijn, zullen zij over 10 dagen 
den Stadh. antwoord geven; en aangaande de 
alliantie met Vriesland is de Ridderschap 
daarmede tevreden; de steden achten het ook 
goed, doch zullen ook hierop over 10 dagen ant- 
woorden. 

1530 Junij 15 (B xxxvi.) 

De afgezanten van Campen Ilenrick Wijnkentss 
en Claes Kroese, van Zwolle Rutger Hermansz 
en Kristiaen van Diepenbroeck en de geordonneerde 



81 

hoofdmeesters Claes Kruyse, Schout te Campen, 
Herman Mulart, Schout van Zwolle, en Jasper 
ten Holte op het hoofd te Vekaeten verschenen 
met den hoofdmeester (^besierer^') van Wijck 
Geert Jansz maken het volgend concept op de 
dijkagie aldaar. 

Do hoofdmeester meent, dat men Vo ir ster- en 
Westerholter-weerd moet „besticken'', wixar- 
door men meent, dat de hoofden in korten 
tijd binnen 's lands gelegd en beschermd kunnen 
worden. 

Hij acht het niet goed, dat men aan Boeck- 
horster veerhoofd kosten make; maar zoo 
men den voornoemden weerd niet mestten eersten 
bestikt, zoo zal men het hoofd in zijn volle 
lengte en breedte vierkant weder moeten opmaken. 

Het nieuwe hoofd te Vf^ekaeten acht hij noodig 
„dat men datselve tegens stroem v<an den dijck 
XV treeden tot xx treeden ant hoeft mitlidich 
anbreede ende hoegent opt ende.'* 

Nog moet men een hoofd leggen op de inlagen aan 
den dijk van Johan van Ytterssem, Drost te IJssel- 
muiden, „drie roede jnt waeter mitlidich gelecht.'^ 

Nog zal het nu of in volgende jaren noodig 
zijn, dat men een hoofd „mitlidich vier roede 
lanck jnt waeter lede'' even hoog als de dijk op 
1 tonne na, breed 3 roeden, tusschen de dijken 
van Roeloft' van Ytterssem en Geert Swarte boven 
de middelste inlage. 

Nog een hoofd l>ij Geert Lukensz 6 roeden 
tegenover den opweg en Bate Ahuys in het water, 
5 roeden lang „midlidich breet 4 roeden." 

Nog moet men het oude hoofd bij den dijk 
van Jacob van Ytterssem, die daarmede besc^hermd 
zal worden gelijk eertijds, vierkant overal opmaken 
en 8 roeden verlengen „midlidich;" het zal breed 
zijn aan den dijk 5 of 6 nxMltui en op het einde 
SV» roede. 

6 



82 

Zoo dat hoofd ^sich daer boeuen soeanwonne" 
als te vreezen staat, zal men daar beneden of 
„middels van Jaeob v. Y. 's dijk'' over een jaar 
of 2 een hoofd legjj^en van 2 roeden in het water. 

Het hoofd te Wijltssem make men zoolang, 
dat het water voorbij Coll en sant schiet, hetgeen 
10 of 12 roeden vereischt. 

Het hoofd djiar tegenover aan Collensant reparere 
men waar het doorgeloopen is aan het einde en 
dat men het in de lengte weder opmake waar 
het gezonken is en het even hoog make als het land. 

1529 [1530] Aug. 22 (B. xxix v«). 

De Stadhouder van Vriesland en Overijssel in 
bijzijn van Borehart van Westerholt, Drost van 
Vollenhoe, Johan Mulart, R(mtm. van Salland, 
Folekier JSchloet, Heerman van den Cloester en 
Hinrieh llaegen, gehoord hebbende het geschil 
tusschen juffer Cristine Pfluegres, oudste dochter 
van zal. Roeloeff Overhaegen, klagerse, en Juffer 
llinrioh Glinthagen wed, R. Overhaegen hare 
moeder, en Juffer Aleijt v. O. de jongste zuster, 
verw., 1°. over leengoederen door die moeder ver- 
kregen van haren zal. zoon uit haar Ie huwelijk 
Sweer Dorre en door den Leenheer bevestigd, 
waarop Christina oudste dochter uit het 2e bed, 
voor een deel minspraak maakt; 2®. over de leenen 
van zal. R. v. O., half vervallen op zijn wed. 
krachtens hu wel. -voorwaarden en half op diens 
zoon Claes v. O. en na diens dood op Christina 
als oudste dochter, terwijl Aleyt op die laatste 
helft ook eenig regt meent te hebben; 3». over 
ontvangen penningen en vruchten van die leen- 
goederen en over kleedinge, heeft verklaard: ad 
1. zoo Christina regt op die goederen meent te 
hebben, mag zij dit met regt vervolgen; ad 2. 
zoo Alijt op de aan haar zuster toegewezen helft 
eenig regt meent t(^ hebben, mag zij dit voor 






83 

den behoorlijken Rigter vervolgen; ad 3. dat 
hierover bij compromis uitspraak gedaan zal 
worden door Frederick van Twickel, Roelof van 
Scheven en Heer Dirick van den Cloester daartoe 
door Christina gekozen, en Adriaen van Reede, 
Drost te Laghe, Jan Schotte en Mr. Reyner, 
Burgemeester van Oldenzaal, door de moeder en 
Aleyt gekozen: wat dezen wijzen, beloven par- 
tijen op haar vrouwelijke trouw en handtasting aan 
den Stadh. gedaan, te zullen nakomen. 

Gedaan te VoUenhoe. Het jaartal is blijkbaar foutief. 

1530 Aug. 25 (B. xxx V). 

In zake Bernt van Ytterssem, Burgem. van 
Zwolle, tegen Herman Luesse en diens kinderen 
over een contract en uitspraak op 11 Mei '29 
door zekere „sonsluden'' gemaakt en door Luesse 
overtreden, is door den Stadh. in der minne uit- 
spraak gedaan : dat Luesse het door hem bewoonde 
en aan v. Y. behoorende erve met S. Peter ver- 
laten en in het rustig bezit van dezen laten zal, 
betalende de huur evenals vorige jaren; daaren- 
tegen zal Bernt voor de „pacten'* (gepoote boomen) 
volgens het contract betalen ; en over het „timmer'' 
op het erve behoorende aan Luesse, zullen zij 
binnen 1 maand schikking maken, of zoo dit niet 
gaat zal Luesse het mogen afbreken. 

Gedaan te VoUenhoe. 

Getuigen: Borchart van Westerholt, Drost van 
VoUenhoe, Seyne Mulart, Drost van Salland, Henrick 
Haegen, Volckier Sloet en Herman van den Closter. 

1530 Aug. 30 (B. xxxi v«). 

De Stadh. [gelast] den Drost van Twenthe Jan 
van Twickel te arresteren alle penningen, welke 
de stad Oldenzeell den er fff. van Hans van 
Ezens ten achteren is, totdat Albert van Knypens 
betaald zij van 40 Phs. gl. 



S4 

1530 Sept 3 (B xxxii v»). 

De Stadh. handelt te Campen over de hoofden en 
dijken van den IJsselötroom in bijzijn van Jan Mulart, 
Rentni. van Salland, Burchart van Westerholt, Drost 
van Vollenhoe, Peter van Mouwiok en llinriohPlaet- 
nian, f>*<Mh»puteerden van Dcncuiter, Claes Kroezer 
en Ilinrieh Wijnkens, o^edej). van Campen, Rutger 
llennansz en Kerstgen van Di(^penbr()(*k, j^edep. 
van Zwolle, als volt^^t: 

In het «i^c^sehil tiisschen de hoofdmeesters van 
den dijk te Vekaeten en de erfgen. van het 
kerspel Zwolle, over de vier hoeven van Johan 
van Buehorst, g:enaaind de Yeekoeten, lij^p^ende 
(nidt^r het kers])el en geriii^t van Zalleek, welke 
de erfgen. bijtrekken willen in de contributie en 
betaling? van de hoofden van den Stoudijk en 
Vekaeten, is geordonneerd: daar v. B. genoegzaam 
bew(^zen heeft, dat die hoeven tot de hoofden niet 
gecontribueerd hebben, omdat zij niet in het kerspel 
Zwolle liggen, waartegen de erfgen. geen vol- 
doend t(*g(*nbewijs geleverd hebben, zoo zullen 
de (M'fgen. hem ongemolesteerd laten. Aangaande 
de TV^ gl. van de 2 hoeven te Genne, zullen 
de hoofdm(*est(n's informatie nemen op de landen 
daarto(ï Ix^ioorende, en dic^ landcm zulhm evenals 
andiTe naar advenant betalen, doch de landen, 
die wat(T g(iworden zijn, zulh^n vrij zijn. Aan- 
gaande de Vl^ gl. van 2 hoeven tellaerst, deze 
zullen naar oude gewoonte volgens het Register 
betalen. Aangaandfï de 8 ggl. v. B. toegeslagen, 
d(»ze nux^t hij betalen, en zoo hij deswegens iemand 
heeft jwn te spreken, mag hij dat met regt doen. 

Aangaande Roeloff van Itterssum/s schuld van 
107 ggl. is geordonneerd, dat hij die betalen en 
derhalve met do hoofdm(;est(n*s „hem V(»rdraegen" 
mocït, zoodat de Stadh. daarvan g(H^n klagt meer 



85 

hoore; waarop hij aangenomen lieeft Lammert 
Reael te Deventer tevreden te stellen van 60 ggl. 
en rie rest te betalen aan de Paters van Belheem 
en Bergklooster tusschen nu en S. Michaëlis. 

1530 Sept. 4 (B xxxiii v"* en xxxvij v°). 

Op den eisch van de w^ed. Jan van Itterssum 
aan de erfgen. der gedijkten van Veekoeten en 
Zwollerkerspel voor haar moeite en arbeid 
aan de hoofden en dijken eertijds gedaan, hebben 
de erfgen. „duer guetlieke onderwysinge'' des 
Stadh., haar kwijtgescholden de rest van 28*/* ggl. 
door haren zal. man meer gebeurd dan betaald, 
en haar geschonken 22^1^ ggl. 
Gedaan te Campen. 

In zake Jan ter Marsch en Jan Luessen tegen 
de ^geschickten'^ van Vortman, Wye, Oldst en 
Ilenfreden (Ilengforden) over zekere hoofden en 
dijken te Wyerschaer en Scherpenzeel, wordt 
bepaald: aangezien de „geschickten'' geene volmagt 
hadden, zullen zij terugreizen, aan hunne gemeene 
erfgenamen de zaak voordragen en door hen ge- 
raagtigden laten kiezen, die op dingsdag na Nativ. 
Mariae voor den Stadh. te Vollenhoe verschijnen 
zullen; de Rentm. van Salland zal hiervan kerke- 
spraak laten doen op O. Tj Vr. dag te Wye, 
Oldst en Scherpenzeell. 

Daar Rutger Hermansz en Kerstgen van Diepen- 
broeck, afgezanten van Zwolle, te Campen bij den 
Stadh. zijnde, aangenomen hebben hun geschil 
tegen die van Ommen van eenige gehaalde 
ketelen, om welke door den Schout van Ommen 
een arrest tegen die van Zwolle geschied is, aan 
de beslissing van Stadh. R. en St. te (mderwerpen, 
zal de Stadh. aan den Schout schrijven, om het 
arrest op te heffen en de zaak te laten verklaren 
door Stadh. R. en St. 



86 

Daar de gemagtigde gedeputeerden van de ge- 
dijkte erfgen. te Wilssum en Weterwick en 
de gemagtigden der erfgen. van Swollerkerspel 
overeengekomen zijn het hoofd te Wilssum te ver- 
lengen, zoodat de IJsselstroom gedwongen wordt 
voorbij Kolensant te drijven en verder van 
Kolensant een nieuw hoofd te laten slaan, volgens 
eene „notele" daarvan opgemaakt en berustende 
in de Cancellarij op het slot te VoUenhoe, komen 
Thymen van den Vene Hinrieksz en zijn broeder 
bij den Stadh. klagen, dat hun landen hierdoor 
zeer bezwaard worden; zij hebben echter op aan- 
drang des Stadh. tot welvaart van het gemeene 
land voor deze reis in de zaak toegestemd, be- 
houdens hun geregtigheid, en zonder consequentie, 
mits de hoofdmeesters tot opmaking van het kleine 
hoofd de aarde slechts daar nemen, waardegebr. 
dit aanwijzen en vergunnen zullen, en ze betalen 
volgens schatting van Johan Mulart, Rentm. van 
Salland, en Borchart van Westerholt, Drost van 
VoUenho. 

Daar het hoofd te Wijlssum verlengd en ver- 
sterkt moet worden, zoodat de IJsselstroom ge- 
dwongen wordt voorbij Coelensant te drijven 
en van Coelensant een nieuw hoofd geslagen en 
gemaakt moet worden, volgens concept gemaakt 
door de hoofdmeesters en den „beserer'* van Wijck 
Geert Jansz, hetgeen getaxeerd is op 1200 ggl., 
wordt voor den Stadh. Johan Mulart, Rentm. van 
Salland, Burchart v. Westerholt, Drost van VoUen- 
hoe. Peter v. Mouwijck en Henrick Plaetman, 
Burgem" van Deventer, Claes Kroeser en Henrick 
Wijnkes, Burgem„ van Campen, Kerstgen van 
Diepenbrocok en Rutger Hermansz, Burgem" van 
Zwolle, gezonden vrienden, hiertoe geroepen door 
de gemagtigde gedeputeerden van de gedekte 
erfgenamen te Wijlssum en We ter wij ck, namelijk 



87 

Heer Ernst v. Ysselmuden, Alphert v. Ysselmuden, 
Thymen van den Veene Evertsz, Pastoor en 
afjf?ezant der stad Wilssum, en Jacob Hoff, en de 
gemajftigden der er%en. van Zwollerkerspel, 
nl. lieer Gerard van den Cloester, Prior in den 
Bcrch, Johannes v. Oldenzeell, Prior van Belheem, 
Helmich v. Twenhuisen Ambtman, Goert t^n 
Waeter, Herman ten Busch, Johan v. Wermel, 
Dirick V. Twenhuisen, Johan v. Boekhorst, Geert 
v. Ynfjen, Lutger v. Wilssum, Roloff v. Ytterssum 
en Johan Wolffz, overeengekomen, dat de gedijkte 
erfgon. 700 ggl., het kerspel van Zwolle 250 ggl. 
en de Keizer 250 ggl. tot die som betalen zullen 
binnen 14 dagen in handen der gecommitteerde 
hoofdmeesters Heer Ernst v. Ysselmuden, den Pater 
van Brunnep, Claes Cruese, Schout te Campen, 
Henrick v. Doetekom en Jasper ten Holte. De 
Hoofdmeesters kiezen tot hunnen pander Evert 
Hermansz van Campen, dien de Stadh. hun ge- 
gund en daartoe gecommitteerd heeft. 

1530 Sept. 4 (B xLÜi). 

Daar geschil ontstaan is tusschen de erfgen. 
van Otto Loedings en het klooster van Wijnssum 
(Windesheim) als waarborgen, aangaande eenige 
differenten tusschen de erfgen. en Goert van 
Ilaerst, wegens diens wanbetaling van eenige 
termijnen, weshalve het klooster met geestelijk regt 
vervolgd en met ban en interdict bezwaard is, 
klagen Prior en conventualen bij den Stadh. met 
verzoek uit den ban ontslagen te worden. Dien- 
tengevolge is door den Stadh. met Burchart van 
Westerhol t, Drost van VoUenhoe, Peter van Mou- 
wick en Hinrick Plaetman, Burgem" van Deventer, 
geordonneerd: dat Goert tusschen nu en 8 dagen 
na Martini quittantie overleggen zal ten bewijze, 
dat de erfgen. de 2 termijnen, welke zij ontkennen 
ontvangen hebben gelijk Goert beweert, met op- 



88 

^ave, dat do quittantie hem ontvreemd is; endaar 
Goert aanjf(»b(>d(»n h(»eft bij gebreke van de quit- 
tantie den ved te doen of door de tegenpartij t<^r 
(H)ntrarie wil laten doen, zal hij daartoe toegelaten 
worden, terwijl de gemaakte 80 ggl. kosten zullen 
blijven rusten tot Kersmis e. k., binnen welken 
tijd de Stadh. daarov(T met R. en St. spreken 
zal. De erfgen. nemen er op dezen voet genoegen 
mede, dat de ban opgeheven wordt. 

1530 Sept. 14 (B xxxviii). 

Daar de hoofden van den dijk te Seh er pen zeel, 
toekomende aan Jan ter Marsch en Jan Luessohe 
met de andere gedijkte erfgen. hunne adherenten, 
bijtijds voorzien moeten worden, en dezen geklaagd 
hebben, dit alleen niet bij magte te zijn, heeft de 
Stadh. de erfgen. van Oldst, Vortman en Wye 
verzocht, gedeputeerden te zenden om hierover te 
spreken, die te VoUenhoe gezonden hebben Jaoob 
V. Wijnssum, Burgem. van Deventer, en Aerat 
V. Oldeneell namens die van Vortman en Olst, 
en Bernt v. Maenen namens die van Wve ; dezen 
hebben bewilligd, dat de erfgen. van Vortman 30, 
die van Olst 15 en die van Wye 50 vijmenhout 
ten bate van het hoofd geven zouden; de Stadh. 
zal dit aan de klagers melden en zoo dezen het 
hoofd, dat d(^ hoofdmeester van Wijek geordonneerd 
heeft, daiirvoor aantasten willen, zal de Stadh. 
zijn brieven daarop geven, tot voorkoming, dat 
deze zaak in consequentie getrokken worde. 

Gedaan te VoUenhoe. 

Tegenw. : Johan Mulart, Rentm. van Salland, en 
Bnrchart van Westerholt, Drost van VoUenhoe. 

De Stadh. beveelt den Drost van Salland 
schriftelijk en den Drost van VoUenhoe mondelings, 
met alle naarstigheid te zorgen, dat aan de Kettelere 
de penningen van 1529 en 1530, toegewezen uit 



89 

kerspels in hun ambt gelegjeii, op Miehaëlis e.k. 
betaald worden aan payement geldig binnen de 
stad Munster en de sehade hierop door onge- 
hoorzaamheid veroorzaakt, op de nalatigen te ver- 
halen. 

lïet geschil tusschen B. S. en R. van VoUenhoe 
en Herman Lanting in den Blankenham, over 
een boete van Herman geëischt, wegens ettelijke 
woorden over den Raad gesproken, is ten gevalle 
des Stadh. door den Rentm. van Salland en den 
Drost van VoUenhoe bijgelegd, zoodat Herman 
voor Martini 4 ggl. aan B. S. en R. betalen zal. 

1530 Sept. 15 (B xxxix). 

In zake Jan van Steenwijck namens zijn vrouw, 
tegen Jacob de Wreede Arentsz over een 
proces van 12 morgen land in Lierebroeck, 
in het kerspel van der Heyne, waarvan 6 morgen 
een Abdissen-goed zijn, welk proces onvormelyk 
en anders dan na^ir regt behoort door den Stadh. 
bevonden wordt, remitteert deze de partijen naar 
den Drost van Salland, voor wien zij n^iar land- 
regt procederen zullen, en handhaaft v. St. in 
de possessie waarin hij bevonden wordt, totdat 
hij met regt daaruit gesleten zal zijn, casserende 
en afdoende al wat door Egbert van Rechteren, 
Schout van der Ileyne, in de zmik gedaan is, met 
compensatie der tot dus ver gevallen kosten. 
Gedaan te VoUenhoe. 

1530 Sept. 20 (B xL v«). 

In zake Heer Aerndt Hertgerts Priester, tegen 
Hinrich Floerisz gildemeester, Albert Reyners en 
Willem Dircks, gemagtigden van de gildebroeders 
van S. Annen-gilde in Onze Lieve Vrouwekerk 
in Mastebroeck, over een renversaalbrief van 
5 ggl. perjiiar, door Aemt tot zijn levensonderhoud 



90 

van de gildemeesters gevorderd en door dezen 
geweigerd, waarom Aernt met geestelijk regt 
procederende het zoover gebragt heeft, dat de 
gildemeesters in den ban gedaan zijn, die nu 
den Stadh. gevraagd hebben de zaak te laten 
bijleggen; is door tusschenkomst van Burehert 
van Westerholt, Drost van Vollenhoe, Mr. Aernt 
Pastoor van Giethoorn en Heer Anthonis Hermansz, 
Viearien te Vollenhoe, de zaak zoover gebragt, 
dat Aernt de kosten groot omtrent 60 ggl. kwijt- 
gescholden heeft, dat de gildemeesters den ver- 
langden renversaalbrief gegeven hebben, terwijl 
de lijfrente na Aemts dood vervallen zal aan het 
officium en de dienst van S. Annen-gilde; de 
zesde gulden van zijn gift en donatie zal voortaan 
door het officie van S. Anna gebeurd worden en 
aangaande de fundatie van dat officie en de dienst 
van 2 missen per week zullen de Drost, Mr. Aernt, 
Hr. Anthonis en beide partijen een verdrag maken ; 
kunnen zij het niet eens worden, zoo zal de 

Stadh. een overman stellen. 
Gedaan te Vollenhoe. 

1530 Nov. 6 (B. xLi). 

George Schenck, Stadhouder, stelt Hinrich 

Mulart Jansz. van den Oerdel aan tot Dijkgraaf 

van Salland, op eene wedde van 60 pcmd van 

40 groot Vlaamsch, (welke door Gerardt Mulart, 

Joest Sasbout en Yincent Comelis, Meesters van 

de Rekenkamer van Holland, geordineerd zijn hem 

te betalen door den Rentm. van Salland,) en de 

gebruikelijke profijten. 

Gegeven te Vollenhoe. 

1530 Nov. 14 (B. Lvii r). 

De Studh. houdt met R. en St. den eersten 

regt dag te VoUenhove. 

Dingwaarder: Johan Mulart, Rentm. van Salland. 
Eeurnoten: Hinrich Hagen en Folckier Schloet. 



91 

De zaak tusschen Hasselt en Zwolle over 
de brug is tot den volgenden regtdag uitgesteld, 
om ze zoo mogelijk ondertussehen in der minne 
te schikken door Deventer en Campen en eenige 
onpartijdigen uit de Ridderschap, zullende anders 
op den volgenden regtdag naar landregt beslist 
worden. 

De zaak tusschen Peter van Voerst, als ge- 
magtigde zijns vaders Jan v. V., en Ilinrich 
Huyrlinck, als gemagtigde van juffer Agnes van 
Domijnck, huisvrouw van Johan van Ytterssum, 
den ouden Drost van Zalland, is besteed aan 
Johan Schloet, die wijst : mingezien Hinrich bewijs 
zijner volmagt getoond heeft, zal hij in regten 
moeten antwoorden. 

Van dit ordel heeft Ilinrich terstond beroep 
gedaan op de klaring. De regtdag wordt daarop 
tot den 15en en op den 15en tot den 16en Nov. 
uitgesteld. 

1530 Nov. 15 (B xLiiii v«). 

Landdag te Vollenhoe gehouden door den 
Stadh. met: 

Jan v. Twickel, Drost van Twenthe, Jan Mulart, 
Rentm. van Zalland, Borchart v. Westerholt, Drost 
van Vollenhoe, Seyno Mulart, Drost van Salland, Adriaen 
V. Reede, Drost te Laeghe en Rentm. van Twenthe, 
Jan V. Ytterssnm, Drost te IJsselmuiden, Lubbert 
Mulart, Schout te Hasselt, Heer Bemt van Schelick^ 
Commandeur te Ootmarsum, Aloff en Ott v. Rutenburch, 
Frederich v. Twickell, Sweer Scheell, Bernt v. Bever- 
foerde toe Weemssel, Hinrich Haegen, Folckier Sloet, 
Herman v. den Cloester, Jan Schloet, Peter van Foerst, 
Gerrit v. Oesterwoldt, Jan v. Wermel toe Westerfeldt^ 
Aemt Mulart, Jan Rengers, Jan v. Echten; Mr. Geert 
Swaeffgen en Mr. Engbert v. Dotekom, Schepenen en 
gezanten van Deventer, Johan v. der Vecht en Gert 
Burchartsz, Schepenen en gezanten van Campen, Bernt 
V. Ytterssum en Jan v. der Marsch, Schepenen en 
gezanten van Zwolle. 



92 

Op (ie klaj]^ton der arme huislieden, die door 
den oorlog schade geleden hebbeu aan wagens, 
pmirden, (loor gevangenschap, enz. is geklaiird, 
dat elk zich zal vervoegen bij zijn Drost of Ambt- 
man met bewijs van dien, waarop de Ambtman, 
een van de Ridderschap en een van de Raads- 
vrienden der steden de schade onderzoeken en 
daarvan op de volgende dagvaart rapport doen 
zullen, om dan daarop te beschikken. 

1530 Nov. 15 (B. xix). 

Op het verzoek van den Commandeur van 
Ootmarsum wegens gelden, welke de landschap 
aan de Commanderij schuldig was, is verklaard, 
dat hij geduld moet hebben tot na 1534. 

1530 Nov. 15 (B. Lviii v'). 

De Stadh. houdt zijn eerste Claringe op het 
slot te VoUenhoe met R. en St als: 

Johan Mnlart, Rentm. van Salland, Burchart van 
Westerholt, Drost van Vollenhoe, Seyno Mulart, Drost 
van Zalland, Jan v. Ytterssum, Drost te IJsselmnden, 
Lubbert Mulart, Schout te Hasselt, Heer Bemt van 
Schelick, Commandeur va|i Ootmarsum, Aloff en Ot v. 
Rutenburch, Sweder Scheele, Bemt v. Bevervoirde toe 
Wemssel, Hinrich Haegen, Folckier Schloet, Peter 
V. Voerst, Gerrit v. Oesterwolt, Jan v. Wermel to 
Westerfelt, Aernt Mulart, Jan Reng^ers, Jan v. Echten, 
Mr. Geert Zwaeffken en Mr. Engbert v. Dottekom, 
Schepenen van Deventer ; Johan v. der Vecht en Geert 
Borcharts, Schepenen van Campen ; Bemt van Ytterssum 
en Johan v. der Marsch, Schepenen van Zwolle. 

In zake Jan van Voerst tegen Agnes van 
Dorningen is geklaard: wel gewezen en kwalijk 
beroepen en dat Hinrich Iluyrlinek van wege 
juffer Agnes moet antwoorden op den tegen- 
woordigen regtdag. — Agnes 1 boete. 

1530 Nov. 16 (B viii). Vervolg van den Regtdag. 

De zaak tusschen Jan van Voerst en Agnes 



93 

van Domijnek van een brief van 300 ggl. met 
(Ie achterstallige handgeldeu, wordt besteed aan 
(joert te Waeter, die den brief sprekende op 
juifer Agnes van waarde gewezen heeft. 

Huyrlinck appelleert namens haar terstond tot 
de elaring, bewerende, dat men van geleend 
geld geen handgelden schuldig is. 

De zaak tussehen Heer Herman Middelwijck, 
Vicarius te Wye, en juffer Lijsbet Blomendals 
van 6 heerenpond per jaar met de achterstallige 
pachten, welke Herman eischt wegens eene fun- 
datie aan zijne vicarie geschonken door Lijsbet's 
voorvaderen, is besteed aan Zweder van Dresen 
(v. der Eze), die wijst:' aangezien Herman bij 
staanden gerigte niet voldoende bewezen heeft in 
de laatste 42 jaar de pachten gebeurd te hebben, 
is de door hem overgelegde brief een „schlaeper*' 
en zonder waarde. Herman doet beroep op de 
Claring. 

1530 Nov. 16 (B Lix). 

In zake de wed. van Rutger Noye, burgersche 
van Zwolle, tegen Jan Duirer, burger te Hasselt, 
aangaande léV^ ggl. en 2^h st. , van gerst door 
Jan van de zuster der wed. gekocht, is geklaard: 
daar Jan bekend heeft de gerst vóór den oorlog 
gekocht te hebben, zal hij der wed. daarvan be- 
taling doen en zoo hij aanspraak h(ïeft op eenige 
tegenschulden van de landschap, mag hij die aan 
de landschap vervolgen. 

1530 Nov. 17 (B. xLv). 

Daar bij Stadh. R. en St. klagten zijn inge- 
komen van erven, waarop vroeger huizen stondep, 
en die nu afgebroken zijn of woest liggen, met 
de vraag of deze ook tot de uitgezette schatting 
contribueren moeten? is gekhiard: dat zij, aan 
wie zulke erven behooren, vermits de betaling van 



94 

den lOen penning, als andere landheeren, niet 
verder bezwaard zullen worden, „alles nae ver- 
moegen" der mandementen in '29 en ^30 daarvan 
uitgegeven. 

Op „de gebrech" van Hans van Kalb aan- 
gaande zekere penningen, door hem versehoten op 
bevel van Bisschop Henrick tot „bevestinge" van 
het vlek Genemuden, hebben R. en St. over- 
wegende, dat die Vorst zich jegens de Landschap 
genadiglijk en vriendelijk gedragen heeft, Hans 
beloofd die penningen te betalen. 

1530 Nov. 17 (B Lix) 

In zake Peter van Voerst namens zijn vader 
Jan V. V., en juffer Agnes van Dornijngen, 
vrouw van Johan van Ytterssiim, den ouden 
Drost van Salland, aangaande de hoofdsom van 
150 ggl. krachtens overgelegde zegels en brieven, 
en de handgelden van 31 jaar, is geklaard: dat 
Agnes de hoofdsom betalen moet, terwijl aan- 
gaande de handgelden de vrienden en magen van 
vveerszjjden in der minne uitspraak doen; gelukt 
dit niet, zoo zal Jan ze met regt mogen vorderen, 
terwijl de kosten zullen stjian ter taxatie van 
Stadh. R. en St., waarvan Peter schriftelijk opgave 
doen zal. 

In zake Heer Herman Middelwijck, Yicarius 
te Wye, tegen jufl'er Lijsbet Bloemendaels is 
geklaard: dat beide partijen op den volgenden 
landdag beter bewijs bijbrengen moeten. 

In zake Jan van Boekhorst to Boxbergen tegen 
de heeren van het Capittel te Deventer over 
een tiende door Jan geweigerd, is geklaard: wel 
beroepen en kwalijk gewezen, en dat de Heeren 
van het Capittel in hun possessie blijven zullen, 
totdat ZIJ met regt daaruit gesleten zullen zijn 



95 

terwijl de gerigtskosten gereserveerd worden ter 
taxatie van Stadh. R. en St. — Jan 1 boete. 

1530 Nov. 18 (B xLvi). 

Op de klagt van Roeloff Berntsz, burger te 
Hasselt, voor zich en eenige andere burgers, van 
nog soldij ten achteren te zijn, tijdens Ph. v. Bour- 
gondië binnen Hasselt verdiend, ten bedrage van 
1563 Phs. gl., is geklaard: dat zij vier jaar 
geduld moeten hebben en na dien tijd hun ver- 
zoek herhalen moeten. 

In het geschil tusschen Mr. Gerrit Schwaeffken 
en de buurschap Heng fe 1de in Wyer kerspel, 
over de uitgezette schatting van '29 en '30 is 
geklaard, dat hij mits den lOen penning betalende 
van zijn landen in elk gerigt, waarin zij liggen, 
niet verder bezwaard zal worden, en dat de meijer 
„gelden" zal met het kei*spel, waarin hij woont, 
volgens de mandementen van '29 en '30. 

Op het verzoek der gemeene ingezetenen des 
kerspels van den Hardenberghe over wanbetaling 
van schatting, is geklaard: dat de „hoefluyde" zooals 
de Blanckevoerts, Evert de Bake, Claes van 
Yijlsteren e. a., die in de Claring van Mei '29 
op 50 ggl. gesteld zijn, die som opbrengen zullen, 
elk naar gelang van zijn goed; kunnen dezen 
het onderling daarover niet eens worden, zoo zal 
de Schout elk naar gelang van zijn goed afpanden; 
zij zullen voorts in de schatting van 1530 naar 
dezelfde verhouding contribueren als in die 50 ggl. 

Van den Hof ter Marienburch zal over de 
jaren '29 en '30 betaald worden de 10e penning 
van het gewas en verbouw. 

De huisman op den Schlingenborch en Herman 
ter Wylen op het erve van Juffer van Coevorden 
zullen naar hun goed betalen. 



96 

'Aangaande langer uitstel van betaling der 
inheemschen op hen „bewesen", met dezen moeten 
die van Ilardenberg zich verstaan anders zal de 
Stadh. vergunning tot panding geven. 

Aanslaande de vorderins^ van Jan van Voerst 
wegons wanbetaling van beestenschatting, zal 
de Drost van Salland onderzoek doen. 

Op het verzoek van Prior en Convent van 
Wijnssum van 80 gouden fl. waarvoor zij borg 
bleven aan de erfgen. van Otto- Loedinghe, en 
deshal ve in den ban gekomen zijn, willen do 
Ridderschap van Salland en de gedeputeerden van 
de 3 steden (»en gunstig liesctieid en antwoord 
geven, maar met de 40 ggl. voor kosten, zullen 
Prior en Convent geduld moeten hebben. 

Aan de arme verb(r)ande ingezetenen van 
Gramsbergen willen R. en St. te hulp komen 
met 30 ggl., die gevonden zullen worden van de 
platte landen. 

In zake de buren van Nortdornijnghe tegen 
Jan Tichman, aanga^inde een cedele, waarvoor 
de buren Jan aanspreken en welke deze bekent 
ontvangen te hebben, doch zegt wieder geleverd 
te hebben aan Jan Janninckman, is geklaard: 
zoo Tichman onder eed e verklaren wil, dat hij 
de cedele aan Janninckman overgeleverd heeft en 
deze verklaren wnl, dat de cedel door zijn toedoen 
niet verloren is en zij beiden daaruit geen profijt 
getrokken hebben of kunnen trekken, zoo zullen 
beide vrijgesproken woorden; dien eed zullen zij 
doen in bijzijn der buren, voor Jan van Twickel, 
Drost van Twenthe, die verder onder de buren 
onderzoek doen en ieder op zijn eed vragen zal, 
of zij van d(» cedele eenig bescheid weten of niet; 
en zoo neen, zal de Drost elk der buren op zijn 
eed vragen, wat hij betiuild heeft in de schatting 



97 

en wat hij nog schuldig is ; en wordt er bevonden, 
dat eenige kosten of handgelden hierop verloopen 
zijn, zoo zullen de gemeene buren van het kerspel 
Deniohem elk naar advenant zijns goeds daartoe 
betalen. — De buren 1 boete. 

In zake Aernt Lubberinck, Bemt Berninck, 

Aernt Berninck en Geert Lefferinck tegen Talie 

! de Busschester over een borgtogt van 12 Phs. 

gl. en de pensie daarop verloopen, en over onder- 
panden door Talie gesteld, doch zonder wil der 
aanleggers verkocht, is geklaard: wel gewezen en 
kwalijk beroepen, en dat Talie de borgen schade- 
loos moet j>iJlon. — Talie 1 boete. 

I 

j Daar Aloff van Rutenborch op de vorige dag- 

vaart goedgevonden heeft voor Stadh. R. en 
St. te regt te staan tegen Hans Duytsch, Herman 
van Oitmerssem en Claes Claesz van Wye, waarvan 
hij nu afwijken en naar landregt met was teeken s 
vervolgd zijn wil, is geklaard: daar Aloff het 
voorheen aangenomen heeft, zal hij nu aan zijn 
tegenpartij antwoorden moeten voor Stadh. R. en St. 

1530 Nov. 19 (B LX V). 

De zaak tusschen de wed. Peter Stickers en 
Jacob van Ytterssum aangaande 28 heerenpond, 
door haar geëischt op zeker onderpand, blijkens 
overgelegde zegels en brieven, is uitgesteld tot 
den volgenden landdag, waarop beide partijen hunne 
bewijzen overleggen zullen ; inzonderheid zal Jacob 
dan den koopbrief brengen v^rhet land, dat hij 
zegt gekocht te hebben van Jacob van Vterwijck. 

In zake Geert Gysijnck van Goor en Roeloff 
Bernts, burgers van Hasselt, over zeker hout, 
door Mijnheer van Roggendorff namens Philips 
van Bourgondië van genoemde burgers gekocht 

7 



98 

tot be vesting van Hasselt, met belofte van be- 
taling of vergunning tot korting van 132 Phs. gl. 
(blijkens notariëele acte) is geklaard: dat de acte 
van kracht zal zijn. 

1530 Nov. 20 (B xLvii, Lxj v»). 

Op het verzoek van Frederich de Baeke te 
Dalfaen bij de kerk is geklaard: dat hij voor 
rid dermatig zal gehouden worden, zooals voor- 
heen geklaard is en door den Stadh. op 22 Aug. 
aan de zetters van Dalfsen verklaard is. 

Op verzoek der ingezetenen van de buurschap 
Wechele in het kerspel Colmenschaeten, aan- 
gaande den meijer, dien de Schout vrijhouden 
wil, is geklaard, dat de meijer evenals anderen 
betalen zal. 

Op verzoek van Wichman ter Beeke, zetter in 
het kerspel Wye van wege de buurschap Heng- 
felde, aangaande den witten monnik, wonende 
te Deventer, en Peter van Keppel, is geklaard: 
dat de monnik w^egens de betaling van den 10*" 
p inning niet verder bezwaard zal worden, en dat 
V. K. , evenals andere riddermatige „hoeflude," 
vrij is. 

Op verzoek der ingezetenen van de buurschap 
Wechterholte in het kerspel Wye aangaande 
meijer Aerndt, die tot de schatting niet betalen 
en zich met zijn landhcïcr Ernst van Ytterssem 
beschermen wil, is geklaard, dat hij evenals anderen 
tot de schatting betalen zal naar zijn goed, be- 
houdens Ernst en de kinderen van Ytterssem 
„huer fryheit ende gere(*hticheit van huer aff- 
kompst." 

Op verzoek van juffer Agnes van Ytterssum 
aangaande haren meijer in de buurschap Lenthe, 



99 

kerspel Dalfsen, is geklaard: dat de meijer de 
schatting niet betalen zal. 

Op verzoek van Goessen ten Denseler en Albert 
Henricksz, zetters in de buurschap Tongeren, 
kerspel Wye, aangaande de platte landen, welke 
voor osseweiden gebruikt worden, aangaande den 
Distelhof f, aangaande den meijer van 's Keizers 
goederen, en aangaande het erve de Schmerighe 
hoeve van Goert ten Waeter, is geklaard: dat 
de landheeren van de platte landen, waarop geen 
huizen staan, wegens betaling 'van den lO*" pen- 
ning niet verder bezwaard zullen worden; dat de 
Distelhoff, of die daarop wonen, betalen zal in 
de schatting; dat het oude geschil over de60ggl. 
welke de ingezetenen zeggen in oorlogstijd voor 
de vrouw van den Distelhoif verschoten te hebben, 
door de ingezetenen met land- of stadregt waar 
het behoort vervolgd mag worden; dat 's Keizers 
meijers vrij zijn en in den lO" penning niet be- 
hoeven te betalen, en dat te Waeter, die den 
10" penning betaald van zijn erve, vrij zal zijn 
van verdere betaling. 

Op verzoek der buren van Ancken, in het 
kerspel Dalfsen, aangaande de hun geweigerde 
rekening der zetters van de door hen opgebragte 
penningen, is den Drost van Salland bevolen, die 
rekening te laten geschieden; en iiangaande de 
2 erven van Herman van den Cl oester en Jan 
van Echten is geklaard: dat, indien zij ecnige 
erven hebben op den lande van Vollonhoe, zij deze 
vrijen mogen, maar geen erven in Salland ; hebben 
zij geen erven in VoUenhoe, zoo mogen zij hun 
erven in Ancken met de daarop wonende meijers 
vrijen. 

Op de klagt van den Drost van Vollenhoe 
Burchart van Westerholt en den Schout van 



100 

Hasselt Lubbert Mulart, over penningen door de 
landschap hun verschuldigd, waarvoor zij „bewesén" 
waren op de brandschatting, welke het land 
van Drenthe aan Overijssel schuldig was, en 
door de Conservatoren van het tractaat van 
wege den Keizer aan die van Twenthe (lees: 
Drenthe) kwijtgescholden was, is geklaard, dat 
men deze zaak opdragen zal aan de gedeputeerden 
naar de volgende dagvaart tnsschen den Keizer 
en den Vorst van Geiler te houden, en heeft 
deze niet voor Mei plaats, zoo zal de Landschap 
andere middelen zoeken, om de klagers te be- 
vredigen, mits zij dan voldoende bewijs hunner 
vorderingen overleggen. 

In zake de buren van Wol de (kerspel Delden) 
tegen de 3 zonen van zal. Bernt van Beverfoerde, 
Drost te Blanckenborch, over eene maat door Bernt 
van de buren gekocht voor ^00 ggl., is geklaard: 
dfiar de koop bewezen is en de gebroeders in het 
bezit zijn, zullen zij de buren betalen of betaling 
bewijzen. 

In zake Claes Claesz van Wyhe tegen Aloff 
van Rutenburch ovor de huur van 8 morgen lands 
door Aloff aan Claes „schadeloes'^ verhuurd, doch 
waarvan Dr. Wijnolt van Arnhem de ossen weg- 
gehaald hoeft, is geklaard : daar Aloff het land 
„schadeloos'^ verhuurd had, zal hij aan Claes 
betalen wat de ossen destijds waard waren, terwijl 
de gerigtskosten gereserveerd worden ter taxatie 
van Stadh. R. en St. — Aloff 1 boete. 

1530 Nov. 21 (B xLix — Li v, LÜij v*). 

Wegens de vele achterstanden van de landschap 
van Sa 11 and, hebben de Ridderschap van dit 
land met de gedep. der 3 Steden tegen daags na 
Conceptio Mariae te Zwolle een bijeenkomst be- 



101 

legd, waartoe gecommitteerd zijn: de Drost van 
Salland van wege Mijn Gen. Heer; Adriaen v. 
Reede, Jan Mulart Rentm., Jan v. Boekhorst toe 
Boxbergen, Adriaen v. Twickell, Herman v. Kep- 
pell, Jan v. Voerst, en uit elke stad een der 
raadsvrienden, welke gecommitteerden volkomen 
magt zullen hebben, om alle Schouten, Zetters 
en Ontvangers van de schattingen in Salland te 
ontbieden, rekening van alle schattingen van hen 
te vragen en te ordonneren van de 80 ggl. waarvoor 
het klooster van Wijnssem in den ban is wegens 
de erfgen. van Otto Loedinghe. 

Op de klagt van Reynt van Coforden aangaande 
zekere belofte, door hem namens de landschap 
gedaan, van welke hij nog „ongereddet" is van 
de vcrloopen renten, is overeengekomen, dat hij 
zijn gemagtigde te Zwol zal zenden daags na 
Conceptie Mariae tot de gecommitteerden van R. 
en St., die met hem een verdrag zullen sluiten, 
dat hij betaling krijgt, waarop R. en St. begeeren, 
dat hij de arresten en het vervolg van de goederen 
der burgers zal laten rusten. 

Kenige kerspelen wegens de zware schattingen 
eenige gemeene woeste landen verkocht hebbende 
en nog zullende moeten verkoopen, welke bemest 
en bebouwd worden door de koopers en gebruikers 
dier landen, en waarvan de Canunnifcen der Capittels 
van Deventer en Oldenzaal de tienden willen 
hebben als van novalien, waartoe zij geregtigd 
meenen te zijn, zoo zijn Stadh. R. en St. van 
meening, dat die Heeren om de groote lasten dier 
kerspelen geduld behooren te hebben en de koopers 
en gebruikers niet met de tienden te bezwaren, 
omdat het geschiedt uit kennelijke noodzaak, om 
de arme lieden te helpen in de schatting wegens 
den oorlog aan de landschap te betalen, doch 
onverkort der Kanunniken geregtigheid. 



102- 

Op verzoek van die van Grafhorst zijn Jan 
van Boekhorst te Sallick met 2 raadsvrienden van 
Campen en SwoUe en de Drost van Ysselmudfen 
gecommitteerd, om op 1 Deo. ten 10 ure te Graf- 
horst te vergaderen en de „gebreke'' te bezigtigen. 

Op het verzoek van Prior en klooster van 
Wijnssem, om een bouwhuis te mogen zetten 
op land, dat zij tot dus ver zelf gebruikten, en 
het te vermeijeren zonder ongewone schatting 
daarvan te geven, indien zij later het huis weder 
afbraken, en het land zelf weder gebruikten, is 
geklaard: dat het klooster het bouwhuis wel mag 
zetten en het land vermeijeren, doch dat dan de 
meijer schatting betaalt evenals de naburen; maar 
wanneer het klooster het huis weder afbreekt, 
en het land weder zelf gebruikt, zal het land 
weder dezelfde vrijheid genieten als te voren. 

Op het verzoek van juffer Maria van Ytterssura, 
wed. Jan van Coe verden, aangaande korting van 
rente over '27 en '28, is geklaard : daar haar geen 
pachten ontbeurd zijn door de vijanden en de 
crediteuren hun pacht met regt uit hun onderpand 
gemaand hebben, zijn zij niet schuldig hierop iets 
te korten; doch suppl. mag hare schade verhalen 
aan hen, voor wie zij het onderpand gesteld heeft. 

Daar op dezen landdag ettelijke ordels van 
schade en schuld voorgebragt zijn, welke in de 
groote claring geklaard en gewezen moeten 
worden, en zoodanige claring in lang niet gehouden 
is, waardoor vele zaken van schade en schuld 
ongeklaard bleven, willen Stadh. R. en St. de 
groote claring weder oprigteii en daarop eene 
ordonnantie vaststellen; zij zal jaarlijks eens te 
Deventer gehouden worden; zaken tot de andere 



103 

claring behoorende zullen ook dan behandeld 
mogen worden, enz. 

Afgedrukt, hoewel met eeoige fonten, in den Tegenw. 
staat III. 588, waar o. a. minder juist als dagteekening 
24 Oct. 1585 genoemd wordt. 

Daar de Commissarissen en Raden des Keizers 
Mr. Gerart Mulart, Jost Sasbout en Vincent Cor- 
nelisz krachtens hun instructie den Stadh. her- 
innerd hebben, om op dezen landdag met R. en 
St. te ópreken over de brieven in de met 4 sloten 
gesloten kist in de kerk te Deventer, waarbij 
brieven zouden zijn van 's Keizers geregtigheid, 
van welke kist elk der 3 Steden en een uit de 
Ridderschap een sleutel had, die echter verlegd 
of verloren zijn, brengt de Stadh. deze zaak voor 
R. en St. , die antwoorden wel genegen te zijn 
om zoodanige voor den Keizer belangrijke brieven 
over te zenden ter afschrijving, doch mits zij 
daarna weder in de kist terugkeeren. 

1530 Nov. 22 (B lü, lxü). 

Op verzoek der kerkmeesters en buren van 
den Ham, aangaande Wilbert Mullart, Geert 
Dubbink en Johan Smits' wijf en kinderen, die 
niet in de schatting betalen willen, is geklaard: 
dat de Schout zich regelen zal naar het mandement 
en die lieden panden zal om hun aandeel te 
betalen. 

Aangaande LeflFert Bartolts te Lijnde tegen de 
stad Deventer, waarop die van Deventer ge- 
hoord, verklaren niets te weten van de zaak, is 
geklaard: dat Leffert beter bescheid en bevnjs 
bijbrengen moet. 

Aangaande de beesten, welke aan de buren van 
Lijnde ontnomen waren door den Schout van 



104 

Holtheem Goessen Oeltbeke en Johan Rauen in 
1521 en van hem weder gekocht voor 60 ggl., 
en aangaande 37 ggl. welke zij zeggen verschoten 
te hebben voor de buren van Av er re est. is 
geklaard: dat zij dergelijke zaken bij den behoor- 
lijken Rigter vervolgen mogen. 

Aangaande de schade van beesten hun ontnomeit 
door Joest van Voerden en diens ruiters, toen 
binnen Oldenzaal liggende, is geklaard: dat zij 
met regt en arrest vervolgen mogen de penningen, 
welke Joost en zijn ruiters nog bij de landschap 
staan hebben. 

En aangaande de klagten van Wolter ten 
Nyenhuyss en Roebert ten Euerselle tegen Wolter 
Stellinck, Henrick Schop en Wilbert MuUers, 
zullen de klagers hunne huur tegen de anderen 
met regt mogen vervolgen voor den behoorlijken 
Rigter. 

Op het verzoek van Herman Bitter aangaande 
zijn achterstand aan de kerspelen Ommen en 
der Heyne, is geklaard: dat de Drost van Sal- 
land bij de Schouten zorgen zal, dat hij eindelijk 
zonder langer uitstel betaling krijge, en wat zijn 
onkosten betreft, zullen de nalatigen 20 ggl. aan 
hem betalen. 

In zake de wed. Johan van Steynwijck en 
Prior en Convent van Sipkeloe, over schade 
door het klooster geleden van de kinderen van 
Wterwijck van wege de kinderen v. Steynwijck, 
is geklaard: aangezien op den vorigen regtdag 
erkend is dat Prior en Ccmvent, ofschoon geestelijke 
lieden zijnde, met landregt spreken mogen. 

Op deze zaak hebben betrekking de processtukken 
van 1529 en 1532, waarvan de korte inhoud is als 
volgt : 



105 

Bedreigingen van Peter, Vincent en Jaeob van 
Uterwijok, gebroeders, zonen van Jacob v. U., 
tegen het klooster van Sipculo, om den Prior en 
de broeders te bewegen de waarde der Itter- 
beker tienden, welke aan de familie van Steen- 
w^ijck behoorden, doch jaarlijks ten haren behoeve 
door de kloosterlingen werden gedorscht, niet aan 
de van Steenwijcks, maar aan hem te brengen. 

Derk van Steenwijck schrijft Saterdag na St. 
Catherinen 1529 aiin den Prior, dat die tienden 
de lijftucht zijner moeder wan^n, waarover Jacob 
V. U. eene rogtsvordering voor den Drost van 
Coevorden en de 24 van het land van Drenthe 
aangevangen had, en dat daarin een vonnis ge- 
vallen was, waaraan de familie v. St. zoude vol- 
daan hebben. 

Vgl. landdag van 11 Mei en claringe van 22 Nov. 
1530. 

« 

Op het verzoek van Hans Duytschen huisvrouw 
tegen Aloff van Rutenborch is geklaard : aangezien 
de pander getuigt, dat AloflF zoo ziek is, dat 
hij in persoon niet komen kan, wordt de zmik 
tot den volgenden landdag uitgesteld. 

Op de klagten door B. S. en R. en de gemeene 
burgers en ingezetenen van Hasselt gedmin aan 
de Aartshertogin en de Commissarissen des Keizers, 
van de claringe in Mei op den landdag te Vollen- 
hoe uitgesproken over het geschil tusschen hen 
en de Ridderschap on erfgenamen des lands van 
Vollenhoe, aangaande de uitgezette schatting en 
de aan Hasselt toegeslagen som van deze 6 jaren, 
is na lang beraad de „voerclaringhti" en sententie 
bevestigd. 

In de zaak van den Drost van Salland Seyno 
Mulart tegen de steden Deventer en Zwolle met 
ZwoUerkerspel en andere adhaerenten, wegens 



106 

penningen, door den Drost verschoten op verzoek 
der 2 steden, tot opmakinj? van den Do vel der- 
dijk, op straffe van dubbel geld op kosten van 
dengene, die in het ongelijk bevonden wordt, is 
geklaard: aangezien de Drost gehandeld heeft op 
begeerte der steden, zullen die van Deventer ge- 
houden zijn de erfgenamen van hun kerspel, die 
dat aangaat, te verwittigen, dat zij op den vol- 
genden landdag bij gemagtigden verschijnen moeten, 
om al hun bewijzen dienaangaande over te leggen, 
gelijk die van Zwolle en Zwollerkerspel c. s. 
deze reis gedaan hebben. 

Die van Deventer zullen dan ook medebrengen 
al hun bescheiden tusschen hen en den Schout 
van Deventer aangaande den kw^aden dijk op 
deze (zijde?) des kerspels van Holten, dien de 
Drost ook op hun verlangen heeft laten maken 
op kosten van ongelijk. 

In zake de kotters der marke Albergen 
tegen den markerigter Bernt van Beverforde met 
d(* buren dier marke, aangaande panding op de 
kotters gedaan, waartegen dezen pandwering gedaan 
hebben, terwijl niettemin hun panden met geweld 
genomen zijn, is geklaard: daar de buren hun 
markecedel, waarop zij zich beroepen, hebben 
willen bewijzen met 2 getuigen, die door de 
kotters gewraakt zijn, de eene als eigen man des 
markerigters, de andere „den huyr jnde marck 
geseten," die bij de zaak winnen konden en dus 
niet getuigen mogten, welke wraking niet door 
de buren wedersproken is, zoodat van den marke- 
cedul het bewijs niet geleverd is, zoo zullen de 
markerigter en de buren de genomen panden en 
beesten aan de kotters moeten teruggeven; meenen 
zij eenige aanspraak of beter bewijs tegen de 
kotters te hebbrn, zoo mogen zij die vervolgen 
voor den behoorlijken rigter naar den vorm van 



107 

het landrej2^, doch niet met geweld, terwijl zij 
voor de gepleegde daden den Keizer vervallen 
zijn in de poene van geweld, waarvan zij boete 
en beteringe doen moeten — De buren 1 boete. 

In zake de Drost van Vollenhoe tegen Steven 
Aerntsz van den Broecke van geweld, is geklaard : 
daar het bewijs door den Drost geleverd onvol- 
doende is, is het ord(}l wel gewezen en kwalijk 
beroepen. 

In zake Willem Schoppinek anders Husinck, 
Goert zijn broeder, Trude zijn zuster, Seyne en 
(jeert toe Middel wijck tegen Mr Ilenriek te 
Middelwijck, over het erve en goed ten Damme 
in het kerspel Kolmeschoete, is wegens hare duister- 
heid gecompromitteerd, en zoo de moetzoenslieden 
van beide zijden met den overman de zaak vinden 
kunnen, zal zij niet meer op de claring gebragt 
worden. 

De zaak van Jan Petersz, burger te Amsterdam, 
en Jan Jansz, burger te Campen, erfgenaïnen van 
juffer Fenne wed. Jan van Graes, tegen Jan van 
Camp, Lutgart Ilondenberch, Jan van Ijangen 
e. a., over een sententie door Deventer gewezen, 
is wegens duisterheid en vooral omdat de gift van 
een bij stèren dijk daarin gevallen was, uitgesteld 
tot den volgenden landdag. 

In zake de buren van Wanneperfeen tegen 
de erfgen. van de platte en woeste landen alda'»r, 
aangaande schildschatting, welke zaak in ordel 
en regt gekomen en in de claring beroepen is in 
1526, is geklaard: dat geen van beide partijen 
voldoende bewijs bijgebragt hebbende, zij dit op 
den volgenden landdag doen zullen. 

In zake RoeloflF Sweersz tegen Herman Kaele 



108 

over een hofstede en een stuk land, is geklaard: 
kwalijk gewezen en wel beroepen, en dat Herman, 
die in het bezit gevonden wordt, daarin blijven 
zal totdat hem Roelof met bet^r bewijs er uit 
slijt. — Roelof 1 boete. 

1530 Nov. 23 (B LÜi). 

In zake Hinrich van Haerst tegen de landschap 
wegens achterstallige penningen, en kwijting van 
zijn handschrift gelijk hem beloofd was, waarom 
hij goederen van Camper burgers in Drenthe 
gearresteerd had, is door tusschenspreken van Jan 
V. Twickel, Drost van Twenthe, Adr. v. Reede, 
Drost van Laeghe, en Jan v. der Vecht, Burgem. 
van Campen, met Hinrich's huisvrouw, die hij 
daartoe naar Vollenhove gezonden had, overeen- 
gekomen, hem te betalen 68V2 Phs. gl. welke hem 
op zijn handschrift „ontboerf' waren, en voor 
geleden schade en kosten 35 ggl., tervnjl men 
hem restitueren zal het handschrift van 92 Phs. 
g]., dat hij aan de burgers van Oldenzaal ge- 
geven had; het gelegde arrest zal tevens opgeheven 
zijn. Hinrich's huisvrouw met Claes van Bever- 
forde als momber verklaart, dat op heden aan dit 
verdrag voldaan is. 

Daar het arresteren der Camper goederen voor- 
noemd het gevolg was van de ongehoorzaamheid 
-^er burgers van Oldenzaal om aan v. Ilaerst 
op bevel des Stadh. zeker handschrift terug te 
geven, is geklaard, dat die van Oldenzaal aan 
den Drost van Twenthe de 68V2 Phs. gl. en de 
35 ggl. voornoemd zullen terug betalen uit de 
1000 gl., waarop zij „verwesen'' zijn, of zoo dit 
niet geschiedt, zal de Drost op de goederen van 
Oldenz. burgers, waar ook gelegen, die gelden 
verhalen mogen. 

Op de klagten van Steven Voss voor zich en 



109 

- • 

voor de kinderen zijns broeders Bartholt de Vos 
van 400 ggl. van suppliants gelden tot profijt 
der landschap gebruikt, met de verloopen rente, 
is geklaard : dat Steven daags na Coneeptio Mariae 
met volmagt zijner adhaerenten te Zwolle komen 
zal bij de geoommitteerden van R. en St. , waar 
de zaak geregeld zal worden. 

1530 Nov. 24 (B Lxiiii \'), 

In zake de Carthuisers van den Sonnenberch 
bij Campen tegen Herman en Jan ven Yttersum 
met hun adhaerenten, aangaande een rentebriöf 
van 32 mud rogge en 20 ggl. per jaar, af- 
gelost tot op 14 ggl. min 1 oort per jaar, w-elke 
nog op het onderpand gebleven zijn, is geklaard: 
daar blijkt, dat de Carth. binnen 33 jaar de 
renten gemaand en daarop ook ontvangen hebben, 
zoo is de brief geen „schlaper,*' maar in volle 
kracht erkend, zoodat kwalijk gewezen en wel 
beroepen is, tenzij Herman en Jan bewijzen, dat 
de brief geheel afgelost is. — H. en J. 1 boete. 

In zake d.e buren van der Heyne tegen de wed. 
Rammelman over 25 ggl. door de buren gevorderd, 
is geklaard: kwalijk gewezen en wel beroepen, 
daar de getuigenissen van de wed. naar regt 
bewijsselijker bevonden zijn, dan die van de buren 
zoodat de buren gehouden zullen zijn de geregte- 
lijke schade en kosten aan de wed. te vergocnlon 
ter taxatie van Stadh. R. en St. — De buren 
1 boete. 

De zaak van Hinrich Wernersz tegen de wed. 
Aernt Brant is „geremitteert tot een vruntlicken 
dach'' binnen Zwolle te houden en zoo zij daar 
niet bijgelegd wordt, tot den volgenden landdag, 
waar sententie gegeven zal worden. 

In zake Hinrich ten Tempel tegen het klooster 



110 

van Wijn SS em over gevangenschap, kosten en 
schade, door hem om het klooster geleden, is ge- 
khmrd: diuir het klooster door den landsvorst op 
zekere penningen gestcdd, deze niet betaald heeft 
en Ilenrick daarom gevangen genomen is, en daar 
zijn vrouw tijdens zijn gevangenschap het klooster 
aangemaand heeft hem te ontlasten, hetgeen het 
niet gedmm heeft, zoodat hij zich zelf heeft moeten 
„quyten*' (vrijkoopen), zoo zal het klooster aan 
den eisch voldoen moeten ter taxatie van Stadh. 
R. en St. — Het klooster 1 boete. 

In zake heer Rickman Hinricksz tegen Jan 
Cruse te Kampen is geklaard : dat het proces van 
geen waarde is, omdat de panding geschied is 
voor het verwin en dus wel gewezen en 
kwalijk beroepen, doch zoo Heer Rijckman nog 
vermeent aiinspraak op Cruse te hebben, mag hij 
dit met behoorlijk proces naar landregt ver- 
volgen. — Rickman 1 boete. 

1530 Nov. 25 (B Lvi). 

Het geschil tusschen het land van Twen the 
en de erfgen. van Rechteren over 1005 ggl. 
hoofdsom, met de renten van 1511 af toekomende 
aan de stad Campen, en over 400 ggl. hoofdsom 
met de renten, aan de stad Zwolle toekomende, 
welke sommen aan die 2 steden in 1510 „bewesen" 
waren op het land van Twenthe, doch door dit 
hand overgenomen waren op de stad en het gerigt 
van Almelo en Vriezenveen, waardoor de 
erfgen. v. R namens die van Almelo en Vriezen- 
veen zich bezwaard achten, — ter beslissing zijnde 
gesteld van Stadh. R. en St. , zullen partijen op 
den volgenden landdag hunne bewijzen inleveren, 
waarop dan regt gedaan zal worden. 

1530 Nov. 24 (26) (B. Lxv v^. 

In het ires(»hil tusschen den Rentm. van Salland 



111 

van wege . 's Keizers tol te Nyerbruggen en 
Hinrich van Rechteren van wege de ingezetenen 
zijner heerl. Almelo en Almelerveen, die hij van 
dien tol vrijen wil, is de uitspraak tot den vol- 
genden landdag uitgesteld, wanneer beide partijen 
hun bewijzen overleggen zullen, terw^ijl de tol 
ondertusschen opgeschreven zal worden, om door 
die van Almelo betaald te worden, als zij „onder- 
geclaert'' mogten worden. 

In zake Johan Stellinck, Castellein ter Kuinre, 
tegen de gemeene ingezetenen van de Kuinre, 
over overval en schaden, is geklaard : dat die van 
Kuinre binnen 4 dag'en schriftelijk antwoord en 
„onschult'' inleveren zullen op alle artikelen der 
supplicatie van den Castellein, hetwelk dezen zal 
gegeven worden, om daarop te repliceren, enz. 

Daar B. S. en R. van Hasselt zich beklagen 
door de sententie, gewezen in claring van 17 Mei 
* jl. , boven alle andere steden bezwaiird te zijn en 
in groote armoede verkeeren, weshalve zij ver- 
lichting der sententie verzoeken, is geklaard: daar 
men op geenerlei wijze hiertoe middelen heeft 
kunnen vinden, zal Hasselt die sententie moeten 
opvolgen: om echter tetoonen, dat men hen gaarne 
behulpzaam zijn wil in hunnen achterstand, zal 
na verloop van deze 4 jaren daarop gelet worden. 

Op de supplicatie van Albert Geysinck en 
Elsken Tenckinck, burgers van Delden, togen de 
stad Zwolle, is verklaard: dat zij hun regt ver- 
volgen mogen tegen hen, op wie de stad Zwolle 
^bewesen'' is geweest, terwijl de Drost van Twentlie 
zorgen zal, dat hun goed kort regt gedaan worde. 

1530 Nov. 26 (B. Lvi). 

Op het verzoek van Pater en Conventualen van 
het klooster S. Johan nis Camp bij Vollenhoe 



112 

aangaande landen achter het klooster geleden en 
door hen zelf gebruikt en met eigen beesten be- 
slagen, is geklaard: daar het klooster den lOen 
penning betaalt van al zijn goederen waav ook 
gelegen, zal het gevrijd zijn van de schatting. 

Op de klagten dat de inheemschen, die op 
eenige kerspelen ^bewesen" zijn, deze bezwaren 
met „leystinghe'^ en onbehoorlijke kosten, is 
g(^kla<ard: dat geene inheemftchen mogen leisten, 
maar met regt mogen spreken en vervolgen. 

Mandement aan de amptlieden, op het stuk van 
aanspraak, antwoord en bewijs van beroepen 
ordels, dat de rigters deze bij geschrift gesteld, 
besloten en bezegeld overleveren moeten aan de 
amptlieden, die ze besloten overleveren zullen in 
de Claring, en als de Claring geschied is, zullen 
de ordelen weder aan den Drost ingeleverd worden 
ter executie. 

Aangaande de uitzetting der schattingen over 
1531 is op mededeeling des Stadh. door R. enSt. 
goedgekeurd, den armen huisman „tot de schattinge 
van den jare '31 te laten ende stuyr te komen 
den 20en penninck'' en dat het mandement van 
deze schatting in alle andere artikelen zal uitge- 
vaardigd worden gelijk in *30 geschied is, terwijl 
de riddermatigen, die geen woonstede hebben, 
inzonderheid die van Vollenhoe, gesteld zullen 
worden gelijk in het mandement van '29 ver- 
klaard is. Bij de uitschrijving van den nieuwen 
landdag zal de Stadh. specificeren, dat elk ridder- 
matig man, die tot den landdag verschreven wordt, 
zelf verschijnen moet, tenzij wegens geldige oor- 
zaken verhinderd, en dat wie niet verschijnt, 
verder niet tot den landdag verschreven zal worden, 
maar van zijn stem en geregtigheid beroofd zal zijn. 



113 

1530 Nov. 28 (B xLix). 

De Stadh. geeft naar aanleiding van het besluit 
van 21 Nov. aan Seyno Mulart, Drost van Salland, 
last namens den Keizer, van stonden aan alle 
schouten in zijn ambt, op verbeurte van de op 
hun ambt staande penningen, en alle zetters en 
ontvangers der kerspelen en buurschappen, zoowel 
van ploegschatting en beestenschatting als van 
andere gemeene landsschattingen op straf van 50 
oude schilden, aan te schrijven te Zwolle te ver- 
schijnen met hun rekeningen, registers en bewijzen. 
Gegeven te VoUenhoe. 

Aanschrijving van den Stadh. min de op 21 Nov. 
gecommitteerden, om op tijd te Zwolle te zijn, 
voor genoemde zaak der schattingen. 

1530 Dec. 19 (B xlü en l v). 

Daar over alle platte landen, zoowel in het 
Mastebroeksche als in het Lierebroeck en 
elders in Salland gelegen, wegens de groote schulden, 
waarin de landschap germikt is, geconsenteerd is 
tweemaal te contribueren den tienden penning 
van hetgeen die landen opgcbragt hebb(m over 
de jaren '29 en '30, met aftrek van den gewonen 
onraad en het morgengeld van 7 st. brab. per 
morgen, stelt de Stadh. op verzoek der gedepu- 
teerden van de Ridderschap van Salland en der 
afgevaardigde raadsvrienden der 3 Steden, op de 
bijeenkomst te Zwolle van altera C(mceptionis 
Mariae Aernt van Bolten en Gerardus Brunijnck, 
gezamelijk en elk in het bijzonder, aan tot invor- 
dering van dien lOen penning over 1530. 
Gegeven te VoUenhoe. 

1530 den av(mt Nativitatis Christi (24 Dec.) (B xLÜii). 

Tusschen den Dijkgraaf (lodert van Ilaerst en 
Gerrit en Cornelis Loedigen met hun zwagers 

8 



114 

Goert BuschoflF en Jan Pas, is, nadat de broeders 
gepresenteerd hebben den eed te doen, dat zij de 
2 jaar rente of nagenoeg 80 ggl., waarover zij 
met den Dijkgr. twisten, niet ontvangen hebben, 
nader overeengekomen den eed uit te stellen tot 
14 dagen na Lichtmis ; ondertusschen zal de Dijkgr. 
schrijven aan Ilinrich ter Spille secretaris, of 
Geert Busschof den eed van hem hebben wil of 
niet, en daar de gebroeders zich „volmachtich" 
gemaakt hebben van de gezamelijke erfgen., om 
den eed voor hen allen te doen, dat noch zij noch 
iemand van hunnentwege de penningen ontvangen 
hadden, zoo zullen zij den eed voor den behoor- 
lijken Rigter mogen doen als de Dijkgraaf het 
wil en deze zal hun dan de geëischte penningen 

moeten voldoen. 

Gedaan te Deventer. 

1531 O Jan 9 (B xLÜi). 

De Stadh. George Schenck verklaart, dat Alffer 
van Ysselmuyden Schutmeester en Coenraet de 
Vos van Steenwijck als Riddermatigen bij eede 
gezworen hebben, getuigen geweest te zijn toen 
Bisschop Henrich van Beijeren een eigen maagd 
van Geethoern, geheeten Griete Wolters, destijds 
dienende bij Ilinrich Haegen te VoUenhoe, ge- 
man umitte e rd heeft uit den eigendom. 
Gegeven te Vollenhoe. Als copie geboekt. 

1531 Junij 2 (B Lxvii). 

De Stadh. zit te gerigte te Vollenhoe. 

Dingwaarder: Jan Mnlart, Rentm. van Salland. 
Keumoten: Hinrich Haegen en Folckier Schloet. 

In zake Ot van Rutenburch tegen Aloff van 
Rutenburch over zeker marckgescheit (maech-* 



^) Daar de Judioiaal-registers laogzamerhand regelmati^r in t|jdrekenkundige 
orde gehouden worden, en ik geen bewijs vind, dat ook hier het jaar geacht 
werd met Paachen te beginnen, heb ik van hier af de jaartallen onveranderd 
gelaten. 



115 

gescheit?), dat Ot beweert te hebben krachtens 
zegel en brief, terwijl Aloff afschrift bege^^rt ait 
den moetsoensbrief, waarmede Ot preekt, 
wordt gewezen door den Stadh. de keumoten 
en ommestanders, dat Ot het afschrift geven en 
Aloff op den volgenden regtdag daarop antwoorden 
moet. 

In zake Marcelis Buerman, als gemagtigde van 
Griete van Hulsen, tegen Wolter Stellinck voor 
zich en zijn broeders, over 100 ggl. geleend 
geld en magenaas, door den vader van verw. 
aan Griete schuldig volgens overgelegd handschrift, 
is door den Stadh., de keurnoten en omstanders 
gewezen: aangezien Wolter voor zich en zijn 
broeders het handschrift en de schuld erkend heeft, 
doch de actie heeft willen „onderwysen" en leggen 
op die van Rechteren, zal hij Griete voldoen en 
zoo hij meent actie te hebben tegen die van 
IJ echteren, dezen met regt vervolgen mogen. 

Het geschil van Goert te Waeter tegen Herman 
van Keppel over gelden wegens borgt ogt door 
Goert voor Herman betaald blijkens overgelegd 
handschrift, dat deze niet van waarde erkent, is 
besteed iian Aloff van Rutenburch, die beraad 
genomen heeft, om op den volgenden regtdag 
ordel in te brengen. 

De andere zaak tusschen dezelfde partijen over 
zekere borgtogt, door Herman's vader aan Goert's 
vader gedaan voor zekere roggerente met de achter- 
stallige pachten, krachtens brieven en zegels door 
Goert overgelegd, doch door Herman van onwaarde 
verklaard en „schlapers" genoemd, is besteed aan 
Gerrit van Oesterwoldt, die beraad genomen 
heeft, om op den volgenden regtdag ordel in t^ 
brengen. 



116 

In zake Hasselt tegen Zwolle over Ae brug, 
waarvan Hasselt den eigendom aan Zwolle betwist, 
bewerende brieven te hebben van zijn landvorsten, 
waarin aan Hasselt de nu aan den Keizer be- 
hoorende stroom gegund is, uit welk privilegie 
Zwol het eerst met landregt slijten moet, alvorens 
verbod te kunnen doen, waartegen Zwol het lang 
en rustig- bezit aanvoert en zeker mandaat en 
sententie in zijn voordeel uitgesproken, in welk 
bezit het klaagt gestoord te zijn en niet zoude 
behoeven geregtelijk te antwoorden op Hasselt's 
aanspraak, alvorens in het bezit herstcdd te zijn; 
waarop Hasselt antwoordt, dat de sententie der 
claring te Hasselt gewezen, een gebod w.a8, dat 
het heeft moeten opvolgen en dat, daar sedert 
dien tijd een nieuwe sententie gewezen was, 
Zwolle op den regtdag antwoorden moest; — is 
het ordel besteed aan Johan Sloet, die beraad ge- 
nomen heeft tot den volgenden regtdag, waarop 
hij ordel zal inbrengen. 

In zake Heer Herman Middelwijck, Vicarius te 
Wye, tegen Juffer Ijijsbet Bloemendaels is aan 
Lijsbet gegund, hiiar getuigenis voor Bartho- 
lomeus (van Keulen) den Secretaris en getuigen 
af te leggen. 

Heer Roeloff Borr^lieer, Vicarius van Wye, 
omstreeks 50 jaar oud, getuigt in voornoemde 
zaak voor den Secretaris Barthol. van Coelen, 
Hinrich Haeghen en Folckier Schloet als keur- 
noten, bij zijn priesterschap en de H. Evangeliën, 
zijne hand op de borst leggende, voor vele jaren 
vicecureet te Wye en daarna vicarius geworden 
te zijn en steeds de biechtvader geweest te zijn 
van Lijsbet's vader Geerlich BI., die op zijn sterf- 
bed met de heil. sacramenten der kerk bediend 
hem gezegd had, dat de 5 heerenponden, welke 
Herman vorderde, voor lange jaren afgelost waren 



117 

en dat Heer Egbert, Herman's voorganger hem 

nooit daarom gemaand en ze ook nooit ontvangen 

had; dat hij ze dan ook niet betalen zoude, al 

zwoer Herman met 2 geloofwaardige mannen het 

tegendeel, daar hij zeker was van de betaling; 

voorts, dat hij hangende dit geschil, voor den 

ofBciaal te Deventer gehoord had, dat Herman de 

fundatiebrief afgevorderd was, dien deze niet had 

kunnen leveren en deswegens „gescholden" was, 

dat hij Lijsbet onregt aandeed. 

Gedaan in domo pretoria in VoUenhoe hora dnode- 
cima. Lijsbet constitueert Folckier Schloet om de 
Claring op den volgenden landdag voor haar waar te 
nemen en te ontvangen. 

De zaak tusschen Hans Kempter en Lubbert 
Mulart, chout te Hasselt, over zeker „gelofnis 
ende hanttastinghe" is besteed aan Aloff van 
Rutenborch, die wijst: daar Hans met wasteekens 
Lubbert aan de bank gebragt heeft en zelf niet 
versohenen is, zoo zal hij, als hij bij „geheechden 
en staenden gericht" niet komt, „fellich" zijn in de 
kosten door Lubbert gemaakt, tenzij geldige reden 
voor zijn afwezigheid bijbrengende. 

De zaak van Jan Snijr tegen Heer Frederick 
van Twiokcll is „vermits de garden van den 
knechten dorch sinen diener van mijnen Gen. Heren 
begeert hec^ft" den regtdag te verlengen, uitgesteld 
tot den volgenden regtdag, blij vende de wasteekens 
in volle kracht. 

1531 Junij 16 (B Lxx). 

Regtdag te Vollenhoe. 

Dingw. en keurnoten ais voren. 

De zaak tusschen Otto en AlofF van Rutenburch 
is besteed aan Goert te Waeter, die 14 dagen 
beraad genomen heeft om het ordel in te brengen. 



118 

In zake Hasselt tegen Zwolle wijst Jan 
Sloet voor regt: daar partijen een „stemmelicken 
veruersten rechtdach'^ gehad hebben voor den 
Stadh., waar Hasselt aanlegger was en de ge- 
deputeerden van Zwolle hnn aangezigt naar het 
gerigt gekeerd hebben, zoo moeten dezen ant- 
woorden op de aanspraak van Hasselt. En zoo 
Hasselt eenig verzuim gepleegd heeft in de af- 
breking der brug, dit zal staan ter discretie en 
genade des Stadh. 

Dit ordel is terstond beroepen door de ged. 
van Zwolle Kerstgen van Diepenbroeck en Herman 
Bijtter naar de claring van Stadh. R. en St. 

In zake Hans Kempter tegen Lubbert Mulart, 
Schout te Hasselt, over de wijzing van de onkos- 
ten op den vorigen regtdag, waarop Kempter zijn 
„onschult gedaen" heeft, met een certificaat van 
Hans Kalb, Hoofdman te Gelmuden, dat Lubbert 
niet voor een gerigtsschijn acht, en hem dus niet 
schaden kan, is gewezen: dat Kempter's veront- 
schuldiging van geen waarde is, zoodat hij aan 
Lubbert de onkosten betalen moet tot taxatie en 
modcratie des gerigts. 

Kempter biedt terstond betaling aan en zegt 
verder door zijn voorspraak: aangezien Lubbert het 
hoofd ten gerigte gekeerd heeft, zoo moet 
deze op de aanspraak antwoorden, waarop Mulert 
zegt : dat hij zich niet tot het gerigt gekeerd heeft 
en dat Kempter hem dus weder met wast^ekens 
aan de bank brengen moet. Dit is besteed «aan 
Frerich van Twickel, die wijst: daar M. zich niet 
ten gerigte gekeerd heeft, maar daaraan geëischt 
is door Mijn Gen. Heer, zoo moet Hans hem op 
nieuw met wasteekens aan de bank brengen. 

In zake Goert te Waeter tegen Herman van 
Keppel over een rest van 50 ggl. en 10 ggl. met 



119 

de onkosten, wijst Aloff van Rutenburch: voor 
zoover de 2 getuigen genoemd in het certificaat 
van den Officiaal van Deventer over v. K. ge- 
tuigen mogen, zal deze t. W. voldoen wegens de 
rest van 350 gl. ; en zoo Goert bewijzen kan 
10 ggl. voor V. K. verschoten te hebben aan 
verteerde kost, zal v. K. deze betalen met de 
gerigtelijke schade. 

Van Keppel doet van dit ordel beroep op de 
claring van Stadh. R. en St. 

In de andere zaak tusschen voornoemde partijen 
wijst Geert van Oesterwolt: zoo t. W. bewijzen 
kan, dat hij of zijn ouders v. K. of diens ouders 
aangesproken of gemaand heeft binnen V» van 
honderd ja^ir met levende konden of gerigtschijn, 
zal t. W.'s aanspraak van waarde zijn. 

Op verzoek van t. W. wordt hem toegestaan 
dit bewijs op den volgenden regtdag te leveren. 

De zaak van Johan Snijr tegen Heer Frederick 
van Keppel over zeker laken, door v. K.'s Rent- 
meester ten behoeve van v. K. ontvangen, blijkens 
overgelegd bewijs, waarop deze beweert niets van 
Snijr gekocht te hebben, is besteed aan Alfer 
van Ysselmuden, die aanspraak en antwoord bij 
schijnender zon op schrift begeerd heeft en op 
den volgenden regtdag wijzen zal. 

1531 Juuij 17 (B Lxxii). 

Stadh. R. en St. houden claring te VoUenhoe; 
tegenwoordig : 

Jan van Twickell, Drost van Twenthe, Adriaen 
V. Reede, Drost te Laeghe, Seyno Mnlart, Drost van 
Salland, Bnrchart v. Westerholt, Jan Mulart, Eentm. 
van Salland, Heer Frederich v. Twickel, Ridder, 
Adriaen v. Twickell, Lubbert Mulart, Schout te Hasselt, 
Jan V. Boetzeler, Jan v. Buckhorst toe Boxbergen, 
Aloff V. Rutenborch, Jan v. Boekhorst toe Salleck, 
Henrick Haegen, Herman v, den Cloester, Folckier 



120 

en Jan Sloet, Hinrich Schaep, Wolter Stellinck, Coert 
de Vos V. Steen wijck, Jan Mulart Jansz v, den Ordel, 
Alffer V, Ysselmuiden, Arent Mulart, Jan v. Echten, 
Zweder v. der Eze, Jan Rengers, Herman v. Eeppell, 
Johan V. Voerst, Johan v. Wermel toe Westerfeldt, 
Jolian V. Essen, Bmyn van Langhen, Dirck v. Keppel 
Hermansz, Geert v. Oesterwoldt, Henrich en Otto v. 
Rechteren, Reynt v. Covorden de Jonge, Herman 
Grobbe, Roeloff v. Scheven, Bertolt v. Langen, Claes 
V. Be(r)verden, Drost te Blanckenburch, Berntv. Ber- 
verden zijn broeder; Mr. Geert Swaeffken en Mr. 
Engbert v. Doetinchem gezonden van Deventer; Jan 
V. der Vecht en Jasper Jansz gezonden van Campen; 
Kersgen v. Diepenbroeck en Herman Bitter v, der 
Marsck gezonden van Zwolle. 

In zake Goert te Waeter tegen Herman v. 
Keppel is, daar zij schade en schuld hetreft, 
het ordel uitgesteld tot de Groote Claring. 

In zake Jan van Buckhorst toe Salleck tegen 
de wed. van Geert van Langhen, Drost van Salland, 
met Jan van Boekhorst toe Box bergen als ge- 
magtigde, over zekere penningen, door zal. Geert 
uit de schattingen gebeurd, welke door de Land- 
schap aan den aanlegger toegewezen waren, 
is verklaard: dat deze ze op de wed. mag ver- 
halen, zich refererende tot de claring van 12 Mei 
1530. — De wed. 1 boete. 

1531 Junij 18 (B Lxxxviii). 

Op de suppl. van Ilaedewich MuUers tegen 
Herman van Keppell neemt Herman aan, ^dat 
sich de weduwe zal voegen by dat register ende 
met Herman voersz ende den kuster toe Oldst 
rekeninge, ende wes sich by guede deuchdelicken 
rekeninglie befindt, dat do weduwe noch ten 
achteren is, will Herman guetlicken bettilen." 

Op (\o supplicatie van Jacob Ruyse tegen Herman 
van Keppell antwoordt deze, dat hij invorderen 



121 

zal, wat hij nop^ van het kerspel Dalfsen v()lj2fens 
ordonnantie te vorderen heeft, en dit iian Jacob 
betalen zal. 

Op de supplieatie van Franck van Papen velt 
Muntmeester weo^ens penningen deels verteerd, 
deels voor een paard voorgeschoten tijdend Bisschop 
Philips van Bourgondië, zijn hem 25 ggl. beloofd, 
binnen 2 jaar te betalen. 

1531 Junij 19 (B Lxxiiii v«). 

In zake Jan Nyemants tegen Hinrich Nyeinants 
uit Laererwolt, gebroeders, over zeker scheiding 
tusschen hen en hunne zusters gemaakt door A rent 
van Hattingen Rigter te Ootmarsum, en Johannes 
Huezichem, Hofmeijer des Hofs Ootmarsum, als . 
dedingslieden, Idijkons gerigtsschijn van B. S. en 
R. van Ootmarsum, van godesdach na Odulphi 
1531, is door tusschenkomst van Jan Mulart, 
Rentm. van Salland, en Herman van den Cloester 
door Stadh. R. en St. daartoe ge(u)mmitteerd, op 
nieuw gededingd en bepa^ild, dat de scheiding door 
de broeders en zusters gemaakt in volle kracht 
blijven zal, dat Hinrich de bezitter van het erve 
dit behouden zal, maar terstond mxn zijn broeder 
en zuster betalen zal 96 ggl. en voor de rest hun 
borgen of vestenis naar hun genoegen geven zal, 
terwijl de Stadh. den pander van Salland beveelt. 
Jan te gelasten zijn broeder Herman niet „vp te 
reyden'' tegen Hinrich. 
Gedaan te VoUenhoe. 

In zake Hans Duytsch tegen Aloff van Ruten- . 
burch over ossen aiin Hans ontnomen door Dr. 
Wynolt van Aernhem van het aan Aloff be- 
hoorende land, dat schadeloos aan Hans verhuurd 
zoude zijn, is geklaard na inzage der schriften 
van Dr. Wynolt, waaruit blijkt, dat de ossen 



122 

gehaald waren wegens Aloff's schulden en het 
rantsoen zijnor gevangenschap, en van 2 certificaten 
dor stad Zwolle, waaruit blijkt, dat Hans belofte 
van schadeloosheid van Aloff had, dat Aloff de 
ossen aan Hans vergoeden moet tegen den prijs, 
dien deze bewijzen zal, dat zij destijds waard 
waren, met reserve der kosten ter taxatie van 
Stadh. R. en St. — Aloff 1 boete. 

Daar Hinrich Wemersz namens zijne vrouw 
Aerntgen, natuurl. dochter van zal. Luytgen Brant, 
met regt Aernt Brant en na diens dood de weduwe 
aangesproken hoeft voor 11 V* mud rogge per jaar, 
welke L. aan zijne dochter geschonken had, en deze 
zaak beroepen was aan de hoogste claring^ 
is door tusschenkomst van Seyno Mulart, Drost 
van Salland, en Johan van der Vecht, Burgem. 
van Campen, door de claring daartoe verordent, 
tot vermijding van kosten een moetzoen getroffen, 
dat de wed. Aernt Brant voor S. Marton Aerntgen 
vestonis zal geven, ter kennisse van den Raad 
van Zwolle, op straffe van 25 ggL, enz 

Volgt een acte over deze zaak waiiruit nog 
blijkt, dat Aerntgen oono zuster Griete had, die 
ook natuurl. dochter van L. was en ook 11 V* 
mud genoot. 

1531 Junij 20 (B Lxxiiii v»). 

Daar op do Claring van 22 Nov. 1530 tusschen 
Bomt van Beverfoerde als markerigter en de buren 
der marke Albergen t. e. z. en de kotters 
dier marke t. a. z., zeker geschil gevallen is, zoodat 
de claring op de restitutie der afgenomen panden 
en beesten anders verstaan is, dan zij duidelijk 
uitdrukt en vermeldt, weshalve het noodig geweest 
is claringe en declaratie daarop te doen, is ge- 
klaard, dat de markerigter en de buren aan de 



123 

kotters alle afgenomen panden teruggeven zullen, 
welke bij de eerste claring erkend zijn met geweld 
en buiten vorm van regten genomen te zijn, en 
indien de kotters van ecnige „onderpandinge" op 
den markerigter en de buren aanspraak of actie 
meenen te hebben, zullen zij die voor den behoor- 
lijken regter mogen vervolgen, terwijl verder de 
eerste claring van volle kracht blijft. 

In de zaak tusschen Dirck Goyman van Deventer 
namens zijne vrouw en de kerkmeesters en kerspel- 
lieden van Hellen doorn, die met ordel en regt 
in claringc beroepen was, zijn wegens zeker onver- 
stand en duisternis in dit proces gevonden, ge- 
committeerd Seyno Mulart, Drost van Salland, 
Adriaen van Twickell en Herman van Keppell, 
om de gelegenheid op te nemen van het questieuse 
stuk land in dat kerspel, geheetcn de Ekede, 
om tevens partijen zoo mogelijk te verzoenen en 
anders op de volgende claring rapport te doen. 

1531 Junij 21 (B Lxxxiiii). 

In zake Aloff van Rutenburch tegen Herman 
Schmeeken, burger te Deventer, wegens „attinge^' 
en andere onkosten, door Adolfs zoon vroeger 
gemaakt, is door tusschenspreken van Hinrich 
van Rechteren en Mr. Engbert v. Dotinchem 
Burgem. van Deventer, daartoe door Stadh. R. 
en St. gedeputeerd, bepaald: dat Herman ont- 
vangen zal do 30 gl. welke tot verligting van 
die van Gramsbergen (van hun schatting) af- 
genomen zijn en ten behoeve van Aloff op nieuw 
verdeeld moesten worden, 25 gl. van het kerspel 
Zwolle, waartoe Aloff den ontvanger magtigen 
zal, en 25 gl. geassigneerd op die van Gramsbergen 
uit den volgenden termijn. 

Gedaan te Vollenhoe. 



124 

1531 Junij 21 (B Lxxxv^ii V). 

Daar Geert .van Ilaerst het laatste reces, op 
Kerstavond 1530 te Deventer gemaakt tusschen 
hem en Gerardus en Cornelis Loedinghe, als ge- 
magtigden der erfg^n. van Otto L., niet nage- 
komen is, en het klooster van Wijnssum hitirdoor 
als borg met den ban bezwaard is, bevelen Stadh. 
R. en St. dat het rec(»8 terstond uitgevoerd moet 
worden, zullende anders G.'s goederen aangetast 
worden. Op dit bevel vi*aagt en verkrijgt hij 
uitstel tot 4 Julij om de zaak te schikken, hetgeen 
hij belooft in •)ijzijn van Jan van den Sande^ 
burgemeester te II at tem. 

iAdriaen van Reede \ „g-edeputeerde 

Jan van Bochorst toe Box- i totter jnstruc- 
bergen i tien an Key. 

^ ,, J Heer Frederick van Twickel ) ^*' i^ ^^^P®.^ 

Twenthe { aa-^;^^^ xr«« tj^«^« / maecken mit 

1 Adnaen van Eeede [ ^^^ ^^^^„ 

van c 
Hinrich Haegen j den." 



VoUenhoe I Herman van den Cloester | van den stee- 



Den Drost van Salland wordt bevolen, om aan 
de Schouten en kerspelen, waarop de Graaf van 
Ysenbach was „bewesen'' te gelasten, elk zijn 
portie op te brengen, tot betaling van den jongst 
verloopen termijn, in zoodanig geld als den Graaf 
to(?g(^z(»gd is, terwijl den Drost de clausule ge- 
leverd zal worden, vermeldende van de „geweerde" 
der goudguldens. 

1531 Junij 22 (B Lxxvi r). 

Daar de gezanten van Deventer en erfgen. van 
Deventer kerspel door het reces tusschen hen en 
de stad Zwolle met de erfgen. van Zwollerkerspel 
gemaakt over den Douvelderdijk zich bezwaard 
gevoelen om reeds nu te antwoorden en definitieve 
Kent(nitie aan te hooren, omdat veel personen van 
vers(»hillende qualiteit, geestelijken en wereldlijken, 



125 

edelen en onedelen daarin betrokken zijn, die zij 
niet zonder vorm van landregt in de claringe 
hadden kunnen verbinden en verstrikken, waarop 
de tegenpartij geantwoord heeft, dat Deventer zich 
zonder uitstel naar de vroegere claringe regelen 
zoude, is door Stadh. R. en St. bepaald, dat beide 
partijen hun bewijzen en stukken bij de hooge 
bank inbrengen zullen met oproeping van alle 
betrokken personen, waartoe ook de Stadh. door 
kerkespraak behulpzaam zal zijn, én indien van 
het dan te wijzen ordel beroep gediian mogt 
worden, zal niemand van de Ridderschap en Steden 
gewraakt mogen worden in de claring, dan die 
in beide kerspelen geërfd zijn en zij wier landen door 
de doorbnuik van Douvelderdijk overstroomd zijn. 

Daar Seyno Mulart, Drost van Salland, op ver- 
zoek van beide voornoemde partijen den Dou- 
velderdijk opgemtuikt en de kosten voorgeschoten 
heeft, bewilligen partijen er in, dat hij die gelden 
op rente opnemen zal, op kosten van de te ver- 
oordeelen partij. 

Mijn Gen. Heer gelast Goert van llaerst aan 
de Landschap voor de daartoe gecommitteerden, 
van de gelden, door hem ontvangen uit Zalland 
en weder uitgegeven, rekening te doen voordat 
hij weder van VoUenhoe vertrekt, opdat Zijn 
G(made „der Landschap claechlick v(*.rfolch ver- 
drach mach hebben.'' 

Bniyn van Langen, Rigter te Kedingen, neemt 
voor Stadh. R. en St. aan, op Jacobi e. k. betaling 
te doen of panden te leveren binnen Deventer 
aan de burgers van Camp en, voor de gelden 
op zijn ambt ^bewesen" op S. Jan 1529 en 1530, 
Avegens gelden eertijds iian Bruyn van der Schuyren 
verschoten. 



126 

1531 Junij 23 (B Lxxviii). 

Daar het geschil tusschen Dirick van Boetzelaer, 
„ErflFsehenck" van het land van Cleeve, en Goert 
van Haerst over een brief van 20 heerenpond 
per jaar op Dirk's erve en goed den Byfanek, 
in het kerspel Salleck, door tusschenspreken van 
goede vrienden bij compromis op S. Thomas 1530 
te Deventer gemaakt, gesteld is ter beslissing des 
Stadhouders en van eenige door hem aan te vrijzen 
leden der Ridderschap, wijst deze met Jan v. 
Twickeloe, Drost van Twenthe, Adriaen v. Reede, 
Drost te Laeghe, Jan v. Buckhorst toe Boxbergen, 
Hinrich Haegen, Herman v. d. Cloester, Folckier 
Sloet en Mr. Geert Sehwaeffken, Burgem. te 
Deventer, dat Goert binnen acht dagen den rente- 
brief leveren moet in handen des Stadh. ten be- 
hoeve van Dirk, dat deze op Kersmis e. k. aan 
Goert bestalen 45 ggl. en daarvan handschrift aan 
den Stadh. geven moet ; dat daarmede alle punten 
van geschil vereffend zijn en dat wie hiertegen 
handelt 100 oude schilden verbeurt, half aan den 
Stadh. en half aan de tegenpartij. 

Daar Prior en Convent van Albergen, Aernt 
van Keppell, Hinrich Oesterhoff en Jan Gover, 
zich menigmaal bij den Stadh. beklaagd hebben, 
verkort en bezwaard te zijn in de „(mtgevinge" 
hunner landen in een bijsteren dijk door Goert 
van Haerst, Dijkgraaf, en de Heemraden van 
Zalland, in strijd met het dijkregt, welke landen 
dientengevolge door de zevens begeven en door 
Geert Lukesz, Dirick van Twenhuisen, Henrick* 
Kannengieter e. a. aangetast zijn, heeft de Stadh. 
den Dijkgraaf, de Heemraden, de zevens en de aan- 
tasters ontboden, en na lang zamenspreken hebben 
Dijkgr. en Heemraden zich bereid verklaard de 
begeven landen terug te geven, mits de klagers 
alle schade en kosten betalen en cautie stellen, 



127 

dat zij den dijk niet zullen laten ligf?en; binnen 
2 maanden zullen de klagers zich schriftelijk aan 
den Stadh. verklaren, of zij dit aannemen willen. 

1531 Junij 25 (B Lxxxiii). 

Het geschil tusschen Pater en Convent van 
S. Brigitten te Campen en Johan van den 
Camp, Drost te Nyenhuis, over 10 ggl. per jaar, 
staande op het klooster te Wijndessem, door 
juffer Fenne van Graes aan S Brigitten bij 
testament gegeven, en door v. den Campe met 
regt van Wijnssem gewonnen, blijkens zegels en 
brieven hem door den Prior gegeven, is in der 
minne gesteld ter beslissing van Mr. Gerrit 
Zwaefken, Burgem. van Deventer, en Johan van 
der Vecht, Burgem. van Campen, van wege Prior 
en Convent, en Adriaen van l{eede Maarschalk 
en lieer Frederick van Twickeloe Ridder, van 
wege V. den Camp, die bepaald hebben, dat v. d. 
Camp al zijn brieven en bewijzen teruggeven 
zal aan Prior en Convent, die v. d. C. en S. 
Brigitten elk voor 5 ggl. per jaar vesten zullen, 
terwijl S. Brigitten tegenover de reeds eenige jaren 
door V. d. C. gebeurde 10 ggl. aanstaanden Mei 
eens de geheele 10 ggl. beuren zal. Hiermede 
zullen alle geschillen geëindigd zijn op straf van 
100 oude Fransche schilden, half aan den Keizer 
en half aan de tegenpartij. 

