Skip to main content

Full text of "Publications de la Société historique et archéologique dans le Limbourg ..."

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



'-„^gf 



BEQUEST 
UNIVERSITY orMICHIGAN 
l OENERAI. LIBRARY ' j 



ÏHlt&S VRfÜHÏbUNNiKG 11 
f BEQUtST 

UNIVERSITY orMICHIGAN' 

t GENERAL LIBRARY J^J 




PUBLICATIONS 



DE LA SOCIÉTÉ 



HISTORIQUE ET ARCHEOLOOIQUE 

DANS LE LIMBOURG 



a MAESTRICHr. 



TOMÉ XL.III. 



TOMÉ XXIII. 



1907 



r/s utii/a major. 



r tl 



Imp. Leiter-Nypels, Maestriciit. 

1907. 



• ' 



• •< 






Eenige voorstellen gedaan voor het behoud 

der Oude Orafsteenen 

door 

A. J. A. FLAMENT, 

in de 

Algemeene Vergadering van het Geschied- en Oudheidkundig 

Genootschap in Limburg, 4 April 1907. 



Men kan m.i. het volgende aanraden als de beste middelen: 

1^ Nauwkeurige beschrijving, zoo mogelijk afbeelding en deze 
in druk uitgeven. — Steenen met ingehouwen voorstellingen letters 
kan men op dun papier met zwarte was gemakkelijk calqueeren (i). 

N.B. Geen heilzamer middel om wandalisme te voorkomen dan 
zulk eene beschrijving en publiekmaking. — 

2^ Bekend maken van verwijdering en verminking van graf- 
steenen, vooral als daar te voren voor gewaarschuwd is. 

3*. Er op werken dat voorzorgsmaatregelen worden genomen, 
dat deze steenen niet uitslijten of beschadigd worden: 

a, door deze, zoo mogelijk, in de muren, biimen de kerk, in 
den omgang, het portaal of de sacristie te metselen, of zoo dat 
niet goed mogelijk is: 

b, door ze in een gedeelte der kerk of omgang te plaatsen, waar 
men niet er over loopt j 



O Zoogenaamde schoenmakerswas, Americaansche was. 



— 4 — 

c. door ze te bedekken met een mat of kleed of, zoo mogelijk, 
ijzeren roosters, gelijk bijv. te Rolduc. 



Hier volge eene niet geJiccl volledige opgave van oude graf- 
steenen van vóór 1800 die beschreven zijn. 

1. Volledig zijn beschreven: 

a. De grpfsteencn te Gennep, Well, door Pastoor xVI. J. Janssen, 
in de Maasgouw. 

b. Van Breusi en Eysden en op het oude kerkhof te Wijk door 
Pastoor van Wintershoven te Eymacl in de Maasgouw, jaargang 
1904—1905. 

c. In de Kathedrale kerk te Roermond door wijlen J. B. Sivré, 
archivaris aldaar, in dl. XVI der Publications. 

d. In de kerk en op het kerkhof te Klimmen door D** Schoen- 
makers, in dl. XLIl der Publications. 

e. In de oude abdijkerk te Thorn door A. J. A. Flament, in 
dl. II van den inventaris der archieven van de Vorstelijke abdij 
Thorn. 

ƒ. In de oude abdijkerk te Sustcren en de kerk van Grons- 
veld en Sittard en op het kerkhof der Hervormden aldaar door 
denzelfde. 

Verder zijn beschreven door wijlen Pastoor J. Habets in de 
Publications dl. VI, X, XV^I en door Pastoor Janssen te Meerlo 
en A. J. A. Flament, in de Publications dl. XXIX en in de 
Maasgouw 1889 — 1905 (door beide laatsten zijn de wapens volledig 
beschreven) grafsteenen te 

Amstenrade, Arcen, Baerlo, Borgharen, Baexem, Beek, Berg-en- 
Terblijt, Bemelen, Broeckhuysen, Broeckhuysenvorst, Bunde, Elle, 
Elslo, Geulle, Geysteren, Grathem, Gulpen, Heer, Heerlen, Helden, 
Heythuysen, Hoensbroeck(op 't kasteel), Holtum, Houthem, Horst, 
Ittervoort, Kessel, Limbricht, Maasbree, Mcerssen, Mhcer, Neer, 
Nieuwstad, Noorbeek, Nuth, Oerlo, Oirsbcek, Oud-Valkenberg, 
Roosteren, Schin-op-Geul, St. Pietcr (kerkhof, St. Lambertuskapel 
en op Slavanten), St. Stevensweert, Steyn, Venlo, Venray, Voeren- 
dael, Wynantsrade, Wylre-Oud-Vroenhoven. De meeste dezer 
steenen zijn met wapens versierd, ja bijna alle zelfs. 

Verheven graftomben zijn te Gronsveld, St. Servaas en St. Jan 



— B — 

te Maastricht, en het Munster te Roermond (met beelden, behalve 
te Gronsveld). 

Iti den muur gemetselde stcencn met beelden en relief te 
Geysteren, Horst, St. Servaas- en O. L. Vrouwekerk te Maastricht, 
Rolduc, Sittard, Sustenen, Thorn, Wynantsrade. 

Liggende steenen met beelden en relief in het Rijks-archief te 
Maastricht en te St. Stevensweert. 

'Idem met ingegrifte afbeeldingen in O. L. \^ rouwe «en in het 
Rijks archief te Maastricht. 

Goed verzorgd zijn de steenen te Borgharcn, Geysteren, Holtum, 
Limbricht, Nieuwstad, Rolduc (oude abdijkerk), op het Prot. 
kerkhof te Sittard, te Susteren, te Wijnantsradc, die te Heer in 
de oude kerk, ecnige te Horst, en in de C). L. Vrouwe kerk en 
Sr. Servaas te Maastricht, cenige in de parochiekerk te Sittard. 

Vooral wijs ik hier op den treurigen toestand der grafsteenen 
in de oude Dominicanen-kerk te Maastricht. 



Bijdrage tot de geschiedenis der Schati<amer 
van St. Servaas te Maastricht 

door 

Jh^ M' VlCTOR DE STUERS. 



1. Het verkwanselen van vier reliquieënhouders uit 
St. Servaaskerk te Maastricht in 1846. 

Het is bekend dat de kunstschatten van St. Servaaskerk veel 
hebben te lijden gehad van de bestorming en de plundering van 
Maastricht door de troepen van den hertog van Parma in 1579, 
en nog veel meer ten gevolge van de inneming der stad door de 
Franschen in 1794. Het kapittel werd opgeheven, de kanunniken 
werden verstrooid en zij namen tal van voorwerpen uit de schat- 
kamer mede, zich vleiende dat de Franschen eerlang verdreven 
en het kapittel hersteld zouden worden. Die hoop is ijdel gebleken; 
alleen is later de kapittelkerk weder voor den godsdienst bestemd 
geworden, doch nu als parochiekerk. Vele kanunniken of hun 
rechtverkrijgenden hebben toen de meegenomen voorwerpen aan 
de St. Servaaskerk teruggegeven, doch veel is achtergebleven en 
spoorloos verdwenen. 

Naderhand is de artistieke en historische kerkschat lange jaren 
door het kerkbestuur met groote onverschilligheid behandeld; 
erger nog, daaruit zijn in 1846 vier van de voornaamste en 
kostbaarste voorwerpen op de domste wijze verkwanseld; in dat 
jaar toch zijn de vier gedreven rehquieënhouders uit de XII* eeuw, 
prachtig Maastrichtsch smeed- en emailleerwerk, met de beroemde 
Noodkist één geheel vormend, door den pastoor-deken P. A. van 
Baer aan een vreemden koopman verkwanseld geworden. 



— 8 — 

Ecnige aanteekeningen door mijn vader in 1849, toen hij lid 
van Gedeputeerde Staten was, gemaakt, hebben mij op het spoor 
van deze allerdroevigste geschiedenis gebracht. Wat ik te weten 
ben gekomen volgt hier. 



In een rapport van den Heeu L. J. F. Janssen, Conservator bij 
het archaeologisch Kabinet te Leiden, over oudheidkundige naspo- 
ringen in Limburg, berichtte deze aan den Minister van Binnen- 
landsche Zaken ook, dat het bestuur der ü. L. Vrouwekerk te 
Maastricht een aloud kunstig gedreven gouden reliquieënkastje voor 
fr. L')000 aan een Engelschman verkocht had, die het weldra 
voor meer dan het dubbele w'eder zou hebben overgedaan; en 
dat het voorwerp daarop voor fr. 100.000 in Rusland verkocht 
zou zijn. Dit feit boezemde den Conservator geen andere opmer- 
king in, dan deze, dat men hieruit kon afmeten hoe kostbaar het 
kunstgewrocht moet geweest zijn, en hoezeer het kerkbestuur zich 
benadeeld had door het te verkoopen zonder vooraf het advies 
van een deskundige te hebben ingeroepen. 

De tijdelijke Minister voor de Zaken van den R. K. Eeredienst, 
Lightenvelt, hiermede door zijn ambtgenoot van Binnenlandsche 
Zaken in kennis gesteld, beschouwde de zaak van een ander 
oogpunt. Hij schreef den 7 November 1848 aan Gedeputeerde 
Staten van Limburg, dat de mededeeling in hooge mate zijne aan- 
dacht had getrokken, dat de kerkfabriek moest weten dat krach- 
tens het keizerlijk decreet van 30 December 1809 en art. 1 en 5 
van het K. B. van 16 Augustus 1824 (Sb. n® 45) zulk een ver- 
vreemding de machtiging des Konings vereischte; en hij verzocht 
de fabriek ernstig te onderhouden en de zaak nauwkeurig te onder- 
zoeken, inzonderheid wat betreft oorsprong, vorm en waarde van 
het kastje, den naam des koopers, den tijd van den verkoop en de 
bestemming aan de koopsom gegeven; ook vroeg hij het gevoelen 
van den Kerkvoogd en van Gedeputeerden, ten einde te kunnen 
overwegen, wat te doen was om het geleden verlies te herstellen, 
althans de herhaling van dergelijke ongeoorloofde vervreemdingen 
te voorkomen. 



— 9 — 

Gedeputeerde Staten schijnen grond gehad te hebben om te 
vermoeden, dat niet de fabriek van O. L. Vrouw, maar die van 
St. Servaas de delinquent was; zij brachten het verzoek om inlich- 
ting aan deze laatste over. 

Het antwoord onderieekend door P. A. van Baer, en de Heeren 
Visschers, G. Tielens en Tripels doet aan de casuïstiek van Escobar 
denken. De Heeren schreven „dat door het Kerkbestuur zulkdanig 
kistje niet alleenlijk aan niemand wie dan ook, is verkocht gewor- 
den, maar zelfs de mogelijkheid in het midden gelaten, dat zich 
intertijd onder andere kostbaarheden van het in 1796 gesuppri- 
meerde capittcl van St. Servaas een gouden kistje kan bevonden 
hebben, dat de ondergeteekenden tijdens hun bestuur nimmer van 
het bestaan van zulk een kistje kennis hebben gedragen. Weshalve 
de vooronderstelde verkoop voor een louter verdichtsel te hou- 
den is." 

Na dit hooghartig antwoord stelden Gedeputeerden „par acquit 
de conscience" de vraag ook aan de fabriek van O. L. Vrouwekerk. 
Deze berichtte den 1 December 1848 eveneens ontkennend en 
voegde erbij, dat zij -zich nooit zou durven „gewagen om goederen 
der kerk te vervreemden, zonder alvorens de goedkeuring van 
Gedeputeerden in te roepen," verklaring welke die van St. Servaas 
wijselijk achterwege gehouden hadden. 

Nu konden Gedeputeerden den 7 December den Minister ver- 
zekeren dat de beide kerken nooit zulk een kistje bezeten hadden, 
waarom zij het dan ook onnoodig hadden geacht den Kerkvoogd 
omtrent de zaak te raadplegen. 

Lightenvelt verzocht Binnenlandsche Zaken hiervan kennis te 
geven aan den Conservator Janssen, en dezen te vragen „naar den 
„oorsprong van het tegen het betrokken kerkbestuur zoo geheel 
„ten onrechte ingebracht bezwaar." 

Janssen kon dit bedekt verwijt niet verdragen; hij schreef den 
25 Juli 1849 aan den Minister dat het hem steeds bij al zijn 
onderzoekingen maar enkel om waarheid te doen was, naarmate 
hij dieper elke lichtvaardige beschuldiging verachtte; „naarmate ik 
mij, ofschoon de hervormde gezindheid van harte toegedaan, leven- 
dig bewust ben van ongeveinsde hoogachting voor de R. C. Zuster- 
kerk en haar waardige voorstanders, waaronder ik vrienden tel, 
en het is mij daarom van waarde thans een authentiek stuk te 



— 10 — 

kennen, tot volkomen verantwoording van mijn eenvoudig bericht.'* 

Dat stuk, hetwelk hij overlegde was een schrijven d.d. 15 Maart 
1849 van Baron Michiels van Verduynen, raadsheer in het provin- 
ciaal gerechtshof te Maastricht, aan den Heer Ch. Guillon, Secre- 
taris van de Kamer van Koophandel te Roermond. In dezen brief 
leest men : 

„Pour en revenir a nos monuments de Maastricht, il se commet 
ici tous les jours des actes de Vandales; ainsi la régence a con- 
senti successivement a la démoliiion de l'église de St. Nicolas, de 
l'église de Ste Anne et maintenant de la porte de la ville de 
Notre Dame ('), qu'on va renverser dans peu ^ Ie gout leur 
manque! des connaissances ils ne les ont pas de ce qui est ancien. 

„Cependant M"" van Baer remporte Ie prix sur tous! Avec un 
conseil de fabrique imbécile et sans énergie, il trafique du mobi- 
lier de Téglise a volonté; ainsi Ie tableau ornant Ie maitre-autel 
au petit Séminaire de St. Trond a éié enlevé de St. Servais et 
vendu a eet établissement; plusieurs autres tableaux sont alles 
ailleurs. 

„Il y a environ 2 ans, il s'est permis avec Ie consentement de 
sa fabrique de vendrc a M' Horn a Liégc pour Ie prix de dix- 
mille francs, les 4 reliquaires renfermant les ossements de Saint 
Monulphe et Gondulphe (les reliques sont resiées ici). Cesobjets 
d'une valeur bien grande sous Ie rapport de l'art, de l'antiquité 
et de leurs souvenirs, ont été revendus par eet orfèvre a des 
brocanteurs anglais, qui viennent de les placer a l'empereur de 
Russie pour passé cent mille francs! et qu'a-t-on fait de eet ar- 
gent? acheté un dais pour la grande proccssion, et des chasubles 
et ornements de prétrcs, fabriqués a Anvers, qui ont coüté, dit- 
on, 13 mille francs, somme qui a été parfaite de 3000 francs, 
outre les dix mille des ciselures que M' ie curé-doyen a su trou- 
ver ailleurs; ces jours un journal hollandais (de Rotterdam) 
allant a latons a un peu attaque M"* Ie curé, mais l'exacte vérité 
ne lui était pas connue. 

„Ouvrez maintenant l'ouvrage de M"" Arnaud Schaepkens, qui 
est aujourd'hui a la 5* livraison de son Trésor de l'Art Ancien, 



(1) Deze poort d.igieckenend uit het begin der X1II<* eeuw, werd toen „in ver- 
band met" den aanleg van het LuiUer kanaal doorgebroken en grootendeels vernield. 



— 11 — 

— Bruxelles 1848, planches 21 et 22 et du texte page 19, et 
vous y verrez les 4 coffrets représentés et leur exacte description. 

„Get artiste termine ainsi son article : „ces quatre cisclures en 
cuivre rouge doré^ travaillées au repoussé, émaillées et ornées de 
pierreries, so«t appliquées contre des boites en chène de petite 
dimension et s'ouvrant a clef du cóté opposé a celui que représente 
notre planche. Pour Ie travail et Ie style, elles ressemblent a la 
grande chasse (de St. Servais), avec laquelle elles ont encore de 
connmun la date de leur exécution. De l'autel ancien qu'clles or- 
naient, détruit par des restaurateurs iconoclastes au commence- 
ment du XIX® siècle, il ne restait plus rien que Ia grande chasse 
et nos quatre reliquaires, que nous croyions désorniais sous la sau- 
vegarde de 1'esprit éclairé de nos jours. Cependant, malgré leur 
valeur comme monuments de Tart, de Thistoire nationale et ecclé- 
siastique, ces quatre volets, inséparables de la chasse de St. Servais, 
ont disparu du trésor de cette église. Nous sommes heureux de 
pouvoir par notre travail en conserver Ie souvenir a la Belgique". 

„Voici Monsieur ce qu'il vous faut; il est temps que l'homme 
en question soit nommé, qu'il soit place au pilori de Topinion 
publique et un bon et fort article de journal lu en HoUande et 
a Maestricht sera peut-être Ie seul bon remede pour donner une 
autre direction a ses idees dévastatrices et Ie corriger de son 
brocantage de ce qui ne lui appartient pas. 

„Toutefois personne ne pense ici qu'il empoche de ces ventes, 
mais il Temploie en futilités; son caractère absolu et entèté Ie 
fait dominer Ie Conseil de fabrique qui souscrit en autorisant 
toutes les opérations; voila, Monsieur, un de ces hommes, que 
Ie Gouvernement HoUandais (probablement pour Ie mal qu'ils 
font) a décoré du Lion Néerlandais". 

Deze verontwaardigde brief van iemand, die — zooals Janssen 
opmerkte — „uit hoofde van zijne hoog achtbare rechterlijke 
betrekking en maatschappelijken stand niet wel geacht kon worden 
in staat te zijn om zich te vernederen tot lichtvaardig verspreiden 
van valsche berichten", maakte indruk op den nieuwen Minister 
voor de zaken van den R. G. Eeredienst, Mutsaers. Ofschoon — zoo 
schreef hij den 1 Augustus 1849 aan Gedeputeerden — het niet duide- 
lijk uit dit stuk blijkt of de daarin vervatte bijzonderheden betrek- 
kelijk den verkoop van vier kunstig bewerkte reliquieënkastjes ook 



— 12 — 

I 

van toepassing waren op den verkoop van het bewuste gouden 
kistje, is de inhoud echter zoo bezwarend, dat de eer der autori- 
teiten en inrichtingen die bij deze zaak betrokken worden, alsnu 
vordert dat de waarheid in een helder daglicht worde gesteld en 
het duidelijk blijke of het tegen de kerkfabriek ingebrachte be- 
zwaar, ook met opzicht tot andere kunstvoorwerpen al dan niet 
gegrond is. De Minister verzocht dus een nader nauwkeurig on- 
derzoek, ten einde deze zaak niet slechts in het belang van kunst 
en oudheid, maar ook in dat van een goed beheer der kerkelijke 
goederen in verband tot de bestaande verordeningen overtuigend 
worde opgehelderd. 

De Gouverneur van Limburg droeg den 8 Augustus 1849 dit 
onderzoek aan hei Gemeentebestuur van iMaostricht op Hij tee- 
kende daarbij aan, dat wijl het niet denkbaar was dat teekeningen 
en text van den heer Schacpkens fictief waren, de kerkfabriek 
zich bepaald zou hebben te verantwoorden of die 4 kastjes thans 
nog onder de kerkgoederen aanwezig waren, terwijl, bijaldien 
zulks niet het geval mocht wezen, zij behoorde op te geven: 

1°. of de bedoelde 4 reliquaires weleer tot de kerkgoederen van 
St. Servaas hadden behoord ^ 

2°. of zij met voorkennis van de fabriek zijn vervreemd; 

3°. of de vervreemding plaats had aan den heer Horn te Luik 
voor fr. 10000. 

Den 22 Augustus 1849 vroegen Burgemeester en Schepenen 
aan Pastoor en Kerkmeesters van St. Servaas inlichting en ant- 
woord punt voor punt. Zij hadden de naïveteit er bij te voegen 
dat „voor zoover de heeren tot opheffing van allen twijfel rakende 
de voorwerpen welke thans bedoeld worden, overigens mochten 
verlangen inzage te nemen van het aangehaalde werk met teeke- 
ningen van den heer Schaepkens, zoo geliefden zij indachtig te 
zijn, dat dit werk in de stads-bibliotheek (toegankelijk alle werk- 
dagen vóór den middag) aanwezig was". 

Nu kwam eindelijk de aap uit den mouw! 

Den 10 September 1849 schreef het Kerkbestuur van St. Ser- 
vaas den volgenden brief, een monument van domheid: 

„Die vier houten kastjes of reliquairen voorzien van eene ko- 
peren vergulde bewerkte plaat en inhoudende de gebeenten van 
de heiligen Monulphus en Gondulphus hebben voortijds werkelijk 



— 13 - 

tot de geriefelijkheden (!) van St. Servaas behoord, doch enkelijk 
als losse op zich zelve staande en onbestemde {}^ voorwerpen; 
terwijl de zooeven vermelde gebeenten bewaard blijven in eene 
grootere daartoe ingerichte kist, welk volgens oude gewoonte 
jaarlijks met plechtigheid in 'genoemde kerk omgedragen wordt 
en gedurende acht dagen uitgesteld blijft. 

„Gemelde vier kastjes zijn nu drie jaren geleden, door het 
Kerkbestuur bij ruiling vervreemd geworden, en men draagt geen 
kennis van de plaats waar dezelve zich thans bevinden. 

„Deze vervreemding heeft echter niet plaats gehad aan den 
heer Horn te Luik, die, ware zijne Ed. thans niet afwezig, wel- 
licht eene verklaring zoude hebben overgelegd, uit welke tevens 
blijken zou wat te denken van de veronderstelde door de gedien- 
stige berichtgevers hartstochtelijk overdrevene waarde dier kastjes (J^). 

„Gezegde ruiling heeft zich toegedragen als volgt: 

„De Fabriekraad namelijk, in de maand Juli 184G, overeenkom- 
stig art. 10 van het te Maastricht vigeerende Keizerlijk decreet 
van 30 December 1809 ter gewone vergadering bijeengeroepen, 
vernam uit een der leden (2), dat een vreemd reiziger, die na 
eenige dagen stond weder te keeren, niet ongenegen was de 
bedoelde houten (!) kastjes te koopen, of ook, het Kerkbestuur 
des verkiezende, tegen eenige nieuwe kerkelijke benoodigdheden in 
te ruilen (3). 

^De Raad ten einde zich behoorlijk (!) in te lichten heeft voor 
en aleer desaangaande te beraadslagen, die kastjes onverwijld in 
oogenschouw genomen en daarbij bevonden dat dezelve van een 
schier niets beduidende innerlijke waarde waren, maar enkelijk 
voor eenen minnaar van het oude eenige denkbeeldige waarde 
konden hebben (4). Waarop de Raad, in aanmerking genomen 
het algemeen gebruik, hetgeen in overeenstemming met art. 37 
en 62 van gedacht Decreet medebrengt, dat de Kerkbesturen de 



(1) Straks zal men zien hoe de heer van Baer cum suis die waarde naar beneden 
drijven. 

(2) Kennelijk pastoor van Baer. 

(*) Men heeft mij verzekerd dal daartoe hoorde een nieuwe japon voor het 
fraaie O. L. Vrouwe beeld thans vóór het choor staande. d. S. 

(") Dit kan men precies even goed van de reliquiecn zeggen die in de kastjes zaten. 

d.S. 



— 14 — 

tot den Eeredienst behoord hebbende, doch overjarig (!!) gewor- 
den en buiten gebruik gestelde mobilaire voorwerpen door andere 
nieuwen doen vervangen, — gemeend heeft deze gunstige (!) 
gelegenheid niet te mogen laten voorbijgaan en gevolglijk met 
eenparige stemmen besloten hééft, een der leden {}) te mach- 
tigen om namens het Kerkbestuur met gezegden vreemdeling bij 
deszelfs terugkomst in nadere onderhandeling te treden, en de 
ruiling van gezegde voorwerpen te voltrekken. 

Weshalve dan ook de meergezegde opzichtens den kerkelijken 
dienst nietswaardige (! !) kastjes, benevens twee ongebruikte ouder- 
wetsche koperen luchters indertijd tot merkelijk voordeel (!) der 
kerk tegen nieuwe ontbrekende altaarbehoeftens zijn verruild 
geworden." 

Men merke op dat in dezen schandelijken brief opzettelijk niet 
van verkoop, maar van ruiling wordt gesproken, ten einde te 
kunnen verzwijgen dat de verkoop geschiedde tegen de som van 
fr. 8 a 10000 — welk bedrag de bewering van de nietswaardigheid 
der reliquaires zou hebben gelogenstraft; zoo ontkwam men ook 
aan het gevaar dat verantwoording zou worden gevraagd omtrent 
het gebruik van het geld gemaakt. 

Den 21 September 1849 zonden Gedeputeerden dit fraai stuk aan 
den Minister. Zij voegden er droogjes de volgende opmerkingen 
aan toe: 

dat uit het onderzoek scheen te volgen dat de Kerkfabriek van 
St. Servaas in de onderhavige zaak de bepaling van art. 5 van 
het K. B. van 16 Augustus 1824 (Sb. N. 45) geheel uit het oog 
had verloren. 

Voorts deelden zij eenige bijzonderheden mede omtrent den loop 
der zaak, welke hun van ter zijde waren verstrekt geworden, 
onder opmerking dat zij niet voor de geheele nauwkeurigheid 
konden instaan : 

Indertijd zou zekere brocanteur in oudheden uit Brussel, ge- 
naamd Malfait met een collega bij den Pastoor van Baer zijn 
gekomen en hem 5000 fr. voor de vier reliquaires geboden heb- 
ben; volgens Malfait, vond de Pastoor dit bod zoo gering dat hij 
in geen verdere onderhandeling wilde treden; 

(}) Kennelijk pastoor van Baer. 



— 15 — 

Daarna vervoegde zich bij den pastoor zekere Hom uit Luik, 
vergezeld volgens het beweren van Malfait van den Russischen 
prins Sottikof; zij verkregen de 4 reliquaires en namen die mede; 
de juiste prijs bleef onbekend, maar men moet natuurlijk veron- 
derstellen dat die hooger was dan het aanbod van Malfait. Thans 
zouden zich de reliquaires te Parijs bevinden in het Kabinet van 
prins Sottikof. 

Den 11 Januari 1850 zond de Minister van Buitenlandsche Zaken, 
belast met het bestuur van het Departement voor de Zaken van de 
R. K. Eeredienst, dit rapport aan zijn Collega voor Binnenlandsche 
Zaken, met de opmerking „dat het geraden voorkwam thans in 
het gebeurde te berusten." 

Blijkens zijn antwoord van 17 Januari 1850 was het de Minister 
van Binnenlandsche Zaken hierrnede eens, en zoo ging de zaak 
in den doofpot. 

In het archief van St. Servaaskerk schijnt omtrent de geheele 
zaak zich niets te vinden ! 

Bekend is echter dat de opbrengst heeft gediend o. a. tot aankoop 
van een stel miskleederen en van een kleed voor het O. L. 
Vrouwebeeld. 

Ook staat vast dat op de* auctie van de verzameling van Prins 
Sottikof te Parijs in 1861, de 4 reliquaires met een 5*" werden aan- 
gekocht, men zegt voor den spotprijs van fr. 6250, niet door het 
Nederlandsch, maar door het Belgisch gouvernement. Zij vormen 
thans een der voornaamste sieraden van het Musée in het Pare 
du Cinquantenaire te Brussel. Heden ten dage zouden zij gemak- 
kelijk het tienvoudige opbrengen. 

Later heeft de Deken van St. Servaaskerk Mgr. Rutten gedreven 
copiën doen vervaardigen door Wilmotte te Luik ad fr. 1500 per 
stuk, te samen dus voor fr. 6000. Daartoe heeft de Belgische 
regeering welwillend de origineelen tijdelijk naar Luik gezonden. 
Deze copieën versieren thans het altaar in deabsis van St. Servaaskerk. 

Ook bezit de kerk van twee dezer [reliquaires galvanoplastische 
reproducties, terwijl de firma Cuypers en Stolzenberg te Roer- 
mond, gips afgietsels gemaakt heeft. 



— 16 — 
i?. Het gouden kruis met ivoren Christus. 

Deze reliquieënhouder, een der schoonste en kostbaarste voor- 
werpen uit St. Servaas' schatkamer, is door Bock en Willemsen 
beschreven op bldz. 115 en vlg. van hun Antiquiiés Sacrées. 

Kennelijk hebben zij dezen rcliquaire niet geopend^ anders zou- 
den zij niet op bldz. 119 gezegd hebben dat hij „oudtijds" reli- 
quieën bevatte. Dat de reliquieën, welke blijkens het opschrift er 
in behooren, er thans nog aanwezig zijn, is op 18 October 190H 
geconstateerd, toen het kruis geopend en onderzocht werd in 
tegenwoordigheid van Mgr. H. L. A. Sevriens, Geheim Kamer- 
heer van Z. H., Pastoor-Deken van St. Servaaskerk, J. N. H. C. 
Ramakers, kapellaan, schatbewaarder, M. Rutten, kapellaan. 
Rector van het R. K. Weeshuis, Jhr. Mr. Victor de Stuers en 
Bernhard Witte, Pauselijk goudsmid uit Aken. 
Uit dat onderzoek is het volgende gebleken: 
Het kruis bestaat uit : \^ een houten kern, de reliquieën bevat- 
tende; 2° een gouden plaat welke de voorzijde van het houten 
kruis bedekt en de zijkanten omsluit; 3° een zilveren plaat de 
achterzijde bedekkend. De eerste plaat is met gouden, de tweede 
met zilveren spijkertjes vastgehecht.* 

Midden op de voorzijde is een ivoren Christusfiguur, waarvan 
de armen ingelaten en met een lijmstof bevestigd zijn geweest; 
de benedenhelft der beenen ontbreekt; het corpus is aan het 
kruis gehecht door middel van twee met steenen versierde spij- 
kers, door de handen gaande en van een groven vertinden spijker 
kennelijk in lateren tijd door de borst geslagen (en die nu ver- 
wijderd is geworden). 

De versiering van den rand bestaat vooreerst uit 13 geëmail- 
leerde strooken, allen nog aanwezig; vervolgens uit 35 steenen, 
zooals blijkt uit de gouden klauwen waarin zij gevaf zijn geweest, 
want de steenen zelven zijn verdwenen, uitgenomen N® 6 (dat 
echter rood glas schijnt te zijn) en N<> 25 (Zie Fig. 1). Misschien 
zijn die steenen voor en na uitgedeeld aan devote vereerders der 
reliquieën. 

De kroon van Christus, aan de gouden plaat vastgehecht, telde 
oorspronkelijk 3 steenen; thans zijn slechts N» 38 en 39 aanwezig. 
Daarboven is een amethist (N<» 36). Twee andere amethisten 



— 17 — 



(N* 40 en 41) bevinden zich aan het uiteinde der handen; terwijl 
onder de voeten een grieksche intaglio (N** 42) is, vertoonende 
een krijger, niet zooals sommigen meenen, den god Mars. 

Eindelijk ziet men aan het boveneinde van het kruis een Tvor- 
mige opening, gesloten met een gelijkvorrtiig gouden plaatje; 
sommigen willen dat daar oorspronkelijk een stuk bergkristal in 
gezeten zou hebben, waardoor men de reliquieën kon zien; doch 

T ir 




IZQl^. 



® 
® 



e 







Li 



CZD 




0@ 



©O 



S C^yrCi 



AyO'VT-a.J 








dit schijnt mij ongerijmd; vooreerst waarom moet dit kristal een 
T of Tauvorm hebben? dan, men zou van de reliquieën nage- 
noeg niets te zien hebben gekregen. Ik ben overtuigd dat in die 
opening een ivoren relief heeft gezeten, voorstellende de zege- 
nende hand Gods, komende uit een wolk. Deze voorstelling is 
daar ter plaatse gebruikelijk, en daarmede klopt de vorm der 
opening goed. 

De gouden kruisvormige plöat heeft een omgeslagen rand, welke het 



houten kruis omklemt en 
daaraan met gouden spij- 
kertjes bevestigd is. Deze 
rand is aan de onderzijde 
van den langen arm weg- 
gescheurd; aan de bo- 
venzijde ruw doorboord, 
toen men in lateren tijd 
aldaar een zilveren ring 
instak, dien Bock en 
WiLLEMSEN nog vermei- 
den (bidz. 119), dochdie 
thans verdwenen is. 







Beschouwt men de 
keerzijde van de gouden 
plaat, dan ziet men 18 
openingen , waarin de 
emailstrooken, de vier 
groote steenen en het 
Tvormig gouden plaatje 
met kit gevat zijn (Fig. 

II). 

De zilveren kruisvor- 
mige plaat welke op de 
achterzijde van het hou- 
ten kruis met zilveren 
nageltjes gehecht is, ver- 
toont in gedreven ma- 
juscels het volgend op- 
schrift, dat wij hier 
geven, omdat het door 
Bock en Willemsen 
niet geheel nauwkeurig 
overgeschreven is; 



— 19 — 

f SUB HAC CRUCE CONTINENTUR RELIQÜIE DE LIGNO DNÏ DE 
SEPVLCHRO d5ÏÏ DE (craticul)K S. LAURENTII. S. FELICIS EPÏ 
S. PAULINI EPÏ S. Cf^r^NELII PAPE SCÏ PAULINI DIAC. 

Het houten kruis is vervaardigd uit een enkel stuk hout, doch 
de (heraldisch) linker arm is ten gevolge van een scheur langs 
a — b geheel los CFig- IH). 

Aan de voorzijde is het in den vorm van een kruis uitgehold 
en in die uitholling bevinden zich reliquieën gewikkeld in drie 
sterk samengeperste pakken A, B en C, waarvan de twee eerste 
met gouden, de laatste met zilveren spijkertjes aan den bodem 
bevestigd zijn. Deze nog volkomen gaaf bevonden hechting doet 
vermoeden dat deze pakken sinds zij daar geplaatst werden, on- 
aangeroerd zijn gebleven; het schrift der daarin aangetroffen 
documenten is klaarblijkelijk dat der XI* eeuw (i). Deze dagteeke- 
ning stemt vrij wel overeen met die welke Bock en Willemsen 
voor het reliquaire-kruis aannemen, namelijk de X* eeuw. 

De drie pakken zijn gemaakt van fragmenten uit een zelfde stuk 
zijde, welke van Arabischen (wellicht SiciliaanschenJ oorsprong is. 
Het patroon bestaat uit groote en kleine zittende leeuwen in 
licht-bruin op een licht-geelachtigen grond; daarnaast een blauwe 
strook met arabische karakters. 

Het pak A bevat een perkamenten briefje 1 en vijf kleine pakjes 
2 — 6, inhoudende reliquieën. Fig. IV stelt pak A geopend voor. 

Het briefje 1 heeft het volgend vierregelig opschrift: 
Lignü dhi 
Paulini ^i 
Felicis ëpi 
Paulini diac, 

d. i. Hout van den Heer (= van het Heilig Kruis) 

Cgebeente) van bisschop Paulinus 

Felix 
n diaken Paulinus. 






P) Vergelijk dat van het H. S. van ongeveer 1034 van Gregorius van Tours, de 
gloria martyrum, PI. XXI in E. Reusens, Elt'menfs de Palcographie, 



— 20 — 

Het pakje 2 van witachtige stof (byssus?) en met zijden draad 
omwonden bevat twee kleine stukjes been a en b, licht-bruin van 
kleur en glad aan de oppervlakie en voorts een splinter week hout, 
licht-geel van kleur. Fig. V stelt het pakje geopend voor. Een 
document is er niet bij aangetroffen. 

Het pakje 3 van gelijke stof met bruinen draad omwoeld, 
bevat eenige zeer kleine partikels geoxydcerd ijzer en stof en twee 
perkamenten strookjes. Op het eene: 

De craticula ijf' Laurentii d. i. van het rooster van St. Laurentius. 

Op het andere dat doormidden gescheurd is: 

De sepulcro dni d. i. van het graf des Heeren. 

Om dit pakje is thans een nieuw zijden omhulsel gedaan. 

Het pakje 4 van roode zijde is gebonden met een witten draad, 
welke een perkamenten strookje omsluit, waarop te lezen is: 

De ligno dni, d. i. van 's Heeren Kruis. 

Door betasting is geconstateerd dat zich daarin een hard voor- 
werp bevindt. 

Het pakje 5 van dezelfde stof als 2 bleek ledig. 

Het pakje 6 van dezelfde zijde als 4 is niet geopend geworden, 
het opschrift op het daaraan gebonden perkamenten strookje was 
onleesbaar. 

Pak B 'bevat een blauw-zijden pakje omwonden met een rooden 
en een witten draad; het is niet geopend geworden, wijl de 
inhoud aangegeven werd door een perkamenten strookje, waarop 
geschreven stond: De ossib.S^-' Cornelii pape, d.i.'van de gebeenten 
van den H. Cornelius, paus. 

Pak G bevat een pakje van witte stof (byssus?) gesloten door 
een witten draad. Daarin zijn eenige kleine fragmenten van been- 
deren aangetroffen, doch geen document. 

Alzoo is de aanwezigheid geconstateerd van de volgende reliquieën 
vermeld op zilveren dekplaat: 

de ligno dotnini in pak A 4. 

de sepulcro domini „ A 3. 

de craticula S^' Laurentii „ A 3. 

de ossibus 5" Cornelii papae „ B 



— 21 — 

terwijl de reliquieën de ossibus 5'' Felicis episcopi^ S^^ Paulini 
episcopi en 5'' Paulini diaconi zich blijlibaar bevinden in de pakjes 
A 2 en 6 en C. 

De aanleiding tot het bovenomschreven onderzoek was het 
welwillend aanbod van mijn broeder, Ridder de Stuers, Harer 
Majesteits Gezant te Parijs, om op zijn kosten het kruis te doen 
restaureeren. 

Deze restauratie en de herplaatsing van al de ontbrekende 
siecnen zijn met veel zorg uitgevoerd door den heer Witte 
bovengenoemd, die van de gelegenheid heeft gebruik gemaakt, 
om het Ghristusbeeldje en den intaglio af te vormen. 



3. De Pax. 

Een van de delicaatste kunstvoorwerpen bewaard in de Schat- 
Ifamer van St. Servaaskerk te Maastricht is wel de pax door 
Bock en Willemsen beschreven in Antiqnités Sacrées, blz. 211. 

Deze schrijvers meenen dat dit stuk uit de XVI« eeuw dag- 
teekent en geven te verslaan dat het uit Keulen of uit Vlaan- 
deren stamt. 

Dit moge waar zijn voor wat aangaat het goudsmidswerk, het- 
welk veel overeenkomst heeft met het lepeltje uit de collectie 
Rothschild afkomstig van de familie van Slype en thans in 
het Britsch museum; doch het schilderwerk op glas komt mij 
voor Italiaansche arbeid te zijn, dit blijkt uit den stijl en uit 
de costumen. 

4. Triumfboog-balk. 



In de Schatkamer wordt een houten kist bewaard, aan alle 
zijden versierd, met beeldwerk, namelijk nissen waarin de borst- 
beelden der apostelen; arbeid uit het laatst der XV« eeuw. 

D*^ F. J. H. Cuypers heeft met zijn bekende scherpzinnigheid 
ontdekt dat deze kist samengesteld is uit een dier balken welke 



— 22 — 

in vroegeren tijd in den triumfboog geplaatst werden tot onder- 
steuning van een grooten crucifix en van de beelden van O. L, 
Vrouw en St Jan. 

Waar deze balk vandaan komt is onbekend, wellicht uit 
St. Jacobskerk. 

Het ware wenschelijk de kist uit elkaar te nemen en de stuk- 
ken wederom tot een balk samen te voegen. 



Notice sur des pierres tombales de Borgharen, 

par Ie B"" Raphaêl df. SELYS-LONGCHAMPS, 



En décembre 1872, Jos. Habets, vicaire de Berg et Terblijt 
président de la Société Historique et Archéologique du Lim- 
bourg, publiait dans Ie Tomé X (1873), des Publications de cette 
Société un iravail sur Tancienne Seigneurie de Borgharen. Au 
§ V page 462, il décrit une pierre tombale placée par Philibert 
van Isendorn a Blois, dans Téglise de Borgharen. 

En 1886, alors archiviste de l'Eiat dans Ie Limbourg, il ayait 
exprimé Ie désir de voir placer cette pierre dans la tour de la 
nouvelle église, qui allait être construite. 

(^) Quand nous avons cu connaissance du projet d'érection 
d'unc nouvelle église a Borgharen, Tancienne étant trop petite, 
nous avions proposé d'élargir les deux cóiés du vaisscau, pour 
conserver Ie choeur tres ancien et la tour, mais les plans étaient 
faits et la construction décidée. 

Pendant la démolition, malgré la promesse faite, on éiait en 
train de casser la grande pierre tombale. J'arrivai par hasard, 
soixantc morceaux a Fétat de moëlons étaient déja préparés pour 
servir d'empierrement. On donnait pour excuse, Ie mauvais état 
de la pierre et l'impossibilité de Tenlever. Je fis porter tous ces 
débris en lieu sur. 

L'Abbé Habets fut excessivement peiné de cette destruction ; Je 
lui promis de tacher de reconstituer la pierre. 

Grace a la description qu'il en donne page 462 et avec I'aide 
du macon Jos. Hoebreck de Borgharen, nous avons réussi a tout 
remeitre en place. 



{}) Par suite du décès de la conitesse de Brigode Kern landt, née Léonie Baronne 
de Roseu de Borgharen, morte Ie 11 décembre 1885, ses enfants, Ie comte de 
Brigade Kern landt et mon épouse héritèrent de la propriété de Borgharen. 



- 24 — 

La pierre, dans les parties intactes, avait de quarante cinq a 
cinquante centimètres d'épaisseur; ce qui nous a forcés de faire 
un grand coffre en planches et madriers, dans lequel, nous avons 
mis, d'abord les gros morceaux a leurs places. Puis nous nous 
sommes servis de briques et de ciment pour caser les plus petits 
a la hauteur voulue. 

Le travail terminé, nous avons place cette pierre tombale dans 
la tour sud du chateau de Borgharen pour la mettre a 1'abri des 
intempéries. 

Cette pierre, en calcaire bleu de Visé, mesure 2 m. 55 sur 1 m. 45; 
ellc se trouvait, quand on a démoli l'église, a l'entrée, cóté nord, en 
pariie sous les bancs; elle éiait déja alors en plusieurs morceaux. 

Au centre se voient les armes de Philibert van Isendorn a 
Blois, et celles de sa femme Adelaïde van Agris. 

Sur le cóié droit de la pierre et en haut sont figurées les armes 
des Isendorn et en dessous les quartiers de sa familie; sur le cóté 
gauche de la pierre et en haut sont figurées les armes des van Agris 
et en dessous les quartiers de sa familie. 

Monsieur le B*'" Louis de Crassier a bien voulu me commu- 
niquer la généalogie de Philibert d'après Lefort, 1 Partie XII, 
page 99(1). Ce tableau permet d'établir que les armes sont placées 
sur la pierre d'après le système Allemand et le tableau des 16 
quartiers doit se présenter comme ci-contre (2). 



(1) Les ócussons étant nuniéroiés de haut en bas d'un cóté de la pierre 1, 2, 3, 
4, 5, G, 7, 8, vcici le schema du système Allemand que M' le B' " Louis de Crassier 
a tracé pour rétablissement des tableaux des quartiers. 

1_5 3 — 7 2 — 6 4 — 8 



1 

(') La paitie du tableau eniourée de poiniillés correspond a la généalogie d*après 
Lefort. 







I J ' 



VKY-HeBR-VAN=3£)R&HAReW-C»WS*i 

Mfti/T-coioiyEL-VAW- EE^r/lB&'^1 e nt 

,i«^6LEn)Sl.EN- PRENTD BVB fiNRyf KB 
yi?(NWK-AP&LHEYPA-VjiM'AGR| $ 

"-^ II, , .' jT, ' " 't 







I Uü ■ 





li ^ 



3 ^'; ^- 









Pierre tombale de Philibert van Isendorn a Blois 
el d'ADELAiDE VAN AoRis son épouse. 



— 27 - 

Descripiion des blasons de la Pierre tombale. 
Cóté droit (d'après Rietstap). 
Isp:ndoorn a Blois. Gueldre, de gueule a 3 pais de vair; au 
chef d'or. 

Cimier: un lion rampant de gueule accosté de 2 flam- 
beaux de sable virolés d'or et allumés de mème. 
Lambreqtiin d'or, de gueule et d'azur. 
Support 2 lions au naturel. 
NüLANT. Ingennulandt (van), Gueldre: d'argent a la fasce entée 
de gueule. Casque couronné. 

Cwtier: un renard issant de gueule posé de front. Col- 
leté d'une fasce entée d'argent, tenant de cliaque patte une 
boule d'or. 
GlESSEN. Giessen (van), Brabant. De sinople a 2 saumonsadossés 
d'or accostés de 9 croix recroisetées au pied fiché du mème 
(souvent les croix manquent). 

Cimier: Les saumons, les tètes en bas, poses en chevrons 
renversés. 
Gend. Gendt (van), Gueldre. D'argent a la fasce de gueule fret- 
tée d'or. 

Cimier: un levrier d'argent, colleié de la fasce duchamp 
assis sur un chapeau de tournoi d'argent; retroussé de gueule 
OU un levrier arrèté d'argent colleté d'or. 
Perv'N. Persyn (van), Hollande, Flandre. Fascé d'or et d'azur, les 
fasces d'or chargées de 9 flanchis de gueule, 4, 3 et 2. 
Casque couronné. 

Cimier: un flanchis de gueule entre un vol coupé alter- 
nativement d'azur et d'or. 
(1) Daesdonc. Daesdonck (van), Brabant septentrional. D'hermine 
au sautoir de gueule. 

Cimier: 2 cornes de bouquetin d'argent. 
Pollanen. Pollanen (van), Utrecht (seigneurs de Polanen issus 
de la maison de Wassenaer). D'argent a 3 croissants de 
sable. Casque couronné. 

Cimier: Un vol de bannerets d'argent chaque aile char- 
gée de 3 croissants de sable rangées en pal. 



(1) Sur Ia pierre ce sont des feuilles au lieu d'Hermines. 



Brühesen 

? OWI ? 



— 28 — 

D'apres la description de Habets, mais sur la pierre 
on ne peut lire que owi. 

Trois cornets sur fond? 

Deux et un. 

Cóté gauche. 

Agris. Originaire des provinces rhénanes: de gueule a la fasce 

brétessée et contre-brétessée d'or. 

Cimicr: 2 chiens de gueule colletés de Ia fasce de l'écu. 
KiPSHAVEN. Wcstphalie: d'or au sautoir alésé de sable, les ex- 

trémités arrondies, casque couronné. 

Civiier: une téte et col {}) de chien braque de sable. 
Roo. Rohe, Westphalie: de gueule au sautoir d'argent. 
BoETBERG. (3) Boetbergen (van), Westphalie, Gueldre, Utrecht, 

Flandre: d'azur au chef d'argent chargé de 3 merlettes de 

gueule, casque couronné. 

Ciniier: une tète et col de loup d'azur coUeté auxarmes 

du chef. 
Hertevelt. Hetevelt (van), p. d'Utrecht: d'argent au cerf ram- 

pant de gueule. 
Spaen. Spaen, province rhénane: d'azur a 3 boucles de gueule, 

casque couronné. 

Ciinier: une patte d'ours de sable en pal empoignant une 

boule de gueule. 

Spaen, Westphalie: d'argent a 3 anilles de sable. 
Cintier: une anille de sable. 

Sur la pierre l'écusson n'existant pas, je n'ai pu Jusqu'a 

présent déterminer quelles armes il faut choisir. 
ici Ie blason est indiqué sur la pierre mais Ie nom n'est 

pas lisible, 
TiEL. Till (van), Gueldre: de gueule a une flèche d'argent, ac- 

costée de 2 annelets du même. 



(1) Habets dans sa description inscrit Brühesen, or sur la pierre on lit d'une 
maniere certaine seulement owi. 

Il parait que Monsieur l'Abbé Coenegracht, aumonier A Rcckheim a lu . . owies 
ainsi que Monsieur Ie B"" Louis de Crassier qui ont vu la pierre encore en place 
en 1885. 

(2; Consul tez Rietstap. 

(') Voyez la note ï. la page suivante. 



— 29 — 

Cimier: un cygne issant d'argent béqué de gueule, Ie vol 
leve, tenant en son bec un annelet d'argent. 
Supports, deux griffons rcgardant au naturel. 
Il y a plusieurs divergences entre Tinscription de Habets et 
celle qui se trouve sur la pierre. 
Habets inscrit (page 402) 

Agris sur la pierre Agris. 

Roe Kipsiiaven. 

Botter Roo. 

HeRTEVELT (1) BOETBERG. 

Hertvelt. 

Spaen Spaen. 



• • • 



Til Tiel. 

Maintenant, dans un caveau de la cave du chateau de Borg- 
haren, (reposant sur 3 barres de fer scellées dans les murs), se 
trouve un grand cercueil de deux mètres neuf centimètres de 
long, tres simple en quartiers de chène de 4 a 5 centimètres 
d'épaisseur, garni de fortes menottes en fer. 

Il contieni d'abord Ie' corps momifié d'un hom me de grande 
taille; par sa position on voit qu'il a été place directement dans 
ce cercueil et n'en a pas été déplacé. 

Les restes de divers squeleties ont été mis après, dans ce 
même cercueil, par suite de la désagrégation de plusieurs auires 
cercueils dont les débris reposent aussi sur les barres de fer. 

On peut reconnaitre la tête d'un hommeagé, d'après l'usure des 
dents; celle d'une femme et les os pariétaux d'un enfant tout jeune. 

D'après la tradition ce sont les restes de membres de la familie 
d'Isendorn a Blois devenus protestants. 

Je crois que si Habets ne Ie dit pas, c'est qu'il étaii reduit 
aux conjectures; c'est l'impression que j'ai eue, quand Je lui en 



(') Sur la pierre i vrai dire on ne peut lire que BO..E, mals Monsieur Ie baron 
Louis de Crassier a trouve dans Ie recueil de généalogies Cortenbach, aux archives 
de Maestricht, Talliance suivante: 

Adrianus Boedbergh in Wancham uxor . . . A. Thijll circa 1500 ^ 1550 et comme 
les armes sont concordantes, c'est Boedbergh qui est ie nom exacte. 

Sur la pierre on a gravé des canettes au lieu de merlettes. 



— 30 — 

ai parlé. Au reste, lors de sa visite, Ie caveaii était complètement 
muré; je l'ai fait ouvrir depuis, et on y a place une porte fermant 
a clef. 

Quoique persuadé que c'était bien des membres de la familie 
d'Isendorn qui se irouvaient la, je n'en avais pas la preuve 
matérielle. 

Dernièrement, voulant me rendre compte, si on pouvait recon- 
stituer les cercueils dont il ne restait que des débris, j'ai fait 
sortir du caveau les planches et" les huit menottes qui s'y trou- 
vaient. On n'avait jamais vu d'inscription sur ces planches quand 
elles se trouvaient dans Ie caveau, mais après les avoir nettoyées 
avec soin, nous avons pu lire sur une du couvercle longue de 
2 mètr^s, l'inscription suivante, peinte sur Ie chêne a la couleur 
jaune a Thuile: 

Den Hooch eedelen v^elgebooren Heer 

Philibrt van Isendoren . A Blois vri Heer 

Van Borgharen Heer van AiGeris 

Oraedt en de mets geweesên Lieutenant 

Collonel ten Dinst van Haren Ho: Mog: de Heren Staeten 

GeNERAEL der VEREENICHDE NEDERLANDEN ETC. STARF DEN 

ii OCTOBRIS 1677 

I 

ICK HEBBE DE GOEDE STRYT GESTREDE iCK HEBBE DEN LOOP 

GEEYNDICHT iCK EBB 

Ie restant manque. 

Sur la seconde planche du couvercle de même longueur on 
voit peintes en couleurs les armes d'lsendorn a Blois surmontées 
du haume couronné, lambrequin, supports (deux lions), Ie tout 
tres bien conservé et bien exécuté. 

Donc c'est bien Ie couvercle du cercueil de Philibert van 
Isendorn. Tout porte a croire que Ie fond et les cótés étant 
tombes en pourriture, on placa la tête du vieillard dans Ie grand 
cercueil noir. 

Quant aux quatre autres planches, longues de 1.84 mètre, 
elles appartiennent a un 2^ cercueil dont Ie fond manque. 

Sur l'un des cótés du couvercle on lit, asscz difficilement, parce 
que les lettres sont peintes en noir sur Ie chêne, Tinscription 
suivante: 



— 31 — 

HOCH • EDELE WEL • GEBOREN 
VROWE • MEVROWE • iSENDOREN 
AbLOYS • GEBOREN VON AORis 
VROWE • VAN • BORG-IIAREN AGRIS HOF 
EN • ORAEDT • STERF • 27 OBRIS 16 . 5. 

Les deux derniers chiffres de 1'année sont douteux. 

Sur Tautre planche du couvercle se trouvent accolées dans 
Ie mème ovale, les armes des d'lsendorn a Blois et d'Agris, sur- 
montées de la couronne, ayant comme support d'un cóté Ie lion et 
de l'autre la levrette, coUetée des armes des Agris, Ie tout en couleur. 

Ce cercueil est celui d'Adelaïde van Agris et la léte de femme 
qui se trouve dans Ie grand cercueil noir doit ètre la sienne. 

Enfin il y avait encore dans Ie caveau Ie panneau de tète, celui 
du bas et deux cótés d'un petit cercueil long de 0.55 mètre. 
Par ses dimentions il n'a pu contenir que les restes d'un enfant 
nouveau-né. 

Si nous Jettons maintenant les yeux sur la pierre tombale, elle 
a été exécutée et placée évidemment du vivant de Philiberi et 
de sa femme Adelaïde, car les dates de décès sont restées en 
blanc. Quant a Lucretia née Ie 29 janvier 1638, morte Ie 1 février 
1644, donc agée de 6 ans^ ou Gertrude née Ie 18 janvier 1641, 
morte Ie 12 novembre 1653 donc agée de 12 ans, nous n*en 
avons pas trouvé de traces. Ont-elles été enterrées dans Téglise? 
Au reste, Philibert n'a pris possession de Borgharen qu'après 
1650. Quant a Franz, figurant Ie dernier sur la pierre, né Ie 12 
juin 1654 et mort Ie 18 juin 1654, donc 6 jours après, ses restes 
appartiennent au petit cercueil. 

Entre cette dernière inscription et Ie dessous de la pierre, il y 
a, ainsi qu'on peut Ie remarquer, un grand espace vide destiné a 
inscrire d'autres défunts. En eflfet, Philibert avait 10 enfants (i). 

Enfin quant au grand corps reposant dans Ie cercueil noir, ce 
doit être celui de Wolter, fils ainé de Philibert. 



{}) Habets p;ige 463 met en note: celleci et suivante sont probablement nées i 
Borgliaren niais inscrites dans les régistres de Maestricht par Tabsence d'une com- 
mune protesunte ^ Borgharen. 



— 32 — 

Commcnt se fait-il que la pierre se troüvant en 1885 dans 
Téglise, les cercueils soient dans les souterrains du chateau? 

Diverses hypotheses peuvent ètre faites, mais jusqua présent 
aucune n'est complètement satisfaisante. 

Philibert était protestant tout au moins a la fin de sa vie. 

Il y a bien a Borgharen un calice portant d*un cóté les armes 
d'Isendorn, une couronne et supports et de Tautre celles de sa 
femme d'Agris; et au-dessous du calice l'inscription : 

Philbrt van isendorm a blois vry'heer van borchaeren 

EN ADELHEIDA • VAN • AGRIS VRYVROVW VA BORCHAEREN 
NIET SONDER GODT • DEN 29BER 1674. 

Quand a Wolter certainement il était protestant. Enfin si on 
rapproche les dates: 

Philibert fait son testament Ie 12 février 1675, sa femme vit 
encore (}), Il meurt d'après toute vraisemblance en automne de 
1678 (2). 

Wolter Frans van Isendorn a Blois, seigneur de Borgharen, 
Tainé des fils, est mis Ie 25 juillet 1679 a La Haye en possession 
de la seigneurie de Borgharen consisiant en: chateau, justice, 
pêche, moulins, chasse, prés (paturages), fermes, digues, eens, 
dimes etc. (3). Wolter meurt au commencement de 1680 (4). 

Son f rere Willem lui succède mais son règne fut court, car 
les créanciers et la plupart des héritiers réclamèrent la vente 
de la seigneurie de Borgharen: les premiers pour être payés, les 
seconds pour sortir d'indivision. Par sentence du 23 mai 1680 
Ie Conseil de Brabant a La Haye déclare que les messieurs et 
les demoiselles d'Isendorn doivent remettre a Tacquéreur de Borg- 
haren tous les papiers, chartes, régistres et documents du chateau 
ainsi que Thorloge, les clefs de la prison, les chaines du pont-levis, 
la cuve de la brasserie et toutes les autres choses, qu'ils ont em- 
portées (^). 



(1) Page 462. 
O Page 462. 
(3) Page 464. 
{*} Page 464. 
(ö) Habets, page 465. 



— 33 — 

Il est bon de rappeler ici ce que dit Habets, page 408 (i). 

Philibert achcte Ie chateau en 1647, il Ie restaure et s'yétablit 
en 1648. Il fit de grandes dépenses non-seulement au chateau mais 
a la ferme et aux murs d'eau de l'étang (en effet ses armes et 
celles de sa femme se trouvaient incrustées dans Ie mur de la 
ferme, et se trouvent encore avec la date de 1676 dans Ie mur 
d'eau de l'étang prés du pont). 

Il avait du emprunter de grands capitaux, entre autre a J. Vos- 
terman, trésorier de la ville de Maestriclit. 

En 1678 a la mort de Philibert, Wolter son fils, ami de Vos- 
terman, cherchait a épouser Hélène, fille de Vosterman. C'était 
une belle personne et grande héritière. Il lui fit beaucoup de 
cadeaux, mais n'ayant pas été accepté il se brouilla avec Ie vieux 
Vosterman et Hélène épousa Ie 12 février 1679 Ie baron Willem 
van der Heyden a Blisia (2). 

On voit par ce qui précède que les relations devaient ètre tres 
tendues entre vendeurs et acquéreur, tant pour les questions d'in- 
térèts et de rivaüté que de religion. 

Déja lors de l'occupation de Maestricht par les HoUandais en 
1632, les partis armés avaient parcouru les villages du Pays 
d'Outre-Meuse et beaucoup d'églises furent pillées. 

Depuis Ie 26 décembre 1661 la seigneurie fait partie des Etats 
de Hollande; Tannée suivante en 1662, Isendorn remplace Ie prêtre 
catholique par un ministre protestant. 

Les fenêtres (3) de l'église sont brisées, Tautel détruit et Ie 
prêtre catholique est écarté. 

Le 22 septembre 1671 Ie sacristain, maitre d'école et lecteur 
de la paroisse de Borgharen se plaint même aux Etats-Généraux 
de ce que Isendorn s'est fait remettre les clefs de l'église. 

Après la prise de Maestricht par Louis XIV en 1673, Isendorn 
quitte pendant quelque temps Borgharen et le culte catholique 
est rétabli. 

Lors d'une visite décanale(4) faite le 5 octobre 1673 il est 



(1) Habeis, p. 408. 

(2) Habeis, 424. 

(3) Probablemeni les viiraux. 

(*) Voir 4 Ia fin de 1'article page 84. 



— 34 — 

constaté que Ie seigneur du village (Isendorn) a place Ie mausolée 
de sa familie a la place du maitre-autel (par mausolée on doit 
comprendre la pierre tombale). 

Dans ce cas, en vertu d'un article du concile de Trente qui 
défend d'cnterrer des hérétiqües dans les églises, a-t-on porté les 
restes de l'enfant au chateau quand on a rétabli Ie maitre-autel? 
Ce n'est la qu'une supposition. 

Par suite de la paix de Nimègue (10 aoüt 1677) les troupes 
durent quitter Ie Pays; Ie simnltaneum fut décrété dans Ie pays 
d'Outre-Meuse et appliqué a Borgharen quoique toute la popu- 
lation fut catholique. 

Enfin survinrent Ia mort de Philiberi puis de son fils Wolter, 
en 1678 et 1680, et la vente en 1680. 

D\'iprès tout ce qui prccède, je pense que Philibert, sa femme 
et son fils Wolter n'ont jamais été sous la pierre tombale de 
Téglise, mais ont été, peut-ètre provisoirement, places dans Ie 
caveau du chateau oü ils sont restés depuis lors, et que par respect 
pour les morts, les propriétaires qui se sont succédés depuis n'ont 
pas voulu profaner leur sépulture. 

Monsieur Ie Baron Louis de Crassier a bien voulu me donner 
la traduction de la visite décanale du 5 octobre 1673, publiée 
dans Ie „Geschiedenis van het Tegenwoordig Bisdom Roermond" 
Tomé III p. 353, publié par Habets, a la fin de sa vie 1892. 
(Habets est mort Ie 22 juin 1893). Visite décanale: Borgharen, 
année 1673 Ie 5 octobre l'église de Borgharen fut visitée. 

Philibert Isendorn a Blois est collateur, c'est lui qui possède 
les grandes dimes. 

La réparation de la nef de Téglise est a la charge du seigneur 
temporei, la cloche banale est également a sa charge. Il n'existe 
pas de maitre-autel^ Ie seigneur du village y a place Ie mausolée 
de sa familie (Dominus temporalis apposuit ibi mausoleum suae 
familiae) et a érigé un nouvel autel. 

Les hérétiqües sont Ie seigneur temporei et sa familie qui 
habite en partie ici (Haren) et en partie Maestricht. 



PlEHRE TOMBALE DE GÉRARD VAN BORNEM, ALIAS VAN MÉRODE. 



- 35 — 

Dans Ie choeur de l*église de Borgharen se trouvait encore une 
grande pierre tombale dont la partie supérieure manque. Elle est 
actuellement dressée contre Ie mur du cirnetière. J'ai fait rem- 
placer la partie manquante par un appareil de briques et de 
ciment et fait placer un petit toit pour la préserver de la pluie. 

Cette pierre en calcaire, longue de 1.90 sur 1.185 mètre de 
large et 0.30 d'épaisseur, porie les armes des Mérode traversées 
par la bande de batardise, surmontées du haume couronné et 
lambrequins. 

Sous les armes on voit un ange limbé lesailesa moitié ouvertes 
tenant entre les mains un objet qui n'est plus reconnaissable, car 
la pierre est fort usée par Ie temps et Ie passage des personnes 
lorsqu'elle était dans Téglise. Au dessus de eet ange se trouve 
une banderole sur laquelle on peut lire: 

Got trust der Zele 
en caractères gothiques. 

Aux quatre angles de la pierre on voit dans un rond les attri- 
buts des Evangélistes et sur la bande de pourtour, on peut a peu 
prés lire aussi en caractères gothiques: 

Alias Mcrad Scoltet Harre sterf 

A- XVXXXV den VI dach in Januarie . . . (i) 

Habets page 488 donne l'inscription suivante: 
Hier licht begraven Gerit van Bornem 
alias Merode, scoltet van Haren, 
sterf anno XV^ XXXV den VI dach in 
Januarie. 

Got trust der Zele. 

Nous donnons du reste une reproduction de la pierre. 

Ce Gérard van Bornem alias van Merode était borggrave et 
receveur de Haren après Tan 1500 et bailli depuis 1507. C'était 
Ie fils naturel de Koenraed Gérard Scheiffart van Merode, seigneur 
de Bornhem, Borgharen, Wil re et Nijenrode, il était déja a 
Fécole de Borgharen en 1483 et mourut Ie 6 juin 1535. 

Je n'ai pas retrouvé la tombe de Jean Printen qui se trouvait 
dans Téglise, ornée de 2 blasons avec l'inscription : 



Monsieur Ie Chevalier de Stüers croit lire V'I dach in Februario. 



— 36 — 

lei est enterré Ie noble Johan Printen, borge(nneister tot Tricht) 
mort 1540 Ie 10 octobre. 

J'ai aussi recueilli d'autres débris de pierre tombale en même 
temps que ceux qui provenaient de celle d'lsendorn, portani des 
caractères gothiques. Je ne sais s'il y aura moyen de déterminer 
pour qui elle a été faite, car beaucoup de morceaux manquent. 

C'est peut-ètre la pierre de Reiner ScheifFart van Merode, mort 
vers 1507 ou 1508 (i). 

En tous cas elle était probalement placée dans 1'église sur Ie 
passage des fidèles, car sauf les lettres en creux aucun dessin n'est 
visible sur les fragments. 



Quand on a démoli la tour de l'église, on a trouvé dans les 
fondaiions une pierre grossièrement sculpiée dont je donne une 
reproduction. Cette pierre tres lourde en calcaire de Maestricht 
a 0.29 mètre de haut, 0.34 mètre de long. 

Elle a pu appartenir soit a des fonds baptismaux ou avoir 
fait saillie dans un mur d'une église plus ancienne. 

Monsieur Ie Chevalier de Stuers croit que c'cst Ie support 
d'un pilier encadrant la porte de l'Eglise primitive existant 
vers 1100. 



En démolissant la tour on a trouvé dans Ie sol un cullot de 
métal de cloche. 

Or Habets, page 495, donne l'inscription de la grosse cloche 
placée en 1699 ainsi que celle dela petite placéeégalement en 1699. 

A cette époque les cloches étaient ordinairement coulées sur 
place, ce qui explique la présence de cette scorie de bronze. 

Dans Ie cimetière, Habets a trouvé une grande amphore gallo- 
romaine, lors de la démolition de l'église; il Ta déposée au musée 
de Maestricht au Petit Staat. Une autre a été brisée par les 
ouvriers. 

Je termine cette petite notice par la reproduction de l'ancienne 
église de Borgharen, décritc par Habets, page 494. 



(1) Habets page 44*2. 



Pierre sculptêe trouvée dans les fondations 
de l'éolise de boroharen. 



^ 37 — 

Le maitre-autel portant les armes des Blisia a éic brülc ainsi 
que d'autres objets de Téglise lors de Tincendie de la grange 
de la ferme oü on les avait places, pendant la construction de la 
nouvelle église. 



Monsieur Julien Fraipont, professeur a i'université de Liége, a 
bien voulu venir examiner les squelettes du caveau, le II oc- 
tobre 1906. 

Dans le grand cercueil noir sans inscriptlon, qui doit ètre celui 
de Wolter van Isendorn, il a constaté que le squelette complete- 
ment momifié n'avait pas été déplacé. Enveloppe d'un linceul 
dont Tétoffe était encore coUée a la peau, il reposait sur un lit 
de paille de seigle. La tète était appuyée sur un coussin de loilc 
bordé de guipures (d'après un fi'agment) et rcmpli de foin ou 
plutót d'arrièrc-foin. Sur la poitrine se trouvait un nocud de soie 
noir bien conservé. Le corps était entouré de houblon et de 
feuilles de lauriersj ce qui, joint a la grande sécheresse du caveau, 
explique la conservation. 

Monsieur Fraipont a alors retiré de ce cercueil les parties des 
autres squelettes qu'on y avait mis. Nous avons replacé l^lesosse- 
ments correspondant a ceux du vieillard, dont les machoires sont 
prcsque dépourvues de dcnis dans le cercueil de Philibert. Les 
ossements indiquent un homme fort. Une anomalie anatomique qui . 
n'est pas tres commune est a signaler: une cote doublé en forme 
de fourchette; 2"". les restes d'unc femme agée d'aprcs la dcn- 
ture, de petite taille: les bras, le corps et une partie des jambes 
sont aussi momifiés; les cartilagcs du larynx sont admirablement 
conservés; 3*». les os pariétaux, minces comme une fcuillc de 
papier seuls restes que nous ayons trouvcs de la tcte du petit 
Frans mort après avoir vécu (> jours, ont etc places dans le 
petit cercueil. 



J'ai puisé, ainsi qu'on le voit, la plupart des renseignements 
pour cette petite note dans l'ouvrage de l'abbé Habets. 

3 



~ 38 -- 

Monsieur van de Casteele, directeur des archives de l'Etat a 
Liége et Monsieur Hijnens, instituteur en chef a Borgharen ont 
bien voulu en traduire certains passages. 

Monsieur Fiament, archiviste de l'Etat dans Ic Limbourg a 
Maastricht et Monsieur Ie Baron Louis de Crassier m'ont égale- 
ment fournis des renseignements précieux. 



Eenige bijzonderheden omtrent straten, pleinen 
en bewoners van het oude Tricht, 

DOOR 

Jules SCHAEPKENS VAN RIEMPST. 



De arbeid, dien ik de eer heb den lezers van de Publicatious 
de la Socié/é Historique et Archcologique dans Ie TAmbonrg aan te 
bieden, zal wel, als zijnde eene compilatie uitsluitend van locaal 
historisch belang, door niemand als door Maastrichtenaren gelezen 
worden 

De schrijver is Maastrichtenaar en min of meer bekend als 
ijverende niet alleen voor de belangen zijner geboortestad in het 
heden, doch ook voor de eerbiediging van hare traditiën en van 
de materieele historische overblijfselen van haar zoo bij uitstek 
belangrijk verleden. Hij heeft lief het hedendaagsche Tricht, gelijk 
het Tricht van weleer en strekt die liefde uit tot het Tricht der 
toekomst in zooverre die toekomst zal gebaard worden door het 
verleden en het heden. 

Waar dus èn lezer èn schrijver uitsluitend stadgenooten zijn, 
daar moge de laatste zich „en familie" wanen en tot de eersten, 
die hij als geestverwanten beschouwt, een gemoedelijk inleidend 
woord neerschrijven en verklaring geven van zijn arbeid. 

Hoe het denkbeeld dat bij hem voorheerschte ontkiemde, lang- 
zamerhand tot rijpheid kwam en zich eindelijk in een besluit 
omzette ? 

Het zij hem vooral vergund dit nader toe te lichten aangezien 
hij aanspraak maakt noch te zijn geschiedvorscher, noch geschied- 
schrijver. 



— 40 — 

Vandaar dan ook dat hij langen tijd zeer huiverig was om 
eene taak te ondernemen die voor een liefhebber-historicus als 
zeer zwaar kan betracht worden. 

Niettegenstaande het bewustzijn dat het moeielijk is een arbeid 
van eenigc historische waarde te leveren — daarvoor is het tijds- 
verloop dat hij zich aan de studie onzer locale geschiedenis wijdt 
te kort — niettegenstaande zijne onvoldoende belezenheid en on- 
dervinding, waagt hij het, daartoe aangemoedigd van bevoegdeen 
hooggeachte zijde, zijn arbeid te doen verschijnen. 

Jhr. Victor de Stuers was het die na inzage genomen te hebben 
van een tiental behandelde straten het denkbeeld opperde om de 
compilatie in de Publicatious te doen verschijnen. Met zijne critische 
aanmerkingen en toevoegingen werd met dankbaarheid rekening 
gehouden. Jammer dat eene ziekte hem belette den geheelen ar- 
beid in te zien.. 

Ook van den heer D*" Doppler vermocht de schrijver aanmoe- 
diging en nuttige wenken te ontvangen; hij betuigt ook hem daar- 
voor zijne erkentelijkheid. 

Toen de schrijver dan jaren geleden in het bezit kwam èn van 
de beide boeken van de Annales de Ia Socicté Historiqne et Archéo- 
logique h Maestricht (1854 — 1858) en van de Publicatious de la 
Société Historiqne et Archéologiqne dans Ie Z/;«/;ö//r^( 1859 thans tot 
1906), nu vormende 43 lijvige boekdeelen, ondernam hij daarvan in 
zijn ledige uren de systematische lezing en voelde hij zich vooral 
bijzonder geboeid door de menigvuldige studies, die daarin voor- 
komen, betrekking hebbende op de geschiedenis van Tricht. 

Verbaasd over den schat van wetenswaardige bijzonderheden 
die op dat gebied daarin te vinden zijn, strekte hij zijne lectuur 
uit tot de collectie van de Maasgonw^ de Annnaires de la proviiice 
de Limbonrg (1825—1831), de historische 'schetsen in \\t,\ Jaarboek 
voor het Hertogdom Limbnrg^ enz., enz. en besteedde hij schier 
dagelijks, zonder bepaald doel, eenigen tijd aan het verzamelen van 
annotitiën, betrekking hebbende op de rijke, schatrijke geschiedenis 
van het oude Tricht, dat door zijn lijden, door de kranigheid, den 
vrijheidszin, de bcginselvastheid van zijne poorters eene zoo aan- 
trekkelijke figuur is, helaas zoo weinig bekend, ja zelfs geheel 
ongekend buiten den zeer engen kring van enkele vakmannen. 



— 41 — 

Vaak ontwelde hem de verzuchting: hoe is het mogelijk dat 
die kostbare materialen daar schier ongelezen en vooral onbenut 
blijven liggen! Door een kundig schrijver verzameld en geordend 
ware daarvan eene boeiende en leerrijke „Geschiedenis van het 
oude Tricht" samen te stellen, eene taak, tot nog toe door nie- 
mand op eenigszins ruime schaal ondernomen of aangedurfd. 

Schrijver dezes betreurde het dat hij niet jonger was en dus 
de daartoe noodige kennis, ervaring en belezenheid onmogelijk 
meer kon opdoen. 

Hij bepaalde er zich dan toe een kijkje te geven op het Tricht 
van voorheen; misschien zal het eenige belangstelling wekken bij 
het gewone lezende publiek. 

Die gedachte kwam tot rijpheid bij de bestudeering van de laatste 
jaargangen der Publicatioiis waarin D^ Doppler, meest in regestvorm 
(verkorte inhoud), gedeeltelijk in extenso, uitgegeven heeft de sche- 
penbrieven van het Kapittel van St. Servaas te Maastricht. Ofschoon 
Pastoor M. Willemsen van 18ö5 tot 1868, en G. D. Franquinet in 
1870 en 1877 eene loffelijke poging tot publiceering van oude 
stukken waagden; — de eerste toch deed zulks met 310 schepen- 
brieven van het St. Servaas-kapittel (i); de laatste met een 410- 
tal van het O. L. Vrouwe kapittel, benevens in 1877 met den 
cijnsregister van ü. L. Vrouwekerk (^) — komt aan D»* Doppler 
ontegenzeggelijk de eer en de hooge verdienste toe de schepen- 
brieven van St Servaaskerk op systematische wijze volledig te 
hebben uitgegeven. 

Begonnen in deel XXXVI (jaargang 1900), is het aantal daar- 
van in deel XLII (jaargang 1906) tot 1526 geklommen. 

Die benedictijner arbeid, omvattend het ontcijferen van de aan 
ieder tijdperk eigen schrijf- en spelwijze, het weergeven in regest- 
vorm in onze tegenwoordige taal van de latijnsche en oud-neder- 
duitsche teksten; het in overeenstemming brengen van de middel- 
eeuwsche tijdrekening (3) met de hedendaagsche, wekte mijne 



(') Publicatiofis de la Sociétv Hislortque et Afcht'ologique dans ie duchc de 
Limbotir^y dln. H, III, IV, V. 

(-) M' G. D. Franquinkt, Beredeneerde Inventaris der oorkonden en bescheiden 
van het kapittel van O. Z. Vrouwekerk te Maastricht I (1870), II (1877). 

pj Zie P. Doppler, Bijdrage tot de geschiedenis der tijdrekenkunde te Maastricht 
in de Middeleeuwen in Publications etc, dl. XLII, p. 211. 



— 42 — 

bewondering en duidelijk trad de waarheid op den voorgrond 
van hetgeen de schrijver in een voorwoord (^) daaromtrent o. a. 
zegt: dat die schepenbricven „onschatbare wegwijzers zijn voor de 
„middelceuwsche topographie", dat zij ons „niet alleen bekend 
„maken met de namen der straten en pleinen en limieten onzer 
„gemeente, maar ons ook leeren kennen den historischen grond 
„dier namen en de veranderingen en wijzigingen door eerstge- 
„nocmde in den loop der tijden ondergaan"; en elders (2): „Wat 
„schats die schepenbrieven bevatten, wat ontzaglijke rijkdom van 
„genealogie, oudheidkunde, kerk- en stadsgeschiedenis daarin op- 
„gesloten ligt, zal eenieder bevroeden die ze van nabij heeft 
„leeren kennen". 

De systematische bestudeering der schepenbrieven deed dan als 
in een kaleidoscoop, mij voor dtn geest verschijnen den toestand 
van het Tricht van weleer met zijne kerken, kloosters, kapellen, 
hallen, gasthuizen, oude binncnmuursche siads-poorten en om- 
walling, zijne militaire en burgerlijke constructien, met zijne 
straten en pleinen geheeien met hunne oorspronkelijke namen, die 
zoo niet in uiterlijk aanzien, dan toch grootendeels en hoofdza- 
kelijk, in richting en ligging nog gebleven zijn wat zij waren. De 
vaak in hout getimmerde, met stroo gedekte, onregelmatig in de 
straat uitspringende woningen, de steenen huizen, steeds als dus- 
danig speciaal vermeld, de aanzienlijke viansia met de namen 
hunner bewoners en familieleden, gewone ambachtslieden of 
adellijke poorters, treden wederom te voorschijn na eeuwenlang 
aan de vergetelheid ten prijs te zijn geweest; verrassend is het 
hoe voorheen bestaande familienamen terug te kennen zijn in nog 
thans bestaande, hoezeer overigens zoo vele vóór- en familienamen 
zeer vreemd klinken. 

Het verdient opmerking dat de eigenlijke familienamen eerst 
sedert de XIV« eeuw in zwang geraakten en erfelijk werden. 
Vóór dien tijd werden de personen slechts met hunne voornamen 
aangeduid, waaraan weldra ter verduidelijking hun ambacht, hunne 



(t) Zie P. DoppLER, Schtpvnbrici'cn van het Ka pit UI van St, Scrvaas te Maas- 
tricht in rublicaiious etc, dl. XXXVI, p. 3. 

( ) Idem, Schepenbrieven van het Kapitiei van St, Servaas te Maastricht in 
Pubiications etc. dl. XL, p. 344. 



>_ 43 — 

herkomst, een eventueele bijnaam werd toegevoegd, die na verloop 
van lijd als vaste familienamen, officieel burgerrecht erlangden. 

De menigvuldige namen die een dorpsoorsprong verraden — er 
is schier geen dorp of stad in den omtrek welke niet een vertegen- 
woordiger te Tricht had — bewijzen wel dat ook in de Middel- 
eeuwen de immigratie naar de steden op grooie schaal plaats vond, 
zoowel ter wille van het makkelijker leven en de grootere ver- 
diensten, als vooral omdat de burgers meer veiligheid Achter hare 
sterke muren genoten dan de bewoners van het platte land, dat 
vaak afgestroopt en afgebrand werd Daarbij kwam nog de be- 
wonderenswaardige solidariteit, die de poorters onderling ver- 
bond — verplicht als zij zich gevoelden elkander te hulp te 
snellen op den roep: „portere" (}) en gehouden als de overheid 
zich achite om met al de kracht die de gemeenschap kon ont- 
wikkelen, partij te kiezen voor een medeburger die in den vreemde 
gekweld of verongelijkt werd. (Een merkwaardig voorbeeld daar- 
van wordt bij de Witmakersstraat verhaaldj. 

Onze tongval, in onzen tijd van snobisme door enkele Maas- 
trichische families verwaarloosd (zij voeden zonder noodzakelijk- 
heid hunne kinderen op in het Hollandsch, een Hollandsch 
meestal dat de goede God hun moge vergeven!) wordt vaak in 
de schepenbrieven in vele typische uitdrukkingen en spreekwijzen 
teruggevonden. 

Zonder dat daarvoor taalkundige regels geldig zijn zegt men b.v. 
thans nog even als weleer, dat iemand woont op de Munt, op 
de Groote en Kleine Gracht, op de Jekerstraat, op de Bosch- 
straat enz., in de W. Grachtstraat (in den Gracht), vi de Groote 
en Kleine Staat, in de Papenstraat, Wolfstraat, Spilstraat, Stok- 
straat enz De eeuwenoude gewoonte heeft zich blijkbaar voort- 
geplant. 

Ofschoon, als tot mijn doel niet dienstig, de schepenen als on- 
derteekenaars^ der brieven in mijn arbeid niet vermeld zijn, wor- 
den hunne namen vaak als burgers genoemd, en komen ook zij 
ons voor den geest die mannen uit families gesproten die van 
lieverlede tot pratriciërs opgeklommen waren, doch zich niet 



(') Publications etc. dl. ffl, p. 288. 



— 44 — 

schaamden een ambacht uit te oefenen; meest allen droegen 'den 
naam van den gevelsteen hunner woning (i). 

Fier en naijverig op hunne vrijheden en privilegiën, waren de 
Trichicnaren in de Middeleeuwen steeds één van zin daar waar 
het gold deze, met hunne burgemeesters aan 't hoofd, zelfs met 
wapengeweld tegen onrechtmatige aanranding en willekeur te 
verdedigen. Tricht genoot dan ook in de Middeleeuwen groote 
welvaart, rijkdom en aanzien. De onzalige godsdiensttwisten van 
de XVr« eeuw maakten aan die eensgezindheid aanvankelijk een 
einde om weer na het beleg van 1579, voornamelijk bij dat van 
1632, terug te keeren, om daarna bij gewijzigde toestanden over te 
gaan tot lijdelijke onderwerping aan eene ontzaggelijke overmacht. 

Op slimme doch eerlijke wijze wisten onze voorouders van de 
XIV« lot XVI« eeuw partij te trekken van den naijver die steeds 
tusschen hunne beide „genadige Heeren ende Prinsen" heerschte 
om nu van dezen, dan van genen nieuwe privilegiën te bekomen 
die dan, ten einde de gunst en de genegenheid der Trichtenaren 
blijvend te verwerven, weldra ook door de andere partij verleend 
werden. 

Bij troonsopvolging werd de nieuwe vorst nooit dan met een 
te voren afgesproken, beperkt aantal gewapende volgelingen bin- 
nen de stad toegelaten; hij \\as verplicht eerst in de St. Servaas- 
kerk plechtig de bestaande privilegiën onder eede te bekrachtigen 
en eerst na die hooge en indrukwekkende plechtigheid, zwoer het 
volk op zijne beurt, trouw en aanhankelijkheid aan zijn nieuwen vorst. 



(1) Ofschoon volgens verschillende geschiedschrijvers de stad reeds vanaf r2i9, 
't jaar waarin haar eerste ringmuur gebouwd werd, eene stedelijke organisatie bezat, 
werd deze eerst voor goed en op hechte grondslagen gevestigd in 137:^ en een vol- 
ledig gcmeentcbestiiur in het leven geroepen, bestaande uit Iwee schouten, veertien 
schepenen, twee burgemeesters en twee en twintig raadslieden. Ieder der beide na- 
tionaliteiten, de I.uiksche en de rrabanisclie. hadden voor de helft hun aandeel in 
deze magistratuur aan wi^ de rechtspraak en de administratie was toevertrouwd: 
aan de schouten, als vertegenwoordigers der beide heeren en aan de schepenen het 
hoopgerecht in civiele en strafzaken; aan de burgemeesters en aan zestien van de 
raadsleden het laaggerecht. Schouten en schepenen werden even als zes raadsleden 
van iedere zijde door de Souvcreinen benoemd; de ambachten kozen vier en twintig 
candidaten waaruit de beide schouten ieder de overige zes raadsleden aanwezen. Ook 
de burgemeesters werden door de schouten uit den Raad benoemd. (A. TFabets, Le plus 
ancien Regislre aux lésoluiions du conseil communal de Maestricht (1368 — 1379) p. 14). 



- 45 — 

De Magistraat nam ook steeds de grootste voorzichtigheid in 
acht in geval van oorlog van zijn Brabantschen vorst, vooral 
met derden, — Maastricht bleef daarbij steeds ingevolge zijne 
rechten, neutraal — en stond dezen niet toe om in eens met zijn 
geheel leger over de Maasbrug te trekken, doch slechts met 
kleine gedeelten daarvan, die bij vijandige bedoelingen gemakkelijk 
zouden te bedwingen zijn. De gewapende ambachten waren als- 
dan op de stadsmuren en langs de straten, waardoor de troepen- 
afdeeling trok, opgesteld, terwijl de stadspoorten gesloten waren 
en slechts wederom tijdelijk geopend werden als de afdeeling de 
stad door de Duitsche poort verlaten had (}'). 

Niet weinig aanmoedigend was het voor mij in den loop mijner 
studie te ontwaren, hoe een arbeid als deze alreeds sedert eene 
halve eeuw als het ware verwacht en aanbevolen werd door 
mannen van gezag op archeologisch gebied. 

Reeds in 1864 toch wees Alex. Schaepkens erop, niettegenstaande 
hij slechts in staat was een kijkje te nemen in den ongeordenden 
schal van Maastrichtsche archivalia, van hoeveel belang voor de locale 
geschiedenis de schepenbrieven en oude cijnsregisters onzer kerken 
en kloosters zijnj dat evenwel de zorgvuldige opbewaring dier 
eerbiedwaardige oude stukken tot weinig nut strekt. „Het is een 
„renteloos daar liggend kapitaal, 't is een land dat geen vruchten 
„opbrengt, 't is een schat in den schoot der aarde bedolven. De 
„oude archivalia zullen eerst wezenlijk nuttig zijn na hunne 
„publiceering" ('^). En met kracht en overtuiging drong de schrijver 
aan op methodische vertolking, vooral van de destijds verstrooide 
en op verschillende plaatsen, zonder orde opgeborgen schepen- 
brieven van St. Servaaskerk en drukt hij de hoop uit dat ze 
mochten opgezocht en vertolkt worden. „Ces documents sont tou- 
„jours les bien venus pour l'un ou l'autre travailleur" Q). Elders 



( ; Zie menigvuldige daaraan herinnerende voorbeelden in mijn opstel „Lts S/Vi^es 
de 1407 cl 1408", Public, XXXVUI, p. 407, waar betrekking daarop hebbende op- 
schriften binnen de poorten geplaatst, medegedeeld worden. 

(') Publications etc, I, p. 00. 

(') Ibid., p. 69. 



— 46 — 

wees hij op de wenschelijkheid, dat gevelsteenen zorgvuldig be- 
waard en beschreven mochten worden (i). 

Ook Franquinct (-) had het hoog op met de schepenbrieven 
als zijnde onschatbare wegwijzers op het gebied der locale ge- 
schiedenis en uiiddcleeuwschc topographie; hij zag toch in, dat 
het zijn officicele en nauwkeurige stukken door onbevooroordeelde 
tijdgenootcn en ooggetuigen opgesteld, die niet vermoedden dat ze 
na eeuwen uit het stof zouden opgedolven worden om van toen- 
malige toestanden getuigenis afteleggen. 

Jammer, zegt Pastoor Habets (^^) „dat de straten en pleinen van 
„Maastricht nog geen geschiedschrijver hebben gevonden; het is 
„anders wel een aantrekkelijk onderwerp". 

Aldus gesterkt in mijn opgevat voornemen, stelde ik orde in de 
talrijke annotitiën sinds jaren bijeenverzameld en trachtte ik ze 
tot één geheel te verwerken. Lang wijfelde ik omtrent de wijze 
waarop ik daartoe zou geraken; on voorgelicht en zonder leiddraad 
ging het mij als velen: de overvloed van stof was voor mij een 
ware struikelblok; het woord van Boileau kwam mij voor den 
geest; „Un écrivain qui ne sait se borner ne saura jamais écrire". 

Eindelijk gaf ik aan eene bepaalde, vaste methode de voorkeur. 
Of het nu de beste is mag wellicht betwijfeld worden, ik hoop 
echter dat het geene slechte zal geacht worden. 

Eerst is de oorsprong der straatnamen behandeld en, in zooverre 
die te achterhalen was, medegedeeld wat ik daaromtrent gevonden 
heb; vervolgens worden in anecdotischen vorm historische bijzon- 
derheden, aan iedere straat eigen, vermeld; bij het Vrijthof en de 
groote Markt moest ik ze, wegens haren grooten omvang, in af- 
zonderlijke rubrieken, ieder met een opschrift, splitsen; in één 
adem konden ze toch, noch geschreven, noch gelezen worden; 
kerken en kloosters liet ik meestal onbesproken; hunne, zelfs 
zeer beknopte beschrijving zou mij te ver gevoerd hebben; 
overigens bestaan daarvan speciale monographiën. 

(1) Publuations etc, II, p. 135. 

(;) Beredeneerde invenfaris der oorkondeit en bescheiden van het kapittel van 
O, L. Vrouwekerk te Maasiricht^ berustend op het provinciaal archief van Lim- 
burj^y dl. I, p. 41. 

(3j De Maasgouw, Orgaan voor Linibitr^sche geschiedenis ^ taal- en letterkunde, 
1884, p. 1014. 



— 47 — 

I 

Na in 't algemeen iets over de straten en pleinen gezegd te 
hebben, liet ik, de daarop betrekking hebbende, in chronologische 
volgorde gerangschikte aanhalingen volgen, uit de middclecuwsche 
. schepenbrieven en andere bronnen geput; daarbij bewaarde ik, 
voor zooverre ze vernield zijn, zorgvuldig de origineele schrijf- 
wijze en spelling, zoodat b.v. uit de blootc lezing daarvan blijkt 
omstreeks welken tijd de straatnamen van uit het latijn in het 
ncderduitsch genoemd werden, verbasterden of met een nieuwen 
naam verwisselden. 

Ten einde het overzicht over die aanhalingen te vergemakke- 
lijken, begon ik ze alle, met opoffering van elke aanspraak op 
sierlijkheid en afwisseling in de zinswending, met het jaartal 
waarop ze betrekking hebben. 

De ligging van huizen ten opzichte van andere, hun naam, af- 
geleid uit gevelsteen of uithangbord, de namen hunner bewoners, 
zijn stipt getrouw, met de oorspronkelijke, vaak grillige spelling 
weergegeven; dikwijls werd aanleiding gevonden om door ver- 
wijzing naar een voorafgaand of volgend jaartal er de aandacht op 
te vestigen, dat sommige huizen jaren, zelfs eeuwenlang bewoond 
werden door leden eener zelfde familie. 

Ik bepaalde mij tot vermelding der personen, die in de bespro- 
ken straat woonden; andere bijzonderheden waaraan evenwel de 
schepenbrieven zoo rijk zijn, werden als niet in mijn kader pas- 
sende vermeden. Bij enkele straten zooals b.v. bij de Witmakers- 
straat werd daarvan eenigszins afgeweken, omdat daar oude stuk- 
ken worden aangehaald, die nog nergens gepubliceerd zijn (i). 

De lezer zal misschien bemerken dat, waar ertoe aanleiding 
werd gevonden, met eenige voorliefde uitgewijd is over sommige 
historische gebeurtenissen, die m. i. in het ware daglicht dienen 
gesteld te worden waarin ze door moderne geschiedvorschers, die 
„wachters bij de bronnen" stelden, geplaatst zijn; voornamelijk 
geldt dit feiten, verkondigd door de protestantsche hollandsche ge- 
schiedschrijvers, die schier allen elkander kopieerden, waar zij zoo 
ten nadeele der Trichter burgerij de schromelijk overdreven ge- 



(*) De heer D Doppler had de welwillendheid ze voor mij in regest-vorm te 
vertolken, waarvoor ik hem hier, even als voor gegeven inlichtingen nogmaals dank 
betuig. 



— 48 — 

volgen van het beleg van 1579 hebben beschreven, en die bijna overal 
als y,de historische" waarheid betracht werden, tot dat de Paters 
Haakman en Allard, in hun gedocumenteerd werk //^/<J^/<^^// ^^ 
zoogenaamde verwoesting van Maestricht^ aan die sectarische en ten" 
denticuze verhalen dé vleugels snoeiden. Ik koester de hoop, dat die 
voorliefde voor de „historische waarheid" mij niet als langdradigheid 
zal aangerekend worden, doch dat de beweringen, die daaruit voort- 
vloeien, zij het na behoorlijke controle, in ruimeren kring zullen 
bekend worden en ook zullen dienst doen bij het geven van on- 
derwijs aan de Trichter jeugd, aan wie de rijke en zoo bij uitstek 
interessante geschiedenis van de stad hunner inwoning en van 
haar volk, volslagen onbekend is. Wat weet zij er toch anders van, 
dan datgene wat de ^Vaderlandsche geschiedenis''^ vtvm^XAi: „Maas- 
tricht werd in 1579 door Prins Parma ingenomen en verwoest"; 
terwijl Tricht in de Middeleeuwen een staatje op zichzelf was, 
— gansch eigenaardig, eenig in Europa, Genèvc alleen uitgezon- 
derd — dat een dyarchistisch bestuur had, niets gemeen bezat 
met de geschiedenis van het Noorden van ons land, en diensvol- 
gens toch wel aan de Maastrichtsche jeugd, zij het in hoofdtrek- 
ken, dient bekend te worden gemaakt. 

De naauwgezetheid, waarmede overal bij de vermelding van een 
feit, zelfs van geringe beteekenis, de bron aangehaald wordt 
waaruit geput werd, sluit naar ik hoop elke beschuldiging uit van 
pronkzucht met andermans veeren. Het zal iederen lezer duidelijk 
zijn dat ik niet méér beoogd heb, dan eene compilatie te leveren, 
géén aanspraak maak, noch op oorspronkelijkheid, noch op het 
ontdekt hebben van nieuwe geschiedbronnen. Het kostbaar histo- 
risch materiaal, dat ik aantrof, is eenvoudig voor het beoogde doel 
geordend en tot een geheel verwerkt, dat verre van geheel ^/gewerkt, 
meest immer slechts in ruwe trekken aanduidt, waar bijzonder- 
heden over een of andere toestand, een of ander feit te vinden 
zijn. De weetgierigheid van den oningewijde zal wellicht daar- 
door geprikkeld worden, terwijl aan onze Maastrichtsche geschied- 
vorschers en schrijvers misschien de moeite gespaard wordt om 
min of meer lang naar deze of geene bron te zoeken. 



— 49 — 

De toestanden waaraan in den onderhavigen arbeid, niet zonder 
ingenomenheid, herinnerd wordt, behooren onherroepelijk tot het 
verleden. Aan de weldaden van de moderne wetenschap en be- 
schaving op materieel gebied, is ook het oude Tricht deelachtig 
geworden; dankbaar moet erkend worden, dat de vaak ruwe zeden 
en gewoonten uit de Middeleeuwen en de daaruit noodzakelijk 
voortspruitende strenge rechtspleging, verzacht zijn; dat onze stad 
door verbeterde hygiëenische toestanden en voorzorgsmaatregelen 
niet meer zooals voorheen ontvolkt wordt door de zoo vaak hier 
gewoed hebbende pest en andere epidemiën; dat zij niet meer 
ten prooi is aan herhaalde belegeringen die zij, vooral sinds de 
XVI« eeuw, als „sleutel des lands" moest verduren; dat zij niet 
meer, zooals na 1632 tijdens het Statcn-bestuur, betracht en 
behandeld wordt als een wingewest. 

Schier op ieder gebied hebben ingrijpende, gansch hervormende 
veranderingen in het oude Tricht plaats gevonden; veel kwaads 
of minder goeds behoore tot de onbetreurde vergetelheid. 

In hooge eer dient echter gesteld te worden, naast het behoud 
van tastbare herinneringen aan het verleden, ook het behoud 
van de machtige trekken in den eigenaardigen volksaard zijner 
bewoners; en dan dringt zich op den voorgrond de besten- 
diging hunner typische, innige liefde en gehechtheid aan hun 
voorvaderlijk Geloof, dat als ingeworteld, door hen nooit is ver- 
loochend. 

In weerwil van vaak tyrannieke pogingen, na de verovering der 
stad door Prins Frederik Hendrik aangew^end, om Tricht's burgerij 
te vervormen, mocht, naar het onbevooroordeeld woord van den 
verdienstelijken en te vroeg ontslapen L. J. Suringar (^) het pro- 
testantisme, als zijnde „eene vreemde, uitheemsche plant*' in de 
Trichter harten geen wortel schieten. 

Uiterst verdraagzaam en gemoedelijk, opgeruimd ja vrolijk van 
aard, wars van overdrijving, soms wel wat lichtzinnig en vooral 
„frondeur", is de Trichtenaar heden nog even als voorheen, be- 
ginsel vast en trouw aan zijne wettige overheid. 



(1) L. J. SoRlNGAR, Bijdrage tot de kennis van den regeer ing svorni van Maas- 
tricht en zijn ressort^ meer bijzonder gedurende het tijdvak 1632 — 1794, Acade- 
misch proefsdirift (1873), p. 90. Zie ook p. 116. 



— 50 — 

Hij moge het blijven in de toekomst; zijne traditioneele gods- 
dienstige gevoelens mogen steeds, zooals eeuwen herwaarts, de 
kern vormen van zijn karakter, zich afspiegelen in zijn eerbied en 
liefde voor het Katholiek Geloof en zijn bedienaars, moedig en 
zijner eigenwaarde bewust, evenals in de Middeleeuwen zich uiten, 
onder anderen in de prachtige, steeds aandoenlijke openbare gods- 
dienstplechtigheden, de jaarlijks terugkeerende algemeene en pa- 
rochiale processiën en de zevenjarige Heiligdomsvaart. 

Op economisch en moreel gebied, strekke hem ook ten voor- 
beeld het vele goede van weleer, door de Fransche revolutie 
vernietigd in stede van gewijzigd en aangepast; men denke slechts 
aan het Gildewezen en de eer waarin het ambacht gehouden werd. 

Hij zij, even als zijne voorzaten, werkzaam, ondernemingsgezind, 
matig en spaarzaam, en indien dan in de toekomst Maestricht 
mocht kunnen verlost worden van het douane-keurslijf, dat het 
naar alle zijden omknelt en zijn handel en verkeer met stam- en 
gewestgenooten zoo zeer bemoeilijkt, ja zelfs stremt, dan breekt 
wellicht voor haar den tijd van bloei en rijkdom weer aan, die 
aan het Middeleeuwsche Tricht van St. Servaas, roem en aanzien 
gaf in gansch West-Europa. 



Ter verduidelijking van den tekst zij nog aangemerkt, dat bij 
aanhalingen uit schepenbrieven het volgnummer daarvan zooals 
ze door de Heeren D^ P. Doppler, G. D. Franquinet en M. 
WiLLEMSEN zijn gepubliceerd, steeds w^ordt vermeld. 

De achter het nummer geplaatste letters D, F en W geven den 
oorsprong aan, terwijl eene S de enkele schepenbrieven, in schrijvers 
bezit, aanduidt. 
Door D'' P. Doppler zijn gepubliceerd en hier met D gemerkt: 
in Deel XXXVI (A^ 1900 ) van de Piiblications etc, de Schepen- 
brieven van St, Servaaskerk N® 1 tot 197. 

in Deel XXXVII (Ao 1901) de No* 198 tot 504. 
„ ^ XXXVIII (Ao 1902) de N°» 505 tot 813. 
„ „ XXXIX (Ao 1903) de N^» 814 tot 997. 

XL (Ao 1904) de N^» 998 tot 1155. 

XLI (Ao 1905) de N^^ 1156 tot 1315. 

XLII (Ao 1906) de N^^ 1316 tot 1526. 



99 
99 



— 51 — 

Door wijlen G. D. Franquinet zijn gepubliceerd en hier met 
eene F gemerkt, schcpcnbrieven van O. L. Vrouwe-kapittel in; 
Beredeveerde inventaris der oorko7iden en bescheiden van het kapittel 
van O. L Vrouwekerk te Maastricht^ berusten ie op het Provinciaal 
Archief van Limburgs Deel I (A*» 1870), de N''^ 1 tot 411. 

Door wijlen Pastoor M. Willemsen zijn gepubliceerd en hier 
met een W gemerkt: 

in Deel II (A® 1865) van de Publications etc, Inventaire chro- 
nologiqiie des charies et docnments de Véglise St. Servais h Maes- 
tricht, de N''* 1 tot 67. 

in Deel III (A^ 1866) de N~ 68 tot 123. 
„ „ IV (A« 1867) de N«>* 124 tot 231. 
„ „ V (Ao 1868) de N<'* 232 tot 310. 



1. De Abtstraat. 

(Platea Abbatis). 

Deze straat wordt in de geschiedenis weinig genoemd, zeker 
wel omd^it ze met de geheele streek van de Brusselsclie straat tot 
aan de Tongersche straat deel uitmaakte van die Comment (Kommel) 
en onder die benaming vermeld werd. Nogthans schijnt ze van 
hooge oudheid te zijn. Volgens de Lenarts bestond ze alreeds 
in de X<^ eeuw en beschrijft hij ze als loopcnde „door de geheele 
Commer van St. Servaas recht naar het kasteel de Mtuif* (zie 
.Linkulenstraat), welke straat nog heden de Abt^traat genoemd 
wordt. „Vooraf had die schrijver medegedeeld dat St. Hubertus, 
„bisschop van Tricht, in het begin der VIII<^ eeuw, aan zijne 
„Servatiaansche familie binnen Tricht een abt als overste gegeven 
„had, om alle de leden en suppoosten des kloosters onder gezagh 
„en autoriteyt te houden" en dat sinds dien immer van de y^Abtdy 
van St. Servaas*'' sprake is (»). 

Ook Jos. Habets (^) leidt de naam der straat af van de Abten 
van St. Servaas. 

In de limietbeschrijving van 1442 (3) wordt de naam dezer 
straat alreeds verbasterd in Sabstraet. 

In die van Maestricht, den Vroenhof, Tweebergen en St. Pieter 
van c. 1550 (4) wordt vermeld dat de Abtstraat aan beide zijden 
Vroenhof is. 

Het in die straat liggende hospitaal Calvariënberg was aanvan- 
kelijk een klooster, in 1628 gesticht door de vrome Elisabeth 
Strouven. De kloosterzusters richtten het in als verplegings- 



(1) Publtcatiom etc. I, p. 256, 233. 

(=) Ibid. I, p. 233. 

(5) Ibid. XIX, p. 387. 

O W. P. H. EvERSEN, Ptiblic, XIX, p. 374, 420, 421. 



53 



gesticht voor pestlijders; in 1629, 1630 en 1633 bewezen zij on- 
schatbare en geheel belanglooze diensten aan hunne medeburgers; 
400 zieken overleden er. In 1635 verpleegden zij er 200 gewonde 
Spanjaarden, gevallen in den strijd tegen de Hollanders in de 
nabijheid der stad; de ongelukkigen vi^aren in een schuur opge- 
sloten, terwijl van overheidswege niemand zich iets van hun lot 
aantrok (i). 

Huizen h de Abtstraat en hunne bewoners. 

In 1414 (N** 1160D) woonde snpra plateam abbatis Johannes 
DE Heggen, wapendrager. 

In 1529 (N<» 284 F) wordt door Dionys Pronen aan Wilhelm 
ScOBBEL geschonken eene schuur met tuin gelegen /// platea 
abbatis prope poriam de lynchulis. Z'\] werd de tiendescAuur genoemd 
omdat daarin de tienden van St. Pieter opgeborgen werden. In 
1749 kwamen ze aan 't fabriek van O. L. V. Kerk en in 1771 
aan Becker, conrector van het Athenaeum alhier (f^y 



2. Achter de Molens. 

Zie bij Witmakerstraat. 



3. Achter St. Janskerk. 

Bij lezing der hieronder volgende aanteekeningen en van die bij de 
Papenstraat, zal het blijken dat, ofschoon in beiden schier overal 
sprake is van eene straat achter St, Jan, de onderwerpelijke toch 
immer speciaal is aangeduid, en dat de Papenstraat meestal nader 
omschreven wordt als zich bevindende achter het straatje: achter 
St. Jan. 

Het is m. i. duidelijk dat met deze laatste benaming bedoeld 



P) Zie nadere geschiedkundige bijzonderheden over de lotgevallen van dat klooster: 
Baron VON Geusaü, Geschiedenis der kloosters van Ata es f richt in Pub tic. XXXI. 
p. 101 ; Maasgotiw 189J, p. 20 ; Jos. Habets, Gesch, Bisdom Roermond III, p. 707, 

(•) Franqpinet, luveni, v. O. L, K. 1, p. 368. 

4 



— 54 — 

wordt de straat die de Zuidzijde vormt van het tegenwoordige 
Vtedeplein^ place de la Paix, aldus in den franschen tijd genoemd, 
daar dus waar thans de Concertzaal der Maestreechter Staar 
gebouwd is. 

De woningen van geestelijken der St. Servaas- en der St. Jans- 
kerk die men daar zal aantreffen, bewijzen zulks overigens, als 
zijnde gelegen in de onmiddellijke nabijheid dier kerken. 

Huizen achter St. Jan en hunne bewoners. 

In 1280 (N** 23 F) is er sprake in het testament van Ridder 
Henricus de düobus montibus (van Tweebergen) van de crflating 
aan de kerk van St. Jan ecner jaarlijksche rente op zijn huis 
gelegen in '/ straatje^ en bewoond door de zuster van den plebaan 
dier kerk. De bijomstandigheden hier vermeld doen met grond 
veronderstellen dat hier het straatje achto St. Jan bedoeld wordt. 

In 1367 (N° 740 D) wordt een huis vermeld achter St. Jan ge- 
legen, tusschen dat van Johannes de Beke genaamd Bossche, 
priester, en het huis van wijlen Godefridus de Mauro. 

In 1401 (N** 1036 D) wordt vermeld eenc hofstede met erf 
gelegen achter dat cleyiie riteken van Sint Johan. Uit eene noot in 
dorso blijkt, dat die hofstede gelegen was achter hét claustrale 
huis van den deken van St. Servaas Everard de Reys en tusschen 
het huis van Gerard van Gheelcke, kapellaan van St. Janskerk, 
en dat van Heinrix van der Masen en Machyel van derWeyden, 
kapellanen van St. Servaas. 

In 1403 (N« 1049 D) is er sprake van een huis in de straat 
geheeten achter Sint Johanne tegen dat ruzveken over^ voormaals 
eigendom van wijlen Johan van Wesei, persoen van St. Janskerk, 
thans van Everart van Reys, deken van St. Servaaskerk en ge- 
legen tusschen het huis van Heinric van der Masen en Machyel 
VAN DER Wevden, kapellanen der laatstgenoemde kerk, en dat 
van Gerart van Gelke ook kapel laan van St. Janskerk. 

De omschrijving in beide laatste schcpenbrieven heeft blijkbaar 
betrekking op hetzelfde pand. 

Hel 9* der .13 Kerspelen waarin de stad in 1442 verdeeld was» 
heette het Sint Johans Kerspel. Toen ter tijde was daarvan: 
^Overheutzman'*\' Maes, in den burch; Jacob VAN Kanne, Koen 



DO 



/;/ den Vroenhof; Vranck Vrientz zoon, ne^)en die hegge en Heyn 
der Smethy hoofdmannen (i). 



4- Achter het Vleeschhuis. 

(Supra lapideam viam). 

Deze straat kan aanspraak maken op eene hooge oudheid; vol- 
gens Franquinet (N** 89 f Noot) was de naam die ze in de mid- 
deleeuwen droeg: lapideavia^ vicus lapideuSy steynstrate oi steynwech^ 
eene herinnering aan de Romeinsche heirbaan die daar liep; hare 
richting toch komt overeen met die van de Romeinsche baan ^ zoo- 
als een weg in Oud-Vroenhoven die tot Tongeren doorloopt, 
thans nog genoemd wordt. Denkt men zich eene lijn door die 
richting aangeduid, dan loopt ze vlak langs St. Servaaskerk, daar 
waar Gregorius van Tours zegt dat de weg was, waarlangs St. Ser- 
vaas begraven werd. (Zie ook Breedestraai). 

Onder den naam van Sieytnvcg was alleen bekend het gedeelte 
der straat vanaf de Vijfharingensiraat lot aan de Wolfstraat, het 
overige gedeelte werd geacht te behooren tot het plein of forum 
van St. Amor (Moesmarkt). 

Huizen achter het Vleeschhuis en hunne bewoners. 

In 1311 (N® 95 D) is er sprake van een huis snpra Inpiicam 
viam bewoond door Nesa, de zuster van Jacobus ipE Maguntia, 
kanonik van St. Servaas: in N° 91 D werd dat huis nader om- 
schreven : que tenenda est a domino dncc. 

In 1330 (N** 239 D) is reeds den nieuwen naam vermeld; het 
geldt een huis gelegen retro domnm carnijicum tusschen dat van 
Hermanus ScüLE schepen en dat van Wiricus, factor antiqnoruni 
calceorum (oude schoenlapper). Uit dien brief blijkt verder dat 
nabij het voorgaande huis er een gelegen was tusschen dat van 
Balduwinus de V'uren en de brouwerij gchceten Moervelts. 

In 1333 (N** 252 D) worden genoemd twee huizen achter de 
Vleeschhal gelegen tusschen de huizen van Henricus de Rosis en 
van Ida genaamd in den Marcks. 

(') De omschrijving van de gedeelten der stadswallen die door de verschillende 
Kerspelen moesten worden bezet, is te vinden voor wat betreft 1380 in l^ubluations 
etc XIV, p. 6, voor 1442 ibid. XIX, p. 385, en voor latere p. 445 en vlg. 



— 56 — 

In 1343 (N® 377 D) het huis van Poys thans bewoond door 
Henricus Cupenbender, gelegen supra lapUcavi vinfn, naast dat 
van Godefridus genaamd Vlenere pellifex (bontwerker) en dat 
van Aleydis de Crania. 

In 1358 (N° 618 D) wordt een huis genoemd gelegen supra 
lapideam viam^ toebehooronde aan Johannes de Vrezen, sartor 
antiquarum vestinm (oude kleerkooper) en liggende tusschen dat 
van Godefridus de Weerde, brouwer en dat van wijlen God- 
SCALCUS, ook brouwer. 

In 1378 (N* 833 D) is er sprake van een huis op de Kersen- 
markt achter het macellnm (de Vleeschhal) tusschen het huis van 
Willelmus Wautems en dat van Johannes van der Erden. 

In 1388 (N** 919 D) van een huis terzelfder plaatse, hier om- 
schreven retro doviuvi carnium^ (in dorso staat retro viacellnvi) 
naast dat van Johannes Quant en dat van Henricus de Vley- 
TiNGis, koopman. 

In 1399 (N** 1017 D") wordt een huis genoemd achter den vleesch- 
Intese tusschen den gang voerende naar de landskroon (tegenwoor- 
dige Foire de Leipzig) en het huis vroeger geheeten M^^^ér;//>^2://////^'J 
In denzelfden brief wordt melding gemaakt van Henrick Haenen 
die vroeger kuepenbender (kuiper) thans vlaedenbecker is. De eigen- 
aardige iMaestrichter vlaoij was dus toen alreeds uitgevonden. 

Aangaande het gangetje dat hier vermeld wordt zij opgemerkt 
dat de huizen destijds veelal niet tegen elkander doch met eenige 
tusschenruimte naast elkander gebouwd waren, de aldus gevormde 
ruivekens dienden zoowel om een tweeden uitgang aan het huis 
te verschaffen, als om doorgang te verleenen aan het vee en om 
het overslaan van brand te verhinderen; de zijmuren der huizen 
waren opgetrokken uit houten balken met leembekleeding; eerst 
na den grooten brand op de Brusselsche straat in 1612 werd van 
overheidswege voorgeschreven dat de scheidingsmuren in brikken 
moesten gebouwd worden. 

De meeste huizen der Kleine Staat en die van belendende straten 
hadden destijds een uitgang behouden op de Vleeschhal die 
voorheen eene straat was. 

Even als dit overigens met de meeste wijken het geval was, 
vormde dat stadsgedeelte een waar labyrinth van kleine steegjes 
die zoowel bezijden als aan den achterkant de eigendommen 



— 57 ~ 

scheidden. Hier is men er reeds vroeg in geslaagd ze geleidelijk 
te doen verdwijnen^ in de oude gedeelten van de meeste steden 
treft men ze nog zeer veel aan onder den naam van impasse^ 
stag en gasse. 

In 1429 (N** 129ÖD) is er sprake van het brtrivehnys van Peter 
Braetsen, brouwer, achter het Vleeschhnis gelegen naast de woning 
van dezen en het huis van vieystcr Cloco, beduerstickcr of Ertsettcr. 

In 1452 (N° 1402 D) is er sprake van een huis opteii steynuech 
toebehoorende aan Henrik van Coelmont den jonge. 

In de Raadsverdragen van 1535 zijn de namen opgetcekend van 
gevluchte herdoopers; daaronder komt voor der scrinemekcr zvoc- 
nende in die drie Pelchrivis achter '/ Fleysshuys. Dat huis met dat 
opschrift bestond nog in 1713^ den 12 Mei van dat jaar ontstond 
er een zware brand. 

In 1457 (N° 1444 D) is er sprake van het huis van Herman 
NuYSSEN gezegd van Brkde, gelegen achter dat vleyshuys naast 
het huis van wijlen Johan Turners en dat van Peter van Beeck. 

In 1556(1) was er achter '/ Vlyshuys een huis geheeten /// den 
Swaeti^ en was 't bij Wilhelm Capuynts, //// hoge huys. 

Achter het Vleeschhuis w^oonde in de dry Roosen in 1707 
Francois Minckelers, den grootvader van onzen beroemden stad- 
genoot Jan Pieter^ eerstgenoemde even als zijn zoon Laurent Michel 
oefende er het ambt van apotheker uit. Het huis lag tusschen 
y^den Coelen Mey^ en „het Groen Kmys"*^ de tegenwoordige huis- 
nummers 21 en 23 (^). 

Ter herinnering aan 't bezoek van Czar Peter de Groote aan 
Maestricht in 1717 liet een bew^oner der straat achter het Vleesch- 
huis op zijn in dat jaar herbouwd huis het opschrift aanbrengen 

aDVenIt CzarVs MosGhoVIae 

d. i. de Czar van Moscovien is hier gekomen (3). 



(1) Publications etc. I, p. 67. 

(2) Maagouw 1904, p. 33, 34, 36. 
(5) Ibid. 1880, p. 303. 



— 58 — 

5. De Aldenhof (antiqua curiq). 
St. Pieterstraat en Kleine Looierstraat 

In 1265 wordt cr in het testament van ridder Lewallus, zoon 
van Godefridus advocatits Traiectensis^ d. i. voogd van Tricht, 
melding gemaakt van het begijnhof buiten de muren der stad 
gelegen en „onlangs" ter eere van St. Catharina gebouwd^ Le- 
wallus schonk daarbij aan de kerk van dat begijnhof eene som 
geld, zooniedc de verkooppenningen van een hem in alto fonU 
(Heistraat) toebehoorend huis, ter bouwing van een nieuw huis 
in/ra tnuios beghinarum. Uit dat testament blijkt ook dat destijds 
aan deze zijde van na te noemen kerk van 5^. -4 Wr^^j eene groote 
hoeve, magna cnria^ gelegen was (i). 

Het bedoelde begijnhof was oorspronkelijk gelegen te St. Pieter 
nabij de Maas, op de linkerzijde als men voorheen de St. Pieters- 
poort uitging. Deze plaats blootgesteld zijnde aan overstrooming, 
verplaatsten de begijntjes in 1263 hare woning naar den anderen 
kant der St. Pieterspoort; de stichting van dat nieuwe hofje zal 
wel geschied zijn met de nagelaten gelden uit het voornoemde 
testament ('•-). 

In September 1866 werden ten westen der poort nabij de 
gemetselde opening in den dijk (thans St. Hubertuslaan) die toen- 
maals de kommen in tweeën deelde, een put en overblijfselen van 
een onderbouw, benevens fragmenten eener colonette gevonden, 
die door Jhr. V. de Stukrs met allen grond toegeschreven worden 
aan het tweede begijnhofje van St. Catharina (3). 

Tijdens de onlusten in 1465 had St. Pieter partij gekozen tegen 
den Prins-Bisschop LoDEWijK van Bourbon; het geheele dorp 
en ook het begijnhofje werd door de Trichtenaars, die hun heer 
waren getrouw gebleven, afgebrand. In 1484 werd de commu- 
nauteit door de Magistraat hiervoor schadeloos gesteld en bouw- 
den de begijnen met het ontvangen geld een nieuw klooster 

(Ij D"" P. DOPPLER, Miïasi;ouw 1895, p. 79. 

(-) Ibid. en J. HABtTS, Ces Ju Bisd. Roermojui III, p. 722; zie ook hetgeen 
daarover zegi Alcx. Schaepkcns, Pubiicatiuiis cic. 1, p. 51. Volgens een daarbij aan- 
gehaald stuk van 1'J8- lag dat tweede hofje ongeveer tegenover den tegenwoordigen 
Nieuwenhof. 

(8) FubliciUions etc. IV, p. 481. 



^ 59 — 

tegenover liet oude gelegen. Het werd de nova curia^ den Nieu- 
rt't'///Jc?/ gehecten in tegenstelling met de antiqua citria^ den A /t/en- 
i>/ zooals dat gedeelte van St. Pietcr reeds genoemd werd; het 
bleef dien naam behouden ook nadat bij de vergrooting der stad 
in 129J hetzelve met de Kleine Looierstraat tot aan den wal, de 
Sulsruwe (Bcgijnenstraar), en dat gedeelte der St. Pieterstraat dat 
buiten de Minderbrocdcrspoort (ingang Begynenstraat) lag, binnen 
de stadsmuren getrokken was (i) 

In 1302 (N° 53 D) wordt er melding gemaakt van een ander 

kerkje gelegen kort bij de Maas ter phiaise waar in Uiteren tijd 

^^et hoornwerk links van de St Pieterspoort gebouwd werd. Dat 

Ivcrkje was aan St. Andreas toegewijd; rondom woonden er reeds 

^^ de XIII^ eeuw begijnen (-). 

D/e Szui'stcrcn by Sin te Andries tscnte Peter vvocnechtich waren 
^'olgcns een Raadsverdrag van 1326 leden van het Cortespoelder- 
^nibacin en in die hoedanigheid burgeressen van Tricht. Toen dat 
begijnhofje in 1465 hetzelfde lot als dat van S'' Cathariua onder- 
ging, vcrcenigde het zich, naar het schijnt, met de begijnen van 
den Nieuwenhof (3). 

Doordien de naam van het stadsgedeelte de Ali/eji/tof wevdwenew 
is en bij de meeste Maestrichtenaars wel volslagen onbekend zal 
zijn, heb ik vermeend dienaangaande in nog al uitvoerige bijzonder- 
heden te hebben moeten treden ; deze kunnen ook trouwens 
dienst doen bij de behandeling van de aangrenzende straten van 
den Nieuwenhof, en zal ik er daarnaar verwijzen. 

\^t Minderbrocdcrspoort die in vele schepenbrieven vermeld wordt 
om de ligging van huizen aanteduiden, dient met een enkel woord 
vermeld te worden. Zij lag in het midden der tegenwoordige 
St. Pieterstraat, bij het eerste klooster dat de Minderbroeders 
hier in 1234 stichtten en in den ouden wahnuur van vóór 1299 
die van de Heipoort, ten noorden van 't Begijnenstraatje, naar den 
ingang der Tafelstraat liep. De Mcnrcbrocders- ook wel Aldehoefsporie 
geheeten werd waarschijnlijk in het begin der XVI* eeuw, toen 
de St. Pieterspoort gebouwd werd, gesloopt. Deze laatste poort 
werd toen ook de Aldehoefspoort of buitenste poort genoemd ^ en 

(1) Frakqüinet, Inv. O, Z. V, ï, p. 102, 122. 

(-) Ibidem. 

\?) Jos. Habets, Gesch, Bisd, Roermond 111, p. 721. 



— GO — 

om de Minderbrocderspoort van deze te onderscheiden werd deze 
vaak de AUe Aldenlioefs' (i) of voorste poort geheeten zooals blijkt 
uit N*> 147 F in 1410. 

Huizen op den Aldenhof en hunne bewoners. 

In 1289 (N^ 15 D) wordt een huis genoemd buiten de poort der 
Minderbroeders waarin Fiehi Dp: Haversdale woont. 

In 1291 (N° 34 P") is er sprake van een huis van wijlen Henricus, 
genoemd brias buiten de Minderbroederspoort. 

In 1325 (N® 196 D) wordt het huis vermeld van Johannes 
SCAMPART extra portam fratruvi viinorum. 

In 1328 (N° 219 D) het huis van wijlen Mella, begijn, met 
vermelding als boven en tevens supra antiquam curiam. 

In 1337 (N° 204 D) woonden snpra antiquavi curiam Johannes 
gezegd DE Mulken en Johannes bakker. 

In 1342 (N°363D) woonde op den Aldenhof Henricus DE 
Fleytingis, voller. 

In 1358 (N** G09D) Jacobus, bakker, de zoon van Johannes. 

In 1363 (N*' 693 D) wordt hel huis genoemd van Henricus 
Theus, voller, supra antiquam curiam naast dat van Henricus 
Heyman en dat van Nicholaus de Messche gelegen. 

In 1370 (N° 770 D) wordt hetzelfde huis vermeld en beschreven 
als liggende tusschen dat van Wilhelmus de Messche, panni- 
tonsor(l) en dat van wijlen Johannes de Jecora. 

In 1370 des Maandags na O. L. Vr. Lichtmis (4 Febr.) wordt in 
een Raadsbesluit besloten: dat men die porte gheiten van Hokebeym^ 
ghe legen op den audenhof^ vor die porte van Sint peter ^ tu muren 
sal ende Cloes van Limb. . . die sal syn violensteyne dor die porte 
vioghen halen of dor tree ken eer die porte tu ghemuert woert^ of hi 
wilt (2). 

De hierbedoclde poort van Hokebeym^ heb ik nergens meer aan- 
getroffen; wel nog een cleyn moeien portke opten Aldenhof tot sen te 
Peter dat in een brief van het kapittel van O. L. Vr. in 1458 



(1) Zie het uitgebreid opstel over de inlijving der Nieuwslad door H.P. H. Eversen, 
in Pitblicai'ons etc, XIV, p. 3—100 met plan. 

(-) A. Habets, Le plus ancien rcgistre aux résolutions du Conseil communal de 
Maestricht, IJ^ÜS— 1^70, p. 65. 



^ — 01 — 

genoemd wordt, bij gelegenheid dat een cijns veranderd werd die 
op den molen de bough, rustte. Die molen lag nabij het zoo even 
bedoelde poortje op den hoeck van de Cleinc Lenrcsti aat op de 
St. Peterstraat (i). 

In 1371 (N° 781 D) woonde Gerardus, verver op dtxx Aldeti/iof. 

In 1379 (N" 234 W) is er sprake van de goederen van wijlen 
Symon, sar tor (kleermaker), gelegen buiten de Minderbroeders- 
poort supra antiqtiam ciiriavi tusschen die van wijlen Jacobus, 
bakker der Minderbroederskerk en de Zulsmwe. 

In 1380 wordt als beëedigd heffer van den accijns op koren, 
meel en mout genoemd Jo. Lemoel op den Aldenhof (2). 

In 1387 (N<» 914 D) is er sprake van een huis met toebehoor 
gelegen supra antiquavi atrium^ tusschen het huis van wijlen 
Menta en dat van Johannes Kokc, wever, waarin thans Petrus 
SuPKA PoNiEM, lakcnscheerder, woont. Het wordt nog nader aan- 
geduid als liggende bij de nieuwe poort en nabij domum thcnto- 
nice by den haegedoeren; (zie over deze laatste benaming hier- 
onder No 1107 D in 1404). 

In 1391 (N'' 929 D) wordt vermeld het huis van Tiioelen, de 
echtgenoote van Godart Pluymkens, op den Aldenhof gelegen 
tusschen dat van Dyerix, zoon van Arnold van Roethem, ^fr^^^/^r 
(kleermaker), en dat van wijlen Mathys \x\^ (l\^isV.,fnolenmck€re. 

In 1398 (N<> 998 D) woonde op den ^^/^////^/ Johan van Esde, 
den sloetmekere. 

In 1404 (N*» 1107D) wordt vermeld een erf bij den Aldenhof 
op den ezeldriessche gelegen tusschen het huis van wijlen Johan 
IN DIE Poerte en dat van Conrart van der Laken; benevens 
een erf op den Aldenhof by den hagendocrn (vergelijk in 1387 
N® 914 D) naast het huis van Pelen en dat van Johan genaamd 
Hans van Ruremunde. 

In 1418 (N® 1202D) is er sprake van het huis voegelsangc ge- 
heeten, op den Aldenhof bij den hagendorne gelegen, tusschen de 
huizen van Dyerix an gheen Eynde en van Johan Kockarts, 
scroeder (kleermaker). 



(I) FRANQ.UINET, Itwent, o, L, Vr, I, p. 139. 
() MaasgouTO 1883, p.861. 



— 62 — 

In 1424 (N* 1251 D) van een molen op de Jeker buten der 
porten van den Aldenhof. 

In 1427 (N° 1274 D) wordt vermeld de molen van Arnold 
Baerts aan de Jcker opten Aldenhof tusschen dit riviertje en die 
ruwe gaende ie Loreiistraete ivart, 

In 1669 toen de pest hier woedde, huurde de stedelijke regeering 
voor den tijd van twee jaren eene woning geheel door de Jeker 
omringd, geheeten den KronenJiof en gelegen nabij de St. Pieters- 
poort, om tot een derde lazaret h ingericht te worden (i). 

Het welbekende huis met sierlijken steenen gevel in de St. Pie- 
terstraat, onlangs door den architect Sprenger opgemeten en ge- 
teekend, draagt eene weegschaal in den gevelsteen met het onder- 
schrift: In de otide ivaegt 1714. Het daarop voorkomende chronicon 
luidt: 

paX ChrlstI sit In haC ÜoMo (1714) 
d. w. z. De vrede vun Christus zij in dit huis. 

De stichter daarvan was een lid van het Cremerambacht. 

Een ander huis in dezelfde straat wordt aan de bescherming 
van God tegen de aardsche ongevallen toevertrouwd 

nVMIne DVCe ConserVor (1716) (?). 

Tot 1039 bleef de kerk der Minderbroeders aan hare bestem- 
ming voldoen; toen werd ze tot arsenaal gebruikt tot in 186Ö; 
van af dat jaar tot 1879 diende ze tot kazerne en gymnastiezaal, 
om daarna in haren vroegeren luister hersteld te worden en tot 
archiefgebouw te worden ingericht (3). 



6. De Batterij- en de Breulingstraat. 

Van beiden wordt weinig gewag gemaakt; in schepenbrieven 
heb ik er geen sprake van gevonden. Alleen vond Alex. Schakp- 
KENS (^) in een brief van 1416 vermeld een huis op den groeten 



(1) Annuaire de la provincc de Limbourg 1830, p. 140. 
(^) Maixsgouw 188U p. 2*9. 

(3) Ibid. 1888, p. 72, wa;ir eene beschrijving voorkomt van de inrichting van het 
arsenaal. 
(^) PublkatioHs etc. I, p. 60. 



— 63 — 

grac/it efi op den oerde van der batterien. De onderstaande aan- 
halingen waarin personen en huisnamen, zoomede het bestaan 
van een rmveken dat op 18 M. afstand van de Groote Gracht, de 
B.itterijstraai met den Markt verbond, komen mij toch vermeldens- 
waard voor. 

In 1488 wordt Reyner /;/ die batterye genoemd als aan de stad 
500 gulden geleend te hebben. 

In 1490 leende Reymont Bertram in die Battrie ook aan de 
stad lOOO gulden (i). 

In 1450, bij de limieibeschrijving van het graafschap „den Vroen- 

„hof of Lenculen" wordt vermeld dat „die Batterie ten beyden 

„syden is Lenculre goet uytscheyden die vorste huysen op den 

„Holtmerkt uytgaende ende uytgcscheyden beyde die huyzen die 

„opwaerts stocn aen den Gracht beneven daer dat alde rouweken 

„staet ende van outs gestanden heet (de Capucijnengang), ende 

„het plach te goen totter Roederstraeten toe" (Capucijnenstraat) (^). 

Toen omstreeks 1550 opnieuw eene dergelijke limieibeschrijving 

plaats had wordt vermeld dat den „gront van den Vroenhof 

„begint op den Gracht aen een rouwken staende in die Batterye 

„achter Christynen huys metten Tanden, nu Jaspar Sips toebe- 

,»hoorende, hetwelck rouwken gaet van achter tot dat huys /// die 

„Gdfis nae den Holtmerck, ende van den rouwken naer den 

„Gracht syn die huysinge ende erven voor Trichter gront gcre- 

„puteert. — Ende die ander syde ter Batieryen in ter syden naer 

„den Holtmerck, ende opgaende voor dat voorss. rouwken diepe 

„ten Holtmerck in gaet, soo hier vormals gestreckt heeft, alle die 

„huysinghen ende stellinghen, uytgaende in die voorss. Batterye 

„syn al grondt van Vroenhof, met Aert Wynants schuer in den 

yyBruel (Breulingstraat) staende op het oorthuys van der Batteryen 

„tegen den Breul achter over. 

„Item die andere syde van der Batteryen beginnende reght tegen 
„over dat rouwken voorss. achter Jaspar Sips naer der handt 
„Jan Prenten, nu borgemeester Caubergii, nu Servaes van Beul, 
„dat selve huys van voor naer den Gracht, tot tegen dat voorss. 
„rouwken, is Trichts gereputeerd "O). 

(1) Publications etc. XIV, p. 54, 64. 
O Ibid. XIX, p. 398. 
(3) Ibid. XIX, p. 417. 



— 64 — 

In 1626 had er weer eene limietbeschrijving plaats die, met 
betrekking tot beide straten niets meer leert dan die van 1450 (i). 

In 1639 kocht de Magistraat van Baron Weyer voor 4000 gld. 
eene schuur met open terrein in de Batterij straat om daar een 
nieuw lazareth te bouwen waar de slachtoffers der pest door de 
Cellebroeders zouden verzorgd worden (-). 

Nog in de XVII« eeuw waren de straten grootendeels van over- 
heidswege niet geplaveid. In 1675 richtten de bewoners der Bat- 
terijstraat een vertoog tot den Magistraat waarin zij wezen op 
den onhoudbaren toestand v^aarin de straat zich bevond, vooral 
na dooiweder en bij aanhoudende regen. Zij stelden voor zelf 
Maaskeien aan te voeren mits de stad de bestrating op hare 
kosten liet uitvoeren (^). 

De limietbeschrijving van c. 1720 zegt: „Voor eerst begint den 
„Vroenhoff in de Battiysti aet achter het liuys in de Gans ge- 
„naempt dat u}'t compt op den merck alwaer een kleyn rouken 
„gestaen heeft omtrent 63 voeten (c. 18 Meter) van den Grootcn 
„Gracht in de voorss. Battiystraet welck rouken ses a seven voeten 
„diep in voorss. huys inwaers was gacnde, soo dat alle de huysen 
„aen die seyde opwaers gaende tot de schuere staende op den 
„hoek van het B^ eulstratien ter diepte voorss. al Vroenhoffs syn. — 
„Item d'andre seyde van de voorss. Batttystraet beginnende recht 
„ouer het voorss. rouken achter het huys daer den hcrtogh van 
„Sa^en uythanght, dat selve huys, van voor naer den ganck is 
„indivisen stadts grondt. 

„Ende opwarts ter Batttye ingaende dat selve huys neffens alle 
„d'andre van de selve seyde stallingen, hoven etc. tot tegensouer 
„voorss. schuere aen het Bmelstratien syn al Vroenhofs achter en 
„voor". . . . C'*). 

Aan het einde der Batterijstraat nabij de Breulingstraatb^vond 
zich een poel die eerst omstreeks het begin der XVIII* gedempt 
werd (ö). 



(1) Annuaire etc. 1830, p. 140. 
(-) Miuxsgoitw 1905, p. 59. 
(3) Jaarboek etc. 1851, p. 270. 
(^) Publications etc. XIX, p. 424. 
(*) Jaarboek etc. 1851, 267. 



Hel zoogenaamd Pat«r Vinklorcnlje met de HelpoorI in 1905. 



— 65 — 

In 1763, vermeld de chroniek van Loyens, „is in de Batterie 
y^straat int huys genaemd het Haentje cencn jongman met nacme 
„Thefxkn door (men weet niet wat) des nagts uyt zyn bedde 
„de venster op de bovenkamer uytgeworpcn, de yseren staven 
„gebrooken zyn en bovengemelde Tiiellen 3 daegen daar naar 
„gestorven is" (>). 



7. De. Begijnenstraat (Sulsruwe), 

Voorheen stond deze straat bekend onder den naam van 
Su/sr/i7i'i/ naar de familie SuL die aldaar reeds in 't begin der 
XIV* eeuw een molen op den Jeker bezat die naar haar de Su/s- 
molen genoemd werd. 

In 1350 werd in de onmiddellijke nabijheid daarvan het klooster 
of begijnhof van St. Katharinadal gesticht door Elisabcth, de dochter 
van den schepen de Molendino; het blééf echter slechts korten 
tijd bestaan en loste zich in 1470 op in de Congregatie der Falie- 
zusters die ook in de Snlsrtnve gevestigd waren, n.1. in de oude 
réfugié of poort van Pietersheim van de familie de Merode (2). 

Die begijnen droegen een kleedingstuk ƒ ///> genaamd, een soort 
sluijer waarmede zij zich op straat het gelaat moesten bedekken 
en dat nog tot in 't midden der vorige eeuw door oude vrouwen 
placht gedragen te worden. 

Ten gevolge van nalatigheid in het beheer en van een brand 
waarin ook de archieven verloren gingen, — het tijdstip waarop 
dit geschiedde wordt niet vermeld, — verviel de communauteit 
in groote armoede, zoodat zij er slechts toe kon geraken nog een 
klein kerkje en een klein klooster te bouwen dat thans nog be- 
staat en dat, met zijn kruisramen, trapgevels, daklijst met con- 
soles en zijne hardsteenen omlijsting der vensters, die eene con- 
structie van 't eind der XVII« eeuw verraden, een zeer schilder- 
achtig aanzien heeft. 



(1) Maaxgouw 1903, p. 39. 

(2, In de Chrouiek van Loyens {Maasgoitw 1902 p. 62) wordt de vestiging der 
Fah'ezusfers gesteld in 1487. 

In eene andere chroniek \Maasgouw 1886, p. 70) wordt gezegd dat de zusters van 
St. Katharina de Réfugié van Pietersheim kochten in 1552 (?;. 



— 66 — 

Het gebouw diende in den Hollandschen tijd tot kazerne voor 
eene compagnie genie-troepen, van daar den naam van Faliekazente ; 
thans behoort het gebouvv^ aan de stad en dient tot woningen van 
politie-agenten; het kerkje werd een veertigtal jaren afgebroken (i). 

Nog zij hier vermeld het torentje, in den volksmond geheeten 
naar Pater Vinck, een der Maestrichter martelaars uit het 
gru weijaar 1638. 

Deze toren, thans in zijn oorspronkelijken vorm hersteld, maakte 
met de aangrenzende muren deel uit van den walmuur in 1298 — 
1299 gebjuwd; tijdens de merkwaardige belegeringen der stad in 
1407 en 1408 door de Luikenaren, in opstand tegen den hier 
gevluchten Prins-Bisschop Jan van Beijeren, werden hier ver- 
woede gevechten geleverd. 

In 1471, toen de zoogenaamde Nieuwstad (2), voor het eerstin 
de Raadsverdragen van 1515 genoemd, nog niet was ingelijfd, 
deed deze walmuur nog dienst zooals blijkt uit ordonnanticn die 
in tijd van gevaar het bezetten daarvan en met name van der 
thorne achier dis Sivesteren (de Pater Vinckloren) gelaste. 

Vlak bij dien toren in de nabijheid van het oude, XV« eeuwsche 
Pesthuis, het voormalige gemeente slachthuis, lag eene stadspoort 
de Ancker genoemd (^). 

Het bolwerk in den vestingmuur tegenover de Begijnenstraat 
heette oudtijds „Haei en Nyt*'* terwijl dat wat naar de Martelaars 
van 1638 genoemd werd de vijf koppen, voorheen den naam droeg 
van de drie diiyven (0). 

De Stilsruwe werd in de X1V« eeuw met de Kleine Looierstraat 
en het gedeelte der St. Pieterstraat dat buiten de oude Minder- 
broederspoort lag, begrepen onder de wijk den Aldenhof antiqna 
curia geheeten (Ö). 
In eene beschrijving der wijken of kerspelen waarin de stad in 



(1) Jos. Habets, Gesch, Bisdom Roermond lll^ p. 117. — 6°" voN Geusau, Ge- 
schiedenis der k loos Iers "jan Maastricht in Publications etc. XXXI, p. 49. 

(') Zie over de inlijving der xXiemvsiad het gedocumenteerde opstel van H. P. H. 
EvERSEN, Publications etc. XIV, p. 3 — 100. 

(3) Ibid. I, p. 87. 

(^j Ibid. XIV, p. 9, 95, 100. 

(») Ibid. XIV, p. 94. 

(«) Franquinet, Inv, O, L. V, II, p. 233. 



— 67 — 

de XVII« eeuw verdeeld was wordt de Sulsruwe^ die sylliek rouiue 
geheeten (^). 

De Begijuenstraat was tot kort na de ontmanteling der stad in 
1868, een smal steegje; sinds dien heeft de toestand daar ter 
plaatse een geheel ander aanzien gekregen, en schijnt het plein 
voor het Fcilenklooster in park herschapen, versierd door den 
yyPaUr Vi'fck toreiC* en de gerestaureerde walmuren, met de in 
de nabijheid statig verrijzende Heipoort, een sieraad van het oude 
Tricht te zullen worden. De restauratie van den gevel van het 
Feilenkloosier is daartoe noodzakelijk, terwijl onderzocht moet 
worden of de bastions ^Haet en Nyt" en de „Vijf koppen" voor- 
heen niet met torens z. g. „orgelhuisjes'' voorzien waren die als 
dan dienen hersteld te worden. 

Huizen in de Begijnenstraat en liunne bewoners. 

In 1294 (N** 34 D) is er sprake van het erf dat Henricus de 
ÜYS en Johannes Tiionen bezitten en dat gelegen wms tegenover 
de brouwerij geheeten feyhupauhuis. In welke straat deze brouwerij 
lag is niet aangeduid, noch de beteekenis van haren naam ver- 
klaard; in geen geval valt hier te denken aan de falie- of feyl- 
zusters die eerst in 1470 van zich deden gewagen. 

In 1363 (N** 185 en 186W) wordt vermeld den vialtmolen van 
Daniel DE Eynenberch, man van wapenen, en zijne vrouw Rutgera 
DE EuSENBRUECH, gelegen op den Jeker, nabij de Minderbroeders. 
Die familie woonde op het Balioen. Op het hier bedoelde terrein 
stonden destijds zeer vele molens. 

In 1369 (N*» 101 F) worden de goederen genoemd van Anselius, 
looyer, gelegen tusschen die van Goswinus van Dilsei^ en die 
van Johannes van Mere op die arme bcgynen wonende, naast den 
molen van Johannes Mennen Suels, en genoemd /./;//^r^i.ST£'^^/r/V^.y. 

In 1369 (N** 760 D) wordt melding gemaakt van het kleine 
huis van Lambertus, zoon van wijlen Symon op den Aldenhof en 
van wijlen Katherine de Brugis, gelegen op den hoek der Az/TcW/t' 
dicie Sulsruwe tusschen zijn groot huis en dat van Jacobus Pistoris. 

In 1379 (N° 843 D) wordt de straat geheeten Zuh genoemd om 
de ligging van een huis nabij die straat aanteduiden. 



(i) Puhlications etc. XIX, p. 447. 



— 68 — 

In 1463 (N" 1501 D) is er sprake van een huis met tuin gelegen 
voir tbegyncn poertken russclien het huis van wijlen Heynen Ekeners 
en dat van Heynen Vogels, bakker. 

In 1492 (zie noot bij N® 843 D) vi^ordt gewag gemaakt van het 
convent van Pieiersheitn gelegen indic Sulzruiue. 

In deze buurt lagen vele molens die !iun bevveegkracht aan den 
Jeker ontleenden. Op St. Jacobsdag in 1505 wies deze plotseling 
zoo sterk dat o. a. de „Malsmeulen en de Paesmeulen van Mal" 
wegdreven. 

Op eene kaart der stad van 1718 wordt de Begijnenstraat ge- 
noemd y,int sackjien^\ waarschijnlijk wel om den algemeenen naam 
zak (cul de sac) aanteduiden. 



8. Bogaardenstraat. 

CPlatea Beggardorum). 

De oorsprong van dien naam moet volstrekt niet gezocht worden 
in de kloosterorde der Begaarden die gevestigd was in de 
Witmakerstraat. 

Van Heylerhoff (1) oppert het vermoeden, zonder het te durven 
bevestigen, dat hij wel zijn ontstaan zou te danken hebben aan 
eene sekte van geestdrijvers Bogaarden genaamd, die zich in die 
straat in 1307 vestigden (^). Zij kwamen uit Duitschland en hadden 
met bovenbedoelde kloosterorde niets gemeens; het waren ketters 
wier leerstellingen in 1311 door Paus Clemens V op het Concilie 
van Vienne veroordeeld werden, even als toen ook de orde der 
Tempeliers opgeheven werd. Dergelijke oproerstokende ketters 
kwamen veelal voor in de Middeleeuwen: zoo de flagellanten 
(geeselaars) hier in 1399 (3) en de half naakt loopende duivels- 
dansers in 1374(4), de naaktloopende geeselbroeders in 1501, die 
de stad in rep en roer brachten en bloedige onlusten veroor- 
zaakten ook nog in 1351 en 1457 (0). 



0) Annuaire 1830, p. 154. 

(«) Maasgouw 18S«, p. 36. 

(^) Ibid. 1886, p. 48. 

(^) A Habets, Rég. aux. résol. du Cons. Comm. de Maestricht, 1368 — 1379, p. 39, 

(B) Publications etc. VII, p. 109, 200, 202. 



— 69 — 

Van Heylerhoff zegt verder dat het waarschijnlijk is dat de 
naam der Bogaardestraat wel zou kunnen ontleed worden in Booq- 
en ^a^rr^/ (tuin); wat voor die veronderstelling eenigszins pleit is 
dat de oude stads-boogschutters daar een tuin bezaten; eindelijk 
dat oorspronkelijk de naam ook ^é[ Boojn^aardestracHkiwx^Qv^'it^^i 
2^)n; uit de benaming in 't latijn kan dit evenwel niet afgeleid 
borden. 

Huizen in de Bogaardenstraat en hunne bewoners. 

^n J316 (N<» 142 D) is er sprake van drie huizen in de platca 

^^êgardcrum^ bewoond door Willelmus, vleesch houwer, Eliza- 

^er de weduwe van Rutgerus genaamd DAVATen Mathias Bergkre. 

'n 1320 (N. 165 D) wordt een huis op den hoek der Bogaar- 

desirctat genoemd, gelegen tegenover dat van Aleydis Vlknnersse. 

In 1342 (N** 369 D) een huis supra platea beggardorum gelegen 

tusschen dat van Wilhelmus Zeilwender en dat van de Slusis, 
bakker. 

In 1356 (N" 561 D) wordt vermeld het erf van Herbertus de 
Ca^i^ENbergh in de platea beggardorum tusschen de huizen van 
Johatines Pistoris en van Yda Kerkens. 

In 1365 (N<> 562 D^ wordt in die straat genoemd een huis met 

tuin en dependentiën, toebehoorende aan Herbertus de Cauden- 

BEKGH en zijne zuster gehuwd met Lambertus de Valle, gelegen 

tusschen dat van Mathias der Vissen en dat van Yda de weduwe 

van Johannes Zeils. 

In 1377 is er in een cijnsrcgister van O. L. V. kerk (i) sprake 
van de BeggardstroeL 

In 1397 (N** 983 D) van een huis in de begartsiraie (in dorso 
y^n den schepenbrief platea bagardornni) aan Clocs EvNKNSOEN 
in erfpacht gegeven en gelegen tusschen dat van Johan Tylovken 
alias Tyloys, ghewaiitvieker^ en dat van Kristiaen Mksens. 

In 1398 (No 564 D) wordt het in 1365 genoemde erf de Kan- 

denbergh in de vic2is beggardorum beschreven als gelegen tusschen 

het huis van Lambertus de Gelke, bakker, en dat van Henricus 

DES Wysen de Bouciiout, anders gezegd Heyne der Cruepel. 

Nog in 1398 (N*^ 1012 D) is er sprake van een huis gelegen 

P) FRAKQ.UINET, Iftvent, O. L. V. II, p. 259. 



— 70 — 

supra plateam beggardorum tusschen dat van Mychael Geldolfi 
en dat van Henricus de Boi^xhout (vergelijk voorgaande). 

In 1408 (N** 1101 D) van het huis van Katharina gezegd KiG- 
GENERS in de vicus beggardorum tusschen dat van Symon BuKE 
van Merkelbeek en dat van Petrus Cruesens. 

In 1413 (N** 1149D) wordt melding gemaakt van het huis 
voorheen genaamd de Kaudeubergh (zie op 1398) in de platea 
beggardorum gelegen tusschen het huis van Johannes Boen, wagen- 
maker, en dat van Katharina de weduwe van Henricus Wysen 
ook genoemd in 1398. 

In 1421 (N® 1229 D) van het huis van Johannes de Beeck, 
suior (schoenmaker), in de vicus beggardorum^ tusschen dat van 
wijlen Johannes Puetkens en dat van Arnoldus Sleyp; het erf 
van laatstgenoemde wordt omschreven als gelegen naast zijn huis 
en dat van Henricus Otten, wagenmaker. 

In 1429 (N® 1296 D) is er sprake van een huis in de beggarde- 
siraie naast het erf der kinderen van Pouwel van Oirsbeke. 

In de limietbeschrijvingen van den Vroenhof van circa 1450 en 
van 1626 wordt de Bogaert strate genoemd als behoorende ten 
beiden zijde tot het gebied van Linkuien (^). 

In 1459 (N® 1466 D) is er sprake van het huis van Peter van 
Kanne, oeftmenger^ indie Begaertsiroete naast dat van Aert VAN 
Briede en dat van Thoenys van Zuetendale, der stat louper, 

In 1493 werd het 12 Apostelenhuis (gasthuis van den Bellick) 
door Lambcrtus van Middelhoven gesticht; Pauwels van Mid- 
delhoven een zijner familieleden wordt als schepen der stad van 
Luiksche zijde in 1453 en 1454 aangetroffen (2). In 1768 werd het 
huis nieuw opgebouwd (3). 

In 1535 (4) was Heyn Tymmerman in die Bogardestraete . e.en 
der 15 Anabaptisten die op het Vrijthof onthalsd werden. 

Onmiddellijk na 1579 wordt Jacob Beckers als wonende inde 
Bogaerdestraet vermeld (0). 

Tegen het einde der XVIIl'^ eeuw behoorde het huis thans nog 

(1) PiiblkatioHs etc. XIX, p. 398 en Maasgouw 1905, p. 59. 

(') Ibid. XXXIV, p. 325 en het in 1893 door A. J. A. Flament uitgegeven werk. 

(») Annuaire 1831. 

(*j Jos. Habets, De Wederdoopers, p. 129. 

(^} Haakman & Allard, Het Beleg van Maastricht, p. 183. 



/ 



— 71 — 

in den Rooden Leeuw geheeten (N° 50 der Bogaardestraat) aan de 
familie Zelis die er het brouwersambacht in uitoefende; het werd 
tijdens de belegering van 1794 plat geschoten. 

Aangaande den poel, op den hoek dier straat èn der Grootc 
Gracht, in 1703 gedempt, zie men deze laatste straat. 

De joodsche Synagoge in de ^<?^^^^^r^to^n/^^/dagteekent van 1839. 
Zij werd gebouwd in een stuk tuin der Capucyne kaserne, aan 
de Joodsche gemeente door den koning geschonken; haar cere- 
dienst werd te Maastricht voor het eerst in 't openbaar uitge- 
oefend in 1794 in een huis achter het Stadhuis, daarna in 1807 
op de Kleine Gracht (^). 

9. De Bokstraat of Boxstat. 

Men moet alreeds tot de ouden van dagen behooren om zich 
nog te herinneren dat aan de overzijde der tegenwoordige Kessels- 
kade en „langs de Maas" eene rij huizen stond die in 1847 bij 
het aanleggen van het kanaal naar Luik afgebroken werd; die 
straat heette de Bokstraat. Voor dat de Augustijnen, ook wel 
Oiidestynen genoemd, in 1609-1618 hunne kerk en klooster aan de 
Mariasiraal bouwden, waren zij, sinds hun vertrek van de Visscher- 
maas omstreeks 1291, gevestigd in deze straat bij de Maasbrug; 
de ingang van 't klooster was in de Bokstraat en den achterkant, 
even als die van de huizen ernaast gelegen, lag onmiddellijk aan 
den oever der rivier. Het koor der kerk sprong zelfs gedeeltelijk 
uu over den stadsmuur en de Maas (2). 

In dezelfde straat lag naast de oude Jodenpoort, (tegenover de 
straat van dien naam), het refugiehuis der abdij Godsdal bij Visé, 
dat alreeds in 1271 vermeld wordt als ontheven van alle stads- 
belastingen. In 1309 werd dat abdijhuis, toen gezegd gelegen te 
zijn supra Mosatn ex opposito scole Jndeornm (op de Maas tegen- 
over de school der Joden) verkocht. De overdracht aan het kapittel 
^^n St. Servaas van talrijke cijnzen is te vinden in N"* 73 D. In 
1377 was er eigenaar van Dirk van Oost, ridder (3). Het schijnt 

P) Maas^otvw 1889, p. 168. 

