Skip to main content

Full text of "Spreekwoorden en zegswijzen: afkomstig van oude gebruiken en volkszeden"

See other formats


This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 




m0Êmmma^mm&m' 



A. De)Cock 



t' 



i/ 



p 






spreekwoorden 
en Zegfswijzen 



AFKOMSTIG VAN 
OUDE GEBRUIKEN 
EN VOLKSZEDEN 



Door de Kon. Academie van België 
met een « PRIJS DE KBYN » beknwnd 



TWEEDE, HERZIENE EN 
VERMEERDERDE DRUK 




QENT 

ALQEMEENE BOEKHANDEL 

VAN AD. HOSTE, UITGEVER 

Veldstraat 47 — Qalgenbers, 21 

1908 



/^ 



SPREEKWOORDEN EN ZEGSWIJZEN 



AFKOMSTIO TAN 



OUDE GEBRUIKBN EN VOLKSZEDEN 



U 



spreek w oorden 
en Zegswijzen 



APKOMSTIO VAN 



Oude Gebruiken en Volkszeden 

door 

A. DE COCK 



Door de Koninklijke Academie van Belsië met een 
c Prijs de Keyn > bekroond. 



Tweede, herziene en vermeerderde druk. 



QENT 

ALGEMBENB BOEKHAMDBL VAM AD. H05TB, UITGEVER 
Veldstraat, 47 - Oalgenberg, 21-23. 

1908 



? 



1 -i 'O 



EEN WOORDJE VOORAF. 



Het ontslaan van dezen spreekwoordenbundel is wellicht aan 
enkele lezers onbekend. De eerste twee hoofdslukken ver- 
schenen in 1896 in ons tijdschrift Volkskunde, en sindsdien 
werd de reeks aldaar regelmatig voortgezet. Dewijl by hel 
verschgnen van dat gedeelte de eigenigke spreekwoorden- 
verzameling maar half volledig was en de bewerking nog 
geheel diende gemaakt te worden 9 stelde ik mij aanvankelijk 
een boekje voor van ongeveer honderd bladzgden, en die 
honderd zijn gaandeweg lot vierhonderd uitgedijd. Dat alles 
verklaart waarom dit werk eerst nu in boekvorm het licht ziet... 

Deze bundel is geen eigenlijk spreek woordenboek, waarin 
het verzamelen en verklaren der spreekwoorden en zegswijzen 
de hoofdzaak zijn ; de beschrijving van oude gebruiken, oude 
toestanden en volkszeden — thans geheel of grootendeels 
uitgestorven y maar nog steeds voortlevend in de taal — maakt 
hier het hoofdbestanddeel uit. Üe spreekwoorden vormen dus 
enkel de omlijsting, de oude gebruiken vormen het doek, het 
eigenlijke schilderstuk. ( 

Tevens beschouw ik dezen arbeid als een kleine bijdrage tot 
de samenstelling van het toekomstig € Museum van taal- 
oudhedeo », waarvan Prof. Verdam gewaagt in zijn studie 
Sporen van Yolkegeloof in onze Taal en Lelleren, opgenomen in 
de Handelingen der Leidsche Maatschappij, over het jaar 
1897-1898. Ook de hier behandelde spreekwoorden en zegs- 
wijzen zijn overblijfselen uiteen vroegere taalperiode en geven 
008 « verrassende kijkjes in den beschavingstoestand van ons 
voorgeslacht » ; ook deze zijn € zoogenaamde iaaloudhedenf 
afspiegelingen van den geest», die ons leeren c de uitdrukkings- 
en denkwijze, de ontwikkeling, de voorstellingen en denkbeel- 



ivi57924 



— VI — 

den van onie voorvaderen uit de middeleeuwen en uit een 
lateren tijd i, xooals Prof. Verdam zegt. 

Daar een werkje van desen aard, naar ik meen, in onze taal 
nog niet bestaat^ koester ik de hoop dat het aan de taalge<- 
leerdeOy folkloristen, kultuur-historici, enz. niet onwelkom 
zal wezen, hoe onvolmaakt en onvolledig het anders ook zijn 
moge. 

Ten slotte betuig ik mijn oprechten dank aan degenen die 
mij bij dexen arbeid behulpzaam geweest zijn; inde aller- 
eerste plaats aan Prof. J. Vercoullie, die zoo vriendelijk geweest 
is de proeven vau de overdrukjes door te lezen en er zijn aan- 
en opmerkingen aan loe te voegen ; vervolgens ook aan de 
HH. A. Gornette, A. van Werveke en Dr. Stoett, die mij steeds 
hunne belangstelling getoond en soms nuttige aanteekeningen 
of wenken verstrekt hebben. 

Brussel-Schaarbeek, 27 Sept. 1905. 



De eerste druk van dit boek, waaraan de Kon. Academie 
van België een « prijs de Keyn > toekende^ werd in enkele 
maanden tijds — veel eerder dan ik ooit had durven verhopen — 
geheel uitverkocht. Ook zou deze nieuwe uitgave reeds een jaar 
vroeger verschenen zijn, zoo niet, door een samenloop van 
omstandigheden, de uitvoering van het plan was vertraagd 
geworden. Die bijval verheugde mij des te meer, daar ik aldus 
in de gelegenheid werd gesteld om mijn boek te herzien, ie 
verbeteren en aan te vullen. Talrijke plaatsen werden dan ook 
in dezen druk min of meer gewijzigd en bijgewerkt, terwijl het 
aantal nummers van 542 tot 574 is gestegen. Is het aantal bizz. 
niet in dezelfde verhouding geklommen, zulks ligt enkel aan 
het feit, dat er een andere letter en een andere schikking der 
bIzz. gebruikt werd. 

Hoge mgn boek, in zijn nieuwen vorm, bij critici en publiek 
een even gunstig onthaal genieten. 

A, Db Cogk. 

Antwerpen, Septemfcer 1906. 



INHOUDSTAFEL. 



Blz. 

Em^WOOBDJB TOORAV • • ■ Y 

VOORNAAMITB yERKORTZNaBN IX 

Drukfsilbn XI 

SPHËJSKWOORDEMENZBaSWIJZËM. — IvuiDiNa .... 1-7 

a) Uit het Ridderwezen 8-95 

B) Uit het Krijgswexen 96-88 

c) Uit het Gildewexen 89-48 

i>) Koopen en verkoopeo ... 44-61 

b) Oyereenkomaten ; eigendomsreeht ; erfenis 53*59 

f) Andere Rechtsoudheden .... 60*76 

0) Lijfstraffelijke rechtspleging ... 77-104 

a) De Pijn- of Folterbank .... 77-80 

b) Te pronk stellen. — firandmerkeii. — Geeselen . . 80-87 

c) Radbraken. — Hangen 87-99 

d) Onthoofden 100-102 

e) Yierendeelen. —Villen. —Ontdarmen 109-104 

h) Ordaliên of Godsoordeelen 106-115 

z) Heksen- en Ketter volging 116-118 

j) Eet- en Drinkpartijen ; drinkgereedschap 119-188 

K) Onde Kleederdrachten en Kleed ingstoffen 139 160 

e) Voor beide geslachten 139-152 

d)yroawenkleeren. ... 163-167 

o) Manskleeren 157-160 

1) Bouwtrant. — Woonhuis, bewoners en huisraad. . . . 161-170 
m) Volksyermaken 171*306 

a) Op bepaalde dagen of tijden 171-196 

6) Niel op bepaalde dagen of tijden 196-206 

•) Uit den Narrentijd 196202 

••) Van versohillenden aard en ouderdom. . . . 202-206 

m) Vrijen en troQwen, kinderen en begraven 207-219 

o) Ambacht, bedrilf, nering 220-246 . 

a) Hekelen, spinnen en weven 220*282 



— vni — 

b) Yersehillende ambaohUn en neringen 383-387 

c) Landbouw en Scheepvaart 987-348 

d) Onderwija en Geneeskunde 348346 

p) Andere oude Gebruiken, Zeden en Toestanden. • . . 347*371 

q) Zaken van godsdienstigen aard . . 373-385 

a) Kerk en kerkhof; geloovigen. . 373-378 

6) Kloosters en kloosterlingen 378-385 

R) Oude Munten, Maten en Gewichten ... .... 386-883 

a) Munten 386-817 

b) Afstands-, lengte- en landmaten 817-838 

c) Inhoudsmaten 838-838 

d) Wegen. — Gewichten 838-883 

AiLNUiLNOSBL 888-886 

Aanvitllinoek XN VBBBETKaiifaEN 887-.341 

BIJLAGE (Kbtxlmüzisk) 843-874 

BRONNENLIJST 375 886 

REGIóTEH . . 387-436 



VOORNAAMSTE VERKORTINGEN. 



A «« Land yan Aalst. 

aaiih«sa Aanhangsel. 

afl. a aflayering. 

Ags. » Angelsaksische 

ald. = aldaar. 

alg. SB algemeen. 

aoc. = ancien. 

Antw. = Antwerpen. 

b. V. = bij Toor beeld. 

bet. = beteekent. 

beteek. == beteekenis. 

Bi6.=iBiekorf. 

bij?, nw. =B bijvoeglijk naamwoord. 

Bijv. = Bijvoegsel. 

bl. of blz.» bladzij. 

bv. = bijvoeglijk. 

bw. = bijwoord. 

Boe. =s Boekenoogen. 

Bog. = Bogaert. 

Borch. = Borchardt. 

G.= Gats. 

C. T. » Gar. Tuinman. 

G--V. « Gornelissen en Vervliet. 

c. & d. = c'est k dire. 
Ghr. = Christus. 
Gl.=»Glaes//«r»of. 

D. B. = De B). 

d. i. s= dat is. 

d. w. z. = dat wil zeggen. 

D. Myth. = Deutsche Mythologie. 

't Da. = 't Daghet in den Oosten. 

Dej =Dejardin. 

dial. = dialectisch. 

dl.; dln. = deel; deelen. 

dr. =1 druk. 

Eek. =1 Eckart. 

Eich. s= Eichwald. 

elg. =c eigenlijk. 

Eng. = Engelseh. 



Etym. = Etymologisch, etymologie. 

f. « fllr. 

fig. «B figuurlijk. 

Fr. = Fransch. 
freq. = frequentatief. 

Pri. =Fri3chbier. 

G. a.==GuidoaezeUe. 

Germ. => Germaansch. 

gew. = gewestelijk. 

Gez. = gezeid. 

Got. = Gotiseh. 

Gr. = Grieksch. 

Grut. =Gruterus. * 

H. o/Harr. =Harrebomée 

Hatzf -Darm=Hatzfeld-Darmesteter. 

Hgd. ofUd. = Hoogduit9ch. 

HoU =Hollandsch. 

i. V. = in voce. 

id. = idera. 

idiot. = idioticon. 

iem = iemand. 

Ind. = Indische. 

inl. =» inleiding. 

inz. = inzonderheid. 

It. o/'Ital.= Italiaansch. 

j.== jaren. 

J. = Joos. 

Jem. = Jemand. 

jg. = jaargang. 

Kil. = KiUaan. 

kl. = Klein. 

kol. = kolom. 

Lat. = Latijn. 

Limb. = Limburg. 

Loq. = Loquela. 

m. o/'mann. = mannelijk. 

m. a. w. = met andere woorden. 

Mhgd. » Middelhoogduitsch. 



— X — 



Mij ofMaatsch. =» Maatschappij. 

Mlat. =c Middellatijn. 

Mndd. ==MiddelnederduitBch. 

Mnl.y 901719 Mndl. = Middelneder- 
landaoh. 

Mol. = Molema. 

mv. = meervoud. 

N.= Noord. 

Ndd. =Nederdaitsch. 

Ndl. = Nederlandsch. 

Nedl. = Nederland. 

Nfpa. = Nieuwfranech. 

Nhgd. = Nieuwhoogdnitsch. 

nl. o/* nam. = namelijk. 

Noord en Z. = Noord en Zuid. 

nw. = naamwoord. 

o a. s= onder andere(n). 

Ohgd. ^ Oüdhoogduitsch. 

omstr. = omstreken. 

onz. = onzijdig. 

oorspr. = oorspronkelijk. 

Oudfr= Oadfransch, 

Oudfri. = Oudfriesch. 

Oudn. = Oudnoordsch. 

overdr. = overdracht (elijk). 

Pomm. == Pommersche. 

pr. cc prime. 

Pr. SS Pruisen 

prov. «= proyiocie. 

qn. = quelqu'un. 

qq. = quelqae choso. 

R. = Rotten 

R. den Heerd. = Rond den Heerd. 

R.-Dür. = Reinst)ergDüring8feld. 

8. d. = sans date. 

Sart-Schrev. = Sartorius-Schreve- 
lius. 

Sch. == Schuermans. 

Schr. = Sch rader. 

sec. = seconde. 

Sp. =s Spaanscb. 

spreekw. = spreekwoord, spreek- 
wijze. 



syn. of synoD. » synoniem. 

t. a. pi. = ter andere plaatse. 

T. =Tuerlinckx. 

T. en Lett. = Taal en Letteren. 

ter(t). = tertiae. 

u. = und. 

uitbr. = uitbreiding. 

uitdr- = uitdrukking. 

uitg. <= uitgave. 

V. D. = Van Dale. 

Van L. en Ter G. = Van Lennep en 

Ter Gouw. 
Van Moerk. = Van Moerkerken. 
Verc. = Vercoullie. 
verk. = verkorting, 
verl deelvv. = verleden deelwoord, 
verz. = verzameling, 
vgl. = vergelijk, 
vlg g) = en volgende. 

VI. = Vlaamsch(e); Vlaanderen. 
Volksk. = Volkskunde. 

Volksl.. of O. Volksl. == Ons Volks- 
leven. 

voorb. = voorbeeld 

vnw = voornaamwoord. 

vr. = vrouwelijk. 

VS. = vers. 

W. = Westen, 

W. D. = Waling Dijkstra. 

waarsch = waarschijnlijk 

w. = woord. 

WW. = werkwoord. 

Wdb. = Wi^ordenboek. 

Wdsch. = Woordenschat. 

Wesif. = Westfaalsch. 

Westvl. = Westvlaamsch. 

Wtb. = Wörterbuch. 
z. = zie. 

z. j. = zonder jaar. 

zegsw. = zegswijze 

Zeitschr, of Zs. d. Ver. = Zeit- 
sehrift des Vereins. 

znw.= zelfstandig naamwoord. 

Zw« = Zweedse h. 



DRUKFEILEN. 



Blz. 23. regel 20 v. b. staat : ultd. ; Ue$ : uitdr. 

49» • 10 V. o. staat : maal ; lees : maar. 

» 63 I 19 Y. o. staat : andore ; lee$: oude. 

» 88, > 10 V. b. staat : 197 ; leet : 192. 

. a9, » 19 V. b. staat : Oghd ; lees : Ohgd. 

• 91, • 5 V. o. btaat : Ndt ; leet : Ndl. 

» 164, > 21 y. o. staat : van den aard ; lees : van den haard. 

• 167, » 1 y. o. staat: Van Alkkua^^db ; leen: Van Alkbhadu 

• 9U, • 11 y. o* staat : D. Myth.» ; lees : D. Myth ^ 

• 2i9, • 3 y. b. staat : Brbders ; lees : Brbdero. 
» 273, • 3 V. o. staat : sacn ; lees : saen. 

• 293, • 12 V. b. staat : 526 ; lees : 527. 

'341 n 4 y. o staat : mail schelling; lees: malle sch'^lling 

> 897, • 22 y. b. staat : 238 ; lees : 283. 



WERKEN TAN DENZELFDEN SGHRUTER. 



1. Flora der Dendervallel. Gent, 1883; a* druk. Gent, 1888 fr. 0,Ö0 

2. Slmon Steyln Gent, 1888 (Uitverkocht) fr. 0.40 

8 Arm geboren en Beroemd gestorven, üit de jeugd 

▼an gpoote mannen. Gent, 1888. — 3« nitg. in 1900. Geïll . fr. 1,00 

8. Uit de Wonderwereld. Gent. 1889. Geni fr. i,oo 

4. Rond den Heerd. Gent, 1890. GelU fr. l,ro 

5 Rembert DOdoens. Gent, 1890 (C/i7rerftooA0 fr. 0.40 

0. Volksgeneeskunde In Vlaanderen. Gent, 1891 . . . fr. 3,75 

7. Wonderen uit het Plantenrijk. Gent, 1892. Gein . . fr. 2,00 

Bekroond door de Kon. Belg. Academie (met een prijs « De 
Keyn »). 

8. (Met Pol de Mont). Dit zijn Vlaamsobe Wonder- 

sprooldes. Gent, 1896 f r. 2,00 

9. (Met Pol de Mont) . Dit zi]n Vlaamseha Vertelsels (Met 

teekeningen yan K. Dondelet). Gent, 1898 ...... fr. 4,00 

10. (Met Pol de Mont). Zoo vertellen de Vlamingen (Met 

penteekeningen van Edm. van OfTel). Gent, 1903 . . . . fr. 1,75 

11. (Met Is. Teiriinck). Kinderspel en mnderlQst in Zuid- 

Nederland (Met goud bekroond door de Kon. Vlaamsche 
Academie). 8 dln. Gent, 19 2^8 f r. 82,00 

12 Spreekwoorden en Zegs^rijzen over de Vrouwen, 
de Liefde en het Huwelijk (om in 1909 te verschij- 
nen). Gent 

13. (Met Is. Teirlinek). Sagenboek van VlaamsoliBra- 
bant. (Met goud bekroond door de Kon. Vlaamsche 
Academie. — (Om in 1909 te yerschijnen). Gent . • , . 



spreekwoorden en Zegswijzen 

AFKOMSTIG VAN OUDE QEBRUIKEN EN VOLKSZEDEN. 



Hel is bekend dat tal van spreekwoorden en spreekwijzen 
tot de oudheid opklimmen; en vaak tot den taalschat van 
onderscheidene volkeren behooren, al moge hun spraakgebied 
ook verschillend zijn. Dat feit is niet moeilijk te verklaren. 
De mensch, immers, met zijn deugden en gebreken, vooroor- 
deelen en bijgeloovigheden, noodwendigheden en driften, is 
overal dezelfde, en te recht zegt een Italiaansch spreek- 
woord : de wereld is éen land, en wij hebben slechts éen 
menschelijk hart. De ervaring, in den loop der eeuwen opge- 
daan, heeft dan ook den mensch niet zelden tot nagenoeg 
eensluidende gevolgtrekkingen geleid. Nu, de volksmenigte 
drukt haar gedachten gaarne uit in korte en kernachtige 
bewoordingen, in teekenachtige beelden ; vandaar bij elk volk 
die karakteristieke spreekwoordenvoorraad, waarin zijn 
levenswijsheid, zijn geaardheid en taaivernuft zich afspie- 
gelen. 

Zoo laat zich uit den ongeëvenaarden rijkdom onzer taal 
aan spreekwoorden en zegswijzen betreffende het drinken 
en de dronkenschap, ook dadelijk de weergalooze drinklust 
en de grenzenlooze drinkkracht van ons volk afleiden. En 
evenzeer zal in onze Nederlanden, waar zoo menigeen « van 
den buik zijnen God maakt » en waar de levensregel geldt t een 
kort gebed en een lange maaltijd •, alsmede den rug aan 't vuur^ 
den buik aan tafel, en in de hand een goede wafelW, de spreek- 

(1) J« Gat8, Spiegel van den Ouden ende Nieuwen TijL 



\ 



— 2 - 

Woordenschat van dien gezonden eetlust getuigen. Ook van 
onzen levenslost zal hij getuigen, want « op een vollen buik 
staat een vroolijk hoofd », of, zooals De Brune in 1636 het zoo 
smakelijk uitdrukte : 

Op een buyckjèn soet en vol, 
Daer op staet een blyde bol. 

c Behalve den volksaard zullen zich in de spreekwoorden 
weerspiegelen d.e ji^iddelen van het volksbestaan, de voor- 
nadiiste bérbéjiéü '.en bedrijven, de gesteldheid van den 
bodem. eö vanthet klimaat, de bronnen der volkswelvaart. 
Immers ' hël Volk ontleent zijn beelden en voorbeelden aan 
hetgeen het om zich heen ziet, aan wat het kent, aan zijne 
omgeving. Vandaar de overgroote hoeveelheid spreekwoor- 
den en spreekwoordelijke zegswijzen, in onze taal ontleend 
aan de zee, het water, het land, den stroom, de scheep- en 
zeevaart ; de weide, de koe, het paard, het schaap, het zand ; 
den winter, den wind, den regen, de zon, het vuur, dag en 
nacht, enz., welke in het spreek woordenboek van Harrebomée 
ettelijke bladzijden vullen (l). » 

En zoo wij ons tot éen enkel der aangeduide punten 
bepalen, b. v. tot het leven van ons volk ter zee, dan mogen 
wij SiMON Stijl, in zijn Opkomsten Bloei der Vereenigde Seder- 
landen, nazeggen c dat onze taal ook de kenteekenen draagt 
van onze gemeenzaamheid met de zeevaart; vooral ook onder 
het gemeen, en in den dagelijkschen wandel, is zij voor het 
grootste deel eene taal van zeelieden. Wij wenden het over 
dezen of genen boeg, weken eene reê, werpen ons anker, klampen 
elkander aan boord, haken naar het voorwerp onzer begeerte, 
enz. Wij komen met eene zee aan land. of drijven op Gods genade. 
Kortom geen uur van den dag, dat wij niet varen, of bezig 
zijn met ons getij te kavelen. » 

Er is ook geen dag van het jaar, of men ziet menschen in 
het huwelijksbootje stappen, en lustig van land steken, al is 't dat 
menigeen daarbij slecht gevaren en van een kwade reis gekomen 

(1) J. Vbrdam, uu de Geseh. der Ndl. Taai, 173. 



— 6 — 

is, omdat men geen want had naar het schip W. Somtijds echter 
waait het wel eenen in zijn zeil{en)y en komt hij in behouden 
haven, als hij steeds den wind van achteren heeft, een oog in 
't zeil houdt, en geen wijzen vriendenraad in den wind slaat. 
Maar wee b. v. den schipper, die vaak zeven voet diep geladen 
is en daardoor te diep zeilt, of die met een nat zeil loopt !(^) 
Want laat hij zijn schuitjei.^) vol loopen, en is hij door den wind, 
dan is ook spoedig het roer van het schip, zijn kompas is van de 
pen, en, zoo gij geen roer hebt aan uw schip W, gij moet te grond 
of op een klip. En nochtans, wie te scheep iSy moet varen, al heeft 
hij het tegen wind en tij, doch ik zeg : beter met een ouden wagen 
op de heide, dan met een nieuw schip op zeei^), en daarom : prijs 
de zee, maar blijf aan wal, dan loopt gij geen gevaar met man 
en muis te vergaan, ofschoon wij weten, dat de landrat, die 
een zee van geld heeft, toch ook door een zee van jammeren 
kan overdekt worden, en dat er meer in wijn'- of jeneverflesch 
verdrinken dan in de zee. 

Om de gedachte uit te drukken, « van kwaad tot erger 
vervallen • , zeiden de oude Grieken en Romeinen : Van den 
rooi in 'tvuur (geraken) (ö), wat de Nederlanders en Duitschers 
hun ook wel eens nazeggen : Uit vrees voor den rook, sprongen 
de zotten in *t vuur, en Wer dem Rauch entlaufen will^ fallt oft 
gar ins Feuer; bij de Franschen heet het : Tomber de la poêle 
dans la braise(V, en bij de Engelschen is 't nagenoeg eenslui- 
dend. In onze lage landen echter, doorsneden van rivieren, 
grachten en slooten, en waar bovendien de regen en de 
wind zoo'n groote rol spelen, wist het volk voor de uit- 
drukking dier gedachte, weldra een ander beeld te vinden, 

(1) Geene vrouw, die den man past. — Vgl. : Dat is geen *eil voor dêt 
schip. 

(2) Als de getrouwde een dronkaard is. 

(8) Zijn keelgat, zijn lichaam, zijn buik. — Deze zegswijze met de 
drie voorgaande en de drie volgende beteekenen : hij is dronken (zat). 

(4) Of : Zoo gij geen want hebt naar uw schip. 

(5) Of : Beter arm te land, dan rijk aan zee. 

(6) D' A. Otto. Die Sprichwörler u. sprichwörtl. Redensarten der Romer, 
n«»668. 

(7) Ook : Tomber de fiévre en chaud mal. 



— 4 — 

óatleend aan zijn omgeving, en dan luidde de spreekwijze : 
Van den regen in den drup lomen ; — den regen schuwen (of 
mijden) en in de sloot vallen; — van den kant (of wal) in 
de sloot geraken ; — van den oever in de gracht helpen. De 
Duitschers hebben enkel het eerste : Aus dem Regen in die 
Traufe kommen. 

Wat voorafgaat zal v^el volstaan, om het gezegde van 
Prof. Verdam te staven, dat men uit de spreekv^oorden leert 
kennen, o. a. de gesteldheid van den bodem en van het kli- 
maat en de bronnen der volkswelvaart. Aan een anderen kant 
is er reeds uit op te maken dat, al is de grondgedachte 
dezelfde, de zeggingswijze, naar gelang van den volksaard, 
aanmerkelijk kan verschillen. 

Ons spreekwoord : De kruik gaat zoolang te water, tot zij 
breekt, luidt evenzoo in Duitschland, wat in zuslertalen dik- 
wijls plaats heeft : Der Krug geht so lange zuWasser, bis er bricht. 
Zelfs bij de Franschen, ofschoon tot een ander spraakgebied 
behoorend, is het eensluidend : Tant va la eruche d Veau^ qu'h 
la fin elle se casse. Ja, in alle talen van Europa heeft het 
ongeveer denzelfden vormW, wat overigens niet zelden het 
geval is. Doch, voor ons Haal geen oude koeien uit de gracht, — 
die koeien en grachten zijn weer zoo goed in overeenstem- 
ming met het moerassige Nederland en zijn landbouwend 
volk (3) — gebruiken de Duitschers ee^ heel ander beeld : 
Wecke den schlafenden Hund nicht {^), en bij de Franschen heeft 
eenvoudig de kat den hond vervangen : Il ne faut pas réveiller 



(1) Rbinsbero-DUrinqsfbld, Sprichwörter der german. u. roman, Spra* 
chen, 1, n» 940, 

(2) Men denke ook aan ons zoo karakteristieke : Van koetjes en kalfjes 
praten. 

(3) Dat « slapende honden wakker maken » bestaat in onze taal ook 
(eertijds: slapende wolven; zoo bij Sartorius-Sciirbvelius, Adagiorum 
Chiliades Tres, 1656, ter.YII, no61, : Men mI slapende Wolven niet wecken); 
in Vlaanderen heb ik liet evenwel nooit in den volksmond gehoord, terwijl 
het haal géén oude koeien uit de gracht (voor: rakel geen halfvergeten zaken 
op, die onaangenaamheden zouden verwekken) hier van dagelijksch 
gebruik is. 



— 5 — 

Ie chat qui dortO). — In de plaats van ons teekenachtige : 
Beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht, zeggen de 
Duitschers : Ein Haben ist besser als zwei Kriegen (of : Besser 
haV ich als halt" ich), en de Franschen : Vn tiens vaut mieux 
que deux tu Vauras. 

Het ligt thans echter niet in onze bedoeling dat kleurige 
en beeldige, waardoor het Nederlandsche spreekwoord zich 
vaak onderscheidt, in het licht te stellen. Wij bepalen ons 
bij algemeenheden. 

De eigenlijke spreekwoorden, waartoe de opgegevene 
behooren, zijn in den volksmond geboren (2), en als dusdanig 
van dagelij ksch gebruik en overal verstaanbaar. Tot deze 
klasse behooren ook de spreekwoorden en zegswijzen, die op 
een oud en algemeen verspreid volksgeloof berusten; zoo 
b. V. : Wacht u voor de geteemenden. Roode baardy duivelsaard, 
Eene vrouw gebaard, is van kwaden aard. Die van den hond 
geheten is, moet van hetzelfde haar daar op leggen. Onder een 
gelukkig gesternte (o( planeet) geboren zijn. Hij is op een Vrijdag 
getrouwd. De dertiende man brengt den dood a(a)n. Als men van 
den duivel spreekt, dan is hij nabij. 

Dezelfde bemerking geldt voor de spreekwoorden en 
spreekwijzen, die van wijd bekende sprookjes, vertelsels 
of anekdoten afkomstig zijn, als b. v. En nog, zei 0. Lieve 
Vrouw. Karél, houd de lantaarn, ik moei eens hoesten (voor: 
sch...), Versche boter en nieuwbakken brood is mijn dood, zei de 
man, en hij at zeven boterhammen op. Zijn zevenmijlslaarzen 
aantrekken. Boontje komt om zijn loontje, of : Loontje komt om 
zijn boontje. Een asschepoester. 

Tot de gemeenzame volkstaal behooren ook nog de spreek- 



(1) Het Daitsche en het Fransche spreekw. zijn echter geen juiste 
equivalenten Tan ons : haal geen oude koeien uit de gracht (of de sloot); die 
spreekw. zijn slechts in zooverre synoniem, als ze alle drie een aanmaning 
zijn tot voorzichtigheid en hoofdzakelijk beteekenen, wat wij met deze 
Vlaamsche spreekwij ze bedoelen : Laat rutt, waar rust i$ (wilt gij u zelf 
onaangenaamheden besparen). 

(2) Het eigenaardige van een spreekwoord, zegt Prof. Vbrdam, is juist 
dat het een eigendom, eene eigenaardige uitdrukking is van het volk. 



— 6 — 

wijzen, die enkel woordspelingen zijn, vooral op namen van 
dorpen en steden, zeldener op andere eigennamen. Zegt 
iemand, b. v. « as ik kan », of : c os ik mag », of iets derge- 
lijks, dan heet het vaak : Asch is gebrand hout en kolen is 
vinkhout, — of : Assche ligt tegen Brussel. 

Op « ik meen het (zoo) • , worden veel woordspelingen 
gemaakt o. a, : Meenen ligt tegen Kortrijk, of : Meenen ligt dicht 
bij Allewinde en verre van Waregem, enz. — Van iemand, die 
meer van vechten dan van kerkgaan houdt, luid het hier en 
daar in Holland : Hij gaal niet gaarne in de mis, maar speelt 
liever raak. En verder : Duren is een schoone stad, maar blijven 
duren is nog veel schooner. Hij komt van Sottegem (hij is zot). 
Naar Bethlehem gaan (naar bed). Hij gaat naar Kuilenburg (in 
den kuil — dood), 't Is een Rebekka (ze is wel bespraakt. 
Woordspeling op bek), en honderd andere. 

Minder aanzienlijk is het aandeel der volksklassen in het 
ontstaan van een zeer groot aantal spreuken, spreekwoorden 
en zegswijzen uit den Bijbel; vooral in de Protestantsche 
landen zijn ettelijke daarvan in het dagelijksch gesprek, ook 
van de ongeletterde menigte, doorgedrongen. Iedereen, in 
ons katholieke Vlaanderen, kent spreekwijzen, die betrek- 
king hebben op Adam en Eva, Mathusalem, Mozes, Job, 
Samson, Goliath, Jonas; op Judas, Pilatus, Lazarus, St. Tho- 
mas, St-Jan, enz. Ook andere : van de verboden vrucht eten, 
— het gemeste kalf slachten, — het gouden kalf aanbidden, — hij 
is daar in *tlünd van belofte, enz. zijn hier algemeen bekend. 

Veel geringer nog is de rol der volksmenigte in de wording 
der spreekwoordelijke uitdrukkingen, die uit de Grieksche 
en Romeinsche mythologie geput zijn : Een Hercules. Een 
Achilleshiel. Een dikke Bacchus, Een Homerisch gelach. Boreas 
loopen. Het vat der Danaïden vullen. Den Augias-stal reinigen, 
enz., — of die in de geschiedenis wortelen : Het zwaard van 
Damocles. Den Gordiaanschen knoop doorhakken. Den* Rubicon 
oversteken. Naar Canossa gaan. Hij liegt, alsof hij Luthersche 
psalmen zong. Erasmus legde 7 ei, en Luther broedde 'tuit, enz. 

Tot de spreekwoorden, aan welker invoering het eigenlijke 



volk geheel of bijna geheel vreemd is gebleven, behooren 
nog die, — en zij zijn talrijk — welke uit groote, binnen-of 
buitenlandsche schrijvers getrokken, of aan uitheemsche 
spreekwoordenverzameliiigen ontleend zijn : Van niets komt 
niets. Het hemd is nader dan de rok. Tegen windmolens vechten. 
De druiven zijn te groen. De kat de bel aanhangen. — Het is al 
boter tot den boom (Vondel). Een luie kat krijgt nimmer tvat 
(Ga.ts), enz. 

We stellen ons voor enkele dier spreekwoordenreeksen 
van nabij te beschouwen ; in de eerste plaats willen we onze 
aandacht wijden aan een groep van spreekwoorden en zegs- 
wijzen, die tot hiertoe onvermeld bleven, namelijk aan 
diegene, welke afkomstig zijn van vroegere, soms zeer lang 
verdwenen gebruiken en gewoonten. 



A) UIT HET RIDDERWEZEN. 



Wij beginnen met de vrij lange reeks spreekwijzen, 
ontleend aan het middeleeuwsche ridderwezen, die ons de 
vechtpartijen en steekspelen en andere gebruiken uit die 
oude, ridderlijke tijden weer voor den geest roepen. 

1. Iem,'ridderenoUot riddef' slaan (Hem in de ridderschap 
opnemen, tot ridder benoemen). lem. den ridderslag geven 
(Hem in de ridderorde opnemen). 

De laatste zegswijzen herinneren aan de middeleeuwsche plechtigheid 
van den ridderslag, waarbij werkelijk een slag behoorde met het plat van 
een ontbloot zwaard, dien men den edelman op den schouder of den rug 
driemaal toebracht, in den naam van God, St. Michiel en St. Joris. 

lem. ridderen bet. thans ook, hem leelijk in zijn gezicht toetakelen. 

2. Baanderheer, ook banderheer en banjerheer, bij verk. 
banjer (Eig. een edele, die het recht had zijn welgeboren 
mannen onder zijn banier ten strijd te voeren). Een banjer 
(Bij overdr. : iem. die als een « heer » leeft, of die zich par- 
mantig aanstelt : Wat een Banjer l {Den banjer, den baanderheer 
spelen, uithangen (Den groeten heer spelen). Vgl. Dengrooten 
Jan uithangen (A.). Banjeren (Zich gedragen als een banjer). 

Een oudere vorm (nog bij Kil.) was 6anerAeer, waaruit, met inlassching 
eener d : bander-, baanderheer. Dit baner, evenals Hgd. Banner, ontstond 
ui{, banier, Baanderheer is hetzelfde Q,\sbaanrotê, dat vooral in Ylaand. en 
Brab. voorkwam ; dit baanrots (Mnl. BaenroUe, -ritt, ruts, enz.) is gevormd 
naar Fr. en Eng. banneret van Mlat. banneretuê(Z. A'dl, Wdb.^ en Verdam» 
Mnl. Wdb.y 1. 514; ook Vergoüllib, Ettjm, Wdb. enSxoBTT, n» 145). 

3. Zijn banier ontplooien, ontrollen ; zich om de banier scharen ; 
onder iemands banier, onder eigen banier strijden (Banier = het 
vaandel, waarom zich de krijgslieden scharen; bij uitbr. : 
het vaandel van een vereeniging). De banier hoog houden 



— 9 — 

(De eer der banier handhaven). De banier opsteken (Fig. Een 
opstand beginnen). Vgl. Fr. A bannière levée. Ook : Se ranger 
of marcher sotis la bannière de qn. ; déployer sa bannière. 

De banier (Mnl. baniere, bannière, Hgd. Banner, uit Fr. bannière ot ban- 
diere = vaandel voor een troep, afgel. van Mlat. bandum = troep) (J ) was 
in de middeleeuwen een veldteeken, dat door Baande rheeren, door vrije 
steden en kerkelijke gestichten gevoerd werd (Verdam, I. 550/. Het is in 
de wapenkunde nog thans bekend : de binier is volkomen vierkant en 
dient meest tot n-itwendige versiering van een wapen (Ndl. Wdb.). Het 
woord leeft ook nog voort in samenst. : banierdrager , kerkbanier, krijgs- 
banier, leeuwbanier, enz. — Zie 't voorg. n**'. 

4. Kastelei7i, kasteleines (Herbergier, herbergierster; ook 
iem., die voor den eigenaar eener hofstede deze beboert, in 
welke beteek. hij in West- VI. ook kasteleinboer heet. — De 
Bo). Kasteleinen (Het bedrijf van kastelein uitoefenen. In beide 
beteekenissen aldus in West- VI., niet in de Kempen. — 
De Bo en C.-V.). Daarnaast geeft De Bo nog : bekasteleinett. 

Kattelein van Mlat. castellanus, Fr. chdtelain, en dit van castellum = 
kasteel. Vgl. bij Vbrda.m castelrie, waaruit het thans nog in VI. voortle- 
vende kaêselrij; daarnaast kastelenij, Fr. chdiellenie. Oorspr. bet. kastelein : 
slot- of hurchtvoogd, burggraaf, hetzelfde als Lat. vicecomei. Van de 
beteek. plaatsvervanger van een heer (vieecomes), is enkel overgebleven die 
van bedrijfboer : landbouwer voor een anders rekening. Een kastelein{boer) 
ontvangt een vaste wedde, doch moet al de voordeelen van de boerderij of 
het vetleggen aan den eigenaar afstaan, terwijl de pachter die voordeelen 
voor zichzelf behoudt en den heer een vooraf bepaalde pachtsom betaalt 
(Zie Db Bo, die een voorb. meedeelt uit de 16* eeuw, waarin reeds castelain 
= bedrijfboer). In West- VI. kent men ook kastelein in de beteek. : beheerder 
vaneen dorpsherberg voor een anders rekening; dat heet aldaar een her- 
berg kasteleinen. Op het woord kastelein, van zijn hooge waardigheid van 
burchtvoogd afdalend tot die van herbergier, past Montesquibu's Grandeur 
et Décadenceï, wat ook toepasselijk is, doch in omgekeerde orde, op het 
woord maarschalk, dat van zijn oorspr. beteek. paardeknecht, staloverste 
(Vgl. Fr. maréchal ferrant)^ tot die van voornaam hofbeambte en opper- 
veldheer, is opgeklommen (Vgl. ons stalgraaf^ waarvan Fr. connétable, en 
zie verder Verdam, III, 12>2.1225en Ndl. Wdb,). 

5. Hofmeester (Kastelein op een stoomboot. — V. D.). 

De geschiedenis van dat woord heeft hetzelfde verloop gehad als die 
van kastelein. Hofmeester of hofmeier (Hgd. Hofmeister), oorspr. opzichter 
over een hofhouding, hofmaarschalk, vooral als titel van de Karolingen 

(l) Aldus bij Vergoullik; ontleend aan Ital. bandiera, zeggen Hatz- 
FSLD en Darmestbter, Dict,franQ, 



— 10 — 

Lij de MeroviDgsche vorsten, eer zij zelf zich van 't oppergezag meester 
maakten, ~ thans vernederd tot een kastelein op een stoomboot. 

6. Steekspel (Schitterende woordenstrijd over een onder- 
werp van belang). Fr. Joule oratoire. — Steekspel houden (Zoo 
spelen, bij het dominospel b. v., dat geen der spelers meer 
aanzetten kan), ffi/ maakt altijd steekspel (Gew. Hij brengt 
den boel altijd in de war). 

Herinnert aan de middeleeuwsche spiegelgeveehten of ridderlijke 
kampspelen, die inz. bij feestelijke gelegenheden aan vorstelijke hoven 
gehouden werden (Vgl. n^* 10 en 11). 

Naar aanleiding van de bespreking van D' Kuiper 's Hooger-onder- 
wijsonlwerp in de Holl. Tweede Kamer, schreef De Gids (1904, afl. 4, 
bl. 169) wat volgt: « Debat over de vraag naar het al of niet rationa- 
listisch karakter onzer rijkshoogescholen moge een interessant steekspel 
zijn.... » Hier bet. het woord een kampspel met woorden en bewijs- 
gronden, waarbij men, flg. gesproken, elkander wederzijds uit den zadel 
poogt te lichten. 

7. Boert, boerterij (= 1. Scherts, jokkernij, spot. — 2. Iets 

wat slechts voor den schijn gedaan wordt. — 3. Lafife, grove 

aardigheid). Boerten (Schertsen, jokken, spotten). Boertig 

(Schertsend, grappig); boertigheid. 

Boert — Mnl. boerde — evenals Eng. bourd van Oudfr. bourde, dat voor- 
heen deze beteekenissen had (ook in 't Mnl.): steekspel; kortswijl; 
verdicht verhaal ; leugen, bedrog.YolgenBYBBGooLLiE en andere geleerden 
komt bourde ^ steekspel (men gist, zegt Dr. Muller in Ndl. WdbJ) uit 
Oadfr. bouhourde, bekort, eig. stooispel, en dit uit Germ. bekorten. En hierin 
ziet men verder het Oudduitsch kurten, ons Ndl. korten, waaruit Fr. 
keurter. Hatzf.-Darmbst. zeggen daarentegen i. v. bourde : « Origine 
inconnue. On ne pent y voir nn subst. verbal de l'anc. fran^. behourder^ 
jouter, car on trouve bourde dós Ie débnt du XIII« siècle, et la contraetion 
ne peut B*dtre produite dös une époque anssi ancienne. > Ook LittrA 
echter leidt bourde af van behourde en daar het bekorten (beko{u)rder, 
boko(u)rder) veeleer een vermakelijk dan een ernstig riddergeveeht was, 
zegt hij, kon het woord bekeurde, bourde later gemakkelijk de bet. krijgen 
van spel, jok, gekkeid (Zie vooral Verdam, I| 1839-1840 en Loq., Y\, 4^44). 

8. lem. naar de kroon steken (Trachten hem de kroon, het 
teeken van overwinning en meerderheid, te ontnemen; met 
hem wedijveren). Vgl. Hgd. Mit einem um die Palme ringen ; 
Jem. auszusteehen suchen. 

Met Verdam {G€$eh.\ bl. 379) en Kil., die steken nae vertaalt door ambire, 
captare, adspirare, kan men deze spreekw. terngbrongen tot de ridderlijke 
steekspelen van voorheen. Zie Stoett, n* 1104. 



— 11 — 

9. lem, uü hel veld slaan (Op de vlucht drijven; (flg.) iem. 
pal zetten^ beschamen). 

Ook deze zegsw., evenals de voorgaande, is volgens Verdam, t. a. pi., 
aan een spiegelgeyecUt of een werkelijken strijd ontleend. Beide zouden 
dus evengoed onder de rubriek Krijgsweien geschikt kunnen worden. Dat 
de begrippen veld en ilaan bij de ouie gevechten en vooral bij een tornooi 
veel beter passen dan bij de tegenwoordige, zal men gereedelijk erkennen. 
Vgl. Het veld ruimen; het veld behouden; te velde trekken-, tegen iets te velde 
trekken; veld winnen; iem. het veld alleen {otvrij) laten, 

10. Leelijk getornooid zijn (Erg toegetakeld zijn, in een 
gevecht nl.). 

Deze spreekwijze, die in West-Vlaanderen, Haspengouw noch Hage- 
land schijnt te bestaan, is in 't land van Aalst van dagelijksch gebruik; 
men zegt evenwel : leelijk getemood {nooit klinkt steeds noot^ met seherp- 
lange oo uitgesproken). Dat deze spreekwijze een overblijfsel is van de 
oude tornooien, waar een kamper soms ook erg werd toegetakeld» schijnt 
mij aan geen twijfel onderhevig. — Db Bo kent tomooien in deze driedub- 
bele beteekenis : Een steekspel houden op het water ; — luidruchtige 
vreugd bedrijven en feest houden ; — veel geestdrift toonen en in groote 
doening zijn, om b. v. een feest te bereiden (schertsend). Ook bij Gorn.» 
Vervl. is tornooien een volksspel : naar den waterbak steken. 

In die beteekenissen hoorden wij het hier nooit gebruiken ; nooit zelfs 
in den infinitief, maar steeds als verl. deolw. (in de besproken zegswijze). 

11. In het krijt (of strijdperk) treden, komen (Zich tot den 

strijd — fig. tot een woorden- of pennestrijd — aanbieden ; 

aan een prijskamp deelnemen). 

De plaats, waar het steekspel gehouden werd, heette het tornooi veld 
en de eigenlijke kampplaats, het krijt. De Duitschers noemen het « krijt » 
die Schranken en hebben ook Gegenjemand in die Schranken treten (In 't Fr. : 
entrer of deecemdre dam la lice), Sartoriüs geeft enkel, pr. X, n« 58 : Uit 
het krijt wijeken (Haren& cedere), en n* 54 : Te velde komen (In harenam 
deseendere). — Krijt verwant met kreits (Hgd. Kreie) bet. oorspr. « kring, 
cirkel », waaruit de beteekenis « afgeperkte ruimte, strijdperk; ook 
worstelperk • ontstond. Vgl. In den ring komen (s= komen vechten. — 
G..V.),(1) 

12. lem,[ot aan iets) paal en perk stellen (Iem. of iets binnen 
zekere grenzen houden). Beperken. 

£r bestaat grond om ook voor deze spreekwijzen, zoowel als voor de 
Duitsche beschrdnken,einichrdnken (2), aan de oude ridderspelen te denken : 

(1) Zie Jacobs, Verouderde Woorden bij Kiliaan, i. v. krijt; Mnl. Wdb. 
III, 2101. 

(2) Dr. ScHRADBR. Der Bildenchmuek der d. Sprache, 2« Aufl., bl. ^9, 



— 12 — 

Het krijt was door sterk paalwerk afgeperkt» om het toegestroomde volk 
in bedwang te houden (Vandaar : itrijdperk). 

13. In den steek laten (d. i. in de verlegenheid, of in het 
gevaar). 

Vroeger achtte men die spreekwijze aan de « kleermakerij v ontleend, 
aan den steek der naainaald : in den steek laten, onafge werkt. Dat gaf 
echter den zin niet weer : prijsgeven, in een critisch oogenbllk verlaten. 
Met meer grond, zou men hierbij mogen denken aan ons zoo beteekenisvol 
Nederl. woord steekspelen^ en ofschoon de Daitschers. voor hnn im 
Sfiche lassen, geen equivalent woord bezitten, wordt gezegde spreekw. 
door Borgha.rdt(1) en Schra.dbr van de tornooispelen afgeleid. De laatste, 
die echter meer aan de oude wijze van vechten denkt, neemt het letterlijk 
op : zijnen vriend of meester, die in den strijd door een lanssteek wordt 
bedreigd, aan zijn lot overlaten, in plaats van zijn plicht te kwijten, met 
hem bij te springen en het wapen af te weren. Volgens Borchardt is er 
oorspronkelijk alleen een zaak als object bijgedacht geweest : de overwon- 
neling in het steekspel moest zijn ros en zijn wapen aan den overwinnaar 
afstaan, en die zoo in den steek laten (laten steken» laten varen). 

14. Steek houden (De proef doorstaan ; altijd waar bevonden 

worden). Hgd. Stich hallen (standhouden, uithouden). 

Waarschijnlijk van denielfden oorsprong als de voorgaande spreek- 
wijze: de ridder (of: zijn wapenschild) den steek der tegenpartij 
doorstaande. Ze kan ook in verband gebracht worden mot weefsels, waarin 
de naaisteek al of niet losschiet (3). 

15. Voet bij stek honden, — of zetten (Niet van zijn onder- 
werp of werk afgaan; standhouden). 

Ook deze spreekwijze vindt wellicht haren oorsprong in den riddertijd. 
Van DA.LE geeft voet bij stek, — en : voet bij stuk houden ; Bilderdijk : voet 
bii steek. « Nog gebruiklijke uitdrukking, maar thans van onzekere 
meening. Het is : den voet bij het paaltjen zetten om den grond recht vast 
te maken, dat het, versch ingestoken zijnde, niet omgestooten, en de 
landscheiding dus niet onzeker worde. » (8) In voet bij 't stuk zetten ziet een 
ander: «den voet zetten bij het geschat», dus: zich moedig tooneo. 
TüiNUAN, 1, 88, wijst op de kampioenen van vroeger, • die in tweegevecht 
voet tegen voet zetten, en niet te rugge wijken van het voorgesciireven 
perk (4) ; gelijk zo de Latijnen zeggen : coHato pede pugnare, 'i Word over- 
gebragt tot ymand, die stand houd en niet dienst in eenige zaak. » — We 
denken met HarrbromAb dat stuk, stek en steek hier van gelijke beteekenis 

(1) BoRGiiARDT-WüSTMANN, Die spfichtwörtL Redensarten.i^ Aufl. 1894. 

(2) Zie b. V. G. Tuinman, Nederd. Spreekwoorden , 1, 858. 

(8) G. HüTOBNs» Koren-bloemen, Met ophelderende aanteekeningen van 
W. Bilderdijk (Leyden, 1825), V. 258. 
(4) Men streed in de steekspelen zoowol te voet als te paard. 



— 18 — 

zijn. In 't Land van Aalst luidt de spreekw. immer : voet bij stek houden, 
.— en in den zin yaa schimpwoord, bijtend gezegde, zijn slek en iteek 
wlsselyormen^ zoodat men onTerschillig gebruikt : tem. ne stek, of: tem. 
ne steek geven; en stek zal hier en daar tot stuk zijn geworden. — 
Sghuerm., Db Eo. Corn.-Vebyl. en Joos hebben enkel: voet bij stek, 
terwijl MoLEMA geeft : Vout bie de meet hollen. Met Tuinman en Stobtt, 
die op de oudste Tormen wijst (bij Kil. en Plantijn : voet by steek setten), 
houden wij het er yoor, ook blijkens Ndd. de {ót bi de stok of bi *f mat 
holden, dat stek hier het paaltje of merk teekeu is van iemands plaats in 
't strijdperk, de meet. 

16. Een lam breken met iem. (Eig. tegen iem. strijden in 
het steekspel; thans üg. : met iem. een geschil beslechten). 
Hgd. Mit Jemandem eine Lanze brechen. Fr. Rompre une lance 
avec qn. 

Slechts de ridder — geen knecht of knaap — mocht in tornooien of 
anders meteen speer gewapend zijn (1). Met (otvoor) iem. een lans{2) breken 
was dus mel(o/'voor)iem.een ridderlijk tweegevecht aangaan (b. v. voor 
een verongelijkte edelvrouw). 

17. Veel oplief van iem. (of iets) maken (Iem. hoog opvij- 
zelen. Veel gerucht en beslag maken over iets). Hgd. Viel 
Aufhebens machen. 

Met dien «ophef», zegt Borcsardt, wordt eigenlijk het plechtig 
opheffen der wapens vóór het tweegevecht bedoeld. Borkbnoooen (Ndl. 
Wdb., XI, 809) vergelijkt ophef maken van... met de nitdr. : een grooten opheef 
doen en acht het niet onwaarschijnlijk dat in onze taal, zoowel als in het 
Duitsch, de uitdr. aan de schermkunst ontleend is. 

18. Het voor iem. opnemen (Eig. het wapen voor iem. 
opnemen, dat is : zijne partij kiezen). Het tegen {met) iem. 
opnemen. Hgd. Es mit Iemand aufnemen. 

Van gelijken oorsprong als de twee vorige spreekwijzen. 

19. Het spits bieden (Het hoofd bieden, trotseeren). Bij 
Tuinman, I. 280 : punt bieden. — Hgd. Die Spitze bieten. 

Big. op iemand toetreden met gevelde lans, dus met de punt naar hem 
gericht, alsof men hem tot een tweegevecht wilde uitdagen. Die zegswijze 

(1) ScHRADBR» Der Bilderschmuck, 269. 

(2) Het Fransche lans heeft de oudere en betere namen speer en spiets (of 
spies) verdrongen. Deze leven nog min of meer in : Iem. te schild en te speer 
vervolgen; ^ Hebt gij het schild, ik heb de speer; — het si/n algeene luns* 
knechten (voor : landsknechten) ^ die lange spietsen dragen. (Vgl. Het %ijn al 
geene koks, die lange messen dragen; — Het %ijn al geene ridders, die kruisen 
dragen); — Geen spiets maakt zulke diepe tvoruien, als achterklap en boo^e 
monden (Gats). 



— 14 — 

klimt ook op tot de middeleeuwsche steekspelen of veohtpartijen in 'talge 
meen. 

20. Het spits afbijten (i) (Zich aan het eerste en hachelijkste 
gevaar — of aan de eerste en grootste onaangenaamheden — 
eener onderneming blootstellen, en daardoor de zaak voor 
anderen veiliger of gemakkelijker maken). 

Eig. van strijdenden gezeid, die, wanneer hun de vijand ■ hei spitê bood, 
d. 1. de punt der gevelde speren voorhield, er moedig op inliepen, den 
eersten stoot opvingen, verwarring in de gelederen braehten,en zoodoende 
de werking der speren braken, die voor hunne volgers minder schadelijk 
maakten, er als *t ware de scherpe punt afbeten » {Ndl. ^db, l, kol. 860). 
Dr. Nauta gelooft gaarne dat de uitdrukking vaak van strijdenden werd 
gebezigd, doch van onze voorouders te gelooven. zelfs in beeldspraak, dat 
zij de punten der lansen afbeten, zooverre drijft hij het niet. Uitgaande 
van Voitdbl's vers : Zich op het tpit» wagen, legt hij de zegswijze aldus 
uit : «p<ls = (ttt'/erjie) gevaar (2), en afbijten (met de beteekenis, die het in 
't Middelnederlandsch heef t) = a/«fit;deii, van %%eh afhouden, verre verwijd 
derd houden. Vandaar, het spits afbijten = het gevaar afwenden ; en iem. 
het spits laten afbijten, dus = een ander de kastanjes uit 't vuur laten 
halen (8). 

21 • Iem, met open vizier bestrijden (Openlijk, niet bedek- 

telijk). Hgd. Mit o/fenem Vizier kampfen. Vgl. Fr. Hausser, 

lever, baisser Ia visière. 

In de steekspelen vochten de ridders altijd met gesloten vizier (helm- 
klep), dat is, in zekeren zin, gemaskerd; de tornooi wetten verboden zelfs 
den strijd voort te zetten, als een der kampers zijn vizier opende. 

23. Het harnas aangespen (Zich ten strijde toerusten). 
Fr. Endosser Ie hamais. 

Het harnas (Hgd. Hamisch, Eng. hamess, Fr. hamois of hamaü en 
cuirasse), oorspronkelijk van leder (vandaar cuirasse)f was het voor- 
naamste deel der wapenrueting, en bedekte borst en rug, doch het volle 
harnas bedekte het heele lichaam, armen, beenen en hoofd meebegrepen. 
Zoo zegt men schertsend van een vrouw : Ze staat in '/ voUe Aama«=: Gereed 
en gekleed (Nedl. Wdb.). Vgl. : Ergens tegen geharnast %ijn (er op gewapend); 
Fr. être euirassé contre,,. Zich hërnassen (fig. zich wapenen, harden;. 

23. Het harnas aangorden (of aantrekken) voor (of tegen) iem* 



(1) Vroeger ook : de spits. — Dr. Nauta beschouwt spits hier als een 
zelfst. gebruikt bijv. naamw., en het «ptïs (ontstaan uit, en aangewend 
naast het spitse) derhalve als 't oorspronkelijke. 

(2) Spits beteekent eerst puntig; dan : nijdig (een spits gezegde), en dan 
ook : gevaarlijk. Het spits uit Vovdel's vers : het gevaarvolle, het gevaar < 

(3) Taal en Letteren, VI. 850-851. 



— 15 — 

of iets. (Een strijd aanbinden, partij trekken, voor of 
tegen iem. of iets). Het harnas afleggen (Den strijd staken). 

24. Iem. tegen zich in 't harnas jagen. (Eigenl. iem. zoo 
toornig maken,dat bij bet barnas aangordt en naar de wapens 
grijpt om zicb te wreken. In 't alg. : zicb iem. tot vijand 
maken.) Ygl. In 't harnas vliegen, schieten ». opstuiven, vaak 
om een beuzeling. Hgd. Jem, in Harnisch jagen, bringen. In 
Harnisch gerat en. 

25. Kolderen (Steelsgewijze pakken en wegvlucbten; eig. 
stelen en onder den holder verbergen. — R.). 

Kolder (kleedlngstuk), MdI. collier en crller, evnals Mhgd. kollier 
(Nbgd. Keiler), uit Fr. collier, van Lat. eollarium (= halsbek leeding), een 
afleid, van collum (= hals). — Ybrg. Etym. Wdb. en Vbrdam, Mnl. Wdb. 
III, 1707. 

Kolder stemt overeen met de oorspr. beteekenis van Fr. cuirasse : lederen 
harnas dat borst en rug bedekte. — Ygl. ons ww. saAAfn = in den zak 
steken. 

26. Iem. uit den zadel lichten (Iem. van zijn paard werpen. 

Eig. bem overwinnen; ook : hem onderkruipen, b. v. in een 

minnarijtje). Ygl. Iem. den voet lichten. 

Wijat op de ridderlijke tweegevechten, waar het er vooral om te doen 
was ztjn tegenstander met de gevelde speer uit den zadel te bonzen. 
Vgl. Vast in den »adel%itten. 

27. Iem. weder in den zadel zetten (of helpen. — Iemands 
zaken, die verward zijn, weder in orde brengen). Ook : iem. 
op het paard helpen. Bij Sartorius, pr. IV. 51. : Een weder te 
paerdt helpen (In gradum reponere). 

28. Hij is zandruiter. — Hij is ruiter (of ridder) te voet. 

Hij is nitden zadel in het zand geworpen, en dus in den kamp over^ 
wonnen. Dat « zandruiter zijn » (voor iem. die van zijn paard valt) is 
heden van dagelij ksche toepassing. 

29. Hij ligt in het voetxand (Wordt gezeid, zoowel van iem. 
die in zijn zaken is achteruitgegaan als van een, die gestorven 
is).(l) In hetvoetzand geraken (Het onderspit delven; ook: 
omkomen). Sartorius, ter. I. 53, geeft : In 't voetsant leggen. 

(1) HiLRRBBOMÉB, Spreckwoordênboek, II, 897; bij Van Dali en Kramers 
heeft in het %and liggen geen anderd beteekenis dan : dood iijn. 



- 16 - 

Hetvoelzand kussdn (Uit den zadel vallen; ook: sneuvelen). 
In 't zand of in 7 stof bijten {mordre la pmssière — sneuvelen). 
Vgl. Hij is onder de voet, (l) voor : hij zit slecht in zijn zaken, 
ofwel : zijn gezondheid laat te wenschen over. 

Van overwonneling in een spiegelgeyeeht, is de beteekenis gemakkelijk 
kunnen OTergaan tot : overwonneling in den strijd om het bestaan of in 
den kamp tegen den dood. De spreekw. is echter ook licht te verklaren 
zonder tot de steekspelen op te klimmen. 

Ons In U Mnd bijten herinnert misschien aan het feit, dat in de middel- 
eeuwen het grasveld, waar een steekspel plaats greep, soms met zand 
werd bedekt, zooals blijkt uit Inventaris v. Brugge, Gloss. 199 : « 881 carré 
zands... daer de bane die ghemaect was ten steicspele mede ghezand 
was» (2). Ook het strijdperk zelf,; zegt Stobtt (n« 3168), werd ioen dat 
sant genoemd (vgl. Lat. pulvis, worstelperk). 
Vgl. In 't gras bijten. Hgd. Ins Graê beisten. 

Zulks doelt op een ouden ritus van onderwerping aan den zegevierenden 
vijand. « Ge rite, zegt Gaidoz (8), consistait k se jeter & terre, & mordre 
la terre et k faire Ie simulacre d'en manger l'herbe. Il en est question 
dans un poöme espagnol sur Ie Gid, et il est eneore pratiqué enAfghanistan 
et dans dlv«rses parties de l'Inde : il Ta étö cette année mème en Gache* 
mire par les Hunzas qui avaient combattu les troupes anglaises.... G'est 
un rite représentatif d'asservissement, oü Thomme asservi est ravalé au 
rang de bétail, rite identique, par Tintention, k celui des Romains quand 
ils faisaient passer 1'ennemi vaincu sous Ie joug»c'est-&-direrassimilaient 
è. une béte de labour ». 

Verwant met n* 28 en 29 is nog ons : Vóór iem, {plat) in 'tMnd liggen 
(voor iemand op zijnen buik kruipen, of eenvoudig : vóór iemand kruipen, 
om zijn gunst te verwerven). 

30. Tot de tanden gewapend zijn (Van top tot teen gewa- 
pend). Hgd. Bis an die Zahne bewaffnet sein. Eng. To be armed 
up to the teeih. Fr. Etre armé jusqu'aux dents. 

Niet ten onrechte wellicht ziet Prof. Vbb dam {Gesch,^, bl. 279), in deze 
spreekw. een herinnering aan het krijgsgewaad der middeleeuwsehe 
ridders, die van het hoofd tot de voeten in een ijzeren rusting gesloten 
zaten. Vgl. Gewapent tote in dogen sijn (Vbbdam, Mnl. Wdb., V, 43). In 
Hooft's NdL Historiën, 25, leest men : c Etlyken staaken, ten tanden toe^ 
in schulden », waar men thans zou schrijven, zegt Stobtt, tot over de 
ooren, en hij acht het mogelijk, dat men in navolging van deze of een 
dergelijke uitdrukking gezeid heeft tot de tanden gewapend zijn (Zie zijn 
ïï* 1870). 

(1) Zeer gebruikelijke spreekwijze uit het Land tan AaUt, 

(2) Verdam, Mnl. Wdb. IV. 1482. Het strijdperk werd soms ook met stroo 
bedekt. 

(3) Vieux Rite médical (Paris, 1892), bl. 83 en Mélusine, IX. 34. 



~ 17 — 

31. Gelaarsd en gespoord (Eig. met laarzen en sporen aan, 
dus geheel reisvaardig en gereed om te paard te stijgen, doch 
vooral in *t algemeen gez. voor : geheel gekleed en reisvaar- 
dig). YgL Gereed en gekleed. 

Dit c gestiefeU und gespornt » is, Tolgens Borgkarbt» n* 445» ook 
ontteend aan den ridder, het beeld van den van top tot teen gewapenden 
dappere, als hij gereed staat om zijn strijdros te bestijgen. Vgl. Té sporre 
6fi U zweerde rijden (Yan iem., die haastig ergens naar toe snelt, gelijk 
een ridder tegen den vijand. — Da Bo). 

33. Zijn sporen verdienen (In kunst of wetenschap, of in 
eenige grootsche, gevaarvolle onderneming bewijzen geven 
van hooge bekwaamheid of geschiktheid : Nansen heeft als 
noordpoolreiziger zijn sporen verdiend, en heeft zich zoo 
geadeld. Hgd. Sichdie Sporen verdienen.Fr.Gagnerseséperons. 

De (gouden) sporen waren een kenmerk van den adel, en de Jonker 
ontying die, als hij ridder werd geslagen ; doch ook door een heldenfeit op 
het slagveld, kon men zijn sporen verdienen. 

Hierbij mag ook gewezen worden op de uitdrukking spoönlags (in 
aller ijl). 

33. Iem. den handschoen toewerpen (Iem. ten strijde dagen, 
— een strijd met de pen of het woord). Den handschoen voor 
iem. opnemen (Zijn verdediging op zich nemen). Fr. Jeter Ie 
gant. Relever Ie gant. 

Een ridder den handschoen voor de voeten werpen, beteekende destijds 
hein uitdagen ten strijde. Het oprapen van den handschoen was den kamp 
aanvaarden. 

34. Met den handschoen trouwen (Huwen, bij afwezigheid 
van den bruidegom, met een vanwege dezen met volmacht 
bekleed persoon). 

Ongetwijfeld een herinnering aan het middeleeuwsch gebruik, om een 
bevoegdheid op iem. over te dragen, door hem zijn handschoen toe te 
^nden. Oorspr. zal dus de gevolmachtigde, tot waarteeken zijner bevoegd- 
heid, bij de huwelijksvoltrekking, werkelijk den handschoen van zijn 
lastgever hebben gedragen of hebben moeten toonen. De rechte beteekenis 
is thans echter vergeten, daar de spreekwijze opgevat wordt als staande 
tegenover c zonder den handschoen ■, dus als in strijd met het tegen- 
woordig gebruik, waarbij bruidegom en bruid elkander de ontbloote 
rechterhand geven. Vgl. In U halve harnas eene vrouw beslapen (Een vorm 
van middeleeuwsehe huwelijksvoltrekking bij volmacht). Vgl. Eng. To 
wed (a wmnan) wiih a bootless calf.{l) 

(1) Gbixm, Rechtsalterthümer, 154; Noordewibb, Ndd, Regtsoudheden, 
88; Ndl. Wdb* V. a009 vlg en3248; VsROiLif, Mnl. Wifó.i III. 13d vlg. 



— 48 — 

85. 'tb geen ialQe) om zonder handschoenen aan te tasten j of 
aan te pakken ('t Is een vinuig, een nijdig persoon, iem. die 
van zich afbijt, meestal gez. van kijfachtige, snibbige 
vrouwen, — ook : 't is een netelige zaak). Ndd. Dat is kên 
KaU sunder Hansken arUoféUen (Egk. 249) . 

Men zegt ook : 7 h geen kaije om MrnUr handeehoen (soms : zonder 
ijteren hand$ehoen) aan 1$ grijpen {Ndl, Wdb.). Dat laat zich, onzes 
dunkens, aldus yerklaren : Wie zoo*n persoon durft staan, of zich uit 
zoo*n netelige zaak weet te redden, moet handschoenen dragen, dat is, 
moet een flinke kerel zijn, want de ijzeren handschoen was oudtijds het 
zinnebeeld van den ridderstand. -^ Mogelijk beteekent de handschoen 
hier, dat er met zachtheid en omzichtigheid dient gehandeld. 

Stobtt wijst op Despars : Gheen eatten om zonder hanUchoen te vanghene 
(16« eeuw. — Z. zijn n» 939). 

86. Schildwacht. — Op schildwacht ataan. — Schilderen. 

Een schildwacht was oorspronkelijk een soldaat, op wacht met zijn 
$ehüd. Op waeht staan met het schild, d. i. met yolle wapenrusting, heette 
8ehildeten(l)» (Van oudsher « onderscheiden zich de verschillende Ger- 
maansche stammen door de eigenaardige kleuren hunner schilden. De 
Franken b. v. droegen in de 4« eeuw gele schilden met witten rand, de 
Friezen bruine, de Skandinaviërs in vredestijd witte, in oorlogstijd 
roode. Uit de onderlinge plaatsing der tinten ontstonden de wapenschil- 
den. ») (2) Nu er van het schild geeo sprake meer is, heet zoo'n soldaat 
nog schildwacht en waken wordt nog schilderen geheeten. Ook van eenen, 
die langen tijd vruchteloos op iemand heeft ge wacht, zegt men : Hij heeft 
daar lang (of *h weet niet hoelang) staan schilderen. 

87. Iemand in het [of den) schild varen(^). (Iemand aantasten, 
inzonderheid met woorden). 

Wanneer een ridder, met gevelde lans, op zijn tegenstander inrende» 
kwam het er vooral op aan, om hem op den helm, de borst of het schild te 
treffen, doch in de eerste plaats had men het op het schild gemunt. 

88. Iem. te (of met) schild en te (of met) speer vervolgen. 
(Iem. een doodelijken haat toedragen). 

39. Hebt gij het schild, ik heb de speer (Ik durf u staan. 
Ik ben tegen u opgewassen. De Vlamingen zeggen : ik kan 
mijnen man staan). 

40. Iets in het (of zijn) schild voeren (Een geheim oogmerk 

(1) J. Vbrgoullib, Btym. Wdb., d86. 

(3) Var Ddyl, Beschavingsgesch. van het Ndl. Volk, UU 

(8) Schild was vroeger m. 



- 19 - 

hebben. — Wees Toorzichtig met dien man : Wie weet ivat 
hij in xijn schild voert l)W, Hgd. Etwa$ im Schilde fOhren. 

ZolkB doelt op de oude wapenschilden. De ridder voerde daarin een 
blazoen, d. 1. een zinnebeeldige Toorstelling yan een of andere zaak, die 
hij mie kenmerk Toor zijn geslacht aannam. Werd een ridder, om gewich- 
tige redenen, yan zijn rang ontzet, dan werd zijn wapenschild aan den 
staart yan een paard door de straten gesleept. Vandaar zegt men nog : 
tt/n hlawoem(/i)beplekkei^, yoor: den adelstand schenden. 

41. Uit liefde voor den ridder , kust de vrouw den schildinaap. 

Fr. Pour ramour du chevalier, baise la femme Vécuyer. 

Herinnert ons, eenerzijds, aan den edelknaap, die eerst als « page » 
in dienst ging yan den ycrst of een baron, op 14-jarigen onderdom tot 
zijn ickildknaap (schildbewaarder) werd beyorderd, zijn meester dan in 
alles diende en bijstond, om 7 j« later zelf ridder geslagen te worden; 
— anderzijds, aan de bijzondere yronwenyereering, waardoor het ridder* 
wezen zich kenmerkte. In het steelupel droeg elke ridder een lint, strik 
of armband yan zijne dame, en yooral om hare toejuiching te bekomen, 
wilde hij zich in den kamp onderscheiden. 

42. lem. op het schildi^) verheffen. (Hem eervol tol 
aanvoerder eener beweging aanstellen). Hgd. Aufden Schild 
erheben. Fr. Elever qn. sur Ie pavois. 

Wijst op hetOudgermaansche gebruik den nieuwen vorst op het schild 
te plaatsen, en hem binnen den kring van het verzamelde volk, driemaal 
rond te dragen. Zelfs onze Boudewijn IX werd, bij zijn aanstelling tot 
Keizer van Eonstantinopel (in 1204), nog op het schild verheven. 

43. Grootseh (of hoog) in zijn wapen xijn (Trotsch zijn, als 
iem., die zich op zijn adel laat voorstaan). 

Doelt insgelijks (evenals n* 40, boven) op de oude wapenschilden, die 
eerst bloote klenren, en later velerlei figuren en zinnebeelden droegen, 
▲anvankelijk mochten die naar wiUekeur gewijzigd of door Andere ver- 
vangen worden; in later tijd werd het gekozen blazoen in elke adellijke 
familie erfelijk, en zoo ontstonden de stamwapens(4). Dat de hoogmoed 

(1) In dien laatsten vorm reeds bij c Gampen > (Ghêmune Ifuytsche 
Spreekw99rdtn„„. Oheprenttoe Campen, 1550). 

(2) Dat UoMOM zinspeelt op de gebruiken der ridderfeesten met hunne 
trompetten (Ondhgd. blasa) en afkondigingen met trompettengeschal (Fr. 
(/osoaner. Eng. Meson =s afkondiging, welke benamingen afgeleid zijn van 
*t Germ. Uaun). Vergoüllis, Etym. Wdb. 

(8) De oorspronkelijke beteekenis van schild als schutswapen vindt 
men nog terug In het vroeger zeer gebruikelijke : Tegen den dood i$ geen 
êchUd : Leef den delijk gij tlervem wilt. Vgl. ook : de Heer ie mijn gekild, 

(4) De wapenkunde of heraldieM is thans een ingewikkelde wetenschap. 



— 30 — 

Ivan zekere edellieden ook op een bijzondere wijze in hunne blazoenen 
\iitkwamp gaf aanleiding tot de behandelde spreekwijze. In 't Land van 
Aalst hoort men dagelijks : Hoog in de wapen9,.en laag van tiam of : Groot 
in de wapem en klein in den %ak (van min of meer geringe burgera, die eich 
door hun uiterlijk vertoon» heel wat hooger willen plaatsen dan ze wer- 
kelijk staan). Ook Ruttsn heeft : Hoog in de wapens »ij» =k trotsch, en 
Joos : Ze ttaan te hoog in de wapens. Stobtt wijst hier o. a. op Yondbl's 
Lucifer, vs. 870 : « Weest zoo trots en hoogh niet in uw wapen b. 

Hier volgen nog enkele spreekwoordelijke gezegden, waarin de volks- 
humor zich op de kap van een of andere streek, stad of ambacht, lucht 
geeft : a) Boog van moed, klein van goed. Een iwaard in de hand Is het wapen 
van Gelderland, — b) Het glas in da hand Was het wapen van Gelderland, — 
e) Het wapen van Brugge : een e%el in een leuningstoel(X). — d) Het wapen van 
Parijs : Vroeg groot, maar laat wijs, — e) Kleermakerswapen : drie luiien op 
een rood lapje (2). 

44. Er loopt [bij hem) eene streek (of streep) door (Het is 
niet pluis in zijn bovenkamer ; hij is niet wel wijs. — G. T., 
H. en V. D.). 

Zeer waarschij nlijk ontleend aan de oude heraldiek : een linkerschuin- 
streep door iemands stamwapen wees op bastaardij» en « dit word, 
volgens Tuinman, op ymands herssens toegepast, als daar aan wat 
hapert ». Vgl. Sen balk in %ijn wapen voeren, dat hetzelfde beteekent (balk 
= streep). Stobtt vergelijkt nog het 17^**eeuwsehe scheldwoord streep 
(= bastaard). Z. zijn n^ 140 en 1844. 

45. Ridder of meersman. Bij Harrbbomée : Ridder of mars- 
kramer {Alles of niets, d. i. rijk of arm; edelman of rondleur- 
der: — Gez. bij verschillende spelen; ook bij 't aanwenden 
van een doortastend geneesmiddel, en in 't alg. bij *t onder- 
nemen vaneen gevaarlijke zaak). 

Reeds Gokdthals heeft : Oft ridder oft meersman. 

Hier en daar, in den volksmond, verbasterd tot : ridder ofmeelr]s{2) — 
ridder of miSé In West-Vlaanderen, en op sommige plaatsen van Oost* 
Vlaanderen, luidt die zegswijze : Male of mantel, wat volkomen hetzelfde 
beteekent : male, maal ^ knapzak, mantel =s rijk overkleed (van een 
ridder b. v. — Zie Volkskunde, YII, 49-53. Vgl. Kop of letter, leeuw of letter^ 
kruis of munt; raak of stoof, raak (of stoof) of schijt (Ds Cogk-Tkirlingk, 
Kinderspel^ III, 71-78 en 150. 



(1) Zinspeelt op den bijnaam : iotten, dien men aan de Bruggelingen 
geeft. 

(2) Harreboxéb, II. 436. 

(8) Meers, mars (rugkorf), van het Middelnederl. merse, uit Latijn 
mercts, meerv. van mer^r =s koopwaar (YaRaoüLLn, Stym, Wdb,). 



— 21 — 

46. Wan en maagd (Iedereen zonder onderscheid. — De Bo 
en C T.). 'Man noch maagd (Niemand. — C.-V.). Man en maag 
oproepen (H.); man en maag te hulp roepen (V. D.). 

Blijkens het Mnl. man ende maeeh^ man{ne} ende mage, bij Mslib Stokb 
en anderen te vinden en oorspr. beteekénend : leenmannen en bloedver- 
wanten, is in deze allitereer ende nitdr. het wcord maagd ongetwijfeld een 
verbastering van maag, welke verbastering reeds in de 17* eeuw haar 
beslag had gekregen, zooals deze plaats uit Six van Ghandelxbr's Poety- 
bewijst : 

Dat arme jongske, eilaaci klaaght : 

« Mijn vaaderlief, och, och.' » en vraaght 

Aan man en maagd, waar vader bleef. 

De nitdr. herinnert aan *t leenrechtelij k gebruik, waarbij leenmannen 
en hun maagschap in zekere gevallen werden opgeroepen om hunne ver- 
plichtingen jegens den leenheer en het hoofd van hun geslacht na te 
komen (Zie nog Vbrdav, IV, 108S-1084). 

Naar aanleiding dezer vervorming (maag, maagd), zij nog gezegd, dat 
een soortgelijk verschijnsel zich te Denderleeuw en in de omstreek voor- 
doet voor het woord maag (e»tomac) : « ik heb pijn aan mijn maagd », 
boet het aldaar onveranderlijk. In dit laatste geval kan echter niet 
beweerd worden dat de vervorming een gevolg is van het verloren 
gaan der oorspr. beteekenis. 

47. Men zegt veel, daar de heer geen tienden van heeft. 
(Woorden zijn wind. Woorden zijn geen oorden). Veel 
vertellen, waar koster of pastoor geen ting (tiende) van trékt^ of 
heeft (IJdelen praat, leugens vertellen. — T. en R.). 

Wijst op de betaling der tienden, in voordeel van geestelijke en wereld- 
lijke heeren, — sedert de omwenteling van 1789 in Frankrijk afgeschaft. 
Slechts eenige jaren geleden, werd in Noord-Nederland de afkoop van 
tienden door de wet geregeld. Ook de Wasehe uitdr. tiendan geven, 
b. ▼. : « Dat hout aan de straat zal tienden geven » '(Daar zal door de 
dieven veel van gestolen worden. — Joos, 650), doelt op die middeleeuw- 
sehe belasting. 

Aan de groote macht der vroegere vorsten en adellijke heeren herinne- 
ren nog : ▲) J)e$ heeren (of : Des vanten) hand h %oo groot als U land; ook : 
Groote heeren (of : Koningen) hebben lange armen (1). — b) Heeren bidden is 



(1) Dat spreekw., reeds bij de oude Grieken en Romeinen te vinden, 
is over heel Europa verspreid. (Dr. Otto. Spriehwörter.,, der Bomer, 210 — 
en Bbinsb.-Düb., Sprichwörter der germ, u, rom, Spraehen, I, n* 717). 
Oudst bekende vormen in onze taal : Des vorsts hadt, is soe grodt alst l&dt, 
(Sartoriüs, Adagiorum Chiliades Tres, 1561; pr. II, n*45. Der heers hdden 
reieki in alle landen. Sbbvilius, Adagiorum Epitome, 1545). Is het boek van 



— 22 - 

gebiedên(l). — c) De %ofner is e«i sUëf e» de winter is eem keer : de leatsle wil 
%ien, wat de eerste gewenmen heeft (^), — d) Der heeren umde, der boeren 
boete (S), enz. 

48. Onzen Heer een vlassen baard aandoen (Den schijn- 
heilige spelen. — D. B. en J.). lem. een vlassen baard aandoen 
(Hem bedriegen. — Sgh.)» Bij wil onzen Heer een vlassen 
(strooien) baard aannaaien, maken (Grod door schijnheiligheid 
zoeken te bedriegen. — V. D.). Hgd. Einem ströhernen, 
flachsenen Bart drehen. 

Deze zegsw. werd yroeger veel gebruikt ; men vindt ze reeds bij Sbby., 
bij c Gampen i, bij Sabt., pr. VI, ld {Godt een vlassen baert wUlen aen 
maeken)f bij Fr. Goidthals (Onsen Heere eenen vlassenen baerd aensetten.^ 
Mbijbr» 91)» hil Grut.» Tuinman, enz.; ook Marnix gebmikt ie in zijn 
Byeneorf, G^Stuck, 8* cap. : « Ende bet en is niet wel moghelijck (soo als 
hy seydt) Gode eenen Tiassen baert te maken (4). > Heet ze in HoU. tbans 
verouderdy in Vlaanderen is ze nog springlevend. 

Waarschijnlijk is die zegsw. een vertaling van Fr. faire barbe de teuarre 
(otdepaille) d Dieu{=s se moquer de Dien); « eorruption probable, zeggen 
Hatzf.-Darkbst., de faire garbe (gerbe) de fonarre d Dieu = offrir pour la 
dtme une gerbe de paille au lieu d'une gerbe de blö. » De uitd. zou dus 
alleen in bet Fr. te verklaren zijn en moet van daar uit in het Ndl. zijn 
overgenomen, zegt Ndl. Wdb. Mon treft die zegsw. aan, o. a. bij RABB1.1.IS» 
L. I, ehap. U : (Gargantm) faisoit gerbe de feurre{5) aux dieux. » Dit /etife, 
foerre of fomarre bet. allerlei stroo, voederstroo, en is volgens Hatzf.- 
Darmkbt. ontleend aan Got. fodr, dat ook « veevoeder » schijnt beteekend 
te hebben; volgens Ybrg. echter is bunne bewering fodr = veevoeder 
ongegrond, doch er kan in 't Got. een woord bestaan hebben, beantwoor- 
dende aan ons wMier, Hgd. ^//er = veevoeder, en waaraan feurre zou 
ontleend zijn. Vgl. Fr. fourrage, fourrer, fourrier, enz. Zie nog Vebc, 
Ndl. Wdb. en Stobtt, n« 1414. 

49. Sint-AndrieSj papengewin en boerenverlies ('t Daghet, 
IV, 156). 



Sartorhts later verschenen, het handschrift schijnt ouder dan dat van 
Sbrvzlius. (Zie Dr. Sürinoar, Erasmus over NederL Spreekwoorden, 
Utrecht, 1878, bl. 194). 

(1) Reeds bij Sartorius. 

(2) Reeds bij « Gampen ■. 

(8) Evenzoo bij Sbrvilius reeds. Sartorius geeft : De onnoselebetaelt het 
lach (SuRiNOAR, 56.) Bij Sart.-Schbbv., ter. IV, 77, staat gelegh voor lach. 

(4) Uitg. van 1659 (Amsterdam), bl. I69b. 

(5) Uitg. van L. MoiiANd, Paris, Garnier, 1881, p. 25. In oudere uitg. 
staat fouarre. 



— 88 — 

Herinnert aan het oud gebraik, dat den boer yerplichtte op St. Andriea 
(80 NoY.) aan de kerkdienaars tienden te betalen. 

50. Heerendienst (Yei*plichte dienst ten behoeve van een, 
of van den heer — landsheer, leenheer, de overheid, den 
grondeigenaar, — bestaande in persoonlijken, lichamelijken 
arbeid). Mnl. herendienst; Hgd. Herrendienst en Frohndienst; 
Fr. Corvee. — lem. in heerendienst oproepen (Hem opeischen 
om kosteloos te komen arbeiden). Iets in heerendiest (laten) 
verridUen (Bij wijze van onbeloonde dienstprestatie. — 
Ndl. Wdb.). 

De Eneyel. v, Ned. Indië zegt i. v. : « Het protesteeren van diensten 
door den onderdaan, het yerleenen van zijn arbeid om niet, ten behoeve 
van zijn heer, van den meerdere die gezag heeft, van de overheid en ook 
ten behoeve van den gemeenschapp. kriog, i^aarin men wordt geboren en 
opgevoed, is een oud- Aziatisch evengoed als een oud-Europeesch gebruik. 
In Europa is dat gebruik door de tijdsomstandigheden langzamerhand 
verdwenen en komt het nog maar in enkele landen en dan nog veelal 
sporadisch voor; in Aziö is het tot op den huldigen dag heerscüende 
gebleven. * Men weet dat de heerendiensten ook in Belgisch Gongoland 
ingevoerd zij n(l). 

Heerendienst kan ook de beteek. hebben : dienstbetrekking bij een man 
van stand of aanzien, en aldus komt het voor bij C.-V.t in dit spreek w. : 
Heere(n)dien$ten %ifn geen erven^ met de verklaring : Heerenkneohten 
worden niet rijk; doch de ware beteek. van dit reeds uit het Mnl. goed 
bekende spreekw. : Herendienst en es gheen (of : Heeren hulde is ghien) ervê, 
is deze i Gunst van aanzienlijken houdt geen stand (Z. Vbrdax, III, 367 
en 617, en Dr. Bebts in Nedl. Wdb., VI, 858^9). 

51. Karwei (■■ 1. zwaar opgegeven werk, harde arbeid; 

2. werk, aangenomen werk; 3. plaats, waar gebouwd wordt: 
naar de harwei gaan; 4. (flg.) dat is een heele karwei «- dat is 
geen kinderspel ; dat zal een karwei wezen = dat zal moeite 
kosten; 5. karweitje; dat is een zoet karweitje => een voordeelig 
zaakje. — V. D.). — Bij Db Bo : kerweie, kraweie, kreweie 
= 1. onbeloonde, lichamelijke arbeid; 2. akkerwerk, verricht 
door een groep samen arbeidende menschen(vlaskerweie,aard' 
appeUcerweie), en eindigend met een gezellig feestmaal; 

3. plezierpartij, vreugdemaal ; 4. klein, doch winstaanbren- 

(1) Z. nog WiNKLBH Prins, Encycl,, VIII, 115 vlg.; Vak Duvl, BeeehS" 
vingsgeseh., 78 vlg. en Nicolaij, Hiit. des Croyanees, Usages et C&utumes, 
2« Éd. Paris (a. d.), III, 4SUi. 



— 34 — 

gend werk : een vet, een mager karweitje (In deze beteek. ook 
bekend aan Joos en G.-V.; deze laatsten onderscheiden 
eveneens : goeien kwai krawei); 5. schade, verlies. — Karwei, 
krawei (= 1. arbeid om niet; 2. zwaar, lastig werk. — 
Sgh., J. en A.). Bij G.-V. : koffiefeestje aan de buurmeisjes, 
bij 't betrekken van een nieuw huis. — Kraweienl^) (Gratis 
werken, meest ten voordeele der gemeente, b. v. voor het 
onderhouden van oude, of het aanleggen van nieuwe banen 
en wegenW, het bouwen van een nieuwe kerk» enz. — Alg.). 
Corretf — lastig, vermoeiend werk (C.-V,, J. en A.); ver- 
drietig, ondankbaar werk (V. D.). 

Karwei, Mnl. eorweie, eonoeidê, bij Kil. koreye, kraeyweue (van Fr. Corvee, 
en dit van Mlat. corvada), heeft denzelfden leenreehtel. oorsprong en 
dezelfde beteekenia als heerendiemt. Men bemerkt dat het Westvl. kerweie 
nagenoeg denzelfden ontwikkelingsgang vertoont als het Ndl. karwei, 
maar het begrip heeft er zich nog meer verruimd. — Z. nog de samen- 
stellingen van kerweie bij De Bo; ook Verdam, III, 1962 vig. 

52. Liever het water slaan, dati... b. v. kier zoo twee uren te 
$taan wachten (Spreekw. in Haspengoüw gebruikt, om het 
vervelende van 't lang wachten uit te drukken. — Rutten, 

273). . 

Doelt op een overoud gebruik, dat, zoo niet algemeen^ dan toeh op een 
aantal plaatsen in zwang was : éen bepaalden nacht in 't jaar — wanneer 
de heer in 't dorp overnachtte, of als hij trouwde, of wel na 't bevallen 
zijner gemalin, — moesten de hoorigen(3) het water in den vijver met 
roeden slaan, om 't gekwaak der.kikvorschen te beletten. Hgd. Die Frötehe 
itillên. Fr. Le sitenee det greMouillee. 

Uit de Haspengouwsche zegswijze mag men wel afleiden, dat bedoeld 
gebruik ook in onze gewesten heeft bestaan. 

Zie GBimc, RecMsalierth. 865 en Slokt, De Dieren, 340 vlg. 

58. De naaste in den graad. De oudste op de straat^ Mannen 
vóór vrouwen : Zullen 't leen behouën (of : Het naaste lijf. De 
titan vóór 't wijf. De oudste op de straat. Komt hel leen te baaJt). 

Vgl. Gats : Het leen is voor den oudste, Hei geld is voor den stoutste. 

K Dit spreekwoord, uit het leenrecht afkomstig, wijst de rechten in 

(1) Bij Joos ook karweien, 

(2) Dat karweien, aan gemeentewegen, heet in Brab. pionnieren (Scb.), 
en in de Kempen panieren (G.-V.). 

(8) Dat woord hoori$en (den heer behoorend) teekent de verhouding 
tussehen den onvrijen man en zijn heer. 



— 26 — 

opyolging aan ; waarbij allden is op te merken, dat straat is rij of re^t. 
De naaste graad van bloedverwantschap had het recht van opvolging; 
in den graad ging de oudste in de rij of reeks den jongere vóór, terwijl 
mannen vóór vrouwen erfden. De Hollanders gebruikten het spreek w., 
op de eerste wijie voorgesteld, terwijl de tweede uitdrukking in Gelder- 
land gebezigd werd » (Harrbbomée, I, 36). 

54. De doode hand (Een geestelijke stichting of corporatie 
als bezitter. Bij uitbr., later : een zedelijk lichaam als 
bezitter). — Hgd. Die todte Hand. Eng. Mortmain en Dead 
hands. Fr. Mainmorte. 

■ De doode hënd werd in de middeleeuwen ook wel dé geeetelüke hand 
genoemd; in tegenstelling daarmede heette het bezit van een wereldlijk 
persoon te zijn in de levende of wereldlijke hand. De benaming schijnt wel 
te zien op de onvererfbaarheid en onvervreemdbaarheid van de goederen 
en bezittingen der geestelijkheid, waardoor deze ten eeuwigen dage aan 
't levende verkeer zijn onttrokken. » (Ndl, Wdb.Y, 1776; z. ook Vbbdam, 
U, 299). Gaat oorspronkelijk terug, zegt Stobtt (n<» 683), op den staat 
der leenmannen, die beroofd bleven (zij en hunne nakomelingen) van het 
recht over hunne goederen te beschikken; degenen, die in dien staat 
verkeerden, noemde men lieden van der doder hant of later die dode hant. 
Een andere oude vorm van doode hand : het recht van inbezitneming door 
den heer van de roerende goederen zijns lijfeigenen, kinderloos overleden, 
en na den dood der langstlevende vrouw (Stallikrt, Glossarium, 1, 555; 
Hatzf.-Darmbst., II, 1445). . 



B) ÜIT HET KRIJGSWEZEN. 



55. Door de spitsroeden loopen (Zwaar gehekeld worden). 
Hgd. : Spieszruten laufen; durch die Gassen (of Piken) laufen. 
Fr. Passer par les baguettes, par les verges. Te Rijse] : Passer 
lespiques. Eng. Torunthegantlet. 

Soort yan geoBelsiraf, ondtijds op de soldaten (vooral op ylaehtelingen) 
toegepast, waarbij zij, met ontblooten rag» door een dnbbele rij met 
spitsroeden (1) gewapende makkfrs moesten loopen, zoodat het links en 
rechts slagen regende. 

Dat oude gebruik, benevens de zegswijze, is oyergebleyen in een alge- 
meen bekend kinderspel, dat in West- Vlaanderen keerikem branden of 
jartn, en elders put}e rollen, hoedjebal (Hgd. MütienbaH of Lochball; Fr. La 
balie au ffot), enz. wordt geheeten. Het bestaat, zegt Dk Bo, in een bal te 
rollen naar een rij van zooveel putjes of kuiltjes als er spelers zijn; elke 
speler heeft zijn putje, en bij in wiens putje de bal rolt, moet den bal 
nemen en werpen naar zijne makkers die vluchten; treft hij eenen. deze 
krijgt eenjaarken; zoo niet, de werper krijgt er zelf een (d. i. men legt een 
steentje of stukje hout in zijn putje of zijn muts). Hij, die het overeenge- 
komen getal Jaarkens heeft, moet de jaarkem verdragen (of: dekkers eten), 
d. i. met het aangezicht gekeerd aan een muur staan, opdat elke speel* 
maat, van zekerf^n afstand, zoo dikwijls naar hem werpe met den bal, 
als hij Jaarkens heeft. — Rondom Aalst en op tal van andere plaatsen, 
eindigt het spel aldQ8(2) : de kinderen plaatsen zich in een dubbele rij, en 
de verliezer moet er doorloopen; hierbij ontvangt hij van weerszijden 
flinke vuistslagen op den rag. Dat heet, althans in de dorpen benoorden 
Aalst : door de spUêen loopen. Daar zegt men nog : door de spiUen gaan^ 
wanneer iemand door een straat moet trekken» met een dubbele rij 
huizen bezet, van waar de bewoners hem nieuwsgierig aankijken en 
hun spot- en hekelzucht op hem bot vieren. Ook de Duitschers gebruiken 
hun Spienruten laufen in denzelfden zin (8), wat overeenkomt met de 

(1) Spitsroede =s dunpuntig rijshoutje. 
(d) Te Aalst zelf eindigt het aU in West-Ylaanderen . 
(3) BoRGHABDT, n* 1115. — Ook nog als men in gezelschap het mik- 
punt is van den spotlust der aanwezigen (Sghradbr, bl. 264). 



— 37 — 

bêtaekenis, die thans aan ons door de sjfiisroeden hopen wotdiioêgékeiüd. 
BIJ Db CoGK-TviKLiKCK^Kindenpel, III, 121-128, komen Toor deze spreek- 
I wijie een lange reeks synonieme uitdrukkingen voor, o. a. : Door de baflers 
loepen^ door do btigueitem, door de briU^ door de garden, door de kardom^en, 
door do kordon», door do roodjo», door den roffel, door de spinse, door do spitê{en), 
door de gpiUroeii)^ door de wijmkee, enz., enz. Hadr. Junios* NomencUUor 
(1602) geeft : Door de tpietsen jagen (bl. 206). 

56. Voor iem. in de bres springen, of Zich voor iem. in de 
bres stellen (Tot zijn verdecliging optreden, zich voor hem 
opofferen). 

Bres, uit het Fransehe brèche, zelf ontleend aan het Qerm. breken{l), is 
een opening door de aany al lende partij in een muur gemaakt, 't zij door 
den stormram, *t zij door geschut. De spreekw. beteekent dus eig. : zich 
Toor een ander op een gevaarlijke plaats stellen, waar die andere de wijk 
heeft moeten nemen* 

Vgl. Dei keefi een bre» in mijn beurg (oi financiën) geicholen. 

57. Dat is een kartouw in xijn beurs (Dat kost hem veel 
geld. Eig. : dat heeft een bres in zijn beurs geschoten, 
evenals een kartouw zou doen). 

KariouwenÏB de verouderde naam van kanonnen, die op 't einde der 
iSf eeuw in gebruik kwamen, en die voor 't eerst bestemd waren om 
er ijzeren kogels mee te schieten — c Gelijk Ndd. kartawe en Hgd. 
kartannef uit Mlat. eartunam (-a), een afleid, van Lat. quartüe, het rang* 
telw. van quatuor =s vier, — > omdat ze 25 pond schoot, d* i* 1/^ ▼an 
de grootste, 100 pond schietende kanonnen > (Ybrgoullib, Elym. Wdb.), 

Ygi. Vloeken als een kartouw, 

58. Laden (Een last op of in iets leggen; bevrachten) Een 
geweer laden. Hgd. Ein Gewehr laden. Fr. Charger un fusil. 

• Toen men voor 't eerst gebruik ging maken van buskruit, bezigde 
men bij voorkeur zwaar gesehut. 't Woord laden bleef in gebruik, ook 
al is bij het laden van een geweer of revolver van een • last » geen 
sprake » (Dr. Kollbwux, in Taal en Lelt, XI, 807). Hatzp.- Darm est. 
zeggen duidelijk: 6'Aafyer ss garnir d'un poids, d'une quantité déterminëe. 

59. Zich doorslaan (Letterl. zich een weg banen door den 
vijand; fig. zich op een uitstekende wijze uit een groote 
moeilijkheid weten te redden; veel en lastig werk verrich- 
ten : Bij heeft er zich ferm doorgeslagen, b. v. door een examen, 
door een opgelegde taak). 

Klimt waarschijnlijk op tot de oude wijze van vechten in den oorlog 
(vóór de uitvinding van het buskruit), toen persoonlijke kracht en 
persoonlijke dapperheid nog een overwegenden invloed hadden op den 

(1) YBBOODLLiB/^/ym. Wdb. i. v. 



• 38 — 

strijd ; toen een held of énkele onyersaagden zich soms letterlijk door den 
Yijand sloegen. 

60. Brandschatten (Bij een oorlog een gedwongene schatting 
opleggen, op straffe van plundering en brand). Hgd. brand- 
schatzen. 

Het woord « branttehêUung b gtaat in Daitschland bekend sedert 1350. 
Ofschoon een keizerlijke legerorde Tan 1570 het afpersen dier brandschat- 
ting Terbood, werd ze later nog meer dan* eens geheyen, en leeft ze thans, 
onder een zachteren yorm (in de requititU, d. i. de afvordering van levens- 
middelen Tan de bewoners eener streek, waar 't leger zich bevindt) nog 
immer voort. 

61. Brandbrief. Brandbrieven schrijven (Eig. een brief die 
met verwoesting door brand dreigt. — Oneig* brief, waarin 
men dringend of dreigend maant om betaling van verschul- 
digde gelden. Bij uitbr. ook : brief waarin men dringend 
zijn nood klaagt; alsmede : brief, waarmede men iem. 
schielijk opontbiedt). Hgd. Brandbrief. Fr. Lettre ineen- 
diaire. Eng. Incendiary letter. 

Nauw verwant met de voorgaande zegswijze, en daaruit voortge- 
vloeid. Kil. geeft : Brand-hritf, iiter<B incendiaHcR, litteroB indictionis 
incendi%{NdL\Vdb,, lil, 10^4). 

62. Te vuur en te zwaard (Een land te vuur en te zwaard 
verwoesten «■ er alles uitplunderen en moorden.) Bij Sahto- 
Riüs, quart. 36 : The vier endè the swaert ontsegghen = den 
oorlog verklaren, te vuur en te zwaard ; daaruit : met alle 
oorlogsgeweld bestrijden; thans : met geweld vernielen. 

De oorsprong daarvan ligt voor de hand. In de Hytturie van MeUgifs, 
naar den Antw. druk van 1556 (Bd. Kuiper, Leiden, 1903, bl. 52) luidt de 
uitdr. Te viert ende te moerde {onttegghen), Vgl. Pl^ntijn : Ten brandt en 
ten %ufaerdt dreigen. « Mtnacer d brusler et tuer b. (Ndl, Wdb, III, 1080). Par 
It fer et par Ie feu is een Fr. drama (van M. Bbrnhardtj, getrokken uit 
den roman van denzelfden naam, van H* Sibmkiewigz. 

68. De kogel is door de kerk (Er is niets meer aan te doen). 

't Is bekend dat in de mlddeleeuwsche tijden, en zelfs nog veel later, 
de geestelijkheid en de kerkelijke goederen vele voorrechten genoten. 
Langen tijd lieten de oorlogvoerende partijen de kerken en kloosters en 
hun eigendommen ongedeerd (I)» wanneer al 't overige werd verwoest en 

(1) Daardoor waren er velen, die hun goed aan de Kerk afstonden, 
mits er het vruchtgebruik van te behouden. Zoo genoten zij de bescher* 
ming der Kerk, en deden haar macht steeds toehemen. 



— 29 — 

afgebrand; eerst d&n, als er nieta meer overeind bleef^ konden die gebou- 
wen aan de benrt komen. 

Ygl. De geestelijke heeren hopen doorgaant vrijy of hoogttem in den drup, 
eU het op andere glagen regent (H^hreboméb, I, 294). 

64. Over de kling doen (of laten) springen. Over de Hing 
jagen (Vermoorden, geen kwartier geven. — C. ï.). Hgd. 
Einen über die Klinge springen lassen. 

Herinnert aan de tijden, toen moorden en branden niets ongewoons 
hadden en de krijgstaal daarmee in verband stond; werd iemand het 
hoofd afgehouwen, zoo deed men dit werkelijk over de kling (het lemmer) 
van het zwaard springen. Een wreede spotternij derhalve, een staaltje 
van oynieken humor, galgenhumor genoemd. Tot hetzelfde slag behooren : 
%y (de onthoofden) krijgen een roeden hoed, of een roeden halsband). De 
dieven kijken door een hennepenveneler (:= strop) (1). 

65. Lont ruiken, — in Vlaanderen : Lont rieken (Onraad 

vermoeden, de lucht van iets krijgen). Hgd. Lunte riechen. 

Vroeger, eer men vuursteenen of slaghoedjes kende, stak men met de 
brandende lont het kruit op de pan aan, en deed zoo vuurroer en kanon 
losbranden (en voor het grof geschut gebeurt dat nog zoo). De vuile geur, 
door het aangestoken touw (lont) in 't rond verspreid, kon dus als waar- 
schuwing tegen het dreigende gevaar dienen. Zoo is bedoelde spreekwijze 
ontstaan. Gansch ten onrechte, dunkt ons, zoekt Harrbboméb den oor- 
sprong er van in het leven van Bossu en de inneming van den Briel. 

66. Het is er Pruisischi^) (Er wordt gekrakeeld.) Het zal 

Pruisisch zijn (Het zal slecht afloopen, ge zult stokviseh Qten, 

d. i. slaag krijgen). 

Doelt wellicht op de al te strenge tucht, die in 't Pruisisch leger 
heerscht, en kan ook in verband staan met de handelwijze der Pruisische 
soldaten van 1814-1815, die, naar men zegt, hier te lande vrij ruw te werk 
gingen. 

67. De admiraal heeft geschoten (De gastheer heeft zijn glas 
opgenomen en daardoor het sein gegeven, om den maaltijd 
te beginnen). 

In een gevecht ter zee geeft het admiraalsehip door een schot het sein 
tot den aanval. 

68. De plaat poetsen (Aan den haal gaan, deserteeren; ook: 
wegblijven van het gevecht, en, bij uitbreiding : wegdruipen, 
om iets onaangenaams te ontwijken). 

Doelt hier op het kuischen der (borstjplaat (borstharnas). Een flauw- 

(1) G. Tuinman, Ndd. Spraekw. l, 381. 

(3) In Vlaanderen spreekt men uit : Pruieensch^ 



- 80 - 

hartige soldaat^ die zieh uit de yoet«n wilde maken» kon dat doen onder 
Toorwendsel Tan zijn pUat ie moeUn poeUen, Zoo ging « de plaat poetsen • 
later beteekenen « stil heengaan •. In denzelfden zin de piek iehuren. 

69. Schampavie spelen (Het hazenpad kiezen). Fr. escam- 
per, — prendre (de) la poudre d'escampetU (of d'etcampative). 

Ons tehampavie ia yerTormd nit het Fr. eteampative, een afleiding van 
eêcamper, uit het Ital. xe^mpare = Ylnchten. met 9 (Lat. ex = uit), een 
denominatief Tan camiios kamp (1). Das : uit het kamp ylnchten. 

Nu : kamp stamt uit het Middellatijn campum (-tw) (yan waar Fr. 
eamp en champ) = yeld» strijdperk» geTecht. legerplaats; het is met 
uitbreiding der beteekenis het Lat. camptM es Teld(l). 

Van c het kamp ontTlnchten » is de beteekenis thans geworden : een 
plaats ontyluchten, waar men zich aan iets onaangenaams yerwacht. 

70. Kampeni^), — 1) Vechten in een kamp, in een strijd- 
perk, tegen een tegenstander, of in het veld tegen den 
Tij and. — 2) Worstelen in een kampspel, om een uitge- 
loofden prijs, aanvankelijk een worstelen met het lichaam, 
waar spierkracht en bedrevenheid zegevieren, dan een 
wedijveren met den geest, waar verstand en toeval beslissen. 
(Vooral gezeid van de laatste overblijvende mededingers in 
het spelen om een prijs : kaatsspel, bolspel, enz. — of bij 
't opzeggen der Catechismuslessen voor den pastoor, in de 
kerk, om te weten wie de allereerste plaats of de betwiste 
plaats zal bekomen. — Zie De 60 : bekorten W. — 3] In het 
Land van Aalst : de kansen in een gevecht of wedstrijd 
nagenoeg gelijkstaan. Het zal kampen: de partijen wegen 
elkander op. Het kampt c nijg • : de strijd duurt met bijna 
gelijke kansen voort. — 4) De verschillende parten van iets 
dat zonder, meten of berekenen verdeeld wordt, ongeveer 
gelijk zijn in grootte of hoeveelheid. Als de moeder b. v. een 
hoeveelheid kersen onder haar kinderen verdeelt, en ze 
zonder te tellen in gelijke hoopjes legt, of als zij een eierkoek 
in stnkken snijdt, dan zeggen de kinderen^ na de hoopjes 



(1) Vbrgoullib, Btym. Wdb. L y. schampavie en kamp. 

(9) Kampen. Kamper. Kampveehten. Kampioen. KampreehUt. KampipeL 
Kampetrijd. KampplaaU. — Kemphaan : het eerste lid is de stam van kempen 
fes kampen, met e =s a Tan kamp = strijd (Vïbcoullib, Eiym. Yfdb.). 

(3) In dien zin is bekorten hier gansch onbekend. 



— 31 — . 

(of de stukken) vergeleken te hebben : Ja, 7 is goed, hei 
kampt dat H berst. (Dit dat 7 berst is een der vele wijzen om 
den superlatief aan te duiden, naar analogie van een uit- 
drukking waar het in eigenlijken zin. reeds superlatieve 
kracht had, als b. v. lachen dat men berst). 

71. Taptoe, — Dat (het) is taptoe (Signaal om de soldaten 
te waarschuwen. des avonds caar hunne tenten, kwartieren 
of kazernen te gaan.) 

Het woord taptoe (= tap toe) « üchijnt afgeleid te zijn van een gebruik 
uil vroegere tijden, toen de politie op een bepaald uur des avonds ifi 
de berbergen rondging om den tap (of kraan) der vaten te sluiten. » 
(Van Dale). 

Vandaar: het (dat) is /aploea het is genoeg; hierbij kan het blijven. 
In 't Land van Aalst hoort men b. v. een vader tot zijn zoon zeggen, 
als ze des Zondags samen uitgaan : Jongen, 't wordt tijd om naar huis 
te gaan ; nog een herberg, en daarmee taptoe, — Ook wel bij vrienden 
onder elkander. 

72. Zoo helder (of zoo schoon) als een brand (Zeer zuiver en 
schoon; inzonderheid van een vrouw of jonge dochter, die 
er helder en glunder uitziet, die zeer zindelijk gekleed is). 

Brand is hier gebruikt in de geheel verouderde beteekenis van zwaard, 
en is oorspronkelijk hetzelfde woord als brand (brandend stuk hont); 
meer bepaaldelijk in de beteekenis van de kling, het lemmer, waar- 
schijnlijk naar het flikkeren van *t blanke staal in het zonneUcht. 
Vandaar ook bet verouderde Fr. 6rafi(i= groot slagzwaard der middel- 
eeuwsche ridders; en het Fr. brandirss (het zwaard) zwaaien(l). 

Vgl. de samenst. : brandhelder, hrandnUuw, brandschoon, 

78. Een brander aan boord krijgen (Het heel kwaad krijgen). 
Hottd af, het is een brander (Heb geen gemeenschap met hem, 
hij is gevaarlijk). — Van personen gezeid, schijnt het me 
soms te beteekenen : ketterbrander, inquisiteur. 

De branden — thans vervangen door torpedo** — speelden eertijds in 
het krijgswezen ter zee, vooral in de 17« eeuw, een groote rol. Het waren 
vaartuigen, meestal er uitziende als koopvaardijschepen, geladen met 
allerlei brandbare stoffen, en eigenlijk bestemd om zich aan de vijande- 
Ujke vloot te gaan vastklampen en dan door een lont in brand gestoken té 
worden. Na het aansteken der brandbare massa, moest de manschap» die 
zich in 't achterdeel bevond, in de boot of zwemmende trachten te ont« 
snappen. Men herinnere zich vooral de branders in de belegering van 

(1) Brandir Npee is dus in den grond een pleonasmSé 



_ 32 — 

Antwerpen (door Alex. Farnese) gebmikt» om de brag der Spanjaards 
over ^e Scbelde te yernielen. 

74. Iets van zijne geeren schudden (Iets van zijn rug schud- 
den, d. i. zich niet aantrekken : c Hij had zich met die zaak 
belast en zocht ze nu van zijne geeren te schudden >. De 6o). 
leis aan iemands geeren laten (Hem de zorg en de verantwoor- 
delijkheid van iets overlaten : < Bemoei u met die zaak niet^ 
men zou ze aan uwe geeren laten »• — De Bo). 

Geer, in den zin yan een naar boven spits uitloopenden lap of strook, 
waarmede men een kleedingstuk verwijdt, is bij onze vrouwen algemeen 
bekend : dat hemd is onder de armsgaten te nauw; zet er geeren in. 
Rokken met geeren gemaakt(l). 

Het woord is ontleend aan de oude geer, d* i. de werpspiets, het wapen 
waarmee onze voorvaderen tegen de Romeinen vochten ; in die beteekenis 
nog voortlevend in aalgeer (2) (in Holl. vervormd tot elger, aalelger, — in 
West-VIaanderen tot ei/«Accr, ettwr) = aal- of palingsteker, en harpoen. 
Eveneens in navegear (navegaar, avegeer, avegaar) = geer, om naven of 
navegaten te maken, naaf boor : lem, met een avegaar door den neus boren 
(hem zwaar beleedigen). — Zoo sprak men eertijds ook van geermagen, 
Bpeermagen, siifMrifmtf^eiiss verwanten van de mannelijke zijde; en 
tpiUemagen, konkelmagen^ van den kant der vrouw. 

Uit die overoude beteekenis ontstond deze : geer ss een voorwerp in den 
vorm overeenkomende met het driehoekige, spitsgepunte ijzer van een 
geer of werpspiets, en zoo werd het woord toegepast op verschillende 
voorwerpen, die hetzij een wigvormige gedaante, hetzij een sehuinscbe 
of soheeve richting hadden (8). 

75. Ywr de pinne komen (Te voorschijn komen, zich ver- 
toonen, b. v. : Hij moet voor de pinne komen, want ik heb 
met hem een eitje te pellen. Hij durft met zijn lieQe niet 
voor de pinne komen, misschien, omdat ze te leelijk is. — 
Ook van zaken gezeid : 'k Ben dat mes verleden jaar eens 
kwijtgeraakt, en 't is sedert nooit meer voor de pinne geko- 
men. Hij durft met zijn voorstel niet voor de pinne komen). 

(1) Db Bo {\9estvl. Idioi,) generaliseert al te veel, waar hij beweert 
dat men in 't Land van Aalst zegt : Geerde mv. geerden. Tusschen Ninove 
en Geertsbergen, zegt men geerd, doch mv. geeren, maar ten N. en ten O. 
Tan Aalst hoorde ik nooit anders dan geer, guren. 

(2) Zouden de oude plaatsnamen Aalgeere en Aalgeertmeerseh uit de 
gemeente Herzele (zie Da Pottbr en Brobgkabrt, Ge$eh. v. Ikndê^ 
bl. 2-8) door hun vorm wellicht wijzen op geer = werpspies? 

(8) Zie Ndl. Wdb„ I. 20-21 en IV, 689. l^oquela, IV. 28-28. D« Bo, i. v. 
geer en etlekeer, NoordbwibRi 42 en Vbrooüllib, Etym. Wdb^ 



- 88 - 

Aldus van algemeen gebruik in geheel of bijna geheel 
Oost- Vlaanderen. Volgens De Bo echter, heeft men daarmee, 
in West-Vlaanderen, steeds een rechtbank op het oog : 
Voor de pinne brengen of komen^ d. 1. vóor de rechtbank, 
fr. appeler, eomparaUre d la barre. Bij uitbreiding ook gezeid 
van het tribunaal der openbare opinie, der ouders en 
meesters en andere overheden. — En dat wordt mij beves- 
tigd in een persoonlijk schrijven van den heer Güido 
Gezelle, die zegt : • Ik hoore hier : Ik zal u doen voor de 
pinne komen, en Ik zal u doen komen daar ge niet geren en komt * . 
— Evenzoo in Haspengouw^ : Voor de pinnen komen, vóor 
't gerecht (z. Rutten, Idioticon). Bij Tuerlinckx (in 't Hage- 
land) komt de spreekv^rijze niet voor. 

Bij ScHüERM., Corn.-Vervl. en Joos heeft Voor de pi7ine(n) 
komen^ brengen de dubbele beteekenis : aj Vóor 't gerecht 
verschijnen of doen verschijnen; b) te voorschijn komen of 
halen (buiten 't gerecht). 

't Is vrij zonderling dat wij hier, tusschen West- 
Vlaanderen en Haspengouw wonend, de spreekwijze in 
dien zin niet kennen. lem. vóor 't gerecht dagen, zou hier 
b. V. luiden : « iem. voor de barre^n) brengen, of : doen 
komen >. 

steunende op die beteekenis der spreekwijze», acht de heer Güido 
Gbzkllb, de volgende verklaring niet onaannemelijk — ik ontleen ze 
aan Loquela, l, 17 en aan een persoonlijk sehrijveD : In Ed. De Dene'ê 
TestarMnl of Langen Auieu (in handschrift) staat : « Voor fien droomttok 
klaeghen 9, met den zin: \óor 't gerecht gaan. En nog heden kent men 
droomitok{l) = balie {la barre du tribunal). Nu, in 't lepersche is de 
droomstok : a) een gescherpte stok of lat, korter gezeid, een pin, die de 
balie van het « hofgat » schoort (2) — b) die bali» of sluitboom zelf; — 
e) de balie der rechtbank. Besluit : droomêlok ss. pinne, en : voor de pinne 
brengen, of: doen komen = voor den droomstok doen komen, d. 1. vóor 
't gereeht. 

Mijn vriend A. Van Werveke, de Gentsche oudheidkenner, doet de 
spreekwijze opklimmen tot de middeleeuwen; zijn verklaring strookt 



(1) Droomitok (klemtoon op droom), met lange zuivere o, van dromen, 
drummen, drommen = dringen. 

(2) Zoo'n balie eener pachthoeve heet rondom Aalst : draaiboom. 

8 



— 34 — 

beter met de beteekenis der zegswijze in OosUVlaanderen en komt mij 
aannemelijker voor. Hij schrijft mij wat volgt : Kom voor de pinnen = 
Laat u (of een voorwerp, datgi] liebt) zien. — Piii(fien) (Lat. pinnaé) werd 
in de middeleen wen gebruikt voor tinnen = kanteeien van den muur eens 
burgs. Men kwam iemand spreken « toten tinnen. » (Dr. Jan tb Winkbl, 
Hei Kasteel in de 13* eeuw). Het schijnt mij geen twijfel te lijden of Kom 
voor de pinnen = Laat u zien, door aan de pinnen of tinnen te verschijnen. 

76. Iemand iets op zijn salaat geven (Hem wat op den kop 
geven). 

Vroeger, zegt Bildbrdljk, in zijn Verhandeling over de geilücfitent 
c hield men dit salaat voor een eten, en verwisselde de uitdrukking met 
iem. iets op »ijn brood geven. Doch, ten onrechte. De salaat, bij Kiliaax 
salëde, cassis, was oudtijds een helm, {*elata in 't Spaansch), en het is, 
iemand wat op den helm — dat is op den kop ^ geven. » 

Ik acht op ujn talaad analoog met op si/n brood, In Oost- en West-Vlaan- 
deren, ook in Haspengouw (z. Ruttbn) luidt echter de uitdr. : tem. «u'n 
$ala(de) geven (hekelen); een $ala krijgen; hij heeft een sala gehad (een heke- 
ling). Vgl. iem. %ijn saus geven; iem. %ijn erwten (of %ijn haver) gevent in 
Vlaanderen bijna algemeen bekend. Vgl. ook : iem, een papje koken, un 
kool stoven-, met iem. een eitje te pellen (of een appeltje te schillen) 
hebbenfOüz. (Zie Stobtt, n*« 108, 182, 1979). 

77. Met *nen helm (of : met den helm) geboren zijn (Een 
gelukskind zijn. Ook, de gave ontvangen hebben om 
rampen, b. v. sterfgevallen, vooruit te zien aankomen). Fr. 
Etre né coiffé. 

De Duitschers heeten zulke kinderen Kaputenkinder of Glückspil%en . 
Helm, waaruit Fr. healme, lieatsme, doelt hier op het vlies, dat bij de 
geboorte het hoofd van sommige kinderen omgeeft en wier vorm herin- 
nert aan den ouden ritiiferAe/m : metalen of met metaal beslagen hoofd- 
deksel, dat het gansche hoofd en den hals omgaf. Z. verder onze 
Spreek w. op volksgeloof berustend, 

78. Cadee (In 't Fr. cadet. — Een schuimwoord, zegt 
Loquela, XIV, 34, dat bij de Walen en in West- Vlaanderen 
drek, stercns, beteekent : t Let op, of ge terdt in ne cadee »)• 
Bij ScHUERM., RarTEN, Gorn.-Vbrvl. en Joos is cadee = 
iem. die in 't goede of in 't kwade uitmunt. Bij Hutten ook 
nog « lekkere spijs of drank » : die wijn is cadé. Rondom 
Aalst heeft cadee, alleen gebruikt, steeds een ongunstige 
beteekenis : cadee van wijn — slechte wijn. 7 Zal een cadee 
worden — 't zal een erge of slechte kerel worden. Heeft men 
niets kwaads in den zin, dan voegt men er een epitheton bij; 
b. V. dat zal een felle (of sterle) cadee worden. 



— 35 — 

Zelfs de uitdrukking : dat is andere cadee (gezeid b. v. van 
wijn, tabak, enz ) dient in een gunstigen zin verslaan. Doch 
men zegt ook : 't Is ne slechte cadee; 't ü ne vieze cadeé. 

Ook met de beteekenis van drek^ wordt het woord hier 
gebruikt, hoewel het dan vaak vervangen wordt door 
gendarme, sjampetter, schildwacht^ enz. 

OnB cadee, in alle beteekeni^sen, iB stellig het Fr. cadet. Nu, cadet (1), in 
't ProvenQaalsch captet, ^an eeput hoofd, beduidt hoofdeken, hoofdje, 
hoofd naasl het hoofd; en 't woord beteekent, in 't hedendaagsch Fransch, 
de zoon naast den oudsten zoon, die vroeger het hoofd der maagschap 
wa8(2). Het schijnt dat die tweede zoons, le$ cadett, meest tot den krijgs- 
dienst bestemd waren; vandaar bij Kramers : Cadet, élève d*une école 
militaire, aspirant de marine; en « Gadeitenschool, école mililaire », zooals 
hier, te Aalst, algemeen gezeid wordt, 't Is evenzoo in 't Engelsch. 

Daarmede staan onze uitdrukk. c ne felle cadee, ne vieze cadee » •— en de 
Haspengouwsche c Dat is ne cadee in 't schilderen i, enz. waarschijnlijk 
in Terband. 

En zou de verklaring van catfee = drek, niet te zoeken zijn in het feit, 
dat de Vlamingen de Franschen zoo weinig in hun liart dragen en zoo 
gaarne met hen spotten? Zoo denkt toch Loquela ; vandaar : het woord dat 
bij den krijgshaftigen Zuiderbuur voor iets voortreffelijke, uitmuntende 
geldt, dient bij ons om 't laagste en 't vuilste 'nen naam te geven. — Een 
c cadee » tegen een muur doet denken aan een soldaat op schildwacht of 
een agent op post; vandaar uitdr. als schildwacht, sjampetter, enz. (ook 
Fr. sentinelie, factionnaire, excrement Ie long d'un mur). 

79. Al zijn pijlen zijn verschoten (Hij weet niets meer te 
zeggen). Nog andere pijlen in zijn hoker hebben (Nog een 
ander middel weten). Meer dan éen pijl op zijn boog hebben 
(vroeger ook wel : tot d. i. voor zijn boog = verschillende 
middelen hebben om zijn doel te t beschieten », gewoonlijk : 
om iem. te overreden of te overtuigen). De boog kan niet altijd 
gespannen zijn(Op inspanning moet ontspanning volgen), enz. 
Reeds bij A. Bijns, {Nieuwe Refereinen) : Den boghe en mach 
altiit niet gespannen staen, — en Hooft (Brieven) : lek heb noch 
eenen anderen pijl op mijnen boog (Z. Stoett, n°» 258-259 en 
Ndl. Wdb. III, 387). 

(1) HARRBBOMia heeft, i. v. Kadei : Wel zeker ben je een kadet; je 
modrs aars bestond uit twee kwartieren. 

(2) Men denke aan *t spreekwoord : Het hen is voor den oudste, het geld is 
poar dem sêfmtste (Gats). Zie boven, ons n' 53. 



- 36^— 

Dergelijke spreekwijzen herinDeren aan den tijd, toen pijl en boog 
nog in den oorlog werden gebruikt. 

80. lem. den voet op den nek zetten (Bij Kramers : Tenir Ie 

piedsur la gorge è^qq.,le traiter durement, Ie maltraiter). Hgd. 

Einem den Fusó aufden Nacken oder die Britst setzen. 

Zooals wij boven (n' 59; reeds zeiden, hing oudtijds veel meer dan 
thans, de uitslag van een gevecht af van de lichaamskracht en de 
persooulijke dapperheid der strijders. De overwinnaar wierp den over- 
wonneling ter aarde, en zette hem den voet op nek of borst (1). — naar 
den val natuurlijk. Zoo gaf de overwinnaar te kennen, dat de neerlig- 
gende voortaan zijn slaal was. Hieruit ontstond onze spreekwijze. Stoett 
(Q* 2080) wijst hier op Juiua, X. 22-24 : « Ende hy seyde tot de overste des 
krijchsvolcxy die met hem getogen waren : Treedt toe, sett uwe voeteii op 
de halsen deser Coningen : eude sy traden toe, ende setlcn hare voeten 
•op nare halsen.» Vgi. '/ Valt allemaul op mijnen nek (Ik alleen heb den 
last te dragen} en : Ze ntten altijd allemaal op mijnen nek (Ik heb altijd 
— van allemaal — te lijden), — twee veelgebruikte, Vlaamsche zegs- 
wijzen. Vgl. ook de in heel Vlaanderen bekende uitdrukk. lem. 
in den nek ichuppen (lem. Ijeschimpen, onder deu schijn van hem te 
vleien), en *ick in den nek laten sekuppen (zich laten beschimpen), — 
De £o voegt er bij : door iem. die u moest eerbied en achting bewijzen, 
een beperking, die vcor 't Land van Aalst wegvali. 

81. Een schobbejak{EGn deugniet, een schurk, een schooier). 

« De eigenl. beteekenis van het woord is : jak van (ijzeren) schoböen 
ol schubben, dat de geringe krijgslieden vroeger iu den strijd droegen; 
later duidde men er den krijgsman zelf door aan, en kreeg het lang- 
zamerhand zijn tegenwoordige ongunstige beteekenis. «(Aldus Van Dalb 
en evenzoo Laurillajio, Vlechtwerk, 218). 

Doch, meer gezaghebbende mannen, ais Prof. Vbrgoullib en na hem 
ook Joh. Frangk (Etym, Wdb,), verwerpen die verklaring : het eerste 
lid is dlal. hcUobben^s^ zich krabben ; bet tweede beteekent persoon; dus : 
een jak (= persoon), di€ iich schobt (= krabt), als een schooier doen zou. 

Dat een woord tevens een kleedingstuk en een persoon kan aanduiden, 
bewijst o. a. het woord kerel; ook schobbejak zelf duidt te Antwerpen een 
kort kleed aan, dat de arbeiders dragen in het lossen der schepen (Rond 
den üeerd, Ui. 93}. tL,u tekort (voorschoot) beteekent in eenige dorpen, 
benoorden Aalst, ook deugniet. Vgl. Waar broeken iijn^ moeten de rokken 
%wijgen. 

Andere verklaringen kan men vinden bij Stoett, n» 1707 en in Taal 
eiiLeU.XI.285. 

sa. Met spek schieten (Grootspreken, liegen). 
Verscheidene geleerden (Wxnsghootkn, Tuinman, Van L£nnbp, enz.) 



(1) NooRDBwisR, 35, bevestigt niet, ^ Sghradbr, 275, daarentegen 
wel. 



— 37 — 

zoeken den oorsprong dier spreekwijze in de vroegere gewoODte om met 
spek schepen in brand te schieten : de daardoor voortgebrachte stank 
was even onaangenaam als de leugentaal van blufTers, redeneerde men. 
Het verband is echter wat ver gezocht. Dr. A. db Jager en HARRBBOMiB 
achten het niet onaannemelijk wat Bilderdijk zpgt, in zijn Aanteekenin- 
gen op Hdtobits, VI. 136, dat spek « voor logens waar men zijn reden mee. 
lardeert • genomien werd. c Hier van zei men ook mei spek schieten 
('t geen, letterlijk genomen, in den oorlog tegen het Recht der Volken 
strijdt) voor iiegen. Ook riep men den Spanjaards spek na om hun opge- 
blazen liegen. » Spek = Spanjaard is vertaling van Sp. marroiio s=- var- 
ken, varkensvleesch» dat bij de Spanjaards een scheldwoord was 
joor de Jodeq. 

Prof. Ybrcoüllib, in een aan mij gericht' schrijven, denkt er anders 
ofer, zonder evenwei iets te durven bevestigen : Met spek schieten doet 
denken aan : mei ten worst naar een Ujde npek gooien{i)f of lieyer aan : 
met een worst naar een schonk gooien, d. i. het helere opoiTeren om het 
mindere te verkrijgen (het eerste beteekent het tegenovergestelde), — en 
meest nog aan : ld on vous pense* ^tt't/ y ait du lêrd, il n'y a pas mime de 
cheville, — en de beteekenis schijnt me te zijn, tets kostelijke weggooien 
om te doen gelooven dat men rijk is. 

Dus liegen, zooals snoevers en grootsprekers doen, met het doel om 
zichzelf te verheffen. 



Tal van spreekwoorden en zegswijzen, aan 't krijgswezen ontleend, 
blijven hier onbesproken, omdat er geen verouderde gebruiken aan ten 
grondslag liggen; ik noem, b. v. : a) !em. een hart onder d^n riem steken 
(lijn moed verlevendigen, hem moed inspreken; ook wel geschreven, 
volgens sommigen verkeerdelijk : tem. een riem onder hel hart steken). Bij 
Sart. ter. III, 38 : Üaer steeckl ghy my *t hert weder onder den riem. De 
2« vorm is de echte, zooals blijkt door S^^rtorius* t en weder. De beteeke- 
nis is immers : iemands hart door d'n riem tegenhouden, om te beletten 
dat het in zijn schoenen sinke(2). Prof. Vbroam echter (Gesoh.\ bl. 167) 
houdt c een hart onder den riem steken • voor den oudsten vorm, steunend 
0. a. op « een nieu herte int lijf spreken • (Marnlx), en « een hart 
in den boezem steken • (Vondbl). Ontleend aan den krijgsman, die 
een lederen riem of gordel om zijn middel draagt. ^ b) een « verklaard • 
pijand of tegenstander van iets (eig. een vijand aan wien met de gebruike- 
lijke vormen de vrede opgezegd of de oorlog verklaard is. — Vbrdam, 
Gesch.*, 379). — c) het zwaard in de seheede steken; ^ d) honger is een scherp 



(1) Ook bij de Duitschers : Die Wurst nach der Speckseite werf en (Boii- 
GHABDT, n« 1258). 

(2) Uit een persoonlijk schrijven van Prof. Vergoullib. Zie Ml. Wdb. 
VI. 11-12 en Stobtt, n« 725. 



— 88 — 

iwaard; — e) als U op de pwU van den degen komi(\) (op 't beslissend 
oogeDblik, als 't er op aankomt zich man te toonen); — f) ep verloren iekUd' 
wacht êiaan; ^ g) hif heeft een geheugen als een kanonskogel en een keelgai 
als een bomketel (bij Sart. sec. X. 83 : hij heeft een garnaett memory =s 
geen geheugen (ook Id OostcDde, doeh men begrijpt : garnaal); — h) hij 
heeft de kanon nenkoor Is; — 1) hij heeft het poer (buskruit) niet uitgevonden; 
— J) ^^i» po^f f^aar de musschen verschieten; — k) de bom is er uit gesprongen 
(bet. hier : de y rouw is van een kind bevallen) ; — 1) groote parade en 
klein garnizoen; — m) oude paarden faagt men achter de schans. 

(1) Spreekw. uit het land van Aalst; bet w. punt wordt daarin onz« 
gemaakt, zoo dat men elgenl. zegt : ai U op 't punt van den degen komt. 



Q UIT HET GILDEWEZEN. 



88. Hij is in het vrijersgildW (Hij is verloofd). Het groote 
güd (De gehuwden); hij is nu ook in 't groote gild^ of : in onzer 
vrouwengilde (Hij is nu ook getrouwd). Mayineti in 't gild (te 
weten der vrouwen = Een vreemde eend in de bijl). 

Gild, gilde(l), gulde, afgeleid van den praesensstam van gelden^ mêt de 
beteekenis « geldelijke bijdrage, gemeenschappelijke maaltijd, genoot- 
schap» belasting » (Vbrgoullib). Voor de oudheid, de beteekenis en de 
. yerschillende loorten van gilden, zie men o. a. het NdL Wdb, IV. Herinne- 
ringen aan die verouderde gilden, door de Franschen in 1791 bepaald 
afgeschaft, yindt men nog in heel Vlaanderen. Zoo bestaan in 't Land van 
Aalst nog gilden van St-Sebastiaan en St-Joris (yereenigingen van 
handboogschutters) ; ook geestelijke broederschappen, b. v. de gilde van 
Si-Antonius (te Herdersem), waar nog steeds gesproken wordt van de 
gildebroerz (2), den deken van de gilde, de gildemis en het gildebier. 

In den uitgebreideren zin van : kring yan personen, die voor elkanders 
genooten kunnen doorgaan, wordt het woord hier eveneens gehoord : 
^t; ^ van on%e gilde. Een van de ^uipert'Ofdronkaardigiide. Hieruit ontston- 
den ook de boven gemelde zegswijzen, die gedeeltelijk in Zuid-Nederland 
thuis hooren. 

84. De gildos wordt omgeleid (Het is feest, het is c boter 
tot den boom ». — In N.-Nedl.). Ook : belderom. 

Os of rund, dat eertijds voor rekening van een gilde vetgemest en op den 
gildemaaltijd gegeten werd, nadat het, met bloemen en linten opgeschikt, 
was omgeleid. Bij ui tbr. : een bijzonder vet slachtbeest, dat door den 
■lager versierd werd rondgevoerd. Vgl. ons tegenwoordig : paaschoi en 
kemUtbeest. 

85. 't Vaandel draaien (De ontrolde vaan bevallig heen en 

(1) Hier (Denderleeuw, Aalst en omstr.) altijd gilde en vr. 

(2) De gildebroers worden gedagvaard voor de gildemis, en voor 't afdrinken 
y^Ln'igüdebier, 



— 40 — 

weer zwaaien). Te gaar (of met iem.) het vaandel draaien (Te 
gaar of met ieinancL overeenkomen). 

Sommige yaandeldragers der geestelijke gilden (o. a. in mijne jeugd te 
Herdereem) zijn er trotsch op de ontroide gildeyaan kunstig heen en weer, 
open neer te kunnen bewegen, en zelfs onder het opgeheven been door te 
steken. Als er in West-Viaanderen, zegt Loqueïa, lY. 85, yanweg» twee 
gilden een bruiloft ingehaald wordt, gaan er twee vaandels aan het hoofd 
van den tocht, en het betaamt dat ze alle twee gelijkmatig gezwaaid en 
gedraald worden. Uit die eigenl. beteekenis, epruit de oneigenlijke, die 
elk verstaan zal, b. v. in : de secretaris en kan maar kwalijk het vendel 
draaien met den burgemeester; ze'n draaien 7 vendel niet wel meer te gaar 
(Aldus rondom Kortrijk). 

86. Steek* je in gulden (= gilden). 

Je steekje in schulden {Loquela XIII^ 27). 

(Het lidmaatschap van een of meer gilden, leidt tot geld 
verteren en schulden maken). Vroeger : gilde ^^^ doorbrenger, 
drinkebroer, zwierbol; b. v. in dezegsw. de gilde spelen = 
den gebraden haan uithangen, faire Ie bon compagnon. Ook 
nog : gilde =^ lichte vrouw; thans nog over in West-Vlaan- 
deren, in minder ongunstige opvatting : gilde = dante, 
wereldsch vrouwspersoon, modepop ; fc^rm*sj//d^ =» kermis- 
pop; dochter, die opgesmukt naar de kermis gaat (De Bo). 

Eertijds — en thans nog hier en daar, — bestonden er o. a. ook 
buurgilden tot onderhouding van goede gebuurschap, vooral door de jaar- 
lijksche « buurmalen »; verder narren-, gekken-, vatlelavondtgilden, drinkge- 
zelschappen van mannen of vrouwen met het doel om gezamenlijk feest te 
vieren, Inzonderheid op vastelavond of op kermis.— * Op die Gildenmaal- 
tijden en alle anderen, wiBrdt in den ouden tijd straf gedronken, en meer 
danoverdaadig, zoodat een liefhebber van zulke bijeenkomsten den naam 
van Gilde, dat is van doorbrenger, slempemper, brasser, dronkaart weg- 
droeg »(1). Vgl. nog : Rederijkers, kannekijkers. — Daardoor is men geneigd 
aan te nemen, dat de beteekenis van gild = drinkebroer, doorbrenger, 
ontstaan is öf uit de oorspronkel. beteekenis van 9tM = inleg, gelag, öf 
wel uit de beteekenis : glldebroeder, toen in een lateren tijd de gildemaal- 
tijden in zwelgpartijen ontaardden. Toch blijft de verwantschap tusschen 
beide woorden twijfelachtig; misschien is gilde (drinkebroer) hetzelfde 
woord als gild (drinkgezelschap), zóó dat, evenals bij raad, vroedschap, 
manschap, de collectieve beteekenis zou zijn overgegaan in die van deii 
enkeling (Zie Ndl. Wdb. lY. 2365). 

(1) G. Van Hasselt, Arnheintche Oudheden, i808-'4. Dl. II. 109. 



— 41 — 

87. Hij heeft den prins gezien^ of gesproken (Hij is dronkenj. 

Naast die yrij algemeen gebruikte spreekwijze, is in Zuid-Nederland 
nog beter bekend : Hij heeft den kei%er geuen (Sgh«, G-V., J. en A.). 
ScHUERM. geeft ook : Hij heeft den goeverneur geuen en Gorn.-Ybryl. : Hij 
heeft den rene geiien; elders (in Oost-Vl.) heet het : Hij heeft den veldwach- 
ter, of Lippen getien, terwijl men bij De Bo en GoRN.-VBRyL* nog yindt : 
Hij is deken. Zonden die uitdr. niet herinneren aan de oude gilden, die een 
'deken, een prins, een koning ot keiier aan hun hoofd hadden en van wier 
zwelgpartijen in ons voorg. n«» reeds sprake was? (Z. Stobtt, n' 1619). 
Yrrgoüllib heeft : Dt% prins gezien hebben = Eig. aan de feestelijkheden 
eener blijde inkomst deelgenomen hebben. — Vgl. Hij heeft %ijn broer 
gesproken; hij heeft de kan (of de fiesch) aangesproken. 

88; Zijn proefstuk leveren (Eig. zijn meesterstuk leveren, 
de < gildenproef » vervaardigen, om zoo het gild té winnen, 
d. i. het lidmaatschap te verkrijgen Thans : zijn eerste ernstig 
werk voortbrengen, om te toonen waartoe men bekwaam is). 

In vroegere eeuwen vond men bij de ambachtslieden leerlingen, gezellen 
en meesters. Deze laatste alleen vormden het gild, en wie er niet toe 
behoorde, mocht het bedrijf dier gildebroeders niet uitoefenen. Eerst na 
het doorstaan der « proef >, het leveren van 't proefstuk, en 't betalen van 
een inkomgeld, kon men het meeaterrecht, d. i. het lidmaatschap verwer- 
ven. Heden hoort men nog vaak spreken van : a) meester metser, meester 
schrijnwerker, enz.; — b) meester worden (als baas, met knechts gaan 
werken); — c) iets meester *ijn (iets zeer goed kennen). 

Vgl. ook : Hij is iijn meester te vroeg ontloopen (Hij kent zijn beroep — of 
zijn werk — maar onvolmaakt.) 

89. Een beunhaas (Een onbeëedigde makelaar; een onbe- 
voegde, een knoeier om 't even in welk bedrijf). Beunhazen 

(Een beroep onbevoegd uitoefenen ; zijn vak slecht verstaan). 
Beu» = losse plankenvloer; zolder. Beunhaas (uit Ndd. Bönhase. Hgd. 
Böhnhase)j reeds in de 17* eeuw in Nedl. voorkomend, is bij Molbica, 
evenals batkhaas,een naam voor de kat (= zolderhaas t Fr. lapin de 
gouitiêre). In Ndduitschland is Böhnhase een term geworden voor een 
kleermaker, die zijn proefstuk niet gedaan had, en het oude Ndd. ww. 
bonehasen beteekende : geen lid zijn van eenig gild en toch een gildenering 
of -ambacht uitoefenen. Vandaar ook Böhnhasen jagen : dergelijke knoeiers 
met behulp der politie vervolgen. In Zuidelijker Duitsche streken scheldt 
men een onbekwamen timmerman voor Dachhase (kat) of Zaunhase (egel). 
De bedoeling is, zegt Ybrgoullib, dat zoo een persoon alzoo min een 
ambachtsman is» als een beunhaas een haas, en zich dus uitgeeft voor 
wat hij niet is (Zie nog Ndl. Wdb. II. 2378 en Stobtt, n' 196). 

90. Die zich zijne nering (of zijn ambacht) schaamt, gedijt 
niet (Die verlegen is met zijn broodwinning, komt in de 



— 42 — 

wereld niet vooruit). Ieder is dief in zijn eigen nering ^ of in 
zijn stiel (Ieder is zelfzuchtig in zijn eigen zaken). Bij Sart.- 
Sghrby., ter., VIL 97 : Elck is een Diefin sijn NeeHngh. Ndd. 
JSttM 'n Défstner Nahrung (Egk. 79). 

In de middeleeuwtn, segi D' J, Fbbobrighb(I), bestond er eigenlijk 
maar éen gUd, dat der kooplieden {coomatughuldé); de ambachtslieden 
vormden de fiertti^^eii. Het Yolk uit het Land van Aalst veryangt in die 
spreekw. talkens nering door een synoniem. Ook bij Seryilius vindt 
men : Elck i$ eên dief in ft;ji ambachtp en Joos {Idiot.) geeft : Elk i» duivel 
in gijnen etiel. 

Vgl. Niemand ii mei iijn nering tetfreden (Rondom Aalst : niemand i$ 
kontenl van tijnen ttiei). « Bij ket volk is de nering •» %ei de monelman, en 
hij kwmn mei de mouelen in de kerk. 

91. De tering naar de nering zetten (Zijn uitgaven regelen 
naar zijn inkomsten; de voeten niet verder steken dan het 
laken). Zet uw tering naar uw nering, of uw nering krijgt de 
tering (Bie„ XI, 285). Ah de kinderen geld hebben, hebben de 
kramers nering (Zoodra de kinderen eenig geld — cents — 
hebben, verteren zij het).W Ndd. (Bremen) : Man mutt de 
Tahrje noch der Nahrjè setten (Egk. 579). 

Beide spreekwoorden hebben zich in den loop der tijden vervormd, en 
zeer waarschijnlijk spruit zulks hieruit voort, dat de beteekenis van 
ioHng en nering in den hier bedoelden zin niet meer algemeen werd 
gevoeld. Zoo schrijft C^ts reeds : Teer naer neer, en SA.RT,-ScHaEV. pr. 
VII. b2:Setu tear, nae u neer, en zelfs : Set u teer, nae u eer. In 't Land 
van Aalst luidt het steeds : Ge moet uw teer naar uw neerttellen. Zie nog 
STOKTTt n« 1884. 

Het tweede spreekw. is in dit opzicht karakteristieker ; ik hoorde het 
nooit anders dan : Al» de kinjeren geld hemmen, hemmen de kremers kering 
(Kramer en haring luiden hier in den volksmond AreHier en kering, uit- 
gesproken met de zware e van wereld). Een aardig voorbeeld van volkse- 
tymologie, bewijzend dat het volk de onverstaanbare of de min of meer 
onverstaanbaar geworden woorden door een vervorming weet verstaan- 
baar te maken. Zoo ontstond hier o. a. ook nagel en nagelbuik uit navel. 

93. Morgenspraak houden (Over landszaken praten, recht- 
spreken vóór den middag). Hij maakt er weinig morgenspraak 



(L) Zie De Tóekonut 1894-*e5, blz. 180 en Tijdichr. v. h. milems^Fond^, 
Jan. 1897, 40. 
(3) Hei geld biH in hnn MOe, zooals men rondom Aalst zegt. 



— 48 — 

(komplimenten) mee. — Bj maait lange morgènspraak (Hij is 
vrij omslachtig met het verdedigen van zijn bewering). Met 
groote heeren zal men geen lange morgempraak hottden (Met 
groote heeren zal men niet lang over eene zaak redetwisten, 
daar men toch naar hun wil moet handelen). 

Vgl. Maak maar geen morgenpraaijeê (Hang maar geen eomplimenteD 
op). 

De morgempraak, hetzelfde aU de güdespraak, was een vergadering 
van een of meer gilden. Alle gildebroeders vergaderden vóór den noen in 
het gildehuis of op de gildekamer, ter bespreking van de aangelegen- 
heden van 't gilde, of van meer algemeene belangen. Ook mocht men 
alleen bij rijzende zon reehtspreken. Zoo vindt men in de stadirek van 
Antw. : « Reeht ghedaen des maendaehs voor de noene, dwelek men de 
morghaasinmke heetende is. • 

98. Daar is 7 spel nu op den wagen (Daar gaat het spel nu 
aan den gang, daar begint het nu voor goed). 

Herinnert aan de onde rederijkersgilden en hun tooneel vertooningen, 
c De oude Hedenrijkers plagtén hnnne batementspelen op wagens om te 
voeren : *t geen al van aalonder afkomst is. De Grieken en Romeinen 
plagten onwelings in hnnne blyspelen op znlke omgevoerde tooneel- 
wagens de 'gebreken en misbedrijven van bekende persoonen, zeer naakt 
en opentlyk» zelf met melding der naamen, tot schimp en lach der 
kijkers voor te stellen. Hierin vond het volk groot behagen; en die dus 
tot een spel op den wagen quam, wierd lelijk als aan de kaak gezet, en 
geraakte op de tong van yder > (C. Tuimican, Ndd, Spreekw. l, 89). 

Vgl. De geheete wereld i$ een kamenpel, waarbij gewis het spel der 
rederijkers wordt bedoeld. De zin ligt in Vondxl*s tot spreekw. gewor. 
den vers : 

De wereld i$ een epeelioaneel, 

ak epeelt Ujn rol en krifgt «l/a deel. 

Ook het thans weinig bekende spreekw. *t Spel van Brugge, al lachende 
bifster (Ben zaak, die ons schoon en voordeelig toeschijnt en nochtans 
nadeel toebrengt), ziet volgens Tuinman, I. 66, c op een ond Kamerspel 
der Redenrijkers van Brugge •• 



D) KOOPBN EN VERKOOPEN. 



9i. Iets op den kerfstok (ot op den kerf ) halen (Op krediet). 
Den kerfstok afdoen (De SQhnld betalen). Vgl. Sart.-Schrev. 
ter. IX. 2 : Nu sal de kerfstock afgedaen werden. — Hij heeft 
veel op zijn kerf (Heelt veel te betalen). Op 'nen verschen kerf 
(Een nieuwe rekening openen). — Hij heeft veel op zijn kerfstok 
(Hij heeft veel misdreven). Ik wil dat niet op mijn kerfstok 
hebben (Ik wil daar niet van beschuldigd worden). De kerfstok 
is vol (De maat is vol). Dat gaat buiten de kerf (Het gaat te 
ver). — Kerfstok = Hgd. Kerbholz, Kerbstock. In 't Fr taille. 

Eertijds, toen het onderwijs nog niet tot de yolksklasse was doorge- 
drongen, en kleine winkeliers nog van geen eigenlijk boekhon'den wislen 
te spreken, behielp men zich met den A-«r/i/o^ Zoo noemde men een lang, 
plat en net geschaafd stokje, in den yorm yan een dik lininal, of liever ren 
stel yan twee znlke stokjes, waaryan de boer en de winkelier elk een 
bezaten. Bij het halen yan een brood b. y., werden de twee stokjes op 
elkander geleid, en een inkerving op Keide te gelijk duidde de levering 
aan. Als de kerfstok vol was, werd de rekening vereffend. (Nog zoo bij de 
Luiksche bakkers). Ook voor de verponding, had op een aantal dorpen 
de omslag plaats door middel van den kerfstok. 

In Noord-Nederl. leeft het woord kêrfilol nog krachtig voort, doch in 
Vlaanderen» 't nagenoeg geheel in onbruik geraakt en door Arer/ vervan- 
gen. Zoo zegt men in West-Ylaanderen : iels op den kerf{l) haienf wat 
daar ook heet : op dtn klein (of op de kaak) koten; op den poef gaan. Dut vp 
den poef {pof), is in heel Vlaanderen en een deel van Antwerpen en Bra- 
bant bekend (2). Men zegt ook plakken en poefen en kletsen, dit laatste 
alleen in West-V] aanderen. 

(1) Kerf = kerfstok, is hier mann.; kerf = insnijding, is vr. 

(2) Habbbboméx, 11.: Hij gaat (loopt) op dan pof{YL\l loopt met iemand 
mee, en teert op diens kosten ; bij Db Bo : hij gaat ergens eten zonder ver- 
wacht te liJn). 



— 45 — 

Als iem. zija rekening heeft vereffend, om daarha weer op krediet 
te koopen, dan luidt het nog algemeen in de beide Vlaanderen» alsmede 
in Antwerpen : Nu is 't (of : nu beginnen wij) op 'nen verteken (of : nieuwen) 
kerf. Dat wordt rondom Aalst ook toegepast op twee vrijers wier vrijage, 
na eenige onderbreking, wordt heraangeknoopt. De spreekw. : Hij heeft 
veel op %ijn kerfOlgd. Viel au f dem Kerbhol* haten en Bei Iemand auf den 
KerbhoH stehen, Bobchahüt, ii° 6dü) is ten onzent van zoo geen algemeen 
gebruik (1). Dat gaat buiten de kerf (bij Sart-Schrkv. sec II. 84 : Hel gaat 
uyt de kerf; vgl. sec. III. 89 : een uyt de kerf gaende maeliydt). luidt ook : 
dat güat de schreef ie buiten^ in 't Land van Aalst : dat gaat buiten üjn 
tcAree/', wat tot dezelfde reeks behoort, dewijl men voor kerf ook schreef 
zeide. Het onderdeel daarvan was de steek. Vandaar de in Noord en Zuid 
nog gebruikelijke uitdrukk. : een schreef aan den balk. Van iem. die 
wegeus huishuur, landpacht of geleverde waren, ergens achterstallige 
schulden te betalen heeft, heet het : Hij staat daar op den balk, of: met *ijn 
ooren aa/è den blok, ook : tot over iifn ooren in *l krift. Vgl. nog aankerven s= 
aanteekcnen (Brabant'; Sch.) en zie verder ii' 99. 

95. Hij weet wel dat zijn kerfstok vaji ijzer is (Hij weet dat hij 
geen kwaad kan doen, dat hem alles vergeven wordt. — 
BoEKENOOGEN; ZaüHsche Volkst). Vgl. bij Harr. : « De kerf^ 
stok is nog geen ijzer » , ea üuyoens, Uofwijck, 2645 (sprekende 
van zijne kinderen) : « Vijf haelers op een' kerf {kerfstok), 
die noyt van yser wordt. » 

£n door « kerf » verstaat men in de Zaanuche volkstaal : dé krijl- 
schrapjes aan den muur, waarmede wordt aangegeven hoeveel zak, in 
pakhuizen ( n molens, is opgedragen. Bij het zaadsjouwen, zegt Dr. B , 
is de laatste der drie dragers met het kerven belast; hij heel daarom 
kerfman. 

96. Iels op zijn eigen houtje doen (Eig. zelf op zijn kerfstok 
aan het snijden gaan. Fig. Op eigen gezag, zonder anderen 
raad iets verrichten). 

Dat houtje siSLSii hier yooT ket f houtjeykerlstvk, denken velen. Taoo de 
Bbbr en D' Laurillard ( Woordenschat, 448) besehouwen nochtans de 
spreekw. als aan den Bijbel ontleeud, doch die verklaring schijnt me wel 
wat te ver gezocht {Zie ookSTOBTT, n' 837), 

97. Iem. een kerf in zijn ooren snijden. Hgd. : Wart\ ieh 
werde dir eine Kerbe ins Ohr schneidenlK^) 

De spreekw. luidt eigenlijk : Ik tal een kart in uw oor snijden; in den 

(l) Vgl. Het loopt daar hoog op stok (Daar is veel te betalen. Habrxbo- 
MÉB, II.) 

(2)) BoRGHABDT, n* 668. Zie voor Kerfstok ook Sgbbadsr, n* 108. 



— 46 — 

vorm eener half gekjsoUerdnde bedreiging tot een yergaetachtigen Jongen 
(of meisje) gericht» opdat de insnede — in het vleesch — < hem de bedoelde 
zaak herinnere, zooala de kerf inden kerfstok doet. Vgl. opkerven^ 
opleekenen, onthouden, eig.op den kerfstok aanschrijyen; en : Ik %at dat 
toe/ opkerven (1) = 't zal mij niet ait het geheugen gaan. 

98. Hif gelijkt hem op een prik (Volkomen, tot in de minste 
kleinigheden). Hij verstaat dit op een prik (Opperbest). Iets op 
een prik weten. lem. op een prik kennen (Zeer goed. — Joos). 

De uitdrukking (tot) op un prik is ontleend aan de verponding 
(grondbelasting) en slaat in verband met den kerfstok. Wanneer b. v. ia 
Kennemerland een dorpeling 1200 guldens begoed was» hetzij hij dezelve 
in klinkende munt in zijne kasse, dan wel aan goederen Lezat, werd hij 
gesteld om een oog op te brengen. Een oog werd wederom in agt delen 
verdeeld» en deze deelen werden prikken genaamd; en hoewel vrouw noch 
man eenige middelen bezaten, moesten zij evenwel dit agste gedeelte of 
eene prik opbrengen... Wanneer nu vrouw of man of bestorven kinderen 
niet meer dan 150 guldens bezaten, mogt men hen niet hooger belasten 
dan met eene prik • (2). Een prtk was dus bij verponding de kleinste som, 
die men kon betalen» aangeduid door een prik in den kerfstok (zie n* 94). 
Tot op een prik wil dus zeggen tot op de kleimte hoeveelheid. Het NdL Wdb. 
XI. 805» vergelijkt op eonprik met op een kaar, gebruikt ter uitdr. van 
een hoogen graad van volkomenheid : zoodat het niet de breedte van een 
haar» van een prik scheelt. — In het Frieseh heet de kerfstok prikke : 
Synprikke ie noufol (zijn lierfstok is nu vol. — W. Dijkstra. Uit Fries- 
tand^s Votkeleven, II» 8S5). Zie nogSxosTT» n* 1611. 

99. lem, aankalken (lem. opschrijven voor, hetgeen hij 
schuldig is). Ik zal hem wel aankalken (Hem wel in 't geheugen 
houden, om het hem betaald te zetten). 

Külk=z krijt, en kalken (schertsend) == met krijt schrijven» aldus nog 
bij 't scheepsvolk bekend. ■ Men was van ouds in herbergen» enz. gewoon» 
het door iem. verschuldigde met schrapjes van krijt op een zwart bord 
of eene lei aan te teekenen. Die krijtschrapjes werden u;i7/en genoemd. 
Daar nu wilpwidei en kalk gelijksoortige woorden zijn» gelijk b. v. het 
witten der muren» die met witsel van kalk worden bestreken» in sommige 
streken kalken heet» zoo is het niet vreemd dat het aan teekenen van 
sulke wittsn ook kalken genoemd werd. Kalk voor krijt, in toepassing op 

(1) In de Gom. Duyitche Spreckw., Gampen» 1550. Thans is opkerpen in 
dien zin verouderd. 

(X^ KaHnst van Nedsrl. en KUefzche Oudheden, 1772» deel II. 4-8 (In Taal 
en Letteren, VU, 198-194). 



— 47 — 

het schnldbord, is dan ook elders bekend : men vergel. onzê uiidr. in hei 
Xriji itüün met de Hgd. zegsw. im Kaihe liegen, d. i. in schalden zijn, 
geen krediet meer hebben. • Das Kalken ass met krijt schrijven, bij uitbr. 
sehrijren in H alg. ; aankalhen =s met krijt aanteekenen, bij uitbr. aantee» 
kenen, aanschrijven (op iemands rekening) al wordt daarbij geen krijt, 
maar pen of potlood gebruikt (Ndl, Wdh,^ I. 187). De uitdr. aankalken^ 
aangekalkt staan worden nog gebruikt in en rondom Antw. (Gobn.-Vbrvl. 
en ScH.) ; ook in Noord-Brab. (z. Uceufft, i. v.). 

100. Iets met het uitbranden van de kaars verkoopen (Zóó 
verkoopen dat hij, die bij het uitgaan der kaars aan het bod 
was, kooper bleef). Bij keersbranding verkoopen; Fr. adjudica- 
tion par feux, ó la chandelle éteinte (Gailliard, Gloss. (lam., 
138-189). 

Eertijds yerkoeht men in sommige streken Tan Vlaanderen de onroe- 
rende goederen bij het branden van drie kaarsen. Alvorens den koop toe 
te slaan, werd er een kaarsje ontstoken, dat maar eenige minuten bran- 
den kon, en men riep : « Zooveel, eerste vuur ». Wanneer er niemand 
verhoogde, eer het vuurtje uitgebrand was, ontstak men een tweede 
kaarsje en riep : « Zooveel, tweede vuur t. Werd er « nog een hoog 
opgezet •, zooals men in 't Land van Aalst zegt, d. i. een verhooging 
geboden (1), zoo herbegon men met een « eerste vuur ; totdat eindelijk 
bij 't uitbranden van het derde kaarsje, de koop bepaald werd toe- 
geslagen. Belangrijke verkoop! ngen gebeurden wel eens bij « het branden 
van een vierde superabundante keers, • (Rond den Heerd, VI, 415). 

Dat gebraik bestond ook elders in Vlaamsch-Belgiö. In *t Hageland*, 
schrijft Glaes (Idiot.) « zette de notaris op 't einde van den laatsten zitdag 
vier, vijf spinliehtjes ter dikte van oen lucifertje en ter lengte van 
twee centim. op de tafel recht. Plechtig werden die aaogestoken, en wie 
dan nog hoogen wilden, moesten zich spoeden. Wie het laatste gebod 
gedaan had, voordat het laatste keersken uitging, was kooper. » De 
kaarsbranding bestaat nog heden in 't Zuiden der Kempen : het kaarsje 
dat ontstoken wordt, is een vinger lang en een stopnaald dik (Gorn.- 
Vebvl. en 't Da., I,88).Ook te Gent leeft het gebruik nog voort, en volgens 
Wbltebs (bl. 75) is het nog hier en daar in HoU.-Limb. te vinden; meer 
echter in Noord.-Brab. en Pruisen. Daarvan komt het spreekw., zegt 
hij : De kaars is tot op den nagel gebrand (Het lijdt geen uitstel meer). 

De toeslag had soms ook plaats, wanneer een in 't licht gestoken 
stuk geld bij 't afbranden op den grond viel. c Dit verkoopen van vast 
goed bij brandende-keersen-uitblussching duurde in Groningen tot 1811(2).» 

(1) « Ik heb er twee keeren een hoog t of « twee hoogen opgezet » =s 
tweemaal den prijs verhoogd. 
(3) NoomDKwiBB, 364. 



— 48 — 

Dat heette in 't Mnl. : vereoopen by ken{e)bamingef of by kertsen uutgané; 
men sprak ook van de keersse bannen (Z. Vbr&aU| Mdl. Wdb,, III. 1876 
Tig.; Stallabrt, Glo$8„ I. 1^ en II. 49). 

Van Dalb gewaagt ook nog van : onder den hoed verkoopen^ eertijds 
een wijze van veilen, waarbij men bieden kon» zoolang het onder een 
hoed geplaatste kaarsje brandde. 

101 . Iets omier den hamer brengen (Iets openbaar verkoo- 
pen, waarbij het door den hamer van den verkooper wordt 
afgeslagen. Die klop heet toeslag en de verkooper afslager^ 
zooals men weet). Benoorden Aalst zegt men : Op den stok 
komen. Hgd. Unter den Hammer kommen. 

In de hooge oudheid zag men den hamer als een heilig voorwerp aan, 
en hij diende bij de wijding van verschillende zaken; iii H Noorden 
wijdde Thor's hamer de bruid (1). Zijn zinnebeeld» het hamerteeken, 
bracht zegen aan en ging om zoo te zeggen in ons kruisteeken over. 
Ook wordt de hamer nog heden, bij het zegeoen van ruiter (en paard) 
met de reliek van St-Elooi, in enkele onzer kei ken gebruikt Hij dient 
in die gevallen om, als 't ware, de handeling te bevestigen, ook wanneer 
hij dienst doet bij openbare veilingen. 