1531 Junij 26 (B Lxxx). 

In zake Roloff van Ytterssum en de wed. van 
Johan V. Y. Wolfsz met haar kinderen tegen Geert 
Borchertsz en de erfgen. van Thonijs van den 
Graeve met hun adhaerenten en Heer Daniel 
Dagge van wege zijne vicarie te Wilssem, 
over 17 morgen lands, waarvan Borchertsz en de 
erfgen. v. d. Grave 10 en de Vicaris 7 morgen 
verdedigen willen tegen de aanleggers, als aan- 



4i4 



12Ö 

tasters van die landen, door de zevens (Prior vah 
Belheem, Bel-nt v. Ytterssum, Jan v. Ytterssum, 
Drost te Ysselmuiden, Gerit Lukesz, Adriaen v. 
Essen, Ilinrich Kroeser en den Pater van den 
Sonnenberch) in den bijsteren dijk gegeven, als 
gesproten uit den boezem, eigendom en „leste 
weer" der erfgen. van Ruederloe, volgens een 
brief in het proces, door Goert van Ilaerst Dijk- 
graaf en de Heemraden indertijd naar dijkregt 
gereden en gehouden in 1510 en 11, terwijl de 
verweerders beweren, die landen georven te hebben 
van hunne ouders en voorouders, en dus in het 
bezit gehandhaai'd wenschen te worden totdat zij 
er uitgesleten worden met beter regt, volgens 
rer^s en elaring op 18 Jan. 1520 in deze zaak 
godecerneerd, — is geklaard: aangezien naar Sal- 
landsch Dijkregt geen land in een bijsteren 
dijk begeven mag worden, dan wat uit den boezem, 
eigendom en laatste weer der in dien dijk be- 
hoorende erven gesproten is, en aang. het niet 
voldoende gebleken is, dat de 17 morgen uit den 
boezem, of de landen der erfgen. van Roederloe 
gesproten zijn, maar wel het tegendeel uit de 
door Borchertsz en de erfgen. v. d. Grave bij- 
gebragte brieven blijkt, zoo zullen dezen in het 
bezit der 10 morgen en der penningen van die 
in sequestratie liggende landen komen en blijven, 
totdat zij met beter bewijs daaruit gesleten worden. 
En aang. van de 7 morgen der viearie geen zoo- 
danige brief bijgebragt is, zullen deze in de 
sequestratie l>lijven tot nader bewijs. Daar voorts 
in de registers van Mastebroeck in 1362 ge- 
mmikt en ten behoeve der erfgen. in het convent 
Belheem bewaard, in het register waaruit men 
brugge- en morgengeld mmint, bewaard bij B., 
S. en R. van Zwolle en in eenige brieven van 
Borchertsz in de bepaling (grenzen) zijner landen 
bevonden wordt, dat in het blok van Voorster 



129 

en Westerholterslag oenige larnluii lisj?''n, vroeji^c^r 
behoorendci aan do erfgcn. v. Rnerloe, isgekhuird, 
dat do Stadh. allo orfgon. goestelijkon on worcdd- 
lijken, die in dat blok geërfd zijn, zal oj)n)epen 
om hun zegels en brieven over te leggtm voor 
eenige gecommitteerden, die daarover rapport zullen 
uitbrengen, nl. van wege Salland: Jan v. Buek- 
horst to Salleck en Ilernian v. Kej)pell; vanwege 
Twenthe: Jan v. Twickel^ Drost en liernt v. 
Bevervoorde to Weemsell, (voor wien omdat hij 
op den landdag absent was Bruyn v. Ijangen in 
de plaats gesteld is); van wege Vollenho: Hinrich 
Haeghen en AlflFer v. Ysselmuyden. 

In zake Hinrich Pcrsijn tegen RoloflF v. Ytters- 
sum en de wed. van Johan van Y. Wollsz. over 
een erve te Espelo, in een kwaden dijk begeven 
door de in voornoemd reces en sententie genoemdi 
zevens, is, daar dezen beweerden op deze zaak 
niet ontboden noch voorbereid te zijn, en dat een 
deel gestorven, ecm deel absent en een deel ver- 
trokken waren, bepaald, dat partijen en de zevens 
op den Gden djig- van den volgenden Landdag 
met al hun bewijzen verschijnen moeten, terwijl 
de aanwezige zevens de afwezigen oproepen zulhm. 

Stadh. R. en St. committeren Jan Mulart Rentm. 
en Seyn Mulart. Drost van Salhmd, om te visitenMi 
de rekening van (joert van Maerst als Dijkgraaf, 
waarop (ioert een „stemm(dick(»n djich end(* malstat 
angesat is'' nl. donderdag na Assumptionis Mariae 
's morgens ten 8 ure in het klooster t(^ Wijnssem, 
waar ook de li Steden hun afi>'(»vaardio:den zenden 
zullen. 

Daar hd; kerspel Colmenschoeten zich be- 
klaagt in d(^ schatting d<ïzer (5 jaren hoogeer gc^steld 
te zijn, dan het kerspel Raalte, zullen de 

9 




130 

klagers geduW moeten hebben, en zoo na afloop 
dier jaren hun bezwaar gegrond blijkt, zal dit 
dan verholpen worden. 

1531 Junij 17 [27] (B. Lxxxiii vj. 

In zake de wed. van Peter Sticker tegen Jacob 
van Ytterssum over 28 heerenpond per jaar uit 
zeker land en onderpand door Jacob, welke 
deze meent niet schuldig te zijn wegens giftinge 
van het land in een dijk, is geklaard, dat Jacob 
de jaarlijksche rente met de verschenen renten 
aan de wed. opleggen en betalen moet. 

1531 Junij 27 (B Lxxxiiii en xc). 

In zake Hasselt tegen Zwolle over de brug 
is geklaard: wel beroepen en kwalijk gewezen; 
aangezien het geschil niet in der minne bijgelegd 
is kunnen worden, moet de sententie in 1529 te 
Hasselt uitgesproken door die van Hasselt opge- 
volgd worden, met voorbehoud van 's Keizers 
hoogheid, de gerigtskosten aan beide zijden ge- 
compenseerd. 

In zake Heer Herman Middelwijck, Vicarius 
te Wye, en Juffer Lijsbet Bloemendael is ge- 
klaard: wel gewez(m en kwalijk beroepen; daar 
de Vicarius niet genoeg bewijs geleverd heeft, dat 
de 6 heerenpond per jaar in de laatste 42 jaar 
uit kracht der fundatie gebeurd zijn, mag hij 
Juffer Lijsbet verder (niet) molesteren. 

Op propositie van den Stadh. aan de gedepu- 
teerden des Capittels te Deventer, Mr. Johan 
Oistendorp, Mr. Arnoldus Buser en Mr. Cristoffel 
van Baeden, voorgehouden aangaande de geregtig- 
heid van de novalien, antwoorden de gedepu- 
teerden geen volmagt te hebben, om over ffë^l^^ 
materie te tractoren, omdat hun mede-oapitularen 
in verschillende plaatsen resideren ; doch zij nemen 



131 

aan met dezen daarover te handelen, de uit- 
landigen den volji^enden S. Ef];idiiisd{i<( te ontbieden, 
en daarna aan Stadh. R. en St. antwoord te brengen. 

In zake Johan Mulart Rentm. van Salland, 
Biirchart van Westerholt en Jan van Buckhorst 
toe Boxbergen, als borgen voor 70 ggl. per jaar, 
door den Rentm. van Vi^ege de Landschap s(»huldig 
aan de burgers van Deventer, die de hoofdsom 
verschoten, en w^elke door den Keizer in de rekening 
des Rentmeesters niet gepast^eerd mogen worden, 
is overeengekomen, dat de vritaiden van Deventer 
met hun burgers onderhandelen zullen, om „ver- 
schrivinghe ende bevestinghe" te nemen, van de 
kerspelen, waarop die 70 ggl. gc^steld zullen worden, 
en de borgen te ontslaan; en zoo dit niet gelukt, 
zullen R. en St. middelen zoc^ken om de borgen 
tevreden te stellen en dim Rentm. zijn achterstand 
te betalen. 

Op de suppl. der wed. van Johan van Ytterssum 
Wolffsz fumgiiande 500 gl., welke zij uitgc^geven 
heeft om het huis te Ijaeghe met vrienden der 
Mindis(»hen weder aan de Landschap te brengen, 
hebb(m de gezanten van de Btenlen copic van haar 
suppl. geëischt om die aan hun raadsvrienden 
mede te deelen en op den volgend(^n landdag 
rapport te doen. 

1531 Junij 28 (B Lxxxiiii v»). 

De zaak tusschen lieer Aeldt Wijnter Priester 
en Jan Snijr is geremitteerd, omdat zij niet in 
claringe beroepen is; is dit geschied, dan zal 
daarop regt gedaan worden. 

Op het certificaat door Claes van Wyc bijge- 
bragt van de waardering d(U" 9 ossen door Dr. 
Wynolt geluuild van liet land van Aloff van 
Rutenburch, zijn door Stadh. R. en St. de ossen 



132 

geschat op ISV^ Philipsgulden (van 25 brab. at.) 
het paar of zamen 83 Phsgl. 6 st. 1 oort; de 
4^/2 ggl. die Aloft' op de huur van het land ont- 
vangen had, zal hij aan Claes teruggeven benevens 
2 ggl. 3^2 st. voor supplicatien, gerigtsschijnen 
en recessen, en 5 ggl. voor kosten van „tverfolch" 
sedert de uitspraak der sententie in claringe. 

Op het certificaat door Hans Duytsch overgelegd 
van de waardering der 6 ossen, hem door Dr. 
Winolt afgehaald uit het land van Aloff van 
Rutenburch, zijn de ossen om bijz(mdere redenen 
g(*schat op 125 Phsgl. terwijl voor gerigtelijke 
kosten min Hans toegewezen zijn 7 ggl. 4 st. 
door Aloff te betalen. 

In zake Peter Klockgietor tegen eenige buren 
van En SS is gc^klaard: kwalijk gewezen en wel 
beroepen, zoodat de aanl. gehouden zal zijn den 
verweerders borgen te stellen voor de kosten. — 
Peter 1 boete. 

In zake de Abt en het klooster van Dickeningen 
tegen Burchart van Westerholt als gemagtigde 
van Roeloff Muylart, van zekere panding door 
den Abt gedaan op zijn onderpand volgens zegel 
en brief, is geklaard, dat de brief van waarde is, 
tenzij Roelof bewijze, dat het onderpand een leen- 
goed is, zoodat op de binnenjaiirsche pacht regte 
panding en onregte pandwering gedaan is, doch 
van de verjaarde pac^ht zal Roelof „tott ziner 
onschult moegen staen" of betaling mogen bewijzen, 
ter zijner keuze, en zoo hij geen van beide doet, 
zal hij de verjaarde pacht betah^n moeten, be- 
houdens over de „veetber'' (oorlogs) jaren. 

In zake de huislieden iT<^ kerspels vm Uêët^" 
nichem (Denekamp) tegei'r'^ wed. van Heer 
Dirick Ketteler over „dinckteiels'' penningen, door 



133 

het kerspel gevorderd van de meijei's der wed., is 
gekliuird: dat de meijers vrij zullen zijn van die 
betaling, met compensatie der kosten. 

De zaak tusschen Gerardus Kost en Ileymannus 
Brant is tot de volgende claring uitgesteld. 

In zake Johan Roesinck tegen Roeloff van 
Scheven is geklaard: dat Jan in het bezit van 
het erve blijven zal, totdat Roelof hem metland- 
regt daaruit slijt, en daar het proces onvormelijk 
in de claring gekomen is, is dit gecasseerd en 
mogen partijen op nieuw naar vorm van landregt 
procederen. 

In zake Wolter te Nyenhave tegen Roeloff van 
Scheven, waarin bcvondcm wordt, dat het ordel 
door Roelof in claring beroepen zoude zijn blijkens 
een andere hand en karakter van letteren, het- 
geen Roeloff ontkent, met overgave van afschrift 
uit het gerigtboek, waarin van de beroeping van het 
ordel niets staat, is aan den Drost van Twenthe 
gelast informatie hierop te nemen en correctie te 
laten geschieden. 

In zake Roelof van Sc^heven tegen Wolter ten 
Nyenhave over het goed geheeten dat Blicht, 
de halve Houwende mate en den Gaarden, waarvan 
Wolter in het bezit gevcmden is, dat volgens 
Roelof onregtmatig is, dimr zijn grootvader zal. 
Roelof V. S. het erve en goed ten Nyenhave met 
alle toebebooren in (14)88 van Wolters ouders 
gekocht had blijkens overgelegde zegels en brieven, 
is geklaiird: dat Wolter in het bezit blijft, totdat 
Roelof m(5t landregt hem er uit slijt en voldoende 
bewijst, dat die goederen tot het erve ten Nyenhave 
behooren en aan Wolters ouders slechts in lijftucht 
gegeven zijn. 



134 

In zake de Drost van Vollenhoe Burcliart van 
Westerholt namens Roloft* Muylart tegen het . 
klooster van Dijckeninjj^en, over de exceptie van 
den Kelner des kloosters, die om op de aanspraak 
te antwoorden „sinen Keysers daeh van xiiii" 
b(^,geerd had, hetj^(H^n door den Drost geweigerd en 
door den Kelner in elaring beroepen w^as, is ge- 
klaard: kwalijk gewez(Mi en wel beroepen, zoodat 
het (*()nvent nog zal mogcni genieten, „den Keysers 
daeh als vierthien daeghen." 

In zake Jan van (den) Camp als momber der 
Juffen^n van Langen tegcm Aernt Blanckevoert 
te Ilen^kssen, over zeker land, waarvan Aernt in 
het bezit bevonden wordt, is geklaard : wel gewezen 
en kwalijk l)eroe})en, zoodat Aernt in het bezit 
gehouden zal worden, totdat hij met landregt er 
uit gesleten wordt. 

In zake Gerrit Goltsmit van Zw^olle tegen het 
klooster Claerenberghe bij Vollcnihoe, over zeker 
linnen doek, dat het klooster door -een knecht 
ontstolen en door Gerrits vrouw verkocht was 
te Zwolle voor 24 Phsgl. aan Wobbeken Schaeps- 
hoeft, is geklaard: dat de bagijnen haar doek terug 
zullen hebben, en dat Wobbeken haren koopman 
en Gerrit den zijnen zoeken (vervolgen) mag. 

1531 vpten avent Petri et Pauli apostolorura [28 Junij] 
(B xeiii). 

In het geschil tusschen Femme wed. van Herman 
ten Toern en Beerte wed. van Floris ter Beeken, 
w^egens het verwin, door Herman voor den Schout 
te Zwolle op Floris gedaan van 30 ggl. enz., 
is ten overstaan van Burchart vfu^Jj[,j^jftrho^ 
Drost van Vollenhoe, Jan v. ftei- Vccht^R^^^^ 
x^n Campen, on ircrman Bittor v. dor mS' ^■ 
Burgera. van Zwolle, daartoe gedeputeerd d ' 



•si 



135 

Femme bijgebrapt, dat zij en haar man aan Beerte 
en hiiar man verkocht hadden 3 heerenpond per 
jaar uit Herman Oevincks huis te Hasselt voor 
30 ggl., welke Floris en zijn vrouw wel beloofd 
maar niet betaald hadden en dat zij daarom ver- 
wonnen waren; waarop Beerte antwoordt, dat dit 
alles wel waar is, doch dat Herman de betaling 
van Floris aan Seyno Mulart gezien had en daar- 
mede tevreden geweest was en ook dat het verwin 
ondeugdelijk geschied was; door tusschenspreken 
der gedep. is ten laatsten door [)artijen overeen- 
gekomen, de principale zaak voor den Raad van 
Zwolle te vervolgen, en wat deze wijst te houden, 
waarbij het verwin geen van beide partijen zal baten 
noch schaden ; Herman Mulart die voor den Schout 
borg was, zal dit zoolang blijven, om van wege 
Beerte te voldoen wat door den Raad gewezen 
wordt. 

Op 30 Junij wordt nog bepaald, dat het geschil 
tusschen voornoemde partijen over de „narratie van 
het reces" tusschen hen gemaakt ook door die van 
Zwolle beslist zal worden. 

Ordcmnantie op de tenuitvoerlegging der von- 
nissen in claringe door Stadh. R. en St. uit- 
gesproken. 

Uitgeg. Racer III. 271, doch met een paar mis- 
stellingen zonder beteekenis. 

1531 Junij 29 (B xci). 

Daar in (15)11 aan Twenthe opgelegd zijn 
31000 ggl. waiirin de heerlijkheid Almelo e, 
Vriesenveen en de stad Almeloe 2210 ggl. 19 st. te 
betalen hadden, waarvan de erfgenamen van Rech- 
teren 500 ggl. met de jafirlijksche handgelden betaald 
hebben of nog zullen betalen aan de stad Deventer 
ten behoeve des kloosters Folckerinckhusen, 
V zoodat nog resteren 1710 fl. 19 st. waarvan 305 fl. 



)\ 



136 

1 9 st. zonder handgeld staan te betalen, te weten 
130 ggl. 19 st. aan Jurgen van Bemmelsberch, 
100 ggl. aan het klooster Brantshuys te Deventer, 
50 gl. aan het klooster te Diepenveen en 25 ggl. 
aan het klooster te Folckerinckhuysen, terwijl nog 
1405 ggl. met rente van het jaar 1512 af te 
betalen zijn, en de erfgen. van Rechteren zich 
beklagen hierdoor bezwaard te zijn, terwijl Twenthe 
beweert na rato veel erger bezwaard te zijn en 
meer dan h(^t dragen kan, in welke zaak op 25 
Nov. 1530 overlegging van wederzijdsch bescheid 
gelast is op dezen Landdag, is door Stadh. R. 
en 8t. verklaard: dat die \an Almelo en Vriesen- 
veen met de stad Almelo bebilen zullen eene 
hoofdsom van 800 gl. met de verloopen rente, 
waarvan 600 gl. aan de stad Campen van wege 
^mekelers'^ Aernt van Holten en Claes Brouwers 
te vestigen tegen den 20*° penning, en 200 gl. 
te vestigen voor de stad Zwolle van wege Johan 
Lyndermans, beide sommen met de verloopen 
handgelden ; voorts aan het klooster te Diepenveen 
50 en dat van Volckerinekhuysen 25 gl.; het 
land van Twenthe zal beüilen: 605 gl. met de 
verloopen liandgelden, waarvan 405 gl. te vestigen 
voor de stad Campen ook van wege „meekelers" 
en anderen, tegen den 20''° penning; 200 gl. te 
vc^stigen voor de stad Zwolle van wege Johan 
rjy(n)dermans ook tegen den 20*° penning; en 
eindelijk aan Jorg^en Bemmelsberch 130 ggl. 19st. 
on aan Brandthuys 100 ggl. Hiermede zullen 
de geschillen g(ȑindigd zijn, behoudcmde die van 
Reclit(n*en hun oude vrijlieid en geregtigheid en 
ook die van Twenthe de hunne. 

ïn het geschil van Albert Brants dochter tegen 
Peter van Mouwijck is bepaald: (indicji) in dc 
3 volgende jaren niet bevonden wordt, dat Peter 
de restanten, die hij Albert Brant „overgewesen" 



137 

heeft, ontvangen heeft, zal de landschap na 3 jaar 
Albertö dochter betalen. 

1531 opton dach Petri et Pauli Apostolorum [29 Junij] 
(B xciii). 

Daar Bernt' van Bevervoerde „bcwesen" was 
op Berspick met 137 ggl., welke penningen Johan 
Pruesener met regt vervolgd heeft, is Bernt 
„vreeedich" dat Johan die gelden ontvange, on 
zijn Bernt in phuits daarvan weder „bewesen" te 
ontvangen van Helend oer n 61 ggl. en van het 
kerspel Ilardenberg 76 ggl., half op S. Jan 1531 
en half op S Jan 1532 te betalen. 

Adriaen van R(^ede gecommitteerd zijnde om naar 
het hof des Keizers te reizen, hebben Stadh. R. 
en St. beloofd hem zijne vertcn'ing terug te geven 
vóór Martini, opdat hij zijne belofte aan Hinrich 
de Voss en Juffer van Ytterssum houden moge. 

Daar (loert van Ijangen, eertijds Drost van 
Salland, uit de beestenschatting te Dalfsen ont- 
vangen en voor zaken der Lands(*hap besteed heeft 
40 ggl. h 31 st., besluiten Stadh. R. en St. die 
gelden weder te nemen van de penningen, welke 
de platte landen in den 2*" termijn op Jacobi e. k. 
betalen zullen, en de 25 gl. welke de Drost uit 
het kerspel Hein o ontvangen heeft te nemen uit 
de rest der 1200 gl. die nog onverdeeld staan op 
het land van Zalland; en daar de 33 gl. welke 
de Secretaris van Deventer oj) het kerspel Heino 
„bewijst" en voor 's lands zaken uitgegeven zijn 
blijkens de rekening van Johan van Wermel, zal 
het kerspel Heino de penningen zonder uitstel 
weder uitzetten en betalen, zoodat de Secretaris 
geen schade lijdt, en de 11 gl. door Heer Roever uit- 
gegeven en in het kerspel Ilelendoern ontvangen, 
zal dit kerspel weder uitzetten, zoodat die betaald 



138 

worden waar het behoort, en zoo ook in andere 
kerspelen. En aanj^aande den ring door Bernt 
van Berverden verzet voor 20 kroonen, zal men 
deze kroonen ook nemen van de penningen uit 
de platte landen op Jacobi e. k. 

1531 Junij 30 (B Lxxxvii en xcij). 

In zake AlofF van Rutenbereh tegen Herman 
Miilert, Schout te Zwolle, over Aloffs „dienerloen," 
is de sententie en claring van de stad Zwolle 
van waarde gekend en geklaard, en in zake de 
medicamenten, biedt de Schout aan, zoo Aloff 
zweren wil, dat hij binnen 14 dagen voor de 
executie niet verwittigd was van de panding en 
weeten, door den Schout op zijn goed gedaan, de 
SV^ mud rogge terug te geven. 

In zake Goessen de Wreeden, pander, tegen 
Johannes Beckum, Schout te Oldst, over zeker 
leengoed, hebben partijen door tusschenspreken 
des Stadh. de uitspraak opgedragen aan vier 
„seggesluden," lieer Frederich en Adriaen v. 
Twickcloe gebroeders van wege den pander, en 
Jan V. Bochorst te Boxbergen en Herman v. 
Keppel van wege den Schout, om maandag over 
een maand hen te verzoenen op den Santfort voor 
den Arkenstein, zullende op de niet nakoming 
der dan te vallen uitspraak 100 oude schilden 
boete staan, terwijl het goed in geschil inmiddels 
gesequestreèrd blijft. 

Daar bevonden is, dat zal. Bernt van Bever- 
foerde. Drost te Blanckenburch, uit de schatting 
van Haexbergen 135 gl. gebeurd heeft, welke 
de stad Campen gehad zoude hebben,» en 188 ggl. 
welke de stad Zwolle gehad zoude hebben, is 
geklaard: dat Bernts erfgenamen de huislieden 
voor die sommen kwijten en vrijen zullen. 



139 

In zake Jan van Angeren en de wed. van 
Herman ten Toern tegen Egbcrt van Vijlsteren, 
Schout te Wye, van 6 g-gl. jaarlijksche rente, 
welke Herman op het Schoiitambt had liggen, is 
geklaard : dat Egbert de rente moet afdoen en 
Jan en de wed. daarvan „vrijen" moet overeen- 
komstig het tractaat tusschen den Keizer en den 
Vorst van Gelre gemaakt, en zoo hij meent op 
de tegenpartij mmspraak te hebben wegens hand- 
gelden, mag hij die met landregt vorderen. 

Op de suppl. van Miehiel Swaenen is geklaard : 
zoo hij eenige meijers vinden kan, buiten of binnen 
steden gezeten, die (aan) Bisschop Philippus (iets) 
schuldig zijn, zoo mag hij met regt dat op hen 
vervolgen, en zullen de steden hem onvertogen regt 
laten wedervaren alsof de Rentm. zelf die meijers 
vervolgde; en indien hij zoodoende niet geheele 
betaling krijgt, mag hij de rest verhalen op 
's Bisschops erfgenamen. 

„Vp verfolch vp de geiene, de vpt Lant van 
Drenth bewesen zijn, is verdraegen, vermits dat 
men doshalven is jn handelingh mit der Key. Ma', 
dat bewesen persoenen patientie zullen hebben 
ter tijt deshalven mit der verdraegen is." 

1531 Nov. 21 (B xcv v«). 

De Stadh. George Schenck, vrijheer te Tauten- 
borch, houdt een landdag binnen Oldenzaal met 
de volgende Riddermatigen en (raadsvrienden der) 
Steden : 

Johan V. Twickel, Drost v. Twenthe, Adriaen v. 
Reede, Drost te Lae^he, Burchart v. Westerholt, Drost 
van Vollenhoe, Seyno Mulart, Drost van Salland, 
Johan Miilart, Rentm. van Satland, Lubbert Mulart, 
Schout te Hasselt, Johan v. Ytterssum, Drost te 
Ysselmuiden, Heer Bernt v. Schellich, Commandeur te 
Ootraarsum, Heer Frederich v. Twickel Ridder, Johan 
V. Buckhorst toe Salleck, Adriaen v. Twickel, Hinrich 
en Otto V. Rechteren, Hinrich Haeghen, Herman v. 



140 

den Cloester, Johan v. Echten, Alffer v. Ysselmuyden, 
Coert de Vos v. Steenwijck, Roelof v. Scheven, Johan 
Muylart, Castellein ten Kiiynre, Herman G-robbe, Wolter 
Stellinck, Johan Rengers, Peter v. Voerst, Aloflf v. 
Rutenburch, Claes v. Be vervoerde, Drost ten Blancken- 
burch, Reynt v. Coevorden de jonge, Eernst v. Ytters- 
sum, Herman v. Twickeloe, Gijsbert v. Dorth, Bernt 
ten Thye, Wolter v. Coevorden, Hinrich Schaep, Otto 
V. Rutenburch, Roelof v. Hoevele, Bernt v. Bever- 
foerde toe Weempsell; Dirich v. Brunsfelt en Mr. 
Engbert v. Doetkum, gedeputeerden van Deventer, 
Geert Burchartsz en Jan v. der Vecht, gedep. van 
Campen, Kerstgen v. Diepenbroeck en Herman Bitter 
V. der Marsch, gedeputeerden van Zwolle; Steven v. 
Haerst, Otto v. Bellinchoeven, Jurgen v. Bermentloe, 
Johan V. Moerbeke, Hinrich Stellinck, Bruyn v. Langhen, 
Wolter V. Heyden, Bernt v. Berverden Berntsz, Wolter 
Splijnter, Johan v. Hoeuelen, Mr. Johan v. Langen, 
Doctor te Rijssen, Johan v. Eschede. 

Op verzoek van Johan Bijlderbeecke namens 
Berndt van IIu(^htenbroeck, die in 1510 de Land- 
schap gediend, doch nog 216 ggl. 6 st. te vorderen 
heeft, is op rapport van Johan v. Twickel, Drost 
van Twenthe, Hinrich Haegen en Lubbert Mulart, 
bepaald, dat men hem voor die hoofdsom en zijne 
onkosten op het Rentambt van Salland verzekeren 
zal 11 ggl. per jaar; bij de ontvangst van zijn 
rentebrief, zal hij de obligatie van de Steden terug- 
geven. 

Op verzoek van Goert van Heeck aangaande 
zijn achterstand van 92 ggl. hem schuldig blijkens 
het register van Peter van Mouwijck en „bewesen" 
op de stad Hasselt is bepaald, dat men Hasselt 
bevelen zal hem te voldoen, mits hij aan Hasselt 
bewijs geve van ontslag des arn^sts, door de wed. 
V. Heeck eertijds gedaan en quittantie geve ten 
behoeve der Landschap. 

1531 Nov. 23 (B. xcvii V»). 

De landdag ordonneert quittantie voor de land- 
schap te teekenen aangaande de 16000 ggl. haar 



141 

door den Keizer geaccordeerd, aan Jan v. Twickell, 
Drost van Twenthe, en Adr. v. Reede, van wege 
Tweuthe, Adriaen v. Twickel en Jan v. Buck- 
horst toe Salleck van wege Salland, Biirchart 
V. Westerholt en Ilinrich llaeghen van wege 
Vollenhoe. 

Op de suppl. van Hinrich van Ilaerst mmgaande 
d(^ gevangenschap des vaders zijner vrouw, is 
be[)iUild, dat hij geduld zal hebben tot het einde 
der 6 jaar, waarvan er 2 om zijn, omdat de land- 
schap reeds zoo bezwa^ird is. 

Op voorschrijven der stad Koesfelt van wege 
ha;ir gasthuis, dat 10 ggl. per jaar op de Land- 
schap had en verdeeld is op Steenwijk, is aan 
den Drost van Vollenhoe bevolen met Steenwijk t<ï 
onderhandelen, zoodat h(^t gasthuis Ix^taald worde, 
hetgeen ook aan Koesfelt door den Stadh. g(v 
schreven is. 

Op het beweren van Steven de Voss aangaande 
450 gl. hem op de kerspehm Raalte, Ommen, 
Heino en Dalfsen „bewesen," is besloten, dat 
men hem 400 gl. betalen zal en later naar de 50 
gl. zoeken zal. 

In het geschil over de penningen op de kerspelen 
der 3 landschappen Sallaud, ïwenthe en VoUenhove 
«bowesen" (m elk toegi^slagen te betalen deels 
met gevalueerd, deels met ongevalueerd 
geld, is besloten, dat elk van* de kerspelen de 
penningen Ixitah^n zal met gevalueerd of onge- 
value(»rd geld zooals zij te betalen sfaiaii, en als 
iemand daarover bezwaard wordt, zal men hierop 
bij andere tijden miar gelegenheid letttm. 

1531 Nov. 26 (B xcviii v«). 

Daar door Stadh. R. en St. een ordonnantie 
gemaakt is van 300 (uit)geruste paarden, die 



142 

door de Ridderschap, de 3 Steden en de stad Olden- 
zajil tot bescherming der Landschap „vptgarden 
van den knechten" f^^ehouden zullen worden, enz. 
is op de vniap^, welke kosten en lasten vallen 
zouden voor iemands dood of schade in het veld 
voor den vijand, door R. en St. besloten, dat wie van 
de houders der genoemde paarden voor den vijand 
„nederlaegh(i", gevangen werd of schade leed binnen 
de 8 dagen die zij op eigen kosten dienen zullen, 
. daiirvoor vergoeding krijgen zal, te bepalen door 
den Stadh. 

Wolter Splinter doet den eed als pander van 
Twenthe. 

Bepaald dat de ruiters, die den Keizer en de 
Landschap dienen zullen, op 1 Jan. uitgerust 
zullen zijn en hun jmir zullen beginnen, terwijl 
de Stadh. plaats en tijd der mcmstering fian den 
Drost melden zal; na de monstering zullen zij 
dan op elk pmird een „quartier soldes" (viereljaar 
soldij) ontvangen. 

1531 Nov. 26 (B cv). 

Tusschen Claes Grave van Teckennenberch en 
Heer te Lingc^n t. e. z. en R. en St. van Over- 
ijssel t. a. z. is door bemiddeling van 's Keizers 
Stadhouder een vergelijk getroffen aangaande de 
5000 gouden liijnsche Keurv. gl. in 1511 aan de 
Landschap geleend met de renten. Betaald zijn 
door Jan (ki Goyer en llinrich Stockman, bui^ei-s 
van Zwolle, 1000 ggl. voor 4 termijnen hand- 
geld, in 1518; door Roelof Boschman, burger van 
Deventer, 318 ggl. volgens bekentenis van den 
Rigter te Lingen Jan Hoet, in 1525; doorReyner 
Alerinck, burger van Deventer, 63 ggl., in 1521. 
Daar de Graaf het huis en ambt van Die pen hem 
in pandschap heeft van den Vorst van Gelre 
sedert 1526, en Deventer daaruit als jaarlijksche 



148 

rente 100 ggl. en uit de inkomsten en accijnsen 
van dat ambt omtrent 18 ggl. per jaar heeft, 
maakt dit over 5 jaar 590 ggl.; daar de Graaf 
van deze rente niet wist, zal daarover nader ge- 
handeld worden. Aangaande de 9 ossen, door 
's graven Drost te Diepenhem Robrecht Kendenich 
aan Aernt van Keppell en Herman van Vreeden, 
burgers te Zwolle, bij vredestijd in 1526 ontnomen, 
en geschat op 95 Phs. gl., zal de Graaf zijn Drost 
ter verantwoording roepen; ook zal de Drost 
Kendenich betalen wat hij te Deventer van Ilin- 
rich ScherflF, Lambert Schwanenburch, Egbert 
Iloymaecker en Dierick Mesmaecker gekocht had 
aan proviand of andere zaken voor het huis Diepen- 
hem; eveneens de verteerde kosten, „attinghe'^ en 
„verlachten" penningen, welke hij in Deventer 
schuldig was uit den tijd zijner gevangenis, nl. a^in 
Wessel van Gemen's huis 65 ggl. en voor Willem 
van Teckenenburch 3 ggl. 5 st. en in Florishuis 
van attinghe 25 ggl.; dit artikel zal volgens uit- 
spraak des Stadh. door de Landschap betaald worden. 

De renten van de jaren, die „veedbaar" geweest 
zijn, meent de landschap evenals bij andere per- 
sonen, ook bij den Graaf te kunnen korten, doch 
zal ze geheel betalen, terwijl de Gra^if dan afziet 
van zijne actiën van schade en interessen voor 
wanbetaling, en verder aan leisting, bodeloon en 
dergelijke. 

Eindelijk bepaalt men de termijnen tot betaling 
van het restant der 5000 ggl. ./ 

Gedaan te Oldenzaal in duplo. Met den Graaf 
teekenen : Diricli van Keppel, Hinrich Becker, Pastoor 
te Braemsche, Johan Edinck, Rentmeester, Johan Teec- 
kenenburch en Berendt Flaeg-nick, voogd. 

Op supplicatie van Hans van Kalb en eenige 
ingezetenen en burgers van Genemuiden over 
penningen, waarvoor zij door R. en St. op het 
land van Drenthe „bewesen" waren, is geor- 



144 

(lonneerd, dat zij op den volgenden landdag op 
nieuw „vernianinghe" doen zullen. 

1531 Nov. 29 (B xeix). 

In het t?es(»hil tussehen die van Ootmarsum 
en die van Noorthorn over 150 gijl., welke die van 
O. voor zekere in hun stad ^gefluchte" goederen 
van die van N. in 1514 aan de (lelderschen 
^v(»rdinget'' hadden en diiarna in 1523 op rogge- 
r(mt(^ van 15 mud per jaar ^geworven" hadden, 
vu aan Bernt van Ilackfort hadden moeten be- 
tahm, 'h(*bl)(»n die van N. geantwoord en geëx- 
eipieerd: dat dies van O. voor dat ^verding'' aiin 
de (ielderseh(*n hun eimsent niet gehad hadden 
(»n zij hunne ^gefluehte'' goederen meerendeels 
kwijt g(»w()rden waren. Door tussehenspreken van 
Aernolt Grave te BentluMu (^n Stenforden en lieer 
t(ï Weveliehhoeven, en Stadh. Georg Sehenck is 
overeengcikomen, dat die van N. aan die van O. 
voor S. Peter ad Cath. eens betalen zullen 70 
Phs. gl., wjuirvoor die van O. alle gedane „be- 
sa tingen" en arresten zullen oj)heff(*n. 
Gedaan te Oldenzaal. 

1531 Nov. 30 (B xeix vo). 

Op de suppl. des kloosters van Vrendeswegen 
ov(»r hout gekocht -van ec^jiige meijers en huislieden 
in Twenthe, welken koop hun landheeren niet 
toestium, is g(^vvez(Ml, dat d(^ verk()oj)ers het ont- 
vangen gt*ld aan het klooster teiniggeven moeten, 
aan de naKoming wjuirvan de hand zal gehouden 
worden door Adria(Mi van Retnle en den Com- 
mandeur van Ootmai'sum. 

Berndt van Beverden to(^ Weemsele wordt door 
Stadh. R. en St. gecommitteerd, om te reizen naar 
de wed. Ketteler en (loert Ketteler, met eredentie 
en instructie om te handelen over de betaling der 
handgelden. 



145 

Daar men in het geschil tusschen Bruyn 
van Ilerick, burger te Zwol, en het convent van 
Albergen over 19 mud rogge jaarlijksche rente 
de „gruntlicke gerechticheit" niet heeft kunnen 
vernemen, hebben partijen bij monde en hand- 
tasting de uitspraak overgelaten aan den Stadh., 
die wijst : dat het convent aan Bruyn eens betalen 
moet 125 ggl. en deze som zal mogen vorrenten 
evenals tot dusver; partijen zullen deze uitspraak 
houden op straf van 100 oude schilden, half aan 
den Keizer, half aan de tegenpartij. 

Tegenwoordig: Adr. v. Reede, Joh. v. Twickelo, 
Drost van Twenthe, Joh. Mulart Rentm. en Seyno 
Mnlart, Drost van Salland. 

1531 Deo. 1 (B c). 

Daar de Keizer zekere mandaten over den 
Lutherschen handel, over de munt en andere 
zaken aan den Stadh. gezonden had ter publicatie, 
welke deze aan R. en St. had doen voorlezen, be- 
sluiten dezen, dat men het mandement op den Luth. 
handel zal laten publiceren, doch dat de andere 
in suspens zullen gehouden worden, als bevattende 
punten die voor de landschap „ondrechtlich" en 
tegen der steden plebisciten zijn, totdat Jan v. der 
Vecht, Burgem. van Campen, die door de Land- 
schap naar den Keizer g(Mlepute(^rd is, teruggekeerd 
zal zijn. 

Op de sapplicatie van Otto ^Hulss, burger te 
Deventer, tegen Adolph van Rutenburch over 
zekere penningen, aan Otto ontnomen door panding 
en regtsdwang van Adolph's crediteuren Hans 
Duytsch te Zwolle en Claes Claess te Wye, die 
Otto's ossen door den pander van Salland uit de 
weide had laten halen, is door tuss(*hensprekcn 
der stad Deventer en van Herman Bitter v. der 
Marsch, Burg. van Zwolle, overeengekomen, dat 

10 



146 

Otto alle penningen, welke hij van wege Adolph 
verschoten heeft, mag terug ontvangen van de 
ontvangers en zetters des kerspels van Zwolle, 
in mindering van wat Adolph nog t,e vorderen 
heeft wegens assignatie door de Landschap, terwijl 
de door Otto overigens te lijden schade op den 
volgenden landdag zal worden onderzocht. 

In het geschil tusschen die van Ussele en 
Borchloe in het kerspel Enschede, en die van 
Haexbergen, zijn door tusschenspreken van Stadh. 
R. en St. vanwege die van Haexbergen Berndt 
van Bevervoerde toe Weemssele, Otto van Ruten- 
burch en een der vrienden van Deventer, en van 
wege de andere partij de Commandeur van Oot- 
marsum, Seyno Mulart, Drost van Salland, en 
Jan van der Vecht of een ander der vrienden 
van Campen gekozen, om een vergelijk te trefiPen ; 
worden dezen het niet eens, dan zullen Stadh. 
R. en St. overman zijn en wat dezen wijzen zullen 
partijen zonder exceptie houden; die van Ussele 
en Borcheloe zullen in hetbezit vande Oldemaet 
blijven, behoudens de actie van den Drost van 
Twenthe tegen die van Haexbergen wegens ge- 
weld, door hen gedaan in strijd met het compromis, 
eertijds tusschen partijen gesloten in bijzijn van 
Hinrich ter Spill, Secretaris van Deventer, en 
behoudens de verdediging van die van Haexbergen 
tesren die actie. 



'i->' 

*♦-' 



1531 Dec. 2 (B ei v^). 

Op de suppl. des Capittels van Oldenzaal, waarin 
zij begeeren de thienden van de nieuwgebroken 
landen of n o val ia, welke zij vaa ouds in bezit 
zouden gehad hebbon, krachtens hun privi- 
legie en brieven, en klagen in de „vehede" ver- 
loren te hebben, en hun door sommige van de 
Ridderschap ontnomen te zijn, zal op den volgenden 



147 

regtdag behandeld worden, daar men het nu daar- 
over nog niet eens kon worden. 
Gedaan te Oldenzaal. 

In het geschil tusschen Roeloff van Scheven 
en Engbert Penninck, Rigter te Enschede, in 
geestelijke regten hangende voor den officiaal te 
Utrecht, is tot vermijding van verdere grodte 
onkosten door tusschenspraak van Stadh. R. en 
St. overeengekomen, dat Heer Frederich v. Twickelo 
Ridder en Johan Schulte, Burg. te Oldenzaal, van 
Roelof s zijde, en Jan v. Twickeloe, Drost en 
Adriaen v. Reede van Engbert's zijde, zullen 
trachten partijen voor den volgenden landdag 
te verzoenen; gelukt dit niet, dan zullen Stadh. 
R. en St. overlieden zijn, en zullen dezen de zaak 
beslissen. 

Gedaan te Oldenzaal. 

1531 Dec. 3 (B cii v«). 

Op de suppl. des Raads van Enschede, dat 
men, zoo de Keizer het blokhuis aldaar afgebroken 
wilde hebben, hun de plaats van de vrije markt, 
door de Gelderschen hun voor het blokhuis afge- 
nomen en afgegraven, en het hout van staketten 
en anders, dat van het blokhuis komt, tot ver- 
sterking van het vlek goedgunstig afstaan 
zoude, daar zij door den oorlog in zulke groote 
lasten geraakt waren, tevens met verzoek hun 
een nieuwe molen te laten maken, waarop als 
van ouds de omwcmenden zoif^icn verpligt zijn 
hun koren te laten malen, is door den Stadh. met 
Mr. Geert van Loe, Rentm. van Friesland en 
Commissaris, Jan van Twickeloe, Drost van 
Twenthe, Adriaen van Reede, Drost te Laeghe, 
en Seyno Muylart, Drost van Salland, geconcludeerd 
en besloten : dat wegens de armoede der ingezetenen 
zij weder de markt als van ouds zullen mogen 
gebruiken, behoudens den Keizer zijne hoogheid 



148 

en den Rigter zijn richtsstoel, dat zij de markt 
mogen vergrooten met de plaats, die eertijds een 
kleine graven was en de markt scheidde van 
Roelof van Scheven's weere, dat hun het van het 
blokhuis komende hout gegund zal worden tot 
reparatie der „vestenisse" van het vlek, doch dat 
zij gehouden zullen zijn op hun kosten het blokhuis 
af te breken volgens aanwijzing van den Drost ; dat 
zij voorts een nieuwen moh^.n oprigten mogen, 
met • verbod aan de ingezetenen om hun koren 
buiten 's lands te laten malen, voor zoo ver dit 
ook van de andere zijde verboden was. 

Voorts is aan hen, die zich beklaagden hun 
woonstede bij het maken van het blokhuis ver- 
loren te hebben en daarvoor slechts ten deele door 
den Vorst van Gelre schadevergoeding verkregen 
te hebben, vergund, om hunne oude woonstede 
weder aan te tasten en te bezitten, als zij die 
terugvinden konden na afbraak van lu^t blokhuis, 
doch met terugbetaling aan den Keizer van de 
gelden, van den Vorst van Gelre tot schadever- 
goeding ontvangen. 

Gedaan te Enschede. De volgenden hadden ver- 
goeding ontvangen en gaven die terug: Pelgrim Kost, 
Egbert de Vromme, Ghert de Waegheler, Bernt Sandt, 
Ghert Kuyper, Styne ten Kranenhoeve, Roeloff van 
Scheven. Op 18 Oct. 1533 kreeg Bernt Smijt van 
den St-adh. vergunning om zijne stede weder aan te 
tasten en te betimmeren, waarop hij voor de 30 
Phs. gl. borg stelde Mr. Bernt Kost te Vollenhoe, 
om op S^.^.Jan te betalen. 

1531 Febr. 27 (B cxii). 

Bijeenkomst te Zwol tusschen de afgevaardigden 
des Keizers en die van den Vorst van Gelre, nl. : 

Hinrich de Groeve, Erfvoogd te Erckelens, Drost te 
Holten, Mr. Aernt van Gruythuys Eaad, Joehan van 
Wye, Burggraaf te Nymegen, de Greve van Domijck, 
Drost te Wagen ingen, en Wilhelmus MuUekom, Secre- 
taris, alle van Geld. zijde. 



149 

De Stadh. George Schenck Vryheer te Tautenbnrch, 
Adriaen van Reede Maarschalk, Burchart van Wester- 
holt, Drost van VoUenhove en Jolian Mnylart, Rentm. 
van Zalland, Adriaen v. Twickel en Otto v. Rechteren, 
gedep. van Salland, Hinricli Haegen en Herman van 
den Cloester, gedep. van VoUenhove. Mr. Gheert 
Zwaeffken en Mr. Engbert v. Dotinchem, gedep. van 
Deventer, Johan v. der Vecht en tClaes Krueser, 
gedep. van Campen, Bernt v. Ytterssem, Thomas 
Knoppert, Johan v. Herwarden en Johan v. den 
Marsch, gedep. van Zwolle. 

Bevindende dat Geert Hackert in zijne actie 
tee;en Adr. v. Reede Maars(^halk van een tinsgoed, 
behoorc^nde in den aan den Vorst van Gelre be- 
hoorenden II o f te Hen}? el e, en gelegen te 
Wyorden, in het gerigt van Kedingen, niet zoo 
gegrond is, ak hij tot dus ver beweerd had, is 
de zaak met consent van beide partijen bijgelegd 
en heeft Gerrit volkomen „vertichnis vp de zaeeke*' 
gedium, dat hij Adriaen voortaan ongemoeid laten 
zal, terwijl deze uit vriendschap en niet van 
regtswege 8 Phs. gl. aan Gerrit geven zal. 

Daar Jan de Gover zekere actie op de Land- 
schap meent te hebbim wegens zijn gevangenschap, 
hetgeen de Landschap ontkent, stellen partijen dit 
geschil ter beslissing van den Stadh. George 
Schen(*k en Ilinrich de Graeve, Erfvoogd te 
Erckelens en Drost te Ilattem, welke arbiters 
voor S. Jan uitspraak zullen do^. 

Datir het geschil tusschen de sfaid Zwolle en 
Evert p]vertsz van Vaesen, zoo ver gekomen was, 
dat de Vorst van Gelder aan Evert vergund had 
arrestatie op de goederen der burgers te doen, 
hetgeen ook te Coevorden en Wageningen geschied 
was, is tot voorkcmiing van verder ongenoegen 
de beslissing in deze zaak opgedragen aan de twee 
voornoemde arbiters, die aldus wijzen : Daar Evert 



150 

door onverstand van oproer der gemeene burgers 
van Zwol gevangen genomen en „ter pine gestel t" 
is en zich in zijne eer zeer gekrenkt acht, wordt 
na rijp beraad bevonden, dat de zaak met haat 
en nijd behandeld, doch Evert een eerlijk man 
bevonden is en als zoodanig geacht zal worden; 
ten tweede zal Evert van de kosten en schaden 
Zwolle aangedaan door de arrestatie en ook van 
de maning van penningen van Mr. Otto de Jonghe 
en Mr. Ilinrich Berntsz, wondartsen, ongemoeid 
blijven, wordende deze kosten door Stadh. R. en 
St. gereserveerd, en gecompenseerd tegen de schaden 
en kosten door Evert geleden; daar voorts Evert 
koopmanschap gedaan heeft met Evert Hermansz 
van een veulen, zal deze hem betalen 25 Phs. gl. ; 
het huis eindelijk door Evertsz afgebroken en 
elders geplaatst, zal blijven waar het staat. 

Daar wegens moedwillige „ongeburlicker" han- 
deling Johan Smeynck Fredericksz in zijne zaak 
tegen Mr. Aernt van Dalffsen gevangen gezet is, 
kan over deze zaak nu niet gehandeld worden, 
doch wordt dit uitgesteld tot op den dag, waarop 
tusschen Jan Goyer en de landschap uitspraak 
gedaan wordt. 

Daar op de klagt van Abt en convent van 
Hulsbergh wegens spolium, door broeder Luy ken 
en Heer >5jïchman toe Brantolium geschied van 
landen in het kerspel Wijhe, de spolianten niet 
verschenen zijn om te antwoorden, is de zaak 
uitgesteld tot Johannis Nativ. e. k. ; de Abt zal 
zijn aanspraak schriftelijk bij den Stadh. indienen, 
die ze aan Heer Wichman zenden zal om te ant- 
woorden; dit antwoord zal ingediend worden bij 
den Drost van llattem, die daarvan den Abt 
weder konnis geven zal voor repliek; intusschen 
zullen de opkomsten der landen gesequestreerd 



151 

blijven bij Egbert van Vijlsteren, Schout te Wijhe, 
als Rigter. 

Het geschil tusschen het kerspel Hasselt en 
den Schout aldaar is uitgesteld tot Johannis Nativ. 

De vorderingen van Heer Frederich van Tv^ickell 
op eenige kerspelen in Drenthe mag hij met 
regt verhalen voor den behoorlijken Rigter, terwijl 
MuUikom, Secretaris Mijns Gen. Heeren van Geiler, 
aanschrijving doen zal aan den Drost van Coevorden. 

De supplicatien van Albert Polman en Hans 
van Kalb zijn overgeleverd aan Wilhelmus Mulekom 
Secretaris, om door den Vorst van Geiler beant- 
woord te worden. 

Op de suppl. der erfgen. van Oldeneel en de 
schriften van Bemt van Hackfort zal de Stadh. 
onderzoek doen en den Drost van Hattem daarvan 
kennis geven. 

Op de „besaete" in het Sticht van Munster 
geschied door Albert van Bueren op een burger 
van Campen, is overeengekomen nog eens te 
schrijven aan den Elect op diens laatsten biief, 
en zoo een „verlegen" antwoord daarop komt, 
evenals te voren, zullen de gedeputeerden van de 
Steden hun raadsvrienden berigten, dat men daarop 
beraadslaagd heeft contra-arresten te vergunnen, 
om alle kwade consequentien tfc«iijden, waarop 
de Steden haar intwoord wed^ bij den Stadh. 
inzenden zullen. 

Op de supplicatie van Symon van den Papen- 
foert namens Kleyn Enderlijn Hoofdman, van een 
brief van 300 ggl. namens de Landschap door 
de stad Deventer bezegeld, is hem geantwoord, 
dat Barbara de „boelschap" en niet de echte vrouw 
van Enderlin geweest is, en dus de schuld niet 



152 

op haar vervallen mogt en men met Symon dus 

niet te maken had; doch zoo een regte erfgenaam 

kwam met den brief .... 

Het volgende ontbreekt, want fol. cxvii is uitge- 
scheurd. 

Op donderdag e. k. zullen de erfgenamen van 
Zwolle en de gedijkten van Uterwijck voor 
zaken der dijken te Zwolle verschijnen, nl. uit 
elke buurschap één der huislieden, door de anderen 
gemagtigd. 

Te denken aan het beklag van den dijk te 
Scherpenseel door Jan ter Marsch, waarbij hij 
begeert, dat Stadh. R. en St. het hoofd en den 
dijk aldaar bezien, omdat pei'sonen, die or door 
beschermd worden, daartoe niet geven, maar den 
last alleen op hen laten liggen. 

In zake Jacob Verwer tegen de wed. van 
Willem Spronck is geklaard: daar de wed. in het 
bezit bevonden wordt en de zaak in ordel en regt 
gekomen en in claring beroepen is, zoo zal de 
wed. in het bezit gehandhaafd worden, totdat de 
beroeping geklaard en zij met land- of leenregt 
er uit gesleten wordt. 

En daar Jacob aan de stad Deventer in een 
boete van 20 ggl. vervallen is wegens eene regts- 
vordcring in strijd met het stadregt tegen de wed. 
ingesteld, verzoekt de Stadh. de Raadsvrienden 
dier stad, ^e tot deze bijeenkomst gedeputeerd 
waren, ten gevalle van den Gniaf en de Gravin 
van Iloichstraeten, Jacob van die boete te ontslaan, 
hetgeen de gedep. goedgevonden hebben. 

1532 Febr. 28 (B cxviii v^. 

Op de vordering van Alijt van Kuyner wed. 
van haren achterstand bij de Landschap op de 
stad Vollenho verdeeld, zullen de vrienden van 



153 

Deventer de wed. ^guetlick onderwysen sich te 
willen lyden tot den eersten lantdaeghe/' waarop 
zij op de eene of andere wijze voldaan zal worden. 

Op begeerte van Bernt van Hackfort aangaande 
de contributie van zijn goederen te Herckssen 
in het kerspel Wye, is bepaald, dat hij de schat- 
tingen, waarop zijn goederen gesteld zijn, moet 
betalen, maar voortaan gevrijd zal zijn tot „weder- 
seggen'' van Stadh. R. en St. mits hij zich bij de 
landschap houdt. 

Op het „achterwesen" van Herman Mertensz 
van wege Engbert Penninck van 409 ggl. is 
overeengekomen, aan Herman af te geven een 
rentebrief van 22V2 fl. op 's Keizers domeinen, 
in mindering van de 6 fl. jaarlijks door den Keizer 
verzegeld . 

Op de „besaete'^ door de stad Deventer gedaan 
op de ingezetenen van de Kuynre. zullen de 
gedep. van Deventer hun best doen bij hunne 
mederaadsvrienden, dat het arrest opgeheven worde, 
daar die van Kuynre met de zaak, waaruit het 
arrest spruit, niet te maken hebben. 

Den Drost van Salland te bevolen ^een ende 
te (vinden?) van den restanden van de 4000 
Phs. gl. an den scholten ende setters daer sy 
bewesen sij" en aan Mr. Johan Oestendorp zonder 
uitstel rekening ei}^-betaling te (J^?.n. 

Te denken aan de bezigtiging van den dijk en 
de 'hoofden te Oldeneel en het gebrek van het 
veer te Hat tem van geremedieerd te worden, 
opdat de dijk niet inbreke. 

Op de supplicatie der buren van der Heyn 
tegen Jan van Wermell en diens antwoord, zijn 
de Rentm. van Salland en Jan ter Marsch gecom- 



154 

mitteerd, om de zaak te onderzoeken en daarvan 
rapport te doen. 

liet geschil tusschen de hof horigen des Keizers 
en do zetters te Dallefsen is gesteld in handen 
van den Drost van Salland, om het mandement 
in eere te houden, en van Johan Mulart Rentm. 
om toezigt te houden, dat de hofhorigen niet 
boven het mandement bezwaard worden. 

1532 Maart 2 (B cxix v'). 

Daar de hoofdmeesters van het hoofd te Uter- 
wijck, Claes Kruse, Schout te Campen, Heer 
Ernst van Ysselmuden, Jasper ten Holt en Hinrich 
van Doetekum, behalve de vroeger gedane uit- 
zetting nog 1100 ggl. verschoten hebben of nog 
moeten besteden aan die hoofden, hebben de ge- 
dijkten bewilligd om in die som 550 ggl. te 
geven, de erfgen. van het kerspel van Zwolle 
250, de gemeene buren en huislioden in dat kerspel 
100 en de Keizer 200 ggl.; kost het werk tot 
100 ggl. meer, dan zullen de geërfden in den dijk 
die betalen ; alles zonder consequentie, terwijl Stadh. 
R. en St. op den volgenden landdag bepalen zullen, 
wie het boofd onderhouden zal. 
Gedaan te Zwolle. 

Daar de hoofdmeesters van de hoofden te 
Vecaeten, de Pater te Belheem, Herman Muylart, 
Schout te Zwolle, Herman van den Bussche en 
Claes Krueiset', boven de vroeger gedane uitzetting 
nog 600 ggl. behoeven, is tot betaling daarin 
bewilligd door de geërfden der dijken te Vacaeten 
400 en het kerspel van Zwolle 200 ggl. , mits 
laatstgenoemden voortaan niet bezwaard zullen 
zijn ter zake der hoofden, zullende op den vol- 
genden landdag door Stadh. R. en St. bepaald 
worden, wie de hoofden voortaan onderhouden 
zullen. 



155 

In het geschil tusschen de Carthuizers op den 
Sonnenberch en de van Ytterssems over zeker 
verwin door de Carth. gedaan op te Ra al te ge- 
legen goederen van die van Ytterssiim wegens 
16 jaar rente van 14 ggl. min 1 oort, is overeen- 
gekomen: dat de wed. van Thonis Keetell voor 
alle achterstallige renten aan het convent ver- 
zegelen zal 6 ggl. en 1 oort per jaar, en dat zij 
afstand zal doen van 20 ggl. per jaar in den 
principaalbrief vermeld, enz. 

In zake tusschen de wed. van Emelort en den 
Schout van Campen Claes Kruyse, van 8 ggl. 
door hem van de wed. en hare kinderen genomen 
voor boete, omdat zij hun do oden vader uit 
Campen gevoerd hadden, waarvan 4 gl. betaald 
waren, terwijl voor de rest eenige borgen ver- 
b(mden waren, heeft de Stadh. in bijzijn van den 
Drost van VoUenhove, Johan van dor Vecht, 
Claes Krueser en anderen, den Schout bevolen 
de 4 fl. aan de wed. terug te geven en de borgen 
te ontslaan, daar het tegen het Landregt gedaan was. 

Het geschil tusschen de zetters en buren van 
Mijllingen en Ot van Rech teren zal de Stadh. 
committeren aan den Drost van Salland en den 
Rentm. Johan Mulart, om partijen te hooren en 
te scheiden en anders van den staat der zaak aan 
den Stadh. opgave te doen. 

Op den volgenfltm landdag te denken aan de 
schriften van Mijn Gen. Heer van Geiler en de 
supplicatie van Seyno Muylart te Meppel, over 
het huis te Kunre, en dan den Vorst van 
Geiler te antwoorden. 

1532 Maart 8 (B cxxii). 

In zake Claes Gelmersz tegen Heer Albert 
Renssinck, Priester van Hasselt, van de betaling 



156 

eenor verzoening van een „nederslaeh", door den 
Pri(^ster mm den broeder van Claes gedaan, is op 
ad vijs van Burehart van Westerholt, Drost te 
Vollenhoe, Johan Mulart, Rentm. van i::alland, 
Johan Mulart, Castellein te Cuynre, Coert de Vos 
van Steenwijck „ Doren worter," door den Stadh. 
gewezen: daar Heer Albert quittantie overgelegd 
h(ieft van Frederieh Rickmans, als borg voor de 
zoenpenningen, door Claes zelf gekozen, zal Albert 
vrij zijn, mits de quittantie door Schout, Burgem" 
en Riuid van Steenwijk ongeconterfeit bevonden 
wordt, terwijl Claes betaling verhalen mag op de 
erfgen. van Riokman. En wat betreft 15 Phs. gl. 
welke Claes bovendien voor onkosten vordert, terwijl 
Albert deze niet schuldig beweert te zijn, wijst 
de Stadh. dat, zoo Claes met eerlijke getuigen 
bewijst de 15 gl. te moeten hebben, Albert die 
zal betalen, tenzij deze met beter getuigen het 
tegendeel bewijst. Dam' Albert voorts pausselijke 
brieven van absolutie vertoond heeft, zal Claes, 
op straffe van geweld, ter zake van den moord 
Albert verder ongemolesteerd laten. 

Gedaan te Vollenhoe. 

1532 Julij 17 (B cxxiiii). 

De Prior der Carthuisers van den Sonnen- 
berch bij Campen, zich hebbende laten „eygenen" 
aan d(^ goederen der van Yttersums, welke hun tot 
onderpand ^^^teld wai'eii bij bezegelden brief, 
omdat de wed. van Thoma« Kettell het op 2 Maart 
gesloten contract niet gehouden heeft, beloven voor 
den Stadh. die goederen weder te verlaten, zoodra 
de wed. alle op het onderpand liggende penningen 
met de verschenen pachten en de kosten sedert 
het contract vcrloopen betaald heeft. 

Gedaan te Vollenhoe. Tegenw. de Drost Westerholt, 
Johan Mnylart Rentm., Herman Mnylart, Schout te 
Zwol, en Johan van der Vecht, Bnrgem. te Campen. 



157 

De zaak van Ilinrieh van Oldeneell, als 
momber zijner vrouw Alijd, vroeger wed. van 
Gerrit van Kuynner, tegen Heer Frederich van 
Twickell van zekere roggepacht gebleken uit zegels 
en brief, in welke zaak v. Tw. Claes Jelmersz 
zijn procurator gemagtigd heeft, is besteed sam 
Johan Sloet, die aanspraak en antwoord in schrift 
begeert en op den volgenden regtdag wijzen zal. 

De zaak tusschen Claes Jelmersz, als gemag- 
tigde van Lijsbet wed. van Gerrit Keylewert, 
tegen Schweer van Overhaeghen, waarin deze het 
procuratorium des aanleggers in regten niet alsvol- 
doende erkent, is besteed aan Dirick van Keppel, die 
wijst: daar de aanl. „volmechtich procuratorium'' 
aan het gerigt vertoond heeft en daarenboven aan- 
biedt zulks met voldoende cautie te versterken, zal 
Zweer op het principale moeten antwoorden, welke 
wijzing* door het gerig't van waarde erkend is, 
waarop Claes tot borg stelt Johan Sloc^t. En daar 
de mini. voortgeprocedeerd heeft in het principale 
over een moetzoen tusschen partijen eertijds ge- 
sloten, is dit besteed aan v. Keppel, die aanspraak 
en antwoord in schrift begeert, om op den volgenden 
regtdag de wijsinge te doen. 

Daar voorts Sweer, door v. Keppel vermaand 
om zijn antwoord in handen van Dingwaarder en 
keurnoten te stellen om gecorrigeerd te worden, 
dit niet gedaixn heeft, dingt QhieSj dat dit nog 
bij stminden gerisffiT geschieiTc^ moet en dat 
anders Zweer „der anspraeck vellich'' wezen zal. 

In zake tusschen Ot en Alofl* van Rutenberch, 
op den vorigen regtdag besteed aan Goert te 
Waeter, wijst deze: daar de moetzoen tu8S(*hen 
partijen gesloten inhoudt, dat bij verschil over 
eenige artikelen uitspraak gedaan zal worden door 
de scheidslieden en magen, doch van dezen eenigen 



158 

gestorven zijn, zullen Stadh. R. en St. hebben te 
bepalen hoelangen tijd Aloff hebben zal om Ot 
door vrienden en maffen te voldoen; voldoet Aloff 
niet binnen dien tijd, zoo zal hij alle achterstedige 
pacht met de interessen aan Ot moeten betalen 
en de boete verbeurd hebben volgens den raoetzoen. 
Hiervan zal Aloff mandement en claring van den 
Stadh. genieten. 

Op deze wijzinge nemen beide partijen beraad, 
terwijl Ot begeert, dat het gerigt een termijn bepale, 
waarop de wijzinge en moetzoen zonder uitstel 
opgevolgd worden ; en Aloff begeert, dat de vrienden 
zijner moeder in het Nedersticht wonende er bij 
mogen komen, waarop het gerigt bepaalt, dat 
partijen over 6 weken te Deventer moeten zijn. 

Daar in zake Hinrich Kannegieter tegen de 
wed. en erfgen. van Johan van Ytterssum Wulffsz, 
met wasteekens gedagvaard zooals de pander 
„gicht" (getuigt), de gedaagden noch in persoon 
noch bij gemagtigden verschenen zijn, en Hinrich 
dus met zijn aanspraak te ordel en regt gepro- 
cedeerd heeft, is het ordel besteed aan Hinrich 
Haegen, die wijst: dat de gedaagden „der anspraecke 
vellich" zullen zijn. 

Waarop de eischer door zijn voorspraak zegt, 
dat, zoo de gedaagden hem voor de 509 ggl. 
betaling of vestenis geven, hij w^egens de armoede 
van dezen de achterstallige handgelden van 20 
jaar herwajjpts zal afhajikelijk stellen van de uit- 
spraak van^n Stadh. en dè vrienden der gedaagden. 

In zake de wed. Dirich Voechts tegen de erfgen. 
van Jan van Berverden, waarin Bernt v. B. toe 
Wemssel zich schriftelijk „vernoetsinnicht'* heeft 
en exceptie neemt, dat de wasteekens door den 
pander van Sa 11 and en niet door dien van 
Twenthe gebragt en dus ongeldig zijn, terwijl 
geene gemagtigden van de erfgenamen voor het 



159 

gerigt verschenen zijn, is (het ordel) besteed aan 
Herman van Keppel, die wijst: daar tijdens het 
brengen der wasteekens geen pander van Twenthe 
benoemd of beëedigd was en Bemt erkent de 
wasteekens ontvangen te hebben, mogen de erfgen. 
zich niet met een brief verontschuldigen, maar 
zullen zij gerigtelijk moeten antwoorden en zoo 
dit niet op dezen regtdag geschiedt, zullen zij 
„der anspraeck vellich" zijn. 

De zaak tusschen Wolter ten Nyenhuys en 
Dubbinck wordt als onvormelijk voor dit gerigt 
gebragt, geremitteerd aan den Drost van Salland. 

De zaak tusschen Lutgert ter Beecke wed. van 
Alert van Heyden en Sweer van Overhaeghen 
over zekere pacht, aan de wed. tot lijftucht gemaakt 
uit Sweer's goed Grootenhuys in het kerspel 
Bome, is besteed aan Berndt van Thye, die wijst, 
dat Sweer de wed. betalen moet of betaling be- 
wijzen. 

Dit ordel beroept Sweer in de claring van 
Stadh. R. en St. 

Seder (na) de beroeping heeft Herman van den 
Cloester Dingwaarder zijn relatie gedaan en de 
Drost van Twenthe geaffirmeerd, dat de partijen 
verzoend zijn. 

De zaak tusschen Goert te Waeter en Herman 
van Keppel, waarinjDp den s^rigen regtdag aan 
Goert nader bewijf opgelegd w3il^ dat hij nu ge- 
leverd heeft, maar dat Herman onvoldoende acht, 
is besteed aan Otto van Rutenburch, die beraad 
neemt tot den volgenden regtdag. 

In zake Johan Snijr tegen Heer Frederioh van 
Twickell Ridder, wijst Aloff van Ysselmuyden, 
wien op den vorigen regtdag het ordel besteed 
was: zoo Frederich het handschrift, inhoudende 



160 

dat hij aan Heer Jan ten Vuytloe „overge- 
wesen'^ heeft om namens hem 106 ggl. te beuren 
en aan Jan Snijr te betalen, erkent, of zoo Frederik 
het handschrift ontkent en Siiijr bewijzen kan, 
dat het wel van Fred. is, en deze niet weder- 
leggen kan de 3 getuigen, die verklaren van het 
laken een deel tot hun betaling ontvangen te 
hebben, en het dan dus bewezen is, dat Fred. de 
lakens aan anderen in- betaling gegeven heeft en de 
lakens voor zijne schulden uitgegeven heeft door 
zijn Rentmeester, zal hij de rest der lakens moeten 
betalen. In het omgekeerde geval zal hij van de 
aanspraak vrij zijn. 

Dit ordel beroept Fred. in de claring van Stadh. 
R. en St. 

Daar Jacob van Ytterssum Dirick van Boetzelaer 
aangesproken heeft over zekere verzegeling door 
Diricks voorouders gedaan, waarop deze antwoordt, 
dat hij ter dagvaart verschenen, maar niet met 
wasteekens naar landregt aan het gerigt gebragt 
is, en dus niet behoeft te antwoorden, is (het ordel) 
besteed oiin Ot van Rutenburch, die wijst: dat 
Dirck deze reis ni(ït behoeft te antwoorden, doch 
dat Jacob hem afschrift geven zal van den brief, 
waarop Dirick op den volgenden regtdag, zonder 
wasteekens ontvangen te hebben, antwoorden zal. 

1532 Aug. 19 (B cxxiii). 

De Stad^jfflioudt zijIïHUjrsten regtdag en groote 
claringe vtin schade en schuld binnen Deventer. 

Dingwjiarder: Herman van den Cloester. 
Keurnoten: Derrick van Boetzeler en Ot van 
Rutenberch. 

Stadh. R. en St. komen overeen, dat hij, wien 
een ordel besteed wordt, dat niet weigeren mag 
maar wijzen moet, doch de gewone keizersdagen 
voor zijn beraad nemen mag; hij zal de wijzinge 



161 

op den volgenden regtdag inbrengen of overzenden 
onder zijn eigen zegel, of dat van het gerigt 
waaronder hij gezeten is, op straffe van 100 oude 
schilden, tenzij de wijzer voldoende reden van 
verhindering heeft, hetgeen zal staan ter beoor- 
deeling van Stadh. R. en St. 

Voorts dat alle aanspraken en antwoorden voor 
het hooge gerigt aangelegd binnen 3 dagen na 
den regtdag schriftelijk aan Dingwaarder 
en Keurnoten ingeleverd moeten zijn, om door 
dezen gecorrigeerd te worden in bijzijn der voor- 
spraken van beide partijen, en dan aan den ordel- 
wijzer overgegeven te worden. 

In zake Hinrich Schaep tegen Aloff van Ruten- 
burch over eene losse van 4 morsten lands in 
Wijnssemer-marke, waarin Aloff de exceptie ge- 
moveerd heeft, dat hij deze reis niet behoefde te 
regt te staan, omdat de wasteekens niet naar 
leenregt gebragt waren door den pander in het 
goed, waar zij gebragt moesten zijn. is (het ordel) 
besteed aan Johan van Voerst, die wijst: dat Aloff 
in regton antwoorden moet, omdat de pander hem, 
hebbende het hoofd naar het gerigt gekeerd, in 
het gerigt „bestaen'' heeft. 

Daarop vraagt Aloff afschrift van den bezegelden 
brief, waarmede Schaep spreekt, waarop deze door 
zijn voorspraak antwoordt, dat hij dit meer dan 
2 jaar geleden aan Alo^gezond^ö} had door Dit mar 
van den Schulenhpfch, die zi5iS in het gerigt 
bekent. Hierin is het ordel oot besteed aan J. v. 
Voerst, die wijst: daar Aloff zegt het afschrift 
niet te hebben, zal Schaep een afschrift leveren, 
waarop Aloff zijn keizerlijken dag hebben en dan 
op den volgenden regtdag antwoorden zal. 

De zaak tusschen de Juffers van Coevorden en 
de wed. Hinrich de Voss aangaande wasteekens 

11 



162 

in hiUiT ffoed ^ebragt „van versegelinge etlicker 
waerbursohaft" door haren zalij^en man godaan, 
is besteed aan Hinrieh Schaep, die aanspraak en 
antwoord in schrift begeerd en beraad genomen 
heeft tot den volgenden regtdag. 

Ilinrich Schaep wijst: als Juffer van Coovorden 
bewijzen kan, dat de wed. van Hinrieh de Voss 
ten tijde der „waerburs^-haft" hand en mond 
daartoe gedaan heeft, zoo moet deze betalen; 
anders zal de wed. vrij zijn van de aanspraak 

Dit ordel beroept Juff'er v. C in de elaringe 
van Stadh. R. en 8t. 

1532 Aug. 20 (B cxxviij v). 

Di'ich van Boetzelaer stelt in zijne zaken tegen 
Jacob van Ytterssum en Wolter Viin Coeverden 
tot zijn procurators en volmagten: Thijs van 
Boetzeler zijn natuurlijken broeder, lieer Mathias 
van Boetzmer, Heer Hinrieh van Bedber, Mr. 
Hinrieh Huvrlinck en Ditmer van Schulenburch. 

De zaak tusschen Jan tem Luttikenhuvs en de 
wed. en kinderen van (leert ten Hamme wegens 
IH ggl., door Jan atm Geert betmild voor erf- 
win ninge van het erve te Holthuys te Tub- 
bergen, voor Engbert ter Vuchte, man zijner zuster, 
blijkcms zegels en brimen, on wegens 20 ggl., 
welke hij dtuirdofu* schad(^ geleden had aan Johan 
van Twi(*k(^l, Droste van Twenthe, is besteed aan 
Roel(Kf '\:itó^lIoeyel,'35^ aanspraak en antwoord 
in schrift begeert en beraMl iicHunt tot den volgenden 
regtdag. / 

In zake Juffer Maria van Ytterssum wed. Johan 
van Coevorden tegen de genen, die haren zoon 
Reynt v. C. „van hueren wegen'' met w^tisteekens 
aan het gerigt gebragt hebben, over zeker waar- 
b()rgsch«ap blijktnis zf^gels en brieven, in welke 
zaak Ernst v. Ytterssum als momber gegund is, 



163 

had de tegenpartij nl Johan van Twickel, Drost 
van Twenthe, Johan van Voorst (beiden voor zich 
en namens Johan van Buekhorst toe Boxbergen 
voor wien zij caveren) en Johan Mulart, Castellein 
te Kuinre, namens zijn vader Johan M., Rentm. 
van Zalland, afschrift gevorderd van den bezegelden 
brief, waarop zij nu antwoorden moesten, doch 
hiertoe vroegen zij uitstel tot den volgenden regtdag, 
wegens de vele difficulteit in de zaak gelegen, 
hebeen door Marie bestreden, doch eindelijk toe- 
gestaan w^ordt, mits het dan te vellen vonnis 
zonder verder beroepinge of eenige appellatie uit- 
gevoerd worde. 

Daar Roelof van Ytterssum en de'erfgen van 
Bernt van Bevervoerde, die hoewel met \vasti eens 
door Reynt van Coevorden g(Mlagvmird, niet ver- 
Hchenen waren, en de wed. van Johan van Coe- 
vorden met haar aanspraak te regt en ordel ge- 
procedeerd heeft, is het ordel besteed aan Alffer 
van Ysselmuyd(»n, die wijst, dat wie met was- 
teekens gediigvaard niet verschijnen, „der anspraecke 
v(»llich*' zullen zijn, doch zoo zij aannemen willen 
het „verblijft' door den Drost van Twenthe en 
Joh. V. Voerst, ook namens Joh. v. Buekhorst 
toe Boxbergen, en Johan Mulart namens zijn vader 
„ingegaen^', zij dit ook genieten mogen. 

In zake Dirich van Boetzela/^r tegen Wolter van 
Coevorden over zeb^'t'/^ horgs(ifcip aan de voor- 
oudc^rs van Dirich 'gedaan, nei<jit Wolter aan op 
den volgenden regtdag te antwoorden. 

In zake de Borchmans, Schepenen, Burge- 
meestei's en gemc^ene ingezet(m(m der stad Goor 
tegen de erfgcMi. en buren van Kotwijck en 
Wed ch oen, over de mark(\ zijn gecommitteerd 
met goedvinden van partijen: nauK^ns de hoogheid 
Joh. V. Twickel, Drost v. Twenthe, en Adr. v. 



Ifi4 

Reede Maarschalk ; als onpartijdigen uit R. en St. : 
de Drost van Vollenhoe, Dirioh v. Boetzeler en 
Seyn v. Welvelde, lïinrich Plaetraan, Johan v. der 
Vecht en Jan ter Marsch, om partijen te verzoenen; 

1532 Aug. 22 (B cxxxi). 

De Stadh. heeft alle ordelen voor het lage gerigt 
in claringe beroepen „geverst" (uitgesteld) tot den 
volgenden landdag. 

Stadh. R. en St. houden de groote claring van 
schade en schuld te Deventer, welke in langen tijd 
niet gehouden was. Aanwezig: 

Herman v. den Cloester Dingwaarder, Johan v. 
Twickel, Drost van Twenthe, Adriaen v. Reede Maar- 
schalk, Drost te Laeghe, Borchatt v. Westerhol t, 
Drost van Vollenhoe, Seyno Muylart, Drost van Sal- 
land, Johan v. Ytterssum, Drost te Ysselmiiiden, 
Lnbbert Mnlart, Schout te Hasselt, Johan Malart, 
Castellein te Kuinre, Claes v. Bevervoerde, Drost te 
Blanckenburch, Heer Frederick v. Twickel Ridder, 
Heer Bernt van Schellinck (sic). Commandeur te Oot- 
marsum, Dirich van den Boetzelar, Hinrich Haegen, 
Johan V. Boekhorst to Sallick, Wolter v. Coevorden, 
Otto V. Rechteren, Alffer v. Ysselmuyden, Ernst v. 
Ytterssum, Mr. Johan v. Langhen Dr., Bartholt v. 
Langhen, Herman v. den Cloester, Johan Sloet, Herman 
en Dirich v. Keppel, Johan v. Wermell de 01de, Aemt 
Muylart, Gijsbert v. Dorth, Johan v. Echten, Johan 
Renghers, rlaJjan v. Enschede, Herman Grobbe, Wolter 
V. Heydeft^ Johan vTSi^rmeil toe Westerfelde, Roelof 
V. Hoevef^ Otto v. Ruteliburch, Hinrich v. Rechteren, 
Otto Bellinckhaeven, Johan v. Essen, Adriaen v. 
Twijckell, Aloif v. Rutenburch, Johan v. Voerst, Coert 
de Voss V. Steenwyck „ doren worter". Roelof v. Hoevel, 
Roelof V. Scheven, Johan Moerbeeck. Bemt v. Ber- 
vorden Berntsz. 

Peter v. Mouwyck, Mr. Gerit Zwaeffken, Hinrich 
Plaetman en Mr. Engelbert v. Dotinchem gedeputeerden 
van Deventer, Geert Burchartsz en Johan v. der Vecht 
gedep. van Campen, Bernt van Ytterssum en Johan 
ter Marsch gedep. van ZwoUe. 



165 

In zake Frederick van Keppell markerigter met 
de erfgenamen der buurschap Ra mei e tegen den 
Pater en het klooster van Mr. Geertsz-huis te 
Deventer en Geert Zv^aeffken Burgem., waarin 
veel zwarigheid en donkerheid gelegen is, worden 
gedeputeerd Dirioh v. Boetzeler, Johan v. Bochorst 
toe Sallick, Johan v. der Vecht en Johan ter 
Marsch, om het proces te visiteren, ter plaatse 
naar de gelegenheid der bepalinge te informeren, 
partijen zoo mogelgk te verzoenen en anders rapport 
in te dienen. ' 

In zake Juffer Marie van Ytterssum wed. 
van Johan van Coevorden tegen de wed, van 
Hinrich de Voss van zeker „waerburgschap 
ende geloeffnis,*' door Hinrich gedaan aangaande 
de pandschap van Laghe, is geklaard: daar 
Hinrich's wed. geen hand of mond daartoe gedaan 
heeft en op haar „weduwe stoell ende lijfftucht" 
(zit), moet de wed. v. C. hare actie instellen tegen 
Hinrich's erfgen. en zoo het aan dezen toege- 
vallene onvoldoende is, zal de wed. de Vos van 
hare lijftucht de rest betalen. 

Op de supplicatie der wed. Dirich Voechts, 
begeerende een pander tot executie der sententie 
tegen de erfgen. van Johau van Bevervoorde, is 
haar door Stadh. R. en^t- 5^olter van Heyden, 
pander van Twenthe^' gegund, ip*n zoo de erfgen. 
pandwering doen, zal men zich regelen naar de 
generale ordonnantie, op zulk verwin van contu- 
matie op dezen landdag vastgesteld. 

Die ordonnantie, beslaande fol. cxxxiii v* — cxxxiüi v« 
van het Judiciaal, is hoewel niet zeer naauwkeurig, 
afgedrukt by Racer lU. 273. 

Op de supplicatie der ingezetenen van Co es feit 
zullen de vrienden van Deventer met hen onder- 



166 

handelen en men zal aan de Ridderschap van 
VoUenhoe „den gebreecken'* voorhouden. 

1532 Aiig. 24 (B cxxxiiii v'). 

Wolter van Heyden, door den Stadh. nu^t consent 
der Ridderschaj) van Twenthe daartoe geordon- 
neerd, doet den behoorlijken eed als pander van 
Twenthe. 

In zake Hilbrant Peerboem als momber zijner 
vrouw, (Hirtijds wed. van Mr. llubert van Rossum, 
tegen do gemecine buren en ingezetenen van 
Boedelaer in het gerigt van ïlardenberg, aan- 
gaande eene verzegeling van 3 mud rogge, door 
Mr. Huybert op 16 Maart 1528 aan de buren 
overgedragen en door den Schout bezegeld, is 
geklaard: aangezien het traetaat tusschen den 
Keizer en den Yorst van Geiler duidelijk vermeldt, 
dat alle beloofde penningen van „dinchtacU ende 
brantschat,'' die na het traetaat nog onbetaald 
waren, en alle brieven, zegels, obligatien of be- 
kentenissen daarvan gegeven nietig zouden zijn, 
en uit het bezegeld certificaat van Bruyn Blancken- 
foert, Schout te Hardenberg, duidelijk blijkt, dat 
Mr. Huybert de penningen aan de buurschap niet 
ter hand gestold hecift, wmirvoor zij hem de 3 mud 
per jaar verzegeld haddcm, doch dat hij de penningen 
voor hun brandschat te Hasselt in den huitsten 
„dingtaeF' afcjjxm zoude, terwijl uit de geteekende 
en bezegeldiiVoeFeiireui*^ van Bernt van Hackfort 
blijkt, dat d(».ze de 30 glfl. voor de „brandschat 
of dingtael" niet van Mr. Huybert ontvangen heeft, 
zoo zullen de buurschap en ingezetenen van de 
3 mud ontlast en bevrijd zijn; doch zoo Hilbrant 
of zijne vrouw bewijzen kan, dat Mr. Huybert 
de 30 ggl. aan den Drost van Coevorden of eenige 
andere dignitarissen des vorsten van Geiler betaald 
heeft, voor „brandschat en dinchtael" der buren, 
zal de verzegeling der 3 mud van waarde zijn. 



167 

Daar de 4 „soensluyden" Johan v. Twikel, 
Adriaen v. Reede, Heer Frederick v. Twickel en 
Jan Scholten, op den Landdag te Oldenzaal van 
Nov. '31 gekozen in het geschil tusschen Engelbert 
Penninck en Roelof van Scheven, partijen niet 
hebben kunnen verzoenen, zullen dezen aanspraak, 
antwoord en verder bescheid en bewijs binnen 1 
maand elk aan zijne zoenslieden inleveren, die, 
zoo zij na visitatie der stukken partijen nog niet 
kunnen verzoenen, het proces met alle stukken 
op den volgenden landdag inleveren zullen. 

Daar de wed. Ot van Yiighen en de wed. 
Mr. Goert van Velthuysen haar geschil over de 
smalle tienden over het goed ten Grooten- 
huys te Bodeier, in het gerigt van Ilardenberg, 
ter beslissing van Stadh. R. en St. gesteld hebben, 
is geklaard: djiar de wed. v. Yngen bekent de 
tienden niet in bezit gehad te hebben, zal de 
tegenpartij in het bezit blijven, totdat zij met 
beter regt daaruit gesleten wordt. Doch het w as- 
zal bij de grove tienden moeten blijven. 

1532 Aug. 25 (B cxxxvi) 

Herman Muylart, Schout van Zwol, Hinrich 
Muylart, namens zijn vader den Rentm., en Vin- 
centius van Uterwijck, als man en momber zijner 
vrouw Mechtelt Muylart, verklaren voor den Stadh. 
ten verzoeke van Ernst van Ytterssum en Herman 
ter Beecke, ziclv'voor gedagvaard te houden 
tegen den volgenden regtdag, alsof het met was- 
teekens geschied was. 

Op de supplicatie der mirgers van Gelmuyden, 
die op het land van Di'enthe „bewesen" waren, 
bewilligen R. en St. o^n te „bewysen'' met 
rcntebrieven des Keizeilc op het rentambt van 
Salland, terwijl van hunrgchterstand bleek uit de 
2 volgende in het JudiciaiJ afgeschreven brieven. 



168 

• 

Albertus Harmens, Schulte op Cokangen van 
wege Hertog Karel van Geiler en Jonker Johan 
van Selbach, Drost te Coevorden en van Drenthe, 
verklaart, dat het kerspel van Cokange in 1528 
in de verleden „vehede", van Lubbert Muylart, 
Schout te Hasselt en Overste te Genemuden en 
Brandmeester van wege Bisschop Hendrik van 
Beijeren, „gedinght'' had om eene som gelds, waar- 
van een deel „overgewijst" was op Steven Pilgrim 
en Gerrgt Smit, burgers te Genemuiden, doch dat 
de buren van Cokange, die aan die burgers be- 
taling beloofd hadden, door het tractaat tusschen 
den Keizer en den Vorst van Geiler, waarbij alle 
schulden van dingtal en brandschatting vernietigd 
waren, de burgers van Genemuiden niet hebben 
kunnen betalen. 

Keurnoten : Aernt ter Linthorst en Boele Lobringen. 
Gegeven 18 Maart 1523 (1532?) 

Johan Hoelofs anders genoemd Magerheyne, 
Schout te Deveren van wege als voren, verklaart, 
dat de buurschap Wapse en Halfwittelt in de 
verleden „vchede'* in het jaar 1528 van Lubbert 
Mulart „gedinght" had om een som gelds, waarvan 
een gedeelte aan Herm.an van Kalen, Jonge Johan 
Kollick en Hinrich Geertsz, burgers te Genemuden, 
en Geert Duymgen aan de Swartesluys was „over- 
gewesen" op- de brandschatting, doch dat na voor- 
noemd tractaat de betaling achterwege gebleven is. 

Keurnoten: Geert en Claes Middelste, Lambert 
Lambertsz en Johan Henckingen. 
Gegeven 3 Maart 1532. 

Daar op de klagt van Herman Bijtter ter Marsch 
van zijn achterstand aan die van Ommen zeker 
geschil bevonden ia 3ver de ploegen, waardoor 
Herman tot dus vei onbetaald bleef, heeft Johan 
Rengers van weg^is' zijne erven, welke hij zegt 
halve ploegen te Aijn, aangenomen voor ditmaal 



169 

te betalen 6 ggl. behoudens zijne geregtigheid en 
zonder consequentie. 

Evenzoo neemt Ghoert toe Waeter aan 3 gl. 
te betalen. 

Op de klagt van denzelfden van zijn achterstand 
aan de ploegen van der Heyne is geklaard: 
daar Jan van Ytterssum ten tijde dezer ploeg- 
schatting zijn zaalstad zelf bewoond en bemest 
heeft, zal nij als een riddermatig man van de 
schatting bevrijd zijn, en daar Willem Gelmers 
destijds nog niet te Heino woonde, kan hij zijn 
erve en goed niet vrijen, maar zal de raeijer, die 
daarop destijds woonde, evenals anderen moeten 
betalen. 

En daar er aan de som voor Herman nog 4 ggl 
ontbreken, zal de Schout deze verdeden over hen, 
die niet tot deze ploegschatting betaald hebben. 

In het geschil over de brandschatting des 
kerspels Ootmarsum in (15)10 uitgezet, waarbij 
men bevindt, dat ettelijke meijers sedert toen ge- 
storven of verloopen zijn, die daaraan nog schuldig 
waren, zoodat het kerspel in groote schade en 
handgelden geraakt is, is geklaard, daar de huizen 
en woningen aan de landheeren toebehoorende door 
de brandschatting beveiligd en gebaat zijn, en 
niemand verpligt is eens anderen schuld en last 
te dragen, zoo zullen de landheeren van de ge- 
storven of verloopen meijers tot de betaling ver- 
pligt zijn, behoudens hun verhaal op de meijers. 

1532 Aug. 27 (B cl V). 

Daar de twist tusohen de erfgen. en gemeene 
ingezetenen van Usseloe en Boekeloe t. e. z. 
en die van Haexbergen t. a. z. over het 
Wichtersgoer, waarin de beesten van beide 



170 

partijen te water en te weide gaan, over beslag 
van kampen, het plaggen maaijen, houthakken, 
enz. door partijen is gesteld ter beslissing van 
Mr. Coert Backer, Canunnik te Deventer en 
Oldenzaal, Seyno Mulart, Drost van Salland, en 
Johan van der Vecht, Burgem. van Campen, 
van wege die van Usseloe, en van wege die van 
Ilaexbergen aan Otto van den Rutcnberch, Hinrich 
Plaetman en Mr. Engbert van Doetkum, Burgem" 
van Deventer, met belofte hun uitspraak te volgen 
op straf van 500 oude schilden, V» voor den Keizer, 
\'3 voor de zegslieden en V» voor do gehoorzamende 
partij, wijzen de zegslieden met Heer George 
Schenck Stadhouder als overman : dat beide partijen 
voortaan evenals vroeger hunne beesten op het 
Goer te water en te weide zullen laten gaan; 
aangaande het beslag der kampen van ouds en 
nu op nieuw door die van Usseloe afgegraven en 
beslagen en door dio van Haexb. weder ingetreden, 
zullen die van Usseloe en Boekeloe die weder 
mogen afgraven, „befreden" en verkoopen doch 
voortaan zullen geen van beide partijen eenig 
beslag mogen doen en elk zal zijne plaggen 
maaijen aan zijn eigen kant tot de beek, die door 
het Goer vloi^it, zonder diiar overte komen, terwijl 
partij(>n hout zullen mogen hakken evenals tot 
nu t()(^ Partijen beloven met „handtvstreckinge" 
in plaats van ec'sd (die van Usseloe aan den Drost 
van Twenthe Johan v. Twickeloe, Heer Frederick 
V. Twickeloe Ridder, Roelof v. Scheven en Engel- 
bert Penninck Rigter; die van Haexb. aan Claes 
V. Bevervoorde, Drost en Holtrigter, Heer Jan 
Nyenkercke, Pastoor te Ilaexbergen, en Hinrich 
Nyenkercke, Rigter) deze uitspraak te volgen. 

Het geweld in deze zaak door die van Haexb. 
gedann wordt hun kwijtgescholden, doch den Drost 
van Twenthe zullen zij voor gemaakte onkosten 
betalen in gouden pond groot van 6 ggl. 






171 

1532 Aug. 29 (B cxxxjx v«). 

Daar tusschen Burgemees teren, Schepenen en 

ingezetenen der stad Ootmarsum t. e. z. en de 

erfgenamen en gemeeno huislieden des kers[)els O. 

t. a. z. sedert (15)10 groot verschil was over de 

„brandschat en dingtaell," is met goedvinden 

van beide partijen (behalve de Commandeur van 

O. en Bernt van Bevervoerde toe Weemssel) een 

concept en moderatie gemaakt door Adriaen van 

lieede Maarschalk, Mr. Geert Zwaeffken Burgem. 

te Deventer, en Geert Bon^hartsz Burgem. te 

Campen, op believen des Stadhouders en door hem 

met R. en St. bekrachtigd. 

Gedaan te Deventer. De voorwaarden zijn alle in 
het Jndiciaal opgenomen, doch wegens uitvoerigheid 
hier niet afgeschreven. 

Op de klagten van stad en kerspel Ommen 
over groote schade en armoede, is g(nintwoord: 
dat zij de uitgezette schattingen deze 6 jaar 
betalen moeten en dmirna zich op nieuw aan- 
melden kunnen. 

Diuir zal. Albert Brant 85 ggl. van de Landschap 
te vorderen had wegens de ruiters in 1510 min 
hunne soldij gekort door Pet(».r van Mouwijck, 
waarvoor Albert van P(iter assignatie ontvangen 
had op de Schouten van Paaslo, Ysselham en 
Steenwijk, die echter geene betaling gedaan hadden, 
en daar Alberts dochter op alle landdagen Stadh. 
R. en St. dcuirom vervolgt, besluiten dezen, daar 
de landschap door di(» gelden gc^baat was, haar 
de 85 ggl. te betalen en 15 ggl. voor kosten te 
geven, een en andc^r te voldoen met een rentebrief 
van 5 ggl. op het rentambt van Salland. 

Op de vervolging der wed. Roelof Kijbburchs 
is geconcludeerd, dat zij haren brief van IV^ ggl. 
per jaar op het Rentambt van Salland overleveren 



172 

zal en met hetgeen men haar verder schuldig zijn 
mogt ial zij geduld hebben tot over 2 jaar, als 
de thans uitgezette schattingen afgeloopen zijn. 

In zake Wolfif Muylart tegen Hinrich Kuyper 
van Dalfsen over zeker „buyrschap'', door Kuyper 
voor Werner zijn dochters man, eertijds onder- 
schout van Dalfsen, aan Wolfif gerigtelijk gedaan, 
doch welke Kuyper beweert later opgezegd te 
hebben, is geklaard : daar blijkens den gerigtschijn 
de „buyrschap" zonder bggevoegde voorwaarde 
geschied is, en Kuyper niet bewijst wat hij be- 
weert, terwijl de pander van Salland, dien hij als 
getuige voorbragt, ook het tegendeel getuigd heeft, 
zoo moet K. voor zijne portie V« van de „buyr- 
schaft" voldoen, terwijl hij van de kosten en 
boeten, waarin hij vervallen zoude zijn wegens 
den regtdag „vpt wolt voer den Arckenstein*' 
in deze zaak gehouden, vrijgesproken wordt, omdat 
die regtdag niet naar landregt uitgeschreven was. 
En daar Wolfif beweert, dat Hinrich's kinderen 
het goed „verrucken ende verfremmen" is geklaard: 
daar de moeder der kinderen overleden was voor 
de „buyrscop^\ zoo zal daarin het aan de moeder 
behoorende, niet verbonden zijn, maar de kinderen 
volgen Daar eindelijk Hinrich ditmaal gerigtelijk 
ontboden was, zal hij naar oud gebruik 1 dag 
voor en 1 dag na het gerigt „in synen persoen 
onbelast ende veelich passeren moegen," doch als 
men hem en zijn goed daarna krijgen kan, de 
sententie executeren. 

Daar in het geschil van de subdivisie eenige 
penningen van de schattingen op de stad Vollenho 
gedeeld zijn tot betaling van eenige particuliere 
schulden, in welke deeling de stad beweert niet 
gehouden maar geprivilegieerd te zijn, en niemand 
der erfgen. verschenen is, zoo zullen dezen aan- 



173 

geschreven worden, op den volgenden landdag al 
hun bescheiden deswegens bij te brengen, opdat 
de genen, die door R. en St. assignatie op die 
penningen ontvingen, betaling bekomen. 

Er moet een schryffout in zyn, anders is de acte 
onverstaanbaar. 

