(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tijdschrift"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of 
any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http : //books . google . com/| 



Google 



Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automadsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



Xs'^'^ 



■^^.SCv-^^N"^ 



TIJDSCHEIPT 



VAN HET 



AAHlBUESEniIO SEÏOOISCEAF 

GEVESTiaD TE AMSTERDAM. 



BIJ BLADEN 



DERDE DEEL. 



V^^V-^.^* «V - -N.-» 



INHOUD. 

L De residentie-kaarten van Java en Madoera, door F. de Bas. 

• II. De TRIANGULATIE VAN SUMATRA, doOF F. DE BaS. 

* III. Geographische verspreiding der minerale bronnen in den Oost-Indischen Archipel, door 

Dr. f. Schneider. 
\ IV. Aanteekening op het eerste deel van „Java, geographisch, ethnologisch, historisch," 
. * door Raden Mas Adipati Ario Tjondro Negoro. 
H V. Mémoire sur le Port du Récife (Permambuco, Brésil.) par MM. Victor I^ournié et 

Emile Béringer. 
"^ VI. La Hollande et la Baie-Delagoa par M. L. van Deventer. 
'^ VII. Mededeelingen over Liberia, door J. Büttikofer. 



AMSTERDAM, 
C. L. BRINKMAN. 



UTRECHT, 
J. L. BEU ER S. 



1883. 



1 



D E 





SIIESTIE-EAASTES 



VAN 



JA.V-A. BIST üdl^DOBRA. 



DOOR 



F. DE BAS, 

Kapitein van den Generalen Staf. 



t t 



(UitnegeveD van wege het AardrijkskoDdig GeDootscbap.) 

L<bi •;)'/>' ^'A N-' l:j 



AMSTERDAM. — C. F. STEMLER. 

4876. 



> V ... 



r 



* • * • 

• • • 












• • > 



» • • 

■ • • 

• . • • • * 
-• ' • • • . 

r . • •• 

. * • • • 



, • • • •• • 



THENEWYORK 

PUBLIC irBRARY 

AStOR, LENOX AND 
TILDEN FOUNDATIONS. 

1897. 



ot;: 






V<. > 






DE RESIDENTIE-KAARTEN 



VAN 



JAVA ENMADOERA, 



Onder de voortbrengselen van bilf wetensohappel^jken, half 
belletristiBchen aard» welke de pers ons in de laatste jaren aan- 
bood, trekt ook de aandacht Victor Tissofs „^oyageanpays 
„des Milliards,'' een werk, waarvan reeds een 238te uitgave het 
licht zag, en dat de indmkken schetst van een Fransch toerist in 
Doitschland „cette Allemagne nouvelle, telle qu*elle est sortie 
,4'epée a la main, du cerveau de Monsieur de Bismarck." 

Yerre van onpartgdig, met een gevoel van bitteren weemoed 
over Frankrjjk's rampen, over het verlies van twee provinciën 
en tien milliarden gouds, tracht de 8chr\jver op geestige w\jze 
aan te toonen, dat de stoffel^'ke lauweren van 1870/71, in stede 
van Duitschland's welvaart te verhoogen, wél de r^jksgrenzen 
hebben uitgebreid, wél de bezittingen van enkele staatslieden en 
l^erbevelhebbers met r\jke dotatiën hebben vermeerderd; maar 
dat het volk, de kern der natie, niets daarbij heeft gewonnen : inte- 
gendeel bij achteruitgang van den handel, big kw^nende nijverheid 
en toenémenden geldnood in moreelen zin meer en meer ont- 
aardt Dit alles te samen genomen, voorspelt Tissot, wiens op- 
gesmukte bjjzonderiieden uit het leven van Berljjjn's groote 
mannen eer het denkbeeld doen rijzen van onbescheiden onthul- 
lingen door een ingewijde, dan van vluchtige reisindrukken — 
vooiBpelt "nssot in Duitschland „un drame, auprès duquel la 
,3évolution firan9aise n'aura été qu'une idylle/' 

Terw\jl w$ dien scherpen toon veroordeelden, waarb\j 
aUeen de schaduw-, nergens de lichtzode van Duitschland's 
éénheid, de oplossing van den ouden Bond in Pruisen*s 
heeiBchapp^', is ontwikkeld, dwaalden onwillekeurig onze 
gedachten af naar de wisselwerking tusschen ons gelukkig 
vaderland en zyne koloniale bezittingen, met betrekking 
tot de intellectueele ontwikkeling in Oost-Indië, het meest 
merkbaar op Java, en tot de materieele voordeelen, welke de ko- 
loniën het moederland aanbrengen. In tegenstelling met „Ie Pays 
„des Milliard8'^ als door Tissot beschreven, dat milliarden 
verzwelgend, bovendien in moreelen zin zou ontaarden, werpt 
Indië millioenen af en ontwikkelt zich tevens de Indische 
maatschappj onder den invloed van Westersche organen tot 
een hooger standpunt van beschaving. 



Sprekende bewijzen voor die ontwikkeling leverde de Wereld- 
Tentoonstelling te Weenenin 1878, in het jongstverleden jaar op 
nieuw het Internationaal Aardr^kskundig Congres met de daaraan 
verbonden Tentoonstelling te Parijs, thans weder Philadelphia. 

Meer dan eenige andere tak van wetenschap vormt deaard- 
rgkskunde — in den meest omvangrijken zin de weéenêckqp der 
aarde — het veld, waarop alle andere wetenschappen elkander 
de hand reiken. De sterrekunde en de meteorologie, de geolo- 
gie en de antropologie, de planten- en de dierkunde, de statistiek, 
zooveel andere historische en philosopldache wetenschappen ver- 
tolken te zamen het standpunt van beschaving der verschillende 
volken, dat in graphischen vorm eigenaardig wordt weergege- 
ven door de bg hen vervaardigde kaarten. 

De hooge onderscheiding, te Parijs te beurt gevallen aan 
de Besidentie-Kaarten van Java en Madoera, betreft dan ook 
geenszins alleen de inrichting te 's Hage, alwaar ze worden ge- 
reproduceerd, maar alle takken van dienst in Indië en in het 
moederland, die tot haar samenstelling medewerken, alle autori- 
teiten der wetenschap, onder wier leiding die schoone resultaten 
zyn gewrocht. 

Een vluchtig overzicht omtrent de vervaardiging van kaarten 
in het algemeen, tevens enkele mededeelingen uit de geschie- 
denis der cartographie in Nederlandsch-Indië, mogen strekken tot 
een juister omschrijving van het standpunt, waarop dit gedeelte 
der aardrijkskundige wetenschap zich aldaar beweegt; tevens 
tot overweging van maatregelen, die wellicht kunnen dienen, 
om de tot heden verkregen uitkomsten nog te verbeteren. 

Mag het vermetel schijnen, dat ik, grootendeels onbekend 
met Indië en met Indische toestanden, het waag dit belang- 
r^'ke onderwerp in het openbaar te behandelen, dan diene tot 
verzachting van het oordeel de wensch, om eenigszins te ge- 
moet te komen in een behoefte, welke tot heden in de litera- 
tuur bestaat aan een meer aaneengeschakeld verhaal omtrent 
de geographische verrichtingen in Indië en een der schoonste 
sAéanr uitgevoerde oartographische werken: langs dien weg meer 
welverdiende belangstelling voor de residentiekaarten van Java 
en Madoera op te wekken. Yermeld ik telkens de bronnen, 

1* 



I)£ RESIDENTIE-KAARTEN 



door mijj geraadpleegd, tevens breng ik een dankbare hulde aan 
hen, die m\j omtrent sommige zaken wel wilden inlichten — 
inxonderheid aan den hoogleeraar Dr. J. A.G. Oademans, Ond-Chef 
van den Geographischen dienst in Nederlandsch-Indie — , wier me- 
dedeelingen mgn arbeid hebben vergemakkel^'kt. Meer bevoegden 
dan ik, mogen met welwillendheid de onloochenbare leemten in 
m^'n werk aanvullen, door hunne terechtw^'zingen de gelegenheid 
aanbieden om feilen te herstellen, welke ik ongetwijfeld heb begaan. 

Door de kunst van de vervaardiging van kaarten verstaat men 
'zoodanige voorstelling van de voorwerpen, op de oppervlakte 
der aarde voorkomende, dat eenig punt van het terrein, in 
verhouding tot de gebezigde schaal, op de daarmede overeen- 
komende plaats op het kaartblad, kan worden weergevonden. 
Topograplusche kaarten, als die der residentiën van het eiland 
Java, vervaardigd op 1 : 100,000 van de natuurlijke grootte, 
behooren dientengevolge alle eenigszins belangrijke plaatsen 
terug te geven. De waarde eener kaart hangt in het algemeen 
af van de meerdererof de mindere standvastigheid der verhouding 
tusschen de afstanden der punten onderling op de kaart en 
in de werkelgkheid. 

Aan dezen eisch nu ware volledig te voldoen, wanneer het 
oppervlak der aarde, even als het kaartblad, een plat vlak 
vormde : het kwam er dau eenvoudig op aan, alle terrein- 
voorwerpen, communicatiën te land en te water, enz. op de 
aangenomen schaal in verkleinden vorm terug te geven. Doch 
de aardkorst vormt een gebogen vlak, waarbg alleen tot voor- 
stelling van een betrekkel^'k kleine uitgestrektheid land de 
kromming buiten rekening mag worden gelaten (l). 

Bij de samenstelling nu van bijzondere of topographische 
kaarten stelt men zich voor, als ware het oppervlak van de zee 
over het geheele terrein verlengd, terwigl uit alle plaatsen, 
daar boven en daar onder, loodlijnen op dat vlak worden neer- 
gelaten. De voetpunten dezer Ignen nauwkeurig op het kaartblad 
overbrengende en vereenigende, ontstaat de teekening van het 
bedoelde terrein, d.i. de verlangde kaart. 

Tot de opname van een klein gedeelte terrein, waarvan de 
grenzen meestal van zelf door wegen, wateren of andere ken- 
nelijke afscheidingen worden aangegeven, heeft men genoeg aan 
een eenvoudig instrument, een meettafeltje of planchet, eenkom- 
pas met verdeelden rand als anderzins, en aan een meetketting; 
waarbij men langs den omtrek de richting en den afstand van elk 
standpunt tot het volgende bepaalt, te gelijkertijd alles opteeke- 
nende, wat tot meer b^'zondere onderscheiding van het terrein valt 
op te merken. Na voltooiing van den omtrek, wordt op dezelfde 
w^'ze het inwendige van het terrein, o^ zooals men gewoonl\jk 



(1) Het Terschil in leegte tusschen den boog en zfjne koorde be- 
draagt Toór 50 KM. uitgestrektheid, 0,1285 M.; Toor 220 KM. of 2 gra- 
den, ruim 11 meters. 



zegt, van den veelhoek, ingeteekend. Een terrein van grootere 
uitgestrektheid wordt in kleinere veelhoeken verdeeld; omgekeerd 
kunnen meerdere kleine veelhoeken, elk afzonderl^'k opgenomen, 
tot voorstelling van een grooter stuk land, aan elkaar worden 
gesloten. Daaruit bigkt, dat tot kaarteering van een ruimte 
van b. V. 8 a 10 uur in het vierkant, eenige kennis van de ge^ 
wone meetkunst en van de platte driehoeksmeting voldoende ia. 

Geldt het echter de opname van een uitgestrekt terrein, ala 
een residentie of wel geheel Java, dat eenige graden in 
lengte en breedte beslaat, dan behoort bg het in kaart brengen 
wel degel^'k rekening te worden gehouden met de kromm ing van 
de aardoppervlakte, door toepassing van meer samengestelde 
wiskunstige berekeningen. Naar gelang men zich verder van 
den aequator verwydert, nemen de meridiaan-graden in grootte 
toe, worden de parallel-graden daarentegen kleiner ; in de nabij- 
heid van den evenaar is echter het onderlinge verschil in lengte 
der meridiaan- en der parallel-graden zeer gering. Al mogen 
nu deze verschillen b^' de schaal, waarop de kaart wordt 
vervaardigd, weinig beduidend voorkomen, ninmier worden ze 
ongestraft verwaarloosd. 

Tracht men de kaart van een groot land, als Java, samen 
te stellen door aansluiting van a&onderlijk opgenomen terrein- 
gedeelten of veelhoeken, dan dreigt men aanzienl^ke fouten te 
begaan, tenz^ in eiken veelhoek de ligging der hoofdpunten met 
wiskunstige juistheid z^' bepaald en voormelde aansluiting met de 
uiterste nauwkeurigheid geschiede. De eenvoudigste en meest ze- 
kere weg daartoe is die van driehoeksmeting of triangulatie op 
groote schaal: een methode, in den aanvang van de 17de eeuw ont- 
worpen door onzen landgenoot Snellius, en sinds bg Je samenstel- 
ling van kaarten door de geheele geleerde wereld gevolgd. Daarbg 
wordt het te kaarteeren land overdekt met een net van zoo na 
mogelgk gelgkz\jdige driehoeken met zijden van 20 tot 45 kilo- 
meters uitgestrektheid — zoogenaamde primaire driehoeken of 
driehoeken van den eersten rang — , waarvan de hoekpunten 
worden gevormd door belangrijke hoogten, liefst kerken of 
torens, wier ligging alvorens door geodesische of sterrekun- 
dige waarneming is bepaald. Daarna verdeelt men eiken primairen 
driehoek in een tal van kleinere driehoeken — secondaire of 
driehoeken van den tweeden rang — , waarbg de zijden der 
driehoeken van den eersten rang tot basb dienen, de ligging 
der hoofdpunten daarbinnen geographisch wordt bepaald. Alle 
hoeken worden rechtstreeks gemeten met zeer nauwkeurige 
instrumenten, theodoliet, repetitie-cirkel, als anderzins, ver- 
volgens onderworpen aan kleine verbeteringen en herleidin- 
gen met het oog op wiskundige en geodesische eischen, 
waaromtrent uit te wgden, het niet hier de plaats is. Eveneens 
wordt de absolute hoogte der hoekpunten boven het oppervlak 
der zee waargenomen. 

Nu is een driehoek, zooals men zegt, volkomen bekend, wan- 
neer men de grootte kent van één zgde en van twee hoeken. 



VAK JAVA EN MADOEBA. 



waaroit aladan de lengte van de beide andere zgden kan worden be- 
rekend* Behalve de grootte der hoeken, weUce^ als 200 even is aan- 
gemerkt, door dadeligke meting wordt gevonden, behoort van één 
ajde van den driehoek, waarbg de becigfering aanvangt en op wel- 
ker lengte alle verdere berekeningen berusten, de uitgestrektheid 
door rechtstreeksche meting met behulp van een zeer nauwkeurig 
toestel, met de grootste zorg zoo juist mogelgk te worden be- 
paald. Tot de meting van zulk een geodesische basis kiest 
men een zeer vlak terrein uit, wordende de uiteinden door 
berekening en hoekmeting met het net van groote driehoeken 
verbonden. De wjjze, waarop die basismeting plaats heeft, 
behoort uitsluitend tot het gebied der hoogere geodesie en 
bljjft hier buiten beschouwing ; ze wordt gerangschikt onder 
de meest koetbare, tgdroovende en moeiel\jkste verrichtingen 
▼andien aard. 

Uit de lengte der rechtstreeks gemeten, zoo noodig her- 
leide basis, daarna met het triangulatie-net verbonden, wor- 
den alle andere driehoekszijden berekend; heeft men boven- 
dien de geographische ligging der hoofdpunten langs sterre- 
bmdigen weg volkomen juist bepaald, dan is als het ware het 
gaas vervaardigd, waarop met vastheid verder kan worden ge- 
borduurd. Meestal verdeelt men daartoe de secondaire drie- 
boeken nogmaals in kleinere driehoeken, driehoeken van den 
derden rang, waarvan de zijden zich niet verder dan tot onge- 
veer 2000 meters uitstrekken. Al deze hoekpunten nu, zoo 
van primaire, secondaire als tertiaire driehoeken, dienen ver- 
volgens als de uitgangspunten tot de verdere opname van het 
terrein; mogen daarna fouten of afwjkmgen binnen eenigen 
driehoek voorkomen, dan zullen deze zonder invloed blijven op 
het verdere geraamte der kaart. 

Z^'nten slotte alle werkzaamheden der zoogenaamde triangu- 
latie afgeloopen, en wil men de juistheid van de metingen en 
de berekeningen toetsen, dan kan een tweede, een derde basis 
en zoo voort, rechtstreeks worden gemeten en met het 
reeds gevormde net van driehoeken worden verbonden. Heeft 
men yervolgens voor elke rechtstreeks gemeten basis tevens hare 
lengte door berekening langs het net van driehoeken afgeleid, dan 
geven de uitkomsten dier vergelijking de mate van nauwkeu- 
righeid aan, waarmede de driehoeksmeting is uitgevoerd; ter- 
wijl het gevonden verschil tevens wordt gebruikt tot verbetering 
van de hoeken der driehoeken, die de beide bases verbinden. Tot 
controle der triangulatie van het eiland Java zal dienen de 
meting van drie bases, die b j Semplak (Buitenzorg) in West-, 
die b^ Demak in Midden-, eindel^k een derde bij Bondowoso 
in Oost-Java. 

Met betrekking tot de wijze van voorstelling of de projectie 
^^ uitgestrekte landen op het kaartblad, herinnere men zich« 
dat de aardoppervlakte een onontwikkelbaar vlak uitmaakt, het 
oppervlak eener omwenteHngs-ellipsoïde zeer nab^' komende. Daar 
nu de kaart een plat vlak vormt, bestaat er geenerlei overéói- 



komst met de figuur op de aarde, en z\jncr dus kunstmatige mid- 
delen noodig om de ware gedaante van het land zoo getrouw 
mogelijk voor te stellen. Onder de talr\jke daartoe gevolgde 
methoden verdient voor ons doel voornamelijk de aandacht de 
projectie, waarbij de figuur wordt overgebracht op een kegel- 
vlak, dat het land, waarvan de kaart wordt vervaardigd, op 
de gemiddelde breedte langs de parallel raakt of volgens twee 
parallellen snijdt — in zekeren zin te vergeleken met een lam- 
penkap op een ronden ballon, waarbg alsdan de laatste het 
verlengde oppervlak van de zee voorstelt. Men zorgt daarbij 
aan alle graden van de groote en de kleine cirkels, in verhouding 
tot de gebezigde schaal, de afmetingen te geven, zoo als die 
uit een graadmeting zijn berekend; dientengevolge behoudt de 
omtrek van het land zoo nauwkeurig mogeijjk den oorspron- 
kelgken vorm. Deze methode, volgens welke ook de residen- 
tie-kaarten van Java en Madoera zyn bewerkt, is algemeen 
bekend onder den naam van de Fransche projectie, de projec- 
tie van Bonne of de gewijzigde projectie van Flamsteed. 

De geschiedenis van de cartographie in Nederlandsch-Indië 
even als die van de meeste Europeesche landen, is een voor- 
beeld van langzame maar voortgaande ontwikkeling, tred 
houdende met de toenemende ontwikkeling der Indische 
maatschappij en met gelijken wetenschappemken vooruitgang in 
het moederland. 

De oudste sporen van eenigszins bruikbare kaarten van het 
eiland Java — nog vroegere zgn vermeld in „het Aanhangsel" — 
klimmen op tot het jaar 1707. Die eerste kaarten zijjnwaarschöi^''^ 
vervaardigd door den landmeter van Broekhuyzen naar gegevens 
van de „bazen-kaartenmakers", met raadpleging van Valentyn's 
reizen o. a. naar Mataram, door dezen in 1726 beschreven (1). 

De onwelluidende benaming van „bazen-kaartenmakers" zou 
niet doen onderstellen, dat bedoeld vak toenmaals hoog in aanzien 
stond. In dit opzicht vindt men trouwens gelijken vooruitgang als 
b\j de waardeering onzer tegenwoordige artsen; in 1677 toch ston- 
den de „chirurgijns" van het leger nog in betaling geljjk met de 
barbiers, trommelslagers en provoosten, en ontvingen even als 
dezen slechts 12 gulden 's maands. Inmiddels vinden wg onder 
de „bazen-kaartenmakers" yan de Oost-Indische Compagnie 
bekende geographen, als: voor Amsterdam, Hossel Gerrits 
(1617—1638), Willem Jansz. Blaeu (1683—1638), Joan Blaeu 
(1638—1678), Johannes van Geulen tot ongeveer 1712, Isaac 
de Graaff van 1690—1714; voor Zeeland, Joost van Breen en 
Anno Eoggeveen in de 17*« eeuw. In 1761 ontmoeten w^j G^rrit 
de Haan met den titel van „Kapitein-Luitenant en Baas der 
Kaartenmakers", Het meerendeel hunner kaarten bestaan alleen 



(1) Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indiê. Deel XI, 1856, 
biz. 341. 0?erzichl der geographische en lopographische Terrichtingen 
gedurende onze heerschappij in den lodischen Archipel door R. F. de Seyff, 



" 



DE BESIDEKTIE-KAAHTEN 



in manusoript; evenals vroeger de Portugeezen en de Spanjaar- 
den dienaangaande geheünkouding betrachtten» onthield ook de 
Compagnie hare kaarten zooveel doenlyk aan het eigen pubUek 

en aan den vreemdeb 

Zestig jaren na Valent^jn (1779) waren de hydrographi- 
sche kaarten van Indiê nog zoo onnauwkeurig, en kwamen de 
kruispeilingen daarop zoo slecht uit, dat de zeevaart zich b^ voor- 
keur bediende van een globe van G^orge Adams (1), somw^len 
juister dan de toen bestaande zeekaarten, waarop zelfs 
de voornaamste ontdekkingen van dien t\jd niet voorkwa- 
men. Omtrent Sumatra, Bomeo, Bali en Lombok wist men 
nagenoeg niets en waren fabelachtige verhalen in omloop. 
Hoewel van af 1796 door de Marine-school te Samarang be- 
tere kaarten werden vervaardigd, voornamelijk van Java's zuid- 
kust, alwaar ook van 1804 'tot 1807 tngonometrische opnamen 
geschiedden, legde eerst de maarschalk Daendels, tgdens wiens 
bestuur zoo veel degel\jke hervormingen z\jn ingetreden, een 
meer vasten grondslag tot vermeerdering der topographische 
kennis van Java. Dagelgks het gerief gevoelende van nauwkeu- 
rige kaarten op een zelfde schaal vervaardigd,'en lettende op het 
betrekkelijk geringe nut, door de „bazen-kaartenmakers" gesticht, 
stelde hig in 1809 gezworen landmeters aan, richtte een bureau 
op der genie, artillerie en militaire mouvementen, en ver- 
strekte uitvoerige instructiën aan alle civiele en militaire auto- 
riteiten tot uitgebreide opname, ieder voor wat speciaal haar 
werkkring betrof. De ofificieren der genie moesten de verschil- 
lende departementen, alwaar zjj zich bevonden opnemen en 
waterpassen, daartoe de kusten volgens de beste zeekaarten tot 
basis nemende: aanvangen big de posten en hun verkenning al- 
lengs uitbreiden, om door aansluiting van de verschillende depar- 
tements-kaarten, allen op een zelfde schaal geteekend, ten laatste 
tot een nauwkeurige kaart van geheel Java te geraken. Yan voor- 
afgaande triangulatie was (laarb\j echter geen sprake : dus een ge- 
bouw zonder fondementen! Het resultaat der maatr^elen van 
den maarschalk Daendels, te samen met enkele reizen tot na- 
tuurkundige doeleinden ondernomen, en andere gegevens, die het 
Indisch archief reeds bezat, verschaften t\jdens het Engelsche tus- 
schenbestuur aan Sir Thomas Stamford Eaffles de noodige hulp- 
middelen tot vervaardigmg der kaart^ welke onder zyu naam 
bekend is. Trots al de gebreken, dien arbeid aanklevende, 
en ondanks de veelvuldige bemoeiingen van d^n kundigen 
Qouvemeur-Gkneraal Yan der Capellen tot bevordering van de 
cartographie door opmetingen van de officieren van den Gene- 
ralen staf en van de genie van 1816 — 20, enz. was de kaart van 
Baffles b\j het uitbreken van den Java-oorlog in 1825 eigenl^'k 
de eenige, waarop de toenmalige opperbevelhebber eenigszins 
kon steunen. Door verbetering der kaart van Baffles met behulp 



van gegevens, gedurende den oorlog verzameld, ontstond later 
de kaart, welke door den luitenant-generaal Jhr. Bidder de 
Stuers aan de Fransche uitgave z^ner beschrijving van den 
Java-oorlog is toegevoegd. 

Één der meest belangryke resultaten van dezen kr|jg (1825—- 
80), waarbij zoovele vermoeienissen waren uitgestaan en een 
verlies van duizenden offers het gemis aan voldoend nauwkeurige 
kaarten had geboet, was een toenemende aandrang tot meer volle- 
dige topographische kennis van Java. Aan dezen eisoh werd 
zooveel mogelyk voldaan door den generaal Jhr. van der Wyok, 
tevens ten einde beter een verdedigingsstelsel te kunnen ontwer- 
pen. Bijzondere vermelding daarb^' verdient de opname der vallei 
van Ambarawa, t^dens den bouw van de vesting Willem I en de 
linie van de Toentang. Hoewel de militaire kaarten, gedurende 
het bestuur van genoemden opperofficier vervaardigd — o. a. die, 
welke zijjn naam draagt, geteekend op 1 : 500^000 door den 
toenmaligen luitenant Yon Schierbrand; de algemeene kaart van 
Nederlandach Oost-Indië van den baron Yon Derfelden von 
Hinderstein, in 1842 op last des Konings uitgegeven; vooral 
de kaart van den luitenant-ter-zee Yan de Yelde in 1845 versohe- 
nen, welken alle vorige in waarde overtrof — het bew\js gaven 
van aanzienlyke vorderingen, misten niettemin allen de nauw- 
keurigheid van kaarten, die naar juiste geodesische regels zjjn 
ontworpen. BiU^ke lof komt in dit opzicht toe aan den Heer 
Yan de Yelde, die althans had gebruik gemaakt van de. gegevens 
van den Hydrographischen dienst, ruim 20 jaar vroeger door den 
Gouverneur-Generaal Yan der Capellen opgericht (1), van de 
astronomisch bepaalde punten, evenals toen reeds van de be- 
langryke geodesische en natuurkundige waarnemingen, waardoor 
de Heer Junghuhn zijn naam heeft onsterfel^k gemaakt in den 
Indischen Archipel, doch wiens werk pas later is versohenen. 

Eveneens verdienen vermelding de militaire kaart van Java en 
Madoera (1850), door den kapitm Le Cleroq, .bewerkt tij- 
dens het leger-kommandement van den Hertog van Saxen-Wei- 



(1) George Adams, de schrijver van „Treatise oo the use of globes, Loodoo 
1766*'; en ▼an.JreatiseontbecoostractioQorglobes^LoodoD 1769 and 1785." 



(1) De inslelliDg van de Hydrographische opnemiDgen ea van de 
Commissie tot verbetering der Indische Zeekaarten geschiedde bij Be- 
siait van 15 Oct. 1821. Deze venrichtingen en werkzaamheden z^n 
beschreven in het Nat. T\idschr. voor N. I., Deel VII, bi. I, Deel XI, 
bl. 421, enz. De voornaamste bepalingen omtrent de inrichting van 
den Hydrographischen dienst in Indiê zyn vervat in het Staatsblad voor 
Nederlandsch-Indie, als van 1860, n^. 46 en 65, betreffende de formatie 
van het Hydrographisch bnrean, toegevoegd aan de Commissie tot ver- 
betering der Indische zeekaarten* en de instractie voor den Chef; Stbl. 
1861 no. 95, Stbl. 1862 n<». 29 en 68, aangaande het beheer der 
onderdepdU vxn zeekaarten, enz.; Stbl. 1864 not. 74 en 169, Stbl. 

1866 noi. 59 en 40, Stbl. 1867 &<>•. 59 en 165, Stbl. 1870 nos. 140 
en St|>l. 1871 po, 220, omirent ds oprichting dier ondetdepdts; StM. 

1867 no. 55, voor de opheffing der Commissie tot verbetering van 
i;eekaarten, enz. enz. 



VAN JAVA EN MADOERA. 



mar; de kaart van Dr. Junghnhn, de algemeene kaart van den 
Oost-Indischeu Archipel, nitg^even door de Militaire Akademie 
te Breda en anderen, in het „Aanhangser* opgenomen. Ook 
de kaarten van Snmatra, vooral die van den majoor Beyerinck, 
wien de eer toekomt, den weg te hebben aangewezen, welke 
later is gevolgd tot vervaardiging eerst van een gedeelte, 
daarna van geheel Batavia en Ommelanden: de eerste meer 
uitvoerige kaarteering, in 1840 op Java ontworpen. 

Volgens de oorspronkelgke lastgeving tot de opname 
van de residentie Batavia lag het alleen in de bedoeling 
der B^eering het land tusschen Batavia en Buitenzorg 
met den omtrek oost- en westwaarts van laatstgenoemde plaats, 
nitslmtend met het oog op verdedigings-ontwerpen, in kaart 
te doen brengen. Van dit eenzijdige doel werd evenwel later 
a^g;ezien en de opname uitgestrekt tot de geheele oppervlakte 
van de beide gewesten, ten einde zoodoende een werk van 
meer algemeen nut te verrichten (1). Deze belangryke arbeid 
vond zijn grondslag in de opnemingen der marine, doch was 
zonder nadere trigonometrische waarneming, eenvoudig samen- 
gesteld uit aaneensluitende driehoeken. De opname van het 
terrein geschiedde onder de leiding van den luitenant-kolonel 
E. Steinmetz, grootendeels op de schaal van 1 : 10.000, de ver- 
zamelkaart was geteekend op 1 : 50.000. De opname van Ba- 
tavia en Buitenzorg, welke in 1853 geheel was afgeloopen, 
vormde het uitgangspunt tot de verdere kaarteering der residen- 
tiën van Java. Inmiddels bleek meer en meer de onmisbaarheid, 
om alvorens verder te gaan, door toepassing der triangulatie 
een meer vasten grondslag en dat algemeen verband te leg- 
gen, hetwelk tot heden alle zoo topographische als hydrogra- 
pMsche kaarten van Indië misten, en waarin men tot dien 
^d, bij gebrek aan de middelen om zuivere aardrijkskundige 
plaatsbepalingen te verrichten, niet had kunnen voorzien. 

In het laatst van het jaar 1847 bood de zeeofficier S. H. 
de Lange den Minister van Koloniën een memorie aan, waarb\j 
hij in het belang van alle departementen van algemeen bestuur 
de noodzakelijkheid uiteenzette, om de geographische verrich- 
tingen in den Nederlandsch-Indischen Archipel op een vasten 
voet te regelen, dezen te doen uitvoeren naar de eischen van 
den stand der wetenschap. Dit voorstel had ten gevolge, 
dat de vice-admiraal Van den Bosch, toen Minister van 
Marine en van Koloniën, na ingewonnen advies van den hoog- 
leeraar Kaiser te Leiden, aan den heer de Lange opdroeg zich de 
vereischte hem nog ontbrekende kundigheden eigen te maken, 
om daarna te worden benoemd tot Geographisch Ingenieur in 
Nederlandsch-Indië (2). Sinds 1850 zien wij de Lange als zoodanig 

(1) Koloniaal Terslag 1853. 

H2] Kaiaer's „Sterrekoodige plaalsbepalingen in den Indischen Archipel" 
^ de ..Levoasscbtets van Frederik Kaiser" door Dr. J. A. C. Oademans, 
iB76, bl. 28. 



werkzaam met den last astronomische plaatsbepalingen te beproe- 
ven. Aanvankelijk hield hy zich daartoe bezig met talrijke maans- 
waamemingen tot bepaling der geograplusche lengte, eveneens van 
drcummeridiaana-hoogten voor de juiste breedte van Batavia (1). 
Zijn broeder, de luitenant-ter-zee G. A. de Lange, werd hem 
eerst t^del^k, later definitief als assistent toegevoegd. In 1863 
begaven zich de beide HH. de Lange naar Menado 
ten einde aldaar eenige punten door triangulatie te 
bepalen, en Menado geographisch te verbinden met de hoofd- 
plaats van Java (2); de uitkomsten dezer waarnemingen zgn 
later gew^'zigd, ten gevolge van meer nauwkeurige plaatsbepa- 
lingen in 1864 door den hoogleeraar Ondemans (8). Wgl 
echter, bij het toenmaals bestaande gebrek aan stoom- 
schepen, het reizen in den Archipel uitsluitend tot sterrekundige 
waarnemingen zeer moeiel^'k ging; deels, uithoofde van andere 
omstandigheden, werd de heer de Lange uitgenoodigd inmid- 
dels behulpzaam te zjjn tot geodesische werkzaamheden op het 
eiland Java. 

De beschikking toch van 25 December 1853 nP, 10 had be- 
paald, dat de opname van Java, op den voet zoo als voor 
Batavia en Buitenzorg was geschied, verder zou worden uitge- 
strekt tot de residentie Cheribon, niet alleen met het oog op de 
militaire belangen, maar tevens ten behoeve van het civiele de- 
partement, en wel in verband met een statistische opneming, die 
als proef in dit gewest was bevolen. Alvorens echter daartoe over 
te gaan, behoorden tot controle der opnemers (?) en om de vvis- 
kunstige waarde van het werk te verzekeren, de vaste punten 
iu Cheribon door den G^ographischen Ingenieur te worden be- 
paald. Te geljjkertjjd achtte men op die wyze Batavia langs geo- 
desischen weg te verbinden met Cheribon (een afstand van 
«-h 200 KM); daar de trigonometrisch-hydrographische op- 
name van 1841 reikte tot aan Anjer, zou zoodoende op Java 

(1) Astronomische waarnemingen gedaan ter bepaling van de geogra- 
phische ligging Tan Batavia; en, waarneming van maans-zenilh-afstandon ter 
bepaling der geographische lengte van Batavia, door S. .H. en 6. A. 
de Lange. Nat. Tiydscbria voor N.-I., Deel YI., bl. 255 en 277. 

Vroegere waarnemingen zjjn vermeld in den „Monitear des Indes 
„orientales et occidentales" van Bn. Melvill van Carbée, 3de Deel. (Zie 
noot 8 bl. 9). 

(2) Verslag der reis van de Geographische Ingenieurs S. H. en G. A. 
de Lange van Batavia naar de residentie Menado, en terug, van 23 Januari 
1852 tot 20 Maart 1853. Nat. Tijdschr. voor N.-L, Deel V., bl. I, 

Waarnemingen gedaan te Menado, ter bepaling van de geographische 
lengte dier plaats, door S. H. en G. A. de Lange. Nat. Tijdschr. 
voor N.-L, Deel VIL, bl. 261. 

(3) Herleiding van de waarnemingen, gedaan door de-Heeren S. H. en 
G. A. de Lange, ter bepaling van de lengte van Menado, Kema, Boeton, 
Ternate en Makasar in de jaren 1852 en 1853, door Dr. J. A. G. 
Ondemans, Hoofd-Ingenieur van den Geographischen Dienst in N.-L Natuurk. 
Tijdschr. voor N.-L, Deel XXVI. bl. 1. 



8 



DE EESIDENTIE-KAAETEN 



éen behoorlijk yerband worden Terkregen over een uitgestrekt- 
heid van ongeveer 300 kilometers, waarop dan verder kon 
worden voortgebouwd. 

Ten slotte was dus het juiste uitgangspunt tot de verdere 
opname van Java bereikt. Het resultaat hing verder geheel af 
van de nauwkeurigheid, waarmede de waarnemingen en bere- 
keningen zouden geschieden. 

Om voorloopig, in afwachting eener volledige opname der 
residentiën van Java — berekend op een tjjdduur van onge- 
veer 50 jaar en op een uitgave van ruim twaalf tonnen gouds — ^ 
op een voldoende en min-kostbare wQze te voorzien in de 
dringende behoefte aan kaarten van den geheelen Nederlandsoh- 
Indischen Archipel, was in 1852 de vervaardiging van zooda- 
nigen atlas opgedragen aan den luitenant-ter-zee Baron Melvill 
van Cambée. Tot deze uitgave, binnen vijf jaar te voltooien, 
werden gebezigd de beste tot dien tijd bestaande gegevens, door 
de bevoegde autoriteiten toegelicht Eeeds in 1856 stierf 
Melvill, na 26 kaarten te hebben bewerkt. De atlas werd 
door den toenmaligen kapitein-ingenieur Versteeg voort- 
gezet en in den aanvang van 1861 in 60 bladen a^eleverd. De 
daarin voorkomende bladen van Java vormden als het ware 
de voorloopers op de later verschenen, uitsluitend op opneming 
berustende residentie-kaarten. 

De G^eographische Ingenieur S. H. de Lange, bijgestaan 
door z^jn broeder, den assistent G. A. de Lange, maakte in 
1854, één jaar nadat de miUtaire opname in Cheribon reeds 
was begonnen, een aanvang met de triangulatie; bjj het 
uitkiezen der signaalpunten was de chef der topographische 
opname, de kapitein-ingenieur van Staveren, hem met zgn 
terreinkenms behulpzaam. De Heer 8. H. de Lange mocht 
niet veel genoegen van de triangulatie van Cheribon beleven; 
hij werd spoedig hevig ongesteld, moest repatrieeren en stierf 
aan boord. Zgn broeder, met de waarneming van die betrekking 
belast,' kwam in 1856 met de driehoeksmeting gereed. H^' 
bediende zich daarbg van het universaal-instrument van Pistor 
en Martins. De basis, waarop de meting zou berusten en 
waarvan dus alle verdere berekeningen moesten uitgaan, werd in 
1854 gekozen ter lengte van 7505,4 meters op een uitgestrekt 
sawah-veld, langs het zeestrand van Cheribon; b^ gebrek aan 
betere hulpmiddelen en instrumenten werd deze basis eenvoudig 
met de meetketting opgenomen. Het niveau van de geodesisch 
bepaalde standplaatsen in Cheribon werd opgemaakt uitzenith- 
a&tanden op de signalen; verscheidene hoogte-bepalingen zijn 
uit barometer-waarnemingen a^eleid (1). In 1855 en '56 wer- 
den de geodesische waarnemingen door den heer G. A. de 



(1) Verslag van de Terrichtiogea der GeographiKhe Ingeniears io de 
reaideotie Cheribon; en, het geodesiiche nivellemeDt aldaar, door G. A. 
de Lange. Nat. T^dschr. Toor N.-I.» Deel X, bl. 291 en 333. 



Lange voortgezet op den Pangrango, op den Patoeha en andere 
bergtoppen van de Preanger-regentschappen, ten einde de drie- 
hoeksmeting van Cheribon met Batavia te verbinden (1). Ge- 
durende de jaren 1856 en 57 vervolgde h^', geassisteerd 
door de HH. Van Limburg Brouwer en Jaeger, het driehoeks- 
net in de residentiën Banjoemas, Kadoe en Bagelen (2), in 
welke laatstgenoemde residentie tevens aan het Zuiderzee-strand 
een tweede basis is gemeten tusschen de punten Djatimalang 
en Djetiskoelon, waarvan men den afstand 10406 meters vindt 
opgegeven. 

W^l de topographische verkenning van Cheribon door het 
militair departem ent vroeger was aangevangen dan de geodesi- 
sche opname van den Geographischen dienst, werkten de militaire 
verkenningen aanvankel^k zonder vaste punten, en kon men, ook 
voor andere residentiën, eerst later van de triangulatie tot kaar- 
teering gebruik maken. Dit geldt vooral voor de residentiën Cheri- 
bon en Banjoemas, met Tjilatjap tot knjgskundige doeleinden- 
het eerst in aanmerking komende; in mindere mate voor 
Bagelen en Kadoe, welke nagenoeg geljjkt^'dig werden opge- 
nomen (3). B^ een vluchtige vergel^'king van de wederzjjdsche 
plaatsbepalingen schenen deze onderling niet belangrijk te ver- 
schillen; naarmate het werk echter met meer nauwkeurigheid 
vorderde, deed zich in Bai^'oemas, voomameligk bjj de 
aansluiting met de residentiën Tagal en Cheribon, het oorspron- 
kel^'ke genus aan geographisch bepaalde punten levendig ge- 
voelen. Hierby kwamen nog de bezwaren, welke de toestand 
van het terrein in Banjoemas aanbood; „uren ver zich uit- 
„strekkende moerassen; streken, die by vloed onderloopen, 
„onmiddellijk grenzende aan woud-, heuvel- en beig- 
„land, schaars door menschen, te r^ker door wild gedierte be- 
„volkt; terreinen, doorsneden door snel stroomende, soms plot- 
„seling hoog zwellende bergstroomen, veelal verpest door 
„schademke miasmen (4)/' Inderdaad werd er van officieren en 
minderen ongemeene geestkracht en volharding gevorderd 
tot voortzetting van dien zoo hoogst moeitevollen arbeid, waar- 
aan twee minderen zelfb bezweken. Voomamelyk namen aan 
de opname van Banjoemas deel de toenmalige kapiteins 
der infanterie W. Beyerinok, B. F. de Sey£^ de kapitein- 

(1). Verslag eener dienstreis in 1855 door de Preanger-regentschap- 
pen; en, de Terbinding yan Batavia met Cheribon, door G. ▲. de Lange. 
Nat. TQdschr. TOor N.-L, Deel XI, bl. 69 en 439. 

(2) Verslag Tan de geodesische triangolatie der residentiën Banjoe- 
mas, Bagelen en Kadoe, door G. A. de Lange. Verhandelingen der Na- 
tnork. Vereeniging in Ned.-Indiö, Acla etc; VoL II en III. 

(3) Verrichtingen der Geographische Ingenienrs in Nederlandsch-I ndié 
hl 1856 en '67. Nat. T^dschr. Toor N.-I.,Deel XIII, bl. 273 en 466, en 
Deel XIV, bU 206. 

(4) Kort overzicht ran de topographische werkuamheden in Neder- 
landscb Indiö Tan 1866 tot en met 1859, door W. F. Versteeg. NaU 
T^dschr. TOor N. I. Deel XXII, bL 115. 



VAN JAYA EN MADOERA. 



O 



ingenieur W. E. Versteeg, de opnemers Strauss, Donnadieo, 
de 1ste teekenaar E. G. Wilsen» enz. 

Ka Toltooiing van voormelde reeidentiën moest, volgens 
liet besluit van 17 Aug. 1860 n^ 3, de residentie Samarang 
worden opgenomen; doch daart^en bestond het belangr^'ke 
bezwaar, dat in Samarang de triangulatie nog niet was aange- 
vangen : het gevolg van een verandering in de werkzaamheden 
bij het personeel van den Gheographischen dienst. 

In den aanvang van het jaar 1858 had Dr. Oudemans, hoog- 
leeraar in de wis- en natuurkunde te Utrecht, den heer G. A« 
de Lange vervangen als Hoofil-Ingenieur bij den Geographischen 
dienst; bij z^'n aanstelling was bepaald, dat hij die ver- 
richtingen tot hare oorspronkeljke bestemming d. i. sterre- 
kundige bepalingen in Nederlandsch-Indifi zou terug- 
brengen. Dientengevolge stelde Dr. Oudemans reeds spoedig 
voor, om in afwachting van een definitieve regeling 
b^ dezen tak van dienst, de juiste plaatsbepalingen in den 
Indischen Archipel door astronomische waarneming, tevens met 
gebruikmaking van de elektrische telegraaflyn (juist op Java 
voltooid), weder als hoofdzaak voor te schrgven: doch de ver- 
richtingen tot zuivere triangulatie door den Hoofd-Ingenieur of 
den Ingenieur af te schaffen, behoudens overleg met het 
Militair departement tot voortzetting dier triangulatie ten 
dienste van de aangevangen topographische opname. 

Deze voorstellen b^ de Gouvemements-besluiten van 7 July 
1858 no. 1 en van 14 Jun^' 1868 n®. 29 goedgekeurd zijnde (1), 
hield Dr. Oudemans zich meer rechtstreeks bezig met de bepaling 
der lengte-verschillen tusschen Batavia, Cheribon en Sama- 
rang, en met de bepaling der geographische ligging van 
die plaatsen op Java, alwaar telegraafkantoren waren gevestigd. 
Nog van enkele andere plaatsen werd de ligging ook bepaald en wel 
de lengte door chronometers (2). Het bewijs, dat deze methode 
tot bevordering van de vereischte nauwkeurigheid bq de verdere 
opname van den Indischen Archipel, op zich zelve beschouwd, 
alleszins juist was gezien, werd reeds geleverd in 1859, ten 
gevolge van de gevonden verschillen in de ligging van Batavia, 
met die, vroeger als juist aangenomen (3); daarna bij ver- 



(1) Verslag Tan deo Geographischen dienst in Ned.-Indië, over Jaoaari 
1858 tot en met April 1859, door Dr Oademans. Verhandelingen der 
Piat. Ver. in N.-I. Acta enz., Vol. VII. 

(2) Verslag ran de bepaling der geographische ligging van die plaatsen 
i>p Java, waar telegraafkantoren gevestigd z\jo, door Dr. J. A. C. Oude- 
mans. Nat. Tijdscbr. voor N.-I., Deel XXIV, bl. 1. 

(3) Omtrent de lengte van de hoofdplaats Batavia, naar welker ligging 
de overige plaatsen van den Nederlandsch- Indischen Archipel behoorde te 
wordoi bepaald, heerschte nog groote onzekerheid; zelfs de breedte werd 
zeer verschillend opgegeven. 

De kaarten van W. Jz. en J. Blaen, van 1634 tot 1656 uitgegeven, 
vermelden voor die lengte, naar maan*eclipsen waargenomen, MZ^ ten 



gel^king van de lengte-verschillen, door astronomische waar- 
neming, bepaald met die, langs geodesischen weg gevonden: afw^- 
kingen, die allereerst aanleiding hebben gegeven tot het ver- 
moeden, dat de basismeting van de Lange, geschied met de 
ketting over een sawah-veld, onjuist moest z\jn en een definitieve 
correctie zou vorderen. Begrypelgkerwjjs behoorde het werk naar 
deze onderstelling, in afwachting eener hermeting van de basis 
in Cheribon, te worden ingericht; zoodat Dr. Oudemans 



oosten van ParQs; waarbij kennelijk een font van minstens 9® valt op 
te merken. Volgens mededeelingen van den Kapitein Luitenant Baron 
Melvill van Carnbée, in het Tijdschr. van N.-I. (1844, 6e jaargang) 
en de „Monitenr des Indes Orientales etOccidentales 1848 — 49", even- 
eens naar een oorspronkelijken brief van 2 Nov. 1768, door den Heer 
Leupe geplaatst in de „Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde 
van Ned.-Indië, 1863" : heeR de geestel^ke en sterrekundige J. Mohr 
voor het eerst in de jaren 1761 en *69 de ware lengte van Batavia bepaald, 
door waarneming van den overgang van Venus over de zonneschijf. Deze 
observatién geschiedden op een door hem voor eigen kosten geboawd 
observatorium op de buitenplaats Kliphof, omtrent een uur gaans oost- 
waarts van de stad Batavia gelegen. De opgaven omtrent de gevonden 
lengte van deze sterrewacht verschillen volgens den zeevaartkundigen 
Horsburgh en den beroemden James Cook, van 106° 51,75' tot 106° 50' 
oosterlengte van Greenwich; voor de breedte van zQn observatorium 
vermeldde de Heer Mohr zelf, 6° 12' ZB. (Verh. der Holi. MaatU. van 
Wet., Deelen VH en XII.) 

Verder vindt men aangegeven in de „Connaissance des Temps*' van 1810 
tot 1835: Breedte O.L.van Par^s 

de ligging van Batavia op 6° 12' O" 104° 33' 46" 

Lengte van Parijs t. O. van Greenwich 2° 20' 16" 

106° 54' 1" 
in de „Connaissance des Temps" van 1836 en vervolgens 

naar Duperrey 6° 8' 55" en 104° 32' 57" 

2° 20' 24 " 

106*53' 21" 
In de „Mémoire analytique (4841)" van Von Derfelden von Hinder- 
stein wordt volgens de manuscript- kaart van Von Schierbrand aangegeven, 
voor Batavia eene breedte van 6° 10' 20" en een lengte van 106° 53' 50". 
Pilaar geeft op in de tweede uitgave zijner Stuurmanskunst (1847), 
voor de breedte 6° 8' O", voor de lengte 106° 50'. Smits en GroU von- 
den door de zon-eclips van 15 April 1847, voor de lengte 106° 46' 47". 
Smits vond in 1851 uit de stellingen van twee chronometers van Hohwü, 
aan boord van de Nederlandsche bark Magdalena, gezagvoerder Klein, te 
Calcutta en te Batavia, voor de lengte van Batavia 106° 45' 14" en 100° 44' 
27". Naar een onderhandsche mededeeling van den Heer Oudemans geven 
die beide chronometers, wanneer niet alleen de gang te Calcutta, maar 
het gemiddelde tusschen de gangen te Calcutta en te Batavia aangenomen 
wordt, nagenoeg hetzelfde, namelijk 106° 47' 13". HierbQ werd voor 
Calcutta naar Raper aangenomen 88° 17' ; met dezelfde lengte van Cal- 
cutta, gaf de heen- en terugreis van Z. M. Stoomschip Ardjoeno voor de 
lengte van Batavia 106° 47' 14",5 : zeker een schoone overeenkomst 1 

2 



10 



DE EESIDENTIE-KAARTEN 



zich wigseüijk onthield verder verslagen uit te geven, wjl alle 
getallen toch slechts voorloopig konden z\jn (1). 

Intosschen was déschaduwzijde van de ingetreden verandering in 
de werkzaamheden van den Geographischen dienst met betrekking 
tot de Topographische opname, dat bij veelvuldigen arbeid en 
onvoldoend personeel het werk der triangulatie van 1858 tot 
1861 nagenoeg stilstond. Theoretisch redeneerende, mocht de 
wenschel^'kheid worden betoogd, om de topographische opname 
van Java uit te stellen totdat de verrichtingen van den Geogra- 
phischen dienst zouden z\jn afgeloopen : daartegenover stond het 
bezwaar van langdurig uitstel voor de vervaardiging en de uit- 
gave van juiste kaarten van het eiland Java, terwyl de geoe- 
fendheid van het personeel der militaire verkenningen bij in- 
treding in de gelederen natuurlgk weder geheel zou zijn ver- 
loren gegaan. Nadat het Militair departement dan ook reeds 
sinds 1858 -* met het oog op Samarang — op voortzet- 
ting der triangulatie had aangedrongen, werden tot uit- 
breiding van den Geographischen dienst voorstellen aan het 



De maans-waarnemiogen Tan den Heer S. H. de Lange brachten nieuwe 
onzekerheid. Hij verkreeg uit maans-culminatiën en sterbedekkingen in 
1851 voor de lengte van Batavia lOe"" 54* 2",4. 

Het scheen nu, dat de ondere bepaling weder de voorkeur ver- 
diende. Doch door een nieuwe herleiding van de waarnemingen der HH. 
de Lange door den Heer Dr. Oudemans bleek, dat de fouten der maans- 
tafels in den „Nautical Almanac" oorzaak waren van een veel te ooste- 
lijke lengte, door die Heeren berekend. De definitieve lengte, door den 
Heer Dr. Oudemans afgeleid, voornamelijk uit de sterbedekkingen van 
de HH. Smits, de Lange en van hem zelf, bedroeg 106" ASi 7'',5. Deze 
lengte werd thans van regeeringswege aangenomen (B\jbladen op het 
Staatsblad van Ned.-Indië, n^. 820 en 1073). 

Het vermoeden, geuit door den Oostenrijkschen admiraal von VVüllers- 
torf Urbair, vroeger kommandant van het Oosten rij kscbe fregat, „No- 
vara", alsof laatstgemelde lengte een vermindering zou moeten onder- 
gaan, werd op grond van de herleiding van verdere slerbedekkingen 
door den Heer Oudemans in 1864 bestreden (Nat. Tijdschr. voor N.-L 
Deel XXVn, bl. 327). 

Ook de breedte van den tijdbal (omtrent 1853 door een tijdklep 
vervangen) werd nu nauwkeurig bekend. De door de HH. de Lange gevon- 
den breedte hnnner observatieplaats, herleid tot de tgdklep, gaf 6°7' 40",2. 
De Heer Dr. Oudemans vond in 1858, in de onmiddellijke nabyheid obser- 
veerende, 6° T 36",6; doch zijn latere waarnemingen, op verschillende 
plaatsen te Batavia verricht, gaven resaltaten, welke meer met die der HH. 
de Lange overeenstemden. Zijn laatste observatie, met veel zorg op 
Kramat genomen, op een pont, waarvan^de betrekkelijke ligging tot de 
tijdklep door den Heer Soeiers werd bepaald, gaf voor de breedte van 
dezen 6*7'40'M3. (Nat. Tijdschr. voor N.-L, Deel XXXIV. bl. 129). 

(1) Verslag van den Geogr. Dienst in Ned.-Indiê over Januari 1858 tot 
en met April 1859, door Dr. Oudemans, Verh. der .Nat. Verh. in 
N.-I., Acta, etc, Vol. VH, 4e Bijlage. 



opperbestuur gezonden. Doch wegens den aandrang op 
meer uitvoerige cartogxaphische gegevens, ook al door den 
Waterstaat en andere onderdeelen van bestuur, gaf het Gk>a« 
vemement den last de top<^;raphische en statistische opneming 
in de residentie Samarang te vervolgen, aanvankelijk gatêder 
^odeMcken grmddoLg, 

Deze werkzaamheden waren reeds één jaar in vollen gaog, 
toen in 1861 de triangulatie van Java, tot dien tgd zeer lang* 
zaam door signaalbouw in Samarang gevorderd, weer geregeld 
werd voortgezet. Eindel^'k volgde b\j besluit van 18 Apnl 186& 
een organieke regeling van den Greographischen dienst (1), die 
nu omvatten zou: 

a. sterrekundige plaatsbepalingen; 

h, triangulatiën; en 

c. magnetische en meteorologische waarnemingen . 

Wat eerstgemelde verrichtingen betreft, had de Ingenieur 
van den Geographischen dienst Jaeger in 1861, daarna de Hoofd- 
Ingenieur Dr. Oudemans in 1862, Muntok, Eiouw, Palembang, 
Singapora en andere punten bepaald* Tevens werden tot 1863, be- 
halve ruim 20 stations, vroeger waargenomen, nog 12 anderen met 
behulp van den elektro-magnetischen telegraaf (2), en eenige 
punten op Borneo waargenomen. Van 1864 tot '71 verrichtte 
Dr. Oudemans de noodige sterrekundige bepalingen op de oost- 



(1) Regeling van de n Geographischen dienst in >'ederlandsch-Indi6, en 
van de samenstelling en bezoldiging van het daartoe behoorende perso- 
neel. Besl. van den Gonv.-Gén. van Ned.-Indië, 18 April 1862, no. 16 
(Stb. no. 44). 

Dit personeel was samengesteld nit: 

a. een Hoofd -Ingenieur, Chef van den dienst en speciaal belast met de 
sterrekundige plaatsbepalingen; 

b, een Ingenieur, speciaal belast met het uitvoeren van triangttlatiön; 

c. een Ingenieur, speciaal belast met bet doen van magnetische en 
meteorologische waarnemingen; 

d, twee assistenten; en 

t, twee of meer onderofficieren of korporaals van het Indisch leger. 
Het personeel werd by Gouv. Besl. van 9 Nov. 1865 no. 10 (Stb. n». 127), ten 
behoeve der triangulatiën in twee sectiën verdeeld, en vermeerderd met één 
Ingenieur en drie assistenten. Volgens het Stb. 1867 n<>. 71 is bet aantal 
assistenten thans bepaald op vier. 

Het besluit van den Gouv. Gen. van ?Ied.-Indië, 4 Inlij 1869 nó. 14 
(Stb. Xi^. 55) stelde nog in dienst tot de verrichtingen, hier boven vermeld 
snb c, zeven inlandsche assistenten l*t«, 2<ie, 5<l« en ^^^ klasse en twee in- 
landsche leerling-assistenten.' Eindelijk werd nog in 1874 (Stb. no. 19) 
bg het magnetisch en meteorologisch observatorium van Batavia een reke- 
naar aangesteld. Zie ook Stb. 1865 n». 86, 1866 n<». 4 en 62, omtrent 
de vermeerdering van het personeel sub e vermeld, de bezoldiging, enz. 

(2) Vervolg op het verslag van de bepaling der geographische ligging 
.van die plaatsen op Java, waar telegraaf kan toren gevestigd zfjn, enz, 

door Dr. Oudemans, Nat. Ttjdsch. voor N.-I., Deel XXVIII, bl. 88. 



VAN JAVA EN MADOXBA. 



11 



kost van Celebes, in de Molokken, op Bomeo, in de straat 
Ifakasar, op Sumatra's Westkust, in den Eiouw- en Ling^- 
Aicbipel, enz. (1). 

De triangolatia van Java is van af 1861 ona^ebroken voort- 
geset, tot 1864 in de residentiën Samarang, Soerakarta en 
Djolgakarta door den Ingenienr (vroeger luitenant-ter-Eee 2e 
klasse) van ABperen en diens assistenten de HH. Baud en Vos- 
winkel Doraelen ; na uitbreiding van het personeel van den Geo- 
grapbiflchen dienst in 1865, door twee seotiën, ten einde de vol- 
tooiing der triangulatie van Java naar berekening in 1870 te 
kunnen te gemoet zien. De eerste sectie, waarb\j de Ingenieur 
van ABperen, de assistenten de HH. Jaeger, B^ van Issehnuden, 
Flory en van Maanen, werkte in oostel^'ke richting, en triangu- 
leerde in 1 865 en '66 de residentiën Madioen en Japara, van 
1866 tot 1873 Bembang, Kediri, Fasoeroean, Soerabaya, Ma- 
doera, Probolingo, Bezoek!, en Banjoewangi. De tweede sectie, 
aan wier werkzaamheden de Hoofd-Ingenieur een enkelen keer 
in persoon deel nam, met de Ingenieurs Yoswinkel Dorselen, 
Metzger, de assistenten Soeters en Woldringh, voltooiden van 
1865 tot 1870 de residentiën Pekalongan, Tagal, Krawang, Bata- 
via, Bantam en de Préanger-regentschappen. Met de geodesi- 
Bche opmetingen in de Preanger mocht het triangulatie-werk 
in West-Java, wat de hoekmetingen betreft, als geëindigd 
worden beschouwd. Beeds in Maart 1870 was een nieuwe en 
betere verbinding met het triangulatie-net in Oost-Java gevon- 
den ; tevens had men een eventueele voortzetting van het werk 
op'Sumatra voorbereid door Java te verbinden met het eiland 
Krakataoe en vier bergtoppen in de Lampongsche distrikten. 

Vermelding verdient te dezer plaatse het Gouvemements- 
besluit van 5 Januari 1866 n®. 20, waarb\j de triangulatie 
van Java, in 1854 enkel ondernomen ten behoeve van de 
topographische opname, werd dienstbaar gemaakt aan het meten 
eau lengte- en breedtegraden (2). Onvermijdelijk daarmede ging de 
eiBch gepaard om vooraf de vroegere metingen aan een 
strenge revisie en controle te onderwerpen, op sommige 
plaatsen tot hermeüng over te gaan. Sinds 1865 was dan 
ook een toenemende zorgvuldigheid b^j de uitvoering van het 
werk merkbaar. Het universaal-instrument werd voortaan 
gesteld op vaste gemetselde pilai'en, terw^l meu het onge- 
schonden behoud van de triangulatie-punten door marmeren 
platen en jaarljjksche inspectie trachtte te waarborgen (3)^ 
bq alle primaire metingen werden uitsluitend heliotropen, 
niet meer bamboe-signalen gebezigd, enz. Eveneens voerden 
in 1870 en '71 de HH. Flory en Soeters eenige herme- 



(1) Zie de Verslagen in iiel Natiiurkaodig Tydschrin voor Ned.-lndiê, 
de Deelen XXVI, XXVII, XXIX, XXX, XXXI en XXXIII. 

(2) BQblad op bet StaaUblad tan Ned.-Iodiö n». 1849. 

(3) Bpaden no«. 4728 en 2365. 



tingen uit in Midden-Java, terwijl ook bij de verbinding van 
Oost- en van WeatrJava de eischen eener graadmeting werden 
in acht genomen. 

Op het einde van 1873 was de geheele oppervlakte van 
Java verdeeld in 175 primaire driehoeken. Het getal primaire 
punten bedroeg 126, van welke er nog 13 nader voor de hoek- 
metingen moesten worden bezocht, o. a. voor de verbinding der 
driehoeksnetten van Oost- en van West-Java. Aan de primaire 
punten zgn door kleinere driehoeken verbonden 705 secondaire 
punten, die — op 1 na — allen bepaald waren (1). 

Wat de basis-metingen betreft in West-, Midden- en Oost- 
Java, was reeds in 1865 b^ Bepsold te Hamburg een 
meettoestel ontboden. In '67 in Nederland ontvangen, werd deze, 
wgl meu op Java, alvorens met de basismeting te be- 
ginnen, de hoekmetingen op het terrein wenschte te voltooien, 
te Amsterdam aan de Koninkl^ke Akademie van Wetenschap- 
pen onderzocht, inzonderheid tot vergelijking van de meetstaven 
met den standaardmeter en de uitzettiug bijj verschillende tem* 
peraturen. Toen dit onderzoek in '68 was afgeloopen, gebruikte 
de hoogleeraar F. J. Stamkart den basis-meettoestel tot het 
meten eener grondlijn in den Haarlemmermeer-polder op den 
Spaarnwouder-dwarsweg tusschen de forten de Liede en het Schip- 
hol, zoowel ten behoeve van de Europeesche graadmeiing, 
als om den toestel practisch te beproeven (2). Nadat de 
toestel in 1872 te Batavia was aangekomen en aldaar nogmaals 
onderzocht, werd daarmede in het nigaar van 1873 bij Semplak 
(Buitenzorg), door den Hoofd-Ingenieur Dr. Oudemans, de Inge- 
nieurs Metzger, Woldringh, van Asperen en den adsistent J. A. Ou- 
demans een gebroken basis van ongeveer 3800 meters lengte, met 
de uiterste zorg tweemaal gemeten. Vervolgens is van 15 Juli tot 
25 September 1875, naar dezelfde methode werkende (3), een 



(1) Koloniaal Verslag 1875, Hoofdalok E, $ 5. —Plaat I geefl een 
overzicht der drieboeksmetingeo (primair-uet) op Java en Madoera, gevolgd 
naar de „Astron. Nacbrichten do. 1938" van Dr. OademaDs» zooveel nio- 
geiyk aaagevold. De eerste meridiaan is gelrokkeo over Batavia op 
106^' 48' T'J5 lengte beoosteo Greenwich. 

(2) Over de baaismeting in de Haarlemmer- meer in den zomer van 
het jaar 1868 door F. J. Stamkart. (Verslagen eo Mededeelingen der 
Kon. Akad. van Wetenschappen, Afd. Nataorkunde. 2de Reeks. Deel 111.) 

(8) Ziet voor den basis-meettoestel: de beschryving van den Heer Bep- 
sold zelven in de „Astronomische Nacbrichten" no. 1661 (zonder teekening), 
het reeds vermelde verslag van professor F. J. Stamkart over de basis-meting 
in de Haarlemmer-meer, de brief van den Hoofd -Ingenieur Dr. Ondemaos 
aan den Luit.-Gen. Dr. v. ^Raeyer (Astron. Nacbrichten no. 1938, 13 Mei 
1873). Voornamel^k wijzen w|i op het zeer belangrijke boek van Dr. J. A. C. 
Oademans „Die Triangolalion von Java etc", waarvan het eerste gedeelte 
en 3 platen z\jn verschenen — een in hooge mate wetenschappelijk werk; 
reden te meer, waarom wy daarvoor, ter cere van Nederland, een HoUandsch 
gebaad hadden gewenscht. Trots deze eerbiedige niting van nationalen 
spijt, nemen w|} aan, dat alleen overwegende redenen den gc- 

2* 



12 



DE KESIDENTIE-KAABTEN 



tweede grondljjii ter lengte van 4175 meters in Midden-Jaya 
nab\j Demak (residentie Samarang) door de HH. Ingenieurs 
Soeters en Woldringh en de assistenten Tennissen en Oudemans 
opgenomen (1), zoodat alleen nog overbluft in Oost-Java nab\j 
Bondowoso (residentie Bezoeki) een derde basis te meten, waar- 
voor het terrein tusscben de punten' Tangsil en Tjindogo door 
den B" van Isselmuden uitgezocbt, reeds Yoorloopig is aangewezen. 
De berekening der bases in West- en in Midden-Java is, naar w^ 
meenen, nagenoeg a%eloopen; ook de hoekmetingen, om de basis 
van Semplak met het driehoeksnet te verbinden zgn b\jna gereed. 
Een definitieve verbinding der beide bases onderling langs het 
geheele tusschengelegen net, ten einde uit de eerste basis de 
tweede af te leiden en de overeenkomst te beoordeelen, bestaat 
dus nog niet. Met de meting en berekening der grondlijn van 
Bondowoso, na afloop van enkele hoekmetingen, herberekening 
van het driehoeksnet tot juiste waarneming en verdeeling van de 
fouten, zal de triangulatie van Java geheel zijn geëindigd en zal 
men kunnen voortgaan het noodige te verrichten, om deze 
dienstbaar te maken aan een graadmeting: een werk, dat 
eigenigk gezegd eerst is aangevangen (2). 



achten boogleeraar konden doen besluiten tot de aitgave van dien belang- 
ryken arbeid in een Treemde taal. 

De methode tot de basis-metingen op Java gevolgd komt overeen met 
de tweede wijze, door professor Stamkart in diens verslag beschreven, 
waarbij de microscopen, op de beide einden der ianye meelstaven gericht , 
te gelijk werden afgelezen, met de navolgende wQzigingen : 

a. Dr. Ondemans bezigde de beide lange staven — elk van vier 
meters ; prof. Stamkart slechts één; 

b. bij elke 200 meters werd een vast pont aangenomen, terwijl tel- 
kens die afstand tweemaal werd gemeten; 

c. bij elke aflezing werd de tijd opgeteekend, zoodat de gelegenheid 
bleef, later de uitzetting der microscoop- dragers boven de korte staven 
tnsscben de tijden der aflezing, of wel, de som van die uitzettingen gedu- 
rende een ganschen dag. te berekenen. Hierdoor werd een nadeel opge- 
heven, dat professor Stamkart in den toestel had opgemerkt. 

Aan de basis-meting nabij Buitenzorg nam Dr. Oudemans alleen ge- 
durende de drie eerste weken persoonlijk deel tot aangifte der methode 
van meting, vaststelling der reductie voor de decameters, enz. Het verslag 
der meting werd ten deele bewerkt door den Ingenieur Metzger, en door 
Dr. Oudemans nog vóór zijn vertrek naar Nederland (1875) voltooid; 
bet is nog niet uitgegeven. 

Naar een mededeeling van Dr. Oudemans verschilden de beide metin- 
gen te Semplok (ongeveer 3800 m) niet meer -dan 3 mm., waarvan het 
grootste gedeelte kwam ten laste van de eerste 200 meters; op de ove- 
rige afstanden van 200 meters verschilden de eerste en de tweede meting 
zelden 1 mm. van elkaar. B\j Demak bedroeg het verschil tusschen beide 
metingen naar de voorloopige berekening, volgens een particuliere mede- 
deeling van den Heer Soeters aan Dr. Oudemans, niet meer dan 0,792 mm. 
Bij meerdere oefening werden de verschillen per200 meter gemiddeld 0,1 mm. 
(1) Derde kwartaal-rapport van de Geogr. Dienst in 1875. 
(2). De Regeerings-Almanak voor Ned. Indié in 1876 vermeld in 
Bijlage P „de Geographi'sche ligging van verschillende plaatsen in Ne- 



Straks is melding gemaakt van een fout, welke vermoedelyk 
in de ruwe basis-meting van den Ingenieur de Lange bij Cheri^ 
bon zou zgn ingeslopen. Zoo lang de nieuwe basis-meet« 
toestel van Bepsold niet was aangekomen, bleef tot juiste waar- 
deering dezer misrekening geen ander middel over dan een 
nieuwe rechtstreeksche meting, welke dan ook, zoodra in 
1870 de invoering van een geregeld kadaster ter sprake kwam» 
door den Hoofd-Ingenieur Dr. Oudemans werd bevolen 
en door den Ingenieur der tweede triangulatie-sectie Metz- 
ger aan den toenmaligen assistent Woldringh werd opge- 
dragen. Het zuidel^'k uiteinde der basis van de Lange 
was echter verloren gegaan; de hermeting geschiedde dien- 
tengevolge in de nabgheid van de vroegere grondlgn met 
behulp van stalen meetveeren, terwjjl de basis werd ver- 
bonden met één der zyden van den eersten driehoek van 
de Lange. Bjj deze operatie bleek de correctie voor de eerste 

1 
in Cheribon opgenomen basis te moeten bedragen -l-"gï5« ^® 

voorloopige verbinding van het net met de basis, bjj Sem- 
plak gemeten, bepaalde de correctie op + gQQ- ^^ i^der geval 

merkte men op de lengte van de geheele basis tusschen Cheri- 
bon en Tjilantjang (7505,4 meters) een fout van meer dan 
12 meters; tegenover de mededeeling van den heer G. A. de 
Lange in diens rapport, dat er slechts een verschil van 2 me- 
ters tusschen de beide metingen nabij Cheribon zou bestaan (1). 
Omtrent de tweede basis, tgdens den Heer Gt, A. de Lange 
gemeten langs het Zuiderzee-strand in de residentie Bagelen, 
waarvan de beide uiteinden behooren tot het triang^atie-net (2), 
had deze in zijn verslag bemerkt, dat „de afstand dier punten" 

Djatimalang en Djetiskoelon — „bg meting is bevonden 

„slechts 9 meters grooter te zgn, dan.bg de berekening uitgaande 
„van de basis van Cheribon is gevonden (3)." Daar nu, vol- 
gens de tabellen van afstanden, bij voormeld verslag gevoegd (4), 
de afstand tusschen de uiteinden van de basis bedroeg 10406 meters, 

constateerde de Lange reeds een afwijking van -^-j^gg — ter- 
wgl de mededeeling betreffende de basis in Cheribon, voor 



„derlandsch-Indiê, volgens de beste bepalingen"; en in Bglage Q een 
„Tafel, aangevende de hoogte boven de oppervlakte der zee van een 
„aantal punten in Nederlandsch-Indié. 

(1) Verslag van de verrichtingen der Geographische Ingenieurs in de 
residentie Cheribon, door G. A. de Lange, 18 Juli 1855. Nat. Tgdschr. 
voor N.-L, Deel X, bl. 297, 6de en 7de regel v. o, 

2) Verslag van de geodesische triangulatie van de residentifin Bageleo 
en Kadoe, door G. A. de Lange, Nov. 1857. Nat. Ttjdschr. voor N.-L, 
Acta, Vol. III bL 23, 8ste regel v. o. 

(3) ld., bl. 13 en 23, 7de tot 9de regel v. o. 

(4) ld., bl. 36, 9de regel v. o. 



VAN JAVA EN MADOBRA. 



13 



het arithinetiscli midden der beide uitkomsten slechts een 
onzekerheid vans^jv^ zou doen vreezen De beide verschillen, 

gevonden én in Cheribon én in Bagelen, leveren het bew^s, 
dat b^ die basismetingen niet de gewenschte nauwkeurigheid 
h in acht dat genomen: ja, wellicht een zeer aanzienl^ke ver- 
gissing heeft plaats gevonden; terwjjl het gevonden verschil 
in Bagelen eerder zou geschikt geweest zgn om een onderzoek 
uit te lokken, dan om met een soort van tevredenheid te 
worden vermeld. 

Later werd ook met de herziening van de herleidingen en de 
berekeningen van den Heer de Lange begonnen, en bleek daar- 
bij, naar fmen vernam, dat het minder de waarnemingen zjjn 
dan de berekeningen, die aan onnauwkeurigheid Igden (1). 

Het voorgaande, tot één meer juiste beoordeeling der tot heden 
verkregen resultaten aangevoerd, moge geenszins strekken om aan 
den ^'ver en de geestkracht van de HH. de Lange te kort te 
doen. Oorspronkelijjk aanvangende in één enkele residentie, ten 
einde aan de topographische opname door het militaire depar- 
tement een meer nauwkeurigen grondslag te verschaffen, werd de 
driehoeksmeting daarna uitgestrekt tot een groot deel van, ein- 
del^'k over geheel Java. Even als in soortgeljke gevallen elders, 
rees ook op Java gedurende de driehoeksmetingen het denkbeeld 
Tan een graadmeting; de werkzaamheden der HH. de Lange 
waren echter geenszins gegrond op de beginselen en de eischen 
van nauwkeurigheid, als worden gevorderd bjj een triangulatie, 
welke moet strekken tot grondslag voor een geodesische 
verrichting van die waarde en strekking. Wel valt het te be- 
treuren, dat de Heer de Lange rapporten in het licht gaf, 
dikwerf meer gel^'kende op een reisbeschrijving, dan op het 
zaakrgke en strenge verslag van een wetenschappelijke verrich- 
ting. Meermalen weiden dezen breed uit omtrent toevallige 
ontmoetingen, uitgestane vermoeienissen en gevaren, leveren be- 
langrqke bescheiden omtrent den uitvoer en de prijzen van r^'st 
en koffie, beschr^'ven, als in het gebergte van Karang-bolong :.... 
^de woonplaatsen dier zwaluwen, wier nesten met levensgevaar 
„geplukt, de kostbare prikkelsp^js opleveren, waarmede de Chi- 
„nees en de Javaansche grooten" — de Heer de Lange had er gerust 
ook onze Westersche gastronomen kunnen bijvoegen, — „zich 



(1} Tot de horizoQlale hoekmetingen en de sterrekundige bepalingen 
zijo aanvan keiijk ontboden „UniTersal" — instrumenten van Pistor en 
Blirtins, met cirkels Tan 8 Par\jsche daim, later twee andere met cirkels 
▼an 10 Piarijsche daim, en het instmment ?an Repsold Tan dezelfde afme- 
ingen. Aan de lO-daims noi versaal- instramenten wordt Toor horizontale 
metingen Terre de Toorkeor gegeTen boTen de Troeger Termelden. Bij de 
priffltire driehoeken van ongeTeer 135000 meters omtrek bedroeg de 
font in de som der hoeken hoogstens 2 seconden, gemiddeld niet meer 
dan i seconde. (Astron. Nachrichten no. 1938). 



het verhemelte streelen...*' — terwgl daarentegen de driehoeks- 
metingen zelve slechts oppervlakkig zyu behandeld, juiste op- 
merkingen ontbreken omtrent de gebezigde instrumenten, de 
methode van waarneming, de w^ze, waarop de metingen werden 
verricht, de resultaten zijn ai^leid, enz. Zelfs het triangulatie- 
kaar^'e, voorkomende in het verslag der driehoeksmetingen van 
Bagelen en Kadoe, heeft veel van een mystificatie, welke daar- 
mede toch zeker niet is bedoeld: althans de daar geteekende 
driehoeken vormen een fraai gevormd net, maar zjjn niet de 
driehoeken, welke gemeten z\jn. De verklaring, dat de Heer de 
Lange die verslagen zoo inrichtte, zou, naar men beweerde, daarin 
te zoeken zyn, dat een aantal exemplaren daarvan in Lidië zelf 
werden verspreid, waarom h^' den tekst inrichtte naar zjne 
lezers; voor de wetenschappeiyke kritiek zjjner werkzaamheden 
hadden ze echter vollediger behooren te zgn. Komt aan den 
hoog verdienstelijken Hoofd-Ingenieur Dr. Oudemans de eer 
toe, dat hij de werkzaamheden van den Greographischen dienst in 
Nederlandsch-Indië — op het Internationaal Greographisch Con- 
gres in 1875 te Parjjs met de hoogste onderscheiding „lettre 
„de distinction" bekroond — heeft geschoeid op een leest, 
welke mag worden vergeleken met de beste inrichtingen van 
dien aard in Europa ; aan het latere personeel der triangulatie 
de verdienste, in den geest van den chef te hebben voortgear- 
beid: aan de HH. de Lange mag voorzeker de lof worden 
gebracht, dat 'z^* het vooroordeel hebben beschaamd, als of een 
geodesische opname van geheel Java niet mogelijk zoude zyn. Trots 
velerlei bezwaren en hinderpalen, voortspruitende uit den aard 
van het terrein, uit gebrek aan intelligente helpers; menigmaal 
blootgesteld aan het gevaar van ontmoetingen met het roofgedierte, 
aan zengende zonnehitte, nachtemke koude en schadelijke uit- 
dampingen: hebben de HH. de Lange herhaaldelijk, om signalen te 
bouwen of hoekmetingen te verrichten, langs daartoe opzettelgk ge- 
kapte wegen in dicht begroeide oorspronkelijke bosschen, de hoog- 
ste bergtoppen beklommen. Voortwerkende met ijjzeren geest- 
kracht en onverdroten ^'ver, toonden z\j een zaak aan te durven, 
door niemand v66r hen op Java ondernomen; legden z^' den grond 
tot het grootsche werk, dat, op Java schier voltooid, daarna 
in den overigen Archipel te vervolgen, belooft éénmaal de 
wetenschappelijke wereld te zullen wjzen op een graadmeting, 
verricht door Nederlanders in de nabijheid van den aequator. 
Ghen bezwaren tellende, antwoordden toen reeds de HH. de 
Lange aan hen, | die de onuitvoerbaarheid volhielden van een 
gedetailleerde opname van Java, en berusting zochten in het 
weinig van geestkracht getuigende 



»••• 



.als 't niet kan» dan kan het nietr. 



in den geest en den zin van den onlangs overleden volks* 
dichter J. P. He\je: 



44 



DE RESIDENTIB-KAAHTEN 



Maar ik — ik haat dat lafCe lied : 
Eo, zoo mg God do kracht wil goDneo, 
Dan zeg ik: i,Wat er ook geschied' 
./t Moet konnenr* 

Toen éénmaal de baan gebroken was, werd na vieijarig op- 
onthoud (1858 — 1861) b\j de triangalatie opnieuw met kracht 
^voortgegaan. Men vergete niet, dat het personeel van den 
Geographischen dienst dit alleen heeft vermogen te doen met 
opoffering van alle geno^ns en gemakken van het hmsel^k 
leven, dikwijls door zich maanden lang achteréén af te zon- 
deren van de beschaafide maatschapp^*. 

Dr. Oudemans, na een hoogst nuttig, moeitevol en zeer 
werkzaam verblijf gedurende bijna 18 jaren in Indië, in April 
1875 op nieuw benoemd tot hoogleeraar in de wis* en na- 
tuurkunde aan de hoogeschool te Utrecht, is in afwachting 
van een herziening der bestaande regeling vau den Geogra- 
phischen dienst en van de oplossing der vraag, 6ï na ge- 
lieele beëindiging van de triangulatie op Java, het werk ook 
tot de buitenbezittingen behoort te worden uitgestrekt: tijdelgk 
als waarnemend Chef der 1^ afdeeling van het Marine Depar- 
tement vervangen door Dr. Bergsmia, directeur van het mag- 
netisch en meteorologisch observatorium te Batavia. 

Inmiddels was de topographische opname na voltooüog van 
Samarang (zie bl. 10) vervolgd in Soerakarta, Djokjakarta, 
Pekalongan, Tagal, deels ook in Madioen, overal zonder vaste 
punten, wijl de plaatsbepalingen door den Geographischen dienst 
eerst zgn bekend geworden tijdens de topographbche opname, 
nadat deze was afgeloopen, soms de uet-kaarteering reeds was 
aangevangen. Naarmate van de bekwaamheid der met de ver- 
kenning belaste officieren, van de ligging en de uitgestrektheid 
der residentiên, ook al van de moeilijkheden, voortspruitende 
uit den toestand van het terrein, heeft het gemis aan vast 
verband min of meer nadeeligen invloed op de kaarteering uit- 
geoefend, zgn bij een nadere vergelijking van de topographische 
opname en van het net door den Geographischen dienst gelegd, 
wijjzigingen noodzakel^k gebleken. Zoo lezen w^*, dat het ge- 
mis aan vaste punten in Samarang nauwelijks voelbaar 
was en het verband op de brouülons gevoegemk is hersteld; 
hetzelfde bleek lat^ het geval te z$n in Pekalongan en 
Soerakarta. In de uitgestrekte residentie Djokjakarta daar- 
entegen, bovendien een tot opname zeer moeidLgk tendb, alwaar 
de triangulatie-punten pas bekend werden, nadat de opnemars 
sinds twee jaar elders werkzaam waren, kwamen zulke aan- 
zienljke verschillen voor, hoofdzakelijk in de richting der zuid- 
westelijke grenzen van Solo, dat 30 détail-bla'den (d. i. onge- 
veer Vs der residentie) moesten worden hermeten* 

Ook de militaire opname van Madioen was reeds aangevan- 
gen, toen in 1865 het Gouvemements-besluit verscheen, waarbg 



de volgorde werd bepaald, b|j de verdere opname der gewesten 
te volgen; zoo mede, dat voor Krawang en voor West-Java 
de afloop der triangnlatilSn moest worden a%ewacht, alvorens 
daar de topographische werkzaamheden aan te vangen. 

Het tjjdstip, waarop deze hoogst gelukkige bepaling invloed 
begon uit te oefenen, valt tevens samen met een totale wijzi- 
ging in de methode van opemenen kaarteeren, welke sinds 1867 
langzamerhand ingevoerd, bg de uitgebreide instructiën van het 
jaar 1870 voor goed is vastgesteld. 

Behalve het gemis aan vaste punten tot algemeen verband 
werkten nog andere oorzaken mede, om de resultaten der 
topographische opname in de eerst aangevangen residentiên, zoo 
deze al voldeden aan de oorspronkelijke eischen eener alleen 
militaire verkenning, onbevredigend te mogen noemen met 
het oog op den graad van nauwkeurigheid, voor topographi- 
sche kaarten gevorderd. Hoewel deze opname stond onder de 
algemeene Directie der G«nie, vormende daarbg het 3« of 
Topographisch Bureau, en de werkzaamheden veelal door zeer ver- 
dienstelijke ofi&cieren werden geleid — waaronder vooma- 
meiyk de majoor Beyerinck, de kapiteins Versteeg en Ha- 
venga, de luitenants von Balluseck, Ockerse, Meijer en anderen 
— was aanvankel^k het personeel, officieren en minderen, 
samengesteld uit personen, geheel vreemd aan dezen specialen 
werkkring, grootendeels ongeoefend, welke de noodige kennis 
al doende moesten trachten te verkrjjgen. Een eigenlek ge- 
zegde methode werd niet gevolgd ; brigade-chefs en opnemers 
verkregen langzamerhand ieder een eigen overtuiging, doch 
verschilden veelal onderling aanzienlijk in opvatting, hoewel 
toch ieder op zich zelf voortwerkte. De kapitein de Seyff (1) 
bemerkte reeds in 1855, tijdens de militaire verkenning van 
Batavia en Buitenzorg, dat een veigelgking van de wijze van 
opnemen, op Java gevolgd, met dergel^'ke verrichtingen in Europa, 
voor Indië tot een onbevredigende uitkomst zou leiden : maar 
vermeende toch de gevolgde methode toenmaals de „meest prac- 
„tische en beste te zijn." De majoor Versteeg voegde daarb^ — 
en w\j gelooven in het jaar 1860 te recht — „dat de uitvoering 
„zoo goed is geweest als met mogelijkheid op de gevolgde 
„wijze k(m worden verkregen (2)". Wel is waar beschikte men 
soms, als door een gelukkig toeval, bij de topographische opname 
in Indië over meer ontwikkelde personen; doch daarop mocht 
niet altijd worden gerekend; in den regel werkte men met een 
voorloopig, niet altyd vertrouwd, veelvuldig wisselend personeel. 
Bovendien waren voor de of&cieren \jver en toew^'ding alleen 
niet voldoende, doch deed zich meer en meer de behoefte ge- 
voelen aan een grooter aantal en aan meer geschikte brigade-ohefs, 
ten einde het werk» waarvan het technisch beheer geheel aan 






(i) Nat. Tydschr. Toor N. L, Deel XI, bl. 368. 
(2) Nat. Ttjdschr. Toor N. I., Deel XXII, bl. 116. 






VAN JAVA EN MADOERA. 



15 



hen was opgedragen, doelmatiger te kannen verdeelen. Het 
middel evenwel om officieren te bekomen, knndig en bereid 
om zich geheel aan de topographisohe opname te w^den, ont- 
brak, daar deze tak van dienst niet geregeld was georganiseerd. 
In deze behoefte werd eerst voonien door de organisatie, vast- 
gesteld bii het Gbnvemements-beslait van 35 Maart 1864, vooral 
ook tot stand gekomen naar aanleiding van 's Konings begeerte, 
in 1868 nitgedrukt, tot regeling der statistische opneming van 
Java (1). Sedert maakte de Topographische dienst een zelf- 
standig onderdeel uit van de Directie der Genie en werd in 
1864 gesteld onder de leiding van den migoor-ingenienr Versteeg. 
Bj deze organisatie werd het Topographisch Burean aanzien- 
lek uitgebreid, en de opname verdeeld in vier afzonderlgke 
brigades, elke samengesteld uit twee officieren en tien mindere 
militairen. Met de eigenl\jke kaarteering, welke tot dien t\jd ge- 
deeltelgk op de plaats van opname zelve, deels op het Topogra- 
phisch Bnreau wasgeschied,behoefden de brigades zich verder niet 
meer in te laten; zjj zonden de brouillons, geteekend op 1 : 10,000, 
naar Batavia, alwaar verder de net-teekeningen en de verzamelkaart 
op 1 : 100,000 werden vervaardigd. Tevens werd de werkwijze 
gew^'zigd, voorloopig alleen nog in zoo verre, als deze tot op 
zekere hoogte zon worden voorbereid door het Topographisch 
Bureau, dat rechtstreeks met de leiding was belast. De werk- 
w^ze werd echter nog niet bepaald geformuleerd. Dat zulks niet 
aanstonds mogelijk was, bl\jkt, wanneer men er zich rekenschap van 
geeft, dat, behalve de vroeger reeds geheel voltooide kaarteering 
van Batavia, Buitenzorg, Cheribon, Banjoemas, Bagelen en Ea- 
doe, op het oogenbllk, dat de definitieve organisatie werd' vastge- 
steld, nog drie brigades werkzaam waren in de residentiën Sa- 
marang, Soerakarta, Tagal en Pekalongan, terwyl men reeds 
spoedig overging tot oprichting eener vierde brigade voor de op- 
name van Madioen. Alvorens de werkw^'ze voor goed vast te stel- 
len, behoorde het Topographisch Bureau onder de verschillende 
methoden, tot dien tjjd door de onderscheidene brigade-chefe em- 
pirisch toegepast — meestal wegmeting en veelhoeken- werk zon- 
der eenige geodesische berekening — de meest voldoende wyze te 
kiezen, en daaraan wiskunstige grondslagen toe te voegen tot daar- 
stelling van een algemeen verband b^' de topographische eischen, 
welke vroeger meer uitsluitend onderdeden en détails betroffen. 
Een voornaam punt van overweging betrof, op hoedanige wjjze de 
gegevens van den Geographischen dienst op de kaart zouden worden 
gebracht. Tot heden was dit veelal geschied door de brouillons, 
wanneer deze op het Bureau waren ontvangen, te passen en te 



(1) Na KoainklQke machtiging werd bij besloit van den Gouverneor- 
Generaal Tan Ned.-Indie 21 Febraar^ 1864 n». 1 (Stb. van Ned.-Indiö 
DO. 26) aan de Algemeene Secretarie een afdeeling „Statistiek" toege- 
voegd. De indienststelling Tan personeel bij de Statistische opneming Tan 
JaTa, enz. Tolgde den 2den Not. d.v., — zie bl. 18. 



wringen, totdat aan alle eischen tot op zekere hoogte, hoewel aan de 
meesten gemeenlek slechts onvoldoende werd beantwoord. Thans 
bleek het onverm\jdeliijk de coördinaten, uit de gaographisohe 
lengten en breedten bepaald, welke vroeger alleen waren toegepast 
op de overzichtskaart op 1 : 100,000, reeds vóór aanvang der 
opname bjj de inrichting van de detail-minuten op 1 ; 10,000 
in rekening te brengen. Deels waren de bladen, als die voor 
de opname ¥an Patjitan — later gevoegd b^ Zoid-Madioen — 
bereids op voormelde wigze aan het Topc^^phisch Bureau ver- 
vaardigd en aan de brigade-cheüs toegezonden. Was de opname 
reeds tot op zekere hoogte gevorderd, dan werden niettemin de 
noodige berekeningen toegezonden, om daarvan nog zoo véél 
doenlijk op het terrein partg te trekken, en te gel\jkertgd de nieuwe 
werkwijze geleidelgk in te voeren. Eindelgk voorzag men het 
personeel van deugdelgke instrumenten; de brigade-chefs van de 
theodoliet van Breithaupt of die van Fistor en Martins en van helio- 
tropen; de opnemers, van de boussole tranche-montagne, met 
behulp waarvan tevens het vertikaal verband, d. L de hoogte-me- 
tingen boven het oppervlak der zee, tot nu toe zeer onvoldoende 
behartigd, behoorl^'k in kaart kon worden gebracht 

Begrijpeljjkerwyze vond de nieuwe methode aanvankel^'k 
tegenkanting en had met veel bezwaren te kampen. Doch door-be- 
kwame en krachtige chefs geleid — onder welke voornamelijk 
de tegenwoordige kolonels Egter van Wissekerke en Pfeiffer, on- 
dersteund door den volhardenden \jver van latere brigade-chefs, 
heeft ten slotte die werkw\jze geleid tot uitstekende uitkomsten, 
waarbij de meerdere kosten ruimschoots .door betere resultaten 
worden opgewogen. Inderdaad hebben de sinds de laatste jaren in 
Indië vervaardigde residentie-kaarten een klassieke waarde ver- 
kregen, geheel beantwoordende aan het tegenwoordige stand- 
punt der wetenschap. 

De wjze, waarop die vervaardiging thans geschiedt is vervat in 
de Instructiën voor den Chef van den Topographischen dienst, voor 
de bngade-chefe en het ondergeschikte opnemers-personeel b^' de 
Militaire verkenningen, vastgesteld op den 1«*«° November 1870 
door den toenmaligen Kommandant van het leger in Neder- 
landsch-Indie, den luitenant-generaal W. E. Kroesen (2). 



(1) Algemeene Orders Toor bet Indisch Leger, n**. 164, beTattende 

a. Instroctie Toor den Chef van het Topographisch Bnreaa en der 
Bftilitaire Verkenningen; 

b. Instroctie Toor de Brigade-Cbefs — waarby een Nota Tan Toelichting 
is Terstrekt; 

c. Instructie Toor het ondergeschikt personeel b\j de Militaire Ver- 
kenningen — eTeneens met éen Nota Tan Toelichting. 

De formatie van bet per^neel voor het Topographisch Boreaa en de 
Militaire Verkenningen is Tastgesteld op 15 Nov. 1870 (Alg. Orders n"*. 177). 

Het bebeer, enz. van den instramentmakers-winkel, bet litbogi*apbiscb 
etablissement en bet pbotograpbisch atelier is* geregeld by de Orden 



16 



DE BESIDEKTIE-KAARTEN 



Volgens deze regeling, den SOsten Maart 1876 bjj Koninklyk 
Besluit gedeeltelqk gewijzigd en nader organiek vastgesteld, maakt 
den Topographischen dienst een onderdeel uit yan den Generalen 
staf» namel^k yan het Hoofdbureau (1), en is samengesteld uit : 
V. het Topographisch bureau te Batavia, waarby 

1 Majoor of Luitenant-kolonel van den Generalen staf, als 
Chef (2), 
1 Kapitein van den Generalen staf (adjunct) » 
S Luitenants (gedetacheerd), en 
het geheele teekenpersoneel, ongeveer 34 personen, zoo 
Europeanen als Inlanders, 4 schrijvers en bedienden; — 
8°. zes opnemings-brigades, elk van 2 officieren — een kapi- 
tein van den Generalen staf als chef, en een luitenant (gedeta- 
cheerd) voor de tertiaire triangulatie, wegmetingen, enz. — 
benevens 12 mindere militairen als opnemers; — 
3°. het photographisch atelier; — 
4°. het lithographisch etablissement; — en 



▼oor de Genie (aanyankelfjk maakte de Topographische dienst een onder- 
deel uit Tan de Directie der Genie, zie bl. 14} van 30 Jali 1870 
no. 8, bti de Alg. Orders Tan 15 Jali 1870 nos. 79 en 80, 15 Nov. 
1870 n^ 175, enz. Zie ook Stb. voorN.-I. 1869 n°. 129. 

De theoretische eischen, waaraan de officieren, die bij het Topographisch 
Bureau en de Militaire Verkenningen wenschen te worden geplaatst, 
moeten Toldoen, waren reeds vroeger, op den 31 sten Januari 1870, vastge- 
steld (Alg. Orders n°. 5). Deze omvatten: 
1°. voor de Wiskunde : 

a, de stelkunst, tot en met de vierkantsvergelij kingen, en het gebruik der 
logarithmen; 

b, de gewone meetkunst, tot en met de bolvormige driehoeksmeting; 

c de beschrijvende meetkunst, tot de wording en de verdeeling van ge- 
bogen oppervlakken in ontwikkelbare en onontwikkelbare, in verband 
met de kaarten-projectién; -^ 
2®. voor de Geodesie: 

a. de topographie, tot de beschr^ving en het gebruik van eenvoudige meet- 
instrnmenten, het situatie- teekeneu — ^vlak-en bergterrein — en waterpassen; 
b.degeomorphie, tot een ruim begrip omtrent de gedaante der aarde, het 
triangttleeren, het geodesisch waterpassen en de kaarten-projectiën, in- 
zonderheid de gewijzigde projectie van Flamsteed, benevens het gebruik 
van de geographische gegevens tot samenstelling van kaarten. 
Nadat de kandidaten aan voormeld examen hebben voldaan, moeten z\j 
nog bij één der brigades genoegzame bl\jken geven van practischc ge- 
schiktheid, om voor een plaatsing b^ den Topographischen dienst in aanmer- 
king te komen. 

(1) Dit Hoofdbureau vormt tevens de 7de Afdeeliog van het Depar- 
tement van Oorlog te Batavia. 

(2) Tot 1874 de Luitenant- kolonel K. L. Pfeiffer, thans Kolonel en 
Chef van den Generalen staf bfj het Ned«-Indi8ch leger: als Chef van 
den Topographischen dienst vervangen door den Luitenant-kolonel Havenga 
(ziet de laatste organisatie van den Generalen staf. Kon. besL 30 Maart 
1876, n«. 19, Slbl. Ned.-Ind. n«. 158). 



B"*. de instrumentmakerswinkel; behoorende de drie katslge* 
noemden rechtstreeks tot het Topographisch Bureau. 
De geheele Topographische dienst beschikt dus voltallig over 

ongeveer : 
16 officieren (8 van den Generalen staf), 
16 militaire opzichters !•*«. 2<>». en 3**. klasse, 
66 onderofficieren en minderen, 
61 élèves, drukkers, handlangers en bedienden (Europeanen 

en Inlanders). Dit personeel is echter niet compleet: b^' de 

opnemings-brigades ontbraken in 1876 ongeveer 17 personen. 

In het algemeen mag tot de topographische opname van 
een gewest niet worden overgegaan, alvorens van den Geogra- 
phischen dienst alle ter zake vereisohte gegevens z\jn ontvangen, 
bestaande in opgaven van : 

1°. de geographische breedte en lengte der bepaalde pri- 
maire en secondaire punten (de lengte ten opzichte van den 
meridiaan, gaande over de t\jdklep van Batavia); 

2°. de azimuths en afstanden dier punten, waarbij een 
onderlinge afstand van 40,000 meters tusschen bedoelde punten 
als uiterste grens is aangenomen; en 

S°. de hoogte dier punten boven het oppervlak der zee. 

Aangezien tot het in kaart brengen de gew^'dgde projectLe 
van Flamsteed is aangenomen, toegepast op elke residentie 
afzonderlijk dan wel op eenige residentiën te samen, daarvoor 
een geschikt geheel uitmakende, wordt alvorens de juiste lig- 
ging van de triangulatie-punten berekend, uitgedrukt in coör- 
dinaten, zoo ten opzichte van den midden-meridiaan en de 
midden-parallel van de residentie of der te kaarteeren gewesten, 
als ten opzichte van de zijden der afzonderlijke bladen, waarin 
de geheele détaU-kaart moet worden verdeeld. Eveneens worden 
de afstanden der signalen onderling berekend, wanneer die niet 
reeds door den Geographischen dienst zijn opgegeven. Met behulp 
van meergenoemde coördinaten worden dan de door den Geogra- 
phischen dienst bepaalde primaire en secondaire punten overge- 
bracht op de brouülon-bladen, (vierkanten van O.m 65 zjjde, 
gemiddeld 4 minuten in lengte en breedte), verdeeld in ruiten 
van 5 cm. Deze laatsten worden weder zoodanig onderverdeeld in 
kleinere ruiten, dat, naar mate van de aangenomen schaal — als 
regel 1 : 20,000, alleen by uitzondering als vroeger 1 : 10,000, 
voor woeste en onbewoonde streken, zoo noodig een schaal 
kleiner dan 1 : 20,000 — de zgde van elke kleine ruit een 
lengte voorstelt van 100 meters. Nadat voorts op de keerzyde der 
brouillons de noodige aanteekeningen zyn gesteld, worden dezen 
in duplo of in meerdere exemplaren, met een kaart uit den atlas 
van Melvill van Cambée of eenige andere voorloopige kaart van de 
op te nemen residentie, benevens een aantal benoodigde staten en 
opgavQii, toegezonden aan de brigade-chefs, ten einde de opname 
op de brouillons in kaart te brengen. Behalve met de regeling 
van de technische en de administratieve controle over het werk 



VAN JAVA EN MADOERA. 



17 



^er biigadea, waartoe de Chef van den Topographischen dienst 
inspectie-reizen houdt, is het Topographisch Bureau belast, na 
üntvangst der b\j de brigades bewerkte brouillon-bladen, daar- 
?an net-copiën te vervaardigen, wordende de brouillon-bladen 
selye gesteld ten dienste van de statistische opneming; eindel^k, 
met de samenstelling van de algemeene met arceeringen en 
kleuren bewerkte overzichts-, zoogenaamde residentie-kaarten 
op 1 : 100,000, welke in Nederland doormiddel van chromo- 
lithographie worden gereproduceerd. 

De rechtstreeksche opname van het terrein . wordt onder 
goedkeuring van den Chef vanden Topographischen dienst geregeld 
door de respectieve brigade-chefs. Na ontvangst uit Batavia 
van de brouillon-bladen en overige noodige bescheiden, stallen 
zy b\j een algemeene verkenning na plaatselijk onderzoek en 
ingewonnen informatiên het werkplan vast, waarna een tertiaire 
meting tusschen de reeds geographisch bepaalde primaire en 
secondaire pimten, door de plaatsing van hulpsignalen met den 
theodoliet (Breithaupt, of Pistor en Martens) kan worden 
onder handen genomen. Sinds kort (Indisch Besluit van 15 
April j.l. n®. 12) wordt ook het behoud der tertiaire hoekpunten 
verzekerd door middel van gemetselde pilaren. Als regel be- 
hooren op elk brouillon-blad één of twee primaire, secondaire of 
tertiaire punten te vallen (1). Vervolgens worden de hoofd- en de 
binnenwegen opgenomen, beiden met de boussole tranche-mon- 
tagne en de meetketting, en op de brouillons ingeteekend; dien- 
tengevolge zal het terrein als van zelve verdeeld zijn in 
veelhoeken, welke daarna met inachtneming van alle b^zonder- 



({) De brigade-chef ontTangt o. a. een sigoaal-kaart van de resi- 
dentie op 1 : 100,000, waarop de aangenomen assen, de indeeling der 
bladen, de door den Geographischen dienst bepaalde signalen (primaireen 
secondaire punten), benevens alle daartasschen berekende afstanden z\jn 
ungegeven. Deze kaart wordt door den brigade-chef aangevuld met de 
tertiaire panten, de tnsschen dezen berekende aistanden en de terrein- 
hoogten, b^ de brigade bepaald; voorts toekent bij daarop de grenzen 
der residentie en het net der hoofdwegen. De signaal -kaart is bestemd om 
later te worden overgelegd bg de algemeene residentie-kaart, teri-epro- 
dactie naar Nederland op te zenden. 

Tot eeo jaiste aansloiling aan vioeger opgenomen gewesten wordt aan den 
biigade-cbef toegezonden een kaart der grensmetingen van de belendende 
residentieo, voor zoo verre deze noodig en voorhanden is, waarop zooveel 
nogd^k de dichtst bijgelegen signalen zijn gesteld. Slnitde opname aan 
gewesten, die nog niet in kaart zp gebracht, dan tracht men het werk te 
begrenzen door wegen — dezen des noods te kappen — door rivieren of andere 
meetbare l^oen. Maken dezen niet tevens de grenzen uit van het gewest, 
dan zal de opname daarbuiten uitgestrekt, binnenwaarts teruggetrokken, 
of wel gedeeltelp binnen, gedeeltelijk buiten de grenzen worden bepaald. 
Op die w(jze tracht men de meting van de residentie-grenzen, welke 
veelal uit den aard van het terrein groote moeielfjkheden oplevert, zoo- 
veel mogel^k te verzekeren. 



heden worden opgenomen, terwijl de uitkomsten in kleuren 
op de brouillons worden gebracht (1). 

De hoogten worden zoo nauwkeurig doenlijk gemeten en op 
de brouillons door tranches aangegeven; de afstand der hori- 
zontale sn^dingsvlakken bedraagt bij de schaal van 

1 i 10,000 5 meters, 

1 : 20,000 10 id. , en 

1 : 100,000 50 id. 

Als grens van nauwkeurigheid worden bjj de verticale metingen 
verschillen van meer dan één tranche niet geduld. 

Behalve met de leiding der opname is bovendien de brigade- 
chef belast met de samenstelling van een topographische beschr\j- 
ving en van een afstandw\jzer met schetskaart op 1 : 500,000 
van de residentie, alwaar zijn brigade werkzaam is (2). 

De juistheid, waarmede na de voortreffelijke regeling van het 
jaar 1870 de opname van Java geschiedt, blijke uit de omstan- 
digheid, dat o. a. bij de topographische opname van Patjitan 
(residentie Madioen) verschillen z^n aangetoond met de hoogte- 
cijifers, door den Geographischen dienst bepaald; terwijl een ander 
maal van voormelde z\jde bedenkingen werden ingebracht omtrent 
de keuze van enkele primaire en secondaire punten. Hoewel 
veelal zonder invloed tot wijziging van het vertikaal of hori- 
zontaal verband, bewjjzen die bemerkingen op zich zelf, dat de 
laatstelijk vastgestelde instructiën voor de topographische op- 
name tevens een gewenschte contrdle tusschen de b\j de opname 
betrokken takken van dienst hebben in het leven geroepen. 

Onwillekeurig r\jst de vraag, welken invloed de fout, ontdekt 
in de vroegere basis-meting van Cheribon, moet uitoefenen 
met betrekking tot de nauwkeurigheid der tot dusverre voltooide 
residentie-kaarten van Java? 

De correctie, dientengevolge in het triangulatie-net noodig 



(1) In Indië bezigt men voor het inteekenen van de wegen en van alle 
bijzonderheden, door rechtstreeksche meting verkregen, bet eigenaar- 
dige woord „opdragen." 

Als grens van nauwkeurigheid bü de opname big ven, voor de hoofd- 
wegen, verschillen van 1 : iOOO; voor de binnenwegen en alle horizontale 
metingen, verschillen van i : 500 der geheele lengte, buiten beschouwing en 
geven geen aanleiding tot hermeting. 

(2) In 1875 is hg de 7de afdeeling vau^et Departement van Oorlog 
(onderafdeeling Topographische dienst) uitgegeven een „Terreinleer.** Hoe- 
wel de Sch. bescheidenlijk op den voorgrond stelt, dat z^jn werk, waarbQ 
vooral de invloed van het terrein op oorlogshandelingen is in het oog 
gehouden, niet voorziet in een eigenlek gezegde geodesische handleiding, 
is hij er niettemin in geslaagd op een beknopte, duidelijke, voor ieder be- 
vattelyke wQze te ontvouwen, hoedanig de topographische opname en de 
voorstelling van het terrein in Indié geschieden. Ook is daarby gevoegd 
een verklaring der teekens (in kleuren en in zwart), zoo als die voor* 
komen op de détail-kaarten der militaire opname. 

8 



18 



DE RESIDENTIE-KAABTEN 



geacht door den Hoofd-Ingenieur van den Geographischen dienst, 
werd eerst bekend, toen op het Topographisch Bureau te 
Batavia reeds een aanvang was gemaakt met de net-teekening 
van de gearceerde overzichts-kaart der residentie Madioen. Gaat 

men nu na, dat de correctie van ^^-, als voorloopig bepaald 

naar aanleiding van de nieuwe basis-meting bij Semplak (Buiten- 
zorg, bl. 12), toegepast op een afstand vaa ongeveer 56860 
meters — zynde de grootste distantie tusschen twee nabij elkaar 
gelegen primaire punten in Madioen — een positief verschil 
aangeeft van 94,7 meters; terw\jl bij de aangenomen grens van 
nauwkeurigheid voor de topographische opname, verschillen van 
1 : 1000 buiten beschouwing worden gelaten: dan blykt, dat de 
fout, welke in bovenstaand geval een hermeting zou noodig 
maken, niet meer dan 37,9 meters bedraagt. Zonder nu zulk een 
onnauwkeurigheid te willen gering schatten, merke men op, 
dat een dergelyke correctie, voor de grootste afinetingen in de 
jengte en de breedte der residentie-kaart van Madioen op de 
schaal van 1 : 100,000 voorgesteld door 0,5 tot 0,9 mm., 
gerust buiten rekening mag blijven. Een juiste correctie op 
die schaal dreigt inderdaad reeds door de uitzetting of de in- 
krimping ■ van het papier gedurende de bewerking of b^ het 
drukken van de kaart verloren te gaan. 

Moge in het algemeen de nauwkeurigheid der vroegere geo- 
desische en astronomische waarnemingen op Java, even als de 
metingen van den luitenant-generaal Baron Krayenhoff in Ne- 
derland, of die, weleer uitgevoerd in Zwitserland, Wurtemberg, 
Zweden, enz. niet juist genoeg zjjn, om bij het tegenwoordige 
standpunt der wetenschap' te voldoen aan de eischen voor eeu 
graadmeting, toch is onzes inziens de opname van Java zoowel 
als voormelde opnemingen elders, alleszins voldoende tot topo- 
graphische doeleinden. 

Alvorens ten slotte te omschrijven, op welke w^'ze de samen- 
stelling geschiedt van de tot reproductie bestemde overzichtskaar- 
ten op 1 : 100,000, nog een korte vermelding omtrent de Staiisti- 
iche opneming van Java, reeds vroeger aangestipt ; waarb\j tevens de 
wisselwerking zal blijken, die er bjj de opname van Java tusschen 
het civiele bestuur en het militaire departement in Indië bestaat. 

Beeds langen t^'d hadden sommige misbruiken, welke b\j 
de toepassing van het stelsel vén landrente, cultuur- en heeren- 
diensten waren ingeslopen, de aandacht der Begeering(l) tot zich 
getrokken en naar middelen doen uitzien, om daaraan een einde 
te maken, toen in het laatst van 1851 de Directeur der cultures, 
de Heer Schiff, last ontving, om in de residentie Gheribon een 
proef te doen nemen met onderzoekingen en opnemingen, bc' 
treffende de uitgestrektheid en de verdeeling der velden, de 
wederkeerige rechten en verplichtingen van den souverein, van 



II den grondbezitter en van de inlandsche hoofden, en met betrekking 
tot de belasting, de cultures en de heerendiensten, tot telling van 
de bevolking, den veestapel, den toestand van den grond, enz. 
Omtrent deze proef-onderzoekingen werd twee jaar later door be- 
doelden Directeur verslag uitgebracht, waaruit evenwel bleek, dat 
slechts geringe resultaten waren verkregen. Dit gaf aanleiding tot 
de reeds vermelde beschikking van 25 Dec. 1853 (bl. 7), waarby 
bepaald werd, dat de residentie Gheribon, tevens in verband 
met de onderzoekingen ten behoeve van het civiele bestuur 
van wege het militaire departement zou worden opgenomen. 

De gunstige uitkomsten, verkregen door de statistische op- 
neming in Cheribon, daarna in Batgoemas en Bagelen vervolgd, 
deden 's Konings Eegeering in '63 besluiten dergelijke opname 
over geheel Java voort te zetten, in verband met de topogra- 
phische militaire opname, welke inmiddels de Statistiek In 
vier residentiën vooruit was. 

Het in '63 gehouden overleg tussdien de respectieve Chefs 
van de Statistiek, den Topographischen en den Greographischen 
dienst had in de eerste plaats ten gevolge de reeds bespro- 
ken organisatie van den Topographischen dienst van 25 Maart 
1864 (bl. 15), daarna op den 2den November van hetzelfde jaar 
de regeling der statistische opneming voor die gewesten van 
Java« waar landrente wordt geheven (1). Tevens was b\i hetzelfde 
besluit gezorgd voor de behoorlijke b^'houding van de kaarten en 
de uitkomsten van de statistische opneming, door de oprichting 
te bepalen van een kadastraal-statistisch bureau in elk gewest, 
waar die opneming genoegzaam zou z\jn gevorderd. Aan het 
hoofd dier bureau's staan speciale ambtenaren, gekozen uit het 
kader der controleurs van het Binnenlandsch Bestuur (2). 

De statistische opneming, welke volgens de besprekingen van 
'63 de topographische verkenning op den voet zou volgen, maakt 
daarbij, als vroeger gezegd, gebruik van de brouillon-bladen — 
vroeger geteekend op 1 : 10,000, thans gewoonlgk op 1 : 20,000 — , 
welke haar van wege het Topographisch Bureau worden toege- 
zonden; tot grondslag dienende b\j de vervaardiging der zooge- 
naamde „diatrikt-kaarten", op hare beurt de leiddraad tot de 
„dessa-kaarten" op 1 : 2500, waarop de verschillende belastbare 
deeleneener dessa in haar geheel volgens de juiste verhouding 
en ligging voorkomen. Tot in 1874 droegen deze dessa-kaarten» 
waarop met dezelfde teekens als voor de topographische opname 
gebezigd, de onderscheiden sawah- en tegalvelden, vischvijjvera» 



(1) Koloniale Verslageo orer 1852 eo 1855. 



(1) Ziet de Staatsbladen van Ned.-Indie 1864 no. 166, 1866 no. 50^ 
1866 no. 85, 1867 n»*. 63 en 76, 1869 no. 1, 1871 no. 22 en 120. 
allen belrekking hebbende op de indieuslstelling van personeel b^ de Sta-* 
tislische opneming van Java, enz. Eveneens de Stb. 1865 n»*. 14 en 129. 

Voor de Statistische opneming en andere opgaven, leest ook het B(jblad 
op het Staatsblad van N.-I. n<». 1015, 1070 en 1217, 1115. 1227, 
1265, 1353. 1814, 1821 en 1955. 

(2) Staatsblad van Ned.-Indié, 1867, no. 63. 



VAN JAVA EN MADOERA. 



19 



nipa- en klapper-bosschen, de dessa's zelve met onder-dessa's 
(doekoes, ^'antelans, enz.) in kleuren waren voorgesteld, eigen- 
1^'k het karakter van cultuur-kaarten; sedert is daaraan nog meer 
het karakter van kadastrale kaarten gegeven, waarb\j echter de 
juiste bepaling van de oppervlakte, niet de topographische voor- 
steUing van het terrein het hoofddoel blyft. De beschrijving der 
plaatsbenamingen wordt officieel aangegeven door de dessa-l|jsten, 
opgemaakt door de distrikt-hoofden, daarna in Eomeinsche ka- 
rakters vastgesteld door twee van Gouvernementswege aange- 
wezen taalkundigen, zijnde de Heer Holle, adviseur-honorair 
voorLüandsche Zaken, tot transcriptie van de Soenda'sche, en de 
Heer Co hen Stuart (onlangs overleden) van de Javaansche karak- 
ters (1). Nu luidt het voorschrift, dat de statistische ambte- 
naren den Chef van den TopograpMschen dienst in kennis moeten 
stellen met alle ontdekte verschillen of sedert voorgevallen ver- 
anderingen op de brouillon-bladen, welke, na algeheelen afloop 
der statLstische opneming van het betrokken gewest, aan het 
Topographisch Bureau worden teruggezonden. De reproductie van 
de overzicht s-kaarten op 1 : 100,000 mag niet plaats hebben, alvo- 
rens door de statistische opneming z^ verklaard, dat op de topo- 
graphische detailkaarten geen misstellingen zijn ontdekt, die van 
invloed kunnen zyn op de algemeene residentie-kaart: tevens 'de 
verbeterde spel- en schriyfn'ijze der plaatsnamen ontvangen is. 
Opvolgend onder de leiding van de Inspecteurs, de HH. 
Fhitzinger, Dinger, thans de Heer Wessels, zyn reeds statis- 
tisch opgenomeu de residentiën Cheribon, Banjoemas, Kadoe, 
Bagelen, Pekalongan, Tagal, Samarang en Japara. De residen- 
tiën Madioen en Rembang zgn nog onderhanden ; voor Cheribon 
en Banjoemas is een heropneming door de Statistiek gelast. 

Yolgens de brouillons nu, vervaardigd naar het veld- 
werk der opnemings*brigades, te geligkertijd met gebruikma- 
king van alle gegevens, door de Statistiek verschaft, worden 
op het Topographisch Bureau te Batavia de overzichts- 
kaarten op 1 : 100,000 geteekend. Aanvankelijk geschiedde 
de voorstelling van het bergterrein — waartoe de methode 
van Lehmann met loodrechte verlichting eenigzins gewijzigd 
is gevolgd — met gewassen tinten (Kadoe, Banjoemas en 
Bagelen) ; later z\jn voor alle te Batavia geteekende residen- 
tie-kaarten, in de alvorens behoorlijk gegroepeerde beigpart^jen 
arceeringen aangebracht. 

Zoo de net-brouillons op 1 : 20,000 als de overzichts-kaarten 
op 1 : 100,000 vormen een teekenarbeid van zeldzame en on- 
overtroffen waarde. 

Tot in het jaar 1867 werden van deze overzichts-kaarten, ten 
gebroike van het Gouvernement niet meer dan 3 of 4t copiön 
vervaardigd, toen een correspondentie met den Heer Cohen Stuart 



(I) Bijblad op bel SUaUblad van Ned.-Iodia» d» 1489. Beslait vaa den 
Goavemear- Generaal vao 29 lali 1863, no. 31. 



omtrent de beschr^ving der kaarten aanleiding gaf tot het voorstel 
door het Militair Departement, om dezen, niet alleen tot krijgskun- 
dige maar ook tot economische doeleinden als kultuurkaart van 
veelzijdig nut te achten, te doen drukken en in den handel 
te brengen. Inmiddels zou, volgens berekening, de reproduc- 
tie in Indië van alle residentiën van Java en Madoera, binnen 
18 jaar te voltooien, ongeveer ƒ841,000 kosten. Instemmende 
met het nut eener meer algemeene verspreiding dier kaarten 
door uitgave, achtte het Indische Gouvernement evenwel de kosten 
te hoog, en trad men in overleg met het Ministerie van Oorlog 
in Nederland, ter beoordeeling, in hoeverre, op welke vnjze 
en binnen welke tijdsruimte de reproductie aan het Topogra- 
phische Bureau te 's Hage, toenmaals onder de leiding van 
den kolonel van den Generalen staf Besier, op gunstiger voor- 
waarden zou kunnen geschieden. Het antwoord dezerzjds 
luidde zoo bevredigend, dat aan Z^ne Majesteit den Koning 
machtiging werd gevraagd en door den Koning vergunning werd 
verleend, om de residentie-kaarten te doen reproduceeren door 
kleurendruk, elke afzonderlijk tot een oplage, aanvankel^'k be- 
paald op ruim 260 exemplaren. Baamde de Eegeering zoodoende 
den lande ongeveer 2 tonnen gouds te kunnen besparen, boven- 
dien rekende men er op de reproductie, mits de terrein-opname 
snel genoeg vorderde, binnen 10 jaar te kunnen voltooien : 
de kaart van elke residentie binnen twee jaar na de toezen- 
ding der voltooide overzichts-bladen. De vervaardiging zou 
geschieden naar de nieuwste vindingen van het Topographisch 
Bureau te 's Hage, voor een groot deel verschuldigd aan den 
Heer Eckstein, wiens procédé*s de reproductie van chromo- 
lithographische kaarten als in Nederland op een elders onge- 
kende hoogte heeft gebracht, en ook voor toepassingen op het 
gebied van kunst een schoone toekomst hebben geopend. 

Hoewel bij de ontvangst van 's Konings machtiging reeds 
5 a 6 residentiën ter vervaardiging gereed lagen, achtte het 
Indisch bestuur de bestaande teekeningen van de residentie Bata- 
via en van Buitenzorg, reeds in 1867 voltooid op 1 : 60,000, 
aanvankelgk ook de overzichts-kaart van Cheribon, eenerzijds 
onvoldoende, anderzijds reeds te veel verouderd om te wor- 
den gereproduceerd: zoodat een aanvang werd gemaakt met 
de residentiën Kadoe, Banjoemas en Bagelen. Pas in 1866 
aan het Ministerie van Oorlog toegezonden, konden de eerste 
vijftig exemplaren van Bagelen reeds in Juni 1866 als voorbeeld 
van bewerking aan het Departement van Koloniën worden 
aangeboden. De aflevenng der drie eerste residentiën geschiedde 
in den aanvang van 1868, d. i. binnen 2r jaar. 

Sedert is de reproductie aan de Topographische Inrichting 
te *s Hage voortgezet onder de zeer verdienstelijke leiding van 
den generaal-majoor Besier (tot 1872), daarna onder die van den 
kolonel Eodi de Loo (tot 1876), van den luitenant-kolonel Eoloff 
(tot 1876), thans van den luitenant-koloneljvanHellenbeigHubar, 
allen van den Generalen staf, zonder ander oponthoud dan dat, 

8* 



20 



DB BESIDENTIE-KAARTEN 



Teeltgds veroorzaakt door een vertraagde toezending uit Indië van 
de minunt-kaarten, de statistische bescheiden en de staten der 
verbeterde plaatsnamen. 

Tot op heden z\jn vervaardigd en in Nederland in den 

handel gebracht (1) de navolgende residentie-kaarten , als van : 

Kadoe (1868), in 3 Bladen, (prjjjs /2.50) 



Bagelen (1868), 
Banjoemas (1868), 
Djokjakarta (1869), 
Pekalongan (1871), 
Samarang (1873), 
Soerakarta (1873), 
Tagal (1875), 

Japara (1875), 



)9 



9> 



}l 



» 



)> 



i> 



» 



»> 



4 „ ( .. 


„ 6.00) 


8 » ( >i 


„ 8.60) 


4 „ ( „ 


„ 6.00) 


1 Blad ( „ 


„ 2.50) 


6 Bladen ( „ 


„ 6.50) 


6 „ ( „ 


„ 7,50) 


2 }y ( „ 


„ 4.00) 


4 „ ( „ 


„ 3.00) 



De reprod actie der residentiêD Krawang, Madioen, Kediri 
en Bembang is nog in bewerking. Yan de residentiën Krawang 
en Kediri geschiedt hier te lande niet alleen de reproductie, 
maar ook de samenstelling van de overzichtskaart op 1 : 100,000 
nit de détail-bladen op 1 : 20,000 : een proef, die blgkt geen be- 
zwaar op te leveren, en uit het oogpunt eener verstandige 
verdeeliog van arbeid, wanneer b\j veelvuldige werkzaamheden de 
t\jd te Batavia niet beschikbaar is, alleszins aanbeveling verdient. 
De residentiën Batavia, de Preanger, Soerabaijja, Pasoeroean 
en Probolingo worden nog overgeteekend of topographisch op- 
genomen ; Bantam, Bezoek! en Banjoewangi zyn nog alleen 
getrianguleerd. Cheribon, waarvan de kleuren allen reeds zijn 
gedrukt, wacht tot voltooiing op de gedurende lange jaren 
uitgestelde statistische heropneming, welke thans eerst is aan- 
gevangen (2). 

Ten einde, in afwachting van de hier te lande plaats heb- 
bende chromo-lithographische reproductie der residentie-kaarten 
(3), inmiddels de militaire en civiele autoriteiten in Indië zoo spoe- 
dig doenlijk in het bezit te stellen van de nieuwste topographische 
kaarten dier gewesten, wordt sedert 1872 bij het Topogra- 
phisch Bureau te Batavia, behalve de ter lithographische repro- 
ductie bestemde gearceerde en gekleurde teekening, ook een 
geheel in Oost-Indischen inkt bewerkte en gewassen teekening 
der overzichts-kaarten saamgesteld, bestemd om door middel 
van de photographie te worden vermenigvuldigd. Dusdanige 



(t) De uitgave der residentie -kaartea geschiedt voor bet Departement 
van Koloniën door den Heer Otto Petri te Rotterdam. Van eenigen dezer 
kaarten is de eerste oplage reeds aitverkocht ; een tweede druk is 
onder banden genomen en voor Bagelen reeds voltooid. 

(2) Plaat II geeft eene grapbische voorstelling van den stand der 
topographiscbe opname en der reproductie van de residentie-kaarten 
van Java en Madoera, zoo ver als dezen in 1876 gevorderd z^n. — Ziet , 
omtrent andere kaarten van Java en den Indiscben Archipel het 
„Aanhangsel." 

(3) Leest omtrent bet nemen van copien der topographiscbe kaarten, 
de Beladen op het Staatsblad voor Ned.-Indië, not. 2016 en 2150. 



gephotographeerde residentie-kaarten op de schaal van 1: 100,000, 
voor het publiek verkrijgbaar, z\jn reeds gereed van ELrawang, 
Tagal, Pekalongan, Soerakarta, Samarang en Madioen; die van 
Japara op de schaal van 1 : 200,000; de prjjzen dezer kaarten 
zijjn uit den aard der zaak vr^j hoog. Bovendien zijn van de 
voornaamste hoofd- en gamizoensplaatsen op Java détail-kaarten 
op 1 : 20,000 vervaardigd, daarna gereproduceerd door photo- 
lithographie (in Indië veelal photo-autographie genoemd); deze 
kaarten kunnen vervolgens worden gekleurd (1). 

Proeven tot reproductie van kaarten door lichtdruk (Albert- 
typie) worden ook in Indië met succes genomen. 

By het geschiedkundig overzicht van de wording der re- 
sidentie-kaarten trachtten w^' vooral te doen uitkomen, dat drie 
Departementen van Algemeen Bestuur in Nederlandsch-Indië 
samenwerken tot de opname van Java en Madoera, als : 

de Oeographiache dienst, behoorende tot het Departement 
van Marine; de Topographische IHend, deel uitmakende van 
den Generalen staf en het Departement van Oorlog; en de 
Staüstische opneming , als onderdeel van het Binnenlandsch Be- 
stuur. Elk dezer onderdeelen heeft zich, sinds een defini- 
tieve regeling van zijn werkzaamheden, krachtig ontwikkeld. De 
Geographische dienst, oorspronkelijk ingesteld tot het verrich- 
ten van astronomische plaatsbepalingen, is reeds ver gevor- 
derd op den weg, om zijn waarnemingen dienstbaar temaken 
aan een graadmeting. De Topographische dienst, aanvankelijk be- 
stemd tot terrein-opname, uitsluitend voor militaire doeleinden, 
heeft tevens door zijn verrichtingen het werk van den vrede 
bevorderd; in zooverre de door haar uitgevoerde détail-kaarten 
reeds strekken tot grondslag van binnenlandsch beheer, de 
heffing van de landrente vergemakkel\jken, den weg wgzen b\j 
den aanleg vanopenbare werken, enz. De Statistiek, sinds 1851 
aangewend als proefmiddel van controle, heeft geleid tot een 
aanzienlijke vermeerdering der kennis van land en volk : niet 
onwaarschijnlijk den grondslag gelegd tot de zoo lang gewenschte 
kadastrale stichting. Huldigen w^* in het algemeen by elk dier 
verschillende takken van dienst een groote mate van individueele 
ontwikkeling, daarentegen onderkent men b\j elk Departement 



(1) De methode der pholo-lithographie. mits goed toegepast, kan 
tot een snelle en goedkoope vermenigvuldiging van lijn- teeken ingen» kaarten 
met tranches en hachuren, enz., zeer bevredigende uitkomsten opleveren. 
Bg de reproductie van voormelde kaarten te Batavia wordt de teekening 
met behulp van bet photographisch negatief eerst op papier, daarna op 
steen overgebracht. Aangezien daarbij bet papier een vrQ aanmerkelijke 
en ongelijkmatige rekking in de breedte ondergaat, moet het beeld der 
kaart, om behoorlijk aan de nevenliggende bladen te sluiten, vrQ belangrijk 
worden verwrongen. Dit nadeel is te vermijden, wanneer men het negatief 
onmiddell^k overbrengt op steen; de kaartbladen vervolgens droog tU 
drukkende, worden de juiste afmetingen bebooden. 



VAN JAVA EN MADOERA. 



21 



in het byzonder, in zooverre bet geldt een gezamenl\jke bevorcle- 
ring Tsn bet zelfde doel, namelyk een nauwkeurige en spoedige 
opname van Java, een te zel&tandig volgen van eigen richting, 
ten slotte ontaardende in gemis aan de vereischte samen- 
werking onderling. 

De scbuld daarvan licht onzes inziens niet aan de deugde^ 
lijkheid der raderen van bet groote werktuig, maar aan bet 
gebrekkige hunner verbinding. Zonder verder naar de oorzaken 
te vorscben, constateeren wy alleen het feit en de nadeelige 
gevolgen, daaruit voortspruitende. 

Bij de opname van Cberibon was aanvankelijk de Topogra- 
phiscbe verkenning den Geograpbiscben dienst vooruit. Wel vor- 
derde daarna de geodesische opneming spoedig; doch in plaats 
van vooruit te blijven met de triangulatie, de eenige zuivere 
grondslag voor topograpbische kaarten, stond deze stil van 
1858-61, tot zeker hoogst nuttige, doch wellicht minder 
spoedvereiscbende waarnemingen buiten Java. Het ongelukkige 
gevolg daarvan was, dat zes residentiën moesten worden 
verkend zonder eenig geodesisch verband, later alleen ten koste 
van veel tjjd, arbeid en geld, immer nog slechts onvolledig 
te herstellen. 

De Topograpbische dienst op zjjn beurt maakte voor de 
veranderde werkwijze, vastgesteld bij de Instructiën van 1870, 
een minder volledig gebruik van de gegevens hem door den Geo- 
grapbiscben dienst verstrekt, voorzag zelve niet voldoende in 
het gemis aan vaste punten. Éénheid van voorstelling b^' de 
net-teekeningen, als voor topograpbische kaarten van het zelfde 
land gevorderd, ontstond eerst na de invoering van het „Voor- 
„schrifb ter vervaardiging van kaarten vau 21 Juni 1856 n°. 73" 
met voor Indië goedgekeurd „Aanhangsel", in 1864 voor Sama- 
rang, daarna voor de overige residentiën gevolgd (1). Eveneens 



(1) De ioToering is geschied btj Besluit van deo Goaverneur- Generaal 
Tan 21 Oct. 1858 (Bplad op hel Stb. van Ned.-Indiê no. 586). 

De détail-bladen op 1 : 10,000 (thans i : 20.000) worden gekleurd naar het 
in lodië ontworpen en te 's Hage in steendruk gebrachte voorschrift 
van den heer G. F. M. Bajetto: Tjonto Tjonto Gambaran Tanah. 

Even als het Voorschrift van 21 Juni 1856 no. 73 — tevens de eenige 
oIBcieele wegwijzer b^ de vervaardiging van kaarten in Nederland — naast 
veel goeds, ook veel bevat, dat onvolledig, ibin-practisch, soms zelfs 
oonitToerbaar mag heeten (o. a. een verscheidenheid van tinten, welke 
b{oa niet is te bereiken, althans bf| de werking van bet licht niet te 
behouden), ontmoet men in de «Toevoeging betrekkelijk Nederlandsch 
MOost-Indiö'* een in grootte en uitvoering nagenoeg gelijke voorstelling van 
een zelfde terrein op verschillende schalen (1 : 5,000, 1:25,000 en 1:200,000), 
hetwelk zeker de duidelijkheid niet bevordert. De schaal van 1 : 100,000, tot 
de reproductie gebezigd, evenals die van 1 : 10,000 en 1:20,000, waarop 
de détail-bladen gewoonlgk worden geteekend, z\jn daarentegen niet in 
toormelde „Toevoeging** opgenomen. 
Ook zijn de bepalingen omtrent de voorstelling van hetbargterrein eenigszins 



achtte men het jammer, dat de gewijzigde projectie van Flam- 
steed, by de vervaardiging gevolgd, wordt toegepast residentie's- 



onbestemd. Bij de allereerst gerefroduceerde residentie-kaarten (Kadoe, Bage- 
len, Banjoemas, enz.) waren tot voorstellingvan de sawah- (r\jst-)velden.opde 
berghellingen gelogen, de arceeringen aldaar afgebroken. Bij een overigens 
zeer gunstige beoordeeling in •Petermann's Mittheilungen'* (Heft II en UI 
1870: „Der Kartographische Standpnnkt Europa *s vom Jahre 186G bis 1869*0 
vestigde de beroemde geograaf, de Pruisische Kolonel van den Geoeralen 
staf Ëmil von Sijdow de aandacht op deze — wij achten eerbiedig, alleen 
schijnbare — storing in de wyze van berg voorstelling, waarby de arceeringen 
worden afgebroken door een blauwe tint en door blauwe horizontale lijnen, 
aanduidende den omtrek van de onder water staande plateau's. Hoewei 
toegevende, dat men tot voorstelling van deze geheel eigenaardige Indi- 
sche terreinen stuit op een moeielgkheid bg de consequente toepassing 
van de Lehroann'sche methode, vermecnen w^ toch bescheidenlijk, dat de 
oorspronkelijk gekozen wijziging met blauwe tint en blauwe lijnen, het meest 
aan het doel beantwoordt. Men schijnt zich aa n de Topographitcbe In- 
richting te 's Hage met de opmerking van den Heer von Sydow te hebben 
vereeoigd ; allhans z^n op de later vervaardigde residentie-kaarten, met 
behoud van de blauwe sawah-teekens, de arceeringen op de rijstvelden 
tegen de berghellingen gelegen, voortgezet. Dientengevolge is nu wel het 
overzicht van de terreiohellingen vergemakkel\jkt, doch draagt naar onze 
opvatting het terrein meer het kenmerk van slechts door smalle wateren 
doorsneden berghellingen, dan bet eigenaardige karakter van amphithea- 
tri3ch gelegen, met water bedekte plateau *s. Geen wonder trouwens, dat 
het moeielijk valt met die kuituur tegen de bergen een soort van kunst- 
werken terug te geven, welke instinctmatig door de inlanders gewrocht, 
in de natuur de bewondering opwekken van de meest kundige tech- 
nici : op de kaart door hen, die vreemd z^n aan de toestanden op Java, 
veelal minder juist worden opgevat. 

Omtrent de uitvoering en de reproductie der residentie-kaarten van 
Java en Madoera komt in de onderstaande werken en tijdschriften een 

beoordeeling voor, als in: 

de „Mitlheilungen aus Jnstus Perthes* Geographischer Anstalt, etc.'* 1870 
Heft n en in, 1872 Heft VII en VIII: „Der kartographische Standpunt 
^«Europa's vom Jabre 1866 bis 1869, von 1869 bis 1871 etc,*' von Emii 
„von S\Jdow'*; •— 

verschillende Fransche verslagen omtrent de op de wereld -tentoon- 
stelling te Parijs in 1867 geëxposeerde: „Nouvelle methode de repro- 
Mduction lithograpbiqne*'; — 

het „OfBcieller Ausstellungs-Bericbt Militair Cartographie (Gruppe XIV^ 

„Sect. 6 und Gruppe XVm, Sect. -4), von Jozef Zakhauf, Wien 1873**; — 

het „Verslag omtrent de wereld-tentoonstelling te Weenen, enz. in 1873 

„door de Nederlandsche Hoofdcommissie" ; — 

de„Mittheilungen fiber Gegeuslftnde des Artillerie-and Geniewe8en8,heraus- 

gegeben vom K. K. techoischen nnd administrativen Militair Comité, 

Y Jahrgang, Wien 1874"; — 

de „Berichte über den internationalen geographiachen Gongress nnd die 
damit verbundene geographische Ausstellung zü Paris 1875. Wien 
1875. Heransgegeben von der K. K. geograph. Gesellschait in Wien.** 
Ook op de Internationale Tentoonstelling van Philadelphia oogstten de 



t»i 



>» 



22 



DE BESIÖENTIE-KAABTEN 



gew^ze, in plaats van voor den geheelen Indischen Archipel, 
althans voor de eilanden Java en Madoera in hun geheel. Het 
gevolg van deze kaarteering residentie'sgew\jze is, dat de kaarten 
der aan elkaar grenzende residentiën, naar wiskunstige gronden, 
onmogelijk aan elkaar kunnen sluiten; terwijl bovendien voor mili- 
taire doeleinden de orienteering op kaarten, welke plotseling op 
de grenzen eindigen, zeer moeielgk valt. Wel is waar schijnt het 
vooruitzicht op een grooter debiet van de kaart by het Koloniaal 
bestuur invloed te hebben uitgeoefend tot de uitgave van 
elke residentie afzonderlijk, waaraan zich onwillekeurig het 
denkbeeld sloot van berekening der geographisch bepaalde 
punten voor den midden-meridiaan en de midden-parallel 
van elk gewest. Doch lag het niet op den weg van den 
Topographischen dienst om op de daaraan verbonden bezwa- 
ren te wyzen? Had dienaangaande meer overleg en samenwer- 
king bestaan met den Geographischeu dienst, vooral ook met 
het oog op een eventuèele uitbreiding der opname over den ge- 
heelen Indischen Archipel, wellicht ware dan besloten tot een 
aaneensluitende reproductie van geheel Java met de coördinaten 
van Batavia als grondslag voor alle becyferingen. In plaats 
van de gewijzigde projectie van Flamsteed had wellicht een 
andere overweging verdiend, b.v. de projectie met vierkanten; 
tot welk denkbeeld aanleiding ontstaat uit de omstandigheid, 
dat op een gemiddelde ligging van 6° tot 7' Geographische 
Breedte, de uitgestrektheid van de meridiaan- en van de parallel- 
graden betrekkelijk slechts zeer weinig van elkaar verschillen 
(1). Dat wijders' het argument van debiet der Java-kaart, 
niet tot een uitgave residentie'sgewyze had behoeven te leiden, 
wordt aangetoond door een steeds toenemende vraag; zoodat, 
als boven aangemerkt, de oplaag van sommige residentiën reeds 
is uitgeput en een tweede druk onder handen genomen. Wenschen 
wy, dat na voltooiing van alle residentiën, alsnog worde 
besloten tot een reproductie van geheel Java in een aaneen- 
sluitend geheel, zy het op de schaal van 1 : 100,000, dan wel 
op een kleinere schaal; overwegende bezwaren daartegen be- 
staan, voor zoover wij kunnen oordeelen, geenszins. 

Niet zonder schroomvalligheid spreken wij de meening uit, 
dat de herhaalde klachten in Nederland gerezen, omtrent een ver- 



vao wege het MiDisterie van Koloniëo iogezooden residentie-kaarten groolen 
lof. De nieuwe wyze Tan reprodoclie in groote trekken beschreven in 
een aldaar ingezonden brochure, waarvan de platen z^n vervaardigd op 
de Topographische Inrichliog te 's Hage „New Method for reprodacing maps 
,,and drawings b^ Charles Eckstein", is door de Internationale jnry 
bekroond. 

(1 ) De groote en de kleine as der aardsphermde aannemende naar Ressel, 
is de uitgestrektheid van den meridiaan-graad op 6° breedte 110575,8 
meters: die van den parallel-graad op ^ breedte, 110700,9 meters. De 
gelijkheid heeft plaats op 6"" 34' 48".2 breedte nagenoeg, zynde beide 
graden alsdan 56734,815 toises of 110578,21 meters lang. 



traagde toezending van bescheiden uit Indië, kostbaar en ontmoe* 
digend by een zoo gewenschte voortvarende reproductie, schynen 
grootendeels ten' laste te moeten komen van de Statistische 
opneming. Uit de regeling van deze dienst in 1864 blijkt duide- 
lyk, dat hare verrichtingen zyn, deels van technischen aard- 
opmeting-, deels administratief- verzameling en registreering van 
cijfers en gegevens. Gaat men echter na uit welke elemen- 
ten het personeel is samengesteld, dan zal het niemand verwon- 
deren, dat het eerste gedeelte van deze taak, d. i. de opmeting, 
moet achterstaan by de administratieve uitkomsten. Minder spe- 
ciaal opgeleid tot terrein-opname dan het personeel der militaire 
verkenningen, bovendien uitsluitend werkzaam met inlanders, 
voorzien van kleine instrumenten, meende niettemin de Statis- 
tiek meermalen het Gouvernement opmerkzaam te moeten 
maken op misstellingen, welke op de brouillons van de topogra- 
phische dienst voorkwamen. Meesten ty ds waren deze opmerkin- 
gen het gevolg van veranderde terreintoestanden vooral in de 
kuststreken: daaraan toe te schryven, dat de statistische opneming, 
in plaats van te geschieden aanstonds, eerst aanving jaren na 
den afloop van de topographische opname; of wel afwijkingen 
betreffende, welke zonder eenigen invloed bleken te zijn by de 
kleine schaal, waarop de overzichtskaarten zyn vervaardigd. 

Daarentegen komen soms de door de Statistiek opgenomen 
grenzen b. v. van dezelfde distrikten, hoewel deels door 
natuurlyke terreinafscheidingen aangegeven, niet onderling over- 
een, of verschillen met die van de militaire opname. Bij de repro- 
ductie te 's Hagc worden dan, ten einde onpartydig niemand te 
kort te doen, beide opnamen, dus tweeërlei grenzen, naast elkan- 
der op de residentie-kaart aangegeven — men herinnert eraan, 
dat de reproductie toch niet mag plaats hebben, alvorens door 
de statistische opneming zy verklaard, dat geen misstellingen in 
de détail-kaarten zyn ontdekt, die invloed zouden kunnen hebben 
op de te reproduoeeren residentie-kaart op 1 : 100,000. Ontstaat 
ten gevolge dier vergelyking aanzienlijk oponthoud in Indiê, 
bovendien zyn vroeger de residentie-kaarten van Banjoemas, 
Bagelen, Kadoe en Djokjakarta niet onderworpen aan dergelijke 
controle ; de drie eerstgenoemden niet ter voorkoming van groot 
oponthoud : de kaart van Djokjakarta niet, wyl de statistische 
opneming aldaar nog geheel in het verschiet licht. De repro- 
ductie van Cheribon, na langdurige correspondentie v66r en 
tegen, eindelyk in Maart '67 op het Topographisch Bureau 
te 's Hage aangevangen, moest drie jaren later weer worden ge- 
staakt, in afwachting van nadere gegevens der Statistische herop- 
neming (1). Deze heropneming van Cheribon en van Banjoemas 



(1) By den aanzienlijken arbeid, tot heden reeds besteed aan de zeer 
▼ér gevorderde reproductie der residentie Cheribon in zes bladen, welke 
in geldswaaide omgezet, allicht duizenden guldens bedraagt, ware het 
onsbednnkens wenschelyk, deze residentie-kaart naar de inderdaad prachtig 



VAN JAVA EN MABOEBA. 



23 



▼erd bg het eind van 1876 geschat nog wel drie of vier jaren 
te zullen doren I 

Hoewel na 1870 het aantal brigades der militaire verken- 
ningen opvolgend is uitgebreid tot v\jf en zes, alleen om verband 
te houden met de statistische opneming, welke inmiddels 
was vooruit geraakt — haast een ongerijmdheid te achten — , ter- 
wjl de topogiaphische opname en de net-kaarteering geregeld zijn 
voortgezet, werd de reproductie na '69 bij gemis aan de statis- 
tische uitkomsten vry aanzienlek vertraagd. De Koloniale Versla- 
gen maken zelfs melding van residentiën, waarby voormeld 
oponthoud jaren lang heeft geduurd; o. a. werd Samarang in '67 
ter reproductie opgezonden, en kon eerst in '73 te 's Hage wor- 
den afgeleverd; Soerakarta en Tagal hielden op van ^70 tot '73, 
Japara van '71 tot '74. Krawang, reeds in '72 aangeboden, is 
heden nog niet van de vereischte statistische bescheiden voorzien: 
zoodat dan ook het Departement van Koloniën na raadpleging 
Tan de Indische Eegeering wijselijk heeft bepaald, dat met afwij- 
king van den gewonen regel, de voltooiing dier kaart niet langer 
behoeft te worden uitgesteld. Met het oog op Kadoe, Banjoemas, 
Djokjakarta en Bagelen kan van de resultaten der statistische 
opneming eerst bij een tweede oplaag gebruik worden gemaakt, 
zooals onlangs bereids voor laatstgenoemde residentie is geschied. 
Be billijkheid gebiedt te erkennen, dat voormeld oponthoud 
veelal werd vermeerderd door een vertraagde inzending der 
staten met verbeterde plaatsnamen, onder de medewerking der taal- 
kundigen, de HH. Holle en Cohen Stuart. Sinds '66 ontvangen 
zg de naamstaten en alphabetische lijsten ter verdere bewerking. 
Inmiddels laten, naar het sch\jnt, de veelvuldige werkzaamheden 
dezer hoogst verdienstelijke ambtenaren niet toe, zich aanstonds 
daarmede onledig te houden, zoodat er soms jaren verloopen met 
de terugzending, dientengevolge alvorens de topographische 
werkzaamheden in haar geheelen omvang kunnen worden bekend 
gemaakt. Wel zijn in '69 maatregelen genomen, om de oplevering 
van de verbeterde naamstaten der statistische opneming gelijken 
tred te doen houden met de afwerking der kaart; trachtte men 
door vaste voorschriften aan de controleurs de dadel\jke traus- 



geteekeode miDateo af te werken, zonder langer te wachten op de ontvangst 
vao nadere statistische gegevens. De reprodactie zon alsdan kannen dienen 
aU een eerste nitgave dezer residentie, waarvan tot na toe geen 
betere kaart bestaat. Na een nieuwe topographische opname van 
Cheribon ^ welke waarsch^nlgk zal noodig blijken bij de vroeger ver- 
melde geodesische foaten — konnen alsdan de verbeterde statistische be- 
idieiden worden gebezigd voor een tweede nitgave dier residentie- 
kaart. Op die wQze handelende worde van vroegeren arbeid, in Indiö 
e> hier te lande verricht, zoo veel en zoo spoedig mogel^k ten dienste van 
bet algemeen part^ getrokken. 

(Nog terwijl deze ter perse licht, vernemen w^, dat reeds door het 
Departement van Kolonién in bovenbedoelden zin is beslist, zoodat wer- 
keljjk de residentie-kaart van Cheribon eerlang zal worden voltooid en 
•%edmkt.) 



criptie te verzekeren, om de schrijfwyze zoo eenvoudig mogelijk 
naar de locale uitspraak te doen teruggeven; eveneens de 
herziening door meer gemelde taalkundigen overeenkomstig de 
aangegeven regelen te bespoedigen — met dat al zijn de 
klachten over vertraging sinds '69 eer toe- dan afgenomen. 

Het voorgaande overwegende, vragen vrij bescheidenlijk: óf niet 
onwillekeurig, wellicht als gevolg eener al te angstvallige lezing 
van de gouvemements -bepalingen omtrent de bij vergelyking 
ontdekte misstellingen in de détail-kaarten, de controle van de 
statistische opneming op het werk van de militaire verkenningen- 
een omvang heeft genomen, die oorspronkelijk niet in' de be- 
doeling heeft gelegen? Het doel toch kan haast niet anders 
zijn geweest, dan onjuistheden van administratie ven of van 
taalkundigen aard te voorkomen: geenszins, wyzigingen aan 
te brengen in het zuiver topographische gedeelte van het werk, 
oï^enomen en gekaarteerd met een graad van juistheid, welke 
althans tot heden onbereikbaar mag worden geacht voor de 
statistische opneming. Gelooven wq, oordeelende naar de Ko- 
loniale Verslagen en de ondervinding tot heden bij de repro- 
ductie der overzichts-kaarten opgedaan, dat de statistische op- 
neming zonder eenigen invloed mag worden geacht op de topogra- 
phische voorstelling van het terrein; daarentegen is wel degelijk 
overleg noodig tot een zuivere. en gelijke schrijfwijze der plaatsna- 
men. Doch andermaal vragen vrij: of niet, nu de tot heden daarby 
gevolgde weg zoo lang en minder practisch blykt te z\jn, andere 
maatregelen waren te trefifen, b. v overleg tusschen den brigade-chef 
in het gewest, alwaar deze werkzaam is, met één der aldaar geplaat- 
ste controleurs; waarna, volgens een te ontwerpen instructie, de 
namen konden worden geschreven als op verbeterde alphabetische 
lijsten, door de brigade-chefs met de brouillon-bladen van de 
residentie over te leggen? 

Overigens ten bewijze, dat de Statistiek ook in Nederlandsch- 
Indië uitstekend veel nut bewijst — doch w\j wenschten in 
voormeld opricht met een andere regeling van werkzaamhe- 
den — wijzen vrij op den uitmuntend uitgevoerden „Natuur- 
„en Staathuishoudkundigen Atlas der residentie Bagelen", in 
1874 uitg^even door Jhr. J. F. W. v. d. W. von Schmidt auf 
Altenstadt, welke voor een dergelijke bewerking van alle resi- 
dentiën tot voorbeeld mag strekken. 

Vooral ook in verband, met de regeling van het Kadaster 
in Nederlandsch-Indië, zou ons voorstel eerbiedig luiden, 
dat de statistische werkzaamheden dermate werden gereorgani- 
seerd, dat deze zich niet meer uitstrekken tot technüche op- 
name, maar alleen tot verrichtingen van admmUératieven aard. 
De eigenlyke terrein-opname worde geheel opgedragen ,aan het 
Kadaster, aanvangende op de hoofdplaatsen, primordiaal met 
aansluiting aan de vaste, door triangulatie bepaalde primaire, 
secondaire en tertiaire punten, zoo noodig door quaternaire pun- 
ten voortgezet. In het algemeen worde de kadastrale opneming 
op een onwrikbaren vriskundigen grondslag gevestigd, geheel 



24 



DE EESIDENTIE-KAARTEN 



oyereenkomende met het tegenwoordige standpunt der weten- 
schap (1). 