102. Top! (Goedl Het zij zool Ik stem toe). Hgd. toppl 
Fr, tope. 

Dit tusschenwerpsel top wordt gezeid bij het sluiten van een koop en 
het geven van den nu nog gebruikelijken hand$lag. Men denke ook aan 
onzen palnulag. Het herinnert aan het vroegere hierbij in zwang zijnde 
gebruik : het eenvoudig aanraken of aan$iooten met vingertoppen, of met 
den duim; het heette stippen. Hgd. slupfen, stüpfen, siipfen, aufstupfen. 
Vandaar ook Hgd. TopschiUing = handgeld (2). Anderen zoeken den 
oorsprong in Fr. toper, uit Spaansch topar : accepter 1'enjeu de ^adver- 
saire; adhérer A une proposition (Hatzp.-Darmest.), ons Ndl. (oppen = 
aanvaarden. 

103. Bij het scheiden van de markt leert men de koopliên 
kennen (Als men van elkander afgaat, kent men elkander; 
eerst na afloop eener zaak kan men ze goed beoordeelen). 

(1) NooHDEwiEB, 17, 180. D' Nadta, Taal en Letteren, IV, 305. — 
fi. H. Mbyea schrijft in die ceremonie van den Thormythus den hamer 
geen gerechtelijke, maar een phallische beteekenis toe, welke beleekenis 
ook uit Duitochemiddeieeuwsche Marialiederen blijkt (Zie Correeponden*- 
Blatt der deutichen Geuü&chait für Anlhropologie, Ethnolugie ti. ürge- 
$chichte. München, XXVll, no 7). 

(2; Noordewier, 260 ; Gbimm, Rechtsallerth. 604-605. 



-4$- 

Op 't lest van 't spel leert men de ioopliên kennen (Joos, 
SchaiUn, 210). 

OnUiiend aan de koopers, denkt Tüinxait, I. J86, en leker wel te 
recht. Zoolang deze op de markt koopen en de verkoopera leveren, gaat 
alles vreedzaam en vriendschappelijk toe, doch wanneer het, na afloop 
van de markt, op verrekenen en belalen aankomt, en er t geld bij de ' 
boter » geêischt wordt, begint de toon soms anders te klinken of staat 
men wel eens vóór doovemsDs deur. — Dat klimt waarschijnlijk op tot 
de middeleeuwsche jaarmarkten, toen de kooplieden dagen achtereen 
voor zaken samenbleven, om eerst op 't einde der foor hunne rekenin- 
gen te vereffenen. Eerst dan kwam soms het ware karakter van den 
koopman, zijn eerlijkheid of oneerlijkheid, zijn schraap- of bedil- 
zucht, enz. aan het licht. Vandaar de fig. beteekenis : dikwijls leert men 
iem. pas kennen, wanneer men van hem moet scheiden (Z. Stoktt, 
no 1281). Het spreekw. komt o. a. reeds voor bij Grut., II., bij Poirtkrs 
en in 't Mergh De ultdr. Op Hende van de merkt (= bij slot van reke- 
ning) is bekend in 't Land van Aalst, het L. v. Waas, ook in en rondom 
Antwerpen. 

104. Die weduwe hopt met eene stroowisch op H gat (Die 
weduwe stelt zich te koop. — Dit wordt gezeid, wanneer 
een jonge weduwe door kleeding, houding, enz. duidelijk 
laat blijken, dat zij trouwlustig is. — W. D.). Ik zal je met 
een bosje stroo om je hals te koop zetten. 

De slroowiich komt aanvankelijk voor als teeken van inbeslagneming. 
Men plant op of bij in beslag genomen goed een kruis, eene vaan of een 
stok met een hoed of een stroowisch er op, welke laatste dan, naar 
men meent, vervormd is uit een strookrans als hoofdbedekking. Van 
symbool van inbeslagneming werd de stroowisch symbool van execu- 
torialen verkoop, en zoo van verkoop in het algemeen (Pockema 
Andbkab, 118). 

De gewoonte, een te koop geboden voorwerp van een bosje stroo te 
Voorzien, is overoud en nog niet uitgestorven. « De vroeger vrij alge- 
meene, thans nog maal alleen onder *t gemeen gebezigde spreekwijze : 
ik *al je met een bosje $troo om je kale ie koop ietlen^ dagteekent onge- 
twijfeld uit de dagen toen de slavernij nog bestond, en het tot de 
gewoonte der Germanen behoorde, den slaven, die zij te koop stelden, 
een bosje stroo aan den hals te hangen. »(1) Ihj behoeft geen uroo-wisch, 
schrijft Sabt-Sghrbv. sec. VI. 61, daarmee bedoelend : van dien man 
wil niemand. 

In Vlaanderen zoowel als in Friesland, biedt men door een basseltje 
stroo iets te koop aan s koopen mest, b. v. In 't Land van Aalst zegt 

(1) Van LxMNfip en Tbr Gouw. De Uithangteekeni, I» 123. 



— 50 — 

men, gekscherend, tot jonge meisjes, die naar de kermis of de jaarmarkt 
trekken: • Hebt gij een stroowiich op uwgai?» (Gaat gij u te ^ koop 
zetten ?) En tot een jonge boerin, die zonder het zelve te weten, uit den 
koestal een of meer strootjes aan haren rok medesleept, zegt men ook : 
€ Zij-je te koop, he ? » (l) 

105. Éen strooman (lem., die slechts zijn naam tot iets 
leent, zonder werkelijk bij de zaak betrokken te zijn; b. v, 
bij openbare veilingen, om voor den verkooper zelf het bod 
te verhoogen). Fr. Un homme de paille. 

De strooman speelt een gemeene rol en maakt zich daardoor hatelijk. 
Die zonderlinge naam aan iem. gegeven, die zich door geld laat uit- 
koopen om een leelijke rol te vervuilen, staat waarschijnlijk in verband 
met de beteekenis van het bundeltje stroo in n» 104 aangeduid. De stroo- 
man (strooien man) door de Vlaaihsche jongens uit het Land van Aalst, 
in den eersten Meinacht vóór de deur van een al te lichtzinnig meisje 
(of op een boom bij haar woning) geplaatst (3), wijst wellicht ook op de 
veilheid van het meisje. 

Evenzoo in Engeland werd de stroowisch vaak tot een schandteeken 
van een eerlooze vrouw gebruikt; haar een stroowisch voorhouden, 
was haar zwaar beleedigen(8). 

106. Door de bank. Hgd. Dureh die Bank. 

Door de bank, en vaak ook door den bank, reods Mnl. dore die banc, Hgd. 
durch die Bank, is een bekende uitdrukking voor door elkander, gemid- 
deld. Wellicht is bedoeld : wanneer men een geheele bank vol heeft van 
zekere klasse van personen, dan zijn zij door elkander i6o als de 
bepaling aanduidt. 

Met die verklaring van D'Ki.uYvaa (Ndl. Wdb, IL 975) kan jy Stobtt 
zich niet vereenigen, c Welke klasse van personen toch zat in de middel- 
eeuwen in eene bank ? Me dunkt we* moeten hier eerder denken aan 
een vleesch' of een vischbank, Hetvieesch of de visch, de verschillende 
banken, waarop werd uitgestald, door elkander genomen, was zoo, als 
de bepaling aanduidde. Misschien heeft Weiland hieraan reeds gedacht, 
wanneer hij zegt : Door de bank, zonder onderscheid, het eene zoowel als 



(1) Een braamdoorn, dien een meisje aan hare rokken medesUept^ 
heet in Limburg : een c wedeman ». Blijf er zulk een aan iemands kleed 
of schort hangen, zoo roept men haar toe : « Gij trouwt (of %ult trouwen) 
met ne wedeman l » Overal in Limburg {*t Da. VI, 185). 

(2) Voor een « bedrogen t of doorslecht meisje gebruikt men een 
« sloorplant », zinspelend op de dubbele beteekenis van Woor b koolzaad- 
plant en slecht vrouwmensch. 

(8) A. DB JjLQMR. Verscheidenheden uit het gebied éer Ndl. Taalkunde, 816. 



-51- 

het andere, goed en kwaad door elkander : ieti door de bank verkoopen. » 
Steun vindt mijne yerklaring in de synonieme uitdrakkingen : door den 
band en door den bot. Met de eerste uitdrukking is oorspronkelijk bedoeld 
de gemiddelde hoedanigheid van het rijshout, dat onder of door den band 
tot een bos is vereenigd {Ndi. Wdö, II. 956), met de tweede, die men 
In Zuid-Brabant en Limburg bezigt, wordt volkomen hetzelfde bedoeld, 
daar bot (fr. botte) in die streken gebruikt wordt eveneens in den zin 
van boi, bundel (Ndl. Wdb. III. 675. — Zie Noord en Zuid, XIX, 28 en 
Stobtt, n? 144). 

107. Visch van beneden staken of Visch achter staak. 

Door de oude spreekwijze, VUch van beneden itaken duidt men te 
Gent thans nog visch aan, die niet al te versch is. Te Aalst heet het 
viseh {van) achter itaak, evenals men daar zegt van ter markt gebrachte, 
doch afgekeurde hop : U h hop (ttan) achter staak, ^ De aloude Gentsche 
Tischmarkt (de huidige groentemarkt) was waarschijnlijk destijds, 
xoowel als thans, een 20 cm. hooger gelegen dan de omliggende straten, 
en haar 4 hoekspnnten waren door een staak bepaald. Alleen versche 
visch mocht binnen of boven het vierkant, door die 4 staken aangewezen, 
verkocht worden^ en de min versche moest er buiten of beneden blijven. 
Ook te Aalst bestond iets dergelijks (Zie Volkskunde, IX, 159). 



E) OVEREENKOMSTEN. EIGENDOMSRECHT. 
ERFENIS. 



108. Gadspenning. Hgd. Gottespfennig. Eng. Godspenny. 
Fr. Arrhes; denier i Dieu. — Den godspenning (ook goods^^ 
goos-- en goedspenning) geven (Een mondeling huurkontrakt 
met een dienstbode sluiten). Den godspenning komen halen 
(Zich, na beraad, komen verhuren); den godspenning terug* 
brengen (Het huurkontrakt weer verbreken). — Zij heeft 
haren godspenning gehad (Schertsend gez. van een zwangere 
jongedochter. — Te Liedekerke). 

Godipenning (Mnl. ook godesheller) bet. oorapronkelijk geld, geldstuk» 
dat men bij 't aangaan yan koop of huur den armen « om Godswille • 
gaf (z. Vbrdam, II, aOlS; Ndl. W<(6.. V. 285 en Tgl. W^üttkb, S 690); 
thans het handgeld. dat een dienstbode, die zioh verhuurd heeft, 
ontvangt. Dit handgeld is thans het eigendom van de(n) huurUng; 
verlaat hij (zij) eehter vóór den gestelden tijd zijn (haar) dienst, zoo 
moet hij (zij) den godspenning geheel of gedeeltelijk teruggeven. Uit 
het feit dat oorspr. de dienstbode dat geld voor een liefdadig doel 
besteedde, vloeit voort dat de kracht van den godspenning niet in 
*t geven lag, maar in 't aannemen hiervan. Dit verplichtte hem zijn 
woord te houden (1). En te dezen opzichte is de opvatting nagenoeg 
dezelfde gebleven : de aanneming van het handgeld was in de oogen 
van den huurder als een waarborg van het trouw naleven der aange- 
gane verbintenis vanwege den huurling. Menige Ylaamsche boer geeft 
thans geen godspenning meer, omdat hij bij ervaring weet, dat de pas 
gehuurde dienstbode gemeenlijk zonder gewetensknaging het ontvangen 
geld terugbrengt, zoohaast hij een beteren post heeft kunnen vinden. 
Te Aalst, Herdersem, Denderleeuw, Liedekerke en de omstreken kent 



(1) S, J. FoGKKHA Akdrsab, Spreekwijien en vormen aan het oude Recht 
omtteend (in de Handelingen van de MaaUch. der Ndl. Lett. te Leiden» 
ISQ?.^,^. 110-111). 



— 88 — 

menoakel het woord ffodspenningy ieLebbeke en Baardegem is daarnaast 
ook het woord weerder bekend. Volgens Tübrl. zegt men weërder 
(in Kl.-Brab.)9 worrel (in 't Hageland) en wortel (in Limb.); 7 Daghet VII, 
48, geeft Yoor de Limbargeehe Kempen werel, merd, en bij Gorn.-Vbryl. 
Tindt men voor het N.-W. der Antw. Kempen : wèèrder, wedder en 
jedder. — Dii weerder of wedder zal wel beantwoorden aan Kil. waer-gheld, 
waert-gheldt, waerder(kfin)penninck, dus bewaren. Elders in Limb., zegt 
men volgens Sgh. : meepenning; • een meid huren • heet daar « een meid 
meede» ». Naast meepenning geeft V. D. nog meed- en miedepenning (Mnl. 
miede as loon. Zie Verdam i. v.). — De godspenning, zegt Ndl. Wdb., 
bedraagt thans veelal 5 o/o van de hnur; vroeger altijd 8 gulden. Rondom 
Aalst ontving een knecht gewoonl. 5 fr., een meid 8 fr. In de Antw. 
Kempen bestond vroeger de weerder van een meid in eenige ellen lijn- 
waad, een koppel hemden, twee blauwe voorschooten, een paar holsblok* 
ken, enz.; den godspenning teruggeven heet aldaar : wéérderent wedderen 
otjedderen, 

109. Woord houden (Nakomen, doen wat men beloofd heeft), 

Hgd. Wort halten. Fr. Tenirparole. 

IndeGerm. landen bestond er oudtijds een scherp onderscheid tus- 
sehen ienere en faeere, holden en leisten, helden en geven, c Dat men zijn 
woord moési houden, beteekende dat men het rechtens niet mocht intrek' 
ken, dat handelingen, in strijd met dat gegeven woord, rechtens nietig 
waren. Die verplichting sloot... niet in de verplichting om te doen wat 
men heeft beloofd • (1). Vgl. Verdam, Mnl. Wdö., III, 688-639. 

110. Belofte maakt schuld (Wat men belooft moet men 
houden). Fr. Chose promise, chosedue. 

Op grond van den Saksenspiegel (c Wye ycht... lovet, dye sal yt 
gelden ») en andere rechtsbronnen, die in denzelfden geest spraken, heeft 
men langen tijd aangenomen dat elke belofte, rechtens, de nakoming 
waarborgde. Thans weet men echter dat slechts de fMMtmelijke belofte die 
kracht had. De « vormelijke belofte * sloot oudtijds het geven van een 
pand in; dit was oorspronkelijk öf een zaak, een eig. pand, öf een 
mensch (gijzelaar). Men kon ook wel als gijzelaar zich zelf geven en 
znlks leidde er toe dat men zijn eigen borg kon zijn, « wat dan juridisch 
bet. het zich zelf te pand%etten voor een schuld, om daardoor zijn aantpra- 
kelijkheid te vestigen, b Hiermede wordt ons de oorspronkelijke beteek. 
duidelijk van een nog gebruikelijke uitdr. « ik ita er voor, » nl. te pand = 
ik ben er voor aansprakelijk. 

Het werkelijk pand werd later tot een schijnpand. een 8ymbool»en het 
geven hiervan was dan nog enkel een t^orm om de aansprakelijkheid 
te doen ontstaan (Vgl. ons n* 118). En men behoefde zelfs niets over te 
geven. Dikwijls reikte men slechts de hand, als symbool van trouw, 

(1) FOQSXMA ANDR9AS, t. a. pi. 105. 



— 54 — 

yerbond zich bij de handtasting(l) o( gsit den hantUlag (nog over in het 
woord palmflag. Vgl. boven, n» 102). Gemeenlijk echter ging de handtas- 
ting gepaard met beêediging der belofte. In zoo*n geval stond de eer te 
pand, en wie dan zijn woord schond, werd verklaard « meyneedicli ende 
eerloos, » afgezien van de lijfstraf, die vaak op den meineed volgde. 
Hieruit volgt ook « dat ome uitdr. %yn eer verpanden, Tkijn terewoord 
geven, uit oude rechtsgebruiken stammen, die haar een zeer reêelen zin 
gaven. >(2) 

In de Prov, Seriosa vindt men de uitdr. in den vorm : Loefté maeei 
schuld (S), Be volksmond voegt er thans meestal een staartje aan toe: 
Belofte maakt (of is) schuld en die %e niet en houdt (of niet en volbrengt), 
krijgt een bult (C.-V. en J.), ook : die 7 niet en doet, krijgt nen bult (A.) . 

111. Aamlaan. — De hand leggen op iets (Eig. aan iets de 

hand slaan, om het in bezit te nemen; thans gewoonlijk : in 

beslag nemen). 

Ontleend aan het Oudgerm. rechtsgebruik, waarbij men door hand- 
tasting of aanraking zich als eigenaar deed gelden {Ndl. Wdb* I. 810 en 
V. 1787; vgl. Bfnl. Wdb. op aenpaen en Grimm, Reehtsalterth., 589-590). 
Wie een recht wilde doen gelden, zich eene zaak verzekeren, kon niet 
volstaan met zijn wensch uit te sproken, hij moest ook de hand slaan 
aan het voorwerp van zijne begeerte, om zoo aan ieder duidelijk te 
maken, wat hij wilde en waarop zijn wil gericht was. > (4) 

112. Zijn zegel aan iets hechten^ hangen (Iets goedkeuren). 
Hgd. Sein Siegel an etwas anhangen, — Bezegelen (Bekrach- 
tigen, bevestigen). 

« Ontleend aan de gewoonte der wereldlijke en geestelijke heeren, om 
besluiten welke zij moesten bekrachtigen, met hun zegel te voorzien, 
d. w. z. hun zegel in was gedrukt, door koorden, banden of reepen perka- 
ment aan de brieven of charters te bevestigen, te hangen; ze te beT^egelen. 
Toen men in de 2« helft der 16* eeuw het gezegeld papier uitdacht, 
kwamen de papierstempels in gebruik. In vroegeren tijd sprak men 
evenwel ook van zijn zegel steken aan iets (o. a. bij Anna Bijns, Befr. 132; 
Vondel, Jephta, vs. 1128; Hooft, Ndl. Hist. 174, 233, enz.), daar men, als 
het zegel met dubbele strooken perkament, staarten genoemd, aan den 
brief bevestigd werd, deze door eene insnijding stak, welke in een dubbel 
gevouwen onderkant van den brief was aangebracht. Thans, nu het zegel 

(1) Men denke ook aan het handen reiken bij de huwelijksplechtigheid 
en onze vaak gebruikte uitdr. : Daar geef ik u mijn kand op, voor : Dat 
heloofiku vast. 

(2) FOGKBMA AndRBAB, t. E. pi. 106 Vlgg. 

(8) Stoxtt, n» 179. 

(i) FoGKSMA Ahbbxab, t. a. pi., 116. 



— 55 — 

op den brief gedrukt wordt, zeggen we ook : ujn tegel op ieh drukken. • 
Ygl. Sbrviliüs : Ie hanger mynen êegel ooe aen (Stoett, n» 2175); bij 
TüiNKAN, I. 48 : Ik steek daar myn %egel aan, 

Ygl. Iet9 met den dood beregelen (Er 't leyen yoor laten). 

118. Onder het zegel der geheimhouding (Onier de voorwaarde 

het geheim ongeschonden te bewaren). Hgd. Unter dem Siegel 

der Yerschwiegenheil. Fr. Sous Ie sceau du secret. 

Wat verzegeld is, en zich dus onder het zegel bevindt, is ipso facto 
een onschendbaar geheim. 

114. Iets op zijn duimpje kennen, of weten (Opperbest). Bij 
Sart.-Schrev. pr. VI, 54: Hy kan "top sijnduymtjen. — Ndd. 
(Holstein) : He hett dat Spill (spel) up'n Mm (Egk. 494) (i). 

Afkomstig uit den tijd, zegt de Hoever, toen men brieven en andere 
offlcidele stukken met wassen zegels bezegelde, dus uit den tijd, waaruit 
ook : € Zijn %egel aan iets hechten » en « mei ujn dood beiegelen » stamt. 
Tegen de keerzijde van het zegel werd het tegemegel (contrasigillum) 
gedrukt; vóór de invoering hiervan echter, drukte de zegelaar zijn duim 
in het weeke was, ten bewijze dat hij, en geen ander, zijn zegel erop 
gedrukt had. Aan den indruk van den duim herkende men de echtheid van 
het zegel, en dus ook van 't geschreven stuk. 

Op een legpenning van Filips den Schoone komt dit spreekw. als 
randschrift voor : « Ie, kent. al op mijn duimken, anno 1491. » a Hiermede 
wordt bedoeld, dat hij, die den legpenning gebruikte om er mede te 
leggen, d. i. te rekenen (3), het rekenen in den grond verstond. 

Anderen brengen die uitdrukking in verband met de beweging der 
vingeren» als men feiten of beweeggronden opsomt. Van dit tellen op de 
vingors komt echter ook : Men kan dat op iijn vingers natetlen{9), (Hdg. 
Sich eiwas an den Fingern atusdhlen können, en Etwas an den Fingern 
hert&hlen. — Borchardt, n^ 854.) 

115. IJxer-^ee sterft niet. 

In Bommige streken van ons vaderland, zegt Harrebouéf, bestond 
vroeger de gewoonte om bij het verhuren van een hoeve of hofstede ook 
het vee daaronder te begrijpen. Dit vee behoorde dan, evenals de hoeve 
zelve, bij het einde van den huurtijd, in natura teruggegeven te worden. 
Het was dus zoo vast als ijzer, en vandaar : ijzer-vee eterft niet. — Ook 
bij de oude Joden had men bezittingen van ijzeren vee « door dehuisvrouw 
in huwelijk aangebracht, en door den man tot een wettig bepaalden prijs 
aangenomen onder voorwaarde, dat bij sterfgeval of scheiding deze prijs 

(1) R. EoKART, Ndd. Spriehw. u, volkstüml. Redensarten, Braunsch- 
wsig, 1893. 

(8) Over dat rekenen met legpenningen, zie Noord en Zuid, I, 266. 
(9 Noord em luid, IX» 141. 



— 56 - 

moest worden uitbetaald, onveréichlUig of die Toorwerpen hoogere of 
lagere waarde hadden yer kregel of geheel weggeraakt waren. » 

Met Dr. M. HÖflbr, den geleerden schriJTer van Deulschu KrankheUi- 
namenbuch, denk ik dat het spreekw. %j%ervee iterfi niel, teruggaat op de 
oude ijzeren dierenoffers (7*<èr- Fohtf^aóen), in Duitaciiland Immerrind en 
Ewigkuk genaamd, waaryan men nog afbeeldingen yindt in oude 
katholieke kerken. 

Die ijzeren dierenoffers waren het symbool van den eeuwigen offer- 
plicht,en zeUsdedood van het vee, waarvoor men offerde of een oflfer 
beloofde, kon van dien plicht niet ontslaan. Het dlerenoffer — oorspr. in 
de plaats gekomen van hel men scht^n offer ~ kon door het dierenbeeld in 
ijzer of was vervangen worden ; soms gaf de offeraar zooveel ijzer (of was) 
als zijn eigen gewicht of dat van het kranke dier bedroeg. Het ijier 
verving, in overoude tijden, het geld en als dusdanig werd het zeer vroeg 
als offermiddel gebruikt; 1: ter gaf men de geldwaarde van het offer in 
onze tegenwoordige munt; looaU het thans nog dikwijls gebeurt, 
ofschoon in de katholieke kerken het levende dierenoffer nog lang niet 
verdwenen is (Zie b. v. mijn Volkêgeneêskunde^ bl. 93-110). Van dat oude 
ijzeren dierenoffer, vindt men nog in de kerk van St. Leonhard. te Hui- 
singen (bij Hal},(l) een merkwaardig overblijfsel. Naast velerlei deelen 
van mensch en dier, liggen daar, in een groeten, houten bak, gansehe 
paarden, zwijnen, koeien, hoenders, enz. — alles in plaatijzer. De bede- 
vaarder moet de ijzeren afbeelJing van het kranke dier of kranke lid op 
zijn weg ronddragen, wat hem natuurlijk van het offergeld niet ontslaat. 
Met dat geofferde ij%ervee, met het Hgd. Immerrind en Ewigkuh, die den 
geloovigen landsman de genezing van zijn krank vee zoo goed ala waar- 
borgden, schijnt ons spreekw. dus wel in verband te staan. 

Steun vindt die verklaring in de Friesche en Groningsche ij%eren koe, 
waarover de Telegraaf Ytm 26 Dec. 1902 handelt. Predikanten en kosters, 
zegt het blad, t zullen zich deze benaming goed herinneren, omdat meer 
dan éen van hen met de gewoonte heeft kennis gemaakt. In Scherpenzeel 
verstond men, althans eenigen tijd geleden, onder ijzeren koe nog een 
bedrag van 100 gulden, 't welk de bewoner van zekere boerenpiaats 
moest opbrengen voor het predikants-traktement. In Dirente was en is 
2eker, op sommige plaatsen, de gewoonte om den predikant bij het begin 
van zijn loopbaan aldaar (ie ijzeren koe ter hand te stellen, eene som yan 
60 tot 100 f, ongeveer. Hij ontying dit uit de kerkekas onder deze voor- 
waarde, dat bij geval van vertrek, emeritaat of versterf, de som wederom 
aan de kerkvoogden moest worden terugbetaald, opdat het onder dezelfde 
voorwaarden aan zijn opvolger kon worden ter hand gesteld. Waar- 
schijnlijk is uit hetzelfde oude gebruik ontstaan de gewoonte, welke men 
nog in sommige plaatsen aantreft, nl. om den predikant voor zijn eerste 
preek eene som van 100 f, ter hand te stellen, welke som hij echter 



(1) St. Leonbard wordt aldaar aangeroepen als patroon tégen de 
lamheid van mensohen en dieren. 



— 57 — 

behoeft terug te storten in de kerkekas. In Groningen komen dergelijke 
posten voor onder de pasforalfa te Noordlaren, Noorddijk e. a. en in 
Friesland, mogelijk ook in de andere provinciën, is de naam ij%eren ko» 
geen onbekende. 

De gedachte, welke men bij dat overhandigen van de geldsom. Hoeren 
koe genaamd, had, was zeker dat de predikant of koster daarvoor lich een 
koe zonde koopen en wel voor efgen gebraik «... Om de gedachte, aan de 
ij7i9ren koe verbonden, terug te vinden, dient men op te klimmen tot 
vroeger dagen. « Joh. Leotanus* beschrijving van Friesland, fol. 308, 
vertelt van een ijzeren koe, waarvan hij dn stukken nog gezien heeft in 
de pastorie te Britswerd. Het was een stuk plaatijzer, gebogen in den 
vorm van een koe, welke ijzeren koe, bij gelegenheid van begrafenissen 
voor den dag w^rd gebaald en voor de lijkbaar om het kerkhof getrokken, 
ten minste wanneer daarbij een levende koe aan den priester werd 
toegezegd. Hieruit mag men opmaken, dat de ijzeren koe de plaats innam 
van de werkelijke. Ze moest aan een priester of kerk (schntsheilige) 
worden opgedragen, die bij zekere gelegenheden aanspraak had op een 
eztra-gesrhenk. Allicht dat hieronder begrepen waren de begrafenissen. 
Het symbool van 't geen in natura moest worden opgebracht, was het 
stuk ijzer in de gedaante van een koe, waaruit volgde, dat een levende 
koe als geschenk moest worden gebracht. > 

Vgl : Kerkegoed {\) heeft ijieren tanden, eu Kindergoed i$ ijtergoed, (Zie 
Hoofdstuk Q. — Zaken van godsdienstigen aard), 

116. Wat den grond beroert, den heer behoert. 

Wat uit de schipbreuk aan land spoelt, al is *t ook van bekende perso- 
nen, wordt de eigendom van den landsheer, aan wiens strand de goederen 
spoelden. Dat gebraik, steunend op oude keuren van de XV* eeuw of van 
vroeger, duurde voort tot in de XVIII* eeuw (Harrbboméb.) 

1 17. Kiezen ofdeelen (Het een of het ander. — R., G.-V. en J.) 
Kieken of kavelen (J.). Kieze of kabele (Opprel). Gij moet (of 
kunt) kiezen ofdeelen (Gij moet tot een besluit komen, zonder 
unog langer te bedenken). Bij Sart.«Schrev. ter. I, 74 : 
Sy mogen kiesen of deylen. 

Heeft zijn grond in het oude Hollandsche recht, waarbij bepaald was 
dat van twee personen, die iets hadden te verdeelen ^ een erfenis, een 
buit, gevonden voorwerpen, enz. — de eene de verdeeling maakte, en de 
andere de keuze had, zoodat deelen en kiezen niet aan denzelfden persoon 
teekwam, — Ik trof de spreekw. ook aan in de bekende Riet, tan Malegij» 
(van 1556, bl. 261) : « Kiest ofdeyU oft ghijt met vrientscappen doen wilt 
oft met viantschap. » 

Dat deelen of kieken, in 't Land van Aalst onbekend, heet hier in 

(1) Oe samenstelling kerkegoed, die in Vlaanderen vau da^elljkioh 
gebruik is^ komt bij Van Dale niet voor, 



— 58 — 

sommige dorpen : trouwen of begijn worden; zoo zegt men Taak tot een 
kaartspeler, die in 't spelen wat lang aarzelt : c Allo, trouw of wordbegijn, • 
In andere dorpen luidt het : kaatien of ieekenen, In denzelfden zin hoorde 
ik te Denderleeuw wel eens : « Allo, eieren of jongen, i Hier en daar in 
West-Yl. is het: Wat doe-je, een blad of ne kooUtokf (0<e.XI. 110). Bij 
Harr. : Een blad of een takkeboi? (ook wel : of je muls?) 

118. Halm geven W. — Met mond en halm afstand van iets 

doen (Afstand doen van zijn eigendomsrecht). 

Volgens bet oude Germaansehe recht» rooest een verkoop of een gift 
met een symbool gedaan worden, 't zij door het ge^en of wegwerpen van 
een stroohalm (halmworp), 't zij door het overreiken van een graszode, een 
loovertak, of iets dergelijks. Voor de overdracht van een huis, was in 
Vlaanderen het symbool» een spaander; voor een wijnberg, een rank; 
voor 'nen akker, eon kluit aarde; voor een weide, een ronde graszode van 
4 duim (3). Die zinnebeeldige afstand van eigendom geschiedde tevens 
door een mondelinge verklaring, en ten overstaan van reehter en 
getuigen. 

119. Den sleutel op de doodkist leggen (Van een nalatenschap 
afzien ; meestal wanneer er niets is). De sleutel ligt daar op de 
doodkist (Er blijft niets over). De slenters op het graf leggen 
(De Bo). Vgl. Waalsch (Marche) : On d'vret tapet s'clet su 
s'fosse(= On devra jeter sa clé sur sa fosse. — Dej,, n« 684). 

Bertijds diende de erfgenaam werkelijk den sleutel op de doodkist te 
leggen, wanneer hij aan den berooiden boedel van een overledene wou 
verzaken. Dat gebruik was zoo algemeen, dat zelfs de vorsten zich 
daaraan moesten onderwerpen. Zoo leest men in de Qesch. van Vlaan- 
deren, dat de weduwe van Filips den Stoute, hertog van Bourgondië, 
in 1404, den « desolaten boedel » van haar gemaal aldus verstootte; zij 
ontdeed zich van haar gordel en lei dezen, nevens beurs en sleutels, op 
de doodkist (8). De spreekwijze is nog heden mondgemeen. 

Voor de baar uit gaan is een synon. uitdr. van den elemteiop de {dood)kiit 
Uggen. In zijn Inleiding tot de HoU. Rechtsgeleerlheyd, zegt H. db Groot o. a. : 
« ICaer een vrouw den heele ghemeene boedel afstaende ende gaende 
voor debaer uit, aUeen methaer daghelickscbe kleederen, is bevrijt van 
de schulden die staende huwelick zijn gemaect » (Ndl. Wdb. II. 818). 

120. De boel is aan de kamer (is failliet; is verloren). 
Den boel aan de kamer geven (Zich failliet laten verklaren). 
De boel is aan de rotiekamer (Boe.). 



a)In£09iiela,V, Bijblad. 
(S) Aldus bij Noobdswibr, 29. 

(8) Naaat die wijze van verzaking, bestond ook de halmworp 
(HA&nn., 1, 144). 



— 59 — 

Herinnert aan de vroeger bestaande detolate-boedeikmnêr, d. i. het 
college van eommissarisien belast met het beheer, de regeling en vereffe- 
ning van failliete boedels. 

121. Bankroet, bankroeten; bankroet gaan, maken^ spelen; 
bankroet xijn (Bankbreuk; staking van betalingen). Hgd. 
Bankerott machen. Eng. to become a barikrupt. Fr. faire 
banqueroute. 

Bankroet, in ouderen vorm banktraet (bij Kil. banckerote], is ontleend 
aan het Fr. banqueroute, van het Ital. banco rotto (I) =z gebroken bank. 

Als de wisselaar in Italiö niet meer kon betalen, werd zijn bank 
(toonbank) op het foro weggebroken (Z. Ndl. V^db. II. 998-996). 



(1) Dat ro/ /o is het Latijn ra/»/tfm rupttu, van rumpere (breken)» duide- 
lijket in het Eng* banhrupl. 



F) ANDERE RECHTSÖÜDHEDEN. 



122. — Geen veer van den mond kunnen blazen (Zeer zwak, 
uitgeput zijn, — C. T.). Hij kan geen veder van zijnen mond, 
geen mug van tijn hand blazen (Welters, 96). Als hij maar een 
veer van zijn mond blazen kan, dan wil hij wéér over een huis 
sprif^n (Van een herstellenden zieke, die dadelijk al zijn 
bezigheden wil hervatten. — Boe.). Zoolang hij eene veder 
van den mond kan blazen (Zoolang hij nog eenige middelen 
bezit. — V. D.). 

In Noord $n luid, XXI, 478479, heeft Dr. A. Bbkts aangetoond dat 
deze uitdr. hoogst waarschijnlijk aan de oude rechtspraktijk is 
ontleend. Er is een tijd geweest dat men bij een ter dood toe geslagen 
of gestoken persoon gereehtelijk trachtte uitte maken of hij al dan niet 
nog leefde, door te beproeven of men op zijYi mond nog een « plnim • of 
veder kon zien « wagen », d i. bewegen. « Was dat het geval, dan ook 
was het beslist dat de mishandelde nog niet dood was, en kon degene 
die de verwonding of den neeralag had gedaan vrij en ongehinderd en 
zonder vrees voor 't gerecht (« ongevangen en onbezorgd van den Heer 
of van iemand van wege den gerechte ■), —naar verkiezing — bij zijn 
slachtoffer blijvon staan, of zijns weegs gaan. ■ Ziehier een door 
Dr. BEsnra meegedeelde bewijsplaats uit de Siütuten van Maastricht, 
dagteekenend van 't Jaar ISBO : « Dé den anderen queM^ dai her ter erdeh 
veii, of dat he tich te bedde legt, wie men denen halden ende vangen ui. 
I. Enden eirsten, want eyne vriheit is inder stadt van Luitken ende inden 
anderen gueden steden des bisdoms van Luitken ende der graefscap 
van Loen, dat eyn porter den anderen dar neder slaen of steken mach, 
ter doet toe wondt, ende bi den gequestden paach bliven staen, of 
opder straelen ghaen onghevangen ende onbesoirght van den here of 
van yemanne als van des gerichts weghen, die wiie ende alêo lange alt 
der gequettde dat leven in heet, ende aho rele adomt dat men op tynen mont 
eyneplume magh eien waghen (1); ens. 

(1) Zie Craray, Coutumes dê la ville de Maeetrieht (Brnx., 1876, 
U. 42a). 



- 6i - 

bt nitdr. komt o. a. Toor bij Poxrtbri, Mëiker, 880 (oude uitg. 
bl. 300). 

123. De man is op het kerkhof (Men versta niet : de man is 
dood, — maar : hij is buiten aanraking met het gerecht). 

Sommige plaatsen — de heilige wouden, de altaren en tempels der 
goden (in den beidensehen tijd); de kerken, kerkhoven en kloosters (in 
later tijd) — waren toevlnchtsoorden, of beter vriiplaaUent waar de 
schuldige zioh TOor eenigen tijd aan alle gerechtelijke yerTolging kon 
onttrekken. 

Volgens HABRBBOMia gebruikt men die spreekwijze, wanneer de een 
de schuld van 't kwaad op den ander werpt, en de laatst beschuldigde 
niet te yinden is. 

Stobtt (n* 896), steunend op « Gampen • die man i$ al opt kerckhoff 
{=z die man is al dood), acht het verkeerd hier aan het kerkhof als 
vrijplaats van den beschuldigde te denken. 

124. Het gaat boven de éen en twintig (Het is daar niet geheel 

buiten gevaar). 

Niet alleen het kerkhof zelf was een vrijplaats, maar tot 21 voeten 
buiten den kerkhofmuur, bevond men zich, in de middeleeuwen, op een 
vrij grondgebied. 

125. Die licht borg wordt, moet voor Vianen wrgen (Die licht 

borg wordt, kan ook licht genoodzaakt worden, om voor 

anderen te betalen). Dat gaat naar Kuile}iburg of naar Vianen, 

om er ongeluk te heelen (Men maakt zich uit te voeten, om zijn 

vervolgers te ontgaan). Kuilenburg is zijn voorland (Hij gaat 

achteruit in zijn zaken). 

Vianen en Kuilenburg waren vroeger vrijsteden, waar men de bankroe- 
tiers, die er een sehuUplaats zochten, niet mocht vervolgen. 

126. Scherf geneusd (of sfüsgekind) en dungelipt : hangen! 

hangen! Ygl. Waalsch«^Fransch : Fin nez, long menton, tennes 

Upes (dunne lippen), pendez, pendez. monsieur Ie curi. Luiker- 

waalsch : Long minton, fènnès leppes et bétchou nez^ V&t mix di 

$"pinde qui di s'marier (= « Long menton, flnes lèvres et 

pointu nez, Vaut mieux de se pendre que de se marier > , 

waaronder verstaan is : met een vrouw van dien vorm).(l) 

Wijst waarschijnlijk op een oud rechtsgebruik, waarbij een ter dok>d 
veroordeelde door een meisje kon verlost worden, mits zij verklaarde 
hem te zullen huwen. Vond de veroordeelde haar echter niet naar zijn 

(1) Wa/ZoAia, VII. 188; Dbjabdxn, Dicl. dsf 5|wl« woj/onf, nü 1964. 



— 62 — 

gadi»g, dan mocht hij haar aanbod weigeren, en de bovenstaande 
spreek wijse zinspeelt op een dergelijk geval: liever hangen» dan zoo*n 
leelijk model te trouwen. Het oudst bekende voorbeeld daarvan vindt 
men in Frankrijk in 1430; te Antwerpen, in 1518; doch; het gebruik 
is ongetwijfeld ouder. Waarschijnlijk heeit het zijn grond in het aloude 
• mantel- of iMsehermrecht b der vorstinnen, die bedreigden en vervolg- 
den « onder haar mantel nemen b (1) mochten, welk recht zich later 
tot een « genadereeht » vervormde; naderhand strekte dat voorrecht zich 
ook tot de edelvrouwen en later weer tot de burgerij uit. Dan verkreeg 
het een praktisch karakter : de vrouw die den veroordeelde verloste, 
zou hem ook trouwen (Zie Yolk$kunde, IX, 116). 

In zijn Hi$t, de$ environi de BruxelUi, III, 839, deelt A. Wautbrs ons 
het geval mede van een jongen werkman, Pieter genaamd, die ten 
gevolge van een oproer ter dood veroordeeld was ; 't geval had plaats te 
Watermaal, den 16 Sept. 1532. Op het laatste oogenblik verscheen er een 
jong meisje « les cheveux ópars, ia töte couronnée d'une couronne d'épis 
de la nouvelle récolte. Elle róclama lö coupabie en disant qu'elle élait 
pröte & répouser, s*il y consentait^rusage était formel, Pierre fut mis 
en libertê. • — In de Horx belgiecR van Hoffm. v. Fallbrsl. (deel II, Inï„ 
bl. 68), komt een gedicht voor van 1618» waarin een ter dood veroordeelde 
een afzichtelijke vrouw, die hem de trouw aanbiedt, van de hand wijst. 
Ook een meisterlied van H. Sachs (Der Student lUu tich henken) wijst op 
een dergelijk geval. Ygl. nog Ehk^Böeuk, Liederhort I. bl. 231 en 
Gbllbrt'b vertelling « Der beAer%te Entichluu. » Toor de litteratuur 
betreffende dit onderwerp, zie men o. a. Köhlbr-Bolte, Kleinere Schrif- 
ten, ITI. 251 en Pomm. Volksk., YII, 63. 

Voor PaoF. Ybrcmullib bet. het spreekw. eenvoudig : scherpe neus 
en dunne lippen zijn het uitzicht van een galgebrok; zoo iem. is tot de 
galg voorbestemd. 

127. Het hoofd in den schoot leggen (Ziph onderwerpen). 

Duidelijker ware, zegt Prof. YaaDAM {Geech^., bl. 279) : Het hoofd in 
iemandt êchoot leggen. Oorspr. zeidemen : ene» (iemand) dathovet in den 
scoot legghenj zooals blijkt uit Profijt, Liedeb. 114, 4 : dieslegghe ie nu met 
rouwe mifn hooft in uwen schoot (Stobtt, n* 811). Ontleend aan een vroeger 
gebruik» waarbij men zich en zijn leven als in iemands hand verklaarde. 
Volgens PaoF. Ybrgoullib daarentegen : het hoofd in *yn eigen schoot 
leggen. Het is slechts een versterking van hel hoofd laten hangen en bet. 
eigeniyk : door moedeloosheid allen weerstand laten varen. Uit boven- 
staande citaat blijkt althans dat men zei : t iijn hoofd in iemands schoot 
leggen, i 

128. Met iem. op een wUten voet staan. Witte voeten (of een 



(1) De mantel is een teeken van bescherming, vooral van vorsten en 
vorstinnen. Bl] aanneming en wettiging werden de kinderen onder den 
mantel genomen; vandaar: mantelkinderen (Z. ons Hoofdst. K.). 



— 63 — 

wUvoetjen bij iem. hebben (Van iem. wel gezien zijn. — Loq. 
XI. 64). Bij HA.RR. vindt men : Hij heeft er een witten voet 
(ook : Vier witte voetjes bij iem. hebben), en bij Van Dalb : 
Zich op een witten voet weten te stellen (Zich weten in te drin- 
gen), levers nen witvoet hebben, of de witvoet zijn (C,-V.). Ndd. 
(Holstein) : En witten Fit bi Jemand hebben, — en : Sik en 
wiUen F6t maken bi Enen (Egk. 135-136). 

Aa^ de witte kleur, die steeds ald de edelste gold, werJ een zekere 
hoogere macht toegekend. Een wit ros berijden, was bij de Germanen het 
voorrecht van koningen en heiden ; de heiiige drakendooders der kriste- 
lijke kerk — een St. Maehiel, een St. Joris — zijn sehimmelrijders. 
Hier te lande voorspellen witte paarden geluk (Volksk. VIII, 158-151). 
Hiermee staat in verband Sahtorios, ter. 11.26: Dê kuntt heeft hier vier 
witte voeten (Is hier bij elk in aanzien), ook pr. II, 19 : « Ghf hebt vier 
wittepoeten • en H Witte kindt i, wat een gelukskind, een zondagskind 
beteekent, en overeenkomt met Jüvenalis' gallinae filiue albae. En bij 
Marnix, Byene.9 189 b. vindt men : t Want dat en mach niemanl doen dan 
onse L. Moeder de H. Roomsche Kercke, die de vier witte voeten heeft, ende 
en. kan niet missen. • 

Eertijds mochten witvoetige paarden de poorten der Viaamsehe 
steden tolvrij binnengaan : c Een peerd met vier witte pooien mag door, • 
heet het thans nog te Lokeren. In Haspengonw (Ruttbn, Idiot,) geldt 
noghetspreekw. : Koeien met witte voeten mogen op het kerkhof graten 
(^Zijtge wel gezien van de overheden, dan bekomt ge voordeelen). — > 
Naar Tacitos bericht, werden bij de andere Germanen de glanzig witte 
paarden, die nooit menschelijken arbeid verricht hadden, op gemeene 
kosten onderhouden. In die oude voorstellingen en gebruiken zal wel de 
oorsprong van gezegde spreekwijzen liggen. 

129. Daar is wit op het steentje (Er is kans dat ons iets geluk- 
kigs wedervaart). VgU Wit staan met iem. (A.); bij Sch. : Wit 
Mjn met of bij iem. (Er wel mee staan). WUjes lachen (Vrien- 
delijk, blijde lachen. — Stoett, n? 3145). 

« Het bijw. witjee, zegtSTOBTT» is gevormd van het bijv. nw. wit in 
den zin van vroolijk, waarnaast in de 17« eeuw ook bestond een snw. 
wit : Vreugde, vrooiijkheid (o. a. bij : Vondel: de felle dood, die nu geen 
wit mag zien). » Onder de vijf kerkkleuren is wit die van de vreugd. 

Br i$ wit op U steentje (Er is hoop op goeden uitval) wordt door 
H.aB0B88BR, inzijn Aomme/MO (Antw. 1897) opgegeven als een Ant 
werpache spreekwijze. Ten onrechte, dunkt ons, brengt HARBBBOMiB 
den witten genehtisteen hiermede in verband. « In vroegeren tijd », cegt 
hij, « bestond in ons vaderland, op verschillende plaatsen, de gewoonte, 
om de uitvoering der vonnissen op een steen te doen plaats hebben. 
Elk der rechthebbende sUnden bediende zich, tot uitvoering van zijn 



- 64 - 

eigen Tonnis, yan Yerschillend gekleurde ateenen. De steen der geestelij - 
ken was rood, die der edelen i»tl, en die der poorters Uauw. — We denken 
dat de witte kleur van den steen der edelen, alsook de spreekwijze zelve 
in het voorgaande nummer genoegzaam hun verklaring vinden. 

130. Den staf breken over iets f Het ten strengste afkeuren). 
Met iem. breken (De vriendschap opzeggen). Staven (Beêedi- 
gen). Den eed staven. 

Kramers geeft — wat hij Van Dale niet voorkomt : Den staf breken 
over iemand (fig.) lire d un eondamné sa senlenpe de mort; condamnar qn. 
sans rémission' OU irrévocabtement, (Vgl. het Hgd. : Den Stab brechen Hber 
Jemand). 

Zulks herinnert aan den tijd, toen de staf in de handen van koningen, 
veldheeren en rechters, een zinnebeeldig teeken was van hun macht, en 
de rechter, alvorens den ter dood veroordeelde aan den beul over te 
leveren» een hollen staf in drieën brak, en hem de stukken voor de 
voeten wierp, hetgeen te kennen gaf : voor u heeft het gerecht onweder- 
roepelijk uitspraak gedaan. Met die verklaring echter kan Fockbma 
Andrbae zich niet vereenigen. « Dan zou» zegt hij, de symboliseering 
al zeer zonderlijk wezen. Het verbraken van *s rechters staf, het zinne* 
beeld van zijn gezag, kan moeilijk de onherroepelijkheid, het blijvend 
gezag van zijn vonnis aanduiden. » Hij houdt zich aan een jonger formu- 
lier, dat den rechter laat zeggen : ich zerbreche mit diesemStabezugleich 
das Band zwischen der Menschheit und euch ■ hetgeen beteekent : de 
vredeband tusschen de menschen, door het rechterlijk gezag gehand- 
. haafd, wordt in dit geval, symbolistisch, door dep rechler verbroken; 
daardoor wordt de veroordeelde vredeloos en kon in ouden tijd ieder, in 
later tijd de beul hem strafifeloos dooden. (1) — Hiermede staan in ver- 
verband : met itm.biekenen den eed stavtn. Deze laat»te zegswijze belee 
kende oorspronkelijk de eedafneming door den rechter onder een plechtig 
zwaaien van zijn staf; en nog langen lijd nadat de staf daarbij in onbruik 
wasgeraakti bleef de uitdrukking voortleven. Ons staven ss beèedigen, 
is er nog een overblijfsel van. Vgl. ook ons: stafhouder, Fr. bdtonnier ^ 
deken der advokaten, alsook het Fr. rompre ia paiUe (bewaard in Le Dépit 
amoureus van Molière, acto IV, se. 4); thans eenvoudig rompre, 

131. Zweren bij kris en bij *:ra5(Zweren bij al wat heilig is). 

Tuinman denkt hier aan een verbastering van kruis; doch D^ hr 
Jaobr(2) acht het aannemelijker met Weiland de spreekw. van den naam 
Christus af te leiden. Bij kris en kras, zegt Verg., is een versterking door 
reduplicatie met ablaut van kris, dat verkort is uit Christus, Immers, 
men placht op het kruis te zweren. 

Sart.-Sghre7., sec. YII. 8. geeft : Sweeren by kas ende by kruys ; is dat 
relikwiekast? vraagt Stoxtt (no 1U99). In de oude Klucht van Sr, FUibert. 
Genaemd Oud-Mal (1657J luidt de spreekw. weer anders : Hy sweert by 

(I) FooK. Andreae, t. a. pi., I3d-13d. 
(9) Verseheidanhedêm,!^. 



— 66 — 

kfHifs en kra»{l). — De ihnden'hutorie van Jam yan Rijbwijgk (PoliL 
Zwêepilaifen, bl. 09) berat deze strofe : 

c Dil was te vet, dit ging te yert 
Men zwoer bij kris en kras 
Dat salke swarte booxe bond 
Niet meer te dolden was. » 

132. Men kan den Fries gelooven, want hij heeft zijn haren 
met de vingeren aangeraakt. 

Haar en buard waren bij de oude Germanen de kenteekens yan yrije 
mannen, en de aanraking daarvan gold, bij bet zweren, als een beilige 
eed. De Friezen hadden voor gewoonte de hoofdharen aan de linkerzijde 
een weinig naar voreh te halen en daarop de vingeren der rechterhand 
te leggen. 

Vgi. Geloof geen monnik, of hij hebbe haar in de hand. 

138. Bij xijn zolen zweren. 

Zou deze spreekwijze haar oorsprong hebben in de oudtijds bestaande 
gewoonte, dat een aangegane verbintenis door het uittrekken en over- 
reiken van een der sehoenen i)evestigd werd? Deze handelwijze werd, bij 
de Israëlieten althans, als heilig geacht en stond met het doen van een 
eed gelijk* Zie Ruth, IV : 7 en 8. — Of zouden wij deze spreekw. aan 
de Ëngelsche hulptroepen, die vroeger bij ons in dienst waren, hebben 
afgeluisterd? Die toch zeggen : by my ioul (spreek uit : iooi) voor : bij mijn 
4ie/(iLLaR.U,508). 

184. Te hooi en te gras (Hoogst zelden; zoo nu en dan maar 
eens; op ongeregelde tijden). 

Die uitdr. was oorspr. een middeleenwsche tijdsbepaling voor rechts- 
dagen^ met de beteekenis : in den voorzomer (den hooitijd) en in het voor- 
jaar, als het jonge gras uitschiet, c ten nieuwen grase » (nl. in Aprü, de 
graimaand) ; zij beteekende dus eigenlijk : tweemaal 's jaars, wat nog 
dnideUJk blijkt uit deze plaats van Bbsosbo : « Sy (zijn dochter nl.), 
lacht by hoy en by gras, dat 's goelickjes tweemael 's jaers. i {Ndl. Wdb., 
y« 580; Mnl. Wdb,, II. dl06) Ygl. Mnl. Bi grase endê bi itro, en By eorne 
(koren) ende by graee =s des zomers en des winters (Noordswish, 151-159 
en Mnl. Wdb., UI, 1923). 

185. Jaar en dag (Wettige termijn van bezit, verjarings- 
termijn. Oudtijds gemeenlijk : een jaar, zes weken en drie 
dagen. Wie b. v. jaar en dag een goed bezeten bad, kon er 
niet meer van beroofd worden.) Tbans fig. -" zeer lang : Ik 
heb u in jaar en dag niet gezien (In geen honderd jaar). Hgd. 
NaehJahrund Tag. 

(1) Vam MoKBKBaxsN, Ndl. Klucht9pei in de 17* eeuw, bl. 857. 



— 66 ^ 

Jaar en dag (=s termijn Tan een jaar; Hgd. Jahreëfriti), eyenalB 
15 dagen -ss termijn van twee weken, met de oude (en nog bestaande) 
gewoonte om bij de juiste tijdruimte steeds een toemaatje te voegen, 
dat zeer veranderlijk was. Men sprak ook van « hondert jair ende 
enen dach » (zie Ybrdam, üededeelingen v. d. Maatseh. d. NdL Lelt, 1902, 
bl. 87); men denke nog aan ons : Eeuwig en %es weken. Dit toemaatje 
(délaif Hgd. Frist) is een middel om niet tekort te komen. 

136. Op het lussen geraken (Aan het bewind komen, tot 
een booge waardigbeid benoemd worden). Op het kussen zitten 
(Een aanzienlijke betrekking waarnemen). lem. op het kussen 
brengen, o( helpen (lem. een aanzienl. betrekking doen beko- 
men). Zijn kussen is omgekeerd (Hij is van zijn betrekking 
ontzet). 

Dat kussen zinspeelt op de gemakkelijke armstoelen» waarop de 
magistraatspersonen der Hollandsehe republiek plaats nan^en (Noord en 
Zuid, 1. 268). 

In verband daarmee staat : lett op hel tapijt (ter tafel, te berde, ter 
sprake; brengen. Dat *al (weer) op hei tapijt komen. Daar ii wat op hel tapijt, 
Hgd. Etwae aufs Tapet bringen. — Fr. ÈÊettre (of remettre) une affaire eur Ie 
lapis, — Die spreekwijze is ontleend van het tapijt, dal over de tafel eener 
aanzienlijke vergadering gespreid was, of nog is. 

137. Daar niets is, scheldt de baljuw de boete kwijt W, — 
< Elk moet zijn profijt zoeken », zei den hoerenschout, en hij gaf 
een ton bier ten beste, op hoop dat de kinkels door den drank aan 
het vechten zouden raken. ^ Het is een arme schout^ die zijn 
boete niet afwachten kan(^), — Der heeren zonde ^ der boeren 
boeUi^). 

De baljuw (soms ook drost, meier, ambtman, ot schout geheeten) was eer- 
tijds de titel van een ambtenaar, die door den landsheer met de recht- 
spraak in een zekere landstreek was belast. Zijn rechtsgebied (baljuuh 
sehap) was aanvankelijk verdeeld in tchoutambten. De schout, eerst 
ondergeschikt aan den baljuw, later rechtstreeks onder 'toppergezag van 
den graaf geplaatst, was het hoofd der rechterlijke macht in de steden. De 
baljuws, die tot het einde der vorige eeuw bleven bestaan, vervulden 
laatst de rol van ons tegenwoordig Openbaar ministerie. 

Bovenstaande spreekw. herinneren aan den tijd» toen de rechtspraak 



(1) Ontleend aan Grutarus» III. (Florilegium Ethico-Politicum,.. Pars I, 
II en ni. Francofarti, 1610, 1611 en 1612). Bij G. Tuinman II» 176, luidt 
hei spreekw. : Daar niet is. scheld de bailju de boeie quyt. 

(2) GnüTsaus» I. Het laatste ook bij Skryilius. Zie boven, n« 47. 



— 67 — 

door het gevolgd* boetestelsel enkel een geldzaak was. Baljnws en 
Bchoaten kochten hun betrekking tegen betaling eener som gelds. De 
yorstp die dal geld zoogezeid te leen ontylng, kon die ambtenaars niet 
afzetten» zoolang hij gezegde som niet terugbetaald had. Daartoe was hij 
gewoonlijk niet in staat, tenzij een ander meer voor den post bood : een 
strengere toepassing der boeten scheen den kooper een nogal gemakkelijk 
middel om hem voor die grootere uitgaaf ie vergoeden. 

Over den baljuw raadplege men Gailliard, Keure v. Hoiebroek, IV. 
14 ylgg. en N. en Zuid, XXVI, 88. 

Ygl. Waar nieti ii, verliest da keiler %yn recht. — Die dee k<mingi gane 
eet, kakt da pluimen honderd jaar daarna, want zijn macht reikt zeer ver, 
immers : Koningen (of Groote hoeren) hebben lange handen (of armen), en 
Groote hoeren gedenken lang, — Het is kwaad kersen eten met de groeten; want 
zij tasten naar de rijpste en gooien met de steenen (Sart.-Schbkv. pr. lY, 48» 
geeft alleen : Met Meeren ist quaedt Kerssen te eeien), 

188. Schouten en baljouwen Grijpen als de wouwen 0). — 
Schouten en baljouwen Schuwt men als de wouwen (2). — Balju- 
wm zijn al haviken, (d) — Des baljuws messen snijden zeer. — 
Schouten (of Heeren) hebben veel ooren en oogeni^). — Drie papen 
van boozen rade, Drie schouten zonder genade. Drie boeren gierig 
en rijk. Zijn negen duivels van 't aardrijk. ^ 

Deze spreekw. vinden genoegzaam hnn verklaring in 't voorg. nummer. 

189. Dat mag ik de deur van den schout voorbijdragen (Wat ik 
doe, is zeer veroorloofd, is wettig. — V. D.) Wat hij geeft, 
ken-je wel voorbij den schout zijn deur dragen (Hij geeft weinig 
weg. — Boe.). 

Ik vind de spreekwijze ia S. Gobter's Boere-klucht, van Teeuwis de Boer 
(Van Mobrkbrkbn, Kluchtspel, hl. 42) : c Dat ghenoeght mach ick wel 
verby de Schouts deur draghen. ■ Op het woord Schout geeft Bobkxnooqen 
nog : Bij heb 'et *oo drok as de schout van 'et dorp en die had één koe. — Bij is 
zoo rijk as de schout van 't huisie (Zeer arm). De schout van Aim^d zfjn 
vogels (De zeemeeuwen). 

140. 7 Is beter ter dood verwezen te lijn door zeven doctoren, 
dan door den jongsten schepen(^). De jongste schepens wijzen 



(1) Bij Grütbrüs, I, en Gats. 

(3) Bij Sart.-Sghrbv. pr. IV, 48. 
(8) Bi] Grutbrus, III. 

(4) Bij Sbrvilxos en Grütbrüs, II. 

pi) Aldus bij TüUfMAB, II, 235. Grutbrüs, III, geeft : Liever verwesen 
van thien medeeyns, dan van seven Schepene» 



— 68 — 

*t vonnis (Jonge lui zijn spoedig gereed om een oordeel te 
vellen. Ook : Het oordeel van jonge lui wordt vaak boven 
dat van bejaarde menscben gesteld). — Sle(^t schepen, slecht 
vonnis. — Lichte schepens geven licht vonnis. 

In den beginne waren de rechtsplegende macht en het stedelijk bestuur 
ia dezelfde handen vereenigd, nl. in die van het college van schout en 
schepenen. Allengskens echter gingen zij enkele aanzienlijke burgers 
raa4plBgen, die eerst raden, later burgemeesters werden genaamd. Zoo 
kwam van lieverlede, naast het rechterlijk, ook een burgerlijk bestuur 
tot stand : Schout en schepenen, alleen rechterlijke ambtenaren gebleven, 
vertegenwoordigden den landsheer^ en de burgemeesters (aanvankelijk 
door de schepenen, later door de burgerij gekozen), vertegenwoordigden 
de gemeente. 

Het Bpreékw, De jongste sehepens wijzen het vonnis, ql is oorspronkelijk 
van de gewoonte om de jongste schepens het eerst hun stem te doen 
uitbrengen. » (Harr. II.). 

141. Rechtbank; schepenbank. — Hgd. Gericht sbank.Schöff en- 
bank. — Eng. Kingsbench (Koningsbank, Fr. Banc du roi) 
= een voorheen door den koning in persoon voorgezeten 
oppergerechtshof in Engeland. 

, Eertijds zaten rechter en schepenen op banken; later hadden baljuw 
en schout een stoel, terwijl de schepenen op banken bleven zitten. Toen 
die banken bepaald. verdwenen waren, bleef men toch spreken van 
rechtbank en schepenbank, 

Ygl. Fürstenbank (vorstenbank), de voormalige zitplaats der Duitsehe 
vorsten in den rijksraad. — Le bane des ministres, de la noblesse, des 
évêques (in openbare vergaderingen), de bank der ministers, des adels, dor 
bisschoppen, voor : de ministers, den adel, de bisschoppen. — Banc d*avocal 
=: kantoor van een advokaat. 

Ygl. nog : Bank (La banque); ivisselbank; bankier; bankroet; vleeschbank; 
visehbankf enz. enz. Men zal erkennen dat de banken eertijds een groote 
rol speelden. Zie ook Ndl. Wdb., II, 975 vlgg. 

143. De vierschaar spannen. De vierschaar is gespannen (De 

rechters zijn vergaderd). Yóor ie vierschaar (het gerecht) 

dagen. Hgd. Yor die vier Bdnhe kommen. 

Oudtijds, toen ieder gericht nog in de open lucht werd gehouden, 
waren de rechtsprekenden van de menigte gescheiden, naar het schijnt, 
door in den grond gestoken hazelstaven, waar een koord omheen was 
gespannen; later kwamen er palen met tusschengevlochten teenen, dan 
staketsels in de plaats. Zoo is er in oude oorkonden sprake van rigtepale. 
Zou ons binnen de palen blijven en de palen Ie buiten gaan, en het Hgd 
Die Schranken ilberschreiten, misschien daarop wijzen? « Binnen dien, 
kring stonden doorgaans vier banken : éen voor den schout, 6eQ voor de 



— 69 — 

sebepenen, éen voor den aanklager en öen yóor den beschuldigde. 
Vandaar de nitdr. De vierschaar ipannen. Voor de vierschaar dagen, Ygl. 
de oude Dnitsche formule : Klagen binnen vier Banken (voor de gerech- 
telijke aanklacht). 

Vierschaar, Mnl. viencare. Nu, scare vermoedelijk uit seaerne, verwant 
met Ndd. tcharne, seheme, Ohgd. scranna &= bank (Mbgd. schranne = 
bank; vierschaar = met vier banken afgesperde ruimte) : verwant met 
schrank (Vkrc, Etym, Wdb.). 

143. Iets op de lange baan Bchuiven. — Hgd. Etwas au f die 
lange Bank schieben (Tejkens uitstellen en daardoor niet 
behandelen; er zich afmaken). Dat is van de baan geschoven 
(Voor goed afgesteld). 

De Duitsehe zegswijze geeft bank, en niet baan; zou men, daarop 
Bteunendy niet mogen besluiten, dat die spreekwijze de oorspronkelijke 
is, en dat men hier nogmaals een bank van de oude gerechte plaats op 
het oog heeft? 

Naast zich op de banken, zegt Borchardt, n» 108» legden de schepenen 
die stukken,, waarmede zij zich terstond wilden bezighouden; zaken, die 
zij wilden uitstellen, « schoven %ij op de lange bank b. Nu, die oude banken, 
zooals somtijds nog heden aan den wand der boerenhuizen, waren geen 
planken met vier pikkels, maar lange kisten» die niet alleen tot zit-, 
maar ook tot bergplaats dienden. Vandaar bij Aoricola : Etwas in die 
langen Truhen legen, wat door een verzamelaar der 18« eeuw in denzelfden 
zin wordt verklaard. 

Vgl. nog ons 2 Achter de bank geraken (Vergeten worden). Hij wordt 
achter de bank geschoven (met opzet verwaarloosd). 

Volgens Stostt is de oorsprong wellicht te zoeken in het damspel, 
waar men onder de lange baan verstaalde rij ruiten, welke de diagonaal 
van het kwadraat volgt (Zie zijn n» 124). 

De oorsprong is in elk geval niet duidelijk {Ndl, Wdb., II, 814). 

144. De zaak is nog hangetide of aanhangig (Hgd. anhdngig) ; 
— ook : De zaak (of het proces) hangt nog aan den spijker (De 
zaak is nog onbeslist, nog niet afgedaan). Bij Saht.-Sghrev., 
sec. VII, 49 : Dat Proces blijft oen een nagel hangen. — Fr. 
Un proces pendant ; une cause pendante. 

Vroeger placht men de zakken, waarin administratieve zaken be- 
waard werden, aan een spijker te hangen. Doch i. v. aanhangig zegt 
Ndl. Wdb. : als 't ware nog verbonden zijnde, hangende aan het lichaam 
of de instelling, waaraan de beslissing, beoordeeling of bewerking er van 
is opgedragen. Mnl. die sake hanct {vore den scepen); düir dat recht 
hangende U iZieNdl, Wdb. V. 9080vlg.en Mnl. Wdb,. 111,79). 

Vgl. Ms in petto houden (bewaren tot gelegener tijd, voor zich honden). 
« M petto, — zegt Harr., is uit het Italiaansch genomen, in welke taal 
het beteekent i in den *ak, en als rechtskundige term gebruikt wordt in 



— 70 — 

den zin» waar wij van aun dên ipijktr spreken. Of men in ItaliS de 
adminiitratieTe zaken met hetzelfde doel in den zak laat liggen^ als wl] 
die laltn hangen^ weet ik niet. ■ — c Ik keo in *l Ital. geen ander petto 
— schrijft me Prof. Ybbgoullib» — dan petto nit Lat. pectus = borst. • 
Langs dien weg, overigens, is de spreekw. gemakkelijk te yerklaren. 

145. Iemand bij den kraag pakken (vatten, of krijgen.) ^ 
Hgd. Einen beim Kragen fassen. 

Wilde de eiseher den beklaagde gerechtelijk aantasten, dan moest hij 
hem met twee vingers aangrijpen in zijn oppeiste kleed : sik sin nnder- 
winden bime hovetgate d. i. kraag (Sakienspiegel). Door denzelfden aangreep 
werd aan den schuldeischer zijn schnldenaar, en verder ieder ander 
overtreder en veroordeelde overgeleverd (Noordswibr, 40). 

Die zegswijze schijnt me eehtar ook anders te kunnen verklaard 
worden. Kraag beteekende oudtijds keel, haU; vandaar nog : ieis in *ijn 
kraag slaan; een tluk in *ijn kraag drinken. De beteekenis van : iam, bij 
den kraag pakken, zou dus zijn : iem. bij de keel (den hals, of den nek) grijpen, 
om zich van hem meester te maken en hem te tuchtigen door eigen 
handen, of te doen tuchtigen door het gereeht. 

Fr. Prendre qn. au collet, d la gorge, 

146. Ik zal hem vóór de roode deur doen komen (d. i. vóór 
het gerecht. — Sart.^chrev. sec. IX. 76. geeft : Ghy mU 
voor de roode deur gaen). — lem. vóór de roode deur hebben, of 
nemen (Hem kapittelen, hem de les lezen). 

Yolgens Fockbka Andrbab (t. a. pi., 121) heeft de uitdr. vóór de roode 
deur haar grond in de middeleeuwsche gewoonte der kasteelheeren een 
roode deur in de poorten hunner sloten te hebben. « Wie den heer iets te 
vragen had, meldde zich hier aan, wie ter verantwoording geroepen 
werd of beklaagd, kwam vóór de roode deur, » 

t De roode deur, zegt Harr. I, 128, is de deur van *t bloedgerecht, en 
bij toepassing de deur der gevangenis en van elke gereehtsplaats, omdat 
de landsgebouwen rood geverfd worden. » 

In hoeverre dit roodverven der landsgebouwen aan de werkelijkheid 
beantwoordt, weet ik niet, doch men kan tot verklaring der bloedkleur 
ook wel andere redenen doen gelden : de foltertuigen, het geeselen, het 
afsnijden van eenig lichaamsdeel, in vroegere tijden gebruikelijk» — 
waardoor er in de gevangenhuizen oneindig meer bloed vergoten werd 
dan heden ten dage. 

Vgl. de roode roe(de)9 voor : de straf vol trekker, de beul. 

In dit vers uit J. Ebmp's Klucht van de Bedrogen Smith (1661) : « Wal 
roert het jou malle Pouwelis? 'k mien oock haast met een Hartje voor de 
roo deur te gaan • (1), heeft de zegsw. de beteekenis gekregen : in 't huwe- 
lijk treden, — en de verklaring hiervan moet gezocht worden in het feit 

(1) Van MoERKiERKEK, NU, Kluehtipel, 411. 



— 71 — 

dat b. T. in Amsterdam, zooals De Robyxr(I) ons meedeelt, de kamer in 
de Oude Kerk, waar de commissarissen yan huwelijkszaken vergaderden, 
door eene rood gesehilderde deur met een der zijbeuken van de kerk, die 
ais wachtkamer dienst deed, was verbonden. 

Ik %al hem de blauwe trappen doen opgaan wordt door Tuinman opge- 
geven met dezelfde beteekenis als : hem voor de roode deur doen komen* 

147. Geen klager, geen rechter, — of Daar geen klager fa, 
is geen rechter. 

Bij onze Frankische voorouders bestond geen hoegenaamde openbare 
aanklager, in den aard van ons Openbaar ministerie. Volgens het oud- 
Nederlandsche Recht kon geen misdadiger vervolgd worden, tenzij op 
aanklacht van het slachtoffer zelf of van diens bloedverwanten. Waar 
dus geen klager, geen eischer optrad, kon ook geen rechter zijn. Later 
eigenden de graven of hun plaatsvervangers zich voor zware misdrijven 
— moord, brand, vrouwenkracht (= verkrachting en eerroof) — de 
rechtsvordering toe. De Bourgondische vorsten eindelijk stelden hier* 
voor bepaalde ambtenaars aan, en onttrokken tevens dat recht aan 
bijzondere personen. 

In zekeren zin echter is het spreekw. nog van toepassing, daar voor 
sommige vergrijpen, de beleedigde of de beschadigde zelf het feit dient 
aan te klagen ; anders is er geen vervolging. 

148. lem. de doode hand nadragen (Alle middelen bezigen, 
om iem. telkens weer aan zijn misdaad te herinneren). 

Tol de veroordeeling van een misdadiger werd een dezer drie voorwaar- 
den vereischt : de bekentenis, de betrapping op heeter daad, bet vertoon 
van 't corpus delicti vóór 't gerecht (2). — In geval van moord, werd hel 
lijk bij de aanklacht vertoond ; kon de zaak niet in tijds afgedaan wor- 
den, dan hieuw men het lijk de rechterhand af en deze verving dan het 
eigenlijke corpus delicti : dagen metier dode Aan/. Later mocht men daartoe 
een wassen hand, en eindelijk zelfs 't bloedige kleed als zinnebeeld gebrui- 
ken. Dat getuigde tegen den moordenaar. 

Zie Stallakrt, Glossarium, 654; Noordswisb, 277 en 416-417 ; Verdam, 
Mnl. Wdb. II. 298 en Ndl. Wdb. V. 1776. 

149. Die niet kan betalen met geld^ moet met zijn huid boeten. 
Die niet betaalt zijn gelletje^ Boet daarvoor aan zijn velletje. 

Fr. Qui nepaye desa baurse, paye de sa peau. Lat. Qui non habet in fium- 
mis, luat in eorpore. 

In den onbeschaafden voortijd, toen de Staat nog de orde niet kon hand- 
haven, belastte zich de familie met het bestraffen der misdrijven aan een 
van hare leden gepleegd. Dat heette de bloedwraak, die bij menigen 

(1) Van Vrijen en Trouwen^ bl. 172. Zie ook Stobtt» n» 848. 

(2) Die drie dingen heetten eertijds : giehtige mond, handhafle daad, 
blikkende schijn (Noordbwisr, 416). 



- 72 — 

YOlksstam en vooral bij de Germanen in xwang was, en die thans nog bij 
sommige onbeschaafde volken thuis hoort. Zoo ontstond er tusschen de 
familie Tan den misdadiger of beleediger en die van den verslagene of 
beleedigde, een onverzoenlijke veete, die dikwijls veel bloed deed vergie- 
ten. Later trachtte de machtiger geworden Staat de bloedwraak tegen te 
werken; men begon de misdrijven \b onderscheiden in zoenbare en 
onzoenbare. De eerste konden gezoend d. i. door een geldsom {ioengeld, 
bloedgM, weergeld) (1) afgekocht worden. Eerlang werd het weergeld van 
algemeen gebralk» en de bloedwraak verdween. Oie geldboete hing af van 
den rang, de kunne en den leeftijd van den beleedigde, alsook van den 
stand des beleedigers. Wie in lijfstraffelijke zaken sijn geldboete niet 
betaalde, boette het met zijn huid. Ook in andere zaken, waren de schul- 
denaars ter beschikking van hun sohuldeischers en aan liJfMwang 
onderworpen. 

150. Zoen (kas); zoenen (kussen). 

Bij de oude, gerechtelijke « verzoening ■, waarvan in ona vorig n' 
spraak is, behoorde de kus; deze gold, als het zinnebeeld van de kwljt- 
sehelding van het misdrevene. Vandaar ontwikkelde zieh uit het Mnl. 
toene (verwant met Ohgd. suona, Nhgd. iühne» Oudn. ión = offer) de tegen- 
woordige beteekenis soen =s kus (Zie Vbaq. i. v.). 

151. Hij heeft de grendels doorgegeten (Gez. van een 
schuldenaar, die, op verzoek en op kosten van zijn schuld- 
eischer in gijzeling gesteld, er zoolang blijft zitten tot de 
aanklager het moede wordt zijn onderhoud te betalen). 

In onze Belgische wetten wordt de lijfsdwang, in burgerlijke zaken, 
slechts in enkele bepaalde gevallen toegelaten; in N.-Nedl. zijn die geval- 
len wel wat talrijker, meen ik. — Wat Prof. Früin ons onlangs vertelde 
over BiLDBRDijK*s eerste vrouw, die Jaren lang een harer vijanden aldus 
in gijzeling hield — uit wraakzucht zijn schulden van andere scbnld« 
eischers afkoopend — ware hier te lande onmogelijk, en zoo ik me niet 
vergis, zou het ook in N.-Nedl. niet meer op dezelfde wijze toegaan. 

Is de schuld invorderbaar bij lUftdwang, dan zou toch ook te onzent de 
schuldenaar de grendeti nog kunnen dooreten, omdat de eischer een deel 
van 't onderhoud moet betalen. 

152. '& Wil barvoets (of aditerwaarts) naar Hal(le) gaan (als 

'I niet waar is). — *hGa barvoets naar Hal(lé) en op mijn kin(ne) 

naar Rome. — Bij onze Henegouwsche Walen : Que j*ailk, 

pieds nus, i Hal. 

Dat soort van eedformule, die hier bij het volk, tot staving vaa een 
of ander gezegde, vaak wordt aangewend, herinnert aan den Üjd, toen 
het opleggen eener verre bedevaart een zeer gewone straf was. Deze kon 

(1) Weergeld. Hgd. WehrgM s nutngeld, ter afkooping van den mêmlêg. 



~ 73 — 

gewoonlijk door een geldboete vervangen worden. De bedevaartplaatsen 
yersebilden yolgens de locale gebruiken. Leuven, zegt Gannabrt(I), 
staarde zijn bedevaarders naar St-Joos op de Zee (bisdom van Amiens); 
Mechelen, naar St-Maarten te Tours, naar St-Jacob in Galliciê, naar 
Cypms» enz. Die van het graafschap Limburg werden gezonden naar 
fioeamadouri Nancy en yendöm6;die van Diest naar Rome, Ferrare, 
Straatsburg. Het tarief of de pelgrimagif^Ujtt der stad Gent behelst meer 
dan 900 steden en vlekken in alle deelen van Europa en zelfs in Azië, 
waar de veroordeelden zich moesten heen begeven, alsook de opgave der 
sommen waarvoor die bedevaarten, zoo ze niet in eigen persoon moesten 
gedaan worden, konden worden afgekocht. De eostumen van Diest, Lim- 
burg en Luik daiden dezen losprijs aan : voor den weg naar Cyprus, 
90 realen; naar St-Jacob in GalUcië, 20 realen; naar Rome, 10 realen ; 
naar Ferrare of Straatsburg, 5 carels. 

Zij, die niet in staat waren dat losgeld te betalen, of die de bedevaart 
in eigen persoon moesten uitvoeren, ondernamen den tocht met schelpen 
bekleed, voorzien van kalebas en pelgrimsstaf (met pahter en $ekerpe) (2) 
op Gods genade en den bedelzak; en bij hun terugkomst moesten zij door 
behoorlijke getuigschriften bewijzen, dat de reis werkelijk volbracht was. 

158. Op een leugen behoort een hinnebakslag. 

Bij de onde Germanen werden de leugenaars diep veracht en voor 
eerloozen gehouden. Bij hen was men gerechtigd dên leugenaar klappen 
in 't aangezicht te geven. In zijn Deuttche Recht saUerthümer heeft Griuu 
aangetoond dat, volgens het Noordsche en Saksische recht, de lasteraar 
veroordeeld werd zichzelf op den mond te slaan en te zeggen : èSond, gij 
h^ gelogen, eiï daarna achterwaarts de gereehtsplaats te verlaten. De 
boete, welke hij daarbij opliep, heette lippen- of mond geld. Vandaar ook 
het Duitsche spreekw., gansch gelijk aan het onze : Op een leugem past een 
klapiS). 

Ook In Nederland gold het woord c leugenaar b als een zware belee- 
diging. Daarop doelen nog enkele andere onzer spreekw. : Wijs mij een 
leugenaar, ik wijs u een dief (4). — Al eer de leugen is ten end, ioo is uw goede 
naam ge$chand{6). — Slechts ëen leugen ter voorkoming van een onver- 
delijk kwaad wordt versehoond : Een leugen om best wil is geen %onde (of 
schaadt niei). 

(1) Bydragen tot de kennis van hot oude Strafrecht in Vlaenderen, Gend, 
1885, blz. 79 en vlg. 

(2) Polster ssa bedvaartstaf; scherpe, schaerpe = reiszak, maal, waaruit 
t Fr. écharpe, oorspr. =: bourse, suspendue au cou (Eiliaan). 

(8) Of is ons Ndl. spreekw., dat aan de Campansche verzameling (1550) 
ontleend is, wellicht uit het Dultsch overgenomen? Mr. G. van Hall (De 
Nadert. Spreekw., tot het Bagt betrekkelijk, Amst. 1858), die het Duitsehe 
spreekw. meedeelt, geeft er alleen de vertaling van. 

(4) Campenj en Qbxttbbüs^ II. 

(5) GiTS. 



— 74 — 

154. ïem. water en vuur ontzeggen (Alle gemeenschap met 

hem afsnijden). — Vgl. Het land uilzeggen, thans ontzeggen 

(Bannen. — V, D.). 

« Bij de Romeinen, van wie wij de spreekwijze waarschijnlijk hebben 
oyergenomen, sprak de rechter êen bannissemeDt uit onder het symbool 
yan water en vuur ont%eggen, hetwelk noodzakelijk het vertrek van den 
yeroordeelde ten gevolge had. » (Harr. II., 4SèS), Vgl. wat Gannakrt 
^bl. 118) zegt : « In het grootste gedeelte der verbanningen, ten eeuwigen 
dage, werd nog daarby eenen yegelycken verhoeden^ dat yemant hem tpyt oft 
dranck moet vercoepen, logeeren, in schuyten oft up waeghens vueren^ op de 
hoogtte boeten. »-- De ban werd uitgesproken voor drie, tien, vijftig en 
zelfs voor honderd jaren en een dag. Hij, die voor 't leven gebannen 
was, mocht door elkeen ongestraft gedood worden, zoodra hij de grens 
overschreed, 

155. Vogelvrij (Buiten bescherming der wet blootgesteld 
aan ieders vervolging). lem. vogelvrij verklaren. 

Volgens Tuinman gez. van hen, wier banvonnis iedereen vrij stelt hen 
te dooden, waar men zo ook aantreffen moge, juist gelijk men vrijheid 
heeft een vogel te schieten. In dien zin ware vogelvrij : zoo vrij als een 
vogel, dien elkeen dooden kan. Stobtt (n» 2047) meent evenwel met 
FoGKBUA Andreae, dat men moet denken « aan de vrijheid om vogels 
(ganzen, eenden, hoenders) in tegenstelling van andere dieren, die een 
eigenaar hebben, en van menschen, op zijn land dood te mogen slaan. 
Wie dus zoo vrij is als zulk een vogel^ loopt een kwade kans. » 

Beter, dunkt me, bij Vxrgoullie : Vogelvrij^ verwant met Mbgd. 
voyelvrt (Nhgd. vogelfreit), naar het avibus permissus van den banvloek, 
nl. « den vogelen in de lucht, den dieren in het woud, den visschen in 
het water overgelaten, t 

156. Graaf. — Dijkgraaf. — Pluimgraaf. — Aasgraaf. 

De graaf {lAi. grafio of come*) was oorspronkelijk een ambtenaar, die 
door den Vorst met de opperste rechtspraak in een landstreek werd 
belast, en er later ook het bestuur over kreeg. Dat leeft nog voort in 
samenstellingen als : landgraaf, markgraaf, gouwgraaf, enz. Ook in : 
dijkgraaf (opzichteT der dijken, voorzitter van een polderbestuur); — 
pluimgraaf (opzichter van het gevogelte; ook aan boord een matroos, 
daarmee belast) ; aasgraaf (oude benaming van een stedelijk ambtenaar 
in sommige Holl. steden, belast met de rechtspraak in zaken van versch 
visehaas voor de kabeljauwvangst, enz.). — Zekere hofbeambten bekwa- 
men mede den grafelijken titel, b. v. : de italgraaf {comes etabuli, waar- 
van het Fransche connétable en het Eng. comtable afstamt); deze heette 
ook maarichalk{l) en had het opzicht over de stallen van den Vorst. 

(1) Het eerste lid, maar, bet. hengst, en is 't manl. van merrie (Hgd. 
Mühra, Eng. mare), en de eerste beteekenis van iehalk is knecht. Dus 
maarschalk spaardeknecht, staloversté. Hieruit het Fr. maréehal, yKU 
waar Nhgd. Manehalt (Z. Vugoüllu. Etym. Wdb.). 



- 76 — 

Verder de palitgrdaf (cornet pêiaiii, tomen palatinus), die den Vorat bij 
H nitspreken Tan Tonnissen ter zijde stond. 

157. De gruit in iets brengen (Iets bederven). 

Als inkomsten ontTing de graaf zijn aandeel in de gerechtelijke boeten, 
de grulU en hopgelden, enz. Verder behield hij zich het Tischrecht in de 
groots wateren, het maalrecht, enz. 

« Gruit, zeker plantaardig, kruidend toCToegsel aan het tot bier 
bestemde brouwTOcht (in del4<^« eeuw door de hop TPr^angen), waarvan 
in de middeleeuwen de alleenverkoop aan den landheer toekwam : het 
recht van de gruit, het doorgaans verpachte recht van het verkoopen van 
degrnitaan de brouwers, (later) een belasting op het gebrouwen bier; 
(veroud.) heflfe, droesem; (gew.) slordig werk; (fig.) de gruit in iets brengen, 
iets bederven ■ (V. D.). 

158. Banmeulen (In de Antw. Kempen : winkel, waar 
men verplioht is zijn loon in winkelwaren op te halen. 
— C.-V.). 

De ban* of bandmolen (Fr. Moulin banat) was oorspr. een dwangmolen 
binnen een ban (of rechtsgebied) gelegen, waarde onderhoorigen verplicht 
waren hun graan te laten malen. Hij leeft nog heden voort in den 
Eempischen « banmeulen »; zoo hoort men ten N. O. van Antwerpen 
zeggen : De warklié van Meneer B. zijn in den banmeulen bij zijnen boseh' 
waahter{ZB moeten in den winkel van den boschwachter hun dagloon in 
winkelwaren ontvangen. — G.-V ) 

Zie Stallaert, Clou., 1. 120; Ndl. Wdb. II. 998. 

159. Voren homt, voren maalt (A.). Die eerst homt^ die eerst 

maalt (De eerstgekomene wordt het eerst geholpen). Vgl. 

Ndd. Wei 7 este in de MvlVn kummet, de millt (Egk. 371). 

Hgd. Wer zuerst kommt, mahlt zuerst. Fr. Premier venu, premier 

moulu. 

Zinspeelt ongetwijfeld op den middeleen wschen banmolen,waar degene 
die zich het eerst met zijn koorn aanbood, ook het eerst werd bediend. 
Blijkt dat niet duidelijk bij « Gampen » : Die yerst coemt, die maelt yeret, 
of eenige dergelijke oude vormen, bij een aantal andere is het duidelijk, 
b. V. in de Prov. Communia : Die eerei ter molen comt sal eerst malen; 
evenzoo in Seer schoone Spreechwoorden» De Antwerpenaar Gobdthals, 
wiens vorm : Voren komt, voren maelt nog heden voortleeft in 't L. v. Aalst, 
vertaalt hem door : Qui premier vient au molin, premier doiti moudre. 
Veel ouder nog is de Saksenspiegel (naar 't Berlijnsche Hs. van 1369) : 
Die ok irst to der molen kumt, die sal erst malen (1). En Raepsabt geeft een 
charter van den heer van Landrécyes van 1191 in 't kort aldus weer : 



(1) üitg. HoKBTXB, Berlijn 1861 (Bij BtlCBMANN. Gefl. M'orte, 87). 



— 76 — 

« Le meanier sera tena de moudre les grains des bourgeois chaeuB k son 
toar k Tordre de leur arrivée. » 

(Zie SuRiNOAR, Erasmui, n» 183; Fogkbmi. Andrbae, t. a. pi., 118-120; 
Harr., III. 88; Stobtt, n« 1253; Mnl. Wdb. IV. 1081; NUL Wdb. IX. 140}, 

160. Deurwaarder (Gerechtelyk beambte, belast met het 
overbrengen van exploiten). 

Deurwaarder (Mnl. doerwaerder, doorwaerdere, dorewaerre^ enz.), van 
een ww. waarden (waaruit Fr. garder), Hgd, war ten, bet. oorspr. 1) 
Deurwachter, Fr. portier, qardien de tehuis, huiisier de salie. Zie b. v. 
Mbrtkns en Torfs, Gesch van Anfw., II. 609 (Rek. van f4ö/) : € Doer- 
waerder van der cameren ons heeren van Bourgoignen,.. sinen doerwaer- 
dere van der zalen • — 3) Gerechtsbode, Fr. huissier, offieier de justice* 

Er bestond ook een vrouwelijke vorm : doorwaerdesie, doorwaerdiggei 
Fr. huinuère (Stallabrt, I. 340 en 889); l^nt. Wdb. II. 293 vlg.; Hatzf.- 
Darm. II. 1257). 



G) LIJFSTRAFFELIJKE RECHTSPLEGING. 

a) De Pijn- of Folterbank. 

161. lem. op de pijnbank leggen. Hgd. Jem. auf die Folter 
legen, of spannen; Fr. Mettre qn. k la torture (Hem hevig 

martelen ; fig. hem op een of andere wijze kwellen). Op 

de pijnbank liggen. Fr. Être è la torture (Op de folterbank 
liggen ; fig. in pijnlijke verlegenheid, in groote onrust, zeer 
ongeduldig zijn). — Folteren, (af)martelen. Hgd. foltern, 
{ab)martern; Fr. torlurer (Oorspr. pijnigen op de folterbank; 
thans : kwellen, doen lijden; b. v. zijn geest afmartelen of 
pijnigen = zijn hoofd breken, of kwellen. HgA, sein Gehirn 
martern. Fr. donner la torture a son esprit, se donner la torture, 
mettre son esprit H la torture), 

Vgl. overigens folteren, [af)martelen; follern, {ab)martem; 
torturer in hun verschillende be teekenissen. 

Het middeleeuwsch gebruik der pijnbank, om door licliaamsfoUcring 
aan beschuldigden bekentenissen af te persen — gesteund op deze dwa- 
ling, dat die bekentenis noodzakelijk is — bleef vele eeuwen voortbe- 
Btaan.Het werd, tegen 't advies van al onze gerechtshoYen, door een edict 
van Jozef II afgeschaft, maar door Leopold II weer hersteld, totdat 
eindelijk de Fransehen het bij decreet van 17 Dec. 1794 bepaald afschar- 
ten. (1) Op dat dwangmiddel wijst het spreekw. .* Men moet hem op de 
pijnbank leggen, om het er uit te krijgen (Hi.br., I, xvii). — Het water, 
het vuur, de koord, het gloeiend ijzer, de Spaansche laarzen of been- 
schroeven {brodequins), de wipgalg en het houten paard waren de ge- 
woonste pijnigingsmiddelen. 

Het houten paard {Fr. chevalei, Hgd. Folterbank) waarvan de ruggegriat 
in zekeren zin door een scherp gemaakte, uitstekende eiken plank werd 
gevormd, was vooral voor echtbreeksters bestemd, die er sohrijlings 

(1) Zie E. HuBBRT. La Torture aux Pays-Boi autrichiens pendant Ie 
XVIIh iièclet Brux., J. Lebègne, 1897. 



— 78 — 

moesten opzitten, en dan soms nog een kanonskogel aan eiken Toet 
hadden. In Goobwïgk's Wittebroods-kinderen (van 1641) leest men : 
c Nu lustigh, liegh al meer, men sal n wel doen lijen, 
Als ghij op 't houte poêrt sult in u hembde rijen. 
Of als men u wel bert sal werpen op de banck 
En recken arm en been bijkans twee ellen lanek. 
Of als men u seer hart aan de poley sal prangen» 
Doen aen u kUynste toe (=s teen) twee hondert ponden Aafiy6ii.(l) • 
Het begrip « paard » is zelfs in 't woord folteren ierng te yinden, 
zooals de etymologen ons leeren. Hgd. /ojtom, 'Sdl, folteren, zegtProf.YxR- 
couLLiB, komt yan Mlat. pu//«^rtt«=s veulen, folterbanky afgel. yan Lat. 
ptt//iM=:jong dier; Or. polos =iong paard. Uit Lat. pu//«i ontstond ook 
Fr. poulie, waaruit Eng. puUey en ons palei, ^et(e), pie» = eig. katrol, 
oudtijds foltertuig: tem» aan de palei(e) slaan (V. D.). Aldus in 't Moortje 
ys. 2145-2148 : 

« Nu seyt sy neen, daar sy vlus anders sey, 
lek Bie watter of is, sy moet eens an de pUy, 
Daar meester Farel huer also langhe sal recken 
Tot hy de waarheyt haar wel uyt de mbnt lal trecken. ■ 
^en vergel. nog Fr. chevalet, 

162. Op de wip staan (Op het punt zijn gewipt te worden, 
d. i. de straf der wipgalg te ondergaan ; flg. op het punt zijn 
zijn ambt te verliezen). Hij is fijn gewipt (Gefopt. — A.). 

Vgl. Fr. Donner l* estrapade = ziin geest op de pijnbank 
leggen 9 zich 't hoofd breken. 

Da wip of wipgalg (HgJ. Wipgalgen; Fr. estrapade) was een soort yan 
galg, aan welker d warsstuk men een betichte of veroordeelde bij de op 
den rug gebonden handen omhoog trok en even snel weer naar beneden 
liet y allen, waardoor zijn armen yaak uit het lid raakten. Voorheen een 
straf voor deserteurs^ zegt YamDalb, doch ook wel op anderen toegepast. 

163. Op den schopstoel zitten (Zijn val, zijn nederlaag nabij 
zijn ; ieder oogenblik uit zijn ambt kunnen ontslagen wor- 
den). Op den sckipstoel staan (Onwsist staan. Te Kortrijk. — 
Loq. XV. 30). Op nen schipstoel ziUen (G.-V. en J.). Sart.- 

Sghrev. pr. V. 53 : Ghysü op een schop. 

Schopstoel heeft hier nagenoeg de beteekenis van wipplank (Hgd. 
Sehnellgalgen, Fr. esearpolette, balanQoire). Naar het schijnt, plaatste men 
daarop de tot verbanning veroordeelde misdadigers, (vagebonden, kinder- 
dieven, enz.) om ze er yervolgens weer af te schoppen. Vgl. (gew.) Op een 
schopstoel bitten (In een huurhuis wonen). Zie nog Stobtt, n» 1726. 



(1) Noord en Zuid, XXYl, ^9. 



— 79 ~ 

164. letn. de duini'ichroeven aanleggen, of aanzetten {Hem 
door lastige vragen deerlijk in het nauw brengen). Hgd. 
Einem Daumschrauben ansetzen. Fr. Mettre les pouces en Serrer 
les pouces i qn. Men denke hier ook aan Fr. poucettes {Mélu- 
sine, III. 281) en aan Vlaamsch ien duim leggen (Zich onder- 
werpen). Vgl. De klifik op den duim hebben (In 't nauw 
gebracht zijn, G.-V.) ; iem. de prang (of den nijper) op den neus 

zetten (zie beneden, n» 169). 

Zooals de naam reeds duidelijk genoeg zegt, werd de duimschroef 
eertijds tot pijniging der verdachten aan den duim aangelegd. 

165. Over *t rek halen (Op de pijnbank uitrekken). — Rek- 
bank. 

Die spreekwijze bij G. Tuinma.n aangehaald, beteekent volgens hem : 
op de pijnbank uitrekken, en zoo doen klappen. •• Maar over 't rek kan 
ook iMduiden, meer dan 't uitrekken lijden kan, wanneer iets zooda- 
nigs moet bersten, en in stukken springen. — Harrbboméb neemt die 
uitlegging letterlijk over. 

De pijnbank, waarop een betichte werd uitgerekt, om hem een beken- 
tenis af te dwingen, heette rekbank. Het woord bestaat nog in *t Hage- 
land, in den zin van schotelrek en aanrechtbank. 

166. '& Laat me rekken, als "t niet waar is. ~ *k Laat me 
rekken van hier tot RomeW, als ik lieg (A.). In 't Land van 
Waas ook wel : c Ik laat mij rekken van hier tot Romen En een 
krulleken aan alle boomen (J.). Elders : 'k Laat mij rekken van 
hier tot Rome en rond alle boomen ne kronkel W, of ; ze mogend^) 
mij rekken tot in d helle (A.). 

Dergelijke eedformules, bij onze Vlaamsche volksklassen van dage- 
lij ksch gebruik, herinneren aan den tijd, toen het uitrekken van het 
lichaam op de folterbank hier ook in Vlaanderen tot de gewone lijfstraf- 
felijke rechtspleging behoorde. Vgl. *h laat mij ophangen; — 'k laat me 
kappen (of in fijne etukskem kappen); — mijn kop af (ook wel : mijn kop vóór 
mijn voeten). 

Men hoort ook vaak verwenschingen als deze : Ze moe$ten{Q) hem (of 
dien eehobbejak) rekken, 

167. Den genadeslag geven (Aan een gefolterde een laatsten 
slag geven, om zijn dood te bespoedigen; üg. genadeslag : de 



(1) 't Volk zegt : Roomen, niet Rome, 

(d) In Aalst en omstr. zegt men eig. : krimkel, 

(8) £e mogen, m moesten, voor : man may, man moêêt. 



•- 80 - 

laatste ramp, die een reeds zwaar beproefden persoon geheel 
te gronde richt). Hgd. Den Gnadenstos» gében. Fr. Ikmner Ie 
coup de gr&ce. In het Vlaamsch ook : iem. den godsilop geven 
(Sgh. en Db Bo). 

De genadesldgf de laatste, beflliasende slag door den beul aan den 
gefolterde toegebracht, om hem door den dood ait het lijden te belpen, 
gold eigenlijk een veroordeelden misdadiger, en niet een betichte. Deze 
werd maar gepijnigd, om hem een schuldbekentenis af te persen, en het 
was verboden de marteling zoo ver te drijven of zoo lang aan te houden, 
dat de gemartelde er onder bezweek. Toch is dit meer dan eens gebeurd. 

Het gebruik, niet de uitdrukking, bestond ook bij de Romeinen ; men 
zei : den doodslag geven, 

b) Te pronk stellen. — Brandmerken. — Geeselen. 

168. Zieh openlijk te pronk stellen (Zich door min of meer 
berispen jke daden aan de beoordeeling der menigte bloot- 
geven). 

Eertijds werden sommige misdadigers veroordeeld om in H openbaar, 
aan een schandpaal (kaak of pranger) te kijk te staan ; dat heette : iem. 
te pronk stellen, Um, aan de kaak stellen, of *etten, 

169. Iem. aan de kaak stellen; vroeger : op de laak zetten. 
(Iem. aan de openbare bespotting prijsgeven; de schande van 
iem. bekend maken; iem. ten toon stellen). Hgd. Jem, an den 
Pranger stellen. Fr. Mettre qn. au pilori; attaeher au carcan. 

De kaak was oorspronkelijk een ion, later een houten of steeoen 
verhevenheid, waarop de veroordeelde, met ijzeren halsband (jprangijier, 
pranger ^ carcan) en kettingen aan den schandpaal bevestigd, in 't open- 
baar moest te pronk staan. 

De Fransche Code pénal, door Napoleon I hier ingevoerd, behield die 
straf en « plaatste haar onder de crimineele, a blootelij k onteerende » 
straffen, die én als hoofd- én als bijkomende straf werd toegepast. 
Al wie veroordeeld was tot crimineele gevangen is tuchthuisstraf zal, 
alvorens zijne straf te ondergaan, openlijk aan de kaak gesteld worden, 
en ddar een uur lang ten toon staan met een bord boven zijn hoofd, 
waarop met groote leesbare letters zijne namen, beroep, woonplaats, 
zijne misdaad' en zijne straf vermeld staan (1). » 

Ons oude woord pranger (jprangijzer^ van prangen =5 drukken, knellen ; 
fig. benauwen, in het nauw brengen), dat in het Hoogduitsch is 



(1) WiNKLBS Prins, Eneyclopaedie, IX, 150. 



— 81 - 

overgegaan,>eft ook nog voort in deze gewestel. uitdrukk. uit Let Land 
yan Aalst : 

Iem.de pra%g op den neu$ metten ^door een of ander doortastend middel 

iem. dringen tot spreken of handelen. De schandpaal of kaak werd 

oudtijds veelal pe/ori>/i of pilorijn (1) geheeten (van 't Fr. pilon), en Rond 

den Heerd, IV, 24S, 396^ 804, noemt elf plaatsen uit Vlaanderen op, waar 

de oude pelorijnen tot heden toe zijn blijven staan of zeer onlangs nog 

stonden (o. a. te Izegem, te Male-bij-Brugge» te Moorsele, te Bellegem, 

te Dottenijs, te Heusdeo, enz.). Uier en daar In West-Vlaanderen, leeft 

het woord peller ijn, pelderijn in den volksmond nog voort, ook in de uitdr. 

hetpelderijn dienen. ■ Er driemaal rond gaan — zegt Ds Bo, of er op de 

knie'n driemaal rond kruipen. Eertijds diende men het pelderijn te Male 

voor het wel gelukken van den tabak, dien men geplant had. Nu wordt 

dat niet meer gedaan, tenzij somwijlen door eenea sul, aan wien men 

wijsmaakt, dat hij allerbesten tabak zal hebben, als hij 't pelderijn 

dient (2). • 

De kerksiteen {stechel, stiche-, stiggel — Da Bo) een groote arduinen 
blok, dicht bij de kerkdeur geplaatst — vervangt in velo buitendorpen 
eenigermate den ouden schandpaal. Van daar richt de veldwachter zich, 
des zondags na de hoogmis, tot het publiek om zekere mededeelingen Ie 
doen over gemeentezaken, openbare verkoopingen, enz. Nu, het gebeurt 
soms wel, dat een eerroover,om vrij te zijn van gerechtelijke vervolging, 
zich gedwongen vindt, na de zondagmis, op den kersteen zijn woord te 
gaan herroepen en zóo, in 't openbaar den gelasterden persoon in zijn eer 
te herstellen. 

Rondom Aalst heet die steen : kerkesliehel, of eenvoudig alichel; te 
Lophem : kerkstegeU {Loq, X. 35). Ik herinner hier aan *t Denderleeuwache 
spreekw. : 

« Op Kerstdag zijn de dagen gelengd 
Qelijk een haan over den stichel springt, « 

dat is de lengte van een hanesehree. 

170. Iem. aan den schandpaal nagelen. Fr. Clouer qn. au 
pilori. 

Deze uitdr., die men soms door eenigszins ontwikkelde menschen 
hoort gebruiken, heeft dezelfde beteekenis als de voorgaande. Oorspron- 
kelijk kwam er echter deze verzwarende omstandigheid bij, dat de 
misdadiger « doorgaans een recidivist — met een oor aan den paal 
gespijkerd werd, en daar zoo lang moest blijven staan, tot dat hij zijn oor 
afrukte. 

De barbaarschte stralTen — de geeseling, het afhakken van handen en 
voeten, het afsnijden van neus en ooren^het uitsteken der oogen, het 



(1) Ook pellorijn en péUarijn (in do oude handvesten). 

(2) Dat herinnert aan de bedevaarders naar Hal, die driemaal rond het 
standbeeld van den cello^peler Sbrvais gaan^ 

6 



— 82 — 

doorboren der tong» het radbraken en vierendeelen, het levend yerbranden 
of begraven, enz., — waren in vroegere tijden zeer gewoon, zooals men 
weet. Daarop wijst een spreekw. bij Harr. vermeld : Hij is er beter 
afgekomen dan Trijn van Hamburg : die verloor er beide ooren bij{l), 

171. Brandmerk (Schandmerk met een gloeiend ijzer op 

het lichaam van een misdadiger gedrukt; schandvlek door 

misdaad op zich geladen). Hgd. Brandmal; Fr. Marque; 

stigmate. — Brandmerken (Brandmerk drukken (op); fig. 

schandvlekken). Hgd. Brandmarken; Stigmaiiser. 

Deze onleerende straf, die reeds aan de Grieken en de Romeinen be- 
kend wa<i, werd eerst omtrent het midden der 19« eeuw in de Nederlanden 
afgeBchaft. Zij gold als een zelfstandige straf, en ook als een bijkomende 
bij een andere zwaie straf. 

172. Als 't niet waar is, B-Brugge mag op mijnen rug staan(^). 
— Bij heeft drie X*s op den rug (Hij is gebrandmerkt) W. c Ik 
loop met braadharing om, » zei Jeroen de Plerry, en hij was tot 
Enkhuizen gebrandmerkt (Zinspeelt op de haringen in het 
Enkhuizer wapen, waarmee in die stad werd gebrandmerkt. 
^Ndl. Wdb.enH.). 

Bij de Romeinen werd den weggeloopen slaaf een F (fngitivnssvlaeh- 
teling) in het voorhoofd gebrand ; sedert Gonstantijn echter zette men het 
merk op de hand of het been. In het onde Frankrijk — Ie royaume dei Hs— 
was het brandijzer met leliebloemen gemerkt, wat het brandmerken 
destijds fleurdeliser deed noemen; dit werd later vervangen door V (voor 
de dieven),en door Gal (voor de galeiboe ven). In den aanvang derl9«eeaw, 
tot in 1832, ontvingen de veroordeelden tot dwangarbeid — op een der 
schouders -^ de letters T. F. (travaux forcés) of : T. P. {travaux perpetueüj^ 

Uit bovenstaande spreekw. en merken — fi voor Bragge, drie X voor 
Amsterdam (naar het wapen dezer stad : drie kruisen), een haring voor 
Enkhnizen, — mag men wel besluiten, dat in de oude Nederlanden elke 
stad haar speciaal brandmerk bezat, en dat men het veelal op den rug 
sette. 



(1) Trijn Peters, een beruohle dievegge, geb. te Maassluis, en bijge- 
naamd Trijn van Hamburg, omdat zij zich uitgaf als geboortig van dicht 
bij Hamburg. Zij werd 21 maal in hechtenis genomen, verscheidene malen 
gegeeseld en gebrandmerkt, de beide ooren afgesneden en stierf eindelijk 
aan de galg. Zij is de heldin van een kluchtspel, get. : JOueht van Trijn 
van Hamborg (1617). 

(2) In loquela, XVI. 81. 

(3) Bij HarrebomAk, H, 288. 



— 88 - 

In een oad« klucht van 1683 {Noord en Zuid, XXVI, 30) leest men : 
c Ik wou, dat ik hem morgen veur 't Stadhuys soo te pronk sag staen 
En dat s'hém 't rokje uytaohudden en na de pael souwe leyen 
Om dat dartele vldijs wat té kastyen, en dan op de koop toe noch drie 

kruyisen op %en rug muw» dreijen, » 
In Ghb8ghi«r*s Proêftteem (Antw.» 1643) wordt op een ander brand- 
merk yan Brugge gewezen : 

« En dat hy kreegh op den rugge 
T leeuwken van da stadt van Brugghe; 
Als een brandt-merck voor sijn quaedt. 
Dat hy dé langhs 's Heeren straet(l). » 

Vgl. vorderde twee volg. n", alsook boven de n'» 153 en 1G6. 

178. Hij wordt burger van de stad, met het wapen op den rug 
(Hij komt in de gevangenis, na eerst gegeeseld en gebrand- 
merkt te zijn). 

1.74, » Ik kom er onnoozel aan *, xeide gauwdief en hij werd 
met het stadswapen vereerd. — • Ik houd van zulk een stempel 
niet •y zei Griel] e, en zij zag een dief brandmerken, — • Wat 
fatale duw is dat, » zei Joor, en hij kreeg een brandmerk. — Het 
is aan het wambuis niet te zien, wie een brandmerk draagt. 

Uit de eerste twee van dit viertal blijkt, dal men ook hier te lande de 
dieven brandmeikle. Bovendien kwam daar nog vaak de geeselroede bij, 
zooals wij gaan zien. 

175. * Het zal vandaag een warme dag voor ons zijn, » zei 
de eene dief tegen den anderen ^ zij zouden gegeeseld en gebrand" 
merkt worden. — Dat verstaat zich zelf : een geeseling en een 
brandmerk. 

Dikwijls ondergingen de misdadigers, en vooral de dieven, beide straf- 
fen te gelijk : op het geeselen volgde het brandmerken. 

176. Op zoo*n geesel past zoo*n brandmerk (Na zulk een kost- 
lijk maal past zulk een lekkere sigaar). 

« Gelderseh spreekw. uit de dagen, toen bij erge booswichten na de 
geeseling het brandmerken werd toegepast. Aan de geeseling ging voor 
den delinquent een goede maaltijd vooraf, opdat hij ze beter zou kannen 
doorstaan. » {Woordenschët). 't Is ook een Zaansche spreekwijze (Bob.). 

177. Geesd; Hgd. Geissel; Fr. Fouet. (Strafwerktuig tot 
tachtiging van misdadigers of tot zelfkastijding, bestaande 
uit smalle riemen of touwen, aan het einde voorzien van 

(1) N4l. Wdb. m, 1110. 



— 84 — 

knoopen, looden kogeltjes ot' ijzeren prikkels, en dienende 
om den rag en de lendenen ten bloede toe te slaan; tuciit- 
zweep; b. v. in deze Bijbeische zegsw. ontleend aan 2 Kro- 
nijken, X, 1 1 : Den geesel met den schorpioen verwisselen, of : 
in den schorpioen veranderen. — In üg. beteek. : a) wat den 
den mensch tuchtigt; b. v. de geesel van 7 geweten; den geesel 
der satire zwaaien; b) zwaar onheil of ramp, noodlottige 
gebeurtenis of natuurverschijnsel, enz. als plaag, bezoeking 
of kwelling voorgesteld. Vgl. Fr. fléau; Oudfr. flael, van Lat. 
flagellum [fouet). — Geeselen. Hgd. geisseln; Fr. fouelter, flagel- 
Ier, fusUgeri^) (Eig. de toepassing van den geesel als straf- 
oefening op misdadigers. Ook bij aitbr. en overdr. gebruikt. 
Zie Ndl. Wdb. IV. 699-703, of Van Dale) (2). In 't Land 
van ^alst zegt men alg. het graan geeselen, of uitgeeselen, 
voor : de korrels uit de graanschooven kloppen, door deze 
met de hanl op een geeselbank^ een geeselpaard of een geesel- 
steen te slaan ; later worden ze dan voor goed uitgedorscht.In 
het Zaansche heeft men : De tnelk is gegeeseld (Ze ziet blauw, 
nl. ten gevolge van het bijgevoegde water. — Boe.)18), 

Van oudBher staat de geeselstraf zoowel bij de Ostersche aU bij de 
Westersche volken bekend. Vooral io de middeleeuwen kwam ze alge- 
meen in zwang, en werd zelfd voor lichte overtredingen, op vagebonden, 
bedelaars en kleine dieven, toegepast. Ze diende ook : 

a) als strafmiddelia de school, de kazerne, de gevangenis, het huis- 
gezin, en als dusdanig is ze nog niet overal verdwenen; 

b) als tachtigingsmiddel in een gerechlelijk onderzoek, om onwillige 
betichten buigzamer, gedweeër te maken ; 

c) als verscherping der tuchthuisstraf; de veroordeelde ontving een 
geeseling als c welkom », en later een als • afscheid ter herinnering ■• 

De geeseling met roeden was hier zeer verschillend, zegt GAirNA.BRT 



(1) FusHger,Lsii»fu8tigare, van fustis, stok. 

(3) Geesetaar; geesding; geeselstraf; geesslkwrd, geiselriem, geeselroedep 
geeseliweep; geeselslag; geeselpaal; gieselbrok (vgl. : galgebrok, galgenaas}. 
Men denke ook aan de middeleeuwsche, dweepzieke sekte der Geeselaars 
of Flagellanten {geesilbroeders of -jnoiiniken) en hun geeselvaarlen d. i. 
omgangen of processiên (Zie P. FaBosaica- Oe Seelert^ der Geeselaars en 
der Ddnsers in de Nederlanden lijdem de i4« eeuw, Brussel, 1897). 

(8) Rondom Aalst en noordwaarts, tot VVachtebeke toe, zegt men in 
zulk geval : Ze is gedoopt. 



— 85 — 

{Oude Strafrecht in Vlaenderen, 35) : • In lichte zaken en dikwyls 70or eene 
eerste faut, geschiedde zulks in beslotene camere van schepenen; in zwaer- 
dere gevallen bracht menden misdadiger in opene camere daer by open- 
baerlyk zyne straf onderstond; ook werd veeltyds de verwezene vooraf iii 
opene kamer gegeeseid en daema op eenen wagen aen eenen pael 
vastgemaekt, en in de voorname straten der gemeente, op elke btand- 
plaets van den ommegang, met yersche roeden geslagen (1). » 

In enkele Europeesche landen heeft de gecseling nog een wettelijk en 
feitelijk bestaan. 

178. Daar is een begijn te geeselen. Bij Harr. : Daar is een 
begijn te geeselen : wilt gij een been houden? (Daar is iets aan 
de hand, waarbij men tegenwoordig moet zijn als bij een 
belangwekkend schouwspel. Ook in vragenden vorm gebe- 
zigd, om nieuwsgierigen af te schepen, die iem. op hinder- 
lijke wijze aangapen of hun neus in iets steken, zonder er 
toe geroepen te zijn. — NdL Wdb.). 

De geeseling eener begijn ~ zoo het feit in de Nederlanden ooit plaatf^ 
geliad heeft — was zeker van aard om in booge mate de nieuwsgierigheid 
op te wekken. Wellicht mocht het begijntje, over wie de onderstaande 
voetnota spreekt, ook al eens eventjes van de roede geproefd Lebben. 

179. Hij heeft er een hond (hondje), ook wel : een begijn zien 
geeselen (Hij heeft daar iets verschrikkelijks gezien, dat hem 
de plaats doet mijden. Inzonderheid in vragenden vorm 
gebezigd als een schertsend verwijt, dat iem. aan een ander 
doet, die hem in lang niet bezocht heeft. — NdL Wdb.]. 

180. De kermis is een geeseling waard (Gezeid als antwoord 

tegen iem. die, bij zijn terugkeer van de kermis, zich 

beklaagt dat hij met een nat pak is thuis gekomen). 

Spreekw. uit het Land van Aalst, ook bij Sch., C.-V. en Joos vermeld. 
TuBBLiNCKX en RuTTBN geven : Een kermii is een nat gat weent; in iV(//. 
Wdb,, II. 269 : Kermisgaan is een biUtag waard, 

181. • Hoe maak je zulke aardige posturen, » zei de beul 
tegen een gauwdief^ en hij geeselde hem lustig. — • Ik zal maken, 
dat ik het aan je verdien, > zei de beul, en hem was van een 

(1) Die laatste straf werd in 1537 te Gent toegepast — zeker een zeld- 
zaam geval — op een lid der regeering zelf, op Jan Sutternnan, schepen 
van der keure, omdat hij een begijn onteerd had, en bet bleek dat bij aan 
zijn eerste proef niet was. Bij de Bomeinen bleven de boogere klassen van 
de gaeseliDg vrij. 



— 86 - 

gauwdief een achtentwintig (1) gepresenteerd, om wat zoetjes te 
geeselen, — « Vhonneur aux dames, » zei de dief en hij liet de 
hoeren eerst geeselen. — c Dat gaat naar de dansschool, > zei Jan 
Plerri, en de beul bracht hem naar het schavot, om gegeeseld te 
worden. 

Het aanbieden yan geld aan den beul, om de tuchtiging te yerzaehten, 
verdient opgemerkt te worden; de geeseling immers was yaak een heel 
willekeurige straf. Ook de geeseling der hoeren dient de' aandacht te 
yestigen. 

182. Met zijn eigen roede wordt hij gegeeseldK^) (Hij heeft 
zijn eigen ongeluk bewerkt), — Hij maakt een roé vaor zijn 
eigen gat. Bij Sart.-Sghrev. pr. I. 91 : Hy maeckt een roede tot 
sijn eygen aers. 

In Proverbia Serioia (of Communia), de oudste yerzameling yan Ndl. 
spreekw. (verschenen te Deventer, omstreeks 1480) staat het laatste 
spreekw. aldus : Menich maeckl een roe tot sijns self» een, Vgl. Hgd. Sieh 
telbst eine Rute binden. Fr. // ë fait la verge dont il esi battu, 

183. De roé is van *t gat (De geesel is voorbij, bet gevaar 
dreigt niet meer). — Het is vergeten, zoo ras de roede van den 
aars (of van de Ml) is. 

184. Onder iemands roede zijn (Aan iem. heel en al onder- 
worpen zijn). — De roede ontwassen zijn (Niet meer onder de 
tucht van ouders of schoolmeesters staan, zelfetandig kunnen 
of willen handelen). — De roede kussen (Zich aan de tuchtiging 
geduldig onderwerpen). 

Het fl kussen der roede » gebeurde letterlijk, na voltrokken straf» en 
beteekent dus : voor de straf bedanken, bekennen dat ze rechtvaardig en 
heilsaam is. 

185. De roode roede (De strafvoltrekker — voor misdadi- 
gers, — de beul). 

186. Rokje uit spelen (Al zijn kleederen uitspelen). 
Hoogst waarschijnlijk wijst dat op de geeselstraf, toegediend op de 

naakte huid van een misdadiger, die dus eerst zijn rokje moest afleggen. 

187. Hij zal van den bok droomen (Hem staat een bestraffing 
te wachten, hij zal er van langs krijgen). 

Het woord bak beteekent o. a. sekere houten toestellen die ietwat op 

(1) Zilveren muntstuk van 28 stuivers. 

(2) Bij Sart.-Sgbrbv. pr. n, 38. 



— 87 — 

het dier van dien naam gelijken; het duidt nl. ook een zeker straftuig, 
een soort Tan geeaelhank aan (Ygl. boven folteren, n* ]61.) 

« Wellicht is hieruit bij overdracht ontstaan de uitdr. Spaansche bok, 
in Suriname gebrnikelijk yoor : Strafoefening op de negers toegepast, 
waarbij deze, na gebonden te zijn, op de aehterdeelen geslagen worden. 

I Misschien hangt hiermede ook samen de zegswijze : Hij zal yan den 
bok droomen. > (Ndl. Wdb., III. 200). 

188. Bij kan (ot mag) zijne oaren schudden datxe klappen (Hij 
mag met opgeheven hoofde onder de menschen komen). 

Deze Troeger alg. bekende, dial. uitdr. herinnert aan den tijd, zegt 
Stobtt (n» 1466), « dat men voor eenig misdrijf gestraft werd met het ver- 
lies van éen of beide ooren. » Ygl. boven n» 170 en beneden n* 238 nota 10. 
Zie Gailliard, K. vanHaUbr., II, 191 en IV. 276 vlg.; Verdam, MnL Wdb, 
V, 1991 ; Harr. 11. 148; en N. en Zuid, XXVI, 31. 

TuiNM. geeft : Ik mag mijn ooren schudden dat se klappen. Ik meen hier 
ook te mogen wijzen op Db Mont-Db Gogk, VI. Wondert prookje», n« XIV, 
waar de afspraak luidt : « Eerst kwaad, neus en ooren kwijt. » 

Volgens Ybrgoüllib daarentegen wijst dat oorenpcbndden stellig op 
een dier; hij acht de uitdr. ontleend aan den jachthond, die opstaande 
zijn>.ooren schudt, als om te leggen : nu gaan we voor goed beginnen. 

Het Ndl, Wdb., XI, 88 geeft geen verklaring. 

g; Radbraken. — Hangen. 

189. Radbraken. Hgd. Radebrechen, radeni; Fr. roüer, punir 
du supplice de la roue, rompre. — lem. tot het rad veroordeelen. 
Hgd. Jem. zum Rade verdammen; Fr. eondamner qn. a la roue. 

Het radbraken is een overoude slraf. Men denke aan koning Izios, uit 
de Grieksche oudheid, wegens zijn schuldige liefde met Hera, door Zeus 
aan een altoos ronddraaiend rad vastgeklonken. Eertijds werd ze in 
verschillende landen van Europa op zware misdadigers — enkel op 
mannen (gewoonl. oudermoorders) » toegepast, en nog in 1730 te Izegem 
wegens moord aan een vrouw voltrokken . Naar het woord zegt, werden 
de leden van den veroordeelde op een rad (later op ean kruis) gebroken; 
en dan werd het lichaam door de spaken gevlochten en met het rad op 
een staak gezet Niet zelden echter maakte men aan die marteling een 
einde door den genadeslag, of voorkwam haar wel eens door voorafgaande 
worging. — « Brijzelen met enkele raderen is later in gebruik gekomen, 
en geschiedde oorspronkelijk met wagens, gelijk nog in Indië velen onder 
de wielen van Jaggernauts wagen. » (Noobdbwibr, 807). 

Bij Kil. radbraecken; bij Plantun : raeybraken (Stobtt, n^ 1688). In 
Remaart 1. va ftSl laest men : « Hi doet u brekam ende raden » (ss rad- 
braken). 

Yifi.Vr. U ë m rmé ia 



— 88 — 

190. Als geradbraakt zijn (In de hoogste mate vermoeid 

zijn). Hgd. Wie gei'odert sein; Fr, avoir Ie corps hrisé;\roui 

(defatigue). 

Vgl. Fr. Étre sur la roae (Groote pijnen, angst uitstaan, in hevigo 
onrust zijn). 

191. Een zaai radbraken (bederven ; Fr. gdter). — Een naam 
radbraken (verminken; Fr. estropier). — De taal radbraken 
(slecht spreken; Fr. écorcher. Hgd. die Spraehe radebrechen). 

Dat radbraken hier fig. gebruikt is, valt dadelijk in het oog. 

197. Een deuntje (of Hedjé) den hals breken (Het liedje beder- 
ven, verknoeien, radbraken). 

Die zegswijze, bij verscheidene onzer oudere schrijvers te yinden, o. a. 
bij Hooft, Vondel, Van Hbbmskbrk, Asselijn, Vaw Effen, werd door 
Da Stoett (Noord en Zuid, XX. 814) verklaard als eenvoudig beteeke- 
nerd : het liedje op^eggeut nazingen. Dr. A. Bbbts heeft echter bewezen, 
dat er het bijbegrip dient aan toegevoegd : geenrecht laten wedervaren aan 
vorm of inhoudy zoodat dit opzeggen of nazingen eigenlijk gelijkstaat met 
c afdreunen, aframmelen », in andere woorden met het liedje raddraAeii, 
zooals wij ons thans gewoonlijk uitdrukken (Zie iVrf/. Wdb.Y. 1862, en 
vooral Jifoord en Zuid, XXI. 80). 

193. € /g zult mijn schonken en bonken in tweeën slaan », zei 
de mof en hij werd geradbraakt. 

194. € De kwaaddoeners moeten gestraft worden •, zei besje, 
en zij zag haar man op het rad zitten. 

195. Ze moesten (voor : men moest) hem radbraken (Verwen- 
sching uit den volksmond). 

196. Daar staat galg en rad op (Dat wordt ten ^strengste 
gestraft). Hgd. Essteht Rad und Galgen darauf; aufdies Ver- 
brechen steht das Rad (of der Galgen). Fr. Cest un caspendable; 
il y va de la corde (of du gibet). — lem. met galg en rad dreigen 
(Vreeselijke bedreigingen tegen iem. uiten). — Hij groeit 
voor galg en rad op (Het wordt een volslagen deugniet). 

De^o/i/ wordt dikwijls met namen vanandere strafwerktuigen verbon- 
den, en vooral de uitdr. galg en rad (Galgen und Rad, of omgekeerd) 
komt veel voor. 

197. Galg en rad voeren (Een aantal litteekens — redithoe- 
kige en ronde — in H gelaat dragen, in vechtpartijen gekre- 
gen). 

c Schertsende uitdr. bij de geringe lieden van den ouden tijd, die 



~ 89 — 

daarin als 't ware hun adellijk wapen rormden tepenoTer dp baljuws 
en groote heeren, die in den eigenlijken zin galg en rad voerden, d. i. lijfg- 
gericbt oefenden. » {Ndl. Wdh. IV, 170). 

198. Jem. ophangen^ opJcnoopen; aan de galg hangen. Hgd. 
Jem* henken, am Galgen hangen. Fr. prendre gn., atlacher au 
gibetflfla pot^ce) — lem. tot de galg (tot den strop, of tot de 
koord) veroor deelen, (of verwijzen). lem. naar de galg zenden 
Hgd. Jem. zum Galgen (zum Strange) verurteilen; Fr. condam- 
ner (of envoyer qn.) au gibet (è la eorde). — Aan de galg komen, 
of (ge)rdken. Hgd, Anden Galgen kommen. 

Het hangen was eertijds een algemeen verbreide lijfstraf, die volgena 
Tagitüs reeds bi] de oude Germanen bestond : lafaards en verraders, 
zegt hij, werden door ben aan boomen opgehangen. Met die aloudo toepas- 
singswijze der galgstra f schijnt de etymologie van galg nagenoeg overeen 
te stemmen; dit woordje, dat in alle Germaanscbe talen te vinden is, 
bet. oorspronkelijk, volgens Prof. Vercoüllik, boomsTAir, paal, niet 
alleen blijkens de verwante Raltische woorden, Litansch %atga = staak, 
en Lettisch tcAff/^a = roede, maar vooral blijkens het feit dat het woord 
in'tGot. en Oghd. = kruis van Christus. Het kruis heette in 't Ags. 
roede, dus ook stang, paal. Samenstellingen als galgehoom, en zegswijzen 
als : op een tak wonen (= hangen), aan een tak hangen', tot galg en tak veroor' 
doelen; men moet eten, al waren alle boomen galgen (l)i den dürren Galgen 
reiten, — in verschillende Germ. talen voorkomend, wijzen vooral op 
den boom(tak). 

Een verzwaring dier reeds zoo onteerende straf, en daardoor ook een 
grootere schande voor de bloedverwanten, bestond in: o) het hooger 
hangen dan de andere misdadigers; zoo zegt in den Reinaerl Bruin de 
Beer tot Isengrijn en Tibert : 

Gawi, ende hanghene so hoghe, 
Dats lachter hebben al $ine vrient ! • 

(=Gaan wij, en hangen hem zoo hoog, dat er schande van hebben al 
zijne vrienden, verwanten). 

b) den veroordeelde tusachen een paar honden of wolven op te knoopen. 
Dit werd vooral bij de Joden gedaan. 

Vrouwen ophangen was in strijd met de zeden ; men verdronk, ver- 
brandde of steenigde haar. — Galgen werden bij voorkeur opgericht op 
kruisstraten en eenigszins verhevene plaatsen; nog heden vindt men" 
hier en daar hoogten, die galgeveld of galgenberg heeten. 

(1) Nederl. spreekw. reeds voorkomend bij SfiRviLins.en in de verz. van 
Cümpen. Sart.-Schrbv. geeft sec. IX, 61, en ter. VI, 48 : Daer moet gegeten 
40fi, el weren êUê boomen galgen. 



— 90 — 

199. lem. aan de galg helpen (Maken dat hij opgehangen 
wordt). Hgd. Jem. an den Galgen bringen (of schicken). 

200. lem. aan de galg praten, of klappen (Door beschuldi- 
ging of getuigenis maken, dat hij tot de galg veroordeeld 
wordt). 

In 't Land yan Aalst zegt men van een onnoozelaar, die zijn eigen 
geheimen niet weet te verzwijgen : Hif *ou %i}n itlveh (of %ijn eigen) aan 
Je galg klappen (ook by J.). 

Vgl. Fr. Dire d*un homme pis que pendre. Luikerwaalsch : Ennès dire qui 
po pinde (Letterlijk s En dire que ponr pendre. — Dbj. n<> 1021). 

201 . Aan de galg dansen (Aan de galg hangen). 

SchertMnd, in toespeling op de schommelende beweging van den 
gehangene. 

202. lem. van de galg verbidden (Een tot de galg veroordeelde 
bevrijden, door te beloven hem te zullen trouwen). 

Vgl. boven no 126. 

203. Verlost gij iem. van de galg, hij %al er u tot loon graag 
zelf aanhangen. 

Aldus bij Tuinman; bij Db BRüifK(l) luidt hei : Die iem, van de galg 
verloti, wordt van hem opgehangen, 

Vgl. Hgd. Wer einen vom Galgen erlóset, den henkte der Erlöeie gem eelher 
dran (3). 

204. Hetis tnssehen hangen en worgen (Het gaat tusschen 
twee dreigende gevaren, 't is een netelige zaak). — In de 
!• uilg. van Sart. (1561) : Thusehen (hangen ende tworgenf^) 
(In zeer pijnlijke of in radelooze onzekerheid. Zie Sart.- 
SCHRBV. pr. I, 51 en Ndl. Wdb. V, 2068). 

lo 't Hageland Inidt het : Tueechen het hangen en H worgen, met de 
lieteekenis : a) tamelijk slecht : hij gedraagt zich tusschen U hangen en 
't worgen, b) met veel moeite : %ijn werk tusschen 7 hangen en 't worgen 
gedaan krijgen (T.) In *t Land van Aalst zegt men : Tusschen 't hangen en 
7 veruörgen (4) met de beteekenis : in pijnlijke onzekerheid : « Hoe is 7 nu 
inei den tieke? » vraagt er een, « iou hij genezen? • — € 't h nog altijd 
tusschen 7 hangen en 7 verwörgen. n Of b. v. « Zou hij die plaats (betrekking) 

(1) Banket-werk van goede gedachten. Amst. 1658. J. De Brdns was 
Raadpensionaris van Zeeland en tijdgenoot van J. Gats. 
l2) ScHRADSR, />er BUdertchmuek. 
(8) SvRiNOAB, n« XGVII. 
(4) Varworgen (nitgespr. verwergen) is er verbasterd tot : verwelgen. 



— Ol- 
im krijgen ?• — «'!/« tustehen Hhangen en 7 verwörgen. » Ook op de Traag : 
« Trouwt zij nu binnen kort? • kan zoo*n antwoord volgen. Nagenoeg 
evenzoo bij Sch., Gobn.-Vbrvl. en Joos; Vgl. Tusschen den hamer en 
't aanbeeld. 

205. Altijd hangen en nooit worgen (In een toestand ver- 
keeren te slecht om te leven en niet slecht genoeg om te 
sterven. — Dr Bo). 

206. Een menseh is nooit te oud om te leeren^ maar altijd te 
jong om te hangen (T. en G.-V.). Die niet oud wil worden, moet 
zich jong hangen (J.). 

207. Hangen heeft geen haast, als het maar vóór 't worgen 
geschiedt (Schertsend tot iem. die met ongeduldige drift 
roept. — V. D.) « Hangen heeft geen haast » zei de dief, en hij 
stond op de galgeladder. — J.). 

208. Hij heeft het hangen verdiend (V. D.)* Hij is waard 
opgehangen. Hii verdient de galg (A.). Hij is den strop waard. 

Fr. tl mérite la patence (la corde). 

209. Hij is rijp voor den strop (of de galg). Hij heeft den strop 
om den hals. De strop wacht hem. 

Fr. U eent la hart. Il a la hart au cou. Il tratne ton licou. 

210. Hij zal de galg niet ontloopen (Hij zal aan de galg 
sterven). 

Hgd. Dem Strange nicht entgehen. Vgl. ook Hgd. Am Galgen haumeln; er 
mue% bauméln. In 't L. v. Aalst zegt men tot een grooten deugniet : Ge zult 
pan uw leven opgehangen worden. 

211. Hij groeit op voor de galg (Van jonge deugnieten 
gezeid, wier slechte opvoeding hen tot de ondeugd voert en 
naar de galg). Hij is op het galgenpad. 

212. Een^ropvan een jongen (Een kleine deugniet, een 
guit. — Alo.). 

Strop, hetzelfde als galgettrop, bet. eig. iem., die den strop, de galg ver- 
dient. Ook Mol. en Galléb hebben het woord voor « kwajongen ». Vgl. 
ScH. Bijv. : boêt (snaak, schelmken); Ifdt. Wdb. Y. 2056 : hang(e)ba8t 
(schurk); Bdttbn : galg (guit). Hgd. Galgenetrick; Eng. hangrope, hang^ 
itring, 

218. Galgetapdaan (Kapelaan, die den veroordeelde naar 
de galgjgeleidt; spottend : beul. — V. D.). Galgepater (Oor- 



— 92 — 

spr., de pater of priester, die den veroordeelde tot op het 
galgeveld vergezelde; thans, in ITageJand en Haspengouw : 
galgenaas, galgeschelm. — Sch. Bijv.; T. en R.). Ook Galge- 
trooster. 

Vgl. Galgepreek. 

214. Ga///enafls(Eig. het lijk van een gehangene, dat aan 
de galg tot aas der vogels verstrekt; fig. gemeene deugniet. 
Plat scheldwoord). GalgebroW) (In dezelfde beteekenissen). 

Vgl. Galgerott galgeschelm, galgekind, galgelapi-lapper), galgenaar, —Bij 
Joos ; galgenhout. Zoo erg (ofstmit) als *t hout van de galg. 

Hgd. GalgenaaKy Gatgenbralen, Galgendieb, Galgenpack, Galgenschelm, 
Galgensehwengel^Galgenwgel —Fr. Pendard, pendaille; gibier de potence; 
gens de sac et de eorde {de sac et de licou). 

215. Die kerel is den strop niet waard (Hij is boosaardig, — 
tot niets in staat). 

Fr. Cel homme ne vaut pas la eorde pour Ie pendre. Waalsch : ƒ »' vat nin 
rcoide po l pinde (Dej. n' 776). 

216. De galg ziet hem uit de oogen, of de oogen uit (De schel- 
merij is in zijn oogen te lezen en zal hem tot de galg doen 
komen). De galg zit in uw oogen; ik zie de galg in uw oogen 
(De Bo). 

Waalsch': Il a Vjubet d'vint les oüye (= Il a Ie gibet dans les yeuz. — 
De/, n» 1417), Fr. Le mot potence eü écrit sur$on front. 

217. Hij ziet er uit, als was hij van de galg gedropen, of 
gevalleni^) (Als een schelm van de ergste soort). 

Hgd. ErsiéM au$, wievom Galgen gefaüen, Nederd. He tüht ut, at wenn 
he utr Galgen sehüddet is (Eich, n« 596) (3). Fr. // a raird'unpendu. 

Vgl. ook : Hij is de galg ontloopen, en Galgetronie, Hgd. Galgen gesicht; 
Galgenmiene, Fr. Mine patibulaire (yan Lat. patibulum = galg). 

218. Hij spint (of draait) zijn eigen strop. Hij draait een 
strop om zijn eigen hals. Hij haalt zijn eigen strop toe. Hij dingt 
naar den strop. (Hij doet dingen, die naar de galg leiden). 

Fr. // file sa eorde. Il se met la eorde au cou. 

219. Zich (zelven) een strop om den hals binden^ of halen 
(Onvoordeelig bezit, schadelijke aankoop}. 

Vgl. Fr. Se mettre la eorde au cou (= Zich moedwillig aan een groot 
gevaar of yerlies blootstellen). 

(1) Vgl. Geeselbrok, hellebrok. 

(2) Reeds bij Skbviliüs en De Brcnb. 

(8) K. Ekhwald, Ndd. Sprichw. u. IMensarten. 8« Ansg. Brcmen, 1868. 



— 93 — 

330. lem. den strop om, den hals doen (lem. in het nauw 
brengen). 

Vgl. F'r. Mellre qn. la cirde au cou (= lem. te gronde richten). 

221. Door de galg druipen (Aan een groot gevaar ontsnap- 
pen). Wel door den strop vallen (Er goei van afkomen. — R,). 

Vgl. Hgd. Hart am Stil vjrbei kommen; das Seil streifen. Fr. Friser lu 
earde. 

222. Loop naar de galg. (De Bo). Hang u op. (Platte ver- 
v\rensching. — A). Neem een strop en hang u op (Pak u weg 
van hier. — J.). 

Vgl. Loop naar de maan (naar den duivel, naar de weerlicht, enz.) — 
Ndd. (Oo3tfri.) Lóp an de Galj, dann fatten di gén Pannen up de Kopp, 
(HolBtein) : Gd an 'n Galgen (£ck. 135 ) Hgd. Geh an den Galgen. Lauf uni 
henk dich selber. — Fr. Va te faire pendre» Pends-toi, 

223. Ik laat mij hangen als het niet waar is (Als sterke verze- 
kering. — Ndl. Wdb. V. 2088). 'k Laat mij ophangen, als ïk lieg 
(of als ik er iets van versta, — A.). 

Fr. Je veux élre pendu, si ce n*est pas vrat {si fy eomprends qc.) — Zie 
n» 166 en 152. 

224. 'k Laat mij liever ophangen [dan zoo iets te doen, of toe 
te staan), 'k Ware weerd opgehangen, 

Fr. Je veux être penduy si fy consens, 

225. Een galg in het oog hebben, of krijgen (Eig. van misda- 
digers gezegd, die voor de ontdekking hunner schelmerijen 
en het ontvangen der verdiende straf vreezen. Bij uitbreiding : 
kwaad vermoeden hebben, achterdocht opvatten). 

226. Voor [tot) de galg geboren zijn (Van onverbeterbare 
deugnieten gez., die door han boozen aanleg als bestemd 
schijnen om eenmaal gehangen te worden). Hij is met een 
hennepzeel geboren. 

227. Die tot de galg geboren is, verdrinkt niet (De booswicht 
ontgaat de hem toekomende straf niet. — V. D.). Die voor de 
galg geboren is, zal op de zee niet verdrinken (J.). Bij « Campen • : 
Hy en sal niet verdrencken, soe veer alst waeter over die galge 
niet en gaet (Meijer, 44). 

Hgd. Wer (was) am Galgen vertrocknen toll, ersauft nicht im Wasser (i), 
Wasiium Galgen geboren ist, ersauft nicht {i). Er ersauft nieht, das Wassar 

(1) SoHRADsa, Bilderschmuck, 496. 



— 94 — 

ging* denn über den Galgen (1). Ndd. (RijnproT.) : Wa am Galge siaroe eall, 
sterv net em Bdt^ — en : Wae dm Galgê iierpe sall, wéd am Rhing (:b Rijn) 
nit vertuffe (Bcx. 185). — Fr. Ce qui eet ieitiné au gibet, ne ee moie poe* 

Dit spreekw. steunt in den grond op het geloof aan het fatalisme» dat 
bij onze volksklassen nog algemeen wordt geyonden en waaroyer ik later 
zal handelen. Enkele voorbeelden : Hij iê voor 't ongeluk geboren. Dia een 
varken is moet in het ichot. Men kan *ijn lot niet ontgaan. Die tot vier oorden 
geboren is, kan tot geen stuiver komen. Die tot een korkoek geboren is, mI de 
horens niet gemakkelijk ontgaan. Als er een steen uit de lucht viel, kreeg ik 
hem op mijn kop. Een gelukkig dwaas behoeft geen wijiheid. Beter een ons 
geluk dan een kilo verstand. 

328. De galg behoudt haar recht (Vroeg of laat komt een 
schelm aan de galg, wordt het kwaad gestraft). 

Fr. Le gibet ne perd pas ses droits, 

229. 7 Is boter tegen de galg gelletst (H., G.-V., J. en A.); 
't is boter aan de galg (A.), of aan de galg gesmeerd ('t Is ver- 
geefsche moeite^ vooral toegepast op de moeite, die men zich 
geeft voor iemands zedelijke verbetering, — G. T. en H.). 
— Ndd. (Rijnprov.) Dat es Botter dn der Galge geschmêt (Egk. 
69). Hgd. Das ist Butter an der Galgen. 

«Zeer gewone nitdr., zegt Ndl Wdb. lY. 171, denkelijk aan eenig 
bepaald feit o( gebruik ontleend, doch waarvan het nog niet gelnkl is een 
aannemelijke verklaring te vinden ». (Z. NdL Wdb, lil. 701 en Navortcher, 
III, 87-2 ; XX. 209, 579; XXI, 208 vlg.; . Dr. Stoett denkt met Tuinman dat 
men er niets anders mee heeft willen uitdrukken dan « al strijkt men 
daar aan noch zo veel boter, zy is en blijft een galg • (C. T. 1. 19). Boter» 
iets lekkers» aan een galg te smeren, is ze verspillen; en zulks kon tot de 
beteekenis leiden : nuttaloos werk verrichten, vergeef sehe pogingen 
doen. *t Is al boter aan de galg korat reeds voor in het 17^* eeuwsch Antw. 
liederbundeltje Den eerelycken Pluekvogel (Stobtt, n<> 281). Prof. Ver- 
GOULLiB, uitgaande van den gebruikebjker vorm : « Boter tegen de galg •, 
wil uitleggen : remedie tegen een onvermij delijken dood {boter, immers, 
is' een zeer gewone keukenremedie, — en galg = dood door halsreehting» 
dus onvermijdelijk, waarbij de troost niet geldt : zoolang er leven is, is 
er hoop). 

Ygl. '/ Is water op een eend (Joos, Schatten, 98); het is gelijk het op eau 
aande regent (D. B ); een plaaster op een houten been (A.). 

230. Mee gevangen, meegehangen (In gezelschap moet men 
met de anderen meedoen; of met schelmen gevangen, met 
hen gestraft). 

Hgd. Mitgefangen, mitgehangen. Fr. Pr is avec, penda aoec. Par eom* 
pag%ie on se fait pendre. Compagnie fait prendre les gans^ 

(1) ScHRADBR» Bitdarschmuek, 496. 



— 95 — 

231. Zeven is een galg vol. — Hgd. Sieben machen einen 
Galgen voll Ndd. (Holstein) En Galgen vuil [^ Zeven perso- 
nen). 

Wanneer zeven personen in gezelschap yereenigd zijn, zeggen de 
Duitschers, schertsenderwijze : t Na zijn we jaist een galg vol. » Van- 
daar heet dat getal bij hen : GalgematU. •— Ontleend aan het getal mis- 
dadigers, dat de groote, op drie stijlen rustende galg bevatten kon. De 
eereplaatSy te midden ietwat verhevener dan de zij plaatsen, werd dan 
ingenomen door den grootsten schurk, 

Vgl. Hij tnaaki meer laiviji als %even dieven aan de galg (C-V.). 

232. Het galgt beter dan het burgemeestert (Het brengt eerder 
aan de galg dan op het kussen ; van handelingen gezeid, 
waarin men meer gevaar dan voordeel ziet). Het moet galgen 
of burgemeesteren (Op het kussen of in 't verderf). 

233. Het is beter onder de galg gebiecht dan nooit (Beter later 
zijn ongelijk erkend dan nooit). 

234. De galg is voor de ongelukkigen (De rijke én machtige 
misdadigers ontkomen de straf). — Degalch mach geen rijck 
man dragen (Saht.-Sghrbv., quart. 41). 

Fr. Le gihtt n'est que pour les malheureux. 

235. De groote dieven hangen de kleine(^). Kleine dieven 
hangt men op, en groote laat men loopenl^). — Bij Sarx-Sghrby. 
ter. VI, 51 : De kleyne Diefkens hanght hg, de groote loet hy 
loopen. 

Ygi. Groote vittchen scheuren het net, of springen uit den katel (Gats). 
Hgd. Die kleinen Üiebe hangt nuifi, die grossen Idsst ma» laufen. Nederd. 
(Waldeck) : A7e/ne Dêwe hdngel me, graute ItU me laupan, (£gk. 79). 
Pruisen : Nur die duinmen Ütebe werden gehangen (Fri. n« 579) (25). 

Fr. Les gros larrons font pendre les petits. Waalsch : On ptnd les p*Uis 
voleur et on lait ld les gros (Dkj. n* 8169). 

Ofschoon ook thans nog de machtigen en rijken dezer aarde zich 
soms aan een yerdiende straf weten te onttrekken, (4) was dat eertijdSf 

(t) Bij Sbrvilius, en Grutbrüs. I. 

(2) Reeds in de Proverbia Seriosa; ook bij Sbrviliüs, Qrutbbub, II, 
Gjltb, de Brumb, enz. 

(o) Faisghbzbr. Preuss. Spriehw. u. 9olhsihüml, Redeiuarten, Berlin, 
1805. 

(4) Deier dagen nog zei M. Yitiani in de Fransche Kamer, en zijn 
redevoering werd in heel Frankrijk aangeplakt : « La magistrature a 
tonjoars doublé yisage : un visage aimable et souriant tonrné da oót« 



— 96 — 

toaa allemin aog niet gelijk was voor de wet, toea adel en geestelijkheid 
nog zoovele voorrechtea genotea, oneindig meer het geval, zooala overi- 
gens aan eonieier bekend is. Men weet ook, dat de rijke, door het betalen 
eeaer bo9t, v.in de lijfstraf ontslagen werd, terwijl de arme dezelfde 
misiaad aan den geeselpaal of de galg moest nitboeten (Zie n9 149). 

236. Het is niet geraden van de galg te spreken, daar de 
waard een dief is, 
Fr. // tie faut pas parier de eorde, dans la maison d*un pendu, 

237 Die zich dood werkt wordt onder de galg begraven (Die 
zich bij 't werk al te zeer inspant, lieeft toch geen loon ot 
dank te wachten. Spottende aanmaning om den arbeid niet 
te zwaar op te nemen). 

Eig. een woordspcliog, ontleend aan gehangen dieven, dia zich in den 
eigenlijken zin dood werken, d. i. in den strop doodspartelen, en dan, 
wanneer hun lijk afvalt, onder de galg hun graf vinden. Aldus (TuiHMXif 
en Ndl, Wdb., IV. 131), doch mijn vriend Alf. Van Werveke (Gent), 
houdt de aldaar gegeven verklaring voor onjuist. 

«Immers, onder de galg begraven worden, zegt hij, was vroeger de 
schandelijkste begraving. Dit bewijst o. a. het feit dat de Raad van Vlaan- 
deren, in Juni 1569, een ordonnantie uitvaardigde, waarbij de Geuzen, die 
sterven zonderde HH. Sacramenten te hebben ontvangen, zullen begra- 
ven worden onder de galtjhe ah heretijcquen ende sacramenlschenders, dwelck 
in tommigke plaetsen aireede ter executie gheleyt es gheweest met beroerte 
vande natste vrienden ende ghebueren, die tselve qualick wUden ghedoogen 
Dagboek c, Gorn. en Ph. van Gampbn, bl. 225). — Anderzijds is beionjuist 
te zeggen, dat een gehangene begraven werd, als hij afviel. Ik kan 
bewijzen, dat een afgevallen gehangene door den benl weder werd 
opgehangen en dat bloedverwanten, die een gehangene afsneden en 
begroeven, daarvoor werJen gestraft. De lijken werden aan de galg 
opgegeten door raven en kraaien en het galgeveld was bezaaid met de 
beenderen. » (Uit een persoonlijk schrijven). — Dat was dus als een 
overblijfsel van de opvatting der oude Germanen omtrent het gods- 
dienstig karakter der doodstraf. Voor hen was deze een offer, bestemd om 
de wraak der goden wegens de bedreven misdaad af te keeren. Ook de 
terechtstelling der krijgsgevangenen had dit karakter. Zes jaar na de 
overwinning van VaruB, vond Germanicus nog de beenderen der gesneu- 
velde Romeinen benevens de offersteenen op het slagveld, en de 
geraamten der krijgsgevangenen hingen nog aan de galg(l). 

des puissantsetdes heareux, un visage glacé et impitoyable pour les 
f ai bles et les misé ra bles. • Ende brief wisselaar der Indépendance beige 
voegt er bij :« Il n'estpas de vóritè historique et philosophique mieux 
établie. Oa pourrait rappeler, k ce propos, une in&nitó de passages des 
autenrsles plus célöbres en toute langue. » (N' van 2^" April "QS). 
(1) GoLTHBR. Germ. Afytk., 548. 553. 



- 97 — 

238, Een dief past nergens beter dan aan de galgW. Die stelen 
wil moet om geen galg denieni^). Die zich het stelen troost, trooste 
zich de galg(^). Wie dronken steelt, moet nuchteren hangen. 

Hgd. Trunktn gtttohltn, nüchfem gehangt. Ei i»t einem Diebe nirgends 
hesier, als am Galgen (Fri. n« 578). Ndd. (Westf.) : Wat besoapen slelt, mot 
nüchtem hangen (Eck, 44), — Fr. Tant prend larron qu*on Ie pend. — Vgl. 
Wat men dronken doet, moei men nuchter ujnde, misgelden. Dit was in de 
oude tijden niet altoos het geval. 

In do Campensche yerz. leest men de eerste spreekw. zoo : Een dief i$ 
nergens beter dan ander galgen daer heft men vrede voer hem. Ds Brünr 
geeft twee vormen : 

Een dief can nerghens beter *ijn 

Als aen een galg, of kennep*lijn{4). 

En : Den dief die hoort de galghe tue. 
Uit die voorbeelden blijkt» dat eertijds de dief gehangen werd : op bet 
stelen stond de galg. Talrijk zijn de spreekw., die daarop wijzen : Toteeti 
groolen dief behoort een groote strop (5). De nemen hangt men bij de dieven (6). 
Het lust mij als een dief het hangen (7). Hoe dichter aan de galg^ hoe meer 
dieven, J/en vindt meer dieven dan galfen{^). Waren er geen dieven, daar 
waren geen galgen (9). Om het stelen en andere zonden, worden er wetten en 
galgen gevonden. Eerst een raap, dan een schaap, dan een koe, %oo gaat het 
naar de galge toe (10)p enz. 

239. Waren er geen prangdieven, er waren geen hangdieven 
(Zonder helers, geen stelers. — Alg.). Te Passchendale : 

(1) Aldus bij Tuinman. 

(2) Bij Gats. 

f8} Reeds in de Proverbia Seriosa. 

(4) Men denke aan ons Ylaamseh : kemp en het Lat. cannabis. 

(5) Reeds in de verzam. Seer schoone Spreeckwoorden^ Tantwerpen, 1549* 

(6) Campen, 

(7) j>^ Brunb. 

(8) Grutbrüs, II. 

(9) Sbrvzliüs; 6ruterüs,II, en Sart.-Sohrbv. sec. I. 34. 

(10) Voor de straf werd natuurlijk rekening gehouden met de grootte 
van den diefstal, met de hoeveelste maal en andere omstandigheden ; zoo 
behelsden de landrechten van Overijsel (17« en 18« eeuw) dit art.: «Edoch 
om die eerste simpele dieverije zonder huisbreking sal een dief niet 
hangen, maar openlijk gegeeseld en gebannen worden. loFgelijks niet om 
de tweede simpele dieverije dan ten tweede male gegeeseld, meltet een 
oor afgesneden of gebrandmerkt, uit het land wederom gebannen ende ten 
derde maal gekregen zijnde» sal hij gehangen worden ten ware dat om 
zijne jonkheid of andere oorzaken zulks ook nog ten derde male worde 
vdorbijgesien« * {Vragen van den Dagt XIII, 256). Zie boven, ons n* 188. 

7 



- 98 — 

Zonder prangdieven, daar en waren geen vangdieven. Te Beir- 
velde: Warender geen sprangdieven, 'ten waren geen hangdieven 
{Loq, VII, 46 en XII, 86). 

Fr. SU n'y avait point de recéleurs, il n'y aurait point de 
voleurs. 

Dat is de be teekenis van het veel gebruikte spreek w. in 't Land van 
Aalst, alsook bij Sch. (Bijv.) en .Foos, want prflnyrfic/* = he.er. Eilaan 
geeft dit woord nagenoeg in denzelfden zin : iemand, die de dieven ontvangt, 
herbergt, In 't Hageland en in Haspengouw echler is de pranflfdie/* iemand, 
die anderen tot stelen praamt (zie Tübrl. en Ruttkn i. v ) Bij G.-V. 
prangdief= l. een die tot stelen dwingt; 2. verlieler of opkooper van 
gestolen goed. Bij Damiiouder, den Brugschen rechtsgeleerde (+1581), is 
praamdief= heler, opkooper van gestolen g>ed : «Och snoode koop- 
lieden !» roept hij uit, «ghijlieden zijt ween, dat ghijlieden met uwe 
authenrs ende voordieven t' samen tusschen Hemel eude aarde eenen 
spronck sprinckl^ ende het volk sulcken spronck moecht toogen, ten einde 
dat ander praemdieven, .dB.erhi] bevreest zijnde, haer aen ulieden mochten 
spleghelen, ende wachten sulcken gestolen goet van sulcke dieven af te 
kopen ende henlieden alsoo 't voetken te geven om stoutelijker ie stelen. » 
(Van Hvll). Qn^prangdief schijnt das enkel een verbastering van praam- 
rfjcf te wezen. 

Zou hang dief hier de oude beteek. hebben van beul (Koorde wier, 12 i 
en 419), d. i. een die dieven hangt, of wel die van gehangen dief? 

- Vgl. Helers %ijn stelers» De heler is ^qo goed als de steler* Hgd. Der Hehler 
ist so gut wie der Stehler. Fr. Le recéleur ne vaut pas mieux que Ie vo'.eur, 

240. Galgemaal (Eig. het laatste maal, dat een tot de galg 
veroordeelde nuttigde; fig, het laatste maal, dat men ergens 
nuttigt, afscheidsmaal) . 

Hét was den veroordeelde vergund, 'a avonds vó^r het hangen, nog 
eens ferm te smullen en zelf zijn spijskaart op te maken. 

241. Galgberouw. Hgd. Galgenreue. (Het berouw, dat de 
doodsangst een misdaliger aan dea voet der galg doet aan 
den dag leggen; valsch berouw uit vrees voor straf en te laat 
betoond). Galgberouw is een arm beschut (Als de straf onver- 
mijdelijk is, is'het te laat beklaagd). 

242. Galgenhumor (Bittere scherts, dien de veroordeelde 
zelf in zijn' stervensuur — of het volk op dieas kap — zich 
soms laat ontvallen). 

Voorbeelden daarvan zijn : « Iht lijf d^r gaUj, en de iid dmgemn, 



— 99 - 

die %e wU, » %ei de deugniet (1). c Ik ben al moe van het rijden *, 
%ei Tiji, en hij reed naar de galg. • ^u rijd ik in triomf, » zei de dief, e% hij 
tuerd met een wagen naar de galg gevoerd, — tL-Dat is een voltigursprong, » 
zei Tijs, en hij zag een dief van xte ladder sloolen. « Ik geloof , dat hij in. het 
water gelegen heeft en nu te drogen hangt, ■> zei de mofy en hij zag een kerel 
aan de galg hangen. Hij is aan Lijnt jes dochter getrouwd (Hgd. Mit des Seilers 
Tochter heirathen. Mit Jungfer Strick Hochzeit halten). Hij is door een henne- 
pen venster ten hemel gevaren. Hij kijkt door een hennepen venster (Hij krijgt 
den strop om den hals. — Hgd. Durch ein hanfnes Fenster iehen, Mit einem 
hdnfenen Kragen geziert werden). 

Een bekend Duitscb voorb. is nog : Er ist zum Feldbisschof erhöht und 
gibt den vorbeigehenden Leuien mit den Fusten den Segen. Ook in 't Fr., b. v. 
bij Rabelais (Pantqgrueline Prognostication, ,chap. Y.) : < Üng des susdictz 
sera ceste année faict Evesque des champs,donnant la benediction arecques les 
piedz aux passans, 

243. Daar staat de galg op (Daar staat het hangen — de 
doodstraf op). Al stond ei' de galg op (Trots alle verbod en 
straf). 

Zie boven n' 196. 

' 244. Galgejong (Zoo hiet de alruinplant ^ mandragora — 
wanneer zij onder een galg groeide. Haar wortel, ook galge- 
jong geheeten, was vermaard bij de tooveressen en wordt 
thans nog wel als amulet gebruikt. — De Bo). 

Uit den wortel sceed men de beruchte galge* ot alruinmannekens (Hgd. 
Galgenmdnnlein), waaraan het volk zulke groote tooverkracht toeschreef 
(Daarover meer in mijn Spreekw. op volksgeloof berustend), 

245. Stropdragers (Schimpnaam voor de inwoners van 
Gent). Galgezagers (Idem voor die van Zaandam). Galgelap-' 
pers (Ibid. voor die van Leeuwarden). 

Men weet hoe bij den opstand yan Gent (1530), de magistraat en de. 
aanzienlijkste burgers der stad» in hun hemd, blootsvoets en met den 
strop om den hals vóór den keizer moesten verschijnen en hem vergiiTe- 
nis afsmeeken. — ^ De oorsprong, van den spotnaam Zaandammer galgezager 
c ligt in het omzagen van de galg, waaraan de schuldigen van het 
Zaandammer turfoproer (Mei 1678} hingen. Dit feit geschiedde in den 
nacht van 18 op 19 Aug. 1678 (Bob.). — De oorsprong van galgelappers 
wordt door Woordenschat (De Beer-Laurillard) niet opgegeven. 



(1) Reeds in Seer schoone Spreeckwoorden. 



— 100 — 



d) Onthoofden. 

246. Onthoofden; ontkalzm. Fr.. décapiter, décoller; Hgd. 
enthaupten; köpfenO). — Huisrechten. lem. deniop afdoen, den 
hals afhouwen, afsnijden (krachtens rechterlijk vonDis). 

Oadtljds gebraikte men yoor de onthoofdiDg bijl en slegge : de veroor- 
deelde legde zijn hals op een houten blok ; de bijl werd er over gehouden 
en daarop liet men den z waren hamer met kracht nedervallen. Do ont- 
halzing door het zwaard, op krijgslieden toegepast, gold als odeier, 
evenals het tegenwoordige door den kop schieten; wanneer dit werd 
ingevoerd, is niet met zekerheid te bepalen. 

Vronwenroof, echtbreuk, vronwenyerkrachting, bloedschande en 
brandstichting werden met onthoofding bestraft; ook bigamisten, alsmede 
leeraars, die zich met kinderen aan onkulscho werken overgaven, onder> 
gingen dezelfde straf. 

Een gewone onthalzing werd in enkele gevallen soms te licht geacht; 
zoo in de oade costumen van Brnssel : « Wie vronwen of ionevrouwen 
vercrachte, men sal hem den halt afsagen mil eenre plancken » (Anno 
1293) (2). 

Zelfs op diefstal stond somwijlen de onthoofding. 

Schoon de doodstraf in fielgid en Holland nog ren wettelijk beslaan 
heeft, is zij feitelijk afgeschaft ; sedert een 40-tal Jaren wrrd hier geen 
halsrecht meer gebonden. 

347, € Ik houd veel vanje, » xei de beul, f oen hij den paar- 
dendief het hoofd had afgeslagen^ en diens blonden krullebol in de 
hand hield. 