In het geschil tusschen Adriaen van Reede en 
eenige burgers van Oldenzeel over hout, door 
hem van de erfgenamen van de Lutte gekocht 
en door de burgers hem „voer-entholden", waarin 
zich Adr. beklaagt over geweld, en welk geschil 
is gesteld ter beslissing van Stadh. R. en St., is 
door dezen geklaard : dat Adr. kooper zal blijven, 
en zoo de burgers eenige kosten gemaakt hebben, 
of geld er voor gegeven hebben, kunnen zij dit 
terugvorderen van de buren, die hun het hout 
niet mogten verkoopen, terwijl de Stadh. van wege 
den Keizer de zaak van het geweld aan zich 
behoudt; hebben voorts de erfgenamen eenig hout 
gehakt om dit te veilen, dan zullen de burgers 
dit even goed mogen koopen als anderen ; en opdat 
voortaan de „gebreecken des verhouwens" voor- 
komen worden, zal daarop door de erfgen. eene 
ordonnantie gemaakt worden, welke deugdelijk 
bevonden zijnde, door Stadh. R. en St. gecon- 
firmeerd zal worden. 

In zake de stad Oldenzeell tegen Adr. v. 
Reede over een molen, welke Adr. als Rent- 
meester en als erfgenaam zich beklaagt van hare 
oude plaats genomen en t« nabij 's Keizers erve 
geplaatst te zijn, is geklaard: daar die van O. 
vroeger in het bezit geweest zijn, zullen zij daarin 
blijven en er op nieuw eene timmeren mogen 
totdat zij met landregt er uit gesleten worden. 

In zake Adr. v. Reede tegen Johan Koetgen 
den olden en Johan Koetghen den jongen van 



174 

een erfpacht, heeft Adr. door „ onder wysinghe" 
van Stadh. R. en St. de erfpacht toegestaan, terwijl 
de Koetghens jaarlijks behoorlijk betaling doen 
zullen. 

De zaak tusschen Aernt Schmijt, Jacob Duyster- 
beek van wege de weduwe in 't Roedehert, en de 
wed. Susselers tegen Bernt Lap is uitgesteld tot 
de volgende claring, en opdat de aanleggers niet 
te klagen zouden hebben door lang uitstel in hun 
regt opgehouden te worden, mogen zij de „be- 
schlagen" penningen onder den Schout te Wyhe 
heffen tegen borgstelling. 

1532 Aug. 29 (B cxlv). 

In zake Albert de Wyse tegen den Schout van 
Hardenberg Bruyn Blanckefoert en diens keurnoten 
over zekere verweringe voor het gerigt „be- 
dingt" en daarna sc^hriftelijk overgeleverd („inge- 
lacht'') is gewezen: daar de eerste schriftelijke 
verw(»ring door Albert overgeleverd niet voorhanden 
is en beide partijen tot verder bewijs zich refereren, 
zoo zullen zij op den volgenden landdag zoodanii;e 
bewijzen overleggen en inzonderheid zal de Schout 
de eerste ingeleverde schrifturen, door Albert's 
voorspnuik geschreven en den wijzer van het ordel 
medebrengen of certificaat, dat de wijzer niet heeft 
willen wijzen, voordat hem de ordelen in het net 
geschreven overgelc^verd zouden zijn, terwijl Albert 
zijn voorspniak zal medebrengen, om de zaken 
„alsdan vei^standen sijnde'' verder naar regt te 
laten geschieden. 

De zaak tusschen Thomas van Lijmburch tegen 
Bernart Lap over verdiende soldij is uitgesteld 
tot den volgenden landdag, omdat zij betreft ge- 
privilegeerde penningen van verdiende soldij onder 
het regiment van den Stadh. en Oversten Veldheer, 



175 

en opdat Thomas niet te klagen hobbe over lang 
uitstel („vertreck'') van h(^t proces, zal hij de 
beslagen penningen onder den Sehout te Wyhe 
mogen heffen op borgtogt (^buyrschaft") en cautie 
van ze terug te geven als hij ,,ondergeclaert'' 
mogt worden. 

In zake Adriaen van Reede tegen Johan de 
Goyer over 3V* morgen land door Aernt van 
Bevervoerde uit zeker leengoed van 22 morgen 
aan Johan in erfpacht gegeven, welke erfpacht 
Adriaen beweert naar landregt nietig te zijn, 
komen partijen overeen, dat daar de „uytganck'* 
van Mr. Wynolt Pyphering als laatsten beleende 
en bezitter, ten behoeve van Adriaen niet naar 
leenregt voor den leenheer geschied is, Johan 
zoolang in het bezit blijven zal, totdat die uitgang 
door Adriaen bewezen wordt ini dat, zoo dit ge- 
schied is, Johan het land aan Adriaen zal laten 
volgen, terwijl Johan het gewas van dit jaar 
behouden z«al; wil Adriaan het land dan verhuren, 
dan zal Johan het evenals anderen mogen pachten, 
tcirwijl hij voor zijn erfpacht eene actie instellen 
mag tegen Aernt v. B. 

In zake Ilinrich van Rechteden als leenheer (^n 
Otto van Rutenborch als leenman tegen vrouw 
van Marckell over eenige tienden, is geklaard: 
daar deze in het langdurig bezit gevonden wordt, 
zal zij er in blijven, totdat zij met bc^ter regt er 
uit gesleten wordt. 

In het geschil tusschen Aloff van Rutenborch 
cm Yngerman van Camphuysen over panding door 
dezen als Dijkgnuif van den Grooten Ilerme- 
lingh in de Rute op Aloff 's goed gedaan, krachtens 
markecedel en wilkeursbrief door de erfgen. gemaakt, 



176 

is die markecedul en wilkeur door Stadh. R. en 
St. van waarde verklaard, zoodat de panding 
geldig is. 

Daar Geert Everts en Johan Lubbertsz namens 
het gemeene kerspel up Rouveen den Stadh. 
verzocht hebben, dat de Proost en het klooster 
te Zwarte water van den „wthoff" en het land 
dat het klooster gebruikt ook tot de schatting 
contribueren zouden, en dit verzoek op den vorigen 
landdag uitgesteld was, en daar de Stadh. te ver- 
geefs inmiddels getracht heeft partijen te verzoenen, 
heeft deze de zaak nogmaals opgedragen aan Dirich 
van den Boetzeler Erfschenk(er), Adriaan van 
Twickeloe van de Ridderschap en Hinrich Plaet- 
man, Bui^em., die nadat partijen beloofd hadden 
zich aan hun uitspraak te zullen onderwerpen op 
boete van 100 oude schilden, half voor den Keizer 
en half voor de tegenpartij, uitsprajik gedaan hebben: 
dat de Proost „tendes'^ (behalve?) de door hem 
betaalde 14 gl. nog van de jaren '30, '31 en '32 
geven zal ter voldoening der schatting op Rouveen, 
en dat het convent in het vervolg in de uitzettingen 
naar dezelfde verhouding van den Vuythoff betalen 
zal; welke uitspraak door Stadh. R. en St. be- 
vestigd is. 

1532 Sept. 3 (B cxLvi v). 

R. en St. van Salland en Twenthe komen 
overeen, de arme huislieden in de schatting 
van dit jaar te hulp te komen met den 20* pen- 
ning en dit zonder consequentie. 

Op de suppl. van Lutger van den Cloester wed. 
Johan van Steynwijck en de mondelinge begeerte 
harer kinderen aangaande de ordonnantien van een 
paard, waarop zij door R. en (Steden) gesteld zijn, 



177 

en waarvan zij ontlast wenschen te zijn, ia be- 
paald, dat zij zamen gehouden zullen zijn aan de 
ordonn. te voldoen op de daarop door Stadh. R. 
en St. gestelde poene. 

In zake JuflFer Sofia van Coevorden, vrouw van 
Johan van Ytterssum, en Dierich de Baecke tegen 
Dirich van Steenwijck mot zijne moeder en ge- 
broeders, over schutting van beesten door v. 
St., is geklanrd: daar de v. Steen wijcks geen rigters 
in hun eigen zaak mogen zijn en zij niet bewezen 
hebben de schutting gedaan te hc^bbcn als marke- 
rigters of op bevel der gezamelijke erfgenamen, 
zoo zal de tegenpartij blijven in haar bezit, totdat 
zij d^uiruit gesleten wordt; en aangaande het 
geweld door de v. St. tegen het verbod der 
liandd rosten namens den Stadh. gepleegd, waarvoor 
zij voor het gerigt van liardenberg gecondemneerd 
en verwonnen zijn, is dat vonnis bevestigd. 

In het geschil tusschen het Capittel van Deventer 
en Ernst van Ytterssum over een tiende, is 
bepaald, dat het Cap. in het bezit zal blijven, 
totdat het er uitgesloten wordt en dat Ernst 
teruggeven moet, wat hij van de tiende genomen 
heeft. 

Ordonnantie waarbij aan Dijkgraven en Hoofd- 
meesters de praeferentie verzekerd wordt boven 
pacht- en renteheffers, bij het invorderen van gelden 
tot (mderhoud van dijken en hoofden. 

Met nog al spelfouten nitgeg. bij Racer III. 241. 
Het „Actum in Aug. 1532" staat ook niet in het Jndic. 
en is denkelijk onjuist, daar de laatst voorafgaande 
. datum 3 8ept. is. 

In de zaak tusschen de erfgen. van Johan van 
Ytt(u*ssum, Drost van Sa Hand, en de wed. van 
Geert van Langen over zekere achterstallige hand- 

12 



178 

geelden op het Drostambt in pandschap gelegen, uit 
den tijd toen Geert Drost was, welke zaak partijen 
ter beslissing van Stadh. R. en St. gesteld hebben, 
is geklaard: aangezien Geert in zijn eommissie 
^mit den hantgelde niet belast noch verbondenen 
is geweest," zal de wed. niet aansprakelijk daar- 
voor zijn, en indien de erfgen. tegen iemand anders 
actie deswegens meenen te hebben, mogen zij die 
met regt vervolgen. 

De Gedeputeerden der stad Deventer rap- 
portieren, dat zij meet lijf en goed zullen handhaven 
(m lielpen excH'u teren wat de Stadh. met de 
Ridderschap en de beide andere steden eenparig 
zal „verdragen, verklaeren, ordonneren ende 
bevelen." 

In de questie tusschen Ernst van Ytterssum 
en de buren van Wechterholt zijn gecommitt-eerd 
de Drost van Salland en de Schout van Wyhe, 
die eenige onpartijdige erfgenamen kiezen zullen, 
om met hen partijen te verzoenen of andere rapport 
op den volgenden kinddag in te brengen. 

In de zaak tusschen Johan de Wilde, Schout 
te Colmschate, van wegc^- zijne vrouw, en Johan 
toe Colmeschaeten den Meijer, zijn wegons hare 
duisti^rheid 'gecommitte^n'd de Drost van Salland, 
llinrich Plaetman en Peter van Mouwijck, om de 
zaak te onderzoeken, de zettei's te hooren en 
partijen te verzoenen, of anders op den volgenden 
regtdag rap})ort te doen. 

In zake Jasper van Wilssem tegen zijn moeder 
over zijn patrimonium, die de Stadh. door 
eenige gecommitteerden niet heeft kunnen ver- 
zoenen, is Jasper verwezen na^ir de behoorlijke 
„richters vant sterffhuys." 



179 

In zake Otto Hulss tegen AloflF van Rutenburch 
over schade van eenige ossen, door den pander 
van Aloffs land gehaald, zullen partijen hun be- 
wijzen op den volgenden landdag inleveren, zullende 
dan hierin regt gewezen worden. 

In zake Roeloffgen ter Horst tegen Ilinriok 
Smeeken, Bernt ter Horst en Geert Wenijnek 
over zekere goederen hem (haar?) eertijds ver- 
kocht, en welke Roelofgcm beweert als erfgenaam 
„den geestlicken rechter verwonnen te heiiben,'' 
is bepaald: drtar men in de ziuik veel duistcn^s 
vindt, zullen partijen al hun bescheiden inleveren. 

1532 Sept. 4 (B cLÜi). 

De Stadh. met eenige ambtlieden en afgevaar- 
digden van R. en St. op 18 Aug. te Sc herpen- 
zeel vei*schenen zijnde op de gebreken van den 
Schaerdijk en de hoofden van Johan van den 
Mai'sch en Johan Ijuesse c. s., en met de erfgen. van 
Vortman, Olst en Wyhe, die bij kerkespraak ont- 
boden waren, over die gebreken gesproken hebbende, 
hetgeen echter door oneenigheid der partijen 
vruchteloos geweest was, zoodat aan dezen bevolen 
was gemagtigden te zenden om verder over de 
zaak te handelen, deputeerden de eifgen. van 
Yortman Jacob van Wijlssem, Aiundt van Oldeneel, 
(jeert Huyginck en (ieert Schwaeffken; die van 
Olst: Herman van Keppel, Dirick van Overenck, 
Geert Krijt, Herman ter Beecke en Johan van 
Doetekum, die nu in de claring op de klagten 
van V. d. Marsch en Luesse antwoorden: dat zij 
meenden niet tot het onderhoud der hoofden van 
den Schaerdijk gehouden te zijn, doch bereid 
waren te antwoorden op een goeden „voerraeme 
ende endtwerp" van Stadh. R. en St., waaroj) 
ter Marsch c. s. zeiden, dat zij tot de hoofden 
wel gehouden waren, omdat hun dijken en landen 




180 

(iaarcloor beschermd werden, met beroep op een 
brief van Roelof van Diepholt van 1437 en de 
nieuwe reformatie van David van Bourgondië van 
1494, ijeratificeerd bij claring onder Frederik van 
Baden in 1500; nadat partijen ten slotte bij com- 
promis de zaak ter beslissing van Stadh. R. en 
St. gesteld hadden, bepalen deze: 1» dat het zand 
of w(»erdje bij Vortman van een hoofd voorzien 
moet word(*n, om den stroom IJsselwaarts te voeren, 
hetwidk door die van Yortman bekostigd zal worden, 
doch waarvoor dezen kunnen gebruiken het gewas 
op den Kijlfwert, terwijl de geërfden van het 
kers})el Olst hen helpen zullen in den 3den pen- 
ning, waarvan de landheer 5 deelen en de meijer 
het ()de de(d betalen zal. 

2^ Boven de ^hoeffdinge'' van Luesse en ter 
Marsch c. s. zal nog een hoofd beneden het vorige 
gelegd worden „omtrent de Wterwicksche kempo", 
half op kosten van die van Olst (behalve die van 
Welssem) verdeeld als voren, en half op kosten 
der gedijkten van Vortmerhek tot Wyher-veerstal 
voor ^/3, en der erfgen. des kerspels Wyhe voor V^, 
betalende in het V^ dQ landheer 5 deelen en de 
meijer 1 deel. 

IV> Daar men welligt van „ Johan Ijuessen ende 
de Wterwicksche kempe" de aarde voor genoemde 
hoofdcm zal moeten halen, zullen die „kempe'' nu 
onbez waard blijven, maar later naar taxatie aan- 
<i:eslai]f(ni worden, 

4*^ liUesse en ter Marsch zullen de 2 hoofden 
voor hun dijk liggende opmaken met hen, die dat 
a4ingaat, behalve de gedijkten van Vortman; en 
zoo wien het aangaat onwillig zijn, zullen Stadh. 
R. en St. daarin uitspraak doen. 

5^ Daar nog een hoofd gelegd moet worden 
beneden de dijken van Luessen en ter Marsch, 
zal dit half bi^iaald woi'den door de gedijkten van 
Sch(U'penz(H^l nederwaarts af tot min de veei^stal 



ISl 

te Wyh(% en lialf door de erfo;(Mi. van het kerspel 
Wyhe (^/e de landheer, V'» d(ï meijer) tcM'wijl de 
fiar(h^ g'ehjuild mi\f^ worden ter iiaast(»r aarde (;n 
minster sehade, zoowel buiten- als hinnendijks. 
()® Aano^mmde het onderhoud der hoofden zal 
de reifcding eerst j^^eschiedc^n, nadat dit ook van 
de hoofden te Veekaeten en Wterwijek door Stadh. 
R. en St. bepaald zal zijn, t(M*wijl daarin nic^nand 
vrij zal zijn, lifcMJstelijk noeh wereldljjk, edel noch 
onedel, buiten noch binnen de landschap wouf^ide. 
Gedaan te Deventer. 

De erfju^en.* van Olst (M)ninlitteren als hoofd- 
nieest(»r voor het 1ste hoofd Lanibcrt Keael (mi 
Aerndt van Oldeneel; de erfii^en. tot het 2de hoofd 
Johan Luesse als hoofdnieester en (ieert llug'inck; 
de (»rfu:en. tot het laatstee lioofd Diriek van Kc^pjiel 
als hoofd uKM^ster, terwijl de Drost van Salland 
d(»n anderen noemen zal; door d'^n Stadh. en (h. 
Ridderschap zijn f^ecommitteerd de Ih'ost van Salland 
Sevno Mulart, Jan van Buckhorst toe Salle(*k en 
Otto van RechtenMi; door D(ïveiiter Mr. G(H»rt 
Swa(*ff<(en, door Cam))en (JcHU't Burchartsz, door 
Zwolle Thomas Knoppert of .Jasper ten Holte. 

De |)ennin<?en zullen ontvanjjen worden door 
de Schouten van Wvhe en Olst, die van elke 
pandinjj: 2 j?oss(d(n's hebbon cm dc^ i^elden aan de 
hoofdm(M^st(U's verstrekken zullen. 

1532 Sept. 7 (B cl). 

Op d(i herhaalde khi$2ften van Crax^ht Sc^hnepart 
over zijn achttu'stand bij de Landschap, kom(m 
Stadh. k. en St. met hem ovcuhhmi, dat de Land- 
s(dia]) hem in het fijeheel betalen zal 398 c^trl. on 
djuirmede voldoen zal de volji^ende crediteuren: 
Werner en (in) den Brunenberch 42 fi:;?l. , vrouw 
van Coesfelt 33 go^l., Herman Engelbertsz 23 fifofl., 
Geert Huyginck 20 ggl., Heer Jan in 't Hilge 



182 

Geost 13 jf}?!., Herman ton Weti^he dochter 15 ggl., 
Weimer jn den Wolff 5 g^\. en dat men voor 
de 247 <jfjfl., die na aftr(ik dezer fielden overblijven, 
op d(»n vol}?enden landdaff Gracht minwijzing 
doen zal. 

1532 Sept. 10 (B cxLvi v«). 

In zake Ernst van Ytterssum te^^en Dirick van 
Overenck van achterötalliji^e rente door Dirk ge- 
vorderd, is door Stadh. R. en St. aan wie partijen 
de zaak onderworpen hebben, in der minne be- 
paald, dat Ernst 6 ggl. voor 1 jaar rente mag 
korten en dat zij hun geschil over een handschrift 
zam(*n mogen uitmaken of met landregt bepleiten. 

1532 Oct. 26 (B cLviii r). 

Bij(^enk()mst te Gampen van den Stadh. namens 
den Keizer en Ilinrich de Groeve namens den 
Vorst van Geiler in bijzijn van: 

Johan Muylart, Rentm. van Salland, en Burchart 
V. Westerholt, Drost van Vollenho, Raden des Keizers, 
Mr. Arendt van Gruythuysen en Mr. Herman Knoppert, 
Raden des Vorsten van Geiler; Dirich v. Brnnsfelt 
en Mr. Engelbert v. Dotinchem, afgevaardigden van 
Deventer; Geert Burcharts en Johan v. der Vecht, 
afgev. van Kampen; Johan v. der Marsch en Jasper 
ten Holte, afgev. van Zwolle. 

Daar het g(»schil tusschc^n Johan de Goyer en 
de 8taten van Overijssel over zijne gevangen- 
schap op 27 Febr. jl. bij compromis gesteld is 
ter uitspraak vnn Stiidh. George Scheuck en den 
Drost van Ilattem Ilenrick de Groeve, bepalen 
dezen, dat de Landschap aan Johan uit vriendschap 
150 ggl. op Martini 1533 betalen zal, w^aarmede 
alle g(^schil ten einde zal zijn. 

Daar men het geschil over de tol te Sw artsluis 
en die van Harderwijk niet heeft kunnen „slichten", 
is de zaak uitgesteld tot eene volgende bijeenkomst; 



183 

partijen zullen intusschen hun bescheiden inzenden 
bij den Stadh. en den Drost van Hattem Erckelens, 
terwijl de "Stadh. de bewijzen van die van Harder- 
wijk zenden zal aan de Rekenkamer en de Drost 
die van den tol aan Mijn Gren. Heer van Geiler. 

Daar in zake Goert van Ilaerst tegen de 
Landschap niet gehandeld kon worden, omdat 
zijne rekening nog niet voor Stadh. R. en St. 
gebragt en daarop geconcludeerd is naar inhoud 
van het reces, in 1531 in het klooster van Wijns- 
sem daarvan gemiuikt, zal Goert op den volgenden 
landdag verder vervolg doen. Insgelijks zullen 
die van Zwolle op de klagten nu overgegeven 
hun antwoord inbrengen, om hun dan regt te 
laten geschieden. 

Tn zake Campen tegen Harderwijk is be- 
piuild, dat partijen op 1 Dec. te Elburg komen 
en zich verdragen zullen, opdat geen verder klagt 
noodig zij. 

In zake Johan van Gaelen tegen Aloff van 
Rutenborch wordt besloten, dat Johan omdat het 
eene actie van magenaes is, voor den Schout 
van Zwolle naar landregt procederen moet. 

Tn zake Heer Tiaert van Bocrmannia tegen 
Johan van Wye en de burgers van Hattem, is 
het geschil „van den brougetuch boeckenwerck 
Schelde'' en gesteld ter beslissing des Stadh. en des 
Drosten H. de Groeve, en aangaande de burgers 
van Hattem ter goeder rekenschap gesteld, .welke 
van weerszijden gedaan zal worden voor de gedep. 
daartoe mm te wijzen, terwijl de 300 Phs. gl. 
van Jochem van Wye bij den Drost in sequestratie 
gesteld worden. 

In zake het kerspel van Hasselt tegen den 



184 

Schout Lubbert Muylart over een kelk en monstrans 
tuin den Schout tot pand o;e.fifev(ni voor „dincktael 
jnder veoden'\ worden die van Hasselt in hun 
klajift onofefundee^d Ix^vonden en de Schout van 
de aanspraak ontslagen. 

In zake de Aht en Convent van Hulsbergen 
tegen lieer Wij(*hman Pat(T van Brantoliuni te 
Utrecht c. s van i^en stuk lands in het kerspel 
Wyhe, waarvan Abt en Convent klagen gespoliëerd 
te zijn, wordt gewezen, dat Abt en Convent weder 
in de possessie daarvan gesteld zullen worden en 
dat de tegenpartij haar regten op de pacht Martini 
e. k. verschijnende, met landregt vervolgen mogen. 

De zaak tusschen Jacob Stert, Drost te Brede- 
foert, en Zweer van Oeverhaegen, de buurschap 
Raelt en het kerspel Borne'is 1 maand uitgesteld, 
om inmiddels Heer Frederick van Twickell en 
S weder v. O. te adverteren wat de Drost aan 
Mijn Gen. HecT van Geiler geschreven heeft en 
hun antwoord daarop te ontvangen, met schorsing 
der regtsvordering. 

De supplicatie van Here Jansz en andere burgers 
der stad Schneeck over goederen inden grooten 
storm in Veluwe als gestrand goed aangehouden, 

de supplicatie van Goert van Oestenwoldt tegen 
de gebroeders van der Hoeven, 

de begeerte der stad Zwolle die klaagt van 
het veer te Hattem gespoliëerd te zijn, 

de begeerte van de stad Deventer van de 100 gl. 
pandgeld op het ambt van Diepenhem en van 
de accijsen te Diepenhem, 

alsook over het land bij het bolwerk van 
Deventer, behoon^nde tot de „seven droflFnis onser 
Liever Vrouwen" binnen D., zullen de Drost van 
Hattem en de Raden van Geiler „ten besten 



185 

andmeofon" en wat Mijn Gen. Heer van Geiler 
daarop beslist, zal hij den Stadh. schrijven. 

De supplieatie van Herman van Kempen be- 
treffende Wilhelmus MuUekom aangaande „meister- 
loen" zullen de Raden aan Muil. overgeven, om 
zijn antwoord daarop aan den Stadh. te zenden. 

De suppl. van Jan Nahuys heeft de Drost van 
Hattem tot zich genomen om partij(m te verzoenen. 

De Drost en zijne Raden zullen ook denken 
aan de zaak tusschiui Hans Schaffer en die van 
Rutenburch te Utrecht. 

In zake Jan Smeynk te^yen Aernt van Dallefsen 
belooft Jan van Enschede namens Schmeynk en 
Aernt voor zich de uitspraak van den Stadh. en 
don Drost zonder appel te ziilhm opvolgen, waar- 
voor zij binnen 3 maand hunne bescheiden over- 
leveren zullen. 

1533 Junij 26 (B cLxiii). 

De Stadh. houdt namens den Keizer zijn regtdag 
te VoUenho. 

Dingwaarder : Jolian Muylart, Kentni. van Zalland. 
Keiirnoten: Hinrich Haeghen en Aloff van Yssel- 
mnyden. 

In zake Hinrich Schaep tegen Aloff van Ruten- 
burch over een losse van 4 morgen lands in 
Wijnsemer-marke, waarin Aloff volgens wijsinge 
op den landdag te Deventer in Aug. 1532 op 
dezen dag antwoorden moet, is het ordel besteed 
aan Johan van Buckhorst toe Boxbergen, die na 
aanspraak en antwoord in schrift ontvangen te 
hebben, wijst: daar het zegel nic^t ^gelaect" is in 
tegenwoordigheid des gerigts, is de brief van waarde 

Aloff doet hiervan beroep in de Claring van StAdh. 
R. en St. 



186 

De zaak tusschen Ernst van Yttersum en Herman 

tor Beecke t. e. z. Johan Muylart, Rentra. van 

Zalland, Herman Muylart, Schout van Zwolle, 

en Vincentius van Vterwijck, als momber zijner 

vrouw juffer Mechtelt Mulart, t. a. z. , over zekere 

^j2^eloefften, burchfciel ende verzegelin^e*^ en van 

de achterstallige renten daarop verloopen, van 

welke verzofi^eling Ernst en Herman begeeren 

ontlast te zijn, is besteed ^lan Herman van den 

Cloester, die aanspniak en antwoord op schrift 

begeert om overmorgen te wijzen. Hij wijst toen 

dat de bezegelde quittantie, aan Goert Muylart 

zaliger gegeven door de wed. van Steven Camffer- 

beke, van waarde is voor de betaling, tenzij Ernst 

en Herman bewijzen, dat Goert na de verzegeling 

der quittantie eenige jaarrenten aan de Ka(r)t- 

huyzers betiiald had. 

Ernst en Herman beroepen door hun voorspraak 
Hinricli Huerlinck deze wijsiuge in de Claring. 

In zake Hinrich van Oldenneell, als momber 
zijner vrouw Alijdt, tegen Heer Frederich van 
Twickell, wijst Jan Schloet voor regt: kan Fred. 
bewijzen g(ilijk hij beweert, dat hij in 2 of 3 
termijnen lossen mag, en dat zal. Goert van 
Kuynre, diens vrouw of erven in 1521 105 ggl. 
met de volle pacht van 10 mud rogge ontvangen 
heeft, zoo zal dit bewijs voldoende zijn tot aan de 
losse, doch wat nog achterstallig is van 1519 — 21 
en de 8 mud zal Fred. betalen; en kan Oldeneel 
met zegel en brieven, of met handschrift van 
Fred. of op andere wijze bewijzen, dat Fred. aan 
Geert v. Kuynre van 1514 — 19 eenig (geen?) 
handgeld gelost heeft, zoo zal Fred. deze daar- 
enboven betalen. 

Tendeele doet v. O. appel hiervan in Claringe. 

Het geschil tusschen Aloff van Rutenburch en 



187 

de gemeene buren van Z u t h e m van een panding 
door de buren op Aloff's meijer gedaan, is door 
„onderwysinge'^ des Stadh. niet verd(U' „vcrsaeht." 

De zaak tussehen Johan Munter, burger te 
Zwolle, en Jan van Eschede over een „besaete" 
van Munters hout, door Eschede in Twenthe ge- 
arresteerd, is best(».ed aan Ernst van Ytterssum, 
die aanspraak (mi antwoord op schrift begeert, om 
beraad te 'nemen tot den volgenden regtdag. 

De zaak tussehen Dirich van Overenck en Ernst 
van Ytterssum over 78V- ggl. van Ernst gevorderd 
krachtens handschrift zijns vaders Robert v. Y., 
is besteed aan Wolter Stellinck, die beraad neemt 
tot den volgenden regtdag. 

De zaak tussehen Jacob van Ytterssum en 
Dirich van Boetzeler van 30 ggl. pi^r jaar met 
achterstallige renten, kosten en intenissen, in welke 
zaak Hinrich Huyrlinck en Ditmar van den 
Schulenburch, procurators van Dirich, bij recon- 
ventie Wolter van Coevorden als waarborg aan- 
gesproken hebben, doch waarop Wolter g(»antwoord 
had, dat hij de borgtogt opgezegd had, is besteed 
aan Johan Hloet, (lie aanspraak en antwoord op 
schrift begeert en bermid neemt tot den volgenden 
regtdag. 

De zaak tussehen Geert Krvtenbiirch en Heer 
Frederi(»h van Twickell RiddcT over 300 Phs. gl., 
aan Geert in 1521 door Frederich en de onder 
diens bevel staande knechten afg(\schat, is besteed 
aan Dirich de Bake, die aansprmik en antwoord 
op schrift begeert en op den volgenden regtdag 
wijzen zal. 

De zaak tussehen Juffer Anne wed. van Coe- 
vorden en Bernt van Thye is uitgesteld tot den 



188 

volf]^enden rejjtdag, om iiitusschon te zien partijen 
te v(Tzoenen. 

1583 Junij 28 (B cLxv n-). 

De zmik van Onna van Euwesiim en de wed. 
(»n kinderen van Roeloft* v. E. tegen de gebroeders 
Ilinrich, Otto en Seigcn* van R(u»hteren is uitge- 
steld tot den volgen(len regtdag met eonsent van 
beide partijen, om inmiddels zoo mogelijk hen te 
verzoenen. 

Gedaan te VoUenho. 

De zmik tuss(»hen de wed. van Johan Lamberts 
en (1(^ W(h1. en kindercMi van Jan (van)'Ytter8sum 
Wolfïsz over 30 ggl. jaarrente met de aehter- 
stallige ])aeht(Mi, is bc^steed aan Wolter van Coe- 
v(n'den, die wijst: als de vorw. noch in persoon, 
noch bij gtMnagtigde vers(^henen zullen zijn bij 
schijnende z(m en staanden gerigte, zullen zij 
„vellich ende verwonnen'^ zijn. 

En daar zij nii^t vi^Tschenen zijn vergunt de 
Stadh. jum Lamberts pandbrieven en zulke provisie 
t(^ (»xpedi(n*en als tot executie der sententie noodig 
is volgens de ordonnantie op het verwin van 
conturaatie gemaakt. 

In zake Johan ten Luttekenhuyse tegen de 
wed. en (»rfgen. van Geert ten Hamnuï, die niet 
in het gerigt verschenen zijn, heeft Roelof van 
Iloevell, wien dit ordel op den vorigen regtdag 
beste(*d was, gewezen, daar G(H>rt t. II. Johan 
het erve ten Holt hu se niet „stiien" (wfuirborgen) 
k(m, blijkens zijne zeg(ds en brieven, zullen de 
erfgen. van Geert „vellich'' zijn in de aans})raak. 
En dmir niemand namens verweerdei^s verschenen 
is, vergunt de Stadh. Johan provisie van executie 
te expediëren volgens de daarover gemmikte 
ordonnantie. 



18!) 

Daar Herman van Koppel Goert te Waeter 
voor den g'erio-te „bestaen" heeft, en deze gezegd 
heeft, dat hij, omdat hij burger en lidmaat van 
Zwolle was, hier niet behoefde te antwoorden, is 
(het ordel) besteed aan Bernt van Bevervoorde toe 
Weemssel, die voor regt wijst: daar Goert het 
hoofd ten gerigte gekoerd heeft on Herman 
hem dmxrvoor aangesproken h(»oft, zoo moot Goert 
gerigtolijk antwoorden. 

Dit ordel beroept Groert in de claring. 

Tn zake Goert te Waeter tegen Hermen van 
Koppel, wijst Ot van Rutenburoh: daar Herman 
aan Go(M't „ingoruymt*' heeft, dat deze genieten 
zal zoo hij bewijst binnen V^ van oen oomv ge- 
maakt te ho.bb(m, en daar Goert een rigtorsschijn 
inbrengt, dat hij in 1525 gemaakt hoc^ft, zal dit 
bewijs voldoende zijn. 

Dit ordel beroept v. K. in de claring. 

De zmik tnsschon Wernor ton Sta 11 en Bernt 
van Bevervoorde toe Wemssel over sohulden en 
verloopen rente, is besteed aan Herman van 
Koppel, dif» beraad neemt tot d(m volgendim regtdag. 

Daar Dirich van Kepp(d, wien op den vorigen 
regtdag een ordel b(»steed was tnsschon Lijsbeth 
wed. Dirich Keylowerts en Swier van Oevorhaghen, 
niet verschfmen is (n\ de wijsinge ook niet ge- 
zonden hooft, bepalen Stadhouder, Dingw^oardor, 
Kournoton on Ambtlieden, dat dit geen van beide 
partijen schaden zal en daar men vernoemt, dat 
de wijzer ziek is, zal do Stadh. hen latcm bevolen, 
h(*t ordel o[> den volgendtm regtdag te brengen 
of te zenden, op dc^ poene daarop gestold. 

1533 Junij 30 (B cLxvii v«). 

Stadh. R. en St. houden Claringe op het huis 
te VoHonhoo. 

Tegenwoordig: Johan Mulart, Rentm. van Salland, 



190 

Dingwaarder, Johan v. Twickell, Drost van Twenthe, 
Borcliart v. Westerholt, Drost van Vollenhoe, Öeyno 
Mnylart, Drost van Salland, Heer Frederich v. Twickell 
Ridder, Johan v. Buckhorst toe Boxbergen, Otto v. 
Recliteren, Hinricli Haegen, Otto v. Rutenburch, Johan 
V. Buckliorst toe Salleck, Herman v. den Cloester, 
Lubbert Muylert, Schout te Hasselt, Bernt v. Bever- 
voerde toe Weemssel, Johan Schloet, Sweder v. der 
Eze, Wolter v. Ooevorden, Dirich v. Scherpenzeel, 
Jurgen v. Bermen tloe, Wolter Stellinck, Ernst v. 
•Ytterssum ter Heyne, Reynt v. Coeverden, Hinrich 
V. Rechteren, Zweder v. Oeverhaegen de jonge, Seyne 
V. \V el velde, Johan v. Voerst, Hinrich Schaep, Johan 
V. Echten, Alifer v. Ysselmuyden, Herman v. Keppell, 
Alifer v. Rutenburch, Reynt v. Aeswijn, Johan v. 
Ytterssum Jansz, Claes v. Be vervoerde, Drost te 
Blanckenborch, Adriaen v. Twickell, Johan v. Essen, 
Johan V. Wermeloe de 01de, Joh. v. Wermeloe toe 
Westerfelde, Johan Moerbeke, Heer Bernt v. Schellick, 
Commandeur te Ootmarsnm, Steven v. Haerst en 
Herman Grobbe. 

Cxedep. uit Deventer; Hinrich Plaetmaa en Mr. 
Engbert v. Dotincheni en na hun vertrek Mr. Gerrit 
Swaeffken en Mr. Geerlich Doys; uit Campen: Geert 
Burchartsz en Gheert Loese; uit Zwolle: Kerstgen 
V. Diepenbroeck en Herman Bitter v. der Marsch. 

In zake Johan Prusener tegen Bernt v. Bever- 
voerde over een beslag en verwin voor den onder- 
schout van Hasselt op penningen Bernt op Roveen 
beweesen" geschied, waarop Bernt zijn gemagtigde 
aan het gerigt gezonden heeft om exceptie o{) zijn 
dienstregt te nemen, is het beslag van onwaarde 
verklaard, zoodat Prusener met landregt voor den 
behoorlijken rigter v. B. vervolgen moet. 

In zake Goert te Waeter tegen IIei*man van 
Keppell over een rest van „dincktael" van 50 
ggl. waarvoor v. K. en anderen borg zouden 
zijn, 10 ggl. voor verteerde kost en 20 ggl. voor 
schade, is gekla^ird; daar uit het schrijven van 
Goert blijkt, dat Herman e. a. beloofd hebben, 
dat de Stadh. de personen, genoemd in het hand- 



191 

schrift geschreven door Jan Andries, Koster te 
Oldst, ontbieden zoude, om met de zetters van 
1522 binnen dezen landdag te VoUenhoe te 
komen, om met Goert te rekenen, en hem te 
betalen wat zij schuldig bleven, en daar Herman 
nadat de ordelen in handen des griffiers gesteld 
waren nog 2 certificaten tot zijne verdediging 
heeft willen inleveren, is geklaard, dat deze stukken 
nu niet meer ingeleverd konden worden en dus 
van onwaarde zijn ; en daar uit een van de laatste 
certificaten blijkt, dat Johan Andriesz Koster en 
lïeer Herman Naegell, Pastoor van Wesop, anders 
getuigd hebben, dan zij voor den officiaal gedaan 
hadden, zal de Stadh. hen ontbieden, omtenoverstfian 
van hem en R. en St. hiervan verklaring te geven 
en daarin verder regt te doen. 

In zake Wolter Mesmaecker tegen Jan de 
Roede van 15 ggl. welke Wolters grootvader in 1459 
op een stuk land „wtgedaen" zoude hebben, is 
geklaard : wel gewezen en kwalijk beroepen, zoodat 
Jan de Roede van de aanspraak vrij zal zijn, totdat 
Wolter beter bewijs bijbrengt. 

In zake Aernt Schroer van I^aore tegen Albert 
de Wyse van eenige visschen, door Albert uit 
Aernts korven „vp een recht," gelijk Albert zelf 
bekent, genomen, en met zijn schip weggevoerd, 
is geklaard: daar niemand zijn eigen regter 
zijn mag, wel gewezen en kwalijk beroepen; en 
hetgeen Albert hierom aan de hoogheid schuldig 
is, zal staan ter moderatie van Süidh. R. en St. 

In het geschil tusschen Albert de Wyse en den 
Schout van Hardenberg Bruyn Blanchefoert, is 
geklaard: daar de correctie van alle ordelen naar 
landregt door den Rigter en de keurnoten bc^hoort 
te geschieden, en op hun belofte, eed in conscientie 
staat, zoo moeten Schout en keurnoten meer ge- 



192 

loofd worden dan de voorspraak, en hiermede 
zullen alle jresehillen tussehen partijen, Aernt 
Sc^hroer daarin bejjrepen, ten einde zijn, met 
comï)ensatie van kosten. 

In zake Goert t(*n Waeter tegen Herman van 
Keppel, wegens achterstallige roggepaeht, is daar 
(loerts nader bewijs onvoldoende is, geklaard: 
kwalijk gewezen en wel beroepen en Herman van 
d(m eiseh (mtslagen. 

1533 Julij 1 (B cLxxi). 

In zake Marie wed. van Dirick Goyman tegen 
kerkmeestei's en erfgen. des kerspels Hellendoren 
van een stuk land geheeten de Ekede in de 
buursehap Haerle, door de kerkmeesters en erfgen. 
tijdens Biss(*hop Roelof van Diepholt aan Ludeken 
Suseler verkocht, is geklfuird : kwalijk gewezen en 
wel beroep(^n en het bezit van het land aan de 
wed. toc^gewezen. Daar echter tussehen partijen 
ook in geschil is, dat het land te groot geslagen en 
meer aangegraven zoude zijn, dan verkocht was, 
worden de Drost van Salland Seyno Muylart, 
Adriaen van Twickell en Herman van Keppell 
(die vroeger ook geordonneerd waren in deze zaak, 
om partijen te verzoenen) gecommitteerd, om aan 
de wed. hare 35 mud land toe te deelen, terwijl 
zij bovendien ah van een vol gewjiard erve zal 
zijn gewaiird te water, te weide, te turve, te twijge, 
te houte, enz. 

In zake de wed. Dirich Voechts tegen Bernt 
van Bev(*rfoerde tot Weemss(4 en de erfgen. van 
Johan V. B. van 331 Phs. gl., welke Dirich als 
borg van Jan van wcge diens gevangenschap te 
Oldenzaal heeft moeten betalen, met de verloopen 
handgelden, kosten en schaden sedert 1510, voor 
welk(^ zmik de wed. de tegenpartij met wasteekens 
in de zaalstede te Weemsselo gebragt, voor de 



193 

hooge bank gedaagd en in Aug. 1532 wegens 
uitblijven en contamatie verwonnen heeft, 
waarna haar een pander gegund was tot executie 
van het vonnis, overeenkomstig de generale 
ordonnantie van 21 Aug. 1532, doch waartegen 
pandwering door Bernt c. s. gedimn is, die hun 
uitblijven trachtten te regtvaardigen met eenig(^, 
brieven, waaronder een van Heer Geert van der 
Recke, Ridder, ten bewijze, dat Bernt als lidmfiat 
en „landstat" des stifts Munster „ylendes ver- 
schreven*' was: is, daar Bernt c. s. zich dooreen 
gemagtigde hadden moeten laten „vernoetsinnigen'', 
de vorige sententie geconfirmeerd en zijn Bernt c. s. 
in de straf der ordtmnantie veroordeeld, zullende 
echter de wed. van de renten, kosten en schaden, 
welke zij vordert, schriftelijke opgave moeten doen, 
welke stmin zal ter taxatie viin Stadh. R. en St. 

Op de protestatie van Heer Frederick van 
Twickell Ridder over de vroeger 66i\ erve vormende 
4 huizen, behoorende tot het huis ten Ruyten- 
berffhe en van Otto van Rechtc^ren van de 2 
Veers, de muller. Korte Bernt en nog 4 huizen* 
op den dijk tot het huis Rechteren behoorende, 
welke zij beweren dat oudtijds s(diatvrij waren, 
begeerende in huu vrijheid gehandhaafd te worden, 
zal de Drost van Salland de erfgen. van Dalfsen 
bij kerkespnuik oproepen, hun dit voorhouden en 
hun antwoord aixn de Stadh. melden, om op den 
volgenden regtdag hierin uitspraak te doen. 

1533 Julij 2 (B CLxxiii v»). 

Op de uitzetting van eenige schulden binnen 
de 6 jaar van de schattingen op de landschap 
gevallen, zijn gedeputeerd van wegc^ Salland de 
Drost Seyn Mulart, Jolian v. Buckhorst toe Box- 
bergtn en Adriaen v. Twickell, van wege Twenthe 
de Drost Jan v Twickell, de Commandeur van 

13 



194 

Ootmarscn on Bomt v. Bevorfoerde toe Wemsel, 
van wotfo Vollenhovo do Drost Wosterholt, Ilinrich 
Haocr(*n en Herman v. den Cloester. 

1533 Jiilij 3 (B CLxxiiij). 

Op de suppl. van Bi^rnt van Bevervoorde toe 
Wenissel, Claes v. B., Drost te Blanckenborch, 
on de orfo^on. van Johan v. B., dat dé wed. Dirich 
Yaeohts borofon stelle, dat zij mot ééne betaling 
volstaan kunnen en niet opnieuw door do erfgen. 
van D. Vaeeht gemolesteerd zullen worden, ver- 
klaren Stadh. R. en St. dat de wed. hieraan vol- 
doen moet; doch op het verzoek van dezelfde, 
dat zij do w^ed. voor hunne vorderingen voor Stadh. 
R. en St. zoud(»n mogen betrekken, is gewezen, dat 
dit niet vergund zal zijn als strijdig met het tractaat 
met den Vorst van Gelder gesloten, zoodat zij 
voor den behoorlijken regter procederen moeten. 

In zake Roelofgen ter Horst tegen Hinrich 
Smeeken, Bernt t. H. on Geert Woeninck over 
zeker goed door verweerders verkocht tijdens de 
onmondigheid van Roelofgen, en welke zaak 
lang voor het geestelijk gericht van den officiaal 
te Utrecht gehangen heeft, zijn beide partijen 
op liun vrije voeten gesteld en mag Roelofgen 
hare actie insteUen voor den Rigter onder wieu 
het goed gelegen is. 

Voordat dit vonnis uitgesproken was, is door 
bemiddeling van Johan v. Twickell tusschen par- 
tijen bepaald, dat Rolofgen binnen 2 maand 12 
ggl. om godswil en uit vriendschap ontvangen 
zal, omdat zij oeno arme oude vrouw^ is en hier- 
mede zal de ziiak geëindigd zijn, terwijl v. Tw. 
hmir borg blijft v(^or de betaling. 

In zake de w^d. Geert van Langen tegen Her- 

i man van KeppoU over de beroeping van een ordel, 

door V. K. gedaan, is, daar deze zaak betreft 



195 

„geloeft van scholt," blijkende uit de aanspraak 
op Herman gedaan, gekhiard: wel gewezen en 
sleeht beroepen en dat Herman voor de lage 
bank teregt moet staan. 

1533 Julij 4 (B cLxxv). 

In zake de Drost van Ysselmuvden Johan van 
Ytterssum tegen Pater en Convent binnen 
Hasselt van 8 mud rogge per jaar, is geklaard: 
wel gewezen en kwalijk beroepen, zoodat het 
convent in het bezit blijven zal, totdat de Drost 
met regt het er uit slijt. 

In zake Hinrich Tichler en Werner ten Schlaech- 
berch tegen (loessen Oevermars(*h van een stuk 
land genaamd den F Ier i nek in het kerspel Wy e, 
is geklaard: wel gewezen en kwalijk beroepen, 
en dat wanneer de aanl. aan Goessen de geleende 

f>enningen terugbetaald hebben, hij den aan- 
eggers het verkochte land, dat het zijne niet was, 
komraervrij weder leveren zal. 

In zake Bernt van Manen tegen de kinderen 
van zal Herman ter Bruggen van eenig zilver- 
werk, dat Herman als Wiuxrborg voor Jaeob den 
vader van Bernt te pande zoude gekregen hebben, 
is geklaard: djit Bernt zijne actie met regt ver- 
volgen moet voor den behoorlijken rigter, waar 
het erfhuis gelegen is. 

In zake Dirich ter Meppell tegen Juffer Agnes 
wed. van Aeswijn van 2 perceelen, w(dke de 
klager klaagt, dat de wed. hem heeft laten afhalen, 
waarop de wed. antwoordt dit naar hofregte 
met regt gedaan te hebben, worden, omdat de 
zaak naar het gebruik van hofregt onvormelijk 
voor Stadh. R. en St. gekomen is, beide partijen 
naar het hofnigt geremitteerd, om op nieuw naar 
hofregt te procederen behoudens beroep o{) Stadh. 
R. en St. 



106 

1533 Jiilij 5 (B oLxxvi). 

Daar inf?(nM)lo'e sententie tiisschen de wed. Dirich 
Vaeehts en Bernt v. Bevervoerde toe Wenissel 
niet de andere er%en. van Johan v. B., de wed. 
schriftelijk opfjave g^edaan heeft der handgelden, 
kosten en schaden, welke zij te vorderen had, 
doch hare opgave niet voldoende bewezen is, is 
de taxatie daarvan tot den volgenden dag uitge- 
steld, doch de kosten van teringe en de gerigts- 
kosten, door haar op 45 gl. gesteld, worden door 
Stadh. R. en St. getaxeerd op 8 ggl. 5 st. brab. 
welke haar door de erfgen. uitbetaald zullen worden. 

Op het antwoord d(ir tegenpartij van de wed. 
van Covorden is gewezen, dat de verweerders op 
haar wed (n*-ant woord zullen antwoorden, behoudens 
hun verhjuil op het weder-ant woord. 

Daar de verw. van de wc^d. en Reynt haren 
zoon borgen geëischt hebben, dat zij voor hetgeen 
zij verliezen mogten met ééne betaling vrij zouden 
zijn, stellen de wed. en Reynt hunne goederen in 
Ov(u*ijssel tot borg. 

In zake Juffer Marie van Ytterssum wed. Johan 
van Coevorden met Revnt haren zoon tegen Johan 
V. Twickell, Drost van Twenthe, de erfgen. van 
Bernt van Bevervoerde, Drost te Blanckenburch, 
Johan Muylart, Rentm. van Salland, Johan v. 
Buckhorst toe Boxbergen, Johan v. Voerst, RoelofF 
V. Ytterssum en de erfgen. van Hinrich de Voss 
van Steen wyck over zeker waarborgschap van 1600 
ggl. eertijds door de verw. gesteld voor Johan v. Y. 
Wolfsz, is geklaard, dat de verw. die borgtogt 
zullen nakomf^n zoowel in de verloopen renten als 
in de hoofdsom; doch aangaande de 1000 ggl. 
als pene van wanbetaling in den bezegelden brief 
v(^rmeld en andere kosten en schaden betreffende 
deze zaak behouden Stadh. R. en St. zich de 
uitspraak voor. 



197 

In zake Albert ten Busch Jansz Ui^eu Johan 
\an Voerst c. s. voor de intredin^f van eon stuk 
land, door Albert gekocht van de orfji^en. van 
den Ham en ^befredet/' is de sententie van den 
Drost van Salland van 1532 van waarde verklaard, 
zoodat V. V. in dezen geen dienstregt genieten 
zal en Albert in het bezit blijft, totdat hij met 
landregt er uit gesleten wordt, terwijl Johan c. s. 
op eigen kosten het ing(»treden land opmaken en 
repareren zullen binnen 14 dagen, en het exces 
door verw. bedreven ajin Stadh. R. en St. ter 
beoordeeling van Stadh. R. en St. blijft. 

Joh. V. Voerst gevraagd, wie zijne adherenten 
waren, heeft genoemd RoelofF van Lennep en het 
klooster van Sipkeloe. 

1533 Julij 5 (B cLxxviii). 

Daar het geschil tusschen de erfgenamen en 
de groote buren van Enschede en de ertgen. en 
buren van Slepele over een dijk on vormelijk 
voor Stadh. R. en St. gekomen is, zijn partijen 
geremitteerd tot den Drost van Tw^enthe, om partijen 
een „stemmelicken rechtdach an te setten," en zal 
de Drost de Schepenen en Borchmans van Goor 
met hun stadboek erbij ontbieden en daarin laten 
geschieden als naar regt behoort. 

In zake de wed. Hinrich Persijn tegen de zevens 
(de Pater van Belheem, Bernt v. Ytterssum, Drost 
van Ysselmuyden, Greert Lukesz, Andries v. Essen, 
Hinrich Krueser en de Pater van den Sonnenberch) 
over de b(\geving van een erve te Holten, buur- 
schap Espeloe, in een bij stèren dijk, in welke 
zaak de zevens op den landdag verschijnen zouden 
om de reden der gifte op te geven, doch dat door 
het uitblijven van Bernt v. Y, . Geert Lukesz en 
de erfgen. A. v. Essen niet achtervolgd was en 
slechts enkele schriften en „cartabellen" onge- 



198 

authontisoercl door den Procurator van Belheem, 
Goert van ï^ssen in plaats van H. Krueser, en 
een „leybrooder" van Sonnenberch tot verwering 
der zevens injifezonden waren, terwijl de wed. 2 
bezef2^elde brieven en 2 andere eopien onjifeauthen- 
tise(Td tot haar defensie van onregte gifte over- 
gelegd had, zoo is g(»khiard, daar de zevens de 
reden der gifte, nl. dat het erve uit den boezem 
van Geert van Eem gekomen zoude zijn, niet 
gelijk naar dijkregt behoort bewezen hebben, en 
het tc^gendeel blijkt uit de brieven en zegels door 
de wed. overgelegd, zullen de zevens op den 
volgeenden landdag nog volkomen bewijs mogen 
leveren van hetgecm zij in hun schriften geallegeerd 
hebben, doch doen zij dit niet, zoo zal de wed. 
in het bezit van het erve hersteld worden. 

1533 Julij 7 (B. cLxxix V). 

De Stadh. zit te gerigt in de zaken van den 
Douelderdijk. 

Din zwaarder; Johan Mnlart, Ren tra. van Salland. 
Keiirnoten : Herman v. den Cloester en Alffer v. Yssel- 
rauyden. 

De zaak tusschen Zwolle en de erfgen. van 
Zwollerkerspel t. e. z. Deventer en de erfgen. 
van I.)(^venterkerspel t. a. z. van den Dov. dijk, 
is bt»st(»ed aan Hinrieh Ilaegen, die aanspraak 
en antwoord op schrift en door Dingw. en Keur- 
noten gecorrigecvrd „bij der sommen'' geëyscht heeft, 
of anders wil hij niet wijzen, om zijn beraad te 
nemen tot d(^n volgenden regtdag, voorbehoudens 
zijne kosten, die hij deswegens maken moet. 

1533 Julij 8 (B cLxxix v»). 

Stadh. R. en St. (dezelfde als op 30 Junij en 
vervolgens) houden opnieuw claring. 

In zake de s(*hulden bij verdceling der schat- 



199 

tingen in 1510 op de stad Vollenhoe geslagen, 
waartegen die van Voll. beweren van alle schat- 
tingen vrij te zijn, krachtens zegels en brieven 
van Bisschop Roloff van Diepholt, door de gods- 
huizen geconfirmeerd en aan Stadh. R. en St. 
getoond, is geklaard: daar de brieven duidelijk 
inhouden van schattingen ten behoeve der Bis- 
schoppen en Landvorsten, doch de schattingen van 
1510 niet ten behoeve van den Ijand vorst, maar 
tot betaling der schulden van de Landschap voor 
ruiters, knechten en oorlogen geheven werden, 
waarvan niemand bevrijd is, zoo zal de stad Voll. 
betalen moeten aan hen, die aanwijzing op die 
schatting ontvingen. 

In zake Jacob van Wterwijck tegen Hinrich 
Jenting, Roelof van Lennips meijer, van zeker 
verdiend loon van dijken, is geklaard: daar in 
deze zaak onvormelijk geprocedeerd is en de zaak 
niet den meijer, maar v. Lennip aangaat, zoo zal 
de meijer op zijn „onscholt", die hij voor hetge- 
rigt van Ommen doen zal, geabsolveerd zijn, be- 
houdens Jacobs actie tegen Roelof, waaromtrent 
gewezen is: aangezien Jacob van verdiend loon 
spreekt, zal Roelof voor do lage bank teregt 
moeten staan. 

In zake zal. ... tegen Ewolt Hebelens en Heyman 
Hoyer (is geklaard:) daar aanspraak en antwoord 
van weerszijden vervreemd zijn, zullen de aan- 
Icggers hun tegenpartij weder met regt mogen 
aanspreken. 

In zakeJohan van Oitmerssum tegen de inge- 
zetenen van de buurschap Mi Hingen in het kerspel 
Dalfsen, aangaande den brief van Hertog Hinrich 
Palzgraaf (Bisschop Henr. v. Beijeren), waarmede 
Johan zeggen wil van 6 Dec. 1525 af voor 6 jaar van 
alle schattingen vrijgesteld te zijn, is gewezen: 



200 

dat Johan vrij zal zijn van de schattingen van 
L^)25 — 1531 uitj]^ezet, en om bijzondere redenen 
ook van de in 1532 uitf^ezette, doch over \33 en 
\34 contribueren zal naar s^lanfj: van zijn }?oed. 

1533 Julij 9 (B cxcix). 

Bijeenkomst over den dijk te Vekoeten. 

Tegenwoordig met dcui Stadh. de Rentm. van 

Salland; en voorts: 

Diricli van Twenhuysen \ 

Heer Ernst van Ysselmudenl , , irediikten 

Luken van Wijlssum ^^^^P' ^^^ ^^ gedijkten. 

Roeloff van Ytterssuin ) 
VVolter SteUinck | 

Jacob Duysterbeck ^.^^ Mastebroek. 

De Prior der Carthuizers ( ® 
Goert te Waeter \ 

De Schout van Zwolle 1 

Johan van Wermel ^ -ex r rj ii««k««„„«i 

Herman ten Bnsch i E-^^^^"- ^''" ZwoUerkerspel. 



Aloff van Eerde 

Mr. Gerrit Zwaeffken 

Hinrich Plaetman ! Gedep. van Deventer. 



I 



Mr. En^bert v. Dotinchem \ 

Johan van der Vecht I /. j , n 
Geert Loese | ^^"^^ ^*" ^"""P^"- 

Thomas Knoppert i 

Johan ter Marsch ( />. j ry n 

u ^ r»... > Gedep. van Zwolle. 

Herman Bitter f ^ 

Jasper ten Holte \ 

Daar d(^ g(nnagtigden der gedijkt(Mi aangeboden 
hadden de helft der kosten voor d(ï te maken 
hoofden en kribben en voor de reparatien der 
dijken \k\ betalen en de gekoren gedep. van 
Zwollerkerspcd geallegecM'd hebben, dat de erfgen. 
van dat kerspel tot nog toe niet bij kerkenspraak 
opgeroepen waren, ordonneren de Stadh. en de 
vriendc^n der Steden, dat de Schout van Zwolle 
oj) Sacramentsdag kerkespraak zal laten doen, dat 
de erfgen. Donderdag over een week daarna zamen- 



201 

komen zullen tot het kiezen van gedeputeerden, 
om met de gedijkten van Mastebroek op den 
volgenden landdag met vollen berade en resolutie 
voor Stadh. R. en St. te verschijnen en maatregelen 
te nemen tot bescherming der landschap, terwijl 
de Rentm. van Salland zondag a.s. de geërfden 
der dijken te Vekaeten ontbieden zal woensdag 
daarna op den dijk te Vekaeten te komen bij 
gedep. van den Keizer van Kampen en Zwolle en 
eenige hoofdmeesters om te overleggen, waar men 
het best een nieuw hoofd en kribbe leggen zal 
en hoe men vervallen hoofden het profijtelijkst 
repareren zal Ook zal de Rentm. a.s. Zondag 
kerkespraak laton houden, dat de erfgen. van 
Mastebroek en die eenige renten hebbeu uit landen 
in Mastebroek, vrijdag daarna met de gedep. der 
2 steden bij hem komen zullen te Westenholte, 
om van hun gedep. te verstaan wat den gedep. 
door den Stadh. en de Steden voorgesteld is tot 
nut van Mastebroek, ten einde op 8 Juljj met 
vollen berade voor Stadh. R. en St. te verschijnen. 
Gedaan te Frankhuis. 

1533 Julij 9 (B cLxxxi v»). 

In zake de Jufferen en erfgen. van Grams- 
bergen tegen B. S. R. en gemeene ingezetenen 
van Ilardenberg van een nieuwe windmolen, 
welken die van Ilardenberg, omdat zij (als zij 
zeggen) des zomers om droogte en des winters 
om de vorst hun watermolen niet gebruiken kunnen, 
wenschen op te rigten, waarop de Stadh. aan die 
van Hard. den wind gegund heeft onverkort 
's Keizers en een ieders regt, waartegen de Juffers 
aangevoerd hebben, dat haar windmolen, dien zij 
lange jaren bezaten, hierdoor merkelijk benadeeld 
werd, is gewezen: dat die van Hard. den wind- 
molen mogen oprigten, doch niet tevens den 
watermolen gebruiken mogen en geen verbond of 



202 

monopolien maken zullen, tot nadeel des molens 
der Juffers, op straf van verlies van den gegunden 
wind. 

In zake de erfgen. Jacob van Vurden tegen de 
zevens van eene gifte in een bijsteren dijk in 
de Veenriet, die dezen dag ontboden waren, 
hebben de zevens de aanspraak op schrift begeerd, 
om op den volgenden landdag te antwoorden, 
hetgeen geconsenteerd is. 

In zake de erfgen. van Wilssum binnen 
Campen gezeten, tegen de zevens van een gifte 
in een bijsteren dijk op den IJssel, hebben 
de zevens als voren de aanspraak op schrift begeerd. 

In zake Ernst van Ytterssum en de Heeren 
van het Ca pitte! te Deventer van een tiende, is 
gciklajird: daar Ernst zijn regt niet voldoende 
bewezen heeft, zullen do lieeren in het bezat 
blijven, totdat zij er met beter regt uitgesleten 
worden. 

1533 Julij 10 (B cLxxxii \^). 

Op de herhaalde verzoeken van Heer Berndt 
Bulssin(*k Priester om 3 door hem gew(mnen sen- 
tentien te doen executeren, bevelen Stadh. R en 
St. zijn tegenpartij zich binnen 14 dagen met 
hem te verzoenen, zullende anders bevel tot ex- 
ecutie gegeven worden en Berndt in de possessie 
gesteld worden zijner gespolieerde en weder aan- 
gewezen kerk te Ootmarsum en van andere ge- 
resigneerde en aangewezen kerken, prebenden, 
beneficien en goederen. 

In zake Ilinrich ten Kaete tegen Berndt ter 
Vaer wijck over scheldwoorden tusschen partijen 
gewisseld, is geklaard: daar beide partijen „tot 
huer onscholt gestaan ende gedingf' hebben, doch 



203 

daarop geen bewijs geschied is, gelijk naar regt 
behoort, zoo zijn beide partijen vrijgesproken met 
compensatie van kosten, en daar de Drost van 
Blanckenburch Claes van Bevervoerde tegen Berndt 
voor de boete onbehoorlijk en onvormelijk gepro- 
cedeerd, de beroeping in Claring geweigerd en 
borgen gevorderd heeft, is geklaard: dat de Drost 
die borgen kost- en schadeloos ontslaan en Berndt 
ongemoeid laten zal. 

Op de supplicatie van Berndt ter Vaerwijck 
tegen den Pastoor van Haaksbergen en Hinrich 
Nijekerck diens broeder en Rigter aldaar van een 
stuk lands, dat de Pastoor van Berndt gekocht, 
maar niet betaald had, is gewezen: dat de Pastoor 
binnen 14 dagen genoegzame vestenis geven of 
betalen moet met de verloopen pachten; zoo niet 
dan is den Drost van Blanckenburch bevolen Berndt 
weder in possessie van het land te stellen. 

In zake de erfgen. en ingezetenen van Holt heem 
tegen de Jufferen erfgenamen der vrouw van 
Bueren en Gramsbergen over de waartallen en 
kotters in Holthemer-marke is gekhiard, dat niemand 
eenig voordeel in de marke hebben zal, doch dat 
elk zijn ware zal mogen beslaan, terwijl de kot- 
ters, die door de erfgen. toegelaten zijn heideen 
weide mogen gebruiken voor zoover zij voor hun 
bouwinge noodig hebben, doch zij zullen geen 
vreemde beesten mogen aaimemen. 

Vitgeg. met vele fouten bij Racer III. 303. 

In zake Eernst van Ytterssum en Herman ter 
Beecke tegen Johan Muylart Rentm., zijn broeder 
Herman M. en Vincentius van Uterwijck, als 
momber zijner vrouw Juifer Mechtelt Mulart, van 
zeker waarborgschap blijkens zegels en brieven, 
wjiartegen Vincentius getoond heeft eene bezegelde 
quittantie van llasset, weduwe van Steven Kamffer- 



204 

beeken, is geklaard: wel gewezen en kwalijk be- 
roepen en de quittantie van waarde erkend, totdat 
de aanlef^f^^ers bewijzen, dat zal. Geert Mulart na 
dato dier quittantie aan de Carthuisers eenige rente 
of pacht betaald heeft. 

1533 Julij 13 (B. cLxxxv). 

Daar Bernart Ijap op dezen landdag niet zelf 
verschenen is, maar zijnen schrijver Hinrich ge- 
zonden heeft, is de zaak uitgesteld tot den vol- 
genden landdag. 

De zaak tusschen Adriaen van Reede en de 
wed. Johan van Ytterssum Wolffsz is tot den 
volgenden landdag uitgesteld, zullende beide par- 
tijen met hun arbitratoren tegen hen ontboden 
worden met al hun bescheiden. 

Daar het geschil tusschen Roeloff en Jurgen 
van Munster, gebroeders, kinderen en erfgen. van 
Roeloflf V. M., Drost van Coevorden en Drenthe, 
t. e. z. en Deventer, Campen en Zwolle t. a. z. 
ter uitspraak des Stadh. gesteld was en degedep. 
der 3 steden op de aanspraak niet voldoende be- 
raden waren en ook van hun raad s vrienden geen 
ander bevel ontvangen hadden, dan de zaak te 
onderwerpen aan de beslissing des Stadh., met 
verzoek om de aanspraak en verdere communicatie 
der gebroeders op schrift te hebben, zoo is door 
tussclienspraak des Stadh. en van llinrich de 
Groeve, crfvoogd te Erckelens, en Drost te Hattem, 
met consent van partijen door den Stadh. in dezen 
geassumeerd, overeengekomen, dat de gedep. der 
Steden de zaak aan hun raadsvrienden overbrengen 
zullen, om op den volgenden landdag te ant- 
woorden, enz. 

Gedaan te VoUenhoe. 

Tegenwoordig : de gebroeders, de gedep. der 3 steden, 
Johan van Selbach, Drost van Coevorden en van Drenthe, 



205 

Berndt van Munster Heer te Ruynen, Reynolt en Her- 
man van den Cloester, Mr. Hnybert van Kossum Dr. 
en de gemeene Ridderschap. 

In zake Hiurich Schaep toj^en AloflF van Ruten- 
burch van en losse van 4 morgen lands, is ge- 
klaard: daar de zejj^els en brievcm door AloflF 
overgelegd duidelijk toonen, dat de Sym onshoeve 
uit den boezem der Rutenburchs gekomen is en 
veel ouder is dan de brief van losse, zoo zal AloflF 
in het bezit blijven, totdat Hinrieh bet(*.r b(»,wijs 
bijbrengt; de gerigtskosten door AloflF gemaakt 
worden door Stadli. R. en St. geschat op 2 ggl. 
12 st., welke Hinrich betalen moet. 

In zake Herman van den Cloester en Jan van 
Ecditen tegen de vrouw en het klooster van ter 
Iliinnep over zekere handgelden van 10 ggl. per 
jaar, van 1512 — 1525 wegens koop van een stuk 
land bij II nessen in het land van Cleve, is 
geklaard: daar het klooster S(»dert den koop ter- 
stond de vruchten genoten heeft, zal het de hand- 
gelden betalen moeten en daar het niet voldaan 
had aan de voorwaarde om het land, dat een leen- 
goed was, over te dragen, doordien de wed. van 
K(*hten met haren huld(»r Ilinrich Haegen door 
het klooster te Deventer ontboden maar niet ver- 
schenen waren, zullen de aanleggers dus uitgimg 
doen, terwijl de door het klooster gemaakte kostt>n, 
als partijen daarover niet in schikking kunnen 
treden, ter taxatie van Stadh. R. en St. zullen staan. 

In zake JuflPiT Marie van Ytterssum wed. van 
Johan van Coevorden met haren zoon Reynt v. C. 
tegen Johan Muylart, Rentm. van Salland, Johan 
van Buckhorst tot Boxbergen en Johan van Voerst 
over zeker watirborgschap van 800 ggl. ten be- 
hoeve van Johan v. Y. WolflFsz, is geklaard: dat 
de verweerders de aanleggers schadeloos houden 



20(5 

moeten zoowel voor de verloopen renten als de 
hoofdsom, terwijl de kosten zullen staan ter taxatie 
van Stadli. R. en St. 

1533 Julij 14 (B oLxxxix). 

In het <j(*seliil tussehc^n de wed. van Gerrit van 
Kiivnr(\ nu vrouw van Ilinrioh van Oldeneell, en 
Heer Fr(Hleri(*h van Twiokcdl over een jaarn^nte 
van 18 mud roji^f^e en de aeht(Tstalliö:e ])ensien 
en and(»r(»n achterstal daarop j^evallen, onwoder- 
roepelijk gesteld ter beslissinjE? van Burehart v. 
Westerholt, Drost van Vollenhoe, en Seyno v. 
Welvelde van zijde Heer Fred(Tieh, en Mr. Gerrit 
Z^vaeTkcai (mi Mr. G(*erlioh Doys van zijde de 
wed , heblxni deze 4 arhit(»rs zonder overman te 
' ('hoeven, een])arig* o'ewezen: dat Frederich o]> 
St. Peter ad Cath! 1534 betalen moet 132^. R. jrl. 
en voor den achterstand 12G mud winterrog^e half 
op St. Marten 1533, half St Marten 1534 leveren 
zal, met het regt voor de eischer*s, om bij wan- 
betalinc^ deze gelden en mudden te ])anden aan 
alle goederen van Fred. Hiermede zullen alle 
vorderingcMi tusschen partijen afgedaan zijn. Stadh. 
R. en St. bekrachtigen deze uitspraak. 

1533 Julij 15 (B cLxxxvii v». en cxciiij). 

Stadh. R. en St. vernemende, dat Johan van 
Ytterssum, Drost te Ysselmuyden, in strijd met 
het landregt een deel jaren geleden op ééne zaak 
3 mjial ordcl en regt heeft lat(*n dingen en de 
zaken, die begonnen waren in h(ït gerigt van 
Genemuiden, Ens, Cam])erveen enz. van daar te 
Ysselmuyden en vervolgens te Wilssum ter hooger 
bank heeft laten leggen, en dat zijn Schout op 
Ens pandingen doet met 2 keurnoten, en zoo- 
doende dubb(d pandgeld neemt, ordonneren, dat 
de Drost voortaan, zoo op eenige plaats van zijn 
ambt ordelen of regten bedinget worden, diiarvan 



207 

verder geen dagva^irdingen of beroepingen zal toe- 
staan, dan in claring van Stadh. R. en St. ; mogt 
iemand „brueckachtieh'' worden, zoo mag hij dien 
binnen zijn ambt dagen, waar het hem gelegen 
komt, indien niet vooraf daarin voor de lage 
bank ordel of regt bedinget was, terwijl hij ook 
van de breuken slechts beroeping in claring 
zal toestaan; eindelijk zal de Schout op Ens 
voortiian panding doen zonder keurnoten en daarvan 
slechts énkel pandgeld genieten. 

In zake Jacob van Schleen tegen Jacob van 
Wijtman en de erfgen. van Johan ten Busch 
Tymensz zullen de gedep. van Zwolle afschrift 
van Jacobs supplicatie en certificafon aan hun 
raadsvrienden aanbrengen, om verder bi 'scheid 
daarvan te vernemen, terwijl hij zelf 'zicii ver- 
voegen zal bij den Raad van Zwolle, om. verder 
inlichting te geven, waarop die van Zwolle zien 
zullen de zaak in der minne te schikken; gelukt 
dit niet, en blijkt het, dat de zaak v. W. en 
t. B. als private personen aangaat, zoo zullen 
B. S. en R. aan v. S. (mpartijdig regt admini- 
streren; gaat echter de zaak de stad Zwolle mm, 
zoo kan zij naar Stadh. R. en St. geremitteerd 
worden. 

In zake Sevn van Welvelde voor zich en namens 
zijne zuster Zelyen, tegen Zweer SchecU, overge- 
regtelijke inleiding van Seyne in het goed te 
Welvelde, waarop door de verweerders geene uit- 
leiding geschied is, gelijk naar landregt behoort, 
is geklaard: daar Seyno en zijn zuster echte 
kinderen zijn van zal. Geert v. W. zullen zij 
voor hun kindsdeel in het bezit der inleidinge 
blijven, totdat zij met landregt er uit gesleten 
worden. 

De Rentm. van Salland Johan Muylart, de 



208 

Drost van Twenthe Johan v. Twickell, Claes v. 
Berv(?rd(ui, Drost van Blanckenburch, Johan v. 
Buckhorst toe Boxbergen en Jan v. Voerst hebben 
beslag gedaan op het verwin, dat de wed. en 
erfgen. van Johan van Ytterssem Wolffsz „ge- 
bueren" mag tegen hun adversanten van de „kijff- 
landen'' in Mastebroek en voorts op al hun andere 
land(^n waar ook gelegen. 

(ieschied te VoUenhoe voor den Stadh. door den 
pander van Salland. 

Kenrnoten de Drost van VoUenhoe en Ot v. Rnten- 
bnrch. 

Daar de Keizer voor de op Drenthe staande 
schulden aan de landschap Ov. 600 g. R. gl. per 
j^uir verzegeld had uit het rentambt van Salland, 
waarop aan verschillende personen, die bij de 
landschap ten achteren waren 578 ggl. min 1 oort 
per jfuir assignatie gegeven is, doch nog 82 ggl. 
en 1 oort onverdeeld bleven, wmirvoor de Maar- 
schalk Adriaen van Reede en Johan van der Vecht, 
Burgem.te Campen, ten hove gezonden, een nieuwen 
brief verworven hadden, bepalen Stadh. R. en St. 
dat daarvan ontvangen zullen de Heer van Ysen- 
burch 50, Herman Mertenz 227», Herman van 
Coelen 4^2 en Anna Brants 5 ggl. per jaar. 

Daar B. S. en R. van Campen op herhaaldelijke 
vervolging en begeeren des Stadh. zekeren Willem 
Droechs(*herer, dien zij w^egens misdaden gevangen 
hielden en volgens zijne confessie hadden willen 
laten teregtstéllen .... 

De rest ontbreekt, daar er 1 blad nitgeschenrd is. 

1533 Julij 16 (B cxc). 

Wegens d(^ dagelijksche klagten over de dijken 
en hoofden committeren Stadh. R. en St. Johan 
Mulart, Rentm. van Salland, Burchart v. Wester- 
holt, Drost van VoUenhoe, Seyno Mulart, Drost 



209 

van Salland en PTorman v. d(Mi Cloester, waarbij 
de Steden voegen Mr. Gerrit Swaeffken eu Mr. 
Geerlich Doys voor Deventer, Geert Boreharts en 
Johan van der Vecht voor Campen, Johan ter 
Marsch en Thomas Knoppert voor Zwolle, met 
het re{?t om te assiimeren den Prior van Bertf- 
kh)oster, een uit het klooster van Wijnssum en 
ecin uit Belheem, henevens eeuio-o anderen, die 
yA] meenen, dat in d(^>ze zaak ervaren zijn, ten 
einde o-ezainelijk de nieuwe reformatie van 
dijken en hoofden te (mderzoeken en zoo noodig 
te verbeteren, ordonnantie te maken op de voor- 
schouwen, op de voorspraken en andere artikelen, 
en rapport te brenf^^en o}) den volf^enden landdag. 

De gemagtigd(m van do gedijkten te Vollenhoe 
verschenen, zijn: Roelof v. Ytterssum, Dirich v. 
Twenhuysen, die van weg(^ zijne vrouw gepro- 
tcïsteerd heeft geen erfgeniuim te zijn. De absenten 
zijn: Luycken v. Wijlssum en Ernst v. Yssel- 
muyden, die om ziekte zich verschoond heeft. 

De gemagtigden (]oy erfgen. van Mastebroek te 
Voll. verschenen: de Pater van den Sonnenbun^h, 
Goert toe Waeter, Wolter Stellinck en Jac^ob 
Duysterbeck. 

De gemagtigden des kerspels Zwolle: IL^rman 
Muylart Schout, .[ohan v. Wermell toe W(\ster- 
vclde, Ah)ff v. Eerde en Gerardus Bruvninck. 

In het gfïschil tusschen de gemagtigden van 
Zwollerkerspel en Mastebroek en de gedijkten t. e. z. 
(m Johan v. Buckhorst toe Salleck t. a. z. van 
het ve(»r te Salleck, waardoor de gemagtigden 
klagen dat het hoofd t(\geh den Stoudijk verdorven 
is, zijn benoemd door de gemagtigden de llentm. 
van Sallnnd en Herman van den Cloester (»n door 
v. Buckhorst d(» Drost van Vollenhoe en Hinrich 
Ilaegen, om dfuimver rapport te doen op Miumdag 
na Assumptio Mariae; wat dezen uitspreken zulhm 

U 



210 

partijen houden en kunnen de arbiters het niet 
eens worden, zoo zal Mr. Gheert Zwaeffken over- 
man zijn. 

Op het 2e artikel der geraagtigden tegen v. 
Buckhorst van het weerdjen boven genoemde 
hoofden gelegen en over de beschikking (bestik- 
king?) daarvan is geordonneerd, dat de 5 arbiters 
daarvan op den volgenden landdag rapport zullen 
doen, terwijl partijen dan al hun bescheiden bij- 
brengen zullen en Stadh. R. en St. klaren zullen. 

Op het 3e art. dat bij deze contributie van de 
hoofden geen landen in Mastebroekerdijk noch 
geestelijke, noch wereldlijke, noch 's Keizers land, 
noch land van de stad of anderen geheel of ge- 
deeltelijk vrij zouden zijn en dat zij, die renten 
uit die landen hadden ook naar verhouding de 
landheeren helpen moeten, daar ook hun regtcn 
hierdoor beschermd worden, is daar de gedijkten 
op de bijeenkomst te Frankhuis vrijwillig op zich 
genomen hebben, de helft van de contributie op 
te brengen, door de gemagtigden der erfgen. van 
Mastebroek en Zwollerkerspel op aandringen van 
Stadh. R. en St. aangenomen de andere helft op 
te brengen, biihoudens de door hen begeerde zegels 
en brieven, dat dit ter bede geschied is en niet 
in consequentie zal getrokken worden, en mits 
geen landen of renten vrij waren, geklaard gelijk 
voorschreven staat. 

Op het 4e art. dat de dijkgraaf zich bij de 
kribben en hoofden naar de nieuwe reformatie 
regelen zoude, zal op den volgenden landdag 
uitspraak gedaan worden, als het rapport der ge- 
committeerden gehoord zal zijn. 

Op het 5e art. dat ook de huislieden con- 
tribueren zouden, daar hun beesten beschermd 
worden, zal men bij den onslag orde stellen. 

Op het 6e art. dat deze contributie niet in 
consequentie getrokken worde en daarvan brieven 



211 

gegeven worden, hieraan zal voldaan worden op 
den volgenden landdag, nadat de reformatie vast- 
gesteld zal zijn. 

Op liet 7e art. van de wade in Mastebroek te 
bezigtigen, is dit aan den Dijkgraaf en de Heem- 
raden opgedragen en van wege den Stadh. aan 
den Rentm. van Salland bevolen (de sohouw) 
mede te rijden, terwijl Campen en Zwolle hun 
afgevaardigden daarbij zenden zullen en de Schout 
Herman Mulart en Wolter Stellinck als gecom- 
mitteerden der erfgen. daarbij zullen komen op 
Maandag ten 1 ure. 

(*p het 8e art. van de wegen in Mastebroek 
met de dijken uit de sloten en de aarde daarbij 
langs te zoeken, zoodat de landen ongeschonden 
blijven, is aan Dijkgr. en Heemr. bevolen te zorgen, 
dat de wegen gemaakt worden ten minste schade 
der landen, en dat de aarde gehaald worde naar 
uitwijzing van Dijkgr. en Heemr. volgens oude 
gewoonte. 

En van de aanwassen, die met de hoofden 
gewonnen zullen worden, dat elk erfgen. zijn 
aanslag bij zijn kwaden dijk bepoten en erfelijk 
behouden zoude, hierop zal op den volgenden 
landdag geconcludeerd worden. 

Voorts is besloten het hoofd tegen den Stoudijk 
op te maken en 3 of 4 roeden te verlengen naar 
uitwijzen der hoofdmeesters, het daanmder gelegen 
hoofd boven Hinrich Haegen*s wade en dijk te 
repareren en Jacob van Ytterssum's hoofd op te 
maken en daarboven een goede sterke kribbe te 
leggen. 

1533 Julij 16 (B cLxxxv). 

Op de suppl. van Seyno Mulart te Meppel van de 
pandschap op het huisterKuynre, eertijds gelegd 
met de verloopen handgelden, zullen R. en St. zich 
beraden en op den volgenden landdag antwoorden. 



212 

1533 Julij 17 (B oxoiii v"). 

In zake do (Mfi^cMi. van Lyse Ruytoi's U^gen 
Thynien van Os als erftren. van Arnoldiis van 
den B(T<i:e over het erve llelboldinek, zijn tot 
arbiters ij^esteld van zijd(^ der erfgcui. van Lyse 
Johan van Twiekel, Drost van Twenthe, en 
Mr. Gerart Zwa(»fVken, (m van de zijde van 
Thymen Biireliart van Westerholt, Drost van 
Yidlenhoe, en Herman Bijtter, die in der minne 
uitspraak doen en zoo noodi<i^ een overman kiezen 
zullen. 

1533 Aug. 2 (B cxevi). 

Bijeenkomst te Campen. 

Tegen woord ifr: Stadh. George Scheück, Vrij heer tot 
Tfuitenburg, Heer Tiaert van Bnrmannia Ridder en 
Mr. Marten van Xeerden, 's Keizers Raden in Fries- 
land als door den Keizer gecommitteerd van wege de 
stad Amsterdam. Hinricli de Groeve, Erfvoogd te 
Erckelens en Drost te Hattem, Mr. Aernt van Gruyt- 
huysen en Mr. Herman Knoppert, Raden des Vorsten 
van (ToUer, door den Vorst van Geiler gecommitteerd 
van wege de stad Groningen ; Eltet to Lellens Burgem. 
Albert Coenraets, Raadsman en Mr. Reyner van Dockum 
Secretaris, als gedep. der stad Groningen; Mr. Peter 
Colijn Hurgem., Ciaes Jeroen Schepen, Peter Melchior 
koopman en Mr. Ileyman Advokaat des Hofs van Hol- 
land, als gedep. der stad Amsterdam. 

Daar op 1 Mei jl. tussehen de gedep. van 
Groningen en Amsterdam door de Rivadsvrienden 
van Campen een n^ees gemaiikt is over een ge- 
schil van de tol, welken die van Gniningcn be- 
weren in rustig bezit te hebben en van eenen 
contra tol door die van Amsterdam sedert 3 of 
4 jaar diiartegen ingi^steld, bij welk reces dit ge- 
schil gesteld is ter beslissing van bovengenoemden, 
die echter de zaak niet in der minne hebben 
kunnen bijhïggen, hebben dez(ïn toch bewerkt, 
dat partijen met v(^Tnietiging van het eei*ste reces 



213 

c^oedfj^evonden hebben, dat hetgeen bepaald wordt 
(imtrent restitutie van penuinj^en door Amsterdam 
o^ebeurd in den coutratol. door beiden oppfevolp^d 
zal worden, waarop die som door jifenoemdc* seheids- 
lieden bepaald is op 400 car. gl. k 20 brab. st. 
binnen de maand Aug^ustus te betalen aan den 
Drost van Ilatttmi Erckelens; voortui zullen die 
van Grroningen aan hun Raiidsvrienden en Gezw. 
Gemeente voorstellen, de zaak van de tol te laten 
beslissen door de 6 arbiters. 

Op de klagt van Mr. Geerlich en Peter Doys 
gebroeders . voor zieh en namens hun beide zusters 
tegen d(i stad Groningen aangaande een geschil 
over 200 g. overl. keurv. R. gl. per jaar, welke 
de klagers hadden uit de stadskiste van Gro- 
ningen, bepalen 's Keizers voornoemde gezanten 
en die van den Hertog van Gelre, dat de ge- 
broeders op Donderdag na Nativ. Mariae des 
avonds in de herberg te Grimingen komen zullen, 
waar de zaak in der minne en naar billijkheid 
afgedaan zal worden. 

1533 Aug. 3 (B cxcviii y'). 

De klagten van Kvert Evertsz tegen Johan van 
Oldenzeell hebben de gedep. van Zwolle op zieh 
genomen ium hun raadsvri(;nden over te brengen. 

Wegens klagten over de hoofden, dijken en 
^bestek in ge'' aan beide zijden des IJssels van 
Deventer tot Oldeneel, is geconelud(^.erd, dat de 
gebreken weder door gecommitteerden des Keizers 
en van den Vorst van Geiler bezigtigd zullen 
worden, die op 5 Sept. 's morgens 8 uur van 
Deventer varen en alles op schrift bnmgen zullen. 
De 3 Steden zullen gedeputeerden daarbij zonden, 
terwijl namens den Keizer zullen optreden de 
Rentm. van Salland Johan Mulart, de Drost van 



214 

Vellenhoe Westerholt, de Dijkgraaf Hinrich 
Muylart en van wege de Ridderschap de Schout 
van Zwolle Herman Muylart en Adriaen v.Twickell. 

Op de klagten van de waterschepen van 
Holland tegen de Staten van Overijssel, is voor 
het beste aangezien, een bijeenkomst te houden op 12 
Sept. te Campen, waarvan de gedep. van Amsterdam 
aangenomen hebben kennis te geven aan den 
Graaf van Hoichstraeten en de Heeren van de 
Rekenkamer van Holland. 

1533 Aug. 4 (B cxcviii). 

Herman Schroer, burger te ZwoU, als borg van 
Andries Willestorff, caveert in handen van Her- 
man Bitter van der Marsch, dat hij voor zoover 
de goederen, welke Andries van Lubeck en 
Hamborch gebragt heeft, gedeclareerd zullen 
worden geconfisqueerd en aan den Keizer ver- 
vallen te zijn, betalen zal wat Andries opge- 
legd wordt. 

Johan Evertsz de 01de en Lambert Peter Grer- 
berts stellen hun geschil ter beslissing van Johan 
van der Vecht en Geert Borchartsz, burgemeesters 
van Campen; zijn partijen met hun uitspraak niet 
tevreden, zoo zal de Stadh. overman zijn. 

1533 Aug. 11 (B ij«i). 

In zake de uitzetting op de landen in Maste- 
broek en het kerspel van Zwolle tot reparatie der 
oude hoofden en legging van nieuwe hoofden tot 
bescherming der dijken te Veekaeten, hebben 
te VoUenhoe Johan Mulart Rentm., van wege den 
Keizer, Alffer van Ysselmuyden, door Mijn Gen. 
Heer hiertoe geroepen, Tymen van den Veene, 
gedeputeerd door Campen, Jaspar ten Holt, ge- 
deputeerd door Zwolle, Herman Muylart, Schout 
van Zwolle, Gerardus Bruyninck, van wege het 



215 

kerspel Zwolle, Johan van der Vecht, de Rent- 
meester broer Geert, in stede des Pastoors van 
Brunnep, Aernt van Bolten, Wolter Stellink, van 
wege de erfgen. van Mastebroek, Jacob van 
Ytterssum te Dalfsen, Claes Krueser, de Pater 
van Belheem, van wege de gedijkten, met Mijn 
Gen. Heer gehandeld als volgt: 

In 't geschil tusschen de erfg. van het kerspel 
Zwolle en die van Mastebroeck over de helft der 
f 2000 voor de hoofden op te brengen, zijn door 
onderwijzing des Stadh. de gedep. overeengekomen, 
dat elk de helft of V* der f 2000 dragen zoude, 
zonder den armen huisman hiermede te bezwaren, 
die reeds genoeg belast was, zullende het geld ge- 
vonden w^orden door een omslag en taxatie te maken 
„nae den gulden renthen" en op eiken gl. uit te 
zetten 1 st. brab. door den rentehefFer te 
betalen. 

Daar op de bijeenkomst te 'Westenholte door de 
erfg. van Mastebroek overeengekomen is, dat zij, 
die de Stadh. tot hoofd me esters ordonneerde, dit 
moesten aannemen, heeft de Stadh. daartoe geor- 
donneerd: van wege de erfg. van Mastebroek en 
de gedijkten Dirick van Twenhuysen; en van 
wege de gedijkten alleen Wolter Stellinck; van 
Avege het kerspel Zwolle den Pater van Belheem, 
die ook de penningen van de gedijkten ontvangen 
zal; voorts is geordonneerd, dat Gerardus Bruy- 
ninck de penningen des kerspels Zwolle en Aernt 
van Bolten die van Mastebroek ontvangen zal. 
En daar voornoemde hoofdmeesters en ontvangers 
bezwaar maakten, is overeengekomen, dat zij hun 
best doen zullen en dat zij voor hun moeite rede- 
lijk zullen tevreden gesteld worden. 

1533 Aug. 12 (B ijHj). 

De Rentmeester zal kerkespraak laten doen, 
van de uitgezette penningen in Mastebroek. 



2 1 () 

To sohrijvon aan den Schout van Hasselt, dat 
hij op straf van 1 oud si^hild vcuhiede „dat nye- 
niant ossen lioy oft andc^'s sehe])en zall van don 
van de waede (hv Koy. Ma' onde anderen toi^ons 
Hasselt over." 



Te «gedenken om de hoofdmeesters van Wilssu m 
aan te sehrijv(m hun rekenin^^ af te lejj^j^en en 
van Johan van der Vecht te vernemen, wien men 
daarbij verschrijven zal. 

Uitzettinf< in Mastenbroek door de (iedeput^M^rden 
van Mastei)ro(nk in bijzijn van d(m Stadh. en de 
jjcïdep. raadsvrienden van Camp(»n cm Zwol, f^'edaan 
voor de hoofden te Yei^katen. 

's K(4zers land (572 moro^en op 2 st. brab. is 
48 -si. 

Land van <h stad Zwolle 200 morgen op 5 st. 

brab. is 37V» t»'sl- 

Vorsterland oTOV* morj^en 2 hont op 8 st. brab. 

Mullinf»'esbruo:ji^e 124 morgen op SV^ st. brab. is 

ir)V« ggl. 

Jokenrijt bij Hasselerdijk 323V*-* morgen op 3 st. 
brab. is ;UV^ gt;l. 4V^ st. brab. 

De Ho(\o;ebrugge 300 morgen 5 hont oj) 3 st. 
brab. is 32 ggl. 4 st. brab 

De Brug over de Camper wetering 311 V^ morgen 
op 2 st. brab. is 22 ggl. 1 oort. 

Deserslach 356 morji^en op Vl^ st. brab. is 10 ggl. 
2 st. brab. 

Hasselerslach 310 morgen op 3 st. brab. is 
33 ggl. (> st. brab. 

Will(»kens brugge of Langenholterslag 317 
morgen 2 hont 45 rocKlen op 2 st. brab. is 22V* ggl. 

Hij Jiammekens huis 245V* morgen op 2 st. 
brab. is 15^'ï^ ggl. 9 st. brab. 1 oort. 



217 

liet blok, dat de stad Hasselt plagt te manen 
347 morden l hont 30 roeden op 3 st. brab. is 
37 ggl. 5 st. brab. 

Marcelisslag 320 morden op 2 st. brab. is 
22'/^ gf?!. 10 st. brab. 

'tSwinleger 367V2 morgen 1 hont op P/^ st.br. 
is 20 ggl. 5 st. brab. 1 oort. 

Het groote blok 531 morgen 2^h hont op 1 st. 
brab. is 19 ggl. min 1 st. brab. 

De Krumme stege 474^'2 morgen V* hont op 
2 st. brab. is 33V« ggl. H st. brab. 

De brugge op den Ellenboege 3357^ morgen op 
2 st. brab. is 20 ggl 11 st. brab. 

r.ammekensbriigge 2I6V2 morgen 2V^ hont op 
P/2 st. brab. is 9 ggl. 12 st. bi'al). 1 oort. 

Middelbluck 354 morgen 1 h(mt op 2 st. brab. 
is 25 ggl. 8 st. brab. 

Summa 6f!79 morgen 549 ggl. 13V2 st. brab. 

De Rentm. van Salland van wege Z. M. zal 
kerkc^spraak laten doen, dat o(m ieder zijne voor- 
noemde uitzetting binnen 14 dagen aan Arent 
van Bolt(m bestalen moet op straf van dubbel geld. 

Ook zal deze laten weten, dat voor de hoofden 
te Veekaeten door gedep. der gedijkten aldaar 
eene uitzetting van P/^ oort ggl. op de roede 
goedgekeurd is en dus een ieder binnen 14 dagen 
op straf van dubbel geld betaling doen zal aan 
den Pater van Belheem. 

1533 Aug. 16 (B i^iiij v«). 

In zake Goert van Erp, namens .lacob van 
Wijtman en diens erfgen., tegen de stad Zwolle, 
over schad(ï, welke hij beweert door de stad geleden 
te hebben en over achterstand voor het bouwen 
en timmeren aan de stads poorten, torens en 
muren, waarvan hij de rekening verloren had, 



218 

voorts over 26 j^gl. jaarlijksche rente uit de stads 
kiste, hem in 6 jaar niet betaald, over 54 ggl., 
welke Johan Munter, bui^er der stad, van hem 
eisrht voor kalk door Jacob aan de stads muren 
verraetseld, al welke actie en aanspraak Jacob 
overgedragen had op Goert van Erp, zijn zwager 
en man zijner oudste dochter; — waarop de ge- 
deputeerden van Zwolle geantwoord hadden, wat 
de schade betreft, met een beroe;) op twee „trac- 
taten seder dier tijt vpgericht," wat de timmering 
betreft met een beroep op stads registers, terwijl 
zij, wat de achterstallige rente betreft, Jacob wilden 
behandelen „als hueren ingeseten burgeren, ofte, 
jndem sy sich daer jnne beschwaerde, als den 
vuytheymschen jn den lande van Geiler geseten 
geschiet were;" eindelyk wat betreft de 54 ggl. 
van den kelder, dit zouden zij „stellen tot sinen 
eyde nae ver moegen hoer stadt recht;" — nam 
van Erp met dit antwoord geen genoegen, zoo 
mogten zij lijden, dat zij voor Stadh. R. en St. 
als hun behoorlijke rigters hierover aangesproken 
werden; — na lange disputatie stellen partijen 
thans geheel en „clackloes'^ de zaak ter beslissing 
van den Stadh., die „ter vruntschaft erkent" en 
uitspreekt: P Daar de stad sterk persisteert bij 
de twee tractaten, zal zij hierin ongemolesteerd 
blijven. 2® Wat de timmering betreft, daar 
Jacob een liberaal man geweest was en de 
rekening welligt niet zoo goed bewaard had en 
hij dus daarin wat verzuimd of vergeten kon 
hebben, zoo zal de stad 140 ggl. niet van regts 
wegen, maar alleen den Stadh ten gevalle, betalen 
in 3 termijnen. 3^ Den achterstand zal de stad 
betalen evenals aan de in Gelderland wonenden; 
de 54 ggl. zal de stad betalen als de eed afgelegd 
is, dat die som onvoldaan is. Beide partijen be- 
loven bij handtastinge deze punten te zullen houden 
en alle geschillen af te doen. 



219 

1533 Aug. 19. 

Ampliatie en declaratie op de nieuwe Refor- 
matie van het Zallandscne Dijkregt door 
's Keizers Stadhouder met R. en St. opgemaakt 
binnen Zwolle. 