(') Annuaire 1825, p. 113; pRANauiNET, Inv, O, L. V. I, p. 5; Publicatious etc. 
IV, p. 403. 
O Franopiket, Inv, O, Z. V, II, p. 51, 119. 



— 72 — 

echter dat het huis naderhand weer aan de abdij terugkwam, want 
in 1662 werd het door haar verkocht om de schulden te kunnen 
betalen die de abdij gedurende den oorlog had moeten maken (}). 

Bij den aanleg van het Luiker-kanaal (1845-1850) waarvan hier- 
boven werd gewaagd, en die op kosten van het Belgisch gouverne- 
ment geschiedde, werd de tiende boog der Maasbrug tegenover 
de Brugstraat afgebroken, terwijl wel vijftig of zestig huizen van 
af die straat tot aan de St. Anthoniuskerk hetzelfde lot onder- 
gingen; bij den afbraak bevond men „dat daer onder palen, soo 
dik als boomen, waren ingeheit geweest" (2). 

Mede verdwenen toen het zoo bij uitstek schilderachtige huis 
van de familie P. Stevens-Bonjour (3), gelegen aan de ook bij die 
gelegenheid gesloopte Jodenpoort. Het had met zijn houten 
galerijen het aanzien van een Italiaansche constructie. Peter de 
Groote bij zijn bezoek aan Maestricht (27/28 Juli 1717) logeerde 
er, zooals blijkt uit het garnizoens orde-register van dat jaar. Het 
heet daar dat „Seyne Majesteyd zal logeeren by Kerens aen de 
„Maes, hoewel de H' Gouverneur zijn huys gepresenteerd had" (^). 
Eene prachtige afbeelding in olieverf van dat huis door Alex. 
ScHAEPKENS is in mijn bezit. 

Huizen in de Boicstraat en hunne bewoners. 

In 1326 (N« 197 D) wordt een huis met aanhoorigheden vermeld 
supra locum dicium Boxtat^ in erfrecht opgedragen aan Petrus 
ToME, molenaar; het was gelegen naast dat van Arnoldus Rolant, 
vleeschhouwer. De aanteekening op den rug, dat het huis lag 
in platea pistorum^ in de Broodstraat, duidt aan dat het op den 
hoek van de Stokstraat gelegen was, want deze laatste straat werd 
in de middeleeuwen vaak Broodstraat genoemd. 

In 1380 wordt in een cijnsboek van O. L. V. kerk vermeld het 
huis van Mei Ie geheeten Frementvers gelegen in opposito ecclesic 
Augustinensitim tusschen het huis van Johannes Oeslinger en 
dat van Heckini, visscher (s). 



(1) Maasgouw 1883, p. 884. 

(2) Ibid. 1889, p. 176, 184. 

(') Publications etc. II, p. 443. 

(*) Annales etc. I, p. 295. 

(') Frakquinet, Inv, O. L, V, II, p. 5. 



— 73 — 

In 1390 (N° 928 D) is er sprake van het huis op ghene boxstat 
lusschen het erf van Philips van Basyelisbur CO- 
In 1391 (N« 930 D) van een huis met toebehoor gelegen viir 
die masebntgge tegen die Angustyjie oever^ het werd bewoond door 
de weduwe van Goedart Vleners en hare zes kinderen. 

In 1393 (N'' 958 D) wordt aan Conrarde van Gruytroede, 
den stroedecker^^ en Kathrynen van Mersen, in erfpacht opge- 
dragen een huis met annexen gelegen op ghenen boxstat tusschen 
het huis van Philips van Basyelysbuer en dat van Ernken van 
Steyne, smid. 

In 1398 (N° 1008 D) wordt aan Lambrecht genaamd Lamson, 
di-r hontmenger,^ en zijne echtgenoote Sophyen in erfrecht opge- 
dragen eene hoef stat (hoefstcdc) gelegen op ghene boxstat \xii%^z\\tvi 
het huis van Mathys van Byecht, bakker, en het panhuis van 
wijlen Leonard van Lyechtenburcii. 

In 1399 (N*' 1021 D) wordi aan Johan van den Zande, kramer, 
en zijne echtgenoote Aleyde in erfpacht opgedragen een huis ge- 
legen voor de Maasbrug op den oerde (hoek) van den visschemarckt 
tegenover het klooster der Augustijnen, tusschen het huis van 
Hallaer en dat van Lysen Zupen. 

In 1416 (N°1177D) wordt vermeld het huis van Severyn 
Riemsleger bij de Maasbrug naast het huis van P tier der cremer 
en den ynganck der Augustijnen. 

In 1429 (N" 1288 D) een huis op de boxstat tusschen dat van 
Wilhelm van Repen en dat van Mathys van Parys. 

In 1447 (N<» 212 F) bezat Johan van Achelen, bakker, een 
huis gelegen optie boxtat tusschen het huis van Mathys DoEMS, 
vleeschhouwer, en dat van Johan van Dilsen, bontwerker. 

In 1457 (N«» 1445 D) is er sprake van het woonhuis van Peter 
Moer tegenover het klooster der Augustijnen (bij de Maasbrug) 
tusschen Sint Everskirchoff tn het huis van Re5mer Duykers. 

Vóór en na het beleg van 1579 woonde Hendrik Biesmans, 
bakker, op de Bokstraat (-). 

In 1784 den 20 Mei werd op de Bokstraat geboren de groole 



p) Zie omtrenl die familie die ook elders in de stad goederen bezat, bij de 
Kapoenstraat en de Kleine Staat. 

(2) Haakman en Allard, De zoogenaamde verwoesting van Maestricht, p. 184. 



— 74 — 

Maestrichter beeldhouwer Mathys Kessels; hij overleed in 1836 
te Rome. Naar hem werd de kade waar zijn geboortehuis had 
gestaan, genoemd (}), 



10. De Boschstraat. 

Zij lag op het einde der XIIP eeuw nog buiten den walmuur 
die van 't uiteinde der Groote Gracht in schuine richting naar 
den ingang der Kleine Gracht liep en dus de Markt in tweeën 
deelde. Het gedeelte irrtra muros werd de Saterdagh merkt 
genaamd, dat extra muros^ dus ook de tegenwoordige Bosckstraat, 
de holtuterkt. In plaats van de toenmaals bestaande stadspoorten, 
waarover nader bij de behandeling der Markt, bouwde men in 
1298 of 1299 eene poort buiten de holhnerkt. De stad was 
overigens in het begin der XIV« eeuw nog grootendeels alleen 
door grachten omgeven, hetgeen blijkt uit eene limietbeschrijving 
van 1304 (-). De Boschpoort in den toestand waarin ze was tijdens 
hare slooping in 1869, dagteekende van hare herstelling in 1508. 

Drie der torens (bastions) tusschen deze poort en de Maas 
waren van veel oudere constructie, de vierde die den noordelijken 
hoek der stad vormde en door de Maas bespoeld werd, heette 
voorheen de O, L. Vrouwe toren (3). 

In het testament van Elisabeth Manegolds (1316) is van die 
poort melding gemaakt als de poort verwijdert van de houtmarkt 
en in een ander document als de btiitenpoort waardoor viefi naar 
Hocht gaat (^). 

De Boschstraat vormde zich langzaam en werd nog in 1412 de 
Houtmarkt genoemd (N*' 1141 D), later werd rX] Eyckerweg C^X^^^- 
eyckerweg) genoemd (0). 

Aanvankelijk lagen daar nog vele terreinen onbebouwd die door 
de hoveniers of gerdeuiers tot moestuinen gebezigd werden; het 



(•) Zie de geïllubtreerde levensbeschrijving van Math Kessels door Arnaud Schaep- 
KEKs; eene teckcning van Kessels' geboorieluiis komt daarin voor p. G. • 
C^; Pubiicaiioiis eic. XIX, p. :J92. 
(3) Annuaire 1S2", p. 122. 
(^) Antuxlcs I, p. 93, 95, 97. 
{*j Nécrologium der Kruisheeren, Pubiicaiions etc. XXXIX, p. 96. 



— 75 — 

uiterste gedeelte der straat wordt dan ook aangetroffen onder de 
benaming van onder de gerdenieren ; eene soortgelijke uitdrukking 
werd vaak gebruikt om plaatsen aan te duiden waar zekere am- 
bachtslieden bij voorkeur woonden; zoo bijv. onder de korven- 
Vlakers QCörverrmve^ onlangs Cörversplein gedoopt) ; iuier cerdones 
voor de Looierstraat, inter tinctores voor den Ververhoek enz. 

In een schepenbrief van 1410 (N® 146 F) is er sprake van een 
tvï popelersguet geheeten, gelegen op de Houtmarkt onder die ger- 
denere, dat zijn naam ontleende aan de boomen die er voorstonden. 

Naderhand werd den naam Eyckerzveg vervangen door dien van 
Hochteiweg tengevolge van de stichting van het toevluchtsoord 
van het klooster der H. Maria van Hocht, dat in 1382 (No 869 D) 
en zelfs reeds in 1325 vermeld wordt (N» 196 D) Q) 

In een opstel dat vele wetenswaardige bijzonderheden bevat 
aangaande de Réfugié van Hocht door de ouderen van dagen nog 
onder dien naam bekend, deelt de heer H. P. H. Eversen mede 
dat hij ervan voor 't eerst melding vond gemaakt in 1531 bij de 
verbouwing van den gevel en in 1554 dat door den Raad aan de 
abdis van Hocht voor 10 gulden brabantsch afgestaan werd een 
straatje van slechts 3 voet breed achter haar huis gelegen (2). 

Waren hem toen bovenaangehaalde schepenbrieven onbekend? 

Bij de beschrijving der limieten der stad in het begin derXIlI« 
eeuw zegt de Lenarts dat ten noorden daartoe dienden langs 
de7t Hochterivegh tot aan de weyden van St, Servaas en de kluys van 
St Anthonins (3). Deze benamingen slaan op terreinen binnen den 
walmuur getrokken. Een dier weiden „achter de kluis van St. An- 
thonius gelegen" werd op 13 Februari 1362 door het kapittel van 
St. Servaas aan de ridders der Teutonische orde ten geschenke 
gegeven (4), die er hunne prachtige zommd^nditnt. De nieinve Biezen 
stichtten, aldus geheeten in tegenstelling van de Oude Biezen te 
Bilsen waar de hoofd-commanderie gevestigd was. 

Vóór de vestiging van het Penitenten-klooster op de Boschstraat 
in 1673, ter plaatse .waar thans de Penitenienpoort van de fabriek 



(1) Zie ook DE Lenarts, in PubiiciUions etc. II, p. 26. 

(2) Maasgcuw 18S3, p. 834. 

O DE Lenarts, in PublicaHons etc. II, p. 26. • 
(*) Idem, ibidem II, p. 44. 



•^ 76 — 

„de Sphinx" nog daaraan doet denken, heette dat terrein Bus- 
scJmttenhof; het maakte vroeger deel uit van de goederen der 
evengenoemde Duitsche Orde hier gevestigd omstreeks 1280, en 
werd aldus genoemd omdat het in gebruik was geweest als exer- 
citieveld van de boog- later busschutters (^). Eenige burgers 
kochten het van den burgemeester de Grati en stonden het af 
aan de nieuwe communiteit (2). 't Zal wel op dat terrein zijn 
geweest dat de gezworen voetboogschutters „van den kerspele van 
St. Anthoenis" hunne verzamel- en oefeningsplaats hadden, daar- 
gesteld kort na de belegering van 1408 door de Luikenaren (3). Dat 
gilde verwisselde later zijn voornaamste wapen, den handboog, 
tegen de bus naar welk vuurwapen zij btisschtnschuiters of dove- 
nieren (arquebusiersj geheeten werden; wij vinden het o. a. om- 
streeks 1441 vermeld als „het oud en vermaerd genootschap der 
„stads arquebusiers^ dat de H. Sacraments-proccssie der parochie 
„van St. Mathias omringde, onder het spelen van trompetten en 
„timbalen en het gedonder van het grofgeschut" (•*). 

In de XIV* en XV<^ eeuw werden de proosten van St. Servaas 
zittende op een paard of muilezel door de kanunniken aan de 
HocJiterpoort ingehaald. Na de plechtige installatie werd in de kerk 
van St. Servaas een gastmaal gehouden (ö). 

Hulzen op de Boschstraat en hunne bewoners (*). 

In 1323 (N° 63W) is er sprake van goederen gelegen supra 
paludem (op den poel) in foro lignorum tegenover de open plaats 
van wijlen Hendricus Sac. 



(1) In 1380 werden de boogschutters van Maastricht genoodigd op een wedstrijd 
in Doornik (kroniek Maasi^ouiü 1886, p. 47). 

(-) VON Geusau, Publications etc. XXXI, p. 11'>. 

^S) Jos. EvERSEN, Maas^ouw 1904, p. 5, waar ook hoogst merkwaardige bijzon- 
derlieden te lezen zijn omtrent de constitutie, de previlegien, de kleedij enz. der 
gilden. 

(*) Hist. beschr. der St. Mathiaskerk, Public. XXIX, p. 379. 

("^j Zie uitvoerige bijzonderheden: Annuaire 1828, p. 15'); Annalcs ^Kz. I, p. 104 en 
PiihUcaüojis etc. XXVIII, p. 235. 

(*^) Zie ook, voor misschien enkelen^ bij de Houtinarkt onder welke benaming de 
Boschstraat immer in de middeleeuwen voorkomt. De hier vermelde lagen blijkbaar 
op deze laatste straat zooals uit omschrijvingen en ook uit den naam hunner be- 
woners afteleiden is. 




eg) 



— 77 - 

In 1332 (N® 249 D) van twee onbebouwde stukken grond (areae) 
op de Hontmarkt ; het eene gelegen naast het erf van Johannes 
Kelreman, het andere tusschen dot van Theodericus dk Roggk. 

In 1346 (N* 417 D) lag de bakkerij van Johannes van Dilsen 
op de Hontmarkt tegenover de ciuia (hofstede) van Henricus 
Sach. (Zie hierboven op 1323). 

In 1349 (N® 118W) is er sprake van goederen gelegen op den 
Hontmarkt nabij den poel, tegenover het huis van Hendricus 
geheeten Sack, op den hoek der St. Anthoniusstraat (zie hier- 
boven op 1323 en 1346). 

In 1353 (N°496D) wordt een grondcijns overgedragen uit een 
huis met hoeve en aanhoorigheden, gelegen op de Hontmarkt naast 
het erf de Mayo en dat van Elisabsth Greven. In denzelfden brief 
is er ook sprake van een stuk land aldaar aan den anderen kant 
gelegen tusschen het erf van Johannes Popelere en dat van 
Tilmanus de Boxberch. 

In 1380 (N*' 865 D) wordt vermeld een huis van Renier Dolwav, 
pastoor van St. Mathias, die ook bij de Mariastraat voorkomt, 
gelegen op de Hontmarkt nabij voornoemde kerk, tusschen het 
kerkhof en de goederen van Mathias Bobart. 

In 1410 CN** 146 F) wordt genoemd het goed geheeten /^/^^/rr^- 

gnet (naar de populieren die er groeiden) gelegen op de hontmarck 

onder die gerdenere (d. i. op het nog onbebouwde gedeelte der 

Boschstraat waar de hoveniers hunne moesttuinen hadden). In 

1450 wordt dat goed nog vermeld (i). Zie ook hierboven op 13o3. 

In 1411 (N'' 1134 D) is er sprake van het op de Hontmarkt 
gelegen, Flassarts gnede; het was bewoond door Marsielis van 
Vleytingen en gelegen naast een huis der Balie Biessen geheeten 
teji hoevel en naast dat van Dyerix Saxs; deze familienaam komt 
op de Houtmarkt voor hierboven in 1349, 1346 en 1323. 

In 1423 (N® 1246 D) van een huis op de Hontmarkt tegenover 
de Grachtstraat gelegen tusschen dat van Henrix Hulsloe, den 
jonge, en dat van Hoeken van Lodenaken. 

In 1424 (N° 1254 D) van goederen van oudsher geheeten die 
gnede van Boxberch^ ende gnede Gysen Gabbarts gelegen op de 
Hontmarkt^ tegenover de St. Antoniusstraat, naast het huis van 



(1) Pubtkations etc. XIX, p. 399. 



— 78 — 

Willem VAN den Byessen en met den achterkant uitkomend op 
den wal en stadsmuur. 

In 1442 was de „waelplaetze van het Sint Anthoenis kerspel, van 
„Hochter porte tot opten torne achter den Scutten hoefT'. Goesen 
Haerdvouyst was er de overheutzman van; Reyner Joersken, 
Lens Maessens, Anthoenis Butinxt, Servaas Rauer en Jan 
Heutz de hoofdlieden (^). 

In 1480 lag er een huis die zvitte hinne genoemd, tegenover de 
St. xMathiaskerk C-^). 

In 1483 (N° 248 F Noot 2) wordt het huis vermeld van Ghyssen 
VAN Bessemer gelegen op den hoUmerckt naast St. Mathyskerkhof. 

In 1528 wordt het logement vermeld /;/ den rooden leeuiv bij 
de weduwe Hagemans naast St. Mathyskerk (3). 

In 1534 was Dirk van Lieck, wonende op de Houtmarkt, voor- 
malig rentmeester der Antonieten, een der weinige personen van 
eenig aanzien die hier tot de anabaptistische sekte behoorden (^^). 

1656 Servaas Nvpels, vleeschhouwer, echtgenoot van Anna 
Nys, verpandt zijn huis Boschstraat.^ den Os^ naast het panhuis en 
het huis van Willem Deckers. 

In 1740 lag het huis in den dobbelen Arent tegenover de Beelt, 
en dat /// den Roskam twee huizen verder als de St. Calharina 
kerk (•^). 19 December van dat jaar stond het Maaswater tot aan 
die huizen. 

In de XV^IIl^ eeuw heette eene uitspanning op de Boschstraat 
/// Keyzcrshof (ö). . 

In 1748 was het huis /// de Swaan eene herberg en speelhuis (7^. 

.De poel hierboven reeds vermeld lag aan den ingang der Gracht- 
straat, hij werd eerst in 1703 gedempt (S). 



(1) Publicafijfts etc. XIX, p. 389. Over het Penitenten-klooster op den Schuttenhof 
„niet eene huyzing daar neven de Straale pooft genaamd", zie Public. XLII, p. 60. 
Dat klooster werd bij het beleg van 1676 erg beschadigd en door den graaf van 
Tilly hersteld. Ibid. p. 61. 

('•) Franciüinet, Invent. O, L, Vr, II, p. 27. 

(8) Publications etc. XXIX, p. 882. 

(') Jos. Habets, Pe Wederdoopers, zie alph. Reg. 

C^) Maasgouw 1903, p. 36 en ibid. 1888, p. 55. 

(6) Ibid. 1900, p. 75. 

(') Ibid. 1880, p. 268. 

(') Jaarboek 1851, p. 266. 



— 79 — 

In 1765 of 1768 werd de Boschstraat „met twee linieën linde- 
.boomen op de Hollandsche wijze" beplant Q), 



11. Bouillonstraat. 

Bij het nagaan der hieronder volgende aanhalingen uitschepen- 
brieven waarin /le^ Balioen voorkomt, zal het den lezer opvallen 
dat schier nimmer de naam dier plaats of straat op volkomen 
gelijke wijze vermeld staat. Zij wordt naar gelang van het tijdstip 
waarin ze voorkomt achtereenvolgens genoemd Balioen^ Balyon^ 
Boljuytiy Bolioen^ Balyuen^ Baluin^ Baelyuen^ Bailinen, Balynyne 
enz.; in de XV1I« eeuw werd nog geschreven op den Baljuyn, 

Eene nauwkeurige beschrijving te geven van het stadsgedeelte 
dat onder die namen bekend stond, is moeielijk, aangezien in den 
loop der tijden den toestand ter plaatse aanmerkelijk gewijzigd is. 

Men mag echter op grond der navolgende beschrijvingen, die 
dikwijls den naam vergezellen, aannemen dat de tegenwoordige 
Bouillonstraat misschien wel vóór de XVI« eeuw als plein, een 
gedeelte uitmaakte van het voormalige Balyoen even als dat ge- 
deelte van het St. Servaasklooster dat van het Vredeplein naar 
het Gouvernements-hótel voert. 

Er was toch in 1360 sprake van het baelyun retro ruellam Sancti 
Johamtis^ en met deze ruella zal wel bedoeld zijn de straat die 
van het Vrijthof bezijden de St. Janskerk naar het St. Servaas- 
klooster voert; ook de aanduiding in 1362 van de straat leidende 
naar St. Servaasklooster schijnt zulks te bevestigen, evenals de 
omschrijving van 1384 en 1385. 

Dat de tegenwoordige Bouillonstraat en het Gouvernementsplein 
deel uitmaakten van het Balioen vindt bevestiging in de aanduiding 
in 1405 waar het luidt op den baljuyne daarntan gheyt van 
St. Servoes cloester te Lenculen zuart en in 1310 en 1356 waar het 
Balyoen een plein genoemd wordt. 

Waar lag het voor dien tijd (XIV« eeuw) voorname huis (poort) 
van Ridder van Eynenberch, hetzij aan de zijde van het Gou- 
vernements-hótel, dan wel daartegenover waar thans de heeren- 
woning met area van den heer van Rijckevorsel is? 

(O Maasgomv 1897, p. 2 en 1888, p. 83. 



— 80 — 

De gegevens van 1347, waar gewag wordt gemaakt van een 
steenen huis ojidcr Lenculen^ gelegen tegenover het huis DE Eynen- 
BERCii, pleiten voor het laatst genoemde emplacement; die kant 
toch van het plein of straat behoorde tot den claustralen singel 
en dus tot het gebied van Tweebergen waarvan de Hoogproost 
van St. Servaas heer was; de tegenoverliggende kant waar het 
voornoemde steenen huis stond, behoorde tot den Vroenhof 
(Lenculen) (i). 

Wel schijnt die redeneering te falen door het medegedeelde bij 
de Lenculestraat (in 1395 N»' 973 D) waar er sprake is van een 
huis xich uitstrekkende tot aan de schuur van heer Willem de 
Eynknbkrciï, waaruit kan afgeleid worden dat de „poort" aan de 
zijde van het Gouvernements-hótel lag, edoch 't is niet bewezen 
dat die schuur deel uitmaakte van het complex de Eynenberch. 
Overigens schijnt het aangehaalde bij de Tweebergen straat (in 
1401 N^ 528 D) een nieuw bewijs op te leveren voor het empla- 
cement tegenover het Gouvernements-hóiel. 

De grens tusschen het B.dyocji en de Papenstraat is onzeker, 
zooals blijkt uit N® 94 F van 1359, hieronder te vinden. 

Dat de naam Balyoev^ destijds op allerlei grillige wijzen ge- 
schreven, aan den naam herinnert van den grooten Godfried van 
Bouillon, Koning van Lotharingen en eersten Koning van Jeru- 
salem, komt D*" Doppler als zeer waarschijnlijk voor (2). 

Hij heeft toch zeker te Tricht geresideerd en had daar ter 
plaatse waarschijnlijk een paleis, want in 1096, vóór zijn vertrek 
naar het Heilige Land, schonk zijne moeder Ida, met zijne toe- 
stemming en met die zijner broeders Eustachius en Baudewyn, 
de kerk en de tienden van Genappe aan de abdij van Affligem en 
vond die schenking met grooten luister plaats /// St, Servaaskerk. 

Dat de spelling van den naam van Bouillon niet altijd de te- 
genwoordige is geweest vindt bevestiging in het werk „Merk- 
waardige kasteelen van Nederland" door van Lennep en Hofdijk; 
in eene beschrijving der Kruistochten gewagen zij van Godfried 
va?i Bolioen, Die spelling, zeer zeker niet zonder historischen grond 
gebruikt, is hieronder terug te vinden in N** 441 D van 1347. 



(^) Zie PubUcaliotis etc. XIX, p. 375. 

(•-) Necrologie de la Confrcrie des Chapelains de St. Scrvais 4 Maestricht, p. 41, Noot 3, 



— 81 — 

Otberi, bisschop van Luik, verklaarde in 1096 (N° 21 W) dat 
hij zich tengevolge van het vertrek naar Jerusalem van hertog 
Godfried en andere vorsten, zoomede door den koop van het slot 
Buljoen^ in groote schulden heeft moeten steken. 



Eenige historische gegevens aangaande het ter plaatse liggende 
Gouvcrnenients hotel mogen hier in herinnering gebracht worden. 

In den Spaanschen tijd hielden de civiele- en militaire gouver- 
neurs der stad hun verblijf in het Spaansch Gouvernement langs 
het N'rijthof daartoe door de Magistraat van het kapittel van 
St. Servaas gehuurd. Ook werden later andere groote eigendom- 
men in de stad daartoe gebezigd. Eerst in 1626 ging men ertoe 
over om eene vaste verblijfplaats voor de civiele gouverneurs aan 
te schaflen en in te richten. De militaire commandanten resideer- 
den op de 1 ongersche straat (huis Kerens de Wolfrath). 

Twee naast elkander gelegen huizen in de Bouillonstraai^ nabij 
de oude Lenculenpoort, werden aangekocht, het eene van de erven 
VAN BuEL voor 4800, het andere van Pastoir voor 2J00 Luikcr 
guldens en verbouwd tot hotel. 

Tijdens het gouverneurschap (1641 — 1648) van den Graaf van 
SoLMS TOT Braunfels, zwager van Prins Frederik Hendrik, die 
groote weelde ten toon spreidde, bleek het hotel, destijds //é*/ Hof 
genaamd, te klein. In 1656 werd voor 460 L. guldens een huis 
van Alathias Noyen en in 1658 een huis van Marcus Pitten 
voor 990 L. gulden aangekocht en tot verruiming van het hotel 
verbouwd; ook stallen en koetshuizen werden er toen aan toegevoegd, 
In 1666 kocht burgemeester Cauwenberg tot hetzelfde doel een huis 
aan van Martin voor 3000 L. guldens. In 1777 werd de voor- 
gevel en de rechter vleugel vernieuwd en eene tweede verdieping 
met mansarden gebouwd. Hel werk werd uitgevoerd door den 
aannemer H. Soiron en kostte 52330 L. guldens. 

Ais een staaltje van de ridderlijke wijze waarop destijds een an- 
tagonist in den oorlog werd behandeld, diene dat de Graaf van 
Aylva die de stad tegen de Franschen had verdedigd in 1748, 
bij de capitulatie, van den Franschen bevelhebber ten geschenke 
ontving 4 kanons en 2 mortiers met hunne affuiten die in De- 
cember 1749 voor het Gouvernements-hótel geplaatst werden (^). 



Q) Chroniek vau Maestricht, Maasgouw 1880, p. 270. 



— 82 — 

Al de kosten der vernieuwingswerken werden door de Gemeente 
betaald die ook de groote zaal op de eerste verdieping met por- 
tretten in levensgrootte van de zich opgevolgd hebbende gouver- 
neurs voorzag. 

In de Croniek van van Gulpen (}) staat aangeteekend dat in 
1746 nog ^acht portretten van Gouverneurs ad 25 ducaten het 
„stuk sor.der de lysten aangekocht werden om op de groote zaal 
„te selten by de gouverneurs hunne portretten". 

De Fransche Republikeinen deden; helaas die portretten ver- 
dwijnen. 

Napoleon heeft in het Gouvernementshótel herhaaldelijk gelo- 
geerd; 't is ook daar dat de Vorstelijke Personen uit het Huis 
van Oranje verblijf hielden tijdens hunne bezoeken aan Maestricht. 

Tot 1858 bleef het Gouvernements-hótel eigendom der Gemeente; 
den 11 Januari van dat jaar werd het aan het Rijk verkocht voor 
/ 44500. - welke som gebruikt werd tot de stichting der gasfabriek. 

In 1770 werd het tegenwoordig tot IJkkantoor dienende gebouw 
op kosten der stad verbouwd, van daar de stadsster in het fronton. 

Huizen in de Bouillonstraat en hunne bewoners. 

In 1296 (N«» 44 D) wordt vermeld het woonhuis met area van 
Henricus Iaste, priester en omschreven als liggende achter de 
hofstede van Theodoricus de Eynenberch die zooals hierboven 
vermeld en verder nog zal blijken in deze straat woonde. 

In 1310 (N® 76 D) worden twee huizen aangetroffen door Jan 
VAN RoTHEiM toegekend aan Gerard genaamd Haechman, gelegen 
tusschen het p/ein het Bulyun en de muur van het huis van den 
deken van St. Servaas. 

In 1336 (N° 77 D) wordt door evengenoemde Gerardus Hage- 
MAN en zijne echtgenoote vaarwel gezegd, aan de rechten welke 
zij op de hierboven vermelde goederen bezitten ten behoeve 
van Billa de weduwe van Johannes de Raetem; in eene aantee- 
kening op den rug van den brief worden de huizen gezegd te 
liggen supra balioeii. 

In 1340 (N® 338 D) is er sprake van eene area (open ruimte) 
gelegen in de straat, die van het balyon leidt naar St. Servaas- 



(1) Maasgouw 1888, p. 69. 



— 83 — 

klooster, tusschen het huis van Henricus genaamd Neelken en 
de ntaxilla (post?) der poort die toegang verleent tot zijne schuur, 
welke area^ lang 34 voet en breed aan de straat 1 1 voet zich van 
achteren uitstrekt tot aan het huis van Billa de Eycke. 

In 1347 (N® 441 D) wordt een cijns vermeld op een houten huis 
toebehoorcnde aan den zoon van wijlen Johannes de Montenaken, 
rentmeester van het graafschap Loon, welk huis wordt gezegd 
gelegen te zijn onder Lenculen op den holiuyn naast het steeneii 
huis dat tegenover het huis van wijlen Danyel de Eynenberch (i), 
ridder, staat, van den eenen kant infra unum murum de marlari- 
bus factnm (muur van leem gemaakt) en het huis der kinderen 
van wijlen Kokenmeyster, van den anderen kant naar St. Ser- 
vaasklooster. Deze bijzonderheden worden bevestigd in N° 11 7 W 
van hetzelfde jaar. 

In 1354 (N*^ 145 W) wordt het huis van Box vermeld als liggende 
super boelioen tegenover dat van ridder Willem de Eynenbercii. 

In 1356 (N° 542 D) worden vermeld twee huisjes op \\qx plein 
geheeten balyuen^ tusschen dat van Margareta de Eycke en den 
muur van het huis van Johannes de Wambeke, kanonik van het 
St. Servaaskapittel (zie hierboven op 1340). 

In 1356 rN° 550 D) een cijns op een huis gelegen op dt plaats 
geheeten der balyuen retro cnriam et penes (^achter en nabij) murum 
dofftitii ducis Brabantiae^ toebehoorende aan Gerardus zoon van 
wijlen Aleydis de Pronen (Proenen? zie Brugstraat) koopvrouw 
en door deze overgedragen aan Franco de Eyke. In N® 551 D is 
er wederom sprake van hetzelfde huis. 

In 1356 (N*" 552 D) is er sprake van een huis met toebehooren 
gelegen in vico dicto bolyon naast dat van Beatrix Noeskens. 

In 1359 (N° 94 F) komt het huis voor bewoond door Macha- 
rius de Hese benevens het daarnaast gelegen huis van Johannes 
de Rupe; een daarvan heette het huys van St.Jacob. Ta] waren 
volgens eene noot op den rug van den brief gelegen /;/ die papenstraat^ 
volgens eene andere noot van veel oudere dagteekening op den baluin, 

In 1360 (N° 637 D) een huis in de platea dicta baelyuen retro 



Q) Zie bijzonderheden over dit geslacht: Franciüinet, Tnv^nt. O, Z. Vr, I, p. 128; 
Publications tic, I, p. 60; IV, p. 431, o. a. ook N« 2460 en N» 17 D. Zooals hier- 
boven werd betoogd lag de „poort" de Eynekbbrch tegenover het Gouvernemcnts- 
hótel. 



— 84 — 

riiellam sancti JohanniSy gelegen tusschen het zooeven genoemde 
huis van Macharius de Hese en dat van Johannes Moreel. 

In 1362 (1) droeg deze Johannes Moreel dat huis over aan 
Eustachius de Elst, tector domorum (stroodekker); het wordt be- 
schreven als liggende opden bailiuen op den hoek tegenover de 
poort (huis) van ridder Wilhelmus de Eynenberch en tusschen 
het huis van Johannes den zoon van Gerardus de Riemst en de 
platea pergeus (de straat leidende naar) ad claustnim sancti Servatii. 

In 1363 (N°681 D) wordt vermeld het huis van Gerardus Catsert 
gelegen supra plateam dtctam baelyuen naast dat van Hermanus 
de Montenaken (zoon van Johannes), genoemd in (1347 N^» 441 D) 
precc (gerechtsbode) van het hof van Lenculen. 

In 1363 (N« 686 D) het huis van Henricus de Riemst op der 
baelyneji naast dat van Eustachius de Eelst, placcator (plakker) 
en dat van Beatrix de dochter van wijlen Henricus Neeskens; 
[dezelfde namen komen hierboven voor in 1356 (N° 552 D\ in 
1363 (N° 678 D) en in 1362 (i) ]. 

In 1384 (N^* 893 D) wordt in erfpacht opgedragen een huis ge- 
legen retro ecclesiam sa?ictt Johaiinis in platea dicta op den baluyne^ 
gelegen tusschen dat van Goeswinus, /r?//V/V/^ (steenhouwer) en dat 
van Margareta Mynnenboede. 

In 1385 (N° 897 D) wordt genoemd Rutgherus van Baliuyne 
als wonende in de Kokartzriiive (Kruisheerengang). 

In 1385 (N" 903 D) wordt een huis vermeld gelegen in platea 
dicta op den baliuyne retro claustruin St, Servatii^ naast het huis van 
Mathias de Novolapide (van den Nuwensteen) en dat van 
Mathias de Boelre. 

In 1385 (N° 907 D) wordt in erfrecht opgedragen een huis gt- 
]QgQn p/atea dicta op den balynyne achter St. Janskerk; bij dezelfde 
gelegenheid wordt weer het reeds in 1359 (N° 94 F) en in 1360 
(N° 637 D) vermelde erf van Macharius de Hese genoemd en be- 
schreven als liggende tusschen het oude huis van Johannes de Rupe 
en de porticns van Hadewidis de Clemmen. 

In 1387 (N<> 432 D) bezat Petrus de Bergheym, clericus, een 
huis op St. Servaasklooster in platea dicta op den baljuyne, 

In 1396 (N° 284 W) wordt genoemd Johannes Balioen, inves- 
iitus der St. Nicolaaskerk. 



(>) Alex. ScHAEPKENS, Publications etc. I, p. 57; N« 678 D vermeld 1863. 



— 85 — 

In 1397 (N" 976 D) komt voor het huis van Aleyde VoGiiiiLS 
gelegen opten baclyoen tusschen die van wijlen Jacob VAN Tiioenen 
en van Johannes van Ruest. 

In 1398 (N° 987 D) een huis gelegen opden bixelyoen xxis^oXx^x'i A\x\. 
van Aleydis Conyncks, weduwe van Lambertus Conyncks en 
dat van wijlen Goeswinus, steenhouwer, en van den achterkant 
zich uitstrekkende tot aan het huis van wijlen Henricus de Lava- 
TORio, kanonik van St. Servaas. 

In 1405 (N^ 1066 D) doet Beateren (Beatrix) de natuurlijke 
dochter van wijlen ridder Arnolt van Sint Margraeten afstand 
van eene jaarlijksche rente uit haar woonhuis en uit het daarnaast 
gelegen huis bewoond door Ymmele gelegen op denbaljuyne datr- 
man ^luyt van Sint Servoesk /oester te Lenculen loari^ naast den tuin 
van Peter Gieles, kanonik van St. Servaas en naast het huis van 
Johannes Meyer. 

In 1405 (No 1070 D) wordt het in 1396 (No 284 W) genoemde 
erf, thans geheeten Aleyden I^^^//^/^ ^v/^/, weer vermeld als gelegen 
op den balioen tusschen het huis van wijlen Jacob Thoenen en 
dat van Jan van Ruest, steynmytzèr (vergelijk N** 970 D van 1397). 

In 1412 (N° 1139D) wordt een huis optefi balyuyne^ gelegen 
naast .dat van Goedard Bueten en Hillen diens echtgenoote en 
dat van Arnold Zelmans aan eerstgenoemde opgedragen. 

In 1413 (N^ 1152 D) bezat Arnold Speelman, procureer op den 
Bulyoen een huis naast dat van Aleyt Smeets. 

In 1415 (N* 1171 D) worden vermeld twee naast elkander gelegen 
huizen opten balynyne naast dat van wijlen den proost van St. Lam- 
bertuskerk te Luik, thans behoorende aan den hertog van Brabant 
en naa.st dat van Wilhelm van Eymole, scroeder (kleermaker). 

In 1416 is er sprake van Diederic van Eyxenbergh, knapc te 
wapen. 

In 1420 (N** 1153 D) van eene erf jaarrente uit het huis van 
Arnolt Selman, der procureerder gelegen opden balynyne (zie op 
1412 No 1139D). 

In 1443 (N^ 1371 D) van het huis van de weduwe van Gobbel 
VAN Helmont, gelegen opten bolyuyn naast het hare en naast dat 
geheeten des hertogen hoeff, (Zeker het in 1415 bedoelde erf). 

In 1447 (N** 210 F) wordt aan Aleyde, weduwe van Johan 
Lentmans een jaarcijns afgestaan op het huis van Maria van 



'— 86 — 

LoEN, gelegen opten baelluyn tusschen het huis van Dyonys Can- 
TELBERGER en dat geheeten bachuysguet. 

In 1450 (N«» 1399 D) is er sprake van het woonhuis van Engel- 
brecht Buetons, priester, gelegen opten baljuyne^ naast dat van 
Peter Neve, kanonik van St. Servaaskerk en dat van Dryes van 
Welre, der scroeder. 

In 1451 (N° 988 D) wordt door Kathryne Die Bruyt en haar 
zoon Ghyse eene erfrente afgestaan uit hun huis opden balyuyun. 

In 1455 CN** 1432D) is er sprake van twee huizen opten bul- 
yuyn toebehoorende aan Johan van Ophem gelegen tusschen het 
huis van Johan Broeders en dat van Herman van Aldenrode. 

In 1458 (N® 1457 D) van het woonhuis van Johan Fratris, 
priester, opten Buluyn naast dat van den abt van St. Jacob te Luik, 
naast dat van Johannes van Ophem en het huis van Herman 
VAN Aldenhoeven; (zie hierboven in 1455) ook wordt daar ver- 
meld een hoef ken achter het huis van laatstgenoemde dat begrensd 
werd door der Susteren hoeff en door den tuin van van der 
Schueren. 

In 1510 wordt bij de limietbeschrijving van den Vroenhof(^) 
genoemd het huis Mobertinge7t opden balyuyn in Sinte Servaes 
cloester gelegen, 

Alex. Schaepkens (2) heeft in een register van 1556 aangetroffen 
dat Joncker Aerts van Bunde te Tricht woonde opte Bulioen. 

In 1626 wordt bij eene nieuwe limietbeschrijving van den Vroen- 
hof (3) weer genoemd het huis Mopertingen op den Baljuyn. 

In 1743 bestond er tegenover het Gouvernements-hótel een huis 
genaamd de Meloen (*). Zou dat huis hebben plaats gemaakt voor 
de steenenwacht die in 1770 gebouwd werd? 



(1) PublicaHons etc. XIX, p. 897. 

(O Ibidem I, p. 69. 

(8) Maasgouw 1905, p. 59. 

(4) F. Dazert, Gesch. kloosters H. Graf, p. 84. 



— 87 — 

12. De Breedestraat. 

CLata Platea). 

De Lenarts schrijft omtrent die straat (i) dat ten tijde van Graaf 
Albuinus in het begin der X** eeuw, dus lang vóór de omwalling 
of de hersteUing der omwalling der stad (omstreeks 1229) de door- 
tocht van Brabant naar Duitschland plaats had binnen Tricht door de 
Via regia oi Breedestraat, Deze sloot aan, aan de straat die langs de 
later gebouwde St. Janskerk en de St. Servaaskerk, verder over het 
Klooster en St. Servaas-Commel liep om dan aan te sluiten aan den 
toenmaligen Romeinschen steenweg die naar Tongeren voerde. Bij 
het bouwen van het riool in 1860 vond men \n dit Breedestraat v\){ 
voeten onder het plaveisel overblijfselen van de oude Romeinsche 
chaussée; zij was van cement met kiezel en vuursteenen van 
St. Pietersberg aangelegd (2). Bij de behandeling der ^xx^^i achter 
het Vleeschhiiis is aangemerkt dat volgens Franquinet de Romein- 
sche heirbaan binnen Tricht langs deze laatste straat liep. Aan- 
gezien de toenmalige Maasbrug de beide Maasoevers verbond aan 
de Porta Regia of Casseipoort^ later de O. L. Vr. poort, en het 
daartegenover liggende zoogenaamde Waterpoortje^ schijnt de be- 
wering van de Lenarts de meest aannemelijke. 

Omtrent de ligging in deze straat van de St. Vincentiuskapel, 
wordt in de onderstaande aanhaling nader gesproken. 

Huizen in de Breedestraat en hunne bewoners. 

In 1297 CN** 43 F) wordt op den hoek der Brecde-(tw dtv Sweef- 
straat (Wolfstraat) een steenen huis vermeld in qua domo cauver- 
sini trajectenses morantur. 

De hier in zijne kwaliteit van cauversinus genoemde bewoner 
was een Italiaansch koopman die zooals velen zijner landgenooten 
in de groote steden van Frankrijk, België en Engeland, handel 
dreven en voorschotten gaven op goederen. Hunne herkomst uit 
Noord-Italië deed hen veelal Lombarden noemen. Het bovenbe- 
doelde huis wordt vermeld in het testament van zijn eigenaar, 
Lewalus de lata platea^ Luiksch schepen van 1291 tot 1298, die 
ook deze laatste naam als geslachtsnaam voerde; het behoorde in 



(1; Publicaüons 'etc. II, p. 24, 31. 
(^ Maasgouw 1889, p. 204. 



— 88 — 

1380 aan den schepen Everardus van Vernenholt en werd" in 
de XIV« eeuw door de Lombarden verlaten om het daaraan gren- 
zende, voorheen aan de familie van Meldert toebehoord heb- 
bende huis te betrekken. Tot in de XVI* eeuw hadden de Lom- 
barden nog daar hun kantoor (i). 

In 1296 (N° 43 D) dragen Renerus, Perchevalus, Antonius, 
Homedeus en hunne gezellen. Lombarden te Tricht, een cijns over, 
te beuren uit diverse hun toebehoorende goederen. 

In 1302 (N« 54 D) wordt in dezelfde straat een huis vermeld 
toebehoorende aan Nicolaas Kersele, gelegen naast dat van Johannes 

ROYF. 

Bij N** 61 D teekent D"^ Doppler aan dat de St. Vincentiuskapel, 
gelegen in de Breedestraat tegenover de voormalige kerk der 
Jesuïeten, reeds vermeld wordt in de eerste jaren der XIII* eeuw. 
In de XVI* eeuw heet zij gelegen bijna tegenover de St. Nicolaas- 
kerk (naast O. L. V. kerk). St. Vincentius wordt elders martelaar 
genoemd. HeylerhofF (*) rangschikte ten onrechte deze kapel als 
onderhoorig aan het kapittel van O. L V. In N° 7 W wordt betoogd 
dat de bewering van Alex. Schaepkens (3) juist is en de St. Vin- 
centius-kapel onder dat van St. Servaas ressorteerde. Die kapel 
zou volgens pastoor Willemsen waarschijnlijk gesticht zijn in de 
VII* eeuw doof St. Perpetus, Bisschop van Maestricht (4). 

In 1307 (N® 60 D) wordt door den deken en het kapittel van 
St. Servaas opgedragen aan Godefridus Kenterken, priester, hun 
aandeel in een huis in de Breedestraat tegenover dat van Rycaldus 
de Parona. 

In 1314 (N° 119 D) is er sprake van het woonhuis van Heleka 
of Heilka de weduwe van Rutgerus SuEVUS in de Breedestraat 
tusschen di^mansio^ (heeren woning) van Baldewinus Caseus, schepen 
en het huis van Baldewinus de Porta. 

In 1317 (N° 150 D) van het woonhuis dat Johannes de zoon 
van wijlen Nicolaus de Aurea Barba, schepen, in de Breedestraat 
bezat. 



(1; Franciuinet, Invent. O. L, Vr, II, p. 79. 

(2) Annales 1829, p. UO en N° 46 F. 

p; PubUcaiions etc. I. p. 54. 

(*) Zie omtrent hare ligging Annuaire 1829, p. 140 en N*1123D dat hierna volgt. 



— 89 — 

In 1322 (N® 177 D^ wordt het huis genoemd van Lambertus 
Proyte tegenover de kapel van St. Jacob in de Breedestraat, 

In 1322 (N° 63 W) wordt genoemd Winandus, geheeten Pape 
de latii platea(y) en het jaar daaropvolgend (N<> 64 W) Mechlildis 
de dochter van dezen, wonende in de Breedestraat, 

In 1323 (N*» 58 F) wordt de mansio van Franco van Boxbergh 
en van zijn broeder Johannes genoemd als gelegen lata platea. 
Die mansio werd later eigendom van den schepen ridder Arnoldus 

NUEST. 

In 1324 (N® 59 F) komt voor het huis van Lambertus van 
Rolingen, schepen der stad, met al zijne gebouwen gelegen in de 
Breedestraat, In eene noot wordt medegedeeld dat die aanzienlijke 
woning later naar zijn nieuwen eigenaar V huis van Groeseli 
CGronsfeld) werd genoemd, (zie omtrent zijne ligging nabij de 
Heggenstraat N« 729 D) en hetzelfde is dat later bekend werd 
onder den naam van Poort van Rymborch^ in welks tuin de over- 
oude kapel van St. Amandus lag (2); het geheele complex werd 
bij akte van 28 September 1593 door de toenmalige eigenaars 
Agnes VAN Bylant, weduwe van den heer van Bronckhorst, 
heer van Gronsfelt en Rymborch en haar zoon, geschonken 
aan de Jesuïeten (wier Rector Johan Becx van Helmond was), die 
zich in 1575 alhier gevestigd hadden. 

In 1327 (N** 211 D) wordt genoemd in de Breedestraat het huis 
van Ulemannus, priester, bewoond door zijne moeder Adula (zie 
ook No 218 in 1328). 

In 1329 (N® 230 D) wordt een huis vermeld in de Breedestraat 
geheeten de aurea barba (de gouden baard). 

In 1333 (N° 256 D) wordt in erfpacht gegeven aan Johannes 
Guetman een huis in de Breedestraat naar den kant der Kesenruwe 
(Heggenstraat) naast dat van Nicholaus rector der kapel van 
St. Livinus. 

In 1337 (N«> 31 2 D) is er sprake van het brouwhuis van Johan- 
nes in de Breedestraat ; deze Johannes was de schoonzoon van 
Truda de Valle, brouwster; het lag naast het huis de bonghart 
geheeten en dat van Egidius de Fora Cerasorum (van de Kerse- 
markt) priester. 



\}) Zie ook Franquinet, InvenL O, L. Vr, II, p. 155. 
(^ Zie ook Annuaire 1830, p. 158. 



^ 90 — 

In 1338 (N« 265 D) en ook in 1333 (N'> 263 D) is er sprake van 
een huis in de Breedestraat^ juxia ruelam Danielis Casei^ gelegen 
tusschen dat van wijlen Franco, priester en dat van Henricus 
Pellifex. 

In 1343 (N** 373 D) wordt het huis met aanhoorigheden van 
Ghiselbertus de Riempst in erfpacht gegeven; het was gelegen in 
de Breedestraat naast dat van Johannes de Valle (zie in 1337 
N^312D), brouwer, en dat van Johannes Fabri en Arnoldus 
Peepken, priester. In eene aanteekening boven den brief, van 
latere dagteekening, wordt den naam van den eerstgenoemde 
Giselbertus de Ryempt geschreven. 

In 1344 (N*' 109 W) wordt een cijns vermeld op het huis van 
wijlen meester Johan marscalci (hoefsmid) gelegen in de Breede- 
straat tusschen het huis van wijlen Gyselbcrius de Rympst thans 
eigendom van Arnoldus Peepken, priester en dat van wijlen 
Francor, priester (zie voorgaande). 

In 1350 (N® 464 D) is er sprake van het huis van Johannes 
genaamd Illekoven gelegen in de B-eedcstraat tusschen de kapel 
van St. Jacob en het huis van Lambertus de Canne. 

In 1355 (N 512 D) draagt de honesta mairoua Geyrtrudis we- 
duwe van Henricus de Yseren (i) schepen van Tricht, met toe- 
stemming harer kinderen en van Franco de Holsberch, echt- 
genoot harer dochter Ida, eene jaarlijksche rente over aan de 
kapel van St. Vincentius in de Breedestraat^ uit haar huis naast 
d'.e kapel en naast het huis De Fee gelegen. 

In 1366 (N° 717 D) woonde in die straat Johannes de Mersen, 
bakker. Zijn huis met toebehooren lag naast dat van Henricus 
Horremort, koopman. Uit eene aanteekening blijkt dat dit huis 
hetzelfde was dat in 1333 in erfpacht was gegeven aan Johannes 
Guetman (zie hierboven op 1333, N° 256 Ü, waar zijne ligging 
nader wordt omschreven). Laatstgenoemde was priester zooals 
blijkt uit N^- 718 D. 

In 1374 (N* 800 D) woonde /;/ lata platea Mechtildis de dochter 
van wijlen Winandus Papen, den zoon van Balduwinus (2) die 
reeds vóór 1291 overleden was en den bijnaam droeg ^/^/rt/^r/^A?/^^/. 

('; Zie over de de Yseren, MaasgouiL' 1890, p. 8ü. 
(-') Frakquinet, Invcni. O. L. Fr. II, p. 155. 



— 91 — 

In 1379 (N° 850 D) bewoonden Petrus de Sittert en zijne 
echtgenoote Bela in voormelde straat een huis tusschen dat van 
Henricus de Cleirmont en de zich daar bevindende poort; hier 
mede zal waarschijnlijk de mansio van Groeselt bedoeld zijn, 
hierboven onder 1324 reeds vermeld. 

In een cijnsboek van 1380 komt in laia platea een huis voor 
de zuer-eli genoemd naast dat van Arnoldus Pullus (i). 

In 1395 (N" 973 D) wordt genoemd als woenende in de breyt- 
sint eten alze rentnteister ende ophelder der cense der eirsamer heren 
De keus ende Capittels der kerken des gueden Sente Servais^ Reyner 
VAN Wessem, ckrck, 

In 1397 (N** 978 D) het huis van Reyner Kellener in de 
Breedestraat gelegen tusschen dat van Ida Papen (zie in 1374) en 
dat van wijlen Reynken van Wessem (zie in 1395). 

In 1405 (N« 1072 D) is sprake van het huis voormaals bewoond 

doo.r >vijlen Lambrecht van Hoerne, priester, en thans door 

Godart van Syney, priester, gelegen in de Breedestraat tusschen 

dat van Arnout van Helmont en dat van Florens Wythuys, 

schepen der stad. 

In 1410 (N<» 1123D) vinden wij de ligging der St. Vincentius- 
kapel vrij duidelijk omschreven; het geldt daar het huis waarin 
Peter van Monyouwen, priester en zijne moeder wonen en ge- 
legen was op den hoek onser Vrouwen cloester tegen Sinter Cloes 
kirke avery tusschen de voornoemde kapel en het huis van Peter 
van Hoichem, de die alde cltider vercoupt, 

In 1411 (N<» 1J26D) vernemen wij dat cvengemelde Godard 
VAN Cyney, kapellaan der St. Servaaskerk was en dat het in 
1405 bedoelde huis gelegen was /;/ de breydestraie nyet verre van 
Sinte Jacobs Capelle tusschen het huis van Arnold Eelman den 
jonge en dat van Kalryne van Helmont. Dit blijkt ook uit N** 845 D. 
In (1411 N*> 1131 D) wordt nog genoemd een huis in die straat 
toebehoorende aan Arnold van den Swane (later kwam het aan 
Judocus DE ToNGRis); het wordt omschreven als liggende naast 
dat van Arnold van Zymper op den hoek der Mannardsruwe, 
Deze straat wordt in 1363 (N° 690 D) geheeten de //^r^« J/<i«;i^r/5- 
ruwe bij vermelding van het erf van Florentius de Vinea, zoon 



(i) Franqüinet, Invetit. O. L, Vr, II, p. U. 



— 92. — 

van Goiswinus de Vinea, dat in die straat lag naast het huis van 
Godefridus medica en dat van Petrus DE Haren, wagenmaker. Ik 
heb te vergeefsch gezocht naar bescheiden die de juiste ligging 
dier straat nader omschrijven. Tenzij het een verdwenen straatje 
is kan het dunkt mij geen ander zijn dan het tegenwoordig Lan- 
taarnstraatje dat de Kapoen- en Breedestraten verbindt. 

In 1369 (N° 756 D) wordt ten minste vermeld een huis in 
de Kapoensiraat in erfrecht opgedragen aan Johannes de Haren, 
metselaar, het lag tusschen dat van Reynerus de Vinea en dat 
van Arnoldus de Blisea genaamd Pallere (zie bij de Kapoenstraat). 

Franquinet (1) zegt dat hem de ligging dier straat onbekend js. 
Evenvermelde schepenbrieven, die hem waarschijnlijk onbekend 
waren, verspreiden echter licht over de quaestie. 

In 1415 CN<* 1166 D) wordt een huis inde Breedesiraatvtvm^Xd 
tusschen dat van Coenrart van Scoenvorst heer van Elsloo en 
Sittard en dat van }Atnyx\^ pister (bakker) van St. Servaaskapiitel. 

De open plaats van dat huis grensde aan de koi^ti stoaide in den 
hove v.ih Groussel, waardoor zijne ligging nader wordt bepaald. 

In 1418 (N° 1201 D) wordt het huis van wijlen Johan van 
Juleymont opgedragen aan Jonker Beertram van Laer, schepen 
van Tricht. 

In 1419 (N" 1212 D) komt het huis voor van Johan van Merssen, 
kanonik van O. L Vr. in de Breedestraat gelegen tusschen het 
huis van Reyner Kelleners, priester, en dat van Reyner van 
Berge, ridder. 

In 1426 (N** 126SD) wordt melding gemaakt van het huis van 
Jehennc Bernelle in de breydestraelen tusschen de poort die zij 
daarvan gescheiden had en het huis van Mechteld van den Creefte. 
Die poort gaf toegang tot een groot achterhuis staende neven den 
gnedeu Willichns van Chievel. 

Bovenvermelde brief is rijk aan beschrijvingen en nauwgezette 
conditiën. 

In 1430 (N^ 1301 D) wordt het huis vermeld van Giselbrecht 
VAN Herre gelegen nabij St. Nicolaaskerk by Sinte Viuccncys- 
C({/>eIle en gcheeten int ree^ naast die kapel en het huis van Wil- 
helm SCIIORNWEDER. 

(1) Itivent, ^. L. Vr. II, p. 18. 



— 93 — 

In 1453 (N® 1415 D) is er sprake van het huis van Vastrart 
KoBBEN, kapellaan van St. Servaaskerk, gelegen in die breydestnite^ 
tusschen het huis van Johan van Leut en dat van Boetsen 
van Valkenborch. 

In 1454 (N® 1423 D) van het huis ten ztolckenberch in de Bree- 
destraat gelegen tusschen het huis van Johan Beus en dat van 
BoETZEN van Valkenborch (zie hierboven in 1453). 

In 1459 (N^ 1464 D) is er sprake van het huis met erf der 
juffrouwen van Kestelt, gelegen in de Breedestraat bij de 
St. Jacobskapel naast het huis van Arnt van Noortbeke. 

In 1475 den 5 September, stierf ie Tricht in die Breyde-stroet^ 
Ugen Synte Jacobs Gasthuys joncker Wyllem van Sombreff^ heer te 
Kerpen ende tot Reckheym (i). Hij werd denzelfden dag begraven 
in het nonnenklooster van het H. Kruis te Reckheim in zijns 
ouders graf. 

Van 1453 tot 1477 was brabantsch hoogschout te Tricht y^/zr^vr 
Jan Clut /// het Gruythnys. Dat huis door hem bewoond, lag in 
de Breedestraat 0}> den hoek der Kesenruive (Heggenstraat). Zoo 
teekent ten minste Franquinet aan in eene noot bij N° 263 (1506). 
In 1324 (No 59 F) troffen wij op den hoek der Breede- en Heg- 
genstraten de poort van Groeselt of van Rymborch aan^ deze zal 
gelegen hebben tegenover het Grnythuys dat mitsdien den hoek 
vormde naar den kant van het Vrijthof. De naam Gruythuis komt 
in de Middeleeuwen herhaaldelijk te Tricht voor, o. a. in de 
Kleine Staat, langs het Vrijthof, der grutersen huys^ en bij Adam 
Daems int Gruythtiys(y), 

Het prachtige thans nog bestaande Gruuthuize te Brugge is een 
der aantrekkelijkheden der oude stad. 

In 1571 Verkocht Peter van Daele, rector der kapel van 
St. Servaas-gasthuis zijn huis in de Breedestraat aan Nicolaas 
Weerts, schepen der stad. Het lag naast dat geheeten de gulden 
borch dat aan den kooper toebehoorde. De notarieele akte bevat 
bepalingen die bewijzen dat toen reeds eene Hinderwet bekend en 
toegepast werd (*). 

(O Publicaiions etc. VII, p. 49. 

(2) Zie over dat uitgebreid ridderlijk geslacht Jos. Eversen, Maas^ouw 1890, p. 102. 

(8) Publicaiions etc. I, p. 68 en Franq.üinet, Invent. O, Z. Vr, II, p. 11. 

(^) Maasgouw 1900, p. 84. 



— 94 -^ 

In 1585 (N** 320 F) wordt genoemd als wonende in de Breede- 
straat Cornelis Thymans (alias notaris Taymans). 

In 1575 verkregen de Jesuïeten een huis in de Breedestraat uit- 
komende in de Wolfstraat met name de Gnldenboom waarbij zij weldra 
een aangrenzend huis voegden, de ijzeren of staie?i poort g^no^xni, 
het lag aan de oostzijde der tegenwoordige Comedie Deze gebou- 
wen tot schoollocalen ingericht, vormden het eerste collegie der 
Paters te Tricht; het telde reeds in hetzelfde jaar 300 leerlingen. 
Zooals hierboven bij de bespreking van de poort van Rymborch 
reeds is gezegd kwamen de Jesuïeten in 1593 door schenking in 
't bezit van dat uitgestrekte goed waardoor zij in staat werden 
gesteld in 1606 na aankoop van nog twee huizen- in de Breede- 
straat hunne kerk aldaar^te stichten (2). De stad verleende hun daar- 
toe eene bijdrage van 600 guldens Luiksch die gelijdelijk in 1614 
tot 3200 guldens werd opgevoerd ter erkenning der diensten die 
de Jesuïeten vooral op onderwijsgebied, aan de stad bewezen (3). 
In 1596 telde hun collegie 500 studenten, in 1617 600 en in 1619 
klom het zelfs tot 700. 

Ten einde het bewijs te leveren, dat de verhalen omtrent de 
algeheele verwoesting der stad in 1579 schromelijk zijn overdreven, 
getuigen de E.E. P.P. Haakman en AUard dat kort na het beleg 
van 1579 melding wordt gemaakt van geheele rijen huizen aan 
het Vrijthof en de belendende straten, dus ter plaatse waar de 
laatste en de meest verwoedste strijd gevoerd werd. De op- 
somming van de geheele rij van huizen die eens het collegie der 
Sociëteit van Jezus uitmaakte, van af de Wolfstraat tot aan de 
Heggenstraat, is hier op zijne plaats. Zij luidt: „het stalen hnis^ 
den Gulden boom^ het huis van de wed. Aert Conincx, het huis 
van den secretaris Conincx, het huis van burgemeester Fall, 
het huis van schout Maes, de Poort van Ryinborch^ het Gulden 
Varken en nog een paar andere huizen. . . Aan de overzijde o. a. 
de Poort van Reckem (in 1639 bewoond door den toenmaligen 
militairen commandant von Stein Callenfels), de Poort van 



(1 ) VON Geusau, in Publicaiions etc. XXXI, p. 85, 86. — Annuaire 1830, p. 147 — 153. 

(') Zij was toegewijd aan de H.H. Petrus en Paulus. Met den bouw werd in 
1611 aangevangen. 

(^) Zie nadere bijzonderheden bij Jos. Habets, Gesch, Bisdom Roermond III, p. 536 
540. 



— 95 — 

Meer enz. . . De woning van de wed. Aert Conincx werd eenlge 
jaren na 1583 voor de destijds aanzienlijke som van 3000 guldens 
verkocht. . ."(^). 

Aan den noordwestelijken hoek der Jesuïetenkerk verhief zich 
oorspronkelijk in uitbouw een vierkante, bovenop platte toren ter 
hoogte van ongeveer vijf meter boven het dak, hij verdween toen 
de kerk in 1786 tot schouwburg werd ingericht. De coUonade 
aan den zuidkant, afgebroken toen in 1880 den schouwburg ver- 
bouwd werd, was een overblijfsel van de portieken die de speel- 
plaats van het collegie omringde. Toen werd de reeds zoo her- 
haaldelijk en zoo deerlijk gehavende kerk, uiterlijk van hare laatste 
bouwkundige versieringen op brutale wijze beroofd door maar 
blootweg van den gevel die naar de Breedestraat uitziet, de spits 
en de zijkanten van den nok af te kappen! 

De Maestrichter kunstenaarsfamilie Coclers waarvan een der 
leden o. a. de zolderstukken van den Raadszaal schilderde, was 
gevestigd in de Breedestraat in het huis y,dc PluynC\ XVII* en 
XVIII- eeuw O). 

In 1640 werd de zetel der beide hooge gerechten, die gedurende 
slechts één jaar in de Poort van Gaveren (zie bij de Kapoenstraat) 
gevestigd was geweest, overgebracht naar de Poort van Reckhcim 
in de Breedestraat (hierboven nog genoemd). Van Heylcrhoff(-*) 
zegt dat dat refugiehuis in zijn tijd het N®808 droeg; nazoekingen 
ten Raadhuize bewijzen dat zulks het tegenwoordige N" 17 is, het 
voormalige pand van den heer W. Polis-Ryckelen, nu toebe- 
hoorende aan den heer Senator Louis Regout zoon. D^ Poort van 
Recklteiin behoorde aan de Jesuïeten die het aan de Stad ver- 
huurden en in 1666 voor 8200 Luiker guldens verkochten. 

In 1651 verpanden Aart Olislegers en zijne echtgenoote Mag- 
dalena Cleuters hun huis gelegen in de Breedestraat naast dat 
van Ida Gielen naar den kant van St. Jacob, en naast dat van 
Hendrik Geerarts naar den kant van St. Nicolaas (•»). 



(i) Haakman en Allard, Het Beleg en de zoogenaamde Verwoesting van Maes- 
tricht, p. 10-t, 105. 

(-) Zie D' DopPLER's opstel in de Maasi^otnv 190*J, p, 81 en het mijne in de 
Maasgoitw 1903, p. 83, 87. 

(') Jaarboek van het hertogdom Limbur^^ 1850, p. 248. 

(*) Archief Nieuwenhof. 



— ge- 
ls. Breulingstraat. 

Zie bij Batterijstraat. 



14. De Brugstraat. 

(Platea Pontis). 

Eene bijzondere vermelding in deze straat verdient de aldaar 
gestaan hebbende kapel van St. Evergislus, St. Evert in de volks- 
taal, met aangrenzend kerkhof, die in 1619 afgebroken werd;hanr 
koor en toren lag aan de oude Boksiraat. De plaats waar zij 
stond wordt nog heden ten dage herdacht door den gevelsteen in 
het huis N° 8 genoemd /;/ het kerckxkfn, 

St Evergislus was geboortig van Tongeren en een leerling van 
St. Servaas. Het veelbelovend knaapje werd door den Bisschop 
van Keulen, St. Severinus, op zijne terugreis over Tongeren van 
de kerkvergadering te Parijs in 362 medegenomen naar Keulen. 
Naderhand besteeg Evergislus er den bisschopsstoel en werd hij 
bij gelegenheid eener reis naar zijn Vaderstad, alwaar hij den af- 
godendienst en de bedorven zeden wilde uitroeien, door zijn 
stadgenootcn omstreeks 430 vermoord op de plaats die nog te 
Tongeren de Gnnvelsieeg heet CO Het lichaam van den martelaar 
verbleef er tot in het midden der X* eeuw toen het naar Keulen 
werd vervoerd (2). Onze voorouders zullen uit piëteit jegens den 
leerling van St. Servaas waarschijnlijk de kapel toen ten zijner 
eere opgericht hebben. 

Volgens bewijzen van Franquinet heeft van Heylerhoff gedwaald 
door te beweren dat er ook eene kapel van St, Everardtis op de 
Visschermaas, tegenover den ouden Lombard, gestaan heeft die in 
1619 zou zijn afgebroken, terwijl hij de afbraak der Evergislus- 
kapel in 1650 stelt (3). 



(1) Jac. Vrancken, De Si, Scrvatius-legende^ p. 110, 111; zie ook een opstel van 
denzelfden schrijver in de Maasgouiv 1884, p. 1029. 

(J) Annuuaire 1829, p. 140. 

(') FRANQ.ÜINET, luvefif. O. L, Vr. I, p. 45; ook volgens nota's van den heer 
Cordon zou de afbraak in 1650 of 1651 hebben plaats gehad, Maasgouw 1884, 
p. 1019, VAN Heylerhoff zal wel hier afgeschreven zijn. 



— 97 — 

Reeds in 1558 (}') werd de verbreeding der Br u^s^raa/ dit qqvsx. 
in 1873 ondernomen werd als noodzakelijk betracht, doch door de 
Magistraat immer met leedwezen uitgesteld wegens de hachelijke 
omstandigheden waarin de stad schier onafgebroken verkeerde 
Door de straat toch, voorheen niet breeder dan b.v. de Muntsiraat, 
moesten weleer al de voertuigen hun weg naar de brug vinden 
die den eenigen overtocht over de Maas van af Luik tot in Hol- 
land daarstelde. Geheel het goederen vervoer tusschen Brabant en 
de landen van Overmaas moest derhalve door die straat geschie- 
den; geen wonder alzoo dat de drukte aldaar buitengewoon groot 
was en het begrijpelijk is, zooals ik in mijne jeugd door ouderen 
van dagen hoorde vertellen, dat op marktdagen eene onafgebroken 
rij karren en allerlei vrachtwagens van af den Tongerschen en 
den Brusselschen steenweg zich langzaam moest voortbewegen en 
er vaak uren verliepen alvorens de laatste voertuigen aan de beurt 
kwamen om over de Maasbrug te kunnen rijden. Ofschoon het 
vervoer per spoorwegen de brug en de Brugsfrtiat aanmerkelijk 
ontlastte was toch de verbreeding der straat in onzen tijd eene 
onafwijsbare behoefte. In de Raadsvergadering van 30 Juni 1873 
werd daartoe besloten nadat het wandalen plan om het Oude 
Dinghuis af te breken en zóó een nieuwe schuinloopende verbin- 
dingsweg met de brug daar te stellen, gelukkig had schipbreuk 
geleden. De verbreeding der Brugstraat sleepte echter na zich de 
onvermijdelijke afbraak van het oude gildenhuis dat zich aan de 
zuidzijde der straat vlak tegenover de Kleine Staat bevond, en 
destijds algemeen bekend was als het Huis-Gadet, daar het aan 
die oude Maestrichtsche familie toebehoorde. De gevel was een 
juweel van XV* eeuwsche renaissance-stijl, van vier verdiepingen 
door Alex. Schaepkens door teekeningen en etsen in zijne „Monu- 
ments de Maestricht" aan de vergetelheid ontrukt. Door de zorg 
van G. D. Franquinet werden van Gemeentewege de steenen zorg- 
vuldig geletterd, genummerd en opbewaard. Zorgeloos werden ze 
echter naderhand behandeld, immer werd uitgesteld om tot weder- 
opbouwing over te gaan, te vergeefsch trachtte ik daartoe de plaats 
te doen bestemmen die in 1895 was ledig gekomen door afbraak 
van het hoekhuis Groote en Kleine Staat tegenover het Dinghuis. ., 



(1) Pubucaiions etc. VIII, p. 445. 



— 98 — 

(dat terrein was te kostbaar!), toen op eens in September 1903 
de mare de ronde deed dat de gevel van het Huis-Gadet, als 
puin was weggevoerd geworden ! (i) 

Dat het een publiek gebouw, eene luibe of gildenhuis is geweest 
schijnt onbetwistbaar; de ornementatie van den gevel, en ook het 
feit dat langs de voorzaal op de eerste verdieping een steenen 
bank langs den wand liep waren daar om zulks te bewijzen (2). 
Aan welk gilde de luibe toebehoorde heb ik niet kunnen ontdek- 
ken, vermoedelijk is het die geweest „der jonghe schutten" of 
die der bontwerkers. Ik kom tot die veronderstelling naar aan- 
leiding van de beschrijving der voorzorgsmaatregelen die naafloop 
der Reliquiënvertooning den 9 Juli 1507 bij Raadsverdrag geno- 
men werden en waar aan de gewapende gilde- en ambachtsgezel- 
len met de schepenen aan hun hoofd de plaatsen van af het 
Vrijthof toi aan de brug aangewezen werden waar zij zich moesten 
opstellen. Na den post van 50 man aan het Dinghuis, wordt die 
van 25 man der „jonghe schutten" genoemd <?/ //^;/ ///^^<? en daarna 
dien van 25 man der handboogschutters opter bontiverckeren luebe (3). 

Huizen in de Brugstraat en hunne bewoners. 

In 1291 TN*' 33 F) trof ik voor het eerst die straat aan bij 
vermelding van het huis daarin aan de zuidzijde gelegen ex oppo- 
sito dofHus de cacabo naast het huis de oiide ivaag (ad antiquam 
libram). De schrijver teekent daarbij nog aan dat dit laatste huis 
in de XIII* en in het begin der XI V« eeuw geheeten werd'//////j 
van Spanden. Naar het patricisch geslacht de cacabo, de latijn- 
sche naam van Kakkeberg^ zou wel de straat kunnen genoemd zijn 
die de Ezelenmarkt met de Tongerschestraat verbindt (*). 

In 1314 (N° 53 F^ wordt het huis de clocreng (de Klokring) ge- 
noemd als gelegen in de Brugstraat bij de Brug. 

In 1322 (ö) wordt genoemd Mathias Parvus, kapellaan of rector 
der kapel van St. Evergislus. 



(1) Zie mijn desbetreffend opstel in den Limburger Koerier van 19 September 1903. 

(2) Ook VAN Heylerhoff is van dat gevoelen, zie Jaarboek 1846, p. lil. 

(3) Publicaiions etc. Vil, p. 407, 408. 

(*) FRANQ.UINET, Ifiv, O, L. V. I, p. 67, — Ecn Henricus de Spauden, wever, 
wordt o.a. genoemd in 1320 (N<» 165 D). 
(*) Ibid. I, p. 163. 



— 99 — 

In 1323 (N* 180 D) wordt het bovenvermelde huis de Cacabo 
genoemd als liggende tegenover het huis ten scope, 

In 1327 (N<» 215 D) is er sprake van het huis van Johannes 
Ghyverman in de Brugs/nat tegenover dat van wijlen Hoelbuec. 

In 1331 (N° 243 D) van het huis „in den Rrg.7iboech'\ bewoond 
door Johannes de Grania, sutor^ (schoenmaker) en gelegen naast 
dat van Johannes genaamd Horrenmoert. 

In 1339 (N**323D) van het huis tegenover dat van Johannes 
genaamd Freyns en tusschen dat van Johannes de Sancto Georgio, 
calcifex (schoenmaker) en dat van Katharina BociiS. 

In 1340 (N^ 335 D) wordt het evengenoemd huis gezegd vroeger 
bewoond te zijn geweest door Egidius Kornen en tot twee huizen 
verbouwd te zijn, het eene bewoond door Johannes genaamd 
HoRRENMORT, het andere door Johannes Tyecwevere. (Zie ook 
No 100 W). 

In 1342 (N° 74 F) is er sprake van het huis van Winandus van 
Retinghen, bewoond door Philippus van Basilisbur; het lag 
aan de noordzijde der straat tegenover den toren van Goesmar. 

In 1343 (N® 378 D) woonde in de Brugstraat Walterus de 
LovANio, tegenover Johannes de Weyrt, schoenmaker. 

In 1346 (^N® 416 D) wordt eene rente vermeld gevestigd op het 
huis de cornu (het hoorn) gelegen nabij het kerkhof van St. Ever- 
gislus. Een huis dat dezelfde naam droeg zullen wij in 1379 in 
de Groote Slaat aantreffen. 

In 1350 (N° 462 D) komt voor het huis bewoond door Gerardus 
de Mere gelegen nabij de kapel van St. Evergislus. 

In 1351 (N® 463 D) is er weer sprake van het huis de Cornu. 

In 1358 wordt als kapellaan der kerk van St. Evergislus ge- 
noemd Johannes de Valle. 

In de notarieele acte uit 1358 door D' Doppler gepubliceerd (i) 
wordt het huis de Cornu wederom genoemd. 

In 1366 (N« 201 W) wordt aan Wolter de Lovanio, bakker, 
afgestaan het hierboven in 1323 genoemde huis ten scope weer 
genoemd als gelegen tegenover het huis de Kakabo. (Zie ook in 
1343). 

In 1367 (N** 730 D) wordt vermeld het huis van Johannes de 



(O Maasgouw 1902, p. 45. 



— 100 — 

Galopia tusschen dat van Matheus, schoenmaker, en dat van 
Johannes de Weytheyen. 

Uit N** 732 D van hetzelfde jaar blijkt dat bovengenoemde 
Johannes de Galopia ie Wyck, dus in de Wyckerbrugstraat woonde; 
het aldaar door hem bewoonde huis was gelegen naast dat van 
Johannes Hexken, visscher. 

In 1377 wordt in een cijnsregister meermalen vermeld een huis 
liggende contra turrivt goesmari (y), een der beide torens die in 
XIV« eeuw op den hoek van de Brugstraat en van de Kaarsen- 
markt lag. 

In 1384 (N*» 878 D) wordt aan Wilhelmus de Vleytingis, 
koopman, en zijne echtgenoote Gertrudis Frkens in erfrecht op- 
gedragen een huis naast dat van Johannes Oyslinchen, koopman, 
en naast het huis en bakkerij van Franco Parisys van Stockheym. 

In 1400 (N" 1028 D) is er sprake van een huis in de brugge- 
sirate naast dat van wijlen Johan vanGuylke; dat huis behoorde 
aan Lambertus Scaefdrysche en Johan van den Audenare. 

In 1413 (N° 1145D) worden twee huizen in die straat genoemd 
liggende nabij de kapel van St. Eve^'gislus. 

In 1415 (N'' 1170 D) is sprake van het huis van Ide Cluts, 
tusschen dat van Pape Arnolds, kramer, en dat van Danyel van 
Vleytingen, schoenmaker (zie op 1382). 

In 1416 (N^ 1181 D) van het huis van wijlen Goaard van 
Huyne, kramer, gelegen naast dat van Johan van Bryede den 
jonge, schoenmaker, dat van Arnold van Byecht en dat van 
Cloes van Havert. 

In 1423 (N** 1247 D) het huis van Johan van Brede, schoen- 
maker, tusschen de huizen van Lambrech Scoenbroet en Joest 

VAN HUYE. 

In 1430 (N° 183 D) wordt de kapel van St. Evergislus genoemd 
der capellcft des giieden Sin te Thevers. 

In 1439 (N^ 1339 D) is er sprake van het huis van GerartVAN 
SuETENDALE, cremer, tusschen dat van Johan Pape Arnolts en 
dat van wijlen Peter Ackermans (zie in 1415). 

In deze straat was in 1443 het stokgoed gelegen der naderhand 
zoo beroemd geworden Maestrichtsche patricische familie Proenen 



(^) Franquinkt, Invent, O, Z. Vr, I, p. 131. 



— 101 — 

of Pruynen. In dat jaar toch wordt /// vico Poniis Aerdt (Arnoldus) 
Proenen als burgemeester van Luiksche zijde aangetroffen. In 
1452 was een Aerdt Pkoenen, waarschijnlijk dezelfde, burgemees- 
ter ook van Luiksche zijde; hij woonde in die Bru^^ge een huis 
dat vermoedelijk in de Wyker Brugstraat lag. Van 1512 tot 1521 
bekleedde een Dionys Proenen herhaaldelijk hetzelfde ambt; van 
Brabantsche zijde in 1478 wederom een Art Proenen (^). 

Arnoldus Proenen was met Jan Vleminck S% ook Maestrich- 
tenaar, en Erasmus Schetz, onderling door innige famiFiebetrek- 
kingen verbonden, lid der machtige bankiersfirma, hier en te 
Antwerpen gevestigd. In hun testament van 16 Februari 1527 
schreven de echtelieden Jan Vleminck S' en Agnes Schetz over 
Erasmus Schetz en Aerdt Proenen dat zij met den eerste als 
hun neef en met den tweede als hun zwager „langhe in metge- 
„selschap zyn geweest ende noch op datum blyven, ende ook ons 
„beste goet van joncx op te samen gewonnen hebben, oock onsen 
„besten tydt met malcanderen vesleten". 

Erasmus Schetz was vermoedelijk afkomstig van Oirsbeek 
alwaar zijne familie eene hoeve bezat Schatsleen of Schatshof ge- 
naamd. Hij huwde in 1511 met Ide van Richtergem, de zuster 
van Catharina, die gehuwd was met den natenoemen Conrad van 
Gavere, heer van Elslo. 

Ofschoon Aerdt Proenen evenveel schijnt bijgedragen te hebben 
tot den bloei der bank is Erasmus Schetz de beroemdste van 
het drietal geworden. Aan zijn huis in Antwerpen stapte de keizer 
en de grooten van dien tijd af; zijne afstammelingen werden door 
echtverbintenissen opgenomen in den hoogsten adel van Europa 
en begiftigd met de schitterendste adelsdiplomen. Zijn zoon 
Kaspar huwde met Catharina d'Ursel, en zijne afstammelingen 
noemden zich later en heden nog graven en hertogen van Ursel. 

Ook Aerdt Proenen werd te Antwerpen, waar hij zich had 
gaan vestigen, een man van groot aanzien. M^ Pruyuenstraatv^'ovAt 
er heden nog naar hem genoemd. 

Een tak der familie bleef echter te Maestricht en was er vóór 
en na hei beleg van 1579 (2) talrijk vertegenwoordigd. De Proe- 



(1) Maasgouw 1884, p. 1031, 1032; 1885, p. 1035, 1036. 

O Haakman en Allard, Beleg van 1579, p. 223, waar o. a. Aerdt voor 1579 
voorkomt als gouverneur der lakenscheerders, en een Renier als gewantmaker. 

7 



— 102 — 

nen's behoorden er steeds tot de meest aanzienlijke families. In 
1561 was Aerdt Proenen schepen der stad en in die hoedanig- 
heid tegenwoordig bij het opmaken van het testament in de Poort 
van Gaver (Kapoenstraat"^ van de echtelieden Conrad van Gaver 
en Catharina van Richtergem, beide zijne naastbestaanden. In 
1601 en volgende jaren was Daniel Proenen hier gezworene van 
Luiksche zijde; Aerdt Proenen schepen van Brabantsche zijdein 
1628; Jan-Baptist Proenen schepen van Luiksche zijde in 1690. 
Ook bloeide de familie nog lang in de omstreken van Maestricht (}). 

In 1455 (N" 1428 D) is er sprake van het huis van Jacob Hued- 
meker, /// die Bru^stnïU gtlegQn naast dat van Johan van Buklsbeke. 

In 1533 tijdens de anabaptistische woelingen woonde er in die 
Bruckstraet int met van Avouture een zekere Jan VANDEN BossCHE, 
die heimelijk gedurende zeven of acht nachten verblijf had ge- 
geven aan een zekere CornelisVAN Kouwerkerke, afvallig priester 
uit Zeeland, wegens zijne opstokingen door het gerecht vervolgd. 
Speciale politiediensten werden ter voorkoming van aanrandingen 
genomen. Zoo werden er in de raadskamer „drie dosienen halle- 
„barden en eyne dosiene barisoenen" beschikbaar gehouden om 
tegen diegene te dienen, „die dese guede stat ende haren gucden 
„burgeren arch, quat off ovel aandoen muechten" (-). 

In 1577 woonde in de Brugstraat een Gielis van Beeck(3). 

In 1711 werden in de Brugstraat een huis gebouwd met hef 
chronicon tot opschrift 

sVCCeDentlVxM 
d. w. z. der opvolgers; het werd afgebroken voor 't daarstellcn van 
het Luikerkanaal (4). 



(1) Zie voor meer en uiterst belangrijke bijzonderheden de studie van Pastoor 
Meulleners in de Public, XXVII, p. 307 en volgenden alwaar ook de hier aange- 
haalde testamenten in extenso zijn opgenomen. Over de drie zonen van Erasmus 
zie L. GuicciARDiNi, Descripiion des Pays-Bas, p. 145. Lancelot Schetz graaf van 
Grobbendonk komt o. a. voor: Public, XIV, p. 200. 

Bijzonderheden over afstammelingen en naaste bloedverwanten van Aert Proenen 
in *t begin der XVI' eeuw, zijn te vinden Publicaiions etc. XXXIX, p. 45. 

(2) J. Habets, de Wederdoopers, p. 74, 76. 

(8) Haakman en Allard, Beleg van 1579, p. 183. 
(<) Maasgouwy 1880, p. 270. 



— 103 — 

15. De Brusselsche of Tweebergenstraat. 

(Duobus Montibus). 

Nergens heb ik kunnen ontdekken waaraan den naam Tweebergen 
zijn ontstaan te danken heeft ^ wel meent van Heylerhoff(i) dat 
die benaming is toe te schrijven aan het feit dat in de eerste eeuwen 
van het bestaan der stad twee heuvelen door eene brug verbon- 
den tot verdediging der oude poort dienden, doch dit is slechts 
eene gissing. 

De genoemde schrijver herinnert er aan (^) dat de stadspoort 
van de ommuring van 1229 eertijds de IVj'merüig-e /xwrl gehcQtiin 
werd als leidende tot de met wijnstokken beplantte oostelijke 
helling van den Caberger berg die thans nog wel den Wyngaards- 
berg genoemd wordt (3). 

Jhr. Victor de Stuers deelde mij zijn vermoeden mede dat door 
samentrekking van te Wynhcrgen en latere verbastering van het 
nieuw ontstane woord, wel Tweebergen zou kunnen in gebruik 
geraakt zijn. Deze naam ofschoon in onze landtaal op velerlei 
wijze geschreven was in 't latijn steeds van af de XIII* eeuw 
Duobtis Montibus; daar het bij gebrek aan zekere gegevens niet 
mogelijk is verder opteklimmen dient men zich wel te vergenoegen 
met de medegedeelde gissingen. 

Overal waar in de onderstaande aanhalingen de naam dezer 
straat op eigenaardige wijze is geschreven heb ik de oorspronke- 
lijke spelling weergegeven. 

Omstreeks 1297 kwam de uitlegging der stad door het bouwen 
van den nieuwen ringmuur tot stand; in het daaropvolgend jaar 
werd met het oprichten der nieuwe Tweebergen-^ later Brussel- 
schepoort^ begonnen; reeds in 1300 was zij voltooid (^). Dien- 
tengevolge werd de reeds lang bestaande heerlijkheid Tiveebergen^ 



(1) Annuaire 1825, p. 109. 

O Ibid. p. 115. 

(') Over wijnbouw te St. Pieter en te Caberg komen in oude stukken veel merk- 
waardige bijzonderheden voor; zie o. a. het opstel van Jos. Habets, Publicixtions etc. 
UI, p. 380. 

(*) AnnaJes I, p. 95; de poort werd herbouwd in 1427. — In het merkwaardige 
verhaal van het beleg van Maestricht door Parma in 1579 van de hand van den 
Heer Eerste Luitenant H. Dyserinck [Publications etc. XLI, p. 147) wordt deze 
poort op p. 180 ook de Diesterpoort genoemd. 



— 104 — 

waarvan de Proost van St. Servaas de Domhms temporalis was, 
in de stad ingesloten. Zij was geheel door de heerlijkheid Lenculen 
begrensd en werd volgens eigen wetten bestuurd^ de zetel van 
het gezag het hof van Tiveebergen wordt in 1070 (i) gezegd gelegen 
te hebben in het midden der straat. Zij wordt ook wel de Schoole 
genoemd omdat de rechtbank van den Proost oudtijds voor de 
school van het kapittel gespannen werd (2). 

De Heerlijkheid livecbergen bestond voorheen uit de tegen- 
woordige Brtisselsche straat^ de Jekerstraat en eenig land buiten 
den walmuur. De nieuwe straat, waarin zich even als thans nog, 
uitgestrekte onbebouwde bezittingen bevonden, bleef den oorspron- 
kelijken naam van Jweebergen dragen tot in de XVlIl' eeuw (3), 
toen ze de Brusselsche straat genoemd werd. 

De patricische familie de Duobus Montibus, van Tweebergen 
wordt vaak in de schepenbrieven vermeld; zij had hier haarstok- 
goed benevens vele andere bezittingen. Reeds in het begin der 
XIIP eeuw wordt een Ridder de Duobus Montibus aangetroffen (y)- 

De ou'ie Iwecbergenpoort was gelegen aan den ingang der straat, 
in den stadsmuur van 1229 waarvan daar ter plaatse, achter 
St. Servaasklooster en achter de zuidelijke huizenrij der Groote 
Gracht nog vele overblijfselen zichtbaar zijn. Een der torens dier 
poort bestaat nog gedeeltelijk achter het huis de drie liters en zou 
nog wel in zijn vorigcn vorm te herstellen zijn. Aan de overzijde 
is langs de straat een ander gedeelte der poort eveneens nog 
zichtbaar. 

Die poort waarboven zich toenmaals de luibe der leemplakkers 
bevond, werd in 1736 afgebroken. 

Het uitgestrekte gebouw met groote tuinen, aan den ingang der 
Brusselsche straat gelegen dat thans tot Rijkskweekschool voor 
onderwijzers dient, was aanvankelijk, siijds wanneer is niet bekend, 
een refugiehuis van de adelijke kanonnik*essen van Munsterbilsen; 
het kwam uit aan een klein straatje dat naar den stadswal leidde 



(1) Maasgouw 1886, p. 9. 

(2) Pub/kations etc. XIX, p. 379. 

('^) Zie hieronder de limietbeschrijving van 1720. 

(4) Genealogische bijzonderheden over deze familie door Franq.uinet zijn te 
vinden in PubUcations etc. XIV, p. 125 en eene aanvulling door D' Doppler in 
Publications etc. XXXVll, p. 198. 



— 105 — 

en in 1537 als het Her Aert Craicks stroetgien bekend stond; in 
1598 werd het door de stadsregeering tegen betaling eener recog- 
nitie van één gulden aan „Mevrouw van Munsterbilsen" afge- 
staan, het heette toen Hardemans rouwe (i). 

Tijdens 't Serclaes, graaf van Tilly, gouverneur der stad was 
(1718 tot 1724) deed hij op het terrein der réfugié, door hem 
aangekocht, een hotel bouwen dat hij bij testament ter beschik- 
king stelde van de Commissarissen-Deciseurs van Luiksche zijde, 
bij hunne komst om de twee jaren alhier (^). De graaf en de 
gravin van Tilly waren weldoeners van Maestricht en inzonder- 
heid van de St. Servaaskerk. 

Ofschoon het hotel reeds sedert het begin der XIX* eeuw een 
rijksgebouw is dragen vele zalen nog duidelijke sporen van voor- 
malige deftigheid; dit was ten minste nog het geval toen ik er 
eene halve eeuw geleden school ging. In- weerwil van zijne tegen- 
woordige bestemming is het nog steeds onder den naam van 
Hof van Tilly bekend, die als het ware synoniem is van Rijks 
Lagere school, even als b.v. de „Minderbroedersberg" in den 
volksmond synoniem is van «weg ter gevangenis". 

Toen de religieuzen van het adellijk klooster van St. Gerlach 
te Houthem hun refugiehuis in de Stokstraat, nabij de O. L V. 
poort, wegens zijn bouwvalligheid verlaten moesten, kochten zij 
in 1731 een huis op de Brusselsche straat dat zij echter slechts tot 
1771 behielden; zij verkochten het toen aan Hendrik Martinus 
Nypels, griffier van den Hoogen Leenzale van Sint Servaas. Later 
kwam het in bezit van Loysel, fouruisseur des armées^ die het 
omstreeks 1800 tot één huis uit vier huisjes verbouwde. Daarna 
werd het in huur bezeten eerst door den generaal der genie 
Croiset, toen door den generaal de Stuers, wiens zoon Jhr. 
Victor DE Stuers er thans nog eigenaar van is. 

Tijdens de akte van verkoop in 1771 bestond het reeds uit een 
ruim huis, remise, stallingen en verdere ap- en dependentiën; het 
wordt er omschreven als het Réfugié van St. Gerlac^ „reynende 
»naer den westen, het huis genaamt de Belle^ d'ander zyde d'hecr 
„Keyzer" (3> 



(1) Maasgomv 1883, p. 845, zie ook bij de Groote Gracht. 

(2) Jaarboek 1851, p. 266. 
(8) Maasgouw 1903, p. 9. 



— 106 — 

Het gasthuis en de kapel van St. Nicolaas op de Tweebergen- 
straat aan den ingang der Kommel gelegen, wordt in het testa- 
ment van Lewallus in 1265 als „het nieuwe gasthuis te Twee- 
JiergefC'* genoemd^ hij vermaalae er eene som gelds en een bed 
aan (1). Onder meer wordt het ook in 1302 (N° 46 F) en in 1315 
(N° 912 D) vermeld. 

Het gasthuis verdween met nog andere liefdadigheidsinstellingen 
in de XVI« eeuw. 

De kapel werd in 1612 vernield bij den grooten brand die de 
geheele huizenrij op de Brusselschestraat vanaf de Jekerstraat tot 
aan den Kommel in asch legde (2). 

Het gasthuis van St. Nicolaas gaf zijn naam aan eene stadspoort 
die tusschen de nieuwe Tzveeber^en- en de nieuwe Lenculenpoort 
gelegen was. P. de Heer zegt dat zij ten zijnen tijde gedurende 
eenige eeuwen dichtgemetseld was en in ongebruik gebleven is; 
zij zou, meent hij, slechts als nooduitgang hebben dienst gedaan 
voor de werklieden die aan den bouw der nieuwe omwalling 
arbeidden (3). Zij stond nabij den Hackenkamertoren, naderhand 
meer bekend als Abrahamslook. 

Van HeylerhofF deelt mede (^) dat ze op eene kaart tijdens de 
fransche bezetting van 1673 tot 1678 onder den naam van 
St- Nicolaaspoort nog voorkomt. 

Het vermelde in 1401 (N° 528 D) waar te Tweebergen sprake 
is van een ruiveke ghoejide ten hoevewart van wijlen Daniel VAN 
EvNENBERCH (5) doet veronderstellen dat dat straatje nabij de 
07ide Izveebergenpoort lag en eene verbinding daarstelde met den 
tuiw van de „poort" van Ridder Daniel van Eynenberch die wij 
in de Bouillonstraat (het Balioen) aantroffen. De vraag of die 
„poort" aldaar aan de zijde van het Gouvernement dan wel daar 
tegenover lag, meende ik aanvankelijk in den eersten zin te moeten 
beantwoorden; bovenstaande gegevens pleiten evenwel voor het 
explacement van het tegenwoordige groote huis met voortuinen 
van den heer van Ryckevorsel. 



(1) Maasgouw 1895, p. 79. 

(2) Zie hieronder in 1G12 en ook bij de Kokartsruwe. 
(^) Afuuiies I, p. 99. 

(*) Annudire 1826, p. 98. 

C^) Wordt reeds in 13C3 genoemd in N<» 186 W. Zie bij de Bouillonstraat. 



— 107 — 

Het vermelde in 1371 (N<> 223 W) spreekt dat vermoeden niet 
tegen, terwijl de omschrijving van 1326 duidelijk spreekt van een 
straatje gelegen „nabij de binnenste poort van Tweebergen en 
„achter den toren" (die achter de drie Liters nog bestaat). 

De straat by der poerten waarvan sprake in 1399 (NM020D) is 
waarschijnlijk het hierboven bedoelde ruweken, tenzij het de Zak- 
straat mocht zijn. 

Volgens het aangehaalde in 1320 kwam op de Tweebergeustraat 
nog een ander sinds lang verdwenen straatje uit, slechts gedurende 
weinige jaren bekend onder den naam van de straat van Johajines 
Ludovici. De omschrijving van 1338 schijnt aan te duiden dat het 
op de linkerzijde der straat uitliep en gelegen was tusschen de 
Kommcl en den Kruisheerengang (toenmaals de Kokartsruwe). 
De woning van den in 1338 genoemden bakker Gobbelinus wordt 
in 1340 gezegd gelegen te zijn „buiten de eerste poort". 

Hetgeen bij de Tongersche poort van deze gezegd is kan van 
de Tweeber genpoort (in 186S gesloopt) herhaald worden. Door 
haren langen, somberen gang onder de walmuur was zij bijzonder 
indrukwekkend. In 1580 was zij volgens de kaart van de Bellomonte 
een groot vierkant gebouw met vier torens aan de hoekpunten. 

Tijdens den staat van beleg waarin de stad van 1830 tot 1839 
verkeerde werd zij, gevuld met aarde als zij was, door de militaire 
autoriteit eenvoudig gesupprimeerd. 

Voortijds bestond er een zeer groote /<7^/ tusschen de (7//^^ Tze^^^- 
bergenpoort en den ingang der Kommel; zij had een overwelfsel 
dat op pilaren rustte, men putte er het water uit eene opening 
van niet meer dan tien voet grootte. 

Gedurende de belegering van 1632 was eene bom op het gewelf 
gevallen waardoor dit instortte. De burgemeester Loyens die nabij 
den poel eigendommen had, verkreeg van den iMagistraat het ver- 
lof hem binnen zijn tuin te trekken, op voorwaarde dat hij de 
Brtissalschc straat zou laten reinigen van den afbraak en het vuil 
waarmede de straat bedekt was geworden gedurende de vijftien 
weken dat het beleg geduurd had (i). De stad werd toen met de 
grootste hardnekkigheid en heldenmoed door de geheele burgerij, 
vrouwen en kinderen inbegrepen, tegen de Staatschen verdedigd. 



a) Jaarboek 185], p. 266. 



— 108 — 

• 

De poel die nabij de Brusselsche poort lag werd in het begin 
der XVII1« eeuw gedempt (i). (Zie hieronder op 1724). 

Omtrent de ligging der in 1358 en 1404 vermelde kapel van 
Ste Maria Magdaleua en Agfus te Tweebergen heb ik volstrekt 
niets gevonden. 

De Hertog van Alva na zijn krijgstocht in Zeeland deed in 
1568 zijn intrede binnen Maestricht door de Iweebergenpoort^ begaf 
zich toen naar het Vrijthof waar zijn leger in slagorde (in vier- 
kante afdeelingen) geschaard was en toen naar St. Servaaskerk 
waar hij het Te Deum bijwoonde. 

Huizen op de Tweebergenstraat en hunne bewoners. 

In 1280 (N*» 23 F) maakte Henricus de duobus montibus zijn 
testament; daaruit blijkt o. a. dat hij een huis te Tweebergen bezat 
dat bewoond was door Volcwinus. 

In 1297 (N<» 48 D) wordt het huis vermeld van Reynerus de 
LoEN, priester. 

In 1316 (N*» 139 D) woonde hier Henricus Morken, kapellaan 
der kapel van St. Jacob. 

In 1316 (N<» 53 W) wordt een huis vermeld vóór en achter 
met aanhoorigheden gelegen in duobus montibus naast het huis van 
meester Johannes genaamd Beyart, kanunnik van St. Servaas. 

In 1316 (N*» 139 D) was Theodoricus rector der kapel van 
S'** Maria Magdalena te Tweebergen; ook nog in 1327 (N« 211 D^. 

In 1317 (N° 56 W) woonden Arnoldus en Henricus de Loy(2) 
in duobus montibus; de laatste was schout van Tricht. 

In 1319 (N° 58 W) doet Lambertus Radermeker de duobus 
montibus afstand van een huis met tuin gelegen naast de curia 
(hofstede) van meester Johannes de Gandavo. Ook wordt daar 
Johannes genaamd Wolfken, Willelmus en Johannes Welsken, 
de duobus fnontibus vermeld (N** 157 D). 

In 1319 (N** 156 D) is er sprake van het huis hier gelegen 
tegenover de mansio van den schout Henricus de Loy volgens 
de naast voorgaande aanhaling^ dit huis was bewoond door Til- 
mannus, tycwevere. 



(') Jaarboek voer het Hertogdom Limburg 1851, p. 267. 
(2) Over deze adellijke familie zie Maasgouw 1890, p. 90. 



— 109 — 

In 1320 (N« 163 D) wordt eene catnba (brouwerij) vermeld, ge- 
legen op den hoek der straat van Johannis Ludovici, 
• In 1322 (N*» 172 D) het woonhuis van Wilhelmus Borcart, 
clericus van St. Servaaskerk, weleer eigendom van Johannes Goper. 

In 1326 (No 207 D) bezat Giso Boe hier een huis. 

In 1326 (N° 76 W) is er sprake van een huis gelegen supra 
fossatum retro turim in duobus inontibus; op den rug van den brief 
wordt het nader omschreven als gelegen in ruella iuxta portam 
interioretn duorum moittium. 

In 1328 (N<» 220 D) wordt aan Johannes de Hoklbeeke, kapel- 
laan der kapel van St. Nicolaus in het gasthuis te Iweebergcn 
goederen toegewezen hier gelegen tusschen het huis van Wolterus 
Tycwever en dat van Reynerus de Elsloo. In 1340 (N° 340 D) 
wordt eerstgenoemde andermaal vermeld. 

In 1333 (N** 254 D) draagt Walterus Tyeckwever te Jzveeber- 
gen eene Jaarlijkschie rente over uit het h^iis van wijlen Gerardus 
Cloesteren aldaar gelegen tegenover de vtansio (heerenwoning) 
van Henricus de Loe, man van wapenen, en naast diens brou- 
werij. Blijkens N** 56 W (1317) was de Loe schout. 

In 1338 (N<> 93 W) wordt vermeld een huis met aanhoorig- 
heden, gelegen in duobus montibus in angulo tusschen dat van 
Johannes genaamd Eytkauf, schrijnwerker, en dat der kinderen 
van wijlen Gobbelinus den bakker, ook een huis gelegen in ruella 
quondam (voorheen) Johannis Ludowici tusschen het huis van 
Paulus supra communde (Kommel) en dat van Wilhelmus ge- 
naamd CoKART (haar wie de Cokartsruwe (Kruisheerengang) 
genoemd werd). 

In 1339 (N<^ 334 D) draagt Theodoricus de Duobus Montibus 
in erfpacht over aan Thomas, den zoon van Johannes Absolon 
VAN Vleytingen zijn erf met schuur te liveebergen gelegen tus- 
schen dat van Rutgherus Kyewen en dat van Gerardus genaamd 
Cloesteners (zie hierboven in 1333). 

In 1340 (N® 345 D) wordt vermeld het huis van Thylmannus 
DE Blisea, officiatus van St. Servaaskerk, en van zijne echtgenoote 
Jutta, gelegen buiten de eerste poort van livccbergen^ tusschen de 
huizen van Gobelinus, bakker, en van Katharina, de tweede 
echtgenoote van Thylmannus voornoemd (vergelijk onder 1338). 

In 134t (N® 103 W) worden vermeld de goederen van wijlen 



— 110 — 

ViEGHEL de duobus moutilms^ calcifex (schoenmaker), aldaar ge- 
legen tusschen die van Johanncs genaamd Moerken en die van 
Johannes genaamd Dknser. 

In 1343 (N<^ 3861)) bezat Johannes de Valkexborcit, bakker, 
hier een erf gelegen tusschen dat van Reyncrus de Canxe (i) en 
dat van Petrus. In hetzelfde jaar (N" 387 D) is er sprake van het 
huis van Egidius Pistor en zijn broeder Godefridus gelegen tus- 
schen dat van Henricus Moerkh:x, priester, en dat van Johannes 
DE Mertca, vleeschhouwer. Ook woonde daar voorheen Johannes 
Scriptoris (zie voorgaande). 

In 1344 (N« 395 0) gaf Henricus Donckfl van Tzveebergen in 
erfrecht aan Johannes Lexsis, schoenmaker, een liuis aldaar ge- 
legen tusschen dat van Sptlmeker en dat van Wilhelmus Mulken. 

In 1350 (N° 125W) wordt vermeld het huis van Johannes DE 
HoYLBEKE, priester, gelegen iti diiobus inontibns naast het huis 
van Wolter pcllifex en iextor culcitrum (tyccwever) tegenover 
den put; in 1404 wordt dat huis geheeten /// den bcre en gezegd 
gelegen te zijn ook naast dat van wijlen Re\mer de Elsloe. (Zie 
hieri)oven op 1328). Het hier in 1350 vermelde huis komt ook 
voor in 13G4 (N« 094 D). 

In 1351 (N° 473 D) wordt vermeld het huis van Henricus ge- 
naamd Spoermeyker hier gelegen versus exteriorem portam duorum 
moiitium^ en in hetzelfde jaar (N^ 474 D) het huis hier gelegen 
tusschen dat van Gobbelinus de Eyke en dat van Gerberga, was- 
kaarsenmaakster. 

In 1354 (N° 502 D) wordt een huis vermeld hier gelegen tus- 
schen dat van Marula de weduwe van Gobbelinus, bakker, (zie 
hierboven in 1333) en dat van Wilhelmus Fraye. 

In 1354 (N*^ 145 W) worden genoemd de woning van Johannes 
Frepont, ridder, en zijne echtgenoote Tulle, en die van wijlen 
üda Oleyslegers. beiden /// duobus moutibus. 

In 1356 (N*^ 157 W) het huis van Gerard genaamd Kaprun, 
sartor (kleermaker) hier gelegen tusschen dat van Henricus, bak- 
ker, en dat van Johannes Kywen. 

In 1358 (N^ 507 D) wordt Theodoricus de Wilre vermeld als 
kapellaan der kapel van Ste Maria Magdalena en Agnes, maagd, te 
Iweebergen, 



(1) Deze wordt ook in N° 198 D van 1326 genoemd. 



— 111 — 

In 135S CN** 617 D) worden twee naast elkander gelegen huizen 
vermeld, gelegen extra inferiorein por tam duoruin moutiuvi tusschen 
het huis van Johannes de Hkrdkrman en Macharius, gebroeders 
en priesters, en dat van Johannes, extractor dcniiam, (Zie hier- 
onder in 1413). 

In 1359 wordt het huis vermeld van Jan Optkxkklke, tim- 
merman te Jzveebergen (i) 

In 1364 (N® 695 D) komt voor het bij de 1 li^ccbcrgcv poort g^Xt- 
gen huis van wijlen Gerardus, pistor hostianim (hostiebakker), en 
dat van Elisabeth de Wilre. 

In 1366 (N** 202 W) het huis van wijlen Christianus genaamd 
duvel hier gelegen tusschen dat van wijlen Lambrccht Faggiie 
en dat van de weduwe van Lambert genaamd Corknmarcii. 

In 1371 (N" 223 W) is er sprake van een huis met aanhoorig- 
heden gelegen te Tivcebergcn tusschen de goederen van wijlen ht^er 
Arnold de Svmpyer, ridder, en die van Daniel de Evnknbkrcii (J). 

In 1373 (N° 793 D) wordt een erf vermeld gelegen tegenover 
de kapel van St. Nicolaus, bisschop, roerende van de proostdij 
van St. Servaaskerk. 

In 1376 (N® 820 D) worden vermeld twee huisjes hier naast 
elkander gelegen tusschen het huis van Petrus Duker de Viseto 
(van Visé) en dat van Truda Ketelijantz. Ook het huis ge- 
heet en //// voege Ikyn. 

In 1379 (N** 241 W) het huis van Godefridus de Hese, kramer, 
gelegen tusschen dat van Catharina genaamd Eggen, pistrix 
(broodbakster) en dat van Godefridus, sntoris^ (schoenmaker); 
er tegenover worden vermeld de huizen van Jacobus de Vleytixgis 
en van Lambertus de Udenbecii. 

In 1380 was gouverneur van de Wcytwckers Henric Bekker te 
Twembergen (3). 

In 1381 benoemde de Raad tot hoofdlieden van de wachten te 
Tiveinbergen Jo. VAN LoDENAKEN, /;/ den Hixen en Jos. VAN DER 
BiESEN, kleermaker buiten der meester porte/r, dus op de huidige 
Brusselse/ie straat (*). 



(1; Maas^ouw 1895, p. 91. 

(2) Zie bij de beschrijving der Tiuecbcrgctistraixt, 

(3) Maasgouw 1883, p. 869. 
(*) Ibid. p. 870. 



— 112 — 

In 1382 was gouverneur der smeden Meister Mertyn Twem- 
bergen^ van de bakkers Jacob Becker, Twembergen^ Marktmeester 
Ger. MORSEIL, bniwer^ Twembergen, 

In 1397 (N° 131 F) wordt o. a. 'aan Willem Jaemer van Tzveen- 
berg/ien, karreiier^ in erfrecht gegeven de goederen gelegen te 
Tivcenbergheu^ op den orde van Koekartsruezven (zie deze straat) 
tusschen de poort en het goed van wijlen Marten van Boelre, 
mesmaker^ in de Koekartsruwe, en het goed van Willem Jaemer 
voornoemd, dat vroeger aan Colyn van Lincke behoorde en 
meer opwaarts in de straat lag. 

In 1398 (N° 940 D) woonde Robeert van Berchem, voorheen 
kramer, te Tweebergen by der nmverporie fde in 1300 gebouwde, 
thans Brusselschespoort). 

In 1399 (N<» 1020 E>) wordt aan Reyner Mesmeker van Twee- 
bergen, priester, in erfrecht opgedragen, het huis voorheen in 
bezit van Johan genaamd Cleynhennen, der pelser^ hier gelegen 
in der straten by der poerten Johannes Steyvarts tusschen het 
huis van deze en dat van wijlen Servaes Clüeten en Elssbetten, 
echtgenooten. 

In 1401 (No 528 D) is er sprake van het huis van Goiswyn 
VAN DEN Wyxgarde, gelegen tusschen het huis geheeten van 
syempeer (zie in 1413 N® 1145D) en dat rinveke ghoende ten hoe- 
vewart van wijlen Daniel van Eynenberch. (Zie ook in 1371 
No 223 W), 

In 1404 (No 1062 D) wordt vermeld het huis van Meriyn, der 
mesmeker te Tiveebeigen gelegen naast dat van Rutgher in den 
Capruen en dat van Johan Neven van Bessemer. 

In 1404 is er sprake van eene kapel toegewijd aan Ste Maria 
Magdalena die in de Tiveebergenstraat lag. Er wordt niet om- 
schreven waar, evenmin als in 1358 (i). 

In 1407 (N® 1092 D) van een panhuis hier gelegen tusschen de 
huizen van Ulrix, bakker en van Tielman Tyelloy. 

In 1412 wordt vermeld een goed gelegen tot Weytibergen in de 
Jekerstraat; deze naam schijnt aan de wijnbergen te' herinneren 
die voorheen tegen de naar het Oosten gekeerde heuvelrij buiten 
de Tweebergenpoort, geteeld worden (-). 

l') Alex. ScHAEPKENS in Annales I, p. 61. 
(2) Idem ibid., p. 57. 



— 113 — 

In 1413 (N® 1145 D) wordt dit poort vermeld van wijlen Theo- 
dericus de Duobus Montibus, benevens het huis van Johannes 
DE Here te Tweebergen^ en dat van wijlen Johannes Herderman, 
priester, dat zich uitstrekt tot aan den tuin de Spelihof(y). (Zie 
hierboven in 1358). Verder eene brouwerij hier gelegen tegenover 
de poori DE Zymper (zie in 1401). 

in 1413 (N"» 1152D) wordt vermeld het erf van Cathryn Copers 
te Twymbergen gelegen tusschen dat van Carys, den schoenmaker 
en dat van Johan van Here. (Zie in 1413 N*» 114oD). 

In 1414 (N*» 1154 D) het huis van Johan Lovken te Tivem- 
bergen gelegen naast dat van Wilhelm Heynsberciï, brouwer, en 
dat van Lucas van Odenberch. 

In 1422 (N*» 1233D) een huis aldaar gelegen tusschen dat van 
Liebrech van Sottekens en dat van Wilhelm Quystkorn. 

In 1423 (N*» 1243 D) een huis te Tweynbergeu^ gelegen naast dat 
van Henrix van Gorters en dat van Johan Lywet, cremer. 

In 1425 (N° 1259D) het tri gochgeivachsgiiede geheeten, hier ge- 
legen tusschen het huis van Cloes Cremers en dat van Johan 
Bruest. 

In 1426 (N° 1263D) het huis van Bartoldus Snoesken en dat 
van Peter Wagemans 

In 1428 (N** 179 F) woonde Johannes Bock te Tweebergen, 

In 1429 (N** 1297 D) is er sprake van twee aldaar naast elkander 
gelegen huizen van Kerstiaen Plencker en van Johan Muysoegen 
tusschen het huis van Johan Meynten, bakker, en dat van Johan 
voornoemd. Een der beide huizen kwam later aan Fastrardus, 
wagenmaker, te Tweebergen. 

In 1437 (N° 1330 D) is er sprake van het huis van Reyner van 
HuLSBERCH, brouwer te Tweebergen gelegen tusschen de huizen 
van Oede Wynbers en van Johan Kupers 

In 1440 woonde naast den Beyert de burgemeester Lambert 
van den Bossche, heer van Canne en Mopertingen (}'). 

In 1442 was de waelplaetz van Smter Cloes kerspel Tiiembergen 
»vander rechterstraeten Twembergen mitten hoick van Twem- 



(^) Zie bij de Groote Gracht. De Spelthof strekte zich uit van af den bovenkant 
dezer straat tot aan het klooster Josephatsdal (Bayert). 
(i) Puhlications etc. VII, p. 402. 



— 114 — 

„bergenporten tot aen Hoich Franckryck" (, al waar de Boenentoren 
„zich bevond) en naar de andere zijde tot aan den Hackenkaimer 
toren, later de schure en na de ontploffing van het kruitmagazijn 
in 1761 Abrahamslook genoemd. Van bovengenoemd kerspel was 
opperhoofdman Willem Wertz, hoofdlicden Michel Cremer, 
Johan VAN Cautexbercii, Johan Sonderworst, Jan Nysman, 
Vaes Sloetmekers en Jannes Strickaertz (i). 

In 1449 (N° 213 F) wordt vermeld het goed van Ghysbrecht 
VAN den Niedermoelen, benevens dat van Leyze, bakker, beiden 
gelegen te Tiveymberge, 

In de limietbeschrijvingen van het graafschap „den Vroenhof 
of Lenculen" van 1450 en 1626 wordt vermeld het goed van 
Gylis VAN DEN Boengaert gelegen te Tweenbergen voor de vuyrste 
poort (de nieuwe Brusselsche) (2). 

In 1456 (N° 1458 D) is er sprake van het woonhuis van Ghy- 
selbrecht Groetmans te Tweyubergen gelegen tusschen de huizen 
van Hausman, Jlesschendreyer^ en van Huben der becker, 

In 1462 (N<» 1482 D) van het huis voorheen van Ghys Groet- 
mans thans van Johan Theus gezegd van Heer, schrijnwerker, 
gelegen te Tweebergcn naast het huis van Johan OP gheen Mere 
van Herderen en -dat van W^^^^^^'^y Jlesscheitdreyer. 

In 1538 berichte de Magistraat van Antwerpen aan dien van 
Maestricht over eene dienstmeid die wegens deelachtigheid aan de 
sekte der Anabaptisten aldaar was gevangen genomen. Zij had 
hier ter stede gewoond bij een mesmakere genaamd Henrick 
„woenende Twembergen in Weindelboer ; ende daer te voeren heeft 
„sy gewoent int zvit peri naest U Hoefysere twee joer lanck"; zij 
heette Berbelken van Loore (^). 

In 1577 woonde Willem Beckers te Tiveembergeii (y). 

In de limietbeschrijving van de XVI<^ eeuw heet het dat de 
„heerlyckheidt van St. Servaes kerke genaemt Tweebergen daer de 
„Proost heer van is begindt an de nieuwe muren van den huyse 



(1) PubUcations etc. XIX, p. 387. 

[i] Ibid. XIX, p. 398 en Maasgouw 1905, p. 59. 

(3) Jos. Habets, De Wederdoopers, p. 180. 

(*) Haakman en Allard, Opere citaio, p. 183. 



9» 



39 



— 115 — 

gehelen de Smis van Elderen op do Tzvirberocrstrae^ hi] da poon 
van Munstcrbilscn (Rijkskweekschool voor onderwijzers) (i). 

In die van 1550 is er sprake van den „holT van ^Mevrouw van 
Munsterbilsen huis vast achter die Smisse van Elderen, ende 
„tusschen den Speltenlioff' ende soo door dat convent van den 
„Bajart in dat huys van Aloperiingen door de Cellebroeders (bank 
„van Lcening) ende Lupols goed (•^). 

„In 1612 op St. Lourens dagh was den grooten brandt op 
„Tweeberge straat des morgens tusschen 8 en 9 uren. Daer ver- 
„branden 42 huysen, sonder de achterhuysen, schuyren en stal- 
„lingen. Den brandt quam door eenen gehceten Jaspar, dien 
„schietende naar eene duyve, schoot het vier int dack (toenmaals 
„nog met stroo gedekt, zie bij de Kokartsruwe)^ hij sal veerde 
„hem tot St. Peter; dezen brandt begonst aen de Jeekerstraat en 
„hiel op omtrent het huys de Blmnv Hant genoemt". De geheele 
huizenrij van af de Jekerstraat tot aan de Kommel brandde 
dus af (3). 

In 1655 werd door den Magistraat bevolen dat al de eigenaars 
van open plaatsen o. a. langs de Tivecbergenstraat dezen moesten 
bebouwen; bij gebreke daarvan zouden die plaatsen aan den 
meest biedende verkocht worden onder beding dat den kooper 
ze moest bebouwen (•*), 

In de limieibeschrijving van 1720 loopt de grens „door den 
„hoff van den heer goeverneur graef van Tilly, achter de hoven 
„van mevrouw Gysen, d'heer van Bueren en procureur Schaepen 
„recht achter het huys van Elderen, nu het huys toebehoorende 
„hoogh gemelde heer Grave van Tilly, op den Spelt hoff, hetwelk 
„den hoff van het kloester den beyart is, ende soo voorts achter 
„door den Cellebroeders hoff tot der stadts mueren" (0). 

In die van 1724 is er sprake van een /^^/ die zich „omtrent de 
„Brusselse wall" bevond aan welke poel „nog een cleyn huisje" 
gelegen was(ö). 



(1) Publications etc. XIX, p. 415. 

(2) Ibid. ibid., p. 419. 

(3) Maasgouw 1902, p. 72. — Jaarboek 1851, p. 2ö7. 
(4j Jaarboek 1851, p. 270. 

(5j Publicaiioiis etc. XIX, p. 426. 
(6j Idem ibid., p. 428. 



— 116 — 

16. De Capucijnenstraat 

(Platea Rufi). 

en de Apostelenstraat 

Weinig straten worden op zóó grillige wijze benaamd als wel 
deze. In den loop der tijden treft men ze aan, behalve onder den 
latijnschen naam van platea Ruü^ waarvan mij den oorsprong on- 
bekend is, als: Roeffstrate^ Roden- of Roedenstrate, Roy- of Royen- 
strate^ Scroef- of Schryfstrate en Schroeystraet. Eerst eenigen tijd 
na de vestiging der Capucijner-monniken alhier in 1610 geraakten 
al die namen gaandeweg in onbruik, en werd zij algemeen als 
Capucijnenstraat' ^dXig'^WitxVl. 

Eenige wetenswaardige bijzonderheden betreffend het Capu- 
cijnenklooster en de terreinen die ertoe behoorden worden hier 
aangestipt.. 

Ofschoon de stedelijke regeering bij Raadsresolutie van 12 Juli 
1497 aan de bestaande kloosterorden had verboden om nog vaste 
goederen aan te koopen, bevorderde zij nochtans de komst der 
Capucijnen, die zich overal met ijver en toewijding met het ver- 
plegen van zieken bezig hielden. Hun werd door den Raad in 
1610 een terrein in de Bogaardestraat kosteloos afgestaan en 
deze droeg ook grootendeels bij in de kosten van opbouw van het 
klooster. De door stad betaalde gelden werden haar later door 
den Baron de Lens terugbetaald ('). 

Tijdens het heerschen van de pest in 1623 maakten de Capu- 
cijnen zich bijzonder verdienstelijk met het verplegen der zieken; 
zij vielen allen tot den laatsten man als slachtoffers hunner zelfop- 
offering, zoodat het klooster geheel was uitgestorven. In de St. Ser- 
vaaskerk bestaat eene schilderij die deze gebeurtenis aanschouwelijk 
voorstelt. 

Het klooster werd echter weldra opnieuw bevolkt en om de 
Paters van eventueel uitbrekende besmettelijke ziekten te vrij- 
waren werd aan het einde van den kloostertuin een gebouw 
opgericht waar zij zich met de te verplegen zieken zouden kunnen 
afzonderen. Daar, in „Le jardin des pestiférés" waren de kloos- 



( ) (Pelerin), Essais historiques et criiiques sur le depzrtement de la Meuse- 
Inférieure^ en gcnéral et la ville de Maesiricht^ chef-lieu, en particulier^ p. 214. 



— 117 — 

terlingen die in 1623 bezweken, begraven. Aan den ingang ver- 
hief zich een groot Christusbeeld, onder hetwelk een latijnsch 
opschrift aan den zelfopofferenden dood der Paters herinnerde (i) 

In 1652 toen de pest wederom te Maestricht woedde werden 
twee Gellebroeders aangewezen voor de ziekenverpleging in een 
militair wachthuis genaamd de Vloeiemvacht^ gelegen op den wal 
achter hun klooster (thans Bank van Leening). Daar echter dat 
gebouw onbewoonbaar bleek te zijn werd hun een locaal in de 
Schrocy-straat ter bewoning afgestaan. Zij waren verplicht op 
stadskosten twee paarden te houden om de dooden 's nachts naar 
het kerkhof te vervoeren (^). 

Tot in 1679 bevond zich op de Boschstraat tegenover de 
St. Mathiaskerk een smalle straat, de /t^r/f-^v^w^^ genoemd, die sedert 
verkocht en bebouwd werd, om in 1898 wederom door de afbraak 
van het erf Wilkens als 5/. Catharinasiraat te worden hersteld. 

Door dezen kerkgang en de in zijn verlengde gelegen Uitbel- 
derstraai kon men destijds door eene breede onbebouwde straat, 
de Apostelenstraat genoemd, die dwars door de tuinen der Capu- 
cijnen liep, de Capucijneustraat bereiken. 

In 1664, ten tijde dat de pest opnieuw hier heerschte, werd 
deze Apostelenstraat aan de Capucijnen tijdelijk afgestaan, ten einde 
daarop-, aan de zijde der Capucijnenstraat een algemeen pesthuis 
te stichten. Het tijdelijke van dien afstand werd echter verzuimd 
door de Magistraat vormelijk te worden geconstateerd, zoodat 
latere opeisching der terreinen zonder gevolg bleef {^^, 

Van 1798 tot 1814 diende het Capucijnen-kerkhof tot algemeene 
begraafplaats. Omtrent 4000 lijken werden er ter aarde besteld; 
niet minder dan 1350 soldaten van het Fransche garnizoen toch 
overleden, alleen in 1813 en 1814, aan de typhuskoorts. Het kerk- 
hof op den Tongerschen steenweg werd alstoen aangelegd. 

Toen in 1859 de Gasfabriek in de Capucijnenstraat gebouwd 
werd, ontgroef men er eene groote menigte beenderen en het nog 
in zijn pij gekleede lijk van pater Kobben ('*). 

(»} Annmiire 1Ö30, p. 162. — Fublkations etc. XLII, p. 40—52. 

(2) Ibid. 1830, p. 189. 

(») Publkations etc. XXIX, p. 397. 

(*) Maasgouw 188i', p. 144, 192. Zie ook de correspondentie tusschen den Maire 
CoENEGRACHT en den Franschen generaal Charbonnier in: Fub/icafions q\c. XXXVI 
272— 27ö en 393 naamlijst der in 1Ö13 en 1814 bezwckenen. 



— 118 — 

De Capucijnenkerk, in 1681 afgebrand en spoedig weder opge- 
bouwd, vertoont in zijn gevel het in steen uitgehouwen wapen 
der bovengenoemde familie de Lexs. 

In 1796 werd het klooster opgeheven en de gebouwen tot ka- 
zerne ingericht. In 1839 werd aan de Israëlitische gemeente een 
gedeelte van den tuin geschonken om er hare synagoge te bouwen. 
Het klooster, nu stadseigendom dient thans tot bewaarschool der 
Broeders der Onb. Ontvangenis. 

Huizen in de Capucijnenstraat en hunne bewoners. 

In 1339 (N*» 329 D) woont Henricus de Rediciieym, wever, 
snpra ruffi novum oppidtnn (Roeffstraete) naast het huis van wijlen 
Philippus DE LiBRA, priester en naast dat van wijlen Godefridus, 
den zoon van Servatius. 

In 1344 (N" 401 D) wordt vermeld het huis van Johannes de 
MONETA, priester, gelegen snpra Riifi novum oppidnm (Rodenstrote) 
naast dat van Fastrinus, factor viiroriim (glazenmaker). 

In 1345 (N® 408 D) wordt deze straat genoemd als hierboven 
in 1339 en Matheus en Wilhelmus als zonen genoemd van 
Godefridus. 

In 1351 (N° 479 D) andermaal als in 1339; toen woonden aldaar 
Henricus Houtsman, Johannes Witter en Bartholomeus Meysken. 

In 1356 (N« 543 D) heeft de hierboven in 1345 genoemde 
Wilhelmus den naam van aangenomen de Plathea opidt RuFr; 
hij woonde toen te Tweêbergen (Brusselschestraat). 

In 1363 (N** 683 D) wordt vermeld het huis van Godefridus 
extra eggerisgaet (Statensiraatje) in ordone vici dicti rodenuwestat^ 
gelegen naast het huis van Hermanus de Rosmar, brouwer, en 
dat van Tilmannus Boe de Rosmar. 

In 1379 (N° 853 D) woonde Johannes T>^LCk^^^supraplatearufi, 

In 1413 (N^ 1150 D) wordt op Veugen, een huis uitgewonnen, 
liggende in platea rufi. 

In 1414 (N® 1160 D) is er sprake van het huis van wijlen 
Giselbertus Metten, thans bewoond door Johannes de Elsloe, 
gelegen in de platea rufi tusschen de huizen van Hermanus Vyer- 
HALLERS en van Elysabeth Byrmans, en van achteren zich uit- 
strekkende tot aan de erven van Johannes Apothecarius en van 
wijlen Reynerus de Rosis. 



— 119 — 

In 1419 (N' 1213 D) wordt vermeld gevonden, het huis van 
Godenuel van Elderen, in des roedenstraete hovende inden hoef 
van Lencnlen. (?). 

In 1427 (N*» 1275 D) een huis in de roedejisiraet gelegen tusschen 
dat van Arnold van Heukelom en dat van Arnold Buckinxs. 

In 1442 was de ivaelplaetze (loop- of verzamelplaats) van het 
kerspel van Sinte Joris (Groote Staat) „van den torne tegen die 
^Royestraet ouer totten torne tegen Hoige Franckryck ouer". 

Die van het Kerspel „van Sinte Matthys: van Lindencruys 
„portte totten tornen aen Royenstraet tot aen St. Joris kerspel" (i). 

In 1444 (N** 1373 D) is er sprake van een huis in des royen- 
stroeten gelegen tusschen dat der erven van Lysbede Rvs en dat 
van Johan Wierix. 

In 1450 (^limietbeschrijving van Maestricht, den Vroenhof enz.) 
wordt y,die Roede straete ten beyden ende van dan al tot hoechter 
„(Bosch) porten toe is Lenculre goet" genoemd; „uytscheyden 
y^Sax goet dat nu der Dries is geheyten, der Meechden dries." 

Verder is sprake van het „rouweken gelegen in die Roede straete 
„van den rouweken ter Lendercruys poerten waerts"(2). 

In de Raadsverdragen van 1535 staan o. m. opgeteekend als 
gevluchte wederdoopers Jan ende Lenarte Ketelbueteren ende 
hoen snster Lysken in die Roye stroete (3). 

In c. 1550 (limietbeschrijving van den Vroenhof) is er sprake 
van de grens die liep „achter door die hoven tot op die Rouzve 
„straet, neven dat huys van Elderen nu Joachim Breyls erfgen. 
„geleghen in die Roystraet^'* Verder wordt vermeld, dat aan dat 
huis „een rouken staet naer den Gracht" en dat de „ganse Roystraet 
„voor en achter tot den wal" Vroenhofs is „ende daer tegen over 
„Jan Wvngaerts, nu die erfgenamen Aert Tiloy, in die Gans^ is 
„Vroenhofs, behalve die voorste huysen uytgaande op den gracht, 
„naer uytwysen van den voorss. rouwken, syn geacht Trichs" (■*). 

In 1562 woonde op V Orthnys van der roystraeten opten groeten 
gracht^ Jan Boenen, pistor (bakker) (5). 



(1) Publications etc. XIX, p. 386, 387. 

(») Ibid. XIX, p. 398, 399. 

(*) J. Habets, de Wederdoopers te M., p. 169. 

(*) Publications etc. XIX, p. 419. 

(*) Ibid. XXXIX, p. 64. 



— 120 — 

In 1587 werd de grensbepaling der verschillende parochiën voor 
goed vastgesteld door de beide Commissarissen van „beyde Hcercn 
„Princen der Stad Macstrichi" na gehoord advies der H.H. Dekenen 
van St. Servaes en O. L. Vr." De grens van St. Mathiasparochie liep 
o. a. „den Grooten Gracht op tot op 't Oirthuys (hoekhuis) van 
„de Rodenstraet ende die Roedenstraet inne na den wal" (i). 

In de limietbeschrijving van 1626 wordt de straat nog Roeden- 
strae'ie geheeten (2). 

In 1677, in de beschrijving eener processie met de noodkist van 
St. Servaas, heet het „dat de heer Canoniek Graeven met den 
„heer cappelaen Verstraeten het oudt stadhuys opgingen en 
„deede de gevangenen afkomen o. a. eenen Stootwaegen die eenen 
„Fransen in de Capucinestraat hadde het hoofd ingeslaegen (3). 

In de XVII« eeuw wordt bij eene verdeeling der stad in 13 
Kerspelen de Capucynenstraai^ Schryfstraete en Scroufstraete ge- 
noemd (4). 

Boven de deur van de met een geveltorentje prijkende woning 
der familie van Aken, die thans heeft plaats gemaakt voor 
ecnc school van het Ursulinenklooster, stond de spreuk: 

Mors CVnCtos InVaDet (1711; 
d. w. z. de dood treft allen (0). In het torentje was eene bom ge- 
metseld die het gebouw trof bij de belegering van 1793. 



17. De Cortenstraat. 

De naam dezer straat wordt ten onrechte geschreven als zou 
oorspronkelijk bedoeld zijn hare geringe lengte aan te duiden. 
Volgens Alex. Schaepkens (^^ werd ze in 1374 die Cornstrate g^- 
noemd De Lenarts opineert dat „deze straat, als het best gelegen 
„tol het vervaardigen van linnens, half en half bewoond was door 
„de kortespoelders (linnenvvevers) en de witmakers^ en datzedaar- 
„om die namen erlangden" (7). 



(i) Publicalions etc, XXIX, p. 410. 

{-] Maasgoitw 1905, p. 59. 

C*) Alex. Schaepkens, Annalectes arch. p. 8. 

(^) Publüations etc, XIX, p. 446. 

(*) Maasgouw AS'èO, p. 269. 

(^) Publicatiütts etc, I, p. 57. 

(7) Publications etc, II, p. 24, 31. 



— 121 — 

Op den hoek dezer straat en van de Koestraat woonde in de 
XIV« eeuw Ridder Dirk van Berghe (\), waarschijnlijk een 
afstammeling van Reinold of Renerus de Berghh:, genaamd Trips, 
brabantsch Hoogschout, die in 1147 met den heer van Valken- 
burg naar het Heilige Land toog. Tegenover zijn goed lag dat 
van Giselbertus, genaamd dobbelcr (J), 

Heylerhoff kent eene hooge oudheid toe aan di^Cortejistraat^dA^ 
hij echter la rue Courte noemt (3). Ze zou met de Witmaker- 
straat en de O. L. V. straat op de Romeinsche heirbaan intra 
muros gelegen hebben, die toegang verleende tot de oude brug 
over de Maas. die de Konings- of Caseipoort (O. L. V. poort) met 
het Waterpoortje verbond. 

Jhr V. de Stuers deelde mij mede, dat onlangs bij gelegenheid 
van den bouw van de Geldersche Credictvereeniging, is onder- 
zocht of in den tuin in het verlengde der O. L. V. straat iets te 
vinden was van den ouden Romeinschen weg Men heeft op eene 
aanzienlijke diepte wel eene bestrating gevonden, maar te smal 
om die van de Romeinsche heirbaan te kunnen zijn. 

Het eerste huis aan de Noordzijde dier straat, naast het hoek- 
huis aan het ü. L. V. Plein, was in het begin der XIV« eeuw 
bewoond door de voorname Trichtsche familie Gorten O). 

Nabij de Koestraat herinneren zich nog velen een oud huis met 
buitenzijdschen trap van 5 of 6 treden, dat vele sporen droeg van 
XVII* ecuwsche deftigheid; het bordes voor den ingang door dien 
trap gevormd was met een sierlijk gesmeed ijzeren hek omgeven. 
Het huis werd in 189.. afgebroken om plaats te maken voordat 
thans bewoond door mevrouw de Wed. P. Startz. G. D. Fran- 
quinet trof reeds in 1356 daar ter plaatse een huis aan „op dye 
trappelt geheeten, waarschijnlijk aan een voornaam burger toe- 
behoorcnde, die voorzorgsmaatregelen nam tegen hoog water. 
Elders (^^ zegt deze schrijver, dat ter plaatse waar dat huis stond 
bovengenoemde Ridder Renerus van Berge woonde. 

{}) Alex. ScuAEPKENS trof in 1345 aan, de weduwe van Goswin de nERGHE;haar 
zoon Renerus was loen nog minderjarig, i Pubiicatiotis etc, I, p. 57). 

( ) P. DOPPLER, Nécroloij^e lie la confrén'e aes chapelains de la ci-de^faut col- 
lé^iaU de Saint-Servais a Maestricht^ p. 5 note 1; N" 84 F; en biographie Maas- 
j^ottw 1890, p. 90; zie ook Koestraat. 

(3) Annuaire 1825, p. 111. 

{*) FRANQ.UINET, Invcftt. O, L, Vr, II, p. 156. 

O Ibid. id. p. 23. 



— 122 — 

Voorheen lag in de Cortenstraat een gasthuis 30 voeten breed 
en 60 voeten diep, dat in 1610 verkocht werd (^). 

Huizen in de Cortenstraat en hunne bewoners. 

In de XIII* eeuw lag in deze straat een klooster of begijnen- 
hof, dat echter reeds in 1377 opgeheven werd (^). 

In 1301 woonde in platca Corten jonker Arnoldus van Canne; 
zijn zoon Rutgerus, priester van O. L. Vr. kerk en tevens vicaris 
van St. Servaas, overleed in 1371 en deed vele schenkingen aan 
beide kerken (^). 

In 1350 (No 471 D) is die Coritenstroie o. a. bewoond door 
Hcnricus Nunnenbov, Bela de Sobde (^) en Giso tesserator (wever). 

In 1351 (N" 483 D) is die straatnaam op gelijke wijze gespeld 
en wordt er melding gemaakt van een huis van Henricus Minnen- 
BODE gelegen tegenover dat van Johannes Sluevsman. 

In 1351 treffen wij aan als wonende in de Cortenstrate Reyne- 
rus van Roesmer over wien nader gesproken wordt bij de Wit- 
makerstraat. 

In 1363 (N° 690 D) wordt vermeld het huis van Willelmus 
DE Geldonia, kanonik en scholaster van ü. L. Vrouwekapittel 
in de Cortenstrote^ naast diens claustraal huis en dat der kinderen 
Becker. 

In 1366 (N° 715 D) is er in dezelfde straat sprake van een huis 
toebehoorende aan Truda, de dienstmaagd van een overleden 
kanonik van het O. L V. Kapittel; het was gelegen tusschen dat 
van Elisabeth de Sibde (zeker dezelfde als de hierboven genoemde 
Bela DE Sobde), en dat van Johannes Groetiiennen. 

In 1374 (N** 804 D) is melding gemaakt van hetzelfde huis /;/ 
platca Corte7istraete waarvan de naam der bewoonster wordt ver- 
meld als zijnde Elizabet de Zibden. Voor buurman van haar 
wordt opgegeven Winandus de Havert, virgulator (kleermaker). 



(1) Zie noot bij het St. Agatha-gasthuis (Ta felst raat). 

(-) Franciuinet, Inv, O. L, Vr. I, p. 118. 

(3) Ibid. II, p. 123. 

(^j Bele DE Cybde of Sibbe was de moeder van Petrus van Cypde, plebaan van 
St. Nicolaaskerk in l'r)3 en van Gobbelinus van Cybde, priester (Frakquinkt, Inv. 
a Z. Vr. II, p. 125). 



— 123 — 

In 1409 (N°1105D) is er sprake van een huis in de Cortenstrate 
gelegen tusschen de huizen van Baldewyn van der Maesen, 
priester, en van Pauvvcl van Roesmer der sargeivever (zie ook 
hierboven op 1351). 

In 1416 (N^ 1181 D) van het erf van Lambrech Crissien gelegen 
in de Kortlensiracte beneden onser Vromven clotster^ tusschen het 
huis van deze, voormaals eigendom van Reynen van Kuenvnx- 
wiNKEL, en dat van Symon Stoter. 

In de Cortenstraet wordt omstreeks 1528 vermeld het huis 
»/;/ den draeck"^ (i). 



18. Cörversplein. 

Zie bij Smedenstraat. 



19. Eikelstraat. 
Exter straat. 

Zie bij Houtmaas. 



20. Het Drieëmmerstraatje. 

Het werd in de XIII* eeuw de Tissilynrmve geheeten. 

Zooals uit de hieronder aangehaalde schepenbricven blijkt, werd 
het later algemeen de Gtdkemansstraet genoemd naar een zijner 
bewoners, die afkomstig was uit het land van Gulik en daarom 
in den wandel Gulkerman geheeten werd. 

De tegenwoordige naam zal wel ontleend zijn aan het uithang- 
bord of den gevelsteen van een der hoekhuizen. 

In de beschrijving der verdeeling van Maestricht in 13 wijken 
(XVIII* eeuw) wordt de Guylcher straedt nog genoemd, met de 
Koevlieghenstraet (2). 



(1) PubUcations etc, I, p. 67. 
(«) Ibid. XIX, p. 445. 



— 124 — 
Huizen In het Drieëmmerstraatje en hunne bewoners. 

In 1307 (N° 60 D) is er sprake van een huis in de julkennafi- 
strate toebehoorende aan de dochter van Renerus Quicking, die 
toen met haren echtgenoot te Trier woonde. L)e/.c Renerus Quit- 
KTNCK verkocht, volgens eene toegevoegde noot, in 1283, eenen 
jaarcijns ten laste van de T^andskroon. 

Van 1309 tot 1312 was Johan Vogel, schepen der stad, hij 
woonde in deze straat f^). 

In 1346 (N" 417 D) is er sprake van een huis van Johannes 
C\NNART gelegen in de Gulkennanstrate naast dat van Mathias, 
kaarsenmaker. 

In 1379 (N* 843 D) wordt vermeld een erf der Antojiieten, ge- 
legen in de Guelkemansstrate tusschen het huis van Tilmannus 
DK NussiA en dat van Jutta Liberti. 

In 1385 (N«>906D) het huis van Johannes de Valle in de 
Guylkemaensstrote naast diens ander huis en dat van Wilhelmus 
Gruter. 

In 1405 (N° 1065 D) wordt een huis vermeld in de Guelke- 
viansstracte gelegen tusschen twee huisjes van Henrich Kup en 
dat van Cloes Appel. 

In 1420 (N" 164 F) wordt van een huis gesproken op die viase 
hl der Gnylkcnuanssirate tusschen het huis van Peter MoERDRUGGE 
en dat van Godart van Groeselt. 

In 1428 (N° 1285 D) van een huis op den hoek der guylke- 
mansstractc naast dat van wijlen Pouwel Morees. 

In 1458 (N° 226 F) komt een huis voor /// die guylkemansstroie 
toebehoorende aan Johan Sestkens, tyns pypers {J) engelegen tus- 
schen het huis van Johan Kempener en dat van Kathryne Beckers. 



21. De Ezelenmarkt 

(Triscum asinorum). 

De in verschillende schepenbricven genoemde Ezelejidriesch was 
niet de plaats thans als Ezelenmarkt bekend, en die in de middel- 
eeuwen begrepen was onder den naam in Lencnlen of Vroenhof^ 



(1) Frakquinet, Iuv, o. L. Vr. II, p. 150. 



» 



— 125 — 

doch de huidige Looiersgracht, het westelijk gedeelte der Looiers- 
straat, de Zvvingelputstraat en de plaats waar thans de Nieuwen- 
hof staat. 

Uit de hieronder volgende aanhalingen en uit enkelen bij den 
Aldenhol vermeld, blijkt zulks duidelijk. 

De daar liggende kerk der Bonnefanten of nonnen van het 
H. Graf (^Sepulchrienen) werd met het klooster gesticht in 1627. 
Kort na de verovering van Tricht door de Staatschen werden de 
nonnen door de plaagzieke protestanten verplicht de wijk te 
nemen naar Luik; aan eenigen gelukte het echter te blijven. In 
1672 ontstond tot drie maal een aan moedwil toe te schrijven 
brand, die klooster en kapel vernielde; „om den onderganck 
der religieusen oock te vermeerderen, begonst den momboir des 
heeren, deselve tot eenen jammerlycken staat gebraght zynde 
aen ie klaegen by den gereformeerden raedt en soodanige pro- 
cedure te sustineeren, om de stadt aen onse religieusen te doen 
„ruymen, om weick t'appaiseren dit clooster groote moeyte heeft 
„aengewendt" ('). Eerst in 1686 kon den eersten steen gelegd 
worden der tegenwoordige tot kazerne dienende kerk; de gevel 
ervan dagteekent, luidens het opschrift, van 1709, de wijding der 
kerk had plaats in 1740. In 1797 werden de kloosterlingen ver- 
jaagd en hare goederen door de Fransche republikeinen in beslag 
genomen. 

Huizen op den Ezelendriesch en hunne bewoners. 

In 1352 (N° 488 D) wordt vermeld het huis van Johannes 
Keucken supra driscum iuxta novain curiam bcghinanim^ nabij het 
liuis van Johannes Kurten. 

In J374 (N° 805 Ü) is er sprake van eene area met aanhoorig- 
heden gelegen supra forum asini ante portam novae curiae (Nieu- 
wenhof) tusschen het huis van wijlen Lambertus en het erf van 
het hospitaal der H. Agatha. 

In 1383 (N^ 885 D) wordt vermeld een huis supra aniiquam 
curiavi (op den Al den hof) et triscum asynorum dictuni Escldryesche 
tusschen het huis van Theodoricus Amelii, wever, en dat van 
Arnoldus de Steyne genaamd Muc VUR den Nuweniiof, brouwer. 



(1) Zie: Fr. Dazert, Geschiedenis van het klooster van het H. Graf, in: Pttblka- 
tions etc, XXXVllI, p. 251—378. 



— 126 — 

In 1385 (N^ 905 D) de schuur en het erf van Johanncs in die 
PORTE van St. Pieter gelegen supra triscum asinonmi dictum den 
Eseldriesch mxta murum optdi predicti vertus libertatem sanctt Pctri et 
Novam Curiam^ tusschen het huis van deze en dat van Johannes 
Scheper, textor et /rt';///^';r (zwaardmaker); volgens N''2G1W heette 
het voormelde huis in die porte vaji St. Pieter. 

In 1387 (N° 915 D) wordt een Rycolfus in die Porte van 
St. Pieter, burger van Tricht, genoemd (zie voorgaande) als heb- 
bende vele schulden aan de Lombarden alhier. 

In 1400 (N° 1031 D) wordt een huis op den eseldryessche ver- 
meld als gelegen tusschen dat van Johan van Eyke en dat van 

Jutte VAN DiLSEN. 

In 1404 (N° 1107D) een erf bij dtn Aldenhof op den ezeldriessche 
gelegen tusschen het huis van wijlen Johan in dik Poerte (ver- 
gelijk N« 885 D op 1383) en dat van Conrart van der Laken. 

In 1409, zegt Alex. Schaepkens (i) aangetroffen te hebben een 
erf gelegen op de esetdriessche voor en achter mit alle heiire toebe- 
hore tus^he goede johans VAN Eyke ten eyre syde ; en in hetzelfde 
jaar een erf gelegen by den Aldenhof op den eselendr'essche (jAt 1400). 

In 1429 (N® 1296D) is er sprake van het huis van GerartVAN 
Here gelegen opten eselendriessche tusschen de huizen van Dierix 
Kempers en van Wouter der Stroedecker. 

In 1446 (N** 1384 D) wordt vermeld het huis gelegen opten 
ezelsdriesch tusschen dat van Dierich Slallengaerts, bakker, en 
het huis van . . . van Evmole. 



22. De Graan- of Korenmarkt 

(Forum bladorum). 

De open plaats van af het koor van O. L. Vr. kerk tot aan de 
Heistraat, droeg in de Middeleeuwen den naam van /<?r«;« ^/f?^iö>/'//w 
of forum segetuvi] deze was een der markten, die reeds door de 
Romeinen bij de poorten hunner steden, hetzij binnen of buiten 
de wallen, gehouden werden; in 't primitieve Tricht worden dan 



(1) Publicaiions etc. T, p. 58, 57. De sclirijver teekent daarbij aan dat h^ veelvuldig 
voorkomen in het begin der XV''' eeuw van den naam van Eycke herinnert aan de 
groote schilders van dien naam en bewijst dat die familie van Limburgschen oor- 
sprong was, 1. c. p. 51. 



— 127 — 

ook dergelijke markten op die plaatsen aangetroffen, met name 
het forum cerasorum (Kersen markt), het forum piscium ( Visscher- 
maas), het forum lignorum (Houtmarkt, oostelijk deel der groote 
Markt), het forum sabbati (Zaterdagsmarkt, Zuidwestelijk deel 
daarvan). 

In eene Raadsresolutie van 1377 werd bepaald, dat men op de7i 
Korenmarkt huser timmer eji sal aen den muer dar men kale in leg (^en 
sal ende die sal 7nen verhuereft van der stat weghen ende die tmeiste 
buyt, die sal tneeste (eerste) syn (i). 

Huizen op de Graanmarkt en hunne bewoners. 

In 1322 (N® 175 D) is er sprake van een huis naast dat van 
Wilhelmus de Mersene op den hoek van het forum segetum (of 
forum bladorunt). 

In 1326 (No 60 F) vi^ordt melding gemaakt van het huis van 
Colli nus prope (nabij) antiquam stupam^ in den Stock, 

In 1329 (N*> 225 D) woonde in het huis van den proost van 
Meersen supra foro bladorum, Mathyas, de schoonzoon van Wyl- 
lelmus. 

In 1372 (N* 785 D) worden twee huizen vermeld bij dt graan- 
markt nabij den stadsmuur aan de Maas, tegenover het koor van 
O. L. Vr. kerk. 

In 1379 (N« 840 D) woonde achter O. L. Vr. kerk bij de Cr^^;/- 
viarkt Henricus de Cleirmont nabij de stupa (kroeg) van Lam- 
bertus Lamson, tusschen het huis van Godefridus de Merzen, 
clericus, in de straat voerende naar voormelde stupa, (Zie ook 
No 841 D). 

In 1392 (N^ 945 D) wordt de Cleirmont, schepen van Tricht, 
in den Stock vermeld. (Zie Stokstraat en ook op 1395 Plankstraat). 

In 1435 (N* 1319 D) is er sprake van een erf opten korenmarkt 
achter O. L. Vr. kerk, tusschen het huis geheeten die proestye van 
Mersen en de voormalige /é'j/^r^v (bakkerij) thans huis van Daengel 
VAN Gelck, kanonik van O. L. V. kapittel. 

In 1515 (N« 274 F) woonde super forum bladi Ida VAN Wald- 
vüCHT, anders genoemd Loduwyc. 



(1; A. Habets, F^€ plus ancien Rcgistre aux Rêsohitions du Conseil Communal 
de Aïaestricht, p. 59. 



-- 128 - 

23. De M. Grachtstraat. 

Ook deze straat heeft haren naam ontleend aan eene oudtijds 
aldaar bestaan hebbende verdedigingsgracht, 

In 1304 werd ze alreeds den ouden gracht genoemd, waardoor 
zeker gedoeld wordt op den toestand, die bestond vóór dat de 
stad meer ten Noorden uitgebreid werd. Die uitbreiding wilde 
men naar het schijnt aanvakelijk beperken door het bouwen van 
een ringmuur met gracht, bijna in rechte lijn van af de Maas (aan 
het uiteinde der GrachisU-aai) tot aan de Lindecruyspoort, waartoe 
de iMaagdendries leidde. 

Op grillige wijze, zegt van Heylerhoff (i), meende het volk dat 
dit reeds gedeeltelijk uitgevoerd plan gewijzigd en de uitbreiding 
in 1294 — 1297 uitgestrekt vverd tot aan de Hochterpoort (Bosch- 
poort); van daar zou den naam van Heeren-grillenstraat ontstaan 
zijn onder welke de Grachtstraat in 1304 ook aangetroffen wordt (}}.. 

De „historische platte grond van Maestricht" onlangs door den 
heer W. Sprenger geteekend, geeft 1298 aan als het jaar waarin 
bovenbedoeld grillig plan zou zijn gevormd en 1294 als het jaar 
waarin de ommuring aan de Hochterpoort zou zijn geschied. Deze 
jaartallen schijnen mij toe eene tegenstrijdigheid daar te stellen. 

Zooals uit onderstaande aanhalingen blijkt woonden er vollers 
en weevers in die straat hetgeen zeker toe te schrijven was aan de 
nabijheid der laken-ramen, waarna de Raamstraat genoemd werd. 

In 1669 brak de pest andermaal hier ter stede uit. De Magis- 
traat nam strenge maatregelen om den voortgang der vrceselijke 
ziekte te stuiten; om hunne doelmatigheid, ongeacht de weinige 
wetenschappelijke kennis, die onze voorouders van de prophylaxie 
hadden, verdienen die maatregelen bepaald bewondering. Van 
Heylerhoff geeft een overzicht van de sanitaire verordeningen, als- 
toen in navolging van die van de pestjaren 1623 en 1616 geno- 
men. Onder meer werd op het St. Anthonius-eiland in de Maas, 
{de Griend) een lazareth opgericht en de toegemetselde Sint Kw- 
thonis-poort, die tegenover de Grachtstraat lag, weder geopend om 
door middel eener schipbrug de ongelukkigen te kunnen ver- 
zorgen (3^. 

(1) Anmtaire 1825, p. 125. 

(2) PublicatiüHS etc, XIX, p. 392. 
(») Anmtaire 1830, p. 140. 



— 129 — 
Huizen In de M. Grachtstraat en hunne bewoners. 

In 1296 (N® 43 D) komt deze straat voor onder den naam van 
Graiistratc ; alstoen bestond daar een huis toebehoorende aan God- 
fried Springere. 

In 1304 wordt in eene limietbeschrijving van den Vroenhof, 
de Grachtstraat genoemd den ouden gracht die Heer en grillen straet 
geheyten is (}). 

In 1312 en 1313 (N^» 109 en IIOD) wordt het woonhuis ver- 
meld van Henricus Belmont en zijne echtgenoote. 

In 1333 rN° 260 D) had Johannes Stouve in erfpacht een huis 
gelegen tusschen het zijne en dat van Andrcas Monoculus, voller. 

In 1335 (N^ 277 D) wordt vermeld het erf van Gcrardus Mule, 
meester van het hospitaal van St. Servaaskerk, gelegen tusschen het 
huis van Johannes Corenscider en dat van Johannes de Haren, 
voller. 