Hier heeft men nogmaals een voorb. van galgenhumor, waarvan 
spraak is in n' 242. — Op de onthoofding van dieven wijst nog ; De kleine 
dieven dansen op 't schavot, de grouie in de beurs ( Vgl. de n'« 2^)1, 235-238). 

Veediefstal (vooral van paarden en runderen) en korendiefstal waren 
oudtijds de gewichtigste en de misdadigste. Ook het rooven van hout 

(1) Dit köpfen, Ndd. koppen, vindt men in den Nederduitschen A^inJke 
de Vos, een bewerking van onzen Reinaert I en II, toegeschreven aan den 
Nedersakser Hendrik van Alkmaar (eerste druk in 1498). De vos, na de 
8e dagvaarding vóór koning Notel verschenen, zegt o. a. : 

. . . m Ji mogen mi schaden 
Ja wil ji mi seden (zieden) el Ie braden 
Hangen, koppen efte blenden (blind maken) 
So bin ik in Juwer genaden handen. 
Het Oudhgd. heeft ook inthalfen (Grimv, Rechtsalterthümer, 1828, 
blz. 689). 

(2) NoORDSWIBBy 807. 



— 101 — ' ., : : :-^^ ; ' : 

werd soms zeer streng gestraft; op enkele plaatsen werd den houtdielhet 
hoofd op den gekapten boomstam afgehouwen (1). Men weet OTerigens, 
dat er in de middeleeuwen een groote verscheidenheid y&n rechts- 
toestanden heston i. 

248. lem. een kop kleiner (of korter) maken. Hgd. Jem, um 

einen Kopfkürzer maehen. 

Die uitdrukking is in den Tolksmond zeer gemeen en komt reeds Toor 
in de Siemundër-Edda : höfdi utmra Idta = een hoofd kleiner. Het was 
echter ook een Daitsch rechtsformulier : Mlt dem schwert gerichtet und 
kopfikür*er gemacht werden (2). Vgl. « Och, verkort mijn leden niet, > %ei 
de pêtiènt en de bevl sou hem onthoofden (Harr.). 

249. lem. den kop vóór de voelen leggen (Hem het hoofd 
afslaan). 

250. Het zal hem zijn (besten) kraag kosten (V. D.). — Fr. 
Il lui en coütera la vie; il y va de sa vie, Hgd. Es kostet ïhm den 
HaU. 

Kraag is hier genomen in de overdraehtelijke beteekenis van hals = 
leven; dus : 't zal hem zijn hals» zijn leven kosten. 

Vgl. het Westvl. hals om (de) krage vechten^ d. i. op leven en dood 
(Ds Bo). Zie boven n' 145. 

251» 'I Kan niet erger, dan de hals af. 

c Dat is *t uiterste. Das is 't ook een spreekw. ; Men kan een luii niet 
meer benemen dan het leven. Hiermede troosten zich hardnekkige q«aad- 
doenders tegen de gerichtsstraffen. » (C. T. I., 817). 

252. lem. aan den hals straffen (Met den dood straffen, nl. 

door onthoofding, ook wel door ophanging of verworging). 

't Is algemeen bekend, dat in de middeleen wen de lijfeigenen den 
kasteelheer in vollen eigendom toebehoorden : hij l)eschikte naar goed- 
vinden over han leven. Vandaar haleheer en halseigen, benevens haU" 
reeht^ halsgerecht (d) en haUrechler (hals es leven). Vgl. ook halsgeding, 

(1) NooRDBwiBR, 284,807. 

{%) Grihm. Rechtsalterth. (1854), 689. 

(8) Door halsgerecht verstond men eertijds ook « de openlijke rechts- 
pleging van een crimineel veroordeelde, die aan de voltrekking van het 
doodvonnis placht vooraf te gaan en hierin bestond, dat de veroordeelde 
op de plaats van executie door den rechter en de schepenen nogmaals 
ondervraagd werd omtrent zijne schuld; daarna werd het gevoelen van 
hen, die reeht gesproken hadden, opnieuw gnvraagd en werd het vonnis 
den schuldige voorgelegen, — vervolgens werd de staf over zijn hoofd 
gebroken; de banken, stoelen en tafels werden omvergeworpen en ten 



h'dlsniit'da&d, MÜidaken 'halssiraf, alsmede de uitdrnkk. : den hah ver- 
beuren^ verliepen ; — den hah behouden ; — iets mei den hah (moeten) boeten^ 
betalen; — iem. iels op den hah af verbieden (in Groningen nog gebruikelijk; 
in de vroegere rechtstaal op den hals = op verbeurte van het leven; Hgd. 
bei dem IlaUe verbielen, — daar iSf de (of s'.;n) hah mede gemoeid, ook : 
dat kost hem den hah, otzijn hals hangt er aan'; — iem, om hah brengen; — 
om hah zijn, enz. (zie NdL Wdb, V.). 

253. Ik verwed er mijn kop om; ik verwed er mijn hals onder; 
ik zou er den hals onder verzetten. Mijn kop af (als het niet zoo 
is). — Fr. Ten gagerais ma tête; j*ygagerais ma tête a couper. 
Luikervvaalsch : Ji mette mi tiesse d cópei* ( = Je mets ma tête 
i couper. — Dej. n« 2943). 

Weinig ernstige eedformules, die de volksmenigte gedurig in don mond 
heeft om een of ander gezegde te bevestigen. In 't Lanl van Aalst hoort 
men : Mijn hop at, ah... Mijn kop (of bol) voor mijn voeten... *k Durf er mijnen 
kop tegen zeilen. ' k Darf{ot 'A wil) wedden voor mijnen kop, *k Laat mij nog 
liever den kop afkappen, als,. Ge moogt m'j den nek afsnijden.. Mijn nek van 
mijn lijf. Bij de kinderen luidt het gemeenlijk : Mijn kop af en dui%enU 
kronen aan de kerk; ook : mijn kop af, en duizend tientjes (te lezen) en alle 
grasjes (te tellen). In. dé twee volgende n'« heeft men nog eedformules van 
denzelfden aard. 

E.) Vierendeelen. — Villen. — Ontdarmen. 

254. Vierendeelen. Hgd. viertheiUn; Fr, écarteler. — 't Laat 

mij liever in stukken vaneen trekken (dan zoo iets te doen. — A.). 

— Vgl. Ik laat mij kappen (in stukken kappen), als 't niet 

waar is. - 

Deze vreeselij ke straf, die aan landverraders (1), 't zij bij levenden 
lijve, 't zij na voorafgaande onthoofding, ophanging of vèrworging, werd 
opgelegd, bestond reeds bij de Romeinen. Aan het slot van sommige 
volksvertelsels wordt degene, die de schurkenrol speelt, gevierendeeld 
(zie b. V. onze Won dersprookjes, blz. 2'>8), wat nogmaals voor de oudheid 
dezer straf pleit. Gewoonlijk werd de veroordeelde met handen en voeten 

slotte den scherprechter last gegeven, om het vonnis onmiddellijk te 
voltrekken. Het was eene armzalige comedievertooning, een overblijfsel 
van de aloude openbare rechtspraak op den Rijksdag, die later in eene 
doellooze formaliteit was ontaard. In de 17» eeuw werd zij in de meeste 
Duitsche Staten afgeschaft; in enkele bleef zij tot in deze eeuw behou- 
den. »(WiNKLEa Prins, Encycl., VII,713j. boven4|^' 130. 
(1) Gannaert, 193. 



— 103 — 

aan Tier (of twee) paarden vastgeliecht die» in een tegenoyergestelde 
richting voortgeircyen, hem zoo in stukken trokken. Dat wasb. v. het 
uiteinde van den moordenaar J. Jauregui en zijn twee medeplichtigen, 
Ant. Venero enden dominikaner monnik Temmerman (aanslag op den 
prins van Oranje, in 1583 te Antwerpen), alsook van den Gentschen 
poorter, Adriaan van Cazele, beticht van verraad. Hij stierf aan de galg; 
daarna weni zijn« hooft up eenen staeck ghestelt boven de brugsche- 
poorte, ende voorts (zijn) lichaeme in vier quartieren gesmeten, ende 
bnuten vier distincte poorten ghehangcn (1). » Te 'Amsterdam (in 15ü9) 
onderging een schareuslijper hetzelfde lot (2). Bekend is ook het uiteinde 
van de koningin Brnnehilde (de vijandin van Fredegonde). 

255. ** Laat mij (of ze mogen mij) levendig *t vel afstroopen 
{als'i niet waar is). Al deedt gij hem (levendig) 7 vel af, ge zoudt 
hem nog niet anders kunnen doen spreken (dan hij het voorheeft). 
. Spreekwijzen nit het Land van Aalst, herinnerend aan de oude 
lijfstrar, het villen (Ugd. sckinden, van het Oudn. skinn = corium, 
excoriare, Fr écorcher), vooral bij de Goten in gebruik. Villen is « dikwerf 
't zelfde als Oudfriesch filla , geeselen, van vel; geeselslagen maken de 
huid los (3). V Aan een anderen kant» is er in onzen Reinaert spraak van 
een soort van riemensnijden uit de huid : 

ƒ/» dede (Reinaert maakte), dat men Drunensneet 
Van sinen rugghe een velspot (lap vel) af. 
Dat men hem tere scerpen (tot een reiszak) gaf, 
Voels (een voet) lane ende voets breet. 

Zooals men weet, werden bovendien op Reinaert's verzoek de wolf en 
zijn vrouw Hersinde ontschoeid, de eerste aan de voor-, de tweede aan de 
achter poo ten. 

In verband hiermee zou men nog kunnen wijzen op : iem, het vel over 
de ooren trekken (iem. door woeker geld afpersen, zeer duur laten 
belalen). — Iem, het vel afdoen «m iets te krijgen (sterk daarop aan- 
dringen) : c wij hebben hem 't vel afgedaan, om hem met een pint te 
doen trakteeren, maar 't was boter aan de galg, er is geen cent van te 
krijgen (A.) >. 

556. Ontdermen, ontdarmen. Hgd. Ausdarmen. — Draai 
jen derm a/* (Pak u van hier! Loop naar den duivel! — Loq. 
VI, 82). Draai uw snaren af(zeUAe beteekenis. — De Bc). 

Westvl. spreekwijze — platte verwensching — die te Brugge luidt : 
Draai jen dem of (dem = derm, darm,gedarmle); in denzelfden zin zegt 

(1) Gannaert. 454-456. 

(2) Vragen van den dag, XIII, afl. 4« 

(8) NOORDBWIBR, 811. 



— 104 — 

men er ook : Draai jen ziele of. In *t Land Tan Aalst zoowel als n 
West -Yl. beteekent snaar een zwijnsdarm; ginder als hier, heeft de ziel 
ook een stoffelijken zin. en hoort men den nitroep van iem.» die haastig 
yuurheete koffie slurpt : « Oei, mijn %iel verbrandt b of zooals Loquela 
schrijft : « 'k Hó 't hui zetje yan me zieltje verbrand t » Dat zieltje 
(Lat. uvulü, Fr. la luette, vroeger Vuvettet luelte) hangt inderdaad» zegt 
Log., gelijk de wijzer van een weegschaal, in een zoogezeid huitetjé. Onze 
vleeschhouwers, ook in Brabant en ICaspengonw, noemen den haas 
(/e filet) van het hoorn vee of van H zwijn : het Mielken, het zieUluk^ 
terwijl wij hier nog spreken van de ziel van den viseb, van de ziel van 
den wortel vpeen), enz. Daaruit besluit Log.» dat«t>/in deze zegswijzen 
waarschijnlijk als wisselwoord van darm en snaar wordt gebruikt. Door 
die zegswijzen wenscht men dus iem. de straf van het ontdarmen toe, 
met verzwarende omstandigheid, dat hij die straf op zijn eigen persoon 
zou toepassen (vgl. boven n' 222); dat eigenhandig straffen, thans nog 
in zwang bij de Japanners, behoorde tot de Oudgermaansche rechts* 
pleging. 

Het c afdraaien b of uitwinden van den darm was bij de heidensche 
Wenden de straf der kristene krijgsgevangenen, bij de oude Germanen 
de Btraf van den boomschender (1). Zoo geeft Grimm in sijn Rechtsaf terik,^ 
blz. 519, deze plaats uit de Oberur eler weistkümer (I40i) : < Ook, of 
iemand een boom schilt en hij wordt betrapt, zoo zal men hem een darm 
uit zijn lijf trekken en dien aan den boom binden, en hem om den boom 
voeren, zoolang de darm uitkomt. Die betrapt wordt, daar hij een 
staanden boom schilt, dien zal men den navel bij zijn buik opensnijden 
en een darm daaruit doen, dien nagelen aan den stam en met den persoon 
rond (den boom) gaan, zoolang hij een darm in zijn lijf heeft, b 

De marteldood van St-Raas (Erasmus) schijnt een soort van ont- 
darming geweest te zijn en daarom wordt hij aangeroepen tegen de pijn 
in de ingewanden {Loq, YI, 82-83). 

Wat nu echter de meening van Loquela betreft, dat het Brugsche 
dem= derm, darm. Prof, Yercoüllib acht die verkeerd. Derm kan in 
H Westvlaamsch niet tot dem worden, zegt hij, maar dem is het Eog, 
dam (als in Goddam) en is steeds naamwoord met de beteekenis : 
verdoemenis, en ook lichaam (daar verdoemenis ook = lichaam) ; dus : 
loop naar den dem, hij heeft op zen dem gehad; draai jen dem af; neuk jen 
d^'m weg. 



(1) NoRK, Sillen und Gebraüche der Deutschen, blz. 1130. 



ƒƒ) ORD.UJÉN OF GODSOORDEELEN. 



257. 'k Wil verzinken, ah 7 niet waar is. — *k Wil verdon- 
deren, flfe 7 ,. — 'fc Wil op (den) staanden moment doodvallen,.. 

— 'i Wil hier blijven slijfstaan; 'fc wil hier niet meer weggaan; 
of *4 wou da 'k hier van mijn leven niet meer wegging... — De 
duivels mogen mij halen, of 'k mig van de duivels opgepakt 
worden..^ — *k Wenschte da "k van mijn leven geen gezond uur 
meer had... — *k Wil creveeren.,. W — '* Wil barsten... (A). 

— Eenige eedformules bij onze Walen : Que je tombe raide 
mort; que je sois damné tout noir; que Ie diable m'étrangle ; je 
donne mon dme au diable. Que Ie tonnerre m'écrase. — Que je 
cour e ^ enragé, ii St, Hubert. — Que Ie bon Dieu me fasse aveugle 
demes deuxyeux. (^) 

Vgl. 11 ben een lijk, als... (Cam. obsc., 208) (3). — Ook 
nog : Ik laat me teren (Boe ). Mag mie de bok steulen (Mol.). 
Ik ben een boontje, als... (H). 'k Mag *n boontje wezen (Mol.;. 

Vax Dale geefc : Ik ben een boon, als ik het weet (Ia scherts gez., om 
rene bewering kracht bij te zetten). « Do boon, zegt Dr. Müllkr in 
NJL WJb, is hier zeker alleen genoemd als iets kleins en nietigs, ter 
wille van de kluchtige tegenstelling; er meer achter te zoeken schijnt 
onnoodig. • Dat is nl. het geval met Molema, die denkt aan Oudfri. 
bona, bana, buna =s moordenaar. Vgl. Ik ben een kuiken, als ik zien kan. 
Ik ben een kievit, &\h ik het weet. Ik ben een di ilffoor a,\s.<. (Cem.obse 139, 
157, 208 : schertsende zelfverwensehingen, die Bsets zijn personages in 
den mond legt, en die misschien aan de volkstaal ontleend zijn. 

Was in 't aloude recht eene zaak duister, bleef zij ondanks eeden rn 

(1) Bij Van Dale en Erambbs : crepeeren. 

{2) Harou, Folkl. de Godarville, 97 vlg. 

(3; HiifDBBnAifD, Camera obsQura, Haarlem, 1877. 



— 106 — 

getuigenissen nog immer twijfelachtig, dan nam men zijn toevlucht tot 
ordalièn (van Mlat. ordalium, uit Oudnederfrank. ordeili), ook godzgericht 
en godsoordeel genaamd. Hierdoor werd op de godheid zelve, als de 
opperste waarheid en den hoogsten rechter, een beroep gedaan om, door 
oen soort van mirakel, de waarheid te laten kennen. Zulks berustte op 
het vast geloof, dat God in dergelijk geval niet toelaten kon, dat de 
meineed, de misdaad zou triomfeeren, en de onschuld bezwijkeD> 
Vandaar ons : godsoordeel, godsgericht; Hgd. Gottesrurtheil; Fr, Jugement 
de Dieu. — In dien zin kunnen ook de bovenstaande populaire eedfor- 
mules als een herinnering gelden aan die gerechtelijke proeven, ofschoon 
zij op geen enkele bepaalde proef betrekking hebben ; het zijn zoovele 
waarheids- of reiniglngseeden, waardoor de man uit de lagere volks- 
klasse, vaak voor een kleinigheid, de godheid oproept om hem op staanden 
voet te straffen, indien hij leugentaal heeft gesproken. Zulke uitdruk- 
kingen :'&VVi7 veninken, als...;*kwil doodvallen., .\ de duivelt mogen mij 
oppakken, enz. hoort men gedurig in den volksmond, evenals : 'k wil 
verdoemd %ijn, of erger : *k wil eeuwig gloeiende verdoemd zijn., ;*liwilin 
't diepste van d' helle liggen, enz. Ook Ons-Heer mag mij subiet straffen. 

Spreekwijzen als : Een leven gelijk een oordeel, of het Brugscbe : Daar 
was een oordeel volks (een groote, onstuimige menigte) worden door Güido 
Ge^.elle en enkele anderen met de ordalion in verband gebracht, omdat 
zulke plechtigheden veel volk deden toeslroomen (Log. IV, 83-81). Ik denk 
echter met het Ndl, Wdb., en de meesten denken zoo, dat men hier een 
gewoel, een drukte» een leven bedoelt, zooals het op den jongsten dag 
zal zijn. 

De ordaliën, thans nog bij de meeste wilden in zwang, klimmen op tot 
de hoogste oudheid en zijn alle van heidenschen oorsprong; zeer waar- 
schijnlijk zijn ze bij alle volken eenmaal in gebruik geweest. Beeds in 
t Oud Testament (Boek der Getallen, V, 12 en vlg,), in de gewijde 
schriften der Perzen, ook in de Antigons van Sophogles wordt melding 
gemaakt van godsoordeelen. Vooral bij de Indiërs hoorden ze thnis, en 
d&ar waren ze door de wet en een eeuwenlang gebruik geh<siligd. Ze 
behoorden eveneens tot de rechtsgewoonten der oude Germanen, en zoo 
diep waren ze bij het volk ingeworteld, dat de Kerk daar vruchteloos 
tegen opkwam en eindigde met ze toe te laten en onder het toezicht der 
geestelijkheid te stellen. Buiten het tweegevecht en de koudwa terproer, 
werden alle ordalièn, onder bepaalde plechtigheden, in de kerk vol- 
trokken. 

Er bestonden verscheidene ordaliën : het tweegevecht, de vuurproef, de 
waterproef, de brood' en avondniaalproef, dekruisproef, hel baargericht. Ook 
het werpen van 't lot dient er bijgevoegd. 

In de oudste tijden van het Germaansche heidendom zijn waarschijn- 
lijk zoowel vrije als onvrije mannen aan die ordaliën onderworpen 
geweest, — later nochtans kon de vrije zich van een beschuldiging 
zuiveren door den eed, gestaafd door medezweerders, d. i. door getuigen 
die niet zwoeren over het feit zelf, maar enkel de geloofwaardigheid van 



— 107 — 

den betrokken persoon bevestigden; een tweede veel gebruikt middel^ 
Tolkomen strookende met den strijdlustigen aarJ onzer voorouders, vcas 
het tweegevecbt. Op onvrijen, alsook op mannen, die geen medezwecr- 
ders, en op vrouwen die geen kampioen voor zich konden vinden, werden 
de andere godsoordeelen toegepast. Dat verklaart waarom zoovele heksen, 
bijna uitsluitend tot de g^ingsle volksklasse behoorend, tot de water- 
proef werden verwezen. In *t algemeen golden de ordaliên als uiterste 
bewijsmidJelen, en de vrije man, wiens geweten niet zuifer was, had 
liever schuld te belijden en zoengeld te betaUn — indien bij daarmee 
volstond — dan zijn hand in het vuur of in kokecd water te steken. 

De 9» eeuw is hier de bloeitijd geweest der godsoordeelen ; van toen 
af begonnen verlichte vorsten cnkerkvooglcn, hand in hand, ze te 
bestrijden en slaagden er allengskens in ze af te schaffen, — uitgenomAi 
het tweegevecht, dat tot den huldigen dag is blijven vooitbestaan. 

Eenige spreekwoorden en volksuitdrukkingen herinneren thans nog 
aan die verdwenen rechtsge woon ten; voor de waterproef, de kruisproef 
en het baargericht zijn ons evenwel gcene bekend. 

De waterproef (iïgd. Wasserprobe; Fr. épreuve par l'éau) was, met de 
vuurproef, het gebruikelijkste godsgericht. l^en onderschei 1de : de proef 
met heet water ^Oudfri. Ketelfang) en die met koud water. In het eerste 
geval moest de aangeklaagde den onlblooten arm in een ketel vol 
kokend water steken, en er den steen of den ring uithalen, die op den 
boom lag. Dan omwond de priester onmiddellijk den arm met windsels 
en verzegelde het, juist gelijk bij de vuurproef, fileek na drie dagen de 
arm ongedeerd, zoo was de beschuldigiog valsch. De edellieden, welke 
zich aan die proef wilden onderwerpen, mochten een dienaar tot plaats- 
vervanger nemen ; zoo zuiverde zich bij de Franken de koningin Thiet- 
berg, gemalin van koning Lotharius. In de Edda zien wij Gudrun zich 
door ketelfang van alle verdenking reinigf n, terwijl Herkja, de aanklaag-, 
ster, zich na haar, bij dezelfde proef, deerlijk verbrandt en dan in een 
stinkenden poel wordt gegooid. 

De heetwaterproef bestaat nog in een groot gedeelte van Afrika, Azië 
en Oosl-Indië; hier en daar echter, vooral in Indiê, neemt men kokende 
olie of vet(l». Bij de koud waterproef werd de beschuldigde, met een touw 
om 't lijf gebonden, in 't water geworpen : bovendrijven beleekendc 
schul J, naar onder gaan, onschuld. Dit berustte op het oudheidensche 
bijgeloof, dat het reine water, dat heilige element, den misdadiger in zijn 
schoot weigerde op te nemen. Bij een aantal volksstammen van Oost- 
Indiê is deze proef nog in grbruik, en ook b'j de NiasFers denkt men, dat 
de geest van het water den schuldige naar boven duwt(2). 

In 't oude Griekenland en op Sicilië vond men eveneens dat bijgoloo', 
'twelk nog heden in Montenegro, in Herzegowina, en in Poolsch-Prui?en 
voortleeft 3 . Van al de ordaliên schijnt de koudwaterproef liet m'^esl te 
zijn gebruikt geweest, vooral in later tijd tegen de hek«^en. 

(1) Mélusine, IV, 183-184. 

(2) Encycl. van NederU-Indië, I, 586. 
(:j) Mélusine, IV, 184 en II, 6-7. 



— 108 — 

Bij de kruisproef (Hgd. Kreiufrobe] moesten beide partijen, aanklager 
en aangeklaagde, met opgeheven handen, vóór een krais post vatten : wie , 
zóo het langst onbeweeglijk kon blijven staan, won het pleit. Volgens de 
Friesche sage besliste deze proef tusschen Radboud II en koning Earel 
uit Frankenland in hun geschil omtrent het bezit van Friesland : na een 
etmaal stil gestaan te hebben, liet Earel zijn jiandschoen vallen, en Rad- 
boud raapte dien op, en daardoor bleef Earel overwinnaar. — De kruis^ 
proef vond men bij de Franken, de Saksen, de Fri^'zen en de Longobarden. 

Het baarrecht of baargericht (Hgd. Bahrreeht) is een oude reehtsproef, 
waarbij de van moord verdachte v6or de lijkbaar werd gebracht; begon 
het lijk» door hem aangeraakt, te bloeden, dan achtte men hem schuldig; 
in het tegenovergestelde geval niet. Waren er verscheidene personen 
verdacht, dan moesten zij allen deselfde proef onderstaan. Deze ordalie 
berustte dus, evenals de koudwaterproef, opeen oud bijgeloof dat nog 
heden in OostpPruisen (1) en bij de Sieben burger-Saksen wordt aange- 
troffen (d). Een parallel van dat geloof vond ik ook te Denderleeuw: zoodra 
een nabestaande van een overledene — anderen zeggen : van een drenke- 
ling — bij diens lijk komt, begint dit te bloeden. — In Neder-Saksen 
toonde men den verdachte de afgenomene hand van het lijk, die hij drie- 
maal met de vingers moest aanraken : bloedde zij, dan werd hij schuldig 
verklaard. Dat heette ichiingaaH(S). Het baargericht was in Engeland en 
Schotland bekend, zooals blijkt uit de werken van Shakbspbare en 
Waltbr Sgott ; ook in Zwitserland, vooral echter in de Dietsche en de 
Duibsche gouwen. In het Nerelingfnlied en in onze middeleeuwsehe gedich- 
ten Lancelot en Wit/ewein, wordt van het baarreeht gewaagd. 

258. Le vuurproef doorstaan {Rgi. Die Feuerprobe bestehen). 
Hij heeft de vuurproef ondergaan; hij kan de vuurproef niet door- 
staan (In fig. zin : een harde proef, een gestreng onderzoek 
doorstaan). Sich weiss (of rein) brennen = zich wit wasschen, 
zijn onschuld bewijzen. Geen heet ijzer voor iets durven (of 
willen) dragen (Niet durven instaan voor de waarheid van iets 
(G.-V.). — Het is een heet ijzer (of handijzer) om aan te tasten; 
daarnaast : Het is een heet hangijzer om aan te vatten, bij Sart.- 
ScHREv. ter. 1. 76 : Het is een heet hang-yzer aen te gaenW (Het 

(1) WüTTKB, s 289. 

(2) Am ürquell, IV, 171. 

(8) Zie boven, n<» 148. Schijn is zooveel als symbool, hier de afgehou- 
wen hand : tot den schijn gaan. 

(4) Elders bij Sart.-Sohrbv. ter. IX. 26: Ghy hebt een heet hang-yter by 
de hant. Bij Ghbubtz {Adagia ofte Spreekwoorden 1552) vindt men : T is een 
ynere hand om aen (e tasten. Alleen Hcbufft (Oud-Friesche Spreekw.) door 
Harr. aangehaald, geeft: heet handijur; al de anderen: heet ij*er. In 



— 109 — 

is een netelige zaak). Vgl. Voor iem. door een vuur gaan (Hgd. 
Für Jem. durchs Feuer gehen. Pr. Se jeter dans Ie feu pour qn.) 

— Op heete holen staan, ofziUeni^). Hgd, Wie auf glühenden 
Kohlen sUxeti; Fr. étre sur les eharbons (Ongeduldig zijn, bran- 
den van ongeduld of onrust). — Voor iets zijn vinger (niet) 
durven in *t vuur steken (Van iets - niet - zeker zijn). Fr. Ten 
meUrais ma main au feu, of mon doigt au feu; je n*en mettrais pas 
la main au feu = ik durf er een - geen - eed op doen. — Een 
jonge maagd brandt zich niet gaarne. 

Men kan onderscheid maken tnsschen de eigenlijke vuurproef en de 
ijzerproef. Bij de eerste moest de aangeklaagde zijn bloote hand een 
bepaalden tijd in H vuur houden ; elders moest hij over gloeiende kolen 
schrijden» ofwel in H bloote hemd — soms in een met was bestreken hemd 

— door een brandende houtmijt gaan. De ijzerproef zelve was drieërlei : 
de beschuldigde was gehouden barrevoets over gloeiende ploegijzers te 
gaan, die op eenigen afstand van elkander lagen; ofwel moest hij over 
een afstand van 9 schreden — elders : van de doopvont tot het altaar — 
een stuk gloeiend ijzer dragen, dit ijzer heette soms bepaald handinen{2); 
of wel» en dit laatste gold alleen de ridders, moest hij zijn bloote hand in 
een gloeienden, ijzeren handschoen steken. Bleef hij hierbij ongedeerd, 
dan was zijn onschuld bewezen. — Gewoonlijk werden de ketel (heetwa- 
terproef) en de staaf ijzer door de geestelijkheid gewijd en in zekere kerken 
bewaard ; men beschouwde dit zelfs als een winstgevend privilege, daar 
men voor het gebruik van die gewijde zaken een recht diende te betalen. 

De ijzerproef was van een heele reeks formaliteiten vergezeld. De 
beschuldigde moest zich door vasten, bidden en communieeeren tot de 
plechtigheid voorbereiden, hij werd in de kerk met wijwater besproeid 
en kreeg er ook te drinken. Liet hij, in zijn haast, het ijzer op den grond 
vallcD, dan diende hij het op te rapen. Na de volbrachte proef, wikkelden 
de priesters de hand van den beschuldigde in linnen doeken, waarop zij 
het zegel der kerk drukten. Na nog drie dagen van bidden en vasten, 
werd hij schuldig of onschuldig verklaard, volgens dat de hand verbrand 
of onbeschadigd werd bevonden. 

Naar men vertelt, zou Rachel, door haar gemaal Earel den Dikke van 
overspel beschuldigd, haar onschuld bewezen hebben door in haar hemd 
over een brandende houtmijt te gaan. De heilige Kunigond, echtgenoote 

hedendaagsch Friesch : It is in hdngi%tr om aan te gean (W. D. II. 337). 
Zou dsii hangij lier -a'ii handijzer zijn ontstaan, of omgekeerd? Het Ndl, Wdb^ 
beschouwt hangijzer b,]b het oorspronkelijke, en dan zou H natuurlijk niet 
in verband staan met de heetijterproef {Ndl. Wdb. Y . 1979 vlg. en 2095 vlg.). 

(1) Sart.-Schrev. quart. 15, geeft : Ilaett u niet, ghy $it op gheen heete 
eolen. 

(2) NdL Wdb., V. 1979. 



— HO — 

yan keizer Hendrik den Heilige, reinigde zich. door de ijzerproef van 
dezelfde verdenking. Het Nederl. spreekw. Eenjongemaa0 brandt zich niet 
gaarne, door Van Alkbmadb meegedeeld, wijst, naar hij denkt, op een 
dergelijke vuurproef. Maagden en getrouwde vrouwen, van ontucht 
beschuldigd, waren van ouds verplicht, zegt hij, op die wijze haar 
onschuld te doen blijken. Dat schijnt mij te algemeen gezegd; voorbeelden 
van maagdon, althans» heb ik niet aangetroüen. Liever breng ik 
Van Alebmade's spreekw. in verband met het « aangebrand zijn • of 
« zich branden i van bezwangerde jonge meisjes, van welke het in Noord 
en Zuid heet : de pot {ot haar pap) is aangebrand; ie laat de brij aanbranden ; 
ze heeft haar gat verbrand; of *e it aangebrand. 

Door SopHOGLES* Antigone weet men, dat de eigonlijke vuurproef en de 
ijzerproef ook aan de oude Grieken bekend waren. De vuurproef, reeds in 
de Veda's vermeld, en eens in alle werelddeelen gebruikelijk, is dit nog 
in vele streken van Afrika, Zuid-Aziê en Oost-Indiê. Ze wordt echter 
onder veel verschillende vormen toegepast : hand of vinger in gesmolten 
hars of lood steken, gloeiend ijzer likken, een gloeienden spijker in 
't vleesch slaan, enz. (1) 

De spreekw. voor tem. door een vuur loopen is niet aan de vuurproef 
ontleend, zegt Stoett (n*20r)6), en komt reeds in de klassieke talen voor; 
zoo b. V. Lat. per flammam currere (z, Otto, 171). 

259. De Wapenproef, of het Tweegevecht. Hgd. Zweikampf. 
Fr. duel. — God helpt den sterkste (C. T.); bij Harr. : God helpt 
den winner (of den sterkste); de verliezer heeft het kwaad 
genoegi^). — Kamprecht, kwaad recht A^) 

. Ons spreekw. God helpt den sterkstef of den winner, d. i. God helpt den-, 
gene, die door zijn overwinning de sterkste blijkt, of duidelijker : o wie 
de sterkste blijkt in den kamp, is dit door Gods hulp v, dat spreekwoord 
heeft slechts kunnen ontstaan in tijden van blind geloof, van blind ver- 
trouwen op God, toen men nog dacht dat een David noodzakelijk moe^^t 
zegevieren over een Goliath, omdat hij het recht aan zijn zijde had. 
Kamprecht, kwaad recht, ook een zeer oud spreekwoord, wijst echter op 
later, meer verlichte tijden, die niet meer zoo gemakkelijk aan mirakelen 
geloofden, en meer dan eens de onschuldigen in de wapenproef hadden 
zien bezwijken. 

Het tweegevecht als rechtsproef dagteekent van het einde der 5« eeuw 
en werd ingevoerd als een bekrachtiging vau den eed. Oudtijds gold ook 

(1) Zie daarover iVélutine, IV. 158-162. Revue dei Trad. pop., IX, 109, 711; 
XI, 16, 10, 658; XIII, 281. Ene. van Ndl-lndië, I. 586 en G. J. Lkendertz, 
Coisoordeelen en Eeden, 5-18. (Overgedr. uit Tijdsch. v, h, Ndl. Aardr. Gen., 
ig. 1888. Leiden, E. J. Brill). 

(2) Ook bij Gruterus, III. 

(3) Vgl. boven de n^« 11, 33, 70. 



— lil- 
de gerechlelijke eed als een soort van godsoordeel. Men zwoer bij God, 
onder aanraking van iels heiligs: een met oiTerbloed geverfden ring; 
aarde en gras. heilige bergen^ rotsen en Bteenen; hetli<je wateren^ 
bronnen en rivieren; de haarlokken, den baard, het zwaard, enz. door de 
heidenen ; — het kruis, de relikwieën of rie reliekkast^ het altaar, den 
grafsteen van een heilige, het Evangelie, enz. door de chrisLenen. Men 
wilde alzoo de zwerenden meer eerbied inboezemen voor de heiligheid 
van den eed, en afschrik voor meineed; daardoor wilde men ook vanwege 
de godheid. een mirakel uitlokken, althans de bestraiBngvanden meinee- 
dige bekomen. 

tt Sagen (vgl. HonAxius, öicn, 1.8) verhalen dat den yalsch zwerende 
de vingers zsvarl werden; dat het heilige zijne hand gegrepen en vastge- 
houden had. Zoo was er, zei men, te Rome eene bocca della verita, in 
wier opening de zweren Ie de hand leggen moest; zwoer hij valsch, dan 
sloot zich de steen, en beei «e a/(l) b. 

« Aanvankelijk had de eei het karakter van een ordalium, — zegt 
Lbbndbrtz(2) — in zooverre dat de eed zelf niet besliste over het onschul- 
dig of schuldig, doch het feit of de bezworen gevolgen binnen een zekeren 
tijd al dan niet wegbleven; bovendien ging de eedaflegging met het 
Inroepen van rampen en onheilen en met verwensehingen gepaard, zoodat 
wij in dien vorm nog duidelijk sporen der godsgerichten aantreffen, v 
Hier heeft men primitieve volken op het oog, en dat de meeste volksstam- 
men op meineed geen straf toepasten, had zijn grond in het bijgeloof, dat 
lïet Opperwezen die bestraffing op zich nam (3). 

Dergelijke voorstellingen vindt men ook nog verspreid onder de oude 
Germanen van de eerste christentijden. Sommigen echter, minder geloo- 
vig, vreesden niet een valschen eed te doen, en wel eens half openlijk, 
zonder dat er eenige straf op volgde. 

Om dat misbruik te keer te gaan, schreef op het einde der 5« eeuw (4) 
de Bourgondische koning Gondebald voor {Lex Gundobalda), dat, als de eed 
der partijen onvoldoende bleek om de waarheid te kennen en uitspraak 
te doen, beschuldiger en beschuldigde voortaan met elkander een twee- 
gevecht zouden aangaan. Van de Bourgonden ging het gebruik over 
tot de Franken, de Allemannen en de Lombarden, en allengskens nam 
het zulke uitbreiding, dat men zelfs voor kleinigheden, voor de grens- 
scheiding van landerijen, voor den eigendom van een wijngaard of van 
een handvol gelds. de beslissinf^ aan het tweegevecht overliet. 

Wie niet vechten kon of mocht, nam een plaatsvervanger; voor 
priesters en klojsterlingen trad hun voogl op, terwijl vrouwen en 

(l) NOOHDEWXBR, 433. 

(3) GodsoordeeUn en Eeden, 30. 

(3) Lbkndertz, 39. 

(4) Volgens Père Lif Brün. Hist, critique de$ Pratiques supenlitieuies, 
opgenomen in Traite des Supentitions de Tabbé Thibrs, onder den algem. 
titel : Siperst. anciennes et moderneu I. 203 a. AmsL J. Fr. Bernard, 1733. 
Volgens NoRK, t. a. pi. 100*3, in 't begin der ü» eeuw. 



— il2 — 

kiaderen een kampioen namen» die zich Trijwillig aanbood of Toor geld 
gehuurd werd(l). Leed zoo'n kampioen de nederlaag, zoo werd hem, als 
meineedige, de hand afgehouwen. Vond de Trouw er geen, dan moest zij 
zich aan de vuur- of waterproef onderwerpen. 

Ia Frankrijk bleef het gerechtelijk duel voortbestaan tot in H midden 
der 16« eeuw, in Engeland nog veel later. Dat het tegenwoordige duel, in 
een groot deel van Europa nog van dagelijksch gebruik, een oTorblijfeel 
is van 't oude godsoordeel, lijdt geen twijfel. 

Evenals in een geschil tusschen twee personen. God als de beschermer 
der onschuld tusschen beiden komt» zoo wordt Hij bij sommige wilde 
volken ook geacht in een oorlog tusschen twee verschillende volksstam- 
men over de zege te beslissen. Daardoor hebben in den Indischen 
Archipel de gevechten zelden in een open veld plaats, maar nemen 
dikwijls het karakter van een godsoordeel aan : de partij die het eerst een 
gewonde of doode bekomt, acht zich verslagen en trekt zich terug(2). Bij 
de oude Israëlieten en hunne naburen moet ook iets dergelijks bestaan 
hebben, als blijkt uit het voorstel van den reus Goliath aan SaüVs leger 
en zijn strijd met den jongen Davld. Insgelijks bij de Qermaantche 
stammen, bij wie het niet zelden gebeurde, dat slagvaardige legers 
kampioenen uitkozen om het geschfl te beslechten (8). Eens zelfs werden 
bij de Franken de belde vorsten door hunne legers tot zulk een twee- 
gevecht genoodzaakt. 

In dat oude kamprecht vond eenieder, die op zijn sterken arm en zijn 
vaardigheid in den wapenhandel durfde rekenen, een geschikt middel, 
om een tegenstander of een vijand door een nietige beschuldiging tot een 
strijd uit te dagen, en hem aldus eer, en fortuin en leven te benemen. 
Dat is de oorsprong van het middeleen wsche vuistreeht, het recht van den 
sterkste, het eenige dat in die barbaarsche tijden door de ridders werd 
erkend, en waarop het spreekwoord wijst : Men voert er hei recht in de 
wist en in de êcheede, en ook eenigszins dit : Recht moet recht %ijn, al mu 
men malkander in riemen snijden (of met stokken </aaii)(4). 

260. 'k Wou dat dil brood in mgn ieel bleef Heken^ als 't niet 
waar is. Hgd. Da soll mir gleich der Bissen im Munde (in der 
Kehlej stecken bleiben; dass mir das Brod im Halse stecken bleibe 
(wenn dies nicht wahr ist). Oudfr. Que ee morceau de pain 
m'étrangkf si ce que je dis n'est vray. 
Die eedformule, in den volksmond niet ongewoon, en ook als verwen* 

(1) Men denke hier aan hertog Jan I van Brabant, naar Parijs ijlend 
om door een tweegevecht met P. de Labroce de onschuld zijner zuster te 
bewijzen, die door hem valschelijk van vergiftiging was beschuldigd. De 
schurk dorst niet, en stierf later aan de galg. 

(2) Lebmdbrtz, 19. 

(3) Laat ik hier ook even herinneren aan den strijd der 8 Horatiërs en 
8 Guriatiêrs, bij de oude Romeinen. 

(4) Bij Van Alkbmadb en Tuinman opgegeven. 



— 118 — 

sehing gebruikt : *k wou dat hêi (brood) in uw keel bleef êteken, herioDert 
aan de oude broodproef of gewijde boot; Ugd. Vrobe des geweihten Biuens, De 
Franschen zeggen féprewre par ie pain et Ie iromage^ omdat de aange- 
klaagde een stuk brood of kaas te eten kreeg, voorafgaandelijk door den 
priester gewijd. De plecbtigbeld had plaats In de kerk« in de tegenwoor- 
digheid Tan een aantal getuigen» en terwijl de priester de voorgeschreTen 
bezweringen en verwenschingen uitsprak, moest de beschuldigde de beet 
in den mond steken. Kon hij ze goed dooriweigen, dan was hij gereinigd ; 
maar bleef ze hem in de keel of halfweg steken, dan achtte men hem 
schuldig. Die proef, vooral bij de Angelsaksen in gebruik, bestaat nog 
heden in Ndl^Indiö. 

< Wanneer Lij de Makassaren verscheidene personen van hetzelfde 
misdrijf verdacht worden, worden deze wel genoodzaakt een grooten bal 
gekookte^ koude en zeer droge rijst zonder drinken door te slikken ; die 
dit niet of slechts met groole moeite doen kan, wordt voor schuldig 
gehouden (1). > Evenzoo bij de Bataks en op *t eiland Wetter, waar de 
partijen rijst moeten kauwen, en hij, bij wien de rijst niet met speeksel 
is vermengd, verliest het (2). 

Hier past een plaats uit P. Maktsqazza, La Phyiioiogie de la Douleur 
(Paris, Montgredier, 1888, bl. 282) : « Pour completer la mimique de la 
peur, étudions la participation des glandes salivaires, aussi ezpressives 
que les glandes laerymales. La aaiive diminue ou manque compidtement, 
la langue et la bouehe se söchent et la parole devient impossible. On 
connalt Thistoire de ce voleur qui fut dócou vert parce qu'il ne put trouver 
assez de salive pour transformer en boulette une pincée defarinoi tandia 
que les autres assistants y parvenaient facilement. On dit en Amériqae : 
U a tellement peur qu'il ne pourrait cracher. »(8) 

261. Daar durf ih Ons Heer op ontvangen. Hgd. Ich will das 
Abendmahl darauf nehmen. 

Die algemeen bekende, ook bij deftige lui gebruikelijke waarheidseed, 
herinnert aan de vroegere Avondmaaliproef (Hgd. AbendmahUprobé), die 
slechts een verchristelijkte vorm is van de voorgaande. Ze wordt reeds 
vermeld in de 9* eeuw, en was eerst alleen toepasselijk op geestelijken, 
doch later ook op leeken. Was er in een klooster een diefstal begaan, 
zoo moesten al de kioostergeestolijken bij een plechtige mis de heilige 
hostie nutten met den wensch, dat zij hun ten teeken van schuld of 
onschuld mocht worden. Somtijds kwamen er krachtige verwenschingen 
of vervloekingen bij. Men geloofde toenmaals, dat O. L. Heer in 't lichaam 
van den schuldige niet zou willen blijven, en "^ist te vertellen van 
menseheuy bij wie de hostie langs den navel weer was uitgegaan. 



(1) Ene. 9. Ndl.'Indië, I, 586. 

(2)/(i0m,I,586. 

'(3) Mij welwillend medegedeeld dix>r M. A. Gobmsttb. 



— 114 — 

262. Om de galg Men (Er om loten wie gehaagen zal 
worden). — Strootje trekken, Hgd, da$ Halmchen ziehen, den 
Kürzern ziehen; Fr. tirer h la courte pauk. 

Beide zegswijzen herinneren aan een der bijgeloovige middelen» door 
deonde rechtspleging gebruikt, om» bij wijze Tan een godsoordeel» den 
dader van een diefstal, van een misdrijf te ontdekken. Waren er ver* 
scheidene personen verdacht» dan besliste soms het lot wie ran hen de 
schuldige was en den strop verdiende. 

De oude Germanen raadpleegden de toekomst door laten van vracht 
hoornen, waarop een letter (rune) geschreven werd» — de Scythen 
insgelijks» maar met wilgenBiAYen. Dat tot werpen, (Hgd. dei Lom werfen; 
Fr. Jeter mu tort) eerst in handen van priesters en rechters» werd ook wel 
ais godsoordeel ter ontdekking van misdadigers aangewend ; later weid 
het een hulpmiddel tot tooverij» en uit het 9or§, eorte» (lootstaafje) 
ontstond het Fr. mrtUège, soreier (Vgl. de uitdr. Jeier un (Ie) eort sur qn*; 
en Hgd. Zender werfen). Het loten gesoliiedde op twee wijzen : de priester 
wierp het lot en duidde de lotspraak aan» of liet de betrokken partij het 
\oi trekken (1). — Delootstaafjes, in het Middelndl. cevele genaamd (aldus 
bij Yan Mabrlant)» werden ook gebruikt bij het in loten verdeelen van 
koopwaren en landerijen; nu nog worden gewoonlijk de «kavels b aan de 
erfgenamen door het lot toegewezen en hoort men dagelijlu spreken van 
*egaan katmlen, — een goeie kavek Nu» de etymologie leert ons : om>elê a 
lot» verwant met Hgd. kabel. Eng. ceoe/» Zw. kafvel s= aandeel, Oudn. 
kefli =s staf met runen om te loten (Vkrq. Etym. Wi6.). Ygl. nog i hü fnoel 
kie*en ofkaveten (sa hij moet tot een beslissing komen). 

Ook bU andere volken bestond of bestaat het lot werpen» b. v. bij de 
oude Israëlieten ; men denke aan de geschiedenis van den profeet Jonas» 
waaruit ons : het lot vaU op Jonas, en rgi» het lot is in den echoot geworpen 
(=s de zaak is nu hare beslissing nabij)» aan de « Spreuken • ontleend. 

Onder andere vormen komt het lot werpen, als godsgericht» ook voor 
in Tibet» in Hindostan en in Ndl.-Indiö. B^ enkele Daj aksstammen 
b* V. worden soms twee muntstukjes» het eene blank geschuurd en 
't andere zwart gemaakt» in door houtasch troebel geworden water 
geworpen; beide partijen steken te gelijkertijd de hand in *t water: wie 
de blanke munt bovenhaalt» heeft het gewonnen. 

Nauw verwant met het lot werpen is de xeefproef, (het uefdraaien^ 
Hgd. SiMrehen), die bij onze bijgeloovige voorouders ook soms als 
reehtspraak gold» en reeds bij de oude Grieken bekend stond (3). 

263. 't Wilde da'k vergif dronk, als 't niet waar is (A.). 
Vgl. Fr. (Henegouwen ) ; Q^e man verre m'empoisonne. 

In de herbergen hoort men niet zelden iemand zijn woorden aldus 



(1) Gbimm» Deuteehe Mythologie*, II. 9S9. Siicbogk» D. Myth. 513. 

(2) Daarover handelde ik in Volkskunde, IX, 18. 



— H5 — 

kraeht bijzetten^ terwijl hij het glas aan den mond houdt en onmiddel- 
lijk daarna ledigt. Dat wijst in zekeren zin op de elders wel bekende 
giftproef, maar die in onze gewesten niet schijnt bestaan te hebben; ik 
Tond ze althans nergens vermeld. Ze hoort vooral thuii* in Middel-Afrika 
en is in Kongoland algemeen gebruikelijk. Wordtin de Noordwestelijke 
streken» iemand van een misdaad verdacht, dan moet hij 's morgens 
nuchter een maat nka9»a^ een hevig vergift, uitdrinken. Indien hij dat 
vóór den middag uitbraakt, zoo wordt hij onschuldig verklaard, doch 
gemeenlijk sterft hij in de Treeselijkste stuiptrekkingen (1). Die gift- 
proef is minder bekend op Madagascar en in Indië; ook in Mozes' boek 
der Getallen, vindt men er melding van gemaakt. 



(1) Pater Db Dbkbn, Twee jaren in Congoiünd {Mmièn in China en Cango, 
April 1896» blz. 836). Zie ook Volkskunde, VII. 22 en Goquilhat, Sur U 
ttauUCongo, 59^ 85, 361. 



1) HEKSEN- EN KETTERVERVOLGING- 



264. Zij beeft haar maagdom nog. 

c Men zegt dit, sehrijft HarrbsomAb, wanneer een meisje zioh laat 
wegen en zwaarder is dan men dacht. Mogelijk ziet het op het wegen van 
toovenaars en tooveressen, waartoe Keizer Karel Y aan Oudewater het 
recht gaf.» Hier wordt een nieuw godsoordeel l>edoeld, nl, de weegproefot 
heksenwuag, welke in gemelde» Zuidholiandsche stad bestond. D&ar werden 
de van tooverij verdachte personen gewogen, en hadden zij hun natuurlijk 
gewicht, op grond van hun uiterlijk voorkomen» zoo ontvingen zij van de 
overheid een getuigschrift van onschuld» waarmede zij overalelders veilig 
waren (1). 

De Saksen, in Engeland, plaatsten de beschuldigde gansch naakt in de 
eene schaal, en in de andere den Bijbel; woog zij minder dan de Bijbel» 
dan was zij onschuldig, in later tijden was het omgekeerd, zooals blijkt 
uit een proef, die nog in 1795 in Engeland plaats had met een van hekserij 
beschuldigde vrouw, die zelve vroeg om gewogen te worden; naar de 
parochiekerk gebracht, plaatste zij zich geheel ontkleed in de balans; 
toen het bleek, dat zij den Bijbel in gewicht overtroj^ werd zij in triomf 
naar huis gedragen. 

De weegproef wasook in Duitschland (3) in zwang, en is het thans nog 
in Indiê. 

Dat nu echter onze spreekwijze, zij heeft haar maagdom nog^ op dat 
wegen doelen zou, schijnt mij onaannemelijk, daar het enkel van hekserij 
verdachte personen gold, — doorgaans bejaarde vrouwen» — bij welke 
in eik geval geen maagdom in aanmerking kwam. De spreekwijze dient 
m. i. opgevat te worden in een schertsenden zin. Een analoge uitdrukking, 
mijn zienswijze steunend, is dit antwoord van een herbergmeisje aan 
jongelingen, die haar wegens het behoud van haar maagdom plaagden : 
« hij overweegt mij niet »» zei ze. Ook hierin ziet men den maagdom, uit 
kortswijl, een stolTelijk gewicht toekennen; daardoor neemt het den 
schijn aan, alsof zijn behoud door een weegschaal vast te stellen ware. 

Dat het volk aan den msayitoin een stoffelijk gewicht toekent» sohert- 

(1) Gi:NNi.jiRT, 324-298. 

(2) Menige stad van West-Duitschland bediende zich van de beroemde 
heksenwaag van Oudewater. 



— 117 - 

send aUhans, blijkt nog uit een 18de>eeuw8ch liedje, getit. Pierlala^ en 
waaryan de 0> strofe aldus aanyangt : 

« Yeel meyskens sijn in groeten nood, 

Ay my, wat hebbe ik pijn» 
Den maeghdom weoRht soo swaer als loodt, 

Het droevig florecijn. » 

(üit een familiebandsehrift van omstr. 1790). 

365. « Dat is heet, » zei de heks, en ze werd verbrand. — 
c Dat zal mndaag een heete dag zijn^ > zei Maartje van Assen, 
en zij moest verbrand worden. 

De Treeselijke vervolgingen van de 14» tot in de 18» eeuw tegen toove- 
naars en heksen ingespannen zijn algemeen bekend. In velerlei ziekten, 
in misgewas, storm en hagelslag, beweerde men toen heksenwerk te zien. 
Arme menschen, oud en leelijk of in afzondering levend, werden beschul- 
digd met tooverij om te gaan en met den duivel te heulen; men legde hen 
op de pijnbank om bun een bekentenis af te persen^ en dan werden ze 
levend verbrand. Te Garcassonne b. v. werden tusschen ISdO en 1350, op 
grond van zulk een beschuldiging, meer dan 400 menseben veroordeeld, 
en de helft van deze ter dood (1). In Zwitserland zag men in den aanvang 
der 15* eeuw het eerst heksen verbranden, en nadat pauslnnocentius VIII 
zijne bulle van 3 December 1484 had afgekondigd en het beruchte .Vallens 
MuUficürum (de Hekne^hamer) ^ het wetboek over heksenzaken — was 
verschenen, werden de brandstapels ook weldra in Duitschland en de 
Nederlanden ontstoken. 

De koudwaterproef werd .opnieuw ingevoerd om als bewijsmiddel te 
dienen; met de handen en de voeten kruiswijze aaneengebonden, werd de 
verdachte in *t zoogenaamde ffheksenbad» geworpen: bovendrijven was 
schuld^ *inken onschuld (t),en de schuldigen eindigden op den brandstapel, 
c Dit gebeurde zoo dikwijls, dat er in 5 Jaar in het stift Bamlterg 600 en 
in het bisdom Würsbnrg 900 op die wijze omkwamen, en dat in Bruns« 
wijk de palen, waaraan de heksen verbrand waren, schier een woud 
vormden (1). » De Malleus ontraadt het aanwenden der vuurproef als 
bewijsmiddel, daar het vuur als een met den duivel bevriend element, op 
heksen geen uitwerking heeft, Ja, het feit zelf dat een bpschuldijide ver- 
zoekt om die proef te mogen ondergaan, bewijst dat zij een heks is (2). 

Nog in 1828 werd het heksenbad, in Holland, op een vrouw van Delde- 
nerbroek toegepast, en in 1874 nog in Hongarije, terwijl het laatste dood- 
vonnis tegen een heks in 1783 te Glams (Zwitserland) werd uitgesproken. 

366. Bj laat zich om het geloof niet branden (Hij wil geen 
martelaar zijn voor zijn overtuiging), — Hij is den brand 
ontloopen (Hij is het gevaar ontvlucht). 

267. Tot den mutsaard veroordeelen (Tot den brandstapel), fly 

— ____^ i 

(1) WxNKLER Pbins, Encycl. VIII. 147. 

(2) S. HiBZLBR, Gesch, der Hexenproikesse in Bayern, Stuttgart^ 1896, 
Mi. 79. 



— 118 — 

riekt naar den mutsaard (Hij is een ketter); daarnaast : het(da() 
riekt naar den mosterd, voor: naar den mutsaard(D2Lt is duur). 
Vgl. Fr. Cet homme sent Ie (of son) fagot. 

Mutsaard, mulserd = takkenbos ; naar den muUaard = naar den iakken- 
boSy d. i. naar den brandstapel, die uit mutsaards bestond, « De segs- 
wijze is afkomstig uit den tijd, toen eene uitdr. in strijd met de leer der 
Katholieke kerk, In Nederland genoegzaam was om iemand ten vure te 
doemeo.'Zoo zwaar moest men zijne onvoorzichtigheid of onversehrok* 
kenheid boeten : op iulk een duren priji kwam de uiting der overtuiging te 
staan. Vandaar, dat het riekt naar den muttaard langzamerhand toegepast 
werd op voorwerpen, die duur in prijs waren. Het woord muiterd{l), 
muster. Daardoor kon het te lichter tot moeterd worden ■. (Van Dalb) . 
De eigenl. beteekenis « dat zal hem duur te staan komen b, ziet men 
duidelijk in : Wie daar tegen durft kikken Is een ketter en riekt naar 
dé muttaards n, aangehaald in School en Studie (afl. Oet. 97), en daaruit 
ontstond : « het is duur • ; en dat in de besproken zegsw. mosterd a mut- 
saard, wordt nog hierdoor gestaafd, dat in het oostelijk gedeelte yan Gel- 
derland en Overijsel een takkenbos mosterd heet. 

268. lem het vuur al zeer na aan de schenen (of voeten) leggen 
(Het iem. al zeer moeilijk maken, zoodat hij er zich niet 
meer uit zal weten te redden). 

« Het spreekw.» zegt Hjlrb., wordt niet alleen op den geldschuldige, 
maar ook op den leugenaar en den drogredenaar toegepast. Het zal wel 
oorspronkelijk zijn van de helsche pijnigingen, die men gebruikte, om 
iem. te doen bekennen, wat hem te laste werd gelegd, onverschillig of 
hij H kwaad al of niet bedreven had, en dus tot de tijden der inquisitie 
behoor en. b 

In De Klucht van de Oneenigetrouw (Amst., 1648), zegt Griet : 
. . . « mijn man die leyt mijn het vuur soo na aende seheenen. 
Dat lek altemet kraneksinnich ben »«.. (2) 

Bij Tuinman : Het vuur is hem aan de voeten getegt (Hij heeft het hard). 
Vgl. Iem. bij *t vier %etten (in 't nauw brengen, foppen; aldus in 't L. v. 
Waas; in 't L. v. Aalst alleen met de laatste beteekeuis). Hei vier op de 
teenen hebben (in 't nauw gebracht zijn. — G.-Y.). Fr. Mettre Ie feu sous ie 
ventre d qn. (Ie presser vivement, l'exciter. — Hatsf.-Darm. I, 1050). 
Hgd. Einem das Feuer unter den Schwan* machen («. Stobtt, n« 2065). 

269. Hij moet er aan gelooven (Hij moet er zich aan onder- 
werpen, hoe onaangenaam ook). Ndd. He mut daran glövcn 

Egk. 159). 

Die algemeen bekende spreekw. is waarschijnlijk ontleend, denkt 
De Bo, aan den tijd van de Inquisitie, toen vele ketters, bijkans dood- 
gefolter^l zijnde, « zeiden ik geloove om 't leven te behouden ■. Het Ndl. 
Wdb, 1V.»1267 en Stobtt, n« 541, geven echter een andere verklaring. 



(1) Ook in de Kempen (Loq. Y. 87). 

(2) Van MoiRXBRKBif , Ndl. Kluchtspêt, 265. 



J) EET- EN DRINKPARTIJEN- — DRINKGEREEDSCHAP. 



370. Opm hof houden (ieder te gast nooden, zijn tafel voor 
gasten openstellen, gastvrij onthalen; goede sier maken). 
Ygl. open tafel houden. 

Herinnert aan de oude gewoonte van yoraien of andere aanzienlijke 
personen die op bepaalde lij den, op de zoogenaamde Ao/tfdj^eiigroote feesten 
en maaltijden ten hove gaven, wat men heette hof houden, tleeds bij 
Kil. : open hof, eonvivium pubUcum et coNie gratuita, • Bij Sart-Sghrev., 
sec, II, 89 : Hy howit opew-hof» — Dergelijke « hofdagen » (feestelijke 
vergaderingen van edelen en groeten aan een vorstelijk hof; Fr. cour 
pUniire)^ waren niet alleen aan feestelijkheden, tornooien, enz. gewijd, 
zegt Ybrdax (Mnl, Wdb., III. 493), maar dienden ook tot de bespreking 
van gewichtige aangelegenheden en het doen van recht door den vorst. 
Vgl. b. V. het begin van Reinuert I en II, en van verschillende andere 
MnL ridderromans. Eene herinnering hieraan leeft voort in de benaming 
hof voor het hoogste rechtsprekende lichaam. Vgl. Fr. cour. Zie verder 
Ndl. Wdb. XI. 514 vlg. en Stobtt, n» 782. 

371. In vijf dingen U jolijt : lange maaltijden, iong vleeseh, 
oude viich, een schoon vrouwtje en wijn op den diseh (Grut. III). 
— Een kort gebed en een lange nuialtijd (Poirters, 89). Lange 
nuudtijden en korte prologen prijit men meest (H.). — Fr. Courte 
mesie et long diner. 

Deze spreekwoorden^ althans de eerste twee, door Harr. ontleend 
aan Grut. II en III, dagteekenen van 1611 en 1613 en wijzen op den 
groeten eet- en drinklust onzer voorouders. SoALxaBR kenschetste dien 
Ylaamschen karaktertrek als volgt : 

Mm camsdiê, Germans, biHi. Tu non bibis, Angle, 
Sêd comêdit, Comedis, Flundre, bibisque bene, 

wat men in de Selecta Proverbia (een handschrift van het midden der 
Vh eeuw) aldns vindt nitgedmkt : Een Duiteeher ken Monder tien drinken; 
een SngeUchmën eet Monder drinken; een Vleming eet, en kan wel drinken 



— 120 — 

(of een Vlaming eet nUt wonder drinken {1), Onze Noorderbroeders 
'moesten echter daarin niet achterstaan. « Willem de Zwijger had zoo- 
veel koks dat hij eens, een kleine bezuiniging willcDde invoeren, er 28 
tegelijk afdankte, en nog genoeg overhield b(2). Bij elke plechtigheid, bij 
elk vriendenfeestje hoorde een maaltijd ; en dat de Nederlanders thans 
nog van banketeeren en zuipen houden en uren lang aan de kermistafel 
overbrengen, is algemeen bekend. Hier ia dus geen sprake van een uitge- 
storven gebruik, en als dusdanig waren deze spreekw. misschien beter 
verswegen. Alleen het korte gebed v6or den maaltijd is sedert G^UTsaus 
en PoxRTBRS bij de meesten nog korter geworden, en bij velen geheel 
weggebleven. 

272. Twee zuivels op éen brood. Dat geeft hongersnood. — 
Zuivel op zuivel. Is H werk van den duivel (Dit tweede 
spreekw. is slechts als een versterking van het eerste te 
beschouwen). 

Hielden onze voorouders er werkelijk van zich een rond buiige te eten 
of te drinken, toch waren zij soberder, d. i. zij wisten het zuiniger aan te 
leggen — de burgerlui althans — dan heden het geval is. < Burgorlieden 
aten zeldzaam twee zuivels op elkander. Boter met kaas te eten « was al 
grouweligh ■, en bekendis de legende dat prins Maurits, toen hij, vermoeid 
van het trekken der lijn, van den schipper der trekschuit verlof bekomen 
hebi>ende een « stick te smeeren n, er daarenboven kaas op gesneden heb- 
bende» van dezen een klink om de ooren ontving, terwijl hij» op het 
gesmeerde en met kaaa belegde brood wijzende, zeide : « zoo is het land 
niet rijk geworden t » Toen gold het : « Botter te gelijk met kaes te eeten 
(is) rijke Ini's werk t, « een recht hoUandsch banketje (8). » 

YgL Dit er %ijn ko$te mei tpinnen wil winnen 
Moet maar wai tuinigjet teren : 
*« Avonds een potje met melk bij het vuur^ 
En de boter wat dunnetjee tmeren (H. ) • 
En Ndd. (Holstein) : Twéerlei Fett up dem Brode i$ ungesund (Egk. 113). 

273. Hif speelt den gebraden haan (G. T.). Hij hangt den 

gebraden haan uit (H.). 

Den gebraden haan uithangen, zegt Wdeehat (Dr Bbeb-Laür.) is : « goede 
sier maken^ zich weelderig aanstellen ; naar het uithangbord van voor^ 
malige gaarkeukens •• De ^avorscher, VI, 84, brengt het eenigszins in ver- 
band met het voorgaande nummer : « Op de oude, eenvoudige maaltijden 
in den burgerkring was een stuk rundvleesch reeds een hoofdschotel, 7- 
ander vleesch kwam er niet, of 't was een ongehoorde weelde. Wie een 

(1) Volgens D' db Jjlkobr behoort het tot het einde van de 1« helft der 
17« eeuw (zie Harr. I. xli en L xlvui. Vgl. Sübinoar, n<» ccxx). 

(2) J. Tbr Gouw. De Volkivermaken, 665. 

(3) ScfiOTBL, m Oud-Hollandêch lUisgeiin, Haarlem, 1868, bli. 828^9. 



— 181 — 

gebraden haan opsohafte» maakte een yertering, die voor yerkwiBÜng 
gold, en verhief sich boven zijn stand. 

Vandaar het epreekw.» waarmede iem. wordt aangeduid, die door 
groote verteringen zich aanstelt, alsof hij schatrijk is. Misschien schuilt 
er nog een woordspeling in haan^ waardoor men liever dezen vogel, dan 
b. V. een kip of een duif noemde. » 

Dr, Stoett meent dat er voor de verklaring van Den gebrëden haan uil- 
hangen wellicht gedacht dient te worden • aan een oud sprookje, waarin 
verteld wordt van een gebraden haan, die zich zeer aanmatigend en over- 
moedig gedraagt ■ (n° 634). Zoo*n sprookje uit het lialiaansch van 
L.Gapuana (Ndl. vert. bij Adriani, te Leiden), wordt door hem medege- 
deeld in Noord en Z„ XXni, 375-2X7 ; hij acht het niet onmogelijk dat dit 
vertelsel' evengoed ala dat van Boontje, Strootje en Kooltje vuur, ook eena in 
onzeiaal wordt gevonden. Mij komt zulks evenwel onwaarschijnlijk voor, 
daar dit vertelsel uiterst zeldzaam Is ; tot hiertoe had ik het nergens ont- 
moet, het sprookjen van Den halven haan daarentegen ia algemeen bekend. 
Ook van het middeleeawsche wonderverhaal van den gebraden haan, die 
aan 't kraaien gaat, heb ik in de thans levende volkstraditie nog niets 
kunnen ontdekken, terwijl het sprookje van Boontjey Strootje en Kooltje 
vuur werkelijk wijd en zijd verspreid is. 

Voor liet IMl. Yfdb. evenwel, is den gebraden haan maken (ipelen^ of uit- 
hangen) « niet anders dan een, zij het ook onverklaarbare» versterking 
van den haan maken («cAeren, of ipelen), « De synonieme spreekw. « den 
dut^len haan maken, den broeden haan spelen b zijn trouwens al even 
weinig helder. » 

Volgens dat Wdb. is de beteekenis : 1. bluf slaan ; 9. grof geld verteren, 
brassen; 8« moedwil bedreven, den baas spelen. 

374. Zijn vingers (van iets) aflikken (Eig. van een lek- 
ernij : Ze heerlijk vinden en er braaf van smullen, zoodat 
men achterna nog de vingers aflikt. Bij uitbr. en fig. ook van 
andere zaken : Er veel genot in vinden, er veel plezier van 
hebben. Ndl. Wdb.) - Hgd. Alle [fünf) Finger nach &was 
lecken. ^ Fr. S^en Ücher les doigts. 

Dat schijnt wel aan den tijd te herinneren, toen er nog met de vingers 
gegeten werd. « Gedurende het grootste gedeelte der 17« eeuw at zelfs de 
deftige burger in ons vaderland nog met de vingers en bediende zich alleen 
van het mes. In den aanvang der 18« eeuw kende de geringe burger het 
'gebruik van de vork nog niet en waren deftige Noord-HoUandsche koop- 
lieden nog gewoon op voorvaderlijke wijze de spijzen te nutten (1). • 
Vgl. Bij *al er geenoelte vingeren van lekken, en : 

Daar tou men vinger on duim na lokken (Tuinvak, 1, 98). 
Die honig eet, mag wol %ijn vingors lekken (H.). 

(1)Sge{0tsl, Oad-Holland$ch Buisgo^in, 848. 



280. Goede wijn behoeft geen krane. — Hgd. Quter Wein 
bedarf keines ausgesteeiten Reifi, ot keines Kranzes. Eng. Good 
wine needs no bush. Fr. A bon vin, poini d*enseigne. A bon vin, 
il ne faut point de bouchon. 

Dit spreekw. doelt wellicht op de vroegere gewoonte door een krans 
van takken of bloemen aan de voorbijgangers die halzen aan te wijzen» 
waar zij drank en een goed onthaal konden vinden. Dat hebben wij over* 
genomen van de Latijnen, zegt Tuinman; het uithangen van een eiloof- 
krans, weleer toegewijd aan Baeehns, was al van onds een teeken, dat 
daar wijn te koop was. Daarop doelt het Latijn : Vïiio vêndikUi 9u$p$ntd 
hederi nihil opus, alsook het Ondfr. : 

Vin délicêt, friand el bon^ 
Ifa tneMtier lierre ne branden. 

Het uithangen van een takje (palmtakje, spaanseh hout, enz.) boven de 
ingangdeur der bierhuizen, bestaat thans nog hier en daar in Vlaanderen ; 
Ik sag het ook in Waalsche streken. 

Het spreekw. komt reeds voor bij • Gampen b : Guedet^wifn behoeft 
ghienen cram. 

Vgl. Sbrvxliüb : Men derf geen» wie wtttehen, daer goede wijn ie coope it 
(z. SüaiNa^B, no GGXXXYII). 

281. Het glas in de hand 

b het wapen van Gelderland. 

Zinspeling op de vele feesten en volksvermakelijkheden, die vroeger 
in Gelderland plaats hadden, en waarbij dan natuurlijk het toosten nooit 
werd vergeten. 

282. *t Is een benauwd half elfje (Grewoonl. gezeid van een 
zeer beperkte zit- of ligruimte). 

c In vroeger tijd, zelfs nog in onze jeugd, z'^gt M. I. L. {Toekormt, 1894, 
blz. 489), werd des middags om 19 u. de klok geluid ten teeken dat het 
arbeidsvolk kon gaan eten. Werkte het volk op karwei bij een van de 
klanten,: dan kregen ze gewoonlijk tegen half elf een wippertje jenever, 
en in vele huishoudingen hield men daarvoor een afzonderlijk glasje er 
op na van niet al te grooten inhoud. Was nu de verstrekte hoeveelheid 
Schiedammemat in 't oog van den ambachtsman te gering, dan ontviel 
hem al licht de uitdrukking : een benauwd half elfje, met zinspeling op den 
kleinen omvang van het glas »• 

283. Rederijkers, kannekijkers. 
Voor de verklaring, zie boven n» 88. 

Ygl. Om wel te rifmen en te dichten, 

Diemt mem eent braaf de kan te lichlen. 

284. ffi; vrift Trui met éen oor(i) (Hij is een minnaar van 



(1) Bij Sartoriüs, ter. lY. 81. : Hy bemint Ihêy met e$n oor. 



— 125 — 

de bier- of wijnkan, hij is een drinkebroer), Em liefhebber van 
de kan. Hij houdt van de kan. Hif M liever bij de bierkan üan 
bij de boeken, of Hy zou liever in de bierkan aludeeren. De 
kan aanspreken. Te diep in de kan kyken. — Hij mag den pot; 
A{f pakt "nen goeien pot. Tussehen pot en glas (A..), of tusschen 
pot en pint, ook : pot en kan (^Onder bet drinken van een goed 
glas. — R. en G.-V*). 

Al deze spreek w.» eTenals het voorg. nummer, herinneren aan den 
tijd» toen het bier nog uit kannen en potten werd gedronken. ' . 

3Ö5. Als de wijn (of het bier) is in den man, 
ü de wijsheid in de kan. 

; Ygl. Hgd. l9t der Trunk im Manne, «o üt der Ventand in der Kanne, 
Evenzoo in het Nederduiisch; h. y. in Oostfri. : U dat Beer in de Aiann, ii 
de Geeêt in de Kaan, — b't. Entre tee verree et let pols, moim de eagee que de 
aalê. Meer verspreid echter is deze vorm van het spreekw. : Als de wijn 
ingaat, gaat de wijsheid uit \ hij Duitschers en Zwltsbrs : Wein ein, VViU 
aus. Eng. When the wine goes in, the wit goes ouL t r. Le Pin entre, la rauun 
êort; enz. (H.-DDa.» il, n» 4t54;. 

286. mj wil altijd het onderste uit de kan hebben (Hij is te 
hebzuchtig). Wie het onderste uit de kan wil hebben^ dien valt 
het lid (d. i. het deiLsel; op den neus (Wie te begeerig is, krijgt 
niets, of dien berouwt het). 

Ndd. (Meklenburg) : Wer da Ut*t ut dei Kann* drinken wiU, den föllt'dei 
Deck'lup dei SehnUt (ssanoet. — Egk. ii4ój. 

287. Kannegeluk is vrouwegeluk (Wie het onderste uit de 
kan te drinken krijgt, zal een goede vrouw huwen. — Db Bo). 
— Kannegeluk is mannegeluk (Loq. XIV, 7ü)(^). 

Die herhergspreuk U op een oud bijgeloof gegrond, dat nog niet is 
uitgestorven : men achtte net een goed voorteeken, ala men het laatste 
glas der kan mocht leegdrinken en dat laatste, het staartje, heet om die 
reden nog : kannegeluk. Vandaar ook nog dit gezegde : Die 't kan{ne)geluk 
keeit^ Mog *i al bttalen{ii). — Vgi. Fr. Le fond est pour les boM, en ^Ueera 
marie cetle anaée, wat schertsenderwijze gezeid wordt tegen iem., wien 
men het laatste uit de flesch inschenkt. Eertijds kende men hti kannegeluk 
ook wel alB : l'honnaur qu'on a de boire le premiar trait du pot, In tegen- 
spraak met ons Vlaamsche of liever ons Nederl. kannegeluk, is ook het 
Bijbelacha : Bet grondsop ie voor de goddeloo%en, schertsend gezegd, als men 

(1) Aldus bekend, volgens Loq.^ te leper. Kortrijk, Brugge en 'tomUg- 
gende, doch ook langs de kust. 
(d) Am. Joos, Schatten uit da Volkstaal, 209. 



— 126 — 

em. hei staartje der fleseh geeft (zie psalm LXXY : 9); men voegt er 
soms bij, zegt Wdichai : maar de vromen drinken het uit. — Volgens Log.» 
XIV, 76» zeggen de Dnltaehers : Kannenglüek, de Engelsehen pot4uek, de 
Denen ea^nnelykhe, enz. 

288. Hij is aan de flep geraakt (Hij is, of wordt een dronk- 
aard). Aan de flep (of flap) xgn (Aan den drank zijn]. 

/deppen = drinken» zuipen (Draaijbr). •— /^ep=flapkan> bierkan met 
deksel. Die yerklaring komt voor in Wdtehat (Dr Bebr^Laüb.) en niet 
bij Van Dalb. 

289. 't h een kittebroer (Een dronkaard). 

Kit SB kruik» groote kan. Bij Joos : kit of kiet s groote koperen kan van 
90 tot 80 Ut. Bij Db Bo : kitte, keet; bUrkitte, bterkeeie : rond, houten vat, 
met koperen of ijzeren banden; er zijn er yan 2 tot 6 of 8 stoepen. B(j Kil. 
kitte (zie ook Vbrdah i. y.). — In Bredero's Moortje leest men dit yers : 

c Tapt nu eens een M en suypt dan dat je swiet t i 

Vandaar dat men de dronkaards ook ging kittebroen noemen» en later 
het woord ook toepaste op kroegen en bordeelen. 

290. Pullen (drinken, zuipen). Een puUebroer (Een zuiper). 

— Tullen (zich zat drinken). Een tul, een tullebroer (Een 
dronkaard). 

Pul (kan, kruik, Mlddelndl. «puZ/e, uit Lat. ampuUam {-ê) een samen- 
steil, met of/B, «afaspot (Ybrr. Etym. Wdb.). — 7W as pul, kan, kruik. 

291. Bekeren (Lustig en veel drinken). Bij houdt veel van 

den beier (Hij drinkt graag). — t Vrouw, maak mij toch den 

beker eens nat », xei de zuiper ^ hij is zoo droog als een meelxak. 

ffij heeft liever den beker dan den B^el in de hand. 

Herinnert aan den tijd, toen de beker nog een gewoon drinkgereed- 
Bohap was. 

292. Kroeun. Bij kan goed kroezen (Hij kan veel drinken. 

- A.). 

Kroes (beker, kruik, yal), yroeger eroe$, gaat terug op Fr. emefte, heU 
welk met oreuêêt uit het Germ. kruik komt (Vbhg. Etym. M^db.). 

293. Bg meent dal hij goud zal drinken uit een horentje 
(Hij stelt zich er gouden bergen van voor). 

Vóór ettelijke eeuwen behoorde ook een drinkhoorn tot het tafelgereed- 
schap; hij was oorspronkelijk yan een hoorn, later yan edel metaal 
yeryaardigd. 

294. lem. een baksken brengen (Op zijn welzijn drinken). 
Bëk is eigenl. back, beker; yoorai het yerkleinw. komt yoor in den lin 

yan drinkbeker. 



— 127 — 

295. Op üjn liter gaan. In den liter W kijken (Drinken). *t Is 
een literkundige (Hij drinkt graag). 

De liter is in de bierhuizen gansch in onbruik geraalct; thans heet het 
doorgaans : op *ijn piiUjes gaan, in 't glas kijken. De schertsende uitdrukk. 
eeti literkundige, bij .Grobbsbr {Rommel*ool opgegeven, is ook in 't Land 
van Aaisty te Gent en ongetwijfeld nog elders bekend : 't is een woord- 
speling met « letterkundige ». . 

296. Hij heeft een vaan op (Hij is half dronken). 

Vaan js maat Toor vloeistoffen, gelijk aan 4 mengel; mengel, als wijn- 
of biermaat =3 1.21 lit.; als brandewijnmaat = l,581it. — In Bredero's 
Sp, Brabander, vs, 1746 : 

c Schreef hy niet voor een gladde kaart een hiele vane bian 

Of een pijntje wijns?»... 

297. Gij xult het pootje krijgen. 

Dit pootje niet te verwarren met podagra, zegt Habr., II, 193. t Wie 
zijn glas te lang laat staan, en niet, gelijk andere gasten, ten behoor- 
leken tijde uitdrinkt, krijgt het pootje ; de podagristen integendeel drin* 
ken te veel. Het pootje is een glas %onder voet, en alleen van een $teel 
voortien. Die eteel is het hier bedoelde pootje. Dil gaf men vroeger in de 
herberg, wanneer iem. zijn glas zonder toeven moest uitdrinken, — den 
persoon, dien men niet toestond, om te gaan zitten, sooals b. v. den 
Boherprechter. Die bij sijn gelag ging zitten, kreeg een glas met 
een voet» 

398. Dat haalt (of heeft) er geen handwater bij (Dat is er niet 
bij te vergelijken. — V. D.). 

Onder hêndwater verstond men eerti|ds wasohwater Toor de handen 
(zie Kil. i. v.), dat vroeger ook in de Nederlanden vóór den maaltijd 
aangeboden werd. Aan de middeleeuwsche hoven werd het handwater 
aan den vorst of den heer gereikt door een Qroote^ die hem in stand even* 
aarde. Zoo kon Iem. het handwater geven de beteekehis krijgen : c met hem 
vergeleken worden, b (Vgl. Hgd. Mr reicht ihm da$ Wa$ur nicht), hetwelk 
leidde tot de beteekenis : Handwater geven = c vergeleken kannen wor- 
den », waaruit dan deze nieuwe vorm ontstond : Bij iem. geen handwater 
geven as • niet bij iem. vergeleken kunnen worden. • Door de bijgedachte 
aan het niet bij iem. halen of hebben, ging men dan ook zeggen : Geen hand- 
water bij iem. halen {ot hebben). — Zie Stobtt, no712 en Ndl. Wdb. V. 
2007-2039. 

299. Van mooi Aaltje zingen (Lustig drinken en feestvieren). 
Aal(tje)f vrouwennaam, verkorting van Alida, en dit van Adelheii» De 



(1) Bij het reeds opgegeven drinkgereedschap sou men nog kunnen 
voegen : da drinkkop; da drinkêchaal, de drinknap, de geutendrinknap of 
bedalnap; de berkemeier. 



— 138 — 

zegswijze is ontstaan uit luimige woordspeling tusschen dien vrouwen* 
naam en eo/, soort Tan bier. Het oude Mnl. ale, ael (bij Kil. ael^ eel) was 
hier een volksdrank met minder hop, en dus zoeteren smaak dan 
't gewone bier. Thans is ale (:a eel), de naam van een hier welbekend 
Engelseh bier {Ndl, Wdb.). 

800. Een lichtmis (Een losbol; iern., die zich aan uitspat- 
tingen overgeeft). 

Van UchtmUten, d. i. Lichtmis vieren, want het liehtmisfeest was steeds 
een gelegenheid van slemperijen» daar op dien dag de dienstboden hun 
dienst verlieten om te trouwen, of van dienst veranderden (Ybbc. Etym. 
Wdb.)(l). 

301. letn. de fooi geven (Afscheid geven; uit den dienst ont- 
slaan). Bij heeft de fooi beet (Gez. wanneer een vogel iemands 
kleeren bezoedelt). 

Fooi» bij Kil. voye, foye, komt evenals het £ng. foy^ van 't Fr, voïe, en 
dit van 't Lat. viem^ via ss weg, overdrachtelijk: rei$, tocht. Daarbij 
kwam dan het begrip reitpenning, leergeld voor de reis, zooais blijkt uit 
Lat. viatieum, Fr. viatique. Even natuurlijk ontstond hieruit de beteek. 
ëfscheidetnaal vóór de reia (men denke ook aan Fr. tainl viatique s 
laatste avondmaal op het sterfbed, vóór de groote afreis). Dit leidde, bij 
uitbr., tot teetlmaal in 't algemeen. Bij dit afscheidsmaal^ toegepast op 
uit den dienst tredende knechten of meiden, kwam later hét begrip : 
geschenk aan ontslagen dienstboden. Vandaar de tegenwoordige beteek, 
van onze spreekw. iem. de fooi geven; vandaar ook de thans alg. gangbare 
beteek. : drinkpenning; gift in geld aan een dienstbare (voor gedane 
moeite.) Doch in de beide Vlaanderen is het in verscheidene aangelegen- 
heden nog van dagelijksch gebruik met de beteak. : eet- of drinkpartij. 
Voor De £o is de fooi een feestje, een vreugdemaaltijd, en hij onder- 
scheidt : kinderfooie (bij een kindergeboorte) ; oog$lfooie (smulpartijtje van 
den boer met ïijn werkvolk, als hei laatste graan in de schuur is) ; uutd- 
fooie (idem, als 't koolzaad gedorscht is); vlaslooie (idem, als het vlas 
gesleten is); schaapfooie (feestmaal door een schaapboer jaarlijks gegeven 
aan zijn geburen, op wier landen hij zijne kudde mag leiden); *wijnefooie 
(smulpartijtje ter gelegenheid van het slachten van het zwijn). Gorn- 
VsBVL. heeft naast oogil- en vlaifooi, ook pataatfooi. Volgens prof. Vbr* 
GOULLiE (Etym. Wdh^) bet. fooi nu nog in de Vlaamsche dialecten alleen 
het maal, dat aan de werklieden gegeven wordt, wanneer het huis onder 
dak is, d. i. wanneer de metsers het werk verlaten (aldus bij Joos). — 
In het Land van Aalst wordt dit fooi, meen ik, in geen enkel der opge- 
somde gevallen gebezigd; er wordt alleen gesproken van oogitkermie, 
$êadkertnii, en varkeno' ot penekermiê^ telkens met vervanging van fooi 

(1) Zie ook Rbuisb.-Düb., Cal. beige, I, 88-90. 



— 129 - 

door kermis. Ten OoBten van Aalst is *t woord fooi weinig bekend ; te 
Denderleeuw (en omstr.) gebruikt men het soms voor een gezellig vrien- 
densoupeetje, en ook voor een feestje ten huize van den bruidegom, bij 
het tweede huwelljksgebod. Tusschen Aalst en Dendermonde kent men 
het in deze drie gevallen : 1. als iem. trouwt, geeft hij aan zijn geburen 
(ook aan die zijner Trouw, als zij vaneen ander dorp is) een fooi, d. i. 
e«n heele of halve ton bier, die in de naaste herberg wordt leegged ronken. 
(Gaai ge naar de fooi ? Er was veel volk op de fooi, enz ); 2. Eens per jaar, in 
October en November, heeft er in de meeste herbergen (op verschillende 
zondagen) een toichtneefooi (l) plaats, waar dan boschmee {hyUromel) ver- 
kocht wordt; 3. De lijnzaadverkooper spreekt van zijn iaadfooi, d. i. van 
den dag, dat zijn klanten te zijnent uitgenoodlgd worden om te komen 
betalen^ te welker gelegenheid zij dan eten en drinken bij hem krijgen. 

302. Uitvaart, zuipvaart. — Naar de molleprooi gaan. 

Herinnert aan de braspartijen en baldadigheden, die eertijds ter 
gelegenheid van een uitvaart dikwijls plaats grepen, en die zich, in 
H Land van Aalst, soms nog eens vernieuwen. Het spreek w. herinnert 
tevens aan de oude Germaansche zielen vereering, die van een gansch 
stoffelijken aard was: men dacht dat de overledene, in de andere wereld, 
dezelfde behoeften had als hier op aarde; daarom zette men oorspron- 
kelijk spijs en drank op de grafsteden; men hield bovendien gemeen- 
schappelijke maaltijden op de graven, at en dronk er overvloedig, zong 
en danste er onbedwongen, in de meening dat zoo*n dooilenfeesl de afge- 
storvenen ten goede kwam. Van die oude seden, is onze zoogenaamde 
■ eten-nitvaart • nog een overblijfsel. Ook bij (Ie Duitschers bestaat nog 
het zoogen. Felluersaulen de» Todten, en vooral in Noord- Duitschl and 
spreekt men nog van Die Ilaui (das Feil) versaufen. En duurt de drinkpartij 
vrij lang, dan heet het : Der Begrabene münse ein zahes Feil gehaht 
habeny2), VgL het Fransche aequivalent : Croquer la Ule du mort, 

In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijd molleprooi, molU' 
plooi of moUepraaip en aan dat eetmaal gaan deelnemen, heet dan : naar 
de Molleprooi gaan. — Mol(le), Mnl. mul, is : aarde (zand, zandachtige 



(1) De klemtoon op bosch ; wat mag dat woord hier beteekenen? Het 
huis, waar die mee, die honingdrank gemaakt wordt, beet te Wieze bosch* 
meahuis, In een spotdicht van den Aalstenaar W. Gaudron (1G07-1692), 
tegen de Dendermondenaars gericht, lees ik : In den bosch-mé nuchter-sat 
(Zie Dietsche Warande, XI, 86G). De mede was de iievelingsdrank onzer 
heidensche voorouders en werd zelfs in de middeleeuwen nog veel 
gebruikt. Zou dat woord boschmee niet beantwoorden aan Hgd. Bockmeth, 
waarvan spraak is in een politieverordening voor Opper- en Beneden- 
Beieren (1649) : c Der Meih durfte auf dem Lande nicht mehr gesotten 
werden, sondern allein in Stadten u. Markten, aber kein Bockmelh, dann 
sur Nothdurft der Kranken •• (Höflbr, Volksmediiin, bl. 185). 

(2) Amürquell, 1,118-115. 



— 130 — 

aarde, heeft te Denderleeuw geen anderen naam dan mul)\ dus mol{le) = 
begraving, teraardebestelling, maar prooi, plooi ? G. Gkzellb {Loq. V, 92 
en VI, 1-3; ziet in plooi een vervorming van pooi (dit van pooien = drin- 
ken, zuipen). Naast de zegsw. : « 'k En ben in mijnen aat niet », — 
c *k en ben in mijnen drank niet • (d. i. liet eten — liet drinken — smaakt 
me niet), plaatst iiij : « 'k En ben in mijnen pooi niet». Dit laatste kan 
men licht verward hebben met deze andere spreekw. : « 'k En ben in 
mijne pioot niet • (d. i. niet wel te pas), en daardoor kan mo//epoo» gewor- 
den zijn tot moUeplooi (vgl. peitteren-pleisteren, pol-plof, enz.) en volgens 
een ander taal verschijnsel ging moUeplooi over tot molleprooi (vgl. eolonel- 
comel, lettel, d. i. luttel-/e«cr, enz.). Besluit : molieprooi = mollepooi = 
molledrank, begrafenitbierf uiivaartbier, rouwmaaltijd. 

De heer M. Bhants wil de spreekw. naar de molieprooi gaan in den 
letterl. zin opvatten en de oorspr. beteekenis zou zijn : naar het mollen- 
feest gaan, d. i. sterven en begraven wordeu, later : naar den rouwmaal- 
tijd gaan. Hierbij verwijst hij naar een lied van den Brugschen dichter 
Da RoovBRE (t 1*83. — Zie Volkik, XVllI. 7c vlgg). 

303. 7 Is peperduur; 7 is gepeperd, sterkgepeperd (Uitermate 
duur). Peperen (duur verkoopen). Een gepeperde reiening (Een 
hooge rekening). Dat ruikt naar peper (Dat is erg duur). 
Hij zal er peper aan eten (Het zal hem duur te staan komen). 

Fr. Gher comme poivre. Dien poivré, In het Fransche argot 

is poivrer = betalen; in fig. en gem. ispoivrer — afzetten, 
grof laten betalen. 

De uitdr. peperduur ia in tegenspraak met den vrij goedkoopen prijs, 
waaraan de peper thans verkrijgbaar is. Volgens Harh. is dat te ver- 
klaren door de duurte dezer specerij gedurende den heidensehen tijd en 
de eerste eeuwen van het christendom^ toen de beperktheid van onzen 
handel het zeer moeilijk maakte zich peper aan te schaffen. Die bewe- 
ring van Harr. komt mij onaannemelijk voor. Immers, als de duurte 
der peper enkel voortsproot uit de beperktheid van onzen handel, gold 
die reden in gelijke mate voor een aantal andere koopwaren. Waarom 
sprak men dan ook niet van kof/ieduur, foelieduur, enz. ? 

In sommige Westvi. dorpen (zie Loq, V, 62) hoort men spreken van : 
Een gepekelde rekening; Fr. un compte salé. Men zegt er ook: comptante 
pekele, elders : comptante pepere (= met gereed geld). Ik heb een oogenblik 
gedacht, dat er tusschen onze zegswijze uit het Land van Aalst : dat bijt 
er nog al in: dat bijt er diep in (Gez. van een zware rekening), — en de 
prikkelende, bijtende eigenschappen van pekel en peper eenig verband 
kon bestaan. Daar evenwel onze zegswijze elders onbekend schijnt, kan 
het algemeen bekende peperduur daaruit niet verklaard worden. 

Volgens Dr. Hsssslino {De Gide, Oct. 1902, bl. 104), herinnert hei Gr., 
spreekw. Wie veel peper heeft, doet die ook op zijn groente (ss wie in 't veen 
is, ziet op geen turQe) aan den tijd, toen de peper zoo duur was, dat de 



— 131 — 

korrels als betaalmiddel werden gebruikti en hi] wijst hierbij nog op de 
Gr. benaming peper weeuwtje = rijke weduwe. 

De uitdr. peperen, 't is {tterk)gepeperd, een gepeperde rekening — in 
Vlaanderen nog algemeen gebruikt en insgelijks op een hooge sóm, een 
duren prijs doelend — wijzen waarschijnlijk ook op dien Troegeren tijd. 

304. Vijgen na Paschen (Iets dat te Iaat komt). In c Gam- 

pen > : Vyghen na paesschen syn padden in den Mey (Meijeb, 53]. 

Toen de vijgen bij ons bekend werden, waren zij een paasehbanket» 
omdat men ze jaarlijks tegen Paschen uit Spanje invoerde en ieder gaarne 
van de eerste wilde gediend zijn, in de meening dat de eerste de smake- 
lijkste' waren. Kwamen nn de vijgen na Paschen of werden ze den 
lekkerbek eerst dan voorgediend, zoo was er het aantrekkelijke der 
nieuwheid van weg. Aldus oordeelt HarrebomAb, maar verkeerdelijk, 
dunkt mij. Vijgen, immers, zijn altijd een toespijs geweest, die vooral 
gedurende de veertigdaagsche Vasten, in de plaats van vleesch — alsdan 
een ■ verbodene spijs » ^ werd gebruikt. In vroeger eeuwen, toen de 
kerkelijke voorschriften aangaande die Vasten oneindig beter werden in 
acht genomen, was dat natuurlijk veel meer het geval dan nu. Eens die 
vastentijd voorbij, dus na het Paaschfeest» hadden de vijgen hun aan- 
trekkelijkheid en waarde verloren, omdat men iets beters kon en mocht 
gebruiken. Daarin ligt, voor mij, de oorsprong onzer spreekwijze : Vijgen 
fie Paschen, De Fransehen zeggen : (?est de la m ontarde après diner, de 
Engelschen : Mustard after dinner (of supper); de Dultsche spreekw. 
klinkt heel anders : Das kommt einen Poettag %u spat, 

305. Paascheieren. Hgd. Ostereier^ Pascheier, Eng. Pash- 

eggs of Eastereggs. Fr. OEufs de Pdque. — Men moet geen 

paascheieren op Goeden Vrijdag eten (Men moet een feest niet 

vieren vóór liet gekomen is). Eén ei i$ geen ei, twee eiers is 

éen ei, drie eiers is een paaschei. 

Was het gebruik van eieren gedurende de veertigdaagsche Vasten 
eertijds streng verboden, het eten van paascheieren op den eersten 
paaschdag was toen algemeen. In de 16« eeuw gingen de Amsterdamsche 
scholieren op paaschavond bij de bemiddelde burgers om eiers of eenten, 
vóór de deuren stilhoudend onder het zingen van een paaschlied, met 
begeleiding van een oorverdoovend ratelen : 

De dommeldemelie ! (l) 

De Vaste is uyt. 

Kyrie eleison t 

Te Paschen zullen wij eijeren eten, 

Soo is de Vaste al vergeten* 

Kyrie eleison t 

(1) Dommeldemette is ontstaan uit Donkere metten; dit is de naam van 



— 182 — 

Uit dit liedje blijkt genoegzaam dat het eten van paaseheleren een oad 
gebraikis, maar dit gaat nog veel verder en klimt zelfs op tot de hoogste 
oudheid. De vroegste sporen vindt men er van in China» waar reeds In de 
7« eenw v. Ghr. het gebruik bestond » ongeveer in den tijd van ons 
paaschfeest, — elkander blauw-, rood- of bontgekleurde eieren ten 
geschenke te geven (1). Daar, evenals bij onze heidensche voorouders, 
was het ei het zinnebeeld van 't nieuwe leven, dat in de duisternla ont- 
kiemt, d. i. van de herleving der natuur na den donkeren wintertijd. 
Later werd het gebruik gekerstend, en dan gold het ei als het zinnebeeld 
van Christus* opstanding uit het graf. « Een ei ia een nieuw steenen 
graf I zegt Gbzsllb {Duikalmanak, 2^ paasehdag). « Dat erin is, schijnt 
dood, maar 't kan weer levende uitbreken. » 

Een kristelijke beteekenis vindt men ook in dit Westvl. liedjot dat de 
jongens zongen, als zij om paascheiers gingen en er drU eischten om éen 
waar paaichei te hebben : 

Eén en ii geen. 
Twee en is maar éen 
iS!» drii iê een paaicheil(2) 

In Holl .-Limburg e^ elders in Noord-Nederland zingt men : 

Eén ei is geen ei, het tweede ei dat is éen ei, en het derde ei is het ware 
paaschei, -^ of : Eén ei is geen ei, twee ei is éen ei, drie ei is H rechte 
paaschei (8). 

Dat zinspeelt op de H. Drieêenheid : éen goddelijk wezen is nog niet de 
godheid, Vader en Geest zijn éen, maar Vader, Zoon en Geest te zamen 
vormen God (4). 

Is het eten van paascheieren in sommige streken, o. a. in Friesland, 
nog vrij algemeen, op andere plaatsen, ook te onzent, is dat grootendeels 
verdwenen, en wordt het enkel hier en daar bij de volksklassen en de 
geringe burgerij van het platteland nog aangetroffen. Dat men echter 
den eersten paasehdag, voor het middagmaal» den gewonen schotel met 
aardappelen zou vervangen door een grooten schotel met gekookte eieren. 



het nachtoffieie, dat den Woensdag, Donderdag en Vrijdag der Goede 
Week in vele kerken tegen den avond plechtig wordt gezongen en dat 
eertijds in den nacht, met weinig licht, geschiedde (z. Volksk. XI. 336). 
Dat rondhalen van paascheieren door scholieren of koorknapen bestaat 
heden nog in verscheidene dorpen van Zuid-Nederland (zie Pol db Mont, 
Een folkloristisch Paaschei, in NederL Museum 1888, 1. 181.) 

(1) Maronibr, Het Paaschfeest, 117; hij ontleende dit aan Eigen Haard 
volgens de O. Az. Lloyd. 

(2) Rond den Heerd, IV (1839), blz. 144. 

(8) Dat liedje heeft nog andere vormen ; zie Rond den Heerd, ald. 150451; 
Van Vlotbn, Baker^ en Kinderrijmen, 71-73; Wbltbrs, Feetten, Zedem, 
Gebr.enSpreakw. in Limb.,Qd;TsR Gouw» 206. 

(4) BoBKBNOOOBN, Ontc Rijmen, 60; Rondden Heerd, t. a. pi. 144. 



— 188 — 

gelijk het in yele Friesche huigezinnen gedaan wordt (1), iets dergelijks 
heb ik hier nooit gezien noch gehoord. Het yeel-eten yan paascheiers, als 
yolksyermaak, is mij eyenmin bekend, en nooit hoorde ik bier spreken 
yan heldinnen^ die er roem op dragen twintig, dertig gekookte eiers te 
kunnen binnenspelen, zooals er in Noord-Nederland nog altijd gevonden 
worden (1). Een koppel paaseheieren is hier bij 't middagmaal het gewone 
getal. 

Ook het eten van gekleurde paascheiers is hier nog niet gansch ver- 
geten : daartoe kookt men de eieren in water, waarin men voorafgaande- 
lijk ajuinsehillen heeft lalen zieden. Dat geeft er een roode tint aan. In 
Brunswijk, en wellicht nog elders, geschiedde het vroeger op dezelfde 
wijze, en thans soms nog (2). 

Hier en daar in Limb. bestond vroeger het gebruik eenige in de Vasten 
bijeengegaarde eieren daags voor Paschen te laten wijden, ze eerst te 
kleuren (geel, violet of rood) en ze dan onder den naam van paascheieren 
na de hoogmis yan Paschen ten geschenke te geven (8). Te Geel en in de 
omstr. heet de hoogstengelige S/etz/e/froem {Primula e/afior Jacq.) « Eier- 
bloemken », doordien ze veel gebruikt wordt om gele plekken op de 
paascheieren te maken (4). Ook in Franche-Gomté leeft het gebruik van 
het verven der paascheieren nog voort, en evenals in Vlaanderen bezigt 
men daartoe o. a. ajuinsehillen (5). De Luikerwalen, bij wie dit gebruik 
eveneens bestaat, heeten deze eieren cocogni. 

In den Geldenehen Volksalmanak voor 1840, zegt D' Halbsrtsha, dat 
nog.vele Friezen op Paschen een middagmaal houden van ongekleurde 
eieren, rijstebrij en krentebrood. Het lievelingsgereeht der oude Hollan- 
ders en Friezen — nl. gesuikerde rijstebrij — schijnt sedert van de spijs- 
kaart voor paaschdag geschrapt te zijn, want in 1895 schreef W. Dijkstra* 
I, 173 : « Vroeger was het gewoonte rijstebrij met gesmolten boter, 
suiker en kaneel daarbij (bij de eiers) te gebruiken, v — Van de vroegere 
paaschbrooden of -koeken, elders paoichmikkeuy wordt bijna nergens meer 
gewaagd. Hei kenmerkende er van was, reeds van ouds, dat zij niet alleen 
Beer lekker, maar ook zeer groot waren (6). 

c Hoê is Paaich *oo in 't land? » of « Paoich is in 't land • zegt een Friesch 
spreekwoord, dat gebezigd wordt, als men onverwachts wordt onthaald 
op iets dat yan het alledaagsche afwijkt. Een ander spreekw. zegt : « Gij 
komt met eieren n« Panchen, wat hetzelfde beteekent als ons : Vijgen na 
Pasehen {1). 

(1) W. DiJKSTBA, üit FrieslantTs Volkst. I. 178, en Tbb Gouw, t. a. 
pi. dl6. 

(2) R. Andbxb, Braumchw. Volksk., 1896» blz. 248-244. 
(8) % Daghet, VIL 78. 

(4) Paqüb, VI. Volksnamen dor Planten, 16. 

(5) A. des Trad. pep. XIV. 227. 

(6) Tbr Goüw, t. a. pi. 206. 

(7) W. DüBSTRA, t, a. pLI, 178. 



. _ 184 — 

In despreekwoordentaal van Nedei^Duitschland zijn de paaseheieren 
evengoed bekend : (Hannoyer) He mutt ent mïr v=n)eer) Pdtcheier éten. 
(Oost-Friesl.) Se hehbtn noch gin söven Patkeier milnanner éten. (Bijnprov.) 
VadeUivend i$ 'nc Geek, Potten (1) (=Pa8chen) U 'nen Eierbeek^Pingeten iê ne 
gróten JSêr, ein Jan brengt imt de Sommer wtr (Bok. 397, 108). 

806. Op Lichtmis is er geen vrouwken zoo arm, Of zij maakt 
heur panneken vet of warm (Joos, Schatten, 209). 

Namelijk om koeken te bakken, en hiermede strookt de volksnaam : 
O.'L.'Vrouw'êchud'de^anne^ of : O.'L.-Vrouw- roer -de -panne, in West- 
Vlaanderen aan den feestdag van O, L. Vrouw- Lichtmis gegeven. In het 
overige gedeelte van Vlaamsch-Belgid schijnt echter het koekenbakkei^ 
op dien dag onbekend of verloren gegaan. — In verband met hetgeen wij 
boven, bij n» 300 zeiden, halen wij hier nog deze woorden van Wkl- 
TBRs (2) aan • : Baldadigheden en verkwistingen op Lichtmisdag in Rol- 
land en Vlaanderen gepleegd, gaven aan het woord « Lichtmis b, een 
kwade beteekenis: « Lichtmissen, » « een lichtmis», worden toegepast op 
een Jongeling of meisje, die zich verkwistend en lichzinnig gedragen, b 
Waarop berustten die gebruiken? « Lichtmis, zegt Weltbrs, is misschien 
ingesteld ter vervanging van de heidensche Lnpercalia, feesten gehouden 
te Rome, ter eere van den god Pan (Lupercus). De jongelingen liepen 
dan ongekleed door de straten, hielden in de eene hand de messen, van 
welke zij zich bediend hadden tot het slachten van geiten, voor de oBérs; 
in de andere geeselroeden, waarmede zij diegenen sloegen, die zij op hun- 
nen weg aantroffen. • Ook bij Obbrlb leest men, dat eenige geleerden 
van meening zijn, dat Maria Lichtmis ingevoerd werd, om het voll^ voor 
het verlies der Luperealia te vergoeden. Zooveel is zeker, dat het christeL 
Beinigingsfeest eerst uit de 3» helft der 5« eeuw dagteekent, en uit het 
Oosten naar het Westen(van Jeruzalem naar Eonstantinopel en soo naar 
Rome) is overgekomen (8). 

Ook in sommige Fransche streken, bakt men nog pannekoeken, b. v. 
in Poitou : 

A la chandelou. 

Les erép' roul* partout (4). 

In een Liehtmisliedje der Baskische gewesten is eveneens spraak van 



(1) In sommige dorpen uit het Land van Aalst (o. a. te Baardegem en 
te Meldert) klinkt ons w. Patehen in den volksmond juist op dezelfde 
wijze. 

(2) FeetteUf Zeden... 24. 

(3) K. A. Obbrlx, üeberrette germ, Heidentumt im Chrittentum, blz. 59. 

(4) PiRBAV, FolMora du Poitou, 491. Zie ook R.-Dtkn., Cüt, beige, 
1.90. 



— 135 — 

sEwiJiiSTl66Beh en « lekker eten overal. » (1) En een Ndd. spreekw. legt : 
Lichtmets mu$8 me die grüss Wusekt es8 (Egk. 827). — In Meklenbnrg zag 
men eertijds de Trouwen, dien dag» bij zonneschijn dansen uitvoeren, 
opdat de vlasoogst gelukken mocht (3). Zouden die vroegere slemppar- 
tijen» dat koekenbakken en dansen, misschien verre naklanken zijn van 
de heidensehe feesten en offers van het oude Home? 

Bakt men thans in 't Land van Aalst, op Lichtmis, geen pannekoeken 
meer, men bakt er nog vrij algemeen op Vastenavond, 

307. Zij vliegen meer als de heetekoehpan op Vastenavond 
(Gez. van lieden, die haastig rondloopen om iets te verrich- 
ten. — De Bo). Verladn (— verladen, overladen) zijn liji de 
panne van Vastenavond (TJWermdite bezig zijn, als de koekenpan 
op Vastenavond. — ld.) Ik heb het zoo druk als de pan op 
Vastenavond (W. D.)(3), of Zij heeft het zoo druk, zei Flip, als 
de pan te Vastenavond (Tuinman en Harr.). 

Dien dag worden er in 't Vlaamsche land velerlei pannekoeken gebak- 
ken, ook wafels : hier zijn het zoogenaamde • heetekoeken, » « bloem- 
koeken » of « boek wei tkoeken •, daar « eierkoeken » of • spekkoeken » 
(eiers met spek), elders t kruid- of groenkoeken » (vooral van molsla en 
reinevaar), en elders weer « oliekoeken. » Dat gebruik moet sedert lang 
bestaan, want in tal van oude vastênavondliedjes en -rijmpjes, 1b sprake 
van pannekoeken, van eiers en spek en metworst (4)f Ook onze oude 
kluchtspelen geven daar getuigenis van; zoo b. v. Bbxdbbo's Moorije 
(nitg. OüDBMAMs, blz. 54-56) : 

lek ghelooft; 
Hy moet de vastelavondt wel dapper hebben in sijn hooft, 

en, wat verder, de aanhaling van het kinderdeuntje : 

fl Gheeft my den panckkoeck nyt de pan, ho man, hof 
De vastelavondt die komt an, so mijn Heer, also. • 

waarin tevens de slemperijen dier dagen bedoeld worden. Goed bekend 
zijn ook de vroegere vastelavondsgilden, die wellicht nog niet overal ver- 
dwenen zijn : drinkgezelschappen van mannen en vrouwen, voor doel 
hebbende samen te feesten, te zuipen en te smullen (Vgl. n» 86). De gekke 
vastenavond blijft thans onbesproken, het geldt hier enkel den vetten 
vastenavond {mardi gras), waaraan, buiten de overgebleven volksgebrui- 
ken, ook nog eenige onzer spreekwijzen, liedjes en rijmpjes herinneren 

(1) J. Vnrsow, Le Folk-lore du pays hasque, 280. 

(2) E. Babtsgh, Sagen, Marchen u. Gebr. aut Meklenhurg, II, 252. 
(8) W. DijKSTBA, t. a. pi , 1. 109. 

(4) Vüf Vlotxn, t. a. p. 67-71. 



- 136 — 

Dat overmatig smullen was eertijds op dien dag algemeen; de Vorsten, 
de magistraten en de burgerij gingen voor, — de behoeftigen en de kinde* 
ren, die het ontbrekende van de rijken ontvingen of het rondhaalden, 
volgden hun voorbeeld. En op elke smulpartij speelde de pannekoek een 
lioofdrol en was de bekroning van de tafel. 

Wat de oude schrijvers ons over de uitspattingen en losbandigheden 
onzer vooronders, op die dagen, mededeelen, toen t aan het slempen en 
zuipen en hoereeren en het plegen van alle dartelheden geen eiude 
was>(l} laat ons toe te besluiten, dat het heden slechts een flauwe 
nagalm is van het verleden. 

c Comme les Proven^aux ont sanctifié ce jour de bombanc^ sous Ie 
nom de « Saint Grévaz », les Flamands, surtout ceux du nord de la 
France, Tont personnifié sous Ie nom de « Saint Pansart b ou a Panchard », 
en représentant ce saint de leur fabrique avec nne « panse • énorme, 
fruit de ses nombreux succös dans Tart des gourmands, qui lui valut son 
nom et son origine. >(2) Ik denk dat die yiaam8che(?) « Panchard >, dien 
ik nergens vermeld vond, enkel binnen de grenzen van Fransch-VIaan- 
deren bekend zal geweest zijn. Dat de smulpartijen ook in andere landen 
plaats hadden, en er eenigermate nog voortbestaan, hoeft nauwelijks 
gezegd. Zoo bezitten de Duitschers en de Franschen, evengoed als wij,, 
tal van vastenavondliedjes en -rijmen, die gewagen van pannekoeken, 
eiers en spek(3). In bijna heel Noord-Du itschland maakt men o. a. voel 
gebruik van zoogenaande « heetwecken » of « heetweggen », herinnerend 
aan onze Westvl, « heetekoeken », en die meestal in warme zoetemelk 
gegeten worden (4). In Frankrijk, althans in de Opper-Vogeezen, 
verslindt men op vastenavond heele bergen van « beignets » en « erêpes », 
ook spek in overvloed en in allerlei vormen 6). In Zwitserland grijpen 
er nog c officiêele vastenavondmaaltijden » plaats (6), 

Uit het voorgaande blijkt genoegzaam dat vooral de pannekoek het 
traditioneel gerecht was van Vastenavond, en dit nog vrij algemeen is 
gebleven (7). 



(1) f Ja, stelen, roovjsn en moorden was algemeen v. (Schotel, 
t. a. pi. 892}. 

(2) M>"« Clément, Les Fétes civiles et religieuseê de la Belg. et de ia 
France, (bij Rbinsb.-Dür., CaL beige, 1. 180). 

(3) BöHMB, D. Kinderl. u. Kinderspiel, 883-885. P. S&billot, Coutumeê 
pop. de la Haute-Bret, 225-237. 

(4) Babtsgh. t. a, pi. II, 254; Pomm. Volhtk., VU, 70; R, Andbsb, 
Braunschw. Fo/AsA:., 235. 

(5) Sau vÉ Ie Folk'lore de» Hautes- Votges, 50. 

(6) Schwen. Archiv. f. Volksk., 1, 52. 

(7) Op Asschewoensdag eet men te Gent krakelingen (Duikalmanak), en 
en volg. Zondag eet men in verscheidene dorpen van 't Land van Aalst, 
ebonden (of : gewonnen) brood. Volgens Duikalm. : brood-, kaaszondag, 

als men t van zeven gedaanten van brood eet. t 



— 137 — 

Hier en daar is MJ reeds yerdwenen (o. a. in Friesland, -— zie W. Dijk- 
stra, t. a. pi. 1, 169)9 of is hij aan 't verdwijnen. 

En welk is nu de oorsprong van dien vetten en gekken Dinsdag? Voor 
de kerk beteekent dit feesten enkel dat de mensch, vóór het intreden van 
den mageren vastentijd, nog eens zijn hart mag ophalen, 't zij aan tafel- 
yrengde, 't zij aan andere vermaken. De oorsprong ligt echter in het 
heidendom, waarschijnlijk in de Lupercalia en Bacchanalia der Romei- 
nen. Het schijnt als godsdienstig feest, ter eere van Pan, uit Arkadiê(l) 
naar Rome te zijn overgekomen, waar het in braspartijen en losbandig- 
heden ontaardde. Die feesten heetten daar Lupercalia, naar den 
Romeinschen god Lupercus, identlsch met Pan. Ook in onze gewesten en 
elders werden zij overgebracht, en het concilie van Leptines (in 743) 
veroordeelde ze onder den naam van Spurcalia in Februario; vandaar 
heette het feest hier Sporkel^ en de maand, waarin het plaats had, Sporkel- 
maand, later Sprokkelmaand. 

Vastenavond en Lichtmis, beide in Februari gevierd en gekenmerkt door 
dezelfde traditioneele gerechten en slemppartijon; schijnen dus wel op 
een gemeenschappelijken oorsprong te wijzen. 

308. De dronk van Sint Geerten minne en SinUJans geleide. 

Deze eeuwenoude heildronk, uit het heidendom stammend, was een 
dronk van behouden reize. Bij feestelijke offers en slemppartijen dronken 
de oude Skandinaviërs en de West-Germanen op Odin's of Woden's 
minne, ook op Thor's, op Njordr's, Freyr's of Freya's minne. Dit minne 
komt van het Germaansche wortelwoord men (= gedenken) waarvan het 
Oudbgd. minna en het NIeuwhgd. en ons Mnl. minne (=•. liefde) zijn 
afgeleid. 

Het christendom deed in deze heild ronken de namen der heidensche 
goden veranderen in die van Christus en Maria, van Micha61 en van 
andere heiligennamen. In Duitschl and werd er nl. veel gedronken op 
sant Gértrüde minne en op sant Johans minne of Johannts Segen{2). Wanneer 
in de Nederlanden iemand een reis ondernam, werd er voor H afscheid, 
voor de goede afreis en de gelukkige terugkomst, een dronk ingesteld van 
Sint'Geerten minne en Sint'Jans geleide. In Wolf's Nied. Sagen, n^ 858 en 
859, onttrekt een ridder zich, door dien dronk, aan de macht van den 
duivel. 

Bij ons zijn die twee namen, in dezen heildronk, vereenigd gebleven, 
terwijl in Duitschland, waar hetzelfde gebruik bestond, de oudere naam, 
die van Gdrtrüde, door St. Jan verdrongen werd, van welken heilige 
men vertelde dat hij vergiftigden wijn zonder nadeel had gedronken. 

Zie daarvoor verder Dr. Sghrijnkn, in Jtiarb, v, Limburg, VU, 2; ook 
R. den Heerd» V, 35-87; Pauli's Schimpf u. Ernst, n» 878. 

^» 

(1) De Arkadische herders en herderinnen dansten, als bokken en 
geiten vermomd, ter eere van den god Pan. 
(3) GaiKX, D. Myth., 48-50. 



— 138 — 

Ziehier nog een reeks spreekw., met betrekking tot de 
drinkkan^ en ontleend aan A. E. B. HerroeHi Bacchus in 
Spreékwoor dentaal, Gorinchem, 1874 : 

A.) Teerlingen, vrouwen en kannen. Deze drie dingen onteeren de mannen, 
of : Kaart, keurs en kan (het spel, de yrouw en de drank) Bederven menig 
man(l). — b) De volle kan loopt over, of t De volle kan iwijgt niet (De 
dronkaard is onbezonnen, ook als hij zou moeten zwijgen, in vino veritas), 
— c) Hij loopt met de bierkan aan iijn hals ('t Ia een dronkaard). — d) Hij 
leeft met de kan als een krijgsman met een dagge (ld.). — b) De drommelis 
in de kan, %ei Bvert, en hij had haar leeg gezopen (De dronknard zuipt de 
kan leeg, en geeft er den duivel de schuld van). — p) « Alles met mate », 
zei de pastoor, en hij dronk de jenever uit een kannetje. — a) *t Is al Joannis, 
Joannis! Zoolang als er wijn in de kan is; Maar als de wijn daar uit is, Dan 
zeggen zij dat Jan een guit is (2). 



(1) Vgl. Kaarten en kannen maken arme mannen (Bie., X. 834). 

(2) Dit laatste bij Poirtebs (oude uitg., bl. 204). 



K) OUDE KLEEDERDRAGHT EN KLEEDINGSTOFFEN. 



A. Voor beide geslachten. 

309. Op een groeten (of treeden) voet leven (Veel vertoon 
en verteer maken). Hgd. Auf grossem Fusse leben. Fr. Etre 
sur un grand pied dans Ie monde. 

Die Bpreekwijze wordt gemeenlijk afgeleid van de dtvaze middel 
• eeuwsche mode der snavel- of tuitschoenen, die toen Toor iets heel 
Yooruaams golden ; naar de lengte der schoenspitsen kon men zelfs den 
rang der personen bepalen : bij den yorst waren zij 2 1/2 yoet lang, bij 
de aanzienlijken éen voet, bij den gemeenen burger een halyen Yoet(l). 
De Fransehen heetten die schoenen « soulien d la poulaine », vréik poulaine 
op Poiogne wees, Tan waar dus hoogst waarschijnlijk de mode herkomstig 
wag; dat wordt gestaafd door den Engelschen naam dier schoensoort : 
erackow (=3 & la cracoYienne). 

Martbl (2) en Loübbns (8) brengen er hun avoir du foin dans les bottes 
(b= rijk zijn) mede in verband : de schoensnavel, immers, ingevolge de 
mode steeds in lengte toenemen<i, werd eindelijk met een keten aan de knie 
bevestigd, en dan opgevuld met hooi. Hoe rijker en machtiger men dus 
was, hoe meer hooi men in de schoenen had t Men denke hierbij aan onze 
■preekw. Hijtit er warmpjeê in; daarnaast geeft Habr. : Hij heeft warme 
voeten, en Hij heeft koude aan zijn voeten. 

Nu, verscheidene geleerden, als Harr., Stobtt, Borghabdt en Rozan, 
achten de behandelde spreekw. heel goed verklaarbaar, en zeker wel te 
recht, zonder die oude mode ter hulp te roepen. Deze is overigens veel 
minder toepasselijk op onze synonieme uitdr. op een hoogen voet leven, en 
vooral op den Ylaamschen vorm uit het Land van Aalst : op een breeden 
voet /eirsf}, zooals ik hier steeds hoorde. Tal van uitdr. door het NdL Wdb. 

(1) Bij Gh. Bozan, Petites ïgnorances de la ComersatioVf bl. 188, ver- 
schillen deze opgaven eenigszins ; overigens die mode die heel de 14* eeuw 
duurde, onderging kleine wijzigingen. 

(2) Potii Ruueü dei Proverbu fran^ii^ 8. 

(8) Lêê Prooêfhoê ot Loeutiom dé lê Langtte frangaise^ 40. j 



— 140 — 

aangehaald» dienen hiermee in verband gebracht te worden : Den brêede 
spelen ot* uithangen; den breeden haan spelen (zie ons n^ 219) ; het valt er 
niet breed, het is met hem niet %oo breed; het (niet) breed hebben; die *t breed 
heeft, laat 't breed hangen, wat bij ons luidt : die 't lang heeft, laat het lang 
hangen. Ik voeg er bij : het breed aanleggen, hier in denzelfden zin 
gebruikelijk. 

Minder nog kan men met behulp yan gezegde mode onze zegswijzen 
verklaren : de Tkaak %al op demelfden voet worden voort getet; %ij staan met 
elkander op een vertrouwel ijken, of op een gespannen voel; op voet van vrede, 
of van oorlog. In al deze uitdr., ook in die, waarvan wij uitgegaan zijn» 
bet. voet : wijze van doen, houding tegenover iemand. Deze beteekenis 
(vgl. Kil. voet, modus; op dien voet, eo modo), die zich geleidelijk ontwik- 
kelt, zooals Stoxtt zegt, van die van « steunpunt, bazis, grondslag ; 
heeft overigens ook het woord hand, in : een hand van iets hebben, ergens 
het handje van hebben, alsmede ip ons : langzamerhand, 

In Friesland wordt Hy libbet op in great foet, ironisch gezegd van iem., 
die buitengewoon groote voeten heeft en bovendien lompe schoenen 
draagt (1). 

810. Op xokken gaan (Zacht en langzaam, treuzelig). Op 
zijn zakken komen (Met omwegen, met bedekte en vleiende 
woorden iets trachten te weten). Op zijn laatste zokken gaan 
(Niet lang meer te leven hebben; ook van zaken gez., die 
hun val nabij zijn). Een beer op zokken (Een lomperd). Hij is 
vertrokken gelijk een beer op zokken (Hij is onbemerkt wegge- 
slopen zonder zijn gelag te betalen, of hij is met de 
noorderzon vertrokken, met achterlating van schulden). 
Een zak van een man, van een vrouw (Een goedzakkig 
man, enz.). 

De laatste vier spreekw. vond ik bij Ds Bo, slechts de eerste en de 
vierde bi] Van Dale; alleen de tweede, op %ijn sokken (af) komen, hoort in 
heel Vl.-Be1gi8 thuis. — Bij Van Dalb is de sok een korte kous, 
gewoonlijk tot hal verwegen de knie, — wat wij hier een halfkoua 
noemen; vandaar zijn: De sokken hangen hem op de hielen (hij is zeer 
slordig). Onze plattelandbewoners echter verstaan door Mkken eeu 
karsaaien of baaien voetbekleedsel, dat slechts tot aan de enkels reikt» 
en 's winters boven de kousen werd aangetrokken. Sedert een 40-tal jaren, 
is de zok hier gansch in onbruik geraakt. 

311 . Het is uit de lavendelkist (Het is antiek). 

fl In vroegeren tijd maakte mep veel werk van kostbare en duurzame 
gewaden, en deze werden in eene fraaie kist bewaard. Ter beveiliging 

(1) W. DzjxsTBA, t. a. pL U. 816. 



— 141 — 

Toor de mot, en om er tevens een aangeaamen gear aan te geven, bestrooide 
men de kleederen met lavendelbloemen. i (Harr. I. 408). 

313. Elk draagt geen Engelseh laken (Iedereen is niet onaan- 
doenlijk voor lof of blaam). 

Volgens Wdsehai, doelt die zegsw. op de ondoordringbaarheid van 
Bngelseh laken, wegens de deagdelijkheid van dat weefsel in vroeger 
dagen. 

Van in de XI« eenw maakte men te onzent, van de uit Engeland en 
Spanje hier ingevoerde wol, schoone lakens^ die men in de middeleeuw- 
sche rekeningen onder den naam van Engelseh Uken, draps d*Enghleierref 
Spaennch laken, vindt aangeduid. Men vervaardigde er van velerlei aard 
en kleur. Etre dans les draps rayét, beteekende te Luik, dat men tot de 
burgerij behoorde. Te Gent^ behielden de magistraatspersonen hun 
gestreept gewaad, totdat Keizer Karel hun, in 1540, het voorrecht toe- 
stond éenkleurige kleederen te dragen (1). 

313. Iels uit de mouw, of uü zijn mouwen schudden (Iets 

gemakkelijk, zonder veel inspanning voor den dag brengen). 

Hgd. Etwas aus den Aermeln 8<Aütteln. 

Zinspeelt wellicht op de oude kleederdracht met zeer w^de mouwen (2), 
waarin velerlei, evenals in een zak» geborgen kon worden. Oude, over- 
gebleven kinderrijmen wijzen op die mode, als : 

Dan rijen al die vrouwen 

Met die groote mouwen (3); — of 

Rijke rijke juffertjes 

Die dragen wijde mouwen (4^. 

De spreek w. kan evenwel van de goochelaars afkomstig zijn» die letter- 
lijk alles uit de mouwen weten te schudden» en het al spelend doen. — 
Ygl. De aap komt uit de mouw. Uit de mouwe preken, pleiten (Voor de vuist. 

— De Bo). 

314. Iets tn de mot hebben (De lucht van iets hebben). lem. 
in de mot hebben (Zijn bedoeling doorgronden). 

Mot bet, hier : mouw; de oorsprong is onbekend» zegt Prof. Vkrcoüllie. 

— Vgl. Fr. Avoir, tenir qn. of qc. dans sa manche. 

Men vergelijke nog het in bijna heel VL-Belgid bekende : Iets in üjn 
mouw steken (Iets waarover men misuoegd is» onthouden); verder de 

(1) « Dat de schepenen, pensionarissen, rentmeesters» clercken ende 
dienaeren hun niet meer en sullen mogen cleeden met ghestreepte lake- 
nen. » (H. Hticans» Costume^, in Patria Belgica, III» 762). 

(2) Mode» die voor 't eerst opkwam in de 14« eeuw, en door de beide 
geslachten gevolgd werd. 

(8) U Daghet in den Oosten, X» 187. 
(4^ BOBssNOoaBiv» On%e Rijmen, 39. 



— 142 — 

Westvl. spreekw. : fn de mouwe geraken of zitten (lemaDds gunst t^innen; 
of hebben); ieU in de mouw houden (geheim houden); het in dê mouw 
zitten hebben (den schijnheilige spelen (Sch., G.-Y. en J.); tem. %ijn 
mouwe vullen (hem leugens wijsmaken). 
Zie nog Stoett, n*» 1359. 

315. Grauw (Gepeupel; janhagel. Ook: de smalle gemeente, 
de geringe volksklasse). 

Die beteekenis heeft zich ontwikkeld uit : 

1. Grauw, hv. nw. = donkergrijze klour, meer zwart dan wit; men 
past het o. a. toe op personen, die kleederen van grauwe stof dragen : 
Grauwe monniken (Franciskanen, Capucijnen); grauwe zusters (Klarissen); 
— 2. drauw, nw. = kIeeJij van grove, donkergrijze stof, die in de middel- 
eeuwen den geringen man van de meer gegoede standen onderscheidde. 
Ook Vondel spreekt nog van t grauwe geusen ». Daarna is men het aldus 
gekleede volk zelf gaan « grauw » noemen (1). 

Vgl. Fr. grisette=s 1. bv. nw. qui tire sur Ie gris; 3. nw. une étoffe 
grise commune; 3. fille de petite condition, vêtue de cette étoffe; 4. jeune 
ouvriöre de moeurs faciles (Hatzf.-Darh.). 

316. In den pruikentijd (Tijd dat men pruiken tot sieraad 
droeg). Prnikerig (oud, aloud). Een pruik; een ouwe pruik 
(Bejaard man; persoon die aan 'i oude gehecht is; man van 
den ouden stempel). — Fr. Une vieille perruque^ une téte a 
perruque. 

Door den c pruikentijd » verstaal men eig. de 2« helft der 1S< eeuw, 
omdat het dragen van valsche haarlokken, van eene pruik toen een alge- 
meene mode werd, doch reeds in den Roman de la Rosé (13« eeuw) is 
sprake van vrouwen met valsch haar. In het begin der 16» eeuw wordt 
het dragen van kunstlokken aan de Fransche vrouwen al verweten, en/ 
omstreeks 1620 had de pruik ook in Nederland vasten voet gekregen. 

Men denke b. v. aan 't versje van S. van Bbaumont, in De Zeeuwsche 
Nachtegaal, verschenen in 1633 : 

Glaer, op een aensicht verrompelt en out, 
Draeght een perruick zoo geel als gout 
En s weert dat het is haer eigen haer; 
Sy heeft het gekocht, is 't dan niet waer? 
Later werd die mode zoo algemeen, dat zelfs het kind, op den arm der 
voedster, een pruik droeg (2), 

Het Hgd. alter Zopf, Zopfperückey Zopfuit, herinnert aan de oude 
staartpruiken 

Ons pruik, vroeger paruik, perruick, perruycke, thans te onzent perrukf 
perrik, komt van het Fr. perruque, Ital. perruca. 

(1) Ndl. Wdb., V. 604-608, en Vkrgoollib, Etym. Wdb. 

(2) Hofdijk, Om Veargeslaeht, YI, 76, 142. 



— 143 — 

Een te Denderleeuw overgebleven spreekwijze, uit den praikentijd : 
« Laat %e maar doen, », %ti Mie Perrik, en ze lag onder (zie mijn Spreekw. over 
de VrouweUf I, n« 114). 

317. Hij is niet in zijn pruik (Hij is niet wel gemutst)^ Zijn 
pruik staat scheef {iii] is slecht gemutst). Ilij heeft de bokkepruik 
op (Hij is boos, norsch). — Nedd. (Altmark) De Prücl steit 
amm uerkêrt. (Rijaprov). Ha hdt de Pürk wieder verkieht stonn 
(Hij is slecht geluimd. — Egk. 400). 

De bokkepruik op hebben wordt gezeid van iem., die de pruik van een 
bok, d. i. van een onbeschoft, norsch mensch op heeft. Dr. Stobtt schrijft 
daarover wat volgt : a Het op eene bepaalde wijze dragen van de pruik 
werd als kenteeken beschouwd der slemming van hem, die dat hoofd- 
sieraad droeg. Zat de pruik netjes, had men veel zorg aan zijn-toilet 
besteed, dan maakte men daaruit op, dat de drager van dat hoofddeksel 
in zijn humeur,*tevreden was. Stond daarentegen de pruik scheef, zat ze 
slordig, dan merkte men dat aan als een kenteeken van onverschilligheid, 
norschheid, on tevredenheid , de stemming van een bok, in den boven aaoge- 
geven overdraehtelijken zin, en had hij de bokkepruik op. Vandaar ook de 
uitdrukking de pruik iit hem scheef, d. i, hij is uit zijn humeur. Ook uit 
het op eene bepaalde wijze dragen van andere kleedingstukken maakte 
men iemands stemming op. Stond de muts van een vrijer op een haartje, 
wilde hij er eens recht kruiig uitzien, om zijn meisjo te behagen, dan was 
hij goed gemutst; stond ze iemand scheef, of kwalijk, dan was hij elecht 
gemutst, of zooals men in de 16« eeuw zeide, had hij de grimmutê opgezet (1) 
en was hij dus niet in zijn nopjes (2), ook alweder een beeld ontleend aan 
de kleeding, daar hij, die in zijn nopjes is, en dus zijne nieuwe, 
onversleten kleeren, waarop de noppen nog to zien zijn, aan heeft, die 
hoogst waarschijnlijk heeft aangetrokken, omdat hij in eene opgewekte, 
vroolijke, feestelijke stemming verkeert. Denzelfden overgang van 
beteekenis nemen we waar in het Italiaansch, waar j^a/a, pracht, opschik 
beduidt, doch essere in gala, vroolijk zijn. De Franschen namen dit znw. 
over, Tgl. Ofr. gale, in den zin van vroolijkheid, waarvan het Ofr. wkw. 
gaUrf galler, feestvieren, dat thans nog over is in régaler(d) • Noord en Z,, 
XIX, 27). 

In aansluiting bij het voorgaande wil ik hier nog aan toevoegen, dat 
het goed ot slecht gemutst zijn in het Land van Aalst luidt : Hij heeft %ijn 
goei muts, zijn vie%e muts op, • en in Haspengouw : hif heeft si/fi goede 
muts, *ijn slechte muts aan. 

318. Het zijn twee hoofden onder één kaproen (Zij zijn het 



(1) Klucht van Uoorkensvel, vs. 135 (bij Stoktt). 
(f^) Nop, nop/e =s pluis op wollen stoffen; in Mijn nopjes «v'a ca recht 
vroolijk, zeer tevreden zijn. 
(3)NdL Wa6.,IV. 151. 



— 144 — 

met elkander eens). — Fr. Deux têtes dans un chaperon of 
dans un bonnet). Hgd. SU stecken unter einer Decke. 

. De kaproen was een hoofddeksel, een kap, die hoofd en hals bedekte, en 
doormannen en vrouwen werd gedragen. Dat modeartikel, in de 14«eeuw 
algemeen in zwang gekomen, — ik herinner hier terloops aan den 
Gentschen opstand der Witte Kaproenen van Jan Hyoens, ten tijde yan 
Lodewijk Van Male — heeft zich zeer lang gehandhaafd, maar onderging 
natuurlijk wijzigingen en vervormingen. Filipsde Goede van Bourgondië 
wordt steedB voorgesteld met een kaproen op 't hoofd, waarvan de sluier 
ouder de kin is omgeslagen. In den begrafenisstoet van Maria van 
Bourgondië gingen, benevens edelvrouwen « in bonte zwarte mantels, 
ende met rouwkaproenen, » ook vijftig arme lieden, « al nieuwe verkleed 
in zwarte habiten ende met rouwkaproenen, elk met een brandende toortse 
in de hand, van vier ponden (1). • Toen telde die mode reeds een bestaan 
van een eeuw en half. 

Ik herinner ook nog aan 't alg. bekende sprookje van Roodkapje 
{chaperon rouge). Kaproen^ kapruin, Mnl. caproene, uit Fr. chaperon, een 
afleid, van chape = kap (Verg.). 

Ygl. Zij verdragen elkander als twee hoofden onder één monnikskap ; ~ en : 
*/ valt moeielijk veel hoofden onder één kaproen ie brengen (Veel hoofden, 
veel zinnen). 

319. M de kap gaan (Trouwen). — Hgd. ünter die Haube 
kommeny en (ein Madchen) unter die Haube bringen (uithuwe- 
lijken). 

Kap (Mnl. cappe, gelijk Hgd. kappe en £ng. cap, uit Mlat. enppam, 
(— a) {2) was een hoofddeksel voor beide geslachten, doch inzonderheid 
voor vrouwen en kloosterlingen. Die mode herleeft thans eenigszins in de 
capeline der kiuderen. £r was een tijd, dat alleen de gehuwde vrouwen 
een dergelijke kap droegen, zoodat trouwen toen gelijk stond met •: in de 
kap gaan. 

Zie beneden, n» 321. 

320. Met de kap promoveeren (Met de meeste staatsie). 

De doctorandus, die vroeger op de plechtigs te wijze tot doctor wilde 
bevorderd worden, ontving een muts of kap op het hoofd, van de kleur 
der Faculteit, kreeg een ring aan den vinger, en tot besluit den broeder- 
kus* Dit was gevolgd door een zeer luisterrijk feestmaal (8). 

321. Kap en keuvel verliezen, verleren of wagen (Alles wat 
men bezit). Bij De Bo ook : Kapje en keuvellje opeten, opdrin- 
ken, verspelen^ enz. Kap en kogel verliezen (Limb. — Sgh.); kap 

(1) Rond den Ileerd, II, 139. 

(2) Vbrgoullib, Etym. Wdb. 

(3) Zie daarover DB Bbbr-Laur., Wd8chat,S&i. 



— i45 - 

en kegel wagen (J.). Bij Sart. sec. II. 62 : Kap ende kovet. 
't Geit met de buydel. — Kappe^over keuvel (Het onderste boven. 
Te Brugge. Loq. XIV. 60), 

Keuvel is een hoofddeksel der kloosterlingen ; dial. een vrouwenkap. 
Oorspronkelijk was de eigenlijke kap aan den mantel beyestigd, wat nog 
voortleeft in den kapmantel onzer vrouwen (1) (en thans weer in den 
zoogenaamden eaban), doch kap werd vaak genomen voor het geheele 
kleedingstuk ; zoo sprak men van « de Spaansche kap, i en dat ziet men 
thans nog in ons woord koorkap. Ygl. Gelijke monniken, gelijke kappen 
(pijen), alsmede de onzichtbaar makende tarnkap van Siegfried in 
*t Nevelingen lied (2). Ook in het Fr. rire sous cape (bij ons : in zijn vuist 
lachen', bet. cape : mantel met kap. Doch kap en keuvel dient men te 
onderscheiden, want men bedoelt hier : het eene zoowel als *t andere, 
alles verliezen. Ygl. Fr. N'avoir que la cape et Vépée : geen ander fortuin 
hebben dan zijn mantel (zijn kleeren) en zijn degen. - Zie nog Opprbl, 64 
en Stobtt, n* 922. 

822. lem. wat op zijn kappe geven, (De Bo). Hij zal op zijn 
kap hebben (Hij zal er van hebben). Ze zitten allen op zijn kap. 
(Hij heeft van allen te lijden), 't Komt al op mijn kap (Ik 
krijg van' alles de schuld), lem. de kap verzetten (Doorhalen, 
berispen). — Vgl. Hgd. Einem aufder Haubesein. Iemand auf 
die Haube greifen. Einem etwas auf die Kappe geben. Etwas auf 
seine Kappe nehmeni^). 

Vgl. onze spreek w. Hij heeft op %ijn kleed, op %ijn broek gehad. lem. den 
mantel vegen, uitbontelen, of »(;'» f^^f^ uitkloppen. 

323. lem. de kap vullen (Hem om den tuin leiden, foppen). 
Hem zooveel leugens wijsmaken, dat zijn kap er in zekeren zin mede 

geTuld ia. Ygl. Steek dat in uw %aktsi dat is voor u (inz. van een bijtende 
toespeling), 'k Bah hem wat meegegeven (Wat wijs gemaakt), km, iets op de 
mouw spelden. Zie ook n« 814. 

324. Op iemands kappe rijden (Van lem. kwaad spreken). 
Op iemands kappe bezig zijn (Ibid.). 

Aldus in West- Vlaanderen. In 't Land van Aalst kent men alleen het 
tweede. 

325. Op iemands kap(pe) eten en drinken (De Bo). 

Of ander verteer maken op een anders rekening. Ook in *t Land van 
Aalst algemeen gebruikt. 



(1) Die kapmantel is voor goed aan 't verdwijnen. 
(3) Taal en UU., XI, 30G. 
(8) BoEGUARDT, &«• 533, 638. 

10 



- 146 — 

326. De kap aannemen. Zich in de kap steken (Kloostergelofte 
doen). De kap op den tuin hangen (hier : de kap over de haag 
gooien). Fr. Jeter lefroc aux orties. . 

Tuin is hier : omtuining, omheining. Onnoodig te zeggen dat het de 
monnikskap geldt. Ook de beteekenis is duidelijk : de monnik ontvlocht 
het klooster, en hangt bij *i verlaten van den kloosterluin zijn kap op 
de haag. 

337. Kaplaken. Hij heeft er nog al zoo iets van aan kaplakeïi 
(De bijvalletjes, die hem zijn bediening opbrengt, zijn nog 
al van belang). Kapstok (Mantels tok, om er kleedingstukken 
aan te hangen). Den schoolmeestersrok aan den kapstok hangen 
(Het onderwijzersvak vaarwel zeggen). 

Kaplaken bet. oorspr. : « laken voor eeo kap », of fooi voor lakensche 
kap, aan den schipper boven de vracht betaald/ opdat hij voor schip en 
lading wel zorg drage. Dit beantwoordt aan *t Fr. chapeau : een premie 
aan den schipper, voldoende om een nieuwen hoed te koopen. Prof. Vbr- 
GOaLLiE brengt er ook Eng. hat'money^ en pin money, me Ie in verband. 

Alle beteekenen het voorwerp dat men als « drinkgeld » geert, of de 
waarde er van in de plaats. Vgl. wijnpenningen (brj verkoopiogen), om 
een pot wijn te koopen, wat menige Vlaming, met een komiek gallicisme, 
een wijnpot noemt, alsof men iem. kon trakteeren met een bierglas. 

Kapstok : oorspr. stok, om er kappen aan op te hangen. 

328. Iets bemantden (Een daad of eigenschap, waarover 
men zich heeft te schamen, onder eenig voorwendsel bedek- 
ken; ze ontveinzen). Onder den (dek)mantel van godsvrucht, 
van heiligheid (Onder den schijn, onder voorwendsel van). 
Den fijnen mantel omhangen (Den üjne uithangen). J^M met 
den mantel der liefde bedekken (Toegevend zijn voor de 
gebreken en tekortkomingen van anderen). — Kgi. Bemanteln; 
ein Mantelehen umhangen. Mitdem Mantel der Liébe zudeck^rn, 
olbedecken. Fr. Sous Ie manteau de la dévotion, Couvrir qc. du 
manieau de la charité. 

Reeds in de VII* eeuw schijnen mannen en vrouwen oen wijden 
mantel met kap gedragen te hebben. Al werd nn dat kleediugstuk in den 
loop der eeuwen dikwijls veranderd, en van zijn kap ontdaan, toch is het 
in zijn beide hoofdvormen (met en zonder kap) tot op onze dagen blijven 
voortleven : iedereen kent den caban der mannen, den manteau onzer 
dames^ en den kapmantel onzer plattelandsche burgervrouwen en volks- 
klassen. In den aanvang der 10« eeuw trof men den schoudermaritel 
(zonder mouwen) nog bij de rijke standen der maatschappij aan r den 



— 147 — 

laDgen zijden of satijnen maiitel bij de rijlie koopmansvronw; den fijnen 
lakenschen mantel bij den deftig middelmaligen of ook zeer gegoeden 
burgerstand; den sitsen mantel bij de .welgestelde boerinnen; den 
katoenen mantel bij de geringe burgerklasse en de werklieden (1). In 
mijne jeugd werd de katoenen mantel nog veel gedragen (2); thans ziet 
men hier. nog enkel den lakenschen kapmantel en wel uitsluitend bij 
den geringen burgerstand en de yolksklasse; en ook die mode is bijna 
geheel verdwenen. Daar nu de mantel een opperkleed was — eertijds vaak 
opperste kleed genoemd, — dat over de gewone kleeren aangetrokken of 
om den schouder heengeslagen werd, diendfi hij daardoor, in den eigent. 
zin, tot een dekmantel voor al de andere kleedingstukken, goede en 
slechte, die er onder verborgen zaten. Dat leidde tot de figuurL bete^kenis 
' van bet woord, in de boven genoemde spreekwijzen. 

Den fijnen mantel omhangen is wellicht ontleend aan den Bijbel nl. aan 
Zach.XIII:4. 

329. Den mantel om den tuin hangen (Eig. den monnik- 
stand verlaten; bij uitbr. een ambt, een betrekking neer- 
leggen). 

Men bedoelt hier eig. den kapmantel der monniken. Vgl. boven n« 826 : 
de kap op den tuin hangen, 

330. lem. den mantel uitvegen^ uitborslelen (Hem scherp 
doorhalen, berispen). 

Zie boven n« 822. 

331. Male of mantel (Armoede of rijkdom). 

Male, maal = groote bedelzak, gemeenlijk van lijnwaad, dien de 
schooiers met een snoer aan den hals hangen en waarin zij de afgebedelde 
stukken brood en aardappels bergen, l/anf e/ ^= rijk overkleed (b. v. van 
de vroegere ridders). — Deze spreekwijze in West-Vlaanderen, alsook in 
de omstreken van Ninove en Denderleeuw in zwang, wordt , meest 
gebruikt door de tuischers, wanneer zij om alles ofnietis) spelen. Ook in 
't algemeen gezeid^ als er iets gevaarlijks ondernomen wordt (h. x, in 
den handel^ de heelkunde), waarbij voel te winnen, of te verliezen is. 
Zie hoyenn* A6 : Ridder of meersman. . 

333. Men behoeft hem den mantel niet te scheuren (Gez; 
van èen tafelschuimer, dien men, als hij vertrekken wil, niet 
sterk behoeft te pramen om aan tafel te blijven zitten). 

Ontleend aan het 1« Boek Samuel, KV : 27, waar verhaald wordt, dat 
Saül den profeet Saniuel, als <leze, vertoornd over zijne ongehoorzaam- 
heid^ zich omkeerde om weg te gaan; nog wilde terughouden, en hem bij 

(1) HoïDiJK. Ons Voorgenlacht, VI, 300. 

(2) Hier en daar manUline geheeten, en, volgeus De Bo, in West-Yl. 
nog gedragen. 



— 148 — 

den slip van zijn mintel greep, met hel gevolg, dat deze sclieurde 
(Db BsBR-LiüB. Wdschat), 

333. Den mintel (of de huik) naar den wind hangen^ keeren. 

(Niet haadelen naar vaste beginselen, maar zich schikken 

naar tijd en omstandigheden); vaak verbasterd tot : de huig 

naar den wind hangen. — Hgd. Den Mantel nach dem Winde 

hangen, kehren. 

In de onddte verzameling van Ndl. spreekw., nl. in de ProuerbU 
teritna slaat : ifea sat die hoeye na dU wint hangen; tn in de Gampensche 
verz. : Men myet die hf^ycke nae den wijnt hanghen. Beide, ook O^üterus, 
schijnpn dus die hand<ïlwijze goed te keoren en aan te prijzen. Évenzoo 
S.vRT. SCHRBY., waar iiij zegt, seo. X, 30 : Hangkt de heuyck nae de wint^ ioo 
%ijt ghy mijn kint. Elders zegt hij eenvoudig, wat ook bij Pl\ntijn, Kil. 
en anderen gevonden wordt: De kuijk na de wint hanghen (pr. I, 83). Het 
woord manlel komt in die spreekw. veel minder voor.— Een oude oorkonde 
uit Duitschland geeft odb (orostr. 1215) Gottfr. van Strassburg, in zijn 
Tristan u. Is'Ut : Man toU den mantel keren als ie die winde si^it gewant. Bij 
Tnnnicius vindt men zelfs ons woordje hnik : Men mot da koiken na dem 
winde hangen (1). 

Dat mantel en huik hier naasteen staan hoeft niet te verwonderen, daar 
deze hnik slechts een gewijzigde mantel was, van saai» van laken of van 
een kostbaarder stof, naar onderen tot aan de voeten hangend, en naar 
boven eindigend op een kap met een handvatsel, waarmede men het 
kleedingstuk opzette of aflegde. De huik was naar voren open, maar kon 
ook met de opening naar achteren of op zijde gedraaid worden; daarnit 
ontstond : de huik naar den wind hangen. Vgl. ZooaUde wind is, waait tijn 
Jasje, In de laatste eeuwen is de huik een vrouwelijk kleedingstuk 
geworden, doch vroeger werd ze ook door mannen gedragen, wat sommige 
schrijvers niet schijnen te weten. 

Zoo blijkt b. V. uit de oude c Costuymen » van Antwerpen, Bergen-op- 
Zoom, Orimbergen, Deume, enz. dat de overspelers aldaar in een geld- 
boete yervielen ten profijte van den heer, en daarbij nog ten behoeve van 
den aanbrenger hun opperste kleed verbeurden, d. i. « tabbaert, mantel of 
heucke. » En in de Somme ruyrael van Jan Bottelgier ziet men, dat in zijn 
tijd (1380;, de bankbreokigen hun opperkleed aan 't gerecht moesten ter 
bewaring geven : item na de usantie ghewoenlic is des te doen ; indien hi eenen 
mantel of huyc omme hadUe »... enz. (S) En naast het lijk van Mer vrouwe 
van Bourgonjen Marye, .. volgde de hertoge Maximiliaan, met eene lange 
zwnrte huikA •... (3) Ziedaar al bewijzen genoeg, dunkt ons. 

Vgl onze Vlaamsche uitdr. Het hekken naar denwind hangen (ScH.en A.); 
het vaan, of vjn molen naar den wind hangen, draaien (Sgh.); e ieiltja naar 

(1) B0RGB4RDT, n* 7B7. G. BüGHMANK, Geflügelte Worte, blz. 86. 

(2) Can HABRT, 31 en 317. 

(3) Rond den Heerd, II, 139. 



— 149 — 

den wind spannen ^C-V.)- Zou bet WestTl. dé hukt naar den wind hangtn 
(ü. B.) geen Terbastering zijn van het Mol. de hevke ? 

Zie verder Vbrdam # l/n/. Wdb, op hnyke en Stobtt, n® 843. 

334. Mantelkinderen. — Hgd. Manlelkinder {Füü mantel'- 
luli; enfants mis sous Ie drap) (!)• Hij is onder de huik gewettigd. 
Hij is onder de huik geboren. Zij zijn met de huik getrouwd. 
Zij zullen samen huiken. Onder de huik schuilen de vodden. 

Eertijds veas de mantel het zinnebeeld van beecherming» vooral blJ 
Iconlngen en vorsten en hon echtgenooten. Het aloude beuherm' of mantel* 
recht der vorRtinoen, die bedreigden en vervolgden • onder haar mantel 
n<)men • mochten, schijnt bij alle Germaanache stammen te hebben 
bestaan (2). Bekend is de trelLder Wartburtsage, dat Heinrieh von Ofter- 
dingen onder den mantel der landgravin vlucht ; in den Rotengarttn, toen 
Siegfried door Diederik overwonnen was, dekt Kriembild hem met haren 
s/uter, die hier in de plaats komt van den mantel. 

Ook bij aanneming en wettiging werden de kinderen onder den mantel 
genomen (3). Zoo liet Hugdietrich, de Fraukische Koning van Konatanti- 
nopei» c zijn gouden mantel op zijn zoon (Wolfdietrich; neervallen tot 
teeken dat hij hem voor zijn wettige spruit erkende >* (4i. Bij de Franken 
kon men de oneehie kinderendoor bet achterna volgende huwelijk alleen 
niet wettigen; er was daarenboven een zinnebeeldige wettiging noodig: 
bij de huweiijkaplechtigbeden zaten de bastaards eene wijl onder den rok« 
de huik of den mantel der moeder verborgen ; na de ceremonie kwamen 
ze te voorschijn, juist alsof ze uit een wettig huwelijk geboren waren. 
Dat noemde men : onder de huik weitigeng en lulke kinderen heetten maii- 
lelkinderen. Vandaar de uitdrukk. Hij i$ onder de huik geboren; *ij %ijn met 
(Of %ij i» onder) de huik getrouwd; onder de huik schuilen de vodden. Libbrecht 
geeft ook voorbeelden van dergelijke aanneming in Spanje; zelfs bij de 
Turken bestaat dit gebruik; « iem. aannemen i heet bij hen « iem. door 
z^n hemd laien kruipen » (5). 

In Vlaanderen zoowel als in Frankrijk, werden de bastaards, bij 
zoodanige symbolische wettiging, onder den mantel van den vader zoowel 
als van de moeder geplaatst. Nog in de 18* eeuw was deze gewoonte 
niet geheel in de Nederlanden afgeschaft (6j. — Vgl« Loven» n* 126. 

335. Het varken heeft een huik op (bij Tüinm. 't Verken heeft 

(1) BOROHABST, n» 786. 

{2) Grimm, Rechisalterth., 892, Libbrecht, Zur Volksk., 438, Yolksk., IX, 
117. 

(8) Grimm, t. a. pi. 160, Noardewier, 40. 

(4) Bhants, Cerm, Heldenleer ,12^ 

(5) Zur Volknk., 432. 

(6) M. C. Van Hall. De Nederl. Spreekw., tot het Regt betrekkelijk, 260. 
BORGHARDT, n« 786, 



de huik op; bij Sart.-Sghhev., sec. III, 6 : Het vereken heeft 
een huyck op). 

De anders zoo morsige vrouw heeft nu, onder ecnigszins mooie boven- 
kleeren, liet vuile en gescheurde wat weggestopt." Vgl. Een vuile bruid 
beseft veel o jjsehikkens., 

.336. Hij gaat onder de huik te kerk. Zij gaat met een huik te 
kerk. . 

;y.olgens H^rb. beteekent het eerste t hij vermomt zich, in toepassing 
opeen schijnheilige, die zijn streken onder uiterlijk vertoon van vroom- 
heicj tracht te, verbergen, -^ terwijl de tweede «spreekw. een vrouw 
aanduidt, die ingetogen is. 

'3S7 . Hij (zij) wil met die huik niet ter kerk gaan (Op die 
wijze gekleed, met dat kleedingstuk, Ajyil hij zich in 't open- 
baar niet vertoonen). 

'Men bedoelt ongetwijfeld uit de mode geraakte kleeren. De vrouwen, 
zelfs de deftigste, sloegen de huik om, als het regende, ook om naar de 
mkrktte gaan of familie te bezoeken. Zij trokken er ook mee ter kerk, 
vooral bij huwelijks- en doopplechtlgheden. Onze spreekwijze zal waar- 
s^ijnlijk ontstaan zijn. als de modepoppen de huik als iets ouder we tsch 
begonnen aan te zien. 

338. Met de blauwe huik voor iem. uitgaan (Een huwelijks- 
aanzotjk voor iem. doen). lem. een blauwe huik omhangen. 
(lem. bedotten; iem. hoornen opzetten). 

Ook voor plechtige bezoeken, als de hier aangeduide werd de huik 
omgehangen. Doch, daar dergelijke huwelijksaanzoeken door tusschen- 
komende personen gedaan, vaak op onware gronden berustten en den 
spotlust opwekten, sprak men van een blauwe huik. 

Dat blauw iets nietigs, leugen achtigs en bedrieglijks beteekent, blijkt 
uit tal van spreekwijzen : blauwe boniachappen (kale uitvluchten); 
blauwe bloempjes (praatjes); ienii blamvbloemekens Qp de mouw spelden, 
Vgl. Hgd. : Einem etwas Blaues vormachen ; blauen Dunst macfien. Fr, : 
contei bleus. Waar Marnix in zijn Byenkorf der II. Roomscher Kercke 
spreekt van : c de sake met een blauwe heuycke omhangen, » bedoelt hij : 
de zaak i^nders voorstellen dan zij is. Werd nu iem. een huik omge- 
hangen, dan kon dit zoo gedaan worden, zegt Dr. Stoett {Noord 
en Z. XIV, 31), dat hij niets za«», daar de kap hem over zijn gozicht werd 
geslagen (1). Hij werd dus als 't ware geblinddoekt. En evenalthans 
blinddoeken de beteek. heeft van bedriegen, zoo kan die ook gegeven zijn 
aan « iem. een blauwe huik omhangen »; denzelfden overgang valn 

(1) 590 Kijcken hire Beelden achter een hlaeuwe ïluycke, zegt Marnix, 
spottend, op óitu purperblauwen sluier doelend, die inde Roomsche kerken, 
van Passiezondag tot Pa3chen,de kruisbeelden bedekt. 



— 461 -- 

beteek. heeft ook het 16«- en 17«*eeQW6che blindhoeken, wellicht een 
Terbasterirg Tan blindhuiken (ran dial. hok, d, 1. huik, — Yxrg. Etym. 
Wdb,) Vgl. het Duitaeh blauên Dunst wrmachen, door blauwen rook 
iern. het gezicht benemen. — Vandaar nog : iem, een blauwe huik omhangen 
oï aandoen = bedotten, hem hoornen opzetten, zooaU dit oude versje ons 
aantoont: 

Ie prijs een wijf, die haren man 

Yerdwasen ean ten aot; 

Al duét ii hem die blaeu hoeyck on 

Hi waent^ hi is haer afgod. (1) 

Nog in andere gevallen heeft blauw, in llefdezaken. een ongunstige 
beteekenis : een blauwtje loopen, wat wij hier noemen : een blauwe echeen 
loopen. 

De spreekw. Iem. tblou huyxken of die blou huyck(e) i^mhanghen, komt 
reeds voor in een ongedrukten bundel refereinen van 1531, door Dr. De 
VooYt onderzocht {Tijdichr, v. Ned, T. en Lett. XXI. 112). 

339. Be vliegers. Bet vliegende geluid. — 't Zal aan uwen 
vlieger vriezen, of : legen uwen vlieger waaien ('t Zal met u 
slecht afloopen). 

Tot het gewaad der vrouwen in de 17* en 18* eeuw« behoorde Dog 
de vlieger, — een regenkleed, zegt Dr. Sghotbl, dat bij regenachtg weer 
werd aangeschoten ten einde de rokken niet te bevuilen. Waren de 
straten schoon, dan schortte men het op om de kostbare onderkleeding 
te toonen. Hofdijk noemt den vlieger een overjakjen, dat luchtig met 
ruimen plooi en sleep lager (dan de overige kleeren) naar beneden hangt. 
P. VAN GoDBwiJGK (1593-1660) gewaagt van een « vlieger op een frans ». 
Hij werd niet slechts door aanzienlijke, maar ook door burgervrouwen 
gedragen(2j. Volgens Loq.liiy,d2, is die oude vlieger te leperen nog bekend. 
Daar worden de groote uitvaarten bijgewoond door 12 arme grijsaards, die 
met een vlieger omhangen zijn, d. i. met een « blauw-lakenen rouwmantel, 
voorzien van eene krage, die over de schouders hangt en geren opvliegt, 
als 't waait. » Op de borst ziet men *t stedewapên van leperen : een roo4- 
lakenen kruis. Die 12 grijsaards heeten aldaar de vliegen of vliegertjes, en 
zulke uitvaarten, het vliegende geluid. Na de plechtigheid, krijgen zij 1 fr. 
en een « vollaardetje » (koekbrood). Ofschoon er nu, naar luid van het 
legaat, 12 vliegers te leperen dienden te weien, zijn er maar 9 meer, omdat 

(1) Versje opgegeven door J. E. tkr Gouw, in Noord en Z, VII, 11, en 
ontleend aan Van Vrouwen ende van Minne, Middelndl. gedichten, uitgeg. 
door Dr. Eblco Vsrwijs, in Moltzkr's Bibliotbeek. Die bronaanduiding, 
welke in Noord en Z. ontbreekt, ben ik verschuldigd aan een persoonlijk 
schrijven van den heer Tkr Gouw. Later vestigde Dr. Stoett mijn 
aandacht op zijn art. in Noord en Zuid, XIV, 80, waar de laatste versregel 
aldus voorkomt : Hi waent dat hi is haer afgod. 

(3) Schotel, t. a. pi. 129 en Hofdijk, VI, 71. 



— 153 — 

h«t getal dier mantels op 9 gedaald is. — BI j Ds Bo komt vlieger (kleeding- 
stuk) niet voor, maar wel als het deel yan een spinnewiel, dat bij 
Krambas u klauwier » heet, Fr. épinglier^ aiUiies. « Als men spint 9, zegt 
hij, « wentelt de vlieger gedurig rond de klos om er den draad op te 
winden naarmate hij gesponnen wordt. Het vrieei aan den vlieger, wanneer 
de natheid van den draad er aan vriest. » Die verklaring van onze VK 
spreekwijze, ook in 't Land van AAlst algemeen gebrnikt, schijnt ons 
onaannemelijk, des te meer, daar ze «elders luidt: 'I Zal tegen uwen vlieger 
waaien. Wij achten het veel beter vlieger hier op te vatten als kleeding- 
sluk, en de spreekw. naast de synon. nitdrnkk. te plaatsen : Ge*ult op um 
kleed {ot broek) krijgen; %e tullen uwen 'mantel uitboretelen; hij heeft op %ijn 
falie gehad; iem. op tijn ka*ëk geven. — Bq dat is juist de beteek. der 
spreekw. in *t Land van Aalst. 