Nagenoeg gelyktijdig afschrift op papier. Naar 
deze Eeformatie verwijzen de ordels telkens. 

1533 Aug. 20 (B ij'vii). 

Bijeenkomst te Oldenzael. Tegenwoordig: 

Heer Georgen Schenck Vrijheer toe Tautenbnrch, 
Stadh. enz. 

Johan van Twickell, Drost van Twenthe. 
Adriaen van Reede Maarschalk, Drost te Laeghe. 
Bnrchart van Westerholt, Drost van Vollenhoe. 
Seyno Mnlart, Drost van SaUand. 
Herman van den Cloester I gedep. des lands van 
Alffer van Ysselranden j Vollenhoe. 

Mr. Gerrit Swaeffken | ^^^^„ „„„ n«^..„fo^ 
ar i-i !• 1- T\ } gedep. van Deventer. 

Mr. Geerlich Doys { ^ ^ 

Gerrit Burchartsz ) j r, 

Johan van der Vecht j e f f 

Thomas Knoppert ^^ ^^^ 2wolle. 

Johan van der Marsch ) ® ^ 

Aernt Graaf toe Benthem en Stenforden, Heer te 
Wenelickhoeuen. 

Aernt van Raesfelt. 

Heer Georgen Haeck, Deken van Oeverwaeter te 
Munster. 

A.ernt de Bever, Drost te Benthem. 

Op de „beleydinge'^ van de getuigen en „bekon- 
dinge'' in de grensscheiding tiisschen SaUand 
en Twenthe en de Graafschap Benthem, zijn 
van v^rege Stadh. R. en St. voor procurator en 
gemagtigde, om zulke getuigen te „boleyden," 
aangewezen Seyno Mulart, Drost van SaUand, in 
zake het kerspel Holtheym, die met zich nemen 
mag Dirich de Baeke, Ot van Vilsteren en andere 
ervaren personen; en in zake de buurschappen 
Lutte, Boningen, Denychem en Losser 



220 

.lohan V. Twickell, Drost v. Twenthe, en Adr. 
V. Keede Maarschalk, die ook ervaren mannen 
mogen medenemen. Zij zullen de getuigenissen 
van wederzijdsehe partijen hooren en opschrijven. 

1533 Aug. 30 (B iJS'iij).^ 

Tusschen de burgers en kerspellieden van 
Almelo t. e. z. en het kerspel van Al meier- 
veen t. a. z. door Johan van i wickell. Drost va a 
Twenthe, en Ilinrich van Rechteren in '31 over 
de schattingen en contributie een verdrag gesloten 
zijndci, waarover partijen nu in geschil zijn, zoo 
hebben zij de beslissing opgedragen aan den Stadh. 
in\ de (Ted(ip. van R. en St. te Oldenzaal ver- 
gaderd, die be])aald hebben, dat die van Almelo 
t)\'2 en die van A Imeler veen 5 V^ deel daarin bet^ilen 
moeten, doch dat de penningen staande op het 
klooster Velckerinckhuysen en op die van Enschede 
half en half blijv(;n zu11(mi. Eu da^r Johan van 
der Vecht, Burgem. van Campen, van beide par- 
tijen 50 ggl. „verlachf' heeft aan de Kettelers, 
zullen beide partijen hem binnc^i 8 dagen naar 
advenant deze som betalen. Van de 51 ggl. per 
jaar aan de stad Campen toekomende, zullen die 
van Almelo 21^1^ ggl. V^ oort en die van Vriesen- 
veen 23 ggl. IV^ oort per jaar betalen met 2 jaar 
handgcdd op gelijken voet verdeeld; met beding, 
dat zoo in de toekomst mutatie kwam in de 
goederen van stad of kerspel, dat dan de ver- 
deeling en c(mtributie der schattingen, omslagen 
of impositien, staan zal tot moderatie van Stadh. 
R. en St. 

„Vp dat b(^clach van Jacob van Schleen van 
burghe omh gcdoeue te stellen bijnnen der stadt 
Zwoll, des hy sich bcclaecht geen macht te hebben 
vp de anspraecke de hy doet vp Jacob van Wijtman 
ende Johan ten Busch Tymesz aengaende 16 ossen 



221 

eiule 4 perde hem hier bevorens (als hy seyt) by 
de van Swoll g-enomen " is door Shidh. R, en St. 
te Oldenzafil veri^aderd, f?e\vezen: zoo v. Schh^en 
vervolgen wil v. Wijtnian en ten Busch en zulken 
borj? niet stellen kan, zal hij met zijn eed k\innen 
^verstaen'' (volstmm); en voor zoover bij aan- 
spraak, antwoord en proces bevonden wordt, 
dat de zaak het oorpus der stad Zwolle raakt, 
zullen die van Zwolle zich daarin zelf kennen en 
volf^ens het op den jong*sten landdaijj bepaiilde, 
de z^uik remitteren aan Stadh. R. en St. 

1533 Aufr. 31 (B ifix). 

Op de klao't des Paters van Almelo en des 
Paters van Hasselt tefj^en Krul Jan, Rijjter te 
Ulsen, aiinp:aande dreifi^ementen, h(ukomende van 
zijne doehter, die ec^rtijds in het klooster te 
Almelo was, heeft de Ricjter aangenomen zijn 
dochter terstond ^s Keizers land te doen ruimen, 
totdat zij van den Stoel van Rome disputatie 
(lees: dispensatie») verworven zal h(ibben, terwijl 
het geschil over hetgt^en door haar in het klooster 
g(4)ragt was, bij compromis aan het oordeel van 
Adr. V. Reede Maarschalk en II inrich v. Rechtenen 
onderworpen wordt, dat onherroepelijk gevolgd 
zal worden. 

Daar Heer Dirck ter Beecke van Duimen, 
Pastoor te Denichem, „beruichtiget'' is geweest 
met de Luthersche leer en ketterij, daarop 
verhoord gewordtm is en zulke gecondcMnneerdf^ 
boeken in zijn huis gevondc^n zijn, zoodat hij in 
de straf van 's Keizers mandf^nv^nten vervallen is, 
waarop hij zijne „onscholt gedaen" en genade 
begeerd heeft, is hem door Stadh. R. en St. op 
verbeurte zijns lijfs gelast, binnen 14 dagen kerk 
en land te ruimen en een jaar lang zich tc^ LcHiven 
op te houden, zijne kerk intuss(»hen door een 



I 



222 

bekwaam en onbesproken priester te laten bedienen, 
en zoo hij na verloop van dat jaar met gunstige 
certificaten terugkomt, zal hij Stadh. R. en St. 
herstel in zijne dienst verzoeken mogen, die dan 
naar bevind van zaken beslissen zullen. 

Ofschoon Johan van Laer, bui^er van Oldenzaal, 
„vormits sine mijshandelungh van de Luttersche 
leer gefencklick angeferdt is" en wel verdiend 
had naar keizerlijk mandaat gestraft te worden, 
heeft de Stadhouder op zijn verzoek om genade, 
on op voorspraak van jufferen en vrouwen der 
stad Olden/aal hem geabsolveerd, mits hij zich 
voortaan meer daarvoor wachte, de Lutherie acht<3r- 
wege late, ^^n in linnen kleederen in eene processie 
voor het TI. Sacrament ga; bij herhaling zal hij 
zonder ge^ adó* gestraft worden. 

Seyno van Wel velde voor zich en van wege 
zijn zuster en juffer Anna wed. van Sweeder 
Schele, met Johan van Twickel, Drost van 
Twenthe, «als momber, stellen al hun geschillen 
zonder eenige beperking of appel in der minne 
ter uitspraak van 6 moetzoenslieden, nl. van Welv.'s 
zijde: lieer Frederich van Twickell Ridder, Bur- 
chart van Westerholt, Drost van VoUenhoe, en 
Jacob ter Starth, Drost te Bredefoert; van de andere 
zijde: Adriaen v. Reede Maarschalk, Johan v. 
Twickell, Drost v. Twenthe, en Ot van Rutenburch, 
die voor S. Michiel uitspraak doen zullen of, zoo 
een overman noodig is, op S. Marten. 

Voor de be^zigtiging van den IJsselstroom 
en de hoofden zijn gecommitteerd de Rentm. en 
Drost van alland Johan van Buckhorst toe Box- 
borgen en de Drost van VoUenhove als hij het 
bijbrengen kan; daarbij zullen de 3 Steden hun 
gedeputeerden zenden, die allen op 9 Sept. des 
avonds te Deventer zullen komen. 



223 

Yoor de bezigtiging der waterschepen zijn 
gecommitteerd de Drost v. VoUenhoe, Ilinrich 
Haegen, Herman van den Cloester en de gedep. 
der 3 Steden; allen zullen 12 Sept. des avonds 
te Campen in de herberg komen. 

De questie van de stadslanden van Zwolle en 
Hasselt gelegen in Mas teb roek, waarvan Ger. 
Bruyninck en Arent van Bolten volgens hun 
commissie den lOen penning weiischen te ont- 
vangen, is uitgesteld tot den volgenden Landdag. 

En daar ettelijke penningen ^^lit voornoemden 
tienden penning genomen zijn, waarop aan de 
stad Campen assignatie gedaan was, zal men die 
wedervinden op het gemeene land ex relatione 
Joannis Bredae Secretaris Campen. Is. 

Gedaan te Ommen. 



1534 Maart 13 (No. 13716). 

Processtukken en vonnis van het Schouten- 
gerigt van Camperveen tusschen Johan Suyre als 
aanlegger en Juffer Agnes van Wilsem, wed. 
Bartolt van Wilsem, als verw. ter zake eener 
schuldvordering van Johan op haren zoon .lasper, 
waarvan door gene op 13 Maart 1534 naar de 
claring van Stadh., R. en St. geappelleerd is. 

De ordelwijzer Hendrik Egbertss maakt geen 
gewag van raad of by stand van regtsverstandigen. 

Het pandem ,,ten Aem," komt in de stukken 
telkens voor. In een overgelegd afschrift eener koop- 
acte van 1532 komt eeno Juffer Fenne voor als vrouw 
van Johan Suyre. Het daarin genoemde erve op 
Camperveen was gelegen bij de kerk^ 8 akker breed, 
strekkende van den IJseldijk doorgaande tot aan de 
Geldersche gracht, en ten zuiden bepaald door land 
van Tyman van den Veene Evertsz, ten noorden 
door de erfg. van Hendrik Martens. 

In de Judicialen wordt van de zaak niets gevonden. 



224 

1534 Sc^pt. 24 (B ij^xi V). 

l\' Stadli. hoiuU een g(;nieeneii landdag te 
Devf^ntcr \ïn)t R. en St. als volgt: 

Jolian V. Twickell, Drost v. Twen the. 

Hnrchart v. Westeiiiolt, Drost v. VoUenhoe. 

Soyno Mnlart, Drost v. Salland. 

Johan van Yttersnm, Drost van Ysselraniden. 

Johan Mnlart, Ambtman van der Kuinre, Ding- 
waarder R. pris. (ratione patris?) 

Hinrich Mnlart, Dijkgraaf v. Salland. 

Heer Frederioii v, Twickell Ridder, Joban v. 
Hnckborst toe Boxbergen, Joban v. Voerst, Johan 
v. Bnckhorst toe Salleck, Aloif v. Rutenberch, Herman 
V. den Cloester, Alffer v. Ysselmuyden, Wolter v. 
Coevorden, Reynt v. Coevorden, Mr. Johan v. Langben, 
Wolter Splinter, Hinricb v, Recbteren, Zweeder v. der 
Eze, Joban v. Echten, Roeloff v. Scheven, Johan v. 
Essen, Ciijsbert v. Dort, Johan v. Hoevell, Dirich v. 
Ke])pell, Dirich v. Doetzeler, Ernst v. Ytterssuni, Her- 
man Grobbe, Otto v. Rntenbnrcb, Johan v. Wermel, 
Bernt v. Thie, Pijlgroni v. Thyo, Engelbert v. Ens 
Rentm. van Salland. 

Peter v. Mouwick. | 

Mr. (reert Swaeffken. I /. i rw * 

^ ., t^ ... > dedep. V. Deventer. 

Gerrit Knjt. ( ^ 

Hinricb Plaetnian. ) 

Geert Borchartsz. I /-. i n 

.„ T- > Gedep. v. Campen. 

Claes Krneser. ) ' ^ 

Joban ter ^Farsch. i r \ 7 11 

Kerstgen Diepenbroeck. ( ^ "• • 

Op do suppliratio van Evort Ev(Ttsz van Vaessen 
van zekor dijk zaak, waarin hij meent bezwaard 
t(» zijn (»n anderen gehouden zijn den onraad te 
dragen, wijz(Mi Ötadh. R. en St. dat hij, voor 
zoover hij zieh bezwaard aeht, dt>n dijk „vp sijn 
ban (mde bo(^t(* nia(*li la(»ten lii^ürc^n tot erkentnis 
als nat» dow diekn^^litc» Ix^hoert/' 



In zake tussehen Ilinrieh Kanneürieter en Johan 
van Buekliorst llecT Willenisz over binnenjnarsehe 
paeht van 17^» ^g]. jxt jaar, door Kanneo^ieter 



225 

geëischt uit het veer te S al lick en andere onder- 
panden blijkens bezegelden brief, en over een 
achterstand van 12 jaar, is geklaard: dat v, B. 
van de binnenjaarsche pacht eene onregte pand- 
wering gedaan heeft, zoodat wel gewezen en 
kwalijk beroepen is; en wat den achterstand be- 
treft, begeeren Stadh., R. en St. dat partijen zich 
verstaan zullen, terwijl anders Kann dien met 
landregt vervolgen mag. 

Daar aanspraak en antwoord tusschen den Raad 
der stad Wilsum en Jacob van Ytterssum over 
een gifte in een bij stèren dijk, zonder den 
giftingsbrief, in het proces aangenaaid, kwalijk te 
begrijpen zijn, zullen partijen de giftingsbrieven 
overleggen. 

1534 Sept. 27 (B ij^xiii). 

In zake Jacob van Ytterssum tegen Tyman 
van den Veen over een gift van 11 vierendeel 
waren in de Schere gelegen, eertijds behoorende 
aan Willem van Harstenhorst en nu aan v. d. 
Yeen, is geklaard: daar door v. Y. het bewijs 
niet geleverd is voor hetgeen • hij beweert, zal 
V. d. Y. in het bezit blijven, totdat hij met be- 
hoorlijk regt er uit gesleten wordt. 

Daar in zake de erfgen. van Herman iNoemgens 
tegen Claes Dubbels onvormelijk geprocedeerd is, 
„sullen de parten, de des jn gebreck sijn moegen, 
procederen ende haer actie anleggen als nae den 
landrechte behoert." 

In zake Broer Geert, Ambtman des kloosters 
van Bronnep, tegen Herman Reymerdink over 
zekere rekening van achterstallige roggepacht afge- 
legd in bijzijn van goede lieden, is geklaard: 
daar Herman in zijn antwoord bekend heeft uit 

15 



226 

de Ifite roki^ninp aan Broer Geert afgelegd 5 IV* 
mud rogge tem achteren te zijn, doch allegeert 
na des met hem eene andere rekening ook voor 
goede lieden gehouden te hebhen, waarbij de 1ste 
rekening gedood zoude zijn, zoo zal hij deze nare- 
kening met behoorlijk certificaat moeten bewijzen, 
of aan h(^t klooster hertaling moeten doen volgens 
zijn bekentenis aangaande de Iste rekening. 

In zake Johan van Wterwijck tegen Goert van 
Haerst over een proces van den zij Ie, dat Johan 
beweert door Goert in strijd met dijk- en landregt 
„gereden" te zijn, waardoor hij 225 g. fl. schade 
leed, waartegen de ander door zijn gemagtigde 
gedinget heeft, dat Jan niets s(*huldig was, noch 
met hem g(^kocht of v(^rk()cht had en daarom 
„des vryen bodems te sullen genieten", is geklaard: 
dat Goert op de aanspraak „formelicken" en he- 
hoorlijk antwoorden moet, en „wes dan ten beyden 
syden mit genoichsamen bewijs ende probatie 
bygebracht wort, sullen de partien moegen genieten, 
als dan befunden sall worden, nae den dijckrechte 
ende lantrechte te behooren." 

1534 Sept. 28 (B ij^xiiij). 

In zake Andries Muller tegen Marie Claes van 
Cloesters huisvrouw over zekere scheldwoorden 
(m injurie, door Marie gebezigd en aangenomen 
te bewijzen, is geklaard wel gewezen en kwalijk 
ber()ej)en, diuir Marie het bewijs niet bijgebragt 
heeft, zooals zij moest, is Andries in zijn üiam en 
e(;r hersteld en moet Marie een geregtelijke her- 
r()(*ping doen op straf van 25 oude schilden, en 
van (Jen Drost van Salland van wege de hooge 
heerlijkheid „gebuyrlicken scheiden." 

Daar in zake Jan van Essen als Markerigter 
met de gemeene erfgenamen van den Ham tegen 



227 

Jan van Voorst als Markerigter met de erfgenamen 
van Beerse, over hooi door beide partijen ge- 
maaid, het bewijs van weerszijden onvormelijk en 
niet autenthick ingeleverd is, zijn Seyno Mulert, 
Drost van Salland, Dirich van Boetseler en Reynt 
van Coeverden van wege de Ridderschap, benevens 
de gedeputeerden van Deventer en Swolle gecom- 
mitteerd, om ter plaatse van het geschil alle ge- 
legenheid te bezigtigen, de bewijzen aan te liooren 
en de partijen in der minne te verzoenen; kunnen 
zij dit niet, zoo zullen zij het proces met alle 
bescheiden en hun rapport op den naasten landdag 
inbrengen, waar de zaak beslist zal worden. Is 
een der gedeputeerden van de Ridderschap door 
ziekte of anders verhinderd, zoo zal do Drost van 
Salland een onpartijdig lid van de Ridd. in zijn 
plaats aanwijzen. 

In zake Peter Wijnverlaoter van Amsterdam 
tegen Griete de oude Scholtinne van Ens over 
23V2 gl. current wegens zekere wij non en „petow'' 
door Peter van Griete gcëischt, is het proces van 
aanspraak en antwoord geleverd aiin Geert Bor- 
chertsz, Burgem. van Campcn, om met degenen, 
die hij er bij roepen zal, partijen „vruntlich te 
verdraegen." Kan hij dit niet, zoo zal hij alle 
bescheid van weerszijden vernemen en met het 
proces op den naasten landdag inbrengen, waar 
dan de zaak beslecht zal worden. 

In zake Engbert Robertz, als gemagtigde van 
Geese Roeberts erfgenamen, togen lieer Jolian van 
den Veene, Domheer te Utrecht, voor 5 ggl. per 
jafir, welke ll(^er Jans moeder l)ij haar leven aan 
de erfgen. verkocht had uit hjiiir huis binnen 
Campen en al haar andere bezittingen, en over 
de achterstallige rente, is gt^khuird: daar Johan 
geen „erffenisse'' of goed van zijn moeder ont- 



228 

vangen heeft en hij ook geen erfgenaam van zijn 

moeder zijn wil, en het goed te Salleck, waar 

de erfgenamen ^vp s{)reeken/' niet van Johans 

moeder afkomstig ia, maar hem bij scheiding van 

zijn vadei's nalatenschap toegevallen is, zoo zal 

dat goed ^cmtlast ende geabsolueert" zijn van de 

5 ggl. en de rente, doch de erfgen. zullen hun 

regt mogen verhalen op alle goederen van Heer 

Johans moeder; kunnen zij bewijzen, dat Johan 

hiervan iets bezit, zoo zal hij naar gelang zijner 

portie daaruit tot de 5 ggl. bijdragen volgens den 

moetzoen, door Ditmar Lubbert sz, RigterteSallick, 

op ultima Lamberti 1532 uitgesproken. 

De sententie is niet gepronuncieerd, want partyen 
hebben de zaak in der minne geschikt. 

In zake Hinrich ten Thye tegen Evert Schriuer 
over een wil Ie brie f van een stuk land, geruild 
tegen 5 mud rogge per j^oar en over de losse van 
die rente, is geklaard: dat Evert een willebrief 
van dien ruil moet geven, en wat de losse betreft, 
is de sententie van Borehmans en Schepenen van 
Goer van waarde erkend en bevestigd, te weten: 
zoo llenrich de losse bewijzen kan, zal hij des 
genieten, en zoo hij ze niet bewijst, zal hij in 
dat opzigt „vellich^* zijn en alle regtskosten betalen. 

1534 Sept. 29 (B ij^w v*»). 

In zake Jan ter Baenen tegen Juffer Anna van 
Meruelde wed. van Coeuorden over zekere rogge- 
pacht en 40 g. f. van een paard, zullen de Drosten 
van Twentlie en VoUenhoe partijen hooren en 
trachten te verzoenen; gelukt dit niet, zoo zullen 
zij hun rapport en informatien inbrengen en de 
Landdag zal daarop regt doen. 

Daar in het proces tusschen Johan van War- 
mele, als momber zijner vrouws moeder Berte 
Bloemendael wed. Jan ten Busch, tegen Jacob 



220 

Bloeraendaell en Claes Voeme, als erfgenamen 
van Geert Bloemendaell, over 15 postulaat gl. per 
jaar of 300 p. gl. in eens, het aangeboden bewijs 
van belofte, moetzoen en testament niet geleverd 
is, zullen partijen dat bewijs op den naasten land- 
dag inbrengen, wanneer het proees getermineerd 
zal worden. 



In zake Hinrich ter Moeien togen Johan Ym- 
mijnck over eene maat, door Hinrich aan ,Ian 
„versaf' voor 16 ggl., waarvan Hinrich Muller 
zegt, dat door Jan aan Johan de Jonge 11 ggl. 
betiiald zijn, terwijl hij de 5 overige ggl. „int 
gerichte gelachf' had, om de maat te lossen, 
terwijl Johan Y. beweert die 11 ggl. ontvangen 
te hebben van zekeren Huyge Aerntsz en niet 
van wege ter Moeien, is geklaard: kan Hinrich 
met Huyge of andere getuigen bewijzen, dat Johan 
Y. de 5 ggl. van wege hem zelf en niet van 
wege Huyge betaald zijn, zal „hem tselvc betaelinge 
verstrecken"; bewijst hij het niet, zoo zal Y. „ge- 
halden werden by dat versatte onderpant" totdat 
Hinrich het weder gelost zal hebben. 

In zake Henrich van Rechteren en Juffer 
Anna van Weluelde wed. van Zweder Schele tegen 
der Keiz. Maj. hof horige lieden van de marke 
van Senderen in het gerigt Borne, over de 
scheidinge van de marke, zijn Johan van Twickel, 
Drost van Twenth, Adriaan van Reede, Maarschalk 
als Rentm. van Twenth, Heer Frederick van Twickel 
Ritter, Heer Bernt van Schedelick, Commandeur 
van Oetmerssum, en 2 gedeputeerden van Deventer 
gecommitteerd, om de geschillen te bezigtigen en te 
verhooren en de zaak in der minne bij te leggen ; 
kunnen zij dit niet, zoo zullen zij hun rapport 
en informatie op den naasten landdag inbrengen. 



230 

1534 Sept. 30 (B ij'^xvij). 

De Stadhouder zit zijn regtdag binnen Deventer. 

Dingweerder : Johan Mulart Jansz, Amptman van 
de Kuynre. 

Coernoeten: Heer Frederick van Twickel Ritter, 
Johan van Buckhorst Heer Willemsz. 

Juffer Anna van Buckhorst wed. Goert van 
Limgen kiest Johan v. But^khorst toe Boxbergen 
tot momber in een zaak, waarin zij met wasteekenen 
gedagvaard is door Johan Swoll; verder stelt zij 
Dirich van den Schulenborch tot haren gemag- 
tigden voorspraak. 

Op de uitspraak van Johan Schloet in het 
proc(^s van Jacob van Yttersum, Dirich van Boet- 
zeler en Wolter van Coeuerden, heeft zich de 
Stadh. met zijn keurnoten, amptlieden en andere 
^hijstenders" des gerigts beraden en bevonden, 
dat onvormelijk geprocedeerd was, weshalve het 
proces gecasseerd is en partijen bevolen elkander 
op nieuw met regt aan te spreken. 

De zaak tusschen Dirich van Boetzeler en Wolter 
van Coeuerden over zeker „waerburchschap" van 
30 g. f per jaar luidens zegel en brief in den gerigte 
gelezen, is besteed aan Otto van Rutenburch, die 
aangenomen heeft te wijzen op den naasten regtdag, 

In zake Johan Munter, burger te Swoll, tegen 
Johan van Eschede, besteed aan Ernst van Ytter- 
sum, heeft deze voor regt gewezen : op de aanspraak 
door Munter gedaan op v. E. wegens hout, dat 
V. E. zoude „besaetet" hebben, naardien v. E. 
slechts ééne besate gedaan heeft en niemand zijn 
goed langer „jn besate darff laeten staen" dan 
hij zelf wil, en Munter dat hout een jaar of twee 
„versumet" heeft, zal v. E. van de aanspraak vrij 
zijn, en v. E. zal zijn schade verhalen op wien 
hij meent, dat ze hem schuldig is. 

Dit ordel heeft Munter beroepen in de claringe. 



231 

In zake Geert Krytenberch tegen Heer Frederick 
van Twickeloe Ritter over zeker gevangenschap 
en schatting, waarover zich Geert beklaagt, besteed 
zijnde aan Dirich de Baeke, heeft deze voor regt 
gewezen: daar Frederik destijds Drost was van 
Drenthe en bevel had van zal. Heer Philippus 
van Bourgoingen, na doode van Heer RoelofF van 
Yttersum ook in Sallandt, en in alle kerspelen 
kerkespraak liet doen, dat niemand met die van 
Swolle noch met de Gellerschen handelen 
zoude zonder noodzaak, op straffe van lijf en goed, 
en daar aan Frederik door eenige knechten gebood- 
schapt was, dat Geert een deel van de tienden 
binnen Swolle van de „Gellei-sche beuelsluyden'^ 
had „getoegen'' en in den wijnkoop gedronken 
had, gelijk hij bekend heeft voor den Rigter van 
Coeiiorden, zoo zal Frederik van de aanspraak 
vrij zijn en de geleden schade op Geert mogen 
verhalen. 

Greert heeft dit ordel beroepen in claringe van 
Stadh. R. en St. 

In zake Claes Jelmers, als gemagtigde van Lijsbet 
wed. Geert Kyle weert, tegen Sweeder van Aeuer- 
haegen, besteed aan Dirich van Keppel, die voor 
regt gewezen heeft: daar de moetzoen tusschen 
Sweder en de wed. Hulschersche duidelijk bewijst, 
dat Sweder haar binnen den daarbij bepaalden tijd 
aflossen of 8 gl. per jaar vesten moet, terwijl hij 
haar niet meer dan 5 gl. gevest heeft, zoo zal 
hij haar nog 3 gulden moeten vesten met de 
handgelden, tenzij hij den moetzoen met regt kan 
wederleggen. 

Dit ordel heeft Sweder beroepen in de claringe van 
Stadh. R. en St. 

In zake Hinrich Huyrlinck, als gemagtigde der 
vrouw van den Stall, tegen Bernt van Beueruoerde, 
besteed aan Herman van Keppell, die gewezen 



232 

heeft: daar vrouw v. d. St. Bernt door haren 
gemagtigde aanspreekt „voer huer schulden, welcke 
schulden hy (by) sinen capellaen als synen Amptman 
gereekent is nae luyde des capellaens hantschrift, 
de Bernt gerichtelieken bekant ende toegestaen 
heft ende niet en spreekt voer vrouw Kuners 
schulden, de hy huer schuldich mach weesen daer 
hy secht oeck mede gecoft ende gerekent heft, 
mer secht dat de schulden, de hy vrouwe ten 
Stalle schuldich kent, mede in de schulde vrouwe 
van Kuynre gemenget sijnt ende hem by der 
stadt van Deventher voer sijn solt gelick affge- 
toegen ende gecort sijn, wie waell Bernt sijn 
bekande schulden ontgaen vvill, moet hy seggen 
waermede hy dat ontgaen ende vry wesen bewysen 
willende dat vrouwe ten Stalle dat niet schuldich 
en is te bewysen, want Bernt de schulden bekent, 
ende indien hy des niet bewysen en kan, alse 
recht is, soe zall hy der anspraeck vellich ende 
verwonnen weesen, ende want de capellaen syn 
Amptman de hantgelde geloeft, is dat met Bemts 
wille niet ges'*hiet, dat sall Bernt mit synen eyde 
als recht is bewysen.'* 

Daar Henrich Huyrlinck van wege vrouw ten 
Stalle op den 3 Oct. weder gedinget heeft, dat 
bovenstaand ordel door het gerigt „bundich gekant" 
behoorde te worden, tenzij Bernt bij zitt^nden ge- 
rigte het beriepe in de claringe van Stadh. R. 
en St. , is dit besteed aan AlfFer van Ysselmuden, 
die gewezen heeft: daar de pander zijn gicht 
gedaan hcH^i't, dat hij de wasteekenen naar landregt 
overgobragt had, zal, zoo Bernt of iemand van 
zijnentwege niet bij zittende gerigte en schijnende 
zon verschijnt, de sententie „bundich ende van 
werde" zijn. 

De zaak tusschen Jan van SwoU en Juffer 



233 

Anna van Buckhorst wed. Geert van Langen over 
zekere schuld, door Jan „nae doeder hant Geerts" 
geëiseht, is besteed aan Reynt van Coevorden, 
die aanspraak en antwoord in schrift begeerd 
heeft, en op den naasten regtdag wijzen zal. 

In zake Heer Johan van den Veene, Domheer 
te Utrecht, tegen Wolter Stellinck en diens 
broeders, is gewezen : dat Heer Johan aan Wolter 
copie zal geven van den brief, waarmede hij ageert, 
waarop zich Wolter, zijn broeders en andere erf- 
genamen beraden zullen en zoo mogelijk zich met 
Heer Johan verstaan; zoo niet, dan zal op den 
naasten regtdag Heer Johan zijn aanspraak mogen 
vervolgen. 

In zake Wolter van Coeuorden tegen Juffer 
Anna van Meruelde wed. van Coeuorden, die 
elkander met wasteekenen vervolgd hebben, hebben 
partijen aangenomen door goede lieden zich te 
„verdraegen;" geschiedt dat niet, zoo zullen de 
wasteekenen in hun waarde blijven om op den 
naasten landdag naar regt te procederen. 

In zake de executeurs van Mr. Jan Oostendorp 
tegen Aloff van Rutenburch over achterstallige 
pacht, is besteed aan Alffer van Ysselmuden, die 
aanspraak en antwoord en alle bewijs van beide 
zijden in schrift begeerd en aangenomen heeft op 
den naasten regtdag te wijzen. 

De zaak tusschen Claes Claesz te Wye en Aloff 
van Rutenburch over zekere schade, is besteed 
aan Herman Grobbe, die aanspraak en antwoord 
in schrift begeerd en aangenomen heeft op den 
naasten regtdag te wijzen. 

In zake Bernt van Vorden, Jiigter te Borchloe, 
tegen Reynt van Coeuorden, dien hij voor den 
gerigte „bestampt" had, zullen partijen door vrienden 



234 

en magen de zaak laten bijleggen; geschiedt dit 
niet, zoo zullen zij elkander op den naasten re^t- 

dag met regt mogen aanspreken. 

« 

In zake de erfgenamen van Zwollerkerspel 
met hun adherenten tegen de erfgenamen van 
Deventerkerspel over den Douelderdijk, be- 
steed geweest aan Ilinrich Haegen, die gewezen 
heeft: gezien hebbende een brief ongecancelleerd 
en ongeraseerd door een Bisschop van Utrecht 
als Landsheer bezegeld, benevens een willebrief 
van de Staten van Utrecht, kan hij die brieven 
niet van onwaarde verklaren; kunnen Deventer c.s, 
echter den brief voldoende in regten wederleggen, 
zoo zal hun dat toegestaan worden; tot zoover 
nemen die van Deventer het ordel aan, doch wat 
verder gewezen is beroepen zij in de claringe 
van Stadh. R. en St. 

De ziiak van Borehart van Westerholt, Drost van 
Vollenhoe, van wege den Keizer, tegen de borgen 
van de schippers, die „de luyde van der Heer- 
doepten secte*^ in hun schepen geladen en in het 
Schwartewater gebragt hadden, waarin de Keizer 
veretaat, dat de schepen geconfiskeerd zijn, en de 
schippers gestraft moeten worden naar het keizer- 
lijk mandement, is besteed aan Dirich van Boet- 
zeler, die aanspraak en antwoord in schrift begeerd, 
en aangenomen heeft op den naasten regtdag op 
5 Oct. te wijzen; heeft hij zich dan nog niet 
genoeg beleerd, dan zal hij het doen op den regt- 
dag volgende op den landdag; de voorspraak der 
borgen heeft „jn sinen gewoerden gekent," dat de 
schippers tegen de keiz. mandementen niet wisten 
te zeggen, hetgeen 's Keizers klager begeerd heeft, 
dat ten zijnen voordeele aangeteekend werd. De 
schippers en borgen hebben Goert van Langefelt, 
voorspraak van Campen, gesteld om ordel en 
sententie van hunnentwege te vernemen. 



235 

Daar Ernst en Hinrich van Ytterssum gebroeders 
en Herman ter Beke hun bewijs op de sententie 
van Stadh. R. en St. van 11 Julij (15)33 inzake 
zekere „waerburchschap" aangaande de Carthusers 
van den Sonnenberg en de erfgen. van Gerrit 
Muylart op dezen regtdag ingebragt, en geconten- 
deerd hebben tot de conclusie van die sententie 
geadmitteerd te worden, waartegen Johan Mularts 
erfgenamen de exceptie genomen hebben, dat zij tot 
de zaak gedagvaard waren, om dat bewijs te kunnen 
wederleggen, is door den Stadh. met de „by- 
stenders" van R. en St. gewezen: dat de erfgen. 
copie van dat bewijs op hun kosten mogen nemen, 
dit zullen visiteren, en zoo zij inmiddels de zaak 
niet kunnen bijleggen, op den naasten regtdag 
antwoorden moeten. 

Claes Valex, burger te Steenwijck, is aange- 
sproken als borg voor een schip, dat hij „verburget" 
had en in don gerigte geëischt eenm^ial, ander- 
maal, derdemaal, en is gedinget: aangezien hij 
een ,,stemmelicken rechtdach" had en niet ver- 
scheen, zal hij „vellich cnde verwcmnen" zijn; 
hiervan is een ordel gevnmgd, dat besteed w^erd 
min Ernst van Yttersum, die voor rcgt wijst: daar 
Claes op den bestemden dag niet verschenen is, 
zal hij ^vellich en verwonnen" zijn, als hij niet 
bij schijnende zonne komt. 

De zaak tusschen Juffer Anna van Meruelde 
wed. van Coeuorden en Bernt van Thie over een 
verzegeling van 100 gouden florijnen is besteed aan 
Johan Schloet, die aanspraak en antw^iord in 
schrift begeert en op den ntiasten regtdag wijzen zal. 

In zake tusschen de erfgen. van Wopke Kaelen 
en Johan van Buckhorst Heer Willemsz, „daer 
voer den gerichte bcstampt is," over zekere leen- 
goederen, door Heer W. v. Buckhorst tot eigen 



236 

goederen gemaakt en door Johan weder tot leen- 
goederen gemaakt, heeft Johan copie begeerd van 
den brief, waarmede aanl. zich behelpen; leggen 
partijen het geschil niet bij, zoo zal Johan daarop 
op den naasten regtdag antwoorden, hetgeen 
partij hem gegund heeft 

1534 Oct. 3 (B ijtxxi). 

In zake Seyno Mulart, Drost van Sallant, klager 
namens den Keizer, tegen de borgen der koop- 
lieden, die zekere oostersche koopmanschap 
in strijd' met 's Keizers plakaat in deze landen en 
steden gebragt hadden, hebben de borgen uitstel 
gevraagd, om zich op de aanspraak te beraden 
daar de zaak ^van diverse gestal t is" en aan 
diverse kooplieden behoort; nadat de Stadh. met 
de „omstendigen vrunden" van de Ridd. en 
Steden zich beraden had, heeft hij, ofschoon zij 
behoorlijk gedagvaard waren en hun borgtogt 
anders luidde, hun 14 dagen uitstel toegestaan, 
nl. tot zaterdag 17 Oct. 

De zaak tusschen WolflF Mulart, als man en 
monber zijner vrouw, en Wolter Stellinck over 
erfscheidinge van zeker goederen, hebben partijen 
aangenomen met vrienden, magen en goede lieden 
bij te loggen; geschiedt dit niet, zoo zullen zij 
op den nausten regtdag verder mogen procederen 
naar landregt. 

Op de wasteekenen door Johan Dop genomen 
op Johan van Twickel, Drost van Twenthe, en 
Heer Frederich van Twickel Ritter, over zeker 
getuigenis door verw. te geven, wat brieven zij 
hadden gezien of hooren lezen achter de Nabben- 
buirenbraeck, sprekende van zijn oom Wessel Dop 
en zeker eigendom, dat Elisabeth Dops en Wessel 
gekocht zouden hebben, getuigt Joh. v. Tw. dat 



237 

hij voor 7 of 8 jaar op genoemde plaats zijnde 
raet de partijen, brieven hec^ft hooren lezen en 
partijen heeft hooren „zencken^' met scheldwoorden, 
doch wat de brieven inhielden, weet hij niet. 

Heer Fred v. Tw. getuigt als voren. 

Op 17 Oct. heeft Adriaen van Reede, Maarschalk, 
als een riddermatig man getuigd, dat hij op een 
plaats genaamd Nabbenburenbraeck „vp eenen 
vruntlichen- dach'' tusschen Wessel en Johan Dop 
geweest is, en gehoord heeft, dat Johan Wessel 
aansprak voor een som gelds en verloopen rogge- 
rente, die Johan van zijn zal. vader aangeërft 
waren, waartegen Wessel nic^t inbragt, maar een 
brief voorbragt in bijzijn van Johan v Twickell, 
Drost van Twenthe, en Frederich van Twickelloe, 
mij Adr. v. Reede, Heer Assoe van Almeloe, 
Mr. Johan ter Bruggen, Pastoor te Almelo, die 
een brief voorlas, bezegeld door Hertog Arent of 
Hertog Aloff van Geiler, inhoudende: dat Elisabeth 
Dops, met Wessel Dops haren zoon, en met ettelijke 
zijner zusters „gecoft weren van den Furst van 
Geiler'' van zekeren eigendom, waarin zij „hoerende'' 
waren in de Kamer te Zuytphen, welken brief 
zijn neven en Heer Fred. v. Twickel even goed 
gehoord hadden, als hij. 

Den 3 Oct. heeft Geert ten Ham voor den 
Stadh. gerigtelijk aangenomen Adriaen van Reede 
Maarschalk tevreden te stellen binnen 6 weken, 
behoudens de losse en copie des briefs, door 
Adriaen hem beloofd; geschiedt dit niet, zoo zal 
Adr. mogen voortprocederen. 

In zake Johan Pruysener tegen Berndt van 
Beuerfoerde toe Weemssel van 77 ggl. bewijslijke 
schuld van handgelden, gerigtelijke schade en 
andere, waarvoor Bernt met wasteekenen gedaagd, 
doch 30 Sept. niet verschenen is, tot heden uit- 



238 

gesteld, is door Hinrich Huyrlinck, Johans voor- 
spraak, van „contumatie ende verwijn gedinget;" 
besteed aan Alffer van Ysselmiiiden, die gewezen 
heeft: daar de pander gegicht heeft de wasteekenen 
overgebragt te hebben naar landregt, zoo is Bemt, 
als hij of iemand van zijnentwege niet bij zittenden 
gerigte en schijnende zonne verschijnt, ^der an- 
sprake vellich ende verwonnen." 

In zake Bernt van Be(ver)uorden toe Weemsel 
tegen Stadh. R. en St. over zekere klagt, door Bernt 
gedaan aan den Bisschop van Munster en Oesen- 
brugge van een sententie door Stadh. R. en St. 
gewezen tusschen hem en andere erfgenamen van 
Johan van Beueriioerde en de wed. van Dirck 
Vaegt, en van geweld eener pandkeering, door 
zijn Amptman en anderen op zijn bevel gedaan, 
om welke zaken de Stadh. Bernt in eigen persoon 
voor 's Keizers hoog gericht gedaagd had tegen 
5 Oct. , waarop echter Bernt noch zijn gemagtigde 
verschenen was; — daar echter Heer Bernt van 
Schedelick, Commandeur te Oetmershem, en Jan 
van Raesfelt (hoewel zonder volmagt) verklaard 
hebben, dat Bernt om ziekte niet komen kan, en 
zij dus uitstel voor hem verzochten, heeft de 
Stadh. op hun verzoek de citatie gecasseerd en 
aan Bernt uitstel gegund tot den volgenden regtdag 
na den landdag. 

Aan Bernts „huysgesindt" geeft de Stadh. op 
grond van voorstaand vonnis „geleydf' totdat hij 
zich verantwoord zal hebben of totdat de Stadh. 
namens den Keizer dat geleide „vpkundiget." 

De zaak van den Drost van Salland, klager van 
w(\ge dcni Keizer, tegen Robert Oesterhoff van 
zeken^. ^aensprenginge, betichenis ende iniurie^teijfen 
Mr. Jolian Oestcmdorp 's Keizers dienaar en Com- 
missaris op 's Keizers vrije straat „angekeert," is 



239 

besteed aan Wolf Mulart, die aanspraak en ant- 
woord in schrift begeert en op den naasten regtdag 
na den landdag wijzen wil. 

1534 Oct. 5 (B ij^xxiiij). 

De zaak tusschen den Drost van Sallandt, klager 
van wege den Keizer, en Yincentius van Wter- 
wijck over een gew^eldige pandkeering, is besteed 
aan Hinrich van Rechteren, die aanspraak en 
antwoord, met de copie van den gerigtsschijn in 
schrift begeerd en aangenomen heeft op den 
naasten regtdag na den landdag te wijzen. 

In zake Johan Schloct tegen Coert van Deem 
over zekere penningen, door Geert ten Ilamme 
onder Coert beslagen, is op aanbod van Coert, om 
al zulke penningen in bewaring te stellen bij den 
Griffier, totdat de zaak tusschen Geert en Johan over 
het arrest geslecht zal zijn, bepaald : wie van hen 
beiden „int principael" en in de kosten gecon- 
demneerd wordt, zal ook de kosten dragen in 
zake Coert tegen Johan. 

De zaak tusschen Johan Schloet en Goert ten 
Ilamme over zekere gearresteerde penningen onder 
Coert van Deem is met believen van partijen 
uitgesteld tot 17 Oct. 

De zaak tusschen Roelof Buschman, burger van 
Deventer, en WolfF Mulart over resfeinten van 
schulden door aanl. geëischt, is besteed aan Her- 
man van Cloester, die fianspr. en antw. op schrift 
begeerd heeft en 17 Oct. wijzen zal. 

De zaak tusschen Otto Hulst, burger binnen 
Deventer, en AloflF van Rutenburch over zeker 
resten van penningen door Otto geëischt, is besteed 
aan Hinrich Schaep, die aanspr. en antw. op 
schrift begeerd heeft en wijzen zal op den naasten 
regtdag na dezen landdag, op voorwaarde, dat 



240 

Aloff hot bewijs, dat hij beweert te hebben, binnen 
() weken zal moeten brengen in des wijzers handen, 
zullende hij anders verstoken zijn van alle bewijs 
daarvoor. 

1534 Oct. 6 (B ij^xxv). 

De Btadh. houdt elarinp;e met Ridd. en Steden 
voornoemd. 

In zake Gerardus Bruyninck tegen Johan van 
de Paede voert van een aanspraak eens erfkoops 
door aanl. tegen verw. gedaan voor den Rigter 
te Wye, waarop verw. een exceptie genomen heeft 
vermits dienstregt en krachtens het tractaat niet 
schuldig te zijn te antwoorden en te regte te 
staan, is geklaard: wel gewezen en kwalijk be- 
roepen en daar Johan het onderpand van den 
erfkoop (20 gulden rente op de stad Zwolle) ver- 
ergerd en vervreemd heeft, zal hij Gerardus ge- 
rigtelijk moeten antwoorden. 

Op het verzoek van Johan van Haerst van 
„pandstarkinge'' aan de goederen van Vincentius 
van Wterwick en diens huisvrouw Mechtelt Mularts, 
is door Stadh. R. en St. bepaald, dat Johan de 
panding zal laten rusten en geduld hebben, totdat 
de sententie in claringe van Vincentius' pand- 
keering gewezen en geklaard zal zijn. 

In zake de Pater van den Busch te Zwolle 
tegen Aernt Koetgen van een inleiding, door 
Koetgen gedaan in zeker goed, dat hij georven 
zoude hebben door den dood van Lubbert van 
Marne's dochter, eertijds Juffer in dat klooster, 
en waarvan de Pater in het bezit is, wordt be- 
vonden, dat de verw. door de inleiding on vormelijk 
geprocedeerd heeft en diiarom geklaard: dat de 
Pater in het bezit blijven zal totdat Aernt 
hem met daglegging naar landregt daaruit slijt. 



241 

En als Aernt voldoende bewijzen kan, dat hel 
goed sedert de instelling van het artikel van 
„wteruen wt den oloesteren" aan het naaste wereld- 
lijke bloed, in den landbrief van Phil. van Bour- 
goingen op hem verorven is, zal hij volgens dien 
landbrief genieten. 

Het proc(^s tusschen Johan Koetgen en Bernt 
Soensbeeck e. s. wordt „gedaen'' aan Johan te 
Marsch, om te visiteren en overmorgen rapport 
te doen. 

Misschien behooren tot deze zaak de volgende stukken : 

Precesstukken voor den Schout van Hasselt en 
keurnoten gewisseld tusschen den jongen Johan 
Koetken c. s. als iuml. en het convent van St. 
Marienbosch te Zwolle als verw. over de nalaten- 
schap van Juffer Johanna van Meerloe, dochter 
van Lubbert v. M. en van Griete Koetken, eertijds 
conventuale van dat klooster, doch naderhand, 
naar 't schijnt, te Emden met Coert Prenter ge- 
trouwd en aldaar kinderloos overleden. 

Het ordel ter 1' instantie ontbreekt. Van beroep 
op de claring geene melding. 

Gecommitteerd Johan ter Marsch, Schout van 
Zwolle, als Schout van Hasselt. 

Daar volgens compromis tusschen de erfgen. van 
Lyse Ruters t. e. z. en de erfgen. van Arnoldus 
van den Berge t. a. z. hun zaak aan 4 arbiters 
opgedragen was en een hunner Herman Bitter 
overleden was, is door Stadh. R. en St. in zijn 
plaats benoemd Johan ter Marsch, die door Her- 
man, bij zijn vertrek naar Rome, aangewezen 
was, om hem bij uitblijven te vervangen. 

In zake Seyno Mulart, Drost van Zallandt, 
klager van wege den Keizer, tegen Juffer Alijt 
ter Porten, over confiscatie van haar goederen 

16 



242 

in het kerspel van Batman en elders in Zalland 
gelegen, is geklaard: daar bevonden is, dat Alijt 
tijdens de publicatie van 's Keizers mandement 
en daiirna over jaar en dag binnen Deventer ge- 
woond heeft en daarna naar Munster getogen is 
en zich daar nog ophoudt, en daar ^contrarie 
ffeloeue ende ordonnantie van Kev. Ma' mandement 
gebruyckt ende geholden wcu't," zoo is zij ver- 
vallen iri de pene van het mandement en is door 
den wijzer wel gewezen en door Juffer Alijds 
gemagtigde kwalijk beroepen. 

In Zcike Jaeob van Ytterssem tegen Johan Wolifsz 
over de giftinge eens erfs in een bij stèren dijk, 
wordt bevonden, dat in de besteding des ordels 
aan do Schepenen van Wijlssum en in de wijzinge 
en beroepinge daarop gevolgd onvormelijk gepro- 
cedeerd is, weshalve het proces gecasseerd wordt 
en partijen van beide zijden geremitteerd worden, 
en opnieuw behoorlijk en vormelijk mogen pro- 
cederen. 

(1534 Oct. 6?) (B ij^xxvj v°). 

In zake Claes Albertsz tegen Mr. Dirck en 
zijn huisvrouw Griete de olde Scholtinne van 
Ens over een panding, door Dirck gedaan krachtens 
sententie, door de stad Campen gewezen op een 
handschrift en obligatie van 32 ggl. , waarop verw. 
pand wering gedaan hebben en met moet zo en 
ook door eenige Camper Raadsvrienden gemaiikt, 
zich behelpen willen, is gekhiard: daar Griete 
bij sententie van gezegde stad tot betaling der 
32 ggl. veroordeeld is en het handschrift van 
waarde erkend is, terwijl de moetzoen die zaak 
niet betreft, zoo heeft Claes een regte panding 
en verw. een onregte pandwering gedaan. De 
sententie en het handschrift te voldoen, behoudens 
's Keizers actie van de pandwering. 



243 

(1534) Oct. 8 (B ij^xxvj v°). 

Daar Stadh. R. on St. bevinden, dat de zaiik 
tu8sch(m Johan Gribbers en Dirick Geertsz her- 
komt van ^Aveddingbe'' van de brug in de 
Kuynre en niet in de clarino^e behoort p^ebragt 
te worden, is zij g(Teniitteerd aan Schout en 
Schepenen van der Kuynre. 

(xeert Borchartsz, Burgem. van Cainpen, affir- 
meert, dat het proce^s van Johan Bitter en Mr. 
Johan Matthijsz tegen Jonge Claes Stijcker ge- 
compromitteerd is. 

I)(^ Drost van Tw^nith affirmeert, dat het proces 
tnsschen Geert Helmichs cm Johan S(*huyt te 
Gronou in vriimdschap bijgelegd is. 

Het proces tusschen Theys Cla(ïsz van Campen 
en Krijn Heynsz van Iloern is overgeleverd, aan 
Herman van den Cloester en Geert Borchartsz, 
om te visiteren en rapport te doen. 

In zake de Proost en het klooster van Zwarte- 
water tegen Mr. Gerrit ter Steeghe en Thymen 
ten Broex^k over een besate* en arrest, door den 
Proost gedaan op zekere penningen, welke aan 
verw.* op Stapperst en Rouvene doorR. enSt. 
waren geassigneerd, uithoofde dat zij lidmaten 
der stad Steenwijck zijn en het klooster aan het 
corpus dier stad ook e^en assignatie van 200 ggl. 
ten acihteren is, is geklaard: daar de schuld het 
corpus der stad Steenwijck betreft en de Proost 
ni(it bijbrengt, dat hem n^gt op de stad ge- 
weigerd is, zullen verw. vrij zijn van het arrest 
en mag het klooster zijn actie op het corpus der 
süid verzoeken. 

m 

In zake Hasse van Westrenen tegen Dirich 
Roelofsz aangaande tweederlei panding voor binnen- 



244 

jaarsche pacht en een besate, door Dirk daarop 
weder {gedaan, is f^eklaard: dat Dirk de pacht, 
waarvoor de panding oreschied is, moet betalen, 
behoudens de kortinj^f, naar inhoud der mande- 
menten. 

In zake Jacob van Ytterssum tej^en Willem en 
lieer Cornelis van der Schere van 2^1^ morijen 
lands in Hasselderemaede, herkomende uit den 
boezem van die van Harstenhorst en in 1507 in 
een bijsteren dijk jj^e^^even, is geklaard: daar 
Jacob met zegel en brieven de gifte bewezen heeft 
en de verw. dien brief niet wederlegd, noch bewezen 
hebben, zooals zij in de aanspraak met bloote 
woorden gezegd hadden, dat de gifte ten onregte ge- 
diuin is en de 2V2 morgen niet uit den boezem der 
van llaerstenhorsts gekomen zijn, zal Jacob naar 
uitwijzing des giftingbriefs in den eigendom en 
bruikweer der 2^^ morgen gehouden worden, tot- 
dat hem de verw. met beter bewijs daaruit slijten. 

In zake Geert Wever, Dirick van Coelen, Goert 
op den Steege en Johan ter Middelwijck tegen 
Mr. Ilinrich ter Midd(4wijck over het erve ten 
Dam me, waarvan Ilinrich in het bezit bevonden 
wordt, is geklaard: wel gewezen en kwalijk be- 
roepen en dat Ilinrich in het bezit gehouden zal 
worden, totdat hij met beter regt er uit gesleten wordt. 

In zake Geert (jeertsz Schroer tegen Gerrit 
Bartolsz c.s. als erfgen. van Bette Dobbels over 
inleidinge, door verw. qq. gedaan, met den gerigte 
in den Blanckenham in des aanl. goed, uit kracht 
van een artikel in den nieuwen landbrief van 
Phil. van Bourgoingen vermeldende, dat kinds- 
kinderen in de regte nederdalende linie zullen 
staan in hun ouderen stede, waartegen aanl. zich 
met een testament in '25 gemaakt verweren wnllen, 
waarbij de verw. met de portien daarin begrepen 



i 



245 

„afgedeylf' zouden zijn, en daar de inleidinge later, 
dan naar landregt behoort, geschied „onbundich" 
is en met geweld gedaan zoude zijn, gelijk uit 
het proces van Iwide zijden blijkt, is geklaard: 
daar de landbrief lang voor het testament gemaakt 
is en het testament een private schriftuur en 
„cartabelle'' is, waarin geen oorzaken gevonden 
worden, waarom de verw. en erfgen., zijnde des- 
tijds onmondige wec^skinderen, naar regt onterfd 
mogten worden volgens den landbrief in het sterf- 
huis participeren, zullen zij, enz. 

In zake Johan Munter, burger te Zwolle, tegen 
Johan van Eschede van een besate door v. E. 
gedaan op ettelijk hout in Twenth mm Munter 
behoorende, is geklaard: daar de besate niet ver- 
volgd is gelijk naar landregt behoorde, en het 
hout aan v. E. na dien tijd in der veeden afhandig 
gemaakt is, maar hij dit verzuimd heeft, weshalve 
V. E. vaii de aanspraak ontslagen z(m zijn, is 
goedgewezen en kwalijk beroepen. 

Daar in het proces van Schwane Am inges tegen 
Ewolt Hebelen en Herman Jloeyer van 13 dag- 
maat lands zekere duisterheid en difficulteit be- 
vonden wordt, is de Drost van Vollenho gecom- 
mitteerd, om het proces te ontvangen en met 
eenigen, die hij daartoe roepen zal, te visiteren en 
om Gods wil informatie te doen naar dat land, omdat 
de aanl. een arme miserabele persoon is, en zoo 
hij partijen niet verzoenen kan, zal hij rapport 
uitbrengen op den volgenden landdag. 

1534 Oct. 10 (B ij^xxviij v°). 

In zkke Heer Adriaen van Vry, gemagtigde 
procurator van Ludolft* van Hattem en Heer Herman 
Wolffartsz zijn geresigneerden successor, hangende 
voor Stadh. R. en St. in materia possessoria van 
een prebende, door den dood van Mr. Johan van 



246 

Oestendorp in Junij ledig geworden, en waarop 
Heer Adriaan q.q. a^mspraak maakt krachtens 
's Keizers nominatien van Bononien en zekere 
exeeutorialen daarop verworven, wjiarop v. d. 
Vecht q.q. geantwoord heeft, dat Ludolf van den 
Keizer als Landsheer ter oorzake van diens Blijde 
Inkomst naar oude herkomst en volgens de 
ccmcordata principura, op ad vijs der Aartshertogin 
van Oostenrijk, met de prebende begiftigd is, eer 
de nominationes Bononienses verworven waren, 
blijkens brief (n\ zegel des Keizers, terwijl ook 
alle solemniteiten der aanvaarding geschied en 
de gelden voldaan zijn, is door Stadh. Ridd. en 
8t. na rijp beraad gewezen, dat Ludolf (en dus 
zijn successor) in het bezit der prebende blijven 
zal, en geklaard, dat Adriaan in zijn eisch niet 
ontvankelijk is. 

In zake Thomas van Marlhulssen tegen zijn 
broeder Johan v. M. over zeker stuk lands genaamd 
de B a r t e 1 i n c k b r e e d e of stukken is geklaard : dat 
bet land b(^hoort tot het erve Bartolinck en daarom 
wel gewezen en kwalijk beroepen. 

In zake de erfgen. Jacob van Vurden tegen 
de zeven (de Pater van S. Johanscamp, de Pater 
van den Oert te Campen, Nanne Weden te 
(dampen, de erfgen. van Mr. Jacob van Grijpswoldt, 
Aernt van Bolten en Steven Johansz. op des 
BisHchops wetering en Jacob Petersz op de Venriet) 
over een gifte van een bij stèren dijk in v. 
Vurdens goed, in welke zaak de zeven langer tijd 
begeerd hebben om meer bewijs bij te brengen, zijn 
gecommitteerd de Drost van Vollenho, Johan van 
Boekhorst te Zallick, en Herman van den Cloester, 
waarbij de Steden hun Gedeputeerden zenden 
zullen; ook zullen de beide Dijkgraven Johan 
van der Vecht en Johan ter Marsch met de 



247 

Ileomradeii, die zij tijdens dat prooos hadden, op 
den dijk komen en alle gelegenheid bezigtig-en en 
verhooren op kosten van ongelijk. Kunnen partijen 
door geeominitteerden niet verzoend worden, zoo 
zullen deze op den volgenden landdag hun rapport 
inbrengen en partijen zullen daar komen, om 
sententie te hooren. 

Tn zake Heer Bernt Petc^'sz tegen Herman 
Kaele van zekere schulden en handschrift, door 
Heer Bernt van wege Frederick Vriese eerst voor 
den gerigte van Meppel, daarna voor den Schout 
van Yollenhoe en Wanneperveen vervolgd, is 
geklaard, dat partijen hun regt vc^rvolgen zullen 
waar zij het begonnen zijn, met compc^.nsatie van 
kosten. 

1534 Oct. 12 (B ij^xxx). 

Op de supplicatie van Frans Schaeper van wege 
zijn vader Kracht Sch., geappointeerd : dat suppl. 
14 dagen na S. Martini te Deventer komen zal 
met den bestelbrief en de obligatie van de Land- 
schap en voldoende quittantie zijns vaders, benevens 
het laatste reces van (15)33, dan zullen hem de 
Burgemeesters van Deventer de onbetaalde rest 
betalen. Johan (van) Twickell, Drost van Twenthe, 
zal inmiddels de penningen „daervan wtgesat 
bestellen'^ en aan de Burgemeesters leveren, zonder 
in gebreke te blijven. 

Gedaan te Deventer. 

In zake Koeloff van Schenen tegen Johan 
Roesijnck van een half erve, is de Drost van 
Twenth Johan van Twickel door Stadh. R. en 
St. gecommitteerd, om informatie te nemen bij de 
naburen en andere goede lieden, aan wie de ge- 
legenheid hiervan bekend is, inzonderheid van 
den getuige, die in deze zaak getuigd heeft of de 
koop tusschen Roeloff's vader (ook Roeloff ge- 



248 

heeteu) en Roosinck uit dran^ en dwang geschied 
is en of Roosinck bij den koop van de helft be- 
drogen en „oeuerfurdelf' is; voorts zal de Drost 
bij Schepenen en Burgmannen van Goer informeren, 
of het ordel door hen in deze zaak gewezen in 
(15)25 zoo geschied is, als de „cartabelle" en schrift 
inhoudt, welke aan Stadh. R. en St. overgelegd 
was en den Drost medegegeven is. De Drost zal 
op den volgenden landdag rapport doen. 



► 



III. EN IV. 



REGISTER C. en D. 



W 



Register C. is het ^Judiciael-register slants van 
Otierijssel begonnen den vierden dach Odohris A^ J 535." 
Het is in denzelfden hand als B. gebonden^ maar 
begint met nieuwe paginering en is met eene andere 
hand geschreven als B, 

Het jongste ordel in C. is van midden Februarij 
1540, maar daarop volgen nog wasteekens tot 1550. 
Deze ziJ7i overgebragt naar E, omdat zij daar tijd- 
rekenkundig te huis behooren. 

Register D, bevat de Acten hi claringe van 4 — 25 
Oct, 1535 gewezen^ te vifiden in het Boek van Claringe 
van 1562 — 1564 op het Kampen* archief. Zij wijken 
zeer af van hetgeen in Hs, C. op genoemde data geboekt 
i.s e7i zijn dikwijls veel uitvoeriger. 

Het begint met de volgende aanteekening : 

De Ridderschap verlangt, dat de Stadh. voor- 
taan vergunnen zoude, dat men goede lieden van 
de Ridderschap, die „dat hoefift ten rechte hebben," 
niet voor den gerichte zoude mogen „bestaen" 
door den pander of op andere wijze, daar alle 
goede lieden van de Ridd. door den Stadh. ten 
regt- en landdage verschreven worden. Ook dat 
„wanneer dattet soe wesen solde," men de rid- 
dermatigen niet met wasteekens behoefde te 
vervolgen, hetgeen contrarie het landregt is, daar 
men toch die lieden, als zij verschreven zijn, 
ten regtdage „bestaen" kan, w^aardoor veel kosten 
en moeiten bespaard zouden worden. Stadh. R. 
en St. accorderen dit verzoek en bepalen, dat do 
pander voortaan niemand meer zal mogen „bestaen," 
maar „offt ymants sulx tdone hadde, die mach 
den genen daer hy sulx mede te doene hadde, 



252 

selffs jnden gerichte bestaen, ende daertoe ter 
rechter oerkoende nemen twe rijddermaten luyden," 
waarop hij met regt mag voortvaren. 

Daarop zijn dienzelfden dag (4 Oct.) en den 
volgenden vele besteede ordelen wederroepen, en 
nieuwe aangekomen ordelen besteed, waarvan er 
slechts twee genoemd worden (Joh. Sloet tegen 
Geert ten Hamme en Marten Willemsz tegen de 
stad Enschede). 



1535 Oct. 4 (C i). 

De Stadh. houdt zijn regtdag te Vollenhove. 

Diügwaarder: Engelbert van Ens, Rentm. van Salland. 
Keurnoten: Hinrich Hagen en Herman van den 
Cloester. 

In zake de Proost en Conventualen van C la- 
holt tegen Dijtmer van den Schulenberch, als 
gemagtigde van Jan van Buckhorst te Boxbergen 
en Wolff Mulart Geertsz, over zekere erfgoederen 
van het convent, welke Jan en WolfiF voor ette- 
lijke jaren in pacht hadden, doch zonder voor- 
kennis van den Proost vervreemd, gesplitst en 
verzet zonden hebben, dat verweerders echter 
ontkennen, bewerende dat die goederen in eigendom 
niet aan het convent behooren, maar in hun 
rustig bezit zijn, terwijl het convent hiervan bewijs 
vordert; — daar dit een oude en belangrijke zaak 
- is, is door" den Stadh. met het gerigt „erkant,'' 
dat de aanleggers binnen 14 dagen aan de ver- 
weerders de aanspraak in geschrift zullen leveren, 
met copie van het bewijs, waarmede zij winnen 
willen en dat de verweerd(u*s op den naasten regt- 
dag daarop moeten antwoorden. 

De zaak tusschen Gefrijt Andriesz van wege 
zijn moeder tegen Mr. Jan en Bartolt van Langen 
gebroeders over 4 mud rogge lijftucht, welke der 
gebroeders zalige vader aan des aanleggers moeder als 
natuurlijke dochter bij testament gegeven heeft, 
dat de verw. ontkennen, is besteed aan Jolian 
Schloet, die aanspraak en antwoord met copie van 
bewijs in schrift begeerd heeft en op den naasten 
regtdag wijzen zal. 



254 

In zake de Vrouw en JufiFeren des kloosters van 
Werssel, met Wolter van Heyden Pander van 
Twenth als momber, tegen Jan van Wermel to 
Westerfleer, over zekere renten en pachten, welke 
de aanl. voor v. W. „als waarburgen versat hebben, 
daervan zy begeren gefryet ende ontlast te worden," 
hebben de wed. van Jan van Jtterssom Wolffs 
en Jacob van Ytterssom, haar zoon als haar momber, 
en voor zich zelf van wege Jan van Wermel, 
die nu in groote krankheid en „Gotsgewalt" ligt, 
aangenomen, dat hij of zijn erfgen. op S. Jan to 
midzomer a. s. (14 dagen onbegrepen) het convent 
van de borgtogt met de verloopen renten zonder 
schade „fryen ende ontlasten" zullen, op straffe van 
50 oude schilden ten behoeve der Keiz. Maj., 
terwijl in dat geval de aanl. haar regt op den 
naasten regtdag vervolgen mogen. 

In zake Dirick van Boetzeler tegen Wolter van 
Couorden, besteed aan Ot van RutenbeVch, die voor 
regt gewezen heeft, „den brieff in voller macht," 
daar men hem niet wederleggen mag met eede of 
„seggewoerde," tenzij verw. beter bewijs bijbrenge. 

Dit ordel heeft de wed. van Wolter v. C. met haren 
momber Wolter van Heyden beroepen in de claring^ 
van Stadh. R. en St. 

In zsko de wed. A^an Wolter van Couorden, 
met haren momber W. v. Heyden, tegen Juffer 
Anna van Meruelde wed. van Reynt van Couorden, 
over 4 verscheiden zaken, waarin de aanl. hare 
aanspraak gedaan heeft, waarop verw. met Jan 
van Twickel, Drost van Twenthe, als momber 
geantwoord heeft, dat naardien deze zaken haar 
aangekomen zijn „nae doeder hant" en zij verder 
beraad behoeft, zij de aanspraak van elke zaak 
afzonderlijk in schrift begeerde, om op den naasten 
regtdag te antwoorden, is haar dit gegund en 



255 

aanl. gelast de aanspraak over de 4 zaken elk 
afzonderlijk in schrift aan verw. over te geven. 

De zaak tusschen Alijt van Gesher en de 
w^ed. Geert van Langen over zekere schulden, is 
besteed aan Alffer van Ysselmuiden, die aanspraak 
en antwoord met alle bewijzen in schrift begeerd 
heeft en op den naasten regtdag w^ijzen zal. 

De zaak van Jan van ZwoU tegen de wed. Geert 
van Langen, is besteed aan Reynt van Couorden, 
die 'voor regt gewezen heeft: aang. de wed. van 
Johan van Zwolle geen genoegzaam bewijs ge- 
leverd heeft „als der doder handt te wvsen/' zal 
de wed. van Langen van de aanspraak vrij zijn. 

Dit ordel heeft Jan van Zwoll beroepen in de 
claringe van Stadh. R. en St. 

In zake de erfgenamen van Mr. Jan Oestendorp 
Canunnik tegen Aloff van Rutenburch, besteed 
aan Alffer van Ysselmuden, die voor regt gewezen 
heeft „Aloffs antwoort in weerden" voor zoover 
hij met de in Overijssel uitgegeven mandementen 
bewijzen kan, „dat men alle jaer kurten sall," 
met welke wijzinge beide partijen tevreden zijn 
geweest, behoudens dat Aloff het bewijs op den 
naasten regtdag inbrengen zal. 

In zake Arent Reynerts, gemagtigde van Heer 
Jan van den Veene, Domheer te Utrecht, tegen 
Wolter. Stellinck en diens broeders, over 15 ggl. 
jaarlijksche rente, voor welke Heer Jan „te burge 
staet" en „verstrickt" is van wege den verweerder, 
heeft Wolter zijn vaders zegel en brieven erkend, 
„dan vermits dat ander parten zy verweerders van 
deser saken te ontlasten beleeft solden hebben als 
hy zecht" en daarom uitstel begeert, om bij 
reconventie die lieden met regt te brengen tot 



256 

vervulling hunner belofte, — heeft de aanl. uitstel 
gegeven tot den naasten regtdag, binnen welken 
tijd de verw. aangenomen heeft Heer Jan tevreden 
te stellen en de reconventie te vervolgen. 

In zake Claes Claesz van Wye tegen Aloff 
van Rutenburch, besteed aan Herman Grobbe, die 
gewezen heeft: daar Stadh. Ridd. en St. geklaard 
hebben, dat Aloff aan Claes zijne ossen betalen 
moet, gelijk Aloff gedaan heeft „totter hoofft- 
somme toe," zal deze ook de gerigtlijke schade en 
het handgeld, dat Claes bewijzen kan van de 
hoofdsom gegeven te hebben, aan Claes teruggeven. 

Dit ordel heeft Aloif beroepen in de claringe van 
Stadh. R. en St. 

In zake Juffer Anna van Menielde wed. Revnt 
van Coforden tegen Bernt van Tye, besteed aan 
Johan Sehloet, die de aanspraak van waarde ge- 
wezen heeft, voor zoover Bernt de „ingelachte 
tuychnisse" niet met regt wederleggen kan, en 
zoo Bernt met de stad van Goer iets te doen heeft, 
daarvoor mag hij die van Goer aanspreken. 

Deze wijzinge heeft Bernt beroepen in de claringe 
van Stadh. R. en St. 

Op de aanspraak door Otto van Rutenberch 
gedaiin op Aloff van Rutenburch van betaling en 
bevesting luidens een „arbitrae?' uitspraak, door 
den Stadh. gedaan, uit krach te van een compromis 
op zeker straffe uitgesproken, heeft Aloff aange- 
nomen bij pene in het compronis vervat, dat hij 
morgen voor den Stadh. behoorlijk „wtganck van 
sulcker befestinge" doen zal, of in de pene ver- 
vallen zijn. 

De zaak tusschen Aleff en Ot van Rutenberch 
ovei* een paard is besteed aan Wolter Stellinck, 
die aanspraiik en antwoord met verder bescheid 



257 

in schrift begeerd heeft en op den naasten regt- 
dag wijzen wil. 

Geschreven aan Hinrich Schaep en de ordelen 
teruggezonden, om over 14 dagen to wijzen als 
naar landregt behoort, op straf van 100 oldo 
schilden aan den Keizer te verbeuren on de 
kosten voor de reis der partijen te betalen. 

In zake Herman Schmeken tegen Aloff van 
Rutenburch, besteed aan Jan van Echten, die 
voor regt gewezen heeft: kan AloflF in regtcm be- 
wijzen, dat Herman Smekens met hem afgerekend 
heeft alle geschillen in bijzijn van den Supprior 
van Belhem en dat Smeken „op de van der lleyno 
de somma van ij* gl. gesien oft mede te vreden 
is geweest,^' zal Aloff „zijn antwoort genyeten.'* 

Deze wyzinge heeft Aloff in absentie des aanl. ge- 
volgd, waarop hem door den gerigte bevolen is, het 
bewijs daarbij bepaald op den volgenden regtdag in te 
brengen, hetgeen hij aangenomen heeft. 

In zake Werner Schluyter tegen Juffer Anna 
van Meruelde, wed. Reynt van Couorden, over 
„hinderstendiger scholt" van 88 Phil. gl. hooft 
verw. aangenomen tusschen Martini e. k. en 
Martini '36 betaling te doen,- bij gebreke van dien 
zal de Stadh. aan Werner den pander gunnen, 
om de som uit te panden. 

In zake Johan Schloet tegen Geert ten Ilammo 
over 80 mud rogge, enz. besteed aan Dirich van 
Boetzeler, die gewezen heeft: daar Schloet in zijn 
aanspraiik gezegd heeft, dat Geert in dezen „on- 
rechtelick'' gehandeld heeft, omdat hij de volmag t 
zoude hebben laten schrijven voor een „ghiftinge/' 
hetgeen Geert ontkent, en daar de Notaris, die 
het instrument geschreven heeft, bekend is en voor 
goed gehouden wordt, zoo zal Schloet moetcm 
bewijzen, dat het instrument valschlijk beschreven 

17 



258 

on sfemjiakt is, ijfelijk hij in de aanspraak beweerd 
hc^eft; jïoschiedt dit niet, zoo zal Geert, daar 
hij hekcnit, de missive in den o^erigte vertoond 
öfesehreven te hebben, bewijzen, dat hem een 
andere procuratie „bonen de sfiftino;e" door zijn 
moei ii^(^o^even is en met eede bevestigen, dat 
de i^enoemde missive door hem aan zijn moei 
o-esehreven te verstiian is en gewjiagt van de 
anden» pro(*uratie en niet van de giftinge, welke 
hij daardoor zoude hebben hiten vallen. 

Daar Geert ten TIamme niet in den gerigte 
verschenen is en de aanl. „gedinght" heeft, dat 
G(HTt daarom in de hoofdzaak en kosten „vellich'' 
zal zijn, is dit besteed afin Jan van Buchorst Heer 
Wilhunsz, die beraad genomen heeft en op heden 
(5 Oot.) voor regt gewezen heeft: als Gerijt ten 
I lamme of zijn volmagt niet in dezen staanden 
gc^rigte komt en ,,ontfange zyne wisinge," zoo is 
hij in d(». aanspra<ak „vellioh.'' 
Staat ook verkort D i v°. 

In zake Wilh^m Westerwolde tegen Vineentius van 
Wt(M'wijok, van wege zijn huisvrouw en haar voor- 
kinderen bij Thimijs Ketel, over 50 ggl. luidens een 
hands(»hi-ift door Ketel onderteekend, verlangt, verw. 
^vermits hem die sake tot doder hant ankompt 
end(» die hantsc-hrifl't niet en kent," dat hem het 
stuk gc^hnerd worde, om het aan zijn vrouw en 
vrien(l(»n te toonen, aannemende het stuk ^onge- 
eaneeleert'' weder aan het gerigt te leveren, en 
dan o{) den naasten regtdag te antwoorden. 

De zaak tussehen den Drost van Zallant, klager van 
W(\o'(^ d(Mi Keizer, tegen Robert Oesterhoff, bestoed 
zijnd(^ aan Wolff Mulart, die in het gerigt geantwoord 
h(»eft, dat hij noch aanspraak noeh antwoord ont- 
vangcMi had en daarom nic^t had kunnen wijzen, 
waaro]) d(* Drost g(v.(\gd had, zijn aanspraak in 



259 

handen des Ding^weerders geleverd te hebben, gelijk 
de Dingw. Jan Mulart bekent, zoodat Robert in 
gebreke bevonden is, zijn antwoord in te brengen, en 
daar de Drost hierop „gedingt" heeft, dat Robert 
„der aenspraeck vellich'' was, heeft Robert „zijn 
onsehold gedaen wt ignorancie ende niet wt ver- 
achtinge des rechten geschied te zijn" en gebeden 
nog te mogen antwoorden en zijn getuigen, den 
Schout van Zwol en Herman van Depenbroeck, 
te mogen produceren. Hetgeen hen door voorbede 
der Amptlieden en vrienden van R. on St. „om- 
stenders des gerichts'' bij gunst toegestaan wordt 
tegen morgen te doen. 

1535 Oct. 5 (C v v«). 

Daar tusschen Jacop van Yttersom en Jacop 
Neefgen van Campen een moetzoen gesloten was, 
hebben partijen voor den Stadh. en den gcrigte aan- 
genomen zich daarnmir te gedragen. Do moetzoen 
luidt: In (15)30 een moetzoen zijnde gededingd 
door zal. Johan Mulart, Rentmeester, Seyno Mulart, 
Drost, Johan van der Vecht, Burgemeester en 
Johannes Breda Secretaris, tusschen Jacob Neefken 
als broeder en de erfgen. van Bartolt t. e. z. en 
de wed. van Johan van Ytterssum Schenck 
Wolffsz t. a. z. over een vestenis van 20 ggl. 
jmirrente, welke de wed. en haar kinderen met 
consent dos leenhiiors Urn behoeve van Jacob N. 
jaarlijks betalen zouden, gelijk ook geschied is; 
en tevens over 140 ggl. verschenen pensie, welke 
ook op vaste termijnen voldaan zouden worden, 
hetgeen niet geschied is, evenals 5 ggl. geleden 
schade, zoo is opnieuw 5 Oct. 1535 geaccordeerd 
door Herman Mulart, Schout te Zwolle, im Wol ff 
Mulart Geertsz, van wege Jacob van Ytterssum 
Jolians zoon, en door Gerrit Loes(^ en Claes Krueser, 
Raadsheeren van Campc^n, dat v. Y. jian N(*.efken 
betalen zal Mei a.s., M(^i 1537, Mei 1538, Mei 



260 

1539 en Mei 1540 telkens 29 ggl. Voldoet v. Y. 
oen dezer termijnen niet, zoo heeft hij voor Stadh. 
R. en St. zich verbonden, dat Neefken dan ter- 
stond met den dagelijkschen Rigter mag panden 
voor de geheele dan nog verschuldigde som op 
al zijn goederen, waartegen hij geen pandwering, 
exceptien of privilegiën inroepen zal. 

In zake Ernst en Ilenrich van Yttersum ge- 
bro(^ders en Herman van der Beke tegen de erfg. 
van Gerrit Mulart (Johan Mulart, Rentm. van 
Zalland, en Herman Mulart gebroeders, en Vin- 
centius van Vterwijck, als momber zijner vrouw 
Juffer Mechtelt Mularts) op 11 Julij (15)33 en 2 
Oct. (15)34 zekere sententie door Stadh. R. en St. 
geklaard zijnde, voor zoover aanl. in regten be- 
wijzen konden, dat zal. Gerrijt Mulart na dato 
van een quittantie door Vincentius tegen de aanl. 
overgelegd, aan de Carthusers van den Scmnenberch 
eenige renten of pachten bij zijn leven betaald 
had, dat dan de brieven en zegels van waarborg- 
schap, waarmede de aanl. spreken, in waarde 
zouden blijven en de erfgen. schuldig zouden zijn 
d(*. aanl. van de waarborgschap te ontlasten en 
wegens de achterstallige renten schadeloos te stellen, 
welk bewijs de aanl. deze reis overgeleverd hebben 
en door verw. niet wederlegd is, zoo zijn genoemde 
sententien door den Stadh. met den gerigte en de 
ommestanders van R. on St. geconfirmeerd en 
zullen door partijen gevolgd moeten worden. 

In zake Herman en WolflF Mulart gebroeders 
on Johan, Hinrich en Wolff Mulart gebroeders 
telgen Vincentius van Wterwijck als momber zijner 
huisvrouw .luffcn- Mechtelt Mularts, is door den 
Stadh. m(^t den gerigte en omstanders erkend: 
{iiing(v.ien de zaak d(^.s verw. vrouw en kindoren 
l)etreft, zulhm de mml. aan den verw. hun aan- 



261 

spraak en copie hunner brieven in schrift geven, 
w^aarop verw. over 14 dagen antwoorden zal. 

In zake Merten Willemsz tegen de Schepenen 
van Enschede besteed aan Ernst van Yttersum, 
die de wijzinge in den gerigte overgegeven en 
gewezen heeft: ,daar Merten zijn aanspraak on- 
voldoende bewezen heeft, zoo zullen die van En- 
schede van de aanspraak vrij zijn, waarop de 
aanl. met zijn voorspraak gededingd heeft, daar 
de verw. noch iemand namens hen in regten ver- 
schenen is, zullen zij in de principale zaak vellich 
zijn; welk gedingd ordel besteed is aan Jan 
van Buckhorst Heer Willemsz, die wijst: zoo 
verw. of hnn gemagtigde niet bij st^ianden en 
zittenden gerigte verschijnen en hun wijsinge ont- 
vangen, zullen zij in de aansprake en principale 
zake veilig zijn. 

Dit ordel staat verkort ook D i v«. 

De zaak tusschen de erfgen. Wobbe Kaelen en 
Jan van Buckhorst Heer Willemsz over leengoed, 
dat zal. Heer Willem tot een eigen goed zoude 
gemaakt hebben blijkens overgelegden brief, is be- 
steed aan Johan Schloet Volkiersz, die aanspraak 
en antwoord met alle bewijzen op schrift begeerd 
heeft en op den volgenden regtdag zal wijzen. 

In zake Jacop van Itterssum tegen Juffer Marie 
van Itterssum (als erfgen. van Johan en Roloff 
V. Itterssum), die met wasteekenen gedaagd was, 
zoodat aiinl. vorderde, dat zij gerigtelijk antwoorden 
of vellich zijn zoude, waartegen Reynt van Covorden 
haar zoon antwoordde, dat zij om ziekte niet ver- 
schijnen kon en ook van den regtdag niet geweten 
had, daar zij uitlandig geweest was, is besteed aan 
Peter van Koppel, die aangenomen heeft gister 
over 14 dagen te wijzen. 

Hij wijst op den bestemden dag : daar de pander 



262 

getiii}?d heeft aan s^zepde wed. van Covorden de 
wiuste(*kens t^^ebraj^^t te hebben {gelijk naar landrejft 
behoort, zal zij op het „principaeir* moeten ant- 
woorden. 

Deze wijzinge heeft Jacob beroepen in de claring^e 
van Stadh. R. en St. 

Tn zake Ilenriek Splinter tefi^en Aloff van den 
Rutenberge over schade, besteed geweest aan Reynt 
van Covorden, die voor regt gewezen heeft: daar 
aanl. verw. voldaan heeft volgens den moetzoeu 
door 4 goede mannen (de Pater van St. Agnieten- 
bereh. de Prior van Belheem, Herman Mulart, 
Schout te Zwol, (m Kerstgen van Diepenbroeok), 
zal verw. ook aanl. moeten voldoen en met regt 
vellich zijn in de aanspraak en schade, welk ordel 
Aloff door zijn voorspraak Ditmer van den Schulen- 
borch wederro(^p(ni heeft in de claringe van Stadh. 
R. en St. 

De zaiik tusschen den Drost van Zallant, klager 
der Keiz., Maj. tegen de borgen der kooplieden 
van de gearresteerde Oosters ch e goederen is 
bestecnl aan Herman van den Cloester en uitgesteld 
tot den volgenden regtdag in 1536. 

De zaak tusschen Jacop van Jtterssum en 
Adria(ni van Recde, besteed jian Wolter Stellinck, 
is door den g(*rigte uitgesteld tot den regtdag van 
gister over 14 dagen, omdat verw. in der Land- 
schap zaken naar de Koningin gezonden was. 

De zaak tuss(»hen Schlingenburch, Adriaan van 
Reede's meijer, en Juffer Anna van Meruelde, 
wed. van Covorden, is uitgesteld tot den volgenden 
regtdag, zulh^nde de wasteekenen van wiuvrde 
blijven. 

De zaak tusschen den Drost van Zallandt, klager 
der Keiz. Maj., en Vincentius van Vterwijck is 



besteed luin Iliiiriek van Rechtenni, en uiti>estekl 
tot i)\(\v 14 (Irtg'en, zullende llenrick inmiddels 
aanspraak en verwin, die van het proces ^ver- 
frenipt'' zijn, daarbij brenji^en, bij «^^ebreke waarvan 
de Drost etni nieuwe iumspraak zal doen, wordeuide 
het antwoord van verw. dan gereserveerd. 

1535 Oct. 6 (C x). 

Stadh., Ridd. en Steden houden claringe en g-e- 
meenen landdag binnen VoUenhoe. Tegenwoordig: 

Engelbert van Ens, Rentmeester vau Sallaut, Diug- 

weerder. 

Joban van Twickel, Drost van Twentlie. 

Seyne Mulart, Drost van Salland. 

Borchart van Westerholt, Drost vau Volleuho. 

Adriaen van Reede, Drost te Laeg^e. Is ten Hove. 

Johau Mulart, Amptman ter Kuinre. 

Johan van Ytterssum, Drost te Ysselmudou. Krank. 

Claes van Bevervorde, Drost ten Blauckeuberch. 

Arent Mulart, Scholtus te Hasselt. 

Aloff van den Rutenberge. 

Adriaen van Twickeloe. 

Joban van Bockborst to Sallick. 

Joban van Bockborst to Boxberge. Krank. 

Joban van Twickelo Jansz. (xewond. 

Willem van Bockborst Jansz. 

Otto van den Ruteuberge. 

Herman van den Cloester. 

Henrick Hagen. 

Volckier Sloet. Krank. 

Erenst van Ytterssum ter Heyne. 

Peter van Keppel. 

Dierick van Keppel „veruoitsinnicbt" door ziju scbriften. 

Joban van \'oerst to Bersen. 

Peter van Voerst ) „. „^«„ 
,, ,T . > absens. 

Herman van voerst ) 

Bemt van Tbye. 

Pelgrom van Tbie. Krank. 

Mr. Jan van Langen, Doctor. 

Wolter Stellinck. 

Heer Bernt van Scbledick Commandeur te Oitmorssem. 

Joban van Essen. 

Hinricb van Recbteren. 

Reynt van Coverden. 



2(54 

Seyue van Welvelde. 

Hemiaii Grobbe. 

Wolter van Heyden, Pander in Twenthc, 

Goessen de Wrede, Pander in Sallant. 

Wolff Mulart Geertsz. 

Ghysbert van Dort „vernoitsinnicht" door zyn brief. 

Alffert van Ysselmuden. 

Johan van ItterBsnm Jansz. ' 

Johan Mulart Lubbertsz. 

Roloif van Wterwijck. 

Johan van Wterwijck. 

Koeloff van Scheven. 

Bartolt van Langen. 

Brnn v^n Langen. Absens. 

IJoldewyn Hagen. 

Arent Sloet. 

Vniko van Ripperda. Absens. 

Willem van Buckhorst. 

Mr. Gerijt Zwaeffken ) ri j r^ *. l^ 

Mr. Geerlich Doys } ^«"^«P- ^*" Deventer. >) 

Gerijt Luese ) ^^ i ^^ «x 

Kersten van Diepenbroeck I /^ j n ^^ ^^ 

Jasper ten Holte } ^^^^P' ^^^ ^woUe. ») 

In zake Thijs van llaoekenboroh q.q. tegen 
LanibcTt van Rede en Jan Cappelman over 2 
paarden, welke juml. zegt, dat zekere Jaspar 
lioiekliolt t(»gen 's Keizers landvrede uit liet land 
van de niarke ontvreemd zoude hebben, en dat 
dus verw. zonder dat hun eenige ,,ongeltnijss" 
gerestituetTd wordt, de paarden moesten teru^even, 
waartegen verw. antwoorden, dat zij de paarden 
met gec^n „heymeliken kamereoep jn velde off 
winekelen,'* maar op een vrije jaarmarkt openbaar 
gekoeht h(»bben en zij dus naar landregt onlx^ 
drog(ai moet(»n zijn; willen de aanl. de paarden 



1) op den kant sUat, dat in plaiita Yiui Zwaeffken Terscheen Dirick Tan 
Brunsfplt. 

2) Op d(M) kant staat, dat in ])laat.-( van Loese gezonden is Jan yan der 
Vecht. 

:i) In plaat» van ten 't Holte is gezonden Goert Tan de Water. 



265 

weder hebben, zullen zij de uitgeleefde penningen 

moeten terug betalen; — is geklaard door Stadh. 

R. en St.: wel gewezen en kwalijk beroepen voor 

zoover de verw. voor den Drost van Twenthe 

een behoorlijken eed doen niet geweten te hebben, 

dat de paarden gestolen waren. 

D 3 heeten de aanl. kooplieden nit liet vorstendom 
Cleve. 

Het proces van aanspraak, antwoord en een 
certificatie tusschen Wolter Vledderinck en Roeloff 
Reyners is gesteld in handen van den Drost van 
Yollenhoe en Hinrich Hagen, om te gelegener 
tijd de zaiik te onderzoeken en partijen te ver- 
zoenen en anders op den volgenden landdag rapport 
te doen. 

Blykens D 3 liep het geschil over 7 geen lands te 
Wanneperveen. De aanl. heet daar v. Vlederen. 

Het pro(»es tusschen Dirick van Overenk en 
Ernst van Itterssum, waarin verschillende duister- 
heden en tegenstrijdigheden bevcmden worden, is 
met alle ingeleverde munimenten ter hand gesteld 
min Mr. Gerijt Schwaeffken en Gerlich Doys, 
Burgemeesters en Gedeputeerden van Deventer, 
om met andere goede vrienden te trachten partijen 
te verzoenen en anders de stukken met hun rapport 
weder in te leveren. 

Door den aanl. zijn overgegeven de {lanspra^ik, 
copie van het handschrift van Robert van Ytterssum, 
een register van 8 authentieke copien van originele 
brieven, geschreven door Henrikus Ochtorp, nog 
2 authentieke copien A^an originele brieven, 2 certi- 
ficaten van de stad Deventer en 1 certificaat van 
Rigter en Schepenen van Sutphen. 

Door den verw. zijn overgelegd: het antwoord, 
een certificaat van den Schultus van Wye, een 
certificaat van de stad Deventer, een^ dito van den 
Ofiiciaal van Deventer, een handschrift van ge- 



2H6 

tuip^onis d(J8 Pastooi^j van Wye en de wijzins^e 
van Wolter Stellinc^k, wicn hot ordel besteed is 
}?(ï woest. 

1) 2 komt de zaak minder uitvoerig voor. Daar 
heet zij te loopen over 78^/« ggL^ welke Emst's 
vader Robert van I. aan Dirck schuldig was en 18 
ggl., welke Ernst zelf te betalen had. 

Te schrijven aan de Raden van Holland om 
een bijoonkonist te Vollenhoe op 19 Oot. 's morpions 
ten 8 ure van de waterschepen volgens bevel 
der Koningin. 

De zaak tusschen Zweder van Overhagen en 
Claes Jelmers van wege zijn vronws moeder 
Kevleworts weduwe, is bijgelegd, gelijk de Pander 
van Twenthe verklaard heeft. 

De zaak tusschen Werner ten Süil's weduw^e 
Wolt(;r van Heyden en Bernt van Beverforde tot 
Weonissel eveneens. 

De zaak tusschen Jan Pruyssener en Bernt van 
Beverfoerde to Weemssel eveneens. 

Op verzoek van die van Uterwijck in zake 
het onderhoud der nieuw opgennuikte hoofden is 
geaccordeerd, de partijen daarop te zijner tijd te 
verwittigen. 

15:.U Oct. 6 (D 2). 

Op den brief van den Furst van Gelre aan 
Ilenrich en Otto van Rechteren gebroedei's, dat 
zij op 21 Oct. te Arnhem zouden komen, om het 
huis te Almelo van hom in leen te ontvangen, 
daar de Furst cmlangs zijn vervreemd leenboek 
teruggevonden had, en dat zij voorts dos Fursten 
dienaar Claes van Gent met zijn tegenpartij op 
den regtdag te Arnhem op dien dag brengen 
zouden, waar aan ieder regt zoude wedervaren, 
zal door den Stadh. geantwoord worden, dat het 



267 

een leen is van Z Keiz. Maj. en in de laatste 
100 of 150 jmir van den Keizer of diens bissc^hoppen 
in leen ji^ehouden is. De gebroeders zullen dus 
te huis blijven en de Stadli. zal hierover sehrijven 
aan de Koningin. En wat de zaak van v. Gent 
betreft, daarvoor behoeven zij niet naar A. te 
reizen, want hij kan hier zijn tegenpartij aan- 
spreken en regt verkrijgen. 

In het geschil tussohen Marton Willemss en 
een schepen van Enschede, geheeten Roloff, over 
eenige elkander gegeven scheldwoorden is het 
vonnis van waarde verklaiird, zoodat de verw. 
vrij zal zijn, bij gebreke van bewijs door aanl. 
bijgebragt. 

1535 Oct. 7 (C xiiij v°). 

Het proces tusschen de buren van Tv en Raedc*. 
en Heer Sukarraet te Deventer is oven^eleverd 
aan den Drost van Sallant, om onderzoc^k, en 
partijen te verzoenen, en anders op den volgenden 
landdag rapport te doen. 

In zake het Convent van Clarenburch tegen 
Roeloff Reyners over aiirde, welke door verw. van 
tuinl. 's lands gevoerd zou zijn, zijn daar van .weers- 
zijden on vormelijk geprocedeerd is, beide partijen 
weder op hun vrije voeten gesteld en mogen zij 
opnieuw vormelijk procederen, behoudens dat de 
Drost, zoo hij meent, dat cUin den Keizer iets 
verbeurd is, dit met landrcgt verhalen mag. 

Daar in het proces van de buren van Wedc- 
hoen en Cotwick tegen Wolter van Coverden, 
JuflF(5r Anna van Mervelde wed. v. Covordcm in\ 
Roelof van Hovele over zeker difierentie van de 
marke, het bewijs of de authentieke coj)ie, in de 
aansprmik „vermaent." niet bevonden is en de 
wijzinge in de claringe niet beroepen is, is den 
Drost van Twenth het proces overgeleverd, om te 



268 

informoeren of de beroeping geschied is, dan wel 
de teekening er van vergeten, en naar bevind van 
dien te laten geschieden als naar landregt behoort, 
zoo men partijen niet verzoenen kan. 

Het proces tusschen de buren van Woelde en 
Jan ten Langeler over brandschatting is aan den 
Drost van Twenth overgeleverd, om partijen te 
zeggen, vormelijk naar landregt te procederen. 

Het proces tusschen de Heeren van der Horst 
bij Renen en Egbert Vechterdinck is overgeleverd 
aan Rutger. van Depenbroeck en Jaspar ten Ilolt, 
Gedeputeerden van Zwolle, om met andere heeren 
niadsvrienden -T^rtijen te hooren en zoo mogelijk 
te verzo^^^ Jac-'^ anders op den vglgenden land- 
dag rapi; ',],i\e doen. j^ 4 

In zake Geert Borchartsz, scV 11 ^ier, Godschalck 

Rippertsz ' en Johan Wolffsz teg^' ^^^.^ohan en Tymen 

van den Veen gebroeders over «^ gifte, door de 

7 landgenooten gedaan in een f stèren dijk door 

de aanl. aangetast en hun door v*en Dijkgraaf van 

Mastebroeck Johan van der Marsch en zijn 

Heemraden naar dijkregt toegewezen, blijkens 

authentieke copie des giftingsbiiefs, waartegen de 

verw. antwoordden, dat het land door de zeven 

kwalijk begeven is, is geklaard, dat de giftinge 

van waarde is en de aantasters in het bezit zullen 

gehandhaafd worden, tenzij de verw. binnen een 

jaar bewijzen, dat de giftinge onregt geschied is 

het land niet uit dien boezem gekomen is, in 

welk geval zij opnieuw de zaak voor Stadh. R. en 

St. mogen brengen. 

D 5 staat deze zaak op 8 Oct. en betreft zij de 
giftinge van eenige waertal inCollensant, Sceeren 
Wilsemmeroever. 

In zake Albert Vledderinck tegen Roloff 
Tymesz over zekere copie door aanl. gevorderd. 