Om bij de verdere opname van Nederlandsch-Indië, waartoe het 
voornemen duidelijjk doorstraalt in de besluiten tot regeling van 
den Geographischen dienst, van den Topographischen dienst en 
van de Statistische opneming; tevens bijj een noodig geoordeelde 
herziening der bestaande regeling van den Geographischen dienst, 
samenwerking en consequentie te waarborgen; om te voorkomen, 
dat als thans b\j de Statistiek, in eenig opzicht nuttelooze arbeid 
worde verricht; in één woord, om alle Departementen van 
Algemeen Bestuur, door welke opnemingen van eenigerlei aard 
geschieden uit 's lands gelden en tot 's land nut, onder een 
éénhoofdige leiding tot hetzelfde groote geographische doel te 
doen samenwerken — wenschten wij wel voor Nederlandsch-Indië 
de instelling van een Centrale Geographische Commissie, b.v. 
onder het praesidiumvan den Chef van den Geographischen dienst, 
van den Chef van den Generalen Staf of andere bevoegde 
autoriteit, waarin de belangen van den Geographischen dienst, 
den Topographischen dienst, de Statistiek, den Hydrographischen 
dienst, het Kadaster, de Directie van de Spoorw^en en van 
de Openbare Werken zouden worden vertegenwoordigd en 
behartigd, respectieveljjk door de meest deskundigen, in ver- 
melde betrekkingen werkzaam. Nog beter — eigenijk de eenige 
afdoende maatregel om éénheid te verkrijgen — achte men de 



(1) Volgens bet besluit van den GoaTernear-Generaal van 27 Jan. i872 
(Stb. n^. 19) is het Kadaster overgebracht b\j het Binnen landsch Bestuur. 
De organisatie vau het personeel bg het Kadaster — samengesteld uit 
Ingenieurs, bewaarders, landmeters en adjunct* land meters — werd vast- 
gesteld op 30 Jan. 1874 (Stb. n°. 37). De werkzaamheden van de Land- 
meters enz. zijn geregeld bij de „Instructie voor de landmeters te Batavia, 
„Samarang en Soeraba^a" (Besl. van den Gouv.-Gen., 18 Januari 1837, Stb. 
n°. 3, aangevuld bq Stb. 1842, n®. 17), achtereenvolgens toepasselijk 
verklaard: op de overige gewesten van Java en Madnra, bg de Slb. 1858 
no. 21. 1860 no, 18, 1861 n». 3, 1862 no. 109 en 1863 no. 158); 
daarna op alle gewesten van Ned.-Indiê daarbuiten, b\j de Slb. 1865 no. 11 
en 1874 no. 57. — De voorwaarded van benoembaarheid tol land meter en 
adjunct-landmeter, hunne bevoegdheid en de elschen van het af te leggen 
examen, andere aangelegenheden, als die, betreffende door hen af te geven 
bew^astukken, land meter-kennissen, meetbrieven enz. enz., welke vau 
eenig belang zQn voor, invloed kunnen uitoefenen op, of wgziging zouden 
vorderen bg een definitieve regeling van het Kadaster in Ned.-Indië, 
tevens tot werkzaamheden van topographischen aard, zQn vervat in de 
Staatsbladen van 1866 no. 46, 1874 no. 156 (beiden Kon. BesL), 
1866 no.81, 1869 no. 12 en 1876, no. 116; verder in de Staatsbladen 
van 1858 no. 59. 1859 no. 27. 1874 no. 129» 1866 not. 46. 81 en 
135, 1867 nM. 12 en 52, 1868 no. 67, 1872 n». 65,1875 no. 183, en 
het Bgblad op het Stb. no. 2369, enz. Al dezen zgn aangehaald in den 
»Jndexop het Staatsblad van Ned.-Indiö en het B^jblad op dat Staatsblad 
«,van 1816 tot 1872", bewerkt door den Heer B. Schagen van Soelen. 



oprichting eener afzonderlgke OeographUcke Direeiie, als zelf- 
standigen tak van bestuur. Doch de bezwaren, welke wy duck- 
ten tegen een dergelijk ingrgpend voorstel te hooren opperen, 
op finantieele gronden, ook al om redenen van vorm en 
voorrang beperken die wenschen aanvankelgk tot een goed 
samengestelde Greographische Commissie : al ontveinze men 
zich de moeielijkheden niet, in enkele opzichten ook daaraan 
verbonden. Niet alleen tot kaarteering, maar ook tot geregelde 
b\jhouding der vervaardigde kaarten, tot het ontwerpen van ge- 
meenschappeljke werkplans, tracé's enz. brenge in een dergelgke 
Commissie elk Departement ter tafel, wat reeds voor- 
handen is, worde bg onderling overleg geregeld, in welke 
behoeften nog behoort te worden voorzien. Fouten, leemten, ge- 
breken, oponthoud, als thans voorgekomen bg de opname van 
Java, kunnen in de toekomst b\j zoodanige samenwerking wor- 
den vermeden. Trouwens is de wensch tot bevordering van 
éénhoofdige geographische leiding in Nederlandsch-Indië alleen 
de zuivere afspiegeling eener behoefte, welke in gel^ke mate, wel- 
licht in nog ruimer verhouding, in Nederland zelf wordt gevoeld ; 
getuige het feit, dat onlangs hier te lande in de nabyheid van de 
Biesbosch gelijkt^dig opnemingen werden gedaan van wege vier 
verschillende takken van algemeen besfüur, gedeeltel\jk leidende 
tot verschillende uitkomsten. 

Een hoogst merkwaardig voorbeeld van hetgeen éénhoofdige 
leiding vermag tot bespoediging van arbeid^ tot voorkoming van 
onvoldoende resultaten, geboren uit gemis aan toezicht en sam^x- 
werking, levert het weinige jaren geleden te Londen verschenen 
werk //A memoir on the Indian Surveys by Clements £. Mark* 
ham." Daarin geeft de Schrijver een beredeneerd overzicht 
van alle geodesische, topographische, kadastrale en statistische op- 
nemingen der Engelschen in Britsch-Indië, alwaar, natallooze 
feilen en tekortkomingen, nadat, bij gemis aan stelselmatige orga- 
nisatie en samenwerking, schatten arbeids waren verloren gegaan, 
eerst orde en regel z\jn ontstaan, toen de kolonel Thmllier in 
1847 was opgetreden als hoofd van het „Survey Departe- 
„ment (])." Z\jn bestuur heeft, vooral met betrekking tot het 
kadaster in Britsch-Indië, rjjpe vruchten gedragen: alleen het ge- 
volg daarvan, dat de Heer Thuillier zich met juistheid reken- 
schap gaf van de noodzakel\jkheid om tot een dégel\jke kada- 
strale opneming gebruik te maken van de reeds uitgevoerde 
geodesische en topogi'aphische verrichtingen. Men w^ze met 
nadruk op dit voorbeeld, nu ook het Kadaster in Indië op 
een regelmatigen voet wordt ingericht. De man, die dezen nieuwen, 
hoogst belangrijken grondslag zal leggen voor de staathuishouding' 
in Nederlandsch-Indië, aanvaardt een zware en moeiel^'ke 
taak. De uitvoering daarvan zal niet enkel worden verlicht, maar 



(1) Inspectie over de verrichtingen tot de triangalatie, de topogra- 
phische en de kadastrale opname van Britsch-lodiê. 



VAN JAVA EN MADOERA. 



25 



kaa alleen doelmatig geschieden, door een juist gebruik te maken 
van de plaatsbepalingen en de triangulatie Tan den Geographi- 
8cben dienst, welke, zooals zij thans uitgevoerd is, met alle waarne- 
mingen van dien aard in Europa mogen worden vergeleken ; van 
de moeitevolie verrichtingen door de opnemings-brigades, b\j de 
eischen, gesteld aan de daarbjj gedetacheerde officieren, in veel op- 
zichten op een meer wetenschappelüken voet ingericht dan de 
terrein-opname door de Militaire Verkenningen in het moeder- 
land; van het werk der Statistiek, welke alleen afstand behoeft te 
doen van technische werkzaamheden, om volkomen aan haar doel 
te beantwoorden. Deze verrichtingen zyn elk op zich zelf voor- 
treffisl^'k georganiseerd; alleen is meer onderlinge samenwerking 
noodig om tot nog meer volledige uitkomsten te geraken, in gra- 
phischen vorm vertolkt door de residentie-kaarten van Java en 
Madoera, welke, wat schoonheid van uitvoering aanbetreft, de 
kaarten der koloniën van alle andere mogendheden overtreffen. 
Te gelijkertijd getuigen zoodoende deze kaarten voor den hoogen 
prijs, welken Nederland stelt op zgn bezittingen in den Indischen 
Archipel, alwaar onze vestiging in de tropen, b^jna onder den 
evenaar, een gansch nieuwen schat van geographische kennis 
heeft geopend, tot nut van alle andere verwante takken van 
wetenschap (I). 



(i) Naar aanleid ing eener breedvoerige bespreking in de Vergadering 
van het Aardrijkskundig Genootschap op den 4den April 1876 te Amster- 
dam, omtreot de nieuwe methoden tot het etsen van vlakke tinten en 
klearen en de typo-antographie, welke op de Topographische Inrichting 



De Besidentie-kaarten van Java en Madoera, te Philadelphia 
gerangschikt onder de algemeene tentoonstelling van het Ministe- 
rie van Binnenlandsche Zaken, mogen mede aanspraak maken op 
een bescheiden aandeel in de afzonderl^'ke vermelding der groote 
waarde van het geheel der Nederlandsche inzendingen, uitge* 
drukt in het eere-diploma, als byzondere en eervolle onder- 
scheiding aan het Nederlandsch Gouvernement toegekend, met 
de volgende hoogst merkwaardige woorden : 

„We" — de Jury — „desire to recognize in most cordial 
„way the marked compliment, that is paid to the American 
„people by this very instructive exhibit, which (in the range 
„of works to which it refers) is quite uiilqMe in the Exhi- 
„ bition, as the works to which it chiefly relates are anlqme in 
„the world." 

's Hage, 26 September 1876. 



te 's Hage op ruime schaal worden toegepast tot reproductie o. a. van 
de Residentie-kaarten van Java en Madoera, heeft het Bestuur van het Ge- 
nootschap op uitdrukkelijk verlangen der Vergadering aan ZQue Excellen- 
tie den Heer Minister van Oorlog, Jhr. &lerck, den wensch kenbaar gemaakt, 
om aan voornoemde hoogst belangryke vindingen, wel een meer algemeene 
bekendheid te willen doen geven. 

Met de meest loffelgke welwillendheid aan dat verlangen beaniwoor- 
dende, ia door Z. E. aanstonds last gegeven tot de samenstelling van 
een volledige beschrijving dier methoden met daarbij behoorende platen 
en kaarten, welke van wege het Departement van Oorlog voor de pers 
zal worden gereed gemaakt. 



A.A.NH:^NGhSEIj. 



r J" ^^.^.«Ny^ir* 



MERIWAARDI6STE ATLASSEN EN ALGEIEENE KAARTEN 

VAN DEN 

NEDERLANDSCH-INDISCHEN ARCHIPEL 

EN 

DER MEEST OORSPRONKELIJKE EN BEST UIT6EV0ERDE KAARTEN 

VAN HET 

EILAND JAVA. 



DE NEDERLANDSCH-INDISCHE ARCHIPEL. 



M. Tramezinus. Kaart van den Indischen Archipel, uitge- 
geven, waarsch^'nlijk omstreeks het jaar 1560 te Venetië. 
Zonder titel of jaartal. 

Deze zeer zeldzame Kaart is voorhanden op de boekerij 
der Leidsche hoogeschool, en behoort tot de r^'ke 
verzameling van kaarten afkomstig van den Heer 
Bedél Ngenhuis. 

Anae nooa descriptio, en, Indiae Orientaliê, insularumque 
üdjaeieHtium (sic) typus. 

Beide zonder jaartal. Deze kaarten komen voor in de 
v^jf eerste uitgaven van het „Kaartboek van Abraham 
Ortelius." Omtrent dit belaugryk werk is dezer dagen 
een bibliographie in het licht gegeven door den Heer 
P. A. ïiele, conservator aan de Hoogeschool te Leiden. 
(Bibliographische Adversaria, 3e deel no. 5 en 6. 
's Hage, Martinus Nijhoff. 1876.) 

■ 

H. F. a Langren. Kaart van de kuiten van CAina, Malacca, 
Sitmatra, Java, enz.» 1596. 

Deze is te vinden in het i^Reysgheschrifl van Jan Huygen 
„van Linschoten, Amsterdam, 1595." 

Henric Hondiua. India quae Orientalia dicitur et insulae acya- 
centei, Ckristoforo ThiHo dedicata. (Achter-Indië met den 
Archipel) 

Zonder jaartal. 



India que OrientaUs, dicitur, et Inêulae Adiaeentes. Amsterdam, 
gedrukt b\j Huych AUardt, in de Kalverstraat, in de Werelt. 
Kaart zonder jaartal. 

Deze kaart in 9 bladen, komt voor zonder jaartal op de 
„Liste des Cartes de TAtlas de leurs nobles puissances 
„Ie Conseil Comité d'Hollande, etc. etc. etc." onder 
no. 315. Gemelde atlas, in 14 deelen is voorhanden op 
het kaarten-archief der Topographische Inrichting te 
's Hage. 

Indiae Orientalis nova descriptio, (enkel de Indische Archi- 
pel), uitgegeven te Amsterdam door Joann. Janssonius. 
Zonder jaartal. 

Pieter van der Aa. D* Indize kusten van Bengalen Pegu, 
Malacca en Siam tot in China, met d' eilanden Java, SunuUra 
Bomeo, Molucco*s en andere, üytgevoerd te Leyden. 

Voorkomende in de „Naawkeurige versameling der reysen 
„sedert 1519—1521, Leiden 1707." 

Jan de Marre. De Nieuwe Oroote Licht en Zeefakkel, het 
zesde deel (Oost-Indië), in het Licht gebracht door Joannes 
van Keulen, Amsterdam, 1753. 

De kaarten van Indië in de Atlassen van Goos, Colom en 
anderen. 

Eman Bowen. Nieuwe en nauwkeurige kaart van de Indische 
eilanden, verbeterd door W. A. Bachiene. 

4* 



28 



AANHANGSEL. 



Zonder jaartal. Bachiene is overleden in 1783. 

Kaart van de Nederlandwhe bezittingen in Ood-Indiè'. Tweede 
vermeerderde druk, te Amsterdam bij G. Goossens, 1842. 

G. F. Baron von Derfelden van Hinderstein. Algemeene 
Kaart van Nederlandsch Oo8t-Indié\ opgedragen aan Z. M. den 
Koning der Nederlanden, volgens echte bescheiden, grootendeels 
in handschrift berustende b^ de Archieven van het Koloniaal 
Bestuur te 's Gravenhage en te Batavia, mitsgaders uit mede- 
deelingen van Geleerden, Beambten, Zee- en Landoffi eieren in 
Nederlandsch-Indië. Uitgegeven op last des Konings. 8 bladen 
en verzamelingsblad. Schaal van 1 : 2.250.000. Van Cleef te 
'sHage en Hulst van Keulen te Amsterdam, 1842. 

Hierby behoort een „Mémoire analytique" in 4®. opgemaakt 
door den Luitenant ter zee !■'« kl. Jhr. G. A. Tindal. 

Melvill de Carnbée. Carte générale des possessiona Neerlan- 
daiaes, échelle de 1 : 9.000.000, C. W. Mieling, la Haye, 1846. 

„Deze Kaart is verschenen in den „Moniteur des Indes 
„Orientales et Occidentales, etc. de Ph. Fr. de Sie- 
„bold et P. MelviU de Carnbée" Jaargang 1846-'47. 

Algemeene kaart van Nederlands Oost-Indiè' op de schaal 
van 1 : 5.000.000, ontworpen naar de beste kaarten en bron- 
nen, enz. Gelithographeérd by de Koninklyke Militaire Aka- 
demie, door F. J. Ensinck. Breda, 1847. 

» Dr. J. Pijnappel Gzn. Atlas van de Nederlandsche Bezittin- 
gen in Oost-Indië. Gesteendrukt te Leiden bij Hooiberg en 
uitgegeven te 's Hage by K. Führi. 1855. 

Een geheel op nieuw bewerkte uitgave is verschenen te 
Amsterdam by P. N. van Kampen in 1872. 

Algemeene Land- en Zeekaart der Nederlandsche Oost-Indische 
Bezittingen met het Koninkrijk der Nederlanden in Europa; 
opgedragen aan den heer Generaal-Majoor J. W. Walter, 
Gouverneur der Koninklyke Militaire Akademie; naar de beste 
en nieuwste bronnen onder deskundig toezicht zamengesteld 
en geteekend. In 6 bladen, op de schaal van 1 : 3.000.000 
door A. J. Bogaerts, lithograaf, werkzaam aan voornoemde 
Akademie. Breda. 1857. 



P. B". Melvill van Carbée en W. F. Versteeg, Kapitein der 
G^nie, Chef van het Topographisch Bureau te Batavia. Al- 
gemeene AÜas van Nederlandsch-Indiè\ uit officieele bronnen 
en met goedkeuring van het Gouvernement zamengesteld. 
1853—1862. Van Haren, Noman en KolflP te Batavia. 

S. H. Serné. Algemeene Kaart van Nederlandsch-Indie, op 
1 : 4.000.000, in 4 bladen. Uitgave van P. M. Bazendijk te 
Botterdam en C. L. Brinkman te Amsterdam. Gravure en 
Kleurendruk van J. Smulders, Lithograaf des Konings te 's Hage, 
1869. 

Deze Kaart is voornamelijk bewerkt naar „de Algemeene 
„Atlas van Nederlandsch-Indië, door P. B". Melvill 
„van Cambee en W. F. Versteeg", in 60 kaarten. Voorts 
zijn de nieuwste Nederlandsche en Engelsche Zee- 
kaarten geraadpleegd. Voor de orthographie der In- 
dische namen is inzonderheid gevolgd „het Aard- 
„rijkskundig en Statistisch woordenboek van Neder- 
„landsch-Indië by P. N. van Kampen." 

Dr. I. Dornseifi'en. Kaart van Nederlandsch Oost-Indié, op 
1 : 1.800.000 in 16 bladen; naar de nieuwste bronnen be- 
werkt door E. de Geest, lithograaf. Amsterdam, Seyffardt's 
boekhandel, 1871. 

P. Bn. Melvill van Carnbée en W. F. Versteeg, Kapitein der 
Genie, Chef van het Topograpbisch Bureau te Batavia. Algemgene 
Atlas van Nederlandsch-Indiè) Bezittingen buiten Java; uit 
officieele bronnen en met goedkeuring van het Gouvernement 
zamengesteld; tweede uitgave met verbeteringen. Leiden, Gual- 
therus KolfF. 1872. 



J. Kuyper. Kaart van Nederlandsch Oost-Indiè' op 1 : 2.400.000. 
Uitgave van Suringar. Leeuwarden. 1874. 

W. F. Versteeg. Atlas ja itoe kiiab jong isinja gambar- 
gambar doenia dan sckaliën tanah. Leyden, Gualth. Kolff, 1875. 
In dezen ten gebruike der inlanders in Ned.-Indië ver- 
vaardigden atlas komen kaarten voor van Ned.-Indië, 
Java, Sumatra, Bomeo, Celebes, de Molukken en de 
kleine Soenda-eilanden. 



AANHANGSEL. 



29 



J^VA KN^ ]VtA.IDOKI?,A. 



fï* 



ï»' 



99-' 



>M 



9» 



Oude Portugeeêche Kaart van Java, 
Deze Kaart is verschenen in de vierde decade van de 
Barros, uitgegeven lang nazgndood — 1615 — , door 
J. B. de Levanha. Ziet Dr. Veth, „Java", "Deel II, 
bl. 233. 
Eene Kaart van Java (Java Maior), gegraveerd door Petrus 
Haerius. 

Deze Kaart komt voor in het „Verhaal van de iteyse bij 

,de HoUandtsche schepen gedaen naar Oost-Indièn; 

,enz., by Barent Langenes, Middelburg, 1597", 

eveneens, in „het Caert-Thresoor van Barent Lan- 

„genes, uitgegeven bij C. Claeszoon, Amsterdam, 1598." 

Java Maior. 

Deze Kaart, in veel opzichten overeenkomende met de 
Portugeesche kaart van de Levanha, en waarschijn- 
Ijjk gevolgd naar een kaart van Hondius, staat in 
,Begin ende Yoortgangh van de Vereenigde Neder- 
flantsche Geoctroyeerde Oost- Indische Compagnie, 
,*t Eerste Deel, gedruckt in den Jaere 1646", onder 
no. 15, als „Afbeeldinghe van *t Eylandt Java by de 
„Eerste Schipvaert der Hollanders naar Oost-Indië.'* 

't Koninkryk Sunda met dat van Java, by d* inwoonderen voor 
één eiland gehouden en door den Heer J. B. de Levanha als 
twee eilanden beschreven. 

Deze Kaart is een copie van de eerstvermelde kaart 
van de Barros en komt voor in de „Nauwkeurige 
„verzameling der gedenkwaardigste Zee- en Landreysen 
„naar Oost- en West-Indiën, sedert het jaar 1526 
„tot 1629. Leyden, door Pieter van der Aa, 1707." 

Behalve nog andere kaartjes van Java in oude reisverhalen en 
in de atlassen van Blaeu, Janssonius, enz. verdienen vermelding: 

Insulae Javae cum parte ineularum Bomeo, Stmatrae et dr- 
emnjacenüum instdarum novissima delineatio. Amsterdam, P. 
Schenk en G. Valk. 

Zonder jaartal; uit het begin der 18de eeuw. 

ffet eiland Java, zooals het sedert de tyden der Portngysen 
by de Ed. Oost-Indize Maatsohappy bekend geworden en beva- 
ren is. Uitgevoerd te Leiden door Pieter van der Aa. 

Deze Kaart is te vinden in de „Nauwkeurige verzame- 
„ling der gedenkwaardigste Zee- en Landreysen naar 



„Oost- en West-Indiën, sedert het jaar 1526 tot 1629 
„Leyden, door Pieter van der Aa, 1707." 

Hadriano Relando — overleden in 1718 — Inêulae Javae pars 
oceidenialis, en, Itmdae Javae pars orientalü {fTest en Oost- Java); 
in 2 bladen. Amsterdam by G. van Keulen. 

Zonder jaartal. Deze zeer merkwaardige kaart komt even- 
eens voor op de reeds vermelde „Liste des Gartes de 
„r Atlas de leurs nobles puissances Ie Conseil Com- 
„mité d'HoUande etc." onder no. 317. 

Fran<jois Valentyn. Nieuwe en zeer nauwkeurige Kaart van 

H Eyland Java Major of Qroot-Java, verdeeld in seven byzon- 

dere bestekken. J. van Braam en G. Onder de Linden, 1726. 

Deze Kaart komt voor in „Valentyns Oud en Nieuw Oost- 

„Indië*, Deel IV, 1ste stuk. In dit werk komen nog 

andere belangryke kaarten van den Archipel voor. 

Carte de Vtle de Java, partie occidentale, partie oriëntale 
dressée tout nouvellement sur les mémoires les plus exactes. 
Atlas Gnendeville, 1726. 

Nouvelle carte de Vile de Java, dressée suivant les observa- 
tions les plus récentes, faites par ordre de la compagnie Hol- 
landaise des Indes Orientales- met het onderschrift: Nieuwe 
Kaart van het eiland Java geschikt volgens de jongste waar- 
nemingen op order der Nederlandsch Oost-Indische Maat- 
schappij gedaan. 

2k)nder jaartal. Deze Kaart is opgenomen in de „His- 
„torische Beschryving der Eeizen, Deel XII, Amster- 
„dam, 1795"; in „Dubois, Vie des Gouverneurs 
„Généraux, La Haye, 1763"; en in „Batavia, de 
„hoofdstad van Ned. Oost-Indië in derzelver gelegen- 
„heid, enz., Deel I, te Amsterdam, bij Petrus 
„Conradi, 1782." 



Kaart van het eiland Oroot-Java, 
In Stavorinus „Beize over Batavia naar Samarang, Macas- 
„ser en Amboina in 1774—1778, Leiden, 1798". 
Ook opgenomen in de Engekche vertaling van 
S. H. Wilcock „Voyages of Stavorinus. Vol IH, 
„London, 1798." 

General C. E. Tombe, Engineer. Map of the island of Java, 
prepared from the actual surveys. 



30 



AA.KHA.NGSEL. 



In „Sketches civil and military of the island of Java, by 
„J. J. Stockdale, 2d«. edition, London, 1812." 

I^eich of the üland of Java, from the latest and best docu- 
ments existant. 

In „Memoir of the conquest of Java, bij Maj. W. Thorn, 
„London, 1815." 

Kolonel J. van den Bosch. Nieuwe Kaart van het eiland Java^ 
naar de nieuwste waarnemingen, op de schaal van 1 1 2.500.000. 
's Qravenhage en Amsterdam. Grebr. van Cleef, 1816. 

Ook voorhanden in den Atlas van J. van den Bosch „Ne- 
„derlandsche Bezittingen in Azië, Afrika en Amerika, 
„'s Gravenhage en Amsterdam, b^ Grebr. van Cleef, 



» 



1818." 



Thomas Stamford Raflles, Esqrc. A map of Java, chiefly from 

surveys made during the Britsih Administration, constructed in 

illustration of an Account of Java, engraved bij J. Walker. 

Scale 1 : 966,000. London, Black; Parbury and Allen, 1817. 

Deze Kaart komt voor in „Kaffles** History of Java, Londen 

„1817," en in het plaatwerk -. „Antiquarian, Architec- 

„tural and Landscape illustrations of the History of, 

„Java, bij Sir Thomas Stamford Kaffles, 1844." Een 

nadruk is verschenen onder den titel van: „Garte de THe 

„de Java, par T. S. Eaffles, Bruxelles, 1832, 

„Etablissement géographique." 

X 

Esqmeee de VTle de Java, divisée en résidences avec indi- 
cation des chefs lieux, 1833. Gravé sur pierre par Basely et 
Huart, Leyden. 

In „Mémoires sur la Guerre de 1'ile de Java de 1825 a 
„1830, par F= V. A. de Stuers. A Leyde, S. & J. 
„Luchtmans, 1833.*' 

Zoo in de vertaling van dit werk door den majoor 
Lange, als in de later verschenen „Geschiedenis van 
„den oorlog op Java," door den tegenwoordigen 
Generaal-Majoor Weitzel, en in andere werken, komen 
gedetailleerde kaarten van het oorlogstooneel voor. 

Catte de Vile de Java, 
Deze Kaart komt voor in „Bernard Duc de Saxe-Weimar 
„Eisenach, Précis de la campagne de Java en 1811. 
„La Haye, 1834." 

Mappenkaart van Java. Zamengesteld op het bureau van 
den luitenant-kolonel onder-directeur der genie W. Brouwer 
In steendruk gebracht bij de directie der Militaire Verkenningen 
te Leyden, 1836. 



B". Melvill van Carnbée. Kaart van het eiland Jana en 
omliggende eilanden en vaarwaters, op last van den Schout-b^- 
nacht Lucas, enz. vervaardigd in 5 bladen op de schaal Tan 
1 : 500.000. 1842. Jacob Swart, Amsterdam, b\j de Wed. 
Gerard Hulst van Keulen. 1845 
Verbeterd in 1855. 

C. W. M. Van de Velde, Luitenant-ter-Zee. Kaart van het 
eiland Java in 2 bladen, te zamengesteld uit officieele bronnen, 
opgedragen aan Z. E. den Heer J. C. Baud, Minister van Ko- 
loniën. Schaal van 1 : 700.000, 1845. 

Hierbij behooren „Toelichtende aanteekeningen b^* de 
„Kaart van Java, Leyden, 1847." 

Bo. Melvill de Carnbée, Carte de Vile de Java. Echelle de 
1 : 2 250.000. 1847. 

Ook opgenomen in den „Moniteur des Indes orientales et 
„occidentiales." Jaargang 1846 — *47 

J. H. W. Le Clercq, Kapitein van den Generalen Staf. Kaart 
van Java en Madoera, op de schaal van 1 : 1,000,000, in 2 bladen; 
op steen gebracht door A. J. Bogaerts, Breda, 1850. W. P. van 
Stookum, 's Gravenhage. 

Kaart van het eiland Java, uit de nieuwste bronnen samen- 
gesteld. Schaal van 1 : 1.150,000. Te Amsterdam big Frans Bufla 
en Zoon, 1855. 

Net bewerkt, doch niet oorspronkelijk. 

Dr. F. Junghuhn. Kaart van het eiland Java, in 4 bladen 
Uitgegeven op last van en opgedragen aan Z. E. den Minister 
van Koloniën, Chs. F. Pahud. Te zamengesteld uit de wasor- 
nemingen en opmetingen door Dr. F. Junghuhn, gedurende zyn 
onderzoekingsroizen op dat eiland in de jaren 1835 tot 1848. 
Op de schaal van 1 : 350.000 op steen gebracht te Breda bij 
A. J. Bogaerts, 1855. Uitgegeven (voor rekening van het Min, 
van Koloniën) b\j C W. Mieling te *s Hage, 1856. 

A. Petermann. Orographisch Phyiikalische Karte von Java. Die 
Grundlage naoh der Grossen Karte von Junghuhn. Die Höhen- 
verhaltnisse nach allen bisherigen hypsometrischen Messuu<^en 
von Blume, de Lange, Forsten, Hasskarl, Herwerden, Hörner, 
Jukes, Junghuhn, Maier, Melvill, Muller, Keinwardt, Smits, 
ZoUinger, u. a. 

Geographische Mittheilungen, 1860. 

Het eiland Java onevens Bali, op de schaal van 1 : 1,750,000. 
Amsterdam, Seyffardt's boekhandel, 1861. 



AANHANGSEL. 



31 



Nieuwe, tevens Eiappe-Kaart wm Java en Madoeray ingevolge 
GonTemements-besloit van 7 Augustus 1860, no. 15, op de schaal 
▼HU 1 : 717.000, samengesteld door den Kapitein der Genie 
W. F. Yersteeg. Topographisch Bureau, Batavia, 1861 en '62. 

S. H. Semé. Kaart van Java, op de schaal van 1 : 1.600.000. 
lithographie van J. Smulders en Co. te *s Uage, 1866. Uit- 
gare Tan J. Smulders te 's Hage en C. L. Brinkman te 
Amsterdam. 

De kaart is voornamel^'k bewerkt naar de 29 kaarten der 

a£Eonderlgke residentiën, enz., voorkomende in de „Al- 

,gemeene Atlas van Nederlandsch Oost-Indiê, door 

,P. B". MelviU van Cambée, enz." Verder z\j n bij de 

samenstelling de beste en nieuwste bronnen geraad- 



ȕ 



M-i 



pleegd, inzonderheid „de Nieuwe Etappe-kaart van 
„Versteeg van 1862." 

Java^ iVo. 1, Pkyneke Kaart ^ en, Java N^, 2, Politieke Kaart. 

In den „Atlas van de Nederlandsche bezittingen in Oost- 

„Indië, door Dr. J. Pynappel Gzn. Geheel op nieuw 

„bewerkte uitgave. Amsterdam. P. N. van Kampen 

„1872." 

J. Kuyper, Java en Madoera^ op de schaal van 1 : 1.434,000. 
Uitgave van Uugo Suringar, Leeuwarden, 1874. 

Verder de Kaarten van Java, voorkomende in de Atlassen 
van Domseiffen, Kuyper, Kuyper en Posthumus, Jager, Wit- 
kamp, Frjjlink en anderen. 



Een opgave van kaarten (meest hydrographische kaarten) en gidsen, betifekking hebbende op Nederlandsch-Indiê, 
meer bgzonder van die de West- en de Zuidkust van Sumatra, de Oostkust van Sumatra tot de Westkust van Borneo, Java, de Eilanden 
beoosten Java, de Oostkust van Borneo en Gelebes, de Molukken en den Japanschen Archipel, welke verkrijgbaar zijn gesteld 
l^j het Departement der Marine in Nederlandsch-Indië ; eveneens een opgave van kaarten, verkrijgbaar by het Topographisch 
Bureau te Batavia» meerendeels de tot heden voltooide kaarten van de residentiën en de hoofdplaatsen van Java en Madoera, 
die van de r^'ken van Deli en Atjeh, z^'n vermeld in den ^^E^erings- Almanak voor Nederlandsch-Indië 1876 (Bglagen R. en S.)" 



"1 



l 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA 



DOOR 



F. DE BAS 



Kapitein van den Generalen Stal'. 



MET KAARTEN EN B IJ LAGEN. 



IL 



k.-W.'V.^.rV.-V ■^ ■X^N^^»^'^ Nw.'^/"N^*« »'^ ^?^ 



(Uitgegeven van wege het Aardrijkskundig Genootschap).. 

BIJ BLAD N^ 10. 



AMSTERDAM, 
C L. BRINKMAN. 



UTRECHT, 
J. L. BEIJERS. 



1882. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



Mendelssohn's „Meeresstille und glückliche Fahrt'' scheen 
nog kort geleden het beeld te zullen blijven van het ver- 
volg der werkzaamheden, betreffende de opnemingen in den 
Soenda- Archipel, waarvan in 1876 een vijf-en- twintigjarig 
overzicht door het Aardrijkskundig Genootschap tot om- 
schrijving van het standpunt der aardrijkskundige weten- 
schap in Nederlandsch Indie was uitgegeven. De moderne 
Argo, welke reeds vóór een halve eeuw aldaar was van 
stapel geloopcn, had op zijn eerste tochten moeten worstelen 
met allerlei lotgevallen en gevaren, en stevende thans statig 
en met vol vertrouwen de toekomst te gemoet. Mocht enkele 
malen een sterke bries de zeilen doen zwellen en het vaar- 
tuig dwingen onveilige kusten te vermijden, toch twijfelde 
niemand verder aan zijn gelukkige vaart. Het beschaafde deel 
van he^t Nederlandsche volk en vreemde geleerden volgden 
dankbaar en met sympathie de kloeke, intelligente bemanning, 
samengesteld uit stefrekundigen en geographen, die overal 
voet aan wal zetten en bereids Java in. alle richtingen 
hadden doorkruist, om als de Grieksche helden tot eiken 
prijs hun doel te vervolgen. Rees er somtijds verschil 
tusschen Jason en de stuurlieden, dan wisten zij spoedig 
den vrede te herstellen, en allen reikten elkaar weder de 
hand op het gebied, waar alle wetenschappen tot één doel 
samenwerken. De moderne Argon auten hadden ten slotte 
één deel van hunne zending volbracht en zetten koers naar 
een ander Kolchis, toen zij bij het oversteken van de zee- 
engte plotseling door een woedenden orkaan werden over- 
vallen, welke dreigde het vaartuig te verbrijzelen tegen de 
flippen, de schipbreukelingen wijd en zijd te verspreiden. 

Mag men de laatste vergelijking bezigen voor de ge- 
volgen, welke moeten voortvloeien uit het besluit van 
Zijne Excellentie den Gouverneur-Generaal van Neder- 
landsch Indie, dd. 2 Juni jL, waarbij voorloopig wordt 
^feezien van de triangulatie van Sumatra, dan verzuime 
^en niet tevens te vermelden, dat het Bestuur van het 



Aardrijkskundig Genootschap, aan zijne statuten getrouw 
en de rol vervullende eener Medea tot ondersteuning der 
heroen, die het Gulden Vlies aan geweldige bewakers heb- 
ben te ontworstelen, zich aanstonds wendde tot de regee- 
ring i) om hare hulp in te roepen en zooveel mogelijk de 
gevaren af te wenden, waarmede dat besluit de weten- 
schap, de koloniën en het moederland bedreigt. 

Dat ijverige bestuur maakte zich onmiddellijk en vóór 
alle anderen tot tolk van de teleurstelling, welke die maat- 
regel veroorzaakte aan het Indische leger en een groot deel 
der Indische maatschappij; waarvan de belangstellende 
vreemdeling zal getuigen, wanneer hij er kennis van zal 
dragen. Buiten Nederland had men zich verheugd over 
de pogingen door de regeering gesteund en door de natie 
aangewend, om het boek te ontsluiten, waarin voor de 
kennis van Sumatra zoo veel geschreven stond. Bevreemding 
moet het wekken, dat na veelzijdige voorbereiding die po- 
gingen, zoo de tusschenkomst van het moederland het niet 
verhoedt, worden gestaakt en door uitstel van de opnemin- 
gen op Sumatra aldaar de bron zal worden gesloten om tot 
de kennis van land en volk te geraken. 



Bleek het uit voormeld geschiedkundig overzicht der opne- 
mingen 2), hoe innig er verband bestond tusschen de verrich- 
tingen van de drie dienstvakken — de Geographische dienst, 
het Topographisch bureau en de Statistische opneming — , 
die daarbij waren betrokken, al behoorde elk tot een ander 
departement van bestuur : tevens trachtten wij aan te 
toonen, dat gemis aan éénhoofdige leiding bij drie zelf- 
standige onderdeelen onvermijdelijk moest leiden tot ge- 



i) Adres door het Bestuur van het Aardrijkskundig Genootschap 
aan Z.Exc. den Minister van Koloniën, dd. 31 Juli 1882. 
2) De Residentiek aarten van Java en Madoera. 1876. 



l 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



brekkige samen werking, ten koste van arbeid, geld en tijd, 
ten nadeele van het einddoel. Met voldoening mocht het 
Aardrijkskundig Genootschap ontwaren, dat zijne . voor- 
stellen niet geheel aan de aandacht der regeering waren 
ontsnapt, hoewel het uitvoerend lichaam niet tot stand 
kwam, hetwelk wij hadden gewenscht, tot éénhoofdige lei- 
ding van de triangulatie, de topographische en de kadastrale 
opneming in Indie. 

Tegenover belangrijke vorderingen sinds 1876 staan ook 
enkele wijzigingen van bedenkelijken aard, en het jongste 
besluit der Indische regeering, waarbij voorloopig van de 
triangulatie van Sumatra wordt afgezien, levert een smar- 
telijk bewijs voor het gemis van vaste leidende beginselen 
bij het werk der opneming van de overzeesche bezittipgen : 
smartelijk, wijl die beschikking klinkt als een doodstijding 
voor den Topographischen dienst, waaraan inzonderheid de 
vervaardiging der kaarten is toevertrouwd. Maar den raad 
volgende van den dichter de Génestet: 



^Voor de wereld, klaag uw leed 
Niet te lange, niet te bange.. 



I) 



omschrijven wij, ter verduidelijking dat de tijd tot triangu- 
latie van Sumatra juist was aangebroken, het tegenwoor- 
dige standpunt van de metingen op Java. 

Alle kaarfen van den Indischen Archipel vóór 1865 
ontworpen, hoeveel ijver en inspanning overigens daaraan 
zijn besteed, berusten niet op sterrekundige plaatsbepalin- 
gen en triangulatie, en missen dus den eenigen zuiveren 
grondslag voor topographische opmetingen. Als een curieuse 
bijdrage tot beoordeeling van de toenmalige opvatting der 
werkzaamheden, wordt medegedeeld uit stukken van dien 
tijd, dat de triangulatie „zou volgen op de topographische 
opneming als middel van controle op de topographische me- 
tingen, om in verband daarmede den trouwen en kundigen 
opnemer te leeren onderscheiden van den ontrouwen en 
onkundigen' i). 

Zonder triangulatie is een deugdelijke topographische 
opneming ondenkbaar; de statistisch -kadastrale verrichtin- 
gen sluiten op hare beurt weder aan die der topographie. 
Bij het plan tot vervaardiging der topographische kaarten 
en tot uitvoering der statistische opneming van Java, 
hetwelk slechts trapsgewijze een algemeene strekking ver- 
kreeg, bestond aanvankelijk geenerlei verband. Zoo waren 
van 1840 tot 1853 Batavia en Buitenzorg opgenomen zon- 

I) Aanteekcning op een Gouvernements-besluit ongeveer 25 jaren 
geleden. 



der vaste punten, terwijl pas door de beschikking van 25 
December van laatstgenoemd jaar, bij uitbreiding der to- 
pographische werkzaamheden over geheel Java, het juiste 
wiskunstige uitgangspunt werd bereikt. Niettemin werd op 
nieuw dezelfde onzekere weg in Cheribon bewandeld, 
waar de driehoeksmeting pas aanving, toen de topogra- 
phische opneming reeds was afgeloopen; deels ook in Banj- 
oemas, Kadoe en Bagelen, alwaar de heer de Lange wél 
signalen had bepaald vóór den aanvang der topographische 
opmetingen, doch waarvan soms op zoodanige wijze gebruik 
werd gemaakt, dat het wellicht verkieselijker ware geweest, 
wanneer ze gansch niet waren gebezigd. In Soerakarta, Djok- 
jokarta, Samarang, Pekalongan en Tagal werkte men zonder 
voldoende aansluiting aan het driehoeksnet : in beide laatstge- 
noemde residentien werden de signalen nog gebouwd, toen 
het veldwerk reeds ten einde spoedde. Bovendien werkten 
de verkenningsbrigades allen naar verschillende methoden. 
De statistisch-kadastrale opneming, in 185 1 bevolen voor 
Cheribon ten einde misbruiken te keeren bij de toepassing 
van het stelsel van landrente, cultuur- en heerendiensten, 
werd voortgezet in andere residentien, maar hield geen tred 
met de topographische verrichtingen tot militaire doelein- 
den, was hier vooruit, ginds achterlijk, werkte naar eigen 
inzichten, en leverde in topographischen zin onnut werk. 

De Geographische dienst was bij besluit van 18 April 1862, 
dank zij de voorstellen van professor Oudemans, op een 
uitmuntenden voet geregeld. In 1864 werd, na overleg tus- 
schen de chefs van den Topographischen en den Statistisch- 
kadastralen dienst, door de Indische regeering eenig verband 
tu.sschen beide vakken ingesteld. Sinds dien tijd kan men 
rekenen dat de betrokken drie departementen — Marine, 
Oorlog en Binnenlandsch Bestuur — tot één doel begonnen 
samen te werken. Het duurde intusschen nog zes jaar, alvorens 
door de instructie van den Commandant van het leger in 
Nederlandsch Indie, vastgesteld op i November 1870, het 
juiste verband werd gelegd tusschen de geographische en 
de topographische opneming, op den voet gevolgd door de 
statistisch-kadastrale onderzoekingen en opmetingen. Ein- 
delijk was dus het standpunt bereikt, waarop tegenwoordig 
de residentiekaarten van Java en Madoera worden ver- 
vaardigd. 

*t Is duidelijk, dat, als gevolg van vroegere verzuimen, de 
eerst opgemeten residentien van Java talrijke fouten aan- 
wijzen : meestal voortvloeiende uit gemis aan een zuiveren 
wiskunstigenj grondslag. Nog meer geldt dit voor de uit- 
komsten van de statistische opneming en hare verhouding 
tot den Geographischen en den Topographischen dienst 
na 1876. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



In het opstel over de residentiekaarten van Java en 
Madoera is aangetoond, dat de Geographische dienst 
nimmer onmiddellijke aanraking heeft gehad met de sta- 
tistische opneming. Deze ontving van den Topographischen 
dienst de coördinaten van alle signalen — ook van de 
tertiaire punten door de verkennings-brigades bepaald — 
en de brouillons der détail-bladen op i : 20.000. 

Toen in eenige residentiCn de statistische opneming was 
afgeloopen, deed de toenmalige kolonel Pfeiflfer tot bijhouding 
dier metingen een poging om meer verband te brengen 
tusschen dezen arbeid en de militaiie kaarten; deze ix)gingen 
leidden echter, bij veranderde inzichten omtrent de statistische 
opneming, niet tot het gewenschte resultaat. Inmiddels was 
men begonnen de perceelen van de stad en de voorsteden van 
Batavia kadastraal op te meten : na voltooiing daarvan zou 
worden bepaald óf en, zoo ja, in welke richting moest 
worden voortgegaan met de kadastrale opneming; ook, in 
hoe verre de technische verrichtingen van de statistiek 
naast het kadaster zouden worden voortgezet. 

Bij besluit van 10 Mei 1879 n®. 6, Staatsblad n^ 164, (zie 
Bijlage I) werden de statistische opnemingen van Java en de 
kadastraal-statistische bureau*s opgeheven. Onder de redenen 
van technischen aard, welke daartoe aanleiding gaven, be- 
hoorde de opgrond van bevoegde rapporten gevestigde overtui- 
ging bij het koloniaal bestuur, dat de technische waarde der 
statistische kaarten zeer gering was: het natuurlijke gevolg van 
gemis aan deskundige kennis en controle bij de vervaardiging, 
vooral van eiken geodetischen grondslag, zoodat met den 
besten wil tusschen de gemeten veelhoeken geen aanslui- 
ting was te brengen. De weg om hierin verbetering te 
bevorderen ware geweest om aan den Topographischen dienst 
de herziening der militaire kaarten, aanvangende met die vóór 
1870 vervaardigd, op te dragen. Een voorstel in dien zin ge- 
daan door den opvolger van den kolonel Pfeiffer, den luitenant- 
kolonel Havenga, werd afgewezen. Hoe ook overtuigd van de 
vele gebreken in het reeds verrichte wérk, beweerden invloed- 
rijke personen in Nederland^ dat in elk geval door de 
kaarten van Java de kennis van de voorgestelde gewesten 
belangrijk was vermeerderd. Daarentegen wist men nog 
weinig of niets van de buitenbezittingen, met Sumatra te 
beginnen, het rijke Poeloe Pertja der inlanders. Het was 
dus verstandiger, beweerde men terecht, het geld en de 
krachten van het personeel te benuttigen voor opnemingen 
buiten Java, dan tot herziening der reeds vervaardigde 
kaarten van dit eiland. Zoo dacht o. a. de minister van 
Bosse in 1878 over de opneming der buitenbezittingen. 

Door het besluit van 10 Mei 1879 werd de werkkring van 
bet kadaster vastgesteld en het personeel belangrijk uitge- 



breid. Zijn wij goed ingelicht, dan heeft een later \''an zeer 
bevoegde zijde ingesteld onderzoek aan het licht gebracht, 
dat de oude statistische kaarten slechts op 30 procent na 
de juiste oppervlakte van het voorgestelde aangeven. Is dit 
zóó, dan vragen wij : waartoe dient de bijhouding van die 
gebrekkige kaarten, welke thans volgens punt 4 van voor- 
meld besluit (Bijlage I) is opgedragen aan personeel, staande 
onder den chef van het kadaster ? Is het billijk, om in afwach- 
ting eener kadastrale hermeting, die gebrekkige kaarten te 
bezigen voor den aanslag der landrente, waardoor die 
aanslag voor dézen evenveel te groot moet worden, als zijn 
buurman te weinig betaalt? En wanneer men die kaarten 
niet tot dat doel bezigt, waartoe dient dan de bijhouding? 
Blijkt het, dat de tonnen gouds voor zulk werk gedurende 
tal van jaren besteed, zijn weggewor{)en, deed men dan 
niet beter, bij den heerschenden geldnood, welke tot bezuini- 
ging dwingt, om aanstonds zulk onnut werk te staken, 
dan af te zien van de triangulatie van Sumatra en zoo- 
doende de topographische opnemingen aldaar onmogelijk 
te maken ? Maar dwalen wij niet af. 

Na 1879 ging het kadaster steeds voort met zich uit te 
breiden (zie de samenstelling van het personeel op i Januari 
1882 aan het slot van Bijlage I), stelde o. a. twee sectien 
aan het werk in de Preanger-Regentschappen, en levert 
thans betrouwbare gegevens. 

Het kadaster maakt met juistheid gebruik van de geo- 
graphische en toix)graphische signalen en bezigt dezelfde 
coördinaat-assen als voor de militaire kaarten zijn gebruikt. 
Men zette de trangulatie voort — met kleine theodolieten 
van Pistor en Martins — aanvankelijk met driehoekszij den 
van I K.M. lengte; spoedig bleek het echter, dat men daar- 
mede in .een ander uiterste was vervallen, zoodat later de 
driehoekszijden 2,5 tot 3 K. M. lang werden gemaakt. 

Verdient het kadastrale werk in Indie, staande onder 
uitmuntende leiding, allen lof, dan rijst van zelf de vraag, 
óf het niet doelmatig ware .om de militaire kaarten bij te 
houden volgens de kadastrale opmetingen? 

Hiertegen bestaan echter bezwaren. 

In de eerste plaats laat het kadaster zich slechts op be- 
perkte schaal in met verticale metingen, zoodat het wegen- 
net, de met bosch bedekte terreinen enz. toch weer van 
militaire zijde zouden moeten worden opgenomen. Voorts zal 
het nu onderhanden zijnde kadastrale werk pas over ruim 
20 jaar gereed zijn. De bijhouding der residentie-kaarten 
zou op die wijze tot een te ver verwijderd tijdstip moeten 
worden uitgesteld. Ook bestaat er geenerlei controle van 
de zijde van het kadaster op de militaire kaarten, zooals 
weleer bij de statistische opnemingen. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



De beschrijving der kaarten eindelijk en de verbetering 
der plaatsnamen i) geschiedt, na opheffing der statistische 
opnemingen, door de chefs der verkennings-brigades in 
overleg met de districtshoofden — meestal ontwikkelde inlan- 
ders — en met raadpleging van de naamstaten, onder ver- 
antwoordelijkheid van de controleurs. Deze regeling, welke 
zich allengs heeft ontwikkeld, is wellicht voor 't oogenblik 
noodzakelijk, maar zal op den langen duur blijken minder 
goed te zijn. De controleurs toch, aan welke de herziening 
der plaatsnamen wordt opgedragen, zijn niet allen nauw- 
keurig bekend met de Javaansche, de Soendaneesche of 
Madoereesche taal, zoodat zij dat werk voor een deel moe- 
ten overlaten aan hun schrijvers of hun magangs: deze laatsten 
— veelal jeugdige inlanders, zonen van hoofden of van gegoede 
inlanders, die zonder betaling werkzaam zijn bij de Euro- 
peesche en inlandsche ambtenaren van binnenlandsch be- 
stuur, om langs dien weg eenigszins op de hoogte te komen 
van het werk op de gouvernements-bureau's enz. — zijn echter 
op hunne beurt onvoldoende bekend met dejuiste uitspraak van 
de in Italiaansch schrift aangeduide klanken. De transcriptie 
van de Javaansche, Madoereesche en Soendaneesche woorijen 
moet zoodoende onvermijdelijk tot misvattingen aanleiding 
geven, terwijl alleen voor elk gewest, mits aldaar dezelfde 
brigade-chef werkzaam blijft, maar niet voor het geheel, een- 
heid van spelling verzekerd is. Het menigvuldige ambtelijke 
schrijfwerk der controleurs maakt het vaak ondoenlijk, 
zich persoonlijk van de opgedragen herziening te kwijten. 
Een der beste middelen ware, om voor elke taal de ver- 
betering der naamstaten tegen goede betaling toe te ver- 
trouwen aan een geletterden deskundige, bij voorkeur te 
kiezen onder de meest beschaafde inlanders; alléén op die 
wijze is eenheid van spelling voor alle residentiek^arten te 
bereiken. 

Alles te zamen begroete men de oprichting van het ka- 
daster, ter vervanging van de technische verrichtingen der 
vroegere statistische opnemingen op Java, als een belang- 
rijken vooruitgang. Zien wij thans in groote trekken, wat 
sinds 1876 bij den Geographischen en den Topographi- 
schen dienst is voorgevallen. 

Aansluitende bij hetgeen omtrent de vorderingen van 



i) Zie De Residentie-kaarten van Java en Madoera, bl. 19 en 23. — 
Hoewel ijverende voor een zoo veel mogelijk juiste beschrijving der 
kaarten, behielden wij in dit opstel, om eiken schijn van willekeur te 
vermijden, voor Java en Madoera de schrijfwijze, voorkomende op 
de Residentie-kaarten; doch zonder die schrijfwijze in bescherming 
te willen nemen. 



den Geographischen dienst vromer is vermeld i) kunnen 
wij met betrekking tot de \txdi^xt ^verrichtingen kort zijn. 
In het jaar 1876 werden de metingen voor het net van 
primaire en secundaire driehoeken voltooid en de bases 
van West- (Semplak) en Midden- Java (Demak) voorloopig 
verbonden met het net van hoofddriehoeken. Het volgende 
jaar spoedden deze werkzaamheden ten einde en was de 
basis van Bondowoso in Bezoeki gemeten; in 1878 werd 
ze op het terrein verbonden met de triangulatie en hadden 
er nog enkele lengte- en breedtebepalingen plaats. In 1880 
en 188 1 eindelijk ging men daarmee voort ten behoeve van 
de graadmeting en verzamelde de noodige bouwstoflfen voor 
de eindbecijfering. Hoewel dus drie bases op Java zijn 
gemeten, heeft tot nu toe alleen eene globale, niet de eigen- 
lijke berekening plaats gehad: een zuivere verbinding met 
die drie grondlijnen moet nog geschieden. Voorts blijven 
te verrichten twaalf breedte-bepalingen en de bepaling der 
lengte-verschillen Anjer-Cheribon, Cheribon-Banjoewangi en 
Tjilatjap- Anjer. Gebrek aan personeel en drang van de zijde 
der regeering tot beëindiging van het werk van den Geographi- 
schen dienst leidden er den heer Bergsma toe, om enkele 
punten van het ontwerp van professor Oudemans onuitge- 
gevoerd te laten. Inzonderheid voor de becijfering blijft er 
dus nog veel te doen. 

In de regeling van den Geographischen dienst, volgens 
het besluit van 18 April 1862, hebben echter ingrijpende 
veranderingen plaats gegrepen. 

Sedert het vertrek van Dr. Oudemans naar Europa, was 
Dr. Bergsma, directeur van het meteorologisch observato- 
rium te Batavia, tijdelijk met de leiding der werkzaamhe- 
den belast. Daarna zijn, volgens het Indische Staatsblad 1879 
N^. 152, de sterrekundige plaatsbepalingen definitief overge- 
bracht van den Geographischen naar den Hydrographischen 
dienst. Dienovereenkomstig behoorde, behalve de ingenieur 
voor de triangulatie en de hem toegevoegde assistenten, nog 
alleen het personeel van het magnetisch en meteorologisch 
observatorium tot de afdeeling Geographische dienst. Als 
chef van dit onderdeel bij het Departement der Marine werd, 
nu de betrekking van hoofdingenieur, belast met sterrekun- 
dige, plaatsbepalingen was ingetrokken, aangewezen de oudste 
ambtenaar van den Geographischen dienst, onverschillig of 
hij geplaatst was bij de triangulatie, dan wel bij de mag- 
netische en meteorologische waarnemingen. Te gelijkertijd 
was, in beginsel uitgemaakt 2), dat bij het onderhanden 
nemen eener geregelde opneming van de gewesten buiten 
Java, de vooraf te verrichten triangulatie niet, zooals op 



1) De Residentie-kaarten van Java en Madoera, bl. 10 tot 12. 

2) Koloniaal Verslag 1879. bl. 42, noot i en bl. 67. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



Java, door den Geographischen dienst, maar door den Ge- 
neralen staf zou .worden uitgevoerd. Om deze gewijzigde 
regeling op gang te brengen, welke het eerst zou worden 
toegepast in de Padangsche bovenlanden, werd de Gouver- 
neur Generaal gemachtigd de noodige maatregelen te treffen 
tot opneming der buitenbezittingen. Te beginnen voor Suma- 
tra werden dus de triangulatie en de topographische opne- 
ming in één hand gesteld. De voltooiing van het werk op 
Java bleef voor rekening van het departement der Marine. 

Deze maatregel, waarbij men het voorbeeld volgde van 
de vervaardiging der stafkaart door het militair departe- 
ment in het moederland i), werd in 1879 afgekondigd. Wie 
had toen durven vermoeden, dat drie jaar later de hoog 
gespannen verwachting door één pennestreek met ver- 
nietiging zou worden bedreigd! 

Als toelichting tot de voormelde wijziging vinden wij 
nc^ in het Koloniaal Verslag van 1881 aangeteekend: 

„Voor terrein werkzaamheden zijn er onder het personeel 
der Java-triangulatie geen geoefende elementen meer aan- 
wezig; en daar deze werkzaamheden toch eigenlijk alleen 
nog tot voltooiing van de graadmeting zouden moeten die- 
nen, terwijl er gegronde twijfel bestaat, of Java, tengevolge 
van zijn natuurlijke gesteldheid, wel het geschikte terrein 
daarvoor aanbiedt, bestaat het voornemen om de werk- 
zaamheden der triangulatie op Java en Madoera in het 
aanstaande jaar te doen afloopen, hetgeen te meer aanbe- 
veling verdient, daar in het belang van topographie en 
kadaster, de reeds verkregen uitkomsten der triangulatie 
geen noemenswaardige correcties meer behoeven. Het nog 
in dienst zijnde f)ersoneel zal zich tot zoo lang hebben te 
wijden aan de berekeningen, die noodig zijn ter verkrijging 
van bouwstoffen voor de eindbecijfering der afgeloopen 
triangulatie, en voor de beëindiging van den arbeid zal 
hier te lande een gelegenheid gezocht dienen te worden.'* 

Aan dit voornemen werd gevolg gegeven door het Staats- 
blad van Nederlandsch Indie voor 1882 No. 61, waarbij 
de afdeeling triangulatien van den geographischen dienst 
met I Mei j.1. is opgeheven 2). Daarmede is na het vertrek 
van professor Oudemans, na bij velerlei teleurstelling en gebrek 
aan bekwaam personeel, de slooping van den Geographischen 



ijZie: Meetkunstige beschrijving van het Koningrijk der Nederianden 
CttL, door den kapitein — thans generaal-majoor en chef van den 
genenden staf — J. M. van der Star. — 's Gravenhage, M. Nijhoff, 
1861. 

2)j Dit besluit is reeds opgenomen in de laatstverschenen aflevering 
(Juli 1882) van dit tijdschrift. — Abusievelijk zijn daarbij de heeren Helb 
en fiosboonif respectievelijk kapitein van den generalen staf en van de 
infianterie, als kolonel vermeld. 



dienst voltooid. De Minister van Koloniën beeft dien hoog- 
leeraar verzocht de herberekening van het driehoeksnet op 
zich te nemen : bij al het pijnlijke der slooping van zulk 
een gewichtig dienstvak een gelukkige maatregel, die ten 
bate komt der einduitkomsten van dien belangrijken arbeid. 

Bij de organisatie van den Toix)graphischen dienst van 
25 Maart 1864 was "de topographische opneming gesteld 
onder de leiding van den majoor der genie Versteeg en verdeeld 
in vier afzonderlijke brigades. Sedert 1874 maakt de Topo- 
graphische dienst een onderdeel uit van den Generalen staf 
zijnde het aantal brigades na 1870 ter voldoening aan de 
behoeften der opneming opvolgend tot zes uitgebreid. 
Inzonderheid na invoering in 1870 van de nieuwe werk- 
wijze onder de kolonels Egtcr van Wissekerke en Pfeiffer, 
daarin krachtig ondersteund door den toenmaligen kapitein 
Havenga en den isten luitenant Meijer, heeft deze dienst 
geleid tot uitstekende uitkomsten i), welke bij reproductie 
der overzichtskaarten en rainuutbladen aan de Topograpische 
inrichting te 's Hage, het licht heeft doen zien aan de 
schoone residentie-kaarten, welke in ons vaderland en op 
de wereld-tentoonstellingen van Parijs, Philadelphia, Weenen, 
laatstelijk in Venetië, door duizenden zijn bewonderd en 
hoog geprezen. 

In 1876 waren er van de 23 residentien op Java reeds 
9 — Kadoe, Bagelen, Banjoemds, Djokjokarta, Pekalongan, 
Samarang, Soerakarta, Tagal en Japara — gereproduceerd. 
Vijf andere — Cheribon, Krawang, Madioen, Kediri en 
Rerabang — bleven nog in bewerking. De residentien 
Batavia, Soerabaija, Pasoeroean, Probolingo en de Preanger 
Begentschappen werden overgeteekend of topographisch op- 
genomen. Bantam, Bezoeki, Madoera en Banjoewangi waren 
alléén getrianguleerd. 

i) De in 1870 vastgestelde werkwijze, omschreven in de Instructie 
voor den Chef van den Topographischen dienst, de brigade-chefs en het 
opnemerspersoneel, werd sedert in hoofdzaak behouden. Bij de her- 
ziening dier Instructie (Algemeene Order voor het Indische leger No. 
47 van 1881) is een belangrijke verbetering ingevoerd, in zoover 
de vroeger gevolgde berekening der coördinaten van de signalen residen- 
tiesgewijze op voor elk gewest afzonderlijke assen — geschied in strijd 
met de voorstellen van den toenmaligen kapitein Havenga, terwijl ook 
dezerzijds de bezwaren van zoodanige berekening in 1876 zijn aangetoond 
op bl. 21 en 22 der „Residentie-kaarten' — is vervangen door de bepa- 
ling van de coördinaten ten opzichte van één stel assen, getrokken door 
eenig centraal punt van het opgemeten eiland of van een eilanden- 
groep. Het wiskunstig verband der te vervaardigen kaarten zal zoo 
doende niets meer te wenschen overlaten. 

De eischen, waaraan moeten voldoen de luitenants, die bij den Topo- 
graphischen dienst wenschen te worden geplaatst, zijn bij het programma 
van 9 Mei 1881 (Alg. Order No. 20) slechts weinig gewijzigd. 



8 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA, 



Sedert zijn voltooid (zie Plaat I) en in den handel 
gebracht : 

Krawang in 4 bladen, prijs ƒ 6.50 



» 4 
„ 6 



>> 



)> 



>? 



» »> 



10. — 



»> » 



j> >? 



8.— 
8.— 



Madioen 

Cheribon 

Kediri „ 4 

Rembang „ 4 „ „ „ 9.50 

De reproductie der residentie-kaarten van Batavia en Soe- 
rabaijais thans te 's Hage onder handen. De overzichtskaarten 
van Pasoeroean en Probolingo op 1:100.000 zijn nog niet 
naar Nederland verzonden. De opneming van Madoera, 
Bezoeki, Banjoewangi en Bantam, aangevangen in 1877 
en 1879, zal in 1882 en 1883 beëindigd worden. Voor de 
Preanger Regentschappen kunnen de werkzaamheden in 
1S84 of in den aanvang van 1885 zijn afgeloopen. 

Bij het vooruitzicht, dat in 1882 voor twee brigades, in 1883 
voor de derde, één of twee jaar later ook voor de overige, 
het werk der opneming van Java zou eindigen ; wijl de 
topographische opmeting van Sumatra nog niet door tri- 
angulatie was voorbereid ; voorts in verband met den 
uitslag van een speciaal ingesteld onderzoek, hetwelk 
had aangetoond^ dat de kadastrale kaarten alléén onvol- 
doende waren voor de bij houding der militaire kaarten: 
had het militaire departement reeds een voorstel gedaan 
om de beide eerst vrijkomende brigades te belasten met 
de hermeting van eenige residentien, o. a. Cheribon en 
Banjoemds, van welke de bestaande kaarten minder ver- 
trouwen verdienen dan die van de andere het eerst opge- 
nomen gedeelten van Java. Toen deze voorstellen in 
December door de Indische regeering werden terugge- 
zonden, volgden er in den aanvang van dit jaar andere, 
met het doel om één brigade werkzaam te stellen tot 
hermeting van Bangka — de opneming van Ullmann is 
meer dan onvoldoende — waar de Marine bereids enkele 
punten had getrianguleerd, gemakkelijk door andere 
te vermeerderen; en twee andere brigades te zenden naar 
de Minahassa (Noord Celebes), waarvan door den heer 
de Lange enkele punten geographisch waren bepaald, later 
door professor Oudemans verbeterd i). De beslissing op 
deze voorstellen is ons niet bekend. — De diiectie van den 



i) Bovendien is een kaart van de Minahasa, in vier bladen ver- 
vaardigd door den oud-resident Mr. van Musschenbioek, door het 
departement van Koloniën uitgegeven. — Zie ook de kaart van de 
golf van Tomini in het Tijdschrift van het Aardr. Gen. Deel IV. 

Van Zuid-Celebes is de geacceerde overzichtskaart op 1:200,000 uit 
Indie bij het Departement van Koloniën te "s Hage ontvangen. 



Topographischen dienst heeft dus alles gedaan wat mogelijk 
was, om, in afwachting van de triangulatie van Sumatra, 
voor de opmeting der buitenbezittingen geen tijd verloren 
te doen gaan. 

Terwijl men overigens geheel de vroegere werkwijze volgde, 
werd sedert 1879 in {de Preanger Regentschappen en in Ban- 
tam, eenjaar later ook in Banjoewangi, als stelsel aangenomen 
om de woeste gronden en in het algemeen onbebouwde 
terreinen in kaart te brengen op een kleinere schaal, in 
beide eerstgenoemde gewesten op i : 50,000, in Banjoe- 
wangi op I : 50,000 en i : 40,000. Van de rapporten der 
brigade-chefs moest het afhangen, welke schaal voor de op)- 
neming van Sumatra zou worden aangenomen. Reeds nu 
mag men beweren, dat het gebruik van een kleinere schaal 
in plaats van die van i : 20,000, zal leiden tot een drie- of 
viervoudige besparing van tijd en van geld. Ook achten wij 
het alleszins in het belang vooral van het leger dat, na vol- 
doende vordering van alle residentie-kaarten van Java en 
Madoera, worde overgegaan tot de vervaardiging van een 
aaneengesloten kaart van Java op de schaal van 1:50,000, 
in bekwamen, handelbaren vorm, waarop de wateren, de 
wegen en de bewoonde oorden door kleuren zijn aange- 
geven, en met alle zoodanige bijzonderheden als tot een 
voorloopige militaire beoordeeling van het terrein onmis- 
baar worden geacht. Zoodanige kaart worde dan goedkoop, 
beter nog van rijkswege kosteloos, aan alle officieren en be- 
langhebbende ambtenaren verstrekt. 

Eindelijk was in het laatst van 1880 vastgesteld een 
nieuwe legende van conventioneele teekens en kleuren, en 
een nieuw voorschrift voor de vervaardiging van topogra- 
phische kaarten betreffende de Nederlandsche bezittingen 
in Oost-Indie. Dit voorschrift is bereids in steendruk ge- 
bracht aan de Topographische inrichting te 's Hage. Het 
bergterrein zal worden voorgesteld met arceeringen en hori- 
zontale doorsneden: inderdaad voor de vervaardiging en 
latere reproductie van de kaarten van Sumatra een zeer 
verstandige bepaling. Jammer genoeg bevat dit voorschrift 
geen voorbeeld voor de toepassing der teekens op de schaal 
van I : 100,000. 

De reproductie van het uit Indie ontvangen werk wordt 
onverpoosd voortgezet aan de Topographische inrichting 
te 's Hage, sedert 1868 onder de leiding van den heer 
Eckstein, aan wien de inrichting zulk een groot deel van 
haren roem te danken heeft. Bij de groote behoefte 
aan een goeden atlas van Nederlandsch-Indie en meer 
in het bijzonder van de buitenbezittingen, is door den 
Gouverneur-Generaal het voorstel gedaan om aan de 
Topographische inrichting te 's Hage ook de bewerking 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



toe te vertrouwen van een atlas in vijftien bladen, 
naar de nieuwste en beste bronnen vervaardigd door 
de kapiteins J. W. Stemfoort en J. J. ten Siethoff van 
den Topographischen dienst in Indie. Zoodanig werk is 
van algemeen belang te achten, bijzonder voor de inrich- 
tingen van onderwijs ter opleiding van ambtenaren en 
officieren voor Indie. Aannemende dat tot de bewerking 
van dezen Atlas ruim twee jaar zullen worden gevorderd, en 
daarbij den tijd rekenende noodig tot vervaardiging van de nog 
te verwachten residentie-kaarten van Java, is te 's Hage 
nog voor acht tot tien jaar werk voorhanden. De raming 
van 1864 tot reproductie van de residentie-kaarten binnen 
ongeveer 10 jaar, wordt dus door verschillende oorzaken 
» tot het dubbele van dien tijd uitgebreid. 

Bij het Topographisch jbureau te Batavia is 'sinds 1876 
de vervaardiging voortgezet van de geheel in kleuren en 
Oost-Indischen inkt bewerkte en gewasschen teekeningder 
overzichtskaarten, bestemd om door middel van de photo» 
graphie te worden vermenigvuldigd. Dusdanige gephoto- 
graphieerde residentie -kaarten op de schaal van i : 100,000, 
voor het publiek verkrijgbaar, zijn na de vroegere, thans 
0. a. ook verschenen van Rembang en Soerabaija i). 

Bovendien zijn na 1880 de detail-bladen op i ; 20,000 
door photo-lithographie vermenigvuldigd en worden ook 
andere proeven tot reproductie door lichtdruk, heliogravure 
enz. met de beste uitkomsten voortgezet. 

De voorgenomen inzending van het Topographisch 
bureau te Batavia op de Internationale Koloniale Ten- 
toonstelling van Amsterdam in 18S3 zal ongetwijfeld den 
roem dier instelling nog verhoogen en wijder verbreiden. 

Uit het overzicht van de jongste lotgevallen der dienst- 
vakken, welke zijn betrokken bij de vervaardiging der kaar- 
ten onzer bezittingen inOost-Indie, blijkt dus, dat de arbeid 
van den Geographischen en van den Topographischen 
dienst op Java ten einde spoedt, terwijl tot verdere voort- 
zetting van die hooggewichtige verrichtingen de aandacht 
van de Indische Regeering in den laatsten tijd vooral was ge- 
vestigd opSumatra, in belangrijkheid het tweede der groote 
Soenda-eilanden. De voordeelen verbonden aan een nauw- 
keurige kennis van Sumatra zijn herhaaldelijk ontwikkeld in 
het Aardrijkskundig Tijdschrift, zoodat het overbodig schijnt 
om in een herhaling te treden van gronden, welke o. a. 
aanleiding hebben gegeven tot de Nederlandsche expeditie 
naar de Boven-Djambi en de Korintji-Vallei, de eerste groote 
onderneming, welke door het Aardrijkskundig Genootschap 



I) Zie den Regeerings-AImanak van 1882. Eerste gedeelte. 



is op touw gezet en, al werd het doel niet geheel bereikt, 
tot belangrijke vermeerdering der kennis van Sumatra heeft 
geleid- Reeds in de jaren 1858 en 1859 waren door pro- 
fessor Oudemans op Sumatra's oostkust van een vijftal 
punten de geographische lengte en breedte definitief bepaald 
(zie Bijlage II). Op de westkust waren in 1869 voorloopige 
bepalingen geschied; terwijl voor andere punten de lengte en 
de breedte minder nauwkeurig zijn berekend; op Zuid- 
Sumatra zijn plaatsen bepaald door den Heer Ukena op de 
reizen door Dr. E. van Rijckevorsel. Nadat in Maart 1870 
een nieuwe en betere verbinding tusschen het triangulatie- 
net van West- en Oost-Java was gevonden, had men tevens 
een eventuöele voortzetting van het werk op Sumatra voor- 
bereid, door Java te verbinden met het eiland Krakataoe 
en vier bergtoppen in de Lampongsche Districten (zie 
Plaat I en II). 

Ofschoon het waar is, dat van Sumatra reeds een vrij 
groot aantal kaarten bestaan (zie Bijlage III), blijven er 
toch nog een groot aantal witte plekken over, terwijl, wegens 
het gemis van eiken wiskunstigen grondslag, geen enkele 
dezer kaarten volkomen geloofwaardig mag heeten i). 

Te Batavia was men ijverig voortgegaan met de voor- 
bereiding der triangulatie op Sumatra. 

Wij zagen straks, hoe door de Regeering, met de opheffing 
van de afdeeling triangulatie bij den Geographischen dienst, 
het beginsel was vastgesteld, dat tot verdere opneming van de 
buitenbezittingen, aanvangende met Sumatra, de triangulatie 
en de topographische werkzaamheden beide aan den Gene- 
ralen staf zouden worden opgedragen. Reeds in het laatst 
van 1878 was 'sKonings machtiging tot de triangulatie 
van Sumatra ontvangen, waarop in 1 880 de voorstellen wa- 
ren gegrond tot oprichting eener afd eeling met dit doel bij 
den Topographischen dienst. 

Alvorens men «r toe zou kunnen overgaan om triangu- 
latiCn te doen verrichten van wege het Militair departement, 
moesten er officieren beschikbaar wezen, geheel met de 
daaraan verbonden werkzaamheden vertrouwd. Daarom 
werd in het laatst van 1880 de kapitein van den generalen 
staf Helb, tot dusverre brigade-chef bij de topographische 
opneming, gedetacheerd bij het Departement der Marine, 
ten einde door één der ingenieurs van den Geographischen 



*) Om beter de gedachten te bepalen omtrent de afmetingen van 
Sumatra herinneren wij er aan, dat de uitgestrektheid over de groot- 
ste lengte van het eiland tusschen Koningspunt en Varkenshoek 
(zie Kaart II) bedraagt ongeveer 1690 K. M., zijnde een afstand als 
van den Helder tot Kaap Spartivento, Sardinie's Zuidpunt; de breedte 
tusschen Padang en hef Siak'sche is ongeveer 340 K. M., als van 
Amsterdam tot voorbij Coblenz. 

2 



lO 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



dienst te worden opgeleid. Deze officier was bestemd om 
als chef der uit te voeren triangulatie van Sumatra op 
te treden. 

De studiën van kapitein Helb waren weldra vér genoeg 
gevorderd, om een aanvang met de triangulatie te kunnen 
maken. Daar het welslagen der zaak echter niet van een 
enkel persoon mocht afhangen, en het wenschelijk was, dat 
voorde opleiding van verder personeel in de toekomst officieren 
aanwezig waren, in alle opzichten voor de zaak berekend, • 
deed het legerbestuur in het begin van 1881 aan de regee- 
ring het voorstel om twee officieren naar Nederland te zen- 
den, ten einde door professor Oudemans, den vroegeren chef 
der Java-triangulatie, op de hoogte te worden gebracht, en 
later als sectie-chef op te treden. De Indische Regeering 
keurde dit voorstel goed, en bracht het bij het Opj^erbestuur 
in Nederland over. 

Spoedig hierna maakte de Commandant van het leger, 
bij circulaire van 31 Maart 188 £ N^. 238 (zie Bijlage IV), 
eene voorloopige regeling bekend voor de officieren en 
onder-officieren der op te richten afdeeling triangulatie 
van den Topographischen dienst, in afwachting der defini- 
tieve formatie, welke door de regeering was toegezegd. 

Volgens deze circulaire stond de afdeeling triangulatie 
onder den chef van den Topographischen dienst; het 
personeel zou bestaan uit één kapitein of majoor als chef, 
t wee kapiteins cf eerste luitenants als sectie-chefs, vier 
eerste of tweede luitenants als assistenten, een kapitein 
of eerste luitenant als chef van het reken-bureau en dertien 
onder-officieren i). 

Verder werden de kundigheden opgegeven, welke een offi- 
cier zou moeten bezitten om voor een plaatsing bij de 
afdeeling triangulatie in aanmerking te komen. 

In November 1881 werd in Indie de tijding ontvangen, 
dat de Minister de zending van twee officieren naar Ne- 
derland goedkeurde, en dat professor Oudemans zich met 
hunne opleiding wilde belasten, nadat zij eerst een cursus in 
de geodesie bij professor Schols te Delft hadden bijgewoond 
De fondsen, hiervoor benoodigd, waren op de begrooting 
voor 1882 gebracht. De Minister van Koloniën en de 
Indische Regeering schenen doordrongen van het nut, dat 
van een op goeden grondslag steunende opmeting der 
buitenbezittingen te wachten is; geene kosten werden ge- 
spaard. Nadat degelden door de Staten-Generaal waren toe- 
gestaan, werd in het begin van 1882 het koninklijk besluit 
omtrent die detacheering ontvangen, en in Mei waren beide 
officieren — de kapitein der infanterie Bosboom en de 

I) Hoewel noodzakelijk voor later, schijnt deze formatie voor den 
aanvang der triangulatie vrij talrijk. 



iste luitenant-ingenieur Muller — in Nederland aangeko- 
men. Hunne opleiding zal ongeveer anderhalfjaar vorderen. 

Ook de Legercommandant ging voort. Aan het einde 
van het vorige jaar werden officieren en minderen opge- 
roepen om bewijzen af te leggen van theoretische geschikt- 
heid voor de werkzaamheden bij de triangulatie. De drie offi- 
cieren, welke zich hadden aangemeld, slaagden in het 
examen en werden voorloopig met zes onder-officieren van 
den Topographischen dienst bij kapitein Helb te werk ge- 
steld, om vaardigheid te verkrijgen in het behandelen der 
instrumenten, enz. Met dit personeel zou dus de triangu- 
latie op Sumatra worden aangevangen. De regeering stond 
+ ƒ 4000 toe tot aankoop van een stuk terrein, achter het 
Topographisch Bureau te Batavia gelegen, om daarop een 
nieuwen instrumentmakerswinkel en een bureau voor de 
afdeeling triangul9,tie op te richten. 

Omtrent de uitvoering der triangulatie waren reeds eenige 
beginselen vastgesteld. Daar ze alleen moest dienen als 
grondslag voor eene topographische opneming, werd zoo groote 
nauwkeurigheid als vastgesteld bij de Java-triangulatie, 
die tevens dienstbaar was gemaakt aan graadmeting, niet 
noodig geoordeeld. Voor de basismeting b. v. zou gebruik 
worden gemaakt van stalen meetveeren, met in achtneming 
van alle gewenschte voorzorgen, als het meten over 
planken, behoorlijke verzekering van de einden der veeren 
gedurende de meting, enz. Voor verificatie der meetveeren 
— welke intusschen, even als de noodige boeken, universaal- 
instrumenten enz. uit Europa waren ontboden — was op het 
Koningsplein te Batavia door den kapitein Helb met den 
1)asis-meettoestel van Repsold, welke voor de meting der 
bases op Java was gebezigd, een stuk ter lengte van 200 
M. uitgezet, waarvan de eindpunten door ingemetselde 
hardsteenen neuten met ingelaten knikker behoorlijk waren 
vastgelegd. 

Gedurende den laatsten tijd zijner detacheering bij het De- 
partement der Marine, had kapitein Helb zich nog verdien- 
stelijk gemaakt voor de Java-triangulatie door het verrichten 
van breedte- en azimuth bepalingen te Banjoelegi (Soera- 
baija) en het vergelijken der meetstaven van den basis- 
meettoestel met den normaalmeter. 

Tegelijk met de opheffing der afdeeling triangulatie bij 
het Departement der Marine zou ook de detacheering van den 
kapitein Helb bij dat Departement eindigen, en hij dus weder 
ter beschikking van den Commandant van het leger worden 
gesteld. Met de triangulatie op Sumatra zou dan onmiddellijk 
een aanvang kunnen worden gemaakt. 

Na zoodoende krachtig te hebben medegewerkt tot 
verschillende maatregelen ter bespoediging van de voorge- 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



II 



nomen triangulatie op Sumatra, schijnt de Indische regeering 
geheel van inzicht te zijn veranderd en besloten om, op 
grond van den ünancieelen toestand des lands, voorloopig af 
te zien van eene triangulatie en opneming der buitenbezittin- 
gen, terwijl onder nadere goedkeuring des Konings de 
betrekkelijke koninklijke besluiten tijdelijk buiten werking 
zijn gesteld. 

Tot betere beoordeeling van dit naar onze meening voor 
de wetenschap in het algemeen, bijzonder voor de Neder- 
landsch Indische koloniën, zeer te betreuren besluit van 2 
Juni 1882 No. 10, deelen wij het in extenso mede. 

Extract uit het register der Beslniten 
van den Oouvemeur-Gteneraal van Keder- 
landsch-Indië. 



!•. 10. 



Buitenzorg, 2 Juni 1882. 



Gelet: 



a, op het besluit van 4 December 1878, No. 46, waarbij 
aanteekening gehouden is van de koninklijke machti- 
ging tot triangulatie van het eiland Sumatra; 

h. op het besluit van 17 December 1880, n°. 25, houdende 
o. a. detacheering van den kapitein van den generalen 
staf H. Helb bij het Departement der Marine in Neder- 
landsch-Indie om theoretisch en praktisch opgeleid te 
worden voor de hem toegedachte betrekking van chef 
der evengenoemde triangulatie; 

c. op het besluit van 23 Februari 1882, n^. 3, waarbij, 
voor zooveel nog noodig na de bij het besluit van den 
6en dier maand n**. 5 genomen beschikking, uitvoering 
gegeven is aan het koninklijk besluit van 7 Januari te 
voren n®. 12, houdende detacheering van twee officieren 
van het Ned.-Ind. leger bij dat in Nederland, teneinde 
zich aldaar voor te bereiden voor de taak die hen 
wacht bij de triangulatie van Sumatra. 

d, op de besluiten van 24 Maart en 17 November 1881 
en 18 Mei 1882 n^ 12, 6 en 9, mede bevattende be- 
schikkingen, met de voorbereiding der bovenvermelde 
triangulatie verband houdende; 

Gelezen de missives: 

ö. van den Commandant der Zeemacht van 22 Februari 
^1882, n<>. 2398, daarbij mededeelende, dat de opleiding 
van den kapitein van den generalen staf H. Helb als 
geëindigd kan beschouwd worden; 



b. van den Commandant van het Leger van 12 Maart 1882, 
Vlle afdeeling, n^, 203 en 20 April 1882, V<le afdeeling 
2e bureau c n*. 27/A, de laatste in voldoening aan het 
schrijven van den Eersten Gouvernements-Secretaris van 
I April 1882, n^. 533, stellende de Generaal, onder aan- 
wijzing van het daartoe noodige personeel, voor met de 
reeds meergenoemde triangulatie thans een aanvang te 
doen maken; 

c, van de Algemeene Rekenkamer van 8 April 1882, n^. 3645, 
in voldoening aan het schrijven van den Eersten Gouver- 
nements-Secretaris van den len dier maand, n*. 532; 

Den Raad van Nederlandsch-Indie gehoord: 

Overwegende: 

dat de tegenwoordige toestand van *s lands financiën 
uitbreiding van den Staatsdienst slechts dan gedoogt, wan- 
neer ze onvermijdelijk en niet uit te stellen is; 

dat, hoe nuttig de triangulatie als voorbode van de 
topographische opneming, ook zijn moge, die van het eiland 
Sumatra niet aan deze eischen, speciaal niet aan den 
laatsten kan geacht worden te voldoen ; 

dat, integendeel, nog verscheidene tientallen van jaren 
zullen voorbijgaan, alvorens ons gezag op dit eiland in die 
mate zal gevestigd wezen, dat triangulatie en topographische 
opneming er noodzakelijk zullen worden; zijnde zelfs de 
vrees niet ongegrond, dat zij, thans ondernomen, in ver- 
schillende gedeelten tot politieke verwikkelingen aanleiding 
zullen geven; 

dat, waar op grond van motieven als bovenbedoeld het 
vooralsnog onraadzaam moet worden geacht tot den door 
het legerbestuur voorgestelden maatregel over te gaan, de 
enkele omstandigheid, dat reeds voorbereidende maat- 
regelen zijn getroflfen, en geoefend personeel beschikbaar 
is, daaraan uit den aard der zaak geen af breuk kan doen ; 

Is goedgevonden en verstaan: 

Eerstelijk, Onder nadere goedkeuring des Konings 
voorloopig van de triangulatie van het eiland Sumatra 
af te zien ; 

Ten tweede. Den kapitein den van generalen staf H. Helb, 
voornoemd, eervol te ontheffen van zijne detacheering bij 
het Departement der Marine en hem weder ter beschikking 
te stellen van den Commandant van het Leger. 



12 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



Afschrift dezes zal worden gezonden aan den Raad van 
Nederlandsch-Indie tot informatie en, extract verleend aan 
de Commandanten der Land- en Zeemacht en de Alge- 
meene Rekenkamer tot informatie en naricht. 

Accordeert met voorschreven Register. 

De GouvernefnentS'Secretaris^ 

(w.g.) VAN DER WEIDE. 

Als een donderslag uit een onbewolkten hemel trof dit 
besluit allen, die belang stellen in de opneming en de ken- 
nis van Nederlandsch Indie. 

Toetsen wij, alvorens de gevolgen der beschikking te 
]:)eilen, de consideratien waarop het is gegrond. Deze zijn 
van financieelen^ van technischen en van politieken aard. 
Eerbied voor de Indische Regeering en voor het gezag van 
den Gouverneur-Generaal mag niet weerhouden om beschei- 
denlijk aan te toonen, dat naar onze opvatting geen dier 
motieven ^een ernstige critiek kan doorstaan of krachtig 
genoeg schijnt om een maatregel te wettigen van bezuini- 
ging, die rechtstreeks strijdt met het algemeen belang der 
koloniën en van het moederland. Mocht ook ons woord van 
diep besef machteloos zijn om dien slag te weeren, dan 
willen wij toch niet schuldig zijn aan het verzuim van 
een zaak te bepleiten, die ons in het belang van Neerland's 
goeden naam als mogendheid, niet enkel van roem en van 
goud, maar bovenal van kennis, wetenschap, na aan 't hart 
ligt. Alleen op dien grond verlangen wij ongevraagd, maar 
belangeloos en naar wij hopen onpartijdig, te wijzen op de 
waarschijnlijke gevolgen der door den Gouverneur-Generaal 
genomen beschikking, waaraan, naar wij eerbiedig wenschen, 
de goedkeuring van Zijner Majesteits Regeering en van de 
Volksvertegenwoordiging zal worden onthouden. 

Het Indisch Bestuur overweegt in de eerste plaats : 

dat de tegenwoordige toestand van V lands financiën 
uitbreiding van den Staatsdienst slechts dan gedoogt, wan- 
neer ze onvermijdelijk en niet uit te stellen is. 

Van uitbreiding van den Staatsdienst is echter geen quaestie, 
alleen van overgang van de triangulatien naar het Militaire 
departement. In den aanvang van het jaar onderteekende de 
Gouverneur-Generaal de opheffing van de afdeeling trian- 
gulatie bij het Departement der Marine. Op de begrooting 
had alleen een verplaatsing van uitgaven plaats, en door 
verschillende oorzaken waren er voor dien overgang bij 
den Topographischen dienst middelen genoeg beschikbaar. 
De triangulatie van Sumatra volgt eenvoudig op die van 
Java. Dat de afdeeling, na de opheffing van den Geo- 
graphischen dienst, zal rangschikken onder den Generalen 



staf,is voor den Staatsdienst van ondergeschikte beteekenis, 
behalve dat het in het belang schijnt der eenheid en bespoe- 
diging van het werk. Bij gemis aan eenhoofdige leiding op 
Java is menige arbeid • geschied ten koste, van veel tijd en 
aanzienlijke uitgaven, zonder daarna in volóoende mate nut 
af te werpen voor de daarbij zonder eenig onderling verband 
betrokken dienstvakken. Het overbrengeif van de triangulatien 
naar het Militaire departement mag zelfe, lettende op de veel 
lagere bezoldiging van het militaire personeel (zie Bijlage IV) 
in vergelijking met die van de vroeger in dienst gestelde civiele 
ambtenaren, een maatregel van bezuiniging worden genoemd. 
Niettegenstaande den heerschenden geldnood in Nederland 
en in Indie, blijft de gansche wereld wangunstig van onze 
welvaart, welke zich bij velen vertolkt door toenemende weelde 
en genotzucht. Bijna tien jaren wordt oorlog gevoerd in 
Atjeh ; spoorwegen, kanalen, haven- en irrigatiewerken ko- 
men tot stand in Indie en in Nederland met eigen hulp- 
middelen en zonder buitengewone leeningen. Zal de wereld 
het gelooven, dat Nederland niet machtig genoeg meer is 
om zijn gebied in Insulinde naar deugdelijke grondslagen 
op te nemen en in kaart te brengen, niettegenstaande jn 
de toekomst vermeerdering onzer inkomsten daarvan te 
wachten is ? Een beschikking, als die der Indisclie 
Regeering van 2 Juni j. 1. kan ons niet verheffen in de 
schatting der beschaafde wereld, welke Nederland*s streven 
in de arctische gewesten en tot exploratie van Midden 
Sumatra levendig heeft toegejuicht. Een dergelijke terugtred 
moet de wetenschap ons euvel duiden, en, zooals onlangs 
een onzer nieuwsbladen schreef, den vreemdeling aanmoe- 
digen, ook om wetenschappelijke redenen den voet te zetten 
op betwist grondgebied en aldaar onze taak over te nemen^ 
Is bezuiniging inderdaad noodig, dan vermeenen wij, dat 
op de Indische begrooting tal van andere onderwerpen 
voorkomen, welke volgens het algemeen gevoelen van minder 
urgente n aard zijn, dan de verrichting van het meest on- 
ontbeerlijke tot opneming van Sumatra, waardoor nieuwe 
bronnen ruimer zullen vloeien, en een dienstvak wordt in 
stand gehouden, hetwelk onmisbaar is voor den Staatsdienst 
en, korten tijd afgebroken, eerlang op nieuw maar dan met 
ontzachelijke kosten zal moeten worden opgebouwd. Voor 
de geographische kennis van onze koloniale gewesten gelden 
gelijke beweegredenen, als keizer Napoleon I bewogen de 
vervaardiging te gelasten op zuiver wiskunstige gronden van 
de stafkaart van Frankrijk: een arbeid, die reeds onder zijn 
regeering werd aangevangen, en pas onlangs is gereedgekomen. 
Dat voorbeeld is gevolgd door Nederland, daarna door geheel 
Europa en een groot gedeelte van de Nieuwe Wereld. Een 
nauwkeurige opneming van onze buitenbezittingen in Oost- 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



13 



Indie, aanvangende met Suraatra, is in het belang eener goede 
regeling van tal van bestuurshandelingen, mag daarom 
onvermijdelijk heeten en behoort niet te worden uitgesteld. 

De volgende overweging van het besluit — dat^ hoe nuttig 
de triangulatie als voorbode van de topographische opneming 
ook zijn moge, die van het eiland Sumatra niet aan deze 
eischen^ speciaal niet aan den laatsten kan geacht worden 
te voldoen — worde evenmin toegegeven. E^n vooraf- 
gaande triangulatie is, als herhaaldelijk betoogd werd, niet 
aUeen nuttig, maar bepaald onmisbaar voor de topographische 
opneming; en, waar triangulatie ontbreekt, zijn juiste ka- 
dastrale metingen ondenkbaar. De geodesie leert onwe- 
derl^baar, dat een deugdelijke triangulatie den eenigen 
zuiveren grondslag vormt voor topographische kaarten en 
kadastrale plans. De heffing van den fiscus kan alleen dan 
gemakkelijk, eenvoudig en rechtvaardig geschieden, wanneer 
de metingen, waarnaar zij wordt berekend, sluiten aan 
vaste, zuiver bepaalde hoofd- en tusschenpunten. Zonder te 
treden in een herhaling van de gronden, welke wij in 
1876 in „de Residentie-Kaarten" i) hebben gepleit voor dezen 



I) Met betrekking tot de in Indië gevolgde werkwijze, bevat het 
Nieuws vati den Dag, welk blad op 26 en 29 Juli twee uitmuntende 
artikelen van G. opnam over het hier behandelde onderwerp, het na- 
volgende beknopt overzicht, hetgeen eenigszins is te beschouwen als 
een résumé van hetgeen wij vroeger aanvoerden. 

„Voordat de militaire opneming eenig gewest onder handen neemt, is 
de Geographische dienst haar daar voorafgegaan en heeft deze een nei 
Tan vaste punten verspreid, waar^'an de horizontale en verticale ligging 
ten juiste bekend zijn. In dit grootere net, welks punten meestal op 
ho(^ gelegen bergtoppen gelegen zijn, wordt door den Topographischen 
dienst een kleiner net berekend, waarvan de vast te leggen punten 
hoofdzakelijk zijn: wegenknoopen, markante punten op de hoofd- en 
binnenwegen, of daarbij gelegen toppen. 

„Het doel van die kleinere triangulatie is hoofdzakelijk om de lig- 
ging van het groole wegennet te verzekeren. Dit wegennet toch een- 
maal zuiver in kaart zijnde, is het groote op te meten gewest in een 
aantal kleinere deelen verdeeld, die nu gemakkelijk, zonder vrees van 
door hunne uitgebreidheid tot langzaam zich opeenstapelende kleine 
fouten aanleiding te geven, aan verschillende personen ter bewerking 
kunnen worden uitgereikt. 

„Het wegennet is alzoo de basis der topographische opneming, en 
wordt aan de samenstelling daarvan dan ook de meeste zorg gewijd. 
Daarbinnen worden vervolgens de kleinere wegen, desa's, bouwgron- 
den, tuinen enz. gemeten en ingepast en de terrein vorm aangegeven. 
Het geheel wordt op een schaal van i : 20.000 in kaart gebracht. 

«De Topographische dienst stond zijne brouillonkaarten aan de 
statistische opneming af. Door middel van tienmalige vergrooting trok 
liet personeel der statistische opneming uit die kaarten de deelen van 
het wegennet, die het voor zijne kadastrale werkzaamheden noodig 
had en werden dan daarbinnen de nadere metingen gebracht. Dat 



alleen deugdelijken, wiskunstigen grondslag, herinneren 
wij aan het voorbeeld van den generaal KraijenhofF, die 
'van 1798 tot 1802 driemaal het werk te vergeefs is be- 
gonnen, totdat hij in 1802 ten vierde male aangevangen 
naar de methode van Snellius, Méchain en Delambre, den 
juisten weg insloeg tot opneming van Nederland. Aan die 
triangulatie heeft onze stafkaart haar ontstaan en hare 
voltooiing te danken. Gelijke voorbeelden bieden de werk- 
zaamheden van professor Bygge en Schumacher in Dene- 
marken, Gauss, Bessel fen Baeyer in Duitschland, Struve 
in Rusland : eigenlijk alle mogendheden, die aanvankelijk 
kaarten trachtten te ontwerpen van hun grondgebied op een 
anderen dan wiskunstigen grondslag. Zonder triangu- 
latie als uitgangspunt gingen tijd en kosten steeds nutteloos 
verloren; wanneer daarentegen triangulatie en basis-meting het 
gaas vormden, waarop verder werd geborduurd, deed de 
juistheid der topographische opmetingea schier overal het 
denkbeeld van graadmeting rijzen. Dat de inrichting van 
het kadaster in Beieren immer wordt geroemd, in Neder- 
land daarentegen een ingrijpende belasting-hervorming wel- 
licht niet kan worden tot stand gebracht zonder een ge- 
heele herziening der kadastrale metingen, is alléén op zui- 
ver wiskunstige gronden te verklaren. 

Wijl de geschiedenis van den Java-oorlog had geleerd, 
welke de gevolgen zijn van het gemis van goede kaarten, een 
leemte in Atjeh nogmaals in hooge mate ondervonden ; wijl 
men in de Koloniën tientallen vanjaren had gevoeld en erkend, 
dat zonder nauwkeurige graphische gegevens regel en orde in 
ons beheer niet konden worden gebracht, overreedden 's Ko- 
nings raadslieden in 1878 de Kroon, om machtiging te 
verstrekken tot de triangulatie van Sumatra. 

Hebben dan zij, die aan Z. M. den Koning voormeld 
besluit ter teekening voorlegden, lichtvaardig, onbedacht- 
zaam, oneerbiedig gehandeld; óf zal hetgeen vier jaar 
geleden nog onmisbaar en nuttig scheen, thans blijken 
onnoodig te zijn, hoewel de toestanden geenerlei verand.e- 
ring aanwijzen? Hoe is het te verklaren, dat dezelfde be- 
door het overbrengen en vergrooten door de statistische opneming 
onwillekeurig fouten in het leven geroepen moesten worden, ligt 
voor de hand, en deze waren te voorkomen geweest, zoo de Topo- 
graphische dienst het wegennet op de vereischte schaal ten dienste 
van de statistiek had kunnen overbrengen. In de meetboekjes der 
opnèmers komen toch de wegmetingen voor en zouden deze wegen 
dus op elke schaal ten nauwkeurigste opgebracht kunnen zijn. 

„Deze wegen, voorzien van de noodige détails, b. v. bruggen, dèsa- 
grenzen, afstandspalen, tertiaire signalen enz., alles uit de meetboekjes 
der topographische opnèmers zuiver in kaart gebracht, zouden den 
grondslag der werkzaamheden bij de statistiek reeds aanmerkelijk 
hebben verbeterd." 



M 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



windscan, die nog in het voorjaar machtiging verleende 
tot de voorbereidende maatregelen voor de triangulatie, 
en daardoor het bewijs gaf, dat ook hij van het hooge * 
belang van dien grondslag tot verder onderzoek vau Su- 
matra doordrongen was, een maand later daarvan als 
minder noodzakelijk afziet? 

Zij het waar, dat in Europa nog enkele gewesten wor- 
den aangetroffen, die niet behoorlijk zijn getrianguleerd, 
dan ga men tevens na, wat daarvan de gevolgen zijn 
geweest, o. a. voor den fiscus. Zelfs het argument van 
Ierland i) — dat ongelukkige Erin ! — kan geen argu- 
ment zijn voor een Minister des Konings, om onder 
het motto bezuiniging tegenover de Volksvertegenwoor- 
diging uitstel te verdedigen van de triangulatie op 
Sumatra, omdat Indie tijdelijk geen baten kan afwerpen. Een 
dergelijk argument zou bovendien worden vernietigd door 
het voorbeeld van, Britsch-Indie, alwaar datzelfde werk 
reeds in 1790 voor graadmeting, dus zonder eenig voor- 
uitzicht op baten en met groote kosten, door de Oost- 
Indische-Compagnie is aangevangen onder leiding van 
Reuben Bufrow. Een tweede graadmeting werd aldaar 
uitgevoerd in 1802 door Lambton; een derde van 1805 
tot 1825 door Everest en Lambton. Deze laatste officier 
had voor de opneming van Britsch-Indie met den meesten 
nadruk eiken anderen grondslag dan dien van triangulatie 
bestreden, al eischte dit werk ook meer tijd en meer 
kosten. Later was hij o. a. in de gelegenheid te bewijzen 
volgens de uitkomsten der triangulatie, dat Hyderabad op 
de bestaande kaarten naar vroegere sterrekundige bepalin- 
gen een miswijzing aantoonde van ongeveer 40 kilometer — 
een afstand als van Amsterdam naar Utrecht, of, wil men 
een krijgskundige vergelijking onzer dagen: als van Ismaï- 
lia, het Engelsche hoofdkwartier aan het Suez-kanaal, tot 
Tell-el-Kebir, het Egyptische legerkamp van Arabi. Een 
nauwkeurige triangulatie met breedtebepaling van een vol- 
doend aantal driehoekspunten enz. is inderdaad de eenige 
weg om tot een juiste topographische opneming te geraken. 

In de derde plaats beweert het Koloniaal Bestuur: dat 
er nog verscJieidene tientallen van jaren zullen voorbijgaany 
alvorens ons gezag op Sumatra in die mate zal gevestigd 



i) Zie echter: Ordnance trigo7tometricaI Survey of Great Britain 
and Ireland. Account of the observations and calculations of the prin 
cipal triangulation and the figiire, dimensions and mean specitic gravity 
of the earth as derived from, published by Captain Alexander Ross 
Clarke under the direction of Colonel H. James, Superintendent of 
the Ordnance Survey. London, 1858. — Ook deze graadmeting is als 
gewone triangulatie in 1783 begonnen door Roy en in 1S58 geëindigd 
door James en Clarke. 



wezen ^ dat triangulatie en topographische opneming^ er nood" 
zakelijk zullen worden; zijnde zelfs de vrees niet onge- 
grond y dat zijy tJians ondernomen ^ in verschillende gedeel- 
ten tot politieke verwikkelingen aanleiding zullen geven. 

Deze donkere, ontmoedigende voorstelling van officieele 
zijde omtrent ons gezag op Sumatra verschilt hemelsbreed 
van de rooskleurige verklaringen, die sinds een paar ja- 
ren — wellicht even weinig gegrond — omtrent de bevredi- 
ging van Atjeh zijn afgel^d. Mits men te werk ga met 
beleid, den arbeid op bescheiden voet aanvangende met de 
uitgestrekte, rechtstreeks onder ons gezag staande gewes- 
ten en de opnemingen geleidelijk uitbreidende, vereenigen 
wij ons ten volle met het gevoelen der voornaamste pu- 
blieke organen i), dat de vrees voor politieke verwikkelingen 
zeer overdreven schijnt. 

Dergelijke staatkundige bezwaren zijn ook te berde ge- 
bracht, toen Midden-Java en de Preanger Regentschappen 
hunne spoorwegen zouden krijgen; in geen enkel opzicht 
zijn ze bevestigd. Maar voor Sumatra zijn die redenen 
niet geteld — evenmin als voor Celebes of voor onze bezittin- 
gen elders — toen de heer de Greve en andere mijn-in- 
genieurs hunne opnemingen verrichtten; toen voor de ex- 
ploitatie van het Ombilin-kolenveld de heer Cluysenaar en 
zijne spoorweg-ingenieurs opmetingen deden; ze zijn weinig 
of niet geteld, toen de heeren Schouw Santvoort, Veth, 
Van Hasselt, Snelleman en Cornelissen, daartoe door 
het Aardrijkskundig Genootschap met toestemming van 
de regeering uitgerust, hunne wetenschappelijke zending 
hebben ondernomen. Waarom dan thans politieke be- 
zwaren op te werpen tegen de vervaardiging der kaart 
van Sumatra, het goudland, Poeloe M^, der Maleiers, dat 
op het gebied van landbouw, nijverheid en handel, ge- 
tuige de talrijke concessie-aanvragen, zulk een schoone 
toekomst belooft? 

De geschiedenis van Sumatra's Westkust sinds dertig, en 
de koloniale verslagen der laatste lien jaren omtrent het 
overige Sumatra — het Gouvernement van Atjeh uitge- 
zonderd — schijnt te leeren, dat de tijd om het grootsche 
werk der opnenling aldaar aan te vangen, wel verre van te 
zijn verwijderd, nu juist is aangebroken : de voorbereiding 
daarvan door de Indische regeering gedurende het- laatste 
vijflal jaren toonde, dat men in de koloniën den polsslag 
van den tijd nauwkeurig had waargenomen. 



i) Java-Bode van 10, 14 en 15 Juni, Nieuws van den Dag van 
26 en 29 Juli, Amsterdamsch Handelsblad van 27 Juli, Dagblad van 
*s Gravenhage van 1 2 Augustus en Utrechtsch Dagblad van 30 Augus- 
tus. Zie ook de Septemberafle vering van de Indische Gids, waarin een 
zeer bezadigd artikel over de triangulatie van Sumatra is opgenomen. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



15 



Het Gouvernement van Sumatra's Westkust, Bengkoelen, 
de Lampongsche Districten, meerendeels ook Palembang zijn 
toch zeker wel zoodanig onder ons bestuur gebracht, dat al- 
daar een opneming uitvoerbaar is. Deze landen werden reeds 
dertig jaar geleden door de heeren Beijerinck, Steek, Ullmann 
en Rösner in kaart gebracht. Vraagt men, hoe? Ja ! als 
men in één maand 600 vierkante palen (1360 KM.-) — een 
ui^estrektheid als ^/s van den Haarlemmermeerix>lder, 
maar zeer bedekt en doorsneden terrein — moet opmeten 
en teekenen, dan kan zulk een kaart hoogstens een vluch- 
tige schets geven van de voor te stellen gewesten. Intus- 
schen blijven tot heden de kaarten van Sumatra's Westkust 
door Beijerinck, de beste, hoewel zij alléén lof verdienen, 
wanneer men de geringe hulpmiddelen in aanmerking 
neemt^ waarover bij de vervaardiging beschikt werd (zie 
Bijlage III, bl. 28). Rekent men echter, dat die kaarten 
sinds niet zijn verbeterd dus ook niet in overeenstemming ge- 
bracht met de ontwikkeling van het gouvernement sedert 
voormeld tijdvak, dan zal niemand het wraken, wanneer men 
daaraan voor tegenwoordig weinig vertrouwen meer schenkt. 

In 1869 tot 1878 is een gedeelte van Sumatra's Westkust 
geologisch opgenomen; maar de kaart, welke daarvan op 
1 : 100.000 zal verschijnen, is niet op driehoeksmetingen 
gegrond, en voor topographisch gebruik op een te kleine 
schaal geteekend. 

Als een bewijs, hoe \Toeger kloeker werd gedacht dan 
thans met betrekking tot de opnemingen, leest men o. a. 
ia een overzicht der topographische werkzaamheden in In- 
die door den toenmaligen majoor Versteeg, thans bestuur- 
der van het Aardrijkskundig Genootschap i): 

„(dat) in de rust, die toen zoowel aldaar (Bengkoelen) 
„alsook in de meer oostelijk liggende, nog niet rechtstreeks 
„onder ons gebied staande districten heerschte, aanleiding 
„gevonden (werd) ook de opneming van laatstgenoemde dis- 
„tricten daaraan te verbinden, zoo om het nog steeds niet 
„naar behooren bestaande verband tusschen het vroeger in 
„het Palembangsche en thans* in Bengkoelen verricht wor- 
„dende terrein werk te bekomen, als vooral om die streken, 
„welker bewoners meermalen in gisting verkeeren en 's Gou- 
„vemements grondgebied verontrusten, nader te leeren ken- 
„nen en bij voorkomende gelegenheid van die kennis het 
„noodige nut te trekken." 

Deze opneming slaagde ten deele niet, o. a. niet in de 
Redjang; de redenen van mislukking worden niet vermeld. 

Van 1876 tot 1881 wijzen de koloniale verslagen voort- 
durend op den rustigen toestand van het Gouvernement van 



I) Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie, deel XXII, 1860. 



Sumatra's Westkust. Bij de invoering der nieuwe rechter- 
lijke organisatie in 1875 bleek het duidelijk, *hoczeer de 
bevolking en de hoofden met het Nederlandsch bestuur 
waren ingenomen, terwijl de afschaffing der slavernij zon- 
der den minsten tegenstand tot stand kwam. 

In het verslag van 1881 wordt medegedeeld, dat er bij 
de inlandsche bevolking een toenemend vertrouwen in het 
Europeesch bestuur is waar te nemen. Alleen in het ge- 
deelte der Batak-landen, grenzende aan het noordwestelijke 
gedeelte van het Gouvernement van Sumatra's West- 
kust, met name in de streken ten oosten van de resi- 
dentie Tapanoeli, scheen nog geen neiging tot onderwer- 
ping te bestaan, terwijl onderlinge oneenigheden van de 
daar gevestigde stammen in 1880 zelfs aanleiding gaven 
tot het zenden van een expeditie, om de landstreken te 
tuchtigen, welke de met ons bevriende gewesten lastig 
waren gevallen. Hoewel de oorzaken van al die twisten 
op zich zelf van weinig belang waren, had onze invloed 
in de Simpane:-streken er ditmaal niet in mogen sla- 
gen om de geschillen bij te leggen. Eveneens kwamen in de 
landschappen ten noorden en ten oosten van Baros telkens nog 
vijandelijkheden en binnenlandsche onlusten voor, en het 
gouvernementsgebied (Baros) bleef niet altijd verschoond. 
Daarentegen kwamen gunstiger berichten van de Toba-land- 
schappen; vele kampongs gaven het verlangen te kennen 
om onder Europeesch bestuur te komen. 

In de residentien Padang en Padangsche Bovenlanden 
hebben sinds 1845, na de onderwerping der landschappen 
Soengei Pagoe en XII Kota's, geene onlusten meer plaats 
gegrepen. Met de IX Kota's en de Batang Hari distrikten 
had het bestuur geenerlei aanraking. 

Omtrent Bengkoelen, waar in 1873 een kleine rustver- 
storing aanleiding gaf tot eenig militair vertoon, vindt men 
in alle latere verslagen aangeteekend, dat de rust onge- 
stoord en de toestand steeds bevredigend was. 

In de Lampongsche Districten werden in 1856 de laatste 
moeilijkheden te boven gekomen, en heerschte aldaar verder 
volmaakte rust. 

Minder was dit het geval in enkele streken behoorende 
onder de residentie Palembang. De hoofdplaats leverde nog 
vóór korten tijd het treurige verschijnsel van een wel spoe- 
dig ontdekte en onmiddellijk onderdrukte samenzwering: 
toch kan over het algemeen worden getuigd, dat het 
grootste deel der aan ons gezag onderworpen bevolking 
van dat gewest rustig en tevreden leeft. In de Pa- 
soemahlanden werden in 1866 de laatste kogels ge- 
wisseld tusschen onze troepen en de inheemsche bevolking. 
Zelfs toen de ongeregeldheden in Bengkoelen in 1873 



i6 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



tot moeielijkheden een gcreede aanleiding schenen te geven, 
werd de rïist in de Pasoemah geen oogenblik gestoord. De 
Korintjische landschappen handhaafden het standpunt van 
politieke afzondering. 

In het Djambi'sche is de toestand nog altijd eenigszins 
gespannen; ook in de onafhankelijke bergstreken, palende 
aan Bengkoelen en Sumatra's Westkust, kan aan triangu- 
latie vooreerst niet worden gedacht. Evenmin in de land- 
schappen Indragiri en Kwantan, welke thans in naam rang- 
schikken onder de residentie Riouw en Onderhoorigheden, 

In den politieken toestand van de landstreken behoo- 
rende tot de residentie Sumatra's Oostkust kwam gaande- 
weg verbetering: langzaam breidt 's Konings gezag zich 
aldaar uit. Een voorloopige opneming van de hoofdrivieren 
is zonder moeilijkheden aangevangen en tot een goed 
einde gebracht. Men vond wel is waar niet veel medewer- 
king, maar ook geen tegenstand bij de hoofden. In 
Kampar werd sinds 1877 immer meer toenadering van de 
zijde der hoofden en bij de bevolking ontwaard. 

Uit één en ander blijkt, dat in het gebied, waar het 
Nederlandsch gezag feitelijk is gevestigd, de triangulatie onge- 
stoord voortgang zou kunnen hebben. In 1864 was de mijn- 
ingenieur Ever wijn werkzaam in het Siaksche en wel in het 
stroomgebied van deRokan. Tusschen 1867 en 1879 hadden 
aanhoudend in het Gouvernement van Sumatra's Westkust 
opnemingen door het mijnwezen plaats. De mijn-ingenieur 
Verbeek doorkruiste in 1876 en 1877 ^^ zijne geo- 
logische navorschingen Bengkoelen, de Lampongsche Dis- 
tricten en Palembang — Djarabi en de onafhankelijke 
landst|[eken uitgezonderd — zonder eenige moeilijkheden 
te ondervinden. 

Op welken grond koestert men dan nu vrees, dat het 
werk der opneming in het Gouvernement van Sumatra's 
Westkust tot rustverstoring aanleiding zal geven ? 

Vergelijkt men het aantal ambtenaren en hunne stand- 
plaatsen, bv. in de jaren 1844 en 1 881 (zie Bijlage V), dan 
blijkt het, dat reeds in het eerstgenoemde jaar ons gezag der- 
mate in het Gouvernement van Sumatra*s Westkust geves- 
tigd was, dat in alle onderdeelen ambtenaren waren 
geplaatst; terwijl het bij het aanzienlijk vermeerderd 
getal ambtenaren — van 24 tot 72 — in Bengkoelen, 
Palembang, de Lampongsche Districten en op de Oostkust 
duidelijk in het oog springt, hoezeer ons gezag in laatst- 
bedoelde gewesten is uitgebreid. Hieruit blijkt toch, hoe 
overdreven de vrees schijnt van 's Konings landvoogd, alsof 
een heropneming van die gewesten thans aanleiding zou 
geven tot staatkundige verwikkelingen, welke zelfs bij de 
eerste opneming niet zijn voorgekomen. 



Het voorgaande resumeerende voor de gewesten, alwaar 
de afdeeling triangulatie reeds dadelijk ongestoord zou 
kunnen werken, vinden wij (zie PL IIV* 

a. Het Gouvernement van Sumatra's Westkust, behalve 
.het noordelijke en het oostelijke deel van de resi- 
dentie Tapanoelie — een oppervlakte van ongeveer 
1000 vierkante geographische mijlen (55.000 KM.*) ; 
zijnde bijna het dubbele der oppervlakte van het 
Koningrijk België; 

b. Bengkoelen — eene oppervlakte van 440 vierkante geo- 
graphische mijlen (24.000 KM.*-*); 

c. de Lampongsche Districten — een oppervlakte van 
475 vierkante geographische mijlen (26.000 KM.^) ; — 

te zamen 191 5 vierkante geographische mijlen (105.000 
KM.*), of ruim % van de oppervlakte van Java en bijna 
Ys van Groot-Britanie en Ierland. 

Bedenken wij voorts, dat ongerekend de verrichtingen der 
gebroeders de Lange van 1854 tot 1857, tot de triangulatie 
van Java, — eigenlijk pas in 1861 voor goed aange- 
vangen, voortgezet onder leiding van Dr. Oudemans en 
voltooid in 188 1, — een tijdvak van twintig jaar noodig is ge- 
weest, dan zal men moeten toegeven, dat er op Sumatra nog 
tientallen van jaren kunnen verloopen, alvorens er behoefte 
zal bestaan aan uitbreiding van de triangulatie over de 
andere deelen van Poeloe Pertja. Wel mag men verwachten, 
dat er bij de tegenwoordige regeling van den Topographi- 
schen dienst op Sumatra minder oponthoud zal voorkomen 
dan vroeger op Java: maar daar staat tegenover, dat het 
terrein en de toestanden op Java betrekkelijk minder moei- 
lijkheden opleverden, dan op Sumatra het geval zal zijn. 
Na verloop dier tientallen jaren, blijven er dan in het ge- 
bied van Palembang — zonder Djambi en de onaf hanke- 
lijke landschappen — nogmaals 1340 vierkante geographi- 
sche mijlen (73.500 KM.^) ter triangulatie over: ongeveer 
de oppervlakte van het Koninkrijk Beieren. Hopen wij, dat 
na een dertigtal jaren de vrede met het rijk van Atjeh 
niet enkel in naam maar ook inderdaad zal zijn tot stand 
gekomen, om zoodoende de triangulatie te kunnen voltooien 
van geheel Sumatra (+ 441.000 KM. 2), waarvan de totale 
oppervlakte overeenkomt met die van het Koninkrijk 
Zweden. 

In al die gewesten kunnen de werkzaamheden naar 
de omstandigheden worden geregeld; aanvangende ter 
plaatse, waar de regeering dit het gunstigst acht, blijft 
de voortzetting van den arbeid te harer beoordeeling. On- 
langs werd de opneming van Sumatra's Oostkust be- 
ëindigd, alwaar vier jaar lang een hulp-brigade was gede- 
tacheeerd. in dat gewest is 's Konings gezag, als reeds gez^d 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



17 



nog zeer beperkt en van jongen datum, terwijl de bewoners 
geenszins gunstig bekend staan. Toch zijn de opnemers 
tot diep in de binnenlanden doorgedrongen en hebben 
slechts op zeer weinig punten de waarneming om politieke 
redenen moeten opgeven. Kon men soms niet vorderen in de 
binnenlanden, dan werd het personeel elders gebezigd, totdat 
de werkzaamheden waren ;ten einde gebracht, wat plaats 
had zonder eenige moeilijkheden, rustverstoring of derge- 
lijken. Geen enkele opnemer werd het slachtoffer van de 
bevolking. 

Op Java werden steeds de werkzaamheden geregeld in 
overleg met het civiel bestuur: hetzelfde kan eveneens op 
Sumatra geschieden. De maatschappelijke positie, de ont- 
wikkeling en de beschaving van de officieren, welke met 
de triangulatie zullen worden belast, strekken alleszins tot 
waarborg, dat bedachtzaam en met overleg zal worden te 
werk gegaan. De leiding der voorbereidende werkzaam- 
heden was opgedragen aan een kapitein van den gene- 
ralen staf, die jaren lang aan het hoofd heeft gestaan van 
een opnemings-brigade, en daarbij voortdurend en met 
vrucht in aanraking kwam met hoofden van civiel bestuur 
en met inlandsche grooten. 

Gerust laten wij verder het oordeel omtrent de t^en 
de triangulatie van en op Sumatra geopperde politieke be- 
zwaren, over aan den onbevangen lezer. Gelooft men 
dezerzijds niet aan verwikkelingen als gevolg van het werk 
der triangulatie, tevens wekt het bevreemding, dat die vrees 
thans wordt te berde gebracht, en niet toen het vraagstuk 
van opneming der buitenbezittingen voor 't eerst bij het 
Indisch bestuur aanhangig was. Het kaartenmaterieel 
van den Indo- Archipel buiten Java was toenmaals even 
onvolledig als thans; de hulpmiddelen zijn door de ge- 
troffen voorbereidende maatr^elen verbeterd, de moeilijk- 
heden onveranderd gebleven. Vergelijkt men den toestand 
van Sumatra met andere tropische] gewesten, o. a. met 
Britsch-Indie, dan mogen de aldaar door Albion met 
geestkracht overwonnen bezwaren, voortvloeiende uit de 
vijandige gezindheid der bevolking, uit klimatorische in- 
vloeden, bodemgesteldheid en andere, die op Sumatra in veel 
mindere mate bestaan, ons tot spoorslag strekken. Het gevaar 
minachtende van ontmoetingen met roofdieren, van afgron- 
den, moerassen, hitte en koude, hebben deEngelschen hun 
Indie getrianguleerd, signalen opgericht op de hoogste toppen 
van den Himalaya, woeste bergstroomen doorwaad en de 
bakermat van het Sanskriet in. alle richtingen doorkruist. 
Trouwens de Indische regeering had in 1878 zulk een 
voorbeeld geenszins noodig, maar onderschreef de nood- 
zakelijkheid van opneming onzer buitenbezittingen. Wan- 



neer thans de vrees wordt geuit voor staatkundige ver- 
wikkelingen, dan kan men daarin als argument tot uitstel 
van de triangulatie moeilijk iets anders erkennen dan een 
bezwaar geopperd „pour Ie besoin de lacause*' — in dit 
geval : bezuiniging. 

Rekening houdende met het boven in korte trekken ge- 
schetste overzicht omtrent den toestand van het Nederlandsch 
gezag tusschen de Straat van Malakka en den Indischen 
Oceaan, had de chef van den Topographischen dienst, de 
luitenant kolonel Havenga, voorgesteld de triangulatie van 
Sumatra aan te vangen met eene basismeting in de Padang- 
sche Benedenlanden. Daarna zou het net van driehoeken 
worden uitgebreid over het Gouvernement van Sumatra's 
Westkust, Bengkoelen en de Lampon gsche Discricten, om 
aldaar te sluiten aan de vier punten, welke bereids met het 
Java-net verbonden zijn. Dit voorstel bedoelde om in de 
eerste plaats het belangrijkste gedeelte van onze onderhoo- 
righeden op Sumatra in kaart te brengen. 

Jaren lang zijn folianten volgeschreven, — en daar- 
mede komen wij tevens tot het vierde punt van over- 
weging van het gouvernements-besluit dd. 2 Juni j.1. — 
om de afdeeling triangulatie tot stand te brengen; 
gemis aan zaakkennis aan de ééne zijde, weinig voort- 
varendheid en belangstelling in de behandeling der voor- 
stellen elders, deden soms wanhopen aan een goeden 
uitslag der voor allen en in elk opzicht zoo hoogst nut- 
tige, grootsche onderneming. Al die bezwaren waren weg- 
genomen, de Indische regeering vereenigde zich, behou- 
dens nadere goedkeuring door het opperbestuur, met 
de betrokken voorstellen ; de noodige voorbereidende maat- 
regelen waren getroffen; duizenden guldens bereids uitge- 
geven; een uitmuntende keuze was gedaan van ervaren, 
ijverige mannen tot leiding en uitvoering van den arbeid; 
men had een kapitein van den generalen staf twee jaar 
lang laten studeeren in een richting, buiten de eigen- 
lijke militaire bestemming; twee officieren werden naar 
Nederland gezonden om zich in alle bijzonderheden voor 
den arbeid der triangulatie voor te bereiden; examina wa- 
ren afgenomen aan officieren en minderen, waarbij tegen- 
over hen zedelijke verplichtingen door het gouvernement 
werden aangegaan : in één woord, 's Konings landvoogd 
ging mede in alles wat zijn voorganger had goedgekeurd — 
toen men bij de eerste schrede op het arbeidsveld eens- 
klaps terugschrikte voor het spookbeeld van financieel onver- 
mogen en politieke bezwaren, en voorloopig afzag van ver- 
dere metingen, in weerwil der gevolgen, die het uitstel 
moet na zich slepen 1 

Aannemende zelfs, dat er in de laatste maanden, be_ 

3 



t8 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



halve in Atjeh en Indragiri, ook nog elders op Suraatra 
rustverstoringen hadden plaats gehad — waarvan ons 
echter niets bekend is — dan ware dit nog geen vol- 
doende reden om van de opnemingen af te zien. Heb 
ben de rustverstoringen in Tegal en Bekassi (Batavia) 
de opneming dier gewesten, welke toen in vollen gang 
was, doen staken? Hoe menige bestuursdaad, hoe menige 
militaire handeling op Java van 1825 tot 1830, opSumatra 
en daarbuiten in vroegere en latere jaren, zou wellicht an- 
ders zijn uitgevallen, wanneer men met land en volk 
beter ware bekend geweest ! 

En toch wordt nu weder aan alle hoop om daartoe te 
geraken langs den geleidelijken, wetenschappelijken weg van 
triangulatie, topographische verkenning, later van juiste 
kadastraale opneming, voorloopig de bodem ingeslagen! 



Is het ons gelukt om de zwakte aan te wijzen der motie- 
ven van het aan de goedkeuring der Regeering in Nederland 
onderworpen besluit vanden Gouverneur Generaal, dan blijft 
ons over de gevolgen daarvan na te gaan, om daarna be- 
scheidenlijk de richting aan te geven, in welke aan den 
drang tot bezuiniging naar billijkheid kan worden to^e- 
geven, maar zonder nadeel voor den Staat. 

Betreurenswaardig en moeielijk te overzien zijn de gevol- 
gen, die het uitstel van de Sumatra- triangulatie onvermij- 
delijk moet na zich sleepen. Beperken wij ons tot de 
nadeelen, welke moeten voortvloeien uit het gemis aan 
nauwkeurige kaarten van Sumatra voor alle takken van be- 
stuur, tot de vernietiging waarmede de Topographische dienst 
in Nederlandsch Indie wordt bedreigd, en de schade, welke 
dientengevolge de Topographische inrichting te'sHage, één 
van Neerland's schoonste technische inrichtingen, zal onder- 
\'inden. 

Nadat Nederland langen tijd was ingedommeld op de 
lauweren, in vroegere eeuwen behaald door landgenooten als 
Mercator en Snellius, door Houtman, Barends, Heemskerk 
en andere koene zeevaarders, op het gebied van de aard- 
rijkskunde, heeft vóór eenige jaren de inspanning van 
enkelen de alge meene belangstelling in die wetenschap weer 
doen ontluiken, en hernam ons gezegend plekje gronds het 
oude standpunt op het gebied van geographische en geo- 
desische ontwikkeling. Van groote weelde in dat opzicht 
getuigde, hetgeen Indië bijdroeg en wat Nederland ontleende 
aan zijne koloniën." 

Het graphische beeld dier ontwikkeling in het moe- 
derland en de koloniën wordt geleverd door de aldaar 
vervaardigde uitmuntende kaarten, welke, geboren door 



doelmatige samenwerking van het militair en het civiel- 
bestuur, de onmisbaarheid van elk rad in het uiterst samen- 
gestelde werktuig van den Staat aantoonen. Wat de gene- 
raal Kraijenhoff in den aanvang onzer eeuw verrichtte in 
het moederland, hebben de HH. de Lange, Dr. Oudemans 
en de hun toegevoegde kundige, energieke mannen tot stand 
gebracht in Nederlandsch Indie. Door veerkracht, eigen 
verdiensten en onafgebroken werkzaamheid hebben zij 
hunne eereplaats verworven onder de aristocratie van 
ded geest, en de grondslagen gelegd voor de gegevens tot 
aangifte der mate van beschaving en wetenschap, welke 
aan den vreemde eerbied afdwingen voor Nederland. 

De hulp, voortdurend op geographisch gebied geleverd 
door het Militaire departement, is tevens een der krachtigste 
bewijzen, van hoeveel waarde het leger is voor den Staat 
ook tot verrichting van de werken des vredes. 

Men wijze op het uitgebreide nut van nauwkeurige kaar- 
ten voor het onderwijs, voor eiken beoefenaar van de aard- 
rijkskundige wetenschap in het moederland en de kolo- 
niale bezittingen, voor geologische nasporingen, tot bevor- 
dering der belangen van landbouw, nijverheid en openbare 
gezondheid, bij den aanleg van groote openbare werken, tot 
besparing van tijd en kosten bij het traceeren van kunst- en 
spoorwegen, voor den reiziger, tot regeling der bemoeiingen 
van den waterstaat, tot ontginning van mijnen, voor de 
troepenleiding gedurende den oorlog, tot de landsverdediging 
en om vreemd geweld te keeren. Gewestelijke en plaatselijke 
besturen, telegraphie en posterijen, het grondbezit en de be- 
lastingen, de statistiek, particuliere ondernemingen en admi- 
nistratien, het beheer der nationale en koloniale geldmid- 
delen — allen zijn evenzeer betrokken bij het bezit van 
goede topographische kaarten. Al die belangen bestaan nu 
reeds voor Suraatra of behooren tot de naaste toekomst van 
die nieuw ontgonnen wereld in den Soenda-archipel: maar 
kunnen ter beoordeeling bij gemis aan een voldoenden 
maatstaf, niet tot hun recht komen, i; 

Hoe zal men vergen, dat de ambtenaren van het binnen- 
landsch bestuur nagaan de grootte der sawahs en bebouwde 
velden, terwijl één onzer reizigers in Midden Sumatra 2) de tolk 
was van de klacjiten der controleurs over de hoogstge- 
brekkige kaarten van het eiland, waarbij die van Palem- 
bang nog in den slechtsten toestand verkeeren? Daaren- 



i) Reeds in April j. 1. wees professor Dr. C. M. Kan dazrop den 
vreemdeling bij zijn uitmuntende voordracht : Die Erweiterung un- 
serer Kenntnisse ion Sumatra zeit 1870. — Verhandlungen des Zwei- 
ten Deutschen Geographentages, Berlin 1882. 

2) De Heer Veth Jr., zie Aardrijkskundig Tijdschrift Deel V,bl. 105. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



19 



tegen moge de inspectie der staatsspoorwegen op Java ge- 
tuigen, hoeveel nut de topographische detailkaarten hebben 
opgeleverd, hoeveel geld daardoor den lande is bespaard, 
bij de ontwerpen en den aanleg in de residentien Batavia, 
Preanger Regentschappen, Soerabaija, Pasoeroean, Kediri 
en andere. 

Wanneer men in 1874 ^^ ^^75 over dergelijke gegevens had 
beschikt bij de onderzoekingen tot aanleg van een spoorweg 
naar de Ombilin-kolenvelden, dan hadden de daarmede 
belaste ingenieurs, de heer Cluysenaar en anderen, schat- 
ten kunnen bezuinigen bij hun tachymetrische opneming. 
En zou bij de oprichting van fabrieken of wanneer 
mijnen worden ontgonnen in het aan mineralen rijke 
Sumatra, bij putboring en landontginning tot nuttige en 
winstgevende irrigatie-werken door den waterstaat, minder 
nut worden getrokken van de topographische opnemingen, 
dan op Java, waar het toenemende debiet van de residentie- 
kaarten aantoont, hoe daardoor in eene dringende be- 
hoefte is voorzien, zoodat ook de particuliere nijverheid 
de waarde van deugdelijke kaarten beseft? Kan het binnen- 
landsch bestuur worden geregeld, kunnen de grenzen van 
ons beheer behoorlijk worden afgebakend, betere commu- 
nicatien, spoorwegen en groote werken op Sumatra wor- 
den uitgevoerd, zonder op wiskunstige gegevens berus- 
tende topographische kaarten? 

Overbodig schijnt het, om op het krijgskundig belang 
der triangulatie tot vervaardiging van goede kaarten te wij- 
zen. Ook de politieke belangen van Midden-Sumatra, waar- 
van geen enkele kaart op bruikbare schaal bestaat i), 
en van Atjeh zijn nauw daarmede verbonden. Breken 
er thans onlusten of opstanden uit op Sumatra, dan zal 
men, alsof nimmer de geschiedenis der Indische oorlogen 
ware te boek gesteld, zich op nieuw moeten behelpen met de 
bestaande gebrekkige hulpmiddelen, die niet vertrouwbaar, 
bijna waardeloos zijn : een nadeel, waardoor als vroeger 
op Java, de onlusten vele jaren worden verlengd en de 
onkosten vertienvoudigd. 

Al die voordeden worden prijsgegeven, wanneer men, 
zij het slechts voorloopig, afziet van de triangulatie van 
Sumatra, welke, nadat het vijf jaar had geduurd om in 
Batavia den Geographischen dienst over te brengen van 
het Departement der Marine naar dat van Oorlog, wan- 
neer men minder had getalmd reeds in Januari dezes 
jaars op het terrein had kunnen aanvangen. 

Een ander dreigend gevaar onderkennen wij in den on- 

I) Volgens getuigenis van den ingenieur Verbeek in het Jaarboek 
van het Mijnwezen 1875, T>eel I, bl. 132. 



dergang van den Topographischen dienst in Nederlandsch 
Indie, waarvan de ontwikkeling tot het tegenwoordige 
standpunt dertig jaar van inspanning en millioenen gouds 
heeft gekost, juist op het oogenblik dat deze door oprich- 
ting van de afdeeling triangulatie als een afgerond geheel 
tot het toppunt van bloei beloofde te stijgen. 

Wordt aan het Indisch besluit van 2 Juni j.1. goed- 
keuring verleend, dan moet na eenige jaren de Topogra- 
phische dienst met de daaraan verbonden inrichtingen 
ineenstorten. Volgens het op bl. 8 ontwikkelde overzicht 
spoedt de opneming van Java in 1884 of 1885 ten 
einde; een hervatting van de minder vertrouwbare metin- 
gen aldaar acht de Gouverneur-Generaal evenmin noodig als 
opmeting zonder oponthoud van de buitenbezittingen. Reeds 
het volgende jaar, als Madoera en Banjoewangi gereed zijn, 
zullen de brigades, aldaar werkzaam, wegens gemis aan 
arbeid moeten ontbonden worden ; na voltooiing van Be- 
zoeki, Bantam en de Preanger Regentschappen, zal de geld- 
nood de overige brigades doen verdwijnen en naar alle wind- 
streken verstrooien. Het Indische l^er zal eindelijk, last 
noi least, zijn oorlogsverkennings-brigades missen, hetgeen 
inderdaad na hare in Atjeh algemeen erkende diensten geen 
gering verlies mag heeten. Het Topographisch bureau 
moge dan nog eenige jaren teeken werk verrichten, in ieder 
geval zal het worden teruggebracht tot eene schaduw van 
hetgeen het vroeger was om ten slotte aan uitputting te 
sterven. 

Geen twijfel of binnen weinig tijds zal de urgen- 
tie tot heroprichting van het' dienstvak, waarvan thans 
de opheffing wordt beoogd, zich met onweerstaanbare kracht 
doen gevoelen ; de adem des tijds zal herstelling eischen 
van hetgeen een onjuist begrepen zuinigheid zal hebben 
vernietigd. Maar nog minder roept men door een louter 
bevel of door den klank van edele metalen een corps 
van geographische ingenieurs en van bekwame opnemers 
in het leven, dan dat het mogelijk ware om na langdurige 
verwaarloozing der strijdkrachten plotseHng een krachtig le- 
ger of een vloot te scheppen. Veel te weinig beseft men, hoe- 
veel jaren van inspanning en ondervinding er vereischt 
worden om een vak als de Topographische dienst in Indie te 
creëeren ien te brengen op het standpunt, waarop deze te recht 
in de geheele wetenschappelijke wereld wordt geëerbiedigd. 
Laat men dien dienst vervallen en uitsterven, dan zal de 
coëfficiënt der tientallen jaren, welke de Gouverneur-Gene- 
raal noodig acht voor de vestiging van 's Konings gezag op 
Sumatra, nog aanzienlijk worden verhoogd, alvorens de op- 
neming van dit deel onzer bezittingen aan bekwaam per- 
soneel kan worden toevertrouwd. 



20 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



Behartigden wij in dit opstel uitsluitend het belang der zaak 
en van den Staat, och verlieze de billijkheid niet uit het oog, 
dat aan tal van officieren en nog meer ondergeschikten eene 
grievende teleurstelling dreigt te worden bereid. Een conse- 
quente verandering van zienswijze op deugdelijke gronden 
mag daarvan niet weerhouden : in elk ander geval heete het on- 
verantwoordelijk, om eensklaps en lichtvaardig de illusien 
van trouwe ambtenaren te vernietigen en hunne belangen 
op te offeren aan een opwelling van valsch begrepen 
bezuiniging. 

Ten slotte zal ook de Topographische inrichting te 's Gra- 
venhage, in de laatste jaren herhaaldelijk door onze Volks- 
vertegenwoordiging om hare bijzondere verdiensten gehul- 
digd en in het buitenland beroemd, den terugslag onder- 
vinden van de slooping van den Topographischen dienst 
in Indie. Na verloop van eenige jaren zullen haar, wan- 
neer de reproductie der residentie-kaarten vnn Java geheel 
is afgeloopen, de daarvoor bestemde Indische toelagen ont- 
vallen. Alsdan moeten de buitengewoon aangestelde amb- 
tenaren, die met groote moeite en aanhoudende inspanning 
werden bekwaam gemaakt en thans geheel op de hoogte 
zijn van dien moeielijken arbeid, worden ontslagen. De 
inrichting, die thans gedeeltelijk op Indische middelen 
steunt, zal dan wel is waar hare werkkrachten uitsluitend 
kunnen aanwenden voor het steeds toenemende werk ten 
behoeve van het Ministerie van oorlog en andere departe- 
menten van algemeen bestuur in het moederland : daaren- 
tegen zal Indie hare kostbare hulpe missen, wanneer, wat 
onvermijdelijk gebeuren moet, na verloop van eenige jaren 
het oogenblik aanbreekt, waarop het werk ten behoeve 
der Sumatra- kaarten dient te worden hervat. Maar dan 
zal het i^ersoneel, hetwelk bij tijdelijke staking van het 
werk voor de Koloniën daartoe zijn beste elementen 
heeft verloren, van nieuws af aan moeten worden opgeleid 
met groot verlies van tijd en aanvankelijk zonder vruchten 
af te werpen, ook maar eenigszins evenredig aan de groote 
kosten. 

Het kan onmogelijk in de bedoeling liggen van het Indi- 
sche bestuur, om wellicht door onvolledig of niet van alle 
zijden overwogen maatregelen aanleiding te geven tot een 
slooping van dienstvakken, zoodoende belangrijke materieele 
en wetenschappelijke verliezen te berokkenen aan den Staat, 
welke vooral later, bij nader gebleken behoefte, pijnlijk zullen 
worden gevoeld. Daarentegen kan onzes inziens, onder den 
drang van een tijdelijke schaarschte aan geld, bezuiniging 
op de bestaande dienstvakken naar billijkheid langs een 



meer doelmatigen weg worden bereikt, dan door het thans 
voorgestelde besluit, waarbij men bedrogen moet uitkomen. 

De ontvouwde nadeelen kunnen onzes inziens worden 
voorkomen, door den Topographischen dienst tijdelijk weer 
tot zijne aanvankelijke formatie van vier brigades terug 
te brengen Even goed als in en na 1870 bij toenemenden ar- 
beid twee nieuwe brigades zijn opgericht, ware het alleszins 
rationeel, nu ten gevolge vaii vertragmg bij den aanvang der 
triangulatie op Sumatra voorloopig voor zes brigades geen 
werk voorhanden is, twee brigades op te heffen. Die opheffing 
drage echter uitsluitend een tijdelijk karakter in verband met 
's lands financiöelen toestand, om, wanneer de omstandig- 
heden verbeteren, de tegenwoordige formatie te herstellen. 
Naarmate de triangulatie van Sumatra vordert en tot 
hermetingen op Java kan worden overgegaan, valt er 
op nieuw zooveel te verrichten voor den Topographischen 
dienst, dat alsdan zes brigades overvloedig werk zullen 
vinden. De gelden, welke zoodoende tijdelijk voor twee 
brigades worden bezuinigd, mogen voor een deel strekken 
tot oprichting van de afdeeling triangulatie, waarvan 
de noodzakelijkheid, na opheffing van den Geographi- 
schen dienst, door de regeering ten volle is erkend en 
waar\'oor bereids in beginsel door de Staten-Generaal 
sommen zijn toegestaan. Aanvankelijk kunnen voor de 
technische verrichtingen niet meer dan drie officieren — 
één sectiechef en twee assistenten — en zes minderen 
worden aangewezen. Eerst na voltooide theoretische en 
practische opleiding der thans in Nederland gedetacheerde 
officieren -^ d. i. over twee jaar — kan een aanvang 
worden gemaakt met de samenstelling eener tweede sectie, 
volgens de formatie van 31 Maart 1881 (Zie Bijlage IV). In 
dien tusschentijd zal de eerste sectie, mits zeer hard wer- 
kende, nauwlijks genoeg kunnen verrichten om over twee 
jaar vier verkenningsbrigades aan het werk te stellen tot 
topographische opneming van de alsdan getrianguleerde 
gewesten op Sumatra. 

Dit voorstel bescheidenlijk in overweging gevende, ver- 
meenen wij, dat op die wijze consequent wordt voortgeschre- 
den op den vroeger ingeslagen goeden weg tot opneming 
der buitenbezittingen, aanvangende met Sumatra, waartoe de 
tijd alleszins rijp is. Zoodoende zal de Topographische dienst 
in Indie tegen een on vermijdelij ken ondergang worden be- 
hoed, en zal een kern behouden blijven van deskundigen en 
ondergeschikten tot vermeerdering der geographische en 
ethnographische kennis van land en volk in tijd van 
vrede, van vlugge en bekwame officieren tot verkenning van 
het terrein en van den vijand gedurende den oorlog. Tege- 
lijkertijd zal naar billijkheid worden toegegeven aan den 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



21 



drang tot bezuiniging, zonder een geweldigen terugtred, 
wellicht tot onherstelbare schade voor den Staat. 

In het volle besef van de nadeelen, welke uit 
een goedkeuring van het Indische gouvernementsbesluit 
van den 2 Juni j.1. n«. 10 voor de Koloniën en het Moe- 
derland moeten voortvloeien, onderwerpen wij eerbiedig 
maar zonder schroom ons voorstel aan 's Konings wijsheid 
en aan het beleid van Hoogstdeszelfs raadslieden, om voort- 



gang te bevelen tot de triangulatie van Sumatra, waartoe 
Koning en Volksvertegenwoordiging reeds vóór twee jaar in 
beginsel machtiging hebben verleend, en waartegen ons- 
dunkens geene overwegende bezwaren kunnen worden 
aangevoerd. 

*s Gravenhage. Augustus 1882. 



22 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



REGELING VAN HET KADASTER IN NEDERLANDSCH INDIË. ^) 



Bij Staatsblad 1879 No. 164 werden de sedert 1864 be- 
staan hebbende statistische opneming op Java en de kadas- 
traal-statistiche bureau*s aldaar opgeheven. De arbeid, aan 
het personeel bij dien tak van dienst opgedragen, werd, 
voor zoover de metingen betreft, tot den werkkring van 
het kadaster gebracht; terwijl de verzameling van statis- 
tische gegevens, niet door meting verkregen, aan de zorg 
van de ambtenaren van het binnenlandsch bestuur werd 
toevertrouwd. In verband hiermede, zijn bereids bij Staats- 
blad 1880 No, 81 en bij besluit van 6 Juli 1880 No. 12, 
voorschriften vastgesteld betreffende de verzameling van 
gegevens voor de bevolkingsstatistiek van Java en Madoera. 

{ Ten aanzien van de bevolkingsstatistiek der buitenbezittin. 

' gen raadplege men Bijblad No. 3014. 

Het kadaster behoorde vroeger onder het departement 
van financiën, doch werd bij Indisch Staatsblad 1872 No. 19 
gebracht onder beheer van het departement van binnen- 
landsch bestuur. 

Krachtens Staatsblad 1874 No. 37 is het personeel 
van het kadaster verdeeld in de rangen van ingenieur, be- 
waarder, landmeter en adjunct landmeter. 

Bij Staatsblad 1874 No. 156 zijn de voorwaarden gere» 
geld, waarop adjunct landmeters bij het kadaster kunnen 
worden in dienst gesteld. 

Staatsblad 1879 No. 336 bevat een regeling van de 
inkomsten van het personeel van het kadaster, met wij- 
ziging in zooverre van hetgeen ter zake is bepaald bij 
Staatsblad 1874 No. 37. 

Een instructie voor de bewaarders van het kadaster is 
vastgesteld bij Staatsblad 1880 No. 148. Zie verder Staats- 
bladen 1880 No. 103 en 1881 Nos. 164 en 187. 



1} Regeerings- Almanak van Nederlandsch-Indiö voor 1882. 



Aanvankelijk slechts beperkt tot de drie hoofdplaatsen 
van Java, is de werkkring van het kadaster, tengevolge 
van de opheffing van de statistische opneming van Java en 
de kadastraal-statistische bureau's aldaar (Staatsblad 1879 
No. 164) sedert aanmerkelijk uitgebreid. Volgens het aan- 
gehaalde Staatsblad behooren thans tot den werkkring van 
het kadaster: 

I®. de vervaardiging van kaarten van hoofdplaatsen van 
gewesten en afdeeUngen op Java en Madoera, op den voet 
van de bepalingen in Staatsblad 1875 No. 183 en 1878 
Nü. 104, (Zie A.); 

2^. de vervaardiging van kaarten van de overige ge- 
deelten van Java en Madoera (de residentien Djokjokarta 
en Soerakarta en de regentschappen Madoera en Soemenap 
uitgezonderd); met dien verstande, dat de grenzen der in- 
dividueel bezeten gronden alleen dan op de kaarten wor- 
den gebracht, wanneer op die gronden een zakelijk recht is 
gevestigd, hetzij op de wijze als bepaald in Staatsblad 1843 
No. 27, hetzij op die, bepaald in Staatsblad 1872 No. 117. 

3<>. de werkzaamheden, voor zoover betreft Java en Ma- 
doera, opgedragen aan de Gouvernements landmeters, bij 
de instructie in de Staatsbladen 1837 No. 3 en 1863 No. 
158 (Zie B), (bij Staatsblad 1874 No. 57 ook op de buiten- 
bezittingen van toepassing verklaard). Zie ook de Staats- 
bladen 1880 No. 162 en 1881 No. 115. 

Voor elk gewest of voor een gedeelte daarvan wordt 
afzonderlijk bepaald op welk tijdstip de overgang van de 
.fiinctien dezer landmeters op het kadaster plaats heeft. 

4**. de bijhouding van de kaarten der voormalige statis- 
tische opneming en der daarbij behoorende stukken, waar- 
omtrent voorschriften zijn gegeven bij het besluit van 20 Mei 
1880 No. 18 (Bijblad No. 3557). (Zie C.) 

Bij besluit van 12 Augustus 1875 No. i (Staatsblad No. 
183, gewijzigd en aangevuld bij Staatsblad 1S78 No. 104). 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



23 



(Zie A), zijn eenige algemeene voorschriften vastge- 
steld, betreffende de kadastrale metingen in Nederlandsch 
Indie, terwijl voorschriften tot regeling der details van de 
sub 2 hierboven bedoelde metingen opgenomen zijn in 
Bijblad No. 343 1« 

Omtrent de modellen voor de registers der kadastrale 
boekhouding, raadplege men Bijblad No. 3308. 

Het gebruik, dat van de uitkomsten der kadastrale me- 
tingen is te maken in de gerechtelijke akten betrekkelijk 
de eigendommen en andere zakelijke rechten op onroerende 
goederen, is geregeld bij Staatsblad 1880 No. 147, voor 
de kadastrale afdeeling „Batavia, stad en voorsteden en 
Meester Comelis'* in werking getreden op i September 188 1. 

Het salaris voor de verrichtingen van de ambtenaren 
van het kadaster op aanvraag en ten gerieve van het publiek 
is geregeld bij Staatsblad 1881 No, 188. 



A. 



Staatsblad 1875, No. 183, bevat de algemeene voor- 
schriften betreffende de kadastrale metingen in Nederlandsch 
Indie^ hieruit blijkt: dat elk op te meten afdeeling door 
den ingenieur in sectien wordt verdeeld, die elk op zich zelve 
wordt getrianguleerd of gepolygoneerd en daarna perceels- 
gewijze opgemeten. Uit al de minuten op de schalen van 

■ 

I : 1000 of 1 : 2000, soms i : 500, wordt een verzamel- 
kaart vervaardigd op één blad op de meest geschikte schaal. 
Nergens wordt hier nog gesproken van gebruik maken 
der vaste punten der primaire, secundaire of tertiaire 
triangulatie ; art. 5 luidde : „de meridiaan over een punt, 
„dat uit zijn aard niet licht aan verplaatsing onderhevig 
„is, wordt als eerste meridiaan, de lijn loodrecht door dat 
„punt op dien meridiaan getrokken, als eerste perpendicu- 



n 



nomen. 



ï» 



Bij Staatsblad 1878, no. 104, is verder bepaald : 

Onder „afdeeling" wordt in kadastralen zin verstaan, 
elk zooveel mogelijk door blijvende grenzen ingesloten 
terrein, waarvan de regeering de kadastrale opmeting be- 
volen heeft. 

De driehoeks- of veelhoeksmeting wordt verbonden aan 
de driehoeksmetingen van den Geographischen dienst of 
aan die der Militaire verkenningen, door ten minste twee 
punten daarvan in eerstgenoemde op te nemen. 

De coördinaten zijn dezelfde als door den Topographi- 
schen of Geographischen dienst zijn gebezigd. 

Waar geene metingen van den Geographischen dienst of 
verkenningen hebben plaats gehad, worden de assen aan- 
genomen zooals vroeger werd bepaald. 



B. 



Staatsblad 1837, No. 3. De werkzaamheden der land- 
meters te Batavia, Samarang efi Soerabaija waren: het 
meten van gouvernements en partikuliere gronden, het 
taxeeren van vaste goederen en het bijhouden dercohieren 
van verponding; waar geenblokkaarten bestonden, moesten 
zij die aanleggen, voor steden op i : 2500, voor de om- 
melanden op I : 25000. 

Bij Staatsblad 1863, No. 158 werden de instruciien 
voor de gouvernements landmeters ook van toepassing 
verklaard op de overige gewesten van Java en Madoera. 

C. 

Bijblad No. 3557 

Besluit. 
No. 18. Buitenzorg, 20 Mei 1880. 

Gelezen enz. enz. 

Is goedgevonden en verstaan : 

„10. Te bepalen, dat de kaarten der voormalige statistische 
„opneming en de daarbij behoorende stukken, behalve op 
„de hoofdplaatsen der gewesten Ckeribon^ 7agal^ Pekalon- 
,^an, Sdmarangy Japara^ Rembang^ Banjoemas, Bagelen, 
^jKadoe en Madioen nog zullen bewaard worden te (vol- 
gen plaatsnamen in dezelfde jcsidentien). 

„20. Vast te stellen de aan dit besluit gehechte voor- 
„schriften voor de bewaring en bij houding van de sub. 
„art. I bedoelde kaarten met de daarbij behoorende staten 
„No. I t/m 12.*' 

30. enz. 

Voorschriften. Art. i. In elk gewest zullen zijn raantri's, 
welke staan onder de bevelen van den ingenieur van het 
kadaster in Nederlandsch Indie. Deze laatste worden 
bijgestaan door een of meer ambtenaren van het kadaster, 
onder wier onmiddellijke bevelen de mantri's der bijhou- 
ding werken; terwijl aan de hoofden van plaatselijk be- 
stuur, daar waar 'voornoemde kaarten bewaard worden, is 
opgedragen te zorgen, dat de mantri's geregeld en op tijd 
op het kantoor verschijnen en behoorlijk werken. 

In art. 2 wordt het werk gespHtst in bureau- en veldwerk. 

De mantri-teekenaars zijn belast met de leiding van en 
de verantwoordelijkheid voor het bureauwerk. 

Het veldwerk d. i. het opmeten der gerapporteerde en 
het opsporen en meten van ,de verzwegen grondverande- 
ringen, is de taak der daartoe aangewezen mantri-opnemers. 

Voorts volgt de omschrijving der werkzaamheden van 
de mantri-teekenaars en van de mantn-opnemers tot in de 
kleinste bijzonderheden. 



«4 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



Bamenstelling van het personeel b^ het kadaster op 1 



1882. 



Batavia. 
I bewaarder iste klasse. 

1 landmeter 

2 adjunct landmeters. 



Hoofdbureau te Batavia. 

I ingenieur iste klasse. 
I bewaarder 2<ie „ 

Bureaus van bewaring. 

Samarang. 

1 bewaarder 3de klasse. 

2 adjunct landmeters. 



Soerabaija. 

1 bewaarder 3de klasse. 

2 adjunct landmeters. 



Bureaus van de ingenieurs. 



Soerabaija. 
I ingenieur 3de klasse. 



Bandoeng. 
. I ingenieur 3de klasse. 



Opnemings-sectiën. 

Buitenzorg. 
I landmeter en 2 adjunct landmeters, (tijdelijk géén landmeter aanwezig). 

Bandoeng. 
I landmeter en 4 adjunct landmeters. 