In 1336 (N** 291 D) een huis tusschen dat van Reynerus de 
Roesmeer en dat van Giso de Lodenaken (Lanaeken). 

In 1337 (N« 307 D) wordt aan Johannes de Steyne, voller, in 
erfpacht gegeven het huis van wijlen Arnoldus Creytmeysen 
gelegen tusschen het zijne en dat van Theodoricus Snewent, 
bakker, en achter zich uitstrekkende lot aan dat van Arnol- 
dus DE Steyne, wever. Uit N° 308 D blijkt dat de huizen van 
Creytmeysen en van Arnoldus dê Steyne uitkwamen in de 
Raamstraat. 

In 1345 (N° 77 F) is er sprake van het huis dat vroeger aan 
Nicolaus genoemd Suthe toebehoorde en gelegen was siipra 
fossatum extra rnuros traiectenses versus sanctum Anthonium. 

In 1358 (603 D) wordt aan Nicolaus de Haren in erfpacht 
opgedragen een huis in platea dicta Grachtstrate gelegen, tusschen 
dat van Gerardus de (jREVMBEYDe en dat van Johannes Thome. 

In 1393 (N° 950 D) wordt vermeld het huis van Lysbet, de 
weduwe van Herman Cleynwerck, gelegen tusschen dat der 
kinderen Degon en het huis van Margareta Sanders (2). 

In 1397 (N*> 979 D) een huis in de Grachtstraete ghoende achter 



(1) Publicaiiom eic, XIX, p. 392. 

(*) Zie ook Publicaüons etc. I, p. 60, 61. 



— 130 — 

ghoende achter uyte in die Rantestrate^ in eerstgenoemde straat 
tusschen de huizen van Gobbel, bakker, en van Tylman Roubelouf. 

In 1404 (N<»1054D) wordt het Karsiiels panhuys in de Gracht- 
straat vermeld. Het is niet duidelijk of hier al dan niet de 
Wycker Grachtstraat bedoelt wordt, mij dunkt echter van niet, 
aangezien deze meestal kortweg als de Gracht wordt aangeduid. 

In 1412 (N° 1138 D) wordt het huis genoemd van de weduwe 
van Gobbelinus Steyngoets. 

In 1420 (N°1217D) is er sprake van het panhuys dat Wilhelm 
Sloen haldende is tusschen het erf van wijlen Johan Lemmavl, 
verver, en dat van Alholt op den Kelre. 

In 1441 (N<» 245 F) van het woonhuis van Heynrick Haenen 
gelegen tusschen het huis van Lyenart Boermans en dat van 
Elyzabeth Neven. 

In 1552 woonde Wolter Beckers weert in den Das^ in de 
Grachtstraat (^). 



24. De Groote Gracht, Statenstraat (Eggerstraat) 

en Herdermansstraat 

De oorsprong van den naam van eerstgenoemde straat is ieder 
Maastrichtenaar bekend. Vóór de uitbreiding der stad in 1229 was 
daar ter plaatse de groote en breede gracht die zich uitstrekte 
van af de Oude Brusselsche poort tot aan de Markt en langs den 
ouden walmuur liep waarvan thans aan de achterzijde der zuide- 
lijke huizenrij nog groote brokstukken aanwezig zijn. 

Ter verklaring van de aanduiding dat het huis hieronder in 
1372 vermeld, gelegen was buiten het straatje geheeten ecgerixgaet^ 
diene, dat deze laatste naam betrekking had op eene oude poort in 
den ringmuur der stad; die poort werd gebouwd in 1298 (2); de 
Eygereisporte ook Deger- en Egerporte geheeten lag links van de in- 
gangspoort van het Witte Vrouwen-klooster in het EggerS'%\x^zX]t^ 



(1) Haakman en Allard, De z,g. Verwoesting van Maastricht in 1579, p. 183, 
(«) Maasgouw 1886, p. 36. 



— 131 — 

later naar het Statenhuis omstreeks 1700, de S^ati'nstraa^ g^heeien (^). 
In de XVI« eeuw komt zij ook voor onder den naam van Royporte, 

De hieronder genoemde Hardenians ruwe^ die haren naam ont- 
leende aan de familie Herdennan in 1358 en 1413 genoemd als 
eigenares van een aldaar gelegen huis, wordt in 1536 aangetroffen 
als den naam dragende van Her Aert Craichs stroetgien (2). Het 
was in 1598 een geruiiieerdc ende desolate plaetsken^ zoodat „Vrouwe 
Magdalena van Elen, vrouwe des weerlixten stiffs van Munster 
Bilsen" dat in dat straatje zijn refugiehuis had, geautoriseerd 
werd hetzelve in gebruik te nemen en aan de grens der Groote 
Gracht met eene poort af te sluiten. Het terrein bleef nogthans 
eigendom der gemeente om in tijd van nood een doorgang te 
hebben naar den stadswal. De overste van het Refugiehuis van 
Munster-Bilsen moest tot erkenning van die servitude jaarlijks 
eene recognitie aan de stad betalen van 20 stuivers brabants; deze 
werd voldaan totdat de Fransche Republiek ze in an X afschafte. 
De juiste ligging van het straatje, dat 13 voet breed en 108 voet 
lang was, is de poort van het „Hof van Tilly" C^). 

In de Middeleeuwen bestonden op de Groote Gracht twee poelen 
die de straat erg versmalden; een was gelegen aan den ingang 
der Bogaardenstraat, de andere voor het huis van den schepen 
VAN Itum. De eerste werd het langst behouden aangezien hij 
gevoed werd door eene bron, doch den 16 Juli 1703 werd het 
gedeelte ervan dat in de rooilijn der huizen viel, verkocht aan twee 
inwoners der stad met verplichting den geheelen poel te dempen 
en het verkochte gedeelte te bebouwen. Zij betaalden daarvoor 
aan de stad 107 gulden. 

De tweede poel die even als de meeste anderen ommuurd was 
ten einde ongelukken voor personen en rijtuigen te voorkomen, 
verdween omtrent hetzelfde tijdstip (}\ 

Huizen op de Groote Gracht, in de Statenstraat en Herdermanstraat 

en hunne bewoners. 

In 1271 (N*»4D) komt voor het huis van Gerardus de Hoverhul 
supra fossatum, 

(1) Annales I, p. 93, 97. 

(2) Maasgottw 1883, p. 845. 

pj Zie de betrekkelijke Raadsnotulen in extenso, Maasgouw 1883, p. 845. 
\) Jaarboekje etc, 1851, p. 267. 



— 132 — 

In 1319 (N<» 159 D) worden twee huizen supra fossahim ver- 
meld gelegen tegenover het klooster der Predikheeren. 

In 1320 CN° 166 D) het huis afkomstig van Henricus de Ambey 
tusschen dat van Henricus Spkciit en dat van Aleydis Vlennerse. 
Volgens N"* 165 D lag dit laatste tegenover het hoekhuis der 
Bogaardenstraat. 

In 1326 (N° 208 D) tref ik die straat aan om de ligging aan te 
duiden van het huis van Parva Cripta, priester; hij wordt gezegd 
te wonen supj-a fossatmn retro tiirrhn in duobus montibus\ in den- 
zelfden brief wordt ook het huis van Arnoldus, gezegd Huvenere, 
priester, vermeld als liggende op de Groote Gracht in ruelld iuxta 
portam intcriorem duorum montium (oude Brusselsche poort). 

In 1329 (N° 230 D) wordt het huis van Nycholaus de Libeke 
vermeld als iuxta fossam, gelegen. 

In 1337 (N^ 309 D) wordt vermeld het huis van wijlen Nicho- 
laus Vriesen, ^n^^Xtv^siipra fossaium extra portam duonwi montium; 
het wordt omschreven als gelegen naast het huis van Goeswinus 
genaamd Dimicator, wever en naast dat van Gyso QuYT,//^rca/^r 
(plakker), welk huis zich achter uitstrekt tot aan de hofstede de 
Spelthoef (waarover later). 

In 1338 (N«316D) wordt melding gemaakt van de huisjes 
van Arnoldus, priester van St. Servaas, gelegen naast het erf van 
bovengenoemde Gyselbertus Quvt, placcator. Voorts is er nog 
sprake van een huis aldaar gelegen tusschen dat van Yda, de 
zuster van Macharius genaamd Pyerinch van Vleytingen en dat 
van Wilhelmus Corver en achter grenzende aan den muur 
van wijlen ridder Henricus Gringart. 

Op de keerzijde van het perkamenten stuk worden die ver- 
schillende huizen aangeduid t als liggende /// duobus montibus 
(N° 94 W) dus boven aan de Groote Gracht, 

De evengenoemde ridder Gringart, Grinvart of Grinaart 
behoorde tot eene adellijke Maastrichtsche schepenfamilie. Een Lam- 
bertus Grinyart was van 1306-1310 schepen der stad (i). 

In 1342 (N® 364 D) is sprake van het erf van Johannes tusschen 



(1) Zie voor nadere bijzonderheden nopens die familie Jos. Eversen in: Maasj^ouw 
1890, p. 90 en Pitblications etc, XIV, p. 124. 



— 133 — 

dat van Aleydis de Nortbech en dat van Gerardus genaamd 
Golden VOET. 

In 1346 (N<> 420 D) worden de goederen genoemd van Johannes 
Eytkauf die gelegen zijn acliter het klooster der Witte Vrouwen 
op de Groote Gracht, 

In 1350 (N" 126 W) trof ik die straat aan bij de vermelding 
van de goederen van Jan Mechgelmans, gelegen supra fossatum^ 
tusschen het huis van de Nortbeke en dat van Gerard Guldenvuet. 

In het volgend jaar (N" 128 W) worden die goederen ander- 
maal genoemd. (Zie ook voorafgaande). 

In 1352 (N" 487 D) worden de voormelde goederen van den 
inmiddels overleden Meciielmans, wederom genoemd, en om- 
schreven als voren. 

In 1355 (N<> 154 W) woonden super fossalum Pieter Vlesser 
de Brede genaamd, en Gertruda zijne vrouw; hunne woning lag 
naast het huis van Renier, Mellen genaamd, brouwer, en de goe- 
deren van Jan, sartor, van Kygcnbilsen. 

In hetzelfde jaar (N® 532 D) wordt in erfpacht gegeven een 
huis supra fossatum opidi gelegen tusschen dat van Symon Wam- 
BOSIATOR (mantelmaker) en dat van Henrikus Neke, pcllifex. 

In 1357 (N** 162 W) bevonden zich super fossatum de goederen 
van Jan genaamd Hone, gelegen tusschen die van de gebroeders 
Macharius en Johannes, priesters, en die van Wolter portitor sac- 
corum (zakdrager) 

In 1358 (N** 617 D) is er sprake van twee huizen naast elkander 
gelegen op de Groote Gracht (extra iyiferiorem portam duorum nion- 
iium) d. i. de oude Brusselsche poort waarvan nog een der flan- 
keerende torens zichtbaar is. Die huizen lagen tusschen dat van 
de gebroeders Johannes en Macharius de Herderman, priesters, 
en dat van Johannes, tandentrekker {extractor dentium), In eene 
noot wordt vermeld dat die huizen naderhand kwamen aan 
Johannes Bueten(?) wagenmaker wonende /;/ tuella Herdermans, 
Van dit straatje is hierboven melding gemaakt. 

In 1372 (N«* 679 D) wordt vermeld de woning van Gerardus 
DE Here, priester {extra vicum dictuvi ecgerixgaet) gelegen tusschen 
het huis van Franco, wagenmaker en dat van Nicholaus den 
zoon van Johannes VVinrici, en voorheen behoord hebbende aan 
Arnoldus Huvenere en Johannes de Wanghe, priester. 



~. 134 — 

In 1383 (N* 886 D) komt voor het huis van wijlen Henricus 
DE Vlevtingen, priester, gelegen supra fossatum tusschen dat van 
Hermanus, wagenmaker, en dat van wijlen Ale3^dis Spronchs. 
Het huis werd gelieeten in de beide handen^ in duobus manibus, 

In 1385 (N° 895 D) wordt vermeld het huis van wijlen Gvsel- 
bertus genaamd CIcyne Her GiiYSK:ii:NS, priester, gelegen /// vico 
Eggerechsgaet tusschen dat van Nicholaus DE Spauden en dat van 
Wilhelmus Mever. 

In 1401 (N° 1042 D) wordt een huis genoemd in de straat 
Eggerixgaet^ toebehoorende aan de Weduwe van Wilhelmus Mever 
gelegen naast dat van Hermanus Audegot en den stadsmuur en 
achter zich uitstrekkende lot aan het erf van Nicholaus de 
Namurco. (Zie ook hetzelfde jaar bij het Vrijthofj. 

In 1413 (N° 1149 D) wordt in dezelfde straat hetzelfde huis 
genoemd; Hermanus Audegot was toen overleden. 

In 1407 (N° 1007 D) is er sprake van het huis op de Groote 
Gracht^ naast dat van Katliryn Vogels, genaanxd hostyenbeckers 
zuster van Lysbeth, echtgenoote van Wynant van Messciie en 
naast dat van Hubrech van Boechout; dat huis strekte zich 
achter uit tot aan den Spelthove waarvan wij hierboven in 1337 
vonden melding gemaakt. Die hofstede lag boven aan de Groote 
Gracht en strekte zich uit tot aan 't klooster Josephatsdal (de Beyart). 

In hetzelfde jaar (N*" 1096 D) komt hetzelfde huis voor; voor- 
noemde VAN BouCHOUT wordt daar als kremer aangeduid. 

In 1413 (N°1145D) wordt het reeds hierboven in 1358 ge- 
noemde huis vermeld van den inmiddels overleden Johannes 
Herderman, priester; hier heet het dat het zich uitstrekte tot 
aan den tuin de Speltliof geheeten 

In 1416 (N^ 1178D) is er sprake van een huis op de Groote 
Gracht op den hoek der baiterien naast het huis van Kathryne 
VAN Berne. 

In 1417 (N** 1189D) van het huis van Johan Guvlkers op die 
straat, naast het huis van Herman Zuvnlonck. 

In 1419 (N'' 1215 D) van het huis van de weduwe van Martinus 
DE VoRSE, gelegen in de straat Eggerix ^^/r/ geheeten, palende aan 
den walmuur der stad en het huis van Hermannus Plume, priester. 

In 1424 (N** 1255 D) van het huis van Peter Muyls ^//é'^?^rt?r/r« 
gracht tusschen dat van Werner van Muysbach en dat van Johan 

VAN DEN DyKE. 



— 135 — 

In 1449 (N<» 213 F) van het erf van Reynbout Coninx op de 
Groeic Gracht 

De Lenarts (i) deelt mede dat Louis de Bourbon, bisschop van 
Luik, tijdens zijn verblijf alhier in 1460, gedurende den opstand 
der Luikenaren „een hofï had op de Groote Grachf\ 

In 1453 (2) wordt genoemd Jan van Corboscii, des weerts int 
hocfyzeren. Dit uithangbord wordt in 1609 genoemd als d.it van 
het huis van Meyster Johan Lendert Beursen, kopperslcger op den 
Grooten Gracht. Zou één en hetzelfde huis in beide jaartallen 
bedoeld zijn? 

In 1455 (N*» 1427 D) is er sprake van twee huizen opten groeten 
gracht gelegen naast het huis van jonker Gerit vanden Hove en 
naast dat van Johan der Hout, schoenmaker. 

In 1458 (N** 1452D) is er sprake van een huis naast dat van 
wijlen Johan van Santbeke en dat van wijlen Cloes van der 
Evcke; ook van een stal van Johan Colvn gelegen achter het 
huis van Johan van Santbeke en naast dat van Johan van Wilre, 
timmerman, benevens van het huis van Doeme Clockers gelegen 
naast dat van Gerit van den Hove en dat van Johan HouTj al 
die erven waren gelegen op de Groote Gracht, 

In 1463 (N° 1502 D) is er sprake van vier naast elkander gelegen 
huizen in de Heirderma?isrtnve naast het huis van de weduwe van 
Johan VAN Dyepenbeke. 

In 1465 (N** 1507 D) is er sprake van een huis op de Groote 
Gracht gelegen naast dat van Wil hem Hostienbecker en dat van 
Gerard van Wautwilre. 

In 1535 (3j worden Peter Caemps, sin hiiysf rouwe cnde dochter 
opten groeten Gracht^ genoemd als zich door de vlucht onttrokken 
te hebben aan de justicie, 

In 1538 (4) wordt Jacob van Buel Trieciit genoemd als wo- 
nende opten groten gracht^ in die port van Wcsct (Visc). Als nabij 
dit huis gewoond hebbende, komt voor Meester Petrus Boumans, 
medicus en zijne vrouw Maria Ruethelinx (ö). 

(') Publicaiions etc, II, p. 49. 

(') P. DoppLER, Nécrologe etc, p. 79. 

(3) Jos. Habets, De Wederdoopers te Maestricht, p. 169. 

(*) Alex. ScHAEPKFNS, PubUcatiofis etc, I, p. 69. 

^) Necrologium der Kruisheeren te Maastricht in : Pu.b/üaiions etc, XXXIX, p. 93. 



— 136 — 

In 1540 ongeveer wordt vermeld achter den Grootcn Gracht een 
roinvkcn cflomcnde van nr imvs Printen goed nu Pct:r van Bos- 
SCIIENIIOVEN g.iende nae die Bogaerdestraet op Jacob VissciIE hiiys 'y. 

In 1541 (N'^ 12 S) verklaren Jolian van Riempst en Art van Binde, 
schepenen van Tricht, dat Emons Passakt, Luiksche Hoog<c;iout, 
voor 30 marken jaarlijkschen cijns aan Servaas van Biel. Anna 
Prenten zijne echtgenoote en hunne erven opgedragen heeft het 
halve huis op den Grooten Gracht gelegen, tusschen dal van Jan 
Prent en dat van Thvs tellieursnyder^ v/elk half huis aan den 
bisschop van Luik als heer van Tricht vervallen was, ingevolge 
rechterlijke veroordeeling van den eigenaar Hcnrick Clercksken, 
die aan een opstoot binnen 1 richt had deelgenomen. 

In eene Raadsresolutie van 1544 is er sprake van der scoen- 
mekere, wonende op ten ort van den Eggrrstraytgen opter Groeten 
Gracht^ die als behoorende tot de secte der Wederdoopers voort- 
vluchtig was Hij heette Yvo (2). 

In 1559 (N® 17 S) getuigen Gerardt van Schalolvn schout, 
Johan van Riempst, Servaes van Aüst, Reyner Pruenen", Arnt 
van Genck, Laurens Mevs, Gylis Witten en Henrick Schillinck:, 
schepenen van den Bisschop van Luik te Tricht, dat Jacob van 
Riempst op Nelken Driessen, die den verschuldigdcn cijns niet 
betaalde, heeft doen uitwinnen een huis op ten groeten gracht en 
zij hem voor een jaar en dag dat huis in eigendom hebben toe- 
gewezen. 

In 1720 wordt in eene limietbeschrijving vermeld „den holT van 
»het huys genaempt de Beidt gelegen op den Grooten gracht en 
„als nu toebehoerende den procureur Veugen"(3). 



25. De Groote Markt. 

Het is niet gemakkelijk zich een trouw beeld te vormen van 
den toestand en den vorm van onze tegenwoordige Groote Markt 
in de Middeleeuwen, te meer daar oude teekeningen daarvan, voor 



{}) Publicaiiotis etc, XIX, p. 419. 

(^1 Jos. Habets, Dc Weder iloo pers .. , p. 188. 

V) PublicatiouK etc, XIX, p. 425. 



— 137 — 

zooverre mij bekend is, niet bestaan; alleen door af te gaan op 
beschrijvingen en op hetgeen de kaart (platte grond) door Simon 
DE Bellomonte, kapelaan van St Servaas-kapiltel c. 1579 ver- 
vaardigd, ons daarvan te zien geeft, kan men zich den voormaligen 
toestand voor den geest roepen. 

Vooreerst dient men zich natuurlijk het tegenwoordige stadhuis 
geheel weg te denken; overigens waren de huizenrijen nagenoeg 
zooals thans rondom het plein gebouwd; de vooruitspringende 
huizen tusschen de Kleine Gracht en de Gubbelstraat, even als 
die tusschen de Spilstraat en de Groote Gracht bestonden toen- 
maals even als thans. Van af den Z. O. hoek dezer laatste straat 
tot aan den Z. W. hoek der Kleine Gracht liep evenwel de 
oude walmuur van 122i), zoodat de Markt in tweeën was gedeeld. 
Buitenzijds -heette de plaats en daaronder begrepen de geheele 
Boschstraat, de lloutmar kt, forum lignorum; binnenmuurs werd ze 
de Zaterdagsviarki genoemd. Aan de uiteinden van den wal- 
muur lagen de voormalige stadspoorten; de Stevnen of groote 
poott (paria inagna)^ aan de Groote Gracht; de Leugenpoort aan 
de Kleine Gracht. 

Beiden hadden, na den bouw der nieuwe omwalling in het 
begin der XI V^ eeuw en den bouw der Hochterpoort (Bosch- 
poortj even als de Eggerspoort (Statenstraat) hunne primitieve 
bestemming verloren en werden, daar het aanzienlijke gebouwen 
waren, tot andere doeleinden gebruikt. Zoo diende de ÓVdr//é7//(^^;-/ 
sinds 1316 (') tot crimineelen kerker (de preventieve en straf- 
gevangenis was op de Landskroon) en wordt ze dan ook sinds 
dien tijd immer Geiuingenpoort^ crunineelc poort (porta eaptivorum) 
of ook wel oude Hochterpoort genoemd. Het was een massief 
steenen gebouw door twee zware torens geflankeerd en had uit- 
zicht naar de N.-W. zijde. 

Zooals in de Middeleeuwen gebruikelijk was, werden hier ter 
stede bij gelegenheid van publieke rampen of bij heugelijke ge- 
beurtenissen groote processies tnet supplicatie gehouden. 

De heiligdommen, in al de kerken der stad bewaard en inzon- 
derheid de Noodkist van St. Servaas werden dan, vergezeld van 
de geheele geestelijkheid, door gansch de stad plechtig rond- 



(1) Annuaire 18:!6, p. 97. 



— 138 — 

gedragen. Dit had o. a. plaats een jaar na de roemvolle belegeringen 
in 1407 en 1408, door de burgers tegen de Luikenaren onderstaan. 
De geestelijke overheid had bij die gelegenheden het recht van de 
burgerlijke de gratie te vragen zelfs van de grootste boosdoeners. 
Een kanonik van St. Servaas, vergezegd van een afgevaardigde 
van den Magistraat, beklom dan, terwijl de processie stilhield, de 
torens der Gevangenpoort en stelde de gekerkerden in vrijheid, 
nadat zij met een toorts in de hand en een boetekleed om de 
lendenen de Noodkist hadden gevolgd (J). 

In de XVI« eeuw wordt ook de Gevangenpoort herhaaldelijk 
genoemd als de plaats waar de misdadige aanhangers van de 
sekte der Wederdoopers gekerkerd werden (2). 

Dat men in de Middeleeuwen hecht bouwde, ondervond den 
aannemer Sanders bij het daarstellen van ons tegenwoordig 
rioolennet; het kostte hem ongehoorde moeite en onvoorziene uit- 
gaven, toen hij op de fundamenten diitx Gevangenpoort ^Xx^^ftXidi^T.^ 
gedeeltelijk moesten weggeruimd worden. Van Heylcrhoff(^) con- 
stateert dat zulks ook ten zijnen tijde voorkwam. 

Nabij de Gevangenpoort bevond zich in 1231, aan het uiteinde 
der Spilstraat het uitgestrekte goed van Ridder Adam de Haren, 
heer van Borgharen en advocatns (voogd) der stad, die hier voor 
den Hertog van Brabant het hoogste gezag uitoefende. Zooalsalde 
refugie-huizen van de adellijke families, droeg het den naam van 
Poort. De ingang ervan bevond zich in de Spilstraat ter plaatse 
waar thans de openbare school staat, en werd aan het Domini- 
caner klooster geschonken (f). De voormalige woning van Ridder 
DE Haren bleef in het klooster tot 1635 bestaan; toen werd ze 
wegens bouwvalligheid afgebroken (5). 



{}) Annuaire 1828, p. 130. — Maasgouw 1886, p. 82. - Eene soortgelijke plech- 
tigheid in 1509 wordt door P. Doppler verhaald in: Publicaüons etc. XXXVI, 
p. 110, Noot en door Alex. Schaepkens, Analccies archéologiques^ p. 8. 

(2) Jos. Habets, De Wederdoopers ie Maastricht^ p. 75, 84, 88, 125, 162. 

(3) Annuaire 1825, p. 110. 
(^) Aunates 1, p. 142. 

(*) Annuaire 18r,0, p. 110. — Bijzonderheden over het ambt van voogd en over 
het geslacht van van Haren zijn te vinden in: Maasgouw 1890, p. 85; ook in: 
Publications etc. II, p. 189 en 193 en Franojüinet, Tnvent, O. L, Vr, l, p. 69. 



~ 139 — 

Toen in 1465 eene vernieuwde belegering door de Luikenaars 
geducht en de stad in staat van verdediging gesteld werd, was, 
blijkens de Raadsordonnantiën, de Gevangenpoort de plaats waar 
de Magistraat haar „donrecruyt ende geschut" had opgeborgen; 
het werd daar bewaard door „cyn van den paymeisteren by hon 
„hebbende V of VI mans,... ende dat nyemant anders op die 
,poert en kome, daer of eynige boeverie van vuere off anders 
„gescieden mocht" (J). 

In 1G55 werd de Gevangenpoort afgebroken om de omgeving 
van het nieuwe stadhuis vrij te maken (2). 

De toen nog aldaar gevestigde militaire gevangenis werd naar 
de torens der St. Picterspoort verplaatst en de voorraad buskruit 
verhuisd naar een nieuw kruitmagazijn. De materialen, die door 
de afbraak der Crr^^t/z^'-év//^^/-/ beschikbaar kwamen werden gebruikt 
voor de fundeering van het nieuwe stadhuis (-^j. 

De straks genoemde Leugenpoort, porta mendacium of viendacii 
had niet zoo groote afmetingen, zij had geene torens op de 
flanken. Na de uitbreiding der stad diende ze sinds 1316, tot 
opsluiting van bankrocticrs en lieden, die zich aan kwade trouw 
hadden schuldig gemaakt; van daar haren naam (*). Ook deze 
poort was naar het N.-W. gekeerd. Zij wordt vaak vermeld om 
de h'gging van huizen aan te duiden, even als thans bijv. buiten 
de Brusselsche poort. Zij werd bij den bouw van het nieuwe 
stadhuis opgebroken. 

De Hal of Lakenhal met den Markttoreti stond gedeeltelijk ter 
plaatse w^aar zich thans het stadhuis bevindt. Zij bestond uit een 
vierkant gebouw, dat evenwel aan de zijde, waar het tegen den 
ouden walmuur aanleunde, een afgebroken hoek vertoonde. Aan den 



(1) Publkaiitws etc, XIV, p. 21. — De Ti ichtenjiars waren trotsdi op hun geschut; 
op hel einde der XV® eeuw vooral op die busse Bar/, Publicniions etc, XIV, p. 63, 
77. - Over den Trichier gcschutgicter Christoffels in den luchter^ die in 1542 twee 
bussen moest gieten niet de vüorstelliiig van „een maecht, voer haer haldende een 
schilt metier sterren, als die gewocnlyke stadt wapen is", zie Publicatious etc, 
XXXV, p. 203. — In 1370 genoot de stads geschutbewaarder behalve cene jaarlijk- 
sche geldelijke belooning iwe rucq (rokken of mantels) (A. Habets, Reg. 1368— 1379 
p. 49). 

(') Annaies I, p. 95. 

{?) Jaarboek 1850, p. 249. 

(*) Annuaire 1825, p. 117. 



— 140 — 

Z.-W. hoek verhief zich de markttoren, die ver boven de ge- 
bouwen uitstak en drie verdiepingen telde, met bovenbouw en 
eene met leien bedekte hooge spits, 't Is mij niet kunnen geluk- 
ken te achterhalen, wanneer de hal gebouwd werd, het komt mij 
voor dat zulks na de uitbreiding der stad, in het begin der XIV* 
eeuw, moet zijn geschied; het is toch niet waarschijnHjk, dat een 
dergelijk gebouw zou zijn opgericht tegen den walmuur aan, bij- 
aldien deze nog moest dienen als verdedigingsmiddel; het zou toch 
door het worpgeschut van den vijand aan spoedige vernieling zijn 
bloot gesteld geweest. Ir.tusschen is 't niet onwaarschijnlijk, dat 
de onderbouw van den Markttoren bij de eerste ommuring der 
stad tot verdediging van den stadsmuur gediend heeft (^). 

In den klokkentoren van de Hal bevond zich een uurwerk en 
verscheidene klokken w^aarvan er een zeer zware waarschijnlijk 
de „banckloc van Triecht" (2). Dat uurwerk, een der oudste in 
de Nederlanden, werd in 1367 vervaardigd door de gemeente met 
behulp eener bijdrage van het kapittel van St. Servaas, zooals blijkt 
uit eene aanerkenning van de Magistraat van dat jaar C^)- 

Er komen in de geschiedenis menigvuldige voorbeelden voor 
van besluiten, door de ambachtsgilden genomen, terwijl zij vóór 
de Hal op de Markt verzameld waren; dit was o. a. het geval in 
1382, toen zij aldaar bepaalden, dat de molenaars, die te Sint Pieter 
en te Vier torens (thans de Champs Elysées^ op beide oevers der 
Jeker wonen, het burgerrecht zullen genieten (O 

In 1400 werd de Hal geheel herbouwd en de toren verhoogd. 
In vroeger tijd was de Hal slechts een toren of fort in den ouden 
walmuur (0). 

Ofschoon de Indiviese Raad zijne vergaderingen gewoonlijk op 
de Landscroon (Groote Staat) hield, was dit niet het geval indien 
de ambachten geroepen waren hun gevoelen aan den delibe- 
reerenden Magistraat mede te deelen. Dan had de vergadering 
zooals in 1437 plaats in de Lakenhal^ in welker onmiddellijke 
nabijheid zich de ambachtslieden schaarden. Door middel hunner 



(1) Zie hieronder op 1400. 

(2) A. Habeis, J^i%r. aux Ri's. du Con, Com. de Macsfricht, 1868—1379, p. 71. 

(3) Alex. ScHAtrKENs, Lts ClocJics^ p. 10. 
(^j Maas^ouiu KS8M, p. lOS. 

(5) Ibid. 1886, p. 48. 



— 141 — 

gouverneurs wisselden zij dan van gedachte met den Magistraat (^). 

In 1525 wordt vermeld, dat bij gelegenheid eener groote 
loterij van zilveren voorwerpen, door de stad gehouden (), deze 
op de Hal tentoongesteld werden en de uitloting plaets had op 
een redeis (pui) voor de Hal (^). 

In J539 „is er op de raedshalle en Merckioercn een zoo hevig 
„oproer en gevecht voorgevallen, dat daarinne den hoogschout 
„Gerard de Ghoir, woonende' op de Boschstraat, en den borg- 
«meester Remigius Prent, woonende op de Houtmarkt op 
«eene moordadige wyse gemassacreert wierden" Q'). 

In 1623 werd door de stedelijke regeering aan de lakenwevers 
toegestaan om van den Marktoreii gebruik te maken voor den op- 
slag en de keur van hun fabrikaat. Na het beleg van 1579 toch 
was de lakenindustrie in verval geraakt en werd door den Magis- 
traat alles in het werk gesteld om dezelve weer tot bloei te 
brengen (^). 

Door den bouw van het nieuwe stadhuis, waartoe in 1G57 besloten 
werd, was ook het oude Trichter beffroi met de Hal helaas tot 
afbraak veroordeeld (^). Er werd onmiddellijk toe overgegaan; de 
groote banklok werd voorloopig in den toren van St. Mahthias 
opgehangen; 6000 ponden lood werden van het dakwerk gehaald; 
drie huizen, die aan den Oostkant der Hal waren aangeleund, en 
op de straks vermelde kaart van de Bellomonte te herkennen zijn, 
werden insgelijks afgebroken en de fundceringswerken met zoo- 
veel spoed uitgevoerd, dat 21 Juli 1G59 de eerste steen van het 
nieuwe gebouw op plechtige wij^.e kon gelegd worden. 

In 1673 werd op de markt, ten Noorden van het stadhuis, in 
een houten loods eene comedie voorstelling gegeven voor Lode- 



(1) Jos. EvERSEN en J. L. Meulleners, Dc Limburirsche gemeeniewapctis enz in: 
Pubiiciitiotis etc, XXXV, p. Soó. 

(*) H. P. H. E{VERSEN), De eerste stadsloierij te Maastricht in 1620 in: Jiiar- 
boekje voor Limburir 187p, p. 173, een zeer belangwekkend verhaal. 

(J*) Publicaiiofis etc, XXIX, p. 883. Zie ook een verhaal van die gebeurtenis en 
van het ontstaan van hel zoogenaamd St. Martensvuur, Mans^ouw 1879, p. 50; 
ibid. 1902, p. 50 en Jaarboekje 1851, p. 273. 
* (^) A. Perreau, Corporations des Metiers, p. 57. 

(5) Volgens een plan, dat echter door de Staatschen verworpen werd, zou er een 
nieuw stadhuis gebouwd worden met behoud van den markttoren. 



— 142 — 

wijk XIV. Dergelijke feesteli)kheden waren niet zeldzaam op de 
Markt. Bij het sluiten van den vrede van Nijmegen in 1678 had 
er eene theatrale voorstelling plaats, gegeven door de scholieren 
van St. Servaas; het orkest was samengesteld uit de trompetters 
en tamboers van het garnizoen. Ook de Rederijkers-kamers gaven 
dergelijke voorstellingen (') even als de leerlingen van het Jesuïeten 
college, die in 1591 op de Markt de verbanning van den H. Chry- 
sostomus opvoerden (2). 

Als cene leekenende eigenaardigheid van voormalige toestanden, 
zij hier nog' vermeld, dat op de Markt aan den ingang der Bosch- 
straat (oostzijde) zicli een groote poel bevond, waarin het hemel- 
water opgevangen werd, dat dan diende voor 't drenken van vee 
en als bluschmiddcl bij brand. De reeds vermelde kaart van de Bel- 
lomonte geeft dien poel nog te zien. In 1307 worden putten op 
de Markt vermeld, met een daarbij gelegene hofstede van Hendrik 
en Giso van Kalen (3). 

Bij het lezen der aanhalingen, betrekkelijk de Zatcrdagsmarkl^ 
wordt de aandacht getrokken door de vermelding dat daar vele 
pottebakkcrs woonden. Het vermoeden van Franquinet, dat het 
gedeelte der markt aan de zijde der Muntstraat onder de potte- 
bakkers genoemd werd, vindt daardoor bevestiging. 

Tot nog niet lang geleden was de Zaterdagsmarkt de groote 
marktdag der week gebleven; tlians wordt de meest belangrijke 
op Vrijdag gehouden. 

In 17G5 werden lindeboomen rondom de Markt geplant, tege- 
lijkertijd met twee rijen langs de Boschstraat (^). 

De verschillende feestelijkheden, volksoproeren, terechtstellingen, 
waarvan de Markt in den loop der eeuwen het tooneel was, 
komen in de rijke en veel bewogen historie van het oude Tricht 
zoo veelvuldig voor, dat het ondoenlijk is ze allen Tian te stippen, 
zulks zou trouwens eene speciale studie vereischen; slechts eenige 
dier gebeurtenissen, die een typisch karakter droegen, werden 
daarom vermeld. Over de gewelddadigheden die de Markt tot 

(1) Aftnuaire 1830, p. 156. 

(■-) Jos. Habets, Gcsch. Bisiiom Roermond lil, p. 533. 

(3) Maas^oitw 1890, p. 86. Zie ook de aanhalingen bij de Houtmarkt in 1323f 
1346 en 1349. 
(■) MaasgoHW 1897, p. 2. 



— 143 — 

tooneel hadden in het begin der Reformatie alhier in 1566 en 
1567 raadplege men het verhaal van een tijdgenoot (i). 



De Houtmarkt 
(Forum lignorum) 

en zijne bewoners (^. 

In 1265 schonk Aleydis Manegoldi, dochter van den toen 
overleden schepen Manegoldus, aan de Predikheeren haar huis, 
gelegen op de Houtmarkt in het verlengde der Spilstraat (3). 

In 1271 (N^^ 4D) is er sprake van een erfcijns verschuldigd 
door Odilia aan Michaelis in foro lignorum. 

In 1284 wordt door dezelfde bisschoppen, die een aflaat ver- 
leenden voor den bouw der Maasbrug, een aflaat verleend aan 
hen, die zouden bidden voor de zielerust van Theodoric en zijne 
echtgenootè Veredole, en van hunne zonen Theodoric en Hen- 
ricus, van Theodoric en van Oda, op den Houtmarkt^ benevens 
van andere dooden, in den ommegang van O. L.Vr. kerk begraven (*). 

In 1309 (N^ 72 D) is er sprake van een huis van Christianus 
DE PuTEO, wever, gelegen in foro lignorum tusschen het zijne 
en dat van Johannes genaamd Hopes. 

In 1309 (N*» 73 D) van het halve huis van Johannes de Verun- 
DEREN extra magnam portam versus capellam beate Catharine, 

In 1314 (N° 113 D) wordt vermeld het huis bewoond door Ida 
de weduwe van Waltelinus en gelegen supra forum lignorum aan 
deze zijde van het hospitaal der H. Catharina. 

In 1319 (N<» 61 W) wordt vermeld een huis gelegen extra mag- 
nam portam in foro lignorum tusschen dat van wijlen Johannes 
DE Vndere (zie hierboven in 1309 N°73D) en dat aan Guillelmus 
Cremere, bewoond door Gison geheeten Vlessere. 

In 1325 (N® 72 W) wordt een huis vermeld naast dat van 
wijlen Henricus BeckERE, in foro lignorum extra magnam portam. 



(1) Publications etc. XI, p. 347. 
(') Zie de noot bij de Boschstraat. 

('j Franojjinet, Inv. O. L, Vr. II, p. 117. Zie over deze schepenfamilie : Publications 
eic, XIV, p. 128. 

{f) Alex. ScHAEPKENS, Afchirues de VEglise N.^D.^ p. 14. 



— 144 — 

In 1336 (N° 297 D) wordt vermeld het erf van Henricus de 
MoBERTiNGHEN, gelegen naast dat zijns broeders Gerardus, zoo- 
mede het woonhuis van Gerardus Hoxreman, gelegen naast dat 
van Alardus Fabri. 

In 1345 (N^ 4141)) wordt een cijns gebeurd uit het huis van 
Johannes van Eymole genaamd Camsckrper. naast dat van 
Maihias Ystcrmans (deze woonde bij de Leugenpoort). 

In 1354 (N'' 502 D) woonde op de IloiiUnarkt Henricus DE 

GeVSTINGGExV. 

In 1358 (N° 162 W) worden de goederen vermeld van Johannes 
DK MoBLUTiNGiiKN, /c7///"cvi% (bontwerker), gelegen tusschen de goe- 
deren van Herman, carpcntator (charpentier) en die van Johannes, 
pistor hostianim (hostienbakker). Zou deze DE Mobi-RTINGHEN de 
opvolger zijn van den in 1336 genoemden Henricus? 

In 1359 (N« 634 D) wordt vermeld het huis van Andreas, 
priester, broeder van Godefridus Tvlen, brouwer, het lag tus- 
schen de huizen van Henricus de Evke en van QüF:NXb:LER. 

In 1364 (N'' 6961)) het huis van wijlen Johannes Kkrsboem, 
wagenmaker, tusschen dat van Wilhelmus de Roesmer en dal 
van Johannes de Mere, pottenbakkers. 

In 1374 (N^ 7941)) het huis van Reynerus de Leutte, dat 
Reyncrus Boekel in erfpacht houdt, en gelegen is extra magnam 
portiwi^ tusschen het huis van Johannes Yserman (H (vergelijk in 
1345) en dat van Heinricus KERSBOEM,/'^A/r;/;///r?r/'^;' (raden maker) 
(vergelijk in 1364). In hetzelfde jaar (N'' 806 D) wordt het huis 
van Johannes Yserman (zoon van wijlen Johannes Yserman) 
gezegd te hggen op de Hoiitmarkt, tegenover de porta mcndacu^ 
tusschen het huis van Johannes de Here, pclUfex (bontwerker), 
en dat van Godefridus Marcilii. 

In 1403 (N** 1051 D) is er sprake van een huis, voormaals toe- 
behoord hebbende aan Nicholaus DE Herderen, gelegen naast dat 
van Goedart Gans, brouwer, en dat van Arnolt van Gangelt, 
smid. 

In 1404 (N*' 1054 D) worden genoemd als hier gelegen: een 
huis naast dat van Anthonys Ysermans, (zie hierboven op 1374) 



(ï) In 1382 (M° 878 D) komt een Henricus Yserman voor als provisor van het 
gasthuis van St. Catharina. 



^ 145 — 

dat van wijlen Reyner Boedel, vroeger toebehoord hebbende aan 
Johan VAX Haren, smid, en de daarnaast gelegen huizen van 
Hamekers en van Willem van den Biessen, smid. 

In 1407 (N° 1097 D) het huis van Jacob van den Aldenare, 
inden blxniven hunt^ gelegen n:\ast d:\t van Arnold van Duren' en 
dat van Moes van Vlevtingen. 

In 1415 (N** 11711)) bezat Oda de weduwe van Johan van 
Piktershem, een huis optcn holtniai-kt^ gelegen tusschen dat van 
Johan zu Renteve, smid, en dat van Heyne Lovten. 

In 1416 (N° 1177D) wordt vermeld het huis van Henrix van 
EvcKE (zie hierboven in 1359j, naast een huis der Balie Blessen 
en dat van Godard van der Moelen. 

In 1440 woonde op de Markt de burgemeester Cornelis van 
Diepenbeek. 

In 1462 (N" 1489 D) is er sprake van een huis van de weduwe 
van Peter Kariss gelegen opten holtmercki tusschen de huizen van 
Peter Tallenrechts en Wouter Muggen. 

•In 1483 (N° 247 P") worden twee huizen vermeld, naast elkander 
gelegen, tusschen hel goed geheeten den capniyn en dat van Thys 
Scroeder. 

In 1508 (N** 1496 D) is er sprake van het erf naast dat van Jan 
CoLVNS en dat van Joeris Hoepen, lakenscheerder. 

In 1535 (RaaJsverdragen) staat als gevluchte wcderdooper op- 
geteekend Vaes Swaelen, in den DurcJi opten lïoltnierckt (-). 

In 1556 was er een huis opten Holtmerckt geheeten indie Gans^ 
een ander ind Bruel^ bewoond door Jan Wvnant.s (3). 

In 1566 predikte de vreemde oproerkraaier Sciieitzhabener, 
op een stoel staande, voor het huis de Rooze op de Houtmarkt ( *). 
Die predicatiën hadden weldra tengevolge de overweldiging van 
St. Mathyskerk, waar al de beelden en altaren verbrijzeld en de 
geconsacreerde Hostiën onder de voeten getreden werden; bene- 
vens de plundering van andere kerken en kapellen. 

Het huis de Rooze draagt thans het N® 19 van de Markt. 

In 1566 was er op den Holtmerkt eene herberg in den Borch 

:i; Pitblications elc, VII, p. 402. 

(') Jos. Habets, De Weder doo per s^ p. 169. 

O Public atiojis etc. I, p. 67, 68. 

(<; Ibid. XI, p. 350 en Maas^ouw 1886, p. 80. 



— 146 ~ 

geheeten; Mathys Nullens was er de waard van. Hierboven in 
1535 komt dat huis ook voor (i). 

In 1577 woonde Lambrecht Neven op de Hoittmarkt (/). 

In 1632 moesten de Katholieken o. a. hunne kerk van St. Ma- 
thias aan de Protestanten afstaan en mochten zij het kerkje van 
St. Catharina, dat slechts een enkel altaar had, betrekken; dit lag 
op de plaats waar thans het huis Markt N^ 28 zich bevindt, het 
heette in de XIII* eeuw (3) SU Catharina in V veld. Een hospitaal 
voor behoeftige pelgrims was er aan toegevoegd, dat in 1610 werd 
opgeheven (*); de gebouwen werden ten tijde van HeylerhofT aan 
het ernaast gelegen hotel de Jurenne (later hotel de Hollande en 
nu bewoond door de eigenares Mejuffrouw Gastel) toegevoegd. 

Toen St. Mathias in het begin der XIX« eeuw weer tot katho- 
lieke parochie-kerk werd gebruikt, werd de St. Gat hari na-kapel in 
een schuur veranderd, waarin Ide heer Hopp omstreeks 1865 de 
eerste mechanische broodbakkerij oprichtte. 

Volgens de chronyk van van Gulpen (S) was ^ySte Catharina in 
„7 veld reeds in 1458 gebouwd en begon haar doopregister in 1500* 

In 1643 werd een meisje van 22 jaren, dat zich aan vergiftiging 
had schuldig gemaakt door rattenkruit in een brood te mengen 
„op den Holtmerck aen eene crucke gehangen, hebbende op haere 
„borsten een witten brood" (ö). 

In 1646 bestond tegenover het stadhuis een huis genaamd „/« 
de blaauwe Hand'*\ Eene vrouw verdronk zich daar in den put, 
haar lijk werd 's avonds op bevel der justicie op eene slede „tot 
„op den Raemen (Raamstraat) gesleept en daer in de aerde 
„gesteccken" (J^. 

In 1790 gaf de familie van Dominicus Beks die primus was 
in de philosophie te Leuven en hier luisterrijk ingehaald werd, 
een souper van 100 couverts />/ het hof van Holland, Een Te 
Deum werd in de St. Gatharinakerk gezongen (8). 



(1) Maas^oHW 1884, p. 959. 

(2) Haakman en Allard, T)e z,g, Venvoesiin^ van Maastricht tn 1-579, p. 217. 
(8) Annuaire 1829, p. 120. 

(^) Alex. ScHAEPKENS, Arckives de Veglise N,'D,, p. 20. 
(*) Maasgouw \W6, p. 60. 
(•; Ibid. 1902, p. 95. 

(7) Ibid. 1902, p. 96. 

(8) Ibid, 1889, p. 132. 



— 147 — 

De Zaterdagsmarkt 
CForum sabbat i) 
en zijne bewoners. 

In 1290 (N<» 19 D) is er sprake van het huis van Rotolphus 
caligator (schoenmaker), gelegen siipra forum sabbathi. 

In 1315 (N" 912 D) wordt het huis vermeld van Johannes ge- 
naamd Kamtke, tritor oley (olieslager) gelegen op den hoek der 
Hoenderstraat naast het huis van Nycholaus de Pvse. 

In 1336 (N*' 87 W) dat van Lambertus Peygel ante portani 
fPtepidacium. 

In 1336 (N° 298 D) wordt het huis genoemd van Lambertus 
Peygel ante portam mendacimn (deze zal wel dezelfde als de voor- 
afgaande zijn). 

In 1339 (N° 333 D) zegt Johannes de Bkrgiïe, pottenbakker, 
een cijns toe uit zijn woonhuis in foro sabbati, 

In 1346 (N^ 417 D) wordt het huis vermeld van Mathias 
Y.SERMAN (1) extra portam dictam logenport In 1350 (N' 461 D) 
heet dit huis gelegen te zijn ante portam mendacimn. 

Hieronder in 1405 wordt de ligging nog nader omschreven, en 
blijkt het dat het vóór de leugenpoort lag. 

In 1350 (N° 122 W) is er sprake van het huis Mathias Yser- 
MAN, ante portam mendacium^ tusschen het huis van Thomas ge- 
noemd Keteler en dat van Steskint (?) genoemd Ana. 

In 1354 (N° 273 D) wordt vermeld het huis van Goesw^inus 
RuFUS, pottenbakker, gelegen tusschen de huizen van Petrus 
Supercellarium, faber (smid), en van Johannes dk Fleytingis, 
Jigulus (potten bakker j. 

In 1373 (N^^ 795 en 796 D) woonde Johannes Boe, pottenbak- 
ker, stipra forum Sabbat hi. 

In 1384 (N^ 890 D) bezat Lambertus Gruters een huis gelegen 
ex opposito porte mendacium naast dat van Johannis Ghole, brouwer. 

In 1405 (N° 1074D) is er sprake van het huis van wijlen Colyn 
Moes, nu van Andryes van Eupen, der drczeler (?), gelegen op 
den Saterdaechs marct tegenover de hal, tusschen het huis van 



(Ij Zie omirent het in de Trichtsche geschiedenis van de XIU* en XIV® eeuw 
vaak voorkomend geslacht de Yserrn, Maasgonw 1890, p. 86. 



— 148 — 

wijlen Mathys Ysermans (zie hierboven in 1346) en het huis 
waarin Johan van Brevde woont, en achter zich uitstrekkende 
tot aan het erf van Godenuel van Spauden, schepen van 
Tricht ('). 

In 1430 (N® 1199D) is er sprake van het huis inden Koevoet o^^ 
den hoek der ^z£/<?^^<ft'/?>f^*;/j/>'^^/d% gelegen naast het huis van wijlen 
Rutten van Leute, bakker. Gerardus Byl „in dye Coevoet" was 
was omstreeks 1485 procurator in het Kruisheerenklooster 
alhier (2). 

In 1463 (N*" 1493 D) van het huis van Henrick Muvlart, 
weirdt inden Dorrenboum opten Soeterdaighsmarckt tegenover den 
mercktihorne naast het huis van Cloes van Aubelen, gehceten in- 
den pot en dat van Anthonys Toentgens, lakenscheerder. 

In 14S0 (N° 244 F) wordt vermeld het huis van Willem Ketel- 
BUETER, gelegen op de veemarkt tusschen het huis van Goeswyn 
Bartscheer en de Logenporte. Op een gedeelte van de Zater- 
dagsniarkt werd dus toenmaals veemarkt gehouden. 

In 1508 (N° 1496 D) is er sprake van het huis van Sammen op 
de veemarkt tusschen de huizen van Poes Poes en van Jan 

TiBUS. 

In 1535 worden als anabaptisten genoemd Lenart Ketelbueter 
„aen die Loegeporte ende sin alste dochter Anna" (3) (zie hier- 
boven in 1480), benevens „der barbier die woentde opten vee- 
„merckt achter Lenarts Ketelbueters huys" (*). 

In 1538 werd aan den Raad van Tricht door den markgraaf 
van Antwerpen gesignaleerd als te behoorcn tot der quader ver- 
maeledider secten der anabaptisten zekere Mayken Tvmmermans, 
wonende op den Saterdachsmerckt bij de weduwe van den druech- 
scheerdere Neelken SdroegSCERDERS (ö). 



(•) Zie bijzonderheden over deze familie in: Publications etc, XL, p. 438. 
(2) P. DopPLER, Nécrologe . . . p. 122, ook Publications etc, XXXIX, p. 53. 
(^) Jos. Habets, De Wederdoopers te Maastricht, p. 168. 
(^) Ibid., p. 129. 
(6) Ibid., p. 177. 



— 149 — 

26. De Groote Staat 

Platca Sancti Georgii) 

of St. Jorisstraat 



/•■ 



De Lenarts Q') vermeent dat de Groote Staat reeds in de X* 
eeuw ten tijde van Graaf Albuinus bestond; hij zegt ervan: „de 
„paralele tusschen de Breedesiraat voerde den naam van Groote 
„Straat, loopende van de Munt (gelegen tusschen Nieuwstraat en 
„Muntstraat) tot aan het hoff van Albuinus (Statenhuis)". 

De kapel van St. Joris, naar welke de Groote Staat steeds tot in 
de XVI« eeuw de St, Jorisstraat (platea Sancti Georgii) genoemd 
werd, was gelegen op den hoek der Spilstraat naar de zijde van 
het Vrijthof. Aangaande haren oorsprong heb ik geene gegevens 
gevonden. Het patronaat der kapel behoorde aan den proost van 
van St. Servaas, zooals onder meer blijkt uit de aanstelling in 
1539 van Frans Stuckens als koster, voor de kapittelzaal van 
St. Servaas in bijzijn van Johan van Riempst en Christiaan van 
Elen, brabantsche schepenen van Tricht (^). Nadat de kapel van 
St. Joris in 1568 door de beeldstormers ten eenemale verwoesten 
geplunderd was geworden, werden hare puinhoopcn en het leege 
terrein met toestemming van den Magistraat aan het nabij lig- 
gende klooster der Predikheercn geschonken. Een klein gedeelte 
van het terrein werd toen tot verbreeding der straat benut. 

De oorsprong van den naam Staat moet gezocht worden in het 
Nederduitsche woord stat, in het latijn civitas dat de plaats aan- 
duidde waar de zetel van het Gemeentebestuur gevestigd was {^). 
Dit blijkt o. a. uit de onderstaande aanhaling uit 1411 waar die 
stat in dien zin vermeld wordt. 

De Groote Staat vindt men ook wel vermeld: „de straat die van 
„het nieuwe stadliuis (Dinghuis) tot den perroen (hoek Helm- 
ist raat) loopt" (-*). 

Het uiteinde der Groote Staat d. i. van de Nieuwstraat tot aan 
de Munt, had vroeger een geheel ander aanzien dan thans^ het 



p) Pubtications etc. II, p. 24. 

(Ó Maasgouw 1901, p. 9. 

(5) Franqüinet, Ifivent, O, L. Vr, I, p. 94. 

(4) Ibid. II, p. 245. 

10 



— 150 — 

vormde een pleintje waarop, even als op het platte land thans 
nog het geval is waar twee wegen zich snijden, een steenen kruis- 
beeld stond, waaraan de insolvente schuldenaars ten toon gesteld 
werden (^). 

De onmiddellijke omgeving van dat kruis vindt men aangeduid 
door de benaming vur dat cruys zooals bij de Kleine Staat nader 
toegelicht wordt. 

Eene herinnering daaraan bestond nog omstreeks 1870; toen 
voerde het huis tegenover het Vleeschhuis ee;n kruis tot uithangbord. 

Een der drie takken van het uitgebreid ridderlijk geslacht Clut 
dat vanaf het begin der XV« eeuw in de historie van Tricht vaak 
genoemd wordt, heette Clut in den Ucppenar naar het huis van 
dien naam, gelegen bij de kapel van St. Joris. De beide andere 
takken treft men aan onder den naam van Clut in 't Gruijthuis 
(in de Breedestraat) en Clut ten Goeswintorne (in dé Brug- 
straat) (3). 

Vele oud-Maastrichtsche schepenfamilies ontleenden hunnen 
naam aan den huisnaam hunner woning, en velen hunner woon- 
den in de St. Jorisstraat ; zoo b.v. de familie de Vinea naar het 
huis /;/ den Wyngaard tegenover den H. Geest (}). De familie 
Meyme de Cigxo (zie hieronder op 1388 en 1397),de Libra (zie 
op 1343), de Leopardo (naast de Landscrone')^ deMauro (zie op 
1343 en 1366), de Lylia (zie op 1379), de Rosis (van der Roesex) 
(zie op 1366, 141 1 en 1500), de Corno (in den hoorn) (zie op 141 1). 

Het huis de Landscrone^ tegenwoordig h la Foire de Leipsig^\V(^vd 
in het begin der XIV* eeuw door de stadsregeering aangekocht 
om, even als het huis de Mayo, op welks plaats later het Ding- 
huis verrees, te dienen voor hare vergaderingen en rechtszittingen. 
Het prijkte met een torentje waarin de alarmklok en een uur- 
werk hingen, die naderhand op het Dinghuis geplaatst werden. 
Voor de Landscrone bevond zich een overdekt platform (deexkcn) 
waarop de misdadigers aan een ring werden ten toon gesteld (-<). 
De beide schepengerechten zetelden in het Dinghuis, terwijl de 



(O Publicaüons etc. VII, p. 403. 

(2) Over deze familie zie Maasgouw 1890, p. 102 en Publicaiions etc. XXXI V, 
p. 324. 
(') Over deze familie zie Publicaiions etc XIV, p. 129. 
(*) Publicaiions etc. IV, p. 400. 



— 151 - 

verschillende administratie-kantoren en het laag gerecht gevestigd 
waren in de Landscrone en het daarnaast g^\^g^Vi\\\i\% de Liebaart^ 
(het Luipaard) dat weldra aan het eerste toegevoegd werd. Uit- 
gestrekte kelders die tot gevangenis en tot berging van den stads- 
wijnvoorraad dienden, strekten zich onder de beide gebouwen uit. 
Herhaaldelijk wordt in de geschiedenis vermeld, dat de stad 
zich groote kosten moest getroosten voor de instandhouding van 
deze gebouwen. 

De Landscrone wordt in de veelbewogen historie van Tricht 
gedurende de X1V«, XV% XVI« en de eerste helft der XVII* eeuw, 
zóó dikwijls genoemd, zij speelt er als zetel van het Gemeente- 
bestuur en als gevangenis zulk eene belangrijke rol, dat het on- 
mogelijk is daarvan hier anders dan met slechts enkele woorden 
te gewagen. 

De Landscrone en de Liebaert mocluen met octrooi van den 
Bisschop van Luik (}) en met machtiging van de Staten Generaal 
in 1657 verkocht worden, om de kosten van het nieuwe stadhuis 
te bestrijden (2). Gelukkig ontsnapte het Dinghuis, tot verkoop 
waarvan ook besloten was, aan den moker der afbraak. 

Hier zij er echter aan herinnerd, dat het op de Landscrone was 
dat in 1638 de Martelaren van Maestricht: Pater Vinck gardiaan 
der Minderbroeders, de Paters Boddens en Pasmans en de 
broeder Notting S. J., dagen achter elkander op de gruwelijkste 
wijze door een hollandschen krijgsraad gefolterd werden, om daarna 
op het schavot te sterven, zonder dat hunne medeplichtigheid aan 
„het verraad" kon bewezen worden. 

In de hieronder volgende aanhalingen wordt het huis de Wint- 
molen^ dat heden nog naar zijn gevelsteen denzelfden naam draagt, 
zeer dikwijls genoemd. 

Het was het logement bij uitnemendheid waar groote per- 
sonages bij hun verblijf alhier afstapten; eenige voorbeelden daar- 
van worden hieronder medegedeeld. 

Ook het volgende verhaal, waarin de Windmolen genoemd wordt, 
is belangrijk genoeg om hier eene plaats te vinden. 

De chroniek der stad Maestricht van Loyens, griffier van het 
Luiksch Hooggerecht alhier ter stede, beschrijft op de volgende 



(^) pRANauiNET, Arch, vatt Maastricht^ N» 231. 
(2) Jaarboekje voor Limburg ^ 1874, p. 176. 



— 152 — 

wijze hoe Pater ^''IXCK, een der martelaren van 1638, naar het 
schavot werd geleid: (M ... „gaende tusschen twee gereformeerde 
„ministers en comende omtrent de Wintniolen^ riep eenen capel- 
„laen tot hem, die daer stont, genaemt heer Christiaen van den 
„Walle, tot wyen hy seyde deze woorden: alle myne sonden, 
„die ick van myne ionge kintse dagen af tot nu toe gcdaen hebbe, 
„die syn my leet, waarvan ick begeere van U te worden geab- 
„solveert; ende den capellaen absolveerde hem, want niemant van 
„alle, die ter doot gebracht syn en heeft men gepermitteert om 
„te biechten ende te communiceeren". 

Verdiende het treurige doch verheven schouwspel, dat voor de 
Windmolen plaats vond, niet in herinnering gebracht te worden? 
De vleeschhal schijnt reeds van de vroegste tijden voor den ver- 
koop van het vleesch bestemd te zijn geweest; men leze daarom- 
trent wat bij de straat Achter het V^leeschhuis en bij de Plank- 
straat is gezegd. In de Raadsverdragen van 1380 vindt men het 
verbod dat de vleeschhouwers, die zeer rumoerig en zeer wel- 
varend waren, niet meer bij het vleeschhuis mochten samen- 
scholen, ook moesten zij telken jare op St. Remeysdag voor hunne 
plaats in de vleeschhal loten en voor die plaats jaarlijks ^/2Mark 
betalen (2), Ouderen van dagen herinneren zich dat alle vleesch- 
houwers der stad hier hunne waar moesten verkoopen. 

Vele ambachten hadden hunne hiybcn in de Grootc Staat: de 
vleeschhouwers boven de vleeschhal; de bakkers in het huis de 
drie Koningen] de lakenwevers in een huis tegenover den H. Geest, 
het in 1613 genoemde huis in het gtddeji z///W; C'*^) de smeden in het 
huis tegenover de Lantscrone noast de Zivaan^ voorheen N" 1801, 
thans N® 12; dat huis had nog in 1845 een gevelsteen St. Eloys 
voorstellende met het jaartal 1765 (*); de metselaars naast het 
huis den Arensberg; de kremers in het hockhuis van Groote en 
Kleine Staat, dat een gulden ketting tot uithangteeken had en nog 
in 1711 voor 5000 gulden L. verbouwd werd (}). Ook de brou- 
wers en houtdraaiers hadden hunne luybcn in de St. Jorisstraat (ö^. 



(1) Maasgouw 1902, p. 83. 

(-j Ibid. 1883, p. 858 en 862. 

(3) Jos. RussEL, Geschied- en Oudheidkundige Schets der stad MaastrichtVi^ p. 117. 

(<j l^ublicatiofis etc. VII, p. 407. 

(5) Perreau, Les Corporaiiofis^ p. diverses. 

(6) VON ^vss.'üiM^^^Vanctenne Maison de Vtlte, p. 6. 



— 153 — 

Huizen in de Groote Staat en hunne bewoners. 

In 1290 (N*^ 18 D) wordt ten behoeve van Garsilius, iiivestitus 
der kapel van St. Georgius, afstand gedaan van eene renie uit het 
huis van Henricus Helltncmarst gelegen nabij het Vrijthof, tus- 
schen dat van vvijlen Tutlentut en dat van Ricola de Vondere. 

In 1327 (N** 215 D) worden vermeld twee huizen stib nno lecto 
(onder een dak) in de St, Jorisstraat nabij den put, waarvan het 
eene bewoond is door Johannes Mumbor en het andere door 
Giselbertus Mumbor. 

In 1333 (N' 254 D) woonde de barbier Egidius tegenover de 
Prcdikheeren, in 1368 wordt hij Kvcke genoemd. 

In 1334 (N° 2G8 D) wordt eene brouwerij vermeld gelegen 
inxia pitteum Saucti Georgii; de ligging van den put in 1327 be- 
doeld is daardoor verklaard. 

In 1340 wordt melding gemaakt van de kerk (ecclesia) en niet 
van de kapel van St. Joris (ï). 

In 1342 (N° 359 D) bewoonde Theodoricus genaamd Beggart 
en zijne echtgenoote Osa het huis de mauro gelegen tegenover de 
Predikheeren nabij het huis van Gyso de Flevtingis, brouwer. 

In 1343 (N^ 375 D) worden de volgende huizen in de Groote 
Stiat genoemd: de aureo capite (in het gulden hoofd) naast de 
groote Zwaan (de alto cigno) en het huis de Libra (de Waag) dit 
behoorde volgens N° 296 D aan Hendrik de Nucta. Verder het 
huis van Johanncs dk Stelijs naast dat de umuro geheeten en 
dat van Gerlacus, apotheker. Nog het huis van Johannes Caloeps, 
zadelmaker, op den hoek der Sterruive (Vijfharingenstraat) naast 
dat van Henricus Ridder, lorimerius (kleinsmid). 

In 1352 (N° 493 D) komen, even als in 1327, twee huizen voor 
prope (nabij) piUeiim Sancii Georgii waarvan het eene bewoond is 
door Henricus de Uteren en het andere door Sigo de Fleytingts, 
brouwers. (Vergelijk op 1342 liierboven). 

In 1353 (N° 495 D) woonde Johannes, piirgaior gladiorum^ ante 
crucevi, 

In 1366 (N° 196 W) wordt aan Jacob Aurifaber. goudsmid, 
een jaarlijksche rente overgedragen uit het huis de Mauro (elders 



Q) Publications etc. I, p. 54. 



- 154 — 

de aniiquo Mauro genoemd, gelegen tusschen het huis de Roesen- 
garde en dat van Petrus Habergulmeckere. Deze Jacob de 
goudsmid zal wel een voorzaat zijn geweest van den in 1411 te 
vermelden Jacob van den Roesen. Volgens N*» 708 D woonde 
hij nabij de kapel van St. Georgius. 

In 1366 (N** 725 D} is er sprake van het huis van wijlen MoM- 
PALYNS den oude, bewoond door Johannes Vlessenbart, koop- 
man en gelegen in de victis sancti Georgii, 

In 1368 (N** 746 D) van het huis van wijlen Henricus Han- 
SCHEUMEKER, tegenover de Predikheeren, tusschen dat van Hen- 
ricus Beckeneylre en dat van Egidius Kvcke, barbier. (Zie hier- 
boven op 1333). 

In 1379 (N® 848 D) van het erf van Servaas de Pytershevm 
genaamd Vaes van den Heyligengheist gelegen in de St. Joris- 
straat tegenover den H. Geest, tusschen het huis van wijlen Gode- 
fridus de Vinea, schepen van Tricht, en dat van Johannes de 
COLONIA genaamd meyster Johan Sweertvegher. (Zie in 1353). 

In denzelfden brief wordt ook vermeld het huis van Johannes 
DE Vryehernen, barbier, tegenover de Predikheeren gelegen, 
naast dat van Johannes Verhoet, teji wildenmanne en dat van 
Hubertus de Berleken, calcarium factor (sporenmaker). 

In 1379 (N** 842 D) is er sprake van het goed van Gerard 
mariscalciis equorum (hoefsmid) geheeten Gerart Marscalck, ge- 
legen itixta Atrium^ bijna tegenover het Preekheeren klooster, tus- 
schen het huis van Christiaan Plencker, bewoond door Reynerus 
Wythoet, sellifex (zadelmaker) en de goederen de Cornu (hoorn). 
Dit laatste goed had aan de andere zijde tot reingenooten de ech- 
telieden Gerard of Gheerwinus geheeten Vamme Hamme en Mar- 
gareta de Juncis in het huis geheeten de Lylia, Dit laatste huis 
was gelegen op den hoek van het straatje, dat thans nog het 
Leliestraatje heet. 

In 1380 (N* 862 D) van een huis in erfpacht bij Egidius de 
JvscciS, purgator seu eviginator a r mor um (^zv/ei^rdveger en slijper), 
in de pluica Sancti Georgii^ nabij den H. Geest, tusschen dat van 
de Duitsche Ordcheeren en dat der kinderen van wijlen Gerar- 
dus CALOErs. 

In 1388 (N® 920 D) was het huis de cigno (de zwaan), gelegen 
in de platca Sancti Georgii, in erfpacht gehouden door Arnoldus 



— 155 — 

DE CiGNO, burgemeester, en zijne echtgenoote Maria de Elderen; 
het lag tusschen het huis de parvo cigno (kleine zwaan) bewoond 
door Arnoldus de Eupex, toniator (draaier) en dat van Symon 
den zoon van wijlen Rutgerus de Welpsdaele, bakker. 

In 1391 (N° 934 D^ wordt vermeld het huis ten beere gelegen 
by Synt Jorys (kapel) naast het huis van den wyngarde en naast 
dat van Johan van Hoesselt, scryuemeker. 

In 1394 (N° 953 D) verkoopt Gerart van Ryemst eene jaar- 
lijksche rente uit het huis ter lylyen, ' 

In 1394 (N^ 939 D) woonde Wouter int Schyepe^ tegenover de 
Predikheeren, tusschen Johan vanden Bonghakti e en Peter van 
DER Clocken. 

Eerstgenoemde wordt in 1398 (N** 940 D) gezegd te heeten 
Wouter Papen van Diest. Zijn bijnaam int Scheype zal dus afge- 
leid zijn van den naam van zijn huis /// V schip, In 1411 (N'»944D) 
wordt dat huis //// schepe aangetroffen als in het bezit van Gerard 
Capuien. 

In 1397 (N^ 986 D) draagt Henric Mveme(^) van Valkenborch, 
tollener te Tricht, eene rente over uit zijn voormalig huis, thans 
van Henric Bovyer, dat geheeten is ten Sivane en gelegen in Sint 
Jorysstrate tegen die lantscrone over^ tusschen het huis van Jacob, 
bakker, en dat van Arnold der dreseler (?). 

In 1398 (N° 10141») wordt het zooeven genoemde huis ten 
Swafu\ geheeten ten hogen Swane en de alto cigfio] in 1402 wordt 
het gezegd te liggen in de Nieuwstraat (?) (N° 1044 en 1045 D). 

In 1398 wordt een erf beschreven gelegen in de Groote Staat, 
dat nog eenige jaren vóór 1864 /// den Zwaan heette en toen het 
N° 1802 droeg. 'T is het tegenwoordige N<> 10. 

Die beschrijving luidde: ^Guede die geheytcn syn ten hoogen Swane 
„die nu haldende is Heinric BoVYER gelegen in Si?it Jocrys strate 
y^tegen die lantscrone over voer en achter mit alle syne toebehoer ius- 
yySchen guede Jacobs des beckcrs ter eynre syden ende guede Arnolds 
y^des dreselers ter andere (2). (Vergelijk hierboven op 1397)". 

In 1408 (N« 143 F) wordt aan Johan Oyslinger, wisselaar, in 
Sinle Joerisstraete, een erfcijns afgestaan op het goed en panhuys 



(') Zie over deze familie: Publtcations etc, XIV, p. 127. 
( ) Alex. ScHAEPKENS, PubUcütions etc. I, p. 60. 



— 156 — 

(brouwerij) gehouden door Pyeter Lyebuechts en gelegen tegen- 
over de kapel van den H. Geest, tusschen het huis van Barbara 
Nagkls en dat van Mathees Cannegieter. 

De voormelde brouwerij wordt elders geheeien in den Arenberch 
welke gevelsteen thans nog bestaat tegenover den H. Geest. 

In 1411 (N« 236 W) worden de goederen vermeld van Gobbel 
ScHENCK, gelegen by den Vrythof tegen die Weyntmoelen oevet% be- 
nevens het daarwaast o/) die syde ter stat wart gelegen goed van 
Jacob VAN DEN RoESEN, der ghoutsmeyt^ geheeten dat guet vanden 
home. (Zie in 1306 N^ 196 W). 

In 1415 (^N° 11711); komt voor het huis van Johan van Hoe- 
GHEM, in St. Joerysstraete naast dat van Engelbrech vander Bruele 
en dat van Ida, de weduwe van Johan Kautbver. 

In 1419 (N'' 1209D) wordt vermeld het huis van Everart van 
DEN Veernexholte {}) aan het Vrijthof gelegen naast dat van 
Cloes van Lauffelt, waard in die wintinolen^ en dat van Martyn 
Motsartz, bakker van St. Servaas-kapittel. 

In 1419 (N<> 1210 D) het huis van Henrix van Hoeselt, schrijn- 
werker, in de St. Jorisstraat gelegen naast dat van Johan van 
Brevde, schepen, en dat van Gerard van Luvtke, geheeten dat 
paradys (het welbekende huis tegenover de Spilstraat). 

In 1421 (N" 1230D) het huis die gulden sterre in de St. Geor- 
rysstraet tegenover die iviyitmolen, tusschen dat van Gerard Faven 
en dat van Gielys van Hulsbercii, zadelmaker. 

In 1422 (N*' 170 F) was er een huis geheeten /<?-v///;;/i'/fr gelegen 
/;/ Sint Goerysstraet, tusschen het huis van Henric van Haesdaele, 
harnasmaker, en die Jiuwestraet gaeude ter hallen tuart, 

In 1436 (N" 191 F) wordt het hierboven in 1422 genoemde 
huis van van H. esdael, gezegd aan de andere zijde gelegen te 
zijn naast dat den Kriekelberge geheeten. 

In 1442 moesten de wallen van den torne tegen die Royestract 
over (Capucij nest raat) totten torne tegen Uoige Franckryck over htz^X 
worden door Sinte Joris kerspel. Opperhoofdman daarvan was 
Johan Haemeker, hoofdlieden Jan van Landen, Thomas van 
den Ketel, Adam Daems en Claes vanden Broeck (2). De 
familie van den Ketel woonde in 1506 /';/ den Arenberch. 

( ) Zie over deze familie: I'iiöiiai/ions XIV ^ 181;enFRANQUiNKT, ///ww/. O L, Vr, 
II, p. 176. 
(2) Publicaiions etc. XIX, p. 386. 



— 157 — 

In 1454 (N*^ 1422 D) is er sprake van het \\\i\s i7iden wüdenman, 
bewoond door de weduwe van Reyner Capuyns, waskaarsenmaker, 
gelegen tegenover het klooster der Predikheercn naast het huis, 
Engelant geheeten en naast dat van Tylman Snellen, barbier. 

In 1467 (N** 1512 D) is er sprake van het huis van Cloes 
SwERTVEGER gelegen tegenover de kapel van SL Joris en geheeten 
der Cardinaels hocdt^ tusschen de huizen van Johan Paresvs en van 
Gerart van Roede, scroeder (kleermaker). 

Omstreeks 1500 was Arnold Proenen (^) waard van het loge- 
ment de roos^ dat in de Groote Staat nabij de landscrone gelegen 
was (2). Zijn zoon Johannes werd in 1528 tot prior van het Kruis- 
heeren-klooster verkozen (^). 

In 1506 (N° 263 F; woonde in het hierboven in 1408 genoemde 
huis /;/ den Arenberch Thomas VAN DEN Ketel, burgemeester der 
stad. 

In 1513 (*) treft men Wouter in der Dorne en Art Prunen 
in die Rosen aan als door de Magistraat aangesteld om toezicht 
te houden op de herstellingswerken, die nabij de St. Pieterspoort 
ten gevolge eener overstrooming uitgevoerd werden. Laatstge- 
noemde woonde blijkens het hierboven omstreeks 1500 vermelde, 
in de St, Jorisstraat. 

In 1517 werd eene ordonnantie door den Raad uitgevaardigd 
om den geregelden aftocht te bevorderen van de ontzaggelijke 
menigte, die na de Relikwiënvertooning zich naar de xMaasbrug 
spoedde om de bestorming van den Burg op de Maas bij te wonen. 

In die ordonnantie werd bepaald, dat zich gewapend moesten 
opstellen : 

Aen die lyelye^ toen geen particulier huis meer doch de luibe der 
gewantmakers of lakenwevers (waar de lakens en wollen stoffen 
gekeurd werden), tegen den Wentmolen: her Cloes Vryns scepen, 
Jacob VoiCHS geswoeren, die mey stèren ifan den schroederen (^k leer- 
makers), end sullen by hon neineii die daer tue dienen mytten nac- 
bueren ende scutten. 



{}) Zie bij de Brugstraat en Publicatious XXV, p. 59 en XXXIX, p. 45. 
( ) Miwsj(oinv 1896, p. 10. — Eene herberg de Rojs lag ook op de Markt. 
(3) Zie omtrent de beroemde familie Proenen bij de Brugstraat. 
(Ó Pubiications etc. XIV, p. 90. 



_ 158 ~ 

Item aen Sint Joris (hoek Spilstraat): her Lens Claper scepen^ 
SciIALUYN geswoeren mit den meysteren van den bruweren . . . 

Item aen der Heyligeyst myt der mnves traten: her Vrierick VAN 
Reymers roCK scepen, Vastrats geswoeren myt den gewantmeekeren. . . 

Item aen der smeyde hiiys (llians N® 12) her Lens Meyss scepen 
ende Lambrecht VANDER HoVEN gesivoeren myt den smeyden . . (i). 

In 1533 maakte Elisabelh, in den Ezel^ een huis tegenover die 
Wintmoelen^ haar. testament. 

In 1535 werd Henryc van Daelhem, scoenmaker woenende in 
die Staet als tot de sekte der Anabaptisten behoorende, onthalsd ^ ). 

In 1577 woonde Ghys Beckers, zoon van Hendrik tegenover 
de lands kroon (^). 

In 1578 woonde in den Wintmolen Nicolaas RuYSCn, gouverneur 
der ooftmengers tijdens het beleg van 1579, en bussenschut van 
Schwartzenbkrg's krijgsraad en daarom een der 59 uitgestotenen 
van de amnistic, die na de inneming der stad door den koning 
van Spanje verleend werd (4). 

In 1613 bestond tegenover den H. Geest het huis;>/ het gulden 
vlies; het behoorde aan Adam Dries, directeur der Munt(5). 

In 1615 woonde Willem Grooteclaes tegenover de wind- 
meuten (^). 

In 1618 komt eene akte van ruiling voor waarin vermeld wordt 
het huis de Sivaen in de St. Jorisstraet tegenover de lants croene 
(domus civica) gelegen, tusschen het huis der weduwe Aloff naar 
den kant van het Dinghuis en de leube van het smedenambacht (7). 

In 1622 was Leonard Minckelers eigenaar en bewoner van 
het thans nog zoo genoemde huis (hoek Munt en Groote Staat 
N« 52) de Gulden Handt, 

In 1638 was Bartholomeus Minckelers eigenaar en bewoner 
van het huis de Culsche Tesch (thans N° 2) in de St. Jorissiraat 



(1) Pitbiications etc. VII, p. 406. 

(2) Jos. Habets, De Wcdcrdoopers^ p. U3. 

(') Haakman en Allard, De sg. Verwoesting van Maastricht in 1679, p. 183. 

{') Ibid., p. 161. 

[^) Jaarboek 1851, p. 258. 

(8) Maasgouw 1886, p. 9L 

('] Idem 1906, p. 49, 50. 



~ 159 — 

reinende ter eenre het huis de klok (N'' 6) en ten andere zijde 
het huis den gulden Baert (thans N** 4) (i). 

In 1638 woonde in de Windmolen Frans de Grati, schepen 
van Tricht, beschuldigd van medeplichtigheid in het verraad (2). 

In 1694 logeerde de keurvorst van Beijeren in de %vintmolen(^). 

In 1714 wordt vermeld het huis van Anna de Charlemonï, 
in de stad Brussel^ gelegen naast den Doorenboom (*). 

In 1748, den 11 April, sloeg een fransch leger onder den maar- 
schalk van Saxen het beleg voor Maestricht, dat voor de Staten 
door den Generaal baron d'Aylva roemvol verdedigd werd. Deze 
moest echter den 4 Mei capituleeren; zes dagen daarna deden de 
Franschen hunne intrede in de veroverde vesting, waarvan de 
maarschalk de LÖwenthal de militaire gouverneur werd (•'^). 

De Magistraat nam bereids den 5 Mei de noodige maatregelen 
om het groot aantal Fransche officieren te huisvesten, die hier 
zouden in garnizoen komen en gaf derhalve last aan al de wijk- 
meesters eene lijst op te maken vermeldende de huizen met het 
aantal der kamers en stallingen die tot verblijf hadden gediend 
van de Staatsch-Oostenrijksche officieren. 

Eene dergelijke lijst, van de St. Jorisstraat door P. Doppler 
gepubliceerd (ö) werd door wijkmeester Kerens junior opgemaakt 
en geeft een trouw beeld van al de huizen in die straat, met 
hunne namen en die hunner bewoners. De in acht genomen volg- 
orde is van af het Vrijthof de rechterkant en terug komende van 
af de Munt de andere zijde. 

Vele huisnamen die reeds sinds eeuwen bestonden zullen in die 
lijst aangetroffen worden. 

Int Post Hooren bij Herman Fias. 

Twee Carbinders ^ Willem Paulissen. 



(') Jacq. Geelen, Genealogie van de familie Minckelers in: Maasgouw 1904, 
p. 35. — In 1684 woonde in de Culsche les Engel Nvsten gehuwd met Jenneke 
MiNCKELKRS, in den Gulden Baart Arnold Cüppouns, schepen en in de Kloek 
Bon Stocx, juwelier, gehuwd met Anna Gertrudis Cüenegracht. 

(') Maasgouw 1902, p. 80. 

('0 Ibid. 1886, p. 11. 

(<) Archief van den Nieuwenhof. 

(*) Zie: Siege de Maestrkhl en 1748 in; Annales II, p. 5. Het oorspronkelijke 
portret van den maarschalk de Löwenthal is in schrijvers bezit. 

l'j Maasgouw 1894, p. 45. 



— 160 — 



In de gulle Caroes 

In de dry Icliens 

In liet Cruys 

In den zuilden man 

In hei Engelant 

Int Sc/u'pken 

Int Mooie her 

In d.n Valck 

In de Spoor ( l) 

/;/ den Prins van Oranje 

In Si. Joris 

In de Gulde Haan 

In den Pellicaen 

In den lloppeneer 

In den Weygaeri 

In den Arenbergh 

In de France Croon 

In den draekeveld Q^^ 

In den Cracq (kraag^ 

In den Gulden Kop 

In den bos 

In den gap er i 

In de gulden Staar 

In de7i Lupaert 

In de Lantsci'oon 

In de kuise te es (•'^) 

In den gulden baart 

In de Clock 

In Sint Jan 

In de Szvaen 

In het Snieeishuys 

In het Vogelke 



7i 



bij Hubertus Sulling. 

„ FUYTEN. 

„ Gerard Dorlo. 
., Wed. VAN Bon. 
„ Mej. Vogels. 

„ Guill. SCIIRAEK. 

„ Petrus Clockeks 
y, Hendrik LuNis. 
y, Christ. V. D. Broeck. 
Jan VAN Gendt. 

Jan SiLVERISER. 

Peter Caris 
A: C. Vrvtiiooft. 
Bern. Vrythooft. 
Godfr. Courban. 
Mej. Grutters. 
Antoon Andree. 
Mozes Thomas. 
Joh. Frans. 
Jan LiNCKENS. 
„ Christ. Volckaert. 
Wed. Jaspers. 
Frans Minckelers. 
Nicolaas Dloo. 
Andreas Paes. 
Jan AussEMS. 
Claes NisT. 
Frans de Beef. 
Lamb. Rems. 
Wed. FouLQUE. 
Nicolaas v. d. Bergh. 
Herm. Gorissen. 



» 
» 

99 



» 






(1) Hoek Spoorenstraat; dit geveltceken gaf in *t begin der XV* eeuw zijn naam 
aan de toenmalige Kenterkensruwe. 

(") Dit is het gebüortehuis van de kunstschilders Théodore, Alexauder en Arpaud 



^ , .^ ..^. p^..ww. ~« , ^-., ~. 

Scliaepkens. De smidse daartoe behoorende hig in den H. Geest. 

pj Le Kenlsche tcsch waarvan hierboven op 16'iS sprake is. Hier be 



gint de over- 



zijde der straat 



In den herman 

In de Ros 

In de zvitte roes 

In den Toemeleer 

In den Keyzer 

In de dry Renge 

In den Oranje bcom 

In den dorre boom 

In den boom 

In de siadt van Brusselt 



— 161 — 

bij Martin Bleron. 
„ Andreas Gilkkxs. 
„ Mej. WouTKRs. 
„ Jan Vrvtiiooft. 
„ Egidius VAN üi:n Endk. 
„ Willem Petkrmaxs. 

Gercmias Smits. 

Lamb. Cox. 

Jacob LlEKENS. 



» 



w 



't Is zonderling dat de 



y, Mej. Hertus. 

Windmolen niet in die lijst voorkomt, 
blijkens de volgende aanhaling bestond ze toenmaals toch nog en 
was ze zeer bekend. 

\n 1750 werd hier door een officier van het garnizoen, Adolf 
VON ScHWEiNiTZ, de eerste vrijmetselaars-loge opgericht; zij nam 
de naam aan van la Constance en geen eigen lokaal bezittende, 
hield zij hare vergaderingen in het logement de Windmolen, 
Cagliüstro logeerde in datzelfde hotel, bezocht de loge en hield 
er voorstellingen (^). 

In 1774 werd de kapel van den H. Geest herbouwd (2). 

\w 1780 heette het huis van den heer Alard-Halewyn in de 
ploeg (3; (thans N« IG;. 



27. De Gubbelstraat 

(Platea Gobbelini, Rue des gobilleurs). 

Hetgeen Franquinet giste (*) n.1. dat deze straat, zooals zoovele 
andere, haren thans verbasterden naam ontleende aan een burger 
die er wellicht zijne bezittingen had en Gobbelinus heette, blijkt 
uit onderstaande aanhalingen eenc positieve zekerheid te zijn. 

Eenige jaren nadat de vicus Gobbelini voor het eerst aangetroff'en 



(1) Maasgouw 1879, p. 96. 

(2) Ibid. 1886, p. 91. 
(S) Ibid. 1886, p. 103. 

(*) Franquinet Inveni. O. L, 



Vr. I, p. 77, Noot 1. 



— 162 — 

wordt, is er sprake van een vrij groot huis in vico dicto Gobbe- 
strate^ dat toebehoorde aan Eva, begijn, de dochter van Gobbe. 
(In 1316 N® 147 D). De naamsoorsprong der straat is dus gevon- 
den; latere afwijkingen daarvan kunnen gemakkelijk verklaard 
worden door de zucht van het volk naar euphonie, en zijne ge- 
neigdheid om naar eigen goedvinden uit te spreken en toenmaals 
ook te schrijven. De Franschen, ook met dat euvel behebt, maak- 
ten van Gubbelstraat la rue des Gobilleurs, welk woord volgens 
Larousse beteekent juge dHnstruction (terme d'argot). Ondeugend 
uitgelegd zou dus zulken magistraat gemakkelijk iets op den mouw 
te spelden zijn (gober). 't Is wel eigenaardig dat dit fransche 
werkwoord veel overeenkomst heeft met den naam Gobbe. 

Huizen in de Gubbelstraat en hunne bewoners. 

In 1296 (N° 41 F) wordt melding gemaakt van een cijns uit 
het huis van Hermannus van Brokele en van zijne vrouw Vruda 
gelegen in vico gobbelini que beggardi ienent (in eigendom bij de 
Bogaarden). 

In 1316 (N** 147 D) is er sprake van een vrij groot huis i?i vico 
Gobbestrate in quibus morantur Godefridus RiECH DE EvLSLO et 
Nesa dicta ScoPERS. Dat huis werd door Eva, begijn, dochter 
van Gobbe in erfrecht overgedragen aan de St. Servaaskerk. 

In 1332 (N° 251 D) wordt vermeld het huis van Johannes de 
Redechem, wever, in de Goebbenstraet^ gelegen tusschen dat van 
Theodoricus Opilio (}) en dat van Gerardus de Birke, voller. 

In 1340 (N*> 341 D) wordt een rente overgedragen, te beuren 
uit een huis met aanhoorigheden gelegen op den hoek der Gob- 
belstrate naar den kant der stad. 

In 1344 (N<> 396 D) bezat Henricus genaamd Hondtermarch 
een huis in de Gobbenstrate tusschen dat van Wilhelmus DE Hey- 
DENDAYL en dat van Johannes genaamd Mutenere. 

In 1346 (N** 415 D) wordt vermeld het huis van wijlen Her- 
mannus Selter in Gobbelstrate^ gelegen naast dat van Johannes 
HoucHUSEN. Eene rente ten laste van het derde deel van dat huis, 
werd door Hermanus' dochter die gehuwd was met Gerardus 
Wessem overgedragen aan Godefridus de Herborch. 



(1) N° 78 W heeft Diederik Opilionis, wever. 



— 163 — 

In 1358 (N^ 601 D) is er sprake van eene rente van 20 pen- 
ningen en 1 hen uit het huis van Godefridus de Beltsia in vico 
Gobben, 

In 1359 (No 633 D) van een huis in dt plaiea dicta Gobbelstrate 
tusschen dat van Johannes Preut en dat van Gerardus Halbeyken. 

In 1363 (N*» 688 D) wordt een cijns overgedragen uit een huis 
gelegen in de Gobbenstracte tegenover dat van Rutgherus de Weert 
en tusschen dat van Bastinus de Herkenrode en dat van Egidius 
de Rosis(^) genaamd de Gladio. 

In 1369 (No 755 D) wordt op Katharina, de dochter van Her- 
manus de Glopia en weduwe van Rosentroch den jonge een 
huis uitgewonnen, gelegen in de vicus Gobbelstrote tusschen dat 
van Gerardus Venken en dat van Steyne. 

In 1380 wordt een cijns vermeld uit het huis voorheen toebe- 
hoord hebbende aan Gerardus de Berben gelegen in de gobel- 
strate (J), . 

In 1381 werd bij de vernieuwing van den Raad o. a. gekozen 
Jo Tiecwever, linnewever, in die Gobbelstrotf (3). 

In 1398 (No 999 D) wordt vermeld een huis in de gobbelstrate^ 
fayen guet geheeten; het was gelegen tusschen dat van Arnolt 
VAN Weerde, genaamd langhe Arnold, gewantvieker en palerer 
(lakenwever en polijster) en dat van zijn zoon Machil. 

In 1404 (i\«» 1068 D) het woonhuis van Henrick Kyppe in de 
Gobbelstraete^ gelegen tusschen het huis van Arnold Wergaren 
en dat van Goiswyn van der Bruggen. 

In 1413 (No 1145D) wordt eene erfrente van 3 obolen en 
1/2 kapoen vermeld uit het erf de Heyendale in de Gubbelstraat, 

In 1445 (No 1375D) is er sprake van het huis van Johan van 
Louwen, gelegen in die Gubbelstrote tusschen dat van Dierix IN 
DIE Plancke en dat van Dierich van Gelck. 

In 1455 (No 221 F) een cijns van 5 schellingen en P/3 hen op 
het goed van Dyrick indie Planck, gelegen in die Gobbclstroet 
tusschen het erf van Servoes Quodeexter, lakenscheerder, en dat 
van Johan van Stochem, ketelbueter. 



( ) Bijzonderheden nopen$ die familie van stedelijken adel, zijn te vinden in: Pu- 
blicatious etc. XIV, p. 137 en Franquinet, Invent, O. L, Vr, I, p. 53, 54. 
(2) Franqüinet, Invetit, O, L, Vr, II, p. 8. 
(^) Maasgouw 1883, p. 873. 



— 164 — 

In een Raadsverdrag van 1535 worden de namen vermeld van 
54 wederdoopers, die zich door de vlucht aan de justicie onttrok- 
ken hadden; daaronder komt vóór Simon Ltnewever in die Gob- 
belstroete. 

In 1539 woonde in de Gubbelstraat^ zooals de heer Jacq. Geelen (^) 
mededeelt, Arnold van Geleen, die van adel en een der voor- 
zaten was van Christiaan van Geleen, een beroemd Maestrich- 
tenaar, geneesheer van koning Karel II van Spanje; hij werd 
hier in de parochie van Ste Gatharina geboren en overleed te 
Toledo alwaar hij in 1709 zijn testament maakte. Bovenbedoelde 
Arnold van Geleen's zoon wordt vermeld gevonden als ^Gubbel 
„VAN Geleen, wettige adels soon van Arent (Arnold)". 



28. De Havenstraat. 

De meest gebruikelijke wijze waarop deze straat in de XIV* 
eeuw wordt aangeduid, is hoefstat; een enkele maal wordt haestat 
(in 1392) geschreven. Zij liep destijds uit op de Kersenmarkt die 
zich tot daar uitstrekte. 

Van Heylerhoff (^) is de meening toegedaan, dat de Romeinen 
daar ter plaatse, ter bescherming van de Maasbrug, eene verster- 
king oprichtten, die even als de Houtmaas, tevens tot //^zz/*';/ diende; 
dat dus hoefstat eene verbastering was, die naderhand weer her- 
steld werd. Franquinet (^) komt daartegen op; ofschoon hij aan- 
neemt dat wellicht ten tijde der Romeinen op de nog in de straat 
bestaande open ruimte, een groot gebouw heeft gestaan, het voor 
hem geen twijfel lijdt, dat havestraat eene verbastering van lateren 
tijd is. Zeker is het, beweert hij, dat deze straat in de XIV* eeuw 
geen eigen naam had en door eene omschrijving met betrekking 
tot een andere straat aangeduid werd. Deze bewering nu komt 
mij ongegrond voor, want zooals hieronder blijkt, wordt wel de- 
gelijk, herhaaldelijk van hoefstat melding gemaakt. Zeker is het 
dat de uitgang stat even als bij ^oiLstat in straat veranderd is; 



(1) Maasgouw 1907, p. 5. 

(2) Anmiaire etc. 1825, p. 103. 

(') Franquinet, InvenL O, L. Vr, I, p. 167 en II, p. 201. 



! — 165 



*t is ook mogelijk dat in de XIV« eeuw de benaming Hoefstat 
alleen betrekking had op de open ruimte; doch dit beslist nog 
niet het pleit vanwaar het radicaal Hoeff komt, zoodat de meening 
gewettigd schijnt, dat 't nog steeds een onopgelost vraagstuk is, 
aangezien de beweringen van beide schrijvers onbewezen gissingen 
zijn; de aangehaalde benaming van haestat schijnt echter wel in 
eenige mate voor van Heylerhoff's meening te pleiten. 

Huizen op de Havenstraat en hunne bewoners. 

In 1343 (N**375D) wordt het huis vermeld van Wynandus 
Fabri, de Aquis^ retro macellum (achter de Plankstraat) naast dat 
van Yda genaamd Endemarcs. 

In 1343 rN<> 378 D) het huis van Johannes de Boveryen, schip- 
per van Luik in vico dicto Hoejstat tegenover dat van Katharina 
DE PiRCHES, houtverkoopster aan de Maas, naast dat van vrouwe 
VAN Eytzenroede en naast dat van Johannes Bulewe. — Ook 
wordt daar vermeld het huis bewoond door Lambertus Mirabels, 
steenhouwer, in dezelfde straat gelegen tusschen de huizen van 
Johannes genaamd Hallebey en van Johannes Bocket. 

In 1372 (N" 783 D) wordt vermeld eene brouwerij geheeten 
viirgudelen pankuys gelegen op de hoejstayt tusschen het erf van 
Petrus DE Namurco en dat van wijlen Johannes Bommers, 
brouwer. 

In 1373 ('N° 790 D) wordt aan Henricus Thoenmans, vleesch- 
houwer, in erfpacht gegeven eene open plaats, gelegen in loco scu 
vico die Hoefstat penes forum cerasorum (nabij de Kersen markt). 

In het Necrologium van het Kruisheerenklooster komt het huis 
voor van Gerardus Mols op die Hueffstraet. 

In 1392 (N° 24 D) komt voor het huis van den bij de Plan- 
straat genoemden Colyn, der boede in den Vroenhof; het wordt 
gezegd te liggen opt oert van der straten daer men gheyt op die 
haestat. 

In 1398 (N® 25 D) hetzelfde huis op gelijke wijze omschreven, 
hier echter wordt hoefstat geschreven. 

In 1415 (N** 1170 D) wordt eene brouwerij op die hoeffstat ge- 
noemd, gelegen achter de brouwerij van Johan Ruyssche in die 
Swoefstraete (Wolfstraat). De eerstgenoemde lag tusschen het huis 



11 



— 166 — 

van Jutte de weduwe van Rutten van Graethem en dat van 
wijlen Goedard van Montenaken, smid. 

In 1420 (N° 1224 D) is er sprake van een huis op die hoefstat 
gelegen naast dat van Merten van Boxberch en dat van Loe- 
wens der sceepman. 

De luibe der steenhouwers en metselaars was gelegen op de 
Have7istraat tegenover het Moorenstraatje. Tijdens de Fransche 
omwenteling (in 1798) werd zij aan de familie Rutten verkocht (i). 



29. De Hexenstraat. 

Zooals tegenwoordig geschreven, zou de Fransche vertaling in 
Rue des Sorcilres gewettigd zijn; de naam is evenwel afkomstig 
van Hendrik Hex, die daar in 1505 woonde. In den zomer van 
dat jaar bereikte de Jeker door aanhoudende regens eene onge- 
kende hoogte en richtte vele verwoestingen binnen de stad aan (2). 
Uit het Raadsverdrag van 20 September 1505 blijkt zulks; daarin 
wordt vermeld dat ook de kleine houten brug in der loere straet 
by die weyermolen en tegen Hendrik Hex over^ door het water 
werd medegesleept. Van die ramp, die ook in de Sulsruwe (Begij- 
nenstraat) zich deed gevoelen, wordt bij die straat eveneens mel- 
ding gemaakt. 

De hier vermelde Wey er-molen behoorde aanvankelijk aan de 
parochiale kerk van St. Jan; hare opbrengst diende tot bekos- 
tiging van den eeredienst; later werd zij afgestaan aan het kapittel 
van St. Servaas onder voorwaarde, dat dit in 't vervolg het brood, 
den wijn en de verlichting aan de kerkfabriek van St. Jan zou 
leveren (3). 

Tijdens de bezetting der stad door Lodewijk XIV werd aan de 
Grauwe Zusters vergunt zich hier ter stede te vestigen en werd 
„hun toegestaen een bequaem huis op den 9 November 1673 inge- 
„kocht van den Liceniiaet Hieronymus Stas, gelegen tegensovers 



(1) Maagouw 1889, p. 144. 

(2) Publicaiions etc. XIV, p. 87. 
^) Annuaire 1829, p. 128. 



— 167 — 

»die Weyermolens metten hoft ende dependentiën van dyen om 
„hetzelve te bezitten ende te gebruycken" (2). 

De beide zware torens aan den ïlexentr'ap waar tusschendoor 
de Jeker in de stad stroomt, werden de Reeck genoemd. Oorspron- 
kelijk maakten zij deel uit van den wal muur van 1295; in 1500 
werden ze hersteld. De bovenbouw van de Reeck^ met den toren 
en den walmuur naar de zijde der St. Pieterspoort, benevens de 
toren van deze naar de zijde der Heipoort, werden bij de over- 
strooming van 1505 omvergeworpen. 

Bij de opsomming der kerspelen en de hun op den stadsmuur 
aangewezen verdedigingspost, wordt de Reeck herhaaldelijk ge- 
noemd (^). 

30. De Heggen- of Hekkenstraat (Vicus Caseus) (») 
Kesenruwe, of ook Keyersenstraat. 

Huizen in die straat en hunne bewoners. 

In de XIII* eeuw lag in deze straat een klooster of begijnenhof 
(conventus swestrionum) dat vóór 1377 opgeheven werd (4). 

In 1332 (N® 248 D) wordt genoemd het huis van Gerardus 
BoNEFANT, priester, gelegen in de vicus Casei, In 1333 wordt de 
straat genoemd riiela Danielis Casei, 

In 1332 (N° 248 D) treft men die straat aan onder den naam 
van vicus Caseus; later toen de Nederduitsche taal in de officieele 
bescheiden meer gebruikt werd, onder dien van Kesenruwe naar 
de Schepenfamilie Caseus, Kasen of Kesen die aldaar haar stok- 
goed had (0). 

In 't volgend jaar (N® 256 D) wordt zij genoemd, om het huis 
van Johannes Guetman dat in de Breedestraat lag, naar den kant 
der Kesenruwe^ aan te duiden. 

Zoo ook N** 264 D, waar er sprake is van een huis in de 
eerstgemelde straat juxta ruelam Danielis Casei, 



(Ij Publicaiions etc. XIX, p. 387. 

(2) Ibid. XXXI, p. 109. 

(*) Deze straat komt in de XIV* eeuw ook voor onder den naam van Keyersen- 
straat (Franquinet, Invent. O, L, Vr. II, p. 33j. 

(*) Franquinet, Inv, O, L, Vr, I, p. 118. 

(*) Zie ibid. II, p. 140, 144, 178; ook Publications etc. I, p. 51, waar door Alex. 
Schaepkens een Baldewinus Caseus als schepen in 1282 genoemd wordt. 



— 168 — 

In 1335 woonde er Henricus genaamd Nuken, priester. 

In 1330 (N® 287 D) woonde Gella, de moeder van Godefridus 
Caseus, priester, te Tweebergen. 

In 1343 (N' 375 D) wordt Elisabeth, de weduwe van Daniel 
Caseus in de Heren Keysenrouwe genoemd. 

In 1355 (N"" 152 W) is er sprake van de riiella dicta heren 
Kesenruiüe, 

In 1361 (N** 665 D) is er sprake van een huis in de ruella dicta 
Heren Kesenniwe^ naast dat van Johannes Kellenere de Pyters- 
heym, priester en dat van Elizabet Advocati gelegen. 

In 1366 (N*^ 724D) wordt gesproken van het huis van Johannes, 
den bakker van het kapittel van St. Servaas, gelegen in de viciis 
Casei tusschen dat van wijlen Brulandus en dat van Willelmus 

DE TONGRIS. 

In 1367 CN° 729 D) van een huis in die straat, tusschen dat van 
Gerardus de Nyel, schoenmaker en de poort (aanzienlijk huis) 
van Henricus de Gronselt. 

In 1383 (N° 888 D) van een huis in de Keseitruwe, gelegen tus- 
schen dat van Mathyas de Aldenroede, klerk en dat van diens 
schoonbroeder Wilhelmus Decani. 

In 1398 (N*» 999 D) van het huis van Dyrich van Achelen, 
priester, gelegen in die Kesenruwe tusschen dat van Johan VAN 
DEN Hertte, schepen van Maestricht en dat van wijlen Johan 
TiiOREELS, van Berne. 

In 1400 (N« 1026 D) wordt de in 1398 bedoelde priester Dyrick 
VAN RoEDENRVT, van Achel, kapelaan en custer des heyldoms der 
St. Servaaskerk, genoemd als aan het kapittel dier kerk overge- 
dragen te hebben eene jaarlijksche erfrente, te beuren uit een huis 
in de Keesenrmve^ gelegen tusschen dat van Johan van den Hertte 
en dat van Reyner Thoreels, van Bernau (vergelijk met N'* 999 
hierboven). 

In 1415 (N° 1004 D) is er sprake van een \\u\s\n Ac viciis Casei ^ 
toebehoorende aan Theodoricus Rodenryt, die het naderhand 
legateerde aan de arme scholieren van St. Servaas. 

In 1427 (N° 1274 D) van het huis van Johan Romers /// die 
Kesenruwe naast dat van jonker Henricus, heer te Gronsfeld en 
dat van Gerard Clut, schepen van Tricht (i). 



(1) Zie over dat uitgebreid patricisch geslacht Maas^a^oHw 1890, p. 102. 



— 169 — 

In 1452 (N" 1404 Dj is er sprake van drie naast elkander ge- 
legen huizen in de Keesen ruwe naast het huis van jonker Henrix 
VAN Gronselt. 

In 1453 — 1477 woonde op den hoek der Heggenstraat in het 
Gniyihuys Joncker Jan Clut, Brabantsch hoogschout en schepen 
der stad. 

In 1416 (N° 222 F) wordt vermeld het huis van Gerit HuLictiNS, 
timmerman, gelegen in die Kesennnve^ tusschen dat van Reyncr 
tSoukkn en het goed van heer Emont van Mobertingen. 

In de noot bij N° 2ö3F van 1506, zegt de schrijver, dat de 
Kesenruwc later Hexenroiave werd genoemd zonder evenwel aan 
te geven waaraan die naam ontleend werd, en wanneer hij on- 
geveer burgerrecht erlangde. In een opstel in de Maasgouw van 
1879 wordt gezegd dat de familie Hex de aanleiding daartoe was (?). 

In den Franschen tijd werd de naam dier straat ook vertaald in 
Rue des Sorcieres! 



31. De Heilige Geeststraat. 

Bewoners van deze steeg heb ik in de schepenbrieven slechts 
zelden aangetroffen; wel wordt er de armentafel die er gevestigd was 
herhaaldelijk vermeld (i). Deze stichting van liefdadigheid zou vol- 
gens van Heylerhoff (2), waarschijnlijk reeds van af de XII** eeuw 
bestaan hebben. Zeker is intusschen het getuigenis van den Domi- 
nicaner Pater de Heer, die in de archieven van zijn klooster 
vermeld vond dat de eerste kapel van den H. Geest (Groote Staat 
tegenwoordig huis Thijs) omstreeks 1280 opgericht werd en dat 
hij de origineele testamenten der echtelieden Wirik Borneken 
en van Elisabeth MANEGOLDi, respectievelijk van de jaren 1316 en 
1324, gevonden had, waarbij aan de armentafel van den H. Geest 
landerijen en renten vermaakt werden. De magistraat der stad 
bestuurde ze en verrijkte hare inkomsten door de boeten die in 
sommige gevallen aan de burgers opgelegd werden. 

De beheerders werden even als de Raadsleden door de am- 



(1) Het eerst in 1365 IN» 4üD). 

(2) Annuaire etc. 183J, p. 133. 



— 170 — 

bachten gekozen en waren bekend onder den naam van heyUgeyst- 
meysteren. Als toen. in functie worden in 1400 (N^ 1000 D) ge- 
noemd Arnolt Clutte en Cloes van Pyse; in hetzelfde jaar 
(N'^ 1026 D) als voormalige, Gysbrecht van Breydelüe en Hen- 

rich YSERMANS. 

In 1378 bepaalde de Raad zeer naauwkeurig op welke wijze de 
Heiligegeestmecsters hunne taak moesten vervullen. Zij waren 
verplicht registers in duplo bij te houden en daarin de erfe- 
nissen en al de goederen der instelling, zoomede de wijze waarop 
deze bestierd werden, aan te teekenen. Vast goed mocht niet be- 
zwaard of verkocht worden dan met toestemming des ghemeynen 
roeis, Ta] moesten met name opschrijven die arme luyde den men 
ter weken micken glieven sal enz. (^). 

Aanvankelijk schijnt de instelling ook als gasthuis te hebben 
dienst gedaan. De laatste aanhaling bewijst echter dat ze hoofd- 
zakelijk onderstand aan arme menschen verleende. 

Nog in het begin der X1X« eeuw dienden zeven kleine huisjes, 
in de steeg gelegen, tot kostelooze woning aan een twintigtal 
ouden van dagen, zulks onder administratie van het Burgerlijk 
Armbestuur, dat in den Franschen tijd met les biens de la décou- 
verte begiftigd werd. 

In 1413 (N® 1152D) wordt een huis toebehoorende aan die 
armentafel vermeld liggende op de Kleine Gracht naast Mnekensguei. 

In 1526 wordt Jan van Remerstok en in 1574 Aertsen van 
Remerstok genoemd als bakkers, wonende m den H. Geest (*). 

In 1731 diende de H. Geestkapel afwisselend met de Katholieke, 
voor Protestantsche godsdienstoefeningen; deze laatste voor de 
hier in garnizoen liggende Schotten (Presbyteranen) (3). 

In 1773 werden het torentje en de gevel der H. Geestkapel, 
waarin steeds de eeredienst werd uitgeoefend afgebroken en ver- 
nieuwd (4), om een dertigtal jaren nadien plaats te maken voor 
het tegenwoordig particulier gebouw, dat door het Armbestuur 
tot 1897 in ijzeren toust, eerst afgestaan werd aan de familie 



(1) Zie de origineele ordonnanüe in: A. Habets, Le plus ancien Re'f^istre aux Ré- 
solutions du Conseil Communaï de Maestricht^ p. 68. 

(-) Haakman & Allard, De z'.^if. Vfr^L'oes/ifi^^ van Maastricht in 1679 j p. 225' 
(^) Piiblicaiions etc. XLII, p. 14. 
(«) Maasgouw 189', p. 09. 



— 171 — 

Damen, later aan den heer Vissers en toen aan den heer A. J. Thijs. 
Tot omstreeks 1870 bleef de heilioen Geeststraat door middel 
van een lange duistere gang in verbinding met de Groote Staat. 
Behalve de bewoners der armenhuisjes waren er even als thans 
nog slechts uitgangen van huizen, op de Markt en in de Staat 
gelegen; alleen bestond er in de eerste helft der vorige eeuw de 
smidse van Arnoldus ScHAEPiCENS-RyCKELEN, die tegenover het 
gangetje „in het Drakenveld'*'* woonde (thans N° 23 der Groote 
Staat). Eene aardige schilderij in olieverf, het steegje voorstellende 
in den staat waarin het zich een vijftigtal jaren geleden bevond, 
is in mijn bezit. 

32. De Heistraat (Hoogbruggestraat), 

(Vicus'Alti Pontis). 

Wanneer deze straat haren tegenwoordigen naam bekwam en 
waaraan hij ontleend werd, heb ik niet kunnen achterhalen. In 
alle oude stukken vanaf de XIII« tot de XVI1« en zelfs XVIll« 
eeuw wordt onveranderlijk gewag gemaakt van huizen in alto 
ponie, of in vico alti poutis of wel in Hoogbruggestraat^ zulks naar 
aanleiding van de hooggelegen brug over den Jeker die aan de 
Heipoort lag en toegang verschafte tot de weleer — voor de XV« 
eeuw — dicht bebouwde en bevolkte straat, die naar de kerk 
van St. Pieter leidde. 

Door deze of door de St. Pieterspoort deed de Proost van 
St. Servaas bij zijne inhuldiging zijne' plechtige intrede binnen de 
stad (1). 

De poort, meestal Hoogbrugge- en ook wel eens Jekerpoort ge- 
noemd, wordt meestal gezegd gebouwd te zijn in 1229, tijdens de 
oprichting van den walmuur daar ter plaatse (?). 

Heylerhoff (^) evenwel zegt dat bij de blootlegging der fun- 
deeringen van de Molenpoort (uiteinde der Hoenderstraat) bleek 
dat de Heipoort symetrisch met haar overeenkwam. Genoemde 
schrijver vermoedt dat beide poorten deel uitmaakten van de aller- 
eerste ommuring der stad ten tijde van St. Servaas (?). 



(1) Annales I, p. 105. 

O Annuaire etc. 1825, p. 111. 



— 172 — 

Alex. Schaepkens kent aan de Heipoort met zijn rortaanschen 
rondboog geene hoogere oudheid toe dan de XI* eeuw. 

De Heipoort is een zeer merkwaardig en door hare massa hoogst 
indrukwekkend gebouw, misschien wel het eenigc specimen van 
krijgsbouwkunde uit dien tijd in Nederland. Als stadspoort deed 
ze sinds 1515, toen de Nicuwstad bij Tricht ingelijfd werd, geen 
dienst meer (i). 

Wellicht heeft een huisnaam /;/ de Helle^ die voorheen ook in 
de Muntstraat voorkwam, sinds betrekkelijk korten tijd den naam 
Heistraat Aotn geboren worden. Meer waarschijnlijk is hij ontstaan 
door de aanwezigheid daar in die weinig bezochte, door de som- 
bere He/poort beheerschte straat, van publieke huizen; dit laatste 
vindt bevestiging door hetgeen reeds hierna op 1423 is vermeld. 

Er bestonden voortijds in de Heistraat een of meer straatjes of 
gangetjes, die de bewoners in staat stelden aan den oever der 
Maas te geraken. In den walmuur ziet men nog thans de dichtge- 
metselde poterne, die voorheen een dier toegangen w-as. De hier- 
onder op 1405 en 1529 genoemde gangen vinden alzoo hunne verkla- 
ring. Ook in een cijnsregister van 1377 zegt Franquinet (^) eene 
riiella versus Mosam in de platea hobruggen te hebben aangetroffen. 

Tusschen de Maas en de St. Pieterspoort lag voorheen in den 
walmuur van 1299, de poort, spottender wijze verloren cost O) 
genoemd; zij werd toch korten tijd nadat zij gebouwd was w^eer 
dichtgemetseld. Aldus Franquinet (*) die het vermoeden uitspreekt 
dat de ligging dier poort aangeduid wordt door het bastion de 
vijf koppen. Dit is echter ih strijd met de gegevens omtrent de 
Nieuwstad door Eversen verstrekt. Deze werd eerst in de XVI« 
eeuw ingelijfd en dient dus de poort verloren cost wellicht ge- 
zocht te worden in den muur, die het a. s. plantsoen in de Begij- 
nenstraat dwars doorsnijdt. 



(1) In het belangrijke opstel van H. P. II. Eversen, Over de inlijving der Nietnu- 
stad [Pifbliiaiions etc. XI V, p. 3 — 100) komen vele bijzonderheden voor betrekkelijk 
de stadspoorten en stadsomwalling toenmaals daar ter plaatse. 

[^) Franquinet, Inveni, O. L. Vr. I, p. !288. 

(8) De naam verloren iverk werd voor een soortgelijke reden gegeven aan de in 
1450 gebouw^de en onvoltooide St. Maartenspoort, zij lag rechts van de in de XVIII® 
eeuw opgerichte St. Maartens- of nieuwe Wyckerpoort, Alex. Schaepkens [Publica- 
iions I, p. 97 en 333) gaf er cene teekening en beschrijving van, zooals zij nog in 
de XIX' ecux bestond in een kolenmagazijn tegenover de Grachtstraat. 

(*) Franciuinet, Inv. O, L. Vr, II, p. 7 Noot 2. 



— 173 — 

Zooals blijkt uit het hieronder in 1393 aangehaalde werd de 
Heistraat toen ter tijde verbreed. De bakkerij van O. L. V. kerk 
toch, waarvan een stuk grond tot dat doei afgestaan werd, lag 
blijkens het vermelde in 1377 in deze straat. 

De zoogenoemde papiermolen^ d. i. het gebouw dat op den wal 
nabij de Heipoort staat werd in 1775 door den drukker-uitgever 
Lekens gebouwd. 

Huizen in de Heletraat en hunne bewoners. 

\x\ 1265 lag in alto ponte het huis met bakkerij van Levallus, 
dat met meer andere goederen in zijn merkwaardig testament 
genoemd wordt (^). 

In 1277 (N® 22 F) is er sprake van het huis van Egidius in 
alto ponte. 

In 1293 (N^ 31 D) wordt vermeld het erf van [da de alto 
Ponte, begijn, gelegen in alto ponte^ in erfrecht bij haar neef of 
oom Marsilius. 

In 1296 (N® 40 F) wordt vermeld het huis van Henricus 
patriarcha gelegen in alto ponte en roerende van het refectorium 
van St. Servaas. 

In 1315 (N° 39 D) komt de zooeven in 1296 genoemde nog 
voor met zijne dochter Ida, begijn. 

In 1358 (N<> 615 D) is er sprake van twee huizen /;/ alto ponte 
gelegen lusschen de porta de alto ponte en het huis van Egidius 

DE EyMALE. 

In 1361 (N** 660 D) wordt het huis genoemd van Elisabeth 
STUrfboUT in alto ponte naast dat van Lunninx. 

In 1370 (N** 741 D) een huis in alto ponte tusschen de brouwerij 
van Lauffelt en het erf van Oda Persvvs, jongedochter. Uit 
N<> 742 D blijkt, dat dat huis toebehoorde aan Godefridus Vlener, 
priester, die het van zijne ouders Johannes Hexken, visscher en 
Gertrudis verkregen had. 

In 1373 (N° 789 D) wordt in erfrecht gegeven een huis /;/ vico 
altipontis^ gelegen naast de camba (brouwerij) van Wiricus DE 
SoLLiERS en naast het huis geheeten hnelsloys, 

In 1375 (N° 812 D) is er sprake van een huis met aanhoorig- 
heden gelegen /;/ alto ponte naast dat van den deken en het kapittel van 
O. L. Vr. en dat van Wilhelmus genaamd Wilmot de Frepont, 



(i) Miiüsgouw 1895, p. 79. 



n 



— 174 — 

In 1375 wordt bij Raadsresolutie bepaald, „dat men die huysen 
gelegen voor Hobruggenporte buten in der stat gliericht, afbreken 
„sal, ende die andere huyser omtrent die stat, dar die stat schade 
„af comen mochre" (b. v. bij gelegenheid eener belegering) (i). 

In 1377 besluit de Raad dat „die porte te Hobiug^en tu ghe- 
„muert sal bliven al tot der tyt, dat die ghemeynte van triecht 
„voer den raet compt ende die porte op hebben wilt omme orber 
„(in 't voordeel) hunre allen" (2). 

Omstreeks 1377 woonde Jacobus Sackdreger (3) tegenover de 
pistrina (bakkerij) van O. L. Vrouwekerk in die straat. 

\\\ 1381 (N° 872 D) is er sprake van het woonhuis van Nycho- 
laus DE Embems, sartor (kleermaker) en graanhandelaar en van 
zijne echtgenoote Mechtildis de EyMOLE, gelegen /// alto ponie lu^- 
schen het huis van Walterus NoUTS van St. Pieter, brouwer, en 
dat van Johannes de Oteren 7ianta et htillaruts (schipper en 
hoinlletir) zooals D»" Doppler aanteekent; de naam de Oteren, van 
Itteren, schijnt te bevestigen, dat het een schipper was, afkomstig 
uit het dorp aan de Maas, die de steenkolen aan de Luiker groeven 
afhaalde. 

In 1384 (N*' 891 D) wordt in erfrecht opgedragen aan Henricus 
HoEDRiESCii, visscher en burger van Tricht, een huis onder de 
heerlijkheid St. Pieter in vico alti pontis gelegen tegenover liet 
hospitaal en tusschen het erf geheeten Weggenguet en het huis 
van Theodricus Quant. 

Het geldt hier het gasthuis van St. Pieter, dat dicht aan de 
Heipoort stond en toenmaals, evenals de huizen van dat dorp, tot 
aan de stadswallen was gebouwd. Vóór de verwoesting van 1465 
was St. Pieter dichtbebouwd en bevolkt ('*). 

In 1393: Deken en kapittel van O. L. Vr. maken bekend, dat 
zij aan de stad een stuk grond van de bakkerij verkocht hebben, 
opdat de magistraat aldaar eene breede straat zou kunnen aan- 
leggen (6). 



f) A. HabetS; Rt'i^istre cvtx Resolutions du Conseil Commitnal de Maestric/tt, 1368 — 
1379, p. 54. 
(^) Ibid., p. 59. 

(^) FRANQ.ÜINET, Itivent. O, /.. Vr, II, p. 154. 
{*) Ibid., Ifiveni, O. L. Vr. I, p. 220. 
(5) Chroniek van Maastricht door Jos. Eversen, Maasgotiw 1880, p. 48. 



— 175- — 

In 1400 (N«> 1032 D) doet de hierboven in 1381 genoemde Mech- 
telt VAN EyMOELE, weduwe van Cloes van Embems, ten behoeve 
harer kinderen Claes en Liesbethe, echtgenoote van Johan Knaepen 
den jonge en weduwe in eerste huwelijk van Pauwei DiERicnSi 
afstand van hare rechten op haar huis te Hoighbncgghen ; dit 
wordt hier omschreven als gelegen achter het erf van Gerard 
CRUyNEN en tusschen dat van de weduwe van Heppen, kolersse 
(kolenverkoopster) en dat van Wouter NouTS, ook in 1381 
genoemd. 

In 1405 (N° 1071 D) is er sprake van het erf geheeten ridders- 
guet^ gelegen te hoebruggen tusschen het huis van wijlen Johan 
DER Waelen, bakker, in den ganck dae men geyt ter Maesen wart. 

In 1416 (N® 1177 D) van eene brouwerij te Hoegbruggen naast 
het huis van Wouter NouTS (zie hierboven op 1381 en 1400) en 
dat van Johan van Roethem. 

In 1423 (N« 171 F) van de hoebrugge poort achter die hove dae 
die gemeyne wyfken sitten. 

In 1429 (N° 1297D) van het erf van Veyncken vanOermont, 
genaamd Reyner Becker te Hoebruggen tsint Peter ïe/ö:r/, begrensd 
door de huizen van Mathys HALLEBAy en van Reyner van den 
Bossche, genaamd Reyner Becker. — Uit eene aanteekening boven 
dien brief blijkt, dat in die straat ook een Arnolt Wincken, 
schipper, woonde. 

Ia 1435 (N° 1319 D) is er sprake van het huis van Cloes van 
Havart, schoenmaker te Hoebruggen^ naast het erf van Leonart 
WouFS in de riddersrmve en dat van Hubrecht Bautzons. 

Omtrent 1450 wordt in een cijnsboek van O. L. Vr. (i) ver- 
meld eene straat, geheeten die papenstroet waar de bakkerij van 
O. L. Vr. lag. De schrijver teekent daarbij aan, dat met het oog 
op deze laatste vermelding dat straatje op de Heistraat uitliep. 

In 1529 (N** 285 F) is er sprake van het huis van Jan ÜRuySEN, 
in hoechbruggen gelegen achter onser lieuer vrouzven^ tusschen dat 
straetgen ter maesen waert en het huis van Johan Wolff. 

In 1535 woonden Dierick Pelser (alias van der Haege) en 
zijne huisvrouw aan Hoegbruggeporte ; zij waren voortvluchtig als 
wederdoopers. 



0) Franquinet, Invent, O, Z. Vr, II, p. 52. 
(2) Jos. Habets, De Wederdoopers, p. 169 en 1.65. 



— 176 — 

In 1538 wordt vermeld, bij gelegenheid der blijde inkomst 
van Cornelius van BïlRGHEN Prins-Bisschop van Luik binnen 
Tricht, dat deze zich met zijn gevolg naar de schietbaan van de 
broederschap der „St. Hilarius-busseschutten", gelegen bij de Hoog- 
brnggenpoort begaf om er deel te nemen aan het vogelschieten. 
Hij schoot den vogel af en werd tot koning uitgeroepen (i). 

In 1638, het beruchte jaar van het zoogenaamde Pater Vinck- 
zerraad^ woonde in de Heistraat — de chroniek van Loyens zegt 
achter de Minderbroeders — /;/ de7i halven viaan^ nabij den luws- 
marijn^ Jan Lansmans, brouwer, „een man goet patrimonie". Hij 
was de voornaamste betrokkene in het plan door den Spaanschen 
bevelhebber van het fort Navagne bij Visé gesmeed, om de stad 
door list op de Staatschen te herwinnen. Daartoe zou Lansmans 
eene toegemetselde poterne, die achter zijn huis in den walmuur 
uitkwam, heimelijk openbreken om daardoor de keizerlijke en 
Spaansche troepen toegang tot de stad te verleenen. 

Bij deze gelegenheid kwam de sinds 1632 als in een pestbuil 
opgehoopte geuzen-geloofshaat tot uitbarsting; na gedurende zes 
jaren eene ongehoorde kwelzucht uitgeoefend te hebben zou weldra 
het bloed van vijf katholieke geloofsmartelaren vloeien! 

In weerwil van de termen der capitulatie, door Prins Frederik 
Hendrik onderteekend, werd toch gretig van het ontdekte „verraad" 
gebruik gemaakt om Katholieke geestelijken en kloosterlingen op 
loutere vermoedens voor een krijgsraad, onder praesidium van een 
zekere van Goldstein, te sleuren, waar zij ondanks de mil- 
dere begrippen die op het gebied van justicieonder- 
zoek begonnen te heerschen, op beestachtig wreede 
wijze gefolterd werden. 

De gardiaan van het Minderbroederklooster Pater Servatius 
ViNCK, martelaar van het biechtgeheim, Tossantjs Silvius, ka- 
pelaan van O. L. Vrouwekerk, Pater Johannes Baptista 
Boddens, rector, Pater Gerardus Pasmans, priester en frater, 
Philip Nottin, van de Sociëteit van Jesus, werden na hunne 
marteling en na tot hun laatste snik hunne algeheele onschuld 
betuigd te hebben, onthalsd. De hoofden van Pater Vinck, van 
frater Notitn en die van Lansmans en twee zijner medeplich 



(') Maas gouw 1896, p. 38. 



— 177 — 

tigen werden op ijzeren pinnen gestoken en geplant op het ron- 
deel de dry duyven^ dat van af dien tijd in den volksmond de vijf 
koppen heeft geheeten (i). 

In 1713 (N*» 3S8F) wordt voor notaris J. C. A. Cruce eene 
verkoopakte verleden van een huis en hof in de Hoogbrngstraat 
door de erfgenamen Plüumen. 



33. De M.-Heijenstraat 

Franquinet (2) beweert dat deze straat haar naam te danken 
heeft aan de familie Heije genoemd, die er in de XIII« of XIV* 
eeuw zou gewoond hebben. Bewijzen daarvan voert hij niet aan 
en heb ook ik in de schepenbrieven niet gevonden. De eenige 
bewoners die ik er aantrof zijn hieronder vermeld. 

Het praedicaat Heer dat den straatnaam voorafgaat duidt m. i. 
aan dat Heije, een priester is geweest; aan wereldsche priesters 
werd voorheen en ook nog thans de titel van Heer met uitsluiting 
van dien van Mijn/teer gegeven. 

De Fransche vertaling in rtie des payens is zonder twijfel fautif. 

Wel zou misschien de Heydeustraat te Wyck aanspraak kunnen 
maken op de vertaling rue des payens. Van Heylerhofï (^) in zijn 
blakende ijver om het primitieve Trajectum als een versterkt 
Romeinsch kamp te betrachten, gist toch, dat deze straat nabij 
den tempel van Mars lag, die door de Romeinen steeds nabij de 
praetoriaansche poort van hunne kampen opgericht werd. Te Wyck 
zou dus de Heidenstraat de oorspronkelijke naam zijn geweest 
die er aan gegeven werd toen de herinnering aan den Romein- 
schen tijd nog levendig was. 

Dit straatje trof ik onder dien naam niet aan; in het cijnsboek 
van O. L. Vr. kerk van 1377 (4) wordt het omschreven als „een 
straatje dat vanaf de groote straat naar de Maas voert tegenover 
de poort van Hendrik, zoon van Lambertus Happart". 



(O Zie de Chroniek van L. F. Loyens, Maasgouw 1902, p. 70—88. 

(-) Frakquinet, Inv. O, Z. Vr» I, p. 280. 

(3) Annuaire etc. 1825, p. 107. 

(O Franquinet, Tnv, O, Z. Vr. II, p. '2G*2. 



» 



— 178 — 

Huizen in de Heijenstraat en hunne bewoners, 

In 1351 (N^ 483 D) worden vermeld tWee naast elkander ge- 
legen huizen in de herenheyeustrate (in vico Heren Heydeustrote) 
nevens het huis van wijlen Henricus Maghermort, priester. 

In 1353 werd die straat ook Herenheyeustrate genoemd; Alex. 
Schaepkens zegt niet waar hij ze aantrof (i). 

In 1403 (N° 1048 D) is er sprake van het erf van Lodewych 
VAN Mere, zijnde vyf huys ruereus neven eyn gelege?i opden oer de 
(hoek) vander Witmekerstrate ende der Heydenstrate^ reinende in 
deze laatste straat aan het huis van wijlen Jan van Mere. 

In 1465 (N*» 1509 D) is er sprake van het huis van Wilhem 
Wals'CHAIRT, paveyer, gelegen in de Sheidenstrate^ tusschen het 
huis van Reyner Coujmens en dat van Barbe die Pelssersse. 

In 1468 (N<» 1515 D) van het huis van Kathryne Paveyers 
(zie hierboven in 1465) in des Heydenstroet gelegen tusschen het 
huis van Peter vax Lymborcii en het huis van de kinderen 
van Pauwels van Brounts. 

In 1517 (N® 276 F) bezat Catryn van Braempt een huis inde 
Heydensiraet naast het goed van Mees Noellens en dat van Jacob 
Capuyxs. 



34. De Hoenderstraat. 

(Vicus puUorum). 

Over deze straat valt weinig bijzonders te zeggen. Zij was tot 
in 1864, toen zij hare tegenwoordige breedte verkreeg, een smalle 
steeg. Aan het uiteinde ervan lag volgens het handschrift van 
P. de Heer (J) de Menlenpoort^ bij het oprichten van den wal- 
muur in 1294 gebouwd (^'). Zij gaf toegang tot de vele water- 
molens, die in de Maas op schepen of pijlers stonden. 

In 1442 werd de walmuur tusschen deze en de Jodenpoort op 
kosten der aldaar wonende ingezetenen hersteld (**). De verdeeling 
der stad in kerspelen van hetzelfde jaar, vermeldt deze poort als 



(1) Publications etc. I, p. 58. 

(2) Annales I, p. 98. 

(?) Maasgouw 1886, p. 36. — Vergelijk Annuatré; 1825, p. 111. 
(^) pRANaüiNET, Inv. der Arch, stad Maestricht, N' 69. 



— 179 — 

de Hoenre porte (i). Zij werd in .1705 bij het bouwen van de 
Maasmolen gesloopt (2). 

Huizen In de Hoenderstraat en hunne bewoners. 

In 1309 (N<» 73 D; wordt melding gemaakt van het huis van 
vrouwe Acoleyt /;/ vico pullorum^ zoomede van dat van de Kekle. 

In 1311 (N*» 93 D) woonde Wiricus /;/ vico pul lorum. 

In 1329 (N° 230 D) wordt in dt platea pullorum het huis ver- 
meld waarin Gilselbertus Bolle van Vleytingen woont. 

In 1334 (N° 267 D) bestond in de vicus pullorum de brouwerij 
van Johannes de Noertbeke. 

In 1336 (N*' 303 D) bezat Johannes de Zittert, bloedverwant 
van wijlen Johannes Episcopi, bakker, een huis in de vicus pul- 
lorum^ gelegen tusschen dat van Elisabet Eltervlighe en dat van 
Johannes Neyman. 

In 1352 (N° 489 D) woonde Henricus de Bryede, bakker, in die 
straat naast Cono Dryesteyn. 

Id 1356 (N^ 545 ü) wordt vermeld het huis van Truda, de. 
dochter van wijlen Bartholomeus Meys, gelegen in ordone vici 
pullorum^ naast dat van CocHMAN. 

In 1357 (N° 160 W) wordt aan Wilhelmus genaamd Besciter 
afgestaan een huis met toebehooren gelegen in vico pullorum 
tusschen dat van Gerard genaamd Bodde en dat van Johannes 
genaamd Eermans, multores (molenaars). 

In 1361 (N*» 96 F) is er sprake van een cyns, te heffen op het 
huis genoemd van Gangelt^ gehouden door Willelmus genoemd 
lindercrus en gelegen in de vicus pullorum. 

In 1375 (N° 813 D) wordt vermeld eene area sive domistadium^ 
gelegen in lengte en breedte in de viais pullorum^ tusschen het 
huis van Wilhelmus genaamd Ltndencruys (zie hierboven op 
1360 en dat van Laurentius de Wilre. 

In 1380 (N<* 865 D) eene camba (brouwerij) geheeten Kocmans- 
guet^ gelegen in de vicus pullorum^ tusschen het huis van Arnoldus 
ELE^!AN en dat van wijlen Mathias Kocman (hierboven in 1356 
genoemd). 



(1) Publicaüons etc. XIX, p. 389. 

(2) Maasgouw 18S8, p. 32. 



— 180 - 

In 1381 komt voor als gekozen tot lid van den Raad, Mees 
/;/ die Hoenrestrate^ H. Geest meester. 

In 1386 zegt Alex. Schaepkens aangetroffen te hebben Domimis 
Wya. Meijs /;/ die Hoeiirestrate^ hierboven in 1381 bedoeld; de 
schrijver teekent erbij aan, dat hij tot eene adellijke familie be- 
hoorde van wie een grafmonument bestaat in de voormalige kapel 
van St. Marcoen in St. Servaaskerk (^). 

In 1386 (N^* 909 D) wordt vermeld een huis in vico pnllonwt 
tusschen dat van Arnoldus de Grymby, brouwer, en ^t van 
B^rtholomeus de Antwerpia, koopman. 

In 1387 (No 9141)) is er sprake van den hierboven in 1356, 
1381 en 1386 genoemden Barthclomeus dictus vnlgariter Meys 
indie Hoenrestrate^ meester van de armentafel van den H. Geest 
en uitvoerder van het testament van Albertus de Herderen. 

In 1388 (N® 916 D^ wordt vermeld het woonhuis van Gode- 
fridus de Heydendaele, lanifex (zwaardmaker) en zijne echtge- 
noote Yda, gelegen in de Hoenderstraat tusschen dat van wijlen 
Reynerus de Herborch en dat van Egidius, lakenscheerder. 

In 1394 (N°917D) eene rente, te beuren uit het huis van Goe- 
dard van Heyendale in die Hoenrestraete^ naast dat van wijlen 
Reyner van Herborch en dat van Syeles der scherer (laken- 
scheerder). 

In 1535 komen onder de gevluchte wederdoopers voor, Peter 
Jorskens, molenaar in die Hoenrestroete ende sin huysfrouwe^ be- 
nevens Jan Smeitgen, gênant Jan Hoets, die in die Hoenrestraat 
plecht te ivoenen^ ende wuerdt in honre secten busschop gênant ('-). 



35. De Hondstraat. 

Volgens Alex. Schaepkens (^) zou deze naam eene verbastering 
zijn van Hoenstraat^ en aan deze straat toekomen doordien 
aldaar de grafelijke familie Hoen van Cartyls (f) eene woning 



(1) Publications etc. I, p. 56. 

(2) Jos. Habets, De Wederdoopers etc, p. 168. 
(«) Publications etc. II, p. 131, 136. 

(*) Zie eene verkorte genealogie dier fimiilie door A. J. A. Flament, Maasgouw 
1903, p. 62. 



— 181 — 

bezat, waarvan melding wordt gemaakt o. a. in een schepcnbrief 
van 1462. In een nog oudere, n.I. van 1386, is er sprake van die 
Hoenrestractc bij gelegenheid dat daarin vermeld wordt de woning 
van Winandus Mkvs, ook eene oude patricische familie, van welke 
nog een grafmonument bestaat in de voormalige kapel van St. Mar- 
coen in de St. Servaaskerk (}'). 

J. Habets schijnt ook dat gevoelen te deelen waar hij zegt dat 
de markgraven van Hoensbroeck adellijke buitenburgers, eerepoir- 
ters van Maestricht, in die straat een residentiehuis bezaten en 
haar hunnen naam gelaten hebben (^). 

Ook A. Habets vermeent zulks op grond dat de graven van 
Hoen (Hoensbroeck) vaak omtrent de XIV* eeuw eene hooge 
plaats in de magistratuur bekleedden en in die straat „waaraan 
ze hun naam gaven", woonden Q'), Volgens het hieronder ver- 
melde register was Herman Huen graaf van Hoensbroeck, in 1375 
Schout der stad voor den Hertog van Brabant. „Here Herman 
„Hoen" wordt in diezelfde hoedanigheid aangetroffen in 1379, 
tijdens den twist die ontstaan was met den heer van Gronsfeld, 
die beschuldigd werd den burger Geerken Gal te hebben gedood (^). 

Baron von Geusau waar hij de Fransche straatnamen der stad 
opsomt zooals ze in 1814 gebruikelijk waren, is ook van meening 
dat de vertaling in „Rue des Chiens" foutief is, aangezien die 
naam behoort te zijn lloenstraat^ als zijnde afgeleid van de 
residentie die de graven van Hoensbroeck bezaten op den hoek 
dier straat en der Witmakerstraat (ö). 

En toch, hoe verleidelijk het ook moge wezen den naam van 
oude „eerepoirters" blijvend te zien voortleven, komt het mij 
voor dat de aangehaalde schrijvers dwalen en de bedoelde straat, 
voorheen niet den naam eener adellijke familie, doch slechts dien 
van den alledaagschen hond heeft gedragen. 

Franquinet zegt beslist (N^ 67 F noot) dat in 1337 de naam 
Hondstraat wasj in een anderen schepenbrief N«» 185 F van 1433 



(Ij Publications etc. I, p. 56. 
(2) Ibid. II, p. 30. 

O A. Habets, Régisire aitx Réso/utions du Conseii Communalde Maesfrk/it \^Q>6 — 
1379, p. 50. 
(4) Ibid , p. 71. 
(*) Publications etc. XXXVI, p. 441. 

12 



— 182 — 

wordt ook, als in die hojitstrote gelegen vermeld, het goed van de 
gebroeders Bartholomeus en Goedart van Warwelle. 

Ook van Heylerhoff (i) spreekt van la rue des chiens zonder 
commentaar. Elders (2j evenwel zegt hij, dat de straat oudtijds 
Iloeiistraat heette naar de adellijke familie Belen-Hoen, die er 
woonde. 

Ik ben geneigd te gelooven dat de verwarring is onstaan ten- 
gevolge van eenige euphonische overeenkomst, vooral in de locale 
uitspraak der beide woorden Hoen en Hond. M. i. is de autoriteit 
der hier volgende aanhalingen afdoend tot 1419. Tot dan toe is 
de naam onbetwistbaar (\^ Hondstraat gtvft^sx. Is ze omstreeks 1462 
toen aldaar Jhr. Hoen van Cartyls woonde van lieverlede de 
Hoenstraat geworden, om daarna weer af te dalen tot den oor- 
spronkelijken naam? 't Is mogelijk: bepaalde bewijzen ervan heb 
ik evenwel niet aangetroffen. 

Als eene wetenswaardige bijzonderheid verdient nog vermelding, 
dat op den hoek der Hond- en Breedestraat, naar den kant van 
O. L. Vr. plein, voorheen in de VII« eeuw het huis stond waar 
St. Lambertus geboren werd en met zijne grafelijke ouders Aper 
en Herisplindis gewoond heeft. Zóó werd ten minste op goeden 
grond beweerd door de Jesuieten, die daar ter plaatse hun kerk 
en college stichtten in 1570 (^). Op den naar het noorden ge- 
keerden gevel van dat huis stonden in den vorm van ankers, onder 
de daklijst, de letters D. S. L. 'R. (Domus Sancti Lamberti ree- 
diücata) ; daarboven het jaartal 1688^ terwijl een standbeeld van 
den Heilige in eene nis den hoek van het huis versierde aan den 
ingang der Hondstraat. Wanneer dit eerbiedwaardig gebouw ver- 
dwenen is, is mij niet bekend; waarschijnlijk werd het afgebroken 
toen in 1787 de Heerenstraat (aldus genoemd omdat de heeren 
van den Magistraat ze deden aanleggen) door de tuinen van het 
Jesuietenklooster heen werd aangelegd. Het is afgebeeld door 
Alex. Schaepkens (f) en vertoonde in de samengekoppelde vens- 



\}-) Annuaire etc. 1830, p. 158. 
( ) Ibid. 1831, p. 132. 
{*) Ibid. 1830, p. 109. 

(^) Zie zijne Analectes archéohgiques ^ p. 17 en zijn geïllustreerd werk f,^aint 
Lamder t, son berceau ei sm premier tombeau^\ pi. N° 1. 



— 183 — 

ters, zoowel van de bovenverdieping als in de kleinere op den 
beganen grond en de deur, den Romaanschen rondboog en colo- 
netten van denzelfden bouwtrant. 

In de XVI* eeuw was dat huis bekend onder den naam den 
Guldenboom; het werd in 1575 door den Prins-Bisschop van Luik 
Gérard de Groesbeek met de omringende terreinen aan de 
Jesuieten afgestaan. 

In 1865 werd in dezelfde straat een sierlijk renaissance-torentje 
afgebroken om plaats te maken voor de beide huizen, thans toe- 
bchoorende aan den heer Laurent Polis. Ook daarvan is eene 
teekening van Alex. Schaepkens tot ons gekomen (^) vergezeld 
van eene Notice over de familie, van stedelijken adel, CRUESENof 
Crusen, die in de XVI** eeuw daar ter plaatse waarschijnlijk het 
voormalige huis verbouwde van den straks te noemen Johannes, 
lombaard, bijgenaamd Turelli, omdat hij niet van adel zijnde, 
zich toch de weelde van een torentje veroorloofde. 

De zich in dezelfde straat bevindende Luthersche kerk werd 
door Prins Georges-Frederik van Waldeck, gouverneur der stad 
voor de Staten (1679-1692), gebouwd. Na de capitulatie der stad 
in 1632 werd door de Hollandsche regeering de vrije uitoefening 
in 't openbaar van den godsdienst slechts toegestaan aan de 
Katholieken en de Calvinisten. Nadat Lodewijk XIV hier zijne 
heerschappij door de inname der stad in 1673 had gevestigd, ver- 
leende hij evenwel hetzelfde voorrecht ook aan de Evangelisch- 
Lutherschen en stond hen dientengevolge de St. Catharina-kerk 
af, terwijl de St. Mathias-kerk wederom aan de Katholieken kwam. 
Toen bij den vrede van Nijmegen (10 Augustus 1678) Maestricht 
op nieuw aan de Staatschen kwam, werd dat alles weer ongedaan 
gemaakt. De Katholieken, verjaagd uit de St. Mathias-kerk, (de 
Calvinisten bleven in 't bezit daarvan tot 1794), mochten weer 
de St. Catharina-kapel betrekken, terwijl de Lutherschen met 
hunne vrijheid ook een kerkgebouw moesten missen. 

Nadat de Prins van Waldeck te vergeefs gedurende vier jaren 
voor zijne geloofsgenooten gepleit had, werd eindelijk den 12 De- 
cember 1682 den Lutherschen toegestaan, zich op eigen kosten 
een tempel te bouwen, evenwel zonder toren en klokken en niet 



(I) Zie Publications etc. II, p. 126 en ook Schepcnbrief N« 112 en N° 113FNoot. 



— 184 — 

aan de openbare straat. Van daar dat de Luterschc-kerk door een 
woonhuis gescheiden is van de Uondstraat, Ze werd grootendeels 
op kosten van den Prins gebouwd en was reeds in 1684 voltooid. 
Bouwkundige waarde heeft die kerk niet. 

Huizen in de Hondstraat en hunne bewoners. 

In 1343 (N° 375 D) wordt vermeld dat Ludovicus de Merk 
venditor peplorum (handelaar in mantels) woonde op den hoek 
der Witmakerstraat ex opposito vici canum. 

Omtrent 1345 woonde in de Hondstraat een ridder Gerardus 
VAN Rolingen. Een Renerus van Rolingen was hier schepen 
in 1291, een Lambertus van Rolingen komt in dezelfde hoeda- 
nigheid voor van 1309 tot 1319. In 1356 woonde op den Jeker 
jonkvrouwe Maria van Rolingen, waarschijnlijk de dochter van 
Gerardus C^)- 

In 1355 (N*'535D) is er sprake van een huis, hier gelegen tus- 
schen dat van Walter Herinx en dat van Petrus Pyerotii. 

In 1379 (N^ 843 en 844 D) van het huis van Godefridus Klercs 
in de vicus cauiim geheeten /lontstraete, gelegen tusschen de goe- 
deren van Jan \an Echt, priester, en die van Jan de Lvbeke, 
textor. 

In 1383 (N° 885 D) woonde Wilh. Wyze /;/ vico canum. 

In 1392 (N** 112 F) woonde Johannes, bijgenaamd Türelli, 
lombard, in* die IJoutstracte tusschen Henrix Penre, kanonik van 
O. L. Vr. en Wouter Kouman (N*» 947 en 948 D). 

Van dienzelfden Turelli is blijkbaar sprake, waar door Alex. 
Schaepkens (2) vermeld wordt dat de lombard in 1408 gelegen 
was in de Hnnstrate en gehouden werd door de vrouw van 
Johannes .... des lombar ds dat nu syn wyf heltQ), 

In 1407 (N° 1087 D) is sprake van een huis /;/ die hoenrestraet^ 
gelegen tusschen dat van Henrich van Brueselt en dat van 
Henrich Reuten. 

Hetzelfde huis met gelijke spelling van den straatnaam komt 
een maand later voor (N^ 1090D). 

In 1408 wordt de naam der straat duidelijk ^«;/j/r^^/^ geschreven. 



(ï) Franqüinet, htv, O, L, Vr. II, p. 125. 

('-) Publicaiions etc. I, p. 59. 

\?) Zie over de Cauversini of Lombarden, Franclüinet, Invettt, O. Z. Tr. I, p. 79 



r 



— 185 * — 

bij vermelding van het huis, bewoond door Wouter Kouman, 
priester en kapellaan van St. Servaas, (zie hierboven op 1392 
N^ 947 en 948 D) gelegen tusschen dat van Johannes Turelli, lom- 
bard (vergelijk hierboven) en dat van wijlen Johan van Liekeke 
bewoond door Gerard van Liebeke en diens moeder (zie op 1379). 

In 1419 (N° 1213D) komt voor het huis van Johan Huen, 
ridder, in die honzstraete, 

In 1462 (N° 1491 D) is er sprake van het huis van Adriaen 
VAN Heusden, priester, gelegen in vico caniini^ tusschen het huis 
van jonkheer Johan Hoen van Cartvls den oude en dat van 
Menten Goertz van Geldrop. 



36. De Wijker Hoogebruggestraat en -poort. 

Volgens van Heylerhoff(i) zouden de Wycker Hooge Brugstraat 
en -poort haren naam ontleenen aan de in 1275 ingestorte Maes- 
brug, die tegenover de O. L. Vrouwepoort en di^'c\{Q\\t. hooger op lag 
dan de tegenwoordige. Franquinet schrijft dien naam toe (waarom 
zouden beide veronderstellingen niet juist kunnen zijn?) aan 
de steenenbrug (altus pons^ hooge brug) met zes bogen (in 1296 
N** 40 F genoemd^, die een arm van de Maas overspande en 
toenmaals door het Heerder- en Heugemerveld liep (thans in het 
zoogenaamde langtvater ontaard) en als gracht dat gedeelte der 
stad omsloot (^). Die Maasarm heeft daar waarschijnlijk van 
af den Romeinschen tijd bestaan en werd in de XVI^ eeuw tot 
een gewone, ofschoon breede gracht verengd; drie bogen der brug 
werden toen, bij den aanleg van militaire verdedigingswerken 
aan de buitenzijde ingegraven. Toen verdwenen ook de twee 
hoeven Berckhout en Eycholt^ die tijdens de oorlogen en belegerin- 
gen in de Middeleeuwen menigmaal verwoest en verbrand wer- 
den. De laatste behoorde in de XV« en XVI* eeuw aan de oude 
adellijke familie de Chivel. 

De hooge, zware walpoort Oude Wycker^ Duitsche of Allemacn- 
genpoort geheeten, een gedenkstuk van indrukwekkende militaire 



(O Annuaire etc. 1825, p. 118. 
(2) Aïaas^ouTv 1880, p. 366. 



— 186 — 

bouwkunst uit de XV« eeuw, destijds, volgens eene teekening van 
Alex. Schaepkens, door vier torens geflankeerd, viel in 1869 met 
haar prachtig gewelf onder den brutalen moker gedeeltelijk, eerst 
van eenige zich daartoe gemaskerd hebbende Wyckenaren, toen 
weldra, even als later het z.g. „Waterpoortje" onder dien der 
overheid. Zij ware zoo praktisch te bewaren geweest en zou even 
als in zoovele andere steden tot sieraad der stad hebben gestrekt! 

Hulzen in do Wycker Hooggobrugstraat en hunne bewoners. 

In 600 legde St. MonulphuS; 12= Bisschop van Maestricht, de 
eerste hand aan de stichting van het Si. Gillisgasthuis. St. Gon- 
DULPHUS voltooide het werk in 611 (i). 

Het kwam naderhand onder het oppertoezicht van het kapittel 
van O. L. Vr. De daartoe behoorende kapel werd alreeds in de 
XVI* eeuw als bouwvallig gesloten en in 1795 afgebroken. Het 
godshuis werd echter weder opgebouwd en dient nog thans tot 
woning van twaalf oude vrouwen die er kosteloos gehuisvest zijn 
en eene wekelijksche toelage in geld en steenkolen genieten (2). 

Het eigenlijke gasthuis werd in 1610 met verlof van den Prins- 
Bisschop van Luik verkocht (3). 

In 1271 (N® 4 Dj worden de gezusters Grita en Yda, begijnen, 
als bloedverwanten genoemd van Johannes sancti Egidii in Wie 
invesiiti (rector van het St. Gillis gasthuis). 

In 1401 (No 103SD) wordt vermeld de brouwerij van Peter 
Crektpukle, in pacht bij Johan van Lynde, gelegen te Wyck 
bij Hobruggefiporte tusschen het erf van Henrix Bovyer en dat 
van Johan Reytvosse. 

In 1404 (N*» 1054 D) is er sprake van het huis van Gerard 
VoES en dat van Swart Hevnen in de Hoebrtiggenstraet; ook van 
dat van Willem Crucenbergh, en van een erf, toebehoorende 
aan de O. L. Vrouwe broederschap. 

Het is onzeker of hier niet de Heistraat bedoeld wordt. 

In 1417 (N° 1193 D) wordt vermeld het huis van Wouter van 
Vlyerdermale, olieslager, te Wyck, tegenover het Sl GillisgasU 

(M Maasirouiu ISÖü, p. 1134. 

('•) Franciuinet, Inveni. O, L. Vr, I, p. 76 en 365. 

( ') Zie Noot bij het St. Agathagasthuis (Tafelstraat). 



— 187 — 

huis gelegen, naast dat van Johan Scampart, timmerman, en dat 
van Johan Krikkel, bontwerker. 

In 1417 (N* 1183 D) wordt gewag gemaakt van eene erfrente 
uit het huis van Hendrik onder den Wyngart^ gelegen te Wyck 
{yXi N*'1184D van 1439 blijkt, dat dit huis in de Hoogbrng- 
gestraat lag) lusschen de erven van Lambrecht van Bovarts en 
van Lambrecht van Oytegraven den oude. 

In 1439 (N« 1184 D) wordt het voormelde huis beschreven als 
gelegen op gheen syde des gasthuys van Sint Gielis naast het erf 
van Lambrech van Oetegroven. 

