(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 




Over dit boek 

Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteur srechttermijn is verlopen. Het kan per land 
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automatisch zoeken. 

Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 



op het web via http: //books .google . com 



Hn;: Ux^^^-^^ 



TIJDSCHRIFT 



VAN HET 



AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP 



ZESDE DEEL. 



TIJDSCHRIFT 



VAN HET 



AUDSUESEVNIIB BENOOTCOEAT 



GEVESTIGD TE AMSTERDAM. 



ONDEI\ REDACTIE YAN 

I 



»r. €. M. KAlSr, 



EN 



Hr. ^VF. POS TBC UMUS, 

^BCRBTARISaBK VAN HBT pBNOOTSCHAP. 

TESDÈnDTËxr 



AMSTERDAM, UTRECHT, 

C. L. B R I N K M A N. J. L. B E IJ E R S. 

1882. 



thenewyork] 


PUB 


. "-. ?^ARY 




63858 


AS 


• - • - • NO 


TILL 








r^oR / 



I" m 



> 






I 'iT ü o xj r> 



VAN UET 



ZESDEDEEL. 



Bladz. 
Vijfde vervolg van den Catalogus (met afzonder- 
lijke pagineering) 77—82. 

I. Zaken des Genootschaps. 

Verslag der vier-en-dertigste Algemeene Vergadering. i. 
„ „ vijf-en dertigste ., „ 87. 

„ „ zes-en-dertigste „ „ 12 1, 

„ „ zeven-en-dertigste „ „ 203. 

N^ende Jaarverslag (1881— 1882) 207. 

Rekening van den Penningmeester over het jaar 1882 
(Vgl. Verslag 37* Alg. Verg., bl. 203) 212. 

Adres aan de Tweede Kamer over de benoeming van 
een Directeur van het Ethnographisch Museum te 
Leiden 80. 

Leden (Jaarverslag) 207. 

Honoraire en correspondeerende Leden (34% 36* en 
37* Alg. Verg. en Jaarverslag) i, 121, 206, 207. 

Bestuur (34*, 35* en 37" Alg. Verg. en Jaarverslag) 

I, 87, 203, 207. 

Bestuursvergaderingen (Jaarverslag) 209, 

Bureau (Jaarverslag) 207- 

Bibliotheek (Jaarverslag) 210. 

TijdscHrift (Jaarverslag) 210, 

Voordrachten in de Algemeene Vergaderingen (Jaar- 
verslag) 210. 

Opheffing van het departement Enkhuizen (Jaarver- 
slag) 207, 

De afdeeling „Nederland" (Jaarverslag) 208, 211. 

Werkzaamheden der beide Commissiön voor de Neder- 
landsche plaatsnamen (Jaarverslag) 207. 



Bladz. 

Betrekkingen van het Genootschap met Nederlandsche 
reizigers en den consul Kruijt te Djeddah (Jaar- 
verslag) 208, 209. 

Betrekkingen met vreemde aardrijkskundige genoot- 
schappen (Jaarverslag) 209. 

Deelneming van het Genootschap aan het Congres en 
de Tentoonstelling te Venetië (34* Alg.' Verg. en 
Jaarverslag) i, 209. 

Deelneming van het Genootschap aan de Koloniale 
Tentoonstelling te Amsterdam (Jaarverslag) 208. 

Circulaire aan de Indische ambtenaren (Jaarverslag). 208. 
(Zie de Circulaire in D. V., M. 146.) 

II. Aardrijkskunde in t Algemeen, 

De internationale aardrijkskundige Tentoonstelling te 
Venetië in 1881, door W. F. Versteeg (zie ook ver- 
slag der 35* Alg. Verg., bl. 87) 6. 

Verslag van het derde internationale aardrijkskundig . 
Congres te Venetië in 1881, door Prof. C. M. Kan 
(zie ook verslag van de 35* Alg. Verg., bl. 90).. . . 35. 

Voeux émis par Ie troisième Congres géographique 
international M, 115. 

Programma der 9** Alg. Verg, des „Deutschen und 
Oesterreichischen Alpenvereins" in Salzburg, den 
II — 15*" Aug. 1882 M. 120. 

De tweede „Deutsche Geographentag" te Halle, door 
C. M. Kan 185. 

Tweede voordracht over ethnologische verzamelingen, 
door Prof. P. J. Veth (34' Alg. Verg.) 4. 

Voordracht over de beteekenis der internationale ko- 



VI 



INHOUD VAN HET ZESDE DEEL. 



Bladz. 

loniale Tentoonstelling, in 1883 te Arasterdam te hou- 
den, voor de geographische weienschap, door Prof. 
P. J. Veth (37' Alg. Verg.) 205. 

Programma der koloniale afdeeling van de interna- 
tionale Tentoonstelling te Amsterdam 234. 

Wenken voor de inzenders ter koloniale Tentoonstelling. 24T, 

Opgave van hetgeen door de openbare en bijzondere* 
verzamelingen zoo hier te lande als in onze kolo- 
niën en door autoriteiten en particulieren kan wor- 
den bijgedragen tot opluistering der Tentoonstelling. 243. 

Voordracht van Dr. I. Dornseiffen over eenige belang- 
rijke kaarten en photographien in de Bibliotheek 
van het Aardrijksk. Genootschap (37* Alg. Verg.). 204. 

Het aantal Joden in de verschillende deelen der aarde. M. 61. 

Bevolking van Parijs en andere groote steden . . . .M. 25. 

Personen 

Frederfk de Houtman als sterrekundige, door Prof. 

P. J. Veth 230. 

Drie belangrijke brieven (van Columbus en Ves- 

pucci) M. 25. 

Nekrologie, 

Dr. P. A. Bergsma 263. 

Dr. J. N. Crevaux M. 133. 

Genootschappen en Verzamelingen, 

Oprichting van een geologisch instituut in Rusland. M. 91. 

Het Duitsch Genootschap voor Handelsgeographie . M. 93. 

Vergadering van de permanente Commissie voor de 
Europeesche graadmeting te 's Gravenhage . ...M. 152. 

Besluiten van het internationaal meteorologisch Co- 
mité te Kopenhagen M. 153. 

Gouden medailles door de K. Geographical Society 
uitgereikt M, 155. 

Geographische werken, 

Ed. Hölzel, Geographische Charakterbilder M. 24. 

Sammlungen des geologischen Reichsmuseums in Lei- 
den \ 2tes Heft der Beitrage zur Geologie Ost Asiens 
und Australiens M. 25. 

Meyer's Reisebuch (Band I, Aegypten; Band H, Pa- 
• lastina, Griechenland, Turkey) M. 55. 



Bladz. 

Völkerkunde Ost Europa's von Lorenz Dieffenbach. M. 55. 

Jaarcijfers over 1881 en vorige jaren omtrent bevol- 
king, landbouw, handel, belastingen, onderwijs enz. 
Uitgegeven door de Vereeniging voor Statistiek. M. 86. 

E. Reyer, Zinn, eine geologisch-montanistisch-histori- 
sche Abhandlung M. 114, 

Die Bevölkerung der Erde, VII. Herausgegeben von 
E. Behm und H. Wagner M. 156. 

Der Schadelkultus im Ostindischen Archipel und in 
den Insein der Südsee, von A. B. Meyer M. 76. 



IIL MATHEMATHISCHE EN PHVSISCHE GEOGRAPHIE IN 
HET ALGEMEEN. 

Verslag der Rijkscommissie voor graadmeting en 
waterpassing aangaande haar werkzaamheden gedu- 
rende het jaar 1881 M. 148. 

Nieuwe hypothesen ter verklaring van de zonnevlek- 
ken • M. 59^ 

Nieuw ontdekte kometen . . . • M. 154. 

Waarnemingen betreffende den doorgang van Venus 
' voorbij de Zon. M. 95. 

Overblijfselen van dieren in meteorieten ontdekt...M. 154. 

Verslag van de werkzaamheden van het Kon. Ned. 
'meteorologisch Instituut van i Juni 1880 tot i Juni 
• 1882 M. 86. 

Temperatuur-metingen van de „Coligny" M. 83. 

Over de temperatuur van het zuidelijk halfrond ... M. 113. 

De naam en het begrip „Taifoen" M. 59. 

Invloed van het sneeuwkleed op de temperatuur der 
■ benedenste luchtlagen .M. 114. 

Nadere waarnemingen over de „Föhn" M. 94. 

Bijdri»ge tot de kennis der delta-vorming M. 114. 

Dr. Krümmel, over de vorming van rivierdalen ... M. 56. 

Prof. Albert Heim, over bergstortingen M. 56. 

Een nieuw bewijs voor de niet-erodeerende kracht der 
Gletschers M. 57. 

Relicten-meren M. 58. 

Expeditie van de „Travailleur" in de Middellandsche 
en den Atlantischen Oceaan M. 54. 

De resultaten der reis van de „Travailleur" M. 148, 

Stroomingen in de Arabische, Siciliaansche en Joni- 
sche zee M. 54. 

De ivoor-rijkdom van Azië en Afrika M. 26. 

Proeven met olifanten [als lastdier] door de Belgische 
expeditie genomen M. 1 1:3. 



INHOUD VAN HÊT ZESDE DEEL. 



VII 



Bladz. 

Over anthropologisch onderzoek op reis, door Dr. H. 

. F. . C. ten Kate Jr 254. 

IV. POOLLANDEN 

.Walvischvangst in i88x M. 81. 

Nog iets over de ijstoestanden in de Noordpoolzee in 
den zomer van 1881 ^ M. 22. 

Kapitein Tyson, over de mogelijkheid van het pool- 
onderzoek door een luchtballon M. 82. 

Rapport over de nieuwste ontdekkingstochten in de 
Noordelijke Ijszee en Siberië, door v. d. Staal van 
Piershil ij, . . M. 90. 

2>Jieu\ve mededeelingen omtrent de Franklin-expeditie. M. 21. 

De ontdekking van Wrangelsland M. 22. 

De „Jeannette" M. 20, 53. 

Het lot der schipbreukelingen van de „Jeannette'*. M. 77. 

De laatste dagen van Ie Long en zijn toch tgenoo ten. M. 141. 

Expeditie vau Leigh Smith met de „Eira" M. 21. 

De lotgevallen der Eira- expeditie onder Leigh Smith, 

, 1881^2 M. 143. 

Expeditie voor het opzoeken van Leigh Smith. . . .M. 109. 

Brief over het vinden der bemanning van de „Eira*'. M. 145. 

Vierde reis van de „Willem Barents" (34* Alg. Verg.) i. 

Vijfde reis van de „Willem Barents" (36®Alg. Verg.) 121. 

De „Willem Barents" M. 107. 

De reis der „Willem Barents" % . M. 139. 

Internationaal plan van waarnemingen gedurende de 
jaren 1882 en 1883 in de Poolstreken M. 33. 

Nieuws in zake de Poolstations . .... M. 80. 

Het vertrek der wetenschappelijke Poolexpeditie naar 
Dicksonhaven, M. 105. 

De Oostenrijksche poolexpeditie op Jan Mayen M. 146. 

.Expeditie van luitenant Hammer naar West-Groen- 
land M. 84. 

Expeditie in Groenland (G. Holm). M. 85. 

X)e Eskimo's viin Oost-Groenland M. 109. 

. Zie verder Aziatisch Rusland en wat Aijaska 
betreft Vereenigde Staten. 

V. EUROPA. 

Geologische Kaart van Europa M. 91. 

Europeesche landverhuizing M. 154. 

GroQt-Britannië en Ierland. 
Jongste volkstelling; in Groot-Britannie en Ierland. M. i 



Bladz. 

De stad Middlesbrough M. 4. 

Rusland. 

Bevolking van Rusland M. 125 

Emigratie en immigratie in Rusland.. M. 65 

Het winnen van keukenzout in Rusland M. 28 

De jaarlijksche loop der temperatuur te Petersburg. M. 26 

Het eiland Kalgoejew M. 97 

Nederland, 

Tèrréinsveranderingen in Nederland, door J. W. Welcker. 50. 
Nog iets over terreinsveranderingen in Nederland, door 

J. W. Welcker M. 96. 

Het Anisterdamsche Noordzeekanaal en de nieuwe 
haven- en gemeentewerken te Amsterdam, door P. 

J. Dirks 153. 

(Vgl. Verslag der 29» Alg. Verg., D. IV, bl. 320.) 

Een prijsvraag over de Rijn-delta M. iio. 

Bevolking van Nederland M. 63. 

Toeneming der bevolking in eenige gedeelten van ons 

land M. 125. 

In-, uit- en doorvoer-handel van Nederland in 188 1. M. 125. 
Geschiedkundig onderzoek der Nederlandsche aard- 
rijkskundige namen (met afzonderlijke pagineering). 

Inleiding i. 

. Amersfoort 3. 

Wolfaartsdijk, door J. van der Baan 4. 

Serooskerke, door J. Broekema 3. 

Gersloot, Tjalleberd, Leunjeberd, Terband, door 

P. J. D. van Slooten 7. 

Sluis, Heille, St. Anna ter Muiden, door J. A. 

Doorenbos 7. 

Een en ander over de spelling der Friesche 

plaatsnamen, door J. Winkler 9. 

Tubbergen, door Mr. R. E. Hattink 27. 

Duitschland, 

Bevolking van Duitschland M. 27. 

Bevolking van Pruisen . M. i. 

De venen van N. W. Duitschland en Nederland. .M. 96. 

Over gletscher- verschijnselen in den Harz M. 57- 

Gletscher-verschijnselen in Noord-Duitschland M. 155. 



Oostenrijk. 
•De nationaliteiten in Hongarije. 



.M. 27^ 



VIII 



INHOUD VAN HET ZESDE DEEL. 
Bladz. 



Frankrijk, 

Opnemingen in de Middellandsche zee ,M. 22. 

Spanje, 

De zuidelijkste gletscher van Europa (in de Sierra 
Nevada) M, 58. 

Italië, 
Bevolking van Rome M, 27. 

Turkije, 
Opnemingen in het Balkan-schiereiland M. i, 

VI. AZie. 

De Ariërs ten noorden en zuiden van den Hindoe- 
koesj, door von Ujfalvy M. 155. 

Nieuwe ontdekkingen der Russen in Azië M. 30. 

De vernietiging van twee oude gedenkteekenen der 
Nederlandsche heerschappij in Oost- Azië M. 59. 

Aziatisch Rusland, 

Het leven in Siberië M. i. 

Handel met Siberië M. 146. 

Uitbreiding der telegraphische gemeenschap in Siberie.M. 65. 

De verbinding van den Ob met den Jeniseï M. 28. 

Het onderzoek van het Ob- en Jeniseï-gebied M. 146. 

De Jeniseï-haven Gloebokaja M. 147. 

De spoorweg Orenburg-Aral-Karatoegai M. 125. 

Het petroleum-gebied van Bakoe M. 125. 

Expeditie van Poliakow naar het eiland Sakhalin.M. 30. 

Nadere berichten over Poliakows reizen op Sakhalin. M. 92. 
Een verblijf gedurende eenige maanden onder de Sa- 

mojeden (K. Hendberg) M. 8e. 



Centraal' Azië, 

Een oude kaart van Dsjoengarije M. 

Zijn er werkende vulkanen in Centraal- Azië M. 

De Pamir M. 

De oude Amoe-bedding M. 

Beteekenis van den Transkaukasischen spoorweg voor 
den handel M. 



23. 

3- 

97. 
65- 



Bladz. 



Een reis in Centraal-Azie ^BouvaletenCapus).M. 29, (i(ï. 
Het onderzoek van Karaten, door Oschanin . . . . M. 112. 
Onderzoeking van het gebied van de boven- Amoe-Darja 

(A. Regel) M. 4. 

Dr. Albert Regel's reis door Karategin en Darmasin 

1881 M. 67, 126. 

China^ 2ibet^ Mongolië, 

De oorspronkelijke bevolking van China M. 5. 

De bevolking van N. W. Mongolië M. 126. 

Arbeidsloonen in China M. 69. 

De geographische en cartographische literatuur over 

de Ind.-Chineesche grenslanden M. 112. 

Desgodins, over oostelijk Tibet M. 6. 

Moord van een zendeling-reiziger in Tibet (Brieux). M. 7, 
Ontworpen expeditie in zuidelijk China en Birma 

(Colquehoun en Wahab) M. 69. 

Reis van den heer A. R. Colquehoun in Zuid-China. M. 98. 
Nadere berichten over de reis van Colquehoun van 

Canton naar de Irawaddi M. 127. 

Japan, 

Dai Nippon Tsen Dzoe, een nieuwe kaart van Japan. M* 92. 

Syrië, 

Reis van Palmyra door de woestijn naar Aleppo 
(Th. Bischoflf) M. 2. 

Arabië. 

Van Djeddah naar Taïf, door A. J. Schelling 169. 

(Vgl. Verslag der 34* Alg. Verg., bl. i, en Jaar- 
verslag bl. 209.) 

Moka en Hodeida M. 3, 

Een nieuwe reiziger in Arabie (Ed. Glaser) M. 3. 

Nieuwe reizen in Arabie (S. Langer) M. 65, 

Hindostan* 

Reis van den opperkoopman Wollebrandt Geleynsz, 
de Jongh van Soeratte naar Agra, 1636 — 1637, 

door wijlen P. A. Leupe 58, 

(NB. De dood van den heer Leupe is oorzaak 
dat de in de Inleiding, bl. 29, beloofde aan- 



INHOUD VAN HET ZESDE DEEL. 



IX 



Bladz. 

vulling van het reisverhaal nit het Journaal 

van de Jongh ontbreekt.) 

Landopneming in Sikkira M. 6. 

Een Himalaja-spoorweg M. 127. 

Reis van majoor Biddulph M. 126. 

Achter- Indië, 

Het stroomgebied van den beneden- Mekong. . . .M. 7. 

Nieuwe expeditie in Achter- Indie (Delaporte) . . .M. 7. 

De reis van luitenant Delaporte M. 68. 

De Fransche expeditie op de Songka (d'Augis en 

Courtin) M. 68. 

Twee nieuwe ontdekkingsreizen (Garanger naar Opper- 

Birma; zie voorts onder Sumatra) M. 98. 

VII. INDISCHE ARCHIPEL. 

Voordracht van A. L. van Hasselt over het reizen 

met wetenschappelijk doel in Ned. Indie 139. 

De opheffing van den geographischen dienst in Ned. 

Indie M. 1 10. 

Meteorologische waarnemingen in Ned. Indie M. 94. 

Bespreking van den tóestand der hydrographie in Ned. 

Indie (36' Alg. Verg.) 121, 131, 133^ 

De Indische hydrographie, door W. F. Versteeg 

(Inleiding der bespreking) 122. 

Toepassing van photozinkographie op verveel- 
vuldiging van kaarten, nota van Mr. S. C. 

J. W. van Musschenbroek 132. 

Nota van den heer Kniphórst over de Indische 

hydrographie* 134. 

Nota van den heer Macleod over de Indische 

hydrographie 138. 

(Vgl. ook Jaarverslag, bl. 208.) 

Sumatra. 

Sumatra-expeditie. Begroeting van den heer Cornelis- 
sen; verblijf in Nederland en terugkeer naar Indie 
van den heer v. Hasselt; specimina van producten 
aan het koloniaal Museum te Haarlem geschonken ; 
voltooiing van het reisverhaal en van de geographi- 
sche en ethnöloeische gedeelten van het werk „Mid- 
den-Sumatra" (36* en 37' Alg. Verg. en Jaarver- 
slag) 131, 203» 208. 

Photographien van Deli en de Bataklanden (3^4' Alg. 
Verg.) I. 



Bladz. 

Het meer van Toba (34* Alg. Verg. en Jaarverslag) . . i, 208. 

Atjehsche handschriften, door Prof. P. J. Veth....M. iii. 

Over de Batta's op Sumatra M. 67. 

Geographische aanteekeningen omtrent de residentie 
Sumatra's Oostkust, door J. S. G. Gramberg too. 

Iets over de kaart van een gedeelte vau Sumatra's 
Oostkust, door Prof. P. J. Veth 183^ 

Verbeteringen op de kaart der wegen van het zuide- 
lijk deel van Palembang, door v. d. Lith 201. 

Twee nieuwe ontdekkingsreizen (Larue en Gény naar 
Sumatra en het Maleisch Schiereiland; zie over de 
andere op Achter- India M. 98. 

/ava. 

De bevolking van Java*s hoofdsteden in 1880, door 
Mr. W. B. Bergsma 259. 

Aanteekeningen op het 4** deel van „Java, geogra- 
phisch, ethnologisch, historisch", door Prof. P. J. 
Veth 82, 114. 

De nieuwe étappekaart van Java M. 114. 

Borneo. 

Voordracht over de geologische gesteldheid van Bomeo, 
door Prof. K. Martin (37* Alg. Verg.) 203 

Nog een en ander over de land-Dajaks van Noord- 
Borneo, door Jhr. Mr. J. K. M. Quarles van Ufford 213. 

VIII. AUSTRALie. 

Bevolking der Britsche koloniën in Australië M. 30. 

Bevolkings-statistiek der voornaamste steden van 

Australië M. 104. 

Wolproductie in Australië ' M. 10. 

Nieuw-Rolland, 

De opnemings-expeditie van den heer R. Watson door 

Queensland • M. 18. 

Opnemingen in N. W. Australië (Forrest) M. 136. 

Nieuwe expeditie in Australië (Giles, tot opsporing 

van de overblijfselen van Leichhardt) M. 19. 

Leichhardts dagboek ontdekt M. 51, 

Nieuwe sporen van Leichhardt M. 137, 

NieuW'Guinea» 

Nieuwe reis in 't Z. O. van Nieuw-Guinea (Lawesen 
Chalmers) M. 77. 



INHOUD VAN HET ZESDE DEEL. 



Bladz. 



Nieuw 'Zeeland\ 



De kolonie Nieuw-Zeeland M. 157, 

Beklimming van bergen op Nieuw-Zeeland M. 104. 

Zuidzee-eilanden, 
Het beeldenschrift op de eilanden der Stille Zuidzee. M. 20. 

IX. AFRIKA. 

Ethnographische kaart van Afrika .M. 155. 

De Kaoer-schelp in Afrika '. M. 9. 

Welke toekomst gaat Afrika te gemoet ? M. 34. 

Een Russische reizigster (Mevr. Gontschorow) . . . .M. 133. 

Egypte. 

Commissie tot instandhouding der Arabische gedenk- 
teekenen in Egypte M. 60. 

Oosi'Afrika. 

De Fransche nederzetting Obock M. 8. 

Dr. Anton Stocker's opneming van het Tana-meer. M. 13. 

Tijdingen van Dr. Emin Bey M. 9. 

Reizen ten Oosten van de Bahr-el-Djebel (Emin Bey, 

Lupton) M. 129. 

Reizen van Juan Maria Schuver (36* Alg. Verg., 

Jaarverslag) 121, 209. 

Schuver's reis in Centraal Afrika M. 11, 47. 

Nadere berichten van Schuver . M. 73. 

Reis van Schuver M. 130. 

Dr. Junker op de terugreis M. 42. 

Nieuwe berichten van Dr. Junker M. 73. 

Nieuwste berichten van Dr. Junker M. 129! 

De reis van Th. Wakefield naar het zuidelijk Galla- 

land M. loi. 

Een brief van Antinori uit Sjoa M. 74. 

Berichten van Antinori over een dwergvolk in Kaffa. M. 42. 
Nieuwe Italiaansche expeditie naar Abessinie en Assab 

(Bianchi en Licate) M. 129. 

Berichten van het Victoria Nyanza M. 12. 

De zendeling Hore over het Tanganjika-meer . . . . M. 43. 

Zendingsstations aan de Tanganjika.. . . M. 72. 

Het Bangweolo-meer M. 152. 

Berichten van het Nyassa-meer M. 102. 



Bladz. 