Vgl. Sr tegen vliegen; er tegen waaien; tegen ujn hoofd waaien (bij 
Ds Bo). Vgl. ook Fr. falbala en volaiit. 



B. Vrouwenkleeren . 

340. Falie. Hij kan (goed) de falie vouwen (Hij kan iem. de 
mouw strijken; vleien). Falievouwen (Vleien; veinzen); falie- 
vouwer (Vleier). Een sleept' de- falie (ïrouwlooze vrouw. — 
De Bo)(1). Beur f olie sleept (Zij is dronken. — J.). 

Falie, Mnl. faelge, gelijk Hgd. feile en Eng. veiU uit Fr. voile, van Lat. 
velum = \. zeil; 2. doek, afgel. van i;c^tfrc = voeren. Het Fr, faille is uit 
het Mnl. (A.Idus Vbrc, Ehjm.. Wdb.). — Wat verstond men door falie? 
Daarop antwoordt M. Alb. Doboes, in zijn Tgpet et Costumes als volgt : 
« Un vötemeat de soie noire garni de franges & ses extrémités, dans lequel 
les femmes se drapalent en s*en couvrant la tète et en en ramenant les 
bords qu'elles croisaient devant elles de fa^on k oe qu'ils formassent sur 
la robe une sorte de tablier. » (p. 83). Van in de middeleenwen tot voor 
een 30-tal jaren bleef die mode bijna onveranderd bestaan. Dr. Stobtt 
haalteen plaats aan uit een gedicht van de 16* eeuw. Het Beclaeh van 
Joncheer/an van H^.mbyse, waarin sprake is van hulkea en faliên : 

Den 10 van marte es te Ghendt ghebeurt 

Rel igions vrede gescheurt met dulle coppe. 

Herrebaut, Moeraert, Haeck, Jaspar hebbe ick bekeurt 

Om heyken en fallien te nemen van den toppe 

't Welek sy, eylaecen, wel mochten betaelen metten strop pe (2) 

Heden is, in 't Land van Aalst en de omstreek, die falie niet meer 
bekend, 't zij als mantel met kap (vODr vrouwen) of als sluier, gelijk 



(1) Vgl. Een veeQ(ebilie = grooie, pootige vreuw (Boe., Zaansehe Volkst.). 

(2) Noord en Zuid, XIV, 154. 



— 153 — 

Van Dalb, *t zij alt Yrouwen-regenmantel, gelgk BosK]BNooaBK(l) 
opgeeft. 

In Limburg daarentegen is die mode nog niet ganseh verdwenen : « De 
falie^ zegt 'iDagket^Yll, 96, wordt nog gebruikt als rouwkleedeel bij de 
begrafenissen of uitraarten (oTgral), en bij het te biechten gaan (hier en 
daar, b. v. te Weert.) » En in Jaarg. IV. 6i, lees ik nog : • In Nederweert 
houden ze bij lijkpleehtigheden tusschen de falie een witten zakdoek, dien 
ze lang laten afhangen. » 

Wat men in ome streek nog goetl kent en nu en dan nog hoort gebruU 
ken» meest echter door bejaarde lieden» is faiiemuwên Yoor 9teien, veiikten, 
en hif kan (goed) d» faHe vouwen. Ook in Zeeuwseh-Vlaand. bezigt men 
thans nog falievouwer met de beteek. huiekelaar{2). Vroeger was dat 
gebruik veel algemeener. Een voorbeeld lerert ons Cats, in zijn Sinne- em 
Minnebeelden, nl. in Naer haer waeyen, mod ick draeyen, waarin men leest : 

Wy zijn tot inde ziel ten dienste van de yrouwen : 
Acht wat een vryer doet, is niet als fali-veuweni 
En wie van onse jenght dit ambacht niet en kan» 
Die is in Venus school een onbedreven man. 

Hoe is falievouwen aan die beteekenis vleien, vein%en gekomen? De falie 
mooi weten te vouwen» was een kunst; wie die kanotgoed Terstond» 
kon iemand een mooier uitzicht geven dan hij werkelijk had, kon zich 
daardoor aan iem. aangenaam maken» zooals een vleier doet. Overigens 
de kleoren aan iemands lijf in orde brengen ontaardt natuurlijk zonder 
of met opzet in streelen» wordt dus een verbloemd streelen» een vleien ; 
nu, vleien en huichelen hangen innig samen. 

Op faliekant kantig, geeft Van Dale : Het »« faliekant (de zaak loopt 

mis); dat komt faliekant uit (de rekening loopt mis); daar tf geen faliekant 
61; (dat is in orde); zonder faliekant (zonder font). Het Daghel in den Ooxlen^ 
IV. 178, wil die uitdrukk. in verband brengen met falie =s kleedingstuk, 
en c Faliekdntig =sl. met nen leelijken zelfkant als een falie ; 2. verkeerd, 
mis, in zedelijken zin; b. v. 't *al faliekdntig uitkomen met die erfenis (te 
Weert). » Dat is evenwel verkeerd, want dit faliekant heeft met falie as 
kleedingstuk, niets te maken ; immera, het ]• lid is Mnl. faelge=s gebrek» 
fout» bedrog, uit Oudfr. faitle, verbaalabstr. van faillir :s feilen ; en dit 
faillir komt van Mlat. faitlire (van waar Hgd. fehlen), en dit weer van 
klaas. Lat. /a//ere=r bedriegen, missen» gebrek hebben (Ymna. Etijm. Wdb.). 
— HutTEN en ToERL. hebben valekant, de eerste ook : valekantig: bij 
De Boivalkantx bij Kil. faelikant; Oudfr. faticant = 'afval, gebrek. 

Voor falievouwen, falievouwer en Mleept-de-fatie, vgl. iem, de mouw vegen 
of strijken ; een mouwveger of mwwtlrijker =x vleier. Deze karakteristieke 
tegenhanger van falievouwer, is» volgens Van Dale, alleen ia Zoid-Nederl. 
bekend. 



(1) Zaaneehe Volkstaal. 

(2) Db Bbbr-L.vurillard. Wjtrden^chat, i. v. 



— 154 ~ 

341. lem. aan zijn falie komen (Afranselen). Op zijn falie 
krijgen o( hebben (Slaag krijgen). Op zijn falie geven oï kernen 

(Slaag geven). 

De eerste epreek-wijze schijnt hier alleen in Haspengouw te bestaan. 
De tweede wordt opgegeven door Db. Boekbnoogkn {Zaansehe Volk8taal)(l) 
en Dr. Opprel (Dialect van Oud'BeierUnd)^ en zal dus ook we) tot enkele 
andere Noordndi. tongrallen behooren. De derde spreekw. komt alleen 
voor bij Db. Opprkl. ' 

Ygl. hm, op %ijn tal>berd komen, bitten (V. D.) lem, aan %ijn koesUjf' 
(keurslijf) Aomen(R.). OptijnmuUkriJgeniA.) ^en de n««822,8a0en 839. 

342. lem. de huif aflichteti (Hem of haar aan de kaak 
stellen.) . 

Huif, Mol. hune, verwant met Mbgd. hübe^thsLtiB /^au^e, is, zegt Van 
Dalb, een zeker hoofddeksel voor vrouwen, kap (in Zuid-Nedl. nog 
gebruikelijk als kleedingstuk der nonnen, doch overigens verouderd). 
Dat hoofdtooisel, een soort van kaproen met zeer lange kornet (3), dag- 
teekent van de 13« eeuw (zie Verdam, Mnl. Wdb,) en wordt o. a. reeds 
vermeld in den Parthonopeus, In de Limb. Sermoenen en een Brngsch 
handschrift van dien tijd. Hofduk spreekt van de « fijn linnen hnivë » 
eéner burcbtvrouvv van het einde der 13* eeuw (8). Duclercq, beer van 
Beauvoir, een Bourgondisch schrijver, die omtrent het midden, der 
15^ eeuw de kleederdracht van zijn tijd beschreef, zegt van dé hure: 
« Une coiffure des béguines et des femmes de petit et pauyre estat >(4). 
Wellicht» sooals het dikwijls ging en nog gaat, werd die mode door de 
edelvrouwen versmaad, zoodra de burgeri) die navolgde, van waar ze 
dan weer tot de geringe volksklasse overging. 

De beteekenis van tem, de huifaflichten schijnt me ontstaan te zijn als 
die van «ontmaskeren! : iem. van de huif ontdoen; (fig.) iem. in zijn 
(haar) ware gedaante voorstellen en zoo het leelijke en hatelijke van 
zijn (haar) persoon doen kennen. 

Volgens RuTTEN is Aotinhuif) met de beteek. « kanten vrouwenmuts » 
te Landen en in de omstr. nog springlevend. 

843. Eenzaite, dwazetuit(e) (Een lichtzinnig vrouwmensch). 

Die uitdr., bij De Bo opgegeven, wordt in 't Land van Aalst zoowel 
gebruikt als in West- Vlaanderen, hoewel luit = vrouwenmuts hier 
onbekend is. De Bo beeft : tuit{e) = 1. hoofdhulsel van kloosternonnen, 
anders ook huif geheeten; 2. in eenige streken vrouwenmuts in 't alge- 
meen, en kornetmuts in 't bijzonder; 3. (fig.) in verachtelijken zin: vrouw 

(1) Hij voegt er bij : Evenzoo elders in Noord-Holland (Boüman, 26). 

(2) « Cétait un chaperon d irès longue cornelte. ■ (H. Hvmans, Costumes, 
In Patria Belgica, III. 768). 

(3) Onn Voorgeilacht, IV. 213. 

(4) H. Htmans, t. a. pi. 768. 



— 155 -r 

of dochter (Een botte, dwaie, ^oite, domme tuite). BIJ Vak Dale bet, tuit, 
o. a. llchtekooi. Vgl. ijdeltuit; bij De Bo nog: lichtetuit. — Vgl. daarbij 
de in de beide Vlaanderen algemeen gebruikte uildr. : een *olte muts, met 
dezelfde beteekenis; in Haspengouw: een trekmuts= onnoozel vrouw- 
mensch; bij De Beer-Laur. (Woorrfenscfta/) bet. floddèrmutt in fig. zin: 
slordig gekleede vrouw. Verder komt : zotskap = gek, gekkln. De Bo heeft 
ook: sintette, sintutte, sentette = 1. tuitmuts, kornet (van het Fr. eerre- 
téte); 2. onnoozel vrouwmensch ; en Loquela, XV, 15, Toepe=: 1. tuite, 
vroüwenmutse; 2. vrouwmensch. Marie is een wilde toepe. In het L. v. 
Aalst is toep s kuif, het opgezette voorhoofdhaar, gelijk bij Van DAlv, 
tuit = haar vlecht, bos haar. Langs dien weg, zou men dus ook eenigszins 
buiten toep met de beteekenis c vrouwmensch » knnnen verklaren, doch 
dwa^e tuit behoort alleen tot de dialecten van Vlaanderen, terwijl 
tuit = haarvlechti hier onbekend, on tuit = vrouwenmuts, in Noord- 
Nedl. onbekend is. — Van waar dit Vlaamsche tuit"? Naar de in de 
17* eeuw in Vlaanderen heerschendê mode. verlengden zich de plooien van 
de mantelkap der vrouwen over het voorhoofd in den vorm eener goot, 
tuit genoemd; vandaar is die naam overgegaan op het vrouwelijk hoofd- 
deksel (1), en dan, overdrachtelijk op de vrouw zelve : een tuitestekker is, 
te leperen, een die het vrouwvolk naloopt, een mei8jesgek(2). 

Dat men door den naam vaneen kleediogstuk, vaak den persoon zelf 
aanduidt, blijkt uit tal van voorbeelden : Waar hoeden zijn, betalen oeen 
mutsen, of : Als er een broek is, betaalt er geen doek (Waar mannen zijn, 
mogen de vrouwen niét betalen). De broek %al dansen, zoo 't den rok belieft, ' 
Daar is de broek en bouwen (Daar is alles, wat ge wenscht). Èen zotte kous 
(gekkin); een babbelkous; een blanwkous. Een zok van een man, van een vrouw, 
(Een karakterlooze). Een bierlaars (dronkaard), enz. 

344. Die proeft een vrouw of een meloen^ 

Die moet het van het staartstuk doen . 

Dat spreekw. van Harrebomèe, vindt men in Hüygens' Spaensche 
Weysheit, n* 593, onder dezen vorm : 

Die een* Vrouw keuren will, of een Meloen, 
En kan 't niet beter als by 't steert-stuck doen (3). 

Wat heeft HavoENs met dat « steertstuk » der vrouw bedoeld? vraagt 
BiLDERDiJiv. cc Slaat het op de billen van Parijs, bij Gats, waar Fkith laf 
en dom genoeg mee spot, omdat hij 't niet verstaat; en dat een bloote 
vertaling uit 't Fransch en Italiaansch is, als elk letterkundige weet of 
behoort (e we(en ? — Eenigszins van ter zijde. Doch de zaak is deze : In 
den tijd onzer overgrootmoeders was er een culda Paris SL^n de cotillons 
der vrouwen bekend, welkt eenigszins schudde in het gaan, en waarop 
in mijn vroege kindsheid nog een dansliedje bestond, waarvan het 

(l) II. Hymans, t. a. pi. 777. 

(2).Z,fw/tte/j, XV. 89. " , 

(3) G. HüYOKNS. Korer-bloemen, Met Aanteek, van Bilderdijk. 



— 156 - 

refrein was : Hoe ilaai u die nu uwe ^«/lon.Van \i elke japon het dan heette : 
Van achteren met een cut de Pari; 
Ik moet ér om Uchen ah ik het sie. 

Dan welke dracht ai^natootelijk gerekend werd« zekerlijk omdat de 
naam aan de billen van Parijs ^ in Italië en Spanje ook ten spreekwoord, 
herinneixle. Dit üaartitnk nu werd alom het kenmerk yan een lichtekoox 
gerekend, Uiervan 't Spaansche spreekwoord, i 

Iedereen weet dat weinige jaren geleden, het €t</ (/e Paru (1) opnieuw 
in de mode was gekomen, dook, gelukkiglijk thans weer verdwenen is. 
Naarde afmetingen van dat êteerlituk kon men in Hutobns* lijd vrij wel 
den maatachappelljkan stand der vrouw afleiden; althans de vrouwen 
van twijfelachtige zeden droegen het grootste (zie volg.n*). 

Onderstelt het Spaansch een « keuren » der vrouw naar den omvang 
van bewust modeartikel, het « proeven » van het NdU spreek w. wijst 
reeds op een meer letterlijke opvatting van dat c steertstuk ». Misschien 
heeft de Ndl. vorm zich uit Uuygkxs' vertaling ontwikkeld, toen de 
oorspronkelijke betpekenis van dat zonderlinge kleedingstuk was ver- 
loren gegaan, of heeft de volksgeest, die van gepeperde dingen houdt» het 
eenigszins dubbelzinnige vau het sproekw. wat duidelijker willen doen 
uitkomen. Men vergelijke o. a. het synonieme; Visxchen en vrouwen «t/n 
nergent Mfr dan aan den staart (of nn^er den buik)^ insgelijks bij Harr. te 
vindon, en reeds voorkomend in de verzameling i>eer schoone Sptaeckw, 
van 1519 (2). 

345. Lichtekooi (Ontuchtig vrouwspersoon). 

Over de afleiding van dat woord hebben de geleerden lang getwist en 
zijn ze het thans nog niet volkomen eens. Is dat licht te kooi, vraagt Tcin- 
ifAN, 1,22*3, eene die hchi met iem. te kooi (te bed) gaat? Of is kooi verbasterd 
van keu, een verken ? — Een tweede brengt het woord in verband met de 
kooi d. i. het « staartstuk », wanrover ik in 't vorige nummer handelde. 
De straatdeernen droegen een groote « kooi »» die bij het zwierig gaan en 
voorttrippelen dezer luchtige dames, gestadig heen en weer wipte en 
hierdoor aan iets zeer beweeglijke, iets lichts deed denken; vandaar ging. 
men spreken van lichte kooi, hetgeen dan later op de persoon zelve toege- 
past werd. Anderen, steunend op de schrijfwijze van ükedero, lichtekooi 
(in twee woorden), en op uitdr. als dronken gat, oud vel, verklaren het w. 
door : vrouw mei een lichte kooi, d. 1. met een licht aars (want kooi =s aars)^ 
het heel natuurlijk vindend dat dergelijke Itchte wiven, naar zeker 
lichaamsdeel, /tcA^e booten geheeten worden. Hierbij wijzen ze op samenst. 
als domoor, losbol, enz. — Anderen weer, en deze schijnen het mij bij 
't rechte eind te hebben (8), plaatsen lichtekooi UAnui draaiaars, wappergat. 



(1) Men noemde het rondom Aalst • een valsch gat ». 

(:2j Gheprint Tantwerpen in de Camerstrate in den Salm by my Hans 
de Laet. Anno M. D. XLIX. 

(8) Ik noem hier Vkrgoüllxe (Etym. Wdb.)\ Stoktt {ifoord en Zuid, 
XXI, 249), en Bobkenooosn {Zaamche Volkstaal), 



— 157 — 

wipkuiije, kwiMlekool^ breketp€l^ soodai zij liet eerste lid als een werkwoord 
beschouwen, nn hel woord als gelijkstaande met iohuédegal : eene, die 
haar achterste^onder het loopen voortdurend sehudt, lieht, opHM^ opwipt. 
In zijn JSüamche Voik$tëul geeft Bokkbnooobn het syn. MppMeUink^s 
spring-in-'t veld, eigenl. tent. die hippelt met de kUnk (het achterste). Klink 
is wel het schaamdeel Tan een vron weiijk dier; in den grond worden 
hier das niet de bewegingen bij 't loopen, maar in den bijslaap bedoeld. 

346. Een heilig boontje. Het is ook een heilig boontje (Op 
zijQ gedrag valt ook wel wat af te dingen). 

Voor de verklaring van heilig boenlje, wijst Dr. Stobtt {Soord em Z.^ 
XX, 49.1) op een plaats nit Van Epfbn*s Sputetor, I V, 140, waar sprake 
is van bentjee, en daarmee kan, sijns dunkens, niets anders bedoeld zijn 
dan de weeien, die destijds een bonte kleeding droegen. Dit is slechts öen 
der door hem aangevoerde gronden. (YgU ons n« 315). Een tweede citaat 
nit den Speetaler X, 51, ppreekt van schilders, « die znlke Aet'/t^e 6oit/;e« 
niet zijn, als ze wel schijnen willen. > Met een heilig bontje, denkt Stobtt 
kan oorspronkelijk bedoeld zijn een heilig (ss schijnheilig) weeijep een 
vrome zns (naar het uiterlijk althans), en later in 't algemeen c iemand 
die zich als buitengewoon braaf voordoet en zichdaarop laat voorstaan •(!). 

Toen later dit bontje niet meer begrepen werd^ is het, wellicht onder 
invloed van de Driekoningenboon, veranderd in boontje, zoodat wij nu 
spreken van een heilig boontje, nitd. voor 't eerst bij Harr. opgegeven. 

Deze gissing lijkt me waarschijnlijicer dan die van Db« Mullbb, die 
enkele jaren geleden de uitdr. ia het NdL Wdb. behandelde. Hij herinnert 
hierbij aan het overoud gebruik op Driekoningenavond door een boon» in 
een brood of koek gebakken, den koning van het feest aan te wijzen. Toch 
vindt hij het verband niet volkomen helder, omdat het niet blijkt, c dat 
de boonkoning zelf ooit boon{lje) genoemd is. Ware dit het geval, dan zou 
men kunnen gissen, dat de meening alsof deze tijdelijk in schijn een der 
heilige drie koningen was, aanleiding heeft gegeven om een iehHnheUige 
aldus te noemen ». , 

C. Manskleeren. 

347. Op zijn wambuis (of wammes) krijgen (Slaag krijgen; 

ook, er slecht afkomen). lem. helder op zijn wambuis geven, 

komen. (Hem goed afkloppen). — Hgd. Aufs Wams Uopfen; 

wamsen, abwamsen, durehwarnsen, Vgl. Fr. Donner sur Ie 

easiiquin, secouer la jaquelte ü qn. Eng. Hl dusl hls jacket. 

Vgl. !em op »i/n katak geven{A,L(i.) lem. katakken ( = afrossen. — Hage- 
land en Haspengoaw). /ent. den pels uitkloppen; tent. den rok uiluegen, of 
wai op het jak geven (V. D.); — ook nog de n"833j. 330,339 en 841. — 

(i)NdL Wdb.Ill,U1'U9. 



-^ 458 — 

Wün\bui$, (eertijds wambays, wambeyt, oi wamboyi) eyenals Oudfr. gambait, 
uit Mlat. wambasiumf dat een afleid, is van Germ. u)amba=z buik, (1) Hei 
wambui»,een kleedingstuk dat het lijf van den hals tot aan het middel 
bedekte, dagteekent van de 14« eeuw en bleef 3 eeuwen bestaan. Het was 
een vervorming van den ouden lijfrok, die tot op de heupen verkort werd, 
en aanvankelijk gevoerd was (gamboisé)^ zegt Schotel, met wol tusschen 
taf of satijn genaaid. Qaarop wijst eeniggzins het Fr. povrpoinl, « sorte de 
vètement piqué, c.-è-d. composé d'une doublé étoffe ou d'une doublé, peau 
rembourré de lftine(2). Te Gent bestond een nering van de •potpoitiUticktn 
of wambaysmakers. • In den beginne was bet wambuis zeer engsluiténd; 
zoo zegt BusKEN HüKT, dat graaf Jan van Blois (f 1380), het «anbrekend 
tijdperk der nauwsluitende wambuizen van bontkleurig laken en. met 
sterren bezaaid fluweel », vertegenwoordigde (3). Later vervormde het 
zich meermaals, en werd kort en lang, los en gesloten, met enge of wijde, 
gepofte of geopende mouwen gedragen (4). — Uit wambuis ontstond, door 
asaimitatie, wammei {iij kennen malkander aan hei wammefje) en door 
verkorting buis, welk laatste de vest (zonder slippen) van de buitenlieden 
aanduidde. Thans is het een soort van' kiel, van voren met éen knoop 
dicht; het komt in enkele spreekwijzen voor : het buis erbij uiUrekken 
(zich moeten geven bij) ; l^ij heeft het buis aan (bij Van Dale : bij is gek; 
bij Hare.' hij is dronken). Vgl. dwangbuis^ Vgl. ook Fr. Aveir un sot dans 
son vourpoint. Ik geef nog : La chemise est plus proche que Ie puurpoinU 
Alettre la main $ur Ie pourpoint de qn* Bien.remplir son pourpoint, L' eau est 
entree dans ses souliers pur Ie col de son pourpoint. Il y a laissé (il a sauvé) Ie 
moule de swi pourpoint (d. i. zijn lijf, zijn leven). A brüle-pourpoint. 

348. Mettertijd komt Herman in het wambuis (Van lieverlede 
bereikt men zijn oogmerk ; langzaam gaat zeker). 

I;dl dien vorm komt het spreekw. voor bij Tuinman en Van Dale; bij 
Harb. luidt het : Al met der tijd komt Herman in 't wambuis en Griet in de 
breek (of de rokken). Die staat t. Griet in de broek, is ongetwijfeld een 
toevoegsel van jongeren datum, dat in de oude verzamelingen, b. v. opk 
bij Grut£Bus, gemist wordt. 

349. Hij is geen vrijer van zijn eerste wambuis (Hij is een 
man van rijpe ondervinding). 

Vgl. 7 Is nog een vrijer van de eerste broek (Een piepjong vrijer). 

350. Komt de nieuwe broek aan het oude wambuis, dan 
'scheuren de vetergaten uit (Een oud man, die een jonge vrouw 
trouwt, ligt spoedig in 't graf;. 

(1) Vgl. ons Ndl. wam\ Hgd. Wamme; Eng. womb. Een gelijksoortige 
etym. geeft om pantser, (gelijk Hgd. Paniier) uit Ital. panciera, van Mlat. 
panceream (-ea), een afleid, van Ital. jyanc<a = buik (Verc. Etym. VVrffc.). 

(2) DopiNSY DB VoREPiBRRB, Encycl. universelle. 

(3) Land van Rembrand, 2« dr., 1, 111. 

(4) HoroiJK, Ons Voorgeslacht, VI, 77. 



— 459 — 

351. Het is aan het wambuis niet te zien, wie een brandmerk 
draagt (Aan de kléeren kent men diön man niet). 

352. Zijn rokje keeren (Van partij of van gevoelen veran- 
deren, — V. D.) Kazak keeren (Van partij veranderen). Kazak- 
draaien (Idem), Kazakdraaier ; kazakdraaierij . — Fr. Tcnirner 
casaque. 

Van Dale geeft ka^akke keeren als Zuidndl.» met de beieek. : van 
godsdienst veranderen. Dat acht ik verkeerd, want bij Db Bo,Tübrlinckx 
noch HuTTBN komt het met die beteek.voor; evenmin in 't Land van Aalst. 
Men bedoelt steeds een partij, meesial een politieke.De ultdr. kazak keeren 
is veel algemeener dan ka%akdraaieh, die aUeen.in Haspengouw schijnt 
te bestaan. Te Denderleeuw en oostwaarts zegt men naast Aass&A«er(f«r 
en kaïakkeerderif, soms ook kazakdraaier , enz. 

« Ontleend aan bet dragen van kleederen met verscLillende kleuren of 
'lenzen, waardoor partijen zich plaobten te onderscheiden * (Ndl, Wdb, 
X, 807). Vgl. zijn gat omtmijlen (V. D.). Zie nog Stostt, n' 1665^ die de 
uitdr. aanwijst bij Winsgboöten : tifn rokje keeren. 

353. De vrouw draagt de broek, ot heeft de broek aan (De 
vrouw beheerscht haar man). Zij is gebr4>ekt (H.). 

Herinnert aan den tijd toen alleen mannen broeken droegen; de 
▼rouwen begonnen eerst in de 17* eeuw hier te lande (onder)broeken te 
dragen, die echter nog lang, vooral bij het Volk, een zeer ongewone dracht 
bleven. Zoo kon vroeger de broek genomen worden als het zinnebeeld van 
de heerschappij van den man over zijn vrouw en ontstond in de 16* eeuw 
de uitdruk, de broek {willen) aanhebben, dragen, behouden, enz. = in huis de 
baas (willen) zijn, het heft in handen hebben, de heerschappij voeren. 
Evenzoo Fr. Porter les chautses, lei culotles. Hgd. Die Hoten anhaben; Eög. 
To wear the breeches {Ndl. Wdb. III, 1463, 1466 en 1469; Stobtt, n' 2Ü59}. 
Zie mijn Spreekw. over ih Vrouwen, 111^ n'* 293-296. 

854. Blauwmufsen; Leidsche blauwmutsen (Spotnaam voor 
de inwoners van Leiden). Als de hemel valt, krijgt men (of 
krijgen wij allen) een blauwe slaapmuts. 

De blauwe « pinnemuts i», zooals de mansslaapmuts te Lebbeke en in 
de omstreek genoemd wordt — thans tot den rang van slaapmuts aifge- 
daald, werd eertijds door boeren en werklieden veel gedragen. In mijn 
jeugid heb ik nog arme lieden en zelfs rijke boeren gekend, die de zes 
werkdagen van de week een blauwe tipmats, en 's zondags een hoogen 
hoed (üjn hondekot, zegt men hier) voor hoofddeksel hadden. Hetzelfde 
bestond bij onze Walen : « L'on sait — zegt M. A Body, archivaris van 
Spa, « que les gardes eiviques des premières années, n'avaient d'autre 
uniforme que la blouse, he. bonnet bleu, ou casque-d'mèche, complétait 



— 160 — 

autrefois ce eostume (ee n^est que poBtérieurexnent qu'on porta la eas- 
quelte); il me souvient irös bien avoir vu des ouvriera ooiffés du bonnet 
blea(l). B De schimpDaam Leidêche Llauwmutten herinnert eveneens aan 
den tijd, toen bij de wevers van Leiden een blauwe muts de gewone 
draclii was. Borger gebruilLt het woord in een soort van lofdicht : 

De Blauwmttti strijdt Toor wijf en erf : 
Hij, stadgenoot van Van der WerlT, 
Zal zich het eerspoor banen. 

••• 

De blauwe lijnwaden kiel in een zeer oude l&leedij, die insgelijks aan 
't verdwijnen is. Tot in mijn jeugd vormde hij de nationale dracht van 
boer en werkman. Gelijk ik zooeven zeide, hadden onze eerste burger- 
wachten geen andere uniform»en deBlauwe kieUu uit de Belgische omwen- 
teling van 1830 en den Tiendaagschen veldtocht zijn algemeen bekend. 
JB4if DB Stavblot (13881449; gewaagt reeds in zijn kronijk, naar aan- 
leiding van den moord op Lambert Datin in 1486. van den dusgenaamden 
sdrot (sarrau). Tot in den aanvang der 17« eeuw, zegt M. Body, werd de 
sdrot algemeen gedragen» zelfs door do gegoede burgerij. £n thans? 
« Il est tombe en complet discrédit et Ie vocable de saroli (porteur de 
Mdrot)f s'il n'èquivaut pas & une injure, emporte tout au moins une idéé 
de mépris. »(2} 

Een kleederdracht, die men maar zeer zelden meer te zien krijgt, is de 
mansbroek met klep, of zooals men hier spottenderwijze zegt, met een 
« valdeur » ; bij onze Luikerwalen « la culote a r'clappe {k pont-ievis) » 
geheeten. Hier en daar ontmoet men nog een oudje, dat die mode niet 
wil verzaken. Dat zoo'n drager van een broekklep heden het mikpunt is 
van de spotternijen der jeugd, bewijzen deze twee rijmpjes, die ik te 
Denderleeuw opteekende : 

Koben Kalot, 

Doe(t) uw valdeur in 't slot ; 
en : 

Koben Kalot, 

Eruip(t} in uw kot» 

Kruipt(t) bij uw koe. 

En doe(t) uw valdeur tce. 

Het woord kalot herinnert aan de laatste dagen van den pruikentijd ; 
die scheldnaam — welke zekere personen tot heden toe is bijgebleven — 
werd toegepast op enkele lieden, die deze mode nog volgden, toen ze nage- 
noeg geheel verdwenen was (Zie boven n«> 316-317). 

(1) WaWonia, VII, 128. 

(2) II. Body spreekt eig. alleen over Spa, doch wat hij hier zegt, geldt 
ook voor de overige streken van België ( Wa/ionia, YII. 127). 



L) BOÜWTRANT. — WOONHUIS, BEWONERS 
EN HUISRAAD. 



355. De hanebalk (Een horizontale balk, boven in het huis, 

onder de kap. — Keper en haanbalk daan (Van den os op den 

ezel springen. — J.) — Het gelijkt noch keper noch hanebalk 

(Gez. van brodwerk, van dingen die niets beteekenen. — 

Dk Bo en J.) Hij woont in de hanebalken (Zeer hoog, vlak 

onder de dakpannen. — V. D. en A.). Dat steekt al lang in de 

haanbalken (Is al lang uit de mode. — J.) — Kind noch kraai 

hebben (Geen bloedverwanten» dus, voor niemand te zorgen 

hebben). 

Meer wellicht dan de hond en de kat, behoorde in de aloude Qer- 
maansche beachaying, de haan, de verkondiger van den dageraad, tot de 
huiahonding van den gewonen man. Geen hoia dan ook of het had zijn 
balk» waarop de haan zich 'a avonds met zijn liippen te slapen zette. 
Vandaar hiet die balk en heet thans nog : hanebalk; Ugd. llahnebalken, 
Deensch hanelj<Elke, 

Zoo lezen wij in Reinaert*B biecht : 

Daer ie hem dede te verstane, 

Datter hlnnen ende een hane 

In een groot huus, an ere straten, 

Up enen haenbalke saten. . 

Ook in Orimm'b sprookje De Brêmer itadsmuzikanien heeft het roevers- 
huis die aloude Germaanschc inrichting behouden en zien wij den haan 
op den hanebalk vliegen. Benoorden Aalst is 't woord verbasterd tot : 
haaibalken of haurbalken (steeds in 't mv.); bij Sghusrm. : haa$balk; 
halsbaik (Kempen» Brab.» Vlaanderen). 

De welbekende spreekw. Kind noch kraai hebben (Noord- en Oostwaarts 
van Aalst luidt ze in den volksmond : hij en hee kind och krouë) wijst 
eveneens op die oude Germaansche zeden. In de middeleeuwen zeide 
men : kind no eraet, en dit craet is kraai, gekraaid zooals duidelijk 

11 



— 163 — 

blijkt nit den Mtddelnederl. yoria Aaneii* of haencraet : « Hi es... 
opghestaen in der ierster haencraet, die crayt yor die dagheraet » (1). Ook 
het Mndd. had hanenkrdt, het Oudhgd. hanachrit, en in het Gelderseh zegt 
men thans nog : « dié haan heeft een mooien kraat ». Dit kraat^ naar onze 
spelling kraad, komt van kraaien, als naad van naaien en %aad van taaien. 
Ons spreekw. het. dus letterlijk : kind noch gekraai hebben, en dat 
gekraai vertegenwoordigt den kraaier bi| uitnemendheid, den Caniecleer 
{ChantCHilair) uit den Reinaert, dat is» den haan. Wie dat onmisbare lid 
van elk oud Germaansch huisgezin niet bezat, had in werkelijkheid 
een ledig erf, of liever bezat geen erf, en had dan ooi; voor niemand te 
zorgen. 

Deze spreekwijze» voor 'i eerst door Dr. M. db Vribs verklaard, gaf 
aanleiding tot verschillende gissingen ; zoo ging er Dr. db Jagkr den 
vogel kraai in zoeken, maar dat heeft geen gezonden zin, terwijl Q. 6b- 
ZELLE (Lof.IyU) er het gekraai der kinderen in zag, doch, aldns verstaan, 
vormen kind en kraai een tautologie. Het Westvl. heeft nog twee nieuwere 
vormen van de spreekw. : « Noch kraaie noch maaie » (maaie ^ Maria, 
Loq. XIV, 71); en : Kin noch ken, noch kind noch kan (Diiken is het Eng. 
kin = bloedverwant. — De Bo). Dat komt overeen roei het Haspengouw- 
sche : noch kind noch kief (of keef), waar keef staat voor : kevis, keefse =: 
bij wijf, of wel voor keeftkind=: bastaard. 

Grimm heeft in zijn Rechttalterth, : kegeUohn = bastaard. Ook luidt de 
uitdr. in 't Ugd.: weder Kind noch Kegel, De oude vorm van Sart.-Sghrbv., 
sec, II» 58 : Hy heeft kindi noch kuyekenf is een misbaksel. Men vindt het 
nog in 'tGroningsch : gijn kind ofkuken, evenals in *t Oostfri. en 't Neder- 
saksi8eh(2). 

856. Onder dak komen, brengen (Huisvesting bekomen, 
bezorgen). — Hgd. Jem. Daek und Fachgeben. 

Men kent den vorm der Germaansche woningen uit den voorhisto- 
rischen tijd : c Ongeveer rondvormig, sommigen ook meer vierkant, allen 
van palen, slieten en vlechtwerk opgehaald, met leem of klei overstreken, 
en met stroo bedekt schijnen zij op een afstand ongeveer eene verzame- 
ling van groote bijenkorven. • (3). 

De Franken uit Klovis' tijd bezaten uit planken opgetrokken gebou- 
wen, doch ook in deze huizen ontbrak eene zoldering, en een opening in 
het dak, tot schoorsteen dienende, moest den rook wegleiden. Wie in zulke 
woningen huisvesting bekwam, werd in den letterlijken zin onder dak 
g[ebracht. Onze spreekwijze schijnt dus wel aan die oude toestanden te 
herinneren. 



(1) Uit Der Ystorien Bloeme, d. i. de legende der Heiligen (z. Ybrdam 
Mnl. Wdb, op hanencraet en craet), 
(9) MoLBMA, Groningtche Volkêtaal. 
(8) HoFDUK, One VoargeüaeM, I, 25. 



— 163 — 
857. Wagenschot (Houten wandbekleeding). <~ £ng. wain- 

8C0L 

De oude Frankische woningen waren door draagbalken in ruimten 
gescheiden^ en die balken naar de binnenzijde met planken bekleed ol 
beschoten. Daarop wijst wellicht ons wagenschot Het f lid er van is het 
Oudfri. wdg, Mnl. weechf ons tveeg ^ wand, nog overig in weegluit =2 
wandluis ; het 2* lid is ichot, beschot (of honten schutting), van schieten, 
beschieten (Yèrg.). 

558. Ze zijn over de half deur getrouwd (Schertsend gez. van 
man en vrouwspersoon, die in onwettige gemeenschap leven. 
— A.). Vgl. Over den puthaak getrouwd (Ndl. Wdb. V. 1619). 
Achter de haag, of over den bezem getrouwd zijn [T., R. en 
G.-V.). Ook : Ze is over de half deur getrouwd (Ze is ongehuwd 
en moeder. — A.). Van nen ezel over 'n halfdeur gescheten 
zijn {— 1. Een bastaard zijn; 2. zeer lomp zijn. — C.-V.). 
Van over de halfdeur, b. v. een katholiek van over de halfdeur 
(Vaa onzekere grondbeginsels. — J.)* Stukken koopen van 
over de halfdeur (Bedelen. — J.). 

De halfdeur, d. i. hatve deur (in Hoil. de onderdeur}, Fr. huis^coupé, is de 
onderste heUt eener deur, die uit 2 deelen bestaat. Het Ndl. Wdb. zegt op 
onderdeur : « Het benedenste gedeelte van eene deur» die in twee deelen is 
verdeeld» welke samen in éene sponning sluiten» vooral gewoon in Jx)eren* 
en arbeiderswoningen. • Ook op het Vlaamsche platteland waren zulke 
deuren vroeger zeer gewoon ; thans vindt men ze soms nog in schuren en 
stallen» zeldzamer in winkels en oude arme huisjes. Nog andere spreekw.. 
zijn er aan ontleend : Zijn klak over de haljdeur steken (G.-V.); over de 
hatfdeur (of over de onderdeur j liggen (op de onderste helft der deur leunen 
om uit te kijken» een praatje te houden); over de onderdeur kijken (schert- 
send voor • naar buiten kijken 1 in 't alg.» doch met het bijdenkbeeld» dat 
dit naar onder geschiedt). Het is een man als Cats{i), en Cüts was un man 
als een onderdeur (Gez. van een persoon, die een kieine gestalte heeft. — 
H.}. 'I Is *en onderdeurtje^ as ze op 'en stoof 9it dan kijkt %e in 'en halfpints 
potje (Van iem. die met hooger is dan de onderdeur. — Box.). 

559. Achter de(n) grendel{s) zitten (In verzekerde bewaring» 
in de gevangenis zijn). Iem. achter den grendel zetten (In 
hechtenis nemen). — Hgd. Einen Riegel vorschieben. Einen 
Pflock vorstecken. 

In de Germaansche woningen uit den voorhistorischen tijd, was geene 
deur» enkel eene deur-opening. Toen er later een deur werd aangebracht» 

(1) Bij BoBKBNOoasN : Karten, 



— 164 — 

sloot men deze toe door een grendel of een houten wig; betere slnitings- 
middelen waren nog niet bekend. Achter slot en ffrendel tillen, toont reeds 
▼ooraitgang. 

Ik herinner nog aan : de grendeh dooreten (Zie boven n<» 151). 

360, De schoorsteen. — Daar de schoorsteen rookt, is het goed 
vrijen (Wie bemiddeld is, kan eerder aan trouwen denken, 
dan wie het niet is). Van liefde rookt de schoorsteen niet (Van 
liefde alleen kan men niet eten). Daar kan de schoorsteen niet 
van roóken (Dat geeft geene winst). 

De laatste spreekw. luidt bij Molbxa : Hier ttoan en niji verkoopen, 
duar ken misn schottijn nijt van rooken (Dat zeggen Trouwen, als zij den 
tijd verpraat hebben en been willen gaan). In *t Land van Aalst 
heet het : 

Met hier te %iiten en niet te verkoopen 
En kan mijn echouwken niet blijven rooken. 

In Wesl-Vl. wordt de tweede versregel aldus gewijzigd : 

En kan ik mijn kave niet doen rooken. — Het woord schoorstun, in de 
nieuwere beteekenis van rookleider, is in West- en Oost-Ylaauderen 
onbekend ; ginder heeft men *aa/*(Aar«), hier : ichouw. Doch, oorspron- 
kelijk had ichoorsteen een andere beteekenis; zooals het woord duidelijk 
genoeg zegt. was het een steen, die schoorde, die namelijk den rookvang 
schoorde. De breede, ver vooruitstekende schouwmantel van onze voor- 
vaderlijke woonhuizen, werd aan beide zijden van den aard door een 
steen of een ander stut geschoord, onderschraagd. 

Tegelijk met die ouderwetsche schouwen, die grootendeels verdwenen 
en slechts nog hier en daar in boerenwoningen te vinden zijn, is ook de 
eigenlijke schoorsteen achtergebleven. Daarmede verdween tevens in de 
meeste huizen de oude, voorvaderlijke heerd, waar in het najaar de leden 
van het gezin zich onder den wijden schoorsteenmantel zoo gezellig 
vereenigden en koutten en sprookjes vertelden. 

We zijn thans in de eeuw der zoogezegde • Hollandsohe schouwen », 
der stoven, kachels en gas vuren. 

361. De heerd f haard. — Die weinig wint en veel verteert, 
Vindt op het laatst een blooten heerd. — 't Heeft in den heerd 
geregend (Het vuur is uitgedoofd). 

De laatste spreekw. hoorde ik teWieze (bij Aalst); men zegt dat van 
een oude vrijster, die al in St-Anna's schapraai zit, bij wie dus het vuur 
der jeugd is uitgedoofd. 

Haard, — Ndd. en Hgd. Herd; Eng. hearth — In Noord en Zuid heerd 
uitgesproken, in 't Holl. dialect alleen haard ^ is een woord dat enkel in 
't Westgermaansch bekend is en overal met de beteek. : stookplaats ; 
in de Alemannische tongvallen bet. het bovendien : grond, aardopper- 
vlakte, en in de Belg, Kempen : vloer van het huis of hei vertrek. Zeer 



— 165 — 

waarschijnlijk is deze meer alg. beteek. vloer, grond, ondanks haar 
huidige beperking tot enkele streken, de oudste, te meer omdat ook in de 
Skandinavische talen een woord dat eig. vloer bedaidt (Oudn. arinn. De, 
arne, Hgd. dhren, eren^ Mnl. eren) de beteek. heeft gekregen van : vuring, 
stookplaats. c Vreemd is dit niet, want waarschijnlijk bevloerden 
(plaveiden) de Germanen in hanne huizen aanvankelijk uilsluitend de 
plek waar het vuur op werJ gestookt, tengevolge waarvan woorden voor 
v/oer de beteek. konden krijgen van stookplaats. » (Dr. A. Bkets, in Ndl, 
Wdb. Zie ook Vardau, Mnl, Wdb., op : eren, kol. 690.) 

Voornaamste beteeken issen : 1). De Woer van steen of iets anders, 
onder den rookvang of de schouw, op welken het vuur wordt gestookt : 
Aich ligt aan den haard (woordspeling met ai eb als). — 2). Het haardvuur 
zelf : 't Heeft in den heerd geregend. — 8) De stookplaats en het haard- 
vuur beide, de warmtebron in 't woonvertrek, gedacht als vereenigings- 
punt van huisgenooten en vrienden : a) In de eig. beteek. : Het koelde van 
den haard, Ie coin du feu. In het hoekje van den haard, daar de monnik dood^ 
vroor (tf dat gebeurd), d. i. nergens, nooit; b) Fig. De xetel van 't familie- 
leven, bij uitbr. het huis : Eygen heert. Is gout weerd (Gats); bi] 
GoKDTHALs '. Byghenon heerd is gouts weert (Zie Ndl, Wdb. en ViRDAir, 
Mnl. Wdb.). 

Ik wijs ook op de twee tijdschriften, het Westvl. Rond den Heerd, en 
het Holl. Eigen Haard, — Vgl. nog Ndl. Wdb. op : haardstede. 

S62. De hangel, de kaal (Het boven H haardvuur hangende 
ijzer, bezijden van tanden of kepen voorzien, waardoor men 
het lager of hooger kan haken, d. i. neerlaten of inhalen, en 
naar onder op een haak eindigend, waaraan pot of ketel 
wordt vastgemaakt). Fr. crémaillère. — De hangel vreest 
den rook nietW (De rechtschapenie behoeft den slechte niet te 
ontzien). Komen zien of den hangel spant (^) (Of er eten gereed 
gemaakt wordt). In den fispot gewasschen, aan den hangel 
gedroogd en met den pantoefel gestrekeni^* (Te Brugge, van een 
onzindelijk behandelde wasch — Rondom Aalst : In 't pis- 
pot jen gewasschen en in *t schouwken gedroogd). Iets met een 
zwarte kool baclUen den hangel 8chrijven(^: (Gez. van iets dat 
vergeten en gezwegen is, zal of zou moeten blijven). Een 
hangel van een vrouw(mensch) — Een smeerpoes of een slons. 

(1) Reeds bij Ds Brüne. 
(8) Ndl. Wdh. 
(8) Ndl. Wdb. 

(4) Loqueta, XIII, 62 (Te Harlebeke). Bij Schükrmaws : ïets achter den 
hangel schrijven =s geen staat op iets maken. 



— 166 — 

Gekleed gelijk een hangel — Slordige). Rondom Aalst : *t Is 
pereies den hangel van 't schouw (Vuil en slordig). Ze is zoo 
zwart als den hangel van 't schouw (Ook bij J.) (2). 

De hangel — het woord is in 't Land yan Aalst nog algemeen bekend, 
de haai daarentegen onbekend — heeft hier in de hnisen, waar nog een 
eigenl. haard bestaat, overal plaats gemaakt yoor een ketting. Het w. 
hangijzer, in dezelfde beteek. genomen, is hier even onbekend : Wat kan 
de rook het hangijzer (of den hangel) doen ? (Wat deert de booze, of het 
booze, den rechtvaardige? Zulk een hangijzer, zegt D' Bebts (Ndl, Wdb.) 
is nit den aard der zaak dikwijls heet. Vandaar : Een {heet) hangijaer 
aangaan, -grijpen, slaan, 'tasten (Iets hachelijks, iets netelige bestaan). 
Het ii een (heet, soms zeer oneigenl. ook hard) handijzer (thans altijd zonder 
het vroeger onvermijdelijk toevoegsel : om aan te gaan, aan te tasten) : 
Het is iets onaangenaams, moeüijks, gevaarlijks, hachelijks, enz. — 
Daarnaast : Het ie een heet handijzer, dat volgens sommigen de oorspron- 
kelijke uitdr. zal geweest zijn (Omdvter = gloeiend gemaskte ijzeren 
staaf, in de vnurproef, bij de Godsoordeelen. Zie boven, ons n« 258). 
D^ A. Bebts is echter geneigd hangijzer als den waren vorm te 
beschouwen . 

363. Om 't haal leiden, ook : haalleiden (Overoud gebruik, 
waarmede in 't schependom van Nijmegen nieuwe geburen 
werden — worden ? — ingewijd) , Vgl. Mtranden (Rondom 
Sottegem), en Fr. Pendre la crémaillère. 

a In de keuken is de heele buurt verzameld ; de haal hangt, versierd 
als een bruigomspij p, — niet onder den schoorsteen, maar aan een balk 
in 't midden van 't vertrek, naar oud gebruik; want in den t^d, toen de 
huizen nog geen schoorsteenen hadden, was de haardkuil in 't midden 
van den vloer, en hing de haal er boven aan een balk; ja, in sommige 
plaatsen is dit nog zoo (8). Tot de verdere toebereidselen behoort, dat er 
een takkebos aan den haard ligt, en een kroontje daarboven hangt; dat 
er eenige flesschen jenever in huis zijn met de noodige ham en verderen 
mondkost ; en eindelijk, dat er een speelman besteld is. 

« Nu staat een Jonge boerin op, neemt den nieuwen buurman bij den 
arm, brengt hem bij de haal, leidt hem er driemaal om heen, en geeft 
hem bij eiken omgang een kus. Bij den eersten kus spreekt zij : « dit is 
ter eere vlin God den Vadert » — bij den tweeden : « dit is ter eere van 



(1) Ndl. Wdb. 

(2) In die uitdr. is ichouw onzijdig; anders zegt men : De ichouw em 
trekt niet, — Een oud raadsel op den hangel i Ik kom in huis, en 't trekt een 
lip op mij. 

(3) Hier wijst Tbr Gouw op de afbeelding van een woning op 't eiland 
Marken (Dit schrijven dagteekent van 1871). 



— 167 — 

God den Zoon t » — en bij den derden : c dit Is ter eere van Grod den 
H« Greest t » — Dit zijn de drie geestelijke omgangen, maar daarna volgen 
nog drie wereldlijke, alsmede ieder met een kus en een toespraak. Bij 
den eersten kns : «dit is ter eere Tan oew t » — bi j den tweeden ; « dit is 
ter eere yan mie t » ea bij den derden : 

Dit is ter eere van de heele kompai^ie 
Met een fiesch jenever blende vrie. 

De fiesch komt, en als die leeg gedronken is, begint het 2« bedrijf. Ben 
jonge boer neemt nu de vrouw des huizes bij den arm» en herhaalt 
dezelfde ceremoniën en woorden, doch eischt bij den laatsten kus twee 
flesschen. ^ 

a In het 8* bedrijf vliegen al de boerinnen naar den haard, om den tak- 
kebos in brand te steken; — het 4* bedrijf duurt den ganschen nacht met 
drinken en eten, zingen en springen ; en het 5* Is, naar oude Germaansche 
zede, een vechtpartij van dronken boeren, waar de boerinnen, die ook 
niét nuchter zijn, gillende tussehen vliegen. » (Ter Gouw, De Volksverm., 
533.) Vgl. Westfal. De Brüd umi Bal laien (Wobste, Ein Hoehuitfbrauch) 
door D' Bbbts opgegeven. 

Een min of meer ver wan t9 ceremonie vindt men in Oost-Ylaanderen, 
nl. teHundelgem (bij Sottegem). 's Avonds nadat er een nieuw huisgezin 
zich ergens metterwoon is komen vestigen, loopt heel de buurt samen, elk 
met een bundel stroo, die te zijner eer wordt verbrand, onder het geroep 
van : « Vivat de goeie geburen. » Dat heet « de nieuwe geburen inbran- 
den f, of eenvoudig inbranden. Ook te Lebbeke placht men, tot voor 
weinige jaren, als lem. de buurt kwam bewonen, in al de nabijstaande 
huizen kaarsjes te doen branden. Te Leerne is het enkel een « beschin- 
kinge die gebeurt bij den boer, als hij ten vollen verhuisd is, » en dat 
noemt men « de qverhaalfeeste » (Loq, XII. 69.) Daar is dus hoegenaamd 
geene sprake van vuurtje maken. Evenzoo in het Fr. pendrela crémaiilère : 
c cëlöbrer par un repas l'installation dans un nouveau logement » (1). 
Deze Fransche uitdr. wijst echter duidelijk op een vroeger gebruik, min 
of meer in den aard van het Nijmeegsche haalleiden, waarbij ten minste 
de hangel, zoo niet het haardvuur in aanmerking kwam. 

Zou niet een aloud Germaausch gebruik hieraan ten grondslag 
. liggen? In den aartsvaderlij ken boerenhaard werd eertijds, eiken avond 
bij 't luiden van de « heerdklok » — Fr. Ie couvre-feu (sonnet Ie couvre-feu)^ 
Eng. the curfew — het haardvuur zorgvuldig onder de asch ingerekend, 
om tot den volgenden ochtend bewaard te blijven (2). Inden grijzen voor- 
tijd, toen het vuurslag nog niet of niet algemeen gebruikt werd, wa& dat 
inrekenen en bewaren van 't haardvuur zelfs een noodwendigheid. Nu, in 
de oude Germaansche rechtsgebruiken had het aanleggen van vuur de 
ttymbolische beteek. van inbezitneming, « Nog tot in nieuwere tijden » 

(!) Hatzf.-Darm., i. V. erémaiUère. 

(2) Daarop wijst : Bij rekent eene anders vuur in, en laat hel %ijne uitgaan» 
(Bij Yan Alkbmande en Harr). 



— 168 — 

zegt NooRDBwiiR^ 58, « wilde 1 gebruik in Tele oorden, om bij oyerdracht 
Tan bezit het oude vuur te blnssehen» en een nieuw aan te leggen. Zoo werd 
ook, wanneer de bruid huiswaarts geleid werd. Tuur in de haar nieuwe 
woning aangelegd ; denkelijk hier en daar ook nog in onzen tijd. » — 
Volgens den Drentschen Volktalm, van 1B41, bestond toen nog te Koevorden 
het zoogenaamde Vuurbeuten (ynnr aanleggen). Had iem. een hnisgekocht, 
dan kwamen de buurmeisjes roet toestemming van den nieuwen 
eigenaar, voor wien zulks zegen moest aanbrengen, een mand vol turf op 
den ledigen haard werpen. Daarop plantten zij een groenen tak, in Mei 
een bloeienden bagedoorn. Dan werd de turf in brand gestoken en om het 
Tunr gedanst. Ten slotte volgde brandewijn drinken, enz. en later een 
afzonderlijk partijtje voor de « vuurbeu&ter » (1). Ook Gallêk, Geld. 
(hwriji, Dial.9 geeft nog : anbóten = vuur aanleggen. 

Ofsehoon nu. Volgens den schrijver, die handeling voor doel en gevolg 
had de booze geesten buitenshuis te houden, schijnen al die verschillende 
vormen — kaaUetden, inbranden^ kaanjeM branden, vuurbeuten, pendre la 
crémaillèra — denzelfden grond te hebben : de oude zinnebeeldige inbezit- 
neming door 't aanleggen van een nieuw vuur. 

864. De haal (het haaltje) hangt er, ot is er gehangen (Het 

huishouden is er ingericht). Daar is goed inkomen (voor een 

jonge vrouw, een jongen man) : daar is de haal gehangen 

(T. en R.). 't HaoUfen is ehangen (Galléb). 

Die zegswijze zal men oorspronkelijk wel toegepast hebben op den 
jonkman, met een meisje trouwend dat reeds huis en hoisraad bezat, of 
met een welgestelde weduwe. « Terloops kan worden opgemerkt, zegt het 
NdL }\db , dat van ouds hier en daar het opgehangen zijn van de haal, 
evenals elders het onderhouden van vuur aan den haard, voor bewijs van 
huishouding gold; hael hanghen is dan synoniem met huus houden, gelijk 
dehael onghenaghelt int huije beschouwd werd als have (roerend goed). » 

865. Iets te berde brengen (Eig. ter tafel brengen; flg. ter 

sprake brengen). Zieh aan *t berd zetten (Aan tafel). 

Beide spreekw. zijn in t Land van Aalst bekend; de laatste is er van 
dagelijksch gebruik : Zet u aan 't berd, wij gaan eten, zegt de moeder tot 
haar huisgenooten. Voor de eerste komt dikwijls iets op 't tapijt brengen 
in de plaats. Met iets te berde komen, heb ik nooit gehoord ; daarvoor heeft 
men : Met iets op *t tapijt (of voor den dag) komen* Tapijten dienden eerst 
als mtftttrbedekking, later als vtoerbedekking. De tafelbedekking heet 
tafelkleed. Op 't (vloeT)iapiJt komen zinspeelt op de handelwijze der rond- 
loopende kunstenmakers, <iie een tapijt op den vloer spreiden om er 
hunne kunsten of die der hen vergezellende kinderen of dieren op te 
verrichten. Vandaar misschien : gedaan hebbei^, vertrekken ss aijn 
matten oprollen. 



(1) Tbr Gouw, Volkivermëken, &84. 



— 169 - 

c Het il niet Tolkomen zelcer, sehrijft D* Elutvib {Ndl. WÜ6.)» dat 
b$rd hier als tafel moet worden opgevat, hoewel op het tapijt komen 
{brêngon) daaraan doet denken. » Ons sohijnt dit zoo goed als zelcer, Tooral 
met liet oog op de gpreelLw. Ziek aan U berd wetten^ die in het Ndl. HVI6. 
niet Yoorkomt en wellicht aan Dr. Klüyybr onbekend gebleTen is. 
Joo8 geeft : Aan het bard *itten. Wif gaan aan 't berd (wij gaan eten); en 
C-Y. Aanh. : levert aan *t Berd %ijn of %iitén (Aan den dlseh» ter tafel). 
Stobtt wijlt op het middeleen wsehe «p bordt brengen (Fboesiart); van- 
daar ook : te borde brengen, komen. De tafel der onde Germanen was niets 
anders dan een breede plank (een berd), die men yóor het eten öp een 
paar schragen plaatste, en daarna weder wegnam. Na den maaltijd 
bestond er dns geen tafel meer. Daarop doelt wellicht ook de spreek- 
wijze : 

366. De zitting opheffen (Schorgen; staken). — Hgd. Die 
Sitzung aufheben. Fr. Lever la séanee. — Nog bij ons : de tafel 
zetten en wegnemen of afnemen^ voor servir en desservir. 

Voor ons vën de tafel ep$iaan^ Fr. te leeerde table, hebben de Duitachers 
nog : die Tafel aufhAen, wat duidelijk aan de onde Germaansehe tafel 
herinnert, die na het maal letterlijk t opgeheven •, — « anfj^ehoben • — 
opgebroken werd. Na een zitting, waar een en ander « te berde 9, ter tafel 
werd gebracht, geschiedde natuurlijk hetzelfde. 

367. Bord, tafelbot^d, eetbord (Teljoor). — Zij laat liet spek 
niet van haar bord halen (Zij laat zich niet overbluffen of beet- 
nemen). In 't L. van Aalst : Z'en laat 'tvleeseh van keurtaUoor 
nie langen. 

Bord of telloor (Fr. tailloir of tranchoir) is oorspr. een houten plankje, 
waarop men zijn vleesch sneed. Vgl. Iets te borde (of te berde) brengen (ons 
n» 805); tehoolbord, enz. — Later at men uit borden, d. i. uit kouten 
schotels. De volg. plaats uit Hütobiib* Cluvêwerk{l) vs. 336, bewijst dat 
bedoeld gebruik toenmaals al verdwenen was : 

Soo « tafelborden » *t woord van 't oude Hollands was. 
Men atter licht uijt hout; dat komt niet meer te pas. 

Taaloudheden van denzelfden aard als bord, zijn b. v. : gulden, die niet 
meer « van goud 9, oorijur, dat van goud of zilver en niet meer van ijzer 
is. Te recht dan ook zegt Verdam (GeuhK, bl. 280) : De uitdrukk. tilveren 
of papieren gulden, gouden oorij%er, steenen bord, bevatten dus eene inner- 
lijke tegenstrijdigheid (« contradictio in terminis •), evenals koperen 
hoorn, ttaUn balein, houten dameieen, koperen blik. 

368. De man met zijn vuurslag (Het heeft zijn goede^ maar 
ook z^n kwade zijde* — toegepast op menschen en zaken. 

(1) Aangehaald bij Vbrdak, GeechK bl. 980, 



— 170 — 

Het vuur, immers, is nuttig, maar sticht ook onheilen. — 
H.). Met moeite krijgt rnen vuur uU eenen steen. 

Herionert aan den tijd, toen men moest c yuur ketsen », d. i. door 
middel van een vunralag (stok staal) Yunr alaan uit een ynnrsteen (soort 
van keisteen) en aldus tonder doen ontylammen. 

369. De zarMóoper. Hgd. Die Sanduhr. Fr. Le sablier. 
Eng. Haur-glass. — Hij heeft te dikwijls aan den xandlooper 
gestooten (Is dronken. — Omdat het stoeten aan den zand* 
looper dien spoediger doet leegloopen, is dat een term voor 
c een zaak bespoedigen, > De zandlooper is hier de jenever- 
flesch)(i). Het uur is afgeloopen. De tijd verloopt, Hgd. Die Ühr 
ist abgelaufen; die Zeit verrint. Ygl. Fr. Le temps s*écoule. 

Herinnert aan den tijd, toen er nog geen uurwerken bestonden, en 
men met behulp van een zandlooper den tijd moest berekenen. Zooals 
men weet, liep het zand van 't bovenste fleschje In een bepaalden tijd, 
b. y. yan een uur, een halfuur, een minuut, al naar de hoeveelheid zand 
en de snelheid waarmede het viel, in het onderste fleschje. Hoogst waar- 
schijnlijk zijn de uitdrukk. : Het uur it afgeloopen. Die ühr iti abgelau- 
fe%t ens. daarvan overgebleven. 

370. Vensterruiten (Gesneden stukken glas voor een 
venster). 

* Een ruit had oorspr. den vorm van een scheefhoekig, gelijkzijdig 
parallelogram ; thans vindt men ruiten van velerlei vorm : vierkante 
ruiten, ronde en ovale ruiten, enz. 

yii. Bestékamer (Heimelijk gemak; eig. benedenkamer). 

In het Mlat. camera haua^ Oudfr. chambre ba»se\ in HMnl. nog wel 
eens boiêeeamere geschreven; daaruit ontstond bestekamer, en door volks- 
etymologie beelekamer. Bet. eig. benedenkamer, vertrekje onder in de 
kasteeltorens boven de slotgracht (Verklaring voor 't eerst gegeven door 
Dr. Vbbwus, in Taal- en Letterbode^ YI). — Uit een Ordonnance royale van 
30 Jan. 18»0 blijkt, dat er toenmaals te Parijs al eenige voorname huizen 
zoo'n chambre batse (of courtoise) bezaten. Daaruit was de uitdr. ontstaan 
êUer d chambre, ons door Joinvillb bewaard (3). 

Volgens Dr. Hbssblinq is bcitekamer geen vervorming van basee camere, 
maar een schertsende benaming van wat men in de 17* eeuw ook « het 
kasteel van Poortugael t noemde. Eerst voor 1818 vindt men een voorb. 
van beetekamer in den zin van : secreet, briUekiek; vroeger altijd : beste* 
kamer = pronkkamer (3). 

(1) Bêcehu» in Spreekwootdentaal^ door A. E. D. Hbrrobm; n« 751. 
(3) A. Frawklin, La vie privée d^autrefoie. L'Hygiène, 14. 
(3) Leidsch Tijdschr. v. Ned. T. en Lett.^ XVII, 293-296. Dr. Stobtt, 
Ndl Spreekw., Zutphen, 1900, &« 186. 



M) VOLKSVERMAKEN. 



A) Op bepaalde dagen of tijden. 

372. Boonkoning. Hgd. Bohnenkönig. Pr. Roi de la fève. — 
Hij heeft de boon van den koek gekregen (Hij heeft een lot uit 
de loterij getrokken, hij is gelukkig geweest). Pr. Trouver la 
fèoe au giteau. — Lukkeboone (lem. wien alles gelukt in de 
wereld; een zondagskind. — Loq, VII). 

Eenwen lang maakte men bij 't loten en stemmen gebruik van 
boonen(l). Daarom werd, in aommige steden, het kiezen yan magistraats- 
personen • te boone gaan • genoemd. « Te Hoorn b. y. werden de keur* 
mannen die de burgemeesters verkozen en de schepenen benoemden 
(voordroegen), bij loting aangewezen door en uit de daartoe gerechtigde 
boanluiden (80 & 90 der meest gegoede burgers), welke uit een zak of bus, 
waarin zeker getal witte en zwarte (elders : gouden) boonen waren, 
moesten trekken : wie eene zwarte boon trokken waren keurmannen. Later 
zijn bij geheime stemmingen over personen de 6oonen gewoonlijk door 
balletjesy enz. vervangen (ballotage) >(3). 

Iets dergelijks vindt men ook in 't overoude c GSoningsken spelen » op 
Driekoningen- of Dertienavond in gpbruik, waarbij de held, de koning 
van het feest door epn boon werd aangewezen. Deze zat verborgen in een 
koek of een brood, door den bakker of de huismoeder zelve gebakken, en 
hier de « boonkoek », elders « *t coninckxbrood • geheet en. Elkeen kreeg 
daarvan een soede, en hij, die in zijn deel de « coninckxbone b had» was 
koning. Soms wierp men het lot, en dat geschiedde doorgaans met 
boonen; het hoogste lot wees den koning aan. Ook ging er een « busje » 
rond, en die « de heilige bone » of « die Cïoninckxbone » trok, ontving 
kroon en schepter. Dan koos de koning een meisje uit het gezelschap tot 
koningin; daarop werden belden met stoel en al driemaal in de hoogte 



(1) Reeds bij de oude Grieken. 
(8) Ndl. }\db., III, 446-447. 



- 172 — 

gestild» ODder het laf drachtig gejubel van H geheele gezelschap. Dat was 
de lohnldiging van 't nieuwe vorstelijk paar (1). 

Sommigen schrijven de koningsboon een anderen oorsprong toe. De 
oude Germanen, zeggen zij, voor wie de boonen een der voornaamste 
voedingsmiddelen uitmaken, moesten zich tijdens de heilige « twaalf 
nachten • (d. i. dagen) van het Joelfeest (van Kerstdag tot Driekonin- 
gen) (3), van die spijs onthouden. Na die periode begroetten zij dan ook, 
op Dertienavond, de we Je r verschijning van de boon uit den heiligen koek 
met gulle vreugde. De boon scheen hun dan een godengeschenk en hij, 
wien ze te beurt viel, gold voor een zondagskind, of ren « iukkeboone »(d), 
zooals men te Passchendale (en misschien elders) zegt. Men noemde haar 
daarom ook wel de heilige boon^ — niet te verwarren echter met « heilig 
boontje », waarover wij boven (n» 340) spraken. 

Die wijze van « Koninkje spelen » met de boon, voorheen in alle Ger- 
maansche landen, ook in Frankrijk en nog elders een zeer geliefd volks- 
ver maak, Ib sedert ettelijke jaren in de Nederlanden sterk aan 't afnemen. 
In 1899, daags na Driekoningen, klaagde een bekend pasteibakker 
van Brussel aan een dagbladschrijver, dat de art. • boonkoeken • niet 
meer gewild werd. « Ik had er, zeide hij, een 30-tal met de traditloneele 
boon gebakken, en 'k heb ze moeten verkoopen voor gewone koeken. « Te 
leperen evenwel worden ze nog gebakken, evenals te Bogaarden, Herfe- 
lingen en die omstreek. 

Ook bi] onze Walen is het gebruik reeds zeer afgesleten ; de bakkers 
uit de steden geven nog hier en daar een « boonbrood » als nieuwjaarsge- 
schenk aan hun klanten. Dat bestaat eveneens in de Fransche Arden- 
nen (4). 

Br zijn echter nog andere wijzen om « op Derthienden avent Conings- 
ken te spelen. » 

873. Den koning trekken^- leggen,^ omleggen. In Hene- 
gouwen : Tirer les Rois. 

Om door loting den koning aan te wijzen, gebruikte men naast de 
boon, ook de zoogenaamde « keunlngsprentjes of -briefkes « : zeer goed- 
koope volksprentjeSf meestal gekleurd en van rijmpjes voorzien, looals 
er vooral te Epinal, en ook te Turnhout en elders gemaakt worden. Op 
blz. 29 van Rond den Heerd, 1879, vindt men zoo*n volledig stel afgedrukt, 
16 personages verbeeldend, op 4 rijen geschikt : Koning, Raadsman, 

(1) Tbr Gouw, VMtvermaken, 175 Schotbl, Oud-HolL Huige%in, 385, 

(2) Daarom heette Driekoningen « Dertiendag », welke naam in West- 
VI. en een deel van Oost-Vl. nog krachtig voortleeft ; vandaar ook, voor 
Kerstdag, de Hoogduitsche naam « Weihnaehten » (meerv.) en de Deensche 
en Zweedsche : Juni, Men : Jul^ — dus Germaansch-heidensche namen, 
duidelijk aan de voorkristelijke tijden herinnerend. 

(8) Lukkê SS soort van wafel, een nieuwjaarswafelje (Di Bo). 
(4) Wallonia, 1, 5; Y, 18-19. Meyrag, Traditionê, Coutumes, Lég, et Contet 
dei Ardennes, p. 74. 



— 173 — 

S«ereiari8, Kamerling, RentmeeBier, HofmMster, Sehenktr, VooMnijder, 
Biechtyader, Medecijn, Portier, Bode, Zanger, Speelman, Zot, Kok. (1) 
WaUonia, V., geeft ons een koningbrief met 16 prentjes (la c Carte de$ 
Rois »), elk van een passend 4-regelig versje voorzien (jaarlijks te Doornik 
op een groot getal ex. herdrukt.Men drukt er ook te Rijsel, en bij Didion te 
Metz (in 8 kleuren). In A. den Heerd, 1871, komen er blz. 44 nog 9 afzon- 
derlijke prentjes voor, doch deze zijn merkelijk ouder en dagteekenen 
van 1677. 

Die personages, wier getal naar gelang van het aantal aanwezige 
gasten vermeerdert, of vermindert, vormen het hof van den koning en 
moeten de rol vervullen door hun briefje aangeduid. De zot (of nar) had 
voor taak het gezelschap doer allerlei kv^inkslagen en gekheden te ver- 
maken, de schenker vulde de glazen, en de koning moestv natuurlijk zijn 
hovelingen goed vergasten. De grappige Bredero nam er in zijn tijd ook 
gaarne deel aan, en aarzelde zelfs niet de rol van het zotje op zieh te 
nemen, voor welke rol hij zeker aanleg bezat : 

Speulje Keuninckje, mijn Lief? 

Treek vear mijn dan ooek een lotje; 

l9 Krelis keuning in sen brief, 

Wat schaat het dat men lacht om 't Sotje. 

Te Ronse, te Segelsem en de omstreek, te St. Alooi's-Yljve, te Kuurne 
(Guerne), Lendelede en Emelgem, kortom in heel de streek gelegen 
tusschen Oudenaarde, Ronse, Kortrijk, Roeselare en Thielt, alsook te 
Brugge en ongetwijfeld nog op een aantal andere plaatsen, wordt het oude 
gebruik van het « keuning trekken » door briefjes nog gevonden. Naar ik 
verneem, trekt men ook prentjes te Dendermonde, maar te Antw'erpen ia 
het verdwenen. Yijf en twintig jaar geleden gingen de armste kinderen 
der Scheldestad van deur tot deur koningbriefkens aanbieden, onder het 
zingen van : 

Koningsbrieven en kroon, en kroont 

Koningsbrieven en kroon t 

Gebeurde het dat de kinderen niets verkochten nooh kregen, dan rie- 
pen zij spottend : 

Likt den hond zijn holleken schoon t (2) 

Nog in 1861 schreef Rsxnsbkbo-Düb., dat de kinderen er « énormé- 
ment » verliochten. « Gar dans les families de la bourgeoisie et des 
classes ouvriöres, oette ancienne coutume est encore religieusement 
observée. » (3) Toch is dat gebruik thans te Antwerpen uitgestorven. 



(1) De 16 koningsbriefjes, door Dblafaillb (Gtsch, v, Mechelen, II. 80) 
opgegeven, zijn bijna geheel dezelfde. 

(2) Mededeeling van den heer onderwijzer J. Jaecks, een geboren 
Sinjoor. 

(8) CaUndrier beige, I, 27. 



— 174 — 

In Waalsch-Brabant en dd Wdstel. helft van Henegouwen bleef het 
daarentegen voortbestaan. (1) 

Men dient onderscheid te maken tusschen de al of niet geklenrde 
koningprentjes (met albeeldingen Tan den koning, den zot en de andere 
personages), die men in de steden gebrnikt (Brugge, Dendermonde, 
Oudenaarde, Ronse), waar ze licht verkrijgbaar zijn, » en de eig. 
koningbriefkens, waar men in sommige dorpen gebruik van maakt 
(Emelgem, Lendelede» Oeluwe), en die door de spelers zelf geschreven 
worden. Deze zeer eigenaardige briefkens dragen te Lendelede de volgende 
opschriften : 

l. Koning ot koningin; — 2, schenker; — 3 drinker; — 4. Aot o(%ottin; — 
5, traag'Uii-den'nest; ^ 6. vuilvel; — 7. tckoenpoetier; — tt. loeten met *ijn 
piatte voeten^ hij ging aan de poorte gaan ttaan om de menschen te groeten\ 

— 9. ruttelare, pruitelare, pijkekoise, nooit van paue; — 10. laatU in de kerk 
^ eerst er uit ;^li. portier van 'l hoofdsalet, waar iedereen %ijn ronde op 
tet; - ld. trompetter onder de sargiën; — 13. sehuilelare op den perelare; — 
14. baas van *t hennekot als de haan niet thuis en is; <— 15. blekker (= een 
die boos kykt) door 't gotegat, enz. Voor Oudenaarde, waar dergelijke 
briefjes vroeger ook eenigszins in de mode waren, bezit ik een reeks van 
12 nummers, waaronder n'* 1, 2, 3, 4, 11 (zonder rijmpje), 12 en 14 van 
Lendelede voorkomen, naast enkele nieuwe : een schrijver, een schatmees' 
ter, een Jantje precies, een asschevijster en een pilaarbijter. Voor Geluwe 
vindt men er bij Ghjssqüibbb {Kinderspelen,!, 168 vlg.) ook een tiental 
vermeld: 1. Koning ot koningin; -^ 2, koningsdienaar; — d,%ot otwtiin; 
-^ é» sehoenblinker; ^ 5. schenker; — 6. pollekker; — 7. mmikant; — 
8. asschevijster keukemol, hij %it in den hoek en klap' 'et o/ ; — 9. loeten, mee 
%ijn plompe voeten, hij %it aan de balie om de leegaards te groeten ; — 10. grol, 
prol, kwaad om niemendal; — 11. *k ga Hjou morgen %eggen, enz. Men ziet 
dat de luimige, sarcastische volksgeest hier aan 't woord is, en als 't getal 
medespelers toeneemt, zal hij wel wat nieuws welen te vinden. In hoe- 
verre deze briefkens met die van nog andere gemeenten overeenstemmen 
of er van afwijken, is mij onbekend. 

De oudste oorkonde omtrent dat volksgebruik in Vlaanderen werd ons 
geleverd door M. Vandbr Strabtbn in zijn werkje Les billets desRois en 
Flanire (2). In de gemeenterekeningen van Veurne ontdekte hij, dat men 
reeds in 1469 een « Rol de joyeuse assemblee n placht te kiezen, aldaar 
« Roi de Pumpotte • geheeten, in wiens voordeel de rekeningen van dat 
jaar een postbevatten van zes kannen wijn. Ook onderde magistraats- 
personen van Mechelen bestond tot in 1557 een dergelijk gebruik, en de 
stad gaf den koning een of meer mudden Rijnschen wijn ten geschenke(d). 

— Voor Belgid bezit men evenwel oudere bewijsstukken : c Dans la 
vieillecChronique dumoineEgidinsli Muisis, abbé de Saint-Martin & 

{l)y^aüonia,Y,2\. 

(2) Gand, Vuylsteke, 1692. 

(8) RuKSB.-DtlR. 1, 27,28. 



— 175 — 

Tournai» » onlitquedéjéien 128t c selon une ancienne coatume t les 
citoyens les plus alsés et laars flls se réunireDi fraternellement autour 
d'ane vaste table ronde et élurent un roi. » (1) 

In 't Land yan Aalst, en zeker ook nog elders, heeft koninkje spelen 
een eenvondigeren vorm aangenomen. Sen der gasten, meestal de oudste 
zoon yan den huize —het feest wordt gewoonlijk door de gezamenlijke 
familieleden gevierd , soms wel met een paar vrienden — neemt uit een 
boek gewone speelkaarten juist zooveel kaarten als er medespelers zijn, 
zorg dragend dat er een heer hij weze. In 't geniep schikt hij de kaarten 
derwijze, dat de heer in dezelfde volgorde voorkome als die, welke er aan 
tafel ten opzichte van vader of moeder heerscht, zoodat, wanneer hij nu 
lijn kaarten achtereenvolgens omkeert en vóór de medespelers legt, de 
heer onvermijdelijk aan vader of moeder zal te beurt vallen ; deze wordt 
dan ook tot koning of koningin uitgeroepen. Dat heet te Denderleeuw: 
den koning leggen, ten noorden yan Aalst : den kuning omleggen. Voortaan 
zijn de rollen verdeeld, ^ant van zich hovelingen te kiezen is hier geen 
'sprake : de onderdanen drinken, de koning geeft te drinken en drinkt 
mede. De gewone drank is gebrande en gesuikerde jenever, in een aarden 
kom gegoten, na en dan eens omgeroerd en uit lepels gedronken. De kom 
wordt van hand tot hand voortgegeven en al de gasten slurpen uit 
denzelfden lepell(2; De koning komt natuurlijk het eerst aan de beurt, 
en dan placht het gansche gezelschap uit te roepen — en misschien nog 
wel hier en daar : de koning drinkt. Harbbbomêb heeft die uitdr. onder 
zijn spreekw. opgenomen met de beteek. : c De minderen vinden altijd 
hun voorbeeld in de meerderen, » en acht ze ontstaan uit ons oud 
(8 koningen) volkslied : De koning drinkt, bij Wzu.kms, n* GCIII(d). Doch, 
de Franschen kennen die uitdr. evengoed, zelfs beter. Zoo schrijft 
MsYaAC, blz. 74 : « Était rol qui trouvait la föve dans sa part (du 
gftteau), et quand il buvait (eet usage est d'ailleurs général en France), 
1'assemblöe devait crier : « Le rolt boitl » Qui ne poussait pas ce cri 
avait aussitöt la figure barbouillöe de jus de réglisse ou de lie de vin. » 
£n Gh. Beaüquibr (Franche-Gomtó) : « Le roi choisit sa reine et réeipro- 
quement. On est tou jours tenu de crier : « le roi ou la reine boitl... «(4) 
Maar zij, die dit nalaten, worden er niet meer zwart gemaakt, evenmin 
als in Vlaanderen, waar dat vroeger tot de attributies van den Zot 
behoorde (5). 

De volksoverlevering doet de uitdr. : c De koning drinkt » opklimmen 
tot de HH. Driekoningen, die 't Jezuskind de moedermelk zagen drinken ; 
anderen zoeken er den oorsprong yan in Die Evangeliën van den Spinrodsan. 



(1)Rkin8b..Düb.I, 2L 

(2) Vandaar is lepelen in Brabant en de aangrenzende Vlaamsche 
dorpen synoniem geworden van drinken (zie ïusrlinckx en Rdttbn). 
(8) Vgl. Bols, Honderd oude VL Liederen, n«« 96 en 27. 

(4) Bevuê dei Trad. pop. XIV, 12. 

(5) Rond den Heerd, III, 47. RBiwsB^DüR.» Cal. beige, I, 24. 



— 176 — 

Onder het boven vermelde « lepelen », wordt er heel de,n avond, vaak 
tpt middernacht, kaartgespeeld en bij poozen een vrool^'k liedje gezon- 
gen. Op menige plaats, overigens, is *t onde « koning trekken of omUggem^ 
ontaard in een eenvoudig liaartspelen, vergezeld van Jeneverdrinken of 
-slurpen, al of niet afgewisseld door een lustig gezang. In bijna alle 
huizen behoort er een « koekebak » of « wafelslag » (1) bij; en een kopje 
versche koffie met een paar wafels is dikwijls de bekroning van 't feest 
en het sein tot den aftocht. In de omstreken van Oudenaarde, Wareghem 
en Kortrijk drinkt men voor het sluiten gebrande jenever. 

374. Verxenderkensdag. Eng. AU fooW day. — Aprilgék, 
Aprilzot, Hgd. Aprilnarr. Eng. April-fool. — AprilsboodscKap. 
Aprüsgeiheid, ApHUgrap, Aprilssprookje. Fr. Poisson d'avrü. 
— Om aprilxaad eenden. Aprillen (lem. naar *t oude volks- 
gebruik op 1*" April beetnemen). Hgd. Aprüschióken ; einen 
in den Aprü sehicken. Fr. Donner (faire manger) un poisson 
d*avrü d qn. — In April zendt men de zotten op den dril. Op den 
eersten Aprü stuur je de gekken waar je wil. flgd. Am ersten April 
sehidU man die Narren wohin man wUl (of sehickt nian einander 
in den Aprü); ook : Aprü, kann ik minen Narren sehleken^ 
WO ik willW. Eng. On the first day of Apiil hunt the gowk 
another mile. 

De April sgekheden zijn vanouds bekend, niet alleen aan deze en gene 
zijde van den Moerdijk en, blijkens de aangehaalde uitdrnkk. en 
spreokw., ook in de naburige landen, maar zelfs in af^elegener gewesten, 
ja, in heel Europa en tot in Indiö toe. Hoofdzaak is 't in Vlaanderen altijd 
geweest een kleine of een onnoozelaar om een belachelijke boodschap bij 
een buurman te sturen, door wien hij bij een tweeden persoon, en verder 
bij een derden en een vierden, enz., werd gezonden, onder voorwendsel 
dat het gevraagde niet te zijnent, maar wel bij dien anderen te vinden 
was, totdat hij « gros-Jean ■ terugkeerde en dan voor den gek gehouden 
werd. Vandaar ons Vlaamsch woord : Verzenderkensdag, dat buiten eig. 
Vlaanderen, nog in een gedeelte van Brabant en Antwerpen wordt 
gevonden. 

De in Vlaanderen, Brabant en Antwerpen meest voorkomende bood- 
schap is om c Aprilzaad • sturen, en voorts om een aantal onvindbare 
zaadsoorten, scharen en andere dingen. Zoo laat men In 't Land van 
Aalst overal de « tasseheer » halen (tas s de in de schuur opgehoopte 
voorraad graanschooven) ; 

(1) De Bo heeft « wafeibak », — in 't L. v. Aalst minder gebruikt. 
{2) Bi^RTSOH, t. a. pi. II. 214. R. Andrke, t. a. pi,, 848. Schbadbb, 880. 
Frisghbibr, no 96. 



— 177 -i 

te fierdergem en Lebbeke ook : de plavei8cheer(l) en zweet vaü de^ 
achterdeur; 

te Denderleeuw : knoopsgaten; Btreep8meer8el;(2) gesponnen brood; 
de pallngscheer; de gamscheer (£fam = soort van muur» door opeen* 
gestapelde» gedroogde maar nog ongebakken kareelsteenen gevormd; 
mede in Haspengouw bekend); en het knuddelijzer (8); 

te Aalst : mnssehenzaad (4); koekoekszaad of -sap; kanarievogeUap; 
muggenoogen, muggeyet(5) of «sap; vogelsuikerklontjes; barbierszaad; 
vetboUekens ; koekenzaad; nagelzaad (6) of -sap; kasseisap» enz. Dit 
laatste ook te Welle, te Waehtebeke, eo 

te Gent: de plafondseheer, de verdikschaaf, Ardeensche koffie en koffie 
van Lessen (7); gestampte muggeteenen; haringsteertjes; 
te Beleele : het avanceerijzer, de knuddelscheer; 
to Dacknam : merg van mnggebeenderen (ook te Eernegem); kassei- 
zaad (ook bij Joos); ne slinken kruiwagen; ne slinken beerloeten (beer- 
lepel^. 

Verder nog in 'tL. v. Waas : een hanenei; een kasseiboor; olie van 
geraspte kasseisteenen of van muggebeenen; een kromspie; de kiekens- 
zaag (Joos). 

Te Ophasselt : naaldenzaad (ook te Antwerpen); 
te St-Denijs*Boekel en St. Maria-Laathem : de mijtschere; (te Denter- 
gem : de houtmij tsehere), om 1/2 kluite oor vet. 

Te Brugge : olie van mierepooten; zalf van lieren (liere sst bult)(8) om 
bulten te strijken; c om een fleschken van *t zelfde > (bij den apotheker 
met een gestopte fiesch, waarin men een wind heeft gelaten); 

te Lauwe : moustachezaad; ne cent luizezaad (9) ; het muizegareel; 
pollepelzaad; de kromme spa(de)vijl; olie van roö bulteko(?), gestampt 
in eenglazeke van mortier (s= glazen mortier) (10>; ne eent patiêntie; een 
kluite vijffhtnkneers; smeer van leer (Mer); 

(1) Ook te Boisschot (Antw.). 

(2) Streep : soort van kam» met groote, rechtopstaande, ijzeren tanden 
waarmede men het rijpe vlas van zijn zaadhuisjes ontdoet (Rondom 
Aalst) : vlM itrtptn. 

(3) Bij De Bo : knudM, knuttel^ hneutel, knoedel, noedel, iiifóM s deeg- 
bal van meel en krenten in water of melk gekookt. Fr. noudlBf nauille» 

(4) Ook te Berohem-bij-Antwerpen. 

^) Ook te Putte en te Waalhem (bij Meehelen), te Antwerpen en te 
WiigmaaU 
(6) Ook te Lauwe. 
(1) Volkskunde, II, f»0. 

(8) Zoo schrijft de heer Mkd.Vkrkest, wien ik de mededeelingen over 
West'^Vl. verschuldigd ben. Volgens Db Bo is liere = buik, balg {*ijne 
liere vullen), 

(9) Ook te Seherpenheuvel. 

(10) De glazen mortier komt ook voor in 't andere uiteinde van VI.- 

Belgiê, te Wijgmaal, ie Neer-Oeteren en te Maaseik. 

12 



— 178 — 

te VliBsegem : den muizenbril (= breidel); de aardappelzeef ; ▼•! van 
den spanriem; 

te Eernegem : olie Tan kasseisteenen ; ue slag yan den liamer. 

Voor West-Yl. vindt men nog bij Dk tio : JMlsem van ateenen en han»- 
gekraai. 

Te Antwerpen : gloeiende koevoeten; ingezouten rupsen; afkapsel yan 
mnggepootjes; vogelenpek; geknauwden AttguBtinu8(i); om 5 eens sprin- 
gers (bijnaam van zekeren apotheker, te Antw.)(l); droog iarwater 
(teerwater)x kopkes van vijgen; kasseisaus; paraplusaus; 

te Berchem-bij-Antw. : kattezaad; palingpootjes; 

te Schooten (bij Antw.) : vierkantige roncUes (ook te Jette en te Siam- 
bruges, bij Ath); 

te Lier : den glazen voorhamer; 

te Putte (bij Mecheien) : sikkelzaad (ook te JBoisschot); 

te Boisschot : het sehorsboor(2); deegnaalden; de smoulvijs; den 
sleutel van den ploeg ; de windblaas ; de steenschaaf om pataten te plan* 
ten; het kruishout (hiertoe dient uien den kruiwagen te bezigen). 

Te St-Truiden : platluiszaad» ne liter droog regenwater, de glazen 
strijkijzers, no frank blauw wiekgaren ; 

te Wijgmaai : den glazen voorhamer of den glazen mortier; een elsken 
(eleje) zonder punt; een mand zonder bo6m ; een rijf zonder tanden; kruid 
of poeder dat in April in de soep gebezigd wordt; 

te Neer-Oeteren : een pond eentenzaad, een liter sajet; 

U Daghet, YI, 167^ geeft nog voor Limb. : bessemzaad en kwezelsaad. 

In 't Uageland : gemaakte knoopsgaten; voor vijf cents maak mij zwart 
(Glabs, Idioi). 

Te Huisingen : zwart zout; een staaltje legen water; den gouden 
sleutel van den stal; 

te Jette : ue cent vierkantige rondebolleu; ne cent maak-mij-zwert; 
tien centiemen blokzaad; 

te Assche : het nestelzift; 

te Liedekerke : nen hanen trip; 

te Esschene (bij DenderL) : draaiboomzaad. 

In zijn Calandrier belge^ noemt Rkinsb.-Dür. : Keienolie, gesponnen 
zand (beide ook in Duitsehlandj, en ijzerbalsem. 

Bi] BosxiBNoooSN, Zêamche Volkstaal, vindt men : de dakscheer (in 



(1) Deze en andere dingen laat men in de steden bij de apothekers, de 
vleeschhouwers, enz. balen; Geknauwde Auguttinue as afval van vleeseh, 
fijn gehakt, door HAntw. volk meestal /ru^ geheeten, te Aalst pensief). 
Nu, frut is de lapnaam van een Antw. gazetverkooper, die den hoek der 
AugnstinuBstraat bewoont. Daaruit ontstond de volksultdrukk., die 
echter door sommige vleeschhouwers niet begrepen wordt, zoodat ze den 
vrager, schouderophalend, wegzenden. 

(2) D&ar onz. gebruikt. 



— 179 - 

Friesland : teckseierre) of dagseheer, de liooi schaar, de rafelseheer, de 
vierkante gaten-boor (aan de Zaan); de ovensehroef (Leiden); de kersen- 
8cliaar(l) en de Tliegenval (Gelderland). In Friesland : om de wormyal 
zenden ; om de steenschaaf ; den rechten winkelhaak of de dichte gaatjes- - 
pan ; de hooischaar of de pepernootsehaar. (W« Dijkstra, 1. 873 . In Gro- 
ningen : de Ylooieyalle; het worstepatroon (Volktk. XV. 80). 

In Duitschland zendt men kinderen en onnoozelaars nit om kreeften* 
bloed, muggeyet, eende- of ganzemelk, ofwel om spelden* of twijngaren- 
zaad, gedroogde sneeuw of de dijkschaaf te halen ; dan weer geldt het 
c een houtkrabber om bout te mijten, » of « een oorlepel om de ooren van 
het slachtvee te reinigen, b en zoo verder. 

JnSileziê stuurt, men iem.o. a. urn den Windêock; um Dukatentomen 
of Stecknadelsamen ; um AlückenfeU ; fünf Pfennige « meM. » (2). 

In Frankrijk gaat men om la cordeh tournor Ie vent, ot la maehine d 
faire virer Ie vent, de l'huile de piedi de tortue (of de pied» de ver)^ de rhuile 
de fagots, une seringve en fil de fer, Ie moule d êiguilUif la elé du champ de 
manceuvres, enz. 

M. CoLRON vermeldt (waarschijnlijk voor Lnik) : la seie d deux lamee; 
de l'huile de bra»; de la semence de balai, of d'aiguüle ; une ronde équerre; la 
hache a deux tétesj un maillet d deux manches; du rouge tel; du lait da baue 
of de por e; un (tuf de coq\ de l'herbe a couper Ie fer; un hareng $ans arétei 
(Wallonia, XI, 54). Onze Walen kennen o a. nog : la roue carrée, la haehe 
d troi$ tranchants, VaiguÜle èt deux irous; des ronds carréSp de lasamence aux 
barbex. 

Naast deze grappen bestaan er andere, waarbij men het veel meer op 
volwassenen gemunt heeft : iem. op een denkbeeldig feestmaal noodigen 
of hem anderszins een beschamenden c beenhouwersgang » (8) laten doen» 
dikwijls vrij onschuldig evenwel. Enkele voorbeelden : Te Pepingen 
(bij Hal) stuurt men een onnoozelaar naar een of ander huis, waar een 
konijn of een kalf mei drie koppen te zien is, — waar een hond op een 
dak of een boom is geraakt en er niet meer af kan, of laat hem naar den 
hoeveelsten der maand gaan vragen, enz. Te Wijgmaal vertelt men : in 
die herberg ia een man te zien met twee neuzen ; hier of d&ar moet een 
olifant passeeren. Men zendt iem. uit met steenen in een zak, met 
een zorgvuldig verpakten konijnpoot, of doet hem vragen, waarom een 
sedett lang ontleend voorwerp niet teruggebracht wordt. Te Antwerj^en 
heet het: Ga-Je mee naar den walvisch zien in 't droge dok? En te 
Jette : « Ga ne keer zien of ik ginder {plaatsaanduiding) nie en sta. » 
In Friesland vertelt een spotter aan zijn buurvrouw : « De slager 



(1) Op Lesbos kent men de elersehaar (Qporgbakis-Pinbau. Folklore 
de Lubos, 303;. 

(3) Dreghslbr, Sitte, Brauch.,. in Schlesien, I. bl. 105. 

(3) In *t Land van Aalst alg. gebruikt met de beteek. : nuttelooze 
reis. Ook bekend bij Hutten, Clabs, Corn.-Yervl. en Joos. 



— 180 — 

verkoopt nu goed rundyleesch voor 4 en 5 staivers* « De vrouw gaat daar 
op afy maar komt teleurgesteld terug en zegt : t Het vleesch kost 9 stui- 
vers. » — t Wel zeker, dat heb ik je gezegd; vier en vijf is immer» 
negen (1). 

Tot vóór eenige jaren plachten alle dagbladen den 1** April een ver- 
zonnen, vaak geruchtmakend nieuws af te kondigen, 'twelk dusdanig 
werd voorgesteld, dat velen het als ernstig opnamen. Dit is echter uit de 
mode geraakt, evenals reeds menige andere eigenaardigheid van dezen 
dag tot het verleden behoort, want vroeger was dat volksvermaak veel 
algemeener en de deftigste lieden vonden er genoegen in. t De straat was 
weleer ;op den !«« April vol gekken » zegt Tbr Gouw, en de vernuftige 
geesten schreven op dien dag Aprilssprookjes. 9 

De afslijting der Aprilsgekheden wordt overal waargenomen. Zoo 
luidt een stem uit Franche-Gomté : c Aujourd'hui Tusage du poisson 
d'avril a notablement diminué. Il n'y a plus guöre que les enfants qui 
cherchent k s'attraper entre eux ou bien k faire quelque farce aux 
pas8ants.'(2} » £n Guido Gbzbllb schreef reeds in 1866 : « Ëen dingen is 
' zeker : 't is dat dat gebruik van vóór Christus dagteekent en geheel de 
wereld door verspreid is, of wai liever, want het sterft uit (8). » 

Het nasporen van den oorsprong dezer volksgebruiken heeft aanleiding 
gegeven tot velerlei onderstellingen, de eene schier zoo ongerijmd als 
de andere (4); daarom wil ik er mij niet mede inlaten. 

Vooralsnog is daaromtrent niets met eenige zekerheid te zeggen» 
tenzij dat een zoo algemeen verbreid volksvermaak stellig tot de hooge 
oudheid opklimt. Voorloopig acht men de gissing van den Duitschen 
geleerde F. Nork (eig. Eorn) meest geloofwaardig. Volgens hem viert 
men sedert overoude tijden in Indie een soort van carnaval, het Hul- of 
Hulifeett genaamd ; het heeft plaats in Maart of April en zou dus misschien 
wel een feest der lentenachtevening kunnen wezen. Evenals hier, gaat het 
met gekheden gepaard, en daarenboven met het opdragen van bespotte- 
lijke boodschappen, die enkel voor doel hebben iemand voor het lapje te 
houden. Onze Aprilsgrappen zouden dus dagteekenen uit die lang ver- 
vlogen eeuwen, toen onze gemeenschappelijke voorouders, de Ariërs, nog 
niet uiteengescheiden waren t Men begrijpt dadelijk dat een dergelijke 
gissing nooit zal kunnen bewezen worden, en dus een loutere gissing 
blijven zal. 

Zie verder nog voor de Aprilsgekheden : Stobtt, noj386; WëUonië, Xl. 
54-56 ; Arehiveê iuisêa, VI, 142 ; Nxoolat, t. a. pi. II, 61-66; A. d. Trad. pop. 
XV. 181-182. 

(1) W. Dijkstra, 1. 162. Hij geeft daar verscheidene staaltjes. 

(2) Revue d. Trad. pop. XIV, 227. 
(8) Rond den Heerd, 1, 187. 

(4) Zie daarover : Tbr Gouw, 126-127; Sghradbb, n« 86; Borghardt, 
no 51;RozAN, 349^350; Rbinsb.-Dür,, t. a. pU, I, t0^204i VoUukunde, 
II, 261-262; '/ Daghet, VI, 188, VII, 81. 



— 181 — 

Laat ik nog even het welbekende rijmpje aanhalen : 

Den eersten April 
Verloor Alva zijn bril, 

herinnerend aan de inneming van Den Briel, op 1*^ April 1572, door de 
Watergeuzen. Steunend op dat feit, heeft een HoUandach geleerde 
beweerd, dat onze Aprilagrappen slechts een weergalm zijn van de luid- 
ruchtige vroolijkheid zijner landgenooten, toen ze hoorden hoe deerlijk 
Alva was beetgenomen. 

Het ongerijmde dezer bewering is opvallend : een in gansch Europa 
verbreid volksvermaak kan onmogelijk zijn oorsprong vinden in zulke 
locale feiten* 

In het Leidsohe Tijd$ehr. v. Ndl. T. en Lttt. XI, 25-81, heeft Prof. Fbüim 
bewezen dat bedoeld rijmpje, 'twelk eigenlijk in strijd is met de histori- 
sche waarheid, als zou Alva van dan af zijn helderziendheid gemist 
hebben, het oorspronkelijke, onberijmde gezegde heeft verdrongen (1). 
« De Hertog {van Alva) krijget een Bril (= breidel, klem) op die Nense. ■ 
(Bij Thkophilüs, hul d. Ndl, Oorlogen, 1579). Bon, Kdl. Oorl., 1601, geeft 
reeds: 

Den eersten Dach van April 
Verloor Dno d'Alve sijnen Bril. 

375. Mei, mHboam. Hgd. Mai, Maibaum. Fr. mai. Eng. 
tnaypole. Den mei(boom) planten, vellen." Hgd. den Maibaum 
setzen. Fr. planter Ie mai. — Vermeien W (Met meitakken, met 
loover versieren) ; zich vermeien (zich in de open lucht ver- 
maken als op meiavond of meidag) . Spelemeien(zich in 't voor- 
jaar in de vrije natuur vermaken; den meiboom gaan 
planten). — Den meitak op een werk leggen (Het bekronen. — 
V. D.) Daar steekt geen meiken op; daar is geen meiken op te 
steken (Dat laat wel w^at te wenschen over ; dat kon wel beter. 

— A.). 

Het meiboomplanten, dat op meiavond of den 1*<^ meidag, soms te Pink- 
steren plaats had, is van aloude dagteekening(8) en klimt zelfs op tot den 
heidenschen voortijd. Ofschoon dit volksgebruik vooral in de Germaan- 

(1) Zie daarover nog : Tijdsch. van Ndl. T. en Lett. XVI, 70, en Ndl, 
Wdb, III, 1379, 1883. 

(3) *t Daghel, VI, 139, gebruikt ook het ww. meien (met een mei versie- 
Ten), dat ik bij Db Bo, Tübrl. noch Rutten heb aangetroffen, wel echter 
in Loquela, Vil, 18. Ik vind het nog bij Hcedfft {Bredaatch Taaieigen), 
Rondom Aalst zegt men : ne mei {op)tteken. 

(8) Oorkonden nit de 18* eeuw vermelden het reeds als een traditioneel 
volksgebruik ( Z. Manmhardt, BaumkuUus der Germanen, 160). 



— 182 — 

sche landen thuis hoorde, vond men het ook bij de Westslawisehe volken, 
alsmede in Frankrijk, Italië en Spanje, en heden ten dage schijnt het 
hier en daar nog krachtig yoort te leven en nog nergens geheel uitge- 
storven. (1) 

De terugkeer van het schoone jaargetijde werd door het Germaansche 
volk met luid vreugdebetoon gevierd. Jongelieden en kinderen van beide 
geslachten, zelfs ouderen van dagen, trokken den l*» meidag naar het 
woud, velden daar een jongen boom, liefst een berk, een den of een esch, 
omwonden hem met gebloemte en slingerplanten, laadden hem op een 
versierden wagen, en zóo kwamen ze dan, zei ven met bloemen en groen 
getooid» met loovertakken en bloeiende meidoorntwijgen in de handen, vol 
uitgelaten vroolijkheid, juichend en zingend^het dorp binnengereden. (2) 
Dien boom, dien meiboom, plantte men op de voornaamste dorpsplaats, en 
de blijde menigte danste er huppelend rond, onder het zingen van lustige 
meilie4i^ en het ledigen van een schuimend glas. 

Met de meegebrachte takken en twijgen, die men natuurlijk meitakken, 
of eenvoudig meUn ging noemen — zooals mijn vriend Pol ob Mont in 
zijn fraai opstel Meigebruiken in Vlaamsch België (8j zeer welzeide -* met 
de bloemen en de looverkransen werden dan ook de huizen en gevels van 
dorpsoverheden en andere hooggeëerde personen behangen (4), en de 
vrijer plantte een meitak bovenop of vóór het huis zijner beminde. Zóo 
werd de zomer feestelijk ingehaald : lieel de bevolking feestte mede, en 
zelfs de hoogere standen vonden er pret in. 

Voor de oude Duitachers was de afwisseling der jaargetijden een kamp 
tussohen twee reuzen, die beurtelings elkander overwonnen : de een, de' 
zomer, schoon, vriendelijk en goed, — de ander, de winter, leelijk, 
grimmig en boos (5). Had de zomer, tijdelijk uit het land gedreven, 2ijn 
vijand opnieuw verslagen, dan stelde de vroolijke meirit zijn plechtige 
intrede voor. Om dien kamp te verbeelden, mengden ér zich, in zekere 
Germaansche gewesten, onder de c mei voerders • eenige gewapende 
mannen te paard, en naast hen ging een Moor of een Turk, een reus of een 
duivel, die door hen werd bevochten en gedood (6;. Zelfs in Sicilië, te 
Syracnsa» vond dit plaats, doch in gewijzigden vorm : hier waren ver- 
scheidene overwonnelingen, en deze werden, met de handen op den rug 
gebonden, binnen de stad geleid. Een versierde boom, met een dichte 



(1) LiBBREGHT, Zuf Volkskunde^ 878; R. Akorbe, t. a. pi. 844. 
(d) Zie de beschrijving van een dergelijken mei tocht of meirit bij 
Hofdijk. Om Vwrg. I, 44-45. Zie ook Kalff, Het Lied in de M., 298*399. 
(8) Volkikunde, XI, 8. 

(4) Vandaar nog het Fr. spreekw. : A celui qu*on n*aime pat, on neplanie 
pa$ de mai {Revue d. Trad. pop,, XIII, 409). 

(5) Zie Grimm, Myth., 685; Simrock, Myth., 588; Golthbr, Myth,, 190; 

LiBBRBGHT, t. R. pi. 878. 

(6) Mannhardt, 348 vlg. 



- 188 — 

bladerkrooD, op een wagen aangebracht, Yormde echter het hoofdmotief 
Tan den stoet; en 't feest lelf heette het boomfeest{l). 

In Thnringen ging de winter zich, op den Sinkseudag, in de gedaante 
yan een met loof en mos bedekten wildeman in 't bosch verbergen, de 
OYerigen kwamen hem opsporen, echoten hem (schijnbaar) dood ter neer, 
doch riepen hem terug in 't leven, bonden hem vast en brachten hem naar 
't dorp. In een jongeren vorm is die wildeman met bonte kleuren geverfd, 
of soms met schoorsteen roet gezwart, waardoor de kerel tot een duivel 
werd en het spel zelf den naam ontving : den Teufel aui dem Bu$eh 
holenl^). Elders weer verschool zich een paar — de Meikoning (of Mei- 
graaf) met zijn bruid — gehuld in een kleed van loof en bloemen, in het 
dichte wond, waar de volksmenigte hen ging opzoeken om hen triomfan- 
telijk het dorp binnen te leiden, terwijl men anderzijds eenige met mos 
bedekte wildeman neo, de achterblijvers van den winter, nazette en op 
de vlucht dreef (8). 

De feestelijke meiboomplanting stond dus gelijk met de plechtige 
intrede van den vriendelijken, met loover bekleeden reus, en evena^ 
deze, verpersoonlijkte bij het schoone jaargetijde. 

Oorspronkelijk was de meiboom een levende, doch versierde boom; 
later, toen men soms in eene stad verscheidene zulke meiboomen plantte, 
en de overheid het uitroeien van zooveel jonge boomen krachtdadig tegen- 
ging, werd de meiboom allengs een hooge mast, met velerlei versiersels 

— bloemenen kransen, lintjes en vlaggetjes, bollekens en scheÜetjes.enz. 

— opgetooid, en vooral in dezen vorm bleef hij tot op onze dagen, hier 
en daar, nóg voortbestaan. Ook het planten van meitakken voor de 
hulzen der vrijsters^ werd in sommige steden verboden, op grond dat de 
8tadsix)0men er door Ieden(4). 

De verdwijning d»ir meiboomen heeft nog andere oorzaken. Daar het 
gebruik van heldenschén oorsprong was en vaak tot zuiperij en realis- 
tische liefdepartijtjes aanleiding gaf, schreven de geloofspredikers en de 
geestelijken er een duivelachtig karakter aan toe, en beijverden zich om 

(1) GuBBBMATis^ Mffth, (f. Planttit 1, 3*39. Livbrbcht, 377-878. 

(3) MilNNHARDT, 886. 

(8) Hbrrmanm, D. Uyih., 166 ', Mammhardt, 234-237. 

(4) Tbr Goüw, t. a. pi., 142. Ook in België. « Déj& au eommencement 
de la d"* partie du XVI* siècle, une ordonnance (du 24 avril 1566) inter- 
dlt aux gentilshommes, serviteurs de la gouvernante, ou des chevaliers 
de 1'ordre et autres vassaux habitant Bruxelles, d*abattre de ces arbres 
au lieu dit la Hoeehdep ou ailleurs, ehose défendue par Ie Keurtboeck, et si 
nnisible aux bois par 1'abus qu'on en faisait, que, dit l'ordonnance, la 
forèt de Soignes s'en tronvait tellement gfttêe, foulée, endommagée, que, 
par la succession des temps, il en devait résulter de grosses pertes et 
d'irréparables dommages. » Die ordonnantie werd herhaaldelijk ver- 
nieuwd en nog al streng uitgevoerd (Dr. Gorehans, La Bélgiqut et la 
Bohème, Bruz., 1863| p. 59-60). 



^ 184 - 

het nit te roeien. Vooral de Galvinisten, in de Nederlanden» kwamen er 
hardnekkig tegen op(l). Allengs hield het meifeest op een algemeen 
Yolksfeest te wezen ; de hoogere standen en de gegoede burgerij verwij- 
derden zich het eerati dan trok de geringe bnrgerij zich ook terug, zoodat 
de oude meigilden met hunne meigraven verdwenen, en het feest 
eindelijk geen andere deelnemers meer vond dan enkele arme lieden en 
kinderen, om daarna geheel tot het verledene te behooren. 

Ik dien echter nog te zeggen, dat het meifeest in de middeleeuwen een 
belangrijke veryormlng onlerglng; de geloofspredikers, met leedwezen 
ziende, dat het bekeerde volk niettemin bleef vasthouden aan zijn oude 
gewoonten, gaven er een christelijke kleur aan; de meiboom werd tot het 
symBool der Moeder Gods gemaakt, en de meimaand haar bij zonderlijk 
toegewijd. Weldra zag men op straten en wegen vóór de O. L. Vrouw- 
kapelletjes» en in de kerken, vóór hare autaars en beelden, meiboomen ver- 
rijzen. In dien godsdienstigen vorm vertoont het meifeestvieren thans nog 
een krachtig leven : in al onze kerken ziet men heden, gedurende gansch' 
de meimaand, de H. Maagd op haren troon verheven» prijkend in een 
rijkdom, boven en onder en rondom haar, van bloem- en looverkransen, 
van zilver en goud» van groen en wit en blauw en rozerood, van allerlei 
tinten en schakeeringen. Rijken en armen achten het een eer en een geluk 
een schoon gewas, een bloeiende plant te mogen afstaan om in de Mei- 
maand het Mariabeeld te gaan versieren. In de omatreken van Ninovo, 
Aalst eu Dendermonde — Rbinsb.-Düb. noemt ook Mechelen, Isegem en 
Waregem en het omliggende (2) — vindt men thans aan de openbare 
wegen, voor een aantal heiligenkapelletjes en kruisbeelden, vóór grotten 
en kapellen van O. L. Vr. van Lourdes» nog alle jaren bekranste en 
bebloemde meiboomen opgericht. Ook te Wevelgem kent men nog den 
méiboom, en wel in den vorm van een « gepelde» geschilde en anderszins 
gepinte sperre, die men op meiavond vóór een kruisbeeld of een wegkapel- 
leken plant. » (3) In 't Land van Aalst komen dergelijke meiboomen o. a. 
voor : een te Denderleeuw (wijk Huisegem, kap. van O. L. Vrouw), een te 
Pamel (kap. van O. L. Vr. van Lourdes), een te Teralfene (grot van 
Lourdes), een te Moorsel (wijk Dressel)» een te Lebbeke (dorp), drie te 
Meldert (de schoonste vóór de kapel van St. Rochus)» een paar te Baasrode 
en te Assche. Ook te Exaarde, op de wijk « Den Briel » (kap. van O. L. 
Vr.) wordt nog een mei geplant. Twintig jaar geleden plantte men eenen 
te Neigem vóór de kapel van Bevingen» en tot voor éen jaar ook te Meer- 
beke op de wijk t Het Kruis », vóór een Christusbeeld. De planting heef t 
of had daar gemeenlijk een godsdienstig karakter : te Meldert gaat zij 
gepaard met het gezamenlijk bidden van een rozenhoedje» te Pamel (^ 

(1) Dat is misschien de reden, waarom het gebruik in Zuid-Nederland 
nog voortleeft, terwijl het in *t Noorden totaal is uitgestorven. 

(2) Calendrier beige, I, 281-284. 

(8) Loq. XI, 70. 

(4) Daar worden tevens kanonschoten gelost, wat eveneens te Meer-« 
beke bestond. 



— 185 — 

met het zingen van een lofzang. Te Meerbeke en te Neigem ging het op 
dezelfde wijze toe. Te Denderleeuw en te Moorsel nochtans heeft het feestje 
meer een wereldsch karakter ; de Denderleeuwsche kinderen, jongens en 
meisjes, alt de huurt, dansen in een ronde om den bekroonden staak, en 
zingen een half godsdienstig meiliedje, dat de meisjes in de kloosterschool 
hebben aangeleerd. Verder niets meer. 

Die meiboomen zijn meestal zeer eenyoudig ; een denneboompje of een 
hoppestaak, versierd met wat looyer en gebloemte, met eenige vlaggetjes 
en papieren vaantjes en boUekens van spiegelglas. 

Te Scherpenhenvel echter en in de omstreek, waar ook meiboomen 
voor de kapelletjes staan, zien zij er mooier uit. Veel eenvoudiger 
daarentegen is de meiboom geworden in de Eempisehe dorpen tusschen 
Gheel en Moll, zooals mij verleden jaar, bij een voetreisje door die 
streek, is gebleken : het kruis dat den voorgevel der kapelletjes bekroont, 
wordt op meiavond versierd met een bundel reepels van wit en blauw 
papier, dat men evenwel op 't einde der maand niet wegneemt, zooals 
dit met den echten meiboom steeds gedaan wordt. 
' Buiten de reeds genoemde meiboomen, zijn er mij hier nog een dozijn 
andere bekend, die veel meer het karakter hebben der oude gemeentemei* 
hoornen, en waarvan eenige er waarlijk prachtig uitzien : éen te Zele, vijf 
te Lebbeke, drie te Wieze, éen te Moorsel, drie te Aalst en éen te Dender- 
leeuw. 

•Een woord in 't bijzonder dien ik te wijden, en wél te recht, aan den 
oudsten meiboom van Wieze, die sedert 1818 elk jaar geplant wordt voor 
het hek van den lusttuin van het grafelijk kasteel De Glerque- 
Wissocq. (1) 

In April 1818 werd te Wieze een soort van meigilde gesticht, bestaande 
uit 82 leden, welk getal sedert nooit is veranderd geworden (2). De titel 
van *t reglement luidt als volgt : « Reglement der maatschappij van' den 
■ Meiboom onder zinspreuk : « Eendracht », ingericht binnen de gemeente 
ff Wieze, district Dendermonde, provincie Oo8tvlaanderen,in date 22 April 
« 1818, welke maatschappij voor doelwit hebbende jaarlijks eenen mei- 
« boom op te richten strekkende tot een dankbewijs aan den weledelen 
c gestrengen heer Frans de Glerque-Wissocq, Burggraaf der parochién 
« van Clerques en Wissocq, Ridder heer van Andaan, heer van de 
« ambachtsheerlijkhede van Sousberghe; Bonningnes, Winkels, Rossem, 
(c Ylasberghe, en dezer parochie van Wieze, etc. etc. etc. mitsgaders aan 
« de weledele vrouwe Mevrouw Eugenia de la FaiUe, zijne dierbare 
« gemalin en hoogachtbare afstammelingen ■. 

Dat reglement, 9 art. bevattend, is tot heden schier ongewijzigd in 
zwang gebleven. Zonder aanmaning en op straffe van boet, moeten de 
leden Jaarlij l£8 den meiboom planten daags vóór 1«" Mei, en wegnemen 



(1) In 1906 heeft dat kasteel een nieuwen eigenaar gekregen. 

(2) Elk afstervend of ontslagnemend lid wordt bij voorkeur vervangen 
door eep bloedverwant. 



— 186 — 

den laatsten dag der maand. Bij elke dezer gelegenheden hebben de leden 





een eet- endrinkpartijtje; ook op de kermis Tan Wieze hebben sij zoo'n 
feestje, ditmaal bekostigd door den^ kasteelheer. Tevens geeft hij prijzen 



— 187 — 

te winnen, die door de leden en hunne yronwon worden « afgebeld i(l). 
Dan Tolgen andere spelen en ook danspartijen, die tot laat in den nacht 
voortduren. 

Bi] het planten en wegnemen van den meiboom, telkens aangekondigd 
door 9 kanonsehoten, gaan de leden den graaf ^ in geval hij aanwezig is 
— hunne hulde aanbieden. Yoor ieder afgestorven lid laat de maatsch. 
een mis lezen. — Dat alles is van 1818 tot heden onveranderlijk hetzelfde 
gebleven, en die bemerking geldt insgelijks voor de versiersels van den 
meiboom zei ven. Een 30-tal jaren geleden^ had men ook het zingen van 
meiliedjes op het programma gebracht, doch dat is spoedig in onbruik 
geraakt. 

Die oude en alleszins prachtige meiboom, waarvan wij hier eene 
afbeelding geven, heeft in den omtrek veel navolging gevonden; Wieze 
was wellicht het uitgangspunt, van waar het gebruik zich over heel de 
streek Dendérmonde-Aalst-Ninove-Assche verspreidde. Al die meiboomen 
zijn naar hetzelfde plan vervaardigd en hebben dezelfde versiersels. 

De grafelijke meiboom is een hooge mast. welks voet beschut wordt 
dooreen raam van latwerk, waarboven, langs drie zijden, jaarsehrif ten 
zijn aangebracht (2); aan de vierde zijde staat het wapenschild deredele 
familie. Het boveneinde van den mast heeft drie afdeelioges : eerst ziet 
men een kruis, waarvan elke arm een kegel draagt van lijn latwerk met 
een vogeltje bekroond en voorzien van windbakjes, die, bij ieder wind- 
geblaas, de kegels doen ronddraaien. Daarop volgt een soort van kooi, 
met gekleurde bollen en starren versierd. De spits, nogmaals kegelvor- 
mig en ook van windbakjes en « spiegelbollen • voorzien, heeft op den top 
een smal plankje, bij wijze van vlag, waarboven de (grafelijke?) kroon 
prijkt. Heel die spits wordt door den wind in een draaiende beweging' 
gebracht, waardoor de hier en daar bevestigde schelletjes een vrooüjk 
geklingel laten hooren. 

Te Wieze komen twee fraaie namaaksels van dien meiboom voor : 
een, bijzonder schoon, naast de woning van den burgemeester E. Galle* 
baut(8), opgericht ter eere van Sl-Rochus, wiens kapelletje in de nabij* 
heid staat, en een tweede, veel minder fraai, op de wijk Royen. Hier is 
bij de planting heel de wijk in feest, terwijl het voor den Rochusmeiboom 
zeer eenvoudig toegaat : als de planters een half dozijn pintjes gedron- 
ken hebben, dansen zij hand aan hand om den boom, zingend : Hier, op 
dezen steenweg, daar staat een meiboom, enz.— blijkbaar een omwerking 
van het bekende volksdeuntje, « Hier op onzen steenweg, daar woont een 
meisje, » enz. 

(1) Dat is : een kainpstrijd met « de bolle • wijst de prijzen toe; de 
vrouwen verkiezen hier gemeenlijk de « gerreboUing * (bollen door een 
reet, tusschentwee in den grond geslagen latjes). 

(2) Eenjaarschrift voor 1898 : Weiachtbare kastee/vrottw, deze h^erM/ke 
praa/boom weze U IM (De gravin was dan weduwe) 

(3) Zie de afb. er van in Volksk., XI, 5. — Twee Jaarschr. van dien 
meiboom (1898) : Schoone /ente, uwe weder verschijning doei heel de naitwr 
her/even. Ge/ukza/tge Rochus, wil deze buurt bewaren van a(/e smetziekien. 



— 188 — 

Ben paar even mooie konterfeitsels Tan Wieze's meiboom vindt men 
te Aalst; beide xijn, in zekeren zin, symbolen van een brouwerij : de 
eerste, van de brouwerij De Zwaan (M. MaY Moens), daarom met een 
groote zwaan (op den top) en tal van kleine zwaantjes er omheen, — de 
tweede, van de brouwerij De Haan (M. Fr. Van de Maele), daarom 
bekroond met een grooten haan, en naar onder tal van kleine haantjes 
dragend. Ook heiligenbeelden, bloemkorfjes en rennende paarden zijn 
hier bijgevoegd. 

De meiboomen van Lebbeke staan op de wijken Heizijde, Minnestraat 
en Achterste-Breestraat, de twee overige in de kom van 't dorp; bijzon- 
derheden daarover zijn me niet bekend. 

Omtrent den meiboom van Zele weet ik alleen, dat er bij de planting 
meiliedjes gezongen en rondedansen uitgevoerd worden. 

Nog andere fraaie meiboomen kwamen hier vroeger in den omtrek 
voor : een te Herdersem, vóór de kapel van O. L. Vr. ten Beeldeken (55 j. 
geleden); een te Aalst-Mljlbeke, vóór het kasteeltje van M. Blondel. 
destijds voorzitter van den provincieraad van Antwerpen (ruim 25 j. 
geleden). Bij de plechtige (eerste) planting (omtr. 1870), die ik als 
bestuurder der deelnemende harmonie-maatschappij van Herdersem 
bijwoonde, werd er heel den avond en tot middernacht lustig gedanst en 
gezongen; zelfs de grijze heer Blondel mengde zich soms in de dansende 
ronde. Tot de liedjes behoorde o. a. het Patertje^ toen te Herdersem en te 
Aalst-Mijlbeke nog algemeen bekend en gezongen. 

Tot vóór weinige jaren stond een prachtige meiboom vóór de groote 
stokerij van M. Van Assche (Aalst-Mijlbeke); de ondergang der firma 
was ook de ondergang van den boom. Hetzelfde geldt voor den meiboom 
van Moorsel, 30 j. geleden opgericht voor den notaris Van Wichelen, en 
later met hem verdwenen. (1) 

üit de gemeente Assche verneem ik dat men vóór 80 j. een meiboom 
plaatste vóór de dekenij aldaar en vóór de kerk van Assche-ter-Heide. 
Kort na de omwenteling van 1830 plantte men er nog een vóór het huis 
van den burgemeester, en dat zelfde gebruik bestond nog te Ternath vóór 
éen d5-tal jaren. Het planten van een versierden sparreboom vóór het 
huis van burgemeester of pastoor wordt ook door Sghubrm. en Joos 
{!diot.) vermeld. 

Te Denderleeuw had men tot vóór 10 j. een meiboom van een ander slag» 
Evenals te Zele en op menige andere plaats, plepgt hier de muziekmaat- 
schappij, Qp meiavond, de leden van den bestuurraad met een serenade te 
vereeren (3). Elk jaar braeht ze te dier gelegenheid aan den eerevoorzitter 
een levenden laurierboom (zonder versiersels), in een houten bak geplant, 
en plaatste dien vóór zijn huis op een staak van 8 a 4 met. hoogte. 

Nog kort geleden bestond er te Denderbelle een genootschap van den 



(1) Vóór weinige jaren echter nog éénmaal heropgericht; sedert weer 
in den vergeetboek geraakt. 

(2) Rbimsb.-Düb. overdrijft echter geweldig, wanneer hij dit « up 
usage général » noemt {Cal. beige, 1, 284). 



— 189 — 

meiboom, welks leden maandelijks een geringe bijdrage betaalden, en 
daarmee gaf men bij de meiplanting een fooitje (1/2 ton bier). De meiboom 
was een noordscbe spar, versierd als die te Wieze, docb op verre na zoo 
prachtig niet. — Tot yöor 25 j. werd in die gemeente, in elke buurt, en 
groote meitak geplant, dien men in boscb of kant ging balen en van eenige 
lappen en vaantjes voorzag. De eerste nachten werd die « meiboom » 
bewaakt, omdat hij anders niet zelden door de naaste buurt of gemeente 
werd gestolen. 

Te Exaarde bestaat nog heden een meigilde. De meiplanting geschiedt 
er zeer eenvoudig, maar bij \ vellen wordt er ferm gezopen, gezongen en 
gedanst, en grijpen er velerlei gekke spelen, vooral ambachtsspelen, onder 
de leden plaats. Daar men soms tot wagelijkheden overging, werd de mei- 
pianting al eens opgeschorst. 

Men merkt dus dat het gebruik van den meiboom, in West-V laanderen, 
Antwerpen en Limburg nagenoeg geheel uitgestorven, in 't Land van 
Aalst nog niet zoo spoedig zal verdwijnen (1). Een nieuw bewijs dat het 
aldaar een krachtig leven bezit, vind ik hierin : in elk dorp is ten minste 
éen drankhuis, voor uithangbord dragend : In den Meiboom, 

Ook bij onze Walen en in Duitschiand wordt de eigenl. meiboom nog 
hier en daar aangetroffen (% terwijl hij in Noord-Ned. totaal verdwenen 
schijnt. 

Wat de liedjes betreft, om den meiboom gezongen, deze zijn bijna uit- 
sluitend mpdern, en dus zonder belang voor ons ; slechts het Pater t je, of 
'k Hek nen meiboom (of ne mei) al in mijn hand, werden vroeger rondom 
Aalst niet zelden gezongen, heden bijna nooit meer, althans op meiavond. 
Overigens, de meiplanting geschiedt dikwijls zonder zingen noch dansen. 

« Als de Meizon hare stralen op den geplanten meiboom wierp, zegt 
Ter GoüWy 188, plaatste zich de meigraaf met een groenen krans om 
't hoofd en nog een tweeden krans in de hand vóór dien boom. En de 
meisjes sloten hand aan hand een kring en zongen 't meilledje. Dan wierp 
de meigraaf den krans op haar die hij de schoonste en de liefste vond, en 
verhief haar tot meigravin (of meijinne) en niet zelden werd zg later 
zijne bruid. ■ 

Aan die oude volksgewoonte wordt ons thans nog herinnerd door het 
in Noord en Zuid bekende kinder-rondedansliedje : 

*k Heb een meiboom (of: een meiken) in mijn hand, 
Aan wie zal ik hem (het) geven? 
Aan deze iffra(d) nevens mij 
Zal ik hem (het) prezenteeren. 
Mra, dans («•) | ^^.^j 

liAra, neem den meiboom aan.' 

(1) Yoor den Brusselachen meiboom (een populier), elk jaar den9« Aug., 
in de Meiboomstr. (rue du marais) geplant, zie men Voik$k., YII, 185. 

(2) WaUonia, 1, 76. R. Andrbb, t. a. pi. 844. Zaiiechr. YII, 78. Am Urqueü, 
I, 88, II, 124, lY, 287. 

(8) Juffrouw. 

(4) Aldus te Aalst. 



— 490 — 

Ben aantal meisjes staan hand aan hand in een kring geschaard; éen 
enkele bevindt zich te midden met een meitakje in de hand, en, op 't einde 
van den rondedans, reikt se dit over aan eene der danseressen, die dan 
Laar plaats te midden yan den kring komt innemen. £n nu worden zang 
en dans hernomen. 

Op ettelijke plaatsen luidt de eerste versregel : 

'kHeb e«n bloemeken in mijn hand; 
elders is die « bloem i tot c een ring 9, een enkele maal tot « een juffrouw » 
geworden. (1) 

Zooals wij boven zeiden, bepaalde men zich niet bij het planten van 
meiboomen; de gevels van bijzondere gebouwen en huizen van aanzien 
lijke personen werden soms met meitakken en looverkransen versierd. 
Volgens een kerkrekening van de g( meente Assche, betaalde men in 1689 
aldaar aan den onderkoster 12 stuivers voer thaelen van de tneyen{9) wel- 
licht tot versiering van kerk of pastoorswoning. 

In zekere omstandigheden — bij de plechtige inhaling van een nieuwen 
burgemeester, pastoor of bisschop — worden thans nog huizen en wegen 
c gemeld ■ ; vooral het planten van versierde sparreboompjes aan weers- 
zijden der straat, en het oprichten van met mos, loover en bloemen opge- 
smukte praalbogen of zoogenaamde « arken ■, is in Vlaanderen en Brabant 
onafscheidelijk van dergelijke feesten. 

Nog een ander gebruik, waarop ik reeds de aandacht vestigde, hechtte 
zich aan den eersten meinacht vast : de vrijer nl. had de gewoonte vóór 
het venster zijner beminde een meiboom of meitak te plaatsen of haar 
misschien een takje meidoorn te sturen (3). *tl8 vooral dit gebruik, later 
op alle huwbare meisjes toegepast, dat tot het schenden van hoornen en 
bosBcheD en tot de afschaffing dier eeuwenoude volksgewoonten leidde. 
Zoo luidt een verbod van den magistraat van Gent, 80 April 1582, dat 
niemand den volgenden nacht vóór de deur van zijn lief meiboomen zou 
stellen! 

De minnaar liet zich gemeenlijk vergezellen van muzikanten, die het 
door hem gezongen meileid begeleidden. De hooge ouderdom van dit 
gebruik, zegt Kalff, blijkt o. a. hieruit dat de uitdr. • den mei planten, » 
— den coelen mey plsnten » of « eener maecht den doren planten », ten 
minste reeds in de 15« eeuw voorkomt in eece overdrachtelijke beteekenis, 
die voorde hand. ligt. Maar ook uit de liederen blijkt het genoegzaam. 



(1) Omtrent dat liedje zie men Db Gogk-Tbirlimck, Kinderspel, II. 247 
262; Fl. van Düysb, Oud Ndl. Lied, n» 887. 

(2) Mededeeling yan M. Db Gravb (Getch, van Aitehe, 1900). 

(8) De dichter P. G. Hooft zond in 1621 zoo'n meiboom aan Anna en 
Maria Tesselschade Roemer Visscher, doeh de mei, zooals bekend is, viel 
in zee en bereikte zijne bestemming niet. Hiermede staat ook het Ital. 
spreekw. in verband : Appicare il Ètaio ad ogn' uscio (Een mei boven elke 
deur steken), wat voor de Italianen bet. «Alle meisjes liefhebben» 
(M. Sabbb in Volk$k. XVni. 9). 



• 191 - 

Zoo tr«fl men reedt In de Oudwlumuht LM9rén(i), die Prof. Kalff lot 
het laatst der 14* eenw doet opklimmen» een meilied aan. dat wel schijnt 
gediend te hebben ter begeleiding Tan een meidoorntakje of dat misschien 
aan een meidoorn beTestigd was. In een seer fraai lied nit de 18* eenw 
komt een minnaar met zijn meiboom voor het venster zijner geliefde en 
wekt haar met sijn gezang : 

Qch ligdy nn en slaept, 
Myn ut vereoren bloeme? 
Och ligdy nn en slaept 
In uwen eersten droome? 
Ontwect Uy soete lief, 
Wilt door u veynster eomen, 
Staet op, lief! wilt ontfaen 
Den mey met slnen bloemeo. 

Doeh hl] komt te laat; een andere vrijer is hem reeds voor geweest en 
ligt reeds in hare armen, en op elk nienw aandringen sijnenijds, geeft 
se hem tot antwoord t 

Myn beddeken heeft sinen vollen last 
Plant uwen mey daar bnyten (2). 

Naast dat gebrnik bestond er een ander : op vele plaatsen deden de 
Jongelieden in den meinacht hunne ronde in het dorp, beklommen de 
daken der woningen en plantten er zooveel meitakken als er huwbare 
meisjes in huis waren. 

Maar wee de lichtzinnige deerne, zegt Tbr Oouw, 14d» op wier leven 
eene smet kleefde, zij kreeg een dorren tak ; wee de dartele meid. die 
eens een vrijer voor den gek gebonden had, sij kreeg een stroopop; wee 
de rijke boerendochter, die wat te trotsch om zich heen keek, — zij kreeg 
een vogelverschrikker op haar dak. Het spreekt van zelf dat veel meisjes 
dien nacht heel onvast sliepen en al vóór dag en dauw op de been waren 
om te zien met welken mei men haar vereerd had en om hem desnoods 
onopgemerkt te doen verdwijnen. 

Elders werden de deuren met meien behangen, en volgens Hcbupft 
geschiedde dat nog te Breda in 18S6. 

Ofschoon deze oude gebruiken meer en meer uitsterven, bestaan ze 
thans nog in menig dorp van Vlaamsch-Belgiö, of zijn elders maar pas 
verdwenen. Men vindt dat c meien > voor elk huwbaar meisje nog o. a. 
te Hundelgem, waar het gemeenlijk den eersten zaterdagnacht der 
Meimaand plaats heeft; ook te Munckzwalm, De aard der meitakken 
verschilt volgens den aard van het melsjó en de sinnebeeldige beteekenis 
is ook niet overal dezelfde. Takken van ooftboomen * kerseboom, note • 

(1) No44(uitg. van de Maatsch. der Vlaamsche Bibliophilen). 

(2) Kalpf. Hei Lied in de M., 80M04. Vgl. Pol dk Moht's MeipiantiM, 
in VMtk,, n, 71. 



— 103 - 

boom, wijngaard — worden in een slechten zin opgevat(l). Evenzoo in 
Franche-Gomté : « Tous les arbres & fruit et particulièrement Ie cerisier 
sont une grossiöre injure : lis signifient que la personne est de moeurs 
faciUs, pen sauTage et capable hors du mariage de porter des fruits, si 
elle n'en a déj& eus. »(2) Onze Walen zeggen in gelijken zin : i G'est Ie 
oerisier des pauvres > d. i. zij is toegankelijk zelfs roor den armste, (8) 
en in de Rijnlanden luidt het : c Auf den Eirschbaum klettert jeder 
hinauf. »(4) Een niet minder slechte faam heeft de kerseboom in 't oude 
hertogdom Berg^ en in de yogeezen(5}. Beleedigend is te onzent ook nog 
de sioorplant, om de dubbele beteekenis yan het woord : koolzaad 
en slons. 

Een palmen mei en een doornen mei daarentegen strekken in den 
zuidwesthoek van Oost-Vlaanderen het meisje tot eer. Ook bij de Luiker- 
walen staat de palmtak gunstig bekend : Maïe di pdqut, d'ji Vainme 
(t/M^tt'd pid (= Mai de buis, je t'aime jusqu'aux picdB).(6) Diezelfde 
goede faam heeft de meidoorn in eenige westel. provinciën van Frankrijk^ 
Poitou» Saintonge, Aunis en ADgoumois(7). 

Te Assche, te Denderleeuw en de omstreek daarentegen, ook hier eh 
daar in Vest- Vlaanderen en Haspengouw, evenals in Franche-Gomté, is 
de meidoorntak van die, misschien oorspronkelijke, beteekenis afgeweken 
om een ongunstige aan te nemen : Het jeukt u? Ziedaar doorns om u te 
krabben. » In Duitschland is de meidoorn zoo beschamend als te onzent : 
« An dem Hagedorn bleibt jeder hangen, » zegt men in de Rijnlanden, 
en de Luikerwalen zeggen van den hulst :' ■ Maïe di hou (houx), dji 
r digretté li cou (Je t'égratigne Ie cul) (8). 

In het Limburgsche Maasland, waar volgens 't Daghet, dat soort van 
meisjesvereering nog volop in zwang is en het voor een huwbare dochter 
tot oneer strekt geen mei te ontvangen, daar is de schandemei een doren- 
struik met kervel behangen (rondom Sittard) en de waarlijk eervolle mei 
is er een berken- of dennentakje, welk berkentakje eveneens in West- 
VL zeer begeerd wordt (9). 



(1) Vgl. de spreekwijze, in H Land van Aalst op een zeer lichUinnig 
meisje toegepast : « 't Is precies ne pruimelaar, elk schudt er aan. » 

(2) Bêvue d. Trad. pop., XIV, 805. 

(3) WaUonia^ I, 78. 

(4) Am ürquêU. IV, dSO. 

(5) Mannharot. t. a. pi. 167. SaüvA, t. a. pi. 183. 

(6) WalUmia, I, 78. 

('Ó J. BujBAüo, ChanU pop. des prov, de f otidsl, 2* édit., I, 384. 

(3) Am Urquellt IV, 389; Mannbabot, 167; Obbrlb, 151. 

(9) '/ Daghet, VI, 180. Rond de» Ueerd, XV, 304. Zie verder daarom- 
trent: Volksk.,h 73-78 en XI, 15. Rbinsb.-DOr., I, 379-380. WaUania^l, 
77-78, VII, 193, MoNSBUB,Folii;lor6wa//oii, 138. Uislovimb^ Hei Pinktierfeeit, 
8-9 en 30-31. Mannhabdt, 165-167. Mbybac, 84. SAbillot, Coutume$9 188. 
Sadvé, 181-183. R. d. Trad. pop., XIV, 305-306. Bujbaüd, I, 383-384. 



•- 493 - 

Volgens Rkinsb.-Dür. is in Limburg, naast den dennen- en berkenmei, 
ook het lanriertakje hoogst eervol voor het meisje, en die goede faam 
geniet de laurier insgelijks in de Vogeezen en in Franche-Gomté. 

Een in België, Duitschland en Frankrijk nog vrij algemeen gebruik» 
tot beschimping van een eerloos of gevallen meisje, bestaat in den eersten 
meinacht aan haar venster^ op haar woning of op een nabijstaanden boom 
een strooman of een voddeman (« kloddeman ») te plaatsen ; in heel West- 
Brabant wordt deze mdhomel geheeten(l). Te Nukerke, Eename en die 
omstreek wordt dit gedaan, in geval er om een bespottelijke redeneen 
ontworpen huwelijk «geheeld » (uitgebrand) is('-2). Soms hangt 'die in 
lompen gehulde man aan een boomstam te bengeien of zit schrijdeiings 
op het dak. Nog dit jaar (1930) heeft men te Esschene (bij Denderleeuw) 
op een hoogeu eik zoo'n « maggemet » geplaatst met een wieg bij zich, 
waarin twee kindjes lagen. Ik dien er echter bij te voegen dat zoo*n 
« kloddeman » wel eens gezet wordt voor den jongeling zelf, wiens onedel 
gedrag tegenover een meisje men aldus wil schandvlekken. Ook ge- 
schiedt dat niet altijd den !•" Meinacht, zooals wij in onze studie over 
de ketelmuziek hebben aangetoond.. 

Hier en daar in West-Yl. plant men ook een mei vóór de deur van een 
persoon, die een nieuwe woning betrekt of van de cene naar de andere 
buurt is verhuisd. Dat wordt echter te allen tijde van het jaar gedaan 
en enkel voor welgestelde lieden, die zich op de « meivelling » een 
tt wederjunste » kunnen veroorloven, en die daarenboven de algemeene 
achting genieten. De geburen koopen een hoogstammigen den, ontdoen 
hem tot aan de bladerkroon van zijn schors, en daar^ onder het loover, 
siert men hem met papieren bloemen en kransen, 's Nachts wordt hij dan 
in stilte geplant^ buiten de voorkennis van den vereerde. De mei blijft 
2^3 weken staan, om dan geveld te worden, liefst op een maandag na 4 u. 
Wie den mei heeft helpen bekostigen, mag hem helpen vellen. 

Een aantal mannen, voorzien van allerlei gereedschap (zelfs van 
stokken, zagen^ ladders en manden) en waarvan eenige verkleed zijn, 
trekken stoetsgewijze naar den mei, springen en dansen er rond, roepend 
en zingend, dat het een aard heeft. Het Paterken en het laatste kermis- of 
vastenavondliedje worden daarbij niet vergeten. Eindelijk begint de 
« velllDg, » doch dat gaat heel eigenaardig toe : terwijl de een om den 
stam een put graaft, gooit een ander er de aarde weer in. Ook bindt men 
stroobanden, soms 20, 30 aan elkaar, en maakt ze aan den mei vast om 
hem hiermee omver te halen. De mannen, een langen ketting vormend, 
trekken, trekken .. tot het strooien touw breekt en allen « met hunne 
pikkelen omhoog vliegen, t Daarop volgt een uitbundig gelach der 
toeschouwers, vooral vrouwen en kinderen van vele zijden toegestroomd. 
En vooraleer de den nu voor goed gaat omgehaald worden, is er een 

(1) In Opper-Bretanje is 't « un bonhom me de terre dififorme et pétri 
grossièrement » (Sébillot, CoulumeSf 188). 

(2) Zie Volksk., XII, 15-16. 

13 



— 194 — 

onder de « meiveliers », die luidkeels een reeks Tragen stelt, waarop de 
overigen in koor en even luidkeels « jaaa'm ■ of « jaaa'1 > antwoorden. 
Enkele voorbeelden : 

Komt N... hier wonen? Jaaa*it 

Ia N... nen brave vent? Jaaa'il 

Is hi hier wel gekomen ? Jaaa'i 1 

Zij *me fier op dien nieuwen gebuur ? • Jaaa'm t 

Enz.y enz. 

Ga 'me den mei vellen ? Jaaa'm t 

Na die laatste Vi*aag wordt de mei werkelijk geveld en den vereerde 
ten geschenke gegeven : 20 & 80 man nemen den mei op de schouders, 
dragen hem zingend rond en gaan hem, zoo mogelijk, op de achterplaats 
vaaden nieuwen gebuur neerleggen. Intusschen is 't donker geworden, 
— men weet het spelletje te rekken tot het avond is -7- kwajongens en 
vrouwen zijn huiswaarts gekeerd, en de « meiveliers *, nog alleen over- 
gebleven, worden nu bij den buurman « binnen gevraagd • en door hem 
« getracteerd. ■ Ontbreekt daartoe bij hem de noodige ruimte, dan heeft 
het «tractaat» in de naastgelegen herberg plaats en bestaat uit een 
boerenhesp met koekeboterhamouen en een ton bier. Daarna vermaakt 
men zich nog eenigen tijd samen, om dan allengs uiteen te gaan. Zoo 
althans geschiedt de meiplanting en-velling te Eernegem (bij Torhout) en 
wellicht nog elders. Op sommige meivellingen is allerlei plezier en gaat 
het bijzonder geestig toe; een andere maal is er geharrewar, twist of nog 
erger (1). 

Meien of meitakken worden in nog menig ander geval geplaatst : is een 
nieuw gebouw voltrokken, zoo bekroont men de schouw of de vorst met 
een versierden loovertak. Vandaar : den meitak op een werk leggen = het 
bekronen ; — daar eieekt geen meiken op ss dat is niet goed afgewerkt en 
laat dus te wenschen over. Een dergelijke mei, in West-Vi. soms oogstmei 
of meiboom geheeten(2), siert ook het laaUte voer graan, en die laatste 
wagen zelf heet in Limburg overdrachtelijk «de mei 1(3). In de omstr. 
van Asper (bij Oudenaarde) is de mei pikken = de laatste partij koorn 
afpikken, en de mei inhalen =s den laatsten wagen koorn binnenbrengen (4). 
— Men c meit V nog een akker (b. v. een vlasveld), waarvan de vrucht 
verkocht is. Een mei boven de ingangdeur van een huis, vervangt op 
sommige plaatsen het uithangbord en duidt een drankhuis aan. 

Nog een laatste gebruik, aan den meiboom vastgehecht, wilik eventjes 
besprekenl; men vindt heto. a. in den noord westhoek van Oost- Vlaanderen. 



(1) Mededeeling van M. Verkest (Brugge). 

(2) Loquela, 1, 11; XI, 70. 

(3) 't Daghet, YI. 130. 

(4) Volk en Taal, VI, 8. Dat heet in H Land van Aalst: den haan inhalen. 



— 195 — 

c Te meiavonde, zegt Biekorf, l^, 256, gaan de kinders om, Lij de 
boeren, dragende een groenen mei en ze zingen : 
Mei, mei, 

ik plante mijne' mei, 
en 'kkrake mijn ei, 
en de dorre yiel uit mijn schale; 
bazinneken, wilde mij een eitje geven, 
'ken zal uw dochterken niet halen. 

Aldus te Ilansbeke.Een yollediger lezing van datlledje,uit deomslreek 
van Eecloo arkomstig, vindt men bij RBiNSB.-DüRiNasFSLo; de5« regel 
luidt er : 

Vrouwken, wilde mij geen ander eiken geven. 

Met loof en bloemen bekranste kinderen gaan er zingend rond; ze dra- 
gen een korfken half met werk gevuld voor de eiers, en in de hand een 
bundel driehoekige vaantjes van gekleurd papier. Wat meer noordwaarts, 
aan de HoUandsche grens, waar hetzelfde gebruik bestaat, luidt het 
liedje anders, en de jongelicJen houden er een meilak in de hand(l). 

Ëvenzoo te Nazareth : gedurende den dag gaan üe kinderen rond met 
een versierd blader lakje, en laat in den avond, heel den nacht zeUs, 
talrijke groepjes jongelieden van beide geslachten (2). Dat gebruik bestaat 
tot in 't Westvlaamsche, o. a. te Dentergem en de omstr., waar men 

zingt : 

Mei, Mei met blaren gelaan, 
Geef mij een ei, 'k zal deure gaan. 
Geef je mij geen, 'k zal blijven staan. 
Vrouwke, vrouwke schoone...(8). 

Ook d&t gebruik is zeer oud, want naast de gezegde zinnebeeldige 
voorstelling van den terugkeer der lente als een strijd tusschen twee 
reuzen (zomer en winter), bestond er een andere : men stelde haar nl. 
voor onder de gedaante van een jong meisje dat met bloemen bekranst en 
plechtig ingehaald werd. Dki gebruik vond men ook elders. ■ Uhland 
verhaalt ons, dat in het dorpje Thann in den Elzas op den eersten Mei 
het < Meiroosje » rondtrekt. Het is een kind, dat een met bloemkransen eu 
linten versierden meidoorntak draagt, een ander meisje volgt haar met 
een mand om de giften in ontvangst te nemen, nog andere meisjes gaan 
daarachter, zingende : 

Maienröslein, kehr dich dreimal rum, 
lass dleh bcschaaen rum und num ! 

Zij wekken de menschen op brood, wijn, olie, eieren, enz. te geven en 
wensoben hen, die niets geven, allerlei kwaads toe. Ook bij ons was deze 
gewoonte bekend (4). » 



(1) Rbinsb.-Dür. I. 381-282. 

(2) Volk en Taal, IT, 178. 
(8) R. den Heerd, XXV, 48. 
(4) Kalff, 299. 



— 198 — 

Oyeral in Noord-Nederland zag men het ■ mei roosje, de meibruid of mei- 
koningin B plechtig inhalen, en dewijl dit steeds op of rondom Pinksteren 
geschiedde^ noemde men de heldin yan 't feest Pinksterbioem of Pinkster- 
bruid. D)ch yan lieyerlede verloor dat gebruik zijn oorspronkelijk 
karakter: een aantal behoeftige meisjes kleedden eene onder haar in het 
wit, sierden haar met bloem en krans en trokken dan zingend het dorp of 
de stad rond, aan alle huizen aalmoezen inzamelend. Onder den naam 
pinksterbloenuingen blijft dat aloude gebruik hier en daar in Noord-Nedl. 
Yoortleven^ en dat het ook in Vlaanderen nog wordt aangetroffen, heb ik 
hooger aangetoond (1). In Daitscbland, Oostenrijk, Zwitserland en 
Frankrijk is het eyenmin geheel uitgestoryen (2). 



B) Niet op bepaalde dagen of tijden. 

*Üit den Narrentijd. 

876. Iemand voor den gek houden (lem. voor bet lapje 
houden, deu spot met iem. drijven). Hgd. Jemand znm Narren 
halten (oï haben). — Den gek (of den zot) houden met iemand. 

« De vroeger gebruikelijke zegswijze iem. voor iijn gek houden, overeen- 
komende met het Ettg. to use a person for hii fooi, doet vermoeden, dat de 
uitdr. oorspronkelijk doelde op de gewoonte van vorsten of groote hepren 
om er gekken of narren op na te houden, om er zich mede vroolljk to 
maken. De verandering van het bezitt. vnw. %ijn In bet lidw. den moest 
dan natuurlijk volgen. Iem. hield een ander voor aijn gek, d. 1. behan- 
delde hem als zijn nar; maar waar meer personen bijeen waren, hield 
men iem. voor den gek, men behandelde hem als den nar van het gezel- 
schap, als iem. die onder de lustige gezellen de rol van nar vervulde : zoo 
werd voor den gek houden de alg. uitdr. voor het begrip, dat men met iem. 
den spot drijft (3). > 

In het Mnl. zeide men ook iem. voor den xot houden (Doe hillene Ilerodes 

(1) Men zie verder U Daghet VI. 130 vlg.; F. van Duyse, 0. Ned. Lied, 
n» 378; Biekorf, XIII, 161-167, 177-188; XIV, 241-250, 257-335, 282-288, 
297-801. Tbr Gouw, 224-229. Driem. Bladen, I, 71; II, 96; IV, 112. W. 
Dijkstra, I, 183-189. Maronikr, Pinksterfeest, 12-15, 58-60. Volksk. III, 
180-181. 

(2) Am UrqueU, V, 17-19, 57-59; R. Andree, t. a. pi. 344 vlg Drbchsler, 
Sitte...inSehlesien, 1, 125 vlgg ; Zeilschr., VII. 82 vlgg.; VIII, 438-489; X, 
250 vlgg. XIV, 418 vlgg. Vkrnalbkbn, Mythen u. Brauche 'des Vuïkes in 
OEsterreich, 298-25)9. Schweiier. Archiv für Volksk., I, 229-231, II, 22; VI, 
100 105. Rêvue d. Trad. pop. XIII, 410, XIV, 246, 302 vlgg.; XV, 182-184. 
Mannhardt, 343 vlgg. 

(3) Ndl. Wdb. IV, 936. — Dr. Stobtt, n» 518, geeft nog de spreekw., aan 
Wand BR ontleend : Einen für einen Geeken halten. 



— 197 — 

voor sot., Vbbdam, III, 635) en die uitdr. hoort men nog hier en daar in 
Antwerpen on 't Land ysd Aalst. Gemeenlijk echler luidt het hier anders: 
den iot houden met iem., wat Schükrmans eveneens voor 't Zuiden vanVl. 
opgeeft, en waarvoor men in Noord-Nedl. heeft : mei iem, den gek houden. 
Deze vorm van het spreekw., gansch hetzelfde beteekenend als de eerste, 
heeft misschien een anderen oorsprong, zegt het NdL Wdb.: De uitdr. 
kan nl. ontstaan zijn uit Mnl. zijn toeren houden (mtl enen), met iem. den 
spot drijven, waarin men dan het znw.'fcem, spot^ door het meer bekende 
gek, den woordstam van gekken, boerten, spotten, vervangen heeft. 

377. Den gek scheren-, in Vlaand. : den zol scheren met iem. 

of iets; gekscheren met iem. of iets (Den draak steken, den spot 

drijven met....). Daarnaast : Van het zotte scheren (De Bo); 

7 zot scheren (A.); gekscheren (Schertsen, boerten). 

In den gek scheren beteek. dit werkw. scheren : « zich voordoen, zich 
aanstellen als*, waarvoor wij gemeenlijk «spelen, uithangen* gebruiken; 
dus : den zot uithangen. In die thans verouderde beteekenis vindt men 
scheren bij Marnix {Dyencorf(l), bl. lG3a : Want dat was ooek de Geck at te na 
geuhooren) en bij Kiliaax, die den gheck spelen, den sot scheeren geeft, naast 
den edelman scheeren. In dien zin leeft scheren nog voort in een aantal 
Westvl. uitdr., welke bij Db Bo voorkomen: den edelman, den grooten heer, 
den prinse scheren = Fr. trancher du grand seigneutf wat men in 't Land 
van Aalst noemt : den grooten Jan uithangen ; verder nog : den dullaard, 
de heeste, den zot, den aap, den bonten stier scheren, enz. 

Met iem. den gek scheren zou dus beteekenen: met iem. lOt te werk gaan, 
hem bespotten, en hierdoor schijnt me de uitdr. op voldoende wijze 
verklaard(2), doch men kan ze ook, met het Ndl. Wdb. naar de thans 
gewone opvatting verklaren. Dan staat scheren in de eig. beteek. van : 
het haar afsnijden, en de oorspronkelijke opvatting der zegswijze was : den 
gek, dien men vóór zich heeft, het hoofd kaal scheren, zijn haar glad 
afknippen of afscheren. Zulks doelde op de middeleeuwsche gewoonte om 
gekken of onnoozelen het hoofdhaar, het kenmerk en sieraad van vrije 
mannen, minachtend af te snijden. Ook de narren of potsenmakers scho- 
ren het hoofdhaar af. Vermoedelijk hing dat gebruik samen met de bniten- 
sporige grappen, die men in de oude Gekken- of Narrenfeesten vertoonde, 
waarbij men o. a. een abt of bisschop {Episcopus slultorum, bij Du Gangk) 
placht te kiezen, aan wien dus de tonsuur moest worden toegediend, zoo- 
dat de aldus geschoren persoon voor het hoofd der narren gold. Doch 
onder den invloed van het oude, gelijkluidende ww. scheren = schertsen, 
spotten (ontstaan uit scheernen, en dit uit Mnl. scern, sceren), heeft de 
oorspronkelijke beteek. der uitdr. zich allengs gewijzigd : de beide 

(1) Uitg. van 1659, tot Amsterdam, Bij Jan van Ravesteyn. 

(2) Stobtt wijst hier te recht op een volmaakt gelijk geval uit het 
Westvl.: den beer lee'n f= lelden) ; den zot scheren, uitgelaten zijn; — en : 
met iem. den beer lee'n : hem voor den aap houden (Bij Db Bo). 



— 198 — 

ultdr. den gek scheren (= lem. het voorkomen van een kaalgeschoren gek 
geven, hem als gek behandelen) en met iem, scheren (== met hem schertsen, 
spotten) vloeiden ineen, en zoo ontstond de thans gewone zegswijze met 
iem. den gek scheren = met iem. een loopje nemen, later, bij nitbr., ook op 
zaken toegepast. 

Ons WW. gekscheren, een koppeling van (den)gek scheren, dient op dezelfde 
wijze verklaard. Dat het Vlaarasche van het %otte, of/ 'M scheren, slechts 
een vervorming is van den zot scheren, vall in 't oog(l). 

378. Eliezot heeft zijn marot (Elk heeft zijn stokpaardje, 
ziju speelpopje, zijn lievelingsdwaasheid). Fr. Chacunasa 
marolte. (2) 

De marot was de gekstok, de zotskolf der vroegere narren, aan 
't boveneind een grotesk beeldje dragend : den kop van Momns^den god 
der dwaasheid. Die stok diende den nar tot een onderscheidingsteeken en 
als 't ware tot een schepter. De zin is dus : ieder mensch heeft zijn eigen- 
aardige, dwaze zijde, onderscheidt zich door iets min of moer geks. 

Ygl. Cats : Tast oock den wijsen in de mou 
Daer sit een geckjen in de t;ou(3) 

Db Brüne : Een yder die op aerden leeft 

Een gheckjen in zijn mouwe heeft. 

En Harr. : Zoo alle zotten kolven droegen, men vond geen hout genoeg 
om zich te warmen, — Fr. Chacun a sa folie. Chacun veut en sagesse ériger 
sa folie (Boileau, satire 4). — Zie volg. nummer. 

879. Hij draagt den gek in de mouw (Hij verbergt zijn 
dwaasheid). Den gek (het gekje) in de mouw houden (Zijn 
dwaasheid inhouden; zich verstandig voordoen). Be gek (het 
gekje) kijkt (ot springt) [hem) uit de mouw (Zijn dwaasheid komt 
voor den dag). Ds gek uit de mouw(en) laten springen (Zich 
dwaas aanstellen). Het gekje wil soms uit de mouw (Men wil 
aan zijn dwaasheden wel eens botvieren). 

Oudste vormen: //'j hout hel gheckjen in de mouw (Ds Brune). Wj houdt 
de gecknich binnen (Svrt pr. VII, 77). lly lit^t de gtck uyt de mouw kijchen 



(1) Zie Ndl. Wdb., IV, 038-938 en 1010. Ook Stoett, 5p rceikw . n« 510, 
Verdam, in Noord en Zuid, XXI, 438. 

{2) Marotte = nom propre de femme, forme hypociristique do Marie 
(Vgl. marionnelte, marjolet, etc). Volgens Hatzp.-Darm. Üict, d, l, Langue 
franp, 

(3) Nog bij Cats : Géén man hai zulk een wijken zin, of daar zat wel een 
gekje in (IIarr., I, t21l). 



— 199 — 

Ibid. ter. IX, 6). Hy en ean den geek in der mauwen niet holden (Gainpexij(l). 
Hei Mtteken kijckt uyt de mauwe (Idinaü). 

Die spreek w. herionercn aan de wijde mouwen, waarin de gekken, 
narren of grappenmakers hun gekstok behendig wisten te verbergen, om 
dien onverwachts te voorschijn te brengen. Vgl. Hij heeft den aap in de 
mouw; daar kwam (ot keek) de aap uit de mouw, — hetgeen wijst op de 
kabaaien met wijde mouwen, waarin de aapjes zich bij hungrappenmaken 
verscholen en waaruit ze soms schielijk ie voorschijn sprongen (2). 

380. Alle gekheid (of alle gekken) op een stokje (Gekheid of 
scherts ter zijde ! Laat ons de zaak in ernst behandelen !). 

Volgens het Ndt. Wdb, zinspeelt die zegswijze oorspronkelijk op den 
gekstok of de marot der narren, en is dus eig. eene vermaning tot den gek 
of nar gericht om zijne dwaasheden voor zich te houden en ernstig te zijn, 
doch later in ruimere toepassing ook tot anderen gezeid, wier gekheid 
of dwaasheid bij die van een nar vergeleken wordt. 

Bij TÜINUA.N, 1, 873, Is geen sprake van d^t itokje, daar hij enkel geeft : 
alle gekken op een einde, en dat komt gedeeltelijk overeen met de zegs- 
wijze uit het Land van Aalst, die ik meermaals in mijn geboortedorp 
(Herdersem) hoorde ; Alle lachen op een ende en alle »otten op ne Artftu/a- 
^ei» (3). Doch, elders in Vlaanderen, vindt men heistokeken terug. Aldus 
in West-Vlaanderen en te Gent, en ongetwijfeld nog elders: Al 'llach&n 
op een itoksken gebonden (Ds Bo en Sghukbm.). £n Prof. W. db Vrbbsk 
geeft in HNdl, Wdb. voor Znid-Nedl. : Aile gekheid (4), alle konten op een 
stoksken gebonden. Hier stelt Da. Stobtt de vraag, of dit niet misschien 
de oorspronkelijke gedaante is der uitdr., die dan met weglating vau 
't laatste woord uit 't Vlaamsch zou zijn overgenomen. « Of zou de aardig- 
heid, de clou, hierin schuilen, vraagt hij. dat men geen gekheid, lachen 
of konten op een stokje kan binden of geven en er dus van iets dergelijks 
geen sprake kan zijn ? > Zou ik hier echter op de Aalstersche uitdr. niet 
mogen wijzen ? Men kan wel degelijk zotten op een kruiwagen zetten en 
wegvoeren; en, daar men in de volkstaal zoo nauw niet kijken mag, komt 
bet me voor dat men ook wel gekheden, symbolisch, aan een stokje kan 
hechten, en als men daarna, zooals in Groningen (5), 'tstoAje in 't vuur 
gooit, dan heeft men zich toch in beide gevallen van zotten en gekheden 

(1) Bij Meijer, die de 2 spreekwoordenverzamelingen van Gampen en 
van Frangois Gobdthals, onder den titel Oude Ndl. Spreuken en Spreek- 
woorden, Groningen, 1886, in éen bundel vereenigd, uitgaf (onvolledig 
echter). 