269 

is geklaard: kwalijk gewozen en wel beroepen, 
totdat de aanl. mei beter bewijs en met den leen- 
heer triomfeert. 

Op de Buppl. van Katherine ter Borch, „wyr- 
dinne" te Rechteren, van 37 ggl. welke zij klaagt 
van de landschap en steden ten achteren te zijn 
wegens teringe in het „schlichten des wals van 
den huse Rechteren/' is den Drost van Salland 
door Stadh. R en St. bevolen, alle schouten van 
Zalland voor den Arkensteyn te ontbieden, en 
met de vrienden van Deventer hun onder eede 
af te vragen, welke penningen zij voor die kosten 
uitgezet en van hunne kerspelen ontvangen hebben 
en aan wien zij die gelev;r.^vpiv.. betaald hebben. 
Naar bevind van zaken zal "o^erii t' daarna met 
de vrieni<< nwan Deventer zorgen,'^u/^hetobetaalde 
betaald wia^le, zoodat, de weerdmne tevreden 
gesteld wff?l''3; ontmoeten zij zwarigheden, zoo 

zullen zij \^ \ Stadh. daarvan adverteren. 

Naar ' . • M schijnt is dit dezelfde zaak, als die, welke 
D 6 op . ' Oct. voorkomt. Bg regest luidt zij daar 
echter : ' ' 

Op de suppl. van Cathryne ter Bon^h te Gene- 
muiden aangaande eenigen verteerden kost, omtrent 
bcloopende 27 of 28 gl. door zal. Ghert van Langen 
geschied, waarop de weduwe zegt, dat die pen- 
ningen verdeeld zijn en dat zij die mag zoeken 
op Herdenberch, Wye en Rixelte, is de Drost 
van Sallant gecommitteerd bij een derafgevaardigden 
van Deventer ten spoedigste de partij met den 
genoemden schout te verschrijven en ook Beckum en 
Henr. van Ochtorp, als ontvangers der zal. Drosten, 
om te onderzoeken, hoe de zaak gelegen is. 

In zake de Priesters en Clerken van het Frater- 
huis te Zwolle tegen Jan Egbertsz over 2 mud 
rogge jaarlijksche rente, hun gevestigd uit zeker 
onderpand gena^und Ben te me ska mp blijkens 



270 

authentieke co])ie van ze^el en brieven, waarvan 

echter verw. beweert, dat het een „schleper" 

(slaper) zoude zijn en dat de aanl. de pachten 

manen moeten waar zij voorheen die gemaand 

hadden, is geklaard : daar uit de brieven duidelijk 

blijkt, dat het onderpand voor die 2 mud rogge 

verbcmden en ,, verstri ckf' is en de annl. „mid- 

dolertijt'* van de pachten betaald zijn, is de brief 

van waarde erkend en mogen de aanl. hun pachten 

op het (mderpand vervolgen. Mitsdien kwalijk 

gewezen en wel beroepen. 

D 7 (8 Oct.) heet het land Hallinck waamit eerst 
de rente ging*, maar was de Benthemerscamp daarvoor 
in de plaats verbonden. 






In zakfe Jacob Wterwijck, huisman te Wijlsvsum, 

tegen IWVoflf van Lennep van 45V2 ggl. voor 

verdiend arbeidsloon van een dijk te maken door 

verw. aan aanl. {lanbesteed, blijkens certificaten 

en gerigtsschijnen, door den "lanl. in zijn ordol 

en aanspraak „bedinget,^^ en behoorlijk bijgebragt, 

hetwelk verw. cmtkent, is geklaard : aangezien 

vc^'w. d(*. certificaten niet naar regt heeft kunnen 

wederleggen, zal hij den aanl. het verdiende loon 

betalen, wordende de onkosten naar taxatie van 

Stadh. R. en St. gereserveerd. 

Volgens D 6 op 8 Oct. betrof de zaak eene wade 
in den Ysseldijk, gescheurd ten tijde, dat de Fnrst 
van Gelder Zwolle bezat en bedroeg de som 45^/2 ffl. 

In zake Lutgen Ilenricksz tegen Dierick Pu thofF 
en Jan Pc^tersz Moller over een brief van 4 gl. 
's jaars in handen van verw. zijnde, is gekhiard: 
dat de brief bij de verw. als de naaste erfgenamen 
blijven zal, totdat de mini. bewijst, gelijk hij l>e- 
w(Wt, dat hem de brief toekomt en toebehoort. 

In zake Johan Hegerinck te Drynen en Lantfort 
te Losser tegen de wed. van Engelbert Assijnck 



271 

over zekero huwol. voorwmirdon tusscheii iianl/s 
vader Bernt en zijn j^enoemdrni broeder Engelbcrt 
met de verw. opo;emaakt, blijkens f^etuigenis in 
het proces „verhaelt" en door aanl. onj^estraft, 
waartej^en de aanl. beweerden, dat die huw. voorw. 
om aanfir^voerde redenen niet van waarde zouden 
zijn, zijn door Stadh. R. en St. de huw. voorw. 
van waarde erkend en is geklaard, dat de wijzinge 
door Borchmans en Schepenen van Goer kwalijk 
gewezen en wel beroepen was. 

In zake de Drost van Zallant, klager namens 
den Keizer, tegen Pater en convent van Buskeshuys 
te Deventer over 10 mud rogge per jaar, welke 
door Johan van Geel, als een „vprorigen principalen 
wederdoeper tot Amsterdam gericht," krachtens 
's Keizers mandament bij confisc^atie verbeurd zoude 
hebben, w^iartegen door verw. mmgevoerd is, dat 
Joh. V. Geele die jaarrente aan Pater en Convent, 
voordat hij met de secte der wederdoopers „be- 
faempt ofte beruchtiget" was, voor 2 Schepenen 
van Deventer, met den principalen brief, bezegeld 
door den Ambtman der Abdis van Essen, over- 
gedragen heeft; en dat aangezien daarin geen 
bedrog gevonden zoude worden, de kooper naar 
landregt onb(ïdrogcn behoorde te zijn, — is ge- 
klmird: daar de rente aan de verw. niet over- 
gedragcMi is gelijk naar landregt behoort, zoo 
zal zij jum den Keizer. geconfiskeerd blijven, mits- 
dien door den wijzer wel gewezen en kwalijk 
beroepen. Kunn(»n verw. in deze zmik van den 
K(»izer gratie krijgen, dat zullen zij mogengenieten. 

D 7 (Oct. 9) lieeten de verkoopers Johan van Gelen 
en Fenne zijn vrouw en ging de rente nit den hof te 
Are hum en Namink. 

In zake Tlinrich IIoflF tegen Gyse van Buyren 
over appel-, ])eere- en eikeboonum, welke verw. 
beweert op aanl. 's grond gepoot te hebben en 



272 

daarna wodor afgehoinv(Mi heeft, is geklaard: aan- 
gezien verw. zich zejf gericht, heeft, moet hij 
den aanl. de schade van de afgehouwen boomen 
,,tot kentnijs des Drosten van Vollenhoe mit twe 
naberon verrichten." 

D 8 (9 Oct.) lieeten de partyen Jacob Hoif van 
wege zijn vader en öyse van Bijmmen zijn meijer en 
is het vonnis omstandiger omschreven. 

1535 bet. 7 (D 5). 

Mr. Gheert Zwaefken allegeert de infractie van 
onze privilegiën, aangezien die van Hasselt geen 
appel naarDe venter willen „gestaeden," waarop 
die van Hasselt tegen 18 Oct. e. k. voor Stadh. 
R. en St. met genoegzame informatie verschreven 
zijn. 

1535 Oct. 8 (C xij vo). 

In zake Mr. Hinrich Buest tegen Jan Backer, 
burger van Zwoll, over 5 mud rogge jaarrente, 
welke Heer Jan Boecker tot de fundatie van een 
vicarie in de kerk van Dallessera, aan den 
aanl. toebehoorende, naar landregt overgedragen 
heeft blijkens zegel en brieven, en welke 5 mud 
Boecker later op nieuw aan Backer verkocht heeft, 
was geklaard: zoo de aanl. gelijk hij beweert, de 
eerste overdragt met brieven en zegels bewijzen 
kan, zal de laatste koop ongeldig zijn; in dat 
geval kwalijk gewezen en wel beroepen. En daar 
de aanl. daarop met de fundatie van wege den 
Deken van S. Marie te Utrecht bezegeld, en door 
Bisschop Hinrich van Beijeren geconfirmeerd en 
met een Rigtersbrief door den Scholte van Dalles- 
sem bezegeld zulks bewezen heeft, — zoo is nu 
definitief door Stadh. R. en St. gedeclareerd: dat 
Backer de 5 mud met d(* gebeurde renten aan 
Buest teruggeven zal en voor kosten zal betalen 



273 

5 ggl. behoudens zijn regt tegen de erfgen. van 

Heer Jan Boeker. 

Staat D 3 op 6 Oct. het eerste vonnis en op 9 Oct. 
het definitieve. 

In zake Everardus Stenforden tegen Vlakes- 
beeke('8) erfgen is het proces aan den Drost van 
Twenth overgegeven, om den Rigter van Oldenseel 
te bevelen partijen onvertogen regt te laten weder- 
varen en den Rigter ernstig te vermanen, zulk 
een onvbrmelijk proces voor hem niet meer te 
laten geschieden en niet in de claringe te zenden. 

In zake Melchior Reyger, Bernt Kost en Johan 

van Enschede voor zich zelf en q.q. tegen Con- 

radus Reyger, over een geschil van erftins en 

versterf, welke aanl. beweren door hen georven 

te zijn en dus door hen voor do verschillende 

Rigters, waaronder de goederen gelegen waren, 

vervolgd waren; waartegen verw. allegeert, dat 

het erfhuis binnen Oldenseel gelegen is, dat de 

erfgen. naar landregt de zaak in het erfhuis be- 

hooren te verzoeken en vervolgen, is geklaard, 

dat de aanl. hun actie behooren te vervolgen voor 

het gerigt, waar het erfhuis gelegen is. 

D 4 heet de gedaagde Evert en luidt het vonnis 
iets anders. 

In zake Juffer Berte Blomendaels wed. Johan 
ten Busch tegen Jacop Blomendael en Claes Vanen 
van 15 postulaat gl. per jaar, welke zal. Geert 
Blomendaell aan zijn en der aanl. broeder Henrik 
krachtens een moetzoen schuldig zou zijn, welken 
Henrich de aanl. in zijn groeten nooddruft in het 
Manhnis te Zwolle had doen verplegen, waarvoor 
zij aan de Provi;»oren per jaar 15 postul. gl. 
beloofd en uit haar eigen goed betaald had, con- 
tendercnde daarom, dat de verw. als erfgenamen 
van Geert haar die gelden betalen of de Provisoren 
ontlasten moeten, hetgeen de verw. blijkens hun 

18 



274 

antwoord wederspreken, — is geklaard: als de 

aanl. met den moetzoen en bij extract uit het 

Reo^ister der stad Zwolle, bewijst wat zij beweert, 

zullen de verw. schuldig zijn de Provisoren van 

de 15 ggl. per jaar te vrijen. 

Daar de moetzoen overgelegd is en de Secretaris 

van Zwolle Ckes Ridder verklaard heeft, dat de 

clausule van het Platte Register als boven verhaald 

is, is de sententie definitief gedeclareerd, tenzij de 

verw. anders l>ewijzen door quittantie van betaling. 

Volgrens D 4 is het ordel gewezen op 6 Oct. en de 
definit. sententie op 11 Oct. 

Het proces van de schippers is aan den Drost 

van Twenth, Dr. Lange, Jan van Buckhorst, 

Ilinrich Hagen, ITerman van den Cloester en de 

Gedeput. van Deventer overgeleverd. 

Volgens D 5 betrof die brief een wedersproken ordel 
aangaande de gearresteerde schepen, waarin de Ana- 
baptisten te Genemniden gevoerd werden, was de 
dagteekening 7 Oct. en zonde het proces door genoemde 
gedepnteerden nit R. en S. 10 Oct. gevisiteerd worden. 

1535 Oct. 8 (D 5). 

Op de mondelings voorgebragte en met voor- 
schrijven van Stadh., President en Raad van 
Utrecht gesteunde klagt van Johan van Swoll, 
burger te Utn^cht, tot bekoming van vergm^ding 
voor eenige oss^^n hem in 1521 ontnomen, te 
Oldenzaal gebnigt en ^voer prijs gecant," is na 
lang l)ei'aad mondelings geantwoord en aan die 
van Utrecht geschreven, dat de ossen gevangen 
zijn bij Luessenerholt in Ommerkersp4, omdat 
zij bij V. Swol als een uitheemschen geen paspoort 
vonden, dat hij toen zij te Oldenzaal kwamen, 
zich verboi-gen had en was gaan loopen, enz. 
zoodat men hem niet helpen kan. 

1535 Oct. 1) (C xvij V). 

Tusschen Jocham Sticker koopman en Ot van 



275 

Rechteren, Drost te Genetnuiden, geschil gerezen 
zijnde over 180 ggl. door Jocham aan zal. Aloff 
van Rechteren, Ots broeder, in Lijfflant voor- 
geschoten blijkens zegel en brieven, vraartegen 
Otto aanvoert, dat hij die schuld van vrege zijn 
broeder niet behoeft te betalen, daar deze van zijn 
patrimoniael portie gerenuncieerd had blijkens zijn 
eigen handschrift, hebben partijen „claeckloes" en 
zonder eenige exceptie en reductie do zaak gesteld 
tor arbitrale uitspraak des Stadh , die bepaald 
hoeft, dat Ot 90 ggl. h 28 st. betalen zal in 3 
termijnen op straf van reale executie, met de eene 
hand te panden en met de andere de panden te 
verkoopen en te slijten. 

Gedaan te VoUenhoe in tegenwoordigheid van Mr. 
Jacop, Advokaat des Hofs van Holland, en Bartholo- 
mens van Coelen, Griffier 's lands van Overijssel. 

Tn zake Hinrich Splinter tegen Aloff van den 
Rutenbergh over schade, welke aanl. beweert door 
verw. geleden te hebben in strijd met een gesloten 
moetzoen, doch door verw. tegengesproken, is ge- 
klaard: wel gewezen en kwalijk beroepen, zoodat 
verw. de aangebragte schade tot erkentenis des 
Drosten van Salland met 2 naburen betalen zal, 
onverminderd hetgeen Seyno Mulart, Drost van Sal- 
land, en Ot van Rechteren, Drost van Genemuiden, 
rakende andere differenten tusschen partij(in over 
den laatsten moetzoen zullen uitspreken. 

In zake Ilenrich Bergerinck tegen Hinrich Claesz 
en zijn zoon Roelof, over een wapengericht van 
geweld bij den Drost van Blanckenborch {lan- 
gebragt, welk geweld door verw. ontkend is met 
aanbieding „hcur ontschult te doen" en „selff 
derde'' dit met hun eed te doen, is geklaard: 
tuxng. aanl. a^inbieden voet en lijf tegen de verw. 
te s<"ellen, zoo zullen de verw. hetzelfde moeten 



276 

doen, of zich met .... {getal oningevuld) volgers 
naar landregt op het geweld „entsehuldigen." 

In zake Pouwels van Borstelen tegen koopman 

Vlrich van Campen over een door aanl. van verw. 

gekocht paard en de daarvoor gegeven obligatie, 

is geklaard: wel gewezen en kwalijk beroepen, 

zoodat aanl. zal moeten betalen of betaling bewijzen. 
D 9 (11 Oct.) heet de aanl. Henrich Snyder g^ 
magrtigde van Ponwei van Bolsten. 

In zake Yolckier Sloet tegen Mr. Arent de 

Boekoep over een b e sa te en arrest van 5 ggl. 

per jaar door aanl. bij dat gerigt geconsigneerd, 

is geklaard: wel gewezen en kwalijk beroepen 

zoodat de aanl. den verw. betalen en voldoen zal. 
Betrof blykens D 9 (11 Oct.) pandkeering op grond 
van betaling in tijd van „vebeden." 

In zake Henrich Geertsz, Ruert Kerstgens en 
Egbert Goessensz c. s. tegen Henrich Frerichs, 
Jan Jacop Wolters en Henrich Doerganck c. s. 
over 33 gcön lands, is geklaard: dat verw. in 
het bezit blijven zullen, totdat de aanl. hen met 
regt er uit slijten. 

In zake Cornelis Macharis en Bernt van 
Dotinchem tegen Gerbrant Evertsz en Swane diens 
zuster, over zoodanige „eychgeninge" als Gorrijt 
Hacker, Onderscholte te Hasselt, ten behoeve der 
aanl. op eenig roerend goed gedaan had, is ge- 
klaard : daar de „eychgeninge" niet volgens land- 
rogt gedaan is, worden partijen weder op hun 
vrije voeten gesteld, om 't zij in vriendschap, 't zij 
door formeel proces de zaak ten einde te brengen, 
blijvende echter de roerende goederen in arrest, 
en indien daaronder bederfbare waar is, zal deze 
„by den gerichte" verkocht worden ten bate der 

daartoe geregtigde partij. 

D 11 (il Oct.) anders omschreven. 

In zake Elisabeth Goymans wed. Henrich 



277 

Persens toj^eii Willem Petersz, gemagtigde van 
do stiid Levden, van een arrest en besate door 
aanl. met den Onderscholt der stad Hasselt aan 
Alert Iloltkoper, als burger en lidmait van Leyden 
geidaan van 340 koopmans- of currente gl. van 
verjaarde en onverjaarde lijfrente, welke zij van 
de stad Leyden te vorderen heeft, blijkens ver- 
toonde zegels en brieven, welke duidelijk inhouden, 
dat bij gebrek van betaling de houder deze zal 
mogen verhalen aan eiken burger of poorter der 
stad, hetzij binnen, hetzij buiten de palen van 
Holland, zonder dat deze daartegen eenige ver- 
wering mag doen; — waartegen verw. geallegeerd 
heeft, dat de Keizer aan de stad Leyden een 
bezegelden brief van gratie en privilegie gegeven 
had aangaande deze en andere achterstallige lijf- 
renten, en dat daartegen geen ordel noch regt 
behoorde te gaan; — is geklaard: daar de stad L. 
de hoofdsom over de lijfrente (mtvangen heeft, 
voordat Overijssel onder den Keizer gekomen is, 
en hij gezworen heeft bij tractaat de ingezetenen 
te handhaven in al hun regten, vrijheden, pri- 
vilegiën en gewoonten, uit kracht van welke de 
kooper niet bedrogen behoort te zijn en in 
deze landschap zulke brieven van „quinekernellen 
ende vpstellingen" ongewoon zijn en niet plaats 
grijpen; dat daarom 's Keizers brief van state en 
surc(h)eance de aanl. als ingezetene dezer land- 
schap, die haar lijfrente niet ontberen kan, niet 
schaadt en dat dus de stad L. en Holtkoper als 
haar burger verpligt is te betalen. De kosten 
worden gecompenseerd. 

In zake Mense ter Bleke erfgenaam van Jan 
t. B. tegen de gemeene buren en ingezetenen des 
kerspels van Raelte over een hoofdsom van 44 
ggl., ten behoeve der verw. door aanl. te Deventer 
geworven en „de dincktael des kerspels'' te Zwolle 



278 

betaald aan Willem Waterman, voor welke pen- 
ningen aanl. zijn goed en kamp bezwaard had 
met 4 mud rogge per jaar, blijkens getuigenis en 
certificaat daarvan overgelegd, waartegen verw. 
allerlei redenen met bloote woorden bijgebmgt 
hebben, is geklaard: aang. verw. het getuigenis 
en certificaat niet weerlegd hebben, zullen zij den 
aanl. de 4 mud rogge kwijten met de hoofdsom. 
De kosten worden gereserveerd. 
D 12 op 12 Oct. gesteld. 

In zake Andries Schurinck tegen Heer Jacop 
Wessels en Heer Wolter Roelofsz van een ^schlichte 
aenspraek van een bruke landts" door aanl. op 
verw. gedaan, is de aanspraak als contrarie den 
regten gedaan van onwaarde gewezen en kwalijk 
gewezen en wel beroepen geklaard. 

Blijkens D 12 (12 Oct.) betrof de zaak land be- 
hoorende tot de vicarie van verw. 

In zake Frederick Schurinck tegen Jan Jansz, 
als oom en momber der kinderen van zal. Johan 
Tydens, over 2 „benthe" lands, welke aanl. aan- 
neemt bij handschrift te bewijzen van Jan Tydens 
gekocht te hebben op zekere voorwaarde van losse, 
welke na zekeren tijd vervallen zoude zijn, waar- 
tegen verw. allegeert, dat tuml. het handschrift in 
het gericht niet getoond heeft en dat de overdragt 
des koops niet nmir landregt geschied was, is ge- 
klaard: dat de aanl. de penningen ontvangende 
onder den gerichte geconsigneerd, den verw. de 

2 benthe lauds zal laten volgen. 

D 13 op 12 Oct. gesteld en verw. anders gequaliliceerd. 

In zake Johan Mommen, zijn broeder en zusters 
tegen Jan Kerstgens van een panding van 4 mud 
rogge, door den tuml. op den verw. gedmm bij 
brief en zegels in den gerichte gebleken, waar- 
tegen v(»rw. aanvoert, dat door aanl. zelf en hun 
vader in geen 40 jaren die pacht uit zijn erve 



279 

en goed gemaand is en dat daarom de brief, 
Wiuirmede zij spreken ^onbundich ende een 
öchleper is," is geklaard: aang. de aanl. geen ge- 
noegzaam bewijs bijgebragt en de pacht binnen 
den tijd der praescriptie noch gemaand, noch ge- 
vorderd heeft, zoo zal verw. van de panding en 
pacht geabsolveerd zijn en is de brief een „schlaeper." 
Blijvende intusschen de pacht van IV* mud rogge, 
welke aanl. naar bekentenis van verw. nog in 
bezit en gebruik heeft, in wezen. 
D 12 op 12 Oct. geplaatst. 

In zake Hinrich Kerstgens tegen Goessen en 
Jan Ililprix gebroeders, over schade geleden door 
het rijden van verw. met een voer hooi over aanl.^s 
land tegen het verbod van 2 goede mannen, waar- 
tegen verw antwoordden, dat zij noch schade, 
noch geweld gedaan hebben, omdat het hun niet 
„by den gerichte'* verboden was, doch dat zij 
bereid zijn, zoo er schade is, die bij schatting van 
goede mannen of van het gericht te vergoeden; 
is gekhiard: dat de verw. de aangeboden ver- 
goeding betalen zullen, gelijk de Drost van Vol- 
lenhoe met 2 „naeberen" die bepalen zal. Be- 
houdens het rcgt van 's Keizers hoogheid, als de 
Drost meent, dat daartegen gedaan is, om de zaak 
naar landregt te vervolgen. 

D 13 (12 Oct.) veel beknopter. De gebroeders 
heeten daar Henrichsz. 

In zake de wed. Evert Berchhorst tegen Jacop 
Ilermansz van 10 ggl., welke volgens aangeboden 
bewijs de verw. haar schuldig was, en beloofd 
had, waarop verw. antwoordt, dat hij van de 
aiinspraak geabsolveerd moet worden, daar aanl. 
hem niet heeft kunnen houden en brengen in het 
bezit van den koop dier penningen; is geklaard: 
zoo ver aanl. bewijst wat zij beweert, is de 
„wisinge" wel gewezen en kwalijk beroepen; 



280 

doch de verw. behoudt zijn regt om eene actie 

over deze zaak tegen haar in te stellen. Daar 

zij vervolgens met certificatie en getuigenissen 

bewezen heeft, wat zij in de mmspraak beweerd 

heeft, moet verw. de 10 ggl. betalen. 

D 13 (12 Oct.) blykt de zaak over den koop van 
een huis te Hasselt te loopen. Het bewijs werd 21 
Oct. geleverd. 

In zake Albert van der Zede tegen Zweer ter 
Loe CS. over zekere schutting van schapen, 
door de gezworen schutters der buurschap Heeten 
gedaan, en in een huis gebragt, doch door verw, 
teruggenomen zonder verlof der schutters en met 
geweld weggedreven, alvorens den aanl. als marke- 
rigter tevreden gesteld te hebben, en dat de klagt 
van geweld in het gericht aangebragt bewijs 
genoeg zoude zijn; waarop verw. antwoorden, dat 
de buurschap Heeten en Boetele het veld, waarop 
de schapen geschut zijn, met hun schapen en 
beesten „boven eenige memorie van menschen als 
een onbepaelt ende onbecroont" bedreven en ge- 
weid hebben en daar verw. hun panden daarvoor 
gesteld en zich te Raelte in het gericht aange- 
meld hebben ter verantwoording, zij geen geweld 
gedaan zullen hebben en van de aanspraak geabsol- 
veerd worden; is geklaard: zoover verw. bewijzen 
kunnen, dat zij hun pand voor de schutting ge- 
steld en zich „te recht erboden" hebben, zullen 
zij geen geweld gedaan hebben en van de aanspraak 
vrij zijn en mitsdien: wel gewezen en kwalijk 
beroepen. 

In zake Dirich Hinrixs tegen Mense ten Velde 

over een different van een dijkzaak, zijn beide 

partijen geremitteerd, om zich te regelen gelijk 

naar dijkregt behoort. 

D 14 (12 Oct.) komt ten Velde voor met asyn 
adhaerenten. 



281 

In zake Tymen ten Berge tegen Ariaen Andries 
en Kerst Joest : daar het proces duister en onvor- 
melijk bevonden is, wordt het gecasseerd en 
mogen partijen op nieuw „formlick'' procederen 
zooals het behoort. 

Liep over de verpachting van een stnk lands 
(D 14, 12 Oct.). 

In zake Jan Jacopsz tegen Egbert van Loonen 
over een aanspraak van een schijn van de schatting 
den aanl. betreffende, dat verw. ontkent te hebben, 
is geklaard: zoover verw. zijn „onscholt doet'' 
als naar regt behoort, dat hij zulk een schijn niet 
heeft, noch weet en niet willens vervreemd heeft, 
zal hij van de aanspraak vrij zijn en mitsdien 
wel gewezen en kwalijk beroepen. 

D 14 heet verw. Engbert van Loene. 

De zaak van Albert Wichers tegen Jan Schoc- 
maker is aan den Drost van VoUenhoe over- 
geleverd, omdat het onder de 10 Beijersche gl. 
is, om de zaak met goede mannen te termineren 
voor zoover partijen zich niet onderling verdragcm. 

De Scholten van Steenwickerwolt en Paesloe 
hebben op de informatie, den VoUenhoofschen 
Drost opgedragen, op 13 dagmaat lands van het 
different tusschen Zwaene Aewijnges en Ewolt 
Hebelen en Heyman Hoyer, gelegen in den 1 d e- 
marckt, in de claring hun rapport en gicht gedaan: 
dat zij hot land in 't vierkant bebaakt en gevraagd 
hebben eens, tweede, derde en vierdemaal „ouer 
recht," of er iemand was, die zich dat land aan- 
trok of het verantwoorden wilde? waarop niemand 
verscheen behalve de gemagtigde van Swane 
Awijng, die meende daartoe geregtigd te zijn, en 
toen de Scholten het „gericht geheget" hadden, 
om de getuigenis van Merten Zwarte te hooren, 
zeide Heyman Hoyer, dat zijn vader het land 



282 

geschonken had aan S. Anne-vicarie in het 
Óldemarckt toen Heyman nog een jongen was. 

Gehoord de partijen en het antwoord van den 
hierover gevraagden Vicarius van S. Anne-vicarie 
en gezien de brieven en certificatie door Hoyer 
nu ingebragt, dragen Stadh. R. en St. wegens 
duisterheid der zaak aan de Scholten van Steenww. 
en Paesloe op, een betere informatie op te doen, 
zullende hun copie gegeven worden van de brieven 
van beide partijen, dienende „om de gelegentheyt 
ende bepalinge daervan wt te treden'' (16 
Oct. 1535). 

In zake Hijlle Vanen tegen Goert van Ilaerst 
over 125 ggl. door aanl. gevorderd van wijn, 
dien verw. in zijn huis heeft laten halen volgens 
getuigenis en certificatie den gerichte gebleken, 
waarvoor door aanl. 3 besaten op het goed des 
verw. gedaan zijn als zijnde magen aas, en naar 
landregt vervolgd, waartegen verw. antwoordt: 
dat de besate tegen landregt gedaan is, hij de schuld 
ontkent en beweert, dat de wijn „op andre lude" 
gehaald en betaald is; is geklaard: daar verw. de 
genoemde getuigenis niet gestraft (wederlegd) heeft 
en het eene zaak van magenaas is, terwijl hij voor 
de betaling geen bewijs bijgebragt heeft, zal hij 
met aanl. moeten rekenen en betaling doen of 
bewijzen. 

In zake de Drost van Zallant, klager der Keiz. 
Maj., tegen Bijster Engelbert over 5 oort gouds, 
welke klager beweert door dieverij aan de schatting 
onthouden te zijn en dat daarvan kwade eeden 
gezworen zijn, hetgeen verw. geheel en al ontkent ; 
is geklaard: ac'ing. de klnger zijn aanspraak in 
regten niet voldoende bewezen heeft en verw. ter 
goeder faam staat, zoo wordt hij van de aanspraak 
geabsolveerd. 



283 

1535 Oct. 10 (D 8). 

Is vacantie g^cwecst, doch hebben de ambtlieden 
met eenigen van de Ridd. en de afgev. van de 
Steden op bevel des Stadh. geraadpleegd over de 
mandementen des Keizers aangfumde do Ana- 
baptisten en over de actie van 's Keizers khiger 
op de schippers, die de wederdoopers te Grenerauiden 
gevoerd hebben. 

1535 Oct. 11 (D 11). 

Tusschen Jan Rosinck en RulofF van Scheven 
over den koop van het halve erve in de buurschap 
Usloe, gericht Enschede,, waarin Rosinck zich 
beklaagt over de helft bekocht te zijn, enz. is 
geklaard, dat men beide partijen ontbieden zal, 
om te zien hen in vrienschap te scheiden. 

Tusschen juffer Persins c. s. en Mr. Albert 
Comelijsz, burger van Leiden, over arrest, door 
haar op Mr. A.'s goed gelegd van 33 schild 
Vlaamsch lijftiicht, welke zij van de stad Leiden 
te vorderen had, is geklaard: aang. die (brief) 
van de stad Leiden inhoudt, dat men bij wanbetaling 
de penningen op haar burgers en goederen verhalen 
mogt, zoo wordt juffer P. in het gelijk gesteld 
en zal Albert hierin niet genieten eenige „quijn- 
kernellen," hoewel de stad die van den Keizer 
verworven had. 

(1535 Oct. 11) (B ij^xxvj). 

In zake Goert te Waeter, Rerich vtui Wterwick 
en Johan Pade voert t(?geu de buren A^an Tongeren 
over panding aan der aan leggers meijers of pachters 
gedaan en paudwering daartegen geschied, waarin 
de partijen en de wijzer zich beroepen op het 
mandement van de schattinge, in het jaar '35 
uitgezet tot lossinge der huizen en vlekken, 
zonder welk mandement Stadh. R. en St. zich uit 



284 

deze zaak niet ^ontreyden" kunnen, zal Mijn Gen. 
Heer aan den Schout van Wye schrijven om 
copie van het mandement over te geven, zullende 
verder geschieden zooals behoort. 

Daar de buren van Tongeren op den landdag 
in Oct. '35 te VoUenhoc gehouden met voornoemd 
mandement bewezen hebben de „intentie ende 
verweringhe van huer antwort," is door Stadh. 
R. en St. hun antwoord en defensie van waarde 
en door den wijzer wel gewezen en kwalijk be- 
roepen geklaard. 

Deze acte had in Redster C moeten staan. 

1535 Oct. 11 (D ii). 

Op de suppl. van de huislieden van Denegekem 
(Denekamp) over eenige jongens die spelende op 
het kerkhof zich (elkander?) gewond hadden, 
waardoor de k e r k o n t w ij d zoude zijn, is geklaard : 
iuing. het jongens waren en de verwonding „in 
taeren moede dan in spuU" geschied is, zoo 
is de kerk niet ontwijd, want zulks geschiedt 
dikwijls onder jongens. 

1535 Oct. 12 (D U). 

De Hollanders hebben een dag „beraempt" te 
VoUenhoe 25 Oct., om de gebreken der water- 
schepen enz. te behandelen. 

1535 Oct. 13 (D 16). 

Tusschen Fenne Seyne en Fye Tenginck over 
een b e zate van 4 der 8 mud rogge per jaar, welke 
Fye van Vrerick van Twickelen gekocht had, 
wordt gewezen: daar partijen on vormelijk gepro- 
cedeerd hebben, is hnn proces van onwaarde en 
mogen zij op nieuw procederen. 

Tusschen Herman Oemkens erfg. en Claess 
Dubbelts over 6 mud rogge, welke zal. Herman 



285 

hem „verzat'' had voor een van hem gekocht 
brouwtuig .... {niet voltooid). 

1535 Oct. 13 (C xxiiij v«). 

In zake Heer Reyner en Heer Frederich 
ten Broeke, beide Vicarius te Stoenwijck, tegen 
Merten Geertsz en Adriaen Andriesz van een 
moetzoenin 1514 tusschen partijen opgemaakt, 
over 2 ggl. en 2 mud rogge per jaar volgens de 
aanl. vennoetzoend, maar welke moetzoen volgens 
verw., als door hen niet bevestigd en onderteekend, 
ongeldig zoude zijn, is geklaard: aang. geen 
authentieke kopie van den moetzoen bijgebragt is, 
en uit de „cartabelle'' bevonden wordt, dat de 
moetzoen alleen door de arbitratoren van aanl. 
geteekend, en blijkens getuigenis en certificatie 
bevestigd is, terwijl ze door Evert Schonye, arbi- 
trator van de andere zijde, niet bevestigd of ge- 
teekend is, zoo is de moetzoen krachteloos en den 
verw. niet hinderlijk. Aanl. houden echter het 
regt met nieuwe regtsvordering naar landregt verw. 
aan te spreken. 

D 15 (Oct. 13) heeten de partyen H. Reyner en 
Arent Ghertsz vicarins tot Steen wyck c«. Maerten 
Gheertsz en lag het bezwaarde erve teCaelcoeten. 
Daar is bepaald, dat de zaak hervat wordende, met 
wereldlyk en niet met geestelyk regt vervolgd moet 
worden. 

In zake Herman Bruyns en Tymen ten Broeck 
tegen Tymen Ysbrantsz, als momber en gemag- 
tigde zijner moeder Lamme Tymens, over zeker 
erfenis, welke aanl. beweren zoowel op hen als 
op de verw. vervallen te zijn door versterf van hun 
ooms Heer Frederick en 'Mr. Johan ten Broeck, 
waarop verw. antwoordt, daar zijn moeder een 
regte zuster en naaste erfgenaani der genoemde 
broeders is, zal zij naar land- en stadregt erfge- 
naam zijn en blijven; is gekhiard: dat B. S. en R. 



286 

van Steenwijck naar landregt wel gewezen hebben, 
(lus kwalijk beroepen, zoodat Lamme alleen erfge- 
name zal zijn. 

D 15 Inidt dit ordel aldns: 

Tussohen H. Bruyns on Tymon ten Br. t. e. z. 
Tvman Ysbrandsz t. a. z. over het testament 
van Heer Vrerick ten Br. oom van beide par- 
tijen, is gewezen: fiang. de ouders van Herman 
Br. en Tijman ten Br. dood zijn en Ysbr.'s moeder 
zuster van Heer Vrerick nog leeft, zullen de verw. 
naar landregt tot de nalatenschap van Heer Vrerick 
niet geregtigd zijn, behalve hetgeen hun bij testa- 
ment toegelegd is. 

Daar die A^an Steenwijk naar men beweert van 
ouds gewoon zijn hun ordels te wederroepen voor 
den Raad van Zwolle en niet voor R. en St. 
en daarenboven dit voorordel tegen de privilegiën 
van Zwolle voor R. en St. wederroepen is, hebben 
de afgevaardigden van Zwolle daarv<in geprotesteerd 
en gezegd daarvan aan hunne vrienden kennis 
te zullen geven. 

In zake Peter van Syburch tegen de erfgen. 
Andries van Aller over 57 ggl. en IV* brab. st. 
wcdke aanl. beweert aan gehoond geld en wijn 
bewijsselijk van verw. te vorderen te hebben, 
blijkens 3 certificaten door hem overgelegd ; waarop 
verw. gevraagd hebben, daar hun deze schulden 
„naeder doeder hant aengekomen waren,"' hoelang 
zij naar landregt wachten mogten met op de aan- 
spraak te antwoorden, waarop de wijzer, aan wien 
de ordelen hierover besteed waren, met de Borch- 
mans en Schepenen van Goer de verw. ten prin- 
cipah» veroordeeld hebben, voordat op die vraag 
geantwoord was; is geklaard: dat de verw 6 
weken „der doder hant sullen genyeten" en dan 
nadat hun gc^Tcgtelijk daarvan konnis gegeven is, 



287 

op aanspraak en bewijs moeten antwoorden; wat 
daarop gewezen wordt moeten partijen afwachten, 
wordende hun regten gereserveerd. 

In zake de kinderen van zal. Ilinrich Jan 

Ymansz tegen de kinderen en erfgen. van zal. 

Jan Yemans over zekere erfenis en goed door 

Jan Y. nagelaten; bewerende aanl. in de plaats 

van hun vader naar den nieuwen Landbriefmet 

de verw. in het erfhuis met ééne hand te mogen 

intasten en deelen; waarop verw. antwoorden, 

dat de aanl. in het land van Drenth wonen, dat 

den nieuwen landbrief niet mede aangenomen en 

bezegeld heeft, en zij dus daarvan niet genieten 

mogen, maar tevreden moeten zijn met hetgeen 

hun te voren toegedeeld is ; is geklaard : voor zoover 

in het land van Drenth de artikelen van den 

nieuwen Landbrief van succc^ssie en vererving van 

kindskinderen in stede van vader en moeder in 

de regte nedergaande linie voor een landregt en 

gewoonte gehouden en gebruikt Avordt, zullen de 

aanl. den nieuwen landbrief genieten en in het 

erfhuis met ééne hand deelen en intasten, terwijl 

de verw. daarvoor erfuiting doen zullen ; doch wel 

te verstaan, dat zij weder in het erf huis inbrengen 

zullen, wat zij te voren genoten hebben. 

D 16 heet aanl. Fenne Henrick Jan Ymansz wed. 
en verw. Henr. Jan Ymansz kinderen. 

In zake 01de Jacop Meynes tegen Engbert 
Luderinck over den koop van een half erve te 
Calenkoten geheeten Quenckenlant, volgens ajinl. 
hun bij onbehoorlijken koop bedriegelijk afhandig 
gemaakt en niet naar landregt behoorlijk overge- 
dragen en uitgegaan, wajirtegen verw. tumvoert 
het halve erve gekocht, betaald en omtrent 8 jaar 
bezeten te hebben blijkens verscheiden redenen 
en munimenten in het proces geallegeerd; is ge- 
klaard: „want niemant sins goets waerloess werden 



288 

on mach dan mit ouerdracht vertiehnis ende 
wtganck over den behoirlicken Richter," zoo zal 
de verw. terstond het erve ruimen; meent hij 
wegens de betaling eene actie te hebben tegen 
den aanl., zoo mag hij die met landregt ver- 
volgen, behoudens het regt der tegenpartij. 

In zake de gedijkten te Veekoeten en Wt er- 
wij ck tegen de erfgen. van Zwollerkerspel over 
de hoofden en andere artikelen van de Nieuwe 
Reformatie en declaratie, welke door tadh. R. 
en St. in dezen landdag geschieden zal, wordt 
den Rentmeester van Sallant bevolen, zondag a. s. 
kerkespraak te laten doen, dat de erfgenamen van 
de gedijkten en de erfgen. van Zwollerkerspel 
maandag a. s. te Swoll in O. L. Vrouwenkerk 
's morgens 10 uur bijeenkomen en schriftelijk 
gevolmagtigden committeren zullen, om dingsdag 
a. s. des avonds te VoUenhove in de herberg te 
komen en des anderen daags te handelen over 
het onderhoud der hoofden, overeenkomstig het 
reces, verleden jaar te Swoll opgericht en verder 
te hooren wat daarvan „erkant" zal worden. 

1535 Oct. 14 (C XX vj v'). 

Daar op Mijns Gen. Heeren aanschrijving van 
14 Sept. j.1. aan de zevens van de gift eens dijks 
in de goederen der erfgen. van Wijlssum op de 
jongste bijeenkomst te W. beraamd, eensdeels door 
absentie der zevens, anderdeels door ongehoor- 
zaamheid van sommige partijen, die hoewel aan- 
wezig, weigerden den eed volgens het reces te 
doen, zoodat in dezen niets met vrucht geschied 
is en de erfgen. van W. op nieuw zich tot Mijn 
Gen. lieer gewend hebben om justitie, en daar 
ook bevonden is, dat er meer erfgen. zijn uit wier 
boezem d(^ begeven dijk gesproten kan zijn, dan 
tot de vorige bijeenkomst verschreven waren, zoo 
is door Stadh. R. en St. bij definitieve conclusie 



289 

bepaald: dat de Stadh. te gelegener tijd den 
Dijkgraaf van Zallant met de Heemraden van 
Deventer en Zwolle, die tijdens de gifte fungeerden, 
en de gedeputeerden .van R. en St. met ernstig 
bevel, en de zevens elk in het bijzonder op straf 
van den dijk op hun eigen goed te leggen en de 
kosten te betalen ; voorts Jan Wolfsz, als erfgenaam 
van Johan Voern. die te Wilssum plagt te wonen, 
Jacop Hoppenbrouwers huisvrouw en haar zuster, 
de weduwen van Lodewich en Jan Voern, als 
erfgenamen van Pionijs en Hinrich Voern ge- 
broeders, de erfgen. van Geert ten Busch den 
jongen, de erfgen. van Hinrich ten Busch en de 
erfgen. van Herman ten Busch, als erfgen. van Jan, 
Herman en Claes Voern, gebroeders te Campen, 
de wed. van Dirich van Oltsende. Dirich de 
Boekoep met zijn broeders en zusters. Jan van 
de Veene met zijn broeders en zusters. Ernst van 
Ysselmuden met zijn broeders en zusters, en Claes 
Witte met zijn broeders en zusters, als erfgenamen 
der V. Oltsende, verschrijven en bevelen zal elk 
op straf als boven Dingsdag na beloken Paschen 
te Wilssüm te komen met al hun brieven en 
zegels aangaande hun bezittingen in Zallant, zonder 
eenigen brief achter te houden, op straf van con- 
fiscatie van het goed, zullende de brieven door 
hen beëedigd moeten worden. Kn zulks opdat 
de zevens onderzoeken, of de dijk niet behoort te 
blijven waar hij gegeven is, en of de dijk uit den 
boezem van Fenne Voern gesproten is; is iemand 
hierin ongehoorzaam of bleef hij uit, zoo zullen 
de zevens bij het doen eener nieuwe gifte den 
nalatige begeven, die de kosten mede betalen zal, 
alsof de zevens naar dijkregt tot zulke gifte ver- 
pligt waren. Blijvende voorts het eerste reces in 
alle punten van waarde. 

Mogeiyk behoort hier verwezen te worden naar de 
volgende stokken: 

19 



290 

1535 (No. 13780). 

Processtukken voor Hendrik Pynick, Schout te 
Wilsem, en keurnoten gewisseld tusseben Hendrik 
van Wilsem c.s. en Willem Boem te Wilsem, over 
de vraag: of zekere 15 voet water, door Willem 
aangekocht, in een bij stèren dijk van Mas te- 
broek beneden Wilsem gegeven zouden zijn, of niet? 

De verw. appelleert naar de Claring. In het ge- 
wijsde geene vermelding van raad of bijstand van 
regtsverstandigen. 

1535 Oct. 14 (D 17). 

Ariaen van Ree(de) van wege de Ridd. en 
Johan van der Yecht van wege de 3 Steden doen 
rapport van hun bejegening bij de Koningin over 
vermeerdering van het garnizoen en verbetering 
van gage (gaye). Afschrift ligt bg de stad Kampen. 

Gelezen een brief van Zwolle over het geschil 
met Hasselt over de brug, dat Zw. ter beslissing 
van het Hof dor Koningin gesteld wil zien, daar 
zij meent, dat Hasselt de zaak niet in de Claring 
mag bespreken, waarop gewezen is, dat Stadh. 
R. en St. aan niemand regt weigeren mogen, te 
meer daar in die zaak reeds verscheiden sententien 
gewezen zijn. „ Angaende dat vertrecken to hoeue 
wil men die van Zw. niet bieten laeten noch 
bieten doen." 

1535 Oct. 15 (C xxvij vo). 

Op de supplicatie door Jan ter Banen, Albert 
Ketteler en Esken Tenckinck overgegeven tegen 
die van Aelmeloe en Haxbergen, hebben Hinrich 
van Rechteren en Claes van Bevervorde, Drost 
te Blanckenburch, aangenomen voor Stadh. R. en 
St., dat de supplianten zich zullen vervoegen te 
Almelo en Haxb., waar zij in der minne met 
hen onderhandelen zullen, en zulks bij moderatie 
van den Drost van Twenthe Jan van Twickel, 
die daartoe gecommitteerd wordt. 



291 

Op de suppl. van Comelis van Neerden tegen 
Jan van de Marsch, die daarop geantwoord heeft, 
is geklaard: dat Comelis zijne aetie voor het 
stadgericht van Zwolle vervolgen mag. En zoo 
hij daar geen borgen vinden kan, zal hem regt 
gedaan worden op zijn eed van in deze zaak met 
geen ander regt te zullen procederen. De gedep. 
van Zwolle zullen dit aan hun vrienden over- 
brengen. 

Daar tusschen Roloflf van Scheven en Willem 
van Buersse van wege zijne huisvrouw voor wie 
hij caveert, een moet zoen gesloten is over versterf 
en vererving, welke elk der beide partijen naar haar 
eigen ^appetit'' en meening uitlegt, en de zaak aan de 
arbitrale uitspraak van Stadh. R. en St. gesteld is, 
is geklaard: dat Roloflf aan Willem's vrouw alle 
goederen zal laten volgen, welke aan zal. Gerrit 
V. Scheven behoord hebben en op zijn dochter, 
bij Willem's vrouw geprocreëerd, vererfd en na 
doode van die dochter op haar moeder vervallen 
zijn, uitgezonderd de leengoederen, welke als 
stichtsche leenen op Roloff alleen „verstammet ende 
gefallen" zijn. Wat partijen verder over „ont- 
boringhe" twisten, zal men volgens den moetzoen met 
vriendschap of regt mogen zoeken. Partijen 
nemen, bij handtasting in plaats van eed aan 
Mijn Gen. Heer, aan, zonder exceptie of reductie 
deze uitspraak te volgen. 

Volgens D 18 liep de zaak over de nalatenschap . 
van Ghert v. Scheven en was de moetzoen gesteld 
door de Drosten van Twenthe en Sallant. 

Daar Jacop van Schleen op het schrijven van 
den Stadh. aan den Furst van Geiler als monde- 
lingsch antwoord van den Furst o vergebragt heeft, 
dat deze tot verhindering der regts vordering in 
deze zaak niet meer wil schrijven, is den sup- 
pliant, met goedvinden der gedep. van Zwoll op 



292 

dezen landdag, door Stadh. R. en St. „voer aifscheyt 
gegeven/' dat hij zijn regt voor den Raad der 
stad Zwoll tegen de erfgenamen zijner tegenpartij 
vervolgen mag, gelijk te voren in het Judiciaal- 
register gesteld is. 

Daar op des Stadh.'s jongste schrijven aan 
Johan van der Vecht en Jan van der Marsch, 
Dijkgreve van Mastebroek, over eene nieuwe bij- 
eenkomst in zake de gifte eens dijks in de Veenrijt, 
de erfgen. van Vurden en de zevens aangaande, 
door vertrek van Jan van der Vecht, ten hove 
naar Onze Genad. Vrouw van wege de landschap 
gezonden, de bijeenkomst geen voortgang gehad 
heeft en de ej-fgen. daarom nieuwe provisie van 
justitie gevraagd hebben, is bepaald, dat de Stadh. 
Joh. V. d. Marsch en Joh. v. d. Vecht als dijk- 
graven oproepen zal, die elk de heemraden ver- 
schrijven zullen, die tijdens het geschil in functie 
waren, voorts den Drost van VoUenhoe en Her- 
man van den Cloester, als gedeputeerden van de 
Ridderschap, met ernstig bevel, en de zevens van 
deze gifte op straf van den dijk op hun goed te 
leggen en de kosten te betalen, voorts de erfgen. 
voornoemd — om op donderdag na beloken Paschen 
te verschijnen om „gebreck ende gelegentheyt 
deser saken te besichtigen, verboeren '^ en daarin 
verder te laten geschieden als in het reces het 
vorig jaar te Deventer door de claring is bepaald. 

In zake Jan Petersz van Amsterdam c.s. erf- 
genamen van Juffer Fenne Wijtten wed. Johan 
van Graes tegen Johan van den Kamp als ge- 
magtigde van Johan van Langen, Lutgert Hon- 
derberchs en Anna van den Kamp mede-erfge- 
namen, over een sententie door den Raad der stad 
Deventer 8 Maart 1524 gewezen, waarvan annl. 
de excecutie vragen, waartegen verw. inbrengt 
geen goederen vermeld in de sententie aangetast 



293 

of ontvangen te hébben als erfgenaam van Juffer 
Fenne, maar krachtens gifte van 7 landgenooten 
van een bijsteren dijk in 1525, waarin alle goe- 
deren, in het erf huis van Fenne te Deventer ont- 
vangen, nu bekend of later te vinden, begeven 
zijn en hij ze dus uit nood, ora zijn eigen goed 
te beschermen heeft moeten aantasten ; is geklaard : 
dat verw. van de aanspraak geabsolveerd zal zijn 
en naar dijkregt daarbij gehouden zal worden, 
doch zoo de aanl. eenige goederen, die onbegeven 
zijn, komende van de Wijtten en niet van Honden- 
berch, vinden, zullen zij dit naar regt mogen 
vervolgen. De kosten worden gecompenseerd. 

In zake de gildemeesters van St. Anna en 
St. Jacobs-vicarie te Genemuden tegen Berent 
Trompter en Evert Otten c.s. van 1 heerenpond 
per jaar, door Johan Koppens ter eeuwige memorie 
bij testament aan de vicarie geschonken uit een 
stuk lands, nu behoorende in eigendom aan verw., 
en langer dan 20 jaar ontvangen blijkens ge- 
tuigenis daarop „beleyt;" waarop verw. antwoorden, 
dat zij die 7 hont lands van hun vader Arent 
Watersteyn georven hebben en door de gilde- 
meesters nooit gemaand zijn of hun iets betaald 
hebben; dat voorts de rente of pacht niet volgens 
landregt overgedragen is en zij dus „huers goets 
niet waerloes" konden worden; is geklaard: aang. 
van deze schenking en testament geen bewüs in 
claring gebragt is, en geen overdragt naar land- 
regt geschied is, en aang. de getuigen zelf zaak- 
wolden zijn, worden verw. van die pacht ont- 
slagen, totdat aanl. hun aanspraak en conclusie 
beter bewezen zullen hebben. 

In zake Goessen de Wrede tegen Johanna 
dochter van Frederick de Wrede, vrouw van Johan 
van Beckom over een compromis, door Goessen 



294 

met Johan (van) Beckonf voor Stadh. R. en St. 
aangedaan op 4 moetzoensluden en op een ^ Re- 
lieken overman" bij poene van 100 oude schilden, 
over zeker leengoed, vraarin bepaald was, dat zij 
de uitspraak van overman en moetzoensluden 
achtervolgen zouden; waartegen Johanna beweert 
en stellig volhoudt, dat zij nooit daarin toegestemd 
heeft, noch met mond, noch met hand, en dat 
daar het goed haar als leen toekomt en zij er 
mede beleend is, haar man zonder haren wil het 
niet „verwapenen ende verwercken" kon en zij 
daarin gehandhaafd moet worden, totdat zij met 
loenregt er uit gesleten wordt; is geklaard: daar 
uit het compromis blijkt, dat Johanna daarin niet 
geconsenteerd en geen hand of mond daartoe 
gedaan heeft, en uit drie beleeningen gebleken is, 
dat het compromis haar in dezen deele niet hinder- 
lijk is, zoo zal zij in het bezit gehandhaafd worden, 
totdat zij met leenregt er uit gesleten wordt; 
daar echter Johan het compromis aangegaan en 
gebroken heeft, zal hij in de boete van 100 oude 
sch. vervallen zijn. 

D 24 op 23 Oct. gesteld. Zij heet daar Schultinne 
van Gist. 

1535 Oct. 18 (C xxxij). 

De Stadh. houdt van wege den Keizer regt 
binnen Vollenhoe. 

Diiigwaarder : Engelbert van Ens, Rentm. van 
Zallaut. 

Keiirnoten: Henrich Hagen en Herman van den 
Cloester. 

In zake Jacoj) van Tttcrsom Jansz. tegen Reynt 
van Coford(»n, als gemagtigde van Juffer Marie 
van Jtterss(»m, Aved. v. Gemorden, zijne moeder, is 
(het ordel) besteed aan Peter van Keppel, die w^ijst: 
aang. de i)ander van Zallant zijn gicht gedaan heeft, 



295 

dat hij aan Juffer v. C. de wasteekenen gebragt 
heeft, gelijk naar landregt behoort, zal zij moeten 
antwoorden op de hoofdzaak. 

Dit ordel heeft Jacop v. I. door zijn voorspraak 
Arent Reyners wederroepen in de claringe. 

In zake Ernst van Ytterssem tegen Reynt van 
Coforden van wege zijn moeder Juffer Marie wed. 
van Couorden, is door den Stadh. en het gericht 
„erkant:'' aang. Reynt met „bestamminge*' en 
niet met wasteekenen aan 't gericht gebragt is, 
zoo zal aanl. de copien, waarop hij zich beroepen 
wil, aan verw. in schrift geven, om op den naasten 
regtdag daarop te antwoorden. 

In zake Goert van Haerst van wege Albert 
van Sallant tegen Vincentius van Wterwijck, van 
wege zijn vrouw en haar voorkinderen bij zal. 
Thonis Ketel, is gewezen, dat aanl. zijn aanspraak 
en copien waarmede hij winnen wil, aan verw. 
in schrift geven moet, om daarop op den volgenden 
regtdag te antwoorden. 

In zake Jacop van Ytterssem Jansz tegen 
Adriaen van Rede maarschalk is (het ordel) besteed 
aan Wolter Stellinck, die wijst : daar verw. zich op 
een moetzoen beroept, zal hij die „opt forderlixte 
lowordich den rechten genouch bybrengen, alsdan 
mach hy der moetsoen genyeten." 

Dit ordel heeft aanl. wederroepen in claringe. 

In zake Jan ter Slingenburch en Adriaen van 
Rede maarschalk, als Rentmeester des Keizers, 
tegen Juffer Anna van Mervelden wed. Reynt 
van Couorden met Jan van Itterssum Jansz 
als momber, over de mark e, waarin de aanl. elk 
in het zijne zich beklagen „boven olde rustelyck 
bcsijt ende gebruck'' verkort te worden, waartegen 
verw. gedinget heeft: zoo Jan t. S. op wiens 



296 

instantie de wastoekenen uitgegaan zijn, bij zittende 
gericht niet verschijnt, moet verw. van zijn aan- 
spraak en wasteekens ont^slagen zijn en Jan in 
de kosten veroordeeld worden. Is besteed aan 
Ernst van Itterssum, die dit laatste „gedinge" 
der verw. van waarde wijst. 

De zaak tusschen Adriaen van Rede maarschalk 
als Rentmeester des Keizers, tegen Juffer Anna 
van Mer velde wed. v. Couorden over de mark e, 
waarin 's Keizers meijer door verw. verkort zoude 
zijn, waartegen verw. ingebragt heeft, dat die zaak 
haar niet alleen aanging, maar ook de andere 
ent-enamen betrof, is uitgesteld tot den volgenden 
regtdag. 

De zaak tusschen Otto Hulss en Aloff van 
Rutenburch door Dithmer v. R. zijn gemagtigde 
be^^-^ed aan Hinrich Schaep, die gewezen heeft: 
da.,. Hulss bewijst met certifica.tien dat hij van 
wege Aloff aan Hans Duytschen en diens huisvrouw 
betaald heeft 123V2 ggl. en 1 st. brab. en aan 
Claes Claesz 59 Phil. gl. 10 st. brab. welke aan 
Hulss geassigneerd zijn te ontvangen van de 
zetters des kerspels van ZwoU, en daar AloflF door 
quittantien der ontvangers van Zwoll niet meer 
bewijst betaald te hebben aan Hulss dan 125 
Phil. gl. en 7 ggl., rest daarvan 64 Ph. gl. 14 
st. br. , zoo zal Aloff die rest aan Hulss betalen 
met de interessen en schade, of de ontvangers „daar- 
toe vermogen Otten dat wt te richten naevermeldinge 
Mijns Gen. Hecren brieff'', en heeft Herman Roycks 
weduwe aan Claes Claesz. iets uitbetaald, dat zal 
Otto niet hinderen tenzij hij dat van Claes ook 
ontvangen heeft. 

Dit ordel heeft Ditmer wederroepen in claringe. 

De zaak tussshen Juffer Frederich van Rut-en- 
burch en Jacop van Ytterssum Jansz „van be- 



297 

vestinge ende verwissinge" van 12 ggl. per jaar 
met de verloopen pacht, heeft Jacop bij zijn eer 
gerichtelijk aangenomen voor den volgenden regtdag 
met de verw.. te schikken en haar tevreden te 
stellen. 

De zaak tusschen Aloff van Rutenburch en Ot 
V. R. over een paard is besteed aan Wolter 
Stellinck, die wijst: daar Ot een geschrift van 
Hake v. den Rutenberg, Aloffs zoon, bijbrengt 
waarin deze bedankt voor de goede betaling, zal 
Aloff' 8 aanspraak dood zijn. 

Namens Aloff heeft Ditmer v. d. R. dit ordel in 
claringe wederroepen. *;'i 

In zake de Drost van Sallant, klager des Keizers, 
tegen Vincentius van Wterwijck over geweldige 
pandkeering, is besteed aan Hinrich van Rechteren, 
die gewezen heeft: aang. de Drost in ''gericht 
geen schijn getoond heeft, dat verw., dov^'Johan 
van Haerst verwonnen, geweld gepleegd heeft, zoo 
heeft hij geen geweld gedaan. 

Dit ordel heeft de Prost wederroepen in claringe. 

In zake de Drost van Zallant, klager des Keizers, 
tegen Robert Oesterhoff besteed aan WolfiF Mulart, 
die gewezen heeft : aang. verw. voldoende bewezen 
heeft, dat Mr. Johan Oostendorp de eerste was 
om (scheld) woorden' tegen hem te gebruiken, 
blijkens aanspraak en antwoord, waaruit de verdere 
woorden gevolgd zijn, aang. Mr. Johan in geenen 
deele gewond of gekwetst was en in aanspraak 
of antwoord niets gevonden wordt van „voirwachte 
of hantgemenge" aan hem gedaan, en de Drost 
dus zfjn aanspraak niet bewijst, moet verw. vrij- 
gesproken worden. 

De Drost is ditmaal met deze uitspraak tevreden, 
doch behoudens 's Keizers regt bij het vinden van 
nader bewijs. 



298 

De zaak van Wolff en Herman Mulart ge- 
broeders en hun neven Johan, Hinrich en Wolff 
Mulart gebroeders tep^en Vincentius van Wter- 
wijok als momber en man van Juffer Mechteld 
Mulart en zij zelve, als principale erfgenaam haars 
vaders, over een maagscheid tusschen de ouders 
der partijen opgemaakt, waarin aanl. beweren van 
alle schulden ontlast te zijn, terwijl verw. ant- 
woorden, dat beide partijen geremitteerd moeten 
worden naar den Raad van Zwoll als de moetzoens- 
luden, is besteed aan Jan van Buckhorst Heer 
Willemsz, die gewezen heeft: aang. verw. voor 14 
dagen de aanspraak met copie der brieven en 
zegels, waarop aanl. zich beroepen, in schrift be- 
geerd en aangenomen heeft daarop nu te ant- 
woorden, aang. hij de afschriften ook ontvangen 
heeft, zoo zal hij nu moeten antwoorden op de 
aanspraak „int principael" of veroordeeld worden. 
Isa welke wijzing verw. heeft g(»antwoord ^in der 
scheidinge der moetsoene verkent (verkort?) te zijn" 
blijkens zekere rekening. Is besteed aan Jan v. 
Buckhorst, die aanspraak en antwoord met alle 
bewijzen in schrift begeerd heeft en op den vol- 
genden regtdag wijzen wil. 

1535 Oct. 19 (D 20). 

De Stadh. toont aan de afgev. van Deventer 
een verzoek der erfgen. van Johan van Ytterssum 
en Juffer Agnese van Domijnck zijn vrouw, Drost 
en Drostin van Salland, tot restitutie van 30 ggl. 
per jaar van de stad Deventer, dewijl die stad 
Marten Blauwe en Ghert van Langen daarop voor 
Drosten gesteld heeft en zij evenwel hebben moeten 
betalen, waiirtoe hun afgenomen zijö bouwhuis, 
schuur, berg en schajipschot. Is aangenomen 
daarover met hun vrienden te spreken. 

Gelezen een suppl. van Jacob van Armelc 
klagende, dat Yrerick van Twickelc op zijn goe- 



299 

deren in de heerlijkheid Borcheloe bezate gedaan 
heeft, ofschoon deze met hem niet gekocht of ver- 
kocht had, maar alleen zeide, dat de rente, welke 
Jacob jaarlijks uit Vr.'s goederen had, niet voor 
den behoorlijken rigter uitgegaan is, is geklaard: 
dat men de snppl. aan Vrerick zenden zal, om 
zijn antwoord daarop te vernemen. 

1535 Oct. 19 (C xxxv). 

Op de supplicatie van Geerlich Maeler en Jan 
Mandemaker, die uit Deventer gebannen waren 
om grove suspicie van grove ketterij en daarom 
ook gevangen geweest waren, is door Stadh. R. en 
St. overeengekomen om meer kwmid en perikel te 
vermijden, dat zij binnen een maand uit het land 
vertrekken zullen, terwijl zij wat zij binnen De- 
venter of in het land hebben, intusschen tot hun 

profijt mogen verkoopen of met zich nemen. 
Volgens D 20 was hun misdaad Luterie. 

In zake tusschen Deventer en Hasselt fian- 
gaande de questie van de appel lat ie en de rest 
van Geert Heeck, zullen beide partijen hun be- 
wijzen op den volgenden regtdag inleveren. 

In zake Jan van Haerst tegen Vincentius van 
Wterwijck van wege zijne huisvrouw over zeker 
panding en pandkeering iuin beide zijden gedaan, 
is Johan op zijn vrije voeten gesteld, om zijn 
zaak met landregt te kunnen vervolgen „als sijn 
raedt gedragen sall." 

De Stadh. houdt claringe met R. en St. 

In zake het Capittel, Burgemeester, Raad, Kerk- 
voogden en gcmeene burgers der süid Steenwick 
tegen de gemeene kerspelluden en ingezetenen des 
kei'spels Steenwickcrwolt en Paesloe, over de 
reparatie, timmering en structure van S. Clemens- 
kerk te Steenwijk, gesteld ter beslissing van 
Stiidh. R. en St., me(inende aanl. dat verw. hiertoe 



300 

contribueren moeten krachtens overgelegde brieven 
en zegels, terwijl verw. aanvoeren, dat aanl. de 
kerk zelf afgebroken, vergroot en naar hun eigen 
„appetit" getimmerd en de renten der kerk ver- 
kocht hebben, zonder toestemming der verver, en 
dus de voorwaarden in den brief duidelijk uitge- 
drukt verbroken hebben ; is geklaard : daar de brief 
bepaalt, dat subsidie en contributie voor de tim- 
mering geschieden zal zoo vaak deze noodig zal 
zijn en zoodanige reparatie geschied is tot onder- 
houd der moederkerk, waaruit de andere kerspel- 
kerken gesproten zijn, zoo zullen verw. niet geheel 
van contributie ontslagen worden; doch daar de 
kerk later vergroot en meer reparatie daardoor 
noodig geworden is, zullen partijen arbiters be- 
noemen, die met een onderling gekozen overman, 
eene schikking zullen opmaken. 

Daar de erfgen. van Zwollerkorspel, bij kerke- 
spraak op den landdag ontboden met schriftelijke 
volmagten over het geschil met de gedijkten van 
het onderhoud der hoofden naar de nievwe Refor- 
matie, uitgebleven zijn en aan sommigen hunner 
adhaerenten alleen geschreven hebben, dat het hun 
niet gelegen kwam „mit den gedickten in sulcke 
erkentnijs to treden, *' is door Stadh. R. en St. 
gewezen : daar de kerkespraak uit naam der Hoog- 
heid gedaan is, zal zulk een verontschuldiging 
niet van waarde zijn, maar behooren Stadh. R. en 
St. tot welvaart des lands „mit de erkentenis te 
procederen op de verhoeringe ende beschwaringe" 
der partijen, die aan de Hoogheid gehoorzaam 
geweest en verschenen zijn. 

Daar Geert ten Ilamme door den Stadh. ont- 
boden was te VoUenhoe met zijn rekening van de 
penningen, door zijn vader van de buurschap 
Bonijngen ontvangen, „om de gelegen theyt te 



301 

mogen weten dat de stadt Zwoll van heur rest 
betaelt mochte worden'' en hij niet verschenen is, 
besluiten Stadh. R. en St. dat de Stadh. schrijven 
zal aan de Rigters onder wie Geerts goederen 
liggen, om hun ernstelijk te bevelen aan zijn 
goed te panden voor zoodanige som als Zwolle 
van de buurschap te vorderen heeft, met de kosten, 
door den stadsdienaar deze reize gemaakt, zonder 
eenige pandkeering, totdat Geert rekening van de 
gebeurde penningen gedaan zal hebben. 

Op den kant staat dat deze executie 23 Oct. 
zes weken geschorst is, opdat intusschen de 
Drost van Twenthe, de Maarschalk en andere 
erfgen. de rekening zullen aanhooren. Bij gebreke 
zal de Rigt^r van Oldensael de executie doen. 

In zake Jacop van Itterssom Jansz tegen Juffer 
Marie v. I. wed. van Coeuorden, die met was- 
teekenen voor het hooge gericht gedaagd, en noch 
in persoon, noch bij gemagtigde verschenen is, 
is geklaard: aang. de pander zijn gicht gedaan 
heeft de wasteekenen naar landregt overgehragt 
te hebben, is verw. wegens haar uitblijven en 
contumatie naar landregt „der aenspraeck vellich" 
en is dus kwalijk gewezen en wel beroepen, be- 
houdens haar regt, om haar „onscholt ende purge- 
ringe op des panders gicht" en op haar uitblijven 
en contumatie, te doen volgens de ordonnantie. 

In zake Johan van Twickel, Drost van Twenth, 
klager des Keizers, tegen de gemeene buren des 
kerspels Borne over de nedertreding van een op- 
gegraven weg, waardoor zij in het hoogste ver- 
vallen zouden zijn, is geklaard : voor zoover verw. 
bewijzen, dat de Maarschalk Adriaen van Rede 
hun beloofd heeft dien weg, dien hij zelf bereden 
heeft, daar te laten blijven, zullen zij „der hooger 
heerlicheyt niet verfallen" en van de aanspraak 



302 

geabsolveerd zijn, welk bewijs zij op den volgenden 
landdag inbrengen moeten. En daar de Drost den 
ingetreden weg binnen den tijd van beroep en 
appellatie buiten vorm van regten weder heeft 
laten opgraven, zal de weg weder open gemaakt 
worden, zooals die te voren was, totdat actie en 
bewijs van de intreding bijgebragt en genoegzaam 
„erkanf' zullen zijn; wat voorts partijen aan beide 
zijden van den weg over beslagen en last van 
• water met elkander te doen hebben, mag naar 
landregt vervolgd worden. 

D 22 geschiedt de actie 22 Oct. en tegen de bnur- 
vrouwen. Op deze zaak hebben de volgende stukken 
betrekking : 

1537 VrijdagnaassumptionisMariae(17 Aug.)(N^ 14235). 

Processtukken voor Antonius van Rutenberg, 

als Rigter in plaats van den Drost van Tw^enthe, 

gewisseld tusschen den Maarschalk Adriaan van 

Rhede, als Holtrigter van Hassele, klager en de 

inwoners en ingezetenen van het dorp Bome verw. 

over het herhaaldelijk intreden van een weg en 

dijk, roerende aan de maat in de marke van 

Hassele, in het gerigt Oldenzaal, nadat deswegens 

sententie van Stadh. R. en St. gevallen was en 

de Landdrost van wege de overheid ze op kosten 

van ongelijk weder had laten opmaken. 

De Holtrigter wordt bij het ordel in het bezit ge- 
handhaafd en het ingetredene moet door de Bomers 
weder opgemaakt worden, totdat zij de tegenpartij met 
beter regt en weder uitzetten. De ordelwijzer Frederik 
Assink spreekt niet van raad of bijstand van re^ts- 
geleerden. 

In zake Adriaen van Rede Maarschalk, als 
Markerigtcr van Hasselermarke, tegen Herman 
ter Mijddelsdorpe over een boete van lü oude 
schilden en 2 balken, omdat hij „boven een scheyt'* 
met aanl. ingegaan, hout uit de marke gehouwen 
of tegen verbod gekocht zou hebben, hetgeen verw. 



303 

ontkent, terwijl aanl. het „vp behoirlick bewijss 
ingoniympt hefft/' is geklaard: dimr in h(ït proces 
maar één getuige bevonden is, wiens getuigenis 
alleen over de 2 balken liep, zoo zal, als aanl. 
op den volgenden landdag naar markeregt bewijst, 
dat verw. op die straf van hem gescheiden is, en 
daartegen eenig hout gehouwen of gestolen of 
tegen verbod gehouwen hout gekocht heeft, de 
verw. in de boete vervallen zijn. Doch bij gebreke 
van dien zal hij „tot siner onscholt mogen staen." 

In zake Aemt Buetingh en Geertgen zijn vrouw 
tegen de Schepenen der stad Ommen over 2 mud 
rogge per jaar, door Aernt gekocht uit goed van 
zal. Hessel Mulart voor 24 ggl., welke besteed 
zijn tot timmering der brug te Ommen, en nadat 
hij vernam in den koop bedrogen te zijn, daar 
Hessel van wege de brug een som van de Schepenen 
te vorderen had, onder dezen gearresteerd had, 
maar tegen zijn wil, zonder „ontsaetinge" door 
Schepenen uitbetaald waren; waarop verw. ge- 
antwoord hebben dat aang. aanl. zijn besate niet 
naar landregt vervolgd had, zij van de aanspraak 
ontslagen moesten worden en met één betaling 
vrij waren, is geklaard: aang. verw. de besate 
erkennen, en Hessel tot nadeel van Aernt uit- 
betaald is, zonder dat eerst de besate ontbonden 
was, zooals behoorde, zullen zij den aanl. de 24 
ggl. betalen, met reserve der kosten ter taxatie 
van Stadh. R. en St. 

In zake de erfgen. van Hinrich van Essen den 
jongen tegen de erfgen. of testamentoren van 
Juffer V. Essen, wed. van Andries v. Essen, als 
Peter van Mouwicks huisvrouw en Juffer ter 
Poerten, over zekeren moe tz oen, eertijds tusschen 
de gebroeders v. Essen aangegaan, waarvan de 
zegels des principalen briefs, zooals de eene partij 
zegt, afgesneden zijn, en waarvan copien gezien 



304 

en f2;ehoord zijn; voorts van 13 mud 1 schep. 
rofi^j^o blijkende verder uit het proces, daarvan 
ofozien (m gehoord; is om bijzondere reden en 
wegens de duisterheid der zaak voor het best 
«aangezien, dat de Drost van Sallant Seyno Mulart 
en Adriaen van Twickel van wege de Ridderschap, 
met Mr. Geert SchwaefiFgen en Henrich Plaetman 
of Dierick van Brunsfelt, Raads vriend van Deventer, 
dingsdag na midvasten 's morgens 9 uur te Kaelte 
vergaderen en beide partijen op straf van verlies 
der zaak verschrijven zullen met al hun bescheiden. 
De Gecommitteerden zullen daar na diligent onder- 
zoek de partijen hooren en inzonderheid of de 
gebroeders na dien moetzoen elk de hem toebedeelde 
portie aangetast, bezeten en gebruikt hebben, zonder 
naderhand eenig ander conti'act te maken ; voorts 
zullen zij zoo mogelijk partijen verzoenen en anders 
hun rapport, met het geheele proces, dat ten dien 
einde aan den Drost geleverd is, op den volgenden 
•landdag inbrengen. 

In zake Jan van Enschede van wege Frederich 
Schmedinck tegen den Pater van Albergen met 
diens momber, over den koop van 3 ggl. uit een 
huis te Zwoll, met welk onderpand aanl. beweert 
te zijn bedrogen, waartegen verw. aanneemt het 
tegendeel te bewijzen; is geklaard: voor zoover 
verw. bewijzen kan, gelijk hij beweert, dat aanl. 
met dat onderpand tevreden is geweest, zal dit 
den verw. baten; maar anders zal de aanl. in den 
koop onbedrogen moeten zijn en van de 3 ^1. 
per jaar, behoorlijke vestenis ontvangen en hem 
de verloopen rente vergoed worden. 

Het proces tusschen Jan Rosinck en Roeloff 
van Scheven is aan de Drosten van Twenthe en 
VoUenho overgeleverd, om partijen te hooren. 

De rekening tusschen de huislieden vanBonijn- 



305 

gen en Geert ten Hamme overtie schuld aan de stad 
Zwolle is aan den Drost van Twenthe en den Maar- 
schalk ter hand gesteld. 

Daar in het eindvonnis op 1 Julij 1533 door 
de claring gewezen, tusschen de wed. Dierich 
Vaechts en de erfgen. van Johan van Beverfoerde, 
op de hoofdsom van 134 Phs. gl., de handgelden 
sedert het jaar '11 daarop geloopen en de kosten 
en schaden door aanl. geleden, ter taxatie van 
Stadh. R. en St. gereserveerd zijn, hebben dezen 
voor de gerichts- en andere kosten aan aanl. toe- 
gekend 35 Phs. gl., door de erfgenamen ver- 
weerders elk voor zijn portie te betalen, of anders 
bij panding en executie naar landregt van hen 
te verhalen. Ên daar de wed. klaagt van de 
hoofdsom nog niet geheel voldaan te zijn, zal de 
Stadh. van wege de overigheid krachtens de sen- 
tentie de erfgenamen daartoe ernstig aanmanen en 
bij gebreke den pander van Twenthe gelasten hem 
te executeren. Wat de rente van '11 af betreft, 
daar zij hiervan indertijd geen bewijs geleverd 
heeft zooals uit het proces blijkt, mag zij deze 
actie met wasteekenen op de verw. vervolgen en 
met landregt aanleggen. 

In zake Juffer Marie van Keppel tegen Juffer 
Steyne Lypings over zeker versterf, dat aan de 
aanl. voor haar vaderlijk patrimonium, door haar 
moeder toen deze hertrouwde, uitgekeerd is, liggende 
in het kerspel en gericht van 1 d s t, waarop verw. 
geantwoord heeft, dat zij voor dat onbehoorlijk 
gericht niet behoefde te antwoorden, maar voor dat, 
waaronder het erf huis gelegen is, is geklaard: 
dat de aanl. haar actie moet instellen voor het 
gericht der stad Deventer, waaronder het erfhuis 
gelegen is en ze daar naar land- en stadregt ver- 
volgen mag. 

20 



306 

Op de suppl. van Goessen de "Wrede in de 
leenzaak tusschen hem en Johanna de Wr. 
vrouw van Johan van Beckom, waarin hij Aloff 
van Rutenburch den leenheer als een suspect 
richter gewraakt heeft en den Stadh., als oversten 
leenheer van wege den Keizer, verzocht heeft de 
bank van leenregt te spannen, is geklaard: aang. 
Aloff zich in deze zaak „suspect heeft laten mereken 
en gedeclareerd/' zal hij daarom aan Mijn Gen. 
Heer als overleenheer zijne leenmannen nomineren 
tusschen nu en a. s. donderdag, waarvan Zijn 
Gen. 13 zijner leenmannen nemen zal, waaruit 
Aloff er één tot zijn stadhouder kiezen zal, die 
met de 12 andere leenmannen de bank zal spannen 
en beide partijen onpartijdige administratie van 
leenregt zal doen wedervaren'. Ter eerster instantie 
zal Aloff de eerste verschrijving naar leenregt 
mogen doen. "Wordt een der partijen weiger- 
achtig, zoo zal de Stadh. partijen voor zich roepen 
en hun regt laten wedervaren. Het questieuse 
goed zal intusschen niet verkocht, vervreemd of 
verergerd mogen worden, zoolang de sententie niet 
gewezen is. 

1535 Oct. 24 (D 21). 

In het geschil tusschen Goessen die Wreede 
en de Schultinne van Olst over een leen, dat 
Goessen van verw.'s man door een moetzoen ver- 
kregen zoude hebben, en dat die Schulte „sich 
verpeent*' had aan G. te laten volgen op straf 
van 100 oude schilden, waarop de Schultinne alle- 
geert, dat zij nooit in den moetzoen geconsenteerd, 
maar haar man zonder haar consent gehandeld 
heeft, is „erkant:" aang. een man zonder consent 
zijner vrouw geen liggende goederen verkoopen 
mag, is de moetzoen zonder waarde, en aang. de 
Schulte dus niet leveren kon, moet hij de boete 
betalen. 



307 

1535 Oct. 24 (C Lv V). 

Daar tusschen de wed. en erfgen. van Johan 
van Ytterssum Wolffsz en Adriaen van Rede 
Maarschalk geschil geweest is over de penningen 
van de pandschap van het huis te Lage, het- 
welk in 1531 ter beslissing van 4 raoetzoensluden 
van elke partij en den Stadh. als overman bij 
compromis gesteld is, doch wegens zeker verzuim 
en gebrek daarin gevallen, op een gemeenen 
landdag te Oldenzaal, met goedvinden van beide 
partijen, door de gemeene stemmen van Stadh. 
R. en St. in hetzelfde jaar bevestigd, niet ver- 
volgd is zooals behoord had, zoodat de wed. en 
erfgen. sedert A. v. R. met waste^kenen vervolgd 
hebben voor het hooge gericht en de zaak in 
claringe beroepen is, — hebben Stadh. R. en St. 
voor het best gehouden om, het compromis op- 
volgende, het geschil te stellen in handen der 4 
benoemde moetzoensluden of bij versterf of absentie 
anderen in hun plaats te kiezen, waartoe gekozen 
zijn door de wed. en erfg.: Burchart van Wester- 
holt, Drost van VoUenhoe, Johan Mulart, Ambtman 
van de Kuynre, Herman van den Cloester en 
Claes Kruse, Burgem. van Campen; en door van 
Rede: Johan van Twickel, Drost van Twenth, 
Dierick van Brunsfelt én mr. Geerlich Doys, 
Burgemeesters van Deventer, en Jan van der 
Vecht, Burgem. van Campen, die met den Stadh. 
als overman eenparig de volgende uitspraak ge- 
daan hebben: 

Daar de pandschap van Laege in hoofdsom 
3500 ggl. bedraagt waarop in handen des Stadh. 
betaald is 460 ggl. 

aan Johan van Ytterssum zelf 50 ggl. 

„ Hinrick de Voss 400 ggl. 

„ JujBFer van Coeuoerden 440 ggl. 

„ Glauwen erfgenamen 200 ggl. 

„ Gerrit Reyners 200 ggl. 



308 

aan Jan Drost 600 ggl. 

^ S. Lebuinuskerk 600 ggl. 

^ het klooster te Schaer 600 ggl. — zamen 
3450 ggl., zoodat nog 50 ggl. ontbreken, zal \, 
R. aan do wed. en haren zoon die som belalen 
en voor de handgelden van 15 jaar 33 V« ggl., 
waaraan gekort zullen worden 3 „veetber" jaren 
en het 4e ^veetber'* jaar zal worden ingehouden 
tot verder declaratie, blijvende dus 27 V* ggl. 
aan handgeld. En aangaande het „lichte" geld 
van de 400 ggl. aan Geert Reyners en de erfgen. 
Glauwe betaald, zal Reyners voor den Raad van 
Deventer bijbrengen, in welk jaar hij betaald is 
en wat voor geld het geweest is, bepaalt de Raad, 
dat hem meer toekomt, zoo zal v. Rede dat be- 
talen. En wat de erfgen. Glauwe betreft, dit zal hij 
met Mr Herman Glauwe uitmaken, enz. 

1535 Oct. 25 (D 26). 

Gelezen een brief van den bisschop van Munster 
aan den Stadh. hulp vragende tegen de knechten, 
die in zijn land gevallen waren, waarop de Stadh. 
bevolen heeft aan een ieder van R. en St. zich 
daarop te beraden. Des anderen daags is do<ir 
R. en St. eenparig besloten, dat de Stadh. „sijn 
affspronck nemen- sall" want men wfeet niet of 
die knechten een heer hebben of niet; zoo neen, 
dan zal de Stadh. dit aan de Ridd. berigten en 
zooveel mogelijk bijstand verleenen. 

1535 Oct. 25 (C XL v"). 

Op de suppl. overgegeven door die van Schaer- 
wolde tegen de stad Steen wiek van boterpacht, 
die zij te St. naar Troois gewigt betaald en 
geleverd hebben, waarin zij klagen bezwaard te 
zijn en vragen tot Keulsch gewigt gereduceerd 
te worden; waartegen die van St. allegeren, dat 
zij niet zelf dat Troois gewigt ingesteld en de 
wage bezwaard hebben, maar dat dit bij ordonnantie 



309 

des Keizers geschied is; is geklaard: aang. die 
ordonnantie door den Keizer geschied en ook in 
andere groote en kleine naburige steden, zooals 
Campen, ZwoU en VoUenhoe geldt, zullen die 
van Sch. de boterpachten betalen naar het ge- 
wigt als men boven en beneden doet, totdat 
anders geordonneerd v^ordt. 

Op de suppl. van RoelofiF Berntsz voor zich en 
zijn adhaerenten burgers van Hasselt, die be- 
weren onder bisschop Phil. van Bourgondie en Paltz- 
graaf llenrik te Hasselt gediend en daarvoor nog 
1563 Phs. gl. te vorderen te hebben, is besloten: 
dat het de landschap geenszins gelegen komt, 
zich te bemoeijen met de schulden van Bp. Philips 
en Hg. Henrik zonder goedvinden en confirmatie 
der Landschap en Steden „ende kennen den bor- 
geren deshalven niet schuldich, gesinnende van 
vorder verfolch der suppl. verdrach te hebben: 
want de geloffte de zy allegeren, ende daerop zy 
eenige de sulcke geloffte gedaen solden hebben, 
schrifFtlich ingeeyscht" waren met geweld afge- 
dwongen en zijn indertijd door den Furst van 
onwaarde verklaard. 

Op de suppl. van de wed. en kinderen van 
Johan van Beckom, die in dienst van de Land- 
schap en Steden met paard en harnas „neder 
gelegen" is en zich heeft moeten vrijkoopen met 
geld, op handgeld opgenomen en tot nu toe ver- 
loopen, is om bijzondere reden „in 't heymelick 
overkomen" en aan de supplianten voor het lange 
„verfolch kost teringe ende schaden," alleen uit 
gratie en niet uit regt, 225 ggl. toegestaan, te 
betalen op zulke termijnen, als op den volgenden 
landdag bepaald zal worden. 

De wed. belooft bij handtasting en op verlies 
der penningen geheimhouding van dit besluit, 
om de consequentie. 



310 

Op de suppl. van Zweder van Wermel, in 
dienst van landschap en steden met paard en 
harnas „nedergeleget," wordt als voren 125 ggl. 
toegewezen. 

Op de suppl. van de wed. van Roeloff Kijb- 
burchs van 33 gl, fl., restant van (15)10, is door 
de Gecommitt. van R. en St. met goedvinden des 
Stadh. met haar geaccordeerd op 25 ggl. in de 
volgende uitzettingen op 2 termijnen aan te wijzen. 

1535 Oct. 27 (C xLviii— Lj). 

Opgave van de handgelden in (15)10 aan de 
landen van Sallant toebedeeld, beloopende per jaar 
816 ggl. 1 oort. 

Door de Ridderschap van Sallant en de Gedep. 
der 3 Steden wordt de hoofdsom over de ver- 
schillende kerspelen omgeslagen. 

D 27 gaat 26 Oct. hieraan vooraf, dat op het 
voorstel tot de verdeeling door de afgev. der steden, 
door de Kidd. uitstel gevraagd wordt tot des na- 
middags. Des namidd. bragten z\j een snpplicatie in, 
houdende dat z\j meenden, dat zij noch tot de restanten 
van '10, noch tot de penningen van '21 gehouden 
waren. De stedegezanten zouden daarop den volgenden 
dag antwoorden. Zy doen dit en nu zal de tegenpart^ 
weder 28 Oct. antwoorden. 

In plaats van verder berigt staat daar een memento, 
dat Willem Droechscher gevraagd heeft, weder 
binnen deze landen te mogen komen. 

1535 Oct. 29 (C xLij). 

Daar de rest der rekening van Wijncken de 
Weerd van Diepenheim wegens onderhoud van 
knechten, die daar in dienst van de Landschap 
en Steden gelegen hebben, 576 ggl. bedraagt, en 
de rest van zijn dochters man Geerlich 350 ggl. 
bedraagt, zamen 926 gl. fl., blijkens gedane reken- 
schap te Deventer, voor de Gedepiit. der Land- 
schap en Seyno Mulart, Drost van Zallant, Adriaen 
van Twickel en Peter van Mouwick onderteekend, 



311 

is met Winicken en den man zijner dochter ge- 
accordeerd voor 650 ggl. op 6 termijnen ter naaster 
uitzetting te bewijzen op gelegen plaatsen. 

Daar eenige burgers en ingezetenen van Die- 
pen hem zich beklagen, nog ten achteren te zijn 
van restanten wegens het onderhoud van knechten, 
blijkens rekening door bovengenoemde Gedeput. 
opgemaakt en geteekend, van wie Wijncken de 
Weerd, die de restanten vervolgt, geen volmagt 
heeft, is door Stadh. R. en St. aan den Drost 
van Sallant opgedragen, die burgers te gelegener 
tijd te Deventer bijeen te roepen, om daar met 
de Raadsvrienden van D. met hen te onderhandelen 
en het daar met een ieder bepaalde op schrift te 
stellen en aan den Stadh. te zenden ter registratie. 

In zake de erfgen. van 't kerspel Zwoll tegen 
de erfgen. van de gedijkten te Veekoeten over 
het onderhoud der 4 hoofden, aldaar gelegd, waar- 
toe de eersten niet gehouden beweren te zijn, 
als zijnde die naar de ordonnantie van de Nieuwe 
Reformatie „niet gewonnen noch gelacht," en 
hetgeen zij tot opmaking en onderhoud er van 
tot nog toe gecontribueerd hadden, alleen ter eere 
van den Stadh. gegeven zonder consequentie; 
waarop de tegenpartij geantwoord heeft, dat zij 
tot het leggen der hoofden gedwongen waren en 
die op bevel der overheid tot gemeen nut gelegd 
waren, en dat, zoo dit niet geschied was, de 
aanl. ze dan nog zouden moeten maken, enz.; 
is door Stadh. R. en St. aan wie partijen de be- 
slissing overgelaten hebben, definitief geklaard: 
dat de erfgen. van Zwollerkerspel van het hoofd 
tegen het veer to Sallick en van het hoofd of 
de kribbe „nederwaert op de olde dijckstede lig- 
gende" vrij zullen zgn en blijven, daar die beide 
hoofden, op droog zand liggende, naar de Nieuwe 
Reformatie niet „gewonnen'' zouden kunnen worden, 



312 

omdat het „schaer'* daar niet op 3 roeden na 
aan den dijk komt, * en zullen de gedijkten, die 
daardoor beschermd worden, de 2 hoofden zoolang 
schouwvrij onderhouden, totdat door den Dijkgraaf 
en de Ileemraden, de Vroeden uit den lande en 
Gedeput. der 3 Steden bepaald zal zijn, of het 
noodig is die 2 hoofden geheel of ten deele verder 
te (mderhouden; de 2 andere hoofden, het eene 
boneden den Stoudiek en het andere bij den dijk 
der erfgenamen van lieer Ernst van Ysselmuden, 
zullen de gedijkten op hun kosten schouwvrij 
moeten houden, doch, daar zij op last der Over- 
heid, met consent van beide partijen, gemaakt zijn 
en zoo zij niet gelegd waren, naar de Nieuwe 
Reformatie nog konden gewonnen en gelegd 
worden, omdat zij op 3 roeden na aan den dijk 
^int schaer'' gelegen zijn, zoo zullen deze, als zij 
geheel, half of voor een vierde vergaan, hersteld 
worden, zooals naar de Nieuwe Reformatie behoort. 

In zake de erfgen. van Zwoller kers pel tegen 
de erfgen. van de gedijkten te Wterwijck over 
het onderhoud van een gelegd hoofd, bewerende 
de eersten daartoe niet gehouden te zijn op gronden 
als boven, terwijl de laatst^m aanvoeren, (behalve 
het boven ook voorkomende) dat het hoofd gelegd 
is tot bescherming van Mastebroek tegen inbraak 
en overstrooming van den IJssel en belooping met 
zand, ofschocm het den gedijkten sedert meer schade 
dan profijt aangebragt heeft; dat het voor 5 of 6 
gedijkten met de arme ingezcïtenen van Wijlssum, 
die eertijds daar een stuk dijks aangenomen hebben, 
niet mogelijk is het hoofd, wegens de groote lengte 
en diepte van 16 vademen tot aan het hoofd, 
voor storm en groot onweder uit de zee te onder- 
houden, d^uir het een maand geleden voltooid en 
nu weder gezcmken en door een storm uit zee 
afgeslagen is; dat aanl. daarom het hoofd moeten 



313 

helpen onderhouden; is door Stadh. R. en St. ter 
wier beslissing het geschil gesteld was, definitief 
geklaard: aang. het „schaer" van den dijk, waar 
het hoofd op droog, vlak zand voor gelegd is, 
niet op 3 roeden na jian den dijk komt, zooals 
naar de Nieuwe Reformatie behoort, en dus niet 
zoude kunnen gewonnen worden, zullen de erfgen. 
van ZwoUerkerspel ontslagen zijn van het onder- 
houd des hoofds en zullen de gedijkten, die er 
door beschermd worden, het hoofd schouw vrij 
onderhouden, totdat door Dijkgraaf, Heemraden 
en Vroeden uit het land en de gedeputeerden der 
3 Steden onderzocht zal zijn, of het noodig is, 
het hoofd geheel of gedeeltelijk te onderhouden. 

Daar de Furst van Geiler, niettegenstaande 
protestatie declinatoire van wege den Keizer en 
de erfgen. van Zijn Vorstel. Gen., onbehoorlijk 
gericht en op het vriendelijk schrijven, om de 
regts vordering te laten rusten, toch met imcom- 
petent gericht procedeert, en het te vreezen is, 
dat hij met executie zal voortgaan, en possessie 
zal nemen van de weerden aan den IJssel, 
is door Stadh. R. en St. overeengekomen: dat zoo 
iemand van wege den Furst, van wat conditie 
hij ook zij, in de weerden hout hakt, beesten 
neemt of drijft of (^enigen anderen moedwil be- 
drijven wil, hetgeen tot praejuditie van 's Keizers 
hoogheid en nadeel der erfgen. strekken zoude, 
de erfgen in dat geval zulke lieden met regt 
arrestenm zullen om t(m gerichte, waaronder de 
weerd ligt, te verschijnen en zich te verant- 
woorden, en zoo de gearresteerden geen borgen 
kunnen stellen, zullen zij zich m(^t hun eed 
kunnen verborgen. 

Op de vele klagten over den achterstand der 
landschap en Steden bepalen Stadh. R. en St. te 
gelegener tijd een afzonderlijken landdag daarover 



314 

te beleggen, waarin alleen hierover en over de 
reformatie der landregten en ordonnantie van 
justitie gehandeld zal worden, zonder eenige 
publicatie van regtdag of claringe op dienzelfden 
tijd te laten geschieden. 

1535 Oct. 20 (30?) (C xlv v). 

Daar bevonden wordt in de registers van uit- 
zetting op den Kritenberch gedaan in (15)29, 
dat aan Dierick Jansz voor zijn gevangenschap 
en schade door de öecommitt. van R. en St. 400 
ggl. toegewezen zgn, zal die som toegewezen 
blijven en „wes daervan een ander wech ontboert 
is," zal men op den volgenden landdag laten uit- 
zetten. 

1536 Mei 29 (C Lij). 

De Stadh. houdt een dagvaart met de ampt- 
luden en eenige gedeputeerden van de Hidder- 
schap van Salland, Twenthe en VoUenhoe en de 
godep. van de 3 Steden, te Hasselt, over de zaak 
van de stad en Ommelanden van Groningen. 
Tegenwoordig: 

Mr. Gerrit Mnlart, 's Keizers Hooge Raad en Com- 
missaris. 

Seyno Mulart, Drost van Zallant. 
S k Jan van Itterssom, Drost te IJsselmuiden. 
5 ] Ot van Rechteren, Drost te Genemaden. 

Johan van Bnckhorst to Sallick. 

Henrich Mnlart, Dykgraaf. 
-f I Adriaen van Twickel. 
^ \ Aloff van Rntenburch. 

Johan van Twickel, Drost van Twenth. 

Adriaen van Rede, Maarschalk enz. 
g \ Bemt van Beverfoorde, Drost te Blanckenborch. 
^ I Heer Frederich van Twickel, Ridder. 
. \ De Commandeur van Oetmershen, Heer Bernt van 
\ \ Schledick. 
S* j Ot van Rntenburch. 
5 f Bruyn van Langen. 
l Hinrich van Rechteren. 



o* 



315 

• 

J / Burchart van Westerholt, Drost van VoUenhoe. 

S 1 Johan Mulart, Amptman van de Kuynre. 

^ / Hinrich Hagen. 

>• 1 Herman van den Cloester. 

"i f Amt Sloet Volckiersz. 

ienStlaeZf " ! Gedeputeerden van Deventer. 

tZn K"*" ! Gedeputeerden van Campen. 