Het huis met arduinen gevel, dat in de Hoogebrugstraat tegen- 
over de Grachtstraat ligt en thans nog vele uiterlijke sporen van 
vroegere deftigheid draagt, was voorheen een refugiehuis van de 
Proostdij van Meersen; het wapen daarvan en dat van het kei- 
zerrijk, in steen gebeeldhouwd, bevinden zich in den gevel. Het 
werd in 1797 als nationaal goed verkocht (^) en in 1834 door 
de heeren Cartissier ingericht tot fabriek van gekleurd glas (2). 



37. De Houtmaas (Platca supra Mósam ubi ligna venduntur) 
benevens de Exterstraat (Wijngartsruwe) 

de Eikelstraat en 
de Moorenstraat 

De HoutmaaSy veelal ook houtstaet^ hontstat^ hontstrate^ hoyde mase^ 
genoemd, ontleende haren naam aan de houtverkoopers en laiten- 
houwers, die aldaar nabij de Maas woonden. Van daar dat in 
latere jaren, b.v. in het cijnsregister van 1574 huizen vermeld 
worden opdie Vischermaeze ende Lattemaeze (3). Ook wordt de 
Houtmaas de vicus mercenariorntn genoemd (in 1380 N° 865 D). 
De steegjies, die daarop uitloopen, schijnen voorheen onder geen 
eigen naam te zijn bekend geweest; zij werden door hunne ligging 
ten opzichte der Maas, der Plankstraat of der Visschermaas, aan- 
geduid; zoo b.v. in 1373 (N'' 107 F) tnsschen vicnm parvum ducen- 
tem ad Mosam voor het Exter straatje. Dit wordt ook een enkele 



(i; Publicaiions etc. XXV, p. 72. 

(•) Maas^ouw 1889, p. 168. 

(3) pRANauiNET, luv, O, L, Vr. I, p. 198. 



— 188 — 

maal in 1380 de Wyngartsruwe genoemd (^). Het Exterstraatje 
wordt in 1400 (N® 866 D) ook omschreven als dat riiwekeu dat 
geit vander alder plancken (Plankstraat), ter hoyde masen (Hout- 
maas) wart; ook een gedeelte der tegenwoordige O. L. Vr. kade 
was bekend onder den naam van Houtmaas. (Taz ook Plankstraat 
N'^ 1109 D van 1409). Het Mooreustraatje^ komende van de Haven- 
straat, heeft het Eikelstraatje tot verlengde tot aan de Hoiitmaas. 
In 1402 (N* 137 F) wordt eerstgenoemd steegje omschreven, 
zonder bepaalde naam, als eyn cleyne ruzvke komende vander 
hoefstat (Havenstraat). 

Hulzen op de Houtmaas en hunne bewoners. 

In 1349 (N° 451 D) is er sprake van een huis /;/ vico dicto 
Hoetstat naast dat van Johannes Bongaert en dat van Hellinus 
DE MocH. Margareta, de dochter van deze, die toen overleden 
was, was gehuwd met Renerus Reynson, zoon van Lambertus 

DE ViSETO. 

In 1356 (N° 544 D) worden twee huizen vermeld in d^ parva 
ruella que dncit versus vicum die turn houtstat gelegen tusschen dat 
van Johannes genaamd Scaveymont en dat van Johannes de Polle. 
In eene noot, die van latere dagteckening is, worden die huisjes 
gezegd gelegen te zijn in ruella dicta lloutstraet^ en ook /;/ foro 
piscium^ zoodat het Eikelstraatje zal bedoeld zijn. 

In 1358 (N® 610 D) is er sprake van het huis van wijlen Bou- 
GART, gelegen /;/ plathea dicta houtstrate waarin Johannes Wakette 
woont. 

In 1371 trof Alex. Schaepkens (2) de Hout^naas aan onder den 
naam van Houtstrate. 

In 1380 (cijnsregister van het O. L. Vr. Kapittel) komt de bij 
de Visschermaas in 1377 genoemde Johannes Pennen voor, wiens 
huis hier gezegd wordt te liggen supra Hoetstat; van dii huis 
wordt ook gezegd : ad bona Arnoldi Houtmengher op die holtmaze 
in ordoue ruelle die Wyngartsrmve^ waardoor de Exterstraat schijnt 
bedoeld te zijn. In hetzelfde cijnsboek komt o. a. ook voor het huis 
van Werner ceruisiator (hx:ou\vtv) supra Mosa^n^ op de Holtmaze (}^. 



(') Franquinet, Invent. O, L. Vr, ÏI, p. 28, 14. 

(^) Publicatiotjs etc, I, p. 08. 

(3) Franciuinet, Itivcut, (7. Z. /V., II, p. 23, 14» 



— 189 — 

In 1400 (N<» 308 W) is er sprake van een straatje dat geit van- 
der alder plancken (Plankstraat) ter hoyde viasen wart (Exterstraatje). 

In 1403 (N''381D) van het huis van Heynric van Tille, 
houltmejtgers^ gelegen op die houtstact naast dat van Vastrard 
Sacdreger en dat van Ida de weduwe van Cornelis Preuts. 

In 1428 (N° 180 F) wordt een huis vermeld optie /ioiitstatï\i\d^%\. 
de hoeve van Johan van Wange. 

In 1428 (N° 1279 D) een huis bewoond door Johannes Kirle- 
MAN, gelegen op de Houtmase naast dat van Johan van Merle 
en dat van Margrieten Kerstgens. 

In 1437 (N<> 1327 D) wordt opgedragen aan Johan van Tyr- 
negae en zijne vrouw eene hoe/stat op de Houtmaas^ gelegen tus- 
schen het erf der abdij van Hocht en dat van Goeswyn van 

DlI,SEN. 

In 1463 (N<» 1494 D) is er sprake van het huis van Leonard 
VAN Waltvucht op die Iwltjnase gelegen, en achter uitkomende 
in de Stokstraat, naast het huis van Johan van Amby, kuiper, 
en naast dat van Symon der Zeger aan den kant der Maas, 
en in de Stokstraat naast het huis van Johan voornoemd, en dat 
van Peter gezegd die Kreyter. 

In 1538 deed de bisschop van Luik Cornelius de Berghes 
zijne blijde intrede binnen Tricht. Groote feestelijkheden hadden 
bij die gelegenheid plaats, o. a. de bestorming van den burcht op 
de Maas, een schouwspel waarop onze voorzaten verzot waren en 
dat zij opvoerden na de zevenjarige heiligdomsvaart en bij bezoek 
van vorstelijke personen. Het schippersgilde had van Keizer Karel V 
het voorrecht erlangd om dit volkspel te mogen houden, dat o. a. 
ook plaats had bij het bezoek aan Tricht van Peter den Groote 
in 1717 (^). De aanleiding tot vermelding hiervan ligt hierin ge- 
legen, dat Cornelius de Berghes het schouwspel bijwoonde voor 
het huis van ridder Leonard, alias Jan van Meersen (2), dat 
gelegen was op de ïloiitmaas^ daar w^aar in 't begin der XIX* 
eeuw de tuin was van den heer Ciiapuis (^). 



(') Zie hel relaas daarvan Annales J, p. 'J95 - li97. I3ij gelegenheid der blijde in- 
trede van Philips II in 1550: PubUcaliotts etc. VU, p. 4uy. 
(*) Zie omtrent die adellijke poorters-familie Publications etc. XXV II, p. .*}09. 
('0 Publications etc. XXVI, p. 474. 



— 190 — 

38. De Jekerstraat. 

Huizen op de Jekerstraat en hunne bewoners. 

In 1380 (N° 856 D) wordt vermeld een huis met daarachter 
gelegen hoeve op de Jekerstracte inter dnos montes et commenam 
naast het erf van Johannes de Hercke en dat van Johannes ge- 
naamd Derdelinc. 

In 1397 (N^* 857 D) wordt een erf te Tweebergen vermeld in 
de Jekerstraat^ gelegen tusschen dat van Johannes genaamd 
Heynsbercii en dat van Egidius de Junccis, parator arjnorum 
(wapenmaker) en tegenover de mansio van wijlen Danyel Caseus (i). 

In 1412 (N® 1135 D) wordt het zooeven bedoelde erf nu van 
zvijlen Johan VAN Heynsberch andermaal genoemd en zijne lig- 
ging omschreven als tot Tiveynbergen in die Jekerstraete (}^ tus- 
schen de erven van Peter van der Lake en van Wilhem van 
Zussciien, raedermeker. 

In 1423 (N® 1244 D) wordt melding gemaakt van eene schuur 
met poort in die Jekerstraet^ gelegen tusschen het erf van Johan, 
zoon van Goert Holsberch en dat van Hannen de weduwe van 
Wilhem Heynsberch (zie voorafgaande). 

In 1446 (N® 1386 D) is er sprake van die groete teendeschuyie 
van het kapittel van St. Servaas, geheeten die theende schuyre Dan 
Vleyiingen^ gelegen op de Jekerstraat naast de dyne theende schuyre 
van dat kapittel, geheeten die theende schuyre van Hese, 

In 1448 (N° 1392 D) van eene schuur van het kapittel van 
St. Servaas, geheeten die schoufs schtur gelegen in de Jekerstraat 
tusschen de erven van Johan Jegers en Wilhem Grotecloes. 

In 1455 (N" 1426 D) van het huis van Dyonys Cantelberchs, 
gelegen naast de tiendschuur van het kapittel van St. Servaas. 

Uit de limietbeschrijving van Maestricht, den Vroenhof, Twee- 
bergen en Sint-Pieter van circa 1550 (3) blijkt dat „die Jeeker 
jjStraete ter beyde syde Vroenoffs is, behalven achter Willems 
„van Ray huys, daer seght men dat keert den Vroenhoff; macr 
„die stellinge van het huys van Rupen syn noch Vroenhoff ende 
„van daer Tweeberger straete aff al Trichts. 



(*j Zie omtrent D. Caseus bij de Ifekkcnstraat. 
(•) PubUcaiioiis etc. I, p. 57. 
(^) Ibid., XIX, p. 420. 



— 191 — 

In 1708, luidt het in eene Chronijk(i), „heeft men tot Maes- 
»tricht eenen nieuwe Pikeurbaen getimmert op de Jeekerstraet 
»synde de oude verandert in een verkensmarkt." 

In 1748 werd deze manege door den Raad ter beschikking 
gesteld voor de fransche officieren hier in garnizoen, die nu op 
hunne kosten een troep comediantcn uit Frankrijk lieten komen 
om er tooneelvoorstellingen te geven. Na het vertrek der Franschen 
bleef dit gebouw tot in 1787 dezelfde bestemming hebben (2). 



39. De Jodenstraat. 

(Platea Judeorum). 

Of deze straat aldus werd genoemd omdat ze, zooals licht zou 
te veronderstellen zijn, in de Middeleeuwen een ghetto was, valt 
te betwijfelen. 

Ofschoon ze alreeds in de XIII* eeuw als Jodenstraat ^oox)ko\x\\ 
en in de XIV« vaak als bewoond door vleeschhouwers vermeld 
wordt, is er nergens sprake van bewoners, die Jood waren. 

Wèl was er eene school der Joden, zooals blijkt uit de ligging 
van het refugiehuis van de Abdij van Godsdal die gezegd wordt 
zich te bevinden supra Mosam ex opposito scole Judeorum (3). Zou 
dit de aanleidende oorzaak van haren naam zijn? 

Zooals bij de Bokstraat vermeld werd, lag voorheen de kerk en 
het klooster der Augustijnen nabij de Maasbrug tegenover de 
tegenwoordige kerk, ernaast en tegenover de straat, lag het Joden- 
poortje waaraan, toen de kleine Grind nog niet bestond, de maas- 
schepen aanlegden (*). Het verdween in 1852 bij het maken van 
het Luiker kanaal. 

De Chronijk van van Gulpen vermeldt, dat in 1860 in den 
gemeenteraad besloten werd, de Helmstraat en de Jodenstraat te 
verbreeden. Dat onzinnige plan waardoor het Dinghuis tot af- 
braak gedoemd ware geweest (!) werd gelukkig voor w^at de 
Jodenstraat betreft vervangen door de verbreeding der Brugstraat. 



(1) AnnaUs II, p. 164. 

(2) Annuaire 1830, p. 157. 

(^) Franquinet, Invent, O. Z. Vr, II, p. 119. 
(Ó Publications elc. IV, p. 403. 



— 192 — 

Huizen in de Jodenetraat en hunne bewoners. 

In 1295 (N® 35 D) wordt vermeld het woonhuis van Henricus 
DK MOLENDINO C^) in de plalea Judeorum, 

In 1314 (^N° 53 F) wordt vermeld het huis van Henricus van 
Aken, viccschhouwer, gelegen /'// platen jiideorum^ naast het woon- 
huis van Henricus Clocreng, die dezen naam droeg naar een 
huis bij de Maasbrug, dat een klokriug tot uithangbord had. 

In 1326 (N° GO F) het huis van Mathias van Aken, vlcesch- 
houwer, (zie voorafgaande). 

In 1333 (N*^ 257 D) treft men twee huizen met eene aren (open 
plaats) er tusschen, in de Jodenstraat aan Zij waren gelegen 
naast het huis van Menken, goudsmid. 

In 1336 (N° 88 W) wordt vermeld het huis van Johannes ge- 
naamd Verlyes, vleeschhouwer, gelegen /;/ vico Jiuieomm achter 
het huis van Johannes Lupus. 

In 1372 (N*' 788 D) wordt aan Emundus de Evke, vinitor 
(wijnman) in erfrecht gegeven een huis in vico J/ideorum, gch'^tn 
tusschen dat der kinderen de Herderen en dat van N)'cholaus 
Hollknder, vleeschhouwer. 

In 1376 (No 819 D) g-^eft Emundus de Eyke, vinitor^ hierboven 
in 1372 genoemd, aan Petrus Slicke van Bittert en aan Alcydis 
zijne echtgenoote in erfrecht een huis, weleer geheeten bedenwersgeut^ 
met dependentiën gelegen /;/ vico Judeoritm tusschen dat van 
Bruno de Glabbeke, goudsmid, en dat van Nycholaus Hollen- 
DER, vleeschhouwer. (Zie, voorafgaande). 

In 1376 (-) werden Goeswyn van Theynen en Diric Riemsleger 
belast met liet toezicht oj> het uitschudden van asch en vuil in 
de Nicuwstraat (Platielstraat) en in die Joedenstrate. De eerste 
kreeg het vierde gedeelte der boete die daarop stond. 

Voor 1380 woonde /// platea judeorum Johanne*^ Bedauer naast 
Johannes Lupi en Nicholaus carnifex (vleeschhouwer), zeker den 
in 1372 en in 1376 genoemden Hollender. (Zie ook op 1336). 

In 1388 (N° 918 D) wordt aan Goswinus de Wylre, vinitor, 
in erfrecht opgedragen een huis in de Jode7isiraat tusschen dat 



(') Zie over leden dezer patricische fiunilie Franquinet, Invent, O. Z. l'r,j I, 
p. V1-], 105. 
(-) A. Habets, Rei; j's ir e aux Rcsolutions du Conseil Communale 1368 — 1379, p. 54. 



— 193 — 

van Bruno de Gladbach, goudsmid, en dat van Petrus Verlyes, 
vleeschhouwer. (Zie de voorgaanden in 1376 en 1336). 

In 1483 (N<» 248 F) wordt het huis genoemd van Reyner Vrf,rix, 
hier gelegen tusschen het huis van Wouter /« die hage en dat 
van Johan Nys. 

In 1541 CN° 295 F) het huis van Neys Moularts, gelegen 
in die Jodenstraat tusschen het huis den bock en dat van Nelis 
Beckers. 

In 1577 en nog na het beleg van 1579 woonde Wilhelm Cuypers 
in de Jodenstraat (y). 



40. De Kakkeberg. 

Toen een dertigtal jaren geleden een zeer bescheiden en weinig 
uitgehaald hebbende poging gedaan werd om verbasterde straat- 
namen door de primitieve te vervangen, kwam men op het denk- 
beeld om ook dezen naam, wellicht omdat hij zoo erg onkiesch 
klinkt, te veranderen; en.... welluidenheidshalve schrapte men 
er eene k in, ook de veronderstelling voorop zettende, dat de 
straat wel haren naam zou kunnen verschuldigd zijn aan het 
patricisch geslacht de Cacabo, dat wij in 1291 (N° 33 F) in de 
Brugstraat aantroffen; een huis aldaar werd naar die familie ge- 
noemd of wel omgekeerd, die familie ontleende haren naam 
— zooals zeer vaak in de Middeleeuwen gebeurde — aan een 
uithangbord of gevelsteen een Kakkeberg (in het latijn Cacabo') 
voorstellende. Wat er van zij, mij dunkt dat men logisch en 
„in 't licht der historie" niet buiten de twee ^'s kan, tenzij men 
radicaal handelend de straat in eens Cacabostraat noeme. Uit de 
volgende aanhalingen blijkt echter niet dat de familie de Cacauo 
in die straat gewoond heeft of er bezittingen had. 

In het cijnsregister van 1380(2) wordt het huis genoemd van 
Florentius Weelde, schepen, dat volgens den schrijver op den 
Kakkeberg lag. Het is jammer dat de straatnaam niet in zijn 
destijds gebezigden-vorm is medegedeeld. 



(ï) Haakman en Allard, De s,g. Verwoesting van Maastricht in 1679 , p. 194. 
(2) Franqüinet, Inv, O, L. Fr., II, p. 23. 



— 194 — 

In 1381 echter is dit wel het geval; in de Raadsresolutie van 
9 April van dat jaar wordt vermeld, dat als hoofdman van de 
wacht (p Kdckeubcrgh is benoemd Colyn Moes (^). 

Ruim vijf eeuwen geleden heette de straat dus al Kakkeberg en 
blijkbaar hebben onze voorouders er zich niet aan geërgerd. 

Door Jhr. V. de Stuers is in der tijd, ik vermeen in de Maas- 
gomv^ geschreven dat de Kakkeberg z\]x\ naam zou ontleend hebben 
aan de kaak^ het schavot, dat in vroegere eeuwen, daar gestaan 
zou hebben. 

41. De Kapoenstraat en St. Jacobstraat. 

Ook deze straat heeft hier zoowel als elders haren naam ont- 
leend aan een gevelsteen van een harer hoekhuizen, thans nog 
in de Kapoen geheeten; het gedeelte dier straat thans St. Jacob- 
straat genoemd bekwam dien naam eerst in de XVIII* eeuw; 
vóór dien tijd werd het ofwel als tot de Kapoenstraat behoorende, 
aangemerkt, ofwel genoemd naar gelang der ligging van de huizen 
ten opzichte der kapel en het kerkhof van St.Jacob, gelegen op 
den hoek der BreedestraeTt, tegenover het gasthuis van St. Servaas 
aan het Vrijthof; zoo b.v. retro Sanctum Jacobum^ retro capellam 
Sancti Jacobi Apostoli^juxta capellam Sancti Jacobi^ retro claustrum enz. 

Huizen in de Kapoenstraat en hunne bewoners. 

In 1277 (N° 22 F) trof ik voor het eerst de Cappuynstraete aan 
bij gelegenheid van den afstand van een cijns op het daar lig- 
gende huis, het Paradys genoemd. 

In 1309 (N° 73 D) wordt door den abt van Godsdal aan deken 
en kapittel van St. Servaas overgedragen o. a. een cijns door de 
weduwe van Baldewinus de Gruthere betaald van eene area 
(open plaats) /// Captmcstrate. 

In 1311 (N° 89 D) wordt melding gemaakt van het huis met 
schuur der weduwe van Amelius, tegenover de kapel van St.Jacob, 
op den hoek de capuenstrate. 

In 1320 (N° 164 D) wordt vermeld de niansio basilisbur of ba 
silysboir^ naam eener vaak voorkomende adellijke schepenfamilie; 
dit, haar hier bedoeld huis, lag in de Kapoenstraat nabij den 



(1) Maasgouw 1883, p. 870. 



— 195 — 

Hertogsmolen. Deze familie bezat ook huizen naar haar genoemd 
in de Kleine Staat, op de Munt, in de Bokstraat en de op Visscher- 
maas waarvan nader bij die straten wordt melding gemaakt (i). 

In 1320 (N° 168 D) komt voor een huis in de Capitenst'^aie ge- 
legen, tusschen dat van Gerardus de Mersene en dat van Silia 
DE Lenculensi. 

In 1322 (N«»63W) is er sprake van eene grondrente, gevestigd 
op een huis in die straat, gelegen bij het huis van Hendrik ge- 
naamd Halabay en toebehoorende aan Hendrik de Molendino, 
schepen (zie ook N** 173 D). 

In 1324 (N<> 185 D) wordt de deelirig gemaakt tusschen de kin- 
deren vanThilmannus, van het huis hunner ouders in de Kapoenstraat. 

In 1325 (N°188D) wordt andermaal het huis ^^/577/,y/^//r vermeld. 

In 1329 (N® 230 D) wordt genoemd het huis van Hartwinus, 
Kiggeuhuys geheeten; het wordt aangeduid als liggende nabij het 
huis basilisbiir. 

In 1340 (N** 342 D) het huis van Kaïharina, de weduwe van 
Johannes Crukenslach, tusschen dat van Lambertus Paradon 
en dat van Greve, witmaker. 

In 1341 (N° 355 D^ twee naast elkander gelegen huizen achter 
de kapel van St. Jacob, waarvan het eene bewoond is door Hen- 
ricus Hantcappe en het andere door Johannes Man. 

In 1341 (N" 356 D) een huis gelegen achter de kapel van 
St. Jacob tusschen dat van Petrus Lympus claustarius en dat van 
Johannes, coctis van voornoemde kerk. 

In N° 209 D van 1327 is er sprake van diezelfde huizen met 
dezelfde bewoners. 

In 1345 (N* 413 D) wordt een huis met aanhoorigheden ver- 
meld retro Sanctum Jacobtim^ gelegen tegenover het huis van Hen- 
ricus de Rympst en tusschen dat van Lambertus de Blisea, hout- 
verkooper, en dat van Engelbertus Wellen. 

In 1346 (N** 421 D) het huis van Thomas genaamd Dummelken 
de Mayo, geheeten in den hof en gelegen naast dat van Lam- 
bertus Lamboy. 

In 1348 (No 447 D) wordt melding gemaakt van een huis tusschen 
dat van Lambertus Lamboy en dat van wijlen Winandus, brouwer. 



(1) Zie een genealogisch fragment over die familie de Balisbur, Publicatiotts 
etc XIV, p. 134, 



— 196 — 

In 1351 (N°476D) twee naast elkander gelegen huizen, tusschen 
dat van wijlen Hallebay (zie hierboven in 1322} en dat van 
Christianus Kyrion. 

In denzelfden schepenbrief wordt melding gemaakt van het erf, 
gelegen op den hoek achter de hofstede van heer Johannes de 
Herle, kanonik van St. Servaas, tusschen de huizen van wijlen 
Johannis Coci (wiens voorzaten hun naam geLveman de Cox ruwe^ 
de tegenwoordige Koekschroefstraat) en van EngelbertusDE Valle. 
Uit N^» 482 D van hetzelfde jaar blijkt, dat die hofstede lag op 
den hoek der St. Jacobs- en Papenstraat. * 

In 1351 (N*» 479 D) wordt het huis van wijlen Henricus Wellens, 
dat vroeger aan Thomas, genaamd Dummelken de Mavo, toebe- 
hoord had (vergelijk de zooeven vermelde No413D en N° 421 D 
van 1345 en 1346) in erfpacht gegeven aan Christianus Broytse. 

In 1353 (N°494D) wordt vermeld de niansio (heerenwoning 
van wijlen Theodoricus de Ghelke, tegenover het huis van 
Johannes Morencrusen. 

In 1354 (N° 511 D) wordt het huis genoemd bewoond door 
kapelaan Petrus de Leodio en zijne moeder; Johannes de Basilis- 
BUR werd er naderhand eigenaar van. 

In 1354 (N°500D) is er sprake van een huis, gelegen naast dat 
van Johannes de Lynke en bewoond door Johannes de Deypen- 
beke, priester. 

In 1357 (N« 593 D) doet de dochter van wijlen Ghiselbertus 
de Molendino afstand van eene rente uit het huis van Theodo- 
ricus Langherbeyn, in platen capomim^ gelegen tusschen dat van 
Johannes de Beke, investittis der kapel van St. Vincentius (in de 
Breedestraat) en het huis van Arnoldus de Blisya genaamd 
Pallire. 

In 1360 (N® 647 D) wordt vermeld de brouwerij van wijlen 
Gobbelinus Voets, tusschen het huis von Walterus Wambuys, 
voller, en dat van Michaelis de Millen, braxator medonis (een 
honingdrank). 

In 1363 (No 680 D) verkoopt de weduwe van Wilhelmus de 
Geylke, met toestemming harer schoonzonen Matheus de Rympst 
en Godefridus de Spauden aan Heinricus Sleyswych eene jaar- 
lijksche rente, te beuren uit het huis van Arnoldus genaamd 
Palere de Belisia in de Kapoenstraat^ naast dat van Remboldus 



— 197 — 

wever, en dat van Theodoricus Langerbeyn gelegen (Vergelijk 
voorafgaande N*» 593 D). 

In 1363 (N« 682 D) wordt Goswinus t>k Vinea (zie volgende) 
vader van Adriana en Nesa, man van wapenen genoemd. Haar 
werd in erfpacht gegeven een huis hier gelegen tusschen dat van 
Theodoricus Langerbeyn en dat van wijlen Hallabay. 

In 1369 (N** 756D; wordt aan Johannes de Haren, metselaar, 
in erfpacht opgedragen een huis hier gelegen tusschen dat van 
Reynerus de Vinea O (van den Wyngaard) en dat van Arnoldus 
DE Blisea genaamd Pallere (vergelijk beide voorgaanden). 

In 1375 (N** 808 D) treft men in dezelfde straat aan het erf van 
wijlen Henricus de Diepenbeke, gelegen tusschen het huis van 
Elisabet de Remst en dat van Arnoldus Gelman. 

In 1376 (N° 814 ü) wordt een huis genoemd retro capcllam 
Sancti Jacobi Apostoli^ en in eene aanteekening retro claustrum ; 
het lag tusschen het huis van Johannes Bos en dat van Henricus 
Naghels sfitor (schoenmaker). 

In 1379 (N*» 23 F Noot 4) bezat Ridder Ogerus van Mulken 
(zie hieronder op 1488) het huis /iet Pixradys genoemd; het lag 
naast het zijne de poort (adellijk huis) van Lichtenborch in de 
Cappuynstraete, Het huis in V Paradys werd hierboven in 1277 
genoemd. 

In het cijnsboek der altaren in O. L. Vr. komt voor, in 1380, 
een cijns gevestigd op het huis van Johannes de Riemst in de 
Kapoenstraat en geschonken aan het altaar van St. Blasius, gelegen 
in de groote krocht (2). 

In 1380 bezat Godfried de Hulst, genaamd Landmeter^ eene in 
het land van Loon zeer verspreide familie, eigendommen in de 
Kapoenstraat (^). 

In 1381 (N® 249 W) tref ik werkelijk aan de vermelding van 
twee huizen in die straat gelegen; het céne was bewoond door 
Christiaan de Heynsberch, priester, het andere door Pieter ge- 
naamd Keelstekere. Zij waren gelegen naast de goederen van 



(') In de Publicaiions etc. XIV, p. 129 is eene genealogische nota over die fiiniilie 

te vinden. 

(') Franquinet, Invent, O. Z. Vr, II, p. 9. 

(3) Piiblications etc. Vlï, p. 10. 
13 



— 198 — 

Nicholaus de Beke, timmerman, en die van Godefridus de Hulst 
genaamd Lantmetere. 

In 1382 (N*» 875 D) wordt een hiervoor genoemd huis vermeld, 
als toebchoorende aan Godefridus de Heynsberch, genaamd 
kampsterper ; het was gelegen tusschen het huis van Gerardus de 
Haeren, wagenmaker en dat van Godefridus. Hier schijnt ver- 
warring te bestaan tusschen N® 249 W en N° 875 D. 

In 1392 (N*^ 935 D) wordt vermeld het huis van Tylman Wever, 
gelegen /;/ die Capuynestraie tusschen broetsenpanhnys en het huis 
van Pouwel üstvenbecker, priester. 

In 1402 (N® 449 D) is er sprake van het huis gelegen tusschen 
die van wijlen Symon Scaefdriesch, man van wapenen, en van 
Henricus KoNiNCK venditor pomorum (^fruithandelaar). 

In 1413 (N° 1152D) wordt eene jaarlijksche erfrente overge- 
dragen door Tilman Wever en meester Jacob van Bunde in 
hunne hoedanigheid van kcrckmeisteren cude momboereu des geluchs 
der capellen des gnedeu Sijite Jacobs^ zulks met voorkennis van 
Leyval van Groesselt, priester en rector dier kapel en der 
naegcbueren^ met name Johan van Heze, schepen der stad, Coen- 
raert van Riemst en Cloes van Loenen. Dat erfrecht bestond 
onder anderen uit 7 schellingen uit het huis van Nesen van 
Haren (zie hiervoor op 1382) gelegen naast dat van Collyn van 
Synck en dat van Ytken Hillen. 

In 1416 (N°1177D) wordt vermeld het huis van Conrard van 
Riemst in de Kapoenstraat, naast dat van Heynrix Eelmans, 
schepen van Tricht, en dat van Godard van der Moelen. 

In 1423 (N^* 12491)) een huis in de Capiiynstrate tusschen de 
huizen van Henrix van Deylsen en Ylias Koelsoet. 

In 1426 (N° 1264 Ü) een huis in de Capiiynstraite gelegen tus- 
schen dat van Aleyde, de weduwe van Johan Meylken en dat 
van Lambrech van Asten; deze beide laatste huizen schijnen 
evenwel in de Lencnlcnsiraete gelegen te zijn geweest. 

In 1434 (N° 937 D) het huis voorheen van Tielman Wevers, 
thans van Pauwei Perfusen, priester. (Zie op 1413). 

In 1440 (N^ 1346 D) is er sprake van het huis van Johan Koex 
achter de kapel van St. Jacob gelegen, tusschen het gasthuis en 
het erf van Maroelen Voersen. 

In 1441 werd in deze straat het klooster van St. Annadal ge- 



— 199 - 

sticht. In 1531 werd het, ter gelegenheid der onlusten die hier 
plaats hadden, waarschijnlijk doordat Keizer Karel V Maes- 
tricht bij Brabant incorporeerde en waartegen een algemeen 
verzet ontstond (i), schier totaal verwoest. Ofschoon opnieuw op 
kleinere schaal weder opgebouwd, raakte het zoodanig in verval 
dat de overgebleven nonnen het in 1670 aan de zusters van Cal- 
variënberg afstonden, zelf bij deze opgenomen werden en voortaan 
zich wijdden aan ziekenverpleging. Het klooster werd nu tot ver- 
blijf van R.C. weezen ingericht, echter slechts tot 1698, toen het 
aan een particulier verkocht werd.' Van Heylerhoff schreef dat 
ten zijnen tijde zijne plaats ingenomen was door twee groote 
particuliere huizen, N° 751 en 752 gemerkt (^). Uit nazockingen 
ten Raadhuize is mij gebleken, dat die huizen lagen ter plaatse, 
waar nu de Stedelijke Muziekschool zich bevindt. 

In 1442 treft men aan in het Sinie Jacobs kerspel (3) als ouer- 
heutzman Johan Meyss, als hoofdlieden: Reyner Sprewartz, 
Gherit van Hoksselt, Vaes van Noerenberch en Wilhem 
WvNANTZ. De waelsplaciz (verzamel- of lopplaats in geval van 
nood) was voor de burgers in die wijk van af den langen torne 
(een toren bij de Tongerschc poort) iotten anderen nae den Reek 
(twee torens aan den Hexentrap) te gaen, 

In 1456 (N** 1433 D) is er sprake van het huis van Peter van 
Opy, der thymmerman^ gelegen in de Capuynstrate^ naast dat van 
Wilhelm van Bielsen, priester en naast zijn ander huis. 

In 1459 (N<> 1465 D) van het gasthuis mdie Capuynstrait opden 
oett van der Linckelenstrait. 

In 1478 (N® 240 F) woonde Johan Elman in die cjppuyns stroef^ 
tusschcn het huis van wijlen Woulter Snackart en het Gasthuis 
van St. Jacob (^). Dit gasthuis diende tot herberging der pelgrims, 
die hetzij uit devotie hetzij tot penitentie, dóór Tricht naar St. Jacob 
van Compostella in Galicië togen. Hier werden door den Magis- 
traat vaak in de XIII* en XIV« eeuw vonnissen geveld, die pel- 
grimstochten daarheen, naar Rochemadou, Vendóme, Cyprus, 



(1) Publicatiom etc. XXXV, p. 265. 

(2) Annnaire 1831, p. 103, 104. 

(3) Pubiüatums etc. XIX, p. 386. 

(*) Zie nopens die kapel en gasthuis, Franquinet, Invea/. O, L. Vr, I, p. 248. 



— 200 — 

Trier, Aardenberg, St. Josse-sur-mer, St. Rombout, Parijs enz. 
voorschreven. 

In 1488 had er te Tricht eene groote processie plaats met sup- 
plicatie (afsmeking om bevrijding van een algemeene ramp). 
D'^ Doppler (i) geeft eene beschrijving daarvan, met nauwkeurige 
opgave van den weg dien zij volgde... „verder begaf zij zich door 
„de Witmakerslraat, de Kapoenstraat tot bij woning van den 
„burgemeester in het Lavoir of ccllum lavaernvi genaamd, alwaar 
„men wederom stil hield, de Noodkist keerde naar den kant der 
„St. Jacobskapel en de antiplioon y^Mira DcV zong....'' 

In dat jaar was burgemeester, van Luiksche zijde, Joncker Jan 
VAN MuLCKEN, die van af 1485 tot aan zijn dood in 1523 tien- 
maal voor één jaar tot dat ambt gekozen werd (^). 

Van 1516 tot 1527 was Brabantsch hoogschout alhier Conrard 
VAN Gaverkn (f 1570) heer van Diepenbeek en Elsloo. Hij be- 
hoorde tot een machtig en aanzienlijk geslacht, een der oudste 
families van België, die buitenburger te Tricht was en aldaar in 
de Kapoenstraat een uitgestrekt goed bezat y^de poort van Gavcren^^ 
genoemd (3), thans eigendom van eene communauteit van fransche 
religieuzen. 

In 1545 (I^** 22 F Noot 4") hield in die straat zijn verblijf in 
het huis van Oest^ Jonker Christophorus van Oest. Ook w^ordt 
alsdan het huis van Arckenteel (Argenteau) genoemd, benevens V 
Gaverenhuys ofte Gaverenport. 

In 1559 (N° 306 F) komt voor in de Capuymstraet een huis ge- 
heeten die gebraeden ganss. 

Volgens eene overlevering (N° 24 F Noot p. 50) zou de van 
Gaveren poort, die even als thans nog, achter het alignement der 
huizen aan de oostzijde der straat lag, eene vroegere stadspoort 
zijn geweest en deel hebben uitgemaakt van den ringmuur vóór 
de X'^* eeuw. 

In 1576 wordt melding gemaakt van een huis in de Kapoen- 
straat, den 7 repoel gQnoemd^ het behoorde aan Jan VAN Gaveren 

C) MacTs^oirn 188^^, p. 81. 

(2) Ibid. 18S5, p. 1032, 1035. Over een Ogerus de Mulkek in deze straat zie 
Frakquinet, /;/7a O, L, Fr., II, p. 8. 

(3) Ibid. 1800, p. 103. Zie nadere bijzon Jerheden over Conrard van Gaveren en 
deze familie, Publkations etc. XXV, p. 18-^, 254, 204 en XXVII, p. 315. 



— 201 — 

en was een logement, waar de buitenlieden overnachtten en nog 
al verteringen maakten (i). Dat huis was voor 1200 br. gld. verborgd 
aan Jan Stakl (2). De familie van Gaveren schijnt toenmaals 
in geldelijke verlegenheid te hebben verkeerd; ik vérmeid bij de 
behandeling van het Viijthof^ dat Nys, de waard \\\x de Kroon ^\n 
1574 veel geld van haar te vorderen had. Jos. Habets meent dat 
de familie Trepoel of Treecpuele, ook voorkomende in 1400 te 
Wijk bij de Hoogbruggepoort (N° 309 W) wellicht nog gerepre- 
senteerd wordt door de Maestrichtsche familie Tripels. 

Na vooraf door de Stad tot logement voor de hoofdofficieren 
van het garnizoen bestemd te zijn geweest, diende de Poort van 
Gaveren^ 7 Gaverenhuys of de poort van Gavre^ tot zittingslokaal, 
wanneer de beide hooge gerechten gezamenlijk vergaderden, na- 
melijk wanneer in één proces èn personen van luiksche, èn 
van brabantsche nativitcit betrokken waren. Aan de gezamen- 
lijke hoogschouten, burgemeesters, schepenen en raden der siad 
werd den 11 Juni 1639 door de twee Commissarissen Deciseurs 
van ieder der beide Heeren van Tricht, verlof gegeven dat hui?, 
dat toen eigendom der stad was en tot welks onderhoud zy ver- 
scheyden lasten ende onkosten is draegende^ tot zijne nieuwe bestem- 
ming in te richten. De beste vertrekken werden ingericht en 
gereserveerd tot logeering der voornoemde vier hooge Staatsamb- 
tenaren. Ten teeken van zijne bestemming tot publiek gebouw 
werden den 10 November 1639 de wapenschilden der beide Sou- 
vereinen en het gemeente wapen plechtig onder V sieecken van de 
trompetten op de poorten gehecht. Volgens van Heylerhoff (3) 
diende de Poort van Graveren slechts nauwelijks één jaar voor 
die nieuwe bestemming; in 1640 huurde de Gemeente van de 
Jesuïeten de Poort van Reckheim^ een hun in de Breedestraat toe- 
behoorend goed (ter plaatse waar thans het huis N° 17 staat) en 
werd er de zetel der gemeente administratie overgebracht. In 
1666 werd het voor 8200 Luiksche guldens aangekocht. 

Toen in 1664 het nieuwe stadhuis voltooid was, werden er al 
de kantoren en vergaderzalen, zoo der rechterlijke als der ge- 



CO PtibUcaiions etc, XXV, p. 185. 

(2) Ibid. VII, p. 9. 

(3) Jaarboek 1850, p. 248. 



— 2Ö2 — 

meentelijke administratie, overgebracht (i), terwijl de Commis- 
sarissen-Deciseurs later bij hunne komst alhier om de twee jaren 
verblijf hielden, die van Brabantsche zijde (Vereenigde Provinciën) 
in het da;irtoe in 1700 opzettelijk gebouwde Statciihiiis aan het 
Vrijthof, die van Luiksche zijde sedert 1723 in het HofvanTilly. 

Op Driekoningendag, den 6 Januari 1677, mocht weer eene 
groote Processie uit St. Servaaskerk door de stad trekken, het- 
geen door de Hollanders na de overweldiging der stad in 1632 
verboden was. 

Toen toch de Franschen in 1673 in derzelver bezit kwamen en 
daarin tot 1678 bleven, waren hier weer de vrije openbare gods- 
dienstplechtigheden geoorloofd. In de bovenbedoelde processie, 
geopend door de studenten der Paters Jesuïeten met hunne stan- 
daarden, en waaraan de geheele geestelijkheid der stad deel nam, 
werden de Noodkist, voorafgegaan door het smeden ambacht, be- 
nevens de voornaamste reliquiën rondgedragen. Zij toog langs het 
Vrijthof, door de St. Jorisstraat (Groote Staat) naar het Ding- 
huis, alwaar aan twee personen, wegens doodslag gevangen gezet, 
de vrijheid geschonken werd, nadat zij met een brandende flam- 
bouw de Noodkist gevolgd hadden; aan de St. Nicolaaskerk was 
een altaar opgericht even als onder de Mwiicks-Poort aan de 
St. Jacobskerk (^). Ter wMÜe van deze laatste huisbenaming tee- 
kende ik hier die processie-bijzonderheden op. Ik heb niet kunnen 
achterhalen waarom deze Processie — nog wel in den winter — 
gehouden werd. De kronieken van Loyens, van Gulpen en andere 
maken geene melding van eenige aanleidende oorzaak, als heer- 
schende besmettelijke ziekte, of eenig ander openbaar onheil. 
De Chrouyk van M'aestricht van 1632 tot 1708^ gepubliceerd door 
Alex. Schaepkens (^j vermeld wel, echter zonder verklaring, dat 
in 1677 „door de geheele stad eene Processie gedaen is door alle 
„de geestelijkheid." 



('J Zie D' Doppler's opstel in de Maascj^oHw van 1898, p. 69, zoomede tot nadere 
kennismaking met den regceringsvorm van Maestricht in de Middeleeuwen en later 
tot 1704 de beide verdienstelijke academische proefschiifien van L.J.Suringar (1873) 
en Ch. Ruijs de Beerenbrouck (ISOöi. Ook de doorwrochte studie van Jos. M. H. 
EvERSEN en J. L. ATeulleners over de Lijnburgsche Gemeenicwapens in de Publi- 
catioiis etc. XXXV', p. 250 tot p. 289. 

(-) Alex. Schaepkens, Anaïcctes Archéologiques, p. 8, 9. 

( ) Annales II, p. 126. 



~ 203 — 

Een der vele weldaden^ die Maestricht te danken had aan de 
ioeiimalige Hollanders, die de stad na den vrede van Nijmegen 
in 1678 wederom in hunne macht kregen, en ondanks een af- 
zonderlijk verdrag niet meer aan Spanje terug gaven, was de 
roof aan het prachtig bloeiende College der Jesuïetcn gepleegd. 
Doodeenvoudig werden deze verplicht hunne kerk en schoollokalen 
onmiddelijk aan de Calvinisten over te geven. De Jesuïeten waren 
gedwongen te gehoorzamen en hielden nu hunne school met 400 
studenten in een noodgebouw in hunnen tuin, terwijl de gerefor- 
meerde rector Genel zich met een handvol leerlingen in het College- 
gebouw nestelde. Tegen deze brutale verkrachting van het vrede- 
iractaat kwam echter de Fransche Ambassadeur d'Avaux op en 
den rector Genel werd aangezegd om zonder uitstel het College 
te verlaten. Zijne school werd gevestigd in de Kapoenstraat waar 
de stad hem een gebouw beschikbaar stelde, daar waar tegenwoor- 
dig de Stedelijke Muziekschool is(i); „de toeloop die hij had 
was cleen", nogthans moest de stad, die door de Gereformeerden 
geregeerd werd, hem jaarlijks als toelage 320 gld. meer verstrek- 
ken dan aan de Paters Jesuieten, die 600 gld. genoten benevens 
150 gld. voor de jaarlijksche prijzen (-). 

Nog zij vermeld dat het schoenmakersgilde hare luibe had in 
het in den aanhef van dit artikel genoemde huis de Kapoen. 



42. De Kersenmarkt. 

(Forum cerasorum of cerisorum). 

In Maestrichtschen tongval Keers- of Keesmerk. Het is eene 
verbastering van Kersenmarkt zooals D'" Doppler duidelijk aantoont 
in eene noot bij Schepenbrief N° 41; daarin is er sprake van een 
huis supra forum ccrisonim in 1295. 

De smalle ingang der Wolfstraat, waarvan de verbreeding be- 
gonnen is, bestond destijds niet als straat: het was een plein, dat 
gedeeltelijk de oppervlakte besloeg van den blok huizen tusschen 
de Brug- en Smedestraten tot aan de Stokstraat. Eene koper- 



(') Zie Habets, Gesch. Bisdom Roermond III, p. 540 en Maasgotiw van 29 Oct. 
en 12 Nov. 1887. 
( ) Relaas van den vice-Hoogschout G. A. Colletïe. 



— 204 — 

gravuur van Josse Amman, welke de moordtooneelen te aanschou- 
wen geeft, die 't gevolg waren van de verraderlijke aanhouding 
van den Spaanschen bevelhebber Franciscus de Montesdoca ter 
^Limdscroiie'' (thans a la Foire de Leipzig) waar de Raad ver- 
gaderd was (20 October 1576), schijnt die open plaats aanteduidcn^ 
eene galg is er naar den kant der Wolfstraat opgericht, hetgeen 
't vermoeden bevestigt dat toen nog aldaar een plein was (i). 

Waarschijnlijk onmiddellijk na de ommuring der stad in 1229, 
toen haar door Hertog Jan IV van Brabant de eerste privilegiën 
geschonken werden, werd op de Kerseninarkt het eerste dinghuis 
der gemeente op gezamenlijke kosten der poorters gebouwd. Het 
diende zoowel voor de administratie als voor de rechtspraak. In 
den bloeitijd der Maestrichtsche industrie was het aldra te klein 
geworden en werd door den magistraat aangekocht het huis de 
^^Landskrooir genaamd, gelegen in de Groote Staat, benevens dat, 
genaamd y,dc Mey''* toebehoorende aan de schepenfamilie de Mayo; 
dit laatste werd in 1473 verbouwd tot het tegenwoordige dinghuis 
of oud-stadhuis. De y,LaudscrooiC'^ zoomede het huis de „Mayo*^ 
dienden ter vervanging van het oude dinghuis op de Kersenmarkt, 
In 1357 treffen wij hetzelve aan als in erfpacht gehouden van de 
stad door Johannes Jupille, bakker. Met zijne aanhoorigheden 
strekte het zich uit tot aan de erven van Lambertus de Kestele, 
burgemeester, en van Gerardus, scriptor der stad (N° 569 D). 

Het laatste huis met houten vóórgevel, dat in de stad bestond, 
lag aan de Kersemnarkt; het was rood geverfd en verdween in 
1838. Er bestaat eene etsteekening van. ('^). 

In de XIV« eeuw stond nog aan de N.-W. grens van de 
Kersemnarkt de Goeszvynioren en er tegenover de Goesmar storen. 
Op die plaats schijnt in 't primitieve Tricht eene stadspoort ge- 
staan te hebben, door beide torens geflankeerd. De wallen zullen 
destijds langs of achter de zuidzijde der Brugstraat geloopen 
hebben (3). 

Huizen op de Kersenmarkt en hunne bewoners. 

In 1291 (N° 33 F) wordt melding gemaakt van een Wilhelmus, 
smid op de Kerseninarkt. 



(1) Dit vermoeden vindt bevestiging bij Franqüinet, lm, O, L. Vr. II, p. 22. 

(2) Alex. Schaepkens, Macstruht-Fortcresse^ pi. 36. 

(3) Franqüinet. Inv, Kap. O. L. Tr., I, p. 131, Noot. 



.- 205 — 

In 1309 (N^ 73 D) van het huis van Gerardus, oude kleerkooper, 
supra forum cerasortim. 

In 1329 (N'* 225 D) van het huis van Johannes Feylkyns, in 
foro cerasoruvi, gelegen achter het huis van SuEVUs, en tushchen 
dat van Katharina, de weduwe van Hellymevs en dat van Fre- 
DERicus, vleeschhouwer. 

In 1336 (N° 89 W) van een huis i?i foro ccrasorum^ bewoond 
door Walter, geheeten Waltelet, faber (smid). 

In 13-13 (N° 375D) van een huis aldaar, gelegen tusschen dat 
van Henricus Boumer, brouwer, en dat van wijlen Nicholaus de 

LVMBORCH. 

In 1344 (N° 109 W) van een huis gelegen siipra forum ceraso- 
rnm^ naast dat van Goffin de Wellen, ccrenisiator (brouwer). 

In 1345 (N° 410 D; komt voor het huis van Anthonius Beggart, 
gelegen op het forum ccrasortim^ tusschen het huis van Martinus 
Frederci en dat van Anthonius rtfector antiquarnm vcslium. 

In 1357 (N° 284 D) wordt genoemd Henricus de foro cera- 
sorum, smid (zie ook N° 218 D van 1328). 

In 1364 (N° 701 D) is er sprake van Johannes Faber, wonende 
supra forum cerasorum, evenals van Wiricus DE SoLLYRS, vinitor 
(wijnman) en Nycolaus Witzenbeyns. 

In 1369 (N° 758 D) van Hubertus Humbelet en Petrus ScRy- 
NENMEKER ook wonendc aldaar. 

In 1374 (N° 800 D) is er sprake van het huis de gladio (waar- 
aan de veelvuldig voorkomende schepenfamilie haar naam ont- 
leende) gelegen op de Kcrscnmarkt. 

In 1388 (N" 919 D) van Johannes Quant en Henricus de VLEy- 
TINGIS wonende supra forum cerasorum. 

In 1420 (No 227 D) van het huis bedoeld in 1329. 

In 1420 (No 1224 D) van twee huizen van Kathryne Meelres 
op de Kirsmarkt^ naast dat van wijlen Johan Hiepels en dat van 
Cloes Appels. Ook wordt daar vermeld het huis van Goenrart 
Dans der hoeftmenger op de Kersmarkt, tusschen het huis van 
Kerstken Duveren en dat van Wilhelm van Bruisselt. 

In 1464 (No 1225D) is er sprake van het huis van Wilhelm 
van Sonouwen, van oudsher geheeten //// hueikcn op de Keir- 
senmarkt^ gelegen tusschen het huis van Johan van Stockroede 
en dat van Art Moens. 



— 206 — 

In 1507 (Raadsverdrag van 9 Juli) wordt nog duidelijk de 
Kersmerck vermeld als de plaats waar her Cloes Damen, scepen^ 
met zijne onderhoorigen zich moest opstellen na het vertoonen 
der Relikwieën van St. Servaas (i). 

In 1550 komt voor een huis op den Kersmerkt y^die doiivi^ ge- 
heeten (zie N° 14 S bij de Witmakerstraat). 



43. De Kleine Gracht (bij of buiten de Verlinxpoort). 

(Fossa extra Verlinghs porta). 

Evenals de Groote Gracht ontleende deze straat haren naam 
aan de gracht, die aan den voet van den stadsmuur van 1229 
bestond en in de XIV« eeuw gedempt werd. Zooals bereids bij 
de Groote Gracht is gezegd liep deze van af deze straat dwars 
over de Markt achter de zuidelijke huizenrij der Kleine Gracht 
tot aan de Maas. Ook hier zijn nog belangrijke overblijfselen van 
dien muur zichtbaar^ zoo b.v. achter het huis tegenover de Concert- 
zaal gelegen; een forsche struik die van de straat te zien is, 
tiert welig bovenop den muur. 

Om deze straat aanteduiden wordt herhaaldelijk genoemd de 
Verlinxpoort; zij lag op het uiteinde der Kleine Gracht en maakte 
deel uit van den ringmuur in 1229 om de stad gebouwd. Daar 
ter plaatse zal er eene druk gebruikte veerpont over de Maas 
zijn geweest, die toegang verschafte tot het St. Anthoniuseiland, 
destijds reeds versterkt ten einde de bezetting daarvan aan den 
vijand te beletten. Van Heylerhoff veronderstelt zelfs dat vóór 
die poort eene vaste brug lag en dat het eigenlijke veer dienst 
deed van af het eiland tot op den rechter Maasoever. Dat gevoelen 
wordt gedeeld door de Lenarts waar hij de ligging der Veerliux- 
poort in navolging van Herbenus nader omschrijft: „Aan de Maas, 
„daar waar de Hertogh (van Brabant omstreeks 1204) zijne brugh 
„had geslagen" (-). Ook H. P. H. Eversen is die meening toege- 
daan en neemt aan dat gedurende eenigen tijd te Tricht twee 
bruggen zijn geweest (3). 

(l| Publitiiliofïs etc. VII, p. 407. 
(^) Ibid. II, p. \\\). 
(') Ibid. II, p. 421. 



- 207 — 

Die poort moet een nogal groot gebouw zijn geweest, want na 
dz uitbreiding der stad diende ze lot gijzeling van slechte betalers; 
zij werd in 1587 afgebroken; de toegang tot den Maasoever ge- 
schiedde nu door de St. Teunispoort en de Meulenpoort, tegen- 
over de Hoenderstraat, welke laatste afgebroken werd in 1705 
bij den bouw van den Maasmolen. Beiden waren poternes zonder 
bovenbouw, die in den in 1294 daar ter plaatse gebouwden wal- 
muur bestonden (i). 

Ook wordt de Kleine Gracht vaak aangeduid als de straat, 
liggende buiten de Leugenpocrt (zie bij de Markt). 

Huizen op de Kleine Gracht en hunne bewoners. 

In 1309 (N« 73 D) woonde de weduwe van Gerardus de Avkroil 
^upra fossam extra loygenporte. 

In 1309 (No 73 D) bezat Thomas de Hasselt een huis extra 
laygeiiporte even als Theodoricus sarior en Hermanus de Juliaco. 

In 1314 (N** 114 D) wordt eene area, gelegen supra fossatnm 
extra portam mendacii achter het woonhuis van Oda, de weduwe 
van Tilmanus Maechgoets, in erfpacht opgedragen aan Henricus 
de Belmont, voller, wiens huis ook op de Kleine Gracht lag. 

In 1319 (N** 61 W) wordt vermeld het huis van Godefridus 
Gallicus, bakker, gelegen buiten de Loygenporte. 

In 1342 (N« 363 D) een nieuw gebouwd huis buiten de Ver- 
linchsport^ gelegen tusschen het steenenluns van Petrus, verver, 
wonende langs de Maas, en dat van Wolterus de Pytersiievm. 

In 1343 (N^ 384 D) bezaten Johannes Matiiyas, voller, zijne 
echtgenoote en hun schoonzoon Daniël Totman een huis met 
raam (om laken uit te spreiden) op de Kleine Gracht; achter dat' 
raam lag nog een ander. 

In 1344 (N<> 403 D) wordt vermeld het huis van Gerardus 
Spinnen, gelegen voor de Veerlinscsporte 

In 1366 (N<* 713 D) is er sprake van een huis gelegen supra 
fossatnm extra verlinghs porte^ naast dat van Godefridus genaamd 
CoNiNGH en dat van Henricus de Geylenkeirciien. 

In 1370 (N^ 767 D) wordt aan Johannes de Briede in erfrecht 
gegeven een huis gelegen supra fossam opidi extra Verliuxspoort^ 



(') UK Heer, De erectione novorum mottitornm cl por tarn m huius tivitatis in: 
Annales I, p. 97—99. — Annuaire 1825, p. 117. 



— 208 — 

tusschen dat van Jacobus Peert en dat van Godefridus CONINCH 
(zie voorgaande). 

In 1380 (1) wordt het huis van Hostibecker supra fossatum 
genoemd, zoomede dat van Jacobus genaamd Pert buiten de 
viirlinxs porie' supra fossatum (zie op 1370). 

In 1413 (N° 1152D) is er sprake van het Muekeusguct op de 
Kleine Gracht^ gelegen naast het huis der armentafel van den 
H. Geest en dat van Peeman Lees. 

In 14 IG (N" 1177 D) van een huis op de Kleine Gracht bij de 
Koxruvve, bewoond door een brouwer, tusschen die van Thys 
VAN Slusen en van Peter van Herhrecht. 

In 1420 (N'' 11531)) wordt vermeld het Mnehcns erf op de 
Kleine Gracht, CZie hierboven op 1413). 

In 1421 (N° 992 D) wordt in erfreclit opgedragen aan Reyner 
VAN Ophoven en Beaiercn zijne echtgenoote een erf gelegen op 
{Ier maesen bydcr vierliuxpoerttu dremen ghcyt tsint Authouys icart^ 
tusschen het erf van Peter van Morderoggen en dat van Gocdart 
Hasenpeck van Gronsfeld. 

Dezelfde bijzonderheden treft men aan in N° 993 D van het- 
zelfde jaar en N'' 994 D van 1431. 

In 1425 (N° 12G0D) wordt de Kleine Gracht bedoeld door de 
omschrijving van het huis van Wilhelm Slüen^in /;/ die Giacht- 
straete bydeu orde (hoek) ter masenivart naast het huis van Thijs 
Wvnkelspronx en dat van Johan Mees. 

In 14G0 (N° 1475 D) is er sprake van het huis van Christyn 
van FIerck in de straat ter vicrlinxpoirten 7vart gacjide naast dat 
van Lens V^igen en dat van Jan IIarüvuvst. 

In December 1740 werd het Maaswatcr in het riool zoo hoog 
opgestuwd dat de Kleine Gracht tot aan het huis genaamd den 
Paus van Ronien^ onder water stond, „blijvende nochtans in 
„'t midden van de straet, beginnende aen de coxschrouwestraet, 
„eene passagie, om droogh voets naer den marck te konnen gaen, 
„wcsende de cleene gracht nider ter Maese-waerts alle geheel over- 
„wactert, ter hooghte van 2 en 3 voeten." De Maas bleef zoo 
hoog gedurende bijna één maand (~). 



(1) Franquinkt, Inv, O, L. l'r., II, p. G. 

(2) Maasgüuw 188S, p. 50. 



^ 209 — 

44. De Kleine Looijerstraat. 

Zie bij den Aldenhof. 



45. De Kleine Staat 

(Nieuwe Muntstraat). 

Zooals bij de behandeling der Muntstraat bereids is gezegd, 
vormde deze straat tot op het einde der XV* eeuw ééne door- 
loopende tot op de Kersenmarkt; ze komt in de schepcnbrieven 
dan ook nooit voor onder haren tegenwoordigen naam, doch steeds 
onder dien van Muntstraat en gedeeltelijk onder dien van voor 
liet kruis, In het cijnsboek van O. L. Vr. van 1377 wordt de 
Kleine Stant omschreven als de straat, die van den Gocsmanstorcn 
naar het nieuwe Dinghuis loopt. 

Opdat men zich een denkbeeld kunne geven van hetgeen voor- 
heen de Kleine Staat was, welke huisnamen en welke bewoners 
men er aantrof, heb ik, afgaande op de beschrijving van de 
huizen en van de namen hunner bewoners de beide gedeelten 
der voormalige Muntstraat afzonderlijk behandeld. 

Ziehier eenige ophelderingen omirent de even vermelde bena- 
ming voor het kruis en eenige daar ter plaatse gelegen huizen. 

Het steenen kruis, waarvan bij den Grootc Staat melding ge- 
maakt wordt, stond op den hoek van deze en de Munt. Het w^as de 
oorsprong van den naam ante crucem, aan een gedeelte der straat 
daarvoor en van den naam Crucevberch aan het hoekhuis gegeven. 

Aan Oda, de bewoonster van dat huis in 1343, werd ook de 
bijnaam van ante crucevi gegeven, evenals aan haar zoon Franco, 
die naast haar woonde (N* 436 D). Het woonhuis van Franco 
werd echter weldra naar hem Frauckenberch gehccten. 

Naast dit laatste lag het huis de Cervo (^het hert). Dit alles 
blijkt uit de onderstaande aanhalingen in 1343 (N"38HD) in 1393 
(No 951 D), in 1394 (N» 959 D) en in 1415 (N^ 11701)). 

Het hier gelegen oud-stadhuis, beter gezegd het Dinghuis, werd 
in 1475 gebouwd en heeft eene geheele geschiedenis, die hier niet 
kan behandeld worden. 

Op de plaats waar het verrees stond voormaals, het huis de Mayo 



— 210 — 

of (/e Mej', dat zijn naam gaf aan eene schepenfamilie, die in stukken 
van de XIII* en XIV* eeuw vaak voorkomt; het werd door den 
magistraat tegelijkertijd met de Laudskrooii in de Groote Staat 
aangekocht, toen het oude Dinghuis op de Kersenmarkt geen 
voldoende ruimte meer aanbood, zooals te gelegener tijd reeds 
vermeld werd. 

De Landskroon werd gebruikt voor de gemeente-administratie 
en het laaggerecht, terwijl de Mey uitsluitend diende tot het 
houden der rechtdagen door de schepenbanken der beide Heeren. 

De aankoop dier beide huizen en de inrichting tot hunne nieuwe 
bestemming schijnt in het begin der XIV* eeuw te zijn geschied, 
want in 1413 (N° 529 D) heet het reeds, voor wat de Mcy betreft, 
het vurmoels ie hcyten tgiiet van den meye. 

x\chter het Dinghuis was eene open plaats, die zich tot aan den 
Maasoever uitstrekte, zoodat de waren opgeborgen in de groote 
kelders en hooge zolders, gemakkelijk te water konden vervoerd 
worden. 

De beelden die op het Dinghuis stonden, werden in 1566 door 
de Geuzen verbrijzeld (i). 

In 1749 werd de buitentrap met bordes afgebroken en de 
ingang naar de Jodenstraat verplaatst. 

Ik koester de lang reeds uitgesproken hoop, dat deze trap met 
zijn bronzen leeuwen weldra bij de restauratie van het Dinghuis 
weer zal hersteld worden. 

Huizen in de Kleine Staat en hunne bewoners. 

In 1288 (N** 31 F) komt voor als medeonderteekenaar van een 
schepenbrief. Franco dk ruffo clypko, die even als vele andere 
schepenen uit dien tijd (o. a. de later voorkomende de Cancro) 
zijn naam ontleende aan den gevelsteen (een rood schiM) van zijn 
huis; dit lag aan de westzijde van de tegenwoordige Kleine Staat 
nabij de Kersenmarkt; ernaast naar den kant der Groote Staat, 
bevond zich het huis ad rubemn leonem (in den rooden leeuw). 

In 1343 (N" 388 D) en volgens Franquinet (2) reeds in 1300, 
woonde Oda, mercenaria ante crncem naast het huis de Cervo (het 
hert) en Franco haar zoon, tusschen dit laatste en dat zijner moeder. 



{}) Pubiicaiions etc, XI, p. 301. 

(2) Franquinet, Inv, O, L, Vr* 11, p. 155. 



— 211 — 

In 1347 (N® 422 D) is er sprake van het huis van Lambertus 
Barbitonsor, gelegen tusschen de porticus de Basilishur (i) en het 
huis van Wilhelmus de Galopia, koopman (zie in 1377 N° 423 D). 

In 1352 (N° 490 D) van het huis van Johanes de Nutke, laken- 
scheerder, supra moftetam, naar den kant van het kruis (van de 
Kleine Staat) naast het sieenenhuis geheeten Heren beuffartshuys. 
Dit laatste kwam naderhand aan Rutgherus de Viseto, schepen 
van Tricht. 

In 1357 (N** 568 D) van het huis van wijlen Gobbelinus de 
Stocheym (2) gelegen supra monetiun (volgens het vermelde in 
1359 (N° 625 D) Kleine Staaf) tusschen de huizen van Petrus de 
RoESMAR en van Hugo de Tronco, benevens van het huis van 
Mathyas, lakenscheerder, gelegen naast het huis geheeten r/^? ^^r///^ 
(de spiegel) 5 naast dit laatste bevond zich dat van Johannes de 
Ydenkouen, sariorjs (kleermaker). 

In 1358 (N<> 147 W) werd eenc akte gepasseerd voor Johannes 
DE Wvc, keizerlijk notaris, in het huis van Petrus geheeten de 
RoESMER, gelegen supra vicum monete Trajectensis (zie voorafgaande). 

In 1359 (N" 625 D) is er sprake van het huis van meester 
Giselbertus, goudsmid, supra Monetam en dat van Mathias. den 
zoon van Hugo (waarschijnlijk de hierboven in 1357 genoemde). 
In dat jaar woonde ook in die straat Johannes Eykoren (N** 634 D). 
Volgens No 761 D (1369) Kleine Staat, 

In 1360 (No 645 D) wordt geoorkond dat Philippus de Basi- 
lisbur eene jaarlijksche rente verschuldigd is uit het huis de basi- 
lishur^ gelegen tegenover het huis de cancro (de kreeft). 

In 1369 (N^ 761 D) wordt vermeld, even als in 1376 (N^ 762 D), 
het huis van Johannes Eykoren (zie in 1359) op de Munt, gelegen 
tusschen dat van Petrus Kemerlinx, lakenscheerder, en dat van 
Ghyselbertus DE Blisia, smid. In 1376 wordt dit laatste huis 
vermeld als dat van Henricus de Vlevtingis. In 1402 (No525D) 
blijkt deze familie in de Kleine Staat te wonen. 

In 1369 (No 763 D) wordt genoemd het huis genaamd de rubeo 
koue (den rooden leeuw) op de Munt^ gelegen naast dat van 



(ï) Zie bijzonderheden over deze familie in: Publicaiions etc. XIV, p. 134. 
(2) Kleermaker volgens Franquinet, Invent, O, L Vr, II, p. 148. 



— 212 — 

Gobbelinus Saggen en dat van Godefridus de Cancro CO Caldus 
genoemd naar het huis de Kreeft). 

In 1374 (N°802D) het huis geheeten Scharnaiiwesgtiet supra 
monetain tusschen dat van Henricus de Slusis, bakker, en dat 
van meester Giselberti, goudsmid, ook hierboven in 1359 genoemd. 

In 1377 (N® 423 D) wordt een cijns overgedragen uit het hier- 
boven^ in 1347 genoemde huis. Het belendende van de Galopia 
werd toen door Egidius Lockart van Johannes de Weert, 
burgemeester van Tricht, in erfrecht gehouden. 

In 1377(2) wordt in het cijnsregister van O. L. Vr. de Kleine 
Siiiai omschreven met de woorden: a turre gosmari usqiie ad 
novum pretorium. 

In 1377 (N^ 390 D) komt het dikwijls later te vermelden huis 
de Vriun'kenherqh voor. 

In 1380 Q) is er in het cijnsregister onder het opschrift /«^//V^ 
sprake van het erf van Petrus van dkn Biesskn (f) gelegen tus- 
schen dat geheeten de rufo Icone of ad rubetan leonem (den rooden 
leeuw) en dat van Messche. Ook wordt daar genoemd het goed 
van Johannes apot/iecarius gelegen tusschen die, geheeten ten ntnven 
kelre en de rufo clipeo (roode schild). 

In 1380 is er sprake van het huis van Theodoricus Vueren- 
BLAES, kramer, gelegen nabij den Goesmarstoren(hoek Brugstraat 
en Kersenmarkt, ten N. O. van deze laatste) ante et retro in 
platea pontis et supra monetam^ tusschen het goed van Henricus 
Neyske en dat van Arnoldus de Voringe(ö). 

In 1393 (N" 951 D) is er sprake van eene erfrente uit het huis 
van Vranckenberch in die strate ge/uytsn vur dat cruySy gelegen op 
de munt, tusschen het huis van Geenken Crucenberch, kramer, 
en het huis ten hcrtte (zie hieronder op 1394 en 1415). Die 
rente aan Wouter van Mewkn overgedragen, werd eenige weken 
daarna (N* 952 D) afgelost door Gerard van Ryemst, die ze in 
1394 (N° 953 D) op zijne beurt weer overdroeg aan Willem van 
Sint Margraeten, kanonik van St. Servaas. 



(^) Zie bijzonderheden over deze familie Puhlicaiions etc, XIV, p. 134. 

(2) Franquinkt. Inv. O. L. Fr. I, p. 181. 

(3) Idem, ibid., II, p. 41. 

(^) Zie bijzonderheden over deze familie Maasgoiiw 1890, p. 101. 

(5) Franquinkt, Inv. O. L, Tr., lï, p. 162. Zie ook bij de beschrijving êitr Munisiraat. 



— 213 — 

In 1394 (N" 959 D) wordt het zooeven genoemde huis Vranc- 
kenbergh vermeld als liggende op de Munt^ tusschen het huis den 
hertu van Johannes van den Creefte (zie hierboven op 1369 
N'* 763 D) en dat, geheeten van Cnieseberch, In N° 960 D wordt 
het huis Vranckenberch gezegd gelegen te zijn, evenals hierboven 
op 1393, /// die gemeyne strate geheyten vur dat cruys, zoodat het 
geen twijfel lijdt dat de Muntstraat, destijds nog met de Kleine 
Staat ééne straat vormde (i). 

In 1402 (N* 525 D) wordt gesproken over het hms geheyten ten 
Meye ende nu is dat denckhiiys in der stat van Triecht gelegen in die 
straete geheyten vurt cruys tusschen die Juedenstraete en het huis 
van Zyelen van Vlevtingen den jonge, wisselaar; deze familie 
wordt ook hierboven in 1369 genoemd. 

In 1406 (N° 1075 D) wordt een huis beschreven als gelegen in 
die stat in die rechte straete tussen dat guede ten Rennenbergh ter 
eynre syden ende guede Peters VAN Catsoppe des beckers^ ten andere. 

In 1407 (N<> 1080 D) wordt het zooeven bedoelde huis met 
dezelfde reingenoóten gezegd gelegen te zijn op die moent; de uit- 
drukking i7i die stat bewijst dat het hier de Kleine Staat geldt. 

In 1413 (N<* 529 D) wordt vermeld het erf vurmoels te heyten 
tgtiet van den meye, thans het dinghuis gelegen vur dat cruys. 

In 1415 (N** 1170 D) een huis op die moente vur dat Cruyes 
naast het huis van den hertte en naast dat van Gerard Grond, 
geheeten Crucenbergh. (Zie hierboven op 1393 en 1394). 

In 1419 (N° 1211 D) het huis ter hellen (^^ op die moente., 
gelegen naast dat van Symon Cupers, caberetter, en naast het huis 
ter cleynre hellen. (Zie ook N® 150 F). 

In 1419 (N® 1213 D) worden ovengenoemde huizen andermaal 
vermeld en daarbij een ander huis van Symon Cupers ook op die 
Moente, gelegen naast het reeds hierboven in 1406 genoemde huis 
te Renneberch en dat van Pouwel van den Biessen, schepen; 
deze familienaam komt ook hierboven voor in 1380. 

In 1446 (^N<> 1384 D) is er sprake van een erf geheeten van den 



(') N<» 435D van 1394 geeft dezelfde bijzonderheden, als die hierboven in N" 951 
en 959 D vermeld. 
(2) Ook nog genoemd bij Franquinêt. Inv. O. L. Ir. II, p. 49, en ibid. I, p. 18"). 

14 



— 214 — 

damaske gelegen op die moente by dat cruys tusschen het huis 
ter helle en het huis ten Rejinenberge. 

In 1449 (N*» 428 D) van het huis iji Damasck optie moente tus- 
schen dat van wijlen van den Biessen, schepen, en dat ter helle 
geheeten. (Zie beide voorafgaande). 

In 1462 (N° 1492 D) van het huis vanden Roderberch gelegen 
in die stad naast het huis van wijlen Carys Sauwen en dat van 
Cyelys der becker supra monetani novam. 

In 1517 C^) treffen wij aan bij de Ordinancie van der heyldoms- 
vart umb inder straeten dat volck op te halden int vertrecken des 
seinen volxs na den thoenen (na het vertoonen der Relieken), dat 
her Pefer NoTSTOCK, scepen efide }AvJ\kT geswoeren 7nyt den cremeren, 
zich moesten opstellen aan dat denckhuys ; terwijl dit het geval 
moest zijn met her Goert Beer, scepen^ en Merssen geswoeren 
myt den loeren aan Rennenborchy en met her Cloes Damen, scepen^ 
Wilhelm Sanders geswoereri myt den beckeren aan den Kersmerk. 
De ligging van het reeds genoemde huis Renncnborch is daaruit 
bij benadering afteleiden. 

Het verhaal van de plechtige inhuldiging van F. A. L. Gillisen, 
Primus van Leuven in 1784, was gedrukt bij H. J. Landtmeter 
in de Kleine Staat N*» VII /// de drie Kroonen (2). 



46. De Kleine Stokstraat of Broodstraat. 

(Platea ubi panes venduntur, platea pistorum). 

Het gedeelte der Stokstraat, dat heden onder den naam van 
Kleine Stokstraat (van af de Smeedestraat tot aan de Brugstraat) 
bekend is, wordt zooals hieronder zal blijken, in de Middeleeuwen 
aangeduid door de namen Bakkerstraat, Brootstraat en wegens 
hare aansluiting aan de Brugstraat ook Brootbmggestraat. Franquinet 
CN° 48 F) wil, dat ze begon aan de Kleine Havenstraat; is daar- 
mede de Moorenstraat bedoeld? 

Hulzen in de Kleine Stokstraat en hunne bewoners. 
In 1306 (N° 58 D) wordt vermeld het huis van wijlen Seyle, 



(1) Publications etc. VII, p. 407. 
(') Maas^ouWy 1906, p. 3. 



— 215 — 

in 1307 (N« 61 D) dat van Nicolaus de Wyningis, bakker, in 
1309 (No 73 D) dat van Nicolaus de Hayo en in 1312 (N^ 90 D) 
dat van Laurentius, bakker, aangeduid als gelegen in de vicus 
poutis nbi panes vendunttir. 

In 1315 (N** 126 D) komt voor een huis tegenover de poort 
paustrait in vico pistorum. Deze poort zal hebben toegang ver- 
leend tot een der steegjes, die eene poterne hadden in den stadsmuur. 

In 1318 (N° 56 F) woonde Rutgherus van Clummen, bakker, 
in vico pistorum naast Gobelinus DE Slusis en naast Thomas, 
den bakker, tegenover het huis de yrco (de bok). 

In 1326 (N° 205 D) is er sprake van een huis va platea pistorum 
op den hoek der Bokstraat naast dat van Arnoldus Rolant, 
vleeschhouwer. 

In 1327 (N° 210 D) wordt in erfpacht gegeven aan Henricus 
CuYCBAC of CoYCBOC eene area in vico pontis nbi panis venditur 
tusschen het erf van Wiricus sutor antiquorum calceorum (oude- 
schoenlapper) en dat van Arnoldus, houtverkoopcr. 

In 1335 (N° 279 D) wordt aan Franco genaamd Pacslegere 
in erfrecht opgedragen een huis /;/ ordone vici tendentls a vico 
panum versus pretorium (op den hoek der Smeden- en Stokstraat 
naar het gemeentehuis op de Kersemarkt) weleer in het bezit 
van Johannes de Berge, pellifex (bontwerker) en Maria van den 
SucKENORDE, echtgenooten. 

In 1344 (N** 405 D) wordt melding gemaakt van het huis van 
Johannes de Vlydkrmael, bakker, in de vicus Broetbrughe^ tus- 
schen die van Mechtildis de Valkenborch en van Dullart (ook 
in N» 488 D van 1352;. 

In 1347 (N° 436 D) van een huis in de vicus broetbrughe^ tus- 
schen dat van Johannes, zoon van wijlen Kempen en dat van 
Johannes Flunckart. 

In 1366 (N«722D) van het huis van wijlen Christianus Voghels, 
cantpsor, gelegen in vico pontis nbi pajiis vefiditur naast dat van 
Wilhelmus de Hugo, usurarius (i) en dat van Johannes Godefridi. 

In 1367 (N° 737 D) van een huis in de vicus pontis in quo panes 
venduntur in dulci ordone. 

In 1373 (N° 792 D) wordt vermeld een huis bewoond door den 

(1) Iemand die geld leende tegen rente; daarom geen woekeraar. 



— 216 — 

grijsaard Rolandus, gelegen in de vicus pistorimi^ tusschen dat van 
Elisabeth Tmoenmans en dat van Petrus Thoenmans. 

In 1384 (N* 892 D) wordt aan Petrus Gewants van Namen 
en aan Mathias, zoon van Margareta Duelen in erfpacht opge- 
dragen een huis, gelegen in platea paimm^ tusschen dat van Johan- 
ncs genaamd Nayman en dat van Theodericus genaamd Brecken. 

In 1394 (N° 961D) wordt een huis genoemd in de cUynebroot- 
brugghe stract achter dat van Johan Ovslingher en tusschen dat 
van deze en het huis van Johan van Borne, bakker, gelegen. 

In 1398 (N*» 999 D) wordt melding gemaakt van het huis van 
Gerart Vogels, der o ly slagher ^ gelegen in die broetbrugghestrote 
tusschen die van Johan Hoedryes, visscher, en van Gentas Com- 
post van Vleytingen, schoenmaker. 

In 1406 (N° 1076 D) is er sprake van een huis met toebehooren 
in die broetbrtige naast het huis van Peter van Ruremunde, 
schoenmaker, en naast dat van Johan Hoedrvssche (in 1398 
genoemd). 

In 1475 (N° 237 F) worden twee huizen vermeld /;/ die paus- 
ruwe wier ligging aan Franquinet onbekend was en die door 
N^ 126 D (in ^315) verklaard wordt. Die beide huizen waren 
gelegen tusschen het huis van Emmele van den Ketel en dat 
van Lees WoUFS in vico pistorum. 



47. De Koekschroefstraat. 

Zóó luidt de schromelijk verbasterde naam van de Coxruive^ 
oorspronkelijk aldus genoemd naar de aanzienlijke familie Cox, 
die op den hoek dier straat /;/ der Kleine Gracht een groot erf 
bewoonde (^). Cox werd gaandeweg koek^ en rinve- ruelle- door 
samensmelting met de x werd schroef! Vandaar het onzinnige 
geheel, waarvan de vertaling door de Franschen te recht niet 
aangedurfd werd; hoe ze er intusschen toe kwamen om dat 
letteramalgaam uittespreken is een onoplosbaar raadsel; van den 
oorspronkelijkcn eenvoudigen naam Cox zal wel niets zijn over- 
gebleven. 



(1) Publicaiions etc, II, p. 135. 



- 217 — 

Uit de aanhalingen uit menigvuldige cijnsbrieven blijkt m. u dat 
die straat in de XIV* eeuw, in weerwil harer geringe breedte, 
wel van belang moet zijn geweest door de vele huizen, die tot 
onderpand dienden. 

Wanneer de naam dier straat verbasterd is geworden, is niet 
met zekerheid ie zeggen. In de Chronyk van Loyens wordt ze 
bij de vermelding van hoog water in December 1740, de Coci- 
schroinve straei geheeten; men was dus toen op den weg der ver- 
minking. Tot aan die straat stuwde in 1740 het Maaswater op. 

Men verwarre ze niet met de Koeckartsrinve waarover elders. 

Huizen in de Koeicschoefstraat en hunne bewoners. 

In 1309 (N'' 73 D) wordt een huis in vico dicto Koycsruwe ver- 
meld als toebehoorende aan Tilmanus Hodemekere. 

In 1314 (N® 120D) een huis naast het erf van Godefridus H anc 
in de vicus Coci. 

In 1325 (N° 186 D) een huis van Wilhelmus Losen en een van 
Johannes de Tremplyt /;/ de vicus coci. 

In 1325 (N° 187 D) een huis in de Ar<?>èj/r^^/, bewoond door Nelis 

FULLO. 

In 1337 (N*> 311 D) een huis in de ür<?/&5/r^^/ tusschen de huizen 
van Cornelius en Henricus de Hese, vollers. 

In 1350 (N° 459 D) een huis in de vicns coci met de bewoners 
Matheus Pepekin, Johannes Scherven en Nicolaus Steyngoets. 

In 1356 (N« 556 D) eveneens, met de bewoners Mechtildis de 
Heynsbergh, Gerardus de Cadyrs en Henricus Mueken. 

In 1359 (N*» 619 D) is er sprake van het huis in 1309 vermeld; 
wij vinden er woonachtig Johannes Hudemekers, voller, naast 
het huis Cantpsterppers geheeten. Wat die naam wil zeggen kan 
ik niet met zekerheid bevestigen; ik vond dat in 1382 (N° 875 D) 
in de Kapoenstraat een Godefridus de Heynsbergh woonde die 
genoemd werd kampsterper ; het schijnt dus een ambacht te zijn 
geweest (?). 

In 1361 (N° 660 D) van eene brouwerij van Henricus Karsul 
nabij de vicus coci. 

In 1362 CN«» 662 D) een zelfde vermelding; hier heet echter de 
bedoelde brouwer Corsvel, blijkbaar dezelfde als de voorgaande. 

In 1368 (N** 753 D) wordt de straat geheeten Koexruwe; be- 



— 218- — 

m 

woners Nicholaus Gisels, Johannes Humeker (zie op 1309) en 
Johannes de Stockheim, tector petrartim (leijendekker). 

In 1371 (N^ 779 D) worden de echtelieden Egidius en Heyla 
SuTE in de ruella coci vermeld. 

In 1391 (N° 931 D) vinden wij als woonachtig in de Kokstraat 
Johannes Wevers, Henricus van ULENSTRAETENen Heyn van Hese. 

In 1393 (N** 933 D) komt voor Johannes Steynmetzer in de 
Koexniwe, 

In 1407 (N° 142 F) woonde in de Coxruwe Henrich Spoliers. 

In 1412 (N*^ 1143D) en in 1414 (N^^ 1156D) wordt een huis 
vermeld in die Koexruwe^ gelegen tusschen dat van Godart van 
Bloemendaele en dat van Johan Walen, voller. 

In 1416 (^) is er sprake van opten cleyne gracht bij die Coxrmce, 

In 1419 (N° 1207 D; van het huis van Arnolt vanden Swane, 
gelegen in die ÏCoexrnwe^ tusschen het huis van Danyel Boeven 
en dat van Hartman, steenhouwer. 

In 1429 (N° 1289 D) van een huis in de Coexruive, tusschen dat 
van Mathys van Boenyngen en dat van Arnolts Poes. 

In 1462 (N*> 1487 D) van het huis van Wilhem Guetknapen 
van Hees in de Cocxruwe^ naast dat van Cloes Wolsleger; een 
cijns uit dat huis werd overgedragen aan Thewout Cüpers, waard 
in die Roese^ eene voorname herberg, die wij op de Houtmarkt 
en ook in de Groote Staat hebben aangetroffen en die ook ver- 
meld wordt in 1463 (N° 1500 D). 



48. De Koestraat. 

De vroegste vermelding, die G. D. Franquinet van den naam 
Coesiraai vond, dagteekent van 1574, waar hij te vinden is in 't 
leggerboek van O. L. Vr. kerk van dat jaar. Vóór dien tijd had 
die straat geen eigen naam; men omschreef ze voor de eene helft 
met betrekking harer ligging tot den Bisschopsmaltmolen, die 
aldaar nog bestaat, of de O. L. Vr. kerk, voor de andere helft 
tot het Minderbroedersklooster in de St. Pieterslraat. Uit de aan- 
halingen, die volgen zal zulks blijken. De naam Koestraat zal wel 



(*) Alcx. ScHAErKFNS, Public aUofis etc, II, p. 135. 



— 219 - 

ontleend zijn aan een gevelsteen of uithangbord eene koe voor- 
stellende (y). 

De Bisschopsmolen, waar de brouwers, die onder Luiksche 
jurisdictie stonden, hun mout moesten laten malen wordt alreeds 
in een charter van 1132 vermeld. 

Op den hoek dezer straat en der Gortenstraat lag in 1350 het 
goed van ridder Renerus van Bergiie; bij deze laatstgenoemde 
straat en bij het O. L. Vr. plein wordt over die adellijke familie 
gehandeld. 

Huizen in de Koestraat en iiunne bewoners. 

In 1291 (N** 32 F) is er sprake van het huis van Rutgerus, 
gelegen bij den Jeker en prope molendinum brasii. 

In 1345 (N«» 77 F) lag in de Koestraat op den Jeker het klooster 
Honderimarck eigenlijk een begijnhofje, waarvan de bewoners 
Swestri genoemd werden en die tengevolge van dwaal begrippen 
door haar beleden, reeds vóór 1377 opgeheven werden. 

In 1378 (N<» 114 F) wordt het huis vermeld, bewoond door 
Johanncs, zoon van Maria van Keverenberg, gelegen in vico 
iuxta claustram Ecclesie beate Marie, tusschen de goederen van den 
hierboven genoemden ridder van Berghe en het huis van 
Margareta van Cibde, genoemd Griete Clockers. 

In 1379 (N*» 234 W) wordt vermeld het goed van wijlen Lam- 
bert, geheeten Cluppel, gelegen nabij den Moutmolen (Bisschops- 
molen) tegenover de woning van ridder Renier de Bergiie, tus- 
schen de goederen van Johannes de Canne, bakker der O.L. Vr. 
Kerk, en die van Johannes geheeten Theuz, procurator. 

In 1391 (N° 125 F) werd deze straat vermeld als goende van 
onzer Vrouweji cloester tot des biscops maltvioelen, daar lag het huis 
van wijlen Al verarde, echtgenoote van Johan Boelen, pelser. 

In 1393 (N* 126 F) als die straete by des busscops maltmoelen 
doe men geit te mynre bruederen wart; daar was een huis gelegen, 
vroeger toebehoord hebbende aan Johan, geheeten Mechelman. 

In 1397 (N** 130 F) als de straat goende van onser Vrouwen 
cloester tes buscops maltmoelen luart. Daar worden de huizen ver- 
meld van Cloes Vryends van Byelsen, kanonik van O. L. Vr. 
en van Johan Danswalle, hantschoemeker. 



(1) Franojcjinet, 'Invetit, O, Z. Vr. I, p. 66. 



— 220 — 

In 1412 (N<> 1136 D) is er sprake van een huis gelegen in die 
straet benyeden onser Vrouwen cloistcr doe men geyt des busschops 
mautmoelen ivaert naast het huis van ridder Dyeric van Bergue, 
zoon van ridder Dyederix, en naast dat van Johan van Zittart 
liicensleger (?). 

In 1450 (N<> 216 F) wordt melding gemaakt van het huis ge- 
heeten inde7i swarten wente (hazewindhond) gelegen beneden onser 
liever Vroinven cloester^ tusschen het huis van meester Jacop van 
BuNDE, steyninetzer^ en dat van Kathryne Alartz. 

In 1457 (N° 224 F) van het huis van Goetscalck der niesmaker^ 
gelegen beneden onsser Vrouwen cloester by sbisscops maltmoelen. 

In 1556 wordt melding gemaakt van „die maltmoelen geheiten 
„des Bisschopsmoelen, nu toebehorende den bruwer ambacht van 
„Triecht, gelegen binnen Triecht op die Jeker by der ^///;/r^ ^r<?^/rr 
y,cloester in die straet daer men van die Steynen brugge nae onser 
y^liever Vrouwen kerck geyt (i). 



49. De Koevliegenstraat. 

Vóór 1300 wordt die straat vermeld als heetende /^///jrrj/r^^/^^'). 
Volgens bescheiden uit 't jaar 1350, zegt Alex Schaepkens (*), 
heette ze de Quadevlighe straat en heeft Jos, Lebens over haar 
een kort bericht geschreven, dat mij onbekend is. Volgens D' P. 
Doppler (^) stond in 1418 op den Koek dier straat op de Zater- 
dagsmarkt (gedeelte der markt intra muros) een huis, de Kocvotc 
genaam.d. Wij vinden dat huis: /// dye Cocvoet als het stokhuis 
van Gerardus Byl, Procurator der Kruisheeren alhier in 1485 
nog vermeld door H. P. A. van Hasselt O. S. Cr. (^y Heeft 
wellicht dat uithangbord of die gevelsteen naderhand invloed uit- 
geoefend op den tegenwoordigen verbasterden naam die, zooals 
blijken zal, voorheen Kwadevliegenstraat is geweest. 

De Fransche benaming in 1814, medegedeeld door Baron von 



(1) Publications etc, I, p. 67. 

(=) Franquinet, Inv. O, L. Vr. II, p. 138. 

(3) Publications etc, I, p. 56. 

(*) P. Doppler, Nccrohgc etc, p. 122. 

(») Publications etc XXXIX, p. 53. 



— 221 — 

Geusau (i) luidde: Rue de la vache volante; de „koevlieg" was dus 
volgens den schranderen vertaler eene „vliegende koe" geworden. 
Laatstgenoemde schrijver komt daartegen op en zegt dat volgens 
eene legende daar ter plaatse eens een zwerm koevliegen neer- 
streek en dat dat feit als oorsprong van den naam geldt. 

Huizen in de Koevliegenstraat en iiunne bewoners. 

In 1336 (N** 300 D) wordt een huis vermeld in de quodevli- 
ghefistrate^ toebehoorende aan Johannes de Wessem, een ander 
ernaast aan Gerardus Braes. 

In 1344 trof ik een zekere Quodevlieghe aan, wonende in den 
Ververhoek (zie bi) deze straat). 

In 1352 (N° 486 D) bewoonde Johannes de Ruremunde, mole- 
naar, een huis in de plaihea quodevligheii; het was gelegen tus- 
schen dat van Henricus Plackire en dat van Gonegundis de 
Nortbeke. 

In 1358 (N° 601 D) was er in vico dicto qiiaedvligen strate een 
huis toebehoord hebbende aan wijlen Macharius genaamd Romer. 

In 1359 (N'» 629 D) een huis in de vicus quodevligen^ tusschen 
dat van Wilhelmus de Lodenako en dat van Johannes Cnoup 
de Viseto (Visé). 

In 1371 (N^ 778 D) een huis in de straat evenals het zooeven 
genoemde, naast dat van Coewinel en dat van den in 1352 ge- 
noemde Plackiere. 

In het Necrologium der Kruisheeren (2) is er sprake van Petrus 
DE Peer in die qnadevlyegestraat. 

In 1379 (N° 842 D'^ wordt die straat op dezelfde wijze genoemd 
bij vermelding van het erf van Cathiegers, voorheen geheeten 
Haspengomversguet, gelegen nabij den stadmuur aan de Maas, tus- 
schen het huis van Johannes Karseel en de Quacdevligcyistraete ; 
het strekte zich uit tot aan het goed van Jutte Penres. 

In 1385 (N° 904 D) met dezelfde spelling.^van het huis van 
Petrus DE Fleytingen, placcator (plakker) gelegen tusschen dat 
van Godefridus de Zussciien, wever en dat van wijlen Bartho- 
lomeus DE Assche. 



0) PubHcations etc, XXXVI, p. 440. 
(2) Ibid. XXXIX, p. 91. 



' — 222 — 

In 1402 (No* 449 en 450 D) is er sprake van een huis bona 
Alryke gcheeten in de Quadevlicgeustrate^ gelegen naast dat van 
Jacobus SusciiEN, wever, (zie in 1385) en dat van Henricus 
VvGEN, tector domorum (stroodekker) en bewoond door Egidius 
Sturbout. 

In 1403 (N° 1103 D) is sprake van het huis van Helyas den 
stroodekker in de quadevlieghenstrate^ tusschen dat van Ausem van 
Heyendale en dat van wijlen Arnolt Hierlant^ dat huis kwam 
naderhand aan Johanncs de Haren. 

In 1424 (N° 1255 D) van het huis op den \\o^Cvander qivoede- 
vliegeiistraeten aan de Maas, tusschen de huizen van Arnold van 
Herborcii en van wijlen Johan Swanenberch. 

In 1430 (N° 1302 D) w^ordt het huis vermeld inden Koevoete op 
den Saetcrdachsmarckt op den hoek der Qiüoedenviiegenstroete^ naast 
het huis van wijlen Rutten van Leute, bakker. 

In 1454 (N° 1420 D) is er sprake van een huis in de Quocde- 
vllegensirote, gelegen tusschen dat van Johan van Keynich en dat 
van Gerart van Hallebey. 



50. De Kokartsruwe. 

Deze straat verwarre men niet m^i(\t Kox-oi Coxmive. Het was 
waarschijnlijk de tegenwoordige Kmisheerengang ; deze laatste 
naam zal na de vestiging der Kruisheeren alhier in 1437 den 
voormalige verdrongen hebben; deze was afgeleid van de familie 
Kokarts, die zooals uit hetgeen hieronder volgt langeniijd aldaar 
bezittingen had (i). 

In 1338 (N° 93 W) lag toch daar ter plaatse een huis in ruella 
quondavi Johannis Ludoiiici ex opposito cruciferornm (*) tusschen 
de goederen van^ Paul supra communde en die van Willem ge- 
naamd COKART (N° 315 D). 



(1) Jhr. V. DE Stüers deelde mij zijne overtuiging mede „dat het huis van de 
familie Cokart moet gestaan hebben aan de noordzijde van dat gedeelte van den 
Kritishecretigam^y dat met eene poort op de Kominel uitkwam. De zuidzijde zal ook 
in de XIV*" eeuw wel tuin geweest zijn." 

(-) De juiste ligging van dat straatje op de Brusselsche straat is mij niet gebleken. 



— 223 — 

De Cokartsruwe zal m. i. uitgang verleend hebben aan de land- 
bouwersgoederen aan de Kommel gelegen; die gissing schijnt 
bevestiging te erlangen door hetgeen voorkomt in de liniietbe- 
schrijving van den Vroenhof in 1G26 (i), waar in de volgende be- 
woordingen sprake is van de grens: .... ,^tot Kokartsguct toekende 
des selffs Kokarts guet achter tot commeuien. 

In eene noot bij N° 902 komt D"" Doppler tot de gevolgtrekking 
dat de Kokartsruwe gelegen was by de Kcvnnel^ zulks naar aan- 
leiding van eene aanteekening op den rug van dien schepenbrief, 
dié vermeldt dat het bewuste huis gelegen w^as suf ra coinmeudam, 

In 1355 (N^^* 530 en 966 D) wordt ook een huis met annexen 
vermeld als gelegen s^ipra commendavi ; datzelfde huis wordt echter 
in eene noot in dorso, geheeten gelegen te zijn /// ruella Cokarts 
tusschen dat van Petrus Cokarts en dat van de weduwe Snvde- 
WENT. Dit brengt den schrijver hier tot het vermoeden dat de 
Kokartsruwe de tegenwoordige Kojnjuelstraat zou zijn. M. i. w^iren 
alleen de anjiexefi van het bedoelde huis supra comviendam Q(t\Q,^^w 
en het eigenlijke huis in de Cokartsrinoe, 

De in deze straat wonende stroodekkers^ — leidekkers waren 
bekend onder den naam van sclieversteynendekkers^ — geven mij 
aanleiding tot de volgende bemerkingen: 

Ofschoon Perreau geene melding maakt van het stroodekkers- 
ambachi, waar hij de 23 ambachten opsomt, zooals de Gemeente- 
raad, daartoe in 1420 door Hertog Jan IV van Brabant gemach- 
tigd, ze reorganiseerde, vind ik toch die stroodecker vermeld, toen 
de Raad in Juni 1489 de ambachten bij eene gewichtige aange- 
legenheid raadpleegde (2). 

Het veelvuldig, min kostbaar gebruik van stroodaken, bleef 
voortbestaan tot in de XV1I° eeuw. In 1612 woedde hier een felle 
brand, die de geheele huizenrij vanaf de Jekerstraat tot aan den 
Kommel, bewoond door vele landbouwers, in asch legde. 

Het ongeval was ontstaan doordien een burger met een vuur- 
roer geschoten had op duiven en daardoor een stroodak had doen 
vlam vatten. 

De Magistraat gebood toen dat alle stroodaken binnen een jaar 



(1) P. Doppler, Maasgouw, 1905, p. 59. 

(') H. P. H. EvERSEN, Publkations etc. IV, p. 4U7. 



— 224 — 

moesten verdwijnen en maakte bepalingen omtrent de constructie 
der scheidsmuren, die tot dan meestal in hout en leem opgetrok- 
ken waren; de brandgevels die thans nog steeds zoo uitstekende 
diensten bewijzen, moesten uit brikken gebouwd worden en een 
voet boven het dakhoutwerk uitsteken. De burgerij was echter 
ter wille der groote kosten niet gediend met die verordening, welke 
vaak ontdoken en dikwerf opnieuw moest uitgevaardigd worden, 
telkens wanneer een groote brand in naburige steden de inwoners 
kwam verontrusten (i). Men beleefde toen eene stroodaken en 
brandgeveh'lrivestie^ zooals onlangs eene theaterbrand-kwestie. 

Huizen in de Kokartsruwe en hunne bewoners. 

In 1385 (N° 897 D) is er sprake van een huis te Tw^eebergen 
in vico dicio Kokarts gelegen tusschen dat van Johannes KoKART 
en dat van Rutgherus van Baliuvne. Door Johannes Wytter 
w^erd ten behoeve van zijn schoonzoon Theodoricus Kokart en 
diens echtgenoote Gertrudis, eene daarop gevestigde rente afgestaan. 

In 1391 (N^ 898 D) is er wederom sprake van die straat om 
het huis aanteduiden gelegen tusschen dat van Wytter, zoon 
van wijlen Dieric Kokards en zijne echtgenoote Lysbet, gelegen 
te Tweebergen in die Kokardsruzve^ tusschen dat van Rutgerus 
VAN Baljuyne en dat der weduwe van Rutgerus Karreners. 
(Vergelijk met voorgaande). 

In 1397 (N° 131 F) worden goederen genoemd gelegen op den 
orde (hoek) va7i Koekartsrtuiven tusschen de poort en het goed 
van wijlen Marten van Boelre, mesmaker i7i de Koekartsruive en 
het goed van Willem Jaemer. Franquinet teekent daarbij aan dat 
hem de ligging der straat een raadsel is; mij dunkt dat dit 
raadsel door de hierboven vermelde schepenbrieven, die hem wel- 
licht niet bekend waren, opgelost is(-). 

In 1402 (N° 1046 D) is vermeld eene landbouwhoeve met schuur, 
tuin en woonhuis ie Tweebergen in di^ Kokartsruwe \.o^t\\oo\^XiAt. 
aan Lambertus Kokart, kapelaan van St. Servaas en gelegen 



(1) Jaarboek 1851, p. 268, waar ook de toenmaals gebruikelijke brandblusch- 
middelcn opgesomd worden. 

(2) Deze schrijver kwam echter later {Invent. O. Z. Vr, II p. 23) tot dezelfde ge- 
volgtrekking. 



— 225 — 

naast hel huis van wijlen zijn vader Johannes Kokart (vergelijk 
N° 897 D van 1385) en naast dat van wijlen Nicolaus Paresiis, 
priester; dit laatste naar den kant der Kommel. De voormelde 
schuur was gelegen naast het erf van Daniël Ludovici (vergelijk 
N" 93 W van 1338), terwijl de tuin zich uitstrekte tot aan het 
huis geheeten Iguet van den Capruyne. 

In 1409 en 1419 (N« 899 en 900 D) is de Kokartsnnve nogmaals 
vermeld met betrekking tot dezelfde huizen, aangeduid in 1391. 

Nog zij medegedeeld dat in 1395 (N° 966 D), (vergelijk ook 
N*» 530 D van 1355; in die straat Moes van Gangelt der stro- 
decker woonde, tusschen Gerard Kiggen en Metten Snydeweynd, 
benevens Thonie, die hetzelfde ambacht uitoefende. 

In 1420 (N° 1204 D) bezat Lambrech Cokartz, priester in- de 
Cckartzruwe een huis, gelegen tusschen dat van Wil hem Lam- 
BRECiis, anders geheeten Proestman en dat van Johan Got groet 
UCH van Mopertingen. 



51. De Kom mei straat, 

(Comment, Commer enz.) 

Toen Maestricht in 't begin der X** eeuw nog niet of slechts 
zeer gebrekkig ommuurd zijnde, deel uitmaakte van het graafschap 
de Masegouw en onder oppergerecht stond van graaf Albuinus, 
lag er tusschen den Kloostersingel der Abdij van St. Servaas en 
de Jeker een terrein dat de Commer of Comfnel genoemd werd, 
volgens van HeylerhofT en Jos. Habets afgeleid van cumulus^ wijl 
dat terrein op een hoogte gelegen was; in de omstreken der 
stad waren meerdere hooge punten, onder dien naam bekend (i). 

Men onderscheidde de hooge Commel achter St. Servaasklooster 
gelegen en toebehoorende aan de Abdij, die de Commer van 
Si. Servaas en daarna Tiveebergen genoemd werd, en de lage 
Commel, gelegen tusschen den weg van Montenaekcn en den Jeker. 
De oostzijde daarvan behoorde tot de jurisdictie van Maestricht 



{y\ Zoo heette voorheen ook de Commeut eene plaats te Wyck, gelegen aan de 
Oostzijde der Grachtstraat tegenover het voormalig goed der familie Happard in de 
Rechtstraat. Zie omtrent die familie: Frakq.uinet, /«v.O. L. Jr., p. 119, 121, 270. 



— 226 — 

en werd daarom Graafschaps Commer^ de westzijde onder die van 
St. Pieter, Bisschops Commer geheeten. 

Toen Keizer Hendrik II door zijne handvest van 10 Juni 1006 
de souvereineteit van Maestricht aan Notgerus, bisschop van Luik, 
had overgedragen, zagen zich de opvolgers van graaf Albuinus 
genoodzaakt hun paleis aan de St. Servaaskcrk (thans het Staten- 
huis) te verlaten^ tot standplaats werd gekozen de ^r^/^///"yè^ t'<?w;;zé'/, 
waar een kasteel gebouwd werd, de Munt genoemd in het dorp 
Leerhkuyien gelegen aan 't uiteinde der tegenwoordige Abtstraat 
naar den kant der Tongerschcstraat {}') ter plaatse waar nu de 
kazerne Les Bons Enfants is. 

Den 21 December 1761 ontplofte het kruitmagazijn aan de 
Kopnnel (thans de Calvariestraat), waarin 36000 pond buskruit 
opgeborgen was. Aan de plaats waar het stond werd in de 
volkstaal den naam gegeven van Abrahams look^ waaronder zij 
algemeen bekend was vóór de ontmanteling der vesting, zulks 
naar aanleiding van den naam ^'an den kannonier Abraham van 
SiTTERS die door diefstal van kruit de aanleidende oorzaak was 
van het onheil. De prinses van Hkssen Philipstiial en de freule 
DE Selvs-Fanson en hjre huisgenooten, die nabij woonden, elf 
soldaten in 't wachthuis op den wal (in 1465 de Hacken camer 
en daarna de hooge schuur geheetenj, evenals de dief en zijne 
medeplichtigen, verloren daarbij het leven (2). 

De luybe (gildenhuis^ der hoveniers, een der 23 ambachten van 
Maestricht, was gelegen aan de Oostzijde der Kommelstraat op 
den hoek der Brusselschestraat. De hoveniers of gerdiners hadden 
het uitsluitend recht om groenten, melk enz. te verkoopen en 
werkzaam te zijn in tuinen. Het gilde had tot patroon St. Urbanus. 
Uit de hieronder te vermelden schepenbrieven blijkt, dat aldaar 
groote tuinen en hoeven bestonden. 

Op de Komniel bevond zich voorheen een poel nabij den wal- 
muur en een andere voor de Refuge van Herkenrode^ dienende 
tot drinkplaats voor het vee en als bluschmiddel bij brand. Wan- 
neer die gevuld zijn is mij onbekend (^). 



(1) DE Lenarts, Pubiicafi'ons etc, I, p. 251-250. 

(2) Zie nadere bijzonderheden chronyk van Maestriclit, Maasgouw 1884, p. 956; 
ok Maasgouw 1880, p. 295 en 347; 1888, p. 79 en 1889, p. 174. 

(3) Jaarboek 1851, p. 266. 



— 227 ~- 

Over de aan den ingang der Kommel zich bevindende Kapel 
en gasthuis van St. Nicolaas, wordt gehandeld bij de Brusselsche 
straat. 

Huizen op de Kommei en hunne bewoners. 

In 1300 (N** 50 D) wordt vermeld een huis met ernaast gelegen 
hoeve op de Commune, tegenover het huis geheeten Hcnloit(tx\ roe- 
rende van het hof van Lenculen 

In 1306 (N° 59 D) worden goederen vermeld geheeten Dunckcls 
met gebouwen en hoeven gelegen supra commundc of commontc. 

In 1310 (N° 83 D) wordt een terrein met gebouwen vermeld, 
liggende supra commende, naast het erf van de armentafel van den 
H. Geest en naast dat van Johannes, den zoon van Theodoricus. 

In 1336 (N" 292 D) een huis supra commundc naast dat van 
Thomas de Molle, linnenwever. 

In 1340 cN** 339 Ü) een huis gelegen supra commcnam dojnini 
ducis Brabaticit\ naast dat van Lambertus de Horne, placcator en 
dat van Thomas, linnenwever (zie voorafgaande). 

In hetzelfde Jaar wordt die straat vermeld als die eomenaQ^. 

In 1341 (N® 356 D) woonden supra eommenam, Margarita, de 
weduwe van Amelius en haar zoon Paulus. 

In 1355 (N° 531 D) is er sprake van een huxs supra eommendam, 
tusschen dat van Macharius de Kestel en dat van Oylke, de 
weduwe van Johannes Snydewent. 

In 1355 CN° 530 D) van een huis gelegen supra eommendam in 
ruella Cokarts Czie bij deze straat) tusschen dat van Petrus 
CoKARTS en dat van de weduwe Snvdewent zooeven genoemd. 

In 1410 (N°* 1115 en 1122 D) is er sprake van het ert van 
Adam de Mobertingen, gelegen supra eomntenam, tusschen het 
huis van Gerardus de Haren, gezegd Seeper en dat van Aleydis, 
de weduwe van Henricus de Vuciit. 

In 1422 (N° 1235 D) wordt het huis vermeld van Petrus Lewe 
op de Kommel, naast dat van Johannes Creyt en dat van Gode- 
fridus Otten, wagenmaker. 

In 1433 opdracht in erfrecht van het huis van den overleden 
schepen Dyerix Eynenbergh, gelegen op die Commente, tusschen 



(^) PubUcations etc. I, p. 54. 



— 228 — 

dat van Lucia, echtgenoote van Wilhem van Borsen, gerdiner 
en dat van Goedart van Loon en aan den achterkant zich uit- 
strekkende tot aan het erf van Danvel Loedens ende oiich nvt- 
ghoe7idc met eynen gange ende liuyseren op die ander straete 7 richt 
wart^ naast de hoeve van Geselbrecht van Herderen en het huis 
van Willem Gruter (^). 

In 1446 (N° 1236 D) wordt het huis van Peter Lewen, op die 
Commeynt^ andermaal vermeld (zie op 1422). 

In 1449 (N° 1397 D) is er sprake van het huis van wijlen Johan 
Flesken, op die Commeynt^ gelegen naast het huis van wijlen 
. Dyerix van den Hogenwalde, in leven schoolmeyster van St. Ser- 
vaaskapittel en dat van Cloes Rutten, Zander's zoon. 

In 1529 (N? 284 F) schenkt Dionys Pronen zekere goederen, 
gelegen op die Comment^ aan Willem Scobbel, kanonik van 
O. L. Vrouw; de schrijver teekent hierbij aan, dat die goederen 
bestonden uit een tuin en eene schuur, gelegen /// platea abbatis 
prope portam de lynckulis, waardoor het bewijs geleverd is dat de 
geheele streek van de Brusselsche tot de Tongerschesiraat vóór 
en in de XVI^ eeuw die Comment heette. 

Dit bleek trouwens reeds door de hierboven aangehaalde woor- 
den van Lenarts. 

In 1691 worden in eene akte van Notaris Wynand de Lahaye, 
hier resideerende, vermeld drie groote roeden akkerland op de 
Cofnmer^ gelegen naast land van Peter Goenegraciit en dat van 
Theodoor Heckelers (^^). 

In de beschrijving van de limieten van den Vroenhof in 1720 (3), 
wordt gezegd, dat aan beide zijden tot Tricht behoort, „den 
y^Kommel xox aan het huis van Mevrouw van Heckenrode, al waer 
„met seydt een rouwken van uyt die Schtutehoeven geloopen te 
-.hebben tot achter het Cruysbroeders kloester". 

Het hier bedoelde Refugiehuis behoorde aan de abdij van Herc- 
kenrode; in 1774 vervreemde zij het. In 't begin der XIX* eeuw 
was het gebouw gedeeltelijk in handen van den heer Colpin, 
vader van Mevrouw Cruts van de Zangerij. Het kwam vervol- 



( ) H. P. A. VAN Hasselt, Geschiedenis van het klooster der Kruisheer en te 
Maastricht^ Bijtac^en I, in: Pnblications etc. XXXIX, p. 126. 
(") Maasgouw 1906, p. 51. 
(^) Publications etc, XIX, p. 424. 



— 229 — 

gens in het bezit van den heer Habets-de Ceuleneer, uit wiens 
handen het omstreeks 1840 overging aan den landbouwer Janssen, 
die het op zijne beurt omstreeks 1873 verkocht aan de Zusters 
van Liefde; deze hebben de vroegere Réfugié ter bewoning van 
bejaarde dames ingericht. In de tuinen bevindt zich nog de steen 
met het wapen der abdis Barbara van Hinnisdael, met het jaar- 
tal 1645 en de letters B. H. Deze schijnt 't Refugiehuis alstoen 
gebouwd te hebben (i). 

52. De Lantaarnstraat. 

Voorheen werd ze Heren Mannertsruwe genoemd (zie bij de 
Breedestraat). 



53. Het Leliestraatje. 

(De Flatterye"). 

Een thans geheel onbekende naam, die volgens Franquinet 
(Noot bij N<» 156 j in de XI V« eeuw ook gegeven werd aan de 
Sporenruwe of Kenter ky nsrinve ; elders (i) opineert deze schrijver 
dat Flaiterie verbastert werd in Batierie. 

Naar mijn bescheiden meening is deze opinie, die ook gedeeld 
wordt door D*" Doppler (N° 350 en N*> 351) niet gerechtvaardigd. 
Ik vermeen dat hier met den hoek der Platielstraat, destijds 
Nieuwstraat geheeien (in nova platea in ordone vici dicti die flat- 
tereye), bedoeld wordt het hoekhuis van die straat en van het 
Lelie straatje, 

In 1376 (N'^SnD) toch worden vermeld twee naast elkander 
gelegen huizen /;/ nova platea jiixta capellam sancti amoris confes- 
soris tusschen het huis van Gisclbertus DE Juncis en dat van 
Wilhelmus de Mombeke, beiden lakcnscheerders. 

Het huis van dezen laatste nu komt ook voor in 't zelfde jaar 

1376 (N° 821 D) als gelegen tegenover de straat vtdgariter dicta 

flatterye; met deze moet m. i. dus het Leliestraatje bedoeld zijn 



(1) Maasgouw 1883, p. 872 ; 1890, p. 16 en 1907, p. 5. 

(2) Franquinet, Tnvent, O, L, Vr, II, p. 51. 

15 



- 230 — 

(dat later zijn naam ontleende aan het huis „ter lylyen'*, gelegen 
in de Groote Staat tegenover de Predikheeren) (i); want ware 
de Sporenstraat bedoeld, dan zou het huis van de Mombeke 
niet in de Platielstraat naast de kapel van St. A.mor, doch aan 
de andere zijde van deze, dus aan de Moesmarkt, gelegen zijn 
geweest. 

In 1340 (N° 346 D) wordt dt Jïatterye nog als zoodanig ge- 
noemd zonder nadere verklaring. Het geldt daar een huis op den 
hoek dier straat, gelegen naast dat van Johannes Groet. 

De y^Flattereye*'' schijnt overigens volgens een vermoeden, waar- 
schijnlijk gegrond op het woord Platter^ Flater^ een algemeene 
term te zijn geweest om een klein, eng, vuil straatje aanteduiden, 
welke eigenschappen het Leliestraatje eerder bezat, door de achter- 
huizen die er op uitkwamen, dan het bepaalde beivoonde Sporen- 
of Kenterkensstraatjcy dat toenmaals trouwens een naam droeg, het- 
geen niet het geval was met de flatterye eerst later Leliestraatje 
gedoopt. 

Alex. Schaepkens (*) maakt gewag van een cijnsbrief van 1390 
in 't Nederduitsch geschreven, die andere brieven in 't Latijn van 
1340 in herinnering brengen en waarin er sprake is van drie 
huizen, gelegen op ort (hoek) van der straeten geheiten platterey in 
de nietiwe straat (later de Platielstraat) bij het Gasthuis van 
St. Servaas. 



Naschrift, Het bovenstaande was reeds lang geschreven toen 
mijn oog toevallig viel op eene noot in Franquinet's Inv. O. L. 
Vr. II, p. 6, zie ook p 26. Daarin bekent de schrijver dat hij 
dwaalde toen hij de flatterie als den voormaligen naam van het 
Sporenstr aatje noemde: die Jlatterie wordt heden het Leliestraatje 
genoemd. Mijn betoog was dus op de aangehaalde gronden juist. 



{}) In 1379 (N"* 842 D) is dat huis vermeld als „de lylia" loebehoorende aan 
Gerardus of Gheerwinus vamme Hamme en Margareiha de Juncis, echtgenooten. 
In 1413 (N° lUöD) is van datzelfde huis van Margareta de Junccis sprake, als ge- 
legen op den hoek der straat, geheeten Jlatterye^ tegenover de Predikheeren. 

(2) Publications etc. I, p. 62. 



- 231 — 

54. De Linkuienstraat. 

(Platea leimculensis of de lenculis). 

Met uitzondering van den geograaf en geschiedschrijver Bachiène, 
die den naam dier straat wil ontleend zien aan het bereiden van 
timmermanslijm uit den afval van de vele in de buurt werkende 
leerlooiereyen (1), is men het er vrijwel over eens, dat de niets- 
zeggende naam van Linkuien, Lenculen of Lincubie^ in den volks- 
mond zelfs InkeleUy de verbastering is van Leemkuilen. 

De Lenarts gebruikt dat woord immer, waar hij spreeki van 
het graafschap, de poort, het tribunaal of het dorp Leemkuylen (}), 

HeylerhofF is van hetzelfde gevoelen (3) waar hij die naam af- 
leidt van de leemgroeven, die aldaar ter plaatse te vinden zijn. 

Het toenmalige dorp Leemkuylen schijnt zijn ontstaan te danken 
aan het feit, dat Keizer Hendrik II als hertog van Lotharingen 
in 1006 de souvereiniteit van het graafschap Maestricht overdroeg 
of confirmeerde aan Notgerus, bisschop van Luik. Volgens een 
diploom van Koning Lodewijk van 908 nu, stond dit onder het 
bestuur van graaf Albuinus, die, even als zijne opvolgers, in het 
hertogelijk paleis aan het Vrijthof (Statenhuis) resideerde. Een 
hunner, door de even vermelde gift van een groot gedeelte zijner 
macht beroofd, verplaatste den zetel van zijn bestuur naar een 
terrein, dat wegens den leemachtigen bodem, gaandeweg /^«^/^r;;/- 
kuilen werd genoemd^ hij bouwde er op de plaats, waar thans de 
kazerne „les Bons Enfants" staat, het kasteel de Munt^ laier ook 
LincuUnhof genoemd, alwaar hij zich met zijne vicarii, centenarii 
en scabini terugtrok en het opperrecht over het hem resteerende 
gedeelte van zijn graafschap nog eenigen • tijd bleef uitoefenen. 
Zulk oppergerecht nu werd toenmaals ook Vroenhoff genoemd; 
van daar dat dit in 't' vervolg onverschillig Leemkuylen en Vroen- 
hof wordt geheeten O). 

Tengevolge der herhaalde belegeringen der stad viel dit kasteel 
in puin en werd de grond aan de religieuzen van het H. Graf 



{») Maasgouw 1879, p. 17. 

(2) Publications eic I en II, DB Lenarts, Opkomsten Voortgang der stad Maestricht, 

(*) Annuaire 1825, p. 115. 

(<) DB Lbnarts, Op, cit, in Publications etc. I, p. 243, 251, 2';3, 255, 261. 



— 232 — 

(1627) overgedragen. Het gerechtshof werd naar het Munthuis^ 
(tegenvvoordig Statenhuis) overgebracht; de crimineele halsrech- 
tingcn geschiedden op de open plaats voor het gebouw. (Zie 
daaromtrent nader bij de beschrijving van het Vrijthof). 

Bij de uitbreiding der stad op het einde der XIII* eeuw (i) 
vormde de heerlijkheid Linculen onder het graafschap Vroenhof^ 
ongeveer een derde gedeelte der stad. 

Dat gedeelte stond alstoen sinds 1204 uitsluitend onder het 
gezag van den hertog van Brabant, als grondheer daarvan, en 
behoorde niet tot het indiviese grondgebied van Maestricht, dat 
onverdeeld bezeten werd door dezen en door den bisschop van 
Luik. Vandaar een zeer eigenaardige en ingewikkelde toestand, 
die vooral bij de uitoefening der jurisdictie vaak aanleiding gaf 
tot twist en twijfel, toen het dorp Lhiaden bij de stad werd in- 
gelijfd en daardoor soms een gedeelte eener straat, ja zelfs van 
een huis Vroenkofs en een ander gedeelte, onverdeelde stadsgrond 
bleken te zijn. 

Evenwel was die wijk zoo naauw met Maestricht verbonden, 
dat zij al de lotswisselingen der stad voortaan deelde en hare 
bewoners sinds het Privilegie van 1409 volmaakte gelijkheid van 
rechten en lasten met de burgers der oude stad genoten (2). 

Uit die aanstipping van den voormaligen historischen toestand 
blijkt, dat de tegenwoordige straat niet alleen, doch een geheele 
wijk onder den naam van m liiiciiUs^ in lenculis^ Icemculeji bekend 
stond, met name de Ververhoek, de Kakkeberg, de Ezelen- 
markt en meer bijzonder de tegenwoordige Tongerschestraat, die 
tot aan het begin der XVIII<= eeuw hoegJie Icnculen of buytcn len- 
aden heette, ter onderscheiding van de thans als Linkuien bekende 
straat, die in de XVI* eeuw alde icnculen genoemd werd. 

Aan het uiteinde der tegenwoordige Linkulestraat en den ingang 
der Tongerschestraat lag de tot de om walling van 1229 behoord 
hebbende en eerst in 1734 gesloopte Lenculenpoori^ waarboven de 



(') Zie: Limietbeschrijvingen van Maestricht, den Vroenhof enz., door H. P. H. Ever- 
SEN, in Puöiiiii/wns XIX, p. \M\ en vlg.; ook Publicaiious etc. II, p. 44, 45 en 
P. DOPPLER, De Tijdrekenkunde ie Maastricht^ p. 14. 

De Vroenhof bestond buitendien uit de dorpen Heukelom, Montenaeken en Wilré. 

(^) DE Lenarts, Op. cit, in Publicaiious elc, II, p. 47. 



I 

I 



— 233 — 

leube van een ambacht was. Daar ter plaatse en achter de huizen 
van de Bouillonstraat en het St. Servaasklooster eenerzijds, en 
aan den ingang der Looiersgracht anderzijds, zijn nog aanzien- 
lijke overblijfselen van dien ouden walmuur zichtbaar. 

In 't Fransch heet die straat Rue des trois frcrcs ; hoe men 
daaraan gekomen is, weet ik niet, want de legende die ik wel 
eens heb hooren vertellen, als zouden zich drie broeders in een 
schoorsteen aldaar verborgen hebben, om aan 't moorden der 
Spanjaarden na het beleg van 1579 te ontsnappen, is ten eenen- 
male onaannemelijk; ware die legende onmiddellijk na de inne- 
ming geboren, dan zou die straat ook wel hier of daar in het 
Nederduitsch zóó genoemd zijn geworden, en er is van drie broe- 
dersslt'iiat geen spoor te vinden. 

Het Gereformeerd weeshuis werd in 1G41, het R. C. weeshuis, 
voorheen het klooster van St. Annadal in 1649 gesticht. 

Huizen op de Lenculenstraat en te Lenculen en hunne bewoners. 

In 12G4 (N** 51 D) is er sprake van een leerlooijersmolen, loy- 
violen geheeten, hebbende twee torens en gelegen buiten de Looiers- 
poort en roerende van het hof van Lenculen, 

In 1277 (N** 22 F) van het huis van Hugo, gelegen mite portam 
de linculis in f ra muros traiectenses. 

In 1278 (N® 7 D) van een molen, stermolen geheeten, die vol- 
gens eene noot op den rug van N° 21 D van 1291, gelegen was 
in platea Lencidensi, In dit laatste stuk worden ook het huis en de 
goederen genoemd van wijlen Henricus, gezegd Appelmengher 
te Lenculen, 

In 1296 (N** 40 F) wordt genoemd het huis, geheeten clopcl op 
de Lenculenstraat^ behoorende aan Baldewinus Caseus, schepen 
van Tricht (^), zoomede het huis van Hugo, in dezelfde straat 
gelegen; van dit laatste was Henricus Happart grondheer. 

In 1300 (N° 50 D) dat, geheeten Henloit^ roerende van het hof 
van Lenculcft. 

In 1329 (N«229D) komt voor een huis met aanhoorigheden te 
Lenculen^ gelegen tusschen de mansio van Johannis genaamd Schvn- 
MAN en het huis van Henricus de Wvlre (-). 

(1) Zie bij de Heggenstraat. 

O Bijzonderheden over de schepen- familie de Wylre zijn te vinden in: Publica» 
tiofis etc. XIV, p. 132. 



— 234 — 

In 1335 (N*' 285 D) bewoonde een Conradus de Rymst een erf 
te Lenculen^ naast het huis van Henricus de Meere. 

In 1336 (N* 289 D) woonde Henricus Pistor, ante portam Len- 
culensem, 

In 1343 fN" 374 D) is er sprake van het huis van wijlen Wil- 
helmus DoLWAY, te Lenculen, supra fossatum oppidi (op de stads- 
gracht) in erfpacht bij Conrardus de Rympst, venditor bladorum 
(graanhandelaar). 

In 1351 (N° 478 D^ van het huis van Lambertus de Bunde, te 
Lenculen^ naast het hooge /mis van dezen en dat van Henricus, ge- 
naamd HoESCHE. Reynerus de Borne, man van wapenen, deed 
afstand van eene rente uit dat huis. 

In 1352 (N** 492 D) van twee huizen, stib uno tecto (onder één 
dak) gelegen achter het huis van Rutgherus Hayway en dat van 
Gerardus Joncghen. 

In 1354 (N** 499 D) wordt een huis vermeld, weleer een j/r/;/^//- 
huis^ op welke plaats thans twee huizen gebouwd zijn xtLenciiUn^ 
tusschen het huis van Rutgerus Hayway en dat van Johannes 
genaamd Joncghe gelegen (zie op 1352). 

In 1357 (N® 584 D) woonde ante portam Lenculensem een zekere 
Petrus, koopman, en wordt daar een huis genoemd, gelegen ubi 
itur versus Jecoram (waar men naar. den Jeker gaat) benevens 
eene stiipa (kroeg) te Le^iculen^ gelegen naast het huis van Rut- 
gerus Hayway en dat, geheeten Kynssche (zie op 1354). 

In 1358 (N° 609 D) wordt vermeld het erf van Nycholaus, 
viudeviiator (?) voorheen behoord hebbende aan Mechtildis Cremers 
en gelegen supra Jecoram^ tusschen den St. Servaasmolen en de 
curia dicta Vrocnhof retro te^idicula (achter de ramen); ook het 
huis van Lambertus Connichs, te Lenculen nabij den put, btnQvens 
het erf van Conrardus de Herderen, te Z^wr///^;/ en zich uitstrek- 
kende tot aan de voornoemde curia, geheeten Vroenhof. 

In 1359 (N^*585D en 452 D) worden genoemd Petrus de 
Lemmole en Barbara, zijne echtgenoote, kooplieden, manentes ante 
portam Lenctdensem (wonende aan de Lenculenpoort). 

In 1363 (N° 690 D) is er sprake van het huis van Megtildis, 
weduwe van Lambertus de Blinde, gelegen in platea iuxta portam 
Lenculensem (de Linkidcnstraai) tusschen het huis Engelbertus DE 
Meer (zie op 1335) rasor pannorum (lakenscheerder) en dat van 
Megtildis voornoemd. 



— 235 — 

In de Middeleeuwen werd de hier ter stede zoo bloeiende 
lakenindustrie niet alleen in de omgeving der Raamstraat (zie 
bijzonderheid bij die straat) uitgeoefend, doch ook te Lenculen aan 
de Jeker. 

In 1381 worden als keurmeesters op de ramen op die Jeker ge- 
noemd: Willem KuECKER bisertt Aghten (de tegenwoordige Tafel- 
straat), Jos. Giiester, Til Jo in den Hoef, Henrich Walgeeboren ( i). 

In 1382 (N" 879 D) is er sprake van het huis van Franco 
Pricking, gelegen ex oposito por te curie Lenculensis, tusschen dat 
van Johannes, molenaar, en dat van Lambertus genaamd Breetken, 
kaarsenmaker. 

In 1395 (N^972D) van een huis in de Lencmenstraete, tusschen 
het huis, toebehoorende aan Henricus Stephani en bewoond door 
Johan Kecken en dat van Mathys Waelgeboeren (in 1381 
genoemd). 

In 1395 (N° 973 D) wordt een huis beschreven, als liggende met 
al zijn toebehooren, „inder straeten van Lenculen gaende ende 
«strcckende achter al totter schueren heren Willems van Evnen- 
„berch (-), ridders, tusschen den guede Peter Ghewants des 
„volres ter eynre syden ende den guede Beien Busscops ter an- 
„deren syden". 

In hetzelfde stuk wordt ook genoemd Arnolt van Ulenstrae- 
TEN, den bruewer, wonende te Lenculen, 

In 1399 (N« 301 W) treffen wij aan, het /^«/«<;/j (brouwerij) 
met toebehooren van Georges Koeman, gelegen in de Lenculen- 
straat, tusschen de goederen van Willem de Boelre, gezegd int 
hoef ken en die van Nocken Scheylds. 

In 1414 (N° 1159 D) wordt vermeld het huis van Gerard Kan- 
telberch, voller, in die Lenculrestraete, naast dat van Kathryn 

VAN PrOELEN. 

In 1420 (N® 1219 D) het huis der kinderen van wijlen Gherart 
Cantelberghs, gelegen naast dat van Vranck Neels. 

In 1429 (N** 1296 D) het erf van Moes, der Wfn^arder, gehg^n 
naast een erf van dezen en dat Oeben der Wy?igarder, 



(1) Maasoomv 1888, p. 873, 878. 

(-) Zie genealogische bijzonderheden over deze familie: Franquinet, biv, O. L* 
Vr, II, p. 128, Noot 3 en ook Publications etc. I, p. 57, 60, zoomede bij de Bouil- 
lonstraat. 



— 236 — 

In 1434 (N°« 187 en 188 F) is er sprake van een Ramehoff^ te 
Leiiculen^ ook genaamd de hoogc Ramenhof^ ter onderscheiden van 
de verschillende ramenhoven achter St. Matthiaskerk. 

In 1446 (N° 1236 D) v^ordt genoemd het huis van Johan van 
LoEDENAKEN, te Leuculeu tegen den Vroenhoff over^ naast dat van 
Gerart Clut, schepen van Lenculen en naast dat van de weduwe 
van Hcnrich van Loedenaken. Nabij dit laatste lag het huis van 
Henrick van Haren, tusschen de schuur van het kapittel van 
St. Servaas, geheeten die theende schuyre van Zuschen en het huis 
van Geben der wyngarder, 

In 1456 (N'' 1440 D) is er sprake van het huis van Johan 
Gerster, gelegen by die vnrste le7iculre port^ tusschen dat van 
Wilhem Sciioenbroet en dat van Aleide Kuycken. 

In 1459 (N*** 1441 en 1467 D) is er sprake van het huis van 
Johan VAN Mosmole, gelegen naast dat van Reyner Campscheir- 
PER en dat van Goeswyn vanden Boeckel. 

In 1466 (N° 1442 D) wordt het huis vermeld van Wilhem 
ScHUYLEN, brouwer, by die vurste lejicidre port^ gelegen naast dat 
van den in 1459 genoemden Johan van Mosmoele, verver. 

Op de lijst der in 1535 uit de stad gevluchte Herdoopers wordt 
vermeld Goert Koeler van Montenaeken, wonende te Lenculen^ 
evenals Peter Beckers en zijne huisvrouw (i). 

Alex. Schaepkens (2) trof in een cijnsregister van 1556 aan als 
wonende in het huis /;/ die Sterre te Lennden,^ Herman Bruwer. 

In 1574 woonde in die straat „/;/ dat Poortken'' (eene herberg) 
Jan Paumen (3). 

Op een huis, nagenoeg in 't midden der straat gelegen, staat 
of stond nog in 1880: 

PaCe faVente eXstrVCta DoMVs (1725) 
d. w. z. De vrede ons begunstigende is dit huis getimmerd (^), 



(Ij Jos. Habets, De Weder Joopers^ p. 169. 

(2) Pitblicaiions etc, I, p. 68. 

(3) Ibid. XXV, p. 255. 

(4) Maasgouw 1880, p. 303. 



— 237 — 

55. Het Lindenkruis. 

Ofschoon geene straat in den gewonen zin des woords — er 
bevindt zich toch aan eene zijde slechts een oud cavalerie kazerne- 
gebouw, terwijl de andere ingenomen is door een open plaats — 
werd het Lindenkruis in den laatsten tijd vaak genoemd; daar 
toch verzamelde steeds sinds 1869 tot 1905, van April tot Septem- 
ber, de schutterij bij hare veertiendaagsche Zondags-oefeningen. 

De naam is ontleend aan de Lindenkruispoort^ die in den walmuur 
van 1297 werd opgericht; de Heer zegt na 1313, Herbenus iets 
later (^); zij lag op het uiteinde van den Maagdendriesch, ongeveer 
ter hoogte van den gashouder der aardewerkfabriek de Sphinx. 

Daar ter plaatse stond voorheen, van Heylerhoff bepaalt geen 
tijdstip, (2) een hooge lindeboom, die een groot kruisbeeld over- 
schaduwde en tot grensteeken strekte aan de gewone processiën 
van St. Servaas; de naam der poort is dus verklaard; in 1351 
vond ik hem voor het eerst officieel vermeld. 

Pater de Heer vermeldt als het gevoelen van Herbenus, dat 
de Lindenkruispoort eerst na 1520 dichtgemetseld werd (3^. Indien 
zulks in de XVI» eeuw het geval is geweest (?) dan was het maar 
tijdelijk, want uit het relaas van de voorbereidende maatregelen, 
genomen vóór het beleg van 1579 en het relaas van het beleg 
zelf, blijkt, dat de Lindenkruispoort „<//> so^ntijds gesloten was'*'* 
door de burgers (het Kerspel van St. Joris) bezet werd en dat 
op 26 Maart 600 Maestrichtenaars uit die poort een uitval 
deden (*). De kaart van de Bellomonte (1580) geeft ze duidelijk, 
door vier torens geflankeerd, te aanschouwen. 

Zeker is het echter dat ze tijdens de bezetting der Franschen 
in 1676 niet alleen dichtgemetseld doch geheel begraven werd 
onder aarden verdedigingswerken, aangelegd om een aanval, door 
den Prins van Oranje Willem 111 beraamd, te verijdelen. Hare 
juiste ligging was zelfs niet meer bekend, toen in 1874 bij de 
slechting der vestingwerken hare ruïnen voor den dag kwamen 
— er werd toen een stuk geschut ontgraven — om daarna voor 



Q) Annales I, p. 97 en Anuuaire 1826, p. 97. 
(') Annuaire 1827, p. 129. — Publuaiions etc, IV, p. 175 Noot. 
(3) Annales I, p. 97. 

(*) J. Dyserink, Het beleg van Maastricht door Parma in 1579, in: Publications 
etc, XLI, p. 161, 171. 



— 238 — 

immer onder den moker te verdwijnen. Twee schoone aqua- 
relles van Alex. Schaepkens, de overblijfselen der poort en face 
en de profil voorstellende, zijn in mijn bezit. 

De vermelding der Lindenkruispoort. 

In 1351 (N<» 475 D) wordt het huis genoemd van Johannes 
Mouwen, gelegen extra portam dictam linder cruysporie; in deaan- 
teekening boven den brief: extra portajn Linderencmes. Dit huis 
lag naast dat van Lambertus Kippen. 

In 1360 (N* 638 D) een akkerland, buiten de Lindercruysporte^ 
tusschen het erf van den zooeven vermelden Lambertus KiPPEen 
dat der kinderen van Egidius Sturbout gelegen. 

In 1407 (N° 1081 D) een huis nabij de Linder cncysporte^ tus- 
schen dat van wijlen Romer, toen in bezit van Nycholaus de 
Namen en dat van Ghiselbertus Koerensnyder gelegen. 

In 1419 (N° 1213 D) het huis van Carys van Caudenberch, 
bij de Lhidekruispoort gelegen. 

De Raadsordonnantie van 1442 vermeld de Lindencrysportc aan 
Roye7istraet (Capucijnenstraat) als de grens van de waelplaetze van 
het Sinte Matthys kerspel. Opperhoofdman daarvan was Tilman 
CoiCK C^). 

In 1452 (N° 1083 D) eene hoeve van Nalen Schenen bij de 
Lindekruispoorty gelegen tusschen het erf geheeten Johan Lamboys 
guede en dat van Goert Cornets. 

In 1453 (N** 219 Fj is er sprake van land, gelegen retro mag- 
nam crucem lyndercrtiys. 

In 1463 (N<> 1495 D) van een wijngaard, gelegen in de perts* 
hiyle^ buiten Linderkruispoort^ tusschen den wijngaard van Cloes 
VAN AuBELEN, wonende volgens N» 1493 D op de Zaterdags- 
markt, en den weg naar Lanaeken. 

In 1508 (N® 1496 D) van een stuk land, gelegen in die perts- 
kuyle aan den straatweg naar Lanaeken, naast den wijngaard van 
Cloes VAN AuBELEN (zie hierboven in 1463). 

In de limietbeschrijving van den Vroenhof van 1626 wordt die 
poort Lendecruycen poort genoemd. 

(ij Pubücations etc, XIX, p. 387. 



De Groolc Looienlraat vóór IE9T, 



— 239 — 

Omtrent 163(^werd de kazerne van St. Andries gebouwd en in 
1675 kocht het stedelijk bestuur van de weduwe Paludanus een 
groot terrein nabij het Lindekruis^ waarop verschillende kazerne- 
gebouwen, voor cavalerie en infanterie werden opgetrokken. Een 
gedeelte dezer gebouwen brandde af tijdens het beleg der stad 
door de Franschen in 1793 (}\ 



56. De Looiersstraat 

(Vicus Cerdonum). 

Zooals uit menigvuldige hieronder aangehaalde schepenbrieven 
blijkt, was deze straat bij uitstek de straat der leerlooiers. 

Aanvankelijk mochten deze hun ambacht niet binnen de muren 
der stad uitoefenen (2) en vestigden zij zich daarbuiten aan den 
oever van de Jeker, die door haren snellen stroom hun de geschikste 
gelegenheid aanbood om de huiden te bewerken en te wasschen. 
Bij de omwalling van het einde der XIII* eeuw werd de zich 
aldaar gevormd hebbende voorstad binnen de vesting getrokken. 

De lederbereiding was in de Middeleeuwen eene der hoofdin- 
dustrieën van de stad. Het Trichtsche leder had overal, zelfs in 
verre landen, een uitstekenden naam en werd gretig op de jaarmissen, 
als van bijzonder goede kwaliteit, gekocht. Die reputatie was zóó 
hecht gevestigd, dat te Franclort a/Main in 1859 op de voorjaars- 
mis nog groote stapels leder uitgestald waren met het opschrift 
Mastrichter leder (^^. Dat de leerlooierijen in de XIII% XI V« en 
XV« eeuw hier talrijk moeten geweest zijn blijkt uit de hieronder 
aangehaalde bewoners der beide straten. Nog in den Franschen 
tijd telde men er hier 32, thans, ook ten gevolge van de toepas- 
sing per f as et nefas van het vrijhandelssysteem, tot eene enkele 
gedaald ! 

in den walmuur van 1229, die van de Minderbroederspoort in 
de St. Pieterstraat over het lang Grachtje liep, was op het uit- 



0) Jos. RusSEL, Geschied- en Oudheidkundige schets der stad Maastricht^ II, 
p. 120. 

(') A. Perreaü, Recherches sur les Corporations des Métiers de la ville de 
Maesiricht et sur leurs méreaux, p. 49. 

(8) Maasgouw 1879, p. 52. 



— 240 ~ 

einde daarvan, nabij de Tafelstraat, de oude Lurejjoort gelegen, die 
in oude stukken vaak wordt vermeld en in 1772 afgebroken werd (^). 

Het tegenwoordig militaire hospitaal werd opgericht in 1810 — 
1813; daar ter plaatse was sinds 1755 het weeshuis (armenhuis) 
gevestigd geweest. 

Van December 1845 tot April 1855 was de vrijmetselaarsloge 
la Perscvcrance gevestigd in een daartoe gehuurd locaal in de 
kleine Looiersstraat. 

De leube der looiers was gevestigd in het hoekhuis der groote 
en kleine Looiersstraat. 

Huizen in de Looiersstraat en hunne bewoners. 

In 1277 (N** 22 F) wordt vermeld het huis van Rcynerus, 
allntarins^ (Icerbereider) genaamd wercthore^ gelegen in de groote 
L.ooicrsstraat versus vtolendinum fullonum. Deze volmolen lag aan 
dé westzijde, omtrent de plaats, waar de Jekcr zich in twee takken 
verdeelt, waarvan de eene sinds 1894 gedempt is en door riool- 
buizen onder de straat loopt. 

In 1295 (N^* 36 D) doet Johannes Sartor, wonende tegenover 
den Nieuwen hof, ten behoeve van Henricus Patriarch a afstand 
van een cijns uit twee huizen suprajecoram extra por tam cerdo7ium, 

In 129Ö (N® 37 D) draagt Amelius cerdo (leerlooier), over aan 
Johannes de Bride eene rente, te beuren uit het huis van Johannes 
Pansuum. 

Twee jaren daarna draagt de Bride die rente over aan Henricus 
genaamd Patriarcha in alio ponte en stelt tot medeschuldenaar 
Henricus RuFUS, leerlooier, broeder van Godefridus Rufus; de 
laatste woonde, blijkens N° 342 D, ad portam cerdonum (bij de 
Looierspoort). 

In 1315 (N*» 128 D) wordt vermeld een huis in dQ platea cerdo- 
nuni^ gelegen naast dat van Arnoldus Caprun; grondvrouw van 
dat huis was Elizabet de Eytenrode. 

In 1331 (N** 245 D) het huis in dezelfde straat, waarin Goes- 
winus, zoon van Philippus woonde; het was gelegen tusschen dat 
van Nicholaus de Stockem en dat van Winandus, leerlooiers. 

In 1334 (N** 270 D) is er sprake van eene molenpacht van den 
loemolen^ (\\Q ridder Johannes de Abousdayl, zijne echtgenoote en 



(1) Annuaire 1825, p. 111. 



— 241 — 

hun zoon Hermannus, betalen moeten aan Margrita de Gronselt, 
dochter van Wilhelmus de Oys. Deze looimolen zal wel de molen 
der leerlooiers/m 1343 (N*» 374 D) vermeld, zijn geweest, die aldaar 
gezegd wordt gelegen te zijn in de Looiersstraat, 

In 1335 (N® 80 W) wordt vermeld de woning van Winand van 
HoucHEYM, graanhandelaar, gelegen binnen den stadsmuur, penes 
portam cerdonum^ tusschen het erf van Catharina, moeder van 
Johannes, en dat van Andreas, looier. 

In 1343 (N® 375 D) wordt het huis vermeld van Johannes 
Sekermans in deze straat naast dat van Hermanngs de Stocheyn, 
wever. 

In 1354 (^N° 503 D"^ een huis in de yicus cerdomim^ toebehoorende 
ain Yh'as de Roethkim, lecrlooier, gelegen naast dat van Johannes 
DE Lemmoel, verver, en dat van Arnoldus de Huvsselt, leer- 
looier; dezelfde eigenaar bezat naast zijn huis een ander, dat 
grensde aan dat van Godefridus Geyncart. Dit werd door hem 
in erfpacht gegeven aan Petrus, den zoon van Sproeten. 

In 1372 (N° 786^ wordt aan Mathias, genaamd de7i Walen van 
den Ruren in erfrecht gegeven een huis bij de Leerlooierspoort^ 
tusschen het erf van Adam de Nuyt en dat der kinderen de 
Schaluyen. 

In 1373 (N® 791 D) aan Eustachius de Bergiie, leerlooier, een 
huis tusschen dat vrfn Lambertus, genaamd Dumvelt en dat van 
Katharina, de weduwe van Johannes de Roethetm, leerlooier. 
(Vergelijk N» 503 D van 1354). 

In 1380 vindt men in het Raadsverdrag van 6 Augustus opge- 
teekend, dat de gouverneurs van de looiers de brug aan die loe- 
violen^ die men noemt die scepehniggi^ zullen doen maken en dat 
het daartoe benoodigde werkloon genomen zal worden van hunne 
accijnzen. (Zie hierboven op 1334) (i). 

In 1393 (N® 948 D) wordt eene jaarlijksche rente overgedragen 
uit Schelen gnede in die lorestrate tusschen het erf van Machyel 
BvLANDS en dat van Peter Capruyn (zie op 1315). 

In 1404 (N" 1107 D) wordt eene grondrente vermeld uit het 
huis van Liesbet Dekens, /// die loerstroite en eene uit het daar- 
naast gelegene. Beide waren begrensd door de huizen van Johan 
Dirichs en van Maria Pauwels. 



(1) Maasgouw 1883, p. 861. 



— 242 — 

In 1413 (N« 1145 D) is er sprake van het huis van Johanncs 
DE Lemmoels, op den hoek der Looiersstraat fin 1354 genoemd). 

In 1417 (N*^ 1186 D) van seven guede bij elkander gelegen in de 
Groote Looiers straat^ tusschen het erf van Peter van Berge, ge- 
heeten dat panhuys van Aken, en dat van Elsbede Bobards, we- 
duwe van Leynsen van den Brueke; ook wordt daar vermeld 
het erf van Goetkem Wynands, leerlooier, in de Kleine Looiers- 
straat, gelegen naast het huis van Petrus P verken en dat van 
Heynen Haesen, vlceschhouwer. 

In 1429 (N 1296 D) wordt vermeld het panhuis (bierbrouwerij) 
van Peter* Neven voor de Looiersspoort, gelegen naast het huis van 
Johan Cremers. 

In 1438 (N° 194 F) het huis van Johan Schiffelaertz van 
Oys gelegen in die cleyne loerestrate, tusschen dat van Ghyselbrecht 
Lemmoels en dat van Wouter Papenkender (zie op 1334, 1354 
en 1413). 

In 1441 (N<» 1353D) is er sprake van het huis van Johan Roe- 
seler in de loerestraat, afkomstig van zijn vader Reyner van 

LUTGE. 

In 1446 (N° 1384 D) wordt vermeld een huis, naast dat van 
Johan Kreynkens. 

In 1449 (N«^ 213 F) het goed van Peter Lieben, in die groote 
loerestraie, 

In 1458 (N° 1459 D) is er sprake van het huis van Heynrix 
Bieldensnyder in de loerstrote, naast het huis van Johan TiL- 
MANS en dat van Ghysen Coesnoets. 

In 1550 wordt bij de limietbeschrijving der stad vermeld als 
zijnde Vroenhofs „in die Loere siraei die overste mooie naer die 
„zyde van Jan Breits huys, nu Houb Muninx huys". 

Van 1552 tot 1578 en ook na het beleg van 1579 worden ver- 
schillende loerders aangetroffen, die van Daelen heetten. Jan van 
Daelen, de jonge, wordt uitdrukkelijk genoemd als wonende in 
1577 in de luerestraet (i). 



(1) Haakman en Allard, De z.g^ Verwoesting van Maastricht in 1579, p. 194, 
195. 



— 243 — 

57. De Maagdendries. 

Van HeylerhofF bij zijne bespreking van het St. Andriesklooster 
beweert, dat het een der oudste der stad was en reeds omstreeks 
1200 gesticht werd door eene communauteit van maagden, die 
buiten de stad samen gingen wonen op een braakliggend terrein 
Driesck of Sacsdryes genoemd, waarschijnlijk naar eene daar 
wonende familie Sac geheeten, die aldaar nog aangetroffen werd 
in 1304(1). 

In een cijnsboek van 1360 (^) worden goederen vermeld tegen- 
over den Saxpoel, waardoor zeker een poel bedoeld is in de nabij- 
heid van den Saxdriesch. 

In 1471 werd de Kloosterkerk, die thans als hulpkerk van 
St. Matthias dienst doet, aan St. Andreas toegewijd (3) en werd 
zoodoende de oorspronkelijke naam der plaats nader bevestigd 
door de verkorting van Andreas in Dries. De vermelding van de 
kerk of kapel van St. Andreas in schepenbrieven van de XIII* en 
XIV*^eeuvv heeft betrekking op de St. Andreas-kapel in den Alden- 
hof en niet op deze, tenzij zulks uitdrukkelijk omschreven wordt. 

In 1446 (N° 1381 D) is er sprake van een huis met oliemolen 
op Saxdryesche, naast het erf van wijlen Johan Kirleman en 
naast dat van Goedart Veynken. 

In 1490 (N«» 252F) wordt vermeld de overdracht van een jaar- 
en erfcijns, door den geestelijken bestierder, de overste, onderoverste 
en de procuratrix namens het geheele cloister vanden mechden 
Drivssche bunnen der stat tricht. 

Overigens heb ik die plaats in middeleeuwsche bescheiden niet 
aangetroffen; zij was trouwens afgelegen en onbewoond en het 
feit, dat de aan haar uiteinde gelegen Lindekruispoort weinig dienst 
schijnt gedaan te hebben, bevestigt zulks. 

In üctober 1749 werd op den Maagdendries „eene nieuwe 
„pikeurbaan van planken getimmerd in plaats van de andere (op 
„de Jekerstraat) die de Franschen tot een comediehuis hebben 
„gcapproprieerd" (^). 



(1) Publkations etc, XIX, p. 372. 

(*) pRANauiNET, Ifivent, O. L, Ir, I, p. 37. 

{^) Anttuaire etc. 1831, p. 102. 

{*) Maase^otrw 1895, p. 60. 



.1. 244 — 

In 1765 werd de plaats evenals de groote Markt en de Bosch- 
straat ^met Linde-Boomen aan weerskanten en van agter beplant; 
„dog in 1778 zijn veele derzelve ontworteld geworden, dewijl de 
„Noordsche winden en onvruchtbare grond dezelve benadeeld 
„hadden". De Koemarkt, tot dusverre gehouden op de plaats waar 
de oude St. Andrieskazerne staat, werd in 1768 naar den Maag- 
dejidries overgebracht. 

In 1777 werd er eene vischbank opgericht, — „een houten 
schutzel" — die op houten pilaren steunende, met een leiendak 
overdekt was. Den vischverkoopers werd bevolen aldaar de rivier- 
en zeevisch te verkoopen in plaats van op de Visschermaas. 

Ook waren er vroeger tegen den kloostermuur houten stallingen 
aangebracht voor de „paarden van 't krijgsvolk, wiens Barakken 
„wederzijds dezer plaats zijn." Aan dien toestand ontleend het 
plein „Achter de Barakken" dus zijn naam. Die stallingen werden 
bij de beplanting van 1765 afgebroken en een „langwerpig vier- 
„kantig gedeelte der plaats met houten leuningen omringt." Zooals 
vermeld, diende die afgezonderde plaats tot koe-, ossen- en 
schapenmarkt (i) 

In 1797, bij de uitroeing der Kloosterorden, werden de kerk 
en een gedeelte van het klooster tot kazerne ingericht en de 
overige gebouwen afgebroken. 



58. De Mariastraat. 

De kapel van. 6<* Maria minor ^ ook genoemd S^ Maria adliitns, 
en naderhand in het Nederduitsch Sinte Marien Icttelre of luttelre 
en S^ Marien ten oevere was onderhoorig aan het kapittel van 
O. L. Vrouw. De laatste benaming doelt op hare ligging aan 
den oever der Maas, die zich voorheen meer westwaarts bevond 
dan tegenwoordig. 

Van den oorsprong der kapel is weinig met zekerheid bekend. 
Van HeylerhofF (2) zegt, dat zij een der oudste bedehuizen hier 




(1) Maasgouw 1897, p. 2 volgens den Jagers- Almanak van 179C. 

(2) Annuaire 1825, p. 113. 



— 245 — 

ter stede was en volgens eene traditie zou gesticht zijn ten tijde 
van St. Maternus (}'). 

Volgens hem werd een beeld der H. Maagd onder naam van 
Sulla Marzs, Sterre der Zee, aldaar vooral door de schippers 
vereerd; later werd het door het kapittel van O. L. Vrouw 
eerst aan het Minderbroeders klooster op de St. Pieterstraat en 
toen aan de St. Nicolaaskerk afgestaan, om na de sloping van deze 
in O. L. Vrouwekerk terug te komen n(0- 

Arnaud Schaepkens (') in zijne beschrijving van dat miracu- 
leuze beeld, thans in O. L. Vr. kerk op bijzondere wijze vereerd, 
maakt er geen gewag van dat het afkomstig zou zijn uit de kapel 
in de Mariastraat, wèl dat het na 1639 bij de Annunciaden 
te Wyck verbleef, van daar vervoerd werd beurtelings naar 
Slavante, Visé en Tongeren om vervolgens in 1675 terug te keeren 
over Slavante naar Maestricht, eerst in St. Servaaskerk en toen 
in de St. Jacobskapcl. In 1804 werd het na den Revolutiestorm 
in St. Nicolaaskerk en in 1837 in O. L. Vr. kerk geplaatst. 

Alex. Schaepkens (3) trof het beeld voor het eerst vermeld in 
1470 bij de Minderbroeders: hij meent echter dat het van nog 
ouderen oorsprong is. 

Van grootte en bouwtrant der kapel is niets bekend; in oude 
bescheiden wordt zij meestal enkel genoemd, om de straat daar 
ter plaatse aan te duiden. 

Tijdens de protestantsche woelingen alhier werd zij, als zijnde 
een der meest vereerde bedehuizen, in 1566 op den feestdag van 
St. Hubertus, tijdens de godsdienstoefeningen, door eene woeste 
horde bestormd; vreeselijke heiligschennissen werden er gepleegd 
en alles werd verbrijzeld f 4). 