Het onderzoek der Oostkust van Afrika door Engel- 
schen en Portugeezen (Beardall, Thomson, Maples, 
Paiva d'Andrada, Laws) . .M. 12. 

Nog twee nieuwe bijdragen tot de kennis van Oost 
Afrika (Thomson, Maples) M. 43. 

Nadere berichten over de Zambesi-expeditie van kapt. 
Paiva d'Andrada M. 10. 

Kapt. Paiva d'Andrada's reizen naar de Maxinga en 
de Mazoe in 1881 M. 130. 

De reis van W. P. Johnson in het Jao-land en de 
ontdekking der bronnen van de Loejende M. 131. 

Het Gazaland op de Oostkust van Afrika M. 42. 

ZendeHngen in Oemsila's (Gaza-) land M. 72. 

Nieuwe ontdekking in het Gaza-land. . M. 75. 

De reis van Mr. O Neill in Zuidoost- Afrika M. 72. 

Het internationale onderzoek aan Afrika's Oostkust . M. 13 1 . 

De slavenhandel op de Oostkust van Afrika M. 73. 

Negers uit Centraal Afrika over hun reis naar En- 
geland M. 45. 

Madagaskar. 

Geographical excursions in South-central Madagascar 

(W. Deans Cowan) M. 132. 

Over de Hovas van Madagaskar (Audebert) M. 132. 

Zuid'Afrika. 

De bodemgesteldheid in de Transvaal, door Dr. J. A. 

Roorda Smit 92. 

(Zie ook Verslag der 34* Alg. Verg. bl. i.) 
Een nieuwe weg van Louren^o Marques naar de 

Transvaal M. 103. 

Mythologie der Hottentotten. M. 103. 

De gezichtssterkte bij de Kaffers M. 104. 

West'Afrika, 

De onderzoekingen der Engëlschen en Franschen in 

West-Afrika M. 128. 

Reis van Bayol naar Foeta Dsjallon M. 55. 

Reis van Dr. Lenz M. 36. 

Berichten over Robert Ed. Flegel M. 38. 

Nadere berichten van Flegel M. 71. 

Jongste berichten betreffende de reis van Flegel.. . M. 100. 

Opvaart van de Old Calabar of Cross-river (Edgerley) . M. 36. 

Een ontworpen Russische expeditie in Afrika (Rogo- 

zinski) M. 37. 



INHOUD VAN HET ZESDE DEEL. 



XI 



Bladz. 

Expeditie Rogozinski M. 71. 

Reizen van Büttikofer en Sala in Liberia (36" Alg. Verg.) 121. 

Hoe de Engelschen de Goudkust exploiteeren. . . .M. 35. 

De Goudkust en haar toekomst M. loi. 

Goudmijnen op de kust van Guinea M. 20. 

De reis van de Brazza van de Ogowé naar den KongoM . 10. 

De liggiag van Stanley Pool M. 10. 

De wedstrijd om Stanley Pool M. 38. 

Het verdrag door de Brazza over 't in bezit nemen 

van den Stanley Pool gesloten M. 71. 

Jongste berichten van den Kongo M. loi» 

Het onderzoek der Cunene, door Dufour M. 12. 

De expeditie van de Amerikaansche zendelingen naar 

het Bihé-plateau M. 11. 

Dr. Max Büchner bij Moeata Jamwo M. 44. 

De reizigers Pogge en Wiszmann M. 41. 

De Kaap-Verdische eilanden M. 70. 

Noord' Afrika, 

Nogmaals de reis van kolonel Flatters M. 120. 

Roudaire's binnenzee in de Algerijnsche Sahara. M. 100, 

De plannen van kapitein Roudaire (verworpen) .. M. 128. 
A joumey in the Atlas and the northem part of the 

Algerian Sahara (de GorloflF) M. 99. 

X. Amerika. 

Vereenigde Staten, 

Toenemende bevolking in de Vereenigde Staten. .M. 15. 

Toeneming van het Negerras in de Vereen. Staten M. 48. 

Beschaafde Indianen-stammen van Nieuw-Mexico M. 16. 

Reis in Aljaska (Krause) M. 1 10. 

Wetensch. onderzoekingen in Aljaska (Nelson). . . M. 48. 

Mexico. 

Opnemingen in de Golf van Mexico M. 23. 

West- Indische eilanden. 

Het koloniaal verslag over 1881, betreffende de Ned. 

W.-Ind. eilanden M. 136. 

Curagao, door J. Kuyper 167. 

De Indianen-Caraïben van het eiland Aruba, door 

A. J. van Koolwijk 222. 



Bladz. 



Columbia, 



Het Panama-kanaal M. 16. 

Oude plannen betrekkelijk de doorgraving van de 

landengte van Panama M. 17. 

Ecuador en Peru, 

Wiener's ontdekkingsreizen in Zuid- Amerika M. 17. 

Guyana, 

Toestand der kolonie Suriname M. 17. 

Het kolon. verslag over 188 1, betreffende Suriname. M. 135. 

Brazilië, 

Reis van Dr. Crevaux in het Amazonen-gebied 

(vgl. M. 133) M. 18 

Een reis in Zuid- Amerika (Payer) M. 134 

Schetsen uit Brazilië, door Dr. E. van Rijckevorsel 141 

Rio Janeiro, baai en stad 141 

Bevolking van Brazilië 142 

Uiterlijk en karakter der bewoners. Handel 143 

Hotels 144 

De Kust 14^ 

Pernambuco 14^, 

Bahia 148 

Spoorwegen 149 

Ceara •. . . 149, 

Delta 152, 

Belangstelling in de kaart van Pernambuco van de 

Heeren Fournié en Béringer (Jaarverslag) 209. 

Chili, 

Vergrooting van Chili M. 76. 

Urugnay, 

De rijkdom van de mijnen in Uruguay M. 40, 

Patagonië en Vuurland, 

Nieuwe ontdekkingen in Patagonië M. 50. 

Reis van luitenant Bove M. 185, 



XII 



INHOUD VAN HET ZESDE DEEL. 



. Kaarten en Platen. 

Poollan(kn. 

Kaart van de PooUanden, tot overzicht van het 
internationaal plan van waarnemingen in de 
Poolstreken, in den tekst M. 52. 

Indische ArchipeL 

N<>. 3. Kaart van een gedeelte van Sumatra's Oostkust. 

Afrika, 

N^. 2. Geologische schetskaart van de Zuid-Afrikaansche 
Republiek. 



Amerika. 

N^. 6. Kaart van het eiland Cura^ao, met karton van de 

Sint Anna-baai. 
N^ 7. Figuren, behoorende bij het artikel over de India- 

nen-Caraïben. 



Af deeling ^^Nederland'* 

N**. I. Schetskaart van eenige belangrijke terreinsverande-^ 

ringen, gedurende de laatste jaren tot stand 

gebracht. 
N®. 4. Kaart van het IJ in 1865, vóór den aanleg van 

het Noordzee-kanaal. 
N<>. 5. Kaart van het Noordzee- kanaal en de I J-polders- 

en van de nieuwe havenwerken te Amsterdam. 



/ 



VIJFDE VERVOLG VAN DEN CATALOGUS 



VAN 



Boeken en Kaarten 



VAN HET 



AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 

18 81. 



Account (A popular) of Livingstone's expedition to the 
Zambesi and its tributaries: and of the disco very of 
lakes Shirwa and Nyassa 1858 — 64. Lond. 1875, III. 

Anderson {J,) Mission to the east coast of Sumatra in 
1823. Lond. 1826. (P. J. Veth.) 

A^eh. Verzameling van bulletins nopens de tweede expe- 
ditie ; aangeboden aan den G. G. v. N. I. door het per- 
soneel der landsdrukkerij. Batavia 1874. (S. Muller Fz.) 

/ipel (T. ff.) Drie maanden in Abyssinie en ingevangen- 
schap onder koning Theodorus II, door een ontslagen 
gevangene. Rott. z.j. (O. Z. van Sandick.) 

Aléniizine (W^ Revue des études sur la geologie de la 
Russie. (W. F. Versteeg.) 

B. (5. //.) Historie der Sevarambes. Waarbij: ƒ. Sadeur, 
Nieuwe reis na het Zuidland en Journaal wegens een 
voyagie, in de jaaren 1696 en '97 na het onbekende 
Zuidland en wijders na Batavia. (S. Muller Fz.) 

Barcena (M,) Descripcion de la ciudad de Guadalajara, 
capital del estado de Jalisco. México, 1880. (Schrijver.) 

Barros Arana {D,) Historia de la guerra del Pacifico. II.. 
Santiago 1881. (Aardr. Gen. van Chile.) 

Bataviasche Spaarbank (Verslag van de) Bat. 1880. (Directie.) 

Baudet (P, J, ff.) Beschrijving van de Azorische eilanden 
en geschiedenis van hunne volkplanting. Antwerpen, 
1880. (S. Muller Fz.) 

Bergsma {F. A.) Magnetische waarnemingen gedurende de 
zonsverduistering van 12 Dec. 1871. (Overdr. Nat. 
Tijdschr.) Bat. 1873. (P. J. Veth.) 

Bijdragen tot de geneesktmdige plaatsbeschrijving van 



Nederland. Vdestuk. Prov. Limburg. 1881. (Min. v. 

Binn. Zaken.) 
Bock (C) Reis in Oost- en Zuid-Borneo, van Koetei naar 

Bandjermassin. Met histor. inl. enz., door P. J. B. C. 

Robidé van der Aa. Met Atlas. 'sGrav., 1881. (Kon. 

Inst. V. T. L. en V.) ' 
Bos (/*. B.) Leerboek der aardrijkskunde. 4de dr. Gron. 

1881. (Schrijver.) 
Burnahy (F.) A ride to Khiva, travels and adventures in 

Central Asia, w. maps and an app. loth ed. Lond. 

1877. (P. J. Veth.) 
Catalog der geogr. Ausstell. der K. K. Heeres-Anstalten 

so wie Oesterreichs in Venedig, 1881. (W. F. Versteeg.) 
Catalogo. Australia. Nuova Galles del Sud. Venezia, 1881. 

(W. F. Verste^.) 
Catalogo della mostra degli Stati Uniti d 'America a Vene- 
zia, 1881. (Comité.) 
Catalogo della sezione dei Paesi Bassi e sue colonie, per 

l'esposizione di Venezia i88t. (W. F. Versteeg.) 
Catalogue de la section suisse de Texposition de Venise, 1881, 

accompagné d'une notice historique sur la cartographie 

suisse. (W. F. Versteeg.) 
Catalogue des objets exposés èi l'exposition de Venise, 

dans la section espagnole Madrid. 1881. 
Catalogue général des objets exposés, compilé par les soins du 

comité exécutif. Trad. delltalien. Venise 1881. (Comité.) 
Catalogues of contributions of England and India, sent to 

the third internat, exhibition of geogr. at Venice, 1881 

(W. F. Versteeg.) 



78 



VIJFDE VERVOLG VAN DEN CATALOGUS VAN BOEKEN EN KAARTEN 



Circulaires en andere losse stukken betreffende het Congres 

te. Venetië, 1881. (W. F. Versteeg.) 
Congres international de géographie commerciale, tenu è. 

Paris sept. 1878. Paris. 1881. 
Congres international des sciences ethnographiques, tenu 

k Paris 1878. Comptes rendus, Paris, 1881. (Fransche 

Regeering.) 
Congres scientifique international des institutions de pré- 

yoyance, tenu k Paris 1878. Paris 1881. (Min. v. 

W. H. en N.) 
Conway (W. M,) The Zermatt pocketbook: A guidebook 

to the Pennine Alps, from the Simplon to AroUa. 

Lond. 1881. Q. K. W. Quarles van Ufford.) 
Cara (Guidd) Cenni intorno all' attuale indirizzo degli 

Studj geografici. Torino, 1881. (Schrijver.) 
Cordes (/. W.H>j De Djati-bosschen op Java. Bat 1881. 
Cluysender (/. Z.) Rapport over den aanleg van een spoor- 
weg naar de Ombilien-kolenvelden, met krtn en teek. 

's Grav. 1876. (P. J. Veth.) 
Déchy (M.) Exposé sur Ie développement et Tétat actuel 

de rinstruction publique en Hongrie. Budapest, 1878. 

(Schrijver.) 
Mittheilungen tiber eine Reise im Sikkim Hima- 

laia. (Abdr. a. d. Mitth. d. K. K. geogr. Ges.) Wien, 

1880. (Schrijver.) 

Der Montblanc und seine Ersteigung von Cour- 



niayeur, m. pi. Bern, 1878. KI. 8<>. (Schrijver.) 

Dudok de Wit (Z. C.) Herinneringen ontleend aan reizen 
te water, te voet, te paard en per spoor. Amst. 1881. 
(Auteur.) 

Ekman (F, Z.) Appareils hydrographiques exposés k 
Venise. Stokholm 1881. (W. F. Versteeg.) 

Eriksen (W,) Les échanges intemationaux. Leur histoire, 
leur utilité, leur fonctionnement etc. Par. i88o.(Schrijv.) 

Estadistica del comercio exterior y de la navegacion de 
la Repüblica Argentina a® 1880. Buenos- Aires 1881. 
(Arg. Rep.) 

Facsimile of the Dutch Vespucius, being the celebrated 
letter of Americus Vespucius to Laurentius de Medicis, 
1506, Transl. from the Italian into Latin, and from 
Latin into Dutch. Providence 1874. (S. Muller Fz.) 

Fauvel {A,) Duae novae Staphylinidae ex India. (Overdr. 
Notes fr. the Leid. Mus.) (Auteur.) 

Feilberg (K.) Views from Deli and the Battak country; 
57 Photographische gezichten, vervaardigd bij gelegen- 
heid van de reis van C. de Haan 1870. (P. W. Janssen.) 

Fischer (F.) Catalogo di una raccolta di mappamondi e 
carte nautiche del XIII al XVI secolo, scelte negli 



archivi, biblioteche e musei d' Italia. Venezia 1S81. 

(W. F. Versteeg.) 

li leming (^Sandford,) The adoption of a prime meridian 

to be common to all nations. London 1881. (Schrijver.) 

Florenzano {G.) Il congresso e Ie esposizioni di Venezia. 

(W. F. Versteeg.) 
Forianier {A. F,) Geschiedenis van het ontstaan en de 

ontwikkeling der Ned. Koloniën. Amst. 1869. (P. J. Veth.) 
Geonomia Armena col rapporto alla mostra Veneto-armena. 

Venezia 1881. (W. F. Versteeg.) 
Giderl {£,) linde fran^aise en 1880. Paris 1881. 
Giglioli {F. FT.) Viaggio intorno al globe della Magenta 

con una introduzione etnologica di P. Mantegazza. m. pi. 

en krtn. Milano 1875 40. (W. F. Versteeg in bruikleen.) 
Gorkom (K. W. van) De oost-indische cultures in betrek- 
king tot handel en nijverheid. 2 dln. Amst. 1880. 

(P. J. Veth.) 
Gramberg (/. 6. G.) De inlijving van Pasoemah m. krt. 

Bat. 1865. (P. J. Veth.) 
Pasoemah. (Overdr. Tijdschr. Bat. 

gen. V. K. en W. dl. 16.) (Dezelfde.) 
Greene Arnold (5.) The Spirit of Rhode Island history. 

A discourse. Providence 1853. (S. Muller Fz.) 
Hall {H,) Aardrijkskundig handboek van Zuid- Afrika, m. 

krt. Rott. 1860. (O. Z. van Sandick.) 
Henry (/.) A memorial. Washington 1880. (Smith- 

sonian Inst.) 
Heriarte {M. de) Descrip^ao do estado do Maranhao, 

Pard, Corupd e rio das Amazonas. Vienna d'Austria 

1874. (S. Muller Fz.) 
Himdlaya. Déchy-expedicziója. Zes photographische ge- 
zichten op dit gebergte. 1880. (Auteur.) 
holub {E,) Oesterreichisch-ungarische Afrika-expedition. 

Ausweis der eingelangten Beitrage. Wien 1881. (Oos- 

tenr. geogr. gen.) 
Informe official de la expedicion al Rio Negro (Patagonia) 

1879 m. pltn. Buenos-Aires 1881. (Aardrk. Gen. d. 

Argent. Rep.) 
Insulinde. Twaalf tafereelen uit Ned.-Indie, volg. teeke- 

ningen en studiën naar de natuur door A. de Grijs, 

geetst door C. L. van Kesteren, met tekst van P. J. 

Veth. Amst. 1881. (P. J. Veth.) 
Issel (A.) Istruzioni scientifiche pei viaggiatorL Roma 18S1. 

(Aardrk. gen. te Rome.) 
ICan (y. F.) Historisch-geographische Atlas. 4de dr. 188 1. 

(Uitgever.) 
Klüden {G. F. von) Handbuch der Erdkunde. 4te Aufl. 

(Schrijver.) 



VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



79 



Koloniale kroniek. Koloniale literatuur. (Overdr. Economist 

Mei 1881.) (J. K. W. Quarles van Ufford.) 
K&röH {J.) Plan du dépouillement du recensement de la 

ville de Budapest. Budapest 1881. (Schrijver.) 
Project d'un recensement du monde. Étude 

de statistique internationale. Piris 1881. (Schrijver.) 
Kuypcr (/.) Onze Oost. Met grav. en kaart. Utrecht 

1881. (Schrijver.) 
Lange {G. A* de) Geodesische triangulatie der residentie 

Banjoemaas. (Overdruk uit de acta soc. scient. Indo- 

Neerl.) Bat. 1857. (P. J. Veth.) 
Leupe {P. A.) Handschriften der ontdekkingsreis van 

Tasman en F. J. Visscher 1642 — 1643. (Overdr. Bijdr. 

V. vad. gesch. en oudh. (S. Muller Fz.) 
Linschoten (J. B. van) David Livingstone als zendeling 

en reiziger. Uit het Hoogd. Utr. z. j. (O. Z. van Sandick.) 
JLivingsüme {D,) A popular account of missionar travels 

and researches in Soulh-Africa, w. illustr. 2 vol. Lónd. 

1875. (Dezelfde.) 
Lucca {G. de) Storia, concetto e limiti della geografia. 

Napoli 1881. 4^ (Schrijver.) 
Luciani (71) Movimenti littorali del suolo d'Italia. Venezia 

1881. (W. F. Versteeg.) 
Major {R, H^ Early voyages to terra Australis, from the 

beginning of the i6th century to the time of Cook. 

London 1859. (S. Muller Fz.) 
The discoveries of Prince Henry the Navi- 
gator and his resuïts. Lond. 1877. 
Marcello (A.) Sopra alcune carte manoscritte. Venezia, 

1881. (W. F. Versteeg.) 
Marsdens* Sumatra. Atlas van platen bij dat werk behoo- 

rend. Fol. z. t. en j. (P. J. Veth.) 
Mendez de Vigo^ Historia geogrdfica, geológica y estadistica 

de Filipinas, 2 torn. Manila 1876. 
Meyners d' Estrey {C.) La Papouasie ou Nouvelle Guinee 

occidentale, av. grav. et carte. Paris et Rott. 1881. 

(Schrijver.) 
Mission scientifique en Mexique. Vervolg. (Intern, ruiling.) 
Mulligan (/.) Nic. Syllacius. De insulis Meridiani atque 

Indici maris nuper inventis. With a transl. into En- 

glish. New York 1859. (S. Muller Fz.) 
Munsell {J.) The Hudson river overslagh and Coejnnans 

bouwery. Albany 1875. (S. Muller Fz.) 
Men and things in Albany two centuries ago, 

Albany 1876. (S. Muller Fz.) 

The origin, progress and vicissitudes of the Mo- 



hawk and Hudson railroad. Albany 1875. (S, Muller Fz.) 
Murphy [H, C) The voyage of Verrazzano : A chapter in 



the early history of maritime discovery in Amerika. 

New-York 1875. (S. Muller Fz.) 
Murphy (JI. C.) Vertoogh van Nieu Nederland and Bree- 

den Raedt aende Vereenichde Nederlandsche Provin- 

tien 1649 — '50. Transl. from the Dutch by H. Murphy. 

New-York 1854. (S. Muller Fz.) 
Musschenbroek {S, C.J. W. van) Meiners d' Estrey, La Pa- 
pouasie ou Nouvelle Guinee. (Overdr. Ind. Gids 1881). 

(Schrijver.) 
NachtigaliG.) Sahara u. Sudan. t. II. Berl. 1880. (Schrijver). 
Natura Artis Magistra. Catalogus der Bibliotheek van 

het Genootschap. Amst. 1881. (Genootschap.) 
Nautical almanac (the) and astronomical ephemeris for the 

year 1879. Lond. 1875. 
Neumayer (G.) u. O, Leichhardi^ Dr. Ludwig Leichhardt's 

Briefe an seine Angehörigen. Mit einem Anhange: 

L. Leichhardt als Naturforscher u. Entdeckungsreisen- 

der. Hamburg 1881. (Geogr. Gen. Hamburg.) 
Nogueira (A. F,) A raga negra sub o ponto de vista da 

civilisa;:ao da Africa. (Aardrk. Gen. te Lissabon.). 
Nordenskiöld {A, E,) Framstallning rörande 1878 ars is- 

hafsfard. Göteborg 1877. (S. Muller Fz.) 
Redogörelse för en expedition till 

Mijnningen af Jenissej och Siberien ar 1875. Overdr. 

Stockholm 1877. (Schrijver.) 

Vaart der Vega om Azië en Euro- 



pa 1878 — 1880, vert. door C. M. Kan, m. afb. enkrtn. 
Amst. 1881. (C. M. Kan.) 

Nordske (Den)Nordhavs expedition 1877 — 782 Bde: Chemi, 
af H. Tornoe, zoologi (fiske) ved R. CoUett. Christia- 
nia 1880. (Genootsch. te Christiania.) 

Oberlander {JR,) West- Afrika vom Senegal bis Benguela. Reisen 
u.Schilderungenetc. Leipz. 1874, 2 vol. (O. Z.v. Sandick.) 

0'Callaghan (E. £,) Voyages of the slavers St. John and 
Arms of Amsterdam 1651, 1663, from the original 
manuscripts. Albany 1867. (S. Muller Fz.) 

Olascoaga {M. ƒ.) La conquète de La Pampa. Documents 
relatifs è la campagne du Rio N^ro. Av. cartes. Buenos 
Aires 1881. (Gk)uv. v. de Rep. Argent.) 

Oreffice (F.) Il genio dei popoli, inno con Ie traduzioniin 
undici lingue. Venezia 1881. (W. F. Versteeg.) 

Oudemans (ƒ. A, C) Bepaling van het lengteverschil van 
Batavia en Singapore, door middel van den telegraaf- 
kabel. (Overdr. uit h. Nat. tschr.) Bat. 1874. (P. J. Veth.) 

Gemakkelijke methode om den stand 

van den spiegel van eenen patent-cirkel van Pistor en 
Martinus te bepalen. (Overdr. uit Verh. en Ber. betrekk. 
het Zeewezen d. J. Swart.) Bat. 1864. (Dezelfde.) 



So 



VIJFDE VERVOLG VAN DEN CATALOGUS VAN BOEKEN EN KAARTEN 



Ottdemans (ĥ C. A.) Geographische ligging van die plaat- 
plaatsen op Java waar telegraafkantoren zijn. (Overdr. 
Nat. tschr. v. N. I.) (Dezelfde.) '• 

Geographische ligging van punten aan 

de Z. en O. kust van Bomeo. Sept. 1867. (Overdr. 
Nat. tschr. v. N. 1.) (Dezelfde.) 

. Geogr. ligging van pupten in de MO' 



lukken. (Overdr. Nat. tschr. v. N. I. dl. 30.) (Dezelfde.) 
Geogr. ligging van punten in den 



Riouw- en Lingga-Archipel. (Overdr. Nat. tschr.) Bat. 
1873. (Dezelfde.) 
Geogr. ligging van punten in straat 



Makasar (Overdr. Nat. tschr. v. Ned. Ind.) (Dezelfde.) 
Geogr. ligging van punten op de O. kust 



van Celebes. (Overd. Nat. tschr. v. N. I. dl. 29.) (Dezelfde.) 
Herleiding der waarnemingen gedaan 



door S. H. en G. A. de Lange, ter bepaling van de 
lengte van Menado, Kema, Boeton, Teinate en Ma- 
kasar. (Dezelfde.) 