Tjiandjoer. 
1 landmeter en 3 adjunct landmeters. 

Semarang. 
I landmeter en 3 adjunct landmeters. 

Soerabaija. 

1 landmeter en 3 adjunct landmeters. 

Pasoeroean. 

2 landmeters en 3 adjunct landmeters. 

Probolingt). 
I landmeter en 3 adjunct landmeters. 

Kediri. 
I landmeter en 4 adjunct landmeters. 

De landmeters en adjunct landmeters zijn beiden in drie klassen verdeeld. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



25 

n. 



OPGAVE VAN ASTRONOMISCH BEPAALDE PUNTEN OP SÜMATRA. 

(REGEERINGS-ALMANAK VAN NEDERLANDSCH INDIE VOOR 1882.) 



Plaatsen op Sumatra's Oostkust, waarvan het lengteverschil met een der vastbepaalde punten 

door tjjdmeters bepaald is. i) 



AANWIJZING DER PLAATSEN. 



Breedte. 



Lengte beoosten 
Greenwich. 



AANMERKINGEN. 



Djambi (Vlaggestok) 

Moeara Kompeh (middenpunt-fort) 
Palembang (Vlaggestok, resident) . . 

Hoek Baroe of Datoe 

Hoek Bon of Djabon , 



Z. 1° 35' 33" 
1' 23' 13" 

2" 59' 26" 

o ' n 

O O 32 
1° o'55' 



103° 36' 23' 

103° 58' 56" 

104° 45' 16" 
103° 47' 40" 

o • il 

104 21 12 



Bepalingen van den Geographi- 
schen dienst onder Dr. Oude. 
MANS in 1858 en 1859. 



Plaatsen, waarvan de lengte, evenals de breedte, minder nauwkeurig bepaald is. 



Fort de Koek 
Atjeh (Reede), 



Zo ' _ '* 

.0 20 30 

N. 5° 3/ 50" 



IOC* 19' 7" 
95° 18' 55" 



Plaatsen op Sumatra's Westkust, waarvan het lengteverschil met een der vastbepaalde 

punten door tqdmeters bepaald is. 2) 



Batoe Toetoeng (Landingspi.) 

Anala^e (Zandplaat vóór de kampong) 

Tampat Toewan (Vlaggestok) 

Singkel (Havenkantoor) 

Siboga (Vlaggestok) 

Natal (Vlaggestok fort) .' 

Ajer Bangis (id. id.) 

Kadagam (Zandbank vóór de kampong) 

Apenberg (Vlaggestok) 

Poeloe Pisang (Hoofd) 

Hoek van Indrapoera 

Bantal 

Bengkoelen (Fort Marlborough) 

Manna 

Bintoean (Mond der rivier) 

Kroe 

Blimbingbaai , 



N. 4° 


38' 


21" 


4° 


8' 


14" 


3° 


14 


59" 


2» 


i6' 


47" 


1° 


44' 


24" 


0° 


33' 


II' 


0° 


II 


41" 


Z. 0° 


7' 


41" 


0° 


58' 


i" 


0° 


59' 


46" 


2° 


10' 


35' 


2° 


44' 


M' 


3° 


47' 


28" 


4° 


48' 


35" 


5° 


11' 


24' 


5° 


55' 


2" 



95° 
96' 

97° 
97° 
98° 

99° 
99° 
99' 

100° 

IOC'' 

100° 

lOl" 

102° 
102° 

103° 

_ o 

103 

o 

104 



34' 


II" 


7' 


5^' 


9' 


55" 


44' 


48" 


45' 


50" 


6' 


15' 


22 


9' 


45' 


2" 


20' 


13' 


19' 


48" 


49' 


48" 


17' 


25' 


14' 


21" 


53' 


30" 


20' 


0" 


55' 


42" 


32' 


36" 



I) Door de bepalingen van' het lengteverschil van Singapore en Batavia door middel van den onderzeeschen telegraafkabel, werden de 
lengten van al de hier genoemde plaatsen, waarvan de lengten van deze afhingen, met 10 seconden vermeerderd. 
2} Deze lengten zijn voorloopig; later zullen zij waarschijnlijk kleine wijzigingen ondergaan. 

4 



26 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



Plaatsen, waarvan de lengte en de breedte bepaald zjjn door den Heer Ukena, op de reis 
van Dr. E. van Bqokevorsel van Bengkoelen over land naar Falembang en van 

Falembang de Ogan rivier op tot Batoeradja. 1) 



AANWIJZING DER PLAATSEN. 



Breedte. 



Lengte beoosten 
Greenwich. 



AANMERKINGEN. 



Taba Penanjoeng (Vlaggestok) 

Kepahiang (Vlaggestok) 

Kebang Agong (Pasangrahan) 

Talang Padang ( „ ) 

Tebing Tinggi (Vlaggestok) 

Koeboer (Pasangrahan) 

Moeara Bliti (Vlaggestok) 

Mandi Auer (Pasangrahan) 

Soengei Pinang (Messigit) 

Ngoelak (Raadzaal) 

Panjang (Messigit) 

Sekajoe (Vlaggestok) 

Rantoe Bajoer (Messigit) 

Karang Dalem (Woning van het hoofd) 

Ogan rivier. 

Batoe radja (Vlaggestok). ... 1 

Doeren (Raadzaal) 

Moeara Kowang (Messigit) 

Tandjong Radja (Vlaggestok) 



f 31' 14" 

o ' 

3 33 31 
3^ 36' 25" 

f 35' 47" 
3' 34' 58" 
3° 22' 50" 
3° 16' 16" 

3° 4' 40" 
2^ 55' 25" 
2° 49' 50" 
2° 47' 48" 
2° 52' 44" 

2° 59' 54" 
3° I' I" 



r 8' 44" 

3° 58' 38' 

3^ 37' 55" 
30 jj/ 37'. 



102 
102" 
102° 
102 

103° 

103'* 
103° 
103° 

^03° 
103° 

103° 

104° 

o 

104 



25' 10" 
38' 43" 
42' 39" 

55' 39" 

5' 20" 

2' o" 

2' 10" 

10' 25" 

20' 33" 

24 4 

44 13 
49' 54" 
19' 59" 
24' 31" 



104° 9' 35" 
104° 17' 57" 

i04' 56' 39" 
104° 48' 38" 



De breedten zijn bepaald door 
middel van zonshoogten in den 
meridiaan, gemeten met een reflec- 
tiecirkel van Pistor en Martins; de 
lengten zijn bepaald door middel 
van twee chronometers en zons- 
hoogten buiten den meridiaan ge- 
meten met een reflectiecirkel van 
Pistor en Martins. 



i) Zie omtrent deze bepalingen: Jaarboek van het Mijnwezen in Nederlandsch Oost-Indie, tiende jaargang, 1881, eerste deel; Topogra- 
phische en Geographische beschrijving van Zuid Sumatra door den mijn-ingenieur Verbeek, bladz. 7. „Van de lengte en breedte bepalingen 
van den lieer Ukena in Zuid Sumatra, opgenomen in den Regeerings-Almanak, kon geen gebruik gemaakt worden, omdat in enkele 
van die bepalingen fouten zijn ingeslopen." (Zie voorts de in "dat werk voorkomende opgave van fouten.) 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



«7 



Byiage in. 



OPGAVE VAN EENIGE DER MEEST OORSPRONKELIJKE EN BEST UITGEVOERDE 

KAARTEN VAN SUMATRA EN ONDERHOORIGE EILANDEN. 



Nieuwe kaart van het eiland Sumatra door Fran^ois 
Valentijn. 

In Valeötijn's Oud en Nieuw Oost-Indie, Vijfde Deel, 
eerste Stuk, 1726. 

Nieuwe Kaart van het eyland Sumatra^ uitgegeven door 
C H. Bohn & Zoon te Haarlem, 1783. ' 

Deze kaart, die maar weinig van die van Valentijn ver- 
schilt, komt vooi in de door dezelfde uitgevers in het licht 
g^even „Beschrijving van het eiland Sumatra door Ad. 
Eschels — Kroon, vertaald uit de Hoogd. uitgave van G. B. 
von Schirach. 

A map of the Is land of Sumatra in the East Indiesy 
voorkomende in „the History of Sumatra bij William 
Marsden, F. R. S., London 181 1 (third edition)." 

Map of the Island of Sumatra^ constructed chiefly from 
surveys, taken by the order of the late Sir Th°* Stam- 
ford Rafïles. Published for the Proprietors by J. Gardner, 
Regentstreet London, May 1829. 

Met carton van Singapore. 

Deze kaart is in 1830 te Brussel nagedrukt. 

Kar ie van der Insel Sumatra in * de Atlas von Asia 
von H. Berghaus. lm Verlage von J. Perthes in Gotha, 
1837. Met cartons van Bangka. Singapore, de Kerling- 
dlanden, enz. 

Voor deze kaart zijn behalve de kaart van Gardner ge- 
bruikt de Reizen en Beschrijvingen vanRose, Moresby, An- 
derson, Horslmrgh, Crooke, Marsden, Radermacher, Raffles, 
Church, Presgrave, Osborn, Horsfield, Jack Wood, enz. 

Carte de PJle de Sumatra^ par Ie Baron P. Melvill de 



Carnbée, voorkomende in den „Moniteur des Indes*' 1848/49, 
2ième partie. 

Kaart van Sumatra op de schaal i : 2.000,000, met 
inachtneming der nieuwste gegevens bewerkt naar de Alge- 
meene kaart van Nederlandsch Oost-Indie van Baron von 
Derfelden van Hinderstein. 's Gravenhage, Gebroeders van 
Cleef, 1873. 

Kaart van de eilanden Sumatra en Bangka^ Bliton en 
Riouw^ op de schaal i : 4.200.000, naar de nieuwste 
bronnen bewerkt, onder toezicht van Dr. J. Domseiffen. 
Amsterdam, Seyffardt's Boekhandel, 1877. 

Kaart van Sumatra op de schaal i : 1.450.000, naar 
de beste bronnen bewerkt onder toezicht van Dr. J. Dorn- 
seiflfen. Amsterdam, Seyffardt's Boekhandel, 1877. 

Postkaart van Sumatra op de schaal i : 3.000.000, ge- 
teekend door J. Berman A. Isp. 1879. Amsterdam, Tres- 
ling & Co. 

Bevat alleen de postkantoren. 



Schetskaart van het rijk Atjeh en van de aangrenzende 
landstreken van Sumatra ^ schaal i : 500.000. Batavia, 
Topographisch Bureau, 1877. 

■ Schetskaart van het terrein des oor logs in de XXII 
Moekimsy 2e halfjaar 1878, schaal i : 20.000. Batavia, 
Topographisch Bureau 1879. 

Overzichtskaar t van Groot Atjeh^ schaal i : 50.000. 



28 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



Photo-autographie in twee bladen. Batavia, Topographisch 
Bureau, 1880. 

Kaart van Tut terrein des oor logs in Groot-Atjeh, 
schaal i : 50000, in kleurendruk. 

Deze kaart komt voor in het werk „Generaal vanSwie- 
ten en de Waarheid," door den Luitenant-Generaal G. 
M. Verspyck, Adjudant-Generaal des Konings. 's Graven- 
hage, Henri J. Sternberg 1880. 

Photo-auiographische kaart van het Noordelijk gedeelte 
van Poeloe Bras, schaal r : 20.000. Batavia, Topogra- 
phisch Bureau, 1877, 



General-Karte votn Mittleren Sumatra von Paddng bis 
Singkel^ nach eigenen und fremden trigonometrischen Auf- 
nahmen zusammengestellt und entworfen von Fr. Jung- 
huhn, 1840 — 1841. 

Kar te von der Bai von Tapanuli und ihrem Flussgebiet, 
als Eingang in die Batta-lander, von Fr. Junghuhn. 

Kar te vom Südlichen er f or sekten Theile der Batta-lander^ 
trigonometrisch aufgenommen in den Jahren 1840 — 1841 
von Fr. Junghuhn. (2 Blatter). 



Karte von dem, den Batta-landern^ Südlich angrenzenden 
Lande ^ bis Padang, von Fr. Junghuhn. (2 Blatter). 

De vier laatste kaarten vormen met eenige profilen, een 
landschap en eenige Schriftproeven den Atlas bij het be- 
roemde werk „Die Batta-ldnder auf Sumatra," im Auftrage 
S^ Exc. d. G. G. V. N. I. Herrn P. Merkus in den Jahren 
1840 — 41 untersucht und beschrieben von Fr. Junghuhn 
2 Th. Berlin, 1847. 

Die südlicken Batta-Lander auf Sumatra^ nach den 
trigonometrischen Messungen Dr. Junghuhn's und den An- 
gaben der Missionare Heine und Noramensen entworfen 
von J. T. Buntz. Schaal i : 375.000. 

Berichte der Rhein. Missions Gesellschaft, Barmen, 1866. 

Die südlichen Batta- Lander auf «Sw^w^x/rff, hauptsachlict 
nach Angaben und Zeichnungen Rheinischer Missionare, 
namentlich Chr. Leipoldt und W. Heine, ünd' des Inge- 
nieurs Nagel. Schaal i : 100.000. 

Petermann's Geographische Mittheilungen 1876. 



Zie over deze kaart het Tijdschrift Aardr. Gen. ded 
III, bl. 83. 

Kaart van het Toba Meer in het Landschap Silindong, 
volgens de opnemingen van Rijnsche Zendelingen. 

Tijdschrift Aardr. Gen., deel III, 1879. 

Kaart van het Gouvernement Sumatra^ s l^estkust, opge- 
nomen en samengesteld in de jaren 1843 tot 1847, door 
L. W. Beijerinck, met raedehulp van C. WÜsen, O. von 
Kessel, L. F. Donleben, J. R. F. Bollen, H. von Ziwett, 
L. UUmann, F. Steek, von Mtihlenfels, von Schönberg- 
MoUer. Overgebracht op de schaal i : 500.000 bij het 
Topographisch Bureau te Batavia op last van zijne Hoog- 
heid den Hertog Bernhard van Saxen-Weimar, Generaal 
der infanterie, Kommandant van het Indisch leger, door 
den teekenaar F. Cronenberg, onder toezicht van den 
kapitein der genie J. C. R. Steinmetz, chef van het Topo- 
graphisch Bureau. — Uitgegeven door het Ministerie van 
Koloniën, op steen gebracht bij A. J. Bogaerts, te Breda, 
1853 in twee bladen. 

Bevat cartons van deBanjak- en Batoe-eilanden en van 
de oostkust van Nias, benevens een staatje aangevende de 
hoogte van eenige punten boven de oppervlakte der zee. 

De aan deze kaart ten grondslag liggende opneming 
heeft plaats gehad zonder voorafgaande triangulatie; ze 
was enkel gegrond op de geographische ligging van een 
aantal bergtoppen, bepaald door de H.H. de Lange, Ost- 
hoff en de Perez. 

Deze kaart is echter tot heden de beste van dat ge- 
deelte van Sumatra. 

Kaart van het Gouvernement Sumatra^s Westkust^ 4 
bladen ; 

Kaart van de adsistent residentie Benkoelen^ 3 bladen; 

Kaart van de resideerende Lampongsc^ie districten, 1 blad; 

Kaart van de residentie Palembang, 2 bladen; 

in den Atlas van Nederlandsch Indie door P. Baron 
Melvill en W. E. Versteeg. 

Kaart der residentie Riouw met onder hoorigheden, aan- 
grenzend deel van Sumatra*s Westkust enz., door W. F. 
Versteeg, 1871. 
Bestemd tot aanvulling van den Atlas van Nederlandsch 
Indie Bevat de geheele residentie Sumatra*s Oost- 
kust, die destijds onder Riouw ressorteerde. 

Geologische kaart van het Oembilin- kolenveld, opgeno- 

• 

men door den mijn-ingenieur R. D. M. Verbeek en de op- 
nemers K. A. Naumann en J. F. de Corte, schaal i : 25.000. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



29 



Jaarboek van het Mijnwezen in Ned. Oost-Indie, 1875, 
deel II. 

Op deze kaart bevinden zich hoogtelij nen ; de atstand 
der eqiiidistante vlakken is 10 M. 

Geognostische kaart van het Oemhilin-holenveld der 
Padangsche Bovenlanden, Sumatra*s Westkust, in acht 
bladen, opgenohien door den mijn-ingenieur R. D. M. Ver- 
beek en de opnemers K. A. Naumann en J. F. de Corte, 
schaal i : 1 00.000. 

Jaarboek van het Mijnwezen in Ned. Oost.-Indie, 1877, 
deel n. 

Op deze kaart bevinden zich eveneens hoogtelijnen, met 
een onderlingen afstand van 10 M. tusschen de equidi- 
stante vlakken. 

Kaart van een gedeelte van Midden- Snmatra, schaal 
I : 100.000. 

Bij het rapport van den ingenieur J. L. Cluysenaar 
over den aanleg van een spoorweg ter verbinding van het 
Oembilin-kolenveld op Sumatra met de Indische zee. Uit- 
gegeven ,door het Departement van Koloniën in 1876. 

De tranches op deze kaart zijn geteekend op onderlinge 
afstanden van 50 M. 

Voorloopige geognostische kaart van de landstreek tusschen 
Siboga, Padang Sidempoean en Sipirok^ schaal i : 250.000; 
opgenomen op de schaal i : 50.000 door den opziener van 
het mijnwezen Nagel. 

Jaarboek van het Mijnwezen in Ned. Oost-Indie, 1877, 
deel I. 

Kaart van een gedeelte van Midden-Sumatra ; voorko- 
mende in het tweede deel van „de Vestiging en uitbrei- 
ding der Nederlanders ter Westkust van Sumatra, door 
den Generaal-Majoor H. J. J. L. de Stuers, Amsterdam 
1849 — '50. Hierbij is gevoegd een overzicht der kaarten 
van Melvill, Raffles, Marsden, Berghaus, Junghuhn, Baron 
von Desselden von Hindershein (Alg. kaart van Ned. 
Oost Indie), en van eenige deels uitgegeven, deels onuit- 
gegeven figuratieve schetsen. 

Het werk van den Luit.-Kol. H. M. Lange, „het Ned. 
Oost-Indisch leger ter Westkust van Sumatra," 's Herto- 
genbosch 1852, bevat een kaart van het oorlogsterrein. 

Kaart van een gedeelte van Midden-Sumatra, op de 
schaal i : 500,000, door W. F. Versteeg. 
Tijdschrift van het Aardr. Gen., deel I, 1877. 



Kaart van een gedeelte van Midden- Suma tra y op de 
schaal i : 200.000, door J. L. Cluysenaer. 

Tijdschr. van het Aardr. Gen., deel III, 1879. 

„Deze kaart is vervaardigd uit de gegevens, welke de 
„spoorwegopneming verschaft heeft; verder is gebruik ge- 
„maakt van de kaarten van W. F. Versteeg, van zeekaarten 
„en enkele partieele opnemingen. De voorstelling van het 
„terrein tusschen het Meer van Singkarah in de Oembilin 
„is ontleend aan de resultaten der mijnbouwkundig-geog-. 
„nostische opneming." 

Schetskaart van Padang met de reede en de Brande- 
wijnsbaai. Schaal i : 20.000, door J. L. Cluysenaer. 
Tijdschrift van het Aardr. Genootschap, deel III, 1879. 

Originalkarte des Mittleren Sumatra, zur Uebersicht 
der Wissenschaftlichen Expedition 1877-79. MitBenützung 
der Aufnahmen von Schouw Santvoort, Cornelissen und 
Makkink gezeichnet von D. D. Veth, Mitglied der Expe- 
dition. Schaal i : i. 000.000. 

Petermannn's Geographische Mittheilingen. 1880. 

Kaart van Midden-Sumatra, door D. D. Veth. Schaal 
I : 1. 000.000 

Midden-Sumatra, Reizen en onderzoekingen der Sumatra- 
Expeditie, uitgerust door het Aardrijkskundig Genootschap, 
1877-1879. Leiden, firma E. J. Brill, deel I. 

Kaart van Midden-Sumatra volgens de resultaten der 
expeditie. Schaal i : 500.000. 

Hetzelfde werk als hierboven, deel II, Atlas, blad I — IV. 

Het zuidelijk gedeelte der Residentie Padangsche Boven- 
landen, Schaal i : 250.000. 

Het zelfde werk als boven, deel II, Atlas, blad V. 

Geologische schets kaartjes en bergteekeuingon van Mid- 
den-Sumatra, door D. D. Veth. 

Hetzelfde werk als boven, deel II, Atlas, blad VI. 



Kaart van Nias, opgenomen en in teekening gebracht 
volgens eigene levé*s, voor een gedeelte naar die van 
Luit. Donleben, en naar stukken bij het Marine-Departe- 
ment berustende, door H. C. B. von Rosenberg. Batavia 
Lithographie der Genie 1857. 

Verhandelingen van het Batavia's Genootsch., deel XXX. 



30 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



Kcuirt van Goenoeng Sitoli en omstreken^ opgenomen in 

1873 door den mijn-ingenieur O. Verbeek. Schaal i : 50.000. 

Jaarboek van het Mijnwezen in Ned.Oost-Indie, 1874, deell. 

Geologische kaart van het noordelijk gedeelte van het 
eiland Ntas^ opgenomen door den opziener van het mijn- 
wezen J. F. R. Nagel, 1873. Schaal i : 100.000. 

Jaarboek van het Mijnwezen in Ned. Oost-Indie, 1876, 
deel I. 

Specialkarte der Insel Nias, hauptsachlich nach Auf- 
riahmen von J. F. R. Nagel, die Karte von Rosenberg und 
Details von E. J. Sillem. — Schaal i : 360.000. 

Petermann's Geographische Mittheilungen 1878. 



Kaart van de af deeling Boemi Agoeng (Lampongsche 
Districten)^ overgenomen van een algemeene kaart der Lam- 
pongs door B. V.Vitzthum vonEckstadt. Schaal 1:200.000. 

Tijdschiift van het Aardr. Gen., deel II, 1878. 

Z\t over deze kaart Tijdschrift Aardr. Gen., dl. III, p. 349. 

Geologische kaart van Zuid-Sumatra (de residentien 
Bengkoelen, Palembang en Lampongsche Districten), opgeno- 
men door den mijn-ingenieur R. D. M. Verbeek, en den 
opziener van het mijnwezen J. F. de Korte, 1876-1878; 
in vier bladen. Schaal i : 500.000. 

Jaarboek van het Mijnwezen in Ned. O. 1. 1881, deell. 

Op deze kaart zijn tranches aangegeven op de hoogte 
van 50, 100, 200 M. en verder met 200 M. opklimmende. 

Kaart van de voornaamste wrgen in het Zuidelijk deel 
der Residentie Palembang^ geteekend door D. D. Veth. 
Schaal i : 500.000. 
Tijdschritt van het Aardr. Gen., deel V, 1881. • 

Schetskaart van de mondingen der Batang Hari^ in 
drie bladen, schaal i : 60.000. 

Midden-Sumatra, Reizen enz. Leiden, Firma E. J. Brill, 
deel II, Atlas, blad VIII tot X. 



Schetskaart der Batang Hari van Moeara Kompeh tot 
Semalidoe; in vijf bladen; schaal i : 60.000. 
Ibid. blad XI— XV. 

Schetskaart van de lembesi van haar monding tot Doe- 
soen Ladang pandjang^ schaal i : 60.000. 
Ibid. blad XVI. 



Kaart van de rivieren Siak en Kampar^ SumatrcCs 
Oostkust^ opgenomen door den mijn-ingenieur Everwijn. 

Schaal i : 450.000. 

Jaarboek van het Mijnwezen in Ned. Oost-Indie, 1874, 
deel I. 

Kaart van een gedeelte van Sumatra's Oostkust, 

Schaal i : 66.666. 

Tijdschr. van het Aardr, Gen., deel VI, 1882. 

Deze kaart, behoorende bij de Geographische Aantee- 
keningen van den heer Gramberg, is volgens aanwijzingen 
van professor P. J. Veth samengesteld en geteekend door 
den heer J. H. Makkink, en bevat enkele nieuwe gegevens. 

Photo-autographische kaart van het rijk Deli, 

Schaal i : too.ooo. Batavia, Topographisch Bureau, 1876. 

Figuratieve kaart van Deli-Lankat-Serdang, met aan- 
teekening der uitgegeven contracten, samengesteld door 
F. G. Steek, Gep. Majoor O.-I. Leger. Schaal i : 200.000. 
Amsterdam, Gebr. van Es, 1876. (Niet in den handel.) 

Zie over deze kaart het Tijdschr. van het Aardr. Gen., 
deel III, pag. 345. 

Deli met de particuliere ondernemingen^ samengesteld 
en geteekend door D. D. Veth. fechaal 1 : 250.000. 

Tijdschr. van het Aardrk. Gen., deel II, 1878. 

(Kaart van de Residentie Sumatra's Ooikust, schaal 
I : 200.000, Samengesteld uit ongeveer 35 bladen, is te 
Batavia ter reproductie gereed en kan dus spoedig hij 
het Departement van Koloniën in Nederland worden 
verwacht. Daarbij zal een belangrijke beschrijving worden 
gevoegd). 



Een opgave van zeekaarten en gidsen, betreffende de kusten en vaarwaters van Sumatra, is te vinden in den 
Indischen R^eerings-Almanak voor 1882. Eerste gedeelte. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



Departement van Oorlog. 

Vlle AFDEELING. 
GENEBALE STAF. 



ÏOPOGRAPHISCHE DIENST. 
No. 238. 



31 

Bülage IV. 



Hoofdkwartier 
BATAVIA, den 31 sten Maart 1881. 



CIRCULAIRE. 



In afwachting der door de Regering, in het Gouverne- 
ments besluit van 17 December 1880 n^. 25, toegezegde 
definitieve vaststelling der organisatie van het personeel 
der op te richten afdeeiing triangulatie van de topogra- 
phischc dienst van den generalen staf, en der aan dat per- 
soneel toe te kennen inkomsten, enz., wordt de voorloopige 
regeling van een en ander hierbij ter kennisse van het 
leger gebragt. 

A. Formatie. 

De afdeeling triangulatie maakt een deel uit der topo- 
graphische dienst, in verband daarmede is de Chef dezer 
dienst de algemeene Chef der afdeeling. 

De onmiddellijke leiding van het personeel, behoorende 
tot — en der werkzaamheden uit te voeren door — de 
afdeeling triangulatie, is opgedragen aan den Chef der af- 
deeling, die organiek den rang van kapitein bekleedt, doch 
bij bevordering tot den majoorsrang als zoodanig kan con- 
tinueeren. 

De afdeeling is verdeeld in twee secties^ elk bestaande uit : 

een sectie Chef met rang van kapitein of ie luitenant, 

twee assistenten, ie of 2e luitenants, 

zes geemploij eerden, onderofficieren met den graad van 
sergeant tot en met militair opzichter, 

en het reken-bureau (bij het topographisch bureau) met 
een kapitein of ie luitenant tot Chef en een militair op- 
zichter als geemploijeerde. 

Mitsdien bestaat het personeel der afdeeling triangulatie uit: 

1 {een) kapitein of majoor afdeelings-chef; i) 

3 {drie) kapiteins i), of ie luitenants, chefs van sectien 
en van het reken bureau; 



() Deze officieren kunnen behooren tot den Generalen staf. 



4 (t'/Vr) ie of 2e luitenants assistenten; 

13 {dertien) onderofficieren met den graad van sergeant 
tot en met militair-opzichter-geemploijeerden, waarvan 12 
bij de secties en een bij het reken-bureau, i) 

De officieren en minderen worden getrokken uit de ver- 
schillende wapens van het leger. 

De officieren worden beschouwd als te zijn gedetacheerd 
bij de tof)ographische dienst en worden bij hun wapen ge- 
voerd h la suite. 

Bij eene eventueele bevordering tot den rang van kapi- 
tein kunnen zij bij de afdeeling triangulatie blijven con- 
tineeren, doch behooren ter goeder tijd bij hun wapen terug 
te keeren om de blijken te geven van geschiktheid voor 
den Hoofdofficiers-rang. 

De mindere militairen worden, even als de opnemers en 
teekenaars van de tof)ographische dienst, gevoerd hovende 
formatie van het subsistenten-kader der militaire afdeeling 
of van het gewest, waarin zij werkzaam zijn. 

De officieren (niet tot den generalen staf behoorende) en 
de mindere militairen blijven de uniform dragen van het 
wapen, waartoe zij behooren. 

B. Besoldiging- indemniteiten- gratificatiën- toela- 
gen-daggelden- reis- en andere kosten. 

a. Bij vaste plaatsing, ontvangen, zoowel officieren als 
mindere militairen, een equipementsgeld, overeenkom- 
stig het bepaalde bij tarief 46^ sub M § 22. 

b. De officieren genieten — indien ze niet tot den gene- 
ralen staf behooren — dezelfde inkomsten als hunne 
ranggenooten bij het Departement van Oorlog, en, on- 



1) Omtrent de formatie der mindere militairen zal later het noodige 
worden vastgesteld. 



32 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



geacht welke hunne standplaats zij, de indemniteit voor 
huishuur, bij tarief N<>. 36, sub B, § 7, vastgesteld voor 
garnizoenen der ie kategorie. 

c. De mindere militairen ontvangen het tractement en de 
vivres-indemniteit als voor de opnemers van hunnen 
graad is vastgesteld (tarieven N<^. 2 en 15); de opzich- 
ters de huishm\r-indemniteit overeenkomstig het sub b 
bepaalde voor officieren. 

d. De afdeelings-chef — niet den rang van Majoor be- 
kleedende — ontvangt boven zijne vorige inkomsten 
eene toelage van / 50 (vijftig gulden) 's maands. Zoo- 
lang hij de werkzaamheden eens sectie-chefs verrigt, 
geniet hij de voor deze in e bepaalde toelage. 

e. Voor elke maand of gedeelte daarvan waarin aan de 
triangulatie wordt gewerkt, ontvangt de sectie-chef 
/ 100 (een honderd gulden) en de assistent / 50 
(vijftig gulden) toelage. Bovendien ontvangt elk hunner 
/ 25 (vijf en twintig gulden) 's maands voor oppassers, 
fijne olie enz. 

/. • Aan de op het terrein der triangulatie werkzame officie- 
ren en mindere militairen wordt voor de dagen, waarop 
aan de triangulatie wordt gearbeid, een daggeld toegekend: 

aan de officieren / 8 . bij ziekte of verpleging 

„ „ militaire opzichters „ 6 J in eene ziekeninrichting 

„ „ overige minderen. . „ 5 ' slechts éen derde. 
g. Indien geen gebruik is kunnen gemaakt worden van 
Gouvemements-transportmiddelen, kan voor de dagen 
waarop gereisd wordt, volgens den afgelegden afstand 
worden gedeclareerd : 

door een officier: een heeren en een bediende paard 
benevens vier koelies ; 

■ 

door een minder militair: een heeren paard en twee 
koelies, overeenkomstig de vastgestelde betaling voor 
transportmiddelen bij tarief N®. 6. 
h. Voor het aanschaffen van boekwerken, bureau-meubilair 
en schrijfbehoeften en ter bestrijding van verdere kleine 
uitgaven ten behoeve van htlrekenbureau étr afaeeling- 
triangulatie^ wordt den chef der topographische dienst 
's maandelijks / 100 (een honderd gulden) te goed gedaan. 



Luitenants, die niet hunne opleiding bij de krijgsschool 
in Nederland ontvangen hebbende, voor eene plaatsing bij 
de afdeeling'triangulatie wenschen in aanmerking te ko- 
men, moeten alvorens daarbij ter practische beproeving te 
worden ingedeeld of gedetacheerd, blijken geven de kun- 
digheden te bezitten, vermeld in het programma van 



examen, vastgesteld bij de algemeene Order N^. 5 van 
1870, en bovendien het navolgende van: 

tf. De Natuurkunde, 

De beginselen der natuurkunde, meer bepaaldelijk be- 
trekking hebbende op : de spankracht van luchtsoorten, de 
druk van den dampkring en de inrichting en het gebruik 
van barometers. 

Eenige kennis van de leer der warmte, de afkoeling 
door uitstraling, mededeeling en voortplanting van warmte ; 
de uitzetting door warmte en de inrichting en het gebruik 
van thermometers. 

Een ruim begrip van de theorie van het licht, en voor- 
namelijk de wetten van voortgang, terugkaatsing en bre- 
king van licht; de kleurschifting; het oog en het zien be- 
nevens de inrichiing en het gebruik van mikroskopen en 
kijkers. 

b. Geodesie, 

Bekendheid met de verschillende bewegingen van den 
aardbol en hetgeen verstaan wordt door: het azimuth en 
de hoogte, de declinatie en rechte opklimming van een 
hemelligchaam ; dagcirkels, sterrekundige lengte en breedte ; 
verschilzigt en afdwaling van licht. 

De verzoeken om tot het afleggen van zoodanig examen 
te worden toegelaten, worden, langs den gewonen weg, met 
de vereischte bescheiden, benevens toelichtingen en advie- 
zen van de betrokken korpschefs en territoriale koraman- 
danten, aan de Vlle afdeeling van het Departement van 
Oorlog ter verdere behandeling ingediend. 

Ten einde in den aanvang van 1882 te kunnen overgaan 
tot de oprichting der onderwerpelijke afdeeling trianqula^. 
tie behooren die verzoeken uiterlijk in de maand Septem- 
ber a. s. door het Departement van Oorlog te worden ont- 
vangen. 

In de volgende jaren zijn de aanvragers aan geen be- 
paald tijdstip, voor de indiening hunner verzoeken, gebonden. 

De Chefs van wapens en diensten, alsmede de korps- 
kommandanten worden uitgenoodigd deze circulaire op de 
meest spoedige wijze ter kennisse te brengen van hunne 
onderhebbende officieren, waartoe de noodige exemplaren 
dezer circulaire zullen worden toegezonden. 

De Kofnmandant van het Leger en Chef van het 
Departement van Oorlog in Neder L-Indie^ 

H. G. BOUMEESTER. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



33 

Btjlage V. 



OVERZICHT VAN HET AANTAL AMBTENAREN VAN BINNENLANDSCH BESTUUR, 
GEVESTIGD OP HET EILAND SUMATRA, ZONDER ATJEH, IN HET 

JAAR 1844 EN I1^I HET JAAR 1881. 



1844. 



1881. 



Gouvernement van Sumatra's Westkust. 



I Civiel en militair Gouverneur (kolonel). 

I Secretaris. 

I Commies. 

I Controleur 3e kl. 

I Surnumerair ambtenaar ter beschikking. 

Besidentie Fadangsohe benedenlanden. 

Personeel ter hoofdplaats. 



Personeel ter hoofdplaats. 

I Civiel gouverneur. 

1 Secretaris. 
3 Eerste Commiezen. 

2 Tweede Commiezen. 



I Assistent-Resident en Magistraat. 

I Eerste Commies. 

I Toegevoegd ambtenaar. 

I Tweede Commies. 

Zuidelijke afdeeling. 

I Controleur ie kl. 

I Wd. Controleur 3e kl. 

Batoe eilanden. 
I Wd. Civiel gezaghebber. 



I Assistent-Resident voor de policie. 

I Commies. 

I Controleur in de Ommelanden van Padang. 



Personeel in de binnenlanden. 

Afdeeling Ajer Bangis en Rau. 

I Assistent-Resident. 

I Commies. 

1 Controleur ie kl. 

2 Controleurs 2e kl. 
I Aspirant-Controleur. 



Afdeeling Priaman. 



I Assistent-Resident. 

1 Commies. 

2 Controleurs le kl. 



Afdeeling Palnan. 



I Assistent-Resident. 
I Commies. 
I Controleur ie kl. 
I Controleur 2e kl. 



34 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



1844. 



1881. 



Besidentie Ajer Bangis. 



Personeel ter hoofdplaats. 

I Assistent-Resident. 
I Commies. 

Personeel in de afdeelingen. 

1 Fd. Controleur. 

I Ambtenaar ter beschikking. 

Afdeeling Mandheling en Angkola. 

1 Fd. Assistent-Resident. 

2 Controleurs 3e kl. 

I Surnumerair ambtenaar. 

Afdeeling Natal. 

I Controleur 3e kl. 

I Surnumerair ambtenaar. 



I Wd. Assistent-Resident. 
I Wd. Commies-ontvanger. 
I Surnumerair ambtenaar. 
I Klerk. 



Besidentie Tapanoeli. 

Personeel ter hoofdplaats. 

I Resident. 

1 Seretaris. 

2 Commiezen. 



Personeel in de binnenlanden. 



Afdeeling Baros. 



I Controleur 3e kl. 
I Commies. 
I Klerk. 



Afdeeling Singkel. 



I Commies. 
I Klerk. 



Afdeeling Goenoeng Sitoli (Eil. Nias). 
I Fd. Civiel gezaghebber. 



Afdeeling Sibc^a. 



5 Controleurs ie kl. 
I Controleur 2e kl. 



Afdeeling Mandheling en Angkola. 

I Assistent-Resident. 
I Commies. 

1 Controleur ie kl. 

2 Controleurs 2^ kl. 

I Aspirant-Controleur* 



Afdeeling Natal. 



I Controleur ie kl. 



Afdeeling Padang Lawas. 
I Controleur ie kl. 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



35 



1844. 



£ Resident. 
1 Secretaris. 
I Wd. Commies. 



Besidentie Fadangsohe Bovenlanden. 
Personeel ter hoofdplaats. 

I Resident. 

1 Secretaris. 

2 Commiezen. 

Personeel in de binnenlanden. 



1881. 



Afdeeling Tanah Datar. 

I Assistent-Resident. 

I Surnumerair ambtenaar. 

I Controleur 3e kl. 

Afdeeling Agam. 

1 Assistent-Resident. 

3 Civiele gezaghebbers. 

2 Sumumeraire ambtenaren, civiele gezaghebbers. 

1 Surnumerair ambtenaar. 

2 Posthouders. 



Afdeeling Lima poeloe. 



I Assistent.-Resident. 

I Surnumerair ambtenaar. 

I Controleur 3e kl. 

V 

1 Wd. posthouder. 

I Wd. civiel gezaghebber. 



AfdeeUng XIII en IX Kota's. 



I Controleur 3c kl. 
I Posthouder. 



Afdeeling Rau. 



I Assistent-Resident. 

1 Wd. Sumumeiair ambtenaar. 

2 Wde. posthouders. 

Afdeeling Priaman. 

I. Assistent-Resident. 

2 Controleurs. 

I Surnumerair ambten&ar. 
I Klerk. 

3 Posthouders. 



Afdeeling Tanah Datar. 



1 Assistent-Resident. 

2 Controleurs ie kl. 
2 Controleurs 2e kl. 



Afdeeling Agam. 



2 Controleurs ie kl. 
2 Controleurs 2e kl. 



Afdeeling L Kota's. 



1 Assistent-Resident. 

2 Controleurs 2e kl. 

I Aspirant-Controleur. 



Afdeeling XIII en IX Kota's. 



1 Assistent-Resident. 

2 Controleurs ie kl. 
2 Controleurs 2e kl. 



Afdeeling. Batipoe en X Kota*s. 



I Assistent-Resident 
I Aspirant-Controleur. 



Totaal aantal ambtenaren in het Gk>uTemement van Sumatra's Westkust: 



In 1844: 68« 



In 1881: 00. 



- 



36 



DE TRIANGULATIE VAN SUMATRA. 



1844. 



1881. 



2 Assistent- Residenten. 

2 Commiezen. 

2 Controleurs 3e kl. 

I Ambtenaar ter beschikking. 

1 Posthouder. 

2 Gezaghebbers. 
I Eerste Klerk. 



Besidentie Bengkoelen. 

I Resident. 



1 Secretaris. 

2 Commiezen. 
8 Controleurs. 

3 Aspirant-Controleurs. 



I Civiel en Militair Gezaghebber. 

I Assistent 

I Ambtenaar ter beschikking. 



I Wd. Resident (Kolonel). 

1 Secretaris. 

2 Commiezen.! 

I Assistent-Resident. 
I Civiel gezaghebber. 
I Ambtenaar, toegevoegd. 

3 Civiele gezaghebbers. 



Residentie Lampongsche districten. 

I Resident. 

I Secretaris. 

1 Commies. 
6 Controleurs. 

2 Aspirant-Controleurs. 

Residentie Palembang. 

I Resident. 

I Secretaris. 

4 Assistent-Residenten. 

3 Commiezen. 
16 Controleurs ie en 2e klasse. 

4 Aspirant-Controleurs. 



Residentie Sumatra's Oostkust. 

I Resident. 

1 Secretarts. 

2 Commiezen. 

1 Assistent-Resident. 
10 Controleurs ie en 2e kl. 

2 Aspirant-Controleurs. 

Totaal aantal ambtenaren in het overige deel van Stiinatra, zonder Aljeh: 



In 1844: 1^4 



In 1881: 72. 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING 



DER 



MINERALE BRONNEN 



IN DEN 



OOST-INDISCHEN ARCHIPEL, 



DOOR 



P^. Fr. Schneidei\, 



-ïï/ 



(Uitgegeven van wege het Aardrijkskundig Genootschap.) 



BIJBLAD Nr 7. 



Amsterdam. — C. L. BRINKMAN. — Utrecht. — J. L. BEIJERS, 

1881. 



! 



GEOGRAPfflSCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN IN DEN 

OOST-INDISCHEN ARCHIPEL 



DOOR 



Dr. Fr. SCHNEIDER. 



De Oost-Indische Archipel is zeer rijk aan warme en 
koude minerale bronnen; eerstgenoemde liggen meerendeels 
op het jongere vulkanische, slechts weinige op het oudere 
plutonische terrein. Men vindt ze op hoogvlakten, ophooge 
bergen, in kloven of aan hellingen van voorgebergten, 
grootendeels op weinig toegankelijke plaatsen. 

De koude, beter gezegd lauwe, bronnen ontspringen uit 
het sedimentaire gebergte en liggen óf te midden van 
vlakke rijstvelden, in breede diepe dalen, óf aan de hellin- 
gen van lagere heuvels. 

Aan den onvermoeiden ijver van den apotheker Maier, 
ten deele ook aan Bemelot Moens, Scharlee, Rost v. Tonnin- 
gen , Althcer, Bleekrode en andere militaire apothekers, 
heeft men de kennis van de minerale bestanddeelen dezer 
bronnen te danken. Uit hunne scheikundige onderzoekingen 
is gebleken, dat de warme bronnen tot de zwavel-thermen, 
de koude tot de alkalische muriatische zuurbronnen be- 



hooren, en op grond daarvan verdeel ik deze mededeelin- 
gen in twee hoofdstukken : 

I. de warme minerale bronnen (thermen). 
II. de koude zuurbronnen (natropegae). 



I. De thermen. 



Tot heden zijn in den Archipel 193 warme bronnen 
bekend en daarvan op Java 89, op Celebes 67 en op de 
overige eilanden 37. Al deze minerale bronnen zijn ont- 
staan uit het water van den dampkring. 

Zij bevatten : vrij zwavelzuur, zoutzuur, boorzuur, kie- 
zelzuur en koolzuur. 

Zwavelzure, zoutzure en koolzure alkaliën en aarden. 

Zwavel-alkalien en aarden. 



GKOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



Temperatuur 

Spec. gewicht 

Zwavelzure kali 

Zwavelzure natron 

Zwavelzure kalk 

Zwavelzure magnesia 

Zwavelzure aluinaarde 

Zwavelzuur ijzeroxydule 

Chloorkalium 

Chloomatrium 

Chlooraluminium 

Chloorijzer 

Zwavelzuur (vrij) 

Zoutzuur (vrij) 

Kiezelzuur 

Chloorammonium 

Totaal 



ANALYSE VAN i LITER WATER UIT DE BRON VAN 



Kawah Ratoe 

volgens 
Bemel. Moens. 



Kawah Oepas 

volgens 
Bemel. Moens. 



Kawah Domas 
volgens 
Maler. 



90" 
1.00319 



94° 
1.00934 



95" 
1.00352 



Telaga Bodas 
volgens 
Maier. 



30" 
I. OOI 08 



Gemoehra 

Walirang 

volgens 

Maier. 



2^ 
1.00294 



0,9073 
O.254X 

0.086 X 

O.I2I4 

0-5493 
0.8810 

Oui.762 

0.2199 
0.2724 



37677 



0.4070 
0.4026 
0.7094 
0.0783 

3-3534 
1.424X 



1.6567 



4-399 ï 
0.14x3 

0.8519 



13.4238 



0.0682 

0.2355 
0.3606 

0.0768 

1.3036 

0.4973 



0.4854 
0.8168 
0.3064 



4- 1506 



0.0638 
0.1104 

0.2373 
0.0661 

1.0242 

0.1677 



0.5219 
0.0026 
0.3066 



2.5006 



0.3047 
0.0707 

0.0597 
0.044X 
1.3282 
0.8313 



0.891 1 
0.0684 
0.0977 



3.6959 



De waterkommen van de Kawah Ratoe en Kawah Oepas 
in de Preanger Regentschappen vormen te zamen den kra- 
ter van den 6000 voet hoogen Tankoeban prahoe, daar 
deze krater door een dwarsrug in twee deelen gescheiden is. 
De top van dezen vulkaan doet zich minder hoog voor, 
omdat het omliggend terrein reeds een hoogte van 4000 
tot 5000 voeten bereikt. Zijne hellingen zijn met koffietuinen 
en struikgewas begroeid en zacht glooiend, zoodat men 
den kratermuur te paard bereiken kan. Deze kratermuur 
vormt een ovaal van 6000 voet lengte (richting Oost-West) 
en 3000 voet breedte (richting Noord-Zuid). Het iets lager 
gelegen tusschenschot verdeelt den krater in de oostelijk 
gelegen groote en diepe Kawah Ratoe, die meestal opge- 
vuld is met dampen, en de westelijke, kleinere, minder 
diepe Kawah Oepas. In den westmoeson ontstaan er meren 
in beide kommen, die echter gedurende den oostmoeson 
tot op eenige modderpoelen na opdrogen; ook ontspringen er 
dan eenige geisers, van welke die in de Kawah Oepas een 
waterstraal van 5 voet dikte omhoog werpt; het water van 
dezen geiser heeft een temperatuur van 94' C. In dezen tijd 
wordt het verweerde trachiet der binnenzijde van den kra- 
termuur zichtbaar; de vulkanische dampen zoeken onder 
een oorverdoovend sissend geluid een uitweg door de spleten 
en gaten en maken het verblijf in dit onherbergzaam oord 



zoo onaangenaam, dat van het gebruik dier wateren tot 
badkuur geen sprake kan zijn. 

De Kawah Domas is een zijdelingsche krater, aan de 
noordoostelijke helling van den Tangkoeban prahoe, volgens 
Moens 297 voet lager dan de kraterbodem der Kawah 
Ratoe. De Kawah Domas vormt een kom van eenige voeten 
middellijn en diepte, gevuld met heet mineraalwater (temp. 
95 • C.) en zwaveligzure dampen. Ook dit oord is niet ge- 
schikt voor badplaats. 

Het meer Telaga bodas, volgens Junghuhn 5220 voet boven 
de zee, ligt op de grens tusschen de afdeelingen Limbangan en 
Tasik Malaja, in het gebergte dat het dal der Tji Manoek aan de 
oostzijde begrenst, en is een zwavel-, of juister gezegd een aluin- 
meer met melkwit water; de middellij nis 2000 v. Dekraterrand, 
die den oever van het meer vormt, rijst in het noordwesten, noor- 
den en noord-oosten steil naar boven, daalt naar het zuiden af 
en vormt daar eene kloof, door welke het meerwater naarde Tji 
Manoek afvloeit. Zoowel uit den kraterrand als uit het meer zelf 
stijgen vulkanische dampen op. Aan de noordzijde bevindt 
zich, even boven den waterspiegel, een opening in de tra- 
chietrots, waaruit met donderend gev/eld een dampzuil 
hoog opspuit. Nog moet ik hier opmerken, dat op de noord- 
westelijke helling van den bergrug, op welken het meer ligt, 
zich een koolzuur-fumarole bevindt (jfodjagcUany d. i- 



IN DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 



slachtplaats) gebeeten. Die plaats is van allen plantengroei 
beroofd; men ziet er slecbts bleeke^grijze, geelachtige steen- 
massa's, gebarsten en gespleten en bedekt met de lijken van 
allerlei dieren: tijgers, vogels, slangen, groote hagedissen, 
allen met goed bewaard gebleven vleesch of vederen, doch 
met vergane beenderen. Uit die spleten ontsnapt nu eens 
meer dan eens minder koolzuur. Later zal ik nog op dit 
meer terug komen. 

De geiser Gemoera Walirang in de residentie Palembang, 
gelegen op de grens van Semindo Darat en Ogan Oeloe, 
in het brongebied van de Ogan Kanan, ontstaat op de 
helling van den berg Oemang; naast den geiser liggen nog 
aan den voet van den Oemang verscheidene bronnen, die 
gezamenUjk de beek Ajer panas vormen. Het terrein is 
vulkanisch, terwijl de bergen Oemang, Ringit, Balai, Pe- 
ningdjawan, Baragoet en Karang, die zich op het hoogland 
verheffen, aan die landstreek een woest voorkomen geven 
en haar moeielijk toegankelijk maken. De Gemoera Wali- 
rang hgt vier uren van de doesoen Tangga Rasa verwijderd ; 
belialve een twintigtal kleinere bronnen liggen hier twee 



grootere, van welke de grootste elke minuut een waterstraal 
omhoog werpt. Een dof onderaardsch gebrom gaat vooraf; 
dan spuit de straal omhoog; daarna volgt een korte rust, 
waarna gebrom en straal zich herhalen. De damp, die uit de 
bronnen opstijgt, is reeds van verre boven het bosch zichtbaar. 
Vrij zwavelzuur wordt in vele der heete minerale wate- 
ren gevonden, meest vergezeld van aluin; zwavelzure 
aluin wordt wel aangetroffen zonder vrij zwavelzuur, maar 
vrij zwavelzuur nooit zonder aluin. Beide soorten zijn dus 
samen te vatten onder den naam „zure zwavelzure aluin- 
bronnen." Van deze zijn de volgende bronnen bekend : 
in Bantam: Pandeglang, Tji-manoek. 
in Buitenzorg: Tji-trap, Tji-beroeboe, Tji-panas. 
in de Preanger : Kawah Oepas, Kawah Domas, Kawah 
Manoek, Patoea, Telaga bodas, Gelangan, Pangeman, 
Pangleseran, Tji-arinem, Widai, Pepandajan. 
in Krawang : Tji-pabela. 
in Banjoemas : Telaga Leri, Werno. 
in Banjoewangi : Banjoe pahit, Idjen. 
in Palembang : Geisr Gemoera Tawas. 



ANALYSE VAN i LITER WATER UIT DE BRON VAN : 



oek volgens 

ipentuur 

'. gewicht 

^Izanr natron 

eizore kali 

iwTclzuur natron 

^velziire kalk 

Wardzure magnesia 

^velzare aluinaarde 

Wavelzuur ijzer 

Süoorkaliam 

Süoornatrium 

IblocRinagnesium 

luminium 

iVwrijzcr 

oolznar (vrij) 

avdzour (vrij) 

pWUonr (vrij) 

Kiezelzaur. 

Mirinaarde 

pwardwaterstof 

pookare kalk 

[Koolzare ijzeroxydule 

Totaal. . . . 



Goenoeng 

Wajang 

Bandong. 



Maier. 
95' 

1.00267 



Djamboe dipa 
Lembang. 



Maler. 
40" 

I.OOI 



Gemoera Tawas 
Palembang. 



Maier. 



1.0012 



Tji-trap 
Bantam. 



Altheer. 
1.00689 



Tji-panas 

beneden 

Kawah Domas. 



Maier. 

,3 



43' 
I.OOI 74 



0.01980 

0.06535 
o. 13206 

0.01394 

1.53054 
0.15138 



2.02449 
042079 



4.35835 



0.3055 

O.II42 
0.1522 

0.0861 

0.1675 

0.0310 
O.II58 



0.1364 

0.0167 



0.4905 

0.5200 
0.0572 

0.1431 

0.1022 

0.0977 



0.2430 

0.0640 

0.0840 
3.4800 
0.3160 



0.0388 
0.1588 



I.I254 



2.6140 
0.3200 



1.6083 



7.I2IO 



0.46497 

0.09278 

0.32361 

0.10076 
O.I52I1 

0.33273 
02955 



Tji-pabela Kra- 
wang, noord 
van Tankoeban 
prahoe. 

Maier. 

30° 

1.00197 



Kawah 
Manoek. 



Maier. 
87° 

I.OOIO 



0.1456 



1.90806 



0.36104 
0.04638 
0.31402 

0.07263 
0.III25 

0.3440 

0.19568 



0.01980 
0.09466 
0.12356 
0.03884 
o. 488 
0.28I4I 



0.18004 

0.0963 
0.13645 

o . 00444 
1.86223 



0,11497 

0.22794 



1.05606 



Kawah Patoea, 

west van 

Pengalengan. 

Maier. 
67" 



0.03538 
0.02864 
0.22068 
0.02018 

0.0223 



0.1296 



0.0787 
0.02827 
0.04982 
0.02644 



0.64001 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



De solfatara van den Goenoeng Wajang is in 1839 ont- 
dekt en ligt op den middentop der bergen, welke het plateau 
van Pengalengan ten zuiden begrenzen, 5870 voet boven 
de zee. Nadert men uit de donkergroene koffietuinen de 
solfatara, dan meent men een sluier gespannen te zien 
aan den uitgang van het bosch. Ter plaatse gekomen, ziet 
men in de berghelling een van achteren gesloten kloof, 
wier grijze en witte wanden overal gespleten zijn; uit de 
pijpvormige openingen spuiten de zwaveligzure dampen, 
terwijl de randen dezer openingen met gesublimeerde zwa- 
vel bedekt zijn. In het zuidwestelijk gedeelte van den kuil 
ontspringt uit een bekken, dat met troebel, witgrijs gekleurd 
en zuurachtig water gevuld is, een geiser van 10 voet hoogte; 
het water in dit bekken heeft een temperatuur van 95"*, is 
in aanhoudende kokende beweging en vormt met de uit- 
wateringen van in den omtrek liggende poelen de warm 
en zuurachtig water afvoerende beek Pangleseran. In den 
noordoostelijken hoek der solfatara ligt een met water gevulde 
en door groote rotsblokken omgeven kom, uit welke een 
fumarole opstijgt, wier water druppelsgewijs in den omtrek 
neervalt; dit water bevat zooveel kiezelzuur, dat alle in de 
nabijheid liggende steenen met een dikke korst verglaassel be- 
dekt zijn en vonken geven, wanneer men er met staal op slaat. 



Onder de rotsblokken en op den bodem der solfatara, waar 
geen dampen opstijgen, vindt men een laag zoogenaamde 
veder-aluin, verscheiden voeten dik, bestaande uit de wel- 
bekende zilverwitte, lichte, vedervormige kristallen; deze 
aluin is hier in zulk een hoeveelheid aanwezig, dat men er 
geheele ladingen van zou kunnen weghalen. 

Deze groote alüin-afzetting herhaalt zich in het Telaga 
bodas; de melkwitte kleur van het water dezer Kawah 
wordt veroorzaakt door een wit aardachtig bezinksel, dat 
uit zwavelzure aluin bestaat, die ook in de spleten aaii' 
den oever wordt aangetroffen. 

Junghuhn vestigt bijzonder de aandacht op dit zout bif 
de beschrijving van het Telaga Leri op den Dieng, 5765 
voet boven de zee. Ook hier wordt de geelwitte kleur van- 
het water door een aluin-sediment veroorzaakt; hier vindt 
men de veder-aluin niet alleen in de spleten en gaten der 
rotsen, maar zij dringt door de reten van het badhuisje en 
vertoont zich daar als lange dunne takken, die op de in 
het water groeiende Byssus gelijken. Rost van Tonningen 
heeft dit zout onderzocht ; en daar het overeenkomt met 
de om hare lange kristalnaalden beroemde aluin van de 
Boschjesman- rivier , aan de Kaap de Goede Hoop, en 
met het hverzalt van IJsland, voeg ik de analyse hierbij. 



Onderzocht door 

Chemische bestanddeelen : 

Basisch water 

Hygroskop. water 

Zwavelzuur 

Aluin 

Magnesia 

I Jzeroxyde 

IJzeroxydule 

Mangaanoxydule. 

Chloorkalium 



Solfatara Goenoeng 
Wajang, Java. 

Rost van Tonningen. 



Boschjesmanrivier, 

Kaap de Goede 

Hoop, Afrika. 

Stromger, Apsohn. 



Hverzalt, Hekla, 
IJsland. 

Forchhamer. 



Lagoabaai, 
Zuid-Afrika. 



41.5295 
3.2000 

37.6389 
12.4070 

4.5830 
4.0000 



45-739 

36.770 

".515 
3.690 



2.167 
0.205 



45-63 

3516 

11.22 

2.19 

1.23 

4.57 



48.15 

32.79 
10.65 

1.08 



7.33 



Uit het bovenstaande blijkt, dat de aluin een produkt 
is van de ontbinding van het trachiet door de zwavelig- 
zure dampen en het water uit de Kawahs; het verweerde 
gesteente is uitgeloogd. 

Vijf palen van Djamboe dipa lïgt, 3500 voet boven de 
zee, aan de zuidelijke helling van den Tankoeban prahoe 
een warme bron, wier water opwelt in een kunstmatig bek- 
ken, 16 voet lang en 12 voet breed; de inlanders maken veel 



gebruik van dit water tegen rheumatisme; het heeft een- 
temperatuur van 40°. Djamboe dipa, vier palen boven 
Lembang gelegen, in de nabijheid van kofhetuinen, heefb 
een gemiddelde temperatuur van 21°, die in de koude 
nachten tot i^'^ daalt. De plaats is gemakkelijk te be- 
reiken, terwijl, van Lembang uit, in de behoeften der 
lijders kan voorzien worden. De geneeskrachtige werking, 
van dit water is tweeledig: als therme en als adstringee— 



IN DEN OOSTINDISCHEN ARCHIPEL. 



rcnd staalwater, dat de verslapte slijmvliezen versterkt. Wil 
men eene vergelijking met Ëuropeesch mineraalwater, dan 
kunnen wij naast de bron van Djamboe dipa noemen : 
Aix les Bains in Savoye, de vermaarde Aquae Gratianae der 
Homeinen; Warmbrunn in Silezie; Toeplitz in Bohemen; 
de laatstgenoemde bron heeft zich bij uitnemendheid gun- 
stig betoond voor genezing van verlammingen ten gevolge 
yan verwondingen te velde. De baden van Djamboe dipa zou- 
den dos menig officier een reis naar Europa kunnen besparen 
«n den soldaat vrijwaren tegen afkeuring voor den dienst. 

De geiser Gemoera Tawas ligt in het hoogland van 
Semindo, residentie Palembang, in de nabijheid van de 
boven beschreven Gemoera Waljrang, aan den voet van 
den Goenoeng Ringit in het brongebied van de Ogan 
Kiri. Al hetgeen gezegd is van de ligging van den Ge- 
moera Walirang is eveneens van toepassing op den Ge- 
moera Tawas. 

De Kawah Manoek vormt een kale plek in het midden 
van 't oerwoud, op de oostelijke helling van den Goe- 
noeng Goewa, west-zuidwestelijk van den Goenoeng 
Goentoer, en ligt ongeveer 6000 voet boven de zee. De 
bater heeft een halven paal diameter en ontstond in 
1772 gedurende een uitbarsting van den Goenoeng Pe- 
pandajan. Reeds op verren afstand ziet men dampwolken 
boven de boomen, terwijl de reuk van zwavelwaterstof de 
aanwezigheid van mineraalwater verraadt. De plek zelve is- 
cen modderpoel, bestaande uit onregelmatig verspreide en 
met kokend slijk gevulde gaten, wier inhoud na een voor- 
a%aand onderaardsch gedruis omhoog geworpen wordt. 

In de nabijheid van Tji-atar in Krawang, liggen op korten 
a&tand van elkander, maar op verschillende hoogten, de 
warme bronnen Tji-panas (5872 voet) en Tji-pabela 
(3000 voet) tegen de oostelijke helling van den Tan- 
koeban prahoe. De eerstgenoemde, Tji-panas, ontspringt 
uit de jongere bazalt-lava, welke het trachiet bedekt, en ver- 
raadt zich reeds op verren afstand door den reuk van zwa- 
velwaterstof. Het water heeft een temperatuur van 43® en 
smaakt zeer zuur; op vijftig voeten afstand van de bron 
verzamelt het water zich in een kom van 30 voet breedte. 
Het is groenachtig van kleur als gevolg van een melkwit 
l)ezmksel op den bodem van het bekken. 

De bron van Pabela ligt 2800 voet lager op dezelfde 
telling van den Tankoeban prahoe, op 7* V^ afetands 
van het koffie-etablissement. Deze bron ontstaat uit drie 
wellen, uit de rotswanden van de kloof te voorschijn 



komende; de openingen uit welke het water vloeit, zijn met 
zwavel en aluin aangeslagen, evenals de steenen die onder 
het bereik vallen van dit minerale water. Het klimaat is 
koel, de plaats gemakkelijk te bereiken en in dit opzicht 
geschikt voor een gezondheids-etablissement. Behalve tegen 
rheumatisme en huidziekten zou het water uitnemend dien- 
stig zijn tot genezing van verslapping van het slijmvlies 
van maag en darmkanaal, chronische dysenterie en 
aphthae, omdat lijders, die in Indie van deze ziekten her- 
stellen, minder aan vernieuwde instorting zijn blootgesteld, 
dan zij die genezing in Europa vonden. 

Het water der solfatara bij Tji-trap in Bantam is uit- 
hoofde van zijn overgroot gehalte aan zwavelzuur voor ge- 
neeskundig gebruik ongeschikt. 

De Kawah Patoea ligt 733 voet beneden den top van 
den Goenoeng Patoea, 6685 voet boven de zee; haar 
westelijke oever is een steile rotswand, aan weerszijden af- 
dalende tot een walvormigen ring, die het groene meer in- 
sluit. Ook dit water zet een wit bezinksel af. Daar deze 
plaats midden in het hoog gebergte ligt, is zij voor lijders 
onto^ankelijk. 

Dit zijn de chemisch onderzochte kratermeren; hierbij 
sluiten zich aan eenige bronnen, die op de hellingen der 
vulkanen liggen, en die niets anders zijn dan de uitwate- 
ringen dezer meren, met bergwater vermengd. 

Aan de helling van den Goenoeng Goentoer ligt, 2403 
voet boven de zee, een bron, wier water een temperatuur 
van 42** heeft; deze lage temperatuur is voldoende om te 
bewijzen, dat het bronwater met bergwater vermengd is; 
ongetwijfeld is deze een afHvatering van de Kawah Manoek. 

Aan de helling van den Gedeh ligt op een hoogte van 
6775 voet een warme bron; het water vloeit uit n^entien 
openingen in het op lava gelijkende trachiet en bevat 
zooveel mangaan, dat al de gaten en de in den omtrek 
liggende steenen met een zwarte laag bedekt zijn. 

De bron van Sadjira ligt ten zuiden van den grooten 
weg van Buitenzorg naar Lebak. 

De bronnen van Banjoewedang op Bali liggen aan de 
gelijknamige baai, in het zuidoostelijk deel der St. Niko- 
laasbaai, nabij de noordwestpunt des eilands. 

De hier genoemde bronnen liggen van de kratermonden 
verwijderd, op een terrein dat door zijn koolzuur-fiima- 
rolen bewijst, dat de vulkanische werkingen tot rust zijn 
gekomen. Niettemin behoort haar water nog tot de 
minerale wateren. 



L 



^ 



g 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



ANALYSE VAN i LITER WATER. 



Onderzocht door. 



Temperatuur . . . 
Specif. gewicht. 



Koolzure kalk 

Koolzure soda 

Koolzure magnesia . . . 

Zwavelzure kali 

Zwavelzure natron . . . 
Zwavelzure magnesia. 

Zwavelzure kalk 

Chloorkalium 

Chloornatrium 

Chloormagnesium . . . . 

Chloorcalcium 

Aluinaarde 

Mangaan 

Kiezelzunr 



Onderzocht door Mater. 



Temperatuur.. . 
Specif. gewicht 



Aan de helling 

van den 

Goenoeng Goentoer, 

2403 voet hoog, 

geeft 15 liter water 

per secunde. 

Maier. 



Aan de oostelijke 
helling v. den Gedeh, 

6775 voet hoog. 

Weg van Tji-panas 

naar den 

Pangrango. 

Maier. 



Sadjira. Lebak. 



Althecr. 



Banjoewedang, Bali. 



Altheer. 



42" 
1.0009 



0.1848 

0.0518 
0.0839 
04095 
0.1261 
0.1229 



Totaal 



0.0951 

0.1051 
sporen 
0.0716 



X.1608 



50- 


54^ 






0.148 


0.0925 


0.0767 


0.016 




0.1647 




aoi84 


I.OI36 


0.0605 


0.1598 




0.0150 


0.0036 


0.0906 


0.0500 


0.1865 


0.1952 


0.006 


0.0843 


0.0096 






0.0133 






0.1229 


0.0500 


0.0800 


1.6866 


0.3455 


0.6251 



ANALYSE VAN i LITER WATER. 



Tji Bago 

3paalvanGadok, 

Buitenzorg. 



Pasir Kiamis 

aan de Kawah 

Manoek, 

Garoetdal. 



Pengalengan- 

plateau aan den 

voet van den 

Goenoeng 

Wajang, 4200 

voet hoog. 



52-5' 



49^ 



Pandegkng, 

Bantam, voet van 

den Goenoeng 

Karang, 860 voet 

hoog. 



So' 



Prajan, 
Madioen, i paal 
van post Milir 
Goenoeng Wilis, 
badplaats van 
Rongo ario di 
Ningrat. 



Kali angat, 

Bagelen, voet 

van den Sindoro 

bij Wonosobo. 



41" 
1.0019 



Kaba, 

Kesambeh, 

Redjang, 

Palembang 



I. OOI 26 



Koolzure natron 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Koolzuur ijzeroxydule .... 

Zwavelzure kali 

Zwavelzure natron 

Zwavelzure kalk 

Zwavelzure magnesia 

Chloorkalium 

Chloornatrium 

Chloormagnesium 

Chlooralumium 

Koolzuur niet bepaald 

Kiezelzuur 

Boorzuur i (niet 

Zwavelwaterstof j bepaald) 

Totaal . . . ( 



0.2075 
0.1803 
0.0904 
0.0035 
0.0432 
0.1178 



0.0524 
0.3184 



0.0035 



1.0170 



0.0612 
0.0108 

0.0521 
0.X091 
0.0666 
0.0288 



0.1230 



0.4516 



0.0157 

0.0028 
0.0872 
0.1318 

0.0208 

0.0157 

0.0028 

0.1232 



0.98 
2.86 
0.16 
1.119 



0.0469 
0.1975 
0.2888 

0.0403 



0.400 



ï.73 


1.36 


1.44 



9.649 



0.4433 

o -3433 

0.5115 
0.0060 

0.1368 

0.1908 



0.0302 
0.7023 
0.0856 



0.1420 



1.5336 



0.4728 



0.2195 

o -353» 
0.1407 

0.0061 

0.0403 



0.1517 



2.2562 



0.383Ï 
0.2635 

0.1529 
0.3234 



1.8826 



IN DEN OOSTINDISCHEN ARCHIPEL. 



Tji-bago ligt 3 p>aal ten zuiden van Gadok en zal ver- 
meld worden, wanneer er van deze plaats sprake is. 

De warme bron van Pasir Kianiis is gelegen op de 
noord-oostelijke helling van een bergketen, die tusschen den 
berg Rakoetak en den Pepandajan loopt en wel ter linker- 
zijde van het Garoetdal; zij is derhalve een uitwatering 
van de Kawah Manoek, vermengd met bergwater, maar be- 
zit niettemin nog een temperatuur van 52®. 

Op het plateau Pengalengan liggen, anderhalven paal van 
elkander verwijderd, twee warme bronnen aan den voet 
van den Goenoeng Wajang. Het water van deze bronnen 
sijpelt door den rotswand aan den oever van de beek Tji 
Beren en stort zie h in deze beek uit. Daar dit plateau ge- 
makkelijk te bereiken is, en de hooge ligging (4200 voet 
boven de zee) een aangenaam koel klimaat waarborgt, ter- 
wijl de samenstelling van het water een verdund Karlsba- 
der water gelijkt, zou deze bron zeer zeker uitnemend ge- 
schikt zijn ter genezing van leverziekte, haemorrhoïden en 
hypochondrie, en aldus menig ambtenaar een reis naar 
£uropa besparen. 

De bron van Prajan in de residentie Madioen, een paal 
verwijderd van den postMilir, aan den voet van den Goe- 
noeng Wilis, meer bepaald van den Ngebel, en bekend als 
badplaats van den Rongo ario di Ningrat, ontspringt uit- 
een modderpoel, gelegen crder een vijgebocm (Ficns benja 
mina), en behoort mijns insziens tot de zoutbronnen, doch 
wordt thans hier vermeld om haar gehalte van zwavelzure 
kali ; de bron ligt in een eenzame wildernis. 

De bron nabij Pandeglang in Bantam, gelegen op 3 paal 
afetands van deze plaats, ontspringt uit een kloof, in de zuid- 
oostelijke heUing van den Goenoeng Karang, en stort haar 
water in de Tji-panas uit. Men vindt daar een badhuisje. 

De bron Kali angat aan den voet van den Goenoeng 
Sindoro, op korten afstand van Wonosobo, heeft met het 
oog op het aldaar liggend garnizoen een plaatselijke waarde 
en is een indifferente therme. 

De warme bron aan den voet van den berg Kaba, resi- 
dentie Palembang, op de grens van Moesi Oeloe en Re- 
djang Oeloe Moesi, heeft, ten gevolge van de ligging ineen 
van alle verkeer uitgesloten oord, slechts in zoover betec- 
kenis, dat zij de overeenkomst aantoont, welke deze streek 
met het vulkanische terrein van Java heeft. 

Wij staan aan de grens van het vulkanisch gebergte en 
moeten derhalve nog de bronnen vermelden, die zwavel- 
alkalien bevatten. Een dergelijke bron ligt in Bantam, 3 paal 
van Pandeglang, aan den voet van den Goenoeng Karang, in 
eenkomvormige kloof, door welke de beek Tji-lantjor stroomt; 
zij bestaat uit drie geisers met een temperatuur van 44°. 



Voorts is zwavelnatrium gevonden in het Telaga warna, 
gelegen op den weg van Djamboe dipa naar I^embang, 
aan den voet van den Tankoeban prahoe. 

Op Madoera bevat de Ajer Tallor, bij Katal, zwavelkalium ; 
het is een bron, die terzijde van een beek uit den ceverwand 
te voorschijn komt en in den omtrek een sterken reuk van 
zwavelwaterstof verspreidt. Onder de Madoereezen bestaat 
het bijgeloof, dat wie van dit water gedronken heeft, zonder 
gevaar een verwonding aan den buik kan doorstaan, zelfs . 
al is die zoo ernstig, dat de ingewanden naar buiten komen. 
De plaats, waar deze bron zich bevindt, is zeer afgelegen 
midden op het eiland, in de afdeeling Bangkalan. 

Buiten Java is bekend de Ajer poetieh van Kesambeh, 
in de residentie Palembang, in de onmiddellijke nabijheid 
van de bovengemelde bron van Kaba; zij bevat volgens 
Maier 0.0108 zwavelnatrium in i liter water. 

Het meer Tataaran op het eiland Celebes bevat zwavel- 
calcium; het ligt in de Minahassa, nabij Tondano. 

Op Amboina, schiereiland Hitoe, bevatten de zwavel- 
bronnen van Lariki en Soeli zwavelalkalien. 

Over de beide laatstgenoemde eilanden zullen wij later 
nog uitvoeriger spreken. 

Geanalyseerd (door Maier) is alleen de bron Pandeglang in 
Bantam ; zij bevat 0.0636 gram zwavelnatrium in i liter water- 

A angekomen op de grens van het vulkanische en sedimen 
taire gebergte, zien wij de uitloopers van het eerste loodrecht 
op het tweede staan en door diepe insnijdingen, nauwe 
kloven, bergketels en breede dalen vormen, terwijl uit de 
tegenoverliggende dal wanden nu eens zwavel-, dan weder 
zoutbronnen te voorschijn komen. Dit terrein is het voorge- 
bergte der vulkanen. 

Deze bronnen vereenigen in zich de geneeskracht der 
thermen en van de zwavelwaterstof en het koolzuur; haar 
komt een plaats toe naast de bekende bronnen van Barèges, 
Eaux chaudes, Amélie les Bains in de Pyreneen, van Aken, 
Baden-Baden, Wiesbaden, Neudorf, Toeplitz en Warmbrunn 
in Duitschland, welke allen een goeden naam hebben voor 
de genezing van rheumatisme en andere aandoeningen der 
spieren na verwondingen, beenbreuken en verzweringen ; 
voorts van metaalvergiftiging, na misbruik van kwik, zooals 
hier te lande dikwijls voorkomt, huidziekten en verlamming. 
De ligging van bovenbedoelde bronnen maakt het gebruik 
daarvan gemakkelijk. 

De bron Tji-panas, reeds in 1774 ontdekt, ligt op een 
uitlooper van den Gedeh, ongeveer 3328 voet boven de 
zee ; zij bevindt zich in de nabijheid van het reconvalescenten- 
gesticht Sindanglaja, achter het landhuis van Z.E. den 
Gouverneur- Generaal, en is ten gebruike der lijders be- 

2 



lO 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



I . 



schikbaar; het water welt op drie plaatsen uit het vulka- 
nisch gesteente op. 

In den omtrek van Gadok ontspringen drie warme zwavel- 
bronnen: Tji-bago, Tji-kopo en Sisipan; ook te Gadok 
is een reconvalescenten-gesticht, dat echter tot dusver geen 
resultaten opleverde ; de oorzaak van dit gemis aan levens- 
vatbaarheid kan uit het volgende blijken. Het gezondheids- 
etablissement te Gadok ligt 7 paal boven Buitenzorg en beslaat, 
met inbegrip van tuin en kerkhof, ten hoogste 7* vierkanten 
paaL De woon-, logeer- en badhuizen staan op een a^estort 
stuk grond en zijn meerendeels vervallen gebouwen van hout 
en bamboe, waarin de witte mieren zich genesteld hebben, 
en die gezamenlijk niet meer dan 25 personen kunnen her- 
bergen. Dit neergestorte rotsblok wordt geheel omspoeld 
door (Ie Tjiliwong, met hare voedingsbeken en vertak- 
kingen; het aldus gevormde eilandje is een plateau, dat 
noordwaarts steil afdaalt in het rivierbed. Het gesticht ligt 
alzoo op den achtergrond van een amphitheater en is tegen 
alle feUe winden beschut, maar achter de woon- en badhuizen 
loopt een diep ravijn, gevormd door het bed van eenberg- 
stroom, die het stuk grond van den vasten wal afscheidt. 
Bij een z waren banjir loopen zij dus ernstig gevaar. Een 
tweede nadeel, dat het gemis aan gemeenschap met het 
vaste land oplevert", is het gebrek aan drinkwater, dat nu 
langs een zeer kostbare leiding van de rijstvelden naar 
de goede badhuizen gebracht wordt. Ongelukkigerwijze is 



dit sawah-water vol levende en doode organische stoffen, 
die tot dysenterie aanleiding kunnen geven; deze ziekte heeft 
dan ook het kleine kerkhof gevuld en o. a. een van de 
geneesheer-directeuren van het gesticht doen bezwijken. 
Daarenboven drukt het gesticht een schuldenlast van ƒ25,000, 
zonder dat het de minste innerlijke waarde bezit. De thans 
onbewoonbare, zeer bouwvallige huizen behooren evenals 
het stuk grond aan een landheer, die maandelijks ƒ 250- 
huur trekt, wiens landgoed echter ook zwaar belast is, zoo, dat 
aan een afdoende verbetering voorloopig niet te denken valt. 

De warme bron van Sisipan, aan den grooten weg naar 
Buitenzorg, in de nabijheid van het landhuis Pondok Gedeh 
gelegen, ontspringt ten deele als kleine spruitjes uit het 
trachiet van de berghelling en ten deele uit een geboorden, 
put, wiens water naar een primitief badhuisje geleid wordt. 
Dit huisje bevat twee kamers, elk met een in den grond 
gemetselde badkuip; zij zijn op den oever van de Tji-li- 
wong gebouwd op een wijze, die den badende een kunst- 
matig rivierbad, aanhoudend afloopend water verschaft. 
Het water is troebel, melkachtig wit, heeft een temperatuur 
van 34** en riekt en smaakt onaangenaam. 

De bron van Tji-kopo ligt ten zuiden van Gadok en be- 
hoort tot de staalbronnen. 

De bronnen van Krawang aan de hellingen van den 
Boerangrang, in het district Wanajasa, ontspringen op 
plaatsen, waar de uitloopers van den Tankoeban prahoe het 



ANALYSE VAN i LITER WATER. 



ONDERZOCHT 

DOOR 

MA IER. 



Temperatuur 

Zwavelnatrium 

Koolzure natron 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Zwavelzure kali 

Zwavelzure natron 

Chloomatrium 

Aluinaarde 

Koolzuur, 

Kiezelzuur 

Zwavelwaterstof 

Totaal . . . . 

0" 



§s 

sa 

•3 a 
•II 



Benaming 
der 

chemische bestanddeelen. 



44^ 



o 
o 
o 
o 
o 
o 
o 
o 
o 
o 
o 
I 



.0636 
.0498 

•Ï573 
.0301 

.0498 

.3819 

•3273 
.0012 

•3"5 
.0232 

•0954 
.5110 



Koolzure natron 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Koolzuur ijzeroxydule. . . . 

Jod Kalium 

Zwavelzure kalk 

Chloorkalium 

Chloomatrium 

Chloorcalcium 

Chloormagnesium 

Jod Magnesium 

Aluinaarde 

Vrij koolzuur 

Kiezelzuur 

Zwavelwaterstof 

Totaal.. 



-Si ** 
o ra ■♦-• 

^ B > 
O f '^ 

.k-B 






f-a 



§:sg 

C/2 ^ 



J4 

O 



B 
O 



11 



o 



xn 



0.5092 


0.79379 


0.3150 


o- 1739 


0.0133 




0.0031 




0.7249 


0.205906 


0.2817 


0.33703 


2.1077 


".7330 




1.6849 




0.37358 




0.018324 


0.0215 


0.006891 


0.1804 


1.430954 


0.0977 


0.034457 


0.0021 


0.036983 


4.2566 


16.829715 



0.2822 
O.XI67 

0.1399 

0.0127 



0.0446 

0.3047 



0.0069 

0.1399 



1.0476 



o 

o 'S 



tn 



5 ^ 






^ B s? o 
S ë ^ o 

O tiO f^ 
h B bfivO 

p 



0.2075 

0.1803 
0.0904 



0.0432 
0.0524 
0.3184 



0.0035 

O.I2I3 



I.OI70 



0.29103 
0.67638 

0.47103 

0.00127 



0.10096 
0.36406 



0.00847 

I. 17798 

0.12609 



3.21727 



I. 04610 

0.38742 
0.39381 



0.07003 
I . 70750 



0.85475 
O.II975 



4.57936 



S c . 
> > a 

<& CMDcS 

Ui 7 S 

b| S 

< 8 

B 



1.0692 

0.44255 

0.15082 



O.IO62I 
3.3026 



O.I318 



5.20318 



/ 



/ 



.*l \m*m 



IN DEN OOST INDISCHEN ARCHIPEL. 



II 



sedimentair gesteente insnijden, en zullen in het tweede 
hoofdstuk nader besproken worden. 

Onder de indifferente warme zwavelbronnen kunnen 
gengemd worden: Tji-binong, gelegen tusschen Batavia en 
Buitenzorgy en een tweede, die zich bevindt bij Noesa Kam- 
bangin Fekalongan. De Preanger tellen 46 wanne zwavelbron- 
nen, van welke nog vermeld kunnen worden die van Man- 
dala wangi, ook Tji-mand?di geheeten, in de kloof tusschen 
den GoenongGedeh en Mandala wangi gelegen; he^ water 
heeft een temperatuur van 53 •. Twee andere liggen zuide- 
lijk van den voet van den Gedeh. In het zuiden van Soeka- 
boemi, 6 paal van Palamboean, ligt de warme zwavel- 
bron van Tji-mada. Een bron, die zeer veel kiezel afzet, 
ligt bij Pager-agoeng ; zij draagt den naam Tji-tandoei. 

Tagal heeft vier warme zwavelbronnen aan den voet van 
den vulkaan Slamat, bij Lebak-sioe, distrikt Boemi ajoe. 

De warme bronnen in de residentie Banjoemas behooren 
tot den vulkaan Prahoe in het Diöng-gebergte ; de meeste 
liggen op een uitgestrekt plateau, 6500 voet boven de zee; 
zij dragen de namen : Telaga Leri, Werno, Kawah Sepandoe. 

In Bagelèn worden warme zwavelbronnen gevonden tus- 
schen de vulkanen Sindoro en Soembing ; bij Gombong 
ligt de bron Sempoer. 

In Kadoe verdient de bron bij Pesantrèn in het regent- 
schap Temanggoeng vermelding. 

In Djokjokarta vindt men een bron in het district Bantoel 
Kadirodjo, terwijl in Soerakartadrieheete bronnen bekend zijn. 

Patjitan bezit slechts één warme bron, en ook in de 
residentie Samarang is er slechts één, aan de helling van 
den Oengaran. 

Rerabang is 4 zwavelbronnen rijk, waaronder de be- 
roemde badplaats Bekti, ook Boekti genaamd, distrikt Rem- 
bes, die uit een ruim, vierkant, door de natuur gevormd 
bassin van 8 voet diepte bestaat; zij ligt op een heuvel, 
terwijl m den omtrek zwavel gevonden wordt. De drie 
overige liggen in de afdeeling Rengel, in de nabijheid van 
de dessa Soendoelan. 

In de residentie Kediri ligt een warme bron bij Lengkong, 
distrikt Kertosono. 

In de residentie Bezoeki ligt de warme zwavelbron Tiris 
aan den voet van den vulkaan Lamongan. 

In de residentie Pasoeroean vindt men, in overeenstem- 
ming met het zeer vulkanische karakter van het gebergte, 
eene opeenhooping van warme bronnen; zij liggen meestal 
op ontoegankelijke plaatsen tusschen de bergen. Bekend zijn 
€r de bronnen van Sigoriti, Koekoesan, Grindi en Djates. 

De warme bronnen van Koekoesan bevatten zooveel 
keukenzout, dat zij niet tot de vulkanische wateren kunnen 



gerekend worden : zij schijnen te ontspringen uiteen sendimen- 
taire laag, die diep onder vulkanische rolsteenen bedolven is. 

De bron Sigoriti bij Batoe, op eenigen afetand van Ma- 
lang, is van de genoemde het meest toegankelijk. 

Van de indifferente bronnen zijn de volgende scheikun- 
dig onderzocht. 



Chemische bestanddeelen : 



I 
Pesantrèn, Kadoe. ! Ngawen, Blora, 

Rembang. 



Volgens Rost van Tonningen bevat 
I liter water: 



Koolzure natron 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Zwavelzure kalk 

Chloormagnesium 

Aluinaarde 

Koolzuur yzeroxydule . . . 

Kiezelzuur 

Chloorpotassium 

Chloornatrium 

Totaal . 



0.1626 
0.3041 
0.2008 

0.0640 
0.0200 
0.0094 
0.0830 



0.8439 



0.2068 

o- 1333 
0.1093 

0.0375 

0.0180 

0.0180 
0.0376 
0.8578 
1.4183 



ANALYSE VAN i LITER WATER DOOR ALTHEER, 



Chemische bestanddeelen: 



Koolzure natron 

Zwavelzure kalk 

Chloorkalium 

Chloornatrium 

Chloorcalcium 

IJzeroxyde 

Kier.elzuur 

Chloormagnesium 

Jodium 

Totaal... 



o 
te 

I7i 



0.9708 

0.1344 
0.7900 

0.1146 

o. 0100 

0.1500 

0.7765 



s 



o 
o 



1.335 

O.I8I29 
o . 22923 

7.9II25 

0.42860 

0.750 
2.4065 



sporen. 



3 

o 

O 



0.553 
I . 7643 

0.0229 

14.5727 
1.5572 

0.0850 
I.2II7 



c 
'C 

Ü 






0.4573 
0.1893 

0.0153 

7.0376 

2.I4I8 

0.0350 

0.1050 
1.2842 



sporen. 



19.7668 |i 1.2655 



2.343Ö 
0.1814 
0.3285 
5.7221 
0.2963 
0.0350 
0.0750 
2.2042 



11.1861 



2.9463I13.24187 

Buiten Java zijn zeer weinig zwavelbronnen behoorlijk 
scheikundig onderzocht ; de geringe hoeveelheid vaste bestand- 
deelenmaakt verzending van grootere hoeveelheden water nood- 
zakelijk, wat door de transportkosten zeer bezwarend wordt. 

Op Madoera ligt in de oilmiddellijke nabijheid van Sam- 
pang eene zwavelbron, die ver in den omtrek een zwavel- 
waterstofreuk verspreidt, doch wier water dit gas zoo los 
gebonden houdt, dat gewoon gekurkte flesschen met dit 
water reukeloos te Bangkalang aankomen; de hoeveel- 
heid vaste bestanddeelen is zoo gering, dat zij niet door den 



.^ 



ia. 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



smaak waargenomen worden. De bron bezit een hoc^e 
temperatuur, en haar water dient den Madoereezen t^en 
huidziekten. 

De warme bronnen op het eiland Bawean zijn door 
Rouveroy van Nieuwaal en Altheer scheikundig onderzocht. 
Zij ontspringen op de grens van het bazalt en het sedimentair 
gesteente, gelijk wij dat ook zien bij een warme bron te Oma, 
bij Larantoeka op Flores. Opmerkenswaard zijn op Bawe- 
an de kogelvormige kalksteenen van i duim en meer 
diameter, klaarblijkelijk van een warme kalkbron aikomstig. 



Chemische 

bestanddeelen: 

in loo gram 



Bronnen van Bawean. 

Specif. gew. i .002, 

temperatuur 50°. 

Onderzocht door 

Rouveroy van Nieuw aal. 



Alkalische bron. 
Spec. gew. 0.9861, 

temper. 45°. 

Onderzocht door 

Altheer. 



Koolzure kali 0.00483 



Koolzure natron . . 
Koolzure kalk .... 
Koolzure magnesia. 
Koolzuur ijzer . . . . 

Chloorkalium 

Chloomatrium 

Kiezelzuur 

Aluinaarde 



0.01344 
0.04108 
0.01342 

0.00280 

0.00279 
0.00209 



0.01423 
0.00612 
0.03978 
0.01950 

0.00469 

0.00250 
0.00315 



0.00077 
0.00433 
0.02348 
0.01160 

0.00623 



Op het eiland Celebes ligt een warme zwavelbron aan 
den voet van den berg Bolongi, in de noorderdistrikten 
van Makassar. 

Van meer belang zijn de 66 heete bronnen in de Mina- 
hassa tusschen Tondano en Langowang, aan den voet van 
den vulkaan Sopoetan, residentie Menado. Bleeker noemt 
deze Streek het hoogland van Tompasso. Een cirkel van 
drie paal diameter omvat de meeste warme bronnen in de 
nabijheid van Langoewan; zij bestaan uit ronde gaten in 
den kleigrond, met ondermijnde randen en gevuld met 
kokende modder. De grond in den omtrek van deze gaten 
is zoo heet, dat men door de schoenzolen heen de hitte 
gevoelt. Het water bevat een zwavelalkali. 

Op den zuidelijken oever van het meer van Tondano 
dat mijns inziens een kratermeer is, ligt de warme bron 
van Kakas, met helder kokend kalkwater. In deze bron 
heb ik eene vrouw, die tengevolge van embolie na eene 
bevalling, aan parese der onderste ledematen leed, met goed 
gevolg aten baden ; na zes weken was zij hersteld. Op eenige 
palen afstand van de negorie Tondano ligt aan den open- 
baren weg het meerTataaran, dat bekend is door den dood 
van den graaf Vidua. Dit meer, ongeveer een kwart paal 
breed en een halven paal lang, is gevuld met een groen- 
achtig alkalisch zwavelwater, dat zwavelcalcium bevat. De 



kontroleur de Clercq heeft te Amoerang nieuwe zwavelbron- 
nen gevonden, die door den apotheker Polak scheikundig 
onderzocht werden ; ook deze liggen aan den voet van den 
vulkaan Sopoetan; de eene bron ontspringt op den oeyer, 
de andere midden in de uitwatering van de rivier Moinit. 
Ware het reizen per stoomboot in Indie niet 200 buiten- 
gewoon kostbaar, dan zouden de thermen van Langowang, 
op het plateau van Tompasso, in de eerste plaats in aan- 
merking moeten komen voor een op te richten bad-etablis- 
sement. Het klimaat is zeer aangenaam koel, door de 
ligging van 2700 voet boven de zee, en niet zoo vochtig 
als het hoogland van Java. De rozen bloeien er overvloe- 
dig; de groenten zijn er smakelijk als in Europa; het 
drinkwater is zuiver. Dysenterie geneest op dit plateau 
spoedig; de bevolking is arbeidzaam, beleefd en hulpvaardig. 

ANALYSE VAN i LITER WATER. 



Chemische 
bestanddeelen. 


Monding 
van de rivier 

Moinit, 

Amoerang; 

temp. 45^. 

Onderzocht 

door 

Polak. 


Chemische 
bestanddeelen. 


Bron op den oever van 
de rivier Moinitbij 

Amoerang, temp. 43®. 

Ündeizocht doorPolak 


1. Koolzure natron. . . . 

2. Koolzure kalk 

3. Koolzure magnesia.. 

4. Zwavelzure kali 

5. Zwavelzure natron . . 

6. Chloomatrium 

7. Chloorcalcium 

8. Chloormagnesium . . . 
Q. Kiezelzuur 


0.3062 
0.0x49 
0.0602 
[0.0902 
0.0894 

1.4974 
0.159X 
0.2471 
0.0549 


I. 
2. 

3- 
4- 

5. 
6. 

7. 
8. 


Koolzure kalk 

Koolzure magnesia.. 

Zwavelzure kalk 

Chloorkalium 

Chloomatrium 

Chloorcalcium 

Chloormagnesium . . . 
Kiezelzuur 


0.2627 
ai569 
0,8752 
0.3223 

"4738 
0.3080 
0.9077 
0.0942 


Totaal 






Totaal 


2.5194 


14.4008 



Ambon en de omliggende eilanden zijn rijk aan warme 
bronnen en belangrijk voor hare studie. Het eiland bestaat 
uit twee schiereilanden, Lei timor en Hitoe; het eerste 
js van silurische formatie, door tertiaire banken omge- 
ven, en doorbroken door bazaltamandelsteen. Hitoe 
heeft ten westen van Hila den vulkaan Wawani; zoo- 
wel aan diens westelijken voet bij Lariki als aan den 
oostelijken bij Soeli liggen warme zwavelbronnen ; een 
zeer belangrijke koolzure fumarole vindt men in een rots 
in zee aan de kust bij Tolehoe; het vulkanische gesteente 
bestaat uit obsidiaan, peksteen, lava, porphyr enz. 

Op de oostelijke eilanden liggen de warme bron van Oma 
(op Haroekoe), de bronnen van Sila en Nalahia (op Noe- 
sa-laoet) en de staalbron Sanahoe (op de zuidkust van Ceram, 
aan de Elpapoetih-baai). Zoutbronnen liggen te Kalapoesi 



IN DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 



13 



te Lalome met 11, te Tiouw met 22, en te Tolehoe met 
29 deelen vaste stoffen op 1000 deelen water. 

De bron van Oma was reeds aan Valentijn bekend en 
tijdens de £ngelsche overheersching stond er een bad. 
liiiis; de bron ligt op een halven paal a&tand van Oma; 
het bekken is omgeven door een rand van zwarte kiezel, 
sintels, die, met staal geslagen, vonken geven. Ten tijde 
van Valentijn was de bron bedekt met een houten ro oster» 
waarop men ging zitten voor stoombaden tegen rheumatisme 
en verlamming. Valentijn verhaalt van een lijder, die to^ 
genezing van zijn jicht op den rooster zat, en, er door 
^kkende, zijn billen brandde, doch tevens de jicht kwijt 



was. In de nabijheid is een tweede bron, omgeven door 
een rand van geel ijzeroker. 

Ook de bronnen van Sila en Nalahia werden reeds door 
Valentijn vermeld; laatstgenoemde ontspringt op de noor- 
delijke helling van den berg Erri. Boven op den top van 
den berg ontspringt een zoetwaterwei, die een beekje vormt ; 
het water daarvan stuit halverw^e den berg op een warme 
bron van zoo hooge temperatuur, dat de beek nog zeer 
warm water afvoert. 

De ingezetenen van Lalome, Tolehoe en Tiouw bereiden 
zout uit de bronnen, die er ontspringen. 



ANALYSE VAN i LITER WATER DOOR MAIER EN BLEEKRODE. 



Temperatuur. . . 
Specif. gewicht 



Lariki, 
koolzure bron. 



Tolehoe , 
Amantawari. 



I. 00159 



Oma, 
Haroekoe. 



80^ 



Sila, 
Noesa-laoet. 



Nahalia , 

noordkust van 

Noesa-laut. 



Tiouw, 
Saparoea. 

60** 



Tolehoe. 
Batoe Anjoet. 



Lalome. 



1.0198 



Koolzure natron 

Koolzure kalk , 

Koolzure magnesia , 

Koolzure ijzeroxydule . . : . 

Zwavelzuur natron 

Zwavelzure kalk 

Chloorkalium 

Chloornatrium 

Chloorcalcium 

Chloormagnesium 

Aluinaarde 

Koolzuur (vrij) 

Kiezelzttur 

Totaal . . 



0.580 
0.348 
0.053 
0.005 

0.443 
1.132 



0.0812 

0.42666 

0.04033 



0.01346 

0.07113 

0.5688 

1.01106 

0.0168 



0.468 



3.029 



0.266 
0.343 

0.020 

0.25 

1.358 



0.0800 



2.30944 



0.468 



2.705 



De warme bronnen van Sumatra zijn weinig bekend. 
Een chemische analyse bestaat alleen van het water uit het 
kratermeer van den Keizerspiek, op de grens tusschen Si- 
kampong en Semangka in de Lampongsche distrikten. 

Dit kratermeer, aan den voet van den Keizerspiek in de 
nabijheid van de kampong Tandabesi, distrikt Saboe, gele- 
gen, trekt de aandacht, omdat het water een mengsel is van 
vulkanisch en sedimentair welwater. Uit het trachiet ziet 
tnen een twintigtal dampzuilen van 40 voet hoogte opstijgen. 
Het water heeft een temperatuur van 60*; het smaakt en 
riekt hepatisch en bevat joodmagnesium en bromium en 
staat gelijk met het Ajer Tallor op Madoera, dat echter 
niet uit sedimentair gesteente opwelt. 

Sumatra's Westkust noordwaarts vervolgende, zien 
wij de warme zwavelbronnen aan de keten der vulkanen 
gebonden. 



0.327 


0.271 




I. 14760 




0.410 


0.876 


0.304 


0.12666 


0.200 


0.048 


0.351 




0.05546 




0.007 


0.140 








• 




0.662 




0.410 


0.I6I 


0.427 


3.820 


1.08460 
1.37073 


2.01 


I.9IX 


4.9Ï2 


8.272 


23.7416 


4.120 






3.368 


1.63213 


1.634 






5.875 


0.44520 
0.09666 


2.942 
0.033 


0.005 


0.037 








2.869 


7.0x4 


22.301 


29.70064 


"•349 



ANALYSE VAN i LITER WATER door MAIER. 



Chemische bestanddeelen. 



Kititermeer Keizerspiek, 
Lampongs. 



Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Zwavelzure kali 

Zwavelzure natron 

Zwavelzure kalk 

Zwavelzure magnesia 

Jod magnesium 

Brommagnesium 

Koolzuur en zwavelwater- 
stof 

Kiezelzuur 

Totaal 



0.1373 
0.01726 

0.01385 

204273 

0.00326 

0.00966 

0.01287 

0.0030 

niet 
0.00196 
2.23919 



0.1770 
0.2760 
0.1835 
2.41 71 
0.0144 
0.0124 
0.0144 
0.00338 

bepaald. 
0.001x8 

309936 



14 



GEOGRAFHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



In de Padangsche Bovenlanden vindt men drie zwavel- 
bronnen in de XX Kota's en in de X Kota's is er één 
bekend. Ook aan den vcet van den Talang liggen vele 
warme bronnen en andere ontspringen aan den voet van 
den Merapi. Voorts verdienen nog vermelding de bronnen 
van Matoea en die in de omstreken van Bondjol. Op de 
hellingen van den Ophir ontspringen 6 warme zwavelbron- 
nen. Van deze liggen twee hij Rau, de ééne een paal ten 
noorden, de andere op denzelfden afstand ten zuiden van 
die plaats; de derde ligt bij Panti, waar een koolzuur- 
fumarole gevonden wordt met een warme zwavelbron, die 
zeer veel kiezel afzet; van de drie overige ligt er één in 
de nabijheid van Loeboe Sikaping, één bij Tjoebado en 
één op 9 paal afstand van Taloe. 

In de residentie Tapanoeli vinden wij nog eene bron, 
die tamelijk veel zwavelzuur bevat, op den Boekit Wali- 
rang, den door een krater doorboorden top van den Seret 
Berapi, op de grenzen der afdeelingen Groot Mandaheling 
en Natal. 

Hoe gering ook de kennis der warme zwavelbronnen op 
Sumatra's Westkust zij, toch is die kennis voldoende om 
de overeenstemming aan te toonen, die er tusschen het 
water van deze bronnen en de vulkanische minerale wateren 
van Java bestaat, en moet zij tevens eene aansporing zijn 
tot nader onderzoek en tot het oprichten van eenige aan 
de eischen des tijds beantwoordende badinrichtingen op 
Sumatra. 



II. 



De koude zuurbronnen. 

De koude, juister gezegd lauwwarme, minerale bronnen 
behooren tot de natropegae en kunnen verdeeld worden 
in : alkalische met een predomineerend gehalte van kool- 
zure natron, en muriatische met een groot gehalte aan 
chloornatrium (tot 38 gram per liter water), dat ze voor 
zoutbereiding geschikt maakt. Alkalische- en muriatische 
bronnen liggen dikwijls in elkanders onmiddellijke nabij- 
heid, met een scheidsmuur van slechts weinige meters. 
Borax treedt somtijds in de plaats van koolzure natron; 
jodium komt in allen voor, zoodat men ze ook onder 
den naam van jodiumbronnen zou kunnen samenvatten; 
de reden, waarom de meeste onderzoekers slechts sporen 
van jodium beweren te hebben gevonden, of van jodium 
in 't geheel niet spreken, ligt in de geringe hoeveelheid 
water, waarover zij beschikten. Kon ik het jodium niet in 
het water aantoonen, dan was het in het drogf* zout met 



de balans aan te wijzen. De hoeveelheid water, die ik van 
elke plaats ten onderzoek medenam, bedroeg 10 kilogram. 
De bronnen liggen allen aan den voet van het tertiaire 
gebergte, meestal op de laagste plaatsen van het dal, tus- 
schen twee parallel-ketens, hetzij in de rijstvelden of aaa 
de helling van lage heuvels, en gewoonlijk 12 è, 20 minuten 
van den vulkaankegel verwijderd. Opmerkelijk is de lineaire 
verspreiding van oost naar west, met een afwijking van 
hoogstens 20 minuten hemelsbreedte op het eind der linie, 
die, zooals het vervolg zal leeren, den snijdingshoek aanwijst 
tusschen de opheffingslijnen van de parallelle bergruggen. 
Drie lijnen zijn duidelijk te onderscheiden: 
De eerste van Bantam tot het noordelijke gedeelte van 
Tjeribon, langs ó'' en eenige minuten Z. Br. 

De tweede van het zuidelijk gedeelte van Tjeribon, van 
het zuidoosten van den Tjerimai, door Tagal, Samarang,. 
Rembang tot Madoera, op 7° en eenige minuten Z. Br. 

De derde van de Zuid-P reanger door Banjoemas, Soera- 
karta, Madioen, tot Soerabaja op 7° 20 — 30' Z. Br. 

Terwijl de warme zwavelbronnen voornamelijk op West- 
Java li^en, vindt men de jodiumbronnen vooral in den 
Oosthoek en op Timor en Rotti. 

Deze jodiumbronnen zijn belangrijk, zoowel voor de geo- 
gnosie en de balneologie, als uit een industrieel oogpunt. 

Voortgaande van west naar oost vindt men in Bantam 
op 106'' O. L. en 6^ 10' Z. Br. het meer Dano, noordelijk 
van den berg Asapan, ten noordwesten van den Goenoeng 
Karang, door rijstvelden omringd. Het is een moeras van 
brak water, waarin zich een zeer diepe modderpoel bevindt^ 
Tji-panas genaamd; uit dezen poel welt een alkalisch, met 
slijk gemengd water, onder aanhoudend opborrelen van 
koolzuur. 

Een tweede kom, waaruit verscheidene' bronnen ontsprin- 
gen, ligt op den weg van Serang naar Batavia, 14 minuten 
oostwaarts van het 'genoemde meer; het water springt op 
enkele plaatsen iV. voet hoog en zet veel kalk af. 

In Buitenzorg zijn 42 zoutbronnen bekend. Aan den 
noordelijken voet van den Goenoeng Sewoe, ook Sariboe 
genaamd (Duizendgebergtej, 106'' 45' O. L. en 6^ 23' Z. Br., 
staan midden in de rijstvelden twee heuvels, gelijkende op 
a%eknotte kegels, de Goenoeng Kapoetian en deKentjana^ 
Zij bestaan uit lagen klei , kalkspath en arragoniet en 
zijn bekend onder den naam van de Arragoniet-heuvels 
van Koeripan; uit elk ontspringt een alkalische bron; 
het zijn blijkbaar slijkvulkanen. Zij liggen ongeveer 200 
voet van elkander en 450 voet boven de zee. 

De noordelijkste, de Kapoetian, heeft een lengte van 23a 
voet en een hoogte van bijna 50 voet; de bron ontspringt 



IN DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL» 



15 



boven op den top. De meer zuidelijk gelegene, de Ken- 
tjana, 300 voet lang en even hoog als de voorgaande, 
ontlast het water op de helling in verscheidene kleine 
bronnen. In de vlakte, welke deze heuvels omgeeft, lig- 
gen nog 4 jodiumbronnen nabij Sanangan en eveneens 
vier in de nabijheid van Sindoer. Westelijker liggen nog 
30 zoutbronnen in het distrikt Djasinga (106° 30' O. L.). 

Op 106** 33' O. L. en 6* 25' Z.B. trekt in het landgoed 
Tji-trap de berg Pantjar onze aandacht, die den vorm 
heeft van een suikerbrood en 2000 è, 2500 voet hoog is. 
Op de noordelijke helling, ongeveer ter halver hoogte, ont- 
springt een warme alkalische jodiurabron; het water daar» 
van wordt in een badkamer geleid en door de inlanders 
tegen rheumatisme en huidziekten gebruikt; het 'heeft een 
temperatuur van 36*, een specifiek gewicht van 1.0014 en 
bevat koolzure en zwavelzure alkaliën en aarden, chloor- 
ïouten, joodmagnesium, veel koolzuur en in het geheel 2 
gram vaste bestanddeelen per liter water. 

Oostelijker, op 107 '^ 6' O.L. en 6° 30' Z.B., ligt op de 
helling van den bergLettet, distrikt Tji-baroesa, dejodium- 
bron Tji-pamingies. • 

In Krawang liggen jodiumbronnen in de nabijheid van 
Tagal-waroe op loy** 20' O.L, en 6" 31' Z.B. tusschen den 
Goenoeng Dengdenghari en het tertiaire gebergte Pasir 
benteng, en wel te midden van de rijstvelden. 

ANALYSE VAN i 



Oostelijker op 107*' 40' O.L. en 6« 35' Z.B., in het dis- 
trikt Wanajasa bij Tji-ratjas liggen eveneens jodiumbronnen, 
aan den voet van den berg jToemoewoe, midden in een vlak 
dal, dat van het noorden naar het zuiden een breedte van 
een vierde en van het westen naar het oosten een lengte van 
een halven paal heeft;. Een ontelbaar aantal wellen ont- 
springen te midden der rijstvelden; twee daarvan zijn bij- 
zonder groot: de eene, nabij een huis gelegen, vormt een 
kom vol helder, schijnbaar kokend water, dat een tempe- 
ratuur van 43® en een ziltig-alkalischen smaak heeft en op 
de tong prikkelt De andere kom is 6 voet lang en 2V8 voet 
diep, gevuld met een geelachtig water, dat door gasbellen 
bewogen wordt, een temperatuur van 38* heeft en een zil- 
tigen loogachtigen smaak. 

Nog meer oostelijk, op 10 7 • 45' O.L., in Segala herang, 
liggen de bronnen van Tji-broeboes in een vallei, die ten 
zuiden door den Tankoeban prahoe wordt afgesloten; een 
uitlooper van het Boerangrang-gebergte, in noordelijke richting 
voortloopend, snijdt het tertiaire gebergte; in de kloof, die 
zich ter plaatse waar de beide formaties elkander aanraken, 
gevormd heeft, ligt een diepe kom, die zich oostwaarts om- 
buigt, 300 voet breed en met brekziön bedekt is. 

Uit den dalbodem komen tal van alkalische, koolzuurhou- 
dende bronnen te voorschijn, en de grond is omgewoeld door 
de buffels, die gretig het zout opzoeken. Op twee dezer bronnen 

LITER WATER. 



Onderzocht door 


K 

Arragoniet. 
Maier. 


E R I P A 

Kapoetian. 
Maier. 


N. 

Kentjana. 
Maier. 


Tji-pamingies, 
Tji-baroesa. 
Rost van 
Tonningen. 


Tagal waroe 
1 
Altheer 


Batoe Kapor, 

Tengger 

Agoeng. 

Maier 

40° 
I. 00143 


Tji- 
Broeboes. 

Ma(er. 

40'» 
1.0032 


Tji-ratjas 
Wanajasa. 

Maier. 


Tcmoeratuur 




38"* 


Specifiek gewicht 


1 '°' 


I.OI98 


1.0022 


Chloorcalciuro 


96.396 
1.4255 

0.86788 


4.3921 

1.1662 
0.1312 

19.598 


4.45«7 

1.0674 
0.0842 

19.701 

T -ïn-jfi 


24.9370 
0.5400 

O.OIII 

0. 1566 

2.0250 

83.5900 

0.3000 


0.5820 

0.1394 

0.025 

0.1022 

0.0229 

25 . 5284 

0.4043 

0.0778 


0.25243 
0.29261 
0.29941 

0.04327 
0.36694 


1.0692 

0.44235 

0.13082 

0.10621 
3.3026 




Koolzure natron 


0.29103 


Koolzure kalk 


0.6763 


Koolzure magnesia 

Koolzure ijzeroxydule 

Koolzuur strontiaan 

Zwavelzure kalk 


0.47103 
0.00127 


Chloorkalium 


0.1096 


Chloomatrium 


0.36406 


Chloormafirnes ium 




Joodmagnesium 


S D r e n. 


S D r e n. 


Bromium. 


KI yj vr L ^ Atm ^ - sJI J 

fi n n r ü n. 


S D r e n. 


Aluinaarde 


0.28198 
0.52873 
0.18544 


"^ r " 
1.0659 

0.0026 


I . 1042 
0.0095 


0.0210 


0.215 
0.01760 


0.00306 
I . 52602 
0.12026 


0.8347 
1.328 


0.00847 


Koolzuur (vrii) 




Kiezelzuur 


0.12609 


Zwavelwaterstof 




Water 








Totaal 


99.68553 


27.7240 


27.8186 


III. 7982 


27.0246 


2.9140 


7.20388 


2.04785 



'^ 



16 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



aan den oever van de beek Panawakan drijft aardolie. 

Op 108** 23' O.L. en 6« 40' Z.B. eindigt de lijn, die wij 
vroeger aangaven, en wel aan den noordelijken voet van 
den Tjerimai, waar de noordkust van Java zich sterk naar 
het zuiden ombuigt. 

In d* Preanger-regentschappen zijn 151 zoutbronnen 
bekend, waarvan in Tjandjoer 46, in Bandong 67, in 
Soemedang 16, in Limbangan 3, en in Soekapoera 19 ge- 
legen zijn. 

In Bandong ligt de bron Tji-panas in de nabijheid van 
het landgoed des heeren Philippeau te Oedjoeng Broeng- 
koelon (107'' 49' O.L. en 6® 30' Z.B.), ten zuiden van den 
Tankoeban Prahoe, die dus zoowel aan den zuidelijken als 
aan den noordelijken voet een jodiumbron heeft. Evenals 
die van Segala herang ontspringt ook de bron Tji-panas in 
een kloof, waar het tertiaire en het vulkanische gebergte 
elkander snijden. Het water verzamelt zich in een met 
planken gevoerde kom, heeft een temperatuur van 45°, een 
specifiek gewicht van r.0052 en een alkalisch-ziltigen, 
prikkelenden smaak ] voortdurend stijgen er gasbellen in op. 

In het noorden van Soemedang liggen de bronnen Tji-awi, 
Pager-agoeng, Tji-beurem en Tji-Goejah. 

In het district Tasik Malaja ligt een zeer belangrijke bron, 
Tji-sopan geheeten, aan den oostelijken voet van den Goe- 
noeng Galoenggoeng (7° 20' Z.B.), zes paal verwijderd van 
de hoofdplaats Tasik Malaja, in de nabijheid van de dessa 
Tji-tjoeka. Door rijstvelden omringd, ligt hier een kom, 
op wier bodem behalve veel kleinere, drie grootere wellen 
ontspringen; het water daarvan is sterk kalkhoudend en 
wordt door de buffels gretig opgezocht. Niet alleen heeft 
zich langs den rand van de grootste bron kalk a%ezet, 
maar zij vormt een klokvormig gewelf over de geheele 
bron heen, wier water door een ronde opening in dezen 
koepel hoog opspringend ontsnapt; de koepel is thans 8 
voet hoog en wordt nog voortdurend hooger door de nieuwe 
kalklagen, die het afvloeiende water er op achterlaat. Het 
water smaakt ziltig-alkalisch. In het jaar 1822 had, ten- 
gevolge van een uitbarsting van den Goenoeng Galoeng- 
goeng, hier een aardschudding plaats. Junghuhn meent, dat 
deze bron dezelfde is, die Horsfield in 181 7 onder den 
naam van Soemoer asin heeft beschreven en die toenmaals 
een klok vorm igen koepel had van 15 voet hoogte. Wat 
zich hier onder onze oogen vormt, vinden wij als een vol- 
tooid werk terug op Madoera in den Goenoeng Geger. 

In het regentschap Soekapoera liggen de zoutbronnen aan 
den zuidoostelijken voet van den 8645 voet hoogenTjikorai. 
Daar waar de kloof, door welke de Tji-woelan loopt, het 
tertiaire gebergte bereikt, liggen onder water afgezette wrij- 



vingsconglomeraten van een andere dan tertiaire formatie; 
terwijl tusschen de Tji-woelan en de Tji-tandoei kalkbankcn 
en vulkanische rotsbrokken elkander afwisselen en aan de 
geheele landstreek het voorkomen geven van een labyrin- 
thisch gebergte. De bronnen liggen tusschen 7® 39' ea 
7® 40' Z.B., in een van noord naar zuid loopende lijn. 

De bron van Tji-arinem Hgt op 107® 30' O.L. en 7® 30' Z.B. 
ten westen van den Goenoeng Limboeng en bevat zout watser 
van 41 •. 

De bron Tji-walini ligt 11/4 paal verwijderd van het 
kofRe-etablissement van denzelfden naam in het distukt 
Selatjaoe, op den weg naar Dedel (108* 10' O.L. en lo^ 
30' Z.B.); zij ontlast zich in een kom van 6 voet diameter 
en 7 voet diepte; koolzuur borrelt voortdurend in het water 
op en houdt het in beweging. 

De bron Tji-woelan, drie paal boven Tji-balong, distrikt 
Paroeng, in de nabuurschap van de vorige, ontspringt uit 
een bank van hoornsteen, die echter allengs, naarmate de 
afstand tot de bron grooter wordt, overgaat in kiezelkalk 
en kalksteen, zoodat er niet aan te twijfelen valt, of de 
hoornsteen • is door den invloed van het mineraalwater 
ontstaan; het water heeft een alkalisch-ziltigen smaak en 
een temperatuur van 44». 

De bron van Pager-agoeng ligt in het Tandoei-dal tus- 
schen de bergen Galoenggoeng en Sawal, drie paal Vcan Tjiawi. 
Ook hier liggen de bronnen in een verdiepte kom ; het zijn 
vele kleine wellen van ziltig water, dat zooveel kiezel- 
zuur bevat, dat de steenen in den omtrek verglaasd zijn, en 
wanneer men er met staal op slaat, vonken geven. 
ANALYSE VAN i LITER WATER. 



Onderzocht door . 

Temperatuur 

Specifiek gewicht. 



Tji-panas, Lembang, 

Landhuis van den 

heer Philippeau. 

Ma IER. 

45". 
1.00152. 



Tji-sopan, 
Tasik Malaja. 

Maier. 



Koolzure natron 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Koolzuur ijzeroxydule 

Chloorkalium 

Chloornatrium 

Chloormagnesium 

Aluinaarde 

Koolzuur (vrij) 

Kiezelzuur 

Bromium, Jodium, Mangaan . . 

Totaal .... 



0.2694 

0-3975 
033.01 

0.0534 

0.0684 

0.0421 

0.0322 
0.7860 
0.1627 

2.I418 



0. 838 
0.850 

0653 
0.021 

4.500 
0.630 

I-370 
0.012 

Spore n. 

I 8.874 



Betreden wij de residentie Tjeribon, dan doet zich een 



IN DEN OOSl-INDISCHBN ARCHIPEL. 



t7 



nieuw tooneel aan ons oog voor. In de plaats van een labyrin- 
thisch gebergte vertoont zich een enkele, alleenstaande kegel, 
ter hoogte van meer dan 9000 voet, en door de schijnbare 
vlakte, die den berg omgeeft, zien wij in de richting van oost 
naar west lage uitgestrekte bergruggen. Meer dan elders op 
Java valt de tertiaire zoom, die de vulkanen omringt, hier 
duidelijk in het oog. 

Het noordelijk Palimanang-gebergte, dat zich door tal- 
rijke petrefacten als tertiair kenmerkt en vele steile 
kalkwanden heeft, strekt zich van het noorden naar het 
zuiden uit. Aan den oostelijken voet ligt de Goea djagalan, 
een koolzaurgas-fiimarole, als de beroemde Hondsgrot bij 
Napels. In de vlakte nabij deze plaats vindt men verschei- 
dene aardolie-bronnen en eindelijk, op een al&tand van een 
halven paal van Palimanang, bij den post Gempol(io8* 30' O. 
.L. en6'4i'Z.B.), een jodiumbron (14 paal ten noorden van 
den vulkaan Tjerimai). Ook hier komen de bronnen in groo- 
ten getale te voorschijn uit een diepe kom, en op geen an- 
der plaats op Java zetten zij zooveel kalk af als hier. De 
kalk omgeeft de bronnen in kransvormige terrassen, evenals 
de ijsbanken om de bevroren fonteinen tijdens een strengen 
winter in Holland. Het water loopt over grootekalkbanken, 
welke het zelf vormt, en bezit zulk een incrusteerend ver- 
mogen, dat het alle ondergedompelde voorwerpen met een 
kalkkorst omgeeft, evenals de wellen van Karlsbad; het 
heeft een temperatuur van óo'', smaakt alkalisch-ziltig en wordt 
door opstijgend koolzuur voortdurend in bew^ing gehouden. 
De bron, aan den grooten weg gelegen, voldoet aan alle ei- 
schen die men aan een geneeskundig établissement kan 
stellen. 

Het Kendang-gebergte, ten zuiden van den Tjerimai, be- 
staat uil drie evenwijdige ketens. De zuidelijkste vormt het 
plateau Rantja, dat zich ten zuiden van het dal Tji-djolang 
uitstrekt De noordelijkste, met den berg Sela, loopt onder 
het vulkanisch gesteente door. De middelste keten, die de 
beide vorige in hoogte overtreft, met den berg Poegak, op 
welks top trachiet en dioriet voorkomen, vormt zoowel ten 
noorden als ten zuiden een dal, waarvan het eerste, tus- 
schen den Sela en den Poegak, 51/9 minuut breed is, en 
door vele, evenwijdig met de centraal-keten voortloopende 
heuvelreeksen doorsneden wordt; de steenlagen behooren 
tot het tertiaire tijdperk. In het midden van dit dal daalt 
het gesteente noordwaarts tegen den Tjerimai en zuidwaarts 
tegen den Poegak; in het zuidelijke dal, tusschen den Poe- 
gak en het plateau Rantja, ligt de zandsteen in loodrechte 
lagen opgestapeld. In dit dal ligt een halvemaanvormige 
modderpoel, Tji-oejah geheeten, welke door een eveneens 
halvemaanvormige kleivlakte tot een cirkel gecompleteerd 



wordt, die door een gracht omgeven is, zoodat het geheel 
een eilandje vormt: het is een slijkvulkaan, die door de 
herhaalde opheffing van het noordelijk en zuidelijk ge- 
bergte ingestort is. De modderpoel Tji-oejah heeft een om- 
trek van 300 voet; verscheidene kleine bronnen ontsprin- 
gen hier, met een helder water, alkalisch-ziltig van smaak, 
en veel kalk afeettend; de omtrek is bedekt met stukken 
kalkspaath; in de vlakte liggen nog verscheidene zoute 
bronnen. 

Tusschen Tjeribon en Koeningan, op twee paal afstands 
van den post Tji-limoes, liggen op 108'* 30' O.L. en 7^ ZB,, 
in den omtrek van Sangkan oerip, twee jodium-bronnen te 
midden van rijstvelden. Een daarvan is een kom van 
trachiet, 7 voet lang en 5 voet breed, die water van 46° 
bevat ; bij de tweede, die grooter is (8 voet lang en 7 voet 
breed), bevindt zich een badhuisje; het water heeft een 
temperatuur van 39® en is schijnbaar kokend door het 
voortdurend opborrelen van koolzuur. 

In de nabijheid van Koeningan liggen de jodium-bron- 
nen Tji-panas en Sisipan. De eerste ontspringt uit een 
drie voet breed gat en geeft 30 liter water per minuut; de 
badkuip, die 6 voet lang, 7 voet breed en 6 voet diep is, 
loopt in 10 minuten vol; zij is uitgehouwen in een 4 voet 
dikke laag vulkanische brekzie, waaronder zandsteen ligt. 
Het water smaakt ziltig-alkalisch, heeft een temperatuur 
van 38 <* en is rijk aan vrij koolzuur. 

De geologische gesteldheid van Tjeribon bracht tot het 
besluit, dat de jodium-bronnen opwellen uit de spleten van 
het onder 't tertiaire gesteente gelegen trachiet; diepe 
grondboringen, te Samarang begonnen, zullen tot nadere 
toetsing dezer meening kunnen leiden. 

Op de grens tusschen Tagal en Banjoemas verrijst uit 
het noordelijke tertiaire Pembarisan- en het zuidelijke 
Kendang-gebergte de 9500 voet hooge vulkaan Slamat. 
Zoowel ten noorden van dien berg, in Tagal, als ten 
zuiden, in Banjoemas, strekken zich lengte-dalen uit ; in 
het eerstgenoemde ligt een jodiumbron te Penasinan, dis- 
trikt Mandi-radja (109° 15' O.L. en 7» 8' Z.B.), op een 
hoogte van 200 voet boven de zee en 20 paal van de 
noordkust verwijderd; het water der bron loopt in een 
badkom van 12 voet omtrek en 4 voet diepte; het water, 
met koolzuur verzadigd, smaakt alkalisch-ziltig, heeft een 
temperatuur van 40 •* en een specifiek gewicht van 1.0052. 

In het zuidelijke dal, 18 minuten ten W.Z.W. van den 
Slamat (108' 45' O.L. en 7° 30' Z.B.), ligt aan den voet 
van den Goenoeng Djampang in het Kendang-gebergte, bij 
Panarawan, district Pegadingan, eene zoutmodderpoel; iets 
meer oostelijk liggen in het distrikt Poerbolinggo aardolie-bron- 

3 



x8 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



ANALYSE VAN i LITER WATER. 



Onderzocht door 
Maier. 



Sangkan oerip. 



Temperatuur. . . 
Specif. gewicht. 



Bron I. 



39" 
I .00236 



Bron II. 



46° 
1.0036 



Koeningan. 



Tji-panas. 

38'' 
1.0054 



Sisipan. 



38° 

1.0032 



Tji-Sanga- 
roeng. 

40- 
1.0063 



Palimanang. 



Post Gempol 

bij 

Palimanang. 

43.3° 
1.00434. 



Koolzure natron 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Koolzuur ijzeroxydule 

Chloorkalium 

Chloornatrium 

Chloormagnesium 

Chloorcalcium, 

Joodkalium 

Joodmagnesium 

Broommagnesium 

Strontium 

Aluinaarde 

Koolzuur (vrij) 

Kiezelzuur 

Zwavelwaterstof 

Phosphorzure kalk 

Totaal 



0.1039 
0.0361 
0.0087 
0.3683 

32971 

o 3645 
0.5922 



0.1653 

0-0535 
0.0036 

0.3569 
3 2896 

0.3432 
0.5501 



5 
S 



P 
P 



O 

o 



r 
r 



e 
e 



0.1296 



4.9004 



0.138 



4.9005 



0.8685 
0.1652 
0.0408 
0.2793 

4.3921 
0.6573 

O' 0186 

n 
n 

0.1730 
1.5023 
0.1500 
0.0071 



8.2542 



nen, en in het distrikt Batoer, aan den voet van den 
Dieng, acht zoutbronnen. 

In Bagelèn wordt het vulkanisch gebergte vertegen- 
woordigd door de vuurspuwende bergen Sindoro en Soem- 
bing, het tertiaire door het Serajoe-gebeigte; in het dal, door 
deze twee gebergten gevormd, liggen jodiumbronnen. 

Vijf paal ten westen van Karang Samboeng, op 109* 48/ 
O.L. en 7" 30' Z.B., ontspringen uit een diepen dalbodem, 
door zachtglooiende heuvels omgeven, tal van jodiumbronnen, 
waaronder één, de Kali angat genaamd, zeer gezocht is door 
de bufifels. De bodem van het dal bestaat uit zandsteen^ 
door kalkbanken omgeven; het water dier bronnen heeft 
een temperatuur van 46*; hier zijn overblijfselen voorhanden 
van een gemetselde badkuip. 

Meer westelijk ligt de bron Wadas-malang, nabij Banioro 
en Sembodo; haar water verzamelt zich in een kom van 
7 voet lengte en 5 voet breedte, smaakt ziltig en prikke- 
lend, heeft een temperatuur van 40* en bevat boorzuur. 

Ten oosten van laatstgenoemde, op iio* 5' O.L., meer 
dan 8 paal ten noordoosten van Poerworedjo, ligt de jodium- 
bron Soemoer-asin, te midden van rijstvelden; haar water 
welt op uit een trachietbrekzie, terwijl het omliggende 
terrein zich door petrefacten als tertiair kenmerkt. Het 
water heeft een groenachtige tint, smaakt alkalisch-ziltig, 
heeft een temperatuur van 30* en een specifiek gewicht 



0.9722 
0.1361 
0.0076 
0.2516 
37165 
0.5240 
0.0228 



0.054 

0.9371 
0.5065 

0.0116 

0.3041 

4.9953 



sporen 
s p o r 
0.0031 
0.1050 0.OJ23 

0.8392 
0.1161 0.1452 

0.0031 



0.28948 

0.5658 

0.09795 

0.0019 

0.2548 

5 • «983 
0.0294 



I 0.0398 



0.0675 
0.5682 
0.0698 
0.0046 

0.1749 
4.5393 



0.0258 



5.8519 



7.8115 



0.0039 
0.92503 
0.04314 
0.05740 



7.50167 



0.0092 
0.9388 
0.0178 



6.4159 



van 1.01517. De bron heet ontdekt te zijn door een zoon 
van den laatsten sultan van Padjang; terwijl hij op 
jacht was, hadden zijne volgelingen vergeten zout mede 
te nemen, en toen de prins wilde eten, beval hij aan 
de aarde een zoutbron te doen verschijnen. Zoo ontstond 
de bron op zijn vorstelijk bevel. 

Kadoe heeft een jodiumbron in de rijstvelden aan de 
oevers van de Kali Oeloe in het zuiden van den Goenoeng 
Andong. 

In de residentie Soerakarta liggen de vulkanen Merapi 
en Lawoe; in het door deze bergen gevormde dal vindt 
men aan den noord-oostelijken voet van den Merapi de 
bronnen van Ampel (iio** 35' O. L. en 70** 25' Z. B.) en 
ten noordwesten van den Lawoe de zout- en aardolie-bronnen 
van Sragen (111° 5' O. L. en 7** 20' Z. B.). Deze laatste, 
meer dan twintig in getal, liggen te midden der rijstvelden. 
De voortzetting van dit dal loopt totMadioen; op iii* li 
O. L., ten Oosten van Sragen, liggen de aardolie-bronnen 
van Gendingan, aan den noord-oostelijken voet van den 
Lawoe. 

De residentie Soerabaja wordt in het zuiden begrensd 
door een van het westen naar het oosten loopende reeks 
vulkanische bergen : de Selondo, de Koekoesan, de Walirang 
en iets noordelijker de Penangoengan. Twee tertiaire berg- 
ketens liggen ten noorden van deze vulkanen: de zuide. 



IN DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 



19 



ANALYSE VAN i LITER WATER. 



Onderzocht door 
Mai£R. 

Tcmperatanr 

Specifiek gewicht . . . 



Tagal 

Penasinan. 

40«. 

1.0152. 



Bagelèn, 
Kali asin, bij 
Poerworecljo. 

1.01517. 



Soerakarta, 

Njono bij 

Camping. 

1.0265. 



Ko^lfure natron 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Koolzuur ijzeroxydule . . 

Zvavelzure kalk 

Chloorkalium 

Chloomatrium 

Chloormagnesium 

Joodnatriom 

Chloorcalcium ^ 

Boorzuur | 

Almnaarde 

Koolzuur (vrij) 

Kiezelzuur 

Organische stoffen 

Totaal 



1.3480 

0.4653 
0.1009 

0.0122 

0.0122 
12.7152 

0.0175 



3.86192 



0.0084 
0.8232 
0.0135 



0.9703 
0.0650 

12.7380 31-3944 

0.2230 0.0542 

Sporen. 

5-4525 
niet bepaald. 

0.0061 

0.0075 
niet bepaald. 



15.5164 I 29.4624 I 35.31052 



lijkste van deze is het aan den voet van den Oengaran ge- 
vormde gebergte, dat de waterscheiding uitmaakt tüsschen 
de Brantas en de Solo-rivier en den naam draagt van 
Goenoeng Kendeng; de noordelijkste komt van Djapara, en 
volgt de kust van Java, hare verlenging is de noorde- 
lijke bcrgketen van Madoera. Deze keten vormt twee val- 
leien, de eene de delta der Solo-rivier, de andere de 
deka der Brantas-rivier. In de laatstgenoemde liggen de 
jodium-bronnen in evenwijdige lijnen van west naar 
oost. In de zuidelijkste lijn liggen de slijkvulkanen Ka- 
lang-anjar en Poeloengan (ii2« 50' O. L. en 7® 26' Z. B.), 
in de nabijheid van den post Sroeni, aan den grooten weg 
van Pasoeroean naar Soerabaja. De slijkvulkaan Kalang- 
anjar ligt 12 paal van Soerabaja, op den zuidelijken oever 
van de Brantas-rivier. In deze overigens vlakke landstreek 
verheft zich te midden der rijstvelden een miniatuur-ge- 
bergte, bestaande uit verscheidene kale toppen, 30 tot 40 
voet hoog; die toppen zijn ingesneden door diepe kloven, 
met modder gevuld. Voortdurend stijgen er gassen op uit 
die spleten en werpen de modder als blazen omhoog en 
over den rand heen. Het omringende terrein is een ziltig 
moeras, uit welks water de inlanders zout bereiden. Op 
een halven paal afstand westwaarts verheft zich een tweede 
detgelijke heuvel, iets minder hoog en gespleten en veel 
gelijkende op een oud kasteel; uit zijne kleiwanden vloeit 
de modder, welke aan de openingen kleitepels vormt; het 



water bevat 24 gram chloomatrium, 0.14 jood- en 0.09 
broomzouten per liter. Volgens geschiedkundige onderzoe- 
kingen van den heer Hageman hebben deze bronnen reeds 
tijdens het rijk van Madjapahit bestaan. 

Vier paal noordelijker (112° 48' O. L. en 7® 22' Z.B.) 
liggen te midden der rijstvelden de jodium- en aardolie- 
bronnen van Waroe, wier water 29 gram chloomatrium 
en 0.174 joodnatrium per liter bevat. Een dezer bronnen, 
die het rijkst is aan jodium, komt te voorschijn uit een 
put, die tot op een diepte van loo voet geboord werd, om 
aardolie te verkrijgen. 

Nog eenige minuten noordwestelijker liggen de jodium- 
bronnen van Genoek watoe in het Kendeng-gebergte, 2 paal 
ten noorden landwaarts in van den karreweg van Soerabaja 
naar Modjokerto; deze bronnen liggen op de toppen en 
tegen de hellingen van een reeks lage, zachtglooiende heu- 
vels. Aan de zuidelijke helling liggen banken van kalkspatb 
en arragoniet, aan de noordelijke schelpconglomeraat en 
brekzien; aan den zuidelijken voet vindt men de jodium-bron- 
nen, aan den noordelijken zoet-waterbronnen. Men treft 
hier een geboorden put aan, alsmede een vierkante kom van 
10 voet lengte, 6 voet breedte en 4 voet diepte, gevuld met 
groenachtig ziltig water. Overal ontdekt men kleine ronde 
bronopeningen en op den platten top van een heuvel van 
kalksteen tal van ronde, nauwe gaten, welke uitloopen 
in met mineraalwater gevulde, wijde, potvormige waterbak- 
ken. Het is deze formatie die aan het oord den naam gaf 
van Genoek watoe; het geheel is een herhaling van het 
koepelvormig gewelf over een vromer genoemde bron, na- 
melijk de Tji-sopan bij Tasik Malaja in de Preanger (boven 
blz. 16). Het klimaat is daar wat koeler dan te Soerabaja, 
waar de gemiddelde temperatuur 27* is; ook is daar de 
lucht droger, het aantal r^endagen geringer dan hier. 
Bestond er een goede weg, dan kon men van de beschreven 
plaats in Soerabaja ook in den westmoeson gebruik maken. 
Met goed gevolg heb ik een badkuur in dit water voorge- 
schreven en het ook aan kinderen laten drinken tegen 
klierziekte en atrophie; voorts is het heilzaam tegen rheu- 
matisme (de plaats biedt meer dan eenige andere voordee- 
len aan voor de genezing dezer kwaal), tegen secundaire 
en tertiaire syphilis en tegen kwik-kachexie. De inlanders 
gebruiken het tegen huidziekten. Wel is waar mislukte hier 
een onderneming voor zout*aanmaak en voor baden, maar 
wij gelooven, dat de schuld daarvan geheel te wijten is 
aan de onbevoegde ondernemers. Een liter van dit water 
bevat 0.13 1 gram joodnatrium. 

Meer noordelijk (112* 17' O. L. en 7' 17 Z. B.) liggen 
de jodium-bronnen van den Goenoeng Sahari ; deze naam- 



^ 



30 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



berg van één dag, wijst <^ het vromer bestaan van een 
slijkvulkaan. In een klein keteldal ligt hier een jodium- 
bron, op wier water aardolie drijft, en dat veel koolzuur 
en ammoniak bevat, zoodat het door de inlanders gebruikt 
wordt als gist om te bakken. Van deze bron door een 
heuvel van wellicht loo voet hoogte gescheiden, ligt een breede 
bergkam, naar den rivierkant en naar het zuiden open, be- 
dekt met zilte onvruchtbare rijstvelden. Midden door den 
kam van oost naar west strekt zich een reeks van jodium- 
en zoutwaterbronnen uitj aan het westeinde nabij Gagor 
hebben de inlanders een diepen kuil graven om aardhars 
te verzamelen, die met de aardolie op het water drijft; dit 
water heeft een grauwe tint, veroorzaakt door een bacil- 
larie, en komt het dichtst bij het water vanWaroe, met 30 
gram chloornatrium per liter. 

Noordelijk van deze reeks, op hoogstens 50 voet aistands, 
ligt aan den voet van een kleinen heuvel, die het dal in het 
noorden a&luit, een grijze kleivlakte, welke een modderpoel 
omgeeft, uit welken aanhoudend koolzuurblazen opborrelen; 
door middel van een in den poel gedreven bamboe kan 
men zeer helder water verzamelen, dat gelijkt op het water 
uit den gelsoleerden put verkr^en, en zeer veel koolzure 
natron bevat. Over de geheele uitgestrektheid verspreidt 
het bromium een zeer onaangenamen geur, die onmiddel- 
lijk door elk mijner geleiders, op verschillende tijden mede- 
genomen, op deze plaats herkend werd; vermoedelijk is er 
ook koolwaterstof onder gemengd. De plek is niet meer 
dan 5 paal van Soerabaja gelegen, in de onmiddellijke 
nabijheid van de Brantas-rivier en den grooten karreweg 
naar Modjokerto; ont^enze^elijk bezit deze plaats dus 
vele voordeelen, genoeg voor de oprichting van een bad- 
etablissement. Men kan hier joodnatrium-, joodchloomatrium- 
en rivierbaden nemen, terwijl het joodnatriumwater inwendig 
gebruikt kan worden tegen rheuraatisme, graveel, jicht enz. 
Daarbij gedoogt de nabijheid van Soerabaja, dat lijders 
er hoofdplaats wonen en toch van de baden gebruik maken 

Aan de zuidelijke helling van een tak van het Kendeng- 
gebergte, de bergen van Grissee, ligt weder een reeks jodi- 
um-bronnen, en wel te Gembiang, Sekar Koerong nabij 
Girien Mergonoto ; maar met uitzondering van Sekar Koerong 
zijn deze bronnen voor lijders ontoegankelijk. Deze laatste 
ligt aan de zuidelijke helling van een klein vooruitspringend 
plateau van den berg Giri, een halven paal van het heilige 
graf van Radhen Pakoe, Soesoehoenan van Giri; zij kan 
per as bereikt worden. De hoofdbron wordt gevormd door 
een natuurlijken vierkanten bak van 10 voet lengte en 3 voet 
breedte; de waterspiegel, door de opstijgende gasbellen be- 
wogen, neemt alle kleuren van den regenboog aan door 



de dunne laag aard-olie, die er bovenop drijft; op eenigen 
afstand van dien bak komen nog verscheidene kleine 
bronnen te voorschijn. Het water van deze bron, die tot 
de alkalische zuurbronnen behoort, heeft een temperatuur 
van 45'', en bevat 48 gram koolzure natron en 0.033 gram 
joodnatrium per liter. 

Aan de noordelijke helling van het Kendei^-gebergte, 
in het bed van de Solo-rivier, liggen de jodiumbronnen 
van Madjenon (112^ 15' O.L. en 7' 12' Z.B.) en van 
Tjitro en Tareban (112^ 12' O.L. en 7° 10' Z.B.) Daar 
deze bronnen op een met rotsblokken bezaaid terrein lig- 
gen tusschen de kloven der bergen, zijn zij, althans inden 
regentijd, ontoegankelijk. 

Belangrijker zijn de vier groote jodiumbronnen in L»a- 
mongan bij Boeloe (112° 13' O.L. en 7" 6' Z.B.), in de 
onmiddellijke nabijheid van den weg, die van Grissee naar 
Rembang voert. Deze bronnen bevatten 34 gram chloor* 
natrium en 0.14 gram joodnatrium in i liter water. 

In Soerabaja eindigt met de slijkvulkanen Kalang Anjar 
en Poeloengan de derde of zuidelijkste reeks der jodium- 
bronnen, die in de Preanger een aanvang neemt. 

De bronnen in het district Lamongan, in de delta 
van de Solo-rivier, behooren tot de tweede of middelste 
reeks, tot wier bespreking wij naar de residentie Samarang 
terugkeeren. 

In de residentie Samarang liggen de jodiumbronnen Pe» 
lantoengan (iio^ O.L. en 7° 5' Z.B.), Gebangan (110° 3 
O.L. en 7» Z.B.), Asinan (110° 7' O.L. en 7"* 5' Z.B.), 
Tjoeroek (110° 9' O.L. en 7** 5'Z.B.), Medini(iio' 20'O.L. 
en f 3' Z.B.), Goeboek (110° 43' O.L. en 7^*3' Z.B.),Poer. 
wodadi (111° O.L. en 7=^ 5' Z.B.), Njono (iii*' 3 O.L, 
en 7 " 5' Z.B.), Koewoe en Bledoeg (i 1 1** ./ O.L. en T 10' Z.B ), 
Kradenan en Mendikel (11 1® 10' O.L. en 7* 10' Z.B.,) en 
Banjoe Koening in het dal van de Toentang. 

In het westelijk gedeelte van Samarang liggen de bron- 
nen aan den voet van den Goenoeng Prahoe (iio" O.L.); 
25 minuten ten oosten van dezen vulkaan ligt de trachiet* 
kegel Oengaran, door Junghuhn als een der oudste vulka- 
nen van Java beschouwd. Tusschen deze beide ligt de ter- 
tiaire Goenoeng Kendeng, in welk gebergte de mijn-inge- 
nieur Liebert, nabij Kali waroe (110° O.L. en 7*» lo'Z.B.), 
diepe grondboringen heeft gedaan. Hieruit bleek, dat de 
tertiaire lagen herhaaldelijk opgelicht en door elkander ge- 
worpen zijn ; men vond daar afwisselend micahoudenden 
zandsteen, trachiet, trachietbrekzie en bitumineuse klei. 
schiefer; ook kwamen er vierkante stukken steenkool te 
voorschijn. Het gesteente behoorde blijkbaar tot een ou- 
dere dan de tertiaire formatie : Liebert vermoedt keuper en 



IN DEN OOSTINDISCHEN ARCHIPEL. 



21 



ANALYSE VAN i LITER WATER. 



Onderzocht door . . . 
Temperatuur 

Specif. gewicht 

Koolzure natron . . . . 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia . 

Giloorkalinm 

Chloornatrium 

Chloorcalcium 

Chloormagnesium . . . 

Joodnatrium 

Joodmagnesium 

Brommagnesium . . . 

Kiezelzuur 

Boorzuur 

Koolzuur 

Zwavelwaterstof 

Organische stoffen. . 
Totaal 



SOCRABAJA. 



Kalang 
anjar. 



Maier. 
400 

1.0198 



Poeloen- 
gan. 



Maikr. 
1.0198 



Goenoeng 

Sahari, 
sodabron. 

Maier. 

1. 01028 



Kedong 
waroe. 



Maier. 
102088 



Kendeng. 



Genoek 
watoe. 



Maier. 

45° 

I. o 1930 



Tjitro. 



Grissee. 



Lamongan. 



Mergo- 
noto. 



Gembiang. 



Sekar 

Koerong, 

Giri. 

ScHARLéE en Bernelot Moens. 



Boeloe. 



Tareban. 



Madjenon. 



01373 
0.1726 

0.1585 

24.2710 

0.0326 

0.0966 

0.1287 
0.0330 
0.0196 



0.1770 
0.2760 
0.1855 
24.1710 
0.1630 
0.1242 

0.1440 
0.0338 
0.0118 



4.3918 
0.07955 
0.13806 

11.0794 



0.03685 



0.5830 
0.5660 
0.4760 
0.6710 
26.8000 



0.1740 



0.7680 
0.7010 
0.2950, 
1.1270 
23.4500 



0.1210 



35' 


45' 


43' 


35' 


40» 


35* 


42' 


1.01796 


1.01188 


1.01028 


1.0068 


1.02362 


1.020 18 


1. 01 028 


2.7290 


4.876 


4.1870 


0.9010 


0.0210 




0.0260 


0.3860 


0.071 


0.0500 


0.3140 


0.0160 


0.005 


0.2950 


0.1900 


0.106 


0.0990 


0.239 


0.0370 


0.0870 


0.1400 


2.1870 


1.055 


0.0860 


0.5150 


1.5970 


0.5800 


0.2240 


17.6090 


7.7870 


7.0660 


6.8370 


28.4180 
2.9940 
1.1460 


25.680 
1.2640 
1.1580 


13.0410 

0.3350 
0.2570 


0.0390 


0.033 


0.067 


0.067 


0.1530 


0.0540 


0.0360 



Sporen. 
0.OQ40 I 0.0440 



Sporen. 
I 0.0350 I 0.0900 t o. 1000 j 



0.0720 I 



Sporen, 
o. II 40 I 0.0450 I 



0.0300 I 0,0700 



Niet bepaald. 



(25,0499 I 25.2863 I 15.72966 I 29.314 I 26.497 I 23.230 I 14.028 I 11.627 I 8.987 I 34.427 I 28.858 I 14.414 



jura; hij zag het petroleum uit een koollaag, onder het tra- 
chiet gelegen, te voorschijn komen. Geologische onderzoe- 
kingen te Pelantoengan en Asinan toonden, dat de bron- 
nen feitelijk op die plaatsen ontstaan, waar het trachiet 
gespleten, de aardkorst gebroken is en grondverzakkingen 
hebben plaats gehad; hij zocht daarin de oorzaak, waarom 
de jodiumbronnen altijd uit het laagste gedeelte der dalen 
ontspringen. Door dezen arbeid heeft Liebert het bewijs 
geleverd, dat de jodiumbronnen en de aardoliebronnen 
uit een oudere formatie dan de tertiaire afkomstig zijn, 
hetzij uit een kool- of uit een bitumineuse kleischieferlaag. 

De bron van Gebangan ontspringt uit een trachiet-con- 
glomeraat en heett een kom gevormd van 37» voet diepte 
en i^/j voet breedte; uit het water, dat met een vliesje 
koolzure aarde overdekt is, stijgen voortdurend gasbellen 
op; het heeft een temperatuur van 30° en een specifiek ge- 
wicht van 1.0113. 

Vijf paal van Gebangan treft men de bron van Asinan 
aan, gelegen tusschen lage heuvels; zij heeft in het trachiet 
een trechtervormige opening, die aan de bovenzijde een lengte 
van 7 en een breedte van 4I/2 voet heeft en aan den beneden- 
kant een lengte van 5 en een breedte van 2 voet ; het sterk 



koolzuurhoudend water smaakt ziltig, heeft een temperatuur 
van 46® en een specifiek gewicht van 1.0139. 

Dertien paal van Gebangan ligt Pelantoengan met twee 
bronnen aan de oevers der rivier die de grens vormt tus- 
schen de residentien Pekalongan en Samarang; deze bronnen 
geven meer dan 20 liter water per minuut en ontspringen 
uit het tracbiet-gesteente. De officier van gezondheid 2 e kl. 
van der Stok, die dit badetablissement driejaren beheerd heeft, 
schrijft: „In een van den Goenoeng Prahoe afdalend ravijn 
„loopt de rivier Lampir als grens tusschen de residentien 
„Pekalongan en Saniarang; de oostelijke, 200 voet hooge, 
„wand van het ravijn is komvormig uitgesneden en minder 
„steil; de westelijke vormt een ten naastenbij 500 voet 
„hoogen, steilen muur; de bodem van het dal bestaat uit 
„trachiet en trachietbrekzie, stukken van de grootte van 
„straatsteenen tot reusachtige rotsblokken, en hij is zoo water- 
„rijk dat, waar men een buis in den grond boort, zuiver en goed 
„drinkwater in overvloed opwelt. In dit ravijn, aan de beide 
„oevers van de Lampir, is het badetablissement gelegen." 

De jodiumbronnen liggen in het laagste gedeelte van het 
ravijn, zoowel in de rivierbedding als in hare onmiddellijke 
nabijheid op de beide oevers; de bronnen in het Samarang- 



22 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERA.LE BRONNEN 



sche geven 20, die in het Pekalongansche 30 liter water 
per minuut. Het koolzuurgas houdt het water in voort- 
durende beweging; elke 10 è, 12 seconden wordt een grootere 
hoeveelheid water als met een stoot uitgeworpen; het water 
is volkomen helder, riekt naar warm ijzer, smaakt naar te 
lang bewaard Selterswater en veroorzaakt een zachte prik- 
keling op de tong; zoowel aan de wanden van de kom als aan 
het drinkglas zet het een oranjekleurig geleiachtig bezinksel 
af De aardoliebronnen komen allen in de onmiddellijke 
nabijheid van en in de rivier voor, en bedekken het water 
met een vlies van teerachtige hoedanigheid. 

De omstreken van Pelantoengan zijn rijk aau sawahs 
en gelaga-velden, het bosch is over een groote uitgestrektheid 
weggekapt. Meteorologische waarnemingen zijn niet geno- 
men, doch V. d. Stok stelt de maximum-temperatuur op 
30^ en de gemiddelde (Juni, Juli en Augustus) op 22". In 
die maanden, zegt hij, is het klimaat aangenaam en opwek- 
kend voor de levensgeesten. De oostmoeson bepaalt zich 
tot de genoemde drie maanden. De kenteringen zijn lang 
en gaan gepaard met onweders; in den oostmoeson regent 
het dikwijls tegen den middag ; de plaats is tegen den oosten- 
wind beschut. De westnoordwestenwind staat recht op het 
ravijn en drijft dikwijls wolken in het dal ; in den oostmoe- 
son is de wind droog en scherp, in den westmoeson guur, 
vochtig en zeer onaangenaam voor lijders, die geen vocht 
kunnen verdragen, zooals rheumatische. Van der Stok vergelijkt 
het klimaat in 't algemeen met dat van September in Holland. 
De weg naar Pelantoengan is zeer bezwaarlijk, en in den 
westmoeson is de plaats soms dagen achtereen ontoegan- 
kelijk. Het etablissement bestaat uit een verzameling van 
23 gebouwen, onregelmatig verspreid en door tuinen en 
wandelingen gescheiden. De gebouwen zijn van steen met 
sirappen gedekt; de ziekenzalen zijn geel, de kazernen 
rood geverfd. De woonvertrekken voor lijders ie en 2e klasse 
zijn in afzonderlijke huisjes, of zulk een huis is in twee of 
vier kamers verdeeld; zij onderscheiden zich van de an- 
dere alleen door betere meubelen en meerdere gemakken. 
De zalen voor de lijders 3e klasse bevatten 1 2 slaapplaatsen, 
zijn 12.14 meter lang, 6.60 meter breed en 3.80 meter 
hoog, voorzien van een houten, geverfden vloer en van 9 
ramen, die op een gaanderij uitkomen. Onder de ramen 
zijn ijzeren ventilatie-roosters. De gebouwen voor lepra- 
lijders en behoeftige vrouwen staan op den Pekalonganschen 
oever; zij zijn 19 meter lang en hebben een gepleisteixien 
vloer. De badhuizen staan op den Samarangschen oever 
dicht bij de bronnen, waaruit het water door zinken pijpen 
in een reservoir op den zolder van het badhuis geleid wordt 
en van daaruit naar de badkamers ; de badkuipen zijn van 



steen, met gladde, witte tegels belegd. Het badetablissement 
kan 9 lijders der ie, 6 der 2e en 24 der 3e klasse opne- 
men, en op den Samarangschen oever dagelijks 72, op den 
Pekalonganschen 108 baden verstrekken; de leiding van 
deze inrichting is opgedragen aan een officier van gezond- 
heid 2e kl. Pelantoengan is een zeer weldadige stichting 
en zal dat blijven onder het bestuur van een geneesheer, 
die ondervinding heeft en liefde voor zijne betrekking. 

In de nabijheid van Pelantoengan tusschen den Goenoeng 
Prahoe en den Oengaran liggen nog, in zeer ontoegankelijk 
bergland, de jodiumbronnen van Tjoeroek en Medini. 