De kapel werd in 1609 aan de Augustijnen afgestaan, toen het 
bestaan van hunne kerk en hun klooster op de Bokstraat onhoud- 
baar was geworden. 

De bouw der fraaie kerk in renaissance-styl, in 1902 geres- 
taureerd, dagteekent van 1618 tot 1659; Hendrik Huyn van 



( ) Annuaire, 1829, p. 133. 
(^) La Vierge i rencrier. 
(') Analectes archéologiques , p. 12. 

(*) Annuaire 1829, p. 135 en Publications etc. XI, p. 354. 
16 



— 246 — 

Geleen (Amstenrade), de toenmalige Commandeur der Balie- 
Biessen alhier, droeg door zijne milde giften veel bij tot dien 
bouw; van^.'aar dat zijn geslachtsvvapen den gevel versiert. 

Van 1863 tot 1873 dienden de oude kloostergebouwen tot pro- 
vinciaal museum; in 1876 werden ze afgebroken (}\ 

Het zal wel de aandacht trekken, dat bij de hieronder volgende 
aanhalingen zoo dikwijls melding wordt gemaakt van de zich in 
de Mariastf-tmt bevindende steeven. De bewering van Franquinet, 
bij de Stokstraat vermeld, als zouden de zich voorheen ook in 
deze straat bevonden hebbende stoevjii^ badinrichtingen zijn ge- 
weest, kan in verband gebracht worden met de stoeven in de 
Mariastraat, 

Zooals toch door D^ Doppler (2) aangeteekend wordt, is oven de 
beteekenis der woorden stitpha^ stupa. De afgeleide nederduitsche 
benaming stocve, aan de bedoelde inrichtingen gegeven, schijnt erop 
te doelen, dat er warme baden konden genomen worden, zooals 
trouwens ook in Antwerpen, Brussel, Gent, Brugge enz. het geval 
was (3). Dat die stoeven als publieke instellingen aanleiding gaven 
tot hunner herhaalde vermelding in 1338, 1388, 1398, 1404 en 
1406, ligt voor de hand. Het feit dat ze ook bekend waren onder 
den naam van Dohvays-gttet en Dohiuiys- stoeven^ naar hun eigenaar 
Reynerus Dolway, pastoor van St. Matthias, sluit de bewering 
van A.Habets('*) en M. H. T. P. Thomassen (S) uit, dat voorheen 
met den naam van stove of stoeve uitsluitend een publiek huis zou 
bedoeld zijn geweest. Wel hebben de voormalige stoeven in de 
Stokstraat, toen het gebruik van warme baden allengskens ophield, 
tot publieke huizen gediend; zulks kan echter niet met grond 
van die in de Mariastraat beweerd worden, de Raadsresolutie van 
21 Januari 1381, door Thomassen (^) aangehaald, bewijst zulks. 
Het misbruik, van voormalige badinrichtingen gemaakt, zal wel 
waarschijnlijk haren naam in discrediet gebracht hebben. 



(1) Maasirottw 1886, p. 101 en 1901, p. 45; — pRANauiNET, I/ivent, O, L, Vr, I, 
p. 45, 326—328. 

(2) Publications etc. XXX VII, p. 255. 

(3) Ibid. XXIX, p. 127. 

(4; A. Habets, Le plus ancien Régistre aux Résolutions du Cofiseü Communal 
de Maestricht^ p. 51. 
(5) Publications etc, XXIX, p. 127. 



— 247 — 

Met veel voorliefde koestert van Heylerhoff (^) het denkbeeld 
dat het O. L. Vrouwe-beeld, Siella Maris^ aanleiding zou gegeven 
hebben tot het daarstellen van het eerste stadswapen; in plaats 
van den tegenwoordigen genius daarboven, zou voorheen het 
wapenschild met de zilveren ster op rood veld op de borst ge- 
dragen zijn geweest door een beeld der H. Maagd met een stralen- 
glans om het hoofd. Wijlen H. P. H. Eversen (2) schijnt dat 
gevoelen te deelen waar hij, de voorwerpen opsommende, die in 
1526 door de Stad verloot werden o. a. spreekt van „100 zilveren 
„maegdekens met schild"; hij meent „daaruit te kunnen afleiden 
„dat de stad toen nog de H. Maagd en niet den Engel in het 
„schild voerde". 

De Heeren Jos. Eversen en J. L. Meulleners in hunne uitvoerige 
studie over de Limbnrgsche Gcmeeniewnpcns (^^ zijn hetzelfde ge- 
voelen toegedaan en staven door menigvuldige bewijzen dat 
de maechi^ voer haer haldeiide ecne schilt uietler sterren^ die gezvoen- 
lyke stadt ivapen is^ zooals zich de Raadsnotulen van 16 Juni 1544 
uitdrukken. 

Niet ten onrechte kan dan ook worden vermoed, dat de substi- 
tutie van den genius heeft plaats gehad, toen de kille adem van 
het Protestantisme over Tricht begon te waaien en dat secta- 
rische gevoelens er niet vreemd aan waren, toen de Raad, door 
de overwinnaars van 1632 benoemd, in 1663 bepaalde, dat de 7i^/^^/ 
met het stadswapen in het „frontespice", door den bouwmeester 
van het stadhuis Post, moest worden aangebracht. 

Door deskundigen wordt evenwel beweerd, dat het niet strookt 
met den eerbied aan de Moeder Gods verschuldigd, deze als 
schildhoudster voor te stellen en dat zulks zou strijden tegen de 
blazoenkunde. 

Wat ervan zij, de bewijzen aangevoerd door van Heylerhoff en 
door de Heeren Jos. Eversen en J. L. Meulleners komen mij voor 
overtuigende daadzaken te zijn (^). 



(») Annuaire 1829, p. 135. — Zie ook Maas^ouw 1883, p. 838. — Jos. RüSSEL, 
Geschied" en Oudheidkundige Schets der stad Maastricht I, p. 291. 
O Jaarboekje voor Limburgs 1875, p. 169. 
(3) Publicaiions etc. XXXV, p. 261— 2G3. 
(*) Zie Noot {}) bij de Gevangenpoort (Grootc Markt), p. 139. 



— 248 — 

Huizen in de Mariastraat en hunne bewoners. 

In 1338 (N** 318 D) wordt vermeld eene stupha in vico retro 
ecclesiani beate Marie Minoris^ gelegen tusschen het huis van 
Johannes Engelberti, voller, en dat van Elysabeth Eltervlieghe. 
Die stupha was afkomstig van wijlen Reynerus Dolway en kwam 
in het bezit van de erven van Johannes de Ruremundo. 

In 1370 (N° 768 D) een huis in de viais Sancte Marie Minoris^ 
tusschen dat van Johannes Konnich en dat van Aleidis, de weduwe 
van Johannes Alverardi. 

In 1379 (N** 835 D) een huis naast dat van Johannes Ramov, 
priester, en dat van Henricus de Haestenrode, koopman. 

In 1388 (N° 769 D) komt Reynerus Dolway, hierboven in 1338 
genoemd, voor als pastoor van St. Matthias en is er sprake van 
het huis, geheeten Dohvays guet/\Xidi^ Mariastraat^g^<^g^x\XM%?iQ^^x\ 
dat van wijlen Johannes Alverardi en de brouwerij van wijlen 
Johannes Kueninck, beiden zooeven in 1370 genoemd. 

In 1398 (N<> 1009 D) is er nogmaals sprake van de stoeven^ ge- 
woonlijk geheeten Dohvays stoeten^ gelegen in de straat achter de 
kapel van Se7ite Marien der liitteb-e^ tusschen het erf van het 
conveiit van Zyncke (het adellijk klooster van Sinnich) en dat der 
echtgenooten Peter van Heythuesen, verver, en Margryeten van 
Lodenaken. 

In 1404 (1056 D) wordt vermeld het huis van Johan Schyvenere, 
gelegen achter Sinte Marien capelle ter Ucttelre^ tusschen de huizen 
van Peter van Heythusen, zooeven in 1398 genoemd en van 
Kathrinen van Stockhem. 

In 1404 (N° 1057 D) wordt er gewag gemaakt van eene erf- 
rente, te beuren uit de sthoeve^ geheeten Dolweys sthoeve, achter 
de kapel van Maria de Mindere^ gelegen tusschen het huis des 
cloysters jonffrouzien van Zynke en dat van Peter van Heythuysen 
(zie hierboven op 1398 en 1404). 

In 1405 (N° 1067 D) van eene rente uit een huis in de Sinte 
Marienstraten ter Inttelre^ waarin Godaert der cremer woont en 
uit het panhuis van Meten (Mathilda) van Biecht, gelegen tus- 
schen de brouwerij van Dierich van Tudderen en die van voor- 
noemde Meten van Biecht. 

In 1406 (N^ 1077D') is er wederom sprake van de Dolways 
stoeve^ gelegen op die Maese achter onser Vronwen capelle der lui- 



— 249 — 

telre; de ligging der stoeve wordt cmischreven als hierboven in 1398. 

In 1413 (N<» 11451») wordt genoemd de brouwerij inyiinenboe- 
detiy nabij het kerkhof van Maria de Mindere, 

In 1417 (N** 1189 D) wordt vermeld het huis van Wilhem 
Bantsen, in die straete achter sin te Marien kerke ter lutielren^ ge- 
legen tusschen zijn ander huis naar den kant der St. Anthonius- 
straat en dat van Odyne Happart. 

In 1418 (N'^ 1200D) het huis van Johan van Beke, in de 
straat achter sinte Maryen kirke ter luttelre^ naast het huis van 
Giselbert van Repen en naast die straet ghoende ter Masen wart, 

In 1427 (N'' 837 D) doet Cloes van Lemmael, in die haerde 
vuyse en zijne kinderen Arnolt en Barbe afstand van eene rente 
uit hun huis gelegen /;/ de sinte Marien straete ter Itltielre, tus- 
schen dat van wijlen ridder Johan van Hulsbercii en dat van 
Claes van Vuerën. 

In 1439 (N° 1340 D) is er sprake van het huis van Gielis 
ScRYVERS, in sinte Marienstrote ter Inttelre^ gelegen tusschen dat 
van HuLSBERCH en dat van Gerit van Bürsen. 

In 1442 heette het 10^*^ kerspel der stad het Sinte Marien let- 
teren kerspel. De hoofdlieden ervan waren Lambrecht van Gan- 
GELT, Lens van Struecht, Servoes Stroeckens, Pouwels Kuet- 
TENS en Ghys Vrients. „Deze hoen vvaelplaetze is van der Hoenre 
„porte tot aen Ste Anthoenis" (y), 

In 1452 (N** 217 F) worden vermeld twee huizen naast elkander 
gelegen in de Marienstrote^ tusschen het huis van Johan Becker, 
cremer^ en dat van Alevde Bruwer. 

In 1479 stierf Wilhelmus DE Aquis, die drie huizen /;; die 
Mariastrate bezat. 

In 1609 (N° 340 F) wordt vermeld het huis met clatmira^ be- 
hoorende tot de kapel van Sancta Maria ad littns^ waarin Sophia 
Bormans woont, benevens een naast de kapel gelegen huisje, be- 
woond door Katharina en Christina van Spauwen. 

Dit zal wel de kluis zijn geweest, waarover Y)^ Doppler nazoe- 
kingen deed en die hij zegt het laatst te hebben aangetroffen 
in 1590 als ter bewoning afgestaan aan recluzen (2). Volgens 



(1) Publicaiions etc. XIX, p. 388. 
(-) Maasgouw 1906, p. 67. 



— 250 — 



Pélerin (1) werd aan de laatste recluse in 1610 eene andere woning 
in de Kapoenstraat afgestaan. 



59. Nabij de Minderbroeders (juxta minores) 

en Steenenbrug (prope pontem lapideum). 

In 1291 (N° 22 D) is er sprake van een huis aan de Jeker 
tegenover de kapel van St. Hilarius prope pontem lapideum (nabij 
de Steenenbrug). 

In 1325 (N*» 195 D) draagt Meuca de Mesciie, begijn, aan Luca 
DE Vuren, ook begijn, het erfrecht op van het huis, gelegen binnen 
den walmuur, naast het hare, tegenover het klooster der Minder* 
broeders. 

In 1339 (N° 322 D) treffen wij het in 1325 (N° 195 D) bedoelde 
huis van Luca de Vuren aan, hier het huis de Messche geheeten 
en beschreven als gelegen binnen den stadsmuur, aan de gracht 
bij het klooster der Minderbroeders naast het huis, geheeten ^/i?i?^^/^?. 

In 1355 (N° 522 D) is er sprake van het huis gelegen itixta 
Minores^ toebehoorende aan Heylwigis begijn, dochter van Vueyts, 
gelegen achter het huis van Bremen en naast dat van Lucas deFuron. 

In 1410 (N® 147 F noot) wordt vermeld het goed van Kierstjen 
van Gangelt, brouwer, gelegen an die viirste porie vanden alden- 
hove by die menrebriieder ; dus voorste poort in tegenstelling met 
buitenste^ waarmede de St. Pieterspoort bedoeld werd; hier deed 
zich trouwens hetzelfde geval voor als bij de Linculen- en Twee- 
bergenpoorten, die ook onderscheiden werden in binnenste en 
buitenste. 

Bij het beleg van 1579 was de hal van het schippers-gilde ver- 
woest geworden; door de Stedelijke regeering werd in 1589 aan 
hetzelve de hal der vollers afgestaan, gelegen achter het Minder- 
broeder sklooster^ op voorwaarde, dat indien het vollersgilde weer 
opnieuw mocht ontstaan, de leube weer aan hetzelve moest 
terugkomen Q'). 

Op de Steenenbrug ziet men in een gevelsteen St. Maarten te 



(1) PÉLERlN, Lssais IIistoriqitt'3 it Ciiiiqitcs, p. 208. 

('-) A. Perreau, Corporations des Meiers lU . . . Maesiricht * . . p. 51, 57. 



— 251 — 

paard, met zijn zwaard zijn mantel doorsnijdende en de afgesneden 
helft bestemmende voor een bedelaar, die achter het paard staat. 
Het chronicon duidt het jaar 1718 aan waarin het huis weder 
opgebouwd werd (i). 

In 1796 — 1797 hadden de Franschen van de Fransche kerk den 
tempel der Rede gemaakt. „Alle decaden kwam er eene processie 
,uyt de Minnebroedcrskerk van Prefect, Maire, alle autoriteiten 
„met militairen en jonge meisjes en jongens gecleed als goden en 

„godinnen Minerva, de Vrijheid met schilden en lansen, met 

„attributen en vaandels en muzyk gingen naar den tempel der 
„Rede onder het luyden der clocken en het speelen der carillons. 
„In den beginne der Republiek, heeft men schoone jonge juffrou- 
„wen gecleed als godinnen, op piëdestal gezet en als godinnen 
„aangebeden, maer heeft niet lang geduert. Tegen den tempel der 
„Rede over, was de tempel van Janus, nu arsenaal en trokken van 
„den eenen tempel naer den anderen " (2). 



60. De Moesmarki 

Heeft de verbastering-manie hier weer zijne rol gespeeld? 

Is daar ter plaatse ooit eene markt geweest waar moes en 
andere groenten verkocht werden? 

Volgens den „Jaegers almanak van 1795" (^^ was er „voortyds 
„en wel tot den beginne der XVII« eeuw de groote stadsmarkt 
„en naderhand de Grocnmarkt , , , in 't midden dezer plaats was 
„een groote en overoude Boom welke voor omtrent 25 jaren 
„'s morgens ten elf uur, door een sterken draaiwind ontworteld 
„wordende, en omvallende de naestgelegen Huizen zeer bescha- 
„digde, inzonder de woning zijns Planters. Deze Boom was ge- 
„plant op dezelfde plaets alwaer in oude tyden de kapel van 
„St. Amor, Patroon van het Stift van Miinstcrbilsen gebouwd was". 

ïy^z^ kapel, waarvan het koor in tegenstelling met het gebruik 
naar het Westen (kant van het Vrijthof) gekeerd was, lag in 't 



(1) Maasgouw 1880, p. 269. 

(2; Ibid. 1889, p. U3. 

^] Zie mijn opstel in de Maasgouw van 1897, p. 3. 



— 252 — 

midden der huidige Moesmarkt en dagteekende van onheugelijke 
tijden. Zij werd in 1406 herbouwd, in de laatste helft der XVII® 
eeuw wegens haar vervallen toestand verlaten en kort daarna 
afgebroken. 

Van Heylerhoff (^) verhaalt dat St. Amor, diaken, bij gelegen- 
heid zijner pelgrimsreis naar het graf van St. Servaas in de VIII* 
eeuw, hier kwam te overlijden en in die kapel, die voortaan zijn 
naam zou dragen, begraven werd. In 850 werden zijne overblijf- 
selen echter naar Munsterbilsen gebracht, waar St. Amor nog als 
patroon vereerd wordt (^2)^ 

De kapel daar ter plaatse nu zou volgens Franquinet, die be- 
weerd dat er nooit den moeshandel werd uitgeoefend (N*» 36 F 
noot), geleidelijk aanleiding hebben gegeven tot verbastering van 
het oud-nederduitsche Sente Amoer tot Atnoers-moers en eindelijk 
moesmarkt. 

Wie in deze gelijk heeft, de Jagers-almanak of Franquinet zal 
ik niet beslissen. Zeker schijnt het te zijn dat de naam van 7noes- 
viarkt van betrekkelijk recente vinding is. Oudtijds werd de plaats 
steeds aangeduid óf door de helende St. Amor-kapel, óf door de 
uitdrukking plcm^ of markt (formn). 

Hier zij aangestipt dat het kleine steegje waardoor de kapel 
gescheiden was van de huizenrij (thans brouwerij Loomans) 
volgens gemelden auteur als eene verlenging betracht werd van 
de Sporeju'uu'c en even als deze dt- iiattercye werd genoemd. Bij 
de behandeling van dezen laatsten straatnaam meen ik aangetoond 
te hebben, dat dit onjuist is voor wat de Sporcnstraat betreft, en 
dat het thans onbekende woord Jiattercye waarschijnlijk synoniem 
van steegje, ook toegepast werd op het tegenwoordige Leliestraatje, 

Huizen op de Moesmarkt en hunne bewoners. 

In 1274 CN° 6D) is er sprake van het huis met aanhoorigheden 
tegenover de kapel van St. Amor toebehoorende aan Ida de dochter 
van Henricus de Molendino. 

De familie de Molendino bleef lang in 't bezit van die woning, 
want in 1408 (N** 519 D) vinden wij ze nog als eigenares vermeld. 



(1) Annuaire 18l'.9, p. 1'20 en ibid. 1880, p. 160. 

(2) Maasgouw 1879, p. 5, 10, 21 en ibid. 1885, p. 1135. 



— 253 — 

Daar wordt. nader omschreven dat het huis gelegen was Jn de . 
j^Platielstraat tegenover de kapel van St. Anior^^ 

In 1292 (N° 36 F) zijn vermeld de naast elkander in foro ge- 
legen huizen van Libertus, bakker, en van Paulus. 

In 1315 (N° 48 en 49 W) wordt de Moesmarkt aangeduid: bij 
de Sint Amorskapel. 

In 1315 (No 136 D) wordt het huis van Petrus Peders, priester, 
op gelijke wijze vermeld. 

In 1353 (N" 88 F) is er sprake van een huis gelegen bij Sinte 
Amor opten Steynwech^ welke laatste naam toen gegeven werd aan 
de straat, thans achter het Vleeschhiiis geheeten. 

In 1376 (N*> 817 D) van twee naast elkander gelegen huizen 
in novo platea^ iuxta capellam sancti Amoris Confessoris^ tusschen 
het huis van Giselbertus de Juncis, en dat van Wilhelmus de 
MoMBEKE, beiden lakenscheerders. 

In 1393 (N° 957 D) van een huis gelegen op den Steynwech bij 
de kapel van St. Amor tusschen dat van Lambrecht van Oeteren 
en dat van Machgiel van der Slacht. 

In 1442 waren de hoofdlieden van het St. Amorskerspel : Vaes 
VAN AusT, Willem Capüyns, Gherit Hoegems, Sander van 
Ytteren en Nelis van Ytteren (^). 

In 1478 (N** 241 F) wordt de Moesmarkt aangetroffen onder den 
naam van den pleyn (forum) ter aanduiding van de ligging van een 
huis, tusschen dat van Lambrecht van Sittert, den pelser^ en dat 
van Gyssen van der Assche: het huis van dezen laatste heette 
der Swaen. Het bedoeld pleintje lag dus vóór de torenzijde der 
kapel en strekte zich, altijd volgens Franquinet, uit tot aan de 
Vijfharingenstraat destijds Sterrenrmve. 

In de Middeleeuwen lag op deze plaats de bakkerij van St. Ser- 
vaas-kapittel (*). 



(1) Piiblications etc. XIX, p. 388. 

(2) Franquinet, Invent, O, L, Vr. II, p. 26. 



— 254 ~ 

61. De Muntstraat. 

(Supra Monetam Antiquam). 

Omtrent eene voormalige muntinrichting in de omgeving dezer 
straat, waaraan deze toch wel haar naam zal ontleend hebben, is 
mij slechts het volgende gebleken. 

Voorop stellende dat de eerste kern der stad, het Oppiditm uit 
den Romeinschen tijd, de Muntstraat niet bevatte, zoo mag aan- 
genomen worden, dat de Munt, indien er toen ter tijde hier eene 
bestond, zich niet daar ter plaatse zal bevonden hebben, wellicht 
wel later, tijdens het Merovingisch tijdperk (i). 

De Lenarts in zijne beschrijving van de opkomst en den voort- 
gang van Tricht Q') schrijft dat de stad, eenmaal de residentie der 
Hesbaansche graven geworden en tot een graafschap verheven 
zijnde zich uitbreidde en dat naast den bestaanden grooten weg 
(Breedestraat) zich (in de X« eeuw) een parallel-straat vormde 
tusschen deze en de Groote Markt „loopende van de M7inf\ (die 
de schrijver zegt toenmaals te liggen tusschen de Groote Staat 
en den Markt, terwijl zij ten zijnen tijde tusschen de Munt- en 
de Nieuwstraat lag) tot aan het „hoffvan Albuinus" (Statenhuis). 
Verder zegt hij, andere straten beschrijvende, „dat de onderste 
„verbindingh van de Groote Staat met den Markt, hopende langs 
^^de Miint^ de Muntstraat werd genoemd". 

Eene meer nauwkeurige omschrijving van de plaats, waar dit 
Muntgebouw zich bevond heb ik niet gevonden; alleen trof ik 
aan in de „Eerste Chroniek van St. Mathias" Q^ dat het Tempe- 
lieren-klooster, ter plaatse waar nu de Nieuwstraat is, door een 
breeden gang met poort uitkwam naest het oude geldmuntehuys. 

Over de bekende muntfabriek van het graafschap Vroenhoven, 
ter plaatse waar nu het Statenhuis staat, verwijs ik naar A^?/ Vrijthof. 

Onder den naam van Muntstraat was voorheen niet alleen de 
tegenwoordige straat van dien naam, doch ook de Kleine Staat 
bekend. Zulks blijkt duidelijk uit de omschrijving bij de Kleine 
Staat in 1380 van het huis van Vuerblaes. Gereedelijk kan aan- 



(') Zie bij de besclirijving van het Vrijthof, het Statenhuis. 
( ) Pubiitaliotis etc. II, p. 24. 
(3) Ibid. XXIX, p. 378. 



.... 255 — 

genomen worden, dat na de afbraak van het huis de Mayo, en 
den bouw in 1475 van het Dinghuis, dit, met het oog op het 
drukke verkeer aan dat kruispunt van straten, zal zijn achteruit 
gebouwd en dat sinds dien tijd de beide straten niet meer ééne 
doorloopende zijn gebleven, doch van elkander, zoo niet gescheiden, 
dan toch onderscheiden zijn geworden. 

Naar aanleiding van het voorafgaande, vermeen ik te mogen 
besluiten, dat waar in de hieronder aangehaalde schepenbrieven 
van de oude MujU sprake is, de tegenwoordige Muntstraat bedoeld 

is G). 
Ook heb ik zulks vermoed, waar volgens omschrijving en bij 

vergelijking van namen niet duidelijk blijkt dat de Kleine Staat 

bedoeld wordt. 

Huizen op de Muntstraat en hunne bewoners. 

In 1290 (N° 20 D) treffen wij aan supra monetam het huis van 
Jutta, de weduwe van Winandus cambitor (wisselaar). 

In 1309 (N° 73 D) betaalt Ogerus, de voogd van Tricht, een 
cijns wegens het huis van Johannes de Cadiks supra monetam; 
dit huis was gelegen naast dat van Arnoldus Lupus (■^), Johannes 
DE Cadirs bewoonde het van 1288 tot 1309. 

In 1343 en 1347 (N** 365 D) woonde aldaar Katharina, de we- 
duwe van Theodericus de Heppenart, voller, en hare kinderen 
Johannes, Theodericus, Nicholaus, Katharina, Ida en Lisa (ook 
vermeld in N« 439 D). 

In 1343 (N*^ 378 D) wordt vermeld het huis van Lamberti, 
sartor, (kleermaker) zoon van Menta, gelegen op de Munt tusschen 
die van Johannes factor stagnearum ampkorarum (tinnenkannen- 
gieter) en van Gyso Queech. 

In 1358 (N"603 en 604 D) het huis van Gobbelinus, torniator 
(draaier), in deze straat gelegen tusschen dat van Theoderici de 
Heppenart, lakenscheerder, en dat van Gobbelinus de Maciiunia, 
sartor. (Zie hierboven op 1343 N*' 365 D). 

In 1378 (N^ 827 D) verklaart Egidius, genaamd Boense, aan zijn 



(^) Zulks in weerwil van de bewering van Franquinet in het Jaarboekje van 
1874, dat onder de benaming Ahle Moente^ de Kleine Staat moet verstaan worden. 
(-) Franqjüinet, Invenf. O, L. Vr. II, p. 118, 167. 



- 256 - 

medeschepen Everardus de Vernenholte (i) verschuldigd te zijn 
eene jaarlijksche erfrente uit het huis of brouwerij, waarin hij 
woont, gelegen supra niovetam scu in platca dicta die alde munten 
naast de brouwerij van Johannes der Lewe, den jonge, braxator 
hupuh\ en die van Macharius de Voeren, voorheen aan wijlen 
Johannes Sprong behoorende. 

In 1380 was Philips op die iï/^r///, keurmeester van de bakkers C'^). 

In 1398 (N'^* 1005 D) is er sprake van het huis Katherine ende 
Beatrix ongehuwde dochters van wijlen Adam van der Hagen, 
kannengieter, gelegen op die olde viounte tusschen het huis van 
Johan VAN Weirt en dat van Johan van Birkingen eenerzijds 
en het huis int steyuen huys anderzijds. 

In 1401 (N** 1040 D) van het huis van Willem van Diepenbeke 
gelegen naast dat van Daem Schoemeker eenerzijds en dat van 
Gerart van Colen en Craeckwarmues anderzijds. 

In 1407 (N° 1095 D) is er sprake van hetzelfde huis, hierboven 
in 1398 omschreven. Hier echter wordt het daar genoemde stcy- 
nenhuys als dat van Johan van Birkingen beschouwd. 

In 1415 CN<> 1171 D) van het huis van Bemelmans, verver, ge- 
legen op die alde moente^ tussclien het huis geheeten ten nuwen 
are (3) en dat van Vrederic van Elsloe, brouwer. 

In 1426 (^N° 1264 D) wordt vermeld het huis van wijlen Philips 
van Broemolen op die alde nioente naast dat van Johan MoES en 
dat van Goedart van Birckingen (^hierboven op 1398 en 1407 
genoemd). 

In 1437 (4) wordt door jonker Jan van Kesselt eene erfpacht 
verkocht aan Lambrecht Roeseleers, wonende op die moent in 
den Sarrasyn, 

In 1467 (N** 1511 D) is er sprake van het huis van Clois van 
Crauwys supra tnoneta?n antiquain, naast dat van wijlen Johan 
Stroeken. 

In 1490 CN*» 252 F) wordt vermeld het goed gelegen opte nwent 
tusschen het huis van Willem vander Hoeven en dat van 
Willem Spinde. 

(1) Zie omtrent deze fiiniilie Publicatiüiis etc. XIV, p. 131. 

(-) Maas^^ouw 1888, p. 868. 

(^) Dit huis komt ook voor bij Franquinet, Invent, O L, Vr, II, p. 19. 

(^) Franquinet, Invent, O. L, Vr, II, p. 54. 



— 257 — 

In 1533 woonde op de Munt Meerten Goldsmitz alias Berciï- 
MANS, die hier ter stede een der voormannen was van de Ana- 
baptistische sekte (^). 

In 1535 was dit ook het geval met Merten Spangemkker op 
die Moente^ die veroordeeld en onthoofd werd (2). 

Na 1579 woonde op de Mu?it Hendrik Bormans, bakker (3). 

In 1625 was Johannes Minckelers, een der voorzaten van den 
uitvinder van het gaslicht, eigenaar van het huis den Engel op de 
Muni^ grenzende ter eenre zijde den Zoeten Naam en ter andere 
zijde Sinter Claas, (thans het huis N° 42) (^). 



62. De Nieuwenhof (Nova curia?) en de Zwingelput. 

Zooals Alex. Schaepkens (^) mededeelde, bestond de Nienivcn- 
hof reeds in 1282; zulks bleek hem uit een schepenbrief van dat 
jaar, die ik naderhand in extenso vermeld vond onder N* 14 W. 
Bij de beschrijving van den Aldenhof werd daarop gewezen. In 
de tegenwoordige kerk, die van 1489 dagtcekent (zij werd gebouwd 
door den stadstimmerman Clabers en pastoor Jan) (^^*)> is nog 
op 't koor een grafsteen te zien van den rector begkinariivi nove 
curie van 1286, die van het voormalige, ertegenover gelegen heb- 
bende begijnhofje, (dat op een eilandje, door de Jeker gevormd, 
buiten de stad stond) bij de stichting der nieuwe gebouwen er 
zal zijn overgebracht geworden. 

Van Heylerhoff, aan wie de schepenbrieven, waaruit aanhalingen 
hieronder volgen, onbekend waren, beweert dus ten onrechte dat 
de Nieuzvenhof eerst in 1407 zou zijn gesticht (7). 

Nabij den Nietnvenhof bestaat in den stadsmuur eene dichtge- 
metselde poterne. Deze zal wel de door van Heylerhoff bedoelde 
verbinding tusschen de stad en de daarbuiten liggende terreinen 



(1) Jos. Habbts, De Wederdoopers etc, p. 83. 

(-) Ibid., ibid., p. 141. 

(^) Haakmak en Allard, De z g. Verwoesting van Maastricht in 1679, p. 183. 

(') iMaasgouw 1904, p. 35, 

i^) Public ations etc. I, p. 51. 

\^) MaasfTouw 1886, p. 68. 

ft Annuaire 1831, p. 106. 



— 258 — 

hebben daargesteld. Hij gewaagt ook van eene daarvoor gelegen 
houten brug, die bij de hersteUing van de walmuren in de XV''* 
eeuw verwijderd werd O). 

Nadat een weeshuis voor arme meisjes in 1755 (2) in het thans 
tot militair hospitaal dienende gebouw was opgericht, werd de 
instelling in 1797 verplaatst naar den tegenwoordigen Nieuwenhof, 

De Zwingelput vond ik voor het eerst vermeld in 1424. Waar- 
schijnlijk was daar ter plaatse, zooals op vele punten der stad, 
een pul met afdak, waarvan de emmers door middel van een 
zwingel opgetrokken werden. 

Huizen bij den Nieuweniiof en in den Zwingelput en iiunne bewoners. 

In 1295 (N° 36 D^ wordt vermeld als wonende manens atite 
(tegenover) novam curiani beghinanini Johannes Sartor. 

In 1326 (N° 202 D) wordt een huis vermeld ante novam ctiriam^ 
tusschen dat van Arnoldus Surbrukt en dat van Waltherus de 
WiRE (Wil re?) 

In 1338 (N° 317 D) een huis iuxta novam cui-iam begghinarum^ 
gelegen tusschen dat van Walterus de Wylre en dat der 
weduwe Helewigis, vroeger behoord hebbende aan Ale3^dis de 
Scoloer. (Zie voorafgaande). 

In 1356 (N*» 542 D) wordt genoemd Katharina de Atrio beghina 
nove ctii'ie bt^ghinarum. 

In 1380 werd bepaald welke Kerspelen zekere gedeelten van 
de stadswallen in tijd van gevaar moesten bezetten; uit die ordon- 
nantie blijkt, dat de hoofd lieden van Se7ite Hylaris eftde Sent Vin- 
centius Kierspel^ solent besetten vander Jekeren^ bouven des persoens 
huys van den nuzvenhof altotter mc7ir eb roeder muer toe (3). 

In 1387 (N'' 914 D) worden genoemd de hospitalen van St. Agatha, 
St. Katharina en van den Nietiwenhof. 

In 1414 (N° 1159D) is er sprake van een huis gelegen tegen 
den Swyngelputte over^ by des persoenshoff aft woenynge vatiden 
Nieuwenhof naast dat van Arnold van den Nuwenhoff, brouwer. 

In 1424 (N® 1255D) van het huis van Moes van Grembey, 



(1) Annuaire 1825, p. 121. 

(2) Zie nog over deze instelling Annales II, p. 168. 

(3) Publications etc. XIV, p. 7. 



— 259 — 

bakker, gelegen by den Swyngelputte by die loereportc\ naast dat van 
Johan Sproncks. 

In 1440 (N° 199 F) is er sprake van een huis tegen die nuzven- 
hoefsporte over byder Jekeren^ tusschen het huis van H^nrich 
WvNKENS, geheetcn die vette hynne en dat van Peter van Eymülk, 
vlecschhouwer. 

Met deze poort zal wel de porta nove curie bedoeld zijn, die in 
XIV« en XV« eeuw uitgang door den wal verleende en de stads- 
bewoners, over de ook vermelde pons nove curie^ verbinding ver- 
schafte met de vele huizen, die in de omstreken van den Nieuiven- 
hof lagen (i). Die poort of liever poterne, thans dichtgemetseld, 
lag tusschen het tweede en derde bastion van af de Reek. 

In 1442 (N** 203 F) wordt melding gemaakt van eene schuur 
op ter Je keren by noe tegen dat coniient vanden nuwenhoue oiier^ tus- 
schen het huis van Margriete van Loesen en dat van Collair 
VAN Eymale. 



63. De (hedendaagsche) Nieuwstraat 

(Novus vicus). 

De in oude bescheiden veelvuldig voorkomende Nieuwstraat 
was de tegenwoordige Platielstraat, zooals bij de beschrijving van 
deze aangetoond werd. 

De hedendaagsche, zegt Franquinet voor het eerst aangetroffen 
ie hebben in een register van O. L. Vr. kerk van 1519 (2). 
D»^ Doppler (3) beweert, dat ze in het begin der XV^^eeuw en wel 
vóór 1422 aangetroffen werd. Uit onderstaande aanhaling blijkt 
dat ze reeds in 1402 bestond en schijnt het vermoeden van van 
Heylerhoff (-*) gewettigd, dat ze aangelegd werd kort na de op- 
heffing in 1307 — 1311 der Tempeliers, die hier sinds de XII* eeuw 
eene commanderie hadden, gelegen tusschen de Groote Staat, de 
Markt en de Nieuwstraat. Overblijfselen van oude, zeer hechte 



(1, Franquinet, Invent. O. L, Fr., I, p. 121, 192. 

(2) Ibid., p. 71. 

(^) PubUcations etc. XXXVII, p. 216. 

(^j Annuiiire 1829, p. 153. 



— 260 — 

gebouwen waren ten tijde van gemelden schrijver op de achter- 
plaatsen van huizen in die straten nog zichtbaar; o. a. in de Groote 
Staat in het huis de Ploeg (thans N** 16) en het daarnaast lig- 
gende den Ossenkop. 

Ik kan zulks getuigen voor wat het achterhuis van N^ll in de 
Nieuwstraat betreft; vóór dat dit, een veertigtal jaren geleden, 
door den heer van Beneden-Smeets, afgebroken werd, vertoonde 
het sporen van hooge oudheid en zeer duidelijk een gedeelte 
van een spitsboog; ik maakte er destijds eene teekening van. 
Overigens berust het bestaan van een Tempeliersburcht hier ter 
stede op eene sinds onheugelijke tijden koers gehad hebbende 
overlevering. De chroniekschrijver van St. Matthiaskerk (^ weet 
zelfs te verhalen, dat die kerk voorheen in het bezit was van 
prachtige altaren, biechtstoelen en van een predikstoel, die met 
nog andere kunstvoorwerpen „voortquamen van de Templieren 
„welkers ryk en machtig orden op het eynde van den jaere 1311 
„door den Paus Clemens V alomme vernietigt was geworden 
„en v/elkers klooster en kerke alhier in de Templieren straet, nu 
„Nieiiwstraat genaemt, en van achteren naest het oude geldmunte- 
„huys door eenen breeden gank met eene poorte uytkomende, 
„om besondere reedenen, eerst in den jaere 1355 is worden ge- 
„demolieerd en het terreyn daervan met parceelen van stadswege 
„opentlyk verkogt . . ." 

Deze Nieuwstraat komt in schepenbrieven slechts zelden voor. 

Huizen in de Nieuwstraat en hunne bewoners. 

In 1402 (N** 1045 D) wordt vermeld het huis ten hoghen Swane 
gelegen in de straat tegen die lanscrone oever tusschen dat van 
Jacop VAN LosEN, bakker, en dat van Arnolt van Eüpen, dresseler (?) 
geheeten ten cleynen sivane. 

In 1422 (N<» 170 F) is er sprake van het huis, geheeten ten 
tumeler^ gelegen in Sint Goerysstraet^ tusschen het huis van Henric 
van Haesdale, harnasmaker, en die nuwestraet gaende ter hallen 
(Lakenhal op de Markt) ivart. Het bedoelde huis vormde den 
westelijken hoek der Nieuwstraat naar den kant der Groote Staat. 

In 1430 (N^ 1303 D) wederom van het huis in den tumeler in 



(O Publications etc. XXIX, p. 378. 



— 261 — 

Sinte Joerysstraete op den hoek der Nuwerstraten naast het huis 
van Herix van Hoensdael, hamaschemeker. 

In 1436 (N° 191 F) wordt het goed van van Haesdael op 
nieuw genoemd als gelegen tusschen het huis van den tumelere tn 
dat van den Krie keiberge, 

In 1511 (N<> 267 F) wordt vermeld het huis in de Nieuwstraat^ 
genoemd in den Wolsack, 

In 1560 het huis van Reynier Dreyssens als liggende op de 
Markt tusschen de Nieuwstraat en het huis van Agnes Schaeff- 
driesch in den H. Geest (^). 

In 1577 en ook na het beleg van 1579 woonde Hein Beckers 
in de Nieuwstraat. 



64. Onze Lieve Vrouwe Plein. 

Het O. Z. Vrouwe plein was in 1147 het tooneel van eene on- 
beschrijfelijk groote godsdienstige betooging: hier toch predikte 
St. Bernardus, de abt van Clairvaux, den tweeden kruistocht, waar- 
aan door den Trichter heer Renerus van Berghe, genaamd Trips 
en den heer van Valkenberg deel genomen werd. 

De kerk van O. L. Vr. was de parochiekerk van het oude 
municipium, naderhand van de Luiksche ingezetenen. Later werd 
zij uitsluitend collegiale kerk (2) en werd ten noordwesten er- 
van, in 1342, de St Nicolaaskerk als parochiale kerk ingericht. 
Gerard de Jabeek, kanonik der O. L. Vr. kerk te Aldeneyck 
(bij Maeseyck) was er de stichter van; kort voor 1340 schonk hij 
daartoe aan het kapittel van O. L. Vr. kerk eenige huizen, die 
hem toebehoorden, op welker plaats de nieuwe kerk gebouwd 
werd (3}. Zij was toegewijd aan de H.H. Lambertus, martelaar 
en belijder en Nicolaus, bisschop. In 1342 was zij reeds voltooid (*). 

Met den bouw van den toren werd in 1441 aangevangen (^), 
de voltooiing dagteekent van 1450 (^y 



(1) Maasgouw 1884, p. 959. 

(*) Publicaiions etc. XXXV, p. 274. 

(3) Ibid. XXXVI, p. 126 en Maasgouw 1886, p. 43. 

(*) Ibid. XXXVII, p. 302. 

{') Maasgouw 1884, p. 955. 

(^ Annuaire 1829, p. 144. 

17 



— 262 -- 

Hier zij herinnerd aan het weinig bekende feit dat de St. Nicolaas- 
kerk een meesterwerk in koper bezat, dat vóór het Sacramenls- 
huis, hoogaltaar en aan het koor stond en meer dan duizend pond 
woog. De kerk werd in den Spaanschen tijd er van „gespolieert"; 
waarschijnlijk werd het omgezet in „klokspijs" voor het gieten 
van nieuw geschut (i). 

De St. Nicohiaskerk diende als parochiekerk tot in 1837; 't vol- 
gend jaar werd ze afgebroken. Gelijktijdig werd de O. L. Vr. 
kerk, die sinds 1796 tot militair 'tuighuis had gediend, aan den 
Eeredienst teruggegeven. 

Het kerkhof van St. Nicolaas hield op tot begraafplaats te dienen 
in 1798. De stadsbleek, welker ingang in de Capucijnenstraat was, 
werd een tijdlang daartoe gebezigd (^^. 

De Jesuïeten, die zooals bij de Breedestraat vermeld werd, hier 
van 1570 tot 1773 een beroemd College hadden, dat tot 600 stu- 
denten telde, waren gewoon jaarlijks eens of meermalen, in navol- 
ging van de middeleeuwsche mysteriespelen, een tooneelstuk in 
het openbaar op te voeren, hetzij op het binnenplein van het 
College, op het Vrijthof, op de Markt of op het kerkhof van 
O. L Vr. In October 1589 stelden de studenten op deze laatste 
plaats voor de bckeerin<; des jongelings door den //. Johannes (^). 

Nadat de heillooze sekte der Anabaptisten hare pogingen om 
zich hier te vestigen, door de waakzaamheid en de krachtige 
maatregelen van den Magistraat had verijdeld gezien, werd door 
het Protestantismus in 1563 op nieuw getracht hier vasten voet 
te verkrijgen. Calvinistische predikanten, van eene menigte vreem- 
delingen vergezeld, waarvan er velen waren die een belangrijk 
aandeel gehad hadden in de beeldstormerij te Antwerpen, Hasselt 
en andere plaatsen, kwamen hier het volk aanzetten tot de schan- 
delijkste onteering en vernieling van kerken en heiligdommen. 
De Bisschop van Luik Gerardus van Groksbeek, het gevaar 
ziende, waarin Maestricht verkeerde, trachtte dit langs den weg 
van zachtheid en overreding af te wenden, door in 1566 hierheen 
te zenden den vermaarden Pater Dionvsius van de Sociëteit van 



(1) Haakman en Allard, De z.g. Verwoesting van Maastricht in 1679^ p. 68. 

(") Maasgoua) 1889, p. 144. 

(') Jos. Habets, Gesch. Bisdom Roermond III, p. 535. 



— 263 — 

Jesus. Deze predikte met zooveel overredende welsprekenheid, 
eerst in de O. I.. Vr. kerk en toen de toestroomende menigte te 
groot werd soms tot driemaal daags in de open lucht op O, L. Vr, 
kerkhof^ hield, op den eisch des volks, herhaaldelijk redetwisten 
met de andersgezinde predikanten met zoo heilzaam gevolg, dat 
de voortgang der nieuwe leer gestuit en de zeden aanmerkelijk 
verbeterd werden. Hij verdiende dan ook den naam van Apostel 
van Maestricht^ waarmede zijne tijdgenooten hem vereerden (^) en 
die hem niet betwist wordt door D^ L. J. Suringar (2). 

In 1655 (N* 372 F) werd een gedeelte van het O. L. Vr. kerk- 
hof afgestaan tot verbreeding van de Coolpoortstraat^ zooals toen- 
maals genoemd werd de tegenwoordige O. L. Vr. straat, loopende 
van den hoek der Koestraat naar de O. L. Vr. poort, ook wel 
de Koolpoort geheeten. Het drukke verkeer in die straat, die naar 
de landingsplaats der Maasschepen leidde, deed tot derzelver ver- 
breeding besluiten, die op gezamenlijke kosten van de Gemeente 
en het kapittel van O. L. Vr. uitgevoerd werd. 

De kaart van de Bellomonte van I08O toont aan, dat de kerkhoven, 
die de St. Nicolaaskerk en de O. L. Vr. kerk omringden, langs 
de straatzijde met huisjes bebouwd waren. Tengevolge der menig- 
vuldige begrafenissen, die er in den loop der eeuwen op die kerk- 
hoven hadden plaats gehad, was het terrein veel hooger gelegen 
dan de straat. De militaire gouverneur der stad, Graaf DE Solms, 
(van 1641 tot 1648 zie p. 45), stelde voor dat terrein af te graven 
en met boomen te beplanten; dat plan werd echter eerst na de 
afbraak der St. Nicolaaskerk verwezenlijkt (3). 

In 1717 werd, op verzoek van den pastoor der St. Nico- 
lauskerk, een nabij die kerk gelegen eeuwenoud Apollo-tempcltje 
op last van den Magistraat afgebroken, omdat het 's avonds tot 
schuilplaats verstrekte van zeker soort van deugnieten, in plaats 
van die deugnieten weg te jagen of er een hek om te maken ('*). 



\}) A. F. Haakman S. J., Levensschets van den //. Dionysius S,J. in de S/.Ser- 
vaüusklok 1871, p. 271 en volgende. 

(2) Regeer ing svorm van Maastricht, Academisch proefschrift waarvan de § 53 en 
§ 60 betrekking hebbende op de Reformatie te Maestricht, bijzonder lezenswaard zijn. 

(3) Jaarboek 1^31, p 208. 

(*) A. J. A. Flament, Publications etc, XXVIII, p. 38; zie ook over het Apollo- 
tcmpeltje, Publications etc. XIX, p. 470. 



— 264 — 

Over de O. L. Vr. kerk raadplege men o. m. de Historische 
Beschrijving door Jos. Habets (i); in dat opstel is ook eene naam- 
lijst te vinden van de schrijvers die over dat onderwerp gehan- 
deld hebben (»). 

Over de voormalige O. L. Vr. poort, voorheen de Kassey- 
poort, Koningspoort (Porta regia) ook Koolpoort genoemd, heeft 
Jhr. V. de Stuers een gedocumenteerd opstel geleverd met schet- 
sen, vervaardigd tijdens hare afbraak in 1868; de Romeinsche 
oorsprong dier poort wordt daarin bewezen (^). 

Huizen op het O. L. Vrouwe plein en hunne bewoners. 

In 1410 (N** 1123D) wordt het huis vermeld, waarin Peter 
VAN MoN VOUWEN, priester, en zijne moeder wonen; het was ge- 
legen op den hoek onser Vrouwen cloester tegen, sinter Cloes kirke 
over^ tusschen de kapel van den H. Vincentius (Breedestraat) en 
het huis van Peter van Hoichem, de die alde cleider vercoupt, 

In 1416 (N" 1180 D) wordt vermeld het huis gelegen by onsser 
Vrouwen cloister, toebehoorende aan de familie van Moniouwen. 

In 1433 (N° 184 F) het woonhuis van Peter Bovier, kanonik 
van O. L. Vr. gelegen opten oerde (hoek) van onsser Vrouwen 
cloester^ tusschen het huis van Goird van den Kreefte, kanonik, 
en dat van Symon Collyns, coeler (steenkolenverkooper). 

In 1450 (N° 216 F) is er sprake van het huis geheeten y«rf<f« 
swariten wente (windhond), beneden onser liever Vrouwen cloester 
(dat is aan 't begin der Koestraat) gelegen tusschen het huis van 
meester Jacob van Bunde, steymnetzer^ en dat van Kathryne Alartz. 

In 1553 geeft Keizer Karel den Magistraat verlof de stads 
wollemvaag te laten hermaken en ze daarna weder ter zelfde 
plaatse te stellen (d. i. tegenover de St. Nicolaaskerk) (*). 

In 1568 vond ik eene herberg en logement vermeld op onsser 
liever Vrouwe cloester^ bij Heer Ulricken (S). 



(1) Publications etc. XXIII, p. 325. 

(2) Ibid. p. 343. 
(S) Ibid. XVIII, p. 104. 

(4) Franciüinet, Inv. archieven der Stad Maastricht^ N« 205. 

(5) Publications etc. XXV, p. 185. 



— 265 — 

65. De Papenstraat. 

(Platea presbyterorum). 

De Lenarts (^) kent aan het bestaan dier straat eene hooge 
oudheid toe. Nog vóór de ommuring der stad in 1229, verdeelde 
de doortochtweg van Duitschland naar Brabant over de Maasbrug 
en door de Breedestraat (via regia), zich aan het St. Jacobsgasthuis 
in twee takken: „de eene leidende over de groote plaats naar de 
y^Tweeberger-poorty de andere langs het klooster naar de Leemcuylen- 
yJ>oort^ welke laatste tak betimmerd wordende, dan ook den naam 
„van Papestraat^ wegens zijne ligging bij het klooster, bekwam." 

Zooals trouwens uit de hieronder volgende aanhalingen blijkt, 
werd die straat, lang voor de Hervorming, aldus genoemd; het is 
dan ook eene verkeerde opvatting, in den naam Papefistraat den 
scheldnaam van de XV I« eeuw te meenen terug te vinden. Hier 
te Maestricht zou een dergelijke schimpnaam de protestantschc 
woelingen niet lang overleefd hebben. 

Paap was in de Middeleeuwen, niet alleen hier, doch ook in 
Vlaanderen en Brabant de gewone aanduiding van geestelijke; 
destijds was o. a. de uitdrukking cleene of papetwastenavont voor 
Zondag quinquagesima, algemeen gebruikelijk. De rectors der 
menigvuldige te Tricht bestaande kapellen werden Kapelpapen ge- 
noemd. Zij mochten niet ver van de Kerspelen wonen waartoe 
zij behoorden (2). Van oudsher is ook den Papenweg te St. Pieter 
bekend, en in 1342 trof Alex. Schaepkens Q) alreeds de Papen- 
rouwe (Pastoorstraatje te Wyck) aan. 

In 1380 CN° 860 D) is er sprake van eene hoeve opgedragen aan 
Egidius LuECKART van St. Pieter, aldaar gelegen in de platea 
presbyterorum dicta die papenstrate^ tusschen het erf van Johannes 
DE LovANio, priester, en dat van Johannes de Mulken, man 
van wapenen. 

De abdij van St. Jacques te Luik had voorheen een Refugie- 
huis in deze straat; van Heylerhoff (^^ zegt, dat het in 1831 het 



(ï; Publicaiions etc. II, p. 31. 

(2) Annuaire 1829, p. 142. 

(3) Fublicatiofis etc, I, p. 58. 
0) Annuaire 1831, p. 131. 



— 2G6 — 

huisnummer 741 droeg, overeenkomende met het tegenwoordige 
N'> 13. 

Huizen in de Papenstraat e;i liunr.e bewoners 

In 1347 (N°440D) wordt vermeld een huis bewoond door 
Johannes Nomplus, priester, en gelegen achter de St. Janskerk, 
naast dat van den investitus (pastoor) dier kerk. 

Zooals in 1355 fN° 522 Ü) zal blijken is hier de Popenstraat 
bedoeld. 

In 1351 (N° 482 D) wordt een huis vermeld, achter de hoeve 
van Johannes de Herle, kanonik, in ordone vici pergentis versus 
plateain caponwn (op den hoek der straat leidende naar de Ka- 
poenstraat) naast het erf van Johannes Cocus en dat van Enghel- 
bertus de Valle. Hier is bedoeld het hoekhuis der St. Jacob 
straat, die voorheen tot de Kapoenstraat behoorde, en de Papen- 
straat^ zooals blijkt uit eene aanteekening boven den brief die 
luidt: in vico retro Sanctiun Johannem en eene tweede: /// ordone 
itcxta Sanctuin Jacobum. 

In 1355 (N° 522 D) wordt weer het woonhuis vermeld van 
Johannes Nomplus, priester; het was gelegen achter de rnella S^i Jo- 
hannis^ waarmede de Papenstraat bedoeld is. 

In 1358 (N° 612 D) blijkt het toch uit de noot in dorso, datde 
vermelding retro Sanctnm Johannem betrekking heeft op die straat, 
want ze wordt aldaar vooraf genoemd platca presbyterornm; daar 
lag een huis met klein achterhuis, achter de inansiones (heeren- 
woning) van Johannes de Scoenouwen. 

In 1358 (N^ 605 D) wordt vermeld een huis met aanhoorig- 
heden, gelegen achter de cnria de Scoenouwen ; de ligging van die 
curia (hofstede) wordt bepaald door de omschrijving in den 
voorafgaanden brief. 

In 1358 (N° 616 D) is er sprake van het erf van Johannes 
Moreyl in plaiea retro ruellarn Sancti Johannis^ gelegen tusschen 
het huis van Macharius de Hese en dat van Hermanus de 
Nyderharen. 

In 1359 (N° 94 F) wordt liet zooeven vermelde huis, bewoond 
door Macharius van Hkse, gezegd loetebchooren aan de erf- 
genamen van Hadewig van Clummkn, zijnde Gobbelinus, genoemd 
coper en zijne vrouw Elisabeth; ook wordt daar vermeld het er- 
naast gelegen huis van Johannes de Rupe. Op den rug van den 



— 267 — 

brief komt eene noot voor, die voornoemde huizen omschrijft, als 
liggende /;/ die papenstraat; volgens eene andere noot van veel 
oudere dagteekening, op den baluin; het tweede huis droeg ook 
den naam van htiys van Sint Jacob. De inhoud van deze schepen- 
brief is ook geciteerd bij het Balioen. 

In 1403 (N® 1047 D) is er sprake van het huis in die papenstrate 
achter St. Janskerk, gelegen tusschen dat van Yden van Cleer- 
MONT en dat van meester Weeden, die mit sunt Hnbrechts heyl- 
dom pleecht te vaeren (l). 

In 1361 (N°607D) wordt vermeld het huis, bewoond door 
Georgius investitus (pastoor) van Lemoel (Limmel) in platen sita 
retro ruellam sancti Johannis^ gelegen naast dat van Arnoldus, 
vicarius van St. Servaaskerk en dat van Johannes de Hontem, 
priester, op voorwaarde dat Georgius met zijn gezin vrijen toe- 
gang zal hebben ad latrinavi seu cloacam que stat a latere et par te 
domus dicti domini Arnoldi et se extendit usque et ad bona Wil- 
helmi de Beke retro tramite limitando, 

In 1408 (N° 1104D) het huis in die strate achter sint Johans 
kirke op sint Servais does ter gcheyten die Papenstrate^ gelegen 
tusschen het huis van Rutten van Merssciien, clerc en klocker 
van St. Servaaskerk en dat van fneyster Weyden Vrve der 
questiers (?); blijkbaar de hierboven bedoelde Weeden de bede- 
vaartganger naar St. Hubertus. 

In 1408 (2) overleed Wilhelmus de Susschen, kapelaan van 
St. Servaaskerk 5 voor zijn jaargetijde vestigde hij een cijns op een 
huis i7i die straete achter sint Johanskerke op sint Servaes cloester^ 
geheyten die papenstrote, 

In 1414 (N® 1158D) wordt vermeld het huis van Everard van 
Revs, deken van St. Servaas, afkomstig van wijlen Gerard van 
Gelke, priester en gelegen in de Papenstraat achter sin te Johans- 
ruwen dae men gheyt- ten baljuyne wart. 

In 1415 (N** 1174 D) is er sprake van het huis van wijlen Gob- 
bel Meynten, priester, in die pnpenstraete achter sinte Servoes 
cloister^ naast het huis van Henrix ter Masen, priester, en naast 
dat van Lysbeck Graenemekers. Uit dien brief blijkt verder dat het 



(1) Zie ook Publications etc. I, p. öi). 

( ) P. Doppler, i\écrologe des chapelains de St. Servais, p. 16. 



— 268 — 

huis van ter MaseK lag tusschen dat van voornoemden Gobbel 
en dat van Everard van Reys, deken. 

In 1431 (N* 1308 D) van het woonhuis in de Papenstraat van 
Henrich van der Masen, kapelaan van St. Servaaskerk. 

In 1453 (N^ 1414 D) is er sprake van het huis van Heylwyg 
Cuyten, oeverster maecht in den gasthuyse sinie ServoeSy in die 
Papenstrote^ gelegen tusschen het huis van Heynrix Poupelers en 
dat van Margriet, weerdinne indie Werelt. 

In 1456 (N® 1430 D) van een huis . . . voer ende achter mit allen 
synen tuebehoer op onsse cloisier van sinte Servoese . . . ghelcgen tnsschen 
guede her Clois W'endelen ter eynte syden ende dat ruiveken 
achter uutghoende indie papenstroeie ter andere. 

In 1469 (No 1517 D) van het huis van Johan Goetheer, priester, 
gelegen vidie papenstrate^ naast dat van Henrick Popeler (zie 
hierboven op 1453) en dat van Zyelen van Wesssem. 

In het begin der XVI« eeuw woonde Leonardus, pastoor (rus- 
tend?) van Roesmer in de Platea dicta vitlgo presbyterorum (}), 



66- Het Pastoorstraatje 

achter St. Mathijs. 

Dit is een der menigvuldig alhier ter stede voorkomende straatjes, 
die oorspronkelijk geheeten werden naar een hunner voornaamste 
bewoners, — hier Portener, waaruit Portenersruwe ontstond — en 
die later in den volksmond van naam veranderen. 

Huizen in het M. Pastoor et raatje en liunne bewoners. 

In 1308 (N<» 63 D) draagt Johannes, zoon van Johannes, genaamd 
Portenere, eene erfrente over uit een huis in <\t vicus Porteners ; 
dat huis lag naast het erf van zijn schoonbroeder Jan van Steen- 
LAER; ertegenover was eene hofstede gelegen naast het huis van 
Hendrik, broeder van Johannes Portenere, en naast het cymithe- 
rium S^^ Mathie, 

In 1349 (N^^ 456 Dj wijst Henricus Portenere, priester, eene 



(1) Publkations etc. XXXVII, p. 223. 



— 269 — 

jaarlijksche renie toe uit eene brouwerij op den hoek der straat 
geheeten porienersrtiwe. In N** 457 D is er sprake van een huis 
naast en van een ander tegenover die brouwerij gelegen. 

In 1421 (N° 1231 D) wordt een huis vermeld in die poer ter sruwe^ 
gelegen tusschen dat van Henrix Duende en dat van Johan der 
wechter opter laniscroene, 

In 1459 (N° 1463 D) is er sprake van den olymoelen met erf 
van de kinderen van Itter, gelegen in dat porieners straetien^ 
tusschen het erf van den pastoor van St. Mathias, naar den kant 
der raemen. 

In 1618 werd door Paulus Paumen, pastoor van St. Mathias, 
gekocht van Wouter van Dyck en Maria Hermans echtgenooten, 
een huisje, gelegen naast de pastorie, in het Poerteimrstraetje en 
op het kerkhof uitkomende, voor de som van 265 gulden brab. 
Dit huisje werd bij de pastorie gevoegd. 



67. Het Pastoorstraatje te Wyck. 

Franquinet (y) zegt dat de Palmernwe^ die hij in een stuk van 
1394 en van 1692 aantrof, de tegenwoordige pastoorstraat is, aldus 
in de XVIII* eeuw genoemd, omdat er toenmaals en tot in 1858, 
de pastoor der kerk van Wyck in woonde. Hij voegt erbij, dat 
in latijnsche stukken van de XIV* eeuw, die straat genoemd werd 
ruella dicta palntruwe of vicus palmarum ( *). 

Tot staving van die bewering diene, dat onder het opschrift 
„iets uit het Kerkarchief te Wyck"(*) vermeld wordt: „in de 
„oude tijden hiet het Pastoorstraatje het Pahnstraatje^"* ; en in eene 
chroniek (*) „dat in 1561 de Maas zoo hoog was, dat op het 
„üeveren te Wyck zes mannen met een pontschip tot in het 
y^Palmstr aatje over de muren voeren". 

Het lijdt geen twijfel dat hier van het Pastoor straatje sprake is 
en dat dit dus een tijdlang het Palmstraatje heeft geheeten. 



(ï) Inveni. O. L Vr. I, p. 160. 

(2) Zie ook ibid. II, p. 262. 

(3) Maasgoww 1883, p. 916. 
(*) Ibid., 1894, p. 48. 



— 270 — 

De aanhalingen uit 1343 en 1398, die hieronder volgen, bewijzen 
echter dat het ook den naam van papenruive heeft gedragen, die, 
als men in aanmerking neemt hetgeen bij de Papcnstraat gezegd 
wordt omtrent de benaming paap in de Middeleeuwen, vrijwel 
overeenkomt met pastoor. 

Daaruit laat zich het gevolg trekken, dat dit straatje beurtelings 
pastoor-^ palm- en thans weer opnieuw pastoorstraatje genoemd 
werd. 

Hulzen In het Pastoorstraatje te Wyck en hunne bewoners. 

In 1343 (N° 370 D) wordt het huis vermeld van wijlen Henricus, 
iiivestitiis der kerk van St. Maarten te Wyck, gelegen in de 
papenroinve tusschen het erf van Johannes Smael. 

In 1394 (N° 128 F) is er sprake van een huis gelegen in die 
palmcrinve te Wyck, tusschen het huis van Goedard Haerewerck 
en dat van Dyerick van Haren. 

In 1398 (N° 999 D) wordt vermeld het erf van Johan Snoexs 
of BuETYNCns, visscher, te Wyck in de papenruive gelegen, tus- 
schen dat van wijlen Daem Hoets van Meersen en dat van wijlen 
Johan VAN Armborst, bakker. 

Penresruwe. 

De hieronder vermelde Penresruwe heb ik nergens anders aan- 
getroffen en diensvolgens niet kunnen achterhalen waar ze ge- 
legen was. 

In 1413 (N® 1152D) is er sprake van het huis van Gieles van 
Gulpen te Wyck, gelegen naast dat van Obrech en dtpenresruwe. 



68. De Plankstraai 

(Vetus macellum). 

In de oud-nederduitsche schepenbrieven wordt deze straat steeds 
de alde ofte oude plaucke genoemd, waarschijnlijk wel om de- 
zelfde reden die den naam gaf aan de Hout of Lattenmase^ n 1. 
omdat aldaar vele ambachtslieden woonden, die planken gebruik- 
ten. De latijnsche benaming Vetiis tnacellum zal ontleend zijn aan 



— 271 — 

een slacht- of vleeschhuis (Macellum) dat zich aldaar vóór de 
XIII« eeuw bevond; met zekerheid is echter omtrent het voor- 
malig bestaan eener dergelijke inrichting, niets te zeggen; geen 
enkele schepenbrief maakt er melding van, terwijl zulks wel het 
geval is met het vleeschhuis, domus carjiijicum, ook wel macellum 
genoemd, dat in de Groote Staat werd opgericht. 

Deze straat was voorheen nog smaller dan thans. In 1779 wer 
den er een aantal armenhuisjes afgebroken, waardoor ze verbreed 
en de kerk van St. Nicolaas „lugtryker gemaekt werd (^). 

Huizen in, de Piankstraat en hunne bewoners. 

In 1343 (N® 378 D) wordt het huis vermeld van wijlen Trution, 
priester, naast dat van Gerardus Roet, priester, en dat van Lam- 
bertus Pricking, vleeschhouwer. 

In 1354 (N® 500 D) is er sprake van twee huizen gelegen retro 
domum pretorii (achter het dinghuis op de Kersenmarkt) tusschen 
dat van Johannes Cnoup, vleeschhouwer, en dat van Johannes 
DE Aquis, sutor (schoenmaker). In eene noot boven den brief 
worden die huizen vermeld als gelegen retro macellum, 

In 1354 (N« 509 D) wordt vermeld het huis waarin Godefridus 
Fklix woont, gelegen in de oude Plankstraat (in veteri macello). 

In 1357 (N° 587 D) van het huis in veteri macello, W3iav\n wijlen 
Arnoldus de Mosa, vleeschhouwer, woonde en thans toebehoo- 
rende aan Johannes Borciigrkve; het was gelegen tusschen het 
huis van Theodericus Quant den jonge, en dat van Petrus ge- 
naamd PiRAR, houtverkooper, en voorts in opposiio antiq?te stupe. 
Het achterhuis van den zooeven genoemde Borchgreve lag naast 
een klein huis met stal en naast eene ruella pergens ad cloacam 
(steegje leidende naar den poel) die zich achter zijn huis bevond. 

In 1365 (N® 23 D) is er sprake van het huis van Macharius ge- 
naamd Zelender, vleeschhouwer, in veteri macello in ordone^ nabij 
het huis van Johannes Blide. 

In 1367 (N®743D) van een huis /;/ ordoue versus macellum^ toe- 
behoorende aan Lambcrtus Kywen, naast dat van Arnoldus Fabri. 

In 1373 (N° 107 F) wordt genoemd het parysguet in veteri 
macello. 



(') Almanak van Maestricht, van 178G. 



^ 272 — 

In 1383 (N*" 884 D) wordt een huis genoemd in platea dicta 
die oude plancke^ gelegen tusschen dat van Johannes DE Berne, 
man van wapenen en dat van Johannes de Hercke, beenhakker. 

In 1392 (N° 24 D) het woonhuis van Colyn in die alde plancke 
opt oert (hoek) van der sttaten daer men gheyt op die haestat 
(Havenstraat) of hoef stat, 

In 1393 (No 956 D) het huis van Margarieten Kuersyns, gelegen 
opt oert vander alder plancken ter masen wart (Maaswaarts), naast 
het huis van Lambrechts van Leert, der scherer^ en dat van 
Cloes VAN Stockem, der steynmetzer. 

Zie ook N° 945 van 1392 in de Stokstraat. 

In 1395 (N" 969 D) wordt het huis vermeld van wijlen Arnolt 
VAN DER Maesen, vleeschliouwer, nu van Claes van Stocheym 
(in 1393 genoemd) steenhouwer, achter begrensd door het erf 
van Henrich van Gleermont, schepen van Tricht en gelegen in 
de Plankstraat (zie ook in 1379 Graanmarkt) naast het huis van 
Henrich Rembalt, linnenwever, en dat van Gerart, zoon van Jan, 
holtmefiger. Nog wordt in denzelfden brief vermeld, in die straat, 
het huis van Johan Conynchs, naast dat van wijlen Hueghen 
en dat van Lambrecht Düechals van 's Gravenvoeren, zoomede 
het huis van Hubrecht van Cadier oft van Eckelroede, der sac- 
dregher^ naast het huis van Mathys van Parys gelegen 

In 1398 (N° 133 F) wordt het goed vermeld van wijlen Jacob 
DoNRE, lakenscheerder, nu van Johan Struever van Huelsberch 
of van Bunde, wapentuerre, gelegen in de straat bij St. Nicolaas, 
tusschen een ander goed van Struever en het huis van Gerart 
VAN Coelen. 

In 1409 (N« 1109 D) wordt een huis vermeld in de alde plancke 
gelegen opt oert daer men gheit ter masen wart (Exterstraatje) 
tusschen het huis van den zoon van Philips van Basylisbuer en 
het huis geheeten Knrssensguet, 

In 1417 (N*> 1191 D) wordt het hierboven in 1409 genoemde 
Cuersyns guede in erfrecht genomen door Lambrecht Kyewe, der 
steynmetzer ; het lag op den oerde vandor alder plancken naast zijn 
huis en dat van Aleyde, lynenwever. 

In 1457 (N<> 225 F) wordt vermeld het huis van Gielys Verlies, 
gelegen achter sinter Cloes jndie alde planck. 



— 273 — 

69. De Platielstraat (Novus vicus) 

en de Scharweyrsruwe. 

De Platielstraat draagt haren tegen woordigen naam eerst sinds 
de XVI* eeuw (i); zij heette te voren de Nietiwstraat^ novus vicus. 
Een hoekhuis van die straat naar den kant der Moesmarkt, zooals 
Franquinet vermoedt^ (}^ in den Platteel geheeten, gaf haar haren 
huldigen naam. De namen van hoekhuizen vooral, gaven weliswaar 
dikwijls aanleiding tot het insluipen van nieuwe straatnamen, 
toch mogen bij het opsporen daarvan ook andere veronderstellingen 
niet achterwege gelaten worden. Zoo opperde Jhr. V. de Stuers 
mij de vraag of het in die straat uitkomende Leliestraatje, voorheen 
de Flatterye genoemd niet door verwisseling van F in P, aan- 
leiding had gegeven tot de nieuwe benaming. Beide letters werden 
voorheen even als de V en de B vaak verwisseld. Bij het Lelie- 
straatje werd een voorbeeld uit 1390 aangehaald van de benaming 
Flatterye. Ik waag eene andere veronderstelling: 't is niet onmo- 
gelijk dat van de voormalige naam nova Platea, alleen het laatste 
woord is overgebleven en door verbastering Platiel is geworden. 

Deze Nieuwstraat is nog lang de nieuwe straat gebleven ook 
nadat die naam gegeven was aan de straat, die de Groote Staat 
met de Markt verbindt^ ik vond deze voor het eerst vermeld in 1402. 

D' Doppler (8) zegt de Platielstraat in een schepenbrief van 
1476 aangetroffen te hebben onder den naam van: die alde niuive- 
stroet achter sint Amoer. Toen was er het nieuwe dus af. 

De aandacht wordt gevestigd op een verdwenen steeg of 
cul-de-sac, die den naam droeg van Schariveyersruive en in de 
Platielstraat uitkwam. Men zie daarover hieronder op 1381 en 
1400 (No 1035 D). 

Huizen In de novus vicus (Platielstraat) en hunne bewoners. 
In 1292 (N* 36 F) wordt het huis vermeld van Brulandus 



(O Ik trof haar voor het eerst onder die benaming aan omstreeks 1579, terwijl 
ik nergens den huisnaam in den Plaieel (schotel) aantrof. 

(2) Inv, O, Z. Vr,, I, p. 71. 

(3) Publications etc. XXXVII, p. 216. 



— 274 — 

in novo vico; het lag op de scheiding van het plein, thans Moes 
markt (^). 

In 1305 (N° 28 W) wordt een cijns uit een vierde gedeelte van 
het huis van Herbcrt /;/ novo vico, overgedragen aan Henricus 

DE MOLENDINO. 

In 1309 (No 65 D) wordt vermeld het huis scoueghen op den 
hoek van het Vrijthof tegenover St. Servaas gasthuis. Uit N® 66 D 
blijkt dat het een steenen huis was op den hoek van den novusvicns. 

In 1309 (N® 73 D^ bezat Margareta, de dochter van Johannis 
DE Herlar, een huis /// 7iovo vico, even als Giso de Molendino. 
(Zie hierboven in 1305). 

In 1312 (N° 51 F) is er sprake van een huis in novo vico gele- 
gen, naast dat van Andreas ccrduanarius (schoenmaker). 

In 1315 (N° 46 W) en in 1316 (N^^ 44 en 47 W) vinden wij 
dat Ida, begijn, zuster van WMJlen Macarius BessExMere, /;/ novo 
vico woonde. 

In 1316(2) bezat Wiricus Borneren een huis in de novns viciis 
waarin hij een klooster voor arme begijnen stichtte en het met 
toestemming zijner vrouw Aleidis, rijkelijk begiftigde. 

In 1326 (N° 61 F) geeft Johannes de libra, aldus genoemd 
naar zijne woning in de Groote Staat, in de Waag^ tegenover het 
Vleeschhuis (3), in erfrecht aan Johannes van Valkenborgh, 
bakker, een gedeelte eener arsa (open plaats) gelegen in novo vico, 
tusschen het huis van gemelden schepen en de camba (brouwhuis) 
van Godescalcus, pencs putcuni (nabij den put). 

In 1331 (N° 240 D) wordt in erfpacht opgedragen een huis in 
de novus vicus, gelegen tusschen dat van Wilhelmus de Eylst en 
dat van Johannes genaamd Coppin, officijtns van St. Servaaskerk. 

Van 1332 tot 1372 was Renerus de Rosis of van der Rozen 
schepen der stad; hij voerde den titel van ridder en was Bra- 
bantsch hoogschout. Het geslacht de Rosis heeft verschillende 
zijner leden onder de magistratuur geteld. Het had zijn stokgoed 



(') Fraxquinet, Im\ O. Z. Tr., II, p. 20. 
(?) Ibid. ibid. II, p. \?A. 

(') Ibid. ibid. I, p. 106. Zie bijzonderheden over de patricische familie DE Libra 
Franquinet, Invetit, O, L. Vr. II, p. 176 en Publkaiions etc. XIV, p. 132. 



~ 275 — 

met het opschrift in de drie Rozen in de Nieuwstraat^ achter de 
kerk van St. Amor(i). 

In 1332 (N'' 25013) bezat Matheus dk Bergiii:, priester, een 
huis in de novns vicus, naast dat van Johannes de Millen. 

In 1333 (N° 258 [)) bestond er in deze straat eene brouwerij 
bewoond door Godenulus de Fleytinghen. 

In 1335 (N<» 275 D) wordt vermeld het huis van Johannes 
AuDE,^///^r, (schoenmaker) naast dat van m(ti^isier]Q\\\^'tiES,fi/tisicus. 

In 1338 (N° 97 W) wordt vermeld het huis van Johannes 
candelifex (kaarsenmaker) geheeten de Weyrt, vroeger behoord 
hebbende aan Denys candelifex, gelegen in novo vico tusschen de 
goederen van Johannes, bakker van den Deken en. het kapittel 
van St. Servaas en het huis van Petrus mercenarius (kramer). 

In 1342 (N° 357 D) is er sprake van het woonhuis van Gode- 
fridus genaamd Vlennere, pellifex (bontwerker) in deze straal, 
gelegen naast dat van Johannes pistor hostiarum (hostiënbakker) 
en naast het huis geheeten Hagenbeke. 

In 1346 (N° 418 D) van het huis de pavone (de paauw) in novo 
vico, gelegen naast dat van Sibiila de Leopardo. 

In 1350 (N° 467 Ü) wordt het zooeven genoemde huis r/^?/'//^;^//^ 
gezegd voorheen behoord te hebben aan Conrardus Clateren 
en gelegen te zijn naast diens nieuwe huis. In N° 470 D van het- 
zelfde jaar wordt de ligging van de pavone omschreven als in 1346. 

In 1357 (N° 579 D) is er sprake van een huis in dit nova platea 
ex opposito hospitalis sancti Servacii^ gelegen naast dat van Nycho- 
laus DE ToNGRis, pelHfex, en dat van Matheus de Tongris. 

In 1374 (N° 800 D) van twee huizen naast elkander gelegen in 
nova platea iuxta atrium in oppositian hospita lis sancti Servatii^ 
tusschen de huizen van Wilhelmus genaamd Keyzer en van 
Aleydis, de weduwe van Wilhelmus Fabri. 

In 1376 werd bij raadsverdrn^ bepaald, dat nyemant en sal noch 
asschen noch erde voch egheynreleye dinc schudden noch leggen in die 
Nnstrate . . . ende dut sal hueden (verhoeden) Goesuyn van Tiiyenen 
ende die sal fferdel ('t vierde gedeelte der boete) dar af hebben, 

In 1376 (N*' 817 D) worden vermeld twee naast elkander gelegen 



('•) Maasgouw 1890, p. 90. Zie bijzonderheden over deze familie: Pttbihatiojis txc, 
XiV, p. 137. 



— 276 — 

huizen in nova platea iuxta capellam sancti Ainoris ConfessorU^ 
tusschen het huis van Giselbertus de Juncis, lakenscheerder, en 
dat van Wilhelmus de Mombeke, ook lakenscheerder. 

In 1381 (N° 350 D) wordt vermeld een huis met twee er naast 
gelegen kleine huizen in nova platea in ordone vici dicii die flat- 
terye tusschen deze straat en het tii de sckarzuierAn 1390 (N° 351 D) 
is er sprake van dezelfde huizen (i). 

In 1390 komt voor een schepenbrief, in het nederduitsch ge- 
schreven, waarin voorafgaande brieven van 1340 hernieuwd worden, 
vermeldende drie huizen gelegen in lengden op ort (hoek) van der 
straeten platterey^ in de nieuwe straat nabij St. Servaas gasthuis (2). 

In 1398 (N« 995 D) wordt vermeld het huis van Arnold van 
Byelsen, boirmeker (?), in die nuwestrate bij sinte Amore^ gelegen 
tusschen dat van Johan van den Hertte, schepen van Tricht, 
en het huis geheeten ten engele^ voorheen genaamd pape Wyrix 
guede. Dit laatste is het hierboven in 1316 bedoelde klooster. 

In 1398 (N® 1013 D) het huis indye nuiverstraie by sinte Servaes 
gasthuys^ gelegen tusschen dat van Gysen van den Beylssen, 
bontwerker, en dat van wijlen Willem van Mombeke. (Zie hier- 
boven op 1376 (Raads verdrag) en 1398). 

In 1398 vermeldt Alex. Schaepkens (3) eene rente gevestigd op 
het huis van de Brede, alias de Revel, gelegen in de nuwe straete 
bij St. Servaes gasthuis, 

In 1400 (N® 1035 D) is er sprake van het huis van Johannes 
DE ToNGRis, wagenmaker (in 1357 worden hierboven twee de 
ToNGRis als bewoners dezer straat vermeld), op den hoek der 
Scharwyerruwe en naast een huis van St. Servaaskapittel gelegen. 

Dit verdwenen straatje, zeker een cul-de sac, was dus in de 
nova platea gelegen, zooals ook valt afteleiden uit hetgeen hier- 
boven in 1381 is vermeld, en wel in de nabijheid d^v Jlatterye^ 
waarvan het hoekhuis de sckarzvier heette. (Zie op 1381 en hier- 
onder op 1413). 

In 1400 (N<» 67 D) wordt het hierboven in 1309 bedoelde steenen 



(1) In N° 374 D van 1343 is er sprake van een Gerardus de Scarwier zonder 
evenwel dat zijne woonplaats vermeld wordt. 

(2) Alex. ScHAEPKENs, PublicaiioHS etc. I, p. 62. 
(8) Ibid. ibid. p. 68. 



— 277 — 

kruis geheeten schoenegghen gezegd gelegen te zijn bij het Vrijthof 
opt oirt tieghen Sinte Servaes gasthuys ende die miwestraete^ tusschen 
het huis van Tyssen van den Meye en dat van Willem Keyser 
(zie hierboven op 1374) in de nuwestrate^ en bewoond door Hendrik 

VAN SCIIUTDORP. 

In 1402 (N° 1044 D) wordt vermeld het huis van Arnoult van 
Wilre in die Nuwestrate gelegen, tusschen dat van Johan Kempe- 
ners, priester, en dat van Johan van Hoelbeke. 

In 1404 (N° 1060 D) het huis /// die ntisiraete by sint Amoire, 
gelegen tusschen dat van Johan van Wyck, der pelser^ en dat van 
wijlen Gyselbrech van den Biessen. 

In 1408 (N° 153 W) wordt vermeld het achterhuis van de 
Molendino (1), gelegen in nova plaiea tegenover de kapel van 
St. A.mor; achter dat huis was een stal met poel (zie hierboven 
op 1309). 

In 1412 (N<* 997 D) worden de hierboven, op 1398 genoemde 
Arnout van Byelsen en Johan \an den Heirte, beiden sche- 
pen, andermaal genoemd als bewoners dezer straat; Barbara, de 
dochter van laatstgenoemde huwde met Cornelis vanden Bongarde. 

In 1413 (N** 1145 D) wordt een erf in de Scharityersstraat ver- 
meld, benevens de tuin Hagenbccks^ gelegen in Scharivyer (zie 
hierboven op 1400, 1381 en 1342). 

In 1418 (N° 1197 D) een huis op den hoek der Niiwerstraeien^ 
tegenover het gasthuis van St. Servaas en geheeten Keysersguet 
(goed van den hierboven op 1400 genoemden Keyzer), bewoond 
door Herman Grobhe en gelegen tusschen een huis van dezen 
en dat van Marye, weduwe van Peter Caberets. 

In 1418 (N° 1198D) het huis hy den Vrythof op ien oirde van 
der tmwerstraten tegenover het gasthuis gelegen, tusschen het huis 
van Willem Kuenen van übbicht en het huis geheeten Keysers- 
guet in de Nmvestraete. 

In 1419 (N*» 1210 D) het huis van Peter Beggard, priester in 
die nmvestraete by sinte Amore^ gelegen tusschen de huizen van 
Wynand van den Berge, boede^ en het huis geheeten vogelsange, 

In 1420 (N«* 1218 D) een huis in de nnivestract by sint Amoers 



(1; Zie omtrent deze schepen familie: Publications etc. XIV, p. 127. 
18 



— 278 — 

capellen^ gelegen tusschen het huis van Oeden van Wyck en dat 
van Lysbet, weduwe van Johan van Weert, vladenbecker, 

In 1427 (N° 1270 D; het huis van Peter Beggard, priester, 
liierboven op 1419 genoemd, gelegen in die iimvestraie achter sint 
Amoirskirke^ tusschen het huis van Mechtilde Herben en dat 
geheeten teii Voegehancke^ hierboven op 1419 genoemd. 

In 1436 (N° 191 F) wordt het goed vermeld van Wilhem 
Gruters, gelegen in die vtnve stroie hy des guedeu sint Amoers 
capelle^ tusschen het huis van Welter van Tiiienen, rt^é'/'/z-^^Z/^^/r;; 
koeck (den kok der Preekheeren) (?) en dat van Maes van Herderen. 

In 1464 (N° 1505 D) is er sprake van het huis van Mechtilde 
Tobben, weduwe van Willem van Borne, gelegen bij de kapel 
van St. Anior^ naast het huis van Johan Hercken, geheeten inden 
vogelsanck (zie op 1427 en 1419) en dat van Johan int Horeneer. 

In 1556 is er sprake van Passaerts erffen in den Marienbuerch 
Tri echt indie nnwe straet (^). 

In 1579 en daarvoor woonde Guert, de pasteibakker, in de pla- 
teelstraat (^). 

In 1714 was de luibe der bakkers in de Platielstraat in het huis 
de aanbidding der Wijzen^ dat nog de voorstelling ervan met een 
latijnsch onderschrift draagt (3). 



70. De Raamstraat (Vicus tendiculorum). 

Zij heeft haren naam ontegenzeggelijk ontleend aan het feit, dat 
de gewantmakers of lakcnwevers, vooral aldaar ter plaatse, op het 
hun toebehoorend terrein tusschen de Maas, de Boschstraat, de 
Grachtstraat en de Kleine Gracht, hunne lakens en andere stoffen 
van wol en linnen uitspreidden en op houten ramen spanden om 
te drogen en te rekken, vandaar den franschen naam van Rite 
des Chassis(}^. In 1635 bestonden er nog dergelijke ramen, die de 
Magistraat liet wegruimen toen deze zich de plaats, waarop ze 



(1) Alex. ScHAEPKENS, PubUcaiiuns etc. I, p. 08. 

(2) Haakman & Allard, De z g. Vericoestitig van Maastricht in 1579, p, 201| 
( ) Maasi^ouiu 1880, p. 2m. 

(*) Ook aan de Jeker bestonden dergelijke ramen. Zie Linculenstraat. 



— 279 — 

stonden, toeëigende en tot Varkensmarkt bestemde i^^j:, vooraf 
echter hadden de meeste lakenwevers, toen ze hunne fabrieken 
naar Aken, Verviers en andere open steden, na het moorddadig 
beleg van 1579 moesten verplaatsen, véle perceelen verkocht aan 
de belendende eigenaars, die met deze terreinen hunne huizen en 
tuinen aanmerkelijk vergrootten. Tot dan toe was de pkats, 
„dicht bij den Kerkhoff gelegen genaemt de raemen" eigendom 
der St. Mathiaskerk geweest en had het lakcnwevers-ambacht ter 
vergelding van het gebruik daarvan, op zich genomen om arme 
en behoeftige communiekinderen in hemelsblauwe wolle stof te 
kleeden (2). 

In 1693 was het nog eene verlaten en woeste plaats, aangezien 
in eene chroniek vermeld wordt, dat aldaar o/> de Ramen achter 
St. Mathys^ eene vrouw in den grond gestoken werd, die, plichtig 
aan moord op haar kind, in de Maas geworpen en daarna op- 
gevischt werd. 

Ook het zich daar nabij bevindende 88 talii'nstraatje(^^ om zijne 
geringe lengte aldus bij overdrijving genoemd (eene talie was, 
toen de metermaat nog niet algemeen in gebruik was, eene kleine 
lengte-maat n.1 de helft van ^/^ el), schijnt zijn naam aan de 
lakenindustrie ontleend te hebben. 

Deze was reeds in de XI1*= eeuw hier ter stede een bloeijende 
tak van nijverheid. Verschillende Raadsresolutiën van 1368, 1370 
en 1377 regelden de arbeidsloonen, de wijze van bewerking der 
grondstoffen en namen maatregelen tegen de concurrentie van 
elders vervaardigde; vooral had men het gemunt op lakens, die 
in engellaiit ge ma ec kt zijn (*). 

In het „Bulletin littéraire des Mélophilcs" van Hasselt (•'^) vond 
ik eene zeer vreemde episode vermeld, die de zeden des tijds 
schildert, 't bewijs levert dat reeds in 't begin der XII* eeuw de 
lakenindustrie hier ontloken was en die tevens het antagonisme 



(') Zie mijn opstel Maasgouw 1897, p. 2, kol. 2. 
(2) Publications etc. XXIX, p. 397. 
p; Perreau Les Corporations etc, p. 55. 

(*) A. Habets, Regis tr e aux Résoluiions du Conseil Communal de Maestricht 1308 — 
1379, p. 27, 65, 66. 
(•) Jaarg. 1884, p. 41. Zie ook daaromtrent „De Oude Tijd", en 1870, p. 289. 



«^ 



— 280 — 

doet uitkomen, dat toenmaals bestond tusschen de ambachtslieden 
der steden en de plattelands bewoners. 

Zie hier de vertaling van het verhaal van een chronykschrijver 
der XII« eeuw, die ooggetuige was van de gebeurtenis. (^) 

„Les ouvriers qui tissent Ie drap et la toile, passant pour or- 
„gueilleux et insolents, un pauvre laboureur du village d'Inden 
„rprès de Juliers) imagina de faire avec la permission de l'autorité 
„locale et a l'aide de gens inconsidérés, un navire porté sur des 
„roues, et Ton contraignii les tisserands a s'y atteler et a Ie traï- 
„ner d'Inden a Aix la-Chapelle. 

„d'Aix-la-Chapelle on Ie conduisit a Maestricht, a l'aide du 
„même altelage; a Maestricht, on l'améliora et on Ie munit d'un 
„mat et d'une voile. Puis on Ie fit tirer jusqu'a Tongres par les 
^tisserands de la vilU\ et ceux de Tongres Ie menèrent a Looz. 

„En vain l'abbé de Saint-Trond voulut-il détourner les habi- 
„tants de Ie recevoir dans leurs murs; les échevins y consentirent, 
„au grand désespoir de ceux qui vivaient de la fabrication des 
„étoffes, car on leur imposait Ie licou comme a des bêtes de 
„somme, et ils essuyaient les railleries et Ie dédain des specta- 
„teurs. Une troupe de musiciens précédait ce fatal navire et les 
„gens du peuple accouraicnt danser a l'entour avec une sorte de 
„de frenesie. On en voyait plus de mille a la fois passer la nuit 
„dans ces danses, oü les femmes surtout se signalaient. A Saint- 
„Trond l'orgie dura plus de douze jours". 

't Feit vond plaats in 1133(5). De wagen werd voortgetrokken 
tot aan de grenzen van Brabant; Godfried met den Baard, graaf 
van Leuven, stemde echter niet toe dat hij op zijn grondgebied 
kwam en deed hem afbreken, vreezende de wanordelijkheden die 
hij te Leuven, dat een belangrijk centrum van lakenindustrie was, 
zou verwekken. 

Reeds in de X* eeuw wordt melding gemaakt van de wevers 
uit „den Loonschen lande", waartoe Maestricht destijds behoorde, 



(') Chronicon Saucti Trudonis I, XII; zie ook Maa^i^^ouiu 1886, p. 19. 

(-') Het „NarreiiscliifF' is te Aken populair gebleven, l^ij mascarades doet het nog 
steeds dienst, 't Was dan ook een Akener gezelschap dat zich voorgenomen had 
hetzelve voor te stellen in den alliier gehouden Historischen Optocht in Augustus 
1905. Het jaartal in het programma daarvan vermeld, moet 1133, in plaats van 
1113 zijn. 



— 281 — 

als zijnde „insolens et hautains", wel een bewijs hunner groote 
welvaart. 

Maestricht, door zijne ligging aan den grooten verkeersweg 
Reims — Keulen, bloeide mitsdien door handel en nijverheid, en 
aangezien welvaart kunst kweekt, moet in die welvaart de aan- 
leiding gezocht worden van den bloei waarin de letteren en 
schoone kunsten destijds in deze streken verkeerde (i). 

Het Maestrichtsche laken was wijd en zijd beroemd en werd 
geëxporteerd naar verre landen, als Zweden, Noorwegen, Dene- 
marken, Hongarije enz. Drie jaarmarkten vinden wij vermeld als 
hier gehouden wordende in de XIII*' eeuw; vooral stoffen uit wol 
en linnen vervaardigd, werden daar gretig door vreemde kooplieden 
gekocht. 

Volgens een Index berustende in de archieven van O. L. Vr. 
kerk, bezat het kapittel voortijds een document, volgens hetwelk 
CoNRAD, Aartsbisschop van Keulen, aan de inwoners van Tricht 
een handelsprivilegie bevestigde dat zij van vóór 1259 genoten, en 
dat hen, als zijnde eene oude gewoonte, toestond voor hun handel 
in Hongarije en andere Oostersche streken te reizen (2). 

Dat 't lakenweversgilde talrijk en machtig was, blijkt uit het 
feit, dat in de helft der XIV« eeuw, de kerk van St. Mathias ge- 
bouwd werd uit de opbrengst der amenden die door de gilde- 
broeders, destijds 20000 in aantal, verbeurd werden (3). 

De eerste authentieke melding die van die kerk gemaakt wordt, 
dagteekent van 1362. In eene acte verleent de toenmalige pastoor 
Jan VAN RiEMST, die tot eene schepenfamilie der stad behoorde, 



(^) Zie omtrent den grooten Limburgschen dichter Heinric vak Veldeke, schrijver 
der St. Fervatius-Ieij^ende en van het Maestrichtsche Paaschspeï Q\w\xtx\\ 1 1(30, Amiales 
de ta Socicfé Historique et ArchccIoi^iqNe t. II, p. 177 en Limb. Jaarboek 1892, p. 57; 
1893-94, p. 34 en omtrent de Maestrichtsche Schilderschool in 't begin der XIIl* 
eeuw, Maasgouw 1883, p. 847. 

(') Alex, ScHAEPKENS, Archivcs de VKglise A\-D., p. 14. 

(3) Zie voor vele wetenswaardige bijzonderheden en den locnmaligen rijkdom der 
St. Mathiaskerk, Chroniek dier parochiekerk, J*iibiicatiofts etc. XXIX, p. 376. A. Perreau, 
in zijne CorporatUns zegt op gezag van HevlerhotT ^Antiiuurc 18'JO, p. lilO), dat de 
Si. Maihyskerk reeds in 't midden der XIII eeuw gebouwd werd, gebrekkig evenwel, 
wijl ze reeds in 1479 bleek bouwvallig ie zijn en eenige jaren later herbouwd werd 
op kosten van den Prins Bisschop van Luik Jan van IIornes en den Magistraat van 
Maestricht. 



— 282 — 

exemptie der parochiale rechten aan de Broeders der Duitsche 
Orde, sinds 1280 alhier gevestigd en wier prachtige Commanderie 
stond langs de Maas, ter plaatse waar thans het Bassin en de 
Papierfabriek zich bevinden. 

De Maestrichtsche lakenwevers waren ruwe gasten, die nog al 
luidruchtig te werk schenen te gaan bij het verlaten van den ar- 
beid. Sinds onheugelijke tijden bestond tot 1794 het gebruik om 
lederen avond kwart voor 9 uren 's avonds eene klok in de 
O. L. Vr kerk te luiden ten einde de vrouwen te waarschuwen 
zich niet op straat te vertoonen. Zij gingen aan 't werk en ver- 
lieten het op 't signaal daartoe gegeven door eene zware klok die 
zij te dien einde geschonken hadden aan de Anthonieten-kerk(^). 
De Hochter- (Bosch-) straat vooral schijnt toenmaals dikwijls het 
tooneel te zijn geweest van wanordelijkheden. In 156G o. a. kwamen 
hier vreemde trekvogels „de nieuwe leer" prediken en hitsten de 
lakenwevers dermate op, dat St. Mathiaskerk door een verwoedde 
menigte geplunderd en geheel verwoest werd. 

Huizen in de Raamstraat en hunne bewoners. 

In 1296 (N° 43 D) wordt vermeld een huis in de Raemstrute 
tusschen dat van Hendrik de Galopia en dat van Gerard de 
Pytersheim. 

In 1309 (N° 73 D) dat van Renerus, zoon van Franco, /;/ vico 
dicto Rarnstraien. 

In 1309 (N® 64 D) is er nog sprake van een huis in die straat, 
bewoond door Lambertus Gisel. 

In 1312 (N*" 106 D) van een huis in de Raemstrate^ naast dat 
van Hendrik Mule. 

In 1316 (N° 137 D) van een huis in de i5?^^;;/.y/;77A% tusschen'dat 
van Renier de Glopia (vergelijk op 1296) en dat van Arnold 
de Steyne. 

In 1321 (N® 171 D) van een huis in vico dicto Rattnstrati\ tus- 
schen dat van Nicholaus Giiisel en dat van Johan de Piter- 
ciiEYM (vergelijk N^' 43 en 64 D hierboven). 

In 1323 (N° 182 D) van een huis in ordone vici iejidicnloruin^ 
tusschen dat van Christina Orstutrix en dat van Klisabeth 
Masuyten. 



O Annuaire etc. 18:^8, p. 119; ibid. 182^J, p. 129 en p. 159. 



— 283 — 

In 1329 (N^ 228 D) van een huis, vroeger toebehoorende aan 
Goswinus, genaamd Puntte. Dat huis werd naderhand bewoond 
door Henricus de Viseto. 

In 1335 (N° 283 D) treft men een huis in die straat aan, dat 
den eigenaardigen, door mij niet te verklaren naam droeg van 
vcrhadinvigen hues; met eene schuur, was het de eigendom van 
Johannes de Petersen, priester, die het van zijne ouders geërfd had. 

In 1337 (N° 90 W) is er sprake van de goederen van Hugo 
DE sancto Anthonio, gelegen in vico tendiculorum^ tusschen die 
van Wiricus Sac en die van wijlen Guillielmus de Aquis. 

In 1337 (N° 308 D) van het huis van wijlen Arnoldus Creyt- 
MEYSEN, gelegen tusschen dat van Arnoldus de Steyne, wever, 
en dat van Katharina Naggon. 

In 1347 (N° 439 D) van een cijns op twee ramen in de curia 
tendiculorum 'retro ecclesiam Sancti Mathie supra forum ligiiorum, 

In 1348 (N° 444 D) werd aan Gerardus Guldenfoet in erf- 
pacht gegeven een raam met funduin gelegen „in de Raamstraat 
„achter de St. Mathiaskerk op de Houtmarkt", tusschen de ramen 
van Petrus KoEcn en van wijlen Theodericus de Heppenart. 

In 1353 (N° 495 D) komt een huis voor, gelegen naast dat van 
Arnoldus de Lodenaken en dat van Godefridus Vlenere. 

In 1353 (N° 497 D) wordt aan Johannes genaamd Camstirper 
in erfrecht gegeven een erf, gelegen tusschen dat van Henricus 
DE Haren en dat van Henricus Horenbloes. 

In 1356 (N® 557 D en N^ 565 D) wordt eene brouwerij /// die 
Raemstrate aangetroffen, bewoond door Christianus de Lodenaken, 
cervisiator (brouwer), gelegen tusschen de huizen van Arnold 
RoECVOS en van Mathias Clevnwert. 

In 1361 (N** 663 D) wordt gewag gemaakt van een cijns uit de 
ramen (supra tendtcnla), gelegen tegenover de hoeven der Duitsche 
Ordeheeren (de Biesen waarvan hierboven sprake is). 

In 1362 (N'' 662 D) komt voor in platea tendiculorum het huis 
van Herknbloes, gelegen naast dat van Reynerus de Byrcke. 

In 1366 (N° 719 D) een huis bewoond door Arnoldus Nuetken 
en zijne echtgenoote Yda, in de plathea tendiculorum^ tusschen dat 
van Rutgherus, invcstitus van Borsen (pastoor van Borsheim) en 
dat van Arnoldus Miciiaelis. 

In 1367 (N° 739 D) eene opdracht in erfrecht van twee ramen 



— 284 — 

/// curia tendicidorum^ achter St. Mathiaskerk gelegen, het eene 
tusschen de ramen van wijlen Goesvvinus Dobbeler en van Jo- 
hannes Limborch en het andere tusschen die van Giselbertus 
GouMRR en van Nicholaus Nux. 

In 1375 (N° 809 D) wordt aan Johannes Cleynjohan, verver, 
en zijne echtgenoote Beatrix, in erfrecht gegeven eene ververij, 
gelegen vicus iendiculoruvi^ tusschen het huis van Nicholaus Sueten 
en dat van Gerardus de Bercke (zie hierboven in 1362). 

In 1377 (^N° 810 D") wordt eene ververij in deze straat vermeld. 

In 1378 (N° 834 D) een huis in vicus iendiculoruin^ tusschen dat 
van Johan Monck van Aken en dat van Theodericus Brulinc. 

In 1381 worden als keurmeesters op de rameii aan de Maas 
genoemd: Jo. Backman, Jo. van Mere, Mach. van Ele, Peter 
VAN LiBEKE, Rky-Croewinckel, Diric Groetrutten (1). 

In 1397 (N° 979 D) is er sprake van een huis* in de Gracht- 
stracte ghocnde achter uyte in die Ramestrate^ in deze laatste tus- 
schen het huis van Gobbel, bakker en dat van Gloes Koerenmarck. 

In 1404 (N° 1054 Dj van eene ranie hoeve, loebehoorende aan 
de Balie Biesen, zoomede van een ander erf, dat voorheen twee 
ramen waren. Het schijnt dat de grootte van een terrein aldaar 
in den volksmond afgemeten werd naar het aantal aldaar geves- 
tigde ramen. 

In 1407 (N° 1079 D) van een huis met aanhoorigheden in deze 
straat gelegen, tusschen het erf van Johan Yden en diens echt- 
genoote Mcchtild en het huis van Engelrard van Esden. 

In 1415 (N° 1165 D) behoorde aan Matheus Alexandri een 
huis in die Ramestroete op den oer de (hoek) van den Koex ruwen ^ 
gelegen naast dat van Giselbrecht Korensnyder in deze laatste 
straat. 

In 1435 (N*" 1319 D) is er sprake van het erf van Dierich 
Schermers, in de Raamsiraat^ voorheen door Thees Thurelle 
geschonken aan Mechtelt, de weduwe van Johan van Hoegem. 

In 1508 (N° 1496 D) van het huis van Lambrecht Boechmeker, 
naast dat van Wilhem Voeten en hei huis van meester Jan van 

DER NUWERSTAT. 



(1) Miuii^ouw 1883, p. 873, zie ook p, 878. 



— 285 — 

71. De Scharweyersruwe. 

Zie bij de Platielstraat. 



72. De M. Smedenstraat. 

De naam dezer straat is van betrekkelijk nieuwen oorsprong. 
In de XI V« eeuw werd zij meestal aangeduid door eene omschrij- 
ving met betrekking tot de Kersenmarkt, de Stokstraat, de Brood- 
bruggestraat (Kleine Stokstraat) en de Havenstraat. Zij werd 
geacht zich slechts uittestrekken van de hedendaagsche Stokstraat 
tot aan den uitgang der Havenstraat (}'). 

In zijn roman „Le Siége de Maestricht en 1579" (2) schildert 
Victor Joly ons la rue des Marcchaux als een klein vunzig straatje 
met krotten van huizen, die door een lange donkere gang toegang 
verleenden tot een z.g. achterkwartier; het was, z(tg\\\\]yune esptce 
de juiverie immonde ei mal famh\ zeer geschikt om lot verzamel- 
plaats te dienen der samenzweerders, die hij ten tooneele voert. 

Huizen in de M. Smedestraat en hunne bewoners. 

In 1335 (N<* 279 D) wordt een huis vermeld op den hoek der 
Smeden- en Stokstraat; het werd in erfrecht opgedragen aan Franco 
genaamd Pacslegere en was voorheen in het bezit van Johannes 
DE .Berge, pellifex (bontwerker) en Maria van den Suckerorde, 
echtgenooten. 

In 1341 (N*' 354 D) een huis achter het Dinghuis (toenmaals op 
de Kersenmarkt) naar den kant der Wolfstraat (derhalve in de 
Smedenstraat) . 

In 1367 (N® 737 D) een huis achter de Kersenmarkt in vico 
pergenie (de Smedenstraat) versus truncum (Stokstraat); het lag 
tusschen de huizen van wijlen Johannes Bemeren en Nycholaus 

LiMBORCH. 

In 1457 (N° 1445 D) is er sprake van het huis van Peter Moer 
indie Smeetzsirote^ gelegen tusschen dat van Coenrart, smid, en dat 
van wijlen Meyloer, nu van Merten van Itter. 



(') Jaarboekje voor Limburg^ 1874, p. 165. 

(2) Victor Joly, Le Siége de Maestricht en J579y p. 17. 



— 286 — 

73. Het Smedenstraatje en het Cörversplein 

te Wyck. 

Het Smedenstraatje ( W,) wordt zelden in oude stukken aan- 
getroffen. 

Er tegenover was in den Maasmuur w^eleer eene poort waardoor 
men de paarden en het vee der hoeven, die in de XIV* eeuw te 
Wyck en te Tricht menigvuldig waren, te drinken leidde; zij 
heette daarom de dreyicporte (i). 

In zijn boeiend opstel over den bloedigen strijd in 1327 door 
de Maestrichtenaars gevoerd tegen den roofzieken Reinald heer 
VAN Valkenburg en die door eene glansrijke overwinning, den 
tnuvif van St. Servaas genoemd, beslecht werd, vermeld Franquinet, 
dat in de onmiddelijke nabijheid van de Cörvcrsstraat (waar de 
mandemakers woonden) sedert 1869 door afbraak van een gedeelte 
van den wal een plein geworden, een zekere Mathias bijgenaamd 
VAN Cricvtwillkr, nieuwe huizen liet bouwen (2). 

Als in 1535 uitgeweken Anabaptisten komen voor: Willem Hüetz 
ende sin huysfrouice^ te //jr/', benevens Luyte VAN CouvELT, beiden 
int Smedcstreutgtn \^^. 



74. De Spilstraat. 

(Rue des Tourneurs). 

Over het goed van Ridder Adam van Haren, gelegen aan het 
uiteinde der Spilstraat nabij de Gevangenpoort, is gehandeld bij 
de Markt. 

De Lenarts (4) spreekt van deze straat als van eene der oudste 
der stad 5 evenals de Kortespoelders- en Witmakerstraat, zou zij 
haren naam ontleenen aan ambachtslieden, de spilledraaiers^ die 
daar ten tijde van graaf Albuinus (X» eeuw) bij voorkeur schijnen 
gewoond te hebben en zoo als hun naam aanduidde „het getuigh 
„vervaardigden tot het weversgetouw noodigh". 

(:) Jaa7 boekje ISTO. p. 184. 

(') Ibid. p. IBf). 

(^; Jos. Habets, De Wcdcriioopcrs etc, p. lüU. 

(^) Publicaiions etc. II, p. 24. 



— 287 — 

Volgens wijlen D^ L. Schols zou de Spilsti-aat haren naam te 
danken hebben aan eene gebeurtenis die volgens de Acta Sanc- 
torum daar ter plaatse voorviel. Ziehier de legende: 

In het naastbij gelegen Dominicaner-klooster werd plechtig feest 
gevierd ter gelegenheid van de canonisatie in 1253 van den 
H. Petrus, een lid der orde, die te Milaan den marteldood ge- 
storven was. 

Eenige vrouwen, die voor hare huizen zaten te spinnen, staken 
den draak met de Predikheeren, alsof deze den nieuwen marte- 
laar uitgevonden hadden om hun klooster te verrijken. Terwijl 
zij zoo spotten, werden eensklaps de draden, die haar door de vin- 
gers gleden met bloed bevlekt, ofschoon zij geen het minste letsel 
aan hare vingers konden vinden. Vol berouw dat zij het bloed 
van den martelaar bespot hadden, liepen zij naar den Prior, die 
over het gebeurde eene plechtige toespraak hield en de bebloede 
draden toonde. 

Een arglistig schoolmeester, die bij de preek tegenwoordig was, 
strooide echter rond, dat de Paters de onnoozele menschcn be- 
drogen en alles slechts afgesproken werk met de spinsters was. 
Eensklaps werd hij door eene hevige koorts aangetast, die gaan- 
deweg toenam en eerst dan en wel oogenblikkelijk week, toen hij 
berouw getoond en het voornemen aan den Prior had te kennen 
gegeven om voortaan den gelasterden martelaar eene bijzondere 
vereering te zullen toedragen (i). 

Huizen in de Spilstraat en hunne bewoners. 

In 1263 verkregen de Dominicanen, die zich hier in 1231 ge- 
vestigd hadden, van Ridder Waleram, een groot huis met aan- 
hoorigheden in de Spilstraat^ nabij het St. Joriskerkhof en van 
Ridder Hendrik van Hvseren, een daarnaast gelegen huis T^). 

Nog andere aanzienlijke terreinen werden aan de Predikheeren 
geschonken, zoodat zij in 1267 in staat gesteld waren met den 
bouw hunner kerk een aanvang te maken (3). 



(1) Publications etc. V, p. 431. 

(') Volgens VAN Heylerhoff iAnmtaire 1830, p. 111) was het eerstgenoemde huis 
etn steenen huis niet open plaats en werd het aan de Predikheeren geschonken door 
Reynerus Koek. 

(') VON Geus AU, Gesch. Kloosters te Maastricht \vi\ Publications etc. XXXI, p. 29. 



— 288 — 

In 1274 schonk een Maestrichtsch patriciër, Conrad Lomerius, 
een terrein aan het klooster om tot kerkhof te dienen (^). 

In 1367 (N^' 744 D) wordt melding gemaakt van het huis van 
wijlen Egbertus, priester, gelegen achter de Predikheeren, tusschen 
dat van Henricus Herot en dat van Henricus de Sancta Agatha, 
schepen. De bijgevoegde woorden iuxta sancium Georgium, bewijzen 
dat dit huis in de Spilstraat lag en niet op de Groote Gracht, tot 
waar het klooster zich ook uitstrekte. 

In 1452 (N** 1405 D) is er sprake van het huis van Cloes 
Borchgreven in de Spilmekersirote^ gelegen tusschen het huis 
der stommen en dat van Hubrecht Dreesseler van Aken. 

In 1471 stierf Johannes Collyns /;/ die Spibnakerstraet{}\ 

Omstreeks 1500 woonde de fiimilie Syps, waarvan eene dochter 
met Johannes Minckelers gehuwd was, in de Spilstraat in het 
huis de?i Voegel (3). 

In 1510 wordt als bewoner der Spilstraat vermeld Herman 
RiKMSLEGERS, die een beeld van den H. Dionysius gepolychro- 
meerd had, dat gemaakt was door Dionysius Riemslegers en ge- 
geven werd aan de Kruisheerenkerk (^). 

[n 1539 lag het huis van Frans Stuckens, koster der St. Joris- 
kapel, in de Spilstraat naast dat van Peter van Herve, naar den 
kant der Gevangenpoort (^), 

De beide huizen N**'' 13 en 15 in de Spilstraat vormden in het 
midden der XIX® eeuw één enkel huis, dat in de gulden ketting 
heette. 



75. St. Antoniusstraat. 

Zij ontleende haren naam aan de Commanderie der Antonieten, 
aan het uiteinde der straat gelegen, ter plaatse waar zich thans 
de brug en de sluis van het kanaal bevinden. 

Reeds in 1209 werd aldaar op den oever der Maas eene kapel 



(1) MaasooNW 1886, p. 8-2. 

(^) Publkaiions etc. XXXIX, p. 76. 

(■') Jacq.. Geelen. Genealogie der familie Minckelers in Maasgouw 1904, p. 34. 

(-') Publications etc. XXXIX, p. 19. 

(^) Maasgoiiw 1901, p. 9. 



— 289 — 

(Eremitage of kluis) ter eere van St. Antonius gesticht door 
Ridder Arnold Stirbold op een terrein, toebehoorende aan het 
kapittel van St. Servaas (J). Zijn zoon Willem schonk in 1236 
zijne allodiaal goederen aan de Antonieten-orde te Viennei^-), in 
Frankrijk, dat nu hier een klooster stichtte; in 1380 werd begon- 
nen met het bouwen eener kerk, die echter eerst in de volgende 
eeuw voltooid werd. Het naar die orde genoemde St. Anionius- 
eiland in de Maas, behoorde aan het klooster, aan welk het ge- 
schonken was door Jacoba van Beyeren in 1415. Ten gevolge 
van oneenigheden tusschen de kloosterbroeders, werd de com- 
muniteit in 1785 door den Bisschop van Luik opgeheven. De 
beide zware torens der gothieke kerk, werden tijdens de belegering 
door de Franschen in 1748 zeer beschadigd terwijl bij het beleg 
van 1794 de kerk nagenoeg geheel vernield werd (•^). De nog aan- 
zienlijke en schilderachtige overblijfselen werden in 1848 bij den 
aanleg der Zuid-Willemsvaart afgebroken. Alex. Schaepkens heeft 
het aandenken daaraan bewaard door schilderijen en eene litho- 
chromische aquarel. 

Hulzen in de St. Antoniusstraat en hunne bewoners. 

In 1309 (N° 73 D) is er sprake van het woonhuis van de we- 
duwe van Johannis Biespan, gelegen iuxta sauctum Antoniinn, 

In 1314 (N° 43 W) komt een huis in die straat voor, bewoond 
door Jan van Eckelrode, penes domiun Pctri cum mi tra, 

In 1314 (N*> 111 D) een huis in die straat, naast dat van Wal- 
terus Ortolani. 

In 1315 (N<> 130 D) het woonhuis van Johannis de Eckelrade, 
naast dat van Petrus cum mitra 

In 1325 (N** 196 D) wordt de St, Autoniusstnuit vermeld met 
betrekking tot eene aldaar gelegen hofstede en huis, toebehoord 
hebbende aan den overledene Lambertus Hont, die naderhand 
kwamen aan Ida van den Hove. 



(») Publications etc, V, p. 3(5. 

(2) Ibid. V, p. 44. 

,3) I3>ii voN Geüsau, Gesch. kloosters ie Maastricht^ p. 9 A 11. — FranquinüT, 
Inveni, kapittel O, L. Vr. I, p. 130, 369. — Annuaire etc. 1829, p. 154. - DE 
Lknarts, Publications etc. II, p. 26. — Schepenbrief N» 10 F. — Jos. Eversen, 
Maas^ouw 1886, p. 31, 47. 55; Ibid. 18ïi8, p. 91; Ibid. 1889, p. 136. — Schepen- 
brief N* lOW. — Jos. Habets, Gesch. Bisdom Roermond III, p. 672. 



— 290 - 

In 't zelfde jaar (N" 191 D) wordt op den hoek dier straat en 
de Houtmarkt, (de Boschstraat werd toen onder dien laatsten 
naam begrepen) het erf genoemd van Walramus wiens vader 
BiLLA en wiens zoon Gisekinüs heette. 

In 1347 (N° 438 D) werd aan Johannes Eytkauf, wagenmaker, 
een huis in erfpacht gegeven; het lag tusschen dat van Reynerus 
DoLWAV en dat van Johannes Geklle. 

In 1349 (N° 454 D) is er sprake van eene hofstede op den hoek 
der straat naar de zijde der stad, toebehoorende aan Henricus 
Sack. 

in 1356 (N'» 192 Ü) van vier huizen op den hoek der Sl An- 
tonwsstraat, 

In 1360 (N° 644 D) van eene area (open plaats) in die straat, 
gelegen tusschen het erf van Daniël de Gelike (waarschijnlijk 
den Geelle van 1347) en dat van Jacobus Peert. 

In 1369 (N° 218 W) is er sprake van een huis gelegen tusschen 
de goederen van Lambert Gerster en die van Margareta de Ovs. 
In 1412 (N" 1141 D) wordt vermeld een huis opten ^^;v/^ (hoek) 
van sinte AutJionis stracien by den Houluietkt^ naast dat van Huben 
QwARVS van Mechelen en dat van Arnold Qwack van Pietersheim 
op de Houtmarkt (Boschstraat). 

In 1418 (N° 1206 Ü) een huis gelegen tusschen den hoek der 
straat, gaande van de St. Antonius- naar de Grachtstraat en 
dat oert oft plaetze tegenover de St. Antoniuskerk. 

In 1438 (N"" 193 F) een huis /;/ sinte Antonisstrate^ tusschen dat 
van Goiswyn van Berge en dat van Machyel van Bielsen. 

In 1442 worden als hoofdlieden van het Sint AntJioenis Kerspel^ 
waarvan de bewoners te waken liaddcn over den walmuur sector 
van af de Hochtcrpoort tot optcn torne achter den Scuttenhoeff 
(later Pcnitentenklooster, thans flibriek de Sphinx) Goesen Haerd- 
vovsT, Reyner Joersken, Lens Maessens, Anthoenis Butinxt, 
Servaas Rauer en Jan HEUTz(n. 

In de Raadsvcrdragcn van 1535 komen de namen voor van 
wederdoopers, die de stad ontvlucht waren en daaronder de eenige 
man van aanzien, met name Dirck van Leke, die rentmeister gezvest 
is des goitzJiuyss van Sinte Anthoenis ende sin htiysf rouwe. 



(') Publuaiions etc, XIX, p. 889. 



— 291 — 

In de limietbeschrijving van de stad in de XVh eeuw wordt 
{/i7/ go,itshuys van sint Anthonis en de beide kerken genoemd als 
behoorende tot den Vroenhof(i). 

Tijdens de belegering door de Franschen, onder generaal Kleber, 
in 1794, schijnt er in de St. Antoniusstraat een gekkenhuis te 
hebben bestaan; het zal wel het „godshuis" zijn geweest, hierboven 
in 1535 en in de aangehaalde limietbeschrijving genoemd. Bij 
het bombardement op K 2 en 3 November wordt vermeld, dat 
er daardoor „vier gekken zijn omgekomen, maar de 'anderen zijn 
gered" (O- 

76. St. Jacobstraat. 

Zie bij de Kapoenstraat. 



11. St. Pieterstraat. 

Zie bij den Aldenhof en nabij de Minderbroeders. 



78. De Sporenstraat. 

(Vicus Kenterkini). 

Deze straat treffen wij in 1315 aan (N'' 134 D) onder den naam 
van Kenterkensniive^ vicus Kenterkini^ naar de aldaar wonende 
praticische familie Kenterkvius of Kentrekens{^^. D*" Doppler tee- 
kent daarbij aan dat haar stokgoed in 1300 nog bewoond was 
door Maria Kentkrkini, die vóór 1319 overleed; in dit laatste 
jaar wordt nog vermeld gevonden Goeswinus Kknterkexs (N°275D). 
Van 1278 tot 1290 was Godefridus Kenterkyn schepen van 
Tricht (4;. 



( 1 Pnblitations etc. XIX, p. 418. 

(2) Maas^ouw 18S9, Kroniek p. 136. 

( ) FKANQUiNK.r vennoedde dit enkel, waar hij den schepenbrief van 1418 (Noot 
bij N* lü()i publiceerde. De bovenvermelde van UKX) en KUo, hem waarsciiijnlijk 
onbekend, gedogen geen twijfel meer omtrent het bestaan van de familie Kenter- 
KENS. Rentrekens is blijkbaar foutief. 

(•) Franquinet, Invent, O, L» Vr, II, p. 146. 



— 292 — 

Over het ontstaan van den huidigen naam zie hieronder op 
1418, 1425 en 1448. 

Huizen in de Sporenstraat en hunne bewoners. 

In 1335 (N*' 274 D) is er sprake van een huis \n dit Kenter kefis- 
rtnve^ tusschen dat van Johannes genaamd Blinde en dat van 
Katharina de Wetiiem. 

In 1343 CN° 376 D) wordt vermeld een huis in de Kenierkens- 
rmve^ gelegen' tusschen die van Wiricus DE Valle en van God- 
scalcu*^, pellïfex, (bontwerker) en Johannes DE RuPE, priester. 

In 1346 (N° 419 D) wordt gewag gemaakt van dezelfde straat 
en van de beide eerstgenoemde bewoners; hier wordt de Valle 
usurarius genoemd, 't Leidt dus geen twijfel dat hier va^i Kentir- 
kensruwe weer de Sporenstraat (en niet de Heggenstraat bedoeld 
wordt). 

In 1350 (N° 461 D) woonden in de vicus Kenterkini^ meester 
Christianus de Sols, tusschen Katharina DEWETHAMen Johannes 
Cecus, klerk (zie op 1335). 

In 't begin der XV« eeuw schijnt men van den oorspronkelijken 
naam dezer straat afgezien te hebben en is 't gebruikelijk gewor- 
den ze Spoerennnve te noemen. In 1407 N° 1093 ü althans, wordt 
ze onder dien naam aangetroffen bij vermelding van 't huis van 
Judei der clocker (campanator) van St. Servaas, gelegen tusschen 
dat van Goedard Scoutiten en dat van Kathryne dochter van 
wijlen Gerard Beckeneelre. 

In 1418 (N° 155 F) komt dezelfde Johannes Judei voor als 
eigenlijk heetende Johannes van Sittert; hij draagt een erfcijns 
over op zijn woonhuis /// aie Sporenruwe ; op den rug van den 
brief staat /// vico Kenterkifii; het huis wordt omschreven als lig- 
gende tusschen dat van Heynrich Westvelinx, den harnasmeker, 
en dat van de in 1407 CN° 1093 D) hier genoemde Catharina van 
den Bongarde, anders genoemd Beckeneelre. 

Vermoedelijk is de zooeven genoemde Westvelinx schuldig 
aan den naam Sporenstraat. Hij zal als harnasmaker waarschijnlijk 
een groote spoor gesmeed en als uithangbord aan zijn huis uit- 
gestoken hebben. 

In 1425 (N^ 1259 D) wordt nog een spoeremeker in die Kenter- 
kensruwe vermeldj zijne woning lag naast de huizen van Johan 



— 293 — 

GoT Gruteüch en Johan Honich. Ook wordt daar genoemd het 
huis van Nesen Bras, gelegen tusschen dat van Mertyn Bobart 
en dat van Jacob van Helmont. 

In 1448 (N° 1390 D) is er sprake van het huis van Arnold 
Spokrmeker indie Sporenruwe^ naast dat van Jacob Spoermeker 
en dat van Otten, in leven clocker der St. Joriskapel, thans van 
Cloes VAN Evnenberg jonchere Aniollz knapc van Chievel. 

In 1605 (Raadsnotulen) is er sprake van, om het water der 
fontein op 't Vrijthof te doen dienen tot spoeling der riolen; deze 
straat wordt daar tweemaal de Spaerestraete genoemd (^), waar- 
schijnlijk Maestrichtsch ^HoogkollandsdC zooals speigcl. 

Ta^ ook nog de Flattereye. 



79. Stadsgraven. 

Deze verkeersweg, die al sinds lang niet meer bestaat en geen 
herinneringen opwekt, wordt slechts enkele malen in oude be- 
scheiden aangetroffen. 

Het was m. i. de nog al breedc straat, die voorheen de oude 
Brusselsche poort met de oude Lenculen poort verbond en aan 
de tegenwoordige Ezelenmarkt aansloot; aan de zuidwestzijde 
was zij door tuinen en aan de noordoostzijde door den walmuur 
van 1229 begrensd; zij nam dus de plaats in van de voormalige 
hoofdgracht. 

Op de kaart van Simon de Bellomonte (1580J is ze duidelijk 
aangegeven; de blok huizen tusschen de Kommel en de oude 
Brusselschepoort komt niet daarop voor en is er ongekleurd aan- 
geduid als een onbebouwd langwerpig vierkant terrein; aan den 
kant der Linculenpoort zijn tegen den ouden stadsmuur cenige 
huizen aangeleund waardoor de straat aldaar eene andere richting 
bekomt. Aan de overzijde lag de aan het kapittel van St. Servaas 
toebehoorende Scimttershof op Hoog Lenculen^ op welk terrein de 
Minderbroeders in 1699 hun tweede kerk en klooster bouwden, 
naderhand tot paleis van Justitie ingericht ^2^. 



(1) Maas^ouw 1888, p. 75. 

(2) Annuaire eic. 1830, p. 1*25. 

19 



— 294 — 

In 1361 (N° 669 D) wordt melding gemaakt van een huis retro 
claustrum sancti Servacii^ gelegen tusschen dat van ridder Adam 
DE MoBERTiNGHEN, heer van Segghen (Sichen), en dat van 
Tilmanus Freens, priester. De bovengenoemde straat zal wel hier 
bedoeld zijn. 

In 1421 (N® 1227 D) worden twee naast elkander gelegen huizen 
vermeld in de straat naast het huis van Arnoldus de Tertkrex 
en dat van Henricus Couman; twee andere huizen worden be- 
schreven als achter de voorgaande gelegen en uikomende in de 
straat geheeten der stat graven^ naast dat van Godefridus Dolwaey. 
De bijzonderheid, dat rentmeester en schepenen van Lenciilen de 
verklaring aflegden dat eene erfrente uit die huizen afgestaan werd 
aan Everardus de Reys, deken van St. Servaaskapittel, doet mij 
met de kaart van de Bellomonte en het vermelde in 1361 besluiten, 
dat der stat graven de hierboven bedoelde straat is. 



80. Statenstraat. 

Zie bij de Groote Gracht. 



81. Steenenbrug. 

Zie bij Minderbroeders. 



82. De Stokstraat. 

(Ad truncum). 

Onder deze benaming moet men de tegenwoordige Stokstraat 
verstaan met uitzondering van het gedeelte dat van het Mooren- 
straatje (Kleine Havenstraat?) tot aan de Kleine Stokstraat liep, 
en van het gedeelte dat bezijden het koor van O. L. Vr. Kerk 
lag; in de Middeleeuwen was dii la&tste bekend onder den naam 
van Graan- of Korenmarkt (forum hladormn of forum segetum). 
Absolute grenzen dier straten zijn echter niet aantegeven, zoodat 



— 295 — 

in sommige gevallen, ook voor wat hoekhuizen betreft, de straten 
in die omgeving gelegen, door den lezer dienen nagegaan te worden. 

In de XIV« eeuw was het baden hier ter stede zeer in zwang 
en bestonden er achter het Vleeschhuis, in de Mariastraat en in 
de Stokstraat badinrichtingen, badstoven^ stupae; in deze laatste 
straat, nabij het koor der O. L. Vr. Kerk, dat daarom werd aan- 
geduid met den naam ad stupam ( i). 

Hieronder op 1395 vindt men de vermelding: in de straat <7ww<? 
ter stoevcn wart te gaan; in 1326 wordt een huis aangeduid, te 
liggen prope antiquam stupam. De veronderstelling is gewettigd, dat 
toen nog zichtbare overblijfselen waren van een Romeinsch bad 
(JJippocaustuni) in 1840 opgedolven ^^2^. 

Volgens de beschrijving van een huis in de Plankstraat (zie bij die 
straat N*» 587 D van 1357) lag zulks/;/ opposito antiqite stupe; de $toven 
bevonden zich dus aan den overkant van het koor van O. L. Vr. kerk. 

Eene gissing omtrent den oorsprong van den naam Stokstraat 
is deze: in de nabijheid bevond zich op het destijds open plein, 
de Kersenmarkt, dat zich in de XIV''*^ eeuw tot aan de Havenstraat 
uitstrekte, het oude Raadhuis; het bevatte zeer zeker kelders, waarin 
boosdoeners opgesloten, „/« den stok gesloten'*'' werden; de afleiding 
Stokstraat zou voor de hand liggen (3). 

De Stokstraat is een der oudste van de Stad en maakte deel 
uit van het Romeinsche versterkte bruggehoofd. De thans af- 
gebroken walmuur aan de O. L. Vr. Kade, hoe oud van aanzien 
hij ook moge geweest zijn, was destijds niet de stadsmuur; 
deze lag meer binnenwaaris en men irof er nog ten tijde van 
Heylerhoflf overblijfselen van aan op de open plaats van een huis 
tusschen de Visschermaas en de Kleine Stokstraat (*); ook werden 
voorheen in den kelder van een huis achter het koor der O. L. 
Vr. kerk brokstukken van metselwerken gevonden, blijkbaar af- 
komstig van een Romeinsch gebouw. De hoogc ligging der Stok- 
straat, die niet aan de natuur doch aan handenarbeid moet toe- 
geschreven worden, wettigt het vermoeden, dat in de eerste 



(') Franquinet, ffiv. O, L. Vr, II p. *J4. — Men zie ook bij de Mariastraat. 

O Zie Maasgouw 18S9, p. 108. 

(3) Ibid. 1879, p. 17. 

(*) Annuaire etc. 1825, p. 118. 



— 296 — 

eeuwen van het bestaan van Tricht, de walmuur niet afgebroken 
is en de materialen daarvan verwijderd zijn geworden, doch dat die 
afbraak slechts gedeeltelijk geschiedde en men op de puinhoopen 
bouwde. 

In de Middeleeuwen had de Stokstraat het niet benijdenswaardig 
„voorrecht" dat thans meer bepaald de Heistraat geniet. Zulks 
blijkt uiteene Raadsresolutie van 1373, waariw voorgeschreven wordt 
dat nyinant bordeel halden sal ie triecht sonder (uitgezonderd) die 
twee aidde stoven (oude badinrichtingen waarvan hierboven sprake) 
achter onsen vrouwen kerke ^ so wye dat breke^ die sal (schuldig) jyv; 
aan den here den hi tu hoert (aan den Bisschop of aan den Hertog), 
op III mare als decke (boete) eyidc 1 jaer uter stat (gebannen). 

In 1375 werd dat verbod herhaald, di tive stoven achter O. L. 
Vr. kerk weer uitgezonderd, en de straf verzwaard : ende so we 
dat breke ende bordeel hielde van lichten jonciviven^ die sich om geit 
loten bruden^ die sal II ioer die stat verliesen cjide die huren^ die 
men anderswo vonae dat si sich lieten brudefi om gelt^ dan in die 
iwe stoven vorz,^ of i7it velt^ die sal ende mach men in die mase 
werpen of I joer nyt der statC^'). 

Die voorschriften werden in 1381 herhaald: ledighe ivyfen moch- 
ten geen huiken of falie dragen, hunne putieren (entreteneurs) 
werden in den halsband gezet^ enz. (2). 

Het klooster van St. Gerlach te Houthem had aanvankelijk een 
Refugiehuis in de Stokstraat nabij de ü. L. Vr. poort. In het begin 
der XVIII* eeuw werd het wegens bouwvalligheid verlaten en 
de religieuzen vestigden zich op de Brusselschestraat (^). 

Huizen in de Stol<straat en hunne bewoners. 

In 1307 (N° 48 F) bewoonde Johannes van Wkskt (van Visé) 
een huis in stochke, 

In 1333 (N° 253 0) wordt aan Arnoldus Neutken, bakker, in 
de Stokstraat in erfrecht opgedragen het huis van Heylwaris ge- 
naamd CuMSTAM, gelegen tusschen dat van Egidius de Naya, ge- 



(1) A. Habets, Lc plus ancien Rixistre aux Résoïutions du Conseil Communai de 
Maestricht, p. 35, 51. 

(2) Mnasi^omv 1883, p. 874, 877. 

(3) Ibid. 1903, p. 9. 



— 297 — 

naamd Wyyot en dat van Henricus, de zoon van Arnoldus 
CuECBAC, bakker. 

In 1343 (N° 378 D) wordt genoemd het huis ad truncum, gele- 
gen achter dat van Hellinus de Mogh, tusschen dat van Johannes 
Mannus, schoenmaker, en dat van Henricus Zuetminne, schepen 
van Luik. 

In 1358 (N<* 600 D) wordt het erf vermeld van Anthonius 

Hospes, gelegen ad troncum^ naast het huis van Jutta, de weduwe 

van Godefridus de Mersen (zou hier de familie bedoeld zijn die 

.in 1538 aan de Houtmaas woonde?) en naast de ruella stupe 

(impasse?). 

In 1359 (N° 631 D) het huis van Reynerus 'Reynson de Wiseto 
(van Visc) in de straat ten stoc gelegen, tusschen dat van Reynerus 
DE Rosis, schepen van Tricht, en dat van Walterus genaamd 
Wautelec. 

In 1369 (N^ 758 D) woonde Reynerus de Lyze in de vicus de 
tninco. 

In 1373 (N® 107 F) is er sprake van de goederen van Her- 
manus, genaamd layi\ gelegen de tmnco tusschen het huis van 
Cornelius Pruvt en vicum parvum dticcntem ad Mosam (het Exter- 
straatje). 

In 1380 (N° 865 D) wordt genoemd als wonende in tmnco 
Theodericus Quant (deze of zijn zoon wordt ook vermeld als 
wonende in de Plankstraat in 1357). 

In denzelfden brief wordt ook vermeld het erf van wijlen Her- 
mannus Layen, bekend onder den naam van Layenguet, gelegen 
op den hoek der straat (Exterstraatje) gaande naar de vicus mer- 
cenariornm (Houtmaas) en naast het huis van Cornelius Pruyt 
(zie op 1373 en op 1400). 

In 1392 (N^945D) wordt uitgewonnen op Claes van Stocheym, 
steenhouwer (zie Plankstraat op 1393 N*^ 956 D) een huis in den 
stock^ tusschen dat van Henric van Cleirmont, schepen van Tricht, 
en dat van Lambrecht van Leute (zie Graanmarkt op 1379). 

In 1392 (N^ 946 D) is er sprake van het huis van Willem van 
HuLSBERGH in den stocke^ tusschen het huis van Kathrynen van 
Mere en dat van Johan van Eggertinghen. 

In 1395 CN° 967 D) van een huis /// deii stocke opt oert vander 
alder plancken begrensd in die clde Plancke door het huis van 



— 298 — 

Lambrecht van Leute, waarin Henrichs lynncnwever woont en in 
de straat omme ter sioeven ivart te gaan, door dat van Claes van 
Stochem, steenhouwer (zie op 1392). 

In 1400 (N° 8G6D) wordt het in 1380 genoemde Layengueth^- 
schreven als liggende /// den Stoick voire ende ac/tfer mit alle synen 
thbehoer opten oyrde van den ruwekrn dat geit vander alder plancken 
ter hoyde masen wart (het hier bedoelde ruweken is het Exter- 
straatje) naast het huis van Yda, de weduwe van Cornelis Pruyts 
(zie op 1380J. 

In 1403 (N° 137 F) is er sprake van een huis in den Stocky 
tusschen het goed van Johan van Mülken (^), den jonge, man van 
wapenen, en eyji cleyne ruweke ko7ne?idè vander hoef stat (Haven- 
straat) dus het Moorenstraatje. 

In 1407 (N® 1092 D) van een huis in den Stocke opt oert vander 
aldeplancken, 

In 1426 (N<* 1264 D) van het huis van Peter Meylhoeren /// 
den Stocky gelegen tusschen de erven van Arnolt van Eecht en 
van Wilhelm Hupken. 

In 1465 (N° 232 F) van het erf van wijlen Cornelys Prkutz, 
secretaris der stad, gelegen />/ den Stock, tusschen het erf van 
Heynrich van der Sargiên (-) en dat van Kathryne van Calf- 
STERt, (Een Pruijts is hierboven genoemd op 1380 en op 1400). 

In 1483 (N° 248 F Noot) worden als testamentnerer (^xécuieurs- 
testamentaires) van wijlen Maria Reybots genoemd. Johan Huge 
en Herman van Brede. Zij schonken ten behoeve eener in de 
St. Nicolaaskerk te stichten mis, een grondcijns op twee naast 
elkander gelegen huizen /// den Stock. 

In 1748, den 7 Mei, had de graaf van Aylva, die de stad tegen 
de Franschen, onder den Maarschalk van Saxen verdedigde, ge- 
capituleerd (3). Den 26 Juli van dat jaar, vermeld eenechroniek (*) 
„snagts is een oud houte huis in de 5/^y{'j/;'^ö'/ ingevallen, wordende 
„een soldaat van (het fransche regiment) Normandië die met een 
„hoertje lag gepletterd door een balk". 



(*)''Zie omtrent de van Mulkkn's (Witmakerstraat) Ptiblha'üms etc. XIV, p. 135; 
XXXIX, p. 274. — Franquinet, hivent, O. L. Vr, II, p. 124. 

(2) Zie omtrent deze familie Maasgouw 1890, p. 102. 

(3) Zie AunaUs II, p. 1, 

(*) Maasgouw 1880, p. 267. 



— 299 — 

83. De Tafelstraat. 

(Via Sanctae Agathae). 

Zij werd tot in de XVII* eeuw steeds genoemd de 5/. Aechtcn- 
straat, eene verkorting van St, Agathastraat^ naar het gasthuis en 
de kapel aan die H. Maagd en Martelares toegewijd. In eene noot 
bij N** CO F wordt gezegd, dat het gasthuis omstreeks 1650 op- 
geheven werd; bij N® 132W wordt beweerd dat èn kapel èn 
gasthuis reeds in 1628 niet meer bestonden; beiden lagen aan de 
zijde der tegenwoordige Fransche kerk. 

De gebouwen van het gasthuis werden in 1717 met pauselijke 
vergunning voor 6000 gld verkocht aan Jos. Gallinet (N**390F}. 

Volgens Bachiene zou waarschijnlijk in de Tafelstraat eene 
kapel, toegewijd aan St. Gregorius, gestaan hebben die „tijdens 
„de Nederlandsche oorlogen verwoest werd" (}). Dat vermoeden 
wordt bevestigd door hetgeen in 1610 vermeld wordt (^) bij ge- 
legenheid der opheffing van verschillende gasthuizen alhier. Dat 
van St. Agatha was daarbij begrepen en wordt omschreven als 
liggende nabij de overblijfselen eener kapel en van een kouten huis. 
Ferdinand, hertog van B^njERKN en Keurvorst van Keulen, de 
toenmalige Prins-Bisschop van Luik gaf toestemming om die 
gasthuizen te verkoopen, ten einde uit de opbrengst een nieuw 
hospitaal op te richten. 

De kapel van St. Hilarius, die reeds in de XIII* eeuw voorkomt, 
lag met het daaraan grenzende kerkhof, daar waar thans de kerk 
der Waalsche gemeente staat. In 1490 werd zij, bouwvallig zijnde, 
herbouwd (3), in het begin der XVII** eeuw tot kruitmagazijn 
gebruikt en in 1680 aan de Fransche Protestanten afgestaan ('*); 
deze, talrijker geworden na de revocatie van het edict van Nantes, 
bouwden er in 1686 eene nieuwe kerk en stelden drie predikanten 
aan in plaats van een (•'5). In 1732 werd ze afgebroken en op- 
nieuw in den thans bestaanden veelhoekigen vorm opgebouwd (^). 

(1) Miujs^ottw 1888, p. 83. 

(2) Alex. ScHAEPKENS, Archives de réglise N.-D,, p. 82. 
(») Maas^ouw 1886, p. 68. 

(*) Maas^omv 1888, p. 3 en Annuaire etc. 1829, p. 141. 
(') Ibid. 1888, p. 6. 
(*) Ibid. 1895, p. 32. 



— 300 — 
Huizen in de Tafeistraat en hunne bewoners. 

In 1309 (N° 73 D) is er sprake van het woonhuis van Elysa- 
beth DE HoKLEM in cymiterio sancti liylarii, 

In 1315 (N" 127 D) van het huis bewoond door Conegundis, 
begijn, iuxta sanctum Hilariiim. Uit die brief blijkt dat dat huis 
toebehoorde aan den in deze straat hieronder herhaaldelijk ge- 
noemden Johannes Knapen; naderhand kwam het in bezit van 
Petrus RoESSELLER, leerlooijer. 

In 1355 (^N° 534 D) wordt vermeld het huis van Luca de 
Voren, begijn, dienstmaagd van wijlen Gerardus Bonefant, 
priester, gelegen nabij den muur der stad achter het St. Hylarius- 
kerkhof, tusschen het huis van Beyde en dat van Elisabeth de 
"Espde. 

In 1^60 (No 646 D) wordt vermeld, dat het in 1355 (N'» 534D) 
bedoelde huis van Luca de Voren, thans in erfrecht is opgedragen 
aan Heylwigis Voets, begijn, en dat dat huis gelegen is naast het 
hare en dat van Aleydis, de dochter van wijlen Henricus Caput 
van Wyck. 

In 1378 (No 829 D;^ komt voor het huis van Johannes Knaepe, 
verver, en van Gertrudis, dochter van wijlen Johannes de Echt, 
gelegen /;/ vico iuxta hospitale sancte Agathe Virginis et Mar ty ris 
duceiite versus por tam et vicuin cerdouum (Lu re poort- en straat) et 
prope Jecoram ibidem^ gelegen tusschen het huis van wijlen Johannes 
Knaepe en het erf van wijlen Godefridus de Reymerstock, ge- 
woonlijk geheeten dat guet van Reymerstock Q) (zie op 1315). 

In 1403 (N* 1053) wordt vermeld een huis voor de Looiers- 
poort, tegenover het gasthuis van St. Agatha, (derhalve in de 
Tafeistraat^ en tusschen de huizen van Peter van Aken, verken- 
dryver^ en van Gyelis SciiOüFF. 

In 1411 (N° 1131 D) komt voor het huis van Willem Hekelers 
naast het sinte Taechten gasthuys en naast het huis van Johan 
Knapen den oude (zie op 1378). 

In 1415 (N° 1172D) wordt vermeld een huis achter de St. Hyla 
riuskapel, tusschen dat van Engel brecht Boutmeker en dat van 
Wouter, der Strodecker, 



(>) Zie omtrent deze familie Maasi^ouw 1890, p. 102. 














3 

«o 

B 

o 
H 

Q 



— 301 — 

In 1421 (N° 167 F) een huis gelegen in die straat bij St. Aechtcn- 
gasthuis. 

In 1424 (N° 1255 D) het huis van Johan Duymen, gelegen nabij 
het gasthuis van St. Agatha, naast dat van Johan Beckkrs en 
dat van Johan van Esde, brouwer. Nabij het laatste wordt ver- 
meld het huis aan de Jeker gelegen, naast dat van Johan Knapen 
(zie op 1411). 

In 1429 (N** 1296 D) het huis van Johan Smeets bij St. Hilaris- 
kerkhof gelegen, tusschen het erf van Daniël Schats, priester, en 
dat van Lambrecht Cloes. 

In denzelfden brief w^ordt vermeld het Caiten guet^ gelegen op 
sinte Hilarys gracht^ naast het erf van Lambrecht Cloes voornoemd 
en dat van Goedart van Eyke. 

Aan de andere zijde van het huis van Daniël Schats was het 
erf gelegen van Goert Procureres. 

De 7^« der 13 wijken of kerspelen, waarin de stad in 1442 ver- 
deeld was, heette Sint Hylariiis Kerspel; de bewoners daarvan 
hadden te waken over den walmuur van af rt^i7/5/VrXV///j'^ (nabij het 
oude slachthuis) aen die Maeze totten Reek (twee torens aan den 
Hexentrap) in die Raemen (waarop men de lakens enz. uitspande) 
boven die Jeker, Opperhoofdman van dat Kerspel was toen, Vrient 
van Moepertingen; hoofdlieden waren Peter Fillartz, Ruyt 
VAN Steyn en Lambrecht van Kanne (i). 



84. De Tongersche straat en — poort. 

De straat vormde zich, toen in 1295 de stad door het bouwen 
van een nieuwen ringmuur uitgelegd en daarin in 129<S de stads- 
poort opgericht werd (2). 

Math. Herben (3) noemt ze porta fossae glebacae, leemkuilen- 
poort en in tegenstelling met de tot den stadsmuur van 1229 
behoord hebbende Lenculenpoort, werd er in de Middeleeuwen 
immer het praedicaat hoeghe of niemve voorgezet. 

Zooals in een gedenksteen uitgehouwen was, werd de poort in 

(') Publicaiions etc. XIX, p. 388. 

(2) Annales I, p. 92. 

P) PubUcations etc. I, p. 255. 



— 302 — 

1459 verbouwd ('). In noten, door de Lenarts nagelaten, staat op- 
geteekend, dat volgens Raadsresolutie van 19 September 1485 de 
verplaatshigh der Leemcuylenpoort uit de verhooging der accijnzen 
betaald werd ( •). Zij verdween helaas spoorloos onder den moker 
in 1868. 

Zij ware met hare twee zware, indrukwekkende torens, die haar 
buitenzijds flankeerden, met haar hoog en lang gewelf zeer goed 
kunnen gespaard blijven, zonder dat het verkeer er door gestoord 
ware geworden. 

Uit eene teekening in mijn bezit, blijkt, dat ze in 1578 bestond 
uit een middengebouw, waarop, boven de rondbogige ingangs- 
poort, zich een hooge toren verhief, benevens uit vier zijtorens, 
twee ook naar de stadszijde. De kaart van de Bellomonte geeft 
deze echter niet te zien. 

In 1442 was het kerspel van St. Jan belast met de bewaking 
der stadsmuren van af de Laiculcn port tot den tornc by den Langen 
torsie nae die Jeker; deze toren vormde den uitersten zuidweste- 
lij ken hoek der stad en wordt op den historischen plattegrond van 
Maestricht door den heer W. Sprenger vervaardigd, de Hoogetoren 
genoemd; aan de andere zijde der Lenculenpoort was de grens 
van de zvaeïplaetze van bovengenoemd kerspel : den ivaeckhuys ge- 
noempt Merketgien, Wijlen de heer H. P. H. Eversen teekent 
hierbij aan (^) dat het Merketgien de toren was ter rechter zijde 
naast de Tongersche poort gelegen en dat in 1491 door den 
Raad bepaald werd, dat de boeten, komende van het overspel, 
besteed zouden worden tot voltooiing van dien toren, die dan ook 
wel eens later den hoeren toeren genoemd wordt. Op evenge- 
noemde kaart komt hij voor onder den naam van Merkat met 
de vermelding, dat hij in 14G5 met stroo gedekt was; de vol- 
tooiing waarvan in 1491 sprake is, wordt door die bijzonderheid 
verklaard. 

In 1469 (N** 1518 D) is er sprake van twee huizen inde oever- 
lenculrestrate^ het eene behoorende aan Janne CuvsKN, cuypenben- 
der^ gelegen tusschen de huizen van Jan vanden Wyer en dat 



{') Annuaire etc. 18t25, p. IHO. 

(2) Maasgouw 1888, p. 46. 

(») Publicaiions etc. XIX, p. 388. 



— 303 — 

van Peter van Canne en het tweede van dezen laatste gelegen 
naast dat van Janne Cuvsen voornoemd. 

In 1747 bestonden er buiten de Tongersche poort oliemolens, 
die evenals de daar liggende huizen, in vooruitzicht van het 
beleg, afgebroken en verbrand werden (i). 

'Destijds was Generaal Baron d'Aylva militaire Gouverneur der 
stad en woonde in die kwaliteit in het z g. Commandanten- " 
huis, in het begin der XVIII* eeuw tot dat doel op stads kosten 
gebouwd. Daartoe werden drie naastelkander liggende huizen aan- 
gekocht, waarvan twee van zekere Bemons. In 1772 werd de gevel 
hersteld en verfraaid door het aanbrengen van z.g. engelsche 
vensters. Een groote tuin, die terrasvorming opliep, strekte zich 
achter het gebouw uit; de stallen en koetshuizen waren aan den 
overkant der straat gelegen. Tijdens de Fransche Republiek diende 
het gebouw tot crimineele rechtbank voor het Departement der 
Beneden Maas, vervolgens tot Gerechtshof tot in 1829; dit werd 
toen naar de oude Minderbroederskerk, tot die bestemming ver- 
bouwd, overgebracht (2). Het oude Commandanienhuis kwam in 
bezit der familie Kerens de Wolfrath en toen deze in 1905 
uitgestorven was in dat van den Heer Merkelbach notaris. 

De Tongersche straat draagt haren tegenwoordigen naam eerst 
sinds het einde der XVII« eeuw; in schepenbrieven vond ik ze 
slechts eens onder haren ouden naam, in 1469 (zie hierboven) 
vermeld. 



85. De Ververhoek. 

Deze is een der menigvuldige straten die haren naam ontleen- 
den aan aldaar bij voorkeur wonende ambachtslieden van eene 
bepaalde corporatie. Zooals uit de volgende aanhalingen blijkt, 
waren de hier metterwoon gevestigde lakenververs nog al tal- 
rijk; daaronder bevond zich een De Gladio, wiens huis herhaal- 
delijk genoemd wordt om de straat nader te omschrijven, die 
oorspronkelijk eenvoudig /;/ den hoek heette. 

In het begin der XVI* eeuw, toen ten gevolge van de groote 



(O PubUcations etc, XXIV, p. 197. 

(«) Jaarboekje 1851, p. 265. — Maasgouw 1879, 130. 



— 304 — 

verspreiding der boeken door de drukkunst, de lust tot de studie 
alom werd aangewakkerd, ontstonden naast de officieele ook wel 
bijzondere scholen. Zoo verwierf de stad in 1517 de pauselijke 
vergunning om eene latijnsche stadsschool te mogen oprichten, 
ofschoon er reeds twee latijnsche kapittelscholen bestonden. Zij 
was gelegen in den Ververhoek en had in 1522 tot rector een 
wereldsch priester, Christiaan Stercken, die eene jaarwedde van 
honderd gulden genoot. Een zijner opvolgers, die in 15G3 een 
tooneelstuk door zijne „discipelen ende jongens" had doen op- 
voeren, kreeg daarvoor van de stad tot „liefenis" een halven 
daalder. 

De school kwijnde evenwel en werd opgeheven Q-). Bij de ves- 
tiging der Jesuïeten in de Breedestraat in 1570 werd door dezen 
onmiddellijk een college gesticht dat weldra tot grooten bloei 

kwam. 

Huizen in den Ververhoek en hunne bewoners. 

In 1326 (N** 198 D) wordt vermeld het woonhuis van Godefridus 
RülT supra jccoram tinctoriim. In denzelfden schepenbrief is er 
sprake van Wilhelmus, zoon van wijlen Reynerus Dolway (vergelijk 
op 1357). Dat huis kwam naderhand aan Johannes de Lovanio 
en daarna aan Henricus de Ryemst, verver. 

In 1344 (N" 402 D) wordt vermeld het huis in parvo vico ducente 
a platen Lenctilensi versus bona Mathie DE Gladio tinctoris^ belen- 
dend aan een huis van Henricus van Tweebergen en dat van 

QUODEVLTEGHE. 

In 1350 (N** 121 W) worden vermeld de goederen van Truda en 
Margareta de Duydenroede die zij bewonen in de straat leidende 
van de Lenculenstraat naar het huis van Mathias de Gladio, 
verver, naast dat van Vexckenbosch en dat van Elisabeth ge- 
heeten Plenckerse. 

In 1352 (N« 179D) het huis in ordone platee Lenculefisis ubi 
iiur versus domum qiwndam Mathie DE Gladio tinctoris^ gelegen 
tusschen dat van Johannes de Here, verver, en dat van Henricus 
Venkenboscii C'^ie op 1350). 

In 1357 (N'' 161 W) is er sprake van een huis met aanhoorig- 
heden gelegen, /'// angido dicto in den hueck naast het erf van 

(1) Jos. Habets, Gesch. Bt'sd. Roer/nottd III, p. 533. 



— 305 — 

Petrus genaamd Scoenpiter, dat vroeger had toebehoord aan den 
blinden priester Arnold genaamd Dolway. 

In 1357 (N® 583 D) van het in 1526 genoemde huis van wijlen 
Henricus Roet, verver, gelegen supra jecoram in ruclla ducente 
a pil} the a Leiicnlensi versus jecoram in augulo dicto hnec, 

In 1381 (N*' 870 D) doet Godefridus de Vleytingis, burgemeester 
van Tricht, en zijne echtgenoote Yda, de dochter van wijlen 
Aleydis de Ryempst, ten behoeve van Henricus de Ryempst, 
tiiictor^ en zijne echtgenoote Elisabet, afstand eener jaarlijksche 
rente uit de ververij in erfpacht bij Mathias de Gladio en ge- 
legen aan de Jeker tegenover den stadsmuur, tusschen het huis 
van Goswinus TiiEUS, voller, en dat van Laurentius genaamd 
Lens Baldewini, verver. 