. Hernieuwde bepaling van de lengte 



van Batavia. (Overdr. Nat. tschr. v. N.I. dl. 27 .) (Dezelfde.) 
Levensschets van Fr. Kaiser. (Overdr. 



Jb. 1875 der K. Ak. v. Wetensch. Amst. 1876. (Dezelfde.) 
Verslag der dienstreis van den hoofd- 



ingenieur der geogr. dienst in 1863, ter bepaling van 

de geogr. ligging van eenige punten ter W. kust van 

Borneo (Overdr. Nat. tschr. v. N.I. dl. 27.) (Dezelfde.) 

Verslag van de dienstreizen ter be- 



paling van de geogr. ligging van Muntok, Palembang 
enz. en eenige punten op Belitong. (Overdr. Nat. tschr. 
V. N. I. dl. 26.) (Dezelfde.) 

Verslag van de geogr. dienst in Ned. 



Indie over Jan. 1858 tot en met April 1859. Batavia 
1860. 4«. (Dezelfde.) 

. Uit de breedten en het lengteverschil 



van twee plaatsen haren afstand enz. te berekenen. 
(Overdr. Nat. tschr. v. N. I. dl. 32.) (Dezelfde.) 

.Waarneming der zoneclips van 18 



Aug. 1868. (Overdr. Nat. Tijdschr. v. N. I.) (Dezelfde.) 

Pasoemah-expeditie (Een woord over de) in 1866. Bijdra- 
gen tot de Ind. kiïjgsgeschiedenis door twee O. I. 
officieren. 'sGrav. 1868. (Dezelfde.) 

Pennypacker (5. ^.) Settlement of Germantown. Phila- 
delphia 1880. (S. Muller Fz.) 

PijnappePs geographie van Ned. Indie, 3e druk, herzien 
door G. J. Dozy, 'sGrav. 1881. (Schrijver.) 

Pollen {Fr. P. Z.) Bedenkingen tegen het adres der Ned. 
Dierk. Vereeniging. (Schrijver.) 



Posto meteorologico da Cidade da Praia da ilha de S. 

Thiago de Cabo verde. 1875—79. (Aardr. Gen. teLissab.) 
Preces sancti Nersetis Clajensis Armeniorum patriarchae 

33 linguis editae. Venetiis 1862- (W. F. Versteeg.) 
Proceedings in congress, attending the reception of the 

statue of Roger Williams, founder of the State of 

Rhode Island. 1872. (S. Muller Fz.) 
Quarks van üjford (/. K, W.) In zake Dr. B. F. Matthes. 

(Overdr. Ind. Gids 1881.) (Schrijver.) 
Rabaud{A,) Zanzibar, la cóte oriëntale d'Afrique et TAfrique 

equatoriale, (Extr. du Buil. de géogr. de Marseille.) 1881. 

(Schrijver.) 
Ratzel {Fr,) Die verein. Staaten van Nord- Amerika. 2 Bde 

m. Holzschn. u. Krtn. Mtlnchen 1878 — 80. 
jRead Jr. (/. MereditK) A historical inquiry conceming 

Henry Hudson. Albany 1866. (S. Muller Fz.) 
Reports of the commissioner of agriculture 1862 — 1880, 

19 dln. Washington 1880. (Commissie.) 
jReulens {C.) La découverte de TAustralie. Notice sur un 

manuscrit de la bibliothèque de Bruxelles. (Extr. du 

compte-rendu du congr. géogr. d'Anvers.) Anvers 1872. 

(S. Muller Fz.) 
Riccardi {P.) Elenco di alcune carte geografiche esistenti 

nella provincia di Modena. Modena 1881. 
Ritzema Cz, {C.) Four new species and a new genus o 

longicom coleoptera. (Overdr. Notes fr. the Leid. Mus.) 

(Schrijver.) 
Saggio di Cartografia della regione Veneta. Venezia 1881. 

(Deput. Veneta.) 
Sandick {O. Z. van) Herinneringen van de Z. W. kust 

van Afrika. Eenige bladzijden uit mijn dagboek. 

Devent. 1881. (Schrijver.) 
San Januario Rapport sur les conditions géographiques, 

écononomiques, commerciales et politiques de larépu- 

blique Argentine. Buenos Aires. 1881. (Schrijver.) 
Scheidnagel {M.) Las colonias Espanolas de Asia. Islas 

Filipinas. Madrid 1880. (Schrijver.) 
Schouten {Wouter) Aenmerckelijke voyagie naar O. I. in 

1676. Amst. 1676. (S. Muller Fz.) 
Schweinfurt {GJ) The heart of Afrikai 2 vol. Lond. 1873. 

Three years travels and adventures in the unexplored 

regions of Central Africa, from 1868 to 1871. Transl. 

bij Ellen E. Frewer. w. maps and ill. Lond. 1873. 

(O. Z. van Sandick.) 
Seguro {Porto) Em Servi^o ao Norte da Europa. Stockholm 

1874. (S. Muller Fz.) 
Les HoUandais au Brésil. Réponse è M. 

Netscher. Vienne 1874. (S. Muller Fz.) 



VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



Si 



Smiih (ƒ.) New Englands Trials. London 1622, Copy 

printed bij J. Carter Brown. (S. Muller Fz.) 
Smith {Leigh) Esplorazioni artiche coUa nave „Eira" nel 

1880. (Estr. dal Bollett. d. Soc. geogr. Ital. 1881.) 

(Schrijver.) 
Soerabaia-courant. 6 stuks van Mei en Juni 1880 bevatten- 
de Schneider^ Expeditie van N. Guinea. 
Stanley {H, Af.). Coomassie and Magdala: the story of 

two British campaigns in Africa. With ill. and maps. 

London 1874. (O. Z. van Sandick.) 
Sfaud (M.) Sur l'état de Phytophénologie en Hongrie. 

Comme explication des objets exposés èi Venise 1881. 

Budapest 1881. (Schrijver.) 
Sfu€rs {ET. J. ƒ. de) De vestiging der Nederlanders ter 

westkust van Sumatra. Uitg. door P. J. Veth. m. pi. 

en krt. Dl. I. Amst. 1849. (P. J. Veth.) 
Tams (G.) Die Portugiesischen Besitzungen in S. W. Afrika. 

Ein Reisebericht. M. Vorworte v. jCarl Ritter. Ham- 
burg 1845. (O. Z. van Sandick.) 
Teenstra {M. D.) Beknopte beschrijving van de Nederl. 

Overzeesche Bezittingen. 3 dln. m. krt. en pi. Gron. 1852. 

(P.J.Véth.) 
Itele {F. A.) Affonso d'Albuquerque in het Oosten 1507 — 

1515. (Overdr. Gids 1876.) (S. Muller Fz.) 
De Europeers in den Maleischen Archipel 

1509 — 1555. 3 st. (Overdr. Gids.) (Dezelfde.) 
De Portugeezen in het Oosten. De opvolgers 



van Afifonso d' Albuquerque (1515 — 1529). Overdr. 
Gids 1877. (Dezelfde.) 

De voorgewende ontdekking van Australië 



door de Portugeezen in 1601. (Overdr. Ned. Speet. 
1875.) (Dezelfde,) 
Frederick de Houtman te Atjeh. (Overdr. 



Ind. Gids 1881.) (Dezelfde.) 
Scheepstocht naar O. I. onder W. Harmensz 



(1601— 3). (Overdr.) (Dezelfde.) 

Vestiging der Portugeezen in Indie. 1498 — 



1506. (Overdr. Gids 1875.) (Dezelfde.) 
Toeppen {H,) Die Doppelinsel Nowaja Semlja. Geschichte 

ihrer Entdeckung. Mit Karte. Leipz. 1879. (Schrijver.) 
Trafford {F. W. C.) Souvenir de Tamphiorama ou la vue 

du monde pendant son passage dans une comète. Zü- 

rich 1881. (Schrijver.) 
Venezia e il congresso. Giomale, numero unico. Venezia 

1881. (W. F. Versteeg.) 
Venukoff {M.) Liste des voyageurs russes en Asie depuis 

Toccupation du bassin de TAmour et du Sémirétchié, 

(Dezelfde.) 



Verslag door den Raad van toezicht op de spoorwegdiensten 
Aan den Min. v. B. Z. over de jaren 1864 — 80. (M. v. 
W. H. en N.) 

Verslagen (halfjarige) betreffende den aanleg der Staats- 
spoorwegen over de jaren 1877 — 80. (M. v. W. H. en N.) 

Verslagen enz. omtrent de kanalen in ontwerp van Amster- 
dam naar Rijn en Waal, 12 st. (Min. v. W.H. enN.) 

Verslagen omtrent de overstroomingen der groote rivieren 
in 1879— 1880 en 1880— 1881. (Min. v. W. H.enN.) 

Versteeg {W. F.) Topographische werken in. Ned. Indie. 
1^56— '59 en '59— '65. (Overdr. Nat. tschr. v. N. I.) 
(S. Muller Fz.) 

Veth {F, ƒ.) Onze Transvaalsche broeders. Amst. 1881. 
(Schrijver.) 

Vries {David Fieterz, de) Voyages from Holland to Ame- 
rica 1632 — 1644. Transl. from the Dutch by H. C. 
Murphy. New-York 1853. (S. Muller Fz.) 

Watson (Fob, Sponce) Histoire du gouvernement anglais et 
de sa politique dans TAfrique meridionale. Trad. de 
TAnglais. Utr. 1881. (P. J. Veth.) 

Wheeler {G. M.) List of reports and maps of the U. S. 
geogr. siu-veys west of the looth meridian, 2d ed. 
Washington 1881. (W. F. Versteeg.) 



KAARTEN. 

Théatre de la guerre entre la Russie et la Turquie. Pldr. 

55 bij 47 cM. Amst. R. & J. Ottens. (X.) 
Nieuwe kaart van den rivier de Rhijn van haaren oorsprong 
in Zwitserland tot aan derzelver einde door de Roeder 
en Klockhoff'. Leid. en Amst. 1785 pldr. 55 bij 30 cM. 
(H. J. Otto.) 
Rivierkaart van Nederland 1881. 

Boven-Rijn en Waal n^. 15. • 

idem „ 17. 

idem „ 18. 

idem „ 19. 

idem „ 20. 

idem „ 23. 

Nieuwe Maas „ 18. 

idem „ 19. 

idem (Scheur) „ 20. 

Lek, Noord, Nieuwe Maas „ 17. 

Rijn 21, is tevens Nieuwe Maas „ 24. 

Hoek van Holland 22, is tevens Nieuwe Maas „ 25. 

Neder-Rijn (Arnhem) „ 5. 

idem (Heteren) „ 6. 

idem (Rhenen) „ 8. 



83 



VIJFDE VERVOLG VAN DEN CATALOGUS VAN BOEKEN EN KAARTEN 



2 supplementbladen van Boven-Rijn en Waal 

de Kil n*. I. 

't Spui n 2. . 

(Min. V. W. H. en N.) 
Topographische en militaire kaart van het Koningrijk der 

Nederlanden. Nieuwe uitgave: n«. 9 den Helder, 

21 Zwolle, 27 Hattem, 28 Almelo, 29 Denekamp, 

41 Aalten, 51 Eindhoven, 62 Heerlen. (Min.J van O.) 
Waterstaatskaart 1880. 

Arnhem 1, 2, 3, .1. 

Zutphen i, 2, 3. 

Vierlingsbeek i. 

(Min. V. W. H. en N.) 
Algemeene kaart van het Koningrijk der Nederlanden in 

3 bl. resp. 54, 59 en 15 bij 90 cM. 'sGrav. 1816. 
(J. P. Six.) 

Generalkarte von dem Königreiche der Niederlande, nebst 
dem Grossherzogthum Luxemburg. Pldr. gekl. C. F. 
Weiland. Weimar 1820. (Dezelfde.) 

Nouvelle carte des sept départemens de la HoUande, 
divisée suivant Ie décret du 21 Oct 181 1, door 
E. Maaskamp. Pldr. gekl. 62 bij 93 cM. (Dezelfde.) 

Topographische kaart der grensscheiding tusschen het Oud- 
Nederland en de Bel^sche Provintien door J. E. van 
Gorkum i : 100,000 Pldr. 3 bladen te zamen 231 bij 
54 cM. 1831. (Dezelfde.) 

Topographisch-militairischer Atlas von dem Königr. d. 
Niederlande, in 40 sectionen von Weiland u. Berghaus. 
Pldr. Weimar 1820. Ieder blad 30 bij 40 cM. (Dezelfde.) 

Terschellinger bank en zeegat, i : 100,000, pldr. Hydrogr. 
bureau 'sGrav. 1881. 70 bij 51 cM. (Min. v. Mar.) 

Zeegat aan den hoek van Holland i : 7500, 18de opname. 
*sGrav. Hydrogr. bureau 1881. Lith. 50 bij 83 cM. 
(Min. V. Mar.) 

Leodicensis episcopatus pars media per Nic. Visser ap. 
P. Schenk iun. Pldr. 56 bij 45 cM. (X.) 

Groot tooneel van den tegenwoordigen oorlog aan de 
Middelandsche zee. Gedeelte van Spanje, Fr. Repu- 
bliek, Italië enz. Pldr. 69 bij 35 cM. Amst. 1794. (X.) 

Het eiland Elba, door A. Loosjes. Pldr. 1814. 13 bij 20 cM. 
(H. J. Otto.) 

Schets der ontworpen spoorwegen in Senegambie. Autogr* 
door S. C. J. W. van Musschenbroek 1881. (Auteur.) 

Maps showing the Western and Eastern Half ofEquatorial 



Atrica and the explorations of Henri M. Stanley 

1874—77. Lith. gekl. London. 86 bij 137 cM. op 

linnen. (O. Z. van Sandick.) 
Africa. (H.) Kieperts neuer Handatlas n®. 33) i : 20,00000a 

m, karton der Gap colpnie i : 8,000000 Lith. gekl. 

Berlin 1875. (Dezelfde.) 
Afrilca. Physikalische Wandkarte von Richard Kiepert 

1 : 8,000000. Lith. gekl. Berl. 1861. i2t bij 113 cM. 
Carte nouvelle de rAmérique angloise. grav. Augsbourg. 

58 bij 47 cM. (J. Ph. van Ouwerkerk.) 
Map of the" compact portion of Philadelphia, waaibij : 
Outline map of the county and city of Philadelphia 

and vicinity. Lith. gekl. Philad. 1876. (S. Muller Fz.) 
Carta costrutta per servire all' intelligenza dei viaggi di 

Carlo Vidua, 1825— '27. Lith. Torino 1835. 39 bij 

55 cM. (J. Ph. van Ouwerkerk.) 
.Carta costrutta per Tintelligenza dei viaggi di Carlo Vidua 

nell' Indie alla Cina e nell' Oceanica occidentale 

1827 — 30, I : 13,000000. Lith. Torino. 40 bij 56 cM. 

(Dezelfde.) 
Carta per servire all' intelligenza dei viaggi di Carlo Vidua 

1821 — 22. Torino 1835. 57 bij 3I9 cM. (Dezelfde.)^ 
East India Pilot of general and particular charts, on the 

largest scale, from England to the Cape of Good Hope, 

Bombay, Madras, Bengal and China. Lond. 1813,' 

fol. (P. J. Vcth.) 
De zee- Atlas ofte Waterwereld. Amsteldam 1675. ^oi- 

(J. P. Six.) 
Kaarten der Residentien van Java (Atlas Melvill van Cam- 

bee en Versteeg) waarop zijn aangegeven de verschil- 
lende cultuur- en andere ondernemingen, 24krtn. met 

geschreven legenda, verv. op last v. d. G. G. Baron 

Sloet van de Beele. (Mr. L. A. J. W. Sloet v. d. Beele.) 
Topographische kaart der Residentie Rembang. Lith. gekl. 

in 4bl. ieder 52 bij 62 cM. Topogr. Inr. 'sGrav. 1881. 

(Min. V. Kol.) 
Ooster vaarwater van Soerabaja, Lith. Hydrogr. bur. te 

Batavia 1879, 67 bij 48 cM. (Min. v. Mar.) 
Reede van Telok Betong. Lith. Hydrogr. Bur. Batav. 1878, 

49 bij 53 cM. (Min. v. Mar.) 
Kaart van Midden-Sumatra door D. D. Veth. i : 1,000.000. 

bij cM. Lith. (Auteur.) 
Noordoostkust Bangka. i : 200.000. Lith. Hydrogr. bur. te 

Batavia. 1879. 74 ^ij ^5 ^M. (Min. v. Mar.) 



VlER-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING 



VAN HET 



AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP, 

GEHOUDEN TE AMSTERDAM DEN 28 OCTOBER 188 i. 



Vrijdag, den 28sten jL, had ineen der weder welwillend 
a^estane zalen van Artis de 34e algemeene vergadering 
van het Aardrijkskundig Genootschap plaats. 

De voorzitter, prof. P. J. Veth, gaf bij 't openen der 
vergadering zijn blijdschap te kennen over de behouden 
terugkomst der l^illem Barenis y over wiens lot men in de 
laatste dagen zoo dikwijls tusscheu hoop en vrees geslin- 
gerd was, en voor wiens kloeke bemanning het Genootschap 
zoo groote sympathie koesterde. Hij deed daarna verschil- 
lende mededeelingen betreffende het congres en de ten- 
toonstelling te Venetië en gaf lecture van een schrijven 
van den Nederlandschen consul te Venetië aan Z. E. den 
Minister van Buitenl. Zaken, waarin kennis werd gegeven 
van de bekroningen, die Nederland op die tentoonstelling 
waren te beurt gevallen. Nadat spr. voorts had medegedeeld 
dat de samenstelling van het verslag over die tentoonstel- 
ling was opgedragen aan den heer W. F. Versteeg en dat 
over het congres aan prof. C. M. Kan en dat deze ver- 
slagen nader in het Tijdschrift zouden worden gepubHceerd, 
wees hij op de verdiensten, welke de Nederlandsche consul, 
de heer J. H. Teixeira de Mattos, zich voor Nederland, 
het Genootschap en de geographische wetenschap had ver- 
worven en stelde hij voor hem uit erkentelijkheid daarvoor 
tot correspondeerend Hd van het Genootschap te benoemen, 
een voorstel, dat met algemeenen bijval door de vergade- 
ring werd begroet. Tevens werd tot correspondeerend lid 
benoemd de heer N. Denison, schrijver van de Jottings 
made during a tour amongst the Land Dyaks of Upper- 
Sarawak {Borneo) during the Year 1874, en tot honorair 
lid kapitein L. Palander, de kommandant der Vega op 



Nordenskjölds beroemden tocht rondom Azië en Europa 
Uit een tweetal, door het bestuur aangeboden, bestaande 
uit de heeren P. W. Jansen en A. De Monchy, werd 
daarna de eerstgenoemde, directeur der Deli-maatschappij, 
tot lid van het bestuur gekozen. De voorzitter deelde 
daarbij nog deze merkwaardige bijzonderheid mede, dat 
door den heer Jansen, als bewijs van belangstelling in 
zijn onlangs gehouden 4ojarig feest , aan het ge- 
nootschap was ten geschenke gegeven de zoo merk- 
waardige collectie photographien, vervaardigd door den 
photograaf F. Falberg op zijne reis in 1870 met den 
heer C. de Haan en den vorst van Deli van kam 
pong Baroe naar het Tobameer, gepubliceerd onder den 
titel Views front Deli and the Batak Country en ver- 
scheidene gezichten op het meer en zijne omstreken be- 
vattende. Dit album bewijst wel het best, hoe vreemd het 
klinken moest, dat nog dezer dagen dit meer door den 
Duitscher Dr. Hagen in 't bericht zijner reis door de 
Noordelijke Batta-landen een „half fabelachtig meer" was 
genoemd, nog daargelaten alles, wat over dat meer in 
het 1 eis verhaal van den heer Cats van baron de Raet, in 
het artikel van dr. Schreiber over de Batta-landen, in 
Petermann's Mittheilungen van 1876 met bijbehoorende 
kaart, in de Berichte der Rheinisr.hen Missionsgesell- 
schaft van 1873 en 1874, en in het artikel van den heer 
Sillem in het Tijdschrift van het Aardrijkskundig ge- 
nootschap met uitvoerige kaart, van dat meer voorkomt. 
In zijne voordracht gaf dr. J. A. Roorda Smit een be- 
schrijving van de physische gesteldheid van den bodem 
der Transvaal, d. i. hij gaf een schets van de geologische 

I 



VIER-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING 



gesteldheid van dien bodem, beschreef de delfetoffen in 
verband met die geologische gesteldheid, besprak daarna 
de oppervlakte en de rivierstelsels en wees er ten slotte 
op, tot welke takken van landbouw die bodem zich, in 
verband met het klimaat, meer bepaald den nederslag, 
zoude leenen. Natuurlijk sprak de heer Roorda Smit op 
grond van een en ander zijne gedachten uit over de toe- 
komst van verschillende middelen van bestaan, met die 
physische gesteldheid van den bodem in zoo nauw verband 
staande. Zij werden door zijne toehoorders, omdat zij op 
wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke gegevens 
berustten, met des te meer belangstelling aangehoord en 
des te ernstiger overwogen. 

Wat de geologische gesteldheid betrof, spr. had deze op 
eene sterk sprekende kaart, wel de eerste geologische 
kaart, voor zoover ons bekend, die van dit gebied ver- 
vaardigd werd, voorgtóteld, en deelde daarvan in hoofdzaak 
het volgende mede. Van Natal over den Vrijstaat naar 
de Transvaal reizende, vond men aan de kusten alluviaal 
zand, daarna verschillende formaties en in het gebied der 
Drakenbergen een colossaal bekken van zandsteen, op 
verscheidene plaatsen secundair door vulcanische acties 
opgeheven, hier en daar door vulcanische gesteenten door- 
boord, zoowel in den Vrijstaat als in Natal met het zoo- 
genaamde gres houiller overeenkomende. Onder die op- 
heffingen trokken vooral de tafelbergen door hun zeer 
eigenaardigen vorm de aandacht. Bij 't onderzoek was 
spr. gebleken, dat zij tot aan hun top uit zandsteenlagen 
bestonden, terwijl sommige op I/2 hunner hoogte door 
vulcanische gesteenten doorbroken waren. 

Evenals het gres houiller bevatte de zandsteen, speciaal 
in de districten Middelburg, Utrecht, Wakkerstroom en 
Lijdenburg, dicht bij de oppervlakte steenkolenbeddingen, _ 
doch niet van de colossale dikte als in Europa: zij waren 
slechts van i tot 8 Eng. voeten dik en steeds afwisselend 
door zandsteenlagen. De qualiteit dier steenkolen was in 
't algemeen goed; de bovenste lagen naderden in hunne 
algemeene eigenschappen meer tot de bruinkolen; dan 
volgden tamelijk vette, veel teer leverende steenkolen. 

Het meer westelijk gedeelte van de Kaap en ook van 
de Transvaal werd door andere formaties ingenomen. 
Bereisde men de Transvaal van Zuid naar Noord, dan 
kwam men eerst op het uit schieferzandsteen bestaande 
Heidelbergsche bekken, dat een ander karakter droeg dan 
de zandsteen van 't Pretoria-bekken, die spr. toescheen tot 
de Silurische periode te behooren. 