ïoharvan"Jr2a.ch| «^«putee^^en van ZwoUe. 

De zaken en materie, op deze particuliere bijeen- 
eenkomst behandeld, zijn secreet en verborj^en ge- 
weest en daarom niet gere^streerd. En hebben 
de gedep. den Stadh. gebeden, zooveel mogelijk 
oorlog voor de Landschap te vermijden. 

1536 Dec. 11 (C LÜj). 

De Stadh. Heer Gcorge Schenck houdt zijn 
gemeenen landdag met R. en St. binnen Deventer. 
Tegenwoordig: 

p . _ ; Mr. Gerart Mulart, Raad des Keizers van den 
ommis- I Groeten Raad v. Mechelen. 
^ / Frederich van Meluyn, meester van der 

V -^^ I Atteliere (Artillerie), 
eizers. j ^nthony de Brnyn, Tresorier van den oorloge. 

Ridderschap: 

Johan van Twickel, Drost van Twenthe. 

Adriaeu van Rede, Drost te Laeghe. 

Bui'chart van Westerholte, Drost van VoUenhoe. 

Seyno Mulart, Drost van Sallant. 

Claes van Bevervoorde, Drost to Blanckenburch. 

Amt Mulart, Scholt van Hasselt. 

Engelbert van Enss, Rentmeester van Zalland. 

Heer Frederich van Twickel, Ridder. 

Johan van Buckhorst to Boxbergen. 

Adriaen van Twickel. 

Johan van Buckhorst to Sallick. 

Johan van Wermel to Westerflier. 

Dirich van Keppel. 

Herman van Twickel. 



316 

Keynt van Coforden. 

Herman Grobbe. 

Roloff van Schenen. 

Gijsbert van Dorth. 

Ernst van Ytterssom ter Heyne. 

Henricli Mnlart, Dijkgraaf van Zallant. 

Johan van Essen. 

Johan Rengers. 

Johan van Echten. 

Aernt Sloet. 

Heer Bernt van Schedelick, Commandeur te Oetmerssnm. 

Henrich van Rechteren. 

Henrick Hagen. 

Mr. Engelbert van Dotinchem i 

Henrich Plaetman ( ^ . Deventer 

Mr. Geerlich Doys ( ^^^^^' ^*" i^eventer. 

Dirich van Brnnsfelt I 

S^Crn^ r | ^«^^p. van Campen. 

li:Ptf:ïïr \ ^^^^P. van ZwoU. 

1536 (1535) Dec. 14 (C uij v). 

Daar de Ridderschap van Salland, Twenthe en 
Vollenhoe op de propositie van Mr. Gerrit Mulart, 
Raiid en Commissaris des Keizers, en op verder 
inlichting van den Stadh., tot subsidie in de be- 
taling van ruiters en knechten tot bescherming 
der Landschap, 18000 ggl. toegestaan hebben en 
het over de verdeeling dier som niet eens hebben 
kunnen worden, hebben die van de Ridderschap 
de taxatie en calculatie der som gesteld ter or- 
donnantie van den Stadh. en Gerrit Mulart, die 
gesteld hebben: 

Op het land van Salland 8400 ggl. 
„ „ „ „ Twenthe 5000 „ 
„ „ ^ „ Vollenhoe 4600 „ 

1536 Febr. 20 (C lxx v^). 

Evert van Graes neemt zijn Ie wasteeken tegen 
de erfgen. van zal. Juffer Agnes van Dornijnck 



317 

voor zekere actie van eenige leengoederen, op 
hem „verstammet" door Juffer Agnes bij haar 
leven, en tot zijn nadeel als haren leenvolger in 
strijd met het leenregt bezwaard, terwijl haar 
eigen goederen door de erfgenamen gedeeld, vrij- 
gebleven waren. 

6 Maart neemt hij het 2e, 20 Maart het 3e. 

1536 Febr. 21 (C lxx). 

Otto Stegeman neemt zijn Ie wasteeken tegen 

Otto van Reehteren, Drost te Genemuden, voor 

106 ggl. wettige schuld volgens een moetsoen 

tusschen hen gemaakt en voor 30 Phs. gl. van 

een paard door Stegeman aan v. R. verkocht, met 

de kosten en interessen daarop verloopen. 

6 Maart neemt hy' het 2e, 20 Maart het 3e. 

Johan van Haerst Hermansz neemt zijn 1-e was- 
teeken tegen Vincentius van Wterwijck en JufiFer 
Mechteld diens vrouw, als bezitters van zal. Geert 
Mularts goederen, voor 8 mud rogge per jaar, 
30 jaar achterstallige rente en 5 ggl. per jaar 
met 23 jaar achterstand, blijkens brieven en zegels, 

met de kosten, hinder en schade daarop verloopen. 
6 Maart neemt h\j het 2e, 20 Maart het 3e. 

Frater, Matersche, Procuratcrsche en gemeene 
convent van der Maet nemen het Ie wasteeken 
tegen de erfg. van Jacob van Ytterssom voor 5 
ggl. per jaar, welke deze aan het convent met 
zegels en brieven en een „willebrieff beuestet'' 
hadden op zeker onderpanden, gelegen in het 
kerspel Hardenberg en behoorende aan de erfg. 
van de vrouwe van Buren, waarin het convent 
zich niet „bewaert noch yersekert'' bevindt naar 
landregt, en voor de achterstallige renten met 
schade en kosten. 

6 Maart nemen zij het 2e, 20 Maart het 3e. 

« 

1537 Jan. 11 stilo communi (C Liij). 

De Stadh. houdt met de Commissarissen des 



318 



Keizers, Mr. Geert Mulart, Raad etc., Frederick 
van Meluyn, Meester van de Artillerie, en Anthony 
de Bruyn, Tresorier van den oorloge, een gemeenen 
landdag met R. en St. te Deventer. Tegenwoordig : 

Johan V. Twickel, Drost van Twenthe. 

Adriaen v. Rede, Maarschalk^ Drost te Laeghe. 

Burchart v. Westerholt, Drost v. VoUenho. 

Seyno Mulart, Drost van Sallant. 

Claes V. Beverfoorde, Drost te Blanckenbnrch. 

Heer Berent v. Schedelick, Commandeur te Oetmerssnm. 



Aloff V. Rutenburch, 
Hinrich v. Rechteren. 
Reynt v. Coforden. 
Vi Igrim V. Thie. 
Dirich v. Keppel. 
Alffer V. Ysselmuden. 
Roleif V. Hoevel. 
Bernt v. Beverfoerde. 
Hinrich Mulart, Dyk^eve. 
' Jan V. Ytterssem de Jonge. 
'Arnt Mulart, Scholte te 
'* Hasselt. 
Boldewijn Hagen. 
Arnt Sloet. 
Willem V. Buckhorst. 
Jan V. Wermel to Wester- 

^fiier. 
Bryun van Langhen. 
Herman Mulart, Scholt to 
Zwoll. 



Bertolt V. Langen. 
Vincentius v. Wterwick. 
Johan Rengers. 
Herman Ramelman. 
Lubbert Mulart Jansz. 
Wolter V. Heyden. 
Herman Grobbe. 
Peter v. Keppel. 
Engelbert v. Ënss, Rentm. 

V. Zalland. 
Mr. Geert Swaeif- 1 

gen I Gedep. 

Mr. Engelbert v. \ tbh 

Dotinchem 1 Deventer. 

Mr.GeerlichDoys ' 
Johan V. d. Vecht ) Gedep. t. 
Claes Krueser J Ciunpon. 
Kerstgen v.Depen-i oedep. 

broec vaii 

Jasper ten Holte \ ZwoUe. 



1537 Jan. 12 (C LÜij v*). 

Daar de Ridderschap en kleine steden der 3 
landen Sallant, Twenth en VoUenhoe den Keizer 
tot subsidie in de betaling der ruiters en 
knechten op den laatsten landdag 18000 ggl. 
geaccordeerd hebben, w^elke som onvoldoende blijkt 
om de ruiters en knechten „aff to ferdigen," zoo- 
dat de Staten van de Ridderschap op de 3 hoofd- 
steden gesteld hebben 12000 ggl., tot het vinden 
w^aarvan deze landdag belegd vras, — zoo protesteren 
de gedep. van de 3 Steden, als buiten hun consent 
tegen oud gebruik en contrarie hun privilegiën 



319 

geschied, denkende zij ook geenzins die contributie 
te betalen. De Stadh. stelt de zaak daarom uit 
tot den volgenden Landdag. 

1537 Jan. 26 (C Lv.) 

In zake Mr. Otto Basters, Secretaris van Deventer, 
tegen Pijlgrom van Ysselmuden Hauptman, over 
600 gl. current, welke aanl. beweert aan verw. 
betaald te hebben op een ordonnantie, geteekend 
door den Tresorier van den Oorloge Ant. de 
Bruyn, in handen van aanl. gelaten, en op het 
mondeling bevel van den Tresorier, on?.,<iergelijke 
schriften zonder nader onderzoek te bet£llen ; waar- 
tegen verw. ingebragt heeft, dat hij wel zulk eene 
ordonnantie in handen van aanl. gelaten had, maar 
geen geld er op van aanl. ontvangen had, daar 
deze zwarigheid gemaakt had, omdat hij b.^t hand- 
schrift van den Tresorier zeide niet. te kennen, 
dat hij des daags nadat dit geschied A\as, zich 
begeven had naar Jacob de Bey, klerk des Tresoriers, 
om een quittantie te laten maken gedagteekend 8 
Jan. en dat hij daarop van den aanl. ^' de 600 gl. 
ontvangen had; — partijen hebbent dit geschil 
„claeckloes" ter beslissing gesteld van den Stadh., 
Mr. Gerrit Mulart, Raad en Cominissaris des 
Keizers, Reynolt van Bourmania, Drost te Wedde, 
Mr. Gerrit Schwaeffken, Dirich van Brunsfelt, 
Mr. Engelbert van Dotinchem en Geerlich Doys, 
Burgemeesters van Deventer, Johan Carpentier, 
Controleur en Bartholomeus van Coelen, Grifi&er 
van Overijssel, die gewezen hebben: als de verw. 
een solemnelen eed doen wil, de 600 gl. op de 
ordonnantie niet ontvangen te hebben, en zoo de 
schrijver Peter van Loen bij gelijken eed affir- 
meren wil, dat hij van de 600 gl. anders niet 
weet dan verw. geallegeerd heeft en dat hierin 
geen bedrog of arglist schuilt, zal de verw. ge- 
absolveerd zijn. 



320 

Daar verw. aangeboden heeft dien eed te doen 
en de schrijver eveneens, heeft aanl. „hem den 
eydt verdragen" en „zy beyde daervan verlaeten." 

1537 Febr. 1 (C Lxxi). 

Johan Grobbe, als gemagtigde van zijn moeder 

Ilaodewieh, wed. van Arent Gr., neemt zijn Ie 

w\ast(*eken op Johan van Eschede voor 76 mud 

rogge sloptiendo, binnenjaarsche en achterstallige 

pacht, met de kosten, schaden en interessen daarop 

verloopcn. 

15 Febr. neemi hij het 2e, 1 Maart het 3e. 

1537 Sept. 3 (C Lvij). 

De Stadh. houdt op verzoek van 's Keizers 
Commissarissen Philips van Lannoy heer van 
Malenbois, Ridder van den Oorde, overste Hof- 
meester en hoofd van de financiën, Heer Loys 
van den Schoer Doctor, Raad, en Mr. Vincent 
Cornelisz, Tresorier van de financiën, en Mr. Gerrit 
van Loo, Rentmeester van Friesland, een geraeenen 
landdag van Ridderschap, groote en kleine steden 
binnen Zwolle. Tegenwoordig: 

Johan van Twickel, Drost van Twenthe. 

Adrian van Rede, Maarschalk, Drost te Lage. 

Burchart van Westerholt, Drost van Vollenhoe. 

Scvno Mulart, Drost van Sallant. 

Heer Frederich van Twickel, Ridder. 

Johan van Ytterssom, Drost van Ysselmniden. 

Enp:elbert van Ens, Rentmeester van Sallant. 

Arent Mulart, Scliout te Hasselt. 

Adriaen van Twickel. 

Johan van Voerst. 

Johan van Buckhorst Heer Willemsz, 

Hinrich Haffen. 

Claes van Beruerden, Drost te Blanckenborch. 

Aloif van Rutenburch. 

Ot van Rutenburch. 

Herman van den Cloister. 

Johan Mulart, Ambtman van de Kuynre. 

Alffer van Ysselmuden. 



321 

Hinrich Mulart, Dyk^aaf van Zallant. 

Hinrich Schaep. f 

Ernst van Ytterssum. 

Vincentius van Wterwyck. 

Dirich van Keppel. 

Wolter Stellinck. 

Gysbert van Dort. 

Roloff van Schenen. 

Johan van Ytterssnm de Jon^e. 

Boldewyn Hagen. 

Arent Sloet. 

Johan van Echten. 

Herman Mnlart, Schont te Swoll. 

Daar Heer Lodewich van Schoer voornoemd 
aan de aanwezigen voorgehouden heeft de weldaden 
van den Keizer en van de Koningin-Regentes, door 
de herovering dezer landen en inzonderheid van 
Drenthe en Coforden, de heerlijkheid Depen- 
hem en de stad en Ommelanden van Groningen, 
waardoor in den laatsten oorlog tegen Gelderland 
600.000 gl. noodig waren, en dat in den oorlog van 
'36 en '37 tegen den Koning van Frankrijk bijna 20 
maal 100,000 gl. gekost hadden, Avaartoe deze landen 
niet gecontribueerd hadden, en er een restant te 
dekken viel van 120,000 gouden fi., waarvan van 
deze landschap V» of 40,000 ggl. gevraagd werd, ant- 
woordt Adr. V. Rede namens R. en St. : dat men hier 
18000 ggl. en daarna weder 3000 Ph. gl. opge- 
bragt had tot onderhoud van krygsknechten tegen 
den Hertog van Geiler en dat, daar de Landschap 
ook door andere redenen niet bij magte was de 
gevraagde som te betalen, zij aanboden 3200 Car. 
gl. in 4 termijnen te betalen, met beding, dat de 
Keizer nu de verzegeling zoude geven van de 
vrijheden, privilegiën, land- en stadrechten te 

21 



322 

onderhouden, ook dat het huis Coforden en land 
van Drenthe ten eeuwig^en dage bij Overijssel zoude 
blijven en dat geen nieuwe schattingen of beden 
geneven zouden worden, voordat de bestaande 
schulden afgelost waren. Hierop is geantwoord, 
dat alle andere punten zouden vaststaan, maar dat 
het punt van de schatting niet in hun magt was 
en zij dit dus aan den Keizer zouden overbrengen. 
Van die schulden zal dezerzijds een staat opge- 
maakt worden. 

Daar in hot tractaat tusschen den Keizer en 
Overijssel een artikel voorkomt, waarbij 3 jaar 
lang, op eiken last uitgevoerde turf 1 oud schild 
tol gesteld werd, en die tol vervolgens op 1 ggl. 
per last gebragt is, wordt deze nu vastgesteld 
op 1 ggl. voor uitgevoerde turf, terwijl de hier 
gebruikte vrijgesteld wordt. 

De Ridd. begeert, dat 's Keizers Commissarissen 
hen, die nog ten achteren zijn van hun soldij 
van het garnizoen, verschenen ulf. Junij '36, zullen 
laten voldoen. De Commiss. antwoorden, dat zij 
een staat zullen opmaken en aan ieder opgeven 
waar en wanneer hij betaling zal krijgen, en zulks 
voordat zij van hier scheiden zullen. 

1537 Sept. 24 (C Lxxj v*). 

Prior en convent van Buerlo nemen het Ie 

wasteeken op Hinrich van Rechteren voor 372 

mud rogge achterstedige pacht met kosten, schaden 

en interest daarop verloopen. 

8 Oct. nemen zy het 2e, 22 Oct. het 3e. 

1537 Nov. 3 (C Lxxi v^»). 

Matheus van Kempen, burger te Deventer, 
neemt zijn Ie wasteeken op Bemt van Beuerforde 
to Weemssel voor 7 ggl. en 1 oort voor verteerde 
kost, hooi en haver in den Zwolschen oorlog 
en voor kosten, hinderen schade hierop verloopen. 
17 Nov. neemt hij het 2e, 1 Dec. het 3e. 



323 



De Stadh. houdt een gemeenen landdag met 
R. en St. binnen Deventer. Tegenwoordig: 

Johan van Twickel, Drost van Twenth. 

Adriaen van Rede, Maarschalk, Drost te Lage. 

Bnrchart van Westerholt, Drost van Vollenhoe. 

Seyno Mulart, Drost van Zallant. 

Johan van Ytterssnm, Drost van Ysselmuiden. 

Claes van Beuemorde, Drost van Blanchenburch. 

Hinrich Mulart, Dijkgraaf van Zallant. 

Herman Mnlart, Schout v. Zwolle. 

Engelbert van Ens, Rentmeester v. Zallant. 

Heer Frederich van Twickel, Ridder. 

Heer Bemt van Schledick, Landcommandeur te Ot- 

mershem. 
Johan van Buckhorst Heer Willemsz. 



Johan van Voerst. 
Otto van Rutenburch. 
Gijsbert van Dort. 
Wolter iStellinck. 
Jan van Wermel to Wester 

flee. 
Johan van Essen. 
Reynt van Couorden. 
Roloif van Schenen. 
Bemt van Beuerforde. 
Mr. Jan van Langen. 
Ernst van Ytterssom. 
Hinrich Schaep. 
Bruyn van Langhen. 

Gr. Gerrit Schwaeffgen 
Johan van Eschede 
Hinrich Plaetman 
Dirich van Bmnsfelt 

Johan van der Vecht 
Hinrich Kuynretorff 

Johan van der Marsch I n j . n ^^ 
Kerstgen y.Depenbroek | Gedeput. v. Zwolle. 



Wolter van Heyden. 
Henrick Schaep de Jonge. 
Otto Bellinckhouen. 
Wolter Splinter. 
Hinrich van Rechteren. 
Herman van den Cloester. 
Jan Rengers. 

Vincentius van Wterwijck. 
Johan van Stenwick. 
Pilgrim van Thye. 
Johan Mulart Lubbertsz. 
Bartelt van Langen. 
Diderich van Keppel. 
Pieter van Keppel. 



Gedeput v. Deventer. 



( 

I Gedeput. v. Campen. 



1537 Nov. 4 (C Lxiii). 

Stadh. met R. en St. bewilligen, dat Adr. van 
Rede, Maarschalk, Burchart van Wosterholt, Mr. 
Gerrijt Swaeffgen en Joh. van der Vecht als 
Gedeputeerden van R. en St. naar de Koningin- 



324 

Regentes reizen, om te kLagen over de schade 
het vorig en dit jaar aan de ingezetenen toege- 
bragt door de „dienstloese knechte" van Evert 
Ouelaekers hoop en Meynart van Ham en 
te verzoeken 250 paarden in garnizoen te hebben, 
waarvan de landschap er 100 onderhouden zal. 
Voorts over andere artikelen in de instructie der 
Gedeputeerden omschreven. 

Aangezien de Stadh. met R. en St. overlegd 
hebben, dat er een ordonnantie noodig was omtrent 
de uitgeruste paarden tot bescherming der 
onderzaten, zoo de dienstlooze knechten de land- 
schap weder met „garden^' of anders overtrekken, 
en elks deel in die paarden aangewezen is oif 
worden zal, wordt besloten, dat de Landschap de 
kosten dragen zal van de jonkers en ruiters, die 
volgens de ordonnantie uitrijden, te weten voor 
elk uitgerust paard 6 str. brab. per dag; dat wie 
gevangen genomen wordt, of zijn paard verliest 
verlost en schadeloos gesteld zal worden, enz. 

Om van de dienstlooze knechten bevrijd 
te worden, komen Stadh. R. en St. overeen, dat 
de Landdrosten en de steden groot en klein aan- 
staanden Zondag in alle kerken en op alle andere 
plaatsen, waar men gewoon is publicatie te doen, 
zullen laten afkondigen, dat niemand zich ^ver- 
fordere in desen landen to gaerden," op straf van 
zonder genade „aen den hoichsten aen lijff endc 
goet" gestraft te worden, waarop de Stadh. ern- 
stige mandementen zal afvaardigen. 

Daar ernstige geschillen ontstaan zijn over erven, 
waarop huizen gestaan hebben tijdens David van 
Bourgondië, bij de uitvoering van het mandement 
der uitzetting van 18000 ggl. van '36, van welke 
erven de landen, welke men eertijds ploegde, nu 



325 

tot weiland gemaakt zijn en door kotters bewoond 
worden, die niet bij magte zijn te betalen wat de 
meijers betaalden, wordt besloten, dat de land- 
heeren van zulke erven tot de uitzetting contri- 
bueren zullen van 1 ploeg 5 ggl., van V^ ploeg 
2V* ggl. in welke contributie de landheeren die 
kotters „te baeten hebben sullen'^ in zulke portie, 
als waarop de kotters door de gezworen zetters 
gesteld zijn. 

Jan V. Twickel, Drost van Twenthe, Heer Fred. 
V. Twickel Ridder en Heer Berent van Schledick 
worden gecommitteerd, om de „befestinge'WanOl- 
denzaal en Enschede te bezigtigen en te ver- 
zorgen en aan de burgemeesters en raad te zeggen, 
dat de Stadh. zoo noodig eenige manschappen te 
voet of te paard zenden zal, die zij zullen moeten 
innemen op bevel van den Drost van Twenthe. 

1537 Nov. 7 (C Lxv). 

Op verzoek van Merten Willemsz en Alijt zijn 
vrouw om executie van het vonnis, door Johan 
van Buckhorst voor den gerichte tegen de schepenen 
van Enschede bij contumatie 5 Oct. 1535 ge- 
wezen, waartegen de gedeputeerden van de sche- 
penen verzocht hebben, toegelaten te worden tot 
het regres van purgeringe dier contumatie volgens 
de constitutie van Stadh. R. en St., doch dat zij, 
daar de tegenpartij arme lieden waren, ook wel 
lijden mogten, dat de zaak in vriendschap uitge- 
maakt werd, hetgeen door Mar ten en Alijt goed- 
gekeurd is, zoodat de zaak ter beslissing van den 
Stadh. en den Drost van Twenthe gesteld was, 
wijzen deze dat de Schepenen fian M. en A. betalen 
zullen 37 Phs. gl. half binnen 14 dagen te betalen 
en half aan den Drost in handen te stellen, tot<lat 
zy voldoende borgen zullen gesteld hebben, dat 
Alijt'ö zuster de Schepenen niet meer zal lastig 
vallen en zij met één betaling er af zijn. 



326 

In zake Pater Abel Rector van Mr. Geertshuis 
te Deventer tegen Johan Evertsz, aan wien aanl. 
het erve Amerfelt verpacht had, op voorwaarde, 
dat zoo verweerder van zijn vrouw en het erve 
wegliep, gelijk hij voorheen gedaan had, dat hij 
dan van de pacht verstoken zoude zijn en het 
convent het op nieuw verpachten mogt, en ook 
dat men elkander de pacht mogt opzeggen een 
jaar te voren; bewerende verw. het erve voor 6 
jaar gepacht te hebben; — is door Stadh. R. en 
St. geklaard: daar verw. zelfde „bevurwerde con- 
dicien ingebroken" heeft en de door a^inl. bij- 
gebragte getuigen niet gewraakt kunnen worden, 
zal verw. het erve ruimen. 

1537 Nov. 13 (C Lxxii). 

Hinrick Duysken neemt zijn Ie Wcusteeken op 

Bernt van Hackfort voor 255 ggl. voor boter, 

kaas en spek, waarop 31 ggl. betaald waren, en 

voor hinder, kosten en schade daarop verloopen. 
27 Nov. neemt hy het 2e, 11 Dec. het 3e. 

1537 Dec. 17 (C Lxxii v^). 

Thonis van Brakel, als momber zijner vrouw 

Marie, natuurlijke dochter van zal. Jan van Yt- 

t(Tssom Robertsz, neemt zijn Ie wasteeken op 

Ernst van Ytterssom en Herman ter Beke als 

erfgenamen, voor 60 ggl. per jaar, welke Jan v. 

Y. bij zijn leven aan Marie geschonken had, 

blijkens zijn eigen handschrift, en voorts voor alle 

kosten, hinder en schade daaro}) verloopen. 

31 Dec. neemt hy het 2, 11 Jan. 1538 het 3e. 

1537 Dec. 22 (C Lxvii). 

De Stadh. houdt een landdag binnen DeventCT. 

Tegenwoordig : 

Adriaen v. Kede, Maarschalk, Drost te Lage. 
Burchart van Westerholt, Drost van VoUenho. 
Seyno Mulart, Drost van Zallant. 



327 

Otto van Rechteren, Drost te Genemuiden. 

Heer Frederich van Twickel, Ridder. 

Engelbert van Ens, Rentmeester van Sallant. 

Johan van Ytterssum de Jonge. 

Vniko Ripperda. 

Alifer van Ysselmnden. 

Willem van Dotinchem, Schout van Deventer. 

Jan Mulart, Ambtman van de Kunre. 

Hinrich Mulart, Dijkgraaf van Sallant. 

Herman Rammelman. 

Boldewijn Hagen. 

Arent Schloet. 

Vincentius van Wterwyck. 

Hinrich Schaep de Jonge. 

Mr. Gerrit Schwaeffgen. 1 

Hinrich Plaetman. ( n^^^«„f ^ vk^^^^*^^ 

Dirich van Brunsfelt. ( ^^^^P'^*' ^- I^^^^^^te^- 

Herman ter Beke. ) 

De gedeput. van Campen te Zwolle gekomen, 
zijn op aanzeggen van Zwolle weder naar huis 
gereisd : het waren Jan van der Vecht en Hinrich 
Kunertorff. Die van Zwolle hebben zich schrif- 
telijk verontschuldigd, omdat de wegen slecht 
waren. De Landdag is daarom uitgesteld tot 
28 Dec. 

1537 Dec. 28 (C Lxviü). 

De Stadh. houdt den uitgestelden landdag te 
Deventer. Tegenwoordig : 

Jan van Twickel, Drost v. Twenthe. 

Adriaen van Eede, Maarschalk. 

Burchart van Westerholt, Drost van Vollenho.' 

Seyno Mulart, Drost v. Zallant. 

Heer Frederich van Twickel, Ridder. 

Ot van Rechteren, Drost te Genemuden. 

Hinrich van Rechteren. 

Goossen van Raesfelt. 

Engelbert van Ens, Rentmeester van ZaUant. 

Vniko Ripperda. 

Jan Mulart, Ambtman van de Kuynre. 

Alffer van Ysselmuden. 

Reynolt van Coforden. 

Boldewijn Hagen. 

Willem van Boekhorst. 



328 

Pelgrom van Thye. 

Arent Schloet. 

Hinrich Schaep de Jonge. 

Goert van Rede. 

Vincentius van Wterwijck. 

Gedepnt. van Deventer en Campen als boven. 

Aangezien het verslag van de gedeput. aan de 
Koningin-Regentes hen niet voldaan (gesediget) 
en niet geholpen had, besluiten R. en St. opnieuw 
aan de Koningin te schrijven, om beter en trooste- 
lijker antwoord. 

Goessen van Raesfelt doet hulde en eed aan 
den Keizer als Hertog van Brabant, Graaf van 
HoUant en erfheer van Frieslant, Overijssel en 
Groningerlant. 

1538 Jan. 2 (C Lxxii v^)- 

Evert van Graes neemt zijn Ie wasteeken op 
de erfg. van Juffer Agnes van Dornijck voor 
zekere actie van leengoederen op hem „ver- 
stammet," door Agnes bij haar leven, zonder 
daarmede eerst beleend te zijn, tot zijn nadeel, 
als haar lecnvolger, bezwaard, met vrijlating harer 
eigen goederen. 

Op 16 en 30 Jan. neemt hij het 2e en 3e. 

Gri(*te Lubberts van Groningen neemt hmir Ie 

wasteeken op Herman Mulart, Schout te Zwolle, 

voor zekere aanspraak, dat hij Ane Winolts man, die 

op haar verzoek en arrest in zijn „hachten" zat 

en haar schuldig was, had laten loopen en nochthans 

zijn ,,f?erechicheit*' daarvan ontvangen had, en 

voor alle schade voor haar daaruit ontstaan. 
16 en 30 Jan. neemt zij het 2e en 3e. 

Johan ter Baucn neemt zijn Ie wasteeken op 
Bernt van Hackfort voor een brouwketel en brouw- 
gereedschap, door dezen bij hem gehaald met 



329 

belofte van beüding en verder voor zeker geweld 
en schade hem aangedaan, met alle hinder, 'kosten 
en schade daarop verloopen. 

16 en 31 Jan. neemt h\j het 2e en 3e. 

Woltor Htellinck neemt zijn Ie wasteeken op 
de wed. van Geert van Langen en haren zoon 
voor paard en harnas aan haren zal. man geleend, 
toen hij op de Veluwe nederlag en voor ITV» gl. 
van zijn soldij op Rechteren verdiend, waarvoor hem 
haiir zal. man had „geloeft" en voorts voor hinder, 
schade en kosten, daarop verloopen. 

16 en 30 Jan. neemt hy het 2e en 3e. 

1538 April 13 (C Lxxiiij). 

Jacop van Ytterssum Jansz, als gemagtigde van 
Roeloff van Meruerden, neemt zijn Ie wasteeken 
op Johan van den Kamp voor 200 ggl. eens of 
10 gl. per jaar, welke Juffer Johanna van Langen 
aan Roelof haren neef gegeven had, uit het erve 
den Ilolt in het kerspel Hardenberg, omdat 
V. d. K den moetzoen en het „gesclieif* niet op- 
gevolgd had, in '36 in deze zaak gemaakt, en 
voor alle hinder, kosten en schade diuirop ver- 
loopen. 

27 April neemt hy het 2e, 11 Mei het 3e. 

Bernt, Claes en Zweder van Beuervoerde, ge- 
broeders, nemen hun Ie wasteoken op Bernt van 
Beuerforde to Weemsel voor zekere actie van 
250 ggl. en andere onkosten, waarvoor Johan van 
Twickel, Drost van Twenthe, en zal. Johan van 
Welvelde borgen geworden waren aan de van 
WuUens en Valeken in het Sticht van Munster, 
herkomende van zal. Johan v. B., oom der ge- 
broeders, en voorts voor alle kosten, hinder en 
schade daarop verloopen. 

27 April nemen zij het 2e, 11 Mei het 3e wasteeken. 



330 

1535 Junij 14 (C lxxv). 

Burchart van Westerholt, Drost van VoUenho, 
als tfemajiftigde van Bernt van Oer en Bemt van 
Beuerfoerde toe Weemssel, neemt zijn Ie wasteeken 
op Bernt, Claes en Zweder van Beuerfoerde ge- 
bro(Hlers en op het goed ter Mollen en hun andere 
aangeorven bezittingen, waarin hun ouders „becruet 
end(» verstorven" waren, voor zekere aanspraak 
en actie wegens 10 ggl. per jaar, welke de aanl. 
voor den vader der gebroeders ten behoeve van 
zijn pandschap van het Drostambt Blancken- 
bureh eenige jaren verschoten hadden, alles 
blijk(*ns zegels en brieven, en voorts .voor allé 
hinder, schaden en kosten, daarop verloopen. 

28 Jnny neemt hij het 2, 12 Jalij het 3e. 

1538 Oct. 8 (C LXXV v*). 

lieer Bernt Meyors van Wyden neemt zijn 
Ie wasteeken op Bernt en Claes van Beuerfoerde 
gebroedcirs voor 60 ggl. blijkens hun beider hand- 
schrift, met de kosten en interest daarop verlooj)en. 

22 Oct. neemt hy het 2e, 5 Nov, het 3e. 

Goessen de Wrede neemt zijn Ie wasteeken 
op Hinrich van Rechteren voor een stuk land 
geheeten de Hof f kamp, door versterf van Jo- 
hanna, Goessens moeder, op hem vererft, maar door 
Ilinrich hem onthouden en v(K)r een ^lose" daaraan 
te hebben vernieuwd, voorts voor de achterstallige 
renten, kosten en schade. 

22 Oct. neemt hij het 2e, 5 Nov. het 3e. 

1538 Oct. 23 (C Lxxvj). 

Herman Kuster, burger te Deventer, neemt zijn 
Ie wasteeken op Heer Frederick van Twickel 
Ridder voor 36 Phs. gl. 21 st brab. voor laken, 
met verder kosten en interessen. 

6 en 20 Nov. neemt hy het 2e en 3e. 



331 

1539 Mei 10 (C Lxxvj v^). 

Jan Anekinc neemt zijn Ie wasteeken op RolofF 
van Scheven voor zeker schade aan zijn ouders en 
hem als hun erfgenaam aangedaan, door ontzetting 
van het erve Anekinck, waaraan zijn ouders en 
hij nog ettelijke jaren hadden, krachtens brief en 
zegel, en geld daarvoor gegeven, voorts voor alle 
hinder, kosten en schade daarop gevallen en nog 
te verwachten. 

24 Mei en 7 Junij neemt hij het 2e en 3e. 

1539 Oct. 7 (C Lxxviii). 

De Stadh. generaal houdt wegens zwakheid zijn 
regtdag op het huis te VoUenho. 

Dingvverder: Herman van den Cloester. 

ir 1 n+ j Henrich Hagen. 

Aeurnoien | j^y^^^ ^^^ Buckhorst Heer Willemsz. 

Daar het gewoonte is, dat men den regtdag 
beneden houdt in de regtbank, is het door den 
Dingwaarder „mit een oerdel bewaert,^' dat Mijn 
Gen. Heer om zijn zwakheid den regtdag mag 
houden op de regtkamer op het slot te Vollenho. 

In zake Hinrich van Haerst tegen Steven en 
Johan van Ilaerst over zekere erfscheiding en 
moetzoen, waarvan Hinrich éV» morgen lands mist, 
is door den Stadh. en de omzitters van R. en St. 
gewezen, dat Hinrich zijn aanspraak in schrift zal 
brengen en mc^t afschrift der mmgehaalde stukken 
in handen van den dingwaarder en de keurnoten 
zal stellen, die ze in handen der tegenpartij zullen 
stellen, om daarop op den volgenden regtdag te 
antwoorden, ten ware partijen inmiddels het regt 
verlieten en in der minne de zaak uitmaakten. 

In zake Wolter Steltinck tegen de wed. Geert 
van Langen, die Ditmer van den Schulenburch 
met hand en mond en handtasting tot momber 
gekozen heeft, over paard en harnas (zie 2 Jan. 



332 

1538) is tian de wed. met haar 2 zoous uitstel 
gof^tneu om te antwoorden tot overmorgen. 

Nadat zij geantwoord had, is het ordel besteed 
aan Otto van Rutenburch, die aanspraak en ant- 
woord op schrift begeerd heeft en op den volgenden 
regtdag wijzen zal, als de zaak niet in vriendschap 
gevonden is. 

1539 Oct. 8 (C Lxxix). 

In zake de vrouw van Tonis van Brakel tegen 
Herman ter Beke en Enist van Ytterssum, waarin 
aan de aanl. Ditmer van den Schulenburch als 
momber gegund is, dien zij koos met hand, mond 
en handtasting aan des griffiers handen gedaan, 
is het ordel besteed aan Wolter Stellinck, die 
aanspraak en jmtwoord in schrift begeerd heeft 
en morgen wijzen zal. 

En daar de aanl. na dit geding verklaard heeft, 
door Herman ter Beke tevreden gesteld te zijn, 
heeft E. van Ytterssum zijn zaak gesteld ter be- 
slissing van Stadh. R. en St. waarin de aanl. 
bewilligd heeft. Waarop dezen wijzen, dat Ernst 
voor zijn portie eens betalen zal 20 ggl. ten prijze als 
heerenpaehten betaald worden, of 1 ggl. per jaar. 

De zaak van Jan van Harst tegen Vinceritius 
van Wterwijck van wege zijn huisvrouw, over 
8 mud rogge en 5 ggl. per jaar, met kosten, enz. 
is besteed aan Adriaen van Twicktl, die aanspraak, 
antwoord en bewijs in schrift begeerd heeft en op 
den volgenden regtdtig wijzen zal. 

Tn zake Evert van Graes tegen de erfgen. van 
Juffer Agnes van Dorninck, die met wasteekenen 
gedagvaard zijn, aang. deze niet gebragt zijn in 
het erf huis van Juffer Agnes, noch in hun eigen 
woonstedon, weshalve zij niet schuldig zijn in deze 
instantie te antwoorden, is gewezen: vermits men 
het erfhuis van JuJBFer Agnes niet vinden kan. 



333 

zal men de wasteeken» brengen in de woonsteden 
der erfg., het artikel van het landregt van het 
erfhuis of sterfhuis onverkort blijvende. 

Daar Evert van Graes ditmaal de erfgenamen 
(Roloff, Vincentius en Johan van Wterwick en 
Ernst van Ytterssom) heeft laten ^bestammen" 
en daarop zijn aanspraak gedaan, is de aanspraak 
aan de verw. overgeleverd, die op den volgenden 
regtdag antw^oorden zullen. 

In zake de Matersche en Conventualen van der 
Maet tegen de erfg. van Jacop van Ytterssom, 
heeft de Matersche tot momber gekozen Henrich 
Steyn, die beide daarop aan den griflfier handtasting 
gedaan hebben, in welke zaak Reynt van Coforden 
aangenomen heeft, te responderen voor 3 partijen 
en voorts de zaak ter minnelijke uitspraak van 
Stadh. R. en St. gesteld, waarop met goedvinden 
van partijen gewezen is: dat de erig. aan het 
klooster betalen zullen een hoofdsom van 100 ggl. 
en voor de achterstallige rente 200 ggl. ten prijze 
als des heeren pacht betaald wordt, of behoorlijke 
„befestunge" daarvoor doen. R. v. Coforden heeft 
aangenomen 3 deelen daarin qq. te dragen binnen 
6 weken. 

In zake Frans van Haerst Gaertsz tegen Vin- 
centius van Wterwijck namens zijn huisvrouw, die 
voor het gericht „bestampt" is, over 250 ggl. 
welke Frans krachtens een handschrift van Vin- 
centius eischt, is gewezen: daar aanl. geen pro- 
curatie in het gericht brengt van zijn moeder, 
broeders en zusters, als erfg. van Albert van 
Sallant (op wien het handschrift luidt), behoeft 
verw. in deze instantie niet te antwoorden. 

De zaak van de erfg. van Mr. Jan Oestendorp, 
kanunnik, tegen Aloff van Rutenburch, die op 



334 

dezen regtdag bewijs inbrengen zoude, doch zich 
om ziekte verontschuldigd had, is deshal ve uit- 
gesteld tot den volgenden regtdag. 

In zake Griete Lubbertsz tegen Herman Mulart, 
Schout van Zwolle, over twee gevangenen, die 
verw. ten nadeele der aanl. had laten loopen, op 
welke zaak de gedeput. van Zwolle krachtens hun 
privilegiën exceptie genomen hadden, daar de Schout 
een burger dier stad is en daarom niet met was- 
teokens voor dit gericht behoort gedagvaard te 
worden, maar voor Burgem. Schep, en Raad, 
waarop zij hem gezegd hebben te. huis te mogen 
blijven en dat zij hem in deze instantie verant- 
woorden zouden, waartegen aanl. geantwoord heeft, 
daar zij Herman als een schout en officier des 
Keizers in een zaak des Keizers Hoogheid be- 
treffende, met wasteekens vervolgd, en voor het 
hofgcricht des Keizers aangesproken had, de zaak 
niet voor Zwolle dienen moest, is door den Stadh. 
met gemeene stemmen van deRidd., terwijl de 
steden Deventer en Campen van ander 
gevoelen waren, gewezen: daar de zaak her- 
komt van de administratie van des Schouten officie, 
behoort de Schout in dit gericht te antwoorden; 
de aanl. zal haar aanspraak in schrift overleggen, 
waarop verw. op den volgenden regtdag ant- 
woorden moet, onverkort de Keizerlijke Hoogheid 
betreffende de privilegiën der stad Zwolle. 

In zake de erfg. van Geert Mulaert en Johan 
Mulart tegen Vincentius van Wterwijck van wege 
zijn vrouw, welke besteed was aan Johan van 
Bochorst to Sallick, die gewezen heeft: aang. hij 
in dit geschil een bezegelden moetzoen vindt met 
een transfix d(*s vorigen bisschops, zal de moetzoen 
oj)gevolgd worden of met beter bewijs moeten 
wederlegd worden: welk vonnis beide partijen 



335 

gevolgd zijn; daar nu de moetzoen inhoudt, dat 
zoo eenig „onverstant" ontstond, dit zal staan ter 
„erkentnisse" der stad Zwolle, zijn partijen over- 
eengekomen te verschijnen op den dag, door Bur- 
gemeesteren dier stad te bepalen en op te volgen 
wat deze wijzen zullen, alsof het door Stadh. R. 
en St. geklaard ware. 

Het proces van beide zijden met dit vonnis is 
gezonden aan de gedeput. van Zwolle, namelijk 
Johan ter Marsch. 

In zake de erfg. van Wobbeken Kaele tegen 
Johan van Buckhorst Heer Willemsz, waarvan 
het ordel besteed is aan Aernt Schloet Folkiersz, 
die gewezen heeft: daar het goed een leengoed is, 
behoort men het regt niet naar het landregt „wt 
te richten," maar voor den leenheer en leenmannen 
volgens leenregt, en daar v. B. zelf leenheer en 
„saeck wolder" is, zoo moet de o verleenheer met 
zijn leenmannen regt doen. 

Deze w^zinge hebben de aanl. beroepen in claringe. 

In zake Matheus van Kempen tegen Bemt van 
Beverfoerde toe Weemsel over 7 ggl. en 1 oort, 
is door het gericht en bijzitters van R. en St. 
gewezen: als verw. of zijn gemagtigde niet ver- 
schijnt gedurende dit gericht en op de aanspraak 
antwoordt, zal hij „der ansprake vellich" zijn. 
Overeenkomstig de generale ordonnantie van Stadh. 
R. en St. zal hij echter op dezen of den volgenden 
regt^ag purgeringe mogen doen van zijn con- 
tumatie. 

De zaak van Herman Kuster tegen Heer Fre- 
derick van Twickel, Ridder, over een schuld van 
32 Phs. gl. 21 st. welke verw. ontkent, is besteed 
aan Wolter Stellinck, die aanspraak en antwoord 
in schrift begeerd heeft, en op den volgenden regt- 
clag zal wijzen. 



336 

1539 Oct. 11 (C Lxxxiiii). 

De Stadh. houdt met R. en St. claring in het 

huis te Vollenho. Tegenwoordig: 

Heer Frederick van Twickel, Ridder. 

Bnrchart van Westerholt, Drost v. Vollenho. 

Seyno Mulart, Drost v. Zallant. 

Goessen van Raesfelt, Drost v. Twenthe. 

Engelbert van Ens, Rentmeester v. Sallant, Dingweerder. 

Adriaen van Twickel. 

Wolter Stellinck. 

Johan van Boekhorst toe Sallick. 

Hinrich Hagen. 

Hinrich Mulart, Dijkgraaf. 

Ernst van Ytterssom. 

Pilgrom van Ysselmnden. 

Vniko Ripperda. 

Roeloff van Scheven. 

Arent Sloet Jansz. 

Johan van Ytterssom to Gramsbergen. 

Alphert van Ysselmniden. 

Otto van den Rutenberge. 

Johan van Wermeloe to Westerfleer. 

Harman van den Cloester. 

Steven van Haerst. 

Roeloff van Vterwick. 

Johan van Echten. 

Claes van Beuer voerde, Drost te Blanchenburch. 

Johan Rengers. 

Johan Grobbe. 

Johan van Steenwick. 

Aernt Schloet. 

Vincentins van Vterwick. 

Bruyn van Langen. 

Mr. Johan van Langen, Doctor. 

Mr. Gerrit Swaeifkens ] n ;i 4. t\ * 

Mr. Geerlich Doys } ®«^«P"*- ^'^^ Deventer. 

(rf^rrit" Loesö ] 

m j^ T7^ } Gedepnt. van Campen. 

Tyman van den veene ) ^ ^ 

Johan ten Marssche I n^j^^,.^ _ n ^^^ 
Kerstgen Diepenbroeck f ^^^^P"*' ^*" Z^^"«- 

In zake Jan van Zwolle tegen de wed. van 
Geert van Tiangen over 2 paarden en zekere 
kosten, door v. L. ten huize van aanl. verteerd 



337 

en welke deze van wege eenigen van de Ridder- 
schap en der stad Deventer hem „afifgesproken" 
zouden hebben, waarvan aanl. van de verw. „na 
doder hant huers seligen huysheren geeyscht ende 
gefordert hefft, welcke anspraeck de verw. by 
gebreck van behoerlicken bewijs dat den anlegger 
ter doder hant by to brengen na recht incumbeert," 
hetwelk in dit proces niet bevonden wordt, ont- 
kent — is geklaard: wel gewezen en kwalijk be- 
roepen en voor zoo ver verw. bij eede verklaart, 
van paarden en kosten niet geweten te hebben, 
voor haar mans dood, gelijk zij bij haar antwoord 
beweerd heeft, zal zij van de aanspraak geabsol- 
veerd zijn en blijven; de wederzijdsche kosten 
gecompenseerd. 

In zake Herman ten Busch tegen de erfg. van 
Schweer van Voerst over een paard van 52 ggl. 
door verw. gekocht van Mr. Geert van den Busch, 
Deken te Oldenzaal, blijkens brief en zegel, onder 
sterken vorm van „leystinge" en andere couditiën, 
in de aanspraak vermeld, welke zaak eertijds te 
Zwolle zoude zijn vervolgd, met vermaning aan 
de erfg. voor 2 raadsheeren dier stad gedaan, doch 
waarvan geen bewijs overgelegd en is waarop verw. 
geantwoord hebben : daar aanl. niet binnen den 
tijd van prescriptie met dien brief gemaand noch 
gesproken heeft, zal het een slaper zijn en de 
verw. vrij van de aanspraak, — is bij sententie 
interlocutoir gewezen: aang. in het proces het 
bewijs ontbreekt, hoe aanl. aan den brief gekomen 
is, en ook aangaande het beweren, dat de zaak 
te Zwolle vervolgd zoude zijn, zal aanl. op den 
volgenden landdag daarvoor en voor hetgeen verder 
tot verificatie zijner aanspraak strekken kan, bij- 
brengen, zullende dan verder hierin gewezen 
worden. 

In zake Claes van Wye tegen AlofF van Ruten- 

22 



338 

berch over bchaile en interessen van handgelden 
en gerichtskosten den aanl. aangedaan, waarvan 
verw. te voren in het principaal is „ondergeelaert," 
is geklaard: wel gewezen en kwalijk beroepen, 
reserverende Stadh. R. en St. het accessorium 
der handgelden en gerichtskosten tot hun taxatie. 

In zake Juffer Anna van Mer velde wed. Revnt 
van Couorden tegen Bernt van Thye over zeker 
belofte van 100 ggl., welke verw. „bevesten" 
zoude, krachtens certificatie van getuigenis der 
borgmannen en schepenen van Goer, waarop verw. 
geantwoord heeft, dat zulke getuigenis tegen vorm 
van regt en „achterbacx^' geschi(id zoude zijn, 
hetgeen hij echter niet bewezen had zooals naar 
regt behoort, — is geklaard: w^(d gewezen en 
kwalijk beroepen, wel te verstaan, dat verw. 
betalcm zal het verloopen handgc^d (rente) ter 
goeder rekenschap zooals de hoofdsom. De ge- 
richtskosten worden gereserveerd ter taxatie van 
Stadh. R. en St. 

Tn zake de Drost van Salland, als klager des 
Keizers, tegen de borgen van de kooplieden der ge- 
arresteerde Oostersche goederen, waarvan het 
ordel besteed is aan Herman van den Cloester, 
heeft Mr. Gerardus Hermanni, Secretaris van 
Campen, voor den geiïchte verklajird, dat de borgen 
hem gemagtigd hadden, het vonnis te ontvangen 
voor 2 scliej^enen der stad Campen, hetgeen de ge- 
doput. van Campen bevestigd hebben ; daarop heeft 
V. d. Cloester gewezen: aiing. verw. hoofdzakelijk 
zich daarop beroepen, dat het keizerlijk mandt^ 
mi^nt, waarbij verboden zou zijn dat goederen, welke 
te liubeck of op de Trave geweest waren, in 
's Keizers landen of steden g(*bragt weerden, op 
straffe van verbeurte dier goederen enz., niet ge- 
publiceerd en afgekondigd was, hetgeen ook door 



339 

eischer niet bewezen is, en aang. geen nieuwe 
statuten, ordonnantiën of mandementen van kracht 
zijn, voordat zij naar lands gewoonte op behoor- 
lijke plaatsen afgekondigd zijn, hetgeen niet be- 
wezen is geschied te zijn, behooren de kooplieden 

vrijgesproken te worden. 

De Drost beroept dit vonnis in claringe. 

In zake Jan Anekinck tegen Roloff van Scheven 
over zekere verpachting van een erve, stelt de 
aanl. op verzoek des verw. en „ erken tenisse'* des 
gerichts tot borgen voor de onkosten Hinrich 
Koepman Egbert, burger te Enschede, en aan- 
gaande verdere borgschap door v. S. gevorderd, 
neemt de aanl. bij eede aan het gewijsde en de 
daarop volgende claring te zullen nakomen en op 
geen tijd daartegen te doen. 

Het ordel is besteed aan Johan van Steenwick, die 
aanneemt op den volgenden regtdag te wijzen, 
terwijl beide partijen hem aanspraak, antwoord en 
bewijs overleverden. 

In zake de wed. Wolter van Coforden, die 
met hand en mond tot momber kiest Wolter van 
Ileyden, tegen de wed. van Reynt van Coforden 
Anna van Mervelde, met Adriaen van Twickel, 
tot momber over 4 zaken welke aanl. aan verw. 
in schrift overgeven zoude, doch hetgeen volgens 
verw. niet geschied is en waarop aanl. gerepliceerd 
heeft, dat zij bij haar trouw en eed verklaart, de 
aanspraak overgeleverd te hebben aan zal. Johan 
van Twickel, Drost en momber van verw., is dit 
als in mombers hand gedaan voor genoegzaam 
verklaard, zoodat verw. gehouden is, dezen na- 
middag te antwoorden op den eisch van 200 Phs. 
gl. voor brandschat ; op de andere punten maandag 
e.k., terwijl wat het 4e punt, scheiding van goe- 
deren, betreft, de eischeres dit wil laten vallen totdat 
de kinderen van weerszijden tot hun jaren ge- 



340 

komen zijn, voor zoover het green erfgrond betreft. 
Het ordel van de 200 Phs. gl. is besteed aan 
Vniko Ripperda, die aanspraak, antwoord en 
wederzijdsch bewijs op schrift begeerd heeft en 
op den volgenden regtdag wijzen zal. 

In zake Reynt van Coforden tegen Erenst van 
Ytterssom over zekere verkochte tienden, waarvan 
aanl. beter vestenis begeert, is het ordel besteed 
aan RolofF van Scheven, die aangenomen heeft op 
den volgenden regtdag te wijzen, weshalve par- 
tijen hunne stukken in zijn handen zullen stellen. 

1539 Oct. 13 (C Lxxxvj v^). 

De Stadh. Generaal houdt weder wegens zwak- 
heid zijn regtdag op de regtzaal op het huis 
VoUenhoe. 

Dingwerder: Herman van den Cloester. 

Keurnoten \ ff^"^ ^''T\^ , 
) Jolian van Boekhorst. 

De zaak van Goessen de Wrede pander (van 
Zalland) tegen Henrich van Rechteren te Almeloe 
over een stuk lands geheeten den Hof f camp, 
door versterf van Johanna Goessen's moeder op 
dezen vervallen, dat verw. hem onthoudt bewe- 
rende daarvan een „loese" te hebben, en verder 
over achterstand van rente, kosten en schade 
daarop verloopen, is besteed aan Mr. Johan van 
Langen Doctor, die wijst: aang. noch verw noch 
zijn gemagtigde in het geding verschenen is, en 
de pander zijn gicht gedaan heeft, dat hij de 
wasteekens overgebragt had, is verw. „in der an- 
sprake vellich," behoudens zijn reces op de purge- 
ringe van de contumatie. 

In zake Geert Andriesz, als gemagtigde zijner 
moeder Jutte van Langen, tegen Mr. Johan en 
Bartholt van Langen over 4 mud rogge per jaar, 



341 

waarvan het ordel besteed geweest is aan Johan 
Schloet, die gewezen heeft : als de gebroeders v. L. 
met zegels en brieven of met „levendige konden" 
bewijzen kunnen, dat hun vader Evert van L. 
zal. Johan v. L. des „gifFters" erfgenaam niet 
was op zijn sterfdag, en dat Evert v. L. des 
giffters broeder het erve te Hulshorst aangetast 
heeft na doode zijns broeders Johan, en verkocht 
en „verbracht" heeft, naar luid van hun antwoord, 
dan zullen de verw. van de aanspraak vrij zijn. Dit 
ordel hebben de gebr. wederroepen in claringe. 

In zake Claes van Beuervoerde tegen Bemt 
v. B. to Weempsel over zekere actie van 250 ggl. 
en andere kosten, waarvoor Johan van Twickel, 
Drost van Twenthe, en zal. Johan van Wel velde 
borg gebleven waren aan de van WuUens en 
Valeken in het sticht van Munster, herkomende 
van den oom der gebroeders Johan v. B., en verder 
voor alle kosten, hinder en schade, is besteed aan 
Jan Rengers, die gewezen heeft : aang. noch Bemt 
V. B. noch iemand namens hem in het gericht 
verschenen is, en de pander zijn gicht gedaan 
heeft, dat hij de wasteekens overgebragt heeft, 
zal Bernt „in der ansprake vellich" zijn. 

De zaak van de wed. Johan van Gesscher tegen 
de wed. van Geert van Langen over een hand- 
schrift van 78 ggl. en van 72 Phs. gl. 7 str. brab. 
(de Phs. gl voor 25 st. brab.), is besteed aan 
Alpher van Ysselmuiden, die gewezen heeft : aang. 
Alijt van Gesher in haar aanspraak een handschrift 
aanhaalt, hetwelk den ordel wijzer niet is overge- 
leverd, en voorts spreekt van „valueert'' geld, wijst 
hij : voor zoover aanl. door dat handschrift of andere 
voldoende getuigen bewijst, dat zij de waar en 
het goed voor „valueert" geld gekocht heeft, zal 
zij „genyeten," doch zoo zij dit niet bewijst, zal 



342 

verw. mogen betalen met zulk geld, als zij van 
do landschap toen ontvangen heeft. 

Dit ordel heeft aanl. wederroepen in de claringe. 

De zaak van Matheus van Kempen tegen Bomt 
van Beueruorde to Weemsel over 7 ggl. en 1 oort 
wegc^ns verteerde kosten, hooi en haver in den 
Zwolschen oorlog, en voor kosten, hinder en schade 
hierop verloopen, is besteed aan Aernt Schloet, 
die gewezen heeft: aang. Bernt noch zelf, noch 
een ander namens hem in het gericht verschenen 
is, en de pander zijn gicht gedaan heeft, dat hij 
de wastoekens overgebragt heeft, is Bernt ^der 
aenspraeke vellich" en in de kosten, schade en 
hinder vervallen. 

De zaak van Juffer Anna van Hoeuel wed, 
Wolter van Coeforden tegen Adriaon van Twickeloe, 
als moml)er van Juffer Anna van Mervelde, wed. 
Reynolt van Coouorden, over 150 ggl. van goede 
berekende schuld en over SV* mud rogge per jaar, 
is besteed aan Boldewijn Hagen, die uitstel ge- 
nomen heeft tot den volü^enden roi^tdag; inmiddels 
zull(*n partijen in handen van den ordelwyzer 
aanspraak, antwoord en verdere bewijzen over- 
leveren. 

Tn zake Proost en Ctmvent van Claeholte 
tegon Johan van Bu(*iiorst to Boxbergen en de 
W(m1. Wolf Mulart, heeft Vniko Rip])erda van wege 
Joh. V. B aangenomen, op den volgenden regt- 
dag te antwoorden en zal hem de aanspraak in 
handen gesteld worden. 

De zaak van Adriaen van Rede tegen de wed. 
Reynt van Coforden over de schutting van eenige 
beesten in Holthem er marke, is besteed aan 
Johan Rengers, die aangenomen heeft op den vol- 



343 

genden regtdag te wijzen; de stukken zullen hem 
daarvoor ter hand gesteld worden. 

De zaak van Herman Kuster tegen Heer Fre- 
dcriok van Twickel Ridder, over 32 Phs. gl. min 
3 st. brab. (voor laken), dat Schoe Arent, dienaar 
van verw. op (naam van) dezen gehaald zoude 
hebben, is besteed aan Wolter Stellinck, die ge- 
wezen heeft: aang. aan beide zijden geen bewijs 
is, en aanl. in zijn eigen buidel gezworen heeft, 
zal verw. voor zoover hij op zijn eer zeggen wil, 
dat het laken niet op zijn bevel gehaald, noch 
tot zijn profijt gekomen is, van de aanspraak 
vrij zijn. 

Dit ordel heeft Hinrich Hnerlincx^ als gemagtig^de 
van Koster, wederroepen in de claringe. 

Op de suppl. van Johan van Heekeren, aan 
de landschap ettelijke penningen ten achteren 
is, nadat door den gedeput. van Deventer Mr. 
Gon*it Swaeffken verklaard was, dat het bekende 
schuld is, bepaald, dat v. II. geduld hebben moet 
tot den volgendon landdag, dien de Stadh. voor 
deze en dergelijke zaken publiceercn zal ; dan zal hij 
tevreden gesteld worden. 

1539 Oct. 17 (C Lxxxviii v^. 

Aang. de gedeput. van Deventer Mr. Gerrit 
Zwaeff ken en Geerlich Doys hun stads privilegiën 
getoond hebben, waaruit blijkt, dat men nergens 
anders dan te Deventer claringe moet 
houden, en zij daarover menigmaal geprotesteerd 
hebben, is men overeengekomen: dat de Stadh. 
den aanstaanden regtdag en claringe te D. houden 
zal. Intusschen zullen die van D. aan deRidder- 
derschap van Salland en Vollenhove afschrift geven 
van hun privilegiën, om zich daarop te beraden. 
Daarop zal D. een antwoord geven en dan zal 



344 

men besluiten, waar men voortaan claringe 

houden moet. 

Gedaan te Campea. 

De zaak van Johan Grobbe, als gemagtififde 

van Haedewich zijn moeder, wed. van ArentGr., 

tegen Johan van Esschede over 77 mud rogge 

sloptienden binnenjaarsehe- en achterstallige 

pacht, met de kosten, schaden en interessen daarop 

verloopen, is besteed aan Johan van Ytterssura. 

Op den kant: ,Zy vernomen aen Jan van Asch 
wee hier jnne vorder geschiet js." 

De zaak van Geert Printer tegen Hinrich van 
Rechteren over 6V* aam wijn en een vierdel, 
welke eischer hem verkocht zoude hebben voor 
7 ggl. per aam, en voor de kosten, hinder en 
schade daarop verloopen, is besteed aan Alffer 
van Ysselmuden. 

Op den kant dezelfde aanteek. als boven. Deze en 
de 2 vorige acten schijnen verkeerd ingeschreven te 
zijn en te hebben moeten volgen op de thans mede te 
deelen lijst der aanwezigen op de claringe. 

1539 Oct. 17 (C xc). 

De Stadh. met R. en St. houdt zijn claringe 
binnen Campen. Tegenwoordig: 

Goessen van Raesfelt, Drost v. Twenthe. 

Borchart van Westerholt, Drost v. Vollenho. 

iSeyne Mulart, Drost v. Zallant. 

Heer Frederick van Twickel, Ridder. 

Engelbert van Ens, Rentmeester van Sallant. 

Adriaen van Twickel. 

Wolter Stellinck. 

Johan van Bochorst to Sallick. 

Henrich Haegen. 

Henrich Mnlaert, Dijkgraaf. 

Ernst van Ytterssom. 

Pyigrim van Ysselmuyden. 

Vniko Ripperda. 

Roeloff van Schenen. 

Aemt Schloet Jansz 



345 

Johan van Ytterssnm to Gramsberge. 

Alphert van Ysselmuden. 

Otto van den Rutenberge. 

Johan van Wermeloe to Westerfleer. 

Herman van den Cloester. 

Steven van Haerst. 

Roloff van Wterwick. 

Johan van Echten. 

Claes van Beueruorde, Drost te Blanckenbnrch. 

Johan Eengers. 

Johan Grobbe, 

Johan van Steenwick. 

Aernt Schloet. 

Vincentins van Wterwyck. 

Bruyn van Langen. 

Bartholt van Langen. 

Mr. Johan van Langen, Doctor. 

Mr. Gerrit Zwaeffken | n^A^^^^ ^ n«^««+^^ 

Mr. Geerlich Doys } ^^^^P^^' ^- ^«^«"^^r- 

Gerrit Loesse \ 

Thymen van den Veene I r«^^^««* ^ r««r«*v«« 
Hinrich Knnretorff ^^^^P'^*' ^- ^^^^P^^' 

Lnbbert van Ens ) 

Johan ter Marsche ) r* j» * nu 

Kerstgen Diepenbroeck { ^^^^P^^' ^' 2^^"^' 

In zake Roeloff Kettcler, burger van Zwolle, 
t<*gen de crfg. van Bartholt Lutkens over een 
„wederloese" van V* Roesengaerdenslach, 
waarin aanl. met een gerichtschijn en twee „leven- 
dige konden" bewezen heeft de „loese" daaraan 
te hebben, is geklaard: wel gewezen en kwalijk 
beroepen. 

In zake de wed. Johan van Gessoher tegen 
Juffer Anna van Bochorst wed. Geert van Langen 
over een handschrift van 78 ggl. en 71 Phs. gl. 
7 st. brab. (1 Phs. gl. = 25 st. br.) w^iarop 20 
ggl. betaald zijn, is geklaard: dat verw. den Phs. 
gl. betalen zal met 25 st.br.; dochaang. opzichtensde 
78 ggl. in het handschrift niet gesproken wordt van 
brab. stuivers, zal zij deze met zulk geld betalen, 
als in 1527 hier te lande gangbaar en gaaf was; 



346 

kan aanl. echter bewijzen, dat zij de 78 j^gl. aan 
zwaar geld uitgelegd heeft, zoo zal verw. in zwaar 
geld betalen moeten. Dat bewijs zal op de volgende 
clariuge ingebragt w^)rden; de kosten in deze 
instantie van weerszijden gemaakt, gecompenseerd. 

In zake Gheert Andriesz, als gemagtigde zijner 

moeder Jutte van Langen, tegen Mr. Johan van 

Langen Doctor en Bartholt v. L. gebroeders, 

over 4 mud rogue per jaar, als lijftucht van aanl.'s 

moeder, door haren vader zal. Joh. v. L., uit h(?t 

erve en goed den Hulshorst, in het kerspol 

Rijssen, buurschap Rectem, bij testament gegeven 

in 1470, waartegen verw. aanvoeren dat zij geen 

erfg. van Johan v. L. geweest zijn, maar het 

goed door koop verworven hebben. 

Volp^ens aanteek. op den kant is deze zaak tot de 
volgende claringe gesuspendeerd, ieders regt gere- 
serveerd. 

In zake Albert Claesz en Wicher Tolkers met 
de gemeene buren van Muggenbeeke tegen Lutg(*rt 
Ilamminck, Schout te Giethoern, Johan Symonsz, 
Geerbrant Govden en Ilenrich Wichers c.s. als 
volmagten des kerspels Geethoern, over zekere 
fuiken (fucke), in 1537 bij dag en bij nacht bovt^n 
de 80 fuiken afgehaald, w^aarvan aanl. zeggen het 
bezit te hebben en de visscherij gebruikt te hebben 
zoolang bij menschenleven heugt, waartc^gen verw. 
zeggen, dat hun gegund is in het Giethoern- 
sche meer te visschen, blijkens cojne der 
brieven van bisschop R. van Diepholt van donder- 
dag op II. Hemelvaartsdag 1439, en zij in 
hun oud bezit behooren te blijven; — is geklaard: 
aang. die van Gyethoern met zegel en brieven 
bewijzen, dat zij in het G.sche meer mogen 
visschen, zoo heeft de w^ijzer wM gewezen en is 
door die van Mugg. kwalijk beroepen, daar zij 
geen contra-bewijs tegen zegel en brieven van 



347 

de tegenpartij bijgebragt hebben; de hoogheid 
en geregtigheid des Keizers hierin gereserveerd. 

In zake Juffer van Coeforden tegen Arnt van 
Hattinge, Rigter te Oetmerssum, over zeker arrest 
te Manre door verw. op paarden en wagen 
van aanl. gedaan voor zekere schuld, welke verw. 
bewc(Tt aan aanl. ten achteren te zijn, is ge- 
klaard: dat aanl. haar dienstregt zal genieten 
en dat door verw. een onjuist arrest gedaan is en 
dus goed beroepen en kwalijk gewezen; de verw. 
gecondonineerd in de kosten, hinder en schade; 
den Keizer de boete en breuke hierin gereserveerd. 

In zake Hinrich Greve tegen Pieter van Siburch 
over 57 gl. Vl^ brab. str., welke som verw. zegt 
van goede bcwijsselijke schuld, van geleend geld 
en wijn aan aanl. namens de erfg. van Andnes van 
Alleren ten achteren te zijn, is geklaard: aang. 
den aanl. in de laatste claringe bevolen was, binnen 
6 weken te antwoorden, zonder mehtie te maken 
van eenige restitutie van onkosten en dit niet 
geschi(Hl is, heeft de ordelwijzer wel gewezen en 
is kwalijk beroepen en zal aanl. de kosten betalen 
volgens het vonnis. 

In zake de buren van Cotwijck en Wcdehoen 
tegen de wed. van Reynolt en Wol ter van Coe- 
forden en Roeloff (van) IToeuel, voor zich zelf, 
over het maaijen van plaggen in Cotwijcker 
enWedehoenremarke, is geklaard: aang. in deze 
ziiak een goed compromis gemaakt is, zal dit van 
waarde blijven, tenzij verw. het met betere brieven 
en zegels wederleggen en bewijzen, dat zij tot het 
plaggen maaijen in de marke inzonderheid ge- 
rechtigd zijn. 

De zaak tusschen Zwolle en Hasselt over de 
brug is uitgesteld tot den volgenden landdag, 



348 

als wanneer Stadh. R. en S. aan Hasselt antwoord 
zullen geven. 

Op de suppl. en klagte door de Schepenen en 
gemeene ingezetenen van de Kunre over de 
schattingen is geklaard: dat die van deKuinre 
de schattingen, waarop zij gesteld zijn, en nog 
zullen worden, betalen moeten en daarvoor voortaan 
in de Overijss. steden niet meer gearresteerd en 
bekommerd worden, dan alleen voor hun toege- 
slagen penningen, en zoo zij voor de landschap 
van VoUenhove eenige penningen uitgelegd hebben, 
waarvoor zij gearresteerd zijn, zullen zij dit den 
Drost van Vollenho berichten, die hen weder aan 
restitutie helpen zal. 

Op de suppl. en menigvuldige klagten door 
Hasselt gedaan over de schattingen waarop zij 
gezet zijn, is geklaard: dat die van Hasselt de 
schattingen en toegeslagen penningen, waarop zij 
gesteld zjjn of nog gesteld zullen worden, zullen 
moeten betalen, overeenkomstig claringe en sententie 
in '30 gewezen en gedetermineerd. 

In zake Aloff van den Rutenberge tegen Otto 
V. d. R. over een paard, eertijds door A. aan O. 
gegeven, 50 ggl. waard zijnde, waarvoor O. den 
zoon van A. een paard van 70 ggl. waarde terug- 
geven zoude, als hij „weerachtich" was en harnas 
kon voeren, waarop Haecke v. d. R. Alofs zoon 
van O. een paard ontvangen had en daarbij een 
quitantie had gegeven, waaruit bleek, dat Haecke 
zijn neef Otto voor goede betaling bedankt, — is 
geklaard: wel gewezen en kwalijk beroepen. De 
kosten in deze instantie gedaan, worden gecom- 
penseerd. 

In zake Hermannus Oistendorp, als gemagtigde 
van zal. Mr. Johan O., canunnik te Deventer, 
tegen Aloff van den Rutenberge, over 15 ggl. 8V* 



349 

st. br. erfpacht en 15 ggl. jaarrente, door Aloff 
aan het Deventer Capittel verzegeld, is geklaard: 
dat AloflF de 15 ggl. SV^ st. erfpacht betalen moet 
overeenkomstig de aanspraak, aang. de landbrief 
inhoudt, dat brand noch roof aan erfpacht 
hinderen zal, maar deze betaald of verlaten moet 
worden. Wat de jaarrente betreft, is geklaard: 
zoo Aloff bij eede zweeren v^il, dat hij in de 
„veedbaere" jaren de pacht van zijne goederen 
niet genoten heeft, zal hij „des genieten,'' tenzij 
de tegenpartij contrarie bewijzen kan, in welk 
geval, of zoo hij den eed weigert, hij de rente 
zal moeten betalen, wel te verstaan dat alle voor- 
jaren en najaren betaald zal worden overeen- 
komstig den landbrief. 

In zake Henrich Huerlincx, als gemagtigde van 
Henrich Dorre van Pernau, tegen de wed. Henrich 
Schlachecken te Delden over „etlicke borchtael" 
te stellen voor 600 ggl., welke door verw. van 
aanl. geëischt zijn voor het gericht te Delden, 
voordat zij zoude hebben te antwoorden op de 
aanspraak van aanl., waarop Huerlinck geantwoord 
heeft, dat hij daarvoor geen borgtogt voor 600 gj>l. 
niet behoefde te stellen, maar alleen voor de gericht- 
lijke kosten en schaden, gelijk het landregt inhoudt; 
is geklaard: dat verw. op de aanspraak gerichtelijk 
antwoorden moet, terwijl aanl. behoorlijke borgen 
voor de kosten zal stellen en voorts genoegen 
nemen met wat dit hofgericht wijzen en klaren 
zal. Door aanl. is dit bij zijn eed, eer en trouw 
gezworen, en aangenomen, de zaak met geen 
uitheemschen rechter verder te zullen vervol- 
gen. Kan aanl. geen borgen krijgen, dan zal 
hij volstaan met 10 ggl. in des gerichts handen 
te leggen. 

In zake IlijUe Potgers tegen de gemeene buren 
van Roderhorne in Lutter-marke, over ver- 



350 

kochten grond op Roderbeke, welken de buren 
haar verkocht hadden voor een vrij Lutter marke- 
goed en v^aarvan IlijUe de aarde neemt om te 
te gelen, hetgeen haar de holtrigter en gemeene 
erfgenamen niet toestaan willen, is geklaard: dat 
HijUe zal blijven in de possessie overeenkomstig 
brieven, zegels en documenten, en met het land 
doen mag wat zij wil, tegelen of iets anders, en 
dat zij gelijk tot dus verre hout zal.mogen koopen. 
Er is dus kwalijk gewezen en wel beroepen. 

Zie verder 16 April 1546. 

In zake Sweder van Overhagen tegen Johan 
van Beverfoerde, waarin aanl. den verweerder 
met brieven en zegels van zekere goederen voor 
i>m Schol tus van Ommen in* regten betrokken 
Loeft, bewerende, dat verw. zekere goederen ^in 
1 ^ensscher weer" behoorde te houden, waarop verw. 
g(!antwoord heeft, dat hij een dienstman is, zijn 
'Henstregt behoort te genieten en niet vei-pligt is, 
^ or het dagelijksch gericht ter lager bank te recht te 
: aan; is geklaard: dat v. B. zijn dienstregt ge- 
L ieten zal en dus is er kwalyk gewezen en wel be- 
roepen. 

Op deze zaak zien de volgende stukken : 

1546 „ferix quanta post Mathiae" (2 Maart) No. 14740. 

Processtukken voor Arend van Hattingen, Rigter 
te Ootmarsum, en keurnoten gewisseld tusschen 
Zweden van Overhagen aanl. en Johan van Be- 
veren verw. over het geven van afschrift van den 
brief, op grond waarvan verw. eene jaarrente van 
9 mud rogge min 1 schepel beurde uit Zwedors 
goed den Hof te Hesingen. 

De verw. toekent appèl aan naar de claring 
van Stadh. R. en St. van het ordel, door Otto 
Mensinck volgens goeden raad men regtsgeleerden 
uitgesproken, waarbij hij veroordeeld was authen- 
tieke extracten uit den brief te geven, voor zoover 



351 

• 

het punt der wedeiloze betrof, tenzij hij zweren 
wilde, dat zulke clausulen daarin niet gevonden 
worden. 

Hij beriep er zich in den loop van het proces 
op, dat zijn brief veel ouder was, dan de nieuwe 
reformatie van 1541, waarbij onlosbare renten 
verboden zijn. 

In zake Gert de Wyse tegen Burg., Schep, en 
Raad te Ilerdcnberch en de buren van Bad e Ier 
over afgeschutte varkens, door verw. van aanl. 
geschut, bewerende aanl. daar hij als een p aal- 
buur bij die van Badeier gezeten was, niet ge- 
schut te moeten worden, is geklaard: aang. de 
verw. de varkens geschut en de schutting met 
regt vervolgd h(^.bbon met kennisgeving aan aanl., 
en zij met een certificaat bewijzen, dat langer dan 
30 jaar de varkens in hun marke plachten geschut 
te worden van de woonstede, w^aai'op aanl. nu 
woont, hetgeen aanl. niet wederlegt; aang. Jxij zijn 
gepande varkens niet bij het gericht met e/ pand 
gelost hoeft, zooals hij had mogen doen, i\ i zich 
daarin „wreuelich" gemaakt heeft, maar zich'. ilechts 
met simpele zeggewoorden behelpen wil, daarom 
hebben verw. een regte schutting gedaan en zijn 
zij tot de schade der varkens niet gehouden, zoodat 
kwalijk geappelleerd en wel gewezen is. 

In zake Wijntyen Johans en Aernt Mensinck 
teg(m Frederick van Keppel over 59 Phs. gl. en 
liog 11 ggl. 1 st. voor boter, ossen, brouwkuip 
en magenaas, w^aarvoor aanl. de goederen of 
„bladinge ende scoeff'' van verw. vervolgen, ter- 
wijl verw. meent, dat die goederen als leengoederen 
en hij als dienstman niet voor de lage bank be- 
hooren betrokken te worden, is geklaard: aang. 
verw. de schuld niet „mijssaket," aam;", slechts de * 
„Madinge" der goederen gevorderd w^ordt, en aang. 
de goede luden in de graafschap Zutphen 



352 

hier geen dienstregt behooren te genieten, 
daar aan de onzen aldaar hetzelfde geschiedt, zal 
verw. tot betaling gehouden zijn „want men die 
bladinge nyet anders dan voer eychelick guet 
achtet/' dus wel gewezen en kwalijk beroepen. 

In zake Pieter Doys tegen Pater en convent 
van Diepenveen over een „loese" uit een tinsgoed 
van 9 ggl. per jaar en een stuk lands tot dat 
tinsgoed behoorende, is gewezen: daar het een 
tij ns goed is, de zaak te „verholden ter naaster 
camerclaringe daer mynen g.h. sulcx belieuen sall." 

In zake Jacob van Ytterssum Jansz tegen 
Juffer Marie v. Y. wed. van Couorden, bij con- 
tumatie verwonnen 22 Oct. 1535, is geklaard: 
dat aanl. op het verwin naar recht zal mogen 
panden, daar hij tot dusver daarop niet gepand had. 

In zake Hilbrant Peerboom, als momber zijner 
vrouw vroeger wed. Mr. Hubert van Rossum, 
over 3 mud rogge, welke hij jaarlijks had uit de 
buurschap Bad e Ier in het gericht van den Her- 
denberge, waarin hem bij reces van claringe van 
24 Aug. 1532 bewijs opgelegd is, dat de 30 ggl. 
waarmede die rente gekocht zoude zijn, aan den 
Drost van Coevorden, of andere dingwaarders des 
fursten van Gelre, voor de brandschatting en 
dingtaal der buren uitgegeven waren, is geklaard : 
dat het bewijs onvoldoende is en aanl. beter bewijs 
leveren moet, eer de huislieden van Badeier tot 
betaling der rente gehouden zullen zijn. 

In zake Johan Weerts van Zutphen, als momber 
zijner vrouw Catryne Rosinck, tegen het convent 
van Buschklooster, over 300 ggl. en andere zaken, 
welke aanl. beweert, dat hem als erfgenaam toe- 
hooren krachtens een maagscheidsbrief, dien het 
convent hem onthield; waarop het convent ant- 



353 

woordde, dat het, aang. aanl. geen zegel en brieven 
heeft, waarmede hij hun goed „mit besate ant 
recht laden" kon, voor hun „betemlicken" richter, 
namelijk de stad Zwolle krachtens stads privilegiën, 
behoorde gedaagd te worden, is geklaard: dat de 
aanl. vooreerst de zaak voor B. S. en R. van Zwolle 
moet aanbrengen, en dan daarin moet laten ge- 
schieden, gelijk naar land- en stadregt behoort. 

In zake heer Gert Sukeraett vicarius tegen 
Alheyt Odinck over den koop van een stuk land 
waaruit heer Gerts vicarie 2 mud rpgge en 2 
mud garst per jaar had, welken koop Alheyt 
„nyet en gestaet," is geklaard: aang. in deze zaak 
onvormelijk geprocedeerd is, zal een ieder ten 
landregte „vp syncn varsschen voeten'' staan. 

In zake Juffer Anna wed. Geert van Langen 
tegen Herman van Keppel over den koop van 
een paard van 20 ggl., dat verw. ter genoegen 
ontvangen zoude hebben, doch door hem ontkend 
wordt, is geklaard : kan aanl. bewijzen, dat verw. 
het „ter nuege" ontvangen heeft, dan zal zij des ge- 
nieten en dus wel gewezen en kwalijk beroepen. 

In zake Herman van Keppel tegen Anna wed. 
Gert van Langen over 400 ggl. en de verloopen 
pensie, daarop uit de schuttinge gebeurd, en over 
51 ggl. geleend geld, waarop verw. meent haar 
dienstregt te mogen genieten, is geklaard: dat 
zij haar dienstregt genieten zal, dus wel gewezen 
en kwalyk geappeleerd. 

In zake Juffer Anna wed. Gert van Langen 
tegen Herman van Keppel over 200 ggl. welke 
verw. van wege den Drost Geert van Langen zal. 
Truede van Koesvelde betalen zoude en beloofd 
had, en waarop Truede 88 ggl. betaald had, welke 
belofte verw. evenwel ontkent, is geklaard , partijen 

23 



354 

gehoord : dat verw. gehouden zal zijn tot betaling 
en dus wel gewezen en kwalijk geappeleerd. 

In zake de goede lieden van de Ridderschap 
in de kerspelen Wije en Olst, die in de contri- 
butie der hoofden te Vortman en aan de 
Wterwycksche kempe beweren vrij te zijn, 
en hun saelsteden en woningen en een stuk eris 
en goeds te mogen vrijen volgens hun oude privi- 
legiën, daar zij in alle landsschattingen en ? 

tot dusver vrn zijn geweest; waartegen de 
Wterwijcksche hooifdmeesters geantwoord hebben, 
met beroep op een reces van 4 Sept. 1532, waarbij 
niemand, hetzij geestelijke of wereldlijke, edel of 
onedel voor ditmaal vrij zoude zijn, is na delibe- 
ratie gewezen: aang. het vermelde reces niemand 
uitzondert, en de Keizer en sommige van de 
Ridderschap goedwillig hun aandeel betaald hebben, 
zullen de andere riddermatigen ook daartoe con- 
tribueeren volgens het reces, hetgeen echter niet 
in consequentie zal getrokken worden. 

Op de suppl. van Mr. Johan Breda tegen 
Wolter Messemaker over een tiende in het 
kerspel Dallefzen, volgens aanl. hem alleen toe- 
behoorende en een leengoed, zijnde ten onregte voor 
den Schout van D. vervolgd; waartegen verw. 
aanvoert, dat de tiende of het land niet behoort 
aan aanl. maar aan Lubbert Stockman, die hem 
7^2 ggl per jaar uit een ander goed „versocht" 
maar hem daarin bedrogen had, zoodat hij op de 
tiende van Stockman zijn regt vervolgd had, is 
geklaard: voor zoover aanl. op den „angesatten" 
regtdag bewijst, dat de tiende voordat zij door 
verweerder met regt vervolgd werd, „hem nae 
natuer des guedes wtgehaan ende opgedragen is, 
dat hi des sall behoeren te genyeten;" bewijst 
hij het niet, zoo zal Wolter op Stockmans goed, 
waar hij dat bekomen kan, met landregt vorderen 



355 

mogen, „soe hie spreekt vp die bladinge ende 
rede goede, aangezien St. Mess. zoo zeer be- 
drogen heeft. 

In zake heer Gerbrant Vrien tegen Arnt van 
Oldenel als momber der kinderen van Henrich 
van Laer, waarin aanl. spreekt op het erve Lam- 
me si o voor 6 ggl., welke hij beweert jaarlijks 
daaruit te hebben en van 1517 tot 1535 rustig 
bezeten heeft; waarop verw. antwoordt, dat het 
een leengoed is, de uitgang van de rente door 
den leenheer niet bevestigd is en slechts bewezen 
wordt met copie van copie; is geklaard: dat aanl. 
een onregte aanspraak op verw. gedaan heeft en 
dus niet ontvankelijk daarin is, zoolang hij geen 
beter bewijs, zegels en brieven of ander bewijs zal 
hebben bijgebracht. 

De zaak van de 1552 ggl. 21V« str. brab., 
welke Deventer bij hetland van Vollenhove ten 
achteren is, is uitgesteld tot de volgende bijeen- 
komst van R. en St.; ondertussehen zullen de 
ingezetenen van VoU. ongestoord te D. mogen 
verkeeren. 

Op de suppl. van de ingezetenen van Suet hem 
in het kerspel van Zwolle over zekere uitzetting 
in contributie tot „beschlach ende hoeffdinge" 
op den IJssel, waarvan de Maarschalk Adriaen 
van Rede, Adolff van Rutenberch, Ernst van 
Tttersum en en eenige anderen zich meenen te 
„vryen" krachtens den ouden landbrief van bis- 
schop Guido, is gewezen, dat v. R. en de anderen 
zullen gehouden zgn daarin volgens de nieuwe 
reformatie te betalen, of de Schout zal met panding 
naar regt daarmede voortvaren, zonder eenige 
pandkeering toe te laten, bij poene van geweld. 

In de suppl. der buren van Emmen, kerspel 
Dalffzem, over zekere schatting, waarin de 



356 

Maarschalk A. v. Rede vermeent te vrijen zijn 
goed de Hoeve, gekocht van Juffer Frederich 
van Rutonberch, is gewezen: dat men daarin 
zonder simulatie naar het Imitste mandement zal 
voortvaren, wel te verstaan dat hij die de hoeve 
bewoont, hij zij meijer of kater, getaxeerd zal 
worden naar „gestalf' en rijkdom zijns gezins. 

In zake den Proost van Oldenzaal «in sijn ver- 
cortinge sijns gerichtes der giestlicher jurisdictiën, 
soe hi beclaget den Drost van Twenthe beualen 
tsijn, dieselue geestliche mandate nyet tgestaden, 
is den van Deventer bevolen, tselve an onse g. 
vrouwe to verschrijven, onder bester forme als 
dienen sall." 

Daar de gedeput. van Deventer mr. Grert 
Zwaeffken en mr. Gerlich Doys aan St. Ridd. en 
St. voorgedragen hebben, dat de claringe van 
wedersproken ordels nergens anders dan te 
Deventer gehouden mag worden, daarvoor 
brieven en privilegiën van den Roomschen koning 
getoond hebben, en eerst te Vollenho, daarna te 
Campen geprotesteerd hebben, is eendrachtig door 
Stadh. R. en St. besloten: dat de gedeput. van 
Deventer aan de Ridderschap van Salland, Twenthe 
en Vollenho, authentiek afschrift van die brieven 
zullen geven, opdat deze met de hunnen over- 
leggen of men die brieven wederleggen kan; 
kunnen zij dit niet op den volgenden landdag, 
zoo zullen R. en St. de stad D. in haar privile- 
giën niet verkorten, maar zich daarnaar regelen. 

In zake de suppl. van Mr. Herman Knoppert, 
namens zijn huisvrouw, Herman Mulart, Wulff 
van Ytterssum en de kinderen van zal. Johan 
Miilert Gerts van wege hun moeder, over zekere 
sententie door de stad Zwolle gewezen, herkomende 
van de ooms en moeijen van Mr. Hermans huis- 



357 

vrouw, Herman Mulart en Wolf van IttersRumj 
welke sententie zij buiten de jurisdictie van Zwolle 
wenschen te executeeren, is gewezen : dat de aanl. 
de verw. met regt zullen aanspreken, waar dit 
behoort, om te zien of dezen zich met behoorlijke 
„onschult" en reden verdedigen kunnen; zooniet, 
dan zullen Stadh. R. en St. bevelen, dat de sen- 
tentie ter excecutie gesteld worde. 

In het geschil over de schattingen en jaar- 
lijksche handgelden op de landen geslagen, is be- 
sloten: dat elk huisman gehouden zal zijn te 
betalen in de penningen, welke volgens de man- 
damonten op hem geslagen zijn, terwijl op den 
tijd der aflossing hij betalen zal, die dan in de uit- 
zetting gevonden zal worden, tenzij eenige parti- 
culieren of buurschappen op zich genomen hadden 
gelden te betalen, ten hunnen profijte opgenomen. 

Om de reformatie van het landregt en 
dijkregt te visiteeren worden op 's landskosten be- 
noemd de Drosten van Salland, Twenthe en Vol- 
lenhove; voorts uit Salland: Adriaan van Twickel en 
Jan van Buch horst to Sallick; uit Twenthe: Heer 
Frederick van Twickeloo en Otto van Rutenberg; 
uit Vollenhove: Herman van den Cloester en Hen- 
riek Hagen, met de gedeput. der 3 steden, en 
wel binnen Swolle op octava Martini des avonds 
in de herberg. 

In den twist van Goossen van Raesfelt, Drost 
van Twenthe, met Vnyko van Ripperda over 
leen- en eigen goederen van hun beider huis- 
vrouwen, gekomen van haar zal. vader Johan v. 
Tw., welke beleeninge door beiden van den Stadh. 
met geschriften en supplicatien verzocht was, is 
door Stadh. R. en St. voor goed aangezien: dat 
beide partijen voor St. Catherina nog eens bij de 
dedingslieden der huwelijks- voorwaarden van Goes- 



358 

sen en zijn vrouw en andere goede luden ver- 
voegen zullen, in de hoop dat zij dan in der 
minne een schikking treflFon; intusschen stelt de 
Stadh. de leen- en eigen goederen, waarover questie 
is, in sequesters handen tot den volgenden land- 
dag, nl. van Tonijs van Rutenberge, Rigter te 
Delden. Intusschen zal de Stadh. nadenken wien 
te beleenen en gebiedt hij namens den Keizer aan 
partijen den vrede op verbeurte van lijf en goed, 

In zake Jan Dop, als gemagtigde van Adriaen 
van Rede, maarschalk, tegen Johan ter Sel horst 
over V* van den Selhorst, door aanl. gekocht van 
Griete ten Westenhuse en Bernt haren man, als 
mede-erfgenamen van de Selhorst, waarop verw. 
antwoordt, dat hij aan Griete, zijn zuster, haar aan- 
deel toestaat, aanbiedende haar dat te „veroer- 
saeten," daar het een leengoed van den Keizer is, 
dat niet gesplitst mag worden, en met welk leen 
hij zegt beleend te zijn door zijn leenheer mr. 
Johan Langen Dr., gelijk deze, aanwezig zijnde, 
bevestigt, is geklaard: dat aanl. naar adve- 
nant van Griete's portie van haar negende deel 
(want toen de vader stierf waren 9 kinderen tot 
het erve geregtigd) met „veroersatinge" tevreden 
gesteld zal worden, „overeenkomstig een moetzoen 
gesloten in tegenwoordigheid van den Landdrost 
van Twenthe, als leenheer en anderen, waarin 
het goed op het hoogste getaxeerd is, nl. op 325 
ggl., gelijk naar landregt gewoonte is; aang. voorts 
een leen niet geplitst worden mag, en er door 
tijdsverloop veel schade voor verw. is ontstaan, 
die als buiten 's lands in Brabant vertoevende, 
tot zijn groote kosten, de zaak heeft moeten 
vervolgen voor den Stadh. is den verweerder voor 
interessen en schade (welke hij op 104 ggl. schat) 
bij moderatie toegekend 60 ggl., welke hij van 
den aanl. met regt eischen mag, behoudens des 



359 

Keizers hoogheid en geregtigheid op de actie van 
geweld, in dezen geschied. 

1539 Oct. 18 (C cv v«). 

Daar de Koningin-Regentes vernomen had dat 
er geschil was tusschen Mr. Albert Pigge, Proost 
van St. Jan te Utrecht en pastoor te Kampen en 
heer Arent van CoUen zijn vicecnreet aldaar, heeft 
zij aan den Stadh. bevolen tot vermijding van 
verder oproer die zaak te onderzoeken. Dien- 
tengevolge heeft de Stadh., partijen gehoord 
in bijzijn .der ambtlieden R. en St., nadat 
de zaak door B. S. en R. met de gemeente, groot 
en klein, van Kampen ter uitspraak van Stadh. 
R. en St. gesteld was, na rijp beraad voor regt 
gewezen : aang. de vicecureet binnen Kampen voor 
een openbaren ketter (waarop hij zelfs „oerkonds 
penningen" gegeven heeft) gescholden is en zich 
daarin tot nog toe niet gepurgeerd heeft, ofschoon 
daartoe vermaand door den ütrechtschen Bisschop 
en zich met groote ongehoorzaamheid tegen zijn 
overheid verzet heeft, waaruit onder de burgers 
commotie ontstaan is, zoo zal hg terstond aan 
Pigge de pastorie en de sleutels overgeven en 
zich buiten Campen en haar vrijheid begeven, op 
verbeurte van zijn lijf en eeuwig gebannen zgn 
uit Vriesland, Overijssel en de stad en Ommelanden 
van Groningen. Wie hem hier binnen huist of 
herbergt zal ook Igf en goed verbeuren. 

[1517 Oct. (C ei). Daar den vorigen Zaterdag Heer 
Pigge voornoemd in zijn aanklagt tegen den 
Vicecureet woorden gesproken heeft, welke door B.S. 
en R. groote en kleine gemeente, kwalijk genomen en 
als groote injurie opgenomen zijn, weshalve dezen 
met de gilden en olderluden van de schut- 
terij ook hierover de uitspraak van Stadh. R. en 



360 

St. verzocht hebben, met stipulatie van beide 
partijen zich aan die uitsprmik te zullen houden, 
is door deze «gewezen: aang. door de woorden 
van den proost niemand in het bijzondca* «genoemd 
is, maar deze slechts als een liefhebber der stad 
tot waarschuwing gesproken heeft; aang. hij 
aldaar geboren, geërfd, gegoed, bevriend en be- 
maagd is, en de gedeput. van Kampen die waar- 
schuwing zelf „angedraogen" heeft, zal de regeering 
der stad daarmede voldaan zijn. Om de liefde 
van den Proost tot de stad te toonen. hebben 
Stadh. R. en St. hem bewogen, terstond van de 
pastorie afstand te doen en in deze handen van stads 
regeering te stellen, die te haren behoeve een 
deugdzamen pastoor aanstellen zal, waartoe van 
den Keizer de noodige brieven bezorgd zullen 
worden.] 

Aangez. er zekere gebreken zijn in de Broek- 
huizen, bij den Rutenberge hij de Mane, bij Johan 
van Olst en bij den molen, van doorbreking van 
water, kwade wegen, enz. en aldaar geen ^ge- 
woentlichen togeslagen" dijken en wTgen zijn en 
de landen beheerd moeten zijn, is door Stadh. R. 
en St. besloten, dat men ordinec^rcn zal een gedeput. 
uit het kerspel van Zwolle, een of tvfee uit het 
kerspel Dallessen, een uit de stad Hasselt en een 
uit h(jt kerspel van Hasselt, die gemagtigd zullen 
zijn op die gebreken te ordonneoren, een dijk of 
toeslng en de ingebroken wegen te laten opmaken; 
zij zullen een en ander terstond aanbesteden op 
kosten van degenen, die daartoe contribuecren 
moeten, hetgeen door Stadh. R. en St. zal worden 
vastgesteld. Voorts is besloten, dat al degenen 
die aan ? zijde van de Vecht in Dalfifzen 
wonen en door de doorbraak der wade met water 
beloopen zijn, ook in het kerspel van Zwolle en 
Hasselt met die van Staphorst en Rovcen voor 



361 

ditmaal zullen betalen, terwijl de gedeput. macht 
zullen hebben na de aanbesteding een uitzetting 
te doen op de kerspelen en buurschappen. Ont- 
staat hierover geschil, het zal staan ter beslissing 
van den Drost van Salland, Seyno Mulart en 
Adriaen van Twickelo. Stadh. R. en St. zullen 
ook een schouw instellen, doch dit zal niet in 
consequentie getrokken worden. Om het beslag 
te maken zijn aangewezen: in Dalfsen: Frederick 
van Twickelo, Ridder, of in zijn plaats* Carcelis 
in den Vos, in het kerspel Zwolle: de Schout van 
Z., in het kerspel Hasselt: de Schout van H. met 
een uit de stjid H. gedeputeerd; hierbij zal de 
proost van Zwartewater van wege Roveen en Stap- 
horst er eenen zenden en — om dan een ,,wijsinge" 
te doen waar doze onraad ten eeuwigen dage 
blijven zal, zijn door Stadh. R. en St. benoemd: 
de Drost van Salland Seyno Mulart, Adr. v. 
Twickelo, Herman Mulart Schout van Zwolle, 
Jacob van Ytterssum, Johan Rengers, Vincentius 
van Vterwick, welke vroeden nevens de gedeput. 
der 3 steden. 

Gedaan te Campen. 

Op de suppl. van Proost en Convent van Zwar- 
tewater tegen de buren en ingezetenen van 
Roveen, die met hun bewijzen hier ontboden 
waren, over zeker vonnis .... (de rest ontbreekt). 