In het oosten van Samarang hgt een breed en diep dal 
tusschen Grobogan en Poerwodadi; noordwaarts daarvan, 
op iio" 53' O. L. en 6« 35' Z. Br., vindt men den uitge- 
werkten vulkaan Moerio en zuidwaarts den Merbaboe op 
iio=» 30' O. L. en 7° 23' Z. Br. Het dal wordt in het 
zuiden begrensd door den tertiairen Goenoeng Kendang» 
op 7'' 13' Z.Br. van het westen naar het oosten loopend, en 
in het noorden door de evenwijdig met genoemde keten 
voortloopende gebergten Goenoeng Tjengkal sewoe en 
Soeropati, op 6° 54' Z. Br. In het westelijk gedeelte van het 
dal ligt (iio'' 40' O. L. en 7** 5' Z. Br.) het heilige vuur 
Merapi, bij Goeboek. In den omtrek der dessa Tjorah 
bevinden zich namelijk in den vlakken, kleiachtigen bo- 
dem verscheidene trechtervormige openingen, uit welke 
een gas stroomt, dat naar de meening der inlanders van 
zelf ontbrandt; dit is onjuist, het moet om te branden 
aangestoken worden. Slaat men een buis in den grond, 
dan verheft zich de gas- of de vuurkolom tot een hoogte 
van 10 voet. De onderzoekingen van de apothekers Perret 
en Maier hebben dit gas doen kennen als koolwaterstof, 
en de grondboringen van Liebert hebben aangetoond, dat 
het afkomstig is uit een laag bitumineuse lei; in de na- 
bijheid liggen aardoliebronnen. 

Vijftien minuten meer oostwaarts bereiken wij het dal 
van Poerwodadi en zien, een paar palen ten zuiden van 
den weg, den eersten slijkvulkaan, Ngemba, aan den voet 
van den Goenoeng Ambak; op de zuidelijke helling, niet 
ver van den top des heuvels (150 voet hoog) bevinden 
zich met slijk gevulde kommen, 4 è, $ voetbreed; het slijk 
wordt door opborrelend gas in beweging gebracht, het 
heeft een temperatuur van 30®, en op het afgescheiden 
water drijft een laagje aardolie. 

Vijftien palen verder oostwaarts, in de vlakte van Ble- 
doeg nabij Koewoe, liggen eveneens jodium-, chloornatrium- 
en aardoliebronnen. Te midden der begroeide rijstvelden 
ontwaart men hier een geheel van plantengroei beroofde 
plek van i paal lengteen 7* P^^l breedte; de bodem bestaat 



IN DEN OOST-INDISCHEN ARCHIPEL. 



«5 



uit taai, loodgrijs slijk en is alleen met behulp van plan- 
ken b^aanbaar. Uit dit slijk komen van tijd tot tijd groote 
gasblazen naar boven, die met een knal als van een ka- 
nonschot uit elkander barsten; de onaangename reuk van 
het ontsnapte gas, dat laag bij den bodem voorttrekt, is 
nog op 200 passen waar te nemen ; het gas is een meng- 
sel van jodium, aardoliedamp en koolwaterstof. Het slijk 
heeft een temperatuur van 40°; het a%escheiden water bevat 
veel chloomatrium, bromium en jodium. 

Twee paal van Koewoe ligt nog een poel van vuil, zout- 
achtig water, volgens Junghuhn Mendang ramasan geheeten. 
In het zuidoosten van Koewoe liggen de zoutwerken van 
Kradenan (iii® 10' O. L. en 7" 10' Z.B.), namelijk Men- 
dikel, Tjerewek, Bandjar Sari; tusschen Poerwodadi en 
Bledoeg bij Selo ligt eindelijk de bron Njono. 

De geologische onderzoekingen van Liebert hebben hier 
dezelfde resultaten opgeleverd als elders : steil opgerichte 
steenlagen en een gesteente, dat hij meent te behooren tot 



de keuper- en jura-formatie ; en daar Amtzenius in Djokjo 
enkriniten, Liebert hier bitumineuse leien gevonden heeft, wint 
deze vooronderstelling aan waarschijnlijkheid. De bronnen 
worden hier, evenals in Soerabaja, onderscheiden in bronnen 
met veel koolzure natron en in bronnen met veel chloomatrium. 
In het verlengde van deze reeks (van 7* 5' tot 7* 15' Z.B.) 
vindt men de jodium- en aardoliebronnen van Ngawen, Blora, 
Djati-rogo, Tinawoen en de vroeger beroemde badplaats 
Bekti nabij Dermawoe (112° O. L. en 7"* 5'. Z. B.), die op 
een heuvel ligt, waar zich een kom bevindt van 8 voet 
breedte en 10 voet lengte. Modderbronnen vindt men te 
Tojo Toban. distrikt Djenoe. In de omstreken van Bo- 
djonegoro wordt botryogen gevonden, in de nabijheid van 
de vuurbron bij Dandir. Daar dit zout ook gevonden wordt 
in oude formaties te Fahlun in Zweden en te Coquimbo 
in Chili, besluit men daaruit, dat ook hier een oudere 
formatie ligt dan de tertiaire. 



ANALYSE VAN i LITER WATER. 



Onderzocht door. 

Temperatuur 

Specifiek gewicht 



Koolzure kalk 

Koolzure magnesia . . . 
Koolzure ijzeroxydule. 

Zwavelzure kalk 

Chloorkalium 

Chloomatrium 

Chloorcalcium 

Chloormagnesium 

Joodmagnesium 

Broommagnesium 

Koolzuur (vrij) 

Kiezelzuur 

Zwavelwaterstof 

Koolwaterstof 



Totaal 



Gebangan. 

Maier. 

46'' 
I . 1033 



Asinan. 

MA.IER. 

46° 
1.0133 



Pelan- 

toengan. 

Maier. 

46° 
1.0139 



0.01710 
0.00570 



0.23207 
13.58520 
0.64317 
0.56627 
0.05864 

0.21688 
0.02660 
0.00061 

N 



0.03410 
0.01426 
0.00415 
0.01405 

15 19454 

0.94357 
0.46150 

0.06250 

0.00415 

0.7948 

0.0090 

0.00040 

i e t 



0.041171 
0.017217 
0.00301 



18.3457 
I. 13922 

0.55719 
0.07346 

0.00301 

Niet 

0.002294 



Bledoeg, 
Koewoe. 

Maier. 
40« 

1.0218 



Mendikel, 

Kradenan. 

Polak. 

50' 
1 .0265 



0.0673 

27.3134 
0.21335 

0.52091 

Sporen. 



0.1940 
0.0670 

0.1360 
0.6040 
38.6230 
0.6150 
0.2890 



bepaald 
I 0.0700 



a 



a 



1 d. 



15.35224 



16.9146 



20.182272 



29.11496 



40.5980 



Van de buiten Java liggende jodiumbronnen behooren 
die van Madoera nog tot de middelste reeks, die wij op 
den 7en graad en eenige minuten Z.B. door Java ver- 
volgden. Langs de noordkust van Madoera op 6^ 50' zet 
zich het bij Djapara aanvangend kustgebergte voort, en 
op 7* 10' Z. Br. gaat de voortzetting van het Kendang- 
gebergte van Grissee door het eiland Madura. Op het 
westelijk gedeelte van het eiland ligt tusschen deze beide 



bergketens een komvormig dal, aan de westzijde open, in 
het zuiden begrensd door den Goenoeng Blawen Geger, 
en in het noorden door den kalkberg Bandjar. Laatstge- 
noemde is een steile, ongeveer naaldvormige rots, met veel 
schelpgruis (Ostrea, Pecten enz.) en derhalve van tertiaire 
formatie ; benedenwaarts wordt kiezelkalk het hoofdbestand- 
deel; de naar het zuiden gekeerde zijde heeft het voorko- 
men van een steilen muur; noordwaarts daalt de rots zacht 



24 



GEOGRAPHISCHE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



hellend af. In dit dal vindt men de slijkvulkanen van Banjoe 
Ening (distrikt Katol) met hunne jodiumbronnen. Reeds op 
eenigen afstand ontwaart men den kalen k^el van klei, die 
zich minstens 33 voet hoog verheft ; op den top bevindt zich 
een onpeilbaar diepe modderpoel met een krater van 5 voet 
middellijn, uit welken aanhoudend gasbellen opstijgen, die 
het slijk oplichten en over den rand doen wegloopen. Het 
water, dat het slijk afscheidt, is helder, smaakt prikkelend, 
alkalisch ziltig, en bevat per liter water 4 gram koolzure 
natron, 0.006 joodnatrium en 0.032 broommagnesiura. Op 
weinige passen afstand, en van dezen slijk vulkaan geschei- 
den door een beekje van mineraalwater, ligt een ronde 
modderpoel van 10 voet middellijn, gevuld met loodgrijze, 
ziltige klei, waartusschen gashoudend water opwelt. Dit 
water komt volkomen overeen met dat uit den slijkvulkaan, 
en zonder twijfel is deze poel dus eveneens een slijkvul- 
kaan, die instortte en afgespoeld werd door zware regens. 
Hier zien wij dus een slijkvulkaan zonder kegel van klei ; 
een natuuq^rodukt, welks bestaan door velen betwijfeld 
werd. In Indie spoelen deze heuvels dikwijls w^, en de 
Maleiers en Javanen noemen deze slijkvulkanen daarom 
steeds Goenoeng Sahari. 

Ongeveer een paal oostwaarts van deze plaats ligt in het 
midden van het dal een heuvel, omstreeks 500 voet hoog, 
en op de zuidelijke helling eveneens een modderpoel, ge- 
heel overeenkomende met dien welken wij pas beschreven; het 
water van dezen poel, die op een vooruitspringend plateau 
ligt, bevat dezelfde bestanddeelen als dat van den vorigen. 
Tien k vijftien paal oostelijk liggen de jodiumbronnen van 
Batoe Kabam, gedeeltelijk in de vlakte, gedeeltelijk op lage 
heuvels met soortgelijk water. 

Tegen den zuidelijken tertiairen keten leunt de Goenoeng 
Geger, een koepelvormige, op den top met zwaar bosch 
begroeide heuvel, die aan de noordelijke helling steile 
kalkmuren draagt, terwijl ook op den top de kalk te voor- 
schijn komt. De kalk is kristallijn, vol blaasruimten, die 
gedeeltelijk met kalk- en ijzerkorrels gevuld zijn, en wordt 
door kleilagen afgewisseld; deze berg is klaarblijkelijk uit 
een kalkbron ontstaan, die beurtelings klei en kalk heeft 
afgezet. Hetzelfde wat wij hier voltooid zien, vonden wij 
^n wording te Tasik Malaja en Genoek watoe (zie blz. 
16 en 19). In de nabijheid van den Goenoeng Geger lig- 
gen kalkbanken met petrefacten, als: Spongiten, Turbi- 
nalien, Natrophyllium, Orbicula papyracea en zoetwaterpa- 
tella's, die allen op een vóór-tertiair tijdperk wijzen. 

Het feit verdient hier vermelding, dat de slijkvulkanen, 
jodium- en aardoliebronnen te voorschijn komen onafhan- 
kelijk van de vuurspuwende bergen, boven een oudere dan 



de tertiaire formatie, waardoor het vermoeden meer en meer 
bevestigd wordt, dat de jodiumbronnen de breuklijn uitmaken 
tusschen het eruptief gesteente, dat zoowel het trachiet ais 
het tertiaire gebergte heeft opgelicht; en tevens dat zoowel 
de slijkvulkanen als de jodiumbronnen ontstaan zijn nc^ 
vóór het te voorschijn tieden van de keten vulkanen op Java. 

Op de eilandjes Semauw en Rotti komen slijkvulkanen 
en jodiumbronnen voor. 

Mijne onderzoekingen op Timor Koepang hebben, 
in overeenstemming met de determinatie der petrefac- 
ten door Prof Beyrich te Berlijn, bewezen, dat hier een 
dias- en triasformatie te voorschijn komt, waartoe de 
bitumineuse schiefer behoort, die op Timor gevonden en iit 
Samarang door boringen verkregen wordt. 

Op de noordoostkust van Semauw liggen de jodium-^ 
bronnen in een heuvelachtig boschrijk terrein; in den om- 
trek van een paal vond ik 15 bronnen, gedeeltelijk be- 
staande uit kleine putten met helder water, ten deele uit 
modderpoelen; opmerking verdient, dat somtijds in de on- 
middellijke nabijheid daarvan, slechts door een steendam 
gescheiden, bronnen van het zuiverste drinkwater ontsprin- 
gen. Het eiland Poeloe Kambing tusschen Timor en 
Semauw is een slijkvulkaan met een ongeveer 300 voet 
hoogen kegel; de steile rotsachtige kust is alleen aan de 
noord-oostzijde toegankelijk en voert vandaar langs een 
zachte helling naar den afgeknotten top. Hier ligt een kom 
van 20 — 23 voeten middellijn, omgeven door een 20 voet 
hoogen klei wal; in die kom verheffen zich verscheidene 
heuvels van klei, verschillend van gedaante, 10 è 25 voet 
hoog. Een geheel geïsoleerde kegel van klei, een maange- 
bergte, een muurvormige kam, een gevaarte, dat aan een 
oud kasteel doet denken, liggen hier verspreid; overal op 
de toppen daarvan liggen met modder gevulde kommen, 
waaruit blazen opborrelen, die aan de lucht uiteen barsten 
en het slijk over den rand van den krater doen vloeien. 
Het water door het slijk afgescheiden, is helder, smaakt zil- 
tig en prikkelend, bevat koolzure natron en jodium. De 
inlanders noemen het ajer saboen (zeepwater). Het is mij 
gebleken dat dit water groote geneeskracht bezit t^en secun- 
daire en tertiaire S3rphilis en beenverzwenng; daartoe liet 
ik dagelijks twee voetbaden nemen en twee of drie glazen 
water drinken. Het klimaat van Timor is aangenaam en 
verfrisschend ; men ademt er met genoegen de zuivere lucht 
in. De gemiddelde temperatuur bedraagt 's morgens 6 uur 
24», 's middags i uur 30'' en 's avonds 10 uur 25°. In de 
maanden Mei, Juni, Juli is de temperatuur 's morgens 
I5^ 's middags 25° en 's avonds 15°. Gedurende den west- 
moeson staat de thermometer bijna constant 25**. De 



IH DW OOSr^^4»D1SGHW AH£»l9m. 



«5 



ANALYSE VAN i LITER WATER. 



Onderzocht door. 

Temperatuur 

'^>ecifiek gewicht 



EILAND seM^UW. 



EILAND ROTTI. 



Pocloe Kam- 
bing. 

MAIER. 

35" 
1.0074 



Kampong 
Kalnao. 



HAIER. 
1.0058 



Westzijde 
Oiassa. 

MAIER. 

45° 
1.00665 



Midden van 
Oiassa. 

BERN. MOENS. 

45° 
1.00667 



Zuiden van 
Oiassa. 



MAIER. 

43° 
1.00676 



Landauw bij 
Oeka. 

MAIER. 

40° 
I.OI25 



Landauw 
Ho::roenitas. 

BERN. MOENS. 

38'* 
O.III8 



Landauw 

vulkaan. 
MAIER 

40' 
I.00S98 



Renggauw. 



MAIER. 

36° 
I. 02132 



Koolzure natron 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Zwavelzure kali 

Zwavelzure natron 

Zwavelzure kalk 

-Chloorkalium 

Cihloomatrium 

Chloormagnesium 

Joodnatrium 

Joodmaguesium 

Koolzuur (vrij) 

Bromium 

Boorzuur 

Kiezelzuut 

Totaal . . . 



1 



2.6500 
0.C9162 



0.00934 

5.2909 

0.2117 

0.02707 



2.6093 
0.0287 
0.0261 



3 9476 
0.0717 



niet 



8.28063 



bepaald 



0.0134 



6.69.58 



2.6517 
0.0364 
0.02172 



4.6226 



0.0414 



0.01263 



7.38645 



2.8147 
0.0428 
0.0285 



4-6311 



0.0479 



0.0128 



7.5778 



2 . 72025 
O.II299 
0.02736 



4.5391 



0.05667 



0.01356 



7.469-93 



2.184I 
0.0492 
0.0401 
0.0304 

0.0934 

13-2459 
0.0812 



0.0332 



15.7575 



1.6440 
0.0418 
0.0182 
0.0258 

0.0737 

12.5055 

0.0557 



0.0228 



143875 



0.2961 
0.1692 

00737 



O.O5II 



11.4887 



0.0372 



0.0236 



12.1396 



5. .0605 
0.0545 
0.0396 

0.6706 
0.0725 

20.1320 

0.1350 



O.OII6 



26.1763 



vruchten zijn er uitmuntend; rijst, hoewel slechts weinig 
verbouwd, gelijkt op Carolina-rijst; aardappelen zijn nergens 
in den Archipel van zulke goede kwaliteit ; het drinkwater 
is na dat van Ceram het zuiverste in den Archipel. 

Op het eiland Rotti liggen de slijkvulkanen op de noord- 
kust in Landauw bij Oeka en Hoeroanitas (123® O.L. en 
10" 4' Z. B.); terwijl in het distrikt Renggauw lagen voor- 
komen, die zout bevatten, dat volgens Maier beter is dan 
het op Java uit de zoutpannen gewonnen zout. Op den 
vasten wal van Timor vindt men zout in den omtrek van 
Koepang, Penkassi en Babauw in zoutklei, en in het gebied 
van Delli te Laga in een letten-kooUaag der trias-formatie. 

Deze baschouwing van de jodiumbropnen op Rotti was 
noodig om het bewijs te voeren, dat zij wel degelijk uit 
een andere dan de tertiaire formatie ontstaan, en onafhan- 
kelijk zijn van het jongere vulkanische gebergte op Java; 
dat zij, zooals Liebert op grond van zijne boringen ver- 
moedde, uit de trias ontspringen. 

Op Bomeo heeft Everwijn zoutbronnen gevonden op de 
grens van het tertiaire kolenveld, juist bezuiden den eve- 
naar, aan de oevers van de Sepauk-rivier, in de afdeeling 
Sintang. De bronnen ontspringen uit zandsteen en bevat- 
ten jodium. 



In de residentie Palembang op Sumatra, afd. Lematang 
Oeloe, zijn bekend de zoutbronnen van Keroeng, op de 
zuidelijke helling van het trachiet-gebergte Sevillo ; zij ont- 
springen uit een kalkbank, in welker nabijheid ik draad- 
kalk, mergel, bonte letten en stinkkalk vond. Aan den 
voet der noordelijke helling van het Sevillo-gebergte liggen 
de rijkste mij bekende aardoliebronnen, in een kom van 
bruinkool, terwijl in den omtrek aardhars en asphalt gevonden 
wordt. Ook in het distrikt Kikim liggen zoutbronnen nabij 
Tandjong-auer, in een zandsteenformatie, afgewisseld door 
conglomeraten en pyriethoudende klei. Verder vindt men 
zoutbronnen in het landschap Ampat lawang, gelegen in 
de nabijheid van Troesan en ontspringende in kalkber- 
gen, waar afwisselend zandsteen en bonte letten voorko- 
men. Al deze zoutbronnen liggen in één lijn, die, even- 
wijdig met het Sevillo-gebergte, van Ampat lawang in 
het noordwesten naar Ogan in het zuidoosten loopt, en 
het tertiaire kolenveld van Lamatang in het zuiden be- 
grenst. 



26 



GEOGRAPHISCUE VERSPREIDING DER MINERALE BRONNEN 



ANALYSE VAN i LITER WATER DOOR BLEEKROODE. 



Specifiek gewicht 

Koolzure natron 

Koolzure kalk 

Koolzure magnesia 

Koolzuur ijzeroxydule 

Zwavelzure kalk 

Chloomatrium 

Chloorkallum 

Chloormagnesium 

Chloorcalcium 

Joodmagnesium 

Koolzuur (vrij) 

Aluinaarde 

Kiezelzuur 

Organische stoffen 

Totaal 



Bomeo, 

Sepauk-rivier, 

Sin tang 

door 

ROST V. TONNINGEN. 



Keroeng, 
Lematang 

oeloe. 

I. 01764 



Palembang. 

Padang Goenoeng, 
Goemfu, 
Semindoeng. 
I. 00199 



Kramat- oeloe, 
Moelak-oeloe. 

I. 000199 



0.5370 
o. om 
0.0406 

43.0800 
0.6010 
1.8600 

12.0250 
0.0494 



0.0590 



58.2631 



Uit dit overzicht van de bekende en chemisch onder- 
zochte mineraalbronnen van Nederlandsch Oost-Indie blijkt: 

dat de bovenlanden van West- Java als aangewezen zijn 
tot de oprichting van een etablissement voor warme baden ; 

dat Soerabaja een bij uitnemendheid geschikte plaats 
is voor de oprichting van etablissementen voor jodiumbaden; 

dat Semauw dringend aanbevolen moet worden voor de 
stichting van een asyl voor de ongelukkige leprozen der 
Molukken; 



0.55726 
0.74666 
0.01452 
0.01446 

21.36187 
0.26226 
0.40140 
0.24360 

0.28373 

0.01666 



0.74473 
0.16330 

0.0252 

0.0242 

0.0680 

1.32893 
0.05080 



0.01240 

0.0674 

0.00375 

0.00725 

0.00690 

0.06450 

0.01675 



23 . 90242 



o r 

0.18453 

0,00667 

0.0500 

0.02000 



n . 



2 . 66636 



O.IIOO 

0.03750 
0.01850 



2.3995 



dat het hoogland van Tompasso voor een algemeen sanf 
tarium bijzonder geschikt is. 

Mocht deze arbeid aan de hooge R^eering bekend wor- 
den en aanleiding geven tot het verwezenlijken van mijne 
innige wenschen voor deze zaak, dan zou daardoor 
voorzien worden in eene behoefte die zich in Indie drin- 
gend doet gevoelen. 

Bangkalan, 
5 November 1875. 



/ 



AANTEEKENINGEN 



OP HET 



Eerste Deel 



VAN 



„JAVA, geographiseh, ethnologiseh, historisch," 



DOOR 



\^ 



RADEN MAS ADIPATI ARIO TJONDRO NEGORO, 

Regent van Brehes {voormaals van Koedoes\ 



7toy^ot<U^ S\d van 4%tt €latdtiyko^\vfvdia' Settoo^c^uakp* 



{Uitgegeven van wege het Aardrijkskundig Genootschap^ 

BIJ BLAD N'. 9. 



AMSTERDAM, 
C. L. BRINKMAN. 



UTRECHT, 
J. L. BEIJERS. 



I 88 I. 



THENEWYORK 

PUBLIC LIBR AR Y 



ASTO«, LENOX AND 

TILDEN FOUNDATIONS. 

1897. 






-^-OR / 



■•' Uil -^^ 



AANTEEKENINGEN 



OP HET 



pEH 



ST E 



? 



E E L 



VAN 



„JATA, geographisch, ethnologisch, historisch." 



Bladz. 59, regel i8 van boven, staat : Loesé^ moet zijn : Loesi. 

Bladz. 59, reg. 22, 23, 28 en 30 v. b. staat: Djewana. 
In het Jav. heet het: Djoewana. 

Bladz. 124, reg. 16 en 17 v. b., staat: deels door de slechte 
bewerking. Volgens mijne meening zou die minder 
goede hoedanigheid der steenen en pannen alleen te 
wijten zijn aan slechte bewerking, onvoldoend branden, 
daar de oude tempel (Mesigit) van Koedoes, die nu nog 
in gebruik is, gebouwd werd na het bouwen van den 
tempel van Demak, in de 15e eeuw. Zoowel hiervan als 
van de ruïne van Madjapait zijn de gebakken steenen 
prachtig en evenaren de Europ. klinkers. 

De bovengenoemde gebouwen zijn gebouwd zonder 
cement of kalk, wordende de steenen zoolang op elkander 
gewreven tot ze geheel luchtdicht zijn. 

Bladz. 124, reg. 20 en 21 v. b., staat: De inlander echter 
^^^t zijne steenbakkerijen doorgaans aan in de nabijheid 
van een rivier of beek. Dit is zeer juist, wanneer men 
geen goede aarde en putwater kan krijgen; doch op 
plaatsen waar goede aarde en putwater te vinden is, 
maakt men /e niet in de nabijheid van een rivier. 

Te Koedoes en elders bakken de inlanders steenen, 
pannen enz. op hunne eigene erven. 



Bladz. 135. reg. ii v. b., staat: katjang manila, Katjang 
manila is in het midden van Java niet bekend. 

Bladz. 135, reg. 7 tXi(}\.o.^%\zzX.\mavggi-manggien bakoe. 
Wellicht zijn dit Soendaneesche namen; de Javaan 
noemt den wortelboom kajoe gèmbol. 

Bladz. 138, reg. 6 v. o., staat: pakoe adji. De Javaan 
zegt pakis adji, en dit beteekent kon ings varen ; doch 
deze boom bevat geen sago. 

Bladz. 139, reg. 6 v. o., staat: langkap-palm, Langkap is 
waarschijnlijk een Soendaneesche naam. Wellicht is dit 
de palmboom dien de Javaan Aren noemt, en waaruit 
eene zeer goede meelsoort of sago verkregen wordt. 

Bladz. 141, reg. 15 en 16 v. b., staat: taraté^s of lotus- 
bloemen. De Javaan noemt de struik teraté en de bloe- 
men daarvan tjoendjoeng (lotusbloemen). 

Nog zou men hier kunnen bijvoegen: De vruchten 
der teraté's heeten ket&pa's, ze worden gekookt en als 
lekkernij gegeten; de wortels, ganoeng genaamd, hebben 
kleine gaten, die met meel gevuld worden, dat dus gekookt 
en bij wijze van gebak gegeten wordt; uit diezelfde wor- 
tels verkrijgt men meel, dat als middel tegen dysenterie 
gebruikt wordt; de breede bladeren dienen tot onder- 
liggers van spijzen, die op de pasars verkocht worden. 



AANTEEKENINGEN OP HET EERSTE DEEL VAN „JAVA. 



»i 



Bladz. 142, reg. 3 en 4 v. b., staat: eri gedé, Eri gedé is 
mij niet bekend, doch eri bet. doorns, die aan glagah 
en alang-alang niet gevonden worden. 

Bladz. 142, reg. 12, 17, 19, 25 en 31 v. b. en Bladz. 143 
reg. 7 en rx v. o., staat: alang-gras. Alang alléén be- 
teekent overdwars, Alang-Alang daarentegen is de naam 
der hier bedoelde grassoort. 

Bladz. 143, reg. 4 v. o., staat: Malaka-booniy moet zijn: 
Kemlaki-boom. 

Bladz. 144, reg. 8 v. o., staat: /^V?^^^?^/, moet zijn : doekoet. 

Bladz. 145, reg. 3 v. b., staat: bintinoe. Wellicht een Soen- 
daneesche naam, op Java niet bekend. 

Bladz. 145, reg. 7 v. b., staat: Cassia Javanica, Cassia 
Javanica wordt door den Javaan potromenggala of me- 
rakan genoemd. Ze bloeien het geheele jaar door. 

Bladz. 148, reg. 7 en 8 v. o., staat: eerstiegen het einde van 
den regentijd^ in Maart of April ^ moet zijn: eerst tegen 
het begin van den regentijd, in November of December. 

Bladz. 149, reg. 12 v. o., staat: De djatibootn komt slechts 
voor tot eene hoogte van 500 voet^ moet zijn: 800 voet. 

Bladz. 149, reg. 5 v. o., staat: en het noorden van Soera- 
baja, moet zijn: en Djapara. 

Bladz. 149, reg. 3 en 2 v. o., staat: Maar nergens wordt daar 
het djatihout op de kalkbanken aangetroj^en. Dit is minder 
juist. Op het Këleergebergte in het zuidelijke gedeelte der 
residentie Djapara en het zuidelijke gedeelte van Sema- 
rang, waar de spoorweg doorloopt naar de Vorstenlanden 
en Ambarawa, groeit de djati op kalkbanken en dddr 
verkrijgt men de djati kapoer (kalkdjati). 

Bladz. 157, reg. 14, 27 en 28 v. b., staat: poespa , kisapi, ga- 
dok en bajoer. Deze namen van boomen zijn waar- 
schijnlijk Soendaneesch, daar ze bij de Javanen onbekend 
zijn. 

Bladz. 159, reg. 13 en 14 v. o., staat: scharlaken- of 
karmozijnroode bloenischermen der Soka^s en Moehoens. 
Er zijn twee soorten van soka's o in het Javaansch 
soka's, de Javaansche en de Chineesche; de eerste is 
een boom die ongeveer 40 voet hoog is, met een mooie 
kroon, en heeft een stam van omstreeks 1V2 voet mid. 
dellijn. Daarvan zijn wederom twee soorten, waarvan de 
eene witte en de andere donker gele bloemen heeft. De 
laatste zijn zeer geurig; de Javaan noemt die sokadèdès 
(muskus) en gebruikt ze in de kleêren, om ze te parfu- 
meeren. 

De zoogenaamde Chineesche soka*s zijn heesters ; 
daarvan bestaan ook twee soorten, de eene heeft witte 
en de andere karmozijnroode bloemen; beide zijn zon- 
der geur. 



Bladz. 163, reg. 7 en 8 v. b., staat: In de lagere streken 
bereikt hij eene hoogte van 30 tot 50, in de hoogere van 
80 tot 90 voet. Zoo ver mij bekend is, bestaat tusschen 
de hoogte van den tjemira in lagere en hoogere streken 
geen verschil, en is hij steeds van 80 tot 90 voet hoog. 
De stam is recht en slank, zeer hard en taai, het hout 
is zeer moeielijk te kappen. 

Bladz. 165, reg. 8 v. b., staat: ki tembaga, Ki tembaga is 
wellicht een Soendaneesche naam, maar is hier niet bekend. 

Bladz. 233, reg. 3 v. o., staat: De meliwi^ moet zijn: 
meUwis. 

Bladz. 235, reg. 16 v. o., staat: door de Javanen béjo-béjo 
genoemd wordt, Bejo wordt die vogel genoemd wanneer 
hij nog jong is; is de volle wasdom bereikt, dan heet 
hij Mentjo. 

Bladz. 237, reg. 10 v. b., staat: gemak of poejoe geheeten. 
Gemak is Ng. en poejoeh Kr., doch die naam is alleen 
voor het wijfje. 

Bladz. 237, reg. 12 v. o., staat: de mannetjes. Het man- 
netje van de gemak wordt bentjé genoemd. 

Bladz. 239, reg. 8 v. b., staat : Onder den naam van Z>o- 
miné bekend. De Javanen noemen dien vogel Banga. 

Bladz. 241, reg. 7 v. o., staat: manoek manja, moet zijn: 
manoek manjar. 

Bladz. 243, reg. 16 v. b., staat: manoek pcu>k. Manoek 
paok is wellicht Soendaneesch ; bij de Javanen is die naam 
onbekend. 

Bladz. 248, reg. 9 en 8 v. o., staat : als amulet in den zak 
gedragen, als een onfeilbaar middel tegen slangenbeten 
en andere ongelukken. Niet allen zijn deze meen ing 
toegedaan; overigens zou men er kunnen bijvoegen, dat 
die hoorn gebruikt wordt als tegengift tegen slangenbeten 
door hem op de wond te wrijven, en tegen andere ver- 
giften door hem op een steen met water te wrijven en 
dat water te drinken of op de huid te wrijven. Tevens 
worde dat water gedronken tegen borstkwalen. 

Bladz. 249, reg. 11 v. o., staat: De banting. Banting bet. 
met kracht tegen den grond werpen, doch den wilden stier 
noemt men banteng. 

Bladz. 250, reg. 19 en 20 v. b., staat: doch vele inlanders 
hebben van het vleesch dezer dieren een bijgehovigen 
afkeer. Dit mag waar zijn op sommige plaatsen, even 
als het niet eten van rundvleesch en enkele soorten van 
visch; doch algemeen is het niet. 

Bladz. 253, reg. 5 en 15 v, o., staat: matjan rempak^ ma- 
tjan tjongkok. Deze twee soorten van tijgers zijn in deze 
streken niet bekend. 

Bladz. 254, reg. 12 v. b., staat: matjan lorok. Deze 



AANTEEKENIN GEN OP HET EERSTE DEEL VAN „JAVA. 



1* 



is meer bekend onder den naam van matjan lorèng. 

Bladz. 255, reg. 12 en 13 v. b., stdiZX.', van welken naam die 
van het landschap Pekalongan gevormd ts. Dit is zeer 
juist, wanneer die naam afgeleid is van kalong (vlie- 
gende hond). De Javaan echter noemt die plaats in het 
Kraira Pengangsallan hetgeen beteeken t: de plaats, waar 
men iets krijgt, van angsal, verkrijgen, en dus niets ge- 
meens heeft met kalong (vliegende hond). Kalong is ook 
een accidenteel passief van hêlong of long, afnemen, en 
beteekent dus „verminderd.'* 

Volgens «wijlen den Heer Zoetelief, die volmaakt 
bekend was met de Javaansche taal, eenigen tijd op 
Pekalongan gewoond heeft, en naar den oorsprong van 
dien naam een nauwkeurig onderzoek instelde, zou Pe- 
kalongan niet afstammen van kalong (vliegende hond), 
maar van hèlong, verminderen. Pekalongan, aan zee ge- 
legen, is voor een groot deel bevolkt met visschers. 
Is nu de vangst voordeelig geweest, dan drukken zij 
dat onder elkalr uit met het woord „kalong", d. i. aan 
de zee is veel visch ontnomen, of de zee is met veel 
visch verminderd. 

Is deze opvatting juist, en mij komt zij voor de 
ware te zijn, dan zou Pekalongan, wellicht voorheen een 
klein visschers-gehucht, zooals Java's stranden er zoovele 
opleveren, zijn naam verschuldigd zijn aan het „kalong" 
der visschers, en later de geheele residentie van dien 
naam daarnaar genoemd zijn. 

Intusschen doet zich dan hier het hoogst zeldzame zoo 
niet éénige geval voor, dat het Ngoko en Kr3.mi van 
een en denzelfden naam niet dezelfde beteekenis hebben. 

Bladz. 255, reg. 14 v. b., staat: kapokboom. Kapok, eigen- 
lijk kapoek, is de naam van de vezels der randoe- 
vrucht, doch de boom zelf wordt randoe gebeeten. 

Bladz. 256, reg. 6 en 7 v. b., staat: en als het goed bereid 
isy zelfs zeer smakelijk. Ook gebruiken de Javanen het 
hart als middel tegen asthma. 

Bladz. 256, reg. 6 v. o., staat: lalai. De Javaan noemt 
deze Idwi. 

Bladz. 257, reg. 4 v. b., staat: gagaveld. De Javaan zegt 
gigd, dus gdg&veld. 

Bladz. 258, reg. 11 v. b., staat: koebang of koebin. De 
Javaansche naam is kêndi. 

Bladz. 258, reg. 5 v. o., staat: monjet. De Javaan noemt 
dien kethèk. 

Bladz. 30.8, regel i v. o. en Bladz. 309, i reg. v. b. staat: 
in eerlijkheid en werkzaamheid wint de Soendanees het 
van den Javaan. Dit is zeer juist, voor zooverre betreft 
de Javanen op strand- en hoofdplaatsen en vooral daar 



waar veel opium verbruikt wordt, doch de Javanen die 
in de binnenlanden en bergstreken wonen, waar de 
communicatie met andere plaatsen nog gebrekkig is, doen 
voor de Soendaneezen niet onder. 

Bladz. 316, reg. 18 v. o., staat: de zoogenaamde steden. 
Ook hebben de groote huizen, voorname gebouwen en 
groote boomen hunnen danjang, en hoezeer het geloof 
daaraan geheel in strijd is met den Islam, wordt het 
over het algemeen bij de meeste inlanders gevonden. 

Bladz. 321, reg. 12 t/m. 9 v. o., staat: in elke dessa door 
al de dorpsbewoners ten huize van het dessahoofd met 
offers gevierd wordt. In de Soendalanden beantwoordt 
daaraan het feest dat bij den naam van sidekah boemi 
bekend is. Deze sidekah boemi komt voor over geheel 
Java; op sommige plaatsen heeft de sidekah boemi op 
het veld of de sawah plaats onder een tent die de Ja- 
vaan taroep noemt. 

Bladz. 322, reg. 7 v. b., staat: Offermalen. Het offermaal 
op denzelfden dag na de begrafenis noemt men soer- 
tanah. 

Bladz. 322, reg. 10 v. b., staat: op den eersten en achtsten 
verjaardag. In het algemeen wordt op den eersten ver 
jaardag een sidekah gegeven, doch op den achtsten ver- 
jaardag niet; wellicht bij enkele personen, maar dit is 
niet algemeen. 

Bladz. 325, reg. 2v. b., staat: Moengsd, moet zijn: Moesa. 

Bladz. 325, reg. 7 v. b., staat: te bevorderen door in iedere 
maand harer zwangerschap. Deze offermalen hebben 
plaats in de eerste, derde, vijfde en zevende maand 
der zwangerschap. 

Bladz. 331, reg. 22 t/ra. 29 v. b., staat: ^^J^eet gij wie de 
hoogste ngelmoe heeft? zoo sprak een geacht goeroe. Het 
is hij die weet te zeggen waarom de adem adem heet, 
/toe hij heet bij dag en hoe bij nacht^ hoe bij het uit- 
ademen en hoe bij het inademen, waar hij bij het ster- 
ven henen gaat en waar hij dan blijft'^ Ongelukkig 
heeft Allah die ngelmoe wel aan zijne profeten geopen- 
baard, maar met verbod om ze in schrift te stellen. Het 
droevig gevolg daarvan is, dat alle pogingen om ze op 
te sporen tot nog toe vruchteloos zijn gebleven. De hier 
bedoelde ilmoe is volgens de ingewijden de vrijzinnigste 
leer, die er bestaat, en kan als een extract van het 
Mohammedaan sch geloof aangemerkt worden. Deze ilmoe 
wordt in den koran in beeldspraken en zinnebeeldige 
verhalen zeer bedekt in kleine stukjes beschreven, doch 
zeer onbegrijpelijk voor profanen. De tegenstrijdigheden 
in sommige verhalen van den koran, dienen alleen als 
sluier van die ilmoe. De reden waarom die alleen aan 



AANÏEEKENINGEN OP HET EERSTE DEEL VAN „JAVA 



>♦ 



sommige en zeer vertrouwde personen onderwezen wordt, 
is, omdat men vreest dat wanneer die aan iedereen werd 
geleerd, daaruit veel misverstand zou geboren worden 
en vele onaangenaamheden zouden voortvloeien. De 
tempels zouden komen te vervallen, en ook de macht 
van den vorst zou daardoor zeer verzwakken, enz. 
Wanneer een goeroe door zijn chef gemachtigd wordtom 
die ilmoe aan andere personen te leeren, dan wordt 
daarbij bepaald, dat dit alleen zeer vertrouwde personen 
mogen zijn, die haar wederom niet mogen leeren aan 
anderen, zelfs niet aan hunne vrouw en kinderen. Eene 
dergelijke machtiging mag zich slechts uitstrekken tot 
vier zeer vertrouwbare personen, en zulks in navolging 
van Mohammed, die zijne leer slechts aan 4 apostelen 
kenbaar maakte, wien hij tevens de bevoegdheid gaf, 
die anderen te leeren 

Gewoonlijk wordt deze ilmoe alleen onderwezen aan 
personen, die den leeftijd van 40 jaren bereikt hebben. 

Bladz. 359, reg. 7 v. b., staat: koop en verkoop (ioekoe 
adol). Voor koop en verkoop zegt de Javaan in den 
regel „adol tinoekoe". 

Bladz. 359, reg. 8 en 9 v. b., staat: schenking (hibai). Het 
woord hibat is niet bekend; schenking is in het Arabisch 
„hibah,'* doch de Javanen noemen die handeling „pa- 
wèwèh". 

Bladz. 359, reg. 9 v. b., staat : Voorschot op latere levering 
(tëmpah). Het woord tëmpah is niet bekend in den zin 
van voorschot op latere levering; de Javanen in de 
Vorstenlanden en omstreken noemen dit empingan en 
op andere plaatsen ])andjeran. 

Het woord tëmpah wordt door Roorda in zijn woor- 
denboek verklaard als voorschot op latere levering, doch 
dat woord heb ik noch in de vorsten-, noch in de gou- 
vernementslanden gehoord. Tëmpah in het Kr. bet. ver- 
goeding. 

Evenwel kan het wezen dat het woord en de beteeke- 
nis daarvan een mij onbekend plaatselijk gebruik is. 

Bladz. 7^2^ reg. 6 v. o., staat: twee realen in zilver. Deze 
hoeveelheid zilver voor een huwelijksgift kan men niet 
generaliseeren, doch op de meeste plaatsen is een tail 
„satair* zilver (ƒ 5) gebruikelijk. 

Bladz. 374, reg. 8, 9 en 10 v. b., staat: Vromven mogen 
de Kioskee niet tegelijk met de mannen bezoeken^ maar 
vereenigen zich na hun vertrek, tenzij er voor haar eene 
afgezonderde galerij is. Vrouwen bezoeken de moskee 
altijd in een voor haar met katoen of op andere wijze 
beschoten plaats of eene afzonderlijke gaanderij en bid- 
den tegelijk met de mannen ; wanneer er echter geene 



afzonderlijke plaats voor haar wordt gemaakt, dan kan 
de vrouw niet in de moskee bidden, daar, door te wach- 
ten tot de mannen gebeden hebben, zij den bidtijd zou 
laten verstrijken. 

Bladz. 374, reg. 21 t/m. 26 v. b., staat: JDit laatste schijnt 
op Java zelden plaats te hebben^ omdat bij de verspreide 
ligging der in de dorpsboschjes verscholen kampongs de 
roepstem toch niet zmi gehoord worden. De moskeeën 
zijn er dan ook niet op ingericht. Het slaan op de be- 
doeg treedt er veelal voor in de plaats of gaat er mede 
gepaard. De adzan vóór het gebed is altijd verplichtend. 
Elke moskee heeft haar bedoeg, maar men slaat er eerst 
op als de adzan door den modin of een der moskeebe- 
ambten is uitgesproken. Het uitspreken van den adzan 
is zelfs vereischt wanneer men in huis bidt. 

Bladz. 374, reg. 6 t/m. 3 v. o., staat: De imam heet in 
het Javaanse h pangoeloe^ maar veelal wordt dit woord 
slechts gebruikt voor den hoofdpriester van het geheele 
regentschap^ soms ook hoofdpangoeloe genoemd. De imam 
is slechts een gebedsvoorganger, pangoeloe is de titel 
van den hoofdpriester van net regentschap. Op sommige 
plaatsen echter is de pangoeloe zelf voorganger van het 
gebed en op andere plaatsen wordt als plaatsvervanger 
een afzonderlijke imam, een der oudste en kundigste 
priesters, aangesteld. Waaneer een pangoeloe geene andere 
betrekking heeft dan speciaal die van hoofdpriester, dan 
is zijn titel Pangoeloe imam. 

Bladz. 374 en 375, reg. 1 v. o. t/m. reg. 9 v.b., staat: De 
pangoeloes der Regentschappen genieten eenig traktement 
van de Regeering voor de diensten die zij als advisee- 
rende leden bij de rechtbanken voor den inlander bewijzen 
enz. In den regel zijn er op elke hoofdplaats eener resi- 
dentie twee pangoeloes, waarvan een wordt benoemd en 
ontslagen door den Gouverne.r-Generaal en door het 
Europeesch bestuur hoofdpangoeloe, door den inlander 
meestal pangoeloe landraad genoemd wordt, omdat hij 
adviseur is van die rechtbank. De tweede wordt door den 
Resident benoemd en ontslagen en heet pangoeloe ka- 
boepaten, daar hij adviseur is van den regentsraad. Beide 
genieten traktementen van de regeering, doch de laatste 
is tevens hoofdpriester van het regentschap en imam van 
de moskee, en geniet daarvoor de voordeelen aan het 
sluiten der huwelijken, echtscheidingen, zoomede boedel- 
verdeelingen verbonden. Als hoofdpriester kan de Re- 
gent een afzonderlijken Pangoeloe benoemen. 

In de regentschappen zijn er ook meestal twee pang- 
oeloes : een wordt door den Resident benoemd en ont- 
slagen, heeft den titel van Pangoeloe landraad, is tevens 



A ANTEEKEN INGEN OP HET EERSTE DEEL VAN „JAVA 



ï» 



adviseur van den regentsraad en geniet eene gouver- 
nements bezoldiging; de andere wordt Pangoeloe imam 
genoemd, wordt benoemd en ontslagen door den Regent 
(vide art. 17 der instructie van den Regent, Stbl. 1867, 
N<>. 114, en Bijblad op het Staatsblad, N^ 57) en geniet 
geene gouvernements bezoldiging; zijne inkomsten zijn 
alleen de opbrengst van het sluiten van huwelijken, van 
echtscheidingen en boedelverdeeling. 

Ook zijn er plaatsen waar de Pangoeloe landraad en 
Hoofdpangoeloe tevens Pangoeloe imam is. De verschil- 
lende pangoeloes, zooals : Hoofdpangoeloe, Pangoeloe 
landraad en Pangoeloe imam, hebben ieder een verschil- 
lend zonnescherm ter onderscheiding. 

Bladz. 375, reg. 16 en 17 v. b., staat: De pangoeloes en in 
het algemeen de moskeepriesters zijn veelal van Ara- 
bische afkomst. De panj^oeloes en in het algemeen de 
moskeepriesters zijn doorgaans Javanen, maar dragen 
Arabische namen; door de gemakkelijke communicatie 
tusschen Java en Arabie gaan velen ter bedevaart, 
komen terug als hadji en kleeden zich als Arabieren; 
enkelen spreken en velen verstaan Arabisch, vooral 
de voorname priesters, die natuurlijk verplicht zijn de 
Arabische geschriften, wetten als anderszins, te verstaan 
en te kunnen lezen. 

Bladz. 375, reg. 8 v. o., staat: de administratie der mos- 
keekassen. Deze kassen, die niet overal aanwezig zijn, 
bestaan alleen dan wanneer i*. de pangoeloe en de mos- 
kee-beambten apanage-velden hebben, 2^ na de ver- 
deeling der gelden, voor het sluiten en ontbinden van 
huwelijken ontvangen, onder de moskee-beambten en 
pangoeloe, het overige voor onderhoud van de moskee 
afzonderlijk wordt gehouden. Schiet er van het onder- 
houd iets over, dan maakt men er een kas van, doch 
op de meeste plaatsen wordt het onderhoud door den 
pangoeloe zelven bezorgd, waardoor het houden eener kas 
van zelve komt te vervallen. 

Bladz. 376, reg. 11 v. b., staat: Anders trekken zij rond 
om onderwijs te geven waar men hunne diensten ver- 
langt. Wellicht is dit een abuis; nimmer vernam ik dat 
wetgeleerden rondtrekken om onderwijs te geven. 

Bladz. 377, reg. 3 en 4 v. b., staat: Het blijkt mij echter 
niet of zijn gezag zich ook uitstrekt over de Soeranatas. 
De Soeranata's behooren tot de Kaoems ei. staan der- 
lialve onder den pangoeloe. 

Bladz. 378, reg. 2 v. b., staat: /// Oost- Java heeten de 
dorpspriesters veelal modins. Ook in Midden-Java wordt 
de dorpspriester modin genoemd. 

Bladz. 379, reg. 8 en 7 v. o., staat: Ook de djakat wordt. 



zegt men, in den laats ten tijd strenger dan vroeger 
geïnd. In Midden- en Oost-Java wordt de djakat niet 
zoo streng meer geïnd als vroeger. 
Bladz. 381, reg. 12 en 13 v.b., staat: de tweede met zons- 
ondergang. De tweede heeft plaats na het asargebed, 
van ongeveer vier uren 's namiddags tot vóór het magrib- 
gebed bij zonsondergang. 
Bladz. 381, reg. 11 en 10 v. o., staat: Aan weinigen valt 
het voorrecht te beurt om tot tammat ngadji, d. i. volleerd, 
te worden verklaard. Onder tammat ngadji wordt ver- 
staan den Koran geheel te hebben doorgelezen. Kinderen 
*van 7 of 8 jaar, die den Koran beginnen te lezen, hebben 
in den regel 2 tot 4 jaren noodig eer zij dien hebben 
doorgelezen. 
Bladz. 382, reg. 8, 7 en 6 v. o., staat: en de dessa^s wier 
bevolking door hare opbrengsten en heerendiensten in de 
behoeften van die priesters moet voorzien, worden perdi- 
kan-dessa^s geheeten. De perdikan-dessa's zijn vrij ge- 
steld van alle Gouvernements-belastingen en staan na- 
genoeg gelijk met particuliere landen. De hoofden van 
de perdikan hebben op sommige plaatsen vaste aandee- 
len in de sawahs, waarvan de opbrengst verdeeld wordt 
onder al de priesters in die dessa's waarvan de sawahs 
bewerkt worden door de bevolking, terwijl sommigen 
een deel krijgen van de opbrengst der door de bevolking 
geplante rijst. 
Bladz. 387, reg. 17 en 16 v. o., staat: en daarom heet op 
Java ook een voor loon dienende Miffelhoeder santri. De 
bufFelhoeder wordt in deze streken en, zoover mij bekend 
is, overal, pangon genoemd; santri zijn speciaal leerlin- 
gen van Godsdienstbeoefenaars. 

Daarentegen noemt men wel eens santri degenen die, 
zonder hadji of priester te zijn, de voorschritten van 
den Koran stipt opvolgen. 
Bladz. 388, reg. 14 v. b., staat: onder een kelorboom be- 
graven. Lees: kélor. De begraving onder een kelor- 
boom kan plaatselijk zijn, doch algemeen is zij niet. 
Bladz. 389, reg. 2 v. o., staat: het begin der waktoe' s 
aangekondigd des morgens te half vier, op den middag, 
des namiddags te Jialf vier, bij zonsondergang en des 
avonds te half acht. Het begin der waktoe's wordt 
aangekondigd als volgt: 

de soeboeh, >>J^^, omstreeks vier uren des morgens, of 

zoodra men eenigszins de schemering in oostelijke richting 
bespeurd heeft; deze waktoe duurt tot vóór zonsopgang; 
de Idohor, ^^, op den middag ; deze waktoe duurt 
tot ongeveer halt drie of tot dat de zonneschadujv even 
lang is als de persoon; 



8 



AANTEEKENINGEN OP HET EERSTE DEEL VAN „JAVA. 



»» 



de ngasar, ^:, omstreeks drie uren; de waktoe be- 
gint op het tijdstip dat de schaduw langer is dan de 
persoon en duurt tot even vóór zonsondergang, dus on- 
geveer zes uren ; 

de magrib, ^^^^«j met zonsondergang, dus omstreeks 

zes uren; zij duurt tot dat het laatste avondrood ver- 
dwenen is; 

de ngisa, l^, ongeveer te zeven uren; de waktoe 
vangt aan zoodra de laatste schemering niet meer 
zichtbaar is en duurt tot ongeveer twee uren des nachts. 
Het verschil in tijd door de lange en korte dagen is 
oorzaak dat de uren des gebeds slechts bij benadering 
zijn aan te geven. 

Bladz. 390, reg. 5 en 6 v. b., staat: Nog wordt te Soera- 
karta de trom ook te middernacht geslagen. Het slaan 
van de trom te middernacht geschiedt op Java overal; 
men noemt dit bedoeg ddwa. 

Bladz. 391, reg. 2 t/m. 13 v. b., staat: De vrijdag'gods- 
dienswefening moet in de moskee gehouden worden^ en 
heeft dus geen plaats waar de bevolking te klein is voor 
zulk een gebouw ; zij moet zoo vroeg gehouden worden^ 
dat er tijd voor het middaggebed overblijft^ binnen den 
wettigen daarvoor gestelden termijn. Samensmelting met 
het middaggebed is niet geoorloofd. Daarom schijnt op 
Java de aankondiging van het vrijdaggebed soms reeds 
te tien uren des voormiddags plaats te hebben, — Voor 
U overige is de vrijdag der moslemen noch met den sabbat 
der Joden noch met den zondag der Christenen gelijk te 
stellen; hij is geen rustdag en onderscheidt zich door- 
gaans van de andere dagen door niets dan de beschreven 
godsdienstoefening. Het vrijdaggebed is een vervanger 
van het middaggebed (Idohor) en heeft daarom ook 
plaats tegen den middag, het verschil is alleen, dat het 
vrijdaggebed in de moskee moet worden gehouden, 
omdat aldaar gepreekt wordt; door die preek echter wordt 
het gebed tot op de helft verkort. Bidt men op vrijdag- 
middag te huis, dan is het gebed hetzelfde als op andere 
dagen ; maar men mag niet op hetzelfde tijdstip bidden 
waarop in de moskee wordt gebeden, dus in stede van des 
middags te 12 uren eerst tegen één ure. Het bidden in 
de moskee op vrijdagmiddag is verplichtend, nl. men 
begaat een zonde door niet in de moskee te gaan bid- 
den; maar door te huis te bidden heeft men aan den 
mohammedaanschen plicht voldaan. 

De aankondiging van het vrijdaggebed geschiedt om 
10 en II uren des voormiddags; dit kan men gelijk stellen 
met het luiden der klokken der christelijke kerken op 
zondag, vóórdat de kerk begint. 



Men beschouwt den vrijdag als een heiligen dag ; vol- 
gens het mohammedaansch geloof is die dag de koning 
der dagen; en omdat er vele menschen naar de kerk 
gaan, worden de vrijdagen beschouwd als rustdagen en 
ziet men dan ook de meeste werkplaatsen, vooral van 
godsdienstige personen, op dien dag gesloten. 

Voor de inlandsche hoofden vervalt de vrijdag eeni- 
germate als rustdag, omdat de Ëuropeesche bureauxniet 
gesloten worden ; terechtzittingen evenwel worden op dien 
dag niet gehouden. 

Bladz. 392, reg. 8 en 9, staat: maar wordt op Java zeer 
dikwijls soera genoemd. De Javanen noemen die maand 
altijd soerd, alleen Arabieren en Oelama's noemen haar 
Moeharam. 

Bladz. 393, reg. 4, 3 en 2 v. o., staat: Ik vermoed^ dat 
ook in de verschillende regentschappen der Gouver ne- 
men ts landen zulke dikirs in de hoojdmoskee gehouden 
worden. De dikir moeloed of maoeloed wordt overal 
gehouden, zoowel in de boofdraoskee als in de moskeeën 
der verschillende districten, ja zelfs in de moskeeën van 
groote desa's en bij sommige vrome personen in hunne 
huizen. 

Bladz. 394, reg. 9 en 8 v. o., staat: Vooral neemt men een 
maaltijd bij het aanbreken van den dag. Het ochtend- 
maal of sanoer gedurende de vastenmaand wordt op 
Java uiterlijk om half vier uren of vóórdat de ochtend- 
schemering te zien is, gehouden. 

Bladz. 394, reg. 7, 6 en 5 v. o., staat: en waarvc^n het 
tijdstip in de vorstenlanden door een teeken op de trom 
wordt aangegeven. De trom wordt in de vastenmaand 
vanaf middernacht tot ongeveer half drie uren overal, 
zoowel in de vorstenlanden als gouvernementslanden, ge- 
slagen ; het is een teeken, dat gedurende die drie uren 
etens- of sahoertijd is ; na drie uren wordt over het al- 
gemeen niet meer gegeten, uit vrees dat de schemering 
de etenden mocht overvallen. 

Bladz. 394, reg. 3, 2 en i v. o. staat: Is de verhindering 
een tijdelijke ^ dan haalt men de verzuimde vastendagen 
op een anderen tijd des jaars in. De vrouwen, die in de 
vastenmaand de maandelijksche zuivering hebben gehad 
en dus niet mogen vasten, moeten van den 2'" tot den 
7"" dag van de maand sawal boeten. Deze zesdaagsche 
vasten doen sommige vrome mannen ook mede, omdat 

deze soennat^ Juu,, (het is een weldaad wanneer men 

het doet) is. 

Het einde van de zesdaagsche vasten, dus de 8* dag 
van de maand, wordt op de gouvernementslanden meestal 
gevierd en men noemt dien dag bakda sawal, In deze 



AANTEEKENIKGBN OP HET SBHSTE DEEL VAN „JAVA 



91 



Streken wordt die dag met het eten van ketoepat of koe- 
pat, gekookte r^st in gevlochten klapperbladeren, ge- 
vierd. 

Bladz. 395, reg. 14 t/m. 19 v. b., staat: de vorsten en 
hoofden houden op sommige dagen dier maand op de 
aloen-aloen vóór hunne woning uiideelingen van spijzen 
ten behoeve der armen^ die onder den naam van male* 
man bekend zijn. Dit. heef t plaats op den avond van den 
2x'"j 23*", 25*", 27*" en 29*" dag. De vorsten, hoofdenen 
ieder g^oede Javaan geeft een offermaal (maleman) op 
den vóóravond van den 20*", 22", 24"*, 26*" en 28*" dag 
der vasten ; de Javanen noemen die avonden, den 21", 
23*", 25*", 27*" en 29*°, omdat de dag bij de mohammeda- 
nen begint na zonsondergang. Die vij f offermalen worden 
door de meeste Javanen slechts eens gegeven, b. v. de 
een geeft het op den 21*" en de andere op den 27*" dag. 
Primitief was het doel om een maal te geven ten be- 
hoeve der armen, doch dit geschiedt nu niet meer, wor- 
dende zulk een offermaal thans genuttigd door de fami- 
lieleden, vrienden en kennissen. De vorsten en sommige 
reenten geven die malen in hunne pendopo*s en ook 
op de pasébans of balémangoe's. 

Bladz. 395, reg. 9 en 8 v. o., staat: dan wenscht men el- 
kander geluk, dat de bezwaarlijke tijd der vasten is 
voorbijgegaan. Op den ochtend van den i*" sawal gaan 
de jongeren aan de ouderen, de minderen aan de meer- 
deren, en de inlandsche hoofden in groot kostuum aan 
hunne regenten den knie- of voetkus brengen, ten einde 
vergiffenis voor begane fouten te vragen, terwijl gelijke 
personen, geen tamilie of chef zijnde, elkaar op de wijze 
der Arabieren de hand (salaman) geven. In de vorsten- 
landen worden grebeks (groote festiviteiten) gehouden, 
waarop inlanders en Europeanen hunne opwachting bij 
den Soesoehoenan en Sultan maken. Ook bij de Regen- 
ten komen op dien dag de Europeesche ambtenaren 
en andere ingezetenen om hun geluk te wenschen met 
het eindigen van de vasten. Het is eigenlijk de dag 
waarop Mohammad in Mekka terugkeerde, na eene 
maand (den duur van de poeasa) in een spelonk te 
hebben vertoefd. Zijne terugkomst bracht algemeene 
vreugde te weeg, welke zich openbaarde doordat de be- 
volking zich in feestgewaad uitdoste, hem geluk wenschte 
en vergiffenis vro^ voor begane fouten. 

Bladz. 395, reg. 6, 5 en 4 v. o., staat: dan zondert men 
van den voorhanden voorraad padi {rijst inhetstroo) de 
pitrah afy eene hoeveelheid van omstreeks vier katfs. De 
jntrah is eene verplichte gave voor ieder, en bestaat in 
eene hoeveelheid van vijf kati*s bras (gepelde rijst) ; de 



inlanders geven die aan de priesters en de priesters geven 
hun pitrah^s aan hoogere priesters, of wel aan de armen. 

Bladz. 396, reg. iot,/ro \^v,\i,y^Z2X\ De feestviering wordt 
dagen achtereen, tot omstreeks het midden der maandy 
voortgezet; maar nauwgezette Javanen keer en, als de 
eerste dag der tiende maand sawal^ van 7 Arabische 
sjawwdl, voorbij is, tot de vasten terug en volharden 
daarin tot den zevenden. De feestviering geschiedt slechts 
ééns, nl. op den i*" sawal, doch tot den 7* sawal worden 
bezoeken van jongeren aan ouderen, van minderen aan 
meerderen gebracht; vrij algemeen is dit de regel, waarop 
wellicht uitzonderingen zijn. Wat aangaat het vasten tot 
den 7'° dag van de maand sawal, daarop is van toepassing 
de aanteekening betrekking hebbende tot bladz. 394. 

Bladz. 396, reg. 9 v. o., staat: de garebeg besar of labaran 
hadji, In de Vorstenlanden wordt die dag gareb^ besar 
en in de Gouvemementslanden bakdd besar geheeten. 
Dit laatste beteekent het einde der tweedaagsche vasten, 
daar die feestdag door twee dagen vasten voorafgegaan 
wordt. Op dien dag worden de bedevaartsgangers te 
Mekka, na aan de formaliteiten voldaan te hebben, als 
hadji aangenomen. 

Bladz. 397, reg. 3 en 2 v. o., staat: en de maandelijksche 
op de zoogenaamde witte dagen, d. i, op den 13*" i4**' 
en IS***" der maand. Deze vasten zijn in deze streken 
(Midden-Java) niet bekend. 

Bladz. 398, reg. i, 2 en 3 v. b., staat: Bijzonder aan lava 
eigen is het vasten op den geboortedag, dat bij vele 
aanzienlijke Javanen te Soerakarta in gebruik is. Deze 
vasten is niet algemeen; te Soerakarta geschiedt dit 
slechts bij voorname vorsten, die het door de priesters 
laten doen. 

Bladz. 406, reg. 3 t/m. 11 v. b., staat: Gewoonlijk echter 
vestigen zich de hadjfs niet op een bepaalde plaats, mcuir 
reizen zij van dessa tot dessa, het drijven van handel 
met allerlei vrome verrichtingen verbindende. Zij genezen 
zieken door tooverkunsten en sympathetische middelen, 
verkoopen djimats, meestal in met koranspreuken beschre* 
ven briefjes bestcuinde en als talismans tegen ongeluk» 
ken gedragen, bidden voor kranken en afgestorvenen, en 
persen door de belofte van voorbidding niet zelden de 
arme bevolking kleine geschenken af. Mogelijk zijn dit 
excepties, doch voor zooverre mij bekend is, vestigen de 
hadji's zich als gewone inlanders. 

Er zijn enkele bejaarde en vrome hadji's, evenzeer als 
bejaarde personen die geen hadji*s zijn, die djimats 
verkoopen en zieken door tooverkunsten trachten te 
genezen, enz., doch bij uitzondering. — In de dessa's 

2 



lO 



aavtebkeningen op het m:r$te deel van „JAVAj 



1> 



waar slechts één of twee hadji's wonen, leven zij ten 
koste van de bevolking, nl. wanneer zij door de dessa- 
hoofden aangesteld worden tot modins; soirmigen geven 
onderwijs aan kinderen in het lezen van den Koran. In 
dessa's waar vele hadji's woneu, laat de bevolking hen 

r meer of min aan hun lot over, en wel omdat door de 
gemakkelijke communicatie met Aiabie het aantal ha- 
dji's zoodanig is toegenomen, dat hun invloed op de 
bevolking daaronder geleden heeft. 

Bladz. 425, r^. 2 v. o., staat: Dewata tjengkar. Hier 
bekend onder den naam van Dew&ti djêngkar. 

Bladz. 453, reg. 15 v. b., staat: Achter den dalang staan 
de instrumenten voor de muzikale begeleiding. Meer aan 
de rechterzijde van-, dan achter den dalang staan de 
instrumenten voor de muzikale begeleiding. 

Bladz. 453, reg. i v. o., staat: of verzilverd. Ta) worden 
verguld of in de dessa's bij gebrek aan verguldsel geel 
geverwd, doch nooit verzilverd. 

Bladz. 455, reg. 7 en 6 v. o., staat: De wajang wong 
wordt gewoonlijk alleen door vrouwen gespeeld. De wa- 
jang wong wordt ook door mannen gespeeld, en de 
vrouwenrollen in den regel ook door mannen vervuld. 

Bladz. 460 en Bladz. 461, reg. 10 v. b. t/m. 14V. b., komt 
een beschrijving van den dalang voor. Deze beschrijving 
is meer speciaal van toepassing op de Vorstenlanden. 
In de Gouvemementslanden zijn de dalangs niet zoo 
bekwaam meer als vroeger, daar er geen moeite meer 

. gedaan wordt om personen die daarvoor aanleg hebben, 
zich te laten oefenen, en is thans het gehalte der da- 
langs zeer achteruitgegaan.. 

In deze streken beschouwen de dalangs hunne werk- 
zaamheden niet meer als heerendienst en vorderen dus 
geld. De Vertooning bij een inlandsch hoofd werd vóór 
de afkondiging van Staatsblad 1867, N®. 122, als heeren- 
dienst beschouwd, doch nu niet meer. 

Bladz. 464, reg. 5 en 6 v. b., staat: doch is het eenvrouw^ 
dan is de boezem omsluierd door de om den hals han- 
gende katoenen of zijden sjerp. De vrouw draagt eerst 
een „kembën", een katoenen of zijden band over hare 
borst, reikende van af den buik tot onder de armen, welke 
band omsluierd wordt door de om den hals hangende 
katoenen of zijden sjerp. 

Bladz. 464, reg. 8 en 9 v. b., staat: en aan de beenen is 
boven den enkel een rood bandje bevestigd^ waarcuin eenige 
schelletjes hangen. In den regel wordt een zilveren of 
gouden band met schelletjes, krontjong geheeten, boven 
de enkels gedragen. 

Bladz. 464, reg. 8, 7 en 6 v. o., staat : In ieder geval 



• wordt het gebouw met guirlandes van groen, araperien^ 
trossen pisang en andere vrtuhten versierd. De versiering 
van het gebouw met guirlandes van groene drapericn, 
trossen > pisang en andere vruchten, geschiedt niet voor 
de topèng, maar ter eere van het huwelijksfeest, waarbij 
de topèngvoor$telling plaats heeft. 

Bladz. 469, reg. 12 v. o., staat: Zij noemen den eersten 
helder. De selèndro heeft helderder en hooger tonen. 

Bladz. 469, reg. 10 v. o., staat: de toonsoort pèlog iets 
teeders heeft. De pèlog heeft iets teeders en lage tonen. 

Bladz. 470, reg. 7 v. o., staat: en is doorgaans uit het 
zeer harde geelkleurige nangkahout vervaardigd. In de 
dessa's gebruikt men de pompoenen van nangkahout, 
doch de beste rebabs zijn die welke gemaakt zijn van 
een zeer grooten doorgesneden klapperdöp. 

Bladz. 471, reg. 18 v. b., staat: Het instrument wordt met 
beide handen getokkeld. De tjelempoeng wordt bespeeld 
met de beide duimnagels en voor dempers worden de 

- wijs- en middelste vinger gebruikt. 

Bladz. 474, reg. 15 t/m. 19 v. b., staat: Een zeer groote 
gong, enz. Ongeveer 18 jaar geleden werd te Solo een 
nieuwe soort van gong, kemadong geheeten, in gebruik 
gebracht. Deze bestaat uit een langwerpig vierkante kist 
van omstreeks 0.80 bij 0.40 meter en eene diepte, van 
ongeveer 0.28 meter, waarin twee ronde bolvormige aar- 
den potten, met kleine openingen aan den bovenkant, 
geplaatst zijn. 

Daarop wordt een stuk leer gespannen, dat, aan de 
kanten van de kist vastgespijkerd, ter hoogte van de 
openingen der aarden potten ook van twee kleinere 
gaten voorzien is. 

Boven elke opening worden koperen platen, evenals 
bij de gëndèr, van ongeveer 0.40 m. lengte en 0.13 m. 
breedte, elk met een knop in het midden, gehangen. 
Deze platen hangen op zes ijzeren bouten, welke zich 
bevinden in de vier hoeken en in het midden. Wanneer 
de platen zuiver zijn aangebracht, en tegelijk geslagen 
worden, dan is de klank gelijk aan een groote gong 
van / 200. — waarde. 
Bladz. 474, reg. 12 v. o. staat: Krhma. In den regel 

- worden die krimang genoemd. 

Bladz. 476, reg. 7 v. b., staat: tjara Bali. Dit wordt altijd 
uitgesproken tJara balen. 

Bladz. 481, reg. 11 t/m. 15 v. b., staat: Is zij eenmaal de 
wijze machtig, dan maakt zij er zelve bij elke voorko, 
metide gelegenheid de woorden op, doorgaans bestcuinde 
in zoogenaamde wangsallans, die uit eene raculselachtige 
zinspeling, onmiddellijk door eene verklaring gevolgd, 



AAKTESKEKINGEN OP HBT^^EEHSTE DEEL VAV „JAVA 



>» 



It 



^staan. De Javaansche danseressen kunnen geene Ja- 
vsumsche wangsallans maken, daar dit in den regel niet 
gemakkelijk is; ze worden doorgaans samengesteld door 
geletterde personen. 

Wellicht worden in de Soenda- en Madoerasche lan- 
den de wangsallans door de ronggengs zelven gemaakt, 
even als in Midden-Java in het volgende geval. Wan- 
neer een liedje voot de gamelan gecomponeerd ^wordt, 
afkomstig van vreemde poëzie, hetzij Maleisch of Chi- 
neescfa, dan zingen de ronggengs Maleisch, en in dat ge- 
val worden de woorden doo^ haar zelven gemaakt, om- 
dat het laag Maleisch dat hier gesproken wordt, eene 
samenstelling is van verschillende talen. 

Bladz. 481, reg. i2f, 11 en 10 v. o., staat: Want de wel- 
voegelijkheid vordert dat zij den zijden slendang besten- 
dig voor den mond koude^ zoodat men kaar toch moeielijk 
verstaan kan. Dit is zeer juist voor de Gouvemements- 
landen, doch in de Vorstenlanden is dit niet gebruikelijk; 
daar wordt de slendang niet voor den mond gehouden. 

Bladz. 482, reg. 8 v. b., staat: aanzienlijke of tot den ha- 
rem behoorende vrouwen. Niet alleen de aanzienlijke vrou- 
wen, maar ook de vorstinnen en prinsessen dansen mede. 

Bladz. 482, reg. 16 v. b., staat: Of schoon bij deze voorname 
kunstenaressen zang en dans natuurlijk meer verfijnd 
zijn. De serimpi's en bedSjd's zingen bij het dansen 
niet, wordende dit door een mannenkoor verricht. 

Bladz. 483, regel 11 v. o., staat: inzonderheid pij1>aarde en 
kcUksteen, Niet alleen kalksteen, maar ook gips, dat door 
de Javanen „watoe lintang" geheeten wordt. 

Bladz. 484, reg. 13 v. b., staat: (pakoe adjt) onder de 

. varens {pakoe). De Javanen zeggen pakis adji, de varens 
heeten in het Javaansch „pakis". 

Bladz. 484, reg. 14 v. b., staat: {djamboe welanda). Er 
zijn onderscheidene soorten van dj amboe's, doch djamboe 
welanda is hier niet bekend. 

Bladz. 487, reg. i en 2 v. b., staat: terwijl het overblijf sel 
wordt bijeengeschrapt en als pap (tapel) op de lijdende 
plaats gelegd. Tapel wordt als pap of smeersel speciaal 
op den buik gebruikt en heet op andere plaatsen bobok 
of parem. — Bij de mindere Javanen wordt dit gemaakt 
van het overblijfsel van djamoe, doch bij gegoede personen 
wordt de tapel, bobok of parem afzonderlijk bereid. 

Bladz. 491, reg. 11 t/m. 14 v. b., staat: Zij kennen èen 
réal padjeg, die f 3. — ^ een réal kebo, die f 2.90, een 
réal sapi of djaran^ die f 2.70, een réal parentah^ die 
f 2.56, een réal pari^ die f 2.50, een réal batoe, die 
f 2.40 geldt. Réal padjeg is in deze streken niet bekend, 
wat wellicht wel het geval .is in de Soendalanden. 



De réal die hier op Midden-Java geldig is, bepaalt zich 
tot slechts twee. soorten, nl. réaltoewd (oude réal) van 280 
duiten =/ 2.33I/2 en réal batoe van 240 duiten = /2. 

Bladz. 491, reg. 4 v. o., staat: den gulden een djampel. 
Over een gulden sprekende z^ men altijd roepijah; 
•alleen wanneer van een réal sprake is, heet een halve 
réal een djampel. 

Bladz. 491, reg. 3 en 2 v. o., staat; het stuk van tien 
centen een wang. Het stuk van tien centen wordt ge- 
noemd étjé (de naam van een schelpje) en het stuk 
van vijf centen këthip (een oogknip), maar daar er nu 
geene stuivertjes meer in omloop zijn, zoo wordt het 
dubbeltje door verscheidene Javanen ook këthip ge- 
noemd. De naam wang is nog wel in gebruik, maar 
daaronder wordt verstaan tien duiten, en niet een gelds- 
waardig bedrag van tien centen. 

Bladz. 491, reg. 2 v. o., staat: De naam pitjis. De naam 
pitjis schijnt geheel in onbruik geraakt te zijn en is in 
deze streken althans onbekend. 

Bladz. 493, reg. 2 v. b., staat: de hoepit of halve. Een 
halve bouw heet hier loepit. 

Bladz. 493, reg. 3 v. b., staat : de hidoe of achtste^ en de 
ketjrit of zestiende bouw. De namen hidoe en ketjnt 
worden, voor zoover mij bekend is, in de Residentien 
Djapara, Semarang en Rembang niet gebruikt. Wel 
wordt daar de bouw in vijf vakken verdeeld, die kothaks 
genoemd worden, elk van 100 D rijnl. roeden. 

Bladz. 493, reg. 17 v. b., slaat: Als gebruikelijke lengte- 
maten van Java kunnen verder de voet^ de vadem en de 
tjengkal genoemd worden. De lengtematen op Java in 
gebruik zijn de rijnlandsche maat en voorts de tjeng- 
kal of toembak, onder beide namen beantwoordende aan 
12 rijnlandsche voeten. De inlander zelf gebruikt de 
depi (vadem), de kilan (span met den duim en den mid- 
delsten vinger) en de tjëngkang (span met den duim en 
den wijsvinger). 

Bladz. 494, reg. 5 en 4 v. o., staat: De kleinere eenheid 
noemt men een gedeng, een bos of schoof en de helft van 
een gedeng is een belah. Een gedeng heeft twee bossen 
en een bos heet belah. 

De Javaan berekent zijn padi als volgt: een belah is 
een bos, twee bossen maken een gedeng, vier gedengs 

: maken een bawon en zes bawons maken een amët. Het 
gewicht van een amët is overal verschillend; de kleinste 
amet is van ongeveer 200 kati's of twee pikoels en de 
grootste amet omstreeks 500 kati's of vijf pikoels. Een 
half amet wordt woewd of sawoewd en een half belah 
agem of sa-agem geheeten. 



12 



AANTEEKENINGEN op HBT SERSTE deel van „JAVA. 



•* 



Het verschil van gewicht vindt zijn oorsprong in de 
meerdere of mindere grootte der bossen, naar plaatselijk 
. gebruik. 

Wat ter zake in den Regeerings-Almanak staat, kan 
• eene plaatselijke berekening zijn; doch in Midden- Java 
gebruikt men de bovengenoemde berekening van amet. 
Bladz. 495, reg. 15 en 16 v. b., staat: De gewone tnaatin 
den handel is de gantang. De gantangmaat wordt in 
West-Java gebruikt. In Midden-Java bedient men zich 
van andere inhoudsmaten, en in den regel meestal van 
een „dangan*' (van adang, stoomen). Dangan beteekent 
dus zooveel als kooksel, waarvan de hoeveelheid varieert 
van vier tot acht kati's. Sommige rijstverkoopers gebruiken 
ook nog onderdeden van een dangan als volgt: doeni, 
ongeveer 8/4, en saboek, I/2 dangan. — Anderen weder 
bezigen de tjenthak, de maat van een houten kom, die 
ongeveer acht kati*s inhoud heeft. 
Bladz. 496, reg. 16 en 15 v. o., staat: In U Javaansch 
heet de pikol in krama ook rembat en in het algemeen 
datjin. Pikoel in *t algemeen beteekent een schouder- 
vracht, maar bedoelt de Javaan een pikoel van 100 ka- 
ti's, dan zegt hij pikoel datjin of wel alleen datjin; 
spreekt hij daarentegen alleen van een pikoel, dan wordt 
een schoudervracht van verschillend gewicht bedoeld. 
Bladz. 496, reg. 3, 2 en i v. o., staat: Voor het wegen 
van goud is de katti op Java verdeeld in 16 tahils^ de 
tahil in 2 realen^ de reaal in 4 soekoe*Sy de soekoe in 
6 wangs. Voor het wegen van goud is hier de kati 
verdeeld in 10 tails, de tail in 2 realen, de réal in 
2 djampels, de djampel in 2 soekoe*s, de soekoe in 
2 talèns, de talen in 2 bitings en de biting in 6 higa*s. 
Bladz. 497, reg. 3 v. b., staat 1 de tji in tien timbang ver- 
deeld. De timbang wordt door den Chineeschen pachter 
genoemd „hoen**. 
Bladz. 502, reg. 16 t/m. 19 v. b., staat: Voor de week als 
tijdmaat heeft men geen anderen naam dan dien van 
^^even dagetC" en de namen der dagen, waarvan zon^ 
dag als de eerste geldt^ zijn de Arabische, door de Ja- 
vanen verminkt tot ahad, senen^ salasa, rebo^ kemis, 
djoemoengah en saptoe. De Javaansche namen der 7 dagen 
van de week, vóórdat de Arabische namen in gebruik 
kwamen, zijn als volgt: som£, maandag, g&ri, dinsdag, 
boeda, woensdag, rëspati, donderdag, soekra, vrijdagi 
toempak, zaterdag, en dité, zondag. 
Bladz. 507, r^. 16 v. o., staat: mangsa panas of mangsa 
katiga. Op verscheidene plaatsen op Java worden de 
koude nachten en korte dagen, d. i. de maanden Juni 
en Juli, ook genoemd mdngsd bediding. 



Bladz. 508, reg. 14 en 15 v. b., staat: De eklipsen van 
de zon en maan worden door de Javanen aan een zeer 
fantastische oorzaak toegeschreven enz. Het godsdienstig 
verhaal over de eklipsen is als volgt: zon en maan 
worden door duizenden engelen getrokken naar den rand 
van eene modderzee; doch die engelen, ontwarende dat 
er vele zondaren zijn onder de menschen op deze aarde, 
laten zich door hun medelijden daarmede zoodanig ver- 
voeren, dat zij niet meer op den weg letten en met zon 
of maan in den modder vallen. Daarom wordt dan ook 
bij een eklips in de moskee gebeden en gepreekt en 
worden de menschen aangespoord tot stipte naleving 
hunner godsdienstige verplichtingen. 

Bladz. 517, resc. 13 en 12 v. o., staat: dan wordt hij ga- 
dan genoemd. De Javanen noemen dit sawah gadoe. 

Bladz. 517, reg. 5 t/m. 3 v. o., staat: bij sommige schrij- 
vers komen zij onder den ncuim van sawah dalem, d. i. 
diepe sawahs,Yoox. Dalem is Maleisch. Diepe sawahs zijn 
hier onbekend, wellicht worden daarmede bedoeld sawah- 
velden die beplant worden met padi dalem, eene soort 
die van vier tot zes maanden .op het veld staat, en door 
den Javaan „pari djëro" genoemd wordt, in tegenstelling 
van padi gendjah, die slechts drie maanden op het veld 
staat en bij de Javanen „pari gèndjah'* of„pari tjethek** 
heet. 

Bladz. 519, r^. 6 en 7 v. b., staat: maar omovertegcuin 
in den gouden gloed der volle rijpheid. Van de groene 
kleur gaat het gewas over op afwisselend groen met 
witte vlekken, wanneer de aren beginnen op te schie- 
ten; eindelijk wordt het geheele veld zilverwit, en gaat 
daarna eerst over in den gouden gloed der volle rijpheid. 

Bladz. 521, reg. 9 v. o., staat: de tuinploeg door een enkc' 
len bufiel getrokken. Op Midden-Java wordt nooit één, 
doch worden altijd twee buffels voor een ploeg ge- 
spannen. 

Bladz. 522, reg. 7 v, b. t/m. bladz. 523, reg. 12 v. o., 
leest men de beschrijving van het planten der padi enz. 
In Midden-Java worden bij het planten der padi wel 
kleine formaliteiten in acht genomen, doch zoo eenvou- 
dig mogelijk, en in het geheel niet in *t oog loopend. 

Bladz. 524, reg. 21 v. b., staat: Aan het padisnijden neemt 
in, de meeste streken de geheele bevolking deel. Vrij 
algemeen wordt de padi alléén door vrouwen gesneden; 
de mannen snijden alleen dan mede, wanneer er ge- 
brek is aan vrouwen en de padi niet langer op het veld 
kan staan. 

Bladz. 525, reg. i t/m. 4 v. b., staat: Allen die aan het 
padisnijden deel nemen, zijn in feestgewcuid gedost en 



AA^TEEKENINGEN OP HET EERSTE DEEL VAN • JAVA. 



*> 



13 



dragen op het hoofd een van stroo gevlochten en meestal 
bruin met goud gelakten zonnehoed. Wellicht geschiedt 
dit in de Preanger of West-Java, doch in Midden-Java 
kleeden de padisnijdsters zich zeer eenvoudig of dragen 
hare gewone kleeren. 
Bladz. 526^ r^. 15 t/m. 13 v. o., staat: In het algemeen 
rekent men dat de j^di iets fneer dan de helft vanhaar 
gewicht aan zuivere rijst oplevert. Van padi gendjah 
(vro^rijpe padi) verkrijgt men + de helft, doch bij padi 
dalem of pari djëro rekent men op + 60 pCt. zuivere rijst. 
Bladz. 532^ reg. 2 en i v. o., staat: Op fava wordt de 
mals op tegalveideny soms ook in kleine tuinen bij de 
woningen verbouwd. Dikwijls plant men ook mals op 
sawahvelden als tweede gewas, en wel zoodra de kente- 
rings-buien beginnen te vallen, d. i. in September, Oc- 
tober en November, en oogst die 60 tot 80 dagen daar- 
na; na den oogst worden die velden op nieuw bewerkt 
voor de rijstcultuur. 
Bladz. 534, reg. i en 2 v. b., staat: Van de graansoorten 
gaan wij over tot de peulvruchteny die onder den alge' 
meenen naam van katjang worden samengevat. De 
ciHndervormige en bolvormige soorten van peulvruchten 
hebben den algemeenen naam van katjang, doch de 
platte soorten, zooals de snijboonen, dien van kara. 
Bladz. 534, reg. 4 t/m. 2 v. o., staat: De Javanen eten 
de zaden geroosterd of op andere wijzen bereid onder 
de namen van katjang goreng^ katjang bondar, enz. De 
zoogenaamde katjang gorèng wordt alleen gemaakt van 
ka^ang tanah, een katjangsoort die knollen voortbrengt; 
de Javanen noemen die katjang pendêm of katjang tjind. 
Gorèng beteekent braden met olie, derhalve wordt katjang 
goreng niet alleen geroosterd, maar gebraden met olie. 

Ër zijn zes k zeven katjang- en tien k twaalf k&rd- 
soorten. 
Bladz. 535, reg. 17 en 18 v. b., staat: in het Soendaneesch 
tales^ in het Javaansch linnjal, Tales is Javaansch, 
doch linnjal is waarschijnlijk Soendaneesch. 
Bladz. 535, reg. 5 en 4 v. o., staat: maar oef enen bij aan'- 
houdend gebruik een nadeeligen invloed op de maag. 
Dat ketèl& voor de maag nadeelig zou zijn valt te be- 
twijfelen. In den regentijd, wanneer de rijst duur en 
schaarsch is, maakt de ketela het hoofdvoedsel uit voor 
de bevolking, terwijl soms in de binnenlanden, bij gebrek 
aan aardappelen, de Europeanen die door ketela doen 
vervangen. 

AUeen de ongekookte ketela is nadeelig voor de maag, 
even als de ongekookte rijst, wanneer men daarvan te 
veel gebruikt. 



Bladz. 536, reg. 4 v. b., staat: Op eene hoogte van 3000 
è 4000 voet gekweekt, In deze streken plant men met 
succes de aardappelen op 1500 voet en daarboven. 
Bladz. 536, reg. 18, 19 en 20 v. b., staat: is hare cultuur 
op fava zeer weinig verspreid en^ naar het schijnt, bijna 
geheel tot Bantam beperkt. De kassave wordt door den 
Javaan genoemd ketèl& pohoeng, wellicht eene verbas- 
tering van „pohon*' (Maleisch, met de beteekenis van 
boom), in tegenstelling van de Javaansche ketela die een 
kruipend gewas is. De kassave wordt in de Residentie 
Japara zeer veel geplant en is eene groote tegemoetko- 
ming voor de bevolking in den duren rijsttijd. Ook in 
de Residentie Samarang wordt daarvan veel verbouwd. 
Bladz. 542, reg. 6 t/m. 3 v. o., staat: Voor eigen gebruik 
teelt de bevolking eenige indigo als pa&widja ; in Tjc 
ribon^ Banjoemas, Bagelen, Kadoe en Madioen geschiedt 
dit hier en daar op wat ruimere schaal en wordt het 
produkt ter markt gebracht, In de Residentie Japara 
wordt tamelijk veel indigo als tweede gewas geplant; 
alleen in het Regentschap Koedoes bedraagt die jaarlijks 
ongeveer 2000 bouws. 
Bladz. 546, reg. 13 v. o., staat: zoo als rawit, tjangak, 
tjabé enz, aangeduid. De zoogenaamde Spaansche peper 
heet in het Javaansch lombok, doch tjabé is geen lom- 
bok-soort, wordende daarmede cubeben bedoeld. 
Bladz. 547, reg. 12 en n v. o., staat: De eerste noemen 
zij rokok en in krama linting, Rokok beteekent cigaar 
en heet in het krdmi ëses. 
Bladz. 561, regel 11 v. b., staat: in laag favcmnsch kram- 
bil. Dit is juist voor de Vorstenlanden en het zuidelijk 
gedeelte van Java; maar aan de Noordkust zegt men 
omgekeerd in laag Javaansch klipi en in krami kram- 
bil. Wanneer de klapper nog jong is en alleen geplukt 
wordt om zijne melk te drinken, heet die in *t Javaansch 
dëgan. 
Bladz. 564, reg. 16 en 17 v. b., staat: In tegenstelling 
met de rietsuiker wordt die van den arenpalm zwarte 
of Javaansche suiker geheeten, Arènsuiker is bruin, doch 
niet zwart. Alle bruine suiker in koeken of kleine potten, 
zoowel van aren als van riet afkomstig, wordt door den 
inlander Javaansche suiker (goeli djiwS.) genoemd, in te- 
genstelling met witte greinige suiker, goeli pasir geheeten. 
Bladz. 564, reg. 2 v. o., staat : de dodol, eene groente door 
de jonge bladknoppen geleverd. Onder den naam van 
dodol verstaat men in deze streken (Midden- Java) een 
soort van gebak, gemaakt van ketan, rijst en suiker, in 
kleine koekjes gesneden en in aren-, klapper- of bamboe- 
bladeren opgerold. 



14 



AANTEEKEKiNOEN eP- hét-eerste deel van „JAVA. 



.". 



De Jonge bladeren, hier bedoeld, worden gedroogd, 
vervolgens verdund en verfijnd door ze met een mes af 
te krabben, en doen dan dienst als cigarettes. 

Het palmiet of de zachte top van den stam wordt 
gegeten, maar het moet eerst goed gekookt worden, om- 
dat het zeer scherp is. De vrucht, kolang-kaling geheeten. 

• die mede zeer scherp is, wordt, wanneer zij nog zeer 
jong is, eerst met de schil in het vuur gedaan totdat 
het binnenste geheel gaar is, daarop geschild en het 
zachte binnenste gedeelte gekookt en gewasschen, daarna 
wordt zij geconfijt, of wel in kleine stukjes gesneden 
en met stroop gebruikt. Het binnenste van den boven- 
stam, dat ietwat zacht is, wordt in stukjes gehakt, 
daarna gestampt 'en het gestampte in een pot water 

• gezet, 'vervolgens gewasschen, gezift en geperst. Laat men 
het water daarvan staan, zoo krijgt men er meel van, 
dat men in deze streken „pathi aren" noemt. Dat 
meel wordt als pap gieten en soms opnieuw gezuiverd, 
en wordt alsdan door sommige personen sagoe genoemd. 

• Veelal wordt die sagoe tot voedsel voor een dysenterie- 
lijder gebruikt. 

De gehakte en afgeperste stam wordt in deze Resi- 
dentie in een kuil geplaatst en gedekt met bladeren of 
stroo, daarna nu en dan begoten (zoo mogelijk met het 
water waar men den gehakten stam mede had gewasschen) 
om hem vochtig te houden, en eenige dagen daarna 
krijgt men de heerlijkste champignons, die de Europee- 
sche evenaren. 

'Bladz. 565, reg. 6, 7 en 8 v.b., staat: In de Soendalanden 
is deze boom onder den naam van kir ai algemeen bekend, 
In de Residentie Japara is deze boom bekend onder 
den naam van resoeli en worden, vooral in het Regent- 
schap Koedoes, van de bladstelen daarvan een soort van 
matten gemaakt, die ook elders aftrek vindt, 

Bladz. 566, reg. 15 v.b., staat: die zich zetten tot kantige 
driehoekige i) vruchten. Ook zijn er vele die eene cihn- 
dervormige gedaante hebben. 

Bladz. 567, reg. 7 en 8 v.b., staat: van de vruchten van 
den larak. De Javaan zegt lirak. 

Bladz. 568, reg. 8 v. b., staat: gebezigd worden om de na- 
gels oranje te verwen. De kleur van deze stof is rood ; 
de algemeene ■ naam van deze plant is patjar, wor- 
dende evenwel wel eens gesproken van patjar koekoe en 
patjar dj^wd in tegenstelling van patjar tjind (chineesche 



i) Deze opmerking zou waarschijnlijk niet gemaakt zijn, indien 
niet de schrijver driehoekige had gelezen voor het hem wellicht eenigs- 
zins vreemde woord driekokkige. 



patjar), dié tè Batavia tjoeli-tjoeli heet. De bladeren van 
die patjar worden fijn gemaakt en gebruikt als middel 
om wonden en kneuzingen te genezen. 

Bladz. 56^3, reg. 14 v. b., staat: de peté en reg. 19 v. b., 
djengkol. Deze twee boomsoorten groeien in het ge- 
berfifte; voorname inlanders gebruiken de pëté slechts 
zelden en de djengkol bijna nooit In de Preanger-of 
Soendalanden daarent^en is het gebruik van peté en 
djengkol meer algemeen^ ook bij voorname personen. In 
Oost- Java groeien deze boomen niet. 

Bladz. 568, reg. 10 t/m 7 v. o., staat : De blcuieren en on* 
rijpe peulen worden door geringe lieden als groente 
gegeten^ en de wortelschors, die in reuk en smaak met 
onzen mierikswortel overeenkomt^ wordt als specerij bij 
vleesch en visch gevoegd, In Midden- Java eten ook de 

" voornaamste personen de jonge bladeren, onrijpe peulen 
en bloesems van de kélor als groente. De wortelschors, 
met azijn fijn gemaakt, dient als mosterdpap bij zieken. 
De oude bladeren, ook met azijn fijn gemaakt, gebruikt 
men tegen de koorts en het geheele lichaam van koorts- 

• lijders wordt daarmede ingewreven. 

Bladz. 570, reg. 7 t/m 10 v. b., staat: De bawangofuien 
en de brambang' of knoflook ^ beide van uitheemschen 
oorsprong^ maar op vrij groote schaal op een hoogte van 
minstens 4000 voet in het gebergte gekweekt. De knof^ 
look heet bij den inlander bawang en de uien brambang. 
De eerste groeit op minstens 1500 en de laatste op 
150 voet; aan den voet van het Moria- gebergte wordt 

^ daarvan veel verbouwd. 

Bladz. 571, reg. 6 v.b., staat: de djamboe bidji of goectve- 
boom. De Javaan noemt deze soort djamboe klèthoek of 
•kloethoek. 

Bladz. 571, reg. 13 v. b., staat: boeah saoe. De Javaan 
zegt sawi. 

Bladz. 571, reg. 15 v. b., staat: boeah nona. De Javaan 
zegt menowS, of moelowS. 

Bladz. 572, reg. 12 v. b., staat: De djamboe ajer mawar, 
In de Vorstenlanderi wordt die genoemd djamboe aroem, 

• dat welriekende beteekent, en in de Gouvernementslanden 

• djamboe ajer mawar, in navolging der Maleiers. 
Bladz. 572, reg. 14 v.b., staat: djamboe bol. De eigenlijke 

naam is djamboe darsSni; die naam wordt ook aan 
het hof gebruikt. In de Gouvernementslanden wordt deze 
soort djamboe bol genoemd, omdat zij over het alge- 
meen in kleur en vorm gelijk is aan een endeldarm, 
die bol geheeten wordt. 
Bladz. 572, reg. 16 v.b., staat: de djamboe semarang. De 
naam van deze djamboe is klampak ; zij wordt te Semarang 



AANTEEKENIKGEN OP RBT EERSTE DEEL VAK 9JAVA 



f> 



IS 



. zeer veel verkocht^ en daarom wel eens djamboe Sema- 
- rang genoemd. 

Blads* 57.3» reg. 8 v. o. staat : Dt gajam of gajang is een 

harte y zware boem. De gajam is een vrij groote, zware boom. 

^Azèz. 573^^ reg. x v.b. staat: De kloewak. De kloewak 

' groeit ook aan den voet van het gebeide op ongeveer 

. 50 voeten hoogte. Ter bereiding van deze vrucht wordt 

die eerst in asch gewikkeld, gedurende ongeveer tien 

dagen in den grond bedolven en daarna goed gekookt. 

Bladz. 573, reg. 4 t/m 8 v. b., staat: De naam balim- 

bing omvat twee soorten van dit geslacht. Beide zijn 

zure vruchten^ vooral to^ spijsbereiding gebruikt. Wellicht 

zijn deze blimbing-soorten alleen voorhanden in West- 

Java oi de Soendalanden. De blimbing van Midden- 

Java is, wanneer ze rijp is, zoet en saprijk. De beste 

soort komt uit Demak, waar ze veelal een oranje of gele 

kleur heeft. 

De zure blimbing noemt de Javaan blimbing woeloeh 
of blimbing keris, omdat die dikwijls gebruikt wordt 
om de keris schoon te maken; tevens dient zij tot 
spijsbereiding. 
Bladz. 574, reg. i v. b., staat: De boeni of hoeni. De Ja- 
vanen noemen die woeni; hoeni is wel Javaansch maar 
beteekent „voorheen." 
Bladz. 574, reg. 8 en 9 v. b., staat: Onder den naam van 
djeroek vat de Javaan de verschillende soorten van 
oranjeappelen en citroenen samen. De namen der ver- 
schillende soorten van djeroeks hierin genoemd, zijn 
meestal Maleische namen. De Javaansche namen daar- 
van zijn als volgt : de zure soorten : djeroek petjël voor 
de kleine, boetoen voor de grootere en kalès voor de 
grootste soort; de zoete soorten: djeroek bali, goeloeng 
en matjan voor de groote soorten, ook wel genaamd 
pompelmoes, djeroek 1^ of manis, ook genaamd djeroek 
lawé of patjitan, keprok, wedoes en koewik voor de 
kleine soorten, èn djeroek poeroet, sengir, karangèan of 
kingkit en randjam voor de geurige soorten. 
Bladz. 574, reg. 21 t/m. 24 v. b., staat: De doekoe of 
langsep^ MaL langsaty is een kleine vijfhokkige vrucht^ 
alleraangenaamst van smcuzk^ mits wen zorge de uiterst 
bittere schil met zorg te verwijderen. De doekoe, langsep 
en kokossan zijn van dezelfde familie, doch zijn zeer 
verschillend. De doekoe is de zoetste soort en heeft ook 
de dikste schil; aan den boom hangen de doekoes in 
trossen van hoogstens tien vruchten. 

De langsep is sappiger en rinscher, heeft een dunnere 
schil, en grootere trossen van tien tot veertig vruchten, 
die zeer dicht aaneen zitten. 



De kokossan is het sappigst en meest rinsch, heeft 
een zeer dunne schil en trossen van ongeveer honderd 
vruchten, die zeer dicht aan elkander groeien. De pitten 
van deze drie soorten zijn zeer bitter, doch niet de schil. 

Bladz. 578, reg. 5 t/m. 7 v. b., staat: J^ij weten reeds dat 
de Javanen de visch zelden versck, maar doorgcmns ge^ 

' droogd of op eenigerhande wijze verduurzaamd nuttigen. 
De Javanen nuttigen zeer gaarne versche visch, op 

• plaatsen waar die gemakkelijk • is té krijgen ; zeer veel 
ook wordt de visch gedroogd en gezouten, meestal voor 
vervoer naar de binnenlanden, waar men geen versche 
visch kan krijgen; wijders wórdt gedroogde visch ge- 
bruikt als verduurzaamde toespijs in tijden dat men niet 
kan visschen. 

Bladz. 578, reg. 15 v.b., staat: die eene der meest gewone 

' toespijzen bij de rijst zijn. De trasi wordt zelden bij 

de rijst als toespijs genuttigd, doch meestal vermengd 

met sambel, fijn gemaakte lombok, ook met op zijn 

Javaansch klaar gemaakte groenten en andere spijzen. 

Aan de noordkust van Midden-Java, speciaal in de 
Residentie Rembang, wordt ook een extract bereid uit 
visch en uit garnalen dat men pëtis noemt. De bereiding 
daarvan is als volgt: men kookt garnalen of visschen, 

- en de bouillon daarvan vermengt men met zout, waar- 
na men ze laat verdampen, totdat zij eindelijk een vrij 
harde pap wordt, die men petis noemt. De uitgekookte 
garnalen en visschen worden gedroogd en verkocht. 

Nog verkrijgt men een soort van petis uit vleesch en 

- op dezelfde wijze bereid als visch, in den trant van het 
zoo bekende Liebig*s vleeschextract. 

Behalve in Soerakarta, waar dit in groote hoeveelheid 

• gemaakt en genuttigd wordt, komt het overigens zel- 
den voor. 

Bladz. 581, reg. 5 en 4 v. o., staat: Zij heeftpkuits deels 
in vijversy in het Javaansch pengempan. Pengempan is 
geen Javaansch; wellicht is het Mal. panempang be- 
doeld. Vijver is in het Javaansch baloembang. 

Bladz. 583, reg. 3 en 4 v. b., staat: De weinige schapen^ 
doorgcuins onder denzelfden Javctanschen naam begre' 
pen of ter onderscheiding wedoes damba genoemd, Wedoes 
Ng., roindi Kr. is een algemeene benaming van geiten 
en schapen. De Javanen noemen de geit wedoes djiwd 
Ng., minda djawi Kr., en het schaap wedoes of mindd 
gibas of doemba. 

Bladz. 585, reg. 9 v. o., staat: oeser-oeseran, In het Ja- 
vaansch is het oenjëng-oenjëngan. 

Bladz. 591, reg. 15 v. b., staat: vooral in Midden- Java^ 
ook van den gomrijken kctdongdong. De gomrijke boom 



x6 



AANTEEKENIVGEN OP HET EERSTE DEEL VAN „JAVA. 



»» 



die aan weerszijden van den weg geplant is, wordt 
in *t Maleisch koeda-koeda geheeten, en in het Javaansch 
kajoe koeda of kajoe djaran. 

Bladz. 596, reg. 12 t/m. 9 v. o., staat: de komvormig uiU 
geholde steenen^ waarin de samhel enz. wordt fiinge* 

. wreven. De sambel wordt fijngewreven op een diep en 
dik aarden bord, dat tjowèk (Jav.) of tjobèk (Ml.) ge- 
heeten wordt. 

adz. 598., reg. 13 t/m. 10 v. o., staat: De tot de tnagno- 
liaceein behoor ende tjamtakahootn^ van wiens zwart hout 
men fraaie scheeden voor wapenen en^ zoo men stukken 
van voldoende grootte kan vinden^ zelfs meubelen ver- 
vaardigt^ De tjempaka (Ml.) of tjepakd (Jav.) is een 
witte en broze houtsoort, waarvan noch wapenscheeden 
noch meubelen vervaardigd worden. 

Badz. 509, reg. i t/m. 3 v. b., staat: Eindelijk wordt ook 
de van Amboina naar fava overgebrachte poedak^ een 
soort van pandaan {Pandanus moschatus). Poedak is de 
naam van de pandaanbloem, doch zij is geen afzonder- 
lijke pandaansoort. 

Bladz. 599, reg. 4 en 5 v. b., staat: De soka {Pavetta 
coccinea) een heesier. Er zijn soorten van soka*s of sokS's 
die tot de heesters, doch er zijn er ook die tot de 
boomsoorten behooren, welke laatsten een omtrek berei- 
ken van 4 voet. 

Bladz. 599, r^. 6 t/m. 10 v. b., staat: de kembang sepatoe 
of schoenbloem^ die haren naam ontleent aan het gebruik 
dat de inlandsche bedienden van de fraaie^ dubbele^ roode 
of witte bloemen maken om er bij het poetsen de schoe- 
nen mede in te wrijven. Kembang sepatoe is Ml. ; de 
Javaansche naam is: kembang worawari. 

Bladz. 599, reg. 13 t/m. 11 v. o., staat: is een kleine ^vier» 
kante^ met gras begroeide plaats^ die den ncuim van 
aloen-aloen draagt^ en midden op dat plein, waaraan 
ook de langar en in grootere dessa's de moskee paalt, 
verheft zich een waringihboom. Deze aloen-aloens, 
waarop slechts één wringin-boora geplant wordt, vindt 
men alleen in de Soendalanden en speciaal in de Pre- 
anger Regentschappen. De kratons van Solo en Joegjd 
hebben ieder twee aloen-aloens, een benoorden en een 
bezuiden het vorstelijk huis; op de westzijde van het 
noordelijk plein staat de moskee, en zoo heeft men ook 
vóór of op zijde van elke Regentswoning een aloen- 
aloen waarop de moskee aan de westzijde staat 

Op de vorstelijke aloen-aloens staan twee wringin- 
boomen in het midden en meerdere aan de kanten 3 ook 
op de pleinen der Regentswoningen staan soms één en 
soms twee wringin-boomen in het midden, terwijl die 



ook aan de kanten dier aloen*aloens worden aangetroffen. 
De wringins die in het midden geplant zijn, worden 
wringin koeroeng Ng. en wrin^n sengkerran Kr. geheeten, 
en de overige worden wringin djadjar genoemd. 

Bladz. 600, reg. 4 t/m 6 v. b., staat: De hoof dplaaisen der 
districten zijn doorgaans slechts grootere dessa^s^ meteene 
grootere aloen-^aloen, waaraan de woning van het dis- 
trictshoofd en de moskee zijn gelegen. Deze aloen-aloens 
zijn evenals de voorgaande alleen in de Soendalanden 
gebruikelijk en niet in het overige gedeelte van Java. 

Bladz. 601, reg. 10 en 8 v. o., staat: De kain pandjang 
enz. heet in het Jav. djarit en in Krama sindjang. De 
mindere Javanen noemen de kain soms djarit, hetgeen 
eene verbastering van djarik is, waaraan in Kr&mi 
siendjang beantwoordt. 

Bladz. 603, reg. 3 en 4 v. b., staat: De djarit is evenzeer 
0} geruit of gebatikt en heeft de kapala ,aan de beide, 
niet verbonden uiteinden. De djarik Ng., siendjang Kr., 
njamping Kr. h., heeft geen kepala (Mal.) of toerapal 
(Jav.); slechts Chineesche vrouwen dragen op Midden- 
Java de djarik met kepala en aan de beide uiteinden 
niet verbonden. 

Bladz. 603, reg. 6 en 7 v. b., staat: De djarit is veel lan- 
ger dan de sarong, soms wel 5 meters. De lengte van de 
grootste djarik is ongeveer twee en een halven meter De 
dodot, eene groote djarik, die alleen gedragen wordt in 
gala of, in de Vorstenlanden, in hoftenue, en ook door 
bruid en bruidegom, heeft eene lengte van ruim vier en 
eene breedte van ruim twee meters. 

Bladz. 603, reg. 14 t/m 17 v. b., staat: De meer aanzien- 
lijken hebben grootere djarits, die zij eens om de middel 
slaan en dan als een draperie laten afhangen, van voren 
lager dan van achteren en zoo dat onder het gcuin het 
been gedeeltelijk zichtbaar wordt. Wellicht wordt hier- 
mede bedoeld de dracht van voorname Javanen, genaamd 
pradjoeritan, doch bij deze dracht behoort tevens een 
lange pantalon of korte broek met zwart zijden kousen 
en lage schoenen. Doch dit kostuum wordt alleen ge^ 
dragen, wanneer zij uit- of op reis gaan. De gewone 
dracht van de djarik is altijd ongeveer tot aan de en- 
kels en zij wordt nooit opgeschort. 

Bladz. 603, reg. 5 t/m 3 v. o., staat: de kinderen van ge- 
ringe lieden loopen van dat zij den leeftijd van 15 tol 
18 maanden bereikt hebben tot hun zesde of zevende jaar 
naakt. Javaansche kinderen, zoowel van geringe lieden 
als van voorname personen, loopen gewoonlijk tot hun 
zesde of zevende jaar geheel naakt. 

Bladz. 604, reg. 6 t/m 8 v. b., staat: Of in plctats daar^ 



AANTEEKENINGEN OP HET SEllSTE DEEL VAN „JAVA." 



17 



Van de kotang^ een horsirok vatt wit katoen niet mouwen 
en over de horst dicht geknoopt. De kotang is in den 
regel zonder mouwen* 

Bladz. 604, reg. 10 en 9 v. o., staat! De klambt der vrou- 
wen is altijd van effen kleur en gemeenlijk donkerblauw, 
Klambi is de algemeene naam voor baadje of lij&bedek- 
king met mouwen, zoowel voor vrouwen als mannen. Er 
zijn vier klambi-soorten van vrouwen, n.1. i'. kebajak, 
open aan den hals en overigens sluitende om het geheele 
bovenlijf tot aan de knieën of lager, terwijl de lange, 
nauwe mouwen om het handgewricht met knoopen ge- 
sloten zijn; 2*. djoebah, even als n®. i, met die uitzondering, 
dat de lange mouwen wat wijder en niet met knoopen 
gesloten zijn; 3®. takwi, niet verder reikende dan tot 
onder de heup, met knoopen aan den halskraag en 
meestal dichtgeknoopte mouwen als de kebajak (n®. i) 
en 4*. klambi koeroeng, in den vorm van een zak met 
in den regel dicht geknoopte mouwen en een opening 
in het midden van den bovenkant om het hoofd daarin 
te steken ; deze soort van klambi is een nabootsing van 
de dracht der Chineesche vrouwen. 

In de Gouvemementslanden is de algemeene dracht 
der mindere Javaansche vrouwen. een klambi van blauw 
of zwart en groen katoen. In de laatste jaren dragen de 
welgestelde vrouwen ook sits, zijde en andere stoffen. 

Bladz. 605. reg. 8 v. b., staat: armen en hals geheel naakt 
en met borèh besmeerd. Het smeren van borèh is alleen 
voor bruid en bruidegom. Voor den vorst verschijnende 
gebruikt men geen borèh. 

Bladz. 605, reg. 9 t/m 15 v. b., staat: De vrouwelijke be^ 
ambten aan de hoven dragen een soort van sikepan en 
daarover een simboeng of sèmbong, een lang, breed lint^ 
meest van ^ele zijde, als sjerp om de middel geslagen, en 
met lange, rood gekleurde, tot op den grond afhangende 
uiteinden. Deze sjerp is onderscheiden van de sampoer, 
die alleen door Prinsessen gedragen wordt, LaatsgC' 
noemde is glad^ terwijl de sèmbong geplooid of gevou' 
wen is. De vrouwelijke beambten aan de hoven dra- 
gen een mannelijke sikeppan over de sembong van 
hare dodot; de sembong is het uiteinde van de dodot, 
en wordt als borst- en buikband gebruikt. Over die sem- 
bong wordt een lange sjerp van paarsche zijde omgesla- 
gen, met twee van achteren afhangende einden, die tot 
aan de knieën ongeveer reiken. Deze soort van sjerp 
wordt hoekoep geheeten. Bovendien dragen zij ook 
klissen, kapmessen en koeloek's (mutsen), even als de 
mannelijke beambten. 
Het dragen van de sikeppan geschiedt alleen wanneer 



zij wacht houden in het vorstelijk wachthuis of, beter, 
de wachtkamer aan de poort van het hof of kraton, de 
Sripanganti geheeten; doch zoodra zij binnen het erf van 
hei hof komen, moet de sikeppan plaats maken voor 
bloote armen en schouders. De prinsessen dragen geene 
sampoers, althans wanneer zij niet dansen. lederevrouw 
die aan het hof komt, is verplicht de dodot met sembong 
te dragen, doch zonder hoekoep. 

Mannen of vrouwen die den vorst bedienen, dragen 
een gele sjerp, ter breedte van 0.05 en lengte van 
ongeveer 1.25 meter om den hals, die samir genoemd 
wordt. 

Bladz. 605, reg. 16 v. b, staat: onder de djarit dragen de 
geringe Javanen veeltijds nog een korte, wijde broek, 
katok geheeten. Het dragen van een kathok onder de 
djarik geschiedt ook door de gegoede en voorname 
Javanen. 

Bladz. 605, reg. 20 t/m 24 v. b., staat: de zeer lange om 
de enkels sluitende broeken die tot de oorlogs- en hof- 
kleeding behooren, worden tjelana genoemd. De Resten- 
ten dragen onder kun bebed gemeenlijk een broek van 
Europeeschen vorm, met goudgalon versierd. Er is nog 
een andere soort van broek, die gedragen wordt als 
oorlogs- of reistenue, nl. tjelSna pandjèn-pandjèn, die 
reikt tot onder de knieön en geknoopt of gegespt wordt. 
Het dragen van een broek met goudgalon versierd on- 
der de bebëd behoort op Midden- en Oost- Java ook 
tot het oorlogs- of reistenue, doch is geen dagelijksche 
dracht. 

Bladz. 606, reg. 11 t/m 13 v. b., staat: De mannen hou- 
den de lange, aan hun natuurlijken groei overgelaten 
haren door middel van een halfronde schildpadden kam 
in een knoop of wrong, geloeng geheeten. De kam, dien 
de mannen dragen, is soms van schildpad, meestal van 
karbouwenhoom en soms van ijzer, wordt in een halven 
cirkel gebogen en achter het voorhoofd of bpven het 
hoofd gedragen, en dient om den hoofddoek vast te hou- 
den. Die hoofddoek heet iket of oedeng Ng. en in het 
Kr. desthar. 

Bladz. 606, reg. 19 t/m 21, staat: Die hoofddoeken, hoe al- 
gemeen ook thans, schijnen echter tot een betrekkelijk 
nieuw tijdperk te behooren, en een wijziging te zijn van 
de tulbanden der Arabieren, Volgens de overleveringen 
heeft de invoering der hoofddoeken plaats gehad onder 
den eersten Mohammedaanschen vorst van Demak, Ra- 

• den Fatah. 

Bladz. 606, r^. 12 t/m 7 v. o., staat: en nog heden is he 
onder voorname Javanen een teeken van eerbied, het hcuxf 

3 



i8 



AAMTTEKENINGEN OP f|8T SEKSTE DEEL VAN »JAVA. 



»» 



. in hgtttwoordigheid van meerderen in langu lokken of 
krullen ever den nek en schouders te doen afhangen, 
Dejtc laatste haardracht is eenbepaald vereischte^ wan^ 
neer men voor den vorst verschynty maar tegelijk moet 
dan het hoofd bedekt zijn met de koeloek. Zij die geen 
ambtelijke betrekking hebben, verschijnen voor denSoe- 
soehoenan ten hove met den kam, doch zonder hoofd- 
doek; het haar wordt dan t^en het achterhoofd boven 
den nek met een koordje vastgebonden, gedraaid, met 
olie glad gemaakt en loshangend gedragen. Degenen die 
eene ambtelijke betrekking bekleeden, kappen het haar 
eveneens, maar dragen in plaats van een kam een zwarte, 
witte of lichtblauwe koeloek, naar gelang van rang en 
kwaliteit; de zwarte koeloek is de minste, de witte wordt 
door de weddn&'s toemenggoeng en de blauwe door de 
prinsen en de rijksbestierders gedragen. Ook de Soesoe- 
hpenan draagt in den regel een blauwe koeloek. 

Bladz. 606, r^. 4 en 3 v. o., staat: Andere vormen van 
stctatsiemutsen zijn de kanigara en de kopjah. De koe- 
loek kanigdri is de muts bij gewoon groot tenue voor 
de prinsen, den rijksbestierder en de wed&nd toemeng- 
goeng, waarmede zij echter niet voor den Soesoehoenan 
mogen verschijnen, omdat dit geen gala-tenue is; ook 
de Soesoehoenan draagt die koeloek bij gewoon groot 
tenue. De Sultan van Jo^akarta daarentegen maakt van 
de koeloek kanigird gebruik bij gala-tenue. Bij het 
Gouvernements-voorschrift voor de kostumes der inland- 
sche hoofden en ambtenaren wordt de koeloek kani- 
glxS. beschouwd als te behooren tot gewoon groot tenue. 
De kopjah of këthoe (Arabische muts) is de dracht 
der geestelijken en wordt in den r^el onder den tulband 

. gedragen. De hoofdpriesters in de Vorstenlanden zijn de 
eenigen die een kopjah of këthoe dragen van zwart 
fluweel, versierd met smalle gouden strepen evenals de 
koeloek kanigdrd. Deze soort van kopjah's heeft veel 
overeenkomst met de koeloek, bestaande het verschil 
alleen daarin, dat de koeloek van boven plat is en de 
kopjah puntig oploopt. 

Bladz. 607, reg. 6 t/m 8 v. b., staat: Om het gelaat tegen 
de zon te beschermen^ draagt de favcuin over den hoofd- 
doek in vele gevallen een toedoeng of tjaping. De ge- 
goede en voorname Javanen op Midden- en Oost-Java 
beschermen zich tegen de zonnestralen door een toe- 
doeng, de miQderen van beide kunnen door een tjaping. 
De g^oede en voorname vrouwen dragen haren slen- 
dang of sjaal over het hoofd of gebruiken een parasol. 

Bladz. 608, reg. 2 t/m 5 v. b., staat: De prof eet heef t aan 

.^ de ouders de verplichting opgelegd om jong^is uUerlijk 



op hun tweede jaan het hoofd te scheren^ en slechts 
twee haarlokken dc^arop te laten staan De hi^ bedoelde 
verplichting is in deze streken onbekend. De Javanen 
scheren hunne kinderen, zoowel jongen^ als meisjes, op 
den 35'"* of 4o»'*" dag na de geboorte, de meegte eohter 
niet geheel en al, wordende naar verkiezing of plaatse- 
lijke gewoonte hier of daar een haarvlokje op het hoofii 
gelaten. 

Dat ongeschoren vlokje draagt, naar gelang der plaats, 
verschillende benamingen, als: i*. bevindt die plek zich 
boven het voorhoofd, dan heet zij koentjoeng; 2^. op de 
kroon van het hoofd, gombak; 3*. op het achterhoofd 
boven den nek, koentjir, en 4*. twee plekken boven de 
ooren, pèthèk. 

In de Vorstenlanden is het gebruikelijk, dat de voor- 
name kinderen de gombak dragen, en die van minderen 
de koentjoeng, pethek of koentjir, soms ook het haar 
geheel afgeschoren. In de Gouvemementslanden worden 
de kinderen van voorname Inlanders meestal geschoren, 
terwijl die van mindere Javanen slechts een der vier 
bovengenoemde plekken behouden. 
Bladz. 608, r^. 13 t/m 18 v. b., staat: maar den bruide- 
gom worden nogmaals eenige haren^ ter lengte van een 
duim ongeveer^ plechtig afgesneden op de plaatsen waar 
hij als kind de koetjir heeft gedragen. Het afknippen 
der staarten heet bij beide gelegenheden toegel koetjir^ 
en wordt tegen een klein gesehenk door een santri of 
priester verricht, In deze streken en in de Vorstenlanden 
wordt het haar van bruid en bruid^om aan de uitein- 
den gelijk a%esneden of geknipt, wat papal ramboet 
heet. Wanneer het haar vrij gelijk opgroeit, wordt het 
slechts één of twee duim a%esneden, maar groeit het 
ongelijk of loopt het puntig af, dan wordt het soms lot 
0.20 meter afgeknipt Degenen die het haar a&nijden 
zijn vaste personen, een man voor den bruidegom en 
een vrouw voor de bruid; beide worden doekoen ge- 
noemd. Die doekoens kappeb het haar en maken de 
wenkbrauwen en het voorhoofd gelijk door ze te sche- 
ren. Zij kleeden de bruid en den bruidegom, wordende 
het voorhoofd en het hoofd van de bruid versierd. 

Bij het afsnijden van het haar enz., zoowel der bruid 
als van den bruidegom, zitten zij op een fijn wit matje, 
kldsl. patjar geheeten, waarop zich bevinden 7 sitsen 
of djarik-soorten, wordende daarnaast een rond blad 
nedergezet van gevlochten, bamboe, tan^udi genoemd. 
Daarin zijn aanwezig een paar pisang-soorten,, sirih met 
toebehooren, gekookte en ongekookte eieren, gebak en 
^KMns nog andere spijzen, en bloemen, wat alles te zamen 



AANTEEKEKmOEM OP HM ÉËRSTÊ DEEL VAN ,JAVA/* 



19 



sadjèn genoemd wordt en eene ofiferhande is voor de 
geesten, wordende daarbij ook doepi, wierook^ gebrand. 
Die sadjèn en het matje met de sitsen of andere djarik- 
soorten worden, nadat de bruid of bruidegom gekleed is, 
aan die doekoens meegegeven met hoogstens / 5. — als 
geschenk voor hunne moeite^ 

Bladz. 609, reg. i en 2 v. b., staat: Als blanke ts^l voor 
het aangezicht^ vooral voor bruiden^ wordt veel gebruik 
gemaakt van wedak. De wëdak wordt niet alleen door 
bruiden, maar door iedere gegoede Javaansche vrouw 
gebruikt, vooral voor kinderen. Tot hun derde of vierde 
jaar laten de ouders hen doorgaans met wedak wrijven, niet 
alleen op het aangezicht, maar over het geheele lichaam. 

Bladz. 609, reg. 7 en 8 v. b., staat: De gewoonte om de 
tanden te vijleti en met goud te bekUeden. Het bekleeden 
van tanden met goud is wellicht gebruikelijk in West- 
Java, doch in Midden- en Oost-Java niet. 

Bladz. 609, r^. 13 en 14 v. b., staat: Om de vier mid'- 
delste tanden der bovenste rij hol uit te beitelen. Het 
uitbeitelen der vier bovenste tanden geschiedt als volgt: 
men laat een langwerpig vierkant gedeelte in het midden 
der tanden ongedeerd, daaromheen worden die eeniger- 
mate uitgebeiteld of afgevijld, waardoor ze gemakkelijk 
zwart worden. De niet uitgebeitelde of afgevijlde vier- 
kante stukjes noemt men widji timoen, w^ens overeen- 
komst in vorm en kleur met komkommerpitjes. Niet 
overal volgt men dit gebruik, meestal toch maken de 
Javanen hunne tanden effen zwart. Degenen die hunne 
tanden op de wijze van widji timoen laten uitbeitelen, 
zijn meestal jonge lieden, die, wanneer zij den ouderdom 
van ongeveer 40 jaren bereikt hebben, ook tot efifön 
zwMt overgaan. 

Bladz. 609, reg. 15 t/m. 8 v. o., staat: Dit geschiedt door 
inwrijving met een olieachtig zwartsel^ dat men ver* 
krijgt door het branden van kokosschalen. Dat vijlen 
en zwart maken der boven^snij tanden heeft bij meisjes 
zoowel als knapen dikwijls reeds plaats op het achtste 
of negende jaar^ en wordt dan later nog wel eens her- 
haaldj maar moet in ieder geval aan de voltrekking 
van een huwelijk voorafgaan. Het wordt somtijds door 
de dorpspriester s^ anders door oude vrouwn^ waarschijn-- 
lijk de doekoens van de dessa^ verricht. Het zwart 
maken der tanden geschiedt door middel van eene 
mondspoeling met water dat banjon geheeten wordt; die 
spoeling bestaat uit klapperwater, waarin stukjes gloei- 
end ijzer worden uitgedoofd en afgetrokken. Na ver- 
loop van ongeveer vier dagen kan dat water als tan- 
denzwartsel gebruikt worden. Het vijlen of uitbeitelen 



en zwart maken der tanden geschiedt in den regel 
bij meisjes, wanneer zij de maandelijksche regels ge- 
kregen hebben, en bij jongens, wanneer zij besneden zijn, 
derhalve op een leeftijd voor meisjes van ongeveer ia 
en voor jongens, van 14 jaren. Er zijn speciale personen 
die het bedrijf van tandenslijper uitoefenen. Soms zijn 
het mannen en soms vrouwen, doch beide worden 
doekoen genoemd. Mogelijk zijn er ook wel dorpspries- 
ters die tevens tandenslijpers zijn. De .tandenslijpeH 
worden genoemd doekoen pasah of doekoen tahah, of 
wel doekoen pangoer. De gereedschappen die zij ge- 
bruiken om tanden te vijlen zijn: beitels, zaag en 
slijpsteen. 

Bladz. 610, reg. 2 t/m. 4 v. b., staat: gebatikte kleederen 
van zekere bepaalde teekening alleen door prinsessen van 
den bloede mogen gedragen worden. Zekere bepaalde 
teekeningen van gebatikte djariks en hoofddoeken wor- 
den alléén gedragen door vorsten en vorstinnen, prinsen 
en prinsessen. 

Bladz. 610, reg. 13 t/m. 17 v. b., staat: In zijn gordel 
steekt hij doorgaans een zakdoek en er hangt een van 
eene tauie grassoort^ mendong geheeteny of van touw of 
iets dergelijks gevlochten zak of tasch aan^ waarin hij 
zijn geldy zijn tabak en andere benoodigdheden bewaart. 
Dit gebruik is in Midden- en Oost-Java niet bekend; 
wellicht is dit het geval wel in West- Java of in de 
Preanger. 

Bladz. 610, reg. 11 t/m. 8 v. o., staat: Een kris in den 
gordel gestoken of aan een daarvoor bestemden riem 
hangend^ is zijn onafscheidelijke medgezel. Men draagt 
de kriSi in Kr ama doewoeng geheeteny aan de linkerzijde 
zoodat men het handuat het gereedst met de rechter 
grijpen kan. Volgens de Javaansche gebruiken wordt 
de kris altijd in den gordel gestoken; de wijze van 
dragen is: wanneer ingestoken ter rechterzijde, dan 
staat het handvat achter den rechterarm in schuins 
afloopende richting, met het uiteinde aan den linkerrug; 
draagt men de kris links, dan staat het handvat tegen den 
rug zoodanig, dat het uiteinde eenigszins uitsteekt onder 
den linkerarm. Deze twee wijzen zijn de beleefde vor- 
men van het dragen van een kris in tijd van vrede, en zoo 
verschijnt men ook bij een meerdere of in gezelschappen. 
Daarentegen is het niet beleefd om een kris te dragen 
met het handvat links vooruit of onder den arm. De 
kris gestoken in een riem aan de linkerzijde is reis- of 
oorlogsdracht, waarbij dan toch ook nog een tweede kris 
in den gordel wordt gedragen, op de wijze als hierboven 
vermeld. Draagt men één kris in een riem, dan mag 



20 



AANTEEKENINGEN OP HET EERSTE DEEL VAN „JAVA. 



«t 



men niet bij een meerdere verschijnen, omdat dit niet 
beleefd is. In den tegenwoordigen tijd wordt, vooral in 
Oost-Java, van dezen regel veelal afgeweken, en ook in 
Midden- en West-Java dragen de meeste regenten de 
kris ia een riem, omdat het zoo gemakkelijker is om op 
een stoel te zitten en achterover te leunen. Mindere 
inlandsche ambtenaren, wanneer zij alleen uitgaan, maken 
ook gebruik van den riem. 

Bladz. 6io, reg. 6 en 5 v. o., staat: dat aan d^ linkerzijde 
een wadoeng of groot hakmes en nog een klein mes in 
een houten scheede worde gedragen, In hofkostuum 
draagt men aan de linkerzijde een wëdoeng (hakmes) in 
een houten scheede ; wadoeng is een bijl en behoort niet 
tot het hofkostuum, ook een klein mes wordt daarbij 
niet gedragen. 

Bladz. 611, r^. 2 v. b., staat: afzonderlijke hand of kop- 
pel (pending, anggar.) De band of koppel wordt geheeten 
djanoer èpèk oi saboekan ketimang; pending is een 
metalen buikband die alleen door vrouwen wordt ge- 
dragen; anggar is het gedeelte waar de kris bevestigd 
of gehangen wordt, en hangt aan bovengenoemden band. 

Bladz. 612, reg. 15 t/m. 10 v. o., staat: De scheede (saroeng) 
is altijd van hout^ doch veelal overtrokken met een tweede 
van spinsbek^ zilver of goud. Het meest gezochte hout 
voor de vervaardiging van krisscheeden en gevesten is 
het kajoe pelet^ een witachtig met zwarte vlammen ge- 
teekend hout, van een mij onbekenden, maar in oostelijk 
Java niet zeldzamen boom of heester^ De scheede wordt 
saroengan genoemd, het onderste gedeelte wordt over- 
trokken met een tweede van spinsbek, zilver, goud of 
koper; dat overtreksel heet pendok. De mindere Javanen 
laten het onderste gedeelte der scheede rood of zwart 
verlakken, terwijl de grooten of voorname Javanen een 
soort van spinsbek gebruiken, dat een mengsel is van 
goud en koper en sw&sJ genoemd wordt. 

Het met zwarte vlekken geteekende hout, kajoe pelet 
geheeten, komt van een boom door de Javanen kajoe 
timingi genoemd en waarvan het hout eene zeer lichte 
kleur heeft. Niet alle timdngi-hout is gevlekt, daar die 
vlekken hun ontstaan te danken hebben aan zekere 
ziekte van den boom. 

Gevlekt kajoe timdngi komt zeer veel voor in Oost- 
Java, wordende ddar ook zeer veel kajoe pelet voor kris- 
scheeden gebruikt. 

In de Vorstenlanden en Midden-Java daarent^en 
prefereert men over het algemeen kajoe tjendina (san- 
delhout), omdat het zeer fijn, hard en geurig hout is. 
Bovendien gebruiken de gegoede Javanen voor krisschee- 



den kajoe timbalo (Ambonhout), zeer mooi gevlamd, doch 

grof van vezel, en de mindere Javanen kajoe nongki 

benevens andere houtsoorten. 

Bladz. 614, reg. 5 t/m. 2 v. o., staat: De Javaan gebruikt 

gewoonlijk twee maaltijden daa^s^ het middagmouil^ 

mangan awan, waarvan de tijd vrij wel cuin den naam 

beantwoordt, en het avondmaal^ mangan wengi^ dat na 

zonsondergang tusschen *j en S ure genuttigd wordt. De 

mindere Javaan gebruikt gewoonlijk twee maaltijden 

daags, het middagmaal, mangan awan, omstreeks 1 1 uren 

in den voormiddag, en het namiddagmaal, mangan soré, 

omstreeks half zes of bij zonsondergang. De Javaansche 

grooten, hoofden en zeer gegoeden nuttigen drie malen 

daags, namelijk het ontbijt, sarappan of sèmèk, tusschen 

7 en 8 uren 's morgens, het middagmaal, mangan awan, 

tusschen 12 en 2 uren, en het avondmaal, mangan wëngi, 

tusschen 7 en 10 uren *s avonds. Aangaande de klee- 

. ding van de grootste tot de geringste Javanen bij hunne 
maaltijden is er geen bepaalde regel op te geven, gaande 

. de een zich expresselijk kleeden om te eten, terwijl de 
andere juist het omgekeerde doet. 

Bladz. 617, reg. 11 t/m. 14 v. o., staat: Onder de dran- 
ken neemt een eerste plaats wédang of kokend water in. 
Men gebruikt het om het in een kom hetzij op de 
bladeren van de koffiesiruik^ hetzij ook op het poeder van 
gebrande en gemalen koffieboonen te gieten. Wédang is 
warm water, doch de gezette thee of koffie wordt verkort 
ook wédang genoemd; eigenlijk is de naam wédang kopi 
of boeboek voor de gezette koffie, en wédang tèh voor 
de gezette thee, terwijl enkel warm water ter onder- 
scheiding van het genoemde wédang ajam of wédang 
pitik genoemd wordt De thee wordt gezet op de hol- 
landsche wijze en de gebrande koffie gemalen en evenals de 
koffiebladeren in een ketel of gedekten aarden pot gekookt. 

Bladz. 621, reg. 2 en 3 v. o., staat: of van de tabaks- 
plant tot een balletje ter grootte van een erwt te kneden. 
De tabaksplant wordt nimmer gebruikt, maar altijd awar- 
awar, die fijngekorven er uitziet als gekorven tabak. 

Bladz. 628, reg. 2 v. o., staat: den patjoek. Hoewel het 
woord „patjoek" volgens het woordenboek van Roorda 
„bemiddelaar van een huwelijk" beteekent, gebruikende 
Javanen op de meeste plaatsen, en zelfs in de Vorsten- 
landen, het woord patjoek en matjoekaké alleen op 
schertsende wijze, en om iemand te plagen met deze 
of gene aanstaande, wat intusschen niet zelden tot een 
huwelijk leidt. De ware benaming voor zulk een be- 
middelaar is tjongkok (reg. i, blz. 629) of, minder fijn 
uitgedrukt, djemblang. 



AANTESKENINGEN OP HST XBILSTE DEEL VAN «JAVA 



>> 



3f 



Bladz. 629, reg. 17 v. b., staat: DU bexoek op een kijkje 
wordt nontonni geheeten, Nontonni is in de Vorstenlan- 
den gebruikelijk, doch niet algemeen. 

Bladz. 629, r^. i v. o., en bladz. 630, reg. i v. b., staat: 
Benige dagen na de zending van de paningset volgt 
die van de toembassan en van de sasrahhan. Het zen» 
den van de penningset geschiedt zoodra de toestemming 
tot verloving van de ouders van het meisje verkregen 
is; toekon Ng. toembassan Kr. en sasrahhan worden 
aangeboden op den dag van het huwelijk, doch vóór 
dat het gesloten is. 

Bladz. 632, r^, 3 t/m. 5 v. b., staat: De bruidegom be- 
geeft zich te paard naar de plaats waar het huwelijk 
zal gesloten worden. De bruidegom begeeft zich te paard, 
te voet, of wel in een versierd rijtuig naar de moskee, 
waar gewoonlijk het huwelijk gesloten wordt. Bij de 
Javaansche grooten en Regenten wordt de plechtigheid 
in de pendipa*s van hunne eigene woning voltrokken. 

Bladz. 632, reg. 16 en 17 v. b., staat: worden aan hem 
en zijne getuigen de voor hen bestemde offergaven door 
de wederzijdsche vaders of voogden ter hand gesteld. 
Wellicht was dit het primitieve gebruik in vroegere tijden, 
en misschien geschiedt het nog op enkele plaatsen, doch 
over het algemeen wordt dat niet meer gedaan; men 
geeit alleen geld aan de priesters. 

Bladz. 632, reg. 9 v. o., staat : Men noemt dit de sidekah 
madjemoek. Soms noemt men dit ook wel sidekah 
walimah, en geschiedt dit na het sluiten van het huwe- 
lijk, wanneer de bruidegom van de moskee te huis komt. 
Het bestaat in den regel uit rijst met verschillende soor- 
ten van gerechten, gebak en vruchten; deze sidekah 
wordt genuttigd niet alleen door de priesters, maar ook 
door de aanwezige familieleden en genoodigden, doch 
vóór het eten wordt door een der priesters hardop ge- 
beden. 

Bladz, 632, reg. i v, o., staat: een witte of lichtblauwe 
kopia. Zijn dodot is van zijde. In de Vorstenlanden 
draagt de bruidegom een witte of lichtblauwe koeloek, 
in de Gouvernementslanden een koeloek kanigara. Zijn 
dodot is van zijde, of, bij voorname Inlanders, van ka- 
toen, versierd met vergulde bloempjes of bouquetjes. 

Bladz. 633,- r^. 4 v. b., staat: prabat. Dit zal „prabot" 
moeten wezen. 

Bladz. 633, reg. 5 v. o., staat: Haar tapih of rok is van 
de gebloemde zijden stof tjindé. Haar dodot of rok is van 
zijden stof of katoen, evenals die van den bruidegom. 

Bladz. 633, reg. 2 v. o., staat: \een sjerp van gele zijde, 
In den regel draagt de bruid geen gele zijden sjerp. 



Bladz. 634, reg. 17 v. b., staat: rijsty peté en katjang. De 
peté wordt in dit geval meestal weggelaten. 

Bladz. 634, reg. 16 v. o. t/m bladz. 635 reg. 1 1 v. o., staat: 
Nadat de als nagerecht dienende lekkernijen en wédang 
zijn rondgediendy enz. Nadat de als nagerecht dienende 
lekkernijen en wédang zijn rondgediend, gaan bruid en 
bruidegom zich verkleeden en zich hullen in een gewone 
tapih en bebëd; doch de bruid behoudt haren hoofdtooi, 
terwijl de bruidegom de koeloek kanigdrd opzet Daarna 
heeft in de penddpi een tandak of danspartij plaats, 
waarbij de bruidegom het eerst danst en de genoodig- 
den naar rang of ouderdom volgen. Omstreeks midder- 
nacht begeven bruid en bruidegom zich naar bed in de 
versierde slaapstede, kobongan geheeten, achter de plaats 
waar zij in den vooravond hebben gezeten. Na een uur, 
en nog tweemalen later, komen eenige oude vrouwen 
met vlammetjes om het bed loopen, zonder echter de 
jonggehuwden te storen. Dit geschiedt om te voorkomen 
dat de jongelieden in slangen veranderen, zooals volgens 
de legende in vroegeren tijd gebeurd zou zijn met een 
echtpaar, dat den eersten nacht doorbracht zonder op 
den gezetten tijd met licht te worden bezocht, en den 
volgenden morgen in groote slangen veranderd gevonden 
werd. 

Den volgenden dag, in de Vorstenlanden echter na 
vijf dagen of een pasar- week, kleeden zich bruid en 
bruid^om als op den eersten avond en voert de jonge 
man zijn vrouw naai het huis zijns vaders. De bruid 
plaatst zich in een djoli, draagstoel, die fraai versierd 
is en door vier personen gedragen wordt. De bruidegom 
volgt haar te paard en een groote stoet vergezelt hen; 
de mannen zijn te paard gezeten. In de laatste tijden 
echter maakt men veelal gebruik van een rijtuig en zit- 
ten de jonggetrouwden naast elkander. Aan de pringgit- 
tan gekomen, stapt de bruid uit de djoli en treedt tus- 
schen twee rijen vrouwen naar binnen. Ook de bruid^om 
stijgt van zijn paard, neemt de bruid met zijn linker- bij 
haar rechterhand en gaat met haar vóór de padjangan 
of kobongan zitten, waarna hun de andere bloedverwan- 
ten des bruidegoms worden voorgesteld. Wederom worden 
eenige spijzen en lekkernijen genuttigd en overigens wordt 
ook dien avond feest gevierd als op den eersten avond. 
Deze plechtigheid heet ngoendoek mantoe, het inhalen 
van de schoondochter. De feesten zijn hiermede afgeloo- 
pen, en bij de Inlandsche grooten en gegoede Javanen 
blijven de jonggetrouwden veertig dagen in de ouder- 
lijke woning, zonder dat zij zich van het erf verwijderen, 

Bladz. 636, reg. 13 v.b. t/m bladz. 639, reg. 3v.b., staat: 



22 



AANTEEK^^INGEN OP HVT: BIR8TE DSSL VAM ,JAVA 



t> 



, De xvmngtrschaf enz. Deze beschrijving van de zwafih 
gerschap heeft alleen betrekkiBg op de Vorsten, doch 

. in de laatste jaren werd hiervan allengs .a^eweken. 

JBladE. 639, reg. 4 v.b., staat: Bij herhaalde zwangerschap 
warden eveneens maandelijksche ^ojfers aangeboden^ doch 
het ngAar-ébarri en het tingkeb blijven tot de eerste 
zwcMgerschap beperkt. Bij herhaalde zwangerschap wor- 
den in den r^el geene offers aangeboden. 

Bladz, 639, re^ zo v. b. t/m bladz. 640, r^. 4 v. b.,staat: 
Dcutraniy wanneer de vader afwezig of reeds overleden 
isj enz. Deze beschrijving is voor het meerendeel van 
toepassing op mindere Javanen. Als regel kan men even- 
wel het volgende aannemen. Wanneer eene vrouw be- 
vallen moet, dan moet haar echtgenoot er altijd bij 
t^enwoordig zijn; ingeval van verhindering wordt hij 
hetzij door haren vader, hetzij door haren schoonvader, 
of wel haren oom of een ouden man vert^enwoordigd, 
om bij de weeën te helpen door op haar hoofd te blazen, 
teneinde meer kracht te geven. Wanneer het kind ter 
wereld komt, wordt het op een omgekeerde tarapah 
(gevlochten bamboezen blad) gelegd, daarna wordt de 
navelstreng met een bamboezen mes, wëlat geheeten, 
a%esneden, so.utijds ook wel door den vader afgebeten, 
waardoor het kind, naar het volksgeloof , een onkwetsbaar 
of bijzonder persoontje wordt; vervolgens wordt het met 
kokos- of klapperwater, daarna met lauw water gewasschen, 
en de placenta met het bamboezen mes in een emmer, 
gemaakt van het omkleedsel van klapperbloemen, ge- 
plaatst. Sommige personen doen die in een leeggemaakte 
jonge klappernoot; anderen in een kendil, rijstpot; soms 
voegt men er een papiertje bij, waarop verschillende 
letters geschreden zijn, waarna een en ander, in den 
regel met inachtneming van kleine formaliteiten, braven 
wordt. Anderen weder hangen die kendil ergens in bet 

. huis op, om later, bij de teraardebestelling van den per- 
soon, in hetzelfde graf te worden begraven. 

Bij gegoede personen wordt op de begraafplaats, totdat 
de navel van het kind afgevallen is, eiken avond licht 
gebrand. Gedurende dat tijdvak worden eiken avond de 
kennissen ontvangen, die tot den volgenden ochtend 
blijven^ om te verhoeden dat booze geesten de kraam- 
vrouw naderen. Wanneer de pasgeborene gewasschen 
is, gaat de kraamvrouw op haren buik liggen, om 
door de doekoen (vroedvrouw) of door haren echtge- 
noot op den rug en lendenen getrapt te worden, ten 

. einde het bloed te doen vloeien; daarna gaat zij baden, 

geschiedende dit tot den veertigsten dag tweemaal daags. 

Om den stoelgang en bloedvloding te bevorderen, geef t 



: men haar tamarindewater met een weinig aschensofltot 
gemengd te drinken ; op den veerdgstsn dag worlt de 
kraamvrouw gereinigd (adoes niias), het haar wordt met 
water gemengd met asch van stroo (merang) gewasschen, 
wat men kramas noemt. Na de bevalling tot den vtertig- 
sten dag, wordt de buik der moeder van de maag af 
tot boven de knieën met katoen ter breedte van onge- 
veer 0.20 én eene lengte van 10 meter stev^ omwonden^ 

Bladz. 640, reg. 17 en z8 v. b., staat: dat de adan alleei^ 
door de manneny de karnat ook door vrouwen mag tooT' 
den uitgesproken De mannen spreken, vóór het gebed^ 
de adan hardop, daarna de karnat zachtjes, en de vrou- 
wen alleen de kamat uit. 

Bladz. 640, reg. 18 t/m. 30 v. b., staat: Ook offers van 
toempeng en groenten worden ten behoeve van jonge kin' 
deren gebracht^ /. w. op den ^dm en op den ZV^^ ^^^ 
na de geboorte. Het feest of offermaal wordt in den i^el 
gehouden, wanneer de navel van het kind afvallen is,, 
wat poepoet of poepak poeser wordt geheeten; bij dié 
gelegenheid ontvangt het kind een naam. Het feest valt 
dus niet altijd op den sden dag. De offers op den 35«ten 
dag hebben plaats op den dag, waarop die van de gewone 
week van 7 dagen en van de passar-week van 5 dageit 
samenvallen. B. v. het kind was geboren op kemis,^ 
donderdag, en legi, den passar-dag, dan zal de volgende 
kemis legi vijf maal zeven of 35 dagen daarna op een 
en denzelfden dag vallen, wordende die kring selapan 
geheeten. 

Bij voorname en g^oede Javanen wordt niet alleen 
op de eerste selapan, maar in den regel op elke selapan, 
zoolang zij leven, het offermaal gegeven; alleen echter 
bij de eerste selapan van een pas geboren kind wordt 
het offermaal genuttigd met koepat en vervolgens met 
toempeng. 

Bladz. 641. reg. 13 t/m. 15 v. b., staat: Het offer bekoort 
namelijk bij de besnijdenis^ en wordt door de Javanen 
tegelijk met deze uitgesteld tot het tijdstip dat de knaap 
meerderjarig wordt. De aqiqah is een offer van een 
vader voor zijn kind, doch de ouderdom of de tijd 
daarvoor is niet bepaald. 

Bladz. 642, r^. 18 en 19 v. b., staat: Wanneer zij hun 
rang verliezen^ soms den kindernaam weder aannemen. 
Het weder aannemen van den kindemaam gebeurt bij 
de Javanen nooit, daar, zoodra zij van naam veranderen,, 
de kindemaam geheel en al w^valt Wellicht geschiedt 
dit nu en dan in de Soendalanden. 

Bladz. 643, regel 16 en 17 v. b., staat: Deze priester oni^ 
vangt voor zijne moeite kinang en bidgeld, In de laatste 



AANTEEKENINGEN OP HET EERSTE DEEL VAN ,JAVA 



»» 



«3 



tijden gebruiken de meeste priesters bij zulke gelegen- 
heden geen kinang, doch krijgen zij wtfdang, thee of 
koffie, en bidgeld, en worden hun ook bij sommige perso- 
nen twee of drie porties rijst met de noodige gerechten 
in groote borden of mandjes te goed gedaan. Vóór den 
aanvang van dit maal wordt door de priesters gebeden, 
daarna gaan zij pro forma eten, en na afloop nemen zij 
alles mede naar huis, wordende dit alles wat naar huis 
wordt medegenomen barkat genoemd, hetgeen is .a%e- 
leid van het Ar. woord ,|barkah*', dat z^en, voorspoed 
beteekent, en dus zeggen wil: het eten van een reeds 
gezegend persoon. Het woord barkat is nu zoo algemeen 
geworden, dat wanneer men op een feest komt, hetzij 
Javaansch» Europeesch of Chineesch, en er iets naar 
huis wordt med^enomen, men dat ook ambarkat noemt. 

Bladz. 643, reg. 11 en 10 v. o., staat: Op Java worden 
alken de aanzienlijken en gegoeden in doodkisten begra- 
ven. Het kisten van lijken is meer algemeen in gebruik in 
deVorstenlanden, doch niet in andere residentien, tenzij 
dat het lijk op zeer verren afstand getransporteerd moet 
worden en een paar dagen onder weg moet blijven. 

Bladz. 643, r^. 7 t/m. 3v. o., staat: De lij kstaatsie wordt 
geopend door twee of meer in V wit^gekleede priester Sy 
die den ganschen weg over hardop bidden^ en daarop 
volgen eenige personen^ die een met wit linnen bekleede 
pet dragen. Men brandt wierook vóór het lijk uity ver- 
siert het soms met bloemen. Dat de lijkstaatsie geopend 
wordt door twee of meer in 't wit gekleede priesters en 
daarop eenige personen volgen die een met wit linnen 
bekleede pet dragen, is wellicht de beschrijving geweest 
eener bijzondere begrafenis, doch het is geen algemeen 
gebruik. 

In den regel loopen de priesters, de familieleden en 
bekenden om de bendosi, die altijd met bloemen versierd 
wordt; aan beide zijden van de bendosd loopt een rij 
personen met witte vlaggetjes, soms wel 50 in aantal. 
Het hardop bidden geschiedt niet altijd, wordende dit 
door sommige families niet b^eerd. 

Bladz. 644, reg. 3 t/m. 5 v. b., staat: Is de stoet bij het 
graf gekomen^ dan wordt een der priesters uitgenoodigd 
om voor te gaan bij de danga koeboer^ het gr af gebed. 
Wanneer de stoet bij het graf gekomen is, wordt het 
lijk in den kuil nedergelaten, waarin het op de rechter- 
zijde gelegd wordt, met het aangezicht naar de qibla 
gekeerd; daarna wordt door een der priesters de adan 



iutgesproken; vervolgens maakt men den kuil dicht; 
voorts wordt de talqin opgezegd en na afloop daarvan 
spreekt de priester de d&ngi koeboer uit, waarmede de 
plechtigheid is afgeloopen. 

Bladz. 644, reg. 9 en 10 v. b. staat: de engelen Nakiren 
Monkir. De namen der engelen zijn: Kiroen enWanakir 
of Wanakiroen. 

Bladz. 645, reg. 2 v. b., staat: houten middenstuk. De Ja- 
vaansche grooten en gegoeden gebruiken daarvoor gra- 
niet, kiezel of kalksteen. 

Bladz. 645, reg. 11 v. b., staat: de andjoewang. De an- 
djoewang is op Midden- Java niet bekend; op het graf 
worden telassih-bloemen nedergelegd, hetgeen op de 
graven van gegoede Javanen eiken Vrijdag herhaald 
wordt. Het zijn blauwe bloempjes van kleine heesters, 
waarvan geregelde aanplantingen bestaan. Telassih is 
een verkorting van telas-asih en het beteékent „uiterste 
liefde." 

Bladz. 653, reg. 5 v. b., staat: een tamping of pryaji ka^ 
petengan. De kapetëngans worden geen prijaji's genoemd; 
alleen de hoofden en ambtenaren. 

Bladz. 657, reg. 6 en 5 v. o., staat: Schier iedere dessa 
heeft hare prijaj€s. In Midden- en Oost- Java hebben 
de dessa's geene prijaji's. 

Bladz. 661, reg. 14 t/m 17 v. b., staat: Wanneer eene 
dessa van b, v, 300 landbouwende huisgezinnen in het 
bezit is , van 300 bouws sawah^ zal het dessahoofa mis* 
schien 4 bouws, ieder der mindere hoofden i^lf^ elki 
prijaji ongeveer een bouw ontvangen^ zoodat er I/2 of^\^ 
voor eiken sikep overblijft. Er zijn plaatsen waar het 
dessahoofd 10 pc. en 8 pc. van de geheele sawah der 
dessa krijgt, maar andere waar dit zooveel minder is, 
dat het dessahoofd slechts het dubbel aandeel sawah van 
een sikep krijgt. Het overige dessa-bestuur krijgt zijn 
aandeel in de sawah \olgens plaatselijk gebruik. 

£r zijn dessa's die aan elkaAr grenzen en toch daar- 
omtrent elk eene afzonderlijke r^eling hebben.. 

Bladz. 663 t/m 671. Over den Javaanschen adel, in deze 
bladzijden behandeld, zou veel te zeggen zijn. Daarin 
toch zijn overal zoovele misbruiken ingeslopen, dat het 
moeielijk is den juisten leiddraad aan te geven. Het 
zou derhalve wenschelijk zijn, wanneer de Regeering, 

* als Souverein, eenige voorschriften maakte om als basis 
te dienen. 



NASCHRIFT. 