Deze Silurische lagen strekten zich tot op grooten afstand 
van Pretoria uit (oostwaarts bijv. tot de Drakenbergen, 



waar spr. ze in de goudvelden van Lijdcnberg terug vond;) 
zij werden hier en daar, meestal van O. naar W., doorsne- 
den door metamorphische riffen, bijv. door de Makhali- 
bergen, welke riffen op verscheiden plaatsen metaalertsen 
(loodglans, koperkies en waarschijnlijk een weinig goud) 
bevatten. De geringe quantiteit dier metaalertsen zou echter 
een geregelde exploitatie bij Pretoria nimmer kunnen be- 
loonen. Ten N. van het Pretoria-bekken lag het Water- 
bergsche, tot aan de Waterbergen met diluviaal zand en 
detritus bedekt, dat voor een groot deel van de Draken- 
bergen afstamt en waarschijnlijk door rivieren daar ge- 
bracht was. Over een breedte van 6 Eng. mijlen werd het 
diluvium der Springbok-vlakte door een laag hoogveenvan 
O. naar W. doorsneden. De zandsteen der Waterbergsche 
vlakte was rooder dan die van 't Pretoriabekken, verweerde 
lichter en was waarschijnlijk van jongeren datum ; overigens 
had het bekken dezelfde opheffingen in den vorm van 
tafelbergen, metamorphische riffen, waarvan kwartsporfyr 
weer het grootste aandeel innam en bevatte dat kwarts 
weder goud, doch in grootere hoeveelheid. Bij Maratastad 
had men het zelfe een tijdlang met succes ontgonnen. De 
ontginning van de looddepots daarentegen zoude hoogst 
waarschijnlijk nimmer de kosten kuunen goedmaken. Spr. 
had zelfs verscheidene riffen met de uiterste zorg onder- 
zocht. De massa quarzit leverde evenwel geen genoegzame 
hoeveelheid erts op. 

Nadat spreker daarna de aandacht had gevestigd op de 
kalksteen- formatie, die op zooveel plaatsen, bijv. het Z. W. 
der Transvaal, de zandsteen-formatie overdekt; op de 
druipsteen-grotten in de buurten van Pretoria en Potchef- 
stroóm; op de kolenzandsteen in de districten Middelburg 
en Wakkerstroom, die in zijn riffen ijzerglans en ijzer- 
glimmer bevat, welke aan het beroemde ijzererts vanElba 
herinnerde ; eindelijk op de warme, zouthoudende bronnen 
van het district Waterberg, die den omringenden bodem 
met koolzure wateren en dubbel koolzuren kalk doortrek- 
ken, besprak hij nog nader de goudvelden, in Lydenburg 
en ten N. der Transvaal tusschen de Limpopo en Zambezi- 
rivieren aangetroffen. Het goud kwam in de Transvaal in 
kwarts en als zoogenoemd alluviaal goud voor. In Lyden- 
burg had men niet, zooals in het Waterbergsche bekken, 
quarzit-aderen of het kwartsgoud in riffen, maar het allu- 
viale goud geëxploiteerd. Doch ook daar werd een gere- 
gelde exploitatie bijna onmogelijk, omdat alle vindplaatsen 
zeer klein zijn en zeer verschilden, wat het goudgehalte 
betrof: door deze onregelmatigheid vonden enkele delvers 
bijna niets ; anderen ontdekten soms bij toeval klompen. 
Enkele groote klompen waren beroemd geworden, bijv. die. 



VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



welke president Burgers mede naar Europa nam en waaruit 
de eerste Transvaalsche munten geslagen werden. Van de 
goud- tot de Diamantvelden overgaande, die in Griqua- 
landy dus eigenlijk buiten de Transvaal, gelegen waren, 
doch, naar de geologische structuur te oordeelen, waar- 
schijnlijk ook in 't Z. W. van dien staat voorkomen, be- 
sprak de heer Roorda Smit eerst de diamant-depots. Uit 
de verschillende geologische gegevens trok hij de conclusie, 
dat de diamant-mijnen van vulcanischen oorsprong waren, 
waardoor evenwel een plantaardige oorsprong voor den 
diamant niet werd buitengesloten. Voor de qualiteit en 
andere eigen.schappen der Kaapsche diamanten verwees 
spr. naar vromere geschriften, o. a. naar een feuilleton, 
in het Handelsblad van Mei 1.1. opgenomen. 

Om van de geologische en mineralogische gesteldheid 
tot den landbouw en de geschiktheid van het terrein voor 
cultures te kunnen overgaan, herinnerde spr. terecht vooraf 
aan de hydrographie der Transvaal, de quantiteit regen, 
de waterbronnen enz. De Transvaal werd gediaineerd in 
't N. en O. door de Limpopo, in 't Z. en W. door de 
Vaalrivieren, die alle kleinere stroomen in zich opnamen. 
Die rivieren hadden iets eigenaardigs, wat vooral voor 
den handel van belang was. Zij hadden geen rustigen 
benedenloop, als 't ware alleen een bovenloop. 

Voorts was de bedding der Vaal uiterst onregelmatig. 
Zii viel hier en daar met trappen, en de stroomsnelheid was 
op enkele plaatsen zeer groot. Toch meende spreker dat 
men de rivieren door 't aanleggen van sluizen, zelfs voor 
niet te diepgaande stoomschepen zou bevaarbaar kunnen 
maken en daardoor den handel en de industrie van Zuid- 
Afrika bevorderen. Wat den regen betrof, de Transvaal 
behoorde in Afrika tot de streek der zomerregens. De 
regenval was dus, in verband met de tamelijk loodrecht 
invallende zonnestralen, niet voldoende voor den landbouw. 
Om meer regen te verkrijgen was men met boschcuUuur 
begonnen en nam men de toevlucht tot irrigatie. Van de 
quantiteit water, daarvoor te bezigen, hing de waarde van 
den grond af. Dat water kwam soms van de bergen, 
meestal uit bronnen, die dicht bij de oppervlakte liggen, 
weinig water leveren en niet zelden verloren gaan. Op 
verscheidene plaatsen zou men echter met goed gevolg, 
artesische putten kunnen graven, en in het district 
Waterw^ vond spr. een bron boven op een heuvel, 
van hooger gelden toppen komende, die zeer goed dege- 
heele vlakte (lo vierk. Eng. Mijlen) of een aangrenzend 
gedeelte in vruchtbaar bouwland zou kunnen herscheppen. 
Spr. twijfelde dan ook niet, of de Transvaalsche boer, die 
met geringe hulpbronnen zijn gronden in cnltuur had ge- 



bracht, zou ook wel langzamerhand zijn landbouw weten 
te verbeteren. De aard van dien landbouw was natuurlijk 
zeer verschillend. In de buurt der rivieren en in de vlakte 
lag soms uitstekende klei- en humusgrond; op andere 
plaatsen traden de gesteenten van dien ondergrond aan de 
oppervlakte. De cultures verschilden dus vooreerst naar 
den aard der gronden, doch bovendien naar de geografi- 
sche breedte en de ligging ten N. of ten Z. van een berg- 
rug; ten N. daarvan verbouwde men byv. halftropische 
vruchten, ten Z. alleen die van het gematigd klimaat. Wat 
men echter overal kon verbouwen was mals, graan, haver 
enz. Voorts werd bij Rustenburg uitstekende tabak ver- 
bouwd, nu reeds door de geheele Kaap gezocht, maar die, 
zoo hij met genoegzame kennis geoogst werd, nog meer in 
aanzien zou komen. In het N. der Transvaal zouden verder 
met veel succes opium- en kina-plantages aan te leggen 
zijn; in allen gevalle het zou zeer de moeite waard zijn 
dienaangaande proeven te nemen. De wijnstok tierde zeer 
welig; de druiven waren van goede qualileit, maar moesten 
als in de Kaap, om de hooge temperatuur der druiven in 
den gistingtijd door suiker of door een groot alcoholge- 
halte verduurzaamd worden. Thans wordt er ook veel 
brandewijn uit bereid, zooals de perziken-brandewijn uit 
gegiste perziken. Deze laatste vrucht groeit in de Trans- 
vaal zeer welig. Wat de bosschen betrof, in de laatste jaren 
was men begonnen proeven te nemen met eiken en olmen; 
ook eiken schenen goed te zullen tieren. Overigens zagen 
de Transvaalsche bosschen er niet welig uit; het klein 
bosch was door grasbranden ('s winters ontstoken om spoe- 
diger jong gras te hebben) voor een groot gedeelte uitge- 
roeid, en de niet uitgeroeide groote zien er mager en 
armoedig uit. Zij bestonden veelal uit acacia's en mimosa's 
waarvan enkele uitstekend timmerhout leveren. Overigens 
scheen de bodem voor deze soorten, die er zoolang hadden 
getierd, geheel uitgeput. Wenschte men dus boschcultuur, 
dan was overplanting van Australische en Europeesche 
boomsoorten wenschelijk. 

Aan 't slot zijner voordracht maakte de heer Roorda 
Smit nog deze juiste opmerking. Bleek de bodem der 
Transvaal aanzienlijke schatten te bevatten, grooter be- 
looning zou de bebouwing van den grond beloven. De 
Transvaalsche boer had die met energie bronnen en 
krachtdadig voortgezet. De bloei des lands was dus ver- 
zekerd, doch zou de grond rijkere vruchten drageti, dan 
moest de medewerking ingeroepen worden, welke meerdere 
beschaving verkenen kan. Die medewerking en hulp ver- 
wachtte de Transvaal van Europa, in de eerste plaats van 
Nederland. 



VIER-EN-DERTIGSTE ALGEMEËNE VERGADERING 



Na de pauze zette de voorzitter, prof. P. J. Veth, zijne 
causerie over ethnologische verzamelingen voort, tot wier 
voltooiing hij door die vergadering en het bestuur was 
uitgenoodigd. Spreker begon met de aandacht te vestigen 
op de internationale koloniale tentoonstelling, die in 18S3 
te Amsterdam zoude gehouden worden. Zij zou vooral 
drie zaken in het licht trachten te stellen: i^ de natuur 
der gekoloniseerde en overheerde gewesten door beschrij- 
vingen, kaarten, atlassen, graphische voorstellingen, afbeel- 
dingen, enz. enz.; 2®. de inlandsche bevolking der over- 
heerde en gekoloniseerde gewesten door een volledige 
ethnographische verzameling; 3®. de Europeanen in die 
gewesten en hunne betrekkingen tot de inlanders. Niet 
alleen Groot-Brittanje, Denemarken, de Nederlanden, 
Frankrijk, Spanje en Portugal konden daaraan deelnemen, 
maar ook Rusland, wiens overheerde Aziatische gewesten 
als koloniën konden beschouwd worden, waar weinige 
Europeanen te midden der inlandsche bevolking gevestigd 
waren. Men mocht verwachten dat vooral de tweede atdeeling 
zeer uitgebreid en belangrijk zou zijn; in het eerlang te 
publiceeren programma was daaraan bijzonder zorg gewijd. 

Waarom trad het ethnographisch gedeelte zoozeer op den 
voorgrond? Dewijl alle koloniseerende mogendheden bij 
de grondige kennis der overheerde volken, in wier midden 
zij koloniën gevestigd hadden, hun gewoonten, aard 
en behoeften, het grootste belang hebben, niet enkel met 
het oog op het over die volken te voeren bestuur, maar 
evenzeer op de belangen van handel en nijverheid in het 
moederland. Ook de kennis van hun denkwijze, vatbaarheid 
en bijgeloof is dikwijls van het grootst belang, zooals spr. 
door eenige voorbeelden aantoonde. Bij *t boren van 
een tunnel in de Preanger had zich bij den inlander groote 
ongerustheid geopenbaard. Immers dat doorboren van 
den berg moest den geest des bei:gs kwetsen en onheil ten- 
gevolge hebben, Met die ongerustheid ging natuurlijk 
onwil om te werken gepaard. De kennis der volksvoor- 
oordeelen, het inzicht in de geaardheid der bevolking, waar- 
door men de middelen vinden kan om zulke fatale op- 
vattingen te bestrijden, kan dus van groot praktisch be- 
lang zijn. Ook voor de industrie is nauwkeurige ethnolo- 
gische kennis van gewicht. De Zwitsersche katoentjes 
vonden geruimen tijd meer aftrek op Java dan de Neder- 
landsche, omdat Zwitsersche agenten den smaak der 
bevolking bestudeerd hadden, en de fabrikanten op den 
grondslag der inlandsche patronen aan dien smaak voldeden. 
Dat zonder ethnologie aan opleiding, onderwijs en evan- 
gelisatie der inlandsche bevolkingen niet te denken viel, 
spreekt wel van zelf. 



De tentoonstelling nu waarmede spr. nogmaals zijn groote 
ingenomenheid betuigde, zou als 't ware een tijdelijk Museum 
vormen, zoo volledig mogelijk den aarden de gebruiken der 
inlandsche bevolking voorstellende, tijoelijk veel vollediger 
dan een Museum dit vermocht, dewijl zij grooter lokalen 
ter beschikking had, en de schatten van alle, zoowel pu- 
blieke als particuliere verzamelingen der verschillende 
koloniseerende mogendheden voor den tijd van eenige 
maanden op één punt werden samengebracht. Overigens 
viel natuurlijk een Museum te verkiezen, daar het iets 
blijvends en door systematisch plaatsen en rangschikken 
in staat was van het belangrijke hoofdzaak te maken en 
het minder belangrijke achter uit te plaatsen. 

Prof. Veth ging daarna tot het bespreken onzer Musea en 
de wijze van inrichting daarvan in 't algemeen over. In 
ons land waren wel ethnologische verzamelingen, doch 
sleehts één ethnologisch museum. Eerlang zoude aan de 
Tweede Kamer weder het voorstel gedaan worden gelden 
tot de benoeming van een directeur beschikbaar te stellen. 
Spr. hoopte toch, dat zij ze zou toestaan. De directeur 
zou al zijn krachten aan het Museum kunnen wijden; 
het Museum zou na afloop der koloniale tentoonstelling 
deze tot zekere hoogte kunnen vervangen, vooral wanneer 
het zoo gelukkig was met vele voorwerpen daarvan verrijkt 
te worden. 

Nadat spreker daarop nog de aandacht op eenige andere 
verzamelingen hier te lande had gevestigd, bijv. het zoo 
uitstekende koloniaal Museum te Haarlem, besprak hij de 
inrichting van zulke verzamelingen of Musea in 't algemeen. 
Wat is daarbij hoofddoel, evenals bij de studie der ethno- 
logie zelve? In de eerste plaacs, meende, spreker, bevorde- 
ring der belangen van de wetenschap, die, zooals hij op 
welsprekende wijze uiteenzette, kennis wil verkrijgen uit 
zucht tot, uit behoefte aan kennis, zonder dat zij daarbij 
naar rechtstreeksche voordeelen voor de praktijk vraagt. 
Volgen deze, de man der wetenschap verheugt er zich 
over, zooals hij overigens eveneens het vertrouwen koestert, 
dat uit de ernstige beoefening der wetenschap als van zelf 
voordeelen voor de practijk zullen voortvloeien. Jammer 
slechts, dat de zuiver wetenschappelijke inrichting dier 
ethnologische verzamelingen met zoo groote moeilijkheden 
gepaard gaat. Vooreerst de grenzen der ethnologie waren 
niet gemakkelijk te bepalen. In hoeverre hing zij samen 
met anthropologie, die den mensch in zijn physisch en 
psychisch leven bestudeert, terwijl de ethnologie zich met 
de volken bezig houdt, waarin het menschdom zich 
allengskens verdeeld had. Toch was volkomen afscheiding 
van ethnologie en anthropologie onmogelijk, en dedea 



VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP» 



zich telkens vragen voor, op het gebied van beide 
wetenschappen te huis behoorende, zooals uit de vraag- 
punten over 't ontstaan, de verdeeling, de oorzaken en 
kenmerken der onderscheiding, het vaderland van den 
eersten mensch en anderen duidelijk bleek. 

Een andere moeilijkheid leverde meer bepaald deethno- 
logie op. Bijna nimmer had men met een volkomen zui- 
veren volksstam te doen, terwijl de geschiedenis ons in den 
steek liet om aan te toonen, hoever die onzuiverheid ging, 
of hoe zij ontstaan was. Immers, de geschiedenis ontstond 
«erst bij de natiën, als haar zelfbewustheid ontwaakt en 
haar literatuur ontstaan was. Bij sommige met historischen 
ain begaafde volken, zooals bij de Arabieren en Joden, had 
wel is waar de genealogische traditie met de daaraan ge- 
knoopte feiten zeer vroeg de plaats der geschiedenis ver- 
vuld, maar daarentegen waren andere natiën zelfs tot groote 
ontwikkeling gekomen, zonder zich om hun geschiedenis 
te bekommeren. Bij de Hindoes bijv., overigens in alle 
takken van wetenschap te huis, was de historie allerge- 
brekkigst en geen voorwerp van ernstige nasporingen. Ook 
de volken van Maleischen stam leverden de historie nooit 
zuiver over; zelfs de gebeurtenisssn van onzen tijd veran- 
derden na eenigen tijd in legenden, en de wonderen der 
oude gedichten keerden terug. Dit bleek o. a. uit de ge- 
schriften over Dipo Nogoro, waarin plotselinge w^voeringen, 
<iuizenden mijlen ver, voorkwamen. Dit bleek ook uit het 
verhaal over de uitbarsting van den Tambora die volgens 
dat verhaal daaraan was toe te schrijven, dat een geloovig 
Arabier den hond van den vorst van Tambora uit de 
moskee had verjaagd, en deze, om zich te wreken, den 
geloovigen Arabier aan zijn tafel genoodigd en hem het 
vleesch van dat onreine dier voorgezet had. Vraagpunten, 
als bijv. over den oorsprong, de verspreiding en de verdee- 
ling der menschenrassen, waren dus bezwaarlijk door 
«thnologische verzamelingen en Musea tot oplossing te 
brengen, maar daar zij het materiaal leverden om de 
volken onderling te vergelijken, konden zij toch, in verband 
met de studie der talen, ook bij de pogingen tot oplossing 
dier vragen, gewichtige diensten bewijzen. Maar hoevele 
andere vragen komen hier niet in aanmerking! Hoevele 
-doen zich niet alleen reeds bij onzen Indischen Archipel 
voor ! Welke volken bewonen dien Archipel ; en hoe zijn zij 
te classificeeren ; bestaat er verwantschap tusschenMaleiers 
en Papoeas; zijn de laatsten verwant met de zwarte bevol- 
Jdng der Philippijnen, de Aetas; bestaat er verschil tus- 
schen de zwarte en bruine Polynesiörs; zijn de Maleiers 
jnet de bruine verwant, en zoo ja, in welken graad? moeten 



alle bewoners van den Archipel met uitzondering der zwarte 
bevolking, tot één ras gebracht worden, en zoo ja, hoe 
ontstond het verschil, dat tusschen hen bestaat; hoe dat 
tusschen Soendaneezen en Javanen, tusschen Makassaren 
en Boegineezen, tusschen de Menangkabausche Meieiers op 
Sumatra en die van de Riouw-Lingagroep; tusschen de 
Atjehers, wier spreektaal zoo geheel anders is; welke ver- 
wantschap bestaat er tusschen deze en de oude bewoners 
van Pasei en Pedir? Zal oplossing zulker vragen door ver- 
gelijking, door vergelijkende studiën eenigszins mogelijk zijn, 
dan dienen de verzamelingen natuurlijk zeer volledig te 
zijn. Aan zulk eene behoefte der wetensehap zal dan ook 
een Museum beter weten te voldoen dan een tentoonstelling, 
die vooral de practische behoeften der koloniën wenscht 
te doen kennen. 

Nadat spr. daarop had aangetoond, in hoeverre het Ethnol. 
Museum te Leiden op dat punt de vergelijking met buiten- 
landsche verzamelingen, bijv. dat te Kopenhagen, kon 
doorstaan en er op gewezen, hoe ons Museum, door ruiling 
der doubletten van 't vele, dat uit Indie werd aangevoerd, 
met die van buitenlandsche verzamelingen, zijne collectien 
zou kunnen vermeerderen, kwam hij ten slotte nogmaals 
op het praktische nut terug, dat ook zulk een Museum kon 
opleveren voor een bestuur, dat zich op de hoogte der 
behoefte van de koloniën wil stellen, een eerst vereischte 
voor een wijs en met de ontwikkeling der inlandsche be- 
volking overeenstemmend bestuur en verder voor den handel 
en de industrie. Daarom was niet slechts een tentoonstelling 
zoo alleszins op hare plaats in een stad als Amsterdam, 
maar moest men het op prijs stellen, dat deze reeds inde 
verzameling van Natura Artis Magistra een rijken schat 
bezat, wanneer die collectie ook al niet gemakkelijk te 
overzien was, omdat de rangschikking, fraai uit artistiek 
oogpunt, wegens het gemis aan de noodige ruimte, uit 
wetenschappelijk oogpunt te wenschen overliet. Spreker 
eindigde met den wensch, dat de koloniale tentoonstelling 
o ok die collectie zou vermeerderen, opdat Amsterdam, dat 
in die tentoonstelling en in het ethnographisch onderwijs 
zooveel belang stelde en daaraan met het oog op zijn 
handel behoefte had, in het bezit van een behoorlijk ethno- 
graphisch Museum mocht geraken. 

Nadat de ondervoorzitter, de heer W. F. Versteeg, den 
spreker voor zijn boeiende causerie, waanüt weder een zoo 
uitgebreide kennis sprak, had dank gezegd, en dr. Dorn- 
seifFen nadere inlichtingen over het onderscheid tusschen 
ethnologie en ethnographie had gevraagd en verkregen^ 
werd de vergadering gesloten. 



De Internationale Aardrijkskundige 
TENTOONSTELLING 



TE VENETIË IN 1881 



DOOR 



W. F. VERSTEEG. 



Den ie September dezes jaars werd de tentoonstelling 
geopend, die aan het aardrijkskundig congres te Venetië 
verbonden was en gedurende die geheele maand voor het 
publiek toegankelijk zoude blijven. 

Voor die tentoonstelling was dat deel beschikbaar ge- 
steld van het gebouw, tegenwoordig voor Koninklijk paleis 
bestemd, dat aandePiazetta grenst, doch dat voorheen als 
bibliotheek-gebouw bekend stond. Als succursale wps daar- 
aan toegevoegd het voor deze gelegenheid vergroot pavilloen 
in den tuin bij dat paleis behoorende, dat in gewone tijden 
als koffijhuis eene gezochte verzamelplaats van Venetianen 
en vreemdelingen is en daartoe dan ook bij uitstek gun- 
stig gelegen is aan het uiteinde der Canale grande, dèièx 
waar die groote waterstraat zich met de lagune vereenigt 
en aan de overzijde zulk een prachtig uitzicht biedt op 
de kerk San Maria del Salute en het eiland San Georgio 
maggiore met vergezichten op de Lidi en San Lazzaro op 
landtongen of eilanden gelden ter linkerzijde van de ten 
allen tijde voor groote uit de Adriatische zee komende 
schepen bruikbare invaart Malamocco. 

De indeeling der verschillende op de tentoonstelling 
vertegenwoordigde Staten was op zoodanige wijze gemaakt, 
dat, van de Piazetta uit gezien, op de e^rsU verdieping 
Italië, Frankrijk, Chili en Oostenrijk de beschikbare ruimte 
rechts /an den ingang innamen, terwijl links daarvan 



Canada, de Argentijnsche Republiek, Griekenland, Brazilië 
Egypte, Japan en België hadden tentoongesteld, 

Op de tweede verdieping vond men Nederland, Duitsch- 
land, Zwitserland, Spanje, Hongarije en de Verecnigde 
Staten van Noord- Amerika : terwijl in het pavilloen voor 
Rusland, Groot -Brit tan je met de kolonie Victoria en Zwe- 
den plaats was gevonden. Een en twintig staten hadden 
alzoo aan den wedstrijd deelgenomen; meerdere echter 
ontbraken; met leedwezen telde men daaronder in Europa: 
Denemarken, Noorwegen, Portugal en Turkije, terwijl ook 
van buiten ons werelddeel eene vertegenwoordiging van 
China en meerdere verafgelegen Staten zeer gewenscht 
zoude zijn geweest. 