(2) Zie NdL Wdb, IV, 941-942. 

(3) Ook bij Joos, 377. 

(4) Dat woord gekheid hoorde ik nooit in den volksmond; 't is een boe- 
kenwoord, dat, meen ik, alleen door geletterden gebruikt wordt. Ons volk 
zegt: zottigheid. 

(5) MoLBMA, Groningsche Volkstaal, 117. 



— 200 — 

ontmaakt, om ernstig te gaan worden. Doch, dat alles zijn loutere gissin- 
gen, en gissen doet missen. 

381. Groote narren hebben groote bellen; bij Tuinman, II. 82: 
Groote narren moeten groote bellen hebben (Groote gekken ple- 
gen zich te verlustigen in groote gekheden). Een zot heeft geen 
bellen van doen^ hij laat zich zelf genoeg hoor en (l) (G. T. I. 270). 
Het ts hem zoo eigen als de muts met bellen aan den nar (H.). 

Tot de eigenaardige kleedij van den nar behoorde ook de zotskap, die 
Toorzlen was van een hanekam of van ezelsooren, soms van beide tegelijk. 
Aan die kap waren bellen bevestigd; ook aan den gordel en de ellebogen 
van den gek hingen dikwijls bellen, somwijlen zelfs aan zijn schoenspitsen 
en zijn knieën, zoodat men hem van verre hoorde afkomen. 

Men denke hier nog aan de narreslede, aldus genoemd omdat ze door 
een met bellen behangen paard wordt getrokken. 

382. Ieder gek vindt behagen in zijn kap^^) (Elke gek schept 
behagen in zijn eigen malligheden). Men kan wel een wijs 
hoofd uiteen nar renkap steken (^) (*t Moet een wijze zijn, die op 
zijn tijd wel den zot zal veinzen). Tuinman brengt er mee in 
verband : Houd u of gij mal waart^ gij zult den kost wel krijgen^ 
en : Een zot spreekt ook wel een wijs woord. 

Wijst op de zotskappen der narren (zie vorig n'). 
Vgl. Ndd. Em ideren Narren gefdlU sine OTsse, of nn Klêd (Egk. 381 ; en 
Pomm. Volksk. V. 1.S8.) 

383. Zich van den gekken houden (Zich houden alsof men 
« van den gekken » was, als een lid van het narrengild, en 
dus in 't alg. : zich houden alsof men gek was. Doch bij uitbr. 
genomen in den bepaalden zin van zich dom of onnoozel 
houden, zich voordoen alsof men van de zaak niets afweet 
of iemands bedoeling niet vat; t. w. omdat men zich niet wil 
uitlaten of zich van lastige vragers en indringers wenscht af 
te maken. In denzelfden zin zegt men ook : zich van den mal- 
len houden, en bij uitbr. ontstond daarnevens de zegsw. zich 
van den dommen houden, die thans zelfs de meest gewone is. 
— Ndl. Wdb.IY. 941.) 

In *t Land van Aalst zegt men in dat geval gemeenl. : hem (zich) onnoozel 
verlaten. 

(1) Reeds bij De Brüxe : Een %ot en hneft gheen bel van doen, hy laet hem 
ghenoeg hooren, 
(3) (Uts. 
(3) Reeds bij Grüterüs, I. 



— 201 — 

Doelt op de narrengilden of narrengezelschappen, aan Moimis, den god 
der dwaaaheid gewijd, zooals er vroeger in de Nederl. een aantal beston- 
den; het vermaardste was zeker wel het adellijke narrenglld, dat Graaf 
Adolf van Kleef in 1381 oprichtte onder den naam van die geseltchap van 
den gecken (z. ïkr Gouw, 559). 

Men veroorlove ons hier nog 't volg. n» bij te voegen, hoewel het eigen- 
lijk niet'tot deze rubriek behoort, 

384. Kei{=i. straatsteen; 2. (flg.) dwaasheid). Een kei 
van een vent. Een keiaard (Gek, dwaashoofd). De kei leutert 
(of reutelt) hem; hij heeft den kei in 't hoofd; hij is met den kei 
gekweld (Hij is niet wel bij zijn hoofd, hij begaat allerlei 
dwaasheden). lem. van den kei snijden (Hem van zijne dwaas- 
heid genezen). Hij moet van den Kei gesneden worden {G,T.). 
Bij Sart. pr. IX, 21 : Vaert te Legden ende laet u vande key 
snijden; en sec. VI. 3 : Key is Koningh (De dwaasheid 
beheerscht de wereld). 

In de fig. beteek. van « dwaasheid » is 't woord kei oorspronkelijk een 
eigenaam : Keie. De ridder van dien naam was in vele middeleenwsche 
ridderromans (Artursagen) het doelwit van scherts en spot en hij komt 
dikwijls in een daglicht voor, waarin hij nauwelijks van een gewonen 
hofnar verschilt. Later werd zijn naam op eiken dwaas of zot toegepast 
en kreeg keie al spoedig de beteek. van dwaasheid. Nevens keie had men 
keiaard [fol éiourdi, qui /at/ Ie fol). Zelfs smeedde men de plaatsnamen 
Keiendaal en Reiberg, Wie daar woonden, behoeft men niet te vragen. 
Onbekend met den oorsprong van 't woord, begon men aan een keisteen 
te denken en ging men aan het smeden van allerlei uitdr. hiertoe betrek- 
kelijk, als de hooger aangehaalde : iem, van den kei snijden, enz. 
(Va.n Dalb.S) 

Reeds bij Lod. van Velthbu (t4« eeuw) begint de eigennaam Key e een 
soortnaam te worden (z. Verdam, Mnl. Wdb. III, 1278), Ook keiaard, bij 
KiLiAXN kepaerd, is een woord uit de latere middeleeuwen* In de Genttche 
Refereynen (van 1539) worden de monniken « voor keyaerts metten ghe- 
schoren cranse » uitgescholden (NdL Wdb. III, 2S7.) Het woord leeft nog 
heden in den Vlaamschen volksmond, zooals blijkt uit dit spotrijmpje 
van Hundelgem (bij Sgttegem) : 

Bim, bom, beiaard, 

De koster is ne keiaard. 

De pastoor is ne geldendief. 

De meeste (l) uit^^vaarden (2) doet hij liefst, 

De kleinste laat hij staan. 

De duivels zullen om den pastoor gaan. 

(1) Meeste = grootste. 

(2) üilsv aarden = uit vaart (en). 



— 202 — 

In Van Mobrkbrken's Ndl. KluchUpel in de 17« eeuw komen boTen- 
staande spreekw. op verscheidene plaatsen yoor; aldus bU 81 (uit 
Stabtbr*s Daraidtf eerst yerioond in 1618) : 

Reutelt ion de Eey (deynck ick) hoe staetdeuse geek 
Dub te ratelen voor de deur? 

BI. 161 (uit J. SoBT's Twude Deel van Drooge Gooeen Tan 1636) : 

Binje hiel met de key equelt so loopt en laetje snyen, 

BI. 171 (uit J. Sobt's Jochem-Jool van 1637) : 

Loop nae de Slijpstien toe, je kaey die leutert vrienl, 
Tis overdabbeld lijd datjey esneden dient. 

Nog een ouder voorbeeld geeft het Antwerpseh Liederboek (van 1541) 
in c Een nyeu Uedeken > : 

Eens ter weecken lotert haer de key e. 

Ook in een liederverzameling (een familiehandschrift van omstreeks 
1785), waarin met verscheidene Vlaamsche steden wordt gespot, zegt men 
o. ff. van Mechelen : 

Mechelaers houd men voor sotten, 

Ider een segt dat lotert hun keij. 

In de Zaanstreek en in de Beemster treft men kei (nitgespr. kaai) als 
bijv. naamw. in den volksmond aan : 't Is %oo'n kaaie vent — een logge, 
domme man.lVaf *en kaaie praat^ enz.(l}. Ook Vokdel schrijft kaey; aldus 
in zijn Hekeldichten : 

Wel zijDze aen de blaeuwe steen (2) 
Niet van de leuterkaey geeneen. 

Prof. M. Db Vries vermoedt zelfs (z. zijn uitg. van Hoopt's Warenar, 
190-192) dat hel woord bekaaid in uitdr. als ergens bekaaid afkomen, in den 
groud niets anders is dan bekeid, nogmaals dus van keye. Prof. Vbrgoullib 
echter denkt dat dit wellicht verl. deelw. is van bekaden (= bevuilen.) (8) 

** Van verschillenden aard en ouderdom. 

385. Den draak steken met iem. (Hem voor den gek houden). 

Deze spreekw. herinnert aan het alom bekende volksverlelsel van de 
schoone koniogsdoehter, die door een vreeselijken draak ging verslonden 
worden, en door een dapperen vreemdeling werd gered (z. Db Mont- 



(1) BOBKBNOOOKN, Zaanschc Volkstaal, 888. 

(3) De blaaue steen was de plaats voor openbare tepronkstelling te 
Leiden (Vbrdam, Mnl. Wdb, 1. v. blan), 

(3) Zie nog De Jaoer. Wdb, der Freq., II, 362-363. Hooft's Warenar 
van M. DB Vries, Ndl. Wdb. 1. v. alf en alvin. Ook Noord en Z. XXVII. 
13-30. Voor bekaaien, bekaaid, zie Ndl. Wdb. II. 1559-1561. 



— 203 — 

Ds QocKpWondenprookjei, n* *)6). Dat heldenfelt vindt men ook toegeschre- 
ven aan St. Joris» die omstreeks het midden der d« eeuw, en prins was 
Tan Gappadocië. In de middeleeuwen werd deze de christelijke ridder, 
die in den draak het heidendom doorstak. Ten tijde der Kruistochten, 
toen de wapenschilden algemeen in zwang kwamen, kreeg ook St. Joris 
er een : een rood kruis op zilveren veld. In het Westen werd hij nu 
overal bet zinnebeeld der strijdende Kerk, en op verschillende munt- 
stukken uit de 15« en 16" oeuw, hier te lande gangbaar, ziet men hem 
argebeeld met het kruis op zijn wapenrok, te paard of te voet, en steeds 
met zwaard of speer den draak doorstekend. In optochten en processiön 
was hij een onmisbaar element, Albrecht Durer zag hem te Antwerpen, 
terwijl de draak dooreene dame, die S^ Margriet voorstelde, aan een 
rood lint voortgetrokken werd. « Die St. Joris met zijn draak was het 
yermakelijkste tooneel uit eiken optocht » zegt Ter Gouw; ■ oud en jong 
zag gaarne hoe hij voor de grap zijn lans zwaaide en er mee stak in een 
linnen draak, met stroo opgevuld. Op dorpen vermaakten de schutters 
zich, als 't kermis was, met het spel van St. Joris en den draak.» Thans, 
zegt hij, is de herinnering aan den Sant bij de meeste menschen verdwe- 
nen, c maar zijn vermakelijk en schertsend draaksteken is nog in de taal 
bewaard, en als men van iemand spreekt, die maar voor de leus iets 
zegt, zonder dat het hem ernst Is, dan zeg men nog: hij steekt er den 
draak mee. • 

Reeds in U begin der 17« eeuw komt het spreekw. voor, o. a. in het 
Eerste Nieu Amoreus Liedtboeck {1606), en in Bredbro 's Moortje, v>. 23 24: 
En hangdy hart of siel an haer beveynsde treken, 
So sal sy endelingh den draack noch met u steken. 
De spreekw. is dus op dezelfde wijze ontstaan als ons; Den gek scheren 
met iemand, Vgl. Den gek steken met iem,; en Hgd. den Gecken(den Narren, 
den Esel) stechen; den Narren schneiden (I). 

386. Naar iemands pijpen dansen (2) (Alles doen wat hij 
begeert). Bij Sart.-Schrev. quart. 53 : 7 moet al nasijn piy 
pen danssen. 

Een andere spreekw. zegt: In 'f riet zitten en pijpjes snijden (Van de 
gelegenheid gebruik maken). Nog heden ten dage snijden of maken onze 
kinderen van gras- of riethalmen velerlei blaasinstrumentjes, die zij 
fluitjes, rietfluitjes, fijfels, of schalmeien noemen; ook de namen feep, fiepkent 
peepypeeper,pifp,piepken en pijpken zijn veel gebruikt. Bobkbnooobn heeft 
pieper [Ije). Die peep, dat rislpijpje der kinderen, soms ook van drie, vier 
ga itjes voorzien, zal wel nagenoeg overeenstemmen met de oude herders- 
pijp of veldfluit, de chalum^au der Franschen (van Lat. eaiamus = riet); 

(1) Zie Noord en Zuid, III, 153-155; Ter Gouw, t. a. pi. 270-271; 
Stoett, no399; NUL Wdb. IV. 038. 

(2) Reeds in de Proverhia seriosa. 



— ao4 — 

ook bij hen vindt men; danser au son du chaltimeau, In de 1^ eeuw is er 
sprake van flahuUele$ tt calimiaus, (1) Kiliaan heeft pijpe, fiffel en fluyie, 
en 't was meestal op 't geluid dezer pijpe of pipe dat eertijds de land- 
lieden op liunne kermissen en feestelijkheden hun dansen uitvoerden. 
In Evkrabrt's battement van Stout en Onbeschaemt, door Willbms in 
*iBelg, Museum (dl. IV, 41) beschreven, zegt een zwervend minnezanger : 
IC êol de bruluft pijpen (2). Immers, naast pijp heefc men het ww. pijpen, 
zooals fluiten naast fluit, en fijfelen naast fijfel, enz. De danser moest 
natuurlijk dansen naar het pijpen van den pijper. Vgl. Dansen gelijk iem. 
schuifelt ot fluit (A., J. en G.-V.). 

887. De poppen zijn aan *t dansen (De twist is uitgebroken). 

Vgl. Ndd. (Westf.) Nu hd/f wi de Puppen am danssen (Eck. 418). 

Zinspeelt op het vroeger algemeen bekende, thans bijna geheel verdwe- 
nen marionettenspel, de oude poppenkasten en poesjenellenkelders, welke 
H. CoNSGiBNCB in zijne jeugd zoo vermakelijk vond en waarover hij 
ergens breedvoerig spreekt (Zie ook Volksk,, VII, 3B-38). Dat poppenspel, 
reeds in de middeleeuwen bekend, heette toen dockenspel, van docke 
= pop ; il/n/. Wdb. II. 271). 

Als een klein en vlug persoon zich zoo wat gek, wat polichinel aanstelt» 
dan hoorde ik hier dikwijls: «'t Is precies eon poesjenelle, » en zijn 
gebaren en han^ielingen werden betiteld: « een recht po^sjenellenspel. » 

Dit polichinelle is het Napolit. Poïecenella, Ital. PulcinHlat personnage 
bouffon des farces napolitaines popularisé par les marionnettes (Hatzf- 
Daru ) Vgl. de kat gaat op de koorde {dansen) = het spel,de kijf part ij 
begint (Alg.). Ook ons n' 93: Daar is U spel nu op den wagen, En.Hgd. Da 
geht der Tam los; Fr. Voild Ie hal qui commence (Z. Stoett, n« 1597). 

388. Jan Klaassen (Hansworst). Dat is de ware Jan Klaassen 
niet. 

Jan Klaassen (Klaaszoon), de hoofdacteur uit de Amsterdam sche 
poppenkast, werd geboren in 1664. Hij was eerst trompetter bij de 
rniterij van prins Willem III; uit zijn betrekking ontslagen, kwam hij 
naar Amsterdam, en vertoonde er, lans^s de straten, een poppenkast, « 
waarin hij en zijn wijf de hoofdrollen vervulden. Hij lei zijn personaadje 
allerlei aardigheden en kwinkslagen in den mond, die weinig vleiend 
waren voor het toenmalig gouvernement, maar zeer in den smaak vielen 
der smalle gemeente. Zooveel opgang maakte hij, dat de naam van 
hannworst o( polichinel, 9iB,n zijn hoofdpersonaadje gegeven, eerlang voor 
ztjn eigen naam moest plaats maken. Thans nog is de naam Jan Klaassen 
bij eenieder bekend. 

Er is nog een andere Jan Klaassen f nl. de fijne huichelaar en vrome 
deugniet uit Assblun's kluchtspel Jan Claeszoon of de gewaande Dienst' 

(1) Hatzf.-Darh. 

(2) Willbms, 0. VI. Liederen, XV. 



— 205 — 

MOügd, 1683. Hij komt nog voor op een oude kinderprent met het 
onderschrift : 

Jan Elaassen zit hier droog en stijf 

En lacht om Saartje Jans zijn wijf. 

Van }iem zijn de spreekw. : Een alijpe klaas; een houten klaas; ten tlijoe 
jan klaaasen, enz. afkomstig (1). 

S89. lem. met apenmunl betalen (Met kluchten en grappen, 

met mooie praatjes, in plaats vanmet het verschuldigde) Hgd. 

Mit Atfenmünze bezahlen; Fr. Payer en monnaie de singe. 

Deze zegswijze heeft een historischen oorsprong. Volgens het tarief 
der inkomende rechten, tijdens Lodewijk IX te Parijs in zwang, moest de 
koopman, die hinnen de stad een aap ter markt wilde brengen^ 4 pennin- 
gen betalen; was het echter een bijzondere, die een aap meebracht voor 
zijn eigen vermaak, zoo was hij niets verschuldigd; kunstenmakers 
echter, die met apen rondreisiien om voorstellingen te geven, hadden 
inkomende rechten te betalen. Zij konden zich evenwel daarvan doen 
ontslaan, mits hanne apen eenige potsen voor de beambten te laten 
maken (2). 

890. Dat is een hoïfken naar xijn hand (Dat lijkt hem uit- 
stekend, dat is juist iets naar zijn zin). Dat is goed gekolfd 
(Goed gespeeld, dat heeft hij er goed afgebracht). Hij heeft 
niet onvoordeelig gekolfd (Hij is in zijn loopbaan voorspoedig 
geweest). 

Herinneren aan het oude, populaire kolfspel (Hgd. Kolbspiel; Fr. Jeu 
de cro%8e), dat vroeger in Vl.-Belgiö veel gespeeld werd en er nog niet 
geheel verdwenen is. Ter Gouw noemt het een echt vaderlandsch spel. 
« 't Kolven is veel ouder dan de kolf banen, » zegt hij. « In de mid- 
deleeuwen deed men het in de kerken en op de kerkhoven ». Tot in 
't midden der 18* eeuw bleef dat kolven op de kerkhoven voortbestaan, 
al was dat ook verboden. Men kolfde vooral des winters op 't ijs, ook 
langs de wegen en daar wordt het thans nog wel eens gedaan (8). Nog 
geen halve eeuw geleden, schreef Tbr Gouw in 1871, vond men In alle 
tuinen rondom Amsterdam, waar « een fatsoenlijk publiek ■ verwacht 
werd, ook mooie kolfbanen. De biljarten en de spoorwegen, zegt hij, hebben 
ze verdreven, en het oude spreekw. « too gelijk alt een kotfbaan • veran- 
derde toen in : « *oo gelijk als een spoor ». Ook de spreekw., die in de 
kolf baan geboren waren, b.v. « dat is een kolfje naar mijn hand, • 9 de 

(1) Zie daarover WdschatrpO^; Harr., I, 355; Van Lbnnbp en Tan 
Goüw, Uithangt eekens, 1, 118. 

(2) Wij hebben een woord : Apenpots; Hgd. Affenposse, 

(3) Db Gogk-Tbirlinok, Kinderspel, III, 135 ylgg. 



— 206 — 

beste kolver slaat weleen* mis ■, « men moet den bal slaan zooals hij ligt *, 
« men moet de kolf niet naar den bal werpen ; raakten met de kolfl^aaD uit 
de mode(L). Voor het eerste yan dit Tiertal is dat wel wat veel gezeid. 
« Het kolf je naar iemands hand is eig. (volgens het NdL Wdb., V. 182d; een 
kolfslag dien men gemakkelijk maken kan, of van -welken men persoon- 
lijk recht den c slag, • Juist « het handje » heeft. Vgl. Mnl. ene (goede) 
caetse voor : iets voordeeligs, enz. Men zou met Stoett kunnen vragen of 
niet eerder te denken is aan den kolfstok, waarmede de hal wordt voort- 
geslagen. « Men voelt hij het kiezen daarvan naar de zwaarte» evenals 
dit meteene ken geschiedt hij het biljarten • (n^ 1048). 

Vgl. Sart.-Sghbbv. sec. IX, 95 : Dat is een kolf nae mijn handt. 

391. Zijn tong slaat ijzer. (Van beschonken menschen 
gezeid : hij spreekt onduidelijk; zijn tong slaat dubbel). 

Deze spreekw. schijnt ontleend aan bet spelen op de vroeger algemeen 
bekende mondtrom (Fr. guimbarde), waarvan Vax Dalb zegt : • Een 
klein ijzeren speeltuig met een ijzeren tong, hetwelk tusschen de tanden 
genomen wordt en dat, wanneer men met den duim tegen de tong slaat, 
melodische tonen voortbrengt. » 

In mijn geboortedorp, waar dat speeltuig tromp heette, heb ik het 
in mijn kinderjaren dikwijls hooren bespelen. Wanneer men het tongetje 
niet aanraakt, zooals 't behoort, brengt het een valschen toon voort, en 
dat is de ijzerklank, waarop onze spreekwijze doelt. 

Dit versje uit Segelsem herinnert er aan : 

Elaaske-piep zat in den hoek 
En speeldeg' op zijn trompe; 
Klaaske-piep zat in den hoek 
En speeldeg' op zijn broek. 

(De Cock-Tbirlingk, A'tii((6r«pe/, IV, 816). 

Zie het art. Les dernières Guimbardes, van J. Boüx, in het dagblad Le 
Petit Bleu van 8*° Maart 1903; met een goede afb. van het speeltuig. 

392. Alles (xijn naam, zijn leven) op het spel zetten (Ergens 

bij wagen). Hgd. Alles aufs Spiel setzen. 

*t Is overbekend dat onze voorouders verslingerd waren op de kans- 
spelen, vooral op het dobbelspel. Met zooveel drift gaven zij zich 
daaraan over, dat zij soms al hun vee, ja hunne vrijheid waagden en 
verspeelden. Zou onze spreekw. daarin haren oorsprong niet hebben 



(1) Tbr Gouw» t. a. pl.| 834-336. 



N) VRIJEN EN TROUWEN, KINDEREN EN BEGRAVEN. 



393. Zij heeft een minnedrankje ingenomen (Zij issmoorlijk 
verliefd). — Vgl. Fr. Le philtre de l^amimr^ e'est Vamour même, 

In een opstel over Tooverif in Liefdeiaken ( Volk$kunde, XI, 242, XII, 62, 
186) heb ik aangetoond, dat men eertijds velerlei tooyermiddelen aan- 
wendde om iemands liefde te verwerven, en wel vooral : a) door een 
tooverkruid, een tooverdier of eenig gelukaanbrengend voorwerp bij zich 
te hebben, of er d6(o) geliefde mede in aanraking te brengen; b) door 
sympathetlsche tooverhandelingen ; c) door minnespijzen en minne- 
dranken, — de phillra der oude Grieken, ook in de Indische en de 
Romeinsche oudheid bekend en eens van algemeen gebruik. De beruchte 
Grieksche tooveressen Medea en Circe muntten uit in 't bereiden van 
zalke dranken; bij Horatius wordt ons een nachtelijk tooneel geschetst, 
waarin twee tooveressen, Ganidia en Sagana, een liefdedrank aan 't koken 
zijn (1). In de middeleeuwsehe sage van Tristan en Isolde maakt zoo'n 
philtrum een hoofdelement uit der handeling, en in La Fontaiks's Coupe 
enchantée, aan den Orlando furioso van Aaiosxo ontleend, 'vindt men 
deze verzen : 

Pour venir a $68 fin$, ramoureuse Nérie 
Employa pkUlres ti brevett. 

In de samenstelling er van, mengde men vaak walgelijke voorwerpen 
uit het dieren- of plantenrijk, vooral zekere deelen van 't menschelijk 
lichaam, soms ook gewijde zaken. 

Zooals ik elders zeide, is het gebruik dier liefdedranken en spijzen wel 
sterk verininderd, doch niet verdwenen. Processen wegens handel in, of 
betoovering door phlltra ontbreken niet, en komen zelf In de laatste halve 
eeuw nog voor. 

394. De deur staat op de klink (De zaak zal zonder veel 

moeite gelukken. — Boe.) 

« De uitdr. is ontleend, zegt BoBKSNOoaEir, aan het vroegere gebruik 
om des Zondagsavonds de deur op de klink te zetten (aan te metten), indien 

(1) D'N. J. SiivasLS, Over bijgeloof bij de Ouden {oyerdrrxk uii Nederland, 
1^9, hl. 26). 



— 208 — 

het meisje den vrijer verkeerlDg toestond en hem den toegang tot het 
huis vergunde. » 

ScHELTBiiA spreekt van « hylickmaeckers 9, d. i. makelaars, die voor 
bedeesde jongelingen ■ de deur op de klink zetten » moesten, waarop een 
los en soms een vast verkeer volgde. Het fatsoen vorderde dat de vrijer 
drie zondagen het meisje « aanpraatte < en opnieuw vroeg om met hem 
« op te zitten », d. i. zijn avondbezoeken als vrijer toe te staan. Behaagde 
hij niet, dan kreeg hij den 3*" Zondag « blauw v, d. i. een weigerend 
antwoord ; beviel hij. dan werd het komen aangemoedigd (I). 

De zoo pas gebruikte uitdr. opiitten, bet. bij Boekemoooen, Zaansche 
Volkitt.9 714 : opwachting houden^ van huwbare meisjes. Hier en daar in 
Noord-Holl. was het nl. de gewoonte, dat de huwbare meisjes des Zondags 
avond opiaten, d. i. dat zij vrijers opwachtten, en dat de moeders, 
wanneer zoodanige dochters des zondags ergens uitgenoodigd werden, 
gemeenlijk lieten weten, dat hare dochters voor de vriendelijke uitnoodi- 
ging bedankten, dewijl zij dien avond opiaten. 

395. Kweesten (Vrijen, en wel op dusdanige wijze, dat 
deur of vensters openstaan, en de minnaar op de deken zit of 
ligt, waaronder zijn beminde rust. — V. D.). Kweester 
(Vrijer). Kweesterij. 

Dat zonderlinge gebruik, 'twelk volgens Van Dale alleen op ïessel 
en Vlieland is blijven voortleven, bestond in de vorige eeuw ook nog 
op de eilanden Wieringen en Terschelling, alsmede op sommige dorpen 
aan de kust. Vooral in Noord-Holland, zegt Schotel, was vroeger de 
eenvoud der zeden groot, en des te grooter ook de gerustheid der 
ouders op het stuk van zedelijkheid. Zij gedoogden dat de jongelingen 
elkander in een duister en afgelegen vertrek bezochten, en die bijeen- 
komsten duurden soms tot het krieken van den morgen, zonder dat zulks 
de minste opspraak verwekte. In 1666, vertelt een ooggetuige, « werd er 
op het geheele eiland (Tessel) geen huis gevonden, waarin hier en daar 
boven en onder het venster geen ruit open of uitgebroken was, waardoor 
de vrijer bij nacht den arm kon steken, het venster openen en daarin 
klimmen, om bij de dochter op het bedde boven de deken te gaan liggen^ 
en op die manier een praatje te houden^ de vrijagie voort te zetten en 
aldaar te blijven tot een uur vóór den dag, wanneer hij wederom in 
stilte vertrok en het venster sloot. » (2) 

Dat noemde men kiveeiten, en de ouders, verre van het te verbieden, 
moedigden het aan. Het meisje dat geen eerlijken ktveesier had, was niet 
in tel; zelfs weduwen, en vrouwen wier echtgenooten op zee waren, 
ontbrak het niet aan kweesters. Naar het schijnt, werd er steeds in alle 

(1) J. ScHBLTBMA, Volksgeltruiken der Nederlanders bij hel vrijen en 
trouwen, bl. 61-63. 

(2) Scheltema, t. a. pi., 59-61; Schotel, t. a. pi. 228-229. 



~ 209 — 

eer en deugd gekweest» en mocht soms een vrijer het wagen 's meisjes 
eer te schenden, zoo werden dadelijk de buren door kelelmuziek bijeen- 
getrommeld, en zeer zelden kwam hij er heelhuids af; somwijlen zelfs 
bekocht hfj het met deadood. 

Dit kwetsten (Hgd. der Kiltgang, in 't oud hertogdom Berg Schlutgang of 
Schnuhtgang; in 't land van Wallis (o bundie) bestond vroeger in heel 
Duitschland (1), ja, in heel Europa, mag men zeggen. Door Liebrecut (9) 
weten wij dat het ook buiten Europa, nl. bij de Koerilen en de Tartaren 
gevonden wordt, en Wilken bewijst ons dat het eveneens bij de natuur- 
volkon van den Indischen Archipel in zwang is. Over de Alfoeren van 
Halmahera sprekend, haalt hij bl. 137 dit citaat van den heer Gaupbn 
aan(3) : « In den omgang der jongelieden is men uiterst tolerant, en het 
€ wordt aan de jonge dochters volstrekt niet kwalijk genomen zoo zij een 
• jonkman, die haar bijzonder bevalt, toestaan, een nacht in hare kamer 
« door te brengen. Niets onzedelijks wordt daarin gevonden. Indien zulk 
« een verkeer, dat men met den naam mamane bestempelt, maar geen 
« verdere gevolgen heeft, neemt niemand er notitie van ; het meisje ver- 
« mindert er niet door, en zal later, al heeft zij tal van maman6*s gehad, 
c toch wel aan den man komen. » 

396. Door de mand(e) (of : ben) vallen^ druipen. (Bij onze 
oude sóhrijvers en thans nog in N.-Nedl. : bekennen, schuld 
belijden; in VI. -België overal: niet slagen, met schande 
ergens afkomen, b. v. ineen huwelijksaanzoek, een verkie- 
zing, een examen, een tvi^istrede). Voor onze beteek. * niet 
slagen » gebruikt men soms in N.-Nedl. het syn. : Een korf 
krijgen; bij Molema: 'n körfkriegen, korft worden=Si{gewezen 
worden op een examen; korven, '» korf geven = üLimizen op 
een examen, In Vlaand. is die uitdr. onbekend en men zegt 
eenvoudig : doorvallen{}Igd. durchfallen) o( een buis krijgen, 
gebuisd worden; Ndd. (Holstein) : de kiepe kregen (Egk. 258). 
Hgd. Durch den Korb {allen (Mndd. Dorch den Korf vallen). 
Einen Korb bekommen. 

Moeielijk te verklaren spreekwijze; Harr. zwijgt er over, en Tuinman, 
1, 326, zegt alleen dit : « Van ymand, die op de beschuldiging eerst iels 
loochende, maar daar na overtuigt wierd, en dat bekende. Bij valt door 

(1) RocHHOLZ, Deutscher Glaube u. Brouch, II, 59 vlgg.; Wkinhold, Die 
deutschen Frauen in dein Mittelaltert l^ 237. Zie ook Archivei Suissei, VI, 
110 vlgg. 

(2; Zur Volkikunde, 378 379. 

(3) Wilken, Plechtigheden en Gebruiken bij Verlovingen en Huweliiken 
bij de volken van den indischen Archipel, 's Hagr, 1880. 

1^ 



— 310 — 

de mande, die den bodem inzit, of da ir dor hoen ralt, dewijl hem zyn 
stennzel ontzakt en begeeft. Dit word toegepast. » 

M. Van Wbrvbkii, in een persoonlijk schrijven, en M. Gittéb in zijn 
opstel over Oude ReekUiaken (Nederland en VL Kunstbode, 18U8) denken 
beiden aan een soort van iepronkstelling in een mand. 

In de 15* eeuw, schrijft mijn vriend V. W. uit Oent, hing men hier o. a. 
de vagebonden in een mand aan een hoogen staak, waarbij nu en dan 
wel een kerel (/oor de mand viel, wat het beschamelijke der straf natnnr> 
lijk verergerde. 

ïe Alken (bij Hasselt), vertelt 't Daghet, XI, 62, bevond zich vóór jaren 
een groote poel, en daarover was, hoog in de lucht, een koord gespannen, 
waaraan een manie hing te bengelen. Vuilsprekers, vrouweschakers en 
dieven werden in die mande, voor éen of meer dagen, vooral 's Zondags, 
ten toon gestel J. Tot voltooiing der straf, werd de koord aan de eene 
zijde losgemaakt, en de schuldige rolde met de mand in den poel. 

De Sehaadkorb, bij de Duitschers, is iets van gelijken aard. Prof. Ver- 
dam verklaart dan ook het spreekw. ais een herinm^ring aan die oude 
8trafoefenii:g,een soort van zelfkastijding, zegt hij, waarbij de schuldige 
in een c schandkorf i boven het water werd te pronk gesteld; hij ontving 
echter vooraf een mes um zich los te snijden, waaruit natuurlijk volgde, 
dat hij in 't water te recht kwam. De bodoeling was niet den veroor- 
deelde te verdrinken, maar alleen hem een koud waterbad tn bezorgen. 
En vojrbb. van dat rechtsgebruik ontbreken niet, zoodat de verklaring 
een goeden grond heeft. (1) 

Doch, steunend op het feit dat de Duitsche spreekw. Durch den Kort 
fallen en Einen Korb bekommen, buiten de beteek. c afgewezen worden bij 
een huwelijksaanzoek i weinig gebruikelijk zijn, met welke beteek. ons 
door de manie vallen ook in Vlaanderen veel voorkomt, lijn anderen de 
verklaring er van gaan zoeken in oude huwelijksgebruiken en meenen, 
dat de oorsprong wellicht daarin te vinden is. 

Het is nl. een zeer oude gewoonte, waarvan reeds gewaagd wordt in 
Der Minnen Loep, I. v. 2515 vlgg., dat de vrijer die *s nachts met zijn 
beminde wenschte te praten en te koozen, zich door haar in een mand 
liet ophalen. Was hij echter eenmaal in ongenade gevallen, zoo gebruikte 
zij een mand met zwakken bodem, waar hij doorheen moest zakken. 

Onze oude kluchtspelschrij vers hebben daarvan meer dan eens gebruik 
gemaakt (2), en op de bekende schilderij van Brbüohkl te Haarlem (n» 65) 
wordt ons een door de mand vallende vrijer voorgesteld (3). Het tooneel 
van Virgilius, die door een meisje tot halfweg van haar venster in een 



(1) Handelingen v. d. Maatsch. d, Ndl. Lelt. te Leiden, 1901-'02; Mededeel., 
1. 27-42. Zie ook Te» Gouw, 571 en Stobtt. n« 1278. 

(2) Van Mobrkerkbn, KUchhpel, hl. 370 en 614; Leidsch Tijdtchr,, 
1. 171-172. 

3) Stobtt, Ndl. Spreekw., !• dr , bl. 330 (noot 2). 



- 211 — 

mand opgehaald wordt en daar dan Loog eu droog moet blijyen hangen — 
aldua in Potteb'b Minnen Loep en Von der Ha gen 's Gesamtniabenteuer — 
Tindt men afgebeeld bij Lucas yan LeydeD(l). In een Boelgaarsch yer- 
telsel is Salomo de held Tan dergelijk avontuur (2), -wat op de groote 
verspreiding van dit gebruik wijst. In de 17* en 18« eenw, komt het 
volgens BoRGHARDT in dezen verzwakten vorm voor : als afwijzend ant- 
woord zond het meisje den onwelkomen vrijer een bodemloozen korf. 

En in de Marne (Groningen) hadden, volgens Molema» de jongens 
vroeger op boerenboel Jagen de baldadigheid een oude, bodem looze zeef of 
mand op een slaak te stellen en daardoor een strooien pop te laten zakken, 
ter bespotting van de meisjes, die geen vrijer hadden; dat heette deur de 
*eelglieden(^). 

Naklanken van 't onde gebruik worden thans nog hier en dalir verno- 
men; aldus in de Eifelgouw, waar de minnaar, die een blauwtje geloopen 
beeft, door de meisjes a gekorfd i wordt: ze werpen hem een bodemloozen 
korf over 't hoofd en trekken hem er door heen. Voor een verlaten meisje 
daarentegen, belasten de jongens zich met die taak (4). 

Dr. Schradbb brengt hiermee in verband ons Een blauwê scheen loopen 
{krijgen)^ daar het meisje, zegt hij, de hoogte en de gevolgen van den val 
uit de mand niet berekende. Dat is echter al te ver gezocht en veel een- 
voudiger is het met Dr. Stoett te zeggen : « zijn scheen stooten, er tegen 
loopen; vandaar: niet slagen (ihans uitsluitend bij een huwelijksaan- 
zoek)». Vgl. deze nitdr. : (Doe dat niet, want) ge iuli u builen loopen 
{= 't zal slf cht uitvallen. — L, van Aalst), 

Zie verder nog Dr. BoBQBLD, Ariitoieles en Phyllisy 1-2; Sobns, Onuitgeg, 
Ged. V. Anna Bijns (in Leuvensche Bijdr., IV, 282-283); Zeitschr., X, 163; 
Mardrus, mile nuitt et une nuit, YII, 207-217 {Le Khalifat dans la corbeilie) ; 
Wolf, Nied. Sagen^ n« 407 en Tgl. R, d. Trad. pop., XVIII, 592. 

897. Heiligmaker (Soort van koek in den vorm van lange 

platte reepen. — V, D.). 

Door volksetymologie ontstaan uit hijlikmaker, huwelijksmaker. 
Db Bo, Gorn.-Vervl., Tüerl., Rutten, noch Gkzellk (Loquela) kennen 
het; alleen Schuermans geeft het op voor Vlaond. (met de beteek.: zeker 
peperkoek, die kandijsuiker inhoudt) en Joos voor HL. v. Waas 
(= zekere zoetekoek). In Vlaanderen heeft men er den naam van Zalig- 
maker aan gegeven, zegt Noord en Zuid, VI, 142(5) ; ook Vergoüllib {Etpm. 
Wdb.) en Verdam (MnL Wdb.lU, kol. 778) hebben dat woord, maar in onze 
VI. idiotica komt het nergens voor. Rondom Aalst zijn beide woorden 
onbekend. 



(1) Zie de reproductie in De Vlaamse School, lS91,hh 261. 

(2) ScmacHUAJfOFY, Lég. Imigares, n« 42, en Strausz, Die Bulgaren M-^O^'^ 

(3) Zie Volksk., XIII. 68-70. Ook Molema en Dr. Stoett, n» 1278. 

(4) Zeitschr., X. 207; Tbr Gouw, Volksverm,, 589. 

(5) Ontleend aan Prof. Verdam, VMtetymologie (in Volksalmanak voor 
iaS8, uitg. door Mij. tot Nut v. 't Alg.). 



— 212 — 

Vindt hijlihmaker zijn oorsprong in de omstandigheid dat die soort 
van koek oorspronkelijk bij \ huwelijk werd gevorderd en aangeboden, 
en dus als 'tware de huwelijksplechtigheid voltrok, het huwelijk maakte? 

De Zuid-Bevelandsche spreekw. Met den koek op 't hooi d V huis komen 
(Harr. I. 839) mag hier insgelijks vermeld ; men gebruikt die, « wanneer 
de vrijer door het meisje zijner keuze wordt afgewezen. Hij biedt haar 
werkelijk een koek aan als bewijs, dat hij naar heur hand dingt. Neemt 
het meisje zijn geschenk aan, dan gaan beiden naar hare ouders, opdat 
die de verbintenis goedkeuren. Wordt zijn geschenk versmaad, dan komt 
hij met den koek op het ttoofd Chuis, en kan hij elders met zijn koek zijn 
geluk gaan beproeven. • 

Ook deze koek is dus een « hijlikmaker. » Prof. Vkrgoullib brengt 
hijlikmaker in verband met Fr. gdleau d*entren,eUeur; dus besluit hij: 
chuwelijkmaker^koek ». Placht men mis>>chien aau de hijlikmukers 
(makelaars), van wie ik boven sprak (n» 394), tot belooning voor hunne 
diensten, soms ook een koek te geven, evenals men hun geld of kb ederen 
beloofde, als de zaak lukte ?(1) De spreekw. Hij heeft een fulpen broek (of 
een nieuwen hoed) verdiend (H. I. 93 en bl. lxx), %e %\jn voor een panehroek 
getrouwd (West-Vl.)» en IL j heeft daar de geel kousen veidiend {Lier. — 
G.-V.)(2) wijzeu eveneens op dergelijke belooningen. Ik deuk e< liter dat 
het woord koek ook opeen geschenk van dezen aard toepasselijk was^ 
in welke beteek. het thans nog in Oost-Vl. veel gebruikt word 1(3). 

Men veroorlove mij hier een noLa uit La Guteite van 7 Dec 1890, 
rakende Le fuiseur de mari,ige : Dans la partie allemande du Luxembourg 
beige, un homme, appelé le heiligman, fait profe^sion d'arranger les 
mariages. Lorsque ses négociations aboutissent, il touche des pour-cent 
sur la dot et roQoit un chapeau de haute forme et une paire de bottes. 
Tant qu'elles durent, il vit aux crochets des deux families intéressèes, 
buvant, mangeant et logeant^ tantöt chez Tune, tanidt Tautre » (4). 

VgL nog Ds Bo, i. v. Handknecht. 

398. Huwelijk, — Bruiloft (houden). 

Huwelijk, 'M^nL huweleic, huweleec, hijlijc othylic(Yïin waar nog heden 
hijlik, hijtiken en hijlikmaker) (7)}, een samenstelling van het grondwoord 
van huwen = ec}il, met een Oudgerm. nw., dat de beleek. had van « dans, 
spel », verwant met Got. /atA;.v^dans, en /a/A;an = springen, Ang. Idc, 
Oudhgd. teich= spel, zang, en Mhgd. /^<(;^en = opspringen. Daarom zegt 
Frjlngk: Huwelijk moet dus oorspronkelijk feestelijkheid bij het huwen 

(1) Schotel, t. a. pi. 240. 

(2) Vgl. nog het Kempische : Met de kous op den kop komen (= Ergens met 
schande van afkomen. — G.-V.). 

(3) Bij ïüERL., RuTTEN eu GoRN.- Vervl. alleen als : erfgift. 

(4) Buil. de Folklore, II. 18. 

(5) Verschillende Duitiche dialect vormen: hylick, hilingoi hilink, hillig, 
hitlich of hilch^ hielich, hillik ot hilk, hileich, heilach, enz. {Monatsschr, des 
Berg. Geêchichtsvereins, III, 132.) 



— 218 — 

hebben beteekend (Zie Vbbc, Etym, Wdh„ Ybrdam, Mnl. Wdb,, en Bobkbn- 
OOQEN in het Leidsch Tijdtchr. v. Ndl. T. en LeiL, XI. 14.) 

In zijn pas vermeld art. over 't woord huwelijk, waaruit ik veel heb 
geput, zegt D' Bokkenoogen: « Wellicht moet deze oorspronkelijke beleek. 
nog meer worden beperkt en is onder u huweleic » eigenl. te verstaan de 
dans, waaronder bij onze Germ. voorouders het huwelijk voltrokken 
werd. » Tot staving dezer meening kan hij evenwel slechts wijzen, zegt 
hij, op een plafondschildering van Giotto, in een kerk te Napels, en op 
een plaats uit den Tristan en Uolde van Hendrik von Frbiberg. Daar ziet 
men een geestelijke een huwelijk inzegenen, terwijl de bruiloftsgasten er 
zingen en spelen en reidansen uitvoeren. 

Iets dergelijks bestond eertijds ook in Birseck (in 't voormalig prins- 
bisdom Bazel) (1). 

In zijn Frauen im Afittelaïter toont Prof. Weinhold aan, dat de priester- 
lijke inzegening van H huwelijk eerst sedert de 12« eeuw gewoonte werd 
en niet altijd in bidplaatsen geschiedde, dikwijls daarentegen in de 
bruiloftswooing, te midden van wereldsche vermaken. De kerkvergade- 
ringen kwamen hier krachtig tegen op, maar langen tijd vruchteloos, en 
tot heden toe schijnen er nog sporen van overgebleven. 

D' BoBKENooGEN denkt nl. te mogen wijzen op een kinderrondedans, 
waarvan de zang aldus eindigt : 

Daar heb je mijn hand van trouw 
En daarop zoen ik jou. 

Toen het nu regel werd de huwelijksplechtigheid in het kerkgebouw te 
doen plaats hebben, nam het gebruik waarschijnlijk dozen vorm aan : 
men begeleidde het bruidspaar onder muziek, gedans en gezang tot aan de 
kerk, en voerde het daarna op dezelfde wijze terug naar de plaats waar 
de verdere feestelijkheden zouden zijn. Dat gebruik heeft tot heden toe 
hier en daar stand gehouden, zegt D^" B. , zoo niet in N.-Nedl., dan toch in 
Zwaben en Stiermarken en waarschijnlijk ook wel elders. 

Nagenoeg in den zelfden vorm, voeg ik er bij, leeft dat oude gebruik ook 
nog op de Luneburgerheide (Hannover), rondom Iglau (Moravie), in 't oud 
hertogJom Berg, alsmede bij de Duitsch-sprekende Heanzen (of Hienzen) 
van West«Hongarijp, doch alleen te Harkau en te Agendorf (2). Vooral te 
Agendorf bestaat iets merkwaardigs : terwijl de overige bruilof sg asten 
in de kerk hunne plaatsen innemen, blijven de bruiloftsknechten nog een 
korten tijd vóór de kerkdeur en voeren daar een rondedans uit, « einen 
Beigen im Gsi^rdfis-Schritt, den sie das Werben nennen. * 

Na de trouwplechtigheid, terwijl men den stoet voor het vertrek weer in 
dezelfde orde samenstelt, voeren de bruiloftsknechten nogmaals dien 
f Werbertanz » uit (8). 

(1) Archives suisses III, 235. 

(2) Zeitschr, VII, 39. VI, 259. X. 171, 305, 365-867. 

(3) Zeitschr, X, 366. Men weet dat een aantal van de tegenwoordige 
kinderdansen (rei- en rondedansen), door de Duitschers onder de^ rubriek 
firautwerbung gerangschikt» evengoed in Vlaanderen bestaan. 



— 214 — 

Bijzonder lustig ging bet er toe, zegt Schell, in lijn opstel Bergisché 
Hoch%tit8gebrduche {Zeitschr, X. 171-172) op de zoogenaamde «Gebe-Hoch- 
zeiten b, die nog beden niet ganseli uitgeroeid zijn. Hier ontbrak nooit 
muziek. Kwam rond den middag de braiioftsstoot uit de kerk, dan gingen 
de muzikanten vooraan» on dansend trok men naar het feestbuiss In het 
midden der 18* eeuw heetten die « Gebe-Hocbzeiten • daarom te Elberfeld 
kortweg Dans-, Spiel- of Dans- en speelbruilofien» En uit eene door Schell 
meegedeelde konsistoriaal-verhandeling yan 19 Dec. 1749, blijkt duidelijk 
dat die « GebcH^chzeiten » steod? in de opene lucht geschiedden, terwijl 
de andere bruiloften in afgesloten plaatsen werden gehouden. 

Deze nieuwe bijzonderheden over oude, Germaansche trouwgebrniken 
staven dus ook de meening van Dr. B., naar het me toeschijnt. 

Hier mag nog gezegd, dat ook wel eens in ntet-Qermaansche landen 
— o. a. in Bretanje en op Lesbos (1) ,— dergelijke optochten vergezeld 
zijn van spelende muzikanten, doch van dansen in de open lucht, bij 
't gaan en keeren of vóór de kerkdeur, wordt daar nergens gewaagd. 

Men moet, zegt Dr. B«, dezen optocht wel onderscheiden van dien, 
waarbij de bruid met haren inboedel naar de woning des bruidegoms 
wordt gevoerd, en die nog in zeer vele streken, ook in N.-Nedl , wordt 
gehouden. 

De Duitschers spreken van de Abholung der Braut of van Brautgutführen, 
wat gedaan wordt met een, doorgaans versierden Kiitenwagen (Lune- 
burg) of Kdiienwagen (Brunswijk) (2) of Kammerwagen (Iglau), waarop 
zich soms ook speellui bevinden. 

Het is nog niet uitgemaakt of dit gebruik samenhangt met den c bruid- 
loop », waarvan de meeste geleerden ons woord bruiloft afleiden. Wain- 
tiOLD (Die Frauen, 1,338.332) en enkele andere zijn die meening toege- 
daan. Bruiloft, Mnl. brulocht (bruutlocht, bruloftf enz.), Oudhgd. brut» 
hiauft, Nhgd. brauUault == bruidloop» volgens Wbinhold oorspronkelijk 
doelend op de afhaling der bruid, « die Fahrt zum Brauthause, der Zug 
(Lauf) mit der Braut zum Hofe des BrSutigams, » — later op het 
heele huwelijksfeest toegepast. Evenzoo denkt Dr. Muller {NdL Wdb. 
III. 1654). 

Grimm (Wtb.) en Simrogk (D. Mglk^,, 598-599) daarentegen, leiden 
bruiloft af van den wedloop om de bruid, waarvan in de Oudgrièksche 
sage van Atalante en de Oudgerm. sage van Siegfrled en Brunhilde 
(in het Nibelungenlied) sprake is. 

Herrmann (D. Mylh , 2o9, 334, 471) schijnt er beide zaken mede in 
verband te willen brengen. Het Oudgerm. huwelijksfeest, zegt hij, 
bestond in werkelijkheid uit een wedloop naar of om de bruid. Ook de 
optocht tot afhaling der bruid, voegt hij er bij, werd vaak in een wilden 

(1) P. SÉBtLLOT, Coutumei de la Haute-Bretagne, 121-123. Orain, Folkl. de 
nUe-et-Vilaine, 1. 197. GKoaoEiiKis-PiNBAU, Folkl. de Leebos, 818-319, 

(2) R. Andrbb, BrauMchw. Volksk., 301-302. 



— 215 — 

wedren aitgevoerd; triomfantelijk werd zij, hoog op den wagen tronend, 
naar het trouwhuia gebracht. In Beieren ia het gowoonle» dat de brui- 
loftsgasten don « brautlauf » houden; de bruidegom loopt zelf mede on 
het doeleinde is de sleutel der bruid&karoer ; deirt hij het onderspit, zoo 
moet hij den winner den sleutel afkoopen(l). Nog andere vormen vindt 
men in Daitachland : In de Altmark begeven zich 's avonds van din 
trouwdag al de feestgenooten op eene tot loopen ingerichte plaats; twee 
jonge mannen nemen de bruid tusschen zich, krijgen een voorsprong en 
rennen dan vooruit. De bruidegom moet hen iuhaien, anders wordt hij 
uitgelachen. 

Door kracht en behendigheid moet de vrouw veroverd worden. 

Volgens Prof. Verdam (2) herinnert bruiloft tL^n « een optocht waar- 
mede jonggehuwden naar hunne woning werden begeleid ». Dat schijnt 
dus te doelen, — dewijl hier sprake is van reeds • gehuwden s» op het 
stoetagewijze terugkeeren uit de kerk. 

Voor Prof. Vbrgoüllik ligt ook de oorsprong van bruiloft « in de 
Oudgerm. huwelij ksdansen ». Daar. deze samenstelling reeds bestond, 
zegt hij, toen loopen nog =a springen, dansen, is het waarschijnlijk dat 
6nit/o/'< = bruiddans, d. i. de eerste door de bruid aangevoerde dans van 
het trouwfeest. « Voor mij» schrijft hij, \8 bruiloft etymologisch aynon. 
met huwelijk, » En hij wijst hierbij nog op werven (Hgd. werben ss vrijen), 
oorspronkelijk : wandelen, zich wenden, draaien. (Vgl. wervel en 
Wervelwind), 

399. In 't huwelijksbootje stappen (Trouwen). 

Volgens Tbr Gouw, 543, voeren, naar oud HoU. gebruik, bruid en 
bruidegom ter kerke in een versierd bootje met een kroontje aan den 
mast, ofwel in een tentschuitje, dat geheel met groen omvlochten was, 
zooals men er een ziet afgebeeld bij Gats op de titelprent van het !• deel 
van zijn Houweliek. Daarop doelt bovenstaande spreekw., alsook het 
oude en welbekende rijmpje : 

Als de bruyt is in de schuyt 
Dan is 't flioke-floyen uyt. 

(Gats, 1.776). 
Wanneer de bruyt is in de schuyt 
Is bidden en believen uyt. 

(Tbr Gouw, Volkêvêrm. 548). 

Als de Bruyd is in de schuy t. 
Lief Bchippertjen dan is 't vleyen uyt. 

(Poirters, Masker, 18d). 

(1) Hbrbmann vermeldt dat gebruik als nog bestaande (in 1898) ; in de 
5» uitg. van Simrogk's Myth. (1878) wordt het opgegeven als reeds uitge- 
storven. 

(8)(?McA.«,bl. 278. 



- 216 — 

Als de bruid ia in de schuit 
Dan zijn de beloften uit. 

(Tuinman, I, S2, en II, 65; Haru. I, 4<^). 

of : Dan is het pronken uit. 

(Schel., lOG). 

of : Dan zijn de mooie praatjes uit. 

(Van Dale). 
of : Dan zijn de schoone liedjes uit. 

(Biekorf, VIII. 299). 

In 't Ndd. (Oud hertogdom Berg) ontbreekt de schuit : 

Jongfer Brut — 

De godden Dag eind taU 

{Zeitschr. X. 179). 

Vgl. Met iem, onder zeil gaan (in de 18« eeuw: «met iem. in 'tbuwelijka- 
bootje stappen ». — Stoett, n» 2181). 

400. In de kraam komen (Bevallen). In de kraam liggen. 
(Bevallen zijn). In de kraam moeten (Zwanger zijn). Hij komt 
er nog van in de kraam (Fig. van iem. die zich zeer bezorgd 
over de een of andere zaak maakt). Kramen (In de kraam 
komen, de kraam uitliggen). 

Langen tijd heeft men naar den oorsprong van dat « kraam > gegist. 
Eenigen wilden dat het w. van het Got. kramsan = kruisigen, pijnigen 
afstamde, ofwel dat het, volgens de analogie, aan kermen, krimpen en 
krommen verwant, oorspronkelijk pijn beteekenle. Kraamvrouw moest 
dus zooveel zijn als kermvrouw. Anderen zagf^n er een verbastering in 
van Fr. caréme, dewijl Je kraamvrouw ze» weken moest vaston, gelijk de 
geloovigen vóór Paschen; nog noemt men een bleek gelaat lace de caréme. 
En FoKKE Simons sloeg zeker den spijker op den kop, als hij beweerde 
dat men de kraam zoo noemde, wijl er zooveel omhaal noodig is als in 
een kermiskraam. 

Toch had hij geen ongelijk aan een kermiskraam te denken, zooals 
blijkt uit de Wdbb. van Verdam en Vkrgoullie, waar de ware etymologie 
thans te lezen staat : Kraam (winkeltent), Mndl. crame^ Hgd. kram. De 
oudste beteek. ieitdoek, uitgespannen doek, tentdak komt in het Mndl. nog 
maar zelden voor; daaruit ontstond de thans nog gewone opvatting : 
« eene met een gordijn of zeil afgeschoten of tfgen het weder beschutte 
ruimte > (=i winkeltent; Hgti. Krambude, Kramladen)\ vandaar ook kraam 
= kindf^rbed, naar de als eon tent afgespannen ruimte, waarbinnen 
vroeger de bevalling geschiedde, zooals in huizen met één woonkamer 
noodzakelijk was. 

401. Bakermat (Bakermand, waarin eertijds de baker met 
het kind ging zitten ;(üg.) de plaats, vs^aar de stamvader eener 
familie is geboren ; (ook) plaats, waar iets het eerst werd 



— 217 — 

aangekweekt). Van de bakermat af (A]s tijdsbepaling : sinds de 
vroegste jeugd) • 

Bakermat, uit den stam van bakeren, en mat in de beteek. van korf, 
biezen stoel, liakeren is een frecf. van bakken^ en bet. in 't alg. : verwar- 
men, koesteren, bepaaldelijk toegepast op het verzorgen van een pasge- 
boren kind. 

Bakermat : een langwerpige, lage mand, ook wel een houten bak, die, 
vóór het vuur Btaand<», tot zitplaats diende voor een baker, wanneer deze 
het op haar schoot liggende kind verzorgde {Ndl, Wdb,). De bakermat was 
meestal een uit teenen gevlochten mandewerk, van achteren en ter 
linkerzijde met een ruggescherm zoo hoog oploopende, dat baker en kind 
voor tocht en vuurgloed beveiligd waren. 

402. Op zijn reeuwstrooW liggen {= 1. In lijk liggen, pas 
overleden en nog onbegraven zijn; 2. (bij uitbr.) ten einde 
loopen,b. v. een fortuin, een handelszaak, het jaar. — DeBo). 
Op 7 lijkslrooW liggen \I>oo([, maar nog niet begraven. — ï. 
en G.-V.) Op zijn stroo liggen CSgh. en A). Op stroo liggen 
(Noord-Brab. — Ons Volksl.,YlIl. 18). Op het schoof liggen 
(Holl.-Limb. — Sgh.). — Ndd. (Eifel) : Aufdem « Schoof» 
(Westfalen : Réwestroh) liegeni^). 

Het feit dat deze spreekwijze in heel VI. België en de aangrenzende 
gewesten mondgemeen is, bewij>t genoegzaam dat hier op een zeer 
ver.<preid gebruils geloeid worlt. De gewoonte om den stervende op een 
leger van slroo on niet op zijn bed te lej^gpn, was zelfs alg. Gf»rmaansch, 
en reeds bij de oude Indiërs in zwang (3). Volgens Wuttkb, S 72), wordt 
tot nog toe in Dultschland een lijk vrij algemoen op eeu schoof stroo 
gelegd, en Schuermans (Idiot , G91) verzekert dat nog heden, meest ten 
platten lande, de gewoonte bestaat het lijk van een pas gestorven persoon 
uit het bed op stroo te leggen; doch de laatste schreef dit in 1805-*70, en 
WüTTKB ia 1860, en sedert is aan beide zijden van den Bijn veel van dat 
oudo verdwenen. In onze provinciën is bewust gebruik thans bijna geheel 
uitgestorven, meen ik. 

Dat reeuwitroo (Hgd. Sterb{e)stroh) kreeg vaak een eigenaardige 



(1) Reeuwitroo = lijkitroo, want reeuw = lijk. Op 't reustroy liggen komt 
reeds voor bij Ed. De Dene, 16» eouw (De Bo, 801). — Men verg. het henne- 
kleed (in Friesl. hinnekleed, reenhUed, otréinkleed), ook reefdeed of volkaety- 
mol. vervormd, nog r«/7?nA7^pr/ genaamd, waarvan Prof. GALLÉsin Volksk, 
XIII, 92, gewaagt (fhnnekleed = lijkklee l, gelijk fiunehed = hjkbed), 

(2) SiMROCK, Mij'h. 202; Bocihiolz, Glauhe «. Brauch, I. 179; Woeste, 
Volksüberlief. aus der Grafnchaft Mark, 57; Schmitz, Ei/Ier Sagen, 91. 

(8) Galléb, Volksk. XIII. 130. Zeitschr. Xi;221. 



— 318 — 

bestemming. Hier werd het verbrand, daar maakle men er busseltjes 
van, die men langs den weg, vóór een houlen kruis)>eeld of een kapelletje 
wierp, opdat de voorbijganger of de bedevaarder in zijn gebeden den 
doodezou gedenken... In de prov. Antwerpen en Brabant, zegt /{. den Heerd^ 
XXV, 158, ziet men soms het lijk naar de kerk voeren, rustend op verschil- 
lende stroobusselkens, waarvan men nu en dan een uittrekt en langs den 
weg laat vallen. In dit geval ligt dus de doodkist^ en niet het bloole lijk 
op het stroo. Iets dergelijks vindt men nog o. a. te St. Martens-Lennick; 
ook in den vreemde, nl. in Duitsrhland en Polen, waar het Eoms heel en 
al met hetzelfde doel geschiedt (b. t. in de omstr. van Krakau)(l). 

403. Het hek sluiten (Fig. de laatste zijn). Heksluiter, hikken- 
sluiter (Eig. hij rtie achteraanloopt en dus de hekken moet 
sluiten. Fig. de laatste; (ook) de laatstgeborene der kinderen). 

Hel hek sluiten : de laatste zijn in een stoet, eig. in een begrafenisstoet, 
en het hek op het kerkhof achter zich toesluiten. Onder degenen die oud- 
tijds een begrafenisstoet vergezelden, waren de twee laatsten de hektluiterft 
dia belast waren met het hek van 'tkerkhofte sluiten (Stoktt, n'757). 

In de Betuwe sprak men eertijds ook van hekkenopenieUen, die, naar 
het volksgeloof^ als iem. stierf, reeds dagen te voren des nachts moesten 
opstaan en de hekken openzetten, waar de overledene moest voorbij- 
trekken. Hij zelf zag dan de lijkstaatsie.(2) 

404, Tranen met tuiten schreien (Bitter weenen, — met 
tuiten of tuitkannetjes vol. — V. D.). — Huilebalk. 

Doelt op een overdreven ronwmisbaar, vooral van wege ■ huilebalken » 
d. i. van gehuurde schreiers of schreisters bij begrafenissen; ook op het 
buitensporig weenen van kleine huilebalken, d. i. van kinderen. Tuinman 
en HiLRR, zoeken de verklaring er van in een aloud gebruik, dat, naar 
hun zeggen, bij de Israëlieten, zoowel als bij vele heidensohe volken, 
waaronder ook onze voorouders, eertijds bestaan heeft Naarmen beweert, 
hadden die volken bij hunne lijkplechtigheden gehuurde klaagvrouwen, 
wier tranen in langwerpige fleschjes of kannetjes, tuilen genaamd, werden 
opgevangen. Deze werden dan, tot aandenken van den doode, bewaard, 
of bij de lijkbus in Hgraf gezet. 

Ook V(jln) D(ai.b) schijnt wel op zoo'n gebruik te wijzen. De heer 
L. Q. U. (?ioord en Z, II, 218) daarentegen heet die verklaring onzin ; hij 
neemt tuit in de beteek. « buisje^ pijpje» » en verstaat dan de spreekw. 
aldus : tranen storten, die als H ware door af voorbuisjes, langs hel aange- 
zicht biggelen. 

Nergens heb Ik In mijn onderzoek over het door Hjlrb. vermelde 



(1) Af» Urquell, III, 201-202. Roghholz, t. a. pl. I, 180-181; Wuttkb. 
S 729. Bartsgh, t. a. pl. IL 97. 

(2) Van dbn Bbrgh, Wdb. d. Ndl. Myth., 888. 



— 319 — 

gebruik, dienaangaande eenig spoor gevonden. Dr. Ib. Badwbnb (Aalst), 
die een zeer uitgebreid en degelijk werk OTer oude lijkplechtigheden lift 
verschijnen, en de goed bekende Amsterdamsche geleerde. Dr. Stoktt, 
— beiden door mij geraadpleegd, — verklaarden in een persoonlijk schrij- 
ven gezegi gebruik, evenmin als ik, ergens te hebben aangetroffen. Zij 
denken, en wel te recht, meen ik, dat de spreek w. doelt op den vorm der 
tranen, en tuit in de beteek. van puntot püp dient te worden opgevat; 
tranen met tuilen bet, dan tranen, die niet roni iijn, maa" naar boven in een 
puniuitloopen, dus dikke tranen, zooals men ze op de rouwbehangsels der 
kerken en ook wel op karikaturen kan afgebeeld zien(l). 

Huilebalk U een samenstell. afleiding van hutlen en balken, VgU ginue» 
gabben (Verg.). 



(1) Zie ook Taal en Lett. XI. 401. 



O) AMBACHT, BEDRIJF, xNERING. 



A) Hekelen, spinnen en weven. 

405. Hekelen (Eig. vlas of kemp, over den hekel halen; 
flg. doorhalen, berispen). Hgd. hecheln. — ]e?n, over de(nj 
hekeli^) halen (lem. den bol wasschen, of iem. gispen, beklad- 
den in zijn afwezigheid) W. Dezelfde beteek. heeft het Lim- 
burgsche : Iem. door de hekel halen (Sgh.), in 't Land van 
Aalst veel meer : Iem. door de hekel trekken, wat ook in 
PoiRTERs* Masker voorkomt : door een hekel trekken (naast : 
door den hekel halen; bl. 41 en 203). Hgd. Einen durch die 
Hechel ziehen^ of ihn durchhecheln. — Met het hoofd tegen den 
hekel loopen (Zich teleurgesteld zien. — G. T.) Met zijn gat op 
een hekel zitten (Op heete kolen. - C.-V.) 

De leznr kent de(n) hekel : een werktuig van opstaande spitse tanrljVg 
voorzien, waar de spinster het vlas doortrok, om het volkomen te zuiveren, 
eer zij het spon. 

406. Spinnen. — Spinnege^ spinnige, spinnette (De Bo) 
spinnes (3) (A.), spinsterige (Sch.). — Spinning (Bijeenkomst 
van spinsters, inde Kempen, volgens Sgh. W; ook wel hier en 
daar in West-Brab.); spinavond (Gallée). Handgespin. 

De vlasteelten het vervaariigen van lijnwaad in onze gewesten doet 
men wel tens opklimmen tot 3 eeuwen vóór Chr.; zooveel is zeker dat 



(1) Bijna in heel VI. -België vr.,ook in HLand v. Aal8t(zieSGH., DsBo 
enC.-V.) en in Noord-Brabant (Ons Volksleven, IX, 24). 

(2) Het oudste voorb. in « Ganipen » (Stoktt, n© 761). 

(3) Spinnerse (Brab. Scn.-Bijv. en Antw. Kempen, -- G.-V.), heeft den 
klemtoon op erse, spinnette op elle, maar spinnet op 9pin. 

(4) Zie Sgh. ook nog op labhaai. 



— 221 — 

meo ten tijde der Romeinen in eenige streken van hedendaagsch België 
reeds het vlas spon en weefde. Op die langyervlogen tijden zinspeelt 
èfnigszins het rijmpje : 

Doe Adam spiiUde ende Eva spauj 
Wte was doe (toen) een edelman? 

(Gampen ; bij Mbijbr, 17) (1). 
en de Fr. zegsw. : Du (empn que la reine Berihe fitait. 

Het spinnen met de hand was vroeger algemeen in gebruik, en elk 
meisje had haar spinnewiel; zelfs onze grootmoeders sponnen nog en 
roemden op haar onverslijtbaar lijnwaad, dat zij h&ndgespin heetlen, 
waarvan zij zelve het garen hadden gesponnen. — Zede was het vroeger, 
zooals wij elders schreven, dat gedurende de lange winteravonden, de 
jonge meisjes, soms ook vrouwen uit de buurt met vlas en rad te zamen 
kwamen in de groote keuken-eetkamer van een of anderen pachter (2). 
Liedjes zingen en sprookjes vertellen was in die spinningen een der hoofd- 
bezigheden. Op die bijeenkomsten verschenen natuurlijk ook vrijers; 
vandaar dat hij gaal spinnen eerlang ging beteekonen : hij gaat vrijen^ 
zooals men nog zegt o. a. te Reckhem {Loq, VIII, 77). In 't Eng. is 
a spinster = een vrijster. Dergelijke Spinnsluben bestonden omstr. 1850 ook 
nog in Dultschland (3). Dat gezellige • uit spinnen gaan » vindt men nog 
heden in Drenthe, doch, herinnert die uitdr. aan de oude volksgewoonte, 
er wordt daar echter niet meer gesponnen, maar enkel gebreid en genaaid, 
alsook gezongen en gevrijd. De a spinsterlid » duurt er van half Jan. tot 
einde Februari (4). Volgens Galléb's Wdb, v, h. Geld.- Over ijs. Dialect 
schijnt het huishoudelijk spinnen aldaar nog te bestaan ; hij spreekt van 
een spinneweke en een spinmaol : de gehuurde meid heeft een week, 
waarin ze voor zich uit spinnen mag gaan, en de boer bij wien de meisjes 
aldus samenkomen om te spinnen, wat dan ook vrijers uitlokt, geeft hun 
in die week een maal, spinmaol of gespin genaamd. Volgens Woorden^ 
schal, 34), is gespin = spinning, en zijn die avondpartijtjes ook in Drenthe 
en Overijsel verdwenen. In Vlaanderen plachten de boerenmeiden zich de 
avonduren, na haar gewoon werk, voor te behouden om voor zich zelve te 

(1) Bij Tuinman : Doe Adam spitte en Eva span. Waar vond men doe den 
edelman? la F. van Ddyse's O, Ndl. Lied komt onder n» 235 een liedje voor, 
dat aldus aanvangt : 

c Als vader Adam spitten en moeder Eva span, 
Waer vond men toen de heeren oft ook den edelman? > 

In Museum (Gron., Deo, 1901) heeft Prof. Logeman aangetoond dat de 
spreuk • When Adam delved and Eva span, who was then a gentleman ? » 
reeds in 1881 in Engeland bekend was. 

(2) Dh Mont-De GocK, VI. Vertelsels, Inleiding iv. ZieookGoRN-VBRVL., 
Joos en ScH. op spinning, 

(3) mtleil. d. Vereins f. Sdchsische Volkskunde, 1898, n» 8, bl. 8. 

(4) Driem. Bladen, I. 40-46. 



— ÖÖÖ - 

spinnen. Thans is dat alles liier verdwenen, en de spinmachine heeft hei 
spinewiel vervangen. 

407. Een goei vrouw moet vijf werien te gelijk kunnen doen : 
spinnen en wiegen^ klappen en liegen, en 7 huis ga(de) slaan (A.)- 

Bij Frisghbier, n<> 939, komen « klappen en liegen » niet voori maar 
worden vervangen door vier andere werken, zoodat in Pruisen van een 
goede huisvrouw gedtscht wordt dat zij tegelijker tijd kunne wiegen, 
iingen, spinnen, nach der Thüre eehen, prusten, huiten, auch einen Pup 
loiun, Blders in Pruisen, gaat men nog verder en wil dat zij bovendien 
kunne : liegen en..« den veest opsnuiven (Ece. 128) (1). Spinnen wordt dus 
ook d&ar onmisbaar geacht. 

408. Spinhuis (Tuchthuis). — Hoe heb ik zooveel bekijks, zei 

losse Trui, en zij werd naar het spinhuis gebracht (H,). lem. 

doen gaan spinnen (Hem in 't gevang zetten. — Sgh.) (2). Bij 

is al aan *t spinnen (Hij zit al vast. — Scii.). 

Verstond men door spinhui» oorspronkelijk een huis, een werkplaats 
(atelier), waar gesponnen werd, later werd het bijna uitsluitend toege- 
past op tuchthuizen, soort van verbeterhuizen waar de veroordeelden 
gezamenlijk dwangarbeid te verrichten hebben en het spinnen vroeger 
de hoofdbezigheid der vrouwen uitmaakte. *t Was in het tuchthuis te 
Gent, dat reeds in *t jaar II der Fransche republiek. Lieven Bauwens 
zijn eerste spinmachines beproefde. 

409. De vlijtige spinster heeft nooit gebrek aan een hemd (H.). 
Hij zal zijn rok wel spinnen (Hij zal zijn voornemen wel ten 
uitvoer brengen. — J.). 

Ndd. (Pr.) Ein fleissiger Spinner hat ein lange» Hemde (Fri. n« 8572). 

410. Een vrouw die een pond garen spint, en een koe die een 
pond boter geeft, zijn goede (Joos, Schatten^ 141). 

411 . Zij kan vijf bundels uit éen pond spinnen (Door zuinig- 
heid en wijs beleid weet zij het zeer ver te brengen. — 
W. D.). 

Het Frioseh geeft ; füf reaven. Nu, leaf is een bundel grof sajet van 
1/4 pond gewicht. — Die spreekw. wordt óok spottenderwijze toegepast 
op een vrouw, die zich te veel op haar zuinigheid en knapheid laat 
voorstaan. 

412. Hij zal het dun moeten spinnen (Hij zal het schrap 
moeten aanleggen om toe te komen. — G.-V.). Die zijnen 

(1) Zie mijn Spreekwoorden over de Vrouwen, TI, n»77. 

(2) BijBüTTEN : lem. gaan doen epinnsn s Hem in 't gevaar helpen. 



— 223 — 

kost met spmien moet winnen, moet zich dapper weren. 
(Welters, 84). 

Die êf tijn kostje met spinnen wil winnen^ 
Moet maar wal *uinigje$ teren : 
's Awndi een potje met melk bij het vuur 
En de boter wat dunnetjes smeren (H.). 

413. Alle dagen (of weken) een draadje gesponnen, Is alle 
jaar een hemdje gewonnen (De Bo en G.-V.). Alle dagen een 
draadje is een hemdsmouw in het jaar (V, D.). 

Alle daeg ook maer een draayken gesponnen 

Op V eynde van 'I Jaer eene hems-mouw gewonnen. 

(PoiRTXRB, Masker, 85). 

Bij Fr. GoBDTHiLLs : Een draeyken sdaechs is een hemdemauken siaers 
(Mbijeb, 85). 

414. Die een vrouw neemt om te spinnen en een hen om 
eieren te leggen, maakt zijn rekening verkeerd (H.). 

415. Zij spint te veel loopgaren (Een straatvroaw, geen 

huisvrouw. — W. D.). 

Ndd. (Pr.) 50 spönnt möi de Têns (met de teenen), möt de Hacke 
haspelt se (Eqk. 49b). 

416. Hls zoo" n spinnette (Eene die veel onnoozelen praat 
vertelt, een onverstandige snapster. — De Bo). Een 
spin(ne)vodde (Een feeks. — V. D.). 

417. Een spinnevel (Mager, korzelig meisje. — T, en 
R.). — *t Is een recht spinnewiel (Meest gez. van kleine jonge 
meisjes, doch ook van volwassen meisjes, die zich niet 
kunnen stilhouden en vlugge bewegingen hebben. — 
J. en A.). 

418. Met hem is het moeilijk garen spinnen, is er moeilijk garen 
te spinnen (V, D.), is er geen goed garen (of geen goeien 
draad) te spinnen (Met hem kan men moeilijk overweg, is 
kwalijk iets aan te vangen. — De Bo, Sgh., R. en G.-V.). 
Ge zult hem een draad zien spinnen (Ge zult hem een gang zien 
gaan. — G.-V.). 

419. Goed garen bij iets spinnen (Ergens veel voordeel van 



~ 224 — 

trekken). Daar zult gij geene zijde bij (of van) spinnen (Niets 
mede verdienen). 

Het helpt niet een beet, dat heb Uk al gedaen. 
Waerde Pleuntje, daer is geen %ij aen hem te tpinnen, 

(Van MoERii., Ndl, Kiuchlsp, der 17® eeuw, bl. 484). 

Zijde bij iels spinnen, is tot hiertoe niet Yoldoende yerklaard (Zie 
Stoett, n« 2188, en Prinsen, Noord en Z., XXVI, 224-226, waar hij een 
yerhaal meedeelt met de bewuste uitdr.). 

420. Geen goed garen van iem. of iets kun7ien spinnen. 
(Niets goeds van iem. of iets kunnen maken). 

421. Daar is nooit garen van gesponnen (Daar is nooit iets 
van gekomen). 

422. Zuiver garen spinnen (Zuiver en eerlijk handelen. — 
V. D.) Kwaad garen spinnen (V. D.); ooiijk of slecht garen 
5pi;m^n (Oneerlijk, slecht handelen. — De Bo). 

423. Hij moet fijn garen spinnen (Hij zal ras moeten loopen, 
anders wordt hij ingehaald, — of vlug moeten werken, 
anders krijgt hij niet gedaan. — A.). 

424. Het is goed spinnen van een andermans garen (Uit eens 
anders leer is 't goed riemen snijden). 

425. Men kan van alle vlas geen goed garen spinnen (Men 
kan niet allesten nutte aanwenden). 

Vgl. PoiRTERs, Masker, 84 : Gelijk men van grof vlas noyl fijnen draei en 
spind. 

426. Floers spinnen (JsiloeTs,ch zijn). 

427. Blauw garen spinnen (Braken van te veel drinken. — 
De Bo). 

Zou dit « blauw garen » wellicht in verband staan met de blauwe 
bloempjes, de blauwe boodschappen, de blauwe huik, enz. yan ons n^ 888? 

428. Een langen end spinnen (Lang leven. — De Bo). 
Geen langen draad meer spinnen (Niet lang meer te leven 
hebben. - C.-V.). 

429. Spin me dat aaneen! of : Spin dat eens aaneen! (Word 
daar eens wijs uit, uit dien rimram I — A.). Vgl. ScH.-Byt;. : 
Iets aaneen spiniien = iets verzinnen, uitdenken. Dat is fijn 
aaneengesponnen (Slim bedacht. — A.). 



-^ 225 — 

430. Ik zal , dat wel klaar spinnen (Ik zal dat wel 
klaren. -— A,). . : 

Vgl. Ik zal dat wtl klaar spelen, ol krijgen. Ook Stoett, n* 1934. 

431. Een wezentje spinnen (De droefheid of de teleurstelling 
in het gelaat laten zien. — De Bo). Een (vies) gezicht^ een vies , 
wezen spinnen, oUrekken (ld. — J. en A.). 

432. 't Is zijn vader gedraaid en gesponnen (A.), te Antw. : 
*t Is zijn vader gewisseld en gedraaid (Dsit kind is 't evenbeeld 
va,n zijn vader. — Sgh.). 

433. B^rott^wen (Iets kwaads teweegbrengen; op den hals 
halen). Dat is rokken en spinnen (Dat is iets zonder eind, iets 
van langen duur. — Sgh.). Rokken en spinnen (In 't verborgen 
en langzamerhand iets schikken en beramen, of : geschikt en 
beraamd worden. ~ De Bo). 

Sart.-Sghrev. pr. 11,27 : Ghy hebt dit gerockenl^ ghfj sult het ook self 
afspinntn (Vgl. DU bierken hebt ghy gebrouwen, ende moet dat ook uyt 
suypen). 

Herokkenen, van rokkeneity afgek'id van rokken^ hetzelfde als rok, waar- 
van berokken is gevormd : de wol of het vlas op het spinrokken winden. 
Thans is berokken geheel door berokkenen verdrongen {Ndl. Wdb. II. 1922). 

434. Gelijk gij 't rokt, zult gij 't spinnen (Handel naar uw 
beliefte, maar de verantw'oordelijkheid zal op u alleen wegen. 
— DeBo en V. D ). — Ge moogt niet meer oprokken dan ge 
kunt afspinnen (Men raag niet meer aanvatten dan men kan 
voleinden. — G.-V.). 

. 435. Rokkespinnen (Eig. rokken en spinnen, d. i. üg. kwaad 
berokkenen : tegen iem, rokkespinnen = bedektelijk tegen- 
kanten. — De Bo). 

436. Die vrij wil zijn van vlas en vlok^ Die ga niet tusschen 
wiel en rok (H. ). 

Wie zich rein wil houden, mijde wal onreinheid meebrengt, b. v. slecht 
gezelschap. 

437. Alwaar de spinrok (l) dwingt het zweerd, Daar staat het 
kwalijk met den weerd (Gats). 



(1) Spinrok, spinrokken, bij Y. Dalg, onz., is bij De Bo m. en vr., in 
't Land yan Waas en van Aalst m. Ds Bo heeft nog : rok, rokke, m.» rokken, 

15 



- 226 — 

Reispinrokkenf rokken of rok (bij Db Bo : d6 »pinrokkê, de rakkê of rok, hst 
roHei; benoorden Aalst en in *t L. y.Waas : de êplnrok; te Denderleeuw : 
het ipinhoofd; InHaspengouw: de 8pondekop;te Aseh, in Limb.: de êponde* 
rikf elders de êponderikikop) eertijds ook konkel genaamd (Hgd. Kunkei, van - 
daar ook Kunkelsltibe = Spinmtubef êpinning) stelt hier bet vrouwelijk 
geslacht voor, terwijl het %waard den man yoorstelt. Vgl. Hdtoens 
(Spaensche Wysheitf n* 350) : Het huysgeiinH en heeft geen tier, Daer epinroek 
boe* is van rapier (=: Waar de vrouw over den man heerscht. Iaat het 
haisbestuur te wenschen over). Vandaar zegt men ook een beproefde degen 
(s oud ervaren krijgsman, eertijds ridder); Hgd. ein alter Degen; Fr. une 
rude épée, enz. Volgens Prof. Vbrgoüllib is hier volksetym. in 't spel. 
Dit degen (Eng. thane), zegt hij» bet. oorspronkelijk ifcnaap, is verwant met 
deerne, dienen, en is das niet hetzelfde als degen = dagge. — Niet alleen de 
spinrok^ de konkel, maar ook de epil er van stelde de vrouw voor; vandaar 
nog konkel' en tpilleiijde, konkel- en ipiUemagen, konkel- en êpilleleen in 
tegenstelling met iwaardujde, zwaardmagen en *waardleen. Evenzoo Hgd. 
Spindel' o( Kunkellehen en Schwertlehen, Vgl. Fr. tomber en quenouille; Ie 
royaume de France ne tombe pae en quenouille, ^ wat wij in 't Ndl. uit- 
drukken door : Leliën ipinnen niet, of : Frankrijk i$ geen epilleen. — Vgl. 
ons n» 74. 

Dat woordje epil, epille (Hgd. Spiüe on Spindel, Eng. Spindle) is door 
assimilatie ontstaan uit epinle van ipinnel en spinnen. Die geassimileerde 
vorm komt reeds voorwin Reinaert, I : 

Ghinder vlot vrouwe Julocke i 

Beide met spillen ende met roele (spinrok). 

438. Het is een spinrokspraatjef of Dat behoort tot het 
evangelie van het spinrokken (Dat is een sprookje, een fabel). 

*t Was vooral bij 't spinnen dat de moeders en meisjes sprookjes ver- 
ielden. — Die Evangeliën vanden Spinrocken la de titel van eên soort van 
kluchtboek uit de 1* helft der 16« eeuw, waarvan het Fransch origineel, 
volgens Prof. Eallf (Ndl, Lett. in de 16« eeuw\ te Brugge verscheen in 
1480 (1). In Brbdsro's Moortje^ vs 709-711 (uitg. Oüobxans) leest men : 

Doe verlienden icksedaer een quack van ouwe kousjes jaergetijen. 
Van 't eevangely van *t spinrocken, van waaren en spookerijen. 
Die in hiel ouwe tijen hier dickwils plegen te gesehian. 

439. Sint Lambeert brengt den sponderik bij den heerd. 
(Asch). Sint Lambeert brengt stoelen en spinrokken in den 

onz ; bij V. Dalb is rok, rokken steeds onz. Het foA:Aoo/(i (Db Bo en V. D.) is 
eig. het bovendeel van den spinrok, waar men het vlas omheen windt. 

(1) Vbrdam plaatst die oorspr. Fr. uitg. in 1475 (Brugge), en den 
oudsten Ndl. druk in 1478 (Utrecht). Zie Handelingen vitfn de Leidsche 
Maatsch., 1900-1901 : Mededeel., 8-9 (noot). 



- 2Ö7 ^ 

heerd (VL). — Half Meere jaagt den sponderingskop uit den 
heerd (Kempen. — 't Da., V. 48). Met half Mert moet het wiel 
van den herd (N.-Brab. — Volk$l. IX. 23). Half Meert, 't spinne- 
wiel van den heerd (C.-V. AanhX 

Van half Maart tot St. Lambert (17 Sept.) wordt (werd) het spinnen 
's avonds gestaakt. 

440. Op Schursenwoensdag schurst men de rokken en de klokken 
Loq., VI 32). 

Schursenwoensdag {niispr, ichüuenhoemdag) is de Woensdag yan de Goede 
Week; dan worden de klokken « geschort n» zegt Kil. (was het toen anders 
dan nu?), en yan dien dag af tot half Sept. werden ook 's avonds de rokken 
= spinrokken) niet meer te voorschijn gehaald. Vgl. R.-Dür., Cal, beige, 
1. 218 : « La croyance populaire s'oppose k ce qu*on file, depuis ce jour 
jusqu'au jour de Pftques, de peur qu'on ne file des eordes pour lier Ie 
Seigneur. » 

441. De wevers spannen de kroon. — De wever en de winter 
kunnen het niet verkerven. — Hij is goed voor wever; want hij 
houdt van dwarsdrijven. 

Deze spreekwoorden, de eerste twee ontleend aan Tuinman, het laatste 
aan Habr.» schijnen wel te wijzen op die tijden uit ons verleden, toen het 
lakenweversgilde werkelijk de kroon spande boven de andere gilden, toen 
de wevers in de steden zoo talrijk waren, dat zij een zeer geduchte macht 
vormden, waardoor ze dan ook steeds den boventoon wilden voeren^ en in 
dagen van beroerten het luidst de stem verhieven. Eenieder weet dat de 
Ylaamsche en Brabantsche laken wevers uit de latere middeleeuwen een 
gewichtige rol in onze geschiedenis hebben gespeeld. Zoo vinden wij hen 
te Leuven, in de 14* eeuw, driemaal als aanvoerders van een ernstig 
volksoproer; ook op onzen beroemden Bruggeling Pieter de Coninc mag 
hier gewezen worden. 

De Vlamingen stonden destijds bekend voor de beste wevers van de 
wereld. In de 18* eeuw bezat Gent 40000 wolspinners en -wevers; om- 
streeks 1350, toen de lakennijverheid reeds in verval was, gebruikte 
leperen jaarlijks nog 89000 looien merkjes voor zijn lakens. Hier mogen 
wij aan de spreekw. herinneren, door Van A.lkxmadb en Harr. vermeld: 
Het laken in de beste vouw slaan, waarbij vroeger de naam van de stad 
leperen werd gevoegd, zooals o. a. blijkt uit Kobmer Visschrr*s Sinne- 
poppen : c Het waer wel goet, dat alle menschen haer selven oock soo 
troosten, slachtende die van Yperen, die slaen (soo men seydt) hetLaecken in 
de beste vou, • Ook bij den zeventiendeéeuwschen schrijver Jan de Grieck 
(van Brussel) leest men : « slachtende de kinders van Y'peren die slaen (soo 
men seyt) het laecken in de beste vuu. • (1) De spreekw. wordt thans nog 

(1) Bij Harr., II, 3. 



- 228 — 

alleen gebruikt in dezen afgesleten vorm : kis in de beste vouw üaan (1). 
We twijfelen sterk of het spreekwoord : « Jan *al een Yperling zijn : hij 
»laat het laken in de bette voude, > in Gbzellb's Duikatmanak (8* Maart 1899) 
opgegeven, wel uit de Westvlaamsche volkstaal geput iS. 

Wat na de linnenweverij betreft, deze genoot reeds ten tijde der 
Romeinen een zekere befaamdheid in onze gewesten, steeg later nog voort- 
durend, en nam hier in de 15« en 16" eeuw, ten gevolge van het verval 
der lakennijverheid, een bijzonder groote ontwikkeling. Vond men aan- 
vankelijk de meeste linnenwevers op het platteland, naarmate de land- 
bouw zich uitbreidde, plantte do linnenweverij zich naar de steden over» 
doch een aantal buitenlteden werkten voor rekening van ondernemers uit 
de stad. Wanneer wevers aldus de grondstof uit een anders handen 
ontvingen, om ze thuis te verwerken, viel het niet altoos gemakkelijk 
daarover toezicht te houden, en men beschuldigde hen dikwijls een deel 
van 't garen te ontvreemden voor eigen gebruik. 

Daarom vindt men hen in de spreekw. naast de molenaars en kleer- 
makers, die van ouds voor dieven werden gescholden : Als men een snijder, 
een wever en een molenaar in den lak steekt en wel dooreenschudt, %al er steeds 
een spitsboef boven liggen. Zoo luidt het nagenoeg in Noord-Duitschland en 
Schotland. Een Fransch spreekw. dat in Europa schier algemeen bekend 
is, zegt hetzelfde in andere woorden : Cent meuniers, cent tisserands et cent 
tailleurs sont trois cents voleurs (3). Zonderling mag het heeten dat in ons 
Ndl. spreekw. de wevers plaats maken voor de bakkers. Zou dat hierin 
zijn grond vinden, dat in de Nederlanden en vooral in Vlaanderen, de 
wevers eeuwen lang personen" waren van goeden doen en van zekeren 
invloed, en zij daardoor in slechtere tijden nooit het mikpunt van spot- 
ternijen zijn geworden? 

Heden is 't weven met de hand, buiten de Jacquard weverij, grooten- 
deels verdwenen. 

442. Schering en inslag (Alles, het geheel). Dat is schering 
en inslag bij hem (Dat is het thema, waarop hij telkens terug- 
keert; daarover spreekt, of dat doet hij altoos). 

In een weefsel heeten de draden, die overlangs loopen, de schering of 
de scheerdraden; die, welke door middel van de schietspoel door de sche- 
ring worden ingeslagen, heeten de inslag of de inslagdraden. 

443. Over één (of denzelfden) kam scheren (Op dezelfde 
wijze behandelen). Zy zijn in (op of door)&) denzelfden kam 

(l) In West- VI. : in de beste voude; rondon Aalst: in de beste vïïag 
(vouwen = vdgen); te Denderleeuw : in de beste vöaf, of va (vouwen = 
vaven). 

{2) Am Urquell^ IV. 253. P. Skbillot, Lég. et Curiosités des Métiers. Lts 
Tisserands, % 

(3) Bij Van Dale : over den kam, — bij Joos, 78, bij Gorn.-Vbrvl. en 
in 't L. V. Aalst : op den kam 



— 229 — 

geschoren (Zij bevinden zich in denzelfden toestand; of ook : 
zij zijn van hetzelfde gehalte, even slecht. — De Bo). — 
Hgd. Alle(s) über einen Kamm scheren. 

De kam, men bedoelt den weverskam, is breed en fijn volgens de breedte 
en de fijn te van het stuk, dat men ^weeft. Wat op (thans over, zegt het 
Ndl, Wdb.) denzelfden kam geschoren is, is dus van dezelfde hoedanigheid 
en samenstelÜDg. 

Bij Van Dale is scheren =. spannen ; den ketting scheren = op den 
boom spannen. In 't Land van Aalst echter bet. een stuk scheren, het 
spingaren dat als schering dienen moet, tot een zeker aantal draden 
(naar de gewenschte breedte) in'een lange streng schikken. Ysrcoullib 
geeft scheren = snijden, afdeelen. Het is 't werk van den scheerder, en dat 
doet hij op zijn scheermeulen. Op den*elfden kam geschoren bet. dan : 
geschoren om door denzelfden kam geweven te kunnen worden. — De 
spreekw. komt reeds voor in de verzameling van « Campen » ; ook in 
PoiRTERs* Masker, 182 en 219 : op denzelfsten kam scheiren. 

444. Op een fijnen kam geschoren zijn (Erg beetgenoT 
men. — A.). 

445. In een aardigen kam geschoren zijn (In een vreemden, 
moeilijken toestand zijn. — De Bo). 

446. Op zijn elf-en-dertigst (Op zijn gemak). Het gaat hier 
op zijn elf-en-derligst (Zeer langzaam. — V. D.). 

« Sedert de 18« eeuw meent men, zegt D' Stoett, n' 455, dat deze 
uitdr. ontleend is aan de langzame wijze, waarop de Staten van Fries- 
land, bestaande uit de afgevaardigden van 11 steden en 80 grietenijen, 
beraadslaagden. Opmerkelijk is het evenwel, dat op de oudste plaatsen 
de uitdr. in deze beteekenis niet voorkomt. In de 17* eeuw bet. zij altijd : 
zooals 't behoort, netjes, i En Stoett geeft verscheidene bewijsplaatsen, 
o. a. uit Bredero*s Moortje, vs. 726 : (1) 

ie selje dat wel opsen elvendartichst klaeren. 

en uit W. D Hooft's Jan Saly. 

De volkstaal van Noord en Zuid — en dit verdient onze beste aandacht, 
heeft die uitdr. tot heden toe in dezelfde beteek. bewaard; zoo in Fries- 
land (W. Dijkstra, II, 417 : Alheel op syn alve-entritichst = volkomen in 
orde, zoo 't behoort); in 't GroniDgsche (Molema/ 100 : op »ic» elvendar- 
tigste^s zoo&ls het behoort, naar den laatsten smaak, in volmaakte 
orde), en in Holl. Limburg : Op zijn elf-en-dertigste gekleed (Op zijn 
paaschbest)(2). ScHüKRMANS, l?i>., geeft i.v.e//"; Op zijn elf en dertigste 



(1) Bij Stobtt is 't vs.702, naar de uilg. van Moltzer (Gebr. Binger, 
'90); ik gebruik de uitg. van OuDEMANS, die ook de gedeelten van vers- 
regels voor volle regels telt, wat eigenlijk verkeerd Is 

(2) Weltkrs, Feesten^ Zeden.,., in Limburg, 107. 



— 230 — 

gekleed %ijn, Fr. étn pimpé d quëtre épinglea (Hoort dit thuis te Lier? De 
tekst is niet duidelijk). En blijkens Eckart, 97, wordt die nitdr. ook in 
de Rijnprovineie gebruikt : Ei e» alles op eech elfondertege s alles is voor* 
tretTelijk. — De spreekwijze schijnt dus wel degelijk te beteekenen : • in 
orde • « zooals 't behoort. • En uit Sart-Sohrey., sec. VlU, 8, waar 
Ghy blijft altijdt even groen (d. i. jeugdig, flink), gelijk gesteld wordt met 
Ghy blijft altijt in de puncten van elf-en^deriigh, gezegd yan iemand die zich 
jonger wil voordoen dan hij is» denkt Stostt te mogen opmaken dat die 
beteek. reeds in de 16« eeuw gold. 

Nu, een spreekw. uit Loquela XII, 37 : Hij ie deur eene elvendertig 
getchoren, en de er bij gegeven ophelderingen brachten hem op het denk- 
beeld dat de bewuste uitdr. wellicht aan de weverij ontleend kon wezen. 
Voor al wie nooit weven zag, is de passage in Loq, heelemaal onver- 
staanbaar, doch Stobtt kon er niettemin uit opmaken dat op een 
tloendertig getchoren =: heel fijn, waaruit zich gemakkelijk de oudste 
beteek. der uitdr., nl. « in de puntjes, » c naar den eisch » kon ontwik- 
kelen. 

Daar hij omtrent het weven nadere bijzonderheden wenschte te 
bekomen, wendde ik mij» op zijn verzoek, tot mijn goede vrienden uit 
Welle en Denderhoutem, twee dorpen waar nog geweven wordt. Uit beide, 
even betrouwbare bronnen, waren de inlichtingen eensluidend, en ze 
komen nagenoeg hierop neer. 

De breedte van een stuk hangt grootendeels af van het aantal scheer- 
draden. Hoe meer scheerdraden een stuk bevat, hoe fijner ook die draden 
moeten gesponnen worden. Het aantal scheerdraden van een stuk is 
altijd een juist getal honderden; zoo zijn er stukken van 8 of 9 honderd..... 
tot van 88, 39, 40 of 41 honderd scheerdraden. Verder ging men nooit. De 
groote streng scheerdraden is telkens in 100 kleine strengen, die men 
gangen noemt, onderverdeeld. In elk dezer gangen zijn dus 8, 9, 10, .. .. 
30, 81,... 39, 40 of 41 draden, volgens het aantal honderden scheerdraden, 
dat het stuk bevat. Een stuk van 900 draden (of 9 gangen) heet nen 
negenden, een van 35 gangen, nen vijf en twintigen^ een van 41, nen elfen 
dertigen, ook wel doch zeldzamer, nen een en veertigen. 

Als de wever een te weven stuk bij den fabrikant ontvangt, moet hij 
den kamslager weten te zeggen, of het b. v. een negenden, een twintigem, een 
elfen dertigen is. De wevenkam, d. i. het toestel dat het garen bij eiken 
inslagdraad « schranst » of schrankt, dient naar het aantal scheerdraden 
samengesteld te wezen. Zoo vraagt dan de wever b. v. naar een tutintigen- 
kam, of een elf en dertigen-kam. Waarom nu spreekt men veeleer van nen 
elf en dertigen dan van nen een en veertigen? Vroeger, denk ik, schoor men 
het fijnste lijnwaad op een kam van 30, 31 & 32 honderd draden. Later 
ging men langzamerhand steeds verder, en bracht het zelfs tot 41, doch 
daar al de fijnste weefsels van 80 tot 40 gangen telden, werd ook d&n, 
wanneer men voor het allerfijnste lijnwaad nog een enkel stapje verder 
zette, het oude dertigtal, d. i. de gewone benaming behouden, 

Een oude wever uit Denderhoutem gaf deze verklaring : t Vroeger 



— 231 — 

Behoor men het fijnste lijnwaad op een kam van 8000 draden. Zulk een 
stuk vnm dos seer breed en alleen de beste wever kon daarop goed werk 
Terrichten. Om de moeilijkheid yan het vast inslaan en het goed yerzor- 
gen yan het stuk te yerminderen, schoor men nen elven (1100) en stak hem 
op den kam yan den dertigen, waarop hij dan maar eyen het derde yan do 
breedte besloeg. Nu was het niet moeilijk meer om die smalle stukken af 
te weyen, en bekwam men aldus het fijnste, het best verzorgde lijnwaad, 
dat zaer vast ineenzat. En dat noemde men nen elfen dertigen. » 

Zooveel is dus wel zeker, dat op tijn elf-ên-dertigst aan de weverij is 
ontleend» en dat de bovenstaande verklaringen heel en al overeenstemmen 
met de hooger aangehaalde aitdr# van Sqhuerm. : op iijn elf en dertigtt 
gekleed as op zijn paasohbest, alsook met de oudste beteek. der spreek- 
wijze en die van lang%aam, zoodat de gissing van Dr. Stobtt hierdoor 
blijkbaar bevestigd wordt. Ik denk met hem dat ook de Fr. uitdr. Ure sur 
son trente^et^n zich op die wijze gemakkelijker laat verklaren (1). 

447. leti op het getouw (pp het touw, of op touw) zetten. 

NL op het weefgetouw. Eig. gezegd van de schering, die wordt opge- 
spannen; (flg.) van geesteswerk, waar voor men een plan maakt, dat 
vervolgens moet worden uitgewerkt {NdLWdb. TV, 1848ylg.) Stobtt 
(n* 1998) vergelijkt iets beramen ; iem. iets berokkenen (z. boven, n« 488). 
Fr. Mettre qc. êur Ie métier. 

448. Iets met de vliegende schietspoel doen (In allerhaast). 

Er is hier sprake van de weversspoel of -klos, het werktuig tot door- 
schieting der inslagdraden, dat vroeger telkens, rechts en links, met de 
hand moest gevat en voortgedreven worden. Later werd de spoel door de 
machine voortgejaagd, wat natuurlijk veel sneller in zijn werk ging; 
vandaar : vliegende schietipoel, Fr. navette volante. Deze werd te Verviers 
voor 't eerst ingevoerd in 1803. — De uitdr. wordt gebruikt wanneer 
iemand een werk al te haastig en daardoor min goed heeft afgemaakt; ze 
hoort thuis in 't L. v. Aalst. Ik wijs ook 'op de mooie Fransche uitdr. 
faire la navette (Waarom niet in 't Ndl. : Schietspoel spelen^), 

449. Iets op de keper beschouwen (Zeer nauwkeurig onder* 
zoeken). 

(1) In Haspengouw en het L. van Aalst bet. elf en dertig een zeer klein 
getal (c daar waren er wel elf en dertig •), of wel niets : c hij heeft den elfen 
dertigsten prijs ». Het Kortrijksche: hij speelt deelf en dertigste clarinette,eiï%. 
(Loq. XII. 27) is daarmee nauw verwant. Ten onrechte, dunkt me, stelt 
Stobtt onsVlaamsche op zijn elfen dertig gemakken naast : op %ijn duizend 
gem,.., om er uit af te leiden : elfen dertig = in groot en getale (Noord en Z., 
XXIV, 877), want men zegt veel meer : op zijn zeven, op zijn zeventien, op 
3ijn zeven en dertig gemakken, en daarin speelt het heilig getal 7 zijn rol. 
Op zijn elf en dertig schijnt hier enkel gebruikt om het eigenaardige der 
uitdrukking. 



- 232 — 

Dd wever verstaat onder de heper de keltingschering met den Inalag. 
Wanneer men nu den graad van fijnheid van een weefsel, b. v. van lakQD, 
onderzoeken wil, drukt men het wollige, waarmede de grond van het 
weefsel bedekt is, tegen den draad in, een weinig terug en van 't geen nn 
bloot ligt, zegt men : dat is een fijne, of ook, een grove keper. Vgl. het 
bij Sart., sec. IV. 87, voorkomende : £S6fi </tncA; op den uyttertten draet 
onderta9ten. Beziet men derhalve een weefsel tot op de keper, dan wordt 
dit zeer nauwkeurig gedaan; ook in het Ooslfri. : nau up de Kaper sén. De 
uitdr. wordt aangetroffen bij Wolff-Deken, Brieeen van Abr, Blankaari 
(z. Stoptt, no957). 



Bj Verschillende ambachten en neritigen. 

450. Achteruit (of, ironisch : vooruit) gaan gelijk de zeel- 
draaiers (Achteruit gaan in zijn zaken. — A.). Aan *t zeel- 
draaien zijn (ld. — G.-V.) — Ik houd van vooruitgang, zei de 
meid, en gaf den lijndraaiersknecht een blauwe scheen (W. D.). 
Vgl. Fr. Gagner sa vie è reculons, comme les cordiers, en de 
Oostendsche spreekw. : Leven van zijn verlies, gelijk de visch- 
wijven (^= üg. achteruitgaan in zijn zaken) (i). 

Tot vóór weinige jaren vond men in tal. van Viaamsche dorpen, o. a. 
in 't Land van Dendermonde, waar de hennep geteeld wordt, arme lieden 
die hnn brood verdienden met den zeeldraaiersstiel.. Op 't eene uiteinde 
der zeelbaan stond een houten toesiel van een wiel voorzien, ea verder 
waren op eenigen afstand een of meer rijven, met rechtopstaande tanden, 
ia den grond geplant; tusschen die tanden rustte het touw, dat menvaan 
't draaien was. De zeel*, (lijn- of touw)draaior, zijn voorschoot vol 
kempvezels aan het lijf, was met beide handen werkzaam om, links, de 
vezels in steeds gelijke hoeveelheid uit den bundel te nemen en, rechts» 
zo ineen te wikkelen, — daarbij steeds langzaam, naarmate zijn arbeid 
vorderde, heel langzaam achteruitgaande — terwijl de zeeldraaiers- 
jongen, onafgebroken en even langzaam het wiel ronddraaide, om het 
louw vastheid te geven, zoodat zij met hun tweeen, in zekeren zin, het 
werk van een spinster verrichtten. 

Op dat achteruitgaan der zeeldraaiers wijst het reeds in de 16« eeuw 
bekende schertsraadsel : « Quel homme esse qui gaigne sa vie en recu- 
lons », alsook het refrein van Ch. Poncy*s zeeldraaiersliedje : 
Dans Ie métier que je professe 
On n'avance qu'en reculant(2). 

(1) Die vischwijven beweren altijd dat hetgeen men hun voor hun visch 
biedt, of hetgeen waarvoor ze eindelijk den koop toestaan, lager is dan 
hun inkoopprijs, zoodat ze steeds verlies hebben. 

(2) P. SÉBiLLOT, Lég. et Curios, des Aiéiiers, — Le$ Cordiers, 27-28. 



~ 233 ^ 

Die ambachtslieden, thans aan 't verdwijnen ~ in kleine steden en 
.op het platteland beslaan nog wel echte zeeldraaiersbanen(l) — waren 
meestal zeer armeduiveli) en algemeen geminacht ; ook in de boVenstaan- 
de spreekw. ia die minachting eenigszins merkbaar. In Bretagne, waar 
zij evenmin in tel waren, vond men eertijds dorpen bijna uitsluitend door 
zeeldraaiers bewoond; sommigen onder hen waren terzelfder tijd paar- 
denvillers en dan hing aan de eene zijde van hun stulp het geraamte van 
een paardekop» aan de andere zijde een bosje kemp. 

451. Het zijn twee schoenlappers in éen pothuis (Het zijn 
twee handen op éen buik. — H. en V. D.). 

Herinnert aan den tijd, toen de schoenlappers vrij algemeen een pot- 
huis voor werkplaatsje hadden, d. i.» een ommuurd afdakje van zeer 
w(9inig ruimte, tegen een ander huis aangebouwd en oorspronkelijk 
bestemd om er keukengereedschap te bergen en den pot te koken. Die pot- 
huizen zullen eerlang geheel lot het verleden gaan behooren; men 
vindt er b. v. nog een te Antwerpen, op de Jezuïetenrui; in Amsterdam 
zij n er nog verscheidene. 

452. Heetbrood tuiten eer 't in den oven is (Mossels roepen, 
eer men aan land is — DeBo). . 

In een aantal VI. en Brab. steden bestond vroeger het gebruik, thans 
misschien geheel uitgestorven, dat de bakkers op zekere dagen, heel 
vroeg«fnden morgen, door hoorngetoet of trompetgeschal aan het .volk 
bekend maakten dat er bi| hen • heet(e)brood », pas uit den oven gehaald, 
te bekomen was. Dat heette : heet(e)brood luiten, trompen of blaten, c Men 
trompt heetbrood, zegt De Bo, bijzonderlijk in den uchtend van Nieuw- 
jaar, van Onnoozeleklnderendag, van Dertienavond en van Verloren 
Maandag. » Hij hadde erook Allerzielendag kunnen bijvoegen, op welken 
dag men te Oostende heet < zielebrood > eet. In 't L. van Waas is het 
heet{e)brood eveneens bekend ; men bakt het op sommige dagen, b. v. 
op Mannekensmaandag (Maandag vóór Aschwoensdag. — J.). Bij 
Ed. de Denb vindt men hot vermeld (omstr, het midden der 16« eeuw) : 
« Tsa tes al vastenavend, inzwelght nu heetbroodt. > Een « heetebrood- 
episode » komt voor in M. Sabbb*s Aan 't Minnewater^ 1« dr., bl; 13-15; zie 
ook Stijn Streuvels, Lenteleven, l» cir., bl. 39. 

453. Alk begin is moeielijk, zei de barbiei^sjongen, en hij zette 
den stok buiten (Boe). 

Het eerste werk van den barbiersjongen • was 's morgens bij het 
openen van den winkel den stok uit te zetten. De harbierutok^ vroeger het 
teeken'der barbiers, dat door hen ook werd adergelaten, was een dunne 
stok, met roode en witte spiralen beschilderd (2). Met de hand van den 

(1) Ook nog eene te Gent, in do Slachthuisstraat. 
. (2) Ook in Engeland was een geschilderde staak het uitbangteëken van 
den barbier-chirurgijn : the barber's pole (Van Lennbp en ïer Gouw, De 
Uithangteekensy 1, 93); ' : r 



— 334 — 

arm, welke gelaten werd, hield de patiënt deien stok, die op den grond 
rustte, vasten draaide hem rond, opdat het bloed beter zou vloeien* Thans 
is de barblersstok als uithangteeken in HoU. en Friesl. in onbruik; in 
Sehotland schijnt hij echter nog voor te komen. • (BoxESNooaEN, 33). — 
Te Antwerpen, althans aan den waterkant, is de barblersstok als uithang- 
teeken nog geen zeldzaamheid geworden. Zoo schrijft mij de heer 
A.. GoRNBTTB, dat hij dezer dagen, in 't Schipperskwartier, zes barbiers- 
stokken heeft opgemerkt; al die stokken zijn onveranderlijk wit-en-rood 
gekleurd» en 't uithangbord is steeds « barber-shop. ■ 

Dat de baardscheerder-kapper eertijds ook heelmeester-tandentrekker 
was, is algemeen bekend; de geneesheer, die zich doorgaans alleen met 
inwendige ziekten bemoeide, stond veel hooger aangeschreven. Op dien 
toestand doelt ook de spreekw. Hij slacht den barbier : hij wenscht om won- 
den, ontleend aan de c Seer sehoome Spreeckwoorden • (van 1549), en insge- 
lijks bij Gbtjtbrus en Gats vermeld. 

Te oordeelen naar zekere bekende uithangborden, oefende in vroegere 
eeuwen de barbier-chirurgijn van het platteland vrij dikwijls nog menig 
ander bedrijf uit. Zoo deelt Nisard, in zijn Hi$t, des Hvrespop., een lang 
stuk mede, getit. : • Enseigne tronvée dans un village de Champagne ». 
en waarvan hier een gedeelte volgt : « Barbié, perruquer, sirurgien, clair 
de la paroisse, maltre de coUe, maraischal^ ehaircuitier et marchant de 
couleure; rase pour un sout, coupe les jeveuz pour deux souz, et poudre 
et pomade par desus Ie marchai les jeunes demoisel jauliment ölevé» allu- 
ment lampe h Tannée ou par cartier. » De blijkbare overdrijving laat 
echter toe te denken dat men hier van dat slag van barbiers een carica- 
tuur heeft willen leveren. 

454. Winkel, winkelerij winkel houden. — Zijn winkel draait 
niet meer (Zij'n zaken, eerst voorspoedig, gaan thans achteruit. 
— BoG. en A.), of zijn winkel springt op krukken (J.). — Dai 
is daar een winkel (Een warboel). — Kleine winkel y groote 
nering; Rijke staatsie, smalle tering (H.). 

Ons woord winkel bet. oorspronkelijk hoek, en thans nog zöo in Ndd. en 
Hgd.; Men heeft in alle winkels en hoeken gewekt,-- in allem Winkel undEcke 
(= Fr. dans tous les eoine ei reooins). Harr. heeft nog : Daar üjn nooveel 
schuilhoeken en winkels; vgl. het thans verouderde aehUrwinkel= achter- 
hoek, schuilhoek, sluiphoek. De levende taal biedt nog ander voorbb. 
aan, waarin die oude beteek. voortleeft ; aldus b. v. in ons winkelhaak en 
in ons kinderspel schuüevinkje (= schuilhoekje) spelen (bij Kil. Schuyl" 
winekelspel), (l) waaraan de oude winkel = hoek, ten grondslag ligt; toen 
die beteek. niet meer gevoeld werd, is men aan een vink gaan denken, die 
een schuilhoekje zoekt; vandaar de volksetymolog. vervorming : schuile- 
vinkje spelen. 

Ik wijs nog op ons springlevende, in heel Vlaanderen^ ookin West-Brab. 



(1) Zie Da GoaK-TBiRUNCK, Kinderspel, 1, 42 en 148-155. 



— 385 — 

en Antw. bekende krinkeldewinkei of kHnkelewinkei, ontstaan uit krin- 
kelen en winkelen ss bochten en hoeken maken (Zie Db Bo i. v.). 

Hoe ie dat oorspronk. winkel nu een winkelhuis geworden? Omdat men 
oudtijds werkelijk de winket», ik bedoel, de buitenhoeken der huizen tot 
Terkoopplaats inrichtte ; nering deed men dus voorheen, in den letterlijken 
zin Tan het woord, in een winkel f d. i. in een hoek. 

Prof. Vbrc. vergelijkt Fr. cantintf van cant, Ital. canto, Ndl. kant 
(= rand.) 

455. De scheer hangt daar uit (R.); daar hangt (of steekt) 
de scheer uit (Daar verkoopt men duur, daar wordt men 
« geschoren. » — G. T. en Bog.). 

Dat de kleermakers vroeger een ichaar of een hand met een $chaar voor 
uithangteeken hadden, is bekend; f natuurlijk was de schaar dikwijls 
verguld, zeggen Van Lbnnbp en Tbr Gouw, en hieruit ontstond volgens 
hen het spreekw. Daar hangt de gouden schaar uil, voor : men moet er duur 
betalen. In Vlaanderen hangt de schaar nog bij snijders uit» b. v. te 
Loochristy : 

In de Schaere» bij J. Mareen, 
Liever geld of geen(l). 

Dat zal ook wel nog elders het geval zijn; zoo kende ik in mijn jeugd te 
Aalst een kleermaker» met name Bode, die een « lakensnijderswinkel » 
had en voor uithangteeken een groote (vergulde?) schaar» met het 
foutieve opschrift : Jn de goude schaar. 

Tuinman» die de spreekw. waarschijnlijk aan den 17«-eeuw8chen 
WiNSGHOOTBN Ontleende» verklaart ze aldus : « Dit zegt men van eeoe 
herberg» daar de waard wei kan rekenen, en dus zijne gasten, gelijk de 
schaapen, scheeren van hunne wol, dat is, den buidel van zyn vulsel. • 
(I. 73). Vgl. TuERi.. en Ruttbn : scAeer = gierige vrouw, en zie verder 
nogSTOETT» n* 1689. 

456. In den aap gelogeerd zijn (In moeilijkheden, er slecht 
aan toe zijn. — V. D.). 

Die spreekw. bet. bij Db Bo : voor den aap gehouden worden, een 
voorwerp zijn van schimp; — bij Huttbn : een slecht gasthuis hebben, 
fig met iets of iem. in verlegenheid zijn (dit laatste ook in West-Vl.); — 
bij G-V. : een slecht kosthuis hebben ; — bij Joos : slecht behandeld 
worden: — in Limburg {'t Daghet, VI, 185) : bedrogen, gefopt zijn ; — bij 
Harr. : hem treft een slechte ontvangst. In de beteek. een slecht onthaal 
vinden, zegt men in Vlaand. evengoed : in den hond gelogeerd %ijn* Ik denk 
met Stobtt (n» 82) dat ook deze spreekw. uit het gebruik der uithang- 
teekens ontstaan is. Wie zijn intrek nam in een herberg, waar een aap 



(1) üilhangteekeMy I» 99-100« 



— 236 — 

'uithing(l), was natuarl. « in den aap gelogeerd; » doch daar de aap 
bekend staat als een snaaksche, looze kwant, die er steeds op uit is 
iemand beet te nemen, bezigde men die ultdr. voor herbergen, waar de 
gast niet voor zijn genoegen verbleef, en beet genomen werd; later in 
algemeener zin om het verkeeren in een onaangenamen toestand aan te 
duiden. 

In een tot mij gericht schrijven, stelt Prof. Verg. van zijn kant de 
vraag of in den aap (of hond) gelogeerd iijn niet beteekenen zou : behandeld 
worden als een aap, als een hond, uitgaande van dit denkbeeld dat 
logementen dikwijls als uithangbord nemen een voorstelling of symbool 
van dengene, die ze houdt, of voor wie ze gehouden worden. Hit volk dat 
door het uithangbord In den Gentenaar zou verstaan : « in dat logement 
woont een Gentenaar, » of « daar komen vooral Gentenaars, » kon dan 
ook In den Aap verklaren als ; a daar woont een aap, i of « dat is een 
logement voor apen, ■ en aannemen dat wie er heengaat, als een aap 
wenscht behandeld te worden. 

De spreekw. ontbreekt in het Ndt. Wdboek, 

457. Tabak drinken (Rooken,— Y.B.) . 

Tabakswinkels heetten in de taal der 17« eeuw tabacxkroegen, niet 
alleen omdat men toen reeds sprak van tabak drinken, mtiSir ook omdat 
de tabaksverkooper bij de tabak ook zwaar bier verkocht en brandewijn 
tevens, evenals nu, omgekeerd^ in kroegen en koffiehuizen sigaren te 
koop zijn (Van L. en Tkr G. uithangt. I, 105). De uitdr. tabak drinken 
komt o. a. voor bij Cats (Sinne- en Minnebeelden, n© XIII.: Fumo pas* 
cuntur amanles) : 

• Al heeft de matroos alleen een pijp taback gedroncken, n 
terwijl in zijn verklarenden prozatekst spraak is van tabakblaiers. Ook in 
J. Van Bbvbrwijgk's Schat der G^sontheyt ( Amst. 1651), XX. cap., bl. 150, 
leest men : « Dewyl wy nu van alderhande dra nek gesproken hebben, 
soo en sal niet ondienstigh wesen hier een weynigh by te voeghen van 
den Taback, die wy mede in onse tale segghen te drincken... » En wat 
verder zegt hij dat « de Taback des morgens gedroncken (moet) werden 
ende als de maegh ledig is... » Anderen spreken van tabak zuigen of 
%uipen.(2) Uit een onderzoek door het tijdschr. Mélusine (IX, 214. 229-230, 
287 en X, 83, 186) omtrent die zonderlinge uitdr. tabak drinken ingesteld, 
blijkt nu dat deze niet alleen in heel Europa, maar zelfs bij al de Arabi- 
sche volksstammen te vinden is of was I Hgd. Taback drincken ; Deensch : 
drikke tobak; Zweedsch :supa tobak\ IJsl. : drekka tóbak, Portug. : chupar 
tabaco. Evenzoo in Rusland, Servië, Albanië, Griekenland, ei>z. De 
Arabieren zeggen : den rook of de pijp drinken, a Si les Wahabites, schrijft 

(1) Dat de aap als uithangteeken gebruikt werd, lijdt geen twijfel; z. 
VanL. en Ter G., Uithangt, 1. 105,11. 226; Fr. i>k Potter, BocA* der 
vermaarde Uithangborden, Antw., 1874, bl. 122. 

(2) Noord en Zuid, XXV. 7-8, 



— 237 - 

Er. Nyrop, qui diseDt égalemcnt « boire > pour famer, comme presque 
toasles Orientaux, prohibent Tusage du tabac. c*est sans doute par 
défércDce pour Ie précepte du Prophete qui défend les boissons fortes; — 
encore un exemple de la puissance de la langue sur les cöutumes. 
(Mélusine, IX, 930). Ook opium rooken beet opium of amfioen schuiven, een 
uitdr. uit de Leyant, nl. It. scuf/iare (Fr. eseofier) = opslokken (Tijdschr. 
V. //ld. taal^ enz.| XL VI). 



G) Landbouw en Scheepvaart, 

458. Als de jonkers malkander plukharen, dan moeten de 

boeren hun haar leenen (Cats). 

Herinnert aan den tijd, toen de boeren gebukt gingen onder den last 
der tienden en der heerendiensten. En zou ook ons algemeen bekende 
de boer %al 't al betalen daarmede niet in verband staan? Vgl. boven n» 47. 

459. Als de vos de passie preekt, boerkens, wacht {hoedt, of 
past op) uw ganzen (Vertrouw een huichelaar het minst (Bij . 
Cats : Wanneer een vos de passy preeckt, boeren^ wacht uw 
gansen. (i) Hgd. Wenn der Fuchs (die Passion) predigt, so hüte 
eure Ganse. Fr. Le renard qui prêche les poules. 

Dat onze boeren eertijds kudden ganzen bezalen, die zij wachtten 
zooals zij nu een kudde schapen wachten, blijkt wel uit bet boven- 
staande, in Noord en Zuid bekende spreekwoord, evenals uit andere van 
dien aard, bij Tuinman, Harr., enz. vermeld : Kinderen kweeken is geen 
ganien wachten (Boo.); Hij (3/;) is le dom om de ganzen te wachten (A.); Ik 
ben hier om de ganzen te hoeden, (Om mij met beuzelarijen op te houden, — 
G. T.). Meent gij dat ik hier ben om de gamen te hoeden! (Om niets te 
doen. — T. en R.). Die met kaarten speelt, hoedt geen ganzen (In het kaart- 
spel dient men goed op te letten. — : H). Ben ik niet geroepen om ganzen te 
hoeden, laat het ganzekens wezen (Kan ik het hoogere niet bereiken, ik wil 
met het lagere tevreden zijn. — De Brunk) (2). — Vgl. Ndd. He wa 't mie 
nich torn Gdnsehöder nehmen, sprekt de Vo88,en (Westf.): Wann de Voss 
anfdnkt to preddigen, mot me de Gaussküken in Achte niemen (Eck. 137 en 
550); ook het Ndl. Goeden dag, u allen, zei de vos: doe quam hy in 't ganzen- 
kot (G. T.). 

Uit tal van andere spreekwijzen, waarvan wij er sommige nog dage« 

(1) Voorstellingen van zoo'n predilcenden vos komen hier en daar in 
kerken voor (Dr. P. H. van Moerkerken Jr., De Satire, bl. 191-192). Zie 
nog Stoett, n» 2056. 

(2) Dit laatste bij Harr. in -t xYrfi. Wdb. on bij Van Dale. 



- 238 — 

lijkB in den mond hebben (Haak dai de ganun wijs, — het bier i$ voor dê 
gomen niet gemaakt, — een domme gans, enz ), ook uit een lange reeks 
samenstellingen en plaatsnamen met gans, en niet het minst uit een 
aantal volksspelen waartoe die vogel aanleiding gaf (gênsknuppelen, 
gansrijden, gamsabelen, ganssehietem^ gansslaan, ganstrekken; gantenspel), 
blijkt wei degelijk, dat onze voorouders eenmaal de gans van nabij 
gekend en op verlron weiijken voet met haar geleefd hebben (!;• Dat 
wordt zelfs door kinder rijmpjes gestaafd : 

Dit voetje en dat voetje waren verloren in 't riet, 

Dit voetje en dat voetje vonden malkander niet; 

Dit voetje en dat voetje zouden de gansjes wachten, 

De gansjes liepen in 't koren 

Verloren, 

£a Jantje liep er achter. 

En Tante Nans 

Zat op een gans, enz. 

(Van Vloten, Baker- en Kinderr,, 8 en 5.) 

460. Stuurboord (Rechterzijde van het schip, als men van 
't roer naar voren ziet ) en Bakboord (Linkerzijde, in tegen- 
stelling van stuurboord). — lem. van bakboord naar stuurboord 
zenden; bij G. T. : Imand van stuurboord tot (of naar) bakboord 
zenden ; ook, in verminkten vorm : Van babo naar Hbo loof en 
afgestuurd worden (lem. van hier naar daar, van Pontius naar 
Pilatus zenden). 

Volgens den Navorschar, XXV, 250, zegt men in Zeeawseh-Vlaand. 
troA babo naar bibo hopen (Dit bibo waarsch. = bijboord) ook in den zin van 
• loopen slenteren » en • in het onzekere verkeeren »; verder baho noch 
bibo zeggen (Boe noch ba zeggen). Voor den oorsprong van den naam 
stuurboord neemt het Ndl. Wdb. de zienswijze over van Jal, Gtossaire 
nautique : • An moyen ftge» dans les marines du Nord, Ie gouvernail était 
k droite, et... Ie cóté droit prit de Ik Ie nom de cötó du gouvernail >• 
Waarom echter de onde Germanen de linkerzijde van het schip bakboord 
heetten, weet Jai# niet te verklaren, en ook het Ndl. Wdb» heeft daarom- 
trent niets zekers mede te dealen. Prof. Vbrg. sluit zich bepaald aan bij 
degiaateipTanTsN Katbso Huyobgopbr en zogi i Bakboord^ van waar 
Fr. kdbordy en Hgd. backbord^ samengesteld met bak (rug), omdat de 
stuurman die aan het roer staat aan de linkerzijde van 't schip den rug 
toekeert. Dat wordt bevestigd door deze plaats uit Taal en Lett, X, 524 : 
■ De eigenlijke, oorspr. beleek. van bakboord • wordt, Meitrage %ur 
Gesahichte der deutsdien Sprache u. Literatur, XXIII, 1,225, bewezen uit : 



(1) Zie daarover een belangwekkend art. van Q.Gbzbllb (L09., 1.25-33). 



— 289 — 

een oude Sassenge boot te Kiel bewaard van voor 400 en uit een Wiking- 
schip van voor 900 te Ghristiania : 

c 't Roer is niet aan de achtersteven, maar 't hangt aan een leren ring 
aan de rechterkant van 't schip; de stuurman moest het met twee handen 
bewegen, stond dus zelf met zijn rug (Oudgerm. bak^ Eng. back) naar de 
linkerzijde: daarom heette de gehele linkerzijde bakboord ». Dat bevestigt 
dus ook het gezegde van Jal. — Het Fr. bdbord (1) ging in *t Eng. over : 
büburdf bawburd, 

461. Driemaal is scheeps" (of 8chippers)recht. In Friesl. : 
Trijeisikippers rjucht en ien for de feint (« Drie is schippers- 
recht en één voor den knecht). Vgl. Ndd. Drêmaol is Bürreeht 
(Egk. 85). 

Dat het heilig getal d in volksbegrippen een overgroote rol speel t, is 
algemeen bekend. Men denlie aan het spreekw. : alle (goede) dinge» beêtaan 
in drieën. Vgl. Hgd. Aller guten Dinge sind drei. Fr. Toutes les bonnes choses 
eont au nombre de trois(2). Lat. Omne trinum perfeclum, — Fogkbma 
Andrbab, in zijn stadie Spreekwijien en Vormen aan het oude recht ont- 
leend (Bandelingen en Mededeel, v. d. Mij der Ndl. Lelt. te Leiden, 1897-98) 
over dat laatste spreekw. handelend, zegt dat allicht de algemeeue uit- 
spraak niet zoo absoluut voortleven (zou) in den volksmond, als zij niet 
als rechtsregel van groote beteekenis was geweest. (3) En deze beteek. 
staaft hij door voorbeelden. Zoo b. v. : Bij verkoop moet men somtijds de 
zaak driemaal bieden^ uitroepen (om tot verzet gelegenheid te geven). 
Vandaar ongetwijfeld nog ons « eenmaal, andermaal, ten derden en 
laatëten maal. • 

c Waar het oproeping ter terechtzitting geldt» wordt hier en daar o. a. 
in zeezaken aan de drie ten overvloede, om de maat vol te meten, nog een 
vierde toegevoegd. Ook dit gebruik schijnt nu nog in den volksmond be- 
waard, maar in een vorm^ dien ik niet volkomen kan verklaren, nl. in 
dezen : driemaal iê scheeperecht, en éénmaal roor den knecht. » 

Dat gebruik om aan het gewone rechterl. drietal soms een vierde toe te 
voegen, hebben wij vroeger reeds aangetroffen bij het « verkoopen met 
öen, twee of drie kaarsbrandingen »; belaugrijke verkoopt ngen, zeiden 



(1) In de 17* eeuw schreef men door een verkeerde etymol. bas'-bord, 
baeberd, vandaar het tegenwoordige accent op de a. 

(2) In de Cent nouvellee Nouvelle», n» XIV, leest men ook : « On dit de 
eoustume : A la tiercé foi* va la luycte. • (Ed. Oarnier fröres, 1866, p. 61). 

Vgl. deze uitd. van de kinderen uit het L. v. Aalst : den derden keer 
loet s de $• maal is 'i geldig. 

(8) Met evenveel reden, denk ik te mogen zeggen dat in het gerecht het 
getal 8 nooit van zoo groote beteek. zou geweest zijn, ware het in de volks- 
opvatting geen heilig getal geweest. — Zie Ghimm, Rechtsalterthümer, 
208-dlUen Noobdbwibr, 55-56. 



-^-240 — 

wij, geschiedden wel eens bij hel branden uah etn vierde superabundanie 
keen (Boven, n» 100). Welnu dat kunnen ook. de zeevaarders, voor wie • 
eveneens driemaal dikwijls reeht, dus « scheepsrecht • was, in zekere 
gevallen toegepast hebben, en la er, toen men o.r de echte betpèk. tiiet ' 
meer van begreep, heeft men wellicht dat vierde, schertsenderwijze,iets 
« voor den knecht • genoemd. D»" P. Tack acht de spreekw. ontleend aati 
de verplichting voor den schipper, 8 maal op den hoorn te blazen, om den 
brugdraaier te verwittigen van zijn aankomst. Daar echter deze soms 
wat talmt om de brug te komen draaien, blaast de schipper overtolliger- 
wijze soms wel 4 of 5 m. en zegt dan schorteend : drie voor den schipper 
en éen (twee, drie) voor den knecht (1). Dat lijkt evenwel veel meer een 
toepassing van het spreekw. dan een verklaring van den oorsprong. Zie 
nog Stobtï, n» 402 (noot 2), ook MSrdschat op Driemaal is scheepsrechl, . 
en W. Dijkstra, II, 3^7. 

Vgl. De derde streng mackl den kahel\ bij Cats : de derde slrengê houdt 
den kahel, 

462. Het zeil strijken voor iemand (Voor iem. onderdoen). 
Hgd. Vor eiaem die Sègel streichen. Fr. Caler la voile. 

Op groote schepen liet men ten tecken van eerbied het zefl een weinig ' 
zakken; vandaar dat de uitdr. de betrek, kreeg van : iem. als meerdere 
erkennen, voor hem onderdoen. De spreekw. komt voor bij Vondel, Van 
Effen en anderen (z. Stoktt, n« 2177). Vgl.de vlag slrijken. 

463. Met een nat zeil thuis komen^ oHoopen (Beschonken). 

Veel uitdr., betreffende het drinken en de dronkenschap zijn aan de, 
scheepvaart ontleend; dat blijkt uit de 3 reeksen spreekw. en uitdr.,; 
welke wij daaromtrent in den Navurscher (zie jaargg. XLVII, 57-64, 
XLVIII, 40-44 en XLIX, 130-135) lieten verschijnen. Laat ik enkel npg' 
wijzen op : Hij is *eil;hij zeilt meleemif; hij seilt meivolle zeilen; hij is weer 
ónder %eil\ hij koml met een tol zeil V huis; hij heeft zijn bramzeil bij gehe- 
schen \ hij laveert ; 't roer is van U schip; zijn kompas ia van de pen; hij is over 
boord geraakt; hij heeft de boonen scheep; hij heejt kolen aan boord; hij gaat 
zeven voet diep; hij heeft Aijn volle diepte; hij laat zijn ichuitje volj 
loopen, enz. Van scheepvaron en drinken schijnt men in de Nederlapden , 
steeds veel gehouden te hebben, en de matrozen stelden ~ en stellen thans 
nog — ongetwijfeld het herbergnat boven het zeenat. 

Omtrent de bovenstaande sprjeekwijzc, zegt Winsghooten : 'Men was 
vroeger gewoon de zeilen te begieten, wanneer men in den wind op mo st ; 
ze vingen dan meer wind, zoodat het laveeren gemakkelijker ging. Daar 
nu een dronken man ook over de straat laveert, zegt men van hem, dat hij 
met een nat zeil loopt (2). Dr. Stoett, die deze plaats aanhaalt (n* 2179) 
vindt hiervan een bevestiging in het omschrift op het mondstuk van een - 

(1) Bulletin de la Soc. pour ie progrèa des Etudes philolog. et histor. d 
Brux (Gand, 1905, bl. 11). 

(2) Tuinman zegt in den grond nagenoeg hetzelfde. 



— 241 — 

grooten driDkhoorn van het Bchippersgild te Nijznegen (anno 1646), dat 

laidt : 

Met natte seylen ist goet laveerei 
Die my veel d ri nekt sa Itoock welleeren. 
Bij de voorbb. door Stobtt aangehaald, Toeg ik nog Pozbtsrs, Miitker^ 

341 : c Wanneer den Man met ten nat ende vol %eyl komt aengedreven, ende 

de potten ende pannen, en glaesen in stukken wilt loopen. » 

464. Kraakporselein (Zeer fijn porselein). Kraaknet, kraak- 
schoon, kraakzindelijk (Uitermate net, schoon» zindelijk). 

Kraakportelein diende eig. karaakporseleiniB wezen, daar het zijn naam 
heeft van de karaken, d. i. een bijzondere soort van vrachtschepen 
(Fr caraquef Spa. carraca), waarmede bet vooral uit de Middellandsche 
Zee, en wel van de Balearische eilanden^ werd aangevoerd (Vgl. het 
volg nr). Het volk, door den klank van 't woord misleid, heeft het opgevat 
als krakend, zeer breekbaar porselein, en, naar analogie daarmee, 
woorden gevormd als kraakzindelijk, kraaknet (waarvoor men in sommige 
streken krakende net hoort, zegt V D.).Zie Vkrdam, Mnl. W/6., II, 1992 
en Vkrc, Elym, Wiib, 

465. Glei; g{e)leierwerk ; g(e)leiergoed; ook gkierswerk, 
gleiers (De Bo), rondom Aalst en Dendermonde : gkirewerk en 
geleirewif^k (Vaatwerk van fijne witte aarde met tinasch ver- 
glaasd). Fr. Faïence. — Een gleipoty waaruit Eng. gallipot 
(Pot, vat van blinkend aardewerk). 

Al die woorden, zegt Verg., gaan wel terug op galei, galeier. Die 
m<>ening vindt steun in het feit L» dat Kil. het gle iergoed heet • verglaasd 
aardewerk van de Balearen, van Majorca » (dus majolica) ; 2» dat in den 
Inventarit v Brussel sprake is van glaswaren « que les galées et les caraquei 
amènent r. en de galeien en k{a)raken vooral op de Middellandsche zee 
thuis behoorden; 3odat ook ons « kraakporselein » daarin zijn oorsprong 
YÏndL—Gleierwerk ot geleierwerk zou dus eig. zijn : galeierswerk, ^oilengoed 
door galeiers, d. i. roeiers op de galeien (z. Verdam) aangebracht. Het 
wordt nog bevestigd door Fr faïence = poterie de faïence, c. k-d. de Faema, 
ville dltalie d'oü l'usage de cette poterie a'est répandu en France (Hatz.- 
Darmest.). Ook voor Vbrdam en het Ndl. Wdb. lijkt deie afleiding de 
ware te wezen ; toch blijkt het niet, zegt het Wdb, dat ook de gleipotten 
uit die streken afkomstig zijn. 

466. Galei. — Iemand tot de galeien veroordeelen (of ver- 
wijzen) f naar de galeien zenden, enz. (lem. veroordeelen tot 
dwangarbeid als roeier op de galeien. Thans alleen nog in 
gebruik als historische term). — Galeistra f, Hgd. Galeerslrafe; 
Fr. Galères , peine des galères. Hij zit op de galeibanken (Onder- 
gaat galeistraf). Galeiboef; galeislaaf, Hgd. Galeerensklave: 

IG 



— 242 — 

Eng. Galley-slave; Fr. Galérien. Arbeiden als een galeislaaf 
(Z waren en onafgebroken gedwongen arbeid verrichten). Een 
leven leiden (of hebben) als een galeislaaf, (Een hard en 
moeitevol leven hebben). Fr. Mener une vie de galérien. 

Galei, Oudfr. gaUe, stamt uit een Gr. woord dat kat, marter beteekent 
(zekere galeisoort heette in de middeleeuwen cattut), misschien aldns 
genoemd om de gelijkheid van gedaante of om eonige andere omstandig- 
heid. — Een galei was eig. een lang en smal oorlogsvaartuig met laag 
boord, Toorheen in de Middell. zee in gebruik, hoofdzakelijk ingericht om 
metrismen gedreven te worden, doch ook, als zeilschip, van 2 masten 
met latijnzeilen voorzien. De galeien waren soms 130 voet lang ; ze hadden 
van één tot drie en vier roeibanken boven elkander, en voerden soms 
200 tot 300 roeiers. In ruimere opvatting, kan men de galeien en soort- 
gelijke vaat tuigen beschouwen als de plaatsen, waar de personen, die 
men als roeiers bezigde, hetzij als slaven dienst deden (galeislaven) , hetzij 
als veroordeelden dwangarbeid verrichtten (galeiboeven), Ben galaiflaaf 
wordt, bil uiibr. en in scherts ook voor roeier in 't alg. gebezigd (z. Ndl, 
Wdb, IV 161*168). Het gebruik van misdaiigors als roeiers op de galeien 
te bezigen — thans door een ander stelsel van dwangarbeid vervangen — 
werd voor H eerst ingevoerd door den Franschen koning Frans I. 

467. V Is een driedekker^ of een echte driedekker (Een groot, 

zwaar vrouwspersoon). 

Een driedekker is eig. een schip met drie verdekken; (oudt.) een groot 
oorlogsschip; bij overdracht, toegepast opeen groot, zwaar vrouwsper- 
soon, doch, ook wel op een vrouw, die niet op haar mondje gevallen is. 

468. De tramontane kmjt zijn, of verliezen (Uit den koers 

raken, de kluts kwijt ziju). Fr. Avoir perdu la tramontane. 

Voor de oude scheepslieden uit de Middell. zee, die het kompas nift 
kenden, was de noord- of poolster, de ster van over de bergen (Alpen) 
trans- of (ra'moritM, de eenige wegwijzer waarnaar, zij zich 's nachts 
konden richten. Was die ster voor hen onzichtbaar, dan waren zij de 
tramontane en daardoor ook den koers kwijt. Vandaar lig. : in verwarring 
geraken, het spoor bijster zijn. — Vgl. Loq , II, 74, i. v trimelra. 

ikQd. Een gortenteller ^ gortentelder (Q\eng3L£iTi, vrek; ook 
een Jan-Hen of keukenpiet). — Ndd. (Westf.) : Da es en 
rechten Güörtenteller (Egk. 173); — in Pruisen : Hei os e 
Grötiketeller (Fri. n» 1394). Vgl. Hij is een erwtenteller 
(Welters, 97, ScH. en G.-V,), een zouUelder (De Bo). 

c Afkomstig, zegt Wdêchat, 862» uit den tijd toen de scheepsbevel- 
hebbers nog een hoofdgeld kregen om de manschap te voeden, en alles 
op 't zeerot wcvd uilgezuinigd| de korrels gort (van ouds de soheepkost) 



— 243 - 

als 't ware werden uit' en toegeteid. Overdrachtelijk op zuinige lieden 
toegepast. » 

't Is echter eenvoudiger met het Ndl. Wdb. en D'' Stoett te zeggen : 
Hen gortenteller is iem. die, letterlijk gesproken, de gortkorrels telt, 
dus een vrekkige, krenterige kerel; vandaar later : een man, die zich 
met de kleine aangelegenheden van de huishouding bemoeit, een 
hennetaster. 

In J. VAN Rijswugk's dichtstukje Aan Louis Napoleon (uit PiUit, Zweep- 
slagen, 49) leest men : 

c D)cb, wilt ge boxen? ga dan elders ; 
Op zee, bij voorbeeld, geef den djelr. 
Die 't lang verdiend heeft, eens wat pek ; 
Maar dat zijn ook geen gortenteldert. » 

D) Onderwijs en Geneeskunde. 

470. Men vindt veel schoolkinderen geleerder dan hunne mees- 
ters. — Honderd schoolmeesters (of : kosters), negen en negentig 
gekken, of wel : honderd en een gekken, want er is een dubbele 
bij (H.). — Den schoolmeester spelen (Alles willen berispen en 
ordenen). Daar kan men den schoolmeester uit proeven (Y. D.). 

Herinneren aan den tijd, toen er nog geen gemeentescholen beslouden, 
en het onderwijs doorgaans nog in handen was van kreupelen en ver- 
minkten, zonderde minste bekwaamheid, doch die geen ander middel van 
brstaan hadden. En hunne verwaandheid was natuurlijk geövenredigd 
aan hunne onwetendheid, immers, holle vaten klinken het hardst. Van- 
daar nog heden : ichtttlmeesterachtigfieid, Bchoolmeeiiterwijsheid ^ ver- 
waandheid, waanwijsheid ; tc/ioolmeestentoon ^ hooge toon — De tijden 
zijn gelukkiglijk veranderd, al zijn die uitdr gebleven. 

471. De plak voeren (De baas ergens zijn). Hij staat onder 
de plak van zijn vrouw (Zij is hem de baas). Onder de plak 
zitten [Hiei veel durven uithalen). Iem, onder de plak houden. 
(In bedwang). Aan de plak ontgroeid zijn (Te groot geworden 
om nog met klappen geregeerd te worden ; ook : vrijer, 
vrijpostig geworden zijii). Er de plak opleggen (Kastijden), — 
Fr. Tenir la férule. Donner de la férule (a un écolier). Eire sous 

laférulede qn.W 

Voorheen heerschte de « schoolmeester • — de IHoniji vare 'i dorp, zoo- 
als Bilderdijk zegt — als een tyran over zijne leerlingen : 

De schoolvoogd voor wiens plak de boersche landjeugd beeft. 

(1) Een Brusselsch dagblad noemde onlangs de Duitsche onderwijzers : 
• Ges messieurs de la férule. » 



— 244 — 

Van Dalb beschrijft die plak als een breede» dunne liniaal. De férule 
•Ier Franscben was, volgens Hatzp.-Dabm bsf., een t palette de bols on 
de cuir employee dans certaines écoles pour frapper dans la main des 
écoliers en raute.(l) » Naast de cigrnl. plak gebruikte men ook het 
berkenrijs als strafwerktuig : « Uedensdaeghs, zegt Doi>onjeus,(2} pl<>gen 
in dese landen de Schoolmeesters ende de ouders hun ionge kinderen 
oft leerlinghen met dese Berckenrijsen te dreygen ende in ontsagh te 
houden. » Bn Bildkrdijk, in navolging van Dblillb (i'Homme det 
champt) bezong den schoolmeester aldus : 

Pa berk ligt nevens hem; die roö» wier vreeslijk knellen, 
Den moedwil, met éen wenk, den teugel weet te stellen. 
Der traagheid sporen geeft, 't ontzag in werking houdt, 
Ën d'eiselijken plak als naasten buur beschouwt. 

In een oud kinderrijmpje is de plak een palmstok : 

Meester greep zijn palmstok 

£n sloeg er Joosje mee op- zijn kop.(8) 

Op sommige scholen sloeg men met bull^pezen en riemen. 

472. Gard, garde (Eig, een bosje rijshout, vroeger tot 
kastijding van kinderen gebezigd. — V. D.).(*) Plak en gard 
ontwassen zijn (Een schoolmeesterlij ke leiding kunnen ontbe- 
ren}. Hij moet de gard nog hebben (Hij moet nog onder de plak, 
onder opzicht staan). — De gard bet. inzonderheid de roede, 
die op Sinterklaas-avond aan ondeugende kinderen, in 
plaats van lekkernijen, uit naam van den heilige gegeven 
wordt : c Pas op» of Sinterklaas komt met de gard. > De 
gard krijgen, verdienen (Straf krijgen of verdienen, wegens 
slecht gedrag. — V. D.). 

De straf der roede was strenger dan die dar plak, zegt Schotbl (IhU. 
Huitg,, 83.) « Op sommige scholen werd met bullepezen en riemen gesla- 
gen, op de binnenplaatsen van andere, vooral van wees en armseholen, 
vond men gecsel palen, waaraan jongens en meisjes gegcoseld werden. » 

473. lem, ooren aannaaien (Hem om zoo te zeggen tot een 
ezel maken, zoodat hij zich licht om den tuin laat leiden; 

(1) Versta : ten huldigen dage nog aldus in gebraik « dans certaines 
écoles » 

(2) Ci'uydt'boeck, t' Antwerpen, 1644, bl. 1313a. 
(8) BoEKBNoooBN, Rijmen, 31; Volktk. XIII. 189. 

(4) Volgens het Ndl. Wdb, IV. 383, is gard=l. Eig. roede, inz. als 
strafwerktuig, in tweeërlei opvatting : a) tuchtroede; b) de roede of twijg, 
waarmede gegreseld wordt 



— 245 — 

iem iets wijsmaken). In Zuid.-NedU gemeenl. : lem. iels aan 
zijnooren naaien [Ndl. Wdb,, XI, 38). Ik laat mij geen ooren 
aannaaien (Ik laat me niet voor den gek houden). 

Eertijds, wanneer een leerling op school zich al te dom toonde, werden 
hem als straf een paar ezelsooren opgezet. Saht.-Sgiirrv. spreekwdb , 
waarvan de 1« uitg. opklimt tot 1561, kent de spreekw. in den hierboven 
aangehaalden vorm : pr. VI, 11. Ooren aen napj/en,en pr. IV. 18. Ghy naeyt 
my ooren aen, Bvenzoo in de iiog oudere Adagia van Giieurtz, daglee- 
kenend van 1552 : fïy nayi hem ooren aen. Bij hun tijdgenoot Marnix heet 
zulks iem een paar ooren aannaaien, zooals blijkt uit deze plaats^uit zijn 
Hyenkorf, 149 b: « Daer na sullen de Ketters M. Qentiano noch een paer 
Ooren wel aennacyen» dewijle hy niet ghemerckt en heeft, dat hy hier 
tegen sich selven ende teghen onse L. Moeder de Heylighe Kercke 
spreeckt • Ook in Veelderh, genenchL Dichten vind ik bl. 42 : En naeyen ons 
noch eenen paer ooren aen, — en bl. 58 weer gewijzigd : Maer den Paep had 
den Boer aenghenaeyl twee ooren. n 

Ofschoon nu Tuinman bet besproken schoolgebruik vermeldt als reeds 
tot het verleden behoorend (« gelijk in kinderschoolen, tot straffe van 
botlerikken wel plagt te geschieden »), is het integendeel wel zeker dat 
het opzetten van ezelsooren als strafmiddel in menige school tot in de 
laatste halve eeuw beert voortbestaan; ja, mij is persoonlijk een school 
bekend waar men weinige jaren geleden daarvan nog gebruik maakte. 
Vgl. ons : Hij is een advocaat met lange ooren ( ^ een ezel. — Joos, 78). 

474. De ezelsbank (Het schandbankje, waarop de luie en 
domme leerlingen, nog in 't begin der vorige eeuw, gezet 
werden. — A.). 

475. Piskijker (Arts die voorgeeft uit de pis de ziekte te 

onderkennen). Hij is met dat water wel eens meer voor den 

dokter geweest (Eig. die ziekte heeft hij al meer gehad, dat 

zelfde geval heeft hij al meer ondervonden; hij heeft daar 

ervaring van). Bij Molema : Al voaker mit dat woater veur 

dokter west hebben. 

Ben berlni.ering aan den tijd, toen de dokter veelal den aard drr ziekte 
opmaakte uit de uriLe. — De oude piskijker, in de middeleeuwen kijcpisse 
gci.aamd, en tliand nog bier en daar te vinden, heet in onze gewesten 
pikbeiiener (R. en C.-V.^; ook Bkedkro spreekt in zijn Sijmen sonder 5ü«- 
ticheit, V8. 20, van • Doctor Jan de pis heUër, > In een oud versje heet 
hij een kijker met een P, en waar Hüyqens in zijn Zedeprint « Ben 
onwetend medicijn » noemt een Raetseer met een P, had hij wellicht 
daarop het oog. — Ook nog waterdoktoor en watermeester worden in 
Vlaanderen veel gebruikt voor piskijker. In zijn Huwelij cx-Fuyck noemt 



- 246 — 

Gats hem « de Medicijn met den nrinael. b (Zie Stostt, n« 2100 en Tcal 
en Lett., III, 169). 

476. Hij liegt (of kan liegen) gelijk een tandenirekker (Hij is 

een aartsleugenaar. — J. en A.). 

Het tandentrekken was vroeger bijna uitsluitend het werk van rond- 
reizende kwakzalvers, die bij het liehtgeloovige publiek de grofste 
leugens wisten te doen ingang vinden, en zoo hun dwaze geneesmidd eitjes 
aan den man brachten. D'' Stobtt denkt dat deze spreek w.» die in Noord.« 
Nedl.ont>ekAnd is, weleen vertaling zal zijn van het Fr. Afentir cttmmê 
ii/i arracheur de deals {{). Op grond van onze synon. Vlaamsche uitdr, 
liegen gelijk een kwakzalver, of gelijk een beunetnijer, durf ik dat echter 
betwijfelen. 

(l) Uit een persoonlijk schrijven, waar foor ik hem hier van harle dank. 



P) ANDERE OÜDE GEBRUIKEN, ZEDEN EN 
TOESTANDEN. 



477. Ga met de knikkers spelen; of : Zwijg en ga eerst nog wat 
met de knikkelen spelen (Gezeid tot een onnoozelaar of een 
melkbaard, dien men wenscht te verwijderen, omdat zijn 
aanwezigheid den spreker of het gezelschap hindert of ont- 
stemt). Loop knikkeren (EIarr. III, 87). 

De XIX* eeuw was een eeuw van grooten voor uitgang op allerlei 
gebied, doch niet altoos ten goede. Heden ziet men kleine jongens van 9 
& 10 j. oud, met een cigarette of een pijp in den mond, de straten door- 
kruisen, en, pas na hunne eerste communie, In de eene of andere herberg 
een glas bier of een borrel gaan drinken Vroeger, 60 & 70 j. geleden, 
durfde geen jongeling een herberg binnengaan, eer hij geloot had voor de 
militie. Elke deftige herbergier had op zijn schenktafel een glas met 
knikkers te zijner beschikking; waagde het een jonge gast, al was hij 
ook 17 èi 18 j. oud, drank te komen vragen^ zoo stak de baas hem dadelijk 
eenige knikkers in de hand en stuurde hem dan, met bovenstaande com- 
pliment, de deur uit. — Aldus in 't L. y. Aalst en ook wel op nog andere 
plaatsen, b. v. in het Doornijksche, zooals blijkt uit deze uitdr., die er 
thans nog gebruikt wordt, als synon. van « zich van iem. ontmaken » : 
Invèyer quéqu'un jouer d qH'nêque (1). Dat Waalsche quié)nèque is blijkbaar 
een vervorming van ons Ndl. : knikker. 

In Holl.-Limburg schijnt dit gebruik nog niet geheel verdwenen; zoo 
schrijft Wbltbrs, bl. 93 : « Bif heelt eêne kaas-boterham gekregen (is met 
niets afgescheept). Op de dorpen krijgen de jongens die te jong naar de 
herberg gaan, on bier of jenever bestellen, eenen bolerham van den 
kastelein; te Venloo een glas knikkers of een glas melk. » 

Vgl. Stobtt, n» 1233. 

478. Ergens een speldje bij steken (Er niet meer over praten). 
Bij MoLEMA (Groningen) : DVn stikje hie steken. — Ndd. : 

(1) Dejaroik, Diit, d. SpoU tialtont, n« 278. 



— 248 — 

Dar will ihdi en StiMen bi steken (Eigh., n* 1843); in Holstein : 
Da wilik en Sticken bistêken (Egk., bl. 503). 

Ontleend aan de vroegere gewoonte van sommige lezers om door het 
steken yan een speld de plaats aan te wijzen, waar ze voorloopig hunne 
lezing gestaakt hadden. 

Vgl. KapitteMok (V. D.). 

Komt reeds yoor bij Ghburtz (in 1553), in dezen vorm : Daer tteeck ick 
een speli. Tuinman heeft : Ik steek daar een speld by, 

479. Met een roode letter in den almanak (aangeteekend) staan 
(Als een heilige vereerd, of wel — in 't algemeen — hoog- 
geschat worden. — NdL Wdb,) Friesch : Hy kriget m reade 
leUer yn 't almenak (W. D. II, 281). Bij Tuinman, I, 22 : Hy 
zal geen roode letter in denAlmanachkrijgen.Ygl. Sart. -Sghrev. , 
pr. IX, 5 : Ghy zijl niet heylich, niet kostelijck. Hgd. Einen Tag 
im Kalender rot anstreichen. Eng. Redletterday, gelukkige dag, 
feestdag. 

Herinnert aan het vroegere, nog niet gansch uitgestorven gebraik om 
in de almanakken de voorname heilige dagen aan te wijzen door een 
roode letter. Dat gebruik blijkt reeds uit den tilel van een der aller- 
oudste en Allerzeldzaamste Ndl. almanakken, gedrukt te *s Hertogenbo«ch 
in 1587 (l). Mijn goede vriend, de heer R. Vandkn BKROHE.de uitstekende 
Gentsche bibliograaf, de knappe medewerker van den hooggeleerden 
boofdbibliothecaris. Dr. Ferd. Vander Harghen, aan de Bibliottieca 
Belgica, — mijn goede vriend heeft roet zijn gewone welwillendheid den 
titel voDr mij afgeschreven, waarvoor ik hem hier hartelijk dank zeg. 
Die titel luidt : Den kalengier naeder usantien des bhdo ns van Ludiek inden 
welcken, behglven der sonnen opganck ende onderganck, oeck staen getekeni 
der nienwen manen coniuncti>'n matten quUen getalle voir die daghen des 
seloen kalengiers het wtlck hier jtnirmaels ti allen anderen kolengier verlopen 
was tol vijf daqhen foe. Ende die heiflighe daghen diemen doer insettinghen 
ende qehoden des »ojrtt. bifioms schuldich is te vieren, syn int root ghesel, 
mer die andere daghen die ni^t qh*.brlen en syn, mêr doer devotie ende o'ide 
ghewoinle van'ien ghenei/nen oolc'e g'ieoiert wyrien tol mid-iar.h toe ofte 
gheheel syn ghetekent aldus ^ % Gheprent Tsartoghen (sic) Bossche (2) bij 
mij Gherart vander fhtart... Anno 1587. 

De « niel gheboden heylfghe dagh*n • waarvan hier sprake is, zijn de 
volgende : Januiri 17, St. Antonlus;20, St. Fabiaan en St. Sebastiaan; 
hfei 6, St. Jan in de Olie; Juli 23, de H. Moeder Anna; Augustus 16, 



(1) Het eenig bekende ex. daarvan behoort aan de boekerij der Gentsche 
hoogeschool. 

(2) 's Hertogenbosch maakte destijds deel uit van het bisdom Luik. 



— 249 — 

St. Arnoldusen St.Rochus; Nouemher2, Allerzielen; 31, O. L. V. Presen- 
tatie ; December 4, Stê. Barbara. 

Ik wijs nog op dit gezegde van Bredbrs, waarop mijn vriend 
Dr. M. Sabbb mijn aandacht vestigde : « lek sou het met een roo letter in 
den almanak laten setten voor een mirakel », en op Pauli, Schimpf u, 
Ernst^ n« 985, waar van een feestdag gezeid wordt : « Er steht in allen 
Buchern roth geitchrieben und ist gar ein gross Fest •• 

Na hier sprake is van almanakken, denk ik terloops nog te mogen 
wijzen op de spreekw. : (Een) almanikt (een) leugemak (« Antw. Idiot • 
van G -V. : Almanakken iijn leugeniakken) ; — De almanak en de courant 
Brengen de leugens in hel land\ - IHj liegt aU een almanakf zinspelend op 
de loagenachtige « prognostlcatidn i* of voorspellingen vooral omtrent het 
weder, die men in de vroegere kalenders 'op naam vaneen Nostradamns, 
een Mathieu Laensbergh (1), enz.) kon aantreffen en die thans nog, 
ofschoon veel minder, in zwang zijn. De in Vlaanderen best bekende 
almanak, nog op die oude leest geschoeid, is die van Snoeck (Gent) zoodat 
ik meer dan eens hoorde zeggen, wanneer iemand een tastbare leugen 
uitkraamde : « Da*s een uit d'n allemenek va Snoeck, • Het Almanach, 
Logemak komt voor in Poirters* Masker^ 2*2. 

Zie nog Stoett, n» 1670, 

480. Dat is 'et haakie, daar de kluw an hangt (Dat is de 
hoofdzaak. — Bob.). 

« Vroeger hing men het brei-tuigje met een zilveren haak aan het 
schort. Vgl. de ook aan de Zaan bekende zegsw. : Dat it het haakje, daar de 
kan aan hangt, » (Boe.) Bij Harr. vindt men : Het is een regt haakje, om 
een kannetje aan te hangen. 

481. Een beurzen8nii(d)er (Zakkenroller). — Hgd. BeuteU 
schneider. Fr. Coupeur de bourse. — Beu{r)zesnifen; iem. zijn 
heu{r)zesn\fen. 

Herinnering aan den tijd, toen de beurd (geldiasch) met een bandje of 
koord aan den gordel hing. De gauwdief, die behendig genoeg was om 
iemands beurs af te snijden, en zoo den inhoud er van in zijn eigen zakte 
spelen, was werkelijk een beurze(n)snijder. In den letterlijken zin 
gesproken, zijn er thans geen beurzensnijders meer. In het Mnl. borse^ 
inider^ boerssnider, bursesnider (Verdam, I, 133S); in 't L. v. Aalst : beTne- 
snij'r, — Op het beurzesnijden stond eertijds geeseling en verbanning; 
aldus in de Kronyk van Brugge^ van 't jaar li77 tot 149L (bij De Bo) : 
a Ghegeeselteen beuriesnyder ende 6 jaer ghebannen up de galge. > 

Vgl. Harr. : De gierigaard U doof aan den kant, waar de beurs hangt; 
Tuinman, 1, 160 : Men kraauwt hem aan de ^ijde, daar de beurs hangt. 