1539 Oct. 29 (C ciij). 

Daar de Stadh. met klagten verneemt, dat de 
dijk tusschen Hasselt en Zwartesluis met 
wagen en paarden niet te gebruiken is en de 
Stadh. ook als dit noodig mocht zijn niQt uit het 
land van Vollenhove komen kan om aan anderen 
hulp te bieden, is met R. en St. besloten dien 
dijk boven 14 voet broed te maken en dit den 
dijkgraaf en zijn gezworen te bevelen; mochten dezen 
zich daarin verzuimen, zoo zal de Stadh. andere 



362 

dijkgraven stellen, die daarin des Keizers geld 
zullen leggen en van de ongehoorzamen dubbel 
geld nemen, terwijl daarover Woensdag na S. 
Margriet de laatste schouw ter voller aarde ge- 
houden zal worden. 

Geert van Goer, Dijkgraaf van Hasselt, en 4 
gezworen erfgenamen onder de schouw binnen 
Hasselt woonachtig. 

De proost van Zwartenwater Dijkgraaf met 8 
gezyorenen. 

Het kerspel van Hasselt, een burger uit Hasselt 
Dgkgraaf met 2 gezworen buren, erfgenamen onder 
de schouw. 

De Schout van Hasselt Dijkgraaf tusschen beide 
Sluizen met 4 gezworenen, te weten 1 uit het 
kerspel van Hasselt, 2 van Staphorst en 1 van 
Rouveen het eene jaar, en het andere jaar van 
de Yewhorst. 

Johan Sure Scholtis op Ens neemt voorden 
Stadh. aan den „voirmunder" der kinderen van 
zal. Dierick Jacobsz voor a.s. Mei te betalen de 
145 ggl welke die kinderen op het Schoutambt, 
naar luid hunner brieven en zegels hebben li^en, 
met de achterstallige pacht. 

Daar er questie is over de boete van 100 oude 
schilden, waarin Johan van Beckom, Schout te 
Oldst en Johanna dochter van Frederick de Wrede 
zijn vrouw door de uitspraak van Borchart van 
Westerholt, Drost van VoUenhove, als overman over 
zeker compromis, 9 Sept. 1532 tusschen Goessen 
de Wrede, Pander van Salland en Johan van 
Beckom met zijn genoemde vrouw opgericht, ver- 
oordeeld waren, namelijk: of die boete alleen aan 
den heer, of ook aan de partij, die de uitspraak 
opgevolgd is, vervallen zoude zijn, vermits dit in 
de uitspraak niet bepaald was, welke questie ter be- 
slissing gosteld is van Stadh. R. en St., is door dezen, 



363 

na de zegslieden en den overman gehoord te 
hebben, verklaard dat de boete half aan den heer 
en half aan de gehoorzamende partij toekwam. 

1539 Oct. 30 (C ciiii). 

Ordonnantie door Stadh. R. en St. gemaakt op 

den koers der munt in de landschap en steden 

van Overijssel. 

Afgedrukt bL 214 van De Munten van Overyssel 
door P. O. V. der Chys. 

1539 Oct. 31 (C cxi). 

Geertrude wed. Goert van Haerst met haar 
kinderen, als erfgen. van wijlen Aelbert van Zal- 
lant, neemt haar Ie wasteeken op Vincentius van 
Wterwijek, als man en momber van JufiFer Mechtelt, 
en op Meehtelt en haar kinderen verwekt bij zal. 
Thomijs Ketel, voor 250 ggl., welke Albert aan 
ïhomijs geleend had blijkens 2 obligatiën, en voor 
verdere kosten, hinder, schade en interessen. 
Op 14 en 28 Nov. neemt hy het 2e en 3e. 

Beel van Holtwick als gemagtigde haars zoons 
Mr. Joest v. H., goudsmid en burger te Deventer, 
neemt haar Ie wasteeken op Johan Mulart Lub- 
bertsz voor 51 ggl. 4V« st. br. als rest schuldig 
gebleven blijkens zijn handschrift, verder voerkosten 
en interessen. 

Op 14 en 28 Nov. neemt z^ het 2e en 3e. 

1539 Nov. 4 (C cxi V). 

Jacob van Armel, burger te Deventer neemt 
zijn Ie wasteeken op Henrich van Rechteren voor 
400 enkele ggl. in hoofdsom, blijkens brieven en 
zegels, en 1 30 mud rogge achterstedige pacht, voor 
Martini verschenen en voor kosten, schade en 
interessen. 

Op 18 Nov. en 2 Dec. neemt hij het 2e en 3e. 



364 

1539 Dec. 1 (C cxi v^. 

Mr. Herman Knoppert Dr. van wo^e zijn vrouw, 
Herman Mulart Schout te Zwolle, de wed. Wolff 
Mulart Geertsz en Wolff van Ytterssum, als erf- 
genamen van Juffer Elsebe van Munster, wed. 
Wolff van Ytterssom, nemen hun Ie wasteeken 
op de kinderen en erfgen. van Johan Mulart 
GeertHz van w^ege hunne moeder, over zekere erf- 
uiting welke den aanleggers bij sententie der stad 
Zwoll, waar het sterfhuis gelegen is, toegewezen 
zoude zijn en door verw. hun onthouden wordt. 
Op 15 en 29 Nov. nemen zij bet 2e en 3e. 

1540 Jan 8 (C cxii). 

Burehart van Wostorholt Drost van VoUenhove, 
als gemagtigde van Bernt van Oir en Bernt van 
Beverfoerde to Weemssel, neemt zijn Ie wasteeken 
op Bernt, Claes en Zwoder v. B. gebroedei^s en 
op het goed ter Mollen on andere hun aangeërfde 
goederen, voor zekeni mmspraak en actie van 10 
ggl. per jaar, welke de aanl. voor den vader der 
gebroeders ten behoeve zijner pandschap des 
Drostambts van Blanckenburch een tijd van 
jaren verschoten hebben, alles blijkens zegels en 
brieven. 

Op 22 Jan. en 1 Febr. nemen zij bet 2e en 3e. 

1540 Febr. 13 (C cvi). 

Landdag particulier, gehouden door de godeput. 
van R. en St. na den dood van Heer George 
Schenck, Stadhouder. Tegenwoordig: 

Gecommitteerden in plaats van den Stadb, Burehart 
van Westerholt, Drost van VoUenhoe, Engelbert van 
Ens, Rentmeester v. Zallant, B. van Coelen, Griffier 
des lands van Overijssel. 

Gedepnt. der Ridderschap v. Zalland. 

Hinrich Mulart, Dijkgraaf v. Zalland. 

Johan van Buckhorst Heer Willemsz. 

Adriaen van Twickel. 



Campen | 



365 

Vniko Ripperda. 

Ernst van Ytterssnm. 

Gedepnt. v. Twenth. 

Adriaen van Eeede Drost te Laege en te Diepenhem. 

Goessen van Raesfelt, Drost v. Twenth. 

Heer Bemt van Schedelick, Landcommandeur der Balye 

te Westphalen. 
Heer Frederick van Twickel, Ridder. 
Claes van Beverforde, Drost te Blanckenbnrch. 
Henrich van Rechteren, 
Otto van Rutenbnreh. 
Gedepnt. des lands van VoUenhoe. 
Henrich Hagen. 
Herman van den Cloester. 

Gedennt van Deventer J ^^' ^®"^* Schwaeffgen. 
ijeaepnt. van iJeventer j j^j^^^ ^^^ Dotinchem. 

Geert Loese. 

Tij men van den Veene. 

IBemt van Ytterssnm. 
Thomas Knoppert. 
Johan ter Marsch. 
Kerstgen van Diepenbroeck. 

Aang. lieer Goddert Ketteler, Ridder, Drost te 
Eluerfeldt, en Goessen K., Drost te Hoefstat, ge- 
broeders en Geert K. ter Assen hun neef van 
Stadh. R. en St. betaling gevorderd hebben van 
hun jaarlijksche handgelden of pensioen, met verdere 
kosten, schaden en interessen, welke zij schrijven 
door wanbetaling geleden te hebben, terwijl ook 
Goessen de lusse van zijn toegedeelde portie aan 
de landschap gekondigd heeft, en daarom verzocht 
hebben, dat eenige gedeput. van de landschap 
zouden komen te Munster, is besloten : dat de I^and- 
drosten, elk in zijn ambt, de achterstallige hand- 
gelden opvorderen zullen, te leveren aan Mr. Otto 
Bastei-s, Secretaris van Deventer, aan wien ook 
de Rentmeester van Salland de penningen ver- 
antwoorden zal, die bij hem inkomen. Men zal 
aan de Ketttlers door tusschenkomst van hun 
rentmeester Jan van Schiderich schrijven, dat op 
een door hen te bepalen dag na halfvasten als afge- 



366 

vaardigden te Munster zullen komen: Heer Bemt 
van Schedelick, Landcommandeur, Seyne Mulart, 
Drost van Sallandt, een der raadsvrienden van 
Deventer en Mr. Otto de Secretaris. 

Aang. Benedictus van Alten Heer Anthonisz 
tweemaal aan wglen den Stadh. geschreven heeft 
om betaling van hetgeen zijn zal. vader te vorderen 
had, zullen de raadsvrienden van Deventer dit bij 
hun ambtgenooten aanbrengen de rekenboeken 
van Peter van Mowijck nazien en het antwoord 
zenden in de stad Herwerden, waar, volgens berigt 
van den bode, de v. Altens hun behuizing hebben. 

Wegens den dood des Stadh. zijnde het hoofd der 
justitie, besluiten R. en St. eendrachtig, dat alle 
zaken, welke door Stadh. R. en St. op gemeene 
landdagen en particuliere bijeenkomsten „erkant, 
gedetermineert, geclaert en geschloeten'' zijn, onver- 
brekelijk gehouden en opgevolgd zullen worden, 
opdat de justitie in eere en waarde blijve. 

Aang. menigvuldige mandaten van wege den 
Keizer door zijne stadhouders en R. en St. in 
alle steden en kerspelen openbaar afgekondigd zijn, 
dat geene knechten of lediggangers, uit- of 
inheemsche, in deze landschap op 's Keizers onder- 
zaten, wereldlijke of geestelijke, of in kloosters 
of conventen „gaerden" liggen, trekken of om- 
zwerven mogen op verlies van lijf en goed, en 
toch dagelijks klagten dienaangaande inkomen, zoo 
zal deze publicatie opnieuw afgekondigd worden 
en den Landdrosten, Amptmannen en Officiers 
gelast daaraan streng de hand te houden. 

1540 Febr. 13—16 stilo Vltraijsselano (C cviü V). 

In zake Willem Rnppers burger van Campen 
tegen Schweer van Wermel over een arrest en 
beslag, door Schweer gedaan op penningen be- 



367 

hoorende tot Willem's uitrusting onder Goessen 
van Raasfelt, Drost van Twenthe, in welke zaak 
de Stadh., op verzoek van den Raad der stad 
Kampen tot bescherming harer privilegiën en 
handhaving van het landregt, het oordeel gevraagd 
heeft van de amptluden en gedeput. van R. en 
St. op deze bijeenkomst aanv^ezig, of zulk een 
arrest naar landregt subsisteren mag of niet, is 
door dezen bevonden, dat het arrest ongefundeert 
is en den Drost bevolen de penningen aan 
Rijppers of zijn gemagtigde terug te geven, be- 
houdende echter overigens v. W. zijn regt tegen R. 

1540 Sept. 9 (C cxii). 

Adriaen van Rede Maarschalk, Drost te Lage 
en Diepenheim, neemt zijn Ie wasteeken op Reyner 
van Aeswijn als man en momber zijner huisvsouw, 
voor zekere gelofte, door haar ouders gedaan aan 
Adriaen's ouders, herkomende van 100 Frankische 
schilden per jaar aan huwelij kspenningen en de daarop 
verloopen handgelden, blijkens zegels en brieven. 
Op 23 Sept. en 7 Oct. neemt h^ het 2e en 3e. 

1541 Jan. 4 (C cxii). 

B. S. en R. met de ingezetenen, erfgenamen 
en gemeente der stad en vrijheid van Delden 
nemen het Ie wasteeken op Goessen van Raes- 
feit. Drost van Twenthe, voor zekere actie van 
onbehoorlijke perturbatie aan en in Deldener- 
marsch, waarvan de Drost de visscherij voor 
zich alleen wil houden, waarin hij nieuwe onge- 
wone grachten en „vijssche waer'* gemaakt heeft 
en waaruit hij de varkens der burgers heeft 
gejaagd tegen oude gewoonten en gebruik. 

Op 18 Jan. en 1 Febr. nemen zij het 2e en 3e. 

1541 Febr. 16 (C ex). 

Jacob van Ytterssom neemt zijn Ie wasteeken 



368 

op de wed. en erfgen. van Johan Mulart to Voerst 
voor een actie betreffende de helft van 7 morgens 
lands en 7 jaar achterstedige rente; van 80 ggl. ge- 
komen van den sequester van dat land hen door 
Mulart ontbeurd; van 60 ggl. gaande uit het goed van 
gedaagden ; voor 50 ggl. achterstallige rente 
waarvoor Jacob aangesproken wordt ; voor zijn 
aandeel in 10 ggl. per jaar en 5 jaar achterstallige 
rente van het versterf van Jacobs moei te Dick- 
lingen; voorts voor kosten, schade en interessen. 
Hij neemt 2 en 16 Maart zijn 2e en 3e. 



V EN VI. 



REGISTER E en F. 



24 



Register E is het y^Judiciaal Register van den Keys, 
Mat, hoffgericht der Lantschaj) van Ouerijssel^ begonnen 
hy H Stadholderschap des Waelgeboren Heren^ Heren 
Maximiliaen van Egmond Granen toe Buren en de 
Leerdam^ Heren toe Ysselsteyn etc, van 16 Oct. 1541 — 
15 Nov. 1548. 

Register F bevat Aden van Claringe van 2 April 
tot 8 Juny 1546 en is op het Kamper archief te 
vinden. Het verschilt weder zeer van Register E en 
bevat diktvijls meer, 

1541 Oct. 16 (K i). 

Heer Maximiliaen van Egmondt, Grave to 
Buren en Leerdam, Heer te Ysselsteyn, te Cranen- 
donek, St. Mertensdiek etc. Stadhouder-Generaal 
des Keizers over Vrieslandt, Overijssel, de stad 
Groningen en de Omlanden houdt met R. en St. 
van Overijssel een gemeenen landdag binnen 
Deventer over de nieuwe reformatie van het 
Landregt, de schulden van de landschap en 
andere zaken. Tegenwoordig: 

Goessen van Raesfelt, Drost van Twenthe. 

Seyno Mulart, Drost van Zallandt. 

Herman van Westerholt, Drost van VoLlenhoe en 

Amptman ter Kuynre. 
Heer Frederick van Twickel, Ridder. 
Johan van Ytterssnm, Drost te Ysselmuyden. 
Bernt van Bervorde, Drost te Haexberge. 
Engelbert van Enss, Rentmeester van Zallandt. 
Adriaen van Twickelo. 
Hendrik Hagen. 

Heer Berent van Schedelick, Commandeur te Otraerssem. 
Herman Mulart, Schout te Zwoll. 
Otto van den Rutenberge. 
Johan van Essen. 
Bernt van Bervorde to Weempsel. 
Ernst van Ytterssnm ter Heyne. 



1 



372 



Henrick van Ytterssnm. 

Henrick Mnlart, Dykagraaf van Zallant. 

Roeloff van Scheven te Enschede, 

Wolter Splinter. 

Johan Reng^ers ter Arentshorst. 

Dierich van EeppeL 

Herman van den Gloester. 

Oncko Ripperda. 

Willem van Buckhorst Jansz. 

Jan van Boekhorst. 

Mr. Jan van Langen Dr. 

Boldewyn Hagen. 

Arent Schloet. 

Alffert van Ysselmuyden. 

Reynt van Coevorden. 

Egbert van Heyden, pander van Twenthe. 

Peter van Voerst. 

Dierick van Voerst. 

Dierick van Ysselmnyden. 

Johan van Steenweek. 

Brnyn van Langen. 

Johan van Laer. 

Hinrick Schaep. 

Pieter van Keppel. 

Jan van Wterwyck to Veenbruggen. 

Jacob van Ytterssum to Lenthe. 

Roeloff van Vterwyck^ Schout op Steenwickerwolt. 

Bertholt van Langen Goertsz. 

Herman van Langen. 

Gysbert van Dort. 

Seyne van Brienen. 

Johan van den Camp. 

Mr. Gerrit Zwaeffken 

Dierich van Ouerenck 

Herman ter Beke 

Jacob van Wynssum 

Tyman van den Vene 

Engbert ten Bosch 

Thomas Enoppert 

Wolff van Ytterssum. 

Meyne 

Johan van Delden 



Geert Alberts 
Evert ter Linden 
Thyman ten Broecke 
Mr. Geert Wrenssinck 



Gedeput. van Deventer. 



Campen. 
Zwolle. 



Oldenzael. 



Hasselt. 
Steenwyck. 



373 

Daar ettelijke personen van R. en St. te voren 
gecommitteerd tot het concept van de nieuwe 
reformatie van het landreo^t, overleden zijn, heeft 
de Stadh. met R. en St. in hun plaats geor- 
donneerd : 

Uit SaUand : 

Adriaen van Twyckel. 
Henrick Molart, Dijkgraaf. 
Vnico Ripperda. 
Ëmst van YttersBum. 

Uit Twenthe: 
Heer Frederick van Twyckeloe. 
Otto van den Rutenberge. 
Mr. Johan van Langen Dr. 
Bemt van Beverfoerde to Weemssel. 

Uit Vollenhove: 
Herman van Westerholt, Drost. 
Herman van den Cloester. 
Hinrich Hagen. 
Alffert van Ysselmuyden. 

Uit Ysselmnyden: 
Johan van Ytterssora, Drost. 
Willam van Bochhorst. 

1541 Oct. 18 (E iij). 

Herman Holterman doet als pander van Salland 
den eed van zijn officie, om de wasteekens naar 
landregt uit te brengen, regtvaardige gichte te 
doen en verder alles wat een getrouv^e pander 
doen moet. 

In zake Jasper van Durgelo, van wege Wolffiirt 
V. D. van 508 fl. schuld van het jaar 1510, 
waarvan hij nog eischt 192 gouden fl., is door, 
Stadh. R. en St gewezen: aang. de principale 
som van 508 fl. Goert van Haerst in zijn reke- 
ning gepasseerd zijn, zullen de erfgenamen van 
Goert gehouden zijn die som aan de landschap 
af te dragen en hun regres weder mogen nemen 
op de erfgen. van Peter van Mouwick of anderen, 
waaraan zij meenen geregtigd te zijn. 



374 

1541 Nov. 8 (E iv). 

Nieuwe reformatie van het Landrej]:t. 

Goed uitgeg. door Racer Ov. Ged. itl 234— 27?<, 
doch bl. 269 art. 28 2, 2 moot luiden: „ende 
op eenen tijdt niet meer weten sal wtsenden dan 
eene." Op bl 278 2, 3 staat ^onderscholten" 
lees: „onderzaeten" en 2, 12 staat: „sevenden" 
'lees: „achtsten." 

1541 Nov. 8 (E x). 

Daar de Stadh. door zijn Raden aan R en St. 
heeft doen voorhouden, dat het hem het best voor- 
kwam, eenige Gedeputeerden van R. en St. t« 
ordonneeren tot revisie en calculatie van der land- 
schap schulden, omdat deze materie belangrijk en 
zwaar is, hebben R. en St. gedeputeerd: 

Uit ZaUandt: 

Seyno Mulart, Drost v. ZaUandt. 

Adriaen van Twijckel. 

Johan van Ytterssum, Drost te Ysselmuyden. 

Willem van Buckhorst. 

Ernst van Ytterssum. 

Johan Rengers. 

Uit Twenthe: 

Goessen van Raesfelt, Drost van Twenthe. 

Heer Frederick van Twijckel, Ridder. 

Heer Bemt van Schedelick, Landcomraandenr. 

Dr. Johan van Langen. 

Bernt van Beverfoerde to Weemssel. 

Claes van Beverfoerde, Drost te Blanchenburch. 

Uit Vollenhoe: 

Herman van Westerholt, Drost te Vollenhoe. 

Henrich Hagen. 

Herman van den Cloester. 

Alffer van Ysselmuyden. 

Daar er allerlei duisterheid en moeielijkheid be- 
vonden wordt in de zaken van de schulden der 
landschap en steden van Overijssel, welke eerst 



375 

moeten worden onderzocht en geklaard door de 
rekenboeken en registers van hen, die de ad- 
ministratie gehad hebben van de uitzettingen en 
schattingen, ordonneert de Stadh. op verzoek van 
R. en St. : 

Ëngelbert van Enss, Rentmeester van Salland. 
Bartholomeos van Coelen, Griffier van Overüssel, en 
Mr. Otto Basters, Secretaris van Deventer, 

om te gelegener tijd voor Lichtmis bg elkander 
te komen te Deventer, om de registers en reke- 
ningen te onderzoeken en „claer" te maken, zul- 
lende de amptlieden van Salland, Twenthe en 
Vollenhove doen publiceeren, dat elk die eenige 
administratie gehad heeft van uitzettingen en 
schattingen, zijn registers en rekeningen intusschen 
zal inleveren bij Mr. Otto. 

1541 Nov. 19 (E cxiii). 

Mechtelt van Haersolte neemt haar Ie was- 
teeken op Hinrich v. H. haren broeder, voor 
zekere actie en aanspraak betreffende hun vaderlijken 
boedel, welken verw. haar onthoudt, onder het 
„behelp" dat zij haar geestelijk habijt ver- 
anderd had, niettegenstaande zg bij pausselijke 
dispensatie en bij gevolgd proces en sententie 
van den Domdeken te Utrecht, als pausselijken 
commissaris, gerichtelijk en wettelijk naar alle 
vormen van regt ontlast en geabsolveerd was van 
de orde en het habijt, waartoe zij in haar kindsche, 
onverstandige jaren gedrongen was geworden. 

Op 3 en 17 Nov. neemt zü het 2e en 3e. De zaak 
wordt verder niet aangetroffen in de Jndicialen van 
1541-1548 en 1549—1537; zy zal dus bygelegd zyn. 

1542 Maart 24 (E cxiii). 

Claes Witte, Schout te Kampen en Kamperveen, 
neemt zijn Ie wasteeken op Johan van Ytters- 
som, Drost van Ysselmuiden, voor een actie en 



376 

aanspraak voor zekere scheldwoorden door den 
Drost geuit omtrent hem buiten het gericht binnen 
Kampen en in weg en velde, die hem zoowel 
in eigen persoon als door Steven Brant en diens 
adherenten heeft gescholden en doen schelden voor 
een geweldenaar, dief en „velscher," welke scheld- 
woorden Claes zich aangetrokken heeft, alsgroote 
injurie en smaad, hem aan zijn eer, lijf en 
goed gaande, en met regt denkt te verdedingen, 
zoodat de Drost, als hij, gelijk naar Landregt 
behoort, zijn zeggen niet bewijst, in de poene 
vervallen zal van te verliezen, wat hij heeft willen 
winnen; bovendien schuldig zal zgn de scheld- 
woorden „in sijn hals te doppen" (te herroepen) 
en te revoceeren op alle plaatsen, waar hij ze 
gesproken heeft, met vergoeding van schade te 
bepalen door het keizerlijk hofgerigt. 

Op 7 en 21 April neemt hy z^n 2e en 3e. 

1542 Mei 8 (E xi). 

De Stadh. houdt met R. en St. een gemeenen 
landdag te Deventer om de propositiën te hooren 
van Mr. Joest Sasbout, Raad ordinaris in den 
Ilove van Holland en Commissaris des Keizers, 
aangaande de ordonnantie van het Roomsche Rijk 
van de contributie tegen de Turken. Tegen- 
woordig : 

Seyno Mulart, Drost van Sallant, 

Goessen van Raesfelt, Drost van Twenthe. 

Herman van Westerholt, Drost van VoUenhoe. 

Johan van Ytterssum, Drost van Ysselmuden. 

Claes van Beverfoerde, Drost te Blanckenburch. 

Goert van Reede, Drost te Lage en Diepenhem. 

Engelbert van Enss, Rentmeester van Zallant. 

fleer Frederick van Twickel, Ridder. 

Adriaen van Twickel. 

Herman Mulart, Schout te Zwoll. 

Arent Mulart, Schout te Hasselt. 



377 



Hinrich van Rechteren. 
Johan van Rechteren. 
Seyger van Rechteren. 
Otto van Rutenberch. 
Mr. Johan van Langen. 
Vnico Ripperda. 
Pilgrim van Thye. 
Wolter Splynter. 
Ernst van Ytterssum. 
Jocob Rengers. 
Dirich van Ouerenck i 
Herman ter Beke ( 
Otto van Dotinchem j 
Mr. Otto Rasters ] 

Mr. Gerrit Morre 1 

Egbert ten Bussche j 

Hinrich Munter 
Hinrich van Tijl 



Otto Bellinckhaeven. 
Wolter van Heyden. 
Dierick van Keppel. 
Peter van Keppel. 
Alffer van Ysselmuden. 
Arent Sloet. 
Dirich van Voerst. 
Vincentius van Wterwyck. 
Steven van Haerst. 
Seyno van Brenen. 



Gedepnt. van Deventer. 



j, Campen. 



ZwoU. 



Mr. Joest Sasbout heeft geproponeerd en voor- 
gehouden hoe door den Keizer en de Stenden des H. 
Roomschen rijks op den Rijksdag te Spiers zekere 
ordonnantie van contributie gemaakt was tot 
wederstand van den Groeten Turk, als erfvijand 
der gemeene Christenheid, en vraagt deelneming 
hierin. R. en St. wenschen eerst hierover „bugge- 
spraeke'' (sic) met hun raadsvrienden te houden. 

1542 Mei 13 (E xii y'). 

R. en St. antwoorden op de propositie van -^ 
Mei: dat men zich door geen ongehoorzaamheid 
van het R. R. wil separeeren, onverkort en on- 
gekrenkt de eer en eed, waardoor zij aan den 
Keizer gebonden zijn, maar daar Deventer, Kampen 
en Zwolle, hoewel Rijkssteden, niet tot den 
gehouden Rijksdag opgeroepen werden, gelijk van 
ouds gewoonte, en nog in 1532 het laatst 
geschied is, en bovendien de landschap met 
zware schulden belast is, kunnen zij haar en de 
ingezetenen met die contributie niet bezwaren. 
Wordt echter naar waarheid bevonden, dat alle 



378 



vorsti^ndommen, landen en lieden, niemand uit- 
i^ezonderd, tot wederstand van den Turk realiter 
contribueren, dan zullen R. en St. toonen, dat 
men hen niet van ongehoorzaamheid heeft te ver- 
denken. 

1542 Junij 10 (E xiiij). 

De Stadh. houdt een gemeenen landdag te 
Deventer. Te^^enwoordig : 

Mr. Joest Sasboat, Commissaris der Regentes, namens 

den Keizer. 
Seyno Mnlart, Drost van Zalland. 
Goessen van Raesfelt, Drost van Twenthe. 
Herman van Westerholt, Drost van Vollenhoe en 

Amptman van der Knjnre. 
Goert van Reede, Drost te Lage en Diepenhem. 
Johan van Ytterssnm, Drost van Ysselmnden. 
Claes van Beverfoerde, Drost te Blanchenbnrch. 
Engel bert van Enss, Rentmeester van Zallant. 
Aernt Mnlart, Schoat te Hasselt. 
Heer Frederick van Twickel, Ridder. 



Adriaen van Tvdckel. 
Pelgrom van Thje. 
Vniko Ripperda. 
Ernst van Ytterssnm. 
Joban Rengers. 
Diericb van Keppel. 
Peter van Keppel. 
Aernt Sloet. 
Hinrich van Rechteren. 
Johan van Rechteren. 
Seyger van Rechteren. 
Otto van Rntenberch. 
Haeke van Rntenberch. 
Dirich van Onerenck | 
Herman ter Beeke ( 
Johan van Dotekom [ 
Mr. Otto Basters ' 

Mr. Gerrit Morre ) p 
Egbert ten Bossche ( ^*™P«^ 

Henrich Munter J ^^-n^ 

Hinrich van Thiel } ^^oue. 

Meyne Jansz, OldenzaeL 



Otto van Bellinckhaeven. 

Wolter Splinter. 
' Wolter van Heyden. 
I Dirich van Voerst. 

Vincentins van Wtcrwyck. 

Mr. Jan van Langen. 

Steven van Haerst. 

Jan van Echten. 

Pilgrom van Ysselmn jden. 

Herman Mnlart, Schont te 
Zwoll. 

Se^Tio van Brenen. 



Gedepnt. v. Deventer. 



379 

Coert Sluyter, Oitmerssum. 
Aerent Claesz, Enschede. 
Willem Goertsz, VoUenhoe. 

Mr. Joest Sasboyt qq. insinueert aan de verga- 
dering een schrijven des Keizers tot gehoorzaam- 
heid aan het reces van Spiers, om niet te vallen 
in de straf daartegen bij plakaat bedreigd, met 
benoeming van Mr. Geerlich Doys, 's keizei*s 
Rentmeester in Overijssel tot een der 4 ontvangers 
van de contributie. Gedaan te Deventer op 
's Keizers hof in de rechtkamer. Op welke insi- 
nuatie R. en St. na ruggespraak, op 14 Junij ant- 
woorden: dat zij blijven bij het vroeger gegeven 
antwoord. Get. Nicolaus Verheyden, Secretaris. 

Op 14 Junij verschijnen op den landdag Claude 
van Bonten, Heer to Carbaron, overste stalmeester 
der Koningin, Mr. Joest Sasbout en Vincent Corne- 
liöz, gecommitteerde van de financiën, als Com- 
missarissen der Koningin, die verklaarde, dat de 
Koningin voornemens geweest was Overijssel te 
bezoeken, maar daarvan had moeten afzien om 
andere zaken, doch later dat bezoek doen zoude, 
waarop R. en St. geantwoord hebben, dat zij van 
de ^affectie" der Koningin overtuigd waren en 
bereid waren de Commissarissen aan te hooren, 
verzoekende dat zij wederkeerig de nooden der 
provincie zouden aanhooren. 

Op 15 Junij diensvolgens besloten, dat de ge- 
breken en zwarigheden van de geheele landschap 
op schrift aan de Commissarissen zouden worden 
medegedeeld. 

1544 Jan. 16 (E cxiiii). 

Johan van Haerst Hermansz neemt zijn Ie was- 
teeken op de wed. en erfg(m. van Johan Mulart 



380 

Janss te Voirst voor 32V* gffl. per jaar, welko 
verw. jaarlijks hebben van Wolff Miilart en op 
al zijn andere goederen voor 15 ggl. en 18 mud 
rogge per jaar, door verw. aan aanl. verkocht op 
belofte van beter vestinis, blijkens zegels en brieven, 
en voor 1 jaar achterstedige rente, met schade, 
kosten en interesten. 

Op 30 Jan. en 13 Febr. neemt hy z\jn 2e en 3e. 

1544 Jan. 22 (E xvii). 

Op aanschrijven des Stadh. vergaderen R. en St. 
te Deventer. 

Seyno Mulart, Drost van Zallant. 
Goessen van Raesfelt, Drost van Twente. 
Herman van Westerholt, Drost van VoUenhoe. 
Joban van Ytterssom, Drost van Ysselmuyden. 
Goert van Reede, Drost te Lage en Depenhenu 
Engelbert van Enss, Rentmeester van Zallant. 
Heer Frederick van Twickel, Ridder. 



Reynt van Covorden. 
Steven van Haerst. 
Ernst van Ytterssum. 
Joban van Steenwick. 
Alffer van Ysselmuyden. 
Boldewijn Haegen. 



Vniko Ripperda. 

Pyigrom van Tbye. 

Seyno van Brenen. 

Joban van Laer. 

Hanke van Rutenbercb. 

Hinricb Scboep. 

Wolter van Hevden. 

Mr. Gerrit Scbwaeffgen 

Diricb van Ouerenck , p^^^^„x ^„„ n^„««*^^ 

Herman ter Beke } ^^^^P^*' ^*^ I>eventer. 

Mr. Otto Basters 

Ernst van Ysselmuyden ) PomT^oTi 

Hinricb Ruyretorif { ^ " i^ampen. 

Jacob Duysterbeck i ^ ,, 

Mr. Hinricb van TijU ( ^ « ^^^"• 

Op het schrijven door den Stadh. gezonden aan 
R. en St., of het hun gelegen kwam, dat hij een 
Lutenant of gevolmagtigde naar Overijssel zond, 
om aan R. en St. te melden, welke korting van 
de lage landen door de pachters wordt gesustineerd 
op grond der verleden oorlogen, waarom zij die 
landen niet met ossen en beesten hadden kunnen 
beslaan zonder gevaar voor de vijanden, en verder 



381 

om met R. en St. te houden een gemeenen land- 
dag van regt en claringe, vermits de Stadh. door 
andere bezigheden daarvoor niet konde vaceeren, 
antwoorden R en St. na rijp beraad: dat het 
hun niet gelegen kon zijn een gemagtigde of 
iemand anders in plaats van den Stadh. in zaken 
van regt en claringe te laten presideeren, als zijnde 
het principale stuk van hun landregt en privilegiën, 
en zulks om redenen, schriftelijk den Stadh. mede- 
gedeeld. 

Gedaan 23 Jan. 

Op de klagten der gedeput. van de Ridderschap 
van Vollenhove tegen de stad Hasselt, die op 
grond van een appointenent te Kampen op 27 
Aug. 1543 verkregen, onwillig is te betalen de 
som hun door Ridd. en gedeput. van Kampen 
naar oud gebruik opgelegd en waartoe zij bij 
herhaalde sententiën in het laatst in Febr. 1540 
van R. en St. veroordeeld zijn, wordt verklaard, 
dat de Drost van Vollenhove van wege den Keizer 
en diens Stadh. tegen die van Hasselt zal proce- 
deeren met reale executie en panding, volgens de 
constitutie door Stadh. R. en St. op het stuk 
van executie vastgesteld, op straf daarbij bepaald. 
Gedaan 23 JaD. 

1544 Maart 22 (E cxiiii). 

Franchois Hoichstraten, Baliu van Rensborch, 
als gemagtigde van Vrouwe Marie van Tauten- 
burch. Abdis en Vrouwe te Rensborch, en de 
gemeene capittulaer-vrouwen van dat convent, 
neemt zijn Ie wasteeken op Jonker Kaerl ge- 
boren Vrijheer van Tautenburch, Heer to Wedde 
en Westerwolderlant en al diens bezittingen, na 
den dood van haar moeder Anna de Vos van 
Steen wij ck en van haren vader Georgen Schenk 
Vrijh. toe Tautenburch enz., op hun beider sterf- 
dag nagelaten, voor de actie aanspraak en gereg- 



382 

tigheid haar naar laad- en leenregt aanfjestorven. 
Op 5 en 19 April neemt hij z^n 2e en 3e. 

Actie door Heer Bertolt van DelfF, Pastoor te 
Bathmen, met het antwoord daarop van Zwier 
Assinck aan Rigter Lutger Cruse en keiirnoten 
Arend van Oldeneel en Hendrik ter Spillen, over 
de vraag : of de Pastoor in het l^zit van 3 schepel 
rogge per jaar tot miskoorn uit het «erve Assinck 
moest gehandhaafd worden, dan of hij zijn regt 
met zegels en brieven bewijzen moest en de be- 
taling er van door Zwiers meijer te beschouwen 
was als eene gift van dezen, die den eigenaar 
van het erve niet raakte? 

Bij .het ordel verstaan: aang. de Pastoor be- 
wijzen kan, dat alle meijers op Assink altijd 
miskoorn plagten te geven, behooren zij daarmede 
naar oude gewoonte voort te varen, tenzij de 
eigeïïbi de getuigen door den Pastoor bijgebragt 
wederleggen kan. 

Assink teekent appèl aan naar de claringe van 
Stadh;, R. en St. 

In de Judicialen wordt hiervan niets gevonden. 

1545 Febr. 26 (E cxvi). 

Merten Bodeker als man en momber van zijn 
vrouw en zijne adhaerenten, als erfgenamen van 
RolofT van Twickel, nemen hun Ie wasteeken op 
Hinrich van Rechteren voor de actie van 170 
mud rogge achterstallige pacht uit Bruyckinck, 
Hondebrinck en het Rouhuis, blijkens zegels 
en brieven. 

Op 12 en 26 Maart neemt hij het 2e en 3e. 

De natuurlijke kinderen van Roloff van Ytt^rs- 
som nemen nun Ie wasteeken op de wed. en 
kinderen van Johan Mulart Jansz te Voirst, als 
erfgenamen en bezitters van Mularts huis en 
goederen, voor 800 ggl., door Roeloff gerichtelijk 



383 

aan aanl. als legaat gegeven en deels betaald, 
maar voor de rest geweigerd, met de kosten, 
schaden en interessen. 

Op 12 en 26 Maart neemt zy het 2e en 3e. 

1545 Maart 2 (E cxvii). 

Matheis Halboen neemt zijn Ie wasteeken op 
Dirich van Ysselmuden, ak momber van diens 
vrouw, als erfgen. van Wolter Stellinck den Olden 
Drost te Coevorden en van Drenthe, en van 
Mechtelt diens vrouw, voor een actie van ver- 
zegeling, door Wolter en Mechtelt gedaan, waarbij 
zij beloofden het erve Meusbarch te Spoelde, 
kerspel Zwolle, te vrijen van alle renten en 
pachten, waarmede het bezwaard was, en welk erve 
Mathis met atmalen naar landregt ingewonnen 
heeft, voorts voor de poene in dien brief begrepen 
en de kosten, schaden en interessen. - 

Op 16 en 30 Maart neemt hy het 2e ^ . 3e. 

» 

Johan Kamerlinck, burger te ZwoPe, neemt 
zijn Ie wasteeken op Hinrich van Rech:eren voor 
75 ggl. 5 st. door verw. hem schuldig voor laken, 
blijkens handschrift, en voor alle hinder, schade 
en interessen. 

Op 16 en 30 Maart neemt h\i het 2e en 3e. 

Wijnolt Mattheusz te Deventer, de wed. van 
Hinrich Michielsz en Ruter Claesz te Zwolle, 
als „samende maechscap" van het Wijnhuis en 
axyse der stad Zwolle in 't jaar '40, nemen hun 
Ie wasteeken op Hinrich van Rechteren voor een 
toelaat wijns en een aam wijns, door hen in hot; 
vorige jaar van hen ontvangen, ten bedrage van 
40 ggl. met de kosten, hinder, schade en interessen. 
Op 16 en 30 Maart nemen z^ het 2e en 3e. 

1545 Junij 6 (E xx). 

De Landdrosten en andere amptlieden en officieren 
des keizers en de gedeput. der 3 steden ver- 



384 



schijnen op aanschrijven des Stadh.. (ingevolge bevel 
der Koningin) te Deventer, en op 7 Junij zyn de 
gemeene Ridderschap en gedeput. der kleine steden 
op aanschreven der landdrosten (op bevel des Stadh.) 
„vermits costicheyt des tijts'* aldaar des avonds 
in de herberg verschenen om 8 Junij een gemeenen 
landdag te houden, om de propositie der Koningin 
te hooren en te beantwoorden. Tegenwoordig: 

Seyno Mulart, Drost van Sallant. 

Goessen van Raesfelt, Drost van Twente. 

Herman van Westerholt, Drost van VoUenhoe. 

Johan van Ytterssom, Drost van Ysselmuden. 

Goert van Rede, Drost te Lage en Depenhem. 

Claes van Beverfoerde, Drost van Blanckenborch. 

Hinrich Molart, Dijkgraaf van Zallant. 

Herman Mulart, Schout van Zwoll. 

Aemt Mulart, Schout van de stad en kerspel van Hasselt. 

Engelbert van Ens, Rentmeester van Zallant. 



Vniko Ripperda. 
Willem van Buclihorst. 
Alffer vau Ysselmuden. 
Otto van Rutenberch. 
Hinrich van Rechteren. 
Pilgrom van Thye. 
Houke van Rutenborch. 
Wolter van Heyden. 
Christoffel [ van Coforden, 
Wolter ) gebroeders. 
Roelof van Hoevel. 
Peter van Keppel. 
Rolof van Wherwick. 
Johan van Wherwick. 
Gisbert van Dort. 
Dirich J van Voirst, ge- 
Peter J broeders. 

Herman van Beeck 
Johan van Dotekom 
Mr. Otto Basters 
Peter Doys 



Johan van Steenwyck. 
Ernst van Ytterssum. 
Seyger van Rechteren. 
Hinrich Schaep. 
Bertolt van Langen. 
Mr. Jan van Langen. 
Herman Ramelman. 
Aernt Sloet. 
Johan Schloet. 
Rolof van Scheven. 
Johan van Rechteren. 
Reynt van Coforden. 
Johan Rengers. 
Boldewyn Hagen. 
Dirich van Ysselmuden. 
Johan van Laen. 



Gedeput. van Deventer. 






385 

Gedeputeerden van Hasselt, Oldenzeel en Steenwick. 
Eeynolt van Bourmania, Drost te Coforden en van het 

land van Drenthe. 
Reynolt van den Cloester ) Gedeput. des lands van 
Coert de Voss van Steenwick ) Drenthe. 

Heer Lodewich van Schoer presideert en propo- 
neert namens de Koningin: dat Ov. boven de voor 
eenigen tijd toegestane 25000 car. gl. nog een 
nieuw bewijs van dankbaarheid aan den Keizer 
mogt* geven, op grond van de groote krijgskosten 
door den Keizer gedaan om vrede te verschaffen 
met Denemarken en Noorwegen, met de Turken, 
met Frankrijk en Engeland on vooral om de ver- 
eeniging van Gelre en Zutphen met zijn Staten 
te verkrijgen tot voordeel van Overijssel. R. en St. 
nemen hierop beraad. 

1545 Juni) 6 (E xxiiii). 

Op de propositie van 6 Junij antwoorden R. 
en St. door Mr. Johan van Langen Dr., dat zij 
ten zeerste dankbaar zijn voor den vrede hun 
bezorgd, vooral met hunne naburen de Gelderschen, 
en zij, hoezeer de landschap met schulden bezwaard 
is, als gehoorzame en getrouwe onderzaten bereid 
zijn te doen wat in hun gering vermogen is. 

Na dit antwoord hebben R. en St. zich be- 
raden met den Stadh. en op diens onderrichting 
in bijzijn van den Drost van Coforden en den 
gedeput. van Drenthe, geaccordeerd van de 4 
landen Salland, Twenthe, Vollenhove en Drenthe 
als volgt: ajm den Keizer 50,000, aan de Koningin- 
Regentes 8000, aan den Stadh. 3000 en aan de 
Raden des Keizers 1000 car. gl. De Drost van 
Coforden en de gedeput. van Drenthe zullen rugge- 
spraak met hun ingezetenen nemen en Donderdag 
over 8 dagen te Deventer antwoord brengen. 

1545 Junij 15 (E xxiiii v ). 

Aang. de Drost van Coforden en gedeput. van 

25 



386 

Drenthe gerapporteerd hebben, dat de ingezetenen 
van Dr. niet mede contribueren willen, aanvoerende 
de exemptie en immuniteit der landschap, als niet 
annex met de steden van Ov., krachtens z^els 
en brieven welke zij daarvan beweren te hebben 
en aanbieden te gelegener tijd in een maelstat 
der Staten van Ov. te toonen, zoo wijzigen de 
3 landen hun aanbod aldus: voor den Keizer 
32000, voor de Koningin 8000, voor den Stadh. 
3000 en voor de Raden 1000 car. gl. 

1545 Aug. 26 (E cxviii). 

Juffer Henrick van Hengele, wed. Johan Wolff^sz, 
neemt haar Ie wasteeken op de wed. en erfgen. 
van Johan Mulart Jansz te Voerst, als erfgenamen 
en bezitters der goederen van zal. Roloff van 
Ytterssom, op de jaarlijke rente, welke deze hebben 
uit de goederen van Wolff" Mulart en verder op 
al hun onbegeven goederen in Sallant, voor 14V* 
ggl. jaarl. rente, welke Roeloff" uit al zijn goederen 
te Voerst en Westenholte en verder in het kerspel 
Zwolle gelegen, verkocht had aan Willem van 
Hengele en diens erfgen. op belofte van beter 
vestenis te doen. 

Op 9 en 23 Sept. neemt zy het 2e en 3e. 

1545 Sept. 22 (E cxix). 

Reynolt van Aeswijn, Heer te Brakel, neemt 
zijn Ie wasteeken op Juffer Anna van Mervelde, 
wed. Reinolt van Coforden en op haren zoon 
Rolant V. C. voor de volgende actie: 

lo. Daar de schutstal vun den molen te 
Gramsbergen met groote kosten door zal. Juffer 
V. Aeswijn, Reynolts moeder, Johan va:n Itterssom 
en de verw. gemaakt is en door verzuim van 
Juffer V. C (dewijl Juffer v. Aeswijn daaruit 
gedrongen is) verdorven is, zoo eischt aanl. ver- 



387 

goeding van deze schade en herstel van den schut- 
stal door verw. op eigen kosten. 

2ü. Jan van Itterssom en Juflfer v. C. als twee 
erfgen. uitsluitende de derde erfg. Juffer v. A. en 
haren zoon R., tot den m^den even na geregtigd, 
hebben hun het V» deel der opbrengst van den 
molen (jaarlijks ongeveer 200 mud rogge) 12 jaar 
lang ontbeurd, waarvoor aanl. restitutie verlangen. 

3o. Beide partijen hebben een hofstede te 
Gramsbergen, maar Juffer v. C. heeft de hare 
door. aangraving van het gemeene goed vergroot; 
daarvan moet zij ook die van den Heer v. Brakel 
vergrooten, mét restitutie des „ontbruycks/* 

4o. De tienden en goederen te Wijrden, welke 
zal. Reynolt v. C. eertijds vooruitgenomen heeft 
als leengoederen, welke alleen pandgoed en geen 
erfgoed geweest zijn aan het huis Gramsbergen 
behoorende, maar alleen zooveel penningen, zijnde 
eigen deelbaar goed, op de tienden en andere 
goederen te Wijrden gelegd, „neyewerlde toebe- 
hoerich gewest in de erff-eygendom den van Grans- 
berge.'' Daarna moeten verw. de aanl. in possesie 
stallen van V» hiervan met lestitutie van het ont- 
beurde. 

• 5o. Daar de Poll, boomgaard, bosch, hagen, 
visscherij, jagt, heerlijkheid en geregtigheid te 
Gramsbergen nog onverdeeld zijn tusschen par- 
tijen, verlangt aanl. scheiding en deeling met 
vergoeding van kosten, schade en interessen. 

Op 6 en 20 Oct. neemt hij het 2e en 3e. Zie 
verder 6 Mei 1546. 

1545 Nov. 16 (E xxvi). 

Bijeenkomst van R. en St. te Deventer, (in 
affwesen des Stadh.), om allerlei zaken de Land- 
schap betreffende. Tegenwoordig: 

Seyno Mulart, Drost v. ZaUant. 

Herman van Westerholt, Drost v. Vollenhoe. 



388 



Johan van Ytterssum, Drost v. Ysselmnden. 
Engelbert van Ens, Rentmeester v. Zallant. 



Vniko Eipperda. 
Pilgrom van Thye. 
Reynt van Coverden. 
Peter van Voerst. 
Bartholt van Langen. 
Jacob van Ytterssum. 
Seyger van Rechteren. 
Seyn van Welvelde. 
Willem van Buchhorst. 
Johan van Voerst. 
Dirick van Ysselrauden. 
Boldewyn Hagen. 
Henrich Mulart, Dijkgraaf. 



Roloff van Langen. 
Dierick van Keppel. 
Jan van Laer. 
Hinrich Schaep. 
Johan Rengers. 
Roloff van Oesterwold. 
Bartolt Sloet. 
Johan van Rechteren. 
Mr. Johan van Langen Dr, 
Herman Mnlart. 
Bartold van Langen. 
Otto van Rutenberch. 
Jan van Steenwick. 



Herman van der Beke j 

Johan van Doteknm l ^ , Deventer 

Mr. Otto Basters ( ^®^^P' "^^ i^eventer. 

Gerrit Swaeffken. ' 



Geert Loese 

Tyman van den Veen 

Mr. Gerrit Morre 

Jacob Duyterbeck 
Mr. Hinrich van TijU 



/ 



Gedep. v. Campen. 



Gedep. v. ZwoU. 



De vordering van Heer Hinrich palsffniaf en 
bisschop te Worms van 642 Pts. gl., door Mr. 
Jan Oestendorp overgegeven, zal de Griffier nazien 
in de oude papieren van zijn F. Genade en 
Adriaen van Rede; wat hij vindt zal hij rap- 
porteeren aan de stad Deventer en deze zal 
namens de landschap van de wed. en erfgenamen 
van A. v. R^de bescheid vorderen omtrent (\e 
contra-rekening en verder aan de administrateurs 
van de schattingen van Twenthe vragen, of hun 
iets bekend is van de penningen aan zijn F. G. 
„bewesen" op het land van Twenthe. 

Aang. de gedeput. van de 3 steden aan de 
gemeene Ridderschap voorgehouden hebben, dat 
de gemeene Landschap haar zekere som schuldig 
ia, voor deze verschoten tot supplement der af- 
lossing van de Kettelers en voor andere zaken en 



389 

lasten, ook dat haar burgers en ingezetenen gear- 
resteerd zijn geworden te Groningen, Soest, Nij- 
megen, Arnhem, Lochem, Utrecht, Amersfoort en 
elders voor de schulden der Landschap, voor welke 
schulden en arresten aan haar door R. en St. 
3000 ggl. ter goeder rekening uitgezet is, welke 
som evenwel voor andere zaken en vooral tot 
beëindiging van den oorlog van '43 besteed is, 
blijkens de rekening van Mr. Claes Venraat, secre- 
taris van Deventer, zoo hebben de 3 steden een 
uitzetting verzocht van hetgeen zooals gezegd, de 
Landschap aan de 3 steden schuldig is ; aang. nu 
bevonden is, dat de Landschap aan de steden 
schuldig was 2144 ggl. 14 st., waarop betaald is 
610 ggl. 17 st. br. 3 oort, en dus nog 1533 ggl. 
24 st. br. 1 oort schuldig bleef, welke begrepen 
wordt in den len termijn van den onslag van 
19841 ggl. 22 st. br. over de 3 landen op dezen 
landdag uitgezet, met nog 200 ggl. bij pro visie tot 
aflossing van schulden en arresten zijn, waarvan op 
Salland 8500, op Twenthe 6040 en op VoUenhove 
5302 ggl., te ontvangen door Engelbert van Ens, 
rentmeester van Salland en waarvan geassigneerd 
zijn: op den Keizer 10666 car. gl. 13 st. 4 p. 
Vlaams voor V« van 32000 car. gl. in 3 jaarlijks 
termijnen hem toegezegd, aan de Koningin 8000 
car. gl. aan den stadh. 3000 car. gl., aan de raden 
des Keizers en de „dorenworter" 825 ggl., aan Mr. 
Frans Rustioi, secretaris des Stadh. voor zijn reizen 
50 car. gl., aan den rentmeester zelf 289 car. gl. 
8 st. br. 4V» pi. voor de landschap verschoten op de 
reizen gedaan door de gedeput. van de Landschap en 
de Steden naar Groningen en Kampen enindequestie 
met Drenthe, aan de 3 Steden 1533 ggl. 24 st. 1 oort. 

Vgl. hiermede een stnk in de Verzameling van 
Prof. Bondam (Overyss. archief). 

1545 Dec. 1 (E cxx). 

Claes van Gent als erfg. zijner moeder Juffer 



390 

Elysabet v. Gent, neemt zijn Ie wasteeken op 
Ernst van Ytterssom, als er%. van Juffer Hasset 
van Wijtman, wed. Staven Campferbeeck, en van 
Johan en Herman v. Y., en als bezitster van het 
erve ten Thye in de buurtschap ten Kolcke, 
van 6 morgen lands in Mas te broek bij de 
3 bruggen, en van 5 morgen lands in Wijer- 
kerspel, voor zekere actie van achterstallige 
schuld van 40 rijnsche curr. gl. jaarlijksehe 
lijftucht, welke aan de moeder van Claes als 
wed. Johan Campferbeecks, Stevens zoon, op ge- 
noemde onderpanden, met belofte van beter vestenis, 
door Juffer Hasset met Roebert van Ytterssom 
als momber, gerichtelijk overgedragen was blijkens 
brieven en zegels door den leenheer bevestigd; 
de lijftucht was gedurende 14 jaar niet betaald, 
eerst voor den Schout van Zwolle en toen voor 
de Claringe van R. en S. aldaar verwonnen, om 
verder op de onderpanden met atmalen voor de 
Leenheeren te procedeeren, doch door dezen, Hein- 
rich en Otto van Kechteren „vermits oiigebuer- 
licher vpholdinge ende rechtsweigeringe" ver- 
hinderd zoodat mitsdien de achterstand nog weder 
met 12 jaar vermeerderd is. 

Op 15 en 29 Dec. neemt hij het 2e en 3e. 

Claes v. Geut, als erfg. zijner moeder Juffer 
Elys. V. G. neemt zijn Ie wasteeken op Hinrich 
van Rechteren als leenheer en als testamenteur 
van Otto V. R. zijn broeder, die eerst als leenheer 
op het erve aanspraak gemaakt, den Scholtus 
van Zwolle, als Rigter de hand gesloten en het 
gericht verboden h:id en verder als momber over 
de erfgenamen van diens broeder, voor zekere 
actie van kost, hinder, schade en interesten gp- 
leden door vertraging en regtsweigering in voor- 
noemde zaak. 

Op 15 en 29 Dec. neemt hij het 2e en 3e. 



391 

1545 Dec. 9 (E cxxi). 

Wolff Mulart neemt zijn Ie wasteeken op Her- 
man van Warmele voor 750 Jochemdalers, welke 
verw. bij zijn adelijke eer en trouw beloofd 
en verobligeerd heeft te betalen, overeenkomstig 
zijn handschrift en zulks uit kracht van zekere 
huwelijks voorwaarden betrefifende Wolffs vrouw; 
voorts voor de achterstallige handgelden en alle 
hinder, kosten, schade en interesten. 

Op 23 Dec. neemt hij het 2e, op 7 Jan. 1546 het 3e. 

1546 Jan. 2 (E cxxii). 

Proost, Vrouwen en Conventualen van Swarte- 
water-klooster nemen hun Ie wasteeken op de 
dochter en erfg. van zal. Otto van Rechteren en 
op haar mombers en de gebruikers van haar erf- 
deel, voor de actie van 8 mud rogge jaarlijksche 
pacht, welke het convent uit goede vriendschap 
uit het erve ten Berge te Losser verzet had 

voor 100 ggl. 

Zij nemen 16 en 30 Jan. het 2e en 3e. 

1546 April 2 (E xxx). 

De Stadh. houdt zijn len regtdag te Deventer. 

Dingwaarder: Engelhert van Ens, Rentmeester van 
Zallandt. 

IHeer Berent van Schedelick, Commandenr 
der haillien te Weatphalen en des hnizes 
te Oetmarshen. 
Vniko Eipperda. 

April 3 is door den Dingwaarder „mit een 
ordel bestadet, bedinget ende bewaert," dat de 
Stadh. wegens het regenachtige weder het gericht 
mogt houden onder dak in de Proostdij. *) 

1546 April 2 (F i). 

De Stadh. houdt met R. en St. claringe binnen 



^) Daar hierop een acte van 19 April gehoekt is, doet my 
hesluiten dat E hier onvolledig is. Ik laat daarom F volgen. 



392 

Deventer. Na R. en St welkom geheeten te 
hebben, beveelt hij aan de Ridderschap af te gaan 
en houdt de ampluden met de gedeput. der Steden 
bij zich; gaat daarna in de „dynckbancke" 

I Herman van der Beecke. 
Gerryt Zwaeffken. 

Richter de Stadhouder. 

Tz^^^^^^^^ ( Berent van Schedelick. 
Keurnoten; < tt i -r>. j 
1 Vnyko Ripperda. 

Nadat de bank gespannen is door den Ding- 
waarder Engelbert van Ensse, rentmeester van 
Salland, zijn opgeroepen die van de ridderschap, 
om de ordelen in de ordelen in de vorige dijnck- 
bank aan hen besteed, te wijzen; dezen deels aan- 
gekomen, hebben de ordelen met hnn wijzingen 
aan don Griffier ter hand gesteld, die ze ge- 
opend en aan partijen voorgelezen heeft. Par- 
tijen hebben daarvan gedeeltelijk geappelleerd in 
claringe van Stadh. R en St , doch hebben ook 
gedeeltelijk in de vonnissen berust. De ordel- 
wijzers die afwezio' waren, worden gesuspendeerd 
tot hun comparitie. Na wijzing des ordels 
zijn de partijen opgeroepen, die aan de bank 
te doon hadden. Compareerende, hebben zij regt 
en ordels gedinget die voor den Stadh. door 
den Dingwaarder aan eenigen van de Ridderschap 
besteed zijn geworden, om daarvan te wijzen naar de 
nieuwe Reformatie. Onder anderen zijn ver- 
schenen : 

De overheid en ingezetenen van Delden, die 
Goossen van Raesfelt aanspraken voor zeker mis- 
bruik van visscherij en gemeente, mede aan 
die van D. toekomende, en voor schutting van 



393 

» 

beesten door den Drost ten onre^e gedaan, 
waartegen deze een aanspraak bij reconventie door 
wasteekens aanhangig gemaakt heeft, hebben 
de exceptie gesteld, dat groote of kleine steden 
niet door wasteekens gedagvaard behooren te 
worden. 

Door den Stadh. de amptluden en 'gedeput. van 
de Steden is gewezen en door den Dingw. uitge- 
sproken: dat men geen groote of kleine steden 
met wasteekens voor de hooge of lage bank dagen 
mag, maar wie iets van haar te vorderen hf^eft, 
dit bij supplicatie aan den Stadh. moet te kennen 
geven, die hem dan met zijn tegenpartij op den 
volgenden landdag voor Stadh. R. en St. ont- 
bieden zal. 

De Stadh. houdt daarop aan R. en St. voor de 
zwarigheid van Deventer over hun burger Derk 
Cornelijss, die door schrijven van de Koningin 
opgeroepen is, om met zijn vrouw^ te komen 
deponeeren in den Haege op verzoek van den 
Procureur Generaal van Hollant over de vrouw 
van Gijsbert van Baexen, Drost te Ysselsteyn, 
van crimineele feiten beschuldigd, terwijl aan 
die van Deventer bevolen is de brieven der 
Koningin te achtervolgen, welke bedreiging met 
bannissement, incarceratie en verdere straf tegen 
Derck medebrengen ; hierop wordt door Stadh. R. en 
St. geantwoord met een cedule, dat zulk een 
evocatie strijdt tegen de privilegiën en costumen 
van D. en van de landschap en tegen het tractaat 
van 1528. De Stadh. zal dit antwoord over- 
zenden. 

Op Zaterdag 3 April (F 3) zijn veel zaken in 
ordel en regt gekomen en besteed te wijzen o.a. : 

Tusschen de gedijkten en erf gen. van het 
kerspel S wol Ie is na lange en vele altercatiën 
door den Stadh. besloten aangaande de waden, te 



394 

• 

Veecaten en beneden Wilsum ter vollen aarde op 
te dijken, dat het kerspel van S\v. voor ditmaal 
de waden zal laten besteden en opmaken, doch 
dat zij die door Stadh. R. en St. bevonden worden 
daartoe gehouden te zijn, aan het kerspel Sw., 
zoo het triomfeert de kosten teruggeven zullen, 
terwijl op Dingsdag na Palmen definitief vonnis 
gewezen zal worden overeenkomstig de acte door 
den Griffier geteekend. Hierna is zijn Genade 
met onzen heer van Barbansson naar SwoUe ge- 
reden, om het kind des Rentmeesters (ten doop) 
te hefifen. 

Op Zondag Letare Jherusalem 4 April (F 4) 
des morgens 8 uur zijn R. en St. bijeengekomen 
op het Raadhuis, waar verschenen is Gijsbert van 
Baexen, Drost te Ysselsteyn, zeggende dat zijn 
vrouw gevangen genomen, doch op borgtogt ont- 
slagen is, doch dat zij tot geen generale absolutie 
komen kan, ten ware Derck (Cornelyss) en zijn 
vrouw in den Haege komen getuigen, verzoekende 
hij mitsdien, dat men aan de aanschrijving 
der Koningin gevolg geve. R. en St. ant- 
woordden: dat de Drost met Derck spreken moest 
om hem over te halen de reis doen, maar dat 
het strijdig met de privilegiën zoude zijn hen er 
toe dwingen. De Drost heeft hiervan een certi- 
ficaat gevraagd, dat hem gegund is. 

De vrienden van Deventer leggen een brief o ver, 
sprekende van 50 ggl. per jaar van den graaf 
van Ysenborch, afkomstig van de 1000 ggl. op 
die van Drenthe geslagen en door den Keizer op 
hen genomen, welken brief Johan Coster gelost 
en van R. en St. een transfix of willebrief ver- 
zocht heeft, dat hij dien mogt transporteeren 
naar goedvinden in geval van wanbetaling, daar 
hij tevens bij het lossen der penningen onkosten 
gehad heeft, „ende dye oeneringe van den enckelen 



395 

goltgl. betaelt," is hem toegestaan dit te ontvangen 
van des geraeenen landsgelden terwijl deze brief zal 
worden bezegeld door Willem vfwi Boekhorst, 
Otto van Rutenberch en Boldewijn Haegen van 
wege Salland, Twenthe en Vollenhove en door de 
3 Steden. 

Vervolgens zijn veel communioaties gedaan over 
's lands schulden; lo. proponeerde de Comman- 
deur van Oetmerssum van de 800 ggl. door hen 
aan de knechten te Oldenzaal verschoten voor 
het genitene land, en is daar nog „gemaneert'' 
van de penningen aan de ruiters door de Steden 
betaald die op het land „geslaegen ende bewesen" 
waren, om ze uit den lande aan de steden terug 
te betalen door de kerspelen of het land, waar 
de ruiters op „beweesen" waren. R. en St. be- 
sluiten tot uitstel hiervan, om met den Stadh. 
middelen te beramen. 

Voorts zijn diverse communicaties gevallen van 
Heer Gaspar van Munster omtrent de actiën, welke 
hij op deze landen en Steden pretendeert, wegens 
zekere schriften, welke de eer zijns zal. ouders 
te na gingen, da-ar ze vermeldden, dat deze „on- 
verwaerter eere'^ het huis te Coevorden inge- 
nomen en de landen met roof en brand doorge- 
trokken waren; op voorstel des Stadh. wordt be- 
sloten, dat de 3 Steden met procuratie op 15 
April voor hem komen zullen, om de aanspraak 
van Gaspar aan te hooren, enz. 

Mr. Aleff, Secretaris, overhandigt quitantie 
der stad Gollen van de penningen, waarop men van 
wege de Anze gesteld werd. 

Ook is een brief ontvangen met des Keizers 
zegel van het tractaat van 1528 op kosten van 
het gemeene land geëxpedieerd. 



396 

1546 April 5 (E xl). 

Franchois Hoichstraten, Baljuw van Rensburch, 
vraagt namens vrouw^e Marie van Tautenburch, 
Abdis te Rensburch, van Heer Karel Schenck, 
Viïjheer tot Tautenburch, haren broeder, vol- 
komen erfuiting van haar kindsdeel in de nalaten- 
schap harer ouders, waarop Heer Karel door zijn 
curator en administrateur zijner goederen Bar- 
tholomeus van Coelen, antwoordt, zich be- 
zwaard te gevoelen, om in dezen te handelen 
zonder consent van Heer George van Egmondt, 
Bisschop te Utrecht, als oom, en Heer Frederich 
Schenck, Vrijheer van Tautenburch, Proost en 
Archidiaken te Aldenzael en van S. Picter te 
Utrecht, als broeder van Heer Karel; de GriflBer 
zal aan deze beide laatsten over de zaak schrijven 
opdat zoo mogelijk na hun advies de zaak bij 
compromis of submissie uitgemaakt worde, zullende 
anders Dingsdag na Palmen nader over dezen 
geprocedeerd kunnen worden. 

De zaak tusschen Adriaen van Reede, Drost te 
Laege en Rentmeester van Twenthe tegen de wed. 
van Roynt van Coevorden Anna van Mervelde, 
over schutting van beesten is besteed aan 
Jan Rengers, die gewezen heeit: daar door ge- 
tuigen gebleken is, dat van Slijngenborch eertijds 
ook de beesten geschut zijn en hij daarvoor boet« 
aan den Holtrigter betaald heeft en daar deaanl. 
het beweerde lange bezit niet bewezen heeft, zoo 
heeft verw. een regtmatige schutting gedaan, 
totdat aanl. anders bewijst. 

Op den kant staat, dat dit ordel niet in claring 
beroepen en dus in rem judicatam gegaan is. 

Daar Berent van Beverfoerde toe Weemssel en 
Berent van Oir door hun gevolmagtigde Burchart 
van Westerholt, Drost van VoUenhove, met was- 
teekens voor het hooge gericht vervolgd hebben 



397 

op de erfgen. van Berent van Beverfoerde, Drost 
te Blanchenburoh, zekere verschrijving van 10 
ggl. per jaar uit aanleggers goederen, is nu de 
regtsvordering door bemiddeling van vrienden 
„neder gelacht" en bepaald : dat Claes en Zweder 
V. B. gebroeders aan Goessen van Raesfelt en 
Bartholomeus Twenberger van CoUen, Griffier 
van Overijssel, beloven de verschenen pensiën met 
de interessen en schade nl. 103 ggl. 9 schelling 
1 penning, en 10 ggl. voor het loopende jaar 
te betalen op St. Jan en één jaar later de 
hoofdsom af te doen. 

1546 Maandag 5 April (F 5 v«). 

Is niets bijzonders gedaan, dan alleen regt ge- 
houden, en is aan gemeene R. en St. overge- 
geven zekere supplicatie over de placcaten van 
de Koningin op de gebreken van de water- 
schepen, welke hier wel gepubliceerd, maar door 
die van Holland w^iar dergelijke ontvangen waren, 
achter is gehouden, met schrijven aan den Drost 
van Vollenhove om met de executie er van te 
wachten, totdat de Koningin interpretatie gegeven 
zoude hebben. De supplicatie strekte daartoe, 
dat de Stadh. aan de Koningin zoude schrijven 
dat haar placcaten voortgang mochten hebben 
en (die van llollant) met hun netten en schepen 
blijven buiten de limiten van de bekende wateren 
dezer landen en steden. De Stadh. heeft hieraan 
voldaan, maar geordonneerd, dat men die van H. 
met hun waterschepen en netten binnen genoemde 
limiten aanhalen en op cautie weder ontslaan zal 
tot de declaratie der Koningin. 

Daar geen partijen meer voor het gericht te 
doen hadden, is de Stadh. opgestaan, maar heeft 
de gedeput. van de Steden bevolen bij hem te 
blijven, om den gemagtigde des graven van Benthem 
Scotte de Bevere te beleenen met Nyenhuys 



398 

en toebehooren, hetgeen geschied is in bijzijn van 
eenige leenmannen en de gedepiit. der 3 Steden 
Terzelfder tijd is door die van Deventer een brief 
overgelegd, dat de beleening daar ter stede be- 
hoorde te geschieden; voorte een andere brief, 
dat de graven van Benthem aan de onderzaten 
van het Utr. sticht geen nieuwe tollen op- 
leggen mochten, en daar de gedeput. klaagden, 
dat dit toch geschied is. heeft de Stadh. geor- 
donneerd, dat de Steden hiervan supplioatie aan 
hem overgeven zouden, zullende hij dan hiervan 
en van den brief afschrift aan den graaf geven 
en verder doen wat behoorde. 

1546 April 7 (E xLij). 

lieer Maxirailiaan van Egmondt Grave van 
Bueren, Leerdam, enz. Heer te Ysselsteyn, Crae- 
nendock en S. Mertensdijck, Stadhouder-generaal 
des Keizers in Vrieslant, Overijssel en Groeningen, 
houdt met R. en St. de eerste Claringe en ge- 
meenen Lmddag te Deventer. 

Heer Karel Schenck, Vrijheer van Tautenburch, Heer 
te Wedde en Westerwolderland. 

Seino Mulart, Drost van Zallant. 

Goessen van Raesfelt, Drost van Twen the. 

Herman van Westerholt, Drost van VoUenhoe en Ampt- 
man van de Kuynre. 

Johan van Ytterssom, Drost van Yselmnden. 

Claes van Beverfoerde, Drost te Blanchenborch. 

Heer Berent van Schedelick, Commandeur der Dnitsche 
orde te Westphalen en des Huizes te Oetmershem. 

Frederick v. Reede, Drost te Diepenhem en Rent- 
meester van Twenthe. 

Reyner v. Aeswijn, Heer te Brakel. 

Hinrich Mulert, Dijkgraaf v. Zallant. 

Engelbert v. Ens, Rentmeester v. Zallant, Din^weerder. 

Haeke v. Rutenberg-e. 

Vniko Ripperda. 

Goert V. Reede. 

Gijsbert v. Dorth. 

Johan van Boetzeler. 



399 



Otto V. den Rutenberghe. 

Mr. Johan v. Langen Dr. 

Bartholt v. Langen. 

Scyno V. Welvelde. 

Berent v. Beverfoerde to Weemsel. 

Adolff van Twickel Heer FrederickszooiK 

Hinrich v. Rechteren. 

Willem V. Buchhorst. 

Dirich V. Voerst. 



Peter v. Keppel. 
Johan V. Laer. 
Hinrich v. Laer. 
Seyno v. Brenen. 
Pijlgrom V. Thye. 
Wolter Splinter. 
Roelof V. Hoevel. 
Reynt v. Coeforden. 
Jan V. Wermeloe to Wes- 

terfleer. 
Jnrgen v. Bermentloe. 
Jan Grobbe. 
Jan V. Esschede. 
Wolter V. Heyden. 
Roelof V. Scheven. 
Jacob V. Ytterssom, Scholte 

te Dallessem. 
W^olff Mulert Jansz. 
Steven v, Haerst. 
Seyger v. Rechteren. 
Jan V. Rechteren. 
Erenst v. Ytterssom. 
Hinrich v. Ytterssom. 
Jan V. Essen. 
Hinrich v. Haerst. 



Herman v. d. Beke 
Johan V. Dotinchem 
Mr. Otto Basters 
Gerryt Swaeifgen 



Reyner v, Wydenhorst. 
Wolter V. Coeforden. 
Cristoifer v. Coeforden. 
Peter v. Voerst. 
Jan V. Vterwijck. 
Rolant V. Coeforden. 
Albert v. Steenwijck. 
Jan V. Steenwijck. 
Jan Rengers. 
Arent Mulert, Schout te 

Hasselt. 
Harmen Mulert, Schout te 

Zwoll. 
Hinrich v. Oldeneel. 
Boldewijn Haegen. 
Pijlgrom V. Ysselmuyden. 
Roelof V. Oesterwolde. 
Dirich v. Ysselmuyden, 
Frederick Mulerth. 
Arent Sloet. 
Jan Sloet. 

Roloff V. Vterwijck. 
W'olif Mulert „vernoetsijn- 

nicht duer kranckheyt." 
Hinrich Schaep, ;,verloef." 



Gedeput. v. Deventer. 



1546 April 7 (F 6 V). 

De Stadh. gaat in de Claringe zitten, laat eerst 



400 

die van de Ridderschap oplezen door den Griffier, 
de absenten (op)teekenen en neemt die van 
de Ridd. en St. die niet beëedigd waren, den 
eed af. 

R. en St. komen met den Stadh. eendrachtig 
overeen, dat geen riddermatige, inheerasch of uit- 
heemsch, erven of goederen vrijen mag, vraarop 
hij timmert of zijn woonstede neemt, tenzij het 
van ouds riddermatige hofsteden geweest 
zijn, zoodat men voortaan geen nieuwe meer 
maken zal. Daarop zijn de volgende zaken ge- 
klaard : 

1545 April 7 (E xüiij). 

Op het geschil van de gedijkten van de ge- 
scheurde wade te Vekoeten en Wijlssum tegen 
de erfgenamen van het kerspel Zwolle over het 
opmaken van die wade en dijk is „erkant:" dat 
de erfgenamen van dit kerspel den dijk aantasten 
en opmaken zullen op het reces en protest den 
3 April te Deventer opgemaakt, en aangaande de 
principale zaak, waarvoor de erfgen. hun „behelp" 
en bewijs in schrift overgegeven hebben, welke 
gesteld zijn in handen van Mr. Claes Venraedt, 
Secretaris van Deventer, zullen die stukken bij inven- 
taris aan de gedijkten overgegeven worden, die daarop 
antwoorden zullen Zaterdag na beloken Paschen. 

In zake Johan van Haerst Hermansz tegen 
Vincentius van Wyterwijck en diens zal. huis- 
vrouw (Juffer Mechtelt Mulart) over 8 mud rogge 
en 5 ggl. per jaar, welke zal. Herman v. H. voor 
zal. Geert Muijlart uit zijn goed Jordeninck to 
Haerst verzet had en 100 ggl. op zijn goed op- 
nomen had, welke Geert beloofd had Herman 
te vrijen, is geklaard: daar Geert vader der vrouw 
van Vincent bij zekeren moetzoen de schulden 
van Seyno M. op zich genomen heeft, zoo moet 
Vincent aan Johan betalen volgens de zegels en 



401 

brieven met de verloopen handgelden door Johan 

of zijn vader bew^ijslijk betaald. 

Vgl. 19 April. Het ordel is uitvoeriger E xiiiij. 

1546 April 8 (F 7 v«). 

In zake de wed. Wolter van Coevorden tegen de 
wed. Reynt v. C. over 200 Phs. gl., welke aanl. 
voor Reynt of zijn wed „van dijnehtalle in den 
veedber jaeren" aan Berent van Hachfort betaald 
zoude hebben wegens verzetting van een wind- 
molen, is geklaard: aang. Reynt luidens bijge- 
bragte bewijzen en getuigenissen voor de Sce- 
penen van Goor gedaan, die som schuldig is 
zal zijn wed. betaling doen of bewijzen „met 
ontrichtinge hinder oncosten ende schade;" doch 
van de handgelden van de som, waarin verw. ook 
gecondemneerd was, is zij geabsolveerd, daar deze 
niet expresse beloofd waren bij gebreke van be- 
taling. 

Staat E xxxviij op 6 April, Vnico Ripperda wyst 
daar het ordel. 

1546 April 8 (E xlv v). 

In zake Matthis Holboem tegen Dirich van 
Ysselmuyden, als man en momber van Anna 
Stellinck, erfgename van Wolter St. de 01de, over 
een verzegeling door Wolter en diens vrouw ge- 
daan van 13 ggl. per jaar uit het erve Meus- 
berch met belofte tot lossing binnen 1 jaar, 
bij gebreke waarvan de hoofdsom met renten en 
kosten verhaald mogten worden uit al Wolters 
goederen, hetgeen dan ook door aanl. geschied 
is door zich te laten betalen uit het leengoed 
Selhorst, zijnde in zaak een ordel gewezen door 
S. en R. van Zwolle voor de lage bank; hierop 
heeft verw. geantwoord, dat Wolter, de oom 
zijner vrouw de 13 ggl. door zijn meijer Selhorst 
oen tal van jaren heeft laten betalen aan Kerstiaen 
van Olthuys, dat na W.'s dood de leengoederen 

26 



402 

vervallen zijn op verw.'s vrouw en de eigen goederen 
half op W.'s dochter, zuster in het klooster te Wijt- 
mersehen, die deze verkocht heeft aan Johan van 
Teekelenburch, terwijl de andere helft gekomen is 
aan W.'s vrouw; dat tot onderpand der rente 
gesteld is het erve Mewesberch en niet het leen- 
goed Selhorst, dat zonder consent des leenheers 
niet bezwaard mogt worden; dat voorts alle 
schulden in het erfhuis verzocht moesten worden 
en dat het erve Selhorst bij vonnis van S. en R. 
van Zwolle vrij verklaard is van de rente — ; 
is geklaard: wel gewezen en kwalijk beroepen, 
doch wel te verstaan, dat de aanl. zijn actie mag 
vervolgen op het onderpand en verder op de eigen 
goederen. 

1546 April ix (E xLvi). 

In zake Anna van Hoe vel, wed. Wolter van 
Coeforden tegen Anna van Mer velde, wed. Reijnt 
van Coeforden over 150 ggl. bekende schuld 
volgens een handschrift door Reynt aan Wolter 
gegeven, dat in 1510 te Oldenzeel verloren is; van 
deze som heeft de eene dochter van verw. Juffer 
Alijt V. C. haar aandeel of 37V* ggl. aan Vincentius 
van Besten en diens vrouw bij testament ge- 
schonken, en dit is door verw. betaald, weshalve 
zij ook de andere helft zoude moeten betalen; 
waarop door verw. geantwoord is, dat de pen- 
ningen, welke Vincentius ontvangen had betaald * 
waren krachtens een handschrift, door Reynt be- 
zegeld en na de betaling teruggegeven; dat voorts 
daar geen behoorlijk bewijs bijgebragt is, zooals 
„ter doder hant" behoort, zij van de aanspr. ge- 
absolveerd moet worden; — is geklaard kwalijk 
gewezen en wel beroepen, zoodat verw. geabsol- 
veerd wordt. 

In zake tusschen dezelfde partijen over 8V* mud 
rogge per jaar, waarvoor Wolter borg gebleven 



403 

was voor zijn broeder Reynt, uit de R ij eken- 
hoe v e te Vaelt, dat hun beider goed geweest is, 
en door Roloff v. Coeforden als principaal aan 
Hundepypen en haar erfgen. omtrent 22 jaar 
betaald zijn; waarop verw. antwoordt, dat Wolter 
bij Roynt in zijn ziekte gekomen is en in bijzijn 
des Paters van Albergen met hen gerekend 
heeft en dat zij overeengekomen zijn, dat Reynt 
en zijn vrouw de bekende rogge-schuld aan Pater 
en Convent van Albergen betalen zouden, hetwelk 
ook geschied is „vermits" 2 tienden aan het con- 
vent een deel jaren „gedaan" zijn, hetgeen zij aan- 
biedt zoo noodig te bewijzen; — is geklaard: dat 
verw. de aanl. betalen zal volgens het gewezen 
ordel, vermits zij dit bewijs ten eersten instantie 
niet aangenomen had te leveren en van de wijzinge 
geappelleerd had, en daarom wel gewezen en 
kwalijk beroepen. 

In zake Johan Weerdt van Zutphen, als man 
en momber van Kathrina Rosijnck, tegen het 
convent ten Bussche te Zwolle over 15 ggl. per 
jaar en de binnenjaarsche pacht, waarvoor aanl. 
gepand heeft met het gericht van Colmenschoeten 
op de erven Roedinck en Otterinck als onder- 
panden, krachtens een moetzoensbrief „de by ver- 
suymnis verroert" maar in zün zegelen nog 
„ongecancelleert" is en copie authentiek van den 
Conterbrief, bij het convent berustende, welke bg 
gerichtsdwang door den aanl. is verkregen, waarop 
verw. exceptie declinatoir genomen en gealle- 
geerd hebben, dat aanl. borgen stellen moesten, 
omdat zij in dezen lande niet gegoed waren en 
derhalve de besate moesten opheffen, zeggende 
verder dat in dezen vroeger een ordel ter eerster 
instantie voor hetzelfde gericht gewezen en daarna 
door Stadh. R. en St. geklaard is, weshalve aanl. 
tjehouden zoude zijn verw. voor hun behoorlijken 



404 

rigter S. en R. van Zwolle te vervolgden; — is 
geklaard: dat verw. de hoofdsom of de jaarl. rente 
met allen achterstand betalen moeten of betaling 
bewijzen; daarom wel gewezen en kwalijk be- 
roepen 

Op het bewijs van betaling door het convent 
bijgebracht voor den Drost en den Rentm. van 
Salland en den Dingwaarder, die over deze be- 
wijzen rapport gedaan hebben, is geklaard : dat de 
getuigenissen door de zusters in haar eigen zaak 
gedaan, naar landrecht ongeldig zijn; de aanl. 
zal echter van wege zijn huisvrouw niet verder 
betaling genieten dan tot haar rechte portie en 
aandeel. 

In het geschil over de ridderschap buiten 
Ov. woonachtig, die hier eenige zaalsteden heeft 
liggen en vrijt, is bepaald dat deze tot de gewone 
landdagen en claringen verschreven worden en 
verschijnen zal behalve diegenen onder haar, welke 
ambtshalve aan eenige andere landschap met eede 
verbonden zijn. 

1546 Vrijdag 9 April F v vo). 

Des morgens te 7 uur zijn op het Raadhuis 
gekomen deze gecommitteerden van de Ridderschap: 

Scyno Mulart, Drost v. SallaAt. 

Goesen van Raesfelt, Drost .v. Twenthe. 

Herman van Westerliolt, Drost v. VoUenhoe. 

Vnyko Ripperda, Heer tot Dyckhnysen. 

Willen van Boekhorst. 

Mr. Johan van Langen, met de gedep. van de Steden. 

Hier comunicatie is geda<in van de ])enningen, 

welk(^ de landen en Steden betaald hebl)en, en op 

hen geslagen zijn. Door de steden zijn bijgebragt 

de volgende percenten* 

Catlirina Rippers 88 ggl. 

Pater van Mechelen door de 3 Steden uit den sleeschat 

betaald 19 ggl. 24 st. br. 
Claes van Mengede 60 ggl. 



405 

Hendrik Stevens van den Bossche 12^/8 ^^1. 

Bmederken Vriese en Engelbert Haelwijnchel 23*/2 ggl. 

Eylart Dobbelsteen 147 ggh 

Jacob van Collen 33 ggl. 

Arent Strubbe 91 ggl. 

Pauwei van Campen 48 ggl. 

Herman van Batmen 25 ggl. 

Johan Cremer to Zoest 90 ggl. 

Stam van Aernhem 20^/8 ggl. 

Johan van Hekeren 58 ggl. 

Pnffe 193 ggl. 

Den commandeur van Oetmerssum Berent van 
Schedelick is door R. en St. toegezegd, dat men 
hem zijn 800 ggl. aan de knechten in Oldenzael 
verschoten, bij de volgende uitzetting zal betalen. 

Zoo ook aan Willem van Buchorst van 150 
ggl., welke hij van de Landschap vorderde. Ook 
aan Sweder van Wermele is dit beloofd. 

Aan de kloosters, die teruggave vroegen van 
verschoten penningen is geantwoord, dat zij zich 
„verlyden'' moesten totdat den Keizer de resterende 
termijnen betaald waren; dan zal men een middel 
zien te vinden om hen en anderen te voldoen. 

1546 April 9 (E xxxix). 

In zake Johan Anckinck tegen Rolof van Scheven 
over de pacht van hot erve Anckinck in het 
gericht van Enschede, te Vsseloe, dat aan des 
aanl.'s vader (als een broeder en- momber over 
zijn zuster, die in ^saemwinninge'' op het goed 
hunner ouders zaten) voor 27 jaar verpacht was 
blijkens pachtcodel in het gericht vertoond, daar 
des aanl.'s vader het geld van de „voermede endo 
huyswinninge" betaald heeft, en hij door Rolofif 
van Keppel, man der moei van verw. zonder vorm 
van regt van het erve gezet werd, waarop verw. 
geantwoord heeft, dat het erve aan aanl.'s vader 
en niet aan diens erfgen. verpacht was op zekere 
voorwaarden, welke hij niet nagekomen was, 
terwijl hij zijn landheer doodgeslagen en dus het 



406 

erve verbeurd had, — is geklaard: dat de verw. 
de jaren in den pachtcedel vermeld uithouden 
moet en wat de geleden schade betreft, deze zal 
' aanl. naar billijkheid op schrift stellen en over- 
geven, om door Stadh. R. en St. getaxeerd te 
worden. 

De zaak tusschen Goessen van Raesfelt als 
Drost van Twenthe van wege de hooge heerlijk- 
heid tegen B., S. en R. van Goer over zekere 
valschheid in het bezegelen van een brief, 
waarvan de principale zaak van partijen in claringe 
afhangt, is uitgesteld totdat de zaak geklaard zal 
worden. 

In zake tusschen dezelfde partijen over scheld- 
woorden tusschen 2 burgers dier stad, waarvoor 
de Schepenen de boete tot zich genomen hebben, 
zijn de Schepenen vrijgesproken. 

1545 April 10 (E xLÜij v^). 

In zake Hinrich van Haerst tegen Steven van 
Haerst, Jan v. H. zijn broeder en hun adherenten, 
die voor den hoogen gerichte in eerste instantie 
niet verschenen zijn, over 4V« morgen lands in 
Mastebroek en de achterstallige rente van dien, 
krachtens moetzoen zegels en brieven in dit hof- 
gericht vertoond, waarop Steven v. H. alleen ge- 
antwoord heeft, dat zijn broeders, uitlandig zijnde, 
geen wasteekens ontvangen hebben en dat hij 
geen procuratie van hen heeft; voorts: dat door 
zijn vader een moetzoen opgerigt is, die ook door 
aanl. bezegeld is, houdende, dat aanl. hebben zoude 
23 morgen lands in Mastebr. met raad en onraad 
en uitgaande renten luidens copie eens briefs van 
1513 bij het proces gevoegd en dat er zijn 4V« 
morgen, waaruit 15 heeren 'pond gaan, welke 
aanl. meent dat hem zouden behooren waarover 
door den Raad van Zwolle gewezen is blijkens 



407 

copie van een huwelijksbrief van 1470; dat verw. 
zoolang aanl. geen beter bewijs bijbrengt, geab- 
solveerd moest worden, — is geklaard wel gewezen 
en kwalijk beroepen. 

Dit ordel van 2 April zoude 10 April geklaard 
worden, doch partijen hebben toen tot „guetlichen 
onderwysen" van Stadh. R. en St. hun geschil 
door tusschenspreken van vrienden en magen en 
anderen van R. en St. geschikt bij een moetzoen 
den 9 April opgerigt. De Griffier geeft de over- 
gelegde stukken terug en Steven betaalt voor boete 
der appellatie 1 oud schild van 42 st. br. 

1546 April 10 avont Judica (F ii). 

Gemeene R. en St. zijn des morgens half 7 op 
het Raadhuis bijeen gekomen, waar gelezen is een 
supplicatie van den Rentm. van Salland om salaris 
van den ontvangst der penningen vroeger en nu 
uitgezet, waarop verklaard is, dat men hen con- 
tenteeren zal van de 2000 uitgezette ggl. 

Verder is er over gesproken, dat zaken van kleine 
importantie door de amptluden en de gedeput. der 
Ridderschap van Sallant, Twenthe en VoU. en 
van de Steden geklaard zouden mogen worden een 
of tweemaal per jaar te Deventer, hetgeen door 
de Ridd. is afgeslagen Van het Raadhuis komende 
deelde de Stadh. mede, dat de Koningin hen com- 
missie gegeven had, in de actie van die van 
Drenthe, welke hij echter niet aangenomen, 
maar alleen aan die van Dr. aangeschreven had 
tegen den laatsten heiligen dag van Paschen hun 
gemagtigden te zenden, met wie zoo mogelijk de 
zaak in der minne geschikt zoude worden. 

De Mastebroeckers gaven den Stadh. hun 
supplicatie over, dat de platte landen ook in de 
schatting betrokken mogten worden. Zij is aan de 
geërfden der platte landen toegezonden, om antwoord. 



408 

154« April 10 (E xLviij). 

In de quaestie van de immuniteit en vrijdom 
van schatting en contributie van de zaalsteden en 
erven, door de Ridderschap van Vollenhove ge- 

{)roponeerd en van ,,meerdere vplaege" aan de 
anden opgelegd, dan „der Lantschap proeper 
somme," die door Stadh. R. en St. toegeslagen is, 
en verder van de kosten, welke door de Ridd. 
der gemeenen erfgen. en huislieden aangerekend 
zijn, waarover de andere erfgen. en huislieden 
geklaagd hebben: is door Stadh. R. en St ge- 
klaard: dat alle riddermatigen, die tot alle 
landdagen en claringen verschreven worden en 
verschijnen, schattingvrij zullen zijn voor hun 
zaalsteden in het land, welke zij met hun huis- 
gezin bewonen; zoo daarbij geen bouwerij, meijerij 
of weidinge behoort zal hij één zijner erven 
mogen vrijen; die geen zaalsteden hebben, 
mogen één erve vrijen in het land hunner woon- 
stede. Voorts dat men Zallant, Twenth en Vol- 
lenhoe niet verder met „vplaegen" bezwaren zal, 
maar ze bij het tegenwoordige laten zal. Dat 
die van R. en St. naar landdagen en claringen 
opgeroepen de kosten, die zij dan maken, niet 
aan de ingezetenen in rekening mogen brengen. 

Op de suppl. van Gerrijt de Greve, om als 
riddermatig ingezeten tot alle landdagen ver- 
schreven te worden, en als anderen het privilegie 
des adels te mogen genieten is door Stadh. R. 
en St. „erkant:'^ daar suppl. een inkomeling is en 
niet gehuwd noch „verwant vp" een riddermatige 
zaalstede, wordt zijn verzoek niet toegestaan. 

In de questie over riddermatige personen, die 
van elders in deze landschap komen om hier hun 
woonstede persoonlijk te hebben, die hier niet 
gehuwd, noch met bloedverwantschap door erfenis, 
successie of overdragt, transport of anderen recht- 



409 

matigen titel „gelodet" of gequalificeerd waren op 
en aan een ridderraatige zfialstede . . . 

Op den kant staat, dat hierin niet geconclndeerd is. 

1546 April 12 (E xüx). 

De Griffier levert aan Arent Mulart, Schout 
van Hasselt en Hasselterskerspel de oude rekening 
en zetcedele over van Hasselterkerspel, Stap- 
horst en Rouveene, in bijzijn van Stadh. 
R. en St. 

Op 5 Mei levert de Griffier aan Johan ter 
Beecke verscheiden stukken over van rekening 
der zetters van het kerspel Staphorst, om die 
aan voornoemden Schout te geven. 

In zake Gerrijt van ZwoU tegen de wed. van 
Jacob de Wrede over 24 rijder gulden, door Jacob 
verschuldigd voor een bruin paard volgons obligatie 
en certificatie van 3 getuigen, die niet gewraakt 
zijn, waarop verw. geantwoord heeft, dat zij het 
handschrift niet van waarde erkent, is geklaard: 
dat verw. de schuld betalen, of betaling bewijzen 
moet. Daarom is wel gewezen en kwalijk beroepen. 

1546 April 13 (F 12). 

Op de suppl. der wed. Johan Muylaerts om in 

possessie te worden gesteld van de Hoeve te Welsem, 

over den IJssel in Olster kerspel gelegen, met 

welke zij beweert in den bij stèren dijk begeiwn 

te zijn, terwijl Jacob van Itterssum beweert, dat 

dit, zijn goed, ten onrechte „by de seuenc is be- 

geuen ' is geklaard : dat men, alzoo het dijk- 

zaken betreft, de zeven met dijkgraaf, heemraden en 

partijen verschrijven zal ten naasten landdage, als 

wanneer na verhoor uitspraak gedaan zal worden. 

Aanl. heeten E xiix v». de wed. en erfg. van Joh. 
. Mnlart toe Voerst. 

Op de suppl. van Hinrich van Oldeneell, die 
begeert ook ten landdage verschreven te 



410 

worden, is geklaard: aang. zijn vader, evenals 
andere riddennatigen eertijds verschreven is ge- 
weest, en zijn zaalsteden te Olst een ouderidder- 
matige zaalstedo bevonden wordt, zal hij evenals 
andere riddermatigen genieten. 

Op de suppl. van Derek ter Stege aangaande 
het nemen zijner ossen, toen de knechten in '24 te 
Zwolle lagen, is geklaard: dat hij zich vervoegen 
moet op den volgenden maalstad bij de Steden, 
om zijn bescheid te vertoonen. 

Op de suppl. van Grete van Groenijngen tegen 
de vrienden van Campen over Igermans versterf, 
is verklaard: dat zij zal komen in het erf huis 
en dat verborgende spreken met regte, en daar 
zal men haar goed kort onvertogen regt laten ge- 
schieden, hetgeen de vrienden van Campen aldus 
aangenomen hebbeu. 

Gelezen een suppl. van Alijdt Brouwers over 
een Proostengoed van St. Maurijs voor Munster 
en het proces op dat goed tusschen haar en den 
Drost van Twenthe hangende gevisiteerd, w^elk 
goed de voorouders van haren man van den Proost 
in e m p h i t e u s i n juratam ontvangen hadden cura 
juramento van niet te alieneeren etc. luidens zegels 
en brieven, is geklaard: zoo de Drost, als cessie 
of volmagt van den proost hebbende, de vrouw 
uit het goed gezet heelt z(mder voorgaande kennis 
der hofgenooten van den hof, waarin het goed 
hoort, zal men haar herstellen in het bezit totdat 
zij met hofregt er uit gesleten wordt. Niettemin 
hebben R. en St. aan dcm Proost geschreven om 
„ratione commissie gratieuselick met oer te han- 
delen/' 

In het geschil van Ht^rmannus Cost met Hcn- 
rich ton Elshoeve over verpachting van het erve 
of ca(4e te Elshoeve, dat Ilenrich gepacht zoude 



411 

hebben van Eylert van Wullen of den amptman 

der Retelers, is geklaard: aang. de getuigen door 

verw. bijgebragt tot bewijs zijner pacht, deels 

eigen, deels hem zoo na verwant zijn, dat zij niet 

getuigen mogen, zoo is door de Borchmannen van 

Goer wel gewezen, en kwalijk beroepen; hij zal 

dus van het goed ruiminge doen. 

Blykens E l waren de getuigen voor de levens- 
lange pacht door aanl. gewraakt. 

1546 April 13 (E l). 

Stadh. R. en St. bevindende, dat men de erfgen. 
en meijers van de erven en landen, die als inge- 
zetenen van Ov. met de tienden verbonden 
zouden zijn, in het request van Domdeken en 
Capittel der Kathedraalkerk te Utrecht vermeld, 
in cas van oppositie in foro contradictorio, uit 
kracht van het landregt, buiten deze landschap 
niet mag evoceren, maar elk behoort te be- 
trekken voor zijn behoorlijken rigter, waaronder 
het erve, het land, de pacht of de tiende ligt, 
zoo ordonneeren Stadh. R. en St., dat de suppli- 
anten van de „wederhoerigen'' en on willigen be- 
taling zullen mogen vorderen voor het gericht, 
waaronder hun landen gelegen zijn, behoudens 
het regt van dezen op hun defensie, volgens het 
Landregt. 