Intusschen kan niet beweerd worden, dat de deelneming 
minder algemeen was dan in 1875 ^^ Parijs en schijnt het,, 
dat de onthouding van enkele staten o. a. van Denemarken 
in de hoofdzaak aan onmagt is toe te schrijven, wijl, hoe- 
zeer ook door de geleerden gewenscht, geene ondersteuning 
van regeeringswege is kunnen verkregen worden, die trou- 
wens ook in andere rijken en daaronder bij ons te wen- 
schen heeft overgelaten en welke onthouding — de oor- 
zaken die er toe geleid mogen hebben in het middeiv 
latende — alleen is kunnen worden vergoed door de vrijgevig- 
heid van particulieren, die getoond hebben de eer van hun 
land op hoogen prijs te stellen en door de in verhouding. 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



tot hunne middelen wellicht te groote opofferingen die de 
•Genootschappen zich daarvoor hebben getroost. 

Laat ik mij haasten daarbij nu reeds aanstonds te 
voegen, dat die opofferingen, voor ons land althans, geen- 
zins zonder vrucht zijn gebleven, dat het — gelijk wij later 
gel^nbeid zullen hebben aan te toonen — eene waardige 
plaats heeft ingenomen op deze tentoonstelling, al was 
het dan wellicht niet zulk eene hooge als in 1875 het 
jeval konde zijn, toen de middelen daarvoor ruimer vloei- 
den. Aan inspanning van de zijde der daartoe aangewezen 
personen heeft het thans zeer zeker evenmin ontbroken en 
zij hebben de genoegdoening, dat hun werk allerwege bij 
-de deskundigen goedkeuring heeft mogen inoogsten. 

Was vroeger het congres in de bekende zeven hoofd- 
afdeelingen gesplitst, reeds te Parijs deed zich de behoefte 
:gevoelen, om van de derde en vierde afdeeling, de ethno- 
graphie, anthropologie en philologie af te scheiden en deze 
gezamenlijk tot eene zel&tandige afdeeling te verheffen. 
Het aantal afdeelingen is dus sedert tot acht geklommen 
-en deze indeeling werd, door plaatsing in even zoovele 
groepen of klassen, ook nu op de tentoonstelling door 
sommige natiën streng, door anderen met minder gelukkig 
gevolg, in acht genomen. Aan de Jury heeft zij althans 
ten bepaalden leiddraad gestrekt. 

In het algemeen genomen stond bij het tentoon- 
stellen zelve, vooral voor zooverre de algemeene aanblik 
betreft, het smaakvolle in geen enkel opzicht ten achteren 
bij hetgeen de Tuilerien in 1875 ^® aanschouwen sjaven; 
integendeel, er was meer maat gehouden, al hadden ook 
thans nog niet alle Staten zich tot het zuiver wetenschap- 
pelijke bepaald, dat wel is waar een emstigen, doch voor 
den deskundigen bezoeker daarom geenzins minder aange- 
namen indruk maakt, en dat men bij tentoonstellingen 
als deze, toch ook wel als een der hoofdvereischten mag 
aanmerken. 

ItaUe. 

In de eerste plaats hebben wij te spreken over Italië. 
Dit rijk was te huis, het konde en toonde ook een groo- 
ten rijkdom aan gegevens te willen inzenden; indien het 
om die reden eenig recht konde doen gelden om voor zich 
zelve te beschikken over de beide zalen (een kleinere en 
«en groote), die men bij het bezoeken der Tentoonstelling 
liet eerst betrad, overigens betoonde het ook hier in den 
waren zin des woords de gulste gastvrijheid. 

Voor hetgeen het in die beide zalen niet plaatsen 
konde — en dit was waarlijk niet weinig en niet van 



ondergeschikt belang — stelde het zich tevreden met 
lange, nauwe, soms zelfe donkere gangen, die de aldaar 
aanwezige zaken stellig niet alle behoorlijk tot hun recht 
deden komen, ten einde toch alle de verder beschikbare 
ruimte aan de vreemdelingen te kunnen overlaten. 

Italië was tehuis en hield het, met de stad Venetië aan 
de spits, open buiten het congres de eer van zijn land in 
de jongste septemberdagen meesterlijk op, niet minder 
deed het dat op de tentoonstelling, alwaar het door meer 
dan 1300 nummers op de meest waardige wijze was ver- 
tegenwoordigd. Terecht had het daarbij aan de geschied- 
kundige klasse in ruim 500 van die nummers de hoogste 
aandacht gewijd en onder meer ook daardoor aan het 
geheel eene aantrekkelijkheid bezorgd, die tot herhaalde 
en nogmaals herhaalde bezoeken noodigde en toch niet 
alleen den leek, maar bovenal den eenigzins ingewijde 
steeds onbevredigd liet, wijl men nooit tijd noch rust ge- 
noeg vond om zich naar hartelust te laven aan den schat 
die dddr was bijeengebracht. Moge dit ook ter mijner 
verontschuldiging strekken, indien ik al de verschillende 
klassen thans slechts hoogst vluchtig doorloop. 

De met zooveel roem bekende Topografische inrichting 
te Florence was natuurlijk een der voornaamste inzenders 
in de i* klasse. 

Spreken wij eerst over de géodesische werkzaamheden, 
dan hebben wij te wijzen op den arbeid der Italiaansche 
Commissie voor de Europesche graadmeting sedert 1865 
werkzaam en op de namen van Larenzoniy Schiaparelli 
en Celoria\ in vier banden waren aanwezig de geodetische 
in twee banden de astronomische waarnemingen sedert 
1875 verricht op de observatoria te Padua, te Brera, te 
Milaan en tot de juiste aaneensluiting met soortgelijken 
arbeid te Neuchdtel en op den Simplon in Zwitserland. 

Geheel nieuw was de voorstelling van het triangulatienet 
over geheel Italië gelegd in vier bladen op de schaal van 
één millioenste en in een enkel overzichtsblad op de helft 
dier schaal; wezenlijk belangwekkend het overzicht van 
het geodetisch net — voor zooverre dit gereed is — dat 
Europa overdekt in zes bladen op de schaal van één-drie- 
millioenste. Dat genoemd instituut de op bovenbedoelden 
grondslag berustende topographische kaart van* het rijk 
publiceert op de schaal van 1:100,000 is bekend; daar- 
van bestaan thans reeds 277 bladen. Sedert een paar 
jaren is echter ook eene uitgave op i : 500,000 onderhan- 
den genomen, waarvan hier Sicilië en Calabrie konden 
worden te zien gegeven. Na al hetgeen over de wijze van 
reproductie, door den bekenden Avet indertijd ingevoerd, 
bekend is geworden, moet worden erkend, dat het werk 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



er waarlijk goed uitziet, dat langs dezen door de Italianen 
„fotoincisa" genoemden weg recht duidelijk en vooral op 
een afstand voor het oog behagelijk werk wordt verkregen. 
Zeer trokken ook de aandacht eenige der oorspronkelijke 
planchetvellen op de schalen in het lage terrdn van 1:25000 
en in het gebergte van i : 50000 met de daarvan vervaar- 
digde fotolithografische afdrukken. 

Deze inzending bevatte bovendien nog eene belangrijke 
verzameling origineele fotografische reliëfs en panorama's, 
o. a. van het Gran Paradiso en van de Cava di Colonnata 
in de Apuaansche Alpen; welke eene toepassing, en wel 
eene zeer gelukkige, van de fotografie bij terreinopmeting 
op ruimer schaal te zien gaf, dan tot dusverre ooit het 
geval is geweest en die het nut daarvan, vooral in zwaar 
bergterrein, m. i. volkomen bewijst. Chrömo-lithografische 
stedenplans als van Rome en Florence m2t onmiddelijke 
omgeving op de schaal van i : 25000, maakten eveneens 
een goed figuur. 

Behalve vele, naar *t schijnt goede, instrumenten, waar- 
onder van geheel nieuwe constructie, o. a. eene theodoliet 
van Lobbia en andere uit de officina Galileo te Florence 
met tachéometers van Salmoiraghi te Milaan, vielen in 
deze afdeeling ook vooral de werken over in Italië ver- 
richte hoogtemetingen van Prof Marinelli te Padua, in 
het oog. 

Vraagt men: waarop in de 2e klasse hoofdzakelijk de 
aandacht viel? dan kan het antwoord moeielijk anders 
luiden, dan door te gewagen van het Ministerie van Marine 
en het daaronder behoorende hydrografisch bureau te Genua, 
dat een vijftigtal kustkaarten en havenplans, eene belang- 
rijke verzameling instrumenten en eenige in den handel 
gebrachte boekwerken ten toon stelde en door welk geheel 
men wel een allergunstigst denkbeeld moest opvatten van 
den toestand, waarin die dienst tegenwoordig onder het 
zoo deskundig beheer van den kolonel Magnaghi verkeert. 
Trouwens zulks had men eenig recht te vermoeden, als 
men bedenkt, dat Italië zijn onderzoek der zeeën en kus- 
ten niet meer tot het eigen gebied bepaalt, maar zich 
zelfs verre daar buiten op reizen om de aarde, zooals met 
de Magenta^ de Vettor Pisani en andere onledig houdt. 
Waren de zeekaarten bezienswaardig, de instrumenten, o. a. 
een reflectie-cirkel door Magnaghi ontworpen en naar hem 
genoemd, muntten uit, gelijk ook die voor diepzee-lodingen 
en temperatuurbepaling in de diepte, welke op een weten- 
schappelijken kruistocht in de Middellandsche Zee door dien 
bekwamen officier zijn gebezigd, door deskundigen hoog 
werden geroemd. Onder de in den handel verkrijgbaar ge- 
stelde zaken noem ik albums en registers der vuurtorens 



en andere kustmerken op de Italiaansche kusten en die 
van aangelegen vaarwaters. 

Hier had ook het Ministerie van Openbare Werken zich 
beijverd, om hetgeen ten aanzien van rivier-onderzoek en 
verbetering o. a. van de Poy de Etschy de Brenta^ de Tütno, 
de Arno en de Tiber in de jongste tijden verricht is, op 
waardige wijze te doen zien, gelijk ook de drooglegging 
van het Fucine-meer door Prins Tarlania en de water- 
werken te Venetië en in de lagune tot stand gebracht, 
welke laatste echter slechts een klein begin schijnen te zijn 
van hetgeen men met die merkwaardige, in vorige eeuwen 
zoo beroemde, zeehaven voor heeft. 

Enkele particuliere inzendingen als de telemeter vanden 
admiraal Fincati^ zelfregistreerende peilschalen, maréografen 
enz., verdienen hier nog vermelding en — ofechoon nu juist 
niet hier tehuis behoorende — wensch ik nog het model 
eener oud-Venetiaansche trirême te noemen, zoo als admi- 
raal Fincati zich voorstelt, dat die in de i6e eeuw zal 
geweest zijn en waarvan hij op de ware grootte, een deel 
in een der dokken had doen te water laten, om belang- 
stellenden te doen zien, dat, indien de roeiers werkelijk op 
die wijze geplaatst werden (een punt waarover de geleerden 
het niet eens schijnen te zijn) alsdan het vaartuig op zeer 
gemakkelijke wijze in beweging gebracht en ook gehouden 
wordt. 

De 3e klasse bevatte de werken van de verschillende in 
Italië bestaande inrichtingen voor météorologie, als van 
het Ufficio centrale te Rome onder prof. Facchini, van het 
Venetiaansch observatorium onder prof. Tono en vooral 
van de Assoziazione meteorologica Italiana, dat zijn ob- 
servatorium te Moncalieri heeft onder pater Denza en 
behalve zijne publicatien ook de voornaamste aldaar in 
gebruik zijnde instrumenten tentoonstelde. Pxof. Mari^ 
nelli van Padua zond de waarnemingen te Udine uitgege- 
ven en de reeds genoemde Ufficina Galileo te Florence 
had ook hier de gelegenheid geenszins verwaarloosd om 
zijne voortreffelijke instrumenten te doen aanschouwen. Op 
natuurhistorisch terrein vond men de Annalen van het 
vooral in de laatste tijden zoo verrijkte Museum te Genua 
onder den bekenden Doria en de werken van het Vene- 
tiaansch instituut; op ichtyologisch gjebied die van Fosca- 
rini te Venetië, van Canestrini te Padua en van het Zoö- 
logisch Station te Napels, doch boven allen blonk hier 
prof. Enrico Hillyer Giglioli i) uit, die met een vijftiental 
belangrijke zoölogische werken optrad. Behalve eenige 
geologische kaarten trokken ook hier de seïsmologische of 



i) De bekende wetenschappelijke medereiziger op de Magenta. 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



op aardbevingen betrekking hebbende werken de aandacht, 
met name de carta sismica d' Italia van prof. de Rossitn 
het werk over dat onderwerp van kapt. Gatta^ beiden te 
Rome; hetgeen te meer moest doen betreuren dat niets 
werd aangetroffen van den bekenden prof. Palmieri en de 
resultaten zijner waarnemingen op den Vesuvius. 

Buiten enkele craniometers uit de reeds herhaaldelijk 
genoemde instrumenten fabriek te Florence, was in de 
4* klasse weder de Florentijnsche hoogleeraar Giglioli de 
voornaamste en bijna de eenige die de eer ophield met 
zijne ethnologische werken, waaronder vooral die hande- 
lende over de Badoeis en Tengerezen op Java, de eenige 
aldaar overgebleven inlanders, die nimmer den Islam om- 
helsden, zoo ook die over de Negrito's de aandacht van 
ons, Nederlanders, moesten trekken. 

De 5* of geschiedkundige klasse vormde — gelijk wij 
reeds opmerkten — het glanspunt van Italie's tentoon- 
stelling. 

Heb ik dikwijls veel leed gevoeld een zoo volslagen leek 
te zijn in dit belangrijk onderdeel der aardrijkskundige 
wetenschappen en was dit bij mijn bezoek aan Venetië 
weder in niet geringe mate het geval, thans, nu ik het 
gewaagd heb als verslaggever van het ddar geziene op te 
treden, zou ik mij daarin bijna kunnen verheugen, wijl het 
mij tot gegronde verontschuldiging zoude kunnen strekken , 
indien ik dit onderdeel geheel met stilzwijgen voorbijging. 
Daarmede kan ik zelve echter geen vrede hebben, doch 
roep in dubbele mate uwe toegevendheid in, indien ik het 
waag U een oppervlakkig denkbeeld van de schatten te 
geven door Italië, vooral door Venetië, ten toon gespreid. 

Meer dan 500 nummers waren aanwezig en toch hoorde 
ik geleerde Italianen beweren, dat men slechts een klein 
deel voor zich zag van hetgeen geleverd had kunnen wor- 
den; dat gebrek aan tijd de hoofdoorzaak was, dat men 
niet meer had tentoongesteld. Intusschen telde men on- 
der de tentoonstellers niet minder dan 33 musea, biblio- 
theken en andere^ openbare instellingen o. a. het ArsenaU 
marittimoy het Museo civico Corror en de Biblioteca Mar- 
ciana alle te Venetië, respectievelijk met 18, 78 en iio 
nummers, terwijl het overige door 69 verschillende 
particuliere eigenaars welwillend was afgestaan; waaruit 
moge blijken dat de deelneming toch nog al vrij alge- 
meen is geweest. En nu de inhoud van deze klasse : 
de geheele wand ter linkerzijde der 35 Meters lange, 
groote zaal der „Antica Biblioteca" was overdekt met 
kaarten; de daaronder overblijvende ruimte was voorzien 
van doorloopende vitrines, waarin kostbare portulanen en 
oude boekwerken. In het midden — ik z^g niet prijkte 



maar — bevond zich een rijk verguld op een stoel geze- 
ten Chineesch, doch deels op oud Europeesche wijze ge- 
kleed, beeld, dat Marco Polo moest voorstellen, zooals hij 
in China gecanoniseerd is; na veler oordeel was dit meer 
als curiositeit dan als opluistering van het overigens zoo 
schoone geheel aan te merken. 

Alle de tentoongestelde aardrijkskundige werken van 
vroeger tijd waren chronologisch en wel eeuws-gewijze ge- 
rangschikt, aanvangende met de 13e eeuw. Het oudjte 
voorwerp was, meen ik, een Arabisch instrument, een 
soort van astrolabium, van het jaar 1216; verder zag men 
instrumenten en diploma's, atkomstig uit de nalatenschap 
van Marco Polo van het jaar 1280; eene manuscript-kaart 
van de reis in 1345 door Fra Niccolo Poggibonsi naar 
Jerusalem gemaakt en een aantal andere merkwaardige 
oude zaken. De beroemde manuscript wereldkaart van 
Fra Mauro (1459)» twee meters hoog en breed was in 
eene lijst en achter glas gezet en photographien daarvan 
op dezelfde en ook op kleinere schalen vond men op de 
tentoonstelling in de 7e klasse ; o. a. een exemplaar ge- 
kleurd op de Topografische inrichting te Florence, zoo 
ook onder de gaanderijen van het Marcusplein in de win- 
kels uitgestald. Ik telde niet minder dan 70 portulanen^ 
de eene al rijker en prachtiger uitgevoerd dan de andere; 
de oudste droeg geen jaartal, doch werd gerekend van het 
einde der 13e of van het eerste begin der 14e eeuw te 
zijn : de oudste waarbij dat wel het geval was, was die 
van Petrus Vesconti di Janua van Venetië 13 18 en dat 
deze wijze aan voorstellen van landen, kusten en zeeën in 
Italië zeer lang in zwang is gebleven, moge ook daaruit 
worden afgeleid, dat de jongste der aanwezige portulanen 
van het jaar 1665 was, te Civita-Vecchia vervaardigd. 
Hen, die volledig wenschen te weten wat alzoo" was te 
zien gegeven en van waar dat alles afkomstig was, moet 
ik naar den catalogus verwijzen, waarin zij reeds vele ge- 
gevens zullen aantreffen. Ik wensch hier enkel nog maar 
te wijzen op den grooten voorraad oude instrumenten, die 
ook in verband met hetgeen uit andere landen was inge- 
zonden, stellig rijke stof, tot studie van den geleidelijken 
vooruitgang op dit gebied aanbood; op de reliefplans uit 
het maritiem arsenaal van Venelie afkomstic:, betreffende 
de forten Famagasta op Cyprus van 1571, di Suda^ di 
2^ra^ di Canea^ CJ^rö^/ja en andere op Candia van 1612 — 
1619 en van di Napoli in Morea van 1628; op drie uit- 
gaven van het Theatrum orbis terrarum van Abraham 
Ortelius en wel van de jaren 1592, 1601 en 1620 en ten 
slotte op een dertigtal hoogst interessante nummers in deze 
klasse te huis behoorend, van hetgeen door de Armenische 



lO 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



mechitaristische paters van het klooster San Lazzaro was 
ingezonden. Doch laat mij afscheid nemen van deze ver- 
zameling; wellicht geven meer ingewijden u daarvan een- 
maal een beter verslag, vooral wanneer zij hebben kennis 
gemaakt met een boekwerk: „Saggio di Cartografia della 
Regione Veneta" ter gelegenheid van dit congres uitgege- 
ven door de Venetiaansche afdeeling van het Vaderlandsch 
Geschiedkundig Genootschap, dat zeer beleefdelijk aan elk 
der aanwezige congresleden, zoo ook aan ons Genootschap, 
ten geschenke is aangeboden en eene omschrijving van 
manuscripten en andere kaartwerken uit de provincie Ve- 
netië bevat, aanvangende met de elfde eeuw en in bijna 
2200 nummers tot den tegenwoordigen tijd toe, doorloo- 
pende. 

De 6e klasse leverde het bewijs, dat de statistiek in 
Italië geenszins wordt verwaarloosd; behalve een belangrijk 
aantal monografien op statistiek, oeconomie en administra- 
tieve aangelegenheden van afzonderlijke provinciën betrek- 
kelijk, vond men verslagen over het geheele rijk als van 
volkstelling, van voor den dienstplicht geschikt bevonden 
lotelingen, van reizigers- en goederenvervoer langs land- 
en waterwegen enz. Kaarten en diagrammen betreffende 
spoor- en gewone wegen, post en telegraaf-verkeer ; jaar- 
lijksche vordering van den Gotthard-tunnel, assurantie- 
overzichten en kaarten. De voornaamste inzenders waren 
hier het Ministerie van Openbare Werken en dat van 
Landbouw, Nijverheid en Handel beide te Rome. 

De 7e klasse bevatte eene voor kaarten-reproductie zeer 
belangrijke verzameling; de cromolithografie werd daarin 
vertegenwoordigd door twee voorbeelden, zoo ook de zoo- 
genoemde „foto incisione", de fotolithografie, de foto 
zincografie en de paniconografie. 

Jammer dat alleen de resultaten, niet ook de steenen 
zelve, de koper-matrijzen, zinkplaten enz. in verschillenden 
graad van bewerking waren bijgevoegd, hetgeen bij de 
Fransche en ook bij de Nederlandsche afdeeling met zoo 
gunstig gevolg is geschied en waardoor men zich in een 
©ogenblik tijds rekenschap kan geven van de werkwijze 
daarbij gevolgd en de verschillen in toepassing van een 
procédé kan nagaan. De hierbedoelde verzameling was, 
gelijk men vermoedt, niet afkomstig van particuhere uit- 
gevers, die zich in den regel de weelde van zoo onder- 
scheiden wijze van werken niet kunnen gunnen; zij was 
ingezonden door de Topografische inrichting te Florence, 
waarvan in de ie klasse reeds uitvoerig melding is gemaakt. 
Dat instituut gaf hier ook nog een paar nieuwe relief-plans 
van de beide groote Italiaansche vulkanen Vesuvius en 
Etna; het eerste bijna in den waren (zij het dan ook 



verkleinden) vorm, wijl de hoogte schaal i : 20000 slechts 
weinig van de horizontale 1:25000 verschilt; bij het plan 
van den Etna daarentegen bedroeg de eerstgenoemde schaal 
(1:25000) slechts de helft van de horizontale. Alle verdere 
inzendigen in deze klasse waren afkomstig van particulieren 
of van scholen. De laatste gaven door scholieren geteekende 
kaarten ten beste en — zijn deze daarbij niet geholpen — 
dan moet men erkennen dat van dit, geenszins onbelang- 
rijk, onderdeel van het onderwijs in de aardrijkskunde veel 
werk wordt gemaakt. Ziet men daarbij de vele leerboeken 
voor de verschillende graden van dit onderwijs in het al- 
gemeen, dan wint de meening veld, dat ook de overige 
onderdeelen geenszins worden verwaarloosd. Vooral de 
werken van professor Hngues van 1877 — 79 te Rome 
uitgegeven, die der hoogleeraren Pacello en Carraccioio te 
Napels en Bini te Florence, schijnen daarvan getuigenis 
af te leggen; wat uitgevers van schoolwandkaarten en 
atlassen betreft, muntten Artaria te Milaan, Scioldo te 
Turin en Marani te Napels uit. 

Belangrijke inzendingen van aardrijkskundige werken vond 
men van Treves te Milaan, Loescher te Turin en van Ev- 
genius Balhi^ die een volledig stel der werken van Adriaan 
Balbi 1808 — 1845 en van hemzelven 1841 — 1876 tentoon 
stelde. Opmerking verdiende hier ook nog de reliefkaart 
van Umbrie van Cheruhini en de kaart van Frioul van 
Professor Marinelli van profillen en eene menigte hoogte- 
bepalingen voorzien. Ik mag echter van deze klasse geen 
afecheid nemen zonder Guido Cora genoemd te hebben, 
den jeugdigen, kundigen, eene haast onverklaarbare werk- 
kracht betoonenden redacteur van de met zooveel roem 
bekende Cosmos, waardoor hij hier zoo voortreffelijk ver- 
tegenwoordigd was, terwijl hij zich in persoon op het con- 
gres als een der secretarissen verdienstelijk maakte. 