(1) De wijdvermaarde Luiksche Almanach van maitre Mathieu Laens- 
bergh, malhómaticien, verschijnt thans nog en is zijn 28l« jaar ingetreden. 
Iem., die iets van weerkunde kent, heet nog beden te Luik : Un Mathieu 
Laensbergh. 



— 250 — 

482 lem. een bril (of een pen) op den neus zetten (Hem 
onder handen nemen, ten einde hem daardoor te beletten zich 
verder in woord of daad te buiten te gaan ; hem een beletsel in 
den weg leggen en zoo zijn plannen verijdelen, hem een poets 
bakken of een lesje geven. — NdL Wdb.). lem. een bril 
opzetten (lem. botzetten, beschaamd maken. — Sgh.). 

Ziehier hoe D' Mullbr {Ndl. Wdb, i. v. bril) die zegswijze verklaart. 

Een goede bril bezit de eigenschap het gebrekkig gezicht te verscherpen ; 
vandaar : Zijn (beHen) brtl opietlen. Doch, hij bezit ook de eigenschap de 
dingen anders te doen zien (grooter of kleiner) dan zij zijn of zich aan de 
oogen voordoen; schijnbaar misleidt hij das betoog; vandaar : Elk %iei 
door *ijn eigen bril; door een gekleurden bril sie/i; tem. een bril op den neus 
cellen =z hem een bepaalde beschouwing opdringen, hem de zaken in een 
veelal gunstiger licht laten zien (en daardoor misleiden), enz. 

Nu, de oaderwetsche brillen die, zonder veeren achter de ooren, alleen 
op den neus steunden, waren echler ook tevens een soort van klem of knip 
op den neus (vgl. benamingen als knijpbril, knijper, Fr. pince-ne*, Hgd. 
Zwicker), In verband met de hooger genoemde eigenschap, soms misschien 
ook in woordspeling met de'beteek. brilpraam : een houtje meteen touwen 
lus er aan, waartnsschen men den den neus en de bovenlip van een onhan- 
delbaar paard klemt (1) - gaf dit aanleiding tot het gebruik van bril in 
allerlei gevallen, waarin men wilde uitdrukken dat iem. door een ander 
hetzij met geweld bedwongen, hetzij met list, door een valsche voorstelling 
misleid, gefopt, hetzij ook tot beter inzicht gebracht werd, in allen gevalle 
't onderspit dolf, schade en schande leed, in 't nauw gebracht werd, een 
lesje kreeg, enz. Vgl. dergelijke beeldspraak in breidelen, ringel{oor)enf 
beethebben, door den neus boren, bij den neus leiden, enz. 

Vandaar bet. Imand een bril op den neus %eVen bij Tüium. : hem brei- 
delen, hem kwellen. Als passief daarvan : een bril op den neus krijgen. Ik 
herinner hier nog even aan het gezegde, dat bij de inneming van Den 
Brlel (1- April 1673), « Al va een bril op den neus gezet was », weinig later 
aldus gewijzigd : 

Op deneersten April Verloor Alv% %ijn bril (Zie boven ons n«374,bl. 181). 
Zie verder nog iVdfe. Wdb., III, kol. 1391-1398, op brillen. 

483. Aap (Opgespaarde geldsom, zorgvuldig bewaarde 
schat). Hij heeft den aap beet, binnen, thuis, weg (Hij is in 
't bezit van het geld). De aap is gevlogen (Het geld is zoek). 
Den aap (of den hond) vlooien (Het varken slachten, de geld- 
som nauwkeurig tellen. — Verdam) C^). — Vgl. Hij heeft een 

(1) In de hoe f smederij. 

(2) In het Leidsch Tijdschr. van Ndl. Taal- en Lellerk XII, 142143. Voor 
Dr. Stobtt (ald., bl. 252) is den aap vlooien = de som stelen. 



— 251 — 

dikken hond op zijde liggen (Een groote beurs geld. — Sch.). 
Zijnen hond loslaten (Zijn geld voor den dag halen. — 

A. en R.). 

De beteek. aap = opgespaarde geldsom (1) « schijnt hieruit te ver- 
klaren, zegt het Ndl, WÜ6., I, 527, dat men vroeger wel eens steenen 
beeldjes in den vorm van apen bezigde, om er geld in weg te bergen, 
gelijk men nog b. v. de steenen varkens voor spaarpotten kent. De aap 
werd aldas de naam van den spaarpot, en, bij overdracht, van den inhoud 
daarvan, de ipaarpenningen, het opgA8paariie|7W<i. Ook het Fr. magol ver- 
eenigt de drie bet eekenissen. Eigenlijk eene soort van aap, wordt het ook 
van allerlei koddige en snaaksche porseleinen of steenen beel^ijes gezegd, 
en overdrachtelijk voor opgespaard en weggelegd geld genomen : iets dat 
hier te eerder geschieden kon om de woordspeling, die voor de hand lag, 
met het Oadfr. magaut, Mlat. magaldm, d. i. een zak, bedel- of geldzak. • 

Daarop zijn echter twee aanmerkingen te maken. Vooreerst, het bewijs 
ontbreekt tot hiertoe, verklaren Prof. Vbrdam {Tijdsehr,, XII, 143) en 
Dr. Stobtt, u<» 29, dat er spaarpotten in den vorm van apen (2) bestaan 
hebben, zooals er thans bestaan In den vorm van varkens Bovendien 
maken de tegenwoordige Fransche philologen onderscheid tusschen 
rnaofof = argent serre, mis en réserve, en — magot = 1. gros singeéL taille 
ramasee; 2.homme tros laid ; 8. figurlne trapue en porcelaine, en jade, 
etc. fabriquée d'abord en Ghine, au Japon. — Het eerste magot is een ver- 
bastering van mugot, onder invloed van het Oudfr. magaui, ouder nog 
macaut (tasch, beurs); het tweede magot schijnt de Bijbelsche eig^^nnaam 
Magog te wezen (8). 

De verklaring van Dr Stobtt lijkt me daarom waarschijnlijker. Hij 
vermoedt dat het nw. aap de beteek. geld ontleend heeft aan de 
17<**-6euw8che spreek w. : Ze Uen op geen aap, die uit Oost-Indien komen (4) 
= c vooriem. die uit Indiê komt, komt het op een aap niet aan, — doch 
overdrachtelijk : wie overvloed bezit, kan wel wat missen, die in het 
veen zit, ziet op geen turfje; hij die geld heeft, is niet karig. Ten gevolge 
van de bepaalde toepassing, welke van deze spreekw. gemaakt werd, heeft 
aap de beteek. van geld daaraan ontleend, zooals blijkt uit den naam 
c ronde apen » voor ronde schijven, geld • (4). 

Nu, als eenmaal aap = beurs, spaarpot, gebruikt werd, kon er licht een 
ander dier, b. v. een hond van gemaakt worden, te eer, zegt Prof. Verdam, 
omdat men daaraan het denkbeeld van trouwe bewaking of bewaring ver- 

(1) Die beteek. komt reeds voor bij Winschootbn, in zijn Seeman van 
1681'. Hond, in die zelfde beteek., vindt men bij Kil.; D^ Mullrr wijst 
een nog oudere plaats aan, nl. in een klucht van den jongen Jacke, 
Antw. 1628. (Tijdschr. XII, 149). 

(2) Van aap of hond, zegt Prof. Verdam. 

(3) Hatzfeld-Darmesteter. 

(4) De geivaande Weuwenaar mei het bedroge kermiskind, blyspel. 



- 359 — 

binden kon. Zoo ontstond naast de uitdr. den aap vlooien, de eynon. den 
hond vlooien (aldus o. a. bij Poiktbrs, Hacker, 171). Ilij acht het ook mogo- 
Wikdsii hond in dien zin onder is dan aap, en dat hel Tolk8?ernaft er een 
aap van gemaakt heeft (l). Dr. Stobtt denkt echter dat hond hier niet 
beantwoordt aan Lat. cani», maar wel aan Oadhgd. hunda, Mhgd. gehünde 
== roof, buit. In dezen zin schijnt Aond gebruikelijk geweest te zfjn tot in de 
18* eeuw, en dialectisch kent men het tbans i.og in het Duitsch. Men denke 
er aan dat honden (ook slangen en draken) eertijds beschouwd werden 
als bewakers van onderaardsche schatten. In dergelijke uiidrukk. 
zouden dienvolgens aap en honl mei elkander niets hebben uit te staan, 
en aap hoefde dus ook niet door hond vervangen te worden. Later, toen 
dit hond (a schat) aan 't verouderen was» heeft men het verward met 
hond (=r dier, canis); deze laatste beteek. heeft het b. v. in de boven aan- 
gehaalde spreek w. : hij heetteen dikken hond op tijde liggen, en in zijnen 
hond loslaten[2). 

Ik voeg er nog bij dat, volgens Stobtt, hond (= schat) heel wat ouder is 
dan aap. In de laatste eeuw hebben hond en aap beide plaats moeten 
maken voor het varken, en is de uitdr. hond of aap vlooien geworden : het 
varken tlachten, In Zeeuwscii-Vlaand. zegt men echter ook nog : den aap 
luiien {Tijdschr. XII, 143 en 252). 

484. Dat kan niet door den beugel (Dat kan er niet door, het 
kan niet geduld worden). 

0>>k omtrent deze zegswijze zijn de geleerden het nog oneens. De mees- 
ten denken aan beugel (Mnl. bogel, buegel) ss ijzeren ring, poort, waardoor 
men bij zekere spelen den bal moet slaan. Ontleend aan het spel, zegt 
Prof. Verdam {Mnl. Wdb. I. 1349), dat veel overeenkomst had met ons 
kolven en dat bngelen of bogeUlaen geheeten werd. Ook D' Stobtt (n<* 194) 
gaf aanvankelijk de voorkeur aan dergelijke verklaring. Sommigen 
denkeu aan de weverij, aan het beurtelings rechts en links voortschiaten 
der schietspoelen lussciien ijzeren 6ett(jfe/< ; doch, dat de uitdr. aan dat 
bedrijf zou ontleend zijn, staat niet vast, zegt D' Elütvbr (Ndl, Wdb. II, 
2J67). Weer anderen {Taal en L^tt., I, 62; Wdschal, 76) denken aan beugel 
= houten of ijzeren ring, als maat voor een omtrek, inzonderheid van 
den bulk van vaten, en vandaar ook maat in ruimeren zin. Zij steunen 
hierbij op oude politie-verordeningen, waarbij het verboden werd honden 
te houden, die niet do3r een bepaalden ring gehaald konden worden. Zoo 
vermeldt De ouda Tijd (1872, bl. 191), naar aanleiding van de « honden- 
slagers *, dat de Amsterdamsche u Heeren van den Gherechte » eens 
lieten afkondigen dat het wel of niet schadelijk zijn van de honden zou 
afhangen van 't feit of ze wel of niet door een « ringe deser stede 
passeren » konden en dat 't de zaak der « hondeslagers • zou zijn, die 
keuring van honden te doen en een bewijs daarvan tegen betaling van 

(1) Tijdschr. XII, 143. 

(2) rydicAr. XII, 251 vlgg. 



S' 



• 253 — 

een stuiver af te geven. Ea volgens gemelde afkondiging moesten de 
bekeurde honden die « niet door den beugel konden » binnen 8 dagen op de 
kaai van Montalbaan (tegenwoordig de Oude-Schans) afgemaakt en 
begraven worden (1). 

De hef'r ('raider {Taal en LetL, I. 62), vestigde ook de aandacht op de 
Weslfriesche zlidrechien, waarin bepalingen voorkomen als de volgende : 
« Sooen moeier niemant honden houden» uutghenomen cleyne honden die 
door een voetyzer van een zadel moghen , • elders : « niet groter (honden) 
te houden» dan die doer den hoghel moghen ; » elders nog : « honden sijn 
verboden, uutgheseyt dat doer den rinck mach. • Dit of een dergelijk 
gebruik van beugels, z^gt D' Klütvbr, schijnt wel tot de hier behandelde 
8predkwijze(n) aanleiding te hebben gegeven. 

Martinet (Vaderl, Spreekw,, 1796) zoekt den oorsprong in de hier en 
daar heerschenJe gewoonte om een brood door een beugel te halen, ten 
einde zich te vergewissen of het de juiste grootte had. 

Nu, D' SiOBTT^ eerst een andere meening toegedaan, acht het thans 
waarschijnlijkst dat we moeten denken aan den beugel die als maat dienst 
deed. Ook voor ons heeft die zienswijze meest grond. 

De uitdr. komt bij onze schijvers dikwijls voor; aldus o. a. in Brbdbro's 
Mooitje, VS. 685 (ed. Oudemans) : dat mach niet door de bueghel; bij Van 
Effen (Speet.) : dat kan immers niet door den beugel (z. verder NdL Wdb. 
en D*" Stobtt). 

Ik vestig nog de aandacht op de boven genoemde hondehlagers ; volgens 
Wdschat, 440, waren deze : l) Stedelijke beambten, aangesteld om de los- 
loopende onbeheerde honden dood te slaan; ofwel, 2) keikelijke dienaars 
. die, door middel van een zweep, geduiende den dienst de honden buiten 
de kerk moesten houden. — Uit het bovenstaande blijkt evenwel, dat de 
attributies der stedelijke i hondeslagers » soms wel eenige uitbreiding 
ontvingen. 

485. lem. in de belle slaan (Met een bel, of in de nieuws- 
bladen, of anderszins doen afkondigen dat iem. onbekwaam 
is tot koopen en verkoopen, enz. — D. B.). In de belle zijn, 
liggen, hangen, koinen (Openbaar te koop zijn, bieden, komen. 

— D.B.), Iets (doen) uitbellen (Door den belleman iets bekend 
maken; fig overal vertellen. — A., Sgh., R., G.-V. en 
V. D.). Belleman(^) (Omroeper. — Bijna alg. in Vl.-België; 
ook bij Hcbüfft). Uilbeller (In Limb. en soms te Leuven. 

— SCH.). 

Vroeger maakte de omroeper of belleman gebruik van de bel niet 



(1) Aangehaald door D' Nauta in Noord en Zuid, XXIII, 52. 

(2) Ook bij Verdam, Mnl. \Vdb. H(Eüpft spreekt ook nog van den Warf* 
klinker. 



— 254 — 

alleen om gewone zaken Ie cunc/i^Afii, maar blijkens de costumen van 
Gent, Oudenaarde, Venrnp, enz. had die bekendmaking metier bellen ook 
plaats voor de « vooghdyen van overjaereghe weezen, » en voor door- 
brengerp, wien hei beheer over hun eigen goed werd ontnomen. Vandaar, 
bij overdracht, de uitdr. tn de belle en uil de belle voor • al of niet onder 
caratfele.(l) » 

Daaraan herinnert het thans nog in West-Vlaand. gebruikte : lem. in 
de belle slaan, waar ook het oude uitbellen van openbare veilingen nog 
voortleeft in de uitdr. in de belle «t;ti, liggen, hangen of komen. 

Terwijl in Holland, vooral te Amsterdam, bij bekkemlag de veiling van 
iets wordt aangekondigd (vandaar : aan het bekken %ijn of verkocht worden 
= in openbare veiling zijn) (2), geschiedt zulks in het Vlaamsche land en 
zelfs hier en daar in N.-Brab., nog door den stedelijken, reeds in de 
middeleeuwen bakenden belleman, welk ambt op den buiten door den 
veldwachter wordt waargenomen. Te Aalst gaat de « belleman • uit- 
bellen, wanneer er « viseh in de mijn » is; te Denderleeuw, wanneer er 
b. V. een schip met wit zand is aangekomen, waardoor de inwoners dien 
dag in de gelegenheid worden gesteld tegen een goedkoopen prijs den 
noodigen voorraad te gaan opdoen, want reeds den volgenden dag vaart 
het schip naar een naburige gemeente. Tot vóór enkele jaren kondigde 
men op het platteland met de belle of met den hoorn aan, (3) wanneer een 
boer een al of niet verongelukte koe « uitkapte » en « aan nen heel ei vie- 
len prijs » uitverkocht. De veeverzekeringen hebben dat overbodig 
gemaakt. In Haspengouw doet men door den belleman bekend maken wat 
verloren is en waar het kan besteld worden, en volgens Hceufft vindt 
men dat gebruik ook te Bergen-o p-Zoom. fivenzoo worden te Oostende 
(door den « klinker ») en te Nieuwpoort (door den politieagent) yerkoopen 
en verliezen « uitgeklonken. » — Voor zaken van alg. belang, die van- 
wege het stadsbestuur worden uitgebeld, schalt de Antwerpsche belle- 
man lang aaneen. Vandaar : *k zal het mei de lange bel doen uttbellen = het 
overal bekend maken (C.-V.) — Vgl. Stoktt, n* 1010 : ieli aan de (groate) 
klok (of aan 't klokzeel) hangen, alsook ommebellen {Mnl, Wdb.), en ombellen 
en omklinken (Ndl. Wdb,). 

486. Nen hazepoot aan de deur hebben (Eig. een bel aan de 

huisdeur hangen hebben; üg. huishouden met gesloten deur, 

d. i. zijn schaapjes op het droge hebben, rijk genoeg zijn 

om te kunnen rentenieren. — A.). 

Herinnert aan den tijd, toen enkel de rijke menschen een hnisbel 
hadden; het handvatsel waarmede men trok» was toen meestal een 

(1) Zie Ndl. Wdb., II, 1(J55. Mnl. Wdb. I, 857, Belg. J/iueum, X, 112 en 
Dk Bo's Idiot., 90. 

(2) D' Kluyver in Ndl. Wdb., II, 1588. 

(8) Te's Hertogenbosch is ook de trompet in gebruik, zegt Hceüfft, 47; 
in Holland slaat de stadsomroeper op een bekken. 



— 355 — 

hazepoot. Eertijds zei men te Aalst : c Alteen Dendermondenaar 1200 gulden 
renten heeft, hangt hij *nen hazepoot aën de deur, i en daarom schreef de 
dichter Pr. van Duysb, schertsender wijze, aan 't adres zijner stad- 
genooten : ^ 

« Sier, zoo uw inkomst is van honderd ponden groot» 
Uw straks gesloten deur met eenen hazepoot.U) » 

In de Botlientjes van K. Db Glercq(2) (Flandria's Novellen-bibliotheek» 
n' 16) leest men, bl. 6 : » Door de fortuin begunstigd, genoot hij na tien 
jaren werkene het onuitsprekelijk geluk eenen hazepoot aan zijne bel to 
mogen hangen en zijnen naam op de lijst der kiesbaren Toor den Senaat 
te zien prijken. » Mag men hieruit aüeiden dat destijds de halve rijken 
wel een huisbel hadden, doch zonder hazepoot, en dat het gebruik slechts 
aan diegenen een hazepoot toekende, die een groot fortuin bezaten? 
Ht'den is het andersom, en alleen aan burgershuizen ziet men soms nog 
den oudmodischen hazepoot hangen; de rijken versmaden hem. Doch, bij 
't volk hoort men nog dikwijls zeggen : « Ware ik rijk, ik hing nen haze- 
poot aan mijn deur. » In het Waienland, o. a. te Roeulx, is de bellrekker 
niet zelden een hertepoot.(3) 

487. Een sleeper (Voerman bij een toe- of vrachtslede. — 
V. D.). 

Volgens Prof. Vsrdah (Gesch.\ bl. 278), wordt een stalhouder te 
Amsterdam nog sieeds een s/ee/;er genoemd, naar de nog voor eenige tien- 
tallen jaren aldaar gebruikelijke rijtuigen zonder wielen, welke 
« sleden » of « toe-sleden » genoemd werden, en nu reeds zelve naar het 
mueeum van oudheden zijn verhuisd. 

Vooral voorkinderen en oude dames was zulk een koets zonder wielen, 
wegens het gemak van in- en uitstappen, een zeer geschikt vervoer- 
middel. De üeêper, d. i. de voerman, liep naast de slede. « Immers, een 
oude keur bevatte de bepaling, dat de voerman, die niet jonger mocht 
zijn dan 21 j. en geen tabak rooken mocht, niet mocht staan of zitten op 
de slee. Slechts in enkele bijzondere gevallen duldde de vaderlijke Magis- 
traat daar een uilzondering op. (4) » 

488. Een smeerlap (1. Lap met smeer of vet bestreken, 
waarvan de sleepers zich onder de sleden bedienden ; 2. sme- 
rig mensch; 3. onzedelijk, eerloos mensch). 

Het onfatsoenlijke woord smeerlap, thans nog alleen gebruikt in de 
beteek. «smeerpoes • (in lichamelijk of zedelijk opzicht) was oorspron- 
kelijk, naar Vbrdam en Laorillard ons meedeelen, niets anders dan een 

(1) Db K4\dt, Les Sobriquets, 237 vlg. 

(2) Voor *t eerst verschenen in den Gentschen studentenalmanak van 
't Zal wel Gaan voor 1854. 

(3) Volkskunde, XVIII. 10. 

(4) Laürillard, Vlechtwerk, 214. 



— 256 — 

met vet verzadigde lap dien de sleeper aan een touw in de hand droeg, en 
waarbij nu en dan de slede overheen liet loopen. Aldus werd de sleö 
gesmeerd, en het stooten op oneffenheden in de straat voorkomen. 

489. De kroon spannen (Boven anderen uitmunten, de 
eerste zijn in eer of aanzien). Dat «panf de troon (Overtreft 

alles). 

Een goede verklaring er van kun men vinden bij Vbroah, MnL Wdb,, 
III. kol. 2129-2131. In het Mnl. is ipannen o. a. = binden, vastmaken, en 
crone == krans, als hoofdsieraad. Dat kroon ook thans nog krans bet., 
blijkt uit eikenkroon, burgerkroon, eerekroon, zegekroon ; men denke nog aan 
de pinksterkronen, die in 't L. van Aalst op St. Pietersdag (29 Juni) 
worden vervaardigd, en aan het zoogenaamde « kronen ■ hij huwelijks- 
feeslen, d. i. het versieren met bloemkransen en groen (z. Volksk , XIY, 
53). Wie een krans of kroon. — 't zinnebeeld van iemands meerderheid, 
ook in het opzicht van lichamelijk schoon of maagdelijke reinheid — op 
het hoofJ ontving, werd ipso facto erkend als boven anderen uit te munten. 

c Crone dragen •, « crone spannen » was duseig. een krans, den lauwer- 
krans dien men door een overwinning of iets dergelijks verdiend had, op 
het hoofd dragen, of zich zelf om de slapen vlechten : « Och dochter, ghy 
sljt van goede rijck ende van lichaomalsoo schoone; ghy moocht wel allo 
daghe spannen een vergulden crone . » {Baghijnken van Parijs, 7, 138). — 
Hiermede is onze uitdr. de kroon spannen wel degelijk verklaard, en nog 
heden wordt ze in nagenoeg denzelfden zin gebruikt. — Daarnaast had 
men evenwel nog : enen crone spannen, d. i. een ander tooien met het zinne- 
beeld der overwinning, hem den zegekrans opzetten; en ook die eer kwam 
slechts toe aan iem., die door roem. deugd, aanzien of schoonheid anderen 
overtrof: i Onse coniuc brincse met hem ende sal haer «pannen crone in 
sincn oversten trone » [LekenspieghH, II, 57-80). « Si ware wel weert te 
spannen erom, al waert een coninc van Vrankerijk » (G/orian^ 458). - 
Uit die oorspronkelijke beteek. van : iem. den zegekrans opzetten en daar- 
door erkennen dat hij zich boven anderen onderscheidt, kon zich gemak 
keiijk die ontwikkelen van : zelf anderen te overtreffen ; een voorb. : 
. Joncfrouwe al van der herten mijn : in mijn herte soo .pandi crme^ 
(Boerden,yih 3). Zie nog Bbckehing Vinckers (in Noord en Z, 2L1X, 
211-2U), Stoett, n» llOl en Wdschat, 587. 

490. Over de brug komen (Betalen, zoowel van schulden als 

van toelagen). 

Zou deze uitdr., haar oorsprong vinden in den tol, die op vele bruggen, 
voorheen veel meer dan thans, werd geêischt? « Doch misschien, zegt 
D' Muller {Ndl. Wdb.., UI, 1608) is de bedoeling alleen : (zijne bezwaren 
overwinnen en) tot iets besluiten, voor den dag komen ; de bijzondere toe- 
passing zou dan hare verklaring kunnen vinden in eene, thans weggelaten, 
bepaling (vgl. kom over met ;e borgen). . De uitdruk, is ook ^n de Antw. 
Kempen bekend : Ik wacht al zooiank naar me' geld, ik wou . dat hij maar 
is over de brug kwam • (C.-V., 805). 



— 357 — 

491. Bastaard of basterd; Hgd. en Eng. ook bastard (Een 
niet uit een wettig huwelijk geboren kind). lem. {tot) bastaard 
maken (Onterven). 

Dat woord is ontleend aan bet Oudfr. ba$iard (thana bdtard) en dit aan 
ba$t (thans bat) = zadel, pakzadel. Zinspeelt op het feit dat in Zuid-Frank- 
rijk en Spanje de muilezeldrijvers in de herbergen, waar zij overnacht- 
ten, hun zadels lot bedden gebruikten, dikwijls in gezelschap yan de 
dienstmeiden vanden herbergier. Vandaar de OudTr. ultdr. : /!«/ de bast =r 
onecht kind. Ygl. ons bankaard, Hgd. Bunkert, Bankting. Bankkind, Bank- 
tohn, Bankettoehter == kind, op een bank geteeld; — en Hgd. Vun der Bank 
fatten =s buiten het huwelijk geboren worden. 

6. Paris heeft reeds in 1865 (fitst, poel, de Chartemagne, 441) met bastaard 
vergeleken het Fr. enfant de ia 6a//e = onecht kind, ■ con^u sur un ballot • 
{im, \Vdb„ II, kol. 1057-1058, en Vbkc, Stym. Wdb.). Bij Hatzp.-Dar- 
MBST., vindt men echter : Enfant de labalte = qui connalt toutes les fines- 
ses du jeu, étant né, ayant été élevé dans un jeu de paume. 

492. Op rozen gaan (Een aangenamen levensweg bewan- 
delen, gelukkig zijn). Op rozen wandelen (Alles hebben wat 
men wenscht). Hgd. Auf Rosen gehen. Fr. Étre (couché) sur des 
roses, sur un Ui de roses. Lat. Jaeere in rosa. — Op geen 
rozen slapen (In een moeilijken toestand zijn). Hgd. Nicht 
auf Rosen gebettet sein, Fr. l^'être pas sur un Ut de roses. 

Bij de oude Romeinen diende de roos, als zinnebeeld der vreugde, om er 
de hoofden der dischgenooten mede te versieren, en er den vloer mede te 
bestrooien (dit laatste geschiedde zelfs nog in de middeleeuwen) ; ja, men 
sliep soms letterlijk op rozenbedden. Dit wordt o. a. verteld van Antiochus 
en van de wellustige Sybarieten. Men leest ook dat Gleopatra en Nero eens 
bij een feestmaal, een regen van rozen ovor don vloer en op de hoofden 
der gasten lieten uitstorten. Doch Heliogabalus dreef het nog verder. 
Ziehier de mooie beschrijving van zoo'n bloemenregen ten tijde van dien 
piepjongen, wulpschen keizer : ■ De ]&-haut, des esclaves jettent des 
poigDées de fleurs aux Elrangers qui s'ébahissent. Une pluie bleue, rouge, 
blanche, violettet Des oeillets et des roses dans les plats; des jacinthes 
et des lis s'abattent sur les tètes, roulent sur les épaules, débordent 
sur leslits. La pluie s'épaissit, comme une lourblllonnante poussière 
versicolora d'oü se dégagenl des senteurd ü asphyiier. Et ce qui 
est terrible, c'est que les portes se referment sur eux, qui ont des Üeurs 
ju8qa*aux genouxt 

Et ils se précipitent au centie^ oü les impitoyables fleurs les att«i- 

gnent en uneavalanche de sépales effeuillés. Ils essaient d'escaladcr la 
galerie en se hissant aux candölabres; mals les fleurs tombent« les 
étouffant. 

Des fleurs jusqu'au nombril t 

Alors, dösespérös, ils se laissent recouvrir, priant leurs dieux, pheu- 

17 



— 258 — 

rant et se frappant la poitrine dans la tourmenta des fleura, tels qne dea 
matelota en une tempète. Imperturbables, lesasclavea ne cessent de leur 
en jeter, et Ton dlrait mdme qu'ils mettent & eette besogne une rage 
étrange» un sentiment de vengeance contre des maltres qui ont des 
esclaves pareils & eux. 

Des fleurs Jusqn'an col t 

Maintenant c'est une m^r orageuse de fleurs, sur laqnelle flottent des 
tötes confuses et dasmains implorantes attestantla eruaatéd'£lagabalaa. 
Et elle monte, cette mer» k la clartö des candélabres, en un énorme flux 
jusqu'^ noyer pen k peu TAngle et Ie Eelte, l'Iböre et Ie Scythe» l'Egyp- 
tien et Ie Nubien yenus pour assister au mariage de la Lune et du Solell, 
pour adhérer au nouveau culte, applaudir k ses orgies, et renier ainsi 
leur patrie, leur pauple et leurs dieux (1). • 

Vgl. nog. boven, n» 279. 

493. Alle wegen leiden naar Rome (Verschillende middelen 
kunnen tot hetzelfde doel leiden. — A.) Fr. Tont chemin 

.mène è Rome. Luikerwaalsch : Tote vóye móne ü Home (Dej. 
n* 539). 

Is het Ylaamsche spreekw, de vertaling van het Fran8che?Ik denk 
het niet, omdat ik het hier gehoord heb in den mond vnn bejaarde en 
gansch ongeletterde vrouwen. — Zou het niet herinneren aan den tijd, 
toen er werkelijk geen andere wegen bestonden dan groote, door de 
Romeinen aangelegde heirbanen^ die Rome tot uitgangspunt hadden en 
van daar naar de landen der overwonnen volkeren liepen? Vgl. : Het is 
Moo oud alê de weg van Rome (zeer oud, overbekend), of : ah de weg van 
Kralingen. In dit dorp, bij Rotterdam gelegen, vindt men een zer r ouden 
weg, die waarschijnlijk dagtaekent uit den tijd der Romeinen. Vgl. nog 
Joos, 26 : Zoo oud ali de oude heirweg. In Zuid-Nedl. zegt men gemeenlijk : 
Zoo oad alt de straat, wat overeenkomt met Sart. sec. IX, 16 : Soo oudt ais 
de wegh, zonder meer. Zou van Rome, van Kral, enz. er eerst later aan 
toegevoegd zijn, zooalsSTOBTT (n<»14d2) gi^t? 

494. Heirbaan, straat^ -weg; ook : heer- of heerebaaji, heer- 
of heereweg, enz. Hgd. Heeratrasse. — Langs 's Heeren stralen, 
of wegen (Langs den openbaren weg). 

Heirbaan s= 1. oorspr. : Romeinsche legerbaan, want heir, heer = 
leger i 3. breede, gebaande, openbare verkeersweg; groote « koninklijke » 
weg. ar Kil. geeft : Heerstrate of heerenstrate = via regia, via militaris ; en 
Plantzjn : Gemeynstrate, heerstrate oft keyrttrate=s Un chemin publU, grande 
rue. Via lata, via publiea, regia via, via militaris. 

Toen de oorspr. beteek. van heir, heer = leger, niet meer algemeen 
werd gevoeld, heeft men er heer {dominus) van gemaakt, waardoor de 
tegenwoordige vorm langs 'i Hoeren straten in de plaats is gekomen van 

(1) JiAir LoniSD, VAgmie, 88* éd., pp. 140-160. 



— 969 — 

langs de heêntraat. Die yeryorming treft men re^ds aan in de 16* eeuw 
(z. De Aqbr, Latere Versch,, 961-262; Stobtt, n» 748, en NdL Wdb., VI, 
883 en 484). Zie een en ander omtrent de Rom. heirwegen in Biekorf, V, 
56-61; 185-190; 247.250. 

Te St. Gillia-bij-Dendermonde spreekt men van de heirbaan (=BrnBaê\' 
s:hen steenweg), en dat heir klinkt als Fr. air, 

495. Een straatverken (Bij V. D. : Varken dat langs de straat 
zijn kost zoekt; üg. straatboer. — Hier en daar in Vlaan- 
deren : een al of niet morsige straatjongen). Dit is als het ver- 
ken van St. Tennis (Van een losbol. — V. Duyse, 214). Uij is 
zoo dik als het varken van Sint-Teunis. Hij snuffelt ah een Sint" 
Anthonies varken. lem, naloopen als een SinlAnthonies varken. 
Indien hij Sint-Tennis' varken ophad , hij kon niet meer knorren 
(Harr. I, 267). Fr. Le pourceau Saint-Antoine. Faire comme 
Ie pourcean de Saint- Antoine^ se fourrer partout (Appliqué k ces 
parasites qui mangent partout hors cbez eux, et qui ont cou- 
tume... de se fourrer partout. — Lb Roux, I, 29). Tn vas de 
porte en porte comme le pourcé de Saint-Antoine (In Opper-Bre- 
tanje. — P. Séb.) (l). 

In de middeleeuwen genoten de broederschapen van S^ Antonius het 
Yoorreeht om de varkens, die zij teelden — althans een zeker getal — 
vrijelijk op straten en markten te laten rondloopen. De « heiligt • dieren 
zoohten hun kost langs de wegen en overal waar ze in de huizen binnen- 
drongen, werden zij, uit eerbied voor den H. Patroon, gerust gelaten en 
zelfs gevoed. 

Dat gebruik bestond niet alleen hier te lande (o. a. te Gent en te 
Doornik, waar 40, te Oudenaarde, waar 6 St. Teunisverkens werden 
gevonden; te Brugge, Tielt, Mechelen, St. Truiden, Nijvel, Bergen), 
maar ook in Holland, Duitschland en Frankrijk(2), en wellieht nog 
elders, 't Schijnt echter, dat op sommige plaatsen die vrijheid niet enkel 
verltend waa aan de St. Antoniusgenootsehappen, maar aan iedereen : 
aldus te Nijvel, te Bergen en te Parij8(3). Toch blijkt uit oorkonden dat 

(1) P. SAbillot, Légende doréé de la haute Bretagne, p. 76. 

(2) Rond dan Heerd, II, 52; Rbinsb.-Dur., Calendrier, I, 54^1 ; Volks- 
kunde^ XVIII, 11; Vebdam, Mnl. Wdft., 1,424; Gailliard, Keure van 
Ha%ebroek, I, 285-291; Is. Tbirliivck, £a«/{^6 kerels (Gent, 1898), bl. 197; 
Harr., II, 267; Slobt, De Dieren in 't Germ. Volksgeloof en VolksgebruU^ 
175-178; Hofdijk, Ons Voorgetlaeht, 11, 40,209; WaUonia, VU 52, 96 en 
179, Lb Roux, Proverbes, I, 29; Franklin, L*Hygiène, 12-13; P. SAbillot, 
Lég. dorée 75.76. 

(3) Fbanklzn, t. a. pi., 12. 



— 260 - 

dergelijke uitbreiding van het aloude gebruik doorgaans geen weUtgen 
grond had : velen veroorloofden zich nl. hooger gezegd privilege een- 
voudig op zich zelf toe te passen, in de hoop dat meu het oogluikrnd zou 
aanzien, wat dan ook niet zelden het geval was. Verschillende oorzaken 
leidden tot de beperking dier vrijheid of de beteugeling der ingeslopen 
misbrniken. Zoo werd Filips, zoon van Lodewijk den Dikke, de erfge- 
naam der Frausche kroon» in 1131 te Parijs, door het varken van ren abt 
op den grond geworpen, en zulks kostte den prins bet leven. Daarop 
werden verordeningen voorgeschreven en de overtreders beboet; ook 
dienden de zwijnen der Sl-Antoniusgilden, der abten en priors» aU 
herkenningsteeken, een bel aan den hals te dragen. Meer dan eens echter 
moesten, in later tijd, die verordeningen vernieuwd worden; zoo b. v. in 
1 Ji8, toen men de « sergeants du Gh&teiet * — later den beul — met het 
afmaken der rondloopende varkeus belasttt^ : de kop was hun eigendomt 
maar de romp behoorde aan de hospitalen. Het gebruik, reeds in de 
1P)« eeuw te Parijs afgeschaft, bleef te Nijvel tot in de 16« eeuw voort- 
bestaan. Een verordening van 1718, vernieuwd in 1735, verbiedt aldaar 
de varkens door de straten te laten ronddwalen, op peno van verbeurd- 
verklaring of boet. En 3) j. later werd ook hel St. TeuiiLsvarken, tot dan 
toe l)ij uitzondering nog toegelaten, zijn vrijheid onlnonien(l). Evenzoo 
ging het toe te Bergen : eer^t volle vrijlieid, dan beperking lot het 
St. Antoniszwljn, en eindelijk, in 1648, geheele af8chafljng(2;. Te Gent 
was het gebruik reeds in den aanvang der 17* eeuw verdwenen. Daar, 
evenals te Oudenaarde, te Bergen en te Nijvel, te Parijs en Ie Viennois 
(in Oauphiné), moest het St. Antonisvarken van een bei voorzien zijn. 
Het gebeurde nu evenwel meermaals, dat ook andere varkenskweekers, 
om de slads^verheden te misleiden, hunne dieren een b«:l aanhingen, 
zoodat de St. Antonisgiiden zich soms daarover schiiftelijk beklaagden, 
en er weer maatregelen dienden genomen. 

Er bestonden nog andere herkenningsteekens van « 't heilig t dier, 
wal evenmin belette bedrog Ie plegen. Zoo schreef men (a» 1405) te Gent 
voor : « De verkine zijn ghebelt ende gheteekent met tSint Anthonis 
« bellen ende teekine. » £n dat St. Antonius* teekcn was ongetwijfeld 
de r, zegt Gailliard (t. a. pi , 290). In den üttechtschen Volksalmanak van 
1813, bi. 27-40, vindt men over het oude Utrecht en zijn St-Antonisvarkens 
(ald. ook heiliger verken geheeten)(3) een en ander medegedeeld. D&ar 
wordende merkleekenen opgegeven, om deze dieren van gewone varkens 
te kannen onderscheiden, maar tevens, hoe dil tot misbruik aanleiding 
gaf. Van daar het volgende raadsbesluit, des Woensdags na Jaoobi» 
in 1419 : « Want de Raet van der Stat vernoemen heeft, dat sommige 

{i}Wallonia,Vl.b2. 

{2)Annate8du Cercle archéolog, de J/o»«, tome I, 316-817; IX, 330 (in 
Wallonia, VI, 96). 

f8) Eigenlijk : Heiliger verken, die vander almoisen leven (Gailliaro, 
Keure, I, i 



— 261 — 

f laden hcur merken, geliken die verken» die in de eere Gools ende Sinte- 
4 Anthanyt gegeven syn» ende mit Sinte-Anthonis teyken geteykent syn, 
I ende gecortoert(l) syn, oick teykenen ende eortoren. Oick sommige 
.- luden teykenen Iieur verken in 't ander oer» ende contrefeyten Zinte 
« Anthonis teyken, of aniden hem *t onrecht oer ofif, ende laten sy sogaen, 
«thentsy volwassen syn, ende dan nemen sy se weder» ende sommige 
N luden nemen oick Sinie Anthonyi verken, ende houden sy mit allen eude 

• verschalken aldus Gode, ende de Heiligen ende den Baed; daerom 

• verbiet den Raet, dat niemant Zinte Anihonit verken en neem, ende dat 
« niemand oick zyn varken en teyken mit Sinte Anthvnis teyken, noch 
a doet teyken ende verteyken, of en contrefeit in dat oer of in 't ander oer. 

• Ende yemant, die dusdanige argelist voort meer dede in enigprwys aon 
« den verken voirschrevc, dat wonde de Raet aen hem rechten openbaer 
« ter clocken, nadien dat sy die brueken(2) vonden gedaen aen den verken 

• voirscreve(8). t 

Te Leiden en te Amsterdam is sprake van < Sinte Anthonijt ende Sinte 
Cornelis verkem of verkiue, • te Nijmegen van- Varkens « op Senl Anthonis i 
en «op Sent e Hubert, > terwijl een verordening der schepenen van 
St. Truiden (12 Juli 1462) tegelijker tijd melding maakt van Sint-Coraeiis', 
van Smt'Antonius- en van Sint-Hubrechtfvarkens. Te Mechelen mochten 
zeUs nog 3 andere heiligen : Sf. iiomoinief 5^ Jacop en Sinie Lnj (dus samen 
ies) elk • seven verkens achter straeten laeten gaen(4)! » Te Amsterdam 
genoten bei^le heiligen, St, Antontus en Si, Cornelis, het voorrecht 2 varkens 
langs 's Heeren straten te mogen houden; als herken ningsieeken werden 
de dieren van een « bellekin » voorzien en een oor afgeKneden, doch 
« Sinte Anthonijs twie verkine elix hoir rechter oir ende Sinte Goinelis 
twie verkine elix hoir luchter (linker) oir(5). » 

Toen in 1765, te Nijvel, dat soort van weiderccht langs de stedelijke 
straten voor de broederschappen van SI. Antonius werd afgeschaft, werd 
hun als scliadeloosstelling een jaarlijkschesom van 14 gulden toegekend, 
welke som het volgende jaar, op hunne aanvraag, op 16 gl gebracht 
werd. 

Volgens MoNTANU8(6) kreeg het St. Antonisvarken in Westfalcn een 
ander bestemming dan hier. Het had zijn stal bij de kerk en werd door 
den koster verzorgd, 's Morgens vroeg werd de stal geopend en het dier 
liep rond om zijn voedsel te zoeken, dat het in ieder huis vond Het 
kwaad te doen of te verjagen, wetd euvel opgenomen. In den hervor- 
mingstijd ontstond daarover te Wesel een bloedige vechtpartij. Daags 

(1) Gekortoord, de ooren afgekort. 

(2) Brueke, broke =. inbreuk op anderer rechten, vergrijp, overtreding 
(Verdam, Mnl. Wdl^). 

(d) Letterlijk uit Harr , II, 367. 

(4) M. Sabbe, Volksk. XVIII. 11. 

(5) Gaillxaad, Keure, V* 305. 

(6) Volksfeste, lil. 17 en 170 (bij Slokt, De Dieren, 176). 



— 062 — 

Yóor St.-Antonlog, dus den 16^ Januari, werd het rwijn gealacht, In 
stukken verdeeld en, nadat de koster er Toor sijn moeite iets van ont- 
Tangen had» in de kerk aan den arme gegeven. Te Herkenrath bij 
Bensberg wordt thana nog op gezegden dag een varken geslacht en de kop 
en andere stukken van weinig waarde op het kerkaltaar geofferd. 

Iets van dien aard vindt men nog heden In enkele Vlaamsehe dorpen, 
waar St. Antoniua bijzonder vereerd wordt. Te Herdersem (bij Aalst) 
b. V. heeft elk jaar, op 17«* Jan., een druk bezochte begankenis plaats. 
Bijna al de boeren laten tegen dat feest hun varken slachten en meer 
dan éen offert in de kerk een stuk kop of spek, soms een heelen kop, 
welk offer dan, dadelijk na de plechtige hoogmis, door een kerkmeester 
aan den uitgang wordt geveild. De voordeelen blijven hier achter aan 
de kerk. 

496. Lazarij, lazarusziekte (Melaatschheid, leproosheid; Fr. 
lèpre, ladrerie); Mnl. kuerie; Kil. Uuerije «= 1. lepra; 2. 
leprozenhuis, lazarushuis of lazaret; ook Hgd., Eng. en Fr. 
lazaret. — Belazerd (Ëig. besmet met de lazarusziekte; oneig. 
en alleen in platte taal : zinneloos, gek ; ben je belazerd'i = ben 
je bedonderd? ben je gek?). Belazeren (lem. c belazerd » 
maken, iem. bedonderen» iem. voor den gek houden. — 
Ndl. Wdb., II; Opprel, 46). — Lazarus {= 1. Naam van den 
armen, inet zweren bedekten bedelaar uit de H. Schrift, daar- 
door later tot beschermheilige der kranken, inzonderh. der 
melaatschen aangenomen ; 2. Naam van een melaatsche). 't h 
een echte Lazarus(^) (Hij heeft zooveel en zoo'n erge zweren, dat 
hij op een leproos gelijkt. — A.) Lazarus^ lazarig oflazerig. 
Mnl. lasers, Kil. laserisch (Melaatsch, Fr. ladre. — Mnl. Wdb.) 
Lazarusklap, lazarusklep; Hgd. Lazarusklappe ; Eng. leper' s 
cliek. Fr. cliquetle de ladre. Hare tong (of z%in mond) gaat als 
een Lazarusklep (Hare tong, zijn mond staat geen oogenblik 
stil). Fri. De müle giet hjar as in lazerusklap (W. Dijkstra, II, 
264). Een tong hebben als een Lazaruskleppe (H. III. 258). — 
Vgl. Sart-Sghrev. pr. X, 71 en ter. VII, 66 : Sijn mant stoet 
nimmermeer stil. 

Het is alg. bekend dat de melaateehheid (2), die thans nog enkel op 
IJsland wordt gevonden, eertijds in heel Europa heerschte. In sommige 

(1) Eig. uitgesproken : Lüierus (Rondom Aalst. 
(3) Melaatsch, vroeger malaédichf uit Fr. malade. 



- SJ6Ö - 

dorpen wijien oude plaatsnamen (als de latarije te Bilsen (1) en te Herzele, 
hei La^arui plattteken te Baardegem) (2) ongetwijleld op vroeger aldaar 
bestaande leprozenhutten, die ten minste 60 Toet van alle woonhuis 
verwijderd moesten blijven (S). De meeste steden bezaten, buiten hunne 
wallen, opzettelijk daartoe ingerichte hospitalen, leprozenhuizen, laza- 
rijen of lazarushuizen genaamd. 

Na yrachteloos allerlei remediên beproefd te hebben, tot zelfs menschen- 
bloedbaden en ontmanning (4), hadden de dokters nagenoeg van alle 
geneeskundige behandeling afgezien; men beschouwde de kwaal als 
ongpueeslijk. Het eeuige middel yau verlossing, waarin velen destijds 
vertrouwen stelden, was op bijgeloof gegrond : de zitke mocht nl. gedu- 
rende zeven jaar niets anders eten dan gebedeld brood — in Friesland zei 
men : niets dan gegeven brood zonder om een aalmoes te vragen of er 
dank voor te zeggen (5;. In hetMnl. lied « Verholen minne > wordt daarop 
gezinspeeld. De • juncfrouwe • zonderde zich zeven jaar af, « dat sy noch 
sonne noch mane en sach •, eu : 

• Men huerde haer een en gheselle 
Die haer al door die minne van God 
Soude clinoken die laserisohe belle • (6). 

Het gebruik van menschenbloedbaden tot genezing der lazarusziekte 
heeft tot de opvatting geleid van Böhmb, dat ons aloude liedje van Heer 
Haiewijn, den maagdenroover, zou onttstaan zijn uit verhalen overmelaat- 
scheroovers, die na hunne vrouwen gedood te hebben, maagden en kinde- 
ren roofden en vermoordden om zich met hun bloed te wasschen. £n in 
een Brugsciie lezing, waar de held werkelijk over ziekte klaagt, vindt 
D^ M. Sabbe steun voor die meening (7). 

Dewijl men de genezing der melaatschheid onmogelijk achtte, bepaalde 
men zich tot het afzonderen der zieken in leprozeuhuizen ^8) of -hutten. 
Daar, waar ge^ne lazaretten bestonden, greep de plechtige separalio 
leprosorum plaats : de geestelijkheid ging, als voor een gewonen begrafenis- 
dienst, den besmette te zijnen huize afhalen ; men legde hem als een lijk, 



(1) GuvBLiaaeuHüYSMANs, Toponymiêche studie over de Plaatinamen 
van Btl$en, 212, 241. 

(2) Da PoTTBK en Bhoegkabrt, Gesch, van de Gemeenten der prov, Oo$U 
Vlaanderen {Henele, 8, Baardegem, 1). 

(3; GuvELiKtt eü HuTSMANs, t. a. pi. 241, 

(4) Fbanklik, L'Hygiène, 95. 

(5) Hofdijk, Ons VoorgetlacM,iy, 333; W. Dijkstra, Fneüand'è Yolkl., 
II, 364. Nog ten huldigen dage wordt aan afgebedelde dingen een grooter 
kracht toegeschreven. Z. mijn Volksgeneeek. (Index, i. v. afgebedeld); fl. d. 
Trad, pop , XIII, 268. 

(6) WILLEMS, 0. Yl. Liederen, n' 79; z. ook n' 80, alsmede Kalfp, 164-171. 

(7) Fl. Vah Düysb, Oude Ned, Liederen, I, 13. Volksk. XIII, 186-188. 

(8) In de 13« eeuw vond men in Frankrijk 2000 leprozenhuizen 
(Frahklin, t. a.pl.95). 



~ 364 — 

met een zwart laken overdekt, op een draagberrie en bracht hem alzoo 
ter kerk. Hier lag hij achter een afslultiog op een paar schragen neder, 
terwijl de priester het officie der overledenen las. Vervolgens besprenkelde 
ieder aanwezige hem met wijwater -en wierp hem een aalmoes toe. Nu 
werd hij stootsgewijze. met de geestelijkheid en bet kruis vocraan. naar 
de eenzame hut geleid waarbij het overige zijner ellendige dagen slijten 
zou. Ter plaatse aangekomen, nam men het zwart laken Wf g, en de zielie 
ontving uit de handen van den prieslar de lazarusklep, handschoenen en 
een broodzak (1). Terwijl de geloovigen het öe profundis aanhieven, 
wierp de priester wat aarde op het dak der hul en zei tot den melaatsche : 
« Sterf voor de wereld en herleef voor God. > Daarna sprak hij hem 
eenige troostwoorden toe en hield hem voor wat hij voortaan te doen en te 
Inten had : de lijder mocht nooit meer bij mensohen, in huizen of kerken 
gaan, mocht nooit zijn huis verlaten, tenzij met belekle voeten, in zijn 
leprozen gewaad en met zijn klep; buiten zijn hut, nergens iets aanraken; 
nooit smalle wegpn volgen, en nooit tot iemand spreken, vooraloer zich 
onder den wind geplaatst te hebben, enz. Nadat de priester, ten slofte, 
ren houten kruis vóór de hut geplant en er een offerbus, voor de aal- 
moezen der voorbijgangers, aan bevestigd had, keerde elkeen terug huis- 
waarls (2). 

Aldus geschiedde de plechiiglieid in Frankrijk en ongetwijfeld zal die 
in anJere landen ongeveer op dezelfde wijze hebben plaats gegrepen (3). 
Wie in de Nederlanden « belazerd • werd uitgegeven, ontving een lazarus- 
brief; dat getuigschrift verleende hem den toegang tot bet leprozenhuis, 
doch hij moest ook voorzien zijn van een bed, een drink nap, een 
schotel om te eten, en een gewaad^ bestaande uit mantel (te Brugge en te 
Kortrijk een vlieghere genaamd) en een hoed met breeden witten band. 

De uit de maatschappij verbannen en als dood beschouwde melaatschen 
verloren ipso jacto hunne eigendommen, die aan hunne erfgenamen of aan 
geestelijke gestichten overgingen (4), en leefden voortaan van de openbare 
liefdadigheid. Met hun kenmerkend klee'derpak en voorzien van hun laza- 
rusklep, welke zij gestadig lieten hooren om do menschen te waarschu- 
wen, mochten zij op zekere dagen rondgaan om aalmoezen. 

Met dit klaphout, waarin naast de beweegbare klep (of hamer), ook 
een ronde holte was om de muntstukjes in op te vangen, sloeg de zieke 



(1) Elders een houten schoteltje. 

(2) Fkanklin, t. a. p. 96-101. 

(3) Vgl. blz 16-17 van mijn volksboek je Rembert Dodoêm. Ook Fr. db 
PoTTBR, De Leproos in de Middeleeuwen (in Belfort, VI', 91-98} en Hbnnb, 
Hitt. de Charles'Quint, V, 207-208. 

(4) Daaromtrent was de wetgeving niet overal gdijk. Te Doornik 
éischte het lazaret al het goed van den besmette; te Gent en te leperen 
ontvingen vrouw, kinderen en lazaret elk een derde deel, enz. (zie Fr. db 
PoTTBR, t. a. pi., 97 98). 



- 265 - 

op deonderdeur van iederhuis, — zóo althaog in Friesland (1). Had de 
sukkel zijn gift ontvangen, dan vervordeHe hij zwijgend, doch steeds 
klepperend, zijn weg (2). Hier en daar in de groote steden, o. a. in 
Amsterdam en 's Gravenhage, was het bedelen verboden en werd slechts 
een jaarlijksche ommegang toegestaan. 

Sommige luiaards schenen niettemin dat leventje aangenaam te 
vinden; uit een onderzoek door Henderik lY bevolen, bleek namelijk dat 
destijds een groot aantal landloopers zich voor melaatschen hadden 
uitgegeven en in de ieprozenhuizen waren opgenomen t (8) Een mooi 
baantje t 

De kwaal verdween hier in de 17* eeuw. « Delft heeft in lAU zijn 
leproosmeester bedankt en het huis opgeheven ; Middelburg heeft in 1041 
zijn leprozengesticht verkocht ton behoeve der stad, en zoo is het op meer 
plaatsen gegaan. » (4) 

497. Een klaplooper {Een paDBelikker,tafelschuimer). Klap- 
loopen; met de klap loopen (Bedelen). Op de klap hopen (ïafel- 
schuimen, bij iem. komen op het oogenblik dat hij aan tafel 
gaat, met het doel om ten eten gevraagd te worden). 

Ook hier is kittfj s klep, lazarusklap of-klep. Dus klaplooper = 1. Eig. 
een melaatsche die door zijn klepperende klap zijn nadering aankondigt, 
en zijn onderhoud vindt in bedelarij of in een liefdadige instelling; 
vandaar 3. een onbeschaamde, die op iemands kosten leeft; een tafel 
schuimer, — de beteek. die 't woord thans hoeft. 

Ook de beteek. klaploopen, met de klap loopen = beJelen, wordt daardoor 
duidelijk. Aangnande op de klap loopen denkt D'Stoett (5). dat klap eig. 
slag beteekffnt zoodat de herle uitdr. dan wil zeggen : op goed geluk af 
(vgl. « ergens een slag nanr slaan, » « op Gois geraak i>) naar iem. 
toeloopen in de hoop van er gevraagd te worden. 

498. Eenklapspaan; eenklikspaan (Ken verklikker). 
Klapspaan ^sklaphoul, eig. een spaan of hout, waarmede men een klap- 

(1) Waar hospitalen bestonden, die soms rijk begiftigd waren, hoefde 
de leproos niet te bedelen; wat hij echter rondhaalde/diende voor een 
extraatje. Soms ook waren de aalmoezen ten behoeve van het huis. 

(2) W. Dijkstra, t. a. pi. II, 264. 

(3) Hier te lande was dat feit evenmin zeldzaam, zoodat de burgerlijke 
overheid daartegen bijzonder strenge maatregelen moest nemen (zie Fr. 
DB PoTTBR, t. a. pi., 105; Hbnne, Hiêt. de Charlet-Qüint, Y, 208). 

(4) Hofdijk, t. a. pi , 48. — Wie vooral omtrent de leproosheid in België 
wenscht ingnlicht te zijn, leze de meermaals vermelde studie van Fr. dk 
Potter, in Bellort, Y, afl. 12, blz. 838-348; VI, afl. 1, blz. 91-107; afl.2, 
blz. 170-177. 

(5) Ndl, Spreekw,, n^ 990, waar hij een aantal synon. uitdrukk. geeft; 
vgl. no 241 en n» 1585 ; z. ook Ybrdam, GeechK bl. 278, en Vbkg. Etym. Wdb. 
i. V. klaplooper. 



— 366 — 

peod of kleppend geluid voortbrengt» m. e. w. de lataruskUp. — Klikspaan, 
yan klikken = gerucht maken, praten ; dus een klepperend spaan, hetzelfde 
als klapspaan. Daaruit ontstond ook de beteek, klapspaanss tong (van een 
klappei) als in Yeelderh. GeneuchL Dichten, bl. 176 : 

Sonder te aenmercken alle t' gheklagh. 
Van wijf of kindt, maect zys te veel, 
Soo grijpe hijse by die keel 
Ëude doe haer dat Aiapspaen stille staen. 

Ygl. de uitdr. van Harr., bij n» 498, reeds opgegeven : Een tong hebben 
als een Laitaruskleppe\ ook ons Vlaamsche : klep \%e heeft 'ngoei klep (long ; 
— ScH. en G.-V.); «' hee ne klepel (A.; ook Sgh. en V. D.); vandaar nog, 
bij overdracht : klep = babbelzieke vrouw (Sgh. en G.-V.), wat eveneens 
met klapspaan het geval was zooals blijkt uit Tüinman's 't Is een klapspaan 
(Zijn of haar tong is een klaterspaan^ een ratel; hij (zij) zwijgt niet» — 
1. 202) ; thans : een die alles oververtelt, overdraagt . VgK iets verklappen; 
uit de school klappen; uit 't bedde (=s huwelijksbed) klappen; een klapper; 
hij is geen klapper (Hij weet een geheim te bewaren). — (Unl. Wdb. lil, 
1481-1483 en 1525; Stoett, n^ 1006 ; Verg. Etpm. Wdb., 139). - 

499. Pest, pestig; pestlijder; pesthuis; pestdokter; pestmees- 
Ier; pestman. — Krijg de pest! (Gemeene verwensching). Hgd. 
Da^s dich die Pest! Vgl. Fr. La peste soit de lui! La peste soit du 
bavard! — De pest inhebben (Verschrikkelijk het land hebben). 
lem. de pest aan-^ op- of injagen; pesten (lem. geducht kwel- 
len). Vgl. Eng. pester; pesterer; Fr. pestercontre qn. Ure peste 
et rage de qqn. oldire la peste de qn. — Dat is de pest voor hem 
(Dat is hoogst nadeelig). Dat is een ware pest in huis (Een 
gevaarlijk, onverdraaglijk mensch). Fr. Cest une méchante 
peste; une petite peste. — De pest aan (iets) gezien hebben (Er 
een vreeselijken hekel aan hebben). Er een pesligen hekel aan 
hebben. — lem. vluchten als de pest (Den hevigsten afkeer van 
hem hebben). Fr. Fuir qn. comme un pestiféré. — Stinken 
gelijk de pest (A.), Pestlucht; verpestend (Verpeste lucht). 
Pr. Pestilent^ pestilentiel ; Eng. pesliferous^ pestilential; Hgd. 
pestartig, verpestend. 

Beneden-Egypte, China en Indiê zijn de zetels, de eigenlijke broeinesten 
dezer yreeselijke kwaal, die zich in de 6« eeuw over heel Europa ver- 
spreidde, en zich in de middeleeuwen en later nog herhaaldelijk vertoonde. 
De Zwarte dood of de Zwarte pest, die in de 14< eeuw in heel ons werelddeel 
woedde en te Paris vijftig duizend slachtoffers maakte, was ongetwijfeld 
dezelfde Aziatische pest. Dat deze kwaal, die evenals de melaatsehheid in 



— Ö67 — 

de onreinheid en het slechte voedeel haar kraehtigete medehelpera ziet| 
destijds ook in West-Europaeen geschtkten hodem vondom zich te ontwik- 
kelen» zal niemand verwonderen. Ziehier hoe Parijs er in de 12« eenw, 
ten tijde van Lodewijk den Dikke, nog uitzag : « Point de pavé» un sol 
inégal» détrempé, houeuz, sans cesse coavert de gravois et d'ordnres; 
aucune pente reguliere, aueun moyen d'écoulement pour les eanx ména- 
göres, qui croupissaient, mêlées aux plus repoussantes immondiees. 
Impralicahle en hiver pour les ehariots, ee sol, imprégné de dépöts 
fétides, exhalait en été d'épaisses et nauséabondes yapeurs qui mon- 
taient entre les habitations, souvent construites en bois,et si rapproohées, 
que, d'un cóté de la rue k Tautre, les voisins accoudés & leur fenötre 
pouvaient eauser familièrement. Les oies, les lapins» les pigeons, les 
eanardsy les porcs pataugeaient autonr des tas d'ordures et des niares 
infeetes, et disputaient Ie passage aux habitants.(I) b * Omstreeks het 
midden der 14* eeuw bestonden er nog geene privaten, tenzij in enkele 
rijke huizen; eerst ten tijde van Frans I werden zij algemeen ingevoerd. 
Yóor dien tijd « é, Paris comme partout^ la population ne conuaissait 
encore d'autre système que celui du tout a la rut. Les plus abominables 
ordures s'étalaient au coin de chaque porte, et elles y arrivaient proba- 
blement sans intermediaire, au moins dans la classe pauvre. On y 
mettait un peu plus de fanons dans les hólels des grands seigneurs.(2) » 
Nog in 1599 werd te Utrecht, als bestrijdingsmiddel tegen de pest, het 
bevel gegeven dat er in de kleine huizen ook privaten dienden gemaakt; 
was men onwillig, dan werd het huis met spijkers toegesloten. (3) 
Onnoodig te zeggen dat in zulk een grond de pestkiemen welig lierden. 
Aan reglementen en verordeningen betreflende de reiniging van straten 
en huizen ontbrak het echter niet, want ook dan reeds zagen de genees- 
heeren het nut daarvan in, maar het volk bekreunde er zich niet om, en 
vooral na het ophouden der « pestilentie, » herviel het in zijn oude 
zonden. En lange jaren, eeuwen zelfs, keken de overheden oogluikend toe. 
Ook bestrijdingsmiddelen van een anderen aard werden aangewend ; Ik 
bepaal me tot enkele. Eerst zes weken — elders drie maanden — na 
't laatste overlijden was het toegelaten uit het besmette huis iets te 
verkoopen of te koopen, weg te geven of aan te nemen. "Waar de ziekte 
uitbraki althans te Dordreeht, moest aan de straat een bos stroo uitge- 
hangen worden, welke daar zes weken moest blijven; in 's Gravenhage 
zette men de letters P. P. voor het huis ; te Brugge (1681) was men gehou- 
den « uut te steken twee witte roeden up elcke zijde van de duere ofte 
veinsteren; stierf aldaar een pestzieke» zoo moest men c dweers de 
deuren van den zelven huuse eene witte baere slaen » voor den tijd van 



(1) Fbanklin, t. a. pi., S-4. 

(2) Fbanklin, t. a. pi., 28. 

(3) Sbrvaas van Rooyxn, (htde wetten en bepal. tegen de Pest in Neder* 
land (in Vragen v. d. dag^ XV, 121). 



— 268 — 

zes weken.(l) In die steden mocht niemand, die in een besmet huis 
geweest was of het bewoonde, zich op de straat yertoonen tenzij met een 
wit geschilderden stok van éen el laug; de toegang tot markten, huizen 
en kerken was hem verboden. De ziekenverplegers en prirsters droegc n 
te Brugge een rooden stok ; herbergiers mochten er aan besmetten of 
c geteekenden, » in hufs of < op den bachten », geen wijn of bier schenken; 
enkel vóór de deur en op straat was zulks toegelaten (1). Te Dordrecht 
was het ook yoorgeschreveo dat de barbiers het bloed, dat zij « uitten 
luyden laten, » niet in de haven of de grachten zouden gieten, maar 
begraven in putten, «onder der aarden. » £r zij nog gezegd dat men in 
1686 te Utrecht groole vuren brandde om de verspreiding te voor- 
komen.(3) 

De pest heef t opgehouden sedert 1664 in de Nederlanden, sedert 1688 in 
Engeland, sedert 1720 in Frankrijk. Eenieder woei echter dat iu du 
allerlaatste jaren de ziekte, voor een zeer kurte wijl, een nieuwe intrede 
in Europa heeft gedaen (nl. te Oporio en te Glasgowj(3) hier aangebracht 
uit Hongkong of Bombay over Alexaudriê. 

In zijn beroemden roman l promesii tposit hing Manzoni een prachtig 
tafereel op van de beruchte pestileutiö te Milaan (in 1576), terwijl 
BuLWBR Lttton in zijn roman iUemi een niet minder treffende beschrij- 
ving gaf van de peat te Fiorenciê (in 1850), die aldaar zestigduizend 
slachtoffers maakte. 

Voor petten, iem, de put aan-, op' of injagen, vergel. men ons iem, den 
duivel êandoen (D. B., G.-V. en A.), en het Zaansch liem, de pan aanjagen 
(Bob.); z. nog Stoett, n» 1545 et n» 1144. 

500. Er uüzien als de dood van leper en (Buitengewoon bleek 
en mager zijn. — H., V. D., G.-V. en A). Hgd. Ausselien 
wie der Tod von Ypern. Ndd. Uisehn as de Dod vun Lübeck 
(EiGH., n° 323 en Egk. blz. 27). In Zwitserland : Aussehen wie 
der Tod von Basel. — Vgl. ons Vlaamsch : 7 h gelijk de dood 
in burgerskleeren (G.*Y.), 

Volgens Habr. 1, 14c, zou die spreekwijze haar oorsprong verschul- 
digd zijn « aan een in de Westvl. stad leperen gewoed hebbende pest, die 
aanleiding gaf tol den gepersonifleerden dood, in al zijn af^ichuwelijkheid. 
Dat was de dood van leperen, die thans alleen in zijn volgelingen bestaat. » 

Hier wordt gedoeld op de Zwarte peet, die in 1849 ook te leperen woedde ; 

(1) De Pest en het Stadsbestuur te Brugge 1600-1631 (in Biekorf, XV. 
145-152). 

(2) S. V. RooYEN, t. a. pi., 121-122; J. L. van Dalkn, Oude Maatregelen 
in Dordrecht tegen de Pest {Vragen v. d. dag, XV, 127- liS). 

(3) Ook te Weenen stierven 8 personen, waarvan D' II. Muller, aan 
de pest (Oct. 1898), doch de ziekte was er ontstaan in het laboratorium^ 
en ging niet buiten het hospitaal. 



— 269 — 

men gedenke evenwel dat deze heel West-Enropa teisterde, zoodat er geen 
reden bestaat om bij voorkeur leperen als yergelijkingspunt te nemen. Met 
het oog daarop, alsook op de Ndd. uitdr. de üod vun Lubeck, en de Zwitser* 
sehe> der Tod von Datel, acht D' Stoett (n« 372) de meening van Hirr. 
ongegrond, en vindt het beter te denken — en wel te recht, meen ik, — 
aan een schildering van een doodendans. Immers, in Lubeck treft men 
een dergelijke voorstelling aan, en in Bazel bestond eveneens een muur« 
schildering (van Holbbin) met hetzelfde onderwerp. Wellicht heeft er ook 
een bestaan te leperen, wat niet onwaarschijnlijk ia, daar dergelijke 
voorstellingen in zeer vele plaatsen van West-Europa gevonden worden 
of werden (1). Vgl. ook : Hij tiet er uit al» de geschilderde dood (H. 1. 145). 

501. Den dans ontspringen ('t Gevaar ontkomen). 

Langen tijd werd de spreekw. Hij %al den dan» niet ontspringen 
geacht te beteekenen : « Hij zal den dans van de ladder, ■ dus « den dood 
aan den galg niet ontspringen. ■ D' Stoett heeft thans echter I^e wezen 
(Noord en Z. XIV. 152-158 en XVI. 1-20) dat daarmee gedoeld wordt op de 
in de 15^ eeuw ontstane duodendansen 

Dit zijn n afbeeldingen hetzij geschilderd of gebeeldhouwd, vergezeld 
van toepasselijke verzen of samenspraken tusschen den dood en de leven- 
den, die men inkerken, kloosters, of op kerkhoven, bruggen, enz. ontmoet, 
en waarbij do dood meestal, als skelet spottend en dansend, veelal met 
muziek de levenden tot sterven oproept en hen naar het graf geleidt •. 
Eenieder, zonder uitzondering, wordt door den dood uitgenoodigd mee te 
springen ; paus en koning, boer en bedelaar, allen moeten aan dien dans; 
niemand kan dat algemeene gevaar ontspringen. D^ Stoett staaft zijn 
meening door bewijsplaatsen uit de 16<» eeuw, dus uit den tijd, dat de doo- 
dendansen zeer geliefd waren (2).In zijn tijdschr. Rond den Heerd (jgg. 1867 
en '6S) liet G. Qbzblle 18 oude prentjes afdrukken, waarop de dood, als 
geraamte afgebeeld, achtereenvolgens tol den doodendans uitnoodigt : 
een kindje; fen stokouden grijsaard; een pronkjufTer; zeevaarders; een 
jong bruidspaar; een wijsgeer; een koning; den paus ; een rijken vrek ; 
een monnik; een abdis; een rondleurder; een priester, die aan een ster- 
vende rten laatslen reispenning draagt. Die prentjes, zegt G. G., dragen 
het merk van Ant. Sylviüs, een Antwerpsch houtsnijder (geb. in 1525) 
die voor Chr. Plantitn een aantal prenten maakte, of wel naar 't schijnt, 
van een zijnor beste leerlingen. 



(1) Te leperen hangt in het Belfort een klok van 1688, waarop een stuk 
van een doodendans voorkomt (A. Van den Pebrbnboom, }priêna, 1.75). 
Ook te Gent bevindt zich een dergelijke klok (^Tola van D^ Stobtt). Z. nog 
zijn art. over de Doodendansen in Noorden Zuid, XVI, I vlgg. 

(2; Zie nog Vbrdam, Handelingen 1897-*98 bl. 42. N. en Zuid, XXIV, 
251-252 en XXVI, 257-228 Nicolay, II, 482-183 en vooral Dr. P. H. van 
Moerkrbkbn, De Satire in de NdL Kunht der Middeleeuwen, bl. 158-171, 



— 270 — 

De doodendans, met levende personen, zegt Sta.lla.eht, werd o. a. jaar*, 
lijks Tarbeeld te Meenen, ter gelegenheid Tan de gameentekermis of van 
St-Jan-Baptista-feegt (1) . 

502 God zal alle Joden verdraaien links en rechts langs de 
ftaa»(C.-V.). God zal alle Joden verdommen l (Gemeene verwen- 
sching. zonder erge bedoelingen uitgesproken. — A.) Hij is 
aan de Joden overgeleverd (Hij is in kwade handen gevallen). Ik 
wou dat je door een dooden Jood gezoend waart (Wanneer iem. 
iets doet of vraagt dat ons niet bevalt). Hij heeft een Jood 
gekist (Van iem. die een onaangenamen reuk van zich geeft. 
— H.). — 7 Is een Jood. Ein Jude. Fr. ün Juif {Een woekeraar, 
een bedrieger). Jodentoeren; die kerel zit vol jodentoeren 
(Slinksche streken, bedrog. — A.) Jodenfooi. (Geringe, onbe- 
duidende fooi). Voor zoo' n jodenfooi wil ik geen heele week wer- 
ken (Voor een zoo gering loon). Joden ; wat heb jelui weer te 
joden ? (Te sjacheren, te handelen). — Jood ! ge zijteen Jood ! 
(Scheldnaam gegeven aan iem. die vóór of na het eten niet 
bidt. — C.-V. en A.) Jood / leelijke Jood ! (Scheldnaam te Antw. 
en in West- VI. gegeven aan een kind, dat naar een ander 
spuwt). 

Uit al die zegswijfen spreekt nog immer haat en verachting Toor de 
JodeD. De geschiedenis der Joden, yan de Middeleeuwen tot de 18* eeuw, 
was een lijdensgeschiedenis. Men beschouwde hen aU verworpelingen, 
over wie Gods vloek was neergekomen en daarom werden zij gesmaad, 
vervolgd en geplunderd. Allerlei denkbeeldige misdaden werden hun ten 
laste gelegd : brak de pest uit, 't was de schuld van de Joden, die de put- 
ten en bronnen vergiftigd hadden t Was er een moord gepleegd waarvan de 
dader onbekend bleef, of was er oen kind verdwenen, de Joden werden 
verantwoordelijk gemaakt, onder voorwendsel dat zij, naar man beweer- 
de, voor hun bloedrituaal christenen noodig hadden. Een andere maal 
beschuldigde men hen gewijde hostiên meteen dolk doorstoken, of hostiên 
gestolen te hebben. Ten gevolge van een dergelijke beschuldiging (stalen 
van hostiên in de Kathelijne-kerk te Brussel) werden een aantal Joden 
uit Brussel en Leuven vastgegrepen, op de pijnbank gelegd en daags vóór 
O. H. Hemelvaart (1870) levend verbrand. Tevens werden de Joden, met 
verbeurdverklaring van al hunne goederen, voor eeuwig uit Brabant en 
Limburg gebannen. — Elders werden zij wel geduld, doch alleen buiten 
de stadspoorten ; en wanneer zij zich binnen de stad mochten vestigen, 
kregen zij een of twee smalle straatjes te bewonen, die 's nachts aan de 

(1) STALL4BRT, Glost, V, vefoud. Rêckttt, 861. 



— 271 — 

belde uiteinden werden gesloten. Het overige deel der stad was hun 
ontzegd. Die Joden verblijven leven waarschijnlijk nog voort In de f Joden- 
trappen > te Brussel, de Jodenslraat te Antwerpen en Leuven, het Joden- 
straatje te Gent, la rue des Juifs te Bergen, enz. Aan allerlei plagerijen 
en vernederingen stonden zij bloot :zoo hadden de conciliën van Ravenna 
en Yienne hun de verplichting opgelegd zich steeds in een kenmerkend 
gewaad te kleeden : de mannen droegen een hoed, op een omgekeerden 
trechter gelijkend, en op hun kleed een gelen lap; en zulk een Up 
droegen de vrouwen op hun muts. Ook moest hier en daar, bij het 
vleesch door de Joden behandeld, een geel vaantje geplaatst worden. 
Werd een Jood tot de galg veroordeeld, zoo hing men bem tusschen twee 
(zwarte) honden. Geen Jood mocht met een christen eten, noch een Jodin 
het kind van een christen zoogen (1). 

Een ander verwijt dat men de Joden gestadig naar 't hoofd wierp, 
was hun schraapzucht en hun woekerhandel. Men bekende echter dat zij 
uitgesloten waren van het burgerrecht, vtn grondbezit en ambten, ja zelfs 
van menigen handelstak, waardoor hun om zoo te zeggen niets anders 
overbleef dan kleinhandel (2) en woeker. Dikwijls het slachtoffer van de 
roofzucht zijner vervolgers, was de Jood steeds vol wantrouwen, vol 
omzichtigheid en sluwheid. Zoo werd hij allengskens, door de gehuld 
zijner vijanden, een voornaam en listig geldhandelaar. 

Bestaan er nog heden Joodsche woekeraars, men vindt die evenzeer 
onder de christenen; de rechtbanken leveren daarvan het bewijs. Al 
beleven we thans een tijdstip van gelijkheid en broederlijkheid, toch 
blijven die oude vooroordeelen tegen de Joden bij sommigen nog voort- 
leven. In Duitschland wordt hun nog immer het beleedigende Hep! Hep! 
toegeroepen, wat Sghrjldïr verklaart door H. E. P., lijnde de beginlet- 
ters van flierosolyma Est Perdita{S). De heer Gaidoz (Mélusine» VII, 192) 
daarentegen ziet daarin de verkorting (met verscherping der b) van : 
Hebraus ! Hebraut ! woorden die men een Jood In 't voorbijgaan toeriep, om 
de aandacht en de spotternijen der anderen op hem te trekken. 



(1) Hofdijk, IV. 3'37-32«; De Vooys, Mnl. Leg. en Exemp., 214-215. 

(2) Ze mochten zelfrf geen handel drijven met een open winkel. 

(3) Bilderschmuck, 362. 



Q) ZAKEN VAN GODSDIENSTIGEN AARD. 



A) Kerk en kerkhof; geloovigen. 

503. Kerkegoed heefi ijzeren tanden (Wat aan de kerk 
behoort, is onvervreemdbaar). 

Wat de kerk bezat, kon haar niet ontnomen worden, zoodat zi] htt als 
mat ijzeren tanden scheen vastte houden : het ijzer gold steeds, Tooral in 
rechterlijke zaken, als het zinnebeeld van het hechte en o nverbr eekbare 
(Zie M. CoRN* TAN Hall, Nieuwe üijlragttn lot RegltgeUerdhtid en Wetge- 
ving, 3* deel, blz. 260-264; ook zijn NdL Spreekw tot hel Regt betrekkelijk, 
Amst. 1858 «n Harr.,I. 248.). Vgl. Ktndergoed is ij\ergoed\ ook ons n» 115. 

504. Iemands doopceel lichten (Eig. iemands afkomst opha- 
len. Thans : Al het kwaad vertellen dat men van hem weet). 
De doopceel of doopcedel (door volksetymologie vervormd tot doopiegel), 
door 't volk gemeenlijk « kerstenbrief » geheeten, is een uittreksel uit het 
doopboek of doopregister, waarin de pastoor of predikant al de namen 
der kinderen boekt, die in zijn kerk geJoopt worden, met den datum van 
den doop. 

De spreekwijze herinnert aan den tijd toen er nog geen burgerlijke 
stand wa^, en zoo*n kerstenbrief voor rer. weltig geboortebewijs gold. 
Figuurlijk evenwel» gaat men nog immer voort, iemands « doopceel te 
lichten >, d. i. iemands levensgeschiedenis van a tot z na te gaan en 
zijn zonden en gebreken aan 'i klokzeel te hangen (1;. V^gl. Een vonnis 
lichten =s zich een authentiek afschrift van een vonnis laten geven. 

505. Kerkhof (Godsakker). - Hgd. Kirchhof, Friedliof. 
Eertijds was de godsakker van elke gemeente bij de kerk gelegen, 

zoodat hij in den eigenlijken zin een kerkhof, een hof bij of om de kerk 
mocht heeten. Ter bevordering van de volksgezondheid is daarin thans 

(1) Iets aan Uklokieel (voor : aan dan khkreep) hangen, is in *t L. v. Aalst 
van algemeen gebruik. Ook in Brabant en Antwerpen (Zie Scii. Bijv. en 
Corh.-Yervl.). Men vindt het insgelijks in de Brugsche Adagia van 1727 
(Zie SuaiNOAB, blz. 277). 



— 373 — 

verandering gebracht, wat niet belet dat in vele dorpen die toestand nog 
voortduurt. 

506. Kosters koe weidt op het kerkhof (C. T. en v. Duyse). 
Kosters koei mag op 7 kerkhof weiden (Gez. van iemand, die 
boven een ander bevoordeeligd wordt. — C.-V.). 

Als een Boort van SI. Teanisyarken, was ook kosters koe bevoor- 
recht. De vrome man legde er zioh op toe, om uit zijn kosterambt alle 
voordeelen mogelijk te trekken : naast de velerlei profijtjes, die de kerk 
hem opleverde, was ook het kerkhofgras niet te versmaden, hetwelk 
hem, naar zijn opvatting» van rechtswege toebehoorde. Vgl. Alle officiën 
%ijn tmerig^ *ei de kosterprouw, toen tij een eindje kaar» uit de kerk kreeg 
(Campen; Grut., I.; Gats, enz.); bij v. Düysb, 223: « Alle ambten tijn 
smeerig, mo zei de$ kosters wyf, en nam een eindje kaers in de kerke. » — 
Zie nog ons n' 123. 

Men past het sprcekw. vooral op ambtenaars toe, zegt Harr. 

507. Daar gaat een dominee voorbij (Gez. v^ranneer het in 
een gezelschap eensklaps stil wordt). — Vgl. Hgd. Es geth 
(of: Es fliegt) ein Engel durchs Zimmer (Borch., n° 295; 
ScHR., blz. 60). Ein Lieutenant wird selig; ein Offizier bezahlt 
seine Schulden ; enz. [Am Urquell, IV, 275). 

Voorheen was de eerbied voor de geestelijkheid en zijn invloed op het 
maatschappelijk en huiselijk leven veel grooter dan thans. Uit vreeze 
van haar ontevredenheid of toorn op te wekken^ waagde men het niet 
aan haar bevelen te wederstaan, tenzij het onopgemerkt kon g( schieden. 
Zoo hield b. v. de proteslantsche zoowel als de Roomsche geestelijkheid 
dikwijls een strafpreek over de duivelsche dangpartijen, wat niet 
belette dat er op kermissen en huwelijksfeesten flink gedanst werd. 
Kwam er echter een predikant of een pastoor opdagen, dan klonk het 
rondom waarschuwend: ■ Df- pastoor komtl ■ of : «Daar gaat de 
dominee voorbij! ■ Dadelijk ontstond daarop stilte : de speeltuigen zwe- 
gen, en de dansende paren hielden zich koesl Men leze b. v. wat N. de 
RosvBR in zijn boek Van Vrijen en Trouwen, blz. 225, dienaangaande 
meedeelt. Ik meen zelfd dat het strenge Calvinisme zich destijds nog 
krachtiger tegen menigerlei volksvermaken verzette dan de Roomsche 
Kerk. Daaruit is zeer waarschijnlijk de HoU. spreekwijze ontstaan. 
Reeds de oude Grieken kenden een synon. uitdrukking. — Bij zoo'n plot- 
seling invallende stilte zeggen de Vlamingen algemeen : 't Is goed om 
haver {lijnzaad of peeën — InNoord-Ned. speuriezaad) te iaaien{i). 

508. Een blauwe Maandag (Een zeer korte tijd). Het heeft een 

(1) Ook de Duitschers zeggen dan wel : Er ist gut Hafer (»u) saën. Dat 
haver zaaien bij stilte, komt eveneens bij Grut. II. en C. T. voor (zie 
Harr. en Ndl. Wdb. VI, 147; alsmede Volksk. X. 84-^). 

18 



— 274 — 

blauwen Maandag geduurd (Een poosje. — H.) Vgl. Hgd. 
Blauer Monlag. Eng. blue Monday; onee in a blue moon. 

Hier te lande» zoowel al8 in Duitschland en Bohemen(l). verstaat men 
gemeenlijk door Blauwen Maandag den Maandag, die de groote Vasten 
voorafgaat. Die naam ontsproot, zeggen Borghardt, Ekinsb -Dür«, 
Hark. en Db Bbbh*Laür. ( Wdschal, 667) uit de vroegere gewoonte om 
tijdens de Vasten de kerkmeubelen • met blauwe doeken » te behangen; 
aan een anderen kant maakt Borgharot de opmerking dat niet eerst op 
den Maandag vóór Aschdag, maar reeds op den Zondag van Septnagesima, 
d. i. 1-1 dagen vóór den eersten Vastenzondag de purperblauwe kleur als 
symbool der boetedoening in de Kerk te voorschijn komt; en, voegt hij er 
bij, de Siksische landsverordeningen uit de 16«en 16« eeuw kennen geen 
blauwen, maar een « goeden Maandag. > Ik wensch er nog aan toe te 
voegen dat op gezegden Zondag van Septuag. alleen het gewaad van den 
priester-celebrant, en niet de kerk, de violetblauwe kleur te zien geeft; 
eerst op Passiezondag worden al de kruisbeelden der kerk met doeken 
van die kleur omhangen. 

Daaruit inag men wel afleiden dat de gewone verklaring van c een 
blauwen Maandag > op onvaste gronden steunt. Ik hond heA dan ook met 
D' Stoktt (no 212), die een plaats aanhaalt uit een klucht van 1684» 
Bbrnaoie, Studentenleven (reeds aangehaald door J. E. Tbr Gouw, in Noord 
enZuid^ VII, 16} waarin de ultdr. alle blaauw maandagen voorkomt, ook 
aan Tuinman bekend (I. 234) met de beteek. : elk oogenblik, om een 
haverklap, in welken zin ook de Fries zegt : aUeblauwendeiê. Zoaals ik bij 
n* 838 reeds aantoonde, had het bijv. nw. blauw in de middeleeuwen, en 
thans nog, de beteek. nietig, van weinig waarde (Fr. bleu); vandaar zegt 
Stobtt, een « blauwe Maandag, » een Maandag die niet meetelt, maar 
als Zondag, als feestdag beschouwd wordt, waarop men niet werkt. Vgl. 
Maandag maken (dat reeds voorkomt in het Mndd. en in de 17« eeuw te 
onzent naast verloren Maandag, d. i. Koppermaandag houden){2)y Hgd. blauen 
Montag machen. Eng. to keep saint Monday, Fr. faire Ie lundi, féler Ie sainl 
lundi. Bij uitbr. kon f alle blauw Maandagen > de beteek. aannemen van 
elk oogenblik, met korte tussohenpoozen; vandaar thans een blauwe 
Maandag = een korte poos (steeds in ongunstigen zin). Vgl. Fr. Journée 
blanche. 

Zie ook J. E. Ter Gouw, in Noord en Zuid, VII. 10-17; Wolthuw, in 
Navonehtr 1897, bl. 324-326; Schuerm. Wïo/.,58 (voor hem is het Limb. 
blauwen Maandag houden zooveel als ; op een kettersche wijze feest vieren). 

Hier mag wellicht nog gezeid dat de H. Lundi, onder den naam Le 



(1) BORGHARDT, n«> 162 ; Rbinsb.-Dür., Feit'Kalender aut Böhmen 64-55. 

(2) Wie over Verloren- Maandag meer wenscht te vernemen, leze o. a. 
Pol de Mont, Volksk. IV. 19-23; Rbinsb.-Dür., Cal. 1. 36-48; Tbr Gouw, 
Volksverm., 119-125; De Beer-Laur., Wdschat,QQ1\ Drijver, JfoiuïeA*, 95-97; 
H. Gaidoz. Méluiine, V. col. 1345 en VII, col. 70;Monseür, Buil. de 
FolkL, 1. 805>806. 



— 376 — 

grand êaint Lundi, als sehoeDlapper omringd door zijn volgelingen (een 
20-tal yerschillende ambachtslieden) staat afgebeeld op een dier ultra- 
populaire prentblaadjes van Épinal (huis Pellerin), waarvan ook een 
Duitsche uitg. versoheen onder den titel : Der heilige blaue Montag, Dat 
laatste kan de heer Gaidoz ons echter niet verzekeren; hij geeft boven- 
dien de afbeelding van een medalje of legpenning» waarop St. Lundi, 
eveneens als dranklievende schoenlapper, wordt voorgesteld (Mélusine, 
V. col. 13 15). 

509. Leven (of Een leven hebben) gelijk God in Frankrijk. 
(Onbezorgd leven). Hgd. Leben \m {der liebe) Golt in Frank- 
reich. 

Die spreekw., in Frankrijk onbekend, is daarentegen in de Neder- 
landen en Buitschland zeer gebruikelijk. De meeste geleerden denken de 
verklaring er van te moeten zoeken in de kerkelijke aangelegenheden van 
Frankrijk gedurende het Schrikbewind van 1793-1794. Destijds was de 
katholieke eere dienst afgeschaft om plaats Ie maken voor den eeredienst 
der Bede. Men mocht das in zekeren zin zeggen dat God, door de godin der 
Rede vervangen, in Frankrijk niets meer te doen, voor niets meer te 
zorgen had. 

De heer H. Gaidoz, die deze verklaring voor heel en al onwaar- 
schijnlijk houdt, doet te recht opmerken dat men zou dienen te 
onderzoeken waar die gansch moderne uitdrukking voor 't eerst voor- 
komt. Naar aanleiding van Hbinb's schrijven : « Man lebtin lauter Lust 
und Plaisir so recht wie Gott in Frankreich, > zegt hij : « Si elle (/'«xpret- 
sion) n*eat pas plus ancienne que Henri Heine, on peut y voir une image 
inventée par Heiiie pour comparer la vie plantureuse, la bonne chöre et 
Ie contentement de vivre qu'il trouvait en France au pain noir, & Teau 
claire et k la vie resserröe qn'on menait dans la pauvre et sévöre 
Allemagne du Nord. Heine, qui s'appelait lui-même un « Prussien 
libéré, » trouvait que la France était un vrai paradis et il exprimaitce 
jugementdans une image poétique : et l'image a faitfortune » (1). 

Ben afdoende verklaring werd tot hiertoe niet gegeven. Men heeft wel 
eens beweerd dat de spreekw. oorspronkelijk luidde : « Leven als een 
Schot in Frankrijk, > doelend op de weelde waarin de uit Schotten 
bestaande lijfwacht van Lodewijk XI leefde, doch men vergat zulks 
door bewijzen te staven. Andere onbevredigende verklaringen kan men 
nog vinden bij BoRcaAROT, blz. 181, Buchmamn, 415, en Harr., II, xxxix. 

510. Menistenbruilofl (Schertsenderwijze : lediging van een 
beerput). 

« Hieronder, zegt Stoett, verstond en verstaat men het ledigen der 
beerputten, dat bij nacht geschiedt, met woordspel tusschen bruid 
(= aanstaande Vrouw) en het nu verouderde bruid (= drek), welke gelijk- 

(1) miusine, VIL 192. 



— 276 — 

heid in Torm aanleiding gaf tol allerlei uitdrukkingen als : de vuile bruid 
(:= drek)(l); de bruid uitdragen, ^ trouwen, — leiden, den beerput ledigen ; 
bruydleyder, beersteker, nachtwerker (J/n/. Wdb.l, 1471; Tüinm. I, 129;, 

Daar nu de Menisten (2) vroeger, in de 17« eeuw, als stemmige men- 
schen bekend stonden en hunne bruiloflen zonder Teel rumoer vierden, 
evenals de nachtwerkers des nachts stil hun werk verrichtten, zoo 
werd sehertsender wijze deze werkzaamheid, deze gtille bruiloft (woord- 
spel met stille, geheim gemak?) een menistenbruiloft genoemd. In de 
17* eeuw zeido men ook hiervoor ionder speulman bruiloft houden (zie 
AssBLiJN, /an Klaasi, vs. 723) (3), thans in sommige streken ook bruiloft 
houden of bruiloften. Zie Draaijer, Q:UIt hier van nacht meniêten brülfle =s 
de beerput wordt geruimd; in het Friesch : minniite bruiloft hdlde naast 
brulloftsje in denzelfden zin. » 

Aan een anderen kant zegt Habr. : Men spreekt overdrachtelijk van 
bruiloft houden, wanneer mende heimelijkheden zuivert. Dekt men de 
ionnetjes, daartoe strekkende, met dekseltjes toe, dan noemt men dit 
JUennisten-bruiloft houden, omdat de Mennisten bijzonder piëus en zinde 
lijk zijn (I, 100). 

Volgens Dr. Mdllbr (Ndl. Wdb. III, 1657) is de uitdr. bruiloft houden 
(voor: den beerput ledigen) de oudste; mogelijk, zegt hij, was het toe- 
voegsel tonder t peel man (d. i. een stille bruiloft, in woordspeling met 
ttille, geheim gemak?; hierbij voorheen ook gebruikelijk (z. althans 
Jan Klaasi), Eerst later schijnt de benaming Meniite-bi uilofi opgekomen te 
zijn. Na op de gewone verklaring daarvan gewezen te hebben, vervolgt 
hij : « Doch het feit dat de « Menisten bruiloft » omstreeks het midden 
der 17« eeuw geschilderd stond op verscheidene uithangborden, o. a. 
van eene herberg te Amsterdam, waar muziek gemaakt werd (z. Db 
Roëvjer, Uit ome oude Amttehtad, 110; bewijst wel, dat zoolanige bruiloft 
toen ter tijd gold als iets eigenaardigs, denkelijk als het toonbeeld van 
stemmigheid (zoodat het rumoerige speelhuis in schertsende tegenstelling 
aldus heette), maar tevens dat de uitdr, in hare hedendaagsche beteek. 
toen nog geheel onbekend was. Indien de toevoeging derhalve eerst uit 
later tijd dagteekent, schijnt het aannemelijker dat de bedoeling dezer 
benaming is geweest de bruiloften der Doopsgezinden, die in de 18*« eeuw 
integendeel uitmuntten door de overdaad van fijne, uitgezochte lekker- 
nijen (zie b. V. Van Efpen, Speet. I, 200; IV, 32), wellicht levens hunne 
vanouds bekende zindelijkheid en keurigheid, door de tegenstelling van 
dit vuil, onwelriekend bedrijf te bespotten, t 



(1) Vgl. Hij ial 't nachtt de vuile bruid vergeultchappen (Uarr. II, iv ). 
In Oostende heet een optrekkende beerwagen (of -wagens) : De bruiloft van 
Cana, 

(2) Menisten, Mennonieten of Doopsgezinden, naar Mbnno Simons. 
't Volk zegt ook wel eens Benitten en Beniste bruiloft (Z. Woordenschat, I. v.). 

(3) Zwolsche Herdrukken, 12-13, blz. 93. 



— 277 — 

511. Een menistenstreeh (List, looze streek). Een menisten- 
leugen (1). 

Deze spreekw. herinnert wellicht aan de gevatheid, waarmede vele 
Mennonieten, in den lijd der kettervervolging (1Ö« eeuw) de vragen dor 
kettermeesters wisten te ontduiken, de waarheid verzwijgend zonder er 
den schijn van te hebben en aldus vaak zichzelf en hun geloofsgenooten 
van een wissen dood reddend. Naar het schijnt, geleken hun listige 
antwoorden niet zelden op dat van den schaapherder van Postel, van 
wien ons de heer Teirlinck in Voiksk, X, 82, vertelde : 

Als schei Isrechter aangesteld om in een geschil betreffende de grens- 
scheiding van twee eigendommen te beslissen, stak hij eerst een schepper 
(scheplepeltje) in zijn mnts en een weinig aarde in zijn schoenen. Dan 
wees hij aan tot waar de grond van Postel zich uitstrekte en zeide : 
« Ik zweer bij den schepper van hierboven » — - en hij richtte den vinger 
naar zijn muts — « dat ik hier nog op Postelschen grond sta >, en — hij 
wees met den vinger naar zijn schoenen ) 

512. Tegen (of aan) iem, jubei^) zeggen (Voor iem. onder- 
doen, hem als meester erkennen. — De Bo). Iem. te jube 
brengen (Hem dwingen tot onderdanigheid. — De Bo). Vgl. 
Fr. Faire oenir qn. ajnbé =Iem. wel in orde weten te krijgen, 
naar zijn pijpen doen dansen (Kramers). Te jube komen (Zich 
komen onderwerpen, zich overgeven. — De Bo)(3). Vgl. Venir 
è jubé (Zich aan een bevel onderwerpen, ofschoon met tegen- 
zin. — Hatzf.-Darmest.) — Den jube domine spelen^ of 
uithangen (Den vleier, den gehoorzame spelen om iem. aange- 
naam te zijn. — Sgii.). Zjupedomeno (Het hoofd in den 
schoot leggen, den duime leggen, te gebode staan, zegt GG. 
in Loq. VIH, 55. — Te Kortrijk). U Is ne siebedominee '^Een 
onnoozelaar, een waanwijze gek. — Aalst, Geeraardsbergen). 

Wanneer in het koor, onder 't bidden van de kerkelijke getijden, de 
lector of lezer zijne les gaat lezen, is hij verplicht eerst en vooral, aai 
het hoofd der dienstdoende geestelijken, oorlof en zending te gaan vragen. 
In gebogen houding gaat hij vóór den overste staan en bidt : Jube Domine 
dicere, bene dicere of benedicere = Gebied, Heer, dat ik spreke, wel spreke. 
Daarop ontvangt hij van den heer overste zending om de lezing te doen. 

(1) Deze uitdr. ware misschien beter op hare plaats geweest bij de 
rubriek : Heksen" en Kettervervolging. 

(2) 't Westvlaamsche volk spreekt dit woord djiehe uit, en gebruikt 
meest hei verkleinw. djiebeke : Aan iem. moeten djiebeke zeggen. » 
(Db Bo). 

(8) Db Bo geeft twee citaten aan Nxc. Dbspars ontleend. 



- 378 — 

Het Yolkdat eertijds znlke ceremoniën niet zelden bijwoonde, noemde 
die voorafgaande handeliog van den lector: c ie jube komen », « Jube 
Üomine doen >, t jube domine zeggen », en tot heden toe zijn deze 
nitdrukk., hoewel soms half onkennalijk geworden, in den volksmond 
bewaard gebleven. 

In sommige kerken bestond vroeger, tusschen koor en beuk, een min 
öf meer verheven gaanderij, waarop de leclor dan, voor zijne lezing, 
plaats ging nemen. Eerlang nu begon het Fransche volk het eerste 
woord van *t gebed van Jube Domine op de galerij zelve toe te passen; 
vandaar nog heden het Fr. jubé = doksaal, . oksaal, hoogzaal ; en in 
enkele kerken bevindt het oksaal zich nog steeds tusschen koor en beuk. 
Ook hebben de Fr. uildrukk venir d jubé, en faire venir git. d jubé denzelf- 
nen oorsprong als onze Viaamsche (z. Log. VIII, 55-56 en Hatzf.-Dar- 
MEST. op jubé). 

518 Den fbf het) dokzaal (Db Bo en Sgh. Bijv.) (O ; den (of 
het) ohzaal (Sch;., oxaal (Hoeufft),*^! hoogzaal (V.D. enA.)(2) 
de zaal (k.) — Bij Kil. Docksaelj ocksael, hooghsael. 

Doksaal = 1. Een min of meer verheven galerij, tusschen het koor 
en het schip der kerk, waar bij plechtige misten het Epistel en het 
Evangelie gezongen worden, en waar soms een orgel ter begeleiding van 
den priester is aangebracht; ook koorhek en koorbalie genoemd; — 2. Bij 
uitbr., de gaanderij in de kath. kerken, waarop de zangers en het orgel 
zich bevinden, en die meestal aan 't uiteinde der kerk, boven het kerk- 
portaal, gemaakt is. 

Oxaut, waaruit door volksetymologie hoogiaal is ontstaan, is zelf een 
vervorming van doxaal, doxale (door weglating der lettere/, die men voor 
het lidw. nam), en dit weer een vervorming van dotsale. Nu, douale 
(Fr. (/o»e/) is afgeleid van Mlat. i/os^um (klassiek Lat. dorêum) en bet. 
een ruggetapijt, eertijds eershal ve achter den rug der hooggeplaatste 
personen, bepaaldelijk achter den rug der geestelijken in het koor opge- 
hangen. De naam doseale, eerst aan die tapijten gegeven, ging laterover 
op de plaats, waar zij aangebracht waren, en zoo op het doksaal in den 
eigenlijken en den uitgebreiüen zin (Zie Ned, Wdb., X. 106-107 en Vsrc, 
Etym. Wdb), 

B). Kloosters en Kloosterlingen, 

514. Monnikenwerk doen (Vergeefschen arbeid doen, zich 
noodelooze moeite geven. — V. D.)Bij Serviliüs : Monincs 
werck doen; bij Kil. Muncks werck doen. Ndd. (Rijnprov.) : 
Dat es Mönkearbeid (Slecht werk. — Egk. 367). 

Monnikenwerk is dus in de eerste plaats zooveel als « water in zee 

(1) Ook te Geeraardsbergen zegt men : den doksaal, 
{2) Het fioogiaal; aldus in den volksmond in 't Land v. Aalst, en o. a. ook 
te Herenthals. Bij V. Dale is hoog*aal onz. en vr. 



— 379 — 

dragen ». of een soort van Penelope^wêrk • dewijl de Monniken, zegt 
Weiland, in oude tijden tot zekeren arbeid, hoe weinig die ook betee- 
kende, verpligt waren, om niet ledig te zijn, al ware hel ook, dat zij den 
volgenden dag vernietigden, hetgeen zij den vorigen gemaakt hadden. . 
Tuinman, die echter, wanneer hij over kloosters sprrekt, zoowel als 
wanneer hij spreek w. verklaart, weinig vertrouwen verdient, normt 
enkele werken op, waardoor de blinde gehoorzaamheid der nieuwe 
kloosterlingen op de proef werd gesteld; ze moesten b. v., zpgt hij, 
boonien in den hof planten met de wortels opwaarts, of zand wegdragen, 
hetgeen zij of anderen terstond op dezelfde plaats moesten terugbrengen 
a Dus verhaalt men, zegt hij verder, van een Krygsoversten dat hem, tot 
zyne moniksproef, gelast wierd, een Regiment kikvorsschen in ryen en 
gelederen te stellen. . (G. T, II, 233;. Dit lijkt echter al te zeer een 
kwaadwillig praatje. Elders, blz. 167, schrijft hij nog : Men zegt ook van 
noodeloozenof verhoetelden arbeid : lly doet Moniktnwerk, > terwijl hij dit 
op een andere plaats (dl. I. 39) noemt : • iets dat niet deugt : want 
Hhnikcn eeten dal zy iweeten, en arbeideté dat iy koude krijgen, » 

Door monnikenwerk verstaat men thans somwijlen een werk van moei- 
tevol geduld, wat de Fraosohen un travail de Bénédictin, en wij, in onze 
taal, ook wel eens een Benediktijner werk heeten (z. nog Stoktt, n» 1340). 
515. De kap maakt geenen monnik, En de mutse geen kanonik 
(H.)(0. Hgd. Das Kleid macht keinen Mönch. Fr. Lhabü ne faü 
pas Ie moine. Luikerwaalsch : Lhabü n' fait nin Vmóne (Dej. 
n* 1447). De papen^ nonnen (of monniken) en begijnen Zijn niét 
zoo heilig als zij schijnen (G. T.)(^i. Oudfr. Le moine, la none et 
la béguine Sont fort pires que n'en ont la mine (Le Roux, I, 24;. 
— Geen ding zoo schandelijk of zwaar ^ dat eene vrouw of een 
monnik niet begaat {}i.){^). Daar de duivel zelf niet durft komen, 
zendt hij een oud wijf of een monnik (G. ï.)l*). Ndd. Wohin der 
Teufel nicht selbst kommt, da schickt er ein altes Weib (of : den 
Pfaffen. — Fri. n* 3735), Wat een monnik zich durft voor ie 

(1) Bij de spreekwoordenverzamelaars vindt men alleen het 1« deel van 
het spreekw. : in « Seer tchoone Spreeckwoorden • ; Thabyt en maeckt den 
monick niet ; bij Guburtz hetzelfde « Campen • geeft : Die cappe en 
maeckt den Monnick niet, in welken vorm het ook bij Gats, Grut., De 
Brunk en anderen voorkomt. 

(2) Het Mergh van Ndl, Spreekwoorden, Amst. 1644. 

(3) Mtrgh en Grut. II. 

(4) Reeds in Prooerbia teriosa\ bij Grut III en Tcinhan, II. Bij Fr. 
GoRDTHALS, Prov, anciensy /lamengiet franQois, Anvers, Plantin, 1568 : Daer 
de duuel niet commen en can, eendl hy %ynen bode (z. Meijer, 9tt;. Vgl. 
£gk. 516. 



— 280 - 

nemen, dat zou zelfs de duivel zich schamen te bedenken (H.). — 
De deugd in het midden, zei de duivel, en hij ging tusschen twee 
Kapucijnen {H..)W.Ndd. De Beste in hel midden, sa de Döwel, 
do gunk hé twüsken twee Papen fEice. n* 349). — Allemaal 
menseden, zei de begijn, en zij zoende den pater (H). 

Al die apreekw. herinneren min of meer aan de ondeugden van vele 
geestelijken on kloosterlingen in de middeleeuwen, zoodat de meeste dan 
ook een hoogen ouderdom hebben. • Dös Ie 13*siöcle, zegt Le Roux dkLimgt 
(I. X3LXV.) plasieurs proverbes ont consacré les vices et le libertinage des 
nioines. Ainsi l'envie det moines noir${2) et cette apostrophe : Vilain 
moine, font partie des dictons pop. du 1'> siècle; et dans nos anciens 
fabliaux on lit : Li abit ne fait paile religieux, maii la bonne conscience, > 
Met de wereldlijke geestelijkheid was het evenwel niet beter gesteld, en in 
gansch den loop der middeleeuwen tot aan *t concilie Tan Trente worden 
daarover door gezaghebbende, soms heilige mannen bittere klachten 
aangeheven; en de Kerk zelve et kende meer dan eens, door den mond der 
pausen on der kerkvergaderingen, de gegrondheid dezer klachten. 

Zoo hoort men reeds den H. Hieronymus (i 420) klagen dat de land- 
voogden in de kloosters een lekkerder middagmaal vonden dan in hun eigen 
paleizen. Voor zulke uitgaven, zegt hij, wordt er echter veel geld vereischt. 
• Potir l'avoir, les övöques et les prêtres ont fait leur chose et leur bien 
de ce qui appartenait au pauvre > (8j. 

To^n paus Gregoriu8VII(Hildebrand)in 1074 het celibaat der priesters 
verplichtend maakte, ontmoette hij een hardnekkigen en langdurigen 
tegenstand, derwijze dat 2 eeuwen later een gehuwd priester, hier te 
lande, geea zeldzaamheid was. Zoo zien wij b- v. in onzen Reinaert (in 't 
midden der 19* eeuw) een priester optreden naast zijne vrouw Juloeke en 
zijn zoon Martinet, en nit geen enkel woord of vers blijkt dat de dichter 
dat priesterhnwelijk als iets ongewoons beschouwt. Diegenen onder de 
geestelijken, die van het huwelijk afzagen, hadden dan dikwijls eene 
« amye •» hoewel dit algemeene ergenis verwelkte (4). 

De wereldsche zeden der geestelijkheid deden den H. Bernardus in de 
12« eeuw uitroepen : ■ Qui me donnera que je voye avant que de mourir, 

(1) De Brune. 

(2) Vgl. Convoitiie de moines blëncs (18* eeuw). In de 12* en 18* eeuw 
onderscheidde men de monniken, volgens de kleederen.in zwarte (regel van 
St. Benedictus) en witte (meestal van den regel van St. Augustinus). De 
witte monniken, die meer van rijkdommen hielden en, ofschoon van 
jonger dagteekening, hooger in aanzien stonden, werden door de zwarte 
benijd (Le Roüx, 1, 23). 

(3) Hk}<^r, Hixt. de ChartesQuinl V. 19r». 

(4) J. TB Winkel, MaerlanCt Werken, beschouwd als spiegel van de 
dertiende eeuw, 178-181; Hennb, t. a. pi., IV. 274 279, 282-285; De Hoop 
Sgbbffsr, Gesch der Kerkhervorming in Nederland, I, 14-17. 



— 281 - 

TEglise de Dien comme elle estait dans les premiers jours t t Indien die 
heilige man iets te Isetrearen gehad heeft, zegt Bossubt, t (^'a esté do 
n'avoir pas ven un changement si heureux. Il a gAmi toute sa vie des 
maux de I'Bglise. Il n'a cessé d*en avertir les Peuples, Ie Clergé, les 
Evèques, les Papes mêmes • (1). 

Ofschoon er in de 13«eeuw eenige verbetering is aan te stippen, houdt 
Jacob VAN M\KRLA.NT uiet op tegeii de verdoryeuheid der geestelijkheid 
zijn slem te' verheffen : in zijn Wajene Marti jn^ in Oer Naturen Bloemt 
én zijn Rijmbijbel, doch vooral in Der Kerken Claghe en Van den lande van 
Ovenee 'oorden de gebreken en ondeugden van kloosterlingen on geeste- 
lijkheid — hunne onkunde en hun strijdlust, hunne onmatigheid en 
zedeloosheid — onbewimpeld blootgelegd en gekastijd. En toch was 
Maerlant een gelooyigzoon der Kerk, die hare leer met groote gestreng- 
heid verdedigde(2). 

In de 14« eeuw was de toestand, blijkens de schriften van den 
Brabantschen mysticus. Jan yam Rüüsbrobg (f 1381), eerder verergerd 
dan verbeterd. In laleren tijd vindt men even onwraakbare getuige- 
nissen; ik noem b. v. nog het welbekende devoot boek, dai Patitonael- 
Wintentuck en Somerstuck — eene vertaling in a brabantscen dietsche t 
van J. DB Voraoinr's Legenda aurea ~ dagteekenend van omstreeks 
1400(3), en voor 't eerst gedrukt ie Gouda in 1478, nadien, in 1516 ook te 
Antwerpen. In dan proloog klaagt de vertaler, waarschijnlijk een 
priester, over de losbandigheid der wereldlijke geestelijkheid : « Mer, 
och armen! diet weten of sculdich sijn te weten ende haren volc te 
leeren, die doen al contrarie, als priesteren, ende sonderlinge prochianen, 
die met haren quaden leven hoer volck, dat si leren souden tot doechden» 
tot quaetheden treeken; want sulcke paep U blider, als hi een onsca1c(4) 
wyf tot sinen wille brenghen mach, dan of hi hondert sielen behouden 
mochte > (5). 

Zoo vrat de kanker, die destijds de Kerk had aangetast, steeds dieper 
in, en naarmate de ergernis toenam en deoogcn van het volk opengingen, 
vervreemdde het meer en meer van de Kerk, wier dienaren met zoovele 
ondeugden waren behept. Daarin is zeker wel een der hoofdoorzaken 
te zoeken van den grooten bijval, dien Lu th er 's kerkhervorming vond. 
« Je m'étonne, schreef de Jezuïet Lefövre, den 27« Dec. 1540, uit Worms, 



(1) Bossubt, Hiêt. des Variations des églists protestanies. Paris, 1688 (bij 
Hbnnb, IV, 973). 

(2) J. tb Winkbl, t. a. pi., 164166; 176-243. Jongkblokt, Gesch, der 
Ndl, Leit, II, 181-145. 

(S) Db Vooys, Mnl, Leg, en Exemp., 35. 

(4) Onnoozel. 

(5) De Hoop Sghbpfbr, t. a. pi., 1. 12. Hij gebruikt de uitg. van 1478 ; 
Pr. van Duyse, De Rederijkkanurs in Nederland II, 150, geeft hetzelfde 
citaat, doch ontleend aan de Antw. uitg., die mij hier onnauwkeurig 
voorkomt. 



— 282 — 

qu'il n*y ait pas deux ou trois fois plus d'hérétiques qu'il n'y en a;.... 
tont Ie mal yientde la vie scandalease des prêtres • (1). 

Vgl. nog : Hoe dicMer (of nader) bij Rome f hoe êUckter (of f /immer) 
Christen; in ■ Prou, terioia » : So nader den paueê so quader' kersten; bij 
Ghbdrtz : hue naerder romen hoe quaeder kersten (Harr , III, 149). 

516. Een pater-goedleven P) (lem. die een gemakkelijk en 
overdadig leven leidt, die er welgedaan uitziet. — C. T., V. D. 
en Hf dl, Wdb ). Een smulpaap (Scheldnaam voor : een vetten, 
welgedanen geestelijke; ook : dikke lekkerbek. — V. D.). 
Smulpapen (Brassen, slempen). Smulpaperij . — Ons Meeren 
braadverkens^) (Spotnaam voor de monniken. — V. Duyse, 
226, en Ndl. Wdb.), Een paterstuk (De tusschenrib van een 
rund. — V. D.). Een begijnenstuksken of bagijnestukje (Een 
lekker stukje vleesch op tafel. — De Bo). Hgd. Ein Pfa/fen- 
bischen. Luikerwaalsch : Ubèchèye de curé (la bouchéedu curé. 
— Dej. n* 942). Patersbier (Het beste bier). Van het paters- 
vaatjei^) (Van den besten wijn, van *t beste bier. — C. T., V. 
D. en A.). — Zuipen als een Tempelier (G. T. en v. D.) - De 
monnik preekte dat men niet behoorde te stelen, en hij zelf had de 
gans in %ijn schapulier (of schapperade. — H. en v. Duyse, 
225)(ö). Een begijnenpater, een visscherskaler en een molenaars- 
haan. Als deze drie van honger sterven, zal de wereld vergaan (G. 
T. en H.). 

Deze spreekw. doelen meer bepaaldelijk op de onmatigheid, waaraan 
in vroegere tijden, kloosterlingen en wereldlijke geestelijkheid zich te 
buiten gingen» op het weelderig leven dat velen leidden. Zoo riepen, vol- 
gensMAERLANT {De r Kerken Claffhe, YB, 7è vlg ) de geestelijken van zijn tijd: 

« Om diere spise van goeden smake, 
£nde waer men coept den besten wijn. » 



(1) CrAtinbau-Joly, Hist, de la Compagnie de Jésus, Paris, 1844, 1. 166 
(bij Hbnne, IV, 274). Zie verder nog Hbknb, IV. 275-285, alsook J. tb 
WiNKRL, 282, en Du Hoop Sghbffbr, I. 28-25 en 9-28. 

(2) Reeds in « Gampen. » 

(8j Braad»erken s 1. vetgemest varken ; 2. spotnaam voor : een dik 
persoon (Sch. Bijv. en Ndl, Wdb.). YgLSienr Braetvarken (Hooft, Warenar, 
VS. 423) en Braetveugel (lem. die een lai, lekker leventje leidt. — Van 
MoBRK., Ndl. Kluehtspet; bl. 248 en 625). 

(4) Ook bij Sart-Schrbt., pr. III. 48* 

(ö) In Seer schoone Spreeckwoorden; ook in • Gampen b (z. Mbijbr, 57). 



— 283 — 

terwijl hij, in zijn Rijmbijbel (ts. 5357-'58)| niet zonder eenige OTerdrijving 

zegt: 

« Glerke vander nuwer wet : 

Dronkenscap heefUe al besmet. ■ 

De orde der Tempelheeren bestond, zooals men weet, van 1118 tot 1313. 
Hunne groote rijkdommen leidden tot zedenbederf en tot hun ondergang, 
daar ze de hebzucht van den ge weten loozen If'ranschen koning, Filips den 
Schoone, opwekten. Al heeft men nu de Tempeliers in menig opzicht 
▼alBchelijk beschuldigd en hun wezenlijke gebreken wellicht oyerdreven, 
toch zegt men hier te lande nog steeds — en ook de Duitschers kennen 
het : Drinktn, iuipen ais een Tempelier, ; naast het Fr. boire bestaat ook 
jurer comme un templier. Reeds Habelais zeide : « Je ne boy en plus 
qu'une esponge, je boy comme un templier. » 

Ons spreekw. Een begijnenpater, een visscherskater, enz , is eveneens in 
Duitschlanden Italië bekend, doch alleen in Italië worden er» zooals 
hier, geestelijken bij betrokken, nl. de bestuurder van een nonnen- en de 
tuinier van een monnikenklooster (R.- DüB., II n» 109). 

Men denke hier nog aan : Ten gaet geen monic alleen {Prov. êer,) of: Daer 
gaet noyt goet Monnick alleen (Sart-Sghrbv., ter. II, 29), anders gezegd : De 
minnebroeden (Minderbroeders) gaan alleen niet (Grut. II. en Mergh), of : 
De kapucienen gaan altijd gel weeën (l) (V. Dutsb. 236), waardoor men iem. 
aanzet om na het eerste, nog een tweede glas wijn, een tweede borreltje 
te drinken. Vgl. Eén ioldaat en vecht niet (Bibkorp, XII, 31>, Men kan op een 
been niet loopen (H.),en : Ze moeten gemalen %ijn lA.). Ik wijs nog even op : 
Een twarte iuster den hals breken (Een flesch rooden wijn uildrinken — 
V. DuYSE, 337), en op : Waar de abt herbergier «i, mogen de monniken wel 
bier halen (De Brünb); Fr. Quand Vahbétxent taverne, let moynet peuvent 
aller au vin (15« eeuw. — Lb Roux, I, 35). 

517. Monniken eten dat ze zweeten, en werken dat ze kou 
krijgen (2) (G. T. en v. Duyse, 224). Was houthakken een orde, 
men zou er niet veel monniken voor vinden (G. T.). Zij slachten de 
begijnen wat : zij zien liever werken dan dat zij het zelven doen 
(H.). Werken is zalig(heid)y zei de begijn, maar ze deed het niet 
geern, of: ze deed het noo (3) (Alq.), of : ze liet het van 'n ander 
doen (G.-V.). Werken is zalig en leegziUen is heilig, zei het 
begijntje, en ze koos de heiligheid (West. -VI.). Werken is zalig, 
zeiden de begijnen en ze droege^i gedrijen aan nen boonstaak 
(G.-T.). Er zijn twee begijnen om een ei Ie klutsen en het is dan 
nog niet goed (Met tweeën voor een werk, waar éen ruim 



(1) Die spreekw. heeft verscheidene vormen (z. Harr. III. 396-397). 
(3) Bij Grut. II : De kUmtarknapen eten dat %ii *weeten. 
(3) Tuinman gt'eft er.kel : H Is Mlig te werken, sei de Bagyn. 



— 384 — 

genoeg is). Er zijn drie begijnen om een ei Ie pellen (Veel volk 

om een klein werk te verrichten. — Sgh. Bijv,). Vgl. 

Luikerwaalsch : Trover ine atèche, joürnèye di béguenne 

(Trouver une épingle, journée de béguine. — Dej. n^ 1152) 

Fr. Mener une vie de chanoine. Eire gras comme un chanoine. 

Avoir une mine de chanoine. 

Nadat de monniken, tijdens de eerste eeuwen van het christendom 
in Vlaanderen, onmiskeobare diensten aan de beschaving hadden 
bewezen, bracht de aangroei hunner rijkdommen allengskens verslap- 
ping der tucht mede, benevens wereldkcbgezindheid, gemakzucht 
en luiheid. In een oude klucht, de Truwanten (denkelijk van de 14* eeuw) 
leest men o. a. : 

« Maar swesters, baghinen, lollaerden. 

Si sijn altijd lui van aerde 

Datse qualijo pinnen moghen 

Maer si drulen wel grote toghen (1) 

Als Sire connen ane gheraken > (2). 

Bovenstaande spreekw. zijn daarmede in overeenstemming. — Ik 
vermeld nog terloops : Als dé abt de leerlingen geeft, dan mogen de monniken 
Wél dobbelen (3) (G. T. en V. Duybe, 226), en : AU de abt mei de kaart speelt, 
dan troeven ook de monniken (G. T.), of: wai Muilen de monniken doenl {Da 
Brune en Ndl. \Ub. I. 609.) 

518. Hij is daar voor verveerd als een monnik voor een schepel 
rogge (^) (Hij verlangt er naar als een bedelmonnik naar een 
schepel rogge. — V. Düysb, 225). Hetzij paap of hetzij geus, 
Geld is overal de leus (^) (G. T.). Hetzij geus, menist o f papist, Elk 
schraapt in zijne kist W (G. T.). Hij wachter waar, als de pastoor 
naar zijn offerpenningen (V. Düyse, 221). De pastoor (of paap) 
doet geen twee missen voor éen geldO). Koperen geld^ koperen 
zielmis (8) (Gats en G. T.). 

(l) Ze slaan ongemerkt een goeden slok naar binnen (z. Yxrdam, Mnl. 
Wdb., op drulen en droelen). 

(2j HoFPMANN V. Fallbbsl., Horac Belgicae, VI. 121-124 (bij Pr. van 
DuYSB ; Rêderijkk,, II. U7-148). 

(3; Reeds in de Prov, serioia. 

(4) In « Gampen • (z. Meubh, 62). 

(5) In « Gampen » en bij De Brüne. 

(6) Mergh. 

(7) Men zegt thans gemeenlijk : *k En doe geen twee miuen voor éen geld 
(Aldus bij V. Düyse, 221). 

(8) Reeds in de Prov, seriota, ook in • Gampen, » bij Grut., I, enz. 



— 285 — 

Herinneren min of meer aan de schraapzncht van vele geestelijken en 
monniken van voorheen, wat toenmaals aanleiding gaf tot algemeene 
klachten Reeds vóór de middeleeuwen hoorden wij den H. HioronymuB 
deswege de bisschoppen en priesters aanklagen (z. boven, bij n* 517), en 
in de volg. eeuwen nam de kwaal nog aanmerkelijk toe,hetgeen Mabrlant 
in Der Kerken Claghe (vs 38-39) doet uitroepen : 

c Ie waiie noyt man en sach 
Yolc so gierech omme bejach- » 

Steunend op Mabrlart*s werken en op historische bescheiden, wijdt 
J. TB WiNKEBL dan ook een aantal blz. (202-224) aan de hebzucht der toen- 
malige kloosters en werpldlijke geestelij kheid(l), die zich lelfii somwijlen 
aan woekerhandel en simonie bezondigden (2). 

Vgl. de Pruisische spreekw. Pfa/fensack wird niemait voll (Fri. no2899). 
Der Pfarrer predigt nicht iweimal (ld. n' 2003). In deRijnprov,: Da Paituer 
prddig net zweimól für e Gdld (ëck. blz. 398), elders : De Pastor ptdkt man 
en mol vör 7 sülfige Geld (£ck. 398). 

519. Op het kapittelbankje moeten gaan zitten (Ergens op een 
zondaarsbankje moeten gaan plaats nemen, zoodat elk 
bemerkt dat er iets met ons niet in den baak is). 

Kapittel = Vergadering der bewoners van een zelfde klooster; (ook) 
plaats dier samenkomsten : kapiitelhamer, kapitteUaal, — Wanneer nu» in 
een dergelijke vergadering, het openbaar gewetensonderzoek plaats had, 
moest de kloosterling, aan wien de beurt was, in het midden der kapittel- 
kamer op een bankje ad hoc neergeknield, ten aanhoore van al de aanwe- 
zigen zijn^ zonden opbiechten (3). 

Vgl. Kapittelen = bestraffen (met woorden), den tekst lezen. Fr. 
Chapxtrer, Ook de spreekw. : üem in het kapittel hebben (Ook een woordje 
mee te spreken hebben). Fr. Avoir voix au chapitre. 

(1) Ook een plakkaat van keizer Earel Vis dienaangaande welsprekend. 
(Honkb, IV, 287-288. Db Hoop Sgheffbr, 1, 19-20). 

(2) Zie nog Hbnnb, IV. 274-276 en Db Hoop Scubffbr, I, 18-21. 

(3) Zie A. W. Stbllwaoen, Roomeche Woorden, Wolters, Oronin- 



R.) OUDE MUNTEN, MATEN EN GEWICHTEN. 



A) Munten. 

520. Munt (Geld). — Munten (= 1. Geld slaan; 2. mikken, 
doelen); het op iem. gemunt hebben (op iem. boos zijn en hem 
tot mikpunt uitkiezen van allerlei hatelijkheden). Hgd. Esauf 
einen münxen. 

Munt stamt, evenals Hgd. Müntê, Eng. mint, Fr. monnaie, uit Lat. 
monetam, moneta (Vbrc. Etym. Wdb.). ^ Op de Kalendae der maand Juni 
die aan de Romeiosche godin Juno was gewijd, werd te harer eer op het 
Kapitool een groot feest gevierd ; dan werd zij aangeroepen onder den 
naam Juno Moneta d. i. Juno « de waarschuwende *. Hoogst waarschijn- 
lijk is dat m9n«(fl. een benaming voor geld geworden, dewijl de plaats 
waar de Romeinen munt sloegen» nabij dien tempel gelegen was; ande- 
ren zeggen dat het munten in Juno's tempel zelf geschiedde. 

Volgens de meeste geleerden berust onze uitdr. het op tem gemunt heb- 
ben op het sinds de 16« eeuw bestaande gebruik munten en gedenkpennin- 
gen te slaan met satirische voorstellingen. Toch komt de uitdr. reeds in 
het Middel ndl. voor (Zie Verd\m op munten en gemunt), Z. nog Frangk, 
Etym, Wdb., id. en Stobtt, n<» 541. 

521. Kruis of munt (BQkeni dobbelspel, thans gemeenlijk 
kop of letter geheeten, waarbij een muntstuk of verscheidene 
stukken worden opgegooid, en den een of anderen speler 
toebehooren, volgens de zijde, die, bij 't neervallen, boven 
zal komen te liggen). Cruce ende (of) munte; crucemunien 
(Verdam, Mnl. Wdb,); bij Kil. kruys oft munte worpen. Eng. 
Cross or pile. Fr. Croix ou pile (thans : pile ou face) ; jouer a 
croiz OU pile^ of : è croix pile. — Ixeuw of letter (W. D. 1. 863); 
letter en leeu, letter en lieu, of letter en lijve (Moi^ema). — Kruis 
noch munt hebben (Geen rooden duit. — V. D.). Kruis noch duit 



- 287 — 

(C.-V.; Joos, Idiol,); *k Enlieb er nooit noch kennis noch munte 
van gezien (Bfe., IX, 235). Cruce no munte (Verdam, Mn/. 
Wdb.). Ghy hebt hem kruys noch munt laten houden (Sart- 
Sghrbv. sec. II, 62). Fr. PTavoir ni croixni pile. 

In de middeleeuwen waren de meeste munten aan de éene zijde van een 
kruis voorzien, en wanneer dit teeken er niet op stond, werd die zijde 
kruit genoemd, welke de beeltenis droeg yandon vorst. Daaraan herinne- 
ren nog heden ton dage eenige van bovenstaande uitdrukkingen: in VI*- 
Beigië leeft de uitdr. kruiê of munt nog enkel in Limburg (o. a. te Wijg- 
maal, Stokheim en Keer-Oeteren) in den volksmond voort (1). — De 
Franschen hadden croiz on pile, thans vervangen door pUe ou face. Om- 
trent de verklaring van dat pile is men het oneens ; de Fransehe goud- 
en zilverstukkea van den II l^ewijk vertoonden aan de éene zijde een 
kruis, « de Tautre des piliers i, zeggen sommigen. Anderen zeggen, met 
meer reden wellicht, dat pyle, in 't Oudgallisch, schip beteekent, hetgeen 
wijzen zou op het schip, dat op de Oudromeinsche munten afgebeeld 
stond. Voor ons kruis of munt hadden de oude Romeinen dan ook capita aut 
navm. Vanla Cl rook het vroegere : chef ou nef, — Het Noordndl. (Friesl. 
en Groningen): Leeuw of MteTj letteren /««», enz. wijst op het feit, zegt 
Woordenschat, 5S9, dat d-) centen vroeger aan de éene zijde een W, aan de 
andere het Nederl. wapen droegen. In het Oostvl. dorp St. Lievens* 
Essche z*»gt men leeuw-werpen, Vgl. nog wapen of letter, wapen of munt, 
enz. hier en daar in N.-Nederland in g'^bruik (2). 

Onze uitdr. kruii noch munt hebben — Kr. n'avoir ni croix ni pile — 
schijnt zinloos, dewijl het kruisende munt de twee zijden vormen van 
een zelfde stuk ; doch, zegt Hozan, 270 vlg , • il faut se rappeler qu'il y 
eut une différence entre les louis d'or et les louis d'argent : dans les louis 
d*or, la pile était la têle ou l'efflgie du prince, pa ree que la croix 
^tait de Tautre cöté ; dans les louis blancs, au contraire, on appelait 
la tète du prince la croir, et 8esarmoiries,qui ëtaient de Tautre cóté la 
piie. PTavoir ni croix ni pile signifiait donc exactement n'avoir ni or ni 
argent». Zulks verklaart misschien dat bij Littré en Hatzb.-Dabm. 
het kruis gezegd wordt te staan op de « cÖLé oppose è. la face •. 

Juist gelijk nittiif eig. beteekent den stempel, die zich aan de andere 
zijde van het muntstuk bevindt, en daarna het muntstuk zelf, zoo placht 
men ook kruis in dien laatsten zin te gebruiken. Aldus vindt men bij 
Sart.-Sghrrv. pr. IV, 76 : lek hebbe by hem niet een kruis (Bij hem verge- 
leken^ bezit ik niets), en pr. X, 81 : Niet een ster, niet een kruys rijcker; en 
bij Hooft, Warenar, vs. 129-130 : 

« Want voor dieven is er adrs te halen niel een kruis. 
Daar is toch niet as de wint en spinnerach in huis ». 

Dat gold eertijds ook voor het Fransch; zoo zegt, in Molièrb's Mariage 



(1) Ook de Engelschen gebruiken nog heden: Cron or pile, 

(2) Zie De Cogk-Tkirlingk, Kindenpel, III, bl. 70-75. 



— 388 — 

forcé, de Zigeuner vrouw tot Sganarelle : « Tu n'an seu lemen t qu'& nous 
donner ta main avec la croix dedans et nous te dirons quelque chose pour 
ton bon profil • (1). Vgl. nog de Duitsche mnntbenaming Kreuier. 

De met een kruis geteekende munten werden oudtijds door het onwe- 
tende Tolk als geluksfetisen beschouwd, en dat geloof is nog niet gansch 
uitgestoryen. Voor menigeen bezitten nog heden de Italiaansche en 
Grieksche munten, door het kruis dat zij op de keerzijde dragen, een 
geheimzinnige kracht, en menig loteling uit het Land van Aalst, de 
omstr. yan Ath, enz., houdt zulk een muntstuk in de hand, terwijl hl 
met de andere hand zijn nummer trekt. 

Geen wonder dat die gelukaanbrengende munten eertijds doorboord 
werden en om den hals gehangen; alzoo is dat oude bijgeloof later op de 
yan gaatjes yoorziene geldstukken overgegaan, welk geloof nog immer 
onder het volk voortleeft (2). 

In zijne leerrijke Etudei iur la mythologie gauloise, p. 69, doet M. H. 
Gaidoz opmerken dat het kruis op de muntstukken het gelijkzijdige, 
Grieksche kruis is, en niet het Latijnsche, d. i. het kruis der Christenen. 
Hij ziet daarin een voorchristelijk zinnebeeld van de zon, voorgesteld als 
een vierstralig rad (8). Wat hier ook van zij, het chrislen volk heeft later 
in dat Grieksche kruis het heilig teeken der Verlossing gesien, er er een 
heilzame kracht aan toegeschreven. 

523. Ze zou het geld de munt afwrijven (nl. eer zij het uit- 
geeft = zij is heel gierig. — A.). 

Munt is hier niet muntituk, maar heeft de oorspr. beteek. : stempel, die 
zich aan de tegenovergestelde zijde van het kruit bevond ; kruis en munt 
waren toen de twee zijden. Do uitdr., gehoord te Lebbeke, luidt er ook : 
Ze ^ou het geld den kop afwrijven^ Vgl. Ze %ou een oordje in vieren bijten ; 
ook : een duitenkliever, enz. Zie mijn Spreekw. over de Vrouwen, III, n" 
484-489. 

533. Pond groot oi pond Vlaamsch. — Een beleefd woord (of 
Goeden dag zeggen), kost geen pond (H). — Hij is penningwijs en 
pond'ZOt CHij gaat van 't eene uiterste naar 't andere, en 
weet den middel weg niet te bewandelen. — H). Vgl. Dat is 
centen-wijsheid en guldens-domheid (H), en : Hij is oordje-gierig 
en sluiverhen-zot. Zie verder oord. — Van een pond vijf schel- 

tingen maken (H). 

Het oude pond groot of pond Vlaamsch, door het teeken £ voorgesteld, 
had een geldwaarde van 6 gulden, of 20 Bchellingen (eolidi), elk van 

(1) Molière, (Kuvret eomplètes avec let variantes Paris, 1834, se X, p. 311. 
(2; Volkikunde, VII, 177. 

(8) In do Nederlanden bestonden eertijds ook t kronon melter ionne », 
zooals Hofdijk ze noemt {Ons Voorgeslacht, V. 62), 



— 389 — 

13 grooten denarii). De zegswijze Van een pond vijl schellingen maken wijst 
dus op eene laak, die verlies geeft in plaats van winst, hetgeen de Vla- 
mingen nitdruklcen door : ne ituiver op een oordjo (of : op een zesken) 
brengen. — £r waren echter tweeërlei ponden : zware en lichte; een licht 
pond deed If of dO stuiyers, elk yan 5 cent. 

fi2i. Dukaat ; patakon. — Duiat^n^oud (van het fijnste ge- 
halte). Dukalenkakkertje («» 1. Een geliefkoosd sieraad of 
aanvuLsel in porselein- en rariteitenkast ; 2. zeker kinder- 
speelgoed, — Wdschat, 224). — Er gaat niets boven oude 
vrienden en oude dukaten. Fr. Vieux amis, vieux icus. 

De dukaat is een Oudholl. gouden nmnt (1) yan iongeyeer 5.5/; de 
zilveren dukaat of HoU. rijksdaalder = 2.50 f. — De patakon was een 
Spaansche zilveren munt, ter waarde yan 2.50 /. Beide muntnamen 
leven nog voort in den Vlaamsehen volksnaam eener tuinbloem; de 
Iberii umbellata L. (Fr. Thlatpi des jardinierê) namelijk heel bij De Bo 
patakon» alsook dukaat. Joos (Idiot.) en Paqüb (2) geven voor die plant 
eveneens den naam patakon. Dit laatste woord heeft thans in den volks- 
mond nog andere beteekenissen : 1. « Een kalken «chijf» ook schild 
genaamd, die gebakken wordt in de bovenkorst van een vollaard », d. i. 
een koek brood, meest gebruikt op nieuwjaarsdag (De Bo); — 2. schijf 
yan eene peen, pastinaak, enz. (T. en R). Dukaat, uit Ital. dueato, van Lat. 
ducatue = Fr. duché\ oorspronkelijk, eene munt door de hertogen of dogen 
van Venetiè geslagen (Verg. Etym. Wdb., en Hatzf.-Darmest. ; zie ook 
ald. patakon, Fr. patagon), — Bij onze yolksdichters treft men den dukaat 
soms nog wel eens aan; aldus bij J. yxN Ruswijck, in zijn gedicht Aan 
Louii Napoleon : 

« Dat 's yer yan fransch te willen wezen, 
Gelijk gij in uw schriften praat. 
Ik wenschte wel voor een dukaat 
Dat ge in ons hart eens kondet lezen ; 
Daar staat in 't neerduitsch ingeroest: 
Dat Satan ze allen halen moest. 
Die hier uit Frankrijk over kwamen, 
Om België in te palmen, — Amen. (3) » 

525. Kroon. — Die kronen winnen En stuivers wagen, Die 
zijn bevrijd voor zware slagen (Gats; ook in Duik, '99). — Hij 
kent de waarde van eene kroon (of van een daalder)^ die ze van 

(1) Er waren ook Vlaamsche dukaten (Hofdijk, Ons Voorgeslacht, V. 61). 

(2) E. Paque, De Vlaamsche Volksnamen der planten. Namen, 1896; 
bl.285. 

(3) Polit. Zweepslagen, bl. 50. 

19 



— 390 — 

een ander leenen moei (H.). Beier een leggende hen dan een 
liggende kroon (G. T.). Die een bruid (of huwelijk) aanmakelt^ 
krijgt een kroon haalstergeld W (Wie verliefden aaneenkop- 
pelt, krijgt een kroon drinkgeld. — J.). 

De gouden en zilveren munten, die men kronen noemde» en waarop een 
kroon stond afgebeeld, boden een groote verscheidenheid aan; men vond 
ze in een aantal gewesten en ze bostaan thans nog hier en daar (2). In de 
eerste jaren der regecring van Keizer Karel bestonden hier Vlaamsehe 
kronen van Sf; de Holl. Statenkronen (in 1577) deden 2 f; vandaar dat men 
de in 1681 in omloop gekomen tweeguldenstukken ook kronen noemde (3). 
Ook in den kindereed is de kroon bewaard gebleven ; zoo bevestigen o. a. te 
Herdersem(bij Aalst) de kinderen en jongelieden hunne woorden door dit 
eedformulier : « Als 't niei waar i», mijn kop af en een kroon aan de kerk », 
of wel « duizend kronen aan O, L. Vr, {van Halle) «. Men vindt ze insgelijks 
terug in dit spotrijmpje op de baardsoheerders : 

« Naart, Naart, 
Scheert mijnen baard ! 
Scheert hem schoone 
Voor een krone I 
Scheert hem net 
Voor een plaket I 
Scheert hem rond 
Voor ne verkensstront t » 

(Nevele en Gent) (4). 

526. Daalder, — Het is vetpot, zei de jongen, mijne moeder 
heeft een daalder gewisseld (H.). Ik heb geëten als hadde ik *nen 
daalder verteerd (Veel en wel gegeten. — Te Gent, zegt Sgh. 
Bijv.). Een goed begin is een daalder waard (Is veel waard. — 
V. D). Ik zou het voor geen houten daalder willen {ScheTtseni 
gezegd, als men niet gaarne zou willen dat het gebeurde. — 
V. D.). Je benne 'en schat van duizend daalders (Gezegd tegen 
iemand (of iets), die(n) men heel lief vindt : een kind, een 
hondje, enz, — Boe.). Dat is de rekening van Marrie-boom : 



(1) Rondom Aalst zou men zeggen : Die een huwelijk aaneenmakelt, 
krijgt,,, nteertgeld. Te Helmond spreekt men van hnlfstergeld en iee'getd, 
doch enkel bij den verkoop van koeien en paarden (Volkik., III, 157). 

(2) Zoo is in Zweden de munteenheid de zilveren kroon (=s 1,40 frank). 
(8) Zie Wdschat, 587, en Henne, Hint. de Charlei-Quint, V . S45. 

(4) Volkskunde, 1, 288. Te Gent is 't « een groote, dikke peerdestront •, 
en Naart heet er « Jaspaard » (=3 Gaspard). 



— 891 - 

S X ii is'en daalder en *en sMkie voor de haalder (Gezegd als 
iem. in zijn nadeel rekent. — Boe.). 

Marie (hetzelfde als Bfarij) Boom zal wel een bestaand persoon gewerst 
zijn (Bob). De daalder (1) is een OudhoU. munt van f 1.50 (80 stuivers), 
nog als rekenmuni gebruikt. Bij uitbr. heeft het woord in den volksmond 
ook andere beteekenissen gekregen : 1. volksnaam (ook deulder uitgespr.) 
van de Camelina nativa Grantz, althans to Assche en in de omatr. 
(Paqubj; — 2. schijf van een npp«I, knol, wortel, enz. (V. D.); - 2 soort 
van gele aardappel; steeds in 't mv. (J.). Het leeft ook voort in daalders- 
plaaU (uitmuntende plaats. — V. D.). Daalder, uit Hgd. Thaler, d. i. 
Joachimsthaler, zilveren munt uit Joachim^thal in Bohemen (bpgin 
16« eeuw); vandaar nog Bng. dollar en ItaU talero (Vbrg. FAym Wdb,). 

Zie ook kroon en mijt, 

527. Aehleniwintig. — Daar bijt er me ien van achtentwintig, 
wie geeft er 'en daalder voor f (Als iem. door een vloo gebeten 
wordt. — Boe.). Vgl. Eene vloo in Maart Is een daalder waard 
(H.). — Niet voor een daalder, maar wél voor een achtentwintig 
(Als iem. het mindere voor het betere verkiest. — Boe.). 
Evenzoo : Jij neme ook 'en achtentwintig voor 'en daalder, of : 
Jij hebbe liever 'en achtentwintig as 'en daalder (Boe.). — De 
klop is f er op (Van een meisje, dat de 28 jaren voorbij is, 
zonder verloofd te zijn. — Mol.)» de dut is er opgekomen, 
{Wdschat, 225); ze heeft de dutte d'r op(Draaijer) zij heeft den 
dut (H. I. Lxv); zij is gedut (V. D.). Vgl. DutócA^/infli (Schel- 
ling met een dut). Zie n"" 531. 

De achtentwintiger, ook goudgulden, zeldzamer iilveren florijn en klapmuts 
genoemd, was een iilveren munt, ter waarde van 28 stuivers; in 1840 
werd ze buiten omloop gesteld. Dewijl er valsche achten twintigers uit 
de aangrenzende Duitsche gewesten het land binnendrongen, werden 
de echte stukken door de Staten van HoU. van een waarmerk voorzien, 
een stempelmerkje door het volk A'/op of dut genoemd. Ook in Friesland 
zegt men de klop tliet er op (Stoett, n» 1014), van een 2S-]arige jonge 
dochter, die door haar jaren gevaar loopt ongehuwd te moeten blijven; 
in Groningen beet het ook nog : 't I» 'n olie achtentwintig (Mol.). 

528. Gulden. — leder duizend gulden (of ieder stuiver (2) 
brengt zijn gierigheid mee (Hoe rijker men is, hoe gieriger men 

(1) Van de talrijke daaldersoorten bestaat thans nog : de Nederl, rijks- 
daalder (Fr. risdale, rixdale =/'2.ö0). 

(2) Bij ScHUBRu. : leder oordje, of: iluiverken. 



— 992 - 

wordt. — J.). Die den stuiver niet begeert, is den gulden niet 
weerd (J.); bij Harb. : Die een duit versmaadt, is den gulden 
niet waard. Vgl. Pas op de halve eenten, het worden guldens in 
den zak {R.). Zwaluwen in *t dak, Guldens op zak, ook.* Zwol- 
men onder 't dak^ Schellingen op zak ( Wqst op het volksgeloof, 
dat de zwaluwen geluk aanbrengen. — Voïksk.^ 1,82). Ook 
Ndd. (Holstein) : Wer en Schilling nich êrt^ krigt nummer einen 
Daler (EcK. 458). 

Da gulden, oorspronkelijk een gouden munt, heeft een waarde van 
100 eents en bestond yroeger ook hier te lande ; zoo vond men bier, ten 
tijde vin Karel V, Fifips-guldêtu en Caroltu^guldem {{), In Holland draagt 
de galden den volksnaam pop; volgens ter Gouw (Noord en Z,, Y, 171) is 
pop de schertsende benaming van de « Ned. nlaagd « die tot in 1800 op de 
guldons afgebeeld was. De hier aangewende overdrachtelijke beteekenis 
van pop is stellig Birgoensch (Zie Verc.i Etym. Wdh, i. v.). 

Uier volgt een HoU. volksrijmpje met de namen van een drietal onde 
munten : 

« Ik wou wel om een gulden. 

Dat mijn haartje krulde. 

Ik wou wel om een daalder. 

Dat ik was wat schraalder. 

Ik wou wel om een ducaton (2), 

Dat een vrijer naast mij 8ton(d). » 

BoBKKNOOGEN, Rijmen, 69. 

Vgl. Dui*endguldenkruid (Erythrata Centaurium Pers) en zie Pond groot. 

529. Klinkert, klinkaart. — Zie zoo, zei mooi Anneken [toen 

zij zekere zonde gebiecht had), daar ben ik voor een klinkert weer 

af (W.D.). 

Klinkert =sonde munt van 18 stuivers; bij Kil. echter (Rekeninge van 
Aalst 1432) = 19 stuivers vlaamsch. Bij Hofdijk (Om Yoorgeil., Y, 62) is 
spraak van • Borgoens^'he schilden of Filips-klinkaarts ». 

530, Dertientie. — Hij loopt als een dertientje (Hij wordt 
bijzonder vlug en kloek. Gez. van iemand, die uit een 
zware ziekte hersteld is. — Wdschat). Hij is zoo vlug als een 
dertientje (R.). 

Het dertiênfje was een Zweedsche zilveren munt, uit de 18* eeuw, ên 

(1) Hbnnb., V, 845. Zie nog andere soorten van guldens bij Hopdijk, 
Ons Vo^rgeil, V, 62. 

(2) Dtieaton, oude zilveren munt, ter waarde van 68 stuivers. 



- 298 — 

deed het vierde van een Ned. rijksdaalder, d. i. 13 stuivers. Het dertientje 
ging, uit hoofde van ztjn kleine waarde, spoedig in een anders hand 
orer; daarop doelen borenstaande zegswijzen. 

531. Schelling. — Om den schelling gaan, of: naar den 
schelling doen, ook : den schelling verdienen (De allerlaatste 
zijn op Beloken Paschen om te biecht te gaan. — Rondom 
Aalst). — SchellUikie (Verkleinwoord; bij uitbr., in een 
schouwburg de laagste rang, waar vooreen plaats een schel- 
ling betaald wordt, dus de engelenbak. — V. D,). — In 
't jaar drie schellingen, als de boter zes weken gold (Aanvangsfor- 
mule van een Westvl. vertelsel), (l) Vgl. Dutschelling (Boven, 
n* 526). 

Schelling, (bij G. EysRABaT(2) nceüyngh geschreven ; Hgd. Schilling, 
Eng. sAt/Zifi^A; waaruit Fr. eica/tn) was een Oudned. zilveren munt 
van 6 stuivers of 3i) cent (althans de Ylaamsche schelling). In oude 
rekenboeken vindt men ook schelle, voor schelling, evenals penne, voor 
penning (Loq. Il, 41. Zie penning). De schellingen waren velerlei ; de 
oudste, de roosschellingen, in 1601 geslagen, vertoonden op de keerzijde 
een rijk gebloemd kruis; een jaar later sloeg Nijmegon arendsschtüingen, 
die een arend droegen ; omstreeks 1670 kwamen de scheepjesschellingen, 
en de hoedjesschellingen, de eene voorzien van een oorlogsschip, de andere 
vaneen leeuw en een vrijheldshotd; de stalentcheliingen (voor 't eerst 
in 1673) droegen een raiter(3). En van waar mag de i.aam permissie- 
schelling, voor onze Brabantsche zesst ui versstukken, wel komen? De 
verklaring ligt ongetwijfeld in dit alinea, door J. Clabruout getrokken 
uit het rocommandatieboek der kerk yan Pitthem (Palmzondag 1306) : 
« Alle de gone die van desen vasten vleesch geöten hebben en de 
versogte onsen vaders en weestgegroets niet gelesen en hebben, moeten 
gedeurende de goede weke hunnen permissienschelling in den block 
steken(4). » 

Zou men het Westvl. schelling mande niet mogen verklaren door : 
mand, die men kou koopen voor 1 schelling? Die muntbemaning leeft 
ook nog voort in een populai ten plant naam 5cA«//iiip«irtitd (/^cfroc^am 
MorsusranaeL; Fr. gemeeni. Petit-Nénuphar. — Paqüb) ; alsmede in e«n 



(1) Zie G. Glabrboüt, Sprookjes en Verhelen uit het Thieltsehê, blz. 8. 

(2) 5^e/en va» Gorn. Evjerabrt, blz. 173. Voor de etymol. van 
schelling, zie Vbrgoullib, Elym, Wdb. 

(3) Zie Wdüchat, 1043, en Vragen v. d. dag, XIV, 527. 

(4) BwAtof/", Vil, 48. 



— 994 — 

kinderrijmpje te Antwerpen (en omstr.)» bij t ophalen van Paascli- 
eieren, in ge}}rnik; ik geef enkel 3 regels : 

'i Eerste jaar 'nen penning, 
't Tweede jaar 'nen schelling, 
't Derde jaar *nen pond koek(l), enz. 
Zie nog Boeksnooorn, Rijmen, 69. 

De zegswijze om den ichelling gaan troffen uij alleen aan rondom 
Aalst. Hier en daar in West Vl. heet dat : den blok sleepen, den inktepot 
indragen, en hij, die den ichelling verdient, is dan de bloksleeper{7l), In het 
Hageland en 't Haspengouw zegt men : te biechten gaan gelijk de molders, 
voor: met de molenaars te biecht gaan, d. i. den laalsten dag (Beloken 
Pa»chen), wat evenwel niet gansch hetzelfde is, want slechts éen 
persoin kan den schelling verdienen. Ook in Opper-Bretanje —dit zij 
terloops gezegd, biengt men de molenaars in yerband met een late 
paaschbiecht : Beloken-Paschen heet « Ie jour des meuniers, i en wie 
eeist dan te biecht gaat, < fait scs p&ques avcc les meuniers(3). i Ook te 
Eename en te Zelzate heet het : Hij doet mee met den mulder. 

Zie boven n»» 523 en 588. 

532. Plaket. — Hij gaat alsof hij de plaketten moest afroepen 
(Gez. van iem., die haastig gaat. — De Bo en Loq, XI, 
46). — Hij spuwt plaketten, of : halve franks (Van iem. die 
hevigen dorst lijdt. — A.;. — Plakettenkruid, ook Judaspen- 
ning en Geld geheeten [Lunaria annua L. — Joos). 

Kei plaket (in onze streek onz.; bij Sch. m. en vr.; bij V. D, vr.) was 
een Luiksch geldstuk van 0,82 fr., dat nog niet zoo heel lang ia ver- 
dwenen, en waarvan de naam in den volksmond nog veel gehoord wordt. 
De Bo geeft een citaat uit Den bamn Penninck van pastoor Duyillers 
(Gent, 1851), dat ik overneem : • 't Is een fransche kroone, en de kroonen 
zijn afgeroepen (= door openbare afkondiging afgeschaft). Ja dat is een 
dingen van dat geldt Alles wordt nu a/^eroepen ; gouden gold, zilveren 
munte, willems, napoleons, engelsche souvereynen, fransehe kluyten, 
oostenryksche blanken, hollandsche dobbelkens en luyksche plaketten ». 

Het woord leeft ook nog in de kinderrijmpjes, zooals wij bij ons n» 525 
getoond hebben. Bekend is ook de strikvraag : 

c Durfde wedden? (of ; wetten 7) 

— Waarvoor? (= Voor hoeveel ?) 



(i) Van Vloten, 78. — Die « pond koek » (ook te Mechelen, Leuven 
en in Groningen) heet in 't L. v. Waas pomkoek (bij Sch. pompkoek), in 
WestVl. en rondom Gent lekkerkoek, rondom Aalst peperkoek, elders 
%netekoek. 

{2)Biekorf, IX, 287. 

(8) Revue des Trad. pop., XIII, 406. 



— 295 — 

Voor zeven plaketten, 

Dag'uw neus op uw gat nie en kunt zetten. » 

Het « plaketten-spawen » van een dorstige, waarvan boven spraak 
is (1), vindt men eveneens in Frankrijk : « Gracher du coton, cracher de 
l'étoupe, cracher de la fllasse (Bordeaux), oracher blanc, cracher des 
pièees de dix sous, pour designer un individu qui est tourmenté par une 
soif ardente(2) ». Ook Rabelais heeft: « lis ne faisoient que cracher 
blanc •. — Zie volg. n». 

Plaket, uit Fr. plaquette, verkleinw. van plaque, welk laatste uit 
Germ. (Ned. |>/aA; = schijf, enz., verwant met Mhgd. placke: onomat, 
eerst ^ slag. klets. — Vebc). 

533. IHamuize, hlamuizer (WestvL blamuxe). — Dat is mij 
geen blamuize weerd (De Bo). Hij spuwt blamuizen (Van een 
teringlijder, die fluimt. — De Bo). 

Vgl. Dat iê geen duit (of geen cent) waard ; ook n» 581. 

De blatnuUe was, in Zuidned. streken, een oud keizerlijk muntstuk, 
ter waarde van een plaket (z. Db Bo), dat, naar Laq, I, 73, meedeelt 
« bijkans aan al de West Vlamingen bekend is ». Blamuse komt bepaalde- 
lijk te Luik voor, en, aan den Duitschen Rijn, in de vormen blamüier, 
blomeUer en hlomeueer. Te Luik bet. biamuse ook een tlag met de hand, en 
die vorm kan ontstaan zijn, zegt het Ndl. Wdb,, II, 2779-2780, uit een Fr. 
woord, dat als plamu$e (ook plameuse, plamuêse) niet slechts in Noordel. 
dialecten bestaat, maar ook in de buurt van Lyon en oostelijker; de 
beteek. is : een slag (vaak in 't gezicht), en een soort van koek of panne- 
koek : wellicht is het hierin liggende begrip plak, als volksnaam op een 
geldstuk toegepast. Zie de belangwekkende studie van G. G. over dat 
woord, in Loq. I, kol. 73-80. 

534. Stooter. — Hij loopt (of kraait) als een haan van een 

stooter (H). ook : Stappen, ^om^ kijken als een haan van een 

stooter, of : als een stootershaan (Oorspr. : zich, in omgekeerde 

verhouding tot rang of beteekenis, tier of hoovaardig 

gedragen. Thans meest in den letterl. zin : trots en fier 

daarheen stappen. — Ndl. Wdb.,y. iSSS). Een stooterspondje 

(Koek van een pond, die een stooter kost. — Boe.). Vgl.Ndd. 

Oostfri.) He strüvt sich as'n Dubbeltjes Kluckhenne (Eek. 507). 

Stooter, een zilveren muntstuk ter waarde van '/« gulden of 12 '/s cents, 
dat in de 16" eeuw door verscheidene Noordnederl. provinciën werd 
geslagen. • Een stootershaan is in Frisland nog tegen St-Nicolaasfeest te 
koop. Hanen, paarden, koeien, ■ zoeteliefspareni, enz. van taai-taai 

(1) « De droge dronkaards speekelen plakketten », zegt Log. 1,80. 

(2) G. DB Mension AQ, Reckercfies ethnogr, sur la Salive et Ie Crachat, p. 40. 



— 296 — 

worden daar op de dorpen Terkoeht tegen den prijs Tan« een stooter » of 
« Ire-botzens » (3 botje$). (1) Naar het drietal plaatsen door het Ndl. Wdb. 
aangehaald, schijnt de spreekw. eerst voor te komen bij Wolpf-Deken : 
ft Toen keek hy zo» als een Haan van een stooter» of een Prins van Biesjes- 
deeg »(Uit: W. Lavend). 

535. Stuiver. Ugd.Siüber. Eag. stiver. — Een mooie stuiver 
geld (Een aanzienlijk sommetje. — V. D.). Een schoonen (of 
goeien) stuiver bezitten (A.). Een mooi stuivertje garen (Een 
sommetje besparen. — V, D.). Ne{ri) schoonen (of goeden) 
stuiver te verwachten hebben (J. en A.). Eén stuiver gespaard is 
er twee gewonnen (JX Een stront op 't land is een stuiver in de 
hand{J.). Op een stuiver niet zien (Niet te nauw zijn. — Sgh., 
R. en A.). Het is een stuivertje (of dubbeUje) op zijn kant (*t Is 
zeer wisselvallig. — V.D.). Je weet niet hoe een stuivertje (of 
dubbeltje) rollen kan (Hoe iem. terecht kan komen. — V. D.). 
7 Zijn die zeven (vijftien) stuivers, of vijf oordjes niet (Dat is de 
ware reden niet. — A., J. en C.-V.). Vijf oorden voor een 
stuiver geven (Meer dan 't behoort. — Sgh. en G.-V.) Een 
stuiver op een oordje of (op een zesketi) brengen; stuivers op 
blanken brengen; van stuivers blanken (of oordjes) maien (Door 
gebrek aan overleg de waarde zijner goederen vermin- 
deren. — ScH., D. B. en J.). Die tot een stuiver geboren is, 
wordt nimmer een dubbeltje (H.) ; die tot de blank geboren is, zal 
zijn leven geen stuiver rijk worden (G. T. en H.) ; die tot vier 
oorden geboren is, kan tot geen stuiver komen (R.); die voor 
't oordje geboren is, zal tot den stuiver niet geraken (C.-V. en J.); 
als ge niet geboren zijt om van ne stuiver vijf cents te maken, 
dan he-je dat niet (Wie arm geboren is, sterft gemeenlijk 
arm. — A.) — Bekend zijn gelijk ne kwa(d)e stuiver [ot gelijk 
de kwd penningen)^ ook : de kw4 duiten (Overal wel bekend 
zijn. — R., Sgh. en A.). Een valsche stuiver (Een trouwelooze 
vent. — G.-V.). Een vieze stuiver (Een kwant. — T. en R.). 
Een kniepstuiver (Een gierige vrouw. — Mol.). — Stuiveren^ 
afstuiveren (Betalen, afdokken. — Sgh. Bijv,, enLoq. VII. 95); 

(1) Uit een persoonlijk schrijven van Mevrouw Troelstra, waai voor 
ik haar hattelijk dank zeg. 



— 397 — 

stuiveren (vermeerderen in getal, sprekende van stuivers^ die 
men geeft of ontvangt. — D. B.); helstuivert genoeg, maar 
het frariki niet (er komen stuivers genoeg, maargeen franks. — 
D. B.). 

Een i/ttiVer, thans DOg in Holland een gangbare zilveren munt, ter 
waarde van Vs dubbeltje of 5 ceuts, deed eertijds 8 duiitH ofl6 penningen, 
in Brabant 9 oenliemen» en in dien zin hoort men bij 't Viaamsehe volk 
het w. stuiver nog dagelijks gebruiken. Op de Aalstersche markt wordt 
de prijs van boter en eiers nog algemeen met giildens, stuiven en oordjêê 
aangeduid; zoo hoort men niet zelden in den volksmond : de boter geldt 
*eiiie» en kalven, d. i. 16 '/s stuivers, wal gelijk staat met 1,50 fr. (het 
pond). 