Het was voor mij geene geringe voldoening, dat een zoo 
hoog geplaatst en kundig Javaan als de t^enwoordige 
Regent van Brebes, vroeger van Koedoes, Ario Tjondro 
Negoro, niet alleen mijn werk over Java met nauwkeurig- 
heid las, maar mij zelfs eene lange reeks van aanteeke- 
ningen op het eerste deel aanbood, die van hooge belang- 
stelling in mijn arbeid getuigen. De groote moeielijkheid 
waarmede ik in de samenstelling van dit werk te kampen 
had, ligt hierin, dat het ipij niet altijd mogelijk was na te 
gaan, wat, wel is waar, vroeger in gebruik was, maar thans 
is vervallen; wat vroeger tot de merkwaardigheden van 
eenige plaats behoorde, maar opgeruimd of verplaatst is ; 
wat in enkele gevallen voorkomt, maar niet algemeen is; 
wat slechts eigen is aan bijzondere standen of plaatsen, 
ofschoon ik in mijne bronnen daaromtrent geen voldoende 
aanwijzing vond. Vooral ben ik te kort geschoten in de 
'nauwkeurige onderscheiding van hetgeen echt Javaansch 
is en hetgeen in de Soendalanden te huis behoort. Deze 
laatste, meer in de nabijheid van Batavia gelegen, zijn aan 
de Europeanen over het algemeen meer in bijzonderheden 
bekend, en waren dit vooral in de dagen der Compagnie, 
dan de echt Javaansche gewesten, en zelfs Junghuhn, 
wiens geschriften zoo menige leemte moeten aanvullen, 
die zonder hem in onze kennis van Java bestaan zou, was 
veel meer met de Soenda-landen, of juister, met het belang- 
rijkste deel daarvan, de Preanger Regentschappen, dan 
met eenig ander deel van Java vertrouwd. Dit is onge- 
twijfeld de reden , waarom West- Java zoo dikwijls het type 
voor de beschrijvingen en beschouwingen van Europeesche 
schrijvers heeft geleverd, terwijl zij maar al te zeer nalatig 
zijn gebleven, ons in te lichten omtrent den beperkten kring 
waarvoor zij gelden. Een voorname oorzaak van vele 
onjuistheden waaraan ik mij heb schuldig gemaakt, is hier- 
mede aangewezen; verreweg de meeste aanteekeningen van 
Tjondro Negoro hebben dan ook ten doel, niet het door 
mij gezegde als geheel verkeerd te verwerpen, maar het 



tot den juisten kring waarin het geldt te beperken. Hierbij' 
moet nog iets worden opgemerkt. Het Indisch-Nedei^ 
landsch is een zeer eigenaardig Nederlandsch, dat zich, om 
namen voor inlandsche zaken te vinden, een groot aantal 
woorden uit de verschillende talen van den Archipel heeft 
toegeëigend. Vele van die namen zijn Maleisch, andere 
Soendasch, enkele Javaansch. Nu heb ik in vele gevallen 
planten, dieren, kleedingstukken, huisraad enz. genoemd 
met de namen die daarvoor onder de Europeanen in 
Indie het meest in gebruik zijn, zonder te letten op den 
oorsprong dier namen en zonder van hunne herkomst te 
gewagen. Menige aanteekening van Tjondro Negoro heeft 
de strekking om eenvoudig aan te toonen, dat die namen 
in Midden- Java niet bekend zijn en de vaak door hem 
aangegeven echt Javaansche benaming door mij niet ver- 
meld is, zonder dat hij daarmede wil te kennen geven, 
dat de namen door mij gebezigd geheel verkeerd zijn. Op 
zeer enkele plaatsen berusten de aanteekeningen op een 
eenigszins verkeerde opvatting van het door mij gez^de, 
maar ook waar zich dat een enkele maal voordoet, is de 
aanteekening van Tjondro Negoro doorgaans niet nutte- 
loos. Zoo, b. V., toen ik op bl. 639 van mijn werk op- 
merkte, dat de gewoonte om de tanden met goud te be- 
kleeden van ouds algemeen schijnt te zijn geweest onder 
de volken van Maleischen stam, heb ik volstrekt niet be- 
doeld te kennen te geven, dat dit gebruik nog heden op 
Java bestaat. Tjondro Negoro teekent echter op dit punt 
aan, dat het gebruik van de tanden met goud te versie- 
ren in Midden- en Oost- Java (voor de Soendalanden be- 
slist hij het niet) onbekend is. Dit door een bevoegde 
autoriteit zoo stellig geconstateerd te zien, zal althans 
volgende schrijvers over Java behoeden voor het gevaar, 
om eene onder de Maleiers op Sumatra nog zeer alge- 
meene gewoonte ook aan de Javanen toe te schrijven. 

Het beste gebruik dat van de aanteekeningen van 
Tjondro Negoro had kunnen gemaakt worden, ware zeker 



NASCHRIFT. 



«S 



geweest in eene tweede, omgewerkte uitgave van mijn 
eerste deel alles daarnaar te verbeteren of te preciseeren 
wat daaraan behoefte had; maar de tijd, zoo hij al ooit 
komen zal, is nog ver verwijderd, waarop een tweede uit- 
gave de daaraan voor den uitgever verbonden kosten zou 
kunnen goedmaken. De heb daarom van Tjondro Negoro 
verlof gevraagd en gekregen, om zijne „aanteekeningen" 
afeonderlijk uit te geven. De gereedste gelegenheid daar- 
toe bood mij het „Tijdschrift van het Aardrijkskundig 
Genootschap.*' Ik heb echter de redactie van dat Tijd- 
schrift verzocht, dit stuk niet in het lichaam van het 
Tijdschrift, maar in de Bij bladen op te nemen, opdat de 
eigenaars van mijn „Java", die tevens in het bezit dezer 
aanteekeningen wilden geraken, zich dat nommer der 
Bijbladen zouden kunnen aanschaften, zonder verplicht te 
zijn daarbij iets anders te koopen dat hun geen belang 
inboezemt 

Men zal misschien opmerken, dat deze aanteekeningen 
te veel over kleinigheden loopen, om op eene afzonderlijke 
nitgave aanspraak te hebben. Inderdaad kan ik met ge- 
noden constateeren, dat ook na dezen schat van verbete- 
ringen en aanvullingen, de voorstelling die ik in het al- 
gemeen van het leven en streven der Javanen heb gege- 
ven, geene groote wijziging behoeft te ondergaan. Doch 
wie iets meer dan niet geheel onjuiste algemeene indruk- 
ken, wie degelijke en nauwkeurige kennis zoekt, en beseft 
hoe de ethnologie, als vergelijkende wetenschap, aan vol- 
komen juiste en vertrouwbare g^evens behoefte heeft, zal 
den Regent van Brebes voor zijne talrijke opmerkingen, 
waaronder er dan toch ook zijn die zaken van aanbelang 



betreften, ongetwijfeld' dank weten, en misschien ook mij 
voor de bezorging der uitgave zijne erkentelijkheid niet 
onthouden. 

Dat Ario Tjondro Negoro een bekwaam en veelzijdig 
ontwikkeld man is, die zijn geboorteland, dat hij in vele 
richtingen doorreisd heeft, grondig kent; die onze taal 
(ofschoon nu en dan met die eigenaardigheden van spraak- 
wending, die men ook in de schrijfwijze der Indo-Euro- 
peanen opmerkt) zuiver, vloeiend en duidelijk schrijft;, en 
die met fijnen tact alles is uit den weg gegaan, waarom- 
trent meer het standpunt van den Europeaan, — natuurlijk 
van dat ook van den meest beschaafden Javaan zoo zeer 
verschillend, — dan de meerdere of mindere nauwkeurig- 
heid zijner kennis aanleiding tot verschil van meening zou 
kunnen geven; dit alles zal ieder lezer dezer aanteeke- 
ningen gereedelijk opmerken, zonder dat ik er nader zijne 
aandacht bij bepaal. Maar ééne opmerking, die misschien 
menigen lezer ontgaan zou, en die mij toch niet van be- * 
lang ontbloot schijnt, mag ik niet terughouden. Het 
schijnt mij toe, dat, wanneer een Javaansch hoofd, op de 
wijze als hier en ook reeds dikwijls elders door Tjondro 
Negoro gedaan is, de . Europeanen in hunne studiën over 
de talen, de bevolking en de natuurlijke gesteldheid van 
zijn Vaderland ter zijde staat, hen helpt en terecht wijst, 
dit op de verhouding van het Europeesch gezag tot de 
inlandsche aristocratie, en met haar tot de inlandsche 
maatschappij, een verrassend gunstig licht werpt. 



Leiden, 17 Juli 1881. 



P. J. Veth. 



l 



VERHANDELING OVER DE HAVEN VAN HET RECIEF 

(PERNAMBUCO-BRAZILIË) 

DOOR 

VICTOR FOURNIÉ, 

Hoofdingenieur bij het corps der bruggen en wegen van Frankrijk^ Oud-Directeur der openbare werken van de 
provincie Pemafnbuco, correspondeerend lid van het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap^ 

EN 

ÉMILE BÉRINGER, 

Oud'ingenieury Chef van den topographischen dienst der provincie Pernanibuco, 



MÉMOIRE SUR LE PORT DU RECIFE 



(PERNAMBUCO-BRESIL) 

PAR Ti 



M. M. VICTOR FOURNIÉ, 

Ing-énieur en cfief au corps des ponts et cliaussées de France, ancien Directeur des travaux pubiics de la Proinnce 

de PemambucOf membre correspondant de la Société néerlandaise de géographicy 



ET 



ÉMILE BÉRINGER, 

Ancien Ingénieur, chef du service topographique de la Province de Pertiambuco. 



- -N. -_*.*^.^^ 



(Uitgegeven van wege het Aardrijkskundig Genootschap.) 

BIJBLAD N"". 8. 



Amsterdam. — C. L. BRINKMAN. — Utrecht. — J. L. BEIJERS. 

i88i. 



AAN DEN LEZER. 



Het zij ons vergund aan de belangrijke studiën van de 
heeren Fournié en Béringer over de haven van Pernambuco 
een enkel woord te doen voorafgaan, ter verklaring waarom 
de arbeid van de2;e kundige vreemdelingen in ons Tijdschrift 
wordt opgenomen, en waarom dit opstel in de Fransche 
taal verschijnt. 

In de verslagen der Algemeene Vergaderingen van ons 
Genootschap van de jaren 1874 en 1875 is herhaaldelijk 
gewaï; gemaakt van de betrekkingen door onzen Voorzitter 
aangeknoopt met den heer Victor Fournié, destijds Direc- 
teur der openbare werken in de provincie Pernambuco 
in Brazilië. Het was den heer Fournié gebleken, dat 
ia den tijd toen de Nederlandsche Westindische Com- 
pagnie een gedeelte van Brazilië aan haar gezag onder- 
worpen had, opnemingen van de haven en wateren van 
het Recief of de stad Pernambuco hadden plaats gehad, 
waarvan daar ter plaatse de herinnering nog niet geheel 
verloren was. Zijne belangstelling werd daardoor zoozeer 
opgewekt, dat hij aan den Weleerw. heer P. Mounier te 
Amsterdam, dien hij toevallig had leeren kennen, een 
brief schreef, met verzoek om hem zoo mogelijk nader 
daaromtrent in te lichten. De heer Mounier wendde ^ich 
tot onzen Voorzitter, die nu zelf met den heer Fournié 
in correspondentie trad en hem al dadelijk het een en 
ander omtrent de literatuur betreffende de Nederlandsche 
vestiging in Brazilië mededeelde en zich bereid verklaarde 
verdere berichten in te winnen. De heer Fournié toonde 
zijne erkentelijkheid door de toezending van een exem- 
plaar zijner „Étude sur les travaux nécessaires au dévelop- 
pement du Port de Pernambuco" voor onze bibliotheek, 
en door den wensch uit te drukken om als lid van ons 
Genootschap te worden opgenomen, een wensch waaraan 
onzerzijds voldaan werd door hem bij de eerste gelegen- 
heid tot correspondeerend lid te benoemen. Een ander 



Fransch ingenieur, de heer Emile Béringer, naar Pernam- 
buco geroepen om aanvankelijk den Directeur in zijne 
werkzaamheden bij te staan en hem later te vervangen, 
ontving nu van den heer Fournié de opdracht om vooraf 
Nederland te bezoeken, zich met den President van het 
Genootschap in betrekking te stellen, en met zijne hulp 
200veel mogelijk alles op te sporen wat aan boeken, hand- 
schriften en kaarten, de haven van Pernambuco betreffende, 
op de Bibliotheken en in de Archieven van ons land zou 
te vinden zijn. De Voorzitter stelde hem, door de w el willende 
hulp van den heer W. N. du Rieu, in staat zich bekend te 
maken met den rijken schat van kaarten, door den heer 
Bodel Nyenhuis aan de Akademische Bibliotheek vermaakt, 
terwijl hij hem verder aanbeval aan den heer Frederik 
Muller te Amsterdam en vooral aan den majoor P. A. 
Leupe te 's Gravenhage, die met het opzicht over de daar 
in 's Rijks Archief aanwezige rijke verzameling van kaarten 
belast was. De heer Béringer werkte cenige dagen, vooral 
te Leiden en te 's Gravenhage, met stalen vlijt , om alles te 
excerpeeren en af te teekenen, en bracht den heer Fournié 
veel meer dan hij zich ooit had durven voorstellen. Eene 
grondige vergelijkende studie van de haven van Pernambuco 
in haren tegenwoordigen toestand en in dien waarin zij in 
de zeventiende eeuw verkeerde, was daarvan het gevolg, en 
de mindere bekendheid der Nederlandsche taal was daarbij 
voor die heeren geen hinderpaal, daar zij, door hunne 
kennis van het Hoogduitsch geholpen, er in slaagden 
haar weldra voldoende meester te worden, om de schriften 
van de Laet en Nieuhoff en de legenda der HoUandsche 
kaarten volkomen te verstaan. 

Eenigen tijd na de aankomst van den heer Béringer te 
Pernambuco, keerde de heer Fournié, die nu de voltooiing 
zijner taak aan bekwame handen kon overlaten, naar 
Frankrijk terug, waar hij zich weldra geplaatst zag bij het 



INLEIDING. 



Ministerie van Openbare Werken, als Directeur de la con- 
struction des chemins de fer. 

Nadat ook de heer Béringer in Frankrijk was terugge- 
keerd, richtte de heer Fournié den 3***° December 1878 
een schrijven aan onzen Voorzitter, beginnende met de 
erkenning, dat de hulp des Genootschaps hem in staat had 
gesteld tot in de kleinste topographische bijzonderheden 
den staat van de stad Recife te leeren kennen, in den tijd 
toen zij den naam droeg van Mauritsstad, en dat hij zich 
daarom verplicht achtte aan ons Genootschap rekenschap te 
geven van zijne verrichtingen in Brazilië, voor zoover die 
eenige wetenschappelijke waarde konden bezitten. Al 
dadelijk zond hij daarom aan het Genootschap een over- 
druk uit het „Annuaire de la Société météorologique de 
France", 1878, van de onder zijn toezicht en medewerking 
door den heer Béringer uitgegeven „Recherches sur Ie climat 
et la mortalité de la ville du Recife ou Pernambuco"; 
maar gewichtiger nog was de mededeeling die hij er aan 
toevoegde, dat hij, na een topographisch plan op de schaal 
van I : 10,000 van de stad en hare voorsteden te hebben 
doen vervaardigen, thans in staat was gesteld met nauwkeurig- 
heid al de plaatsen aan te wijzen, die in de werken van 
Barlaeus, de Laet en Nieuhoflf en op de Hollandsche kaar- 
ten waren vermeld, en dat tevens de heer Béringer opzijn 
verzoek eene memorie daarover had samengesteld, en op 
een exemplaar der voorhandene kaart van den toestand 
in de 19e eeuw, den toestand in de 17e eeuw met behulp 
van kleuren had aangewezen. „Ces documents", zoo schreef 
hij, „vous appartiennent dans une large mesure, et je 
n*hésiterais pas ^ vous les adresser dès a présent, en vous 
demandant de vouloir bien les accueillir dans la publication 
périodique de vobre société, si la notice dont il s'agit 
n*était redigée en francais. Si vous pensez. Monsieur Ie 
Président, que ce sujet ait assez d*intérêt pour que la 
Société neérlandaise se charge de faire traduire cette 
notice de quelques pages en langue hoUandaise, et de faire 
réduire au format de sa publication une carte en deux 
couleurs, je m'empresserai de vous transmettre ce travail 
original, qui fait honneur k M. Béringer. Je me réserve 
seulement Ie mérite d'avoir rendu possible ce travail et 
d'avoir encouragé Tauteur dans ses recherches longues et 
minutieuses: c'était mon röle de directeur civilisé dans 
un pays oü Ie gout de la science n'a pas de nombreuses 
occasions de se dévelqpper, en dehors de la capitale Rio 
de Janeiro." 

De Voorzitter deelde dit schrijven mede aan zijne mede- 
leden in het Bestuur, die allen hoogelijk waren ingenomen 
met de hulde die aan de wetenschappelijke verdiensten 



onzer voorouders in dezen arbeid gebracht was door twee 
Fransche ingenieurs, die alzoo wilden bijdragen om de 
herinneringen van een roemrijk verleden bij ons te ver- 
levendigen, en die noch het aanleeren onzer taal, noch de 
zorgvuldigste plaatselijke onderzoekingen geschroomd had- 
den, om licht te verspreiden over eene belangrijke episode 
onzer koloniale geschiedenis. Het voorstel van den heer 
Fournié werd met warmte aangenomen; doch met die 
wijziging, dat besloten werd hem aan te bieden het stuk 
in de origineele taal in de werken van ons Genootschap 
op te nemen. Ofschoon wij ongaarne ons Tijdschrift of 
zijne Bijbladen door Nederlandsche schrijvers zouden zien 
gebruiken tot plaatsing van stukken in vreemde talen 
om ze alzoo gemakkelijker voor den vreemdeling toegan- 
kelijk te maken, — eene handelwijze maar al te zeer in 
sommige andere nederlandsche tijdschriften, tot groote 
schade voor de verbreiding onzer taal, gevolgd, en, zoo- 
als de ervaring met ons Tijdschrift opgedaan, ons in tal 
van voorbeelden geleerd heeft, volstrekt niet noodig om 
de aandacht van vakgenooten op onderzoekingen van 
wezenlijke wetenschappelijke waarde te vestigen, — meenden 
wij toch dat de algemeene bekendheid onzer beschaafde 
landgenooten met de voornaamste vreemde talen ons toe- 
stond, stukken door vreemdelingen in hunne moedertaal 
geschreven en ons ter plaatsing aangeboden, onvertaald 
aan onze lezers aan te bieden. Ieder schrijver schrijft het 
best wanneer hij zich van zijne eigene taal bedient, en 
ééne der voornaamste redenen derhalve waarom wij van 
Nederlanders geene stukken in vreemde talen wenschen 
te ontvangen, is dus tegelijk eene reden waarom wij de 
bijdragen van vreemdelingen bij voorkeur onvertaald laten, 
ook dan wanneer ons de opneming in een nederlandsch 
kleed op zoo heusche wijze wordt vrijgelaten als door den 
heer Fournié is geschied. 

De kennisgeving van den Voorzitter aan den heer Fournié 
van onze bereidwilligheid om de kaart in verkleinden 
maatstaf en de bijgevoegde memorie in de oorspronkelijke 
taal in onze werken op te nemen, werd den 3 isten Januari, 
1879, gevolgd door de toezending van de volgende stuk- 
ken: !•. De bedoelde memorie van den heer Béringer, 
waaraan echter de heer Fournié zelf, als eerste gedeelte, 
eene studie over den tegen woordigen toestand der haven van 
Pernambuco, uit hydrographisch oogpunt beschouwd, had 
toegevoegd, met de vergunning om van dat bijvo^sel al 
of niet gebruik te maken, naarmate het ons wenschelijk 
scheen; 2^. een exemplaar zijner groote kaart van de stad 
Recife in haren tegenwoordigen toestand, op de schaal 
van I : xo,ooo; 3^ een exemplaar van acht bladen derzelfde 



INLEIDING. 



kaart i), waarop met roode lijnen en gele tinten de ge- 
steldheid der plaats in het Hollandsche tijdvak, 1630— 
1654, is voorgesteld. 

De heer Fournié achtte het niet waarschijnlijk, dat het 
Genootschap ook eene reductie van de sub 2 genoemde 
kaart aan de uitgave der andere stukken zou wenschen 
toe te voegen; en hij heeft daarin wel gezien, daar de 
kosten der uitgave daardoor aanmerkelijk en zonder even- 
redig nut zouden verzwaard zijn; maar toch wilde hij ons 
met de toezending van een exemplaar dier kaart verplich- 
ten, opdat zij „^ titre de document" in het Archief des 
Genootschaps zou blijven berusten. 

De reductie der kaart bestemd voor de vergelijking van 
den voormaligen en hedendaagschen toestand der haven, 
is vervaardigd door ons medelid, den luitenant ter zee ie 
klasse C. H. de Goeje, thans Directeur van de Kweekschool 
voor de Zeevaart te Leiden, die daardoor het Genootschap 
op nieuw in hooge mate aan zich verplicht heeft. Er 
moest echter noodwendig eenige tijd verloopen eer de heer 
de Goeje, te midden van vele drukke bezigheden, zich van 
deze lastige taak kon kwijten, terwijl daarna de correctie 
van de proeven der kaart en gedeeltelijk ook van den 
tekst groote vertraging ondervonden heeft, door de nieuwe 
betrekking waartoe de heer Béringer werd geroepen, die 



i) De overige bladen waren onnoodig, omdat het terrein dat zij 
voorstellen door de Nederlanders noch bezet noch onderzocht is. 



zich naar Afnka begaf om daar te worden toegevoegd aan 
de expeditie van kolonel Flatters voor het onderzoek 
betreffende den aanleg van een spoorweg door de Sahara. 
De kaart is nog vóór zijn vertrek door hem nagezien, 
maar met de correctie der proeven van den tekst heeft 
zich in zijn afwezen de heer Fournié belast. Nadat wij de 
gecorrigeerde bladen hadden terug ontvangen, isdevreesse" 
lijke tijding tot ons gekomen, dat de bittere vijandschap 
der inboorlingen, deels door het zwaard, deels door vergif, 
aan de expeditie een volkomen ondergang heeft bereid. De 
Heer Béringer is een der vele slachtoffers van dezen moord, 
die aan zoovele edele pioniers van menschelijkheid en be- 
schaving het leven gekost heeft. Met ons zullen allen, die 
zijne verdiensten uit het thans uitgegeven werk leeren ken- 
nen, zijn ontijdigen dood betreuren, maar zij die in de ge- 
legenheid waren, hem, gedurende zijn kort bezoek in ons 
vaderland, persoonlijk te leeren kennen, betreuren dubbel 
zijn verlies, wegens de minzaamheid en bescheidenheid die 
met zijne groote talenten en stalen vlijt gepaard gingen. 
Het voorstel, door den Voorzitter reeds aan de overweging 
van het Bestuur onderworpen, om hem, als bewijs onzer 
erkentelijkheid, onder de correspondeerende leden des Ge- 
nootschaps op te nemen, moet thans, helaas! vervallen; 
maar onze dankbaarheid jegens de beide uitstekende Fran- 
sche ingenieurs, die de werken van ons Genootschap door 
eene voor Nederland zoo belangrijke studie hebben willen 
opluisteren, zal daarom niet minder groot zijn. 



1 



I»-A.IITIB. 



ÉTUDES HYDROGRAPHIQUES SUR LE PORT DU RECIFE, 



PAR 



M. VICTOR FOURNIÉ. 



A la date da i«r Juin 1874 j*ai publié un mémoire en 
fran^is, intitulé: ,^tude sur les travaux nécessaires pour 
Ie développemcnt du port de Pernambuco ." Le même 
travail, traduit en portugais, a été inséré plus tard au 
recueil de Tlnstitut polytechnique de Rio de Janeiro. 

Dans eet ouvrage je dressais le programme des études 
qui devaient logiquement précéder Tadoption d'un ensemble 
de travaux. Dans le court espace de temps que mes colla- 
borateurs européens et moi ayons passé au Brésil, trois ans 
environ, nous avons été assez heureux pour menerèbonne 
fin plusieurs des articles de notre programme. 

M. Béringer, mon principal collaborateur frangais, a fait 
insérer déjét k l'Annuaire de la Société météorolo^que de 
France pour 1878 un important mémoire sur le climat et 
la mortalité au Recife. 

Nous venons maintenant demander Thospitalité de la 
Société neérlandaise de géographie pour des recherches 
nouvelles et inédites qui appartiennent au domaine géogra- 
phique. Ces recherches portent sur Tétat du port du Recife 
au XVIIc siècle d*après les documents hollandais, et par 
extension sur l'état è, la méme époque de la ville méme 
du Recife et de sa banlieue. C'est Tobjet de la 2e partie 
du présent mémoire, la plus importante, rédigée par M. 
Béringer. 



Le plan annexé au mémoire a été leve k la planchette, 
^ Vioooj par M. Gustave Mermoud, géométre suisse très- 
soigneux, et vérifié par une triangulation de précision due 
k M. Émile Béringer. Ce plan de la ville et desfaubourgs, 
reduit k Vioooo et gravé en 1876 aux frais de la province 
de Pernambuco, est beaucoup plus exact que le plan k 
même échelle lithographié k Londres par les soins de M. 
Mamede Alves Ferreira, Tun de mes prédécesseurs k la 
direction des travaux publics de la province; plan que M. 
l'Amiral Mouchez a eu è sa disposition dans sa campagne 
hydrographique au Brésil. 

Toutefois les exigences des services publics n*ont pas 
permis d'attendre pour publier ce plan que Ton ait pu le 
completer par le leve du récif et de THe de Nogueira. C'est 
seulement au cours de la gravure qu*on a fait ce travail 
complémentaire. La carte ci-jointe est rectifiée. 

La variation de Taiguille aimantée a été Tobjet de déter- 
minations concordantes de la part de M. Émile Beringen 
elle était, en Juin 1876, de ii** 55' Ouest. 

Avant de laisser la parole k M. Béringer, je croisdevoir 
consigner ici des données originales sur Tétat actuel du p>ort 
du Recife d'après mes travaux propres (1874 — 76). 

Je suppose que le lecteur a sous les yeux la description 
des cötes du Brésil, du cap San Roque k Bahia, par M. 



ETXJDXS HYDROGRAPHIQUBS SUR LE PORT DU RECIFE. 



Monchez (1874. — Na 534 des publications du dépót 
général de la Marine fran^aise) et Ie plan de la rade de 
Pemambuco (No. 3009 des cartes et plans du même dép6t, 
dressé en 187 1 et corrigé en 1873). 



Du II aoüt au 15 octobre 1874, M. Tlngénieur anglais 
Sir John Hawkshaw, consulté par Ie Gouvernement brési- 
fien sur Tamélioration des ports de TEmpire, fit observer 
régulièrement de demi-heure en demi-heure, sous la direc- 
tion de son adjoint M. John Gamble, les hauteurs d'eau i 
six echelles verticales divisées en décimètres et centi* 
mètres. 

A partir du 15 Octobre 1874, chargé de la directiondu 
service technique du port du Recife, je fis continuer ces 
observations de demi-heure en demi-heure de six heures 
du matin è six heures du soir, et je fis observer en outre 
trois autres echelles pendant quelques mois ét titre decom- 
paraison. 

Je discutai d'abord les observations faites k Téchelle de 
TAisenal de marine k Tentrée du port: échelle en bois 
placée par Sir John Hawkshaw, dont Ie zéro est très-diflFé- 
rent du zéro d'une ancienne échelle gravée sur Ie mur de 
qaai du bassin sud de TArsenal. J'établis une loi empirique 
qd s*est constammerït vérifiée et qui m'a permis de calculer 
k Tavance les hauteurs joumalières des marées pour les 
besoins des travaux de mon service qui dépendaient des 
marées. J'ai pu même insérer dans une feuille périodique 
on tableau indiquant d'avance pour une période de six 
semaines, du 15 novembre au 31 décembre 1875, les hau- 
teurs et les heures de toutes les pleines mers et de toutes 
les basses mers soit du matin, soit du soir. Ces prévisions 
se sont trouvées absolument vérifiées quant aux hauteurs, 
et les erreurs sur les heures ont été généralement faibles, 
et n'ont atteint que dans quelques cas quinze minutes, 

J'ai établi les faits suivants pour Téchelle de l'Arsenal de 
marine du Recife: 

Les courbes des marées sont parfaitement symétriques k 
gauche et a droite des ordonnées de basse mer et de pleine 
mer. L*oscillation est celle d'une onde se propageant libre- 
ment dans TOcéan, sans complication résultant de la présence 
des rios Capibaribe et Beberibe, hors Ie cas des grandes 
craes. On peut par conséquent admettre que la loi d'os- 
cillation k Téchelle de TArsenal s'applique sensiblement k 
toute la rade et aux bancs qui Tentourent. 

En comparant les heures des marées en divers points de 
rOcéan atlantique, on voit que Tonde-marée générale de 



rOcéan met 11 heures (loib 55 minutes selon M. Mouchez) 
pour se propager du Redfe jusqü'au port, de Brest. 

Dans toutes les marées, de vive eau ou de morte eau, 
Ie niveau moyen entre la basse mer et la pleine mer se 
trouve k 1*30 de hauteur au-dessus du zéro de Téchelle 
de TArsenal: ce point donne donc Ie niveau moyen vrat 
de la mer au port du Reciie. J'ai en conséquence adopté 
ce niveau comme zéro pour les altitudes dans Ie nivellement 
général de U ville et de la Province. Dans Ie cas oü cettê 
échelle de l'Arsenal viendrait k étre déplacée, Ie niveau 
moyen de la mer serait toujours facilement retrouvé au 
moyen des repères de ce nivellement général, ou au moyen 
du seuil de la porte d'entrée de Tobservatoire de la marine, 
qui est k 2'~9o au-dessus du niveau moyen de la mer, ou 
k 4*" 20 au-dessus du zéro de Téchelle actuelle de TArsenal 
(zéro Hawkshaw). 

L'importance de la marée se mesure pour les pleines mers 
du Recife par Ie coëfficiënt de marée calculé aux annuaires 
francais des marées (annuaires Chazallon), k la condition 
de prendre dans la table de l'annuaire francais Ie nombre ré- 
pondan t k la marée immédiatement suivante, k raison du 
retard de 11^ indiqué ei- dessus. Soit C ce coëfficiënt, ou, 
s'il s'agit d'une basse mer, soit C la demi-somme des 
coefficients répondant aux pleines mer antérieure et suivante; 
soit P la hauteur de la pleine mer, B la hauteur de la 
basse mer au- dessus du zéro de l'échelle de TArsenal. On 
a les relations empiriques suivantes: 

P = I»,225 + i-,25 X C. 

B = i»,27S - iVS X C. 
Ces formules donnent, pour les cas particuliers les plus 
interessants*. 

plus petités 

mortes eaux . . C = 0,26 P = i^.SS B = i">,05 oscillation totale: o»»,5o 
marées moyennes 

de vive eau • C = 1,00 P = 2^a1 B = o»,i8 „ 2",3S 

plus grandes 

vivcs eaux . . C = 1.17 P = 2"»,69 B = (— 0»,09) „ 2",78 

Le hauteur calculée ainsi peut se trouver augmentée, par 
l'effet des vents de mer, de 0^,30 k o",35. 

Les nombres que je viens de faire connaltre permettent 
de déterminer le niveau des quais, des murs sur le réci^ 
des seuils des bassins projetés. 

J'ai calculé les heures de la haute mer pour chaque jour 
en prenant dans les almanachs l'heure du passage de la 
lune au méridien supérieur, et y ajoutant, pour obtenir 
l'heure de la pleine mer suivante, une quantité variable 
suivant TAge de la lune, quantité que des essais empiriques 
m'ont conduit k évaluer comme il suit: 



8 



ETUDES HYDR06RAPHIQUES SUR LE PORT DU RECIFE. 



Jours de la lune. 



Nouvelle Lune 


Pleine 


I 


i6 


2 


17 


3 


i8 


4 


19 


S 


20 


6 


21 


7 


22 


8 


«3 


9 


24 


lO 


as 


II 


26 


12 


27 


13 


28 


14 


29 



Nombres i ajouter a 1'heure du passage 
de la lune au méridien pour obtenir 
1'heure de la pleine mer suivante. 

Pleine Lune +4^ 35"**"* 



4 
4 
4 
3 
3 
3 
4 
4 
4 
4 
4 
4 
4 
4 



30 
20 

5 
50 
50 
40 

o 
20 

SS 

55 

45 
40 

40 

35 



Cette table donne des résultats plus approchés que celle 
nsérée par Vital d'Oliveira dans son ^^oteiro das Costas 



y^ BraziV\ qui ne tient pas compte de Theure exacte 
du passage de la lune au méridien, heure qui n'est pas la 
méme dans toutes les lunaisons pour un méme jour de 
la lune. 

Ayant calculé par la table ci-dessus une des pleines 
mers de chaque jour, j*ai réparti en quatre parties égales 
rintervalle entre les pleines mers des jours consécutifs, et 
obtenu ainsi approximativeroent Tautre pleine mer et les 
deux basses mers de chaque jour. 

Le cabotage local conservera d'ailleurs de préférence sa 
règle empirique très-simple, suffisamment exacte pour ses 
besoins, et qui le dispense de connaitre le temps moyen. 
Voici cette règle: au moment oü Ton observe soit le lever, 
soit le coucher de la lune, la mer baisse déjè. depuis une 
heure et demie. 

J*ai discuté personnellement les hauteurs de marée aux 
neuf echelles observées. Je transcris ci-dessous les résultats 
empiriques relatifs aux cinq emplacements les plus nettement 
retrouvables sur le plan ou sur les lieux. 



Emplacement 

de 

l'échelle. 



Hauteur du zéro de 
Féchelle au-dessus. 



du niveau 

moyen'de 

la mer. 



du zéro 
Hawkshaw 



Hauteur de la pleine mer dans une 

marée de coëfficiënt C 

au-dessus du zéro de Técbelle. 



du lieu. 



Hawkshaw. 



Hauteur de Ja basse mer dans une 

marée de coëfficiënt C 

au-dessus du zéro de l'écbelle. 



du lieu. 



Hawkshaw. 



Arsenal de marine 

Pont dos Afogados 

Pont du chemin • le fer de Caxangd 

Pont da Magdalena. 

Pont da Torre 



i"»,30 

i«,i75 

i«,7o 

o«»,77 

i»3o 



o«,oo 

-f 0",125 

— o™,40 
+ oii>,S3 
4- o» 00 



1»225+1™,2SXC 

i",io +i«i5XC 

im,70 -f I«,20XC 
0°>,89 +ini,I2XC 

i"»,50 +i'»,04XC 



im,22S+I"»,25XC 
ini,225-f 1"»,15XC 

i"*»30 -fi™,20XC 

I«,42 -f Iin,I2XC 

i">5o +i"*,04XC 



ï^ïSTS-ï^i^sxC 
o^.SSS+i^SoCC-ojs]» 

in»,70 — in«,OOXC 

I «»,5o[C— 0,80] ■ -f o», 16 

Om,82— om,l5XC-f 

4.im,5o[C-o,8o]« 



om,66+ i"»,5o[C— 0,75]» 

i«,30— i",ooxC 
* %5o[C— 0.80J • +o«,69 

0«,82— Oin,I5XC + 

-hi",5o[C-o,8o]« 



J'ai étudié aussi le temps qu'emploie la marée è se pro- 
pager depuis TArsenal de marine jusqu*aux autres echelles. 
Cette recherche n'est pas susceptible d'autant d'exactitude 
que la précédente. L'étale, soit de pleine mer, soit de basse 
mer, peut étre évalué 4 vingt minutes. Le moment précis 
du phénomène de pleine mer ou de basse mer est donc 
assez difficile è observer. On peut compter cependant en 
moyenne: 



Emplacement 

de 

TEchelle. 



Retard de la marée par rap- 
port k rSchelle 
de TArsenal de marine. 



pleine mer. 



basse mer. 



Pont dos Afogados 

Font duchemin de fer deCaxangd 

Pont da Magdalena 

Pont da Torre 



40 minutes. 

25 » 
60 „ 

42 /r 



100 minutes. 



25 
60 



71 I» 



Dans une forte crue du rio Capibaribe aux premiers jours 
d*Avril X875, les hauteurs de marée dans le Beberibe furent 
augmentées par le remous du fleuve principal de 8 ^ 15 



ETUDES HYDROGRAPHIQUES SUR L£ PORT DU RECIFB. 



centimètres. Le moment de la pleine mer è l'Arsenal de 
la marine fiit avance de 20 minutes environ par Tefiet de 
cette méme crue. 

Profondeurs dans le port et dans la rade. 

Les sondages répétés dans le port ont mis en évidence 
ce résultat essentiel : le chenal d'entrée dans le port a dans 
son point le moins profond 4™,4o au-dessous du zéro de 
Téchelle de l'Arsenal, c'est k dire è peu-près au-dessous des 
plus basses mers. C'est cette profondeur de 4'*,4o qui 
depuis longtemps règle la calaison des navires qui fréquen- 
tent le port du Recife; ce moindre fond se trouve presque 
en face du phare Picdo. Cette base de calcul étant admise, 
et le niveau moyen de la mer étant, comme je Tai dit, è. 
1*30 au-dessus du zéro de l'Arsenal, 4^,40 + i'»,3o = 5"*, 70 
est par conséquent la profondeur d'eau minima en mer 
moyenne. Or dans les moindres roortes-eaux la mers'élève 
de o'°,25 au-dessus du niveau moyen; donc $",95 est la 
profondeur d'eau que rencontrera un navire tous les jours 
de Tannée k Tentrée du port du Recife en choisissant le 
moment de pleine mer. 

Réservant o"*,35 pour le creux de Tonde ou pour un 
objet accidentel au fond de Teau, et o"*,4o è. raison de la 
déviation possible du navire en dehors du thalweg, lenom- 
^^ 5">95 sera reduit k 5", 2 o en pratique. C'est en effet 
S^,2o (17 pieds anglais) que les armateurs ont adopté pour 
le tirant d'eau des grands steamers réguliers qui font Tin- 
tercourse entre les ports d'Angleterre et de France et le 
Recife, et qui entrent dans ce demier port. 

Un sondage général fait dans le port et dans l'avant- 
port du Pofo en Décembre 1875 par le pilote José Cardoso 
dos Santos, attaché au service que je dirigeais, homme fort 
sür et expérimenté, a don néles résultats que je vais transcrire : 
toutes les cotes sont réduites au zéro Hawskshaw définici- 
dessus. 

Le chenal d'entrée du port, depuis la petite passé dite 
Barreia jusqu'au fort Picdo, a 4^,40 au point le moins 
profond, qui est en face du phare. 

Le chenal de Tavant-port dit P090, a de 5^,50 k 6*50 
d' eau depuis la Barreta jusqu'au rocher qui limite au sud 
la grande passé ou Barra grande, 

Le chenal en prolongement du P090, entre la Barra 
grande et la Pedra Redonday a de 6 ét 7 mètres. 

Dans la passé dite Barra grande on trouve k peu-près 
8", la partie la plus septentnonale de cette passé est plus 
profonde. 

La passé actuellement abandonnée par les navires, dite 



Barra velha^ entre les écueils dits Pedra Redanda et Cabefa 
de céco, a plus de 8". 

On trouve plus de 5" d'eau au-dessus de l'écueil Pedra 
Redanda qui limite au nord la Barra grande. 

La petite passé ou Barreta a 3"3o d'eau environ près de 
la roche dite Tartaruga (la tartue) voisine du phare. 

Entre la Barreta et la Barra grande s'étend un prolon- 
gement du récif, submergé et présentant une hauteur d'eau 
de i'°,8o è 4"; il s'abaisse du sud vers le nord. 

La partie du port intérieur qui est en dehors du rayon 
de la douane est comprise entre le fort PicAo et la capi- 
tainerie du port. On y trouve de 3"* k 6^,50 de mouillage. 

La partie du port assignée aux navires étrangers, depuis 
la capitainerie du port jusqu'aux bureaux du GuarOa mór 
de la douane, a de 4^,50 k plus de 9"" ; sa moindre pro- 
fondeur est k ses extrémités ; sa plus grande profondeur se 
rencontre depuis l'Association commerciale jusqu'è l'entre- 
pöt Dantas. 

Le mouillage affecté aux bdtiments chargés de viandes 
sèches a de 3™ è 6",6o. Celui situé devant le quai de la 
douane, depuis le pont du Recife jusqu'è Tentrepót Loyo, 
a de 3 4 6". 

Le chenal du fond du port, depuis le banc de sable dit 
Coróa dos Passarinhos jusqu'è. la Douane, a de 3 è. 5" 
de fond sur une largeur de 50 d 60"; dans cette partie il 
longe le récif. 

Depuis l'entrepót Loyo juqsu'è, l'extrémité du quai du 
nord k Tentrée du port, il existe un chenal distant des 
quais de 20 è 30™; ce chenal a plus de 4", 40 de pro- 
fondeur dans sa partie sud jusqu'd la place du Pelourinho^ 
sur 300" de long. Au-delè il a de 2™ è 3", 50. 

Les bancs de sable notables dans le port sont celui dos 
Passarinhos et celui du fort de Buraco^ Tun et l'autre fort 
anciens. Celui qui existe aujourd'hui en face du phare 
PicAo porte le nom de Breguedé; c'est lui qui rétrécit le 
chenal navigable k l'entrée du port; ce banc s'est tormé 
il y a 12 ou £3 ans, et eet emplacement ayant été désigné 
pendant quelque temps pour le dépót des vases et sables 
extraits par les dragues et d'autres objets encore, cette 
circonstance n'a pas peu contribué k développer un banc 
en ce point. 

En dehors du port et de l'avant-port du Pofo se trouve 
la rade toraine, décrite dans le texte de M. Mouchez, qui 
a eu connaissance du „Roteiro" plus détaillé de Vital 
d'Oliveira. Toutefois dans ce Roteiro méme il reste quel- 
ques points douteux, puisque Vital d'Oliveira par exemple 
n'a pas su retrouver dans le sud de la rade un banc déjd 
connu et sur lequel se sont produits des accidents récents. 

2 



lO 



ETUDBS HYDROGRAPHIQUES SUR LE PORT DU RECIFS. 



Ce S3nt strrtotit les p6cnears qui ont une connaisaiice détail- 
lée du fond de cette rade. Voici k eet égard des rensei- 
gnements et des noms locaux qui seront précieux pour qui 
voudra reprendre Ie leve de détail de la rade du Recife. 

On appeUe m^io canal (demiK:henal) ou Laminhas (petite 
vasière) tm espace compiis entre la ligne du rédi éLTouest, 
et les bancs anglais et Baia h. Test C'est Tanden mouillage 
des grands navires: il a de 9 ^ ii" d'eau, 

Le Lameirdo (grande-vasière) ou Canal de Franquia 
haixa (rade basse) est situé k Test du banc Boia\ il a de 
14 è. 15" d*eau. 

Le Cisnal de franquia alta (haute rade) est encore k 
Test du precedent; on y trouve de 16 è 17". 

Le Ccmal do Norte ou Aribiri est Umité par les bancs 
angiais et d*01inda, et s'étend depuis la Barra grande jus- 
qu'è tm point situé au nord du mouillage de franquia alta. 
On trouve dans ce chenal de 8 è 14". 

Le banc d'Olinda se rencontre k environ 3 milles du phare 
Pic^, et est relevé de ce phare N. 50° E. (magnétique). 
H y a ini,8o d'eau sur sa téte la plus saillante. 

La pointe sud du banc anglais se trouve k un mille de 
distance du phare, par S. 50"* E. ; la pointe nord du même 
banc se trouve è, la méme distance de la pointe de la 
Barra grande, par S. 70° E. Le banc anglais a 3«if 60 de 
fond au minimum. 

Le banc anglais porte aussi dans le Roteiro de Vital 
d'OHveira son nom antérieur de banc da Panella (de la 
marmite), alhision k ses brisants. 

Le banc Boia (banc du serpent, nom indigène; il ne 
faudrait pas croire que c'est le mot portugais boia^ bouée; 
il n'y a jamais eu de bouée en ce point) se rencontre k 
moins d'un mille de distance du fort Picdo, d*oü on le 
relève au S. 22® E. \A est son plus petit fond, oü Ton ne 
trouve que moins de 6™ d'eau. 

Le banc Aytiiba^ de Texistence duquel doute Vital d'Oli- 
veira, qui n'a pas réussi k le trouver, git sur le même 
alignement qui unit le fort PicAo au banc Boia, k 3 milles k 
peu prés du fort Pido ; on y trouve environ 6", 40 d'eau. Un 
paquebot y peul donc toucher, et il est essentiel de ne pas 
Tomettre. 

En relisant les descriptions de Vital d'Oliveira on y trouve 
de plus des désignations générales de bancs de roche ou 
de récifs extérieurs qui s'appelleraient tabayacüs, itiias. 



iacis. Ce sont des noms communs dé la langue indigène, 
et il n'y faut pas voir la dénomination de tel ou tel banc. 
Tabayacüs doit probablement s'écrire (/) taboiassü^ etveut 
dire le grand serpent de pierre, nom qui convient k mer- 
veille au récif littoral; iüias est une autre fbrme connuede 
boia^ et veut dire le serpent. 

Pour établir la synonymie, point quelquefois utile,- je ferai 
remarquer que Vital d'Oliveira donne le nom nègre de Zumbi 
k la ligne d'écueils qui suit la cabefa de coco. Je rap- 
p)ellerai en outre que dans les cartes hoUandaises du XVIIe 
siècle les bancs d'Olinda s'appellent le récif de Santo An- 
tonio ; la pointe la ^us saillante de ces bancs y porte le nom 
de Pania de Marim, C'est en ce point qu'est établie aujourd'- 
hui une bouée Uanche. L'avant-port du Pogo portait le 
nom de Mariopbfo. La passé, actuellement fermée, qui 
coupait le récif en amont du port prés de THe de Nogueira 
s'appelait Porto dos Francezes au XVIIe Siècle i^ifrance- 
gat des cartes hoUandaises). 

Profondetirfl du port au XVIIe Siècle. 

Je termine en pla^ant en regard de ce qui précède les 
chiflfres principaux sur les profondeurs d'eau dans le port 
au XVIIe Siècle (voir la 2e partie ci-après du présent mé- 
moire). 

Barlaeus (fol. 124, 148, 149) indique au pont du Redfe 
les profondeurs maxima de 4", 07 en basse mer, de 6", 66 
en pleine mer. La différence 2", 59 répond en effet k 
Toscillation de la pleine mer k la basse mer dans uneforte 
marée de vive eau (C = i, 10). 

Joan de Laet (p. 191) estime que la profondeur de Ta- 
vant-port du Po^ est de 5™, 50 k 6"", 00. 

Suivant Nieuhof (p. 15) le port intérieur ou Mosqueiro 
n'avait pas moins de 4"", 00 d'eau en basse mer; la passé 
au nord du lécif (barra grande ou barra velha) avait 6", 80 
de profondeur. Le même auteur fait connaltre que les na- 
vires portugais déchargeaient leurs marchandises entre le 
récif et le proroontoire d' Olinda, et qu'elles étaient ensuite 
remontées par chalands. 

Toutes ces conditions et dimenstons ne se sont pas 
modifiées 

V. FOURNIÉ. 



8' 



ItTIEL 



LE PORT DE PERNAMBUCO ET LA VILLE DU RECIFE AU l^. SIÈCLE. 



PAR MONSIBUK 



ÉMILE BÉRINGER. 



Preambule. 

L'étude des questions se rattachant k Tentretien, k 
ramélioration, au développement du port de Pernambuco 
rend interessante, sinon indispensable la connaissance des 
modifications qu*il a éprouvées dans ces derniers sièdes, 
soit par l'action des forces de la nature, soit par suite des 
travaux faits de main d'homme. Pénétré de Timportance 
de cctte étude, M. Foumié, Directeur des Travaux Publics 
de la province de Pernambuco, me chargea de compulser 
les documents relatifs k Tanden état du port, qui pourraient 
6tre rencontres en Hollande dans les bibliothéques ou archi- 
ves publiques ou privées. Ma mission me fut singulièrement 
üadlitée par Tobligeante intervention de la Société Néerlan- 
daise de géographie, dont Ie Président M. Ie professeur 
Veth et un membre, M. Leupe, archiviste de TEtat k La 
Haye, me donnèrent de précieux renseignements et d*uti- 
les conseils avec Ie plus cordial empressement. La Hol- 
lande était bien Ie pays qu*il fallait fouiller pour ce genre 
de recherches; car les HoUandais avaient occupé la province 
de Pernambuco de 1630 è 1654 et, pendant eet espace de 
temps relativement court, ils avaient jeté les fondements de la 
viUe actuelle du Recife, transmettant k la postérité, dans 
des publications nombreuses 'et remarquables, tous les incidents 
notables de leur séjour au Brésil. 



La carte au goèoo figure, en noir et bleu, la disposition 
actuelle de la ville du Recife avec ses environs, et en 
rouge et jaune Tétat des lieux dans la première moitié du 
17e siècle. Je vais indiquer les sources oü j'ai puisé les 
données qui m'ont servi k dessiner l'ancienne configuration 
du port et de la ville, et transcrire quelques autres ren- 
seignements interessants que je n'ai pu faire figurer sur la 
carte. Mais auparavant qu'il me soit permis, pour Tintel- 
ligence des explications qui doivent suivre, de rappeler quel- 
ques dates historiques. 

Dates. 

Vers 1534, peu de temps après la découverte du Brésil, 
Duarte Coelho, auquel Ie roi de Portugal avait fait don de 
la province ou Capitania de Pernambuco, vient s'y installer 
avec un certain nombre de families portugaises et yfonder 
la ville d'Olinda, capitale de la province. 

En 1580, Ie Portugal et ses colonies passent sous la 
domination espagnole. A cette époque Olinda posséde déj^ 
700 maisons d'habitation et de nombreux édiüces publics. 
Vingt usinesè. Sucre ou engenhos fonctionnent aux alentours. 

£n 162 ly k l'expiration de la trève de douze ans con- 
ckie entre l'Ëspagne et la Hollande^ cette dernière accorde 



12 



LE PORT DE PERNAMBUCO ET LA VILLE DU RECIFE AU 17e SIÈCLE. 



k la Compagnie des Indes occidentales des lettres patentes 
qui, entre autres privil^es, lui assurent Ie droit exclusif 
pendant vingt ans de trafiquer avec Ie Brésil, d'établir des 
forts, de conclure des traites etc. 

Le 8 Mai 1624, une escadre de cette puissan te Com- 
pagnie jette Tancre devant Bahia. 

Le 15 Février 1630, les premières troupes hoUandaises 
débarquent dans la provïnce de Pemambuco et s'emparent 
de sa capitale Olinda. A cette époque le Recife n*est encore 
qu'un hameau avec des entrepóts et quelques maisons d'ha- 
bitation, situé k Textréraité de la langue de terre appelée 
isthme d'Olinda, k une lieue environ au sud de la capitale. 

Le 24 Novembre 1631, Olinda est évacuée et brülée en 
grande partie k cause de la difficulté qu'on eüt rencontrée 
pour la mettre en état de défense. C*est de ce moment 
que date le développement de la ville du Recife. 

Le 23 Janvier 1637, Mauricc Comte de Nassau débarque 
au Recife en qualité de Gouverneur général du Brésil-hol- 
landais. Pendant les 7 années de son gouvernement, la ville 
du Recife se développe; un nouveau quartier appelé Mau- 
ritssiad s'élève sur THe d'Antonio Vaz, \k oü se trouve 
aujourd'hui le quartier dit bairro de S^ Antonio; des tra- 
vaux importants s'exécutent. Les arts et les sciences sont 
représentés par le géographe et astronome George Markgra- 
ven, Tarchitecte Post, l'aumónier Fran^ois Plante, le médecin 
Guillaume Piso etc. 

Le 6 Mai 1644 Maurice de Nassau abdique la dignité 
de Gouverneur et retourne dans sa patrie. 

Le pouvoir des Hollandais au Brésil commence k 
décliner rapidement dès ce moment. 

En 1645, l^s principales places du Brésil-hoUandais suc- 
combent devant les armes des colons portugais insurgés. 

Dès 1646, le Recife est cerné étroitement. Les Hollan- 
dais n'ont plus que la mer pour communiquer avec Tex- 
térieur. 

Cette situation dure jusqu'au 20 Décembre 1653, datede 
Tapparition de la flotte espagnole qui, sous les ordres de 
Magalhaens, vient bloquer la place par mer. 

Le 26 Janvier 1654, les Hollandais, enfermés au Recife, 
sont obligés de capituler. lis évacuent la méme année teute 
la province. 

Doctxments utilisés. 

Ces prémisses posées, voici la nomenclature des docu- 
ments manuscrits ou gravés qui ont été utilisés dans la 
rédaction du plan représentant Tétat de la ville du Recife et 
du port de Pernambuco dans la première moitié du 17' siècle. 



Carte de la cóte entre le rio Pao Amarello et les Afoga 
dos vers 1630, gravée par Hessel Gerritsz, avec quelques- 
sondages le long de la cóte. £lle est conservée dans la 
bibliothèque de Leyde. 

Carte gravée de la cóte entre le rio Pao Amarello et les 
Afogados, vers la même époque, dédi^e è. Henri Lonck par 
Nicolaus Joannis Piscator, et conservée dans la cóllection dela 
bibliothèque de Leyde. Au plan de la cóte correspond un 
panorama pris de la rade. On y trouve en outre une petite 
carte de la capitania de Pernambuco. Une copie tronquée 
et sans nom d*auteur de ce document est insérëe dans 
l'ouvrage allemand „Neue Welt durch Johann Ludwig 
Gottfried. — Frankfurt 1655." 

Carte manuLcrite hollandaise, no. 711 de la cóllection 
des Archives de la Haye, dressée en Juillet 1631 par Tln- 
génieur Andreas Drewisch Bonge Saltensis. Elle donne avec 
grand détail la disposition du port, ec parait avoir servi 
de canevas aux autres cartes publiées vers la même époque. 

Carte gravée de la bibliothèque de Leyde, représentant 
le port vers 1630 et portant la mention „Wilhelmus Hon- 
dius fecit — 1640." Ce n'est évidemment qu'une copie de 
celle d' Andreas Drewisch. 

Croquis manuscrit hollandais, no. 2165 des Archives de 
la Haye, signé Johannes van Walbeeck. Il figure la contrée 
située entre Olinda, les Afogados etTArraial etaétédressé 
en 1632, suivant les informations de prisonniers portugais. 
n contient une légende tres interessante tant au point de 
vue des habitations des environs du Recife qu'êl celui du 
régime des cours d'eau. 

Carte manuscrite du port de Pernambuco vers 1640, 
tirée d'un volumineux et précieux atlas qui se trouve 
aux Archives de la Haye et a pour titre : „Verzameling 
van Pas-kaarten dienende tot de vaart naar Oost en West- 
Indien.*' . . . Les cartes de eet atlas, dont la plupart sont 
inachevées, ne portent ni date ni nom d*auteur, mais elles 
sont dessinées avec le plus grand soin 

Carte manuscrite de la Zone comprise entre Olinda au 
Nord, les Afogados au Sud, et les deux forts Arraial k 
rOuest, tirée du même atlas des Archives de La Haye. 
Elle est basée sur les mêmes documents que la précédente, 
mais embrasse une plus grande étendue de terrain. Sa 
comparaison avec les cartes modernes fait ressortir son 
exactitude. Je suis porté k croire qu'elle résumé les tra- 
vaux topographiques des Hollandais aux abords du ix)rt, 
opinion que confirme le passage de Thistorien Nieuhof 
(page 190) oü il est dit qu'il serait nécessaire de lever, sur 
une lieue environ d'étendue, une carte du pays situé im- 
médiatement au Sud des Afogados et encore entiérement 



L£ PORT DE PERNAHBUCO RT LA VILLE DU RECIFE AU I7« SIÈCLE. 



13 



inconnu des HoUandais. Or ceci se passait au mois de 
Janvier 1646, époque iL laquelle les HoUandais commen- 
^ent a 6tre cernés par terre, et après laquelle ils ne 
parent plus songer k exécuter des travaux topographiques 
en dehors du Redfe. 

Cartes du port vers 1630 et 1640 de Touvrage latin bien 
connu „Casparis Barlaei rerum per octennium in Brasilid.... 
Historia/' Ces cartes, que complètent plusieurs magnifiques 
planches représentant Ie panorama du port et diversesvues 
de la ville, offrent beaucoup d'intérét. Cependant elles 
sont moins exactes que celles d'Andreas Drewisch et de 
Tatlas de La Haye. Ainsi la carte de Tatlas de La Haye 
indique les dispositions du port du Recife, du chiteau de 
Boi-Vista etc... d'une maniere plus conforme au texte et 
aux vues panoramiques de Barlseus que ne Ie fait Ie plan 
correspondant de Touvrage latin. 

Plan de détail du fort du prince Willem aux Afogados, 
dans Touvrage italien „Istoria delle guerre del regno del 
Brasil del P. F. Gioseppe di S. Teresa, carmelitano scalzo 
— Roma 1698." Le méme volume renferme un plan du 
port de Pernambuco vers 1640. Je ne le cite que pour 
signaler son évidente inexactitude, notamment en ce qui 
conceme une excroissance du quartier du Recife qui n'a 
jamais pu exister que_dans Timagination du dessinateur. 

Coupe et plan manuscrits du fort Real, dessinés par 
Tarchitecte Christovdo Alvares en Décembre 1629 et clas- 
ses sous les numéros 2161 et 2162 dans les Archives de 
la Haye. Il s'agit du fort que Mathias d'Albuquerque 
ayait Tin tention de constrüire sur remplacement occupé 
plus tard par le fort de Bniyn. Ces deux documents don- 
nent des renseignements précis sur la largeur de Tisthme 
d'Olinda et le régime du rio Bébéribe. 

D'autres cartes et plans anciens m'ont passé entre les 
raains, mais je crois inutile de les mentionner; les uns ne 
présentaient qu'un intérêt secondaire au point de vue spé- 
cial de mes recherches, les autres étaient soit des copies 
mal faites, soit des cartes dressées de mémoire ou d'après 
des croquis insufüsants. 

Dans la réduction des plans è. Téchelle uniforme de 
Vioooo, j'ai admis pour la verge rhénane de 12 pieds une 
longueur de 3",767 et pour la verge géométrique de 10 
pieds une longueur de 3^,7 1. Quant au pied de la „virga 
mathematica** de Barlaeus (Werkschuh, suivant la traduc- 
tion allemande), je Tai supposé égal au pied géométrique. 
De la copie è, une méme échelle des anciens plans du 
port et de leur comparaison avec les plans modernes, il 
résulte qu'ils sont, pour la plupart, loin de présenter la projec- 
tion mathématique du pays. Les lignes principales se retrou- 



vent, il est vrai, mais elles sont souvent altéiées dans leurs 
xaccordements. Comme exemple d'inexactitude topogra- 
phique assez curieux, je citerai la courbure prononcée du 
récif qui ferme le port, courbure qui ne doit pas exister, 
comme on peut s'en convaincre, 4 défaut d*autres preuves, 
en jetant les yeux sur le panorama du port dessiné par 
Post dans Thistoire de Barlaeus — et qui cependant se 
retrouve, plus ou moins accentuée, sur toutes les cartes de 
l'époque. . Il faut supposer que le leve du port n'a été 
fait dans son ensemble qu'une seule fois et qu*on s'est 
bomé dans la suite k completer ce premier travail par 
rindication des forts, canaux, ponts, quartiers nouveaux 
etc. construits successivement par les conquérants. D'après 
le récit de M. Vamhagen (Histona das lutas etc. p. 44) 
ces cartes fondamentales pourraient bien avoir été celles 
levées par les Ingénieurs van Buren et Drewisch. Dans 
ces conditions, il a été parfois assez embarrassant de trans- 
porter- sur la carte moderne les indications des anciens 
documents et de trouver des repères certains en nombre 
suffisant. J'ai suppléé, autant que possible, è^Timperfection 
des dessins par Texamen de visu du terrain. 

Parmi les ouvrages anciens, dans lesquels j*ai trouvé des 
données intéressantes je mentionnerai: 

Johannes de Laei\ — Historie ofte iaerlijck Verhael van 
de verrichtinghen der geoctroyeerde West-Indische Com- 
pagnie. — Leyden 1644. 

Barlaeus — Rerum pei octennium in Brasilid.... Histo- 
ria, Amsterdam 1647. 

Johann Nieuhof — gedenkweerdige Brasiliaense Zee- en 
Lantreize — Amsterdam 1682. 

Ces trois ouvrages résument è peu prés la période d'oc- 
cupation du pays par les HoUandais. Le premier est une 
chronique qui commence k l'arrivée des HoUandais et 
s'arrête en 1636, peu de temps avant le débarquement du 
comte Maurice de Nassau. — Barlaeus raconte en détail la 
gestion du comte jusqu'è, son départ en 1644. — Enfin 
Nieuhof narre les événements survenus entre 1640 et 
1649. 

Quant aux ouvrages récents, j*ai rencontre d*utiles ren- 
seignements dans les deux suivants: 

Varnhagen — Histona das lutas com os Hollandezes 
no Brazil. — Vienna cl*Austria 1871. 

Netscher — Les HoUandais au Brésil. — La Haye 1853 *). 



') Van Kampen dans son „Magazijn voor Wetenschappen, Kunsten 
en Letteren — Amsterdam 1829/' parle d'un plan du Recife pablié 
par M. Koster (p. 384). Je n*ai pu trouver ce plan, qui date de 1809 
^ 18 10 (p. 388) et qu'il serait sans doute interessant de consulter au 
point de vue des modifications survenues plus récemment dans le port. 



ï4 



Lï FORT DE PERNAMBUCO ET LA VILLE DU RECIFE AU 17e ili:CLE. 



Examinons maintenant Mccessivement l'état ancien du 
contment, des Hes et des coars d*eaa dontrensembleforme 
Ic port de Pernamböco. 

Isthxne d'Olixida et ville da Beoife. 

La lai^e de sable qui s'étend entre Olmda et la ville 
du Recife avait, dans sa partie septentrionale, k pea-près la 
méme conüguratian qu'aujourd'hui, sauf cependant k un 
Idlomètre environ au sud d'Olinda oü sa largeur était un peu 
plus grande, par suite du delta qui s*y était créé sous l'action 
commune du Tacaruna et d*unbras du Bébéribe. EUe était 
souvent désignée sous Ie nom de récif de sable, par opposi- 
tion au récif de pierre situé en face. Nieuhof (p. 15) évalue 
sa largeur moyenne k environ 200 pas. 

Elle pouvait étre parcourue en tout temps, quel que fut 
rétat de la mer. 

Vers remplacement actuel de la croix appelée Cruz do 
Patrao, s'élevait la redoute dite de madame de Bruyn, con- 
struite par les HoUandais. La largeur de Tisthme y corres- 
pondait sensiblement k sa largeur actuelle. 

Un peu plus knn on rencontrait Ie fort de Bruyn commencé 
par les Portugais (Laet. p. 193) et achevé par les HoUan- 
dais. Il existe enoore sous Ie nom de forteresse de Brum. 
J^s dessins du projet primitif de eet ouvrage, qui sont con- 
servés' aux archives de La Haye, indiquent qu'en ce point 
la largeur de l'isthme etait de 34^,50 au moment de la 
haute mer, et que la marée basse découvrait une plage de 
33 mètres ioiclinée suivant une pente de o'^^joS environ par 
mètre. 

A partir du fort de Bruyn et en se dirigeant vers Ie sud 
l'isthme occupait une surface bien inférieure k celle qu*il 
présente aujourd'hui. Ainsi Ie fort S. Jorge, construit par 
les Portugais vers Tendroit oü se trouve maintenant Téglise 
du Pilar, était baigné par les eaux du Bébéribe ; et au dele, 
entre ce fort et Tentrée de la ville du Recife (actuellement 
Largo dos voluntarios da patria), Tisthme ne coraprenait 
que rétroite zone limitée par la rue des Guararapes et la 
partie Est de la rue du Pharol. 

La ville du Recife, telle qu*elle s'est développée peu de temps 
après Tabandon et Tincendie d'Olinda, s'arrêtait k Téglise 
Madre de Deus, et les défenses établies sur Ie bord méme 
de la plage pour la prot^er contre les surprises de Ten- 
nemi, étaient en dega des rues de la Restauragao, D. Maria 
Cesar, de la place d'Apollo et de la me d*Amorim. On 
voit combien la ville actuelle s'est agrandie aux dépensdu 
port et de la rivière: au sud, elle s'est emparée des bancs 
de sable qui existaient k remplacement de la rue Tuyuti, 



de la place dn fort do Mattos, de Téglise Madre de Deus, 
de la Douane; a l*Ouest, elle a empiété de plus de 150"* 
sur Ie lit du Bébéribe. 

Il est i remarquer que ies rufs de rancienne ville cor* 
respondent exaciement aux voUs publtques actuelles^ ce qui 
permet de dire que la disposition de ce quartier est encore 
au|ourd'hui ce qu'elle était au 17e siècle. 

Ile d'Aatonio Vas. 

L'tle d'Antonio Vaz, qui est incorporée anjourd'hui 41a 
ville du Recife sous Ie nom de quartiers de Sto. Antonio 
et S. José, n'était occupée en 1630 que par Ie couvent encore 
existant de S*°. Antonio et quelques maisons échelonnées 
sur la plage. Tout Ie reste n'était guère qu'un vaste marais 
couvert par Ie fiot et duquel émergèrent quelques ilóts. 
Le plus important de ces derniers était compris entre Ie 
fort de Cinco Pontas, le couvent des Cannes et le jardin 
des Princesses. Il était coupé en deux par un bras mort 
de la rivière lequel entrait du cóté du Lyoeo de Artes e 
Ofïicios, passait vers la place de S. Pedro et pénétrait jus- 
qu*è, réglise de S^. Rita, k peu de distance de la plage. 
Un autre petit ilöt de i"", 10 de hauteur apparaissait au 
Sud du fort de Cinco Pontas. 

Lorsque les HoUandais se furent eraparés de Tile d'An- 
tonio Vaz ils éJevèrent le fort Ernestus autour du couvent 
et le fort Fredrick-Hendrick k remplacement du fort ac- 
tuel de Cinco Pontas; ils établirent, en outre, quelques 
redoutes du c6té du continent et des ouvrages k cornes 
contre le bras mort dont je viens de parier, au Sud du 
fort Ernestus. Peu de temps après l'arrivée de Maurice 
de Nassau, des habitations nombreuses furent construites 
èTabri de ce dernier fort. Elles s'étendirent bientöt jusqu'au 
fort Fredrick-Hendrick et constituèrent une ville peuplée 
et commerQante appelée MaurHsst€ui ou Mauriceay du nom 
de son fondateur. La partie la plus ancienne de cette ville 
avait pour centre la place du marché, aujourd'hui place de 
rindépendance. Son agrandissement se fit vers le Sud et 
en peu de temps des rues bien alignées sillonnèrent les 
terrains marécageux qui séparaient les forts Ernestus et 
Fredrick Hendrick et qui étaient vendus aux intéresses, k 
des prix élevrés, par la compagnie des Indes occidentales. 

Aün d'assurer k Mauritsstad des conditions normales d'exis- 
tence, les HoUandais, se souvenant de Texemple de leur 
mère patrie, assainirent ie terrain par Touverture de diffé- 
rents canaux. Le plus important, de 30 mètres environ de- 
largeur en gueule, fut construit entre le fort Fredrick Hen- 
drick et l'égUse actuelle de Rosario, en suivant un alif^nement 



LX PORT DE PERNAMBUCO ET LA VILLE DU RBCIFS AU 17e SièCLB. 



15 



droit passant par Ie cdté Ouest des rues Domingos Theotonio» 
de TAssump^:^, de la Penha et du Livramento. Il commune 
quait avec ie rio Capibaribe par xm autre canal qui s'em- 
branchait derrière T^Hse dn Livramento et aboutissait 
vers Textrémité actuelle du pont de Boi Vista, limite des 
terrains bas de THe d*Antonio Va2. Enfin un 3e canal, qtri 
débouchait vers remplacement de Tarsenal de guerre, Ie 
reliait avec Ie port. Ces canaux, outre l'avantage de 
drainer la viUe, fournissaient des remblais pour exhausser Ie 
sol et étaient probablement destinés aussi k servir de voies 
navigables dans Ie genre de celles qu*on trouvc en si grande 
abondance dans tous les p>orts hollandais. 

Un rempart avec fossés et palissades fermait la ville én cóté 
du continent et suivait un alignement brisé partant du fort de 
Cinco-Pontas, passant par Téglise du Ter^o, la ruelle située 
entre les places S. Pedro et du Carmo, la rue des Tri»- 
cheiras, T^lise St. Antonio, et aboutissant au convent 
de St. Antonio ou fort Rrnestus. Les trois bastions de 
ce retranchement étaient situés, Ie premier entre Téglise du 
Ter^ et la rue du visconde de Suassuna, Ie second 
au débouché de la dernière ruelle du cóté Nord dans la 
nie du visconde de Suassuna, Ie troisiéme k cóté de Téglise 
paroissiale de St. Antonio. 

Les rues anciennes correspondent bien avec les rues actu- 
elles qui ont la place de Tlndépendance pour centre, mais 
il n'en est pas de méme des rues situées plus au sud. L'ex- 
plication de cette apparente anomalie me parait facile. En 
efifet, il est presque certain que les divisions de la ville 
dessinées sur les anciens plans ne représentent pos des 
constnictions réellement faites, mais seulement des projets 
d'alignements de Tarchitecte Post, projets qui, comme tant 
d'autres encore de nos jours, ont été modifiés en cours d'exé- 
cution. La direction de quelques vieilles mes encore exis- 
tantes, comme celles de S. José, du Nogueira etc, corrobore 
cette hypothese. D'autre part, on sait que les Hollandais, 
torsqu' ils furent bloqués par les Portugais, durent démolir 
enx-mémes, pour les besoins de leur défense, une grande 
partie de la ville qn'ils a/aient élevée. Il n*est donc pas 
étonnant que, lors de la reconstruction ulténeure de la 
dté, on se soit écarté du plan primitrrement adopté. 

En dehors de Tenceinte de la ville et du coté Nord, un 
peu en arrière de remplacement du palais actuel de la 
Présidence, s'élevait Ie chdteau construit par Maurice de 
Nassau et dénommé Vrijburch. C'était un bel édifice avec 
deux grandes tours donc Tune servait de phare et était 
apercue de 5 è 6 liéues en mer (Nieuhof p. 18.) Il était 
entouré de jardins et de dépendances qui sont représentés 
è grande echelle sur une des planches de Touvrage de Bar- 



laeus. Par des considérattons stxatégiquos ü düt étre démoli 
lors du siège de la ville en 1645. (Nieuhof p* 139). 

Les terrains marécageux qui s*étendaient k cóté du chA* 
eau de Vrijburch, furent inoorporés au damaine du Goaver» 
neur et transformés en viviers au moyen d'une digue qui 
passait k peu-près vers te milieu du ncmveau pont de S. 
Izabel. C*est Ik que Ie comte Maurice de Nassau, d'après 
Ie récit de son panégyriste Barlaeus (p. 144,) transplanta 
700 coGotiers qu*il avait été chercher k trois ou quatre 
lieues de distance. Ik étaieat déja kgés de 70 k 80 ans 
et la hauteur de leur tronc variait de 10 a 15 mètr^es. Ce 
détail est d'autant plus curieux que, dès la première année, 
Ie produit de la vente des fhiits des cocotiers oe s*éleva k 
rien moins que 8 leichsthalers par pied, tant l'opération 
avait été faite adroitementi 

Du cóté Ouest de MauritsatiKl, entre la prison actuelle 
(Casa (ie deten^do) et les maisons voisines, se trouvait 
Ie chAteau de BoA Vista, propriété de Maurice de Nassau. 
On y arrivait par une petite digue qui aboutissait aux 
fortiücations de la ville prés de la place du Carmo. 

Vers Ie sud, une digue de plus de deux kilomètres de 
longueur, avec fossé du coté du continent, reliait Ie fort 
Fredrick Hendrik au qiiartier des Afogados. La rue Impé- 
riale est établie sur ce terrassement. 

Derrière Ie fort Fredrick Hendrick la plage s'étendait 
beaucoup plus loin qu'aujourd'hui dans la direction du récit 
de pierre. Pour préserver Ie fort contre quelque surprise de 
Tennemi on leprolongea jusque dans Teau par deux grands 
ouvrages k comes et la redoute Amelia ou Aemilia. 

Rio Capibaribe. 

. Du cóté du continent les Hollandais n'ont apporté aucun 
changement notable k ce qui existait avant leur arrivée. 
Longtemps encore après leur arrivée ils ne s'aventuraient 
guère dans ces terres d'alluvions, couvertes de marais et de 
broussailles, oü Tennemi k chaque pas leur dressait des 
embuches et se dérobait aisément k leur poursuite. On ne 
doit donc pas s'étonner si les documents précis manquent 
sur la vallée du Capibaribe k peu de distance en amont 
de la vilie. Il est vrai que pendant la courte période du 
gouvei-nement de Maurice de Nassau Texploration topographi- 
que du pays eut pu étre faite, mais k cette époque tous 
les efforts ne tendaient qu'è relever Tindustrie sucrière ^ son 
ancien niveau, k rétablir ce qui avait déjk existé et non il 
créer du nouveau. On concoit que dans ces conditions les 
travaux graphiques ne présentaient plus la méme urgence 
qu*^ Torigine quand il fallait couvrir Ie pays de fortification$ 
et Ie rendre habitable. 



i6 



LE PORT DE PERNAMBUCO ET LA VILLE DU RECIFE AU l^^ SIÈCLE. 



Par la carte de Tatlas de La Haye on voit que du Po^o 
da Panella k Capunga Ie Capibaribe coulait entre les 
mêmes berges qu'aujourd'hui, si ce n'est prés du lieu dit 
Taquary oü il passait un peu plus au Sud. Sur la rive 
gauche se trouvait Ie fort Arraial, construit par les Portugais 
après qu'ils eurent été e:ipulsés du Récife. Il était situé sur la 
petite hauteur qu'on rencontre è. l'Ouest, quand on suit 
la. ligne ferrée entre les stations de la Mangabeïra et 
de la Casa Amarella. C'est Ie méme emplacement .que 
vient de designer M. Ie major Codeceira, membre de 
rinstitut archéologique de Pemambuco, en se basant 
sur des données historiques et d'anciens actes publics. Un 
autre Arraial, construit vers 1646 et appelé Arraial novo 
do Bom Jezus par les Portugais et Altena par les Hollan- 
dais, était situé sur la rive droite. Sa position correspond 
k celle de la colonne comraémorative élevée il y a quelques 
années par Tinstitut archéologique. 

A partir de Capunga Tancien lit du Capibaribe différait 
notablement du lit actuel. La rivière, au lieu de passer k 
remplacement du pont de la Magdalena, suivait Ie bras 
mort que traverse la route de la Passagem, contoumait llle 
du Retiro, et Ik se bifiirquait. Le bras du Nord passait 
devant THópital portugais, longeait THospice Pedro II, 
faisait un grand coude qui s'étendait jusqu'au quartier 
de THospicio, et se réunissait au Bébéribe. Le bras du 
sud OU des Afogados passait entre les lies de Maruim et de 
Anna Bezerra et sur remplacement du pont actuel des 
Afogados; il recevait les eaux des rios Giquiè. et Tigipió, 
contoumait THe de Nogueira autrefois Cheiradinheiró, et 
débouchait dans le port. Le nora de rivière des Afogados 
est donné dans les anciens documents tantót k tout le bras 
sud du Capibaribe, tantót seulement k la partie de cebras 
en aval des rios Tigipió et Giquiét, tantót au rio Giquia, 
tantót au bras Nord du Capibaribe. Cette confusion s'explique 
facilement, car tous ces cours d'eau communiquaient en- 
semble et parcouraient les mémes terrains marécageux. 

Le bras septentrional du Capibaribe, trèsjtortueux dans son 
cours, sans berges bien arrêtées, communiquant avec le rio 
Bébéribe par deux grandes dépressions, n 'était pas propree 
Ia navigation. On le franchissait a gué tres facilement. Le 
passage ne devenait pénible que pendant les marées de 
syzygies et en cas de crues (Laet p. 439.) Maurice de 
Nassau y établit un pont en bois qui était construit sur 
remplacement de la Casa de deten^lo et aboutissait a peu 
prés en face de la me da Ponte Velha (du vieux pont), en 
laissant k la rivière un bien plus grand débouché qu'élle n'a 
aujourd'hui. Ce pont est décrit dans Barlaeus (p. 151.) Il 
a été achevé en sept semaines, avait3i9mètres delongueur 



et reposait sur des pieux en bois de Bibaraba tres rappro- 
chés les uns des autres, au moins du cóté Est k en juger 
d'après la gravure .de Barlaeus. Du cóté de THe d'Antonio 
Vaz il débouchait au droit du chdteau fort de Bod Vista. 
Du cóté opposé il aboutissait k une digue fondée peut- 
étre comme le pont sur pilotis et se retournant presque k 
angle droit dans la direction de la rue da Ponte Velha. 

En aval de ce pont, la rivière se divisait de nouveau en 
deux bras qui contournaient un petit Hot dénommé Maria 
Gonzalvo sur la carte de Piscator et Schoenmakers bos sur 
celle de Drewisch. L'un de cespetitsbrass'étendaitjusqu*en 
face du quartier de l'Hospicio et 1' autre jusque vers le mi- 
ieu du pont S. Izabel, car en ce demier point THe 
d'Antonio Vaz se prolongeait sur une centaine de mètres plus 
au Nord qu'aujourd'hui. Au confluent du Capibaribe et du 
Bébéribe s'avan^ait une langue de terre qu'on voit en- 
core aujourd'hui en face de Ia fonderie Starr et sur laqnelle 
était construit le tort Waerdenburch. Ce fort qui k marée 
haute, se trouvait au milieu de l'eau (Nieuhof p. 19 j avait 
k l'origine quatre bastions, mais les fondations du bastion 
extérieur n'offraient pas des garanties de solidité sufiisantes ; 
on dut reconstruire le fort avec 3 bastions seulement et 
même transformer plus tard ces derniers en redoutes plus 
élevées afin de mettre la gamison mieux k l'abri de l'humi- 
dité (Barlaeus p. 136.) De la position du fort de Waerden- 
burch on doit conclure k un rétrécissement sensible de la 
rivière en eet endroit. Mais il ne faut pas perdre de vue 
que derrière le fort s'étendait une large zone de terrains 
marécageux qui, par les hautes marées ou en temps de 
cme, contribuaient sans doute k assurer un large débouché 
aux eaux du Capibaribe. 

Entre le fort de Waerdenburch et le port proprement dit 
le bras Nord du Capibaribe avait un lit beauoup plus large 
que son lit actuel. Les détails concemant la constmction 
du pont jeté par Maurice de Nassau entre le quartier du 
Recife et THe d'Antonio Vaz, qu'on trouve dans Barlaeus 
(p. 149,) donnent des renseignements précieux sur le régime 
de la rivière en eet endroit. Le pont occupait le même empla 
cement que le pont actuel du 7 Septembre, seulement une 
de ses culées était au débouché de la rue de Madre de Deus 
et Tautre k l'entrée de la rue P de Mar^o, ce qui donnait 
au pont nne longueur bien supérieure k celle du pont 
actuel. A peu prés au milieu de la rivière se trouvait un 
chenal qui avait 4", 08 de profondeur (undecim pedes mathe- 
maticorum) |en basse mer. L'amplitude de la marée y était 
de 2"6o 1). Avant de rien décider on constmisit un pilier 



I) La diiTérenee entre la marée haute et la marée basse i i'em* 



LE PORT DE FERNAMBUCO ET LA VILLE DU RECIFE AU lye SIÈCLE. 



17 



d*essai dans la rivière. Le résultat fut bon et la compagnie 
des Indes Occidentales concéda rétablissement du pont èi 
un architecte moyennant la somme de 240,000 florins. 
L'architecte commen^a du cóté de Ttle Antonio Vaz et 
construisit quinze piles en ma^onnerie. Mais arrivé vers le 
milieu de la rivière il rencontra un courant si violent et 
une profondeur d'eau si considérable qu'il désespéra de 
pouvoir achever le pont et abandonna son entreprise. Mau- 
rice de Nassau prit alors les travaux en main. Il renon^a 
au système de piles en ma^onnerie et résolut d*asseoir le 
tabtier du pont sur des palées en bois. A eet efiet il fit 
couper des pieux de 40 4 50 pieds (i4",84 k i8"*,55) et 
les enfon^ de 12 pieds (4°*,45) dans le lit de la rivière, 
les uns verticalement, les autres obliquement, ainsi que 
Ie figure le panorama de Maiuïtsstad qui se trouve dans 
Touvrage de Barlaeus i). Ce procédé réussit et en deux 
mois le pont se trouva terminé. D'après le traducteur 
allemand sa longueur était de plus de 100 verges (371"*. 
OU 377".)? ïïi^is Barlaeus, au moins dans Tédition d' Ara- 
sterdam, se bome k dire qu'il s'étendait sur une longueur 
d'un nombre de verges tres considérable. „Multas de- 
cempedes excurrens." 

Des deux bras du Capibaribe aucun n*avait une profon- 
deur suffisante pour permettre ime navigation reguliere. 
Cependant è, marée haute des chaloupes pouvaient remon- 
ter Ie bras sud ou des Afogados. C*est par ld. que les Por- 
tngais avaient Thabitude d'expédier les caisses de sucre 
qui provenaient des fabnques établies dans la plaine de 
Varzea. Les colis étaient transportés jusqu'ét la Barreta 
soit sur des chariots qui suivaient le bras des Afogados, 
soit sur des barques qui descendaient la même rivière. 
Arrivés k la Barreta ils étaient transbordés sur des bar- 
ques plates qui les amenaient aux magasins du Recife ou 
k Olinda (Nieuhof p. 16). C'est p'ar le même bras quepas- 
saient les embarcations destinées k accompagner les Hol- 



placement du pont du Recife n'est pas mentionnée dans Phistoire de, 
Barlaeus éditée & Amsterdam en 1647, mais elle figure dans la traduction 
allemande qui a paru 4 Clèves en 1659. Il est possible que le traduc- 
teur ait puisé ce renseignement dans les documents qui ont servi & la 
decxieme édition de 1'ouvrage latin publiée & Qèves en 1660. Le 
chifire de 2m.6o que je présente, a été calculé dans Phypothèse tres 
▼raisemblable que le traducteur en parlant du niveau des hautes eaux 
a entendu se servir de la même unité de mesure, le picd géometrique 
qn^U a employee quelques lignes plus haut pour indiquer le niveau 
^ bosses eaux. 

I) Les dimensions en mètres sont calculées en supposant qu*il s'agit 
de pieds mathématiques. Si l'on admet que F^uteur latin a entendu 
parier de pieds rhénans, il faut évaluer la longueur des pieux de I2"*,56 
i i5»,7o et lenr fiche i. 3",77c. 



landais lorsqu'ils tentaient quelque entreprise contre les 
Portugais établis dans la plaine de Varzea. L'expédition 
dirigée contre TArraial en Aoüt 1633 donnera une idéé 
exacte de ce qu'était la navigation sur le Capibaribe k cette 
époque (Laet p. 345). 

Les HoUandais, après avoir traverse le Capibaribe aux 
Afogados, étaient alles par terre jusqu'en face de TArraial 
et s'étaient installés sur la rive droite de la rivière. Pour 
faciliter le passage et pourvoir k leur subsistance, ils font 
venir du Recife deux chaloupes et le yacht l'Exter, le 
plus petit des navires venus d'Europe, armé de 2 piécesde 
bronze et de 4 de fer et pourvu de 20 hommes. Après qu'on 
eut allégé et dématé ce navire, qui n'était que de 15 las- 
ten de capacité i), la petite flottille s'engage dans le bras 
des Afogados. Mais les embarcations touchent si souvent 
qu'il faut attendre la marée suivante pour pouvoir se re- 
mettre en route. On arrive ainsi jusque vers la Jaqueira k 
une portee de mousquet du camp hollandais. La rivière 
en ce point fait un grand coude, ce qui oblige les embar- 
cations k ranger la rive concave, la seule qui présente une 
profondeur suffisante. Mais Tennemi qui s'était retranché 
sur cette rive, ouvre un si violent feu de mousqueterie con- 
tre les embarcations qu'il met un grand nombre de Hol- 
landais hors de combat et force les autres k gagner la 
rive opposée en abandonnant yacht et chaloupes. 

Le 29 mars 1634, lors d'une nouvelle expédition dirigée 
contre l'Arraial, mais qui n'eut pour résultat que l'incendie 
du quartier des Italiens, les Hollandais eurent encore 
recours au Capibaribe pour transporter leur matériel chargé 
sur deux chaloupes (Laet p. 387). 

Mais si k marée haute des embarcations légères pouvaient 
pénétrer jusqu'i une certaine hauteur dans le Capibaribe, il 
n'en est pas moins vrai que, du cóté des Afogados surtout, 
la rivière était guéable presque en tout temps. Ainsi, le 13 
Juillet 1631, quatre compagnies hollandaises avaient passé 
sur la rive droite et attaque les retranchements portugais; 
après l'engagement et malgré une vaillante charge des 
Portugais qui venaient de recevoir du secours, elles réussi- 

i) Voici au sujet du tonnage et du tirant d'eau des navires hollan- 
dais la note inscrite page 179 dans 1'ouvrage de M. Netscher: 

„Le lasl pour mesurer la capacité des vaisseaux, était le méme qui 
est encore en usage en Hollande, et équivant d deux tonneaux. Pour 
donner une idéé nette de Texlérieur des vaisseaux de ce temps IA, il 
„suffira de dire que les dimensions d*un vaisseau de 200 lasts étaient 
„de 125 pieds rhénans de longueur (38'",25), 29 pieds de largeur 
„(9™, 01) et de II pieds Va cl« profondeur {3",6i) jusqu'i fond de 
„cale (de Jonge I p. 392, extrait d'un document officiel de 1630). La 
„dunctte de ces vaisseaux était beaucoup plus haute que le reste du 
„tülac." 

3 



»i 



II 



i8 



1.E PORT DE PERNAMBUCO Eï LA VILLE DU RECIFE AU 17e SIÈCLE. 



rent è, traverser !a rivière sans encombre (Laet p. 238). 
Plus tard, Ie 18 Février 1633, lors d'une nouvelle expédi- 
tion tentée contre les mêmes retranchements, les Hollandais 
traversent la rivière si promptement que Tennemi ne s'en 
apergoit qu'après que Ie passage est efFectué (Laet p. 325). 
Une autre preuve de la faible profondeur de la rivière 
en eet endroit et de son peu d'importance au point de 
vue de la navigation c*est Ie silence garde par les auteurs 
Hollandais sur ie pont des Afogados, établi un peu en aval 
du pont actuel et défendu par Ie fort du prince Willem (les 
Hollandais avaient élevé ce dernier ouvrage avec les plus 
grandes difficultés, sur la rive droite, au milieu d'un ter- 

# 

rain marécageux). Il est certain que si ce pont, représenté 
sur plusieurs cartes, avait présenté la moindre difficulté 
d'exécution, ou s'il avait existé quelque navigation regu- 
liere que sa construction aurait nécessairement entravée, 
les chroniqueurs n*eussent pas manqué de relater Ie fait. 

En aval du })ont, Ie thalweg de la rivière se trouvait k 
cóté de rile Cheiradinheiro, aujourd'hui Nogueira, dont 
les Hollandais durent s'emparer en 1633. afin d*assurer 
leurs Communications par eau avec Ie fort des Afogados 
qu'ils construisaient en ce moment (Laet. 326). De larges 
atterrissements s'étaient formés du cóté opposé. 

Entre Tile Cheiradinheiro et Ie port proprement dit la 
rivière s'écoulait par plusieurs chenaux inaccessibles aux ' 
navires en basse mer, et découvrait, au droit du fort Fre- 
drick Hendrick, une plage bien plus étendue que cellequi 
existe aujourd'hui. 

Un peu au Nord de ce fort, è peu prés en face du marché 
actuel, se trouvaient les chantiers de réparation des navires. 

Bic Bébéribe. 

Le rio Bébéribe débouchait, au 17e Siècle comme au- 
jourd'hui, dans une plaine marécageuse, avec une pente 
tres faible, sans lit bien déterminé. D'anciens plans et des 
gravures de Tépoque représentent cette rivière fréquentée 
dans la partie inférieure de son cours par des navires de 
haut bord. Mais il ne faut voir la que la fantaisie de des- 
sinateurs interprétant trop librement les récits des voya- 
geurs ou des compilateurs. Il suffit d'ailleurs de parcourir 
les livres illustrés de Tépoque pour se couvaincre de la 
grande infériorité des gravures sur le texte au point de vue 
de Texactitude. Il y a des exceptions telles que les planches 
de l'ouvrage de Barlaeus, mais méme lè. on peut relever 
des erreurs, bien que la gravure ait été exécutée d'après 
des- dessins faits sur place par un artiste consciencieux. 
Ainsi dans le panorama qui représente au premier plan 
le chdteau de B6a Vista, la légende nous apprend que les 



hauteurs qu'on apergoit entre le palais de Vrijburch et le 
fort Emestus sont celles d*01inda. Or il est irapossible qu'im 
spectateur, place du cóté du chateau de Bóa Vista oü le 
suppose le dessinateur, puisse aj^ercevoir quoi que ce soit 
d'Olinda entre ces deux points: c*est du cóté opposé de 
Viijburch que l'ancienne ville aurait dü être indiquée i). 
Evidenwment ce n'est lè. qu*un détail qui ne saurait dis- 
créditer les travaux topographiques et artistiques si remar 
quables de Post. J*ai cru néanmoins utile de signaler le fait, 
afin de mettre les archéologues en garde contre des conclu- 
sions trop précipitées. Mais revenons au Bébéribe. 

Les documents abondent pour démontrer qu'è, Tépoque 
qui nous occupe, cette rivière n 'avait dans la partie infé- 
rieure de son cours qu'une tres faible profondeur. 

A Tarrivée des Hollandais, alors qu'Olinda était encore 
la capitale de la capitania de Pernambuco, les marchandises 
apportées par les navires étaient déchargées prés de la 
povoa^do ou du village du Recife et transportées de lï^ sur 
des barques et des alléges — „in barken en lichters'* — 
jusqu'au faubourg d*01inda (Nieuhof p. 15). 

Le 10 Aoüt 1630, les Portugais retranchés sur la rive 
droite du Bébéribe attaquent un convoi d'approvisionne- 
ments qui se dirigeait d'Olinda au Recife en suivant Tisthme. 
L'escorte du convoi traverse Teau et pendant deux heures 
escarmouche avec Tennemi. Pendant ce temps la rivière, 
„è, la suite d*une tempéte en mer", s'est enflée au point 
que les tirailleurs hollandais ne peuvent plus la traverser 
qu'avec de grandes difficultés. „Quelques uns ont deTeau 
jusqu'au cou, d'autres risquent de se noyer." (Laet p. 199). 

Le premier Octobre de la raême année, les Hollandais 
traversent le Bébéribe k cóté du fort de Bruyn pour démolir 
les maisons d'oü Tennemi inquiétait les terrassiers occup)és 
è la construction du fort Emestus (Laet p. 201). 
' Dans la nuit du i" iSïars 1634, les Portugais franchis- 
sent le Bébéribe en face du fort de Bruyn, dont la sentinelle 
donne Talarme è, la garnison hollandaise. A cette occasion, 
rhistorien Laet rappelle (p. 386) que, de ce cóté, la rivière 
est pleine de bancs de sable qui offrent de nombreuses 
occasions de passer è, marée basse, assertion reproduite 
presque dans les mêmes termes par Nieuhof (p. 15) Apropos 
des palissades qui défendaient T acces du Recife. 

Dans un autre chapitre (p. 239) Laet est encore plus 
explicite. Il déclare qu'en basse mer on peut traverser le 
Bébéribe en face du Recife avec de Teaujusqu' aux genoux. 

Maurice de Nassau, dans le testament politique qu'il 



i) Cett« vue du cheiteau de Bóa Vista ne concorde pas avec le plan 
de Mauritsstad qu'on rencontre dans le méme ouvrage, mais elle s'ac- 
corde avec le plan de Tatlas de La Haye. 



LE PORT DE PERNAMBUCO ET LA VILLE DU RBCIFE AU 17e SIÈCLE. 



19 



légue k ses successeurs en quittant Ie Brésil, insiste sur la 
nécessité de maintenir en bon état Ie pont du Recife. Il 
ne faut pas oublier, dit il, qu'avant la construction de ce 
pont nous avous failli perdre la ville, parceque les canots 
qui portaient secours ne pouvaient pas manoeuvrer en 
marée basse et restaient échoués au milieu de la rivière 
(Barlaeus p. 297). 

Mais les renseignements les plus précis sont foumis par 
Ie plan déjèr cité du tort Real, commencé par les HoUandais 
k remplacement du fort de Bruyn. En effet, la légende 
inscrite du cóté du fort qui longe la rivière est ainsicon^ue: 
„Este riacho de baixa mar iïca secco quasi todo, salvo os 
canoes que ficam com 3 e 4 até 6 palmos d'agoa" (Ce 
ruisseau est presqu'entièrement ^ sec en basse mer, sauf 
des chenaux ayant de o'",66 jusqu' k o'°,88 et i"*,32 de 
profondeur d'eau). 

Il est vrai que certaines cartes pouvant inspirer conüance, 
comme celle de Hondius par exemple, indiquent de petits 
navires naviguant k Tembouchure de la rivière ; mais c'étaient 
]k des yachts de tres faible tonnage qui servaient de postes 
d'observation pendant la nuit et qui, en basse mer, étaient 
probablement échoués ou enfermés au milieu des bancs de 
sable. On trouve dans Laet (p. 385) è. quelle occasion cette 
garde de nuit fut établie. Au commencement de 1634 les 
HoUandais, craignant une surprise du Recife, détachèrent 
de leur flotte les deux yachts TExter et TOost-Kappel et 
les nrent mouiller en face du fort de Bruyn k proximité de 
l'endroit oü Ton supposait que Tennemi allait traverser la 
rivière. Mais, ainsi que j'ai déjè eu Toccasion de Ie dire, 
TExter n*était que de 15 lasts; quant è, TOost-Kappel, 
son tonnage, bien que plus considérable, ne dépassait pas 
30 lasts. Ce fut ce dernier yacht qu*un audacieux portugais 
aborda k la nage dans la nuit du 27 Février 1634 et essaya 
d'incendier. 

Quelques années plus tard, lors du siége du Recife par 
les Portugais, on établit encore de „ces gardes de nuit" 
(brantwaghten) vers Ie méme endroit. Nieuhof, qui racontc 
Ie fait (p. 143), ne dit pas si c'étaient des chaloupes ou 
des yachts, mais il narre que la première embarcation 
était postée entre Ie fort de Waerdenburch et Ie fort de 
Bruyn et l'autre entre Ie premier de ces forts et les jardins de 
Maurice de Nassau sur THe d'Antonio Vaz. C'était donc 
seulement k Tembouchure méme du Bébéribe que stationnaient 
des embarcations pouvant exiger un certain tirant d'eau. 

Ed somme, on peut affirmer que Ie Bébéribe n'était 
accessible qu'k des barques ou k des petits canaux qui 
circulaient dans des chenaux tres étroits et sans doute k 
marée haute seulement. 



morta ou camböas entre Ie Capibaribd 
et Ie Bébéribe. 



La branche Nord du Capibaribe communiquait avec Ie 
Bébéribe par deux dépressions dont Ie nom générique est 
Cambóa en portugais. 

La première, appelée encore aujourd'hui Cambóa de 
Tacaruna, se détachait du Capibaribe en face de Thépital 
Portugais, passait prés de la station de Manguinho et k 
rOuest du pont de Maduro et débouchait dans Ie Bébéribe 
k remplacement de THöpital des Lazaros. 

La seconde, moins importante que la précédente, U sui- 
vait k peu prés parallèlement en passant k VEst du lieu dit 
Chora Menino, et par la Station do Principe, Ie cimetière 
et Ie chemin tra^esa de S. Amaro. 

D'après la légende du croquis de Waldeeck la Camböa 
de Tacaruna, pendant l'été, était k sec k marée basse, et 
avait environ o", 50* d'eau i marée haute. Pendant l'hiver, 
au contraire, ou ne pouvait la traverser prés de son origine 
dans Ie Capibaribe qu*^ la nage ouencanot; plusloin prés 
du pont de Maduro on avait de Teau jusqu'au cou, et 
enfin du cóté du Bébéribe Teau arrivait jusqu'él hauteur de 
ceinture d'homme. Dans eette méme saison les marées du 
Bébéribe ne se faisaient plus sentir au pont de Maduro. 

Les marais ou pantanos d'Olinda, alors comme aujour- 
d'hui, étaient alimentés par Ie ruisseau d' Agoa fria après sa 
jonction avec les petits cours d'eau Jacaié et Bartholomeo. 
La légende du croquis de Waldeeck dit que ce ruisseau 
était presque k sec en été, mais avait en hiver une pro- 
fondeur d'eau de deux piques. 

Avant-port. 

L'avant-port ou Po^ était situé un peu au Nord du 
fort de Bruyn, k remplacement qu'il occupe encore aujour- 
d'hui. C'était un mauvais mouillage par les gros temps. Il 
avait d'après Laet (p. 191) 5",65 k 5^,97 de profondeur. 

D'après Nieuhof (p. 15) son entree était k 500 pas au 
Nord du récif calcaire et on y rencontrait 6°',9i*' d'eau 
k marée haute. 

Le port intérieur était compris entre Ie quartier du Recife 
et le récif de pierre. C'est encore \k qu'il se trouve aujour- 
d'hui. La passé pour y entrer était étroiteè-enjugerparles 
deux bancs de sable qui s'y étaient formés. 

Le ix)rt OU du moins la passé d'entrée n'avait pas, sui- 
vant toute probabilité, une profondeur de plus de 4"">5^ ^ 
5",oo. Les navires de guerre hoUandais y entrèrent k 
l'époqtie de la prise d'Olinda, mais ces navires n'avaient 



do 



LE PORT DE PERNAMBUCO ET LA VILLE UU RECIFE AU 17e SIÈCLE. 



en général qu*un tirant d'eau tres faible ^). Quant aux 
navires de commerce, ils étaient obligés de mouiller d'abord 
au P090 pour attendre que la marée haute leur permit 
d*entrer. En effet Laet dit (p. 185) en parlant de Tavant 
port que „c'est l'endroit oü les navires venant du large 
sont d'abord ancrés avec leur chargement complet." (Welk 
is de plaetse daer de Schepen unter See kommende, haer 
vooreerst met hare volle ladinghe setten), et, plus loin 
(p. 191) que c*est 1^ „oü les grands navires sont obligés 
de mouiller" (ten anker moeten kommen). 

Le récif de pierre qui protégé Ie port présentait en face 
de l'embouchure du bras des Afogados une passé qu*on 
appelait anciennement Barreta ou détroit francais, (*t france 
gat) et qui a été fermée il y a quelques années. A Textrémité 
du récif s*élevait le fort maritime, aujourd'hui fort Pidlo. 

Inondations. 

Je n'ai rencontre que tres peu de renseignements sur les 
crues du Capibaribe et les inondations qui en sont la con- 
séquence habituelle. 

Laet rapporte (p. 344) que, lors d*une crue survenue ï, 
la suite de grandes pluies en Juillet 1633, les ouvrages de 
THe d'Antonio Vaz courent le plus grand risque d'étre 
emportés et que le niveau des eaux est tel qu*il dépasse 
d'environ 6 pieds (i"*,88) le niveau le plus élevé que les 
HoUandais aient encore pu constater sur ce point. 

£n 1641 a lieu une grande inondation dont Barlaeus 
(p. 227) tracé le sombre tableau. Tous les cours d'eau dé- 
bordent, les digues sont rompues, les plantations emportées 
par le courant, le continent changé en mer et les agricul- 
teurs obligés de se transformer en marins. Le nombre des 
victimes en hommes et bestiaux est tres considérable, 
notamment sur les rives du Capibaribe. La canne ét sucre 
est noyée ou dévorée par les insectes. Une épidémie succède 
è rinondation. 

Oonolusion. 

Si maintenant ou envisage Tensemble de la carte et qu*on 
ne la considère qu'au point de vue du régime des cours 
d'eau OU des marées, ou peut résumer aisément Tétat des 
lieux dans la première moitié du 17e Siècle. 

Le Bébéribe, entre le village de ce nom et Olinda, tra- 
versait de vastes marécages. Entre Olinda et le Recife il 
était accessible i des embarcations légères, mais pouvait étre 
facilement franchi 4 pied d basse mer. Vers son embouchure, 



I Voir la note déja citée de Toaviage de Netscher (p. 179). 



son Ut avait une largeur beaucoup plus grande qu'aujourd*hui : 
1'isthme s'est agrandi considérablement è ses dépens. 

Le Capibaribe suivait la même direction que de nos jours 
en amont de Capunga. Plus en aval, il se divisait en deux 
bras qui s'écartaient, vers leur milieu, de la direction des deux 
bras actuels et qui, vers leur embouchure, présentaient une 
largeur bien supérieure: le quartier de S. José n'était 
qu'un grand marais couvert par le flot et le pont du Recife 
avait tm débouché de prés de moitié plus grand que le 
pont actuel dit du 7 Septembre. 

En haute mer et en prenant par le bras des Afogados, on 
pouvait remonter le Capibaribe jusque vers Monteiro et 
peut étre méme un peu plus haut. Sous le pont du Recife 
l'amplitude de la marée etait de 2",6o et la profondeur 
d*eau du chenal, en basse mer, de 4",o8. 

Le Capibaribe et le Bébéribe communiquaient entre eux 
au moment de la haute mer par deux larges dépressions 
ou cambóas. Le flot, déja amorti par les marais qui pro- 
longeaient en quelque sorte les berges des deux rivières, y 
perdait presque toute sa vitesse et ne pouvait plus envoyer 
qu*un faible volume d'eau dans le Capibaribe. La commu- 
nication entre les cours d'eau et la mer se faisait par la 
Barréta et le chenal è Textrémité du récif. 

Le port occupait è peu prés le même emplacement 
qu'aujourd'hui, avec une profondeur d'eau egale sinon moin- 
dre. Le chenal d'entrée parait ne pas avoir eu plus de 
4"*,5o i 5° de profondeur. 

Le Po^ OU avant-port avait de 5™,6o è, 6'^,oo et sa passé 
d'entrée prés de 7",oo de profondeur. 

Dans des temps plus modernes une partie des berges 
du Capibaribe è été fixée, quelques bras morts ont été 
interceptés, certains marécages ont été supprimés, la petite 
barréta a été fermée. Mais par contre, au lieu dechercher 
è assurer ét l'embouchure du Capibaribe la forme d'enton- 
noir qui convient aux rivières k marées, on l'a rétrécie è 
l'Est et ét rOuest du quartier de S** Antonio: c'étaitdimi- 
nuer le volume d'eau A emmagasiner pendant la marée, 
réduire les chasses de jusant et favoriser les ensablements . 

Ainsi donc, d'ime part, on a facilité un peu lapropaga- 
tion du flot dans le Capibaribe en l'empéchant de trop 
s'égarer sur sa route, et d'autre part, on a diminué son 
volume en rétrécissant le passage par oü il entrait. Ces 
deux opérations ont maintenu un état d'équilibre tel, qu'on 
peut aflirmer sans paradoxe que le port de Pemambuco 
est aujourd'hui encore dans le méme état qu'il y a deux 
cents ans. 

£. BÉRIMGER. 



NEDERLAND EN DE DELAGOA-BAAI 



DOOR 



M. L. VAN DEVENTER. 



V^^x•^.-*v -N «v^'. 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA 



PAR 

ai 



M. L. VAN DEVENTER. 



(Uitgegeven van wege het Aardrijkskundig Genootschap). 



BtJBLAO N° 11. 



AMSTERDAM, UTRECHT, 

C. L. BRINKMAN. J. L. BKIJERS. 

1883. 



Aan den Lezer. 



Daar de strekking van dit stuk is de eer en de rechten des Vaderlands te haridhav^en 
tegenover handelingen en uitspraken van vreemden, heeft de Redactie gemeend zich een af- 
wijking te mogen, ja te moeten veroorloven van het beginsel, uitgesproken in de Inleiding op 
de „Verhandeling over de havens van het Recief" door de Heeren Fournié en Béringer, bl. 4, 
toen wij verklaarden, dat wij ons Tijdschrift en zijn Bijbladen ongaarne zouden zien gebruiken 
tot plaatsing van stukken in vreemde talen. De Fransche taal, door den schrijver gekozen, 
scheen inderdaad de meest geschikte voor een stuk, dat wij niet slechts wenschen, maar 
dat wij in naam der onpartijdigheid vorderen, dat ook door vreemdelingen gelezen worde. 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



Lorsque Ie maréchal Mac-Mahon promulgoa sa dédsion 
arbitrale dans Ie difiérend entre la Grande Bretagne et Ie 
Portugal, concemant la possession de territoires situés sur 
la Baie-Delagoa, on a a^^laudi è ce que les droits de la 
puissance coloniale la plus faible et la moins importante fïi- 
rent admis comme ,ydüment prouvés et établis." Le Por- 
tugal avait acquis un titre de plus è ce résultat satisfaisant, 
par l'étendue qa'il venait de donner aux recherches èTap- 
pui de ses prétentions, ainsi que par ses instances patrioti- 
ques et sérieuses. 

Cependanti quelle que soit la sympathie pour la nation 
portagaise, et tout en ne s'opposant pas k la décision 
prise jysans appel," on ne saurait ne point reconnattre, que 
le document du 24 Juillet 1875 1) a affirmé injustement 
et sans preuve des points de la plus haute importance, et 
qu'il se trouve étre en contradiction avec les résultats d'une 
enquête aux sources de l*histoire impartiale. 

En effet, non seulement le bon droit du Portugal, fondé 
sur Toccupation pendant les lyième et iSième siècles, 
parait étre sujet ^ des doutes légitimes. Le considérant 
de Tarbitre, non content d'admettre la possession, établit 
y^que le Portugal a en tout temps revendiqué des droits de 
souveraineté sur la Baie, ainsi que le droit exclusif d'y 
faire le commerce;" ce qui n*est pas moins inexact. En 
affirmant, de plus, que le Portugal aurait „appuyé k main 
armee cette revendication contre les Hollandais," Tauteur 
du document arbitral a puisé aux sources de sa fantaisie, 
plutöt qu'^ celles de sou érudition. Enfin la considéra- 
dition, que „les Provinces-Unies n'ont point protesté contre 
ces actes du Portugal," manque absolument d'autorité,tant 
que l'existence méme des actes envers les Provinces-Unies 
n*a pu étre constatée. 

I) Publié dans le „Nouveau Recueil de Traites" etc, de Martens 
Ile Série, T. 3, et dans les Farliaminiary Papers de 1875, '^' ^3- 



Les anciennes relations entre la HoUande et la Baie- 
Delagoa auront peut-étre un son nouveau aux oreilles de 
beaucoup de mes compatriotes mémes. L'Arbitrage de 1875, 
en faisant une mention pen honorable des droits de la 
HoUande, aura eu pour eux le caractère d'une révélation. 
n se peut méme que le ministère des affaires étrangères 
du Royaume, d'ordinaire si fier des traditions historiques* 
ait manqué de démontrer en lieu et temps convenable, ce 
que ce document ofiiciel et public renfermait de partial, 
de dérogeant k notre honneur national dans le passé. 

Quoiqu'il en soit, le sujet, nuUement épuisé, mérite une 
étude approfondie. Les prétentions portugaises, les asser- 
tions arbitrales, on le verra, ont besoin de commentaires. 
Les agissements de la HoUande remplissent une page oubliée 
— f(it-ce involontairement ou è. dessein — dans Thistoire 
de la Baie-Delagoa. Cette page prouvera étre d*autant 
plus importante, qu'elle dénote une possession réelle du 
territoire dont il s'agit, et qu'elle est sans contredit de 
ceUes, qui relient le passé au présent. 



I. 



Les ,^Mémoires*' tres circonstanciés i Tappui de ses 
prétentions, soumis par le gouvernement Portugais au ju* 
gement de Tarbitre ^), tendent k démontrer l'existence de 
droits primordiaux du Portugal k la possession de la Baie- 
Delagoa, et tdchent de faire croire k une occupation réeUe 
et continue, comme k l'exercice d'un monopole commercial, 
lis divisent 1'histoire du prétendu établissement portugais 
en plusieurs époques, depuis la découverte jusqu'è la fin 

i) Voir ces documents, accompagnés d'un grand nombre d'annexes, 
dans la préciense coUection Ats „Parliamentary Papen^^ de 1875, T. 83. 



LA HOLLANDS ET LA BAIE-DELAGOA. 



du dixhuitième siècle, k Teffet de donner un corps è. cette 
continuité imaginaire. La première époque date de 1544 
et se termine avec Tan 1600: les auteurs des Mémoires 
pretendent, que déjè alors*' Ie Portugal occupait toute la 
„Baie au moyen de factoreries.'* Ces factoreries auraient 
été dans Tépoque de 1600 k 1744 „au nombre de cinq.*' 
Enfin, potur la demière époque, „Poccupation Portugaise, 
„afiirmée par les factoreries et Ie village sur Ie fleuve du 
„St. Esprit, était garantie par des fortifications," toujours 
selon ces mêmes auteurs officiels. C*est tout un échafau- 
dage d'assertions, auquei il sera permis de porter une 
main d'autant plus hardie, que sur les points capitaux et 
dans la tendance générale de ce travail, les premières 
r^les de la science historique ont été complétement 
négligées. 

D'abord, k Texposé des auteurs des „Mémoires" man- 
que absolument la cohérence, nécessaire k Tidée de con- 
tinuité, qu'ils voudraient établir. Ce sont pour la plupart 
des faits isolés, auxquels ils s*e£forcent en vain de donner 
un caractère permanent, des actes passagers, intermittents, 
qui leur tiennentlieu desystème. Les sources de leur science 
se trouvent, comme un Dtus e,"* machina, hors de la scène; 
et eet établissement Portugais sur la Baie-Delagoa, dont 
ils pretendent retracer l'histoire, n'a pas lui-méme produit 
un seul acte, un seul document, un seul mot, qui puisse 
en démontrer la vérité. 

Les auteurs officiels sont forcés d'avouer, que la pre- 
mière notion qu'ils possèdent d'im établissement de quel- 
que importance, est puisée d*un certain ouvrage inédit, 
écrit vers 1635, non pas k l'endroit méme ou dans ime localité 
des possessions Portugaises en Afrique, mais k Goa, k la 
cour d'un Viceroi de Tlnde.' Cependant ils pretendent, 
que bien avant cette date, „durant Ie seizième siècle", Ie 
Portugal occupait la Baie et THe de Tünhaca par des 
factoreries. Et comme ils vont jusqu'^ citer les sources de 
cette assertion, nous n'aurons qu'él les suivre de prés, 
pour faire ressortir la légèreté, avec laquelle les historiens 
Portugais ont Thabitude de faire leurs conclusions. Le 
lecteur nous permettra, une fois pour toutes, quelques 
citations textuelles, afin de ne pas laisser subsister 
de doutes quant k l'abus qui a été fait des sources 
mémes. 

Selon les écrivains des „Mémoires," il est fait mention 
des factoreries Portugaises par divers auteurs de relations 
de naufrages, dans le courant du seizième siècle. C'est 
\k Tunique source de leur science, comme de celle du 
gouvernement Portugais. En apprenant k connaltre les dépo- 
sitions des naufrages sur cette cöte, nous serons dès-lors en 



possession de la seule mesure exacte de la justesse et de 
la véracité de leurs assertions. 

En premier lieu, c'est Alvaro Femandez, qui a décritle 
naufrage du navire „St. Jean," en 1552. La notion de 
Texistence d'une factorerie Portugaise dans la Baie-Ddagoa, 
cependant, ressort si peu de sa description, qu'au con- 
traire nous y lisons ces mots : „les naufrages venaient de 
perdre tout espoir de rencontrer des Chrétiens dans ces 
contrées", quand arriva un navire portugais, qui les re- 
cueillit. Ces naufrages étaient du reste en tres petit 
nombre, le capitaine et presque tous ceux qui 1'avaient 
accompagné k terre, ayant été massacrés par les Cafres. 

Manuel Pereslrello décrivit le naufrage du „St. Bénoit", 
en 1554. Nous en apprenons seulement, que'' les Portu- 
gais venaient parfois k l'lle Inhaca avec un navire." Ce 
célèbre voyageur nous fait connaitre, du reste, les tribus 
Cafres du littoral de la Baie, comme des gens „qui font 
tout le mal qu'ils peuvent k ceux qui veulent y n^ocier." 

Lavanha, dans son compte-rendu du naufrage du „St. 
Albert," ne mentionne le séjour des Portugais sur latene 
ferme, que pour dire, que „ceux qui avaient échappé au 
naufrage, moururent de fièvre k Itle Inhaca." 

Enfin, Diogo de Couto aurait, k ce qu'on pretend, con- 
staté l'existence d'un ^yVillage Portugais sur le territoire 
de Maputa, déjè en 1589." i). Citons ici le texte de 
son récit: 

„Les naufrages remontèrent les bouches du fleuve In- 
„haca (Maputa), et apprirent que dans le village oU ka- 
yybiiaii le Roi, se trouvèrent quelques Portugais, A cette 
„nouvelle, ils ressaisirent les rames, et au bout de peu de 
„jours trouvèrent Jeronimo Leitao avec quelques compa- 
„gnons, qui étaient partis du fleuve de Lourengo Marques 
„sur une pirogue chargée d'ivoire" 2). 

Ainsi, la présence accidentelle de quelques individus, 
occupés au commerce d'ivoire, est transformée, pour ré- 
pondre k des prétentions postérieures, dans un village 
Portugais ! 

Quelqu'un de nos lecteurs aura-t-il tiré des dépositions 
textuelles, qu'il vient de lire, la conclusion que des facto- 
reries portugaises aient existé sur la Baie-Delagoa, au sei- 
zième siècle? 

Pour le siècle suivant, le méme défaut de sources sérieu- 
ses, d'arguments solides, pouvant servir de base aux pré- 
tentions exagérées du gouvernement Portugais denosjouis. 

i) „Deuxième Mémoire Portugais/' Titre II, Chap. I. 

2} Ces diverses citations sont tirées de T ^^Hisioria TragicO'AfariHm^^ 
(Lisboa 1735) '^^ I ^ H» ^^ ^^^ réimprimés les narrés des dits 
naufrages. 



LA HOLLANDS ET LA BAIE-DELAGOA. 



Encore rien qae des narrés de naufrages, d*oü des écrivains 
officiels et officieus se sont hdtés de conclure k une pos- 
session inihterrompue et è, des droits souverains non con- 
testés. Parmi ces récits, celui publié par Feyo en 165b, 
mérite quelque attention. i) On y lit les paroles de nau- 
frages, qui suivent: 

„Le roi de TUnhaca nous rec^ut, et nous apprit que la 
^^oelette de Mozambique était arrivée k THe Chefine, et 
^,n'avait pas encore touche k la factorerie de TUnhaca." 

Et ensuite: „A grand'peine les nötres arrivèrent k THe 
„de Chefine, oü ils trouvèrent une goelette, dont Téquipage 
^yleur hi accueil, ainsi que Ie capitaine Diogo Velho de 
^,Fonseca, qui était allé établir la factorerie de Manhiga.'* 

En vue de ces témoignages, les questions se pressent. 
Comment pouvait-il se faire, qu'au lieu de s'adresser k un 
roi Cafre, les naufrages dont il s'agit, ne furent pas re- 
cueillis par la factorerie portugaise, qu'on prétendait être 
établie au méme endroit? Une question pareille se présente 
par rapport k Chefine. Les dépositions ne prouvent rien 
pour Texistence d'une factorerie dans cette 11e; bien plutöt 
Ie contraire, quoi qu*en disent les auteurs des „Mémoires**. 
Et si, vers 1650, un capitaine portugais eüt été en train 
^établir une factorerie k Mani^a, quelle valeur attribuer 
alors au témoignage d'autres naufrages, auxquels on a 
&it dire vingt-cinq années auparavant, que Ie Portugal 
ixüait \k sa plus vaste factorerie! 2) 

Si ces divers témoignages ne se contredisent pas, en 
aucun cas ils n'ont Ie mérite d'étre bien concluants. Pour 
avoir cette force, ils devraient s'appuyer sur des voix éma- 
nées des factoreries mémes, qu'on pretend avoir existé 
sur la Baie-Delagoa, dans cette époque. Dépourvus d'aulo- 
rité comme de cohérence, ces récits de naufrages n'ont 
■démontré que la présence passagere de navires portugais 
•dans la dite baie, parmi lesquels Ie nombre des échoués 
semble avoir surpassé les valides. Ils n'ont fait paraitre que 
Ie fait d'un commerce d'ivoire, entamé par des Portugais de 
Mo^mbique; commerce dans lequel ceux-ci trouvèrent des 
concurrents dangéreux en d'autres nations^ qui allaient bien- 
tót les supplanter. Selon les mémoires de Sutherland, les Hol- 
landais comme les A.nglais visitaient la Baie-Delagoa déj^ 
avant 1670, et faisaient Ie négoce avec les tribus du 
littoral 3). 

La prétention, que durant Tépoque 1600 — 1744 Ie Por- 

i) Bento Teixeira Feyo^ Relafaó do naufragio, que fizeram as naus 
^^Sacramento^^ e ^^Na Senha da Atalaya*\ {Lisboa^ 1650.) 

2) Dcuxième Mém. Port., p. 187. (ParL Pap.) 

3) yyMemoirs respecting the Kaffirs, etc, of South' Af rica^\ {Cape' 
tmn) T. L 



tugal aurait occupé la Baie par des factoreries, au nombre 
de cinq, n'est certes motivée d'aucune maniere par les 
pièces k Tappui. Comme il faut convenir, què la partie 
intéressée n'aura négligé de produire aucune date, ni aucun 
document, qui puisse étre interpreté en sa faveur, nous lui 
accorderons Ie possible, en admettant, que la ques- 
tion de savoir si vers Ie milieu du i7ième siècle une 
factorerie commerciale portugaise ait existé, ou non, pour 
un temps restreint, dans la baie, est restée une question 
ouverte. Toujours faut- il constater, qu*il a été impossible 
d'en retracer des indices et d'évoquer des souvenirs. 

Nous verrons maintenant, ce qu'on a k penser d*un 
établissement portugais dans la demière partie du méme 
siècle. Vers cette époque un fait eut Heu, qui, k en croire 
les auteurs des Mémoires^ „obligea Ie Portugal de changer 
„son système d'occupation dans la Baie-Delagoa." Ce fait, 
fut-ce l'apparition d'une flotte ennemie? Fut-ce l'état de 
guerre entre les tribus de la cöte, par suite duquel la 
sécurité des factoreries portugaises se trouvait compromise? 
Ni l'un, ni l'autre. Ce fut tout simplement Tarrivée en 
1688 dans la baie, d'un petit navire marchand Hollandais, 
une galéasse inoffensive, portant k peine cent tonneaux et 
dix-neuf hommes d'équipage. 

On ne pouvait méme pas dire, que la HoUande avait, 
pour cette expédition, fait choix de ses grands hommes. 
Quand les marins de la galéasse „de Noord" descendaient 
k terre, rien ne les frappait autant que la haute stature 
des indigènes, et Ie commandant Heeremans faillit tomber 
en défaillance k Tapproche du roi de'Tembé, „plus haut 
„de trois k quatre pieds que lui." Dèslors, ne pouvant 
admettre, en foi d'observations plus récentes, que les habi- 
tants de la Baie-Delagoa fussent tous des géants, il s'en 
suivrait, que ce furent dix>neuf des plus petits Hollandais, 
qui obligèrent la puissance Portugaise „de changer son 
système d'occupation" dans ces parages ! 

Joignons-nous au dit capitaine Hollandais, et allons k 
la recherche des factoreries Portugaises. i) 

Ce fut Ie 15 Novembre 1688, que Ie gros de l'equipage 
du „Noord" mit pied k terre sur l'lle d'Inyak, et noua 
avec celui d'un navire Anglais, mouiUé au méme endroit, 
des relations qui restaient bonnes et amicales, pendant la 
durée de leur exploration commune des cótes. Outre 



I) La relation du voyage du capitaine Heeremans se trouve en 
Ms. aux Archives du Royaume: „ Voyagie gedaen in den jare 1688, 
nden 16 October^ met het galjoot de Aoord om ie gaen na dcBayvan 
„LagoaJ' 

Voir anssi pour ce woyzgei Satherland's f^Memoirs^ T. I. 



LA HOLLANDS £T LA BAIE-DELAGOA. 



TAnglais, Heeremans rencontra un seul navire Portugais, 
occupé k la traite des Doirs. 

Les r^ules Cafres étant les prindpaux, sinon les seuls 
commeivants de droit de leur nation, les capitaines Hol- 
landais et Anglais traitèrent avec Ie roi Talaco, et Heere- 
mans acquit une quantité de gommes pour ses maitres, les 
Directeurs de la Compagnie des Indes Neérlandaises. lis 
dressèrent des tentes, maintenues pendant la durée de leur 
9^oury et qui servirent de magasins è leur commerceavec 
les Indigènes. Ce furent les premiers établissements Hollan- 
dais et Anglais, érigés sur la cóte d'Inyak de la Baie- 
Delagoa. D'établissement Portugais dans cette lle, pas Ie 
moindre vestige! 

Ensuite, les Hollandais et Anglais explorèrent Ie littoral 
depuis Ie cap Colato k la rivière Maputa, puis de Test k 
Touest et du sud au nord, soit ensemble, soit en se sui- 
vant de prés, sur les mémes rivières et dans les mémes 
villages nègres. lis iurent bien accueillis partout; pas un 
endroit, oü les populations et leurs chefs ne furent tout 
préts il entrer en des relations de commerce et d*amitié. 
Tel était Ie cas du roi de THe d'Inyak, tel celui du ,^and'* 
roi de Tembé. Des envoyés du demier vinrent, sur la 
riyière du Lagoa, & la rencontre de nos compatriotes. 

Ce qui plus est, ni de la part du navire Portugais, héle 
dans 1'entrée de la baie, ni de quelque autre part, ne vint 
la plus légere revendication de droits, lesquels évidemment 
n'existaient pas, pour n'étre reconnus de personne. De la 
souveraineté ou d*un monopole commercial du Portugal, ni 
les peuplades du littoral ni leurs régules ne savaient guère 
Ie premier mot. Il en était de méme des navires étrangers, 
qui visitaient la baie, soit pour Ie négoce sur les rivières, 
soit pour la pêche de la balei ne ou pour d*autres desseins. 
Comment ne seraient-ils pas mieux instruits, si d'établisse- 
ment Portugais il y avait eu? 

Après avoir exploré la plus grande partie de Ia baie, Ie 
capitaine Hollandais arriva en vue de l'embouchure de la 
rivière Espiritu Santo ou Mani^a. L'lle, k Tentrée de ce 
fleuve, était THe de Chefine, oü Ie mauvais temps et la 
haute mer Ie défendirent de mettre pied k terre. On lui 
disait, que \k les Portugais avaient eu un établissement 
{„eene logié"), Mais, quoique Heeremans ftt Ie tour de 
cette lle, il ne parvint pas k voir quelque tracé de Téta- 
blissement. i) 



Telle fut Toccupation Portugaise de la Baie-Delagoa, 
en Tan de grdce 1688 1 

Nous insistons sur ce point, puisque (d'après les „Mé- 
„moires'') ce ne fïit que Ie fait du navire Hollandais „de 
Noord", qui, „s'étant reproduit au commencement du dix- 
„huitième siècle, obligea Ie gouvernement Portugais de 
,,changer son système d'occupation/* Les avocats de ce 
gouvernement ont cette fois encore confondu lacauseavec 
Tefifet. Avant ce prétendu „changement de système'*, comme 
nous venons de Ie voir, toute £actorerie portugaise avait 
óé]k disparu de la baie, si factorerie il y avait jamais eu. 
Donc Texpédition du „Noord" et la prise en possessionde 
1721 devaient étre plütot considérées comme la consé- 
quence du „changement de système.*' Seulement, les auteurs 
des Mémoires se sont plu k renverser les époques, dans 
rintention bien arrétée de faire croire k une occupation 
continue par Ie Portugal. 

„Les Hollandais avaient commencé k jeter des r^ards 
„de convoitise sur la baie de Louren^o Marques*' (Baie- 
Delagoa). Celle-ci présentait, en effet, un point d'arrét dé- 
siré pour les flottes de la Compagnie des ludes Neérlan- 
daises. Maint navire y reldchait, pendant les longs voyages 
de ces temps. L*opinion alors, bienque des explorations 
ultérieures aient contribué k en rabattre, était tres favo- 
rable quant k la profondeur d*eau et aux commodités, que 
a baie offre k la navigation. 

Aussi Ie capitaine du „Noord" avait été chargé de cher- 
cher la partie de cette baie, la plus propre k étre fortifiée i). 
Il s*en acquitta avec une discrétion vraiment diploma- 
tique: pas un mot de son rapport ostensible né fitallusion 
k cette partie delicate de sa mission. Cependant nous sommes 
persuadé que ce fut d'après sa proposition, que s'érigea 
bientót sur la rive gauche de la rivière du Lagoa Ie fort 
Hollandais, qui deviendrait Ie centre de notre établissement 
dans ce coin d'Afrique, 

Nous allons retracer l'historique de Tétablissement Hol- 
landais sur la Baie-Delagoa. Mais avant de commencer ce 
récit, il est utile de rappeler, que les „Mémoires Portu- 
gais" ont affirmé, que 

„les Hollandais tentèrent de fonder une factorerie prés 



l) Il est digne de remarque, que Ie capitaine Hollandais, comme 
après lui José de Mello, parlent de traces d'une factorerie portugaise 
dans rile de Chefine, tandis que ni l'un ni Pautre n*a pu se con- 
-vaincre de leur existence par ses propres yeux. Heeremans ne put 



aborder & cause du gros temps; Ie capitaine Portugais en fut em- 
pèché ,4^ute de bateau." 

Nous verrons bient6t, que Texpédition Hollandaise en 1721 a tAché- 
en vain, sur les lieux mèmes, de découvrir les moindres restes de 
cette factorerie de la traditinn. 

i) Le Gouverneur et Cbnseil du Cap de Bonne Espérance au 
Conseil des Dix-Sept & Amsterdam, Ie 15 Avril 1689. Ms., Arch^ 
du Royaume. 



r 

w ae t établissement du Portugal^ et avec la permissüm du 
gwoerneur Portugais'* ; — que 

yyks tentatives des Hollandais pour s'établir dans la 
„Baie furent infructueuses'^ ; — que 

„la petite factorerie fondée par eux, fut peu après ai" 
grutte par les Cafres'\' — et que 

„plus tard ils renouvelèrent encore leur tentativey mais 
„elle fut abandonnée." 

Ainsi, afin de produire un nouyel argument pour la 
continuité de son établissement sur la Baie Delagoa, Ie 
gouvernement Portugais a allégué sa co-exislence avec 
celui des Provinces-Unies, et cherché de la concilier avec 
sa souveraineté et son monopole prétendus, en imaginant 
une „permission d'un Gouverneur Portugais" imaginaire. 
Ce qui n'est pas moins curieux, c'est qu*en faveur de sa 
these, il a rebaptisé 1'une des rivières, qui coulent dans la 
dite baie, et qui lui a méme donné son nom. £n attri- 
buant au fleuve du Lagoa la dénomination d*£spiritu Santo, 
il a tdché de mettre un trait d'union entre sa possession 
d'aujourd'hui et la factorerie de la tradition i). 

Contre de pareils arguments il n'y a que Fhistoire, qui 
résiste. 



LA HOLLANDS ET LA BAIE DELAGOA. 



II. 



Dès 17 19, la prise en possession de la Baie-Delagoa 
etait décidée è Amsterdam. Il se peut que les évènements 
politiques aient contribué è retarder Texécution de ce des- 
sein: cependant Ie motif principal du délai se trouvait 
ailleurs. 



I) Le „Mémoire du goaTernement Portugais'* afiirme péremptoire- 
ment, que „le fleuve Elspiritu Santo est le mimet qui au commence- 
ment du i6ièine siècle portait le nom de fleuve de Lagoa." 

Probablement les auteurs de ce Mémoire ignoraient, que les cartes 
d'Ortelius, comme la carte de Tan 1596 dans Ie célèbre ouvrage de 
Linschoten, leur donnent un démenti formeL Ces cartes, composées 
daprès les données portngaises, nomment les deux rivières du Lagoa 
et du St. Esprit, et les indiquent bien distinctement 

La riyière dn Lagoa continnait de porter ce nom pendant les sièdes 
soivants. Ni les navigateurs Hollandais ni les Anglais ne lui don- 
Dèrent celui d'Espiritu Santo, qui par contre était accordé A la rivière 
plas au nord. Pour preuve, nous n*avons qu'& citer les cartes de la 
Compagnie des Indes Neèrlandaises. Dans les ouvrages très-connus 
sar TAirique Meridionale du Dr. Dapper (1676) et de Kolbe (1727), 
cette riyière du nord est également indiquée comme „Elspiritu Santo 
OU Magnice." 

Ce qui plus est. Dapper assure de la maniere la plus positive, que 
la rivière la Maniga fut baptisée d'Espiritu Santo, et que celui qui lui 
donna ce nom fut le Portugais Laurent Marques, en 1545. 



Le monopole, on le sait, était le principe moteur, Tdme 
de toute entreprise de cette époque, comme il Tavait été 
dans une époque antérieure. Le Conseil des Dix-Sept, for- 
mant la direction supérieure de la Compagnie Générale 
des Indes Neèrlandaises, ne songeait qu*è se conquérir 
une nouvelle perle et Tattacher è, sa couronne, si abon- 
damment garnie. Mais dans la colonie du Cap de Bonne 
Espérance, particulièrement intéressée au succes de la pré- 
sente entreprise, on en pensait différemment. 

De tout temps la Compagnie avait, parmi ses subordon- 
nés, compté des dissidents. On se rappelait Texemple des 
Moucheron et des Lemaire, qui dans un intérêt personnel 
bien entendu, avaient désiré inaugurer un système de com- 
merce particulier, en face du monopole officie!. Au Cap, 
cette tendance était préconisée tant par les administrateurs, 
que par les administrés; aussi c'étaient le Gouverneur et 
le Conseil de la colonie, qui se firent l'écho de pareilles 
velléités. 

Les anciens des bourgeois, c*est k dire les principaux 
d'entre les colons, désiraient ardemment profiter des avan- 
tages de la situation du Cap, pour attirer k eux la navi- 
gation et le commerce des cötes adjacentes. Les proüts 
qu'on espérait gagner k un commerce libre avec la Terre 
de Natal et la Baie-Delagoa, furent centuplés par les récits 
d'un Lamotius et les séductions d'une imagination exaltée. 
Une requéte, tendant k obtenir la permission de ce 
commerce sur la cóte Sud-Est de TAfrique, fut envoyée k 
Amsterdam, et vivement appuyée par les administrateurs 
coloniaux, probablement pas en tous points désintéressés. 
On reQUt un refus net et catégorique: les relations avec 
les contrées k conquérir devaient êlre réservées exclusive- 
ment k la Compagnie, i) Les ordres du Conseil des Dix- 
Sept furent düment observés. Mais le désappointement 
causé k ceux, dont les interets étaient en jeu, et qui 
allaient servir d'intermédiaires entre la métropole et la 
nouvelle colonie, ne laisserait pas de mettre une forte en- 
trave au développement des relations, tant commerciales 
que politiques, qu'il s'agissait d'établir. 

Deux ans plus tard, le 12 Février 1721, appareilla du 
port de la Ville du Cap l'expédition, chargée d'aller planter 
le drapeau Hollandais dans la Baie-Delagoa. EUe se com- 
posa de trois navires de transport, le „Kaap", le „Gouda** 
et la „Zeelandia", ayant k bord un detachement de trou- 
pes, sous les ordres de Zacharie Camminga. Le gouverneur 



i) Voir la lettre du Gouverneur et Conseil du Cap au Conseil des 
Dix-Sept du 31 Juillet 17 19, ainsi que les réponses de ce demier 
d*Octobre et de Dccembre 17 19 et du 21 Juillet 1723. {Arck. d R,) 



s 



LA HOLLANDS ET LA BAIE-DELAGOA. 



désigné, van der Taak, fut, comme mesure de précaution, 
accompagné de son successeur présomptif. Il avait la 
charge d'établir sur Ie Rio du Lagoa un comptoir de com- 
merce, de prendre pied dans la dite baie, et d'ériger k 
Tendroit Ie plus convenable un fort, en signe de prise en 
possession i). 

L'entrée de la rivière du Lagoa offrait tous les avantages, 
que cherchèrent les Hollandais pour remplacement de leur 
comptoir. Cette rivière était navigable jusqu'èi une dis- 
tance de plusieurs lieues, pour des batiments d'un assez 
fort tirant d*eau. lis firent choix, pour bdtir Ie fort, de 
]a rive gauche du fleuve, les navires entrants étant obligés 
de tenir de ce cöté, k cause des bas-fonds du cöté opposé. 
£n même temps, ils occupèrent la pointe de terre avan- 
pant dans la baie, nommée la Téte Rouge, qué formaitun 
monticule isolé, de quelques centaines de pieds de haut. 
Cette position, étant bien fortifïée, dominait les alentours. 
On s'en servit comme poste d'observation, tout en jouis- 
sant de la vue splendide, qui s'y déroule sur la baie 2). 

Dès les premiers jours de leur établissement, les Hol- 
landais creusèrent prés de l'embouchure du fleuve, les puits 
d'eau douce, que retrouva Ie capitaine Anglais Owen lorsqu'il 
fit Texploralion de cette baie, dans Ie siècle suivant. La 
terre fut entamée sur une grande échelle, et les boutures 
et semences, emportées du Cap de Bonne Espérance et 
envoyées de Batavia, donnèrent naissance è des cultures, 
qui auraient mérité un nom moins modeste que celui de 
„jardins de la Compagnie." Ensemble avec Ie kraal du 
bétail, ces jardins allaient bientót suflfire k Talimentation 
des fonctionnaires et de la garnison, ainsi qu'aux equipa- 
ges des navires nationaux. La vigne du Cap, Tobjet de 
la plus vive soUicitude de Tadministration Hollandaise, fut 
plantée, et poussait de profondes racines dans les terres de la 
Baie-Delagoa. Des plantes médicinales précieuses furent 
cultivées. Les semailles de Tindigo promirent de récom- 
penser largement les peines, qu'on s'imposait en sa faveur. 



i) Le récit suivant est tiré en grande partie d*une collection impor- 
tante de papiers, ayant pour titre : „Brieven, etc, concemerende cV Ex- 
peditie naa Rio de Lagoa^** aux Archives*du Rojaiune. 

Le Conseil des Dix-Sept i, Amsterdam ayant institué un comité «jö 
hoe pour le commerce sur Rio de Lagoa, c'est la correspondance 
adresseé A ce Comité par les Gouverneurs de la possession sur la 
Baie ainsi que par ceux du Cap de Bonne Espérance, que nous avons 
jci sous les yeux. Pour ce qui regarde la correspondance émanée du 
dit Comité, 4 mon avis elle doit se trouver aux Archives de Capetown. 

2) Voir de Bucquoy, „ZesHenjarige Reize na de Indien, (Haarlem, 

White, dans son „Journal of a voyage performed in i/ie Lion^ 
écrit: yyBrom the Red Head you have as fine a prospect, as I ever saw*^ 



Le Gouverneur de l'Inde fit partir de Batavia des per- 
sonnes initiées k cette culture, afin de la propager dans 
la nouvelle colonie. 

Après les soins de l'installation, il s'agissait de recon- 
nattre exactement les cötes et les rivières de la baie. 
Presque simultanément, dans le courant de l'année 1721,, 
eurent lieu trois expéditions k eet effet, Time cótière, les 
deux autres sur les fleuves du Lagoa et du Saint Esprit 
On entamait des relations de commerce, favorisées par 
rétat de paix entre les tribus Cafres, et irouvait partout 
un accueil des plus prévenants. 

Ce fut en explorant la rivière du St. Esprit, qu'on décou- 
vrit un indice du passage de négociants Portugais. Le 
chei du village nègre de Manisse montra aux Hollandais 
une couronne en cuivre doré, qu*il avait obtenue en échange 
de dents d'éléphant, vendus k ceux-léL Elle était „très- 
mince", ajoute ironiquement le récit de nos expédition- 
naires. Ce village était situé sur la rivière méme, dans 
Tembouchure de laquelle se trouve THe de Chefine. 

Cette fois Texpédition Hollandaise, plus heureuse que 
n'avait été le capitaine du „Noord", et que ne le serait 
José de Mello après elle, mit pied k terre dans Tlle en 
question. „J*ai été k Tendroit même, oü Ton pretend que 
„les Portugais auraient eu un fort; mais je n'ai pas réussi 
„è, en trouver les moindres traces," — ainsi écrivit le 
capitaine Cloppenburg, commandant de Texpédition i). 
Ces paroles sont confirmées d'une maniere peremptoire par 
de Bucquoy 2). ün seul nègre, faisant fonctions d'inter- 
prète, interpréta la tradition, que des Portugais auraient 
été établis en eet endroit. Il y avait de cela un très-grand 
nombre d'années, roontant k un demi-siècle. 

Même en admettant cette version, assez sujette ^ caution, 
on était donc déji loin de eet „établissement Portugais, 
prh duqueP^ le Mémoire officiel de 1873 pretend, que les 
Hollandais „tentèrent de fonder une factorerie." La pré- 
tendue ^^ermission** demandée k eet effet k un „Gouver- 
neur Portugais" — lequel? — fut-elle vraie au méme 
dégré, fut-elle seulement vraisemblable ? Une nation semble 
mal venue de demander k une autre la permission de se' 
substituer k elle. Pareille permission ne saurait être accordée 
qu^une fois ; refusée, elle exposerait k une occupation arbi- 
traire, de la nature de eelle qui' nous oecupe. D*ailleurs, le 



1) Rapports de Qoppenburg, Swertner et van der Capellen, et de 
Michel et Ooppenburg, de leurs expéditions en Juin, en AoClt etSep- 
tembre, et en Octobre 1721 {Mss, A, d. R,). 

2) „Zestien/at tge Reise", etc. 

Jacques de Bucquoy faisait partie du corps expéditionnaire Hollan- 
dais, en qualité de géomètre-cartographe. 



LA HOLLANDE ET LA BAIE DELAGOA. 



droit public decette époque, par rapport au commercedes 
possessions d'outremer, exigeait que toute nation s'abstlnt de 
visiter les baies et rivières, la possession d'une autre, dans Ie 
büt de faire Ie négoce avec les indigènes. Combien plus ne 
lui défendait-il pas d'y bdtir un fort et de s'y établir! Il 
était peu probable que la HoUande du iSième siècle ait voulu 
erapiéter sur les régies internationales, et enfreindre Ie traite 
de paix conclu avec Ie Portugal. Evidemment, elle n'avait 
aucune raison pour considérer la Baie-Delagoa comme une 
possession Portugaise, et ne fut pas mieux instruite ni par 
Ie cabinet de Lisbon ne, ni par les autorités coloniales 
elles-mêmes. Celles-ci, de la con«?idérer comme telle, n'avaient 
pas encore senti Tutilité, qu'en couQut Je gouvernement 
Portugais un siècle et demi plus tard. 

Lorsque Ie commandant d'un de nos navires somma Ie 
soi-disant capitaine de port d'Inhambane, de lui dire sur 
quel fondement il s*arrofi;ea des droits dans ce port-lè,, il 
regut pour réponse, que ^'avait été un cadeau du bon Dieu. 
Les Portugais d'alors n'ont pas méme songé èi invoquer ce 
demier des arguments, ix)ur ce qui concerne la Baie-Delagoa. 

La prise en possession, Toccu pation par les Hollandais, 
étail incontestable et incontestée. 



in. 



Quelque puissant que füt Ie Conseil des Dix-Sept, il ne 
pouvait prévenir, que les mauvaises disoositions de ceux 
qui croyaient leurs interets lésés par la décision prise quant 
au caractère de la nouvelle possession, ne se fassent 
jour, au point d'en mettre Texistence même en péril. La 
situation exceptionncUe du Cap entre la métropole et la 
Baie-Delagoa, dans les mêmes parages que la dernière, fut 
exploitée par les administrateurs de cette colonie, dans les 
avis qu'ils adressèrent k la Direction Générale k Amster- 
dam. Une sourde opposition faisait suggérer k ceux-ci la 
question, plusieurs fois repétée, si la possession de la Com- 
pagnie k la dite baie, dans les conditions qu'on lui avait 
taites, promettait d'apporter des avantages, qui encompen- 
seraient les frais. C'était assez ouvertement, que Tadmini- 
stration du Cap opinait pour la négative. Par la nature 
méme des choses, elle se vit chargée, d*abord, de 
ravitailler Ie personnel de la nouvelle possession, puis 
de suppléter Tincomplet des troupes et des equipages 
dans la Baie, décimées dès Ie commencement par les ma- 
ladies. Ce furent des déboires d'autant plus désagréables, 
qu on était engagé dans cette voie bien k contrecoeur. 
Abusant d'une compétence mal définie, on déclina parfois 



d'autoriser les officiers de la Baie-Delagoa k des actes 
utiles, voire nécessaires, et négligea ou refusa de leur en- 
voyer des renforts, devenus indispensables. 

C'est ainsi qu'aux premiers jours de 1722, Ie comman- 
dant du fort pria les autorités de la colonie du Cap de 
lui envoyer d'urgence de nouvelles troupes, une épidémie 
venant 'd'emporter, avec Ie gouverneur et Ie commandant 
en chef, la plus grande partie de la garnison. Il se sentit 
dès lors hors d'état de résister k une attaque, et Ie dit 
clairement. Malgré cela, l'administration au Cap préférait 
attendre des ordres ultérieurs d*Amsterdam, lesquels en 
vérité se changèrent en une verte semonce. Mais quand 
on se mit k les exécuter, ce fut déjè, trop tard pour pré- 
server Tétablissement Hollandais d'être gravement com- 
promis. 

Des navires pirates, armés d'une centaine de pièces d'ar- 
tillerie, Tattaquèrent inopinément, après s'être emparés du 
seul lougre Hollandais, qui se Irouvait k ce moment dans 
la Baie. Les canons du fort, k peine achevé, furent réduits 
au silence, et la- garnison se rendit d'autant plus facile- 
ment, qu'elle était mal commandée par un étranger, un 
certain Michel, qui se montra k l'occasion un vrai michet 
Allemand. Après avoir battu Ie pays d'alentour, ces pira- 
tes emportèrent les provisions, et emmenèrent une partie 
du personnel Hollandais, avec Ie cartographe de Bucquoy, 
forcé de leur servir de pilote dans leur expédition vers Ie 
Madagascar i). 

L'exécution des ordres péremptoires du Conseil des Dix- 
Sept, re^us entretemps k la Ville du Cap, apporta, il est 
vrai, du soulagement k la colonie si fortement éprouvée. 
Mais la réparation des dégdts et Ie rétablissement du calme 
dans les esprits prit un temps de longue durée, au plus 
haut point nuisible aux interets hollandais. 

C'est vers ce moment qu'on voit surgir Thomme, qui 
allait imprimer aux affaires de la Baie-Delagoa une nou- 
velle direction, aussi énergique qu'intelligente. Vu d'abord 
d'un mauvais oeil, k cause du refuge cherché par lui dans 
rintérieur contre les vi^lences des pirates, et trainé k la ville 
du Cap pour se justifier de ce chef, il revint bientót k Lagoa, 
en possession de la confiance pleine et entière des 
autorités compétentes. Jean van der Capellen de Zuid- 
polsbroek, après avoir triomphé de ses détracteurs, fut 
nommé „chef provisoire" de T établissement Hollandais k 
Lagoa; il demeurerait Tdme du gouvernement, aussi lors- 
qu'un autre en remplirait les fonctions suprémes 2). Tout 

1) Voir aussi de Bucquoy ^^Zestienjarige Reise^\ l. c. 

2) Il résulfe des anciennes archives coloniales, se trouvant encore 

2 



n 



lO 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



était è refaire dans cette jeune colonie. La plus grande 
diligence fut requise pour rebitir Ie fort et les magasins, 
et rétablir les ,Jardins*' de la Compagnie. Il fallait faire 
renaltre Ie commerce, lui chercher de nouvelles voies et 
ouvrir de nouvelles sources, explorer Tintérieur et ses ri- 
chesses. Il n'était pas moins urgent de regagner la con- 
fiance des tribus indigènes, ébranlée par les évènementsde 
1722, et de sauvegarder Ie bien-étre de la colonie parune 
série de mesures utiles. Van der Capellen se montra k la 
hauteur de cette tdche, aussi delicate que variée. Les 
propositions soumises par lui aux Directeurs Généraux de 
la Compagnie, dénotent une instruction et des capacités 
peu communes, des talents et un savoir-faire, qui, laissés 
è, leur libre essor, eussent changé la face des évènements 
et SU garder une colonie. 

Le premier objet des soins de van der Capellen fut de 
la plus haute importance. Le navire Anglais „Northampton*' 
ayant touche è la cóte, il est vrai dans le seul büt de 
débarquer un des parents du régule Maphumbo, quiavait 
été élevé k Londres, risquait par lè. de déroger aux droits 
exclusifs de la Hollande, maitre de la Baie. C'était tres 
peu de temps après que les pirates avaient fait leur oeu- 
vre de dévastation. Malgré Tétat délabré de la forteresse, 
et quoique les armes k feu dont on disposait dans ces 
moments critiques, n'excédaient guère une vingtaine de 
fusils, en partie défectueux, le gouverneur intérimaire 
n'hésita pas de défendre au batiment Anglais de faire des 
opérations de commerce dans la baie, tout en lui ofifrant 
ses bons offices. Il Tobligea de produire ses passeports, 
et accompagna sa défense de la menace, tant soit peu 
hasardée — vu Texiguité de ses moyens — , de tirer dessus, 
en cas de contravention. 

Non content d'avoir ainsi sauvé l'honneur du pavillon, 
il songeait k prévenir le retour de pareils évènements. La 
question de la défense de la navigation et du com- 
merce étrangers dans la Baie-Delagoa était agitée en 
tous sens. Elle pouvait se résoudre, soit par des 
contrats de suzeraineté avec les princes indigènes du 
littoral, soit en leur achetant des têrritoires étendus. Dans 
un cas comme dans Tautre, il serait loisible de modifier 
le système de fortification. Van der Capellen soutenait 
l'idée d'ériger un poste dans THe d'Inyak, la plus propre, 

en partie k Amsterdam, que Capellen, avant de s'engager au Cap de 
Bonne Espérance et k Lagoa, avait fait un voyage des Indes Orien- 
tales, au service de la Comgagnie. Rentré de Lagoa & la Ville du 
Cap vers le commencement de 1 731, il partit pour la Hollande dans 
l'année suivante, et perdit la vie avec le naufrage du navire „Midloo", 
en vue des c6tes de la patrie. 



selon lui, k être fortifiée. Il estimait la conquéte des pays 
environnants chose facile k faire: un detachement de 
quelques centaines d'hommes éut sufB pour s'emparer de 
toutes les terres de Tembé, Matolle, Bombo et Manisse. 
En ceci il paralt mème avoir eu une trop haute opinion 
des indigènes, TAnglais White assurant, que des terrains 
suffisants pour établir des centaines de families de colons 
pouvaient être acquis k raison d'un ou de deux barils 
d'eau de vie. 

C'est au projet d'achat, que s'arrêtait la Direction supé- 
rieure de la Compagnie des Indes Néerlandaises. C*était li 
son système, constamment observé dans ces parages. En 
167 1 et '72, quelques milliers de réaux avaient fait passer 
en son pouvoir les terres des souverains Hottentots, occu- 
pant la pointe meridionale de TAfrique. Quelques années 
plus tard^ on avait acheté en son nom aux chefs Cafres, 
le territoire de la Baie de Natal; achat, sur lequel l'An- 
gleterre fonderait plus tard son droit de possession. 

Nous n'oserions avancer,.que ce fut au moyen des spi- 
ritueux, que les agents de la Compagnie réussirent è mettre 
k exécution le présent projet. Cependant ce fut k pareilles 
occasions, qu'on versa pour les chefs Cafres „des bouteilles 
„pleines, dont ils étaient grands amateurs,*' et qu'aux autres 
on fit cadeau d'un habit de „drongang, doublé deguinée", 
OU d*un uniforme de la marine Hollandaise. Ces chefs, 
d'ailleurs, avaient eux-mêmes usé d'instances réitérées prés 
des fonctionnaires Hollandais, pour que ceux-ci vinssent 
s'établir dans leurs territoires. Cela résulte des divers entre- 
tiens, qu'ils avaient de temps en temps avec Capellen et 
les autres gouverneurs. Le régule de Tembé comme celui 
de Manisse ouvrirent, littéralement parlant, leurs pays k la 
domination Hollandaise; ils allèrent jusqu'è prier nos 
chefs, d*établir des fortifications sur leurs territoires. Ainsi 
ce fut sans pdne, qu*on parvint k acheter des contrées 
d'une grande étendue, tant k ces deux princes, qu'au régule 
Maphumbo, dans le pays duquel le fort et la factorerie 
Hollandaises étaient établis. 