In 1385 (N** 897 D) wordt vermeld het huis /// den Kastele^x-an 
Nycholaus de Lyebeke, gelegen in angnlo sive in loco dicto in 
den henck, 

In 1397 TN^ 984 D^ is er sprake van het huis van wijlen Herman 
VAN DiLSEN, te Lenculen in den hoeck. gelegen naast de huizen van 
Gerart van Cortterssoe, schoenmaker, en van Aleyden Bacmans. 

In 1399 (N° 1015 D) wordt het in 1397 genoemde huis andermaal 
vermeld. 

In 1399 (N° 301 W) worden vermeld de goederen van Waiter 
Zeweken, priester, gelegen inden kuecke op de Jeker. 

In 1407 (N^* 1089 D) woonde Joliannes de Giielke nabij de 
orreinn van St. Servaaskapittel. D*" Doppler teekent daarbij aan dat 
dit orreum wellicht de tiendschuur van het kapittel was; deze 
lag in den Ververhoek ; thans zijn er nog sporen van aanwezig, 

In 1419 (No 871D) wordt genoemd de volgens N» 870 D in 1381 
hier in den Ververhoek wonende Hcynrich van Riemst der 
alde; hij en zijn zoon Lambrecht van Riemst bezaten een erf- 
cijns uit het huis en varwerie van Gloes CuKEKS. gelegen indeft 
hiicck te Lyncnlen op die Jecore tusschen het huis van Lees Bauwens 
en dat van Johan Spronx. 

In 1419 CN^ 1213 D) is er sprake van het reeds in de vooraf- 
gaande aanhaling vermelde huis van Lees Bauwens in den Hoeck 
opter Jekeren; het was begrensd door den stadswalmuur en de Jeker. 

In 1428 (N° 1284 D) van het huis opden orde vander verwer- 
htieck, gelegen naast dat van Jacob in die Ramen. 



— 306 — 

In 1449 (N^ 1395 D) is er sprake van het huis van Johan van 
LiEBEECK, der v.rriver, in den varzverhueck^ gelegen naast dat van 
Johan VAX Basilisboer en dat van Gerard vanden Roesen. 

In 1462 (N*' 1482 D) van de ververij en het goed van wijlen 
Cloes KucKERS, thans van Gerit Schaertz in den Ververhoek 
naast den Jeker en eyn straetgen geheyten dat grechtken; ook het 
erf van Heynrix van Cadier, getvantmeker^ in de Lenkulenstraat 
op den hoek van den Ververhoek ^ naast dat van Johan van 
Gruytrokde. 

In 1538 ontving de Magistraat van Tricht een schrijven van 
dien van Antwerpen, waarin hij gewaarschuwd werd tegen ana- 
baptische drijvers, waaronder zich bevonden Yven de schoenmaker 
getrouwd met iMayken de dochter van Yken de vroedvrouw, 
wonende in de Verwcrhoik. 



86. De Visschermaas. 

(Forum piscium salsatorum). 

Zooals veelal in de middeleeuwsche steden het geval was, woon- 
den de lieden die hetzelfde ambacht uitoefenden bij voorkeur in 
een zelfde straat of stadswijk; zoo treft men aan de benamingen 
„onder de gardenieren", „onder de smeden", „onder de cörvers"; 
dit was ook het geval op de Visschermaas, beter gezegd de Visch- 
markt^ want het was een bepaalde markt, forum^ waar zoowel 
Maas- als gezouten visch verkocht werd. 

Zooals blijkt uit navolgende aanhalingen waren in de X1V« 
eeuw schier alle bewoners dier plaats, visschers; zij hadden hunne 
schepen op de Maas, waardoor zij in staat waren gesteld de be- 
woners der stad steeds van versche visch te voorzien; de zich des- 
tijds daar bevinde Baipoort stelde hen in gemakkelijke verbinding 
met de rivier. Ook werden op die markt peulvruchten verkocht, 
die meestal met visch op de vastendagen gebruikt werden (^). 

De visschers vormden met de mandenmakers (cörvers) ééne 
corporatie; de eersten alléén mochten visch van alle soorten ter 
markt brengen. Hun patroon was St. Pieter en hunne luibe was 



(') A. Perreau, Corporation des Métiers^ p. 61. 



— 307 — 

daar ter plaatse gelegen; bij den afbraak van de overblijfselen van 
dat gilde-huis in 1850, vond men er steenen, waarin vissclien 
waren uitgehouwen; het heeft een korten lijd tot vrijnielselaars- 
loge gediend (1) zoomede tot lombard. 

In een Raadsverdrag van 1380 vindt men uitvoerige bepalingen, 
omtrent de keuring van haring niet alleen, doch ook van bokkin- 
gen (onderscheiden in tonitchcriuge en corfheriuge of bnckeiic)^ een 
bewijs dat men alhier bokking maakte 17 jaren vóór de uitvin- 
ding van Willem Beukels ( -) Al de visch die in de stad kwam 
moest op de visch markt gevoerd en daar geveild worden. 

Vóór en na het beleg van 1579 worden vele opslegers van den 
heetinck en keurmeesters v>tn den visch^ met name genoemd (3j. 

De vermeldingen loens piscinm en vesschestat, schijnen erop te 
wijzen dat de huizen der visschers speciaal tot het venten van 
visch waren ingericht en dat zij hunne waar ook op straat uitstalden. 
De stad bezat een vischvijver, dat gesken genoemd; zóó wordt 
daarvan gewag gemaakt bij gelegenheid dat de bisschop van Luik, 
Cornelis de Berghes, hier zijne intrede deed in 1538; hem werden 
alstoen vier groote snoeken en twee schoone karpers aangeboden, uit 
dien vijver gehaald (^). Waar hij gelegen was wordt niet vermeld. 
In 1662 nam de Magistraat in aanmerking, dat de visschers — aan 
het gure weder bloot gesteld als zij steeds waren — hunne nering 
onder zeer ongunstige omstandigheden uitoefenden; hij besloot 
derhalve de Vissehermaas te overdekken ; een dak door palen ge- 
stut zou voortaan de visschers en hunne waar tegen guur weer 
en tegen zonnehitte beschermen ; ook werd in Aken eene zuig- 
pomp aangeschaft, die Maaswater zou aanvoeren; destijdswas dat 
eene kostbare nieuwheid. Ook werd de markt vergroot door het 
verleggen naar den Maasoever van den walmuur; zoodoende kon 
de tiende boog der Maasbrug, die toch bij gewonen waterstand 
geen water meer doorliet, opgehoogd worden en dienen om meer 
omvang te geven aan de Vissehermaas (ö). 



.1) Miiasyjttiv IS^n, p. Iso. — Zie ook over de vrijmet-claarsloges te Maastricht, 
Maas^cuiv 1879, p 90. 
(») Ibid. 1888, p. 803. 

(^j Haakman en Allard, De z.g, l'erwotsü'n^ van Maastricht in l-'JlOfp. 181, 
{*) Piibiicaiions etc. XXVI, p. 477. 
(6) Jaarboek 1851, p. 269. 



— 308 — 

Het hieronder vermelde Vogels straatje zal de Visschermaas van 
de Houtmaas gescheiden hebben. 

Volgens het Verdragboek van den Magistraat van 1440, moesten 
de visschers op AUerheiligenavond aan Schout, Schepenen en 
Secretaris een schotel visch geven; zulk een schotel bestond uit 
een paar karpen, twee groote alen, twee groote snoeken, twee 
groote barben en een aantal kleinere visschen (i). 

De Augustijnen vestigden zich liier reeds vóór 1254; kort daar- 
na, ongeveer in 1291, bouwden zij hun kerk en klooster nabij de 
Maasbrug op de Bokstraat. 

De bewering, dat hier ter plaatse eene kapel, aan St. Everard 
toegewijd, zou gestaan hebben, is bij de behandeling der Brug- 
straat gelogenstraft. In geen enkelen schepenbrief wordt de ligging 
van een huis met betrekking tot deze kapel aangeduid, hetgeen 
altijd geschiedde met andere huizen in de nabijheid van kerken 
of kapellen. 

Toch dient vermeld dat bij de verdeeling der stad in kerspelen 
in 1442, dat van Synte Euerardt uitdrukkelijk als het eerste ge- 
noemd wordt; en dat van St. Everaedt bij die verdeeling in de 
XVIIe eeuw (2). 

Huizen op de Visschermaas en hunne bewoners. 

In 1309 (N° 73 D) wordt door den Abt van Godsdal aan het 
Kapittel van St. Servaas, onder meer anderen, een cijns overge- 
dragen uit het huis van Johannes de Yvonis supra forum pisciuw, 

In 1312 (N® 98 D) wordt aan Wilhelmus, den zoon van Henricus 
CoLNERE, visscher^ in erfpacht opgedragen een huis nabij de Maas 
(prope Mosam) naast dat van Katharina de Yvos 

In 1327 (N* 215 D) wordt vermeld het steenenhuis op de V/s- 
schermaas^ waarin Sterken woont. 

In 1329 (N° 101 D) doen Johannes FoRis c. s. afstand van hunne 
rechten op het huis van wijlen Willem Coelnere, supra forum 
pisciitm (hierboven op 1312 genoemd). 

In 1337 (N° 100 D) draagt de zooeven genoemde Wilhelmus 
CoLNERE eene jaarlijksche rente over uit zijn halve huis supra 
Mosam, naast dat van Godefridus Morsele. 



(1) Maasgouw 1879, p. 60. 

(2) Publicatwns etc. XIX, p. 385, 445. 



— ?AY,) — 

In 1340 (N° 104 D) wordt het herh:\aldelijke genoemde huis van 
Wilhelmus Coelner in erfrecht opgedragen aan Christianus ante 
AuGUSTiNENSES, bakker. 

In 1355 (N® 514 D) wordt aan Peregrinus genaamd Pilgherem, 
visscher, in erfpacht gegeven een huis /;/ /oro piscium silsatornm^ 
gelegen tusschen dat van Megtildis, genaamd Thoyart, en dat 
van Nicolaus, genaamd Roemer, sartor (kleermaker). 

In 1357 (N* 589 D) is er sprake van twee halve huizen, be- 
woond door Symon de Haren en gelegen tusschen dat van 
Johannes genaamd Oem, visscher, en de straat geheeten Vogelsrmve, 

In 1377 (N° 823 D) doen Johannes Haen en zijne echtgenoote 
Aleydis, in foro piscium^ afstand eener erfjaarrcnte uit het huis 
supra forum piscium^ tusschen dat van Johannes Pennen, visscher, en 
dat van Johannes FoRis, ook visscher; (beide hierboven genoemd j. 

In 1378 (N° 830 D) erkent Mathias FoRVS, visscher (i), te moeten 
betalen aan zijn broeder Johannes, ecne erfrente uit de locus 
piscium van wijlen hunnen vader Johannes, supra mosam piscium^ 
tusschen die van Jacobus Ausi-.MS en van Johannes Pennen, 
visschers, (zie op 1377). 

In 1379 (N° 846 D) wordt een huis vermeld in ordone parvi 
vici ducentis versus forum piscium (op den hoek van het straatje naar 
de Visschermaas^^ gelegen tusschen dat van Johannes Nayman, 
tector petrartim (metselaar). 

In 1382 (N° 831 D) verklaart Johannes Forys, visscher, afstand 
te doen ten behoeve van Johannes Colini van eene erfrente uit 
de locus piscium. (Zie hierboven op 1377). 

In 1385 (N^ 896 D) wordt in erfrecht opgedragen aan Johannes 
de Haren, visscher, een huis gelegen /;/ parvo vico dicto Voeg/iels- 
ruewe, tusschen het erf van deken en Kapittel van St. Servaas en 
het huis van Ghyselbertus de Crucenbergh, roededrager dier kerk. 

In 139l-(N° 832 D) doet de in 1382 genoemde Johan Colyns 
(Colini) der visscher^ \tx\ behoeve van zijn zoon Colyn, r/^/r/&, afstand 
van zijne rechten op eene jaarlijksche renlc uit de vcsschestat van 
wijlen Mathys Forys, visscher, (herhaaldelijk genoemd) gelegen 



[}) Deze Thys Forys trof ik in 18SI aan als keurmeester van de visschers, en een 
Jo. Forys als „opsleger van den hering"; beide werden in die kwaliteit tot lid van 
den Raad gekozen. Zie Maasgouw 1883, p. 874. 



— 310 ~ 

op die vessche niase, tusschen die vesschestat van Heynric Hodryes 
en die van Amelys Marcelen. 

In 1397 (N^ 981 D) wordt in erfrecht opgedragen aan Jacob 
AussEMS, visscher, een huis met toebehooren, gelegen op den hoek 
der straat, geheeten Voeghelsnixve en tegenover het huis jr//ö^//jr/<r//, 
naast die straat en het huis van Johan van Basilisbuer (zie op 
1390 de Bokstraat) en achter grenzende aan het huis van Beate- 
ren Maroelen, weduwe van Johan van Haeren, visscher. (Zie 
in 1357, 1378 en 1391). 

In 1397 (N° 982 D) wordt melding gemaakt van eene rente van 
1 kapoen 'sjaars, uit eene cleenre caineren^ gelegen achter het huis, 
beschreven in 1385, als liggende in Voeghelsruweken. Die cleenre 
camcren lag naast dat huis en dat van Beateren Maroelen, weduwe 
van Johan van Haeren en haren zoon Symon van Haeren. 
(Zie op 1397 N^ 981 D). 

In 1399 '(N° 1021 D) wordt een huis vermeld, gelegen voor de 
Maasbrug op den oerde (hoek) van den visscheniarckt^ tegenover 
het klooster der Augustijnen (op de Bokstraat) tusschen het huis 
van Hallaer en dat van Lysen Zupen. 

In 1416 (N** 1177D) is er sprake van een cijns uit schoenyden 
guede op de Visschermaas (zie N° 981 D van 1397) naast het 
huis van Yda FORIS en het straatje gaande ten stocke of ter 
broetbruggen wert (Stokstraat); het huis van deze Yda FüRis 
wordt ook vermeld in N^ 1178D. 



87. Het Vogelstraatje. 

Zie bij de Visschermaas. 



88. Het Vrijthof. 

TAtrium). 

Ofschoon geen gemakkelijke, is het toch eene aantrekkelijke 
taak ons Vrijthof, waarop ieder welgeaard Trichtenaar terecht 
fier mag wezen, na te gaan in de geschiedenis, de ontwikkeling 
van zijn vorm en zijne eigenaardigheden te beschrijven, zijne be- 
woners te herdenken en de voorname gebeurtenissen aan te stip- 
pen die in den loop der ecuwen daar plaats vonden. 



— 311 — 

Het Vrijthof -^^i^ steeds in de Middeleeuwen, even als nog thans, 
het hart der stad; daar ligt toch haar edelste sieraad, de in die 
tijden vooral, alom beroemde St. Servaas-basiliek, waar Keizers, 
Koningen, Hertogen en Hooge Prelaten heentogen hetzij om de 
privilegiën en vrijheden der stad, waarop hare poorters zoo fier 
en zoo naijverig waren, te bezweren, om daarna door hunne 
trouwe Macstrichtenaars gehuldigd te worden, hetzij om hunne 
godsvrucht te toonen en vooral om .St. Servaas te vereeren en op 
zijn graf te gaan bidden. 

Wat al pracht en luister op het Vrijthof ten toon gespreid 
werd bij geestelijke ceremoniën, processies en inhuldiging der 
Proosten, bij burgerlijke en militaire feestelijkheden is hier niette 
beschrijven. Veelmeer nog dan thans was het Vrijthof voorheen 
het middelpunt van het volksleven. Naar gelang van tijd en om- 
standigheden, was het in de XIIl^ eeuw de plaats waar tournooien 
en Godsgerechten (i), in de XIV% XV« en XVI^ eeuw waar de 
doodstraf en andere terechtstellingen toegepast en sinds dien, 
waar hoofdzakelijk militaire parades gehouden werden. 

Het Vrijthof als plein en als kerkhof. 

. Als plein wordt het Vrijthof reeds in 1223 genoemd. Keizer 
Frederïk II schonk toen aan het kapittel van St. Servaas „eene 
met muren omringde plaats, gelegen bij de kerk". Of daarmede 
het plein vóór het koor der kerk gelegen, dan wel een ander, 
toenmaals gelegen op het emplacement van den huizengrocp bij 
de Grooie Sociëteit en van het Statenhuis bedoeld wordt, is een 
twistpunt tusschen van Heylerhoff (2) en de Lenarts (3) waarin 
ter sprake komt 's Keizers eventueele bevoegdheid tot het schen- 
ken van grond, waar hij geen recht op had; het gold eigenlijk 
de vraag of het Vrijthof primitief aan de Gemeente dan wel aan 
het kapittel heeft toebehoord. 

Zeker is het, dat het Vrijthof reeds in de XIII* eeuw als een 
met een muur omringd plein, waarschijnlijk als vestingwcrk en 
als oud annex van het koninklijk paleis, bestond en ter beschik- 



(») Jos. EvERSEN, Het Kaïnprechite M.iastruht in: /WV/tïz//^//j etc. XXXIV, p. 20C'. 

(2) Annnaire etc. 1828, p. 153 en ibid. 1829 p. UI. 

(3) Piiblicatiom etc. lï, p. Cf), 36, 48. 



— 312 — 

king van het volk was; »als een deel der gemeente uytmaekende" 
zooals de Lenarts zich uitdrukt, en ook als wandelplaats diende, 
want in 1280 bij de herbouwing der Maasbrug is er sprake van 
„de groote passagie regtstreeks van de Tweeberger-poort naar 
„de brugge. ...... zonder de wandelingen op de groote plaats te ver- 

„hinderen^\ Een weg leyde over de groote plaats van aan het St. Jacobs- 
gasthnys naar de Tweeberger-poort .... en verder „dit vierhoek .... 

„diende tot publieke wandelingen en was een lusttuyn of vrye hof 
„waarom het heden nogh den naam van Vrythof schynt te 

„draghen" (1). 

De oorsprong van dien naam dient dus niet te worden gezocht 

in het voorgewende feit, dat aldaar, zooals wel elders het geval 
was, in de nabijheid der kerk, eene vrije toevluchtsplaats was 
voor veroordeelden f nooit is er in de geschiedenis sprake van, dat 
het Vrijthof daartoe heeft dienst gedaan Q), 

In de Middeleeuwen was het plein, dat geheel ommuurd was, 
alleen toegankelijk door vier met ijveren hekken gesloten ingan- 
gen: een aan de tegenwoordige Groote Sociëteit, de toenmaals in 
de historie vaak genoemde herberg ten gulden linge^ een aan de 
Groote Staat, een aan de Breedestraat en eene aan de St. Janskerk. 
Tijdens de Heiligdomsvaarten — van de eerste wordt melding 
gemaakt in de Magisiraats-ordonnantie van 22 Juni 1440 — werd 
die muur afgebroken, ten einde de toeschouwers en ook de kramen 
en tenten, die op het Vrijthof stonden, meer ruimte te geven. Na 
afloop der feestelijkheden werd hij weer opgebouwd (3). 
-De ringmuur om het Vrijthof verdween eerst op het laatst der 
XVI I« eeuw en werd toen vervangen door een hek, dat in 1773 
een vaste vorm verkreeg door het aanbrengen van steenen pilaren, 
door ijzeren staven verbonden; toen werden er ook rustbanken 
aangebracht, zeer pompeus kanapces genoemd. 

In 1586 vinden wij vermeld dat door de leerlingen van het 
College der Jesuïeten, dat hier sinds 1570 in de Breedestraat 
gevestigd was, eene openbare uitvoering van een tooneelspel werd 



(ï) Herbenus geciteerd door de Lkxarts in: PublLwftons etc. II, p. 31, 32, 35, 36. 
(2) Zie ook Jos. RusstL, Geschied- en Ouii/teidkundi^e schets van Maas /richt I, 
p. 271. 

(8) Publications etc. VII, p. 399, 405. 



— 313 — 

gegeven op het Vrijthof, Het stelde voor de geschiedenis van 
David en Nabal. 

Vóór den oostelijken ingang en het koor der St. Servaaskerk 
tot aan de tegenwoordige Groote Sociëteit, strekte zich het zooge- 
naamde ellendigcn kerkhof uit, in de latijnsche acten cimeteruim 
exulum, cimeterium paupcrum geheeten en reeds in 1360 vermeld; 
het diende tot begraafplaats van behoeftige vreemdelingen. Zooals 
ook elders bemerkt wordt, was het peil van het Vrijthof veel hooger 
dan dot der omringende straten (^) zoodat men om van daar in 
het kerkhof te komen een trap moest bestijgen, die gelegen was 
voor de kerkdeur, die Berchdoer^ genaamd (2) „arrivé aux degrcs 
y,du civictii^re devant Ie portail nord-est, Ie prévót descendait de 
cheval" (^) en „aux degrés du cimetière oh il descend*'* (*) (om in 
de kerk te komend. 

Om zich een Juist denkbeeld te vormen van den toenmaligen 
toestand aldaar ter plaatse, moet men zich de Hoofdwacht en de 
huizenrij tot aan de Groote Sociëteit wegdenken; daar was eene 
open plaats; de Ring en de Sleutel vormen op de kaart in vogel- 
zicht van S. de Bellomonte (de Beaumont) kapelaan van St. Ser- 
vaas, in den atlas van Braun en Hogenberg, in 1580 uitgegeven, 
een alleen staande huizengroep met de gevels naar de zuid-zijde 
gekeerd. 

Omstreeks 1603 ontbrandde weer het conflict tusschen het ka- 
pittel en den Magistraat, waarvan hierboven werd gewag gemaakt. 
Van stadswege zou het Vrijthof gereinigd worden; het kapittel 
kwam daartegen op, als zijnde eene inbreuk op zijne rechten en 
eischte den sleutel op van het hek aan den gulden ring ; bij trans- 
actie werd bepaald dat de sleutel zou blijven berusten bij den 
hospes dier herberg (^). 

Politie maatregelen op- en beplanting van het Vrijthof. 
In een Raadsresolutie van 1369 wordt gelast dat de vreemden 



(1) Afinuatre etc. 18'J9, p. 148, 149. 

(2) A finales 1, p. 104. 

(3) Annuaire etc. 18*J8, p. 147. 
(*) AnnnUs I, p. 105. 

(*j Annuaire etc. 1829, p. 117, 118. 



— 314 — 

op den Vrythof sullen sioeuy op eene plaats die hun zal aangewezen 
worden 14 dagen voor en niet langer dan 8 dagen na het feest 
van Sinte Margarethe. Geldt het hier eene markt of kermis? In 
den almanak komen twee heiligen van dien naam voor; eene op 
10 Juni, de andere op 20 Juli. De Heiligdomsvaarten waren toen 
nog niet in zwang. 

In 1370: „Ende so wat buven die dobbelen aen of op den 
„Vrijthof of op die mase den moghen die boden hon geit nemen 
„ende werpense en den puel". 

Het dobbelen op het Vrijthoi was derhalve verboden; de 
inzet mocht door de politiedienaars in den poel (aan het St. Ser- 
vaas gasthuis) geworpen worden. 

In 1375, des Maandags na beloken Paschen, wordt afgekondigd 
„dat nymant en sal mest maken op der stroten ende steynwege 
„tusschen die oeverste tweymbrugger porte (oude Brusselschepoort) 
„ende den pyrum" (perroen aan de Helmstraat) op den koer 
(amende) van v stuivers. De Raad, in zijne zorg om het Vrijthof 
rein te houden, verordent verder: „Ende vort so en sal nymant 
y^op den Vrythof syn behuef duen op den koer van vi d. centgelts, 
„ende eynich verken, dat dar op vonden woerde, der sal die 
„gheen die den Vrythoef huede (die het toezicht had op het 
„ Vrythof) hebben II pond swart (1 pond swarte was eene koperen 
„munt ter waarde van 12 stuivers Luiksch), ende die de Vrythof 
„hueden sal, die sal hebben des joers 1 marcs vander stat et 
^leprosi non introibunt oppidiinC {}). 

Daaruit laat zich dus opmaken, dat er toen reeds van stadswege 
een bewaker van het Vrijthof was aangesteld, die behalve zijne 
vaste bezoldiging ook de beneficiant was van de verbeurde boeten. 

De groote klok van St. Servaas luidde o. a. 's avonds ter klokke 
6 uur om de „vreemdelingen de vreihyd aan te kondigen welke 
„als dan konden binnen komen zonder paspoorten voor 14 daagen 
„zelfs die verbannen waaren waar voor tot teeken eenen peroen 
„stond op den hoek van den vreihof teegen over den Grooten 
„Staat van 10 a 12 trappen en van 10 a 12 voeten diameter. 
„Eene colonne van 15 voeten met eenen bol en den sleutel van 



(') A. Habets, Kciiisirc uu.x Rcsolutiovs du Conseil Commiinal de Maestruhi^ 1368— 
J379, p. 28, 45, 4Ü. 



~ 315 — 

„Sint Servaes met den dubbelen arend, alwaar de vreemde leepel- 
„gieters, panlappers, schaare sleipers en vreemde jooden zich 
„alsdan vervoegden om hunnen handel te bedryven doch op den 
„14 dag op het luiden van dezelve groote klok s'avonts ten 6 
„uuren moesten zy wederom de stad verlaaten" (^). 

In 1591 werden voor St. Janskerk lindeboomen geplant en in 
1594 werd er een hekken geplaatst, om te beletten dat paarden 
en andere dieren het kerhhof binnendrongen (?) 

In hetzelfde Jaar werd ook de muur hersteld die den poel voor 
het gasthuis omringde (^). 

In 1612 werd door den Magistraat bevolen, dat al de huizen 
langs het Vrijthof van steen moesten gebouwd worden en dat de 
bovenverdiepingen niet meer mochten vooruitspringen. 

Als bewijs dat de overheid veel zorg had voor de boomen op 
het Vrijthof diene: dat in 1614 aan Gilis Jacobs fonieynnieester^ 
die wij elders nog zullen aantreffen, opgedragen werd „goet op- 
„zicht te draegen aan de boomen staende op den Vrytkoef tegen 
„het clommen, breecken ende andere mishandelingen van 
„jongeren" (3). 

In 1715 werd een riool aangelegd onder het Vrijthof 'm dwarse 
richting van- af den Ring door de St. Jacobs- en Kapoenstraten; 
het monde uit in de Jeker en kostte 5000 gulden Luiksch. 

In het voorjaar van 1739 werden op het Vrijthof drie rijen 
lindeboomen geplant ter vervanging van die welke er toen diago- 
naalsgewijze stonden (sinds 1591). 

De tegenwoordige linden dagteekenen van 1821. 

Het Vrijthof tijdens de Wederdoopers ('1535). 

In het begin der Hervorming, toen de sekte der Wederdoopers 
hare guwelen ten toon spreidde, werden er ook hier ter stede, 
onder de lagere klasse, aanhangers daarvan aangetroffen die zich 
gereed maakten om gewapenderhand naar Munster te trekken ten 
einde Jan van Leiden, hunnen koning, te ondersteunen. De 

(1) Het is mij ontsnapt waar ik dit citaat heb gevonden; de beschreven toestand 
heeft blijkbaar betrekking op eene Heiligdomsvaart. 

(2) Annuaire 1829, p. 116. 

(3) Maasgouw 1888, p. 77. 



— 316 — 

strenge edicten van Keizer Karel V deden de sektarissen ijverig 
vervolgen en voorbeeldig straffen. Niet alleen hier ter stede, doch 
alom werd deze sekte door protestante zoowel als katholieke 
vorsten en ovcrheidspersonen met bloedige plakkaten vervolgd (i). 
Den l Februari 1535 werd op het Vrijthof een der veroordeel- 
den onthalsd, een andere verbrand; het waren beiden vreemde- 
lingen. Den 4*°, 6*" en 13^" Februari werden acht volgens terzelf- 
der plaatse „met den swerdte gejusticiert" twaalf Maestrichtschc 
burgers „ende sint gestorven als gueden cristen mynschen, hoen 
„dwaelingen bekennende ende beklagende" zegt het Raadsverdrag 
van Februari 1535 (2). 

Het Vrijthof in 1579. 

Na de overrompeling der Brusselsche poort door de Spanjaar- 
den, onder den Hertog van Parma, in 1579, trokken de Maes- 
trichtsche burgers terug naar het Vrijthof^ alwaar zij nog een 
heldhaftigen tegenstand boden. Melchior van Schwartzenberg, 
de gouverneur der stad, sneuvelde er met honderden harer ver- 
dedigers. 

Bij de hoUandsche geschiedschrijvers heet het, dat de geestelijken 
van St. Servaas, in kerkelijk gewaad, met het kruis voorop, de 
overwinnaars te gemoet trokken, in de hoop het bloedbad te doen 
ophouden, doch dat zij onverbiddelijk werden vermoord bij het koor 
der St. Janskerk, alwaar zij in de open lucht begraven werden. 

Eenige jaren geleden, zegt de hieronder vermelde schrijver, dat 
in 1860 hunne grafsteenen nog zichtbaar waren. 

Op AUerzielendag bleef het tot aan het einde der XVIII^eeuw 
de gewoonte, dat de geestelijkheid uit de kerk trok om de 
graven der gevallenen te zegenen. Toen men daar ter plaatse 
in 1859 de gasleiding aanlegde ontdekte men er verscheiden ge- 
raamten (3). 

Dit verhaal zij vermeld om tevens het protest te doen kennen 



(1) Hoe de Wederdoopers en Naaktloopers te Amsterdam in 1535 huishielden en 
gestraft werden, zie in schrift en beeld, o. a.: Beschrijvhig der Siadi AmSiCrdam 
door Gasparus CüMMtLiN. Amsterdam 1693, Deel II fol. p. 920-937. 

(2) Jos. Habets, De Wederdoopers ie Maestrichf, p. 128, 129. 
(^) Alex. SchaepkenS; Annalectes arch. p. 11. 



— 317 — 

dat daartegen met kracht wordt aangeteekend in de doorwrochte 
studie, door de heeren A. F. Haakman en A. T. Allard in 1877 
van het „Beleg en de z.g. Verwoesting van Maastricht in 1579" 
in 't licht gegeven. 

Volgens die schrijvers, die op zoo meesterlijke wijze het bewijs 
leverden, dat ten opzichte van het beleg van 1579 de hoUandschc 
geschiedschrijvers eene „conspiration contre la vérité" organiseer- 
den, is het aangehaalde feit een vertelsel „van den beginne af 
„uitgestrooid maar door nieis bevestigd". 

De lijst der kapelanen van St. Servaas die ten getale van 30 
waren, vermeld geen enkel overlijden onder hen op den 29 Juni, 
dag van den val der vesting. In het laatste gedeelte van 1579 
stierven er echter 13 aan de pest (i). 

Ook geen enkele kerk, geen enkel klooster werd door de 
Spanjaarden gedeerd, evenmin als de godshuizen, kanonikenwo- 
gen en andere geestelijke gestichten, terwijl in officieele stukken 
HONDERDEN namen van Maestrichtsche families fia het beleg gtnotmdi 
worden die ook vóór het beleg worden aangetroffen. 

Het is ontegenzeggelijk, dat Maestricht en zijne bewoners ver- 
schrikkelijk hadden te lijden en dat de arme misleide burgerij na 
de inneming in deerniswaardigen toestand verkeerde. Hare totale 
uitmoording en hare vervanging door „een zwerm marketentende 
„Luikerwalen" is echter een tendenz-verzinsel der hollandsche 
geschiedschrijvers, die elkander op dat punt napraatten en eene 
legende hebben doen geboren worden waartegen boven gemelde 
schrijvers onloochenbare, historische tegenbewijzen hebben aange- 
voerd. Elk onbevooroordeeld lezer zal, na inzage en bestudeering 
van het genoemde werk, het slotwoord der schrijvers beamen, waar 
deze tot de Maestrichtenaren zeggen: „gerust moogi ge staande 
„houden dat uwe woningen ten jare 1579 niet alle verwoest of 
„verbcrnd werden . . dat ge niet vernederd werd tot een nest van 
„enkel Spaansche soldaten . . . dat uwe goede burgers geen afstamvie- 
„lingen zijn van Luiksche marketeriters en vagebonden (-). 



(1) Het gehcele kruisheeren klooster was na de vreeselijke ziekte in 1580 uitge- 
storven, een enkele, Jan van Randknradk was in leven gebleven. H.P. A. van Hassklt, 
Geschiedenis van het klooster der Kruisheeren te Maastricht in Publications etc. 
XXXIX, p. 35. 

(^ Beleg en z.g. verwoesting van Maastricht in lö79, p. 88, 84, 105, 118. 



— 318 — 

Dit moest mij van het hart, omdat onlangs, de anders zoo 
-verdienstelijke M"" G. D. Franquinet, de gruwelijke legende van 
de totale uitmoording van Maestricht, tijdens zijn leven hielp 
ingang vinden, en een zijner pennevruchten, door die historische 
onwaarheid ontsierd, ongewijzigd, opgenomen werd als Notice 
historiquc sur la ville de Maestricht in den feestgids van den 
historischen optocht in Augustus 1905 (^)^ zoodoende werd aan 
de gekortwiekte leugen, wederom eene nieuwe vlucht verzekerd, 
waartegen de schaar der critiek onafgebroken moet dienst doen. 

De Schavotten en het Perroen. 

Aan den noordoostelijken hoek van het Vrijthof stond tegenover 
de Groote Staat het steenen schavot, na 1632 door de Hollanders 
afgebroken, waarop de door het schepengerecht van den Bisschop 
veroordeelde -misdadigers te recht werden gesteld; het was versierd 
met vier klimmende bronzen leeuwen C-^). Daar werd in 1408 
onthoofd en gevierendeeld, de burgemeester van Luik, Jacques 
Badut, die een werkzaam aandeel had gehad in den opstand der 
Luikenaren tegen hunnen Prins-Bisschop, Jan van Beyeren en 
hen had aangevoerd tijdens het beleg van Maestricht (3). 

Daar werd ook den 18 Juni 1485 de beruchte Willem van der 
Mark, graaf van Arenbergh, Ie Sanglier des ArdenueSy op last 
van Jan van Hornes onthalsd (*). 

Volgens H. Eversen {^^ werd „dat schavot in 1531 ook het 
„gerecht der drie leeuwen genoemd, wegens de beelden die het 
„voetstuk versierden. Aan den beul die daar ter plaatse tijdens 
„de Heiligdomsvaart er een kansspel op nahield, werd zulks door 
„den Magistraat verboden". 

De terechtstellingen van de brabantsche Schepenbank (Vroenhof) 
hadden plaats aan den noordwestelijken hoek van het Vrijthof 
(Siatenhuis). 



(^) Fransche ediiie p. 23. 

(2) Annuaire 1829, p. 114. Van Heylerhoff zegt er, dat het schavot nog tegen 
het einde der XV* eeuw bestond. — Zie ook Jaarboekje 1874, p. 172. 

(3) Zie mijn opstel over de belegeringen van 1407 en 1408, Publicatious etc. 
XXXVIII, p. 410. 

(*) Zie Amiales I, p. 164. — }*ubUcatious etc. IV, p. 394 en een artikel van Arnaud 
ScHAEPKENS met portret in de Annales de r Académie d' Archéologie de Bclgique, 
(») Publications etc. VII, p. 406. 



-- 319 — 

Naast dat schavot was een monument in hardsteen opgetrokken : 
op een ronde voet, door vier trappen gevormd, verhief zich het 
welbekende vrijheids-emblema van Luik, eene kolom of Perroen^ 
door vier liggende leeuwen gesteund, bekroond door een pijnappel 
en gedekt door een kruis. Dat perroen zou hier opgericht zijn 
omstreeks 1292 (i) en werd door de Franschen in 1795 verwijderd. 

De merkwaardige bronzen leeuwen van het schavot werden in 
de XV1I« eeuw gebruikt ter versiering eerst van de Lcvuiscroue^ 
daarna van den buitentrap van het Dinghnis en in 1668 opgezonden 
aan Peter Hemony, klokke- en geschutgieter te Amsterdam om 
te dienen als „clockespys" voor het nieuwe klokkespel van den 
stadhuistoren. 

Herbergen langs het Vrijthof. 

Zooals uit de straks volgende aanhalingen zal blijken, bestond 
van de XIV* tot de XVI« eeuw de geheele huizenrij aan de noord- 
zijde van het Vrijthof, met uitzondering van het Witte Vrouwen 
klooster, uit voorname herbergen f zij droegen de volgende namen : 
/;/ den Winkel^ ten gulden Coppe^ ten Vos, ter doeken later den 
Helmy in den Liebart (luipaard), ten gulden leeinve^ in de Croone. 
Voegt men daarbij de vermaarde herberg ten Ringe (de tegen- 
woordige Groote Sociëteit) de daarnaast gelegene te7i Sleutel(de clave)^ 
en de Struysvogel (in den Stroys)^ die sinds het einde der XVI<= 
eeuw onafgebroken heeft blijven bestaan, dan komt men tot de 
gevolgtrekking, dat onze voorouders evenmin als het hedendaagsch 
geslacht over schaarschte van drankgelegenheden langs het Vrijthof 
te klagen hadden. 

In een verhaal van eene bedevaart naar Jerusalem in 1525 van 
een barbier (chirurgijn) uit Delft, vergezeld van nog acht reis- 
genooten, wordt vermeld, dat het gezelschap „is ghelogiert ghe- 
,,weest /;/ den gulden rinck^ an die kercke daer Sinte Servaes rust, 
„welcke kercke all gedeckt is met lood"(^). Deze laatste bijzon- 



(») Ch. Ruijs DB Beerenbrouck, Hei Strafrecht in het Oude Maastricht^ p. 109 
en Arnaud Schaepkens, Ie Perron liégeoisy opuscule met teekening, volgens welke 
de kolom door pelicanen en het voetstuk der kolom door leeuwen gesteund is. 

(2) Maasgouw 1883, p. 829. 



— 320 — 

derheid is wel vermeldenswaard, want bij de afbraak der torens 
in 1767 kwamen er ongeveer 40000 pond lood af. 

Op het binnenplein van den Ring (anmiliis) stapte de Hertog 
VAN Alva, 28 Augustus 1568, bij zijne terugkomst van zijn krijgs- 
tocht in Zeeland, van het paard en trad binnen het Fr i;'///^/, waar 
zijn leger in sUigorde was geschaard, om daarna het Te Deum in 
de St. Servaaskerk bij te wonen (i). 

In de beschrijvingen van de limieten tusschen de stad en den 
Vroenhof, in de helft der XVI« eeuw, worden eenigen der hier- 
boven genoenide herbergen nog herhaaldelijk vermeld als vor- 
mende de grens van beide jurisdictiën; zoo b.v. „aen den Vryt- 
„hpf begint den VroenhofF aen den Helm, ende dex selver Hc/m 
„gants Vroenhofifs yoor ende achter ende den Winckel toebehoo- 
„rende den bisschop van Ludight, tot den alden moure van de 
„stad alle Vroenhoff" enz. (^). 

Nadere bijzonderheden omtrent vele der hierboven opgesomde 
herbergen vindt men bij de hieronder volgende aanhalingen. 

St. Servaas-Gasthuis. 

De vorm van het Vrijthof, zooals hij zich thans vertoont, zijnde 
een vrij regelmatig vierkant (hier zij terloops gezegd dat men mag 
aannemen dat het Vrijthof thans ongeveer 1 M. 50 lager ligt dan 
weleer), is eerst in 1821 bereikt door het afbreken van een ge- 
deelte van het vooruitspringende, in 1171 gebouwde — volgens van 
Hevlerhoff zou het reeds door Giselbertüs, hertog van Lotha- 
RINGEN (913 — 939) gesticht zijn — St. Servaas-hospitaal of gasthuis 
met zijne kapel (3). 

Het was op die plaats dat de Merovingische Koningen (480 — 
750) een versterkt paleis hadden (palatium regiuni trajectense), 
waar zij vaak resideerden. 

Childebert I hield hier in 552 een groote rechtsdag; Koning 
Dagobert (Ie bon roi Dagobert de la chanson) woonde er in 635; 



(1) Annaks I, p. 107; rublications etc. XXV, p. 181. 

(2) Pitblkalions etc. XIX, p. 414—450. 

(») Zie Noot bij N^ 801 D en noot bij 108D; ook Publications etc. XXVIII, p. 22, 
en Publications etc. XXXI, p. 112. 



s. 



— 321 — 

Koning Chilperic in 667 (}). Keizer Lothariüs overleed er in 855. 

Het paleis werd in 881 door de Noormannen verwoest, die 
toen te vergeefs poogden de St. Servaaskerk in brand te steken. 

In 1773 werd de oude kapel van het Gasthuis afgebroken en 
opnieuw opgebouwd. 

In 1801 was het Gasthuis tot tijdelijk militair hospitaal inge- 
richt. 

Bij het afbreken van het St. Servaas-Gasthuis in 1821 vond 
men de fundeeringen van het paleis 14 voet onder den grond; 
zij deden muren met torens veronderstellen en gingen onder de 
Platielstraat door. 

De Hoofdwacht. 

De tegenwoordige Hoofdwacht op het Vrijthof is niet de eerste 
die aldaar heeft bestaan. In de Raadsnotulen van 24 Maart 1642 
staat opgetcekend, dat alstoen besloten werd „een corps de garde 
„te maken om het Dinghuis ledigh te maken tot d'administratie 
„van de hooge justicie". Dat gebouw stond in de richting van de 
tegenwoordige Hoofdwacht tot aan de Platielstraat (-). 

Of het onvoldoende bleek, dan wel of men het Vrijthof wilde 
degageeren, is mij niet gebleken; het werd in 1737 afgebroken 
nadat reeds in 1734 plannen gemaakt waren tot het bouwen eener 
„nieuwe hoofd corps-de-guarde". Het kapittel van St. Servaas 
stond daartoe een stuk grond af. Op aandringen van den Gou- 
verneur der stad, den Prins van Hessen-Cassel, nam de Gemeen- 
teraad in zijne vergadering van 12 November 1736 daartoe het 
definitief besluit. Den 3 December van hetzelfde jaar werd de 
aanbesteding gehouden en het werk gegund aan den aannemer 
Hendrik Jacob Ghier, voor de som van 11800 gulden. De bouw 
was voleind den 3 Februari 1738. 



(■) Annuaire 1829, p. 105 en volg. Zie ook Noot bij N° 25 F. 

Omtrent den oorsprong en den omvang van het Frankisch paleis leze men in de 
Maasf^ouw van 1885, p. 11'U, de Kroniek der stad Maastricht, gepubliceerd door 
Jos. EvERSEN. Eene uitvoerige bes«lirijving van een dergelijk paleis, eigenlijk eene 
uitgestrekte, niet wallen en grachten omgeven boerenhoeve (villa), trof ik aan in 
Aug. Thierry, Récits des tcmps MérovingienSy Premier récit 561 — 568. 

('-) D' DOPPLER, Maasgouw 1898, p. 70. 



— 322 — 

Volgens Bachiene kwam er reeds in 1773 eenc verzakking in 
het gebouw, zoodat het „overnieuws weder moest opgebouwd 
„worden" (i). De oude materialen deden evenwel daartoe dienst. 

Naderhand beging men de onverantwoordelijke fout den gevel, die 
geheel uit Naamschen hardsteen bestaat, grijs te verven. Ware 
zulks niet geschied dan zou het gebouw, door den tijd getint, 
minder afgestoken hebben tegen den statigen St. Ser vaas-bouw. 
Om daarin zooveel mogelijk te voorzien verfde men het onlangs 
bruin-rood. Of daarmede het doel dat men zich voorstelde be- 
reikt is, om namelijk het uiterlijk aanzien ietwat in overeenstem- 
ming te brengen met den ijzersteen waaruit St. Servaas is opge- 
trokken, meen ik te moeten betwijfelen. De Hoofdwacht blijft 
een vlek op 't Vrijthof en men mag betreuren, dat de combinatie, 
eenige jaren geleden door Jhr. V. de Stuers aan de hand gedaan, 
om ze af te breken, niet is mogen gelukken. 

De Koningskapel. 

Naast de Hoofdwacht stond, als uitbouw van de St. Servaas- 
kerk, de in 1804 afgebroken Gothische kapel van Lodewvk XI, 
door dien Franschen koning in 1463 gesticht ter herinnering aan 
de wonderlijke genezing, op voorspraak van St. Servaas, van zijn 
bloedverwant Hendrik hertog van Beyeren. De Fransche mo 
narch betaalde daarvoor in 1463 eene som van 1650 „livres tour- 
nois" en in 1466 eenzelfde bedrag, met nog 1200 kroonen, in handen 
van Burgemeester en Raden van Maestricht (2). De fundeeringen 
dier z.g. Koningskapel werden in 1902 blootgelegd en de plaats 
met een ijzeren hek omgeven; langs den wand ziet men nog thans 
overblijfselen van pilasters en van de opgaande nervuren der 
gewelven, terwijl eenige gevonden brokstukken van kapiteelen enz 
ter plaatse neergelegd zijn. 

Om nog het beeld van het Vrijthof van weleer aan die zijde 
te voltooien, zij hier vermeld, dat voorheen tusschen de St. Ser- 



(1) Maasf^ouw 1888, p. 83. 

(^) In den Inventaris van stads-archieven, in 1852 door G. D. Franquinet opge- 
maakt, wordt de akte van deze laatste gift vermeld onder N-'SS. Zie ook voor de 
bronnen van de overige beweringen mijne Biographie van Arnaud Schaepkens in: 
Pubiications etc. XXXVIIi, p. U. 



— 323 — 

vaas en St Jans kerken zich eene kapel bevond toegewijd aan 
St. Maternns. Zij werd in 1810 ter verbreeding der straat, door 
de municipaliteit afgebroken (}), 

De Fontein van St. Servaas. 

De op het Vrijthof gelegen hebbende „Fontijn van St. Servaas" 
maakt om dezelfde reden aanspraak op eene bijzondere vermel- 
ding. Zij heeft eene geheele geschiedenis, nagegaan vooral door 
HeylerhofF (2), D' Doppler(3)en door een naamloozen schrijver C*). 
Uit die drie studies blijkt het volgende: 

Reeds in 1496 was er „in den Vryhoff byneven den ellendigen 
„Kirchofï ende heer (kanunnik) Henric huis van den Dale.. . eyn 
„put gemaect geweest om eyn fonteyne daervan te maecken". Het- 
zelfde was geschied nabij het huis van den kanunnik van den 
Dtck. Beide ondernemingen mislukten, zoodat de Raad der stad 
in 1503 het besluit nam om af te zien van de fontein en het 
bestaande werk te vervangen door een waterput met een dak er 
over, „en te gebrucken gelick anderen waterputten in der sel- 
„verstadt" C^)- 

In 1595 hervatte de Raad het plan om eene fontein daar te 
te stellen en liet onderzoeken of het daartoe benoodigde water 
niet zou kunnen aangevoerd worden uit de St. Servaas fontein 
„int' broeck van den Vroenhoff leggende". 

De geleerde kanunnik van St. Servaas Johan Rvcke werd den 
9 Juni 1603 met de uitvoering van het werk belast. Hij zou, zoo- 
haast de fontein op het Vrijthof zes voet hoog en met een straal 
van negen duim dikte zou springen, 2000 gulden brabantsch 
erlangen. 

In afwachting van het resultaat, kreeg hij geld op rekening, dat 
hij zich evenwel verplichtte terug te betalen „indyen tvoergenomen 
„werk zyn volcomen effect nyet en sorteert". 



(ï) Aunuaire etc. 1828, p. 112. 

('0 Ibid 1829, p. 116. 

(8) AfaasjroHW 1888, p. 69. 

(^) Fontaine monumentaU de Saint Servais^ éri^ée sur la Place cVArmes a Maestricht 
en 1605 etdémoliepar les Fran^ai^ en lf)72. Opuscule Impr. Courrier de la Mense 1880. 

(5) In zijn Inventaris der stads-archieven vermeldt Franquinkt onder N" 149 
eene akte van 24 Juni 1505, houdende uitspraak door scheidsmannen in het geschil 
tusschen het kapittel en den Magistraat over dien put. 



— 324 — 

De stad nam voor hare rekening, behalve de versiering der fon- 
tein, de levering en het vervoer der materialen, van het elsenhout, 
dat dienen moest om de buizen te vervaardigen, met uitzondering 
van de ijzeren banden die vereischt werden om de buizen aan 
een te hechten. De fontein moest opgeleverd worden in October 
1603, 

In September werd Jan Ryck door de Staatschen te Breda 
gevangen gezet, hetgeen officieel geconstateerd werd in de bewoor- 
dingen „alzoe duer tgevanckenisse vander canoniek Ryck by den 
7fyaji(f\ want Maestricht was toen Brabantsch-Spaansch. Er bood 
zich dientengevolge een edelman aan met name Jan Brunninx, 
dienende bij het vendel van den Gouverneur der stad (^Antoon 
VAN Grenet, heer van Werpe (1590 tot 1616) die onder cautie- 
stelling, de verplichting op zich nam om het werk te voltooien. 

Vertraging was natuurlijk hiervan het gevolg. Den 20 December 
1604 was men intusschen met het leggen der geleidingen tot in 
de Papensiraat gevorderd, tot dat in April 1605, bij terugkomst 
van Ryck, de buisleiding te nauw bevonden werd. Alles moest 
opgebroken, de buizen verbreed en opnieuw ingegraven worden. 

Na aanbesteding met zeer zorgvuldig bestek (^), werd tot den 
bouw der fontein overgegaan. In hoofdzaak zij medegedeeld, dat 
zij gelegen was voor de hoofdwacht en dat na hare definitieve 
verwijdering in 1733, de plaats waar zij lag geplaveid werd met 
witte maaskeien in den vorm van de vijfpuntige stadsster; in 1895 
werden die keien verwijderd. 

De fontein was van ronde constructie en had een diameter van 
48 voet; zij was met eene balustrade omgeven, waarin drie met 
hekkens voorziene ingangen; de balustrade was 4^/4 voet hoog en 
werd gedragen door 36 pilasters; daarbinnen was een 9 voet 
breede pad dat het eigenlijke bekken van 30 voet middellijn om- 
zoomde. Tot dat bekken daalde men af door middel van zes 
treden. In het midden verhief zich eene vierkante kolom waarop 
een pijnappel, omgeven door drie engelen-figuren, alles ter hoogte 
van IOV4 voet; het geheel was in hardsteen en kosle 1200 L. guldens. 

In weerwil der gekoesterde verwachting en niettegenstaande 
den onderkant van het bekken 4'/2 voet lager dan de oppervlakte 



(1) Maas^ouw 1888, p. 74. 



— 325 — 

van den beganen grond lag, sprong de fontein niet, en deed zij 
enkel dienst om water te putten. Voor afvoer was de noodige 
zorg gedragen; bij bespreking van de herberg de Kroon aan het 
Vrijthof en van de Sporenstraat haalde ik aan dat het overtollige 
water diende tot spoeling van het riool, dat in de Groote Staat, 
langs de Landskrooji en door de Jodenstraat, in de Maas uitmondde. 

Het rein- en openhouden der buizen kostte veel moeite; een 
speciaal opzichter moest er voor aangesteld worden, die alras 
eischte: dubbel tractement (104 gulden), jaarlijks twee karren 
kolen en een rooden ^mantel van livrye deser stadt opdat hy 
„daardeur van den jongen endere andere te beter mochte ontsien 
„worden" (ï). Een en ander werd hem toegestaan en Gillis Jacobs 
opzichter over het Vrijthof en stadsfonteinmeester, plechtig bëeé- 
digd op de voorwaarde: „sonder hem inne te geven in eenige 
„andere diensten oft wercken"; hij verkreeg bovendien vrije 
woning „in het XXI'^* huysken deser stadt toebehoerende opt 
„grechtien tusschen de oude St. Peters en de Luerders poorten 
gelegen" tegen betaling van een daalder van 30 stuivers. 

Het wilde echter niet vlotten met de fontein; in 1657 hadden 
de buizen herstelling noodig en men ontbood de fonteinmeesters 
van Aken en Luik om daarover te confereeren. Gebakken steenen 
buizen, die men aanvankelijk wilde gebruiken werden afgekeurd 
en de stadsbouwmeester werd belast met den aankoop van 600 
boomen, „daer men 1000 voet buizen te kort kwam". De burgerij 
werd straalsgewijze gecommandeerd om aan de herstellingen te 
komen werken. 

In 1662 overlegde men in den Raad „opterechten een radende 
^toehoorige instrumenten" ten einde „het wacter uyt de Jeker 
„met een meulen in de buyzen te brenghen". 

Zulks kostte 457 gulden. 

Tijdens de belegering der stad door Lodewyk XIV in 1673, was 
de fontein schier tot een puinhoop vervallen en aangezien ze 
„nyevers anders toe dient als tot een rcceptakel van vuylicheyt, 
„werd goedgevonden de ijzeren hekken, balusters en 't houtwerk 
„weg te ruimen en den back totter tydt ende wylen toe met 



(») Maasgouw 188S, p. 75, 77. 



— 326 — 



n<^ 



aerde te vervullen en de looden buizen buiten de vesting lig- 
„gende, ten stadhuize te deponeeren''. 

Hier zij de ongeloofelijke bewering medegedeeld dat „la fon- 
„taine de Saint Servais sur Ie Vrythof fut empoisonnée par les 
„Francais en 1673" (i). 

In 1683 was men erop bedacht om de fontein te herstellen, 
aangezien „een eerlycken ingesetene deser stadt presenteerde, om 
„op zyne costen, het water van St. Servaasborn en van andere 
„fonteinen daar omtrent springende bij een te vergaderen endeop 
„den Vrythoft te brengen, soo ende gelyck hier vorens is geschiet, 
„tot welcker eynde hy steene aqueducten versien met goedt cimeut 
„soude laten prepareren, op conditie dat, sulx geschiet synde, 
„hem geoorlooft soude syn, soo veele watere van de massa oft 
„groote conducte van den Vrythoft aan particuliere persoone te 
„vercoopen, om fonteinen in haare huysen te hebben als het behoeft 
„van stads publycke fonteinen soude kunnen verdragen" (-). 

Het voorstel vond evenwel geen ingang, evenmin als dat, om 
van den Haag een deskundige te laten overkomen. De fontein 
bleef in erbarmelijk verval, totdat in 1733 de Raad besloot de 
voor de dagelijksche parade als andersints hinderende „naemsche 
„steenen uit te graven... en te employeeren tot deksteenen der 
„stads mueren". 

Sic transit gloria mundi. 

Dat de fontein steeds de St. Servatiusfontein genoemd werd is 
buiten twijfelj dat ze evenwel met een standbeeld van Maestricht's 
Beschermheilige prijkte en een toepasselijk opschrift in 't latijn 
droeg (3) heb ik niet bevestigd gevonden. 

De tegenwoordige fonteinen. 

Toen in 1884, Maestricht het XV« eeuwfeest van zijn Patroon 
zou vieren, werd door schrijver dezes met kracht aangedrongen 
op het daarstellen op het Vrijthof van een monument, dat de 
liefde zou vertolken van het Maestrichtsche volk voor den Grooten 



{}) Alex. ScHAEPKENS, Amtalecfes archcoloi^iques, p. 11. 

(2) Raadsnotulen 9 Augustus en 28 September 1683. De cursieveering is van mij. 

(') Jos. RussEL, Geschied- en Oudheidkundige Schets van Maastricht I, p. 277. 



— 327 — 

Heilige die met het Christendom hier de beschaving invoerde. 
Het idee werd door Jhr. V. de Stuers, Maestricht's weldoener op 
kunsthistorisch gebied, warm aanbevolen. Met enthousiasme werd 
in eene eerste vergadering van notabelen het denkbeeld gehuldigd 
om, nu men over eene waterleiding beschikte of weldra ging 
beschikken, de Sint Servaas-fontein, met het beeld van den Heilige 
bekroond, weder op te richten. 

Helaas dat grootsche denkbeeld mocht niet in vervulling gaan. 
De toenmalige Pastoor-Deken van St. Servaaskerk, Mgr. X Rutten, 
kantte er zich tegen en wist het ertoe te leiden, dat voor de in 
te zamelen gelden een baldaquin over het nieuwe hoofdaltaar zou 
aangeschaft worden . . het voormalige marmeren was voor eene 
luttele som verkocht en had den weg genomen naar Londen, 
waar het thans prijkt in de kerk van Kensington . . . van de 
overschietende gelden zou de Noodkist ^^;r5/.7//ré'^/7/ worden!! — 
Gelukkig, driewerf gelukkig, dat er geen geld overschoot! Zelfs 
waren de ingezamelde gelden, bij voorspeld gebrek aan voorliefde 
voor het doel, niet toereikend om het baldaquin te bekostigen. 

In 1895 werd een plantsoentje om de oude muziektent op het 
Fr/;'//^^/ aangelegd, met een gecimenteerd muurtje omgeven. Twee 
waterstralen zonder de minste versiering, doen nu en dan dienst 
als fonteinen, zoodat voor langen tijd de hoop op 't herstel der 
St. Servaas fontein verkeken is. 

„Voila pourquoi votre fille est muette"... 

Het Spaansch Gouvp:rnement. 

In 1287 hadden de Hertogen van Brabant reeds een huis nabij 
de St. Servaaskerk, daar waar naderiumd het Spaansch Gouverne- 
ment was (^). Hunne schouten en rentmeesters hielden er hunne 
residentie C^)- 

Het werd aldus genoemd, omdat in het huis, gelegen aan de 
zuidzijde van het Vrijthof^ — thans geoccupeerd door de Zuid- 
Limburgsche Bank — in den Spaanschen tijd de gouverneurs 
der stad hun verblijf hielden^ het behoorde in eigendom aan het 
kapittel van St. Servaas, dat het te dien einde aan de stad verhuurde. 



(1) Maas:^ouw 1886, p. 32. 

(2) Ibid., 1903, p. 01. 



— 328 — 

„Het dagteekent uit de !■'? helft der XVI« eeuw en is in go- 
thischen stijl gebouwd. Het westelijk gedeelte van den voorgevel 
is nog vrij wel in den oorspronkelijken staat; in de venstertrom- 
mels prijken het gebeeldhouwde wapen van Keizer Karel V en 
de zuilen van Hercules met het devies: Plus oultre; daartusschen 
zag men vroeger de medaillon-portretten van Karel V en van 
Philips II, zooals uit de nog bewaarde onderschriften blijkt. (Die 
borstbeelden werden door de Fransche Republikeinen verwijderd). 
De oostelijke helft van den gevel, waarin vroeger eene poort 
voor voertuigen was, had een van hout getimmerde bovenver- 
dieping; in de XVII« eeuw is deze door den tegenwoordigen 
steenen gevel vervangen" (i). 

Bovenvermelde versieringen aan de vensters, misschien wel de 
vensters zelve, werden aangebracht ter herinnering aan de gebeur- 
tenis, dat aldaar de bovengenoemde vorsten hun verblijf hielden 
tijdens hun bezoek aan Maestricht. 

Den 14 October 1520 toch, hield hier Keizer Karel V zijne blijde 
inkomst als Hertog van Brabant, Bourgondië en Lotharingen; hij 
werd in triomf ingehaald door den Magistraat met 2000 gehar- 
naste en keurig uitgedoschte schutters en de geestelijkheid der 
stad; een prachtige stoet van hoogadellijke personen vergezelden 
den vorst die bij die gelegenheid alle privilegiën der stad bekrach- 
tigde (2) (zie ook (3). 

In 1529 kwam hij andermaal te dezer stede en legde in de 
St. Servaaskerk, in kanunniks gewaad, den eed af als beschermer 
der kerk (3). 

Woensdag den 24 Februari 1546 vierde hij hier zijn geboorte- 
feest (4). 

Den 4 Juni 1550 deed Philips II, destijds nog kroonprins, zijne 
plechtige intrede in Maestricht en stapte af in het paleis (Spaansch 
Gouvernement) aan het Vrijthof^ vanwaar hij naar St. Servaas 



(') Victor DE Stuers, Maasgoiiw 1905, p. 05. 

(^) Maasgouw 18vS0, p. 7'J en ibid. 18U4, p. 47. 

(*) In de Hist. 1 Icschrij ving der St. Mathias parocliio (/*//MV<///é?«j etc. XXIX, p. 380) 
heet het dat Keizer Karel zijne blijde inkomst deed den \\\ Mei 1520 en dat hij 
logeerde in de Commandcrie van de Biesen, van waar hij den volgenden dag de 
Hoogmis ging bijwonen in St. Mathias. 

(4) Publications etc. XXIX, p. 90. 



... 329 — 

trok. Luisterrijke feesten werden te zijner eere gegeven: de vijf 
compagnieën schuttersgilden kregen nieuwe vaandels, geel, wit en 
rood, een 24 voet hooge reus werd vervaardigd, een bezoek ge- 
bracht aan St. Pietersberg, rederijkersfeesten en de bestorming 
van den Burch op de Maas hadden plaats, evenals eene solem- 
neele processie enz. (i). Tegen den avond kwam de Keizer ook 
in de stad. 

De Witte Vrouwen. 

Hel klooster en de kerk der Witte Vromven^ ook zusters van 
St. Victor en Penitenten van Sinte Magdalena geheeten, strekte 
zich uit langs de noordzijde van het Vrijthof. De oorsprong der 
orde is van hooge oudheid, want volgens de traditie, door Pelerin 
betwist (J) doch door van Heylerhoff zegevierend gehandhaafd (3^, 
werd het klooster door den 16*=° Bisschop van Maestricht Johannes 
Agnus (G25-64G) die gehuwd was vóór dat hij de bisschoppelijke 
waardigheid bekleedde, gesticht voor zijne echtgenoote (-^^ Volgens 
eene chronijk werd de H. Johannes Agnus op den bisschop- 
pelijken stoel geplaatst door Koning Dagobert, die toen hier in 
het paleis der Frankische Koningen woonde. In 637 gaf hij aan de 
Witte Vrotnven vergunning om een klooster te bouwen (*'>). 

Zooals elders opgemerkt werd, hoogde het Vrijthof zich in den 
loop der tijden, wel II/2 meter op, zoodat de oude constructies 
erlangs gelegen, van lieverlede veel lager kwamen te liggen. Dit 
nu was het geval tijdens het bestaan van voornoemd klooster; 
het lag wel IM^ meter dieper dan het Vrijthof, waaruit minstens 
een gegrond vermoeden, pleitende voor zijne oudheid, afteleiden valt. 

Uit de archieven der St. Servaaskerk blijkt, dat de levensregel 
der religieuzen volmaakt overeenstemde met die der eerst gestichte 
kloosters in West- Europa, die allen den regel van den H. Benedictus 
volgden. Zij waren niet aan het slot gebonden en namen steeds deel 
aan de groote processien, die vooral in de XV« eeuw alhier gehou- 
den werden; ook woonden zij Zondags steeds de Hoogmis bij in 
St. Servaas. Destijds werden zij „de bekeerde zondaressen" genoemd. 



(1) Ptiblications etc. XXIX, p. 80— 9ü (Uitvoerige bijzonderheden). 

O Essais Historiques et Critiques^ p. '215. 

(3) Antmaire 1829, p. 148. 

(*) Vergelijk Maasgonw 1901, p. 95. 

(B) Maasgouw 1883, p. 1135. 



— 330 — 

De kerk der HiUe Vrouwen was vooral bekend door een 
Christusbeeld, dat er vereerd werd en een groote toevloed van 
pelgrims, zelfs uit verre landen, naar hier lokte. De legendarische 
oorspron,^ van dat Kruisbeeld is bekend: een edelman van het 
naburige dorp Riempst, bij zijn terugkomst uit het Heilige Land, 
omstreeks het jaar 1300, bracht aan zijn jongste dochter eene 
noot mede, die geplant, zich in den vorm van een kruis omwikkelde. 
Die legende zal wel op een waren grondslag berusten : wellicht 
zal de opgeschoten boom den vorm van een kruis vertoond 
hebben, en door eene kunstenaarshand voltooid zijn. De ouders 
zagen voor hunne dochter in dat feit hare bestemming tot het 
kloosterleven; zij stemde daarin toe, gaf het kruisbeeld ten ge- 
schenke aan de Wille Vroiizccn en nam het kleed der orde aan. 

Bij de verjaging der kloosterlingen door de Fransche Republi- 
keinen, den 5 December 1795, werd het eerbiedwaardige beeld 
overgebracht naar de Parochiekerk van St. Martinus te Wyck, 
alwaar het nog steeds het voorwerp van godvruchtige vereering is. 

Zooals blijkt uit de akte van adjudicatie («j had het klooster 
eene groote uitgestrektheid; met zijne tuinen en annexen strekte 
het zich uit tot aan de Groote Gracht, de Helmstraat en het 
Statenstraatje. Van kerk en klooster is geen spoor meer over, 
beide werden afgebroken en aan 't Vrijthof vervangen door het 
statige heerenhuis dat de voornaamste plaats aan de noordzijde 
van het Vrijthof inneemt. Bij den laatsten eigendomsovergang 
werd het achterliggend terrein verbrokkeld en het huis in tweeen 
gesplitst, zoodat thans de kans verkeken is om van het zoo bij 
uitstek gunstig gelegen complex een Rijksgebouw te zien maken, waar 
vele publieke administratiën hadden kunnen gevestigd worden. 

Het klooster der Wille Vrouivcn bezat te Scharn een lusthuis 
en hoeve met prachtige tuinen en boomgaard. Ook dat goed werd 
als nationaal domein, den 7 Maart 1797, verkocht. In 1880 was er 
eigenaar van de heer Duquesne. Het gedeelte van het Wycker- 
veld, waar de meeste der daartoe behoorende landerijen gelegen 
waren, heet thans nog /iel Willevromccnvcld (-). 

Van de 13 kerspelen (wijken) waarin de stad in de Middel- 

(') Te vinden Maasgouw 1890, p. 20. 
{'') MaasiTouw 1880, p. 371. 



— 331 — 

eeuwen verdeeld was, heette er een naar de WüU vrotriden. Op 
de bewoners van ieder kerspel rustte de verplichting om, onder 
aanvoering van een overheutzman en verscheidene hoofdlieden, een 
sector van de wallen te verdedigen; reeds in 1380 komt eene des- 
betreffende nauwkeurige regeling voor (}). In 1442 worden als 
hoofdlieden van het Witte Vromveu-kerspel genoemd Johannes 
MuYLS, Lieben Voechs en Frans Craeghs (^). 

Het Statenhuis. 

Nog dient met enkele woorden het thans nog zoogenaamde 
Statenlitiis vermeld te worden. 

Op die plaats stond weleer in 't begin der X* eeuw, het paleis 
van den Graaf der Maasgouw Albuinus, reeds in 908 in een 
charter van Lodewijk het Kind vermeld. De Lenarts noemt het 
„het uytstekenste gebouw der geheele plaats, waaraan alle hand- 
jjWerkers hunne kunst en vernuft hadden toegebraght en waarvan 
„onze voorouders de kostbaarheid bewonderden ofschoon zij niets 
„dan de overblijfsels daarvan gekend hadden" (•*). Het terrein dat 
zich van daar tot aan „de plaats waar nu het Kapittel dien uyt- 
„stekenden omgang gebouwd heeft die //^//^^r^/^/i;".? genoemd wordt" 
en dat zich uitstrekte tot aan de ruïne van het hof van Albuinus, 
„diende eertijds misschien tot bloemperk daartoe, en zal metter 
„daad in Albuinus tijd, een aardsch paradijsje zijn geweest" (^*»), 
ChildericII in 659, Arnulf in 891, en Keizer Hendrik in 928» 
hielden er hun verblijf (0). 

Naderhand diende het gebouw tot Muvt van het graafschap 
den Vroenhof, alwaar onder anderen reeds op het einde der XI« 
eeuw geld geslagen werd; van Heylerhoff (0) zegt een goudstukje 
gezien te hebben, dat aan eene zijde den beeldenaar van Keizer 



(1) Publuations etc. XIV, p. 6. 
(-) Ibid. XIX, p. 389. 

(2) Publications etc. 11, p. 24, 25. 

(4) Ibid. II, p. 37. 

(5) Ibid. ï, p. 251. 

(•) Jaarboekje 1851, p. 250, 259, 200. 



— 332 — 

Hendrik IV, aan de andere dien van St. Skrvaas vertoonde (i). 
Zoo ook goud- en zilverstukken van gelijken oorspong uit de XIII*' 
eeuw met het beeld van St. Skrvaas en de wapens van Brabant, 
gedenkpenningen van zilver en brons, geslagen bij gelegenheid van 
belangrijke gebeurtenissen, eenc mcMiigte duiten van verschillende 
Jaren met het wapen van Brabant en met de Maestrichtsche ster 
voorzien. De noodmunten van verschillende typen en waarde, 
tijdens het beleg van 1579 geslagen, zullen wel daar vervaardigd zijn. 

Tevens werd aldaar de schepenbank van den Vroenhof gehouden, 
toen het primitieve gebouw dat voorheen daartoe diende en 
Linkiilenhof genaamd werd, (^) in duigen was gevallen. Zooals 
hiervoor is bemerkt, hadden op het plein dat ervoor lag, tijdens de 
regeeringdcrBrabantschc Hertogen, de gerechtelijke executiën plaats. 

Als opvolgers dezer laaistcn, na de verovering van Maestricht 
door Frederik Hendrik in 1632, werd door de Staten tot de 
verbouwing besloten. In 1700 legde de Gouverneur Generaal 
DE DoPFF (3 ) den eersten steen van het StaUnhuis^ dat eerst in 
1720 voltooid was. De Commissarissen-Deciseurs, hooge Staats- 
ambtenaren, die bij hunne komst alhier, om jaarlijks, en sinds 1644 
om de twee Jaren o. a. in appel recht te spreken, met koninklijk 
eerbetoon ontvangen werden, hielden er verblijf (4). Eene beschrij- 
ving van het gebouw en van het ceremonieel dat bij aankomst 
der Commissarissen geobserveerd werd, is in 't hieronder vermelde 
jaarboekje te vinden (0). 



(') Een zeer belangrijk artikel over het oudsU muntivezen te Maesirichl \7i\\ onzen 
voormaligen stadgenoot den verdienstelijken numismaat Hooft van Iddekinge, is 
te vinden in de Maasgouw van 1883, p. 88"). Daarin wordt betoogd, dat reeds in 
de W eeuw hier zeer fraaie munt werd geslagen, zijnde Maestricht alsioen de hoofdstad 
van het Noorden aan deze zijde van den Rijn. De Maestrichtsche munten uit lictMerovin" 
gische tijdvak bewijzen, dat de Stad toen tot de meest ontwikkelde steden van het Fran- 
kische rijk behoorde en ver boven Keulen, ja boven het Parijs van die dagen stond. 

(^) Op de plaats waar thans de kazerne des Bons Enfants is, dus nabij de oude 
Linkulenpoort (Jioek I^ouillonstraat). Zie omtrent dat gebouw, dat nog in 15-7 vermeld 
wordt, Pubtications etc. XXXV, p. 287. 

(') Zie Notices Généalogiques sur la nobte /amitle de Dopffy A. A, Vorsterman- 
van Oijen. Pubiications etc. IV, p 3G9. 

(*) Zie Jaarboekje 1851, p. l!ö3 en Pubtications etc. XXXV, p. 272. 

(^) Het Maasgouwnummer van Juli K07, waarin eene studie voorkomt ^^Het 
Schepenhuis van het graafschap van den l 'r oen hof of hof van Lencuten^^ door 
Jos. M. H. HvERSEN, kwam te laat in mijn bezit, om nog benut te worden. 



— 333 — 

Intusschen hield de rechtbank er hare zittingen tot 1794. 
De Arrondissements-rechtbank bleef er gevestigd tot 1829, toen 
de Minderbroederskerk op de Tongersche straat tot Paleis 
van Justitie werd ingericht. In 1830 werd het Statenhins door 
D' Bosch gekocht en tot particuliere woning ingericht. 

De Poort van Leuth. 

Als toevluchtsoord hadden vele adellijke bewoners van het 
platte land en in de omstreken gevestigde kloosters, Refugie- 
huizen binnen de stad, die zij betrokken wanneer de oorlogsfakkel 
ontbrandde en zij in hunne verblijven niet meer veilig waren. 
Deze huizen, hecht en met ruime beurs getimmerd, staken gunstig 
af tegen de meer eenvoudige en vaak schamele woningen van den 
stads burger: Zij werden Poorten genoemd; vaak had ik de gele- 
genheid ze als voorheen aanwezig, in verschillende straten te 
doen kennen. 

De heeren van Leuth hadden hier eene dergelijke Poort, ge- 
legen aan 't Vrijthof^ zooals blijkt uit eene overeenkomst gesloten 
in 1551 met Johan Gubbels, leidekker, ten overstaan van No- 
taris Crieckelman, houdende de conditiën van vernieuwing van 
het dakwerk (i). De Poort van Leuth lag naast het Stateiihuis^ 
dat in 1625 de plaats innam van het huis de Keyzer en het huis 
de RoypoorU (J), 

Het koor van St. Servaas bedreigd. 

Engelbertus Boonen, te Brussel geboren, werd in 1574 kanonik 
van St. Servaas, in 1579 tot Deken gekozen en in 1614 Proost van 
het kapittel; hij overleed in 1629 Hij was bijzonder liefdadig en 
vrijgevig, stichtte meerdere beurzen voor de studie der Philosophie 
en Theologie te Leuven en was een bijzonder weldoener der An- 
nunciaien te Wyck, wier kerk hij stichtte. Hij woonde langs de 
zuidzijde van het Vrijthof, naast kanunnik Laurens Meys. In 
weerwil zijner uitstekende hoedanigheden die hem bij iedereen 
geacht en bemind maakten, had de brave man het meer dan zon- 



(ï) De merkwaardige tekst dier overeenkomst is door Jos. Eversen gepubliceerd 
ét Maasgoiiw van 1888, p. 81. 
(') Volgens de op p. 332 Noot 5 aaangehaalde studie. 



— 334 — 

derlinge plan opgevat om ... 'de apsis van St Servaaskerk af te 
breken, en daarna op zijn eigen kosten in modernen styl een 
nieuw koor te bouwen, dat vijftig voet verder naar het Vrijthof 
zou uitgesprongen hebben! De plannen waren reeds gemaakt, de 
inwendige versiering, die uit marmer en hout zou bestaan, was 
vastgesteld, toen dat voornemen gelukkig verijdeld werd. Het 
kapittel kon zich niet vereenigen o. a. met de afbraak der crypla 
en weigerde vooral halstarrig om gevolg te geven aan het voor- 
nemen van den Proost om in de nieuwe constructie op verschil- 
lende plaatsen zijn familiewapen aan te brengen^ dat vooral 
strookte niet met de waardigheid van de gebouwen van het ka- 
pittel (1). 

Ter wille van het dwaas zonderlinge van dit plan, dat het kerk- 
gebouw in een zijner schoonste onderdeelen onherroepelijk zou 
misvormd en het Vrijthof een ander aanzien gegeven hebben, 
wordt zulks hier vermeld. 

Huizen «p het Vrijthof en hunne bewoners. 

In 1290 (N^ 18 D) komt een huis voor nabij het Vrijthof ^circa 
atriiun^ toebehoorende aan Henricus Hellincharst, gelegen tus- 
schen dat van wijlen Tutlentut en dat van Ricola de Vondere. 

In 1310 (N*» 75 D) is er sprake van een cijns gevestigd op het 
huis van wijlen Maria de Durasch bij het Vrijthof (prope atrium) 
en van het huis van Wiricus Borneren, zoomede in N°75Dvan 
de goederen van wijlen Hardevust, waarop het nieuwe koor der 
Witte Vrouwenkerk gebouwd is. 

In 1312 (N° 96 B) van een \iw\s juxta atrium, jusschen het huis 
genaamd schonecghen (het behoorde aan de ridderfamilie van 
Schonegge) en dat van Gerardus Raet, waarvan het erfrecht 
opgedragen wordt aan Johannes presbyter 1>E Sancto Spiritu 
en aan Elisabeth, de dochter van Lambertus Teldere. 

In 1321 (N° 66 D) van eene rente, gevestigd o^^ ^^xi steeven huis 
— destijds nog eene zeldzaamheid — het in 1312 genoemde ^^//é?;/^^//^;/, 
liggende op den hoek der novus vicus (Platielstraat), tegenover 
het hospitaal van St. Servaas, dus waar thans de Struysvogel is. 

(Il Zie Maasi^ouw 1888, p. 49, 73 en vooral Atirtuaire etc. 1831, p. 112; ook 
Maasi^ouiu 1898, p. 74. 



— 335 -- 

In 1332 (^N® 247 D) van het huis iuxta alrium^ toebehoord heb- 
bende aan Arnoldus de Varttenbergh, waarin Hermanus Bocii, 
factor suinnearum amphorariim (tinnen-kannengieterj woont. 

In 1338 (N°318D) woonde Henricus Magnus, nabij het Vrijthof. 

In 1339 (N® 331 D) is er sprake van het woonhuis van Johannes, 
priester, gelegen tusschen dat van Gerardus CoxciLii en dat der 
kinderen Telders. 

In 1342 (N" 362 D) wordt vermeld, dat Henricus Magnus 
iuxta atrium woonde. 

In 1343 (N° 383 D) woonde Johannes, de rector der kapel van 
den H. Geest langs het Vrijthof naar den kant der Platielstraat, 
naast het huis der kinderen Telders. De eigenaar van het woon- 
huis van Johannes, was Johannes de Broegel, meester van het 
hospitaal van voornoemde kerk. 

In 1343 (N* 107 W) wordt vermeld een huis iuxta atrium riaar 
den kant der Nieuwstraat, (Platielstraat) gelegen bij het huis 
van de kinderen van Telders, tusschen dat van Gerard Roet, 
priester en dat van Elisabeth Telders. 

Ook in 1343 (N« 108 W) het huis van Jan de Sancto 
Spiritu, kapelaan van St. Servaas, gelegen iuxta atrium^ dat hij 
per testament gedeeltelijk vermaakte aan de Bewaarders der Hei- 
ligdommen Aan Aleyde Telders, begijn, vermaakte hij een zijner 
kerkgewaden (zie op 1339 en de beide voorgaande van 1343). 

In 1343 (N° 370 D) wordt het huis genoemd aan het Vrijthof 
van Wilhelmus de Santten, gelegen naast de huizen van Jo- 
hannes Ungenere en van Henricus genaamd Helltcarst. 

In 1343 (N° 380 D) woonde langs het Fri/V//^/ Johannes Wvt- 
nUES, lakenscheerder. 

In 1347 (N® 430 D) wordt melding gemaakt, evenwel zonder 
nadere omschrijving, van het huis de Heze^ nabij het Vrijthof. 

In 1357 (N« 571 D) is er sprake van eene camha (brouwerij) 
langs het Vrijthof^ tusschen het klooster der Witte Vrouwen en 
het erf van Johannes Meyer gelegen. 

In 1361 (N° 648 Ü) van het huis van Johannes, Catharina en 
Elisabeth, kmderen van Johannes de Wvtroc, gelegen supra 
atrium in angulo^ tusschen het ellendigen kerkhof en het huis van 
Ludovicus Lodener, lakenscheerder. 

In 1365 (N*^707D;' van het huis van Wilhelmus de Uden- 



— 336 — 

COVEN, kleermaker, si^pra atrium^ gelegen naast dat der weduwe van 
Amelius de Spauden en dat der weduwe van Johannes phisicus, 

In 1366 (N'' 727 D) wordt aan den zooeven genoemden de Un- 
DECOVEN in erfrecht opgedragen een huis aan het Fr/;V//^/gelegen, 
tusschen dat van Ludovicus supra atrium en dat van Conrardus 
Rympst. 

In 1366 (N° IS) is er sprake van een huis bij het Vrijthof 
naast dat van Conrardus de Rympst, lakenscheerder en naast dat 
van Lambertus Ungener. Dit laatste was in 1332 bewoond door 
Giselbertus Ungenere en later door Theodoricus de Roesmer, 
zadelmaker (N° 247 D) (zie voorafgaande). 

In 1377 (No 810 D), in 1383 (N** 882 D, in 1393 (N- 883 D) en 
in 1396 (N^* 974 en 975 D) wordt de hospes genoemd van de 
reeds vaak vermelde herberg „/^;/ ^uylden reyiig€'\ Het was Lam" 
bertus de Lake, bijgenaamd de Roede Wynandi^ omdat hij van 
Wynandsrade afkomstig was; hij overleed in 1396. de Lare was 
tevens eigenaar van de ernaast, naar den kant van het Keizer 
Karel plein gelegen herberg y^ten sleH!elé'\ in 't latijn de clave. 
Hij bekwam er den eigendom van door zijn huwelijk met de 
weduwe van Theodoricus de Clave of van den Sleutel, wiens 
eigenlijke naam Versammen was. 

Later was Wouter Datyn, priester en schatbewaarder van 
St. Servaas, eigenaar van den Ring, Hij stierf in 1486 en lega- 
teerde den eigendom ervan aan de Broederschap der kapelanen 
van St. Servaas (i). 

Tegenover het logement de clave en tusschen het huis van 
Godefridus Cortten, smid en het logement de cervo^ lag in 1401 
(N^ 1052 D) het huis van Nycholaus de Namurco; deze laatste 
wordt vermeld bij de Statenstraat in N° 1042 D. 

Naast de sleutel bevond zich de brouwerij {camba^ panhuis)van 
het kapittel. 

In 1378 (N«* 33 W) wordt Jan de Hoorendonck, kleermaker, 
genoemd als wonende iuxta atritun, 

In 1387 (N° 432 D) wordt genoemd het huis van wijlen Hen- 
ricus de Montenaken, schepen van Tricht, gelegen aan het 
Vrijthof naast dat van Arnoldus Kickelmoy. 



(*) P. DoppLER, Nécrologe de la confrèrie des chapelains , , . de St^Servais^ p. 158. 



■r 

! 



— 337 — 

In 1400 (N" 67 D) wordt andermaal genoemd het in 1321 be- 
doelde huis; sckoeneggkeii, opt oirt {hoek} tieghen sinte Servaes gast- 
huys eiide die miwestrate^ tusschen het huis van Tyssen van den 
Meye en dat van Willem Keyzer in de mrivcstrate^ beA'oond 
door Hendrik van Schutdorp. 

In 1402 (N° 194 D) treft men aan Kathrijn, de weduwe van 
Henrix van den RosEN als weyrdinne iuder herbergen geheyten 
inden xvynckeL 

In hetzelfde jaar wordt dit huis vermeld als eene herberg ge- 
legen aan den ingang der Helmstraat en gehouden door de 
weduwe van Jonker Hendrik de Rosis (^) 

In 1405 (N" 1064 D) komt voor een huis in atrii\ toebehoorende 
aan Anthonius Museler, kapelaan van St. Servaas, gelegen lusschen 
dat van Johannes Coci, scriptor der stad, en dat van Johannes 
de Cranendonck. 

In 1407 (N° 1089 D) is er sprake van het huis tn dat gulden 
hout, gelegen tusschen dat van Theodoricus Nüesten ten gulden 
coppe en dat van Johannes de Haren in den VosQ^. 

In 1408 (N°1098D) van het huis ten Vos nabij het atrium^ ge- 
legen tusschen het huis ter clocken (3) en het huis ten gulden heude, 

In 1411 (N^» 1128 D) woonde in het eerstgenoemde huis Johannes 
DE Haren, lakenwever, in het tweede Johannes de Campana, en 
in het derde Theodorus iNuest of Nuesten. 

In 1413 (N^ 1149D) komen evengemelde huizen nogmaals voor. 

In 1413 (N" 572 D) wordt met verwijzing naar N° 571 D (van 
1357) de daar bedoelde brouwerij vermeld als toenmaals heetende 
louwenpanhuis, 

In 1414 (N® 69 D) was het in 1400 genoemde huis nog bewoond 
door van Schutdorp; de naam van dat huis schijnt echter reeds 
in onbruik te zijn geraakt want het wordt aangeduid als vuer- 
mals te heyten schoeneggen. 



(1) Publicaiions etc. XIV, p. 138. 

(2) Als naast het q^uidcn hoofd wonende trof ik ann een schoenmaker Jan Berne 
genaamd, die ten tijde der Wederdoopers '\W^\' een der hoofden der sekte, den 
berucliten Slachtschaep, huisvestte (Jos. Habf.ts, de Wederdoopers, p. 74^. 

(3) Het huis (er clocken werd later den Hebn geheeten. Alex Schalpkens, Ptibïi- 
cations I, p. 60 en Anfiales I, p. 108 zegt dat hij dat hotel, dat zijn naam aan de 
Hclmstraat gaf, nog versierd heeft gezien met eene klok die gebeeldhouwd was op 
het fronton van het dakvenster. (Zie verder op 1423 en 1499). 



— 338 — 

In 1423 CN° 1248 D) wordt vermeld het huis tegen den Vrythoff 
over gelegen, naast het huis int ivit pert en het huis vander Clocken, 
In 1424 (N" 1256 D) het huis oft herberge geheeten ten Reynge^ 
gelegen naast de herberge ten sleutele^ benevens een stal geheeten 
/// dat Eggerixgaet^ tusschen het erf van Rutger van Leuwen en 
den stal van Rogier van Spauen, voorheen van Cloes van Namen. 
Het erf van Rutger lag tusschen den voornoemden stal de ver- 
bonden steyt metten gnede van den Renge en het huis van Goedart 
Wytte, smid, gelegen op den hoek van het Bggerinxgaet (Stincn- 
straatje). 

In denzelfden brief wordt ook vermeld het huis van Kathryne, 
de weduwe van Symon Cupers, gelegen aan het Vrijthof naast 
het huis van Willem van der Clocken en dat van Cloes Bruyns. 
In 1442 (N* 1336 D) is er sprake van het huis^/^«^^;/ Vrythoeff^ 
bewoond door Johan Dwenglant, gelegen naast dat van Andries 
VANDEN Biessen en dat der kinderen van Liebrecht Voechs. 

In 1453 (N° 1408 D) van een huis op die trapten aan het Vrijt- 
hof^ gelegen naast het huis inde7i tenck. 

In 1464 (N° 2S) van een huis int cleynere hyeuielrick aan het 
Vrythof gelegen, naast dat van wijlen Heynrix van Embevs 
(van Embems? zie N° 1032 D) en dat van Johan van Opoteren, 
schrijnwerker. 

In 1490 (N° 252 F) van het huis opten gulden leeuwe aan het 
Vrythof gelegen, tusschen dat van Benetyn Kindere en dat van 
Henrick van Gellick. 

In 1499 (N° 260 Fj schijnt het huis ter clocke reeds van naam 
te zijn veranderd, want er is sprake van Henrick van Gellick 
bydtn Vrythoejf en Tliomas VAN Heerderen weert inden helm^ beiden 
schepenen van Maestricht. (Zie op 1408 en 1490J,. 

In 152S(\'^ wordt Wouter van Meeuwen genoemd als voertyds 
weert in den liebart. 

In 1555 wordt als zveertin den /A7w genoemd, La urens Tholen, 
geburgerd onder de bakkers (-). 

In 1556 zegt Alex. Schaepkens (S) in een cijnsboek van St. Ser- 



(^) Publications etc. l, p. 68. 

(') Haakman en Allard, Het beleg en de sg, verwoesti?i^ van Maastricht in 
1679, p. 2M3. 
(-) Publications etc. I, p. 66. 



— 339 — 

vaaskcrk gelezen te hebben „item die gueden />/ den Winkel.,. 
,, welke gueder gelegen syn achter den Helm aen den Vrythoeff 
„ende tusschen den Groeten Gracht, ouch ryncndc ter eynre seyde 
„aent cloester der precker heren". 

De huisnaam de Winckel had betrekking op het bisschoppelijk 
paleis, dat aldus wordt genoemd als de plaats waar „het Wilde ^ 
„Zwijn der Ardennen" vóór zijne onthoofding in 1485, werd ge- 
vangen gezet (i). In 1505 wordt het vermeld als het hoekhuis der 
Groote Staat en van het Vrijthof en als zijnde te dien tijde het 
hof van Luik Q-), üe bisschop Jan van Horn had er lang 
gewoond; hij stierf in het klooster van Slavante en werd 
aldaar begraven. Voorheen (zie op 1402) was de Winckel eene 
herberg. 

In 1556 treft men ook langs het Vrijthof aan de huizen geheeten 
die Ducaet^ in den gulden Schilt^ in den lewe bij Jannes MuYLS, 
die ook genoemd wordt als eigenaar van den Libar (3). 

In 1574 wordt de herberg den Gouden lecuiv nog vermeld, even 
als de Kroon^ aan den noord-oostelijken hoek van het Vrijthof 
gelegen. In de Kroon werd niets dan wijn geschonken. Toen 
was er de waard van, Dionysius van Suktendael, gewoonlijk 
genoemd y^Nys i?i de Croon^\ Hij was ook wijnhandelaar in het 
groot en stads peimeester en had veel geld te vorderen van de 
familie van Gaver. 

In den Spaanschen tijd werden er in die herberg groote ver- 
teringen gemaakt zooals blijkt uit de historische studie van pas- 
toor Meulleners (^). 

In 1605 wordt het huis de Kroon nog genoemd bij gelegenheid 
van de voorzorgsmaatregelen die genomen werden om te beletten 
dat de afvoerbuizen van de St. Servaasfontein zich zouden ver- 
stoppen, in welk geval „den kelder in de Croone groote schaede 
»geschaepen zyn te lyden'* (^) 



(•) Publicaiions IV, p. 394. 

(2) Maasxouw 1886, p. 71. 

C) Publicaiions I, p. 67, 68. 

O Ibid. XXV, p. 235 en 286. 

(5) MiiastTOuw 1888, p. 75. — Al de hier vermelde herbergen, logementen en 
wijnhuizen worden opgegeven als te hebben bestaan vóór en na het beleg van 
1579, zie Haakman en Allard, Op, ciL, p. 106, 107. 



-~ 340 ~ 

In 1638 verpandt Jan Jaspers hoef smid, echtgenoot van Maria 
VAN Gulpen, zijn huis het Voske geheeten, gelegen aan het Vrijt- 
hof naast het huis het Hooft en naast dat van Jan Pkenthagen, 
benevens zijn huis het ivlt pcert aan het Pr/;"///^/, gelegen tusschen 
het huis het hoofyzer en dat van Jan Rameeckers (i). 

In 1748 bestond nog het in 1556 genoemde huis de ducaet. 
Tijdens de belegering door de Franschen, viel er een bom in, 
evenals in een schoorsteen van den Helm en in het huis van de 
weduwe Gauthier, ook op het Vrijthof gelegen (2). 

Een ander huis aldaar gelegen, tusschen het wit kruis ende doctor 
Pellerin had bij dezelfde gelegenheid ook te lijden (}'). 



89 De Vijfharingenstraat, Sterreruwe. 

(Vicus Stellarum). 

Voorheen was deze straat, die breeder schijnt geweest te zijn 
als tegenwoordig (^4), bekend onder den naam van Sterrmve 
(victis stellarum). Zij werd aldus geheeten naar den naam van 
haar oostelijk hoekhuis in de Groote Staat dat nog in de XV« 
eeuw y,de Sterre*'' als uithangbord had. Later kwam die eer toe 
aan het er tegenover gelegen huis dat „/;/ de Vijfhixringen heette (}). 

Huizen in de Vijfliaringenstraat en huine bewoners. 

In 1343 CN° 375 D) woonde in de Vicus Stellartim Henricus 
Ridder, lorimerius (kleinsmid) en Reynerus de Borsen. 

In 1347 (N° 430 D) Nicholaus de Mauro, schepen der stad en 
Johannes factor corrigarum (gordelmaker). 

In 1352 (N** 4851)) Wilhelmus, sartor (kleermaker) en Johannes 
Lknsis, ook sartor. 

In 1365 (N° 70ö D) is er sprake van een huis in de vicus stel- 
larum^ gelegen tusschen dat van Everardus, sutor (schoenmaker) 
en dat van wijlen Boymhouwers. 

(1) Archivalia van den Nieuwenhof. 

(') Maas^ouw 1896, p. 22. 

(3) Ibid. 1896, p. 80. 

(*) Franquinet, Invet! f, O, Z, Vr. I, p. 71. 

(5] Ibid., p. 118. 



— 341 — 

In 1366 (N*» 724 D) wordt Johannes, de zoon van laatstgenoemde, 
vermeld als wonende in dezelfde straat naast Arnoldus Rave, 
sartor^ en Arnoldus, sutor, 

In 1377 (N'*822D) woonde er nog Everardus, j«/^r(zie op 1365). 

In 1381 (n woonde opt oert van der Sterreruwe^ Diric VAN 
Lymborch, bakker, lid van den Raad. 

In 1382 (N® 880 D) wordt die straat weer in het. Nederduitsch 
die Sterruwe genoemd. 

In 1387 (N^^ 432 D) wordt een huis in de vicus stellarum 
vermeld. 

In 1408 (N° 1103 D) het erf van Willem Moreels in die Ster- 
rutvc^ gelegen tusschen dat van Jacob Lupjjrs en dat van Gilles 
Stuerboets. 



90. De Witmakerstraat. 

(Rue des Blanchisseurs ou des Chamoiseurs). 

(Vicus AlbifactorumJ. 

Als groote verkeersweg binnen de stad, wordt deze straat door 
de Lenarts(2^ alreeds aangemerkt bestaan te hebben ten tijde van 
graaf Albuinus in het begin der X«^ eeuw. Zij volgde den oever 
van de Jeker van af de nu afgebroken banmolen van St. Servaas- 
kapittel tot aan de Koestraat, en verleende toegang tot de weiden, 
do'or de armen dier rivier besproeid. Zij ontleende haren naam 
aan de ambachtslieden, die daar in de nabijheid van de Jeker 
woonden en reeds in 1389 een gilde vormden onder den naam 
van witmakers^ boniwerkers of velbereiders (chamoiseurs). Behalve 
de veelvuldige aanwending van leder als onderkleeding der ge- 
harnaste krijgslieden, werden in de Middeleeuwen de kleederen 
der rijke burgers schier allen met pelterijen gevoerd of afgezet, 
totdat de laken-industrie in het begin der XV^ eeuw aan die 
mode afbreuk begon te doen. Of de naam Witmakers niet syno- 
niem is van voller^ foulon en derhalve betrekking heeft op het 
lakenwevers (gewantmakers)-ambacht, dat aldaar door de Klooster- 
broeders, de Regaarden, uitgeoefend werd? Ik vermeen deze ver- 



(1) Maasgouw 1888, p. 868, 873. 

(2) Publicaiions etc. II, p. 24. 



— 342 — 

onderstelling ontkennend te moeten beantwoorden. In 't F'ransch 
wordt die straat Rue des Blanchisseurs of veelal Rue des Chanioi- 
sciirs genoemd en deze laatste benaming heeft blijkbaar betrek- 
king op het velbereiders-ambacht^ men denke aan peaux de chamois. 
De verklaring van het woord in Larousse laat trouwens daar- 
omtrent geen twijfel bestaan; ook iin foulon hcrisson wordt daar 
beschreven als een werktuig employé en corroirie pour fouler les 
peaux sortant de rivüre. De langs die straat stroomende Jeker was 
dus voor de velbereiders (chamoiseurs) onmisbaar. Zij zullen zich' 
derhalve bij voorkeur ddar gevestigd en den naam van hun hand- 
werk aan de straat gegeven hebben. 

De volgende bijzonderheid geeft meer waarde aan die veronder- 
stelling. 

In 1301 (N° 45 F^ wordt melding gemaakt van A^n pelsbereider 
Mathias Rode op wiens goederen, in die straat gelegen, voor eene 
helft eene jaarlijksche cijns gevestigd was; de andere helft belastte 
het woonhuis van Arnuldus beghardus^ gelegen tegenover het huis 
van Arnuldus van Canne. 

De hier als beghardus betitelde Arnuldus geeft van zelf aan- 
leiding tot eene verklaring. In het begin der XIII* eeuw had 
zich hier eene broederschap van lakenbereiders gevormd, die of- 
schoon in communauteit levende en arbeidende, aanvankelijk geen 
kloosterlingen waren en dan ook geen kloosterkleed droegen. In 
1268 evenwel traden zij toe tot den derden regel van St. Fran- 
ciscus van Assisië en stichtten er naast hunne woning, die aan de 
zuidzijde der WiUnakerstraat lag, ter hoogte waar thans de Heer 
Ernest HoUman woont, eene bidkapel aan St. Bartholomeus toe- 
gewijd, waartoe het kapittel van O. L. Vrouw hun een terrein afstond. 
Dat terrein strekte zich uit tot aan de Heyenstraat. De kapel, 
lang circa 16 M., breed 6 M. was in den vorm van een kruis 
gebouwd en zooals gebruikelijk, met het koor naar het Oosten 
(hier de Heyenstraat) gekeerd. Van deze straat was het koor 
ongeveer 10 M. verwijderd, terwijl de noordwestelijke hoek der 
kapel op circa 22 M. afstand der Witmakerstraat lag. De Jeker 
begrensde het klooster aan de west- en zuidzijden (i). 



(1) Zie kaart N'^ 9 behoorende bij VON Geusau*s Gesch. der kloosters te Maastricht, 
in: Publicaiions etc. XXXI. 



— 343 — 

In 1308 werd den Begaarden vergund in die kapel ook openbaren 
kerkdienst te houden en daaraan een kerkhof toegevoegd (N° 50 F). 
Zij bleven echter hun bedrijf van wevers voortzetten en lieten zich 
in 1453 in het lakengilde opnemen. Toen zij in 1484 door het 
bouwen van eene nieuwe werkplaats langs de Witniakersstraat 
meer uitbreiding gaven aan hunne industrie, kwamen de lakenwe- 
vers daartegen in verzet en werd door den Magistraat in 1525 
bepaald, dat de Begaarden niet meer dan acht weefgetouwen 
mochten bezitten (^). De Begaarden, waarvan enkelen inmiddels 
het priesterambt bekleedden, gaven ook lager onderwijs en hielden 
een cursus in de beginselen der latijnsche taal, die de leerlingen 
voorbereidde tot het volgen der lessen in het College der Jesuïeten. 

In 1765 hield die school op en in 1796 werd het klooster door 
de P'ransche Republikeinen opgeheven en de gebouwen aan par- 
ticulieren verkocht. 

De Begaarden hebben gedurende zes eeuwen hun verblijf ge- 
houden in de Witmaker straat. De naam der Bogaardestraat heeft 
niets met die kloosterorde te maken. 

Nog zij hier-vermeld dat de luibe of hal van het schoenmakers- 
ambacht gevestigd was in de Witmaker straat^ in het hoekhuis 
y^de Kapoen" dat indertijd zijn ingang in deze straat had. Ook de 
luibe der molenaars was in die straat gelegen, waar is mij niet 
gebleken; zij werd wegens bouwvalligheid in 1721 afgebroken. 

Ook als in de Witmakerstraat gelegen [opter Jekeren opt orde 
(hoek) van der Witmekerstraeten (in 1422 N° 1237 D)] wordt 
steeds vermeld de Hertogsmolen, ook banmolen van St. Servaas 
genoemd; het kapittel had reeds in 1122 den eigendom daarvan 
en werd- er toen in bevestigd door Hendrik V, Roomsch Koning 
(N^^ 188 D); daar moesten de inwoners der stad, die tot de Bra- 
bantsche jurisdictie behoorden, hun mout en graan, waarvan cijns- 
rechten geheven werden, laten malen. Den 5 April 1446 ging de 
molen in eigendom over aan het brouwersgilde (2) en werd in 
1734 afgebroken en met verbeteringen in het raderwerk opnieuw 
opgebouwd. Op den gevelsteen boven den ingang stond het volgende 
chronogram : 



P) Perreaü, Corporations des Métiers^ p. 56 en Annuaire 1830, p. 134. 
(^) Ibid. Op. cit,, p. 61. 



— 344 — 

MaChina braXanDIs eXVrgo str VCta farlnis 
d. i. Ik verrijs y nieuw getimmerd werktuig tot het bromuen van 
meel (i). 

De molen werd in 1900 ter verbreeding der straat ^.Achter de 
Molens""* afgebroken; de eigenaar, de heer Clemens, ontving in 
ruil, eenen aan de Gemeente toebehoorenden molen op de Jeker 
bij de St. Pieterspoort. 

Eenige Jaren te voren ontdekte ik in de zoldering van den 
Hertopnolen een in eikenhout fijn gesneden beeld 40 c.M. hoog 
en 12 C.M. breed, voorstellende de patroon van het brouwersgilde 
St. Arnoldus, in zittende houding, in bisschopsgewaad met mijter, 
en staf in de rechterhand, houdende in de linker eenen anderen 
staf waarvan het boveneind verdwenen is; aan den rechter voet 
bevindt zich een bijenkorf. Het beeldje dagteekent blijkbaar uit de 
XV« eeuw en steunde een dwarsbalk, die de zoldering schraagde; 
de vorm ervan getuigt zulks; bij de verbouwing van den molen 
in 1734 zal het gespaard zijn gebleven en opnieuw ter plaatse 
zijn bevestigd geworden. Ik exposeerde het op de wereldtentoon- 
stelling te Luik in 1905, waar het de aandacht trok. 

Huizen in de Witnfial<erstraat en hunne bewoners. 

In 1376 (N® 815 D) wordt door Henricus de Rosis, wapen- 
drager en zijne schoonzuster Margareta die Gruetersse aan Thomas 
DE BoRSEN, wagenmaker en brouwer in erfpacht gegeven eene 
area of domistadium in vico albifactorum^ gelegen tegenover de 
Poort van de Mulken, tusschen het huis van Wilhelmus de 
ToNGRis, witmaker, en het erf weleer geheeten hantyken guet. 

De goederen der Begaarden worden in 1403 (N** 1048 D) ge- 
noemd bij gelegenheid van de overdracht eener jaarlijksche erf- 
rente uit het erf van Lodewych van Mere, zijnde vyf huys 
ruerens nevelt eyn gelegen opden Oerde vander Witme kerstra te ende 
der Heyde?istrate, reinende in de eerstgenoemde straat aan een 
goed der Begaarden en in de Heyenstraat aan het huis van 
wijlen Jan van Mere. 

In 1423 (N° 173 F) staat Johan van Heerlen, kapelaan van 
O. L. Vr. een erfcijns af op zijn huis gelegen in die Wytmekerstrote^ 



(1) Maasgouw 1880, p. 270. 



— 345 — 

tusschen het goed van wijlen heer Johan Hoen van Voerendale, 
ridder, en dat van Johan Hoen van Cortyls, ridder. 

In 1424 (N° 175 F) doet Johan van Gelck, ten behoeve van 
Johan CoRVERS, sceuersteyndecker (leinendekkcr), Mechtilde zijne 
vrouw en hun beider erven, afstand eener jaarlijksche erfcijns op 
een huis gelegen in die Witmekersstraet^ tusschen 't goed van jonker 
Johan Hoen van Cortils (hierboven op 1423 genoemd) en het 
huis van Herman Witmekers. 

In 1428 (N° 1282D) wordt de moutmolen van den Hertog, 
gelegen opten Jekoren opten Oerde vander Witnieker strotten voor 
een jaar en dag in eigendom toegewezen aan Herman van Hese, 
schepen van Tricht. 

In 1431 (N<» 1308 D) bezat Johan van Riemst waarschijnlijk 
een voorzaat van den later te noemen „heer Jan van Riemst" 
(in 1521 N®9S) een stuk land opt Harense peetken^ nabij de Balie- 
Biessen (Bilsen). 

In 1438 blijkt, dat het in 1424 bedoelde huis geheeten was die 
gtiede van Mnlken ( i) en in 1470 op die lynde in die Wytmeker- 
straet. (Vergelijk hierboven op 1376). 

In 1440 (N® 1347 D) is er sprake van een huis op den hoek 
der Witmakerstraat tusschen die ruwe ter Jccoren wart gaende 
neven des hertogen mautmoelen ten eenre en het huis van Hejirix 
VAN Broegele ter andere zijde. 

In 1452 (N° 217 F) wordt vermeld het goed van Johan Roe- 
seler, kapelaan in O. L. Vr. kerk, gelegen tegenover de 
Begarden^ tusschen de schuur van Johan van Weirst en het erf 
van Hubrecht van der Gracht. 

In 1458 (N** 1459 D) het huis voorheen van Gerit van Wilre, thans 
van Goeswyn vanden Boekel, gelegen tegenover het huis inden 
Keersboem en tusschen dat van Rogier van Lichtenborch en dat van 
Hughen van Middelborch, allen gelegen bij den Hcrtogsmolen, 

In 1467 (N*> 151 ID) worden vermeld de huizen van wijlen 
Andries vanden Biessen, Johan van Reckem en Johan Boess- 
KENS, naast elkander gelegen in de Witmakerstraat tusschen het 
huis van Johan Mannartz (2) en dat van Goeswyn van Bern. 

(1) Zie omtrent de familie van Mulken: Franquinet, Invetii, O. L. Vr. I, p. 42 
en Publications etc, XIV, p. 135. 

(2) Gaf deze wellicht zijn naam aan de Heren Mannerisruwe (de tegenwoordige 
Lantaarnstraati ? 



— 34G — 

In 1467 (N** 1514 D) wordt het huis die gulden doet vermeld, 
gelegen nabij den bisschopsmoutmolen^ naast dat van Johan Nys 
van Gangelt en dat van Laurens van Gulpen. 

Een „heer Johan van Ryempst" wordt met nog twee andere 
ingezetenen genoemd als in 't begin van 1511 te zijn opgelicht 
door een roofzieken edelman uit het ambt Kriekelbeek, den Haen 
geheeten. De gevangenen, die tot de aanzienlijkste familiën der 
stad behoorden, werden eerst in September tegen een hoog los- 
geld vrijgelaten. 

Deze Johan van Ryempst zal wel een der hieronder bedoelden 
zijn. De lezing van het uitvoerig verhaal van die gebeurtenis en 
van de in verband daarmede in 1526 hier gehouden loterij, door 
wijlen Herm. Eversen beschreven, is zeer belangwekkend ^'•). 

In 1521 (N^ 9S) wordt een huis vermeld in de Witmakerstraat 
gelegen, naast dat van Hub. Lombartz, waarvan Jan van Riemst, 
namens Mathys Pasmans, de aflossing voor de helft voldeed, 
nadat Pasmans en Luyten zijne huisvrouw, dat halve huis van 
Michiel Melic en zijne huisvrouw Katharina bekomen hadden. 

In 1529 (N** llS) wordt datzelfde huis gezegd gelegen te zijn 
naast dat van Conrart van Gaver en in eigendom opgedragen 
aan Johan van Riempst, schepen van de stad, en aan zijn erf- 
genamen, zulks op dezelfde voorwaarden als zij dat in 1521 ver- 
kregen hadden van Michiel iMelic, paime^ileger en Bernart, schc- 
vensteyndekker (leiendekker). Tevens werd aan Jacob, zoon van 
Johan VAN Riempst, toegestaan, dat, zoo zijn vader, die thans 
weduwenaar is, een tweede huwelijk zou aangaan, de kinderen uit 
dat huwelijk ook zouden deelen uit dat huis. 

Uit N° 6S (1502) en N° 8S (1516) blijkt dat de schepen Johan 
de zoon was van Jacob van Riemst en Mechtelt (Mette). Deze 
Jacob VAN Rymptz had in 1503 (N^ 7S) een geschil met Heyrick 
Kemmerlinx (2) die hem 48 gulden schuldig was; hem werd 
toegestaan dit onder eed te bevestigen; nadat dit was geschied 
werd Kemmerlinx tot betaling veroordeeld. 

In No 8S wordt vermeld dat Mechtell van Rymst bijgestaan 

(1) Zie Jaarboekje voor Limburg 1875, p. 159 — 175. 

(-) In een cijnsboek van 1377 (Franquinet, Invcnt. O. L. Vr. II, p. 23.'J) komt 
een Kemerlinc voor op de Munt ; Jan Kemerlinx zeer vaak in Jos. Habets, De 
Wcderdvopers etc, men raadplege het alphabetisch naamregister in dat werk. 



— 347 — 

door haar zoon Johan van Ryemst(I) schepen van Tricht, eene 
minnelijke schikking aanging met het klooster der Minderbroeders 
alhier over eene erflating van Elysabette van Luyk, die ten voor- 
deele was van het klooster en ten laste van Mechtelt. 

In 1545 ( N*» 13 S) oorkonden Dirick Braets en Adriaen Beelhen, 
schepenen van Tricht, dat Jan van Valckenborch en Henrick 
PoLEUS, kanunniken van O. L. Vr. kapittel, namens dat kapittel 
ten behoeve van Johan van Riempst, hun medeschepen, afstand 
gedaan hebben eener jaarlijksche rente van 3 marken uit diens 
huis /;/ de Wytmekerstroet tusschen de huizen van Coenrart van 
Gaver en Cathrien Mees. 

In 1550 (N° 14 S) verklaren Christiaen van Eelen en Goert 
Sam, schepenen van Tricht, dat broeder Jan van Kermpt, pater, 
broeder Aert Hanen, procurator, broeder Merten van Kan en 
broeder Steven van Brochelet, namens het geheele Convent der 
Begaarden, met toestemming van Pater Goeyens, generaal minister 
van de derde orde van den Heiligen Franciscus, aan Johan van 
Riempst, hun medeschepen, overgedragen hebben eene jaarlijksche 
rente van 24 schellingen en eene van 5 schellingen, welke het 
Convent voornoemd jaarlijks beurt uit diens huis /;/ de Witmecker- 
straeie^ in ruil voor eene rente van 2 marken 's jaars, welke Johan 
voornoemd jaarlijks beurt uit het huis y,die doiivé*^ op den Kersmerkt. 

In 1551 CN** 15 S) wordt overgedragen aan Jacob van Ryempst 
en zijne echtgenoote Elisabeth Cocx, eene jaarlijksche erfrente, te 
beuren uit een huis met hoeve te Munsterbilsen. 

In 1552 (N° 212 F) wordt aan Johan van Riempst, schepen 
der stad en ongehuwd, verkocht en overgedragen drie ^/^/^;//^rrZv;; 
cijns afkomende van zijn over alde vader Gerard van Erkelens 
(die voorkomt in 1447 met Jehenne zijne vrouw) op een huis 
optie boxstai (Bokstraat); in het volgende jaar werd die rente door 
Johan VAN Riempst overgedragen aan de Broederschap der 
kanunniken van O. L. Vr. in ruil voor eene rente die deze bezat 
op Johan's huis in de Wyimckcrstrotc. Dit huis wordt hierboven 
in 1423 (N° 173 F) beschreven als gelegen tusschen het goed van 
wijlen den heer Johan Hoen van Voerendale, ridder, en dat van 
Johan Hoen van Cortyls, ridder. 



(1) Zie over schepen Jan van Riempst „Oproer ie Maastricht in lbS9'' in: 
Aiaasf^ouzu 1879, p. 51. — Men benierke op hoe grillige wijze de naam van Riempst 
geschreven wordt; blijkbaar geldt het toch steeds dezelfde famihe. 



— 348 — 

De woning van voornoemden Johan, zooeven beschreven, was 
blijkbaar sinds 1529 het stokhuis der familie van Riempst, het 
had echter toen een andere reingenoot dan later in 1545 QN° 13 S). 

In 1553 (N° 16 S) wordt aan den op 1551 genoemden Jacob 
van Ryempst, burger van Tricht, voor 450 Trichterguldens ver- 
kocht eene erfpacht uit een huis met hofstede te Millen. 

In 1559 (N** 17 S; komt Johan van Riempst wederom voor als 
schepen van den Bisschop; in dien brief wordt ook Jacob van 
RiEMST genoemd (zie Groote Gracht) (i). 

't Bovenstaande is een stuk geschiedenis van de familie van 
Riempst, waarvan hier drie generatiën, levende in de XV« en 
XVI<* eeuw, ons voor den geest komen (2^, evenals hunne 
woning in de Witmakerstraat^ blijkbaar gelegen aan den kant 
en in de nabijheid der woning van Burgemeester Bauduin; meer- 
malen toch werd zij vermeld als reinende het goed der familie 
VAN Gaver, dat in de Kapoenstraat lag en een uitgang had in 
de Witmakerstraat. De Poort van Gaveren^ waarover nader bij de 
behandeling der Kapoenstraat, werd in onzen tijd eigendom van 
den heer E. Franquinet, die het onlangs met zijne annexen in de 
Witmakerstraat verkocht aan de Fransche religieuse communau- 
teit „les Dames Réparatrices". 

De in de voorafgaande eeuwen voorkomende van Riempsten, 
die langs het Vrijthof woonden en die ik aldaar opgaf, zullen 
waarschijnlijk de voorzaten van dezen zijn geweest. 

De schrijfwijze van hun naam is bijzonder wisselvallig; ik heb 
ze weergegeven zooals ze in de stukken voorkwam. De voornamen 
Johannes, Jacob, Henricus, Conrardus enz. komen in die talrijke 
familie vaak voor, hetgeen nazoekingen over filiatie zeer bemoei- 
lijkt. Te Lenculen, St. Jacobstraat, op het Balioen, in de Bree- 
destraat troffen wij nog dikwerf de van Riempsten aan. 



(1) De inhoud van de schepenbrieven, met eene S aangeduid, is meer uitvoerig 
medegedeeld, omdat deze nog niet gepubliceerd zijn. De heer D' P. Doppler had de 
welwillendheid deze brieven in regestvorm weer te geven waarvoor ik ZEd. nog- 
maals dank betuig. 

(2) De filiatie van de familie van Riempst vanaf de laatste helft der XVI* eeuw 
tot in die der XVIII*' — toen de mannelijke linie uitstierf — is in de oude burger- 
boeken onafgebroken nategaan. Maria Apolonia, gedoopt in de St. Nicolaaskerk den 
2 November 1789, was de grootmoeder van schrijvers vader. 



— 349 — 

Henric van Riemst was in 1391 en 1393 Burgemeester der 
stad van Luiksche, in 1397, 1401 en 1403 van Brabantsche zijde CO- 
In 1748, den 7 Mei, werd door den Franschen gouverneur, 
graaf de Löwendale, de plechtige eerhersteiling gelast van den 
twee jaren ie voren door de Staatschen als spion opgehangenen 
Simon Aldenhoven, burger van Maestricht. Het uitgedroogde 
rif werd van de galg buiten de voormalige oude Wyckerpoort 
afgedaan en met groote plechtigheid, onder toeloop van eene 
ontzaggelijke menigte, door de Paters Begaarden naar hunne kerk 
in de Witmakerstraat gebracht en na afloop van den lijkdienst in 
den ommegang van het klooster begraven (^). 



91. Wolfstraat. 

(Vicus Suevi). 

Ook deze straat heeft in den loop der tijden herhaaldelijk haren 
naam zien verbasteren. Oorspronkelijk werd zij de Swevestraai 
genoemd, naar de schepenfamilie Suevus, die aldaar haar stok- 
huis had. Een Johannes Suevus of van der Swaf wordt als 
Luiksch schepen der stad genoemd van 1267 tot 1297 [^^, Gaan- 
deweg werd de straat Szvoufstraat genoemd en de schijfwijze 
gewijzigd in V Woufstraat, Wouf nu is in den Maestrichtschen 
tongval Wolf^ zoodat de etymologie der Wolfstraat met eenige 
zekerheid kan vastgesteld worden. Overigens speelde hier, zooals 
bij vele straten het geval was, een uithangbord of gevelsteen in 
die straat zijne rol. Het huis op den hoek der Wolfstraat en 
achter het Vleeschhuis droeg den naam ad lupuin^ in den Wouf; 
aangezien echter het tijdstip waarop die naam aan dat huis ge- 
geven werd niet kan vastgesteld worden, blijft het een open vraag 
of hij ontleend werd aan den reeds verbasterden naam der Sweef 
straat dan wel of de eigenaar van het huis het tceken in den 
Wouf koos, onafhankelijk van den verbasterden naam der straat. 
Het huis in den Wolf wordt het eerst genoemd in 1405 (N° 138 F). 



(1) Maasgouw 1885, p. 1031. 
(^^) Maasgouw 1879, p. 10 en ibid. 1880, p. 1267. 

(^) Ibid. 1890, p. 90 en o. a. N° 41F waar in 1296 Johannes Suevus als schepen 
onderteekent. 



- 350 ^ 

Kuizen in de Wolfstraat en hunne bewoners. 

In 1279 ('N<> 43 F3 is er sprake, in het testament van Lewallus, 
schepen van den Bisschop, van diens steenenhuis, gelegen in de 
Breedestraat op den hoek der Szveefstraat^ in vico swevi. De noot 
bij dien brief geeft zeer wetenswaardige bijzonderheden ten beste 
over de Lonnbarden in de Middeleeuwen; het evengenoemde huis 
behoorde later in de XIV* eeuw aan een hunner. 

In 1320 (N° 161 D) wordt vermeld een huis in plathea wevi 
naast dat van h^^^is, pilleaior (lakenmaker?), waarop eene jaar- 
lijksche rente gevestigd was. Johannes, factor loricarum (wapen- 
smid), deed daarvan afstand in bijzijn van Lisa, de zuster van 
Manegoldus. Deze laatste wordt naderhand herhaaldelijk genoemd. 

In 1326 (N° 60 F) wordt vermeld het huis van Johannes ge- 
naamd Naghel in de Sweefstraat. 

In 1335 (N° 280 D) een huis met camba en curia (brouwerijen 
open plaats) achter uitkomende op de Kersenmarkt, loehoorende 
aan Henricus Boymer, zijne echtgenoote, en zijne kinderen Jo- 
hannes, Helewigis en Katharina. 

In 1338 (N° 97 W) woonde een zekere Vladbecker, in vico 
sveui (waarschijnlijk een vlabakker). 

In 1340 (N° 344 D) is sprake van een huis geheeten de pa- 
vone^ in vico sveviy nunc dicta in den Woelf^ naast dat van Petrus, 
priester en claustrarins van het kapittel van O. L. Vr. 

In 1354 (N*"* 500 en 501 D) is er sprake van het woonhuis van 
Wilhelmus dè Sancta Margareta en zijne echtgenoote Katha- 
rina, dochter van wijlen Waltelinus de Here, burgemeester der 
stad, gelegen tusschen het huis van Robinus de Millen en dat 
van Johannes Daenswaele. 

In 1360 (N* 635 D) van een huis in platea suevi^ gelegen tus- 
schen dat van Gyso Fabri en dat van Arnoldus. In denzelfden 
schepenbrief wordt melding gemaakt van eene brouwerij in die- 
zelfde straat gelegen, naast het huis van Petrus, claustrarins (van 
het kapittel) en dat van wijlen Manegoldus (zie op 1320 en 1340). 

In 1365 (N^ 706 D) vxm de brouwerij van Arnoldus Kaboets 
of Cobouts, in de vicus swevi, gelegen naast het erf van Jo- 
hannes de Nudorp, Johannes de Pise en Ghiselbertus Fabri 
(zie op 1360> 

In 1368 (N° 749 D) wordt de camba Cabouyts met aanhoorig- 



— 351 — 

heden andermaal genoemd in de vicus suevi nog met de Pyse 
en Fabri als onmiddelijke buren (zie op 1365). 

In 1369 (No 218 W) is er sprake van eene brouwerij toebehoord 
hebbende aan wijlen Manegold, gelegen /;/ vico siievi (op de 
keerzijde van den brief staat: ad bona in den Wolf in vico snevi^ 
tusschen het steenen huis van Manegold en de goederen van 
Petrus, clanstrarius der Dekens van het kapittel van O. L. Vr. 
(zie op 1340). 

In 1379 (N° 234 W) worden de hierboven reeds vermelde 
goederen, het erf Manegots geheeten, als gelegen in vico suevi^ 
tusschen die van Helyas, pellifex (bontwerker) en die van Mathias 
DE Haesdaele, brouwer. 

In 1380 (*) komt voor als gouverneur (deken) van het brouwers- 
ambacht, Jo. IN Claboutspanhuis, dezelfde brouwerij als hier- 
boven en hierna bedoeld (op 1365 en 1404). 

In 1404 (N® 1058 D) is er sprake van een cijns, te beuren uit 
het Cabouts panhuys in des Sivoefsiraete (zie op 1380). 

In hetzelfde jaar (N* 1059 D) wordt het Cabouts panhnys in des 
Swoefstraete omschreven als liggende naast het huis van Kathrijn 
VAN Namen en naast dat van Heylwyg Daeskens. 

In 1405 (N«» 138 F) is er sprake van een huis in des Szvouf- 
straete^ gelegen tusschen dat van Rytzart van Hoelbeke, cluec- 
kefter en dat van Goedard in den Wolf^ brouwer. 

In 1415 (N° 153 Fj wordt het hierboven genoemde huis in den 
Wolf^ beschreven als gelegen tusschen het huis van Johannes 
Craeghs en dat van Gerarts der sargenivever opden steynwech^ 
"zooals destijds de straat achter het Vleeschhuis genoemd werd. 

In 1416 (N® 1175 D) wordt vermeld het huis van Gerard, zoon 
van Lenard van Mersen, gelegen in de Sivouffstraete^ naast dat 
van Goedard in den IVo//, brouwer, en dat van Kathryne van 
Remunde. 

In 1425 vond Alex. Schaepkens vermeld, goederen van Heinric 
VAN Eyck in des ïVo//straet {-^. Hij woonde naast Gerit van 
Werde en deze naast Jan Lntten (N° 12o9D). 

In 1435 (N° 1320 D) is er sprake van het huis van Dierich van 



(Ij Maasgouiü 1883, p. 8ü7. 
(2) Pitblications etc, I, p. 58. 



— 352 — 

Heynsberch, der sloetmekere in de Swoefstroete tusschen dat van 
Wilhelm Kuckelantz, schoenmaker, en dat van Margriete van 
Remunde (zie op 1416). 

In 1439 (N*» 183 F) woonde in dit Swoufstraetelii^Xm^Xi Robyns 
in zijn huis geheeten in die Sonne^ gelegen tusschen dat van Cloes 
VAN Slodenaken en dat van Robyn van Millen. 

In 1442 (N** 1366 D) is er sprake van het huis van Jacob van 
Bunde, den steynmetser^ in de Swoefstroete^ tusschen de huizen van 
Johan Hughem en van Reyner Becker, piattynmeker. 

In 1444 (N° 205 Fj) wordt vermeld het erf van Kerstgen van 
Ophem, in Sweefstrote^ gelegen tusschen dat van Herman Bock 
en dat van Henne Kuenens. 

In 1482 (N° 246 Fj had Jacob van Leut, soeimeker, een huis 
i7i die Swoeffstraet^ tusschen dat van Pouwels Azenarii en dat 
van meester Gylis Pelres. 

In 1519 (N** 277 F) is er sprake van het goed van Heynrick 
HoKFFS, gelegen in de Wolfstraet^ tusschen het huis geheeten der 
IVyldeman, van denzelfden Heynrick en dat van Lambrecht van Ass. 

Op een huis in de Wolfstraat las men nog in 1880 op een 
gevelsteen 

CoeLI paX hUIC DoMVI 
d. w. z. De vrede des hemels zij op dit huis. De getalletters geven 
't jaartal 1773 aan (i). 



92. Zwingelput. 

Zie bij Nieuwenhof. 



(1) Maasgouw 1880, p. 270. 



Aanvullingen, 



Bij de Brugstraat /. 102^ noot 2. 

Van Gaspar Schetz van Grobbendonck, zijne afstammelingen 
en hunne alliantiën, is sprake in den kwartierstaat van Antonius 
Candidus graaf van Hoensbroeck (}\ 

w 

Bij de Brusselschestraat p, 104. 

Wordt ten onrechte gesproken van één der torens van de oiide 
Tweebergenpoort^ gelegen achter het huis de drie liters. Die toren 
was de eenige die aldaar voortijds bestond, zooals o. a. blijkt uit 
de aanhaling van 1326 (N^ 76 W ;. 

Bij de Brusselschestraat p, 107, 

Uit de volgende bewoordingen blijkt, dat er voorheen ter rech- 
ter zijde van de Brusselschestraat een straatje liep. Bij de beschrij- 
ving van de terreinen van de Cellebroeders, tegenwoordig Bank 
van Leening, heet het: „Sy hebben door den nieuwen wal eenigen 
„grond van haar hoven verloren, om welke oorsaak daarentegen 
„toegestaan is, dat sy ten oosten van haaren hof langs den muur 
„van den Beyaerd, een straatje of gang tot tegen den nieuwen 
„wal hebben mogen koopen, dat met haaren hof vereenigd is, en 
„daar sy nog haaren uytgang op de wal hebben (2). 

Bij de Capucijnenstraat p, 116, 

Op de plaats, waar de Capucijnen in 1615 hun kerkje bouwden, 



[}) Jos. M. H. EvERSEN, Maasgouw 1907, p. 18. 

(') Adam van Broeckhuysen, Publicaticns etc. XLII, p. 53. 



— 354 — 

in den tegen woordigen Capucijnengang, stond voor dien tijd eene 
kapel aan St. Laurentius toegewijd De op blz. 116 genoemde 
Baron de Lens wordt hier geheeten Lens graaf van Flodorp. 
Aan het uiteinde van den tuin, „staan roode kruysen in het jaar 
„1731 vernieuwd ten getal van twee en dertig waarop met witte 
„letteren de naamen staan der Capucynen, die in de pest gestor- 
„ven en alhier begraaven syn met het jaar-tal daar by . . . (i). 

Bij de Groote Gracht enz, p, 130. 

Het Staten straatje werd in de XVIII* eeuw, ook wel het Munt- 
straatje geheeten (^). 

Bij de Groote Staat p. 161. 

In 1693 logeerden in den Windmolen „a l'hostellerie du Moiilinef" 
de hooge Luiksche Staatsambtenaren door den Prins-Bisschop ge- 
deputeerd om den eed van getrouwheid aftenemen van den door 
de Staten- Generaal tot Gouverneur van Maestricht benoemden 
Jan Adolf, Hertog van Holstein-Ploen (3). 

Om zijne bewering te staven dat Tricht zijn oorsprong te danken 
heeft aan een Romeinsch kamp, dat zich uitstrekte tot aan den 
Oostkant van het Vrijthof, zegt van HeylerhofF (^) dat bij het 
maken van kelders en fundeeringen daar ter plaatse, eene dikke 
laag sponsachtig slijk gevonden werd, vermengd met overblijfselen 
van palissaden en andere voorwerpen die op het bestaan hebben 
van verdedigingswerken wijzen. Eene dergelijke vondst werd ook 
gedaan in 1821 bij den bouw van het Gasthuis aan het Vrijthof 
terwijl „il y a peu d'années un fohds marécageux (die hij toe- 
schrijft aan een gracht van Romeinschen oorsprong) „a forcé 
„de batir sur pilotis une partie de la maison qui porte l'enseigne 
„du Moulinetr 

Hier zij bemerkt dat genoemde schrijver elders C^) den toestand 



(') Adam van Broeckhüysen, Publications etc. XLII, p. 43; verder volgt een 
relaas in latijnsche verzen van de pest die hier in 1683 woedde en waaraan 17000 (?) 
menschen zouden gestorven zijn. Op. cit. p, 43, 44. 

(2) Ibidem, p. 55. 

(3) Jos. M. H. EvERSEN. MaasgoHw 1907, p. 27. 
(*) Annuaire 1825, p. 110. 

(5) Ibid. 1829, p. 107. 



— 355 — 

van den ondergrond op den hoek der Platielstraat, toeschrijft aan 
de grachten, die het Koninklijk paleis uit de V1I« eeuw omringden. 

Bij de W. Hoogebruggestraat p. 186, 

Het St. Gillesgasthuis te Wyck deed voorheen dienst als mili- 
taire Hoofdwacht. In 1731 vermeldde de hieronder aangehaalde 
schrijver (^), dat het „al over langten van jaaren tot een hoofdwagt 
„in Wyk gebruykt is geweest (: voordat de nieuwe hoofdwag tegen 
„de port Alleman je gebouwd is:), in welke tyden de sacristie de 
„plaats voor de officieren en de capel voor de soldaaten gebruykt 
„is." Het geldt hier dus eene speciale Hoofdwacht voor Wyck. 

Bij de Kcrsenmarkt p, 204. 

De Goesxvyntören gaf in de XV« eeuw zijn naam aan de pairi- 
cische familie Heutz (2). 

Bij de Linknlemtraat p, 231 en dij het Vrijthof p, 331, 
Hetgeen van het graafschap van den Vroenhof of Hof van Len- 
ciilen en het Mnnthuis daarvan bij de behandeling der Linkulcn- 
straat en van het Vrijthof (Statenhuis) geschreven is, kan aange- 
vuld en hier en daar gewijzigd worden door bijzonderheden, 
voorkomende in een onlangs verschenen opstel van den heer Jos. 
M. H. Eversen (3). 

Volgens van Heylerhof zou het Mnnthuis van den Vroenhof 
reeds in de XI« eeuw gestaan hebben ter plaatse waar in de 
XVIIl* eeuw het Statenhuis werd gebouwd (^). 

Bij het Vrijthof p 337, Noot 3. 

De Helmstraat wordt ook in de XVIII* eeuw aangetroffen on- 
der den naam van het Pompstraatken of den Elleboog, Onder deze 
benamingen wordt de straat genoemd waar de Predikheeren „haar 
„uytgangen hebben" (0). 



(») Adam van Broeckhltyzen. Publicaiions etc. XLII, p. 26, 27. 

(2) D' P. DOPPLER. Maasgouw 1907, p. 21. 

(3) Maasgouw 1907, p. 49. 

(^) Vergelijk de desbetreffende citaten aangehaald bij het Statenhuis^ o. a. Jaar- 
boek 1851, p. 236. 
(5) Adam van Uroeckhuysen, Pubiications etc. XLII p. 11, 52 en 55. 



Bronnen waarvan gebruik werd gemaakt. 



Almanak van Maestriciit van 1786. 

Annales de la Société Historique et Arciiéologique a 

Maestricht, vo!. 1, II (1854—1858). 
Annuaire de la province de Limbourg, rédigé par la Société 

des amis des sciences, lettres et arts. Années 1824-1831. 

Maestricht, L. Th. Nypels. 
Archieven van den Nieuwenhof. 
SiMON A Bellomonte (de Beaumont), kapelaan van St. Servaas- 

kerk, kaart van Maestricht in vogehicht (uit den atlas van Braun 

en Hogenburg 1580). 
Bulletin littéraire des Mélophiles (Hasselt). Jaargang 1884. 
Gasparus Commelin, Beschryving der Stadt Avisterdain, Dl. II, 

geïllustreerd in fol. Amsterdam, Wolfgang, Waasberge, Boom 

van Someren en Goethals. MDCXCIII. 
D*" P. DOPPLER, Nécrologe de la Confrérie des chapelains de la ei- 

deDant collegiale de Saiut-Servais a Maestricht. Maestricht, Math. 

Schols, 1897. 8^ 
L. VON Fisenne. L'art monumental au moyen-dge. L'ancienne Mai- 

son de Ville. 2"^ Série 1"^^ livraison. Aix-la-Chapelle, Librairie 

Cremer, 1881. Fol. 
A. J. A. Flament, Geschiedenis van het Huis der Twaalf Apostelen 

genaamd „de Belick'*'* te Maastricht. Maastricht, Leiter-Nypels, 

1892/93. 4r 
M"^ G. D. F^RANQUINET, Beredeneerde Inventaris der oorkonden en 

bescheiden van het kapittel van O. L. Vrouwekerk te Maastricht^ 



— 357 — 

Dl. I (1870) Maestricht, Ch. Hollman, 01.11(1877) Maastricht, 

Henri Bogaerts. 
M' G. D. Franquinet, Inventaris der perkamenten^ charters^ pri- 

vilegiebr teven y bullen en andere stukken en bescheiden berustende 

ten archieve der Stad Maastricht, — A. H. Roberts, 1853. 
FoNTATNE MONUMENTALE DE Saint Servais. Opuscule. Maestricht, 

Imprimerie »le Courrier de la Meuse", 1889. 
LoUYS Guicciardini, Description de tous les Pays-Bas, autrement 

appelllez la Basse-Allemagne. — Anvers 1616. 4** oblong. 
A. F. Haakman en H. J. Allard, Het beleg en de zoogenaamde 

verwoesting van Maastricht in 1579. — Roermond, J. J. Romen 

en zonen 1877. 8°. 
A. Habets, Le plus ancien Registre aux résolutions du conseilcom- 

munal de Maestricht (1368—1379). Hasselt, Winand Kloek. 

1902. 
Jos. Habets, Geschiedenis van het Bisdom Roermond, Dl. IIL Roer- 
mond, J. J. Romen & zonen. 1892. 8^ 
De Wederdoopers te Maastricht tijdens de Regeering van 

Keizer Karel V, Roermond, J. J. Romen & zoon. 8<>. 
Jaarboek voor het Hertogdom Limburg 1846, 1850, 1851. 

Maestricht, Bury-Lefebvre. 8^ 
Jaarboekje voor Limburg, 1868 tot 1875. Maastricht, Leiter- 

Nypels. 12o. 
ViCTOR JoLY, Le Siége de Maestricht sous Alexandre Farnèse, Duc 

de Parme en 1579. Maestricht, Bury-Lefebvre, 1840. 12*. 
David van der Kellen Jr. ^de Oude Tijd'*^ Jaarg. 1869, 1870. 

Haarlem, A. C. Krusemans in. 4^ 
De Maasgouw, Orgaan voor Limburgsche geschiedenis, taal- en 

letterkunde. Jaargangen 1879, 1880, 1883—1886, 1888-1890, 

1893—1906. 
Pélerin, Essais historiques et critiques sur le département de la 

Meuse Inférieure en général et la ville de Maestricht^ chef-lieu^ 

en particulier. Maestricht, Francois Cavalier, An XI 0803). 8^ 
A. Perreau, Recherches sur les corporations des metiers de la ville 

de Maestricht et sur leurs méreaux, Bruxelles, Librairie scienti- 

fique. 1848. 8«. 
Provinciale Almanak voor Limburg 1876 tot 1906. Maas- 
tricht, Lei ter-Ny pels. Roermond J. J. Romen en Zonen. 12^ 

23 



358 — 

PUBLICATIONS DE LA SOCIÉTÉ HlSTORIQUE ET ArCHÉOLOGIQUE 

DANS LE DUCHÉ DE LiMBOURG, vol. I a XLII. C1859— 1906). 42 

vol. S^. 
Jos. RUSSEL, Geschied' en oudheidkundige schets der Stad Maas- 
tricht. 1883, 1884. 2 dln. 8o. 
Ch. Ruys DE BeerenbroUCK, Het strafrecht in het oude Maastricht, 

Academisch proefschrift. Maastricht, Leiter-Nypels. 1895. 8°. 
Alex. Schaepkens, Analectes archéologiques. Anvers, J. E. Busch- 

mann. 1860. 8^ 
- — Archives de PEglise Notre-Dame, Extrait des Annales de 

TAcadémie d'Archéologie de Belgique. 1855. 
Saint'Lambert^ son berceau et son premier tombeau. Illustré; 

inédit. 
Maestricht-Forteresse^ la Ville ses environs. LXI Eaux fortes. 



Maestricht-Bruxelles. 1893. Fol. • 
Arnaud Schaepkens, La Vierge a l^encrier. (Publications II, p. 140). 
Mathieu Kessels^ statuaire, opuscule iilustré. Anvers, J. E. 

Buschman. 1854. 

Le Perron LiégeoiSy opuscule iilustré. 

Guillaume de h Marck, opuscule iilustré. 

Jules Schaepkens, Limburger Koerier 19 Sept. 1903. 

W. Sprenger, Historische Plattegrond van Maastricht. 

L. J. SURINGAR, Bijdiage tot de kennis van den regeeringsvorm van 

Maastricht en zijn ressort^ meer bijzonder gedurende het tijdvak 

1632 — 1794. Academisch proefschrift. Leiden, Gebroeders van 

der Hoek. 1873. 8^ 
AuG. Thierry, Récits des temps mérovingiens. Bruxelles, J. Jamar 

1840. 4^ 
Jacq. Vrancken, St. Servatius'legende.., Maastricht, St. Paulus- 

Drukkerij. 1884. 8°. 



Desiderata. 



In den loop mijner studie ben ik vaak in de gelegenheid ge- 
weest om te wijzen op voormalige toestanden van straten, pleinen 
en gebouwen, en drukte ik hier en daar den wensch uit, dat, 
waar dit uitvoerbaar is, die toestanden geëerbiedigd, oude gebou- 
wen door oordeelkundige restauratie voor verder verval behoed, 
anderen in huii primitieven vorm zouden hersteld worden. 

Hier zij met genoegen erkend, dat hedendaagsch op kunst-his- 
torisch gebied door de tegemvoordige Gemeente-administratie veel 
goeds is tot stand gebracht, in tegenstelling met de afbraak-woede 
die zonder gave des onderscheids vooral aan de orde van den 
dag was bij de ontmanteling der stad omstreeks 1868. 

Aan onzen stadgenoot, den uitvinder van het lichtgas. Jan 
Pieter Minckelers is door het hem oprichten van een stand- 
beeld eene welverdiende hulde gebracht. 

Sinds eenige jaren is de omgeving van de Heipoort gaandeweg 
verbeterd; oude gebouwen van het voormalige slachthuis zijn af- 
gebroken en alzoo een begin gemaakt met de isoleering van het 
zoo merkwaardige oude militaire bolwerk door de zorg van 
Jhr. V. DE Stuers gerestaureerd. 

Het torentje van „Pater Vink" en de daartoe behoorende oude 
stadsmuren van 1229, zijn in hun ouden vorm wederom opge- 
bouwd en geven nu in werkelijkheid te aanschouwen, wat op de 
tentoonstellingen van oud — dit of dat, in bordpapier met gips- 
bekleeding tijdelijk werd daargesteld. 

De gevel der Augustijnenkerk is oordeelkundig gerestaureerd, 
alleen ontbreken er nog beelden in de nissen. 



— 360 — 

Er wordt ernstig gedacht aan de restauratie in zijn oorspron- 
kelijken vorm van den gevel van ons oude Dinghuis(i); ook die 
van de Predikheerenkerk is in studie; beide aanzienlijke werken 
zullen zonder twijfel ter hand genomen worden, zoodra Rijk en 
Provincie daartoe hunne onmisbare medewerking zullen verleenen. 

Eene galerij van portretten van Oud Burgemeesters der stad 
is aangelegd en zal jaarlijks uitgebreid worden. 

Dat alles is evenwel slechts een schrede op den goeden weg. 
Veel dient er nog gedaan, behoed, hersteld te worden. Alles niet 
in eens, maar oordeelkundig en ook onder een finantieel oogpunt, 
naar gelang van omstandigheden. 

Zoo komt het mij wenschelijk voor, dat de volgende dèsiderata, 
wier verwezenlijking ik echter wel niet meer allen beleven zal, 
aandachtig overwogen en bij gelegenheid uitgevoerd worden. 

I®. De gevel van het Faliezustersklooster dient ontdaan van zijn 
kalk- en verflaag, de trapgevels aan de zijkanten evenals de kroon- 
lijst onder het dak in hunnen voormaligen vorm hersteld te worden. 
Indien dan het voorgenomen plan verwezenlijkt zal wezen om in 
de omgeving van het „Pater Vinck torentje^'* een plantsoen aan te 
leggen, waardoor de Jeker kronkelen en kabbelen zal, dan zal het 
XVll* eeuwsch Faliezustersklooster geen vlek meer op het bekoor- 
lijke landschap zijn, doch tot sieraad strekken van het rëeele Oude 
Tricht, alsdan samengesteld uit de oude constructies op het Be- 
gijnenplein en het lang Grachtje; met in 't verschiet de Heipoort, 
de Minderbroederskerk, de rondeelen „Haet en Nijt" en „de Vijf 
Koppen". Deze dienen dan, evenals de verbindende walmuur, met 
gekanteelde borstweringen te worden voorzien, terwijl aan eerst- 
genoemd bastion de sierlijke gothische frise dient gecompleteerd 
te worden. 

Dat complex zal waarlijk bezienswaard en eene weergalooze 
aantrekkelijkheid voor vreemdelingen zijn! 

2<>. Het Stadhuis prijkte oorspronkelijk met vier monumentale 
schoorsteenen, die op de vier hoeken van het mansarde dak 



(1) Medebrengend het herstel van den buitentrap mei bordes, versierd door twee 
klimmende bronzen leeuvren, de schilden houdende met de wapens van Frabant en 
Luik; de herstelling van de vensteromlijstingen en kroonlijsten; de aanmerkelijke 
verhooging van het fronton, zoomede de voorzichtige herstelling van de tympans 
boven de vensters, die van het ijzeren traliewerk dienen ontdaan te worden. 



^ w. ~. ■^ 



— 361 ^ 

stonden; zij maakte een integreerend deel uit van het gebouw, 
en waren daarvan een onmisbare tooi. Zij werden een dertigtal 
jaren geleden, ik weet niet meer onder welk onsteekhoudend voor- 
wendsel, afgebroken. Zij dienen in hun oorspronkelijken vorm 
hersteld te worden. 

3®. Het Marktplein was voorheen horizontaal terwijl de voor- 
gevel van het stadhuis, zich drie treden boven het plein moest 
verheffen; de oorspronkelijke plannen van den bouwmeester Post 
op de Stadsbibliotheek en in het Rijksarchief aanwezig, doen 
zulks zien. Zoodoende zou het monument, zooals zijn bouwmeester 
het wilde, beter tot zijn recht aanzien zijn gekomen (i). Indien 
de herbestrating van de markt, die niet zeer lang meer zal kunnen 
uitgesteld worden, aan de orde zal komen, grave men het Plein 
af en herstellen men de evenbedoelde trappen: drie aan den voor- 
gevel, geleidelijk drie, twee en één aan de noord- en zuidzijde De 
aan de noordzijde van de Markt gelegen huizen zouden dan niet 
meer zooals thans als het ware in eene kuil liggen. 

4°. In verband daarmede make men van de Markt een plein, 
ten. Noorden, ten Westen en ten Zuiden omzoomd door straten 
waar langs alleen het rij tuig ver voer dient plaats te hebben; het 
Vrijthof moet toch ook omi^den worden; de veiligheid van 
voetgangers en marktkramers zal er bij winnen. Indien langs de 
evengenoemde zijden van het Stadhuis een rijweg, in verbinding 
met de Visch markt en de Nfeuwstraat open gelaten wordt, zal 
aan alle verkeerseischen voldaan zijn. De drie aldus gevormde 
pleinen, — aan den achterkant (oostzijde) is daartoe gcene plaats — 
omzoome men met twee rijen laag wassende boomen, bol-accasias 
of waaier-olmen, zooals op het Cörversplein en de Vischmarkt 



(}) »Le conseil décréta plus d'une fois de s'en tenir strictement aux plans de 
«Tarchitecte Post; cependant Tinspection des dessins gravés montre qu'on y a fait 
j»dans Texécution plusieurs changements qui, selon nous, sont loin d'avoir éié des 
«aniéliorationl. . . . Un perron de trois marches devait s'étendre devunt la fa^ade 
«principale dans toute sa longueur, ce qui aurait henreustmait relevé rédifce; 
»sans doute on ne songeait pas alors è changcr Ie niveau du pavé de la place, qui 
»depuis a été considérablement exhaussé vers son milieu pour donner un écoulement 
»plus facile aux eaux de pluie.r — (Van Heylrrhoff, Jaar boek voor het Hertogdom 
Limburgy Jaargang 1850 p 256, 257.) Met ons modern doelmatig systeem van rio- 
leering zou aan dit laatste bezwaar gemakkelijk kunnen te gemoet gekomen worden. 



— 362 — 

staan; het geheel zal een voortreffelijken indruk maken terwijl de 
schaduw der boomen de marktventers en marktbezoekers ten 
goede zal komen. Dit laatste denkbeeld is volstrekt niet nieuw; 
zooals de gravure, in dit werk bij de Boschstraat ingelascht, ge- 
deeltelijk te zien geeft, waren voorheen boomen langs de Markt 
geplant, even als langs de geheele Boschstraat, die wegens hare 
breedte en die harer trottoirs, evenals thans het noordelijk ge- 
deelte daarvan, voor beplanting dient in aanmerking te komen. 
De straat loopt van Zuid tot Noord, zoodat in de zomermaanden, 
schaduw daar ter plaatse zeer welkom zou zijn. Overigens wordt 
in alle steden, zoowel moderne als oude, beplanting aangebracht 
uit een decoratief en hygieënische beginsel. Wie zou nog de 
boomen op de Vischmarkt, op het Görversplein en elders, die 
zoolang vruchteloos verlangd werden, thans nog willen missen? 
Men denke ze zich daar en in de nieuwe stadswijken eens weg! 
5«. Om terug te komen op het Stadhuis; eene verandering aan 
het gebouw imponeert zich m. i. De tegenwoordige vensters die 
men, door ze bruin-rood te verven, te vergeefsch getracht heeft 
in harmonie met het geheel te brengen, behooren door de steenen 
kruisvensters vervangen te worden, bij den bouw door Post 
gewild en ook aangebracht (i). Te vergeefs trachtte men toen- 
maals „de les construire dans Ie gout moderne francais, . . . mais 
„Ie conseil, après avoir entendu les avis des experts qui pensaient 
„qu'en renoncant aux croisées (en* pierre) on nuirait a la solidité 
„du batiment, décida qu'on suivrait strictement a eet égard les 
„dessins de 1'ingénieur Post" (/), In een tijd van proverbialen 
wansmaak, in 1839(3) bracht men evenwel het offer aan „legout 
„moderne francais*', de kruisvensters werden uitgebroken en door 
de tegenwoordige vensters, die nauwelijks te hanteeren zijn, ver- 
vangen; men herstelle die begane fout tegen de bouworde van 
het gebouw; zijne „physionomie" (vensters zijn er als het ware 
de oogen van) wordt daardoor geschaad (*). 



(1) Raadsnotulen 8 December 1659. 

(2) Jaarboek 1850, p. 253. 
(») Maas^i^ouw 1889, p. 168. 

(*) Het hierboven aangehaalde is ook hier toepasselijk, niettegenstaande dat van 
Heylerhoff de kruisvensters afkeurde (Jaarboek 18^:0, p. 253, 254), behept alsook hij 
scheen te zijn met „Ie gout moderne fran^is". Zijn argument als zouden deze beter 



- 363 ~ 

6". De overblijfselen van eene militaire constructie op den 
rechter Maasoever, daar waar de Maas binnen de Gemeente 
stroomt, op de plaats, het Maaspuiit geheeten, zijn die van een 
versterkt kasteel met toren, dat waarschijnlijk tegelijkertijd (XI' 
eeuw) met de Heipoort gebouwd werd (}) en evenals deze tot 
verdediging diende der toenmalige Maasbrug, die de Kassei — 
(O. L. Vrouwe poort) met het daartegenover liggende „Water- 
poortje" verbond (2). 

De toren is nog zichtbaar en hecht en wordt vermeld hoog 
te zijn geweest. 

In 1267 werd de vesting belegerd door Hendrik van Gelder, 
Prins-Bisschop van Luik en tevens heer van Montfort bij Roer- 
mond (3), die in oorlog was met bovengenoemden Hendrik III, 
en, ofschoon Dirk, vrijheer van Valkenburg, daarin eene bezetting 
van 300 man had gelegd T*), ingenomen en verwoest evenals de 
Maasbrug. De afbraak daarvan werd door den veroveraar gebruikt 
tot het bouwen van den burcht van Montfort (^), waar hij, na op 
het Concilie van Lyon in 1274 afstand te hebben gedaan van de 
bisschoppelijke macht, zich vestigde. In 1285 werd hij vermoord 
en zijn lijk in de Munsterkerk te Roermond aan de voeten zijner 
ouders begraven (<>). 

De hooge oudheid van den toren aan het Maaspunt, de histo- 
rische herinnering, die eraan is vastgeknoopt, benevens zijne schil- 
derachtige ligging, pleiten voor zijne reconstructie, die trouwens 
geen aanzienlijke kosten zou veroorzaken en een waardige tegen- 
hanger zou zijn van de statige Heipoort. 

7**. Betere, ruimere en vooral meer veilige localiteiten dan het 



passen bij den klassieken stijl van het stadhuis, zooals hij door bij afwisseling van 
de verschillende oude bouworden, dorisch, ionisch en composiet, blijkt te zijn, is 
niet steekhoudend. Het geheele gebouw draagt den stempel van eene XVII" eeuw- 
sche constructie en daarbij passen kruisramen. 

(1) Annuaire 1825, p. 113. 

(*) Elders (^Annuaire 1826, p. 104) zegt van Heylerhoff dat het vestingwerk ge- 
bouwd werd door Hendrik III, Hertog van Brabant, die in 1248 aan de regeering 
kwam. Zie ook daarover PublkaHons etc. II, p. 418. 

(3) Over Hendrik van Gelre, 09»'«" Bisschop van Luik, zie Maasgouw 1902, p. 27. 

(*) Annuaire 1826, p. 105. 

(*) Maasgouw 1886, p. 32. 

(ö) Publications etc. XIV, p. 442. 



^ 364 — 

Oude Dinghuis daar thans toe aanbiedt, dienen ingericht te worden 
voor het Provinciaal Geschied- en Oudheidkundig Museum. 