' Vroeger bestond er ook een beiempjeituiver of pUUiuivêr, aldus 
genaamd naar den pijlenbundel (in de volkstaal een bezempje), zinnebeeld 
der zeven Vereenigde Gewesten, die er op afgebeeld stond. Zulke stuivers 
kwamen niet talrijk voor en daardoor kregen zij waarde als amulet of 
zoo iets, althauö in Friesland. Wie in 't bezit was van een bezempje- 
slniver en een vierklaver kon, als hij olie kookte met spelden en naalden 
er in, ren tooveres ontdekken en tegelijk pijnigen (1). 

Uet w. ilmver du^L bij Db Bo een tuinbleem aan, de lberi$ umbetlata L.,' 
ook dukaat en patakon geheeten. Zie boven, n** 524. Bekend is eveneens 
het stuiver kruid of penningkruid {Lysimaehiê Nummularia L ). Ook in een 
aantal samenstellingen leeft het woord nog krachtig voort : Tien stuiverM» 
gatt =s speurhond, geheime verklikker (C-V.); — iiuivarsd^oêje, in de 
uitdr hij ken wel in 'en stuiver sdoosie, gez. van iem.» die in grooteu angst 
zit, die zich zoo klein maakt dat hij wel kruipen kan in een doosje, 
bestemd om stniverljed in te bewaren. Vgl. duitsdoosje (Bos.); - verder: 
ituivergeld, stuiversbibliolheek of -magaujn (2), stuiverhposl*egel, stuivers- 
prent, stuiversschool, stuiver$»€reeniging,itiiivers^eepf (nz. bij Van Dale 
vermeld. Ik wijs nog op het kinderspel stuivery afwisselen, ten onzent 
vierhoeken, Fr. Le jeu des quatre coins. 

Bij onze schrijvers en in volksdeuntjes woriit de stuiver nog dikwijls 
aangetroffen. Zoo zingt Th Van Rijswijgk, in zijn gedicht De Kap maakt 
den monik niet : 

« Mondor wilde een weduw trouwen, 
Die een etuiver geld bezat (3) ». 

Ook J. Van Rijswijgk in zijn vers Verstanden Geld : 
t Want hij bezat geen stuiver^ 
En links en regts zijn broek vol schuld (4) ». 

(1) W. Dijkstra, Uit Friestanda VolksL, II, 170; Wdschat i. v. 

(2) Bekend HoU. tijdsehrift. 

(3) Th. Van Rijswijgk, Poëtische Luimen, bl. 74. 

(4) Jan Van Rijswijgk, Volkslust, bl. 15. 



— 298 — 

En in zijn Haringhistorie (Polii, ZweepiL, 114) : 

« Het vischje heeft geen waarde meer : 
ËeD ituiverf en nog minder » ! 

Zie nog De Gogk-Tbirlingk, Kinderspel, II, 40, n* xix. Spreekw. als : 
Die tot een stuiner geboren ti» tvordt nimmer een dubbeltje, enz., wijzen op 
het geloof aan fatalisme, dat nog yeel onder het volk verspreid is. Talrijke- 
parallellen zijn daarvan aan ie wijzen, ook in andere talen : Die tot de 
galg geboren is, verdrinkt niet. Die tot een koekoek geboren is, %al de horens 
niet gemakkelijk ontgaan. Wie met een kruis op de wereld gekomen is, moet er 
mee afgaan (A.)* Die een varken is, moet in het schot, enz. — Hgd. Wer als 
Schilling geboren ist, wird *um Groschen nicht geschlagen (Fri. n'' 3293). Wer 
*um Helter qemüntt ist, kommt nie aul den Groschen. Ndd. (Holstein) : Wat 
tom Schilling sldn is,wart nich lom Daler (Egk. 458). Wie rond geboren is, sterft 
niet vierhoekig, zegt de Italiaan. (R.-Düb.,I, n<^* 704-705;. 

Van ZBGasLBN heeft een gedicht, Het nieuwe Stuivertje, waarvan elkd 
strofe eindigt met : 

« Hij, die het stuivertje nieteert» 
Krijgt zelden galdens in zijn kas (1). b 

Zie boven gulden (n*» 528) en verder pond groot, kroon, blank, oord, 
iOiken en duit. 

536. Blank, blanke. — Die voor (tot) de blanke geboren is, 

en zal lol den stuiver niet komen (fi. d. Heerd^, IX, 184; D. B. 

en J.) Zie ons voorg. n^. — Beter een duit in de hand als een 

blanke in den kant (Zeker hebben is best. — J.). Bier een 

stuiver, daar een blank^ *t jaar is lang (Kleine uitgaven maken, 

saamgenoinen, op *t einde van het jaar, een heele som uit. — 

J,). Een halfblanksheer (Een kale heer, die zich het uiterlijk 

van den heer geeft of tracht te geven); halfblanksgezel of 

'knecht (die maar 7a blank of 3 duiten waard is); vgl. half- 

blanksjuffrouw of -madam ^ halfblanksfilozoof, enz. (Ndl. Wdb., 

II en V.), 

Blank, iu Mnl. blane, blanke (Vf.rdaii), in West-Vl. thans nog als blanke 
bekend ^ waarschijnlijk ontleend aan Fr. blanc=i wit; kleine zilver- 
munt — had een waarde van 6 duiten of 3 oorden of 8 '/> cents. Uit 
verseheidene spreekw. hierboven en bij ons voorg. n» vermeld, blijkt 
duidelijk dsii de blank een kleinere waarde had dan de stuiver. Het woord 
leeft niet alleen voort in spreekw. maar ook in kinderrijmpjes : 

t Achttien stuivers en twee blanken 
Is een gulden, een graatseke min. 
In mijn hni zeken is 't goed dansen, 
£r is geen potje of panneke in. » 

{Volk en Taal, UI, 4). 

(1) W. J. Van Zeoqblbm's Kompleete Dichtwerken, bl. 8S-84. 



— 999 — 

« Juffrouw, geef mij een oordje, 
Juffrouw, geef mij een blank, 
Want het jaar is lang. • 

(Joos, Idiot., 400). 
c Breng voor our lief kindje 
Een lekker koekje mee. 
Een koekje Tan twee blanken. 
Ons kindje zal je bedanken. » 

(Vak Vlotek, 14). 

Ook bij onze dichters word het w. gevonden; aldus bij J. Van 
RiJSWiJGK, in zijn Volk$lu$t, bl. 13 : 

Hadde ik eens.... maar, ha., ba I wie ziet aan mijnen gank 

Of ik een pond bezit, een ttuiver, of een blank ? 

Bij Tuinman en Harr. Yindt ik o. a. nog een spreekw., die karakleri- 
8' lek is voor den vroegeren prijs der boter: Manneljel eet uw broodje 
droog : de boter geldt twee blanken. Men bedoelt waarschijnlijk 2 blanken 
per kop, d. i ler liter (1). Ziehier dienaangaande een kenschetsende 
plaats uit het Klein Gronykje van Lekohwatbr (2) : « Voorwaar t zegt de 
huisman : Een zeker man verhaalde my dat zijn eigen oom van Qraft 
gegaan was met een mandeken met 3*2 eieren en 8 kop boter, den Huigen- 
dijk langs tot Alkmaar» om zijne waren aldaar te verkoopen. En als hy 
weder lot Graft kwam, zijne waren wel verkocht, en 7 of 8 uren op den 
weg gegaan hadde, toen had hy gemaakt een stuiver voor de 32 eieren, en 
een stuiver van 8 kop boler, waarop zijne naburen tot hem zeiden dat 
zijne waren wèl verkocht waren. Het duurste dat ik wete is, dat men 
8 of 9 eieren om een stuiver kocht, en mijn vrouw verkocht onlangs een 
kop witte boter voor 3 blank. » In dien tijd (omstreeks 1600) betaalde 
men in een afspanning voor een maaltijd slechts een blank t (8) 

Zie nog kroon, plaket, ftuiver en duit. 

537. Kromstaart. — Kromstaartsbier (Een soort van gering 
of dun bier in Groningen, waar men kromsterbier uit- 
spreekt, en dat oudtijds een kromstaart de kan kostte. — 
V. D. en Mol.). 

Kromstaart y Mnl. cromttert, cronutaert^ crumttert, cromtier, enz., een 
kleine zilveren munt, ter waarde van Z groot (zie volg. n»); aldus genoemd 
naar den leeuw met een naar binnen kruUenden staart (Verdam, Mnl. 
y^db., III. 2128). 

(1) /iCop=:0,01 mud, en mtt(< =: hectoliter. 

(2) J. A. Lbeohwater» bekend Nederl. waterbouwkundige, geb. in 
1575, de eerste ontwerper van het leegmalen van het Haarlemmermeer, 
schrijver van het merkwaardige boek : Haarlemmer -Meerboek en van een 
kleine kroniek. 

(3) Hofdijk, Oas Voorgeil.^y, 282-288. 



— 300 — 

538. Groots grootje. — Al zijn schellingen zijn dertien 
grooten waard (De pochhans overtreft in alles den gewonen 
mensch, zelfs zijn schellingen doen 13 grooten, in plaats van 
12. _ H.)- I^ ^ocfU liever eenen puit vijf grooten en *k liete 
hem springen (Gez. om met kracht en schimp te weigeren iets 
te doen. — D. B.). Wie zijn wijf verliest en vijf grooten: 't is 
jammer van 7 geld (G. T.). Fr. Qui perd sa femme et cinq sols^ 
eest grand dommage de Vargent (Gotgrave, French dictionary, 
1650). Celui qui perd sa femme et quatre liards est plus pauvre 
d'un sou (Rolland, Var.). 0). 

Groot(e), Mndd. grote. Eng. groatp MdI. groot, groiie, grote, - een 
muntstuk dat niet altijd, noch overal dezelfde waarde had, en gemiddeld 
•/, stuiver deed, — is het bnw. groot, lelfst. gebr. als benaming van een 
muntstuk; vgl. Hgd. Groschen, Fr. gros, alaook Mlat. êolidus (waarvan Ital. 
toldo, oudfr. «o/,Nfr. wi*) voor: groote, dikke penning.Vgl. nog onze uitdr. 
grof geld, groot geld. — Tot in 1814 bestond in Vlaanderen een stuk, 
genoemd vijf-grooten of vijl -grootenare (2). 

De bijzonder vaak voorkomende Vlaamsche groot (of gi'ool Vlaamêch) 
was '/40 van een pomd Vlaamsch^ dat oorspr. een waarde had van ongeveer 
een hedendaagschen gulden ; toen later het pond Ylaamsch een waarde 
kreeg van 6 /*., kwam de gewoonte op om den voornialigen groot aan te 
duiden met het verkleinw. grootje (Nul. Wdö., en Vbrdam, Aïnl. Wdb. i. v.). 
Zoo zegt ïrijn Ratels in W. D. Hoopt's Jan Saly: 1 Niemet wil van 
't grootje M (= Niemand wil van zijn geld scheiden)(d), en in Bredero's 
SpaaMche Brabander, vss. 1784-1786, zegt Byateris : 

« Daar verwijt hy de schrabbelaars en de penlickers, dat 
Het sondt en schandt is, dat sy nemen een grootte voor 't bladt 
Van erf-goet of inventaris.... • 

In de sprc^ekw. Met grouen en grooten krijgen (Veel eu groote aalmoezen 
krijgen), denkt Joos het oude muntstuk terug te vindtin.doch ten onrechte» 
meen ik; mij dunkt dat men voor de verklaring wijzen mag op uitdr. als: 
grof geld; groot geld; mei halven en g^heelen weggeven; met den grooten 
verkoopen, 

In de volkstaal te Leiden, is de uitdr. tri;/' yroo( (voor 2 >/t etui ver of een 
stooter), thans nog gebruikelijk; en Vsrdasi vindt dat groot, als ren zeer 
geschikte benaming voor het tegenwoordige Aa/ve<lutfer</ttA:( in HoU. soms 
groote cent of t^iertfuiYi^uAgeheeten) het verdient daarvoor weder ingevoerd 
te worden. Ons vijteentiemenstnk heelt een aantal volksnamen : halve 
kluit, halve iluiver, half kloemp, halve sou of ijou (Vlaand. en Brab.); halve 

(1) E. Bolland, Variétés bibliographiquee, p. 84. — Voor dergel, 
spreekw. zie mijn Spreekw. over de Vrouwen, bli. 1-8. 
&) Rondden Heerd, VIII. (Bijblad, 31). 
(3) Van Moehkerkbn, IfdK KluchUpel, bl. 116. 



— 801 - 

8(i)ou, halve ioiot iolleken (Ant.); halve kloet (Waas); knapke, ook kldpke 
(Limb.^ althans te Hasselt). Blijkens dit kinderdeuntje, zegt men te 
Denderleeuw ook halve fjoeter : 



■f f r* 



-ft- 



:ff=tii*=ffn:^ ':E^~i^ 



-y^—y^— j^- 



t^— i^—fci^— i^- 



Sjim, sjiiD, fa - ioc- ter ken, mijn moe-der hoe mij ver kocht Al 



z:fii:ixz:j^z(s: 



:ï^q 



,«^r — nV 



:£: 



it 



ö^ 



Yooi* nen hal - ve(fi) ijoe ■ ter, om - dat ik nie en docht. 
Zie verder ons n» 528. 

539. Botje bij botje leggen (Ieder zijn aandeel te zamen bren- 
gen, gezamenlijk de kosten der vertering dragen). Een botje- 
bij botje, of : een botje-bij-boijes-maaltijd (Een pic-nic, waarbij 
ieder zijn aandeel spijs en drank in natura meebrengt. — V. 

. D. en mi. Wdb.): Ndd, (Westf). Butke bi Butke (Egk. 68). 

Dotje^botken o( bulken, een oud zilveren muntstukje» meestal ter waarde 
van een yroor of 1/2 stuiver, doch niet zelden vertchillend volgens het 
Ndi. gewest. Botje is het verkleinw. van Mnl. bot, een verkorting van 
baldrager; 4it zilveren muntstukje uit de middeleeuwen, meestal gelijk- 
staand met 1 stuiver of 2 groot, werd aldus gehee ten, omdat de voorzijde 
een zittenden leeuw vertoonde, wiens kop bedekt was met een gesloten 
helmkap eenigazins gelijkende op een botte, anders gezeid op een but of kit, 
d. i. op een houten vat, den drank inhoudende voor de dagelijksche 
behoeften van 7 man (scheepsterm). Dus : botfe = 1/2 botdragar. Ook bij 
onze dichters vindt mende 8preekw.,o.a.in dit Br ag laantje van TenKate, 
door D' Muller io 't Ndl. Wdb, aangehaald : 

Eens nog voor *t laatste, mijn zoetste Gharlotjen t 

Ik heb mijn glorie, en gij hebt een potjen.... 

Niet dat ik d&drom... want geld is maar lak f 

Maar 'k wil maar zeggen : Gooi botjan bij botjen — 

Of... ik verdrink me — > in een half jen conjact 

540. Oord of Oort; oordfe of oortje. — Reken en tel, zei de 
vent (of man) en hij gaf zijn vrouw een oordje [Duil en A.). Een 
oordje gespaard is een oordje gewonnen (Duik), 't Is bij hem : 'en 
woordje om 'en oordje (Als iem. weinig zegt. — Boe.) Wees 
mijn gek eens voor een oortje, dan zeUje twee duiten zien (Tegen 
iem., door wienmen voor den gek gehouden wordt, gezegd, 
om te toonen dat men dit bemerkt. — Boe.) Dat gaat gelijk een 
fluitje van een oordje (J. en A.), of van een duitje (Gez. van al 



~8oa -- 

wat gemakkelijk gaat. — J.) Dat U ne frank (dezen of genen 
prijs) waarde gelijk nekoek een oordfe ('t Is dien prijs ten volle 
waard. — A.), of : als een ei een oordje (Ndl. Wdb, XI. 77). 
Tegen of voor een oordje U voer (Een groote hoop voor zeer 
kleinen prijs, d. i. overvloedig. — D. B.) Ilij kijkt of hij zijn 
laatste (of %ondags)oordje versnoept had (Verlegen. — H. en 
V. D.) Geen oordjes, geen mastellen (Geen geld, geen waar. 
Vooral in Kl.-Brab. — Ndh Wdb.) Hij heeft oordjes, of oo(r)den ; 
die lü^^^ Mn oordje* (Heeft veel geM. — A.); hij en heeft geen 
oo[r)den (Sgh. en A ); het oordjen hebben (G.-V.); daar xijn 
oordjes; daar zijn oordjes bij (Diar is geld, nl waar sprake is 
van een goede partij. — Pfdl. Wdb. en A.) Klappen (of pralen) 
zijn geen oorden W (Praatjes vullen geen gaatjes. - Loq. 
XII. 61; C.-V. en A.); want indien klappen oorden waren, ik 
klapte mijn zak vol (/Vdl. Wdb.); dat praten ooden ware, 't zou ' 
mijn hoofd in nen zak steken en pralen totdat hij vol is, of : dat 
klappen ooden ware, *k klapte g" heel den nacht [Loq. XII, 61); do/ 
klappen ooden waren^ dan hadde ik er veel, zei de Hollander of : 
daar ware geen geld te kort{J.) Klappen zijn geen oorden, maar 
zingen is geld, zei de koster (C.-K. Aanh.) Woorden en zijn geen 
oo(r]den {Loq. en A.)Koor het oordje zijn (Geldzuchtig — D. B. 
en A.) Achter de oordjes zitten, of stekken (Er gretig naar zijn. 

— D B.) Een oordjestekker (Die geweldig achter 't geld zit. — 
Loq. XI, 77 ) Oordje-zeker (= 1. lem. die niets waagt zonder 
zeker te zijn van zijn zaak ; 2. die met afgemetenheid spreekt 
en handelt. — C.-V.) Oordje-zeker spelen (Zijn geld slechts 
in soliede zaken steken. — Ndl. Wdb. en C -V.) Oordje 
gierig en stuiverke zot (Gierig in kleine dingen, mild in 
groote. - Volksk., XIV, 145). Vgl. boven n» 523. — 
Jly zou een oordje in vieren^ of in tweeën bijten, klieven 
(Hij is vrekkig. — V. D. en Ndl. Wdb.); een oor dj espletter, 
oordjesplijter D; B. en Loq. XI. 13); oordjes- bijter (Ndl. 
WdJ}. XL 104). Vgl. Fr. Il couperait un Hard en deux. 

— Op een oordje dood blijven ; een oordjedood (Gierigaard. 



(1) Oordem luidt dikwijls ooden, met weglating der r {Loq. XII, 61). 



— 808 — 

— ScH. Bijv., C.-V., J. en V. D.); oordjedood spelen (Doen als 
een oordjedood). Altijd een oordje in de schaal te leggen hebben. 
(Altijd iets te beknibbelen vinden. — D. B,); ook een oordje 
in 7 scholletje te leggen hebben (Recht van medespreken hebben. 

— R,)- Vgl. Een oordje, of een duit in 7 zakje doen, om er een 
schelling^ of een oordje weer uit te halen (H. — Zie Stoett, 
n*»425). Hij is precies een oordjeskeersken{meLgGr en bleek. — J.), 
Gaan gelijk een oordjesdie f [Zeer snel. — J.) Zijn geld smelten in 
een oordjespanneken{Yerkwisten.^ J.) Goede ykwade oordjes; een 
blind oordje (Met afgesleten beeldenaar). Gekaid zijn als de 
blinde oordjes (J. Schatten, 17). Overal te vinden xijn^ gelijk de 
slechte oordjeê (Ibid. 27). Vgl. Bekend gelijk de kwd penningen^ 
gelijk de kwA duiten. — Om een oordje wedden \Pm een niets. — 
V. D.) Geen oordje, otgeen duit waard (Niets. — V. D.); geen 
vierde van een oordje wqard (D. B.). Vgl. Fr. Cela ne me vaut 
pas un patard (of un liard). Voor iets geen oordje, geen cent^ of 
geen duit geven (Alg.). Vgl. Fr. Je n'en donnerais pas ün patard 
(of un Hard), li geef geen oordje, of geen cent voor zijn leven 
(Van iem. die in stervensgevaar verkeert. — Ndl. Wdb. en A.) 
Hij ligt daar voor een oordje thuis (Heeft daar weinig te zeggen. 

— V. D ). Dat kan me geen oordje schelen (Geen zier. — V. D. 
en rni, Wdb.). 

Voor de samenstellingen, waarvan ^rscheideno algemeen, of bijna 
algemeen bekend zijn — als oordje^roodjet oordjesschool, oordjeskaarsjCy 
oordjes panneken, oordjettpiji, oordjeitini, %ondagiocrdj€ — zie men het Ndl. 
Wdb. 

Ëen oordje was een koperen geldslukje ter waarde van 1/4 stuiver, van 
2 negenmannekens of 1"^ mijten. De prijs van zekere waren — vooral van 
boter eneiers —wordt door ons volk nog gemeenlijk in stuivers en oordjen 
opgegeven : zoo geldt b. v. de boter soms 14 min een oordje, of 15 en een 
oordje (het pond nl. — A.). 

Ook in Van Vlotkk'b Kinderrijmen, bl. 32, vindt men die rekenwijze 
terng (voor den prijs van den viseh) : 

« Vrouw (een vischvrouw), hoe duur is *t zootje? 

Vijf min een oor i je. 

Vijf min een oortje is nl te duur; 

Geef me dan een stukje vuur, » enz. 

Voor oordjeispletter, oordjeiifplijler vgl. men splijtmijle en duUenklierer. 
Zie m\]nSpreektv. over de Vrouwen, bl. 86, n«» 484-485. 



— 804 ~ 

Oordjedood, — Vgl. Ndd. D& bliew op em Penning düd (Ecx. 403). Dat 
voord is eveneens bij onze dichters te vinden; aldus in Fr.db Gort's 
gediciitje Van den Lappen 

t Hij was voorwaar geen oordjedood 
Als sommige rijke heeren, 
Maar wat hem wekelijks overschoot, 
Dat ging hij niet verteren (1). • 
O&rdjetkeenken, — Als 't kermis is, vragen de kinderen te Antwerpen 
geld a<in de voorbijgangers en dit heeten zij vieren. Zij zingen, terwijl ze 
meegaan, totdat ze iets krijgen : 

a Een oord jen om te vieren, 
Da gaat me(t) goei manieren ; 
Schiet eens in uwe(n) zak, 
Da gaat me(t) goe(d) gemak, n 

Voor de rondgehaalde centen worden oordjeikeerskens gekocht, die dan 
in wat zand gezet en aangestoken worden. De kinderen vormen daarna 
een kringen dansen hand aan hand rond de kaarsjes (Gorn.-Yervl., 1872). 

OortJetnageL — Nagel die zwaarder en langer is dan een duitnagel en 
een oortje kost (J.). Zie duii. 

Oordjeitêk. — Voor dat kinderspel, zie men Db Gogk-Tbirlinck, V,91. 
(Marbelspelen). 

Ook in een aantal kinderrijmen leeft het oor(//e nog voort ; zie o. a. Boe- 
KKNOooflN, Rijmen, 16. 29; Van Vloten, 52, 64, 65, 69, enz ; Joos, !diot , 
400; TuERL., 412, enz. Bij onze dichters eveneens ; zoo bij Van Zbogblbn, 
1« dl., bl. 84-85: 

.... c Ik wed om een oortje 

Dat je de meiBjes vandaag niet ontsnapt. » 

2iie verder pond groot^ gulden, êtuiver, blank, zeekeüp negenmanneken en 
duit. • 

De oorspr. beteek. van oord was in alle Ondgerm. dialecten : ipHê eener 
speer; nit de beteek. êpits, punt, die geleidelijk overging in die van 
(uit)eindê, grem, rand, kant, ontwikkelde zich de beteek. hoek, die leidde tot 
die van plaati. Nu, een toepass. van de beteek. hoek is oord = 1/4 van een 
munt, hieruit ontstaan, dewijl er in de middeleeuwen talrijke munten in 
omloop waren, door een kruis in vier oorden^ d. i. in vier hoeken verdeeld. 
Zie boven, n« 521 (Verg., Elym. Wdb., en W. de Vrbbsb, in Ndl. Wdb. ook 
Verdam, Mnt. Wdb., V. 2008-2014.) 

541. Zesken. — Een stuiver op een zesken brengen (D. B. en 
ScH.) Zie boven, n« 534. — Plat gelijk een zesken (Zeer plat; 
b. v. iem. zoo plat slaan als een zesken.(Fig.) Zeer eenvoudig 
en gemakkelijk te verstaan. — D. B.). Ontvangen met een 

(1) Liederen van Frans db Cort, bl. 40. 



— 305 — 

oardje en een zesken (Met kleintjes in eens. — Sgh.). Xoken 
moet kosten, zei 7 begijntje^ en ze deed een zesken boter in de 
panne {Duik, '89j. 

Ben %e»kê(n) of %esje was 1/8 iiuiper, en stond duB gelijk roet 1/2 oortje 
of een duit ; het Vlaamsche *eikenéeed Smijten (vandaar de naam), terwi]! 
het Brabantsch negenmanneken 6 mijten deed. 

Ter verklaring van de spreekw. Daar it kwaad geld bij, haalt E. Poll 
in Taal en Lelt, XIII, 136, deze plaats aan het Van Paffbnrodb's Hopman 
ülrich ! 

c Ja om een quaad uije tonden wij malkanderen heele emmers bloed 
aftappen. ■ Dat bet. : een teeje schuld (bij De Bo 'ib kwaad (/e/d = ontleend 
geld, schuld), en de heer P. merkt hierbij op, dat te kwaad ujn vroeger 
beteekende: schuldig zijn. In heel 't L. v. Aalst wordt de uitdr. te kwaad 
itaan in dien zin nog dagelijks gehoord : • hij staat mij van over zes 
weken ne frank te kwaad. • 

Volgens Sgh. geeft men in Oost-Vl. (waar?) den naam iesken aan 
« zekere waterplant met een klein rond blaadje en klein worteltje, dat 
's zomers in menigte op vaartenen rivieren drijft. • Hoogst waarschiji- 
lijk bedoelt hij het Eendenkroot {Lentille d'eau), hoewel dit kruidje in stil* 
staande wateren thuis hoort. 

Ook in een Brugsch kinderrijmpje leeft het oude muntstuk nog voort: 

Jantje uit 't Zakstje 
Met zijn gelapt ka zakstje, 
Hij had nog een frankstje 
Gewonnen met ze spel. 
Hij placht te loopen 
Om koeken te verkoopen. 
— Wie koopt me restje? 
't Zijn al koeken van een «e<;>(l). 



Zie de twee volg. nummers. 

542. Negenmanneken, negenmenneken. ^ Ze is zoo gierig dat 
ze een negenmenneke (of : nen halven eenl) in tweeën zou bijten 
(A.) Op een negenmenneken dood blijven (Vrekkig zijn. — T. en 
R.) Zie boven, n* 540. — Dat is geen negenmenneken weerd 
(Sgh.). Ik geef er nog geen negenmanneken voor. Hij is geen 
negenmanneken rijk (Hoeüfpt). — Negenmannekenslint (Half 
zoo breed als oordjeslint. Aldus te Antw. — Volkskunde, 
III, 155). 

Het Brab. negenmenneken, geslagen onder Maria van Bourgondiö, 



(1) Dat rijmpje heb ik te dank«n aan mijn vriend D' M« Sabbs. 

90 



— 806 — 

Mazimiliaan en Filips den Schoone, was even als het Ylaamsche %esken 
en de Holl. duit, gelijk aan 1/8 stuiver, en deed 9 mijten Brabantsch (1) 
(vandaar de naam ; ten onrechte dus zegt Sch. dat hel negetimanneken = 
1/9 stuiver). Zie Coutumes du pays et duché de Brabant Bruxellet (in Ndl. 
Wdb. XI. 76), alsmede Db Jaoer, Lat. Vcac^., 66 en Vbrdam, MfnL Wdb,, 
op negenmannekijn^ waar ook mannekijn als muntbenaming voorkomt. 
Vroeger bestond in Holland voor den halven groot ook nog de volksnaam 
mager manneken (2), en V, D. spreekt van een baardmannetje (= f. 0,80). 
Dergelijke volksnamen voor zekere kleine munten kende men eveneens 
in de Rijnlanden (Elberfelcl, Keulen, Aken en omstr.); d&ar heette het : 
Kattemdnnken (of kastemdnmchen, ook Kassemdnneken), Fettmdnnken en 
Pelermdnnken (of Pater manneken). Het w. manneken wijst gemeenlijk op 
het afbeeldsel van den vorst; men denke ac^n den Holl. gouden willetn (3), 
de Holl en Eng. souvereinen, onze carolus^ en /ilipsguldens, de Fr. 
napoleon*s en louis^ enz. Het Petermanneken herinnert waarschijnliji^ aan 
den tijd^ toen ook heiligen (hier een H. Petrus) op de muntstukken voor- 
kwamen, terwijl met het Fettmdnnken wellicht een lijvige, welgedane 
nartsbisBchop uit de Kijnprovinciên wordt bedoeld. Het ka$te of kaft$e 
dier muntnamen wijst daarop, dat die munten in de Pruisische 
belastings- of postkassen aanvaard werden (t). 

543. Duit. - « Reken en tel », zei de man, en hij gaf zijn 
vrouw een duil{A.) t '/ Is vet •, zei Montens, en hij gaf een 
duit iC-V.). Een duit gezocht en een oordje verloren (Een kleine 
winst nagejaagd en een grootere prijsgegeven. — Sart. 
Sghrev., sec. VI. 30; G. T. en iVrf/. Wdb.). Die een duit 
versmaadt, is den gulden niet waard (H.) Vgl. Hgd. Wer ein 
Heller nicht ehrt, ist des Thalers nicht werth. — Die geboren is 
onder een duit planeet^ zal nimmer meester van een oordje worden 
(H ). Zie n» 585 en vgl. het Gentsche : Onder 'n goei sterre 
geboren zijn^ alsmede : geluksster en ongeluksster. Hij zou 'n 
duit in tweeën klieven^ of : in vieren bijten (Hij is heel gierig. 
— G.-V.). Een duitenkliever (C.-V. en 3.); een duitendief (een 
gierigaard. — V.D.). Vgl. Hgd. Pfennigfuchser ; Eng. Scrape- 



(1) Waar Van Dalb zegt : negenmanneken =s 6 mijten, doelt hij op het 
VI. iesken (zie ook Hbnnb, Hut. de Charlei-Quint en Belg,, V. 346.) 

i3) Vragen van den dag, XIV, 522. 

(3) In zijn gedicht Verstand en Geld, voert J. Van Rcjswijgk zoo'n 
gouden Willem handelend en sprekend op. 

Monatssckrift d. BergUchen Gesckickttvereins, ^erau8geg. v. Otto 
ScHBLL (Elberfeld), VI (1899), bl. li-16. 



— 807 — 

penny. Hij is op de duiten, ah de duivel op een zieltje (H.). Hij 
wil ook een duit in 7 zakje doen (Een woordje meespreken. — 
V. D.) Vgl. n« 540. Zoo plat als een duit, of : als een Hall. duit 
(G.-V.). Hij kijkt net als vier duiten (of : acIU dagen) slecht vd 
(Hij ziet zuur. —Boe.). Hijis mij geen duit schuldig (^ieis. — 
Alg.). Dat is geen duit waard (Alg.). Hgd. Das ist keinen Deut 
(keinen rolhen Heller) werth. Geen roó duit hebben, verdienen, 
kosten (Niets. — Alg.). Hgl. Keinen rothen Heller haben, Fr. 
N^avoirpas un rouge Hard. — Hij heeft duiten (Geld. — V. D.). 
Hoe zal tk aan mijn duiten komen ? (V. D) of : geraken ? (A.). 
Dat heeft hem een heelen duit gehost (M (V. D.); ook : dat heeft 
hem wat duiten gelcost ''Veel peld. — A.). Een spaarduitje. Hij 
heeft een aardig duilje opgespaard (Ken som gelds. — V. D.). 
Venus en Bacchus zijn rare guiten : Ze maken het hoofd op hol en 
plunderen de duiten (H.). — Duitje-op spelen (Kruis of munt 
werpen. — V. D.)C^). — Een kwd duit (Slecht befaamd 
persoon. — C.-V.). Bekend zijn gelijk 'n kwd duit, of: ne 
kwa[d)e penning (In een kwaden reuk staan. — C.-V.), 
elders : Gekend zijn gelijk de kwd duiten, of : de kwd penningen 
(Overal bekend zijn. — A.). Vgl. Ndl, Wdb., XI, 80. - 
Duitblad (Naam eener rondbladige waterplant, de Hydro- 
charis Morsus-ranae, L.) Zie n" 53 1 . 

De duit (MdI. doitt waaruit Hgd. Deut, Eng. doit) was een oude, HoU. 
muntsoort, die, evenals het negenmanneken en het ^eêken^ 1/8 stuiver deed. 
Thans wordt in N.-Kedl. het 2 i/2 centstuk nog vaak vitrduU4uk gehee- 
teo. Bij GoRN -Vervl. en Joos is duit = centiem ; in 't L. v. Aalst is een 
duit een koppren muntstuk, dat gansch afgesleten of hier niet gangbaar 
is, dus zonder waarde. Ook Joos kent het w. in die beteekenis, welke men 
in *i bovenstaande spreekw. a H^ken en tel •, iei de man, enz. eveneens 
terugvindt. — Naast de reeds opgegeven samenstellingen met duit, heeft 
men nog : dait»doosje (eig. een doosje, dat een duit kost ; het w. komt voor 
in de uitdr. hij ken wel in 'en duitidooêie. Zie n» 535); drteduitikors^e 
(bekend Amsterdamsch gebak. — Wdtchat, 2l5) ; duitenplatêr (iem, voor 
wien alles een geldkwestie is. — V. D.) ; duitjesnagel (nagel, die vroeger 



(1) Duit is in 't Land. v. Aalst vr., evenals bij Joos en Gorn.-Vbrvl. 

(2) De Gogk-Tkirlingk, Kindenpel, III, bL 69-75. 



- 808 — 

een duit kostte. — J.). In zijn Volktlust, bl. 50, heeft J. Van Rijswijqk 
ook duitenwrager : 

...En koster, vonWrouw — zelfti geen beeld, 

Dat, dan dien dag (rfe* ioopdag nL) de rol niet speelt 

Van loozen^duitenvrager. ■ 

In zijn welbekend Gebed b'J H openen der Kamers te Brutêel (Polit. 
ZweepsL, 38-43) vindt men duitendief mQQT in de eig. beteek gebruikt dan 
in die van « gierigaard v : 

« Als men er weer gaat disknteeren 
Of er geen vloot moet zijn of niet, 
Die 't kostbaar krnid verloren schiet, 
En voor die luije duitedieven. 
De burger in zijn lastebrieven, 
Weer opcentiemen ziett 

Ettelijke maleo, overigens, treft men iii beide, zooeven genoemde 
dichtbundels het w. duit aan, doch slechts éene plaats wil ik hier aan- 
halen {Potit, Zweepnl., 86), omdat men hier de nitdr. vindt : geen duit 3= 
geen zier, gelijkstaand met geen oord (n*" 540) : 

a Voor hoveling deug ik geen duit^ 

't Is waarheid wat ik zeg, 
Ik zou aan 't heeklen gaan misschien 
Wat mij niet aanstond — ge zondt zien 
De koning joeg mij weg. » 

Nog andere volksdichters, Fr. db Gort {Liederen, 8 : « Duiten hebben 
in den zak ■), Van Zbgoblbn, Booabrs, enz. maken van het w. gebruik. 
Ook in menig kinderrijmpje leeft het krachtig voort; aldus bij Van 
Vlotbn, bl. 6!^ in een nieuwjaarsliedje : 

c Moeder^ geef me een oortje ; 

Is 't geen oortje, dan is 't een duit. 

Morgen is 't Nieuwjaartje uit. > 

En op een andere plaats (bl. 38) : 

• Vader en moeder, mijn schrift is uit ; 
Verdien ik nu geen mooie duit? 1 

Ik wil nog eventjes herinneren aan het gezegde ; Wat ik er uit, ik gaf 
geen duit (ook door Pa. van Dutsb, 113, vermeld), dat aan een schipper 
wordt toegeschreven, die, zich in levensgevaar bevindend, luidop de hulp 
van O. L. Vrouw inriep en haar een wassen kaars beloofde zoo groot als 
zijn mast ; doch binnensmonds voegde hij er bij : Ware ik er uit, *k en gaf 
geen duit. 



— 309 — 

Ia de uitdr. elkaar op 'n duii gelijken, is op 'n duit eenvoudig een ver- 
bastering van op ende uit {op end* uit), evenals op en top (= geheel en al) 
een vervorming in van op ende op {op end' op). 

Zie verder : kruis, gulden, stuiver, blanke, oord en penning. 

544. Penning. Hgd. Pfennig, Eag. Penny m. — lem. tot 
den laatsten penning betalen (Geheel en al). Beter een penning ge- 
spaard, dan een gulden nutteloos verteerd (H.); een penning 
gespaard, is er twee vergaard (H.). VgL Eng. A penny saved is 
a penny gained. — Des pennings klank verdooft alle reden 
(Sart.-Sghrev., tert. III, 94), of : (des) pennings reden klinkt 
best (ld. id. en Gats). Vgl. Klinkende redenen, en : Voor 
klinkende munt heeft ieder open ooren (H.) i^). Hij is penning wijs 
en pond'ZOl (H.). Vgl. ons n' 523 en Eng. : Penny-wise and 
pound'foolish. Die een penning niet acht^ Krijgt over geen gulden 
fhachl (H.); die een penning (of een plakke) niet acht, wordt 
geen stuiverheer (3), of wordt nooit een guldenheer (G. en B.). 
Vgl. onze n" 528 en 543, alsook Ndd- Wei den Pennig nit 
ehrty ist des Thalers nicht werth (Egk. 403). — Hij is op den 
penning zestien (Hij is schraapzuchtig ; genomen, zegt Harr , 
naar de handeling van den woekeraar, die booge winst neemt : 
de penning zestien toch is 1 p. op 16 of 6 1/4 per 7o). Drinken, 
zuipen, vloeken, enz. tegen penning zestien op ;^ Geweldig drin- 
ken, zuipen, vloeken, enz. — G.-V.); hij drinkt tegen den 
penning zestien op (Penning 16, dat is een zeer hooge 
intrest, wijst hier op de hoogste mate van drinken. — H ). 
Vgl. Drinken tegen de sterren op (A.); liegen tegen de klippen 
aan (H.). Iets tegen den penning zestien verkoopen (Zeer duur. 



(1) De penny {pence) is de Bngelsehe stuiver. Zie V. Dale op pennyboot, 
pennymagatijn en pennypott. De Daiteehe Pfennig = I/IOO Mark. 

(2) Zie SuRiNOAR, n' 22. 

(8) Reeds bij « Campen > : Weel (wie) een pUcke niet en achtel, die en $al 
ghien stuuer heer worden (Mbijbr, ö). De plak(ke) is een oude Ndl. munt, 
waarschijnlijk van Ylaamschen oorsprong. Fr. plaque\ Spaansch : placa. 
Volgens Kil. was een Leuvensche placke = 1/3 stuiver; in Groningen 
daarentegen placke :a 1/6 stuiver, en een alg. Brabantsohe stuiver =: 
8 plakken. In 't Nederlandsch, op Guragao gesproken» is thans plak alge- 
meen gebraikelljk voor een stuk van 2 i/2 cent. Ook te Amsterdam nog 
bekend (z. Dr. D. G. Hbssblino, in Tijdechr. v. NdL T. en Uit. XXIV. 
161-164). 



— 810 — 

— V. D.); tegen den penning zestien (Zeer duur. In Brab. en 
Antw. — ScH.). 7 Is 'n penningzestien (Een gierigaard); pen- 
ningzestien wezen (Zuinig. — Mol.) zie Stoett, n' 1543. Hij 
past op pinningsechstsien (W. D., II, 352). Een splijtpenning 
(Schraper, vrek. — V. D.). Vgl. splijlmijte (V. D.), oordjes- 
spüjter en duitenkliever. — Geen penning waard, schuldig zijn : 
geen penning bezitten (Niets. — V. D.). Vgl. n" 540 en 543, en 
Fr. Navoir pas un denier. lem. den penning junnen, jonnen (D. 
B. en A.), of : gunnen (lem. de klandizie gunnen. — C.-V. en 
V. D.). — Om zijn penningen komen (Om zijn geld. — A.)- 
De penningen maken den oorlog (Zonder geld kan men geen 
oorlog voeren. — V. D.). De beheerder van ]s lands penningen 
(Van 's lands gelden). Fr. Les deniers publiés. Zijn penningske 
offeren (Een kleinigheid. — V. D ). — Valsche penning 
(Valschaard. — C.-V.). Kwa(ji)e penning (Ongangbare munt. 

— D. B. en C.-V.). Gekend (q( bekend) zijn gelijk {'ne) kwa{d)e 
penning (Een slechte faam hebben. — D. B., C.-V. en J.)^ of 
Gekend zijn gelijk de k(w)a{d)e penningen (Overal bekend. — 
A ). ZeS'pennifikstraat, Fr. Rue des Six-Jetons (Yroeger Rue des 
Six- Deniers) : straat te Brussel. 

Dü penning was een kleine koperen pasmunt» vaak in waarde verschil- 
lende volgens de streek, in üoiland 1/2 duit of 1/16 stuiver geldend ; in 
Vlaanderen was een penning (denier, denariu») = 1/12 scheilihg of 1/2 
sluiuer^ of 24 mijten (1). In plaats van penning vindt of hoort men ook dik- 
wijls pene of penne. Vandaar uitdrukk. als : Met penne en scnelte, d«i., 
met penning en êckelting (Met al wat er aankleeft, met huid en haar. — 
Log., VIII, 93). Zie ons n' 531. 

Pene, penne (vaak bij verkorting gebruikt voor Ptnewarijwinkel, d. i. 
een winkeli waar men aardappels en hout in 't kleine ^ vooreen penning 
of zoo iets — verkoopt. In sommige penen verkoopt men ook nog andere 
waren van dagelijksch gebruik. — D. 6.). 

Penelmtch (Bundel hout, die voor eene pene of penning in de penen ver* 
krijgbaar is. — Loq., II, 57) . 

Penekeen, pennekeers (Eig. een keers van een penning waarde). Te 
Venrne geeft men dien naam aan de Gewijde Kaars, en ziehier waarom: Tot 
vóór eenige jaren bestond aldaar het gebruik een penning, althans een 
muntstuk met een kruis er op, in de gewijde kaars te steken, vooraleer ze 
in de handen van den stervende gegeven werd. Na den dood werd dat stuk 
aan den arme geschonken. Die penning was somtijds een stuk koper mant, 

(1) Zie Rond den Hèerd, VIII (1878) ; Bijbtad, bl. 81 en 82. 



— 811 — 

zilver of goud; hoofdzaak was dat het een kruis droeg (/L d. Heera, 
VI, 28). Zulks is ongetwijfeld een overblijfsel van het oude gebruik 
onzer heidensche voorouders» die hunne afgestorvenen in de doodki3t 
geld meegaven, dienende tot reispenning en tot andere behoeften in het 
ziclenrijk. 

Penewaar, p«Anet(;are( Winkelwaar van kleine waarde, zooals men in de 
peAe verkoopt) ; penewarij, pennewarie (= 1, penniogwaren; 2. penewarie- 
winkel); pene- of pennewaner; penier of pennier (iem., die een penewarij 
winkel ho\xdt) ; penewinkel ot penewarij winkel (koomenijs winkel). Z. Ds 6o 
en Loq.f II, 43. 

Penigen (bij Kil. penninghen), verpenigen en uiiverpenigen (D. B.) ; utt- 
penen (Loq., IV, 90), uit penigen (Loq„ II, 58 en VI, 5*3). Al die ww. betee- 
kenen : in 't klein verkoopen, bij den penning verkoopen. In *t Mnl. kende 
men een ww. pennewaerden, met dezelfde beteekenis. 

In tal van samenstellingen, buiten de reeds genoemde, wordt het vv. 
penning nog dagelijks gehoord; ik vermeld : Belast ing penningen ; biecklpen- 
ning; bratpenntng (= oud Holl. zilveren muntje, gewoonl. ter waarde 
van 10 duiten ; drinkgeld) (1); buitpenning ; Goispenning (Fr. denier d Dieu) 
en steekpenning; inttelpenning ; negotiepenning; noodpenningi oljerpenning 
(z. ons no 518); pacht penningen; spaarpenning; St. Pieterspenning \ teerpen- 
ning;wiinpenningen en winpenningen ; penningmeeUer()lg(SL.Pfennigmeist€r)\ 
pênningswaarde . 

Dit laatste woord, thans beteekenend : Juiste waarde, vastgestelde 
prijs (Y. D.), is ontstaan uit de uitdr. een penning waarde, die in 't Mnl. 
vaak vervormd was tot penninc werd, pennicwert, pennewaerd, pennewerde, 
penewaert, penwaert, en een bijwoordel. karakter had (2). Hooft maakt er 
nog gebruik van in zijn Warenar (1617), en dat voorbeeld, hoewel minder 
geschikt, wil ik hier aanhalen, omdat men er tevens de waarde van een 
Holl penning leert kennen. Zoo zegt W. tot Keim : 

c wit de muer in de kamer, 

En haelt voor een pennewaerd zageles (3) tot de kramer. 
Ze meugen 'top de kerf-stok zetten, 't mach' er nu wel of. i 
Retm. 
« Miester, wilj' er deur wezen? hoe gaeje dus grof? 
Een hiel penning an zageles om de vloer ie bestroyen? 
Dus doende zei je al jou schoone goet wel vermoyen (4)^ 
Denk, as je dat noch lens doet, zoo is 't een duit (5). > 

(1) Zie daaromtrent NdU Wdb, ,111, 1446-1448, waar ook eenige spreek w. 
met braspenning voorkomen. Dubbele braspenning was in de 16* eeuw de 
naam van een onder Filips den Goede geslagen muntstukje, ter waarde 
van 2 1/2 stuivers. 

(2) Zie Ds Jaobr, Lat. Verscheidenheden, 61-68, waar verscheidene voor- 
beelden voorkomen. 

(3) Zaagsel. 

(4) Verspillen (Ëig* aan mooie dingen verdoen). 

(5) P. G. HooFT's Warenar, bl. 26. 



— 313 — 

Bij Kil. is penninek-waêrde (ook tot penninck^waere verbasterd, bij 
Da Bo peln)neware ; zie boven) in den zin van koopwaar opgetaekend, en 
het w. komt inderdaad aldus voor. c Wat men Toor een penning kon 
koopen.heetie een penning waarde, ea die benaming ging over op de goederen, 
de koop- of eetwaren, welke men voor die waarde kocht. Dal in 'tonde 
Hgd. Pfenwert en Pfenwerth dezelfde beteek. hadden, is door Sghmbllxr 
uitvoerig gestaafd (1). > Ook het Eng. kent pennyworth en het Fr. denrée 
is hetzelfde; zoo leest men bij Hatzf.-Darmbst. : denrée (pour denerée, 
d6rivé de denier ;propremdüi u oe qu'on pent avoir pour un denier). » 

fien afzonderlijke vermelding yerdient de eXe- of hekepenningp bij De Bo 
ook nog toover- en heksepenning en uUegende pauw (2), bij V. D. heketpan- 
ning (?), bij Kraurrs hekpeaningt bij beiden duiveifpeAAin^^geheeten (Hgd. 
Heekpfannig en Heekthaler); in Friesland heet hij wisteldaalder. Die hekepen 
ning is, naar het voliugeloof| een geldstuk dat, hoe dikwijls ook uitgege- 
ven, telkens tot den eigenaar terugkeert, en naar men doorgaans meent, 
bovendien het vreemde geld, waarbij het onder tusiohen gelegen heeft, 
tot zich trekt en medebrengt (8). De Fries zegt dat men met dien toovar- 
penaiag niots koopen mag dat juist een daalder kost, want op die wijze 
uitgegeven, keert hij nooit meer terug; koopt men echter daarmee iets van 
minderwaarde, zoodat men wat wisselgeld in de plaats ontvangt, dan 
keert hij na de uitgave terug in den zak van den eigenaar. Vandaar de 
naam : wisseldaalder {ilgd. Wecfiselthaier). G. Gbzblle deelt ons mee hoe 
men zich, naar het Westvl. volksgeloof, een vliegenden pauw of pennink 
kan aanschaffen : Qa 's nachts om 11 u. met een tafeltje en e^n blokstoel 
te midden van een kruisstraat zitten; op uw tafeltje, in een toegeknoop- 
ten lijnwaden zak, ligt een kat. Welhaast verschijnt dednivel met al zijn 
hovelingen in 't zwart gekleed, en ie vragen u wat ge verkoopt. — « Een 
haasi ■ antwoordt gij. — « Hoeveel moet hij kosten? > » « Een pennink. » 
De droes steekt u het geldstuk in de hand, en verklaart u den nek te 
zullen kraken, in geval gij, bij 't huiswaarts keeren, durft omzien. Ge 
groet de heeren en haast u dan dat ge wegkomt. Nu ontstaat er achter en 
naast u een oorverdoovend gedruis; gij hoort zuchten en kermen en 
tieren; het dondert en weerlicht; alles staat in vlam en vuur; in de 
grachten ziet gij stroomen bloeds, en naast u spoken en doodkaarseo, 
padden en serpenten, afschuwelijke duivels, enz. Doet de schrik u 't hoofd 
omwonden, ge zijt uw leven kwijt; houdt gij H echter vol, zoo raakt gij 
veilig thuis en bezit voortaan een hekepenning (Db Bo» 723). 

In Friesland ging het eenigsiins anders toe(4). Daar moest men in den 
nacht tusschen 30 April en 1* Mei, om 12 u Juist, met een kat in een zak 
op een kruisweg post vatten en uitroepen : « Wie koopt er mijn haasje ? • 



(1) De Jaqbr, t. a. pi., 68-69. 

(2) Ook de naam van een oud muntstuk, ter waarde van 7 stuiven 
(D. B.). 

(3) WuTTKB, S 688, RoGHHOLZ, Schweiier^agen aus dem Aargau, n* 388. 

(4) Dat geloof schijnt er thans uitgestorven. 



- 318 — 

Dan kwam de daivel u yragen : « Welk dier heb je daar? ■ en gij ant- 
woorddet : • Ban haas »• ^ • Wat yraag Je er voor? ■ — c Ben daaldertje 
maart • Do koop werd gesloten. De dnlyel kreeg den zak met de kat er in 
en do andor» onder het iweren van eeuwige trouw aan dan booze, een 
wiiseldaalder. De duivel liet de kat weer loopen, maar van dien tijd af was 
zij een tooverhek8(l). 

Veel eigenaardiger dan bij de Frieien is de heele toedracht der zaak in 
Noord-Duiisohland : Men steekt een pikzwarte kat, liefdt een kater» tn een 
zak en bindt hem met 99 knoopen dicht; daarmee gaat men in den Nieuw- 
jaarsnacht drie keeren om de kerk en klopt telkenmale op de kerkdeur of 
roept doer het sleutelgat den koster; den derden keer Jcomt de duivel en 
vraagt wat men verlangt; men antwoordt dat men een haas wenscht te 
verkojpen en vordert daarvoor een thaler; dat wordt aangenomen en gij 
ontvangt den Heekthaler of vindt hem thuis in uw tasch. Dan snelt gij da- 
delijk huiswaarts, waot krijgt de duivel de 99 knoopen los, eer gij onder 
ddk lijt, zoo moet gij het met den dood beko3pen, of hoort gij de kat 
schreeuwen, zoo wordt gij doof (2). 

Ook in Zwitserland bestaat dit geloor(d). De duivel wordt hier dus 
blijkbaar gefopt; daarin» denken fommige geleerden, als Spbenobh van 
BtfK, WuTTKV, ScHaADBR, RoGHHOLZ, onz , ligt de oorsprong van ons 
spreek w. : Katten in %akken koopen (Hgd. Die Kai%e im Sackt kaufen; Fr. 
aehêler ehai en pêche; Ital. comprare la gatla in eacco). Die verklaring wordt 
echter door Borcharot op goede gronden bestreden. 

Ik wil Oük nog een paar piantnamen vermelden : i)Ptnningkruid of 
'bloem» ook slujverifcrlijd geheeten (Lyiimachia Nummulaia L.)» wegeneden 
ronden vorm der bladeren; 2) Judaspenning, ook Judasgeld, Centen, Geld 
(Paqdb, 521) en Plaket tenkruid (z. n' 532) genoemd (Lunaria annua L.). 
DODONJSDS heet deze plant Penninckbloêm, Al die namen, welke men 
eveneens in den vreemde aantreft (Ügd. ?lennigblume,JudamlbeTHng; Eng. 
Maneg plant, bij Cotoravb : Pennie/lower ; Fr. Herbe aux écüs, Monnaie du 
pape (4) doelen op het roade, zilverachtige tusschensehot der vrucht. 

Ten slotte wil ik nog wijzen op de overbekende, historische ui tdrukk , 
den iO« ea (fea 20* fMAAJa^, uit Alva's tijd. Het w. penning^ dat bij onze 
dichters zeldzamer voorkomt, vindt men o* a. bij Pr. van Dutsb : 

« Mevrouw» maar een penning ^ zoo gij ook bemint. 
In Godes naam, red toch mijn eenigste kind : 
Zoohelpe Hij de uwen! » (5). 

Zie pond groot, gulden, ichelling, etuiver, oord en duit. 



(1) W. Dijkstra, II, 182. 

{^)KüKJS,Norddeut$che Sagen, é10 en Markitche 5., 387-388; Wüttkb, 
S385; Pammertehe Volktk , IV» 149 en VIII, 53-54; Monattechrift d. Berg. 
Ge»ch.,iy, 192 en VI. 108. Vgl. Sghbll, Bergische Sagen, 354-356. 

(3) RocKHOLZ, t. a. pi., n' 888. 

(4) B. Rolland, Flore p^puUire^ II, 85-87. 

(5) Pb. van Dütsb, Het KiaverbHad, bl. 104. 



— 314 — 

645. Malie, maalje^ malje. — Noch duit noch malU hebben; 
noch spelle (U noch malie krijgen (Volstrekt niets. — De Bo). 
Fr. N*avoir ni sou ni maille. — Dat is mij geene malie weerd 
(Geen duit. — De Bo). Vgl. n'' 540, 543 en 544. Hij ml 
moeten maalje dokken (Hij zal moeten betalen. Geh. te Kort- 
rijk. — LoQ. X, 85). Spaarmalie (lem. die de malie spaart; 
gierig mensch. — De Bo). Vgl. kniepstuiver (n' 535); oordje- 
splijter, oordjesdood {n' bM); duitenkliever (n' 543); ook splijt- 
mijte en spUjtpenning (n' 547). 

Mültë of maclje {)/Lnh maelge, mailg^, Mnd. malg) — cdu latin pop. 
^metallia, adj. fóm. dérivé de melaUum, métal, employé substaniiTeraent» 
propr^ c moanaie de mètal ■, devenu ^medallia, medaille, meaille, maêille, 
maillev (Hatzf.-Darmsst.) — behoorde tot de kleinste munten. Db Bo 
zegt: «oude munt van kleene weerde», zonder nadere aanduiding, 
Verdam, Mnl. Wdb,, geeft : ■ de maelge was de helft van een penning (Fra. 
denier) en dus hetzelfde als Mnl. hallinc; zie ald. » ; en op hallinc : i kleine 
munt van \t penning of mijt (2j ». Welke penning wordt bier bedoeld, de 
HoUandsche (= '/ig stuiver)? de Ylaamsohe (= '/ist.) of de Fransohe? 
Men zou wel de laatste onderstelling mogen aannemen, daar Prof. Ver* 
DAM verwijst naar Fra. denier, Nu.volgens Hatzf.-Dabm£8t. i^maille = 
Va denier, en denier =. * in sou, datis ^(2^ stuiver, want deFr.fOu = 5cent.; 
dochp ook hier laten Uatzf.-Darmbst. ons in de onzekerheid omtrent de 
door hen bedoelde soort van deuaris : denier paritis (oorspronk. ie Parijs 
geslagen) en denier tóurnois (oorspr. te Tours), en de eerste had V4 <"®cr 
waarde dan de laatste. Overigens, al wie zieh met oude munten heeft 
beziggehouden, weet dat dezelfde muntbenaming in verschillende landen, 
hertogdommen, graafschappen, provinciën, enz. gemeenlijk een verschil- 
lende waarde aanduidde. Zoo vindt men bij Hatzf.-Darmest. : Ipalard = 
2 deniers, naast 1 matlle s Va denier; daaruit volgt : 1 mailie = 1 patard; 
en voor de hier bestaande munten, ten tijde van Keizer Karel V, geeft 
Hbmneo. a. op: la maille de Namur = */n palard(S). Vandaar dikwijls 
yerwarring. Dat de Fr. mai//6 minder gold dan de Fr. denier, bliikt uit de 
spreekw. : Cetle chote vaut mieux denier qu*eUe ne valait maille. Op de zeer 
geringe waarde dier munt schijnt de Fr. zegswijze te doelen : Avoir maille 
d partir avecqqn. Het ww. partir Is hier in de oude beteek. gebruikt van 
partager; wie met iem. een malie te verdeelen had, kon dat, met het oog 
op de uiterst kleine waarde van dat muntstukje, moeilijk gedaan krijgen ; 
vandaar de beteek. der zegswijze : met iem. een geschil hebben, met 
lem. een eitje te pellen hebben. 

(1) Over spelle, speld in dergelijke uitdrukk., lie De Jaobr, Lalere 
Versch., 78. 

(2) Zie voor halling, heller, het yolg. n'. 

(3) ^ji^ de Charles^Quint, V, 846. 



— 346 — 

Oudtijds werd malie ook gebezigd om grootere muDtwaarden aan te 
duiden. (Z. daarover Yehdèm, Mni. Wdb., i. y.), 

546. Heller, helder. — 7 Is een goed heller, die een pond 
iiibrengt (Waarmede men een pond, d. i. 6 ƒ., verdient. — 
V. D.). Helder noch pelder. Hij heeft helder noch pelder (Niets. 
— C.'V. en J.). Vgl. Hgd. Keinen (röthen) Heller haben. 

Beller, helder (Mnl. en Mhgd. heller). Oorspr. een kleine Duitsche mnnt, 
aldus geheeten naar de stad ff all (Zwaben), waar ze voor H eerst werd 
geslagen. Vgl. Daalder (Thaler)^ denier pariêis en toumois, £>e waarde 
schijnt gelijk te staan met die van hallinc ot hellinc, een samengetrokken 
Yorm Yan halvelinc = halven penning{l). Die waardebepaling yindt men 
ook bij Djlyid in zijn VaderL Historie, IV, bl. 651, legt hij den Gentenaar 
Yoens o. a. deze woorden in den mond : « Dan geef ik geen' heller Yoor al 
uwe burgerlyke rechten en Tryheden», en verwijst daarbij naar eene 
noot op bl. 812, waar hij eenige uittreksels geeft uit het tarief betreffende 
den Qentschen handel (einde 12* eeuw) : « Wat een voetganger los op zijn 
schoft binnen brengt, betaelt niets; maer voor lederen saemgebonden 
bassel, moet hy een' heller ot halven denier aftellen. Hetlatyn zegiobolus t. 

« Een vierspan betaelt, voor zyn yracht, éónen denier; een tweespan 
slechts een' heller ; maer het dobbel, wanneer zy van over den Dender 
komen(2). » 

Dr. Bbbts daarentegen schrijft in Ndl. Wdb, : c de waarde was die van 
7i of ongeveer ■/( penning, i hierbij verwijzend naar Dr. de Jaqbr 
(Latere Vertch. bl. 76), die evenwel « ongeveer » iaat wegvallen, en twee 
Daitsche schrijvers aanhaalt, waarvan de eerste zegt : heller =s ^/z pen- 
ning,en de tweede : 3 halter =z l denier, en dan deze bedenking laat volgen : 
« Misschien echter wordt do ir penning en denier niet hetzelfde bedoeld ». 
Op zulke moei Lij l^h eden stuit men dikwijls bij het onderzoek der oude 
munten. Dit althans staat vast : de ^e//er bedroeg minder dan depesnt»^. 

Wat heeft men nu in de plaats uit Brkobro*s Klucht van de Koe (vs. 
401-402) door « helder-penning » te verstaan : 

lek heb warachtich gien geld, ick heb seker gien geld in huys, 
Ja niet een HoUandsche duyt, gien helder-penning noch kruys. 

Zeer waarschijnlijk heeft de schrijver het denarius hallentis vertaald 
en dus den heller bedoeld. 

Evenals er voor penning in het Mnl. een penninck-waerde (pennicwert, 
pennewerde, enz. ; zie ons n' 543) bestond, ter aanduiding van : 1) wat 
men voor een penning kon koopen ; 2) de voor die waarde gekochte koop- of| 
eetwaren, — zoo kan men in 't Mnl ook wijzen op een hallinc- of hellinc- 
werde (ot-weri) met de beteek. : 1) Iets ter waarde van een balling ; 2) bij 

(1) Z. Vbrdih, MenL Wdb. op hallinc, en Dr. A. Bbbts. Ndl. Wdb.^ op 
hellet en helling. In ?olk$k,, XV, d» 484, worden heller en hallinc verward. 

(2) Uitg. van 1858 (lieuven. Van Linthout). 



— 316 — 

ui tbr. eea kleinlghdid. ^ HeUincufert (ook hêUewerl), eig. heizelfde w« als 
halUncufert), werd nog in een bijzondere beteek. gebraikt, nl. als benamlDg 
yan een inhoadsmaat voor natte waren, en deed dan de helft van een 
pennincwert {oï pcnnemrt), ook als biermaat(l). Dit vult eenigsiins aan 
wat wij boven omtrent • penning waarde i schrev^. 

Bij Da Bo leest men, i. v. link deze zegsw. : c Dat ii geen linkje weerd, 
ik geef er geen linkje voor ; Fr. cela ne vaat pas nne mailie », waaraan hij, 
beter nog, kon toevoegen : Hgd. Dat ist keinen Heller werih. Daarop laat 
hij deze yerklaring volgen : Dit link schijnt eene verkorting van heUink, 
bij Kiu hetielfde als heller, Fr. obole. De eerste greep hel, ultgespr. als è 
(è link), is genomen geworden voor het onz. lidw. (want men zegt è lini, è 
land, enz. voor een lint, een land), en alzoo is het woord niet alleen verkort 
tot link, maar nog veranderd van geslacht ». Nu, link =5 i/a centime. 

Er bestonden vroeger ook gouden hallingen (z. Vebdam, en Hobufft, 
Aanh., ophallingh). 

547. Mijt, mijtje, wel eens mijie. — Het scheelt mij gceM 
mijt, niet een mijt (Ik geef er zooveel als niets om. — V. D.). 
Nietemijlig (Nietig, gering, onbeduidend); dat *s te nielemijtig 
(het bet. niets) ; ze is %oo nietemijtig (of zij al helpt, dat geeft 
toch niks. Evenzoo elders in N.-HoU. — Boe.) Vgl. nietemijt, 
niet een mijt (Geen duit, niets. — Taalgids, I. 285. Bij Boe.) 
Het is geene mijl waardig [G. T. en H.) — Die zich met een mijt 
vergenoegt f dien zal men voor geen daalder bedriegen (H.). In 
honderd pond gehlap is niet éene mijte liefde (H.). ^t Mankeert 
hem aan de mijten (Het ontbreekt hem aan geld. Overflakkee. 
— Noord en Z., V. 178). Splijtmijt (Schraper, vrek. — V. D.). 
Vgl. SpUjtpenmng en n» 545. — Fr. mite; Eng. mite. 

De Mijt (lllnl. mitet Mnd. mite) behoorde tot de kleinste koperen mun- 
ten; slechts de potevinen of pietjes (3) hadden een nog kleiner waarde. 
Omtrent de waarde eener mijt is men het vaak oneens; het waarschijn- 
lijkste is echter : 1 mijt HoUandtch = 1 Vi penning (s. V. Da.lb en Da 
Jkosn, Lat. Versch., 69), doch 1 mijt Vlaamsch = '/a penning en l mijt 
Brab. =r </• penning (aldus bij Kilia4n). Een Brab. stuiver deed derhalve 
If^ mijten (S), Inden aanvang der regeering van Filips II werd dete munt 
Toor *t laatst geslagen; in de 17* eeuw was se reeds in onbruik. 

Hot w. mift schijnt in den volksmond wel eens mijke te luiden, naar 

(1) Vbrdam, Mal. Wdb., III, 48 en 304. 

(2) Rond den Heerd, VIII (Bijblad, 32) maakt onderscheid tusschen beide, 
en legt : 1 groote Vlaamsch = 24 hallingeu of miten = 48 pieters of 96 poi- 
têPinen, Doch 1 halling = 1 mijt kan slechts lelden het geval sijn. Zie 
boven. 

(8) Vgl. Ndl. Wdb., XI, 76 en Mnl. Wdb^ IV, 1761. 



— 847 - 

G. Gbzbllb 0D8 in Loquelë, X. 76^ meedeelt. Daar leest men : « Mijke s 
mï|7, in de wdb.; Vio ▼^'^ eenen eens. 

Die niet en ziet op 'n mijke, 
en zal nooit konnen reike'. ■ 

« £en' mijke is hem te vele, als 't is dat hij moet betalen. Qeh. Oost- 
Vlanderen i. De plaats wordt niet nader bepaald. Werd het w. mijt door 
onze middeleen wsche dichters (en zelfs later) Taak gebruikt (s. De Jaqbb, 
t. a. pi. 70-74)» thans is dat maar uitent zelden het geval meer. bij Nic. 
Bbsts {Gedichten, 5« druk, IV. 147) komt o. a. dit raadsel Toor : 

c Men kan mij krijgen voor oen mijt; 
Maar heefi men mij, 't kost zorg en tijd ; 
Die mij verliest, verteert van spijt 
En wint men mij, men is mij kwijt. » 

Op een blaadje van den plukalmanak van den c Huisvriend > Uest 
men : « Dief. — Uw geld of uw leven. » 

BoUemans.^ 'kUeb[geenen mts/erbij, mijn vriend. Maar weet ge 
wat? 'k Zal mijnen vriend Geldsak langs hier zenden, die gaat nooit uit 
zonder duiten. • 

Hier is mieter =s mijt (Vgl. bij Stoett, n« 1813). 

B) Afstands-^ lengte^ en landmaten. 

548. Mijl. — De mijl op zeven{en) gaan (Een omweg maken 
C. T., V. D. en G.-V.) Dat is {ot dat gaat) van mijl op xeven(en). 
(H. en Krambrs). Dat is de mijl op zeven (Dat is een groote 
omweg. — G-V.); in VI. en Brab. : dat is de (of een) weg op 
zeven, den weg op zeven gaan, doen (Sch., ï., R. en A.). — 
Zevenmijlslaarzen (Laarzen, waarmede men zeer ylug — eig. 
7 maal snelier dan gewoonlijk gaan kan). Zijn zevenmijlslaar» 
zen aanhebben, aantrekken. Fr. Prendre ses bottes de sept lieues. 
Hgd. Es geht mitJSiebenmeilenstiefeln. — Mijlpaal (1. Paal die 
langs den weg de afstanden van éen mijl aanwijst; 2. gewich- 
tig feit) ; mijlpalen op den levensweg,[op den weg der beschaving. 
Ook mijlsteen; daarnaast nog : mijlschaal, mijlwijzer. Hgd. 
Meilstein, meUzeiger; Eng. mile-stone. — De vosse^i hebben de 
mijlen gemeten, Maar zij hebben de staarten vergeten (Gez. wan- 
neer de afstand tussclien twee plaatsen grooter blijkt te zijn, 
dan men dien geraamd had. De staart yan den vos is de 
lengte van den weg die niet medegerekend is (C. T. en H.) 
Vgl. Dat heeft de vos gemeten. — Een gehUurd paard en eigen 



— 818 — 

sporen maken korte mijlen^ of rijden welO^) j(G.-T. en H.). Bij 
Sart.-Sghhev tert. I. 37 : Geleende paerden ende eygenspooren 
rijden best. — Lange mijlen leggen Tusschen doen en zeggen^^) 
(Zeggen en doen is twee. H ). 

De mijl (Ainl. mt/e; Hgd. meile, Fr. mille. Eng. mile; ait Mlat. tnilia, 
van Lat. mille = duizend, nU 1000 stappen (8) is een oude afstaadgmaai 
die, schoon thans door kilom. en meters yeryangen, nog gebruikt wordt. 
Zij verschilde van land tot land : de I^iL mijl =: 1000 Nederl. ellen of 
met. (een po«tmljl = ongeveer 4000 met.); de Duitsche mijl = 7500 met.; de 
Eng. mijl = 160'^ met. ; de Fr. mijl =s 4444 met., enz. 

De mijl op %even gaan is efj^. niet op vier, maar op *e»en vierde deelen 
nemon, dus den weg, dien men te gaan he^ft, met drie vierendpolen op elke 
mijl dooromloopen vör1enj?en. Vgl. den weg op vijf vier el nemen; in Gro- 
ningen : H uur op viefvörl (vöH^ vörrel = vierdepart) loopen (Mol,, 459); in 
HolstMn : en weg up fie f vee rendeel (een omweg). Zie Stoktt, n'1315; hot 
Tijdnchr. v, Ndl T, en Leit., XVL 251 en Votkxk., IX., 197 en XI, 129. 

De Zevenmijhlaarten zijn algemeen bek^'nd uit het sprookje van 
Duimpje, die den reus (menscheneter) zijn dnsgenoemde laarten ontsteelt 
en hem alzoo ontsnapt. 

Van Zbogblbn gebraikt mijlsleen in zijn Amttelt Leonara {Dicht" 
werken, II, 263) : 

« Hoe vliegen ze rechts en hoe vliegen ze links t 
En mijlsteen en seinpaal en wachthuis voorbij. » 

549. — Eh elle. — Alles met maten, zei de kleermaker (of 
de vent), en hij sloeg zijn vrouw met de el{le> (\V. en Bie. VIII, 
349). Alles met maten, zei de snijder, en hij sloeg ziln wijf met 
deel voor haar achter ite (H.). In Overijsel : Alles met de maot, 
zei de sntder en he gaf ztne vrouw wat met de elmaot (Driem. 
Bladm, III, 50). In OJienburo; : All mit Mte, se de Kerel (of 
se de Snider), dóslóg hesin Wtw mit'n Ellestock dor (Egk. 350 
en EiGH. n» 1286). Hgi. Alles mit Mm, sagte der Schneider, da 
schlug er seine Frau mit der Elle todt (Sghra^der. 511). — Iets 
met de el uitmeten {StevkoveTAn]yen, aan de onderdeelen — 
van een twist, een geschil — te veel gewicht toekennen. — 
V. D.]. Hij heeft een gezicht aaneen el /any (Omdat het hem niet 
naar den zin gaat, — V. D. en A.). Hij is zoo lang : men zou 



(1) Reeis in Prov. seriota. 

(3) Reeds in Seer schoone Spreeekw. 

(8)WsBG. {Etym. Wdb.). 



— 319 — 

hem meé de el verkoopen (H.). — Anderen naar zijn eigen el 
neten (Anderen naar zich zelf beoordeelen). Hgd. Jem mü 
gleicher Elle jnessen, Fr. Mesurer les autres a son aune. — Ik 
weet wal er de el van kost (Ik weet wat de zaak waard is ; (fig). 
Ik heb het te mijnen koste ondervonden. — H.). Fr. Je sais 
ce qu'en vaut Vaune, 

Voorde kleine leagtematen diende eertijds het menschelijk lichaam tot 
richtsnoer; vandaar el {)d.n\. elle, elae; Hgd. Elle^ Eng. ell, Fr. aune), 
oorspr. voorarnit ala maat naam gebruikt, eyeoals voet en duim (ygl. ook 
vadem). Ons oud elle, elne, dat men nog in elleboog terugvindt, vervormde 
zich in 't Fransch tot alne (aldus inden Xl^eeuwsehen Roland), thans autu. 
De Parijsche el bad eertijds een lengte van 1,18 met., de Ned. el van 1 m. 
De Belg. el doet 0,70 m.. de Hollandsche 0,69 m., de Duitsche 0,666 m., en 
de Eng. 0,915 m. 

Onze oude el(le), die, ofschoon tot het verleden behoorend, in veel elle- 
goed- en witgoed winkels van 't Vlaamsche land nog dagelijks gebruikt 
wordt, leeft ook nog in tal van samenstellingen voort: £//e«/oA; (waar- 
mede gemeten wordt in manufactuurwinkels, ens.); *oo mager als een elle- 
stok (zeer mager). Eng. Ellwand. — Ridder van den ellestok; ook : Elleridder 
ot -ruiter. Hgd. EUenreiler ot-ntter (Schertsend van iem., die mannenwerk 
ontvlneht en, als een meisje^ achter de toonbank komt staan om de el te 
hanteeren). Ridder van de el (Kleermaker, — V. D.). Vgl. Fr. Chevalier de 
Vaune; les messieurs de l'aune et du rayon. — EUemaatf Hgd. EUenmas*; Fr. 
aunage. — Ellenlang en ellelengle. Ellegoed, ellegoedwinkel en ellewinkel; 
ellewaar. Ik wijs nog op elleboog en ellepijp (Db Bo heeft een bijv. nw. elle- 
boogde = elleboogvormlg en een ww. ellebogen = een elleboog of kromte 
maken); en op het Wasche kinderspel ellekesdief (J.). 
Zie beneden talie en duim. 

550. Talie. — Een talie te kort is zooveel als een el (H.). Een 
talie vaneen haas is een hel van een kat waard (H.). 

De talie (tallief taalje, taaldje, taldje oiteldje, — Dn Bo en Sgh.), nog in 
heel Vlaanderen bekend als 1/16 van de e/, komt uit Fr. taille = kerf ( Taille 
is ook = kerfstok, z. Vbrc. Elym. Wdb.). 't Volk zegt b. v. ; « Twee eUen 
min een talie ». 

551 . Roede. — Het stinkt (of, van een morsebel : Zij stinkt) 
zeven roeden in den wind (G. T., en H.). Vgl. : De adeUijke 
namen vooral ruiken, een uur in den wind (H. III, 324). 

Roede, voet, duim en vadem waren eertijds algemeen gebruikelijke 
lengtematen, die thans nog overal in deni volksmond gehoord worden : 
onze boeren, timmerlieden en houtkoopprs kennen, om zoo te zeggen, gesn 
andere benamingen. De oude roede (ro«t) verschilde in lengte volgens het 
land en d« streek; ziehier de oude^ veelvorspreidt Framcha roede met haar 



— 880 - - 

onderdeelen : roede (toUe) (1) = 6 voet ^ 1.949 m.; voet s )2 duim ^ 
0.824 m ; duim s 12 lijnen a: 0,027 m. en Përijtche lijn s 0,002 V4 m.; 
de oude Atmierd, roede (van 18 voet & 11 daim) was 8.76 met. (ook de Rijn« 
landsche); de Ndl, roede = 10 met. In Vl.-Belgiö tellen de roeden, volgens 
de streek, van 3.84 mf>t. (Gent en L. t. Waas), tot — 5.78 mei. (Denderm.) 
'en5. 86 met. (Hal) lengte. (2). Te Aalst en Geeraardsbergen isze 4.64 met. 

553. Voet. — Geen voet wijken^ toegeven (Stand houden). Bij 
iem. een voetje voor hebben (In de gunst staan. — Alo.) Bij 
bezit geen voet grond (Niets. — A.); geen voet grondsü er nog 
terloren (H.). Alle vijf voet[en) ; alle vijf voet is hij daar (Alle 
oogenblikken. — Alg.). Bij gaat zeven voet diep (V. D.); hij is 
zeven voet diep geladen (Hij is dronken. — A.). Dat heeft heel 
wat voeten in de aarde. (Het kost heel wat moeite. — H. en 
V. D). Als een vrouw éen voet uit het huis loopt, stapt ze Aon- 
derd voeten uit hare eer (H.). Bet wijd gedeelde kalf, Liever een 
voet dan een half (Jan allemans slaaf. — Aldus gebr. door 
Sart.-Schrev., tert. III, 80, die 't spreekw. afleidt van een 
kalf, dat bij *t sluiten van den vrede wordt geslacht en waar- 
van ieder dan zooveel ziet te krijgen, als maar mogelijk is. 
- H.). 

In Terschaidene landen (heel Noordelijk Europa, ook in de Yereenigde 
Staten en China) is de yoet nog heden de lengte-eenheid. De Eog. fooi doet 
0,80 met., de Rijnlandsche Fuis 0.81 m., de Fransehe pott 0,82 m., de 
Amsterdamsohe 0,28 m., In Vl.-Belglö wisselt de lengte Tan den voet af 
tuBschen 0,27 m. (Brugge en Gent) en 0,29 m. (Limburg). 

Zie roede en d^im. 

553. Duim. — Die drie duim wast in weerdigheid^l ^Schiet 
drie [el in hoeveerdigheid (Bog., 79 en H). Is dat trekken, 
zei de mof, en hij haalde eene pier van twintig duim uit zijn 
achterste (H.). Bij bezit geen duim grond^{A.); vgl. geen duim 
breed gronds bezitten (H.). Vgl. ook voorg. n'en Fr. N'avoir 
pas un pouce de terre. — Geen duim gronds wijken (V. D.). 
Voor iem. geen duim uit zijn weg gaan (J. en A ). Als *t niet 



(1) De fotM is eig. een vadem, (zie ald.), en roede eig. Fr. verge. 

(2) Te Kortrijk onderscheidt men de groote roede (5.96m.) en de kleine 
(2.97 m.). 



— 821 — 

al te vele en scheelt, 7 en komt op geen Poeselschen duime (Bie. III, 
250). — Duimstok (Maatstok, in duimen verdeeld). Vierduimer 
(Wagen metbreede wielen. — A.). Veertienduimer (Mand van 
14 duim hoogte. — J.). 

De Duim (Mol. dume ; Ndd. dimt düme of dumen ; Hgd. Daumen ; Eng. 
/Aiim6)y6PrUjd8 als lengtemaat gebruikt, was 1/19 van den Fr. voet 
(z. roêdê), wat nagfenoeg overeenstemt met den Eng. duim ; de Amsterd. . 
doet 9,57em., de Nederl 1 cm. en de Hijolaandaebe 2,61 cm. Onze schrijn- 
werkers, die nog yan den duimstok gebruik maken en nog dagelijks, in 
geheel Vlaanderen, den moud vol hebben yan duimberd, tweeduim en 
halvenduim, van iuimshout of duimhoutf enz., kennen gemeenlijk aan den 
duim 3 1/9 em. lengte toe. 

Zie roede en voet. 

564. Vadem. — Hij stinkt zeven vadem in den wind (Hij stinkt 
bijzonder erg. — V. D.). Hij stinkt naar conserfvan roggebrood, 
zeven vademen in den wind (H.) (i). Dat verschilt vademen en 
mijlen^ of : voeten en vademen (H.) P). Overschot is vaamzeel 
(Beteekent niet veel. — C-V. Aanh.) Hij is zoo subtiel als de 
rug van een vaim dik varken (H). Omvademen (Met beide uit- 
gestrekte armen omvatten). Hgd. Umklaftern — Vademen, 
afvademen (Bij de vadem meten, verkoopen) Fr. Mesurer h la 
brasse, oi : ü la toise, toiser. 

Door vadem, vaam (uitspr. rondom Aalst en Denderl. : vuim), verslaan 
wij bier niet • span ■ of c grijp » (zooveel iem. met de uitgestrekte band 
afmeten kan), maar wel de afstand of lengte, verbeeld door de zoover 
mogelijk zijwaarts gestrekte arnren ; vandaar de vroeger in verscheidene 
landen gebruikelijke lengtemaat, die men vadem h€et, Eng, falhom, Hgd. 
Klafier,FT, brasxe (ook wel toi$e)\ ie verschilt van streek tot streek, maar 
meet ongeveer 6 voet. Men viodt het woord niet bft maatbegrip nog te- 
rug in vademmaat en vademhouL — H> t ww. omvademen luidt in 't L. v. 
Aalst : overvuimen ; zoo zegt men b.v. « Q^en kunt met tweeën dien boom 
nietovervuimen. » 

Zie roede en voet. 

555. Morgen. — Het is een schoone ridder met zijn twee mor- 

gen lands (Schertsend. — H.). Ik beef van schrik, als een morgen 

lands van 7 pikken van een kraai (H.). Vgl. gemet. — Morgental 

(Zeker aantal morgen lands). Morgenmorgensgelijk. 

» ■ ■ . . ■ . . .. I . . i 

(1) Reeds bij Winschootxn, Seeman (1681). 

(2) Bij Qalks, Twee redevoeringen, veelal in flolL spreekwoorden, Amst. 
1795. 

21 



— 322 — 

Bunder (bij Hoeufft ook beunder en buinder, bij Boeken- 
ooGEN buinder^ rondom Aalst boender). — Bundertal (Het 
getal belastbare bunders lands. — Ndl. Wdb. Bij Mol. : 
de grootte eener boerderij in bunders), Buinderbraak (Water 
in de Zaanstreek. — Bob.). Bundergeld (Grondbelasting. — 
NdL Wdb,). Bunderbundersgelijk. 

Gemet, gemeeU — Schudden gelijk een gemet land dat geploegd 
t(;ord^ (Schertsend voor : verschrikken. — J.). De honderdste 
dag, honderd steenenWvan 7 gemet (In den ouden tijd wachtten 
de boeren den 100" dag van 't jaar af om vlas te zaaien» 
omdat zij dien als den gunstigsten dag aanzagen. — J.). 
Gemetkap, gemetklak (Schertsend gez. voor : zeer groote man- 
telkap of klak. — J.) - Tweegemeet, drijgemeet, viergemeet, 
tiengemeet^ enz. (Stukken land of weiland van die grootte. — 
J.). Tiengemelen (Eiland in het haringvliet). 

Dagwand (bij De Bo : dagwante ; bij Buttbn : dagmaal. Aldus 
te Tienen en rondom). — D^ Daywand^n (weiland te Denderl.); 
de Vijftiendagwand, de Zevendagwand (Stukken land te Her- 
dersem, het laatste ook te Denderleeuw). 

Morgen, bunder, gemet en dagwand «Ijn 4oude landmaten, waarvan het 
tweedeen het vierde hier te lande nog algemeen bekend zijn terwijl 
gemet vooral in *t Land v. Waas en morgen morgen) vooral in Limb. en 
te Oudenaarde gebruikt worden. De grootte dier maten, verBchlllend vol- 
gens de streek, U zeer moeielijk te bepalen. Te Ondenaarde doet een mor- 
gen 600 □ roeden, wat dus overeenkomt met het in Nederland gebruike- 
lijke Rijnlandtche morgen. 

Hei bunder (in Un{. ook boender, buunder en buyndêr, bij Kil. 6o«d«r) 
komt uit Lat. bonnarium, waaruit Fr. Bonnier (variant entre Ie demi hec- 
tare et l'hectare) en Bng. boundary ; in N.-Ned. thans gelijk aan 1 hectare, 
maar vroeger meestal aan 1 '/» morgen, in Vlaand. gewoonlijk op 400 
□ roeden berekend. De bijwoordel. uitdr. bunderbunderêgelijk, morgen- 
morgensgelijk (men zei vroeger ook gemetgemeifgelifk), en«. alle in dijk- 
zaken gebruikelijk, beteekenen dat ieders aandeel in de dljkslaaten naar 
hot getal bunders, enz. in gelijke verhouding bepaald wordt, zoo dat elke 
bunder evenveel betaalt. Vgl. pondpondtgelijk, d. i naar het aantal schot- 
ponden, waarop ieder gezet is (Ndl. Wdb., IV. 116'.^) 

Gemet, gemeet, waarin het w. maat ligt opgesloten, staat meestal gelijk 
ook in Rijnl. maat met 1/2 morgen of 800 Q roeden. Gemet maakt met de 
grondgetallen, een uitgeionderd, samengestelde woorden, leest men bij 



(l) S/««n =3 kilos (zie verder Getvichten). 



— 833 — 

Joos. Dm klinkt het tAiiid gemeet, Tweegêwuei drijgemeei, eni. « Waar 
staan uw koelen ? Op de drijgemeet. » Z. yerder Sgh. 

Een dagtvand (binl, daehwani otdagewant^ ook dachmael, end^chmatt)^ 
op 1/4 bunder Of 100 Q] roeden ber^kendy is in Brabant en de beide Vlaan- 
deren nog gebruikelijk. Ons dagmaal (Bij Rüttbn «n Sch. opgegOTen, bij 
Kil. daghmael, daghwant) is eig. ■ dagtijd» de tijd van een dag » (van 
mëal SI 1. teeken, punt ; 2« tijdpunt, tijdstip); bij nitbr. c een stuk lands, 
zoo groot als éen dag beploegd kan worden, aYgl Fr» iournal met dezelf- 
de beteekenis (z. Ybrdam, II, 14 en IV, 962 vlg.). Dagwand, van dag en 
wendefif das ; een stuk gronds dat in éen dag omgewend kan worden. In 
dathmaet (bij Vbrc dagmat ; i. ald.) is maet een afleid, van maaien, ffe 
lijk taai van *aaien ; vgl maadland = hooiland» land dat bestemd is 
om gemaaid, niet om beweid te worden (ATi//. W<<6., IX, 8); nogmaals 
dus : stuk lands, dat In öen dag afgemaaid kan worden. Vgl. het boven- 
staande morgen (Hgd. ook Morgen), hetzelfde als morgen = begin van 
den dag, en dus beteekenend : wat een gespan in éen morgeniijd ploegt. 
(Vxac Etym, Wdb.). 

In zijn Oogst {Polit. ZweepsL, 180) lingt onze dichter, J. tin Hijswijgk : 

« De boawer ziet zijne akkers na. 
En zegt, met gierig vergenoegen ; 
c Het kan dees jaar niet in mijn schuur, 
en op den duur 
Moet ik twee bunden meer beploegen. » 

G. Inhoudsmaten . 

556. Mud(de). — *t Ismudje-vol, of : Zoo vol as mud ('t Is zoo 
vol, dat er niets meer bij kan. — Boe., Stoett). Bij de mud 
(In hoeveelheid. —V. D.). Vgl. Bij de vleet. — Om éen mudde 
korens, dat hij te malen heeft, wil hij een ganschen meulen rechten 
(Veel beslag maken voor een kleinigheid. — C). Men zal 
niemand vriend noemen , eer men een mudde zout met hem gegeten 
heeft, of : Om iem. goed te kennen, dient men eerst een schepel 
zout met hem gegeten te hebben (Moet men een langen tijd met 
hem omgegaan hebben. — V. D.). Hgd. Wir haben noch nicht 
einen Schelf el Salz mit einander gegessen (Fri. n* 3203 en Borch. 
n^l002). Vgl. Fr. Nous ne mangerons pas un minot de sel en- 
semble (We zullen niet lang vereenigd blijven)(i;. 

Mud (Mnl mudde, Hgd. mült of molt, Fr. muid) is een oude inhoudsmaat 
van zeer veranderlijke grootte, die ook als graaomaat werd gebruikt 



(l) Hatzp.-Darmrst. — J/i»o/ = 1/2 mine = 1/4 f e/ier of omstreeks 78 
lit. (oude Fr. maat). 



— 324 — 

(Hgd. Mdter). Oadtijdg W6r1 de mudde gewoonlijk verdeeld in iêehepa 
of Inspint of V^kop; later evenwel, op metrische wijze, inWtehepel 
of 100 kop of 1000 maatjes. Na, daar mud = hectoliter, heeft men : schepel 
= decal., kop =slit,. en maalje = decil. In 'tL. van Aalst heet de deci- 
liter, bij de jeneverdrinkers, een dotfbel maatje (zie ook Ndl. Wdb., IX. 56 
en vgl. Db Bo i. v. mant). Men vergel. de graanmaten van Tienen, bij 
Waütbrb (1) opgegeven : « Les grains, les semences, Ie sel se vendaient 
au muid, équlvalant & celui de Louvain et divisé en 6 8etier8 (hulster), 
qui se subdivisaient k lear tour en demi «etiers (molevaten)^ équivalant 
chacun é. 2 quarts, 4 demi-quarts et 8 mtlsiers ou seiiiömes de seticr. Le 
muid de Tirlemont, d'aprös une enjjudte qui fut faite en 1571, petait 39 d|4 
livres et nne once (déduction faite du saccontenant legrain) et repro- 
sento 1 Hlitre 8 Dlitres en mesure métrique. • Daarnaast wil ik de oude 
Aalstersche maat plaatsen, zooals ze thans nog bij de boeren bekend is 
en vaak gebruikt wordt : 1 «aA = 6 vaai (2) of 24 vierlingen of 48 hëlfvUr- 
tingen of 96 potten. Dus halster = 1/6 mud en vat = 1/6 «aA: ; ook molster 
= l/ld hahter, en pot =s 1/16 vat (8). — Het w. mud leeft eveneens nog 
voortin de samenst. muddegelden muds*ak (V. D.). 

Het spreek w. : Ben mudde (of : schepel) iout met iem, eten is van klas- 
sieken oorsprong en reeds bij Aristotbles te vinden. De verz. van 
« Campea • doet het slechts opklimmen tot Giciro : Men Ttai niemani tot 
enen wrent werkleven, men hebbe dan te voeren veele schepel solts mit hemghe» 
geten, seeht Cicero, In een nog ouderen vorm, in Seer sehoone Spreekw. nl., 
vindt men echter de mudde terug : Eer ghy eenen vrient kent, eedt een 
mudde souts met hem ; ook bij Cats : Al eer dat gij een prient betnmwt, 
Soo eet met hem een mudde sout. Bij Tuinman. Il» 56, is de mudde een zak 
geworden : Men kan niemant recht kennen, %o lang men geen %ak %out met 
hem gegeten heeft. Soms komt het oude meuken in de plaats, zooals bij 
GoBDTHALs : Niemant te betrauwen qhy en hadt met hem gheten een mueken 
sauts, Vgl. Gorn.-Ybrvl. : Hij %al daar geen meuken %out eten (Hij zal er 
niet lang wonen.) Meuken komt nu en dan voor in de beteak. van mudde 
zooals ook hier bij Gobdthals, die het vertaalt door muy. In 't Mnl. even- 
wel komt ons Vlaamsch meuken dikwijls voor als verkleinw. van mudde, 
onder de vormen meucken of mueken, moken, modekijn, muedeken, mudde- 
ken, eni., en diende soms als tegenUelling met mudde ; aldus bij Gobdt- 
hals : So weeldich is de muys int muecken, ali int mudde coyrens (koren) (4). 



(1) A. Wauters, Géogr. et Hist, d. Communes belges. Villede Tirlemont, 
Brux., 1874, p. 18 b. 

(2) raa/ is het mv. van vat. Te Tienen, zegt Toebl., haUier sr vat =^ 
30 liters. Het w. t;a/ leeft ook nog voort in de samenst. M/maarfe en in 
den schimpnaam 't vat (voor: kort en dik, plomp manspersoon), belde 
rondom Aalst veel gebruikt. 

(3) Bij De Bo vint menr 1 iak (omtrent 1.5 hectol.)= I spint of 8 achten- 
deelen (10 achtendln. = 1 mndde ; 6 achtendln. =: 1 driespinder ), Een ach. 
tendeel heel ook f rankart en verkaart.Ygl. Gorn.-Vbrvl. i. v. xak. 

(4) Zie Meijer, 80 en Vbrdam, Jf»/. WdA. , IV, 1768 en 1999 vlg.Ook 



— 335 — 
Rondom Aalst is een meuken 1/4 lak ot 1 l/S yat (Vgl. Sghtjbrm. i. y.) 

557. Schepel. — Een vrouw draagi meer uil met een lepel, 
Dan een man inbrengt met een schepel (G. en H.). Zij sparen 
't met lepels. En verteren "t met schepels (H.). Vgl. Het kwam 
met spinten vol in huis ; met schepels vol ging het er weer uit 
(H. III, iv-v.) Zij eten met lepeltjes, en sch... met schepeltjes 
(H.). Hij heeft geld bij schepels (Bij de vleet. — Kramers op 
écu). — Eris een gat in 't schepel (Bij pelders gezegd voor : er 
is geen zaad meer, de garst is op. — Boe.). 

Schepel, Kgd. Sch e ff el, was oudtijds V« Am sterdam sch mud, maar thans 
0, 1 mud of 1 DU ter (Zie voorg. n*')* ^^^ yindt het ook terug in de 
samenst. tohepeliak en tchepelmand (V. D.), alsmede in het Qroningsche 
scheel {= ^lihect.), een samentrekking yan schepel, en *n vieffcheelnak s 
zak die ongeyeer */4 grooter is dan de gewone. Men kent er nog de zegs w.: 
'n viefscheeli*ak vol drokie : hei zeer bezig hebben (meest gez. yan bezige 
ledigloopsters, die lich den schijn geyen het zeer druk te hebben. — 
Mol.). Zie boven» n* 518. 

558. Spint. — Een haan eet eerder een spint haver op als een 
paard (Men bedoelt, dat een haan in korteren tijd een spint 
haver kan opeten, als dat hij een paard zou kunnen opeten, 
en niet dat de haan een vlugger eter is dan een paard.— H.). 

In Noord-Ned. werd eertijds een spint gewoonlijk gerekend yoor »/♦ 
schepel of *1|6 mud ; zekere maat, zegt V. Da.lb, yan omtrent 7 lit. ; ook 
»/♦ schepel. Bij De Bo is spint = «A zak of »/» mudde ; hij gewaagt ook yan 
een driespinder (Zie yorige bl , noot 4). Het oude en thans in de leyende 
volkstaal onbekende spreekw. : Üe muis is *oo weelderig in een spintje als 
in eene mudde koren, werd onder n<> 556, doch in een anderen yorm, reeds 
vermeld. Mbijeh zegt daar : muecken = een spintje. 

559. Kop. — Hij heeft wel een kop gort noodig, om het uit te 
tellen (Men ziet hier op het neef- en nichtschap, dat door 
sommigen op Adam zou worden uitgestrekt, indien de ge- 
slachtsboom maar zoo ver reikte. — H.). Hij behoeft wel brij 
(of: meel) metgroote (of : volle) koppen. Die allen klappers (of : 
zotten) den mond zal stoppen (1) (Het kost veel moeite alles te 
Beantwoorden en elkeen te wederleggen. — C, G. T., H. en 

BOQ.). 

SüRiKGAR, n* GXXXVl ; Stoktt n» 2161 ; Taal en Lett. III 370 ylg. ; 
BoRGHARDT n« 1002 ; Harr., III, 364. 

(1) Reeds in Prov. sêriosa, in « Gampen » (Mkijbr, 13), bij Grdt. I, 
Dr Brdnb, enz. 



— 326 — 

Z^als wij boven (z. muddê) zeiden, is de ibp -— oude inhoudsmaat voor 
droge waren — gelijk aan 0,01 mud of 1 liter. De Ndl. kan = 0,01 Ndl. 
val), Toor vochten bestemd, Heeft d^nzelfden inlioad ; gewestelijk wordt 
Aróp ook wel voornatte waren gebruikt ; zoo spreekt men vaneen kopje 
melk (halve pint of kan. — V. D.). In de uitdr, op de kop, juist op de kop 
(juist h^'t genoemde bedrag, niets meeren niets minder), die in heel Vlaan* 
deren ec zelfs in de Groningsche volkstaal bekend is (Mol.» 319), is kop 
eveneens als maat gebezigd. 

560. Hellje, helletje^ hilije. — UU een helletje erweten 
(Schertsend, achter de woorden Proprietaris, Baron, Kozijn, 
enz. gevoegd, in den zin van Hgeen men in ernstigen stijl 
uitdrukt door zoogenaamde y Fr. soi-disant ; b. v. «een filo- 
soof uit een helletje erweten « ; een kozijn uit een elletje er- 
weten = van Adams kant. — De Bo), 

Heitje (Mnl. heltkijn, helkijn, heiken), een oude Vlaamsehe maat voor 
droge waren, nog heden in West^VI. gebruikel^k, en omtrent een liter 
groot, hier wat minder, daar wat meer. De oorspr. beteek. is kalfje, d. i. 
de helft van een half achtendeel (z. knudde, noot). 

Ds Bo geeft nog, de schertsende zegswijze : Ben helletje vlooien (b. v. 
een huis betalen met een helletje vlooien). 

561. Vaan. — Een vaan ophebben (Wat te veel gedronken 
hebben). Hij drinki als een koe met teug jes van een va&m{A, i. 
hier : vaan. — H.). Tuinman, I, NaU 15, geeft : Zy drinkt 
als een koe^ dat is, met een teugje seffens (tevens), goelykjes 

(aardigjes) van een vaan (Schertsehd van een zuipster). 

Vaan is een oude vochtmaat, 4 mengel bevattend (zie beneden, op dat 
woord, alsook boven n" 296). Vaan is ook nog overgebleven in het bekende 
schrapjestpel : 

Elk en baok en bSrkenhcait 

Is er iemand w91 zoo stOOt, 

dis mij hëëten liegen zoa ? 

Wille m'is wedde vsar 'n vddn 

dSt er twintig schrabbekent stfian ? •(l) 

563. Mengel. — 'tb een mengelen broek en een pentje (pintje) 
billen (Van iem. met een broek, die hem veel te wijd is. — 
Bob.). Bij Harr. : Drie mengelen broek en een pintje billen. 
— Laat de kan staan en neem het mengel (H.). 



(1) Volkskunde, 1,88; Ds Gock én Tbihluïgk, Kindertpel, VII. 219, Söl, 



— 827 — 

Dit laatste, tyn. yan laat de kan staan en neem da leer of zet de kan neer 
en neem de leer (ook : wie geen kan heeft, moet de leer gebruiken), is een 
sehertsende woordspeling, gezegd tot iem., die beweert iets niet te kan- 
nen, om hem aan te manen bet te leeren. 

Mengel (Fr. mingle ; dial. mengelen, mingelen (ook Mndd mengelen. — 
Z. Ykrdam opm«ii(re/)i8 de naam van een oude Ndl. vochtmaat: als 
wijn-, bier- en oliemaat =1 21 llt ■ ; als brandewijnmaat as 1.58 lit.; als 
;nelkmaat 1.81 lit. De grootte is thans echter yeranderlijk; bij Molbma 
nagenoeg =1/2 lit. ; bij Boxkbmooqen 2 kan of lit., soms 4 kan. Tegen- 
woordig, zfgt hij, worden alleen nog karnemelk en room bij het men- 
gelen verkocht. Het woord leeft ook nog in 't Qroningsche mengeUglas 
(ouderwetsch bierglas. — Mol.). ' 

Volgens Verg. is mengelQlnl» menghele) zooreel als middel om te men- 
gelen, d. i. om van het eene vat naar het andere over te brengen {Menge- 
len, fireq. yan mengen). 

568. Stoop. — Goesting is koop.AlwareUeen uil op nen stoop, 
of : Liefde is koop, Al ware het *t gat van een stoop (De liefde is 
blind en ziet geen gebreken. — R ). Vgl. De liefde is loos, Zij 
valt zoowel op een stront als op een roosm. — lem. op stoopen 
trekken (Bedriegen, voor den gek houden. — Joos). Een 
stoop (Dwaas, stomp mensch. -- De Bo).Yg\.Ne kop gelijk 
ne zaanstoop (Een zeer groot en dik hoofd. Zaanstoop = ^oop 
waar men zaan in zet. — C.-V.). 

De ttoop, insgelijks een onde vochtmaat en veranderlijk van greotle, 
is nog heden aan onze boeren goed bekend. In 't L. v. Aalst en bij De Bo 
is de stooop = 9 lit. of 4 pinten ; bij V. D. = 2 1/2 lit ; bij Kramkas 
= 2.425 lit. (voor wijn en olie), en 2.0464 lit. (voor bier : Dortiche stoop). 
Men vindt het w* ook terug in stoopskan, alsmede in enkele kinderrijmp 
jes ; zoo zingen de kinderen van Denderleeuw, bij 't inhalen van den 
c haan •, d. i. van 't laatste voer graan : 

« Koekeloerenhaan I 

'i Leste voeler is op de baan 

Om naar huis te gaan t 

Wat hee(f)tden haan verdi(e)nd ? 

Twee stoopen en een pint. 

Allemaal gelijk : sjouw t » 

Een Westvl. kniedeuntje (Biekorf, V. 64 ) eindigt aldns : 

c Zijn ze te Meene goeie koop, 
'k koope der tien of twaalf stoop, i 

Zie nog Dm Gock-Teirlingk, Kinderspel, I. 258. — Te Antwerpen heet 
meer dan öen bierhuis ; M *f Stoopke. 



(l)Zie miluSpreekw* ever de Vroutosn, VI^ n'* 1-18. 



- 398 — 

Bij ScH.y TuERL., RüTTKN 611 Gorn.-Vkrvl. kouit het w. enkel voor in 
de beteek. : aarden kruik, en het bovenstaande spreekw. yan Ruiten 
zal dan wellicht bepaaldelijk daarop betrekking hebben. Waarschijn- 
lijk echter ie de beteek. itoop = aarden krnik, ontstaan uit sioop = 
ttoopskan (kan, ter grootte yan een stoop). 

D. Wegen. — Gewichten, 

564. Unster of ponder, ook Romeinsche balans en weeghaak 
geheeten. — Unselen, usselen (Wegen met de unsel, ussel of 
unster. — J.) ; inselen (met den insel verwegen, vermeten, 
verpenigen. — Loq. VII, 4). Verimelen, vereeselen (Loq. VII, 
2-4, 7), ook vereinselen of aan den einsel (of hengsel) hangen 
(Verkwisten. Meest gezeid van vrouwlieden. — De Bo). 
Einselaar, hengselaar (Die 't al verkwist in snoeperij, in klee- 
ren, enz. — De Bo). Ponderen, pondelen^ punderen (Met den 
ponder wegen ; (fig.) iem. polsen. — Sgh.). 

Het oude en bij onze boeren soms nog gebruikelijke weegtoestel, 
unêter, heeft in het dialect talrijke namen ; zoo vindt men bij Sghübrm. : 
einsal en eutel; hengtel, huiselt uiset en unsel (in Vlaand. en Brab.); pun- 
del, punder en pungel (in Limb), pondet en ponder (In N.-Brab.); — bij 
Db Bo : einsel, ensel, hengnl, imel ; — bij Gbzblls (Loq VII, 4-5) knip^ 
wage, öotemer^ oesel, eiiei, en$et, in^et, ousel, uitel ; in Frieel. : enster, 
ensfer, entster, unster, unster ; — bij Joos : unsel en ussel ; — • bij Boxkbn- 
ooQBN : onster, daarnaast onser en om%er, en vroeger ook iinier en ome/. In 
Robmer Visschkr's Sinnepoppen, 59, zegt Dr. B., vindt men onserwicht, 
onlser-wicht en een afbeelding van het werktuig, en Kil. heeft : « eiw^er, 
ensser, entster, unster. Fris. j. unsel, statera. i Bondom Aalst en Denderl. 
zegt men algemeen uisel (1), en dit w. hoorde ik ook meer dan eens in 
het plattevolksgezegde : • *k Zal u nen schop onder uwen uisel (a» nw scha- 
melheid) geven •. 
Men kent bet oude raadseltje op unster : 

» Het groeit buten, 
en 't bloeit bnten ; 
de smed smeedt eran, 
en de oude wunfs gelooren deran. i 

G. Gbzbllb, in Loq, VII. 4. 
of wel, in dezen modernen vorm, ook in 't L. v. Aalst bekend : 
« 't Groeit in den bosch, 
't Bloeit in den bosch. 
De smid smeedt er aan 
En alle menschen gelooven or aan. » 

(1) Van het mann. geslacht, evenals elders in Vl.*Belgié ; bij V. D is 
unster vr. 



— 829 — 

De untter heei in 't Hgd, Schnell-Wage ; in 't Fr. ptson en bafancé 
romaine. Voor de etym., zie Vbrg. en Loq. VII. 2-8. 

565. Pond, — Ik zou je in goud laten beslaan, als het een 
dubbeltje het pond kostte (Ik ben u zeer erkentelijk. — Boe.). 
Bij Harr, : Ik xalu in goud laten beslaan, zoo spoedig het een 
duit het pond kost (Vgl. ook Sart.-Sghrev. pr. VIII. 84 ; 
G. T. I. 362 en Ndl. Wdb., V. 461). lem. op drij pond trekken, 
of hekelen (Van iem. veel kwaad spreken. — J.), Mager en 
gezond en in de bors geen pond U) (Schertsend. — J.). Zie 
nog den" 410, 411, 567. 

In eenigo landen is het pond, Hgd. Pfund, Eng. pound (2), nog heden 
de gewichtseenheid, nl. in Brittanniê, Denemarken» Skandinayifi, 
en Rusland, doch het gewicht verschilt er en gaat van 409 tot 500 gr. 
Een nud Ams^erd. pond deed 494 gr terwijl men thans door een Ndl, 
pond een kilo Terstaat ; in overeenatemraing daarmee spreken de boeren 
nüN.-HoU. van ponden {oud pond) en kiiopoHdin {zie Bob., kol. 483). In 
Viaanieren, althans rondom Aalst, onderscheidt men nog dikwijls een 
*waarpond (500 gr.) rtineen licht pond (400gr.)(3), en dns ook een %wëar 
half pond van eem licht half pond, en daarna ast heeft men een %waaren een 
licht vindeel of vierendeel (= 120 en 100 gr.) en een ditto half-vindeel ; toch 
wordt dit zoogenaamde u licht gewicht » allengs vervangen door het 
« zwaar gewicht •, zoodat voor den winkelier een pond, zonder meer, ge- 
meenlijk gelijkstaat met >/> ^'l^- Rondom Antwerpen gebruikt men 
voor zwaar en licht gewicht: kilogewicht en pondsgewicht. welk eerste w. 
ook rondom Aalst bekend is. Op de Aalstersche botermarkt is bij vele 
boerinnen de gewichtseenheid nog steeds het pond (kilogewicht. Zie boven 
n«514). 

In *t L V. Waas spreekt men van een ponderken (in West-V). : pondertje), 
d. i. een tarwebroodje van öen pond ; bij Sgh. : ponder en ponderken, en hij 
voept er bij : • Men Zt>gt te Eecloo en elders nog : wier ponder, *e$ , acht' 
ponder,enz. d. i. een brood van yier, zes of meer ponden. » Bij Cork.-Vxrvl. 
vindt men pondtche keenem \ waskaarsen yan éen pond gewicht. 

In een aantal afleidingen en samenstellingen leeft het woord nog 
krachtig voort : pondsgewift (bij het pond); pondtpondsgeivijs (naar even- 
redigheid. ~ Vgl. boyen, n* 555: pondpondigelijk); pondgaarder (gew. 
voor : korenmakelaar.— V. D.); pondgaren, pondpapier (garen, papier, dat 
bij het gewicht, het pond, wordt verkocht); pondgeld (scheepsbelasting, 
naar het aantal ponden berekend); pondhuia, pondkamer (huis of kamer 



(1) Beter ware 't, wellicht, hier pond als muntwaarde te nemen. 

(2) Uit Lat. pondo, dat met pondus, van pendere = wegen (Viac). 
(8) In WesUVl. : groot en klein pond. 



- 830 — 

waar het pondgeld betaald wordt) ; panding (groote boeronappel. ^ D. B. 
en J.); pondapeer, Fr. poire de livre (groote peor. — V. D.); pondickoiel 
(houten schoteltje, dat een pond boter kan bevatten. — D. B.) ; dubbel- 
tjetpondje eu êtuoterspoHdje (1) (in de Zaanstreek^ een koek van een pond, 
die een dubbeltje of een stooter kost. — Bok.) ; verponding (grondbelas- 
ting. Vbrc, Eiym. Wdb, geeft i. y. : betahngsaandeel in ponden : Mnl. 
pontos. 1. pond (gewicht), 2. pond (geldwaarde), 3. beiiiting) ; verpon- 
dingstffiel (ons aanslagbiljet) ; pondboek {kohier der verpondingen, de 
hoeveelheid bevattende, op welke de vaste panden in die belasting xijn 
aangeslagen. — Ucbufft) ; ponder (unster. Zie voorgaande n*). Zie 
beneden, om en lood en boven, mijt (u« 547) ; voor pond (geldwaarde), 
z. n« 523. 

566. Steen. ^ De honderdste dag^ honderd steenen van *t gemet 

(J.)- 

Zie de verklaring van dat op bijgeloof berustend spreekw. bij ons n» 555. 
In 't L. y. Aalst en 't L. y. Waas is de iteen de gewichtseenheid (van 6 
pond) bij deo handel iti afgewerkt vlas, wat ook het geval is te Antwer- 
pen en de oostwaarts gelegen dorpen, waar evenwel de steen op 8 pond 
wordt berekend en tevens als gewichtseenheid geldt bij den handel in 
roet kaarsen en vet (Zie C.-V.). In West-VK is steen de gewichtseenheid 
voor aardappelen : 3 kilo. 

Kil. geeft : steen, sex lihraep octo librae. — Rondom Aalst, waar steen nog 
in gebruik is bij den boterhandel, heeft dat w. geen meerv. 

567. Ons. — 7 Is beter een ons geluk als een pond verstand (A. 
en J,; ook G.T. en Boa.), Tüinm. heeft nog : Beier is een once 
geluk, dan een pond wijsheid (ook zoo bij H.). De Brune geeft 
dit rijmpje : Een ong* ghelucx^ wat datmen relt^ Heer als een 
pond van wifsheyd ghetd (H. III. 192). Vgl. Hgd. Lieber eine 
Handüoll Glück als einen Scheffel Verstand. Fr. Une once de 
bon sens (de bonne réputatiun) vaut mieux qti'une livre de seience 
[que mille livres d'or). — Dat weegt voor mij geen ons (Dat is 
voor mij niets. — R.). — Gij weegl hem geen ons (Hij is u veel 
te sterk. — R.)» Vgl. Fr. Il n*a pas une once de jugement ; soms 
ook hier : Om ^een ons verstand hebben. Maar een 07is wegen 
(Zeer licht. — ^^A.). Vgl. Fr. Ne pas peser une once. 

Rondom Aalst is het w. on» (Hgd. Urne, Eng. ounee) (i) nog van dage- 
lijksch gebruik en de gewichtswaarde is er slechts 30 gr.; in HoU. is een 
ons het 1/10 van een Ndl. pond^ dus een hectogr.; vroeger, toen het medi- 
cinaal pond van ongeveer 375 gr. nog gebruikt werd, was dit verdeeld 



(1) Uit Fr. once, van Lat. unciam (•«) s klein gewicht (Ybrc). 



- 881 — 

in 19 oneen ; een <mce in 8 drachmen, het drachme in 8 $crupaU het «cn/pe/ 
in 20 grein, 

In dezen zin treft men het w. once aan in 'l onde, bekende TolkBliedje 
van den Uil^ dit op den pereboom %at : toen de vogel yan den boom geval- 
len was» werd hij, Btervend, bij den uil-dokter gedragen, die hem «e< 
(soms yijf of drij) oneen bloed « trok » (1). 

Voor het spreekw. Beter een ons geluk dan een pond vetêtand, vergelijke 

men o. a. : Geluckige Sotien hebben geen Wijxheyt van doen (Sart..Sghbbv., 

pr. VI. 45) ; Die 7 geluk heeft, leidt de bruid te kerke, al komt hij tdéttt (G.T.) ; 

IHJ ü het niet aan zijne verdienêten, maar aan %ijne gelukêtter venehuldigd 

' (H.) ; De gekken krijgen de kaart. 

Zie pond. 

568, Lood. — Vrienden in den nood, Vier en twintig in een 
lood (C. ; C. T. en H,), of : honderd in een lood (V. D.), of : 
vijf en zesligin een /oorf(De vrienden inden nood zijn zeldzaam. 
— C.-V.). Men kan zich vergissen, zei de vrouw, en zij smeet 
twee lood gemalen peper in de iofflekan (S.).Het is geen lood snuif 
waard (H.). VgL Het is geen pijp tabak waard (Alg.). 

Het lood stond vroeger gelijk met een half ons ; thans evenwel doet het 
1/10 van een ons, d. i. i/100 van een Ndl. Pond, dus 1 decagr. Het w. leeft 
niet alleen voort in bovenstaande spreekw. en zegswijzen, maar ook in 
kiLderrijmpJes ; zoo leest men bij Yam Vloten, 24 : 

« Hoeveel koffie heb Je gemalen ? 

Een lood. Juffrouw I 
De koffie neem ik mee naar binnen, 
En hel dik bewaar ik voor jou. » 

Dat onze dichters het soms nog gebruiken, blijkt o. a. uit Starikq's 
puntdicht, Aan eeu te nedigen schrijver: 

c Waarom uw Boek aan 't licht onttogen ? 
't Verschijn gerust» al is *t niet groot : 
Wordt Eikanschors bij *t pond gewogen , 
Men weegt Kaneel bij 't lood {2). » 

569. Grein, greintje. — Niet een grein ; geen greintje (Niet 
bet minste); hij heeft geen greintje gezond verstand (Niets) 
Fr. : il n'a pas un grain de bon sens. Men :tegt ook : Geen 

greintje gevoely trots, grootmoedigheid ^ enz. 

Hat grein (Mnl. grein, grain) is een mf dicinaal gewichtje, wegend 1/20 

(1) Zie Volkskunde, IX, 185 ; X, 172-173 ; XII, 28 en 34 ; XIV , 160 ; ook 
De Coussemakbr, n** 88. 

(2) Gediahten van A. C. W. Starino, uitg. door Nic. Bbbts, blz. 861. 



— 332 - 

scrupel of 0.065 gr. (lie boTan, om). Het w. is ontleend aan Fr. grain, yan 
Lat. granum s graankorrel, klein gewicht (Ybrc, z. ook Ndi. Wdb., Y. 
615-649). 
In J. VAN Rijswuck's EngeUch Vuurwerk {Pol. Zweêptl, 22), leest men : 

c Wij moeten dan, naar allen schijn, 

Toch ezels zijn 
Bn hersenlooxe houtekoppan ; 
Een deerlijk bavianen-ras. 

Waar nooit van ims 
Een grein genie is uit te kloppen, i 

570. Aas^ Aasje. — Een aasje verstand, medegevoel, enz. 
(Een greintje, een beetje). Geen aasje (Niets); b. v. : Zijn kre- 
diet is geen aasje vermeerderd (Kramers). 

Het 00$ was de eenheid van het oude gewicht, het kleinste gewichtje 
van het oade stelsel ; het stond gelijk met het 82* van een engeh, d. i. 
0,017 decigr. o( het 640« van een Oudholl. otie (s. Ndl. Wdb , I. 697-699 en 
Vkrsax. Mni. Wdb., 1. 19Ê{-199). 



AANHANBSEL. 
F) Andere Reohteoadheden. 

571. Op staanden voel (Dadelijk, oogenblikkelijk). 

Eig. terwijl de voet nog staat, eer men den yoet Terzet. Bi] Kil. : 
MtaendS'Ooets, voets-itaendê, sta'im»illioo (l)|Talgo pede stante.^ Herinnert 
aan de wijze, waarop men oudtijds een vonnis moa^t iehelden^ d. i. we- 
derspreken, aantasten ; znlks diende gedaan : êtandês, onverwandtê 
voet» ; elders : eer h idaf angesichte pan den richter keert (2). Bij Grimm 
evenzoo: Stande sal man ordele 8celden(3axenspiegel)« Hier heet het: 
Zur itetle unverwandles fuine», of im fjisutapfen ; elders : stande» fu$zen,€ er 
hinder 9ich trede (3). Bij onze 17* eeuw«che s'^hrijv^rs wordt de uitdr. 
algemeen gebruikt. In de Ylaamsche volkstaal heeft men daarnaast : op 
den ttaandenoogenblik, op den tiaanden moment. 

Zie nog Stoktt, n' 2039. 

L ) Bouwtrant. ^ TVoonhnis, bewoners en huisraad. 

572. Pape(n)sieen^ paapsteen. — Klampsteen. 

ScHUERH., Corn.-Vbrvl. eu Joos kennen beide steensoorten, terwijl 
Db Bo enkel den papensteen vermeldt : in 't L v. Aalst hoorde ik slechts 
van den ktamptteen spreken. Beide bebooren tot den zoogenaamden 
« Boomschen steen » : een kleiner en harder soort van baksteen dan de 
Brabanlsclie kareel of « Ie type de Gand », waarvan rArt de hdtir van 
P. Planat (Paris,z.j.) gewaagt. Volgens dezen schrijver is deklampsteen 
ietwat grooter dan de papensteen, volgens anderen hebben zf] gelijke 
afmetingen ; doch de eerste is harder en beter bestand tegen de natte,wat 
hem geschikt maakt voor de grondvesten en de waterwerken. Klampsteen 

(1) Lat. illico, ontstaan uit • in loco = op de plaats. Vgl. Hgd. auf der 
Stelle ; Fr. : SurUehamp. 

(2) NOORDBWIKR. 409. 

(3) ïteehtsëlterthümer, 865 vlg. • 



— 834 — 

wordt aldus genaamd , omdat hlJ yroêger uitsluitend in open ovens 
{klampen ot klampoveni) gebakken werd ; thans bakt men hem ook in ge- 
sloten ovens. De papenstêen ontleent zijn naam aan het feit, dat de 
kloosterlingen van St-Bernard-aan-de Schelde die steensoort het eerst in 
den handel braohteo (17* eeuw) ; «steen van de papen» zeide men toen. (1) 
ItJr is roode en blauwe papensteen : de blauwe kleur wordt yarkregen 
door den rook yan brandend groen elzenhout. 

X73. Xauer (Kleine nis of indiepiog in de dikte van een 
muur. ^ (D.B., J. en A.). Moiier (D.B.) Maziergat ('Sgh. en 
G. V.) Mazuur (J.) Mizaur^ of muzuurgat^ maiziergat (Sgh.) 
.VixiWe^a: (Kapelleken of driehoekige holte, die men in gemet- 
selde scheids uuren bemerkt èa welke aanduidt dat de muur 
gemeen is. Te Leuven. — Sgh.). Mazierkotf viziergdt^ vizierkot 
(Kleine vijfhoekige nis nevens den heerd of een vensterken 
in den hoek der schouw» om langs daar in den stal te zien. 
Kempen. — C.-V.) Zielekot (Heist-op-den-Berg. — C.-V.). 
Vuister (N. en W. der Kempen. — C.-V.) 

M€§ier, verkort uit matiergal : Mnl, m€$ier, uit Oudfra. maufófé^Mlat. 
maceriamiria) s ringmuur, een afleid, van Mlat. macio = metser (Yshg.) 
Stallabrt hoeft maiiérgêt, ook wel motiergat en mu$ier g at, m^i de 
beteek. : Nis, uitholling in de diepte van eenen muur, als bewijs, of 
van eigendom, of van gemeenschap. Ook Ds Bo, Sghuerm. en Clabs 
(Lijst) kennen het w. in denzelfden zin. « Wanneer het maziergat slechts 
aan de eene zijde van den muur bestaat, bf hoort de muur tot den 
eigendom van deze zijde ; zijn er maziergaten van wederzijde, zoo it 
da muur gemeen eigendom m (Cl.). 

In de oude boerenhuizen met hun wijde, open schoorstaenen vindt men 
zeer dikwijls mazieren in den hoek van den haard, waarin men dan ge- 
woonlijk tondeldoosjes, solferstekken, pijpen, speelkaarten en dergelijke 
kleinigheden legde, en soms nog legt (2). Kil. geeft: Matier, matiergat . 
Riscus : fenestella impervia in muro, pariete aut foco... c In yele hui- 
zen, zegt De 6o, is er in den muur een masier (in West-Vl.ook Kapelleken 
genaamd), waarin een Kruisbeeld en een Mariabeeld staan, k Hier wordt 

(Ij Muieum 90or Folklore te Antwerpen. Naamlijst der verz. voorwerpen 
(Antw., Bischmann,1907.) blz.5. 

('i) De tondetdoozen en de elg. solferstekken (in Westvl. sul ferpriemen) 
zijn thans zoo goed als geheel verdwenen. Van Je Aalstersche « solfer- 
stekmans », die ik in mijn kinderjaren met een kolossalen bussel droge 
kcmpstengels op den rug, zoo vaak zag voorbijtrekken, hoor ik heden 
op mijn gebo3rtedorp (Herdersem) niet meer spreken. Men kent er nog, 
evenals in 't L.v.Waas, de spreekwijzen : Beenen gelijk solferstekken (zeer 
dan) ; breken gelijk ne solferstek (zeer licht). 



— 335 - 

echter» zoo ik meen, de buitenzijde der haiien en mnren bedoeld, en 
dergelijke mazier-kapelletjes treft men oogoyeral in Zuid-Nederl.aan, 

Bij VBRDAM,lf»/. Wrf6.,lV.1905-1207^vindt men : Matiere{gat) =r 1. Een 
leemen ofateonen muur, die tot omheining of afscheiding dient ; 2. eene 
spleet of reet in een mnur. bij uitbr. reet^spleetiopening in 'talg, ; 8. eene 
in den mnnr gemetselde of aan een munr verbondene bergplaats, eene 
kast in f en muur. Ook bergplaats, kast in 't algemeen Zie nog Stallaert 
Gloin. II. 191 ygl. Volksetymologie heeft ma»i€rgat,'lot tot maxiettgat en 
zielekoi gemaakt. 

« Donw ! douw f mijne Pier I 
En de pap staat in den mauer. 
En moerke zal naar Gent gaan 
En de pap zal in den maaier staan. 

(Volkslied, bij Ds Bc ) 

Te Nevele zegt men mester, blijkens dit volksrijmpje : 
Pier blaast het vier. 
De pap staat in den mezier. 

{Volk$k.l.Z12). 

Volgens Dr Corbmans, II, 81, zon het maziergat binnenshnis oorspron- 
kelijk gediend hebben, om er den huisgod in te plaatsen, en dat aan de 
buitenzijde, om er etn schuilplaats te verleenen aan de dwalende lielen, 
die men niet wenechte binnen te zien komen (Zou het zitlehot van Heist^ 
op-den-B. daarop wijzen ?). Waarschijnlijk, zegt hij, plaatste men er 
later het afbeeldsel in van een of andere godheid, die de kwade geesten 
verwijderd kon houden. 

574. Baansl (Tondel. — Sgh., D. B. en J.). Banst, benst, 
(D. B.); fron«/(J.). Baant (Limb. — Sgh), baënt (R.j, baind 
(T.). - Vonk, vunk, vink (Tondel — D. B.). Vonk (C.-V. en 
A.). Zoo droog als baanst. (Uitermate droog ; ook gezeid van 
een saai mensch. — D. B.). Zoo droog ah vonk (Sch. en A.), 
Er is noch vuur noch vonk in huis (Sch. en A.). 

liaan^t, vonkt bij Kil. baenst, voncke, vuncke, in Holland tondel, tonder 
of tintel, Hgd banier, Fr. amadou, is half gebrand linnen of katoen, dat 
gemakkelijk vuur vat aan eene sprank. Vóór de invoering der lucifers, 
bediende men zich van een keisteen (vuurkei) en een stalen voorwerp 
(vuurslag) om vuurvonken te slaan, die men op tondel liet neerspatten 
hetwelk aldus spoedig vuur vatte. 

Ik wijs ook op de samenstell.: öaan!ttdoo*etvonkdoo8,baanstlade,vonklade, 
vonhpot (Tondel- of tinteldoos; Fr. hotte d mêche); baantschotel (Limb. 
— Sgh.) {l)Man$tslag (de tondeidoos met kei en staal om vuur te slaan^; 



(1) In lig. en verachtel. zin is baantschotel aldaar =- geile vrijster, 
slordig wijf, klappei (Sch.), 



^ 886 — 

vünkslag, wnkslaal (murslag ; Fr. fimit) ; wnktoUetje (rond houten vonk- 
doosje, dat de werklieden in den zak dragen, om daarin, als 't hun lust, 
vuur te slaan en hunne tabakspi jp te ontsteken — D. B.). 

Tevens wil ik bier nog in herinnering brengen, dat in onze oude, 
aartsvaderlijke woningen hethaardyuur niet mocht uitdooven; daarom 
wórd het 's avonds, vóór het slapengaan» telkens weer zorgvuldig inge- 
rekend. De haard geleek een huisaltaar, waarop het c heilige » vuur — 
het aardsche vuur was eon afbeelding van *t hemelvuur — diende on- 
derhouden te worden . 



AANVULLINGEN EN VERBETERINBEN. 

52. Omtrent den middeleeuwsche heerendienst « de kik- 
vorecben tot zwijgen te brengen » (Hgd. Die Frosche stillen)^ 
zie men nog : P Sébillot, Le folklore de France^IV. 289 vlg. 
Enkele Franscbe dorpen hebben daarvan tot heden toe een 
spotnaam bewaard. 

89. Ook Gallée, OelderscA-Overijselsch Dialect, heeft Wn- 
ha$e ; bij Dr. Bergsma vindt men : beun^ beune «= 1. zolder 
boven de keuken , de kamer of een bedstede, vaak in tegen- 
stelling met de balken) ; 2. houten vloer in de keuken. Hier 
en daar zegt men holten be%n{e)^ elders is beiine >» houten 
vloer, en beuntien = zoldertje, of beun = zolder, ow- 
derste beun = vloer ; 3. verhevenheid. Eindelijk ook : 
beunhaze^ beunhaas = balkenhaas, kat; lig. t een dieoverdl 
den neus in steekt >.. 

101. Metten Aamere vercopen (Verdam, Mnl. Wbl. III. 68). 

181. Zie Ndl. Wdb. VIII. 283. 

158. Vgl. Mitteilungen d. Vereins f. Sachsische Volks- 
kunde, Bd. IV (1907) bl. 211 : « In den Weisthümern des 
Hunsrück findet sich haufig das Institut des « Banbackes > , 
d. i. die Einwohner waren gehalten, ihr Brot in dem der 
Herrschaft gehörigen Backhaus, gegen entsprechende Ab- 
gabe, zu backen. In Siebenbürgen scheint ebenfalls die Ge- 
meinde als Gesamtheit dieses Backrecht übernommen zu 
haben, in den Dörfern .als Gemein.le-Backes, in Stadten als 
Naehbarschafts-Backes. Einzelne Backhauser wurden f rem- 
men Stiftungen (Spitalern), den Schulen oJer Kirchen 
zugestanden. Seit etwa 100 Jahren ist der öfter in Nachbar- 



— 888 — 

schaftsstatuten und Stadtrechten aasgesprochene Backzwang 
fallen gelassen worden, aber die alten Formen bestehen 
noch. A. 

169. lem. de prang op den neus zeilen is ook aan Sgh. en 
CoRN -Vervl. bekend, Joos heeft : In de prang iiiten (iu een 
benarden toestand zijn. In 't L. v. Aalst evenzooj. In de 
prang zetten (in een lastigen toestand brengen). 

189. € In vele gevallen, zegt Taco de Beer [Noord en Z., 
XXX, 92) was (radbraken) niet op het rad, maar met het rad 
martelen en pijnigen. In den vijfhoekigen toren te Nürn- 
berg (o. a.) staat een zwaar rad met een ijzeren beslag met 
stomp uitgeslagen kanc, dat den veroordeelde over 't lijf 
gerold werd, naiat hij eerst naakt op een plank met latten 
was gebonden en 't rad werd dan zoo gerold dat 't lichaam 
tusschen de latten doorboog. » 

237. In strijd met de meening van miin vriend A. Van 
Werveke is deze rekening vanSimon vanHalewin(n»18784), 
van 1534-1536, ^XVIIJ v, aangehaald door A. Henne in 
zijn Eist. du régne de CAarles-Quint, V. 208 : « Aux malla- 
des lépreux et ladres demourans sur les quartiers de Bruges, 
pour ensepvelir les corps des pendus, après qu'ilz sont tom- 
bez du gibet, selon costuine, xu sols. » — Leprozen waren 
hier dus met de zorg belast om de lichamen der gehangenen 
te bewaken, en te begraven, nadat ze van de galg waren ge- 
vallen. 

264. In het proces van Cathelijne Janssens (164 Ij komt 
voor in het stuk ter scherper exantinatie : « Gevraegt oft sy 
noyt by eenigh manspersoon is bekendt geweest, seyt dat 
neen. 

c Nota dat den scherprechter hair geraseert hebbende 
c heur heeft verclairt, dat sy egeen maget en is, maer open 
c gelyck een vrouwe gehouden [gehurod) synde. > 

Daarmee kan de zegswijze tij heeft haren maagdom nog 
wel in verband staan, denkt Dr. P.TAGK,wien ik deze plaats 
verschuldigd ben ; niet met deze bepaalde passage, zegt hij, 



— 889 — 

maar met het alg. verspreide geloof, dat een ongehuwd 
meisje, met mans geen betrekking gehad hebbende, noodza- 
kelijk omgang had met den duivel, indien zij haren maag- 
dom kwijt was. Zij heeft haren maagdom nog zou dus betee- 
kenen : Zij is een gansch onschuldig wezen. 

Die verklaring schijnt oen goeien grond te hebben, maar 
is c het wegen », waarvan Harr. gewaagt, hierin geen hin* 
derpaal ? 

270, In een oud werkje, in 1561 te Antwerpen gedrukt, 
bij Hans van Liesveld, leest men dat « het ook in en om 
Antwerpen costum geweest is, om bij eene bruiloft open hof 
te houien, werwaards wild en gild (vreemd en eigen) zich 
begaven ». (Schbltema, 233). 

Men weet dat oorspronkelijk de vorst of de heer zelf in het 
*f#/',of daar waar hij hof hield, rechtsprak; bij overdrachte- 
lijke toepassing is men later eenvergadering,die namens een 
vorstelijken persoon het recht bedeelde, of de plaats waar 
ze zetelde, Ao/gaan noemen. Zoo spreken wij nu nog dage- 
lijks van \iQi gfirechtsho f (\i%i, Gerichtshof', Fr. eour^ cour 
dejustice ; Eng. court) het hof van beroep^ het hof van verbre- 
hing, het hofvxn assisen ; het hof van Hollavd^ enz. ; vaak 
eenvoudig: het hof{Ndl. Wdb. VI. 842). — De spreekw. 
kon evengoed onder de rubriek Ridderwezen komen. 

271. Het al laar voorkomende spreekw., aan üruterüs III 
ontleend, klimt veel hooger op, nl. tot den bundel Refreynen 
Int sot amorens wijs van den Antwerpschen drukker Jan van 
Doesborch, omstreeks 1520 gedrukt ; het heeft er dezen vorm : 

c Id 808 dingen hoadfe mijn iolijt : 

In eorten missen, in langen maeltijt, 

In ionck vleysch, in ouden ylseh 

Een schoon vrouken en wijn opten disch. • 

Zie Kalpf, Oesch. d. Nederl. Leiterh., TI. 184.158. 

VIg. verder Korte henedictie, lange gratias ( W. Wd!).Y. 597). 

280. Zie over den hrans^ ah uithangteeken der wijnhui- 
zen. Van Levnep en Ter Gonw, De Uithang teehens, 1.20. 
5'i,74,76, 110, en vooral R. Andree 's art. Dergriine Wirts- 



— 840 — 

hauskranz, in J. Boltb ' s Zs. d. Vereins f. Volkskunde, 
XVII. :? 96-200. Ook de Italianen kennen ons 0/oede wijn 
behoef i geen krans : ^ Al buono vino non bisognafrasca. » 
De Spanj aards eveneens. 

302. i?»>r, zegt Dr. BERasMA (ïTrf^. t?. Drenlscke woor- 
den, 49) was de gewone drank bij plechtige overeenkomsten ; 
groote maaltijden bij bijzondere gelegenheden heeten ook 
bieren. Vandaar in samenst. in Drente : kindelbier^ hinder- 
bier of kraambier, bruiloftsbier, doodbier, groevebier. 

Bij R.KöHLER-BoLTE,jr/tón«r« /ycAn/ï^nJlI,6tl-6i5,koint 
een artikel voor omtrent de spreekw. : Die Bant {Das Feil, 
den Basi) versaufeh, die reeds in den c Leien Bibel » van 
den Rostocker predikant Nic. Gryse (f 1614) voorkomt : De 
Hudt vorsupen. De uitdr. is in heel Duitschland bekend, ook 
in een Slavische taal, nl. in de Wendische. 

312. Zie PiRBNNE, Hist. de Belg., I. 253. 

373. Koningsbriefjes als op bl. 174 vermeld zijn, vindt men 
ook te Wijtsgate en Voormezele (bij leperen); ze dragen deze 
opschriften : 1. Koning of koningin; 2. Zol ofzottin; S.Asschevijs- 
ter keukenmol, al wal gij weet, gij vertelt liel ol (al; ; 4. Grim, 
gram, grol, lichte kwaad om niemendol ; 5. Ik haal mijn loop, 
van mijn bed naar den aschhoop ; 6. Liever de kan te ladn, dan 
te biechten te gaan; 7. Liever te vrijen in een koekske,dan te lezen 
in een boekske ; 8. Schappetler onder de sarze; 9. Baas van 
H kennekot, als de kaan niet thuis is ; 10. Deor kagen en 
muren breken, om zijn lief te spreken. — De loting van die 
briefjes, in een hoed of muts gelegd, is in bovengenoemde 
dorpen op Driekoningenavond een algemeen gebruik ; de 
oudste van *t gezelschap trekt het eerst een n'% en dan beur- 
telings al de overigen, volgens ouderdom. 

374. Zie nog een reeks gekke Aprilboodschappen voor 
kinderen, bij R. Wossidlo, Mecklenburgische Volksüberlie^ 
ferungen, III. 244 vlg. 

396. Volgens hetiVrf/. Wdb. IX. 184, is de oorsprong vaa 



— 841 — 

door de mand tallen te zoeken noch in bet oude rechtsge-^ 
bruik waarvan wij boven bl. 210 gewagen — want c het 
gebruik van het voorz. door is hierbij vreemd (O, en de be- 
teekenis past ook niet goed », — noch in het oude huwe- 
lijksgebruik, waarvan aldaar spraak is, aangezien c hierbij 
de beteek. niet veel beter (past) : immers, door ie mand 
vallen bet. slechts bij uitzondering een blauwtje loopen. 
Andere uitdrukk. met dezelfde beteek. zijn : door de ben, 
de mat^ de koets vallen ; vgl. ook door het of zijn bedstroo 
druipen {Ndl. Wdb. II. 1247) ; waarschijnlijk moet vallen 
hier overal worden opgevat in den zin van : door iets heen 
zakken (niet : van een zekere hoogte vallen) ■. 

€ De Holl. uitdr. sjeezen en het feit dat een $jees bij ons 
een ma7idewagen heet, heeft me altijd doen denken schrijft 
me Prof. Vergoullib, dat we hier met een uitdr. van bet 
studentenleven te doen hebben. De geslaagde student werd 
door ziJQ maats plechtig naar buis gevoerd ; voor den gebuis- 
den was er parodie van zoo'n optocht : 't is te zeggen, men 
zorgde er voor dat hij tijdens den tocht uit of door de sjees 
viel 1. 

401 Een afbeelding van de oude Bakermat vindt men bij 
Schotel, Oud- HoLL Huisgezin^ 2' dr., bl. 13, en in De Tijd 
van den 80 -jarigen oorlog in beeld (Amst., Büevier^ 1907), 
bl. 9 

441. Over de Vlaamsche lakennijverheid, zie Pirbnne, 
Eist, de Belg. I. 252vlgg. en II. 386 vlgg. 

501. Zie nog over de Doodendansen het werk van 
L. Maeterlinck, Le Qenre satirique dans la Peinturejla- 
mande (2« Éiit.), bl. 212 vlgg. Reeds in de 12« eeuw, zegt de 
schrijver, vindt men in Duitschland de doodendansen afge- 
beeld. 

531. Men spreekt ook nog van bakerschelling (V.D.) en 
mail schelling {Ndl. Wdb. IX. 135). 

547. Bij Gorn.-Vervl, : Oeene^n) mieter = volstrekt 
niets. Ik geef er geenen mieter om. 



(1) Heiis hier inderdaad geen eigenUjk'door de mand vallen. 



BIJLAGE. 



RETELMUZIER. (i) 

Een der eigenaardigste en meest verspreide volksgebrui- 
ken is voorzeker het vereeren met ketelmuziek, ik bedoel de 
gausch onwelkome serenade met keten-, buizen en pottenge- 
rammel, hoorngetoeter, zweepgeklets, belgerinkel, dolle- 
mansgeschreeuw en gehuil, waardoor de opgeruide volksme- 
nigte van het platteland zich vaak op de ergernis wekkende 
personen wil wreken. Het bestaat niet enkel in heel België, 
maar ook in Noord-Nederland, in Beneden- en Middel- 
Duitschlaud, in Engeland, Frankrijk, Korzika, enz. In de 
beide voorlaatste landen heet het charivari^ bij de Duitschers 
PoUerabend{ldrm) en Katzenmusikj te onzent Ketel- of 
KaUenmuziekj doch, zooals een persoonlijk onderzoek in de 
verschillende Vlaamsche provinciën mij heeft bewezen, 
draagt het in den volksmond meest altijd andere namen. 

Lawaai, helsch rumoer is hierbij het hoofdmotief ; uit de 
Nederlandsche en de Duitsche namen, trouwens, blijkt dit 
al genoegzaam. Op enkele geringe wijzigingen na, is de 
toedracht der zaak schier overal dezelfde. Treft men in de 
landelijke gemeenten of in de buitenwijken der steden, 
personen aan, die voor de openbare meeniug een steen des 
aanstoots zijn geworden — overspelers ; krakeelende en 

(i) Voor 't eerst TêrsohoMn in VoUakMde, jg. 1899-1900, iio 1 blz. 1-31. 



— 843 — 

vecbteole echtgenootea ; mans, die bun vroaw erg mishan* 
delen ; verbrekers van bijna voltrokken buwelijken ; bejaarde 
weduwnaars of weduwen, die bertrouwen, enz. — zoo heb- 
ben eenige jonge lieden spoedig t de koppen bijeen gestoken » 
en met elkander afspraak gemaakt. Denzelfden dag dat er 
een schandaal is uitgelekt, of iets ergerlijks van dien aard 
heeft plaats gehad en door de straatklappeien aan de vier 
hoeken van het dorp rondgebriefd is, wordt er *s avonds 
door een haantje-de-voorste op den hoorn geblazen, en op 
«lat overeengekomen sein stroomen allerwegen de beoefe- 
naars der ketelmuziek met hun instrumenten vóór het huis 
vau den schuldige samen, en dadelijk neemt het vermakelijke 
spel een aanvang. 

Terwijl dezen, met een oorverdoovend gerammel, ket- 
tingen, oude stoofbuizen en akers, gebarsten ketels, potten 
en pannen in dolle vaart over de straatsteenen sleepen, 
toeteren genen op een hoorn, een trompet, of erger nog, 
op het « spillegat > van een kruiwagenwiel, en dit vooral 
wedergalmt wijd en zijd in het rond. Eenigen smakken, met 
een ontzettenden bous zware planken op den grond of den 
grachtkant neder, terwijl anderen luidkeels schreeuwen en 
huilen in de holte hunner klompen, en nog anderen weer 
klitskletsen niet hun « djakken >, bellen doen klingelen of 
oppotschijven slaan, dat er u hooren en zien bij vergaat, 

Onnoodig te zeggen, dat de volkshoop van lieverlede aan- 
groeit, en de nieuw aangekomenen medewerken om die 
duivelsche kattenharmonie,zoo mogelijk, nog afschuwelijker 
te maken. *t Is een rumoer, een gedruisch, een geraas, c een 
leven van de andere wereld » (i), en dat duurt voort, totdat 
het slapenstijd wordt, tenzij de politie er een einde aan stelle, 
zooals dit in ie steden en groote dorpen gemeenlijk het geval 
is. Zulks belet echter niet, dat de serenade de twee volgende 
avonden hernomen wordt, want drie dagen is de gewone 
duur van dien eigenaardigen volksoproer : immers, alle goede 

(1) « Een leTOQ als een oarde«l, » doch dit is hier onbekend. 



— 844 — 

dingen zijn in drieën ! Somwijlen nochtans maakt men negen 
dagen ketelmuziek^ en De Bo spreekt zelfs van tien. De ru- 
moerige € feestelijkheid » eindigt op menige plaats, *t zij 
door het verbranden van c de beest » (een stroobundel, stroo- 
man of pop), *t zij door een c koekebak » met een koffiepar- 
tijtje en de jeneverflesch. Elders, doch dit geldt den weduw- 
naar of de weduw, die hertrouwt, worden de lawaaimakers 
door den gehuwde zelf op jenever onthaald, en dadelijk 
valt alles stil. 

Dank zij de krachtdadige tusschenkomst der politie en de 
strengheid van *t gerecht, is dat volksgebruik in eenige groote 
steden en aanzienlijke dorpen bijna verdwenen; op vele plaat- 
sen evenwel is het nog volop in zwang. In heel het land van 
Aalst, en nog meest te Aalst zelt,en, trouwens, in geheel België 
wreekt de openbare meening zich gaarne door sc/ierminkelen, 
de beed jagen, den hond brandtn, of hoe het ding ook heeten 
moge. Dezer dagen nog werd in mijn dorp (i) c de hond ge- 
brand > voor een booze Griet, die haar man in 't openbaar 
uitschold en met baar klikken en klakken gereed stond om 
hem te verlaten, doch, omdat zij haar kind niet kreeg, ten 
slotte van haar voornemen afzag. Op dit oogenblik ook is te 
Lieferingen een proces hangend wegens ketelmuziek, en de 
moord van Dilbeek, die denzelfden grond had, ligt nog 
versch in elks geheugen (2). 

Thans volgen eenige bijzonderheden met de opgave der 
uitdrukkingen, waardoor ons volk de ketelmuziek aanduidt. 

1 . Schominkelen, schaische»^ 8cher)minkelen. lem.^ of voor 
tem. schominkelen. lem. schominkel {schaminkel, enz.) jagen, 
of : een scliominkel geven. Ook : schominkeling, schertninkeling 
enz. — Aldus in heel West- Vlaanderen ; soms echter, b. v. 
te Elverdnige : 't scherminkel jagen, of: scherminkeljaekt houden. 
Te Brugge spreekt men nog van ketelserenade enblekkenmuziek. 



(1) Denderleeuw. 

Eea rijke, ongehuwde pachter had een kind yerwekt bij zijn werk* 
vrouw, die een weduwe was met 7 kinderen. Vandaar het oharirari, 
en. .. het doodeUjk geweerschot, 't Oereoht heeft hem echter vrijgeiiproken. 



— 346 — 

« Dit gebruik gaat nu alleugskeus verloren », zegt De Ëö, 
c maar eertijds was het veel in zwang, en somwijlen geheel 
wonderzaam ; men weet nog van schominkelingen, waar 
iedereen op eenen ezel gezeten was, ten getalle van twee 
honderd. » 

De woorden scherminkelen en scherminkelingCe) zijn ook be- 
kend in heel het Westelijk deel van Oost- Vlaanderen ; zoo 
vindt men ze letterlijk, zonder eenige wijziging, te Zelzate, 
Drongen, Gaver, Welden, Eename en Segelsem. Te Gent en 
te Wetteren zegt men : schraminkelen ; en scherminkelen, te 
Iddergem. Evenzoo te Denderhautem, Oultre, Voorde en 
Ninove, waar het woord dus de Brabantsche grens nadert. 
Doch verder dan Iddergem ten Noorden en Ninove ten Oos- 
ten gaat het niet. Te Exaarde heet het schraminkeling houden. 
Opmerkelijk is het, dat zelfs te Contich, Duffel en Wille- 
broeck dit schraminkel jagen in den volksmond leeft^ hoewel 
men daar rondom anderenamen schijnt te bezitten. SeAar- 
minkelen is, wel is waar, ook te Beeringen (Limb.) bekend, 
doch enkel met de beteek. : c vreemd, scheef gaan >(l). (In 
• verband wellicht met scharminkel = spook). 

Schominkel, scher- of scharminkel — bij J. van Maerlant 
syminkele^ bij den zestien deeuwschen Bruggeling, Ed. De 
Dene : tschemynckel — bet. eigenlijk sïm, aap, uit Lat. simiun- 
culum{'Us), verkleinw. van Lat. simia =s apin. Zoo schreef 
M. LAMBaEGHT (iu 1590), later bisschop van Brugge : « Ante- 
kerst sal ais een schomynckle ofte simme des Heeren in alle 
manieren soecken te vertooghen dat hy Messias is » (^ . 
Daaruit outstond : scherminkel = i. een zeer mager mensch 
of dier ; 2. een geraamte; 8. een spook W. — Scherminkel 
jagen stemt dus in den grond overeen met de vier volgende 

(1) Daghei in den Owten, VIII. 55. 

(2) De Bo, Idioi. en Vbbcoüllib, Etym, Wdb. 

(8) ToLLBNS zegt, in sijn Phüemon (ons Smidje Verholen, of Smeke-Smee,) 
van den Dood, die yan den pe re boom daalde : 

Daar kromden de twijgen, de takken verbogen 
En 't ylngtend scharminkel was weg uit zijn oogen. 

(Uitg. Leeuwarden, 1879). 



- 846 - 

tmmmers ; jtoea scherminkel in^zijn oorspronkelijke beteekenis 
niet meer ^begrepen werd, zal daaruit «cAenn/nM geven en 
scherminkelen ontstaan zijn. 

2. De 8oem jagen (Te Battel, een wijk gelegen tusschen 
Mechelen en het Zennegat.) — Dit soem, dat overeenkomstig 
de uitspnak werd neergeschreven, is hoogstwaarschijnlijk 
het Hagelandsch-Haspengouwsch sum = sim, aap ; wat vol- 
komen strookt met het voorgaande. Vgl. sim, simnfie = braaf, 
onnoozel mensch of vrouwmensch (In heel VI. België). 

3. De beest (otbeestie) jagen, dekwd beest jagen i^).{Oosle\. 
deel van Oost- Vlaanderen en Westel. deel van Brabant). — 
Bekend o. a. te Lieferingen, Meerbeke, Idderg^m, Dender- 
hautem. Denderleeuw» Aalst, Herdersem, Lebbeke, Bnggen- 
hout, Dacknam, Belcele, Oppuurs, Merchtem, LieJekerke» 
St. Katriene-Lombeek, Alsemberg, Pepiugen en Voilezeel. 
Te Etterbeek, Eisene, Ukkel en de omstreek, hoort men naast 
de beest jagen^ eveneens : den beer*., den hond^^ het verken'^ 
den beffbcRuf^) jagen, ongetwijfeld ontstaan on Ier den in- 
vloed van het eerste. Te Dacknam en te Belcele luidt het 
eigenlijk : de beest stadn (= stouwen, stuwen). Een beesten^ 
stadr is te Lebbeke en de omstreek een koopman, die weke- 
lijks beesten naar de markt van Brussel drijft (2;. Vgl. overi- 
gens de dialectische: scha&n =^ schouwen, schuwen ; brad i = 
brouwen ; bradr — brouwer ; tradn —t trouwen, enz. (Land 
van Deadermonile en ten noorden van Aalst). — Van Pollare 
tot Denderwindeke en Waarbeke zegt men : de kwd beest 
jagen. Smakelijk détail : te Denderhautem zette men de 
ketelmuziek wel eens een bijzondere kracht en een eigen- 
aardigen klank bij doorde toevoeging van eenige wanmolens. 

4. Den os rijden, den os voeren (Tongeren en omstreek). — 
Te Tongeren maakt men onderscheid tusschen tjtten (z. vor- 
der n' 10), eig. ketelmuziek maken, en den os rijden, of 



(t) Vaa AaUl tot Dendermonde, meest : beettje jagen. 

{2} Ook D' Opprbl, Dialect van Oud -Beierland, heeft : beestestouwer =s 
veedrijver. WeUicht vindt men het woord In heel Zeeland. Het Ndl. Wdb. 
^eeft het niet en V. Dale evenmin. 



toeren ; het laatste is schimp, het eerste niet. Den os rijden, 
in gindsche streek tot heden toe in zwang, werd onlangs 
te Tongeren zelf, ondanks de politie, nog toegepast op 
een grijsaard, die met een jong meisje trouwde : bij het 
gaan naar, en het terugkeeren van de kerk, bevond er zich 
een bende spotters aan het hoofd, die een os leidden. 

5. Den eul diijven (Maaseik en Kessenich). -- Hier is de 
ezel maar een strooman ; by de vertooning hoort bovendien 
lawaai en dit grijpt 's avonds plaats. 

6. De beest branden^ of verbranden (Esschene, Lebbeke, 
Merchtem). Den hond branden (Denderleeuw en omstr.; Gas- 
tro, Santbergen en Laeferingen).— In al die dorpen, behalve 
te Esschene, bestaat naast den hond (de beesl) branden, ook de 
beeiitjagen^ doch men maakt onderscheid tusschen beide uit- 
drukkingen : de laatste wijst op het lawaai, de eigenlijke 
ketelmuziek» — de eerste op het verbranden van een 
« strooman » of een stroobussel» gemeenlijk op een hoogen 
staak gebonden, iets dat maar bij 't sluiten der betooging 
plaatsheeft. Aldus o. a. te Lebbeke, Merchtem en Lieferin- 
gen, waar men 3 of 9 dagen c de beest jaagt > en ten slotte 
t debetst > (oi den hond) verbrandt. > Te Denderleeuw en te 
Okegem legt men alle dagen een vreugdevuurtje aan (U en 
c den hond branden » is hier dan ook de meest gebezigde 
uitdrukking. Te Liedekerke en te Esschene eindigt men 
met het verbranden van een zinnebeeldigen c strooman » die 
de vorige avonden plechtstatig wordt rondgedragen. Noch- 
tans wordt er eiken avond een vuurtje gestookt : men zoekt 
nl. een « aarsgat » van een boom, weet er aan 't onderend een 
holte in te maken, die men dan vol petrolie giet, en... 
't brandt dat het een aard heeft. Te Esschene is het verzamel- 
sein een geweerschot ; te Liedekerke trekt een haantje- 
vooruit in den valavond door de voornaamste straten met 
een opgeheven stok, die door een varkensblaas of een zak- 



(1) Ook te Pepingen, met hout, stroo, petrolie of pek, bij voorkeur 
aan den held van 't feeei ontvreemd. 



~ 348 — 

doek bekroond i8(l): wie lust heeft om mee te doen, volgt 
dadelijk den aanleider, eenieder voorzien van het instrument 
dat hij liefst of best hanteert. Laat ik nog zeggen, dat er bij 
dit I volksfeest > te Liedekerke gemeenlijk een gelegenheids- 
liedje behoort, waarin de naam van den € held » herhaalde- 
lijk voorkomt. 

In het hooger genoemde Battel, placht men den derden 
avond een hond te verbranden, en ofschoon de volksmond 
daar nog spreekt van c den 3'''' avond de kat (te) verbranden », 
bepaalt men zich thans bij het verbranden van stroo, onder 
het schreeuwen van miauw I miauw f Hiermede en met het- 
geen voorafgaat, kan men « de hondefeest{e) * in verband bren- 
gen, waarvan De Bo gewaagt : hondefeest houden, iem. een 
honde feest geven, zegt hij. 

Hier wil ik nog een bijzonderheid vermelden. Te Liefe- 
ringen is doorgaans het allerlaatste tooneel van 't gespeelde 
stuk een eet- en drinkpartij : ter plaatse zelve, in de opene 
lucht, bakt men koeken en maakt men koffie. Ook te Oultre 
gebeurde dat vroeger nu en dan ; eveneens in West- Vlaan- 
deren, blijkens dit schrijven van DbBo : c Zij hebben tien 
dagen lang *s avonds voor hem geschominkeld, en den laat- 
sten dag heetekoeken gebakken » . 

7. Plakken (Klein-Brabant). Palakken (Merchtem). — Dit 
laatste is stellig maar een verbastering van plakken. Te Leb- 
beke en te Merchtem, waar men « de beest jaagt » en dan 

< verbrandt >, bedoelt men door c plakken • alleen het laten 
neerploffen eener plank op den grond of den grachtkant. 

< Willen wij eens plakken ? • hoort men dan sommige mani- 
festanten zeggen. In eenige dorpen van Elein-Brabant is dit 
de naam van het volksgebruik geworden : een deel voor het 
geheel, pars pro toto, — zooals dat ook voor bellen^ belle^ 
merkt, toeten en pannegatten het geval is. 

In Klein-Brabant vindt men een paar nieuwe bijzonder- 
heden : a) men voert gemeenlijk een oude kar op de straat, 

(1) Somg door een zianebeeidig teeken, op het ambacht doeleod van 
den geschandylekte. 



— 349 — 

waar dan met steenen en stokken op gesmeten wordt ; b) op 
een boom, dichtbij of vóór de woning van den schuldige (1), 
draagt men diens afbeeldsel, in vorm van een c strooman >. 
Dit laatste gebruik zal verder (in n** 14) nog ter sprake ko- 
men. 

8. Een serenade geven met vlekkentnuziek, of kaUenmuziek 
(Brussel, Molenbeek, Koekelberg, Jette). — Vlekkenmu- 
ziek = blekken^ otblikkenmuziek, zinspelend op het helsch 
gerammel, voortgebracht door het sloepen van, of het trom- 
melen op blikken akers en pannen. 

9. Nen blekslag doen (Kersbeek, bij Tienen), lem. een blikken 
muziek brengen (Antw.). Blekkenmuziek, Ketelserenade 
(Brugge). Ketelmuziek maken of houën (Westmalle ; Gheel, 
Moll, Bree en Genck). — De beteekenis is duidelijk. Ons 
Volksleven spreekt van houten en blikken muziek spelen 
(Kempen) doch nadere plaatsopgave ontbreekt.Te Antwerpen 
is de zaak zelve zeldzaam, doch komt nog wel eens voor. 

10. Toeten fHageland. — Overwinden, St-Truiden, Tongeren 
en Millen). — Hiermede stemt overeen het Waalsche Jlrtüar- 
né = « corner (quelqu'un)t (Prov. Namen), en « cornage » 
(Henegouwen). In Namen gebruikt men natuurlijke toet- 
hoorns, maar in Heneg. heeft men opzettelijk daartoe ver- 
vaardigde houten blaashorentjes (l). Ook te Tongeren toet 
men niet alleen op hoorns van rundvee, maar ook op 
houten horens en op een lampeglas. 

11. Pannegatien (Godsenhoven); pannegat slaan (Neerlin- 
ter). lem. uitpannen (Kempen). — Het laatste uit O. Volksl., 
zonder verdere plaatsaanduiding. Dit t pannen > wijst den- 
kelijk op de ijzeren of blikken pannen, die in de ketelmu- 
ziek dienst doen. En in pannegalten ligt duidelijk hetzelfde 
begrip als in pannegat i^laan^ nl. het trommelen op bet gat 
eener pan. — Daarmede en met ons Ketelmuziek strooken 
de Waalsche uitdrukkingen : pélté= t pelleter (quelqu'un) », 
en « péltèdj » (Prov. Luik), en « pélage » (orast. van Char- 
leroi). Immers p^/, pélèt — poële, poëlon (^). 

(1) Aldus Onn Folkileven^ YI, 181. Maar als d&ar geen boomen staan ? 
(9) ^ UoNSBUR, Bult. d0 Fotkt., II» 39. 



— 850 — 

19. Vieren (Hoeilaart, Overijache, St. Lievens-Esf^che, 
Exaarde ). — Dus, vereeren raet eeuaverechtsche bedoelinp^. 

13. Wasschop houden, — In een harer n"(?) van 1898 
schreef de Nieuwe Rotterd. Ct. wat volgt : « Het gehucht 
Balloo, nabij Assen, was zondagavond getuige van een ge- 
beurtenis, welke haar oorzaak vond in een gebruik, dat nog 
diep in het Drentsche volksleven is ingeworteld. Ongeveer 
driehonderd personen uit de gemeente Rolde, waartoe Balloo 
behoort, trokken daarheen, voorzien van een wagen, om 
twasschop» te houden vm een knecht, die wat al te intie- 
men omgang had gehad met een meisje. Het gevolg is, dat 
de zaak in der minne is geschikt en het paar eerstdaags in 
het huwelijk zal ,treden. » — WasschopJ Is dat misschien 
eene verbastering van deawc&op-, (tang-, stookpot- en ketel) 
serenades, w.iarvan Ter Gouw in zijn Volksvermaken, 539, 
gewaagt ? Dat het wijzen zou op wischkop, iem. den kop, den 
bol wasschen, lijkt me onwaarschijnlijk. (Zie beneden : ffog 
ketelmuzieh). 