Les Archives du Royaume contiennent deux cartes, tracées 
d'après les ordres du Gouverneur de Lagoa, de Koninck, 
en 1726, et signées par lui, d'oü il appert que les instances 
des rois Cafres, d'accord avec les desseins de la Compagnie, 
avaient porté leurs fruits. L'une de ces cartes indique la 
situation des territoires, dtués sur la baie ainsi que sur les 
deux rives du Lagoa, cédés aux Hollandais par Maphumbo 
et Tembé. L'autre comprend les terres d'une grande cir- 
conférence, situées sur la rivière du Saint Esprit, également 
cédées par Manisse. i) 

i) „Casten van ,s Compagnie^ s nieuv> aengecoghte landen oen Rio 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



II 



Des expéditions, tres pacifiques cette fois, allèrent, du 
fort de la Compagnie, prendre possession des territoires 
acquis. L'enseigne Monna, chargé de cette besogne, non 
senlement pla^ les éparts sur les lignes de démarcation, 
aux applaudissements des populations, qui saluèrent ledra- 
peau HoUandais. Il planta aussi au milieu des villages 
nègres, Ie pavillon tricolore i). Et Tuniforme de la Com- 
pagnie, aux épaulettes dorées, adossé au „grand" roi de 
Tembé, mettait Ie sceau è l'oeuvre, que celle-ci avait entre- 
prise dans ces contrées lointaines. Quand, soixante-douze 
ans plus tard, White visita Ie successeur de ce roi, il Ie vit 
prendre pour costume gala Ie méme uniforme, et se parer 
encore des couleurs Néerlandaises. 2). 

Tandis que la Compagnie des Indes étendait ainsi con- 
sidérablement son territoire sur la Baie-Delagoa, les plan- 
teurs, venus de Batavia, étaient dirigés sur Ie St Esprit, 
dans les terres achetées k Manisse, pour y propager la cul- 
ture de rindigo. Déjè divers envois de feuilles de cette 
plante avaient eu lieu de Lagoa è la Ville du Cap, et la 
culture en promit de beaux résultats. On projetait main- 
tenant, en lui donnant une grande extension ainsi qu'^ 
celle du tabac et du riz, de former une colonie de culti- 
vateurs sur les rives des deux fleuves du Lagoa et du St. 
Esprit. La Direction Générale k Amsterdam insista, 
pour que des colons du Cap de Bonne Espérance ainsi 
que de l'établissement supprimé du Madagascar fussent 
persuadés k aller se fïxer k la Baie 3). Ces excellentes 
dispositions, tant du Conseil des Dix-Sept que des officiers 
k Lagoa, furent-elles secondées comme il convint par les 
autorités du Cap? Il est permis d'en douter, la correspon- 
dance de cette administration ne portant point de tracé 
de Tenvoi de colons vers la Baie-Delagoa. Peut-être l'ex- 
périence déjè. acquise par les cultivateurs libres aux deux 
endroits susnommés, n'était-elle pas de nature k assurer Ie 
succes de la nouvelle entreprise. Les évènements, qui sui- 
virent, n'étaient guère plus propres k en favoriser Texécu- 



tion. Enfin, les trouvaiUes d'or et Tintérêt que celles-ci 
inspirèrent k un dégré exagéré, détoumaient l'attention de 
projets d'une nature plus ordinaire, quoique d*une utilité 
bien autrement constante. 



eU Lagoa, December 1726" (Cartes des territoires de la Compagnie 
i Lagoa, récemment achetés) Arch. du Royaume. 

1) Journal de Monna en Mars et Avril 1727 (Af>, A. d, R.) 

2) njimmal of a Voyage^* L c. 

White se trouva prés du régule de Tembé en 1798. La Hollande 
étant alors, comme alliée de la France, en guerre avec 1-Angleterre, 
Ie Toyagenr anglais se crut autorisé è faire entendre au dit roi, que 
la cocarde tricolore était f^the most injamoua badge^ that could be wom 
,^ a king.^ 

3) Voir une lettre de Swertner au Gouverneur du Cap du 11 Qc- 
tobre 1721, et les lettres du Conseil des Dix-Sept au méme des 13 
Bécembre 1725 et 12 Janvier 1726. 



IV. 



C'était en "1724, que des grains d'or furent apportés pour 
la première fois, par des n^res, au fort HoUandais. A en 
juger d'après l'opinion des Directeurs de la Compagnie, ce 
produit formait" Time et la moelle de toute entreprise:** 
il n*était donc pas étonnant, que dans un tres court déla^ 
des expéditions furent organisées k la découverte des pays 
d'or. Ce büt ne cessait dès lors d'obséder quiconque pre- 
nait une part plus ou moins directe, plus ou moins active, 
k Tadministration des affaires de la Baie. C'est autant dire, 
que la soif de Tor, attribuée au iQième siècle, n'était nul- 
lement inconnue de son prédécesseur. 

On commen^a par diriger des noirs vers les contrées 
qu'on supposait produire Ie plus abondamment ce minérai 
précieux. Les rapports de ces gens donnèrent la convic- 
tion, que Tor se trouvait tant dans les rivières, que dans 
les montagnes. D*après leurs indications, un corps expé- 
ditionnaire partit de Lagoa en Juin 1725, composé d'une 
trentaine d'hommes, sous les ordres d'un des officiers du 
fort; accompagnés de guides et d'un grand nombre de 
bêtes de somme. Il se dirigea vers Ie nord, et franchit 
TEspiritu Santo prés Nassangano. 

Un peu auparavant, une expédition avait été entreprise 
pour la découverte des montagnes de cuivre. On avait 
suivi Ie cours de la MatoUe, et parcouru un pays fertile et 
riche en bétail. Une autre partit, sous les ordres de Mon- 
na, qui s'adjoignait des mineurs, k Teifet d'explorer la 
Kliprivier et rincomaiti. Celle-cl eut pour büt principal de 
découvrir des pierres précieuses. Ainsi Ie gout d'entreprise 
des HoUandais de ces jours les poussait déji vers les con- 
trées, oü s*établiraient plus tard leurs descendants, harassés 
et poursuivis par les Anglais. 

Mais, ces diverses expéditions eurent un sort presque 
également désastreux. La plupart des hommes partispour 
les montagnes „bleues" (k cuivre), furent massacrés, et 
les survivants retoumèrent sans avoir pu rien constater. 
L'expédition pour les pays d'or ne poussa pas plus loin 
que l'Espiritu Santo. A l'endroit nommé, les guides l'aban- 
donnèrent, et leur fuite fut Ie signal d'une attaque de Ia 
part des indigènes. Plusieurs membres de cette expédition 
furent gravement blessés, et eurent toutes les peines du 



12 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



monde pour se trainer jusqu'au fort de Lagoa. I^es hétes 
de somme furent tuées sous leurs yeux, et toutes les ba- 
gages enlevées. Seiile, Texploration de rincoraati eut quel- 
que succes. 

L'or trouvé ou apporté au fort par les noirs, était 
malheureusement d'un alói inférieur. Le gouvernement de 
Batavia, è. Tappréciation duquel eet or fut soumis, répli- 
qua indigné, que c*était „du sable de rivière, de la ba- 
layure, au lieü de la poudre d*or." Ce qui fut pis encore, 
c'est que le négoce des nègres avec le comptoir Hollan- 
dais diminuait sensiblement, en méme temps que Texplo- 
ration de Tintérieur devenait plus difficile. Ces deux taits 
tenaient k la même cause, qu'il faut regarder main tenant 
de plus prés. 

Les relations entre les fonctionnaires de la Compagnie 
et les tribus indigènes avaient parcouru diverses phases. 
Bonnes dans le commencement, sous Tadministration de 
van der Taak, qui s'entendait è, merveille k gagner les 
Cafres et leurs chefs, ces rapports diminuèrent en inti- 
mité comme en importance, du temps des successeurs 
éphémères de celui-ci. Van der Capellen les remit sur un 
bon pied, tout en ne cachant pas k ses maltres, qu*il se- 
rail utile de seconder les bonnes intentions de la Com- 
pagnie de temps è. autre par les armes. Il avait parfaite- 
ment compris, qu'afin de garanlir le commerce avec les 
tribus de rintérieur, il deviendrait nécessaire de soumet- 
tre k un certain dégré celles qui se trouvaient k proxi- 
mité du fort. C'est pourquoi il proposa d'ériger dé 
nouvelles fortificatioos dans les terres de Tembe et de 
Bombo, et également dans celles de Manisse. 

En donnant suite k ces propositions, la Compagnie au- 
rait considérablement augmenté les sacrifices, qu'elle de- 
vait s'imposer déjè,. La mortalité k la Baie-Delagoa était 
extreme, pendant toute la durée de Toccupation. A chaque 
retour de navire il fallait envoyer des renforts de troupes 
de terre et de mer. On en était venu k recniter pour le 
service de la Baie, six hommes sur les equipages de tous 
les navires de la Compagnie, doublant le Cap. 

Une considération d'une autre nature Tempéchait de se 
mêler trop avant dans les affaires intérieures de cette par- 
tie de TAfrique. Plusieurs fois les régules Cafres ofifrirent 
aux fonctionnaires Hollandais des contrats avantageux, 
toutefois sous la condition expresse ou tacite de les pro- 
téger contre leurs ennemis. En entrant dans de pareils 
contrats, la Compagnie eüt été engagée d'avance k prendre 
part k des guerres incessantes, k en subir toutes les péri- 
péties. Les contrats avec ces tribus nomades n'offraient 
aucune garantie de stabilité: forcément mêlee il leurs 



différends, elle n'eót guère possédé les moyens d'en pro- 
fiter. C'est pourquoi elle préféra acquérir par achat les 
territoires nécessaires k ses opérations, süre de ses forces 
pour les occuper et les défendre. 

Cependant les contestations et disputes parmi les 
tribus n^es, ayant éclaté dès 1726, allaient atteindre leur 
point culminant. Jusqu'ici, le commerce ne s'en était pas 
trop ressenti. L'lle d'Invak n' avait pas cessé de foumir 
son contingent d'ambre-gris. Les négociants de Tembé, 
Maphumbo et Manisse continuaient d'apporter les dents 
d'éléphant; les plus éloignés venaient présenter de temps 
en temps de la poudre d'or et des pierres précieuses. Mais 
tout cela alldit en diminuant, k mesure que les querelles 
intestines gagnèrent en violence. Le régule Maphumbo fut 
un jour chassé de ses villages, et vint chercher un refuge 
au fort Hollandais. Van der Capellen somma celui de 
Tembé, de s'y rendre également. Il fit sentir k ces chefe 
la nécessité de s'entendre; il leur représenta, que la Com- 
pagnie n'avait ix)int pris possession de la Baie- Delagoa \y>m 
être témoin de leurs disputes, et que, s*ils n'y mettraient pas fin, 
elle serait obligée d*user d'aulres moyens en son pouvoir i). 

C'était de la rhétorique en vain, tant que ses maitres 
n*étaient pas décidés k avoir effectivement recours k la 
force. L'état de guerre continuait de plus belle. Les rela- 
tions avec les tribus éloignées furent coupées, les envois 
de rintérieur interceptés; et le commerce avec les peuplades 
de la cóte même cessait d*être rémunérateur. 

Les branches commerciales, qui intéressaient au suprème 
dégré tant les Directeurs Généraux k Amsterdam que 
Tadministration du Cap de Bonne Espérance, furent le 
négoce de Tor, en poudre comme en minérai, et la traite 
des noirs. Auparavant la colonie du Cap avait tiré ses 
esclaves du Madagascar: il fut beaucoup plus commode 
et, è. ce qu*il par^t, meilleur marché, de les obtenir de la 
colonie-soeur de la Baie 2). Dès 1724, des envois régu- 
liers d'esclaves eurent lieu de 1^; on allait, de l'établisse- 
ment Hollandais de Lagoa, les chercher jusqu*è Inham- 
bane. La correspondance des administrateui^ du Cap 
prouva que cette traite des noirs faisait Tobjet de leur plus 
vive soUicitude. 

Elle allait cesser, ou presque cesser, en méme temps et 
par les mémes causes qui empéchèrent le commerce d*or 



1) Van der Capellen au Conseil des Dix-Sept, le 15 Avril 1729. 

2) Le prix des esclaves de la Baie-Delagoa, rendus au Cap, variait 
de 7 i 13 florins. Les indigènes donnaient la préférence k 1'échangr 
d'un fusil par tète; ce è quoi les gouverneurs Hollandais n'obtempé- 
raient pas, et pour cause. 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



13 



d*aboutir. Le commerce en général était paralysé; et la 
possession Hollandaise ne pouvait dans les conditions actu- 
elles, donner les avantages qu'on en avait espérés. Elle 
ne couvrait méme ses frais. Cette conviction ayant gagné 
la Direction supérieure de la Compagnie, celle-ci résolut 
dès le commencement de 1739, soit de transporter Téta- 
blisseraent dans un autre endroit, soit de Tabandonner. 

Seulement dans les tout derniers temps, des échantillons 
d'or d'une meilleure qualité avaient été apportés au fort 
de Lagoa. Ces paities-ci étaient estimées êi un aloi tres 
considérable ; ce qui fit ajouter une condition suspensive 
èi la résolution, dont il s*agit. L*instruction fut donnée au 
gouverneur de la Baie-Delagoa, de faire toute la diligence 
possible pour découvrir Torigine de Tor, regu dans les an- 
neés 1727 et 1728. En cas que les lieux d'extraction pour- 
raient être indiqués d*une maniere claire et précise, la 
Compagnie se résoudrait k maintenir sa possession sur la 
Baie i). 

'Un fait déplorable et tragique vint ajouter aux embar- 
ras de la situation. Une émeute éclata parmi les soldats de 
Ia gamison du fort. A en juger d'après les proportions 
qu'elle prit, ce fut k la seule énergie de Capellen que Téta- 
blissement HoUandais dut son salut. Sur les cent-dix 
militaires, plus de soixante fiirent saisis, comme ayant pris 
une part plus ou moins directe a la conspiration. Une 
punition exemplaire dut s'en suivre, Mais les sentences, 
prononcées par le fiscal et conseil en cette occurrence, 
pouvaient difficilement échapper au reproche d'être sévères 
jusqu'è. Textrémité. Des trente-neuf hommes, condamnés 
k la peine capitale, vingt-sept furent mis k mort, selon les 
usages cruels de cette époque. Les douze auires, auxquels 
le sort fut plus favorable, furent condamnés k dix ans de 
fers; tandis que le reste subit des peines un peu moins 
disproportionnées k la gravité du délit. Les autorités de la 
colonie s'attiraient cette admonition non immiritée, „qu'en 
„des cas douteux il valait mieux laisser un délit sans pu- 
„nition, que de sentencier des innocents" 2). Il est certain, 
que Tévènement caussi une impression pénible dans la mé- 
tropole, et donna un choc bien rude k la sympathie pour 
Tune des possessions nationales d*outre-mer. 

On comprendra sans peine, qu*après avoir subi tant de 
contrariétés et fait une expérience si peu conforme aux 



1) Voir la Résolution de la Chambre d'Amsterdam du 14 Avril 
1729» et les lettres du Gouverneur et Conseil du Gap au Conseil des 
Dix-Sept du 9 Octobre, et au Gouverneur de la Baie-Delagoa du 
14 Décembre de la méme année. {Mss,, Arch, d. H.), 

2) Voir la correspondance de 1729 dans la coUection des „Brieven 
etc. concetnerende Rio de Lagoa." 



attentes, il ne restait plus qu'un coup k porter k Ténergie 
du Conseil supérieur de la Compagnie. Ce furent les mau- 
vaises nouvelles, arrivées enfin de la Baie, par rapport aux 
pays producteurs d'or, qui firent pencher définitivement la 
balance. Rien de précis ne pouvait être constaté quant 
aux lieux d'extraction, et les circonstances d'alors interdi- 
rent de poursuivre les tentatives de découverte. Toute 
expédition dans Tintérieur de l'Afrique était rendue impos- 
sible. Il en était de même de tout commerce tant soit 
peu rémunérateur. On résolut dès-lors de remettre k des 
temps meilleurs, Tentreprise de pénétrer dans le continent 
par la Baie-Delagoa, et de renouer les relations commen- 
cées sous de si bons auspices. Sur les ordres expres de 
l'autorité supérieure, le fort HoUandais *fut démoli. Van 
der Capellen, quittant Tendroit k regret, prévit seul, que 
de ce délaissement, auquel il s'était opposé de toutes ses 
forces, ce seraient les Anglais ou les Portugais quiallaient 
en profiter i). 

On n'aura guère été étonné, de ne voir le nom du Portugal 
mentionné k aucune page de Tesquisse rapide, qu'on vient 
de lire. Les HoUandais, en s*établissant sur la Baie- 
Delagoa, n'avaient trouvé ni factorerie ni établissement 
d'aucune nature, qui püt faire songer k des prétentions de 
la part de cette puissance. „La fondation d'une factorerie 
Hollandaise è coté de Tétablissement Portugais", — „la 
permission demandée au Portugal", — c'est le Mémoire 
officiel de 1873 qui les a inventées. 

Il nous reste, cependant, comme complément k ce récit, 
k parier des expéditions, faites par les autorités Hollan- 
daises de la Baie vers Inhambane. Elles faisaient partie 
des explorations de la cóte, entreprises dans cette même 
période. 

D'abord, le capitaine Ledeboer avait été, Tan 1727, 
chargé d*explorer ce qu'on croyait être la rivière d'Inham- 
bane. Il mit pied k terre dans la baie de Sao Joao Vaz, 
oü il fit quelque négoce avec les nègres de la cóte. Ce 
fut par eux qu'il apprit, que tous les ans un navire por- 
tugais venait \k de Mozambique, pour trafiquer. Aussi, 
avant son départ, le navire „Na Sra d'Angosta" mouilla 
sur la rade. 

Peu après le retour de Ledeboer k Lagoa, le sécrétaire 
du gouvernement de la Baie fut envoyé sur le brigue 
„Victoria" au même endroit. Quinze soldats de la gar- 



I) Voir la correspondance de 1730, /. c. 

Avant la fin de cette annèe, la garnison et tout le personnel Hol- 
landais avaient quitte la Baie-Delagoa. (Le Gouverneur du Cap au 
Conseil des Dix-Sept, ie 17 Février 1731.) 



14 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



nison Hollandaise s'étaient réfugiés dans Tintérieur, et 
Ton avait des raisons pour croire qu'ils avaient pris la 
direction d'Inhambane. Ce fut Ie „Capitaineet Adminis- 
trateur" de ce port lui-même, qui livra ces gens de la 
maniere la plus gracieuse au sécrétaire Zomer. 

O Senhor de Gastro Soares adopta Ie dit titre, dans la 
correspondance qu'il entama avec les Hollandais : ce fut 
^ propos d*un chargement d'esclaves, de dents d'éléphant, 
d'ambre et de eire, que la „Victoria" prit sur cettecóte. 
Il crut devoir rappeler au chef de Texpédition Hollandaise, 
que les opérations de commerce n'étaient permises 
qu'aux sujets de son Roi, maltre légitime d'Inhambane i). 
Zomer, trouvant^^ redire è cette prétention, lui répondit, 
que vu Tabsence de tout signe extérieur de la puissance 
Portugaise, il n'y avait aucune raison qui düt empêcherla 
HoUande d'y faire Ie commerce. Il alla voir ce com- 
mandant dans la cabane, que celui-ci s'était construite 
è, terre, et oü il ne trouvait absolument que lui et son 
confesseur. Le sieur de Gastro Soares fut-il en train 
de se confesser? Toujours est-il que Zomer apprit de lui 
k cette occasion, que Tautorité Portugaise se trouvait 
hors d'état de défendre aux Hollandais d'y faire le 
commerce, et encore moins de le leur empêcheri Voilkce 
qui en est de la fameuse Note „sur Texpulsion des Hol- 
landais*', qui fait partie intégrante des Documents Portugais 
plusieurs fois cités 2). 

Gertes, le capitaine de port d'Inhambane eut mille fois 
raison de tdcher de sauvegarder Thonneur du pavillon, dès 
qu'il le croyait compromis. Seulement il était, ou non, 
personne officielle. Dans le premier de ces cas — le seul 
qui nous occupe — sa protestation se trouvait bomée d'une 

i) La protestation du soi-disant ,tCapttao e Feilor do^&rtocTInhambane'* 
portalt ce qui suit: „O dito j>&rto é dominio do Sero. Key do Portugal, 
„ö visto do que me è freciso /azer agora significar a Vm, que o eo- 
mercio de Inkatnbane só i permiiido ao Reij, meu Senhor \.., {Arck, d. R,) 

2) Journal de Michel Zomer et Hendrik Goutsberg, du 24 Juin 
1728 (Ms. Arch, du R.), 

En 1731, le navire Hollandais „SnufFelaar" toucba & Inhambane. 
Le Portugal ayant commencé depuis l'année précédente, k bdtir un 
fort dans eet endroit, le commandant défendit au capitaine Hollandais 
d*y faire le commerce. Le capitaine se soumit è. cette intimation, 
comme de raison. 

Il est curieux de voir comment le Viceroi de Pinde Portugaise 
déduisit de ce simple fait, deux ans plus tard, „que les Hollandais 
s'obligèrent & ne pas retoumer dans le port dlnbambane." Ce qui 
surpasse toutes les bornes et défie toute logique, c*est le Chapitre III, 
Titre IV, du „Deuxième Mémoire Portugais" de 1873, construit expres- 
sément pour tirér du même fait cette conclusion : „que les Hollandais 
„signèrent un acte, par lequel ils reconnurent le droit du Portugal sur 
„la Baie de Louren^o Marques"! 



maniere significative, dans ses termes expres, comme dans 
sa tendance. Il revendiquait les droits de la Gouronne 
Portugaise k la possession du port d'Inhambane, ne son- 
geant lui-même ^ Jesétendred'aucune maniere. Cette reven- 
dication, il la fit envers les Hollandais, occupant la Baie- 
Delagoa, et vis-è-vis le sécrétaire de leur établissement, 
sans faire paraitre par un seül mot, que les droits de son 
souverain se trouvaient lésés par le fait de cette occupa- 
tion. Ge qui plus est, l'autorité Portugaise entretint avec 
la colonie Hollandaise voisine des relations excellentes^ 
qu'elle contribua k rendre amicales. Ges faits sont-ils, ou 
non, la condamnation des assertions portugaises de date 
récente? 

Il est prouvé k l'évidence, que dès 1723 non seulement 
les autorités des possessions portugaises sur la cóte d'Afri- 
que, mais aussi le Viceroi de Tlnde et le gouvernement 
de Lisbonne furent k la hauteur des agissements de la 
HoUande sur la Baie-Delagoa i). Il faudrait comp- 
ter hors de la jalousie intercoloniale de cette épo- 
que, pour ne pas admettre que Toccupation de la 
Baie n'ait préoccupé tant soit peu les Portugais, établis 
sur la même cóte. Il est bien loin, cependant, de Ut ^ une 
revendication de prétendus droits. Et certes, les Hollandais 
qui, de leur fort de Lagoa, allaient jusqu'è disputer les 
droits des Portugais au commerce exclusif d'Inhambane, 
ne pouvaient guère s'attendre k une intervention de la 
part de ceux-ci dans leur propre établissement. 

Aussi nuUe intervention, nulle revendication n*eut lieu, 
ni d'un cóté ni de Tautre. Ge n'était que deux ans après 
le délaissement du fort Hollandais sur le I^agoa, que la 
question fut agitée, si les Gafres ne pourraient être amenés 
k expulser les Hollandais de ce pays 2). Gétait de Ia 
moutarde après le diner; nous ne sommes pas persuadé 

que la moutarde fut essayée. En aucun cas, ce ne furent 
les Portugais qui la servirent. 

La décision arbitrale, en alléguant „que le Portugal a 
„appuyé è main armee la revendication de ses droits de 
„souveraineté sur la Baie-Delagoa conire les Hollandais 
vers 1732," 3) affirme dèslors un fait qui n'a pas subsisté, 



i) Voir le „Deuxième Mémoire Portugais," /. c, 

2) Le Viceroi de 1'Inde au Gouverneur de Mozambique, le 9 Jan- 
vier 1732. (Doeum. Port,) 

3) Dans la copie de la Décision Arbitrale au „Nouveau Recueilde 
Martens" se trouve une faute d*impression, dont nous avons été Ie dupe. 
n y est dit, que la revendication des droits du Portugal contre les 
Hollandais eut lieu vers 1772. Nous signalons cette faute, pourque 
nul autre ne soit exposé d faire les recherches pénibles et infructueusesy. 
auxquelles elle nous avait conduit. 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



IS 



<t n'a pu subsister. Les Hollandais avaient quitte cette 
baie deux ans auparavant; Thistoire a démontré, que Ie 
Portugal n'avait rien è démêler avec les motife, qui ame- 
nèrent Ie délaissement de leur fort sur Ie Lagoa. Aussi 
Varbitre est mal fondé è admettre la nécessité de „récla- 
„mations de la part du gouvernement des Provinces-Unies/* 
Toujours est-il qu'il peut donner pour excuse, que les 
Mémoires Portugais ont fait Ie possible pour embrouiller la 
question, et Tentralner dans des voies qui ne mèneraient 
pas k Rome. 



V. 



La demière des époques, dans lesquelles les Portugais 
ont divisé l'historique de leur prétendu établissement k 
I^oa, est inaugurée comme suit: ,,roccupation Portugaise, 
„afürmée par les factoreries et Ie village sur Ie fleuve du 
„St Esprit, fut garantie par des fortificatiQns, établies sur 
„la rive droite de ce fleuve, sur Ie territoire de Tembé, 
„dans lUe de TUnhaca et dans THe Chefine/' Seulement, 
les auteurs ofüciels, en écrivant, ont oublié qu*il s'agissait 
d*une occupation nouvelle, après celle des Hollandais, 
et ont omis de préciser vers quelle année ces factoreries, 
ces fortifications et ce village furent fondés. Aussi, de 
toutes leurs affirmations, il n*y a pas une de démontrée i). 
Au contraire, les faits avérés, comme les circonstances 
résultant des documents portugais mémes, tendent k con- 
clure, que dans cette époque encore, de 1744 e 178 i,aucun 
établissement Portugais n'existait dans la dite baie. C*est 
ce que nous allons voir. 

Admettant pour un moment que ce que les „Mémoires 
Portugais" afiirment füt vrai, il faudra convenir, que la 
présence de ressortissants de cette nation et leurs travaux 
de fortification ne pouvaient rester cachés pour ceux, qui 
visitèrent les parties mémes de la Baie oü Ton pretend 
avoir été établi. Malgré Ie délaissement du fort Hollandais 
sur Ie Lagoa en 1730, nos navires continuaient de visiter 
la Baie, Ce fut, entr'autres, Ie cas du navire „Hector", 
qui y faisait un commerce assez régulier, au service de 



I) Pour preave de la maniere peu scientifique, dont Ie Portugal ajus- 
tifié de pareilles prétentions, nous citerons ici ses propres pièces & 
Tappui. Ce sont: des Mappemondes, avec Tindication des lettres 
f. /*., ce qui veut dire Fort Portugais; pais ,yVIntrodaction k PHis- 
toire Moderne" de Puffendorf; enfin, Ie Voyage de Jacob Francken 
m£me, qni (comme nous Ie verrons & la page saivante) pendant un 
séjoir de plus de deux ans & la Baie- Delagoa, n'a pu découvrir aucune 
tracé de Portugais I 



la Compagnie des Indes. Or, Téquipage ne s'aper^ut ja- 
mais d'un seul sujet Portugais, ni des prétendues fortifica- 
tions dans un des endroits susnommés. 

Pas plus tard qu*en 1754, ce navire mouilla sur Ie 
Lagoa. Dans Ie territoire de Tembé, oü Tune de ces for- 
tifications eüt dü se trouver en signe de Toccupation por- 
tugaise, Ie roi vint k la rencontre du capitaine Hollandais. 
Celui-ci, nommé Hans Harmsz., k la requéte du dit roi, 
délivra un document, trop curieux pour ne pas en donner 
ici un extrait traduit. Voici la teneur: 

„Mangova, roi de tout Ie territoire de Tembé, seigneur 
de 111e S**. Marie (Inyack), m'a prié de lui délivrer une 
attestation de sa conduite et du traitement fait parluiaux 

Européens Voulant Ie favoriser, j'atteste qu'il est Ie 

plus grand roi de ces contrées, homme respectable, et l'ami 
intime des Hollandais'* i). 

Armé de ce certificat, Ie chef Cafre se présentait k bord des 
navires marchands étrangers, visitant la Baie-Delagoa 2). 
Mais, je Ie deroande, k quel titre l'amitié. des Hollan- 
dais aurait-elle été une recommendation pour un régule 
indigène se trouvant sous la souveraineté du Portugal? 
Le fait méme de ce roi de Tembé, Ie plus puissant 
des régules d'alors, aurait-il pu avoir lieu sous les yeux 
d'autorités Portugaises „établies et fortifiées dans le ter- 
ritoire de Tembé,** et „revendiquant le droit du commerce 
exclusif dans la baie** ? 

Peu de temps après, la barque „de Naerstigheid,*' sur son 
retour de Batavia, entra en reldche forcée. EUe toucha 
d'abord k l*lle d'Inyack, oü les indigènes vinrent dire la 
bienvenue k Téquipage en langue hollandaise. Comme eux, 
les interprètes du régule de Tembé parlaient cette langue 
d*une maniere parfaitement intelligible. Du reste, pas le 
moindre indice d'une „fortification portugaise** dans cette 
He d*Inyack ! 

Le „Naerstigheid" Jtlla jeter l'ancre devant la Téte Rouge, 
puis sur la rivière du Lagoa, devant Tancien fort Hollan- 
dais. Les avaries du navire allant en s'aggravant, il dut 
étre abandonné, et Téquipage a séjoumé sur la Baie^Dela- 



i) Le texte original de ce document, délivré en langue Hollandaise, 
est comme suit : ,y/lfan^ova, koning van het landschap van Tembe, 
opperheer van het eiland St. Mariay heeft *my verzocht hem eene 
atiestcUie van zijn gedrag en behandeling aan de Europeanen ie ver- 

leenen en ik hebbe hem in zijn verzoek willen begunstigen^ om 

te atiesteren, dat hij de grootste koning dezer gewesten is, een braaj 
man, en boezemvriend der Hollanders" 

2) Voir ^yRampspoedige Hetze van het O. /. schip ,/fe Naerstigheid^^ , 
zijn verblijf van 26 maenden op Rio de Lagoa, enz, door yacob 
Francken {Haerlem, 1761)." 



i6 



LA HOLLANDE ET LA BAÏE-DELAGOA. 



goa pendant plus de deux ans (1757 — 1759)- L*on fit de 
longues cóurses, par terre, comme sur les rivières. Trois 
fois consécutivement, on tdcha de pénétrer dans Ie pays 
par des chemins différents, mais chaque fois la tentative 
èchoua contre Ie manque de toi des indigènes. Cependant 
ces hommes parcoururent les territoires de Tembé, de Ma- 
phumbo, de MatoUe. Partout les gens du pays savaient 
leur parier de Jean Capellen et des circonstances, qui 
avaient signalé Texistence de Tétablissement HoUandais. 
L'équipage aurait pu è. loisir observer les Portugal s, en 
cas que ceux-ci eussent été établis quelque part, soit sur 
la cóte, soit dans Tintérieur. Au contraire, on n'en aper- 
9Ut ni n'entendit rien ; personne ne se montra. . Enfin, 
dans leur détresse, ce fut è. Mozambique que les naufra- 
gés se virent obligés d'envoyer chercher des secours. i) 

Après un demi an environ, Ie „Hector" revint dans la 
baie, suivi un peu plus tard par Ie „Scholten burg", tous 
les deux navires de la Compagnie HoUandaise, qui y fai- 
saient Ie commerce. L'équipage, dont il s'agit, ne quitta 
cependant son lieu de réclusion involontaire, que Ie pre- 
mier de ces navires n'eut fait deux voyages, aller et retour, 
entre Lagoa et Ie Cap de Bonne Espérance. . 

Avant que Theure de la délivrance sonna, Ie capitaine 
Francken visitait itérativement Tendroit oü s'était trouvé 
Ie fort HoUandais. Il en vit des restes assez considérables 2). 
Quant aux prétendues fortifications portugaises, il ne sut 
que recueillir Ton-dit concemant les mêmes ruines, que 
les expéditionnaires HoUandais en 172 1 avaient tdché en 
vain de découvrir. 

Le capitaine Portugais, qui explorait la Baie en 1763, 
trouva toutes choses exactement dans le mêmeétat. Ceci 
soit dit pour répondre aux scrupules de ceux, quiauraient 
de la peine k admettre les témoignages d'origine HoUan- 
daise. Le commandant de la trégate fSaö José" était 
chargé de faire une reconnaissance de la Baie-Delagoa, 
d'en dresser une carte avec description ; d'user de tous les 
ménagements possibles en vers les navires étrangers, qu il 
y rencontrerait ; d*éviter tout conflit 3). Est-ce ld le ton 

1) ^^Rampspoedige Reize' etc, p. 67. 

2) Ceci est couflrmé par un rapport du capitaine José de Mello au 
Gouverneur de Mogambique, en date de Juillet 1763. Celui-ci écrivit: 

„Je porte d votre connaissance Ie relevé du fleuve auquel les Por- 
„tugais ont donné le nom de St. Esprit. Vers la partie nord de ce 
„fleuve on voit les restes d'une fortification rectangulaire. L^ se trou- 
vait la factorerie HoUandaise." 

3) Instructions Je Dom José de Mello de 1761 et 1763, et Rapport 
de celui-ci de Juillet 1763. 

Il appert, entr*autres, de ce rapport, qu'une compagnie Anglaise de 
Bombay possédait alors dans la Baie-Delagoa „cinq embarcations, qui 



d'une puissance qui se sait le maltre, appuyée par son bon 
droit et par les meilleurs des arguments, les murailles et les ca- 
nons ? Est-ce lè, une mission è. remplir dans une possession 
„garantie par des fortifications" en cinq différents endroits? 
Personne, je le crains, ne voudra Tadmettre. Comme pour en 
finir d'avance, bien qu'insciemment, avec les prétentions de 
date récente, José de Mello, dans la description qu'il fit de 
la baie et le rapport qu'il dressa de sa mission, ne sait 
pas le premier mot de tous ces établissements de sa 
nation, qu'on dit avoir existé è. cette époque. Il ne 
se souvient que des restes d'une factorerie dans THe de 
Chefine, restes qu'il n'avait pas vues non plus, mais dont 
la tradition était parvenue jusqu'è, lui i). 

On voit dèslors, que les écrivains Portugai§ de 1873 et 
leur autorité principale, le Vicomte de Palva Manso 2), ont 
trouvé dans leur corapatriote un adversaire pas moins 
redoutable, que ne l'étaient les témoins oculaires HoUandais. 

Ce ne fut pas plus par suite de Texploration de Mello, 
que le Portugal songea è. prendre pied dans la Baie-Delagoa. 
La première tentative è. eet effet était réservée k Tépoque, 
oü l'énergie et le gout d'entreprise du ministre Pombal se 
seraient communiqués è, ses administrés. Alors seulement, 
rétablissement de négociants étrangers devint le prétexte d'une 
réclamation de droits, et d'un déploiement d'arguments 
destinés è. les faire admettre. L'expulsion d'Autrichiens 
en 178 1 de la Baie, de vive force, fut comme l'inaugura- 
tion d'une nouvelle politique coloniale du Portugal, de 



„remontent toutes les rivières, et vont partout achcter l'ivoire." {Do- 
cum. Port.) 

i) Dans le „Deuxième Mémoire Portugais" il est dit, que: „le fort 
„de 1'ile Chefine, auquel en 1763 le commandant de la frégate „Saó 
„José" faisait allusion, existait déja en 1726, comme on le voit sur Ia 
„carte de l'ingénieur HoUandais Koninck.*' 

Effectivement, sur la Carte de 1726 de Koninck, Gouverneur (non 
pas ingénieur) de la Baie-Delagoa, on voit écrits dans Pile Chefine 
les mots : „</(? ouwe Portugeese besettin^\ ce qui veut dire : Vanden 
établissement Pcrtugais. En faisant cette indication, Koninck aura 
suivi la tradition, qui voulait que, dans des temps jadis, des Portugais 
avaient été établis \k, Cependant, il a déj4 été observé, que tous les 
eflbrts pour découvrir les restes de eet ancien établissement avaient 
été en vain. Dès-Iors ce ne furent pas même des restes proprement 
dites, et il parait un peu fort, d'alléguer l'existence incertaine de 
ruïnes pour preuve de Texistence réelle d'une forteresse! 

C'est ainsi, cependant, que les auteurs des „Mémoires du gouverne- 
ment Portugais" ont écrit l'histoire. 

2) Voir: „Memoria sobre Lourenfo Marques (Delagoa-Bay) Lisboa^ 
1870." 

Ce travail officieux du Fiscal de la Couronne Portugaisc a été le 
précurseur et la source principale des „Mémoires Portugais'*, plusieurs 
fois cités. 



LA HOLLANDS ET LA BAIE-DELAGOA. 



i? 



mème qu'elle fournit une preuve de plus de ce qu'aucun 
établissement portugais ne s'était trouvé jusqu'él ce moment 
dans la dite baie. 

Le dix-huitième siècle avait déjè, parmi ses aventu- 
riers, des Brooke et Dent. Tel fiit le sieur Bolts/ le 
directeur et Vême de la Coqipagnie Asiatique de Trieste. 
En connexion avec une maison de commerce è Lisbonne, 
Bolts projeta de fonder une factorerie sur le Lagoa. 
En 1776, étant en route vers ITnde, il mit pied k 
terre dans la baie, et y resta i). Non seulement sur la 
dite rivière, mais aussi dans THe dTnyack et probable- 
ment sur la Manioa, lui et ses agents établirent des comp- 
toirs. La place sur le premier de ces fleuves fut fortifiée. 

Or, ni dans Tun, ni dans Tautre de ces endroits, ils ne 
parvinrent è. découvrir des Portugais. Bolts lui-méme a 
écrit, dans sa défense, qu*on s'établit „sur des terrains 
abandonnés, et sur lesquels les indigènes ne reconnaissaient 
point la domination de la Couronne du Portugal.** 

Ce ne fut que deux ans après. que le Viceroi de Tlnde 
Portugaise eut connaissance du fait de l'établissement Autri- 
chien. „Cette nouvelle m'étant parvenue" — écrivit-il le 
30 Avril 1778 — ^^faipris la précaution 2) 'de faire noti- 
fier au directeur de la compagnie autrichienne le protét, 
énon^ant que le territoire et la cóte de la dite Baie ap- 
partiennent aux conquêtes et domaines de S. M. Tres Fi- 
dele." Et voiU la première revendication, de tait, des pré- 
tendus droits de la Couronne Portugaise, qui soit venue, 
^ notre connaissance. Encore usait-on de tous les ména- 
gements. Il fallait les ordres expres du cabinet de Lisbonne, 
pourque cette revendication envers des négociants Autri- 
chiens füt faite, trois ans plus tard seulement, „^ main 
armee." Il fut enjoint, en outre, au Viceroi Portugalis, de 
ne point faire paraltre qu'il eüt re^u, ou eu besoin de re- 
cevoir des ordres IL eet effet. 3) 

On eut vite fait è. détruire la factoreiie de Bolts sur le 
Lagoa et ses magasins dans Ttte dTnyack. Le navire 
Portugais, envoyé i cette fïn en 1781, trouva la place 
déserte, le personnel de Tadministration venant d'ètre as- 
sassiné par les Cafres. Mais pour preuve de ce qu'un éta- 
blissement Portugais quelconque ne se trouvait non plus 
'<ians la baie vers ce temps-lè, nons n*avons qu'è. citer le 
fait, que ce fut le commandant de la frégate Portugaise, 
qui se vit chargé de s'enquérir, dans quelle année Bolts 
s'y était établi; charge dont le dit commandant ne sut 

1) Kannitz k Lebzeltern, le 23 Février 1782. 

2) C'est nous, qui soulignons. 

3) Le ministre de la marine du Portugal au Viceroi de 1'Inde, le 
15 Mars 1779. 



s*acquitter, qu'en allant aux inforraations prés des capitai- 
nes de navires k Inhambane i). 

Du reste, toute assertion du contraire tombe devant Taveu 
assez positif, fait par le ministre du Portugal A Vienne, 
dans le courant de ses pourparlers avec le chancelier de 
Cobentzl, „que pour des raisons d'intérèt la Couronne du 
„Portugal n'avait pas jusqu*è. présent jugé convenable d'y 
„former un établissement" 2). 

Ainsi tout tend è établir et ï, soutenir notre con- 
viction, que Toccupation de la Baie^Delagoa vers la fin 
du iSième siècle, par le fait d'y ériger un fort, était la 
première de cette nature, qui fut effectuée par le Portugal. 
Le ton et les termes mêmes de Toffice, par lequel le Gou- 
verneur de Mozambique communiqua au Gouvernement 
Portugais, qu'il préparait une expédition pour cette baie 
après Texpulsion des Autrichiens, démontrèrent qu'il 
s'agissait d'une chose absolument nouvelle. „Après le 
„succes" obtenu, et „ayant en vue le plaisir qu'aurait Sa 
„Majesté d établir le eommerce de ce port," — ainsi 
écrivit le sieur de Vasconcellos — „j'ai acheté un navire, 
„pour profiter de cette bonne occasion, et Tenvoyer avec un 
„chargement des commer^ants, 60 soldats, les ouvriers né- 
„cessaixes, un gérant, un commandant, avec toutes les 
„munitions dont cette place pourra avoir besoin, afin d*y 
^yüablir une factorerie comme celle des Autrichiens^ avec 

„une tranchée et un fort Cette ajffaire me semble 

^^très avantageuse pour S, M^ 3) 

Seulement, l'expédition qui fut la suite de eet office, H 
peine arrivée dans la Baie-Delagoa, se vit forcée de la 
quitter par Tattitude hostile, que prirent les peuplades 
Cafres. Une deuxième tentative échoua également. Enfin, 
vers 1787, les Portugais réussirent k mettre pied k terre 
sur le Uttoral de la baie 4). C'est k partir de cette date, 
qu'un établissement Portugais paratt avoir été fondé sur la 
riviére du Lagoa, nommée par eux le Saint Esprit. 

Cet établissement, comraencé sur la rive gauche du 



1) Rapport de Godinho de Mira, i, bord de la frégate „St. Anne," 
Ie 20 Septembre 1781. 

2) Le ministre du Portugal & Vienne au ministre des afifaires' étran- 
gères d Lisbonne, le 11 Mai 1782. 

3) Le gouverneur de Mozambique au ministre de la marine i Lis- 
bonne, le 18 Aoftt 1781. 

C'est nous, qui soulignons. 

4) Nous avons suivi ici les données du Vicomte de Paiva Manso. 
Cependant Owen, dans le narre de ses explorations très-connues, ra- 
conté, que des officiers du fort Portugais en 1823, lui dirent avoir ètè 
U pendant bient6t trente ans : ^^ever since the first formation of this 
factory^'* 

3 



i8 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



fleuve, eut k subir bien dss peripéties. Lorsque White visita 
la Baie-Delagoa, il Ie trouva déj^ en ruines. C'est que, Ie 
Portugal ayant pris part k la Coalition de 1793 contre 
Napoléon, des corsaires Francais s'autorisèrent de ce fait 
pour raser complètement Ie fort Portugais, qui venaitd'être 
érigé. 

En 1799,' Ie Gouverneur de Mo^mbique songea k re- 
prendre pQSsession du dit point. Selon les propres paroles 
de ce haut fonctionnaire i), corroborées par leVicomtede 
Paiva Manso, il n'avait que Tintention de luaintenir Ie 
commerce avec les Cafres, ce qui fut jugé „être suffisant". 
Encore, l'état de guerre entre les tribus de la cóte permit 
seulement aux Portugais de s'établir sur la rive du Lagoa 
opposée k celle, oü ils avaient bdti Ie fort, rasédeptiis. Ce 
n*est que quelques années plus tard, dans la première di- 
zainé du présent siècle, que eet établissement fut transporté 
sur Ie GÓté nord de la rivière. 

„Nous avons établi notre village & Tendroit oü s'étaient 
„établis les Hollandais .... Au nord du fleuve nous avons 
„un fort," — ainsi écrivit vers cette époque un comman- 
dant Portugais de Tendroit 2). C'était en vérité sur rempla- 
cement de Tancienne forteresse HoUandaise, des terrains 
attenants et des „jardins de la Compagnie'*, que furent 
jetés les fondements du village et du fort de Louren^o 
Marques. Alors, cependant, et bien des anneés après, la 
place se trouvait sans défense. Le fort Portugais même 
était comme une oase dans le désert, au del^ des limites 
duquel les occupants ne se risquèrent sans courir les plus 
grands dangers. 3) 

Que si Ton demande sur quel droit, soit de souveraineté 
soit de propriété, se fondait cette occupation portugaise, 
c'est seulement l'an 1805, qui saurait donner la réponse 
IX)sitive. En cette année, le commandant du fort portugais, 
s'intitulant „Gouverneur de la Baie de Lourengo Marques"? 
réussit k obtenir la cession de quelques terrains sur cette 
baie au Portugal. Le document qui fait foi de eet evene- 
ment, la base de la possession Portugaise actuelle, a trop 
d'importance pour ne pas le transcrire ici. Qu'on se re- 
présente, que c'est le „Notaire de la Baie de Ix)urengo 
Marques," qui parle: 

„Ce 2 Avril de Tan 1805, il m'a été dit par le Roi de 
„Moamba, que, sur les insiances de Toseph Antoine Caldas, 

i) Le gouverneur de Mozambique au ministre de Ia marine d Lis- 
bonne, le 5 Aoüt 1799. 

2) „Documents Portugais." 

3) Les rapports des autorités Portugaises sont d'accord sur ce point 
avec le récit de Owen {tyNarrative of voyages to explore the shores of 
jfAfrica, London 1833"). 



yyGouverneur de cette Baie i), il cédait et donnait gra- 
„tuitement et pour toujours au domaine de S. A. R. le 
„Prince-Régent, les terres de Mafumo, Mafumo Branco et 

„Polane Les* régules Mafumo, etc. ont assuré, qu'è, 

„partir de ce jour, ils obéiraient aveuglementd. toutcequi 

„leur serait ordbnné Le Gouverneur 'a dit au roi 

„de Moamba, qu'il acceptait la donation des dites terres 
„au nom de S. A. R. le Prince Régent" 2). 

Cette pièce, signée par le dit roi ainsi que par les auto- 
rités susnommées, est le document le premier en date, k 
l'appui des prétentions portugaises sur cette partie de la 
Baie-Delagoa. Ainsi ce ne fut que Tan 1805, que le Por- 
tugal acquit la cession du territoire même oü se trouvait 
le fort de Lourengo Marques, le seul indice pendant long- 
temps de son autorité sur cette baie. 



. VL - . 

Ceci nous ramene aux prétentions Portugaises, ainsi 
qu'aux considérants sur lesquels repose la Décision Ar- 
bitrale de 1875. 

En se résumant, les „Mémoires Portugais" ont posé, 
que la possession de la Baie-Delagoa par le Portugal est: 

— „fondée en titre, parcequ'elle provient de la décou- 
verte et de Toccupation ;" 

— „exercée k titre de propriété, parceque depuis trois 
siècles nous occupons comme souverains la Baie de Lou- 
renpo Marques, affirmant notre droit et notre souveraineté, 
Tappuyant d'une forteresse et de fortificationsj" 

— enfin : „qu'elle a été continue^ et non constituée par 
des actes passagers, intermittents ou transitoires, maisbien 
par une occupation permanente pendant trois siècles, et 
par Texercice constant de notre souveraineté dans toute 
la baie." 

La déci^on arbitrale, quoique d'une maniere un 
peu moins tranchante, parle aussi de l'occupation 
par le Portugal aux i7ième et i8ième siècles, et ajoute, 
que „depuis la découverte, le Portugal a en tout temps 
revendiqué des droits de souveraineté sur la totalité de 
la Baie-Delagoa et des territoires riverains, ainsi que le 
droit exclusif d'y faire le commerce" 3). 



i) C'est nous, qui soulignons. 

2) Arckwes du ministère des affaires ètrangeres a Lisbonne. 

White, qui séjoumait d la Baie en 1798, dit par rapport k ces ré- 
gules Cafres : "Mafumbo (Mafumo) 7vaê the most powerful of the 
„chiefs OH the Northside the river ; but Wambo (Moamba) kas taken 
his country from him.^^ 

3) Selon le „Mémoire Portugais," le Titre est la première des 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



19 



Il faudra dès lors, dans ces questions capitales, com-: 
prendre Tune et Tautre dans une même réfutation. 

Notons, d'abord, un trait caractéristique dans les rai- 
sonnements des •auteurs des „Mémoires,*' c'est celui de 
prendre Tintention pour Ie fait. Ce procédé., tien t au point 
de départ. Il se peut, que d'après la maniere de voir des 
historiens et publicistes Portugais, il n'y ait rien d'exagéré 
ui de prétentieux dans Ie titre, porté depuis 1500 par les 
souverains du Portugal, de ^^Senhores da conquista, navi- 
g'üi^ao e cammercio da Ethiopiay Arabia^ Per sta e India'^'* 
néanmoins il est plus que probable, que nul autre ne sera 
de leur aviff. Encore faudrait-il, dans Ie cas présent, ad- 
mettre que Ie nom d' „Ethiopië" désigne TAfrique Oriën- 
tale, i) Prenant cette prétention pour point de départ, 
nous voyons les „El-Rey"s du Portugal, comme les Vi9e- 
rois de Tlnde Portugaise, s'en inspirer aux grandes occa- 
sions. C'éfait la prétention-mère, dont toutes les au tres 
furent déduites, la prétention qui survécut aux change- 
ments politiques et sociaux; celle qui, sur Tobservation 
ironique du Chancelier d'Autriche en 1782 au Ministre 
du Portugal, „qu'ainsi aucune nation autre que la Portu- 
„gaise ne pouvait s'établir entre Ie Cap de Bonne Espé- 
„rance et celui' de Bab-el-mandel," suggéra d ce dernier 
la réponse: „qu'il en était ainsi.'* 

Les auteurs des „Mémoires Portugais," sur lesquels se 
base la décision arbitrale, sont partis du même point de 
vue. Les progrès de la science. historique, les change- 
ments dans les idees politiques ne leur ont riea appris. 
A force d'accumuler les assertions, ils ont cru établir des 
aits et des droits, sans se dem ander si ceux-ci furent réels, 
OU que ceux-li furent reconnnus pour justes et fondés. En 
se perdant dans les citations, ils ont renversé les siècleset 
converti les ' époques, appuyé leurs prétentions mêmes 
d'autorités destinées d les détruire. Personne ne leur en 
voudra d'avoir fait, et d'avoir voulu faire, un proces de 
tendance. Seulement, leur travail a prouvé que parfois la 
critique est bien plus difficile que Tart. 

Un point qui ne leur sera pas contesté est celui de 
la découverte. Il ne Ie sera pas pour ces raisons, d'abord, 
que la question ne saurait plus être résolue d*une maniere 
concluante, ensuite, qu'elle ne présente ancun intérèt réel. 
Le fait d'une découverte peut avoir comporté des droits 
dans les temps, oü la moitié du monde était encore è, 



„Manifestations de la souveraineié" du Portugal; VOccupation et la 
Posstssum depuis U 16^ siècU et le Monopole du commerce et de la 
navigation formant Ia deuxième et la troisième de ces„Manifestations." 
I) Mém, Port. p. 70, 71. 



découvrir : on ne congoit pas trop è, quoi servirait un appel 
ï. Topinion du seizième siècle, dans un debat de nos jours. 

Ce qui importe bien davantage, est de savoir, si le ter- 
ritoire de la Baie-Delagoa fut, après la découverte, pccupé 
et cultivé i)ar les Portugais. A cette question simple, mais 
inévitable, Targumentation portugaise se confond en pro- 
testations et citations, faute de préciser un seul fait i). 
L'une de ces citations tend d démontrer, qu'avant 1600 
le Portugal exerg:ait déjA le monopole du commerce dans 
la baie. On croirait qu'il s*agit d'un document de cette 
époque même. NuUement. Il est dit dans Textrait d'une 
pièce d'un siècle et demi plus tard, qu' „il serait conve- 
„nable d'e.ivoyer de Mozambique dès 1745, tous les ans, 
„un navire vers la baie, pour l'achat de l'ivoire, en obser- 
„vant Tordre et la forme usités dans d*auires tempsy Ces 
mots, bien innocents, ce semble, constituent aux yeux des 
historiens Por-tugais, la preuve de Texercice d'un mo- 
nopole dans le seizième siècle ! 

Il n'entrera dans ma pensee de prétendre, que les na- 
vigateurs de cette nation n'aient vers cette époque, et plus 
tard, visite la Baie-Delagoa. Cependant au i7ième siècle 
encore, cette baie était tout aussi peu connue, que peu im- 
portante; on n'a qu'i jeter les yeux sur les cartes, pour 
se convainc're du manque de connaissances par rapport ^ 
sa situation et sa configuration. Ce fut Jacques de Bucquoy, 
le géomètre de l'expédition Hollandaise en 1721, qui en 
dressa la première carte spéciale. Si les Portugais y ont 
trafiqué bien avant cette date, c'est la proximité de leurs 
possessions sur la cóte Oriëntale de TAfrique, quiexplique 
ce commerce. Ainsi les auteurs portugais officiels et ofR- 
cieux 2) ont constaté, que dans chacune des années 1554, 
1589, 1593, 16 II, un navire marchand de leur nation 
visita cette baie. C'eüt été le cas dans d'autres années encore, 
que cela ne changerait rien au véritable caractère du 
mouvement. Veut-on le connditre, ce caractère? Il consistait 
en des envcis très-irréguliers de navires de Mo^mbique è. 
la baie, pour l'achat de l'ivoire; envois qu'on cherchaiten 
vain d rendre un peu plus réguliers vers la seconde moitié 
du 18*^ siècle. Le capitaine qui faisait ce voyage, était 
obligé „de faire l'achat d'ivoire et de revenir pendant la 
„mousson, sans y laisser aucun vêtement ou aucune chose" 3). 
Evidemment, chaque voyage de ce genre était regarde 
comme un fait isolé, dicté seulement par le besoin de 

1) Voir le Premier Mémoire Portugais, Deux. Partie Sec. I, et le 
Deux. Mémoire Port., Titre II, Chap. I. 

2) Voir Paiva Aïanso^ Cap. II. 

3) „Avis envoyé de Mozambique au Vice Roi de l*Inde" {Documents 
Portugais). 



30 



LA HOLLANOE ET LA BAIE-DEi^AGOA. 



la marchandise. £st-il possible de conclure de pareils 
faits, au droit de commerce exclusif? 

Dès Ie lyième siècle, d'autres puissances maritimes 
allaient dans Ie commerce du monde, prendre la place du 
Portugal. Les navires des Compagnies Hdllandaise et 
Anglaise doublèrent Ie Cap, et dans leurs voyages aux 
Indes s*arrétèrent k la Baie-Delagoa. Ce fut Ie cas avant 
1670. Le trafic comme la pêche des baleines attirèrent 
les étrangers, et bientöt Anglais et HoUandais faisaient 
avec les peuplades de la cöte le commerce des articles 
mémes, qui entrdinaient Tenvoi de navires de Mozambique. 
Il est parvenu k notre connaissance une délibération de 
la Junte de cette colonie portugaise de Tan 1686, con- 
cluant k ne pas envoyer de navire cette année k la 
Baie-Delagoa, k cause que cinq navires étrangers en avaient 
emporté toutes les marchandises disponibles. En quelles 
mains se trouvait alors le monopole? En quelles mains 
se trouvait-il, lorsque le capitaine Heeremans fit l'explo- 
ration de la Baie, suivie peu après d'une prise en posses- 
sion formelle par la Hollande? En quelles mams, enfin, 
se trouvait-il jusqu'è. la fin du dix-huitième siècle, lorsque 
Hollandais, Anglais, Francais, Américains, exer^aient k 
Tenvie le commerce et la pêche dans la dite baie? Si le 
fait de Tempêchement du commerce autrichien en 1781 
autorisait le Portugal, comme ses avocats le pretendent, 
k parier d'un monopole, Texercice par les étrangers du 
commerce et de la navigation libres, sans entraves ni em- 
pêchements aucuns, avant cette date, ne serait4l pas une 
preuve tout aussi irrécusable de ce que ce monopole 
n'existait point? 

Le monopole commercial ne saurait, du reste, avoir 
été exercé sans possession ou souveraineté. Aussi les auteurs 
des „Mémoires" affirment-ils „Voccupation de la Baie 
„Delagoa par les Portugais comme souverains depuistrois 
„siècles," ajoutant en termes expres, que cette occupation 
a été yjcon^inue i) , et non constituée par desactes passagers.'* 
Pour justifier une prétention tellement exorbitante, on au- 
rait le droit de s'attendre k des faits positifs, des fonde- 
ments solides. Or, c'est le manque absolu de bases sérieu- 
ses, qui caractérise 1'argumentation portugaise, laquelle, 
après s'être perdue dans un dédale d*assertions , aboutit 
aux cessions des territoires formant la Baie Delagoa, dans 
le courant du présent siècle, au Portugal. L'on diraitque, 
pour en arriver lè, il ne fallait pas se mettre tant en peine. 

C'est un fait des plus caractéristiques , que les seüles con- 



i) Cest dans le „Mémoire Portugais," que ce mot se tróuve sou- 
ligné. 



naissances que le gouvernement et les historiens Portugais 
possèdent de la Baie Delagoa au 17 ieme siècle, proviennent 
de quelques narrés de naufrages, ayant eu lieu sur cette 
partie de la cóte. A cdté de livres de la valeur de „1' His- 
toire Moderne*' de Puffendorf — et j'en passé bien d^autres — 
et de Mappe-Mondes qui se sont copiées ou suivies, c'est 
Ik la source de leur science. D'explorations scientifiques 
OU maritimes, depuis Perestrello pas un symptöme. De rela- 
tions entre Tautorité Portugaise et les prétendus étabUsse- 
ments de la baie, pas le premier mot. C'est par des 
naufragés seuls, que la postérité a appris que possession et 
éjtablissements sur la Baie-Delagoa aux lóième et i7ième 
siècles il y eut. Pareils témoignages méritent-^ils eet „exces 
d'honneur," d'être considérés comme autorité ï 

Des gens ne songeant qu'è sauver leur vie et leurs biens, 
sont naturellement enclins k élever le fait de leur sauve- 
tage k la hauteur d'un evenement. N'ont-ils pas pu, et pres- 
que dü exagérer les circonstances, grossir les faits ? Et les 
narrateurs après, n'ont-ils rien ajouté du leur ? Les auteurs 
des „Mémoires" officiels sont bien alles jusqu'^ constater 
Texistence d'un village Portugais dans le Maputa, 1^ pü 
tout ce qui pourrait constituer une chose de ce nom fai- 
sait défaut! Bien plus, des naufragés ont pu voir dans la 
présence de quelques compatriotes, prêts k les receuillir, 
l'existence de factoreries commerciales formelles. Encore, 
les récits de ces naufragés sont peu explicites sur les points, 
que le gouvernement Portugais désirerait démontrer. Il 
n'en résulte que le caractère passager et de courte durée 
d'un établissement quelconque, que les Portugais pourront 
avoir eu, k un moment donné, sur la baie. Ce qu'ils ne 
constatent d'aucune maniere, c'est l'occupation permanente, 
la fortification de cette baie par le Portugal. L'absence du 
monopole commercial serait plutöt une preuve du contraire. 

En cas que cette puissance eüt réellement occupé la 
Baie-Delagoa par ses factoreries et afïirmé sa "souveraineté 
par des fortifications, d'oü viendrait-il, que des narrés de 
naufragés soient l'unique source de tout ce qu'elle en sait ? 
Ce manque absolu d'autorités, de correspondance, ofücielle 
ou autre, serait d'autant plus frappant, qu'aucun de ces 
établissements Portugais prétendus exister sur la baie, 
n'aurait dans le cours des siècles produit un seul écrivain, 
frappe de Toeuvre colonisatrice du Portugal, pas un seul 
commer^ant, qui eüt fait part k ses contemporains 'de 
l'expérience et des impressions acquises dans ces parages. 
Certes, k en juger d'après les auteurs portugais de date 
récente, Tenthousiasme n'eüt point fait défaut. 

C'est que — les pages qui precedent nous autorisent i 
le dire — ce „système d'occupation et de fortification," 



r 



LA HOLLANDS ET LA BAIE-DELAGOA. 



2t 



oet „établissement important'*, dont révait un écrivain offi- 
ciel k la cour de Goa, et que d*autres écrivains ofiiciels 
de DOS jours ont jugé utile d*exploiter, en vérité n*existaient 
pas. Malgré toütes les peincs du monde,. Ie Vicomte de 
Paiva Manso n'est parvenu è initier la liste des gouver- 
neois Portugais de la Baie, qu*£tvec celui institué vers 
la fin du dixhuitième siècle, i) Cette période de 1600 k 
1744, d'après les auteurs des ,,Mémoires" la plus brillante 
de Toccupation, a, bien au contraire, vu les étrangers pren- 
dre une part toujours croissante au commerce et k la na- 
vigation de la Baie. Elle a vu Ie pavillon Portugais dispa- 
raitre entièrement de ses eaux. Elle a vu un „système 
d'occupation et de fortification" érigé par une autre puis- 
sance, celle-lè méme avec laquelle Ie Portugal venait de 
faire une guerre k outrance pour la domination des mers. 

Quelle valeur attribuer k des prétentions, telles qu*elles 
sont formulées aujourd'hui, quand Ie Portugal négligea 
de s'opposer au délit Ie plus flagrant contre ses prétendus 
droits, la prise en possession de la Baie Delagoa par la Hol- 
lande I Les autorités Portugaises étaient un peu lentes k 
être informées: cependant' dès Ie mois d*Avril 1723, „El 
Rey" de Portugal écrivit au Viceroi de l'Inde: „On dit 
„maintenant que les Hollandais se sont établis dans un 
„port k dix ou quinze lieues au sud de Mozambique, et 
„j ai résolu de faire appareiller une frégate qui partira pour 
„une expedition semblable k celle indiquée contre les 
„Anglais. Car non seulement Thonneur de ma Couronne 
„exige, que j*empéche Tétablissement des nations de 
„FEurope sur des terres faisanc partie de mes domaines, 
„mais encore p^rceque j'entends ainsi éviter Ie préjudice 
„coQsidérable que porterait au commerce de Tlnde et k 
„celui de Mo^mbique eet établissement des Hollandais.*' 2) 

„Uexpédition contre les Anglais,'' dont il est question 
dans eet office, avait été projetée sur l'avis, prouvé depuis 
enoné, que' ceux-lè auraient eu l'intention de s*étabiir 
dans la Baie-Delagoa. Le départ d'une seconde expedition 
Portugaise pour cette baie n'en parut que mieux préparé. 
Cependant il ne fut rien de ce départ, ni de larésolution 
de la faire partir. La these, assez vague du reste, de la 
lettre Royale, „qu' un port k dix ou quinze lieues au sud 
de Mozambique faisait partie des domaines Portugais," se 
rattachait intimement au titre pompeux de Senhores da 



1) ytMemoria sobre Lourenfo Marquet {Delagoa Bayy* p. 40 — ^42. 
Il n'aora plus besoin d'ètre démontré, que le nom placé par l'auteur 

en tète de sa liste, de Joao Jacques, avec 1'année 1688, est un nom 
fictif. L'exploration HoUandaise de cette année n'a fait reconnat- 
tre aucun établissement Portugais dans la Baie. 

2) Documen/s Portugais^ annexes au „Deuxième Mémoire." 



conquista de Ethiopia^ etc. que s'arrogeaient les.Rois de 
Portugal; elle était de celles qui, flatteuses pour l'amour 
propre national , faisaient parade dans les correspondances. 
Mais, dès qu'il fallait mettre de pareilles prétentions è exé* 
cution, il s'agissait d*y regarder de plus prés , de considérer 
si elles étaient fondées. L'abstention complete du Gouver- 
nement de Lisbonne, en vue de la prise en possession par 
la HoUande; Tabsence de tout protét pendant la durée de 
l'occupation; les bons rapports mêmes entre les autorités 
coloniales Portugaises et celles de Tétablissement Hollan- 
dais sur la Baie-Delagoa, n*admettent qu' une conclusion. 
Cette conclusion est, que le Portugal ne savait ses pré- 
tentions sur cette baie fondées, ni de fait, ni de droit. 

Le récit assez détaillé que nous avons donné de Toccu* 
pation de la Baie Delagoa par les Hollandais, i) aura 
prouvé la complete inexactitudè des assertions portugaises 
qui sy rapportent, et en partie se contredisent L'établis- 
sement Hollandais n'a point été fondé k cóté de celui 
des Portugais, pour la raison toute simple, que de Por- 
tugais il n'y en avait. Il n'a pu avoir „la permission 
du gouvernement du Portugal," puisqu'il est prouvé 
avoir susdté la susceptibilité de celui-ci. Enfin, les Hol- 
landais n*ont pu étre expulsés par les Portugais, pour cette 
raison bien simple aussi, que ceux-ci les croyaient encore 
dans la place deux ans après qu'ils Tavaient quittée. 

Il n*a été possible de poser pareilles assertions, qu'en 
suivant une methode vicieuse, celle d'élever des prétentions, 
k force de les répéter, k un article de foi. Cette methode 
défie toute recherche historique sérieuse, en imaginant des 
faits, \k óu il n'y avait que des intentions. Les „Mémoires" 
Portugais affirment, qu'au commencement du 18 ième siècle, 
„l'occupation au moyen de factoreries fut remplacée par 
„l'occupation au moyen de forti fications." L'histoire a 
prouvé, qu'il n'en fut rien, et que s'il y avait des fortifi- 
cations sur la Baie-Delagoa vers cette époque, celles-ci 
étaient aux Hollandais. Pour faire croire k une continuité 
de possession, toute imaginaire, ces Mémoires ajoutent, que 
„le fort Portugais situé sur la rive sud du St. Esprit, fut 
„agrandi en 1755, d'après un ordre envoyé en 1752 au 
„Gouverneur Général de Mo^mbique. Toutefois, jugeant 
„plus convenable noire établissement sur la rive nord, nous 
„nous y transportdmes en 1781." Encore une fois, il n'en 
fut rien, avant cette dernière date. De tout eet échafau- 
dage d'affirmations, il n'y a absolument de vrai, que Tin- 
tention énoncée en 1752 par le gouvernement Portugais, 
d'établir une factorerie commercialc dans la Baie 2). Ce- 

1) Voir les Chap. II d IV. 

2) Pavua Manso, p. 8, 9. 



32 



LA HOLLANDC ET LA BME-DELAGOA. 



pendant les témoignages Portugais et Hollandais, Ie Journal 
du navire „de Naerstigheid" i) comme Texploration de José de 
Mello, ont foumi la preuve irrécusable, que jusqu'en 176311 
n'existait encore rien de cette nature. Vingt ans plus tard seu- 
lement, Ie Portugal commen^ k s'établir sur la Baie Delagoa: 
ce fut dans des circonstances différentes, et sous Tinfluence 
d'une autre politique coloniale. L'histoire a demontré, que 
la première tentative d'ériger un fort sur Ie littoral en ques- 
tion, fut faite par Ie Portugal vers 17 81; tentative infruc- 
tueuse, et qui ne fut suivie d'une occupation d'un caractère 
tant soit peu permanent, que dans Ie courant du présent siècle. 

En concluant, nous rappellerons, que les titres sur les- 
quels les puissances Européennes ont fondé leur droit de 
possession des territoires d'outre-mer, — les Mémoires 
Portugais Tont prouvé — sont de diverse nature. lis se 
réduisent aux suivants: 

la découverte, 

les contrats avec les indigènes, 

la navigation et Ie commerce exclusifs, 

Ia possession, plus ou moins continue. 

De ces titres, celui fbndé sur la découverte dans des 
temps réculés, échappant è. notre controle, a perdu de 
nos jours sa force. S'il en füt autrement, Tétat territorial 
d*une grande partie du monde serait de nouveau mis en 
jeu. La question ne change de face, que lorsque la dé- 
couverte a été suivie par Toccupation continue, la culture 
et la civilisation du pays. 

Quant aux titres résultant de contrats avec les indigè- 
nes, la signification et la portee en sont très-différentes dans 
une partie du monde, et dans l'autre. De telles conven- 
tions, conclues avec les princes puissants des états de 
rOrient, forment la base solide de rappdrts, garantis par 
la succession reguliere de ces princes et la situation ar- 
rondie et stable de leurs états. Au contraire, les con- 
trats avec les tribus Cafres, en partie nomades^ de la cóte 
d'Afrique, n'offrent que rarement des garanties de sécuiité 
et de durée, et par Ik des titres réels. Des régules qui ne 
font que se guerroyer et se mettre è. la place les uns des 
autres, n'ont que des droits bien éphémères k transmettre. 
Lè, óu hier se trouvèrent Mafumo et Wamba, se trouve 
aujourd'hui Muzilla, pour ceder la place demain k un 
autre encore. Le régule de Tembé se verra subjugué par 
celui de Maputa; le roi de Maputa, au lieu de reconnditre 
la suprematie Portugaise, se déclarera tributaire des Zulus. 
L'histoire méme du différend Anglo-Portugais a jeté une 
vive lumière sur le manque de solidité, que présenten t 



i) Voir au Chap. V. 



les soi-rdisantes con ven tions -avec ces princes Cafres. L'unc 
des pièces qui formaient Tobjet du debat, était un acte de 
cession, signé parmi d*autres par un cuisinier, faisant pour 
Toccasion fonctions de prince, et par des interprètes, qui 
comme tels étaient parfaitement inconnus dans le pays. 
Aussi, la décision arbitrale s'est-elle, gardée de baser ses 
arrêts sur de pareus documents. 

Il était naturel, que le gouvernement Portugais tAcherait 
dèslors d'établir des droits primordiaux de propriété et de 
souveraineté sur la Baie-Delagoa. Et en cela il a entriiné 
Tarbitre. Ces droits ont fait en partie l'objet de notre étude. 
Si les pages qui precedent en auront demontré le manque 
de fondement, les prétentions portugaises seront d'autant 
plus invalidées, que Tarrêt arbitral s'est énoncé dans le 
méme sens qu'elles. Notre conclusiop u'aura méme. pas 
besoin de faire ressortir, que le Portugal n'a réussi jus- 
qu*^ k ce jour k cultiver et civiliser les pays, sur lesquels 
il pretend avoir exercé la souveraineté pendant trois siècles. 

En suivant de prés les theses soutenues par le Portugal 
et les considérants de l'arbitre, nous croyons être en droit 
. de formuler les résultats de notre enquête comme suit : 

Des Portugais peuvent avoir découvert la Baie-Delagoa, 
mais ils ne l'ont pas occupée. 

„L'occupation par le Portugal comme souverain pendant 
trois siècles" est une assertion gratuite, démentie par les faits. 

Si, vers le milieu du dix-septième siècle, il y eüt eu 
quelque factorerie portugaise sur la baie, c'eüt été un éta- 
blissement purement commercial, sans aucuns rapports 
politiques avec les indigènes, n*ayant laissé nulle tracé 
de son existence. En ce cas aussi, sa courte durée et son 
peu d'importance eussent été prouvés, attendu qu'en 1688, 
si non avant cette date, il n'en restait absolument rien. 

Seulement un siècle plus tard, le Gouvernement Portu- 
gais envoya une expédition vers la Baie, et comraen^a k 
y ériger un fort. 

Dès lors il n'y a eu d'occupation „continue". Ik oü Texis- 
tence d'actes passagers méme est loin d'étre démontrée, 
et qu'au moins un siècle durant — Tincertitude historique 
ne permet pas de préciser les dates — le Portugal n'a 
entretenu aucun rapport avec les territoires riverains. 

Le Portugal n*a point „revendiqué en tout temps des 
„droits de souveraineté sur la Baie Delagoa", attendu qu'il 
a vu sans opposition ni protêt occuper cette Baie par la 
Hollande. 

Il n'a point „revendiqué" non plus „le droit exclusii 
„d'y faire le commerce", attendu que plusieurs nations 
étrangères y ont navigué et fait le commerce avec les 
riverains, en toute liberté. 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



23 



Le Portugal n*ayant pas „revendiqué ses droits k main 
„armee contre les HoUandais vers 1732/' il s'entend, que 
„ses prétentions" n'ont pu „soulever aucune réclamation ' 
„de la part du Gouvernement des Provinces Unies." 

Sous ce rapport, comme sous les précédents, Tarbitre 
a été éconduit, et les considérants de sa décision ont été 
complèteraent inexacts. 



VIL 



Après avoir reduit è, de justes proportions les préteft- 
tions Portugaises, la question est permise de savoir, si 
la décision arbitrale a réussi è. donner èi ces prétentions 
la force vitale nécessaire. Si dans les pages qui precedent, 
se retrouve Torigine véritable de Tétablissement Portugais 
sur la Baie Delagoa, eet établissement, dans sa situation 
actuelle, est-il sorti de Tétat précaire, dans lequel il se 
tröuvait dès sa naissance? 

Hi^toriquement parlant, les prétentions .des publicistes 
portugais sont tombées k nos yeux dans leur partie la 
plus essentielle, et la these de la décision arbitrale, admet- 
tant un droit primordial du Portugal è. la possession de 
la totalité de la Baie-Delagoa, est prouvée étre insoute- 
nable. 

Cependant cette décision, en réalité, s'est bornée k récon- 
nattre les prétentions Portugaises sur les territoires de 
Tembé et de Maputa, c'est k dire sur une partie seulement 
de la Baie. EUe en définit -les limites ; et c'est un fait de 
quelque importance, qu'en admettant le 26, 3oième dégré 
de latitude meridionale comme limite du Maputa, elle a 
divisé le royaume de ce nom en deux parties presque 
égales. Le roi de Maputa est le maitre de l'tledlnyack i) 
et de tout le littoral du sud de la baie, il est le plus puis- 
sant des .régules de cette partie de TAfrique, l'émule re- 
doute de Cetewayo. La conséquence de Tetat des choses, 
créé par la décision arbitrale de 1875, ^st que ce roi, qui 
habite la partie de ses états au sud du 26ième parallèle, 
est de fait comme de droit indépendant du Portugal. 2) 

Le Maputa fait parade de son indépendance jusqu^n 
face du fort de Louren^o Marques. Du cóté opposé de la 
rivière, sur laquelle est bdti ce fort, se trouve le territoire 
de Tembé, et c'est sous les yeux des Portugais mêmes, 
que les sujets de Maputa envahissent le pays et y fondent 
leurs villages. L*autorité Portugaise est impuissante k ré- 



i) L*Ile d'Inyack ne fut cédée au Portugal que le i?' Avril 1870. 
2) On saity que le régule de Maputa était tributaire du roi des 
Zulus, Cetawayo. 



primer les violences de ces tribus, le régule de Maputa se 
trouvant hors de son atteinte, et la tenant.au contraire 
sous le coup de la menace d'expulser ]es Européens de 
rile d'Inyack. 

Ce n'est pas le seul des régules Cafres, qui nereconnaisse 
plus la suprematie Portugaise. Depuis 1861, les pays au 
Nord du Louren^o Marques furent cédés au Portugal par 
le roi Muzilla. C'étaient Moamba, Cherinde, Mani^a et 
Inyote. Nous avons déjè, vu, qu'en. 1805 Moamba lui 
avait cédé également les territoires de Mafumo et Polane. 
Or, c'est un fait que ni les uns ni les autres ne se trou- 
vent en état de vasselage envers la Couronne; que tant 
les états de Moamba a l'Est, que les états de Muzilla au 
Nord, et ceux de Maputa au Sud, sont actuellement hors 
de la jurisdiction Portugaise et complètemènt indépendants. 
C'est Aug. de Castilho qui nous Tapprend, après avoir 
rempli pendant cinq ans les fonctions de Gouverneur de 
Louren^o Marques i). 

Quant aux quelques autres régules, de beaucoup les moins 
puissants de cette cóte , qui ne se sont pas encore soustraits 
k la domination Portugaise, Tautorité n'ose les soumettre 
k de dures épreuves, craignant de jour k autre avoir k 
compter également avec la désobéissance de ceux-la. 

En effet, la domination Portugaise sur la Baie-Delagoa 
est bornée au fort et au village de Louren^o Marques. 
C'est \k que sont concentrées le peu de personnes qui ne 
soient pas des noirs. Castilho et Machado 2), un autre 
Portugais remplissant] comme lui de hautes fonctions 
dans Tadministration coloniale, sont d'accord k évaluer 
la population blanche de Louren^o Marques è, 450 indivi- 
dus. Encore faut-il ne pas oublier que dans ce nombre 
sont compris les Asiatiques chrétiens, les Banians, les 
Maures , les Parses et les Muldtres. En tout, il ne s'y tröu- 
vait en 1880 pas plus de quatre-vingt six Européens, parmi 
lesquels le personnel de Tadministration Portugaise et la 
garnison 3). 

L'instruction publique se trouve fort arriérée: elle est 
représentée dans la colonie entière par une seule école pri- 
maire, sous la direction d'un prêtre. La messe se lit de- 
vant six ou huit croyants, habitans du village de Lourengo 
Marques. D'industrie, pas le moindre signe; la pêche comme 
la chasse paraissent entièrement abandonnées. Le port. 



1) O districto de Louren^o Marques^ no Presente e no Futuro^ por 
Augtisto de Castilho. ^^ Lisboa 1880. 

2) Voir sa „Memoria descriptiva" dans le BoUtim da Sociedade de 
Geo^raphia de Lisboa, Ile Serie 1880. 

3) La population noire de la Colonie Portugaise est estimée par 
Machado ^ 80,000 dmes. 



24 



LA HOLLANDS ET LA BAIE-DELAGOA. 



réputé Ie meilleur de TAtrique Oriëntale, est restédansun 
état tbut è, fait primitif. Le commerce même, Tunique raison 
d'être de rétablissement Portugais, vat chaque année en 
diminuant. Aucune des prévisions sanguines du Vicomte 
de Paiva-Manso ne s*est réalisée. Lesfaillitescommeiciales 
s'y succèdent, et les rapports de navigation avec lamétro- 
pole ont cessé presque complètement i). 

Voile le tableau, tracé par des témoins non suspects, 
de l'état actuel de Louren^o Marques. 

A quelles causes attribuer Tétat si peu satisfaisant d'une 
possession, que le Portugal s'est mis en grands frais de 
rhétorique et d'érudition pour réclamer comme la sienne? 
£st-ce la faute de la routine dans le système colonial 
Portugais, qui sans égard au cöté pratique des choses, 
ne vise qu'è la conservation pure et simple de ce qui 
lui reste? Il est vrai, que les Portugais de nos jours 
ne sont plus le peuple colonisateur, qu'a admiré le lóième 
siècle. Des patriotes sensés conviennent, que Tesprit d'ini- 
tiative leur fait défaut, tout aussi bien que les capitaux 
nécessaires pour faire fructifier une colonie. Cependant, 
Tétat de stagnation dans lequel se trouve Tétablissement 
sur la Baie-Delagoa, tient k une cause plus générale, et 
spéciale k la fois, qu'il sera utile de regarder de plus prés. 

L'étude k laquelle nous nous' sommes livrés, a fait 
connattre les tentatives faites par les Hollandais au dix- 
huitième siècle, pour se frayer des cbemins, de cette baie, 
dans rintérieur de TAfrique. Non sans intérêt, nous avous 
vu combien ceux-ci se sentirent attirés-vers les pays oü 
s'établiraient plus tard leurs descendants. Un jour, ce furent 
les monts Libombo et leurs trésors présumés, et Tautre, les 
plaines de l'Incomati et les mines du district actuel de 
Lydenburg, qui fixèrent leurs regards. Cette force d'attrac- 
tion dominait leurs actions ; ils quittèrent la baie, dès qu'ils 
eurent acquis la conviction, .que les temps étaient peu propices 
pour nouer avec Tintérieur des relations rémunératrices 
et suivies. 

Bien que les circonstances aient changé complètement, 
rimportance de ces relations n'a fait que sauter davantage 
aux yeux. Le nouveau possesseur de Tétablissement sur Ia 
Baie-Delagoa a pu se convaincre que, sans elles, ladomi- 
nation du littoral n'apporte guère de fruits. Privé de Com- 
munications quelque peu régulièrcs avec les pays qu'il sé- 
pare de la roer, Tétablissement Portugais est resté dans 
un état précaire, qui rappelle les premiers temps de sa 

l) Voir de CasHlho^ p. 17, 

Le bureau des douanes ou Atfandgga, branche importante de 
Tadministration Portugaise, n'a été établie k Lourengo Marques que 
depuis 1854 (Paiva Manso, /. c) 



fondation. Aussi des autorités compétentes n'ont pu se 
cacher, que le sort de la colonie de Louren^ Marques 
dépend de celui réserve k Tintérieur méme i). 

Il s'est présenté ce fait curieux et peut-étie unique dans 
rhistoire de la colonisation, que les pays du continent 
étaient plus avances que Tétablissement colonisateur de la 
cöte. Du versant opposé des monts Libombo s*était établi 
un état moderne, formé par une race EuropéennCy dont 
le Portugal lui-méme avait appris k apprécier Tintelligence 
et l'énergie. Des sociétés savantes et des publicistes Portu- 
gais avaient con^u de Testime, de l'affection méme, pour 
la population et le gouvernement de cette république d'ori- 
gine Hollandaise, qui s'était ressucitée au deld, de la rivière 
du Vaal. Ils n'avaient que des louanges pour leur patrio 
tisme, leur probité, leur naturel laborieux. Dans son lan. 
gage fleuri, un écrivain connu désignait le Transvaal comme 
„une 11e riante d'espérances et verdissante de promesses, 
dans le désert Africain" 2): dès-lors la liaison la plUg 
intime avec les Boers Hollandais était ce qu'il y avait 
le pliis k désirer pour la colonie Portugaise. Seulement 
pour se 'relier k une 11e, il faut des moyens de communi- 
cation bien solides et appropriés aux circonstances. 

Malgré cette évidence, la Baie-Delagoa et le Transvaal 
reslèrent éloignés Tun de Tautre, comme au premier jour 
de rétablissement sur leurs territoires respecti&. Pas une 
route carossable ne reliait le littoral k l'intérieur. Les 
seuls rapports entre les Hollandais et les Portugais dans 
cette partie du monde furent entretenus par des noirs, trans- 
portant sur leurs tétes quelques balies k marchandises, de Pre- 
toria ou de Lydenburg, au port de Lourenc:o Marques. Certes, 
une bonne route fiit décrétée; ce fut le Gouvemeur-Général 
de Mozambique, qui la décréta. Et peut-être les futurs 
historicus Portugais, suivant T^xemple des auteurs des fa- 
meux „Mémoires officiels," iront-ils apprendre k la posté- 
rité, que ce chemin existe. Malheureusement une route sur 
le papier ne suffit pas au parcours, et quand elle serait 
même un sentier taille dans les foréts, elle n'offire pas 
d 'acces aux transports de la moindre importance. A peine 
commencée, cette route fut négligée, et abandounée peu 
après. L'année suivante, il n'y eut plus de tracé reconnais- 
sable d'une chaussée 3). 

L'intérét bien entendu de rétablissement Portugais, comme 

i) Voir entr' autres: de Castilho, /. r., les Mémoires de Machado, 
les Bulletins de la Société de Géographie de Lisbonne, année 1880, 
et les „Lettres de Portugal", dans TEconomiste Frangais de 1881. 

2) „ Uma ilha risonha de etperatifas e verdejante de promessas, 
no seriao cPAfriea 

3) Voir Machado, /. c. et Castilho, L e. 



LA HOLLANDS ET LA BAIE-DELAGOA. 



25 



celui du Transvaal, demontrait cependant, qu'il fallait re- 
noncer è. la voie du Natal pour les relations mutuelles. 
Aux dépens de la Baie-Delagoa, Ie commerce presque en- 
tier du Transvaal, Ie transport des marchandises et celui 
des personnes se font par Ie détour de Durban. Ceci, mal- 
gré que la distance des principales villes de la République 
Hollandaise è, Lourengo Marques soit de beaucoup plus 
courte, que celle entre ces mêmes endroits et Ie port 
du Natal i). Aussi de ki part des Boers, il n'y a eu pas 
manque d'efforts pour porter remede iun telétatdechoses. 

On connaft Tambition du Transvaal pour s'ouvrir des 
Communications directes avec la mer. Sa tentative de se 
procurer un port sur la Baie-Delagoa fut déjouée par les 
Portugais. Après, ce furent des habitants de Lydenburg, 
qui organisèrent une compagnie de transports, avec Ie ma- 
tériel et les relais nécessaires. Ce service fonctionna i^en- 
dant quelque temps, jusqu'A ce que, dans la région des 
dangéreuses mouches, la compagnie eut i>erdu ses bêtes de 
somme 2), et que les Cafres de Secocoeni eurent détruit 
les plices de relais. Le chemin de fer, auquel aboutirent 
enfin tous les projets, fut également une entreprise Hollan- 
daise. Une société se forma k eet effet k Pretoria, émet- 
tant des actions, dont une partie fut placée dans le Trans- 
vaal méme. Le Volksraad déclara d'utilité publique le 
chemin de fer, projeté pour relier ce pays au littoral. 

Si Ton demande ce que fit, dans ces circonstances, l'au- 
torité Portugaise, pas moins intéressée d la réussite de Taf- 
faire: elle prit des décrels, elle délivra une concession, re- 
vendue bientót; comme plus tard elle irait nommer une 
commission d'enquête. Mais, d'aider a pourvoir ^u man- 
que de fonds, nécessaires a la construction du chemin, pas 
le moindre symptóme. L'un des derniers Gouverneurs de 
Lourengo Marques s'était servi de cette expression éner- 
giqne: „que sans un chemin de fer, reliani la Baie au 
Transvaal, la colonie Portugaise resterait des siècles en 
arrière." L'autorité supérieure, le cabinet de Lisbon ne 
lui-raême, ne paraissaient nullement pénétrés de la justesse 
de cette sentence. Il y eut li pour eux une occurrence 
des plus favorables, de regagner sur cette cóte d'Afrique 
une influence et un prestige compromis. lis n'en firent 
rien. C'était k Amsterdam, que fut soussigné Temprunt 
pour le chemin de la Baie-Delagoa a Pretoria. 

Ce serait le cas de reprocher aux autorités Portugaises 

1) De Pretoria k Louren^o Marques il y a 235 lieues; k Durban 313, 
j^Lydenburen *> »» ilyai32 „ ,, DttrbanyLT, 

^Hexdelberg„ „ „ ilya223 „ ,, Durban 266, 

2) Ce fait donne un démenti au voyageur Anglais Erskine, qui a publié 
récril: „The Tsê^si Jiy* pour démontrer, que la piqüre de eet in- 
secto ne serait pas raortelle pour les bètes. 



Ie manque d'initiative, de génie colonisateur ; et il n'y 
aurait pas lieu de nous taxer de dureté ou soup^onner de 
jalousie, 1^ oü des Portugais compétents et de haut rang 
ont porté ce même jugement. Cependant, pour ce qui re- 
garde Tattitude observée par le Portugal envers le Trans- 
vaal, il y aurait k considérer aussi un courant d'opinion, 
assez fort parmi les classes règnantes ix)rtugaises, lequel 
préféré Tamitié des Anglais en Afrique k celle des Boers. 
Ce courant date surtout <le la décision arbitrale, et de la 
soumission de TAngleterre tli ses arréts i). Dès cette date 
il a vu dans TAngleterre un allié contre la tendance enva- 
hissante de la République Hollandaise. L'Angleterre, maUre 
de la république, lui était plus sympathique que les Boers. 
Et, tandis que les meetings populaires comme les sociélés 
savantes de Lisbon ne se pronon^aient nettement en faveur 
de rindépendance du Transvaal, le gouvernement Portu- 
gais allait conclure avec le dominateur de ce pays un 
traite, qui lui assurerait Tamitié de celui-ci, au prix de 
grandes concessions. 

Le traite Anglo-Portugais, on le sait, n'a pas abouti. 
L'opposition Portugaise contre ce traite était en plein droit 
de faire valoir la considération, que les évènements chan- 
geaient de face du jour au lendemain; avant que la Lé- 
gislative k Lisbonne pronon^a son arrêt, TAngleterre eut 
rendu k la République Afriraine son ancien ne indépendance 
Il devenait donc hors de saison, de traiter avec cette puis- 
sance de la construction du chemin de fer, qui aurait k 
relier le pays des Boers k la possession Portugaise 2). Ce- 
pendant il en aura coüté au gouvernement Portugais de 
devoir renoncer k une convention, qui établit les rapports 
avec le Transvaal Anglais et assura la construction de travaux 
de la plus haule importance, dont les charges ne lui seraient 
tombées que pour une part minime sur le dos 3). 

Le traite Anglo-Portugais de 1879 demontrait de nouveau, 
combien peu le Transvaal a il attendre du Portugal, laissé k lui 
seul. Les évènements Tavaientprouvédej^. Dès 1847, Fatten tion 

1) Voir la correspondance caractéristique d* Andrade Corvo et Lord 
Lytton, en Juin 1875 (Parliam, Pap., 1875, T. 83), et Toffice du 
ministre Serpa k Sir Wijke du 31 Mai 1882 (Fari. P,, No. I Pariu- 

gal 1882). 

2) Aussi, le 7 Octobre dernier, en ratitiant pour sa part la conven- 
tion conclue en 1875 entre le Portugal et le President Burgers, le 
gouvernement Anglais ne s'est engagé qu'd user de son influence, 
atin de faciliter le parcours d'un chemin de fer éventuel A travers le 
pays indépendant des Swazi. 

3) Le 31 Mai 1882 le ministre des affaires étrangères du Portugal 
écrivit encore au cabinet de Londres, comme un mélancolique retour 
vers le passé: „Le gouvernement Portugais avaU dèjd comité sur la 
„coöpération active du gouvernement de S. M. Britannique, pour la 
„réalisation du chemin de fer de Louren90 Marques". (P^r/. P<7/., 1882. 

4 



26 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



des autorités coloniales avait été appelée sur llntérêt qu*il y 
avait, k nouer des relations avec les habitants des états 
cultivés de Tintérieur. Mais c'était en vain, les tentatives 
faites en ce sens restèrent infhictueuses i). Seul, Ie décret 
de Prétorius proclamant Ie 25ièmedégré delatitude, depuis 
les monts Libombo jusqu*è la mer, pour ligne de frontïère de 
la République, réveilla Tautorité Portugaise de sa lethargie. 
Elle protesta centre Tinfraction faite è ses prétendus droits. 
En méme temps des projets étaient agités dans Ie Volks" 
raad de Pretoria, k Teffet de rendre navigables les fleuves 
du Pongolo et de TUmzuti (Maputa), et de construire un 
port è, l'embouchure de cette demière rivière dans la 
Baie-Delagoa 2). Aussitöt une convention commerciale 
fut proposée du cóté du Portugal aux Boers; et ce fut 
avec l'appat de la cession d'un territoire dont les titres 
de propriété étaient douteux, qu'on réussit k les faire dé- 
sister de projets, au moyen desquels Ie Transvaal eüt pu 
s'ouvrir une communication avec la mer. Les Portugais 
n*exergaient, pas plus qu'ik n'exercent encore, aucune 
autorité ni aucune influence sur la partie sud de la Baie 
Delagoa: cependant une jalousie mesquine les empéchade 
permettre, que eet état jeune et énergique avan^at jusqu'4 
la mer. 

L'attente, que Tarrangement intervenu aurait une influ- 
encel salutaire sur Ie développement des relations de Tin- 
térieur avec Ie littoral 3) fut dès-lors dé^e, et s'est com- 
plèteraent évanouie. Ni Tiin ni Tautre, faute de voies de 
communication, n*a pu en profiter. 

Le Transvaal rétabli comme état indépendant, Ie Portugal 
se trouve de nouveau en face d*éventualités , k Tabri 
desquelles il avait cru se mettre en négociant le traite 
avec l'Angleterre. L'une de ces éventualités est lanécessité 
de faire, k lui seul, des frais énormes pour faire progres- 
ser sa colonie de la Baie, et la relier k Tintérieur. Lecor- 
respondant de Lisbonne d'un périodique Fran^is dit è ce 
propos, avec un bon sens qu'on ne saurait trop louer: 
,yUn pays qui fait tous les jours de grands sacrifices pour 
„développer son mouvement économique dans le petit ter- 
„ritoire qu'il possède en Europe; un pays qui n'a pas encore 
„tous les chemins de fer, toutes les routes, toutes les écoles 
„qui lui sont nécessaires, et qui doit étendre ses soins en 
„Asie et en Afrique sur tant de possessions, ne pourrait 
„évidemment sacrifier des sommes folies pour conserver sans 



i) Voir le „Mémoire" de Machado, /. c, 

2) Voir le Staatskoerant van Transvaal du 29 Avril 1868, et 
Memoria sobre Lourenfo MarfueSt pelo Vise, de Faiva Matuo, p. 62. 

3) Voir une correspondance de Potchefstroom, dans les ^^MUtheihm'- 
gen" de Peterxnann, Année 1870. 



„avantages réels Tintégrité de ce territoire". i)„Sansavan- 
tages réels," voilè la plaie de la si^ation. Rapprochant 
ce terme, qui n'est que trop vrai, de la sentence d'un 
homme d'état Portugais parfaitement competent 2) 
„ravenir de Louren^ Marques entre nos tnains dépend 
exclusiveroent de celui du Transvaal", nous en aurons 
la clé. La puissance Portugaise, qui n'est pas k même 
de faire fructifier sa possession sur la Baie-Delagoa — 
Texpérience depfèsd'un siècle en a fait foi— , ne saitnon 
plus donner un développement utile k ses rapports avec 
le Transvaal. Elle ne possède aucune influence ni n exerce 
aucune action sur l'avenir de ce pays-ci. C'est pourquoi 
elle avait cherché le soutien de l'Angleterre, état riche et 
énergique, et dont les interets étaient engagés dans cette 
partie de TAfrique. 

Cependant, les pages qu'on vient de lire auront pu con- 
tribuer k établir la conviction, qu'il y a une autre nation 
en Europe, qui ne porte un intérét pas moindre ni moins 
sincère au bien-étre de ces contrées. La Hollande, qui a 
été le possesseur du territoire de la Baie-Delagoa, et dont 
les fils sont restés établis dans les états de Tintérieur, a 
certes des raisons légitimes pour s'intéresser au sort de ce 
coin d' Afrique, et le droit d'en témoigner. La Hollande, 
qui a applaudi k l'acte de loyauté de l'Angleterre envers 
le Transvaal en 1880, ne saurait rester indifférente a l'ex- 
clusion de ce pays de toute communication avec le monde 
civilisé. La Hollande, qui offre ses enfants, son argent, sa 
science aux Boers, si dignes d'elle, ne saurait admettre, qu'è 
la longue les conditions de vie et de force matérielles 
leur soient refusées. 

L'intermédiaire naturel entre le Transvaal et le Portu- 
gal, c'est la Hollande, vivant de la vie du premier, parlant 
sa langue, ayant avec lui les mêmes souvenirs, qui les 
rattachent aux anciens possesseurs de la;Baie-Delagoa. On 
a vu le reflet de ces souvenirs, quand fut soussigné, non 
è, Lisbonne, raais k Amsterdam, eet emprunt pour le che- 
min de fer, instrument indispensable des progrès de la 
possession Portugaise comme de la république des Boers. 
L'intermédiaire, le concours de la Hollande profiterait ^a- 
lement k Tune et k l'autre. Sans aucun doute il serait vu 
au Transvaal d'un oeil meilleur et plus tranquille, que les 
agissements de l'Angleterre; après Tissue infructueuse 
du traite conclu en 1879, rien ne s'oppose k ce que le 
Portugal aussi tourndt les regards de ce cóté. La convic- 
tion qui, pour ne pas 6tre montrée k la surface, n'en est 

i) Carlos Lisboa, dans r„Economiste Fran9ais" du 9 Juillet 1881. 
2) L'ex-gouverneur de Lourenfo Marques, Augusto de Castilho. 



LA HOLLANDE ET LA BAIE-DELAGOA. 



27 



pas moins profonde, que Ie sort de la Baie-Delagoa est 
intiinement lié k celui du Transvaal, doit lui faire saisir 
tous les moyens propies k assurer et développer les rap- 
ports entre eux. Si les errements du Portugal, un siècle durant, 
n'ont conduit au büt, qu'il devait se proposer avec 
sa prise en possession, et qui seul la justifierait d'une ma- 
niere durable, l'intérét bien entendu des pays en son pou- 
▼oir demande, qu'on ait dès è. présent recours è, d*autres 
voies et moyens. 

Le gouvernement Portugais, par 1'examen auquel il a 
lui-méme soumis ses prétentïons sur la Baie-Delagoa, est 
cause, que l'histoire a été remuée dans un sens autre que 
celui voulu par lui. Il a été prouvé par la présente étude, 
qu'une nation autre que la Portugaise, avait pris, avant 
elle, une possession formelle de cette Baie. Les territoires 
cédés au Portugal dans le courant de ce siècle, étaient 
déjè, au dix-huitième vendus k la Compagnie des Indes 
Néerlandaises. L'endroit mème, oü est bdti le chef-lieu de 
Tautorité Portugaise sur la Baie, le seul indice de sa puis- 
sance, formait jadis le centre de la possession Hollandaise. 
Si jamais le présent se relie au passé, c'est bien düment 
le cas ici, et c'est au gouvernement Portugais d'y réfléchir. 
Ëncore entre les mains de la HoUande, cette possession 
du littoral, au lieu d'étre un obstacle au progrès des pays 
de rintérieur, en eüt été le promoteur naturel. Entre ses 
mains, la Baie-Delagoa offrirait au Transvaal le trait 
d'union de ses rapports avec le monde civilisé. 

Que le Portugal songe k Taspiration constante du Trans- 
vaal k se rapprocher de la mer, aspiration naturelle et si 
impérieusement dictee par les exigences delasituation, que 
celin-ci ne se reposera point avant de lui avoir iait droit. 
Qu'il ne se dissimule pas, qu'un peuple entreprenant comme 
les Boers, qui pousse ses avant-gardes k travers le continent 
Africain,doit èiplus forte raison les pousser vers ce territoire oü 
se trouve unbonport, etoüroccasionseprésenteraitd'encon- 
struire un autre. Les éventualités que cette tendance peut faire 
naltre, constituent une menace permanente pour la Baie-Dela- 
goa aux mains de la puissance Portugaise. Elles pourront lui 
sttggérer la question, qui ne laisse d'avoir une grande im- 
portance pour toute puissance coloniale, celle de savoir si 
les avantages de la situation, les profits de son établisse- 
ment, compensent un tel danger plus ou moins imminent. 

n n'y aurait, pour conjurer ce danger, qu'une en- 
tente avec la Holiande. Entente qui oflfrirait les béné- 
fices prévus par le traite de 1879, sans en avoir les torts. 
Le grand tort du traite avec TAngleterre était d'avoir 



été conclu avec la seule puissance, dont le Transvaal avait 
le droit d'être jaloux et de se méfier. Pour de pareilles 
conventions il faut une confiance mutuelle; et comme dans 
les arrangements k intervenir entre ce pays et le Portugal, 
un tiers n'est pas de trop, la coopération de la HoUande 
serait la plus efBcace, sous tous points de vue. Les évène- 
ments Font prouvé. La HoUande, par sa parenté avec les 
Boers, avec ses souvenirs historiques, son énergie et ses 
capitaux, représente la réalisation de ce rève, nourri en 
vain pendant une longue période : des Communications 
faciles et régulières entre Ie Transvaal et la Baie-Delagoa. 

Les auteurs des „Mémoires ofïiciels" de 1873 ont, nous 
l'avons vu, affirmé que Tancienne possession Hollandaise 
sur la Baie avait co-existé avec et k cöté de celle des 
Portugais. L'histoire adémontré, que rien n*est plus inexact. 
Mais ce qui n'a pas été vrai au dix-huitième siècle, ne 
pourrait-il le devenir, aussitöt que le Portugal serait per- 
suadé de Tutilité de cette entente avec la HoUande, dans 
l'intérét méme de sa colonie et de ses rapports avec le 
Transvaal? Dans les temps-ci, ce ne serait pas le premier 
exemple d'une co-possession, exercée sur des parties d'un 
méme territoire, par des états amis et étroitement lies 
comme le Portugal et les Payg-Bas. Le traite conclu en 
1879 a fait voir, que le gouvernement Portugais, dès qu'il 
s'agit du véritable intérét des pays soumis k son pouvoir, 
ne reculait pas devant de grands sacrifices: il ne saurait 
d'aotant nuüns hénter d'en faire de pareils, que le büt, 
qu'il se propose, serait plus sürement et plus aisément atteinL 

Nulle autre partie du monde ne peut montrer un second 
exemple d'une population et d'un état d'origine Europé- 
enne, refoulés parmi les tribus sauvages, et retenus dans 
une complete dépendance par d'autres colonies, d'origine 
Européenne elles aussi. A une pareille situation il faut des 
remèdes héroiquesl Le Portugal, imbu des idees généreu- 
sesde notre époque, ne se défendra pas de reconnaltre, que 
la nation appelée a introduire cette tige de sa souche 
dans le concert des peuples civilisés, c'est la HoUande; 
comme c'est la HoUande, qui s*cst montrée toute préte k 
procurer les moyens nécessaires pour relier la Baie-Delagoa 
au Transvaal. Le mandat, que la HoUande a re^u 
dans ce coin d'Afrique de la nature et de l'histoire, en 
est un entièrement de civilisation et de progrès. Espérons 
qu'ilj Jlui sera donné de le remplir, suivant son génie 
propre, comme une oeuvre d'humanité, de patriotisme 
et de paix. 

M. L. VAN Deventer. 






MEDED RELINGEN 



OVER 



LIBERIA. 



MEDEDEELINGEN 



OVER 



LIBERIA. 



•• .'v>. "w»^^.^'ii^ V* - , .'^.•%•^ 



RESULTATEN VAN EENE ONDERZOEKINGSREIS, 



DOOR 



J. BÜTTIKOFER EN C. F. SALA 

in de jaren 187 9 — 1 882, 

SAMENGESTELD DOOR 

J. BÜTTIKOFER. 

(lÊBi eene kaart.) 



(Uitgegeven van wege het Aardrijkskundig Genootschap). 



BIJ BLAD N». 12. 



AMSTERDAM, UTRECHT, 

C. L. BRINKMAN. J. L. BEIJERS. 

Ï883. 



VOORWOORD 



VAN 



PROF. DR. H. SCHLEGEU 



DIRECTEUR VAN HET RIJKSMUSEUM VAN NATUURLITKE HISTORIE 



TE 



LEIDEN. 



De onderzoekingsreis der H.H. J. Büttikofer en C. F. 
Sala *) heeft haar ontstaan aan de volgende omstandig- 
heden te danken. 

Reeds in vroegere jaren was ik tot de overtuiging geko- 
men, dat de ware wetenschap der zoölogie alleen op de 
grondige en omvattende bekendheid met die grondvormen 
berust, welke wij species en conspecies noemen, met inbe- 
grip der constante en individueele variëteiten, en verder, 
dat de zoölogie eerst dan haren naam als wetenschap ver- 
dient en tot haar volle recht komt, wanneer zij uit het 
hoogere oogpunt dér physische geographie wordt beschouwd. 
Uit deze beginselen blijkt duidelijk, dat een dieper inzicht 
in de dierkunde slechts in een van die centrale musea 
kan worden verkregen, welke de meest mogelijke soorten 
bevatten en waarin ieder dezer soorten door compleete 
serien van goed onderhouden individuen is vertegenwoor- 
digd en wel zóó, dat haar geheel alle verschijnselen van 
iedere soort naar leeftijd, geslacht, jaargetijde, variëteit en 
woonplaats te zien geeft. 

*) Over deze reis heb ik reeds vroeger eenige mededeelingen gedaan 
io : „Notes from the Leyden Museum" jaarg. 1881 (in het Engelsch) 
en in het tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, 1881 (in 
hel Hoogduitsch). 



De bevordering der zoölogie vereischt echter buitenge- 
wonen spoed, omdat behalve het groot aantal soorten, dat 
reeds uitgeroeid en voor altijd verdwenen is, vele anderen 
tot een klein aantal individuen zijn teruggebracht, of alleen 
nog in moeielijk toegankelijke streken voorkomen, waar 
zij óf in het geheel niet óf slechts met groote moeite en 
kosten van daan gehaald kunnen worden. Op ons, het 
geslacht, dat op zoovele verschillende wijzen menige dicr- 
sooit meer en meer verdringt, rust echter de plicht van 
die uitstervende wezens, zoovele als mogelijk is, te redden 
om voor ons nageslacht ten minste de doode vormen van 
een vroegeren tijd te kunnen behouden. Daardoor alleen 
wordt het mogelijk, in lateren tijd het oorspronkelijk plan 
der schepping te herkennen, hetgeen door de gedachtelooze 
verwoestingen van ons geslacht reeds zoo veelvuldig is 
verbroken. ^) 



*) Ten overvloede zij er hier op gewezen, dat deze beschouwingen 
meer in het bijzonder op zoogdieren en vogels betrekking hebben, 
die, ten gevolge hunner hoogere ontwikkeling, in de schepping den 
hoogsten rang innemen en dus ook in de musea vóór alle anderen 
bovenaan behooren te staan, te meer, daar het verkrijgen, bewerken 
enz. van deze dieren de grootste uitgaven en de uitgebreidste bekwaam- 
heden vereischen. 



IV 



VOORWOORD. 



Sedert meer dan een halve eeuw bezig, het zoölogisch 
museum te Leiden, als centrale inrichting van het Konink- 
rijk der Nederlanden, uit te breiden op eene wijze, die 
aan bovenvermelde eischen kan voldoen, was ik reeds 
lang overtuigd, dat dit doel alleen bereikt kan worden 
door het doen van Zologische onderzoekingen binnen de 
grenzen van verschillende gewesten, die eene zekere afzon- 
derlijke fauna omvatten. Verder, dat deze onderzoekingen 
gedaan moeten worden door wetenschappelijk en technisch 
bekwaam bevonden lieden, en dat eene en dezelfde plaats 
niet mag verlaten worden, zoolang zij stof biedt tot het 
oplossen van belangrijke zoölogische vraagpunten. 

Het is algemeen bekend, dat de Nederlandsche regeering, 
vroeger regeUnatig, later van tijd tot tijd, de wetenschap 
op die wijze bevorderde. Het beginsel van stelselmatige 
onderzoekingsreizen duldt echter uitstel noch oponthoud. 
De vrees, de natuurlijke ontwikkeling te zien stilstaan 
van eene inrichting, die met zoo gioote kosten in het 
leven geroepen en tot bloei gebracht is, moest als van 
zelve het besluit doen rijpen, om ten bate van het museum 
eene private onderneming op touw te zetten, die zich 
voorloopig met onderzoekingen der fauna van Liberia 
zoude bezig houden, als van een gebied van tropisch 
Wèst-Afrika, dat tot nog toe slechts zeer onvoldoende 
bekend was. 

Ik vatte derhalve het plan op, bovengenoemde streek 
' door eenige natuurkundigen te laten onderzoeken. De gel- 
den, hiertoe benoodigd, werden geheel uit mijne privaat- 
middelen verstrekt. De eerste keuze uit de bijeengebrachte 
verzamelingen zoude ten bate van het museum komen, 
terwijl de opbrengst der overige voorwerpen mede zoude 
dienen, om de reiskosten te dekken. De uitvoering van 
het reisplan werd aan de HH, Büttikofer en Sala toever- 
trouwd. Eerstgenoemde, mijn assistent aan het Rijks Mu- 
seum, bood zich aan als wetenschappelijk leider der onder- 
neming; de laatstgenoemde, een ervaren jager en goed 
schutter, die vromer eene reeks van jaren op Java en in 
Angola had doorgebracht, vei^ezelde hem. 

De ondervinding, die ik door het toezicht over tal van 
dergelijke ondernemingen verkr^en hsld, stelde mij in staat, 
de reizigers van eene doelmatige en volledige uitrusting 
te voorzien. Van onze regeering verkregen zij warme aan- 



bevelingen aan onderscheidene consulaten op de kust van 
West-Afnka. De reizigers vertrokken naar Liberia in No- 
vember 1879 ^^^ boord van een schip der firma Hendrik 
Muller en Co. te Rotterdam. De heer Muller bevorderde 
de onderneming op de meest krachtige wijze en al rijne 
handelsagenten in de verschillende kustplaatsen deden hun 
best, om den reizigers hunne dikwijls moeielijke taak zoo 
gemakkelijk mogelijk te maken. Z. Ms. Consul, de heer 
Modderman, en reeds vóór hem, de waarnemende Consul, 
de heer Wigman, behartigden raet^loffelijken ijver de be- 
langen der onderneming bij de Liberiaansche regeering. Door 
tusschenkomst van laatstgenoemde verleende de r^eering 
onzen reizigers vrijdom van in- en uitgaande rechten, naar het 
edele voorbeeld der Vereenigde Staten van Noord- Amerika, 
om de wetenschappen aan het hoofd van alle menschelijke 
bezigheden te stellen. De Liberiaansche Ministers van 
Binnen- en Buitenlandsche zaken stelden een levendig 
belang in deze onderneming en voorzagen de reizigers met 
aanbevelingen aan de verschillende negerhoofden. 

De onderneming, die dus in ieder opzicht de schoonste 
uitkomsten deed verwachten, had echter met zooveel tegen- 
spoed te worstelen, dat haar oorspronkelijk doel slechts 
gedeeltelijk bereikt kon worden. Een buitengewoon zware 
regentijd gedurende de eerste negen maanden maakte 
den reizigers soms weken lang allen arbeid onmogelijk. 
Bovendien werden zij door den roofzuchtigen Golah-stam 
aan den middenloop van den St. Paul, waar zij gedurende 
dien langen tijd — gedeeltelijk onvrijwillig — vertoefden, 
maanden lang in een staat van beleg gehouden, totdat 
het hun door tusschenkomst van Mr. Day, een Amerikaansch 
zendeling, eindelijk gelukte, naar de kust terug te keeren. 
Later in de omstreken van Grand Cape Mount bij den 
vredelievenden Vey-stam aangeland, werd deze streek, kort 
na hunne komst, door de invallen van vijandige stammen 
geteisterd. Hierdoor en ook door hongersnood werd deze 
streek ongeschikt gemaakt tot verdere onderzoekingen en 
ook de vrije beweging in het binnenland belemmerd. 
Daarbij kwam de langdurige ziekte eu het overlijden van 
Sala en ten slotte moest Büttikofer, die na dit treurig on- 
geval nog nagenoeg een jaar had volgehouden, met zwaar 
geschokte gezondheid de kust verlaten, om in Europa gene- 
zing te zoeken. 



INLEIDING. 



De navolgende bladzijden *) bevatten de beschrijving mijner 
onderzoekingen in Liberia, voor zooverre mij dit nood- 
zakelijk toescheen, om een algemeenen indruk te geven 
van dit in vele opzichten zoo belangrijke en toch nog zoo 
weinig bekende land. Ik ben daarin a^eweken van h^l 
plan, dat zoo vele reizigers gevolgd hebben, om n. 1. de be- 
schrijving hunner lotgevallen en waarnemingen, zonder 
eenige schifting der stof, in den vorm van een dagboek in te 
kleeden, en heb deze aangename en boeiende schrijfwijze laten 
varen voor een plan, waardoor het iedereen mogelijk wordt, 
om, zonder lang te zoeken, datgene te vinden, wat hem het 
meeste belang inboezemt. Door de schifting der stof 
ontstonden van zelve drie hoofdafdeelingen, waarvan de 
eerste de geographische, climatologische, geologische, bota- 
nische en zoölogische bijzonderheden bevat. Ik behoud mij 
echter voor, om deze laatsten ter geschikter plaatse uitvoe- 
riger te behandelen. Het tweede deel is uitsluitend aan 
de ethnographie des lands gewijd, en behandelt in de eerste 
afdeeling de bevolking van den vrijstaat (de Liberianen) ' 
en hare politieke en sociale toestanden, terwijl de tweede 
afdeeling uitsluitend aan de verschillende stammen der in- 
boorlingen gewijd is, voor zooverre wij gelegenheid hadden, 
deze te leeren kennen. Het derde deel eindelijk geeft 
onderscheidene tafereelen uit ons verblijf in Liberia, en daar 
het werkelijk bevorderlijk kan zijn aan het juiste inzicht 
in hetgeen in het eerste en tweede deel is gezegd en ook 
ophelderingen bevat omtrent onze wijze van reizen, meende 
ik, dat het 'niet geheel overtollig zoude zijn. 

De bijgevoegde schetskaart maakt volstrekt geen aan- 
spraak op mathematische juistheid; evenwel zal zij den 

*) Een uittreksel uit mijn dagboek, betreffende ons verblijf aan 
den St. Paul, en de resultaten daarvan, werden reeds in den jaargang 
1880 van dit tijdschrift en in de vNotes from the Leyden Museum*' 
1880), door Prof. Schlegel in het licht gegeven. 



lezer kunnen dienen, om zich te orienteeren, te meer, daar 
er geene vertrouwbare kaart van dit nog zoo onbekende ge- 
bied, evenmin als van l^iberia in het algemeen bestaat. 

Op mijne veelvuldige zweiftochten heb ik steeds mijn 
best gedaan, om, bij gebrek aan de noodige instrumenten, 
voor de plaatsbepalingen met behulp van kompaspeilingen 
en door het zoo nauwkeurig mogelijk schatten der a&tan- 
den, een juist beeld van de doorreisde streken te kunnen 
geven. Als steunpunten voor het aanleggen mijner kaart 
dienden de mathematisch bepaalde punten Monrovia en 
Grand Cape Mount, evenals ook de mond der Little Cape 
Mount River. De plaatsbepalingen van den Liberiaanscheri 
reiziger B. Anderson, in het verslag van zijne reis naar 
Boporo' en Mussarda zijn, evenals de geheele bijgevoegde 
kaart, die ook in de uitgave der bladen over Afrika 
(1879) van Stieler's hand-atlas wordt vermeld, in hooge 
mate onnauwkeurig. Onz- belangrijkste jacht- en reiswegen 
heb ik met eene roode lijn aangeduid. Vele dezer reizen 
heb ik meermalen gemaakt en mij telkens moeite g^even, 
om de vroeger gemaakte aanteekeningen te verbeteren en 
aan te vullen. Ter verduidelijking der in- den tekst beschre- 
ven eigenaardige hydrographische toestanden des lands, 
voornamelijk wat den benedenloop en het mondingsge- 
bied der rivieren betreft, zal deze kaart eveneens het hare 
kunnen bijdragen. De twee 'bijgevoegde cartons (de verdere 
kust van Liberia en het door de Engelschen bezette eiland 
Sherbro met de naburige streken van het vaste land) zijn 
ontleend aan „Grundemann's Missions-atlas," waarvan een 
speciaal aan Liberia gewijd blad zeer rijk is aan nauwkeurige 
bijzonderheden, maar dat, zooals van zelf spreekt, alleen 
van de kuststreek een eenigszins getrouw beeld kan geven. 
Alle plaatsnamen, zoowel op de kaart, als in den tekst, 
zijn volgens de Engelsche schrijfwijze gedrukt. 

Ik vervul een aangenamen plicht, wanneer ik ten slotte 



VI 



INLEIDING. 



mijnen dank betuig aan al degenen, die onze on- 
derneming op onbaatzuchtige wijze bevorderd en on- 
dersteund hebben. Vóór allen ben ik mijnen hoog- 
vereerden leermeester, den heer Prof. H. Schlegel, grooten 
dank verschuldigd, daar hij deze . onderneming enkel in 
het belang van het zoölogisch museum en van de weten- 
schap in het leven riep, en voor eigen rekening met be- 
langrijke flnancieele opofferingen liet uitvoeren. Terwijl 
hij mij de leiding der reis toevertrouwde, werd mijn in- 
nigste wensch vervuld, n.1., om de wonderen der tropen 
door eigen aanschouwing te leeren kennen. De Hollandsche 
en Liberiaansche regeeringen, alsook de verdiensten der 
heeren Muller, Modderman en Wigmtin zijn reeds in de 
voorrede met waardeering vermeld. Mij blijft dus nog 
slechts over, om hier mijnen dank uil te spreken aan de 
nog niet genoemde handelsagenten, die zich ons zoo dik- 
wijls als trouwe vrienden deden kennen. Onder dezen noem 
ik de HH. A. Veldkamp en Van der Meulen, thans tleiden, 



evenals ook de heer Wigman, om redenen van gezondheid 
naar Europa teruggekeerd; Van den Eelaart, voor wien 
een aan ons bewezen e vriendschapsdienst de indirecte oor- 
zaak werd van een plotselingen dood; de HH. Everts en 
Van Es, laatstgenoemde kort na mijne terugkomst in Grand 
Cape Mount overleden; de teide kapiteins der schepen 
van den heer Muller: Van Duyn en Van Gijzelen; de 
agenten der firma Woermann te Hamburg: den heer 
Schmidt, hoofdagent en Duitsch consul en den heer Ahrens, 
laatstgenoemde eveneens van de kust teruggekeerd. Al 
de genoemde heeren hebben ons, waar zij maar konden, 
met raad en daad bijgestaan, en waren ons in onze dik- 
wijls netelige toestanden een zedelijken steun, waarop wij 
steeds konden vertrouwen. Ik zal hen allen alsook de 
Amerikaansche zendelingen Mr. Day, Grubb, Mc. Nabb, 
Bisschop Penick, Mr. G. Schmidt en hunne echtgenooten 
steeds in levendig, dankbaar aandenken houden! 

J. BüTTIKOFER. 



INHOUD. 



Voorwoord (van Prof, H. Schlegel.). . . 
Inleiding . , 



Pag. 
[II. 

V. 



EERSTE HOOFDSTUK. 

HET LAND EN ZIJNE VOORT- 
BRENGSELEN. 

1. Orographie. 

Gcographische ligging. Kustlijn en voorgebergten. 
Moerasgordel en grasvlakten. Heuvelgebied. Hoog- 
vlakte. Het Kong-gebergte i, 

2. Hydrographie. 

Oorsprong en lengte der rivieren. Haar nut als ver- 
keers- en handelswegen. De creeks. De kano als 
middel van verkeer 2. 

3. De jaargetijden. 

Jaarlijks één droogte- en een regentijd. Overgangs- 
perioden. — De droogtetijd (winter) : De har- 
mattan. Deregenlooze maanden. Mist en dauw. — 
Overgang tot den regentijd (voorjaar) : 
De tornado's. — De regentijd (zomer): Veel 
r^en. Dampige lucht. Groote hitte. Uitwerking 
op den plantengroei en op het menschelijk lichaam. 
Intermezzo van droge dagen (tweede helft van Juli). 
De daarop volgende r^enmaanden. -Overstroo- 
mingen. De verkeerswegen afgebroken. — Over- 
gang tot de droogtetijd (najaar): Tornado's. 2. 

4. Klimaat en gezondheidstoestand. 

De temperatuur en haar invloed op de gezondheid 
der Blanken. Over acclimatatie. Het stelsel van 



Pag. 



driejarig verblijf. Moeraskoortsen en hare verschijn- 
selen. Sterftecijfer. Het ontbreken van vele euro- 
peesche ziekten, vooral van epidemieën. De koort- 
sen in betrekking tot verschillende landstreken. 
Invloed op Liberianen en inboorlingen. Gebreken 
der spijsvertering. Galkoortsen en geelzucht. Dys- 
enterie. Neiging tot indigestie. Haemorrhoiden. De- 
generatie van het bloed. Hydrops. Huid wonden 
en zweren. Moeielijke genezing daarvan. De 
prickly heat. De zandvloo {Pulex pene trans). . 

5. Samenstelling van den grond. Geologische 

bijzonderheden. 

IJzerhoudende kleigrond. Overeenstemmende rotsfor- 
matie. Waschgoud in het binnenland. Koper. 
Krystallijne, ertshoudende massiefgesteenten. Het 
ontbreken van petrefacten 

6. Plantengroei. 

a. Algemeen karakter der Flora. 

Strandflora: Ipotnoea. Hvphaene guineensts. — 
Moeras flora: Rhizophorenbosschen. Pandanus. 
Papyrus. — De grasvlakten: Het helmgras. 
Anana Senegalensis. — Overgangs flora tot 
het hoogwoud: De oiiepalm. De wijnpalm. 
De kokospalm. Tamarinden en mimosen. — Het 
oerwoud: Reusachtige boomen. Boomen van 
den tweeden rang. Kreupelhout. Lianen en andere 
parasietische planten. — Plantengroei in 
de woud-C reeks: Groote Aroldefin, Irideenen 
Nymphaeaceen. — Eigenaardige karak- 
tertrekken? Overwicht van den biaderdosch. 



4. 



vin 



INHOUD. 



Rijke schakeering in het groen der bladeren. 
Wisseling der bladeren 

b. Nuttige^ in het wild groeiende planten. 
Uitmuntend timmer- en schrijnwerkershout. Cam- 

wood. Indigo. Caoutchouc-planten. Rhizophoren- 
bast als looistof. Calabar-boonen. Tamarinden. 
Wilde wijn. De Cola-noot. De Ananas. . . . 

c. Cultuurplanten. 

Granen: Rijst. Maïs. — Knolvruchten: 
Maniok. Bataten. Eddoes. Arrow-root. Yams. — 
Olieplanten: Aardnoot. Ricinus. — Genot- 
planten: Koffieboom en koffiecultuur. Cacaoboom. 
Suikerriet. — Groenten: Tomaten. Eierplanten. 
Porselein. Maniok- en batatenbladeren. Pompoenen. ' 
Watermeloenen. Boommeloenen. — Ooft soor- 
ten: Pisang. Bananen. Mango-pruimen. Soursops. 
Sweetsops. Guaven. Oranjeappels. Limoenen. — 
Specerijen: Gember. Chalotten. Spaansche 
peper. — Planten voor de textiel- 
industrie: Katoen. Bastsoorten. Vezels van 
palm- en pisangbladeren 

7. De dierenwereld. 

a. Zoogdieren, 

Apen: Chimpansees. Colobus-soorten. Meerkatten. 
Nachtapen. Het leven der apen. Apenjacht. — 
Knaagdieren: Eekhorens (Boomeekhorens, 
Aardeekhorens, vliegende Eekhorens). Stekelvarkens. 
Aardvarkentjes {Aulacodus). Boschratten. Ratten. 
Muizen. Dwergmuis. — Vleder muizen: Vrucht- 
eters. Insecteneters. — Roofdieren en Insec- 
tenvreters: Luipaarden. Tijgerkatten. Civet- 
katten. Otter. Crossarchus, Spitsmuis. — Her- 
kauwende dieren: Bospumilus, Boschantilopen. 
Het muskusdier. — Dikhuidige dieren: De 
olifant. Het Liberiaansche rivierpaard. Het pen- 
seelvarken. — Schubdieren: Boomschubdie- 
ren. Aardschubdieren (Het reuzenschubdier). — 
Vinvoetige dieren: De lamentijn. — Waarde 
• der genoemde diersoorten voor de tafel. . . . 

b. Vogels. 

Roofvogels: Gypohierax an^olensis. Milvus 
migrans, Spizaètus coronaius. Circus Swainsonii, 
Nisus erythropus en iV. unduliventer . Astur mo- 
nogrammicus. Baza cuculoides. Ulula Woodfordii. 
— Raven: De mantelkraai. {Corvus scapulatus). 



Pag. 



8. 



13 



14 



18 



Pag. 

— Zwaluwen: De boerenzwaluw (Hirundo rus- 
tica). De rivierzwaluw ( Waldenia nigrita). — Gei- 
tenmelkers: Caprimulgus binotaius, Scotomis 
climacurus. — Breedbekken: Eurystomus af er 
en E, gularis. — Ijsvogels: Echte ijsvogels : 
Ceryle maxima en C. rudis. Alcedo picta en A. 
cristata. Boschijsvogels : Dacelo senegalensisy D. 
cinereifrons^ D. badia^ B. ruüventris, — B ij e n- 
eters: Merops albicollis^ M. gularis^ M. ery- 
thropterus. — Honigzuigers: Nectarinia chlo- 
ropygia^ N, aurea^ N, fuliginosa, — Z a n g v o- 
g e 1 s: Lijsterachtige vogels : De Trichophorus-soor- 
ten. Lijsters. Wiele walen. Pitta angoUnsis. Zan- 
gers : De Drymoëca^s. De karakiet. Kwikstaarten. 
Anthus gouldii, Macronyx croceus, — Vliegen- 
vangers. — Drongos. ■ — -K la u wiere n. 

— Spreeuwen. — Muschachtige vo- 
gels: De wevervogels en hunne broedkolonien. 
De Sycobius-soorten. De weduwen. Verwoestingen 
dezer vogels ia rijstvelden. — De pisang- 
vreters: Corythaïx macrorhynchus, Turacus gi- 
ganteus, — Neushoornvogels: Buceros ela- 
tus, B. atratusj B, cylindricus^ B.' fistulaior^ B, 
albocristatus, Tockus semifasciatusy T. Nagtglasi 
en T.pulchrirpstris^ — -Papegaaien: Psittacus 
timneh en Psittacula Swinderiana, B a a r d v o- 
gels. — Spechten. — Koekoeken. — Dui- 
ven: Echte duiven. Grondduiven. Tortelduiven. 
Papegaaiduiven. — Hoenderachtige vo- 
gels: Numida cristata. Francolinus Peli en A 
ahantensis. Agelastus meleagrides. — Plevier- 
achtige vogels: Oedicnemus. Glareola. Kievi- 
ten. Plevieren. — Reigerachtige vogels 
Dagreigers. Roerdompen. Ooievaars. Ibis-soorten. 

— Snipachtige vogels. Numenius. Tota* 
nus. Actitis. Tringa. — R a 1 1 e n : Himantornis 
haematopus. Limnocora^ flavirostris, — Z w e m- 
vogels: Flamingo's. Ganzen. Eenden. — Meeuw- 
achtige vogels: Sterna. Rhynchops. — Duik- 
vogels: Plotus Levaillanti, Phalacrocorax 
africanus 24. 

c. Kruipende dieren. 
Schildpadden: Landschildpadden. Zoetwater- 
schildpadden. Zee schildpadden. — Saurers: 
Krokodillen. Waranen. Hagedissen. Amphisbaena. 
lyphlaps. — Slangen: Vergiftige : Vipera rhi- ) 
noceros, V, chloroëchis, Naja atropos. "Siet vergif- 



j 



INHOUD. 



IX 



Pag, 



Pag. 



tige : Python hieroglyphiais. — Batrachers; 
Boomkikvorschen. Echte kikvorschen. Padden. Pi- 
pa*s. Caccilia icntaculata 

d. Vtsschen, 

Riviervisschen: De sidderval {Malapterurus 
electricus). — Moerasvisschen: Ophiocephaius, 
Clarias. — Brakwatervisschen: Perioph- 
thalmus Koelreuteri. — Zeevisschen: Haai. 
Zaagvisch 

e. Weekdieren. 

Inktvisschen: Sepia en Octopuê. — L a n d- 
slakken: Achaiina^s, Limicularia's. — Zoetwa- 
terslakken: Ampullaria^s, Melanid's, — Zee- 
hoorns: Purpura. Pusus. — Schelpdie- 
ren*: Eetbare oesters (Ostrea arbored) .... 
ƒ. Insecten. 

Vliegen. Muskieten. Termieten. Mieren. Wilde bijen. 
Torren. Vlinders. Sprinkhanen. Spooksprinkhanen. 
Duizendpooten. Millioenpooten. Schorpioenen. De 

vogelspin 

g. Kreeftdieren. 

Landkrabben. Zoetwaterkrabben. Mangrove-krabben. 
Strandkrabben. Zeekrabben. Garnalen. Langoesten. 
h. Wormen, 

Een groote (nieuwe) regenworm. Bloedzuigers. De 
Guineaworm (Furia medinensis) 



31. 



33 



34 



34 



37 



37 



TWEEDE HOOFDSTUK. 

DE BEVOLKING VAN LIBERIA. 

A. DE LIBERIANEN. 

1. De Feperkust vóór de aankomst der Ameri- 
kaanBche landverliuisers. 

Slavenhandel en Slavendépots 38 

2. Liberia, eene Amerikaansolie Negerkolonie. 

« 

Vorming en doel der Amerikaansche kolonisatie* 
maatschappij. Hooge verwachtingen daarvan. On- 
gelukkige afloop der eerste proefiieiningen op het 
eiland Sherbro (1820). Verplaatsing der kolonie 
naar kaap Messurado (1822). Stichting van Mon- 
rovia. Ontwikkeling der kolonie. Uitbreiding door 
aankoop van grondgebied. Verstandhouding met 
de b.boorlingen. Bloei der kolonie 39 



3. De eerste jaren der Bepubliek. 

Onafhankelijkheidsverklaring en oprichting der re- 
publiek Liberia (1847.) De Liberiaansche grond- 
wet. Geestdrift onder de kolonisten. Bloeitijd der 
republiek onder Roberts en Benson. Uitbreiding 
van grondgebied. Toenemende immigratie uit Ame- 
rika. Oprichting van nieuwe volkplantingen 
{settlements) 

4. Achteruitgang. 

Het beginsel van alle immenging der Blanken te 
vermijden. Lastige bepalingen tegenover de blanke 
kooplieden. Liberiaansche tusschenhandel en gevol- 
gen daarvan. Treurige toestand der financiën. Munt- 
stelsel. Eerste uitgifte van papier-geld. Tweede 
uitgifte en onaangename gevolgen 

6. Verwikkelingen met Engeland. 

De groote staatsschuld. Eenige bijzonderheden over 
de leening. Voordeelige voorwaarden der Engel- 
sche contracten. Treurige lotgevallen der afge- 
vaardigden. Dood van president Roye. Minister 
Johnson en de Engelsche zeekapitein. Het ge- 
leende geld verkwist. Onmogelijkheid om het 
kapitaal terug te betalen. Donkere vooruitzichten 
met het oog op Engeland's annexatiepoUtiek. Ge- 
schil met Engeland over de westelijke grens van 
Liberia. Eene twijfelachtige aanspraak op scha- 
devergoeding. De Gallinas-oorlog van 1871. Pre- 
tensies van den gouverneur van Sierra Leone bij 
zijne politieke zending te Monrovia. Moeielijke 
positie van den president van Liberia. Opschud- 
ding te Monrovia. Standvastigheid van den se- 
naat. Intriges van gouverneur Havelock onder de 
Gallinas (contract tot afstand der kuststreek aan 
Engeland). Pogingen tot eene vriendschappelijke 
schikking met Liberia. Een artikel in den Obser- 



40 



41 



ver. 



6. Machteloosheid der LiberiaanBche 

Begeering. 

Strandroof aan de Kroo-kust. Bestraffing der strand- 
roovers door de Duitsche korvet „Victoria." 
Opdsching der door Duitschland gevraagde scha- 
devergoeding ^ p 



41 



45 



INHOUD. 



Pag. 



7. Sooiale toestanden. 

Moreele invloed der Liberianen op de inboorlingen. 
Vrijmetselaars-loges. De orde der African Redemp- 
tion. Invloed van het Christendom en den Islam 
op de beschaving der inboorlingen. De laatstge- 
noemde krijgt de overhand. Oorzaak daarvan. 
De Amerikaansche zendelingen en hnnne ver- 
diensten. Over kerkelijke en zedelijke toestanden. 
Splitsing in sekten. Onbeschaafde predikers (een 
lijkdienst te Robertsport). De revivals en de 
Camp'tneetings. Onderwijs. De openbare scholen. 
Liberia College. Omgang der Liberianen onder- 
ling en met Blanken. Traagheid der Liberianen. 
Het houden van slaven Cinboorlingen) onder den 
naam van boys. Het crediet (/r«j/)-systeem en 
gevolgen. Tabakrooken en pruimen 

8. Het leven in Liberia. 

Huizen en huiselijke inrichting. Voeding en voedings- 
middelen. Kleeding. Landbouw. Tekort in de pro- 
ductie van voedingsmiddelen. Dekking daarvan 
door importatie. Koffie- en suikercultuur. Rum- 
stookerijen. Coffee-farming. Qualiteit der Liberia- 
koffie. Werkkrachten en werkloon. Gebrek aan 
wilskracht en geringe zorg voor de toekomst. 
Uitzonderingen. Wantrouwen t^enover denEuro- 
peeschen ondernemingsgeest. Treurige gevolgen 
daarvan. Het ontbreken van paarden, ezels en 
muildieren. Onbeduidende veestapel. Duur en 
slecht leven in Liberia. Vergelijking met Sierra 
I-.eone. De markt in Freetown. De markt te 
Monrovia. Vergelijking der steden Freetown 
en Monrovia. Transportmiddelen (dragers) in Li- 
beria. Moeielijk reizen in het binnenland. . . . 

9. Handel. 

Ruilen van invoer- tegen uit voerartikelen. Buiten- 
landsche handelsfirma's. Engelsche stoom vaart- 
maatschappij en. Havenplaatsen. Levendig verkeer 
met de Engelsche mailboot^n. Liberiaansche kust- 
vaartuigen. — Uit voerartikelen: Palmolie en 
palmpitten, caoutchouc, roodhout, Calabar-boonen, 
koffie, suiker, gember, aardamandelen, ivoor, levende 
dieren. — Invoerartikelen: Levensmiddelen, 
geestrijke dranken, tabak, ellewaren, gemaakte klee- 
derei>, regen- en zonneschermen, galanteriewaren, 



45- 



53. 



Pag. 
papeterieen, huisraad, werktuigen en gereedschappen, ^ 
staal, ijzer, koper, lampen, petroleum, koloniale- 
en verfwaren etc, geweren en buskruit. — Eigen- 
aardigheden van den ruilhandel 58. 

10. Postverbinding en politieke betrekkingen 

met de buitenwereld. 

De aankomst der mailbooten. Betrekkinjg met Noord- 
Amerika, de Nederianden, Duitschland etc. Con- 
sulaten 6ï. 

11. Terugblik 



Redenen voor eene mildere beoordeeling der boven- 
genoemde gebreken , 



62 



B. DE INBOORLINGEN. 

1. Liohaamsbouw en gestel der inboorlingen. 

Lichaamsbouw in het algemeen : Schedel- en gelaats- 
vorm. Gebit. Oogen. Uitdrukking van het gelaat. 

— Huidkleur. Nuanceeringen der huidkleur. Al- 
binisme. Hoedanigheid der negerhuid. Elephan- 
tiasis. — Weldadige invloed vai> warmte en zon- 
neschijn. Verhoogde werkkracht onder dezen in- 
vloed. — Sterke longen. Krachtige maag. Capaci- 
teit voor geestrijke dranken. Voorliefde voor 
dierlijk voedsel. Palaver-sauce en vischsoep. . . 

2. Tatoueeren en beschilderen der huid. 

Haartooi. 

Tatoueeren van rug, gelaat en ledematen. Het be- 
schilderen van het lichaam met kleurstoffen (vooral 
met klei). Insmeren der huid met olie en pommade. 

— Gedeeltelijk scheren van het hoofd. Kort ge- 
knipt haar. Het vlechten van het haar. Haartooi 
der vrouwen in het bijzonder. Valsch haar. Tijd- 
rovende coiffiire. Insmeren van het haar met 
olie. Parasieten. Een kransje van kappende ne- 
gervrouwen 

8. Kleeding en sieraden. Zindelijkheid. 

Buiklapjes en lendengordels van parelsnoeren. Hand- 
kerchiefs. Lendedoeken. Country gowns tn country 
cloth. Kniebroeken. Sandalen. Hoofddeksels. — 
Sieraden uit zilvergeld vervaardigd (hoofdtooi, 
armbanden, vingerringen, kettingen en medaillons). 
Glasparels, agaatkoralen, slagtanden vati dieren. 



63 



«5 



J 



INHOUD. 



XI 



Pag. 



Behangen van het lichaam met muntstukken. Dure 
Negerinnen. — Zindelijkheid. Wasschen van het 
lichaam. Schoonhouden van woonvertrekken, dor- 
pen en steden 

4. Verdeeling in stammen. 

De Kroo-stam: Nederzettingen der Kroo's. 
Bezigheden. Typisch karakter. De Kroo-öoy's aan 
boord der schepen. De books en de rol, die zij 
bij de Negers in het algemeen spelen. Nick-names 
der Kro<hboy*s, Hunne voorliefde voor het zeemans- 
leven- Een blik in eene Kroo-town. Kleeding der 
Krop's. Voeding. Oorspronkelijke afkomst uit het 
binnenland. Sporen van vroegere volksverhuizing. 
Onderscheidingsteeken der Kroo-Negers. — De 
V ey s t a m: Zijn grondgebied. Opperhoofden. Alge- 
meen karakter. Vriendelijkheid tegen Liberianen en 
Blanken. Lafheid in den oorlog. Neiging tot den 
Islam. — De Gal li n a s-s t a m m e n: Hun grond- 
gebied. Verdeeldheid onder verschillende opperhoof- 
den. Vijandschap tegen de Veys. Nijverheid. — De 
D e h- s t a m : Eigenaardige taal. Vroegere uitge- 
breidheid. Tegenwoordige woonplaatsen. — De 
G o 1 a h s. Grondgebied. Ydn Quehqueh^ hun opper- 
hoofd. Algemeen karakter. Verhouding tegenover 
de blanke reizigers. — De P e s s y-s t a m: Grond- 
gebied. Algemeen karakter. — De Boozies: 
Algemeen karakter. Kenteeken van den stam. — 
De Mandingo's: Grondgebied. Landbouw en 
veeteelt. Woonplaatsen. Nijverheid. Godsdienst. 
Derwisschen, scholen en onderwijs. . . / . . 

6. Talen der inboorlingen. 

Bijzonderheden der talen van verschillende stam- 
men. Taalproeven. Het daar gebruikelijke Neger- 
Engelsch. Overblijfselen der Spaansche en Portu- 
geesche taal 

6. Maatschappelijke en staatkundige 

inrichtingen. 

Het stam-opperhooid in tijd van oorlog en vrede, 
bij audienti€n en op reis. De vasallen en hunne 
verhouding tot het opperhoofd. Polygamie en po- 
sitie van man en vrouw in de maatschappij. Sla- 
vernij en behandeling der slaven. Een slavenop- 
stand en bloedige onderdrukking daarvan. . . . 



66. 



Pag. 



68 



70 



72 



7. Huiselijke inrichting. Woonsteden. 

Gewone Neger-hutten. Huizen der opperhoofden. 
Palaver-huizen. Zindelijke Neger-dorpen. Versterkte 
steden. Vestingwerken en hun nut in tijd van oorlog. 

8. Oorlog en wijze van oorlogvoeren. 

Oorzaken: Het „oorlogkoopen.'* Nachtelijke ovet- 
rompelingen. Spionnen {sofly-men). Het maken en 
wegvoeren van gevangenen. Valsch alarm tot ple- 
ging van diefstal. Bel^ering van versterkte plaat- 
sen. Vijanden op den loer. Lastige bondgenoo- 
ten. Wederkeerifije wraakoefening. Treurige gevol- 
gen dezer toestanden. Verarming van het land. 
Onmacht der Liberiaansche regeering 

9. Landbouw en veeteelt. 

Rijst- en maniokteelt. Verschillende wijzen van 
landbouw. Eigenaardige vogelverschrikkers. Het 
oogsten en de verdere behandeling der rijst {rice- 
hread ; cam-hread). Verkwisting van den voorraad 
na den oogst, een bron van aanhoudende armoede. 
Veeteelt (geiten, schapen, hoenders) 

10. Bereiding van palmolie, palmwijn en 

oaoutchouc. 

Het inzamelen der palmnoten. Verschillende wijze 
van behandeling. Bereiding van zeep. Palmolie in 
vloeibaren en vasten vorm. De palmpitten {paltn- 
kernels) het belangrijkste uit voerartikel. De palm- 
wijn en het winnen er van. Nut van den palm- 
wijn. De caoutchouc en zijne bereiding. . . . 

11. Jacht en jachtbehoeflen. 

Geweren, kruit, vuursteenen, hagel. Uitrusting van 
een binnenlandschen jager. Het bekruipen van het 
wild. Behandeling en toebereiding van den buit. 
Jacht op olifanten. Het schieten met den speer. 
Gewicht der olifantstanden. Het zetten van val- 
len, apenkooien, strikken, wildheggen, muizen- 
en rattenvallen 

12. Visehvangst. 

Het visschen met hengels, speren, netten, fuiken 
en vischkooien. Visschende Negerinnen. Sleepnet- 
ten. Het visschen in donkere nachten met fakkel, 
speer, en kapmes. Het uitgraven van visschen. . 



74 



75 



77 



78 



79- 



80. 



Xll 



INHOUD. 



Pag. 



18. 



van aeesout. 



Zoutstations op de kust. Verpakking van het zout. 
Transport naar het binnenland. Handelswaarde. 

14. Tabak en Cola-noot. 

Tabakrooken. Tabak als handelsartikel. Een eigen- 
aardig surrogaat. Tabaksnuiven en snuifbereiding. 
De Cola-noot, haar gebruik en handelswaarde. , 

16. De spijzen en hare bereiding. 

IJzeren kookpotten. Het pottebakken verwaarloosd. 
De beteekenis van rijst en mals, palmolie, maniok 
en bataten. De maaltijden. Httgtrecht „Tomöoy" 
Bananen, palmkool, palmnoten en palmpitten. 
Bataten- en andere bladeren als groenten. Dranken. 

16. Textiel- en katoen-industrie. 

Bekwaamheid in allerlei handenarbeid. Smaakvol 
mandenmakers-, vlecht- en netwerk. Het planten, 
spinnen en weven van katoen. Weeftoestellen 
(country looms) en doeken {country cloth). De Kust- 
handel in country cloth 

17. Bewerking 'van metaal en leder. 

Het ijzereits. Smeltovens. Gegoten ijzer. Smidsen. 
Bekwaamheid der smeden. Importatie van ijzer- 
waren. — De zilversmeden en hun bedrijf. Munt- 
stukken als grondstof. Vervaardiging van sieraden. 
De bewerking van goud bij de Mandingo's. — 
Het leder en zijne bereiding. Looistoffen. Leder- 
werk. Algemeen oordeel over de nijverheid der 
Mandingo's. 

18. Handel en verkeer. Gastvrijheid. 

Handelsartikelen (zout, gewonnen door de kustbe- 
woners, in ruil tegen country clothy palmolie, sla- 
ven). Hinderpalen voor den handel (gebrek aan 
goede land- en waterwegen en lastdieren. Negers 
als lastdragers. Hunne wijze van reizen. Dedraag- 
korven {kingiars). Gemiddeld gewicht van eene 
negervracht Lengte der dagreizen. Karavanen van 
dragers. Volharding. Het talent, om zichteorien- 
teeren. Schaduwzijden van het reizen met dragers. 
Olifanten als lastdieren. Dragersloon. Hoe Negers 
op hun gemak reizen. Geringe waarde van den 

. tijd. Gastvrijheid . 



8i. 



82. 



82. 



83. 



84. 



Pag. 



85. 



19. Behandeling van blanke reisigers. 

Onaangename toepassing der ga.stvrijheid. Geschen- 
ken. Veiligheid van den gast bij zijn gastheer. 
De gastvrijheid, eene speculatie op de beurs van 
den reiziger. Onbeschaamdhdd van teleurgestelde 
Negers. Bedelarij. Kunstgrepen, om de beurs van 
den Blanke te openen. Geslepenheid en welbe- 
spraaktheid in het verkeer met Blanken. De/öA/- 
vers, een schrik voor Blanken 



86. 



20. Karakter der Kegers. 

Gkringe waarde van beloften. Luihdd. Moeielijkheid 
om goede bedienden en werklieden te krijgen. 
Vrijgevigheid. Klaploopers. Hevig, maar spoedig 
voorbijgaand vreugde- en smartbetoon. Voorko- 
mendheid der Negers. Wijze van groeten, krui[)ende 
onderwerping. Algemeene karakterschets. Behan- 
deling der Negers 87. 

21. Het huiselijk leven der inboorlingen. 

Het huwelijk. Huwelijks-contracten. Leeftijd, waarop 
het huwelijk wordt ingegaan. Geboorte en behan- 
deling der zuigelingen. Wijze, waarop de kinderen 
op reis en bij den veldarbeid medegedragen worden. 88 . 

22. Tijdrekening en leeftijd der Negera. 

Het huren van Negers by the moon. Hulpmiddelen 
vv-:.r de tijdrekening. Ouderdom. Moeielijkheid om 
dezen te bepalen 89. 

28. Sterfgevallen. Ceremoniën bij sterfgevallen. 

Epidemifin. Sterfgevallen. Hartstochtelijke droefheid. 
Ceremoniën vóór en gedurende de begrafenis. Be- 
graafplaatsen, Feestelijke gedenkdagen. Denkbeel- 
den over het voortbestaan der ziel na den dood. 



89 



24. Godsdienstige gebruiken. Verma- 
kelijkheden. 

Grigri's (talismans) en fetischpriesters. Vereering van 
levende dieren. Muziek en muziekinstrumenten 
(trom, castagnetten, cimbaal). Gezang en dans. 

26. Q«heime genootschappen. 

De Devil'bush (medicine-busK), Het doel dezer ge- 
nootschappen. Plechtigheden bij het opnemen van 
nieuwe leden. De Gree^rce-bush (tooverwoud) 
Dansfeesten (DeviUdances), Invloed van deae ver- 
eenigingen op het opkomend geslacht. Inlandsche 
prinsen op de scholen der zendelingen. . . » 



91 



93 



INHOUD. 



XIII 



S6. Invloed van den Islam. 



Pag. 



Mandingo-derwischen onder de kustbevolking als 
geestelijken en onderwijzers. Uitbreiding van den 
Islam. Vermeerderd overwicht der Mandingo's. . 95 



DERDE HOOFDSTUK. 



SCHETSEN UIT ONS LEVEN IN LIBERIA. 



A. ZEEREIS EN AANKOMST TE MONROVIA. 

1. Zeereis naar Liberia. 

Afecheid van Nederland. Tot Madeira. R^enstor- 
men en t^enwind. Dierenleven der warme stre- 
ken (stormvogels, vliegende visschen, haaien, dol- 
fijnen). De noordoostpassaat. Drukkende lucht, 
woestijnzand. Op de hoogte van Sierra Leone. 
Oostelijke koers. Land in zicht. Schilderachtig 
landschap. De eerste Negers aan boord. Op de 
reede van Monrovia. Landing 



96. 



2. Verblijf te Monrovia. 

Ligging en voorkomen der stad. Verwaarloosde 
gebouwen. Met gras begroeide straten. Weelderige 
plantengroei. De faktorijen der Blanken. Markt. 
Vuurtoren en vesting werken. Een bezoek bij de 
Ministers van Binnen- en Buitenlandsche Zaken. 
Kennismaking met den Liberiaanschen reiziger 
Anderson. Ongunstige berichten over het bin- 
nenland. Voorbereidselen tot onzen eersten reis- 
tocht. Onze wijze van reizen 

B. REIZEN AAN DE ST. PAULS RIVER. 



97. 



8. Reis naar Mühlenburg Mission en verbUjf 

bU Mr. Day. 

Afecheid van Monrovia. De Stockton Creek. Rivier- 
vaart op den St. Paul. Aankomst te Milisburg. 
Het bergen van onze goederen. De boot wordt 
teruggezonden. Ontvangst door den zendeling Mr. 
Day en echtgenoote. De vrome Mr. Warner te 
Millsbiurg vergrijpt zich aan onze goederen. Be- 
spreking onzer reisplannen. Het aanwerven van 
dragers. Qet .zendingsstation en omgeving. ... 99 



4. Eerste reis in het binnenland. 

Afscheid van Mr. en Mrs. Day. Het beladen der 
dragers. De laatste sporen van civilisatie. Onze 
dragerskaravaan. Marsch door het oerwoud. Aan- 
komst te Bavia. Onze leerplaats. Afdanking der 
dragers. Het eerste nachtverblijf. Officieele ken- 
nismaking met den hoofdman Zoru Dubbah, . 