In de 8ste klasse, die der ontdekkingstochten en weten- 
schappelijke reizigers, behoefde Italië ook waarlijk voor 
andere staten niet onder te doen. Gezwegen van vroegere 
beroemde reizigers, zag men hier met de resultaten van 
hun streven mannen optreden als Beccari, de beide d'Al- 
berttSy Cervi, de abt Beltramo, Guffo, CamperiOy Sella^ 
Haimann^ Giglioli en anderen. Terwijl luitenant Vasari 
het geluk had in persoon te kunnen tegenwoordig zijn om 
te verhalen van zijne juist volbrachte reizen dwars door 
Noord- Afrika, had men dat voorrecht zijnen reisgenoot en 
chef, kapitein Manteucci ook zoo gaarne gegund; dat had 
niet zoo mogen zijn: nog voor dat hij zijn vaderland ver- 
mocht weder te zien, was die koene reiziger aan de ge- 
volgen der doorgestane vermoeienissen en ontberingen te 
Londen bezweken. Meer dan het phantastisch beeld van 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



Marco Polo in de sde klasse voldeed dan ook hier het 
met lauweren en immortellen omkranste levensgroote af- 
beeldsel van dezen martelaar der wetenschap. Enrico (TAl- 
beriis zond zijne kruistochten met de „Volante**, Lui^ 
Maria zijne reizen naar Nieuw Guinea en omliggende 
eilanden, verzeld van een zestigtal ethnografische en anthro- 
pologische fotografien. Giglioli de beschrijving zijner reis 
om de aarde met de „Magenta" i) en andere geschriften 
van zijne hand, o. a. ook betreffende Odoardo Beccari's 
reizen. Het Genootschap voor handels-onderzoekingstoch- 
ten in Afrika te Milaan zond de kaarten van Cyrenaica 
ontstaan ten gevolge der reizen van Catnperio en zijne 
medgezellen, benevens eene wandkaart van Noord-Oost- 
Afrika, schaal i : 3.125000 door Carlo Pedrone te zamen 
gesteld; de eerwaardige hoogleeraar abt G. Beltrame me- 
morien over het centraalgedeelte van Afrika, alwaar hij 
in de omstreken van den witten Nijl nagenoeg een kwart 
eeuw heeft doorgebracht; Carlo de Amezaga zijne reize 
met de„Rapido"in de Roode Zee naar Assab; Graffangi 
de reis met de „Vettor Pisani*' van 1874 — 77 en hiermede 
noem ik nog slechts het voornaamste, het meest in het 
oog vallende. Ook de Italiaansche Alpenclübs hadden de 
sprekendste blijken van deelneming gegeven ; die van Rome 
onder den senator Ponsi door de inzending van meer dan 
80 nummers, waaronder vooral op geognostisch en bota- 
nisch gebied; die van Turin met prachtige panorama's, 
die van Vicenza, Bologna en Udine met hunne geschriften. 
Met mij zult gij moeten erkennen, dat het land, dat 
ditmaal de Aardrijkskundige Tentoonstelling herbergde, 
zich daarvoor in hooge mate door eigen inzendingen heeft 
verdienstelijk gemaakt en getoond, zoowel van den kant 
den gouvernements, en der bijzondere instellingen, als van 
die der bijzondere personen daarvoor alles over te hebben. 

Frankrijk. 

Frankrijk's tentoonstelling, hoezeer nog niet de helft 
der nummers bevattende van hetgeen het te Parijs in 
1875 ha^> '^'^^^ ^i^r zonder twijfel onder de eersten ge- 
teld worden van die der vreemde mogendheden, die aan 
dezen edelen wedstrijd deelnamen. Om niet te wijd- 
loopig te worden zal ik echter over deze inzendingen 
nog vrij wat vluchtiger moeten heenloopen, dan ik dit 
reeds met Italië deed en mij dus stipt bepalen tot datgene, 



i) Het exempl. daarvan, dat hij mij vereerde, gaf ik aan de biblio- 
theek van ons Genootschap in bruikleen, opdat de leden de gelegen- 
heid zouden hebben desverlangd daarmede kennis te maken. 



wat mij onder het vele aanwezige het meest meldenswaar- 
dig toeschijnt. 

Dit doende, zoo valt al aanstonds aan te teekenen hoe 
krachtig alle Ministerien — departementen van algemeen 
bestuur — er, nagenoeg zonder onderscheid, toe hebben 
bijgedragen om 's lands eer bij dit internationaal weten- 
schappelijk feest in hooge waarde te houden. Meer dan de 
helft der ingezonden nummers en daaronder zonder twij- 
fel de meest belangrijke waren uit die bronnen afkomstig ; 
terwijl slechts de kleinste helft door genootschappen en 
bijzondere personen was aangebracht. 

Het levensgroot portret van den onlangs overleden admi- 
raal La Roncière Ie Noury, voorzitter van het Parijsche 
Congres, dat de geestvolle doch tevens zoo innemende ge- 
laatstrekken van dien waardigen en voor de aardrijkskunde 
zoo verdienstelijken man getrouw teruggaf, vormde voor 
hen, die hem gekend hadden, een hoogst aantrekkelijk plekje 
in de aan Frankrijk afgestane zalen; de aandacht van het 
groote publiek werd daar echter waarschijnlijk meer geboeid 
door enkele ethnografische voorstellingen, o. a. eene bruid 
uit Bretagne met hare omgeving in nationaale kleederdracht, 
eene niet onverdienstelijke navolging van onze Hinloper- 
kamer op de wereldtentoonstelling van 1878. 

Doch laat ons de verschillende klassen geregeld doorloo- 
pen, dan treffen wij in de eerste de algemeene waterpas- 
kaart van Frankrijk op de schaal van i : 80000 in zes 
bladen, met tranches op 100 meters onderling hoogte ver- 
schil, gelithografieerd en in drie kleuren gedrukt, waarvan 
het begin trouwens in 1875 reeds te zien was; de nieuwe 
topografische kaart van het rijk op i : 50000 in fotozin- 
cografie met vijf kleuren, eene wijze van reproductie die 
in Frankrijk bij den Generalen staf meer en meer genade 
schijnt te vinden en zeer eenvoudig in de toepassing is. 
De terreinkaart toch wordt op transparant papier geteekend 
en die teekening gelegd op de zinken plaat, die vooraf met 
asphalt bedekt is. Aan het licht blootgesteld wordt het beeld 
dat zich alsdan op de zinken plaat vormt ontwikkeld 
door middel van terpentijn en daarna geetst. Be- 
dekt men de plaat daarna andermaal met asphalt, 
dan vat deze niet meer op de plaatsen, waar het beeld 
zich bevindt, zoodat daarop terstond de inktrol kan wor- 
den aangewend en dan de plaat tot afdrukken geschikt is; 
terwijl de kleuren door middel van latere overdrukken 
worden aangebracht. 

Op de tentoonstelling was dit alles in de verschillende 
phasen die het doorloopt zeer bevattelijk voorgesteld en, 
behalve bij de reeds genoemde kaart, vond men het procédé 
reeds toegepast op de chorografische kaart, schaal i : 200000 



12 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



die in 77 bladen zal verschijnen ; op eene verbeterde uit- 
gaaf der bestaande stafkaart i : 80000, welke nieuwe editie 
in het begin des vorigen jaars is aangevangen ; op de kaart 
van het Departement der Seine i : 20000, die 36 bladen 
zal bevatten en op de topografische kaart van Algiers i : 50000. 
Het werk zag er in waarheid fraai uit; toch isdechromo- 
lithografie nog niet geheel verlaten, gelijk uit andere voor- 
beelden door die dienst ingezonden bleek: van nieuw werk 
in kopergravure vond men echter geen spoor meer. De 
geodesische kaarten, Frankrijk en Algiers betreffende, uit 
enkel lijnen bestaande waren in gewonen steendruk. 

De opmetingen der Genie worden weder op eene andere 
wijze vermenigvuldigd, die ook op de tentoonstelling in elk 
stadium der bewerking was voorgesteld en „Topogravure*' 
wordt genoemd; het is een dergelijk soort van heliografie 
als tegenwoordig ook te 's Hage wordt toegepast en waar- 
op, al naarmate de lichtgevoelige grondstof die men aan- 
wendt, een aantal varianten zijn te vinden. 

Beide die militaire regeeringsinstellingen hadden ook de 
in gebruik zijnde instruip enten ingezonden, waaronder de me- 
ridiaancirkels van de gebroeders -örz^ww^r, de tijdmeetinstru- 
menten van Bréquet en vooral de „projecteur de lumière élec- 
trique" van kolonel Maugin^ die gediend heeft bij de 
signalen, om Spanje met Algiers geodetisch te verbinden, 
opmerkenswaardig waren. 

Particuliere inzendingen bevatte deze eerste klassen in 
het geheel niet, terwijl zij zich in de volgende ook tot zeer 
enkele kaart- en boekwerken bepaalden. Nevens enkele 
nummers van het Ministerie van Openbare Werken op het 
bassin der Seine betrekkelijk, stond daar het Ministerie 
van Marine alleen; doch deze inzending was dan ook 
hoogst belangrijk en bestond uit eenige boekdeelen met 
kustkaarten en zeilaan wijzingen, jaarboeken van getijden 
en andere hijdrografische bijzonderheden, gebruiksaanwij- 
zing van instrumenten, maar vooral uit eene kostbare 
verzameling van wind-, zee- en stroomkaarten, van platte 
gronden van havens en van reeden, allen van den laatsten 
tijd. Bij de meeste dezer kaarten was de kopergravure 
behouden. 

De 3' klasse was minder gevuld; eenige nieuwe bladen 
van de bekende geologische kaart van het Rijk op i : 80000, 
eene geologische schetskaart der Tunesische Chotts door 
Leon DrUy soortgelijke onderzoekingen door Velain op de 
eilanden van den Indischen Oceaan gedaan, vormden met 
de nieuwste werken van Daubrée het geologisch deel. Voor 
zoölogie konden reeds verscheidene afleveringen van het 
grootewerk van Milne Edwards en Grandidier over Ma- 
dagascar worden getoond, gelijk mede eene fauna voorde 



eilanden Paul en Amsterdam. Voor meteorologie waren 
het de waarnemingen over 1879, met de kaarten van het 
meteorologisch instituut, aangevende de isobaren en iso- 
termen over dat jaar en soortgelijke kaarten van Teisse- 
rau de Bort, die zich over geheele aarde uitstrekten. 
Voorts nog eene orografische studie Algerie en Marokko 
betreffende van kapitein Titre en enkele andere werken. 

In de 4" klasse had het ethnografisch museum op het 
Trocadéro te Parijs de reeds genoemde voorstellingen inge- 
zonden, doch behalve deze en de werken van het Indo- 
Chineesch genootschap, waren het hier professor de Qua- 
irefages en Dr. Hamy van het anthropologisch genoot- 
schap met hunne werken, de laatste ook met zijne instru- 
menten voor ligchaamsmetingen en vele photografien van 
diverse rassen en typen, die zich hadden doen vertegen- 
woordigen. Terecht had Frankrijk begrepen, dat het zich 
bij inzendingen voor de historische klasse zeer moest be- 
perken; dat het op dit gebied ontzaggelijk veel kan is in 
1875 bewezen en U toenmaals door Dr. Dornseiffen zoo 
helder uiteengezet. Te Venetië zullen er nauwelijks een 
tachtigtal nummers geweest zijn en daarbij kwam vooral 
in aanmerking de inzending van de Commissie voor de 
historische monumenten, die teekeningen van een twaalftal 
kunstscholen, geschiedkundig merkwaardige monumenten 
uit verschillende provinciën voorstellende, zoo ook afbeel- 
dingen van Megalitische en Romeinsche monumenten in 
Frankrijk en Algerie aanwezig, inzond. Verder zag men 
een dozijn oude werken op de ontdekking van Amerika 
betrekkelijk, o. a. de reizen van de La Salie en anderen 
door Rouaan aangeboden. De Nationale Bibliotheek had 
zich tot een paar nummers bepaald op Italië betrekking 
hebbende, b. v. eene „notice des provinces de TEmpire." 
manuscript uit de 6* eeuw. Een vijftal uitgevers hadden 
historische werken gezonden en ook het Ministerie van 
Onderwijs eenige oude werken over de Levant, China en 
Japan; het museum van St. Germain ettelijke kaarten en 
boeken over Celtische en oud Gallische toestanden en 
het Ministerie van Buitenlandsche Zaken eindelijk eene 
kleine doch schoone verzameling manuscript-kaarten, 
waaronder ik eene wereldkaart in 10 bladen van 1559 ^^ 
eene kaart van Jean Blaer (1654) op perkament, Malesia 
voorstellende, opmerkte. Het aantal kaarten, diagrammen 
en werken, statistische gegevens bevattende over alle denk- 
bare onderwerpen, was in de zesde klasse overgroot en 
grootendeels van de regeering afkomstig; een bewijs dat 
daaraan, en zulks zeker niet ten onrechte, in Frankrijk 
hooge waarde wordt gehecht. Intusschen vergeve men het 
mij, dat ik daarbij thans niet stilsta, maar terstond overga 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



13 



tot de volgende klasse, die niet minder sterk, zoo al wellicht 
niet even goed, bezet was. Hier behooren eigenlijk de wijzen 
van reproduceren van kaarten te huis, die ik hooger reeds 
behandelde; intusschen deed het mij genoegen te zien, dat 
het werk van teekenaren ten behoeve dergenen die kaar- 
ten te samen stellen en daartoe zelve bij lange niet altijd 
in staat zijn, zoo ook van dezulke die het beste teeken- 
werk ten behoeve der héliogravure verrichten en waarvan 
het slagen van dat werk voornamelijk afhangt, hier door 
Frankrijk eenigzins op den voorgrond werden gesteld. Dat 
zijn waarlijk niet minder nuttige schakels in de rij derge- 
nen die moeten samenwerken tot het tot stand brengen 
van schoone, duidelijke en nauwkeurige kaarten. Onder de 
eerste der door mij bedoelde cathegorien noem ik Z. 
Hansen^ die zich voor het Parijsch aardrijkskundig Ge- 
nootschap en bijzondere uitgevers verdienstelijk maakt; 
onder de andere soort verdient Thuillier vermelding, die 
veel voor den Generalen staf arbeidt. 

Van de reeksen gemeente- en departements-kaarten, de 
laatste op de schaal van i : looooo, die door Binnenlaud- 
sche Zaken worden uitgegeven en jaarlijks in aantal toe- 
nemen, waren op deze tentoonstelling de nieuwste aanwe- 
zig. Ook bleek het aldaar, dat de afdeeling Koloniën aan 
het Marine-ministerie ijverig voortgaat, om belangrijke bij- 
zonderheden vooral betrekkelijk Cochin-china het licht te 
doen zien; het rapport over het onderzoek der rivier van 
Tongkin van de Kergaradec haal ik als voorbeeld aan. 

De vele Fransche aardrijkskundige Genootschappen vooral 
dat van Parijs en van Marseille, doch ook die van Bor- 
deaux, Rocheforten Rouaan, konden gerust voor den dag 
komen met hunnen arbeid van de laatste jaren. Dat van 
Parijs gaf bovendien beschikbare doch nog onuitgegeven 
manuscripten te zien, o. a. handelende over de reizen van 
Crevaux en bovendien ook in zijn archief aanwezige zaken, 
over welker uitgave nog geen besluit schijnt te zijn geno- 
men, b. V. de kaarten van den witten Nijl en omstreken 
-van d* Arnaud-Bey, vervaardigd naar aanleiding zijner 
nu reeds 40 jaren geleden gedane reizen. Datzelfde Ge- 
nootschap — het oudste der vele tegenwoordig bestaande — 
gaat zich ook nog op andere wijze verdienstelijk maken 
•door het publiceeren van lijsten van bijzondere aardrijks- 
kundige biblografien, waaruit met een oogopslag zal kun- 
nen worden nagegaan wat er belangrijks is uitgegeven 
over elk land in 't bijzonder. Van de 1177 artikelen die 
Hiit werk zal bevatten, zullen ook een veertigtal aan ons 
land en zijne koloniën worden gewijd. 

Tn deze klasse treffen wij overigens de werken aan van een der- 
tigtal ui^evers; de voornaamste hunner zijn algemeen bekend. 



Erhard door de werken van Maltebrun, VioUet Ie Duc 
en anderen, 

Hachette door die van Reclus. Cortambert, Joanne enz. 

Delagrave^ de uitgever van evengenoemd Genootschap, bij 
wien vooral professor Levasseur voortgaat zijne groote werk- 
zaamheid te betoonen en in verband met mejufvrouw 
Kleijnhensy en met anderen steeds nieuwe reliefkaarten 
van allerlei aard uitgeeft. 

Ontbraken hier, wellicht niet ten onrechte, vele der klei- 
nere uitgevers die men te Parijs had ontmoet, met hunne 
voor het onderwijs niet altijd even bruikbare zaken, enkele 
nieuwe trof men aan, die de zaak werkelijk goed schijnen 
in te zien, b.v. Baudoin met de militaire aardrijkskundige 
werken van Niox^ de gebioeders Delalain, Colin en Co, 
en anderen. 

Op grond waarvan Garnier in deze klasse voor zijne 
reeds te Parijs in 1875 aanwezige werken over de Vogesen 
nogmaals bekroond is, heb ik niet kunnen nagaan. Maar 
ik hield mij reeds te lang met Frankrijk bezig en zal mij 
daarom voor de 8e klasse enkel bepalen, de namen te noe- 
men der reizigers die zelve het congres met hunne tegen- 
woordigheid vereerden : zooals de LessepSy Cr&vaux^ Dutreil 
du Rhinsy Revoiiy Soleillet ; dan wel alleen door hunne 
bereids uitgegeven of nog onderhanden werken bekend zijn 
en daarvan proeven op de tentoonstelling hadden als Gran- 
didier^ Savorgiian de Brazza, Montano, Moreno, Chevarter 
-ö/((7y^/ en anderen. De instelling der „missions scientifiques 
aan het Ministerie van Onderwijs draagt rijke vruchtenen 
het ware te wenschen dat andere natiën, doch vooral ook 
Nederland zich aan dat schoone voorbeeld spiegelde. Een 
enkele uitgever, die zich door de verspreiding van werken, 
op ontdekkingsreizen betrekkelijk, verdienstelijk maakt 
Maurice Dreifous te Parijs, zij ten slotte nog genoemd. 

Engeland. 

Engeland's inzending op de tentoonstelling was eene 
zeer bijzondere; particulieren noch genootschappen hadden 
daaraan deelgenomen, alleen enkele gouvernements-instel- 
lingen als de Admiraliteit, het Geodesisch instituut der Ar- 
tillerie en het Ministerie van Koloniën hadden zich doen 
vertegenwoordigen. Al het overige was uit de Engelsche 
koloniën, doch evenzeer van officieele zijde afkomstig. Die 
omstandigheid heeft intusschen niet belet dat deze tentoon- 
stelling tal van merkwaardige zaken bevatte, die de aan- 
dacht der deskundigen zeker in hooge mate heeft getrokken, 
al leverde ze overigens in hare onderdeelen ook betrekkelijk 
al zeer weinig afwisseling. Het waren kaarten, boeken ea 



14 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



instrumenten en nogmaals instrumenten, kaarten en boeken 
anders niets; voeg daarbij dat alles, hoewel ruim en licht, 
toch — zooals wij zagen — eenigszins in een afgelegen 
hoek was opgesteld, dan kan het weinig verwondering baren 
dat het velen gegaan is als mij en zij dit gedeelte meer 
dan vluchtig zijn voorbijgegaan. Nader daarop opmerkzaam 
gemaakt heb ik gelukkig nog de gelegenheid gevonden, vóór 
mijne afreize van Venetië die schade eenigszins in te halen. 
De Admiraliteit bood hier ruim een diehonderdtal der 
zoo gunstig bekende en algemeen in gebruik zijnde zee- 
kaarten op alle kustlanden der wereld betrekking hebbende, 
waaronder vele van den laatsten tijd, met nog een dertigtal 
zeilaanwijzers en eenige zeemanstafels als van vloedgetijden, 
van afwijkingen van den magneetnaald en nautische alma- 
nakken. De zeekaarten zijn genoeg bekend; men weet dat 
de Engelsche Marine daaraan bijna op elke plek der wereld- 
zeeën rusteloos arbeidt en meer heeft geleverd dan wellicht 
alle andere landen te zamen. Dit deel der inzending moet 
onder de 2e klasse worden gebracht, doch Engeland had 
met e«;n voornaam „never mind^zich aan geene zoodanige in- 
deeling gestoord, hetgeen den verslaggever op zijne beurt 
dwingt de gedane inzendingen in haar geheel te blijven 
beschouwen. Zoo vond men onder die van het Geodesisch 
Bureau der Artillerie (ook iets zeer eigenaardigs) platte 
gronden van steden op zeer groote schaal 1:500, provincie 
kaarten op 1:2500 en bladen der geologische kaart van 
Engeland en Schotland door elkander. Waren de zeekaar- 
ten allen in kopergravure, hier trof men die ook nog aan, 
doch meer litografie en de nieuwere in fotozincografie. 
Enkele kadastrale en andere boekwerken besloten deze 
inzending. Engeland zelve — M telde het 443 nummers 
in den catalogus — gaf dus weinig verscheidenheid. Bij 
Engelsch-Indie was dit een weinig meer het geval; aldaar 
worden alle kaarten en verdere aardrijkskundige werken 
voor welk uiteenloopend doeleinde ook bestemd, op cen- 
trale inrichtingen vermenigvuldigd en, gaat de inzending, 
gelijk ook hier het geval was, van die centrale inrichtingen 
uit, dan moet van zelve meer verscheidenheid ontstaan. 
Eerstelijk trof men daar de kaarten en plans aan, die ten 
behoeve van Indie nog in Europa worden bewerkt en daar- 
onder platte gronden van steden op groote schaal, de 
nieuwste bladen van den „India Atlas" en deze wel zoo- 
danig uitgezocht, dat zeer uiteenloopende terreinsoorten, 
van af het hoogste gebergte tot de meest uitgestrekte vlak- 
ten en zeekusten daarop voorkomen, waardoor de werk- 
wijze het best in zijn geheel wordt gekend; andere kaarten 
op Indie betrekkelijk, enkele boekwerken, o. a. de beschrij- 
ving door kapitein Waterfumse gegeven van de wijze 



waarop in Indie de kaarten worden gereproduceerd, en 
waarover ik U bij eene vroegere gelegenheid reeds onder- 
hield, met serien van fotografien zoo van kaarten als van 
landschappen op glas: eindelijk eenige kaarten van ter- 
reinen in Afghanistan en aan de overzijde van de Hima- 
laya gelden, waaronder die van Sir Douglas Farsijth en 
een drietal de opmetingen door Pandits gedaan bevat- 
tende. Daarop volgden de in Indie zelve uitg^even kaarten. 
Eerst eene kleine serie, telkens dezelfde landstreek voor- 
stellende, doch op verschillende wijzen bewerkt, als in 
litografie, chromolitografie, fotozincografie en fotocoUotype, 
om tot vergelijking te dienen. 

'T is toch bekend dat men zich in Engelsch-Indie veel 
moeite heeft gegeven om de snelste, genoegzaam zekere 
en meest goedkoope wijze te vinden om te voorzien in de 
groote behoefte aan kaarten, die zich daar voordeed, totdat 
men zich ten slotte tot de fotozincografie bepaalde, die aan 
bovenstaande eischen schijnt te voldoen, zonder aldaar 
echter op een hoogen graad van schoonheid aanspraak te 
kunnen maken. Hoe de werkwijze is bij hetgeen aldaar 
als collotype bekend staat, is mij nog niet regt duidelijk 
geworden, ofschoon, het mij toeschijnt eene der vele metho- 
den van héliogravure te zijn. 