In zake Goessen van Raesfelt, Drost van Twenthe, 
tegen Alijt Brouwers over een „schultgoet" van 
den Proost en de Collegiaalkerk van St. Mauritius 
te Munster, waarmede de aanl zich heeft laten 
beleenen door Heer Berent van Raesfelt, Proost 
dier kerk, en dat hij daarop zonder verwin aan- 
g(»,tiist heeft, waarop verw. geantwoord heeft, dat 
daar de voorouders van haren man en daarop 
haar man en zij zelf het goed in bezit en gebruik 
gehad hebben „in silche servituyt ende eyendom 
als tselve verlxmden is," maiir waarvan zij niet 



412 

wist, presenterende dat verzuim te betalen „op 
genaede" gelijk de „ verbontsbrieven" duidelijk 
vermelden en ook met anderen geschied is, en 
dat zij dus zonder verwin voor het hofgericht 
niet ontzet behoorde te worden, is geklaard: daar 
de sententie in eerste instantie gewezen is: dat 
aangezien de „verbantsbrief" inhoudt, dat Albert 
Brouwer en zijn erfgen. altijd zullen „staen tot 
genaeden" van Cap. en Proost evenals andere 
hofhorige schuitgoederen, die verzuimd zijn en 
dus evenals haar voorvaderen en anderen doen 
moet daar zij de verpligting en „verpenninge" 
niet kende en daar verw. zonder verwin van het 
goed beroofd is, zoo wordt dat vonnis geapprobeerd 
(m verw. in het goed hersteld, totdat zij met hof- 
gericht er uit gesleten wordt en wordt de Drost 
in de kosten veroordeeld tot taxatie des gerichte. 
In F 13 is de zaak wat anders voorgesteld (zie boven). 

1546 April 14 (F 14). 

Herman Wicherss heeft een ordel doen voor- 
brengen en is „erkant" door Stadh. R. en St.: 
aang. het ordel door partijen en niet, zooals 
gewoonte is, door den Schout van VoUenhoe toe- 
gezegeld is ingebragt, zal men de actie terug- 
zenden aan den Schout om verzegeld opnieuw in 
de claringe gebracht te worden; dan zal daarop 
uitspraak gedaan worden. 

Hot ordel hangende tusschen Arent van West- 
renen, Schout te Blysteen en Claes Sticher is 
geklaard en den Schout toegewezen. 

Lubbert Blanchevoert, Baeck en andere uit- 
heemsche edellieden dienen een supplicatie in om 
mede ter claringe verschreven te worden en 
alzoo hun goederen als edellieden der landschap 
te mogen vrijen. Besloten, dat men dit aan geen 
uitheemsche edellieden, die hier niet gegoed, ge- 



413 

huwd of woonachtig zijn of zaalsteden hebben, 
vergunnen of dezen ter claringe verscnrijven zal. 

1546 April 15 (E Li vo). 

Op de suppl. betreffende de Blanekfoerta en de 
Baeken met hun adherenten is geordonneerd: dat 
men visiteeren zal oude registers van Bisschop 
David, Frederik, Philips en Hinrich, of de sup- 
plianten daarin gevonden worden. 

Dit luidt geheel anders dan de boven vermelde 
uitspraak (14 April). 

In Register E volgt nog op 16 April: 

Daar de „oldevaeder" en vader van Lubbert 
Blanchefort in de Judiciaal-registers van Bis- 
schop David van Bourgoingen en Frederick van 
Baeden bevonden worden tot alle landdagen en 
claringen verschreven te zijn, is geklaard: dat de 
Blancheforts voortaan tot alle Landdagen ver- 
schreven zullen worden en de privilegiën der 
Riddermatigen voortaan mogen genieten. 

Het ordel van Jan Dubben etc. daarop is ge- 
wezen, dat het proces nul én van geen waarde 
is, aang. partijen met geen weeten verwittigd zijn, 
en dat dus Dubben opnieuw zal mogen spreken, 
waar hij meent te winnen krachtens het reces, 
waarvan copie authentiek van den Griffier ge- 
nomen is. 

1546 April 14 (E Li). 

In zake de wed. Wol ter van Coef orden tegen 
de wed. Reynt v. C. over 200 Phs. gl. door 
Wolter en zijn vrouw voor Reynt en Anna van 
Mervelde, aan Berent van Hackfort voor een wind- 
molen verschoten, en over de handgelden daarop 
sedert 1527 verloopen, waarop verw. geantwoord 
heeft „in der veeder nyewerlde gemaent" te zijn 
voor de 200 gl. en als haar man in vredestijd 



414 

beloofd heeft 200 jjl. te „verwysen/' dan ina^^ 
hij dat uit onnoozelheid {J^odaan hebben, want hij 
wiftt niet, hoe het traktaat tussehen den Keizer 
en den Furst van Geiler „verdedinget" was en 
aang. in het tractaat alle onbetaalde penningen 
vrij zouden zijn, dat verw. dus die vrijheid even- 
als anderen genieten mag; — ia geklaard wel 
gewezen en kwalijk beroepen. 

In zake Henrich Steyn als gemagtigde van 

Johan Kuypper e. s. over een inleiding en 

panding in tegenwoordigheid van Arent Reyners, 

als gemagtigde van Herman Duwer's nagelaten 

dochter, die zijne exceptie genomen heeft, dat 

hem geen weete gezonden is als naar landregt 

behoorde, is geklaard: dat in dezen on vormelijk 

geprocedeerd is en dat partijen zullen mogen 

procedeeren gelijk het behoort en hun raadzaam 

zal voorkomen; daarom kwalijk gewezen en wel 

beroepen. 

Naar het schgnt dezelfde zaak als die van Jan 
Dubber (D 11). 

In zake Seyno Mulert, Drost van Zallant, als 
klager namens den Keizer, tegen Jan van de 
Padefoert over gehouwen en weggevoerd hout, 
is geklaard: dat hier geen geweld gedaan is en 
daarom wel gewezen en kwalijk beroepen. 

1537 April 15 (E Li). 

Den Drost van Twenthe overgegeven de sup- 
plicatie van Hermannus Kost (tegen) Hinrich ten 
Elshove, de oude suppl. met het appointement 
des Stadh., eene missive door den Drost geschreven 
aan Engelbert Pijnnijnck, Scholte t^ Enschede 
en de claringe van de stad Deventer over zeker 
gewezen ordelen en sententiën der Borchmannen 
van Goer. 

In zake de buren van den Ksch bij Delden 



415 

tegen B S. en R. van Stad-Delden over oen panding 
en pandkeering in zake Jan Rosijuck, dien de Buren 
in hun contributie willen betrekken, terwijl de stad 
pretendeert dat hij moet contribueeren in haar 
wigbolt, waarvan het ordel in Ie instantie tot 
voordeel der stad gewezen is. is geklaard: dat 
Rosijnck contribueren zal met het Wigbolt van 
Delden, en dus wel gewezen en kwalijk beroepen. 

In zake Glorie Slewers, als erfgen. van Juffer 
Glorie van Wijlssura, tegen Claes Sticker c.s. over 
2 halve vierdel van het erve de Weede in het 
gericht van Kuynre, welk geheele erve Juffer v. 
W. aan eenige harer vrienden gegeven had onder 
voorwaarde dat het vererven zoude op de naaste 
zijde van waar het herkomstig was, zonder het 
te mogen alieneeren of bezwaren, en van welk 
erve Johan de Leghe V^ vierdel en aanl.'s vader 
en moeder het andere V» vierde aan verw. ver- 
kocht hadden, waarop verw. geantwoord heeft, 
dat de erfgen. de goederen eerst bezwaard en toen 
verkocht en naar landregt overgedragen hebben, 
nl. aan Hinrich Iloff met Lubbert Lubbertsz en 
Heer Hinrich Petersz en Lambert Slewert en 
diens huisvrouw, ouders van aanl. , zoo ook Johan 
die Leghe elk ziijn aandeel aan verw. verkocht 
heeft, op welken koop de verw. den vrijen eigen- 
dom en bruikweer tot nu toe „onbespiert" be- 
zeten heeft; — is geklaard: wel gewezen en 
kwalijk beroepen. 

Op de suppl. van Jacob van Ytterssom tegen 
Reynt van Coef orden van woge zijn moeder en 
voor hem zelf aangaande 2 sententies tot voordeel 
van des klagers gewezen, van Oct. 1535 en 1539 
te Kampen gewezen, is geklaiird: dat de klager 
ze mag vervolgen met executifi volgens de generale 
constitutie, door den vorigen Stadh. met R. en St. 
gemaakt, op de daarbij bepaalde straf. 



416 

Iii zake Geert Andries, als gematigde zijner 
ni()(»der Jutte van Langen tegen Mr. Johan en 
Bartholt van L. gebroeders over een gift bij 
testament aan aanl.'s moeder diK)r haren vader 
Jan V. L. van 4 mud rogge lijftucht uit het erve 
en goed ten Hulshorst in het kerspel Rijssen 
in 1470 gedaan, waarop verw. geantwoord hebben, 
dat zij geen erfgen. waren van Jan v. L. maar 
het goed gekocht hadden, is geklaard : aang. aanl. 
niet zooals behoorde, de aanspraak met het 
testament bewezen heeft, en het ook niet be- 
wezen is, dat verw. erfgen. van Jan v. L. was, 
zoo wordt verw. van de aanspraak ontlast en dus 
kwalijk gewezen en wel beroepen. 

Tn zake heer Comelis en Gerrijt van der Scheer 
gebroeders van wege hun vader, moeder en zuster 
Grete v. d. S., als erfgen. van Berent Hoeyer, hun 
vollen oom aanleggers, tegen Geertruydt Heels, 
Geert v. d. S. c.s. en Wigbolt Trippenmaeker als 
hun gemagtigde.... 

Ter zyde staat snspendt. 

1546 April 16 (E LÜj v«). 

In zake de Markerigter en gemeene erfgen. 

van de Lutte tegen Hille Potgens over een verbod, 

door den Drost van Twenthe Goessen van Raes- 

felt, op verzoek van aanl. aan verw. gedaan, is 

door Stadh. R. en St. de sententie van 21 Oct. 

1539 en de sententie têr lager bank anderwerf 

gewezen, geconfirmeerd en daarna wel gewezen 

en kwalijk beroepen. 

Gedaan te Deventer. Hiertoe behooren de volgende 
stukken: 

1547 Zaturdag na vineuia Petri [6 Aug.] 

Wederzijdsche eisch en antwoord van de boeren 
der Rodder He urne in de Marke van Lutte 
en Hille Polkens over haar bezitregt van een 



417 

kamp aldaar, voor Wol ter . van Heijden, Rigter 
te Oldenzaal, en keurnoten gewisseld. 

De ordelwijzer Johan Volmerinck ontzegt haar 
den eisch, omdat zij den haar gedefereerden eed 
weigerde af te leggen, terwijl daarentegen de boeren 
bereid waren den tegenover gestelden eed des 
gevorderd te doen. 

Zij teekent hiervan appel aan naar de Claring. 
Vgl. Judiciaal op 17 Oct. 1539 (fol. 94 Vo), en 20 
Oct. 1618. 

1546 April 15 (F 14). 

Ettelijke ordelen tusschen private personen zijn 
voor de 'komst des Stadh. geklaard. Toen hij op 
het Hof gekomen was, is terstond begonnen met 
de differenten tusschen den ouden en nieuwen 
raad van Steenwijck en zijn gelezen alle acten 
van beide zijden ingebragt tot 12 uur toe en is 
bepaald, dat den volgenden dag sententie gegeven 
zoude worden. Dit is geschied en zij luidt: 

In zake de oude ontzette Raad van St. tegen 
den nieuwen Raad en de gemeene schutten dier 
stad, over het oproer door de schutten gemaakt, 
waaruit de ontzetting is voortgekomen, herstelt de 
Stadh. namens den Keizer, na advies van R. en St. 
den ouden ontzetten Raad, Gemeente en Meene 
Meente en alle oude officianten, elk in het zijne, in 
hunnen grooten staat en den stoel des raads weder te 
bekleeden en administratie van regt en justitie te 
doen De nieuwe Raad zal aan den ouden over- 
geven alle zegels en signetten, brieven, registers, 
rekeningen enz. met de sleutels der stad, niets 
uitgezonderd, waarvan inventaris wordt opgemaakt 
in tegenwoordigheid des Drosten van VoUenhoe en 
den Schout van Steenwijk, daartoe door den Stadh. 
gecommitteerd. Hebben zij verder in regten nog 
geschil dat mogen zij dit inbrengen op Donderdag 
na Paschen bij den Rentm. van Salland als Ding- 

27 



# 418 

waarder, Stadh. R. en St. zullen daarop dan 
re^t doen. 

Zie ook E LÜy. Waarschijnlijk beliooren tot deze 
zaak de volgende: 

1538 Jan. 30 en 31, Donderdag na Paschen en April 27. 

Veertien bezwaren, vooral tegen de Burge- 
meesteren, door de gemeene burgers en ingezetenen 
van Steenwijk over het gemeenebest der stad 
ingediend aan den Stadhouder en den Drost van 
Vollenhove als Commissarissen, met de dispositiën 
op elk punt door den Stadhouder. 

Vijf bezwaren van B. S. en R, met de ge- 
meente der stad; met de appointementen van den 
Stadhouder daarop. Nog eenige losse stukken van 
denzelfden tijd. 

1546 April 15 (F 14). 

Heer Jasper van Munster laat door Dr. van 
Munster in bet lange verhalen „die gestaltenisse 
van groote [schade?] die sijn W. salige vader 
Roeloff V. M. van der landschap van Ov. ange- 
hiert solden sijn etc. begerende „des versath thebben" 

Daarna hebben de 3 gebr. van zal. Roloflf v. 
M. als lieer Jaspar, Commandeur te Marienburch 
in Lijfflant, RolofF en Jorgen v. M. gezamenlijk 
gesproken over de „smaheit^' huns vaders aan den 
11 eermeester van Lijfflant overgebrieft, als 
zoude hij zich tegen zijn landheer met de landen 
van Ov. met roof, name en brand „onverwaerter 
eere'' o vertogen hebben, enz ; bewerende dat de 
drie (steden?) van Ov. hun uitgezonden schriften 
herroepen moesten, enz., en aan de Ridderschap 
vragende of zij geconsenteerd hadden in die, van 
de Steden uitgegane brieven. Hierop hebben R. 
en St. hun beraad genomen tot den volgenden dag. 

1546 April 17. 

Des morgens 7 uur zijn R. en St. op het 
Raadhuis te D. gegaan en hebben daar lang samen 



419 

gesproken; daarop zijn zij gegaan op het Hof bij 
den Stadh., die hun vroeg of zij in die zaak en 
met elkander „wolden helpen wtdraegen," waarop 
de Ridd. zeide: „jae, hem en diende sich van 
den Steden niet to geven oft to splyten.^' Voorts 
heeft de Stadh. begeerd te weten, hoe hun beraad 
was en wat zij aan Heer (.^aspar met zijn broeders 
antwoorden wilden? 

Mr. Otto Bastertsz heeft toen namens R. en St. 
aan den Stadh. den handel (mtdekt van zal. Roloff 
V. M. hoe deze zich tegen zijn landheer „mijt 
wrevclen moede vertoont ende bewesen" had, 
het huis te Coevorden met geweld ingenomen, 
zijnen heer de poorten .voer thoeft togesmeten," 
Ov. met name, roof en brand overtogen had, enz. 
En daar zijn twee broeders eertijds de zaak „hoege 
angetoegen'' hebben, is hun in 1532 de zaak nog 
met 2 „spitsige" schriften verklaard, gelijk bewezen 
is met 3 copieën, elk door een afzonderlijken Sec- 
retaris geschreven, nl. van Deventer, Campen en 
Zwolle, welke geschriften de broeders zeggen niet 
ontvangen te hebben, maar die hun in elk geval door 
zal. Mr. Gheert ZwaefFken mondelings medege- 
deeld zijn in bijzitjn van zal. Stadh. Schenck. 
Dat zij met hun vrienden daar niet veel tegen 
konden zeggen en dat zij daarvan met hun ver- 
wanten door tusschenspreken van den zal. Stadh. 
een moetzoen hadden gemaakt, waaraan zich 
Gaspar als bloedverwant nu te houden had. Dat 
echter zoo hij tegen de landschap in regten op- 
treden en voldoende borgtogt stellen wilde, R. en 
St. bereid waren met hem in het regt te gaan 
voor den Stadh. en diens Raad; mogt Gaspar 
daarmede niet bevredigd zijn en eenigen der inge- 
zetenen benadeeleu, zoo zoude de landschap zich 
beklagen waar het behoorde, enz. De Stadh. 
keurt dit antwoord goed. lieer Gaspar liet door 
Dr. V. M. antwoorden: 



420^ 

dat het hem niet om het goed te doen was, 
maar dat hij het ,, spits schrijven" verdedigen 
moest; dat als zijn vader zulk een man gev^eest 
was, hij niet waard was in de Duitsche orde 
te zitten of de orde te dragen, en zijn beide 
broeders hebben gezegd, dat zij het schrijven met 
lijf en bloed verantwoorden wilden, enz. 

Waarop door R. en St. geantwoord is: dat 
het Heer Caspar's eigen schuld was, dat zij den 
Heermeester van Lijfflant zóó geantwoord hadden, 
omdat zijn breed, onbewijsbaar en onwaarachtig 
schrijven de landschap genoopt had de waarheid 
te schrijven. Ware Heer Gaspar met die uitspraak 
tevreden geweest, dan zoude de zaak reeds lang 
uit de wereld geweest zijn. Want wat den Heer- 
meester geschreven was, strekte niet om de eer 
van Caspar's vader te krenken, maar alleen om 
de eer van Ov. te verdedigen. Dat zij van 
de broeders niet beter wisten, dan dat het 
goede eerlijke edellieden waren. Doch als Roloff 
en Jorgen iets contrarie de uitspraak attenteerden, 
zouden R. en St. dit verhalen op hun borgen 
Reynt van den Cloester e.a. De Stadh. heeft 
daarop de zaak „weder vangen'' op Palmdag na 
de Mis, toen door zijn toedoen de zaak aan weers- 
zijden „verbleven'' is en des Maandags daarna 
uitspraak gedaan is. Daarna hebben gedeput. van 
R. en St. aan Heer Gaspar de hand gegeven en 
deze wederkeerig. En de Landschap zeide tot 
hem dat zij een zilveren beker zouden laten 
maken en hem tot een vereering in Lijfflant 
nazenden. 

Des namiddags is de zaak van de erfgen. van 
't kerspel Swoll tegen de gedijkten voor geweest. 
Ook die van Sa lek van het geven uit Salck in 
Mastebroeck. En de erfgen. hebben allen hun 
bewijs overgeleverd aan Mr Nicolaes, Secretaris 



421 

te Deventer ; de gedijkten mogen die onderzoeken, 
om Zaterdag na beloken Paschen te antwoorden. 

Dingsdag na Paschen zullen de gezanten van 
Campen 's avonds te D. in de herberg komen, 
om des anderen daags te handelen met die van 
Zutphen, over de tollen, 

Dingsdag en Woensdag is regtdag gebonden. 

1546 April 17 (E LÜij vo). 

Op aanschrijven des Stadh. den Graaf van 
Bueren is te Deventer een „fruntliche verhoers- 
daege" gehouden tusschen Heer Coenraet Gmve 
to Tecklenborch en Johan van Tecklenborch 
bastaard. De Graaf had zijn gezanten gezonden, 
die de aanklagt inbragten tegen Johan, die ge- 
antwoord heeft, als de gezanten zich namens den 
graaf verbinden wilden, om na te komen wat hier in 
der minne beslist zou worden, dat hij dan op de 
aanspraak wilde antwoorden, doch anders niet, 
omdat hij andere vriendschappelijke bijeenkomsten 
met afgezanten van den Graaf gehad had te 
Borckloe en voor den Graaf van Styren gehouden, 
die onvruchtbaar gebleven waren, daar de ge- 
zanten geen volmagt hadden. De gezanten echter 
waren ook nu hiertoe niet gemagtigd. 

Tegenwoordig: Gijsbert van Baek, Drost te Yssel- 
steyn, Mr. Joban Brylis en Geerlicb Doys, Raden des 
Keizers en des Stadbonders, Seyno Mnlert, Drost van 
Zallant, Goessen van Raesfelt, Drost van Twentbe, 
Claes van Beverfoerde, Drost te Blanckenborcb, En- 
gelbert van Ens, Rentmeester van Zallant. 

1546 April 19 (E xxx). 

In zake Johan van Haerst Hermansz, tegen 
Vincentius van Vterwijck en Juffer Mechtelt 
Mularts ehel. als bezitters der goederen van zal. 
Geert Mulart, van 8 mud rogge jaarlijksche pacht 
13 jaar achterstand ten tijde van het wasteeken, 
5 ggl. jaarl. rente met 23 jaar achterstand 



422 

krachtens brieven en zegels, en alle kosten, schaden 
en interessen, in welke zaak het ordel besteed 
geweest is aan zal. Adriaen van Twickel, die ge- 
wezen heeft: daar de obligatie der kinderen van 
zal. Thonis Ketel en Juffer Mechtelt Miilart zijn 
Ie vrouw in het gericht niet ontkend uf gewraakt 
en geen quitantie getoond is, en daar ook niet 
bewezen 'is, dat Albert van Zallant niet meer dan 
50 ggl. gemaand heeft, zoo zullen Vincentius en 
de erfgen. van Th Ketel elk hunne quota aan 
den aanl. moeten betalen, of voldoend bewijs 
leveren, dat zij betaald hebben. 

(1546 April 19?) (E xxxij). 

In zake Mattis Holboen tegen Dirich van 
Ysselmuyden als man en momber zijner vrouw, 
erfgename van Wolter Stellinck den Olden, 
over een jaarrente van 13 ggl. uit het erve Meus- 
borch te Spolde, krachtens een brief door Wolter 
St., Drost van Coevorden, in 1463 bezegeld; 
besteed aan Wolf Mulart Jansz., die wijst: dat de 
aanl. de schuld verhalen mag op zijn onderpand 
Meusborch en zoo dit niet voldoende is, op de 
eigen goederen der erfgenamen van Wolter. 

Dit ordel beroept Hinrich Steyn, des aanleggers 
voorspraak, in claringe. 

In zake Wolff Mulart Janz. tegen Herman van 
Wermele over 150 Jochemdaler, door verw. bij 
zijn adellijke eer en trouw beloofd te betalen 
krachtens zekere huwel. voorwaarden, betreffende 
Wolff's huisvrouw, en de achterstallige hand- 
gelden, kosten, schaden en interessen, waarvan 
Herman aangeboden heeft te betalen, de helft van 
150 Jochemdaler, is (het ordel) besteed aan Ernst 
van Yttersson, die wijst: dat Herman volstaan 
kan met de helft van de hoofdsom luidens het 
in het gericht getoonde handschrift. 



423 

Tn zake Marten Boedeker van wege zijn vrouw 
Wijnolt van Twijckel en haar adhaerenten, erfge- 
namen van Roloff v. Twijckel, tegen Ilinrich van 
Rechteren over 135 mud rogge en 18 mud garst, 
achterstallige pacht uit Hinrich's erven B r u k i n c k , 
Hondebrinck en het Bouwhuys, volgens 
zegels en brieven door den aanl vertoond, hebbende 
verw. aangeboden elk mud met 28 st. br. te be- 
talen, is het ordel besteed aan Willem van Buch- 
horst, die wijst dat de zegels en brieven van 
waarde zijn, als door den schuldenaar in regten 
erkend. 

In zake Mr. Hermen Knoppert, Dr. Harmen 
Mulart en Wolff van Ytterssom tegen de erfgen. 
van Johan Mulart Gheertsz, nl. Hinrich en Wolff 
M. gebroeders, met hun adhaerenten, van wege 
hun moeder, over zekere sententie door Zwolle 
gewezen, van Mr. Herman's vrouw, Herman en 
Wolff Mulart en Wolff v. Y's ooms en moeijen 
herkomende, waartegen verw. geantwoord hebben, 
dat die sententie hen niet hindert en dat de 
artikelen, vastgesteld door bisschop Ph. v. Bour- 
gondië niet zoo geïnterpreteerd moeten worden 
als aanl. doen, is het ordel besteed aan Hinrich 
van Haerst, die aanspraak, antwoord en bewijs 
in schrift begeert, om op den volgenden regtdag 
te wijzen. 

In zake de natuurl. kinderen van Roloff van 
Ytterssom tegen de wed. en erfgen. van Jan 
Mulart toe Voerst, als erfgen., bezitters en ge- 
bruikers van het huis en de nalatenschap van 
Roloff, over 800 ggl. ter goeder rekening, door 
Roloff bij zijn leven aan aanl. gerichtelijk bij 
testament geschonken uit al zijn reesten goederen 
blijkende verder bij de wasteekens; waarop verw. 
antwoorden, dat de gezamenlijke goederen in den 
dijk begeven zijn en uit kracht der gift van de 



424 

gevers door verw. zijn aangetast, blijkens den 
giftbrief ; waarop aanl. geantwoord hebben, met een 
certificaat van de gevers te toonen, dat genoemde 
donatie niet in den dijk gegeven was, enz. Deze 
zaak is besteed aan Dr. Jan van Langen, die aan- 
spraak, antwoord en bewijs in schrift begeerd heeft 
en Dingsdag na Palmarum heeft gewezen : daar de 
gift beweerd is met een waarachtig extract uit 
het Schepenboek der stad Zwolle „mit den vol- 
genden gedaenen wtganck van R. v. Y.", en zijn 
andere gereede goederen geërfd zijn aan zijn echte 
zuster Juflfer Elisabeth v. Y. en van daar ge- 
transporteerd zijn bij voorwaardelijke gift op zal. 
Johan Mulart en diens vrouw nu verweerdersche, 
indien haars broeders schulden betaald of „der 
gijften ontsat werden" gelijk het ook met een 
extract bewezen is, en daar ook de onbetaalde 
gift tot Rolofs schuldige schulden behoort, zoo 
zal' verw. in plaats van haren man gehouden zijn 
krachtens de voorwaardelijke opdragt de gift te be- 
talen, niettegenstaande eenige der door Roloff na- 
gelaten goederen in den bijsteren dijk gegeven 
zijn, „soe daor die vrye- gereedeste gueder niet 
mede vermeynt ende verstanden sijn worden" 
gelijk een bijgevoegd certificaat verder „wtfoert," 
alles met gerichtelijke kosten en schaden. Van 
welke wijsinge verw. op de claringe beroep doet. 

(1546 April 19?) (E xxxiij Vo). 

In zake de Proost van Claeholt tegen Vniko 
Ripperda van wege Jan van Buckhorst to Box- 
bergen en de wed. Wolff Mulart Gheertsz zijn 
aanspraak, antwoord en alle bescheiden geleverd 
in handen van Jan Rengers, die Dingsdag na 
Palmarum wijzen zal, en aangezien de Stadh. 
met het gericht op dien dag de gelegenheid der 
zaak beter verstaan heeft, zoo zijn beide partijen 
op vrije voeten [gesteld, wel te verstaan 



425 

zoo, dat de aanl. zijn aanspraak schriftelijk aan 
verw. zal overgeven, waarop deze Donderdag na 
beloken Paschen antwoorden zal, waarop aanl. 
repliceeren en verw. dupliceeren zal. En is het 
ordel besteed aan Jan Rengers, aan wien alle 
schriften overgeleverd zullen worden en die op 
den volgenden regtdag wijzen zal. 
Niet goed te begrijpen. 

1546 April 20 (E lv y^). 

De Stadh. houdt wederom regt in de Proostdif. 

Dingwaarder: Engelbert van Ens. 

Keurnoten- \ ^^^^^ Ripperda. 

' ( Haecke van Rutenburch. 

Op de aanspraak van Vrouw Marie Schenchinne 
van Tautenburch en de andere Capittulair-vrouwen 
des kloosters te Rensburch, tegen lieer Karel 
Schenck, Vrijheer van Tautenburch, over erfuiting 
van de nalatenschap der ouders van aanl., waar- 
tegen verw. de exceptie genomen heeft, dat hij 
nog minderjarig en onder momberschap is, en 
daarom in dit gericht niet behoeft te antwoorden, 
doch aanbiedt in der minne met aanl. te scheiden, 
is besteedt aan Erenst van Ytterssom, die gewezen 
heeft: daar verw. met wasteekens gedaagd is en 
het hoofd ten gerichte gekeerd heeft, zal hij 
moeten antwoorden. En is uitgesteld tot morgen, 
om den voorspraak te informeren naar de gewoonte 
dezer regtbank. 

Op dien dag doet de aanl., door haren ge- 
magtigde Franchois Iloichstraeten en haren voor- 
spraak, haar aanspraak, waarop verw. antwoordt, 
partijen repliceeren en dupliceeren, en ordel en 
regt „gedinget'' wordt, welk ordel besteed is aan 
Reyner van Aeswijn, lieer te Braekel, die wijzen 
zal Donderdag na beloken Paschen, op welken 
dag hij wijst: 

Aang. Vrouw Marie een echte dochter is van 



426 

(t(e)orgen Schenck eu Anna Vosses tm de „renun- 
(^iatie en vertichnis," door verw. ingebracht niet 
met behoorlijke solemniteit voor den ordinaris 
(rif^ter?), noch met approbatie der Abdis en der 
capittulair-vrouwen als capittel vergaderd en ook 
niet bij consent der Overste geschied is, terwijl 
Marie minderjarig was toen de vertichsbrief op- 
gemaakt werd en voor de renunciatie niet ver- 
momberd is, terwijl deze renunciatie ook niet ge- 
heel vrijwillig blijkt geschied te zijn, hetgeen zij 
nu^t eede wil bevestigen ; zoo zal zij tot de nalaten- 
schappen geregtigd zijn tot haar kindsdeel, en 
verweerder n^uir erfhuisregt haar erfuiting doen 
moeten. 

Dit ordel beroept verw. door zijn voorspraak Jan 
van Almelo in claringe. 

De zaak tusschen Berent, Claes en Z weder van 
Beverfoerde gebroeders tegen Berent van B. toe 
Weemssel is tot den volgenden regtdag uitgesteld 
zoo zij zich intuaschen niet verzoenen, in welk 
geval de aanl. den verw. in persoon of diens ge- 
magtigde zullen mogen aanspreken, blijvende in- 
tusschen ieder's regt gereserveerd. 

Ilinrich van Rechteren Heer te Almeloe belooft 
in bijzijn des Griffiers aan Berent Jansz, als ge- 
magtigde van Arent Schuyt, Thonis ter Vylen en 
Evert Ilenricksz 34 Y2 Jochumdaler en 2^1^ str. 
brab. voor Pinksteren e.k. als verwonnen schuld 
te betalen. 

1546 April 21 (E Lvij v^). 

In zake de aanklagt gedaan door Seyno Mulart. 
Drost van Salland, klager namens den Keizer, van 
een libel fameux met 's Keizers opgedrukt 
z(^gel, door Claes Witte binnen Deventer „upge- 
slac^gen", tot smaad en injurie van Herman Lulofsz, 
diens 2e vrouw en hun beider nakinderen, waarop 



427 

Witte fifeantwoord heeft dat de zaak ongedecideerd 
hang't voor den Raad van Deventer en dat de 
„upslac'h" niet geschied is tot smaad noch injurie 
als geallegeerd is, maar alleen tot waarschuwing, 
dat niemand schade zoude lijden door de goederen, 
welke Herman en zijn vrouw bij kerkespraak 
hadden laten veilen, welke goederen voorheen ver- 
bonden waren, en die Herman slechts in lijftucht 
bezat. Deze zaak is besteed aan Berent van 
Beverfoerde toe Weemssi^l, waarop door het 
gericht gewezen is: aiing. de verw. in den 
lande geërfd en gegoed is, zal hij wegens het 
goed geen borgen behoeven te stellen, maar aan- 
gaande de aanklagt van wege den Keizer zal hij 
een eed doen „den gerichte niet te entwijcken,'* 
welken eed hij ook gedaan heeft en hij zal voor 
morgen aan den ordelwijzer al zijn bewijzen over- 
leveren, waarop deze na beloken Paschen wijzen zal. 

1546 April 21 (E l ix). 

Erenst van Yttersson belooft ten overstaan des 
Stadh. aan Claes van Gendt te betalen 250 Jochem- 
daler in 2 termijnen ter zake der lijftucht zijner 
moeder Juffer Elisabeth Vijg. Nog is bedongen 
tusschen Erenst, Claes en Hinrich van Rechteren, 
Heer te Almeloe, dat H. als momber des kinds 
van zijn zal. broeder Otto v. R. aiin Erenst be- 
talen zal 20 daler. Daarmede zullen al hun ge- 
schillen vereffend zijn. 

1546 April 28 Woensdag in de Paasch heilige dagen 
(F 21 v^). 

Vergaderd op het Raadhuis te Deventer Johan 
van Doetekum en Mr. Otto Basters, gedeput. van 
Deventer, Hinrich Kunretorff en Mr. (Theert Morre, 
gedeput V. Campen, om in het lange aan te 
hooren dcï klagten van Zutphen tegen Campen 
over de tollen te Sutphen, in bijzijn van Dr. 



428 

Johannes Stratius en Mr. Gerrijt van Renoy als 
Coramissarissen van den Graaf van Hoichstraeten, 
Stadhouder van Gelrelant en van Mr. Geerlich 
Doya, Commissaris van den Graaf van Buren, 
Stadh. van Overijssel, w^ordt goed gevonden, dat 
men te Campen de tollen van de burgers te 
Zutphen een maand lang zal opschrijven en dat 
inmiddels zoowel die van Z. hun aanklagt als die 
van C. hun antwoord zullen opstallen met alle 
bewijsstukken en deze aan de Commissarissen over- 
geven, die uitspraak doen zullen. 

1546 29 (F 21 vo). 

Geweest op de Proostdij bij den Stadh. en aldaar 
geproponeerd en gehoord de questie tusschen Ov. 
en Drenthe over de unie en annexiteit van Dr. 
aan Ov. en door den Stadh. .„overdraegen" dat 
men de questie op schrift stellen zal volgens een 
acte die daarvan gemaakt is. 

1546 Vrijdach ultima Aprilis (F 22; E Lviij). 

Door Johan van Laer was 20 April j.1. tusschen 
Lubbe Jonckers en Johan van Ytterssom, Drost 
van Ysselmuyden, gewezen: aang. verw. brief en 
zegel van zijn zal. vader erkent, zal hij de binnen- 
jaarsche rente betalen, en van den achterstand 
(92 mud rogge) zal hij naar landregt bij eede ja 
of neen zeggen of inruimen want aanl. vordert 
„want den Drosten van. dooder hant aencompt.'' 

In claringe gebracht 7 Mei : wanneer blijkt dat het 
geld 3 mud rogge jaarl. lijftucht door verw.'s 
vader aan aanl. voor verdiend loon en wettige 
schuld gemaakt; op grond dat de rente niet „wtge- 
gaen'^ is als naar landregt behoort, wordt ge- 
klaard : wel gewezen en kwalijk beroepen en ver- 
staan, dat vervv. vóór Vrijdag a. s. over den achter- 
stand den eed zal doen of aan aanl. inruimen. 
Staat op 20 April in E. 



429 

In zake Borger Dirich, burger te Enschede, 
tegen Gerardus Custer, over scheldwoorden, 
hebbende verw. den aanl. diof genoemd, is ge- 
klaard: dat verw. de eer van aanl. repareeren zal 
voor het gericht te E. en gecondemneerd wordt 
in de poene van den landbrief en de gorichtkosten 
naar taxatie van hetzelfde gericht. 

(1546 April 30?) (E xxx v<>). 

In zake Claes Wijtte, Schulte te Campen en 
Camperveen, tegen Johan van Yttersom, Drost te 
Ysselmuyden, over scheldwoorden, waarop de 
verw. morgen antwoorden zal niet als Drost, maar 
als privaat persoon, daar hij zijn voet gezet heeft 
in plaats van Mr Steven Brant, in welke zaak 
door den Stadh. en het gericht geordonneerd is, 
dat partijen aanspraak, antwoord, repliek, dupliek 
en bewijzen aan elkander schriftelijk zouden over- 
geven; deze zaak is Dinsdag na Palmarum op- 
nieuw ingebragt, toen het ordel besteed is aan 
Ilinrich van Haerst, aan wien het proces door 
den Griffier op den laatsten April overgeleverd 
is op de regtkamer en die op den volgenden regtdag 
wijzen zal. 

Aanspraak enz. zyn te vinden in de verzam. Bondam. 

1546 Mei 3 (E xxxiiij). 

Op de geschillen tusschen de erfgen en inge- 
zetenen des kerspels van Zwoll tegen de gedijkten 
Aer waden te Vekoeten en Wijlssom is door 
den Stadh. beraamd, dat tot voorkoming der groote 
schaden, welke ontstaan konden, doordien de waden 
niet naar eisch opgemaakt zijn, het kerspel Zwol 
op zijn protest de beide waden opmaken zal, op 
voorwaarde, dat het hier door in zijn regt niet 
verkort worde. Waarop de Stadh. partijen gelast 
heeft. Maandag post Palmarum te Deventer te 
komen met al hun bescheiden, waar hij met R. 
en St. uitspraak zal doen. Op dien dag zullen 



430 

ook de erfgen. van het kerspel Zwolle met die 
van het kerspel Zallick verschijnen om het 
verschil over het hoofd, dat de Dijkgraaf van 
Salland met des Heeren geld opgemaakt heeft; 
en ook over het hoofd bij den dijk van Frans 
van Haerst en de wed. Jan Mulart toe Voerst. 
Alle partijen zullen verschijnen met volmagt en 
procuratie van hen die de zaken aangaan. 

Van het bovenstaande zal de Rentmeester van 
Salland kerkespraak laten doen naar oude gewoonte. 

Gedaan te Deventer. 

In zake de wed. Wol ter (Johan) Wolffs met 
haar kinderen tegen de wed. en erfg. van Johan 
Mulart toe Voerst over beter vestenis is het ordel 
besteed aan Mr. Jan van Langen in zijn absentie. 
Hij zal op den volgenden regtdag wijzen. 

In zake Mr. Aloff Roetert, Secretaris van 
Deventer, togen Jacob van Ytterssom, Schout te 
Dallessem, voor dezen gerichte „bestammet/' over 
beter vestenis, is geordonneerd, dat verw. Dinsdag 
na Palmen antwoorden of „der aenspraecke vellich" 
zijn zal; dien dag antwoordt hij, dat al zijn goed 
in den dijk begeven is en hij daarom niet schuldig 
is beter vestenis te geven. Is besteed a<in Hinrich 
Schaep, die wijst: aang. verw. klaagt geen voet 
grond behouden te hebben, maar bereid . is als 
zijn ten onregte begeven land weder vrij is, 
beter vestenis te doen, zal aanl. moeten wachten 
„soe lange dat Godt ende recht betert" daar de 
regter niemand boven zijn macht bezwaren mag 
en zeggen, dat het regt is. 

Dit ordel beroept aanl. in de claringe. 

In zake de olderluden van O. L. Vrouwekerk 
te Deventer tegen Jacob van Ytterssom, Schout 
te Daluessem van 105 ggl., 8 mud rogge en 3 



431 

Phs. gl. luidens zijn' obligatie, is geordonneerd, 

dat verw. Dingsdag na Palmen antwoorden moet. 
Is naar 't schynt van 6 April. 

In zake Johan Aneekinck tegen Roloff van 
Scheven, over schade aan aanl. en diens ouders 
aangedaan, door ontzetting uit het erve A nek in ck, 
die daaraan nog ettelijke jaren pacht hadden, is 
het ordel besteed aan Johan van Steen wijck, 
die wijst: daar de verpachting door den bezegelden 
brief bewezen is, en de verpachting door verw. 
zonder bewijs tegengesproken is, zal de brief in 
waarde blijven, tenzij verw. bewijst, dat de pachter 
het land niet „naberlich ende buyrlick" gebruikt 
heeft of onhouv^baar hout gehouwen heeft. 

1546 Mei 3 (E Lix v^) 

Het proces tusschen Willem van der Scheer 
en Wigbolt Trijppenmaecker is gecommitteerd aan 
Hinrich van Haerst, Erenst van Ittersson, Dirich 
van Ysselmuyden, Jan van Doetekom en Mr. 
Hinrich van TijU, om het te visiteren en rapport 
te doen. 

In zake de gemeene erfgen. van Randen en 
Tyone tegen Peter Willemsz over 4 gl. waarop 
verw. door de zetters, in de schatting, gezet was, 
krachtens mandement des Stadh. namens den 
Keizer, en van welke verw. beweert als dienst- 
man vrij te zijn evenals zijn voorouders, is ge- 
klaard: wel gewezen en kwalijk beroepen. 

In zake dezelfden tegen Ruytger Wyers als 
meijer der kinderen van zal. Mr. Gerrijt Swaefi'ken 
over schatting, waarvan de mombers van verw. 
beweren vrij te zijn als vrije dienstlieden 
evenals hun voorouders, is geklaard: wel gewezen 
en kwalijk beroepen. 

1546 April (Mei?) 3 (E Lviij v«). 

In zake Evert de Meijer tegen Werner de 



432 

Meijer zijn broeder over een stuk lands van een 
hof hor i^ goed, waarvan de verw. gespolieerd 
zoude zijn, is geklaard: dat de aanl. in het bezit 
gehandhaafd zal worden, waarin hij gevonden 
wordt, totdat verw. het spolium bewijst, na welk 
bewijs beide partijen zullen mogen procederen als 
naar hofregt behoort; daarom wel gewezen en 
kwalijk beroepen. 

In zake Herman Duysterbeck tegen Egbert 
Arentsz over geweld, waarover aanl. den ver- 
weerder voor het gericht van Bom en daarna voor 
. den Drost van Twenthe beklaagd heeft, waarop 
. verw. geantwoord heeft, dat aanl. zijn klagt niet 
- voldoende bewezen heeft volgens het landregt en 
verw. dus geabsolveerd moet worden; is geklaard: 
wel gewezen en kwalijk beroepen en dus verw. 
geabsolveerd. 

1546 Mei 5 (E lx). 

In zake Roelof Kuyper, burger van Oldenzeel, 
togen Zweder van Overhiigen over 3 sententiën 
tegen verw. verkregen, waartegen deze een rescript 
van Rome verworven heeft, waardoor de zaak „in 
vertoch" gekomen en aanl. in kosten vervallen is, 
is geklaard: aang. deze zaak met geestelijk regt 
begonnen en niet zooals behoorde voor Stadh. R. 
en St. gebragt is, zoo zullen Goessen van Raes- 
felt, Drost van Twenth, Frederick van Reede, 
Drost te Depenhem, en Dr. Johan van Langen 
partijen in vriendschap verhooren en zoo mogelijk 
verzoenen ; en indien zulks „entstonde'', zal Roelof 
zijn eisch vervolgen op het onderpand krachtens 
zijn brieven en zegels, terwijl hij de kosten en 
schaden naar landregt op Zweder zal mogen ver- 
volgen. 

In zake Schwaene ter Helle, conventuaal-zuster 
van Buschklooster te Zwolle, tegen Pater, Matersche 



433 

en gemeene convent van Busch-klooster, over 
haar patrimonium, dat Schw. in het klooster ge- 
bragt heeft, en krachtens pauselijke dispensatie 
en open brieven van placet des Keizers, terugge- 
vorderd heeft voor den Scholle en het gericht van 
Ommen, waarop verw. geantwoord hebben, dat 
zij in dit wereldlijk gericht niet behoefden te 
antwoorden, omdat de brief van placet en die des 
Keizers niet geinterineerd waren, zooals behoorde, 
dat de dispensatie „surreptipelick" en door valsch 
voorgeven verkregen was en dat Schw. eerst terug- 
komen moest in het klooster, waar zij professie 
gedaan had, is geklaard : dat Zwaene de dispens .tie 
en den brief van placet genieten zal en haar 
patrimonium gebruiken mag, totdat verw. bewezen 
zullen hebben, dat de dispensatie onwaarachtig 
surreptipelijk verkregen was, dus hier wel ge- 
wezen en kwalijk beroepen. 

Hiertoe behooren de volgende stukken: 

1547 Febr. 12. 

No. 13692. 

Processtukken tusschen Swane ter Helle, voor- 
maals conventale in Busch-klooster te Zwolle, 
aanl., en dat convent, verw., voor Seino Mulert, 
Schout te Ommen, en keurnoten gewisseld, over 
de extraditie harer onder dat Schoutambt gelegen 
en vroeger in dat klooster gebragte patrimonieele 
goederen, nu zij dispensatie van den Paus en placet 
van den Keizer verworven had, om het te verlaten. 

Het ordel door Berend Schutte ten voordeele 
van Swane uitgebragt. 

Zie verder de Jndicalen op het jaar 1551. 

In zake Lubbert van Kuynre tegen de wed. 
van Jan Mulert toe Voerst over 130 ggl., waarop 
verw. respijt begeerd heeft tot den naasten regt- 
dag, om de aanspraak in schrift te hebben en dan 

28 



434 

te antwoorden, is dat respijt gegund, omdat zij 
voor het gericht „bestammet'^ en niet met was- 
teekens vervolgd was. 

In zake Gijsbert ten Toern tegen de wed. van 
Johan Mulart to Voerst over 10 ggl. per jaar 
luidens brief en zegel, is evenzoo gevonnisd om 
gelijke redenen. 

In zake de provisoren van Onzer Lieven 
Vrouwen bedroefnis te Deventer tegen Jacob 
van Ytterssom, is geordonneerd dat verw. op den 
volgenden regtdag antwoorden moet zonder verder 
„wtflocht." 

De zaak van Johan Wermertinek, dienaar van 
zal. Heer Adriaen van Twickel, tegen den Drost 
van Twenthe over 27 Rijder geleend geld en ver- 
diend loon, is uitgesteld tot den volgenden regtdag 
waar de Drost antwoorden zal. 

De zaak van Frans ter Bruggen tegen Goessen 
van Raesfelt, Drost van Twenthe over 3372 ggl-j 
welke Heer Adriaen van Twickel en de Drost 
als zijn borg aan aanl. schuldig was, is uitgesteld 
tot den volgende regtdag, waarop de Drost ant- 
woorden zal. 

De zaak van Egbert Stroynck voor hem zelf 
en als gemagtigde van Kathrina Klaphouwers, 
tegen Goessen van Raesfelt, Drost van Twenthe 
over 2 Phs. gl., door Heer Andriaen van Twickel 
schuldig gebleven voor gemaakte schoenen en 12 
ggl. herkoniende van Kath. Klaphouwers, luidens 
2 handschriften, is uitgesteld tot den naasten regt- 
dag, waarop de Drost antwoorden zal. 

De zaak van Egbert Stroynck, als gemachtigde 
zijns vaders Arent Str., en zijn broeder Rutger, 
tegen G. v. Raesfelt, Drost v. Twenthe, over 12 
ggl, welke aanl. 's vader aan Heer Adriaen van 
Twickel „gedaen" had (om) „op den stuck lants 



435 

te gebruycken" totdat hij de penningen . weder- 
geven zoude en over 8 rijder gl., schuldig aan 
Rutger voor „cremerie" en verdronken bier, is 
uitgesteld tot den volgenden regtdag; wanneer de 
Drost antwoorden zal. 

1546 Mei 6 (E xxxvi). 

In zake Reyner van Aeswnn, Heer te Braekel, 
tegen de wed. Reynt van Coforden, Anna van 
Mervelde en haren zoon Roelant v. C. over ge- 
schillen van erfnisse, scheiding en behoorlijke 
restitutie, in de wasteekens nader omschreven, is 
het ordel besteed aan Boldewijn Haegen, die 
Dingsdag na Palmen wijzen zal; na dien dag 
heeft de Stadh. den ordelwijzer respijt gegeven tot 
Donderdag na beloken Paschen, op welken dag 
hij gewezen heeft; 

Op de aanspraak en het antwoord van partijen 
over erfscheiding der goederen van zal. Agnes van 
der Eze, Vrouw van Bueren en Gramsberge, 
waarvan 2 moetzoensbrieven gevonden worden, de 
eene van de gescheiden, de andere van de onge- 
scheiden goederen, beide onderteekend en „verpeent'' 
door de „sach e wolden^' en moetzoenslieden van 
beide zijden, wordt besloten: aangezien rigters- 
brieven, huwel. voorwaarden, maagscheid en 
moetzoen 4 principale artikelen zijn van den 
hoogsten landregte, zullen zich beide partijen naar 
de moetzoensbrieven gedragen en in plaats dpr 
gestorven moetzoenslieden andere kiezen, om de 
ongescheiden goederen te scheiden. Werk ordel 
Reyner v. A. beroepen heeft in de claringe. 
Hiertoe behoort, het volgende: 

[Omstr. 3 April 1546]. 
No. 13. 

Eisch door Reinier van Aeswijn, Heer tot 
Brakel aan den Stadhouder Graaf van Buren in- 
gediend tegen Anna van Mervelde, wed. van 



436 

Reijnolt van Coeverden en haren zoon, om met 
hem tot een eindscheiding te geraken van de 
nalatenschap van Agnes van der Eze tot Grams- 
berge en eenige andere bezwaren tegen Anna over 
die nalatenschap. 

Als bijlagen 2 afschriften van maagscheiden, 
beide van Donderdag na O. L. Vr. Assumpcio 
1530 het eene de verdeelde, het andere de onge- 
scheiden goederen van den Gramsberger boedel 
rakende, verwijzende nog het eene naar een vroegere 
maagscheid van 1515. 

In zake Claes van Gent tegen Ernst van Ytters- 
som over zekere achterstallige lijftucht zijner moeder 
op eenige goederen, welke Ernst in bezit en ge- 
bruik heeft, waarop aanl. met regtsvordering ge- 
procedeerd heeft, waarin hij verhinderd is door de 
leenheeren llinrich en Otto van Rechteren, en 
waarop door verw. geantwoord is, dat, daar deze 
zaak hem van zijn moeder aangekomen is, aanl. 
met klaar bewijs komen moet of niet ontvanke- 
lijk zijn zal in dit gericht; op welke exceptie des 
aanl.'s brieven, zegels,. munimen ten en gerechtschijn 
van regtvordering bezien zijn, is het ordel besteed 
aan Haeck van den Rutenberge, die op den vol- 
genden regtdag wijzen zal.; 

De andere zaak tusschen Claes van Gent en 
Hinrich van Rechteren van verhindering van regt 
en geleden schade is besteed aan Rolant van Coe- 
forden, die aanspraak, antwoord en wederzijdsch 
bescheid en bewijs in schrift begeerd heeft en 
Dingsdag na Palmen wijzen zal. 

Op dien dag wijst deze: aang. aanl. met goede 
certificatiën bewezen heeft door wijlen Otto v. R. 
door regt 8 weigering in schade gekomen is, zal 
Otto*8 erfgenaam of diens momber Hinrich v. R. 
Heer te Almeloe, den aanl. de schade moeten be- 
talen, die hij geleden heeft. 



437 

De zaak tusschen Grete Lubbers en Herman 
Miilart, Schout te Zwol, is uitgesteld tot den vol- 
genden rogtdag. 

(1546 Mei 6?) (E xxxvij v^). 

In zake Burgera., Schep, en Raad van Delden 
tegen Goessen van Raesfelt, Drost van Twenthe, 
over perturbatie van Deldenermersche, waarvan 
de Drost de visscherij alleen voor zich wil houden, 
en over nieuwe grachten en vischwater, door hem 
daarin gemaakt, terwijl hij de varkens der burgers 
daaruit „gehetset" heeft in strijd met oude 
gewoonte, hebben beide partijen aanspraak, ant- 
woord en bewijs aan elkander overgegeven. Het 
ordel is besteed aan Reynt v. Coeforden, die 
Dingsdag na Palmen wijzen zal. 

Tn zake de wed. van Wolter v. Coeforden tegen 
de wed. van Reynt v. C. over 150 ggl. bekende 
schuld en over 8Y2 mud rogge, heeft Boldewijn 
Haegen gewezen, als de verw. bewijzen kan, dat 
de betaling geschied is, zooals zij beweerd heeft, 
zal zij des genieten. 

Dit ordel heeft de aanl. beroepen in de claringe. 

In zake Marie wed. van Dirich Goyman voor 
zich en van wege haar kinderen tegen Boldewijn 
Haegen, dien zij met den Pander van Salland voor 
den gerichte had laten „bestammen" is gewezen, 
dat aanl. haar aanspraak in schrift aan verw. 
overgeven zal, die Dingsdag na Palmen daarop 
antwoorden moet; op welken dag verw. schrifte- 
lijk geantwoord heeft. Is besteed aan Herman 
Mulert, Schout te Zwolle, die aanspr. en antw. 
op schrift begeerd heeft met de bewijzen van 
weerszijden, en beraad genomen heeft tot na be- 
loken Paschen. Hij heeft gewezen: daar het ge- 
schil loopt over een rentebrief van 10 ggl. jaarl. 
rente uit een erve te Wendeloe in het gericht 



438 

van Vollenhoe, welke door Juflfer Goymans afge- 
lost is en nu geeacelleert zoude zijn, „vermits 
sekere maculature" op den rug des briefs en ^wtdoen 
van sekere schriften/' weshalve zij de lospenningen 
terugvordert, doch aangezien de brief in het blanke 
rein en zonder suspitie bevonden wordt, zal Bol- 
dewijn niet tot restitutie der penningen gehouden 
zijn, voordat aanl. bewijst, dat de uitgeschrapte 
woorden een expresse quitantie bevatten. 

Van dit ordel doet aanl. beroep op de claringe. 

In zake Willem van Buchhorst tegen Roloff 
van Scheven begeert verw. de aanspraak op schrift, 
om daarop op den volgenden regtdag te antwoorden. 

1546 Mei 7 (E Lxij v^). 

De zaak van Johan Elderincks huisvrouw tegen 
Claes van Beverfoerde, Drost te Blanchenburch, 
die in den gerichte „bestaramet" is, is uitgesteld 
tot den volgenden regtdag, waar verw. antwoorden 
zal over de achterstedige pacht, terwijl aanl. voor 
de binnenjaarsche pacht mag panden. 

In zake de wed. en kinderen van Johan Wolfsz 
tegen Juffer Fye Cueckmans alias Cloppenburchs 
over een gift van 16 morgen lands in een bij stèren 
dijk door de zevens, waarvan 8 morgen aan verw. 
behooren als daarvan in possessie zijnde, die tusschen 
partijen in questie staan, in welk geschil de 4 
nog in leven zijnde en opgeroepen zevens pertinent^ 
declaratie van hun gifte gegeven hebben, dat zij 
geen andere 16 morgens begeven hebben, dan die 
uit den kwaden boezem van Westenraede, die 
met den boezem van Clinckenborch gemengd is 
geweest, gekomen zijn, gelegen bij de Krey; dat 
Johan die, om zijn ander goed te beschermen, 
aangetast heeft, aangezien die schuldig waren te 
geven in denzelfden boezem van Westenraede, eer 
zij de andere 8 morgens van Juffer C. konden 



439 

begeven: door Stadh. R. en St. is de declaratie 
geapprobeerd en geconfirmeerd als naar dijkregt 
teregt gegeven, condemneerende aanl. in de kosten 
gedaan door de zevens en verw., daar de zevens 
op verzoek van aanl. door den Stadh. verschreven 
waren. 

In zake Hinrich Dorre, burger van Pernuw in 
Lijfland, tegen de wed. van Hinrich Slachhecke 
over 8 last gezouten vleesch, door Slachhecke 
van aanl. gekocht tot ontzetting der stad Kolmar 
in Zweden en beloofd te betalen bij gezegeld cer- 
tificaat der stad Revel, zoodat hij 606 ggl., be- 
halve hinder, kosten, schade en interessen eischt, 
waarop verw. geantwoord heeft, dat aanl. zijn 
eisch niet voldoende bewijst en dat haar het 
certificaat van de „achterbaexe getuychnisse ter 
doeder hant" niet schaden kan, is geklaard: wel 
gewezen en kwalijk beroepen, zoodat verw. bij 
haren eed zweren zal, dat haar man haar van 
deze schuld nooit gesproken heeft. 
Staat in D 23 op 8 Mei. 

In zake Hinrick van Marhulsen tegen Geer- 
truydt V. M. over inleiding door verw. gedaan 
in het goed ten Kattendam in het kerspel Haex- 
bergen in strijd met het landregt en zonder eenigen 
titel en voordat de sterfdag van hun beider vader 
verjaard was; voorts is verw. een geestelijke 
begine en geprofesside kloosterjuflfer geweest 
te Santen en daaruit geweken tegen 's Keizers 
mandement en de aanl. is dus de regte „erfstam" 
zijns vaders Jan v. M. en verw. dus tot haar 
aanspraak niet geregtigd, waarop verw. geant- 
woord heeft, dat het erve haar eigen vrij goed is 
geweest voor haars vaders dood en haar door haren 
vader „slicht van der handt afstaende'' gegeven 
is, blijkens zegel en brief van overdragt met de 
clausule van procuratie, om bij de Schepenen van 



440 

Groll verder voor den Rigter van Haexbei^n de 
overdragt te ontvangen, welke overdragt na haars 
vaders dood dan ook alzoo geschied is. 

Blijkens kantteekening doorgehaald, omdat de zaak 
zonder sententie ,yOpge8telt" was. 



VII. 



REGISTER G. 



Register G geeft een gedeelte van register C (c. ƒ. 
pag, 251) en is daarin te vinden ttisscken de wasch- 
teekens op de bladzijden 127 recto tof en met 135 verso. 

1549 Oct. 8 (C cxxvii). 

Bernt van Beverfoerde toe Weemssel neemt zijn 
Ie wasteeken op Claes en Sweder v. B. gebroeders. 
voor 250 ggl. welke zal. Johan van Twickell, 
Drost van Twenthe, en Johan van Wel velde van 
wege Johan v. B. aan Berndt van Wullen en 
Hinrich Valcke in het Sticht van Munster be- 
loofd hadden te betalen, met alle kosten, schaden 
en interessen tot dusver daarop geleden; voorts 
van ettelijke huissteden, gaarden en kampen binnen 
en buiten de stad Oldenzaal onverdeeld gelegen, 
van welker jaarlijksche profijten Bernt gespolieerd 
is door de gebroeders; eindelijk van een jaar 
pensie van 380 ggl. krachtens zekeren moetzoen, 
maagscheid en reces, zoomede van alle kosten, 
schaden en interessen. 

Op 22 Oct. en 5 Nov. neemt hij het 2e en 3e. 

1549 Oct. 17 (C cxxvii v^). 

Dirick Berentsz van Hasselt neemt zijn 1® was- 
teeken op Hinrich van Rechteren voor de actie 
van Engelsch en ander laken, van fluweel, camelot 
worsset en ander koopmanschap, van allerlei 
specerij en kruidproviand, van draag- en bodeloon 
en andere kosten daarvoor verschoten, en nog 
24 ggl. 1 oort 6 st voor onkosten te Raelte en 
Wye door aanl. gedaan, op al hetwelk hij niet 
meer ontvangen heeft dan 3 Deventer gl., 3 
klijmner gl. van Heer Seyne en 3 Rijder gl. van 
Goert Nykercke. 

Op 31 Oct. en 14 Nov. neemt hy het 2e en 3e. 



444 

1549 Oct. 17 (C cxxvii \o). 

Willem van Buckhorst, als oom, momber en 
bulder van Agnes van Ytterssum, neemt zijn 
Ie wasteeken op Anna van Mervelde, wed. Reynolt 
van Cooforden op de volgende artikelen: 

lo. Daar de Overijsselscbe of Sticbtscbe leen- 
goederen bij den dood van Roelant of RoloflF v. C. 
eerst op Johan v. Y. Drost te Ysselmuden en 
na diens dood op Agnes v. Y. zijn oudste docbter 
en naaste erfgenaam en leenvolgster overgegaan 
zijn, en deze ook de corporele possessie daarvan 
verkregen heeft bij sententie van leenrigter en 
leenmannen, zoo zal Anna v. M. een met eede 
gestaafden inventaris moeten geven van alle zegels 
en brieven, leenregisters, manschappen, pacht- 
cedulen, munimenten en andere papieren, door 
R. V. C. nagelaten, om na onderzoek deze stukken 
te verdeelen naarmate elk goederen gekregen heeft. 

2^, Aanl. verlangt restitutie van alle aan zijn 
nicht ontbeurde pachten, renten en opkomsten en 
uitkeering voor het vervolg van hetgeen de leen- 
goederen en erven des huizes GoerofHeeckeren, 
de windmolen der Groote en Lutteke Breeceler 
in het kerspel Ilaex bergen en andere goederen 
opbrengen. 

3o. Daar de wed. v. C. als appellante van ge- 
noemde sententie des Leenrigters aan aanl. heeft 
laten insinueren zekere inhibitie penaal en citatie 
van het Camergerigt en alzoo in uitheemschen 
regte buiten 's lands betrokken heeft, waardoor 
zij naar landregt in poene vervallen is, zoo eischt 
V. Buckhorst 'zijne quota hiervan, aangezien de 
Keizer haar geen kwijtschelding heeft willen geven. 

4°. Om tot reëele executie te komen van de 
sententie des Leenrigters en de wed. tot ruiming 
der leengoederen (welke zij uit „wrevelmoet" 
occupeerde en niet verlaten wilde) door allerlei 
poenale geboden met toedoen van den Drost van 



445 

Twenthe en den Rigter van Kedingen, te brengen, 
zijn ongeveer 150 ggl. onkosten gemaakt moeten 
worden, welke aanl. terugvordert, evenals ver- 
goeding van* alle andere kosten, schaden eii 
interessen. 

Op 31 Oct. en 14 Nov. neemt hy het 2e en 3e. 

1549 Oct. 17 (C cxxix). 

Juffer Clara van Culenborch wed. Johan Mulart 
Lubbertsz, met Herman M. Scheut te Zwolle en 
Henrick M. Dijkgraaf van Sallandt, als momberen 
van haar en hare kinderen, nemen het 1® wasteeken 
op Johan van Steenwijck ter Scheere, als erfgenaam 
van Herman van den Cloester voor de 100 ggl., 
welke Herman v. d. C. in huwel. voorwaarden 
beloofd maar niet gegeven heeft aan Juffer Johan 
V. d. C. vrouw van Lubbert M. vader van Johan 
M. ; daar voorts die huwelijksvoorwaarden inhouden, 
dat Juffer Johan in de goederen van haren groot- 
vader Reynolt v. d. C. in Drenthe en elders ge- 
legen met haar ooms en moeijen succederen zal, 
waarvoor zij geen erfuiting ontvangen heeft, terwijl 
die goederen onverdeeld door verv gebruikt en 
bezeten worden, eischen aanl. de 100 ggl. en 
behoorlijke erfscheiding der nalatenschap van 
Herman v. d. C. met vergoeding van alle ont- 
beurde vruchten, renten, pachten en opkomsten. 
Op 31 Oct. en 14 Nov. nemen zij het 2e en 3e. 

1550 Jan. 22 (C cxxxii). 

Reyner van Aeswijn Heer te Brackel neemt 
zijn P wasteeken op Juffer Anna van Buckhorst 
w^ed. Johan van Itterssum en haar kinderen voor 
de volgende zaken: 

lo. Daar Johan v. I. met genoemde Anna 
aan aanl. en zijn vrouw verkocht hebben zekere 
goederen, blijkens open brief met het zegel des 
Drosten van Zallandt als ordinaris rigter en 
van verkooper, en tegen den inhoud des briefs 



446 

„bespieringe" en schade aan den Heer v. Br. 
gesonied is, zoodat partijen geschil hadden gekregen; 
dfiar echter dit bij compromis door vrienden bij- 
gelegd was met groote pene voor v^nen het niet 
hield, terw^ijl aanl. het gehouden, doch verw. het 
geschonden had, zoo eischt aanl. de pene volgens 
het compromis. 

2°. Blijkens dien koopbrief had aanl. gekocht 
alle huissteden of hofsteden binnen of buiten 
G ram sb erge n aan verkoopers behoorende, uit- 
gezonderd ééne, behoorende tot de viearie, welke 
de van Ittersums daar hadden te vergeven; nu 
weigerde echter verw. hem 2 hofsteden te ruimen, 
de eene geheeten den O ld en Hoffstadt of den 
OldenhofF eertijds genaamd het huis Bergen, 
waar de regte Saelstede van Gramsbergen lag, de 
de andere waarop haar meijer Henrick woont, 
beide sedert 1546 hem aanl. „ontbruyckt." Hij 
vordert possessie en restitutie. 

3^. Na genoemden verkoop hebben verkv'>opers 
1 jaar lang „aicker int holt" aan kooper ont- 
trokken, de thinsen binnen Deventer, alle pacht- 
hoenders enz hen ontbeurd, waarvan hij restitutie 
vraagt met de kosten, interessen en schaden. 

4^ De tienden van den Dorrenmaet, behoorende 
in Catinckhorster tienden zijn eerst door 
Johan V. I. daarna door zijn wed. aan aanl.'s 
moeder en vervolgens aan hem, toen hij uitlandig 
was ontvreemd. Hij eischt die terug, aangezien 
daar de Gat. tiende aan zijn moeder toegedeeld was 

5^ De Hondenberger tiende te Aene is 
aan Reyner's moeder toegedeeld maar sommige per- 
ceelen zijn hem door verw. ontbeurd, nl. die over het 
goed Schultinck, over Stuetengoed, over Camphuys, 
enz. Hij eischt possessie en restitutie hiervan. 

6°. Ofschoon het veen in deRuthe, afkomstig 
van het huis te Gramsberge nog onverdeeld is, 
hebben verw. het alleen „ondergeslaegen''. Aanl. 



447 

verlangt zijn deel daarvan met herstel van schade. 

7°. Een maat landt te Dalffzen geheeten 
Johan Henricksensmaat is ook nog onverdeeld. 
Aanl. vordert verdeeling en schadevergoeding. 

8°. Een hof mit de zaalstede en 2 dagmaat 
hooiland bij Holthoen gelegen zijn ook onverdeeld ; 
ook daarin verlangt aanl. zijn deel. 

9°. Het maaggeschcit zegt, dat men b^^wijzen 
zal welke goederen leengoederen waren, zoodat 
de andere als vrij goed verdeeld moeten worden. 
De tienden te Wijdderden zijn in pandschap, 
staande ter losse met 1900 ggl. ongeveer, waarvan 
de V. Rechterens grondheeren zijn en de erfgen. 
V. Gramsbergen pandheeren, die alleen zooveel 
geld daarop hebben liggen hetwelk „eychelick" 
een deelbaar goed is, waarvan aanl. zijn deel eischt. 

10°. Daar bij sub 1° genoemden koopbrief aan 
aanl.de visscherij verkocht is en verw. nog zegels 
en brieven heeft betreffende de visscherij ten 
Hardenberch, behoorende in Gramsberge, vordert 
aanl. deze op. 

Op 5 en 19 Febr. neemt h\j het 2e en 3e. 

1550 Jan. 22 (C cxxxiii). 

R V. Aeswijn voornoemd neemt zijn Ie was- 
teeken op Willem en Johan van Buckhorst ge- 
broeders en Juffer Anna v. B. wed. Joh. v Itterssum 
hun zuster, als erfgenamen van Johan v. B. Heer 
Willemsz, over zeker aandeel, hem toekomende 
als erfg. zijner moeder Juffer Agnes van ülfift, 
als mede erfgen. van den huize van Grams berge, 
in 1800 ggl. en 300 oude Fransche schilden, 
welke zal. Juffer Swaene van der Eze o. a. in 
huwelijksvoorwaarden gebragt heeft aan zal. Johan 
V. B. toe Sallick, die zijn vrouw JufiFer Swaene 
ook aanzienlijk begiftigd en betuchtigd had. Deze 
is gestorven zonder wettige geboorte en haar 
nalatenschap gekomen aan de v. d. E. v. Gramsberge. 



448 

Veel geschillen zijn daarover geweest. Die van 
Buckhorst hebben Reynt van Coevorden van zijn 
deel gecontenteerd en hun dochter Juffer Anna 
uitgehuwelijkt aan zal. Johan van Ytterssom, 
mede-erfgen. van Gramsberge die dus zwijgt en 
welligt niet agei*en wil van wege de kinderen 
tegen haar broeders. Maar de eischer heeft, even- 
min als zijn moeder, zijn aandeel ontvangen, 
hetgeen hij thans vordert met kosten, schaden en 
interessen. 

Op 5 en 19 Febr. neemt hg het 2e en 3e. 

1550 Mmirt t (C cxxxiiii). 

Mr. Olavus Roeters Secretaris van Deventer 
voor zich als gewezen man van zal. Kunera 
Tucker wed. Jacob van Culenburch, en als 
momber van Claes en Jacob hun beider kinderen, 
neemt zijn Ie wasteeken op de dochter van Johan 
van Itterssum en van Juffer Fije van Munster, 
nu huisvrouw van Jan van Warmelo toe Wester- 
flier, omdat Fije, waarvan verw. een echte dochter 
en erfgen. is, op Woensdag na Gereonis et Victorie 
1530 met haren zoon Jacob v. I. en verw. aan 
Jacob V. C. en Kunera diens vrouw verkocht 
had 10 mud rogge jaarroute uit het geheele erve 
geheeten upten Topsfoert in het kerspel van 
der Heynen en al haar andere goederen, welk 
erve in 1542 na St. Marten begeven is in den 
bij stèren dijk waardoor aan aanl. zijn regt 
ontvreemd is; aang. nu de koopbrief inhoudt dat 
betere vestenis gegeven zal worden als die verlangd 
of noodig wordt, eischt aanl. deze van verw. met 
de achterstallige rente, enz. 

Op 15 en 29 Maart neemt h^ het 2e en 3e. 

1550 Maart 18 (C cxxxiiii v^). 

Juffer Henrick Rondyens neemt haar Ie wasteeken 
op Juffer Roloff Vos wed. en op Aloff en Jaspar 
van Twickelo, erfgen. van Heer Frederick v. Tw. 



449 

• 

Ridder voor 775 ggl. voor raagenaas, verteerde 
kost eii drank; voor haver, „raufoeder" en ver- 
schoten penningen, door verw. en aanl. aan haar 
moeder zal. Jufifer Johanna B. schuldig gebleven 
blijkens zekere rekening, bij eede door Johanna 
bevestigd voor den Raad van Deventer. Met alle 
kosten, hinder, schaden en interessen. 
Z\j neemt 1 en 15 April het 2e en 3e. 

1550 April 10 (C cxxxv). 

Everwijn Voncke neemt zijn Ie wasteeken op 
Juffer Anna van Ossenbroeck wed . Henrick Schaep 
voor schade en injurie door verw. den aanl. tegen 
belofte aangedaan, door verhindering bij den koop 
van 2 erfjes geheeten Vinchuysen in 't kerspel 
Hellendoren, welke Everwijn omstreeks 1532 ge- 
kocht had van Johan Veneman, doch verw. door 
list en bedrog hem afhandig gemaakt heeft. Hij 
eischt vergoeding van schade, enz. 

Op 24 April en 8 Mei neemt hg het 2e en 3e. 

1550 Mei 6 (C cxxxv vo). 

Frans van Haerst neemt zijn Ie wasteeken op 
Juffer Dirck van Deme, wed. Johan Muylart te 
Voerst, en haar kinderen en erfgen. van Joh. M., 
om deze zaken: 

1°. Frans had op avond Martini 1542 met de 
verw. zeker verdrag gesloten, dat zij tot hun 
beider behoef zoude aantasten den bijsteren onbe- 
heerden dijk te Vecaeten door Jacob van 
Ytterssum opgegeven, met alle goederen welke 
daarin begeven zouden «worden en dat „daer en 
tendes alle oir ende oir kinder guet als de andere 
begeuen guedere" waar ook gelegen gemeen zouden 
zijn tusschen de wed. en haar kinderen en Frans. 
Hij klaagt dat dit accoord door verw. niet nage- 
komen is, want: 

lo. De helft van het erve Buddenhoff in 
het kerspel Raelte, met het hout daarvan gehouwen 

29 



450 

of verkocht, met de helft van de ontbeurde vruchten, 
pachten en opkomsten, komt hem toe^ zoomede: 

2°. Het halve getimmer en houtgewas van bet 
huis te Voorst en alle andere begeven en onbe- 
geven goederen met de helft van het erve op 
Steenwickerwolt, na de aantasting des dijks door 
verw. verkocht en de helft der rente, welke zij 
jaarlijks van Wolfl* Muylart en uit diens goederen 
heeft, en van 2 hoeven in de stads vrijheid van 
Zwolle met de ontbeurde pachten, renten en op- 
komsten en de helft van het huis dat plagt te 
staan bij het huis te Voerst, doch na het accoord 
verkocht is. 

3°. Vraagt Frans vestenis van 20 ggl. per 
jaar en van 12 mud rogge per jaar hem schuldig 
volgens een handschrift met de interessen en 
handgelden. 

4°. Begeert hij de penningen voor verw. aan 
hout en anders verschoten waarvan hij bewijs en 
rekening presenteert. 

5°. Verlangt hij volgens het accoord separatie 
en eischt dus inventaris naar vorm en stijl van regt. 

H\j neemt op 20 Mei en 3 Jung zgn 2e en 3e. 

1550 Junij 26 (C cxxxvii). 

Goessen van Raesselt, Drost van Twen the, neemt 
zijn Ie wasteeken op Roloff van den Cloester als 
man en momber van diens vrouw, erfgename 
van Willem Sloet, ter zake van een koop van 
alle erven, landen, goederen en inkomsten, eertijds 
aan 't convent van C lar holt e behoorende, gelegen 
in Overijssel en vooral in het land van Vollenhoe, 
blijkens zegels en brieven van den Proost en de 
conventualen, geratificeerd door Aernt, graaf te 
Benthem en Stenforden als wereldlijk patroon 
en met approbatie van den Overste des Convents 
met de geheele Orde en blijkens bezegelden brief 
van den Drost van VoUenhoe als ordinaris rigter, 



451 

bevestigd, en geratificeerd door den Stadh. Verw. 
was in der minne aangemaand tot ontruiming van 
het geheele erve en goed ten Steen te Barspick, 
waarop hij beweerde erfpacht te hebben en had 
daarvan een brief getoond van omstreeks 19 Junij 
1518 met het zegel van een lang overleden Proost 
en niet met dat van het Convent van Claholte, 
over welken brief nog geen praescriptie gegaan 
is, doch welken de Drost niet ,,gcstendich'' is 
om redenen summarie door hem aan Rolofif mede- 
gedeeld; naar aanleiding hiervan zoude 11 Junij jl. 
te Deventer een bijeenkomst gehouden worden om 
de zaak in der minne af te doen; daar Goessen 
daar wel, maar RolofiF niet verschenen was eischt 
Goessen nu regt, bewerende, dat de Proost met 
zijn eigen proostenzegel zonder het zegel van het 
gezamelijk convent geen erfpacht uitdoen kon; dat 
deze ook geen stand hield zonder toestemming 
der Orde en van den Graaf van Bentem en Sten- 
forden als wereldlijk patroon en coUator; dat 
het zegel van den Proost niet langer dan zijn 
leven „bestendich" kon zijn; dat het goed na 
diens dood niet weerloos geworden was voor 
den Rigter waaronder het behoorde; dat het goed 
ook voor de helft minder „verdaen" was dan het 
waard was, zoodat de Proost zijn convent bedrogen 
had en dat het bouwhuis en getimmer aan het 
convent behoorende en afgebroken en het goed 
dus verminderd was, ofschoon de brief dit op straf 
van verlies der erfpacht verbood, dat dus — 
alle andere redenen daargelaten — de erfpacht 
reeds daardoor verbeurd was. 

Op 10 en 24 Jniy neemt hy het 2e en 3e. 

1550 Julij 14 (C cxxxviii v<>). 

Unico Ripperda en Goessen van Raesfelt, Drost 
van Twenthe, voor hun zelf en als mombers 
hunner vrouwen, nemen hun Ie wasteeken op 



452 

de gezameiyke erfgen. van Adriaen van Twickel 
en allen die aanspraak maken op het door hem 
nagelaten erf huis en goederen, en zulks van wege 
Juffer Margrieta v. Tw. volle zuster van Adriaen, 
krachtens brieven en zegels, deels door den Drost 
van Sallant bezegeld. Voorts voor kosten, schaden 
en interessen. 

Op 28 Jiil\j en 11 Aug. nemen zg het 2e en 3e. 

1550 Julii 21 (C cxxxix). 

Johan van den Boetzeler neemt zijn Ie wasteeken 
op de wed. Wol ter van Coevorden en op Wol ter 
V. C. haren zoon als bezitters van zijns vaders 
erf huis, over zeker „waerburchschap," doorDirich 
van der Schulenborch voor lieer Evert van Wij lp 
Ridder en Elysabeth van Aemhem diens vrouw 
gedaan blijkens zegels en brieven van 1480 en 
krachtens 2 sententien, de eene voor de Hooge 
Bank van den Stadh. en de andere in claringe 
door Stadh. R. en St. gewezen in 1546; aang.de 
principale actie met alle geleden schade en onkosten 
der „waerburchschap" door de v. Wijlpe's aan 
de erfgen. en bezitters van v. C.*s erfhuis betaald 
is, zijn dezen weder schuldig aan aanl. als erfgen. 
zijner voorouders die kosten te voldoen. 
Op 4 en 18 Aug. neemt hü het 2e en 3e. 

1550 Julij 21 (C cxxxix v<>). 

Christofifel van Overhagen, als leenvolger zijns 
vaders, neemt het Ie wasteeken op de wed. en 
erfgen. van Adr. van Reede voor zijn aanspraak 
op de 3 erven en goederen: Tonckinck, den 
Garden en het Nijenhuys, alle in 't kerspel 
Aldenzael, buurschap van Uassele, waarmede 
eerst Christoffers vader en daarna hij zelf beleend 
was voor een Overijss. leen, doch welke verw. 
zonder titel eenige jaren geoccupeerd hebben 
hoewel de vele penningen, welke Adr. v. R. 
of zijn vrouw bewijsselijk daarop gedaan mogten 



453 

hebben, willig gerestitueerd zijn. Verw. zullen 
alzoo de erven moeten verlaten. 

Op 4 en 18 Ang. neemt hij het 2e en 3e. 

1550 Julij 21 (C cxL vo). 

Dezelfde neemt zijn Ie wasteeken op het erve 
en goed Rembertinck in het kerspel Aldenzael, 
buurschap Duider, zijnde een leengoed des Keizers, 
en op Coert van Deern, als occupator van dat 
goed, wegens zeker regt van losse den aanl. toe- 
komende; want bij het huwelijk van Dirich van 
Heyden en Gerbrich Claes dochter van Oeverhagen 
gaf Claes aan zijn dochter tot bruidschat 700 R. gl., 
voor 400 R. gl. mogt hij het erve R. haar in 
gebruik geven zoo hij geen geld had, voor de 
overige 300 gaf hij haar eenjaarrente van 10 mud 
rogge uit het erve Everdinck in de Lutte en 
uit Dannijnck in Brochuysen, losbaar met 150 ggl.; 
en uit het erve Grotenhuys in het gericht van 
Borne, 12 mud rogge per jaar; de 700 R. gl. 
waren „verwisset" van het leengoed Rembertinck 
tot 400 gl. toe en van de 10 en 12 mud tot de 
300 gl. toe; daar nu de 22 mud rogge gelost en 
de erven waaruit zij beloofd waren gevrijd zijn, 
mag Christoffer ook Rembertinck, verbonden voor 
de 400 gl., kwijten en lossen, want het is aan 
de Overhagens noch naar landregt, noch naar 
leenregt ooit betwist maar alleen verbonden voor 
de 400 gl.; aang. nu „in waerschappen, loeffnis 
ende loesen gene praescriptie kracht hefft," moet 
Coert het goed ruimen, zijne penningen ontvangen 
hebbende. 

Op 4 en 18 Ang. neemt h\j het 2e en 3e. 

1550 Oct. 16 (C cxLi v^). 

Willem van Buckhorst, als momber van Juffer 
Anna v. B. wed. en de kinderen van Johan van 
Ytterssum, Drost van Ysselmuiden, neemt zijn 
Ie wasteeken op Reyner van Aeswijn Heer te 



454 

Braeokel, over de volgende punten, waarbij aanl. 
niet denkt af te treden van het compromis penaal 
tusschen partijen gesloten, verklarende aanl. alleen 
noodshalven het volgende te eischen, omdat verw. 
wasteekenen aan zijn zuster en haar kinderen 
gezonden had. 

1°. Daar genoemd compromis inhoudt, dat elke 
partij haar ^gebrecken'' in schrift brengen moet 
en voor den laatsten Mei e. k. met de noodige 
bewijsstukken in afschrift overgeven aan den Drost 
van Sallandt, hetgeen door Joh. v. Y. wel, maar 
door R. v. A. niet gedaan is, daar verder deze den 
maagscheid en erfcedul, waarvan hij in de aan- 
spraak spreekt, niet overgelegd heeft, en dit ook 
bij de verdere wasteekens door hem verzuimd is, 
eischt aanl. de pene in het compronis daarop 
gesteld. 

2^. Daar Joh. v. Y. in dienst des Keizers in 
Oeverlant gestorven is, onder de ruiterij van 
v. Aeswijn, die toen Ritmeester was en in soldij 
des Keizers 6 paarden gehad heeft, eischt aanl. 
voor rest. van soldij dier paarden 287 Phs. gl. 
ter goeder rekening. 

3^. Aang. brieven van erfscheiding tusschen 
erfgen. van een erfhuis gemeen zijn naar regt en 
behooren medegedeeld te worden aan den belang- 
hebbende, zoo vordert aanl., daar zijn brieven bij 
het afbranden van het erfhuis der zal. vrouw van 
Buren binnen Gramsberge verbrand zijn, trans- 
sumpten van de zegels en brieven en andere 
schrifturen en munimenten van erfscheiding. 

4^. Daar verw. in het 9e art zijner was- 
teekens zegt, dat de maagscheidsbrief vermeldt 
dat bewezen moest worden wat leengoed was en 
dat het overige deelbaar zoude zijn, zoo is 't, dat 
verw. 2 stukken erves met de tienden te Aene 
in Hardenberger kerspel heeft, gekomen van de 
vrouw van Buren, „gaende toe Aene'' van de 



455 

V. Rutenbergs gelijk bewijsbaar is; omdat mi de 
leengoederen do^T Roelandt v. Coevorden nagelaten 
eerst vervallen zijn op Johan v. Y., daarna op 
diens oudste dochter Agnes, eischt aanl. ruiming 
en restitutie van de ontbeurde opkomsten, vruchten 
en pachten. 

5o. Er is een sloptiende te Aene van 4 
schepel rogge per jaar uit Lossers erve aan de 
3 erfgen gemeen, welke verw. alleen occupeert; 
van de ontbeurde vruchten eischt aanl. restitutie. 

6°. Aan de van Ittersums is bij de maagscheid 
toegedeeld een katerstede genaamd Kreynck- 
horst te Holtheem, waaruit zekere Schuitken eerst 
met het gerigt van den Hardenberg en nu met 
het hofgerigt van Gfamsberge een stuk lands met 
regt eischt, derhalve vordert aanl. dat verw. zijne 
quota in die actie en molestatie drage. 

7o. Daar de hooge en lage landen in den 
Oldenhof behoorende tusschen de 3 erfgen. ver- 
deeld zijn, en de van Ittersums in den Oldenhof 
land gelegd en tot een erve gemaakt hebben, zoo 
is 't, dat de Vrouw van Buren diverse renten 
aan de Capellaan te Raeden, aan het Convent 
van Bronnepe, en aan die van Vilsteren daaruit 
verkocht en verzet heeft, welke dezen vorderen 
kunnen uit den geheelen Oldenhof, zoo vordert 
aanl. dat Aeswijn zooveel van die renten vrije, 
dat aanl. voor niet meer dan Ys ^^^ de rente 
aansprakelijk zij. 

8o. Daar Aeswijn eertijds uit het erve Schaeck- 
berch 30 ggl. per jaar heeft gehad welke deels 
gelost en verder met den koop van het huis 
binnen Deventer gekweten zijn, terwijl de brief 
nog in volle zegelen bij hem berust, eischt aanl. 
dat hem de zegels en brieven overgeleverd en 
gecasseerd worden, of dat hem behoorlijke acquiten 
gegeven worden. 

Op 20 Oct. en 13 Nov. neemt hy het 2e en 3e. 



456 

1550 Oct. 16 (C cxLv). 

Reyner van Aeswijn, Heer te Braeckell neemt zijn 
Ie wasteeken op Juffer Anna van Mervelde wed. 
Reynolt van Coevorden, zeggende, dat in de sen- 
tentie op de laatste claringe tusschen hem en Rolant 
V. C. gewezen, staat, dat zij beide vóór St. Jacob van 
al hun geschillen op zekere pene zich „ontscheiden" 
zouden hetwelk toen door den onvoorzienen Over- 
lantschen krijg en ook door de schuld der v. Cs 
verbleven is, dat zij echter door tusschenspreken 
van goede vrienden hun geschillen onherroepelijk 
gecompromitteerd hadden, de aanl. aan Reynolt 
van Bourmannia, Drost te Coevorden en van 
Drenthe, en Vnico Ripperda Heer te Dijckhuysen, 
en de wed. aan Hinrich van Besten en Mr. Bernt 
Stuyrman, en als dezen het niet eens konden worden, 
aan Johan van Ligne, Graaf to Arenburch en Heer 
te Barbansson tot Overman, Stadhouder, blijkens 
het compromis geteekend door de wed., haren 
broeder Henrick v. M. en anderen; dat door die 
arbitratoren de meeste geschillen vereffend, maar 
enkele aan den Stadh. als overman ter beslissing 
zijn gegeven; dat ons de wed. te kennen heeft 
gegeven het compromis te willen verlaten, waar- 
tegen aanl. in regten op komt. 

Hij neemt 30 Oct. en 13 Nov. zijn 2e en 3e. 

1550 Oct. 16 (C cxLvi). 

Dezelfde neemt zijn Ie wasteeken op Juffer 
Anna van Buckhorst, wed. Johan van Ytterssum 
en haar kinderen, zeggende dat hij van Johan 
V. Y. en zijn vrouw ettelijke vaste goederen ge- 
kocht en hun betaald heeft, omschreven in een 
erfkoopbrief met de zegels van den Drost van 
Salland als ordinaris rigter en Joh. v. Y. als 
verkooper; dat de verw. hem in de possesie hiervan 
perturbeert en in schade gebragt heeft, door 
sequestratie op die goederen gelegd, weshalve zij 



457 

deze storing zal moeten verantwoorden, of hem 
schade, kosten en interessen vergoeden. Voorts 
dat verw. zekere injuriën en feiten van geweld 
ten zijnen laste bij den Stadh. aangebragt heeft, 
welke zij in regten niet waar zal kunnen maken 
en dus den hiervan aanl. beteringe doen moet 
naar landregt. 

Op 30 Oct. en 13 Nov. neemt hij het 2e en 3e. 

1550 Oct. 16 (C cxLvi v°). 

Dezelfde neemt zijn Ie wasteeken op Seyno 
Mulart, Drost van Sallandt, op grond van de 
hier voren vermelde sequestratie, waardoor aanl. 
geperturbeerd is in zijn possessie, vorderende dat 
de Drost dit in regten verantwoorden, of hem 
daarvoor beteringe en vergoeding zal geven. 

Op 30 Oct. en 13 Nov. neemt hy het 2e en 3e. 

1550 Oct. 16 (C cxLvii v*>). 

Henrick van Haersolte neemt zijn Ie wasteeken 
op Herman Muylart, Schout te Zwolle, omdat 
deze op verzoek van de tegenpartij hem een 
„gerichtsweete" gezonden had, dat hij zijne goederen, 
in het gericht van Swolle gelegen verantwoorden 
moest, hetgeen door verw. gedaan is bewerende 
niet schuldig te zijn voor het lage gericht te richte 
te staan, maar zich te Landrigte „erboot" wie 
op hem of zyn goederen te zeggen had ; „daer- 
mede den gerichte affgedanckct, des de weder- 
delen niet gewegen weren mit lantrechte te vor- 
deren" ; daar de sententie van die van Swolle geen 
verder autoriteit kan hebben dan hun vrijheid gaat, 
dan alleen met dreigementen van den Schout; dat 
ook door de tegenpartij (wederdelen) aan de meijers 
te Wijnsum bevolen was de pacht en het gewas 
der erven binnen Zwolle te brengen, dat de meijers 
dit aan hun landheeren te kennen gegeven hebben, 
daar Haersolte den megers bevolen had ze in 



458 

het klooster te Wijnssum te brengen; reden waarom 
hij bij den Drost bescherming gevraagd heeft voor 
alle goederen zijner zal. moeder in het gericht van 
Zwolle buiten stads vrijheid gelegen op straf van 
geweld met sequestratie der vruchten en pachten 
in het klooster; dat de Drost hieraan gevolg ge- 
geven en de Schout eerst daaraan gehoor gegeven 
heeft, doch dat onlangs die sequestratie opgeheven 
is en buiten weten en consent van aanl. door 
den Schout aan de tegenpartij vergund is om het 
koren, de pachten en het gewas uit het klooster 
weg te halen. Weshalve aanl. van den Schout 
restitutie en schadevergoeding vordert. 

Op 30 Oct. en 13 Nov. neemt hy het 2e en 3e. 

1550 Oct. 23 (C cxLix). 

Johan van Steenwijck neemt zijn Ie wasteeken 
op WolfF Muylart voor 20 ggl., welke Wolff als 
erfgeii. van zün vader Johan M., Rentmeester 
van Sallandt, blijkens handschrift en signet, waarop 
door Hinrick M., Wolff *8 broeder, 80 ggl. hoofdsom 
en 4 ggl. handgeld betaald waren, schuldig was 
en tot betaling waarvan hij te vergeefs voor het 
gericht van Uardenberg in regten was aangesproken, 
zoodat aanl. nu betaling en vergoeding van kosten, 
schaden en interessen eischt. 

Op 6 en 20 Nov. neemt hij het 2e en 3e. 

1550 Oct. 23 (C rxLix v«). 

Seyno Worini^ers en Herman Bartolts, als ge- 
magtigden van Alijdt ter llulshorst, nemen hun 
Ie wasteeken op Otte van der Bussche, als erfge- 
naam van Juffer Wigbolt v. d. B. voor zeker 
gift van 100 Jochumdalers, die Roelof opSeldam 
aan Wigbolt schuldig was van een erve in de 
buurschap Eisen, dat Roelof van haar in haar 
ziekte gekocht had en welke som z^ bij testament 



459 

gemaakt had aan haar maagd Alijdt voornoemd, 

voor trouwe diensten, in bijzijn van Heer Dicbold 

Vockinck Pastoor te Rijssen en Mr. Geert Uoef- 

lach als getuigen. 

Op 6 en 20 Nov. nemen zy het 2e en 3e. 

1550 Oct. 23 (C CL). 

Johan van den Boetzeler, als erfgen. van Dirick 
van den Schulenborch, neemt zijn Ie wasteeken 
op Juffer Anna van Mervelde, wed. Reynolt van 
Coevorden, als erfgename van haren zoon Roeland 
V. C. voor zeker actie van beloofde „waerburch- 
schap," op S. liambertsavond 1460 door D. v. d. S. 
voor Reynolt v. C. en Belye diens vrouw gedaan 
voor 9 mud rogge jaarlijksche rente, waarvoor 
aanl. wegens wanbetaling van JufiFer Anna aan- 
gesproken is door Gerrit Roeloff, burger te Hasselt; 
daar nu Reynolt en Belye, met hun zoons Roeloff 
en Wolter beloofd hebben bij zegels en brieven 
D. V. d. S hiervoor schadeloos te houden, vordert 
aanl. schadevergoeding en teruggave der genoemde 
brieven van borgtogt, en ook van die brieven, 
waarin D. v. d. S. met Heer Otto van Rechteren, 
Heer Willem van Buckhorst Ridders en Johan 
van Twickelo aan Johan van Diepholt voor Wolter 
en Roelof v. C. „geloeft"- hebben voor 268 ggl.; 
voorts ook teruggave van die brieven en zegels, 
welke D. v. d. S. aan Reynolt Haeck voor Johan 
V. C. gegeven heeft, sprekende van 350 R. gl., 
gelijk door Reynolt, Aloff en Johan v. C. ge- 
broeders aan Dirick beloofd was; vervolgens ver- 
langt aanl. vrijing en schadelooshouding voor 
zekere belofte door Dirick bij zegels en brieven 
gedaan voor Reynolt van C, Belye zijn vrouw en 
het Capittel van Deventer voor 15 ggl. erflijke 
rente, gelijk bij zegels en brieven beloofd is; zoo- 
mede teruggave van verscheiden andere zegels en 
brieven waarin D. v. d. S. borg bleef met schade- 
loosstelling. 



460 



In de genoemde brieven komen nog voor Sofia, 
vrouw van Rolof v. C. en als zoons van Wolter 
V. C: Wolter, Dirk, Reinolt, AlofF en Johan. 

Op 6 en 20 Nov. neemt h\j het 2e en 3e. 

1550 Oct. 23 (C CLÜ). 

Anna van Greüenes en de kinderen van zal. 
Jacob Bloemendaell, Schout te Raelte nemen hun 
Ie v^asteeken op Albert van Vilsteren c. s. als 
erfgenaam zijns vaders Egbert v. V., in der tijd 
momber over de kinderen van zal. Anna v. V. 
voor 265^2 Andries gl. k 30 st. br door Egbert 
ontvangen van Jacob BI. aangaande het Schout- 
ambt Raalte, v^elke zaak aanl. in 1546 aan 
den Stadh. Graaf van Bueren te kennen gegeven 
heeft, die haar daarop appointemeut verleend heeft, 
dat zij den originelen brief zouden overleggen, 
waarnaar de brief van zal. Johan van Ytterssum, 
Drost van Sallandt verwees, alsnu wordt geëiseht 
door aanl. van verw., die brief of anders restitutie 
van de 265 V2 Andr. gl. met de verloopen rente 
over ongeveer 6 jaar. 

Op 6 en 20 Nov. nemen zy het 2e en 3e. 



AUG241921