6. Bavia, ons eerste jachtstation. 

Onze jachthut te Bavia. Zoru Dubbah en zijn gezach. 
Armoede zijner onderdanen. Dnikte op ons sta- 
tion. Bedelarij. De hoofdman, een liefhebber van 
sterken drank. Onvertrouwbare bedienden. De 
eerste aanvallen van koorts. Ons jachtgebied. 
Zwerftochten. Plenty meai live in ihis conntry. 
Belangrijke jachtbuit. Ontmoeting met eene reu- 
zenslang. Visch- en gamalenvangst. Weersgesteld- 
heid en temperatuur. Droogte. Dauw. Het vallen 
der rivier. De eerste r^en. Rijzen der rivier. Stout- 
moedige schippers 

.6. Eene verkenningsreis naar Alin en 

Soforé Plaoe. 

Naar Alin. Moeielijke overtocht naar het riviereiland. 
Ontvangst te Alin. Palaver. Nachtverblijf. Een 
bezoek aan de naburige eilanden. Breedte der 
rivier. Van Alin als toekomstig jachtstation afge- 
zien. Voortzetting der reis naar Soforé Place. 
Zoru Dubbah krijgt buikpijn. Aankomst te Soforé 
Place. Eene veelbelovende streek en nog meer 
belovende bewoners. Terugreis 

7. Verplaatsing van ons station naar 

Soforé Plaoe. 

Voorbereidselen. Zoru Dubbah's machteloosheid. 
Overtocht naar Soforé Place. Eenige kisten ach- 
tergelaten. Slechte boschpaden. Sporen van een 
olifant 

8. Soforé Place. 

Ons eerste verblijf. Ziekte. Oprichting van 'het 
jachtstation. Een vlot gebouwd. De St. Paulsri- 
vier, eilanden, stroomversnellingen. De omstreken 
van ons nieuw station. Geen oliepalmen. Armoede. 
Jachttoeren 



Pag. 



lOI 



lOI 



105 



107 



lod 



XIV 



INHOUD. 



Pag. 



9. Eene levensmiddel-razsia naar 
het Westen. 

Duwri^ mijn gids, raadpleegt zijn fetisch. Naar 
Bojeh. Oponthoud te Bojeh. Ingewonnen infor- 
maties. De Mandingo-route van Vanswah naar 
Boporo. Naar Bapuiu. Hongerige inboorlingen. 
Baputu. Het kleine rivierpaard. Naar Bommo. 
Bommo en zijn hoofdman. Yenneh. In het 
stroomgebied der Little Cape Mount River. Aan- 
komst te Guëpenneh, De hoofdman Welleh, Mid- 
dagmaal. Nieuwsgierigheid der inboorlingen. Eene 
nachtelijke danspartij. De vuurvreter. Mijn nacht- 
verblijf. Inlichtingen omtrent Sublum. Afstand 
van Grand Cape Mount, Aankoop van provisie. 
Terugreis. De vuurvreter als drager. Nachtver- 
verblijf te Bojeh. Aankomst op ons station. Ziekte. 
Nieuwe ontberingen 

10. Mijne reis naar Bavia, Mühlenburg 
Mission en Monrovia. 



109 



Geschillen met Zoru Dubbah. — Aankomst te 
Bavia. Onze achtergelaten kisten bestolen. Onze 
oude legerplaats. Nachtverblijf. Met Zoru naar Mr. 
Day. Vergissing in de tijdrekening. Zoru Dubbah 
krijgt ongelijk. Naar Monrovia. Aankomst. Berehy 
mijn boy, onmiddelijk naar Sala teruggezonden. 
Verblijf te Monrovia. Terugreis (met provisie) naar 
Mr. Day. Geen dragers te krijgen. Bereh zonder 
provisie vertrokken. Duwri en Bereh brengen be- 
richt van Sala. Onmiddelijk vertrek naar Soforé 
Place, Parforce-toer met Bereh door het oerwoud. 
Door den nacht overvallen. Verdwaald. Een nacht 
in het oerwoud. Voortzetting der reis. Aankomst 
op ons station. Hoe het Sala gedurende mijne 
afwezigheid ging 112. 

11. Verdere jachttoeren. 

Reis naar Geweh en de Boozie Country, Rivierei- 
landen bij Geweh. Open landschap, door den 
oorlog verwoest. Eene geschikte plaats voor een 
nieuw station. Verhinderd om er van gebruik te 
maken. Belangrijke jachtbuit. Ontvangst onzer 
laatste kisten. Bijgeloof. 114. 

12. Tijd van zware ziekte. Dieverijen der 

inboorlingen. 

Koliek. Reis in de hangmat naar Mr. Day. In het 
bosch verlaten. Naar het station teruggebracht. 



P««. 



Een schurkenstreek. Beterschap. — Bedelarij. 
Door schade wijs geworden. Treurige ervaringen 
met onze bedienden 

13. De droge dagen van Juli en de 
groote regentijd. 

Het drogen van onze verzamelingen. Het vallen 
der rivier. Verplaatsing van ons station onmogelijk 
geworden. Rijstoogst. Aankoop van rijst. Over- 
strooming. Onmogelijk om te jagen. Soquooi, 
onze laatste bediende, gaat weg. Dreigende hou- 
ding van den hoofdman Sickly. Een oploop in 
onze jachthut. Gespannen verhouding met Sickly. 
Strenge maatregelen om ons te isoleeren en uit 
te hongeren. Onze veiligheidsmaatregelen, vooral 
tegen nachtelijke aanvallen. Magere kost, Twee 
maanden aanhoudende regen. Overstroomingen. 
Nederstortende boomen. Water in onze hut, van 
onderen en van boven. Onze verzamelingen. 
Gezondheidstoestand. Bezoeken uit de stad. Alle 
verbindingen met de buitenwereld afgebroken. . 



"5 



116. 



itS 



14. Het aanbreken van het droge jaargetijde. 

Verzending van onze brieven en boodschappen aan 
Mr. Day. Wij krijgen antwoord en levensmidde- 
len, alsmede dragers om onze goederen weg te 
halen. Sickly gaat intrigeeren. Een onaangenaam 
contract. Verhuizing naar Soforé Place. De 
laatste oogenblikken op ons station. Oponthoud 
in Soforé Place. Krijgsalarm. De hoofdman breekt 
zijn contract en vertraagt onze afreis 

16. Terugtocht naar MtUilenburg Mission. 

Sala blijft met eene kist achter. Op weg bestolen. 
Afmattende reis. Aankomst op het zendingstation. 
Ontvangst door Mr. Day. De hoofddief ontsnapt. 
Aankomst van Sala zonder kist. Hoe hij terug- 
kwam. De dragers afgedankt 119 

16. Voor den rechter gedagvaard. Terug 

naar Monrovia. 

* 
Zoru Dubbah verlangt schadevergoeding. Eene 

Liberiaansche terechtzitting. Salomonische uit- ' 

spraak. De laatste avond bij Mr. Day. Afscheid. 

Riviervaart. Aankomst te Monrovia 120. 



INHOUD. 



XV 



Pag 



C. VERBLIJF IN HET DISTRICT GRAND CAPE MODNT. 

17. Grand Cape Mount. 

Zeereis naar Grand Cape Mount. Aankomst te Ro- 
bertsport. De havenplaats. Kerken. Het zending- 
station. Omstreken van Robertsport. Moerassen. 
De Fisherman Lake. Oeverlandschap. Heuvelach- 
tige achtergrond. Het Cape Mount-gebergte. Heer- 
lijk drinkwater. Overeenstemming van Grand 
Cajje Mount met Cape Messurado en met Grand 
Bassa. De Grand Cape Mount River. De Marfa 
River. De Sugary River. De Manna River. De 
Solyman River. Oude en nieuwe kennissen (Mr. 
Veldkamp, Mr. Watson en Rev. Grubb). Contract 
met koning Barlah 121 

18. Onze jachtstations te Bendo en Hokhië. 

Naar Bendo verhuisd. De stad Bendo. Omstreken 
van Bendo. Verplaatsing van ons station naar 
Hokhia, Buluma, ons tweede station. Gunstige 
ligging. Aanwin.st van belangrijke en zeldzame 
dieren. De Fisherman Lake is arm aan waterwild. 
De stad Bulurüa. Onze wijze van jagen. Jacht 
bij maanlicht. Jachttocht naar Mendo. Hetgroote 
vorstenhuis der „Gray's." De Vey-taal. Jachttoer 
naar Jonny en Jondo 125 

19. jiSene reis langs de Marfa River naar 

Cobolia. 

James Payne, een soi-disant neef van koning Marana. 
De jonge luipaard en het witte hoen. Teleurstel- 
ling. Reis naar Robertsport. Per kano naar Co-i 
bolia. Oponthoud te Caba. Toebereiding vaneqn 
aap voor den maaltijd. Voortzetting der vaart 
bij maneschijn. Schilderachtig oeverlandschap. 
Lappenkieviten. Aankomst te Cobolia. Ontvangst 
door koning Marana. Op luipaardengebraad ont- 
haald. Op audentie. Plannen, om daar een jacht- 
station op te richten. Oorzaak van Marana's 
..'hartigheid. Jachttoeren in de omstreken. Mijn 
tijdelijk woonhuis. Prins Davinda. De stad Cobo- 
lia. Vestingwerken. Eene nachtelijke rondte. Het 
groote palaverhuis. Handel. Omstreken van Co- 
bolia. Verwoestingen door den oorlog. Terugreis. 126 



P«g 
20. Zeereis naar Monrovia en terugreis over 

Little Cape Mount. 

Op de kust van Little Cape Mount gestrand. De 
Little Cape Mount River. Nachtverblijf in Bom- 
bo's toivn. Over land naar Hokhie-Buluma. . . 130. 

21. Ziekte en overiyden van mijn 

reisgenoot. 

Naar Robertsjxjrt verhuisd. Toenemende zwakte. 
Hulpvaardigheid onzer blanke vrienden. Plan- 
nen om Sala naar Europa terug te zenden. De 
„Elize Siizanna" loopt binnen. Sala sterft. Be- 
grafenis 



131 



22. Eene jachtreis naar het binnenland. 

Per kano naar Cambama. De Fisherman Lake. De 
Morfi River. Toöcoro. Heerlijke palmbosschen. 
De Japaca Creek. Negergezang. Aankomst te 
Cambama. Omgang met inboorlingen. — Cam- 
bama: Verblijf aldaar. Mijn jager Jackson. — Van 
Cambama naar Coro: Moeielijke woudpaden. 
Heuvelachtig terrein. Moerassen en bergbeken. 
Aankomst te Coro. — Verblijfte Coro: Ont- 
vangst door king John. Mijn woonhuis. Talismans. 
Begraafplaatsen. Het medicine-bush. Een groote 
bamboe. De stad Coro voorheen en thans. King 
John en zijn vaderlijk erfdeel. Behandeling der 
slaven. Een Mandingo-derwisch en zijne bezighe- 
den. De omstreken van Coro. Uitzichten voor 
de jacht De baboons. Baboons fire^places. Regen 
en koorts. Een uitstapje naar Bondocoro. — Van 
Coro naar Fali: S.amalima. De hoofdman dezer 
plaats. Negers in boeien. Geiten en schapen. Tal- 
rijke oliepalmen. — De stad Fali: Hoe ik met 
koning Pieter vriendschap sloot. Naar Fali- 
halftown. Teleurgesteld. De roode Colobus. Eene 
eigenaardige country law. Apenvleesch eene lek- 
kernij. Reis naar Mr. Browns Place. Aanhoudende 
regen. — Terugreis pver Japaca: Eene ge- 
vaarlijke brug. Japaca. Ontvangst door koningin 
Sandamanna. Terug naar Robertsport 

23. Oorlog tussohen de Vey*s en Gallina's. 

De Kosso's. Een war-palaver te Robertsport. Ko- 
ning Marana wordt verhinderd om naar Co- 
bolia terug te keeren. Belegering en verdediging 



131 



XVI 



INHOÜt). 



van Cobolia. Besseh en Glima door de Kosso*s 
veroverd. Verwoesting van anden* Vey-plaatsen. 
Vluchtelingen te Robertsport. Robertsport bedreigd. 
Stilstand van den handel met het binnenland. 
Liberiaansche troepen belegeren Glima. Terugge- 
slagen. Kooplieden uit Robertsport te Wearjah 
overvallen. Mc. Critty vermoord. Albert Mills 
ontvlucht. Johnson gevangen weggevoerd. De Marfa 
River geblokkeerd. Robertsport in staat van beleg. 

24. Verdere jacht-ondememingen. 

Tijdelijk station te Caba: Het bouwen van barrica- 
den. De krijgsoverste van koning Marana. Caba 
door vrouwen en kinderen verlaten. Hoe ik van 
den hoofdman eene hut kreeg. Zware koorts. Naar 
Robertsix)rt teruggebracht. — Vruchtelooze pogin- 
gen om vrede te sluiten. — Kleinere uitstapjes met 
den Heer Ahrens naar de Sugary River, Marfa 
River, Fisherman Lake etc 

26. De duivelsfeesten in Tosso. 

Devil-dances. Feestvreugde. Medegedanst. De feest- 
duivel. Eene groote leestmaaltijd 



Pag. 



140 



141 



Pag. 

26. Pogingen tot het verkrijgen van chlmpansé's. 

Chimpansé's in het Cape Mount-gebergte. Jackson's 
avontuur. Het jachtstation y^Traveller^s rest^ . 143. 

27. Treurige toestanden in Bobertsport 

en omstreken. 



Hongersnood. Hulpvaardigheid van Amerika en En- 
geland. Verijdelde vredesonderhandelingen. Onmo- 
gelijkheid van het reizen in het binnenland. — 
Per kano naar Passaro. Landing te Sol)niian. 
Een verlaten heiligdom . . , . 



28. Naar Monrovia verhuisd. 



144 



Afscheid van Robertsport. Aankomst te Monrovia. 
Ziekte. Onmogelijkheid, om langer vol te houden. 
Terugreis naar Europa ....... 145 



142 



Naschrift 146 



j 



EERSTE HOOFDSTUK. 



HET LAND EN ZIJNE VOORTBRENGSELEN. 



1. Orographie. 

Liberia vormt, zooals een vluchtige blik op de kaart 
doet zien, een deel der westkust van tropisch Afrika, 
in het bijzonder van Opper-Guinea, zooals de kust 
van Sierra Leone tot aan de baai van Biafra 
genoemd wordt. Vroeger, vóór de stichting der republiek 
Liberia, was deze streek echter algemeen onder den 
naam van Peperkust bekend. In het Noordwesten 
grenst dit land aan de Engelsche kolonie Sierra Leone, 
in het Zuidoosten aan de zoogenaamde Ivoorkust, 
terwijl, naar het binnenland toe, zijne grenzen wel op de 
kaart aangegeven, in werkelijkheid echter verre van nauw- 
keurig bepaald zijn. 

De van het N.W. naar het Z.O. loopende, tamelijk 
rechte kustlijn, is over het algemeen een slechts weinige 
voeten boven de oppervlakte der zee verheven zandig strand, 
zonder eigenlijke duinvorming. Deze kustlijn wordt a%e- 
broken door de vele uit het binnenland komende stroomen, 
alsook door verschillende voorgebergten, die, wat vorm en 
samenstelling betreft, eene merkwaardige overeenkomst ver- 
toonen, alle juist in westelijke richting vooruitsteken en 
achter hunne noordelijke helling min of meer belang- 
rijke zeeboezems vormen, die den schipper eene goede 
ankerplaats aanbieden. De meeste dezer voorgebergten heb- 
ben steile zuidelijke en westelijke hellingen met vooruitste- 
kende rotspunten, tegen welke de sterke branding met 



donderend geraas beukt. In elke dezer door die voorge- 
bergten gevormde baaien vindt men regelmatig het vereeni- 
gingspunt van verschillende (meestal 3) riviermonden. 

Vlak achter de strandlijn ligt eene 4 — \o miles ^) breede 
strook moerasgrond, hier en daar door kleine grassteppen 
afgebroken. Öie moerasstrooken worden, behalve door de 
riviermonden, in verschillende richtingen door stille, zwarte 
waterstraten, Creeks *) genaamd, doorkruist, welke ge- 
woonlijk zeer diep, dikwijls ook zeer breed zijn en die 
zich vaak tot groote watervlakten verwijden. Bij vloed 
staan ze grootendeels en in den regentijd voortdurend onder 
water. Ze zijn met dicht Mangrovebosch bedekt, dat, door de 
luchtwortels, die van de takken in het water neerhangen, het 
voorkomen verkrijgt van een op millioenen stelten staand woud. 

Geheele landtongen en eilanden van hooger gelegen land 



') Ik bedien mij, om de afstanden aan te geven, in het geheele 
verslag van de Engelsche zeemijl, die ook in Liberia algemeen 
gebruikt wordt. 

I Engelsche zeemijl is ongeveer 20 minuten. 

3 „ zeemijlen zijn „ i uur. 

4 ^ „ „ „ I geogr. mijl. 

■) Het woord „Creek*' heeft in Liberia een veel ruimer beteekenis 
dan het Nederlandsche yyKreek^\ omdat daar niet alleen de dood- 
loopende zijtakken der rivieren, maar ook de natuurlijke kanalen, 
die in het moerasgebied verschillende rivieren verbinden, zoo ge- 
noemd wor(^. Zie kaart en derde hoofdstuk: Stockton Creek, die 
den St, Paul met de Messurado River verbindt. 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



zijn echter in deze streek van Mangrove-moeras niet zeldzaam 
en deze zijn óf wel het geheele jaar, óf ten minste gedu- 
rende den droogtetijd bewoond door inboorlingen, die 
daar hun rijst bouwen, palmolie bereiden of zich bezig 
houden met de vischvangst. 

Met den landwaarts in zich langzamerhand vérheffenden 
bodem verdwijnen moeras en grassteppe, welke plaats ma- 
ken voor een vruchtbaren akkergrond, die in hoofdzaak 
bestaat uit sterk ijzerhoudende, gewoonlijk humusarme 
kleiaarde, die in den regel uitstekend geschikt is voor 
koffiekultuur. Deze landstreek, naar de kust vlak uitloo- 
pend, wordt landwaarts in steeds meer heuvelachtig en 
bezit zelfs hoogten, die met het volste recht het praedicaat 
berg of gebergte verdienen. Deze strook is tamelijk 
dicht bevolkt met inboorlingen en, vooral langs de stroo- 
men, met Liberiaansche kolonisten *) die hier op hunne 
koffie- en suikerplantages leven. 

De meer bergachtige streek is, naar het binnenland toe, 
betrekkelijk slechts weinig bevolkt en het uitgestrekte oer- 
woud alleen hier en daar een weinig weggehakt om plaats 
te maken voor een armoedig negerdorp met zijne omliggende 
rijst- en maniok-farmèn. 

Achter dit, meerdere dagreizen breede, bosch- en water- 
rijke heuvelland begint eene groote hoogvlakte, die rijk 
aan weiland is, de zoogenaamde Mandingo-vlakte. 
Men moet zich echter deze vlakte niet voorstellen als eene 
onafzienbare grassteppe, maar als eene golvende, zelfs 
van hooge, begroeide heuvelen voorziene hoogvlakte, 
waarboven zich, lo — 20 dagreizen landwaarts in, de lange 
dwarsdoorgebroken bergruggen van het Kong-gebergte ver- 
heffen, welke de hoogvlakte en dus het bronnenland der 
Liberiaansche rivieren van het stroomgebied van den 
Niger scheiden. 

2. Hydrographie. 

Geheel in overeenstemming met de samenstelling van 
dep bodem vertoont zich ook de loop der rivieren. Tal- 
rijke Liberiaansche stroomen, zelfs die, welke eene aan- 
zienlijke breedte bezitten, ontspringen in het begroeide 
heuvelgebied, worden gevoed door tallooze, heldere woud- 
beken en sluipen met tragen loop, groote krommingen 
vormend, door den moerasgordel, tot zij eindelijk achter 
groote zandbanken {bars) eene vrij onbeteekenende wa- 
termassa in zee uitstorten. Andere, evenzeer in grooten 
getale, komen uit de hoogvlakte, eenige, zooals de S o 1 y- 



man-, Manna-, Mar fa-, Little Cape Mount-, 
S t. P a u l s- en C a v a 1 1 o R i v e r, tot zelfs uit de dalen 
van het Kong-gebergte *). Deze doorstroomen in snellen, 
veelvuldig door watervallen en stroomversnellingen afge- 
broken loop, de hoogvlakte en het heuvelland, en treden 
dan als breede, aanzienlijke stroomen in het vlakke laag- 
land te voorschijn, waarna zij met een zoo langzaii^en loop 
naar de zee toestroomen, dat de invloed van het getij, op 
grooten afstand stroomopwaarts, nog merkbaar is. In den 
moerasgordel getreden, verwijden zij zich dikwijls tot groote 
waterbekkens en staan door de creeks^ welke het moeras 
doorsnijden, gewoonlijk in verbinding met andere stroo- 
men, zoodat men, als men van deze creeks gebruik maakt, 
meestal te water van den eenen stroom naar den anderen 
varen kan, zonder genoodzaakt te zijn dit, van de zee uit, 
door de gevaarlijke branding te doen. 

Alle Liberiaansche stroomen vormen van de mcnding 
tot aan de watervallen goede waterwegen voor roeibooten, 
en zouden zelfs voor kleinere stoombooten met niet al te 
grooten diepgang ook in den droogtetijd bevaarbaar zijn. 

Het gebruikelijkste en meest geliefkoosde vaartuig der 
inboorlingen en der Liberianen is de kano, met welke men 
wel tot aan de eerste stroomversnellingen kan komen. De 
lengte van den benedenloop der Liberiaansche stroomen 
is zeer verschillend. Terwijl in den S t. Paul de eerste 
watervallen slechts 20 miles van 'de kust liggen, kunnen 
de Manna-j Marfa-y St. Johns- en de Cavallo River wel 
70 miles en daarboven bevaren worden. Daar deze wa- 
terstraten in Liberia tegelijk ook de eenige wegen voor 
het verkeer zijn, hebben de Liberiaansche kolonisten de 
kuststreken aan den bevaarbaren benedenloop der rivieren 
in bezit genomen, het bosch weggehakt en volkplantingen 
gesticht. 

8. De Jaargetijden. 

Liberia heeft, zooals alle tropische landen, zijn droog 
seizoen en zijnen regentijd. De droogtetijd valt samen 
met den winter in het Noorden, de regentijd met onze 
zomermaanden. Den droogtetijd moet men zich echter 
niet als geheel zonder regen voorstellen, daar hij even 
zoo goed zijne regenbuien als de regentijd ^.ijne droge 
dagen heeft *). Beide jaargetijden zijn gescheiden door 



*) Zie Ilde hoofdstuk: De bevolking van Liberia. 



*) Zie: Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, i88i, p. 2. 

•) Het zal wel overbodig zijn te zeggen, dat, even als bij ons zomer of 
winter in het eene jaar intensiever wordt of van langeren duur is dan 
in het andere, zoo ook in de tropen de intensiteit en de duur der 
jaargetijden niet altijd dezelfde is. 



MEDEDEELINGEM OVER LIBERIA. 



korte overgangsperioden, met storm en onweersbuien, de 
tijd der t o r n a d o*s genoemd, welke overeenkomen met 
lente en herfst bij ons. Ofschoon eigenlijk tusschen deze 
beide jaargetijden geene scherpe grenzen bestaan, zoo 
wordt toch algemeen aangenomen, dat het droge seizoen 
half November of in het begin van December aanvangt en 
met het einde van April besloten wordl. Dit seizoen zou 
aldus telkens vijf, de regentijd echter zeven maanden duren. 

Gedurende de eerste helft van het zoogenaamde „//ry 
seasan'' waait een alles uitdrogende, vooral gedurende den 
nacht voor dit klimaat gevoelig koude landwind, de zoo- 
genaamde harmattan, met groote hevigheid en er valt 
gedurende dien tijd bijna geen regen. Onder den invloed van 
dien wind drogen de moerassen snel uit, de woud beken en 
creeks worden kleiner, de buiten hunne oevers getreden 
stroomen keeren weer binnen hunne boorden terug en hun 
water, in den regentijd troebel en geel, wordt helder en 
klaar. De natte aarde geeft eene verbazende hoeveelheid wa- 
terdamp af, die in de koude nachten als regen en dauw 
nederslaat, zoodat de jager, na een korten marsch door gras 
en kreupelhout, druipend van den regen naar zijne hut 
terugkeert. 

Slechts de maanden Januari en Februari blijven nage- 
noeg zonder regen. Gedurende dien tijd hakken de inboor; 
lingen en kolonisten de voor hunne farms noodzakelijke 
gedeelten bosch neder. Binnen eenige dagen zijn de takken 
uitgedroogd en worden weggebrand, waarna de gevelde 
boomstammen en de dikwijls lo en meer voet hooge boom- 
stronken — tot op zulk eene hoogte worden menigmaal 
de boomstammen afgehakt — half verkoold achterblijven. 

Reeds tegen het einde van Februari wordt de hemel 
weder met wolken bedekt, en een doffe donder kondigt, eerst 
met tusschenpoozen en vervolgens bijna onafgebroken, eenen 
tornado aan, ofischoon het nog gedurende langen tijd 
niet tot regenen schijnt te kunnen komen. Eindelijk, aan- 
gekondigd door zware stormen, barst een tornado los, — 
de eerste regen valt! Van dit tijdpunt af worden de don- 
dcrbuien telkens menigvuldiger, tot zij, tegen het einde van 
staart en nog meer in April, bijna dagelijksche verschijn- 
sden zijn. De plantenwereld, die gedurende de warme 
maanden Januari en Februari in een stadium van zomer- 
slaap getreden was, waarbij vele boomen en struiken hunnen 
bladerdos verloren, ontwaakt , onder den machtigen invloed 
van het invallende regenseizoen, weer tot nieuw leven, tooit 
ricb met frisch groen en spreidt al de rijke pracht van eene 
grootsche, weelderige tropennatuur ten toon. 

Dit is voor de farmers de gunstigste tijd om te zaaien. 
Rijst en mals worden tusschen de verward over elkaar ge- 



storte, half verkoolde boomstammen en takken gezaaid en 
later luchtig in den grond gewerkt, waarbij de asch zich 
met de aarde vermengt. De steeds menigvuldiger wordende 
regenbuien doen het zaad in den warmen, aldus bemesten 
bodem spoedig ontkiemen; de teedere spruitjes schieten 
onder dauw en regen welig op, en na twee maanden staat 
alles in vollen bloei. 

In de maand Mei maken de onweersbuien meer en meer 
voor een algemeenen landregen plaats. De hemel is bijna 
aanhoudend met wolken bedekt, en het regent, zooals men 
zegt, om elke kleinigheid. Dagen zonder regen worden 
spoedig eene groote zeldzaamheid. Daarbij wordt de lucht 
zwoel en dampig, want de t o r n a d o's brengen haar niet 
meer in beroering en zuiveren haar niet meer en de, vóór en 
na den langsten dag loodrecht boven het land staande zon 
maakt, ofschoon zij zelden in staat is den wolkensluier 
vaneen te scheuren, de hitte van dag tot dag ondragelijker. 

Hoe weldadig deze toestand ook op den plantengroei 
moge werken, op den mensch — dö inboorling zelfs niet 
uitgezonderd — werkt hij uiterst afmattend. De van wa- 
terdamp zwangere lucht is niet in staat de verhoogde uit- 
waseming van het menschelijk lichaam op te nemen en 
zoo maakt zich dan een moeielijk te beschrijven gevoel van 
opgeblazenheid en angst van hem meester, dat hoogst na- 
deelig op spijsvertering, ademhaling en zenuwstelsel werkt, 
en daardoor een schadelijken invloed op de geheele con- 
stitutie uitoefent, welke, door het melancholische van het 
weder, nog toeneemt. De aldaar zoo veelvuldig voorkomende 
leverziekten vertoonen zich, gedurende dezen tijd, in hare 
gevaarlijkste stadiën; overal hoort men klagen over ge- 
stoorde spijsvertering; galkoortsen zijn aan de orde van 
den dag en decimeeren de menschelijke krachten in merk- 
waardig korten tijd op zeer bedenkelijke wijze. 

Tegen half Juli scheurt de wolkensluier vaneen; de zon, 
die men dikwijls gedurende geheele dagen niet meer te 
zien kreeg, breekt' weer door en de tweede helft van deze 
maand biedt een hoogst welkom intermezzo aan van zon- 
nige, droge dagen met eene dampvrije lucht en een helder 
blauwen hemel, midden in dezen treurigen regentijd. Intus- 
schen is de rijst in de farms tot rijpheid s^ekomen en de 
inboorling haast zich haar droog onder dak te brengen, want 
de volgende, tweede helft van den regentijd, zou hem 
hiertoe geen gelegenheid meer geven. 

Die schoone dagen zijn echter spoedig voorbij en de 
regen begint weer met verdubbelde kracht. Het regent 
niet meer; het water valt dag ^n nacht in stroomen naar 
beneden, dikwijls, zonder ophouden, eene geheele week 
lang. De in het droge seizoen over rotsen en rolsteenen daar 



MEOEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



heen klaterende kristalheldere woudbeeken groeien aan tot 
stroomen, de stille woudmoerassen worden meren, waar- 
boven kreupelhout en hooger geboomte treurig uitsteken. 
De rivieren zetten, waar zij slechts buiten hare oevers 
kunnen treden, groote boschstreken onder water, stuwen 
het water van hare zijtakken met kracht op en maken 
daardoor de boschwegen onbegaanbaar. Geel en troebel 
rollen hare golven voort; het anders zoo heldere water 
wordt nauwelijks drinkbaar, wat echter niets hindert, 
daar de hemel drinkwater in overvloed naar beneden giet. 
De gemeenschap tusschen vele farms en negerdorpen is 
dan wegens het afschuwlij ke weer en de onbegaanbare 
wegen afgebroken. Geheele dagen ligt de Neger lusteloos 
in zijne hut en leeft met zijne familie van de opbrengst 
van zijn rijst- en maïsoogst, dien hij boven onder het dak 
heeft opgestapeld en van eenige cassaven, die zijne vrouwen 
niet verre van zijne hut hebben geplant, en hij laat zich 
door het geruisch van den gelijkmatig neerkletterenden 
regen in slaap sussen. Zoo kruipen, onder bijna aanhou- 
denden regen, de dagen van Augustus en September lang- 
zaam voort, en men verbeeldt zich bijna in een droom te 
verkeeren, wanneer eindelijk het zware wolkgordijn van- 
een scheurt en de lieve zon, eerst schuw en als ter sluiks, 
later evenwel vol en helder, op de naar haar licht snak- 
kende aarde neerziet. 

In October begint de tijd der t o r n a d o's weder. 
Wilde onweersstormen verscheuren den dichten wolkensluier 
meer en meer, hevige bliksemstralen doorklieven de van 
electriciteit zwangere atmospheer; dof rolt de donder boven 
de uitgestrekte wouden en kletterend stort de regen als 
eene wolkbreuk naar beneden. In November worden de 
regenbuien zeldzamer en op het einde van deze maand, 
wanneer de harmattan weer begint te waaien, is de donder 
geheel verstomd, de regen houdt geheel op en van den 
geheelen tornado is niets overgebleven als een zwak 
flikkerend weerlicht, dat zich nu en dan aan den avond- 
en nachtelijken hemel vertoont — een zekere voorbode 
van het aanbrekende droge seizoen. 

4. Klimaat en Q^zondheidstoestand. 

Het klimaat van Liberia is overeenkomstig de breed- 
tegraden, waaronder dit land ligt (4® 24' — 70 NB.) zuiver 
tropisch; het staat echter even als ieder ander land zeer 
onder den invloed van de weersgesteldheid en van oro- en 
hydrographische toestanden. Van de ondragelijke hitte bij 
dag en de evenzeer gevoelige koude des nachts, die het 
leven in vele, zelfs sub-tropische landen zoo onaangenaam 



maken, heeft men in dit land zelden te lijden. De gemid- 
delde dagelijksche temperatuur is ongeveer die van een 
heeten Europeeschen zomer; slechts zelden wordt de 
hitte wat men noemt onuitstaanbaar; niet zelden vindt 
men echter de temperatuur bij de lichte kleeding, die men 
daar gewoonlijk draagt, zelfe koel. De gemiddelde tempe- 
ratuur in de schaduw is + 82** F. (= 22® R. = 27,5 '^ C). 
Des nachts daalt zij zelden beneden 75** F. en stijgt, 
gedurende het warmste gedeelte van den dag (om i uur) 
nauwelijks boven 88® F. ^). Het grootste verschil tus- 
schen de temperatuur over dag en die bij nacht neemt 
men waar in het droge seizoen, wanneer des nachts de 
koude harmattan waait, en het kleinste gedurende 
den regentijd. Bovendien zijn de nachten in het bosch- 
rijke laagland minder koud dan op de kale hoogvlakten 
van het binnenland. De hoogste temperatuur in de zon, 
d. w. z. op het vrije veld, welke ik ooit waarnam, was 
115*^ F. zeer zeker eene hitte, die men zonder nadeel niet 
lang uithoudt. 

Het is wel niet te loochenen, dat eene voortdurende 
temperatuur, zooals men die in het midden van denzomer 
heeft, met al hare bijkomende verschijnselen, verslappend 
op het organisme van den Europeaan moet werken; dat 
deze een groot deel van zijn aangeboren weerstands vermeden 
er bij inschiet, en dat hij door invloeden zelfe van onder- 
geschikten aard, waaraan hij in Europa met gemak het 
hoofd biedt, in hooge mate kan geschokt worden. Wat in 
Europa slechts acute ziekteverschijnselen zijn, worden, 
als men geruimen tijd in dit klimaat leeft, zeer licht ziekten 
met een chronisch karakter. Al kan nu ook de Europeaan 
zich langzamerhand min of meer acclimatiseeren, d. w. z. 
al leert zijne constitutie zich te schikken naar de ongewone 
eigenaardigheden van dit klimaat, hij ontsnapt toch nooit 
aan de koortsen, die aan de geheele kust heerschen en 
zijne krachten worden, al naar de hevigheid en de menig- 
vuldigheid waarmede zij optredpn, na korter of langer tijd 
gesloopt. 

Reeds langen tijd heerscht daarom op de westkust van 
tropisch A f r i k a de algemeen aangenomen gewoonte, dat 
de Blanke, telkens na een driejarig verblijf aldaar, ten 
minste voor een half jaar naar Europa, resp. naar 
Amerika terug keert, om zijne geschokte gezond- 
heid te herstellen. Alle handelshuizen en zendelingsge- 
nootschappen aan de kust van Liberia hebben dit tot een 



*) De gewoonlijke thermometerstand bedroeg 's morgens 6 u. 
77® F. (25<» C), 's middags 12— i u. 86' F. (30® C.) en *s aTonds 
6 u. 84» F. (2()» C). 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



vast systeem gemaakt ; hij echter, wïens middelen en omstan- 
digheden dit veroorloven, blijft nooit langer dan twee op- 
eenvolgende jaren aan de kust. 

Hoewel ook het klimaat van Liberia niet gezond 
genoemd kan worden, verdient het toch de voorkeur boven 
het moerasgebied, dat men aan de golf van Guinea, van 
Lagos tot aan de Cameroon, aantreft. De zoogenaamde 
Afrikaansche malaria- of moeraskoorts, welke in deze stre- 
ken hare verwoestingen aanricht en jaarlijks hare offers 
eischt, zoodat men wel eens de streken van Calabar 
en Cameroon het graf der Blanken genoemd heeft, doet 
zich hier, voor zoover ik weet, hoewel zeer gevaarlijk, toch 
niet met doodelijken- afloop voor. Geen enkel der mij 
bekende sterfgevallen onder de Blanken in dit land moet 
men geheel op rekening der malariakoortsen stellen. Ik ont- 
ken echter niet dat het klimaat óf de directe óf — in de 
meeste gevallen — de indirecte oorzaak van den dood 
was, daar het de eene of andere ziekte of wel een organisch 
gebrek, dat de lijder in min of meer hevigen graad reeds 
met zich naar de kust bracht, en waaraan hij waarschijnlijk 
vromer of later te huis ook bezweken zou zijn, spoedig op 
eene bedenkelijke wijze doet toenemen en den dood ten 
gevolge heeft. Aan den anderen kant verdwijnt onderden 
invloed van dit klimaat de, vatbaarheid voor verschillende 
ziekten, die in Europa tot de gevaarlijkste behooren, 
zooals Tuberculose en andere ziektetoestanden der lucht- 
wegen, die men in Liberia nauwelijks kent. Vele ziekten 
echter, die in Europa epidemisch heerschen, zooals typhus, 
cholera, vele kinderziekten, pokken enz. zijn hier geheel 
onbekend. De laatste ziekte is slechts onder de inboor- 
lingen van veel meer zuidelijk gelegen landstreken te vinden. 
Evenzoo zijn in Liberia tot nu toe geen gevallen voorge- 
komen van gele koorts. 

Het procent der sterfgevallen onder Blanken is dus in 
Liberia betrekkelijk niet bovenmate hoog te noemen, en de 
geheele westkust heeft wellicht een veel slechter naam dan 
zij werkelijk verdient. In Europa toch heeft men er 
zich aan gewend, jonge en sterke menschen onverwachts 
te zien sterven, hoe zou men dan mogen verwachten, dat 
een dergelijk geval aan deze kust geen plaats zou kunnen 
hebben ? 

De koortsaandoeningen zelve doen zich zeer verschillend 
voor. In de meeste gevallen echter vertoonen zij zich als 
onze intermitt^ns^ zeldzamer als eene voortdurende koorts, 
of gelijk men daar zegt, ^^inward/ever' (inwendige koorts), 
welke even zeker, maar langzaam en gestadig, vergezeld 
van gestoorde spijsvertering, zenuwachtige overprikkeling, 
onrustigen slaap met zware droomen, of geheele slapeloos- 



heid, verbonden met ijlen bij opene oogen, de krachten 
verwoest. Bij groote zwakte doet zich wel eens het be- 
langrijke verschijnsel voor dat iemand, die zich in gezel- 
schap bevindt, zonder een voorgevoel van een koortsaanval 
te hebben en levendig aan het onderhoud deelnemende, 
plotseling geheel verwarde antwoorden geeft, langzamerhand 
allerlei onzin door elkander praat, welke met het onderwerp 
.van het gesprek in het geheel niets te maken heeft, en ein- 
delijk in zittende houding met opene oogen en in volslagen 
delirium begint te lachen of te zingen. Men verwijdert 
hem dan en brengt hem naar bed. 

De koortsen kunnen zich voordoen zonder dit men de 
oorzaak er van kan opgeven, of wel zij vertoonen zich als 
het gevolg van slechte spijsvertering (galkoortsen) en andere 
storingen in het menschelijk organisme, of van verkoudheden, 
aan welke men in de tropen in veel hooger mate is bloot- 
gesteld dan men zou denken, of van ingespannen arbeid 
en dagmarschen, of ook van grooten invloed der zonne- 
warmte. Zooveel is zeker, dat zij geenszins altijd op infectie 
berusten, en men moet wel degelijk onderscheid maken 
tusschen de zoogenaamde Malaria- of moeraskoortsen en 
andere ko( rtstcestanden, welke hoofdzakelijk het gevolg 
zijn van gestoorde spijsvertering. Dikwijls is het moeielijk 
zoo niet geheel onmogelijk, oorzaak en gevolg uit elkaar 
te houden, d. w. z. te bepalen of organische storingen de 
oorzaak van de koorts zijn of omgekeerd. 

Gewoonlijk neemt men aan, dat het klimaat slechts aan 
de kust ongezond is en men in de hooger gelegen, 
moerasvrije streken ver in het binnenland, van de lastige 
koortsen weinig of niets te vreezen heeft. Ik heb echter 
onderscheidene streken van het binnenland tot op 76 tniies 
van de kust bezocht, welke, bij tamelijk hooge ligging, 
meer vnj van moerassen zijn dan het kustgebied, en waar 
ik dus aan geen schadelijke miasmen behoefde te denken — 
de koortsen zijn echter nergens weggebleven. Toch be- 
staat nog altijd de mogelijkheid, dat ik het zoogenaamde 
Contagium uit de kuststreek had meegebracht, want dikwijls, 
lang nadat men in Europa is teruggekeerd, breken de 
koortsen nog sporadisch uit. Gewoonlijk schreef ik ze in 
zulke gevallen aan al te groote vermoeidheid toe, veroor- 
zaakt door afmattende dagmarschen, den invloed der bran- 
dende zonnestralen, grooten dorst of eene in een plotseling 
ontstanen tocht opgeloopene verkoudheid. Ook op mijne 
jachttochten door moerassig terrein mogen bovengenoemde 
oorzaken wel het eerst in aanmerking komen; wel is waar 
worden zij nog krachtiger gemaakt door den invloed der 
ingeademde moeraslucht, want dit is zeker, dat ik mij door 
zulke marschen en zelfs door tochten in kano's door 



MËDEDEELINGCN OVER LIBERIA. 



moerasstreken, de hevigste aanvallen heb op den hals 
gehaald. 

Bij geregelder leven in onze j a c h t s t a t i o n s, bij min- 
der gel^enheid tot overgroote inspanning, verliepen de 
koortsaanvallen, hoewel zij niet minder dikwijls voorkwamen, 
toch lichter en zonder groote stoornis en krachtverlies te 
veroorzaken. Wij legden ons eenvoudig neer, lieten den 
eersten aanval voorbijgaan, namen dan onzen arbeid weer 
op en grepen, om verdere aanvallen, zoo mogelijk, te voor- 
komen, naar het universeele — hoewel daarom niet, zoo 
als velen gelooven, — radicale middel : c h i n i n e. 

Deze intermitteerende koortsen vertoonen zich hier op 
dezelfde wijze, waarop men haar ook in Europa kent. 
Gewoonlijk beginnen zij met koude rilJingen, die langza- 
merhand in heete koorts overgaan, waarop, bij normaal 
verloop, eene krachtige transpiratie volgt. De geheele aan- 
val is in één tot drie uren voorbij, terwijl hij, wanneer 
men hem niet door een gepast gebruik van chinine voor- 
komen kan, telkens den tweeden of derden dag op 
hetzelfde uur terugkeert. De dagelijks voorkomende aan- 
vallen zijn het menigvuldigst, doch worden algemeen voor 
minder krachtig gehouden dan die, welke den tweeden 
of derden dag terugkeeren. De koortshitte bereikt in 
de errfstigste gevallen eene hoogte van 42° C, een 
thermometerstand, dien men in Europa slechts bij eenen 
hevigen graad van typhus waarneemt, en die voor het 
leven van den zieke doet vreezen. Deze koortsen komen, 
ofschoon minder zeldzaam en niet in zulk eenen hoogen graad, 
ook bij de Americo-Liberianen voor ; bij de i n- 
boorlingen daarentegen heb ik haar nooit waar- 
genomen. 

Eene geheele reeks van ziekten, waaraan hier, even zoo 
goed als de Blanke, ook de zich daar vestigende kleurlin- 
gen niet ontsnappen, behooren tot de rubriek : gebreken 
der spijsvertering. Men is het over het algemeen 
hierover eens, dat wellicht, behalve de milt, van alle 
organen de lever het meest onder den invloed staat van 
het tropische klimaat. Zij schijnt het bloed met gal te over- 
laden en de direkte gevolgen daarvan zijn galkoortsen, 
die in den regel eveneens het karakter van intermitteerende 
koortsen dragen, en samengaan met alle verschijnselen der 
geelzucht, als groen en geel zien, met eene gele kleur van het 
oogwit en van de huid, met volslagen gebrek aan eqtlust en 
met galbraken. Als radicaal middel tegen deze galkoortsen 
heeft calomel mij steeds uitstekende diensten bewezen. 

Dysenterie, dat is de eigenlijke bloeddiarrhoe, 
is in Liberia, voor zoover ik weet, niet bekend. Men 
heeft daar in het algemeen meer van obstructies dan van 



diarrhoe te lijden, wat wel het meest de massa's purgeer- 
middelen bewijzen, welke daar verkocht worden, terwijl 
men stoppende middelen nauwelijks kent. Diarrhoe moet 
men intusschen, waar zij zich ook vertoont, steeds bij tijds 
tegengaan, daar zij zeer licht een chronisch karakter aan- 
neemt en zelfs den dood van den patiënt kan veroorzaken, 
of ten minste zulk een krachtverlies na zich sleept, dat de 
lijder eene andere, toevallig bijkomende ziekte niet meer 
kan te boven komen. Haemorrhoïden zijn onder de Libe- 
rianen, zelfs bij jonge lieden, een algemeen verschijnsel. 

Het behoeft, bij die menigvuldige koortsen in het geheel 
geen verwondering te wekken, dat het bloed slechter en 
ten laatste geheel waterig wordt. Men hoort menigmaal 
van Blanken, die zich lang aan de kust hebben opgehou- 
den — en ik heb dit zelf ook ondervonden — dat bij 
speldeprikken, schrammen en andere lichte kwetsuren der 
huid, vóór dat het bloed zich vertoont, eerst een druppel 
water (^erum) te voorschijn komt. 

Zeer dikwijls wordt dan ook in Liberia door Blanken en 
negerkolonisten over opgezwollen beenen en voeten ge- 
• klaagd, eene plaag, waarvan even zoo goed mijn reisgenoot 
als ik zelf zeer veel te lijden hadden. Door het opbinden 
van banaanbladeren of van de groote vleezige bladeren van 
een aldaar in het wild groeiend Sedum, kan men het gezwel 
voor eenigen tijd doen verdwijnen. Het menigvuldigst neemt 
men dit verschijnsel in den regentijd waar, wanneer de 
uitwaseming der huid in de van waterdamp zwangere lucht 
niet kan plaats hebben Waterzucht {Hydrops^ is bij de 
A m e r i c o-L iberianen eene zeer bekende en gevaarlijke 
ziekte. 

Eene ware landplaag zijn, voor zwarten en blanken, ook 
de inboorlingen niet uitgezonderd, de van zelf ontstaande 
huidwonden aan beenen en voeten, vooral boven de enkels 
en op het scheenbeen, welke wonden zeer spoedig in lastige 
zweren ontaarden, die slechts zeer moeielijk, dikwijls eerst 
na jaren, of zelfs in het geheel niet genezen kunnen worden. 
Zij beginnen gewoonlijk met kleine blaasjes met ontstoken 
randen, worden zeer snel grooter en nemen dikwijls een 
bedenkelijken omvang aan. Hare genezing wordt vooral 
bemoeielijkt door de groote warmte en sterke zweetafschei- 
ding, en daar deze zweren een voortdurend aa ntrekkingspunt 
voor vliegen en — des nachts — voor mieren zijn, worden zij 
voor hem, die er door gekweld wordt, eene ware plaag. Ik 
heb zelf onbeschrijfelijk veel door deze zweren geleden, die 
mij gedurende geheele maanden het reizen, jagen en ver- 
zamelen onmogelijk gemaakt, het leven verbitterd en mij 
eindelijk genoodzaakt hebben de kust te verlaten en in 
Europa genezing te zoeken. 



MEDEDESLINGSN OVER UBERIA. 



Een van tijd tot ti)d zeer lastige plaag van deze tropische 
gewesten, waaraan geen Europeaan ontsnapt, is de zooge- 
naamde prickly heat — daar kortweg heat genoemd — of 
„Roede Hond." Dit is eene brandige ontsteking der 
zweetklieren, ten gevolge waarvan de huid, vooral op de door 
kleederen beschutte plaatsen, als met roode puntjes bezaaid 
schijnt. Het ergste is, dat deze ontsteking vergezeld gaat 
van een krachtig jeuken, dat door krabben nog versterkt 
wordt. Ik had daarvan nooit veel te lijden en geloof dat, 
wanneer de raad der nieuwere doctoren, zoouls Dr. Falken- 
stein, die na een langdurig oponthoud in West-Afrika, 
uit eigen ondervinding en na waarneming bij anderen, 
kan spreken, meer algemeen werd opgevolgd, d. w. z. 
indien in plaats van flanel, dat, door achtelooze zwarte 
bedienden gewasschen, maar al te licht ineenkrimpt, 
zijne poreusheid verliest en stug wordt, lichte katoenen 
Sloffen van luchtig, zacht maaksel, als onderkleederen werden 
gedragen, deze plaag grootendeels geweerd kan worden. 

Zeer veel heeft men ook te lijden van de aanvallen der 
zandvloo (Pulex penetraT.s)^ dddr ^^chigré*' genoemd, 
die de voetzolen, nog meer echter het vel onder de nagels der 
teenen doorboort en daar hare eieren legt. Daar deze 
diertjes zeer klein zijn, worden ze in den beginne in het ge- 
heel niet opgemerkt; spoedig echter veroorzaakt de zich 
tot de grootte van eene erwt ontwikkelende eierstok een 
jeukend, borend gevoel en de eieren moeten dan, dikwijls 
met groote moeite, verwijderd worden. Het onaangenaamste 
van de zaak is, dat deze parasieten meestal gevaarlijkef 
moeielijk te genezen wonden achterlaten, die dubbel lastig 
zijn, dewijl zij zich aan de voeten bevinden. Vóór 3 jaren, 
toen wij aan de kust kwamen, kende men deze plaag, die 
zich van de Portugeesche bezittingen uit steeds meer noord- 
waarts langs de kust uitbreidde, in Monrovia nog in 
het geheel niet, en men dacht ook algemeen dat men daarvan 
vrij zou blijven. Nu echter wemelt het daar en in het nog 
westelijker gelegen Cape Mount van déze plaaggeesten, 
en wanneer men door de straten van Monrovia gaat, vindt 
men op de honderd personen er geen twintig, die niet met 
verbonden voeten voorbijhinken, of anderen, die een of meer, 
sommigen ook, die alle teenen verloren hebben'! Een aan- 
zienHjk procent *van deze voetlijders komt echter op rekening 
der bovengenoemde verz weringen. Niemand blijft van deze 
land- of beter gezegd, kustplaag verschoond, en wanneer de 
Blanke niet zooveel daarvan te lijden heeft als de kleurling, 
dan heeft hij dit te danken aan grootere zindelijkheid en 
beter besdiutting door goed schoeisel. 



5. Samenstelling van den Orond. Gheologisohe 

bijzonderheden. 

De volgende, hierop betrekking hebbende opgaven, zijn 
niet bestemd een algemeen beeld van geheel Liberia te 
geven, evenmin als de daaropvolgende aanteekeningen over den 
plantengroei en over het leven der dieren, daar zij alleen ge- 
grond zijn op waarnemingen in de omgeving van Monrovia, 
in het gebied van den St. Paul en het district van Grand 
Cape Mount. Volgens met veel zorg ingewonnen be- 
richten moeten echter, de geringe locale afwijkingen uitge- 
zonderd, de algemeene geologische, botanische en faimistische 
toestanden met die van de door ons bereisde streken tame- 
lijk wel overeenkomen. 

Wanneer men van de kust uitgaande, de zandige strandlijn 
en de daaropvolgende moerasstreek achter zich heeft, be- 
reikt men het hooger gelegen land, "het grootendeels 
met bosch bedekte heuvelgebied. De grond van deze 
breede landstreek bestaat overal uit eene sterk ijzerhoudende 
roode kleiaarde, welke zeer vele kleine^ afgeronde steenen 
bevat, die naar het uiterlijk en het gewicht te oordeelen, 
den indruk maken van boonerts. Zelfs de hoogste heuvelen 
zijn met deze kleiaarde bedekt, welke klaarblijkelijk als 
het verweeiingsproduct te beschouwen is van het gesteente, 
dat de kern van deze heuvelen uitmaakt. Deze kern bestaat 
uit een jong eruptief gesteente, dat niet zelden aan de 
hellingen, nog menigvuldiger echter aan de rotsbanken, 
welke de stroomen dwars doorsnijden en die de stroom- 
versnellingen veroorzaken, te voorschijn komt. Dit gesteente 
heb ik in even groote quantiteit, zoowel aan Kaap M e s s u- 
r a d o en in C a p e M o u n t, als ook in het binnenland 
aangetroffen, en een vluchtige blik, dien ik bij een 
bezoek aan Sierra Leone — op mijne terugreis — op 
de zich daar bevindende rotsen werpen kon, heeft mij het- 
zelfde schouwspel opgeleverd. Ook daar zien de straten, 
door de ijzerhoudende kleiaarde er geheel rood uit. 

Met uitzondering van ijzer wordt in Liberia geen 
mineraal gewonnen *). Het goud, dat ver in het binnen- 
land, in de hoogvlakte en waarschijnlijk ook in het K o n g- 
gebergte gevonden wordt (waschgoud) ^), vindt zijn 
weg sedert jaren niet meer, zooals vroeger, naar deLiberi- 
aansche kust, maar gaat met de handelskaravanen der 



*) Over de bewerking van het ijzer later. 

") Naar de opgaven van den Liberiaanschen Neger Anderson 
( Narratvve of a journey to Musardu^New- York, 1870) wordt het gede- 
gen goud in kleine korreltjes in de aarde gevonden en door wasschen 
en uitwannen gewonnen. 



8 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



Mandingo's door de westelijke handelsstraat naar 
Sierra Leone. Zonder twijfel bezit Liberia aanzienlijke 
schatten aan metalen, vooral aan koper ^), waarschijnlijk 
ook aan goud. Hun moedergesteente kan wel een oude 
kwarziet zijn, gelijk ik het onder anderen in het Cape 
Mount-gebergte heb aangetroffen. De aldaar ver- 
zamelde proef bevat groote blaadjes witten glimmer «). 

Daar mijne zoölogische onderzoekingen mij volop werk 
verschaften en ik bovendien op het, gebied der geologie 
niet genoegzaam vertrouwd was, kon ik mij niet in die 
mate met geologische studiën bezighouden, als ik wel ge- 
wenscht had. Toch is door de weinige, voor het geologische 
Rijksmuseum te Leiden, medegebrachte monsters, waar- 
omtrent prof. Martin mij de noodige ophelderingen gal, 
bewezen, dat in Liberia oude kristallij ne, ertshoudende 
massiefgesteenten voorkomen, evenals jongere eruptief- 
formatien, bedekt met hare ver weeringsproducten. — Lagen, 
welke versteeningen bevatten, heb ik nergens aangetroffen. 

6. Plantengroei. 

a. Algemeen karakter der Flora. 

f 

Liberia heeft, gelijk van een zoo waterrijk land onder 
deze breedte niet anders kan verwacht worden, een 
buitengemeen weelderigen plantengroei, waarvan zelfs de 
rug van het lage strandduin en vooral zijne naar het binnen- 
land gekeerde helling, niet ontbloot is. Deze laatste is 
gewoonlijk met doornige struiken begroeid, terwijl op opene 
plaatsen eene tot de Convolvulaceön behoorende plant 
{Ipomoea sp^ f), met weelderigen, donkergroen glinsterenden 
bladerdos en met groote, violet- roode bloem trechters, over 
den grond kruipt. Eene andere karakteristieke plant 
van dezen kustzoom is een palm, die het voorkomen heeft 
van een struik en nauwelijks meer dan één meter hoog wordt. 
Dit is hoogst waarschijnlijk de Hyphaene guineensis 
Schum, et Thonn.^ de eenige soort yan waaierpalmen, die 



*) Gedegen koper heb ik op den rug van het voorgebergte M e s- 
s u r a d o gevonden. 

■) President Roberts zond voor jaren een aanzienlijk quantum 
monsters van gesteenten uit het binnenland van Grand Bassa naar 
Engeland om daar onderzocht te worden, waarop .eene Engelsche 
bergwerkvereeniging aan de Liberiaansche regeering belangrijke 
sommen voor het verleenen eener concessie moet aangeboden hebben 
Deze echter, bang dat op deze wijze de Engelschen zouden 
ttachten vasten voet in Liberia te krijgen, en waarschijnlijk ook 
uit afgunst, wezen het aanbod van de hand, en hiermede was de zaak 
afgeloopen. 



ik in Liberia heb- aangetroffen. Hij komt het talrijkst 
voor aan den voet der voorgebergten, waar hij zelfe kleine 
groepjes vormt. Mijn jager Jackson zeide mij, dat deze 
palm meer zuidwaarts aan de kust van Liberia hooger 
wordt en aan Cape Palmas reeds boomen met tame- 
lijk hooge stammen vormt. Zijne harde waaierbladeren 
worden voor allerlei vlechtwerk, vooral voor hoeden ge- 
bruikt. Behalve langs de strandlijn en op eenige zandige , 
kleine glasvlakten dicht daarachter, heb ik dezen palm 
nergens gevonden. 

De moerasstreken van het kustgebied en de moerassige 
oevers der rivieren en creeks, voor zoover de vloed der 
zee die regelmatig bereikt en het zoetwater brak wordt, 
zijn bedekt met ondoordringbaar Mangrove-bosch 
{Rkizophoreti), dat aan de streek alreeds een eigenaardig 
karakter geelt. Uit de verte, vooral van eenige hoogte 
gezien, maken dezegelijkvormige, lage, dof grijs-groeneMan- 
grove-bosschen een uiterst zwaarmoedigen indruk. Het op 
deze wijze ontstane vooroordeel verdwijnt echter, wanneer 
men op eene rivier, of beter nog, op een dier stille, zwarte, 
eenzame c r e e k s tot midden in het Mangrove-gewas doorvaart 
en het nauwkeuriger beschouwt. „E^n woud op stelten," 
roept de oningewijde op het eerste gezicht uit, en hij heeft 
volkomen gelijk. Op een niet te ontwarren labyrinth van 
vingerdikke bogen, zonder takjes en bladeren, ontwikkelen 
zich wild dooreengegroeide knoestige takken, met le- 
derachtige, matgroene, gaafrandige bladeren, waarboven 
zich slechts hier en daar een miniatuurboschje hooger 
in de lucht verheft. Al die stelten namelijk zijn niets an- 
ders als lucht wortels, die, gelijk neerhangende touwen, van 
de takken afwaarts groeien en even boven de oppervlakte 
van het water, vorksgewijze in drie of vier deelen uit elkan- 
der gaan en dan, zoodra zij in het water terecht komen, 
boschjes van draadvormige wortels ontwikkelen. Hoe verder 
nu de takken zich over het water uitspreiden, des te meer 
kunnen mergrijke luchtwortels van bovengemelden vorm 
zich ontwikkelen, en vormen dan, spoedig sterk geworden, 
eenen steun voor de verder en verder zich uitbreidende 
takken. Tusschen deze in het water wortelende afleggers, zet 
zich echter langzamerhand slijk aan, dat met der tijd hoe 
langer zoo vaster wordt, gaandeweg moeras vormt en tot 
vast land overgaat, hoemeer de Mangrove-formatie aan de 
waterzijde toeneemt. 

E^rst wanneer de op deze wijze aan het water ontwoe- 
kerde grond eene bepaalde vastheid verkregen heeft en 
zwaarder lasten kan torschen, beginnen de takken sterker te 
worden en als boomen, lot eene hoogte van 20 — ^30 
voet, op te groeien. Onder den verhoogden last van het 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



opperhout krommen zich dan de buigzame, oorspronkelijk 
loodrechte steunsels en vormen het bovenvermelde bogen- 
labyrinth. 

Ken bijzonder merkwaardig verschijnsel bij deze Rhizo- 
phoren is, dat' de zaadkiemen zich ontwikkelen, eer zij de 
moederplant verlaten. De jonge planten vertóonen zich aan 
het einde der tamelijk kleine vruchten in den vorm van 
groene, tapvormige knoppen, die, naar beneden hangende, 
zich vrij spoedig in de lengte ontwikkelen, welke laatste 
weldra twee voet en meer bereikt. Aan het uiteinde dier 
knoppen vertóonen zich talrijke roode, wratachtige stippeltjes, 
die, zoodra de knop den slijkachtigen grond bereikt, een 
bosje van vezelige wortels uitzenden. Volgens Dr. Pechuel- 
Loesche ^), zouden deze zaadspruitsels niet, zooals tot nu 
toe algemeen werd voorondersteld, aangroeien tot zij den 
grond of het water bereiken en daar wortels schieten, maar, 
na eene zekere lengte bereikt te hebben, door haar eigen 
gewicht afvallen en in den modder zakken, waar zij 
zich, als de voorwaarden gunstig zijn, dan verder tot 
eene zelfstandige plant ontwikkelen. Volgens de op- 
gaven van genoemden auteur schijnen echter de door 
hem op de . Loango-kust gevonden Rhizophoren tot eene 
andere species te behooren als die, welke wij in Liberia 
hebben aangetroffen. Ik heb in de Liberiaansche Man- 
grovebosschen wel is waar afgevallen zaadspruitsels gevon- 
den, die zich echter niet verder schenen te ontwikkelen, 
en ik vooronderstelde, dat deze op mechanische wijze, vooral 
door de dikwijls daar zich ophoudende papegaaiduiven en 
andere vogels, waren losgerukt. Overigens bestaat er hoe- 
genaamd geen reden om te betwijfelen dat rijpe, afgevallen 
zaadspruitsels zich in den modder tot zelfstandige planten 
zouden kunnen ontwikkelen. 

Het spreekt van zelf dat de Mangrove eenen gewichtigen 
üictor in de vorming van nieuw land uitmaakt, vooral aan de 
monding der rivieren, welke veel slijk met zich voeren, 
dat door den vloed in de verward door elkaar gegroeide 
takken gewerkt wordt en daar door de ebbe wordt ach- 
tergelaten. Deze zoo merkwaardig goed voor de omstan- 
digheden berekende Rhizophoren, kunnen met recht als de 
Amphibien der plantenwereld worden aangemerkt. Verder 
landwaarts in, waar de grond reeds meer vastheid verkre- 
gen heeft, ontwikkelen zich dadelijk andere planten. Daar 
vindt men den Pandanus, den Papyrus en verschei- 
dene andere karakterplanten ; nog meer landwaarts in, waar 
de Mangrove hare levensvoorwaarden niet meer vindt en 



*) Die Loango-Expedition der Deutschen Gesellschaft zur Erfor- 
schang Aeqoatorial-Africas. Dritte Abtheilung. Lei{>zig. 1882. 



langzamerhand verdwijnt, daar vertoont zich in hare plaats 
de wijn- en oliepalm als overgang tot de Flora van het 
vasteland. 

Niet ten onrechte worden de Mangrove -bosschen als de 
' voornaamste broeiplaatsen der verderfelijke moeraskoortsen 
beschouwd en daarom angstig en schuw vermeden. Voert 
de jacht iemand echter toevallig in de gewelfde gangen van 
zulk een doolr of, dan mag men zien, hoe men er weder uit- 
komt. Zonder hier en daar tot aan de ooren in eenè be- 
driegelijke, met blauw slijm bedekte water-, of beter moe- 
ras vlak te te verzinken, komt men er zelden af, hoezeer men 
ook zijn best doet, door de takken te klauteren of de lange 
vlierachtige wortelbogen neer te trappen, om iets als basis 
onder de voeten te krijgen. Wanneer men evenwel nog 
eerst, ondanks het nuttige zakkompas, door bodemlooze 
plaatsen van de Ingeslagen richting wordt afgebracht, dan 
maakt zich van den ronddwalende eene aan waanzin gren- 
zende wanhoop meester, tot men deze verpeste, van rottende 
zelfstandigheden stinkende, bij iederen tred zuigende en 
opborrelende moerassen achter zich heeft, vooral wanneer 
in deze loodzware; van ieder frisch windje afgesloten 
atmospheer, de gloeiende middagzon op het hoofd brandt. 
Wie zou onder zulke omstandigheden in deze pestmoe- 
rassen een rijk dierenleven voor mogelijk houden ? En 
toch is dit het geval, hoe stil en doodsth het er ook bij 
den eersten aanblik daarin moge uitzien. De opmerkzame 
beschouwer, die in zijne lichte kano stil door de Mangroven 
heenglijdt en zich op de loer legt, is werkelijk verbaasd, 
welken rijken overvloed van dierlijk leven deze woeste moeras- 
wildernissen aanbieden. Het zwarte slijk leeft hier en 
daar letterlijk van heirsoharen muskieten- en andere 
insectenlarven, en op dit slijk wandelen, als spinnen, 
nu eens voorwaarts, dan weer zijdwaarts, dan weer 
achterwaarts, nijvere krabben, waaronder de kleine, 
bruin en »rood geteekende, behendig aan de wortelstok- 
ken rondklauterende Mangrove-krabben (Sesarma) 
het meest voorkomen. Op vrije plaatsen koesteren zich 
scharen van in troepen levende, kleurrijke ^fiig eye 
hompies^'^ of springvisschen {Periophthalmus Koel- 
reuteri) (zie V i s s c h e n), welke eene amphibieach- 
tige levenswijze leiden, bij het minste geritsel den 
dikken kop met de bloedroode, starende oogen omhoog 
heffen en met hunne borstvinnen, welke het voorkomen 
van halfa^ezette voeten hebben, snel voorwaarts hinken. 
Tallooze lastige steekvliegen maken iemand het stilzitten 
onmogelijk en wee den jager, die zich 's avonds te lang 
daar buiten ophoudt en dan des nachts tusschen de Man- 
groven door naar huis moet trekken ; hij wordt door de 



lO 



MEDEDEELINGfiN OVER LIBERIA. 



rondom hem gonzende muskieten-zwermen bijna dood- 
gemarteld, en heeft den anderen morgen zulk een ge- 
zwollen hoofd, dat geen hoed hem meer past. Aan de 
waterspruiten der Mangrove, welke slechts door den vloed 
bespoeld worden, hangen in koloniën geheele trossen van 
groote, eetbare oesters, welke, vooral in het begin van 
den droogtetijd, wegens hare smakelijkheid door inboor- 
lingen en Liberianen evenzeer gezocht worden, en de 
armoedige spijslijst van den blanken jager met een wel- 
kom nommer verrijken. 

Boven in de boschjes zitten talrijke, ten deele reus- 
achtige en fraai gekleurde ijsvogels als in stille overpein- 
zing verzonken, tot zij zich plotseling hals over kop in 
het water storten en, op hun vorige zitplaats teruggekeerd, 
een buitgemaakt vischje verorberen. Hier zoeken wulpen 
(Numenhis phaeopus) en ruiters ( lotanus glottis) vlijtig 
naar voedsel; verder naar binnen sluipt een dwergreiger 
of een roerdomp door het kreupelbosch ;^ daar wan- 
delt met afgemeten stap een withoofdige, zwarte ooie- 
vaar, een zilverreiger of een groen glinsterende 
Ibis heen en weer of staat visschend in het lage water ; 
daar ginds in de takken heeft eene kolonie van leikjeurige 
Mangrove -reigers {Ardea atricapilla) hunne primi- 
tieve nesten van rijs gebouwd, en zij klauteren in de struiken, 
met hunne teenen de wortelbogen omsluitend, behoedzaam 
op en neer. Cormoranen en slangenhalsvogels 
zitten in trage houding met S-vormig ingetrokken hals, op de 
takken in de nabijheid van het water; eene vlucht wilde 
eenden, gestoord door een naderende kano, vliegt gonzend 
en schreeuwend op; geheele zwermen vruchtenetende, groene 
duiven vallen op de groene zaadknoppen der Mangrove 
aan, om er hun maal mede te doen, en boven dit alles 
vliegen zwarte wouwen (Milvus migrans) met hunne 
als eene vork uitgespreide staarten, en zwart en wit geteekende 
zeeadelaren {Gypohierax angolensis) in kringen heen en 
weer. En opdat ook de grootere dieren niet zouden ont- 
breken, doorwoelt verder naar achteren in de Mangroven 
het penseelvarken (Sus penicillatus) het moeras, en aan 
den waterkant, in de zon, koestert zich in trage rust de 
krokodil, aan een knoestigen, halfverrotten boomstam 
gelijk, op een arme antilope of een muskusdier loerend, 
die het ongeluk hierheen gevoerd heeft om te drinken. 

Den overgang van de Mangrove tot de boschstreek vor- 
men zandige grasvlakten, welke nu en dan door struiken, 
heesterachtig hout of palmgroepen worden afgebroken. Eene 
voor deze grassteppen bijzonder karakteristieke plant, die 
meestal verstrooid staat, maar nu en dan wel eens tot 
kleine groepjes vereenigd voorkomt, is Anona ^enegalensis 



Pers. een misvormde boom met half verdroogde, grijsgroene 
bladeren en vruchten van samentrekkenden smaak en een geur, 
die aan ananassen ofaardbezien doet denken. Deze vruchten 
hebben grootte en vorm eener perzik en worden daarom 
door de Liberianen, hoewel zeer ten onrechte, y^wildpeaches^ 
genoemd. De bast, vooral der wortels van dezen boom, 
geeft eene buitengewoon adstringeerende thee, die juist om 
deze hoedanigheid door de Liberianen als middel tegen 
koorts gebruikt wordt. Het gras van deze steppen, hoe 
schoon het er ook uitziet, is veel te hard en bevat te veel 
kiezelzuur, dan dat het als weide voor antilopen, buffels of 
zelfs voor rundvee of geiten zou kunnen dienen. 

Op deze steppen volgen, vooral op laag en vochtig ter- 
rein, heerlijke palmbosschen, waar de oliepalm 
{Elaeis guineensis L.) de eerste plaats inneemt. Hij is de 
hoogste en slankste van alle palmen van Liberia, tiert in eiken 
grond en wordt daarom overal, op zonnige heuvels, in de 
steppe en in het moeras aangetroffen. Toch wordt hij het 
meest op op^ne plaatsen, ook wel tusschen ander hout, 
zelden in afzonderlijke palmbosschen, doch nooit in uitge- 
strekte oerwouden gevonden. Men treft hem echter zeer dik- 
wijls aan in de lagere streken der Mandingo-vlakte, 
waar het oerwoud niet meer zoo dicht is en kleine bos- 
schages met grassteppen afwisselen. Verderop in deze vlakte, 
waar eindelijk elke boomgroei ophoudt, ontbreekt ook de 
oliepalm. Waar en onder welke omstandigheden men ook 
den oliepalm ontmoet, overal maakt hij door het sierlijke 
in zijn geheelen habitus een aangenamen indruk. Op den 
stam, die nauwelijks de dikte van een mensch bereikt en zich 
tot eene hoogte van 30 M. kaarsrecht in de lucht ver- 
heft, beweegt zich de prachtige bladerkroon in den wind 
bevallig heen en weer. Blijft de palm aan zich zelven 
overgelaten, dan krijgt de stam, door de achterblij- 
vende basis der bladstelen, een verwilderd, stekelig aanzien 
en is dan gewoonlijk bekleed met varens en slinger- 
planten, die zich in de bladoksels vestigen en dikwijls bij 
wijze van naar de aarde afhangende guirlandes gehede 
booragroepen verbinden, In den regel echter worden de 
stammen door de inboorlingen van de overblijfsels der 
bladstelen gezuiverd, om ze te kunnen beklimmen en de 
vruchten naar beneden te kunnen halen, en dan vormen de 
lidteekens der afgebrokene bladstelen eene sierlijke, r^elma- 
tige teekening. De vruchttrossen, meest drie tot vier bijeen, 
zitten op korte stelen in de bladoksels der kroon. Zij zijn 
wat hunne gedaante aangaat, het best met eene Ananas te 
vergelijken, worden tot 50 cM. lang en meer dan 30 cM. 
dik en hebben dan een gewicht van ongeveer 30 — 40 KG. 
De vruchten zitten aÊ&onderlijk, maar dicht op eikanderen 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



II 



zijn slechts door de vooruitstekende, stekelige schutbladeren 
rondom de as van elkander gescheiden. Zij hebben de grootte 
en den vorm van eene middelmatig groote pruim, zijneen 
weinig hoekig en naar de basis toe eenigszins spits. Onder 
de vettige, glinsterende, raeniekleurige, lederachtige huid 
der vrucht (palmnoof) ligt het eveneens gekleurde, zoete, 
veel olie bevattende vleesch, dat op zijne beurt weder den 
steen omsluit, welke de evenzeer sterk oliehoudende 
kern bevat. 

Uit het vleesch der palmnoten wordt op verschillende 
wijzen de geelroode palmolie getrokken, en door het klop- 
pen der harde van kleine overlangsche groeven voorziene 
steenen, verkrijgt men de daarin opgeslotene palmpitten, die 
met de palmolie de beide, verreweg belangrijkste landspro« 
ducten voor den handel uitmaken. De palmolie is om zoo 
te zeggen het eenige vet, dat onder de inboorlingen en zelfs 
bij de Liberianen ter bereiding ' hunner spijzen gebruikt 
wordt. In den tijd dat de palmnoten rijp zijn, maken deze 
rlikwijls het hoofdvoedsel uit der Negers, in wier gebied de 
oliepalm gedijt, en in tijden van hongersnood leven vele 
inboorlingen bijna uitsluitend van palmpitten. 

Door uitsnijden van den eindknop in de bladerkroon, 
hier en daar ook alleen door wegsnijden der manne- 
lijke bloemtrossen of der jongste bladeren, tapt men den 
oliepalm het zoete op most gelijkende sap af, dat onder 
den naam van palm wijn bekend is, in verschen toestand 
zeer aangenaam smaakt, maar, wanneer het blijft staan, 
spoedig tot gisting overgaat en dan een bedwelmende 
drank wordt. 

In tijden van grooten nood eindelijk moet de schoone 
oliepalm, nadat hij den inboorling de olie voor zijne spijzen 
heeft verschaft, hem de middelen voor allerlei Europeesche 
genietingen heeft geleverd en met zijn hartebloed diens dorst 
heeft gestild, ook nog zijn leven voor hem opofferen om 
hem, nadat hij den boom van al zijne bladeren heeft be- 
rooid en de teedere bo vengedeelten er heeft afgehakt, met 
deze laatste de zoogenaamde palmkool te verschaften. 

Doch niet alleen voor den mensch is de oliepalm van 
algemeen nut, maar hij maakt ook den broodkorf uit voor 
eene ongeloofelij ke massa dieren. Geheele kudden apen 
van allerlei soort trekken dagelijks door de palmbosschen 
om zich aan de zoete vruchten te laven, gewone en 
vliegende eekhoorntjes, plantenetende vledermuizen, neus- 
hoornvogels, mantelkraaien, benevens eene menigte andere 
vogels, bezoeken hen regelmatig als hunne bestendige voeder- 
plaatsen. Met de door al die gasten naar beneden gewor-. 
pen en van zelf afgevallen palmnotep, voeden 'zich weder 
talrijke boschantilopen, wilde zwijnen, kleine knaagdieren 



en vleeschetende dieren en een geheel leger van insecten, 
slakken enz. 

De belangrijkste palmsoort is, na den oliepalm, de w ij n- 
palm {Raphia vinifera Beauv.) Hij tiert alleen op een 
moerassigen grond, ontbreekt op droge plaatsen geheel, en 
ontwikjcelt zijne gansche weelde en pracht aan de oevers 
der creeks in de moerasstreek, die hij met zijne verbazend 
lange vederbladeren dikwijls geheel overdekt. Zijn stam is 
op verre na niet zoo hoog en slank als die van den reeds 
genoemden oliepalm, zijne kroon echter veel grootscheren 
indrukwekkender. Zijne bladstelen bereiken eene lengte van 
IQ— 12 M. en leveren den inboorlingen eer.e der gewich-' 
tigste bouwstoffen voor hunne hutten, namelijk voor 
wanden en deuren, terwijl de bebladerde einden dezer reu- 
zenvederen tót het maken van daken worden aangewend. 
Bovendien worden de gemakkelijk te splijten bladstelen voor 
alle denkbare zaken, voornamelijk tot het vlechten van 
matten, korven en vischfuiken gebruikt. Ook van dezen boom 
wordt palm wijn getapt en men zegt, dat deze nog bedwelmen- 
der is dan die, welke men van den oliepalm wint De vruchten 
echter worden tot geen enkel doeleinde aangewend, en dus 
staat deze palmsoort, hoe nuttig zij ook in menig opzicht 
is en hoezeer zij de streek tot sieraad strekt, verre achter 
bij den oliepalm, welks vederen en vederstelen zij alleen in 
waarde en kwaliteit overtreft. 

Eenige andere inheemsche palmsoorten, van geen prac- 
tisch nut en slechts zeer weinig verspreid, vallen nauwelijks 
in het oog en er blijft, om het beeld van deze echte kin- 
deren der tropen te voltooien, nog slechts over gewag te 
maken van den even als de beide laatstgenoemden tot de 
vederpalmen behoorenden kokospalm, die sedert langen 
tijd in West- Afrika overgebracht, zich langs de geheele kust 
heeft verbreid, zonder evenwel ergens in verwilderden toe- 
stand voor te komen. Deze prachtige palm bevindt zich 
daarom ook altijd slechts in de volkplantingen, en tot nu 
toe nog wel alleen in de nabijheid der kust. Bij Cape 
P a 1 m a s moet hij zeer talrijk worden aangetrofien ; langs 
de geheele overige kust van Liberia komt hij slechts hier 
en daar voor en wordt naar alle waarschijnlijkheid meer 
als sieraad aangeplant, dan om het nut dat men er van 
trekt. Hij gedijt echter in Liberia zeer goed, en zou, 
wanneer de Liberianen wat ondernemender waren, bij zijn 
snellen wasdom, en daar hij zoo spoedig vrucht draagt, 
wel geschikt en ook waard zijn, om in het groot aangekweekt 
te worden, daar het vruchtvleesch eene fijne olie levert en 
zonder dat het eerst geperst behoeft te worden, gedroogd, 
onder den naam van copra een kostbaar handelsartikel 
oplevert. £en ander sieraad van het Liberiaansche land 



12 



MEDEDEELINCEN OVER LIBERIA. 



schap zijn de heerlijke tamarinden, de echte Acacia's 
en m i m o s e n, welker wijd uitgespreide takken met hunne 
schoone sierlijke vanen, frissche, lommerrijke plekjes aan- 
bieden. 

Een geheel ander tooneel dan de mangrove- en palm- 
bosschen, biedt het uitgestrekte majestueuse h o o g,w oud 
aan, dat wij nu binnentreden. Welk een verschil met 
onze duistere dennenwouden, waar stam aan stam zich 
kaarsrecht omhoog heft; roet onze l^eukenwouden, waar 
over gladde, lichtgrijze stammen het heldergroene bladerdak 
zich welft ; of zelfe met de donkergroene eiken wouden, waar 
statige reuzenstammen hunne wijdvertakte, kolossale bla- 
derkronen dragen, wier geruisch in den wind den bezoeker 
eerbied inboezemt ! 

Het tropische oerwoud kan men met geen der drie 
genoemde vergelijken, daar het bij al zijne majesteit meer 
het karakter van een gemengd woud vertoont. Hoog boven 
alles welft zich het uitgestrekte dak der reuzenboomen, die 
op stammen van dikwijls mammoulhachtige afmetingen 
en verbazingwekkende hoogte, in plaats van takken, om zoo 
te zeggen, weder nieuwe stammen naar- alle richtingen 
uitzenden. Deze woudreuzen, onder welke wij er van 
lo — 15 M. in omvang (op borsthoogtie) gemeten hebben, 
en die gewoonlijk eerst op eene hoogte van 20 — 30 
M. hunne geweldige kroon ontwikkelen, moeten eene 
inderdaad onbegrijpelijke kracht in de wortels bezitten, 
en deze wordt nog daardoor vergroot, 4at de overgang van 
den stam tot de wortels rondom door wand- of vleugelvor- 
mige, als T-ijzer looj)ende steunpilaren, gevormd wordt, 
welke van den grond af, waar zij het breedst zijn, naar 
boven langzamerhand smaller toeloopen en welker tusschen- 
ruimten diepe vakken of nissen vormen. Onder deze titanen 
van het oerwoud is de Bombax of wolboom {Erio- 
dendron anfractiiosum D. C.) reeds van verre aan zijne 
geweldige dikte en witten gladden bast kenbaar. Hij wordt 
dikwijls tot het bouwen van groote kano's gebruikt, die 
wegens het zachte, sponsachtige hout, wel gemakkelijk te 
vervaardigen, maar om die reden ook van korten duur zijn. 
De wolboomen worden bij de meeste negerdorpen alleen- 
staand aangetroffen, daar de, anders voor elk natuurschoon 
gevoellooze N^ers, voor dezen boom een zekeren eerbied 
schijnen te hebben en hem bij het uitroeien van het bosch 
laten staan. 

Onder het bladerdak van dit hoogwoud par excellence, 
welks kroon een hagelschot nauwelijks bereiken kan, staat 
een hoogwoud van den tweeden rang; een 
woud in het woud. Ook deze stammen welven hunne koe- 
pels te zamen, maar zijn niet zoo groot en staan meer 



opeengedrongen. Eenige soorten van deze boomen herin- 
neren levendig aan de Mangrove, terwijl de stammen, in 
plaats van op den grond, op tot 2 M. hoog boven den 
grond zich verheffende dooreengesfrengelde wortels staan, 
of — doch van den stam uit — tot op genoemde hoogte 
hunne wortels schuins af naar den grond richten. 

Tusschen deze boomstammen eindelijk heeft zich een 
ondoordringbaar doolhof van kreupelhout ontwikkeld, door- 
weven en bij elkander gehouden door lianen, van af de 
dikte van bindgaren tot die van een man, die elke vrije 
beweging voor den raensch onmogelijk maken. Alles groeit 
in wilde wanorde door elkander en slechts zelden is 
er een recht stammetje te vinden, dat voor vlaggestok, 
bootsmast of iets dergelijks geschikt is. Slechts met het 
kapmes in de hand kan men zich door dit labyrinth een 
weg banen ; door de afgesneden takken en de geteekende 
boomen is gewoonlijk de terugweg gemakkelijk te vinden. 

Ook onder de lagere plantensoorten draagt alles het 
karakter van onbep)erkten weelderigen groei. Kruiden, die in 
ons klimaat nauwelijks de lengte van een hand overschrijden, 
worden hier door exemplaren, die de hoogte van een man 
bereiken, vertegenwoordigd. De bladeren, de ademhalings- 
werktuigen der planten, bereiken eene voor ons oog on- 
natuurlijke grootte en prijken met de meest verrassende scha- 
keeringen van de Uchtste' tot de donkerste kleuren, waarbij 
echter toch de donkere tinten de overhand hebben. Het 
oog zoekt echter te vergeefs naar het liefelijke, sappige groen 
onzer weiden — overal stuit het op glinsterende, lederachtige 
bladeren, die het voorkomen hebben alsof ze verlakt zijn, 
en die hierdoor in staat schijnen aan de heete stralen der 
tropenzon den noodigen weerstand te bieden. 

Vele planten schijnen alleen van lucht, anderen weder 
alleen van water te kunnen leven. Op de in wonderlijke 
krommingen uitloopende stammen en takken heeft zich een 
leger van woekerplanten, nl. van buitengewoon sierlijke 
varens en Orchideen, benevens andere parasieten, met niet 
zelden heerlijk gekleurde bloesems gevestigd. In de moerassen 
woekeren manshooge Aroïdeen met reusachtige kelken 
en pijlbladeren op sterke, stekelige stelen, ter lengte van een 
arm, die onze in potten gekweekte Calla aeihiopica verin de 
schaduw stellen. De zwarte stille woudkreken en water- 
kuilen zijn bedekt met lischbloemen (/rM?^«?«) van de meest 
zachte witte kleur en den heerlijksten geur. Schoone witte 
waterlelien {Nyfnphaea\ gelijk de onze, met even groote 
drijvende bladen, wier geplooide rand echter, evenals bij 
de Victoria regia LindL bordvormig opgeslagen is, en andere 
Nymphaeaceën van veel kleinere afmetingen en met bladen 
als die van Hydrocharis marsus ranae D. C. bekoren 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



13 



iict oog van den reiziger, die op vermolmde, half vergane, 
door daamgebonden takken gevormde bruggen, boven deze 
elegisch stille woudmoerassen balanceert. 

De plantenwereld van Liberia heeft over het algemeen 
meer het karakter van het grootsche dan van het 
sierlijke; zij verrast en overweldigt meer dan zij bekoort. 
Het oog kan zich meer verlustigen in de rijke nuanceerin- 
gen van het groen der bladeren, dan in de verschillende 
kleurenpracht der bloesems, zooals wij die op onze liefelijk 
groene velden en alpen weiden gewoon zijn te zien. Nergens 
heerscht symmetrie en orde; zelden vindt men eene bloem, 
die voor ons oog bij hare omgeving past; zoo ziet men 
de heerlijkst gekleurde teedere planten van de wonder- 
lijkste vormen, tusschen ondoordringbaar kreupelhout op 
veraiolmde wortelstronken en boomstompen. Overal raken 
de uitersten elkander. De schoonste bloesems rieken in het 
geheel niet, of wel zij hebben een bedwelmenden geur — in 
het kort, alles wat men ziet, draagt het karakter van het 
vreemdsoortige en nieuwe. 

Even interessant als grillig is de wisseling der 
bladeren aan boomen en struiken. Enkele booraen 
wisselen hunne bladeren telkens in een bepaald jaargetijde, 
anderen doen dit om de twee jaren.. Velen verliezen alle bla- 
deren gelijktijdig en wel het meest in het droge seizoen; 
anderen verliezen en vernieuwen ze het eene jaar aan den eenen 
tak, dan aan een tweeden en zoo vervolgens, en weder bij 
anderen heeft de wisseling der bladeren onmerkbaar, maar 
gedurende het geheele jaar plaats, terwijl het eene blad na 
het andere afvalt en dadelijk weder door een ander wordt 
vervangen, en dit geschiedt zoo onmerkbaar, dat men zou 
gelooven, dat er in het geheel geen wisseling plaats heeft, 
dewijl deze boomen altijd groen blijven. 

b. Nuttig e y in het wild groeiende planten. 

Op het gebied van Nuttige planten levert Liberia 
nauwelijks iets op, dat niet aan de geheele westkust eigen 
is. Behalve de reeds vermelde palmsoorten leveren de bos- 
schen eene groote menigte voortreffelijke houtsoorten op, die 
als bouw- en schrijnwerkershout worden aange- 
wend. Tot nu toe werd echter zoodanig hout nog niet 
uitgevoerd, maar alleen door de Liberianen gebruikt. Bij 
gebrek aan zaagmolens worden de groote, gladstammige 
woudboomen op de plaats zelve, waar zij geveld zijn, dik- 
wijls op de meest primitieve wijze door middel vantrekza- 
gen (bosch- of boomzagen) in de lengte tot balken en plan- 
ken gezaagd of dwars in 1/2 M. lange blokken verdeeld, 
.welke. laatste dan tot dakspanen gespleten worden, of 



wel er worden — en dit is uitsluitend het werk der inboorlin- 
gen — kano's van getimmerd. De meeste houtsoorten zijn 
zeer hard en kunnen uitstekend gepolitoerd worden, en daar 
zij, al naar de soort, verschillend van kleur zijn, zoo kan 
een praktisch timmerman de eene kamer met witte, de 
andere met roode en eene derde met bniine planken be- 
schieten of ook de buitenwanden van bruin, deur- en venster- 
posten van wit en deuren en vensterluiken van rood hout 
vervaardigen. 

De eenige houtsoort, die als zoodanig geëxporteerd wordt, 
is het zoogenaamde camwood ofroodhout, dat, ruw 
van den bast ontdaan, door inboorlingen ^naar de factorijen 
gebracht en daar bij het gewicht verkocht wordt. Dit hout, 
dat oók door de inboorlingen zeer dikwijls tot het rood- 
verwen (nl. van stoffen) gebruikt wordt, wordt als handels- 
artikel grootendeels naar het westelijk gedeelte van Frankrijk 
gezonden, waar het in groote massa's gebruikt wordt 
om wijnen rood te kleuren. Het camwood stamt af 
van een laagstammigen, vergroeiden boom {Baphia haema- 
toxylon Hook. fiL ?), die in het oerwoud op zekere plaatsen 
wordt aangetroffen en als een heilige boom, dien men niet 
mag aanraken, aan den ingang der meeste negerdorpen 
staat, of een bestanddeel der heilige tooverwouden (6^r/^r/- 
bush^ Devil'busK) vormt. 

Als tweede kleurstof, die echter niet wordt uitgevoerd, 
moet de indigo vermeld worden, die hier uit de bladeren 
van een in het wild groeienden struik v/ordt getrokken. De 
inboorlingen gebruiken haar veel om garen en zelfvervaar- 
digde stoffen blauw te verwen, alsook hier en daarbij het 
tatoueeren van de huid. * 

Verscheidene Ficus-soorten en lianen ^Landol- 
phid)y wier gestremd melksap het caoutchouc {India 
rubber) ^) oplevert, groeien in de oerwouden hier en daar 
in groote menigte. Het is alleen jammer, dat de inboorlingen 
zich niet meer op .dit verwaarloosd middel van bestaan 
toeleggen, daar het, bij eene rationeele behandeling, zoowel 
voor de leveranciers als voor de factorijen groote winsten 
kon afwerpen. 

Eenige Rhizophoren-soorten bevatten in haar 
bast eene voortreffelijke looistof, welke de Liberianen 
tot het looien van hunne dierenhuiden aanwenden. De zeer 
taaie, slanke lianen worden algemeen als touwwerk gebruikt 
en zijn steviger en minder breekbaar dan touw van hennep 
of boombast vervaardigd. 

Zoogenaamde officineele planten worden in 



*) Nadere bijzonderheden over het winnen en bereiden in de af- 
deeling: „De Inboorlingen." 



14 



MEDEDEELINOEN OVER LIBERIA. 



Liberia in menigte aangetroffen ; toch worden zij slechts door 
inlandsche geneeskundigen en als zoogenaamde huismiddelen 
toegepast en slechts de vergiftige vruchten van een enkelen, 
Fhysosiigma venenosum Balf.^ een tot de Papilionaceèn 
behoorenden boom, worden als Calabar-boonen in 
den handel gebracht. 

Aan eetbare vruchten zijn de wouden van Libe- 
ria betrekkelijk arm. Der vermelding waard is, behalve de 
oliepal m, de tamarinde, wier booneh een aange- 
namen, zuurachtigen smaak hebben en eene frissche spijs 
opleveren. In het oerwoud komt een zekere boom, welks 
groenachtig gele pruimen (bush-plums) door apen, eek- 
hoorntjes, antilopen, wilde zwijnen enz. en eene menigte 
vogels, alsook door de inboorlingen zeer gezocht worden, 
zeer menigvuldig voor. Zijne vruchten worden meestal versch 
gegeten, dikwijls ook gedroogd en menigmaal wordt daaruit 
een soort bier gebrouwen, dat, met gember vermengd, zeer 
aangenaam smaakt. 

In het boschrijke, van vele kloven voorziene Cape 
Mount-gebergte heb ik dikwijls een wijnstok aange- 
troffen, die kleine, blauwe, zuurachtig smakende druiven ople- 
vert en welks groene ranken er juist uitzien als onze wijngaard- 
ranken en o.ok denzelfden smaak hebben. In Roberts- 
port zag ik een dezer wijnstokken aan het latwerk voor 
een huis zeer welig groeien en de lieden verzekerden mij, 
dat de druiven zeer zoet waren en bij genomen proeven 
een goeden wijn opleverden. 

Eene belangrijke rol niet slechts in Liberia maar in een 
groot deel van West- Afrika speelt de C o l a - n o o t. Zij 
is de vrucht van een boom (Sterculia acuminata Beatw.) 
die op open plaatsen in het bosch, en in struikgewas in het wild 
groeit, niet zeer hoog is, maar groote bladeren heeft ; zij smaakt 
buitengewoon bitter en wordt door zeer vele inboorlingen harts- 
tochtelijk gekauwd. Zij bevordert de speekselafscheiding en 
verdrijfl honger en dorst. Boven in hpt gebied derMandin- 
go's is zij bovendien een zeer gezien en gangbaar betaal- 
middel. 

In verschillende Streken van Liberia, vooral in de kleine 
bosschages, die in de grassteppen verstrooid staan, groeit de 
ananas {Ananassa sativa Lindl) in het wild en bedekt 
menigmaal geheele vlakten, zoodat men moeite heefl zich door 
de 1/2 M. hooge, stekelige bladeren heen te werken. In 
streken waar zij rijkelijk worden aangetroffen, verschaffen 
zij den inboorlingen niet alleen eene lekkernij, maar ook 
een belangrijk voedingsmiddel. In gekweekten toestand 
heb ik haar niet aangetroffen. 



c. Cultuurplanten, 

Veel talrijker dan de nuttige, in het wild groeiende planten, 
zijn de cultuurplanten, van welke er, in het voorbij- 
gaan gezegd, slechts weinigen oorspronkelijk in Afrika 
te huis zijn. Van de korensoorten worden slechts 
rijst en maïs door de inboorlingen verbouwd, maar 
lang niet voldoende voor eigen gebruik, zoodat de 
Liberianen er toe moeten overgaan zich geïmporteerde rijst 
aan te schaffen. Zoowel rijst als maïs leveren, wanneer 
het weder geschikt is voor den oogst, rijkelijk vrucht. Veel 
beter dan de koren vruchten zijn de knolvruchten 
vert^enwoordigd. Van dezen worden slechts de k a s s a v e 
of maniok (Manikot utilissima PhL) en de zoogen. 
zoete aardappel of b a t a t e {Batatas edulis Chois.) aange- 
kweekt. De eerste, eene Euphorbiacee, is in Liberia onder 
den naam ^yCassada^"* bekend en wordt met voorliefde door 
de inboorlingen geplant, maar ook dikwijls aan de Liberia- 
nen verkocht. -Zij gedijt in eiken grond, het liefst echter op 
uitgeroeiden boschgrond. Bij het aanleggen van eene nieuwe 
plantage, legt men de ongeveer één voet lange stekken, in welke 
men de stengels der oude planten verdeelt, op één pas 
afstands van elkander in hooge, losse, voor dit doel gerciaakte 
aardhoopen. Daar men het aanplanten bij het begin van 
den regentijd onderneemt, ontwikkelen zich de stekken zeer 
snel en de jonge planten groeien zonder verder toedoen, 
gedurende den regentijd krachtig op, zonder dat zij op den 
aangeaarden grond van de toenemende natheid behoeven 
te lijden. Een goed aangelegde kassavefarm heefl dan 
tegen het einde van den regentijd een zeer statig voorko- 
men. Op de vingerdikke, van knoopen voorziene, tot 2 M. 
hooge, rechte stengels, verheffen zich de uitgespreide kronen 
der donkergroene, groote, handvormig verdeelde bladeren, 
die samen, gedurende het droge jaargetijde, den grond voor 
al te sterk uitdrogen bewaren. In de aarde hebben zich, 
ongeveer na een half jaar, reeds groote dahlia-achtigewortel- 
knollen ontwikkeld en deze kunnen alreeds verzameld wor- 
den. Het groote voordeel der kassave is namelijk dit, dat 
de bruikbaarheid van hare wortelknoUen niet van een be- 
paalden tijd yan rijpheid afhangt en men zich, zoo spoedig 
zij eene bepaalde grootte hebben bereikt, dagelijks zijn 
behoefte kan halen, de anderen echter rustig kan laten voort- 
groeien. De kassaven kunnen dit verscheidene jaren uit- 
houden en hare wortelknoUen worden dan zoo dik als een 
arm, zonder daardoor minder smakelijk te worden. Geraspt 
en uitgewasschen leveren zij uitmuntende stijfsel. Zij zijn veel 
mdiger en smakelijker dan de bataten en smaken, in het 
vuur geroosterd, als gebraden kastanjes. 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



15 



Evenals de kassave door de inboorlingen, zoo wordt de 
batate door de Liberianen met voorliefde aangekweekt, 
niet omdat zij wegens hare smakelijkheid of rijker oogst 
de voorkeur verdient boven de eerste, want daarin staat 
zij verre achter, maar eenvoudig omdat men bij de laatste 
niet zoo lang op den oogst behoeft te wachten. De batate 
(Eng. sweet potatd) is de wortelknol van eene Convolvulacee 
en haar aanbouw geschiedt geheel op de wijze der maniok- 
cultuur. Van een oud bataten veld worden namelijk de 
over de aarde kruipende lange uitloopers van deze planten 
a^enomen, op den aangeaarden grond van het pas aange- 
legde veld nedergelegd, en hier en daar met wat aarde 
toegedekt, waarop zij zeer spoedig, vooral wanneer men 
een gunstig jaargetijde uitkiest, wortels schieten en knollen 
aanzetten. In den tijd van drie maanden zijn deze reeds 
zoo groot, dat met den oogst een begin kan worden gemaakt. 
Ook hier vraagt men naar geen tijd van rijpheid en men 
haalt, wat men dagelijks noodig heeft, versch van den akker. 
De bataten zijn niet grooter dan Europeesche aard- 
appelen, maar hebben meestal een langwerpige, zelden eene 
bolvormige gedaante, smaken onaangenaam zoet, ongeveer 
als bevroren Europeesche aardappelen, en zijn veel minder 
droog en melig dan de reeds beschreven kassaven; 
zij maken echter niettemin gedurende het grootste deel van 
het jaar het hoofdvoedsel uit van de armste klassen der 
Liberiaansche kolonisten. De overige knolplanten, welke 
veel minder worden aangekweekt dan de beide genoemde 
soorten, zijn de zoogenaamde, tot de A r o i d e e n behoo- 
rende e d d o e s {Colocasia escuhnta Schoit.) met zeer melige 
knollen, ter dikte van een vuist tot die van een kinderhoofd, 
welke echter, indien ze slecht worden toebereid, gemakkelijk 
zeepachtig worden ; verder het bekende arrowroot 
[Maranta arundinacea Z.) met knollen zoo lang en dik 
als een arm, en de y a m s {Dioscored). 

Onder de oliehoudende planten moeten de reeds 
genoemde olie- en kokospalm vermeld worden en de tot 
de Papilionaceen behoorende aardnootplant 
[Arachis hypogaea Z.) Deze laatste, eene sierlijke plant met 

« 

tweejukkige, lichtgroene bladeren, wordt op uitgeroeid bosch- 
land aangeplant, komt echter niet zelden ook in het wild 
groeiend voor. De na het bloeien zich ontwikkelende, korte, 
opgeblazen doppen, welke twee zaden bevatten, buigen 
zich naar omlaag en zakken in de aarde, waar .'^ich dan 
in korten tijd de boonen (aardnoten, groundnuts) tot rijp- 
heid ontwikkelen, welke later door omwoelen van den grond 
worden verzameld. De aardnoten zijn sterk oliehoudend 
en leveren, geroosterd, een uitstekend voedsel op, worden 
echter van hier slechts in zeer geringe menigte uitgevoerd, 



in tegenstelling met Sierra Leone en de noordelijke 
kuststreken, vanwaar uit geheele scheepsladingen naar 
Europa vertrekken. De aardnoten velden zijn een gelief- 
koosde verzamelplaats voor dL2ii6z^\]TLen(^aundhogs, Aula- 
codus swinderianuSf nee Orycteropus capensis) en aardeek- 
horentjes (groundsquirrels^ Xerus erythcpus), die het 
oliehoudende zaad zeer ijverig opzoeken en dikwijls groote 
verwoestingen aanrichten. Als oliehoudende plant zoude ten 
slotte nog de wonderboom (Ricinus communis Z.) ver- 
meld kunnen worden, dien men in de nabijheid der n^er- 
woningen overal in wilden toestand aantreft, wier zaad 
echter nergens voor den uitvoer verzameld wordt, of op de 
plaats zelve tot het winnen van olie wordt gebruikt. 

Onder de in Liberia verbouwde genotplanten, neemt 
de koffieboom de voornaamste plaats in. De koffie, 
die in Liberia niet alleen in verwilderden toestand voor- 
komt, maar in de bosschen werkelijk ook in het wild groeit, 
wordt in groote farms uitsluitend door de liberiaansche 
kolonisten aangekweekt en levert, na de producten van den 
oliepalm, het voornaamste handelsartikel van Liberia. 
De vraag naar dit artikel, vooral in Engeland, wordt 
van jaar tot jaar grooter en de prijzen, die nu reeds hoog 
staan, (tot 20 DoUarcents per Eng. pond) schijnen nog 
meer te zullen stijgen ^). De aanblik, die een goed aange- 
legde en goed onderhoudene farm van koffieboomen, met 
hunne groote, altijd groene, als met lak overtrokken blade- 
ren oplevert, vooral tijdens den vollen bloei, is een waar 
genot. Men plant de boomen in rijen op een afstand van 
8 — 10, in nieuwe plantages zelfs van 12 voet en meer in 
het vierkant en houdt hen zoo laag, dat men de schoone 
granaatroode bessen, ter grootte van een kers, die ieder 
twee kofïieboonen bevatten, op den grond staande kan pluk- 
ken. Daar de vruchten van den bloeitijd af totdat zij rijp 
zijn twee jaren noodig hebben, draagt de boom bloesems, 
jonge en rijpe vruchten ter zelfder tijd. De bloesems, die 
in dichte, in de bladoksels staande hoopjes aan de takken 
zitten, zijn sneeuwwit en verfepreiden een onbeschrijfelijk 
heerlijken geur. De hoofdbloeitijd valt in Liberia in het 
begin van het droge seizoen en duurt hoogstens twee dagen, 
waarna dan de grond door de afgevallen bloesems er uit ziet 
alsof hij besneeuwd ware. Uit de bladeren kan eene aroma- 
tische thee bereid worden. De ijzerhoudende kleigrond van 
Liberia schijnt voor de kofïiecultuur als geschapen te zijn, 



'} Een bewijs voor de voortreffelijke qualiteit van dit product 
levert het feit, dat zoowel En geland als Holland, met groote 
kosten jonge koffieplanten uit Liberia naar hunne bezittingen in 
I n d i e en den Indischen Archipel laten vervoeren. 



i6 



MEDEDEELINGEN. OVER LIBERIA. 



want zel& in den meest humusarmen grond, in de vlakte zoo- 
wel als aan rotsachtige, door den regen afgespoelde, steile 
hellingen, gedijt de koffieboom welig en levert, als hij een- 
maal goed opgegroeid is, een rijken oogst 

De cacao-boom ( Theohroma Cacao Z.) tiert in 
Liberia ook voorspoedig, toch treft men hem in de plan- 
tages slechts zelden aan en hij komt daar in te kleinen 
getale voor, dan dat zijne vruchten uitgevoerd zouden 
kunnen worden. Hij verlangt een diepen grond, schaduw- 
rijke plaatsen, wordt nauwelijks lo M. hoog en heeft 
eene schoone, een weinig piramidale kroon met groote 
elliptische bladeren. Direct uit den stam en de takken 
groeien, het geheele jaar door, kleine roode bloesems, uit 
welke zich de langwerpige, op augurken gelijkende, ten 
tijde der rijpheid oranjegele vruchten ontwikkelen, in wier 
sappig vleesch de in 5 rijen gerangschikte, geelachtige zaad- 
korrels (boonen) steken. De beplanting eener geheele farm 
met cacaoboompjes levert echter veel meer moeielijkheden 
op dan eene koffieplantage, daar de uit het zaad getrokken 
jonge boompjes het verplanten slecht kunnen verdragen. 

Tabak wordt op Liberiaansch grondgebied nergens 
gekweekt, wel echter in de Mandingo-hoog vlakte, waar hij 
echter nauwelijks voor eigen gebruik toereikend schijnt. 

Behalve de koffie wordt slechts het suikerriet in het groot 
aangeplant. Het gedijt, evenals de rijst, zoowel op een natten 
als op een drogen bodem. De aanbouw van dit gewas is in elk 
opzicht, daar het gemiddeld een rijken oogst oplevert, zeer 
winstgevend, maar den Liberiaanschen farmer ontbreken 
de geldmiddelen om de kostbare inrichtingen voor suiker- 
en rumbereiding zich aan te schaffen; de bestaande zijn 
meest allen zeer primitief en daarom niet geschikt het ge- 
produceerde suikerriet op de beste wijze ten nutte te maken, 
en de opbrengst is dientengevolge niet zoo groot als zij 
kon en moest zijn. Om deze reden heeft dan ook de aan- 
bouw van suikerriet in den laatsten tijd meer en meer 
voor de koffiecultuur het veld moeten ruimen. De suiker 
wordt in ongeraf&neerden toestand als bruine suiker en wel 
bijna uitsluitend in het land zelf verkocht, evenals ook de 
rum, die in de met suikerraffinaderijen in verbinding staande 
branderijen gedistilleerd wordt. De meeste suikerplantages 
en daarmede verbonden inrichtingen bevinden zich aan den 
S t. Paul tot bij de M ü h l e n b u r g M i s s i o n, en zelfs 
achter deze nog meer landwaarts in treft men haar aan. 

Ofschoon de verschillende groentesoorten bij 
eenige zorg in Liberia goed gedijen, geeft zich toch 
zelden iemand eenige moeite ze aan te kweeken. Kool en 
boonen zijn dan ook bijna het eenige wat men hier aantreft, 
tomaten of liefdeappelen {Lycospersium esculentum Mill,)^ 



ook eenige soorten van eierplanten {egg-plants^ 
garden-eggs^ Solanum melongetut Z.) vindt men dikwijls, 
hier en daar ook in verwilderden toestand, evenals eene 
soort p o r t u 1 a k, bij de Golahs ^ySakkum'^ genoemd, dien 
wij zelfs op onze, het meest van de kust verwijderde 
stations, om de Neger-woonplaatsen, in verwilderden toestand 
aantroffen en die een zeer goede groente (porselein) ople- 
vert. Onze meest gewone groenten, ten minste gedurende 
ons verblijf in het binnenland en niet zelden ook aan de 
kust, bestonden echter uit de jonge bladeren der bataten 
en. kassaven, die men wel is waar niet op eene lijn 
iriet de Europeesche spinazie kan stellen, maar die toch 
in plaats daarvan zeer welkom waren. 

Menigvuldiger zijn de vruchten uit de familie der 
Cucurbitaceen, zooals gewone, groote pompoe- 
nen, wier schalen dikwijls met kunstig ingesneden teeke- 
ningen versierd, te koop worden aangeboden, gewone 
meloenen en de saprijke, verfrisschende waterme- 
loenen of de sierlijke fleschvormige pompoe- 
nen, die, uitgehold als kalebassen en in twee helften ge- 
sneden, als drinkschalen worden gebruikt of ook, gelijk wij 
later zullen zien, als klankborden worden aangewend, en 
tevens als hoofdbestanddeel der geliefkoosde kalebassen- 
castagnetten moeten dienen. 

Er moet nu nog van eene boomvrucht gewag gemaakt wor- 
den, die men gaarne als zoodanig tot de ooftsoorten zoude wil- 
len rekenen, ofschoon zij, wat haar uiterlijk betreft, zoowel als 
in botanisch opzicht, tot de zoo even genoemde Cucurbitaceen 
behoort, n. 1. de boommeloen. De meloenboom, 
(Carica papaya L., Eng. papaw), die zoowel rondom de woon- 
plaatsen der Liberianen als der inboorlingen groeit en 
overal even weelderig gedijt, en dien de zwarte keuken- 
meiden ongaarne zouden missen, kenmerkt zich vooral door 
zijne gestalte en zijn onbegrijpelijk snellen wasdom, waarin 
hij zelfs den bekenden Ricinus (wonderboom) nog over- 
treft. Zijn uiterlijk voorkomen doet, hoewel dit slecht met 
onze voorstelling van een pompoenplant overeenstemt, in 
menig opzicht aan den palm denken. De slanke, overal 
even dikke stam, die, zooals bij de palmen, van onder tol 
boven met de groeven der afgevallen bladeren bedekt is, 
draagt op zijn top eene kroon van langstelige, zeer groote, 
handvormig verdeelde bladeren, en aan de basis dier bla- 
deren zitten, in een dichten hoop rondom den stam, 
het geheele jaar door, trechtervormige, gele bloesems 
en half of geheel rijpe, gestreepte vruchten, die den vorm 
van augurken hebben. De meloenboom groeit verbazend 
snel, bloeit en draagt vruchten reeds in het eerste jaar, 
waarin hij meer dan eene manshoogte bereikt en reeds eene 



MED£D£ILING£N OVER LIBEklA. 



Statige bladerkroon draagt. In zijn derde of vierde jaar is 
hij reeds volwassen, d. i. zijn stam is, bij eene hoogte van 
6—8 M., nauwelijks 2 dM. dik, terwijl de bladerkroon, 
vanaf hare volle ontwikkeline: in het eeiste jaar, nauwelijks 
merkbaar in grootte toeneemt. Daar deze boom geen eigen- 
lijke houtplant is, kan men hem niet goed beklimmen en 
stoot of slaat daarom zijne vruchten gewoonlijk met een 
stang (den bladsteel van een wijnpalm) naar beneden. Zoo 
doet men ook met zijne bladeren, die dikwijls tot het toe- 
dekken van kookix)tten en tevens bij het wasschen als 
surrogaat van zeep worden gebruikt. Zijn leven is van 
korten duur, want even snel als hij zich ontwikkelt, sterft 
hij ook. Daar hij zich echter zeer gemakkelijk voortplant 
en zonder raenschelijke «bemoeiingen in de onmiddelijke 
nabijheid der woonplaatsen uit weggeworpen pitten ontkiemt 
en gedijt, zoo behoeft men zijn vroegen dood niet zeer te 
betreuren. De boom meloenen worden meer in half- dan in 
geheel rijpen toestand gebr^iikt. De onrijpe vruchten zijn 
groen en leveren ingemaakt een voortreffelijk moes op, dat 
veel op ons appelmoes gelijkt. In rijpen toestand zijn de 
vruchten schoon geel, hebben een teedsr, door bovenmatige 
zoetheid bijna onaangenaam vleesch, dat door liefhebbers 
met azijn en zout, hier en daar ook met suiker gegeten 
wordt. Behalve echter, dat deze het geheele jaar voorhanden 
vruchten, in een land als Liberia, dat zoo arm aan vruchten 
is, niet genoeg gewaardeerd kunnen worden, bezitten zij, 
even als de bladeren, eene vleesch verte rende eigenschap 
gelijk tot dusverre nog bij geen enkele plant in zoo hooge 
mate werd waargenomen. Taai vleesch van alle dieren, 
dat op de gewone manier niet gaar wil worden, behoeft 
slechts korten tijd vóór het koken, in papaw-bladeren ge- 
wikkeld te worden, of men heeft bij het koken zelf slechts 
een weinig melksap van onrijj^e vruchten bij het water te 
doen, om het gaar te krijgen. Dit is eene, voornamelijk voor 
de aldaar verblijfhoudende Europeanen, niet te versmaden 
hoedanigheid, terwijl het voor de Negers, die voorzien zijn 
van een uitstekend gebit en een even sterke maag, niet van 
zoo groote beteekenis is. Men moet zich eigenlijk verwonderen 
dat dit, aan de kust welbekende middel, niet reeds langen 
tijd in Europa in gebruik is, daar het melksap van deze 
plant zonder moeite verzameld en geconserveerd zou kunnen 
worden. 

Onder de als ooft op te noemen boomvruchten zou men den 
pi s a ng(Musa paradisiaca^ Z.Eng. p.lantain) en de b a n a a n 
Musa sapienthtm L.) wel de eerste plaats mogen toekennen. 
Hunne welbekende, kostelijke vruchten zijn in verschillende 
variëteiten en op sommige plaatsen in groote menigte voorhan- 
den. Wij hebben deze planten nooit in verwilderden toestand 



aangetroffen en vonden haar steeds als een zeker teeken van 
de nabijheid van menschelijke woningen. Zij ontbreken 
nooit bij de woonplaatsen der Negers, wier dorpen en steden 
dikwijls met een geheelen gordel van deze interressante, 
nuttige planten omgeven en daaronder verborgen zijn. 
Treft men haar, wat niet zelden geschiedt, in oude, meer 
met struiken en bosch begroeide farms aan, dan kan meiv 
er veilig op rekenen, dat daar eene negerkolonie, zoo niet 
zelfs eene dier mobiele steden geweest is, welke om de eene 
of andere reden verlaten of door den oorlog verwoest en 
niet weder opgebouwd is. 

Zeer talrijk is aan de kustplaatsen de statige m ango boom 
(Mangifera indica Z.) die stellig het eerst, gelijk zoo menige 
andere, door Portugeesche enSpaansche slavenhandelaars in 
het land gebracht en rondom hunne slavenfactorijen in menigte 
werd aangeplant. Deze boomen wijzen, met de prachtigste, tot 
groepen vereenigde oude exemplaren, nog heden de plaatsen 
aan der vroegere slavendepóts (Monrovia en Grand Cape 
Mount). De mangoboom is een waar sieraad der kust- 
plaatsen ^). Wat grootte en vorm betreft, gelijkt hij het meest 
op onze linden en wilde kastanjeboomen ; zijn kroon is echter 
eer nog dichter en meer gesloten en wordt door de weelderige, 
donkergroene, glanzige bladeren geheel ondoorzichtig. Hij 
bloeit en draagt jaarlijks tweemaal vrucht, echter zóó, dat 
zekere takken, ja dikwijls de geheele helft van den boom, 
slechts vruchten dragen, terwijl de andere bloeien en omge- 
keerd, zoodat eigenlijk iedere enkele tak toch slechts eens 
per jaar bloeit en vruchten tot rijpheid brengt. De mango- 
pruimen zijn zoo groot als een appel, hebben echter meer 
den vorm van een perzik en een dienovereenkomstig grooten 
steen met gegroefde oppervlakte. In onrijpen toestand zijn 
zij grasgroen, worden bij het rijpen geel en sappig en hebben 
een zwak terpentijn ach tigen smaak en reuk. 

Een andere, kleinere en vergroeide boom, dien de slaven- 
handelaars evenzeer schijnen te hebben ingevoerd, is de 
Anona muricata L. Zijne plompe, wanstalige vrucht, Eng. 
soursop^ Holl. „zuurzak" genoemd, is met geen Européesche 
te vergelijken, wordt zoo groot als een beetwortel en heeft 
onder de, een weinig bobbelige, dunne, groene schil een 
wit, teeder, zeer^ saprijk vleesch van aangenaam zuurach- 
tigen smaak, in hetwelk de talrijke, op pompoenpitten ge- 
lijkende, zwarte zaden steken. De soursop is de saprijk ste 
vrucht, die ik ooit heb leeren kennen en in de heete tropen - 
landen een waar geschenk des Hemels. Een tot hetzelfde 
genus behoorende boom, Anona squamosa Z. {sweetsop) 



^) Merkwaardig is het, dat wij dezen zoo nuttigen boom nooit in 
het binnenland hebben aangetroFTen. 



i8 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



onderscheidt zich, zooals reeds de engelsche naam aanduidt, 
door zijne zoete vruchten, komt eqhter op verre na niet 
zoo menigvuldig voor als eerstgenoemde. 

De guave-boom {Psidium Guava Radd.^ var. pomife- 
rum\ die evenmin als voorgaande eene belangrijke grootte 
bereikt, levert de aangenaam smakende guaven, terwijl 
van zijne bladeren eene koortswerende thee getrokken 

wordt. 

Oranjeboomen van verschillende hoedanigheden komen 

in de volkplantingen der Liberianen algemeen voor en nog 
talrijker, in half wilden toestand, de limoenboom. De 
vruchten van dezen laatsten zijn half zoo groot als oran- 
gen en iets bleeker gekleurd. Zij zijn veel te zuur om 
rauw gegeten te worden; toch geeft hun sap, met suiker- 
water verdund, een zeer weikomen, verfrisschenden drank, 
die, vooral bij koortsaanvallen, onschatbare diensten bewijst. 

Als s p e c e r ij e n zijn noemenswaard de gember, een soort 
uien en Spaansche peper. De gember (Eng. ginger, 
Zingiber officinale Rosc.) wordt hier en daar vlijtig aange- 
bouwd en zijne knolachtige wortelstokken, die de bekende 
specerij opleveren, worden deels in drogen toestand geëx- 
porteerd, deels voor huiselijk gebruik voor het zoogenoemde 
gingerbeer en ^ngerbread aangewend. Het vooral in het 
droge seizoen door Liberiaansche vrouwen veelvuldig be- 
reide gemberbier is niets anders dan een dun waterig af- 
kooksel van gember, dat met gewoon zuurdeeg tot gisting 
gebracht wordt en bij de aldaar hooge temperatuur bin- 
nen weinige uren een sterk mousseerenden, aangenaam 
verfrisschenden en opwekkenden drank vormt. Ginger- 
bread is gewoon brood, waarin een afkooksel van gem- 
ber of kleine stukjes gekookten gember gekneed zijn. De 
uien [shallotSy chalotten) zijn zeer klein en worden slechts 
bij de inboorlingen, hoofdzakelijk bij de bewoners van het 
verre binnenland, aangetroffen. De Liberianen ontvangen 
door de poststoombooten uit Madeira aangevoerde uien 
en uit de faktorijen, HoUandsche en Duitsche. Zeer 
verspreid is, aan de kust zoowel als in het binnenland, de 
Spaansche peper, waarmee de Liberanen en inboorlin- 
gen himne spijzen, vooral hunne vischsoep en vleeschspijzen 
zoo overdreven mogelijk kruiden. Ook gebruikt men nu 
en dan voor een gelijk doel eene soort roode, in dichte 
trossen aan een struik in het bosch groeiende bessen, die 
aan sterkte nauwlijks voor Spaansche peper onderdoen. 

Onder de sp inplanten staat het katoen bovenaan. 
Het wordt in de Mandingo-vlakte op groote velden aange- 
kweekt, veel minder echter door de Vey's in het Cape 
Mount district en slechts in geringe hoeveelheid door de 
Golah's; het komt overigens in de genoemde streken ook 



in verwilderden toestand voor. Geëxporteerd wordt de katoen, 
die van uitmuntende kwaliteit is, niet, maar zij wordt 
door de producenten zelf afgesponnen en tot doeken *) 
geweven, welke deels in het land zelf gebruikt, deels bij 
de inboorlingen der streken, oostelijk van Monrovia gele- 
gen, als handelsartikelen worden aan den man gebracht. 
Deze katoenstofFen {country cloth) zijn wel bet eenige 
door de inboorlingen vervaardigde artikel in den kusthan- 
del. Oostelijk van Monrovia wordt geen katoen aange- 
bouwd; ook worden daar geene weefsels vervaardigd, daar 
deze tak van industrie uitsluitend door de Mandingo's, 
de Boozies, Pessies, Vey's en, hoewel in geringe 
mate, door de G o 1 a h ' s wordt uitgeoefend. De Libe- 
rianen, welke zich daar hebben neergezet, houden zich 
hiermede nergens bezig. Behalve katoen wordt eene 
groote menigte plantaardige stoffen op het weefgetouw of 
tot vlecht- en touwwerk bearbeid. De taaie, zachte en 
splijtbare bast der palmbladstelen, voora! der wijnpalmen, 
geeft voortreffelijke matten, wanden voor negerhutten, 
vischfuiken en vele andere zaken, evenals eenige soorten 
van biezen en de bladeren van den Pandanus^ van welke 
laatste ook hoeden en regenschermen worden vervaardigd. 
Van de teedere maar sterke bladvezels der wijn- en olie- 
palmen wordt naai- en bindgaren gedraaid; ook maakt 
men er op dezelfde wijze snoeren en touwen van. Boven- 
dien worden vele soorten van knoopwerk, vooral buidels 
voor alle mogelijke doeleinden, en zeer sterke vischnetten 
daarvan gemaakt. Van de vederbladeren van den olie- 
en wijnpalm worden op zeer eenvoudige en geschikte wijze 
draagkorven {kingjars) gevlochten en breede strooken 
sterken boombast leveren de daarvoor noodige draagrie- 
men, terwijl de taaie, buigzame lianen (ratang) in plaats 
van touwen gebruikt worden om ze vast te snoeren. De 
laatste worden bovendien ook bij massa's bij het bouwen 
van negerhutten gebruikt om het houtwerk bij elkander te 
binden. IJzeren nagels zoowel als houten pennen zijn 
daar ten eenenmale overbodig. 

7. De Dierenwereld. 
a. Zoogdieren. 

Een land als Liberia, dat zich door een tropisch klimaat, 
rijkdom van water en een weelderigen plantengroei onder- 
scheidt, moet, zooals van zelf spreekt, ook op het gebied 
van de dierenwereld een groeten rijkdom tentoonspreiden; 



*) Nadere bijzonderheden over deze indostrie later. 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



19 



Eene der belangrijkste diergroepen van Liberia, zooals 
in het algemeen van de meeste keerkringsgewesten, vormen 
ongetwijfeld de levendige, koddige apen, die men aldaar 
in de wouden^ zoowel met betrekking tot het aantal der 
soorten, als der individuen, zeer veelvuldig aantreft. Wij 
hebben op onze reizen en bij het jagen in het geheel 10 
soorten gevonden en in onze verzamelingen opgenomen, n.1. 
de chimpansé, Simia troglodytes^ 3 soorten van het 
geslacht Colobus (Colobus polycomos^ Col. ur sinus en Col. 
ferrugineus\ verder 5 soorten van meerkatten (Cercopi- 
thecus Canipbelliij C. petaurista^ C, diana, C. callithrichus^ 
Cercocebus fuliginosus) en één hal f aap (Nycticebus 
potto). 

De chimpansé's, door de Liberianen „baboons" ge- 
noemd, leven in troepen bijeen en loopen groote streken lands 
ai; om voedseltezoeken, dat voornamelijk in allerlei vruchten 
en bezien bestaat. Meer in het binnenland worden zij niet 
zelden aangetroffen, en zij komen hier en daar zelfs in de 
nabijheid der kust voor, zonder zich evenwel vele 
dagen in dezelfde streek op te houden. Juist deze om- 
standigheid maakt de jacht op deze dieren zeer moeielijk, 
daar men gewoonlijk, nadat men kennis gekregen heeft 
van hunne verblijfplaats, eerst daar aankomt als zij reeds 
weder vertrokken zijn. Hier en daar schijnt ook een oude 
chimpansé zich geheel van zijne familie af te zonderen en 
een kluizenaarsleven te leiden, wat evenwel bij andere apen 
ook wel plaats heeft. Als de gelegenheid zich aanbiedt, 
worden ook wel hier en daar jonge chimpansé's door de 
inboorlingen gevangen en naar de kust gebracht. De inboor- 
lingen vertellen, dat bij vriendelijke behandeling deze dieren 
zeer tam en vertrouwelijk worden en, grooter, tot het bewijzen 
van allerlei kleine diensten worden afgericht, zooals: het 
aandragen van water en hout, het bewaken van kinderen 
en het verjagen van vogels van de rijstvelden. Wanneer 
men aan de vrij wel overeenkomende raededeelingen der 
inboorlingen geloof mag schenken, zou een volwassen 
chimpansé voor den gorilla noch in lengte, noch in breedte 
der schouders, noch in lichaamskracht behoeven onder te 
doen. Hij wordt dan ook algemeen door de inboorlingen 
als het zinnnebeeld van kracht en kloekheid beschouwd 
en speelt in hunne aan sagen zoo rijke geschiedenis eene 
belangrijke *rol. 

Terwijl de chimpansé's zich meestal op den grond op- 
honden, en in het algemeen slechts dan een boom 
beklimmen, wanneer op den gr9nd niet genoeg vruchten te 
vinden zijn, levende Colobus-soorten en meerkatten 
uitsluitend in de kronen der boomen en komen slechts 
naar beneden om water te drinken, of om de opene plekken, 



die het oude woud hier en daar vertoont, te passeeren. 
Gewoonlijk leven zij in grootere of kleinere gezelschappen, 
die van 4 of 5 tot soms ongeveer honderd exemplaren 
tellen, bijeen, en doorkruisen de bosschen, om hunne voe- 
derboomen op te zoeken; des avonds keeren zij naar 
hunne gemeenschappelijke slaapplaatsen terug. 

Deze apen leven doorgaans van planten, maar terwijl 
de bewegelijke, onrustige meerkatten uitsluitend vruchten 
als voedsel gebruiken, voeden zich de eenigszins lompe en 
meer trage Colobus-soorten grootendeels met boombladeren, 
waarvan zij eene ontzaglijke hoeveelheid kunnen opnemen. 
Dit is een gevolg van het ontbreken der wangzakken en van 
den bij zonderen bouw der maag, en daaruit is ook te ver- 
klaren, dat deze ap)en, om zich het noodige voedsel te 
verschaffen, niet, zooals de meerkatten, groote strooptochten 
behoeven te ondernemen, maar dezen tot een veel kleiner 
gebied kunnen beperken. 

Alle apen zonder uitzondering houden er echter van, 
om als toespijs allerlei insecten te gebruiken, zooals spin- 
nen, kevers en hunne larven, die zij met waren hartstocht 
en groote volharding onder oude boomschors van daan 
halen of van den pels hunner kameraden afzoeken. Alle 
eigenlijke apen zijn dagdieren, en met dezelfde gezelligheid, 
waarmede zij overdag de wouden doorkruisen, betrekken 
zij ook des avonds hunne slaapplaatsen. Nadat zij deze 
met het invallen der duisternis ingenomen hebben, zoekt 
elk lid van het gezelschap zich eene gemakkelijke zitplaats 
op, waar het voor nieuwsgierige blikken^ en bovenal voor 
het vorschend oog des jagers beveiligd is. Daar ziet men 
dan, hoe zij zich in alle denkbare houdingen tot de nacht- 
rust voorbereiden. Hier leunt ér een, op een tak gezeten, 
met den kop op de borst nedergebogen, zijdelings tegen 
eenen boomstam, daar heefl zich een ander op zijnen eel- 
tigen podex neergezet, de acbterpooten naar voren opg^ 
trokken en tegen den boomstam gesteund, terwijl hij den 
kop daartusschen legt, en eenige anderen hebben een paar 
dicht gebladerde takken bij elkaar getrokken en zoo een 
nest gemaakt, swaar zij elkander in teedere omarmingen 
omvat houden. 

Zoodra des morgens het zonlicht de machtige kruinen 
der boomen bestraalt, terwijl beneden tusschen de stam- 
men alles nog in nacht gehuld is en geen voetstap wordt 
vernomen, geen vogel nog de vleugels uitstrekt en zijn 
morgenlied aanheft, begint het in de boomen, die de apen 
tot hunne slaapplaats hebben uitgezocht, reeds levendig te 
worden. Een brommende, diepe gorgeltoon, als kwam hij 
uit de diepte van een hollen boomstam, juist zooals een 
buikspreker dien uitstoot, weerklinkt, eerst zacht, dan wat 



20 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



luider, als om de langslapers wakker te roepen: de aan- 
voerder der bende geeft het teeken tot vertrek. Al die 
dichte klompen in vertakkingen en tusschen het dichte ge- 
bladerte krijgen leven en beweging en lossen zich op in 
eene menigte apen, die nu, één voor één achter elkaar, 
met den aanvoerder aan het hoofd, zich op weg begeven. 
Zoo gaat het nu, terwijl men alle gedruisch zooveel moge- 
lijk vermijdt, en overal de sterkste takken als bruggen 
gebruikt, door de kronen der boomen heen. Ieder oogen- 
blik luistert de aanvoerder aandachtig toe, of niet een 
verraderlijk gerucht beneden uit het donkere woud een 
verborgen gevaar doet vreezen. Houdt de aanvoerder stil, 
dan volgen alle apen zijn voorbeeld, en geen stap gaat 
men verder, vóór het opperhoofd, overtuigd dat zijn ver- 
moeden ongegrond was, den tocht weder aanvaardt. De 
aanvoerder zelve is in den regel een oude veteraan, die 
reeds meer kruit geroken heeft, want gewoonlijk vindt men 
bij zulke aanvoerders oude beenbreuken, die meestal goed 
genezen zijn. Wanneer de apen zich van het gevaar be- 
wust zijn, zonder te weten, van welke zijde het komt, dan 
blijven ze zitten en nemen eene houding aan, die den 
jager alles behalve eenen aap doet vermoeden. 

De jager, die zich uit gemakkelijk te verklaren oorzaken 
wel wacht, om de apen op hunne slaapboomen te storen, 
en wiens hagelschot in den regel ook niet zoo ver dragen 
zou, zoekt zich eene plaats uit, waar de apen eiken morgen 
voorbijkomen, en waar minder hooge boomen hem ver- 
oorloven een aap onder schot te krijgen. Daar gaat hij 
reeds vóór het aanbreken van den dag op den loer liggen, 
en wacht, zonder de minste beweging te maken, in neder- 
gehurkte houding, met het geweer tot schieten gereed over 
de knieön gelegd, de aankomst der apen af, die hij ge- 
woonlijk aan den sterker neerdruppelenden dauw en de 
beweging van eenige takken gemakkelijk bemerkt. Geluk- 
kig hij, zoo hij dan niet door eene hoest- of niesbui over- 
vallen wordt, en er geen takje onder zijne voeten kraakt, 
want in dit geval maakt de geheele bende, zoo zij zich 
niet door stilzitten meent te kunnen redden, met haren 
aanvoerder aan het hoofd, rechtsomkeert, en zoekt, lang 
vóór er een schot kan gelost worden, haar heil in eene 
overhaaste vlucht, en de jager ziet zich in zijne verwach- 
tingen bedrogen. Deze anders zoo kloeke dieren schijnen 
in zulke gevallen alle bezinning verloren te hebben ; vluch- 
ten, dat is hunne eenige gedachte. In hunne wilde haast 
dragen zij er geene zorg meer voor, om dikke takken voor 
hunnen weg uit te kiezen, met ware doodsverachting werpen zij 
zich zelfs op lichte twijgen, terwijl zij van hunne veerkracht ge- 
bruik maken, om zich naar eene andere standplaats te laten 



slingeren. Daarbij komt een roepen, blaffen, schreeuwen, 
buiteier*, een naar beneden vallen van dorre takken, dat 
men gelooft, dat de wilde jacht door de boomen raast. 
Is echter de aanvoerder de gevaarlijke plaats gepasseerd, 
dan wordt het voor den jager gemakkelijk, want slechts 
zeer zelden zal het een aap invallen, om van den weg, 
die door zijn voorganger ingeslagen is, af te wijken. 

Zeer belangwekkend is de wijze, waarop de apenmoeders 
hare jongen mededra jjjen. Zij hebben altijd maar één jong, 
dat door de moeder met de uiterste zorg verpleegd wordt, 
en, als het al te veel leven maakt, door een der apenvaders 
wel eens beknord en tot de orde geroepen wordt. Op de 
strooptochten echter klemt zich het jong aan het lijf 
zijner nioeder, strengelt de armen vast om haren nek en de 
beenen om hare lendenen, en maakt zoo met haar de meest 
halsbrekende sprongen en acrobatische kunstukken mede, 
en de moeder vliegt met den geheelen troep voort, alsof de 
meegesleepte last voor haar volstrekt geen hindernis zijn kon. 

Eenmaal op de voederbooraen aangekomen, vreten zij 
zich zeer op hun gemak den buik vol, en de Meerkatten 
nemen des avonds nog de beide wangzakken vol mede op 
weg naar hun nachtverblijf. Op hunne voederplaatsen 
nemen zij het op het punt van voorzichtigheid niet 
zoo nauw meer; zij spelen met elkander, twisten om de 
zoetste vruchten, stelen ze van elkander, krabben elkander 
het gezicht stuk, slaan elkaar om de ooren en vervolgen 
elkaar onder groot geschreeuw, ja leveren soms formeele 
gevechten, waaraan de geheele troep deelneemt. 

De onderscheidene apensoorten hebben alle hunne ver- 
schillende geluiden, waaraan zij reeds in de verte te her- 
kennen zijn, geluiden zoowel om te lokken als om te 
waarschuwen. Ook bij stoornis gedragen zij zich verschillend. 
Terwijl de meeste Cercopithecus-s oorten bij het 
minste gevaar dreigende gerucht onder groot geschreeuw op 
de vlucht gaan, of in de grootste stilte achter boomstam- 
men, of langs dikke takken heenglijdend, wegsluipen, blij- 
ven de Colobus-soorten, die zich gewoonlijk buiten schot 
in de hoogste boomkruinen ophouden, zelfs bij het derde 
of vierde schot rustig zitten, wel is waar in eene houding, 
dat men- hen eerder voor knoestige uitwassen of roede, 
woekerende bladmassa's aanziet, en beginnen, na eene 
korte staking, hunne drukke bezigheden weder te hervatten. 
Zij schijnen over het algemeen niet zoo verstandig te zijn 
als de meerkatten, vluchten, als zij door aanhoudend 
schieten daartoe genoodzaakt worden, slechts op kleine 
afstanden, en zien het zelfs rustig aan, hoe de jager op 
hen aanlegt en vuur geef;. Zij zijn moeielijk te doodenen 
komen zelden vóór het tweede ofderde schot naar beneden. 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



21 



Ja, het gebeurde mij eens, dat een roode, oude Colobus, 
die eerst met het vierde schot capituleerde en van eene 
hoogte van 120 — 150 voet naar beneden stortte, mij den 
bovenarm door en door beet, en rok- en hemdsmouwen 
in hunne geheele lengte opscheurde, toen ik hem voor dood 
opn^m, zoodat ik genoodzaakt was, hem tot den strop te 
veroordeelen, en zoo een einde aan zijn leven te maken. 

Valt eene apenmoeder met haar jong, zoo tracht zij dit 
nog zelfe in haren doodstrijd te beschermen, terwijl zij het 
teeder in hare armen sluit, en, al naar omstandigheden, 
dea barbaarschen jager drei&;end of biddend aanziet. Ik 
heb apen zien sterven, met zulk eene biddende of ver- 
wijtende uitdrukking op het gelaat, dat ik mij zelven werkelijk 
als een moordenaar voorkwam, en een zeker bewustzijn 
van schuld in langen tijd niet van mij konde afwerpen. 
I Er blijft mij nu nog over om met eenïge woorden over 
I den aldaar voorkomenden nachtaap {Nycticebus potto) 
te spreken. Dit kleine, wolharige aapje, met gele lanta- 
renoogen in het ronde kattenkopje, leidt eene geheel nach- 
telijke levenswijze. Ovsr dag houdt zich dit kleine diertje 
slapend in de holten der boomen en andere schuil- 
hoeken op, en komt alleen des nachts te voorschijn 
om voedsel te zoeken, of zich, onder zacht gesnap, met 
zijne kameraden tusschen bladerrijke takken te vermaken. 
Omtrent de levenswijze vs^n dit zonderlinge diertje vertel- 
len de inboorlingen, in wier sagen het, evenals de chim- 
paasé eene gewichtige rol speelt, allerlei fabelachtige zaken, 
zooals b. V. dat het apen vangt, en dat het in zijne han- 
den eene buitengewone spierkracht bezit enz. Dit laatste 
laat zich verklaren wanneer men zijne sterk gelede ge- 
spierde handen, wier vingertoppen op de wijze van zuig- 
schijven verbreed zijn, nauwkeuriger beziet 

Zeer talrijk zijn in Liberia de knaagdieren vertegen- 
woordigd. Eene belangrijke groep daarvan vormen de b o o m- 
eekhorentjes, die, wat hunne levenswijze betreft, geheel met 
de onze overeenkomen. Velen onderscheiden zich door een 
neer rolronden dan platten staart, anderen door lichte over- 
langsche strepen langs de zijden van het hchaam en ge- 
deeltelijk zacht, fluweelachtig haar, terwijl weder- anderen 
op den rug ruige, om niet te zeggen borstelige, haren dra- 
gen. De meest gewone eekhorentjes, die wij gevonden 
hebben, zijn Sciurus caniceps^ het grootste en sterkste 
van allen, Sciurus rufobrachiatus, het meest gewone, 
Sciurus auöinnii, de eenigste soort, die in boomholten leeft, 
grijsachtig grauw van kleur ir.et zwarten staart en een 
zwarten streep over den rug, alsook de kleinere soorten : 
Sc, pocnsisy pyrropus en andere. 
Even . belangwekkend als de boom-eekhorentjes zijn de 



aard-eekhorentjes {jgr<mndsquvrrels\ Xerus crythch 
pTus. t)eze soort leeft, in plaats van in de boomen, uitsluitend 
op den bodem, en graaft zich holen in den grond, leidt over 
het algemeen eene levenswijze als de hamster, en richt, 
evenals dit dier, op bebouwde velden dik wij Is groote schade 
aan. Het heeft, voornamelijk op den rug, stug, grijsbruin, 
gespikkeld haar, lichte strepen aan de zijden, en voeten, 
die meer tot graven dan tot klimmen zijn ingericht. 

Weder anderen, de AnoriTaluren of vliegende eek- 
horen tj es, hebben voor- en achterpooten door een soort van 
valscherm verbonden, zij dragen onder de basis van den sterken 
staart schubachtige uitsteeksels, die hun als steunpunten 
bij het klimmen behulpzaam zijn en leiden eene uitsluitend 
nachtelijke levenswijze. Eigenaardig is het, dat men bij geen 
enkele van de 19 Afrikaansche eekhorensoorten de lange, 
haarpluimen aan de ooren vindt, die onze eekhorens zoo 
zeer tot sieraad strekken. 

Ook aan andere knaagdieren is de Liberiaansche Fauna 
rijk, en eenigen onder hen bereiken eene aanmerkelijke 
grootte. De belangrijkste daarvan zijn: Twee soorten van 
stekelvarkens {Ilystrtx cristata en H. africana)^ die even- 
als onze das en vos in de bosschen onder rotsen en boom- 
wortels hunne met onderscheidene uitgangen voorziene holen 
bouwen, en eene nachtelijke levenswijze leiden; verder het 
zoogenaamde aardvarkentje (groundhog^ Aulacodus 
Swinderianus\ met borstelige haren op den rug, dat op 
de wijze van onze hazen in nesten of legers op den grond 
leeft, en evenals het stekelvarken om het nadeel, dat het 
veroorzaakt, maar meer nog om zijn blank, wèlsmakend 
vleesch, ijverig vervolgd wordt; eindelijk eene in de bos- 
schen levende groote rattensoort met een aan het uiteinde 
witten staart, Criceiomys gambianus {bushraf), die de 
verlaten termietenheuvels bewoont. 

Onder het heirleger van Liberiaansche muizen vindt 
men, nevens de door schepen ingevoerde Europeesche 
huisrat en de bruine rat {Mus rattus en M. decumanus) 
en de Egyptische rat {Mus aUxandrinus) eene geheele 
reeks van muizensoorten, die voor het grootste deel twee- 
kleurig gestreept zijn en meest in de bosschen leven, zoo- 
als: Mus irivirgatuSy sikapusi^ rufinus en anderen, alsook 
op enkele plaatsen in koloniën bij elkaar levend, eene 
dwergmuis {Mus mthutoides\ een der sierlijkste en klein- 
ste zoogdieren van de geheele schepping. Dit diertje leeft 
in de nabijheid van de woningen der menschen, waar het 
in heggen en hoog rietgras, ongeveer i voet boven den grond, • 
uit roos en giashalmpjes zijn sierlijk, kogelrond nest met 
zijdelingschen ingang bouwt. 

Van bijzonder belang voor den reizenden natuurvorscher 






22 



MfiDEDEELINOEN OVEit LiBEltlA. 



in Liberia zijn de vladmnnuiBen. Terwijl de kleine, insec- 
tenetende soorten zich meer in bewoonde plaatsen ophou- 
den, en zich overdag in de van palmbladeren vervaar- 
digde daken der n^erhutten verschuilen, zijn de grootere, 
uitsluitend van vruchten levende soorten, meerendeels 
bewoners van het hoogstammige woud. Over dag han- 
gen zij in geheele trossen, met den kop naar bene- 
den, aan de boomtakken, en fladderen des nachts 
rond, om zich aan wilde pruimen, honigrijke bloesems 
en jonge, sappige uitspruitsels te goed te doen. De grootste 
soorten, .waaronder (Jynonycteris straminea^ Epomo- 
phorus mtmstrosus en eene door ons ontdekte soort, zon- 
der nagel aan den index (Leiponyx büttikofert), vliegen in 
groote troepen bij het vallen van den avond uit, om hun 
voedsel te zoeken, waartoe zij dikwijls mijlen afstands 
moeten afleggen. Zij hebben eene weinig gedruischmakende 
wijze van vliegen, evenals de uilen, en die ook niets ge- 
meen heeft met de haastige bewegingen van onze vleer- 
muizen; hunne vhicht bedraagt soms nagenoeg i M. 

Het geluid van eenigen laat zich met het luide gekwaak 
van den aldaar levenden reuzenkikvorsch vergelijken, en 
wordt, voornamelijk in het droge jaargetijde, eiken avond 
in de plantages gehoord, waar deze dieren van mango- 
pruimen en andere zoete, saprijke vruchten leven. 

Hunne jongen, waarvan ieder slechts één heeft, dragen zij, op 
hunne strooptochten, aan de borst geklemd met zich mede, en 
hullen ze, wanneer zij geschoten worden, in hunne vlieghuid. 

Ook aan roofdieren levert Liberia zijn contingent. De 
leeuw, een bewoner van boomlooze streken, komt in dit 
aan bosschen zoo rijke land niet voor. Wel echter wordt 
het katten geslacht hier vertegenwoordigd door den luipaard 
en door eene tijger kat {Fe lis celidogaster). De eerste 
schijnt, hoewel hij om zijn groot jachtgebied nergens veel- 
vuldig voorkomt, toch over het geheele land verspreid te 
zijn, en wordt even goed in de meer bebouwde en be- 
woonde kuststreken als in het met onmetelijk oerwoud be- 
dekte binnenland gevonden. Hij valt des nachts in de 
schapen- en geitenstallen der volkplantingen en sleept zijn 
buit naar het bosch, om hem ongestoord te kunnen verte- 
ren.^ Huiskatten heb ik zelfs in de meest verwijderde 
negerdorpen aangetroffen. 

Onder de kleinere roofdieren moeten nog vermeld wor- 
den 2 civetkatten (in Liberia „rakoon" genoemd): Vi- 
verra civettüy van de grootte van een vos, op den grond 
levend, en eene kleinere, slanke, op een marter gelijkende, 
Viverra genettoidesy die meer de bosschen bewoont en op 
de boomen klimt, waar zij de vogelnesten plundert en 
jonge eekhorentjes enz. vervolgt. 



Wilde honden, jakhalzen en hyena*s zijn, voor zoover 
ik weet, in Liberia niet bekend; wel echter komt in de 
rivieren aldaar eene soort van otter, Lutra lïberiensisy 
voor, die aan deze streek uitsluitend eigen is. 

Een zeer fraaie, kleine, ruigbehaarde insectenvreter, in 
kleur met den bunzing overeenkomende, Crossarchus dh- 
scurusy leeft in het bosch, waar hij bij het zoeken naar 
insecten met zijn tot een slurf verlengden snuit trechter- 
vormige gaten in den grond boort. Dit diertje wordt bui- 
tengewoon tam, en men houdt het gaarne in de hutten 
der Negers, welke het van ongedierte zuivert. Zijne bewe- 
gingen zijn zeer haastig en eenigszins zenuwachtig en her- 
inneren, evenals zijn geheele habitus, levendig aan onzen 
Europeeschen egel. Ook eene sierlijke spitsmuis komt in 
deze streken, zoowel aan de kust als in het binnenland, voor. 

Een groot contingent aan bijzonder in het oog vallende 
zoogdieren levert Liberia in de herkauwende dieren. 
Een wilde buffel, die meer in de aan de grassteppen 
grenzende woudzoomen en moerass treken dan diep in het 
oerwoud leeft. Bos pumilus (in Liberia bush cow ge- 
noemd), komt niet zelden voor ; hij weet zich, niettegen- 
staande zijne grootte, waarin hij voor onze tamme koeien 
niet behoeft onder te doen, merkwaardig goed aan de 
nasporingen der menschen te onttrekken. Wanneer hij aan- 
geschoten wordt, is hij, op zich zelve reeds een lomp dier, 
veel gevaarlijker dan de luipaard, die, met betrekking 
tot zijn stand /astigheid en moed, zijne groote renommée 
op verre na niet verdient. In bebouwde streken richten 
de bufïels niet zelden groote schade aan, doordien zij de 
planten, in plaats van ze enkel af te vreten, uit den grond 
rukken, en, wat er nog overblijft, in den bodem vasttrappen. 

Onder de vele soorten van b o s c h-a n t i 1 o p e n, waaraan 
Liberia rijk is (steppen -antilopen ontbreken) zijn er eenige 
van de fraaisten, die men over het algemeen kent, en ver- 
scheidene daaronder worden tot heden toe in de zoölogi- 
sche cabinetten slechts zeer zeldzaam aangetroffen. De 
noeraenswaardigsten daaronder zijn : Tragelaphus scriptus, 
tamelijk groot en prachtig geteekend, het oude mannetje 
met lange manen op den rug; verder Cephalophus syhn- 
cultriXf grooter dan eene geit, glanzig zwartbruin van 
kleur en met een geelachtig wit schild op den rug, dat 
zich naar den staart toe verbreedt; Cephalophus dcria % 



*) Tot nu toe was deze fraaiste aller boschantilopen slechts door 
een klein stuk huid bekend, dat in het British Museum te Londen 
bewaard wordt. Een volwassen exemplaar, dat ik aan den St. Paal 
schoot, ontsnapte en werd eerst eenige dagen later terug gevonden, 
half opgevreten door roofdieren en mieren, zoodat slechts de schedel kon 




MEDED^ELINGEN OVER LIBERIA. 



«3 



die onder de grootte van eene geit blijft, met geel- 
achtige grondkleur en talrijke glanzig zwarte dwars- 
strepen; Cephalophus pluto^ donkergrijs gekleurd, met 
bitter, onaangenaam smakend vleesch \ Cephalophus Max- 
wellii, diéj fulintongue genoemd, de meest gewone onder 
alle Liberiaansche antilopen, met ranke, dunne beenen en 
zeer korte, sierlijke horentjes; eindelijk de, met deze tot de 
dwerg-antilopen behoorende Antilope spinigera^ de kleinste 
van alle Afrikaansche antilopen, met pooten niet dikker 
dan een pijpesteel, en met zeei ranke en spitse horentjes, 
die nauwelijks de lengte van 2 cM. bereiken. Het Libe- 
riaansche muskusdier, Hyaemoschusaquaticus^ dat op een 
gele grondkleur zeer fraaie witte vlekken en strepen ver- 
toont, leeft in de nabijheid van meren en rivieren, waarin 
het, wanneer het vervolgd wordt, de vlucht neemt, en tot 
aan den neus toe in het water duikt. 

Op eene eigenaardige wijze zijn de dikhuidige dieren 
vertegenwoordigd. Terwijl de olifant vroeger tot zelfs aan 
de kust voorkwam, vindt men hem tegenwoordig alleen 
nog in de bosschen van het binnenland, en ook daar 
slechts in enkele exemplaren. Meer veelvuldig is hij wel is 
waar op de Mandingo-hoogvlakte, waar men hem in kleine 
kudden aantreft. Van daar komt ook het meeste ivoor, 
dat aan de kust aangebracht wordt. Ik heb den olifant 
zelven nooit gezien, maar op een met bosch begroeid eiland 
in den middenloop van den St. Paul zijne groote voetstap- 
pen gevonden. Deze moeten afkomstig geweest zijn van een 
oud, reusachtig exemplaar, dat reeds jaren lang in deze 
streken gewoond en een kluizenaarsleven geleid heeft, 
maar zich tot heden toe aan alle nasporingen met het 
beste gevolg wist te onttrekken (over de jacht op dit dier 
spreken wij later). 

Rhinocerossen vindt men in Liberia niet, evenmin 
als het groote Afrikaansche rivier- of nijlpaard, welk 
laatste dier aldaar door eene voor Liberia eigene soort. 
Hippopotamus (Choeropsis) liberiensis^ vertegenwoordigd 
wordt. 

Dit Liberiaansch rvierpaard, aldaar sea coi$) of water 
cffWy door de Vey's „malie" genoemd, is in grootte en le- 
venswijze geheel en al verschillend van het gewone rivierpaard. 
Het wordt, bij eene hoogte van ongeveer 2 1/2 voet, nauwe- 
lijks 4 voet lang, maar is voor het overige geheel een 
nijlpaard in miniatuur. 