14. Tafelen f Zomeren, in Noori-Brabant). — Nogmaals 
uit de Nieuwe Rott. Ct. van hetzelfde jaar : t Het tafelen 
heeft plaats, wanneer een jonge man het meisje, met wie hij 
een poos ernstig heeft verkeerd, verlaat voor een ander, en 
ook als omgekeerd het meisje haar minnaar, met wien zij 
voornemens scheen te trouwen, wegstuurt, om aan een an- 
der 't oor te leenen. Zoodra dat in de buurt is bekend gewor- 
den, zeggen een paar jongelui 's avonds tegen elkaar : c Zul- 
len we eens tafelen ? • En dan be;jinnen ze een vervaarlijk 
leven te maken, bij voorkeur door 't blazen door een lam- 
peglas. Het signial is bekend. In allerijl komen vele anderen 
toegeloopen, om n38 te do3n. Nu gait men vereenigl aan 
het werk. Mies wit men maar grijpen of vangen kan, tot 
kruiw.if^ens en mestkarren toe, wordt naar de woning van 
den schullige gesleept en diar vóór de buitendeur opeenge- 
stapell. Dh h ) 1 ? ^ sUp ü verbeeldt de bruiloft3tafel(?),welke 
de sohulligedoor woordbreuk heeft verstoord. Onder onaf- 
gebroken getoeter en ge-ichreeuw worden deur ea vensters 



— 351 — 

voorts met vuil besmeerd en zelfs worden soms de ruiten 
ingegooid. Uiermede is evenwel de demonstratie, die altijd 
op Zaterdagavond plaatsheeft, nog niet geëindigd Den vol- 
genden Zondagmorgen kan men dichtbij de kerk, in een boom, 
een strooien pop zien bengelen, die den schuldige moet 
voorstellen. En ten einde omtrent de bedoeling geen twijfel 
te laten, worden dan onder dien boom geplaatst de werktui- 
gen, waarvan hij zich pleegt te bedienen bij zijn dagelijk- 
schen arbeid. > 

Het vraagteeken achter c bruilofstafel » is van ons ; im- 
mers, die stapel is voor ons geen zinnebeeld, maar enkel 
middel om den « held > in zijn woning op te sluiten, zooals 
men hier te lande ook wel doet (zie verder n' 16). Ware er 
een symbool bedoeld, dan hadde men het veel gemakkelijker 
en beter gevonden een tafel te plaatsen met de voeten om- 
hoog. 

Het zal den lezer niet ontgaan^ dat wij de aan een boomtak 
bengelende strooien pop — ditmaal een echt zinnebeeld : 
den eerlooze ophangen - ook reeds in Klein- Brabant (zien' 7) 
hebben aangetroffen. Evenzoo te Alsemberg (bij Hal), waar 
het spel vroeger aldus gespeeld werd : Een haantje-de- voor- 
st e sleepte een slechten aker over de kasseisteenen ; daarop 
volgde iemand met een zweep, klitskletsende dat het klonk. 
Een derde droeg een groote pop, een man of een vrouw ver- 
beeldend, en ging die boven op een boom aan een tak hangen, 
zoo dicht mogelijk bij het huis van den geschandvlekte. 
Zulk een strooman hangt men ook te Dendorbelle aan een 
boomtak, en den volgenden Zondag wordt hij verbrand 
(zie n» 6). 

15. Theelken geeselen (Genck). — Als, een 30-tal jaar 
geleden, een meisje te Genck < iets geraapt had >, voerden 
de jongelieden van *t dorp een strooien man op een wagen- 
tje tot vóór haar woning ; daar zweepten zij hem braaf af, 
vragend : « Theelken, zouste trouwen ? >, eu deden dan 
ïheelken ja knikken of neen schudden, naar 't huwelijk hun 
meer of min waarschijnlijk scheen. Voorzagen ze geen 



— 862 — 

nu weiijk, dan hernieuwden ze de geeseling wel vier, vijf 
Zondagen achtereen. Hetzelfde had plaats vóór het huis van 
den verleider (H Daghet, VI, 20)- — Waarschijnlijk wae dat 
tooneeltje voorafgegaan en eenigszins vergezeld van hoorn- 
getoeter, enz., om H volk samen te roepen, wat echter 
door 7 Daghet niet gezeid wordt. 

16. Bellemerkt Aoud^n(A.arschot,Werchter,Schrieck, Putte, 
Boisschot en Westerloo); Bellen (Hoegaarde, bij Tienen). — 
Ons Volksleoen zegt dat, onder dieu naam, het volksgebruik 
ook hier en daar in de Kempen bekend is, maar haalt geen 
dorpen aan. Bellen, Pelleme{rk)t (de 1* lettergr. beklemtoond) 
is klaarblijkelijk ontstaan uit het belgerinkel, dat op menige 
plaats tot de.ketelmuziek behoort. 

De wijze, waarop men te Schrieck Bellemerkt houdt behoort 
zeker tot de karakteristiekste, die men ergens vindt. Het 
sein wordt gegeven door een dreunend zweepgeklets ; aan 
de zware « djakken », hiertoe gebezigd, zijn soms 3 kilos 
vlas verwerkt, zoodat haar geluid heinde en ver weerklinkt. 
Het trommelen op oude ketels, het tikken op melkstoopen, 
het ketengerammel en hoorngetoeter (i) geschiedt hier niet 
op de straat, maar boven op een boom, als er nabij het huis 
van den c held » maar een gevonden wordt. Zoo ziet men 
soms dertig jongelieden op een boom zitten. Intusschen zijn 
een dozijn anderen beneden aan het kletsen, kletsen, om 
iemand c hoorndul » te maken. Het slot is een algemeen en 
oorverdoovend hoera-geschreeuw. 

Andere eigenaardigheden : Daar de geschandvlekte zijn 
licht uitdooft, om zich den schijn te geven dat hij al te bed 
ligt, zet men aan de buitenzijde brandende kaarsjes vóór 
het venster. Tegen de buitendeur en den muur wordt over- 
laiigs een stok geplaatst en met een wlscb aan de klink vast- 
gebonden, o;n den eigenaar den uitgang te beletten. Geraakt 
hij niettemin buiten, en durft hij zich aan de menigte ver- 
toonen, zoo wordt hij da lelijk vastgegrepen en aan een boom 



(1) In de leute, als de schors der boomea gemakkelijk losgaat, gebruikt 
men er, benevens de gewone (oetboorns, ook hoorni vaa boomecl^orv. 



-86S — 

gebonden, of, erger nog, op een slede gelegd en ioo door de 
straten rondgesleept. Een jaar of zoo geleden heeft men 
aldus maanden achtereen « beUemerkt gehouden > voor een 
weduwnaar, die bijna eiken avond naar 't huis eener wedu- 
we trok en er den nacht doorbracht. Men spiedde zijn gangen 
af, en vereerde hem telkens met een serenade. 

Een veel erger geval had 2 j. geleden plaats in het naburige 
Putte : Een jongeling had daar een meisje bezwangerd. Toen 
hij, na haar bevalling, bij haar terugkeerde, werd hij door 
een woeste bende vastgegrepen en gansch naakt op een slede 
vastgebonden, met het gezicht naar omhoog. Terwijl de eenea 
hem nu voortsleepten, sloegen de anderen hem gelurig op de 
schaamdeelen (M. -^ A.1 ging die schanddaad waarschijnlijk 
niet vergezeld van keteJmuziek, toch valt ze eenigszins bin- 
nen het kader van ons onderwerp. 

17. Sleepen. Gesleept worden (Tusschen Aalst, Brussel, 
Aarsehot en Mechelen ; en waarschijnlijk nog elders). Op een 
slede binden ([ddergem, bij Denderleeuw) (2). 

Te Koekelberg, Jette, Ganshoren, Ternath, enz. wordt de 
schuldige soms, in beeltenis (strooman of pop), met opluiste- 
ring van kattenmuziek, op een slede door de straten gesleurd; 
dit heet men : sleepen, gesleept worden. Doch, was er tot hier- 
toe bijna uitsluiten! sprake van een zinnebeeldig verbran- 
den, geeselen, ophangen of mishandelen, het voorbeeld van 
Schrieck en Putte besvijst dat men ook wel eens de handen 
slaat aan din dider zelf. Zoo was het dertig, veertig jaar 
geleien, te Denderleeuw geen zeldzaamheid dat een man, 
die zijn vrouw al te erg afranselde of een jonge dochter, 
die al te los met de goade zeden omsprong, op een slede 
werd vastgebonden en rondgesleept, altijd onder begelei- 
ding van een rumoerig gejouw en geraas en getoeter. 
Weinige jaren geleden is hier in het naburige Teralphene 

(l) Voordat sjhaadelijk feit, zijn de da Jers tot 2 j. gevaagenisstraf ver- 
oordeeld. 

(3) « Ze moesten haar opeen slede binden •, zegt men te Idiergem van 
een zedeloos meisje. 

2B 



— 354 — 

een jonge vrouw, die een paar malen van haar man was 
weggeloopen om anderen te volgen, op die wijze gesleept 
geworden. Ze was erg gehavend : de woestaards hadden 
op haar loshangende haren getrapt, waardoor ze verschei- 
deLO kale plekken op het hoofd had O^K 

Vóór ruim 10 j. werd te Iddergemeen man op een kar- 
retje rondgevoerd, ouder luidruchtig getrommel op potschij- 
ven : zijn eenige misdaad was, dat zijn lietje hem op 't beslis- 
send oogenblikhad afgescheept. 

18. In de ploey i'^) spannen ^Turnhout, Hoogstraten en verder 
te Bladel, Postel, en de on^tr,) - In zijn roman Het Kmd met 
den helm (Antw. 185'3), die ons te Bladel, op de Zuidel. grens 
van Noord-Brab. verplaatst, handelt Dr. R. Snieüers over 
dit aloude volksgebruik, dat, zegt hij, eeuwen lang in die 
omstreken bestaan heeft en tot heden toe nog niet geheel 
heeft opgehouden. « Wanneer, zoo luidde het wetboek,welks 
onfeilbare art. de overlevering aan den dorpeling voorhield, 
de man oorzaak zal zijn van huiselijken twist en tweedracht ; 
wanneer hij zijn huisvrouw zal mishandeld hebben, zal hij 
veroordeeld worden de ploeg te trekken. » Het waren 
gemeenlijk de vrouwen, die zich met de uitvoering dier wet 
belastten, hierin steunend op de hulp harer mans, en op die 
van haar stokken en zweepen. vooral wanneer het een ster- 
ken, ge vreesden kerel gold. SNiEDERslaat ons zulk een too- 
neel bijwonen: een paard brengt den ploeg tot vóór de deur 
van den schuldig geoordeelde, en in weerwil van zijn te- 
genstand, duwt men den ongelukkige met ruw geweld het 
gebit in den mond, werpt hem het gareel om den hals en 
dwingt hem den ploeg te trekken. Een geheel dorp woonde 
vaak die barbaarsche tooneelen bij ; zelfs de Schout of de 
Drossaard en zijn bedienden kwamen die somtijds met 
hunne tegenwoordigheid vereeren. 

Te Turnhout en te Hoogstraten spreekt het volk nog heden 



(l) Het gerecht heeft die voorbeeldige « wreker» der openbare zedelijk- 
held I voop verscheidene maanden vastgezet. 
(3) Ons volk mtLAki ploeg vrouwelijk. 



— 866 — 

van in de ploeg spannen, maar sedert een 30-tal jaren, is he' 
gebruik,door de politie tegengegaan, totaal veriwenen. Onge- 
veer 45 j. geleien, werd te Hoogstraten nog een man in den 
ploeg gespannen, en slechts 30 j. geleden werd die aloude 
volkswet nog toegepast te Turnhout, 

Omstreeks denzelfden tijd heeft het geval zich aldaar in een 
adderen vorm voorgedaan, met weglating van den ploeg : 
een werkman, die zijn weierhelft had afgerost, viel in handen 
der saamgeschoolde vrouwen, die hem een koord om den hals 
bonden. Doch, met het touw reeds aan den hals, rukte de man 
zich los en zette het op een loopen, achtervolgd door heel bet 
grimmige vrouwenleger, met zweepen, poken, tangen en 
andere straftuigen gewapend : de wrekende Nemesissen 
moesten het ditmaal evenwel opgeven. 

Dergelijke volksgebruiken als ons c sleepen > en « in de 
ploeg spannen », vooral dienend tot bestraflTing en bespotting 
van huiseliike ve:jhtpartijen, vonl men eertijds in verschei- 
dene landen, zoo Romaansche als Grermaansche. Aldus de oude 
ezelrid, die evenwel bijna uitsluiten! toegepast werd op 
vrouwen^die haar man durfden slaan. Zulk een vrouw moest 
rugqeüngs op eenen ezel zitten en diens staart in de hand 
houden, en zoo deed m m haar door de striten rijden (l) Som- 
tijds was de man zelf de ezeldrijver. Onze Limburgsche uit- 
drukkingen,d^n ezel drijven, den os rijden^ voeren^ schijnen op 
dien aiouden en schier algemeen verbreiden t ezelrid » te 
wijzen, of wijzen ze op de Westvl. sehominkeling met 200 
ezels, waarvan De Bo gewaagt ? 

In enkele Fransche gewesten is dat gebruik, min of meer 
vervormd, tot heden blijven voortleven. In Franche-Comtó 
heeft het nog zijn aloulen vorm, doch de man zelf is er het 
slachtoffer van den spotgeest van 't volk. 

Kan of kon men zich echter van hem niet meester maken, 
dan wordt of werd hij in beeltenis op een ezel of op een door 
straatjongens getrokken karretje rondgeleid, onder het ge- 



(l) Diê rii gold elders ook TO)r echtbreekst^ni ea meineedigon (NotHDB • 
wi«n, Nederd. Reglmmdheden, 319). 



— 886 - 

jouw en gefluit van heel het kleine Volkje. Dat heet faire 
(rotter Vdne au mari^ en heeft plaats op den dag van Half- Vas- 
ten ; vroeger geschiedde dit meestal in de Meimaand W. 

Ook nog hier en daar in Opper-Bretanje wordt man of 
vroiiw, die de slagen heeft uitgedeeld, op een karretje gebon- 
den en, onder zweepgeklets, in het dorp rondgevoerd, terwijl 
nu en dan een paar spotvogels het tooneel der kijf- en vecht- 
partij op het karretje nabootsen. Zulks heet cherrayer, cher- 
rayement oichariotlage. Kort geleden was dechevaucherie d^dnes 
te Guernesey nog in zwang en gold meest voor de kip, die den 
haan overkraaide en in den kam beet. Een jongen en een 
meisje, rug aan rug op een ezel zittend, reden dan door de 
straten, gevolgd door ai de ieegloopers van het kanton, die een 
gelegenheidsliedje zongen i^). 

Iets gansch eigenaardigs bestond in de arr. Rennes en 
Fougères (lUe-et-Vilaine). Had een vrouw haren man klop 
gegeven, dan verzamelde men al de geiten van de streek, hing 
ze schelletjes om den hals, verfde hare horens rood en spande 
ze dan vóór een hanlkar, waarop twee mannen, de een in 
vrouwengewaad, plaats namen. Het gespan had zooveel gelei- 
ders als er geiten waren, elk met een spinrok aan de zijde, en 
zóo, onder begeleiding van viool- en en klarinetgespel en van 
allerlei nagebootsten vogelzang (3), trok men naar de woning 
van den onnoozelen bloed, t battu et pas content ». Di\ar ont- 
stond nu tusschen den manen de vrouw van de kar een hoogst 
komiek vuistgevecht, waarin echter het spinrokken en de 
bezem de hoofdrol speelden (*) — Men denke hier aan de 20O 
ezels die vroeger de Westvl. scherminkelingen wel eens op- 
luisterden. 

19. Jem. verbeelden (Pulderbosch, in de Antwerpsche Kem- 
pen), — Als een getrouwd man verboden omgang heeft met 
een jong meisje, vindt men op zekeren morgen heel den weg 



(l) Revue d. Trad, pop, XIV, 172. 

(2j P. Sbbillot, Coutumespop, de la Haute-Brelagne^ ItS. 
(8) Daartoe stak min een elloofblad tusschen da lippen. 
(4) Ad. Orain, ^oM-tore de rille et-Vilaine, 1, 230. 



— 357 — 

tusschen de beide woningen met papierkens bestrooid : dat 
h-;et te Piilderbosch ieni, oerbeelden. Te Millen (bij Tonge- 
ren) doet men (Ut zelfde met zagemeel. Waarschijnlijk 
wor Jt het, diiar of eliers ook toegepast op jongelieden, als 
het meisje, na hiren val, met den jongen nanwe betrekkin- 
gen blijft onderhouden, zonder tot een huwelijk over te gaan^ 
of zolfs op jongölieJen, wier omgang al te intiem is geble- 
ken. A.ldus te Denderbelle ; daar strooit men « lemen » en 
blauwsel met t doddememmen • ( of « voddememmen » = 
zuigdotjes ) doorzaaid ! 

Dewijlbijditgebruikde ketelmuziek uitgesloten is, behoort 
het niet meer rechtstreeks tot ons onderwerp. Hetzelfde 
geldt voor : 

20. Een strooman zetten (In Oost-Vlaanderen,de Kempen en 
elders) Een maho^net zetten (Ternath, Wemmei, Castre enz.). 
— Herhaaldelijk reeds is er sprake geweest van een symbo- 
lischen strooman of strooien pop, die gegeeseld, opgehangen 
of verbrand werd, doch dat ^mg telkens gepaard met ketel- 
muziek. Gebeurt het nu echter dat de schuldige tot de rijke 
burgerij behoort en eenigszins gevreesd wordt, zoo blijft 
het lawaai achterwege en de strooman (de voddeman, t klod- 
deman » of « voidevent>), wordt in den donkeren nacht tegen 
de huisdeur van het gevallen meisje of in den top van een 
nabijstaanden boom geplaatst, ofwel men bevreligt zich met 
het t verbeelden » van n' 19. Men bevinit zich hier dus 
voor een soort van afslijtin-^sproces, dat zich ook daar voor- 
doet, waar de politie met groote strengheid de ketelmuziek 
te keer gaat. In sommige dorpen heeft dit slechts den 
!•" Meinacht plaats. In het Payottenland, zegt mijn vriend 
de MoMT, h3cht men dan een strootnan of een m%hoinet (i) 
aan het venster der jonge dochter, die of in het jaar moe- 
der werd öf op het punt is het te worden (Volksk. II. 73). 

(l) Die « Mahomet • is ook in Heaegoawen (o. a. te Ath) bekead. In 
H Noorden van Frankrijk echter, waar dat gebruik ook bestaat, heet dé 
strooien pop marrnomet, en dat schijnt wel de wara naaaa te zijn. (Zie ] 
RBiNSB.-DüRiNasF., Calendfier bêlge^ i, 280). 



- 858 - 

Te Nukerke, te Ëename, enz , hangt men den 1*" Meinacht 
een strooman aan een boomtak, als er om een bespottelijke 
reden een ontworpen huwelijk geheeld, d. i uitgebrand is. 
In verband hiermee en met het verbeelden vann^ 19 staat 
het gebruik uit den Ëlzas : uit spotternij 's nachts voor den 
1" Zondag van Mei hooi en stroo uit te spreiden vóór de hui- 
zen der meisjes, die haar hart aan een jongen hebben 
weggeschonken i^/. Doch, houden wij hier stil, want we 
staan op de uiterste grenzen van ons onderwerp. 

* 

il « 

Nu kan men zich afvragen, waarin die algemeen bekende 
volksgebruiken hun grond hebben. Als men de zaak opper- 
vlakkig beschouwt, schijnt er een natuurlijke en doodeen- 
voudige verklaring voor de hand te liggen : de mensch, die 
overspel pleegt ; die jonge meisjes schendt of verleidt en 
aan haar lot overlaat ; die zijn vrouw mishandelt, — 
zulk een kerel heeft zijn menschelijke waardigheid atgelegd, 
zijn menschelijke natuur uitgeschud, om nog enkel de dier- 
lijke zijde van zijn mensch-zijn te vertoouen. Begaat een 
ander de onvergeeflijke dwaasheid van, als hij Oüd en grijs 
geworden is, nog met een jong meisje te trouwen ofte her- 
trouwen, dan is hij een gek in folio, en verdient dus met de 
« onredelijke schepselen (Jrods» op een lijn te worden gesteld. 
Dergelijke c beesten > in meuschengedaante mogen derhalve 
uit de maatschappij gebannen — uit het land gejaagd, ten 
bloede gegeeseld, gehangen of verbrand worden ; acht gij 
dat vonnis overdreven, geef hun dan ten minste een harde 
les of een strenge waarschuwing. Vandaar onze uitdrukkin- 
gen : de (A;u;a) ^e^jj/ jagen, sclierininkel (of de sim) jagen ^ het 
verken, (den beer, enz.) jagen ; Theelken geeselen ; den hond 
(of de kat) branden; — of op minder strenge straffen doelend: 
sleeyen, op de ^lede binden^ in de (n) ploeg spannen^ den' ezel 
drijven^ den os rijden, ketelmuxiek maken, bellemerkt houden, 
toeten enz. 

(1) Revue d* Trad. pop, XIII. 409. 



— 859 — 

Doch. aU 'Tien naga'\t, dat kü^\ n i/iek in de eerste plaats, 
hier en elders, uitgevoerd wordt voor hertrouwde weduw- 
naars of weduwen, al zijn ze zelf nog jong, dan kan die ver- 
klaring ons niet heel en al meer bevredigen. Immers, wie 
vindt het laakbaar dat een weduwnaar, die nog vol levens- 
kracht is, e3n tweeden echt aangaat f En als men bovendien 
weet, dat zulk een wanluidende serenade bij den weduwnaar 
niet zelden voor een soort van huldebetoon geldt, dat min of 
meer recht geeft op een fooi, dan zullen zeker maar weinigen 
meer vrede hebben met een dergelijke verklaring. 

Hertrouwt in Tongeren eene weduwe of een weduwnaar, 
zoo schrijft de heer M, Basse, of trouwt een oud man met 
een jong meisje, dan gaan de buren vóór bet huis van die 
personen toeten (zie n* 10), en zij houden eerst op, wanneer 
de bruidegom hen op bier onthaalt ; dat bier noemt men toet- 
bier.In de nabijheid (te Millen), toet men eveneens om drank 
te bekomen ; zoodra de t gevierde held » trakteert, wordt 
het lawaai gestaakt ; anders duurt het dagen achtereen, 
tenzij de politie er tusschenkome. De heer A. Deckers (Turn- 
hout) heeft 30 j. geleden te St-Truiden zoo'n serenade hooren 
geven, ter eere van een weduwnaar, die met een jong meisje 
hertrouwd was. Destijds, trouwens, was het ddar de gewoonte 
ter gelegenheid van het huwelijk van een weduwe of weduw- 
naar, zelfs uit den hoogeren stand, kattenmuziek te maken. 
Zoo is het thans nog te Gruitrode. — Volgens Rütten's IdiO' 
ticon is het gebruik in Haspengouw algemeen : Pannegatten, 
zegt hij, is ketelmuziek miken vóór de deur van iemand, 
die hertrouwen gaat, ten einde te drinken te krijgen. Glabs' 
Idioticon (Engeland) i. v. pannegat slaan^ spreekt evenzoo, 
zonder nochtans van een fooitje te gewagen. 

Ook Kramers, i. v. charivari, laat die spotmuziek toepas- 
sen op de weduwen of bejaarde lieden, welke van plan zijn 
te hertrouwen. En bij Ter Gouw leest men : Weduwnaars, 
die met eene jongedochter, en weduwen die met een jonk- 
man trouwden, een ketelmuziek te brengen, is een oud ge- 
bruik door geheel ons land van de Wadden tot Maastricht, 



— 860 — 

dat nog niet overal vergeten is. In sommige streken duurden 
die serenades verscheidene dagen voort, waneerde bruidegom 
ie koppig ofte gierig was om ze af te koopen('). Bij onze Wa- 
len kan de hertrouwde weduwnaar eveneens zoo'ii betooging 
door drank afkoopen(^;. In het Fransche gewest Ille-etVilaine 
treft men letterlijk hetzelfde aan l^). Nog duidelijker ziet men 
het in de Opper- Vogeezen, waar het gebruik zelfs nog in de 
steden bestaat, zonder dat iemand de politie-verordeniugen 
inroept, om het te beletten. Als men moede is van toeteren, 
razen en rammelen, zeudeude lawaaimakers een af vaardiging 
naar de gehuwden « pour réclamer Ie salaire auxquels ils ont 
droit. Il est rare que les mariésnes'exécutentdebonne gr^ce, 
et n accompagnent de paroles aimables les gros sous qu'ils 
versent dans la main des musiciens improvisés > (^). 

Ëvenzoo in Korzika. waar de manifestanten eischen, dat 
bruid en bruidegom bij hen op straat komen, elkander in 
• 't openbaar omhelzen, en dan te drinken geven, zooniet wordt 
de kattenmuziek voortgezet (ö). Zelfs de bloedverwanten ne- 
men daar somtijds deel aan die betooging (ö), wat wel bewijst 
dat de Korzikaan er zich niet door beleedigd vindt. 

Wat nu Duitschland betreft, Simrogk zegt dat het charivari 
betrekking heeft op het tweede huwelijk(^). 

Zou men nu uit de algemeene verspreidheid dier nagenoeg 
eenvormige volksgewoonte niet mogen besluiten, dat juist 
deze vorm de oudste is, dat ketel muziek het eerst voor her- 
trouwde weduwnaars of weduwen is gemaakt geworden? We 
denken het, en Prof. Monseur is ook die meening toegedaan. 

Bij de oude Grieken en Romeinen gold de tweede echt 
voor iets smadelijks. ïagitüs roemt het bij de üuitsche jonk- 
vrouwen, dat zij maar een man namen, en van Yalbrius Ma< 

(1) Volksifermakén, bB9. 

(2) E. MoNSBijR, BulL dt FoikL, 1, 29-80. 
(8) Orain, t. a. I. 172. 

(4) Saüvé, Ie Folk'lore des llautes-Vosges, 98. 
(5j Revue de Trad. pop. XII, 521. 

(6) Idem, /, 182. 

(7) SzMBOGK, />. Mythologie, 5* Aufl., 652. 



— 361 — 

xiMUs weten wij dat vrouwen, die zich met éen echtgenoot 
bevredigd hadden, de kuischheidskroon ontvingen. De eerste 
christenen hielden het tweede huwelijk voor een geduide echt- 
breuk, een door de wet geoorloofde hoererij. Reeds in de 
4^ eeuw verbood een kerkvergadering aan de geestelijken de 
bruiloftsfeesten van een tweeden echt bij te wonen. Uit die 
oude zeden is licht te verklaren, besluit Nork U), dat het 
volk door keteloiuziek zijn afkeuring aangaande den tweeden 
of derden echt te kennen gaf. Tagitus vond het charivari al 
bij de Germanen. Daar nu de volksgewoonten een zeer taai 
leven bezitten» hebben zij zich tot heden kunnen handhaven, 
ofschoon er thans in een hernieuwden echt, buiten bijzondere 
omstandigheden, niets afkeurenswaardigs meer gevonden 
wordt. 

In die gronden wil Nork den oorsprong vanden Duitschen 
PoUerabend zoeken. Hoe kan men echter met zoo'n verklaring 
uitleggen, dat de hertrouwde weduwnaar op tal van plaatsen, 
inde ketelmuziek niets beleedigends ziet,en de manifestanten 
op bier eo genever onthaalt ? Ër schijnt dus wel iets anders 
en iets meer in verborgen te liggen. Wuttke denkt dat de 
PoUerabeiui [pollern =» leven maken) wellicht wijst op een 
vroeger oflfermaal, na welks afloop het vaatwerk werd stuk 
geslagen, om het aan verder gemeenschappelijk gebruik te 
onttrekken, — en daarnaast ook wel op het verdrijven van 
booze geesten door bangmakerij (2). 

In dit tweede gedeelte zijner hypo these is waarschijnlijkde 
ware grond van het volksgebruik te vinden, want daaruit 
alleen laat het zich op een voldoende wijze verklaren. 

Men geloofde eertijds, dat de geest van den eersten echtge- 
noot, uit nijd, de hertrouwde weduwe zou komen kwellen en 
zóo het geluk van 't nieuwe huisgezin verstoren. Zeer karak- 
teristiek is dienaangaande dit volksgeloof uit Opper-Bretanje, 
waar zooveel oude voorstellingen zuiverder zijn bewaard ge- 
bleven : Als een weduwe hertrouwt, komt haar eerste echtge- 

(1) Siiien u. Oebrduche der DêuUchent 193. 
(2)AJberglüub€p%M>. 



— 863 — 

noot haar 's nachts bij de voeten trokken» (ï*. Verwr.ite voor- 
stellingen treft rnen aan in de Opper- Vogeezen : Een weduw- 
naar, die hertrouwt, moet zijn vrouw, op den bruiloftsdag, 
achterwaarts doen binnenkomen, en langs een anlere deur 
dan die, welke zich voor zijn eerste vrouw voor de eerste 
maal had geopend. Door die wijze voorzorg vrijwaart bijzijn 
nieuwe gezellin tegen de kwade hand en allerlei betoove- 
ring(^). Hoogst waarschijnlijk wil men hierdoor den geest 
der eerste vrouw misleidem, voor wier wraak men beducht is. 

Geen beter midilel nu, dacht men oudtij Js, om zich van 
die kwaadaardige geesten te ontmaken, dan hun door een 
helsch lawaai schrik aan te jagen : dan gingen ze op de vlucht. 
Vandaar de ketelmuziek, hier en elders (3) ; vanjaar ook dat 
de hertrouwde weduwnaar of weduwe, die zonderiinpje sere- 
nade niet als een beleediging beschouwde, maar wel als een 
dienstbewijs, dat recht gaf op een fooitje. 

Toen nu later de hieraan ten grondslag liggende voorslel- 
lingen omtrent de aanwezigheid van nijdige geesten waren 
verloren gegaan, kon die rumoerige betooging eerlang een 
vijanlelijke be teekenis krijgen, omdat in zekere omstandig, 
heden een tweede huwelijk inderdaad eenieders afkeuring 
verdient, en, door als *t w.ire de openbare meening te bra- 
veeren, min of meer een vijmdelijke betooging uitlokte Aldus 
kon de sympathieke ketelmuziek overgaan tot een antipa- 
thieke; en zoodra men daarin iets beleedigends begon te zien, 
kon ze op alle personen, die zich aan weerzinwekkende daden 
schuldig gemaakt hadien, als een soort van openbare afkeu- 
ring of bestraffing worden toegepast. Dat de opgeruide volks- 
menigte dan somwijlen, naar het tdit min of meer hatelijk 
voorkwam, tot handtastelijkheden zou overslaan, was zeker 
onvermijdelijk. Zoo kunnen zich de verschillende vor- 
men, welke het gebruik thans nog aanneemt, in den loop 
der tijden uitden oorspronkelijken vorm ontwikkeld hebben. 



(1) P. SAbkllot, Calumet, 114. 

(2) Saüvé, t. a. pi. 98. 

(3; Zii P. HBaRiC4!fN, D. Mythologie, 45, 471. 



- 863 — 

Toch dienen 'wij nog te zeggen, dat enkele zijden van het 
behandelde gebruik innig samenhangen met oude Duitsche 
Yolksge woon ten. Zoo wijzen onze Vlaamsche uitdrukk. de 
beest jagen f 8cherfninkel( de sim, den hond, den beer, het verken, 
enz.) jagen, den ezel drijven, den vs njden, enz. op het Neder- 
rijnsche Thi er jagen en het Beierscbe Haberfeld(YOOT haberfeliy 
ireiben, waarvan Simrogk gewaagt. Deze gaan terug op de 
Duitsche Posterlijagd, die den Donderdag voor Kerstdag 
plaats grijpt, dat is in den heiligen tijd van de Dertiendagen 
(Kerstdag tot Driekoningen) eu van de wilde jacht. Onder 
den naam van Posterli verbeeldt men zich een spook in de 
gestalte van een oud wijf of een geit. *s Avonds verzamelen 
zich de jongelieden uit het dorp en trekken onder luid ge- 
schreeuw en begeleiding van hoorngetoeter» potschijvenge- 
rammel, belgerinkel eu zweepgeklets naar een naburige ge- 
meente» waar ze op dezelfde muziek onthaald worden. Een 
jongeling uit den hoop of een strooien pop, de Posterli voor- 
stellend, wordt op een slede voortgesleept en in een hoekje 
van het vreemde dorp achtergelaten ; dan houdt de ketelmu- 
ziek op (1) . Die volksgewoonte ontwikkelde zich bij de 
Zuidduitschers uit den Perchta ( of Bertha « Holda) dienst. 
Ook het ihierjagen en Haberfeldtreiben hechtteu zich vroe- 
ger aan een bepaald tijdstip vast (3) , maar hebben zich daar- 
van losgemaakt en vervormd tot een soort van volksgerecht 
of lynch- wet, die in voorkomende gelegenheden wordt toe- 
gepast, en waaraan ons beest jagen volkomen beantwoordt. 
De drie genoemde Duitsche gebruiken hebben vooral deze 
gemeenschappelijke zijde : groot lawaai, en in 't bijzonder 
nog, nabootsing van dierstemmen (3) , hetwelk herinnert aan 
het miauw-geroep van *t Antwerpsche gehucht Battel, en 
aan ons woord katteyimuziek. Tot het oude Duitsche Thierja- 
gen en Haberfeldtreiben behoort volgens Simrock ook nog 



(1) Grimm, D. Mythologie, 779. 

(2) De lezer w«et dat het %ttU%vên ten tlrooitiaii of een vnahomet nog 
op sommige plaalseo den !•■ Meinacht gescbiedt- 

(3) SxicmOGK» D, Mythologie, 568. 



- 364 - 

het zich hullen in dierenhuiden en opzetten van dierenkop- 
pen, zoodat men een bende beesten meende voor te hebben. 
Men denke hierbij aan de 300 Westvl. ezels van De Bo, en 
aan den geitenstoet uit de Fransche streek Ille-et-Vilaine. 

Dat alles bewijst hoé innig de oude Nelerl., Duits^ihe en 
Fransche gebruiken s.imenhangen, en hoe Z3 in min of meer 
gewijzigde vormen nog steeds blijven voortleven. 



NOa KETELMUZIEK. <^' 

Sedert ik een eerste maal (Volkskunde.Xll, l-21)over ketel- 
muziek handelde, heb ik omtrent dat onderwerp weer een en 
ander aangeteekend dat ik, volledigheidshalve, den lezer 
wensch mede te deel en. 

Naast de reeds vermelde uitdrukkingen, welke ons volk voor 
de ketelmuziek bezit en waarvan ik thans de verbreidheid, 
hier en daar, wat nader kan bepalen, zijn mij nu ook nog en- 
kele nieuwe bekend geworden^ die ik in dit slotartikel laat 
volgen. 

Het is me gebleken dat de vaak gebruikte uitdr. scharmin- 
kelen, in haar velerhande vormen, nog meer verspreid is dan ik 
vroeger dacht. Zoo geeft 3oos(Idiot.) voor het land van Waas : 
scliarminkelen (met seharminkeling) en scherminkelen, benevens 
schraminkelen en achraminken ; doch schraminkeling houden^ dat 
ik te Exaarde vond, ontbreekt bij hem, — Naast scArami/i4e/ 
jagen kennen Gokn.-Vervl. , voor Antwerpen en de oostwaarts 
liggende dorpen, ook nog : scherminkel, schramirikel in de be- 
teekenis : c oud en mager wijfken », wat overeenstemt met 
De Bos : t scharmik, schermik, schormik^^ zeer mager mensch, 
geraamte », en Weiland's scherminkel = een zeer mager 
mensch of dier ; ook een geraamte », — hetwelk teruggaat 
op het Westvl. : sehominkel, scha- {sche-, scher)minkd, bij 
Maerlant syminkele = sim, aap. Hiermedeenmet de daaruit 
voortvloeiende be teekenissen, staat inverbandbetHageland- 
sche en Antwerpsche schraminkel = • mank > als bijw. ge- 
il) Voor 't eerst verBcbenen in Volkêkunde, XYI (1904), bl. 13S-186. 



— 366 — 

bruikt : « Hij gaat daar zoo sohramiakel heen » (T. en C.-V.) 
en het Limbargsche scharminkelen : < vreemd, scheef gaan >, 
dat ik in mijn eerate art. reeds vermeldde. 

Aan het Battelsche desoim jagen beantwoordt volkomen wat 
ScHaBRMANS-Bijv. geeft : de sim (uitspr.«om)jaj|feM(Heffen,bij 
Mechelen). « Dit gekkenspel, zegt hij, eindigt met de kat te 
branden en zulks geschiedt als volgt : men legt stroo op een 
boom en men laat er eenige pijltjes van hangen tot beneden, 
men steekt er het vuur aan en dit loopt, zoo brandend, tot 
boven toe. > 

De bef jagen (in de Brab. dorpen (O, zegt Sgh.).« Dit wordt 
gedaan bij een man, die zijn vrouw mishandelt of een bijzit 
heeft. » Te Assche heet het : de kivd beest jagen. 

Ook in Holl. Limburg is het, volgens Welters, een alge- 
meen gebruik de eshtgenooten^die in geen goede verstandhou- 
ding leven of ergernis geven, met een oorverdoovende ketel- 
muziek te verearen; dat heet den ezel aandrijven (Buggenum), 
den beer uitzenden (Doenrade), rammelen (Sittard, Heerle),roa- 
ten (Grathem), hullen (Zuidelijk Limburg) en varen (Noord. 
Limb.) (^). 

Bij Sgh. vindt men ezeldrijven voor Limb. en Gelderland, en 
varen voor 't Land van Valkenburg opgegeven, t Dit varen 
(loopen), zegt hij, heeft plaats tegen personen, welke in over- 
spel leven of tegen nieuwgehuwden, die het heilbier of den af- 
scheidsdronk aan de jongelingschap geweigerd hebben. » 
Dan bindt de jeugd een strooman op een kar, voert deze eiken 
avond, en somtijds weken lang, onder een vreeselijk<zwee- 
pen en kletsen, trommen en slaan, huilen en tieren, 
schreeuwen en razen voorbij het huis des schuldigen. De 
oudste jongeling der gebuurte, die het bevel over die varende 
menigte voert, en het huilbier vraagt, heet men momber, » Wat 
Sgh. eerst heilbier noemt, vervormt hij daarna tot huilbier ; 
*t is evenwel deze laatste uitdr., die ook door Weltabs ge- 



(1) Elders {!diof., l U.) zegt hif : in Brab. en Antwerpen. 
(^)y^KLTRi\a, Fó'Miti, Zedin ,. in Limburg, 1i -12 \U Daghet, IX, 17. 



— 867 — 

bruiktwordt,ende tiomber heet bij hem gouverneur.Iu Noord. 
Limburg, zegt Welters, was dat huilbier zeer in gebruik. 
Te Euggenum, Sittard, Epen ea omliggende plaatsen verga- 
deren de jonggezellen boven de 18 jaar om te beraadslagen 
over het te geven huilbier. De oudste hunner deelt de taxatie 
aan den bruidegom mede, die daar doorgaans vrede mee heeft. 
Weigert de bruidegom, dan wordt er gerammeld, enz. (1). 
Te Buggenum wordt dan de ezel op een bijzondere wijze 
aangedreven : in den nacht wordt er heimelijk op een der 
deuren of muren een ezel geschilderd of liever gesmeerd 
uiüt een stof, die er moeilijk af te krijgen is (2) . 

Te Sittard (en in 't omliggende) heeft zulks gemeenlijk 
plaats bij het huwelijk van een weduwnaar of een weduwe, 
en dat gebeurt ook in de omstreken van Tienen. Wanneer 
aldaar een weduwe of een weduwnaar gaat trouwen, schrijft 
ScH., c dan komt de jonkheid 's avonds bijeen vóór hunne 
deur en klopt daar, zoolang de roepen (3) duren, op potten 
en pannen, ketels, gieters, enz. om op den huwelijksdag bier 
te krijgen, en dat heet men pannegatslaan, pannegalten of 
pannen. . (Zie Volksk., XII, bl. 8, n* 11). 

Men denke hier ook aan het Tongersche toetbier, waarvan 
in ons eerste opstel sprake is. € Bij de Walen van Ster-Fran* 
corchamps bestaat hetzelfde. Ook daar heeft de pêltèdje 
(charivari) plaats bij het hertrouwen van een weduwnaar of 
weduwe, en de jeugd eischt er schatting voor een drinkpar- 
tijtje, hoüv'rêyes geheeten. Weigert men te betalen, zoo krijgt 
men een serenade van ketelmuziek: «La serenade au sondes 
poêles, marmites, fouets, faux et sonnailles de tous genres 
avec accompagnement de cris dans des büses c tuyaux de 
poêle » se reproduit pendant bien des soirees consécutives 
sous les fenêtres des fiancés > W . 

(1) Ouk rondom Chiinay placht men yoor weiger! dr van drinkgeld (« pour 
refUHde la piéce •) ketelmuziek (Corjiay«) in te richten (i. WaUQnia,lX, 
221-323). 

(2/ Wbltbrs, t. a. pi., 72. 

(3) Openbare, driedubbele huwel ijksafkondiging in de kerk, 

(4) Wallonia, X, 166. 



— 868 — 

De in mijn eerste opstel oq verklaard gebleven uitdr. 
wasschop houden, aan het Drentsche volksleven ontleend, trof 
ik later aan bij Molem\, Gallée (l) en VerdaiM [Gesch^, bl. 
186) die ik toen nogniet te mijner beschikking had, alsook 
bij BoBKENOOGEN, bij wien ze mij ontgaan was. Bovendien was 
Dr. Stoett zoo vriendelijk in antwoord op het bij wasschop 
gestelde vraagteeken, de zaak voor mij op te lossen. Gallkb 
geeft enkel : Warschop « bezoek : en Molema : Wasschop (in 
zijn Saschrifli woai schop) = brniloft. Uitvoeriger en belang- 
rijkerisBoEKENOOGENT: I7arscftip of war»ti/?; daarnaast wasskip 
en te A.ss3alelft warskop ; vroeger ook warskip «^ c Een be- 
zoek van eenige dagea. » A^lleen gebruikelijk in de uitir. te 
warskip gaan, krijgen, enz. = « Uit logeeren gaan, enz. » Het 
woord is de Fri.-Holl. vorm van wiirdsckap en de eig. 
beteekenis is c onthaal, feestmial ». Naast te warschip 
(warskip) gam, geeft Boekenoogen : warskippen eii wasskip- 
pen; beide vormen zijn in geheel N.-Holl. gewoon ; men 
kent er ook wisscMppei (Taalgids, I. 303). — Al die vormen 
gaan terug op het Mal. werscap, waerscap, ontstaan uit werd- 
scap = maaltijd. (Zie b. v. De Vooys, Marialeg., I. 142 en 
304 (2). Het Mnl. kende ook een ww. wer (of war)scapen, en 
Verdam's Spli^gel II, kol. 147, geeft nog: verworscappen =» 
€ aan maaltijden besteden. » Al de bij 't volk nog voortle- 
vende vormen van die oude uitdr. komen geheel in beteeke- 
nis overeen met het Brab. en Vlaanische viereny door ons bl. 
350 vermeld en dat Dr. Stoett liever als c feestvieren, 
pretmaken >, zou opvatten. 

. De verklaring van die uitdr. geeft ons een goede gelegen- 
heid om de beschrijving van zoo*n Hollandsch wasschop, door 
de Nieuwe Cmrint van 2'i Oct. *02 madegedeell, te dezer 
plaatse over te neaaen : € Door een bijzondere omstandig- 
heid, schrijft het blad, werd Weerdinge(Drente)gistera vond 

(t) Wdb V. h. Geldersch-Overijselsch Dialect, bl. 5l. 

(3) Verdam. Spiegéf der S. heeft : wenchap (I, bl. 5a), wenchepe (1. 98b) 
ea woncap (II. kü 37). In zijn r,t\ch} , bl. 10 J. wijst bij op het West- 
(riesehe wanchippértje = logéétjé. 



— 869 — 

plotseling in rep en roer gebracht. Al spoedig bleek, dat die 
buitengewone levendigheid, voorafgegaan door een geheim- 
zinnige drukte, ten doel had een jonkman te dier plaatse 
dringend zijn aanstaand vaderschap in herinnering te bren- 
gen, hetgeen hij blijkbaar voornemens was te vergeten. Een 
talrijke menigte, die fluks een boerenwagen tot huwelijks- 
koets promoveerde, begaf zich te ongeveer halfacht, onder 
het aanheffen van geestdriftvolle huwelijkszangen naar de 
woning van den jongen man. Deze had zich inmiddels verscho- 
len, doch spoedig hadden eenige gespierde handen hem gevat 
en was hij genoodzaakt het € wasschopsvolk » buiten te be- 
groeten. Onderwijl was ook de betrokken jongedochter op 
het tooneel verschenen, die op overredende wijze den trou- 
welooze zijn verplichtingen op het hart drukte, waarna het 
paar plaats nam op den wagen, welke onder daverende ge- 
zangen door het dorp voortrolde, gevolgd door een stroom 
nieuwsgierigen die thuis hals over kop alles in den steek had- 
den gelaten. Bij de herbergen werd halt pfehouden en afge- 
stegen; verschillende woordvoerders hielden ernstige 
toespraken tot den weifelenden jonkman, die ten slotte de 
gunstigste beloften aflegde. Hartelijke felicitaties volgden, er 
werd gedronken en geklonken en het • wasschopsvolk » had 
razend veel schik, totdat schijnbaar in de beste harmonie het 
toekomstig echtpaar bij de woning der bruid werd afgezet 
en met rust gelaten, om hun verdere belangen te kunnen 
bespreken. 

Een ander opstootje van dien aard had te Exloo (Elsloo, 
in Holl. Limb.7) plaats, en werd ons meegedeeld door de 
Indép. beige van 29 Jan. 1903. Een boerenknecht had, om 
een gewichtige reden, trouw gezworen aan een jonge meid, 
die bij denzelfden landbouwer in dienst was. Doch hij had 
zijn eeden vergeten en de jongelieden van Exloo besloten 
hem er aan te herinneren. Ze begaven zich bij de ouders van 
den boeren Lovelace, maakten zich van hem meester en 
wierpen hem op een kar, waar hij het gezelschap vond van 
een strooien pop in vrouwenkleeren. Dan trokken ze de kar 



— 870 — 

voort, en, zingend en huilend, reden ze naar het huis van de 
jongedochter. Daar hield men stil, en het meisje werd uit- 
genoodigd om hare verdediging voor te dragen. De verleider 
beloofde plechtig het meisje te huwen en in *t openbaar om- 
helsde hij haar; Vervolgens trok de groep bij de ouders van 
den bruidegom om hunne toestemming tot het huwelijk te 
vragen, en die werd dadelijk verleend. Drinken en schenken 
besloot natuurlijk het feestje. 

Naast het Ylaamsch-Brabantsche Sleepen en gesleept worden 
en op een slede binden ^ kent men ook : op de horde sleepen 
(Heusden, bij Gent); van een jongedochter, wier losse zeden 
aanstoot geven, heet het aldaar : Ze zal nog op d'horde (O ge- 
sleept worden. 

Het Antwerpsche In de ploeg spannen is, volgens Rutten, 
ook in het Z.-W. van Limb. bekend ; zoo zegt men te 
St-Truiden van een man, die zijne vrouw mishandelt ; 
Zij moesten hem in een ploeg spannen. « Dat wijst blijkbaar op 
een vroeger gebruik,zooals Gorn.-Vervl. bij dezelfde uitdr. 
doen opmerken: «Voorheen werden de vrouwenslagers, voor 
hunne straf, in eenen ploeg gespannen. » (Blz. 979). Uit een 
feit door de Indép. beige van 10 Juni 1900 medegedeeld, 
blijkt evenwel dat dit aloude volksgericht nog niet zoover is 
uitgestorven, als men algemeen schijnt te denken. Ziehier : 
Een weduwe uit de gemeente Nijlen (bij Lier) werd door de 
volksstem beschuldigd ongeregelde betrekkingen te hebben 
met een gehuwd man uit de buurt. Daarop trokken eenige 
jongelieden naar hare woning, sloegen de meubelen stuk, en 
sleepten vervolgens de ongelukkige bij de haren door de 
straten van het dorp. Dan bonden zij haar vast aan een boom 
en geeselden haar. Ten slotte spanden zij haar in een ploeg 
en dwongen haar dien voort te trekken totdat zij van uitge- 
putheid neerzeeg. De arme vrouw verkeert in stervensge- 
vaar » (2). 



(1) Voor horde, hurde, zie De Bo. 

(3) Of de vrouw er aan besw«ken is, weet ik niet. De daders werdan 
aangahouden, maar welke straf zij ontTlngen, ie mij evenmin bekend. 



— 871 — 

Uit dat feit volgt insgelijks : 1) dat bovenstaand gebruik 
niet uitsluitend behoort tot het Noorden der prov. Antwer- 
pen» maar zich ook zuidwaarts uitstrekt en vroeger mis- 
schien in al onze Vlaamsche gewesten heeft bestaan ; — 2) 
dat het t in den ploeg spannen » niet enkel toegepast wordt 
op mannen, die hun vrouw mishandelen, maar ook op vrou- 
wen, die de zedenwet met voeten treden. 

De oude hiermee verwante ezelrid, die nog in Frankrijk 
wordt gevonden U), en in Duitschland enkel in Hessen be- 
stond (2) , is ook nog in *t land van Ghimay bekend. In die 
Waalsche streek wordt er ketelmuziek uitgevoerd (aldaar 
carnage geheeten), wanneer de bruidegom weigert een fooitje 
tegeven, wanneerman en vrouw vechten of van elkander weg- 
loopen, wanneer oudjes hertrouwen, wanneer men op buur- 
mans jachtgebied gaat jagen of andere zware overtredingen 
van de zedenwet begaat. « A.lors on vous montait è baudet, » 
zegt Wallonia, IX. 223 vlg. « Le personnage du corné était 
figuré par un mannequin de paille, revêtu des insignes de la 
profession exercée par le délinquunt. S'il était cordonnier, on 
le pastichait en savetier sur le dos d'un ane, la tête tournee 
vers la queue, on le promenait par les rues du village, pour 
venir faire la représentation devant sa porte, après quoi on le 
brülait en effigie. Gette représentation consistait i reproduire, 
d'une fa^on grotesque, la scène soumise a critique. » En de 
schrijver, M.J.Lemoine, voegt er onmiddellijk bij : « Ges mani- 
festations sont encore répandues dans tout le Hainaut. » Dat 
Waalsche gebruik heeft blijkbaar zeer veel overeenkomst 
met de Fransche gebruiken,die wij in ons eerste stuk (bl. 356) 
opgaven, en sindsdien ook nog in de Revue d. Trad. pop. 
XVII, 469 en elders aantroffen, In de Gharente heet ketelmu- 
ziek Charidanef wat een verkorting schijnt van « charivari 
d'ane > (8). 



(1) Zie,baiten hetgeen ik io mijn eerste art. reeds meedeelde,tlian3 nog 
R, d. Trarf. po/>., X VIL 409; NiGOLAY, Hi$t. des Groyances, III. 393, 
(3) Hetêische Bl&tter f. Volksk. I. 109. 
(8) NiooLAT, t.a. pi., III. 393. 



_ 379 - 

Naar het schijnt is de ezelrid in de middeleeuwen wijd ver- 
breid geweest (i). De ezelrid tot beschaming van een misda- 
diger bestaat nog heden inMarokko, zooals blijkt uit een Let- 
tre du Maroe, den 34* Oct. 1902 uitTanger verzonden en in de 
Indép. beige opgenomen : de moordenaar van een Engelschen 
missionaris te Fez c fut soumis ^lapeine infamante du tétouif: 
monté sur un ane, Ie torse nu, il fut promené par les rues du 
quartier arabe et fustigé par des verges >• 

•% 

In ons eerste opstel over hetonderwerp, dat ons bezighoudt, 
heb ik de gronden onderzocht, waarin dit aloude volksge* 
bruik wortelt, en, om tot ons besluit te komen, heb ik trach- 
ten te bewijzen dat de oudste en gewoonste vorm het ge- 
bruik is : ketelmuziek maken voor een weduwnaar of wedu- 
we, die een tweeden echt aanging. De oude Grieken en 
de eerste christenen waren tegen dien echt, door Tertul- 
iajli^vq adultera speciosa geheeten, evenzeer ingenomen. Het 
Friesche spreekw. : De tweede echt is een duivelsgift (W. D.) 
is te dien aanzien niet minder welsprekend. € L'opinion popu- 
laire, zegtNiGDLAY, voyait (les secondes noces) avec une ex- 
treme défaveur. — Les charivaris donnés surtout k Toccasion 
des convols ont été souvent Ia cause de tapagesscandaleux ; 
aussi divers Synodes les ont-ils prohibés sous peine d'excom- 
munication. 

€ Des Statuts épiscopaux, dates de 1577, décrivent ainsi 
cette habitude : • Il se trouve des gens si malicieux et si mé- 
chants de pervertir ce qui semble bon k Dieu et a son église, 
se moquant des secondes noces, marchant en masques, jetant 
poisons, breuvages vilains et dangereux devant les portes 
des secandement mariis, excitant fumées puantes sous leurs 
fenêtres, sonnant tambourins, faisant toutes choses vilaines 
et sales qui se peuvent penser ; lesquelles gens ne cessent 
commettre telles vilenies, jusques k temps qu'lls aient, des 



(1) Griüm, lUctiisêiUrthUmer, 2« Ansg,, bl. 799 vlg. 



- 873 — 

mariéd, tiró certaiae soinina d'argdQt comnao par force ; et 
lis appellent telle insoleace, charivari • (i). 

In dit uittreksel uit de statuteu van bet aartsbisdom Lyon 
vindt men eenige eigenaardige bijzonderheden, die duidelijk 
aantoonen dat in de 16* eeuw de aloude volksgewoonte in 
een bloote geldafpersing was ontaard. Ook Keizer Karel V 
zien wij in 1531 en 1540 verordeningen uitvaardigen ter be- 
teugeling van sommige misbruiken (als geldafpersingen), die 
vooral in 't Land van Over-Maas bestonden bij 't hertrouwen 
van een weduwnaar of weduwe : eiken nacht had alsdan, 
maanden lang, een verschrikkelijk charivari plaats, en alleen 
door een som gelds konden de gehuwden zich daarvan vrij 
koopen (2). 

Dat het eeuwenoude volksgebruik zich ook indien vorm tot 
heden toe heeft staande gehouden, blijkt uit de voorgaande 
blz. : in HoU.-Limb., in Brab.en bij onze Walen, zooals wij 
zagen, « schominkelt » men voor hertrouwde weduwnaars 
en weduwen, en eischt daarbij telkens een fooitje. Ik wijs 
hier ook op 't Daghet, XIX, 96 en 111-112. 

Onze meening dat het lawaai der ketelmuziek oorspronke- 
lijk voordeel had booze geesten ^ in dit geval bepaaldelijk 
den geest der overledene, eerste vrouw — af te schrikken 
en te verjagen, hebben wij later bevestigd gezien door een 
artikel van Prof. Weimhold [Zum Hochzeitcharivari, in 1900 
versjhenen) in Z«. d. Ver. f. Volkskunde, X, 206. 

Zooals ik zei, geloofie men eertijds dat de geest van de(n) 
eerste(n)echtgenoot(e], uit nijd, de(n) hertrouwde(n) man of 
vrouw zou komen kwellen, en tot staving van die woorden, 
laat ik hier een vertelsel volgen, ontleend aan Pauli's 
Schimpf uiid Ernst, n"* 134 (uitgave van K. Simrogk) : 
€ Een ridder betoon Ie zijn vrouw, in woorden en werken, 
veel liefde, totdat de vrouw stierf. Kort daarop nam de ridder 
een andere vrouw, en den eersten nacht dat hij bij haar 
lag, hoor ie hij ieminlin de kamer gaan, en die trok de 

(1) NrcoLAY,t. a.pl., III 290. 

(2) Ubniib, fRit. de CharUê^Quimt, Y, M4. 



— 374 - 

deken vaa hem weg. Grawelüg verschrikt, sloeg de ridder 
eea kruis en vraagde : t Wie zijt gij ? » De geest sprak : 
« Ik beü uw eerste vrouw ea kom u verwijteu, dat gij zoo 
gauw miJQ^ liefde vergaten en een andere vrouw genomen 
hebt. Mijn valer, die nog leaft, zal u straflfen en u bevechten, 
en ik, ik wil u 's nachts komen storen en kwellen, opdat 
de nieuwe vrouw u niet lief worde. En zoo geschiedde het. » 
In het Nederrijnsche Thierjageiiy in *t Bergsche ook Aus- 
trotnmeln gehaeten, en het Bdiersche Haberfeldtreiben vindt 
men het Viaamsche gebruik getrouwst terug. Men kan daar- 
omtrent raadplegen O.Sghell in Der Urquell, II. bl. 222-237, 
en Zs, d. Ver. f. Volksk, X. 44 vlg. 



AlphibeUseiie lijst der vAoroaanste Bromei 



(K 



Am Urquellf Moaatsschr. f. Volkakunde. Herausgeg. von Dr. 

Friedr. S. Krauss. 6 B. Lunden. — 1890-1895. — Der UrqueU, 

2B. Leiden, 1897-1898. 
XndreQ, B,., Brannscfiivdger Volkskunde. l'AuQ. 19 j6, — ï'Aufl. 

Braunschweig, 1901. 
Arckives suisses des TradUioiis pop, (Schweizerisches xVrchiv. f. 

Volkskunde), Red Ed. Hoffinann-Krayer., Zürioh, 1897-1908. 

Bacchus in Spreekivoordentaal door A. B. B. Herroem. Gbrinchem, 
Schook, 1874. 

Bartsch, K., Sagen yMdrchen und Gebrauehe aus Meklenburg, 2 B. 
Wien, 1879-1880. 

Bdlfort {Uet)f Maandschrift gewijd aan Letteren, Kunst en Weten- 
schap. Gent, A. Sififer 1886-1899. 

Bergsnaa, Dr J., Woordenhoek beüattende Drentsche Woordenen 
Spreekivijzen, Groningen, J. B. Wolters, 1906 (aü 1). 

Biekorf, Leer- en ieesblad. lirugge, De Planoke, 18901908. 

Bldlter, zie : l^oniinersche. 

Boekenoogen, Dr. G. J , Ome Rijmen. Leiden, Sijthofif (1893). 

Boekenoo^en, Dr. G. J., De Zaansche Volkstaal, Leiden. Sijthoff, 
1897. 

Bogaert, P., Toegepaste Spreekwoorden. Gent, 1852. 

Böhme,Fr.M , Deutsche s Kinderlied u. Kinderspiel. Leipzig, 1897. 

Bols, Jan, Honderd oude Vlaamsche Liederen. Namen, 1897. 

Borchardt, W., Die sprichwörllichen Redensarten im Duulschen 

(1) Alleeu de boeken, bladen en schriften,die ik zelf heb kunnen onder- 
zoeken, worden hier vermeld. 

Diegene die niet uit yerkooht zijn, zijn yerkrijgbaarinden Algemeenen 
Boekhandel ran Ad. Hoste, te Gent. 



— 876 - 

Volkitntit^de nach SIqq aad ürspraag erl&atert. Heraosgeg. von 

G. WuatmaQD, 4« AuQ. Leipzig, 1894. 
Braats, M , Gdrmaanscha HeliötUeer, Geat, A. Sitfer, 1903. 
Breiero, G. A.. Spiansche Brdbaader (Paatheoa-uitg.). Zutphen, 

Thieme(z. j.). 
Brddero, G. A.., Hel Mjorlje^ Paatheoa-uitg. van Ou lemaas, Sohie- 

dam, 1859. 
Broe'iaert, Jai. Zie ; Dd Potler. 

Ba;h-naQQ, G, Ga;idjeUe WorU, 18' Aufl. Berlin, 1895. 
Buj iaudy Jér.y Gian,tè et Ghaisoriy p)p. des proo. de l'üaest, 2 t. 

Niort, 1895. 
OuUtUn de Folklore. Réi. Eng. Moasenr. 3 t. Brax., 189i-19J8. 
Bdletin de laSoc pour Ie progrès dei éiudespkilohg. el last., Gand, 

1905. 
Busken Huet,G., Het Lai^d van Retnbrand. 2 dln. 2^ dr. Haarlem, 

1886. 
Byöfioorf {De) der H. Roomicber Keroke doDr Philips MarnixHeer 

vanS' Alde^onde. Tot Amsterdam. By Jan van Rivesteyn,i659. 

Cannaert, J. B.. Bydragen tol de kennis van het ouie Strafrecht 

in Vlaenderön, 3' uitg. Gent, 1835. 
Cats, J., AUsde WerekeUy bszoc^d loji-Di'. J. Van Vloten. Zwolle, 

1862. 
Glaerboiit, G., Sprookjes ei Yer.iaUn uit hei T.üeltsche. Pitthem. 

1899. 
Glaes, D., Lij^ van bij Kiliaan geboekte en in Zuid-yederland 

voorlleoende Woorden, die in de hedendaagsche woordenboeken 

niet opgenomen of onvolledig verklaard zijn. Gent, Siffer, 1902. 
Glaes, D., Bijooegsd aun de Uijlruge lot een Hagd mdsck Idioticon, 

Gent, Siffer, 1904. 
Gjquilhat, Gam., Sar Ie Haat-Conga. Paris, 1888. 
Goremans, Le Dr., Li Bdjique el 1 1 Bokè.ne. Traditions, coutumes 

et idees populaires. 2 t. Brax. 1862. 
Cornelissen, J., en Ver vliet, J. B., Idioticon van het Anlwerpseh 

Dialect. Gent, A. Siffer, 1899. ^ Aanhangsel, Gent, li^06. 
(Juvelier, Dr. J., en Haysmans, C, Toponymsche Stadie over de 

oude en nieumre Plaatsnamen der gem. Bilsen.Geai, A. Siffer, 

1897. 

7 Daghetin den Oosten^ Limb. tijdsohr. Hasselt, M.Ceysens, 1885- 
1908. 



— 377 — 

De.Beer, T. H., ea Laarülard, Dr. E., WooriensohcU, Terklarlag 

Taa woordea ea uitdrakkiagea 's Gravenhage, 1899. 
Oe Bo, L.-L., IFestvlaanuoh Idioticon. Heraitgeg. door J. Samyn. 

Gent» A. Siffer, 1892 . 
De Cook, A., Volksgeneeskunde in Vlaanderen, Gent, Vuylsteke, 

1891 
Dd Cock, A., SpreektüJjrden en Zegswijzen ooer de Vrouwen^ de 

Liefdeen kei flaivelijk. Gent, Ad. Hoste (om ia 1909 te versohij- 

nen). 
De Oook ea De Mout. ^ Zie beaedea : De Moat. 
De Gock, A , en Teirliack, Is., Kinderspel en Kinderlust in Zuid- 

Nederland. 8dln. Gent, A. Siffer, 1902-1908. 
De Gort, Frans, Liederen, Groningen, 1868. 
De Hoop Scheffer. Dr. J. G. Gescli, der Kerkhervorming in Neder- 
land van haar ontstaan tot 153 L. 2 dln. Amst., 1873. 
De Jajer, Dr. A , Woordenb. der Frequenlatievön in het Neder- 

landsch. 2 dln. Gouda, 1875-1878. 
De Jager, A., Verscheidenheden uit hel gebied der Nederduiisehe 

Taalkunde>> Deventer, 1844. 
De Jager, Dr. A., Latere Vörsjlieidenhedbny Deventer, 1859. 
Dejardin, Jos., Dictionnaire des Spots ou Prjoerbes wMuns, 2 t. 

Liége, 1891. 
Delafailie, F. Ë. Bijdragen IA de Gesch. van Mechelen, 2 dln. 

Mechelen, z. j. (1902). 
De Mensignac, C, Recherches elhnogrdpk. 6ur la Salive el Ie Cror 

chat. Bordeaux, 1892. 
De Mont, Pol, en de Gock. A., Dil zijn Vlaamsche Womlersprook- 

ies, het volk naverteld. Gent, A. Siffer, 1896. — Dit zijn 

Vlaamac^e Vertelsels. Gent, Van der Poorten, 1898. 
De Potter, Fr., Hel boek dtr vermaarde Uithangborden, Antw., 

1874. 
DePotter, F., en Broeckaert, J., Gesch. van de Gemeenten der 

prov. Oost- Vlaander en, ^•rQ^ks, Gent, A. Siflfer, 1894. 
De Raadt, J. Th., Les Sobriquets des Communes belges. Brux., 

1904. 
De Reinsber^-Darlngsfeld (Le baron), Calendrier beige. Fötei 

religieuses etciviles... des Belges ano. et modernes. 2 t. Brux., 

— Zie verder: Von Reinsberg, ook: Von Düringsfeld. 
De Roever, N., UU onze oude Anslelslad. 4 dln. Amst., 1890- 

1893. 



— 378 — 

De Vooys, Dr. G. G. N., yiidielnei. Legenden en Exempelen. 

's Gravenhage, Nijho£f, 1900. 
DleUche Warande. Red. Dr. P. Alberdingk Thijm. Gent, k. Sif- 

fer, 1898-1899. 
Dijkstra, Waling. UU Friesland's Volksleven van vroeger en later. 

3 dln. Leeuwarden z, j (1895). 
Dodonaeus, R , Cruydt-boecky Antw., 1644. 
Draaijer, W„ Woordenboekje van het Deuenlersch Dialect, 's Gra- 

venhage, Nijhofif, 1896. 
Drechsler, P., Sitte, Braueh n. Volksglaube in SMesien. Leipzig, 

1903 
Dubois. Alb., Types et Costumes. Brux, (1887). 
Duikalmanak van G Gezelle (Voor de jaren 1889 en 1895-1899.) 

Eckart, R., !}fiederdeuleche Sprichwörter und volkstümliche Re- 

densarten. Braanschweig, 1893. 
Eichwald, K , tfiederdeutxche Sprichwörter und Hedensarten. 

Se A.usg Bremen, 1868. 
Encyclopaedie van NederlandschAndii door Van der Lith, Spaan, 

Pokkens en Snelleman. 4 dln. 's Gravenhage en Leiden, Nijhoflf 

en Brillz.j. (1896-1905). 

— Zie verder: Winkler Prins. 
Bveraert, Gom., zie : Spelen. 

Franklin, A., La Vieprivéed'autrefois L'Hygiène.PBxiSy 1890. 
Frederioq, ^., De Secten der Geesetaars en der Dansers in de 

Nederlanden tijdens de 14* eeuw. Brussel, 1897. 
Frischbier, H., Preussische Sprichwörter und volksthümliehe 

Redensarten. 3* Aufl. Berlin, 1865. 

Gaidoz, H., ün vieux Rite médical. Paris, 1892. 

Gailliard, Ëdw., De Keure van Haxebroek. 5 dln. Gtont, A. Siffer, 

1894-1905. 
Gallée, J H., Woordenb. van het Oeldersch-Overijselsch Dialect. 

's Gravenhage, Nijhofif, 1895. 
Oeneuchlijcke Dichten (Yeelderhande), Tafelspelen ende Referey- 

?i^ft, opnieuw uitgeg. vanwege de Maatsch. der Ned. Letterk. 

te Leiden. —Leiden, Brill, 1899. 
Georgeakis, G . en Pineau, L., Le Folk-lore de Lesbos. Paris, 1894. 



- 379 — 

Golther, W., Handbuchder German. Mythologie. Leipzig* 1895. 
Griinin, Jacob, DeuUohe Biechiialterthümer. 2" Aasg. Göttingen, 

1854. 
Grlmm, Jaoob^ Deutsche Mythologie. 4" Au3g. voa E. H. Mdyer, 

Berlin, 1875. 
Groess8i% H.« Rommelzoo, Antwerpsche Spreekwoorden en pittige 

Volksgeze^den Antw.,1897. 

Handelingen en Mededeelingen van de Maatsch. der Ned. Lelt. te 

Leiden. — Leiden, Brill, 1897 1903, 
Harrebomée, P. J , Spreekivoordenboek der Ned, taal of Verzame- 
ling van Nederl. spreekwoorden en spreekwoordel. uitdrukkin* 
gen van vroegeren en laterea tijd 3 dln, Utrecht, 1858-187 v)« 
Hatzfeld, Ad., en Darmesteter, Ars , Didionnaire général de la 

Langue fran^aise, Paris^ 1900. 
Henne, Alex., Hist. da règnede Charles-Qainl en Belgique. 10 t. 

Brux. et Leipzig, 1858. 
Herrrnaan, P., Deutsche Mjthologie in gemeinverstandlicher Dar- 

steilung. Leipzig, 1898. 
HeisiecheBldUerfür Volkskande. Herausg. von Ad. Strack. Leipzig, 

1902-1908. 
Hildebrand, Camera Obscura. 11° druk. Haarlem 1877. 
Hoeaflft, Mr. J, H., Proeve van Bredaaseh TaaMgen, Breda, 1836. 
Hofdijk, W. J., Ons Voorgeslacht in zijn dagelijksch leven ge- 
schilderd. 6 dln. Leiden, 1873-1875. 
Hötler, Dr. M , Volksmedicin und Aberglaube in Oberbayern. 

Munohen. 1888. 
Hooft, P.G., Warenaren Schgnheiligh. Pantheon-uitgave van 

Dr. Van Vloten. Schiedam, 1869. 
Hubert,E., La Torture aax Pays-Bas aulrichiens pendant Ie XVII« 

siècle. Brux., J. Lebègue, 1897. 
Huygens, G., Korenbloemen. Nederl. Gedichten. Met ophelderende 
aanteek. van Mr. W. Bilderdijk. 6 dln. Leiden, Herdingh en 
Zoon, 1824. 

Jacobs, Joz., De verouderde Woorden bij Kiliaan, Gent, A. Siflfer, 

1899. 
Jonckbloet, Dr. W. J. A., Gesd. der Sedert. Letterkunde. 6 dln. 

3Mr. Groningen, Wolters, 1884-1886. 
Joog, Am., Waasch Idioticon. Sint-Niklaas, 1904. 



— 380 — 
Jjos, Vm., ^'Mtlerm'ude Vol'cslaal. Gent, A.., Siffer, 1887. 

Kalff, G , 'Jet Lied U de Milideenjoen. Leidea, Brill. 1884. 
Kaltf, G., Gesih, der Yöi. LeUerkuaie* DU MIE. Groningen, 
J. B. Wolters, 1906-1907. 
Kiliaen, C, Efgndygicin leuhnicae Hngwxe s. dlctioaarian 

Teutonico-Latinuin. Traiest> Batavorutn, 1777. 
Kohier, R., u. B^lte, Joh., KI ei ft ir e Schriften zur Söueren Litte^ 

raturges:Mchtef VMsk^nleu, Wortforsokung. BqüIu, 1900 
Kramera, Jz , J , Nouveau l)id. frariQ.^né^irlatidais, 2' éd. par 

Bonle, Gouda (1881) 
Kuhn, Ad., Mdrkische Sajen und Murehen. Berlin, 18i3. 
Kuiper, Dr. Ë. T., Die schoone Hystorie van Malegijs Uitgeg. naar 

den Aatwerpschea druk vaa 1556. Leiden, Brill, 1903. 

Laurillard, Dr. £ , Vlechtwerk uit verscheiden kleuren. i« dr. 

Amst , 1884. 
Leandertz, C. J., Gfdsoordeelen en Eeden (overdr. uit Tijdschr. 

V. h. Ned. Aardrijksk. Genootsohap. 1888). Leiden, Brill. 
LeRouxdeLinoy, Lelivredes Prövtrbe$ francais. 3 t. Paris. 1842, 
Liebrecht, Fel , Zur Volkskunde. Ueilbroan, 187J. 
Lombard, Jean, LAyonie^ 33" éd. Paris, Oliendorf, 1902. 
Loquela (tijdschr. van Guido Gezelle). Roeselare, J. de Meester, 

1881-1895. 
Loubens, Les Prooerbes et Locutions de la Langue frangaise, 

Paris, 1888. 

Uaerlant's Werken^ besch. als Spiegel van de 13* eeuw door 
Dr. J. te Winkel. 3» dr. Gent en 's Gravenhage, 1892. 

Maeterlinck, L. Le Genre satirique dans la Peinture flamanie. 
2-c éd. Brux., Van Oest, 1907. 

Mategijs. —Zie : Kuiper* 

Mannhardt, W., Ddr Baumkultusder Germanen. Berlin, 1875. 

Marnix, zie ; Byencarf. 

Maronier, J. H., Bet Paaschfeest. Arnhem, 1894. — Hel Pinkster- 
feest, Anh. lS9i. 

Martel, L., PetitReeueildesProverbesfranQais. 5* E I. Paris (s. d.). 

Meijer, G. J., Oude DfeierL Spreuken en Spreekwoorden. Met taal- 
kundige aanteek. Groningen, 1886. 

Uilusine. Recuell de mythologie, littérature pop., Iraditions et 
uaages. Héd. H. Galdoz. Paris, E. Rolland, 1878 ; 1884-1901. 



- 881 — 

Meyrao, A., TraiUiom^ CatUumes^ Lég. et Cantes de$ Ardennes. 

Charleville, 1890. 
MiddelnederL Woordenboek door Dr, E. Verwijs en Dr. J. Verdam. 

Dl. I-Vll. 's Gravenhage, Nijhoff, 1885-1908. 
Missien in China ea Congo (Maandblad). Brussel' 1898-1902. 
Mitteilungen d. Vereinsf. Sachsisrhe Volksiunde. Herausg. von E. 

Mogk u. H. Stumme. Dresden, 1897-1008. 
Molema, H., Woordenboek der Groningeehe Volkstaal in de 

19« eeuw. Winsum, 1887. 

Monalssehrift des Bergisehen Gesehiehtivereins. Herautgeg. von 

O. Schell. Elberfeld, 1894-1008. 
Monseur, Eug., LeFolUore wallen. Brux. (s d.). 

Navorscher^ De. Een middel tot gedaohtenwisseling en letterkundig 

verkeer (Maandblad). Red. J. F. Van Someren, Utrecht, 1896- 

1901- 
Nederl. Museum. Tijdsohr. voor Letteren, Wetensch. en Kunst. 

Gent, Ad. Hoste, 1888-1894. 
Nicolay, F., llisloire des eroyaneeSf superstitions, moeurs^ usages 

etcoutuntes. 2' Ed. 3 t. Paris (s. d.). 
Noord en Zuid. Tijdschr. ten dienste van onderwijzers, onder' 

redactie van T. H. de Beer. Gulemborg, Blom en Olivierse, 

1878-1807- 
Noordewier, Df, M. J., Nederduitscke Regisoudheden. Utrecht, 

1853. 
Nork, F., Die Sittenund Gebrauche der Deutschen und iirer 

Nachbarvölker. Stuttgart, 1849. 

Oberle, K. A., üeberreste germanischen Heideniums im Christen' 

turn. Baden- Baden, 1883. 
Opprel, Dr. A., Het Dialect van Oud-Beierland. 's Gravenhage, 

Nijhofif, 1896. 
Orain,Ad., Le Folk-lore de l'Ille-et-Vilaine. Delavieii la mort. 

2 i. Paris, 1897. 
Otto, Dr. A., Die Sprichwörter undsprichwörtLRedeneartender 

Romer, Leipzig, 1890, 

Paque, E., De Vlaamsche Volksnamen der Planten van Fransch- 
Vlaanderen en ZuidrNederland. Namen, 1896. 

Patria Belgica. Encyclopédie nationale, publiée sous la direction 
de Sug. Van Bemmel. Brux., 187d-i875. 



-- 382 — 

Pauli, Joh., Schimpf und Ernst. Heraugg. von K. Simrock, 
Heilbronn, 1876. 

Pineau, L , Le Folk4oredu Poitou. Paria, 1892. 

Pirenae,H., Histoire de Belgique, Tomé I (1902) et II (1903), 
Brux., Lamertin. 

Poirterg, Adr , Hei Masker vande Wereldt afgetrooken. T' Ant- 
werpen. By F. L. Vinck. — 35* druk bij Snoeck-Ducaju te 
Gent (z. j.). 

Pommersche Volkskunde (Blatler für). Red. O. Knoop u. Dr. A. 
Haas Stettin, Bariueister, 1895-1002. 

Rabelais, FranQois, Gargantua. — Pantagruel. — Pavtagrueline 

prognostication par Ls Molland, Paris. 1881. 
Reinaertde Vos. ^iddeleeuwsch Dierenepos, bewerkt door Pr 

van Duyse. 4* uitg. Roeselare (1891). 
Reinsberg, zie : Von (en De) Reinsberg, alsook : Von Düringsfeld. 
Revue des Tradttions populaires. Réd. P. Sébillot. Paris, 1886- 

1908 
Riezler, Sigm , Geschichte der Hexenprozesse in Bayern Stuttgart, 

1896. 
' Rochholz, EL., Deutseher Glaube und Brauch im Spiegel der 

heidnischen VorxeiL Berlin, 1867. 
Rochholz, E. L., SchwHzersagen aus dem Aargau, 2 B. Aarau. 

1857. 
Rolland, Eug., Variétés bibliographiques. Paris, 1890. 
Rolland, Eug., Fbre populaire. 6 dln. (tot heden verschenen) 

Paris, 1896-1907 
Rond den Heerd. Een leer- en leesblad voor alle lieden. Brugge, 

1866-1875 en 1890. 
Rozan, Gh., Petites Ignarances dela Conversation. 11* éd. Paris, 

1887. 
Rutten, Aug , Bijdrage tot een Haspengouwseh Idioticon. Antw., 

J. Boucherij, 1890. 

Sabbe, Dr. M„ AanU Minnewater. Brugsche schetsen. Antwerpen. 

Nederl. Boekhandel (1897). 
Saehsische Volkskunde.— Zie: Miiteilungen. 
Sartori (Joannes), Adagiorum Chiliades lYes. Ex Recensione 

Gornelii Schrevelii, Lugd., Batav., 1656. 
Sauvó, h.F.,Le Folk4ore des Hautes- Vosges. Paris, 1889, 



— 383 — 

Schell, O., Bergisehe Sagen. Elberfeld, 1897. 

Soheltema, J., Volksgebr. der Nederlanders bij het vrijen en 

trouwen, Utrecht, lb82. 
Schischmaaoff, L., Légendes reUgituses des Bulgares. Paris, 1896. 
Schotel, Dr. G. D. J., Het Oud-HoU. Huisgezin. Haarlem, 1868. 
Schrader, Dr. H., ÜtUerwAmticAd. deutschen Sprache. Weimar, 

1894. 
Sohuermans, L. W., Alg. Vlaamseh Idioticon, Leuven, 1865-1870. 

Byvoegsely Lovtio, 1838. 
Sébillot, P., Petite légende darée de la HauU-Breiagne. Nantes, 

1Ö97. 
Sébillot, P., Coutumes popuL de la Haut&'Brelagne. Paris, 18!)6. 
Sébillot, P., Légendes et Curiosités des Métiers. Paris (s. d.). 
Sébillot, P., Le Folklore de France, 4 t. Paris, 1904-1907. 
Simrock, K., Handbuch der Deutsche Mylhologie mïtEm&ohlusQ 

der nordischen. 5* Aufl. Bonn. 1878. 
Sloet, Baron L. A. J. W., De Dieren in het Germ. Volksgeloof e» 

Volksgebruik, 's Hage, 1888. 
Spelen van Corn. Everaert. Uitg. door Dr. J. W. Muller en Dr. 

L. Scharpé, 2 dln. Leiden, 1898-1900. 
Stallaert, K , Glossarium van verouderde Reehtstermen(A. Pijper). 

Leiden, 1890. 
Staring, A. G. W., Gedichten, Uitg. door Nic. Beete. 4* dr. 

Zutphen(z. j.). 
Stellwagen, A. W., Roomsche Woorden. Groningen, 1901. 
Stijn Streuvels, Lenteleven, Maldeghem, 1899. 
Stoelt, Dr. F. A. Nederl. Spreekwoorden, Spreekwijzen^ UUdrukk. 

en Gezegden naar hun oorsprong ca beteekenis verklaard, 

2 dr. Zutphen, 1905. 
Slrausz, Ad., Die Bulgaren. Ethnograph. Studiën. Leipsig, 1898. 
Superstitions anciennes et modemes (par l'abbé Thiers et le P. 

Lebrun. 2 dln. Amsterdam, J. Fr. Bemard, 1733. 
Suringar, Dr. W. H. D., Erasmus over Nederl. Spreekwoorden en 

spreekwoordel. uitdrukk. van zijnen tijd. Utrecht, 1873. 

Taaien Letteren. Onder redactie van Dr. Buitenrust Hettema, 
J. H. Van den Bosch, Dr. Kollewijn, T. Terwey en Prof. Ver- 
coullie. Zwolle, Tjeenk Willink, 1891-1906 (1). 

(1) We geven enkel de oudste redactie en den eersten uitgever. 



_ 884 — 

Te Winkel, J. Zie : Maerlant. 

Teirlinck, Is., Woordenb. vanhêt Bargoensch, Roeselare, 1886. 

Teirlinck, Is., Lastige Kerelf, Gent, Van der Poorten, 1898. Zie 

verder De Cock. 
Ter Gouw, J., De Volkivermakev . Haarlem, 1871. 
Tliiers (l'abbé), zie : Superstittons 
Tij'ischrift van het Willemf^' Fonds, gewijd aan Letteren, Kunsten 

en Wetenschappen. Gent, J. Vuylsteke, 1896-1905. 
Tijdschrift voor Ned. Taal- en Letterkunde, Leiden. E. J. Prill, 

1881-1907. 
Toekomst (De) . Tijdscbr. voor opvoeding en onderwijs, taal- en 

letterkunde. Gent, Ad. Hoste, 1873-1898. 
Tuerlinckx, J. F , Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon. Gent, 

Ad Hoste, 1886. 
Tuinman, Gar. De Oorsprong en uitlegging van dagelijks gebruikte 

Nederduitsche spreekwoorden. 2 dln Middelburg, 1726 

Lrquel (Der) ; ook : Am Urquell. Zie aldaar. 

Van Beverwijck, J., Schat der Gesontheyt^ en Schat der Ongesont- 

A^(/< (Het titelblad mijner uitg. ontbreekt ; de voorrede geeft 

Dordr. 1642). Uitg. van Amst , 1651 ? 
Van Dale, Groot Woordenboek der NederL Taal. 4« dr 's Graven - 

bage en Leiden, 1898. 
Van den Bergh, L. Pb. G , Proeve van een kritisch Wdb. der Ned. 

Mythologie. Utrecht, 1846. 
Van Duyl, C. F., Overzicht der Beschavingsgeschiedenis van het 

Nederl. Volk. Groningen, 1887. 
Van Duyse, Pr., Spreektooorden aan geestelijke zaken ontleend (in 

bet Belgisch Mvaeum van J. Fr. Willems, Gent, 1841). 
Van Duyse, Pr., Het Klaverblad, Romancen, legenden, sagen 

Brussel, 1848. 
Van Duyse, Pr. , De Bederijkkamers in Nederland. Uitgeg. door 

Fr. De Potter en F. Van Duyse, Gent, A. Siffer, 1900. 
Van Duyse, F., Het Oude Nederl. Lied. Teksten en Melodieën verz 

en toegelicht. 3 dln. 's Gravenbage, Nijboff, en Antw., Ned. 

Boekhandel, 1903*1908. 
Vaa Hall, Mr. G,, De Nederlandêche Spreekwoorden, tot het Regt 

betrekkelijk, (Separaat afdruk, Amst. 1853). 
Van Lennep, M' J., en Ter Gouw, J., De Uithangteekens in ver- 
band met Geschiedenis en Volkflle^n. 3 dln. Leiden, (i. j.). 



— 386 — 

Van Moerkerken, P. H., Het Nederl. Kluehtspel in de !?• eeuw. 

Sneek, 1899. 
Van Moerkerken, D' P. H. De Satire in de Nederl Kumt der 

Middeleeuwen. Amst. , 1904. 
Van Rijswijok, Th., Poëtisi^e Luimen. Antw,, 1848. 
Van Rijswijck, Jan, Fo/Mus/, of Hekel en Luim. Antw., 1851. 
Van Rijswijck, Jan, Politieke Zweepslagen. Antw., 1861 . 
Van Vloten, Dr. J., Ned. Baker- en Kinderrijmen. 4® dr. Leiden 

(1894). 
Van Zeggelen, W. J., Kompleete Dichtwerken. 6» dr. Rott. (c.1876). 
VercouUie, J., Beknopt etymolog. Woordenb. der Ned. Taft/.2«dr. 

Gent en 's Gravenhage, 1898. 
Verdam, J., Uit de Cfeschiedenis der Ned.TaaL 2* uitg. Dordrecht, 

1903. 
Verdam, J. — Zie Middelned. Woordenboek. 
Vernaleken, Th., Mythen und Branche des Vclkes in Oesterreich, 

Wien, 1859. 
Vinson, J , Le Folk-lare du Pays basque. Paris, 1883. 
Volk en TaaU Maandschr. over Gebruiken, taalkunde, enz., door de 

Zantersgilde van Zuid- Vlaanderen. Ronse en Waregem, 1888- 

1894. 
Volkskunde^ Tijdschr. voor Nederl. folklore, onder redactie van 

Pol de Mont en A. de Gock (D. Gent, Ad. Hoste, 1888-1908. 
Volksleven (Ons), red. Gornelissen en Vervliet, Breoht, 1889-1900. 
Von der Hagen, Fr. H., Gesammtabenteuer. 3 B. Stuttgart u. 

Tübingen. 1850. 
Von Düringsfeld, !da, und von Reinsberg-Düringsfeld, O., Sprich- 

wörter der germanischen u. romanischen Sprachen vergleichend 

zuzammengestelt. 2 B. Leipzig, 1872-1875. 
Von Reinsberg-Düringsfeld, O. Frh., Fest-Kalender aus Böhmen^ 

Prag., z. j. (1861). — Zie verder : De Reinsberg. 
Vra^^ vart de/l da^, onder redactie van Dr. H. Blink, Amst., 

S. L. vanLooy. 1886-1908. 

WaUonia, Recueil de littérature orale, croyances et usages tradi- 
tionnels. Liége, 1893-1908. 



(1) Tot in 1893, Aug. Gittée, in plaats van A. de Gock ; sedert 1907 onder 
de redactie van A. de Gock alleen. 

25 



— 886 — 

Wauten, A., Giagr. et Eut. des Communes bdges. Arr. de Lou- 
vain(Ville de Tirlemont). Brux,, 1874. 

Wauters, A., Histoiredes EnvirónsdeBruxelles.SU Brux. 1855. 

Walters, H., Feesten^ Zeden, Gebr. en Spreekw. in Limburg. 
Venloo (z. j.). 

Wilken, Dr. G. A., Plechtigheden en Gebruiken bij Verlovingen 
en Huwelijken bij de volken van den Indischen Archipel, 's Ora- 
venhage, 1889. 

WUlems, J. F., Oude Vlaemsohe Liederen. Gent, 1848. 

Willems-Fonds, zie Tijdschrift. 

Winkler Prias, A,., Geïllustr. Eneyehpcedie, 2* uitg. in 16 dln. 
Rott., 1884-1888. 

Woeste, V. F. L., Volksïd>erlieferungen aus der Grafsohaf t Mark. 
Iserlohn, 18i8. 

Wo0rdenboek der Nederl. Taal door M. de Vries, L. A. te Win- 
kel, E. Verwijs, P. J. Gosijn, A. Kluyver, A. Beets, J. W. Mul- 
ler, G. J. Boekenoogen» W. L. de Vreese, enz. 's Gravenhage en 
Leiden, Nijhoff en SijthofT, 1882-1908. 

Woordenschat^ zie : De Beer. 

Wossidlo, R., Mecklefd>urgische Volksüberlieferungen. Bd. III. 
Kinderwartung u. Kinderxucht. Wismar, 1906. 

Wuttke» Dr. Ad., Der deutsehe Volksaberglaube der Gegenwart, 
3' Bearbeit. von E. H. Meyer. Berlin, 1900. 

Zeitschrift des Vereins für Volkskunde. Red, K. Welnhold (1891- 
1901) ; Red. Joh. Bolte (1902-1908). Berlin, A. Asher (thans 
Behrend). 



REGISTER 



Aalgeere, Aalgeertmeersch, 32. 

Aaltje ; yan mooi Aaltje zingen, 137. 

H is of het op een aande (eend) regent, 94. 

ze is aangebrand, 110. 

de pot (o/' haar pap) is aangebrand, 110. 

aangekalkt staan, 47. 

aanhangig, 69. 

iem. aankaiken, 46-47. 

aankeryen, 45. 

aanmakelen, S90. 

iem. ooren aannaaien, 244. 

aanpraten, 208. 

aanslaan, 54. 

aanstooten met yingcrtoppen, 48. 

aap, 250. 

hij heeft den aap in de monw, 199. 

daar kwam (of keek) de aap uit de mouw, 
199. 

in den aap gelogeerd zijn, 285, 

den aap ylooien, luizen, 250.2!(2. 

hij heeft den aap beet, binnen, thuis, weg, 
250. 

de aap is gevlogen, 250. 

ze zion op geen aap, die uit Oost-Tndië ko- 
men, 251. 
-^as, aasje ; een aasje ycrstand, medegevoel, 
382. 

geen aasje, 382. 

aasgraaf, 74. 

k ben in mijnen aat niet, 129. 

als de abt de teerlingen geeft, dan mogen do 
monniken wel dobbelen, 284. 



als de abt met de kaart apeelt, dan troeyen 
ook de monniken, 284. 

waar do abt herbergier is, mogen de monni- 
ken wel bier halen, 283. 

een Aohiileshiel, 6. 

achtentwintig, 291* 

daar bijt er me een yan achtentwintig, wie 
geeft er een daalder voor ? 291. 

jij hebbe liever 'en achtentwintig aa *en 
daalder, 291. 

't is 'n ollc aefitentwintig» 291, 

achteruitgaan gelijk de zeeldraaiera, 282. 

achlcrwaarU naar Halle gaan, 72. 

toen Adam spitte en Eva span, wa^r vond 
men toen den edelman ? 221. 

de admiraal heeft geschoten, 29. 

een advokaat met lange ooren, 245. 

zijn vingers (van ieU) aflikken, 121. 

het uur is afgeioopen, 170. 

afmartelen, 77. 

afslager, 48. 

afstroopen ('t vel), 108. 

afvademen, 321. 

de almanak en de courant brengen de leu- 
gens in het land, 249. 

hij liegt als een almanak, 249. 

almanak, leugenzak, 249. 

die zich zijn ambacht schaamt, gedijt niet, 
41. 

alle ambten zijn smerig, soo zei des kosters 
wijf, 273. 

iem. met apenmunt betalen, 205. 



~ 888 - 



ons anker werpen, 9. 

zic zoo, zei mooi Anneken (toen zij zekere 

zonde gebiecht had), daar bon ik voor een 

klinkcrt weer af, 292. 
met iem. een appeltje te schillen hebben, 

34. 
den eersten April yerloor Alva zijn bril, 

181.250. 
op den eersten April stuur je de gekken 

waar je wil, 176. 
in April zendt men de zotten op den dril» 

176. 
Aprilgek; aprilzot, 176. 
Aprflsboodschap, 176.840. 
Aprilsgekheid ; Aprilsgrap ; Aprilssprookje, 

176. 
om Aprilzaad zenden, 176. 
beter arm te land, dan rijk aan zee, 8* 
asch is gebrand bont, en kolen is rinkhout, 

6. 
Assche ligt tegen Brussel, 6. 
een asschepoester, 5. 
assehopserenade. 850. 
den Augiasstal reinigen, 6. 
iem. roet avegaar door den nens boren, 82. 
arondmaalsproef, 113. 

Baanderheer ; bander of banjerheer,- 8. 
den baanderheer (of den banjer) spelen, 

uithangen, 8. 
iets op de lange baan schuiven, 69. 
baanrots, 8. 

baanst, baant, baanstdoos, 835. 
zoo di'oog als baanst, 885. 
baantschotel, 885. 
voor de baar uit gaan, 58. 
roode baard, duivcisaard, 5. 
^iem. ccn vlassen baard aandoen, 22. 
baardmannetje, 806. 
baargcricht ; baarrccht, 108. 
van babo naar biboloopen, gestuurd worden 

28S. 
babo noch bibo zeggen, 288. 



een dikke Bacchns, 6. 

door de baffcrs loopen, 27. 

't is zalig te werken, zei de bagijn» 282. 

door de baguetten loopen, 27. 

iem. van bakboord naar stuurboord zenden, 
288. 

bakermat ; van de bakermat af, 216.841. 

bakerschelling, 841. 

iem. een baksken brengen, 126. 

men moet den bal slaan, zooals hij ligt, 205' 

Romeinsche balans, 829. 

balein, 852. 

schouten en baljouwen, grijpen als de wou- 
wen, 67. 

baljuw ; baljuwschap, 66. 

baljuwen zijn al haviken, 67. 

des baljuws messen snijden zeer, 67» 

daar niets is, scheldt de baljuw de boete 
kwijt, 66. 

hij staat daar op den balk, 45. 

een balk in zijn wapen voeren, 20. 

ballotage, 171. 

door den band, 51. 

bandmolen, 75. 

zijn banier ontplooien, ontrollen, 8.' 

zich om de banier scharen, 8. 

onder iemands (of onder eigen) banier strij- 
den, 8. 

de banier hoog houden, 8. 

de banier opsteken, 9. 

banierdrager; kerkbanier, krijgsbanier, 
leeuwbanier, 9. 

banjer ; wat een banjer, 9, 

banjeren, 8. 

door de bank, 50. 

iets door de bank vcrkoopen, 50. 

achter de bank geraken, 69. 

viccsch-, visch-, wisselbank ; rechtbank, 
50.68. 

bankaard, 257. 

klagen binnen vier banken, 69, 

bankier, 68. 

banbroet ; bankroet gaan, zijn, 59.68. 



— 889 — 



banmeulen, 75.837. 

bij slacht den barbier: bij wcnscbt om won- 
den, 231. 
alle begin is mociolijk, zei de barbicrsjon- 

gen, en bij zetleden stok builen, 233. 
aan bel bord zitten, 169. 
iem. Yoor de barre(n) brengen, 32. 
'k wil barsten, als H...., 105. 
barvoets naar ilalle gaan, 72. 
bassecamere, 170. 
bastaard, basterd, 257. 
iem. tot bastaard maken, 257. 
door bet bedstroo vallen, 3U. 
men kan op óen been niet loopcn, 282. 
beenen gelijk solferstekken, 334. 
—den beer jagen, 346.353.363. 
^ met iem. den beer leiden, 197. 
den beer uitzenden^ 366. 
de beest (of beestje) jagen ; de kw& beest 

jagen, 346.358.363.366. 
de beest stouwea (of branden), 346.347. 
de beeste (den aap, den bonten stier) sche- 
ren, 197. 
beethttbben, 250. 
den bef jagen, 316.366. 
daar is een begijn te geeselen, 85. 
hij heeft er een begijn (of een hond) zien 

geeselen, 85. 
allemaal menscben, zei de begijn, en zij 

zoende den pater, 280. 
werken is zalig(heid), zei de begijn, maar 

zij deed bet niet geern, 283. 
werken is zalig, zeiden de begijnen en ze 
droegen gcdrijea aan nen boonstaak, 
288. 
er zijn drie begijnen om een ei te pellen, 

284. 
er zijn twee begijnen om een ei te klutsen, 

en het is dan nog niet goed, 283. 
een begijnenpaler, een visscherakater en 
een molenaarshaan, als deze drie yan 
honger sterren zal de wereld rergaan, 
282. 



een begijnestuksken, 282. 
werken is zalig en Icegziltcn is heilig, zei 
het begijntje, en ze koos de heiligheid, 
283. 
koken moet kosten, zei begijntje, on ze deed 

een zesken boter in de panne, 305. 
een goed begin is een daalder waard, 290. 
alle begin is moeilijk, zei de barbiersjongen, 

en hij zette den slok buitön, 233. 
bekaaid, ergens bekaaid afkomen, 202. 
beker ; bekeren, 126. 
hij houdt veel van den beker, 126. 
hij heeft liever den beker dan den Bijbel in 

de hand, 126. 
vrouw, maak mij toch den beker eens nat, 
zoi de zuiper, hij is zoo droog als oen 
meelzak, 126. 
aan het bekken zijn, verkocht worden, 254. 
bekkenslag, ^4. 
bekorten, 30. 
'k zal het met de lange bel doen uitbellen, 

254. 
belastingpenning, 311. 
belazeren, 262. 
ben-je belazerd ? 262. 
belderom, 39. 
iem. in de belle slaan, 253. 
in de belle zijn, liggen, hangen, komen, 

253. 
in de belle, uit de belle, 254. 
helleman, 254. 

bellen ; bellemerkt houden, 348.352.358. 
't is hem zoo eigen als de muts mei bellen 

aan den nar, 200. 
belofte maakt schuld (en die ze niet en 

houdt, krijgt nen bult), 58. 
iets bemanteien, 146. 
door de ben vallen, druipen, 209.341. 
een benauwd half elfje, 124. 
korte benedictie, lange gratias, 389. 
beperken, 11. 
iels beramen, 231. 
aan 't berd gaan, 169. 



— 890 — 



lieh tan 't berd zetten, 108. 

ieti te berde brengen, 168. 

berokkenen, a25.38U 

beechermrecht, 149. 

bestektroer, 170. 

nair Bethlehem gtan, 6. 

beugel ; dtt kan niet door den beugel, 2SSL 

hoe maak je zalke aardige poataren, zei de 

beul tegen een gauwdief, en hij geeseide 

hem luBtig, 85. 
ik houd yeel van je, zei de beul» toen bij 

den paardendief het hoofd had afgeslagen, 

fOO. 
een beunhaas ; beunhazen, 41.387. 
mager en gezond en in de bears geen pond, 

329. 
een beurzesnijder ; iem. zijn beurze snijen, 

249. 
liegen gelijk een beurzesnijcr, 246, 
bezegelen ; met den dood bezegelen, 54.55. 
orer den bezem getrouwd zijn, 163. 
bezempjestuiyer, 297. 
te biechten gaan gelijk de mulders, 294. 
biecht penning, 311. 
^hot bier is roor de ganzen niet gemaakt, 

238. 
bij zou liever in de bierkan studeercn, 125. 
hij loopt met de bierkan aan zijn hals, 188. 
dit bierken hebt gij gebrouwen en moet dat 

ook uitzuipen, 225. 
een bierlaars, 155. 
dat bijt er nog al in, 130. 
hij heeft te bijten noch te breken (of slij- 
ten), 122. 
de billen van Parijs, 155. 
een blad ot een takkebos (o/'ne koolstok) 58. 
blamuiier ; bij spuwt blamuizen, 295. 
dat is mij geen blamuize weerd, 295. 
blanke ; die voor de blanke gcbbreo is, en 

lal tot den stuiver niet komen, 298. 
halfblanksheer of-juffrouw ; halfblanksgezel, 

298. 
blauw krijgen, 208. 



een blauwe Maandag ; blauwen Maandag 

houden, 273.274. 
lem. de blauwe trappen doen opgaan, 71* 
met de blauwe huik voor iem. uitgaan, 150* 
- iem. een blauwe huik omhangen, 150. 
blauwe bloempjes (of boodschappen), 150. 
iem. blauwbloemekens op de mauw spelden^ 

150. 
blauwmutsen ; Leidensehe blauwmutsen^ 

159. 
blauwe kiel, 160. 
een blauwtje loepen ; een blauwe scheen 

loepen, 151, 211. 
zijn blazoen bevlekken, 19. 
blekken- o/* blikkenmuziek, 344, 349. 
nen blekslag doen, 349. 
blik, 169. 
(iem. een) blikken muziek brengen, maken, 

349. 
blikkende schijn, 71. 
blinddoeken, blindhuiken, 150-151. 
bloedgeld, 72. 
't bloedige kleed, 71. 
.uien blok sleepen, bloksleepor, 294. 
met zijn ooren aan den blok, 45. 
desolate-boedelkamer, 58, 
het over dezen of genen boeg wenden, 2. 
de boel is aan de kamer (of aan de rotteka- 

mer), 58. 
den boel aan de kamer geven, 58. 
de boer zal 't al betalen, 937. 
als de jonkers malkander plukharen, dan 

moeten de boeren hun haar leenen, 287. 
boerde ; boert, 10. 
boerenjongens, 123. 
boert ; boerterij ; boerde, 10. 
bogelen ; bogelslaan, 252. 
Spaan schc bok. 87. 
hij zal van den bok droomen, 86. 
mag mij de bok steuten, 105. 
hij heeft de bokkepruik op, 143. 
het bolletje in 't holletje, 122. 
de bom is er uitgesprongen, 38. 



391 — 



heilig bontje, 157. 

de boog kan niet altijd gespannen lijn, 35. 

hij heeft de boon van don koek gekregen, 171. 

te boone gaan, 171. 

hij heeft de booncn achecp, 240. 

boonkoning, boonluiden, 157, 171. 

een heilig boontje ; bet is ook geen heilig 
boontje, 157. 

'k ben een boontje, als ik...., 105. 

'k mag 'n boontje wezen, als ik, 105. 

boontje komt om zijn loontje, 5. 

elkander aan boord klampen, 2. 

hij is over boord geraaktt 240. 

bord ; tafelbord ; eetbord, 169. 

iets te horde (omberde brengen, 169. 

Boreas loopen, 6. 

die licht borg wordt, moet voor Vianen zor« 
gen, 61. 

kom over met je borgen, 256. 

bo8chmee(fooi), 129. 

bosemer, 328. 

door den bot, 51. 

botdrager, 801. 

verschc boter en nieuwbakken brood, is mijn 
dood, zei de man. ... 5* 

botje ; cen-botje-bij-botje (o/* botje-bij botjes- 
maaltijd), 301. 

botje bij botje leggen, 301. 
- boter aan de galg, 94. 

het is ai boter tot den bodm, 7. 

't gaat boven de één en twintig, 61. 

ik loop met braadharing rond, zei Jeroen de 
Plerry. en hij was tot Ënkhnizen gebrand- 
merkt, 82. 

braadvarkon, 282. 

hij heeft zijn bramzeil bijgeheschen, 240. 

brand ; zoo helder als een brand, 31. 

hij is den brand ontloopen, 117. 

brandbrief; brandbrieven schriJTen, 28. 

ten brande en ten zwaarde dreigeu, 28. 

een brander aan boord krijgen, 31. 
boud af, bet is een brander, 81. 

brandmerk ; brandmerken, 82. 



op zoo'n geetel past zoo*n brandmerk, 83. 
het it aan het wambuis niet te zien, wiè een 

brandmerk draagt, 83. 
brandschatten, 28. 
braspenning, 811. 

het breed aanleggen {of hebben). 140. 
den brcede spelen (of uithangen) ; den 

broeden baan spelen, 140. 
op een broeden voet leven, 139. 
breidelen, 2ê0. 

breken gelijk ne solferatek, 334. 
brekespel, 157. 
(zich) voor iem. in de bres stellen, springen. 

27. ■ 
dat heeft een bres in mijn beurs geschoten, 

27. 
IC Iaat de brij aanbranden, 110. 
hij behoeft wel brij (of meel) met groote (of 

volle) koppen, die allen klappers (ofzoiien) 

den mond zal stoppen, 325. 
zijn (besten) bril opzetten, 250. 
iem. een bril (of etu pen) op^den neus zetten, 

250. 
elk ziel door zijn eigen bril, 250. 
door een gekicurdcn bril zien, 850. 
een bril op den neus krijgen, 250. 
brillekiek, 170. 
brilpraam, 250. 
door de brits loopen, 27. 
de broek dragen, 159. 

als er geen broek is, betaalt er geen doek, 165. 
de broek zal dansen, zoo 't den rok belieft, 

155. 
daar is broek en bouwen, 155. 
op zijn broek krijgen. 145, 152. 
komt de nieuwe broek aan 't oude wambuis 

dan scheuren de vetergaten uit, 158. 
Iiij heeft een fulpen broek verdiend, 212* 
ze zijn voor eenpanebroek getrouwd, 212* 
waar broeken zijn, moeten de rokken zwij- 
gen, 36. 
broekklep, 160. 
zij is gebroekt, 159. 



892 — 



bij hcert zijn broer gesproken, 41. 
iem. iets op zijn brood geven, 84. 
'k wou dat dit brood in mijn keel bleef 

steken, als 't. ..,112. 
mannetje ! eet uw broodje droog : de boter 

geldt twee blanken, 399. 
broodproef, 113. 
over de brug komen, 256. 
het wapen van Brugge : een ezel in een leu- 

ningstoel, 20. 
als 't niet waar is,B-Bragge mag op mijnen 

rug staan, 82. 
bmid ; bruidleider, 276. 
de bruid uitdragen trouwen, leiden, 276. 
de vuile bruid, 276. 
een yuile bruid behoeft veel opschikKons, 

150. 
bruidstranen drinken ; op bruidstranen gaan, 

123. 
bruiloft ; bruiloften, bruiloft houden, 214, 

276. 
stille bruiloft, 276. 
de bruiloft van Cana, 276. 
van den buik zijn God maken, 1 . 
den rug aan 't vuur, den buik aan tafel en 

in de hand een goede wafel, 1. 
op een vollen buik staat een vroolijk hoofd, 

2. 
zich builen loepen, 211. 
buinder ; buinderbraak, 322. 
hij heeft het buis aan, 15B. 
het buis er bij uittrekken, 158. 
een buis krijgen ; gebuisd worden, 209. 
buitpenning, 311' 

zij kan vijf bundels uit één pond8pinncn,222. 
bunder ; bunderlal ; bundergeld ; bunder- 

bundersgelijk, 322. 
burgemeester, 68. 
hij wordt burger van de stad, met het wapen 

op den rug, 83. 
op een buyckjen soet en vol, daer op staet 

een blyde bol, 2. 



Gaban, 145. 

cadee ; een felle cadee» 84. 

ene (goede) caetse, 206. 

naar Canossa gaan, 6. 

cantecleer, 162. 

cavele, kavel, 114. 

centen, 318. 

dat is centen-wijsheid en guldens-domheid| 

288. 
pas op de halve centen, het worden guldens 

in den zak, 292. 
charivari, 842. 
bij stinkt naar conserf van roggebrood,zoven 

▼ademen in den wind, 821. 
corvee, 24. 

*k wil crepeeren (of ere veeren), als 't.., 106. 
crace ende {of) munte. 286. 

Daalder ; ik zou het roor geen houten daal- 
der willen, 290. 
Ik hebbe gecten, als hadde ik uen daalder 

verteerd, 29'>. 
niet voor een daalder, maar wel voor een 

achtentwintig. 291. 
daaldcrsplaats, 2-^1 
't zal vandaag een warme dag voor ons zijn, 

83. 
alle dagen een draadje is een hemdsmouw 

in het jaar, 223. 
dsgmaal ; dagwand. de dsgwaqdei^, 322. 
onder dak komen, brengen, 162. 
Phonneor aux dames, zei de dief, en hij Het 

de boeren eerst geeselen, 86. 
damsteen, 169. 

hij zal den dans niet ontspringen. 269» 341. 
dat gaat naar de dani^scbool, zei Jan Plerri, 

en de beul bracht hem naar het schavot 

om gegeeseld te worden, 86. 
dansen gelijk men schuifelt, fluit, 204. 
draai jen darm af, 103. 
een beprocrdc degen, 226. 
als H op de punt van den degen komt, 38. 
hij is deken, 41. 



893 — 



dekkers eten, 26. 

dem; loopt naar den dem, 104. 

de derde streng maakt den kabel, 240. 

den derden keer boet, 239. 

draai jen derm (of jen dem, jen ziele af, 108. 

dertiendag, 171. 

de dertiende man brengt den dood aan, 5. 

dertientje ; loo vlug aU een dertientje, 292. 

hij loopt als een der tientje, 392. 

de deugd in 't midden, sei de duivel en hij 

ging tnsschen twee kapucijnen, 280. 
een deuntje den hals breken, 88. 
de deur staat op de klink, 207. 
ik zal hem vóór de roode deur doen komen, 

70. 
iem. TÓórde roode deur hebben, nemen,70. 
deurwaarder, 76. 
oen dief past nergens beter dan aan de galg, 

97. 
het lust mij als een dief het hangen, 97. 
nu rijd ik in triomf, sei de dief, en hij werd 

mot een wagen naar de galg gevoerd, 99. 
dat is een voltigecrsprong, zei Tijs, en hij 

zag een dief van de ladder stooten, 99. 
ieder is dief in zijn eigen nering, 42. . 
elk is dief in zijn ambacht (of stiel), 42. 
tot een grooten dief behoort een groote strop, 

97. 
hij heeft zijn volle diepte, 240. 
de groote dieven hangen de kleine, 95, 
kleine dievei^ hangt men op, en groote laat 

mcnloopen,95. 
de kleine dieven dansen op 't schavot, de 

groote in de beurs, 100* 
hij maakt meer lawaai dan zeven dieven aan 

de galg, 90. 
men vindt meer dieven dan galgen, 97. 
waren er geen dieven, daar waren geen 

galgen, 97- 
dc nemers hangt men bij de dieven, 97. 
de dieven kijken door een hennepen venster, 

29. 
dijkgraaf, 74. 
in vijf dingen is jolijt : lange maaltijden, 



jong vleesch^ oude viseh, een schoon 

vrouwtje en wijn op den disch, 119.139. 
doksaal ; oksaal ; hoogzaal, 278. 
daar gaat een dominee voorbij, 278. 
dommeldemette, 181. 
elagen metter dode hand, 362. 
zich van den dommen houden, 200. 
er uitzien als de dood van leperen, 208. 
't is gelijk de dood in burgerskleercn, 268* 
beter ter dood verwezen door leven doctoren 

dan door denjongsten schepen, 67. 
do doode hand, 25. 
iem de doode nadragen, 71* 
doodendanscn, 269.341. 
doodenfeest, 129. 
den doodslag geven, 80* 
*k wil op den staanden moment doodvallen, 

als 't... 105. 
doopcedel ; doopzegel, 972. 
iemands doopceel lichten, 272. 
zich doorslaan, 27. 
doorvallan, 209. 
alle dagen een draadje gesponnen, is alle 

jaar een heindje gewonnen, 223. 
alle dagen een draadje is een hemdsmouw in 

het jaar, 223. 
draaiaars, 156. 

den draak steken roet iem., 202. 
'k hen in mijnen drank niet, 129. 
een driedekker, 242. 

alle (goede) dingen bestaan in drieën, 239. 
driemaal is scheepsrecht, 239. 
driemaal is 8cheepsrecbt,cn eenmaal voor den 

knecht, 239. 
driespin der, 330. 
drijgcmeet, enz 322. 
ik ben een drilboor, als... 105. 
drinkhoorn, 126. 
de drommel is inde kan, zei Evert, en hij 

had haar leeg gezopen, 188. 
de dronk van St-Gecrten minne, 137. 
wie dronken steelt, moet nuchteren hangen, 

97. 
dronken gat, 156 



— 394 — 



yoor dtn droomstok kltegben, 33 

de draivcD zijn te groen, 7. 

dobbel maatje, 324. 

dubbeltjespondje, 330. 

dnimy geen duim (breed) gronda, 320. 

geen dnim gronda wijken» 320. 

voor iem« geen duim uit den weg gaan, 320» 

die drie duim waat in weerdigheid, aehiet 

drie el in hoeyeerdigheid, 320. 
ala 't niet te yeel scbeelt, 't en komt op geen 

Poeaelacben duime, 321 . 
den duim leggen, 79. 
de klink op den duim hebben, 79, 
duimberd ; doimhout ; duimatok, 321. 
ieta op zijn duimpje kennen, 55. 
iem. de duimsehroercn aanleggen, 79 
duit ; een kwü duit ; bekend zijn gelijk 'n 

kwa duit, 307. 
geen roó duii hebben, yerdienen, 307 
noch duit noch malie hebben, 314. 
die een duit yerainaadt, is den gulden niet 

waard, 292, 306. 
beter een duit in de hand, als een blanke 

in den kant, 298. 
't ia vet,zci Montens.en hij gaf een duit,306 
een duit gezocht en een oordje Yerloren,306 
die geboren ia onder een duit-planeet, zal 
nimmer meeatcr van een oordje wor- 
den. 306. 
bij zou 'n duit in tweeën klieven (of in vie- 
ren bijten) ; een duitenkliever, 306. 
hij wil ook een duit in 't zakje doen, 307. 
zoo plat ala een (Hoil.) duit, 307. 
hij is mij geen duit schuldig, 307. 
dat ia mij geen duit waard, 307. 
dat heeft hem een heelon duit gekost, 307. 
elkaar op 'n duit gelijken, 309. 
duitblad, 307. 
hij ia op de duiten, als de duivel op een 

zieltje, 307. 
hij kijkt net als vier duiten {of acht dagen) 

slecht vet, 307. 
hoe zal ik aan mijn duiten geraken ? 807. 
duitenkliever, 310,314. 



een duitendiet duitenplater ; duitjeanagel, 

duiudoosje, 297, 807, 308. 
duitenvrager, 308. 

hij heeft een aardig duitje opgeapaard, 307. 
duitje op apelen, 807. 
duitnagel, 304. 

een Duilseher kan zonder eten drinken,lt9. 
loop naar den duivel, 93. 
icm. den duivel aandoen, 268. 
daar de duivel zelf niet durft komen, zendt 

hij een oud wijf of een monnik, 279. 
als men van den duivel spreekt, dan ia hij 

nabij, 5. 
elk is duivel in zijnen stiel, 42. 
de duivels mogen mij halen*. . 105. 
'k mag van de duivels opgepakt worden,105. 
de tweede echt is een duivelsgift, 372. 
dnivelspenning, 312. 
duizeodguldenkruid, 292. 
dukaat, 289. 
er gaat niets boven oude vrienden en oude 

dukaten, 289. 
dukatengoud, dukaten kakkertje, 289. 
. Duren ia een schoone stad, maar blijven 

duren is nog veel schoener, 6. 
de dut ia er opgekomen, 291. 
zij heeft den dut (of de dutte d'r op) ; zij is 

gedut, 291. 
duUehelling, 291. 
wat fatale duw is dat, zei Jocr, en bij kreeg 

een brandmerk, 83. • 
een gelukkig dwaas behoeft geen wijsheid, 

94. 
dwangbuia, 158. 

Echt ; de tweede echt is een doiyelsgift,372. 
den edelman, den groeten heer, den prins 

scheren, 197. 
den eed staven, 64. 
het gaat boven do een en twintig, 61. 
zijn eer verpanden, 54. 
zijneerewoord geven, 54. 
eerst komt, eerst maalt, 75. 
eeuwig en zes weken, 66. 



— 895 — 



allo, eieren of jongen, 58. 

op *t einde yan de markt, 40. 

cintel, eniel, hengsel, vereinielen, 838. 

einselaar» bengselaaV, 828. 

met iemand een eitje te pellen hebben, 34. 

ekepcnning^ hekepenning, 813. 

el» elle, eilemaat ; cllestok, 318, 319. 

iets met de el uitmeten, 318. 

hij is zoo lang, men ion hem met de el 

yerkoopön, 818, 319. 
anderen naar lijn eigen el meten, 319. 
ik weet wat er do el ran ko«t, 319. 
op zijn elf-en -dertigst, 339. 
't is een benauwd half elfje, 134. 
elleboog, ellepijp, 319. 
ellegoed(winkel), ellewinkcl, 319. 
eilekesdief. 319. 
ellelengte, ellenlang, 319. 
elleridder, elleroitcr, 319. 
ellewaar,319. 

elk draagt geen Engelsch laken, 141, 340. 
Erasmus legde 't ei, en Luther broedde 

't uit, 6. 
iem. zijn erwten geyen, 34. 
een erwtenteiler, 343« 
hij heeft te eten noeh te breken, 123. 
den ezel drijven (of aandrijven), 347, 855, 

363, 366. 
van nen ezel over een halfdeur geseheten 

zijn, 163. 
ezeldrijyen. 358,366. 
ezelrid. 355, 371. 
de ezelsbank, 245. 

Falie : hij kan goed de falie rouwen, 153. 

em. aan iijn falie komen. 

op zijn falie krijgen, 153,154. 

op lijn falie geren, 154. 

een sleept-de-falie, 153. 

heur falie sleept, 153. 

faliekant ; dat komt faliekant uit, 158. 

falievouwen ; falievonwer, 153. 



feep, fijrel, fiffel, 308. 

aan de flap {of flep) zijn, 136. 

hij is aan de flep geraakt, 136. 

de flcsch aanspreken, 41. 

floddermuts, 155. 

floers spinnen, 314. 

dat gaat gelijk een fluilje ran eenoordje 

301. 
folteren, folterbank, 77, 78. 
fooi ; kinderfooi, oogstfooi, sehaapfooi, rlas- 

fooi, zaadfooi, 138. 
iem. de fooi geven, 138. 
hij heeft de fooi beet, 138. 
naar de fooi gaan, 139. 
iem. zijn frak uitkloppen, 145. 
dat is ne frank waard, gelijk nc koek een 

oordje, 803. 
leven gelijk God in Frankrijk, 275. 
Frankrijk is geen spillecn, ^6. 
men kan den Fries gelooven, want hij heeft 

zijn haren met do vingers aangeraakt, 65. 

Galei ; iem tot de galeien veroordeelen, 341 
galeibank; galeiboef, galeislaaf, galeistraf, 

341. 
een teven leiden als een galeislaaf, 343. 
galg ; aan de galg hangen, 89* 
galg en rad voeren, 88. 
daar staat galg en rad op, 88. 
iem. met galg en rad dreigen, 88. 
hij groeit op voor galg en rad, 88. 
aan de galg komen, hangen, 89. 
iem. naar (tot) de galg zenden^ vooroor* 

deelen, 89. 
tot galg en tak veroordeelen, 89. 
iem. aan de galg helpen, 90. 
iem. {of zijn eigen) aan de galg praten, 

klappen, 90. 
aan de galg dansen, 90. 
iem. van de galg verbidden, 90. 
verlost gij iem. van de galg, hij zal er u tot 

loon graag zelf aanhangen^ 90. 



— 896 — 



hy zal de galg niet ontloopen, 91. 

hij groeit op toov do galg, 91 • 

hij Tcrdient de galg, 91. 

de galg ziet hem do eogen uit, 92. 

hij ziet er uit, als was hij ran de galg 

gedropen, 92, 
hij is de galg ontloopen, 92. 
zoo stout als 't lioui van de galg, 92. 
door de galg druipen, 93. 
loop naar de galg, 98. 
een galg in het oog hebben, krijgen| 93. 
Toor de galg geboren zijn» 98. 
^die tot de galg geboren is, verdrinkt niet, 
93.S98. 
de galg behoudt haar reeht, 94. 
-^t is boter aan de galg {of tegen de galg 
gekleUt), 94. 
zeven is een galg vol, 95. 
de galg is voor de ongelukkigen, 95. 
het is beter ;onder de galg gebiecht dan 

nooit, 96. 
bet is niet geraden van de galg te spreken, 

daar de waard een dief is, 96. 
die zich dood werkt wordt ouder de galg 

begraven, 96.338. 
hoe diehter aan de galg hoe meer die ven, 97. 
daar sUat de galg op, 99. 
het lijf der galg, en do ziel dengenen die ze 

wil» zei de deugniet, 98-99. 
ik ben al mooi van het rijden, zei Tijs, en 

hij reed naar de galg, 99. 
om de galg loten, 114. 
men moet eten, al waren alle hoornen galgen 

89. 
het moet galgen en burgeraeestercn, 95. 
het galgt beter dan het burgemeestert, 95. 
galgberouw, 98. 
galgeboom, 89. 
galgebrok, 92. 

galgejong, galgemannekcn» 99. 
galgekapclaan, galgepater, galgetrooster» 

91.92. 
galgelappers» 99. 



galgemaal, 98. 

galgenaas, 92. 

galgcnberg, 89. 

galgcnhout, 92. 

galgenhumor, 29.98.100. 

hij is op het galgcnpad, 91. 

galgepreek, 92. 

galgestrop, 01. 

galgetronie^ 92. 

galgcveld, 89. 

galgezagers, 99* 

een domme gans» 238. 

gansknuppelen, gansrijdcn, gansschieten ; 

ganzenspcl, 238. 
hij (zij) is te dom om de ganzen te wachten, 

237. 
-ik beu hier niet om de gaozcn te hoeden»237, 
'hen ik aict geroepen om ganzen te hoeden. 
Iaat het ganzekens wezen, 237. 
maak dat de ganzen wijs, 238. 
de gard krijgen ; hij moet de gard nog 

hebben, 244. 
door de garden loopen, 27. 
met hem is er moeilijk garen te spinnen, 

223. 
goed garen bij iets spinnen» 223. 
geen goed garen van icm. (of iest) kunnen 

spinnen, 224. 
zuiver (of kwaad) garen, 224. 
hij moet fijn garen spinnen, 224. 
blauw garen spinnen, 224. 
daar is nooii garen van gesponnen» 224. 
*t is goed spinnen van andermans garen, 224. 
ik kom er onnoozcl aan, zei de gauwdief» en 
hij werd met het stadswapen vereerd^ 83. 
ze beeft haar gat verbrand, 110. 
zijn gat omsmijten, 159. 
er is een gat in 't schepel» 325. 
een vrouw gebaard, is van kwaden aard» 5. 
een kort gebed en een lange maaltijd, 1.109. 
geheeld, 358. 
zij is gobroekt, 159. 
geer ; algeer, 82. 



- 397 — 



iets yan zijn geeren sehaddAn, 3). 

iets aan iemandfl georen laten, 82. 

geermagcn, speermagen, zwaardmagen, 82. 

gecsel ; geeselen, 83.86. 

op zoo*n geescl past zoo*n brandmerk, 83. 

bet graan gceselen, 8^ 

dat verstaat zich zelf : een gecseling en een 

brandmerk, 88. 
de geestelijke becrcn loopen doorgaans vriji 

of hoogstens in den drup, als... 29* 
mee geyangcn, mee gehangen, 94. 
^ergens tegen geharnast zijn, 14. 

hij heeft een geheugen als een kanonskogel 

en een keelgat als een bomketcl» 88. 
den gek (o/* den zot) houden met iem., 196. 
iem. voor den gek houden^ 196. 
de gek steken met iem., 203. 
^-den gek scheren ; den zot scheren met iem. 

of iets, 197.208. 
den gek in de mouw houden, 198. 
de gek kijkt hom uit de mouw, 198. 
de gek uit de mouw laten springen, 198. 
ieder gek vindt behagen in zijn kap, 200. 
wees mijn gok eens voor een oordje, dan 

zcl- je twee duiten zien, 301. 
alle gekheid op een stokje ; allo gekken op 

een cinde^ 199. 
geen man had zulk een wijzen zin, of daar 

zat wel een gek jen in, 198. 
zich van den gekken houden , 200. 
^dc gekken krijgen de kaart, 331. 
dat is goed gekolfd, 205. 
bij heeft niet on voordeclig gekolfd, 205. 
— gekscheren ; gekscheren met iem. of iets, 

198. 
gelaarsd en gespoord, 17. 
zeven voet diep geladen zijn, 3. 
geld, 313. 

het geld bijt in hun bilie, 42. 
ze zou het geld de munt (of den kop) af wrij- 
ven, 2d8. 
die niet betalen kan met geld, moet met zijn 

huid boeten, 71. 



zijn geld smelten in een oordjespanneken, 

803. 
daar is kwaad geld bij, 305. 
koperen geld, koperen zielmis, 284. 
hij beeft geld bij schepels, 323. 
hoog van moed, klein van goed, een zwaard 

in de hand, is het wapen van Gelderland, 

20. 
het glas in de hand, was het wapen van Gel« 

deriand, 20.124. 
die niet betaalt zijn gelletjc, boet daarvoor 

aan zijn velletje, 71. 
hij laat zich om het geloof niet branden, 117. 
hij moet er aangclooven, 118, 
die 't geluk heeft, leidt de bruid te kerke, al 

komt hij laaUt, 331, 
beter een ons geluk dan een kilo verstand, 

94.330. 
gelukkige zolten hebben geen wijsheid van- 
doen, 881. 
gcinksstcr ; angelukistcr, 306.381. 
ze moeten gcmaten zijn, 238. 
gemeet, geroet ; gemetkap, gemetklak| 322. 
schudden gelijk een gemct land, 822. 
tiengeineten, 822. 
het op iem. gemunt hebben, 286. 
op Gods genade drijven, 2. 
den genadeslag geven, 79. 
gendarme, 35. 
onder een gelukkig gesternte (of planeet) 

geboren zijn, 5. 
goed (slecht) gemutst zijn, 143. 
witte gcrechtssteen, 46. 
gereed en gekleed, 17. 
wacht u voor de geteekenden, 1, 0. 
ons getij kavelen, 2. 
leelijk getornooid zijn, 11. 
iets op het getouw zetten, 231. 
hetzij geus, menist of papist, elk schraap, 

maar in zijne kist, 283. 
een geweer laden, 27. 
gewijde beet, 113. 
een gezicht van een cl lang, 818. 



— 898 — 



de gierigaard is doof aan den kant, waar de 

beurt hangt, 249. 
het gild winnen, 41. 
het groote gild» 39. 
bij is nu ook in *t groote gild {of in onzer 

yrouwengilde), d9. 
mannen in 't gild, 39.' 
hij ia in het rrijersgild, 39. 
hij ia Yan onze gilde, 89. 
gilde, kermifgilde, 39, 40, 
de gilde spelen, 40. 
Bteek je in galden (gilden), je steek je in 

sohnldcn, 40. 
gildcbicr, 39. 
gildebroer, 89. 
gildemis, 39. 
gildespraak, 48. 
de gildos wordt omgeleid, 89. 
het glas in de hand, was het wapen van 

Gelderhand, 20, 124. 
in 't glas kijken, 127. 
gleicrwerk ; een gleipot, 241. 
God een rlassen baard willen aan maken, 22. 
God helpt den sterkste (o f den winner), 110. 
God zal alle Joden yerdommen, 270. 
leven lijk God in Frankrijk, 275. 
godsgericht, godsoordeel, 106. 
iem. den godsklop geven, 80. 
godspenning ; den godspenning geven, ko- 
men halen, 52, 311. 
zij heeft haren godspenning gehad, 52 
men moet geen ' paascheicrs op Goeden 

Vrijdageten, 181. 
goesting is koop, al ware 't een uil op ncn 

stoop, 397. 
den Gordiaansehen knoop doorhakken, 6. 
een gortentcller (of gortentelder), 242. 
ik zou je in goud laten beslaan, als het een 

dubbeltje {of ten duit) het pond kosttc,829. 
hij meent dat hij goud zal drinken uit een 

horentjc, 126. 
het gouden kalf aanbidden, 6. 
gouverneur, 367. 



hij heeft den gouvemeor gezien, 4. 

de naaste in den graad, de oudste op de 
straat, mannen vóór vrouwen, zullen 
*tleen behoucn, 24. 

graaf; landgraaf, markgraaf, gouwgraaf, 74. 

in 't gras bijten, 16. 

bij gras en bij stroo, 65. 

grauw, 142. 

grein, greintje; niet een grein, geen grein- 
tje, 831. 

geen gi*eintje gezond veirstand hebben, 331. 

(iem.) achter den grendel zitten (zetten), 168 

hij heeft de grendels doorgegeten, 72, 164. 

de grimmuts opzetten, 148. 

grof geld, 300. 

wat den grond beroert, den heer bchocrt, 57. 

het grondsop is voor de goddeloozen, 125. 

groot, grootje, 800. 

groot geld, 300. 

groot Vlaamsch (of Vlaamsche groot), 300. 

ik kocht liever een puit vijf groot en *k liet 
hem springen, 300. 

vijf-grooten, vijf-grootcnare, 300. 

met den grooten verkoopen, 800. 

met groven en grooten krijgen, 300. 

het recht van de gruit, 75. 

de gruit in iets brengen, 75. 

gulden, 169, 291. 

ieder duzend gulden brengt zijn gierigheid 
mee, 291. 

Haag ; achter de haag getrouwd zijn, 168. 
hot is een recht haakje, om een kannetje 

aan te hangen, 249. 
dat is het haakie, daar de kluw aan hangt, 

249. 
de haal (o/'de hangel), 165. 
de haal hangt er, 168. 
daar is 't goed inkomen: daar is de haal 

gehangen, 168. 
om 't haal leiden; haalleiden, 16i, 168. 
dehaalbaiken, 161. 
haalstergeld, halfstergeld, 290. 



— 399 — 



den haan inhalen^ 194. 

den haan maken, scheren, spelen, 121. 

den dubbelen {of breeden) haan maken, 

spelen, 131, 140. 
den gebraden haan uithangen, 130. 
loopen (o/' kraaien, ooA- stappen) als een haan 

Tan een stootcr, 395. 
een haan eet eerder een spint harer op als 

een paard, 835. 
dat steekt ai lang in de haanbalk^n, 161. 
op een haar, 46. 
geloof geen monnik of hij hebbe haar in de 

hand, 65. 
de haard; in 't hoekje van den haard, daar 

de monnik doodrroor, 165. 
't heeft in den baard geregend, 165. 
die weinig wint en Ycel yerteert, vindt op 

het laatst een blooten heerd, 164. 
aach ligt aan den haard, 165. 
eigen haard is goud waard, 165. 
naar iets haken, 3. 
halfblanksheer, -madam, 298. 
balfblanksgezel, 398. 
ze lijn over de halfdeur getrouwd, 168. 
Tan orer de haifdenr, 163. 
stukken koopen yan over de halfdcur, 163. 
half kloemp, 301. 
halfstergeld, 390. 
barvoets (o/* achterwaarts) naar Hallc gaan, 

als 't 73. 

halline-o^ hellinewerde, 315, 316. 

halm geven, 58. 

met mond en halm afstand doen van iets, 58. 

halmworp, 58. 

den hals verbeuren, verliezen; — behonden, 

103. 
iets met den hals (moeten) boeten, betalen, 

83. 
op den hals, 103. 

iem. iets op den hafs af verbieden, 103. 
zijn hals hangt er aan, 103. 
dat kost hem den hals, 103. 
daar is zijn hals mede gemoeid, 103. 



iem« om hals brengen, 103. 

iem. om den bals straffen, 101. 

*t kan niet erger dan de hals af, 101. 

hab om (de) krage rechten, 101. 

ik verwed er mijn hals onder, 103. 

ik zou er den hals onder verzetten^ 103. 

een deuntje (oƒ liedje) den bals breken, 88. 

halseigen^ halfsheer, 101. 

halsgeding, halsgerecht, 101. 

ha Umisdaad, halsstraf, halszaak, 103. 

halsreeht ; halsrechten, 100-103. 

halve kluit, halve sol (o/* sjoeter), 300. 

pas op de halve centen, 393. 

met halven en g'heelen weggeven, 300. 

tussehen den hamer en H aanbeeld, 91. 

iets onder den hamer brengen, 38, 837. 

wassen band, 31. 

de hand leggen op iets, 54. 

de doodo hand, 35. 

iem. de doode hand nadragen, 71. 

een hand van iets hebben, 140. 

handgespin, 321, 

handhdtedaad, 71. 

het is een heet handijzer {of hangijzer) om 

aan te vatten, 108, 166. 
ergens het handje van hebben, 140. 
met den handschoen trouwen, 17. 
den handschoen voor iem. opnemen, 17. 
iem. den handschoen toewerpen» 17. 
't is geen katje om zonder handschoenen aan 

te vatten, 18. 
handslag, 48, 54. 
dat haalt (o/' heeft) er geen handwator bij, 

137. 
hancbalk; hij woont in de hauebalken, 161. 
hangdief, 96. 
hangebast, 91. 

de hangel vreest den rook niet, 165. 
komen zien of de hangel spant, 105. 
een hangel van een vrouw (menseh), 165. 
gekleed gelijk een bangel, 166. 
*t is precies den hangel van *t schouw, 165. 
iets achter don hangel schrijven, 165. 



— 400 — 



hangen, ophangen, 89*99. 

scherpgeneutd (o ƒ tpitsgekind) en dungelipt : 

hangen! hangen! 61. 
het is tuischen haogcn en worgen, 90. 
altijd hangen en nooit worgen, 91. 
hij heeft het hangen verdiend ; hij is waard 

opgehangen, 91. 
hangen heeft geen haast, 91. 
een roensch is nooit te oud om te leer en, 

maar altijd te jong om te hangen, 9lt 
hang u op ! 98. 
ik wil hangen (of 'k laat mij ophangen) als 

't niet waar is, 93. 
die niet wil oud worden, moet zich jong 

hangen, 91. 
de zaak is nog hangende, 69. 
het is een heet hangijzer om aan te tasten, 

108,116. 
de zaak hangt nog aan den spijker, 69. 
Hansje in den keider, 132. 
men kan den Fries gelooren, want hij heeft 

zijn haren met de vingers aangeraakt, 65. 
in *t harnas vliegen, 15. 
het harnas afleggen, 15. 
het harnas aangespen, 14. 
het harnas aangordcn (of aantrekken) voor 

(tegen) iem.o/'iots, 14. 
iem. tegen zich in 't harnas jagen, 15, 
in 't volle harnas, 14. 

in 't halve harnas een vrouw beslapen, 17. 
zich harnassen, 14. 

iem. een hart onder den riem steken, 37. 
in behonden haven aankomen, 3. 
't is goed om haver (o/* lijnzaad) te zaaien, 

273. 
iem. zijn haver geven, 34. 
nen hazepoot aan de deur hebben, 354. 
Ons Heer mag mij subiet straffen, 86, 109. 
daar durf ik Ons Heer op ontvangen, 118. 
hij wil Ons Heer een strooien (of vlassen; 

baard aannaaien, 22. 
men zegt veel, daar do heer geen tienden 

van heeft, 21. 



die weinig wint en veel verteert, vindt op 

het laatst een blooten heerd, 164. 
de zomer is een slaaf en de winter is een 

heer : de laatste wil zien, wat de eerste 

gewonnen heeft, 22. 
heerebaan, heerenstratc, heerstrate : hcere- 

weg, 358. 
langs 's Hecrcn wegen, straten, 258. 
met hecren ist quaedt kersen te eetcn, 67 
groote beercn gedenken lang, 67. 
des hecreii (o/*des vorsten) hand, is zoo groot 

als *t land, 21. 
groote heeren hebben lange armen, 31, 67. 
met groote hecren zal men geen lange 

morgenspraak houden, 43. 
lieeren-biddcn is gebieden, 21. 
der hecren zonde, der boeren boete, 22, 67. 
Ons Heeren braadverkens, 282. 
beerendienst ; heerendiensten zijn geen 

erven, 23. 
iem. in eercndienst oproepen, 23. 
iets in eercndienst (laten) verrichlen, 23. 
heetbrood tuiten, esr 't in don den oven 

is, 233. 
geen heet ijzer voor iets durven dragen, 108 
hectckoek ; heetekoekpan op Vastenavond» 

185. 
heetijzerproef, 109. 
't is een heet ijzer om aan te vatten, 108. 

fcrmii] 
117. 
hectwatcrprocf, 107. 
heilbier, 366. 

heilig bontje, boontje, 157. 
heilig varken, 260. 
heiligmaker, -man, 211-212. 
heirbaan, heirweg, 258. 
het hek sluiten, 218. 
iem. over den hekel halen, 220. 
iem. door de hekel trekken, 220. 
met *t hoofd tegen de hekel loepen, 220. 
met zijn gat op een hekel zitten, 2:^. 



't zal vandaag een hcete dag zijn. zei Mnartje 
van Assen, en zij moest vcrmind worden, 



401 — 



hekelen, 230. 

hekel- (of hck)pcniiing, 812» 

hckepeoning, 31d. 

hethek(ken) naar den wind hangen, 148 

hekken- of heksluiters, 218. 

hekkenopcnietters» 218 

dat is heet, zei de heks,cn ao werd Yerhrand 

117. 
heksenbad, 717. 
heksenhamer, 117» 
heksen waag» 116. 
heksepenningy 812. 
helder noch pelder, 815. 
de heler is zoo goed als do steler, 94. 
helers zijn stelers, 94. 
heller, helder» 315. 

'k wil in 't diepste van d'helle liggen, 106« 
*tis ean goed heller die een pond inbrengt, 

815. 
hellincwerde, 315, 866. 
met een helm geboren zijn» 84. 
heitje, helietje, 826. 
een belletje erweten» 820. 
een helietje ylooien, 826. 
helm, ridderhelm, 84. 
het hemd is nader dan de rok, 7. 
als de hemel valt, krijgt men een blauwe 

slaapmuts. 159. 
henncklecd, 217. 

hij kijkt door een hennepen venster, 99. 
hij is door een hennepen venster ten hemel 

gevaren, 99. 
herberg kasteleinen, 9. 
een Hercules, 6. 
hijlikmaker, 208, 211-212. 
hippeldeklink, 157 

hij heefl een nieuwen hoed verdiend, 212. 
onderden hoed rcrkoopen, 48. 
oen rooden hoed (o/* halsband; krijgen, 29. 
waar hoeden zijn, belalen geen mutsen, 155. 
hoedjebal, 2G. 

hof ; hof houden, hofdag, 119, 339. 
hofmceester, hofmcicr, 9. 



een Homerisch golach, 6, 
hond, 250 252. 

den houd (vor)branden, 347, 358. 
den hond jngen, 346, 858, 3G3. 
in den hond gelogeerd zijn, 235. 
die van den hond gebeten is, moet van het- 
zelfde haar daar op leggen, 5. 
hij heeft er een hond (o/ een begijn) zien 

goedelen, 85. 
zijnen hond loslaten, 251. 
hij heeft een dikken hond op zijde liggen»251 
hondefeest honden ; iem. een hondefeest 

geven, 848. 
hondekoi, 159. 
de honderdste dag, honderd steenen ran 

'tgem6et,823,8d0. 
hondeslager, 253. 
honger is een scherp zwaard, 87. 
het hoofd laten hangen, 62. 
zij verdragen malkander als twee hoofden 

onder een monnikskap, 144. 
H valt moeilijk veel hoofden onder één ka- 
proen te brengen, 144. 
het hoogzaal, 278. 
te hooi en te gras, 65. 
hij heeft het hooi binnen, 128. 
hoorigen, 24, 
hoorn, 169. 

't is hop van achter staak; 51. 
op de horde sleepen {of gesleept worden), 

370. 
hij meent dat hij goud zal drinken uit een 

horentje, 126. 

horten, 10. 

iets op zijn eigen houtje doen, 45« 

iem. dehuifaflichten, 154. 

de huik naar den wind hangen, 148. 

hij is onder de nuik geboren, gewettigd,149, 

zij zijn met de haik getrouwd, 149. 

onder de huik schuilen de vodden, 149. 

het varken heefl een huik op, 149* 

hij (zij) gaat onder de {of met een huik) te 

kerk, 150. 

26 



— 403 — 



hij (zij) wil met da huik niet ter kerk gaan, 

150. 
met de blauwe huik voor iem. uitgaan. 150. 
iem. een blauwe huik omhangen. 150. 
lij xnllen aa:men huiken, 149. 
huilbier, 366. 
huilebalk, 218. 
het huisgezin heeft gean tier, daar spinrok 

baas ia van rapier, 226. 
Uui-ofUulifeest, 180. 
hullen, 866. 
huwelijk ; huwen, 212. 
die een huwelijk aanmakclt.krijgt een kroon 

haalstergeld, 39'>. 
huwelijkmakerskoek, 212* 
in 't huwelijksbootje stappen, 2, 215. 

leperen ; die (of de kinders) van leperen 
slaan het laken in de beste vouw, 227. 

Jan zal een leperling zijn ; hij slaat het laken 
in de beste voude, 228. 

iets in de beste vouw slaan, 228. 

ijzeren koe, 56, 57. 

kerkegoed heeft ijzeren tanden, 57. 

kindergoed is ijzergoed, 57. 

geen heet ijzer voor ictc durven dragen, 108 

ijzerproef, 109. 

ijzervee sterft niet, 55. 

inbranden, 166, 168. 

do inktepot indragen, 294. 

insel ; insclen, verinselcn, vcrecselen, 883- 
334. 

instelpenning, 31 !• 

Jaar en dag, 65-66. 
jaarkens Ycrdragcn, 26. 
een stijve (of een houten) klaas, 204. 
iem. wat op hetjakgcveti, 157. 
Jan Kis assen ; dat is den waren Jan R laas- 
se n niet, 204. 
den grooten Jan uithangen» 8. 
jaren (of keerskens) branden, 26* 
cddcr ; jedderen, 53. 



't is een Jood, 270. 

hij hoeft een Jood gekist, 270. 

Jood ! ge zi jt een Jood ! 270. 

ik wou datje door een doodcn Jood gezoend 

waart, 270. 
hij is aan de Joden overgeleverd, 270. 
God zal alle Joden verdommen (of ver 

draaien), 270. 
wat heb jelui weer te joden ? 270. 
Joden fooi, 270. 
Jodentocren, 270. 
het is Johannis ! Johannis ! zoolang er wijn 

in de kan is, maar als de wijn er uit is, 

dan zeggen ze dat Jan een guit is, 138. 
in vijf dingen is jolijt ; lange maaltijden, 

jong vleeseh, ondo viseh, een schoon 

vrouwtje en wijn op den disch, 119:339. 
als do jonkers malkander plukbaren, dan 

moeten de boeren hun haar leencn, 237. 
tegen (of aan) iem, jubo zeggen, 277. 
iem. te jube brengen, 277. 
te jube komen, 277. 
den jube dominee spelen, 277. 
judaspenning, judasgeld, 294.313. 

Kaak ; iem. aan de kaak stellen, 80.338. 

iets op de kaak (of den klets, den pof) haleo, 
44. 

iets met hot uitbranden van de kaars ver- 
koopen, 47. 

het branden van een vierde, superabuudantc 

keers, 47.240. 

de kaars is tot op den nagel gebrand, 47. 

verkoopen met éen, twee of drie kaars- 
brandingen, 47. 

kaart, keurs en kan bederven menig man, 
138. 

die met kaarten speelt, hoedt geen ganzen, 
237. 

een kaas-boterham gekregen, 247. 

een goede kaats, 206. 

kaatsen of teekenen, 58. 

kadet ; wel zeker ben je een kadet, 35. 



— 408 — 



het gouden kalf aanbiddeo. 6. 

het gemeste kalf slachten, 6. 

het wijd gedcelJc kalf, liever een voet dan 

een half, 320. 
kalken, 46. 
kalot, 145. 

orer één kam scheren, 228. 
op een fijnen (of in een aardigen) kam 

geschoren zijn, 229. 
kamp ; kampen, 80. 
kamprecht, kwaad recht, 110 
'tkamptdat't berst, 30. 
Iaat de kan staan en neem het mengel (of 

de leer), 826.327. 
zet de kan neer en neem de leer, 327. 
wie geen kan heeft, moet de leer gebruiken, 
do rol ie kan loopt over, 138. 
hij houdt (of is een liefhebber) ran de kan, 

125. 
de kan aanspreken, 41.125. 
te diep inde kan kijken, 125. 
de drommel is in de kan, ' zei Efcrt, en hg 
had haar leeg gezopen, 138. 
hij wil altijd het onderste uit de kan hebben 

125. 
wie het onderste uit de kan wil hebben, 

dien ralt het lid op den neus, 125. 
om wel to rijmen en te dichten, dient men 

eerst braaf de kan te lichten, 125. 

827. 
hij zit liever bij de bierkan dan bij de 

boeken, 125. 
kanne<;eluk is vrouwegeluk (of manncge- 

luk), 126. 
die 't kanncgeluk heeft, mag 't al betalen, 

125. 
rederijkers, kannek ijkers, 4^M24. 
bij heeft de kanonncnkoorts, 88. 
van den kant (of wal) in de sloot geraken, 4. 
kop. koorkap, kapmantel, kapstok, 144.145. 

146. 
de kap maakt geonen monnik, en de mutse 
geen kanonik, 279. 



in de kap gaan, 144. 

met de kap promo veeren, 144. 

kap en kegel wagen. 144-145. 

kap on keu vol verliezen, verteren, wagen, 
144.146. 

kap en kogel (kovel), 144-145. 

hij zal op zijn kap hebben, 145. 

't komt al op mijn kap ; ze zitten allen op 
zijn kap, 145. 

iem. de kap verzetten, 145. 

lem. de kap vullen, 145. - 

de kap aannemen ; zich in do kap steken, 
146. 

de kap op den tuin hangen, 146.147. 

kapittel ; kapittelen, 285. 

stem in hot kapittel hebben, 285, 

op het kapittelbankje moeten gaan zitten, 
285. 

kapittelkamor ; kapittelzaal, 285. 

kapje en keu velt je opeten, opdrinken, ver- 
spelen, 144. 

hij heeft er nog al zoo iets van aan kap- 
laken, 146. 

kapmantel, 145-146. 

iem. wat op zijn kappo geven, 145. 

op iemands kappe rijden ; op iemands kappe 
bozig zijn, 145. 

op iemands kap(pe) eten en drinken, 145. 

kappe over-kouvcl, 145. 

't laat mij kappen, als 't niet waar is, 79- 
102. 

kaproen, 144. 

hot zijn twee hoofden onder één kaproen, 
143. 

kapstok, 146 

de kapucienen gaan altijd getweeên, 282. 

door de kardouzen loopeu, 27. 

Rarel, houd de lantaarn, ik moet eens hoes- 
ten, 5. 

kartouw, 27. 

dat is een kartouw in zijn beurs, 27. 

vloeken als een kartouw, 27. 

karwei ; naar de karwei gaan, 23. 



-404 — 



dat is een heele karwei, 28. 

een xoet karweitje, ^3. 

karweien, 24. 

kaïselrij, kaslelenij, 9. 

ka8telein(e9) : kasteleinboer, 9. 

kasteleinen, bekasteleiaen, 9. 

de kat de bel aanhangen, 7. 

een laie kat krijgt nimmer wat, 7. 

de kat gaat op de koorde, 204. 

de kat branden, 858.8dG. 

't is geen katje om zonder iiandschoeneu aan 

te vatten, 18. 
katten in zakken koopen, 813. 
kattenmaziek, 842.363. 
roet hier te zitten en niet te verkoopen en 

kan ik mijn kavo niet doen rooken, 164. 
karel ; een goeie karel ; ze gaan karelen, 

114. 
kazak keeren (of draaien), 159. 
iem. op zijn kazak geven ; iem. kazakken, 

152.157. 
kazakdraaier (of-keerder)» kazakdraaierij, 

59. 
keef ; keefakind, 163. 
bij keertbrandifig verkoopent 47. 
keerskens (of jaren) branden, 26. 
een kei van een vont ; een keiaard, 201. 
kei ia koning, 201. 
iem. van den kei snijden, 201. 
do kei lentert hem ; met den kei gekweld, 

201. 
den kei in 't hoofd hebben, 201. 
waar niets ia, verliest de keizer zijn recht, 

67. 
hij h<»eft den keizer gezien^ 41. 
kemphaan, 80. 

keper en haanbslk slaan. 161. 
het gelijkt noch keper noch hanebalk, 161. 
iets op de keper beschouwen, 281. 
kerf ; op oen versehen kerf, 44-45 
veel op zijn kerf (of kerfstok) hebben, 

44 45. 
iets op den kerf (of kerfstok) halen. 4 f. 



dat gaat buiten de kerf ; een ny t do kerf 

gaende msellydt, 45. 
kerf man, 45. 

iem. een kerf in zijn ooren snijden, 45. 
den kerfstok afdoen, 44. 
ik wil dat niet op mijn kerfstok hebben, 44. 
de kerfstok is vol, 44. 
nu sal de kerf-stock af gedsen werden. 45. 
hij weet wel dat zijn kerfstok van ijzer is» 

45. 
kerkegocd heeft ijzeren tanden, 57.272. 
kerkhof» 272 

de man is op het kerkhof» 60. 
kosters koe mag op 't kerkhof weiden, 278. 
kerkcstichcl» kcrksteen^ kcrkstegele, 81. 
de kermis is oen geeseÜDg waard, 85. 
kermisgaan is een biislag waard» 85. 
keri(e)barninghe» 48. 

het is kwaad kersen eten met de groeten» 67. 
op Kerstdag zijn de dagen gelengd» gelijk 

oen haan over den stiebel springt» 81. 
ik zal een kert in uw oor snijden» 45. 
kerven ; opkervcn, 45» 46. 
kerwcie» kraweie, 28. 
een mager kerweitje, 24. 
ketelmaziek, 842. 

ketelmuziek maken, honen» 349» 858. 
ketelserenade, 344, 849. 
den ketting scheren, 229. 
kcurmanncn, 171» 
iem. aan zijn keurslijf komen» 154. 
ik ben een kievit» als ik ..., 105. 
kiezen of deelen ; kiezen of kavelen, 57» 114. 
kikvorschcn doen zwijgen» 24» 887. 
kilogewicht, kilopond, 829. 
kin noch ken ; noeh kind noch ken, 162. 
DOch kind noch kief» 1G2. 
kind noch kraai hebben» 161. 
't kindeken in *t spindeken, 122. 
als de kinderen geld hebben, hebben de 

kramers nering, 42. 
kinderen kwcckcn is geen ganzen wachten» 

237. 



— 405 — 



kindergoed is ijzergoed, 57, 2T2, 

de kinders van Icpcrcn slaan het laken In de 

beste vouw, 327. 
kiU kict ; kiltcbrocr, 126. 
kitte, kecte ; bierkittc, bierkecto, 126. 
zijn klak over de bairdear steken, 163. 
geen klager, geen rechter» 71. 
klatnpstecn, 333. 
op (of met) de klap loepen ; een klaplooper, 

265. 
klappen, verklappen, 266. 
een klapspaan, 266.266. 
hij heeft op zijn kleed (omzijn broek) gehad, 

145, 152. 
ze heeft een goei klep {of ne klepel), 266. 
iets op den klets (a^ den pof) halen, 44. 
kletsen, 44. 
een klikspaan, 265. 

over de kling jagen {of doen springen), 29. 
de klink op den duim hebben, 79. 
klinkaart, klinkert, 292. 
klinkende redenen, 309. 
voor klinkende munt heeft ieder open ooren, 

809. 
liegen tegen de klippen aan, 809* 
iels «au de (groote) klok (o/'aan 't klokzcel) 

hangen, 1^, ^2. 
de klop is *t er op (omslaat er op) 291. 
knapke, 801. 

een kniepatuiver, 296, 314. 
knijpbril, knijper, 250. 
loop knikkeren» 247. 
ga met de knikkers spelen, /^7. 
knipwage, 828. 
hij drinkt ais een koe met teugjes van een 

va&m(o/'vaanj,826. 
zij drinkt als een koe, dat is, met een teugje 

seffens» goelijkjes van een vaan, 826. 
haal geen oude koeien uit de gracht, 4, 5. 
mot den koek op 't hoofd thuis komen, 212. 
die tot een koekoek gebore» is, zal de horens 

niet gemakkelijk ontgaan, 94, 298. 
door (Ie koets vallen, 3U. 



de kogel is door de kerk, 28. 

koken moet kosten, zei 't begijntje, 805. 

kolder, kolderen, 15. 

hij heeft kolen aan boord» 240, 

op heete kolen slian, zitten 109. 

men moet do kolf niet naar don bal werpen, 

205. 
dat is een kolfjc naar zijn hand, 205. 
de beste kol ver slaat wel eens mis, 205. 
zoo gelijk als een kolfbaan, 205. 
zijn kompas is van de pen, 8, !M0. 
de koning drinkt, 175. 
den koning trekken, leggen, omleggen, 172^ 

340. 
koningen hebben lange handen, 67. 
die des konings gans eet, kakt de pluimen 

honderd jaar daarna, 67. 
koningsbrieyeu o/* -prentjes, 172, 174. 
konkel : konkelzijde, konkelmagen, kon« 

keileen, 226. 
alle konten op een sloksken gebonden, 199. 
een lichte kooi ; üchtekooi, 156. 
ïels met een zwarte kool bachten den hangel 

schrijven, 165. 
goesting is koop, al ware 't een uil op noD 

stoop, 827. 
koorkap, 145. 
bij koorn en bij gras, 65. 
kop ; op den kop» juist op den kop, 326. 
hij heeft wel een kop gort noodig, om het 

uit te tellen, 825. 
hij behoeft wel brij met groote koppen, 825. 
ne kop gelijk ne zaanatoop, 327. 
een kopje melk, 826. 
kop of letter, 20,286. ' 
ik verwed er mijn kop om, 102. 
mijn kop af, miju kop voor mijn voeten, 

als 't..., 79, 102. 
mijn kop af en duizend kronen aan de kerk, 

102. 
miju kop af en duizend tientjes en alle gras- 

jes, 102. 
iem. den kop afdoen, 100. 



— 406 - 



icm. ccn kop korter maken, 101. 

iem dea kop voor de voeten leggen, 101. 

koppermaandag houden, 274. 

door de kordons loopeii, 27. 

een korf krijgen, geven, 209. 

die zijnen kost met spinnen moet winnen, 

moet zich dapper weren, 223. 
kosters koe weidt op het kerkhof, 278. 
koudwalei'proef, 107, 117. 
een zotte kous ; een babbel kous ; een blauw* 

kous, 155. 
met de kous op don kop komen, 212. 
hij heeft daar de gele kousen verdiend, 212. 
iem. bij den kraag pakken, 70. 
een stuk in zijn kraag drinken, 70. 
*t zal hem zijn (besten) kraag kosten, 101. 
noch kraaie noch maaie, 162. 
kraaknet, kraakzindelijk ; kraakporselein, 

241. 
in de kraam komen, liggen, moeten, 216. 
hij komt er nog van in de kraam, 216. 
kramen, 216. 

krawei ; kraweien, karweien, 24. 
goei {of kwa) krawei, 24. 
kroits, 11. 
hij leeft met de kan als een krijgsman met 

een dagge, 138. 
in het krijt (o^ strijdperk) treden, 11. 
uyt het krijt wijeken, 11. 
(tot over zijn ooren) in H krijt staan, 45,47. 
krinkoldewinkel ; krinkelen en winkelen, 

285. 
zworen bij kris en kras, 64, 337. 
kroes ; kroezen ; hij kan goed kroezen, 126. 
kromstaart ; kromstaartsbicr, 299. 
krone dragen, spannen, 256. 
kronen, 256. 
kroon ; eikenkroon, burgerkroon, eerekroon, 

256. 
de kroon spannen, 258. 
dfe kronen winnen en stuivers wagen, die 

zijn bevrijd voor zware slagen, 280. 
hij kent de waarde van een kroon, die ze 



van een ander leenen moet, 239. 
beter ccn leggende hen dan een liggende 

kroon, 290. 
mijn kop af en een kroon aan de kerk, als 

het ..290. 
iem. naar de kroon steken, 10. 
duizend kronen aan O. L. Yr., als 't... 290. 
de kruik gaat zoolang te water tot dat ze 

breekt, 4. 
kruis of munt; kruis of munt werpen, 20,286. 
kruis noch munt (o/* duit) hebben, 287. 
niet een zier, niet eei> kruis rijker, 287. 
wie met een kruis op de wereld gekomen is, 

moet er mee afgaan, 298. 
kruisproef, 108. 

ik ben een kuiken, als ik. • . 105. 
Kuilenburg is zijn voorland, 61. 
naar Kuilenburg gaan, 6. 
dat gaat naar Kuilenburg of naar YiftneM, 

om er ongeluk te heelen, 61. 
op het kussen geraken, zitten* 66. 
iem. op het kussen brengen, 66. 
zijn kussen is omgekeerd, 63. 
de kwaaddoeners moeten gestraft worden, 

zei bes:e, en zij zag haar man op het rad 

zitten, 88. 
liegen lijk een kwakzalver, 246. 
kweesten ; kweester, kweesterij, 208. 
kwistekool, 157. 

Lachen ; alle lachen op een ende en alle 

zotten op een kruiwagen, 199. 
al 't lachen op een stoksken?gebonden^ 199. 
laden ; een geweer laden, 27. 
hel laken in de beste vouw slaan, 227. 
elk draagt geen Engolsch laken, 141. 
hij is daar in *t land van belofte, 6. 
H land uitzeggen, ontzeggen, 74. 
van land steken, 2. 

beter arm te land, dan rijk aan zee, 8. 
landrat, 8. 

die *t lang heeft, laat het lang hangen, 140. 
laiigzainerband, 140. 



— 407 — 



een Uns breken mei (of toot) iem., 13. 

hij laycert, 340. 

het