In dit gebouw toch, met zijn ontzaggelijk geraamte van eeuwen- 
oude eikenhouten balken, zoo hoog, dat bij brand aan geen 
blusschen zou te denken zijn, waar door de aanwezigheid op de 
bovenste verdieping van het Centraalbureau der Telephoon voort- 
durend een steeds dreigend brandgevaar bestaat^ nog vermeerderd 
door de stookplaatsen van een op eene benedenverdieping wonenden 
politieagent met zijn gezin, — in dat gebouw, hoe keurig en 
waardig ook als kader, mogen onze kunst- en geschiedenisschattcn 
geen oogenblik langer dan absoluut noodzakelijk, meer vertoeven. 

Het is te hopen dat, nadat de onderhandelingen tusschen het 
Rijk en de Gemeente over de overname van vestingterreinen en 
kazernegebouwen gevoerd, tot een bevredigend resultaat zullen 
hebben geleid, er gelegenheid zal bestaan om geschikte localiteiten 
in- of op te richten in de oude kazerne aan de St. Pieterstraat, die 
zich het Departement van Binnenlandsche Zaken gereserveerd 
heeft Daar ter plaatse zou dan het Rijks-Archief, het Gemeente- 
Archief, de Stadsbibliotheek met het Museum kunnen vereenigd 
worden. Dit laatste, beter en ruimer geïnstalleerd, zou zeer zeker 
meer bezocht en meer bekend worden en door giften en testa- 
mentaire beschikkingen uitbreiding erlangen. Zóó ging het met 
de Stadsbibliotheek. Nu is het Museum vrijwel onbekend ^"^ onbemind. 

De localiteiten in het Oude Dinghuis, gemeubeld in den stijl 
van het gebouw, zouden opperbest, mits uitsluitend^ kunnen dienen 
voor een Gemeentelijke Administratie zooals b.v. de Stedelijke 
Spaarbank. Het is zonde, dat niet alleen het Museum, doch het 
eerbiedwaardige gebouw zelf aan aanhoudend steeds dreigend brand- 
gevaar blijft blootgesteld. 

8<>. De grafsteenen in de St. Servaas- en in de O. L. Vrouwe- 
kerk moesten rechtop tegen de wanden der kapellen geplaatst 
worden, ten einde ze tegen verdere afslijting te behoeden. Daartoe 
bestaat voor schier allen gelegenheid en plaatsruimte. 

9°. In verband met de reconstructies op het Begijnenplein, be- 
hoort de omwalling van 1229, de oudste van geheel Nederland en 
België, wier stadszijde door de afbraak der afschuwelijke krotten 
op het lang Grachtje bloot gelegd is, voor verder verval en tegen 
de vernielzucht onzer lieve straatjeugd behoed te worden. 



— 365 — 

Nu die walmuur, door de afbraak van het hoekhuis naar den 
kant der St. Pieterstraat, voor iederen voorbijganger in deze straat 
zal zichtbaar zijn, duldt deze restauratie geen lang uitstel meer. 
Het te gebruiken materiaal zij vooral geen mergelsteen, doch de 
primitieve ijzersteen. 

Wellicht kan ook eene combinatie gevonden worden om een 
nog zeer goed geconserveerde toren in dien muur, zichtbaar 'in 
een achterhuis der St. Pieterstraat, bloot te leggen. 

lO». In verband met hetgeen in den loop dezer studie is gezegd, 
zal het wel geen nader betoog behoeven, dat sommige verbasterde 
namen van straten in hunnen oorspronkelijken vorm behooren 
hersteld te worden. Zoo heete men voortaan: 

de Korte Straat, de Cortenstraat, 

de Koekschroefstraat, de Coxstraat^ 

de Kaarsenmarkt, de Kersentnarkt^ 

de Koevliegenstraat, de Kwadevliegenstraat, 

de Linkulenstraat, de Lenculenstraat^ 

de Heistraat, de M^-Hoogbrng^estraat van af de O. L. Vrouwe- 
tot aan de Oude-Minderbroederstraat; de fatsoenlijke bewoners 
van dat gedeelte zouden er bijzonder dankbaar voor zijn. 

Voorts zou het wenschclijk zijn dat de aloude naam van den 
Vroenhof gegeven werd aan het naamlooze plein voor het Staten- 
huisj dat de eeuwen-oude en geheel verdwenen naam van 
Iweebergen gegeven werd aan de Oude-Brusselsche-poort die dan 
zou worden Oiide-Tweebergen-poort ; dat de naam van Graanmarkt^ 
van Ronieinschen oorsprong, die zou worden van het plein aan 
de voormalige O. L. Vrouwepoort. 

Aan onzen Gemeenteraad zij deze wijzigingen aanbevolen, wan- 
neer weldra aan nieuwe stadsgedeelten namen zullen verstrekt 
worden. 



In een onderhoud, dat ik het genoegen had met Jhr. Victor 
de Stuers te hebben, betuigde mij deze zijne volkomen instemming 
met en goedkeuring van deze plannen; hij lichtte mij in met 
zijn raad en beloofde mij de verwezenlijking dier plannen, voor- 
zooverre het in zijn macht zou liggen, te bevorderen. Geen wonder 
want velen daarvan waren, zonder dat ik het wist, ook de zijnen. 



~ 366 — 

Meer speciaal echter van hem, zijn de volgende desiderata. 

1®. De Hoofdwacht amoveeren. Het gebouw heeft geene archi- 
tectonische waarde, ontneemt het gezicht op St. Servaas- en trekt 
de aandacht daarvan en van de St. Janskerk ti. Was ze er niet 
meer dan zouden de zuid- en westzijden van het Vrijthof, waar 
zeer weinig gewandeld wordt, niet meer zoo verlaten zijn. (De 
isoleering van St. Servaaskerk die zeer zeker vroeg of laat aan 
den Anker zal ondernomen worden, zou daardoor ook aan de 
zijde van het Vrijthof kunnen voltooid worden; een paar panden 
staan daar slechts in den weg). 

2'. De walmnur aan het klein en lang Grachtje bijwerken en 
herstellen. Het is de oudste omwalling, niet alleen van de stad 
maar van geheel Nederland en België. Eene afsluiting van de 
aangrenzende perceelen is daar toch noodig en men kan geen 
betere, soliedere en interessantere hebben dan deze. 

3®. De Cellebroederskerk (Bank van Leening) dient gerestaureerd 
en wederom als kapel of bijkerk gebruikt te worden. Het zou zonde 
zijn als dit sierlijk gebouwtje te gronde ging. 

4^ De 'Maasbrug dient met hand en tand verdedigd te worden 
tegen wandalistische voornemens. Voor de scheepvaart is het vol- 
doende den modernen boog aan de zijde van Wyck te vervangen 
door een ijzeren travee van de dubbele lengte, hetgeen zeer wel 
mogelijk is en veel minder kostbaar dan eene geheel nieuwe brug. 

5**. Boven den ingang van het St. Gillis gasthuis dient het door 
de Fransche Republikeinen weggekapte borstbeeld hersteld te 
worden. 

6°. Het plan der oude Romeinsche poort (Porta Regia, de voor- 
malige O L. Vrouwepoort) moest op de .juiste plaats van haar 
emplacement door een andere soort steenen in de bestrating aan- 
geduid worden. 

7^ De poterne in den wal nabij den Nieuwenhof, waarvan nog 
zichtbaar zijn de kraagsteenen van een uitgebouwd torentje met 
machicoulis, dient gespaard te worden; de aldaar te maken percée 
kan gevoeglijk ernaast geopend worden. 

8®. In het Hoofere Burgerschoolgebouw spare men wat nog over 
is van den XIII'' eeuwsche Refter (zaal voor Physica) en brenge 
hem zoo mogelijk aan het licht. Twee allermerkwaardigste houten 
standvinken met gebeeldhouwde kapiteelen zijn daar onlangs weg- 



- 367 — 

gebroken en onder het puin geworpen. Gelukkig heeft de archi- 
tect Sprenger ze gered en naar het Museum doen overbrengen. 

9**. De overgebleven muur der kerk van den 5^?;'^r/ worde door 
eene laag cement legen inwatering afgedekt. 

10®. De zval achter het Gereformeerd Weeshuis over den Jeker 
herstellen; het is een zeer interessant stuk vestingwerk van ± 1230 
evenals de walmuur achter de Marechaussee-kazerne en in het 
Grachtje. 

11°. De Torefi aan de Oude Brusselsche poort (achterkant van 
het huis „de drie liters'*^ behouden en herstellen; hij maakte ook 
deel uit van de omwalling van de XIII« eeuw. 



Naschrift. 



De heer Ch. Jelinger had de welwillendheid om oude stads- 
gezichten in zijn bezit, tijdelijk ter vervaardiging van zincogra- 
phische clichés, aan het Geschied- en Oudheidkundig Genootschap 
af te staan. Aan ZEd. is het dus te danken dat van het Oude 
Tricht thans ook in beeld enkele straten en pleinen voor de oogen 
der lezers verschijnen. Hem zij daarvoor vooral door den schrijver, 
vriendelijken dank betuigd; die illustraties zullen niet weinig tot 
aantrekkelijkheid van het werk bijdragen. 



Het trekt wellicht de aandacht, dat Maestricht en daarvan af- 
geleide woorden niet met de dubbele ^, doch met ae geschreven 
zijn. De schrijver is de meening toegedaan, dat met de spelling 
van plaatsnamen niet lichtvaardig behoort omgesprongen te wor- 
den en de grillen van veranderde spelling daarop niet moesten 
toepasselijk zijn. Maestricht was in de Middeleeuwen meer speciaal 
een Brabantsche stad en haar naam werd steeds met de daar in 
zwang zijnde ae geschreven. Vondel trouwens deed dit ook, zoo- 
mede de Hollandsche geschiedschrijvers uit de XVII* eeuw, Bor, 
Hugo de Groot, van Meteren, Danckaertz en anderen. De dubbele 
a moge de voorkeur verdienen onder taalkundig opzicht (?), er 
bestaat evenwel geen reden om de taalkunde op een eigennaam 
toe te passen; een eigennaam, hij zij die van een persoon of een 
geographische, behoort onveranderd te blijven, zijn oorspronkelijk 
karakter niet te verliezen. De Vlamingen die ook de dubbele a 
aangenomen hebben en met de Nederlandsche spelling en woor- 



— 369 — 

denkeus zoozeer dweepen — men denke aan hunne soms potsier- 
lijke manie om vreemde woorden, veelal Fransche, in 't Neder- 
duitsch te vertalen, de Vlamingen hebben de oorspronkelijke 
schrijfwijze behouden; terecht zouden zij een in Maaseik gemo- 
derniseerd Maeseyck niet terugherken nen. 

Trouwens waarom werd de naam van Maestricht gemoderni- 
seerd, terwijl in Nederlandsch Limburg er tal van gemeenten 
zijn, wier naam thans nog officieel met hunne oude, oorspronke- 
lijke spelling geschreven worden? Waarom wordt b.v. niet ge- 
schreven Eigelshoven in plaats van Eygelshoven^ Nieuwstad, in 
plaats van Nieuwstadt^ Eisden, in plaats van Eysden^ Schaasberg 
in plaats van den bewaard gebleven naam Schaesberg ? Zeer zeker, 
en terecht, ter eerbiediging van de oude historische spelling. 
Welnu, schrijvers mopiing is, dat evenals in Schaesberg^ ook in 
Maestricht de ae dient bewaard te worden. Het is dan ook zijns 
ondanks, dal de letterzetter, in de meening verkeerende dat er in 
't manuscript vergissing was, de dubbele a plaatste; er was geen 
gelegenheid meer de ae te herstellen. 

Dat ik trouwens ieders meening in deze eerbiedig, bewijst 
het feit dat ik bij aanhaling van andere schrijvers steeds de 
schrijfwijze door hen gebruikt, heb weergeven. 



Van Wyck zijn slechts enkele straten behandeld doordien de 
schepenbrieven ze slechts zelden vermelden; meestal is er enkel 
sprake van Wyck^ zonder nadere omschrijving. 



Het Cijnsboek van het huis Nieuwenbroeck, 

GRAFELIJK BENTHEIMSCH LEEN 

ONDER BEESEL (bij Venlo), 

MEDEGEDEELD MET INLEIDING EN AANTEEKENINGEN 

DOOR 

A. J. A. FLAMENT, 

RiJKs-ARaiivAiiis IN Limburg, t 



Het Cijnsboek, waarvan wij den inhoud hier laten volgen is in 
het bezit van den Hoog Welgeboren heer Baron F. B. C. H. van 
Splinter, thans eigenaar van het kasteel Nieuwenbroeck, die zoo 
vriendelijk was het ter afschrift te verstrekken, waarvoor wij hem 
hier nogmaals onzen dank betuigen. 

Het is een klein folio van 70 bladzijden. 

Men vindt er zeer eigenaardig den toestand in weergegeven van 
een oud cijnshof en van de rechtsgebruiken daar in voege, tevens 
een overzicht van de inkomsten der adellijke heeren vóór de 
Fransche Overheersching, die, in het departement der Nedermaas, 
waartoe Beesel behoorde, in 1794 begon. 

Vooral is het merkwaardig voor de beschrijving van het rechts- 
geding, dat duidelijk aan het Oud-Germaansch recht en het cere- 
monieel en de gebruiken daarbij in achtgenomen herinnert, zooals 
tijdens het bezoek van H. M. de Koningin aan Drenthe eenige 
jaren geleden, in 1895, in de Ballerkuil aanschouwelijk werd voor- 
gesteld (^). Ook hier toch wordt gevraagd (door een laatschepen in 
casu) of het tijd is het gericht te beginnen. Uitvoeriger klonk de 



(Ij De oud-archivaris in Drenthe, thans raadsheer in den Hoogen Raad, Seerp 
Gratama, die deze voorstelling mede organiseerde, schreef hierover met Dr. L. Knappert 
een boek getitteld: ^yBij klimmende Zonne^ Germaansche rechtspleging in den 



II 
u 

h 
II 



•s, 
I 

I 



— 371 — 

vraag aldus o a. ook bij sommige gerichten in Limburg van voor 
de Fransche Overheersching: of de zon al hoog genoeg aan den 
hemel stond; zooals wel is op te maken uit een beschrijving van 
een kemprecht te Maastricht in 1454 in Publications, dl. 34, bladz. 
322. »Item dan daer noe, alst int hoechste van der sonnen is, ende 
die sonne besteyt om me te goen, soe sal der scoutet dye sche- 
penen omme recht manen". 

Hier mogen eenige aanteekeningen over Nieuwenbroeck en zijn 
opperleenheeren en leenmannen of onmiddelijke bezitters volgen. 

Of het huis Nieuwenbroeck ooit, althans in vroeger eeuwen, 
de zetel van eene heerlijkheid met hooge en lage gerechtigheid is 
geweest, weet ik niet, de middelbare of laat- of grondgerechtigheid 
te Beesel had het wel, ook blijkens dit cijnsboek. 

Het bezit der tienden en vergeving der pastorie — ook heerlijke 
rechten — had Nieuwenbroeck zeker, blijkens het vermeld cijns- 
register, terwijl de molendwang alleen voor de laten bestond. 

Deze molen schijnt ook Geldersch leen te zijn geweest^ althans 
van 1637 tot 1744 vond ik Geldersche leenverheffingen voor het 
Hof van het overkwartler te Roermond (i). 



BalUrkuir\ Assen, L. Hansen. 1850. Naar voorn, heer zoo vriendelijk was mij 
mede te deelen, wordt daar de volgende literatuur opgegeven: 

Grimni, Rechtsalterthümer, bladz. 813. 

S. Gratama, Een bijdrage tot de rechtsgeschiedenis van Drenthe, bladz. 75 cu 105. 

Pols, Westfriesche Stadsrechten I, bladz. 104. 

Fruin, Dingtalen van Dordrecht I, bladz. 361. 

Pro excoleudo jure patrio. Werken I, bladz. 390. 

Burchard, DieTagungder Deutschen Gerichten im Mittelalter.München 1893, bladz. 73. 

In navolging daarvan laten de schrijvers van het aangehaald werk „Bij klimmende 
Zonne" den rechter vragen of het was „het jaar en de dag, het uur en het oogenblik", 
en dan antwoordt de gerechtsbode „Het is de tijd en de dag bij klimmende Zonne'* 
(zie bladz. 20—21). 

(1) Archief der heeren van Kessel enz. Zie jaarverslag van den Rijks-archivaris in 
Limburg over 1905, (bladz. 43 — 44 der overdrukken). In 1647 Aug. 31 werd dit 
leen verheven voor het leenhof van den pandheer van het ambt Montfort Loys 
Rogier Clarisse, den ongelukkigen medepandheer van Jan de Bierens, met wier aan- 
spraken de Spaansche Regeering, die de pandsom had ontvangen van deze heeren, 
geen rekening hield, toen dit ambt, ingevolge den vrede van Munster, den Prins van 
Oranje ter schadeloosstelling werd gegeven, en die te vergeefs reclameerden tot terug- 
betalen der pandsom van 600000 kronen. Zie PubUcalions dl. XXXI, bladz. 141-142. 



— 372 — 

Hoewel Beesel, als deel van het ambt Montfort onder de sou- 
vereiniteit van Gelderland ressorteerde, zoo waren toch de bezit- 
ters van het huis Nieuwenbroeck met het cijnshof en den aan- 
kleve van dien, leenplichtig aan de vorsten van Bentheim; volgens 
een document in het cijnsbóek medegedeeld, waarop wij later 
terug zullen komen, reeds in 1325. 

Een lijst der vorsten van Bentheim tot 1795 moge derhalve 
hier volgen (i). 

Dirk VI, ook graaf van Holland, die in 1157 overleed; Bentheim 
was hem door zijne vrouw Sophia van Rheineck, eene erfdochter 
van 't oud geslacht dat over Bentheim regeerde, ten deel gevallen. 

Otto oudste zoon van den voorg. 1195—1206. 

Balduin zoon van den voorg. 1213 — 1247. 

Otto li „ „ „ ^ 1248-1269. 

Egbert jongste zoon van den voorg. 1273—1299. 

Johan zoon van den voorg. 1305—1332. En de leenakte van 
1325 hiervoor vermeld is gegeven door Adolph! 

Simon zoon van Johan 1330—1343 (11343-1348). 

Otto » „ « 1348—1364. 

Bernardl » » » 1365 circa 1421 in een leenakte van 
1404 vermeld, welke in 't cijnsbóek is afgeschreven. 

Eberwin I kleinzoon van Bernhard's zuster Hedwig(2j 1421—1454, 
gehuwd 1° met Mathilde erfdochter van Steinfurt en 
2° met Gysberta erfdochter van Oitenstein. 

Bernhard I zoon van den voorg. 1454—1473 

Eberwin II in Bentheim „ » „ „ 1473—1530 

Arnold I in Bentheim (Arnold II van Steinfurt),gehuwd 
met Maria dochter van Eberwin II (^3) 1530—1553 

Eberwin III zoon van den voorg. 1553—1562 

Arnold II (IV der beide liniën Bentheim en Stein- 
furt samen), zoon van den voorg. 1562 — 1606 



(1) Stokvis, A. M. H. J., Manuel dMiistoire, de généalogie et de chronologie ... II, 
Leiden 1890—1893, chapitre VIII, tableau généalogique N. 135. Een uitstetendhotV 
ook voor den ingewikkelden toestand van vóór 1794 in Limburg, ik kan dit, dankbaar, 
na langdurig en veelvuldig gebruik, bewijzen. Die dat werk schreef volbracht een 
reuzentaak. 

(') Gehuwd met Eberwin de Goetterswijk. De vader van Eberwin I heette Arnold. 

(3) Zoon van Eberwin II in Steinfurt, die een zoon was van Arnold I van Stein- 
furt, 2^ zoon van Eberwin I van Bentheim. 



— 373 — 

Arnold Jobst jongste zoon van den voorg. 1606—1643 

verm. in een leenakte van 1621, welke in 't cijnsboek 
is afgeschreven. Van hem is een origineele leenbrief 
in 't archief van de Staten des üverkwartiers. 
Ernest Wilhelm jongste zoon van den voorg. 1643-1693 

Arnold Moritz Wilhelm zoon van Philipp-Konrad, 
heer van Steinfurt den oudsten broeder van Ernest- 
Wilhelm (i^ 1693—1701 

Herman Friedrich, zoon van den vorige. 1701— 1623 (f 1734) 
Ludwig Frans broeder van den voorg. 1723,-1731 (f 1754) 

Friedrich Karel zoon van Herman Friedrich. 1731 — 1803 

die dus op één jaar na zijn diamanten jubileum als vorst van 
Bentheim vierde en die, toen de Franschen in 1795 de feodale rechten 
afschaften, 64 jaren leenheer van Nieuwenbroeck was geweest. 



Als leenmannen en bezitters vinden wij: 

Tilman van der Broeck 1 

Helwich van Holthausen f" ^^^^^"^•^^^ ^^"l^^öin het cijnsboek 

Reiner en Helwich van Holthausen gebroeders 1404, in de leen- 
akte van 1404 in het cijnsboek. 

Oele (?) van Holtmühlen, beleend in 1410. Extract uit het 
Bentheimsch leen-protokol (-). 

Engelbrecht van Holtmoelen in 1444 vermeld in het cijnsboek. 

Henrich Kellener „ 1462 ,» » » » 

Gerdt van HoltmöUen beleend in 1527. Extract als boven en 
in 1537 idem. Extract als boven, komt voor in 't cijnsboek op 1543. 

JoWan van Holthuysen verscheen in 1555 op den landdag te 
Nijmegen. Extract uit het ridderboek van Gel re in Zutphen (3). 

Johan van Holthaus in plaats van zijn huisvrouw Helwig van 
HoltmöUen beleend in 1566. Extract als boven. 

Idem 1565, 1570, 1576. Extract uit het ridderboek als boven (3). 



(1) Hij ruilde Steinfurt tegen Bentheim en Steinfurt kwam aan Ernst, den zoon 
van Ernst-Willem heer van Bentheim. 

{') Ovei^ezonden door den graaf Ernest Wilhehii van Bentheim 12 Aug. 1664 
aan de Gedeputeerden der Staten van het Overkwartier. Zie archief der Staten, 
omslag 31 N. 1, in het Rijksarchief in Limburg. 

(3) Extract in 1657 te Arnhem afgegeven door Engelen. Omslag 31 N. 1 als boven. 

24 



— 374 — 

Idem of zijn gelijknamige zoon of ander bloedverwant verschijnt 
1591 27 Juli en 19 Aug., 1592 14 Jan. en 1 Sept., 1594 1 Maart, 
1596 4 Jan en 21 April, 1598 3 Jan. en 31 Juli op de quartiers- 
dagen te Roermond (J-). 

Ingelijks 1592 en 1607 (2). 

Irmgard van Holthausen wordt in een schrijven van J. van 
Wyttenhorst, ambtman van Montfort aan zijn stadthelder te 
Beesel d.d. 4 Maart 1614 in het jachtrecht gehandhaafd. Blijkens 
getuigenis van advocaat Fabri over het jachtrecht van het huis 
Nieuwenbroeck d.d. 11 Sept. 1660 was zij „moetghen" van Jonker 
Gerard en bewoonde het huis Nieuwenbroeck toen ter tijd, als 
wanneer zij questie over het jachtrecht kreeg met de jagers van 
den stadhouder graaf Hendrick van den Bergh, die haar in het 
gelijk stelde (•^). 

Gerardt van Baexem wordt 1623 Januari 26 vermeld in het cijns- 
boek ook nog 1623 Jan. 6, 1628 Juli 1.— 1623 Jan. 6, Aug. 22 en 
Sept. 2, verschijnt Arnold van Lynden als „tochter" (vruchtgebrui- 
ker) van Nieuwenbroeck in het cijnsboek, ook 1628 Nov. 10. — 

Hans Willem en Gerard van Baexem worden beleend door 
den Graaf van Bentheim 1621 Nov. 29, volgens akte meegedeeld 
in het cijnsboek. 1649 November 25 waarschuwt hen Graaf Ernest 
Wilhelm van Bentheim, om te zorgen dat hem aangebracht wer- 
den welke stukken van het leen Nieuwenbroeck en Oyen waren 
verkocht, wijl hij gehoord had. dat, deels met voorbehoud zijner 
rechten, deels zonder zijn consent, stukken veralieneerd waren. 

1657 Augustus 11 beveelt dezelfde graaf, die verklaart recht 
te hebben aan Gerard van Baexem, wegens het verpanden en 
verbrokkelen van zijn leen, dit leen te onttrekken, maar hefln uit 
genade er weder mede beleend te hebben, aan voornoemden van 
Baexem binnen een jaar alle verpande gedeelten weder in te los- 
sen, terwijl de bezitters der verpande gedeelten binnen zes weken 
aan de grafelijke leenkamer hun titels moesten toonen C^). 

Johan Willem de Baexem heeft in 1660 questie met de Staten 



(') Extract te Roermond afgegeven zonder datum. Omslag 31, N. 1 als boven. 

(2) » » > » 3 Maart 1656 door den griffier M. Joris. Omslag 
31 N. 1 als boven. 

(3) Omslag 31, N. als boven. 
(*) Omslag 31, N. 1. 



— 375 — 

over het recht tot zitting in de ridderschap van het Overkwartier, 
wat hem 1 Augustus 1659 was toegestaan C^). 

Genard van Baexem wordt 1660 Augustus 4 door den graaf 
van Bentheim Ernst Willem met Nieuwenbroeck beleend. Oor- 
spronkelijk akte en extract als boven (2). 

P. de Baexem komt 1662 Maart 18 1673 Juni 4 in 't cijns- 
boek voor. 

Arnold van Baexem. 1698 December 16 worden zijne 4 vader- 
lijke en 4 moederlijke kwartieren in de Staten van het overkwar- 
tier gepresenteerd (3). 

Douairière de Baexem komt 1714 Juli 27 voor in 't cijnsboek. 

W. Collignon, overste in Staten-dienst, komt 1752 December 8 
voor in het cijnsboek. 

„Obristen Joan Frantz von Collignon" beleend 1769 Aug. 2. 
Archief Nieuwenbroeck. 

Hiervoor of hierna moet nog een de Bouman heer van Nieu- 
wenbroeck geweest zijn. Zijn wapen en dat zijner vrouw komt, 
naar mij Baron van Splinter verklaarde, in een der zalen van het 
huis Nieuwenbroeck voor. 

Deze wapens in stukadoorwerk zonder kleur, zijn aldus: 

Dat heraldisch rechts een ster met zes punten, vergezeld boven 
van 3 merletten in de richting van de faas, onder van een Mal- 
teezer kruis. 

Het vrouwelijk wapen heeft een pijl (?) in de richting van den 
rechter schuinbalk. 

»Rath und Landrentmeister Ernest Joseph Franciscus van Aef- 
ferden" beleend 1784 April 23 (4). 

Henri Albert Jacques Ruys de Nieuwenbroeck beleend 1788 
Jan. 18 (f 29 November 1824 op Nieuwenbroeck) (6). 

Ernst Albert Emmanuel Ruys de Nieuwenbroeck 1824—1862 



(') Rekwest met ai de hiervoor en hierna vermelde stukken van omslag 30, N. 1 
als bijlagen. Dit rekwest was niet gedateerd. 

(') Omslag 31, N. 1 als boven. 

(3) Archief van de Staten des Overkwartiers, Rijks-archief in Limburg. 

{*) Deze en de twee volgende leenmannen volgens leenbrieven in *t archief Nieu- 
wenbroeck. — Zie genealogie van Aefferden in Afntuairc de la A'obicsse de Belgique 
1875, bladz. 34 4n genealogie Ruijs, ibidem 1861, bladz. 228. 

(5) Schoonzoon van den voorgaande, gehuwd met zijn dochter Jeanneite. 



— 376 — 

(f 16 December 1862) op Nieuwenbroeck, zoon van den voorgaande. 

Auguste dochter van Felix Henri Jacques Ruys de Nieuwen- 
broeck, broeder van Ernest voornoemd, gehuwd met Garel van 
der Straeten. 

Baron F. B. G. H. van Splinter, burgemeester van Beesel, ridder 
der Militaire Willemsorde (i) als gehuwd met Gabriele, dochter 
van Gonstantin Willebrord Philippe Hubert Jean Ruys von N. 



Nu nog eene paleografische opmerking ten slotte. 

In het cijnsboek komen drie afschriften van leenakten voor n.1. 
van 1325 October 29, 1404 Maart 6, 1621 November 1, gewaar- 
merkt den 5 November 1653 door den griffier van den Souve- 
reinen Raad te Roermond N. Maen. 

Tegen de 1* akte heb ik zeker bedenking. Zij zou uitgegeven zijn 
door Adolf graaf van Bentheim en Stein (zeker afkorting! van 
Steinfurt). Nu was, volgens Stokvis, gelijk wij zagen, in 1325 een 
JoHAN graaf van Bentheim, vervolgens kwam Steinfurt eerst om- 
trent 1420 aan het huis Bentheim door huwelijk der erfdochter 
Mathilde van Steinfurt (f 1420) met Eberwin I van Bentheim. 
Eindelijk zijn al de drie akten geheel eensluidend van inhoud, ja 
van spelling. Veronderstelt men al dat de akte van 1325 woordelijk 
is gevolgd in 1404 en 1426, dan nog was niemand in 1404 en in 
1626 zoo archeologisch en paleografisch ontwikkeld dat hij zóó 
letterlijk copieerde, maar wel, en onwillekeurig, volgens de schrijf- 
wijze van den tijd waarin hij leefde. Men onttrok zich toen niet 
licht aan den invloed van zijn tijd in taal en spelling, evenmin 
als in de bouwkunde enz. 



(1) Ten onrechte dus laat Rietstap, Wapenboek II, bladz. 186, het geslacht in 1883 
uitgestorven zijn. 



op den omslag van binnen: 

Chinshoenderen 1782 (?) 

vant huys Nieuwenbroeck tot Beesel. 



Van buiten op het plat: 

in den jaere 1748 is door Hendrick Gerits afgeieyd eenen jaer- 
lycksen erfpacht van seven vat rogge, ende vier thinshoenderen 
voor de somme van sestig pattacons ad acht permissie schellingen 
den pattacon gereeckent, hebbende gestaen tot laste van de Ronc- 
kensteys molen. 

H. V. Ruys. 



Extracten uyt sekeren register in folio van den gherichticheyten 
van het huys Nieuwenbroeck.' 

In den eersten gehoiren aen het huys Nieuwenbroeck die thien- 
den des gansche dorps van Besell,groff ende smaele (^^, te weeten, 
laemer, baggen, byen etc. wat sunst meer voor smaele thiendt de 
more wordt gerekent. 

Item die bieracciese van ieder vadt twee kannen ten cysen. 

Item een deyl mannen, [tem leenen ende laten. 

Item een laedtbanck daer men mach dingen (^). 

Item een moeien gelegen tot üffenbeck(3), geheyten Roncken- 



0) Kleine. 

O Procedeeren. 

C*) Buurt van Beesel. 



— 378 — 

stein mitten dwanck van alle leenen ende laeten op dieselvige 
moeien te maelen. 

Item die jacht het geheele dorp door op ende neer. 

Item in der Maesen een steyl (}). 

Item eene visscherye beginnende van die Haensemerbeke tot 
aen die Heringsche Hegge. 

Item die collatlon der pastoryen, custeryen, ende van S^ae Ca- 
tharinae, S^i Nicolai, ende S^ï Anthony altaren, ten selven huyse 
te leen gaende. 

Item gelden alle leen ende laetgoederen chinspenninck, ende 
thinshoener. 

Item alle diegeene die in het kerspell van Besell enich landt 
verkoopt, gilt te gewin end gewerff (2) aen het huys Nieuwen- 
broeck van xij gulden eenen dirselver guldens. 

Item het huys Nieuwenbroeck moedt den kerspelsluyden voor- 
halden den beer ende ver (3), ende sullen sterven (^^) tot laste 
van t voors. kerspell, tensy sake dat versuymdt worden. 

Item des dorps saecken wegen der gemeynten (0), hetsy bosch, 
broeck ofte andersints, en mogen die schepenen van Besel hun 
niet alleen ondernemen, noch vryen, noch ondtvryen (6) dan mit 
consent ende wille van die van t huys Nieuwenbroeck. 

Item als iemandt sterft die mangoedt beseten heft sonder man- 
erven achter te laeten, so is dat selve mangoedt den leenheere 
vervallen, ende mach daer syn schonste Q') mit doen. 

Item alle leen ende laedtgoederen moeten gesonnen (8) ende 
gewonnen worden binnen deriich 3aegen naer het aefsterven der 
ophelders, so niet, syn den leen ofte laedtheer vervallen. 

Item als een leengoedt gereleveerdt wordt competeerdt den 
leenheere daer van elf Rynsche goltgulden ende vier quarten 
Rynsche wyns, den stadthelder der leenen een kan, ieder leen- 



(1) Veer. 

(^) Om het goed te verkrijgen en te werven. 

(8) Stier; elders in Limburg (in 't Zuiden) „deur". 

{*) Ik begrijp dit niet, misschien moet men s/anfi lezen. 

(5) Gemeente gronden. 

(•) Bezwaren met hypotheek (?). 

(") Zijn wil. 

(») Gevorderd. 



— 379 — 

man daer over staende een half kan, ende den leenschryver vier 
kannen, off eenen rixdaeller. 

• Item als een laedtgoedt gereleveerdt wordt, moedt den laedt- 
heer hebben vier kannen Rynse wyns, ende dobbelen thins, den 
stadthelder een quart, ieder laedt daerover staende een half kan, 
ende den leenschryver vier kannen. 

Item zyn alle leenen ende laeten schuldich den eedt van ge- 
trouwicheydt te doen, in forma als volcht. 

Juramentum fidelitatis. 

lek N. N. geloeve Godt ende alle syne Heyligen dat ickaltydt 
mynen 1. (i) heer sal getrouw zyn, ende myne goederen getrouwelick 
by malkanderen sal halden, sonder enige daer van, te veralienee- 
red ofiF te beswaeren, ten sy mit octroyen ende consent van den 
1. heere: also helpe mich Godt etc. 

Item van d' octroye competeert den leenheer den xijpenninck, 
te weeten van twelff gulden eenen derselver guldens. 

Item so isser een deel landts gelegen achter gen Raedtgen daer 
den pastor lot Besell den vyffden hoop af heft, ende noch een 
deel, den derden. 

Item den hoff T'genraede gelegen in het kerspel van Besell 
daer toegehoiren so landt als benden, broeck, elsbroeck, ende 
bosch Ixxx boender erven. 

Item den Cruitswech van het Rayer valderen tot inden Winc- 
kell, ende van den Heyacker tot in die Haesselt is eenen erfF- 
wech, ende mach niemandt denselvigen gebruycken, als die van 
Genraede. 

Item den hofiF te Oyen gelegen in der selve kerspell van Besell, 
daer toe gehoiren Ixvij morgen erven. 

In den eersten een stuck landts gelegen achter den Cruitsberch 
schietende mit een spits oort opt Valderen, groot omtrent seven- 
twintich morgen, zynde thiendt vry. 

Item een stuck landts daer beneven gelegen groot derden halven 
morgen geheyten die Mortell, oock thiendt vry. 

Item een stuck onder aen die Mortell, groot vyff morgen thiende 
uytgevende. 



(^) Dat is óf leen- óf laatheer. 



— 380 — 

Item een stuck gelegen over den wech aen het Vennekens Val- 
deren groot vierden halven morgen, oock thiende uytgevende. 

Item een stuck gelegen in die Schoolt daer den wech doorgaedt, 
groot derden halven morgen, geft oock thiende. 

Item aent onder syde van het Scholtsvalderen een stuck van 
seven morgen, thiendt gevende. 

Item een stuck gelegen opten Solsberch groot vyff morgen 
ende thiendt vry. 

Item een stuck gelegen achter die kerck groot ses morgen ende 
oock thiendt vry. 

Item een stuck gelegen tegen die ses morgen, over den voer- 
wech, schietende met een spits op Smiedtsvalderen groot negen- 
den halven morgen, zynde thiendt vrij. 

Item daer tegen over den Ryckelschen wech gelegen een stuck 
van vier morgen, oock thiendt vry. 

Item een holtgewas geheyten die Kaeffert, groot dry morgen. 

Item heft S^^^ Catharinae authaer uyt gemelten hoff twelft 
morgen landts gelegen in die Schoolt, ende het beslooten Jonck- 
vrouwen clooster onser L. Vr. ende der elfduysent maeghden, in 
der Weyden (^), binnen die stadt Venloe gelegen, oock twelff, 
zynde een bundich leen, ende aen Engelbrecht van Holtmeulen, 
ende Henderick Kellener te leen ondtfangen mit xv Rynse guldens. 

Item die eerste hoeff achter die Haesselt geft grote ende smael 
thiendt. 

Item Dursdals hoeff geft grote thiendt, maer geene smaele. 

Item het Hoenerkempken geft grote ende smael thiendt. 

Item Camper hoff in twee deelen gedeylt, geft van een deel 
geene smaele thiendt, waer van die stallingen op die Gemeynte 
staen, ende van d'ander groff ende smaele. 

De forma Juris. 

Item off het gebeurden, dat enige twest ofte schelinge (^) rese 
tusscheri die leenmannen, so sal men by den leenheer gaen oir- 
kondt twee mannen van leen, ende seggen, ick bidde u mynen 
leenheer, dat ghy my eenen dach van rechten stellen wildt tegen 



(') Order van St. Augustinus. 
(2) Verschil. 



— 381 — 

myne wederpartye, ende citatie verleenen tegen dien dach te com- 
pareeren, ende die leenluyden daer by om recht te plegen. 

Item dien dach sal men verthien daegen te bevorens wissigen (}\ 
so well die leenmannen als die partyen. 

Item het gedingh behoirt buyten daecks te geschieden off ten 
waer dat hel partijen beliefden binnen te blyven, ende dat sullen 
hun die leenluyden voorhalden. 

Item den voorspraecker sal een leenman wesen. 

Item den boede sal een leenman wesen. 

Item den schryver en mach geen leenman wesen. 

Item off sich den gedaeghden eens ofte tweemael weygerden, 
ten derdemael moedt hy compareeren, op pene, dat den cleger in 
syne aenklaeghte sal recht geschieden. 

Item off iemandt dat oordeel to naer ginge (2), die mach sich 
beroipen naer den Oeverleenheer, off aen koninck ofte keyser. 

Item men sal geloeve nemen voor alle verluis, kost ende schae- 
de in den gewinne die partyen genoch zynde (3). 

Item als die gdoeve genomen is, sal den leenheere die leen- 
mannen die gestalt syn in die sake van beyde partyen, verklaeren 
ende te verstaen geven, opdat sy te beter onderwys mogen hebben, 
wat die twist is. 

Item hier gaedt den leenheer off synen stadthelder sitten, mit 
die leenmannen to gedingh, ende vraeght een van den mannen 
off het tydt is van te dinghen ende te vryen het gericht. 

Item andwordt hy iae mit by verblyvinge van die mitgesellen, 
so wordt het gericht gevrijdt (^) door den leenbode aldus, 

lek vrye dit vrye leengericht, ende gebiede in dcser banck 
ban ende vrede, also dat niemandt hier en sal spreken dan mit 
leenrecht (6), overmits synen gebeden voorspreker, ende wie daer 
tegen doedt is deser banck plichtich. 

Item off den leenheer selver niet present en waere, so sal den 



(^) Laten weten, aanzeggen. 

(2) Als hij dacht dat het oordeel niet volgens recht wns. 

P) Dat is men zou borgtocht eischen voor gerechtskosten en voor wat de verlie- 
zende partij de winnende moet betalen. 

(*) Bevrijden van al wat er niet bijbehoort en stoort om aldus het recht zijn vrijen 
loop te kunnen geven. 

(*) Volgens den vorm door 't leenrecht voorgeschreven. 



— 382 — 

stadthelder een commissie tonen aen die leenmannen, dat hy vol- 
macht heft te doen ofte te laeten. 

Item alst gericht gevrijdt is, sal den leenboede door beveel van 
den leenheere uytroepen, al wie aen het recht te doen heft, die 
mach synen saeckeh openen ende dan moet men well eenen 
goeden onbesproken man tot voorspreker nemen op believe van 
den leenheere ende partye. 

Item daer naer sal den schrijver beteeckenen die leenmannen 
ende sien wie uytgebleven is, ende wat die uytblyvers versuymen, 
te weten die verteringe van die compareerde te betaelen. 

Item dan komt den cleger ende mackt syne aenspraeck over- 
mits synen gebeden voorspreker. 

Item dan vraeght den voorspreker ende seydt, heer leenheere 
ist wille dat ick hum dienen mach. 

Item spreekt den leenheere iae, so seght den voorspreker, die 
worden die ick aen den rechten spreke, die spreke ich tot be- 
hoifif N.N. ende off ick iedt spreke, daer buydt off breucken van 
gebeuren (i\ wie sal die betaelen, ende stelt dat aen een oordell. 

Item spreekt den cleger, so als mynen voorspreker spreekt in 
desen gericht, daer sal ick voorstaen, ende den voorspreker sal 
des vry ende lcdich(^) wesen, dan sal den voorspreker den leen- 
heere vraegen off hum des genuecht, so seght hy iae. 

Item eer men gaedt sitten dinghen sal men burgen stellen voor 
die kosten dewelcken den leenheere mit recht doedt, van ieder 
comparitie eenen Rynsen goltgulden, ende aengaende die leen- 
mannen naer landts gebruyck. 

Item den leenheere sal van iegenlycken partyen ende van hoeren 
burgen in persona handtastinge nemen, ende doen hun geloeven 
mit goeden trouwen den leengericht ende een ieder syne partyen 
genoch te sullen doen voor allen schaede ende interesse. 

Item als het gedingh gesloeten is, sullen die partyen overmits 
hoeren voorspreker van het leengericht oirloff vraegen om aff te 
gaen, ende dancken het gericht, wederom handtastinge doende 
statuto tempore weder te erschynen. 

Item ofter enige partyen eene aefschrift van enige acten beger- 



(t) Als het pleidooi zoo uitvalt, dat tot boeten veroordeeld werd. 
('^) Onbelast. 



— 383 — 

den, sal men hun gunnen, ende sullen des den leenschryver loo- 
nen ende willigen. 

Item wordt het leenrecht gesloten totten nesten toe ende den 
leenheere sal een iegelick seggen alsdan wederom te compareeren. 

Van die smaele thienden. 

Om laemer, baggen, byen etc. te verthienen is het nodich te 
weeten, het getall der selver. 

Item so, wanneer dat getall naerdcr is by thien, als by vyff, 
dan kompt den thiendenaer een geheel deel derselver thienden, 
ende so wanneer het getall naerdcr is by 5, als by 10, dan kompt 
den thiendenaer maer alleenlich een half deel derselver thienden. 

Item als den thiendenaer een geheel deel valt, dan heft hy den 
keur uyt allen, uytgenomen vier, ende kiest uyt een half deel, 
uytgenomen twee. 

Van den zynspenninck. 

Item gelden iaerlicks aen het huys Nieuwenbroeck. 
In den eersten Henderick Beurskens soon ij albus ende i Cols 
moerken. 

Item Henrick van Baerle iij albus. 

Item lenken Schoemekers iij albus, ende i Cols moerken. 

Item Aret Goedtheynen iij Cols moerken. 

Item Gerke Stepken i albus. 

Item Heyn Cuypers iij albus. 

Item Goert Koenen i albus ende iiij Cols moerkens. 

Item Tulmen Koennen iij albus. 

Item Hueb t' Offenbeck viij Cols moerken. 

Item Maes Luecken i albus. 

Item Dries Luecken x Cols moerkens. 

Item Steel Jannen iij albus ende ij Cols moerkens. 

Item LudolfF Houtman iij albus. 

Item noch van St. Lambrechts hoeve vij albus. 

Item Jans Stege vi cols moerkens. 

Item Gerken Houtmans i albus ende i Cols moerken. 

Item Jan Stompert iij Cols moerkens. 

Item Tulmen Moesberch ij albus. 

Item Everaert iiij albus. 



— 384 — 

Item Raeb vanden Cruitsberch iij albus. 

Item Peter vanden Cruitsberch i albus. 

Item Jan Schroers ij albus. 

Item Bet Henricks iiij Cols moerkens. 

Item Tulmken Sebete xi Cols moerkens. 

Item Heinken Houtman i Cols moerken. 

Item Willem Ingendaell i Cols moerken. 

Item Syb WollF i albus. 

Item noch aen denselven huyse gelden iaerlicks 

In den eersten Roeleppers goedt xij D. 

Item Heinken Gubbels soon xxij D. 

Item dat goedt Ter Vort daer Rut der smit, Heinken Sloussen 
ende Wilmken Houssen op wonen iiij D. 

Item Cuypers goedt wegen een stuck landts gelegen inden Rayer 
velde xij D. 

Item Planen baendt v D. 

Item Hinssen goedt van huys ende hoeve iiij D. 

Item Cloes van der Vort van syn goedt opte Beeck ij D. 

Item Tulmen Hartstruycks van huys ende hoeve i D. 

Item Wilmkens 'goedt aen genen (}) Bosch i D. 

Item Itgen Koechs goedt i D. 

Item Broodtbakkers goedt i D. 

Item RolFerts goedt dat Dirck van der Maesen ende synen 
soon Ludolff hebben gelegen opter Maesen iiij D. 

Item Koepen goedt xviij D ende ij hoener. 

Item Heinken Boumen goedt ij D. 

Item Hessels goedt daer Wouter op woondt ij hoener. 

Item Jacobus goedt van den Bosch iiij D. 

Item dat boener aen het Valderen i D. 

Item dat hallF boener aen gen Haesselt ij D. 

Item Pelskens landt ij morgen ii D. 

Item Abelken van der Maesen van ij stucken landts die syn 
vader verbleven zyn van Claes Smiedts daer van het een stuck 
gelegen is aen Buyren baendt, ende het ander aen heer Peters 
Camp IJ D. 



(>) = aan gen — aan het. 



— 385 — 

Item Wenne goedt een stuck landts gelegen opter Maesen by 
heer Peters landt i D. 

Item Herbrecht Rouwen goedt een hoen, den pastor dat derde 
deyll. 

Item Wyne op ter Maesen een hoen, den pastor dat thinshoen. 

Item Heer Peter van der Maesen van een half haefstadt gele- 
gen opter Maesen iij D. 

Item Roeleppers baendt die nu Planen is xxij D ende 1 hoen. 

Item Heyn van der Maesen xxij D. 

Item Heyn Reynen iiij D. 

Item noch Heyn voors. van een stuck landts gelegen in het 
Rayer veldt v D. 

Item Heinken Beurskens van syn goedt opte Beeck ij D. 

Item noch Heinken Beurskens van een goedtgen gelegen tus- 
schen Goert MoUeners, ende Broodtbackers goedt dat den alden 
schoenmaecker toe te hoiren plege i D. 

Item Thys van den Bosch v D. Item denselven van een boen- 
der landts aent Valderen ij D. 

Item derselven van Pelskens landt ij morgen ij D. 

Item noch denselve van eenen baendt aengen Haesselt ij D. 

Item Gebel van Straelen wegen Schoemekers goedt, dat Ludolff 
toe te hoiren plege xvj D ende ij hoener. 

Item Judt Pastoors van een half hoefstaedt gelegen opter 
Maesen i D. 

Item Mielkens goedt xvj ende ij hoenen. 

Van die mangoederen. 

In den eersten iiij morgen landts gelegen aent Busserendt aen 
den Bongaerdt, die van Gubbels goedt gedeylt zyn zyn mangoedt. 

Item IJ stucken landts waer van een gelegen in genen Winckell, 
ende d'ander achter Boelen hoff, toebehoorende ex gratia Gebel 
in gen Dorp. 

Item IJ boener landts gelegen in genen Winckell aengaende 
Heinken Sluysen. 

Hein iiij morgen landts gelegen benevens den wech aen den 
Gebranden Stock aengaende Heinken Gubbels soon. 

Item een stuck landts gelegen op ten Heyacker dat mede 
Heinken Boumen toebehoirdt. 



— 386 — 

Item het goedt te Ryckell gelegen, herkommende uyt den hoff 
t'Genrade, toebehoirende Heinken Gubbels soon. 

Item den hoff tot Ryckell gelegen, herkommende uyt den hoff 
t'Genrade, ende Broeck, toebehoirende Jan van Wylre. 

Item den hoff van Herman van Duisselt is mangoedt. 

Item het goedt van Jan van der Maesen. 

Item Tulmen van gen Ray alias Hartstruycks goedt. 

Item Dirck van Besels goedt. 

Item Dirck Goedtheynens goedt. 

Item het goedt to Wylre huys hoff ende iiij morgen landts. 

Item Ryck Maesberchs goedt. 

Item Hein Guidtgens alias Schoemekers goedt. 

Item Gerit Gubbels goedt dry veerdel landts, ende noch enich 
landt gelegen opgen Heydtgen. 

Item Heer Goetsens goedt herkommende uytten hofl t'Genraede. 

Item een boender landts Goerdt Schroers aengaende. 

Item dat goedt opten Berch daer Peter Smicdts in woondt. 

Item Gys Lieben goedt ij morgen landts, waer van eenen ver- 
handtplicht (i) is die Liedtgen opte Beeck in handen heft van 
die kerck. 

Van die thinshoenderen. 

Item tot Besell gelden iaerlicks op S^i Andreaesdach apostoli 
aen het huys Nieuwenbroeck. 
In den eersten Thys Hartstruycks goedt. . 
Item Jan van Rey goedt. \ 

Item Jenken Schoemekers goedt. 
Item Hein Planen goedt. 
Item Beurken den boede van Besels goedt. 
Item Coen Reynen goedt. , . i 

Item Goert Pastoors goedt. > ^^" thmshoen. 

Item Tulmen van gen Ray goedt. 
Item Claesken aen genen Bosch goedt. 
Item Aret Goedtheynen goedt. 
Item Cuypers haefken. 
Item Tulmen Hartstruycks goedt. 



(') Dat is: de pachter moest handdienst verrichten. 



twee thinshoener. 



— 387 — 

Item Wilmken zoons goedt. 

Item Mielkens goedt. 

Item Jans goedt van der Maesen. 

Item Coen Rycken goedt. 

Item noch Mielkens goedt. 

Item Met Geenen goedt. 

Item Jenken Buysen goedt. ) ^^" thinshoen. 

Item Peter Jenne wyff Tryn in genen Vos- 

goedt. 
Item Tulmen Hein Gaidtgens soons goedt. 
Item Gerit Schoemekers goedt. 
Item Jenken Claessen goedt. 
Item Heidens goedt. 
Item Jenken Paeuwen goedt. 
Item tot Offenbeck Peter Wolffs goedt. 
Item tot Neerhoeven der Begijnen (i) goedt. 
Item Seger Keilen goedt. 
Item Gerit MuUcncrs goedt. 
Item Jenken Schepers goedt. 
Item Peter Heels goedt. 
Item Noelken Willems goedt. 

Item Goerdtgen Luyckens goedt. ) een thinshoen. 

Item Maes Ruyschers goedt. 
Item Sinter Claes broeder (*) goedt. 
Item Beel Heels goedt. 
Item Peter Wyndelen goedt. 
Item Wyndels kinder goedt. 
Item Groodt Koenen goedt. 
Item Wouter t' Offenbecks goedt. 

Noch van die thinshoenderen 
ende naerdere aenteeckeninge der- 
selver Anno 1534 opgericht. 



(M De hierboven vermelde Augusiinessen van Mariaweide te Venlo, of de Nor- 
berti nessen aldaar? 

('] De Kruisheeren te<« Venlo die van de stad de St. Nicolauskapel hadden ge- 
kregen. 



388 — 



Gelden aen het huys Nieuwenbroeck op S** A.ndreae dach apostoli. 

In den eersten Peter WolfFs goedt. 

Item Lemken Heels goedt. 

Item Heinken Heyens goedt. 

Jan aen die Beeck. 

Item Thys der Boede goedt. 

Item Rutgen Schroers goedt. 

Item Gerit Drabben goedt. 

Item Gerit Gubbels goedt. 

Item Lins Cuypers goedt. 

Item Heinken Jenne broer aen gen Beecks ) een Shinshoen. 

goedt. 
Item Heinken Prangen wegen Rycken goedt. 
Item Dirck ende Franck Ummelen goedt. 
Item Jenken Claessen goedt. 
Item Thys Arets goedt. 
Item Tulmen Laesen goedt. 
Item Gerit Hartstruycks goedt. 
Item Hein Goidtgens goedt. 
Item Wilm der Wevers goedt. 
Item Plaetser hoff vier thinscapuynen. 
Item Die vrouwe van Jacob Eyck wegen 

een stuck landts gelegen te Oebroeck 

by den Ween. 
Item Jen aen die Beecks goedt. 
Item Goerdtgen ende Kutten goedt. 
Item tot Offenbeck Gonerts goedt in gen 

Rydt. 
Item Thisken Sorren goedt. 
Item Jenken Rutten goedt. 
Item Wouter in den Kuylen goedt. 
Item Jan Deckers goedt. 
Item Feste goedt. 
Item Gerken aen gen Dyck modo Thisken 

Hynsse goedt. 
Item Tryn Luecken goedt gelegen over die 

Beeck. 
Item Peter den Schroers goedt op genen 

Berck. 



twee thinshoener. 



een thinshoen. 



— 389 — 

Item Vreetskens Goerdts goedt. 

Item Hynsse kempken. 

Item Neesken Thys goedt. 

Item Slobbertshoff. 

Item Jan Noelkens goedt. 

Item Gys op Heser Dries goedt. 

Item Trynen opgen Kempken goedt. / ^^" thinshoen. 

Item Peterken aengen Beecks goedt. 

Item Lietgen Tobben goedt. 

Item Thys vanden Wyers goedt. 

Item vander Hage goedt. ^ 

Item Lisken Hase goedt. 

Item Ronckenstein gelegen tusschen Ron- 

ckensteins goedt en de Sint Cornelis j 

toren. ! 

Item Sint Cornelis hoö. l ^^^^ thinshoener. 

Item Sinter Claes broeder hoff. 

Item Korst Muysers goedt. 

Item den hoff aengen Ronckenstein vier thinshoener. 

Item Ronckensteins moeien acht vadt rogge erfpacht. 

Van die handwinninge. 

Ich Ingelbrecht van Holtmoelen leenheere dis naebeschreven 
goidts, bekenne dat ick beleent hebbe nae wyssenisse mynre man- 
nen, mit die helft van vyfftehalf boener landts min eenen halven 
morgen ofte meer onbegrepen tot Ryckell gelegen in het kerspell 
van Besell, ende wylen plagen toe to zyn Gobell Grawels, ge- 
hoirende in den hoff to Ryckell, die wylen heer Peter van der 
Maesen den alden plach toe te hoeren, Cornelis van der Smic- 
ken, in behoiff ende tot oirbaer des beslotene Jonckvrouwen cloos- 
ter onser L. V. ende der elff duysent meghden, geheyten in der 
Weyden, binnen der stadt Venloe gelegen. 

Beheltenis mich ende mynen erven myns rechts ende mal- 
lincks (1) synen goeden rechten, sonder alle argelist, hier waeren 
over ende aen als mannen, Johan van der Maesen ende Dirck 



«eik. 

25 



— 390 — 

Goedtheynen, geschiedt int iaer ons Heeren duysent vierhondert 
vier en veertich op sint Johans dach ante portam Latinam. 

Item lek Hcndrick Kclicncr Icenheere dis naebeschrevcn goidts, 
bekenne dat ick beleent hebbe mit die helft van vyfftehalf boener 
landts min cenen halven morgen ofte meer onbegrepen tot Ryc- 
kell gelegen, in het kerspell van Besell ende wylen plagen to 
zyn Gobell Grouvvcis, gchoirende in den hoff to Ryckell, die 
wylen heer Peter van der Maesen den alden plach toe tehoiren, 
Henrick Steins in behoilF ende tot oirbaer des beslotene Jonck- 
vrouwen clooster onscr L. V. ende der elff duysent weghden, 
geheyten inder Weyden, binnen der stadt Venlo gelegen, behel- 
tenis mich ende mynen erven myns rechts, ende mallincks des syns, 
hier waeren over ende aen als mannen van leen des hoochgeboren 
doorluchtichsten Vursten ende Hertogen van Gelder ende van 
Gulick, Grave van Zuiphen, myne gedeJigen lieven Heeren, 
Dederich Houft, ende Thys Blocker als geleende mannen, om 
gebreke willen mynre mannen to deser tydt, sonder alle argelist 
geschiedt int' iaer ons Heeren duysent vierhondert twee en ses- 
tich den 1 dach Martij. 

Item Ick Engelbrecht van Holtmoelen doen kondt ende be- 
kcnne overmits desen openen brieve voor my ende mynen erven 
in oirkondt mynre man ende laedt hier naebeschreven, dat ick 
Johan van Dyck overgedragen hebbe alsulcke goidt als hy van 
my houdende is van manschap ende erfzyns goidt wegen gelyck 
volcht. 

Item ITTJ morgen landts gelegen beneven den Heyacker ter eener 
syden, ende ter andere neven Cuypers landt. 

Item die haefstadt aen den dyk ter eener syden neven Heyn 
Reynen goidt, ende ter anderen neven Schoemekers goidt, mit 
een eyndt schietende aen het Aldbroeck, ende het ander aen 
Planen haefstaedt. Item ij morgen landts gelegen beneden den 
Heyacker aen beyde syden tusschen Planen erve, ende mit een 
eyndt schietende op Mielkens erve, Item ij morgen landts gelegen 
aen der Heyen beneven den Heyacker mit een eyndt schietende 
op Mielkens landt, Item noch i morgen landts gelegen op ten 
Heyacker beneven myne erve, ter einre ende mit een eyndt schie- 
tende op Thiskens landt van den Bosch, Item nog eenen halven 
morgen gelegen beneven iiij morgen mangoidts voirs. geheyten 



— 391 — 

der Geer, Item noch eenen morgen landis gelegen in den Winc- 
kell oock geheyten der Geer, hem den Geer tusschen die twee 
wegen gelegen, Item noch eenen halven morgen landts gelegen 
op ten Heyacker ter eenre neven Hein Reynen landt, ende ter 
anderen neven Tulmen Hartstruycks erven, Item noch eenen mor- 
gen landts gelegen tegen Heinen voors. ende is geheyten Hein 
Reynen goedt, Item noch een derde deyll van een stuck landts 
gelegen tusschen den Heiacker, ende die iiij morgen mangoidts, 
soe wie die voors. goedt min ofte meer in hogen in legen, mit 
allen synen rechten ende toebehoiren in het kerspell van Besell 
gelegen is, dat ick Johan van Dyck overgelaeten hebbe, mits dat 
hy my daer van iaerlicks uytgelden zal xxij zynspenningen, voor- 
behalden een ieder synes goeden rechten, geschiedt ten overstaen 
van Thys Hartstruycks, ende Dirck Goedtheynen int iaer duysent 
vierhondert vierenveertich op sancti Urbani dachs. 

Item anno 1543 des goensdachs op grootvastavont heft Wilm 
van Elmpt als momber syner huysvrouwe to leen ondtfangen het 
vierendeyll van Moesberchs goedt hetwelcke Reinken Nelissen in 
tochte beseten heft, ende die rechten daer toe staende nae leens- 
gebeur betaelt, oirkondt twee mannen van leen, mit naeme Goert 
Rutten, ende Slabberts stadthelder. 

Item ten selven dage heb ick Gerit van Holtmoelen beleent 
Michell der muller van gen Ronckenstein mit die moeien gehey- 
ten Ronckensteyn, gelegen tot Offenbeck, des heft hy mich huldt 
eedt gedaen, ende syn hergewaydt volgens die leenrechten luydt 
segel ende brieven betaelt, hier waeren over ende aen Goert Ruiten 
ende Slabbert stadthelder. 

Item Erken Gysen heft ondtfangen Hcssels goedt in behoiff 
Rutten kindei*. 

Item Mevis Gerits soon van Wylre is kommen mit synen toe- 
standt, ende hebben verheven huys ende hoff erledicht door het 
afsterven van hun broeder zah'ger mit naeme Jan, ende heft dit 
goedt terstondt verkocht aen Wilm te Oebroeck, ende Vranck 
Mevissen broeder heft dat voors. goedt beschudt, ende die be- 
schuddinge op der selven daegcn overgelaeten aen Wilm voors. 
voorbehalden den leenheer ende een ieder syner goeden rechten, 
hier van heft Mevis voors. huldt eedt gedaen, ende die rechten 
daer toe staende mitten xij penninck betaelt,. geschiedt int iaer 
1554 den 14* Aprilis. 



_j 



— 392 — 

Item ten selven daege heft Wilm te Oebroeck die overdracht 
ondtfangen ende het voors. goedt huys ende hoff gelegen tegen 
Genray over ende geheyten Wylre goedt gewonnen in tegenwor- 
dicheydt van twee mannen van leen, mit naeme Goert halfman 
vangen Ray, ende Rut Schroers. 

Item dit goedt daer van modo Wilm Thisken Linskens soon 
bcsitter is, alias Goedtheynen goedt, is vry, leengocdt, ende als 
den ophelder daer van aflievich w'ordt so sal die iaerschaer (i) 
van het geheel voors. goedt den leenheere toekommen, ende het 
beste pandt dat op het selve goedt bevonden werdt. 

Item Plaetser hoff. v 

Item Beecker goedt. 

Item Lins Cuypers goedt. 

Item Reynen goedt. 

Item Moesberchs goedt. 

Item Vaesse goedt. 

Item tot Ryckell Leinen goedt. ) is leengoedt. 

Item Langerbeins goedt. 

Item Wylre hofï tot Ryckell gelegen. 

Item noch tot Ryckell heer Peter van 
der Maesen hoff. 

Item tot Offenbeck Ronckensteins y 
moeien. / 

Item anno 1554 den 12 May is kommen Dries Breylen mit 
syn moeder ende syn muyn C") op gen Noenhoff tot Ruremundt, 
ende heft te leen ondtfangen een halve haefstaedt gelegen op ter 
Maesen, enJe eenen baendt gelegen aen gen Ray by doodt van 
Hein Breylen zaliger erledicht, ende die rechten daer toe staende 
betaelt, doende gewoonlycken eedt van getrouwicheydt in bywe- 
sens Goert Rutten opgen Ray, ende. Wilm te Oebroeck. 

Item heer Jacob heft dit goedt voors. te voren oick gesonnen 
van wegen Heynen Breylen zaliger naergelaetene kinder. • 

Item anno 1567 den 2 Augusti, heft Goerdt Schroers tot leen 
ondtfangen Reynen goedt, gelegen mit eener syden neven Planen 
baendt, ende mit die andere syde neven Roeleppers baendt, uyt- 



(1) Het recht van af te maaien wat het jaar is gewassen. 
(•') Tante. 



— 393 — 

* 

schietende mit een voorhooft op die gemeyn straet, ende daer toe 
eeiien morgen landts daer tegen over gelegen, aen eenen syde 
neven Jennis Oomkens landt, ende ter anderen neven Steger 
goedt, oick mit een voorhooft schietende aen die gemeyn straet, 
ende mitten anderen voorhooft op Rut van Sinter Claes hoff 
erve, hier van hett Goert voors. het volle hergewaydt betaelt, 
ende synen leenheere huldt ende eedt van getrouwicheidt gedaen, 
ten overstaen van Thys Hartstruycks ende Rut Slabberts. 

Item anno 1569 den 18 May, heeft Tulmen Moesberch te leen 
ondtfangen Moesberchs goedt gelegen neven Gerit van Uffels goedt, 
mit een voorhooft uytschietende op die gemeyn straet ende mitten 
anderen voorhooft in het Rayer velldt, hier van heft Tulmen 
voors. het vol heergewaydt betaelt, ende synen leenheere huldt 
ende eedt van getrouwicheydt gedaen ten overstaen van Thys 
Hartstruycks ende Rut Slabberts. 

Ittem anno 1569 den 14 Augusti, heft Linnert der muller van 
gen Ronckenstein gereleveerdt die moeien geheyten Ronckenstein, 
gelegen tot Offenbeck, iaerlicks uytgeldende aen het huys Nieu- 
wenbroeck acht vadt roggen, hier van heft Linners voors. die 
leenrechten te weeten elff Ryns golthulden beneffens den omstandt 
betaelt, ende den eedt van getrouwicheydt gedaen, in presentie 
van Rut Rutten, Henrick Wolfaerts, ende Tulmen van gen Ray. 

Item anno 1574 den 4« Juny heft Jan aen gen Beeck te leen 
ondtfangen Beecker goedt, huys, hoff, bongaerdt, weyde mit 
daerby behoirende landerijen, ende die leenrechten betaelt, doende 
eedt van getrouwicheydt, in tegenwordicheydt van Henderick te 
Oebroeck ende Tulmen van gen Ray. 

Item anno 1587 den'26'' Aprilis, heft Maes Nclis Maesse soon 
tot laedtgoedt ondtfangen Rutten goedt gelegen mit eener syde 
neven Wilm ie Oebroeck alias Wylre goedt, ende ter anderen 
syde neven Gerit van Uffels goedt het weicke mede Goert Rut- 
ten soon van gen Ray toebchoirdt, verders uytschietende mit een 
voorhooft op die gemej^n straet, ende mit den anderen voorhooft 
aen den Rayer voedtpadt, hier van heft Maes voors. die gerech- 
ticheydt betaelt, ende huldt eedt van getrouwicheydt gedaen, 
oirkondt Goert Rutgers ende Gerit Gubbels. 

Item anno 1587 den 26*^ Aprilis; heft Faes van Kirckray tot 
laedtgoedt ondtfangen Wevers goedt groodt omtrent eenen morgen 



— 394 - 

ende xxx royen, hier van heft Faes voors. syne gerechticheydt 
betaelt, ende den eedt van getrouwiche3^dt gedaen, oirkondt stadt- 
helder ende laeten mit naeme Goert Rutgers ende Gerit Gubbels. 

Item anno 1587 den 6 July, heft Linnerts soon van gen Stege 
mit naeme Goert opgehalden Jenken Claessen goedt, hier van 
heft hij die gerechtigheydt betaelt, ende den eedt van getrou- 
wicheydt gedaen voor laeten Goert Rutgens ende Gerit Gubbels. 

Item anno 1600 den 2« Juny, heft Peter Wolfaerts alias Jtteii, 
opgehalden Dirck ende Vranck Urn melen goedt, gelegen aen het 
Bussereyndt, ter eener syden neven Bongaerdts goedt, ende ten 
anderen neven Wolfaerts eygen goedt, met een voorhooft schie- 
tende op die gemeyn straet, ende mitten anderen voorhooft aen 
den voedtpaedt, uytgeldende iaerlicks den thinshoen, hier van heft 
Peter voors. die gerechticheydt betaelt, ende den eedt van ge- 
trouwicheydt gedaen in presentie van Goertgen van den Bongaerdt, 
ende Henderick van Hoesten. 

Item anno 1603 den 19 May heft Henrick van gen Ray te leen 
ondtfangen, het goedt daer Thys syn broeder uytgestorven is, 
eertyts geheyten Wylre goedt, gelegen tegen Genray over, hier 
van heft Henrick voors. huldt eedt van getrouwicheydt gedaen, 
ende die rechten daer toe staende betaelt, namentlich die iaerschaer 
van huys, hoff, bongaerdt, ende landerijen, daer toe het beste 
pandt, dat op het selve goedt bevonden is, zynde mit gelde 
veraccordeert, voor behalden den leenheer, ende een ieder synes 
goeden rechten, geschiedt in tegenwoirdicheyt van Goert Rutgens 
ende Gerit Gubbels. 

Item anno 1606 den 22 Juny heft Jaeck Rutten verheven 
Goertgen Rutgens goedt, gelegen aen Dr(ibben valderen, iaerlicks 
uytgeldende een thinshoen, hier van heft Jaeck voors. die ge- 
rechticheydt, ende dobbelen thins betaelt, ende den eedt van ge- 
trouwicheydt gedaen, ten overstacn van Goertgen van den Bon- 
gaerdt ende Henrick van Hoesten. 

Item anno 1606 den 2*" Augusti heeft Aret in den Vos voor 
sich, ende syne gedelingen, te leen ondtfangen het goedt tot 
Besell gelegen aen die Beeck, gehecten Beecker goedt, huys, hoff, 
bongaerdt, weyde mit syne in den sclve leene gehoerige landeryen, 
ende iaerlicks geldende aen het huys Nieuvvenbroeck twee thins- 
hocnen, erledicht by doode van wylen Wulm aen die Beeck zl., 



— 395 — 

hier van heeft Aret voors. syne gerechticheydt betaelt, te weeten 
elff Rynse goldgulden beneven den omstandt, doende eedt van 
getrouwicheydt in bywesen Geurtgen van den Bongaerdt, ende 
Tulmen Drabben. 

Item ten selven daege heeft Aret in den Vos opgehalden het 
goedt eertyts geheeten Heels goedt, ende het selve overgelaetcn 
Wulm aen die Beeck. 

Item ten selven daege heeft Aret in den Vos verheven een 
goedt gelegen neven Heels goedt, olim geheeten Heyens goedt, 
van dese goederen heeft Aret voorsz. huldt eedt gedaen, ende 
syne gerechticheydt naer die natuere der goederen betaelt, oir- 
kondt Geurtgen van den Bongaerdt ende Tulmen Drabben 

Item huide dato den G*" January van t'jacr 1623 heeft der edelen 
ende eerentfesten Gerardt van Baexen heerc tot Nieuwenbroeck 
als erfgcnaem, ende vort der oick edelen ende erentfesten Arnoldt 
van Linden als tuchter voor syn leven, tot leen overgelaeten het 
goedt tot Ryckel gelegen in het kerspell van Besell, geheeten 
Langerbeins goedt, groot omtrent vyf vierendeel morgens, ende 
daer mit beleend Henderick Langerbeins, voor laeten mit naemen 
Geurt Rutten, ende Hendrick van Hoesten, welcker Henderick 
voors. syn vol lieergewaydt naer leensgebeur betaelt heeft, doende 
gewoonlycken eedt van getrouwicheydt. 

Item huide dato den 22^" Augusti van 't jaer 1623 heeft der 
edeler ende erentfesten Gerardt van Baexen heere tot Nieuwen- 
broeck als erfgenaem, ende vort der oock edeler ende erentfesten 
Arnoldt van Linden als tuchter ad vitam, tot leen overgelaeten 
het goedt geheeten Mocsberchs goedt, gelyck dat selvige de erf- 
genacmen van wylen Tiel van Asselt Zl. modo bcsitten, ende daer 
mede beleent Jan Tielen van Asselt, voor laeten Geurt Rutten, 
ende Henrick van Hoesten, welcker Jan Tielen hier van syn vol 
hcergewaydt betaelt, ende gewoonlycken eedt van getrouwicheydt 
gedaen heeft, voorbcheltelyck de leenheer ende een ieder allydt 
synes goeden rechten. 

Item anno 1623 den 2^" 7bris heeft der edeler ende erentfesten 
Gerardt van Baexen heere tot Nieuwenbroeck, ende vort der 
oock eedeier ende erentfesten Arnoldt van Linden als tuchter ad 
vitam tot leen overgelaeten Lins Cuipers goedt omtrent dry veerdel 
morgens, aen Rut Rutgcns, ende den selven daer mit beleent voor 



~ 396 — 

laeten mit naemfen Geurt Rutgens' ende Hendcrick van Hoesten, 
weicker Rut Rutgens syn vol heergewaydt betaelt, ende gewoon- 
lycken eedt van getrouvvicheydt gedaen heeft voorbeheltelick den 
leenheer ende een ieder altydt synes goeden rechten. 

Item anno 1628 den 30" Aprilis heeft Hein Leenen gegeven 
den xij penninck wegen syn goedt tot Ryckel gelegen, bij hum 
voors. mit octroy des leenheeren verkocht zynde aen Maes te 
Hoesten, geschiedt ten overstaen van Geurt op ten Bongaerdt ende 
Jan Tielen van Asselt. 

Item anno 1628 den 7*" Juni heeft Jan aen gen Becck soo voor 
hum, alsmede voor syne mitgedelingen, naementlyck Jen aen de 
Beeck, weduwe van Aret in den Vos Zl., Corst Beumers, de erflf- 
genaemen van Wulm aen de Beeck, ZL, ende Coen Soelemeckers, 
to leen ondtfangen het goedt, gelegen 'tot Besell,^aen die Beeck 
geheeten Beecker goedt, als huys, hoff, bongaerdt, weyde, mit 
syne in den selve leenen gehoerige landeryen, erledicht door het 
aflFsterven van wijlen Aret in den Vos zl. ophelders, hier van 
heeft Jan voorsz. huldt eedt gedaen, ende de heergewayden te 
vollen betaelt, ten overstaen Geurtgen opten Bongaerdt ende Jan 
Tielen van Asselt. 

Item anno 1628 den 1*" July heeft Jan van Gratum den eedt 
van getrouwicheydt gedaen in naeme ende van wegen synen soon 
Jan noch onmundich zynde ten opsien van de Custerye tot Besell, 
waer mede hy by ons leenheeren Gerardt van Baexen naer doode 
Guurt Quyten is begifticht, ende die rechten daer toe staende 
naer leensgebeur betaelt, geschiedt in tegenwordicheydt Geurtgen 
opten Bongaerdt, Jan Tielen van Asselt, ende Bartholomaei Poeyn 
als stadthelder. 

Item ten selven daege heeft Tulmen Heyens alias Hartstruycks 
als erffgenaem opgehalden Struecken goedt, 'huys, hoff, ende landt 
gelegen neven Geurt Quyten erven ter eener syde, ende ten 
anderen neven Peter Wolferts goedt, uytschietende mit een voor- 
hooft aen die gemeyne straet ende het ander aen den voetpaet, 
jaerlicks geldende aen het huys Nieuwenbroeck twee thinshoener, 
welck goedt voorsz. modo Geurtgen Heidens in tochte besit, hier 
van heeft Tulmen voorsz. huldt, eedt gedaen, ende de rechten 
daertoe staende betaelt in tegenwoordicheydt Geurtgen opten Bon- 
gaerdt, Jan Tielen van Asselt, ende Bartholomaei Poeyn stadthelder. 



I 
I 

i 



— 897 — 

Gecollationncert die voren geschreven extracten die tegen se- 
keren register, in folio syn daermede bevonden te accorderen by 
my ondergeschreven Greffier van Syne Co*= Ma^' Souvereinen Raedt 
der Vorstendombs Gelre, residecrende tot Ruremunde, Actum 
ibidem den XXV*» Septembris 1653. 

N. Maen. 

(Zegel van het hof gevierendeeld: l^»: weder gevierendeeld: 1 
en 4 Castilië; 2 en 3 Leon; 2: gedeeld: 1 Aragon en 2 Sicilië, 
hartschild: 1 en 2 Portugal; 3: doorsneden: 1 Oostenrijk, 2 oud 
Bourgondië; 4: doorsneden: 1: Nieuw Bourgondië, 2: Brabant, 
hartschild over 3 en 4: Gelder Zutphen; het schild gekroond met 
de koningskroon en omgeven met de orde van het gulden vlies. 

Copie. 

Wir Adolph Grave zu Bentheimb, Tecklenburch, Stein und 
Limburch, herr zu Rhede und Wevclinghaven, Hoya, Alpenn 
und Helfenstein, Vreyherr zu Lennep und erbvoght zuCölneetc. 
thuen kundt und bekennen kraft dieses, was gestalt vor etliche 
hundert iaeren herwartz von unseren löblichen vorfahren und 
dieser unser Graffschaft Bentheimb, zu einem rechten mangüth 
zu lehen empfangen, und getragen worden das adeliche hausz zu 
Neuwenbruich, genandt, mit seine angehörige hoefTen den hoff 
zu Oeyen, und die zwey hoeffen genandt Tgenradc, cin muhllcn 
gênant Ronckenstein, die steyl in der Maesen, ein füsherey von die 
Haensemer bach bis zu die Herinsche hegh ahn die Oc; frey und 
liber, wie derselbige von unsere vorelteren hcrgekommen ist, der 
jaght des gantzen dorfs Besell von die Tuitenbach, bis zu die 
Scharkersbach inclusive, nicht da zwischen auszbescheyden, wie 
auch das Gericht und Zehendten grob undschmal des obgemelten 
gantzen dorfs zu Besell, als nemblich, lammer, baggen, bj^en, 
schwerm, schwermsschwerm, Engcrlinghs (?), gansen, (ias, ruben, 
wurtzelen,und spöreysaet, mit der lehenwiihr und allinger giften oder 
collation der kirciien zu Besell, und deren dreyen in denselbigen 
kirchen befundtlichen altaren, als nemblich S^-^e Catharinae, S^' Ni- 
colai, und S^i Antonii, was in selbigen kirchengift als custereyen, 
wie auch die beir acceis von ieder vas, zwey maeszen, da von die 
vasalli in ihren altenn besitz befunden, und sunsten dcpendirt und 
dar ahn gehörich, sambt allen, dcm lenigen was in obgemelten 



_ 398 — 

güth gehörich, wie imgleichen das güth zum Neuwenbruch, sambt 
allen dem lenigen güth ahnklebt, wie vor diesem Tielman von dcm 
Bruich, das selbige eingehabt und beseszen von welchem, die al- 
tenn vasalli, und lehentrager bestendige nachrichtungh vermüch 
Linser lagerbücher bckommen haben, und sie da mit belehnet von 
uns, Hihvich von Holthauszen, welches lehngüth so oft es durch 
toidlicher abfal der vasallen, wieder eröflnet, rechter zeit geson- 
nen, das guntze adeliche hausz, und beigehörige Gütther, mit elf 
reinsche goltgulden zum herrgewaydt und lehnsgebür die inves- 
titura und belehnungh erheben und erlanget werden müsz, zur 
urkundt haben wir diese unsere altestation mit unseres cantzeley 
secretz ahnhangungh wissentlich befestigen laeszen, so gestehen 
ufF unserem schlos Bentheimb im iahr thausent dreyhondert z\vant- 
zich und funff, am neununzwantzichsten Octobris. Eiidc was onJer 
ttythangende e enen segel in groenen wasche aen een en dobbelen per- 
gament n sier te. 

GecoUationneert tegen den originelen briefl in pergament ge- 
schreven ende besegelt als boven. Is daermede bevonden t' accor- 
deren by my ondergeschrevcn Grcffier van syne Co* Ma'* Raedt 
des V^orstendombs Gelre. Des toirconde heb dese onderteeckent 
ende het segel ad causas hierop doen drucken. Tot Ruremunde 

den V«" novemb. 1G53. 

N. Maen. 

Volgen twee charters van denzelfden inhoud met verandering 
van namen van leenheeren, leenmannen, datum en plaats van 
uitgifte aldus. 

Copie. 

Wir Bernhardt, 
gcbrüdere Reiner und Hihvich von Holthauszen 
so geschchen off unserem schlos Wevelinghaven, im iahr thausent 
vicrhundert vier, am 0*=" tach nionatz May, Ende luas onder tiyt- 
hangende eenat segel in groenen wasche aen eenen dobbelen perga- 
inenten sterte. 

GecoUationneert tegen den originelen leenbrieff in pergament 
geschreven, ende bezegelt als boven, is daermede bevonden t' ac- 
corderen, by my ondergesz. Grcffier van syne Ma*^ Souvereinen 
Raedt, des Vorstendombs Gelre. 

N. Maen. 



— 399 — 

Copie. 

Wir Arnoldt Jost 
die gebrüdere Hans, Wilhelm und Gerard von Baexen. 

So geshehen uff unserem Schlos Bcnteimb, ihm Jahr thausent 
sechshundert zwantzicli, und ein, am neunundzwant/Jchsten No- 
vembris, EnUe ivas onder uythangciidc eenen segel in roden ivasche 
aen een en dobbelen perkamenten ster te, 

GecoUationeert dese copyc tegen den originelen pergamenten 
bezegelden brieff. Is daermede bevonden t' accorderen by my 
ondersz. Greffier van des Conincks Raedt van Geldcrlandt. 

N. Maen. 

Item anno 1628 den 10*" Martii heft der edeler ende erentfesten 
Gerardt van Baexen als erfigenaem, ende der oick edeler ende 
erentfesten Arnoldt van Linden, als tuchter voor syn leven, tot 
leen overgelaeten Leinen goedt gelegen tot Ryckell beneven Lan- 
gerbeins goedt, ende dacr mit belcent Heyn Leinen, voor laeten 
mit naemen Goert Rutgens ende Henderick van Oebroeck hier 
van heft Heyn voors. den eedt van getróuwicheydt gedaen mit 
betalinge der leenrechten, te weeten elff R. goltguklcn beneven 
den omstandt. 

Item anno 1628 den 15 July heft Meus Stockmans van Asselt 
opgehalden Lem Ketelbeuters goedt, huys, hoff, bongaerdt, ende 
eenen halven morgen landts gelegen aen het Bussereyndt, ter 
eenre syde neven Jenken der Vorsters goedt, hier van heft Mevis 
huldt eedt gedaen ende die rechten daer toe staende mit dobbelen 
thins betaelt, in presentie Goertzen opten Bongaerdt, Jan aen die 
Beeck ende Bartholomaei Poeyen stadthelder. 

Item ten selven daegen heft Erken Henricks soon van Hoesten 
verheven syn goedt gelegen aen het Bussereindt, ten eener sydcn 
neven Ficken Vliegevoedis goedt, ende ter anderen neven Zoons 
goedt hier van heft Erken voors. den eedt van getróuwicheydt 
gedaen, ende die rechten mitten dobbelen thins beiaelt, voor 
Goertzen opten Bongaert, Jan aen die Beeck ende Bartholomaei 
Poeyn stadthelder. 

Item anno 1630 den 20*" Octobris heeft Henderick Langerbein 
te leen ontfangen Leinen goedt, huys ende holV, hetwelcke hy van 
Maes te Hoesten beschudt heft, gelegen tot Ryckell, doende eedt 



— 400 — 

van getrouwicheydt mits betalinge der leenrechten, aan Goertgen 
opten Bongaerdt, Heinen van Oebrock ende Bartholomaei Poeyn 
stadthelder. 

Item anno 1643 den 7 January heft Thys van gen Ray te leen 
ondtfangen het goedt daer syn vader uyt gestorven is, geheyten 
Wylre goedt, gelegen recht tegen den Rayer Moeshoif, hier van heft 
Thys voors. huldt eedt gedaen, ende die rechten daer toe staende 
betaelt, namenthck die iaerschaer van huys, hoff, bongaerdt, ende 
landeryen daer toe het beste pandt dat opt selve goedt bevonden 
is worden, aldus geschiedt ten overstaen van Goertgen opten 
Bongaerdt, Erken Hendericks soon van Hoesten ende Bartho- 
lomaei Poeyn stadthelder. 

Item anno 1644 den 16 Augusti, heft Jaeck Rutgens betaelt 
den xij penninck van het goedt gelegen aen Drabben Valderen, 
mit octroye van den leenheere verkocht synde aen Herman Rutgens 
den neve. 

Item ten selve daege heft Jaeck voors. opgehalden het gemelte 
goedt, ende die rechten daer van, mitten dobbelen thins betaelt, 
doende eedt van getrouwicheydt in bywesen van Goertgen opten 
Bongaerdt Petri Quyten, ende Bartholomaei Poeyn stadthelder. 

Item noch ten selven daege voors. heft Jan Claessen aen het 
Klapvalderen tot Offcnbeck gesonnen ende gewonnen het goedt 
gelegen tot Offenbeck beneven Stappe goedt, tegen over het 
Klapvalderen, belast zynde mit een thinshoen iaerlicks, ende die 
rechten daer toe staende ende dobbelen thins betaelt, doende eedt 
van getrouwicheydt in praesentia Goertgen opten Bongaerdt, 
Petri Quyten, ende Bartholomaei Poeyn stadthelder. 

Item ten selve daege heeft Jan aen gen Reuver in behoiff 
Trincken Vaessen te leen ondtfangen Vaesse goedt erledicht door 
het affsterven von Jan Vaessen Zl. Trincken Vaessen broeder, 
gelegen aen het Bussereyndt, ter eener syde neven Pastoors goedt, 
ende ter anderen neven Weversgoedt, doende eedt van getrou- 
we icheydt, mits betalinge der leengerechticheydt coram Goertgen 
opten Bongaerdt, Pctro Quyten ende Bartholomaeo Poeyn stadt- 
helder. 

Item anno 1644 den 16*" Augusti heft Henderick op ten Cruiss- 
berch gerelevcerdt die moeien gelegen tot Offenbeck geheyten 
Ronckenstein, ende die leenrechten namentlick elff R. goldgulden 



i 



— 401 — 

beneflFens den omstandt betaelt, doende eedt van getrouwicheydt 
teh overstaen van Goertgen opten Bongaerdt, Petri Quyten, ende 
Bartholomaei Poeyn stadthelder. 

Item anno 1644 den 16*" Augusti heft Peter Wolfaerts soon 
alias Itten, verheven Wolfaertgoedt gelegen aen het Bussereyndt 
ter eener syde neven Zoons goedt, ende ter anderen, neven Dirck 
enne Vranck Unimclen, goedt, mit een voorhooft schietende op 
die gemeyn straet, ende d'ander opten voedtpaedt, belast met een 
thinshoen: hier van heft Peters soon voors. den eedt van getrou- 
wicheydt gedaen, ende die rechten mitten dobbelen thins betaelt, 
oirkondt Goertgen opten Bongaerdt, Peter Quyten, ende Bartho- 
lomaeus Poeyn stadthelder. 

Item anno 1644 den 16«" Augusti heft Thysken Ingels pro se 
ende Dirck Wolfaerts opgehalden Rutgens goedt aen genen Bosch 
gelegen ten eenre syde neven Pastoorsgoedt, ende ter anderen 
neven Ketelbeuters sive Stockmans goedt, belast mit een thins- 
hoen, hier van heft Thisken voors. den eedt van getrouwicheydt 
gedaen, ende die rechten daer toe staende betaelt, voor Goertgen 
opten Bongaert, Peter Quyten, ende BarrholomaeoPoeynstadthelder. 
Item ten sciven daege heft Tliisken Jenken der Vorsters soon 
opgehalden het goedt gelegen ter eener syde neven Stockmans 
goedt ende ter anderen neven Cuypers goedt, belast mit een 
thinshoen, hier van heft Thisken voors. den eedt van getrou- 
wicheydt gedaen, ende die rechten daer toe staende betaelt, in 
praesentia Goertgen op ten Bongaerdt, Peter Quyten ende Bartho- 
lomaei Poeyn, stadthelder. 

Item noch ten selven dage als voren, heft Goertgen opten Bon- 
gaerdt verheven het goedt daer Rutgen syn broeder uyt gestorven 
is, geheyten Pastoors goedt, liggende aent Bussereyndt ter eenre 
neven Vaessegoedt, en ter anderen neven Thisken Ingels goedt, 
belast zynde mit een thinshoen: hier van heft Goertgen voors. 
den eedt van getrouwicheydt gedaen, ende die rechten daer toe 
staende betaelt in tegenwoordicheyt van Jan Claessen, Peter 
ende Bartholomaei Poeyn stadthelder. 

Item anno 1644 den 16^" December heft Linnert Beurskens, 
pro se ende Jan Smiedts te leen ondtfangen Schroers goedt eer- 
tydts geheyten Reynen goedt gelegen ter eenre syde neven Planen 
baendt, ende ten anderen neven Roeleppers baendt, hier van heft 



— 402 — 

Linnert voors. huldt endc eedt van getrouwicheydt gedaen, ende 
die leenrechten te vollen betaelt, coram Goertgen opten Bon- 
gnerdt, Goert Rutten, ende Bartholomaeo Poeyn, stadthelder 

Item anno 1644 den 22^" December heft Dirck Heynen gegeven 
den xij penninck mit der gerechticheydt van den omstandt, wegen 
het goedt dat hy mit octroye verkocht heft aen Jan Gubbels, 
gelegen ter eener syde neven Lierops goedt, ende ter andere 
neven Jan Gubbels selffs goedt, tegen over Theunis van Cruch- 
tens erve, ten overstaen van Goertgen opten Bongaerdt, ende 
Goerdt Rutten. 

Item ten selven daege heft Jan aen gen Reuver hem immit- 
teeren laetcn in alsulcken goedt als Trinken Vaessen zaliger ge- 
bruyckt heft, gelegen aen het Bussereyndt, uyt cracht van tes- 
tement gelegateert zynde aen Jan voors., doende hier van eedt 
van getrouwicheyt, beneffens die betalinge der leenrechten als 
modo eygenaer ende possesseur van t' voors goedt, actum coram 
(joertgen opten Bongaerdt, Thys van Oebroeck ende B. Poeyn, 
stadthelder. 

Item anno 1G46 den 8 Januar)^ heeft Jan Stockmans, pro se 
et consortibus, opgehalden Lem Ketelbeuters goeds, huys, hoff, 
bongaert, ende eenen halven morgen landts, gelegen over den 
voedtpaedt, ter eener syde neven Thys Ingels goedt, ende ter 
anderen neven Jenken der vorsters goedt, hier van heft Jan voirs. 
den eedt van getrouwicheydt gedaen, ende die rechten daer toe 
staende betaelt, ten overstaen van Goertgen opten Bongaerdt, 
Thys van Oebroeck, ende B. Poeyn, stadthelder. 

Item anno 1647 den l^"" May, heft Goertgen Roesen van Seven- 
heym verheven Drabben goedt gelegen neven Wolffs goedt opten 
berch, belast met een thinshoen, ende den eedt van getrouwic- 
heydt gedaen, mits betalinge der rechten daer toe staende, mitten 
dobbelen thins, oirkondt Goertgens opten Bongaerdt, Jan opten 
i^ongaerdt, ende B. Poeyn, stadtiiclder. 

Item ten selven daege voors. heft Goertgen Roesen opgehalden 
syn goedt gelegen aen het Bussereyndt ter eenre neven Maesse 
goedt, ende ten andere syde neven den Rayer voedtpaedt belast 
mit een thinshoen, hiervan heft Goertgen voors. den eedt van 
getrouwicheydt gedaen ende die rechten daertoe staende betaelt 
in presentie van Goertgen ende Jan opten Bongaerdt, ende B. 
Poeyn stadthelder. 



— 403 — 

Item anno 1647 den 8«" May, heft Thys Gehelen soon van gen 
Grote hoeff, gesonnen ende gewonnen tot Gielers Kempken ge- 
legen tot Offenbeck, heiast zynde mit twee thinshocndcr iaerlicks, 
doende hier van eedt van getrouwicheydt benclTens die betaünge 
der rechten daer toe staenJe mitten dobbelen thins, ten overstaen 
van Goertgen ende Jan opten Bongaerdt ende B. Poeyn, stadt- 
helder. 

Item anno 1647 den 8*" May heft Peter van der Wycr opge- 
halden Wyers goedt, gelegen tot Leeuwen, benevens Tobben goedt 
aent Valderen, belast mit een thinshoen, doende hier van eedt 
van getrouwicheydt mits voldoeninge der rechten daer toe 
staende, coram Goerigen ende Jan opten Bongaert en B. Poeyn, 
stadthelder. 

Item ten selven daege voors. heft Peter opten Bongaert vur 
hum ende syne consorten verheven Zoons goedt, gelegen ter eener 
syde neven Erken van Hoesten goedt, ende ten andere neven Wol- 
faerts goedt, belast mit een thinshoen: hier van heft Peter voors. 
den eedt van getrouwicheydt gedaen, ende die rechten mitten 
dobbelen thins betaelt, coram Goertgen ende Jan opten Bongaerdt, 
ende B. Poeyn, stadthelder. 

Item nog ten selven dage heft Jan van Gratum opgehalden 
Wolff goedt gelegen opten Berch, belast mit een thinshoen, doende 
eedt van getrouwicheydt mits betalinge der laedtgerechticheydt 
ten overstaen van Goertgen ende Jan opten Bongaerdt, ende 
B. Poeyn, stadthelder. 

Item anno 1649 den !«" May, heft Goert van Hoesten pro se 
ende syn suster, verheven Maesse goedt gelegen neven Wylre 
goedt, uytgeldende een thinshoen, doende eedt van getrouwic- 
heydt, beneffens die betalinge der rechten daer toe staende, coram 
Goertgen opten Bongaerdt, Linnert Beurskens, ende B. Poeyn 
stadthelder. 

Item den selven daege voors. heft Goert Kutten opgehalden 
het goedt onder den Kykelboom gelegen ter eenre neven Jan 
Kutten alias Smiedts goedt, ende ter anderen neven Goerdt op 
ten Bongaerdt morgen landts leengoedt, belast met een thinshoen 
hier van heft Goert voors. den eedt van getrouwicheydt gedaen 
ende die rechten daer toe staende betaelt, coram Goertgen opten 
Bongaerdt, Peter Quyten, ende B. Poeyn stadthelder. 



— 404 — 

Item anno 1651 den 4®° January, heft Jan Gubbels pro se et 
consortibus, namentlich Hil in die Stege, ende Theunis van 
Crucluen, opgehalden Gubbels goedt daer mede inbegrepen is die 
Stege, gelegen ter eener neven Goertgen op ten Bongaerdts mor- 
gen leengoedt, ende ter anderen syde neven Jan Lierops goedt, 
belast mit een thinshoen, hier van heft Jan voors. den eedt van 
getrouwicheyt gedaèn, ende die rechten daer toe staende betaelt, 
oirkont Goertgen op ten Bongaerdt, Peter op ten Bongaerdt, ende 
Baexem leenheere. 

Item anno 1653 den 27«" Novembris heft Linnert Stockmans 
van Asselt, mit synen toestandt, namentlick Wilm Gubbels van 
Asselt als man ende momboir synre huysvrouwe, naer gelaetene 
weduwe van Mevis Stockmans zaliger, ende vorts Trinken Beurs- 
kens die weduwe van Jan Stockmans Zl. ende syne naergelaetene 
erven, verweckt ende opgehalden Lem Ketelbeuters goedt gelegen 
aen het Bussereyndt ter eener syde neven Matthys Ingels goedt 
ende ter anderen neven Jenken der vorsters goedt daer van modo 
Jan Peullen ophelder is, hier van heft Linnert voors. den eedt 
van getrouwicheydt gedaen, ende die rechten daertoe staende be- 
taelt, in tegenwordicheydt van den leenheere, ende Goertgen op- 
ten Bongaerdt, ende Goertgen Roesen. 

Item anno 1654 den 22*^° January, heft Linnert Beurskens pro 
se ende Geret van Corneiis hoff, indertydt verweckt ende opge- 
halden het goedt gelegen aen het Bussereyndt beneven Maesse 
goedt, eertyts geheyten Gerit van Uffels goedt, belast synde mit 
een thinshoen, hier van heft Linnert voors. eedt van getrouwic- 
heydt gedaen, ende die rechten daer toe staende betaelt, voor 
leenheere ende Peter opten Bongaerdt ende Jan van Gratum. 

Item anno 1654 den 22*" January heft Peter opten Bongaerdt 
opgehalden Pastoirs goedt gelegen aent' Bussereyndt ter eener syde 
neven Vaessen goedt, ende ter anderen neven Matthys Ingels 
goedt, belast mit een thinshoen, doende eedt van getrouwicheydt 
beneffens voldoeninge van die rechten daer toe staende, ten over- 
staen van leenheere, Linnert Beurskens, ende Gerit van Corneiis 
hoff. 

Item anno 1654 den 5«" July heft Henderick van Hoesten pro 
se et consortibus, in den tydt verweckt ende opgehalden Maesse 
goeds gelegen neven Wylre goedt, belast mit een thinshoen, hier 



I 



— 405 — 

van heft Linnert Beurskens stipulatie gedaen in naeme cnde van 
wegen Henderick voors. zynde noch minreiaerig, totter tydt toe 
als hy mundich sal wesen, solvit iura daer toe staende, mitten 
dubbelen thins, in presentie van den leenheere. Peter opten Bon- 
gaerdt, ende Linnert Beurskens. 

Item anno 1660, den 30*** May heft Maes opten Bongaerdt voor 
hum, ende syne consorten namentlyck d'erffgenaemen van Linnert 
Beurskens zaliger, indertydt verweckt ende opgehalden Bongaerdts, 
eertyts geheeten van Uftels goedt, gelegen aen het Bussereyndt 
beneven Moesberchs goedt, uytgeldende iaerlicks aen het huys 
Nieuwenbroeck een thinshoen, doende eedt van getrouwicheydt 
beneftens betalinge der rechten daer toe staende mitten dobbelen 
thins in presentie van den leenheere, Peter opten Bongaerdt, ende 
Goert Roesen. 

Item anno 1661, den 18*° Juny heft Jan Erkens soon van Hoes- 
ten opgehalden t' goedt, daer syn vader saliger uytgesiorven is, 
gelegen aent Bussereyndt, ter eenre neven Vliegevoedts, off modo 
Daniel van der Linden# goedt, ende ter anderen syde neven Zoons 
goedt, iaerlickx uytgeldende aent' huys Nieuwenbroeck een thins- 
hoen. En wylen den voors. Jan noch een onmundich kint is, soo 
hebben M' Jan ende Dirck Lenaerts, ende Corstian inden Bon- 
gaerdt tot Baerloe, als aengebooren momboirs, neffens Catharina 
de respective weduwe, ende moeder, stipulatie gedaen wat den 
requireerden eedt aenbelanght, totten tydt toe, als den voors. Jan 
sal mundich wesen, hebbende verders de rechten daer toe staende 
mit den dobbelen thins betaelt, ende dese in oirconde der waer- 
heydt geteeckent, ter presentie van den Eerw. heer pasioir deses 
kerspels, ende laeten meede geteeckent hebbende Franciscus van 
der Ouderita pastor in Besell. 

Jan Lenarts 
Peter opden Eongart Derick Lenarts. 

Catharina -L in de Stiege. 

Anno 1661 den 21 Augusti heft Jan Rutgens verheven Rutgens 
goedt gelegen aen Drabben valderen, iaerlyckx uytgeldende een 
thinshoen, ende dewijl Jan voorsz. noch een onmundich kint is, 
ende inhabyl om den eedt te doen, soo heft Herman Rutgens 
den vader stipulatie gedaen totten tydt toe, dat den voorss. Jan 

26 



— 406 — 

sal mundich wesen, den dobbelen thins ende rechten daer toe 
staende ad twintich schellingen, inbegrepen allen omstandt syn 
betaelt, ten overstaen van Goert Roesen, ende Jan van Gratum, 
die dit in oirconde der waerheydt hebben onderteekent. 

Dit ist -j- handtmerck van Herman Rutgens. 

Gaergen Hoeszen (?). 

Dit ist -|- handtmerk van Jan van Gratum. 

A* 1661 den 5 September heft Jan Beurskens voor hem ende 
consoirten gereleveert Reynen leengoedt, met syne reynoten (}) ge- 
lyck 't selve fol. 13 en de 22 gespecifieert staedt, de leenrechten hier 
van de gratia veraccordeert synde, sonder eenich preuditie, voor 
negen pattacons, syn betaelt, ende dewyl den voorss. Jan noch 
onmundich is, ende inhabyl, om den eedt te doen, soo hebben 
Heynckens, ende Peter opten Bongaerdt, als momboirs geloeft, 
daer voor te staen, tot dat den voors. Jan sal mundich wesen, 
geschiedt in presentie van den Eerw. heer pastoir deses kerspels, 
Goert Quyten boede, ende laeten, die dit in kennisse der waer- 
heydt neffens de voors. momboirs hebben onderteekent. 

Franciscus van der Ouder Aa pastor in Besel. 
Gordt Quyten Heyn Henskens erfgenaam. 

Dit ist 1^ handmerck van Heynken Beurskens. 

Dit ist Lp handtmerck van Lenaerdt in geen NieuwerfF 

vant voorss. goedt tochtenaer pro quota. 

Peeter op den Bongaert. 

Gaertgen Roesen. 

Dit ist -}- handtmerck 

van Jan van Gratum. 

Hiervan hebben de voors. partyen versocht, ende becommen 
copye by den leenheere onderteekent. 

Anno 1662 den 18«» Marty heft Gerardt Ingels opgehalden 
Wolfaerts goedt, 't ghene hy gecocht heft van Wolfaerts partyen, 
liggende ter eener syde neven Zoons goedt, ende ter anderen 
neven Dirck ende Vranck Ummels goedt, met een voorhooft uyt- 
schietende op de gemeyn straet, ende d'ander op den voedtpaedt, 
belast synde met een thinshoen, hier van heft Geret voorss. den 

(I) eig. reingenoten = eigenaren van aangrenzende landen; reinen is in het Maas- 
gouwer dialect grenzen. 



— 407 — 

xij penninck, sampt die rechten daer toe staende ad twintich 

schellingen betaelt, ende verders den requireerden eedt gedaen in 

tegenwoordicheydt van den leenheere, Denis Peters, ende Paulus 

Plumen, die in oirconde der waerheydt dit neifens den ophelder 

hebben onderteekent. 

P. de Baexen. 

Dit ist LU handtmerkk van Gerardt Ingels. 
Dit ist X handtmerck van Denis Peters. 
Dit ist — I handtmerck van Paulus Plumers. 

Item eodem anno et die heft Gerardt Ingels opgehalden Dirck 
ende Vranck Ummelen goedt, 'tghene hy oock gecocht heft van 
Wolfaert partyen, liggende ten eener syde neven Wolfaerts goedt, 
ende ten andere neven Bongaerts goedt, uytschieiende met een 
voorhoofd op de gemeyn straet, ende met den anderen op den 
voedtpaedt, belast synde met een thinshoen, hier van heft Geret 
voorsz. den xij penninck sampt die rechten ad twintich schellingen, 
ende dobbelen thans betaelt, ende verders den eedt van getrou- 
wicheydt gedaen coram leenheere, ende laeten met naeme Denis 
Peters ende Paulus Plumers, hebbende dit in kennisse der vi^aer- 
heydt neffens den ophelder onderteekent. 

P. De Baexen. 

Dit ist LU hahdtmerk van Gerardt Ingels. 

Dit ist X handtmerk van Denis Peters. 

Dit ist I handtmerk van Paulus Plumers. 

Item anno 1662 den 18 Aprilis heft Derick Roesen opgehalden 
Drabben goedt, gelegen neven Wolffs goedt, iaerlickx uytgeldende 
een thinshoen, hier van heft Derick voorsz. die gevi^oonlycke rech- 
ten ad twintich schellingen, mitsgaders dobbelden thins betaelt, 
doende eedt van getrouwicheyt ten overstaen van Lenardt ingen 
Nieuwenhoif, ende Jan van Gratum, die dit in kennisse der waer- 
heyt neifens Trincken de moeder van voorsz. Derick hebben onder- 
teekent. 

Dit ist f^\ G) handtmerck van Trincken de weduwe van 

Goertgen Roesen saliger. 
Dit ist LU handtmerck van Lenardt ingen Nieuwerif. 
Dit ist -|- handtmerck van Jan van Gratum. 



(1) Dit handmerk is niet met een teeken uit de letterkas weer te geven. 



— 408 — 

Item anno 1662 den 13 Aprilis heft Derick Roesen opgehalden 
het goedt gelegen aent Bussereynt ter eenre syde neven Maesse 
goedt, ende ter andere neven Bongardts alias van Uffeis goedt 
iaerlickx uytgeldende een thinshoen hier van heft Derick voorsz. 
die ordinarissche rechten ad twintich schellingen ende dobbelen 
thins betaelt, doende eedt van getrouwicheydt coram leenheere 
ende laeten, die dit in teecken der waerheyt hebben onderteekent. 

P. de Baexen. 
Dit ist f^\ (^) handtmerck van Trincken de weduwe van 

Goertgen Roesen saliger. 
Dit ist LjJ handtmerck van l^enardt ingen Nieuwerif. 
Dit ist -|- handmerck van Jan van Gratum. 

Item anno 1664 den 10 Decembris heft Alardt Peullen verheven 

't goedt, dat syn vader salliger gecocht heft van Tisken Jenken 

der Vorsters soon, gelegen aent Bussereyndt ten eenre neven 

Cuypers goedt, ende ter andere syde neven Stockmans goedt, 

iaerlyck uytgeldende een thinshoen, hier van heft Alardt voorsz. 

die gewoonlycke rechten ad twintich schellingen, ende dobbelen 

thins betaelt, reservato juramento fidelitatis propter minorennita- 

tem. Geschiedt ten overstaen van Pauïus Slabberts ende Dirck 

Wolfaerts, die in kennisse der waerheyt dit neffens leenheere 

hebben onderteeckent. 

P. De Baexen. 

Dit 4^ ist handmerck van Paulus Slabbers. 

Dit ^^ ist handmerck van Dirck Wolfaerts. 

Item anno 1665 den 25 January is Claes van Graten tot op- 
helder gestelt van Jan Claessen goedt gelegen tot OfFenbeck aent 
Clapvalderen modo toebehoerende Hilken des voorsz. Jans doch- 
ter, belast synde met een thinshoen iaerlickx, ende alsoo den 
voorsz. Claes noch minderiaerich is, heft Jan van Gratum svnen 
vader stipulatie gedaen wegen t geene wat den requireerden eedt 
aenbelangt, die rechten hier van signantelyk 20 schelling ende 
dobbelen thins syn betaelt, geschiedt ten overstaen van leenheere 



(') Dit handmcrk is niet met een teeken uit de letterkas weer te geven. 



— 409 — 

ende mannen die tot teecken der waerheyt dit hebben onder- 

teeckent. 

P. De Baexem. 
Jan Quyten testis. 

Dit ist -j- handmerck van Jan van Gratum. 

Anno 1665 den 26*" January heft Jan Cruitsberg pro se et con- 
sortibus te leen ontfangen de moeien genoempt Ronckenstein, 
gelegen tot Offenbeck, hier van heft Jan Quyten in naeme van 
den voorsz. Jan Cruitsbergh noch onmundich synde stipulatie 
gedaen belangende den eedt van getrouwicheyt, ende alsoo par- 
tyen voorsz. voorgebracht hebben seekeren pergamenten brieve 
inhoudende hoe dat de voorsz. moeien voor desen is uytgegeven 
voor eenen erffpacht van twee malder roggen, iaerlyckx, ende 
vorders als een onderleen soude verheft worden met de gerech- 
ticheyt van elf gl. ende (?) golt, hebben partyen voorsz. deselve 
betaelt. Alles salvo jure cuiuscumque. Geschiedt ten overstaen van 
leenheere ende mannen die in oirconde der waerheyt dit hebben 
onderteeckent. 

P. De Baexem. 
Hendryck Seghers. 
Geurt Cruytsbergh. 
Hub. Luyben als getuyge. 
Jan Quyten als getuyge. 

Anno 1665 den 26 January heft Henrick Segers opgehalden den 
hofF aen gen Ronckenstein gelegen, iaerlyckx uytgeldende vier 
thinshoenderen : hier van heft Henrick voorsz. huldt eedt gedaen 
ende die rechten met den dobbelen thins betaeh, salvo jure cuius- 
libet. Geschiedt coram leenheere ende mannen die dit in kennisse 
der waerheyt hebben onderteeckent. 

P. De Baexen. 
Hendryck Segers. 
Geurt Cruytsbergh. 
Jan Quyten als getuyge. 

Anno 1666 den 16 Octob. hebben die vercoopers van Langer- 

beins goedt tot Ryckel gelegen betaelt den xij penninck, des t' 

oirconde. 

P. De Baexen. 



— 410 — 

Op heden den 29 Mei 1666 heft Gerit Houten voor hem ende 
mede voor Claes Robbert verheven Rutgens goedt aen genen 
Bosch gelegen aen 't Bussereyndt ter eenre syden neven Siock- 
mans goedt, ende ten anderen neven Pastoors goedt. Jaerlickx 
uytgeldende een thinshoen, hier van heft Geret voorsz. huldt 
eedt gedaen, ende die rechten daer toe staende naementlick twin- 
tich schellingen ende dobbelen thins betaelt, ten overstaen van 
Rutgen Deckers, ende Henrick Peters. Des t' oirkonde. 

P. De Baexen. 

Op heden den 12 January 1667 heft Peter opden Bongaerdt 

als cooper van Wolfaerts, ende Dirck ende Vranck Ummelen 

goederen betaelt den xij penninck, ende verders belooft d'ophal- 

dinge derselver goederen oock metten eersten te sullen doen, des 

t' oirconde. 

P. De Baexen. 

Op heden den 21 Decemb. 1667 heft Peter opden Bongaerdt 
opgehalden Wolfaerts goedt t' gene hy gecocht heft van Gerardt 
Ingels liggende ter eenre syden neven Zoons goedt, ende ter an- 
deren neven Dirck ende Vranck Ummelen goedt, uytschietende 
op de gemeyne Busserstraedt, belast synde mit een thinshoen, 
hiervan heft Peter voorsz. die rechten daer toe staende ad twin- 
tich schellingen mit goeden dobbelen thins betaelt, ende den eedt 
gedaen ten overstaen van Paulus Slabberts ende Paulus Plumen 
des t' oirconde. 

P. De Baexen. 

Dit ist LU handmerck van Paulus Slabbers. 

Dit ist j handtmerck van Paulus Plumen. 

Item eodem die heft Peter Bongaerdts opgehalden Dirck ende 
Vranck Ummelen goedt gelegen ter eener syden neven Wolfaerts 
goedt voorsz. ende ter anderen neven Bongaerdts goedt, uytschie- 
tende op de gemeyne Busserstraedt, belast synde mit een thins- 
hoen, hier van heft Peter voorsz. de gewoonlycke gerechticheyt 
van 20 schellingen sampt dobbelen thins betaelt, ende vorders 
den eedt gedaen in tegenwoordicheyt van Paulus Slabbers ende 
Paulus Plumers, die des t' oirconde dit hebben onderteeckent 
P. De Baexen Peter Bongarts. 

Dit ist LU handmerck van Paulus Slabbers. 

Dit ist n handmerck van Paulus Plumen. 



I 



— 411 — 

Item anno 1669 den 28«° Octob. heft Peter Lutters te leen 
j ondtfangen het leengoedt geheyten* Leenen goedt gelegen tot 

Ryckel neflfens Langerbeinsgoedt, hebbende die rechten daer toe 
staende ad elff goltgulden betaelt, ende dewyl den voorss. Peter 
noch onmundich is, so heft Goort synen vader stipulatie gedaen 
belangende den eedt van getrouvi^icheyt, tot dat de voorsz. Peter 
sal mundich wesen, geschiedt ten overstaen van landtheere ende 
leenmannen onderschreven. 

P. De Baexen. 

Dit ist L|J handmerck van Geurt 

Lutters erffgenaem. 

Dit ist Lp handmerck van Gerit 

Langerbeens leenman. 

Dit ist V handtmerck van Bartho- 

lomeus Hillen leenman. 

Quod attestor Franciscus van der 

Ouder Aa Pastor in Besell. 

Item anno 1669 den 28 Octob. hebben d'erffgenaemen van Lan- 
gerbeins leengoedt gelegen tot Ryckel neffens Leenen leengoedt, 
tot ophelder gestelt Jan Langerbein, ende die rechten daer toe 
staende ad elfF goltgulden betaelt, hebbende Gerardt synen vader 
gestipuleert wegen den gerequireerden eedt van getrouwicheyt tot 
dat den voorsz. Jan sal tol syne laeren syn gecommen, geschiedt 
in presentie van den Eerw. her pastor tot Besel, leenheere ende 
mannen, die in oirconde der waerheyt dit hebben onderteeckent. 

P. De Baexen. 

Dit ist LJ-' handtmerck 

van Gerit Langerbeens erfifgenaam. 

Dit ist V handmerck 

van Bartholomeus Hillen leenman. 

Dit ist LL' handmerck 

van Geurt Luttens erffgenaem. 

Quod attestor Franciscus van der Ouder Aa, 

pastor in Besell. 
Nelys Langerbeins. 



— 412 — 

Den 13" January 1670 heft Ingel Beurskens soo voor hem als 
mede voor syne consoirten' hier onder genomineert gereleveerd 
Rcynen leengoedt gelegen in de Bosscherstraat te eenre syde neven 
de Beeckerweyde, ende mit d'andere syde, ende een voorhooft 
neven Planen baendt, ende met den anderen voorhooft neven de 
voorsz. straet, daer toe den morgen landts recht daer tegen over 
gelegen, hier van heft Ingel voorsz. den eedt van getrouwicheyt 
gedaen, ende die leenrechten sonder preiuditie [veraccordeert synde 
voor thien pattacons, mitsgaders die verteringe daeromme ge- 
schiedt, betaelt in presentie der navolgende getuygen, die in 
kennisse van sulcx hebben onderieeckent op dato ut supra. 

P. De Baexen. 

Dit is het LU handmerck van 
Engel Buerskens als erffgenaem. 
Dyt is het handmerck LjJ van Guerdt 
Rutten als erffgenaem. 
Jan Buerskens, quod attestor 

Petrus Jacobi Sacell- 

nus in Besel. 

Pro memoria, dat Beurskens partyen voorsz. in dit relive- 
ment gecontribueert hebben twee derdeden. 

Alsoo Jan Gubbels syn goedt tot Besel onder de laedtschappe 
van den huyse Nieuwenbroeck gehoorich vercocht, ende d'over- 
drachte hadde laeten geschieden ten overstaen van schepenen des 
gerichts aldaer, waer over proces ten hove was ontstaen ten fine 
van alsulcke opdracht incompetent ende crachteloos verclaert te 
worden; ende vermits denselven Jan Gubbels naerderhandt heft 
verclaert, niet te weeten, dat hy daer mede qualick hadde gedaen, 
hebbende signantelyk op heden dato ondergeschreve door mannen 
oock hier onder genomineert versocht ende gebeden ten eynde 
van alsulcke vercoopinge ende opdrachte geapprobeert, goedt, 
ende van werde gehouden te worden, soo wordt hier mededeselve 
vercoopinge ende opdrachte geadvoyeert, edoch sonder consequen- 
tie ende voorbehouden een ieder alletydt synes goeden rechten 
geschiedt sonder arch ofte list den 20*^ Aprilis 1671 des t'oir- 
conde etc. 



— 413 — 

P. De Baexen. 
Jan Gubbels. 
Jan Muysen (?) 

Dit ist ^ handtmerk 

van Dirick stammen. 

Quod attestor Franciscus van der Ouder Aa ^ 

pastor in Besell. 
Den 4"* Juny 1673 heft Jan Robberts voor hem ende syne 
consoorten opgehalden Rutgens goedt aen genen Bosch, gelegen 
aen 't Bussereyndt ter eenre syden neven Stockmans goedt, jaer- 
lycx uytgeldende aen het huys Nieuwenbroeck een thinshoen, 
hier van heft Jan voors. den eedt van getrouwicheydt gedaen 
ende die rechten daer toe staende, namentl. twintich schellingen 
ende dubbelen thins betaelt ten overstaen van de mannen ende 
leenheere dit in kennisse der waerheyt onderteeckent hebbend. 

P. De Baexen. 

Nyeles Bloocken. 

Hendryck (naam onleesbaar). 

Alsoo d'erffgenaemen van Nelis Jansen den 18 July 1679 hebben 
gepresenteert eenen ophelder te stellen van het goedt aen het 
Bussereyndt waer van Nelis voors. is in syn leven ophelder ge- 
weest voor hem ende syne consorten, ende dat de selve hebben 
versocht eene handt (i) te bocck laetcn stellen van Jan Jennekens 
goedt teghenwoordigh toebehoirend d'erffgenaemen van Nelis 
Jansen, Hendrick ende Jan Leenen soo ist dat in die selve plaetze 
als nu te boeck gestelt is Hendrick Arets soone van Derick Arets 
welcken lesten gestipuleert heeft weghen den gerequireerden eedt 
van getrouwigheyt, tot dai synen voorsz. minderiaerigen soon tot 
syne volcommene jaeren sal syn gecommen, waer van de voorss. 
erffgenaemen jaerlycx moeten geven een chinshoen ende hebben 
de voorss. partyen betaelt de rechten daer toe staende ad twee 
ducaten ende eenen dobbelen chins aengenomen te voldoen op 
Sint Andries naestcommende, ende aen de twee getuygen hier 
onder genomineert jeder eenen blammuyser in oirconde van dyen 

(') Mangoederen werden aldus genoemd wijl zij op naam van èèn (zooals hier) 
of soms twee mannen of handen, zooals men het noemde, werden te boek gesteld, 
die dan ook deze goederen te leen verhieven. Om kosten te sparen koos men daar- 
toe jonge kinderen. 



— 414 — 

hebben de selve parthyen beneffens den Ad* M. van Wessem q. q 
deze mede geteyckent tot Besel den 16 July 1714. 

Deryck Arets. 

M. van Wessem q. q. 

Dit is het merckt j^ van Hendrick Leenen 
eygenhandigh gemaeckt hetwelcke getuyge hier mede. 
Willem Geret. 
Peter Quyten quod attestor. 

Op heden den 27 July 1714 heeft Jan Peulen voor hem ende 
syne suster Neesken Peulen verheven het goedt hetgheene synen 
vaeder saliger van Tisken Jenken der vorster soon Q') gelegen aan 
Busser eyndt ter eenre neifens Cuypers goedt ende ter andere 
syde neffens Stockmans goedt uytgeldende jaerlycx een chinshoen, 
hier van heeft Jan Peulen voorss. huldt ende eedt gedaen ende 
de rechten ad twintigh schillingen voor langhe betaelt aen de V" 
Dovagiere van Baexen ende aengenomen eenen dobbelen chins te 
betaelen op St. Andries naestcommende inde aen jeder der twee 
getuygen eenen blammuyser, in oirconde van dyen heeft der voors. 
Jan Peulen beneffens den Ad* M. van Wessem q. q. ende de twee 
getuygen dese eygenhandigh onderteykent tot Besel den 27 July 1714. 

Jan Peulen. 

M. van Wessem q. q. 

Willem Gerats. 

Peter Quyten quod attestor. 

Op heden der 27 July 1714 heett den schepen Johan Peulen 
verheven het goedt genoempt Soons goedt gelegen neffens Hen- 
drick Arets schuyre, uytschytende op de gemeyne straet tot Busser 
Eyndt, ende uytgeldende jaerlycx een chinshoen, waer inne Jacob 
Bongaert de helfte moet betaelen. Hier van heeft den voorss. 
schepen Johan Peulen huldt ende eedt gedaen ende de rechten 
ad twintich schillingen ende dobbelen chins aengenomen te betae- 
len op St. Andries naestcommende ende aen de twee getuygen 
hier onder genomineert jeder eenen blammuyser in oirconde van 
dyen heeft den voorss. schepen, beneffens den Ad* M. van Wes- 
sem, ende de twee getuygen dese eygenhandigh onderteyckent tot 
Besel den 27 July 1714. 



(1) Hier is uitgelaten: gekocht heeft. 



— 415 — 

Jan Peulen 

M: van Wessem q: q: 

Willem Gerrets. 

Peter Quyten quod attestor. 

Op heden den 21 January 1715 heeft Christiaen Aquarius voor 
hem ende syne mitgedelingen naementlich Peter Quyten, Anne- 
ken Aquarius ende meer andere, te leen ontfanghen het goed tot. 
Besel gelegen aen de Beeck, gehcyten Beecker goedt, huys, hoff, 
bongaert, weyde, mit syne bygehoorige landeryen ende jaerlycx 
geldende aen het huys Nieuwenbroeck twee chinshoenderen er- 
ledight by doode van Jan aen de Beeck, hier van heeft Christiaen 
Aquarius de gerechticheyt betaelt te weeten elff goltgulden, 
doende den eedt van getrouwigheit in 't bywesen ende ten over- 
staen van Dorick Coenen ende den D. J: J: van Wessem ende 
heeft men parthye om redenen, ende uyt consideratie het dobbel 
hergewaeyt geremitteert, mitsgaeders de verlopene chinshoendere 
tot Sint Andreas lestleden. . 

Derck Coenen. 

J: J; van Wessem q. q. 

Op heden dato den 8 Decembris 1752 is Wilhelmus Trynes 
voor my J: J; de Collignon, overste in Statendienst, Heere van 
den Riddermatighen huyse Nieuwenbroeck in presentie van twee 
bywesende getuygen gecompareert wegen een parceel ofte stuck 
landt herkomende uyt den post van Beker goet gelegen aen de 
Beeck over een chynshoen die van den jaere 1727 af niet by 
betaelt is, door versuyminge van den voorbesitteren van desen 
voors. Riddermaetighen huyse Nieuwenbroeck ende door my 
tegenwoordighen besitter wederom bygebracht met den jaere 1751 
ende de voorighe achterstandighe jaare uyt myne goetheyt gere- 
mitteert, waerop dan den onderss. Wilhelmus Trynes hem ver- 
obligeert, ende met eedt bevestigt in presentie van twee onderss 
getuygen om Jaarlix eene chyns hoen op St. Andries aen den 
voorn, riddermatigen huyse Nieuwenbroeck te leveren ten oir- 
kondt van disses hebben wy dit eenpaerlyck onderteeckeni. 

Wilhelmus Trynes. 

J: FrdC?): de Collignon obrister H: V: Nevenbruk. 

A: Meuter(?). 

J: A: Gielen quod attestor. 



SCHEPENBRIEVEN 



VAN HET 



Kapittel van St. Servaas 



TE 



MAASTRICHT. 



1» m <i 



(Vervolg). 



De hierachter afgedrukte schepenbrieven betreffende het voormalig 
Vrije Rijkskapittel van St. Servaas te Maastricht, vornmen reeds 
een zevende vervolg van die, in vele opzichten, hoogst belangrijke 
en in haar soort wellicht eenige verzameling. In het vorig deel 
dezer „Publications" Q') werden tweehonderd dier brieven afge- 
drukt, loopende over de jaren 1434 üctober 18—1469 Augustus 12. 
Daarbij volgden wij steeds dezelfde methode, den regestvorm, 
waarin alles werd opgenomen en medegedeeld, wat maar van 
eenig belang kan zijn. Aan den voet der bladzijden gaven wij 
historische en biographische aanteekeningen alsmede toelichtende 
nooten op den tekst. 

Op dezelfde wijze gaan wij thans met de uitgave dier brieven 
voort; enkelen worden in extenso gegeven wegens de belangrijke 
bijzonderheden van lokale geschiedenis, rechtsgebruiken en topo- 
graphie welke zij bevatten. 



G) Bladz. 81-210. 

P. D. 



— 417 — 



No 1527. 

1470 (Januari 18) achthien dage inden Loemaent, 

Schout en schepenen van Overspauwen oorkonden, dat hun 
medelid Mathys Qüistcorn aan Catryne Tants, echtgenoote van 
Jacob VAN BuEL, poorters van Maastricht, verkocht en overge- 
dragen heeft eene jaarlijksche erfpacht van 10 vaten rogge uit 13 
groote roeden akkerland te Overspauwen nabij dat onderste inde 
gelegen, palende naar Spauwen aan land van Lees Boeketers 
van Cleynenmembruggen en aan land van Gys Koutens van 
Maastricht, op voorwaarde dat, zoo die pacht in haar geheel of 
gedeeltelijk op den gestelden tijd niet betaald wordt, Cathryne als- 
dan mit eynen dachdoen van vyffthien dagen telinge hebben sall off 
geleytenisse (i) totteji dertheen roeden lants vurscreven onderpants^ 
gelyck off sy denen mit den recht vervolcht ende untgediminiert hedde. 

Afschrift in: Registrumlitter,fratern.^{o\.Yil v. — Schepenen: Noel- 
man Wynants schout en schepen, Lauerees van Linde, Rutger van 
Spauwen, Christiaen Clerx, Mathys Qüistcorn, Cornelis Clerx en 
Thonis Wynants. 



No 1528. 



imO (Januari 31) opten lesten dach van Loemoent. 

Schout en schepenen des hogen gerichs van Sichen oorkonden. 



(^) Geleytenisse j geleitenis, geldt = bezitneming. 



— 418 — 

dat, Noelman Daengels van Sussen, zoon van Daengel Loyen, 
aan Henrick van den Dael, kapellaan der St. Servaaskerk te 
Maastricht, ten behoeve der broederschap van kapellanen dier 
kerk overgedragen heeft eene )aarli)ksche erfpacht van 6 vaten 
rogge (1) te beuren uit 15 groote roeden akkerland, inden gevilten 
van Sichen onder den Roesberch in een perceel gelegen, tusschen 
land van Jan Dantyn van Maastricht, aen eyn hout die cuylen 
van den roesberch naar den kant van Maastricht, land van Danyel 
Cremers van Lutten naar den kant van Sichen en land van den 
pastoor van Sichen acnt hotit naar den kant van Betsingen en 
verklaard heeft dat buitendien op dat land gevestigd is een cijns 
van 1 penning 'sjaars te betalen in des Jonckeren hoeffs vdiXiSxch^n. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Jan Hagels schout, Stas van 
Falle, Jan Swalen, Stas .Hermans, Collair Beetge, Jan Pouwels^ 
Henrick Palm arts en Jan Hüubrechs. - Zegels: 1®. Drie kepers, in 
den linker bovenhoek een koek, in het vrijkwartier een naar rechts klim- 
mende leeuw; omschrift: Joha Hag . . ; — 2°. Drie kepers, omschrift... 
VAN Valle. 



N« 1529. 



1470 (Maart 20) des twintichsten daichs in Merte. 

Meier en schepenen van het laathof, het St. Peterhof te Mon- 
tenaken oorkonden, dat Herman Keerener aan Willem Passart 
7 groote roeden land onder Heukelum tusschen land van Johaes 
Wyngart, land der scholieren van Luik, land der erven Hubrecht 
VAN Lauffelt en land van St. Servaaskapittel te Maastricht opge- 
dragen heeft, onder beding hem het rustig bezit daarvan te zullen 
vrijwaren waarvoor hij zijne goederen verbonden heeft, en schout 
en schepenen van deri Vroenhof den brief bezegeld hebben. 

Orig. op perkament. — Schepenen van St. Peterhof: Herman van 
Eynatten meier en schepen, Peter Meier, Willem in die Hag e, 
Dieryck Vokrse, Johann van Ochem, Jan Bomer en Art Brande- 
BORCH, — Schepenen van den Vroenhof: Gillis vander Sargien schout 



(') Uit de noot in dorso blijkt dat met de pacht naderhand gesticht werd eene 
dagelij ksche Mis. 



— 419 — 

en schepen, Johan Clutte, Willem indie Hage, Jan Bovier, Johan 
TE GoESWYNSTORNE, Johan Clut int gruythuys en Henric van 
Amstenrode. 



N- 1530. 

1471 (Januari 11) elff dage in Januario. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Henryck van den Daele, priester 
en kapellaan van St. Servaaskerk aldaar als vruchtgebruiker, en 
zijn zoon Johan van den Dale, ook kapellaan dier kerk als erf- 
genaam aan deken en kapittel daarvan eene jaarlijksche rente van 
2 marken uit het huis van wijlen Peter Bavier in de Jodenstraat, 
tusschen dat van Willem van Sluysen en dat van Gielis Ver- 
lies, beenhakker, overgedragen hebben voor de stichting van hun 
jaardienst met 12 marken rente 's jaar s, waarvan zij de overige 
10 marken reeds voor voornoemde deken en kapittel hebben 
gevestigd op het huis van Joannes Pistokis opden Bulyoen^ en 
beloofd hebben hun het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren, 
onder hypotheckstelling hunner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan Bavier en Arnolt vander 
Moelen. 



No 1531. 



14:71 (April 13) mensis Aprilis die tercia decima. 

Franciscus de Awans, prior, en geheel het convent van Val- 
des-écoliers te Luik verklaren dat zij, ten einde de hun opgelegde 
oorlogsschatting wegens den oorlog der Luikenaren met hunnen 
prins-bisschop Lodewijk van Bourbon te kunnen betalen, aan de 
broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk te Maastricht 
verkocht hebben eene jaarlijksche pacht van 20 mudden spelt van 
de 53 mudden en 2 vaten die zij te Sichen en Sussen beuren, 
dat zij hunne medebroeders Johannes Raymeker, Lambertus Ber- 
wiER en Johannes de Orsmael tot hunne zaakgelastigden hebben 
aangesteld om voor de schepenbank van Sichen dien verkoop te 



— 420 — 

doen bekrachtigen en zij hunnen overste, den prior van het kloos- 
ter van Geroldisart nabij Namen, gebeden hebben dien verkoop 
goed te keuren. 

Orig. op perkament, bezegeld met het zegel van Anthonius Fabri 
prior van Geroldisart, van Franciscus DE Awans, prior van Val-des- 
écoliers en van dat van dit klooster. 

No 1532. 

Transüx. 1471 (April 20) den twintichsten daichs inden Aprille, 

Schout en schepenen des geswoiren loethoefs van Sichen oor- 
konden, dat Jan Raymekers, Lambrecht Berwier en Jan van 
Oersmal, conventbrueders des goitshnys ende convents der scolieren 
van Luik, namens hunne medebroeders, aan Henric vanden Daele, 
priester en kapellaan van St Servaaskerk ten behoeve der broe- 
derschap van kapellanen aldaar verkocht en overgedragen hebben 
20 mudden spelt jaarlijksche erfpacht van de 53 mudden en 2 
vaten spelt die zij jaarlijks te beuren hebben uit 22 bunders, 17 
groote eti 13 kleine roeden akkerland te Sichen en Sussen in de 
volgende perceelen gelegen : 55 groote roeden op den ivangher 
iveech palende aan land der erven Art Pronen van Maastricht en 
dal der erven Wilhem Haenen; 36 groote en 2 kleine roeden 
aan den weg van Sussen naar Montenaken naast land van het 
kapittel van St. Servaas te Maastricht en land der erven Jan 
Neven van Monte;iaken; 53 groote roeden bij die tumme van 
Sussen aan den weg van Sussen naar Montenaken tusschen land 
van St. Servaaskapittel voormeld en land der erven van Jacob 
van Spauwen; ongeveer een bunder bij het voorgaande perceel 
naast land van den pastoor van Sichen en land der armen van 
Luik; 10 groote roeden insgelijks bij het tweede voorgaande perceel 
gelegen tusschen land van de Regaarden van Maastricht; 1 bunder 
achter Cautenberchs hoeff^ palende aan land van St. Servaaskapittel 
en aan land van Lenart Boesmans; ongeveer 42 groote roeden 
tusschen land van Jan Pauwels van Heukelum en land der armen 
van Luik; 14 groote roeden tusschen land der erven Obrech van 
HoKELUM en land van Jan van de Veels van Wyck; 42 groote 
roeden aan den weg naar Heukelum tusschen land van Jan Polleye 



— 421 — 

van Herstal, land vafi Henric Gruylmans en land der kanoniken 
van St. Servaas te Maastricht; 16 groote roeden over die bolre 
siroete gelegen tusschen land der armen en land der begijnen van 
Maastricht; ongeveer 4 groote en 2 kleine roeden op ten mest- 
weech die reyckt van Sussen ie Triecht wairt tusschen land der 
Balie Biessen en land van St. Servaaskapittel voornoemd; 4 groote 
en 5 kleine roeden gelegen voor die borck van Sichen palende aan 
land van St. Servaaskapittel en aan land van jonker Karles heer 
Van Sichen; 42 groote en 12 kleine roeden achter de hofstede 
van Rogier Gruylmans, naast land van den pastoor van Sichen 
en land van St. Servaaskapittel; 1 bunder int gevitte van Sichen 
tusschen land van Jan Beverst van Montenaken en land van 
St. Servaaskapittel; 15 groote roeden naast het vorige perceel; 
22 groote en 6 kleine roeden tusschen liet voorgaande perceel en 
land van St. Servaaskapittel en 28I/2 roeden tusschen land van 
Lambrecht Peters van Falie en land van Ghielis Hfutens van 
Sichen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnout .Brandenberch schout 
en schepen, Stas van Falle, Jan Swaelen, Jan Triechs, Wilhem 
Beetge, Lenart Stas en Jan Houbrechs. — Zegels: !<>. Een kasteel 
(toren), in het schildhoofd eene vi)fpuntige ster, de punt naar beneden 
— 4**. een kaphamer vergezeld van twee zespuntige sterren; omschrift: 
S»" Ja . . VAN . . Tricht. 



N» 1533. 



1471 (Augustus 13) des XIII daichs in Austmaent, 

Schout en schepenen van Ytteren, toebehoorende aan ridder 
Jacob VAN MoREAMis, heer tot Meerssenhoven [Mertzen hoven) oor- 
konden, dat Kathryne, de weduwe van Lambrecht Happart, 
ingevolge huwelijksvoorwaarden aan haren schoonzoon Jan Geloes- 
sen, man harer dochter Oleyde, vijfdehalf vat rogge erfpacht 
'sjaars uit vier bunders bouwland, /;/^//^;/^// ^«^.y^:/ gelegen tusschen 
land van Art vander Hagen van Maastricht en land van Johan 
INDEN Beelck, overgedragen heeft, uit welk land wijlen Jan vanden 
Veels eene gelijke pacht beurdde, dat Jfin voornoemd die pacht 
overgedragen heeft aan Johan Glercx en deze op zijne beurt aan 

27 



— 422 — 

Herman. Huen, Soffie zijne vrouw en hun beider erven, onder 
beding de gebruikelijke formaliteiten der schepenbank te zullen 
nakomen en zij, egeneii hoeffs noch banck siegel hebbende, den heer 
hunner heerlijkheid Jacob van Moreamis voornoemd verzocht 
hebben zijn zegel aan dezen brief te hangen. 

Afschrift in: Legerboeck vun ulsullickc renten^ censen ende landen., 
van O. L. Vrouwelof fol. XIII. — Schepenen: Johan Herswengel 
schout en schepen, Ainolt Wynïe van Houthem, Pouwels van Myllen, 
Ghysse Jans, Johan Knoyk van Ytteren, Dierick van Wyck en Johan 
Wyente. 

N* 1534. 

Transfix. 1476 (April 2) des tweeden daichs inden AprilU. 

Schout en schepenen van Ytteren, oorkonden, dat Herman Huen, 
de jaarlijksche erfpacht van vijfdehalf vat rogge, vermeld in den 
brief daer ane dese is getransfixeert^ aan Gieles van Hoesselt, 
priester en meester van St. Servaasgasihuis, ten behoeve van 
het O. L. Vrouwelof in de St. Servaaskerk te Maastricht heeft 
overgedragen. 

Afschrift ibidem fol. 14 v. — Schepenen als van nummer 1533. 



N° 1535. 



Uil (Ociober 27) XX Vil dage in Octobri. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen en schepenen v. M. 
oorkonden, dat Johan Therele van Berne (Bernau), ten behoeve 
van Herman Huen, van zijne echtgenoote Sophie en van hun 
beider erven afstand gedaan heeft van meerdere cijnzen, die 
hem aangekomen zijn van zijne ouders, ten gezamenlijke be- 
drage van 22 marken, 10 schellingen, 2 penningen en 1 copy, te 
beuren uit de volgende goederen: 9 schellingen en 5 penningen 
's jaars uit het huis van Aert Roebekens, cuper te Tweebergen, 
naast het huis van Johan van Loen en dat van Wilhem van 
CoRTERSHEYM; derdehal ve schelling uit het huis van wijlen Willem 
Quistkoren aldaar gelegen naast dat van Johan Kokartz en het 



— 423 — 

huis VANDEN Kievien; 5 schellingen en 4 penningen uit het huis 
van voornoemden Johan Kokartz insgelijks in die straat' gelegen 
tusschen de huizen van wijlen Willem Quistkoren en der kinderen 
van Tielman Hese; 2 schellingen uit het erf van Wilhem Nouwen, 
timmerman, ook aldaar (i) gelegen naast het erf van Mellen 
Heynsberchs en naast dat van Lambrecht van Kanne; 5 schel- 
lingen en 1 kapoen uit het huis van Tielman Laekens tusschen 
dat van Lenss Capuyn en dat van Pauwei Heynsberch in de- 
zelfde straat gelegen; 2. schellingen en 4 penningen uit het erf 
van Jacob van Oederbroeck aldaar naast het huis van jonkheer 
Lambrecht van Mobe?ltingen en naast de Lollartzrmve ; vierde- 
halve schelling uit het huis van Pauwei Heynsberch voormeld 
naast dat van Tielman Laekens en dat van Ghyse van Hoerne; 
I 41/2 schellingen uit het huis van Anthonys van Spauwen, naast 

dat van Johan Menten en het huis van Goerdt Hulsberchs; 4 
schellingen uit dat van dezen laatste naast Anthonys van Spauwen 
en Wilhem van Embens; 2 penningen en 1 kapoen uit het daar- 
naast gelegen huis aan den anderen kant begrensd door Goert 
van Straelen; 10 schellingen en 2 kapoenen uit het huis van 
Goert VAN Straelen naast dat van Ghys Kempmeker en dat van 
Tilman Swoughen gelegen; 19 penningen en 1/2 kapoen uit het 
huis van dezen laatste naast het erf van Art Persoens ter andere 
zijde; 19 penningen en 1/2 kapoen uit dit laatste huis palende aan 
dat van Jan van Oupén; 19 penningen en V2 kapoen uit het naast 
het voorgaande gelegen huis naast het St. Nicolaasgasthuis van 
den anderen kant; 23 penningen uit het huis van Jan van Oupen 
naast dat van Symon van Kestelt en dat van Ide vanden 
RoESKN; 4 schellingen en 2/4 kapoen uit het huis van den rector 
der kapel van voormeld gasthuis; 1^/2 penning en 1/2 hen uit dat 
van Peter Moechs tusschen die van Jan Routen en van Jan 
Ketelboeters ; 6 penningen en 2 kapoenen uit de hofstede met 
akkerland van Gerit Morzels, buiten Tweebergerpoort gelegen 
naast het erf van Tielman Zwongen, en dat van Lambrecht 
Nollens en de siraet langs der stat grave; 1 schellingen 1 kapoen 
uit het goed van Henrix indie Hage afkomstig van wijlen Lens 



(1) Eene kantaanteekening uit de eerste jaren der XVI® eeuw meldt: Cruysbroeren^ 
ganck ut puiOy derhalve de Kruisheerengank. 



— 424 — 

WiTHUYS, optie comment gelegen tusschen het erf van Gerit 
Braetzen en dat van Heynrix Swertvende; 1 schelling en 1 
kapoen uit het St. Caiharina-gasthuis op de Houtmarkt (de Bosch- 
straat); 20 schellingen, 8 penningen en 1 copy uit het cojivent der 
susieren op Saxdriesck(y)*^ derdehal ve schelling uit het huis van 
Cornelis Vlemynse op de Zaterdagsmarkt naast dat van wijlen 
Wilhem Vygen; 8 schellingen uit een huis van het gasthuis van 
den H. Geest te Wyck gelegen; 41/2 penningen en 1 1/2 kapoen uit 
het huis van Ghysse Lamboy aan de Maas gelegen op den hoek 
der Quoedevliegenstraten naast het huis van Gloes van Baerssen; 
10 schellingen uit het huis van Marie Brjeynen, boghemeker aan 
de Maas tusschen het huis van Daem Bockinx en naast dat van 
Huber van Eymale; 2 penningen en 2/3 kapoen uit het huis van 
Wilhem Levels, hem aangekomen van wijlen Art Capuyn, met 
toebehooren gelegen achter optie moent naast dat van Gerrit int 
Brulsche kuys en dat van Willem van Borne; 3 penningen en 
een kapoen uit het erf van Wilhem van der Hoeven op die- 
zelfde straat naast het voorgaande gelegen; 2 schellingen, 2 pen- 
ningen en 2 kapoenen uit dat deuckhuys met toebehooren bij het 
huis van wijlen Gerit Braetzen gelegen; 10 kapoenen uit het 
huis van Henricx vander Sarghen bij het Augustijnenklooster; 
15 schellingen uit het huis van Peter Franckotte te Wyck 
begrensd door de huizen van Jacob van Dailhem en van Jan 
Thees; IOI/2 schellingen uit het huis van Jan van Nuwelant 
bij de St. Maartenskerk naast dat van Kathryne Lombart en dat 
van Jan van Kasel; 4 schellingen en 2 kapoenen uit de haeffstat 
van wijlen Andries Koninx op de Houtmaas naast dat van Johan 
VAN Heze en het huis van Jan Hameker; 21 schellingen, 4 
penningen en 2 kapoenen uit het huis van wijlen Gerit Braetzen 
gelegen bij den bisschops moutmolen naast het huis van Symon 
Nys en dat van Jan Lamboy, kramer; derdehal ve schelling uit 
het huis van Jan Wouters in de Kleine Looierstraat, begrensd 
door de huizen van Heynric Smeetz en van wijlen Peter Roese- 
LOER; 1^/2 schelling en 1/2 kapoen uit dat van Henrich van Beeck 
op den hoek der sfuydenstraete (Heidenstraat) bij het erf van het 
klooster der Begaarden; 12 schellingen en 2 kapoenen uit het huis 



(1) Hel klooster van den Maagdendries. 



— 425 — 

m 

van Art Oliviers, schrijnwerker, in de Kapoenstraat naast dat 
van Dierix van Wessem en dat van wijlen Boelreman^ 7 pen- 
ningen en 2 kapoenen uit dat van Henrix van Kayer in de Len- 
culenstraat naast dat Jan Fkatters in die straete gaende inden 
vertverhueck ; 3 penningen en 1 kapoen uit het klooster der Witte- 
vrouwen aan het Vrijthofj 6 penningen en 1 kapoen uit een erf 
van St. Servaaskapittel ; 4 schellingen en 11 penningen uit het 
huis VANDEN Liebarde in de St. Jorisstraat tusschen de Lanskroon 
en het huis van Mees van Bielsen j 6 schellingen uit het huis 
van Baetzen Vatbender, met toebehooren achter het Vleeschhuis 
gelegen naast dat van Wouter van den Plasse en dat van Walter 
VAN Meeuwen; 8 schellingen uit een huis insgelijks achter het 
Vleeschhuis gelegen naast dat van Jan Blaisen en het huis van 
Nalen Leutmans; 28 schellingen en 4 penningen uit het huis van 
Tielman Raeven, op den hoek der Plank- en Havenstraat tus- 
schen het huis van Lysbette Herx aan beide zijden; 4 schellingen 
uit het huis van Henrich Bavier, priester en kapellaan van 
O. L. Vrouwekerk in de Breedestraat naast dat van Friederich 
Gelaesmeker en dat van Art vanOrdingen; 22^/ j penningen en 
3/4 kapoen uit het huis van Jan Parasys, den oude, gelegen achter 
de tiendschuur van St. Servaaskapittel bij het erf van Lambrecht 
VAN Lynde, schepen van Maastricht; 10 schellingen en 1/2 kapoen 
uit dat van Daem van Eelen aan het Vrijthof naast het huis van 
Lambrecht van Haren en het huis geheeten diesymme; 14 schel- 
lingen en 1 kapoen uit het huis van Lambrecht van Haren 
voornoemd; 14 schellingen en 1 kapoen uit het huis van Everart 
der snuet naast het voorgaande gelegen; 20 schellingen en 1 ka- 
poen uit het huis van Ghysebrecht Ghysengrun aan het Vrijthof 
gelegen tüsschen huizen van voornoemden Lambrecht van Haren; 
15 schellingen en 2 kapoenen uit het huis van Geret vanden 
Laer aan het Vrijthof naast dat van Catryne vander Hagen; 10 
schellingen en 1 kapoen uit het laatste huis; 20 schellingen en 1/2 
kapoen uit het huis van Wilhem lakenscherer naast het voorgaande 
gelegen en dat van Maes Pausiers; 22^/2 schellingen en 1/2 kapoen 
uit het huis van dezen laatste naast dat van Gerit vanden Laer; 
30 schellingen uit dat van Jan Scrynemeker naast het voorgaande 
gelegen en het huis van Heinrich vanden Dale. 

• 

Aischrift in : Legerboeck van alsullicke renten^ censen , . . van O. L. 



— 426 — 

Vrouwelof fol. 1. — Schepenen van Lenculen: Johan Clut, Wilhem 
INDIE Hage, Johan Bavier, Gielis vander Sargen, Johan Heutz te 
Goeswynstoren, Johan Clut int Gruythuys en Heynrich van Am- 
stenroede. — Schepenen van Maastricht: Gielis vander Sargien en 
Heynrick van Amstenraede. 

N° 1536. 

Transfix. 1472 (Juni 18) des XVIII daichs inden Braemaent. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen en schep. v. M. oor- 
konden, dat jonker Lubrecht van Holsberch de cijnzen vermeld 
in den brief waardoor deze getrokken is, gelost en overgedragen 
heeft aan de fundatien onser liever Vrouwen loff nu onlanx geor- 
dieneert in St. Servaaskerk, beloofd heeft haar het rustig bezit 
daarvan te zullen verzekeren en die overdracht te zullen doen 
bekrachtigen door zijne echtgenoote Marie, alles onder hypotheek- 
stelling zijner goederen. 

Afschrift ibidem fol. 4. — Schepenen van Lenculen als van n". 1535. 
— Schepenen van Maastricht: Johan Bavier, Gielis vander Sargien, 
Johan Clut en Heynrich van Gelck. 



N° 1537. 



1471 (November 7) des sevende daichs in Novembri. 

Meier en gcsivoercn laten ende helders des cheyshoiffs van Mun- 
sterbilsen te Fall oorkonden, dat Lambrecht, zoon van wijlen 
Pouwel Engelbrechs van Fall, met toestemming zijner moeder 
Katharina en zijns broeders Kloes aan Henrick van den Daell, 
kapellaan van St. Servaas te Maastricht, ten behoeve der broeder- 
schap van kapellanen aldaar verkocht en overgedragen heeft eene 
jaarlijksche erfpacht van een mud rogge uit 2 bunders akkerland 
te Fall in vier perceelen gelegen: 1° 10 groote roeden op den 
molemveech bij land Stas van Fall, land der vrouw van Mun- 
sterbilsen en land der erven Jan Feyen van Meer; 2° 7 roeden 
benoorden Gyskenshout bij land van Jan Pouwels en laat van 
Cloes Pouwels; 3*» 11 groote roeden achter de hofstede der Balie 



— 427 — 

Biesen palende aan land van Willem Vos en aan land der 
erven van Fastart Vencken en 4® ongeveer 12 groote roeden op 
die Eyck tusschen Fall en Meer bij land der erven Willem Vos, 
land der abdij van Munsterbilsen en land der erven Wilhem 
Heyten, onder beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen 
nakomen en met verklaring dat op voormeld land slechts de ge- 
bruikelijke landcijns gevestigd is. 

Afschrift in: Regis ir um litter, fratern, B fol. 99. — Laten: Peter 
Pauwels van Fall meier, Sias van Fali.e, Jan Pouwels, Engelbrecht 
PouwELS, Stas TiELMANS, Clocs VAN Falle, Jan Peters en Peter Cloes. 



N« 1538. 



1472 (Januari 29) opten noegen ende twiniicksien dachvan Januario. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johan van Holsit aan Henricx 
Stouwen (1), kanonik van St. Servaas aldaar, eenen jaarlijkschen 
erfcijns van 2 marken (2) uit het huis op die alde munte naast dat 
van Johan Fruytiere en dat van Cloes vander Capellen naar 
den kant der markt heeft overgedragen, onder beding hem het 
rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren en die overdracht te 
zullen doen bekrachtigen door zijne echtgenoote Boetzen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Loy van Borne en Arnoult van 
Noirbeke. 



N° 1539. 



1472 (April 12) opten twelefsteit dach van Aprille. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gerart Reex aan Gerard Donc- 
KELS, Tolien zijne vrouw en hun beider erven eene jaarlijksche 
erfrente van 1 mark uit zijn huis opten buyllon (3) naast dat van 

(1) Als kanonik van St. Servaas komt hij voor reeds in 1408 en stierf in 1477. 

(^) Uit de noot in dorso blijkt, dat de eerste dier 2 marken bestemd was voor de 
panisten en de tweede voor de broederschap van kapellanen tot stichting van den 
jaardienst van Hendrik Stouwen, die op 8 Augustus werd gehouden. 

(') In dorso optem befyon geschreven. 



— 428 — 

Voes Kannartz en het huis van Johan Heerkens, priester en 
kapellaan van St. Servaaskerk aldaar heeft overgedragen, op voqr- 
waarde de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen en die 
overdracht te zullen doen goedkeuren door zijne echtgenoote Mar- 
griete, waarvoor hij al zijne goederen heeft verbonden. 

Orig. op perkament* — Schepenen: Loye van Bornk en Aert van 

DER MOELEN. 



No 1540. 



1472 (April 21) opten eynindtwyntichsien daich van Aprille. 

Schep. V. M. oorkonden, dat meester Wouter van Meuwen, 
aan Heynrich van den Dale, priester en kapellaan van St. Ser- 
vaaskerk, ten behoeve van het O. L. Vrouwelof dien men aldaer 
gewoenlich is te doen alle Soierdage avonde ende onser liever Vrou- 
wen avonde en dage derdehalve mark cijns 's jaars uit het erf 
van Goert Halsborchs optie Koelmaese(y) naast het huis van 
Jacob VAN Mechelen, priester en dat van Lodewich Noebens, 
overgedragen heeft, onder beding de gebruikelijke formaliteiten te 
zullen nakomen en die overdracht te zullen doen goedkeuren door 
zijne echtgenoote Maria, alles onder verband zijner goederen. 

Afschrift in: Legerboeck van alsuUicke renten^ ccnsen ende lande, . . 
van O. L. Vrouwelof fol. 7. — Schepenen : Johan Ba vier, Gielis vandkr 
Sargien en Heynrich van Amstenroede. 