Terwijl echter het groote, gewone nijlpaard meestal in 



bewaard worden. Bij dezelfde gelegenheid werd echter door mijn jacht- 
boy een jong exemplaar, dat het oude vergezelde, levend gevangen, 
en dit voorwerp staat nu als unicum in de collecties van het zool. 
. Kijks-Museum te Leiden. 



het water leeft en zich nooit ver van zijn element ver* 
wijdert, gaat het Liberiaansche rivierpaard slechts bij ge- 
legenheid in het water, en leeft, zooals reeds Milne Edwards *) 
zeer juist verondersteld heeft, meer in het bosch, waar 
het een aanmerkelijk groot jachtgebied heeft, en zijne wan- 
deling over berg en dal soms mijlen ver uitstrekt. 

Daar het, zooals reeds gezegd is, op een groot jacht- 
gebied aanspraak maakt, en slechts paarsgewijze en niet, 
als andere nijlpaarden, in groote troepen bijeen leeft, ja 
bovendien in vele streken in het geheel niet gevonden 
wordt, komt dit dier overal slechts zeer zeldzaam en in 
kleinen getale voor. Zijn vleesch is eenigszins grof maar 
toch sappig, en de smaak daarvan kan het best met dien 
van versch varkensvleesch vergeleken worden. 

Van de meer bepaald Afrikaansche soorten van varkens 
komt in Liberia alleen hetpenseelvarken, Suspenicillatus^ 
voor. Het leeft in kleine troepen van 5 — 12 'stuks bijeen, 
bewoont gaarne moerassige streken, en trekt zich, na op 
zijne nachtelijke strooptochten ter verkrijging van voedsel 
de bosschen doorzocht te hebben, in de ontoegankelijke 
moerassen terug. Het voedsel van dit dier bestaat uit af- 
gevallen boomvruchten, wortels, insecten en hunne larven. 

Het bereikt niet geheel de grootte van ons wilde zwijn, 
heeft eene gele kleur, die aan den kop in zwart overgaat, 
terwijl zijne ooren aan de uiteinden met lange haarpluimen 
zijn voorzien. Nu en dan wroeten deze zwijnen in een 
half uitgedroogden waterplas, ja zelfs in de opene ejrassteppe 
eene komvormige holte in den bodem, waarin zich de zeug 
met hare biggen, allen den snuit naar het midden gekeerd, 
te slapen leggen, terwijl de beer op kleinen afstand de 
wacht houdt en bij het dreigen van het minste gevaar 
het teeken tot de vlucht geeft. Ook deze dieren zijn, even- 
als het kleine rivierpaard, moeielijk te ontdekken, en vallen 
den jager evenals het laatstgenoemde meer door toeval, 
dan door zijn eigen toedoen, in handen. 

Onder de merkwaardigste diervormen, die eigen zijn aan de 
tropen-fauna, moeten de schubdieren gerekend worden. 
Ik heb in Liberia drie soorten aangetroffen, waaronder het 
langstaartige {Manis longicaudata\ met een zeer langen, 
spits uitloopenden grijpstaart, dat bijzonder behendig in 
het klimmen is en zijn verblijf gaarne in de boomen kiest; 
het leeft van allerlei insecten en hunne larven, die het met 
zijne lange tong onder oude boomschors en uit verrotte 
stammen te voorschijn haalt; het rolt zich bij dreigend 
gevaar, als een egel, tot een bal ineen, met den snuit naar 
binnen gekeerd. Eene andere soort is Manis tricuspis^ korter 



*) Recherches. 1868 — 74, p. 46. 



24 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



en dikker dan de voorgaande, met schubben, die in drie pun- 
ten uitloopen. Het grootste van allen echter is het reuzen- 
se h ub d i e r, Manis gigaft tea^ met een buitengewoon dikken, 
stompen staart. Het is te dik en te lomp om op boomen 
te klimmen of zich als een bal op te rollen, maar kruipt onder 
den grond in zelfgemaakte holen, die met in- en uitgangs- 
kanalen zijn voorzfen. Het zoekt de termieten woningen op, 
wier hechte wanden het met zijne buitengewoon sterke, 
kromme klauwen openkrabt; dan steekt het zijne lange, 
kleverige tong midden tusschen de door elkander wemelende, 
opgeschrikte diertjes, en trekt haar, als zij hiermede bedekt 
is, weer terug. Dit doet het ook gaarne met de zwer- 
vende mieren (drivers). In de voormaag van een gedood 
exemplaar heb ik wel , 6 liter termieten en in de eigen- 
lijke ma£lg evenveel zwervende mieren gevonden. Dit dier ' 
woog, bij eene lengte van 1.5 M., 75 pond. 

Men zegt gewoonlijk van de schubdieren, dat zij zeer 
traag en lomp in hunne bewegingen zijn; ik kan echter 
verzekeren, dat het langstaartige schubdier een even be- 
hendig klimmer als het reuzenschubdier een goed voet- 
ganger is, en dat het niemand behoeft in 'te vallen, dit 
laatste in het loopen te willen inhalen, evenmin als men 
dit een das zou kunnen doen. 

Er blijft mij nu nog over, een reusachtig waterzoogdier 
te vermelden, dat in den benedenloop der meeste Liberi- 
aansche stroomen wordt aangetroffen, nooit echter vrijwil- 
lig de zee schijnt in te gaan. 

Ik bedoel den lam en t ij n, Manatus senegalensisj door 
de Liberianen ^^malentine'^ genoemd. Deze dieren leven, 
op de wijze der meeste vinvoetige zoogdieren, in troepen 
bijeen en gebruiken uitsluitend waterplanten tot voedsel. Zij 
zwemmen de rivieren van Liberia op tot aan de eerste 
watervallen, en worden hier en daar in het waterplassend 
en spelend aangetroffen. Men zegt, dat zij eene lengte van 
4 — 5 M. bereiken. Onder de verbazend dikke huid, die 
met slechts weinige, alleenstaande haren is voorzien, ligt 
eene dikke speklaag. Het vleesch is grof van vezel, bleek- 
rood van kleur en laat zich — wanneer n.l. een zeker 
vooroordeel onze smaak niet reeds vooraf bedorven heeft — 
zeer goed gebruiken, al moge de smaak ook juist niet fijn 
zijn. Men kan het het best met varkensvleesch vergelijken. 
Het eenigste exemplaar dat wij machtig konden worden, 
was 3 M. lang en woog 300 KG. 

Ik kan hier ter loops nog aanmerken, dat ik het 
vleescTi van bijna alle dieren, dat der roofdieren uitgezon- 
derd, op verschillende wijze* toebereid, geproefd heb. In het 
bijzonder heb ik er werk van gemaakt , den smaak van het 
vleesch der verschillende apensoorten te ver8;elijken ; in het 



algemeen overigens is niij dat van het watermuskusdier, 
van eekhorentjes, boschratten, stekelvarkens en inzonderheid 
dat van het aardvarkentje [Aulacodus) het best bevallen. 

b. Vogels. 

Is de klasse der zoogdieren in Liberia talrijk vertegen- 
woordigd, niet minder is dit het geval met die der vogels, 
en er zou over hunne levenswijze, voornamelijk over hun 
nestbouw en het uitbroeden der eieren veel belangrijks te 
zeggen zijn. , 

Wat mij van den aanvang mijner onderzoekingen ten 
hoogste verwonderde, is, dat de zoo talrijke West- Afrikaan- 
sche roofvogel-soorten, zoowel dagroofvogels als uilen, 
hier zoo slecht vertegenwoordigd zijn. Men zoude anders i 
denken, dat zulk een land de gunstigste voorwaarden moest 
opleveren voor het bestaan eener in soorten rijke roofvogel- 
fauna, en ik vond mij zeer teleurgesteld, langen tijd geene i 
andere roofvogels hier aan te treffen als den West- Afrikaan- 
schen zeearend, Gypohierax angolensiSy alsook den zwarten 
wouw, Milvus migrans, die hier beiden even veelvuldig ! 
voorkomen. Beiden zrjn daar stand- en broed vogels, en ! 
maken hun nest in de kronen van hooge, onbeklimbare 
boomen, bij voorkeur in groote bombax- of wolboomen in 
de nabijheid van de rivieren of van het zeestrand. De 
zeearend gebruikt dierlijk voedsel, dat voornamelijk in 
visschen bestaat, maar legt ook eene groote voorliefde aan 
den dag voor de zoete vruchten van den oliepalm, waar- 
door zijn vleesch een beteren smaak schijnt te krijgen en 
daarom door de inboorlingen als voortreffelijk geroemd 
wordt. De zwarte wouw is, zoolang hij nog jong is, niet 
van den Europeeschen re onderscheiden, bij ouderen echier 
wordt de snavel geel en daarom heeft men deze oude 
exemplaren wel onder den naam Milvus agyptius of para- 
siticus tot eene bijzondere soort verheven en van de onze 
afgescheiden. De schoone arendhavikken, die aan 
den Senegal en den Gambia te buis behooren, schijnen in 
Liberia niet voor te komen ; ik heb slechts een jong exem- 
plaar van Spizat tus coronatus^ dat ver uit het binnenland 
aangevoerd was, kunnen bekomen. Een in sommige tijden 
aldaar zeer veelvuldig voorkomende kuikendief is 
Circus Swainsonii, een fraaie vogel, die dicht boven den 
grond vliegend, in moerassen en op bebouwde velden op 
kleine zoogdieren en reptielen jacht maakt, en bij een boscb- 
of steppen brand, gemeenschappelijk met den zwarten wouw- 
in koene wendingen door de rookwolken dringt, om de 
voor het vuur vluchtende dieren buit te maken. Verder 
vonden wij twee soorten van sperwers, Nisus erythropus 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



25 



en N. unduliventcr ^ den prachtigen Astur monogramtnicus 
en de Baza cuculoides^ die in verzamelingen nog zeer 
zeldzaam is en het meest op onzen wespendief {Pernis 
apivarus) gelijkt, alsmede eene uilensoort : üiula Woodfardiu 

De geheele familie der raven is in Liberia, even«als over 
het algemeen in geheel westelijk Afrika, slechts door eene 
enkele soort, Corvus scapulatus, vert^enwoordigd, die ge- 
heel dezelfde levenswijze leidt als onze gewone kraai, en 
ook hetzelfde geluid voortbrengt % 

Onder de swaluwen vindt men in Liberia onze bo er en- 
z wal uw, Hirundo rusticay die van November tot Mei als 
trekvogel daar haar winterverblijf houdt, en bij hare komst 
,door de Europeanen als bode uit het verre vaderland, met 
blijdschap begroet wordt. Men heeft tot heden altijd in de 
meening verkeerd, dat deze trekvogels de keerkringsgewesten 
slechts als winterverblijf bezoeken en daar niet broeden. 
Ik heb echter, twee dagen vóór mijne terugreis naar het 
vaderland, in Monrovia een nest met twee jonge, bijna vlieg- 
vaardige Hirundo rus tica gekregen, die mij van het tegen- 
deel overtuigden. Dit moge nu eene uitzondering zijn, 
daar mij vroeger zulk een geval nooit was voorgekomen, 
als feit blijft het niettemin bestaan. Eene zeer fraaie 
inheemsche zwaluw is J^aldenia nigrita^ die ik op alle 
door mij bevaren stroomen heb aangetroffen Zij plaatst 
zich, evenals de ijsvogels, op kale, boven het water uit- 
stekende boomtronken, bouwt in eene holte daarvan haar 
nest, hoog genoeg boven het water, en jaagt op de wijze 
der zwaluwen, in de vlucht, waarbij zij zich soms in het 
water stort. 

De geitenmelkers zijn, voor zooverre wij gevonden heb- 
ben, door twee soorten, Caprimulgus binotatus en Scotornis 
climacuruSy vertegenwoordigd. Beiden houden zich over 
dag op den grond onder struiken verborgen, en maken des 
nachts, en vooral ook in de a/ondsChemering, in minder 
dichte of boomlooze plekken van het woud jacht op insec- 
ten. Vertrouwende op de bedriegelijke overeenkomst, die 
hunne kleur heeft met die van den bodem, laten zij zich 
zeer dicht naderen, en zijn, zoowel bij dag als des nachts, 
moeielijk van den grond op te jagen. 

Twee Enrystomus-Tscorten, E. af er en gularis, beiden 
evenzeer uitmuntende door prachtig gekleurde vederen, 
zitien in vadsige rust op uitstekende takken in het woud, 
jagen, meestal eerst nadat de grootste zonnehitte voorbij 
is, in de vlucht naar insecten en storten zich daarbij niet 
zelden in het water. Zij zitten op hunne takken in de 
houding van roofvogels, en doen zich met hun dikken 



*) Over den Liberiaanschen wielewaal later. 



kop en gelen snavel veel grooter voor, dan zij in werke- 
lijkheid zijn. 

De ijsvogels zijn in Liberia in eene menigte van meest 
prachtig gekleurde soorten voorhanden. Ëenigen hieronder, 
de eigenlijke ijsvogels, met de Genera Oeryle en Alcedo, 
leven uitsluitend aan het water, waar zij visschen van- 
gen, terwijl anderen, die tot het gesladit Halcyon oi Dacelo 
behooren, in het bosch, van het water verwijderd, leven 
en zich met insecten voeden. Onder de eerste groep is de 
grootste soort Ceryle maxima; zij bereikt de grootte eener 
kerkkouw. Ceryle rudisy de meest gewone soort, leeft aan 
de oevers van rivieren en creeks en .aan het zeestrand, 
en is overal gemeen, waar de Mangrove wordt aange- 
troffen. Zij houdt zich, evenals onze torenvalk, nu 
en dan boven het water staande, en werpt zich van 
eene aanzienlijke hoogte in het water op haren buit, 
dien zij meestal in de vlucht verslindt. Zij maakt, evenals 
de zoo even genoemde soort, haar nest in horizontale 
gangen van 6 tot 10 voet lengte, die zij zelve in de steile 
oevers der rivieren graaft. Onder de eigenlijke, visschende 
ijsvogels moeten nog genoemd worden : Alcedo picta en 
A, cristata^ beiden veel kleiner dan de onze, maar even 
schoon gekleurd. Tot de tweede groep, de bosch-ijsvogels, 
die allen roode, aan den top afgeronde snavels bezitten^ 
behooren de Liberiaansche soorten Dacelo {Halcyon) sene- 
galensis, D. cinereifronsy D, badia en D. rufiventris. Van 
al de hier genoemde soorten is D. senegalensis de gemeen- 
st^, D, badia de zeldzaamste. 

Ook aan bijeneters {Merops) heeft Liberia geen gebrek. 
Zij houden zich meest in open streken, in farms en gras- 
steppen op, zitten, evenals de Eurystomus-soorten, op ver uit- 
stekende takken en vliegen dikwijls als onze Merops apiaster^ 
in groote zwermen onder luid, trillend geschreeuw in 
het rond. Onder de verschillende soorten zijn er drie, 
die bijzondere vermeldmg verdienen, n.1. : M. albicollis, 
omdat zij de meest gewone, en M, gularis^ omdat zij de 
schoonste en tegelijk de zeldzaamste is. De laj^tste soort 
leeft steeds paarsgewijze, en gaarne in de nabijheid van water, 
waar zij veel jacht op insecten maakt. Haar geluid bestaat 
in een zacht, melodieus trillen, waarbij zij de lange roode 
vederen van de keel los laat afhangen en in de zon 
schitteren. De derde soort eindelijk, Merops erythropterus y 
prachtig van kleur, wijkt in levenswijze van de beide eerste 
soorten af, doordien zij in de farms op alleenstaande 
boomtronken en twijgen dicht boven den grond zit, en 
haar voedsel op den grond zoekt. Zij leeft meestal paars- 
gewijze of alleen, en komt veel zeldzamer voor dan 
M, albicollis. 

4 



26 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



Bene zeer belangrijke groep vormen de honigzuigers 
of Nectar inia*Sy die men wel de Afrikaanscbe kolibries 
zoude kunnen noemen. Het zijn de kleinste Afrikaanscbe 
vogels, en de vederen der mannetjes, bij eenige weinige 
soorten ook die der wijfjes, schitteren met de prachtigste 
metaalkleuren. Zij hangen hunne nesten gewoonlijk op aan 
lage twijgen, eenige soorten bij voorkeur boven het 
water. De nesten zijn zeer fraai, uit graspluimen, stukjes 
boombast en boomwol als vilt ineengewerkt en van 
binnen met plantenwol gevoerd; zij vormen gewoonlijk 
een ovalen buidel met zijdelingschen ingang, die meestal 
door een klein vooruitstekend dak beschermd wordt. 
De meeste soorten leggen slechts 2 eieren, zelden klimt 
dit getal tot 4; de eieren zijn nauwelijks grooter dan 
eene groote erwt, en vertoonen weinig afwisseling in kleur. 
De meest gewone soorten zijn : N. chloropygia^ N. aurea 
en N, fuliginosa^ waarvan de eerstgenoemde de kleinste 
en tevens de meest voorkomende, de laatstgenoemde de 
grootste van alle door mij waargenomen soorten is. 

In grooten getale en in verschillende soorten vindt men 
in Liberia het heir der zang^ogels, zoowel boschzangers 
als 1 ij sterachtige vogels, vertegenwoordigd, en moge ook 
geen nachtegaal, geene merel of lijster den wandelaar met 
haar vroolijk gezang verheugen, moet men ook toestemmen, 
dat goed vogelgezang in de West-Afrikaansche bosschen 
zeldzamer gehoord wordt dan iil Europa, toch zal men 
spoedig bevinden, dat geheel ten onrechte door velen aan 
^e Afrikaanscbe vogels elke gave van zingen ontzegd wordt. 
De Liberiaansche wouden en boschjes worden verlevendigd 
door eene menigte vogels, die men in Europa zeker gaarne 
m het orkest der goede zangvogels zoude opnemen. Ik 
herinner hier slechts aan de vele Trichophorus- of Crini- 
ger-soorten, die daar onze lijsters vertegenwoordigen, en 
bijna zonder uitzondering eene goede, buigzame stem 
hebben, en waaronder T, nivosus door een zachten, 
aangenamen fluittoon uitmunt. Onder de door ons aan- 
getroffen lijsterachtige vogels verdienen, behalve de reeds 
genoemde soort, nog het meest vermeld te worden: Tri- 
chophorus poliocephalus en T. canicapilluSy Turdus peiios, 
Cossypha lierticalis en Pycnonoius obscurus. Deze laatste 
is een der meest gewone vogels van Liberia en houdt zich 
bij voorkeur in bewoonde plaatsen op. Hij is een onver- 
beterlijke levenmaker, en de eerste vogel, die den Euro- 
peaan, welke hier -voor het eerst voet aan wal zet, zijn 
onophoudelijk: „Tschi, tschi, tschi, tschiga" in de ooren 
schreeurtTt. En opdat er ook aan wiele walen geen gebrek zou 
zijn, verrast ons daar Oriolus brachyrhynchus m^X. z\in zdichi 
fluitend gezang, dat hij somtijds afwisselt door op zeer 



bedriegelijke manier het miauwen eener kat na te bootsen. 

Een der grootste sieraden van de wouden aldaar is 
Pitia angolensis^ de eenige vertegenwoordiger van dit ge- 
slacht in Afrika. Ofschoon deze schoone vogel overal 
voorkomt, wordt hij toch nergens in grooten getale aan- 
getroffen, en kan, omdat hij meestal in het dicht struik- 
gewas over den grond loopt, moeielijk gezien worden. 

Onder de Liberiaansche zangers munten de D rymoeca- 
s oorten door eene bewonderenswaardige kunstvaardigheid 
in nestbouw uit. Zij naaien hun buidelvormig nest, dat 
uit wortel vezels gevlochten en met boom wol gevoerd is, 
op zeer kunstige wijze aan de bladeren van een tak vast, en 
zorgen er steeds voor, dat een gezond, sterk blad tegelijker 
tijde dak en voor dak vormt, waartoe zij dit blad met 
hun snavel rondom doorboren en zeer stevig op het 
nest vastnaaien. Drymoèca superciliosa scheen mij toe, 
de veelvuldigst voorkomende soort te zijn. 

Slechts een enkele maal heb ik Calamoherpc tur- 
dina aangetroffen. Deze vroolijke bode uit Europa, waar 
hij de met riet en biezen begroeide waterkanten bewoont, 
kwam in de eerste dagen van December in Robertsport 
aan, en zette zich neder in het hooge rielgras, rondom 
mijne verblijfplaats aldaar. Hier vcrvroolijkte hij mij, niet 
alleen des morgens en des avonds, maar ook over dag, 
met zijn luidklinkend „karrakiet, karra, karra, karrakiet" 
en bleef zoo trouw in de nabijheid van mijne woning, 
dat ik hem eiken dag door het venster kon zien en 
het niet van mij konde verkrijgen, om hem dood te 
schieten. 

Van de kwikstaarten hebben wij Motacilla fiava en 
M. vidua zeer dikwijls aangetroffen; laatstgenoemde houdt 
zich gaarne aan het water op, en is op de rotsachtige eilan- 
den in den middenloop van den St. Paul een zeer gewone 
vogel. Op bebouwde velden treft . men vrij veelvuldig 
Anthus Gouldii aan, en in grassteppen, zoowel tusschen 
het hooge gras als op alleenstaande boomen Macronyx 
croceusy eene geel en grijs gekleurde Anthus-soort met 
eene buitengewoon lange spoor, die hem tamelijk veel 
op onzen leeuwerik doet gelijken. 

De Tliegenvangers zijn in Liberia, behalve door onze 
gewone soort {Muscicapa grisold)^ die d^r als trekvo- 
gel den winter doorbrengt, nog door eene menigte ande- 
ren vertegenwoordigd, bij enkelen waarvan tusschen het 
mannetje en het wijfje een groot onderscheid in kleur be- 
staat. De meest voorkomende zijn : Terpsiphone nigri- 
cepSy Bias musicus en Platystira melanoptera. Deze laatste 
soort is daardoor merkwaardig, dat zij niet als de andere 
vliegenvangers de insecten in de vlucht vangt, maar hen van 



MEDEÜ££L«NGEN OVER LIBERIA. 



n 



de takken der boomen en moerasplanten afzoekt, en een 
soort van zacht gezang voortbrengt, dat soms door luid 
klappen met den snavel wordt afgewisseld. 

Van Drongo's vonden wij slechts Dicrurus atripennis 
en Melaenornis edolioides^ van klauwieren Telephonus 
urugalus en I^icator chloris\ de spreeuwen vonden wij 
enkel door den fraaien aan d^n buik wit geklearden 
Pholidauges leucogaster vertegenwoordigd. 

De gioote groep der muBohaehtige vogels wordt in 
Liberia voornamelijk door de wevervogels vert^enwoor- 
digd, welke dien naam dragen, omdat vele van hen door groote 
bekwaamheid in het bouwen van hunne' nesten uitmunten. 
Eene geheele reeks van soorten leven in grootq gezelschap- 
pen, welke soms meer dan honderd paren cellen, bijeen, 
en bouwen hunne buidelvormige, hangende nesten in eene 
en dezelfde boomkroon, zoodat de takken .«^oms buigen 
onder den last der in trossen hangende nesten. Tloceus 
(Hyphaniornis) textor en H, castaneofuscus (de eerste geel 
en groen, de laatste chocolade-bruin en zwart gekleurd) 
bouwen gewoonlijk in denzeliden boom, bij voorkeur in 
woiboomen en palmen, in de nabijheid van de woningen 
der menschen. 

Niet zelden vindt men zulk eene brocdkolonie zelfs in 
boomen, die te gelijker tijd een zeearend (Gypohierax) 
tot woonplaats verstrekken. Ik heb nooit opgemerkt, dat 
er in zulke gevallen, tusschen buren van zoozeer verschil- 
lend karakter oneenigheid ontstond. Of echter de wever- 
vogels zich tot den zeearend aangetrokken gevoelen, omdat 
ze in hem een machtigen beschermheer zien, dan of deze 
laatste uit liefde tot gezelligheid een boom tot broedplaats 
kiest, die door wevervogels wordt bewoond, kan ik niet 
met zekerheid uitmaken. Mijns inziens is echter het eerste 
waarschijnlijker: want de zeearend maakt jaren achtereen 
van zijn uit opeengestapelde takken vervaardigd nest ge- 
bruik, terwijl de wevervogels elk jaar hunne nesten opnieuw 
bouwen en deze zelfs in den rand van den geweldigen 
borst vasthechten, zonder door den arend gestoord te worden. 

De beide bovengenoemde zijn dè meest gewone onder de 
vele soorten van wevervogels, en er is, voornamelijk in de 
kuststreek, geen dorp, waar men deze gasten niet aantreft. 
In zulk eene broedkolonie heerscht een oorverdootend le- 
ven, zoodat iemand bijna hooren en zien vergaat. Wat het 
eene paar met groote moeite opgebouwd heeft, wordt, als 
het zich even verwijdert, door een paar luie buren weder door- 
een geworpen, om het als geschikte bouwstof voor hun eigen 
nest te gebruiken. Daarover ontstaan natuurlijk groote twisten, 
want zelfs wevervogels laten zich dergelijke verstoringen vanden 
buiselijken vrede niet welgevallen, en ik zag verscheidene 



dezer gevechten daarmede eindigen, dat beide partijen met 
bebloede koppen en uitgerukte veeren aftrokken. De nesten 
der beide genoemde- soorten zijn moeielijk van elkaar te 
onderscheiden; beiden zijn uit smalle strooken van de blade- 
ren der rietplant (nooit uit grashalmen) geweven, en zeer 
hecht en zorgvuldig aan boomtakken of de kronen der 
palmen vastgebonden, zoodat zelfs de hevigste storm hen 
niets deren kan. Zij zijn kogelvormig, hebben aan den 
onderkant eene opening, om in en uit te vliegen, en ter zijde 
daarvan de plaats voor de eieren, zoodat men zulk een 
nest zou kunnen vergelijken met een slakkenhuis, waarvan 
de opening naar beneden gekeerd is. In dit nest leggen de 
grootste soorten gewoonlijk 2, de kleinere 3 tot 4 eieren, 
die groen van kleur zijn met bruine stippen. Andere wever- 
vogels, die echter niet zooals bovengenoemde in groote 
gezelschappen bijeenleven, bouwen buitengewoon sterke 
en toch zeer luchtige, op retorten gelijkende nesten, met 
eene schuins afhangende buis, om in en uit te vliegen; 
ook gedurende den broeitijd werken zij aan deze buis 
ijverig voort, tot deze eene lengte van ongeveer 6 voet be- 
reikt heeft en tot dicht op den grond afhangt. De eieren, 
en vervolgens ook de jongen, liggen in het kolfvorniige 
gedeelte van het nest, en de vogel weet de lange toegangs 
buis zoo behendig in de vlucht te passeeren, dat het hem 
tijd noch moeite kost er door heen te sluipen. 

De Afrikaansche wevervogels zijn in kleur, grootte en 
lichaamsbouw zeer verschillend. Terwijl de Hyphantornis- 
of Ploceus-soorten zich meestal door groene en gele grond- 
kleuren, een tamelijk rechten snavel en ook doordat zij 
in troepen bijeen leven, onderscheiden, hebben de Sycobius- 
soorten eene zwarte grondkleur met het prachtigste, als metaal 
schitterende scharlakenrood op den kop en gedeeltelijk ook 
op de borst en den staart, een korten snavel met zeer 
dikke basis en een ineengedrorgen lichaamsbouw zooals 
onze goud- en appel vinken. Weder anderen gelijken veel op 
onze vlasvinken, wat kleur en grootte betreft; eenige 
Viduds hebben koraalroode snavels, en bij de meeste 
soorten zijn de mannetjes met lange, wapperende staart- 
vederen versierd. In den tijd, dat de rijst rijp wordt, richten 
al deze vogels op de rijstvelden groote verwoestingen aan, 
en men moet daarom altijd wachten uitzetten, om deze 
dieren, die in ongelooflijk groot aantal op de velden 
neervallen, van daar te verjagen. 

Eene vogelgroep, die in Europa geene vertegenwoordigers 
heeft, is die der Musopfaaga's of pisangvreters. Met 
slechts weinige uitzonderingen hebben deze vogels groene 
vederen, en levendig roode slagpennen, een korten snavel 
en eene hoosje kuif, die wel wat op de kuif van onzen hop 



28 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



gelijkt. Evenals -eekhorentjes loopen zij over de takken 
der boomen, en weten zoo met de bewonderenswaardigste 
behendigheid door de dichtste kronen heen te sluipen. Hun 
geschreeuw is dikwijls van het gekras der mantelkraai niet 
te onderscheiden; toch weten zij ook, evenals Oriolus 
brachyrhynchus en Buceros albocristatuSy op bedriegelijke 
wijze het miauwen eener kat na te bootsen. Van deze groep 
werd in Liberia alleen Oorythaix macrarhynchus, maar 
dan ook zeer menigvuldig, aangetroffen. — Zeer na met deze 
groep verwant is een fraaie, trotscjie vogel, Turacus ^gan- 
ieus. Hij bereikt de grootte van een grooten huishaan, draagt 
op den kop een dichten vederbos, en wordt door de Liberi- 
aansche kolonisten peafowl of peacock (wilde pauw) genoemd. 
In kleine troepen van 4 tot 5 exemplaren bezoekt hij de hoogste 
niet al te dichtkronige boomen, waar hij zijn hals uit- 
rekt, de vleugels laat hangen, den schijfvormig uitgesprei- 
den staart afwisselend op- en neer beweegt, en zijn vèr 
klinkend „koeroea, koeroea, roek, roek, roek," aanheft. 

De neushoomvogels of Bucerossen hebben wij in 
acht verschillende soorten aangetroffen, waaronder eenigen 
zijn, die men tot heden in zoölogische verzamelingen 
slechts zeer weinig aantreft. Zij voeden zich alleen met 
boomvruchten, bij -voorkeur met palmnoten, en zijn over 
het algemeen zeer onrustige, levenmakende vogels, die 
zich door hun eigenaardig, luid geschreeuw van alle .an- 
dere vogels onderscheiden; Daarbij schijnt hun de min of 
meer sterk ontwikkelde hoorn schede op kop en snavel als 
klankbodem te dienen en aan hun heesch, ruw geroep 
een zekeren klank te geven. Evenals alle vruchteneters, 
zoeken zij uitgestrekte streken van het bosch af en 
leiden een zwervend leven, waarom het ons ook nooit 
gelukt is, deze vogels bij het broeden te bespieden en 
dus te kunnen bevestigen, wat er merkwaardigs over 
hunne wijze van broeden gezegd wordt. De door ons 
verzamelde soorten zijn: Buceros elatus, B. atratus^ B.cy- 
lindricusy de grootste soorten, en B, Jlstulator^ steeds in 
schreeuwende troepen bijeen levend en een heesch, kras- 
send geluid voortbrengend; Bcrenicornis albocrisiaius^ 
zwart, met witte, losse veeren op de kruin, en langen, 
kegelvormigen staart, een vogel die nooit in gezelschap 
van zijns gelijken, wel echter soms in dat van apen aan- 
getroffen wordt, die hij, naar men zegt, bij naderend ge- 
vaat door zijn miauwend geluid waarschuwt, waarom hij 
door de I-,iberianen monkey-hird genoemd wordt. Tockus 
semifasciatus is de meest gewone van allen, en doet door 
zijn geheelen hs^bitus, ja zelfs door zijn geluid eenigszins 
aan onzen ekster denken. Onder het vliegen, waarbijeenige 
snel elkander opvolgende vleugelslagen door zweven en ge- 



lijktijdig dalen worden gevolgd, vormt hij een eenvoudig 
kruis, waarbij kop en staart even ver uitsteken, en men 
aan den dikken kop den^ vogel dadelijk herkennen kan. 
Twee kleine soorten, ongeveer van de grootte van den 
notenkraker, zijn Buceros {Tockus)Nagtglasi ^xi T.pulckriros- 
iris, die in zeer kleine gezelschappen rustig bijeenwonen. 
Bijna even belangrijk als de neushoomvogels zijn de 
papegaaien, hoewel zij daar slechts in twee soorten voor- 
komen. De grootste dezer soorten, Psittacus timneh^ is de 
Liberiaansche vertegenwoordiger van den grauwen pap^aai 
{Psittacus erythacus), welke laatste in Liberia niet wordt 
aangetroffen. Hij is altijd iets kleiner dan P. eryihacus, 
heeft een licht gekleurden snavel en nooit zulk een 
fraai rooden staart als de andere; ook is hij op verre na 
niet zoo leerzaam. Deze vogels leven in troepen van vele 
honderden exemplaren bijeen, en kiezen jaar uit jaar in 
dezelfde boomen tot slaapplaats, waar zij in rijen, de 
een dicht tegen den ander geleund, op de takken zitten. 
Deze papegaaien-kolonien verkenen aan het oerwoud eene 
eigenaardige bekoorlijkheid. Reeds vroeg, bij het eerste 
morgenkrieken, vóór nog een andere vogel de vleugels 
uitrekt, verlaten zij schreeuwend, krassend, fluitend en 
zingend hunne slaapplaatsen en verspreiden zich ver in 
het woud om naar voedsel te zoeken, en keeren eerst bij 
zonsondergang, eenige achterblijvers dikwijls lang na het 
vallen van den avond, onder hetzelfde rumoer naar hun 
nachtverblijf terug. Dikwijls vallen zij op rijst- en maïs- 
velden neer en richten daar groote schade aan. Dezelfde 
levenswijze leiden ook de echte grauwe papegaaien {Psiti, 
erythacus) die van de goudkust tot aan de Congo in groote 
troepen bijeen leven, en voor den handel gevangen wor- 
den ^). Daartoe wordt een lokvogel in een mals- veld ge- 
plaatst, dat met lijmstangen en strikken is bedekt. Het is 
verwonderlijk, welk een aantal van deze papegaaien, door 
alle op die kust varende stoombooten, des zomers naar 
Liverpool worden vervoerd, om daar aan de vogelhande- 
laren verkocht te worden. Evenals de Liberiaansche grauwe 
paiDegaai de soort van het zuidelijk gedeelte der west- 
kust vertegenwoordigt, zoo bestaat er in dit land ook een 
vertegenwoordiger van de in de Gaboon-landen enz. voorko- 
mende iuséparables {Psittacula pullaria) nX. Fsitiacula 
Swinderiana, Ook deze is iets kleiner dan zijn zuidelijker 



• I 



*) Aan de kust wordt door de manschappen der Engelsche stoom- 
booten, die zich met den handel' in levende dieren, en vooral in vo- 
gels, bezighouden, voor een papegaai reeds 3 tot 5 shillings be- 
taald. Als men nu bedenkt, hoeveel van deze dieren gedurende den 
overtocht sterven, dan .is het niet te verwonderen, dat de vogelhan- 
delaren in Liverpool voor elk exemplaar 8 tot 12 shillings betalen. 



MEDEDEELINOEN OVER LIBERIA. 



29 



naamgenoot, maar veel schooner van kleur. Men vindt 
dezen hoogst zeldzamen, kleinen pap^aai in troepen van 
7—12 stuks, meestal in de hoogste boomkronen, dikwijls 
in gezelschap van Bucconen en zoo hoog, dat men ge- 
noodzaakt is, met grof schroot naar hem te schieten. Wij 
hebben hem slechts eenmaal, gedurende 2 dagen in de 
oerwouden aan den middenloop van den St. Paul kun- 
nen waarnemen en later nooit weer aangetroffen. Zijn 
geluid heeft veel overeenkomst met het knarsen van het. 
roestige hengsel eener deur. 

■ 

Eene eigenaardige groep van klimvogele vormen de 
baardvogels. Deze zetten ' zich, evenals onze Euro- 
peesche koekoek op boomtakken ; zij klimmen niet en Ie /en, 
met weinige uitzonderingen, in troepen bijeen. 

De belangrijksten hiervan zijn Megalaima calva^ wier 
kop geheel naakt of hoogstens met eenige haartjes bedekt 
is, en die aan elke zijde van den kop, achter den mond- 
hoek, eene haarpluim heeft. 

Terwijl deze vogelsoort in troepen bijeen leeft en een 
groot geschreeuw voortbrengt, leeft Pogonorhynchus hir- 
suius slechts bij paren langs de woudzoomen, en laat een 
eentonig gezang hooren. Hij is niet schuw, en wanneer 
de eene geschoten is, fluit de andere lustig voort, tot een 
tweede schot ook hem naar beneden doet tuimelen. 
* Ook aan spechten ontbreekt het niet. Evenals bij ons 
kloppen zij ook dddr tegen doode boomstammen en takken 
en dragen niet weinig bij tot de levendigheid in de bos- 
schen. De meest gewone soorten zijn: Dendromus Caroli tn 
D. nivosus. 

De Centropus-soorten of spoorkoekoeken stem- 
men in gewoonten het meest met onzen koekoek overeen. 
Geen enkele echter v^ervroolijkt ons door den ons allen zoo 
welbekenden koekoekskreet, maar zij roepen aanhoudend 
hun dof, „doe doe doe doe," hetgeen hen déAr den naam 
„Doedoe," bezorgd heeft. De spoorkoekoeken leven steeds in 
met struikgewas begroeide streken, dringen met de grootste 
vlugheid door het dichtste hout en komen gaarne in de 
nabijheid der menschelijke woningen. De meest gewone 
soort is Ceniropus monachus, eene meer zeldzame is C. 
Francisci, Aan de koekoeken sluiten zich de geslachten. 
ZanclostoMUs i^Phocnicophaës) en Oxylophus aan, die in 
Liberia onderscheidene vertegenwoordigers hebben. 

Onder de talrijke duiven van Liberia zijn zoowel onze 
echte duiven als ook de tortelduiven vertegenwoordigd, 
en wel gedeeltelijk door zeer fraaie soorten met goudgroene 
en staalblauwe kragen en stippen op de vleugeldekken. 

Onder dezen moeten vermeld worden Columha uni- 
cincta (door Duchaillu in de Gaboon-streken ontdekt, maar 



sedert, behalve door ons, niet weder gevonden), in 
het dichte oerwoud aan den St. Paul, en Columha iridi- 
torques\ Turtur erythrophrys^ zeer gewoon in de moeras- 
sige laaglanden aan de kust ; Peristera tympanistria^ P.pu- 
ella en P, ö/ra, alle drie tot de grond duiven behoorende, 
en onder de papegaaiduiven Treron nudirosiris. Deze 
laatsten leven van boomvruchten en jonge knoppen, voor- 
namelijk der Rhizophoren, en leiden een zwervend leven, 
daar zij een gedeelte van het jaar, in troepen bijeen levend, 
aan de kust doorbrengen, en overigens, meer verstrooid, 
het binnenland bewonen. De pap^aaiduiven hebben allen 
eene groene kleur, die hun, daar zij uitsluitend op boomen 
leven, goede diensten bewijst. Alle door ons waargenomene 
soorten bouwen, evenals onze duiven, in boomen of op 
lage boomtronken een zeer eenvoudig, klein nest van wor- 
teltjes of dunne takjes, en leggen daarin twee witte eieren. 

Ofschoon men in het boschrijke Liberia de fraaie 
Pterocles-s oorten ofzandhoei;ders en de sier- 
lijke kwartels in het geheel niet kent, zijn daar de hoen- 
dersoorten nochtans vrij talrijk vertegenwoordigd. Men 
vindt in de oerwouden het fraaie wilde ^i^\hoe.ny Numida 
cristata, eenige fraaie soorten van patrijzen, Francolinus 
Pelt {Lathamt) en P, ahantensis^ zoo ook een in weten- 
schappelijke verzamelingen zeer zeldzaam woudhoen, Age- 
lastus meleagrideèy dat even welkom is in de cabinetten 
der zoölogen als op de tafel des jagers, die er een voor- 
treffelijk gebraad van weet te bereiden. 

Dat in het aan moerassen en water zoo rijke Liberia de 
groepen der moeras- én zwemvogels rijk vertegen- 
woordigd zijn, spreekt wel van zelve, en het is daarom 
wel vreemd, dat men hier niet die welbekende scharen van 
reigers, flamingo's enz. vindt, waarvan de reizigers in 
de aequatoriaalstreken (Gaboon, Ogowe, Fernando-Vaz; 
en aan den Congo, ja zelfs in de 10 en meer graden 
zuidelijk van den aequator gelegen Portugeesche bezittingen, 
spreken. Wel zijn de plevierachtige vogels en nog meer de 
reigers, minder weer de zwemvogels, in talrijke soorten 
voorhanden; in groote troepen bijeen levend, heb ik ze 
echter nooit aangetroffen. 

Onder de plevleracbtige vogels vindt men daar den 
Oedicnemus senegalensis^ die op het eerste gezicht nauwe- 
lijks van onzen griel te onderscheiden is en dezelfde 
levenswijze leidt, en de fraaie Glareola nuchalis Liberiae *), 
die zich van de gewone, aan den boven-Nijl voorkomende 
GL nuchalis standvastig onderscheidt door een roestkleurigen 
kring om den hals. Wij vonden laatstgenoemde hier en 



') Zie: H. Schlegel, Notes from the Leyden Museum, 1881. 



30 



MEPEPEELINO^N OVER LIBERIA. 



daar in groote menigte op de rotseilandea in den raiddenloop 
van den St. Paul, aan de Fish^rman Lake en aan de 
Marfa River, waar hunne broedplaatsen zich bevinden. Het 
wijQe legt de eieren in eene kleine holte, die het in het zand 
maakt. Tot de kiev'ten behoort de aldaar voorkomende 
Vanellus inornatus^ die in troepen van 5 — 7 stuks nieuw 
aangelegde farms bezoekt, en een slechts aan de 
oevers van rivieren levende lappenkievit, Lobivanellus al» 
biceps^ met lange, van beide wangen neerhangende gele 
huidlappen en eene zeer sterke, ongeveer één duim lange spoor 
aan den duim van den vleugel. De plevieren zijn 
door de ook bij ons inheenische Charadrius (Aes^ialites) 
cantianus en Ch. hiaiicula vertegenwoordigd, die zich beiden 
aan het zeestrand en aan de monden der rivieren ophouden. 

Het meest van alle moerasvogels komen de reigers 
voor. Eenigen zijn echte cosmopolieten, terwijl anderen 
uitsluitend tot de West-Afrikaansche fauna behooren. Zij 
nestelen deels afzonderlijk, deels in kleine koloniën bijeen, 
bouwen, voornamelijk de kleinere soorten, hunne uit eenige 
takjes kunsteloos vervaardigde nesten in Rhizophoren- 
bosschen en leggen gewoonlijk 2, soms ook 3 eieren. 
Eigenaardig is het verschijnsel, dat eenige leikleurige soor- 
ten in hunne jeugd wit zijn, en dat bij anderen de gele 
kleur der teenen zich soms een eind boven de tarsen uit- 
strekt, ja dikwijls aan den eenen tarsus verder dan aan 
den anderen. De soorten, die wij verzameld hebben, zijn: 
Ardea egreita^ ardesiaca^ gularis^ atricapillay siurmiiy 
Uucolopha en cucullata. Te zamen met den fi aaien, grooten 
zilverreiger vindt men dikwijls een zwarten ooievaar met 
half naakten, witten kop, Ciconia leucocephala. 

Van de Ibis-soorten hebben wij gevonden: Ibis hage- 
dash en Ibis olivaceuSy welke laatste in troepen van 4 — 5 
stuks aan den middenloop van den St. Paul eiken avond 
onder luid gehuil zijne slaapplaats in de hoogste boom- 
kronen opzocht. Den grooten West-Afrikaanschen maraboe 
(Leptopiilos crumenifer) heb ik wel is waar in Liberia 
niet opgemerkt, maar hij is mij bekend geworden door een 
levend exemplaar, dat van het naburige Engelsche eiland 
Sherbro aangevoerd was. 

Onder de snipachtige vogels vonden wij, benevens vele 
anderen, ook menigen goeden bekende uit Europa hier 
terug, zooals: Numenius phaeopuSy Totanus glottis^ Actitis 
hypoleucos^ Trlnga subarquata. 

De ^rallen komen in Liberia slechts weinig voor, en wij 
hebben er slechts twee soorten aangetroflfen, n. 1. den 
in verzamelingen nog zeldzaam voorkomenden ffimantor- 
nis haematopusy die in de bosschen aan den middenloop 
van den St. Paul leeft, en Limnocorax flavirostris Sw, 



(Ortygametra nigra GmL), Deze laatste houdt zich in de 
moerassen achter het zeestrand op, is moeielijk te genaken en 
aatuurlijk nog moeiehjker onder schot te krijgen. Onder 
het loopen knikt hij voortdurend met den kop evenals onze 
Gallinula. 

Wat nu de swemvogels aangaat, hierover kunnen wij 
kort zijn. De flamingo is in Liberia geen stand vogel. Ik 
zelf heb hem nooit gezien, maar kort voor onze aankomst 
in Grand Cape Mount was aldaar een exemplaar geschoten, 
dat waarschijnlijk hierheen verdwaald was. Iedereen be- 
weerde, dat hij dezen schoonen vogel vroeger nooit gezien 
had, en het dier werd als een wonder aangestaard. In 
dezelfde streek komt hier en daar een groote gans, Plee- 
tropterus gamb^nsis voor, die zich onderscheidt door een 
sterken spoor aan den duim des vleugels. Aan de Fisher- 
man Lake hebben wij het oude mannetje en aan de Marfa 
River jonge exemplaren gevonden. 

De A f r i k aa n sch e l appe ng a n s {Sarcidiornis afri- 
cand) troffen wij op de zandbanken voor den mond der 
Sugary River aan. De eenige eend, die wij in Liberia ge- 
vonden hebben, is Dendrocygna viduata^ de fraaie, over de 
warme streken van Amerika en Afrika (ook Madagascar) 
verspreide weduweneend. Men treft haar meer aan de 
kust, op de zandbanken voor de riviermonden aan, dan 
verder in het binnenland. 

Zeezwaluwen heb ik alleen aan de kust en op de 
Fisherman Lake gevonden. Wij verzamelden: Siernacan- 
Haca, 8L hirundo, St. longipennis en Hydrochelidon nigra^ 
welke laatste soort de meest gewone schijnt te zijn. De 
schaarbekken {Rhynchops flavirostris) vond ik niet 
zelden om de zandbanken voor de monden van de Cape- 
Mount-, Marfa- en Sugary Ri\er. Zij leven steeds paarsge- 
wijze en vangen hun buit op dezelfde wijze als de zeezwa- 
luwen dit doen. Hunne vleugels zijn naar evenredigheid zeer 
lang en sikkelvormig, hun lichtgele snavel sterk aan beide 
zijden samengedrukt en scherp van rand, de bovensnavel 
altijd iets korter dan de ondersnavel. Deze vogels zijn zeer 
nieuwsgierig, en om ze onder schot te krijgen behoefde ik 
slechts iets vreemds neer te leggen of zelve plat op den 
grond te gaan liggen, en dadelijk kwamen zij er op af. 
Is van een paar de eene gevallen, dan laat men hem stil 
liggen, waarop dadelijk de andere angstig heen en weer 
vliegt, tot een tweede schot ook hem doet neervallen. 

Langs de rivieren en er eeks ziet men dikwijls op kano- 
tochtjes den op een duiker gelijkendenden slangenhalsvogel 
{Piotus Levaillantii)^ met zijn langen, dunnen, S-vornsig 
ingetrokken hals, op boven het water hangende of daarop 
drijvende boomstammen gezeten of ook wel op overhangende 



MEDEDEELIKOEN OVER LIBERIA. 



31 



takken klauterenden. Hetzelfde is het geval met dén nog 
veelvuldiger voorkomenden Phalacrocorax africanus, die 
zich, als hij aangeschoten is, evenals de eerste, door be- 
hendig onder water te duiken, tracht te redden, en zich, 
als hij in het nauw gebracht wordt, door scherpe, gevoelige 
houwen met zijn snavel nadrukkelijk weet te verdedigen. 

c. Kruipende dieren. 

Hebben wij ons bij de klassen der zoogdieren en vogels, 
als de hoogst ontwikkelde wezens uit de dierenwereld, wat 
lang opgehouden, bij de overige groepen kunnen wij des 
te korter zijn. 

Van de groepen der schildpadden, die van alle krui- , 
pende dieren het hoogst ontwikkeld zijn, hebben wij in 
Liberia zes verschillende soorten gevonden, namelijk: eene 
landschildpad {Testudo cinixys\ twee zoetwaterschildpadden 
[Cinixys erosa en Trionyx niloticus) en drie zeeschildpadden 
{Dermatochelys coriacea^ Chelonia midas en Ch, imbricatd). 

Tesiudo cinixys herinnert in hare levenswijze aan onzen 
egel. Ook zij geeft aan het kreupelhout en aan de woudzoomen 
de voorkeur boven het duistere hoogstammige woud, en is 
tamelijk algemeen verspreid, doch nergens in groot aantal 
te vinden. Haar vleesch wordt gegeten, omdat men daar 
alles eet ; ik vond het echter altijd taai en smakeloos. 
Deze schildpad heeft de eigenaardigheid dat het achterste 
gedeelte van haar rugschild beweegbaar en door eene soort 
van scharnier met het voorste deel verbonden is. Veel 
meer dan deze komt Cinixys erosa voor, die in moerassen, 
creeks en rivieren aangetroffen wordt. Zij bereikt, evenals 
de vorige, eene lengte van ongeveer 30 c.M. maar haar 
rugschild wordt op verre na niet zoo hoog als bij de 
eerstgenoemde. 

Trionyx niloticus wordt, hoewel zij geograohisch zeer 
ver verspreid is, nergens in grooten getale aangetroffen 
Zij bereikt eene buitengewone grootte, zooals twee oude 
exemplaren bewijzen, die ik uit de Grand Cape Mount 
River en de Fisherman Lake gekregen heb. Deze dieren 
toch hadden bij eene lengte van 122 cM. een rugschild, 
dat 78 cM. lang en 57 cM. breed was, en wogen elk 75 
pond. Deze schildpadden komen waarschijnlijk des nachts 
aan land, waar hen de afgevallen palmnoten tot voedsel 
dienen. Het geheele dier is van boven donker olijfgroen 
en overal met gele vlekken bezaaid. Aan de onderzijde 
van het lichaam is de kleur overal geelachtig wit. Beide 
soorten worden met snoek-haken gevangen. 

Dermatochelys coriacea is eene echte reuzenschildpad, 
daar zij meer dan 6 voet lang wordt, en volwassen nage- 



noeg 800 pond weegt. De kleur van k(^ en mg is zwart- 
achtig blauw, en overal, ook op de sterke pooten, is zij als 
bezaaid met witte vlekken ter grootte van een gulden. Zij 
levert eene ongeloofelijke hoeveelheid traan, die niet alleen 
uit het vleesch verkr^en wordt, maar ook, in eene on- 
uitputtelijke voorraad onder de huid, die het panser 
bedekt, en onder het pantser zelve voorhanden is *). 
De vier pooten zijn bij deze soort, in verhouding tot 
dé overige lichaamsdeelen, zeer lang, dik en plat, en hebben, 
evenals als bij alle zeeschildpadden, eenige overeenkomst 
met vinnen. Ik moest steeds de buitengewone spierkracht 
bewonderen, die deze dieren in hunne pooten bezitten, en 
het is moeielijk te begrijpen, dat zij — de bovenvermelde 
lederschildpadden niet uitgezonderd — bij hun schijnbaar 
moeielijken, waggelenden gang zoo snel vooruitkomen, zoodat 
men ze niet dan met moeite kan inhalen. — De andere soort 
van zeeschildpadden, Chelonia mida^^ vertoont veel geringere 
afmetingen dan eerstgenoemde en heeft een sterker gewelfd 
rugschild, dat uit een hard been-pantser bestaat. Zij is 
eveneens tamelijk algemeen verspreid, en levert de bekende 
schildpadsoep. Deze soort, evenals ook de vorige, werd bij 
nacht door wachthebbende Liberiaansche soldaten aan het 
strand gevangen. — De derde soort, Chelonia imbricata, om 
hare haakvormige bovenkaak „hawkbill turtle" genoemd, 
wordt hier en daar in de zee door visschers met den angel 
gevangen. Het prachtig gemarmerde hoomschild, waarmede 
de schubben van haar pantser bekleed zijn, levert het bekende 
echte schildpad. Alle zeeschildpadden hebben de gewoonte 
om op zekeren tijd van het jaar, in Liberia van Novem- 
ber tot Januari, dus gedurende het droge seizoen, des 
nachts aan het strand te komen, en in het losse zand 
haar eieren te leggen (te zamen ongeveer 50 — 100 stuks), 
die dan door de zonnewarmte uitgebroed worden. Deze eieren 
hebbén, in plaats van eene kalkachtige schaal, eene witte, 
perkamentachtige huid, zijn altijd kogelrond, en, voorna- 
melijk die der grootste soorten, zeer vet. Ofschoon hoen- 
dereieren smakelijker zijn, at ik deze schildpadeieren 
gaarne, en als ik eene groote hoeveelheid daarvan bezat, 
placht ik ze te rooken; daardoor kan men ze langen 
tijd bewaren en de smaak blijft ook zeer goed, hetzij 
men ze fijn gewreven in de rijst kookt, of gestampt in de 
soep gebruikt. 

Erokodillen komen, voornamelijk in den benedenloop der 
rivieren, in moerasstreken en bovenal op de zandbanken 
voor de mondingen der rivieren, veelvuldig voor, maar worden 
over het algemeen meer gevreesd, dan dat zij werkelijk 



*) Zie H. Schlegel, Fauna japonica. 



3* 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



gevaarlijk voor den mensch zijn. Evenwel schijnt het nu 
en dan te gebeuren, dat een aan den oever liggende oude 
alligator j zooals zij hier naar Amerikaansch spraakgebruik 
genoemd morden, eene wasschende of waterscheppende 
vrouw of een kind wegsnapt, onder water trekt, verdrinkt 
en op de eene of andere zandbank opvreet. Men heeft 
mij een aantal dergelijke gevallen voor. waar verhaald, on- 
der anderen het raadselachtige verdwijnen eener vrouw, 
wier twee zilveren armbanden men later in den maag van 
een gedooden grooten krokodil zou gevonden hebben. 

Ofschoon het somtijds gebeurt, dat men een krokodil 
aan den oever in de zon slapende vindt, is het toch over 
het algemeen zeer moeielijk, om deze dieren te genaken, 
daar zij buitengewoon waakzaam zijn. Zij liggen, oude 
boomstammen gelijkend, óf geheel boven op den oever en 
storten zicU bij het minste gevaar, met een tamelijk snel- 
len zwaai in het w^ter, óf zij liggen slechts met de voorste 
helft van het lichaam op het droge. In dit geval glijden 
zij, bij nadering van eenig gevaar, langzaam en zonder 
het minste gedruisch in het water terug. Hun vleesch 
wordt door de inboorlingen als zeer „zoet" (smakelijk) ge- 
roemd en gaarne gegeten. Ik heb alleen den. gewonen 
krokodil (Crocodilus vulgaris) en 'C. frontatus aange- 
troffen, welke laatste veel kleiner is en ook een kor- 
teren snuit heeft. De eerste leeft in rivieren en creeks^ de 
laatste op de zandbanken voor de monden der rivieren en 
in de Fisherman Lake. Hun leder, dat de inboorlingen 
goed weten te bereiden, is zeer geschikt om er schoeisel 
van te maken; maar het is mij eens gebeurd, dat een 
man, wien ik eene bedorvene krokodillenhuid had gegeven 
om te looien, deze in kleine reepen sneed en er pala- 
veisaus *) voor zich en zijn kroost van kookte! 

In grootte volgt op den krokodil de Var anus (^Monitor) 
stellaius^ aldaar j^uano'* genoemd, met een roeistaart 
en zwempooten. Hij kan even goed zwemmen, als loopen en 
klimmen en wordt even veelvuldig aan de rivieren als op de 
zandbanken voor hare mondingen gevonden. Zijne huid 
wordt eveneens gelooid, en zijn wit vleesch is zeer fijn en 
welsmakend. 

Naast eenige kleine soorten van hagedissen, als Agama 
colonorum en anderen, zijn ook de wormachtige in de 
aarde levende soorten talrijk vertegenwoordigd, o. a. door 
Amphisbaena (Ophioproctus) liberiensis en eene soort van 
Typhlops. 

Aan slangen, zoowel giftige als niet-giftige is Liberia 
buitengewoon rijk, en wanneer ik aan de menigte giftslan- 



*) Zie Ilde Hoofdstuk: de inboorlingen. 



gen denk, die mij door kinderen levend gebracht werden, 
namelijk aan de in grooten getale voorkomende Naja 
rhatnbeaia, dan ben ik werkelijk verwonderd, dat er in dit 
land zoo weinig ongelukken voorkomen, die het gevolg 
zijn van slangenbeten. Ik werd eens, en wel door eene 
kleines hoewel zeer gevaarlijke giftslang gebeten, die mij, 
terwijl ik haar in de ilcohol-kist wilde zatten, op de 
hand sprong. Ik zoog echter de woud zorgvuldig uit, wreef 
haar in met ammoniak en later met sterken spiritus, en 
voorkwam daardoor alle verdere gevolgen. Een uitstekend 
middel, dat ik onderscheidene keeren heb laten toepassen, 
is, zich een goeden roes te drinken, daar de ras in het bloed 
overgaande alcohol het slangengift schijnt te vernietigen. 
Dit eenvoudige middel vond weldra zulk een algemeenen 
bijval, dat zich een tijd lang eiken dag eenige menschen 
bij mij aanmeldden, die voorgaven, zooeven door eene 
groote slang gebeten te zijn. Dat echter dit middel in 
handen van onverstandige menschen ook gevaarlijk kan 
worden, blijkt hieruit, dat men een klein meisje in Mon- 
rovia eens zulk eene groote dosis rum had ingegeven, dat 
zij uit den daarop gevolgden slaap niet weder ontwaakte. 
Over het algemeen genomen zijn er veel meer niet-giftige 
dan giftige siangen; maar toch scheen het mij toe, dat 
in de streken, die ik bezocht heb, de giftige slangen, ten 
minste wat het aantal der individuen betreft, veel talrijker 
waren. De fraaiste en tevens de gevaarlijkste onder de 
giftige slangen zijn de adders, voornamelijk Vipcra 
rhinoceros, die ongeveer 6 voet lang wordt; zij heeft een 
kop, ter grootte van eene vuist, die van den nek scherp 
is afgescheiden, en is gewapend met twee lange gifttan- 
den; op den neus zijn twee hoorn- of bladvormige uit- 
wassen. Haar staart is kort en dun, en daar zij zeer traag 
is, maar buitengewoon gevoelig in haren staart schijnt te 
zijn, is onder de aldaar wonende planters de volgende 
sage ontstaan : 

„Nadat God de slangen had geschapen, en ten slotte 
aan deze dieren den staart schonk, was de trage ca^sa- 
de'snake — zoo wordt zij door de kolonisten aldaar ge- 
noemd — op een rustig plekje in de zon ingeslapen. Toen 
zij, eindelijk wakker geworden, ook aankwam, waren al 
de overigen weg en er was nog slechts een zeer klein 
staartje overgebleven, omdat de anderen allen de langste 
en grootste staarten hadden uitgezocht. God gaf dit staartje 
nu aan de slang met de woorden : „Het is uwe eigene 
schuld, dat gij niet zoo bedacht kondet worden, als aan 
uw rang en uwe grootte past. Neem u nu in acht, dat gij 
dezen staart niet verliest, want gij zoudt dan geen an- 
deren meer kunnen krijgen." De trage cassade-slang echter 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



3i 



heeft deze woorden onthouden, en draagt sedert de grootste 
zorg voor haar staartje. Gij kunt haar op den kop of mid- 
den op haar lichaam trappen, dit zal zij rustig verdragen ; 
trapt gij haar echter op den staart, dan bijt zij woedend 
om zich heen, en gij zijt verloren." 

Eene andere soort, Vipera chioroëchisy is eveneens ver- 
meldenswaard, omdat zij een grijpstaart heeft, evenals 
Vipcra ammodytes uit het zuidoosten van Europa ; voor zoo 
verre ik heb opgemerkt, klimt zij echter niet zooals deze op 
struiken. Ofschoon niet groot, is zij toch zeer gevaarlijk, 
en neemt, als zij geplaagd wordt, eene dreigende houding 
aan: zij richt zich half op, werpt den dikken kop met 
van toom fonkelende oogen in den nek, en laat in haren 
wijd geopende muil de gifttanden zien. Zij is licht grasgoen 
van kleur met eenige blauwe vlekken op kop en nek, en 
over het geheele lichaam met sterk gekielde schubben bedekt. 
Eene andere soort, Naja airopos^ die tot de brilslangen be- 
hoort, komt in Liberia vrij algemeen voor, en daar zij dikwijls 
in de woningen komt, waar zij tot in de meest verborgen schuil- 
hoeken doordringt, om ratten en muizen te vangen, wordt zij 
zeer gevreesd, hoe nuttig zij overigens ook zijn moge. Zij 
bereikt eene aanzienlijke grootte, gaat ook te water, en 
steekt onder het zwemmen den kop boven het water uit. 

Onder de niet giftige slangen staat Python hieroglyphicus 
om hare grootte en kracht bovenaan. Hoewel zij nergens 
in grooten getale voorkomt, is zij toch over het geheele land 
verspreid, en wordt ook hier en daar wel in kisten gevangen 
gehouden. De Liberianen noemen haar algemeen Boa con- 
siri€tor. Ik heb aan den St. Paul een exemplaar gevangen, 
dat ruim 4 M. lang en naar evenredigheid dik was, maar 
naar men zegt, zouden er zelfs voorkomen van 6 M. lengte. 
Vele soorten, waaronder Dendrophis, bewonen bij voorkeur 
boomen en struiken, soms zelfs van aanzienlijke hoogte, en 
voeden zich met vogels en hunne eieren, insecten enz. 
Zeer dikwijls ziet men op kano-tochten zulke slangen van 
de overhangende boomtakken afhangen, en als ik in het 
woud op den loer stond, heb ik ze meermalen voor of 
boven mij zien slingeren. 

Ook aan Batrachers is Liberia tamelijk rijk. Het meest 
Vallen de boomkikvorschen in het oog, die in groot aantal 
voorkomen, meestal dwergachtig klein en voor het grootste 
gedeelte prachtig geteekend zijn; in den rijtijd verzamelen 
zij zich bij duizenden in de door den regen gezwollen 
creeks en onder waier gezette farms. Onder het groote 
aantal water- en graskikvorschen valt bijzonder een reuzen- 
kikvors^h in het oog, die meer dan een hand lang wordt 
en daar den naam draagt van „bullfrog.*' Ofschoon hij in 
grootte voor zijn Amerikaanschen naamgenoot moet 



onderdoen, heeft hij voor het overige met dit dier veel 
overeenkomst. Van de padden komt de tijgerpad {Bu/opan- 
therinus) zeer veel voor; zij is de grootste der mij bekende 
soorten. Hare levenswijze is geheel dezelfde als die van onze 
Bufo vulgaris. Zeer belangrijk zijn de tot het geslacht 
der Pipa's behoorende en dus met de Amerikaansche Pipa's 
het naast verwante Xenopus-soorten, die wij in twee 
verschillende soorten gevonden hebben. Terwijl de dunne 
teenen der zwakke voorpooten tot aan de basis geheel vrij 
zijn, zijn de krachtige vleezige achterpooten met zeer sterke 
zwem vliezen voorzien, en op de vier binnenste teenen met 
een duidelijken nagel gewapend. Beide soorten leven in 
stille, afgelegen woudmoerassen. Ook onder de Batrachers 
komen wormachtige, in den grond levende soorten voor. 
en deze vonden wij in Liberia vertegenwoordigd door Caecilia 
ientaculata, die zich gaarne in mierenhoopen ophoudt. 

d, Vtsschen, 

Zoowel de zee langs de kust, als de rivieren van Liberia 
zijn zeer rijk aan visschen, die meerendeels een sma- 
kelijk voedsel opleveren. Onder de aalachtige visschen ver- 
dient voornamelijk de sidderval {Malapterurus electricus) 
bijzondere vermelding. Naar men zegt, moet deze soort in 
alle Liberiaansche rivieren voorkomen, maar evenals alle 
alen geeft hij aan de stille, moerassige creeks de voorkeur 
boven stroomend water. Hij wordt niet veel langer dan één 
voet, maar is zeer dik, heeft een breeden platten kop en 
zoowel aan de boven- als aan de önderkaak vleeschachtige 
baarddraden. Zijne huid is glad en glibberig, geelbruin van 
kleur met zwarte vlekken. Zelfs kleine exemplaren, die niet 
langer zijn dan een vinger, kunnen, als men ze aanraakt, 
een zeer gevoeligen electrischen schok veroorzaken. Het 
uitgesnedene electrische apparaat van deze visschen was 
nog in eene stuiptrekkende beweging, lang nadat de visch 
reeds gebakken en gegeten was. 

Verscheidene soorten, waaronder de tot de Labyrinth- 
visschen behoorende Ophiocephalus^ Clarias en anderen, 
die in moerassen leven, begraven zich bij het uitdrogen 
daarvan gedurende het droge jaargetijde in het slijk en 
houden zoo een soort van winterslaap. Zoodra zich nu 
aan de oppervlakte eene harde korst gevormd heeft, komen 
de Negervrouwen, aan wie de vischvangst voornamelijk 
overgelaten is, graven de half verstijfde visschen uit het 
slijk en maken op deze wijze dikwijls eene goede vangst. 
Komt later de regentijd terug, die den bodem weer ineen 
moeras herschept, dan verschijnen ook de visschen, die 
zeker gedurende hunne onvrijwillige gevangenschap een 

5 



34 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



groot deel van hun vet verloren hebben; zij vinden in de 
vele overblijfeelen van planten en de talrijke insecten ruim- 
schoots voedsel. Onder de grondelachtige brakwater-visschen 
verdient bovenal de Periophthalmus Aoelreuteri, aldaar 
jumping fish of big eye bompy genoemd, onze opmerk- 
zaamheid. Hij komt overal in de nabijheid der kust in 
Rhizophoren-moerassen, aan de mondingen der rivieren 
en in creeks zeer veel voor, en doet op het eerste gezicht 
meer aan een watersalamander denken dan aan een 
vertegenwoordiger uit de klasse der visschen. Deze zonder- 
linge visch schijnt zich ook werkelijk om het water niet 
veel te bekommeren, en er alleen gebruik van te maken, 
om bij dreigend gevaar zich op eene veilige plaats te red- 
den. Veel meer leidt hij het leven van een reptiel ; op zijne 
borstvinnen, die bijna tot voeten vergroeid zijn, huppelt hij 
met zijns gelijken, den kop hoog opgericht, op het ver- 
droogde slijk in de zon rond, en redt zich bij gevaar in 
het water, dat bij half springend, met boven de oppervlakte 
uitstekenden kop, doorzwemt. Dit fraaie, dofgroene vischje 
met zijne twee lange, hooge, prachtig ultramarijn en kobalt- 
blauw gekleurde rugvinnen, zijne blauwe vlekken op den 
rug, zijne uitpuilende karmijnroode oogen, die boven in 
of eigenlijk aan de zijden van den kop zitten, wordt niet 
veel mee^ dan een vinger lang, en levert aan de talrijke 
reigers, duikers enz. ruimschoots voedsel. 

Dat ook de zee een groot contingent aan de Liberiaansche 
vischrijkheid levert, is reeds gezegd. De meeste door ons 
aangetroffen zee visschen zijn zeer algemeen verspreid, en 
slechts zeer enkelen komen alleen in bepaalde streken voor. 
Zij vervangen in de kustplaatsen voor een groot deel het 
vleesch, dat in Liberia, dpor het ontbreken van slachtvee, 
spaarzaam genoeg voorkomt, zoodat eene familie, die eiken 
dag bij de eeuwig wederkeerende rijst-, maniok- en bataten- 
schotels een visch kan voegen, zich naar de begrippen 
aldaar met het volste recht gelukkig mag noemen. Nevens 
den aldaar niet zeer zeldzamen haai, komt hier en daar 
ook een reusachtige zaaghaai {PrisHs) voor, die zelfede 
rivieren opzwemt. Ik heb eens een exemplaar gekregen, 
dat, de 3 voet lange zaag medegerekend, 15 voet lang, en 
over de borstvinnen gemeten, meer dan 6 voet breed was. 
Het vleesch van dezen visch, dat geheel zonder graten is, 
evenals dat van den haai, smaakt (in het bijzonder bij 
jonge dieren) heel goed, en heeft bovendien het voordeel, 
dat er zich behoorlijke stukken van laten afsnijden. 

e» Weekdieren, 

De weekdieren zijn in Liberia zoowel door land- en 



zoetwaterslakken, als door zeeslakken en schelpdieren ver- 
tegenwoordigd. Onder de landslakken, die wel is waar 
niet door rijkdom aan soorten schitteren, munten vooral 
uit eenige van de fraaiste en grootste soorten van Ach at i- 
nen, die tot nog toe bekend zijn. Hiervan mogen genoemd 
worden: Achatina perdix, de grootste van alle bekende 
landslakken, Achatina prunum, die door hare schoonheid 
uitmunt, en Achatina purpurea^ de meest gewone van allen. 
De landslakken, die men aldaar het veelvuldigst aantreft, 
zijn echter dQ ïiSidAt Limiailaria* s {L, flammea tn turbinaia). 
De zoetwater slakken worden vertegenwoordigd door de 
beide geslachten Ampullaria (2 soorten) en Melania^ van 
welke laatste wij 8 verschillende soorten verzameld hebben. 
De zeehoorns en zeeschelpdieren zijn aan deze kust arm 
aan soorten (waarschijnlijk ten gevolge van de hevige branding, 
die alles wat leven heeft, verwoest) en onbeduidend in vornï, 
grootte en kleur, zoodat men met recht kan beweren, dat de 
Noordzee in dit opzicht veel rijker bedeeld is. Groote, eetbare 
oesters vindt men in de nabijheid der riviermonden en in de 
brakwater-creeks, waar zij aan de Rhizophoren hangen. Van 
hunne schelpen brandt men kal6, die gebruikt wordt bij 
het bouwen der weinige steenen huizen, of, nadat zij met 
water verdund is, tot het witten der houten wanden. Aan 
den St. Paul, waar deze oesters ontbreken, gebruikt men 
voor het branden van kalk de huisjes der Melania tuber- 
culosUj die daar in groote massa's bijeen liggen. 

ƒ. Insecten. 

Het mag iedereen, die reeds in andere keerkringsgewesten 
gewoond heeft, na een kort verblijf in Liberia vreemd voor- 
komen, dat men daar, noch des daags door vliegen, noch 
des nachts door muskieten (anders eene algemeene plaag 
in hcete gewesten) in die mate gekweld wordt, als men 
werkelijk zou mogen verwachten. Niettegenstaande wij bij 
onzen arbeid veel met bedorven vleesch te doen hadden, 
werden wij toch door de vliegen weinig lastig gevallen, 
het meest nog door de zoogenaamde goudvliegen, die men 
in Europa ook kent, en op kano-tochten door eene soort van 
bremsen, die, zelfs door dichte kleeren heen, zeer gevoelige 
steken kunnen toebrengen. Zoolang wij ons in de wouden 
aan den middenloop van den St. Paul ophielden, kenden 
wij de muskieten in het geheel niet, en later bevonden wij, 
dat zij alleen in de kuststreek worden aangetroffen, zonder 
echter werkelijk eene plaag voor de bewoners te zijn, 
zoodat wij gedurende ons verblijf in Liberia nooit van de 
medegebrachte muskietennetten, ter bescherming van onze 
bedden, gebruik behoefden te maken. 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



35 



Veel meer dan van de vlijen hadden wij te lijden van 
termieten en mieren, die zoowel aan de kust als in het 
binnenland eène even groote plaag zijn. Liberia schijnt 
dan ook, naar de door ons bereisde streken te oordeelen, 
één groot mieren- en termietennest te zijn. 

De termieten-heuvels zijn aan de kust, ja zelfs midden 
in Monrovia en in de oerwouden van het binnenland, in 
groot aantal te vinden, en menig half verwoest gebouw is 
een sprekend bewijs van de verwoestingen, door de ter- 
mieten aangericht. Dikwijls drongen deze mijnen aanleg- 
gende verwoesters ^) in onze kisten, hoezeer wij deze ijverig 
doorzochten en op schragen boven den grond hadden 
geplaatst, en alleen aan onze groote zorgvuldigheid hadden 
wij het te danken, dat onze kleeren en onze verzamelingen 
van hen verschoond bleven. Er bestaan in Liberia onder- 
scheidene soorten van deze insecten, waaronder eeue {Ter- 
mes mordax) uitsluitend in de bosschen leeft en een steen- 
hard nest bouwt. Dit nest is hoogstens i M. hoog, is 
gebouwd in den vorm van een paddestoel, waarvan soms 
meerdere op elkander geplaatst worden, en ziet er van 
binnen, door het groot aantal cellen, ecnigszins sponsach- 
tig uit. De meest gewone soort is de strijdlustige termiet 
[Termes hellicosus) die nu eens in het woud, dan weder 
in het vrije veld of op de heide hare reuze nkegels bouwt, 
welke vaak van zijtorentjes zijn voorzien, dikwijls bij eene 
hoogte van 5 M. een omvang van 12 M. hebben, en óf geheel 
kaal óf met struikgewas Ijegroeid zijn. Gewoonlijk bou- 
wen zij hunne woningen rondom eenen boomtronk of in 
eene struik. Spoedig echter is het hout weggevreten en de 
steenharde, van klei opgebouwde kegel, staat dan alleen 
daar, en wordt elk jaar, al naar de behoefte dit vor- 
dert, vergroot. In de wouden waren ons deze termieten- 
heuvels dikwijls aangename zitplaatsen, om op het wild te 
loeren. Nooit ziet men een termiet aan de buitenzijde der 
woning rondloopen, want alle arbeid geschiedt van binnen 
naar buiten en wordt des nachts verricht. Als zij op dood 
takhout aanvallen, bedekken- zij dit eerst met eene laag 
klei, en overal, waar hun weg hen ook heenleidt, op wegen, 
langs muren en houten wanden, leggen zij overdekte gangen 
van klei aan, waardoor zij voorwaarts trekken, tot zij aan 
het doel van hun tocht zijn gekomen, en hun vemie- 
lingswerk van binnen uit kunnen beginnen. Het begin van 
het droge jaargetijde (het laatst van November) is de 
paartijd der termieten. De gevleugelde mannetjes en wijfjes 
vliegen dan bij millioenen rond, zoodat dikwijls de zon er 
door verduisterd wordt, en het paren geschiedt onder het 



*) Ten onrechte witte mieren, in Liberia „bug-a-bug" genoemd. 



vliegen. Dit is eene gunstige gelegenheid voor de juist om 
dezen tijd uit Europa aangekomen boeren zwaluwen, om zich 
schadeloos te stellen voor de vele ontberingen, die zij zich op 
hunne lange zeereis hebben moeten getroosten. Men ziet dan 
geheele scharen van deze zwaluwen kris en kras door de 
wolken van termieten heenvliegen en hunne snavelen klap- 
pen als gelederen vuur, zoodat het een lust is dit schouw- 
spel aan Ie zien. Ook in de woningen dringen deze vlie- 
gende termieten binnen, en vliegen bij het eten in scho- 
tels en op borden, zoodat in korten tijd alles bedekt is 
met afgevallen vleugels en rondkruipende, vleugellooze in- 
secten. Dadelijk na de paring n.1, verliezen de mannetjes 
en de wijfjes de vleugels, vele van hen worden de buit 
van vogels, hagedissen, kikvorschen en mieren, en slechts 
weinige mannetjes en bevruchte wijfjes vinden den weg 
naar de woning terug. De teruggekeerde wijfjes worden 
nu (gewoonlijk slechts één in elke termieten- woning) in- 
gemetseld in een klomp klei, ter grootte van eene vuist, 
die rondom met gaatjes, op ongeveer i cM. afetand van- 
elkaar, is voorzien, waardoor de arbeiders aan het ge- 
vangene wijQe voedsel bezorgen. Haar achterlijf, dat dui- 
zende eieren bevat, neemt langzamerhand bewonderens- 
waardige afmetingen aan, wordt zoo lang en dik als een 
vinger, heeft dan eene witte kleur, waarop zich de oor- 
spronkelijke lijfringen als smalle, bruine inkervingen voor- 
doen. Het wijfje dat op deze wijze verpleegd wordt, heet 
de koningin der termieten {pug-abu^ queen) en bevindt 
zich steeds beneden in het centrum van de woning. 

Veel meer dan van de termieten hadden wij van de ver- 
schillende soorten van mieren, voornamelijk van de „dri- 
vers" of zwervende mieren" te lijden. Deze brachten 
ons dikwijls groot nadeel toe, hoezeer zij door het zuive- 
ren der menschelijke woningen van muizen, ratten en 
ander ongedierte, in het algemeen eene weldaad voor het 
land mogen heeten. In lange rijen, waaraan geen eind 
scheen te willen komen, drongen zij, minder over dag dan 
des nachts, in onze woning of in ons kamp door, ver- 
spreidden zich over den vloer, de wanden, kisten en an- 
dere vrijstaande voorwerpen, en verwoestten in ongeloofe- 
lijk korten tijd alles, wat maar op den naam van dier- 
lijk organisme aanspraak kon maken. Alles, wat maar le- 
ven bezat, kakkerlakken {Blatta americana), ratten, slan- 
gen, moest voor hen vluchten. De hoenders, die hun hok 
niet konden verlaten, en andere levende dieren, die wij 
toevallig in gevangenschap hielden, werden door hen half 
doodgebeten, en wij zelve, door een onuitstaanbaar bijten 
uit den slaap opgeschrikt, waren over ons geheele lichaam 
met dit moordzuchtige ongedierte bedekt, en sprongen 



.^6 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



uit onze hangmatten, om op den grond, waar het even- 
eens van deze dieren wemelde, door nieuwe heirscharen 
overvallen te worden. En dan onze arme verzamelingen! 
Versch bereidde huiden van zoogdieren en vogels bedor- 
ven, verzamelingen van vlinders en andere insecten half 
vernield, de vruchten van dagen lang verzamelen en pre- 
pareeren vernietigd — en dat alles het gevolg van een 
enkel bezoek van een troep zwervende mieren. Gedurende 
het natte jaargetijde gevoelt men deze plaag het meest, 
want dan worden de mieren door het steeds dieper in den 
grond dringende vocht uit hunne onderaardsche woningen 
verdreven. Vele mieren maken nu nesten boven den 
grond, anderen echter, die door overstroomingen geheel van 
den grond verdreven worden, bouwen voorloopige wonin- 
gen onder aan de bladeren van struiken en hoomen. Bo- 
vendien vindt men daar eene groote» langbeenige, geelach- 
tig roode, bijzonder kwaadaardige soort van mieren, die 
het geheele jaar door op boomen en struiken leeft en tot 
kleine koloniën vereenigd, in samengerolde bladeren woont. 
De jager echter, die langs zulke boomen voorbijkomt en 
toevallig aan een tak of stammetje stoot, is in een 
oogwenk met hunne bewoners overdekt, en het eenige 
middel, om zich van deze kwaadaardige kwelgeesten te 
bevrijden, is, dat hij onmiddelijk zijne kleederen uittrekt 
en zorgvuldig alle mieren daaruit verwijdert. Het geweer 
wegwerpen, trappelend en dansend de kleeren van het 
lijf rukken, zoodat de knoopen er afspringen, en daarbij, 
door smart overmand, de wonderlijkste sprongen ma- 
ken : dit alles is het werk van één oogenblik, en moet op' 
den nuch teren, onverschilligen toeschouwer zeker een 
veel meer komischen indruk maken, dan op hem, die 
daarbij betrokken is. 

Als bepaald nuttige insecten zijn in elk geval de bijen 
te beschouwen, die voornamelijk meer in het binnenland 
in de wouden leven, en naar men zegt, aan den rand der 
Mandingo- hoogvlakte zeer veelvuldig voorkomen. Zij bou- 
wen hare nesten in holle boomen, dikwijls op eene aan- 
merkelijke hoogte en verraden zich, even als onze bijen, 
door haar gegons. De Negers, die veel van zoetigheid houden, 
klauteren dan naar boven en rukken het geheele nest met 
bijen, cellen en honig uit, waarop zij de cellen uitpersen 
en eenvoudig wegwerpen, in plaats van er was van te 
maken. Men plundert daar de bijennesteti om der wille 
van den honig, in Neder-Guinea om der wille van het was. 
In de Mandingo-vlakte, waar de bijen veelvuldiger voorko- 
men, wordt tamelijk veel was gewonnen, doch het komt 
in Liberia op verre na niet in zulk eene grooie hoeveelheid 
in den handel als in de aequatoriaalstreken. 



Aan kevers schenen mij de door ons' bezochte streken 
niet bijzonder rijk te zijn, en bepaald arm aan grootere 
soorten. Van het geslacht Goliath, dat voor de kever- 
fauna onder den aequator zoo karakteristiek is, vonden wij 
slechts eene enkele soort. De vlinders zijn talrijk genoeg, 
en zelfs door fraaie soorten vertegenwoordigd, maar van 
de zoo gezochte soorten uit de veel warmere Cameroon- 
streken hebben wij er gcene gevonden. 

De rechtvleugelige insecten zijn voornamelijk door 
spiinkhanen en kakkerlakken talrijk vertegenwoordigd. 
Eenige soorten van Maniis en Phasma^ die door hun abnor- 
malen bouw belangrijk zijn, verlevendigen in grooten ge- 
tale de opene, met laag hout begroeide streken. Ook de boom- 
en blad wantsen en de cicaden zijn in eene menigte soorten 
voorhanden. Wanneer men in het algemeen nadenkt over 
de groote armoede aan soorten en individuen in de insec- 
tenwereld, wanneel* men bij het afkloppen van boom en 
struik altijd en altijd weer in het omgekeerde regenscherm 
een heir van mieren ziet wemelen, en bij veel sprinkhanen 
en bladwantsen slechts zelden een eenzaam kevertje rindt, 
dan dringt zich onwillekeurig de overtuiging aan ons op, 
dat juist de vraatzuchtige mieren de oorzaak zijn, dat de 
overige insecten vormen zoo spaarzaam voorkomen. 

De groep der duizendpooten vertoont eene tamelijk 
groote soort van Scolopender (aldaar ^<?«/i^<?//^ genoemd) die 
met recht door inboorlingen en kolonisten evenzeer ge- 
vreesd wordt, daar haar beet vergiftig is, en, zij het ook 
niet direkt doodelijk, toch in elk geval zeer pijnlijk, ja zelfe 
gevaarlijk worden kan. Onderscheidene groote J u 1 u s - s o or- 
ten (millioenpooten) komen daar zeer veel voor, maar zijn al- 
leen daardoor lastig, dat zij overal inkruipen en onaangenaam 
rieken. Ook deze dieren worden door de zwervende mie- 
ren ijverig gevangen, en de Negers verlaten daarom gaarne, 
vooral wanneer die gasten over dag komen, voor onge- 
veer een uur hunne woning, om haar door deze gedienstige 
geesten door en door te laten zuiveren. 

Voor nog gevaarlijker dan de beet des Scolopenders 
houdt men dien van een aldaar tamelijk algemeen voor- 
komenden schorpioen en van eene groote, ruig behaarde 
vogelspin (Mygale\ welke aldaar ten onrechte „tarantula," 
genoemd wordt. Deze laatste bemachtigt haren buit met 
éénen sprong en hare kaaktangen zijn inderdaad groot 
genoeg om eene tamelijke wonde te veroorzaken. Daar ook 
deze spinnen, evenals de genoemde schorpioen, dikwijls in 
de huizen gevonden worden, is de aldaar aangenomen 
regel ten volle gerechtvaardigd, n. 1. om eiken avond vóór men 
gaat slapen, zijn bed en bij het opstaan, zijne kleederen en 
schoenen te onderzoeken. 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



37 



^. Kreeftdier en. 

De Crustacean van Liberia zijn bijna uitsluitend door 
krabben vertegenwoordigd, die in tamelijk veel soorten 
voorkomen, waarvan eenigen door grootte, anderen door 
fraaie kleuren uitm»mten. Zij behooren zoowel tot de land-, 
zoetwater- en brak water-krabben als tot de zeekrabben. Over 
de eenige soort van garnalen ^), die wij in Liberia gevonden 
hebben, is reeds in mijn vroeger bericht (1880) gesproken. 
Eene reusachtige landkrab (Cardisoma armatum) bewoont 
des daags een hol, dat zij zelve in den grond graaft, 
meestal in de nabijheid van het water, en gaat des nachts 
op voedsel uit, dat uit wormen, insecten, kleine slangen, 
jonge hoenders, eenden en andere vogels bestaat. Zij bezit 
eene aanmerkelijke spierkracht, en sleept leder, oude lappen 
en stukken touw in haar nest. 

Eene veelvuldig voorkomende zoetwaterkrab is Tlielphusa 
africana, die echter den dag in holen aan de oevers der 
rivieren doorbrengt. 

De Mangrove-moerassen zijn bevolkt met onderscheidene 
meest kleine, maar zonderling gevormde en gekleurde soor- 
ten van de geslachten Sesarma en Gelasimus, en aan het 
stiand vindt men de zandkleurige Ocypode cursor en afri- 
cana, die zeer behendig en met verbazende snelheid de 
door de zee aangespoelde weekdieren in de branding weten 
weg te snappen, daar zij even snel zijdelings als voor- en 
achterwaarts kunnen loopen. Op rotsen in de branding 
zitten talrijke Grapsus-soorteii op buit te loeren, waar- 
onder de bijzonder fraai geteekende G. maculatus^ wiens 
pooten met borstels zijn bedekt. De zee zelve herbergt 
eenige zeer groote, prachtige soorten, als : Calappa ru- 
hroguttata^ Nepiunus validus en N. diacanthus, die soms 



I) Zie lilde Hoofdstuk: Reizen aan de St. Paul's River. 



door de visschers met den angel worden gevangen. Ook 
eene prachtige soort van langoesten wordt daar in de 
zee gevangen. 

h. Wormen, 

Reeds in mijn vroeger bericht heb ik een reusachtigen- 
worm {Lumbricus) vermeld, wiens kleur, al naarmate het 
licht er op valt, prachtig rood of groen is; hij bereikt 
soms eene lengte van i M. en wordt zoo dik als een 
pink. Deze worm wordt dikwijls de buit van de zwervende 
mieren, ofschoon hij zich tracht te verdedigen door een 
scherp vocht uit te spuiten, dat hij door samentrekking van 
de spierhuid uit het lichaam perst. Juist om deze wijze 
van zich te verdedigen wordt dit dier door de inboorlingen 
algemeen voor vergiftig gehouden en zeer gevreesd. 

Bij deze gelegenheid moet ik nog de Liberiaansche 
bloedzuigers vermelden, die in de zoetwater-moerassen 
talrijk voorkomen, en zoowel voor den naakten Neger als voor 
den Europeeschen jager, die bij het doorwaden dezer moe- 
rassen genoodzaakt is zijne laarzen uit te trekken, zeer 
lastig kunnen worden. Zij zuigen zich n.1. zeer gemakkelijk 
vast, en terwijl zij in normalen toestand ongeveer i duim 
lang zijn, bereiken zij het dubbele van hunne natuurlijke 
grootte, als zij volgezogen zijn. — Den op vele plaatsen der 
westkust van Afrika te recht gevreesden G u i n e a w o r m 
{Furia medinensis) hebben wij in Liberia nooit aangetroffen, 
toch schijnt hij ook daar volstrekt niet onbekend te zijn. 

Hiermede sluit ik het hoofdstuk over de dierenwereld van 
Liberia, daar de lagere dierklassen voor het algemeen 
van minder belang zijn en, dewijl zij bovendien grooten- 
deels in de zee leven, het onderzoek derhalve niet tot de 
taak van een landreiziger kan behooren. 



TWEEDE HOOFDSTUK. 



DE BEVOLKING VAN LIBERIA. 



Om een helder inzicht te verkrijgen in de ingewikkelde 
bevolkingstoestanden van Liberia is het volstrekt noodza- 
kelijk, om de uit Amerika gekomen zwarte en gekleurde 
kolonisten en de inlandsche bevolking 
streng van elkander te scheiden, en aan elk een afzonder- 



lijk hoofdstuk te wijden. Daar de reiziger steeds het eerst 
met de eerstgenoemden, die zich reeds lang als heeren des 
lands beschouwen, in aanraking komt, willen wij hen ook 
hier den voorrang geven. 



A. DE LIBERIANEN. 



De Liberianen of Liberians, zooals zij zich zelve noe- 
men — of Amerikanen, zooals zij door de inboorlingen ge- 
noemd worden, zijn vrij geworden Amerikaansche Neger- 
slaven en hunne nakomelingen, deels kleurlingen van alle 
nuanceeringen, die op verschillende plaatsen aan de voor- 
malige Peperkust, bij voorkeur aan den voet der ver- 
schillende voorgebergten en langs den benedenloop der 
rivieren volkplantingen hebben gesticht, die nu te zamen 
één groot geheel, den vr ij staat Liberia, uitmaken. 

1. De Feperkust vóór de aankomst der Ameri- 
kaansohe landverhuizers. 

Lang vóór deze nederzettingen, toen de slavenhandel nog 
bloeide, was deze kuststreek een zeer voordeelig uitvoer - 
gebied voor het toen in Amerika zoo gezochte „ebbenhout", 



en zoowel Spanjaarden als Portugeezen hadden op ver- 
schillende plaatsen aan deze kust hunne depots. Later, 
toen de Engelsche kruisers den slavenhandelaars het leven 
steeds zuurder maakten, waren deze in de door vele stille 
creeks afgebroken kuststreken volstrekt niet om eene 
veilige schuilplaats verlegen, waar zij hunne waar konden 
verbergen, tot zich een gunstig oogenblik opdeed, om ze 
bij nacht in te schepen. De scheuring tusschen de ver- 
schillende Negervolkeren en de daaruit ontstaande 
voortdurende oorlogen, lieten het hun nooit aan nieu- 
wen toevoer ontbreken, en zoo vormden zich langza- 
merhand dieper landwaarts in, achter de stations der blanke 
en gekleurde slavenhandelaars, geregelde sla ven wegen. Langs 
deze wegen werden voortdurend lange treinen met gevan- 
genen — dikwijls ver uit bet -binnenland, waarmede nu 
sinds lang alle betrekking is afgebroken — met ketenen 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



39 



en de beruchte halsvorken aan elkaar gekoppeld, naar de 
kust gedreven. 

Thans is wel is waar in deze streken de uitvoer van 
slaven geheel opgehouden en de vroegere slavenfactorijen 
zijn vervallen, ofschoon in het binnenland de slavernij 
voortbloeit en steeds bloeien zal, want het denkbeeld daar- 
van is onder de inboorlingen zoo vastgeworteld, dat heer 

m 

noch slaaf er iets aanstootelijks in vinden. 

2. Liberia, eene Amerikaanscbe Negerkolonie. 

De slavenhandel was nog in vollen gang, toen in het 
jaar 1816 in de Vereenigde Staten door edele menschen- 
vrienden de „Noord- Amerikaanscbe kolonisatie-maatschappij" 
werd opgericht. Deze stelde zich ten doel om aan de groote 
menigte vrij geworden Negers, die zonder verdiensten of 
voor hen geschikten arbeid in de Vereenigde Staten rond- 
zwierven, gelegenheid te geven, weder naar hun Afri- 
kaansch vaderland terug te keeren. 

Daar het echter onmogelijk was, ieder naar zijn eigen 
vaderland terug te zenden — weinigen toch wisten het aan 
te geven, en zouden bovendien, wanneer men hen daar aan 
land had gezet, ellendig omgekomen of op nieuw in sla- 
vernij vervallen zijn — zoo vatte men het plan op, om 
voor allen gezamenlijk in de eene of andere streek aan 
de westkust van Afrika eene kolonie te stichten, die door 
nauwe aaneensluiting zich tegen de mogelijke aanmatigin- 
gen en vijandelijkheden der inboorlingen zoude kunnen 
verdedigen. 

Bovendien beloofde men zich buitengewoon veel goeds 
van den zedelijken en beschavenden invloed van zulk eene 
christelijke Neger-kolonie op de haar omringende barbaarsche 
inboorlingen, ja sommigen gingen in hun philantropische 
dweeperij zoo ver, zulk eene kolonie te beschouwen als 
het e e n i g e en onfeilbare middel om de Afrikaansche 
Negervolken te beschaven. 

Door de regeering der Vereenigde Staten krachtig onder- 
steund, zond bet comité afgevaardigden naar de kust van 
Sierra Leone, om daar naar eene voor kolonisatie geschikte 
streek om te zien. Deze afgevaardigden kozen als terrein 
voor de nieuwe kolonie het eiland S h e r b r o, iets meer 
dan 100 miles zuicfoostelijk van Sierra Leone voor de 
monden van onderscheidene groote rivieren gelegen, waar 
zij door aankoop een belangrijk grondgebied verkregen. 

De eerste poging, om dit land met gekleurde kolonisten 
te bevolken, geschiedde in het jaar 1820 en was niet zeer 
gelukkig. Reeds gedurende de eerste maanden stierven niet 
alleen de drie aanvoerders tengevolge van ziekten, door 



het klimaat veroorzaakt, maar op één na alle blanken, 
benevens 22 van de 88 zwarte kolonisten. Na eenige 
verdere vergeefsche pogingen ging de rest der kolonie in 
1822 naar kaap Mess u rado aan de Peperkust over, 
waar zij het jaar te voren van eenige inlandsche vorsten 
eene landstreek gekocht hadden. Hier stichtten zij, op den 
rug van het genoemde voorgebergte, onder velerlei ruoeie- 
lijkheden, hen door de inboorlingen in den weg gelegd, 
eene stad, die, ter eere van Monroe, toenmaals president 
der Vereenigde Staten, Monrovia genoemd werd. Het 
nieuw verworven grondgebied der kolonie echter kreeg 
den naam van Liberia. 

Ofschoon de jonge en kleine kolonie met groote moeie- 
lijkheden te kampen had, ontwikkelde zij zich, geholpen door 
de Vereenigde Staten, meer en meer. Ieder vrijwillig kolo- 
nist kreeg, behalve vrijen overtocht, kosteloos een stuk land 
en een klein huisje met houten wanden en met dak- 
spanen gedekt, alsook voor de eerste maand vrij onder- 
houd. Bijna elk jaar kwamen nu nieuwe kolonisten, die 
zich deels in Monrovia vestigden, deels (hoewel eerst later) 
langs de waterwegen, de eenige wegen in dit land, het 
binnenland indrongen, en aan de oevers van den St. Paul 
en de Messurado River suiker- en koffieplantages aanleg- 
den. Zoo zijn nu tegenwoordig niet alleen de streken langs 
de oevers van den St. Paul, tot op 20 mtles van zijnen 
mond, waar de eerste watervallen aangetroffen worden, 
maar ook groote streken achter deze laatsten door kolonisten 
bebouwd en bevolkt. 

Voortdurend trachtte de jonge volkplanting, onder voor- 
treffelijke Amerikaanscbe leiding, nieuwe landstreken te 
verwerven, en het viel haar niet moeielijk, haar grondge- 
bied zoowel aan beide zijden langs de kust, alsook land- 
waarts in, allengs zeer belangrijk te vergrooten, tot zij, 
na verloop van jaren, de geheele kuststreek oostelijk van 
Sherbro tot aan kaap Palmas in naam bezat. 

Eene van de eerste giften der beschaving, waarmede de 
inboorlingen verblijd werden, was de brandewijn, die ook 
als voorlooper der beschaving hij de Indianen zulke uit- 
stekende (I) diensten bewezen heeft. Even als daar, zoo 
vond deze drank ook bij de Negers bijval, en de vorsten 
der verschillende stammen lieten zich gemakkelijk over- 
reden, om voor eenige vaatjes gin (jenever) of rum een 
contract te onderteekenen (d. i. de voor hen gemaakte 
handteekening met het gebruikelijke kruisje bekrachtigen), 
waarbij zij een gedeelte van hun gebied aan Liberia 
afstonden. Zij behoefden, zooals wij weldra zien zullen, 
van dezen stap geen berouw te hebben, daar zij vorsten 
der inlandsche bevolking bleven. Liberia had hun bij 



40 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



dezen afstand hunne betrekking van R^ent laten behouden, 
maar in het contract bepaald, dat zij voor hunne onder- 
danen aan de Liberiaansche regeering verantwoordelijk 
zouden zijn, en tegen de kolonie geen oorlog mochten 
voeren of de kolonisten op eene andere wijte nadeel toe- 
brengen. Geen dezer opperhoofden bekommert zich echter 
om deze bepalingen en de verschillende stammen ver- 
woesten elkanders land door oorlogen en maken slaven en 
houden slaven evenals vroeger. De kolonisten-republiek is 
een doorn in het oog van alle inboorlingen, en daar deze 
nooit in staat is geweest, noch ooit zijn zal, om de 
stammen der inlanders in toom te houden, lachen deze 
laatsten iemand in het gezicht uit, wanneer men op reis 
in het binnenland, bij voorkomende oneenigheden met de 
Liberiaansche regeering dreigt. 

Zoolang de kolonie onder de zorgvuldige leiding stond van 
de Amerikaansche maatschappij, en een blanken gouverneur 
aan het hoofd had, nam zij zichtbaar in bloei toe. Er werden 
volksscholen opgericht; en in Monrovia ontstond, hoewel eerst 
in 1862, het ^^Liberia College'* dat tegenwoordig nog bestaat 
en door Amerika gesteund wordt. Dit is eene inrichting 
voor hooger onderwijs met zwarte ^) professoren als leeraren, 
die naast de wis- en natuurkundige wetenschappen, zich in 
het bijzonder op talen, voornamelijk Grieksch, Latijn en 
Arabisch, schijnen toe te leggen. De handel, die zeer in 
bloei toenam, breidde zich tot ver in het binnenland uit, 
en had de bronnen der rijke Mandingo-hoogvlakte voor 
zich ontsloten, wier voortbrengselen, als: vee, paarden, 
rijst, boomwoj en katoenen stoffen, ook palmolie, palm- 
pitten, ivoor en stofgoud, de markt in Monrovia vulden. 

3. De eierste jaren der Bepubliek. 

In het jaar 1847 gevoelde zich de kolonie sterk genoeg, 
om op eigen beenen te kunnen staan, en verklaarde zich 
voor eene zelfstandige, van de Ver. Staten onafhankelijke 
republiek, die weldra door alle Europeesche Staten, maar 
eerst in 1857, dus 10 jaren na hare vestiging, ook door 
Amerika erkend werd. Hare staatsinrichting is op Ame- 
rikaansche leest geschoeid. Aan het hoofd staat een presi- 
dent, die de uitvoerende macht bezit, en eene wetgevende 
vergadering, uit een senaat en een huis van vertegen- 
woordigers bestaande. ' Zetel der regeering is Monrovia, en 
het Engelsch is zoowel de ofïicieele, als de gewone spreektaa 1. 

De voornaamste bepalingen der grondwet zijn : Volkomen 
vrijheid van geloof en geweten, vrijheid van spreken en 

*) Dezen zomer (1883) ^y** ^^ \.^t^ blanke professoren (Ameri- 
kanen) aangesteld. 



schrijven, kosteloos onderwijs en vóór alles de bepaling, 
dat een Blanke in Liberia nooit grondbezit 
hebben of een staatsambt bekleeden mag. 

Wanneer wij ons verplaatsen in den toenmaligen toestand 
der nieuw gevestigde republiek, wanneer wij niet vergeten, 
dat in dien tijd de slavernij nog in vollen bloei was, en 
dat de op verschillende plaatsen aan de kust gevestigde 
slavenhandelaars de inboorlingen voortdurend tot vijande- 
lijkheden tegen de kolonie ophitsten, dan laat zich de 
geestdrift verklaren, waarmede juist dit laatstgenoemd artikel 
in de gropdwet werd opgenomen, ofschoon het, zooals 
wij later zullen zien, voor de algemeene welvaart van Liberia 
noodlottig dreigt te worden. 

Onder de leiding van eenige schrandere, flinke mannen, 

« 

zooals Roberts, den eersten president en zijn opvolger 
Benson, ging de jeugdige republiek goed vooruit. Elke 
burger was met vreugde bereid, zijn penningske voor het 
algemeen welzijn bij te dragen, en zoo ontstond er dus, 
bijna zonder inspanning, een klein leger en eene vloot, 
door eenige kleine Liberiaansche koopvaardijschepen in 
oorlogschépen te veranderen; ook werd op den westelijken 
uithoek van kaap Messurado een soort van fort gebouwd, 
waarop nog tegenwoordig ijzeren veldslangen liggen, die 
bij voorkomende gelegenheden de saluutschoten van vreemde 
oorlogschef)en beantwoorden. 

De immigratie uit Amerika nam in dezen tijd van 
opkomst voortdurend toe, én met haar hield ook de uit- 
breiding van de grenzen des lands gelijken tred. Groote 
landstreken, o. a. de geheele kuststreek in het westen van Mon- 
rovia tot aan den achter het eiland Sherbro uitmondenden 
Big Boom River^ die het grondgebied van de Mannah's, 
Gallina's en Cassa's omvat, werden onder het bestuur van 
Roberts docr aankoop van de betreffende Negerstammen 
verkregen. In het westen, 45 zeemijlen van Monrovia, werd 
aan den voet van het Grand Gap Mount-gebergte, bij de 
•uitwatering van de groote en schoone Fisherman Lake, de 
kolonie Robertsport gesticht, die door hare uitmun- 
tende ligging aan eene schoone reede en in het mondmgs- 
gebied van eenige rivieren, die tot tamelijk ver in het 
binnenland bevaarbaar zijn, uitstekend voor handelsplaats 
geschikt is. In het oosten ontstonden de volkplantingen van 
Grand Bassa {Edina en Buchanan) aar* de monding van 
de St. Johns River, verder naar het Z. O. S i n o e, en Har- 
per aan Cape Pairaas. Toen nu in het jaar 1857 de ooste- 
lijk van Cape Palmas gelegene zuster-republiek M a r y 1 a n d, 
die in 1834 op dezelfde grondslagen als Liberia gevestigd 
was, met de laatstgenoemde was vereenigd, had het grond- 
gebied van Liberia zijne tegenwoordige uitbreiding verkre- 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



41 



gen, en omvat alzoo de geheele kuststreek van het eiland 
Sherbro in het noordwesten tot een weinig voorbij Cape 
Palmas in het zuidoosten, eene landstreek, die aan de 
landzijde wel op de kaart, maar in werkelijkheid alles be- 
halve scherp begrensd is. Zij wordt staatkundig verdeeld 
in de vier counties (provinciën) Montserrado (met inbe- 
grip van Grand Cape Mount), Grand Bassa, Sinoe 
en Cape Palmas (met inbegrip van Maryland); elke pro- 
vincie mag twee a^evaardigden in den senaat zenden. — 
Intusschen is volstrekt niet de geheele kuststreek door Libe- 
riaansche kolonisten bevolkt, daar deze zich bijna uitsluitend 
om havenplaatsen en langs den benedenloop der groote 
rivieren vereenigen. De geheele uitgestrekte streek, die roet 
oerwoud is begroeid en zelfs groote landstreken langs de 
kust, zijn tot heden geheel aan de inboorlingen over- 
gelaten, wat maar al te dikwijls aanleiding heeft gegeven 
lot noodlottige verwikkelingen, daar de Republiek, ten 
minste in haren tegenwoordigen toestand, te zwak is, om 
bij voorkomende gelegenheden tegen de inboorlingen krach- 
tig op te treden. 

4. Achteruitgang. 

Sedert de eerste jaren na de verklaring der onafhankelijkheid 
is het met Liberia in elk opzicht achteruit gegaan, en daaraan 
heeft het reeds vermelde beginsel, om de Blanken van alle 
betrekkingen uit te sluiten, niet weinig schuld. In plaats 
van deze laatsten te lokken, en hen door verstandige, 
loyale wetten aan te moedigen om hunne meerdere ont- 
wikkeling en hun kapitaal te gebruiken tot het exploiteeren 
van de onuitputtelijke, voor het grootste deel braak lig- 
gende schatten des lands, waarbij zoowel de bewoners als 
de fiscus zeer gebaat zouden zijn, is mea er integendeel 
zooveel mogelijk op uit, hen te weren. In plaats van de 
blanke kooplieden te veroorloven, op alle landingsplaatsen 
aan de kust handel te drijven, heeft men in den laatsten 
tijd alle havens, tot op vijf ^) na, voor hen gesloten. • Was 
het reeds vroeger aan alle vreemde kooplieden streng 
verboden, om in het binnenland factorijen aan te 
leggen, nu werd door deze wet voor den Liberiaanschen 
handelsstand, die om zijne armoede geheel van de blanke 
kooplieden afhankelijk is, een tusschenhandel zonder eenige 
concurrentie in het leven geroepen, waarbij het systeem 
om de inboorlingen uit te zuigen, tot het uiterste kon 
doorgedreven worden. De gevolgen hiervan lieten niet lang op 



M Grand Cape Mount, Monrovia, Bassa, Sinoe en Cape Palmas^ 
In den jongsten tijd werd intusschen nog eene zesde, aan River Cess 
of Cestos (tusschen Grand Bassa en Sinoe) voor vreemdelingen geopend. 



zich wachten. De handel met het binnenland en met de 
gesloten, nu nog slechts voor de Liberiaansche tusschen- 
handelaars toegankelijke kustplaatsen, verslapte, daar de 
inboorlingen het spoedig moede werden, om zich door de 
tusschenhandelaars te laten uitzuigen ; de uitvoer van de 
voortbrengselen des lands nam spoedig af, en hiermede 
natuurlijk ook de inkomsten van den staat, die voor- 
namelijk uit tollen en patentrechten moeten gevonden 
worden. Hierdoor en ook ten gevolge van de voortdurende 
guerilla-oorlogen tusschen de verschillende stammen, heeft 
de welvaart des lands veel geleden. De handel met de 
rijke Mandingo-hoogvlakte is om dezelfde reden geheel 
afgebroken, en het land, dat bijna zonder inspanning rijk 
kon zijn, verarmt meer en meer. 

De financiën van het land zijn tegenwoordig door 
een veeljarig wanbestuur geheel uitgeput. Liberia heeft het 
Amerikaansche, muntstelsel aangenomen, maar zijne eigene 
munten bestaan slechts in koperen één- en twee-centstukken, 
die buitenslands gestempeld worden. Er is echter veel 
Amerikaansch en ook wat Engelsch zilver in omloop, 
waarvan evenwel in de streken ten westen van Monrovia 
veel aan het handelsverkeer onttrokken wordt, daar de 
inboorlingen, voornamelijk de Vey*s het tot sieraden ver- 
werken. Bovendien is ook nog eenig Engelsch goud in 
omloop, maar dit komt, naar men beweert, buiten de 
havenplaatsen hoogst zelden voor. 

6. Verwikkelingen met Engeland. 

Om in de zoo sterk gevoelde behoefte aan gereed geld 
te voorzien, heeft de Liberiaansche regeering reeds sedert 
lang papieren geld uitgegeven, dat tot tegen het einde van 
het laatste tiental jaren steeds zijnen vollen koers behield. 

Toen echter later, ten einde het steeds hooger stijgende 
geldgebrek weg te nemen, het papieren geld belangrijk ver- 
meerderd werd, daalde het spoedig tot bijna op de helft 
zijner nominale waarde. 

Om nu den gedrukten toestand van 's lands financiën nog 
te vermeerderen, komt de afbetaling der staatsschuld aan 
Engeland, die in 1886 moet plaats hebben, en eene som 
voor oorlogskosten, eveneens door dit land geeischt. Daar 
deze beide duistere punten aan den Liberiaanschen gezicht- 
einder den tegenwoordigen toestand aldaar, benevens de 
annexatie-politiek der Engelschen op eene eigenaardige wijze 
in het licht stellen, verdienen zij voorzeker hier eenigszins na- 
der uiteengezet te worden, te meer, daar eene weldra te ver- 
wachten catastrophe de opmerkzaamheid van Europa meer 
dan tot heden op dit land zoude kunnen richten. 

Om den kwijnenden handel en het verkeer wat op te 



42 



MEDEDEELINGEN OVEK LIBERIA. 



beuren en zich de middelen te verschaffen tot eene betere 
exploitatie van de rijkdommen des lands, sloot de Liberi- 
aansche regeering in het jaar 187 1 in Engeland eene leening 
van 100,000 L. St. of een half millioen dollars, tegen 7*/<j; 
deze som moest in 15 jaar betaald worden met eene zekere 
jaarlijksche amortisatie, terwijl de voorwaarde er bij be- 
dongen werd, dat Liberia, vóór het de geheele som afbetaald 
had, nergens eene nieuwe leening mocht sluiten. Na af- 
trek van de twee jaren vooruit te betalen rente, provisie 
der agenten, reiskosten en verdere voorschotten der Libe- 
riaansche a%e vaardigden enz., bleef er van de £ 100,000 
nauwelijks meer dan de helft over. Dit kapitaal werd deels 
in geld, deels in handelswaren geleverd; want de Engel- 
schen konden de verzoeking niet weerstaan, om uit deze 
zaak, die buitendien al voordeelig voor hen was, nog een 
klein winstje extra te trekken. 

De toenmalige president der Lib. republiek, S, Ex. /, E, 
Roye^ die persoonlijk de leening in Engeland gesloten had, 
werd, toen hij met den eersten termijn der leening in Mon. 
rovia teruggekeerd was, beschuldigd, een groot deel dezer som 
te hebben verduisterd, van zijn ambt ontzet en met zijn 
zoon in de gevangenis geworpen. Zijn huis werd op de 
ruwste wijze geplunderd, waarbij zelfs eenige moorden plaats 
hadden, die later nooit zijn gestraft geworden. Het mede- 
gebrachte geld echter werd door de oproerlingen in beslag 
genomen, en onderling verdeeld of op de onzinnigste wijze 
verkwist. 

Ik heb in Monrovia veel over deze duistere zaak hooren 
spreken en redelijk denkende lieden schijnen van de on- 
schuld van den afgezetten president overtuigd te zijn. 
Mr. Roye^ van de opgewondene massa het ergste vreezende, 
ontvluchtte uit de gevangenis, om zich met zijn eigen, in 
der haast samengepakt vermogen — hij bezat een groot 
privaatvermogen — op eene Engelsche stoomboot te redden, 
die juist op de reede lag. Toen hij echter des nachts in 
zee sprong, om door zwemmen eene buiten de branding 
voor hem gereed liggende boot te bereiken, werd hij — 
naar men zegt, omdat hij zich te zwaar met geld beladen 
had — door de branding verzwolgen en verdronk. 

De minister van buitenlandsche zaken (^y^rr^/d^ry^/iSf/ö^/'irj') 
Hon, W. H, Johnson^ die later met een tweeden termijn 
der leening aankwam, ontving reeds in Sierra Leone be- 
richt van de onlusten in Liberia en van het voornemen, 
ook hem bij zijne aankomst gevangen te nemen. Hij 
wendde zich derhalve tot den kapitein der boot met het 
verzoek, om hem in geval van nood in bescherming te 
nemen, en ontving van dezen de verzekering, dat hem, 
zoolang hij aan boord en dus onder de bescherming der 



Engelsche vlag was, geen leed zou geschieden. Zoo kwam 
men op de reede van Monrovia. Nauwelijks echter lag het 
schip voor anker, of eene geheele bende Liberianen kwam 
aanroeien, klauterde aan boord en wilde Johnson gevan- 
gen nemen. Daarop had echter onze wakkere kapitein juist 
gewacht ; hij wenkte zijne gereedstaande matrozen en liet 
de geheele bende, voor zoover zij niet spoedig weder naar 
hunne booten konden terugkeeren, over boord werpen en 
daarop de ankers lichten. Johnson echter voer, onder be- 
scherming der Engelsche vlag, met het medegebrachte geld 
naar San Paolo de Loanda, en schreef van daaruit naar 
Monrovia, dat hij het geld niet brengen wilde voordat hij eene 
schriftelijke verklaring had, dat men hem ongemoeid zou laten 
Nadat hij hiervan de verzekering had verkregen, kwam hij 
terug, werd echter toch gevangen genomen, doch later 
weder vrijgelaten. De geleende geldsom werd voor het 
grootste deel aan het doel onttrokken, zoodat slechts weinig 
daarvan onder de verschillende counties kon verdeeld 
worden, ter verbetering van handel, verkeer en landbouw. 

Sinds dien tijd werd aan Engeland noch rente betaald 
noch kapitaal geamortiseerd, en wanneer over drie jaren 
(1886) de termijn voor de geheele uitdelging der schuld 
zal verstreken zijn, dan zal het er met Liberia's toekomst 
donker genoeg uitzien — of Engeland moest niet Engeland zijn. 

Dat Liberia deze schuld nooit kan terugbetalen, ligt voor 
de hand, ook zonder dat men de resultaten der staatsrekening 
behoeft na te gaan. Deze wezen voor de laatste jaren een jaar- 
lijksche inkomst van 85,000 dollars aan in half waarde, 
loos papiergeld, terwijl eene jaarlijksche uitgave van 
120,000 dollars daartegenover staat. Deze toestand van 
een hopeloos bankroet hangt als een dreigend onweer boven 
het bestaan der Afrikaansche modelrepubliek, en niet alleen 
de beide belanghebbende partijen, maar ook zij, die daar 
buiten staan, zien met spanning de dreigende ontknooping 
te gemoet. 

Doch dit is nog niet alles. Reeds sedert twintig jaren 
bestaan er verschillen tusschen Engeland en Liberia, be- 
treffende de definitieve vaststelling der grenzen in het 
noord-westen. Deze zaak is, in het kort, de volgende: 

Liberia heeft, zooals reeds vroeger gezegd is, onder den 
president Roberts het gebied der Manna's, Gallina*s en 
Cassa*s van de inlandsche vorsten gekocht, maar deze 
landstreken, omdat zij voor kolonisatie niet dadelijk noodig 
werden geacht, evenals nog zoo menige andere landstreek, tot 
nu toe geheel aan de inboorlingen overgelaten. Sedertdien 
tijd hebben zich echter in deze aan de Engelsche bezittin- 
gen grenzende streken Engelsche kooplieden uit Sierra 
Leone (o. a. aan de Solyman- en Manna River) gevestigd, 



J 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



43 



waar zij, daar de Liberiaansche regeering hier geene tol- 
stations heeft opgericht, vrij van tollen en patentrechten, 
met de inboorlingen handel kunnen drijven en ten gevolge 
daarvan zeer goede zaken maken. 

Reeds in dien tijd, evenals nog heden, bestond er bloe- 
dige vijandschap tasschen den Gallinas-stam en den 
met de Liberianen bevrienden Vey-stam, waarbij de ge- 
huurde rooverbenden der eersten in het gebied der Vey's 
vielen, moordden en plunderden en de inwoners als slaven 
wegsleepten, den Liberiaanschen binnenlandschen handel 
benadeelden en zelfs de Liberiaansche volkplanting in 
Grand Cape Mount bedreigden. Daar alle onderhandelingen 
tot geen bevredigenden uitslag voerden, besloot de Libe- 
riaansche regeering eindelijk, radicaal te werk te gaan, en, 
in plaats van zich enkel tot verdediging te bepalen, de 
oproerige bewerkers van den oorlog, de Gallinas-stammen 
in dit geval vorst Mannah, van de zeezijde in zijn eigen 
land — of liever in het aan Liberia afgestane grondgebied — 
aan te grijpen. Zich te zwak voelende, om zelfstandig op te 
treden, greep de regeering naar het reeds zoo dikwijls aan- 
gewende middel, om de Vereenigde Staten te verzoeken, 
een oorlogschip ter hulp te zenden. De gouverneur van 
Sierra Leone werd vroeg genoeg van de beraamde onder- 
neming onderricht, om de Engelsche kooplieden, die op 
het vermoedelijke oorlogsterrein woonden, in de gelegenheid 
te stellen, hunne eigendommen in veiligheid te brengen. 

Na aankomst van het Amerikaansche oorlogschip voer 
men naar de genoemde kust, en onder het vuur van het 
geschut, waaronder eenige Gattling- kanonnen, werden de 
Liberiaansche troepen ontscheept. De soldaten van vorst 
Mannah echter, ziende dat onder zulke omstandigheden 
geen t^enstand mogelijk was, hadden reeds de kleine kust* 
plaats, die zij bezet hielden, in brand gestoken en zich in 
de moerassen teruggetrokken. De Liberiaansche troepen, 
die bevreesd waren, dat zij op dit boschachtig en moerassig 
terrein in eene hinderlaag zouden gelokt worden, hielden 
het voor beter, weer terug te keeren, zonder de verder 
landwaarts in gelegen, sterke hoofdstad van vorst Mannah, 
bereikt te hebben. Bij den brand van het zooeven vermelde 
kustplaatsje, waar zich Engelsche kooplieden gevestigd 
hadden, werd eene aan deze laatsten behoo rende hoeveel- 
heid palmolie en palmpitten vernield, omdat de Engelschen 
verzuimd hadden deze te rechter tijd in veiligheid te brengen. 
Dit geschiedde in het jaar 1871. 

Sedert duurden de onderhandelingen over de Engelsch- 
Liberiaansche grensregeling voort, zonder tot eenig resultaat 
te leiden ; de inval der Liberianen in het gebied van Mannah 
werd echter nooit officieel vermeld. 



In het vorige jaar (20 Maart 1882) nu verscheen met 
het koloniale jacht the Prince of Wales ^ begeleid door 
eene kanonneerboot, de gouverneur van Sierra-Leone, S. 
Ex, Havelock als buitengewoon Engelsch gevolmachtigde, 
om, zooals het heette, de vraag der grensregeling {Bound- 
ary question) eindelijk eens tot een eind te brengen en te 
gelijk eenige andere zaken te bespreken. Bij de nu vol- 
gende onderhandelingen met den toenmaligen president 
Gardner kwam aan het licht, dat de Engelsche gezant, 
in naam zijner regeering, voor de schade, die eenige En- 
gelsche onderdanen geleden hadden in den Liberiaanschen 
veldtocht van 1871 tegen vorst Mannah, eene schadever- 
goeding van 42,000 dollars verlangde. Verder verlangde 
hij uit naam van zekeren Mr. Harris, een blanken Engelschen 
onderdaan en factorij bezitter in de genoemde landstreken, 
50,000 dollars schadevergoeding. Deze Mr. Harris, die zich 
met onderscheidene vorsten der reeds genoemde landen 
door huwelijk met hunne dochters verzwagerd had, en 
daardoor grooten invloed op hen bezat, gaf zich sedert 
jaren alle mogelijke moeite, om den haat der Gallina's 
tegen Liberia aan te wakkeren, en hen tot nieuwe invallen 
in het Liberiaansche gebied aan te sporen. De haat van 
Harris tegen Liberia had zijn grond daarin, dat reeds 
meermalen enkele zijner schepen, waarop hij lang vóor 
1871 goederen in de Liberiaansche havens binnensmokkelde, 
door de douanen verbeurd verklaard waren. Bij eene derge- 
lijke gelegenheid had een Engelsch oorlogschip, daartoe 
door Mr. Harris aangezocht, zulk een buitgemaakt smok- 
kelvaartuig met geweld uit eene Liberiaansche haven weg- 
gehaald. Voor zulke bij. zijnen smokkelhandel geledene 
schade, durfde hij nu van de Liberiaansche regeering lang 
daarna — de gelegenheid was nu immers gunstig — 
de bovengenoemde vergoeding te vragen, en de Engelsche 
gevolmachtigde was onbeschaamd genoeg, de belangen van 
Harris te verdedigen. Nadat de daarover gevoerde onder- 
handelingen het onrecht van Mr. Harris duidelijk hadden 
aan het licht gebracht, liet echter Havelock zijn eisch 
vallen. Nu echter vorderde hij zeer stellig in naam van 
Hare Majesteit de Koningin Victoria, dat S. Ex. Gardner, 
president van Liberia, tegen kwijtschelding der 42,000 
dollars, afstand zou doen van alle rechten, die Liberia had 
op de landen der Gallina's tot aan de Marfa-Rivier bij 
Grand Cape Mount, óf dat hij, in geval van weigering, 
de gevraagde som dadelijk zou betalen. 

Het standpunt van den president was zeer moeielijk. 
Geld was, als gewoonlijk, niet voorhanden en grondge- 
bied afstaan wilde en konde hij niet. De Engelsche ge- 
zant, die elk verzoek om naar een Europeeschen scheids- 



V 



44 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



rechter van de hand sloeg, stelde echter zijn ultimatum 
zoo dringend, en de beide oorlogschepen, die hem naar 
Monrovia gebracht hadden, lagen daar zoo dreigend 
op de reede, dat president Gardner eindelijk, door den 
nood gedrongen, toestemde en onderteekende, onder voor- 
behoud van de goedkeuring van den Senaat. Hierop trok- 
ken de Engelschen af; 

De opgewondenheid in Monrovia gedurende deze dagen 
was ' vreeselijk. Nog laat in den nacht, die op dezen nood- 
lottigen dag volgde, werden er meetings gehouden en de 
president, van wien het gerucht ging, dat hij zonder voor- 
behoud in den verlangden afstand van grondgebied had 
toegestemd, vreesde bij den volksoploop vóór zijne woning 
voor zijne persoonlijke veiligheid. 

De spoedig daarop bijeengeroepen Senaat verklaarde, 
zonder toestemming van het huis der vertegenwoordigers 
geen afstand van grondgebied te kunnen bekrachtigen, 
en stelde alzoo de onderhandelingen uit tot de eerst- 
volgende gewone zitting der wetgevende vergadering (tegen 
het einde van 1882). De president ontving echter den last, 
om, ingeval de Engelsche regeering de tegen alle begrip- 
pen van volkenrecht indruischende schadevergoeding toch 
wilde afjpersen, onder geenerlei omstandigheden noch de 
schuld te erkennen, noch in den afstand van grondgebied 
toe te stemmen, en, bij dfe aanwending van geweld van de zijde 
der Engelschen, plechtig te protesteeren en op alle christelijke 
natiën der wereld te appelleeren. Nadat de gouverneur 
Havelock *) in de landen der Gallina's door zijne agen- 
ten voor het afstaan van grondgebied had laten werven 
.landde ZEx. den 30 Maart, dus eenige dagen na zijne te- 
rugkomst uit Monrovia, in ^ulymah ; hier liet hij dadelijk 
de vorsten der Gallina's bijeenroepen om een contract 
te onderteekenen, waarbij het genoemde kustgebied aan 
Engeland werd afgestaan, hoewel, zooals reeds gezegd 
is, Liberia daarop reeds oudere rechten had. De vorsten 
waren door de agenten zoo. voortrelBfelijk voorbereid en de 
Engelsche goudstukken op de tafel van den Gouverneur 
blonken hen zoo verlokkend in de oogen, dat de meeste 
N^ervorsten, door dezen glans verblind, onderteekenden, 
zonder de gevolgen van dezen stap te kennen. Eén dezer 
vorsten, )iah *) van Mannah-Rock — zoo vertelt Dr. Roberts, 

') De boven beschreven gebeurtenissen vielen vopr gedurende mijn 
verblijf in Monrovia, kort vóór ik naar Europa terugkeerde; de nu 
volgende berichten echter, voor zooverre zij, de vraag der grensrege- 
ling betreffen, ontleen ik aan de sedert mijne terugkomst ontvangen 
nummers van den in Monrovia verschijnenden „Observer." Ik kan 
dus verder voor volkomene juistheid niet instaan, hoewel de berichten 
mij in het algemeen geloofwaardig toeschijnen. 

*) Spreek uit: Dschaiah. 



de berichtgever in een der nummers van den „Observer", — 
eischte een dag om zich te bedenken. De Gouverneur 
verklaarde echter, vol verontwaardiging over deze aarzeling, 
dat hij geen tijd had om te wachten, en maakte zich 
gereed om heen te gaan. Een der agenten intusschen drukte 
den besluitelooze de pen in de hand en gaf haar een 
stoot, waarop hij verklaarde, dat Jiah nu onderteekend 
had. ^) Krachtens dit fameuze dokument, dat echter eerst 
nog door de Engelsche regeering goedgekeurd moest wor- 
den (!) zou nu het geheele kustgebied van Sherbro tot aan 
de Mannah River ter breedte van i7t fniles landwaarts 
in, aan de Engelschen behooren, en wanneer de Engel- 
sche regeering goed vindt het verdrag te bekrachtigen (1) 
dan mag Liberia zien, waar het recht verkrijgt. *) 

Niettegenstaande dit alles tracht Engeland de zaak langs 
minnelijken weg te schikken. Omstreeks het midden 
van Juni kwam namelijk weder een Engelsch oorlogschip 
naar Liberia met gezanten, die over den afstand vaii grond- 
gebied nog eenmaal zouden onderhandelen. Deze brachten 
den vroegeren eisch terug tot den afstand van het onder- 
havige grondgebied tot aan de Mannah River en verlangden, 
in geval van weigering, de onmiddelijke betaling der meer 
vermelde oorlogskosten. Zij schenen derhalve niet te willen 
wachten op de bijeenkomst der wetgevende vergadering in 
December. Eene in der haast bijeengeroepen vergadering 
van Notabelen in Monrovia verklaarde echter uitdrukkelijk, 
den eisch tot schadevergoeding niet te erkennen en even- 
min toe te stemmen in een afstand van grondgebied. 

Wel beschouwd, kan men deze Liberiaansche patriotten 
om hunne weigering niet hard vallen, want, wanneer de 
nog onbesliste vraag eens aan een onpartijdig oordeel werd 
onderworpen, dan kan ik nauwelijks gelooven, dat de 'En- 
gelschen in het gelijk gesteld zouden worden. 

De tegenwoordige stemming in Liberia, en vooral in 
Monrovia, dat toch in geval van weigering het meest 
ondQr den druk der Engelschen, zoo niet onder een bom- 
bardement, zou te lijden hebben, spreekt zich het duide- 
lijkst uit in een artikel uit den meer vermelden „Observer*', 
dat naar Liberiaanschen aard eenigzins hoogdravend is, en 
waarvan ik hier een gedeelte weergeef: 

„ De verstandige lezer weet, dat eene duur- 

„zame beschaving alleen van bewoonde centra kan uitgaan, 
„en dat het stelsel, om de inlandsche bevolking handels- 
,*,plaatsen op te dringen, slechts tot hun voortdurend nadeel 

M „Observer" 1882, No. 10. 

*) Volgens nieuwere berichten heeft Engeland sedert van de kust- 
streek der Gallina's tot aan de Mannah River werkelijk bezit ge 
nomen. 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



45 



„Strekt, en eindelijk op hunne geheele vernietiging moet 
„uitloopen. Hoe z\l^ak nu Liberia ook in de kolommen 
„van den „Reporter" *) wordt voorgesteld, toch heeft het 
,.een veel grooter aandeel aan de beschaving dezer volkeren 
„dan de Britsche natie. Binnen den tijd van 60 jaar heeft 
„Liberia een deel van West- Afrika in bezit genomen en ten 
„decle geciviliseerd. Dit feit is een derbewon- 
„derenswaardigste gebeurtenissen der 19e 
„eeuw. De Liberianen zijn trotsch op hun erfelijk grond- 
„gebied en gevoelen zich zedelijk verplicht, deze roemrijke 
„erfenis onverdeeld aan hunne kleinkinderen en aan de milli- 
„oenen Negers, die nog steeds in ballingschap leven, over 
„te geven. Zij kunnen niet toestaan, dat het oorspronke- 
„lijke doel der stichting van Liberia ten gunste van de 
„handelsbelangen van Sierra Leone zoude worden 
„opgegeven. Engeland eischt te veel. De eischen van 
„den gouverneur Havelock na te komen, dit zoude een 
„nationale zelfmoord zijn, 

„Ons volk gevoelt dit dan ook allerwegen en zoude liever 
„zien, dat Liberia door Engelsche wapenen verwoest werd, 
„dan in zoo iets toe te stemmen. De macht van Enge- 
„land moge het recht van Liberia vertreden, de waarheid 
.,laat zich niet vernietigen! 

(Observer 1882, No. 7, 27 April 1882). 

6. MaohtelooBheid der LiberiaanBche Begeering. 

Thans wil ik bet bewijs leveren voor mijne bewering, 
dat bovengenoemd artikel wat hoogdravend gesteld is. 
Het was steeds de neiging van Liberia, om op. zijne be- 
schavende werkzaamheid onder de inboorlingen te pochen, 
en het is trotsch op het feit, „op eene kustlengte van 600 
Eng. mijlen" den slavenhandel te hebben uitgeroeid. 
Hoe weinig het echter in werkelijkheid tot afschaffing van 
laatstgenoemde zaak heeft bijgedragen, zouden de officie- 
ren der vóór de kust kruisende Engelsche kanonneerbooten 
kunnen bewijzen. 

Hoe kan men ook verlangen, dat een land, dat ter 
onderdrukking zelfs van den geringsten opstand der inboor- 
lingen een Amerikaansch oorlogschip moet te hulp roepen, 
den uitvoer van slaven zou verhinderen in kuststreken, die 
uitsluitend door inboorlingen worden bewoond? Het is zelfs 
niet eens in staat, zelfstandig den strandroof op eigen ge- 
bied te onderdrukken. 

In het jaar 1880 strandde de Carlosl een Duitsch stoom- 



schip, aan de Kroo-kust tusschen Sinoe en kajap Palmas. 
De bemanning was zoo gelukkig, zich in de sloepen te redden, 
maar werd echter vóór zij de kust kon bereiken, door in- 
boorlingen uit Nanna Kr 00 en eenige naburige dorpen aan- 
gevallen, naakt uitgekleed en van hare bezittingen beroofd. 
Half verhongerd en door de zon verbrand, kwamen de onge- 
lukkigen langs het strand naar Sinoe, wjiar zij in de aldaar 
gevestigde Hollandsche en Duitsch e factorijen vriendelijk op- 
genomen, gekleed en van het noodige voor de terugreis werden 
voorzien. Daar de Liberiaansche regeering niet in staat 
was, aan Duitschland de verlangde voldoening te ver- 
schaffen, d. w. z. de strandroovers naar behooren te straffen, 
verscheen kort daarop de Duitsche korvet Victoria aan de 
Liberiaansche kust, om de misdadigers voorbeeldig te straf- 
fen, schoot de nesten der strandroovers in brand, en bracht 
eenige. raddraaiers gevankelijk naar Monrovia, waar zij hen 
aan de Liberiaansche regeering ter bestraffing uitleverde. *) 
De Liberianen, die de krachtige inmenging van Duitschland 
slechts ongaarne zagen, en in stilte verwenschten — het 
waren immers Blanken, die zich in hunne aangelegenheden 
mengden en daardoor hunne zelfstandigheid beleedigden — 
konden de hen opgelegde schadevergoeding van 4500 dollars 
niet betalen, maar beloofden dit na een halfjaarlijkschen 
termijn te doen. Toen na verloop van dien tijd aan de 
Liberiaansche regeering een eisch tot voldoening werd 
gericht, sloeg men hierop geen acht en liet de vraag een- 
voudig onbeantwoord. In Monrovia bleef men zeer kalm, 
en troostte zich ■ met het oude spreekwoord : „Waar niets 
is, heeft de keizer zijn recht verloren." De Duitschers ech- 
ter dachten er anders over en zonden, na eene tweede 
vruchtelooze aanmaning, op nieuw een oorlogschip, om het 
geld in te vorderen of met het bomhardement van Monrovia 
te dreigen. 

Eerst beschouwde men in Monrovia de zaak als eene 
onbeduidende bedreiging, en niet dan ter elfder ure, toen 
de commandant der korvet ernst van de zaak scheen te 
maken, werd de som, die bij eenige kooplieden onder borgtocht 
van de regeering kon worden verkr^en, uitbetaald. 

7. Sociale toestanden. 

Staat de politieke macht van Liberia over de 



*) Eene in Freetown (Sierra Leone) verschijnende courant, het 
orgaan van den Engelschen gouverneur. 



') Deze gevangenen, waaronder twee vorsten van dien roo verstam, 
werden in Monrovia goed behandeld en, nadat men hen eenigen tijd 
gevangen had gehouden, weder vrijgelaten, daar men het aan den 
eenen kant spoedig moede was, hen langer te voeden en te bewaken, 
en aan den anderen kant vreesde, met de stammen zelf in conflict te 
geraken. 



46 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



Stammen der inboorlingen beneden nul, met den moreelen 
invloed is het niet veel beter gesteld. Hoe zoude ook de 
inboorling door zijn ,yAmerikaanschen" broeder, die hem 
bij elke gelegenheid atzet, beliegt en bedriegt, die zedelijk 
dikwijls ver beleden hem staat en liem dagelijks de 
ondeugd der dronkenschap door zijn voorbeeld toont, 
die, zelve nauwelijks aan de slavenketen ontkomen, 
zijn inlandschen broeder onderdrukt en in slavernij 
houdt — hoe zou hij door hem zedelijk verbeterd kun- 
nen worden? Wel echter is het tegendeel waar; hij zinkt» 
daar het bij het zwarte ras aangeboren schijnt, om eerder 
de slechte dan de goede eigenschappen van anderen over 
te nemen, door zijn voorbeeld nog dieper dan hij reeds 
staat, — of hij haat en verafschuwt hem en trekt zich met 
verachting van hem terug. 

Daaruit moet men nu echter niet opmaken, dat alle 
Americo-Liberianen op dezen lagen trap staan; want ik 
heb integendeel vele gunstige uitzonderingen léeren kennen . 
Deze élite is echter niet in staat, om de groote massa te 
doordringen en aan den schadelijken invloed hunner an- 
dersdenkende medeburgers een tegenwicht te bieden, even- 
min als de onder de Liberianen bestaande vrijmetselaars-loges 
iets tot verhooging van het zedelijk standpunt des volks kunnen 
of willen bijdragen. Ook daarin treedt weder duidelijk de 
behaagzucht en ijdelheid van het zwarte ras aan het licht; 
toch moet men zich daarover niet verwonderen; veeleer 
moet het ons bevreemden, dat de vereeniging der Odd 
Fellows daar ook niet hare vertakkingen heeft. Niet beter 
is het gesteld met de Liberiaansche orde der African 
Redemption of de Afrikaansche Verlossingsorde, die van 
de r^eering uitgaat. Zij schept er evenveel behagen in 
deze orde te verleenen, als de gedecoreerden er eer in 
stellen haar te ontvangen. Kortom, overal, waar men het 
oog wendt, overdreven ijdelheid, behaagzucht, snoeverij en 
naapen van de instellingen van groote, geciviliseerde 
Staten in consulaten, staatsleeningen, ridderorden, geheime 
genootschappen, en dit alles, als het ware, gebruikt als een 
vernis, om daaronder de innerlijke wanorde en ledigheid 
te verbergen. 

Wanneer tegenwoordig iets gedaan wordt voor de zede- 
lijke verbetering der inboorlingen, dan is dit voor- 
namelijk te danken aan de Christel ij ke zending 
en aan den Islam. 

Het ligt volstrekt niet in mijn plan, om tusschen deze 
twee monotheïstische godsdiensten eene vergelijking te 
maken, of te willen voorspellen aan welke van beiden onder 
A'tit zwarte Fetischdienaren de toekomst behoort. Wanneer 
men echter ziet, hoe snel de Islam zich in het binnenland 



uitbreidt, en daartegenover stelt de geringe gevolgen van 
de Christelijke zendingwerkzaamheid, dan zal een onbe- 
vooroordeeld opmerker spoedig het antwoord op deze vraag 
gevonden hebben. Zeker Is het, dat ook de Mohamme- 
daansche godsdienst een beschavenden invloed op den 
inboorling uitoefent, zeker is het ook, dat zij goed voor 
hem past, daar zij hem, bij hare groote eenvoudigheid, de 
polygamie veroorlooft en hem na den dood de bekende 
zinnelijke genietingen van het paradijs belooft. „Allah is 
God, en Mohammed zijn profeet". In deze grondstelling is 
duidelijkheid en eenvoudigheid, zoodat zelfs de traagden- 
kende Neger haar begrijpen kan. 

Hoe moeielijk is het daarent^en, om den Neger het 
Christendom met zijne samengestelde, ingewikkelde dogmen 
te verklaren en verstaanbaar te maken ! Hoe kan b. v. een 
inboorling met zijn naief, gezond Negerverstand begrijpen, 
dat de almachtige Vader zijn eenigen 2k>on aan het 
kruis laat sterven en hem niet redt? Wij mogen ons niet 
te zeer verwonderen, wanneer de Neger tegenover het 
Christendom, voor zooverre hem dit geen stoffelijk voor- 
deel aanbiedt, zich onverschillig toont, en zulks te meer, 
omdat deze godsdienst, door zijne strenge, ascetische le- 
vensbeschouwing, zijne monogamie en vele andere zaken, 
in het geheel niet in zijne kraam te pas komt. 

Het hangt er overigens veel van af, hoe de Chris- 
telijke leer den Fetischdienaar wordt verklaard; maar het 
is hier de plaats niet, om daarover verder uit te wijden. 
In allen gevalle is het echter verkeerd, om met leêge dog- 
matiek bij den Neger aan te kloppen, en zijn heil te zoeken 
in het * maken van proselieten en het winnen van zielen 
voor den hemel, zooals, helaas ! nog zoo dikwijls geschiedt. 
In dit opzicht moet men alle achting hebben voor de 
Amerikaansche zendelingen, die in talrijke vaste stations 
over de geheele Liberiaansche kust verspreid zijn. Het zijn 
bijna uitsluitend Blanken, en zij zij^i mét blanke vrouven 
gehuwd. Zij wijden zich doorgaans met hart en ziel aan 
hunne moeielijke en gewoonlijk ondankbare taak, die niet 
zoozeer daarin bestaat, dat zij volwassenen tot het Christen- 
dom bekeeren, als wel in de opvoeding der hen toever- 
trouwde of verweesde en verwaarloosde kinderen. Zij geven 
hen in hunne scholen vrij goed onderricht in de elemen- 
taire kundigheden, als lezen, schrijven, rekenen en zingen, en 
houden hen in den tusschentijd — en daarop moet vooral 
nadruk gelegd worden — nuttig bezig, voornamelijk in de 
plantages, die aan hunne inrichtingen verbonden zijn. Ver- 
meldenswaard is ook het Amerikaansche gebruik, om 
ouderlooze Negerkinderen als kind aan te nemen. Er zijn 
namelijk in Amerika vele lieden van beiderlei kunne, die 



j 



MEDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



47 



zich t^enover eene zendingmaatschappij verplichten, om 
gedurende eene reeks van (gewoonlijk lo) jaren, jaarlijks 
eene zekere som — meestal 25 dollars — te betalen, waar- 
voor dan in het eene ofandereAfrikaansche zendingstation 
een ouderloos of verlaten Negerkind opgenomen en opge 
voed wordt. Het bedoelde kind krijgt dan bij den doop 
den naam van zijn ver verwijderden weldoener, die op 
deze wijze quasi de plaats van vader of moeder bij hem 
vervuld. Men vertelt, dat het niet zelden kinderen van 
voormalige slavenhouders zijn, die op deze wijze een zoen- 
offer voor de vroegere wreedheden hunner vaderen willen 
brengen. 

Het is intusschen met recht te betreuren, dat het zaad, 
hetwelk deze wakkere zendelingen met zooveel ijver uit- 
strooien, niet meerdere vruchten draagt. De Neger toch, 
die als kind in zulk eene inrichting opgevoed, gekleed en 
onderwezen wordt, komt later zelden in de gelegenheid om 
voordeel van zijn aangeleerde kundigheden te trekken. 
Hij keert, na het verlaten der inrichting, weder naar 
zijn landslieden terug, draagt de medegebrachte kleederen 
af en bindt later, naar landsgebruik, weder een zakdoek 
om zijne lendenen. 

Ik kan bij deze gelegenheid niet nalaten, deze zendelin- 
gen in liefde en dankbaarheid te gedenken. Zij zijn mij 
voor zoover ik hen heb leeren kennen, dierbare vrienden 
geworden, wier gastvrij huis ten allen tijde voor ons open- 
stond, die, wanneer wij vermoeid van de jacht of door 
ingespannen marschen, of van koortskoude rillend en door 
ontberingen uitgeput, bij hen aankwamen, ons steeds lief- 
devol opnamen, herbergden en verpleegden. Dikwijls zon- 
den zij ons op groote afstanden brood en ververscbingen, 
en gedurende mijne ziekte en bij den dood van mijn 
reisgenoot Sala stonden zij mij met raad en daad terzijde 
en bezorgden laatstgenoemden eene plechtige en eervolle 
begrafenis op hun eigen kerkhof. 

Over de k e r k e l ij k e en z e d e 1 ij k e toestanden onder 
de Liberianen valt niet veel bemoedigends te zeggen. Het 
zijn hier ook weer voor het grootste deel de zendelingen, 
die hunne krachten er aan wijden, om goed geordende 
kerkelijke toestanden te vestigen of in stand te houden. 
Met behulp van Amerikaansch kapitaal werden scholen en 
seminarien voor priesters gesticht, kerken gebouwd en 
geestelijken bezoldigd, en h^t was het streven van de zen- 
delingen, om de kerkelijke toestanden te consolideeren, 
opdat later de verschillende congregatien op eigen grond- 
slag, zonder vreemde hulp zouden kunnen voortbestaan. 
Maar in dit opzicht heeft men vele onaangename ervarin- 
gen opgedaan. Sedert de ondersteuning van bniten heeft 



opgehouden en de kerkelijke genootschappen op zichzelve 
moeten staan, ligt alles in duigen, want dé stichting van 
sekten versnippert de bovendien reeds geringe krachten, en 
de Neger is van nature niet zeer geneigd tot krachtige 
samenwerking en tot het brengen van geldelijke offers. 
De geestelijken worden slechts gebrekkig of in het geheel 
niet bezoldigd, zoodat men bij hen geene beschaving mag 
vooronderstellen, en er dus uit hunne voordrachten weinig te 
leeren valt. Iedereen, die zich daartoe geroeï)en voelt, treedt 
in de kerk als prediker op, en zoo ziet men dan des zondags 
en ook in de week des avonds eerzame smeden,schoenma- 
kers en kleermakers, op echt Amerikaansche wijze snuivend 
en stampend, onder vreeselijke gesticulaties en een welspre- 
kend gebarenspel voor de vuist eene preek van den kan- 
sel houden, die met zijne handtastelijke verklaringen en 
beelden onwillekeurig aan de bekende kapucijner-preek uit 
Schiller's Wallenstein herinnert. ^) 

Het ergst gaat het echter toe tijdens de zoogenaamde 
revivals of godsdienstige opwekkingen, warneer alles 
nog meer dan anders, zoowel bij dag als des avonds, 
naar de kerk stroomt. In de scherpste kleuren, met gloei- 
ende phantasie wordt dan aan het zondige auditorium 
hemel en hel afgeschilderd en op de van nature zeer prikkel- 
bare gemoederen der toehoorders, voornamelijk der vrou- 
wen en meisjes, zoodanig gewerkt, dat deze, door den 

*) Als eene stijlproeve van de drastische, zelfs niwe wijze, waarop 
bij zulke gelegenheden op de licht op te wekken phantasie der toe- 
hoorders wordt gewerkt, moge het volgende fragment uit eene lijkrede 
dienen. Gedurende mijn verblijf in Robertsport (Grand Cape Mount) 
verdronk een soldaat van de burgerwacht aldaar, in de Cape Mount, 
River. Toevallig had deze jonge man des morgens te voren twist met 
zijne moeder gehad en was in onmin van haar gescheiden. Bij de 
begrafenis, waaraan ook de moeder en de zuster van den 
verdronk ene deelnamen, liet zich de veldprediker Mc. Keever, 
nadat hij deik twist van den verongelukte met zijne moeder in het 
scherpste liché had gesteld, en er op gewezen had, dat in dezen spoe- 
digen dood duidelijk de straffende hand Gods te zif n was, op de 
volgende wijze uit: 

„£n wat denkt gij nu, dat het lot van dezen man zal zijn? Het ant- 
woord op deze vraag is niet moeielijk te geven. Hij zal verdoemd 
worden ter helle! En wanneer hij dan komt aan de poort van de 
plaats der eeuwige pijn, wanneer rook en vlammen hem tegenstaan 
en hij het hiiilen en jammeren en steunen der ongelukkigen hoort, 
„die door spottende en lachende helpers van den vorst der helle steeds 
„weder in de op nieuw aangeblazen vlammen teruggedreven worden, 
„wat zal hij dan zeggen? — „Maakt plaats'*, zal hij zeggen, „maakt 
„ „plaats! Laat mij gaan op den bodem der hel, der eeuwig brandende, 
„ „vlammende hel, ja, op den diepsten, allerdiepsten bodem, ja op 
den bodem der hel, der eeuwig, eeuwig, ja der eeuwig brandende 



» 



») 



»i 



>f 



>» I» 



ft >t 



hel!" " 



48 



MBDEDEELINGEN OVER LIBERIA. 



woordenvloed overstelpt, plotseling hare zeübeheersching ver- 
liezen, met een schrillen kreet opspringen en door de kerk 
rennen, onder hysterische krampen op den grond neer- 
vallen, zich om en om wentelen, weder opspringen en 
den eersten den besten toehoorder in de armen vliegen, 
terwijl zij, met een door verbrijzeling des harten verwrongen 
gelaat, onophoudelijk uitroepen: „(9 Lord, allmighty God, 
oh Chrisi, my Savior, oh help me, save my poor soulT 
Dan worden zij uit de kerk gebracht, of looperi ook 
wel zelve de straat op, tot zij, door heeschheid onbe- 
kwaam om eenig geluid te geven, ergens blijven liggen en 
naar hare woning gebracht worden. Na zulke teekenen 
van innerlijke verbrijzeling des harten en inkeer tot zich- 
zelven, en nadat zij van huis tot huis hebben medegedeeld, 
dat de Heer hen in zijne genade tot de wedergeboorte 
heeft opgewekt, worden zij dan op den volgenden Zondag 
in de rivier in het openbaar gedoopt en in die gemeente 
opgenomen, waarbij zij zich wenschen aan te sluiten. Zulke 
aanneminp^en van nieuwe leden zijn natuurlijk zeer geschikt, 
om den predikanten nieuwe stof tot zalvende voordrachten 
te leveren. Hun mond vloeit dan over van de genade Gods, 
die weder een mensch uit de klauwen des doods en der 
hel gerukt heeft, tot opnieuw iemand uit het midden der 
toehoorders opspringt, en, met eene verheerlijkte uitdruk- 
king op het gelaat, in verrukking uitroept: ^,Glory, glory^ 
Christ is coming^ our Savior is nighT en in onmacht valt. 
En glory, glory, klinkt het dan uit den mond der overspan- 
nen menigte. Handenwringende en zich voor de borst slaande, 
herhalen de aangegrepen toehoorders de meest indruk- 
wekkende woorden der nadrukkelijke predikatie; luider 
weerklinkt des redenaars stem van den kansel, en de 
„heilige geest", die over de vergadering zweeft, grijpt nu 
dezen, dan ' genen aan, tot eindelijk de heesch geworden 
geestelijke, na een gebed vol hoogdravende phrasen, met 
een lach van innerlijke zelfvoldoening de „^pgewekten" 
om zich verzamelt, en hen met zalvende woorden geluk 
wenscht met dit gelukkige keerpunt in hun leven en hen 
nieuwen moed inspreekt. 

Doch het toppunt van al deze schandalen — want an- 
ders kan de eenigszins opmerkzame toeschouwer deze too- 
neelen nauwelijks noemen, wanneer hem toevallig een blik 
achter.de schermen gegund is — bereikt het godsdienstige 
paroxis'me in de zoogenaamde Camp-meeiings of legerver- 
zamelingen. Dit zijn feestelijke, godsdienstige samenkomsten 
in het open veld, of, waar dit mogelijk is, op eene opene 
plaats in het woud, waar enkele boomen, die men nog 
heeft laten staan, eene gewenschte schaduw geven. Even 
als alle andere reeds vermelde uitwassen van een dweep- 



zieken sektencultus, zijn zij uit Amerika overgebracht en 
verkrijgen in Liberia, door, de eenigszins veranderde toe- 
staden, een ander koloriet. Alle congregatien nemen aan 
deze feesten deel, waaronder de Methodisten en de Bap- 
tisten steeds de belangrijksten zijn. De Camp-meetings, die 
in Monrovia jaarlijks éénmaal (in Februari) worden ge- 
houden tn 8 — 14 dagen duren, vereenigen niet alleen de 
bewoners der residentie, maar ook alle naburen uit de 
omliggende volkplantingen. Op de verzamelplaats worden 
tenten en loofhutten opgeslagen, en eene bijzondere hut 
met een eenigszins verheven spreekgestoelte voor de rede- 
naars gebouwd. Voor dezen zoogenaamden sidnd wordai 
op e