De aanzienlijke hoeveelheid uit Engelsch-Indie overge- 
zonden kaarten, allen in fotozincografie uitgevoerd, waren 
op zeer onderscheidene schalen, al naarmate de bedoeling 
die men daarmede heeft en welke dan eens van zuiver 
geodetischen aard is, als grondslag voor verder terreinwerk, 
dan meer zuiver topo- of geo-grafisch, hypometrisch, geolo- 
gisch, statistisch, dan wel ten behoeve van het kadaster. 
Een deel dezer kaarten is gedrukt op dezelfde schaal als 
waarop zij waren te zamen gesteld, het meerendeel echter bij 
de reproductie naar gelang der bestaande behoefte ver- 
kleind. Behalve nog een groot aantal platte gronden 
van dorpen, van diagrammen van hydrografischen 
aard op rivier-toestanden betrekkelijk en van meteorologi- 
schen aard met opgave der instrumenten, waarmede en 
van de oorden waar de waarnemingen zijn gedaan, trof 
men hier eene ware bibliotheek aan, een zestigtal boekdeelen 
bevattende, alle op de zoo uitgebreide, zooveel tijd ge- 
vorderd hebbende en zoo verschillende phasen doorloopen 
hebbende, opmetingen in Indie betrekkelijk en waarvan de 
hoofdinhoud ons door de memorie van den kundigen 
Clements R. Markham zoo goed is bekend geworden. 

Maar dat alles was nog niet genoeg: generaal ThuilUer, 
die zoo lange zelve met zooveel lof alle deze werkzaam- 
heden in de kolonie beheerde en die wij ditmaal de eer 
hadden op het congres te ontmoeten, schijnt gewild te 



/ 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



Ï5 



hebben, dat het Indische werk te Venetië van alle zijden 
koDde worden bezien, want nu volgde nog eene serie 
van instrumenten, die daarbij hebben gediend, en die 
meestal uit de werkplaatsen van Troughton en Sirams, van 
Barrow of Casella afkomstig waren. 

Eene verzameling zeekaarten, waaronder enkele alge- 
meene, doch voor 't grootste deel bijzondere kust en 
havenkaarten met de noodige zeilaan wij zingen bewees, dat 
ook het Indisch hydrografisch departement zich gaarne 
aan deze poging had aangesloten. 

Zweden. 

De kaart van het Koningrijk Zweden op de schaal van 
1 : 100,000, voor zooverre die gereed is, en die van enkele 
afzonderlijke departementen op de helft dier schaal, waren 
door den Generalen staf voor de ie klasse beschikbaar 
gesteld. Reeds te Parijs had de gelegenheid bestaan om 
met dit schoone, sedert dien tijd ijverig voortgezette 
werk kennis te maken. Buiten eenige zeekaarten door het 
hydrografisch bureau ingezonden vond men in de volgende 
klasse de werken van den hoogleeraar Eckmann over de 
expeditie in den Noord-Atlantischen Oceaan in 1877 met 
de instrumenten ter bepaling van de temperatuur van het 
ieewater in de diepte, waarover die geleerde eene brochure 
had geschreven, waarvan ik een exemplaar voor onze 
hibliotheek heb beschikbaar gesteld; verder toestellen om 
«estroomen op verschillende diepten te meten van den 
zeeofficier Arwidsson. Uit hetgeen de volgende klasse te 
zien gaf, mag men besluiten dat zoowel het geologisch 
departement te Stokholm als het meteorologisch instituut 
aldaar en dat te Upsala hunne werkzaamheden met kracht 
voortzetten, terwijl de fotografische afbeeldingen van 
wolkvormen door Hildebrand zeer de aandacht boeiden. 
Een album met schoone fotografien gaf aan hen, die buiten 
de gelegenheid waren geweest om de Zweedsche etnografi- 
sche tentoonstelling van 1878 — 79 te bezoeken, daarvan 
een goed denkbeeld. In de historische klasse zag ik, onder 
meer, een geteekende atlas van 152 kaarten, Ostrogothia 
voorstellende van de jaren 1635 — 1637. Economische 
kaarten op de schaal van i : 50,000 van de districten 
Stokholm^ Linkoeping en Fi'orbotien met ophelderenden 
text vonden nevens spoorweg- telegraaf- en boschwezen — 
verslagen van de laatste jaren in de 6e klasse hunne 
plaats. In de daarop volgende hadden eenige uitgevers 
kaarten en boeken voor het onderwijs in de aardrijkskunde 
ingezonden, wier inhoud wegens mijn volkomen gebrek 
aan kennis der taal, buiten beschouwing moet worden 



gelaten. Wat echter in de Zweedsche afdeeling ieders 
aandacht als het ware van alle andere zaken moest 
aftrekken was de verzameling Nordenskioeld. Belangrijk 
niet alleen in aantal, maar ook wegens de groote ver- 
scheidenheid en het nagenoeg geheel vreemde, geheel on- 
bekende, was deze in 't bijzonder op botanisch, anthro- 
pologisch, maar vooral op ethnografisch gebied. Op keurige 
wijze geëtaleerd lokte zij tot herhaald bezoek; in bijzon- 
derheden daarover wil ik niet treden, maar belangstellenden 
liever verwijzen naar de Nederlandsche uitgave van het 
werk van dezen zeker grootsten ontdekkingsreiziger dezer 
eeuw, door den hoogleeraar Kan bewerkt. 

Rusland. 

Bij de inzending van het groote Russische rijk was 
eene afzonderlijke van Finland gevoegd, die wij kortheids- 
halve maar gezamenlijk willen doorloopen. In het algemeen 
moet worden aangeteekend, dat indien er op de tentoon- 
stelling éen rijk geweest is, dat zich in den meest strikten 
zin bepaald heeft tot hetgeen sedert 1875 ^s verschenen, 
dit zeker van Rusland kan worden gezegd; alleen in de 
7de klasse — de didactische groep — vermeende ik onder 
de leermiddelen ten behoeve van het onderwijs voorwerpen 
te zien, die mij reeds van Parijs bekend waren; toen ech- 
ter werden deze door verschillende personen ingezonden, 
terwijl dat alles thans uitsluitend onder het paedagogisch 
museum van het Departement van Oorlog sorteerde, zoodat 
in dit opzicht nog een hoogeren graad van centralisatie 
schijnt te zijn tot stand gekomen, die stellig aan de een- 
vormigheid van het te geven onderwijs slechts ten goede 
kan komen. 

In de iste klasse bood dit rijk eenige instrumenten 
waarvan enkele volgens Russische aanwijzingen bij Repsold 
te Hamburg, het meerendeel echter te St. Petersburg zelve 
waren vervaardigd. Verder vier nieuwe deelen met memo- 
rien van geodetischen aard, allen ingezonden door de To- 
pografische afdeeling van den Generalen Staf, die ook, be- 
halve eenige overzichten over den verschillenden in den 
laatsten tijd verrichten arbeid, voorbeelden te zien gaf 
van het werk door de verschillende topografische sectien 
verricht en wel van de eigenlijke Russische sectie, die zich 
ook in het Balkangebergte en in Finland heeft bezig ge- 
houden, die de publicatie der bladen van de beide kaarten 
van het rijk op 1:126000 en 1:420000 ijverig voortzet, 
die Aziatisch Rusland op kleiner schaal behandelt en af- 
zonderlijke bladen van lurkestan, Kiva^ het Lop-noor en 
andere uitgeeft; van de Caucasische sectie, die Batuniy 



i6 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



Erivan en den ouden Oxus of Amoe-daria^ van de sectie 
Tachkent die Kouldja, Zerafchane, Ferghana, het meer 
Karakoul en andere onder handen heeft, en van de sectie 
Omsk, die de reizen van Potanine^ Perzofi tn Frzevaisky 
door Mongolië, Centraal Azië, het Pamir-plateau tot in 
China bewerkte. Alles van hoog wetenschappelijk belang 
en meerendeels tot dusverre geheel of althans grootendeels 
onbekende streken behandelende. Generaal Saernefeldt te 
Helsingfors had eene verzamelkaart aangeboden, aantoo- 
nende al wat ter zake tot nu toe in Finland is verricht. 
Nog zag men hier voorbeelden van de Russische kadastrale 
kaart en een reliefplan van Moscou geconstrueerd naar de 
nauwkeurigheids- waterpassing van Smirnoff en Bachkoff^ 
waarbij de hoogte-schaal op éen vierde van de horizontale 
was genomen. Het Aardrijkskundig Genootschap prijkt 
hier in 't bijzonder met den hypsometrischen arbeid van 
lillo zoo in Rusland zelve als tusschen de Caspische zee 
en het meer Aral verricht. 

Buiten een aantal zeekaarten op de Oost-, Witte-, Kas- 
pische- en Zwarte-Zee betrekkelijk, van Nova Zembla en 
den Stillen Oceaan, had het Ministerie van Marine in de 
2* klasse de noodige hydrografische beschrijvingen gele- 
verd en dat van Openbare wegen, duidelijke atlassen van 
rivierverbeteringen, als van de Wolga, de Dwina en anderen. 

In de 3* klasse was het de magnetische arbeid van den- 
zelfden Tillo die de aandacht trok, en in niet mindere 
mate die op meteorologisch terrein van Wild, den beken- 
den directeur van het observatorium en van Dr. Woieikaiv 
die zelve te Venetië aanwezig was; meerdere geognostische 
bescheiden trof men hier aan van verschillende deelen van 
het kolossale rijk, o. a. eene cartografie van den Russi- 
schen bodem, door de Ministeriên van Domeinen en van 
Oorlog in gezamenlijk overig te zamengesteld. Eene afzon- 
derlijke kaart van den geologischen arbeid in Finland op 
de schaal van i : 200000 in vier bladen, zoo ook eenige 
botanische bescheiden vandaar trof men aan. 

Het aardrijkskundig genootschap gaf in de volgende 
klasse de resultaten van het ethnografisch en statistisch 
onderzoek in West-Rusland, en professor Aspelin van het 
Finsche wetenschappelijk genootschap nieuwe archeologi- 
sche en ethnografische onderzoekingen dier in dat opzicht 
zoo merkwaardige landstreek. Slechts zeer enkele oude 
werken waren in de historische klasse ingezonden, doch 
wel overzichten van den inhoud der bestaande archieven 
van Buitenlandsche Zaken te Moscou. Van de nieuwere 
werken trok hier het meest de aandacht de kaart der 
Siberische kust, tusschen de rivieren Anadyr en Kolyma 
van den Kozak Nicolo Dauchine. 



Evenals in Frankrijk, was hier de statistiek in de 6' 
klasse zeer sterk vertegenwoordigd; men vond meer dan 
100 nummers van welke de helft door verschillende Ministe- 
riên als van de Domeinen, van het Boschwezen, der Fi- 
nancien, der Openbare Middelen van Vervoer en van de 
van Staatswege bestaande Comité's, in 't bijzonder het 
Centrale van St. Petersburg en dat voor den Caucasus 
afkomstig waren. Het Keizerlijk Russisch Aardrijkskun- 
dig Genootschap schijnt zich dezen tak niet minder ern- 
stig aan te trekken, gelijk het uit de 25 nummers, allen van 
den jongsten tijd, bewees. Ik moet mij slechts bepalen tot 
de aanteekening, dat in deze verzameling letterlijk alle 
denkbare onderwerpen behandeld waren. 

Over de 7° klasse sprak ik reeds met een woord: het 
pedagogisch museum heeft zijne verzameling leermiddelen 
in de navolgende onderdeelen gesplitst, als mathematische^ 
fysische, ethnografische, staatkundige en locale geogra- 
fie en in topografie; ongeveer 150 voorwerpen waren 
tentoongesteld, het meerendeel intusschen in de fysische 
en staatkundige afdeeling, Na hetgeen de heer Posthu- 
mus u daarover reeds, tengevolge van de tentoonstelling 
te Parijs in 1875, heeft medegedeeld, kan ik volstaan met 
op te merken, dat het toen verspreid aanwezige thans 
meer tot een volledig stelsel, tot éen geheel was zamenge- 
gebracht en werkelijk in het oogvallende uitbreiding had 
ondergaan. Uit Finland waren in deze klasse tot dusverre 
min algemeen bekende zaken, als de algemeene kaart van 
dat Groothertogdom op de schaal van i : 400000 en 
enkele leermiddelen, die echter bij de Russische verre ten 
achteren staan. 

In de laatste klasse trof men hoofdzakelijk de werken aan 
van het Natuurkundig — maar vooral van het Aardrijkskundig 
Genootschap te St. Petersburg. Het eerste gaf de verslagen 
van Bogdanow over de reizen en onderzoekingen tot dus verre 
in het Aral-Kaspisch gebied gedaan en Kessler's reis in 
den Caucasus; het andere Przevalsky's tn Poianine's toch- 
ten met fotografien vosi Adrianow, Kouropaihine's CdJ&gSiinsL 
en zijn tijdschrift. De sectien Irkoutsk, JiHis en Omsk 
van dat Genootschap gaven mede hare werken. Verder 
brachten album 's met fotografien op Rusland en pittoreske 
gezichten op den Caucasus betrekkelijk er toe bij, om zich 
het bezoek aan deze tentoonstelling met het meeste ge- 
noegen te herinneren. Doch daarvoor zorgde evengenoemd 
Genootschap nog op andere wijze; het bood n.1. ter ge- 
legenheid van dit congres een aantal overzichten aan de 
bezoekers der tentoonstelling aan, handelende over de 
hydrografische, geologische, botanische, zoölogische en 
statistische werkzaamheden in de laatste zes jaren ver— 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



17 



richt, waarvan ik exemplaren in onze bibliotheek heb ge- 
plaatst. 

DuitBohland. 



Hetgeen Duitschland exponeerde gaf een rijk beeld van 
wat dat rijk op aardriikskundig gebied vermag. Doch daar 
ontbrak ontzaggelijk veel van hetgeen had kunnen worden 
g^ven, vooral wijl meerdere Rijksregeeringen zich van 
medewerking hadden onthouden. Slechts 370 nummers 
telde deze tentoonstelling, doch het gaat niet aan om de 
belangrijkheid naar zoodanig aantal te beoordeelen; het 
zoude niet moeielijk zijn om Rijken aan te wijzen, die bijna 
met het dubbel aantal nummers verschenen en toch in 
waarde zeer verre beneden Duitschland zijn gebleven. 

Bijzonder muntte ditrijk uit door de instrumenten die het 
te zien gaf. Hahn te Cassel leverde eenige voortreffelijke 
theodolieten; niet minder muntte de magnetische theodoliet 
van Bamberg te Berlijn uit, waarmede de declinatie, de 
inclinatie en de intensiteit van het aardmagnetisme worden 
gemeten. Dat de firma Pistor en Marüus vertegenwoor- 
digd was behoeft slechts vermeld te worden, om zeker te 
zijn dat het aan universaal-instrumenten van de beste soort 
— wat enkele Fransche geodetici daarentegen ook in te 
brengen hadden — niet ontbrak. Afstandsmeters, verre- 
kijkers enz, voltooiden de verzameling, om niet te gewagen 
van de goniometers van Wanschaff te Berlijn en van de 
instrumenten bij de Pruisische generale staf in gebruik. 

Laatstgenoemde diensttak muntte bijzonder uit door de 
rijke verzameling kaarten welke zij te aanschouwen gaf, 
en waaronder in 't bijzonder verdienen genoemd te worden 
drie topografische voorstellingen van Berlijn met zijn on- 
middelijken omtrek op verschillende schalen i : 25000, 
1 : 50000 en i : 1 00000, terwijl ook de Beijersche en Ba- 
densche topografische bureaux hunne prachtige kaartwerken 
inzonden. 

Gunstig onderscheidde Duitschland zich vooral door zijn 
hydr<^afischen arbeid ; de Keizerlijke Admiraliteit had o. a. 
18 kaarten van de Oostzeekusten en 7 andere van die 
der Noordzee, die, wat uitvoerigheid, duidelijkheid en wijze 
van uitvoering betreft, voor geene andere natie behoefden 
onder te doen; ook het Hamburgsche observatorium had 
zich geenszins onbetuigd gelaten. Van de firma Fischer 
te Cassel was een enkele der natuurhistorische prachtwer- 
ken die zij uitgaf; ongaarne mistten wij de andere o. a. 
„die Vogelbilder aus femen Zonen": daarentegen was 
bet Pruisische geologische instituut zeer volledig vertegen- 
woordigd, had ook het Munchen^s meteorologisch insti 



tuut het zijne bijgedragen en gaf FUmming van Glogau 
de orografische kaarten van Handtke en anderen. 

De wandkaarten van Reimer te Berlijn, maar vooral 
die van Perthes te Gotha trokken de aandacht; trouwens 
zij zijn van te algemeene bekendheid dan dat het noodig 
zoude zijn daarover uitte weiden. Bastian, Fritsch en Kie- 
pert hadden het hunne geleverd, om de anthropologische 
en ethnografische studiën in de jongste tijden in Duitsch- 
land gemaakt eenigzins aan het licht te brengen, doch 
vooral in dat opzicht ontbrak veel. In de geschiedkundige 
afdeeling stelde het geografisch instituut van Weimar 
andermaal i) de reproductie der beide oudste algemeene 
kaarten van Amerika ten toon, namelijk die van Fernando 
Columbus, de zoon van den ontdekker Christoforus en 
die van Ribeiro, welke reproductie echter niet in allen 
deele even goed is te noemen. 

Gerard Rohlffs, de beroemde reiziger, die mij daarop 
wees, verhaalde daarbij de bijzonderheid, dat het voornemen 
bestaan had om bij deze gelegenheid de fotografien dezer 
beide kaarten te exponeren, vervaardigd naar de origineelen, 
die zich in de Groothertogelijke bibliotheek te Weimar 
bevinden; die zouden voorzeker beter effect hebben ge- 
maakt. Wolger uit Berlijn gaf reliefplans van slagvelden 
en belegeringen uit de jongste oorlogen waarbij de hoogte 
schaal op i/io was aangenomen van de horizontale; ook 
het plastografisch instituut te Kassei gaf zijne gomrelief- 
kaarten, die opgerold en in den zak gestoken kunnen worden. 

In de 6*^ klasse was niet veel; vermelding verdienen het 
Statistisch bureau van Beijeren, de bevolkingen der aarde, 
van Behin en Ifagner en de „almanac de Gotha." 

Voor het onderwijs in de aardrijkskunde bezitten onze 
oostelijke naburen echter zeker het beste wat op de wereld 
bestaat. 

De namen van Perthes te Gotha en Reimer te Berlijn 
noemde ik reeds, ook die van Flemming in Glogau, voeg 
hierbij Velhagen en Klasing te Leipzig onder meer met 
hunnen voortreffelijken atlas van Andréey waarvan in één 
enkel jaar eene oplage van over de 100.000 Exemplaren 
verkocht werd, dan geloof ik reeds te kunnen volstaan; 
doch ook het Weimarsche instituut en Talbot Romain te 
Berlijn hadden van het hunne te zien gegeven, het eerste 
kaarten en globen, de laatste fotografische toestellen, zon- 
newijzers van nieuwe constructie en globen voor het onder- 
wijs uiterst doelmatig. De werken van Dr. Bastian, Schwein- 
furdy Nachtigally von Richthofen^ Jagor en anderen prijkten 
in de laatste klasse nevens de Mittheilungen van Peter- 



I) Ook in 1875 vond men die te Parijs. 



i8 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



tnanny tegenwoordig door zijn uitstekenden opvolger Dr. 
E. Behm geredigeerd en hetgeen het Aardrijkskundig Ge- 
nootschap van Bremen te zien gaf. Ook de reisgidsen van 
Wörl te Wurzburg verdienen vermelding. Noemen wij ten 
slotte de origineele nog niet in druk verschenen kaarten 
van Dr. Schweinfurdiy die wereldberoemde Afrika-reiziger, 
te Venetië vice-president van de Jury, namenlijk die van 
Tayum^ de opnemingen van de oostelijke woestijn tus- 
schen de Nijl en de Roode Zee, met schetsteekeningen uit 
die oorden, van Socotra en van de oase Chargeh^ dan 
hopen wij eenigzins te hebben teruggegeven hoe Duitsch- 
land gemeend heeft aan de uitnoodiging te moeten be- 
antwoorden. 

Oostenrijk. 

Oostenrijk ook op deze tentoonstelling scherp van 
Hongarije afgescheiden, welk laatste, gelijk wij reeds 
zagen, op eene hoogere verdieping resideerde; Oos- 
tenrijk had eene zeer bezienswaardige inzending. Zij 
was streng systhematisch geordend, en van zuiver weten- 
schappelijken aard. De officieele inzenders waren hier 
het Militair geografisch Instituut te Weenen^ het hydro- 
grafisch bnreau te IPola en het militair technisch Comité. 
Zeker stonden weinige op de tentoonstelling aanwezige 
kaarten, wat volledigheiden uitvoering betreft hooger, dan 
die van het eerstgenoemd Instituut en hieronder versta ik 
thans geenzins alleen de vroeger door mij behandelde 
heliokoper-gravure op de schaal van i : 75,000, maarniet 
minder de chromolithografische methode, gelijk die b. v. 
uit het plan op i : 12,500 van den onmiddelijken omtrek 
van Weenen te beoordeelen viel, en ook eene gelukkige 
navolging der Ecksteinsche manier in Carpatische berg- 
partijen. 

In de eerste klasse vond men verder de met roem bekende 
instrumenten van Starke^ de resultaten van den geodesi- 
schen arbeid van rijkswege verricht, de kaarten van kapi- 
tein Aïbach met eene uitvoerige aanwijzing der hem speciaal 
eigene wijze van reproductie en eene rijke inzending van 
de firma Ariaria te Weenen. 

De 2e klasse had de nieuwste uitgaven 1877— 1879 der 
kustkaarten vaii de Adriatische Zee, zee-almanakken en 
instrumenten /an de vinding van hydrografen en zee- 
officieren. 

Physische onderzoekingen van de Oostkust der Adriati- 
sche Zee door de hoogleeraren der Maritieme Akademie 
te Fiunu en rapporten over den waterstand van den Do- 
nao en zijne nevenrivieren van majoor Stefanovic. De 



werken van Chavanne over fysische geografie van I'elix 
Karrery professor Neumayer en het Weener instituut op 
geologisch terrein vielen in de 3e klasse het meest in het 
oog. In de daarop volgende moeten de namen van vm 
Hochsteiter^ MülUr^ Prochaska en professor Dotter van 
Graz worden vermeld. 

In de 5e klasse had Oostenrijk zich zeer beperkt: 
de werken van de hoogleeraren Pautitschke over Afiika 
en Wieser over Australië vormden met die van Camesina 
over de geschiedenis der sta<l Weenen de hoofdzaak. Drie 
geheel nieuwe statistische kaarten van het rijk van het 
officieele Comité; uitgaven van het landbouw-ministerie, 
post en telegraafkaarten, zoo mede eenige bijzondere wer- 
ken van Lemonnier, hochstetter en Sckcrzer vond men 
in de 6e klasse. Behalve de reeds genoemde stafkaarten 
gaf het militair geografisch instituut nog een aantal andere 
zijner producten, o. a. gekleurde fotolithografische districts 
schoolkaarten op i : 25,000, al naarmate de landstreek die 
zij voorstelden met Duitsch, Czechisch of Boheemsch schrift. 
Alle bijzonderheden der te Weenen aangewende wijzen 
van reproductie: hélografie, fotozincografie, fotolithografie 
met de wijzen waarop die gekleurd worden, vond men hier 
bijeen. Doch ook de uitgevers waren hier geenszins achter- 
gebleven, von Hötder^ Harttebetiy Tempsky, Prochaska, 
Graeser en anderen stelden boekwerken, Artaria en 
Atbach kaarten van waarde ten toon, alle betrekking heb- 
bende op bistorischen, statistischen en geologischen arbeid 
in de allerlaatste tijden in Oostenrijk verricht: terwijl voor 
het onderwijs de wandkaarten door Hotzet uitgegeven, in 
't bijzonder die van Chavanne Azië en Afrika betreffende 
en die van Haardt de Alpen zeer plastisch teruggevende, 
uitmuntten. 