No 1541. 



Ii72 (April 21) opten XXIsten dach van Aprille, 

Schep. V. M. oorkonden dat Johannes van Singelbeeck, bor- 
duersticker^ aan Heynrix vanden Dale, priester en kapellaan van 
St. Servaaskerk, ten behoeve van het O. L. Vrouwelof aldaar 
eene jaarlijksche erfrente van 5 schellingen uit het huis van 
Reyner Bollen optai Saterdaichs inerckt(^^ op den hoek der 



(1) Bij de Kooipoort ten noorden der Maasbrug gelegen. 
(-) De huidige Markt. 



— 429 — 

Cuylkermansstrakn (i) overgedragen heeft en beloofd haar het 
rustig bezit daarvan te zullen verzekeren en die overdracht te 
zullen doen goedkeuren door zijne echtgenoote Lysbet, waarvoor 
hij zijne goederen verbonden heeft. 

Afschrift ibidem fol. 7 v. — Schepenen: Wilhem van Heze en Art 

VAN DER MOELEN. 



No 1542. 



1472 (April 21) opten XXIsten daich van Aprille, 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat meester 
Wouter VAN Meuwen aan Heynrich vanden Dale, priester en 
kapellaan van St. Servaas te Maastricht, ten behoeve van het 
O. L. Vrouwelof, geschonken en overgedragen heeft eene erflijke 
jaarrente van 10 schellingen en ^l^ kapoen uit het huis, ^/^ze;/ van 
Adaem van Eelen inden Vrythoeff naast het huis van Kathryne 
opt Graetgen en naast dat van Lambrech van Haren, ^^«/r5//V^^r, 
onder beding de gebruikelijke formaliten te zullen nakomen en 
die schenking en overdracht te zullen doen goedkeuren door zijne 
echtgenoote Marie. 

Afschrift in : Lregeboeck van alsullicke renten^ censen ende landen . , . 
Van O. L. Vr. lof fol. 8. — Schepenen: Johan Cluï, Wilhem indie 
HagE; Johan Bavier, Gielis van der Sargifn, Johan Clut int Grut- 
HUYS en Heynrick van Amstenroède. 



N*^ 1543. 



1472 (April 21) opun XXDten dach van Aprille etc. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johan Oeteren, schrijnwerker, 
aan Heynrich van den Dale, priester en kapellaan van St. Ser- 
vaas aldaar, ten behoeve van het O. L. Vrouwelof eene jaarlijk- 
sche erfrente van 6 schellingen uit het huis der weduwe Bevartz, 
hoeffsUgere inden Stock (Slokstraat) naast het huis van Dionys 
ScHiLLiNx in die Voegelstraet overgedragen heeft, onder bepaling 

(*) Het Drieëmmerstraatje. 



— 430 — 

het rustig bezit dier rente te zullen verzekeren en die overdracht 
te zullen doen bekrachtigen door zijne echtgenoote Margriete, 
waarvoor hij zijne goederen heeft verbonden. 

Afschrift ibidem fol. 19 v. — Schepenen: Johan Bavier en Heynrick 

VAN AmSTENRADE. 



N« 1544. 



1472 (April 26) XXVI dage Aprilis. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Wilhem Guetknapen van Hese, 
aan zijne kinderen Thoenys en Kathryne uit zijn eerste huwelijk 
met Kathryne zijn recht op eenen jaarlijkschen cijns van 4 marken 
uit zijn erf met toebehooren gelegen in de Coexruwe naast zijn 
ander erf en naast dat van Cloes Wolsleger geschonken heeft 
en Thoenys en Kathryne daarna die 4 marken cijns aan Thewoits 
CuPERS, waard in die Roese^ zijne echtgenoote Sophia en hun 
beider kinderen hebben overgedragen en verklaard dat buitendien 
op dat huis nog gevestigd is een cijns van 15 schellingen en 
Willem Guetknapen beloofd heeft die overdracht te zullen doen 
bekrachtigen door zijne vrouw Leene. 

Afschrift ibidem fol. 26 v. — Schepenen: Cornelys VAN Dyepenbeke 
en Peter Tyloy. 

No 1545. 

Transfix. 1505 (Juli 11) elff dage in Julio, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Mathees int Hoeffyseren aan 
Andries vanden Biessen, priester, kapellaan en gastmeesier van 
St. Servaaskerk aldaar ten behoeve van het O. L. Vrouwelof den 
jaarlijkschen cijns van 4 marken, vermeld in den hoofdbrief 
waardoor deze is getrokken, heeft overgedragen, onder beding de 
gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen en die overdracht 
te zullen doen bekrachtigen door zijne vrouw Marie. 

Afschrift ibidem foL 27. — Schepenen: Henrick van Gellick aenden 
Vrytiioff en Art. Brandeberch. 



— 431 — 

N<> 1546. 

1472 (Mei 2) des tweenden daichs inden Meye. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Cornelis van Varenhovel, roe- 
dedrager van St. Servaaskerk, aan het O. L. Vrouwelof in die 
kerk eenen jaarlijkschen erfcijns van 1 mark uit zijn huis te 
Tweebergen naast dat van meester Stas van Elderen en dat 
van wijlen Heynrich Loenen, overgedragen heeft onder beding 
haar het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren en die over- 
dracht te zullen doen bevestigen door zijne vrouw Jehenne, alles 
onder verband zijner goederen. 

Afschrift ibidem foi. 5 v. — Schepenen : Henrick van Ghklck en Art 

VAN NOERTBEECK. 



N<> 1547. 



1472 (Mei 23) inden Meye des XXIWten daichs. 

Schout en schepenen van Groeten-Spauwen oorkonden, dat Jan 
Wynantz van Groote-Spauwen, hun medeschepen, aan Heinrich 
vanden Dale, priester en kapellaan van St. Servaas te Maastricht, 
ten behoeve van het O. L. Vrouwelof aldaar, verkocht en over- 
gedragen heeft eene jaarlijksche erfpacht van 5 mudden rogge, 
te beuren uit die plasmoelen e?tde moelenbempde mitten waterghanck 
en verdere toebehooren te Groote-Spauwen gelegen en uit een 
half bunder akkerland op Haecht gelegen naast land van ridder 
Heynrich van Sareyn naar den kant van Maastricht en naast 
land van het altaar ter eere van den H. Nicolaus te Groote- 
Spauwen naar den kant van Tongeren, onder beding de gebrui- 
kelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Afschrift ibidem fol. 11. — Schepenen: Koelman Wynantz schout 
en schepen, Laurens van Lyndk, Rutgher van Spaudkn, Crisiiaen 
Clerx en Anihonys Wynantz. 



— 432 — 

N^ 1648. 

1472 (Mei 25) inden Meye den vyffindtwyntichsie daechs. 

Schout en schepenen van Groote-Spauwen oorkonden, dat 
Roebeert van Tille aan Heynrich van den Dale, kapellaan van 
St. Servaaskerk te Maastricht, ten behoeve van het O. L. Vrou- 
welof in die kerk verkocht en overgedragen heeft i/j mud rogge 
erfpacht, maat van Maastricht, uit den plasmoelen ende moleth 
bampde metten waterghange en verdere toebehooren te Groote- 
Spauwen gelegen, met de verklaring de gebruikelijke formaliteiten 
te zullen nakomen. 

Afschrift ibidem fol. II. — Schepenen als van n* l~47 alsmede Jan 
Wynanïz en Cornelis Clerx. 



N« 1549. 



14!72 (Juni 4) des vierden daichs in Junio, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Jacob Holtkpant als momboor 
zijner vrouw Gertrude in bijwezen harer moeder Cathryne aan 
de stichting van het O. L. Vrouwelof in St. Servaaskerk den 
eigendom eener jaarlijksche erfrente van 35 schellingen uit het 
huis van Gerit van Hasselt achter tvleyschus tusschen de huizen 
van Herman van Beeck en van Lambrecht Cupenbender heeft 
overgedragen, onder belofte de gebruikelijke formaliteiten te zullen 
nakomen en die overdracht te zullen doen bevestigen door zijne 
echtgenoote voornoemd. 

Afschrift ibidem fol. 6 v. — Schepenen: Cloes Bollen en Art van 

NOERTBEECK. 



N« 1550. 



1472 (Juni 9) inden broyenioent des negenden daichs. 

Meier en gezworen laten des cijnshofs van deken en kapittel 
van St. Jan-Evangelist van Luik te Fall oorkonden, dat Pauwei, 



— 433 — 

zoon van Pauwei Engelbrechs (*) van Fall aan Henrick van 
DEN Daele, priester en kapellaan van St. Servaas te Maastricht, 
ten behoeve der broederschap van kapellanen dier kerk verkocht 
en overgedragen heeft eene jaarlijksche pacht van 1 mud rogge 
uit ongeveer 2 bunders akkerland in vier perceelen inden gevette 
nabij Fall gelegen, te weten: 1 bunder tusschen Sichen en Fall 
opdat ziekere peetken bij land der erven Stas van Falle en land 
der erven Vastrart Vincken; 7 groote roeden op dy eyie gelegtUy 
palende aan de erven Jan van den Bossche naar den kant der 
Jeker, aan land van Lambrecht Pauwels naar den kant van 
Millen en aan land van Wilhelm Clois naar den kant van Ton- 
geren; 8 groote roeden naast land van Hameye en land van het 
kapittel van O. L. Vrouw te Tongeren aan de zijde van de Jeker, 
naar den kant van Tongeren naast land van Peter Clois van Fall 
en naar den kant van Maastricht naast land der erven Winck 
Clois van Fall ; en 5 groote roeden aan het pad gaande van Vos 
Bouyne naar Sichen bij land der erven Pauwei Engelbrechs 
van Fall en land der erven Henrick Voss, met de verklaring dat 
gemelde perceelen met niets anders bezwaard zijn dan met een cijns 
van een copy en op voorwaarden, dat, zoo voormelde pacht op den 
gestelden tijd geheel of gedeeltelijk niet wordt betaald de broe- 
derschap van kapel lanen off sekere boeden van honnen weghen met 
eynen daich doin van vyffthien daghen overmits meyer en loiten 
gedfiin suelen moighen coemen ende beleyt werden totten panden ende 
lan(den vurscreven sonder meer vervolchs van rechte daertoe te doin 
ende sonder calengeeren off wederspreken Pauwels off synre gerven 
off yemant anders, . . 

Orig. op perkament. — Laten: Lambrecht Pauwels meier, Stas van 
Falle, Jan Pauwels, Clois van Falle, Stas Tielmans, Engelbrecht 
Pauwels, Peter Moes en Peter Clois. 



N° 1551. 



1472 (November 15) des XV daichs in Novembri. 
Schep. V. M. oorkonden, dat Heynrich van Coelmont aan de 

Q) De noot in dorso noemt hem Paulus Engelberti; de pacht was bestemd 
voor de H. Mis gesticht voor Kaïharina Tantz. 



— 434 — 

Stichting van het O. L. Vrouwelof in de St. Servaaskerk o. m. 
eiken Zaterdag te houden, eene jaarlijksche erfrente van 5 schel- 
lingen uit een huis achter het Vleeschhuis naast dat van Rutten 
RouPARTZ en dat van Vaes van Buele gelegen heeft overgedragen, 
onder beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen en 
die overdracht te zullen doen bevestigen door zijne echtgenoote 
Geirtruyt, waarvoor hij zijne goederen verbonden heeft. 

Afschrift in: Legerboeck van alsullicke renteftyCemen enz.... van het 
O. L. Vrouwelof fol 6. — Schepenen: Cloes Bollen en Art van Noert- 

BEECK. 



N° 1552. 



1^2 (November 22) indie moeni van Novembri der twe ende twin- 
tichste daichs. 

Schout en schepenen van Coninxheim oorkonden, dat Willem 
en Mewus van Lindk, gebroeders, aan de broederschap van ka- 
pellanen der St. Servaaskerk te Maastricht, vertegenwoordigd door 
Arnt HoEFFACKERS hun medeschepen, verkocht en overgedragen 
hebben eene jaarlijksche pacht van 4 mudden spelt, te beuren uit 
36 groote roeden akkerland in 4 perceelen niet ver vander caU 
ziden gelegen, te weten: 7V2 groote roeden dienende lant neven die 
bosschsiraet boven die hoghe catzyde naast land van Herman LoYCX, 
hun medeschepen, land der erven Peter Niclartz naar den kant 
van Wydoe (i) en naar den kant van Coninxheim naast land van 
Lenart Rosseels en land van Hennen Lenart*s zoon; 8^/2 roeden 
roylant benoorden die boschstraet aent igericht naast land van Her- 
man LoYCX, land der erven Nycolarts en land van het altaar 
van O. L. Vrouw te Coninxheim; 10 roeden aen Iheexken by die 
catsyde tusschen land van St. Servaaskapittel te Maastricht en 
land van Herman Lovcx en 10 roeden bij de voorgaande gelegen 
naast land van St. Servaaskapittel en die gemeyne catsyde (^')^onAtv 
beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen en Willem 



(1) Widoye. 

(2) Caizyde^ catsyde^ eautsiede^ cautsie^ cauiside, katside, ketste^ casseie^ cassie 
enz. beteekent straatweg^ shenweg^ chaussée. 



— 435 — 

VAN Linde verklaard heeft, dat voormeld land toebehoort aan 
zijnen broeder Mewus en hij geen recht daarop heeft, maar in 
andere goederen bedeeld is en Mewus verzekerd heeft, dat zoo 
de pacht niet betaald wordt, de broederschap met eene dagvaar- 
ding van vijftien dagen de hand aan het gestelde onderpand zal 
mogen doen slaan en bijaldien het mocht blijken dat het land 
meer bezwaard is dan met den gebruikelijken grondcijns zij hun 
kindsgedeelte tot onderpand zullen stellen. 

Afschrift in; Regisirum litter» fratern. B fol. 95. — Schepenen: Arnt 
Peters schout en schepen, Cloes Bollen, Jan van Sprolant, Arnt 
SCAETZEN, Herman LoYCX, Benoei Gariet en Arnt Hoeffackkr. 



N« 1553. 



1413 (Februari 22) indie Sporkille des tweeitdetwintichste daichs. 

Meier en gezworen laten des cheyshove des gueden Sint Stevens 
ende des heerschaps van Cauwenberch die sy liggende hebben inden 
dorpe van Millen oorkonden, dat Jan Blacnkart en zijn zoon 
Hennen van Millen aan Jacob van Buel, poorter van Maastricht, 
overgedragen hebben eene jaarlijksche pacht van een mud rogge, te 
betalen met het feest van den H. Andreas of uiterlijk met Onsser 
Vrouwen Liechtmisse dage als men Kersen bomt daaraan volgendeen 
te beuren uit 39 groote roeden akkerland in het veld tusschen Meer 
en Millen in drie perceelen gelegen: een bunder geheeten w<?«/&^;^^ 
boenre tusschen Meer en Millen, palende aan land van Jan ScHiL- 
LiNX van Tongeren, land der erven Cloes van Falle en land 
van Wirick van Hexs van Millen; ongeveer 15 groote roeden 
onder Millen voir parthuyns steghe opt peetken daer man uyt Millen 
te Triecht wert geyt naast land van Willem Scouteten van 
Millen, land van den heer van Cauwenberch en naast land van 
Oloff LiEFFSOENS van Millen en 4 groote roeden aan de steen- 
straat achter de hofstede van Jan Blanckarts bij land van Jan 
VANDEN BosscH, en zij verklaard hebben dat op het voormelde 
nienkens boenre nog gevestigd is een cijns van 11 penningen en 
4 vaten rogge 'sjaars betaalbaar in het laathof van Cauwenberch 
voornoemd en op de overige 19 groote roeden, roerende van het 



— 436 — 

Sint Stevenshof voormeld nog gevestigd is een penning 's jaars, 
onder beding dat bij slechte betaling der pacht de belanghebbende 
partij bij enkele dagvaarding van 14 dagen de hand zal mogen 
slaan aan de gestelde onderpanden, zonder iemands tegenspreken. 

AÉschrift in: Registrum litfer. fratern. B fol. 96. — Laten: Robeert VAN 
Hekstert meier van het laathof van Cauwenberch, Willem Scouteten, 
meier en Iaat in het St. Stevenshof en Iaat in het hof van Cauwenberch. 
* Wierick VAN Hese, Lambrechi van Wanghe, Giselbrecht Maes, Jan 
VANDEN BossCH, laten van beide hoven, Lambrecht vanden Bossch 
en Ever'art Goddyns, laten in het hof van Cauwenberch, Cloes Scou- 
teten en Jannes van Laer, laten in het St. Stevenshof. 



N« 1554. 



1473 (Maart 7) des sevendeu daichs in den Meert, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Angnese, weduwe van Johan Colyn 
aan de fundatie van het O. L. Vrouwelof in de St. Servaaskerk 
geschonken en overgedragen heeft eene jaarlijksche rente van 2 
marken uit twee huizen en een Jiolthoeff op de Groote Gracht, 
achter den muur der stad naast het huis van Kathryne Gobbels 
en naast der poell en onder verband harer goederen beloofd 
heeft de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Afschrift in: Leger boeck van alsulUcke renten*», van O. L. Vrouwe* 
lof fol. 6. — Schepenen : Cloes Bollen en Art van Noertbeeck. 



No 1555. 



1473 (April 28) XXVIimh dage van Aprille, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Cecilie Goltsmeetz, /;/ meerderinge 
van Godsdienst aan Herman Hoen, ten behoeve van het O. L. 
Vrouwelof in de St. Servaaskerk eene mark jaarlijkschen cijns uit 
het huis van Goert Wanmekers te Wyck, tusschen dat van 
Herman en van Willem Wanmekers gelegen, heeft overgedragen, 
onder beding het rustig bezit daarvan te zullen verzekeren. 

Afschrift ibidem fol. 8 v. — Schepenen: Thewalt van Raede en 
Heynrich van Amstenraede. 



— 437 — 

N» 1556. 

1473 (Augustus 10) des t/ieenden daechs inden Austmoent, 

Schepenen der beide gerechten van M. oorkonden, dat Dionys 
Maekart en Christiaen vanden Ketel (^), burgemeesters dier 
stad, Cloes van Aubelen, Jan van Geleene, Peter van Heze, 
Henricic Koenincx, Peter Pirkens, Jan Scheyff en Willem van 
Born, gezworenen dier stad, ende voirt nae verdraech der ambachten 
ende gemeiften volck der vurscreven burgemey stèren^ scepenen van beyde 
gerichte n^ gesworen ende raedt der stadt vurscreven gelyck dat deer lick 
schint aen der selver stadt siegel ten saecken voer aen desen brief 
hangende^ aan Willem van Aecken, zijne echtgenoote Anna en 
hun beider erven eene jaarlijksche losrente van 5 bescheiden 
Rijnsche guldens C^) ten laste van voormelde stad verkocht en 
overgedragen hebben, waarvoor Willem in handen van den pey- 
meester Hendrik Schillinx betaald heeft honderd dier gulden, 
die besteed zijn in noetsaecken, die der vurscreven stadt te deser 
iydt te voeren conten syn. 

Afschrift ibidem fol. 64. — Schepenen: Ghilis vander Sargirn, 
Johan Clutz, Johan van Heeze, Henrick van Gellick, Claes Bollen 
en Willem van Heeze. 



No 1557. 



1473 (Augustus 11) des elffden dachs in Augusto, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Jutta . . . aan den deken en het 
kapittel van St. Servaas eene jaarlijksche erfrente van 1 mark uit 
het huis ten bonten oss op tie alde moente^ naast het huis van 
Gielys Ruyters, schoenmaker, en dat van Jans van Geyncke, 



(1) In de lijst der burgemeesters van 1367—1871 uitgegeven door H. Eversen in 
de Maasgouw, Orgaan voor Limbtirgsche geschiedettiSy taal- en letterkunde^ jaar- 
gang 1884/1885, biz. 1027, 1030, 1035, 1039, 1042 worden beide burgemeesters ver- 
meld op het jaar 1472, zijnde het jaar hunner benoeming. 

(2) Het opschrift luidt: ^^Eynen brieff van vyff bescheiden Rynscher gulden aen 

ende op die stadt van Triecht . . . die Willem van Aecken in Engellant gegolden 

heeft ende omtrent int jaer 1503 den lof s^elaten*\ 
28 



— 438 — 

ook schoenmaker, overgedragen heeft en zij zich verplicht hebben 
jaarlijks haar jaargetijde te zullen houden. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan Clüt en Art vander 

MOELEN. 



N- 1558. 



1473 (October 29) XXIXüch dage der maent Octobris etc. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johan Queermans gezegd int 
witte panhuys aan Wilhem van Hklmont, zijne echtgenoote Jutte, 
en hun beider ierven een jaarlijkschen cijns van 1 mark uit het 
huis met toebehooren op den hoek der guylquemansstraete^ naast 
het huis van wijlen Pouwel Morees, overgedragen heeft, op voor- 
waarde hun het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren en zijn 
broeder Ghysebert verklaard heeft in andere goederen bedeeld te 
zijn en daarom afstand van alle recht op die mark heeft gedaan. 

Afschrift ibidem fol. 19. — Schepenen: Herman van Heze en Johan 
VAN Breede. 



No 1559. 



liTi (Maart 23) des dry ende twyntichsten daichs inden Mert, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gielen aan Stassen van 

Elderen den jonge, eene jaarlijksche erfrente van 1 mark uit zijn 
huis met aanhoorigheden te Tweebergen naast dat van Marye 
Cupers heeft overgedragen, en verklaard dat op voormeld huis 
nog eene rente van 2 marken en 18 schellingen 's jaars gevestigd 
is, allen onder hypotheekstelling zijner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan van Hese en Arnt van 

NoiRTBEEK. 

No 1560. 
Transfix, 1475 (Mei 15) vyffthiene dage in Maya, 
Schep. V. M oorkonden, dat Stas van Elderen aan Johannes 



— 439 - 

PiSTORis als rentmeester van St. Servaaskapittel de 2 marken jaar- 
lijksche erfrente vermeld in den hoofdbrief waardoor deze is 
getrokken, heeft overgedragen tot stichting van het jaargetijde 
zijner overleden echtgenoote Kathryne van Elderen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnolt van der Moelen en Hen- 
rich VAN Amstenroedb. 



N^ 1561. 



1474 (April 18) inden maent van AprilU <Us XVI 11^ daichs. 

Schout en schepenen van het hooggerecht van Millen oorkon- 
den, dat Cloes van der Bysen genaamd Buelen van Herderen 
aan Willem Sciiolteten, schout van dat gerecht, en deze aan 
Arnout Schaetzen, poorter van Tongeren verkocht en over- 
gedragen heeft eene jaarlij ksche erfpacht van 1 mudden spelt van 
eene van 12 mudden, welke hem, Jan van dkn Bossche van 
Millen en Jan Sterff van wege hunne echtgenooten, dochters 
van Jan Proost van Herderen en Yde diens vrouw na hun dood 
zijn aangeërfd, te beuren uit twee perceelen bouwland, het eene 
van 3 bunders en 4 groote roeden gelegen nabij den wijngaard 
van jonker Lambrecht van den Bossch, palende aan land van 
het kapittel van O. L. Vrouw te Maastricht, land van Peter 
Cloes van Fall, land van voornoemden jonker Lambrecht en 
land van Willem Scholteten voornoemd en het tweede van 16 
groote roeden aan het paadje gaande van Millen naar Sluysen, 
onder beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen 
en die pacht te zullen kunnen inlossen. 

Afischrift in: Legerboeck der renten^ censen enz. van O. L. Vrouwe- 
lof fol. 21 V. — Schepenen: Wilhem Scholteten schout en schepen, 
Everart Goddyns, Wieric van Hex, Jan vanden Bossche, Gysebrecbt 
Moes en Cloes Scholteten. 

N" 1562. 

Tranxfix, 1479 (Maart 2) des tweeden daichs inden Meert, 

Schout en schepenen van Millen oorkonden, dat Arnt Schaetzen 



— 440 — 

van Tongeren dan Heynrich vanden Dalk, kapellaan der St. Scr- 
vaaskerk te Maastricht, de jaarlijksche pacht van 4 mudden spelt 
vermeld in den hoofdbrief waardoor deze is gestoken, verkocht en 
overgedragen heeft, behoudens ieders recht daarop. 

Afechrift ibidem fol. 23. — Schepenen: Wilhem Scholtetbn schout 
en schepen, Wierick van Hese, Johan van den Bossche, Ghysse Moes, 
Cloes Scholteten, Johan Knops en Johan Moes. 



No 1563. 



1475 (April 13) opten dariyensUn dach inden Aprille. 

Schepenen van Bercheyck oorkonden, dat Mechtelt Nalgaets 
met haren momboor, Gherit, zoon van Gherit vander Waerden, 
namens zijne moeder. Jan Arts namens zijne vrouw Alyte van 
den Dael, Henric vander Scaeft namens Katheline vanden 
Dael, Jan zoon van Gherit vander Scaeft namens Jenne en 
Barberen, dochters van Jan Boyens en Metten vanden Dael, 
Jan Ghysen voor zijne zuster Mechtelt, Henric Gobben voor 
Henrixken zijne vrouw, voor Janne, Lysbette en Margriete, kin- 
deren van Willem Metten den jonge, alsmede Henric, Willem, 
Jacob en Mychiel, kinderen van Ghielman Meus, als gezamenlijke 
erfgenamen van Barthelmeus Willen, aan Barthelmeus van Eyck 
deken tot Eyndoven (Eindhoven) en kanonik van St. Servaas te 
Maastricht, al de goederen roerende of onroerende, waar ook' ge- 
lenen in harden^ in weken^ in deypen, in drogen^ hun aangevallen 
bij doode van Barthelmeus voornoemd hebben opgedragen, onder 
beding allen comnter van honnen wegen dair in af te doen sonder 
weder seggen, 

Orig. op perkament. — Schepenen: Jan Peter Thys, Jan Daris, Jan 
Elen, Jan Peter Willems, Willem Symons, Art Gbbnen en Mychiel 
Ghielmans. — Zegel der schepenbank Bergeyck: Op een terras de 
H. Petrus naar rechts aanziende ten voeten uit houdende in de rech- 
terhand opgeheven den sleutel en met de linker een schild gevieren- 
deeld: 1 en 4 dl ie lelies 2 — 1; 2 en 3 gedeeld, rechts: drie linkerschuin- 
balken, links een naar rechts klimmende leeuw ; hartschild . . . links van 
het schild een eikeboom ; boven het schild een . . . gedekt door eene 
Bourgondische Kroon; omschrift: Sigillum scabinale ville de 
Bercheyck. 



— 441 — 
No 1564. 

U1& (October 5) vyff dagt in OctobrL 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Kir- 
stiaen vanden Ketel aan deken en kapittel van St. Servaas eene 
jaarlijksche erfrente van 3 marken uit het huis van wijlen Bar- 
tholomeus van Gremby, bakker in de Abstroet, tusschen dat van 
Peter Soeres den oude naar den kant van den Vroenhof en dal 
van Johan van Elsloe, platinmeker, overgedragen heeft, deze zich 
verplicht hebben jaarlijks het jaargetijde van Ghysbrecht van den 
Ketel en van zijne vrouw Aleide te zullen houden en Kirstiaen 
beloofd heeft die overdracht te zullen doen bekrachtigen door 
zijne echtgenoote, alles onder verband zijner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan Clut ituUn Heppenari, 
Wilhem indie Haghe, Gielys vandbr Sargien, Jan Heutz van den 
Goeswynstarney JohanXLUT INT Gruythuys, Henrick van Amstenroede 
en Henrkh van Gellick. 



No 1565. 



1475 (October 18) des achteende daichs inden maent van October, 

Schout en schepenen van Sluysen, behoorende aan het kapittel 
van St. Servaas te Maastricht, oorkonden, dat Jehenne Machiels 
weduwe van Machiele Lemmen Peters van Sluysen aan Heynrich 
vanden Dale, kapellaan van St. Servaaskerk voornoemd ten be- 
hoeve van het O. L. Vrouwclof verkocht en opgedragen heeft een 
perceel bouwland van 11 groote roeden onder Sluysen in het 
bosschvelt niet ver vanden cleynen bossche gelegen naast land der 
erfgenamen van Jannes Tielmans, land van het kapittel van 
St. Pietcr te Luik en land van de kapellanen der St. Servaaskerk 
te Maastricht en aangezien zij hare tocht op dat bouwland aan 
hare zes kinderen uit haar eerste huwelijk met voornoemden 
Machiele, met name Eelken, Meyen, Jehenken, Lemmen, Gielis en 
Heyntgen, heeft overgedragen, van welke de beide laatsten niet 
te honnen dagen comen en syn (y) en Eelken met Anthoen Hermans 



0) Minderjarig zijn. 



— 442 — 

en Meye met Gelisken van Eelst gehuwd zijn, zoo hebben deze 
ten behoeve van voormeld O. L Vrouwelof van hunne aan- 
spraken en recht daarop afstand gedaan, behoudens ieders recht 
en onder beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Afschrift in: Legerboeck van alsuüicke renten, censen ende landen,,, 
van O. L. Vrouwelof fol. 18. — Schepenen: Art Peters van Neder- 
hem schout en schepen, Jan van Sprolant, Lees Hermans, Jan Voss, 
Peter Dutsch, Wilhem van Elderen en Kuen Jan Kuenens zoon. 



N^ 1566. 



Ii76 (Maart 20) inden maent van Meert des iwintichsten daichs. 

Schepenen van Sichen oorkonden, dat Heinrick Krulmans van 
Cautenberch aan Jannes Roets van Tongeren ten behoeve van 
Heinrix vanden Dael, priester en kapellaan van Si. Servaas, 
verkocht en opgedragen heeft 12 groote roeden akkerland in het 
veld onder Sussen gelegen palende aan land der kinderen Salen 
te Sussen, aan land der erven Heinrick Lüenen, land der Begaar- 
den van Maastricht en land der erfgenamen Palmarts van Heu- 
kelum en verklaard heeft dat op gemeld land niets anders gevestigd 
is dan de gewone landcijns, zijnde een copi 's jaars betaalbaar met 
het feest van den H. Stephanus (26 December). 

Afschrift in: Regisiru7n lifter, frater n, B fol. 157 v. — Schepenen: 
Carle vanden Eyckhoren, heer van Sichen en Sussen, schout, Stas 
Hermans, Jan Pouwels, Jan Hagels, Jan Hubrechts, Wyerick Lië- 
VESOENS, Jan van Coenengracht en Peter vanden Houte. 

No 1567. 

Transfix, 1503 (Mei 10) inden maent van Mey des t/teetiden dachs. 

Schepenen van Sichen oorkonden, dat Johan vanden Dael, 
priester en kapellaan van St. Servaas te Maastricht, aan Johan van 
DER Volmeulen als dienre en namens de broederschap van kapel- 
lanen dier kerk, de 12 groote roeden bouwland vermeld in den 
hoofdbrief waardoor deze is getrokken, die hem zijn aangekomen 
bij zijns vaders dood, opgedragen heeft. 



— 443 — 

Afschrift ibidem fol. 169. — Schepenen: Wouter Pieken schout en 
schepen, Everart Godyns, Gerit Box, Wouter Godvns, Thomas Schou- 
teten, Stas Lambrechts en Johan Daniels. 



N« 1568. 



1476 (April 8) acht dage in Afirili. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Kerstion vanden Ketel aan 
Arnolt Clut, priester, in name ende als caffellain Clutz cappellen 
2*" fundatie in de St. Janskerk aldaar eene jaarlijksche erfrente 
van 11 schellingen uit het huis van Voes van Roede in de 
Smedestroet naast het huis van Nicolaas Smelres en de straat 
doer men ter hoeffstadt wart gheyt, en eene van 9 schellingen uit 
een backhuys op de Houtmarkt naast het huis der abdij van 
Hocht en het huis geheeten deii wyngart heeft overgedragen, on- 
der beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Gielis vander Sargien en Johan 
Clut. 



No 1569. 



lil 6 (December 18) inden moent Decembris des aehtiende daechs. 

Schout en schepenen van het gezworen laathof van St. Ser- 
vaaskapittel te Sichen gelegen oorkonden, dat Mente de weduwe 
van Jocob van Juppenelle aan Raysken vanVarois, echtgenoot 
van Oda bij huwelijksvoorwaarden overgedragen heeft eene jaar- 
lijksche pacht van 5 mudden spelt uit 22 bunders en 14 groote 
roeden bouwland geheeten die erfwenninge der scolieren van Luik 
en in de volgende perceelen gelegeit: 2 bunders en 17 groote 
roeden by die Groenstraet van Sichen naar den Roesberch gaande, 
palende aan land van Jan Bevers van Montenaken en land van 
Willem Capuvns van Maastricht j 28 groote roeden nabij het 
voorgaande gelegen, tusschen land van Goeswyn inden Keersboum 
van Maastricht en land van Giel van Betsingen; 43 roeden 
achter de Rogiers hofstede, palende aan land van St. Servaasgast- 



- 444 — 

huis te Maastricht en naar den kant ter borch naast land van den 
H. Geest aldaar; 13 roeden bij de voorgaande gelegen tusschen 
land van den pastoor van Sichen en Sussen en land van St. Ser- 
vaaskapittel ; 4 roeden op den bossche^ gelegen bij dat peetgen van 
Sichen naar Maastricht naast land der erven Palmart van Hoe- 
KELUM; 4 roeden bij die borchstroet aan land van jonkheer Carles 
VAN ZiCHEN; 2 bunders aan het hennesdael naast land van Heyn- 
ric Crulman ; 42 groote roeden palende aan land van Deric Voers 
van Maastricht en dat van Hubrecht Ghysen van Laaffelt; 14 
roeden bij de voorgaande gelegen naast land der erven Palmartz; 
17 roeden naast land der armen van Luik; 1 bunder achter de 
hofstede te Cannenberch, palende aan land van St. Servaaskapit- 
tel; 1 bunder achter tetshoeff^^\M^%ó\t,n land van den pastoor van 
Sichen en der armen van Luik; 57 roeden op die tomnie naast 
land van den H. Geest te Maastricht; 37 roeden benoorden het 
voorgaande naast land der armen van Luik; 2 bunders en 12 
roeden palende aan land van Willem Quintens erven van 
Montenaken en 1/2 bunder bij het vorige naast land der Begaarden 
van Maastricht. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnout Brandenberch schout 
en schepen, Jan van Triecht, CoUaes Bechet, Lenart Stas, Jan 
HuBRECHS, Jan van Coutenbbrch en Winant van Heze. 

No 1570. 

Transfix, 1480 (Jmitiari 26) in Januario des sesse ende twintichsten 
daichs. 

Schout en schepenen van het gezworen laathof van St. Servaas- 
kapittel te Sichen oorkonden, dat Raisken van Vorris aan Johan 
RoETS van Maastricht ten behoeve der broederschap van kapel- 
lanen der St. Servaaskerk verkocht en overgedragen heeft eene 
jaarlijksche erfpacht van 5 mudden (^) spelt te leveren met het 
feest van den H.Andreas of uiterlijk met O. L. Vrouwe Licht- 



(1) De noot in dorso meldt, dat die pacht bestemd was voor de Mis gesticht door 
meester Cornelius Wilhelmi, kanonik van St. Scrvaaskapittel en dat Henricus de 
Valle die pacht geruild had voor eene van 1 mud rogge. Cornelius Wilhelmi 
komt als kanonifc reeds voor in 1456 en overleed in 1479. 



— 446 — 

mis d. a. v. te Maastricht in het huig of op den zolder naar aan- 
wijzing van den rentmeester dier broederschap en te beuren uit 
de onderpanden vermeld in den hoofdbrief waardoor deze is 
getrokken. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Art Brakdenbbrch schout en 
schepen, Willem Bettge, Jan Hubrechs, Jan van Cautenberge, 
Wynant VAN Heze, Ogier van Wange en Jan Palmtriechs van 
Sichen. 



No 1571. 



Un (Jtili 12) sur Van delle Nativite nostre Seignour Jhesu Clirist 
mil quattre eens soixante dyex sept de fnoix de Julle Ie dousente 
iaur. 

Schout en schepenen van Luik oorkonden, dat hun medeschepen 
Jehan delle Schurre(^}, aan Thilmann Waldoreal ook hun 
medeschepen en vice-schout van Luik, ten behoeve van Guil- 
leaume Daremberch, heer van Aigremont en van Seraing, voogd 
van Hespengouw, epne jaarlijksche erfpacht van 16 mudden spelt, 
die hij uit landerijen te Vley tingen beurt, heeft overgedragen. 

Orig. op perkament. 



No 1572. 



Un (November 20) twintich daege Novembris, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Zysbrecht van Wachtendonck, 
priester en kanonik van Si. Servaaskerk aan Heynrickx vanden 
Daele, priester en kapellaan dier kerk, als meester der broeder- 
schap van kapellanen aldaar, voor zijnen jaardienst (2) eene jaar- 
lijksche erfrente van 6 marken uit zijn huis gelegen opten baluyn 
tegenover die hardvuyst naast het huis van Servoes Cannartz en 



(') Als schepen van het hooggerecht van Luik komt hij voor van 1474 — 1504. 
(^ Deze jaardienst staat op 1 April in het nccrologium der broederschap inge- 
boekt; buitendien had hij voor elke maand eene comtnemoratio gesticht. 



_ 446 — 

dat van Pieron .... overgedragen heeft, onder beding de gebrui- 
kelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Orig. op perkament. — Schepenen : Arnolt vandbr Moelen en Heyn- 
rick VAN Amstenroede. — Zegels: 2\ Een achikoppig slangenkruis; in 
het hartschild drie koeken; 2. 1; omschrift HENRia db Amstenrade. 



No 1573. 



1478 (Augustus 25) inden oustmaent des vyffendetwintichsien dachs. 

Schout en schepenen van Vleytingen, bank van St. Servaas- 
kapittel, oorkonden, dat Jannes RoETS, rentmeester der broeder- 
schap van kapellanen der St. Servaaskerk, wegens het niet betalen 
der verschuldigde pacht van 12 vaten rogge (i) en wegens het 
niet stellen van een voldoende hypotheek, heeft ^o^npande suecken 
op de goederen van Fflips Linden, dat diensvolgens zij bij vonnis 
al de goederen van dezen tot voorloopige hypotheek hebben ge- 
steld en dat een jaar daarna Jan van Linde der broederschap 
tot onderpand gesteld heeft 1 bunder bouwland, waarvan 13 
groote roeden /// die Kammen op die Zouwe zijn gelegen naast land 
van jonker Jan van Cortenbach en dat der erven Loy Bollen ; 
2 groote roeden nabij het voorgaande perceel gelegen indie ander 
gewande tusschen land van Wilhem Rameeckers van Spauwen 
en land van jonker Jan van Cortenbach; 5 groote roeden op 
gene zijde van Elcht gelegen naast land van Noel Wynants van 
Spauwen en naast dat van Engel brecht der schryver, en dat hij 
dat bunder aan de broederschap vernoemd heeft opgedragen met 
de verklaring dat die drie perceelen bouwland met niets anders 
bezwaard zijn dan met honnen simpelen laniceyns. 

Afichrift in: Regisirum liiter, fratern» B fol. 138. — Schepenen: 
Wilhem Passart schout, Jan Thys van Laaffelt, Aert Branderburch, 
Oloff LiEFFZOENS, Loy Vrients, Loy Bollen en Heynrick van Gellick. 



(^) Met die pacht was in St. Servaaskerk gesticht eene wekelijksche H. Mis des 
Zaterdags te lezen op dat nuwewerky gehceten Florellis misse. 



— 447 — 

N° 1574. 

1478 {October 2) des tweeden dachs vanden mont Octobris, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johan van Korbus, priester en 
kapellaan van St. Servaas en heer Ghene, kapellaan en vicaris 
dier kerk als testamentaire uitvoerders van Cloes van Tongerloe, 
insgelijks kapellaan dier kerk, aan deken en kapittel van St. Ser- 
vaas eene jaarlijksche erfrente van 1 mark uit het huis(i) van 
wijlen den heer Cloes van Tongerloe in de Capuynstroet naast 
dat van Bele van Byelsen en het huis van Gruysbeeck, over- 
gedragen hebben, waarvoor deken en kapittel zich verplichtten zijn 
jaargetijde te houden. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnt van Nortbeke en Arnt 

VAN BrANDENBORCH. 



No 1575. 



14t78 [November 21) in Novembri des eynendetwintigsten daichs. 

Schout en schepenen van het gezworen laathof van St. Ser- 
vaaskapittel te Sichen oorkonden, dat Heynric Denys gezegd van 
den Valke, poorter van Luik aan Heynric vanden Daele, pries- 
ter en kapellaan van St. Servaaskapittel voornoemd ten behoeve 
der broederschap van kapellanen aldaar verkocht en overge- 
dragen heeft de helft van 11 bunders, 4 groote en 2 kleine roeden 
akkerland in 12 perceelen onder Sichen en Sussen gelegen, te 
weten: 16 groote roeden tusschen Sichen en Fall bij Walres put^ 
palende aan land van Jan Palm Triets, land van den pastoor 
van Sichen en land der abdij van St. Jacob te Luik^ 8 groote 
roeden opden bossche bij Sichen naast land van Arnt PROENEN/rr 
borch wart en land van het gasthuis van St Jacob te Tongeren 
naar den kant van Riempstj 1 bunder op den bossche achter die 
hoeve te Susschen tusschen land van voormeld gasthuis en land 
der vrouw iiiden dorrenboom te Maastricht en uitloopende viet 



(1) Dit huis kwam naderhand aan Antonius Pruken, kanonik van St. Servaas- 
kapittel, zooals de noot in dorso meldt. 



— 448 — 

eynen sluetel stuck; 4 groote en 10 kleine roeden oen die roetse 
by die alde kuyle palende aan land van jonkheer Karie vanden 
Eyckhoeren heer van Sichen ter alder kuylen waert en aan land 
der scholieren van Luikj 35 groote en 19 kleine roeden by die 
tvarande aen dat diergaet naast land der erven Palmarts van 
Heukelom en bij voormeld diergaet] 18 groote roeden naast het 
voorgaande gelegen tusschen land van voornoemden jonkheer 
Karle en land der kapel van Synter Vyven te Sussen; 7 groote 
en 3 kleine roeden achter de hofstede te Sussen, uitloopende met 
een sleutel stert naar den kant van Riempst, palende aan land van Jan 
Bevers van Montenaken, land van Jan Noelmans van Heukelom 
en land van Gerit Cuben, kramer te Maastricht; 23 groote 
roeden aan den binnenweg van Sussen naar Emael naast land der 
Duitsche Ordeheeren Balie-Biessen en land van den pastoor van 
Sichen; 24 groote en 10 kleine roeden, palende aan het voorgaande, 
aan land der erven Palmarts van Heukelom en land der Duit- 
sche Ordeheeren Balie-Biessen; 6 groote en 10 kleine roeden bij 
den groeteii reynsteyn met eyneri stert uitloopende ter borch wart 
naast land der erven Palmarts en land der kapel van Sussen; 
45 groote roeden aan den straatweg van Maastricht achter wairt 
goe7ide tot opden Kanre weech met eynen sletitel stuck daerin in mid- 
del liggende ind ruerende aen beyde die stucken opden triechter weech^ 
palende aan tand van bovengenoemden jonkheer Karle en met twee 
zijden aan land van St. Servaaskapittel te Maastricht; 15 groote 
en 10 kleine roeden aan denzelfden weg nader bij Maastricht naast 
land der Duitsche Orde Balie-Biessen, land van voornoemden 
jonkheer Karle en land der scholieren van Luik. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnt Brandenberch schout en 
schepen, Willem Bettge, Jan Hübrechs, jan van Cautenberge, Winant 
VAN Heze, Ogier van Wange en Jan Palm Triets. — Zegels: 3®. Een 
egge vergezeld in de beide bovenhoeken van een vijfblad en in den 
schildvoet van eene vijfpuntige ster; omschrift: Jan Hübrecht; — 4*. Een 
St. Andrieskruis, in het linker vrijkwartier eene schelp; omschrift: Jan 
VAN Caltenberch.I 

No 1576. 
14:79 {Februari 6) in Februario des sesde daich. 
Schout en schepenen van Sichen oorkonden, dat Wouter van 



— 449 — 

Mewen, waard inden liebart te Maastricht, de helft der pcrceelen 
akkerland, waarvan melding is in den hoofdbrief waardoor deze 
is getrokken, die hem na den dood van Ghyse van Bruggen- 
STEVNE zijn aangeërfd en die hij tegen Heynric Denys genaamd 
VANDEN Valke bekomen heeft, aan de kapellanen van St. Servaas- 
kerk voor de stichting eener dagelijksche Mis en voor de lafenis 
zijner ziel, van die zijner echtgenoote en erven heeft overgedragen 
en eene jaarlijksche erfpacht van l mud rogge uit het huis met 
hofstede van Herman Stas van Sichen aldaar gelegen opt overste 
eynde naar den kant van Fall aan den straatweg, palende aan land 
van het altaar van Merlentont en de kerk van Tongeren en land 
van Goeswyn inden Keersboum te Maastricht tot stichting eener 
wekelijksche Mis door Arnt Proenen den oude, poorter van 
Maastricht, bij testament gelegateerd en Arnt Proenen de jonge 
verklaard heeft in andere goederen te zijn bedeeld en geene aan- 
spraak op die pacht te hebben noch te bezitten. 

Orig. op perkament. — Schepenen als van n" 1575. 



No 1577. 



Ii78 {December 23) des anderen dachs noe sint Tkomoesdach. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gordt Vloghels aan Wynant 
DER Hasse van Mopertingen, Hadwych zijne vrouw en hun beider 
erven eenen jaarlijkschen erfcijns van 2 marken uit een huis in 
de Kapoenstraat tusschen het huis van Willem vanden Moer, 
priester en kapellaan van St. Servaas aldaar en dat van Ide Koex 
overgedragen heeft en verklaard, dat op dat huis nog gevestigd is 
een cijns van 36 schellingen 's jaars, op belofte die overdracht te 
zullen doen goedkeuren door zijne echtgenoote Conen, alles onder 
verband zijner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Willem van Heze en Voes 
QUOKDEXTER. — Zegels: 2". Een naar rechts loopende ekster; helmiee- 
ken: de ekster van het schild; omschrift: Sigillum Vües Quoedexter. 



— 450 — 

No 1578. 

lil 9 (Maart 15) des vyffthienden daichs inden Meert, 

Schout en schepenen van het hooggerecht van Millen oorkon- 
den, dat Johan vanden Bossche van Millen aan Heynrich van 
DEN Dale, priester en kapellaan van St. Servaaskerk, ten behoeve 
van het O. L. Vrouwelof aldaar verkocht en overgedragen heeft 
eene jaarlijksche erfpacht van 4 mudden spelt van eene van 12 
mudden spelt, die na den dood van Johan Proesten van Her- 
deren en van zijne vrouw Yde, hem aangeërfd zijn alsmede aan 
Cloes vanden Biessen genaamd Boelen, Johan Sterff van Heu- 
kelom als momboren hunner vrouwen, dochters van voornoemde 
echtgenooten en onder hen gelijkelijk verdeeld, te beuren uit twee 
perceelen bouwland, van Ghyse Goert Mommars' zoon van Millen, 
waarvan het eene zijnde 3 bunders en 4 groote roeden gelegen is 
bij den wijngaard van jonker Lambrecht vanden Bossche, van 
de vier zijden ingesloten door land van het kapittel van O. L. 
Vrouw te Maastricht, van Peter Cloes van Vall, van jonker Lam- 
brecht voornoemd en van de erven van Jan van Koelen, en het 
tweede van ongeveer 16 groote roeden op dat peetgen voerende 
van Millen naar Sluysen tusschen land van jonker Lambrecht 
voornoemd en land van Wierick van Hex, onder beding de ge- 
bruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Afschrift in: Legerboeck van alsullicke renten^ censen ende hinden.., 
van O. L. Vrouwelof fol. 16 v. — Willem Scholtiten schout en 
schepen, Wyerick van Hex, Ghyse Moes, Cloes Scholtiten, Johan 
Knüps en Johan Moer. 



No 1579. 



14:79 {Jimi 14) vierthiene daghe inden Broemoent, 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat Johan 
Elman aan Johan van Dorne, priester en kapellaan van St. Ser- 
vaas, ten behoeve van het O. L. Vrouwelof eene jaarlijksche 
erfpacht van 6 vaten rogge uit een bunder bouw- en weiland van 
Arnolt VAN Noorbeeck gelegen int broeck by synte Servoes 



— 451 - 

borne(y) tusschen land van Johan Clut en dat van Henrick 
VAN Ophem overgedragen heeft, onder beding de gebruikelijke 
formaliteiten te zullen nakomen en haar het rustig bezit ervan te 
vrijwaren, alles onder verband zijner goederen. 

Afschrift in: Legerboeck van alsuUicke renten ^ cetisen ende hinden, . . 
van O. L. Vrouwelof foL 46 v. — Schepenen: Johan Clut inden 
heppennart^ Wilhem indie Haghe, Gielis vander Sargien, Johan Clut 
int Gruythuys^ Henrick VAN Anstenroede, Henrick van Gellick 
en Henrick van Ophem. 



N« 1580. 



lil 9 {Juli 8) acht dage inden hoyemoent. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johan Loukenbroet aan Johan 
Craichs, priester en kanonik van St. Servaas- en pastoor van 
St. Janskerk aldaar, als testamentaire uitvoerder van zijn mede- 
kanonik wijlen Lambrecht van Spauwen, voor het jaargetijde 
diens vaders, Pouwel van Spauwen, aan deken en kapittel van 
St. Servaas eene jaarlijksche erfrente van 1 mark uit zijn huis 
naast dat van Herman Vlaebeckêr en dat van Thielman van 
Grimby overgedragen heeft, onder verband zijner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Heynrick van Gellick enArnolt 
Brandeberch. 



N° 1581. 



14:79 (Juli 29) in Julio des negenendetwintichsten daichs. 

Schepenen des gezworen laathofs van St. Servaaskapittel te 
Sichen oorkonden, dat Johan Smet van Hoecklom aan Johan van 
Haller, priester en kapellaan van St. Servaaskerk te Maastricht, 
verkocht en opgedragen heeft 15 groote en 11 kleine roeden ak- 
kerland in het veld van Sichen en Sussen in drie perceelen ge- 
legen: 5 groote roeden onder Sichen bij den Roosberch^ palende 
aan land van Lambrecht van Middelhoven, land der scholieren 



(ï) ... prope fontem sancti Servatii^ aldus het opschrift van den brier. 



— 452 — 

van Luik en land der kerk wslïï .Betsingen (Bassenge); 7 groote 
roeden int gericht van Sichen aan der moelenpaet naast land van 
Johan Bereyt vanden Bosch en land van Lambrecht SALERSen 
ongeveer drie groote roeden tusschen land der broederschap van 
St. Servaas te Maastricht, land van jonker Claes heer van Sichen 
en land van Lambrecht van Middelhoeven, met de verklaring 
dat die drie perceelen met niets anders bezwaard zijn dan met 
hunnen gewoenlicken lantceys. 

Afschrift in: Registrnm liHer. fratern. Bfol. 161. — Schepenen: Arnt 
Brandebf.rch schout en schepen, Wilhem Betge, Jan Hubrkchs, Jan 
Cautenberch, Wynant van Heeze, Ogier van Wange en Jan Palm 
Triechs. 



No 1582. 



1479 (November 6) in Novembri des sesden daichs. 

Schout en schepenen van het gezworen laathof te Sichen, be- 
hoorende aan deken en kapittel van St. Servaas, oorkonden, dat 
Johan Meyers van Spauwen aan Heinrick vanden Dael, priester 
en kapellaan van voormeld kapittel 15 groote en 15 kleine roe- 
den bouwland achter de hofstede te Sussen en aan den steenweg 
van den Borck naar Sussen, gelegen naast land ^'van deken en 
kapittel voornoemd, land van het gasthuis van dat kapittel, het 
erf van Daniël Noetelers' erven verkocht en opgedragen heeft. 

Afschrift in: Registrum litier, fratern, B fol. 152. — Schepenen als 
van n*» 1581, 



No 1583. 



1479 {November 20) inder moent gheheiten November des twintichste 
daichs. 

Schout en schepenen van Vleytingen oorkonden, dat Jan Muys- 
terman van Ruemunde als momboor zijner echtgenoote Margriete 
Mercels aan Andries vander Heyden genaamd Graechs, rent- 



— 453 — 

meester der broederschap van kapel lanen der St. Servaaskerk te M., 
verkocht en opgedragen heeft de helft van twee perceelen akkerland 
tusschen Vleytingen en Spauwen gelegen, het eene van 11 groote 
roeden indie commen onder grammen etxken voor de helft onver- 
deeld toebehoorende aan de armentafel van den H. Geest te 
Maastricht en aan de erven Loye Bollen; en het tweede, bij het 
voorgaande gelegen, van twee groote roeden, ingelijks voor de 
helft toebehoorende aan voormelde armentafel en ghoen te lancks 
den berch op^ palende aan land van St. Servaasgasthuis en het 
paadje van Roesmer naar Elcht, met de verklaring dat gemeld 
land met niets anders bezwaard is dan met den sympelen ende 
ghewoenlyken lant ceeys en Gheret Merceels als wettich ende ayel 
broer van Margrieie voornoemd verklaad heeft in andere goederen 
te zijn bedeeld en geen aanspraak op voornoemd land te bezitten. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Willem Passart schout, Jan Thvs 
van Laufelt, Art Brandeberch, Olof Lieffsüens, Loye Vrients, Loye 
130LLEN, Lees Bollen en Heynrick van Gheylck. — Zegels : 1". Eene 
uithoeking van drie stukken van goud van boven uitgaande ; helmteeken: 
een naar rechts gezeten hond; omschrilt: S. Wilhelm. Passart ; — 2*. 
Een ankerkruis; omschrift: Sigillum Johan va Loufelt ; — 5*». Drie vijf- 
bladen 2. 1 ; — 6'. Een faas, in het vrijkwartier drie hoefijzers 2. 1; 
schild gehouden door een persoon die er achter staat, houdende in de 
rechter hand een stok; omschrift: S. Lov . Bollen; — T"». Een faas in het 
vrijkwartier twee hoefijzers naast elkaar; omschrift: S. Laurens Boll. 



No 1584. 



lil 9 {November 22) in Novembri des tweeendeiwintichsten daichs* 

Schout en schepenen des gezworen laathofs van deken en ka- 
pittel van St. Servaas te Sichen gelegen oorkonden, dat Johan 
MuvsTERMAN van Maastricht met toestemming zijner echtgenoote 
Margriet Marceels aan Johan vanden Dael, priester en kapellaan 
van St. Servaaskerk ten behoeve der broederschap van kapellanen 
dier kerk verkocht en opgedragen heeft: d) het derdedeel van 
twee bunders bouwland, te weten 13 groote roeden 6 kleine en 
1/3 van twee kleine roeden, gelegen tusschen Cautenbercht^^ioXv^vi 
opdie Baelrestraet naast land van Claes Swaelen van Maastricht 



— 454 — 

en land van Lambrecht Coerts erven; b) het derdedeel van 2 
bunders bouwland, zijnde 13 groote, 6 kleine en ^/g van 2 kleine 
roeden land gelegen opden oversten Sussenre weck die daer doer 
gaende is^ palende aan land van Meylart Clecx van Eymael, aan 
land van den zoon van Mees Leenen en aan land van Lambrecht 
BoECHMEECKERS, onder beding de gebruikelijke formaliteiten te 
zullen nakomen, en Margriet's broeder. Gerit Marceels, verklaard 
heeft gueder scheydinge ind deylinge te hebben gehad in andere 
goederen en geen recht noch aanspraak te bezitten op de per- 
ceelen bouwland voormeld, noch in de toekomst er op te doen 
gelden. 

Afschrift in: Regis ir um litter, fratern, B fol. Iö9 v. — Schepenen: 
Arnt Brandenberch schout en schepen, Wiihem Beetge, Jan Hubrechts, 
Jan VAN Cauteberch, Wyhant van Heze, Ogier van Wange en Jan Palm. 



N* 1585. 



U70 ( Navetnber 22 ) inden moettt van Naventbri tweendeiwintich dage. 

Meier en schepenen der bank en heerlijkheid Cleynspauwen 
oorkonden, dat Jan Munsterman van y?^^«^«^/(f, als manen momber 
van Margriete Marcilis, aan Andries vander Hevden als rent- 
meester der priesterbroederschap van kapellanen der St. Servaas- 
kerk verkocht en opgedragen heeft 1°. 18 groote en 10 kleine 
roeden akkerland aan den weg van Cleynspauwen ende geyt te 
linde wart by die sieken aan die puttems straet en den weg loopende 
van de Oude Biessen naar Maastricht en 2®. 10 groot een 3 kleine 
roeden aan den weg van Cleynspauwen naar Bilsen naast die 
Heseleren stege, naast land van het gasthuis van Tongeren en land 
der kinderen van Peter Pyparts van Bilsen en dat Margriet Mar- 
cilis in die opdracht toegestemd en ze goedgekeurd heeft. 

Afschrift in: Regisirum liiter, fratern, B fol. 180. — Schepenen: 
Goert Neven van Munsterbilsen meier en schepen, Kerstiaen Clerx, 
Noelman Goerts, Laurees van Linde, Heinrick Heuts, Jan Swennen 
en Wiihem Schoefs. 



— 455 — 

N« 1586. 

1479 (December 29) des negenendetwintichsten dachs Decembris. 

Schout en schepenen der heerlijkheid Meer en Bolre oorkon- 
den, dat Lysbet Johaes van Werme, weduwe van Johaes vax 
Werme en echtgenoote in tweede huwelijk van Peter Cloes, 
aan haren zoon Reyner van Werme overgedragen heeft haar 
rechten en aanspraken op 25 groote roeden akkerland in twee 
perceelen tusschen Meer en Herderen gelegen: 1*». een bunder 
palende aan het land van Gerit Box van Meer, land van het 
altaar geheeten van HenneflF en land der erven Lambrecht Roe- 
skler van Maastricht en 5 groote roeden daarbij gelegen naast 
land van Herman Bonaerts van Meer, land van Jan van Gan- 
GELT, brouwer te Lenculen en land van Wilhem van Boerne 
van Maastricht en Reyner daarna voornoemd land aan Heinrick 
VANDEN Dap:l, priester, ten behoeve der broederschap van kapel- 
lanen van St. Servaas verkocht en opgedragen heeft en verklaard 
dat het land niet belest^ besweert noch schuldich en were^ hetgeen 
ook verzekerd werd door jonkheer Severyn van Godegoven als 
eyn principael grontheer der heerlicheyi van Meer en Boelre^ en 
Reyner's zuster verklaard heeft geen recht of aanspraak op dat 
land te bezitten, maar in andere goederen te zijn bedeeld. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Laurens Schuermans, onder- 
schoutit voer Wilhem vanden Bosch overste schoutit^ Stas Tielmans, 
Wierick Lieffzoens, Peter Claês, Gerit Box en Jan Smet. 



N« 1587. 



liSO (Januari 7) inder moent van Januario seven daghe. 

Meier en laten des gezworen laathofs van het kapittel van 
Munsterbilsen te Riempst oorkonden, dat Gysbrecht Guethen 
aan Jan vanden Daell ten behoeve van het O. L. Vrouwelof, 
dal die cantoers van synte Servoes alle Saeterdach gewoenlich syn te 
senghen in synte Servoes kercke noe compleet verkocht en opgedra- 
gen heeft een half bunder akkerland, waarvan de wederhelft toe- 



I 



— 456 — 

behoort aan Wirick van Hex van Millen, in drie perceeien onder 
Herderen gelegen te weten: 11 roeden aan die wechstraet by die 
eynwyde palende aan het- land der erven Thewalt indie Rosé van 
Maastricht en land der heeren van den Biessen; 6 roeden aan 
den Sietberch naast land van een altaar van O. L. Vrouwekerk te 
Tongeren en naast land van Laurens vanden Kerckhoff; 3 roe- 
den aan die puytstraet bij land van Anthonis Borne, land van de 
Balie Biessen en land van Johan Nullens van Herderen, welk 
land met niets anders belast is dan met sinen simpelen cees te 
slechten recht inden hoeff vurgenoempt te weten dat bonre gelanck ten 
slechten recht eyn vaet rogghen^ eyn vaet geersten^ III vaet evenen 
t richter moei ende seven penninck goets gelts alle jaer te betalen inden 
Meert; dat Aleyt Cristiaens, die het vruchtgebruik van dat half 
bunder genoten heeft, van hare aanspraak daarop ten behoeve van 
het lof voormeld afstand heeft gedaan en dat daarbij de gebrui- 
kelijke formaliteiten zijn in achtgenomen, onder beding het rustig 
bezit van dat land te zullen verzekeren. 

Afschrift in : Leger boeck van alsullicke renten^ censen ende landen, . . 
van O. L. Vrouwelof fol. 47 v. — Laten : Reynar Schobffs meyster in 
artibus^ meier en laat, Laureys Cauberch van Vieytinghen, Jolian 
HuBRECHS, Cloes VAN Meer, Gliys Mens en Ghys Doemen. 



N« 1588. 

liSl {Maart 3) inden Meert drie daghen. 

Meier en gezworen laten van het laathof der scholasterij van 
St. Servaaskapittel van Maastricht te Roesmer oorkonden, dat 
Geurt Vaechs, hun medelid, aan Johannes van Bodinghen, 
poorter van Maastricht, verkocht en overgedragen heeft eene jaar- 
lijksche erfpacht van 12 vaten rogge 'sjaars uit 22 roeden akker- 
land achter defi Stauberch gelegen, palende aan land van het 
O. L. Vrouwealtaar in de kerk van Roesmer, aan land van het 
kapittel van O. L. Vrouw te Maastricht en aan land van Nelis 



— 457 — 

der lepelmeecker van Roesmer, onder beding de gebruikelijke for- 
maliteiten te zullen nakomen, behoudens ieders recht. 

Afschrift ibidem fol. 69. — Laten: Oloff Lbiffsobns meier en laat, 
Guert VoECHS, Lees Bollen, Loye Bollen, Tys Doemen van Heerderen, 
Vrient Loyen van Heeze en Ghys Botscarts. 



N^ 1589. 

Transfix, 1518 (Februari 26) des sessendetwintichsten daech Fe^ 
bruarii geheiten die Sporckelle. 

Meier en laten des chiens ende loeihoeffs boven inden principaei 
huytbrieff dacr desen onsen trofisfixtbrieff doer getransfixeert is oor- 
konden, dat Jannes van Boyingen aan Andries van den Biessen, 
meester van het gasthuis van St. Servaaskapittel, ten behoeve van 
het O. L. Vrouwelof in die kerk verkocht en overgedragen heeft 
de jaarlijksche pacht, vermeld in den voornoemden hoofdbrief, onder 
beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Afschrift ibidem fol. 70. — Laten: Lambrecht Heinrick meier en laat, 
Wilhem FIanen, Heinrick van Heesvelt, Jan Moer, Heinrick van Put- 
THEM, Steven Stevens en Dionys van Wylre. 



No 1590. 



Ii80 (Juni 17) des seventheenden daeghs in Jumo. 

Meier en schepenen van het St. Peterhof van den abt van 
Corbey te Montenaken oorkonden, dat Henrick Gruylmans, wo- 
nende te Cautenberg bij Sussen aan de broederschap van kapel- 
lanen der St. Servaaskerk, vertegenwoordigd door haren rentmees- 
ter Andries vander Heyden genaamd Craeghs, 14 groote en 4 
kleine roeden land gelegen opten herseelsdael tusschen Heukelom 
en Sussen bij bnd der scholieren van Luik, land der Duitsche 
Orde Balie Biessen en land van het gelucht der kerk van Sussen 
opgedragen heeft en verklaard, dat het met niets anders bezwaard 



— 458 — 

is dan met den gebruikelijken landcijns te weten 5 penningen, en 
schout en schepenen van Lenculen den brief bezegeld hebben. 

Orig. op perkament. — Meieren schepenen van het St. Peterhof: G hoert 
VAN Jh£SSER£N meicr en schepen, Herman van Eynkïten, Arnt Bran- 
DEBURGH, Henrick van Gellick, Jan Wyck, Jan Cleynians en Con- 
rart indie Haghe. — Schepenen van Lenculen: Coraelis vander Sarg en 
schout, Johan Clut i?uUn heppenaer^ Willem indie Hage, Ghielis van- 
der Sargen, Johan Clut int Gruythuysy Henrick van Anstenrode, 
Henrick van Gellick en Henrick van Ophem. 



N* 1591. 



1481 (Februari 28) inden maent van Spurkell des lesten daicks. 

Meier en laten van het gezworen laathof des kapittels van 
St. Jan-Evangelist van Luik te Fall [Valle) oorkonden, dat Heinrick 
RoETZ van Fall aan Andries van der Heyden genaamd Craichs, 
ten behoeve der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk, 
verkocht en overgedragen heeft eéne jaarlij ksche erfpacht van 12 
vaten rogge uit 19 groote roeden bouwland onder Fall in drie 
perceelen gelegen te weten: 7 groote roeden in het veld lusschen 
Fall en Millen, geheeten ifidie Schaets^ palende aan land van Wil- 
lem van Borne, land van het O. L. Vrouwealtaar te Luik in 
de kerk van den H. Laurentius geheeten indie Vente, land van 
Boitsis van Ruckelingen en land van Jan Pouwels van Fall;. 4 
groote roeden gelegen op den lutger weech achter die Eyck naast 
land der erven Willem Quax, land der erven Willem GLOEsen 
land van Meus' erven van Fall; en 8 groote roeden gelegen /;/dV;i 
boedem doemen geit van Valle te Cleynen Meer wert tusschen land 
van Jan Schillinx van Tongeren, land van Peter Claes en land 
der erven Claes van Fall en verklaard heeft dat buitendien op 
dat land nog gevestigd is eene cijns van dey copy^ onder beding dat 
by slechte betaling der pacht die selve capellanen der broederschappen 
verscreven off honne renivieyster van honne?i ivegen mit eynen dach 
doen van lyffthien dagen overmits ons meyer ind loeten shoeffs vur* 
screven gedaen^ sullen mogen doen ainbringen ind geleyden totten 



— 459 — 

pande der vurscreven dry stucken lants sondtr meer vervolch van 
rechts wegen daer om te doen. 

Afschrift in: Registrum litter. fratern, B fol. 165. — Laten: Lam- 
brecht Pouwels meier en laat, Jan Pouwfxs, C'aes van Valle, Stas 
TiELMANS, Peter Claes en Peter Maks. 

No 1592. 

Transfix, 1481 (Februari 28) inden maent van Spurkelle des lesten 
daichs. 

Schout en schepenen van Fall oorkonden, dat Heynrick Roets 
van Fall aan Andries van der Heyden gezegd Craichs, gevol- 
machtigde der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk 
te Maastricht, de verklaring heeft afgelegd dat, zoo in de toekomst 
eenige fauten^ lasten ind gebrecken aan de landerijen waarover de 
hoofdbrief, waardoor deze getrokken is, handelt, mocht bevonden 
worden, dat dan de broederschap zich zal laten penden voer die 
faiiten% lasten ittd gebrecken binnen ind biiyten huys sonder vinster 
off duere te sluyten op seven schillinge nae der banck recht^ so dicke 
ind mennichtverff als dat gevallen mucht souder eynich vervolch van 
rechts wegen meer daer over te mogen doen. 

Afschrift ibidem fol. 167. — Schepenen: Hubrecht Revners schout en 
schepen, Claes van Valle, Sus Tielmans, Engelbrecht Pouwels, Peter 
MüES, Wierick Liefzoens en Peter Claes. 



N^ 1593. 



1481 (Maart 3) inden Meert drie daghen. 

Meier en gezworen laten van het cijnshof der scholasterij van 
St. Servaaskapittel te Maastricht gelegen te Roesmer, oorkonden, 
dat hun medelaat Guert Voechs aan Johannes van Bodinghen, 
poorter van Maastricht, verkocht en overdragen heeft eene jaar- 
lijksche erfpacht van 12 vaten rogge te beuren uit 22 groote roeden 
akkerland int vetten geheeten achter den stauberch palende naar 
den kant van Veltweselt aan land van het altaar van O. L. Vrouw 



— 460 — 

te Roesmer, naar den kant van Vleytingen aan land van het 
Kapittel van O. L. Vrouw te Maastricht en naar den kant van 
Membruggen aan land van Nelis der lepelmeecker^ onder beding de 
gebruikelijke solempniteyieft en behoerlicheyt van rechten te zullen 
nakomen nae cosiume en gewoenien hun hofs. 

Afschrift in: Legerboeck van alsullkke ren/en ^ censen enz.... van het 
O. L. Vrouwelof fol. 69. — Gezworen laten: Oloff Leiffsukns meier 
en laat, Guert Voechs, Lees Bollen, Loye Bollen, Tys Düf.misN van 
Herderen, Vrient Loyen van Heeze en Ghys Botscarts. 

No 1594. 

Transfix, 1518 (Februari 25) des sessendetwintichsten daech Ffe- 
bruarii geheyten die Sporckelle, 

Meier en laten van het laathof genoemd in den frincipael hnyt- 
brieff daer desen onsen transfixtbrieff doer getransjixeert is oovkoudtn^ 
dat Jannes van Boynigen aldaar genoemd aan Andries vanden 
BiESSEN, gastmeyster van St. Servaasgasthuis ten behoeve van het 
O. L. Vrouwelof in St. Servaaskerk de erfpacht van 12 vaten 
rogge, in den hoofdbrief vermeld, verkocht en overgedragen heeft. 

Afschrift ibidem fol. 70. — Laten: Lambrecht Heinrick meier en 
laat, Wilhem Hanen, Heenrick van Heesvelt, Jan Molr, Heinrick 
VAN Puthem, Steven Stevens en Dionys van V^ylre. 



N» 1595. 



Ii81 (Juli 3) des derden dachs van Julia, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Kathryne van Haren aan Merten 
VAN Gestingen, zijne echtgenoote Marie en hun beider erven 
eene Jaarlijksche erfrenie van 10 schellingen uit een huis te Wyck 
naast dat van Menen vanden Veltz overgedragen heeft, onder 
beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen en met 
de verklaring dat op het huis nog gevestigd is eene rente van 
1 mark 's jaars, alles onder verband harer goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Voes Q.uodexter en HenryckvAN 
Gellick. 



— 461 — 



No 1596. 



Transfix, 1497 (Maart 10) tkien dage in Merte. 

Schep. V. M. verklaren, dat Mette van Haeren aan Merten van 
Gestingen, zijne vrouw en zijne kinderen eene jaarlijksche rente 
van 10 schellingen uit een huis te Wyck, reingenooten de Vroen- 
hof en het huis van Merten vanden Veels, overgedragen heeft, 
onder beding hun het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnt Brandenberch en Hellinck 
Havët. 

No 1B97. 

1499 (September 7) des sevensten daecfis Septembris. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Merten van Gestingen aan Johan 
vander Volmoelen, als rentmeester van deken en kapittel van 
St. Servaas eene jaarlijksche erfrente van 1 mark uit een huis te 
Wyck aan den Vroenhof gelegen naast dat van Meerten vanden 
Veels heeft overgedragen, onder belofte hen tegen elke vordering 
te zullen vrijwaren, waarvoor hij zijne goederen verbonden heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Dirick BRAETSenReyner Proenen. 



No 1598. 



1481 (Juli 7) inden hoymoent der men noemt Julius seven dage. 

Meier en schepenen der bank en heerlijkheid Munsterbilsen 
oorkonden, dat Johan Joesten genoemd vanden Creeft aan 
Heinric vanden Dale, priester en kapellaan van St. Servaaskerk 
te Maastricht, vertegenwoordigd door Cloes Hoen vanden Broek 
eene jaarlijksche erfrente van 41/2 oude Kcysersche Vrancryxe 
schilden uit een erf te Munsterbilsen gelegen en gcheeten dat 
goet van Hostaei (i), palende aan het erf van den luyhoef en het 



0) In de noot in dorso wordt het geheeten bofux de Hos/aden, 



— 462 — 

erf van Margariet Beelen verkocht en overgedragen heeft, onder 
beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Gort Brüyns meier en schepen, 
Wouter Ongewasschen, Johannes Kf.rss, Steven Smeets en Wilheni 
VAN Linde. — Zegels: l*. Gedeeld rechts van vair, links twee schiet- 
spoelen; oraschrift: S. Goert . .; — 2'. Een ossenkop ; omschrift : . . OUTER . .; 
— 3**. Twee elkaar kruisende hooivorken, ter weerszijde en in den schild- 
voet vergezeld van een vijfblad ; — 4*. Eene roos, in de beide bovenhoeken 
een molenijzer; omschrift: Steven Smeetz. 



No 1599. 



1481 (Augustus 7) inden maent Augusti opden sevenden dach. 

Meier en schepenen der bank en heerlijkheid Gleynspauwen 
oorkonden, dat Peter Pyparts van Bilsen aan Andreas van der 
Heyden genoemd Craechs ten behoeve der broederschap van 
kapellanen der St. Servaaskerk verkocht en opgedragen heeft 4 
groote roeden akkerland te Spauwen aent Spauwenregaet gelegen, 
palende aan land der erven Dierick Schillinx en aan land der 
voornoemde broederschap, en zijn broeder Johannes Pyparts 
hoem gueder deylinge belovende verklaard heeft geene aanspraak op 
dat land te hebben noch te zullen doen gelden. 

Afschrift in: Regis trum lifter, fraiern, B fol. 181. — Schepenen: 
Goert Bruyns meier en schepen, Kerstiaen Clercks, Laurees van 
Linde, Noelman Goerts, Jan Swennen, Heinrick Heuts en Wilhem 

SCOEFS. 



No 1600. 



Ii81 (September 25) vyff ende twyntich dage Septembris. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Wilhem van BoELREaan Hubrecht 
VAN Pera, priester en kapellaan van St. Servaaskerk aldaar eenen 
jaarlijkschen grondcijns van 2 marken uit het huis van Henrich 



— 463 — 

Smetz te Tweembergen tusschen de huizen van Engelbrecht Oli- 
SLEGERS en van Johan Zeylmekërs gelegen overgedragen heeft, 
onder beding de gebruikelijke formaliteiten te^ zullen nakomen 
en die overdracht te zullen doen goedkeuren door zijne echtge- 
noote Aleyde. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan van EwEn en Bertholt 

VANDEN WyER. 



No 1601. 



liSl (October 14) inden moent van Octobris vierteen dage. 

Meier en schepenen der bank en heerlijkheid Munsierbilsen oor- 
konden, dat Gort Hoenkens van Tongeren aan Heinric vanden 
Dale, priester en kapellaan van St. Servaaskerk te Maastricht, 
eene jaarlijksche rente van vijfdehalf alde Keysersche Vraiicryxe 
schilt uit het goed van Hostaet te Munsterbilsen met bijbehoo- 
rende bosschen, weiden, vijvers, beemden enz., palende aan het 
goet van den luyhoef en het erf van Margriet Beelen overge- 
dragen heeft, behoudens ieders recht daarop. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Gort Bruyns meier en schepen, 
Wouter Ongewasschen, Jan Kers, Steven Smeets, Wynant Gürts, 
"Wilhem van Linde en Heinrich vander Stegen. 



N» 1602. 



1482 (Mei 2) inden moent van Meye opden iweden dach. 

Schout en schepenen der hoger banck van Herderen, meier en 
laten van het laathof der Duitsche Orde Balie Blessen, meier en 
laten des laathofs van Munsterbilsen, alsmede meier en laten van 
het laathof geheeten Jacob Bexhoef thans behoorende aan Gherit 
int Grnythuys^ welke laathoven gelegen zijn te Riempst, oorkonden, 
dat Johan van Namen wonende te Millen aan Andries Craeciis, 
rentmeester der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk 
te Maastricht, verkocht en opgedragen heeft 10 bunders akkerland 



— 464 — 

in de volgende perceelen onder Riempst en Herderen gelegen: 
17 groote en 11 kleine roeden op dat VUytinger peetgen palende 
aan land van Jan Loere, land der erven Peter Schats en land 
der Duitsrhe Orde Balie Blessen; 5 groote en 5 kleine roeden 
achter de hofstede van Lambrech van Conkgracht naast land 
van Huybrecht Ghysen, land van Dieric van Gelick en land 
van Ghyse vanden Roede; 8 groote roeden komende met ten 
heiift op die Steynstrote bij land van Gherit Mercken, bakker van 
Maastricht, en land van Ghyse vanden Rode voornoemd, van 
welke beide perceelen in het laathof van Gherit int Gruythnys jaar- 
lijks betaald worden 6 penningen, 3 koppen rogge en 3 koppen 
gerst; vierdehalf roede achter de hofstede van Lambrech van 
Conegracht en 10 groote roeden opt roet achter Riempst, palende 
aan land der kinderen van Wilhem Bolen van Amelsdorp, aan 
land van Ghyse vanden Roy en land van Huybrecht Ghysen; 
14 groote roeden opt roet achter Riemst naast land van Jan Thys 
van Laufelt, land der erven Stas vanden Kerchoef en land van 
Jan Heutens; 6 roeden benoorden den wijngaard van Jan van 
Henisse, palende aan land van het Kapittel van O. L. Vrouw 
van Maastricht, aan land der erven Peter Loeres en aan land 
van Jan van Cothem, poorter van Maastricht; 4 roeden /// die 
mortcuyle tusschen land der erven Goeswyn vanden Berne en 
land van Gheret Lambrechs Bolen zoon, thans behoorende aan 
de religieuzen van Peer; 6 groote roeden opt diependale naast 
land der erven Wilhem Bolen van Amelsdorp; 4 groote roeden 
int diependael aan twqe zijden palende aan land der erven Peter 
Schats en aan land van het gelucht van Riempst eii Herderen ; 
4 groote roeden benoorden den diependale naast land der erven 
Wilhem Bolen en naast het goed van Herke, belast met U/2 
penning cijns, 1 kop rogge en 1 kop gerst 's jaars betaalbaar in 
het laathof van Gherit int Gruyihuys; 4 roeden aen den cruys- 
boem naast land van den pastoor van Riemst, aan den steenweg 
en naast land der kinderen van Jan Stas; 4 groote en 7 kleine 
roeden sonder den iveech gelegen by den cruysboum comende op die 
steynstrote naar den kant van Riempst palende aan Jjand van Cloes 
VAN Mere en naar den kant van Herderen aan land van Art 
Hessel van Tongeren; 8 groote roeden aan de stlverett cuyle 
palende aan land der kinderen van Wilhem Bolen en aan land der 



— 465 — 

Duitsche Orde Balie Blessen; 15 groote roeden bij de voorgaande 
gelegen naast land Stas Tielmans, land van Jan Pouvvels en 
land der erven Art Molepas; 6 groote roeden op den inereberch 
naast land der erven Williem Bolen, land van Jan Thys en land 
van Johan van Spauden; veertiendehal ve roede op den mereberch 
aen theuft naar den kant van Meer naast land der gebroeders Lam- 
brécht en Jan Hentens en naar den kant van Millen land van 
Jan VAN CoTHEM; 6 roeden achter de hofstede te Ricmpst, palende 
aan land van Johan van Spauden en land van Jan van Cothem; 
3 roeden gelegen aan Jan Mathys' bempigevy comende op die 
tnerestroet^ naast land van Lambrecht Vrenckens ter weytmolen 
tvart^ naast de weide van Jan Huvbrechs; 4 roeden aan het pad 
van Heukelom naar Riempst naast land van Kathryna Hex, land 
van Jan Hentens en aan den mesweech; 15 groote roeden achter 
Lochtenhoef geheeten den Vogelsanck palende aan land van Noelman 
Hessels en aan land der kerk van Riemst; 32 groote en 13 
kleine roeden aenden steynberch naast land der erven Wilhem 
Bolen, land van Jan Thys en land van Jan Hentens; 3 roeden 
bij het vorige perceel gelegen naast land van St. Servaasgasthuis 
te Maastricht en naast land der Vrouwe Hercken; 7 groote en 
8 kleine roeden tusschen Riempst en Herderen gelegen aan den 
mesweech palende aan land der erven Jan Stas en land der erven 
Jan Hentens; 2 groote roeden bij de weide der' kinderen Jan 
Stas naar den kant der Jeker palende aan land der Duitsche Orde 
Balie Blessen en naar den kant van Vleytingen aan land van 
Johannes van Spauden ; dat hij verklaard heeft dat van die 
perceelen jaarlijks aan den rentmeester van den Graaf van Loon, 
als heer, met half Maart betaald worden 9 koppen tarwe, 10 
koppen rogge, 10 vaten en 3 koppen gerst en met het feest van 
den H. Remigius (1 Oct.) 9 stuivers; dat van de perceelen roe- 
rende van het hof van Munsterbilsen, te samen 19 groote roeden 
stoende ten slechten rechte^ per bunder jaarlijks met half Maart 
betaald worden 1 vat rogge, 1 vat gerst, 3 kleine vaten haver 
en 7 penningen, en van de perceelen roerende van het laathof 
der Balie Blessen jaarlijks met het feest der H. Gertrudis (17 Maart) 
5 koppen gerst en 10 stuivers; dat al die perceelen daarenboven 
nog bezwaard zijn met II/3 vat rogge ten behoeve van het gelucht 
der^kerk van Riempst en dat bij den verkoop tegenwoordig waren 



— 466 — 

Adam Tants, beenhakker van Maastricht en zijne echtgenoote, 
Jacob VAN BocHOVEN en zijne echtgenoote Mechtilt, die kon 
tsamen giieder deyliugen hyr in tegen beloef t hebben^ bekennende dat 
sy egeyne rechte noch tonseggen meer en behielden aen dese boven- 
gescreven lande. 

Orig. op perkament. — Schepenen van Herderen; Cloes vanden Lie- 
BART schout en schepen, Loye Vrints, Johannes Kerss, Symon van 
Kestklt, Gort Lantmeter, Cloes Verghertruden eri Willem Scou- 
teten. — Laten van het laathot der Balie Blessen: Wouter On- 
ge wasschen meier, Jan Poesmans en Johan van Berge. — Laten 
van het laathof van Munsterbilsen: Reiner Scoefs meier, Ghyse Domen 
en Jan inden Meerk. — Laten van het laathof van Gheret int Gruvt- 
Huvs: Jan Smeet van Hoekelem meier, Sus Tielmans en Heinric 
Reyners. — Zegels: 1°. Een klimmende leeuw; omschrift: S. Claes 
vanden Liebart; — 6<>. Gedeeld rechts drie spitsruitcn; links die inhoe- 
kingen van boven uitgaande daaronder een wassenaar; omschrift: Sigtl- , 
LUM Claes van Gertriden. 



No 1603. 



1482 (Mei 28) dryentwyntich daghe in Meye, 

Schep. v. M. verklaren, dat Dierick van Damereysskn als man 
en momboor van Mechtilde inde7t Tumeleer als vruchtgebruikster 
en hare dochter Kathryne Gülers als erfgename, gezamenlijk aan 
Thys OPDEN Putte, Hillen zijne vrouw en hun beider erven eene 
jaalijksche erfrente van 25 schellingen uit diens huis bij O. L. 
Vrouwekerk naast dat van Jacop Hultepant en dat van Lam- 
brecht van Gemert, kuiper, overgedragen hebben. 

Afschrift in: Leger boeck van alsullicke renten^ censen ende landen,, 
van O. L. Vrouwelof fol. 27 v. — Schepenen: Johan van Heze en 
Voes Quodexter. 

N« 1604. 

Trans fixen 1502 (Mei 11) des elffden dachs van Meye. 

Schep. V. M. verklaren, dat Thys opten Putte aan Lambrecht 
VAN Bossenhoven eene jaarlijksche rente van 25 oude groeten 
uit het huis, vermeld in den hoofdbrief waardoor deze is getrokken 



— 467 — 

heeft overgedragen, onder beding de gebruikelijke formaliteiten te 
zullen nakomen en met de verklaring dat gemeld erf nog bezwaard 
is met eenen erfcijns van 6 marken en 16 schellingen. 

Afschrift ibidem fol. 27 v. — Schepenen: Dieryck Broetz enHellinck 
Havet. 

No 1605. 

1504 (Augustus 6) sees daghe in Augusto. 

Schep. V. M oorkonden, dat Lambrecht van Bosseniioeven 
aan Andries vanden Byessen, kapellaan en ^aj/w^^j/^r van St. Ser- 
vaaskerk aldaar, ten behoeve van het O. L. Vrouwelof eene jaar- 
lijksche erfrente van 2 marken, waarvan 25 schellingen uit het 
huis vermeld in den hoofdbrief waardoor deze is gestoken en 15 
schellingen uit het huis geheeten dye werelt in de Breedestraat 
naast het huis van Anthonys Dautengy en dat van Peter Doems 
overgedragen heeft, onder beding de gebruikelijke formaliteiten 
te zullen nakomen, waarvoor hij zijne goederen heeft verbonden. 

Afschrift ibidem fol. 28. — Schepenen: Henryck van Gellyck a^«</^« 
Vrythoff^ Aert Brandeberch, Geret Prenten enjolian van Eynatten. 



N^ 1606. 



1482 {September 27) des sevenendetwiniichsten daechs Septembris. 

Schepenen der beide gerechten van M. oorkonden, dat Johan 
Prent burgemeester, Ardt Proenen, Peter Tyloie, Willem 
Hanschemeecker, Laurens Dauwens, Hubrecht Neus, Johan 
Hameecker en Johan Nys gezworenen van voormelde stad, met 
den gemeynen gevolghe vanden raide ende der gemey?ire ambachten 
ende beyde der gerichten aan Herman Alarts, kramer, zijne vrouw 
en zijne erven, voor de som van 500 Rijnsche gulden aan den 
peymeester Johan Coeninx betaald, verkocht hebben en over- 
gedragen eene rente van 25 dier guldens 's jaars, in twee half- 
jaarlijksche termijnen te beuren uit de stadseigendommen binnen 
derzelver vrijheid gelegen, op voorwaarden hun het rustig bezit 
te zullen vrijwaren en die rente naar believen te mogen aflossen 



— 468 — 

voor eene gelijke som, voerden dag sonder rint ende naeden dach 
vutter r in ten. 

Afschrift ibidem fol. 67. — Schepenen: Henrick van Gelck ten Al- 
ddumoere, Henrick van Anstenroe, Vaes Qjljodexter en Ardt Bran- 

DEBORCH. 

No 1607. 

Transfix, 1504 (Augustus 1) opden yrsten daech van Augusto. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Herman Alarts aan Andries van 
DEN BiKSEN, kapellaan en gasthuismeester van St. Servaaskerk, 
ten behoeve van het O. L. Vrouwelof aldaar des Woensdags te 
doen eene jaarlijksche erfrente van 20 gulden, die hij van de 
stad Maastricht te beuren heeft en die vermeld is in den brief 
waardoor deze getrokken is, heeft overgedragen, onder beding die 
overdracht te zullen doen bekrachtigen door zijne echtgenoote 
Yda (1). 

Afschrift ibidem fol. 68. — Schepenen: Heinrick van Gellick aé/iden 
Vrythoff^ Ardt Brandfborch, Geert Prenten en Johan Eynaiten. 



No 1608. 



14:83 {April 6) des sessden dachs vander mont van Aprille, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Jan Elman aan Cloes Cuper, 
priester en kapel laan van St. Servaaskerk, en aan zijne erven een 
mark jaar lij kschen cijns uit zijn huis in de Kapoenstraat naast 
het St. Jacobsgasthuis en dat der kinderen Wouter Snackertz 
overgedragen heeft, onder beding hun het rustig bezit daarvan te 
zullen verzekeren en verklaard heeft dat op voormeld huis geves- 
tigd is eene rente van 2 marken en 5 schellingen, alles onder 
verband zijner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan van Elbers en Reyner 
Prünen. ' 



(1) Eene noot onder den brief meldt, dat ten jare 1606 Andreas vanden Biessen 
van bovengenoemden Herman Alarts de nog resieerendc 5 guldens der rente, ver- 
meid in den hoofdbrief, afgekocht heeft met honderd Rijnsche gulden. 



— 469 — 

N» 1609. 

1483 (December 16) inden maent Decembri des sesihünden dachs. 

Schout en schepenen van Heugem oorkonden, dat Jan van 
BuEL en zijne huisvrouw Mechilde /;/ vermerdernissen der GoitS" 
dienst ten behoeve der tweede fundatie van het St. Laurentius- 
altaar in St. Servaaskerk te Maastricht in handen van Johan 
Passart, priester en kapellaan dier kerk, ecne jaarlijksche erf- 
pacht van 12 vaten rogge heeft overgedragen, met inachtneming der 
gebruikelijke formaliteiten en met behoud van ieders recht daarop. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Johan Schevve vanden Veels 
genaamd Schevffart schout. Peter Cloes, Arnt Brandenberg, Dirick 
Braetz, Lambrecht van Bossenhoven, Rcyner van Berne en Johan 

VAN EWEN. 



N« 1610. 



Itëi {Juni 29) op Sint Peter ende {PatiwehdacK\ der heiligen Apostelen. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Reyner Zuyskens aan Heynrich 
PoPüLER en zijne erven eene jaarlijksche erfrente van 26 schel- 
lingen uit het huis op de Groote Gracht waarin hij woont, naast 
dat van Heynrick Scroeders en het huis van Katherine Mouwen 
heeft overgedrrgen, onder beding de gebruikelijke formaliteiten te 
zullen nakomen en die overdracht te zullen doen bekrachtigen 
door zijne echtgenoote en verklaard heeft, dat buitendien op dat 
huis nog gevestigd is eene rente van 5 marken en 10 schellingen, 
alles onder verband zijner goederen. 

Orig. op perkament — Schepenen: Gielis vamder Sargibn en Heyn- 
rick VAN ANSTENROEDE. 



N* 1611. 
U8é {November 9) negen daige in Novembrt, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gobbel van Itter, aan heer 
Jannes van Halleer, ten behoeve der presentien des coninx 

30 



- 470 - 

capelleQ) in St Scrvaaskerk aldaar eenen jaarlijkschen erfcijns van 
4 marken uit zijn huis indie houre straet naast dat van Jan van 
SciiAERNE en dat van wijlen Cleermont van Abelen overge- 
dragen heeft, onder beding het rustig bezit daarvan te zullen ver- 
zekeren en die overdracht te zullen doen goedkeuren door zijne 
echtgenoote Elizabeth, waarvoor hij zijne goederen verbonden heeft. 

Orig. op perkament. - Schepenen: Lambrecht van Lynde en Hen- 
rich VAN C'rELLiCH aeuden Vrythof. — Zegels: 1°. Van vair met een 
dwarsbalk beladen met een vijfblad tusschen twee lelies; het schild ge- 
houden door een naar rechts klinimenden leeuw; omschrift: S. Lam- 
BRKCHT VA LiNDE — 2*. In het schildhoofd twee vijfbladen naast el- 
kaar; omschrift: S. Henrich van Gelken. 



N» 1612. 



H85 (Mei 29) des negen ende twyntichsten daechs inden inaent van 
der Mey, 

Meier en schepenen van Cleynespauwen oorkonden, dat Gob- 
bel VAN Itter, rentmeester der broederschap van kapellanen der 
St. Servaaskerk te Maastricht, op zijn verzoek ten behoeve van 
Thonis Bougartz in het bezit is gesteld eener jaarlijksche erf- 
pacht van zesdehalf vat rogge, dat wijlen heer Joest Fastrart 
aan Thonis Bougartz gelaten had uit Wouter Boyartz' huis en 
hofstede te Berghe en uit twee perceelen akkerland, elk van 4 
roeden, waarvan het eene gelegen is aan de straat naar Roesmer 
naast land van Laurees van Lynde en het andere gelegen invoer 
Berghe (^) palende naar den kant van Spauwen aan land van den- 
zelfde en naar den kant van Berghe aan land der Duitsche Orde 
Balie Biesen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Goeri M evers meier en schepen, 
Laurees van Lyndf., Noelman Goer'iz, Christiaen Clerxs, Ileynrich 
IToETZ, Johan Swynnfn en Johan Prvnt. — Zegels: 2°. Een roos, het 
schild gehouden door een naar rechts klimmenden leeuw; — 3*». Door- 
sneden, boven een stappende leeuw; onder drie spitsruiten naast elkaar; 
omschrift: S. Heinrich Guertz. 



(1) Deze kapel werd omstreeks 1473 gebouwd door de milde giften van Lodc- 
wijk XI, koning van Frankrijk; vandaar dat ze de Koningskapel werd genoemd. 
Sinds 1481 hield de broederschap van kapellanen in die kapel hare vergaderingen 
en bijeenkomsten en het is niet twijfelachtig dat door de presentien voormeld 
bedoeld worden de presentiegelden dier broederschap. 

(2) Berg, een gehucht van Klein-Spauwen. 



— 471 - 

N» 1613. 

Travsfix. 1506 (September 2) des tiveeden daechs in Septembris ghe- 
heyteii der Evemnaent. 

Meier en schepenen van Cleynspauwen oorkonden, dat Thonis 
BouoARTZ aan Johannes Volmoelen den jonge, rentmeester der 
broederschap van kapel lanen der St. Servaaskerk te Maastricht, 
verkocht en overgedragen heeft het zesdehalf vat rogge jaarlijk- 
sche pacht, vermeld in den hoofdbrief waardoor deze getrokken 
is, onder beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Goert Broensche meier en sche- 
pen, Laurees van Lvnde, Johan Danyels, Johan Mertens, Vryeni 
VAN Amestorpe, Goerdt Lantmeter vander Evcken en Wylheni 
Hanen. — Zegels: 3^ Een naar links gewende ploeg; in het schildhoofd 
een ring; omschrift: Seghel . Jan . . . 



N« 1614. 



Ii88 (Maart 10) den thienden dach van Meert. 

Burgemeesters, schepenen, gezvt^orenen en raad der stad Maas- 
tricht oorkonden, dat zij aan Heyn Wageman Coex, zijne vrouw 
Lysbed en beider kinderen voor de som van 200 rijnsche guldens 
die gelacht ende bekeert syn in noetsaken die der vurgeschreven statt 
te dieser tyt voercomen syn\ eene jaarlijksche erfrente van 10 Rijnsche 
guldens verkocht en overgedragen hebben en beloofd hun het 
rustig bezit daarvan te zullen vrijwar.en. 

Afschrift in: Registrum litter, /raiern, B fol. 117 v. — Schepenen: 
Gielis vander Sargien, Heinrick van Gelmck ien alden moer^ Lam- 
brecht van Linde en Wilhem Spen. — Burgemeesters: Jan Print en 
Wilhem van Born. — Gezworenen: Jan Hameecker, Jan Nvss, Tho- 
mas vanden Ketel, Wouter Pister, Laurens Tants en Johan vanden 
Berch. 

No 1615. 
Transfixen. 1508 {September 30) des lesten dachs Septembris, 
Schep. v. M. oorkonden, dat Heynrick Wageman, zoon van 



_ 472 - 

Heinrix Wageman Coex, aan Johan van Grevenroedk zijne 
huisvrouw Margriet en hun beider kinderen eene jaarlijksche rente 
van 10 guldens uit de goederen der stad, vermeld in den brief 
waardoor deze is getrokken heeft overdragen, onder beding hun 
het rustig bezit daarvan te zullen vrijwaren, waarvoor hij zijne 
goederen verbonden heeft. 

Afschrift ibidem fol. 119. — Schepenen: Diericjc Broetz en Laurens 
Calabers. 

N° 1616. 

1522 (Maart 22) eyn ende twintich dage inden Meert, 

Schep. v. M. oorkonden, dat Johan Waelpot, ten behoeve van 
Herbrecht Hamont, als meester der broederschap van kappellanen 
der St. Servaaskerk afstand gedaan heeft der 10 guldens jaarlijksche 
rente, waarvan melding is in den naasivoorgaanden brief, waardoor 
deze getrokken is, onder beding die afstand te zullen doen goed- 
keuren door zijne echtgenoote Anna, waarvoor hij zijne goederen 
verbonden heeft. 

Afschrift ibidem fol. 119. — Schepenen: Peter Noetstock en Jan 
VAN Ryempst. 



No 1617. 



14:88 (December 11) elf daige in Decentbrt, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Johan Hoeze, bakker, aan Laurens 
Voirsters en Machiel Wreden, roededragers van St. Servaas- 
kerk, en hunne erven heeft overgedragen eenen jaarlijkschen erf- 
cijns van 2 marken uit een huis in de Wolfstrote naast dat van 
Margriete Scheymekersse en naast het huis van tloes Veesers, 
in mindering van eenen cijns van 6 marken die wijlen zijn 
vader aan . . . Cloes, brouwer, wonende in de St. Antonius- 
straat verkocht en op dat huis gevestigd had, en Laurens en 
Machiel die hebben afgestaan aan deken en kapittel van St. Ser- 



— 473 — 

vaas, die zich verplichtten de jaargetijden van beide echtgenooten, 
Maria en Heilwig daarvoor te zullen houden. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Gielys vander Sargien en Hen- 
riek VAN ANSTENRODK. 



No 1618. 



1489 (October 28) des XXVIII daechs der ntoent van Octobri, 

Burgemeester, gezworen raden en ingezetenen van Loon, Hasselt, 
Bilsen, Herck, Beringen, Peer, alsmede schout en schepenen der 
landen van Vogelsang, Hamme en Peelt oorkonden, namens het 
geheele land van Loon aan Henrich van den Dael, kapellaan 
van St. Servaaskerk te Maastricht, ten behoeve van het O. L. Vrouwe- 
lof aldaar, verkocht en overgedragen te hebben eene jaarlijksche 
rente van 6 Rijnsche guldens, die zij gebruikt hebben inden ge- 
meynen orbaer ende profyt des vurscreven gemeynen lants van saken 
den orloghe aengaende inder tyt leyder bennen den lande van Ludiek 
ende van Loen regierende^ te leveren te Maastricht in twee half- 
jaarlijksche termijnen, te weten 1 Mei en 1 November, en waar- 
voor zij al hunne goederen verbonden hebben op voorwaarden, 
dat, zoo die rente niet geregeld wordt betaald, vijftien dagen na 
aanmaning de momboor van voormeld lof alle dagen op und ver- 
leisten zal 5 stuivers tot dat de rente alsmede de leistinghe zal zi)n 
betaald, doch niet langer dan een maand; dat voornoemde momboor 
eveneens beslag zal kunnen leggen op hunne goederen, roerende 
en onroerende; dat zij, in geval van oolog binnen hun land id ivere 
mit ronff^ brant^ gevenckenisse^ arrestatien of ouch misvalle^ mis- 
wasse van vnickien of van ordinantien die by den dry staetien van 
den lande opgesat syn off opgesat muchten werden die hierifine hinder- 
licke muchten syn^ zij altijd voormelde rente verplicht zullen zijn te 
betalen; dat zij niet mogen trachten van den Paus, den keizer of 
den bisschop van Luik te bekomen eenig privilegie dat in strijd 
zou zijn met het boven vermeldeen waarvan voornoemde momboor 
hinder of last zod kunnen hebben in zijne rechtmatige eischen 
op de onderhavige renten; dat zij vaarwel zeggen op het recht 
dat men heydt gemeen verthienisse met verzoek aan alle rechters, 



— 474 — 

ambtlieden en gerechtsboden, zoo geestelijke als wereldlijke, om 
ten allen* tijde zonder verschooning' hen tot het onderhouden en 
nakomen van dat alles te dwingen; dat zij na vier jaar die rente 
zullen kunnen aflossen met 100 Rijnsche guldens, ieder gulden 
tegen 20 stuivers loopende Hasseltsche munt en dat zij, ingeval 
deze brief op de eene of andere wijze beschadigd wordt of ver- 
loren gaat, byden water^ vuyr off anderssins verloren off verdorven 
wurde^ zij den momboor voormeld een nieuwen brief zullen 
verstrekken uit de registers waarin hij is geregistreerd. 

Afschrift in : Legerboeck van alsullicke renten, censen ... van O. L. 
Vrouwelof fol. 49. 

No 1619. 

Transfix. 1489 (November 20) XX daghe in Novembru 

Schep. V. M. oorkonden, dat Andries van Kelchteren, priester, 
Alart Alarts, Thilman Thilman Scilders en Dionys Spreuwen, 
als gevolmachtigden van burgemeesters en gedeputeerden van 
Hasselt, Bilsen, Herck, Beringen, Peer, en het land van Hamme, 
beloofd hebben de voorwaarden, gesteld in den hoofdbrief waar- 
door deze is getrokken, stiptelijk te zullen nakomen. 

Afschrift ibidem fol. 51. — Schepenen: Henrick van Anstenroede 
en Wilhem Spinde (?). 



N° 1620. 



Ii90 {Augustus 6) seesse daghe in Atigusto, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Nale Meylorts als vruchtgebruik- 
ster, en haar zoon Wilhelm Meylorts als erfgenaam ten behoeve 
van Arnt Nou wen den jonge. Geert ruyde zijne echtgenoote en 
hun kinderen afstand gedaan hebben eenerjaarlijkscheerfrente van 
4 marken uit het huis die sterre in de Groote Staat tusschen het 
huis den alden moer en het hoekhuis der sterrenruken {}\ onder 
beding hen tegen alle aanspraak te zullen vrijwaren en met ver- 



(1) De latere Vijfharingenstraat. 



— 475 - 

klaring dat op gemeld huis nog gevestigd is eene rente van IV2 
mark, alles onder hypotheekstelling zijner goederen. 

Afschrift ibidem fol. 44 v. - Schepenen: Gielis vander Sargiü^n en 
Henrick VAN Anstenrade. 

No 1621. 

Transfixen. 1493 (December 25) vyffendetwintich dage in Decembrü 

Schep. V. M. oorkonden, dat Arnt Nouwen de jonge de jaar- 
lijksche rente, waarvan melding is in den naastvoorgaanden brief 
waardoor deze getrokken is, aan Andrees Daems, apotheker, heeft 
overgedragen op voorwaarde, dat zoo die rente binnen het jaar 
en een dag ingelost wordt, Andries die marken ontvangen zal 
en voor elke mark beuren 10 Rijnsche guldens, onder beding de 
gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Afschrift ibidem fol. 45. — Schepenen: Lambrecht Lamboy en Hel- 
linck Havet. 

N* 1622. 

U9i {December 24) vierendeHvintich daghe in Decembri. 

Schep. v. M. oorkonden, dat Andrees Daems, apotecarys^ ver- 
klaard heeft, dat Arnt Nouwen de oude de 4 marken rente ver- 
meld in de beide naastvoorgaande brieven heeft ingelost en hij 
ze aan Arnt, zijne echtgenoote Kathryne en hunne kinderen heeft 
overgedragen en verklaard daarop geen aanspraak meer te behouden. 

Alschrift ibidem fol. 45 v. — Schepenen: Henrick van Amstenrüede 
en Goert vander Müelen. 

No 1623. 

* 

1506 (April 25) op Sinte Marctisdack. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Arnt Nouwen aan Andries van- 
den BiESSEN, kapellaan en gasthuismeester van St. Servaaskerk 
ten behoeve van het O. L. Vrouwelof de rente van 4 marken 



— 476 — 

vermeld in den hoofdbrief waardoor deze is getrokken, heeft 
overgedragen. 

Afschrift ibidem iol. 45 v. — Schepenen: Goirt Prenten en Laurens 
Mevs. 



N* 1624. 



1491 (Januari 26) des sessentwintichste daeghs in Januario. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Jan Tybus aan de panisten of 
clockbroeders van St. Servaas eene jaarlijksche erfrente van 26 
schellingen uit zijn huis op de veemarkt tusschen de huizen van 
wijlen Lambricht Noüts en Wirick Boumers overgedragen heeft 
en verklaard, dat buitendien op dat huis nog gevestigd is eene 
rente van 10 marken, onder beding die overdracht te zullen doen 
goedkeuren door zijne echtgenoote Lysbette. 

Msf^xiim'. Liber litter, bonorum, . , panisiarum ïo\, 41. — Schepenen: 
Lambrecht van Lyndb en Laurens Claebers. 



N^ 1625. 



1491 (April 14) inden maent Aprille des viertfteende daitks. 

Reft^rproost en laten van den reefterhoiff van St. Servaaskerk 
te Maastricht, oorkonden, dat Thys Bormai^, als man en mom- 
boor van Aechten Saxs, aan Derick van Schaern en diens echt- 
genoote, Gertrude Vleminx, verkocht en opgedragen heeft 15 
groote roeden akkerland inden pottenberch bij lanA van de Predik- 
heeren van Maastricht, die hem aangevallen zijn bij den dood 
van Lambrecht Saxs, zijnen schoonvader, en verklaard heeft dat 
op voormeld land gevestigd is eene rente van 6 penningen ten 
bate van den refterproost voornoemd. 

Orig. op perkament. — Laten : Matheus Nootstock reefierproist van 
St. Servaas, Wilhem vanden Bossch, Thomas van Herderen, Jacop 
VoiCHTs en Lambrecht Boichmeker. — Zegels: 1°. Drie hoeden 2—1, 
de koorden gestrengeld en «^^«^ ^V;//(?«/r; omschri ft: S, Matheus Noet- 
STOCK; — 3". Een naar rechts gezeten vos (?); omschrift: SigH-lum Thomois 
VAN Herderen; — 5°. Een voetboog ler weerszijden vergezeld van een 
St. Andrieskruisje, het schild gehouden door een aanziende engel. 



— 477 — 

No 1626. 

Iransfix, 1491 (Juni 11) inden maent van Junio des elfften daichs. 

Laten voornoemd oorkonden, dat Gerart Noetstock as wettige 
neeste ende maicke Thys BORMANS den koop en verkoop in den 
hoofdbrief waardoor deze getrokken is heeft beschud ende omme den 
genoich te doen so heeft Gerart Noetstock vorser even opgedaen dat 
wissel aen Lenssen Meys, die welke voer ons gestoefit hy sulke pen- 
ningen bereit were te leggen van desen bescheidde so verre Dierick 
vorgenoempt off ymant van synen wegen die ontfangen walde, da van 
Gerart voerscreven becande orkonde ende betailde ende begeerden des 
vorscreven is Dierick van Sc ham gekondt te werden omme syne recht, 

Orig. op perkament. — Laten: Matheus Noktstocic reefierfirotsty 
Wilhem vanden Büssch en Thomas van Herderen. — Zegels: li®. Van 
vair met een dwarsbalk, waarop drie leliën naast elkaar; tournooihelm : 
helmteeken: twee afgewende olifantstrompen; omschrift: S. Villyn 
VA DE . Bosch. 



No 1627. 

1491 (Juli 12) des twelffden dachs in Julio. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Heynrick van Boelre aan Art 
Clutte, priester en kapellaan van St. Servaas, en aan zijne erven 
eenen jaarlijkschen cijns van 10 schellingen uit het huis van Lam- 
brecht Boechmeker in de ramestrate^ tusschen de huizen van Willem 
VoETE en van meester Jan van der Nuewerstat gelegen over- 
gedragen heeft, onder belofte de gebruikelijke formaliteiten te 
zullen nakomen en met verklaring dat buitendien op dat huis 
gevestigd is eene rente van 3^2 marken 'sjaars. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Heynryck van Glllick tenahun 
moer en Lambrecht van Linde. 



No 1628. 

14^2 (Augustus 11) des elfden daichs der moent Augusti dyemen 
noempt Oustmoent. 

Schout en schepenen van Sluysen, oorkonden, dat hun mede- 



— 478 — 

schepen Jan VosscH aan Henrick vanden Dale, kapellaan van 
St. Servaaskerk te Maastricht, verkocht en overgedragen heeft eene 
jaarlijksche erfpacht van 1 mud rogge, uit 2^/2 bunders en 2 roeden 
bouwland in vijf perceelen gelegen te v^reten : 17 roeden langs den 
weg van Sluysen naar Eist palende aan land van Jan Heutz van 
Nerem O) naar den kant van Millen, aan land van het kapittel van 
St. Pieter te Luik naar den kant van Sluysen en aan land 'van 
het gasthuis van St. Servaas; 11 groote roeden aan den rfr^'^^w-^^^/'^A 
gelegen tusschen land van Jan Symon, land der erfgenamen van 
Jan Frentz en land van jonker Jan van Beul^ 9 roeden bij het 
voorgaande perceel gelegen, omsloten door land van Art Olyvens 
van Tongeren, land van Jan Symon van Nidrem (2) en land van het 
kapittel van St. Pieter te Luik; 7 roeden niet ver van de voor- 
gaande gelegen, palende aan land van voormeld kapittel, aan land 
van het kapittel van den H. Bartholomeus te Luik en aan land 
van Jan VosscH voornoemd; 8 roeden aan den weg van Eist 
naar Tongeren naast land van Arnt van Biecht van Maastricht 
en land van St. Servaasgasthuis aldaar; dat hij verklaard heeft 
dat voormelde perceelen bezwaard zijn met hunnen simpelen ende 
gewoenlicke chese te betalen des Zondags na het feest van den 
H. Andreas, en dat Henric ten allen tijde die pacht zal kunnen 
verkoopen of daarover beschikken bij testament. 

Afschrift in: Le^erboeck van aisullicke renten^ censen entU landen, . . 
van O. L. Vrouwelof fol. 29 v. — Schepenen : jonker Jan van Spro- 
LANT schout en schepen, Jan Vossch, Lees Hermans, Wilhem van El- 
deren, Coen Koenens en Jannes Fostertz. 

N« 1629. 

Transfix. 1501 (April 21) den ee7ientwintichsten daich der moent 
Aprilis, 

Schout en schepenen van Sluysen, heerlijkheid van St. Servaas- 
kapittel te Maastricht, oorkonden, dat Jan vanden Daell, kapel- 
laan van dat kapittel aan Andreas vanden Biessen, meester van 
het gastliuis van gemeld kapittel, ten behoeve van het O. L. Vrouwe- 
lof de jaarlijksche erfpacht van 1 mud rogge vermeld in den brief 



(1) en (-) Nederhem, eene der negen zoogenaamde dorpen van redemptie. 



. — 479 - 

waardoor deze is getrokken, en door wijlen zijn vader Henrick 
VANDEN Dafx gekocht tegen hun medeschepen Jan VoscH, overge- 
dragen heefi, onder beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen 
nakomen en behoudens ieders recht daarop. 

Afschrift ibidem fol. 30 v. — Schepenen: Johan van Sprolant schout 
en schepen, Wilhelm van Elderen, Coen Küenens, Jan Forsterz, Peter 
Cloes, Peter Swennen en Wilhem van Elst. 



No 1630. 

1492 (September 11) inden maent geheyten September des elffdendachs , 

Schout en schepenen der heerlijkheid Vleytingen oorkonden, 
dat Herman Liebrechts de jonge van Vleytingen van Herman 
Hoen als rentmeester der kapellanen van St. Servaaskerk te M. voor 
eene pacht van vier vaten rogge 's jaars, te betalen met het feest 
van den H. Andres en te leveren te Maastricht op den graanzol- 
der naar aanwijzing van den rentmeester voornoemd, in erfpacht 
genomen heeft eenen beemd gelegen voer Ovtrhem op die Water- 
zouwe palende naar den kant van Herderen aan land van Liebrecht 
VANDEN BiESSEN en Ffestken Mombers en naar den kant van 
Rosmeer aan eenen gi-aefhoeff behoorende aan Dries Peter Dries' 
zoon, en twee groote roeden akkerland gelegen over den dieweech 
by dat peetken naast land van Loy Bollen, der erven Dries van 
Mechelen en land van Lambrecht Vos, kapellaan van St. Ser- 
vaas; en tot bij pand gesteld heeft vier groote roeden akkerland 
bij Lauffelt (Laeffelt) gelegen en palende aan land van Tauben 
Peters van Vleytingen en aan den weg gaande van Laeffelt ter 
plaatse geheeten dat Kryt. 

Afschrift in: Regisirnm liiter, fratern. li lol. 140. — Schepenen: 
Wilhem Passart schout en schepen, Aert Brandeberch, Loye Vrients, 
Loye Bollen, Ghyse Schats van Herderen, Thys Jans van Lauffeh 
en Wilhem van Hommelen. 



No 1631. 
14:92 (November 29) op Sint Andries avont. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat La urens 



— 480 — 

Clercx, pastoor van St. Jan te Maastricht, en Lambrecht Vos 
priester, als uitvoerdes des testaments van Genen van Gemert, 
insgelijks priester, voor diens jaardienst ten behoeve der preseqtien 
van St. Servaaskapittel aldaar afgestaan hebben eene jaarlijksche 
rente van 1 mark uit het huis van Jan van Costert, pastoor te 
Heugem, gelegen opten buljoen naast het huis van Elderen en 
het huis van Jannes Pistorts, onder beding het rustig bezit dier 
rente te zulFen verzekeren. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Peter van Langevelt rentmeester, 
Gielys vander Sargien, Henrik van Anstenrode, Henrick van Gel- 
LICK, Conraert indie Hage, Arnt Brandenborch, Gielis van Reymer- 
STOCK en Jacob Passert. — Zegels: l^ Eene lelie, het schild gehouden 
door eene vrouw; omschrift: S. Peter va Lan... 



No 1632. 



lidi (Maart 24) in Marcio des vierende iwintichsten daechs. 

Meier en laten van het gezworen cijnshof van Repen, behoo- 
rende aan Jonker Lambrecht van Nederrepen en gelegen te 
Mali, oorkonden, dat Ghilis Petas van Millen als momboor zijner 
vrouw Jehenne Michiels aan Johan Hasen, poorter van Maas- 
tricht, verkocht en overgedragen heeft een bunder akkerland in 
het veld van Sluysen in twee perceelen gelegen : 14 groote roeden 
int milre velt benoorden den gruytien gracht, palende aan land der 
erven Guert Mumbas, land der erven Jan Collars en aan land 
van Doem der Smeet van Sluysen; 6 groote roeden bij Eelst 
gelegen naast land der erven Collaer van Sluysen, naast land 
der erven Heynrich Lievesoens van Millen en land van Jonker 
Lambrecht vanden Bossche van Millen en verklaard heeft dat 
buitendien op dat akkerland nog gevestigd is een cijns van 2 
penningen en 3 copen. 

Orig. op perkament. — Laten: Wilhem Chairlir, meier en laat, An- 
dries van Repen, Lambrecht vanden Bossche, Wilhem Mees, Coen 
Cuynens van Mali, Arnt van Henis en Peter van Rixingen. — Zegels: 
b". Twee elkander kruisende hooivorken vergezeld aan weerszijden van 
een koek en in den schildvoet van een vijfblad; — 7°. drie kepers in de 
beide bovenhoeken een roos ; omschrift : S. . . van Rexhengen. 



— 481 — 
N* 1633. 

Transfix. 1498 (Maart 24) inden moent van Meert des vierendctwin" 
Heksten daecks. 

Meier en laten voornoemd oorkonden, dat Johan Hasen, poorter 
van Maastricht, aan Vrients, kapellaan van St. Servaas aldaar 
ten behoeve van de broederschap van kapellanen dier kerk het 
akkerland vermeld in desen aldeji principalen brieft doer den willigen 
dese onse tegenwoerdige letteren getransfigeert ende gestoken sien^ 
narreert etide beschreven verkocht en overgedragen heeft, onder 
beding de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Orxg. op perkament. — Laten: Wilheni Chaerlir meier en laat, An- 
dries van Repen, Lambrecht vanden Bossche, Wilhem Mees, Coenraert 
VAN Malle, Arnt van Henis en Peter Swynnbn van Rixsingen. 



N« 1634. 
1493 (Juni 15) des XVden daichs in Junio, 

Schout en schepenen van Sluysen, bank van St. Servaaskapittel 
te Maastricht, oorkonden, dat Jan Voss aan Jan vanden Daell, 
kapellaan van voormeld kapittel, verkocht en overgedragen heeft 
eene jaarlijksche erfpacht van een mud rogge uit 1^2 bunder en 
zevendehalve roede akkerland in vijf perceelen gelegen te weten: 
15 roeden onder Lambarts Haghe in den Kelre, palende naar dèn 
kant van Millen aan land der Balie Biesen en naar den kant der 
steynstroet aan land der kerk van Sluysen; 5 roeden in het veld 
van Millen opden Honghers berch naast land van Lambrecht Tynnen 
en land der erven Lambrecht Peters; IO1/2 roeden in twee per- 
ceelen, gescheiden door een ander, waarvan het eene van 7 roeden 
gelegen is inden puttendael by die Coelre Kuylen aen den weerart, 
omsloten door land der erven Gort Moubers, land van het gast- 
huis van St. Servaas te Maastricht en land van Jan Voss, schepen 
van Sluysen, en het tweede van vierdehalve roede gelegen is naast 
land van voormeld gasthuis en land van Jan Bauwëns van Eist; 



— 482 — 

6 roeden achter troot op die Souw (i) gelegen tusschen land van 
Cloes GoETEN en land van Art Oliviers van Tongeren^ dat hij 
verklaard heeft dat voornoemd land slechts bezwaard is met den 
gewonen landcijns, aan de kapittelheeren van St. Servaas te be- 
talen ten behoerlicken daghen des Sondaichs nae synte Andrees 

daich, en dat nog eenige bepalingen zijn vastgesteld betreffende het 
al of niet geregeld betalen dier pacht. 

Afschrift in: Legerboeck van alsullicke renteti^ ceusen cnde landen,», 
van O. L. Vrouwelof fol. 31 v. — Schepenen als van n**. 1628. 

No 1635. 

Transfix, 1501 (April 21) den XXI^^f daich der moent Aprilis. 

Schout en schepenen van Sluysen oorkonden, dat Jan vanden 
Daell, kapellaan van St. Servaaskerk te Maastricht, aan Andrees 
vanden Biessen, gasthuysmeyster dier kerk ten behoeve van het 
O. L. Vrouwelof, in die kerk gesticht, de jaarlijksche erfpacht 
waarvan melding is in den brief waardoor deze brieff van trans- 
fixe , . . transfixeert ende gesteken is heeft overgedragen, onder beding 
de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen. 

Al«chrift ibidem fol. 33. — Schepenen: Jan van Sprolant schout en 
schepen, Wilhem van Elderen, Coen Kuenens, Jan Forster, Peter 
Claes, Peter Swennen en Wilhem van Elst. 



N« 1636. 



14:93 (November 20) des twyntichsten dachs in Novembri. 

Schout en schepenen van Sluysen, bank van St. Servaaskapittel 
te Maastricht, oorkonden, dat Henrick Gromans aan Jan Haezen 
van Steyne, burger dier stad, verkocht en opgedragen heeft 29^/2 
roeden bouwland onder Sluysen in zeven perceelen gelegen, te 
weten : 3 roeden tusschen Millen en Sluysen op dye Cuylen palende 
aan land des kapittels van den H. Jakob te Luik, aan land van 



(1) De Zoe, eene greb loopende van Wilre (Oud-Vroeuhoven) naar Biesland bij 
Maastricht. De hellingen langs die Zoe waren met wijnbergen beplant. 



— 483 — 

Heyn Heutz, en land van den schout van Sluysen, Jan van 
Sprolant; 5 groote roeden bij de voorgaande gelegen en aan 
drie zijden ingesloten door land van Jan van Sprolant voor- 
noemd en aan de vierde door land van het kapittel van den 
H. Jacob te Luik; 2 groote roeden bij het voorgaande perceel gelegen 
op dye cuylen naast land der erven Michiels en land der regulieren 
herren ter noot Gods van Tongeren; 6 roeden palende naar den 
kant van Millen aan land der kapellanen van St. Scrvaas te Maas- 
tricht en land der Weer Airt; 6 roeden gelegen aan turenlueren 
ivyniken langs den weg van Sluysen naar Maastricht en naast land 
van Jan Voss; 4 roeden int vossvelt palende naar den kant van 
Millen aan land van voornoemde kapellanen en 2'/2 roeden naast 
land van Heyn Heutz en land van Heynrich Vossche; en ver- 
klaard heeft dat voormeld land met niets anders bezwaard is dan 
met den gebruikelijken landcijns, te weten per bunder 4 pennin- 
gen te betalen cles Zondags na St. Andriesdach (30 November). 

Orig. op perkament. — Schepenen: Jan van Sprolant schout en 
schepen, Jan Vos, Lees Hermans, Willem van Elderen, Coen Kobnens, 
Jannes FoRSTERS en Peter Cloes. — Zegels: 1«. Drie rozen, 2 — 1; tournooi- 
helm; helmteeken: een naar rechts gewende ossenkop; — 2*^. Een naar 
rechts loopende vos op een terras, ter linkerzijde een boom; omschrift: 
S. Jan Voes van Gellent(?); — 6'. Drie rechter streepbalken in het 
linker vrijkwartier een ..; het schild gehouden door een omgewende 
adelaar; omschrift: S. Johes Gislatn. 

N^ 1637. 

Tranfix. 1498 (Maart 28) den achtentwyntichsten daichs der moent 
Marcio, 

Schout en schepenen van Sluysen oorkonden, dat Jan Haezen, 
poorter van Maastricht, aan Henrick vanden Daill, kapellaan 
van St. Servaas aldaar, ten behoeve der broederschap dier kapel- 
lanen, verkocht en opgedragen heeft het akkerland, vermeld in 
den hoofdbrief, waardoor deze getrokken is, elke roede voor 2 
Hollandsche guldens. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Jan van Sprolant schout en 
schepen, Willem van Elderen, Coen Küenens, Jannes Forsters, 
Peter Cloess, Peter Swvnnen en Willem van Elst. — Zegels: 5». Het 
Lam Gods; omschrift: Seghel Peter Cloes van ..; - V». Een naar 
links gewende ploeg; omschrift: Seel Willem van Eelst. 



— 484 — 

N° 1638. 

1494 (Mei 28) den XXVIHen dach in Meye, 

Schout en schepenen van Goninxhem, heerlijkheid van St. ber- 
vaaskapittel te Maastricht, oorkonden, dat hun medeschepen Werart 
Werarts van Goninxhem, aan Henrick vanden Dale, priester 
en kapellaan van St. Servaas te M. eene jaarlijksche erfpacht van 
5 mudden spelt uit het huis van wijlen Henrick Hoefackers 
naast het erf van Beert Groenen, en het erf van Jan Meisterjans, 
verkocht en overgedragen heeft, met de verklaring dat buitendien 
op dat huis nog gevestigd is eene pacht van 9 vaten spelt. 

Orig. op perkament. — Scheiienen: Wilhcm van Elderkn schout en 
schepen, Johan van Sprolant, Lambrecht Boes, meester Hugo Obrecht, 
Herman LovwycK, Aert van Heerderen en Werart Werarts. — 
Zegels: 1^ gedeeld: 1. vijf aaneengesloten spitsruiteu waaroverheen een 
rechter schuinstreep ; 2. gevierendeeld: 1 en 4 van sabel, 2 en 3 ledig; 
omschrift: S. Wellem . van . Elderen; — 3*. Gevierendeeld : 1 Eene roos; 
2 en 3 twee palen, 4 een schepensmerk ; het schild gehouden door een 
naar rechts gewende adelaar; omschrift: Seghel Lambrecht . .; — 4«. In 
het schildhoofd twee naast elkander geplaatste rozen; in het hartschild 
vijf aaneengesloten spitsruiten; omschrift: S. Seghel: .. :Obrechs; — 
7«. Een St. Andrieskruis aan weerszijden vergezeld der letters A, H.; 
omschrift: S. Arkoldt . de . Herderen. 



N^ 1639. 



1494 (Augustus 4) des vierden dachs inden Oustmaent, 

Schout en schepenen van Grootenspauwen oorkonden, dat 
Noelman Goerts van Spauwen met Heinrick Zybrechts van 
Lommen, priester en kapellaan der broederschap van kapelianen 
der St. Servaaskerk, geruild heeft 32 roeden akkerland tiendvrij, 
in drie perceelen onder de bank van Cleynspauwen gelegen, 
tegen 16 vaten rogge jaarlijksche pacht gevestigd uit het huis 
met hofstede van Thys Quistcorns te Spauwen, in pacht bij 
Johan Print, aan den straatweg naast de huizen der erven 
Lambrecht Styls en der erven Lambrecht Quistcorns, en ze 



— 485 — 

hem opgedragen heeft met inachtneming der gebruikelijke for- 
maliteiten. 

Afschrift in: Re^isfrum litter, frater n, B fol. 179. — Schepenen: 
Ulryck van Wkf-RSV schout, Laurees van Linde, Johan Prtnt, Cor- 
nelis Clerx, Johan Wynants, Bartholomeus Mevers en Reraeys van 
DER Beeck. 



N« 1640. 



lidi (September 20) tiviutick daige in Septembri. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Aleyt van Sittaert voor haar 
jaargetijde en dat van Alart van Rothem, van hare ouders en 
vrienden aan de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk 
eene jaarlijksche erfrente van 3 marken uit het huis in de Spil- 
mekerstrote (Spilstraat), behoorende aan Rutte ScHOMEKER en 
gelegen naast het huis van Cloes Zwalen en dat van Bele Clut, 
heeft overgedragen, onder beding de gebruikelijke formaliteiten 
te zullen nakomen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Henrick van Gellick aenden 
Vrythof en Hellinck Havet. 



N» 1641. 



1494: (September 21) opden eenendetwintichsten dach der maent Sep- 
tembris. 

Schout en schepenen van Goninxhem, bank van St. Servaas- 
kapittel te Maastricht, oorkonden, dat Werart Wêrarts, hun 
medeschepen, aan Henrick vanden Dale, priester en kapellaan 
van voormeld kapittel verkocht en overgedragen heeft 17 roeden 
land in 2 perceelen, waarvan het eene houdende 13 roeden ge- 
legen is int bestroet velt langs die breyde catsie naar den kant van 
den vechtmolenweg^ naast land der armentafel .van den H. Geest 
van Tongeren en naast land van Ghielis van Luyde en het tweede 
perceel van 4 groote roeden benoorden het voorgaande perceel, 
palende aan 4 roeden lands behoorende aan het altaar ter eere 

31 



— 486 — 

van O. L. Vrouw te Coninxhem en land van het kapittel van 
den H. Dionysius te Luik, en verklaard heeft dat gemeld land 
met niets anders bezwaard is dan met deze gebruikelijken land- 
cijns (1). 

Orig. op perkament. — Schepenen als van n". J.638. 



N« 1642. 



1494 (September 23) des dryendetwyntichsten dachs Septembris, 

Schout en schepenen van St. Pieter oorkonden, dat Ghysbrecht 
Hanssemeker, ter uitvoering van de laatsie wilsbeschikking zijner 
echtgenoote Genofeve en tot stichting van haren jaardienst in 
St. Servaaskerk te jMaastriclit, aan Jannes Pvstoris, rentmeester 
van St. Servaaskapittel, eenen Jaarlijkschen cijns van 1 mark uit 
het huis van Jan Nys te St. Pieter aan de Jeker gelegen naast 
het huis van Pouwel van Valkenborch en dat van wijlen Johan 
Zerees heeft overgedragen, onder beding de gebruikelijke forma- 
liteiten te zullen nakomen en met behoud van ieders recht daarop. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Lambrecht Lamboye schout, Goert 
Hoen, Mychiell Pannesleger, Dieryck Brüetz, Thomaes van Her- 
deren, Reyner PRüENEfi, Peter Serees en Heynrick van Gellick. 

N<» 1643. 

Transfix. 1499 (Jamiari 30) des darttichsten daechs Jaimarii, 

• 
Schout en schepenen van St. Pieter oorkonden, dat Ghisebrecht 
Hanssemeker (2) aan Johannes Volmoelen, rentmeester van 
St. Servaaskapittel, den mark jaarlijksche rente vermeld in den 
brief, waardoor deze is getrokken, overgedragen heeft, met in- 
achtneming der gebruikelijke rechtsformaliteiten en met behoud 
van ieders recht daarop. 



(1) Luidens de noot in dorso werd dat land naderhand door Hendrik vanden Dael 
geschonken aan het opus beyardi, eene stichting ten behoeve van behoeftige pries- 
ters van St. Servaaskerk en der stad Maastricht. 

(2) Volgens de noot in dorso was hij roededrager, virgifery van St. Servaaskapittel. 



— 487 — 

/ 

Orig. op perkament. — Schepenen: Lambrecht Lamboy schout, Heyn- 
rick VAN Geluck, GoerdtHoEN,Michiel Pannesleger, Dierick Braets, 
Thomas van Herükrf.n, Reyner Proenen en Peter ZüREES. 



N° 1644. 

1494 (December 6) sees daige in Decembri, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Gloes Sammen, priester, aan de 
broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk te Maastricht 
eene jaarlijksche erfrente van 8 marken uit het huis van Jonker 
Reynere van Scaluyn in At^Hojttstroete naast het huis vander 
Wellen overgedragen heeft, met de belofte de gebruikelijke for- 
maliteiten te zullen nakomen, waarvoor hij zijne goederen ver- 
bonden heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Arnt Brandenkberch en Laurens 
Calaber. 



N^ 1645. 



1495 (Juli 1) des iersten dachs Julii die men noempt hoymaent als 
opt vaechtgedifige dach. 

Schout en schepenen van Sluysen oorkonden, dat Gielis Boeten 
van Millen, als man en momboor van Jennen Michiels aan Hein- 
riek vanden Dael van Maastricht verkocht en opgedragen heett 
11 roeden akkerland gelegen int Bosvelt opten Steynberch^ palende 
aan land van Aert Daenen van Nedrem CNederhem), aan land 
van Jan Collarts, aan tlinder peetken en der steynberck en ver- 
klaard heeft dat voormeld akkerland met niets anders belast is, 
dan met den gewonen landcijns te weten per bunder 4 penningen 
fortis, te betalen in voormelde schepenbank des Zondags na 
St. Andries. 

Afschrift in: Re/^isirum Htter, fratern. B fol. 174. — Schepenen: 
jonker Jan van Sprolant schout en schepen, Wilhem van Eldkren, 
Coen Cüenens, Jannes Fürsters, Peter Claes en Peter van Rixtngen. 



— 488 — 
N« 1646. 

14f)G (Maart 8) inden Meert, aeht dage. 

Schout en schepenen van Vleytingen. heerlijkheid van St. Ser- 
vaaskapittel te M., oorkonden, dat Glaes Sammelarts aan heer Hein- 
riek VANDEN Dael, priester en kapellaan van voormeld kapittel, ver- 
kocht en opgedragen heeft 6 bunders en 5 groote roeden akker- 
land te Vleytingen in 5 perceelen gelegen, te weten: 1/2 bunder 
tusschen Elcht en Vleytingen naast land der erven Lencken 
Meylots en land van St. Servaaskapittel; 8 groote roeden bij 
Lauffelt achter Proestmans' hofstede thans in pacht bij Lysbet 
Weerts, palende aan de hofstede van Jan Neven en aan land der 
erven Aert van Noerbeeck en aan land van Vestken Mombars 
van Maastricht; 14 groote roeden tusschen Lauffelt en Kestelt 
op die Hellen naast het erf der erven Goert der Hout van Kes- 
telt en land van Jannes Schaers; 8 groote roeden bij Vleytingen 
voer Woiiterinqen steege^ palende aan land afkomende van de erven 
Barbe van Loen en behoorende aan Willem Clerx, en aan land 
Liebrecht vanden Biessen, en 5 groote roeden op den Elderen 
berch naast land van Dries Driesens, beenhakker van Maastricht, 
welke perceelen met niets bezwaard zijn dan met den gebruike- 
lijken landcijns en heer Jan vander Laeck, priester, alsmede 
Floris vanden Daele. als erfgenaam bekend hebben geen recht 
noch toeseggen op voormeld land te behouden en sich beloefft 
gueder deylingen. 

Afschrift m\ Re^istrum litter,fratern, B fol. 141 v. — Schepenen: Wil- 
Passart, schout en schepen, Aert Brandeberch, Loy Vrients, Ghys 
ScHATs van Heerderen, Thys Jaes van Lauffelt, Wilhem van Hom- 
melen en Herman Liebrechs de jonge. 

N^ 1647. 

Transfix. 1499 (Ja^iuari 26) inden loemaent opden sessentwintich- 
sten dach. 

Schout en schepenen van Vleytingen oorkonden, dat Claes 
Sammelarts aan Vrient, priester en kapellaan van St. Servaas- 
kerk, van de 6 bunders en 5 groote roeden akkerland, vermeld 
in den naastvoorgaanden brief, 31 groote roeden in de vier eerste 



^ 489 — 

perceelen vermeld, verkocht en overgedragen en bet vijfde perceel 
van 14 groote roeden tusschen Laeffelt en Kestelt gelegen op die 
Hellen voor zich behouden heeft en beloofd hem het rustig bezit 
daarvan te zullen vrijwaren, waarvoor hij zijne goederen verbonden 
heeft. 

Afschrift ibidem fol. 143. — Schepenen als van n*. 1646. 



N*> 1648. 

Ii96 (Maart 12) des izvelffden dachs inden Meert, 

Meier en gezworen laten van het laathof der scholasterij van 
St. Servaaskapittel gelegen in het dorp van Roesmer oorkonden, 
dat Dierck van Gellick, knaep zan tvapenen^ met zijne medege- 
ringen Johan van Heeze en Goert Lantmeter van Eyck, aan 
Wil hem vanden Moer, priester en meester der broederschap 
van kapellanen der St. Servaaskerk, ten behoeve dezer broeder- 
schap, verkocht en opgedragen heeft 3 bunders, 6 groote en I21/2 
kleine roeden akkerland in 4 perceelen te weten: 2 bunders en 
121/2 kleine roeden te Rosmeer achter dat Souken palende aan 
land van O. L. Vrouwkapittel van Maastricht, en aan land van 
St. Servaas kapittel aldaar; 5 roeden op die Kycé^^ener straet naast 
land der kinderen Coeninx van Roesmer en land der abdis van 
Hocht; 14 roeden op die selden beeck bij land van voornoemde 
abdis, land van Jaspar van Tongeren en land der kinderen van 
Hevmereycken, en 7 roeden aan den hoeffweech naast land der 
vrouwe van Hocht, van welk land jaarlijks des Zondags na Sint 
Martinusdag de gewone landcijns wordt betaald, en dat Johan 
van Heeze en Goert Lantmeter van Eyck, zijne medegeringen dien 
verkoop en opdracht goedgekeurd hebben en van waarde houden. 

Afschrift in: Registrum litier, frateni, B. fol. 182. — Laten: Gysc 
H.\NSSCHEMKECKER meier en laat, Loye Vriknts van Heeze, Lodewich 
Sammen, Gyse Damen, Marselis van Lüenaken, W'ilhem Liebrechts 
en ülrich van W eerst. 



No 1649. 
U96 (April 20) inden Aprille des tzvintichsten daechs. 
Meier en gezworen laten van *het laathof des kapittels Sinte 



— 490 — 

Johans in Jele te Luik, gelegen te Fall, oorkonden, dat Symon 
VANDEN Dale, als rentmeester der broederschap van kapellanen 
der St. Servaaskerk te Maastricht, wegens het niet betalen der 
pacht heeft doen beschudden 14 roeden akkerland, gelegen onder 
de heerlijkheid Fall bij hiiysschacrts hueskcn aan den weg van 
Fall naar Luik, palende aan land van Gerit Box en aan land van 
Arnold van Bicht, en daarvan in het bezit is gesteld met inacht- 
neming der vier genachten, behoudens ieders recht daarop. 

Orig. op perkament. — Laten: Gerit Box meier en laat, StasTiLMANS 
Moes Schouteten, Lambrecht Pkter?, An dries Ltevesoens, Stas Lam- 
BRECHS en Wilhem van Blocke, 



N^ 1650. 

1496 (Ji^ni 6) des seesden daechs in Junio. 

Meier en schepenen der bank^ heyrlicheyt ende gherycht van 
Cleynen-Spauwen oorkonden, dat Heynrick van Gelck, schepen 
van Maastricht, aan Vryent van Amelsdorp, priester en meester 
der broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk aldaar, ver- 
kocht en opgedragen heeft synen erfdovimc ende overbaet van 42 roeden 
akkerland en van een perceel van 12 roeden, waaruit de broederschap 
voornoemd beurt eene pacht van 5 malders rogge 's jaars, welke* 
hij de broederschap meerdere jaren verschuldigd was gebleven, 
waarvan de 42 roeden gelegen zijn tusschen Cleynen-Spauwen en 
Roesmer aen die Kleyn Kammen^ palende aan dye Kammer bemp- 
ten^ aan land van Laurees van Lynde en aan land Reyner Fre- 
derixs, de 12 roeden aan parkenshage aan de dorpstraat, aan land 
van Johan Meyers van Cleyn-Spauwen en aan land der erven 
Wyllem Mousiioven, en beloofd heeft de gebruikelijke formali- 
teiten te zullen nakomen en haar het rustig bezit daarvan te 
zullen verzekeren. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Goert Meyers van Munsterbilsen 
meier en schepen, Laurees van Lynde, Noehnan Gorrtz, Cornelis 
ClërCX, Johan Prynt, Remeyss van der Bekck en Johan Fyner. — 
Zegels: 2*. Eene vijfbladige, getopte en geknopte roos; — G°. Van vair 
met in het schildhoofd twee bezanten; omschrift: SioiLLUM Ulri . . de 
Warsagiü (ülrich van Warsage); — 7°. Doorsneden; boven: Een naar 
rechts stappende leeuw; ondier drie ruiten. 



— 491 — 

N» 1651. 

1496 (Juni 16) opden sesthienden dach der moent Juny gheheyten 
Broemoent, 

Schout en schepenen van Coninxhem, bank van St. Servaas- 
kapittel te Maastricht, oorkonden, dat Werart Werarts van 
Coninxhem, verklarende dat zijn schoonvader Henric Gruters 
van Bommershoven aan Henrick vanden Dale priester en kapel- 
laan van St. Servaas verkocht heeft eene jaarlijksche erfpacht van 
6 mudden rogge en hem daarvoor geen voldoend onderpand 
kan stellen, beloofd heeft die pacht gedurende vier achtereenvol- 
gende jaren te zullen betalen waarvoor hij zijne goederen zoo 
roerende als onroerende verbonden heeft, onder bepaling na die 
vier jaren de pacht te zullen mogen inlossen met 111 rijnsche 
guldens munt van Tongeren, en in geval van niet inlossing zijne 
goederen zullen verbonden blijven totdat hij volgens rechtsgebruik 
een voldoend onderpand zal hebben gesteld. 

Atschrift in: Legerboeck van alsulUcke renten^ cetisen ende landen. .. 
van O. L. Vrouwelof fol. 28 v. — Schepenen: Wilhem van Elderen 
schout en schepen, Johan van Sprol/Lnt, meester Hugo Obrechs, Her- 
man LüDEWYCXS en Art van Herderen. 

N^ 1652. 

Traftsfix, 1501 (April 21) opden eynendetwinstichsten dach der 
moent April. 

Schout en schepenen van Coninxhem oorkonden, dat Jan van 
DEN DaelC^}, priester en kapellaan van St. Servaaskerk te Maas- 
tricht, de jaarlijksche erfpacht van 6 mudden vermeld in den brief 
waardoor deze is getrokken, aan Andries vanden Biessen ten 
behoeve van het O. L. Vrouwelof in die kerk heeft overgedragen. 

Afchrift ibidem fol. 2^ v. — Schepenen: Wilhem van Elderen schout 
en schepen, Johan van Sprülant, meester Houeh Obrechs, Art van 
Herderen, Herman Loix, Art Engelwerchs en Bert Groven. 



(1) In Latijnsche acten Johannes de \'alle genaamd. 



— 492 — 

No 1653. 

1496 (Juni 25) des Saterdachs nae sint Johans dach Baptiste inden 
Sonier. 

Schout, rentmeester en schepenen van Lenculen oorkonden, dat 
Vrient Vrients priester, meester der broederschap van kapellanen 
van St Servaas en Symon vanden Dael, rentmeester dier broe- 
derschap, aan Pouken, Jan Pouwels zoon, zijne echtgenoote Nalen 
en hun beider kinderen, alle alsulcke ^^r^r/z/^V/^^/ de broederschap 
voornoemd toebehoorende luidens der vemachter ende veertich 
daige brieven op de goederen te Heukelom gelegen, hebben over- 
gedragen en voor de broederschap voornoemd hebben behouden 
eene Jaarlijksche erfpacht van een mud rogge en Pouken tot on- 
derpand gesteld heeft 5 groote roeden akkerland int Wylre velt 
tusschen land van Jan die smeet en het zijne, met de verklaring 
dat die 5 roeden alleen bezwaard zijn met den gewonen landcijns. 

Afschrift in: Registrum litter, fratern, B fol. 133. — Schepenen: 
Geret Printen schout, Johan van Eynatten rentmeester, Heynrick 
VAN Gellick, Coenrardt indie Hagk, Aernt Brandenberch, Jacop 
Passart, Heynrick Oeslingrr en Hellinck Havf.t. 



N° 1654. 



Ii96 (Juli 28) acht ende tzvintich daige in Jidio, 

Schep. V. M. oorkonden, dat Nale wonende in den H. Geest 
aan de broederschap van kapellanen der St. Servaaskerk aldaar 
eene jaarlijksche rente van 12 oude grooien uit den stee^um torn 
opien saterdaichs nierct op den hoek der gulkermansiroten geschon- 
ken en overgedragen heeft, de broederschap jaarlijks na haar dood 
voor haar en hare vrienden bidden zal, en zij gedurende haar 
leven het vruchtgebruik dier rente zal genieten. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Henrick van Gellick en Geert 
Prenten. 



— 493 — 

N» 1655. 

1496 {October 4) vier daige in Octobri. 

Rentmeester en schepenen van Lenculen, alsmede schepenen van 
Maastricht oorkonden, dat Johan Schars aan Johannes Pistorys, 
als rentmeester van deken en kapittel van St. Servaas, voor het 
jaargetijde van Cloes Bollen, dat zijner dochter Dynen (i) en dat 
van Dynen Cloes Vrients' dochter eenen jaarlijkschen erfcijns van 
20 schellingen en 2 kapoenen op ie burch te Lenculen, aan den 
weg leidende ten wyer vtoelen; 27 oude grooten uit het huis van 
Giele Ollslegers en 8 schellingen uit het huis van Reyner 
Enken naast dat van Hcyn Sypz en naast het erf der armen opte 
bogaertstrate overgedragen heeft, onder beding de gebruikelijke for- 
maliteiten te zullen nakomen en die overdracht te zullen doen 
goedkeuren door zijne echtgenoote Noele, alles onder verband 
zijner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen van Lenculen: Jan van Eynatten 
rentmeester, Henrick van Anstenrodb:, Henrich van Gellick, Coen- 
rart INDIE Hagk, Arnt Brandeborch, Jacop Passart, Henrick Oislin- 
OER en Hellinck üavet. — Schepenen van Maastricht: Arnt Brandk- 
BERCH, Jacop Passart en Hellinc Havet. 



No 1656. 



1497 (April 4) vier daige in April Ie. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Arnt van Melbeke aan de armen 
geheeten des beyarts overgedragen heeft eenen jaarlijkschen cijns 
van 10 marken, 17 schellingen en 19 penningen, waarvan 2^2 
marken uit het erf van Jorys van Thokren gelegen optcn plcyn 
naast dat van Heyn van Bosschoven en dat van Geert Becker; 
2 marken, 1/2 schelling en 3 penningen uit het daarnaast gelegen 
huis van Heyn van Bosschoven naast dat van Joris van Thoren 
en dat van Willem Courf; 2 marken en 2 schellingen uit het 
daarbij gelegen huis van Stas van Valkenborch naast dat van 

(1) De Latijnsche benaming is Gdina, aldus in de noot in dorso. 



— 494 — 

Goessen vanNemegen en dat van Servoes vanBuele; 2 marken 
uit het huis van Arnt Nolees achter het vleyskuys naast dat van 
Itgen die naiersse en dat van Kathryne van Namen; II/2 mark 
uit het huis van Heynen Groenen naast dat van Waube Gupers 
en dat van Jan van St. Geerlach; 15 schellingen uit het huis 
van Jan Geerltchs bij het voorgaande gelegen naast dat van 
Heyn Groenen en dat van Reyner Schomeker, en verklaard 
heeft die overdracht te zullen doen goedkeuren door zijne echt- 
genoote en de gebruikelijke formaliteiten te zullen nakomen, a,iles 
onder verband zijner goederen. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Jacop Passart en Gocrt vandkr 
Molen. 

N« 1657. 

Transfix, 1501 (yuli 7 } des sevenden dachs van Julio. 

Schep. V. M. oorkonden, dat Aert van Melbeke verklaard heeft, 
dat hoem genoch gedoen were van alsulgen thien marken^ seventhicn 
scyllinge op diverse onderpande gegolden inder lichter pey en nae in halt 
des brieffs doer den welligen diese onse tegenwoerdighe brieff is ge- 
transfixiert, dat sulge swoeren niarcken bliven sullen van 7tu voertan, 
dy welge gegolden woeren in behoeff der armen geheyten des beyaertz 
en daarom allen alsulgen mer baeten als hoem eynich sins daer van ge- 
boeren mocht van denen dat die ceyns nu swoerder syn ende noch 
werden mochten aan de armen van den beyart overgedragen heeft. 

Orig. op perkament. — Schepenen: Dierich Broetz en Laurens Cla- 
BERS. — Zegels: 2°. Vier palen, in het vrijkwartier twee vijfbladen in de 
richting van den rechter schuinbalk; het schild gehouden door een aan- 
zienden wildeman, die in de linkerhand een omgewenden knots houdt; 
omschrifi: S. Laurens . Clabers. 



N« 1658. 



14:W7 (April 13) opden derthienden dach van Aprille. 

Schout en schepenen van Coninxhem oorkonden, dat Henrick 
vanden Daell, priester en kapellaan van St. Servaaskerk, ten 
behoeve vanden diëtist van ons er liever Vrouwe loeve altyt gesonghen 



— 495 — 

ende gedaen te worden in voormelde kerk, van meester Art 
ScAETZEN van Tongeren gekocht heeft: 1°. I92/3 vaten spelt erf- 
pacht uit de hofstede der erven Herman Lowvcns thans in bezit 
bij Arnt Engelbrech hun medeschepen en 2**. een bunder akker- 
land geheeien roylant gelegen benoorden die cldersche delle bezij- 
den Russon naast land der erven Herman Loydewychs, naar den 
kant van Widoy naast land der regulieren van Tongeren en land 
der armentafel van den H. Geest, en Art voornoemd ze aan het 
O. L. Vrouwelof overgedragen heeft. 

Afschrift in: Legerboeck vdti alsuUicke rettfen, censen ende landen,,, 
van O. L. Vrouwelof fol. 35 v. — Schepenen: Wil hem van Elderen 
schout en schepen, Jan van Sprolant, Hugo Obrechs schout van 
Tongeren, Werart Werarts, Herman Lodewyck de jonge, Art van 
Herderen en Art Engklbrechs. 



N« 1659. 



Iid7 (Mei 31). Geschiet synt diese saken vurscrcveii te Slusen inden 
panhuys by der kir eken . . . des lesten dachs der moent van Mey, 

Schout en schepenen der bank en heerlijkheid van Sluysen 
oorkonden, dat Heynrick Promans van Sluysen aan Symon van 
DEN Dael, rentmeester der kapellanen van St. Servaas te Maas- 
tricht, verkocht en opgedragen heeft 11 groote roeden akkerland 
op dielens berch palende aan land Heyn Heutz der clucker aan 
land der weerart, aan land van Peter Swennen, schepen van 
Sluysen, en naar den kant ten Rekerpoel aan land van Willem 
van Eelst, welke land bezwaard is met den gewonen cijns, te 
weten 4 penningen /^rZ/j per bunder, te vervallen Zondags na het 
feest van den H. Andreas, onder beding de gebruikelijke forma- 
liteiten te zullen nakomen en der broederschap het rustig bezit 
daarvan te zullen verzekeren. 

Afschrift in: Regis frum liiter, fratern, B fol. 173. — Schepenen: Jan 
VAN Sprolant schout en schepen, Willem van Elderen, Coen Cük- 
NENS, Jannes Forsterz, Peter C'laes, Peter Swynnen en Willem van 
Eelst. 



— 496 — 

N° 1660. 

1497 (September 20) op des key liegen Apostels aevont sinte Matheus 
neinelick opten twyntichsten daich dermoent Septembris geheyien 
eevenmoent. 

Meier en laten van het laathof der eelemosinaryen van St. Ser- 
vaaskapittel oorkonden, dat Peter Zurees, wonende te St. Pieter, 
met inwilliging zijner echtgenoote Margriet aan Gheerart Noet- 
STOCK, diens vrouw Geertruyd en hunne kinderen verkocht en over- 
gedragen heeft 10 groote en 10 kleine roeden akkerland gelegen 
bij de Zoe en den douizberch bij dmickels cruys tusschen land van 
meester Stas van Kelderen en van Jacob van Noordbeeck, schoen- 
maker inder stock, beloofd heeft het rustig bezit daarvan te zullen 
vrijwaren en verklaard dat voormeld land met niets anders be- 
zwaard is dan den gebruikelijken landcijns. 

Orig. op perkament. — Laten: Arndt Brandenberch meier en laat, 
Henrick van Gkllick aenden Vrythoeffy Jacop Passart, Andries Daems 
en Matheus No"etsïock. 



N^ 1661. 



14:98 {Februari S) inder moent Spor kille op Sinte Blasius daich des 
keilgen Mertelers, 

Schout en schepenen van Vl