De arbeid — zoo uitstekend geillustreerd — van Dr. 
Hotub, de beroemde pionnier, die de landstreken benoorden 
de Diamant velden van West Criquatand herhaaldelijk 
bereisde, trok in de laatste klasse de aandacht; gelijk ook 
de verzameling instrumenten voor reizigers, in het militair 
instituut steeds voorhanden en waaruit het ook Dr. Holub 
vergund werd te putten: vervolgens de kaarten van Kreith- 
ner betreffende de expeditie van graaf Czechenyi in Oost- 
Azie, die over de Amerikaansche Noordpool-expeditie 
ter opsporing van de overblijfselen der Franklin-expeditie door 
den medereiziger Schwotka, de reis van Luitenant Z,ux 
in West-Afrika en eindelijk die van den hoogleeraar JDöi- 
lers naar de Kaapverdische eilanden en Rio Grande. 

Wat ook de Oosten lijksche tentoonstelling zoo bijzon- 
der aantrekkelijk maakte waren de daaraan toegevoegde 
zaken de verschillende Alpen- en touristen-clubs onder 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



19 



verschillende namen als: Osterreichische und ^Deutsche 
Alpenverein^ Osterreichischc Touristenclub^ Club degli Al- 
pinisH Iridcnüm en anderen, welke uit panorama's, 
kaarten, reliefinodellen, beelden en fotograüen bestonden en 
de levendigste getuigenis aflegden van de moeite en kosten, 
in dat Keizerrijk aan het grondig onderzoek der Alpen- 
landen besteed. 

Hongarije. 

Hongarije had in het algemeen eene zeer uitgebreide 
inzending, meer dan 500 nummers; doch daarop viel, 
naar ik vermeen, nog al wat af te dingen. Zoo vond men 
o. a. in de ie klasse veel wat van vroeger reeds bekend 
was, en slechts enkele nieuwe en daaronder weinig in het 
oog vallende zaken. Enkele reliefplans van eilanden en 
havens, met olieverf geschilderde gezichten op St. Paul en 
Amsterdam van vofi Litrow in de ie en de zeeflora van 
professor Bèta Dezsö in de 2e klasse mogen genoemd wor- 
den. Ook in de 3e klasse was niet alles nieuw, vooral niet 
op geologisch gebied. Het meteorologisch instituut onder 
Dr. Sch^nzl daarentegen schijnt krachtig werkzaam te zijn 
en niet minder het Natuurkundig Genootschap te Buda- 
Pesth, die elk een twaalftal waardvolle nummers hadden 
ingezonden. De grootste afdeeling van Hongarije was de 
historische; zij bevatte niet minder dan 250 nummers, dus 
de helft van al het aanwezige, en dit was voor tweevijfde 
uit de bibliotheek van het Nationaal Museum, het overige 
bijna geheel uit de bijzondere boekverzameling van Giova 
Mircse geput. Zonder twijfel waren daarin een aantal 
hoogst belangrijke werken vervat; ik moet mij echter ver- 
ontschuldigen daarover niet in bijzonderheden te kunnen 
treden. 

De omvangrijke arbeid, door het Koninklijk Commissariaat 
ten behoeve van het ongelukkige Szegedin in de beide 
laatste jaren verricht en waarbij onzen Waldorp mede als 
adviseur is ingeroepen ; meerdere spoorweg-profillen, plans 
en overzichten van de plaatselijke waterwerken der stad 
Pesth vormden met de van vroeger reeds gunstig bekende 
Hongaarsche statistische werkzaamheden voor de 6e klasse 
een goed geheel. Meerdere schoone verzamelingen fotogra- 
fien, vooral belangrijke bergpartijen uit de Carpaten voor- 
stellende, programma's betreffende het onderwijs in de 
aardrijkskunde in de verschillende graden, benevens eene 
niet onbelangrijke verzameling leermiddelen had het Mi- 
nisterie van Onderwijs gezonden. In die 7e klasse vond 
men ook schoolkaarten, vooral die van Homolka bij Eg- 
renberger uitgegeven. Het eenige nieuwe, wat de laatste 



klasse aanbood, waren de thans ook bij ons Genootschap 
ontvangen fotografien van den Himalaya, door ons corres- 
pondeerend lid Mauritz Déchy^ wiens reiskaart en beschrij- 
ving echter nog niet zijn verschenen. 

Zwitserland. 

Ofechoon in de Zwitsersche afdeeling wel zaken waren 
aan te wijzen, die de bezoekers der tentoonstellingen te 
Parijs van 1875, maar vooral van 1878, wellicht niet meer 
onbekend konden voorkomen, zoo leverde zij toch in meer 
dan één opzicht veel belangrijks en leerrijks. Waren er be- 
kende instrumenten en van bekende makers, zoo trokken toch 
de curvimeters van Chatelatn te Neuchdtel; de verbeterde 
aneroidebarometers van professor ^eiiemann in Flunterriy de 
sectometer van Ferrci, maar vooral de in meerdere landen ge- 
patenteerde EsHmator van Dr. E, M. Stap ff, de geologische 
ingenieur van den Gotthardtbaan te Airoio, de aandacht 
en dit te meer, wijl de resultaten met dat werk- 
tuig verkregen in de derde klasse werden aangetroffen 
in de kaarten getiteld ; „Wasserzuflusse und Abfiusse im 
Gotthardttunnel, sowie gleichzeitige atmospharische Nie- 
derschlage an der Oberflache" en „Gebiet der von Tunnel 
bis 840111 von Stidportal abgezapften Quellen." Behalve 
eenige astronomische kaarten en tafels van Flantatnoiir 
werden in deze klasse enkele bezienswaardige vlakte- en 
inhoudmeters gevonden. 

Wat de kaarten betrefl, de origineele opnemingsbladen 
uit den nieuwen atlas van Steg f ried gaven een juist denk- 
beeld van het daaraan verbonden omvangrijk werk. Meer- 
dere natiën hadden het nut ingezien om zoodanig manu- 
scriptwerk van reizigers en van geregelde opnemingen ten 
toon te stellen en dat verdient voorzeker navolging. In de 
2e klasse speelden de chronometers een hoofdrol, doch, 
ofschoon het vak van uurwerkmaken ongetwijfeld in Zwit- 
serland als inheemsch te beschouwen is en eene groote 
hoogte heeft bereikt, durf ik toch niet beweren, dat men 
daar in dat opzicht alle andere natiën overtroffen heeft, 
onze Hohwü o. a. zoude dit, vermeen ik, ongaarne toe- 
geven; in deze klasse kon men bovendien nog een paar 
stroomsnelheidmeters van professor Amsler Laffon opmerken. 

De volgende afdeeling onderscheidde zich door glet- 
scher-voorstellingen en beschrijvingen, de reeds genoemde 
en nog andere werken van den geoloog van den Gotthardt- 
baan, enkele meteorologische werken vooral hagelkaarten, 
de bekende geologische werken van professor C. Moesch 
te Zurich en die over de fossile flora, zoo van Zwitserland, 
als van andere streken der aarde door Dr. Oswald Heer 



20 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



aldaar. De later te Bologna bekroonde geologische kaart 
van Alberi Heim te Zurich was te Venetië niet aanwezig. 

In de 4e klasse verdient enkel vermelding de schoone 
verzameling werken van „die Evangelische Missionsgesell- 
schaft" te Basel; de historische klasse daarentegen was 
hier op zeer eigenaardige en naar *t mij toeschijnt zeer 
rationeele wijze opgevat; ofschoon ik de meening ben toe- 
gedaan, dat men bij gelegenheden als deze beter doet de 
historische afdeeling hoofdzakelijk over te laten aan het 
land zelve, waar de tentoonsteliing plaats heeft en Zwit- 
serland wellicht ook beter had gedaan daarop te wachten. 
Het zij mij vergund om, zonder in vele bijzonderheden 
omtrent de tentoongestelde nummers zelve te treden, wa^ 
ik liever aan meer deskundigen overlaat, hier in 't kort 
een denkbeeld te geven van de wijze van behandeling 
dezer afdeeling. 

Professor C G, Amrein te St, Gall, die daaraan ook 
een zeer lezenswaard „précis historique du développement 
de la cartographie Suisse" toevoegde, had zich in verbin- 
ding met de Société de Géographie commerciale van Oost- 
Zwitserland en het Topografisch bureau té Bern daartoe 
niet gerijige moeite getroost, doch heeft — naar 't mij 
toeschijnt — de voldoening eenen arbeid van blijvende 
waarde te hebben tot stand gebracht. 

De verzameling was verdeeld in vier hoofdafdeelingen 
als: A. oude kaarten, B. aardrijkskundige werken en ma- 
nuscripten, C. nieuwere rijkskaart werken en D. nieuwere 
kantonnale kaarten op rijkskosten vervaardigd, die het 
materieel voor de bekende Du four- kaarten hebben gele- 
verd. Daarmede is, van de oudste tijden af aan tot op den 
huldigen oogenblik, een beeld gegeven van den zuiver aard- 
rijkskundigen arbeid in Zwitserland verricht en professor 
Amrein is aan dat plan volkomen ook in de uitvoering 
getrouw gebleven, met uitzondering van een enkel 
manuscript, namenlijk een perkamente band uit de stede- 
lijke bibliotheek van Bern, behalve andere documenten ook 
een itinerarium van Marco Polo in 93 bladzijden uit de 
14e eeuw bevattende, dat als bijzonderheid schijnt te zijn 
bijgevo^d, wijl de tentoonstelling te Venetië plaats had. 

De afdeeling oude kaarten geeft niet alleen een volledig 
overzicht der verschillende tijdpeiken, waarin mendeZwit- 
sersche cartografie kan aldeelen, maar bevat bovendien een 
aanzienlijk aantal kostbare origineele werken van carto- 
grafen uit de drie voorgaande eeuwen. Te beginnen met 
de Tabula Peutingeriana en de primitieve kaart van 4egi- 
dius Tschudi en Sebastiaan Munster uit de eerste helft der 
i6e eeuw, trof men chronologisch geordend die kaartwer- 
ken in een vijftigtal nummers aan, loopende tot aan het 



einde der vorige eeuw; daarop volgden eenige nummers 
gaande tot ongeveer 1825, die, ofschoon als geleidelijke 
voortzetting der vroegere methoden van vervaardiging te 
beschouwen, toch, zoo door het teekenwerk als de wijze 
van reproductie, meer eene nieuwe richting kenschetsen en 
in dat opzicht dus als overgang zijn aan te merken; daar- 
na kwamen de kaartwerken van van JVeüs, Pfyffer uit 
hetzelfde en van Delkeskamp uit een later tijdperk, gegrond 
op reliëfs en panorama's; eindelijk de eerste kaarten op 
driehoeksmeting berustende en loopende tot 1838, dus den 
arbeid van Dufour onmiddelijk voorafgaande, verzeld van 
een zevental dier merkwaardige panorama's. 

De afdeeling B completeerde als het ware de vorige, zij 
loopt over dezelfde tijdperken en bevat de texten van het- 
geen de kaarten te zien gaven en bovendien belangrijke 
bijzonderheden van het land, de zeden en gewoonten der 
bewoners; enkele dier bescheiden waren in manuscript, 
doch het meerendeel gedrukt, waaronder b.v. eene „Helve- 
tiorum Respublica" in 1627 te Leiden en „Les delices et Tétat 
de la Suisse" in 4 deelenin 1780 te Amsterdam uitg^even. 

De afdeelingen C en D behoef ik hier niet nader 
te bespreken, zij zijn genoegzaam bekend uit het tegen- 
woordige standpunt der Zwitsersche cartografie, waartoe 
de generaal Dufour den grond legde. In de 6e klasse gaf 
het Statistisch bureau zijne edita van de laatste jaren, het 
Departement van Binnenlandsche zaken eene historische 
atlas ten behoeve van het hooger onderwijs éoor Dr. Kin- 
kelin bewerkt en eene andere, als zeer merkwaardig te 
beschouwen, die de ontwikkeUng van handel en industrie 
van het gemeenebest over eene gansche eeuw 1770 — 1870 
voorstelde: statistische gegevens betreffende het verkeer 
binnenslands ook in verband tot de te opene Gotthard- 
baan benevens de plannen voor de Simplonbaan waren 
hier aanwezig, terwijl het departement van openbare wer- 
ken hier de gelegenheid had geboden de verbeteringen na 
te gaan in de boven-Rhóne en zijne affluenten en in de 
wateren van het Juiagebergte komende aangebracht. 

De 7e klasse was zeer uitgebreid en dat zal niemand 
verwonderen, die weet tot hoe hoogen trap het onderwijs — 
ook dat in de aardrijkskunde — in Zwitserland is opge- 
voerd. Uitgevers als Keiler te Zurich met zijne wandkaar- 
ten, Bridel te Lausanne en anderen zijn voldoende bekend; 
eene verzameling reliefkaarten van Bürgi te Allschwijl ; de 
werken van de aardrijkskundige genootschappen teGenève 
en te Bern: de kaarten die het rijks Topografisch bureau 
in den handel brengt, zoomede eene zienswaardige verza- 
meling uit de schoolmusea te Bern en te Zurich, maakten 
van deze klasse een goed geheel 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



21 



Buiten de werken van de „Schweizer Alpenclub" bevatte 
de laatste klasse niets bijzonders. 

Spanje. 

Ontbrak Portugal ditmaal op het appel, al heeft de 
Jury ook gemeend aan Serpa Pinto een persoonele be- 
krooning te moeten toekennen; het Iberische schier-eiland 
was ditmaal door Spanje zeker beter vertegenwoordigd dan 
bij vroegere gelegenheid, vooral in de beide eerste en in 
de vijfde klasse muntte dat rijk uit. Al kan men dan 
ook niet zeggen dat het zich strikt bepaald had tot hetgeen 
sedert 1875 verschenen is, zoo maakte toch, vooral 
hebeen in de ie klasse van vroeger afkomstig was, met 
het nieuwe een gewenscht geheel om tot een juist oordeel 
te geraken over de voorbereidingen, door den zoo gunstig 
bekenden generaal T^df»^;? getroffen, om te geraken tot zoo 
krachtige en goedgeorderde werkzaamheid als aldaar 
thans valt waar te nemen. 

Zoowel de beschikkingen ter voorbereiding der bazis- 
metingen, de aanmaak der instrumenten daartoe, meest 
van eigen vinding; die bazis-metingen zelve sedert nu t6 
jaren geleden tot stand gekomen, als de drie eerste deelen 
der verslagen van de daarop tot dusverre geronde trian- 
gulatien met de daaraan verbonden juistheidswaterpassingen 
trof men aan met eene overzichtskaart der vorderingen 
van dat driehoeksnet tot in t88i op de schaal van 
1 : 2.000.000. 

Verder de geodesische verbinding van Europa met Afrika 
waar van Spaansche zijde de astronoom Merino^ van 
Fransche zijde kolonel Perricr de hoofdrollen hebben 
vervuld; eene verbinding die niet zonder groote bezwaren 
en ondervonden teleurstellingen is tot stand gekomen. Ook 
de eerste 14 bladen van de Topografische kaart van Spanje 
op bovenbedoelde en verdere driehoeksmetingen van de 
2e en 3e klasse gegrond, versierden nu voor bet eerst 
^eene aardrijkskundige tentoonstelling en de gegronde 
hoop bestaat dat Spanje, dat bij andere Europesche sta- 
ten in dit opzicht zoo lange ten achteren bleef, nu ook 
eindelijk zijne schade zal gaan inhalen, terwijl alles belooft 
dat zulks op waardige — zij het dan ook eenigzins lang- 
zame — wijze zal geschieden. Hetgeen daarvan te Venetië 
te zien was staat althans niet ten ach tere bij dergelijk 
werk van andere landen; de aangenomen schaal is hier 
even als bij ons i : 50.000. Een groot aantal platte gron- 
<ien van steden uit het koninkrijk op de schaal van 
I : 5000 trof men bier nog aan, ingezonden door den 
X^neralen Staf, waaronder bijzonder uitmuntte die van 



Madrid j van deze hoofdstad was ook een plan in 16 
bladen op ï : 2000 aanwezig met tranches met onderling 
hoogteverschil van slechts één meter, terwijl de daarop 
aangegeven cótes de juiste hoogte aangeven boven den 
middelbaren stand der Middellandsche Zee in de haven 
van Alicante. 

t8 boekdeelen astronomische jaarberichten en de bekende 
atlas van Coello, Spanje en zijne overzeesche bezittingen 
omvattende, worden nog genoemd eer wij tot de 2e klasse 
overgaan. 

Aldaar maakte de groote hydrografische atlas van 
Spanje in 52 bladen het hoofdnummer, dat verzeld was 
van een aantal zeilaan wijzers of zeemansgidsen en van 19 
deelen hydrografische jaarboeken. Mocht men door een 
en ander geen te ongunstig denkbeeld hebben verkregen 
van den toestand der hydrografie in Spanje zelve, in zijne 
koloniën laat die nog bijna alles te wenschen over. Behalve 
op geologisch gebied valt van de /olgende klasse niets te 
vermelden; daaraan echter waren een twaalftal en daar- 
onder zeer belangrijke nummers gewijd; ik bepaal mij tot 
het noemen van de hypsometrische en geologische kaart 
van Spanje en Portugal op i : i. 000.000 in het laatst van 
1875 gereed gekomen en bewerkt door de BotellOy doch 
gebaseerd op Coello*s atlas en tot de werken over geologie 
toegepast op landbouw van professor Vilanova y Piera. 

Over de historische klasse — waaraan Spanje zijne meeste 
bekrooningen (zeven „lettres de distinction") te danken heeft 
nog een enkel woord. Deze bevatte een vijfen twintigtal 
zeer belangrijke historische nummers o. a. bezienswaardige 
instrumenten uit de 17e eeuw, eene fotolithografie van de 
kaart van den beroemden zeeman Juan de la Cosa^ waar- 
van het origineele stuk zich op het Museum van het Zee- 
wezen te Madrid bevindt. Oude atlassen en Stedenplans 
o. a. van Bergen op Zoom 1708 en van het beleg van 
Breda; de atlas van den bevrijdingsoorlog met slag en 
belegeringsplans ; de jongste uitgaven van de brieven over 
Indie betrekkelijk de ontdekkingen van Columbus, Vespu- 
cius en anderen, werken over Romeinsche oudheden en 
Romeinsche wegen in het schiereiland en anderen. 

België. 

Van België, dat zich als de meeste natiën geheel ont- 
houden had in de historische klasse bijdragen te leveren, 
valt ditmaal niet veel te zeggen. In de eerste drie klassen 
was het Militair Cartografisch instituut de voornaamste, ja 
bijna de eenige inzender. Voortzetting van de bekende 
statkaarten op de schalen i ; 40000 en i : 20000, een blind 



22 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



hypsometrisch kaartje van het rijk op i : 800000 en eehe 
reliefkaart, horizontale schaal i : 400000, hoogte schaal 
1 : 1 00000, vormden met het begin van de berekening der 
nieuwe groote triangulatie, de werken over de onderhan- 
den waterpassing en die van den bekenden Adan de 
ie klasse. In de volgende viel de aandacht op een kaart 
der waterhoudende aardlagen rondom Brussel, terwijl in de 
3e klasse de geologische kaarten van den Baron von Ert- 
born en Cogels^ zoo ook die van Andrea Dumoni als nieuw 
waren aan te merken. In de 7e klasse eindelijk gaf ge- 
noemd Instituut nog eene overzichtskaart op 1:320000 van 
de Belgische land en waterwegen. 

Daar trad ook het Ministerie van Onderwijs op met 
oude en nieuwe programma's van het onderwijs in de 
aardrijkskunde in verschillende graden ^ met catalogen van 
schoolmusea, met driejaarlijksche rapporten, schoolkaarten 
enz. waardoor men zich een denkbeeld konde vormen van 
den tegen woordigen toestand van dit onderwijs. Professor 
du Mef^ de kundige secretaris van het Brusselsch aard- 
rijkskundig Genootschap en Genonceaux stelden hier ook 
hunne werken ten toon, gelijk ook een drietal uitgevers, de 
gebroeders Callewaert en Lehègue te Brussel en Manceaux 
te Mons. 

België heeft echter intusschentijds meer gedaan, maar 
dat was minder voor inzending vatbaar ; men denke aan al 
wat het Internationaal Afrikaansch Comité onder 's Konings 
werkdadig voorzitterschap sedert 1875 verricht heeft, aan 
de beschildering der wanden van de nieuwe Antwerpsche 
beurs met schoone kaarten door kapitein Chesquière, een 
voorbeeld voor ons, als Amsterdam eenmaal in 't bezit 
van een nieuw beursgebouw mocht geraken. 

Griekenland. 

Hetgeen de bekende generaal Juerr over de doorgraving 
der landengte van Corinthe heeft gepubliceerd; de fysi- 
sche studiën van Julius Schmidi, de directeur van het 
sterrekundig observatorium te Athene, de mineralogische 
werken speciaal met het oog op de mij n werken te Laurium 
en Oropos van Cordella\ de te Berlijn het licht ziende 
ethnografische kaart en beschrijving van Kiepert, Statis- 
tieken door het Ministerie van Binnenlandschen Zaken 
verstrekt; eene nieuwe kaart van Zuid-Epirus en Thessalie, 
schaal i: 1200000 van Crisocoo met beschrijving dier land- 
streek van Dr. Georgiades en de reisbeschrijving door 
Egypte van Dimitras mag als het voornaamste worden 
aangemerkt in de Grieksche tentoonstellingszaal. 



Vereenigde Staten. 

Indrukwekkend was de aanblik in de vertrekken der Ver- 
eenigde Staten van Noord Amerika, die wij te Venetië de 
eer hadden tot onze naaste buren te hebben en dit, of- 
schoon die zaal zeer goed gevuld was, niet zoo zeer wegens 
de massa van het tentoongestelde, dan wel wegens den 
rijkdom, die u uit alles tegenblonk. Rijkdom zoowel in 
wetenschappelijken als in materieelen zin. 

Worden toch in dat meest belangrijk deel van Amerika 
in letterlijken zin alle takken der aardrijkskunde en hare 
zuster-wetenschappen in onderling verband krachtig en met 
groote zaakkennis beoefend; de resultaten, die zulks tot 
dusverre opleverde, worden op waarlijk rijke, ik zoude 
haast zeggen weelderige wijze openbaar gemaakt en gaan 
verzeld van de schoonste verzamelingen fotografien die 
men zich denken kan en die den aanschouwer met ver- 
bazing en bewondering vervullen over de natuurtooneelen 
die de nieuwe wereld bevat. Het kan weinig bevreemding 
baren dat men hier nagenoeg geheel de particuliere inzenders 
mistte ; van regeeringswege was dit intusschen ruimschoots 
vergoed. De Ministerien van Oorlog, van Financien, van 
Marine, van het Postwezen en van Landbouw, het geogra- 
fisch instituut, dat der nautische almanakken, het genie- 
departement, het meteorologisch instituut, het departement 
der kustverlichting, en dat der statistiek hadden 'zich om 
strijd beijverd den naam van Noord Amerika in hooge 
eere te brengen en zonder twijfel zijn zij daarin geslaagd. 

Waarschijnlijk omdat te Parijs in 1875 slechts eene zeer 
eenzijdige en min volledige inzending had plaats gehad 
en deze dus als niet geldend mocht worden aangemerkt, 
had Amerika thans eene volledige verzameling gegeven 
van alles wat het sedert 1867 van Staatsw^e deed tot 
stand brengen. 

Gaat men enkel na wat het Ingenieur- Departement 
sedert dien tijd verrichtte, niet enkel op zuiver militair ge- 
bied, maar ook voor rivierverbetering, kanaalaanleg, on- 
derzoek van meeren, aanleg van wegen en geologischen 
arbeid in 16 boekdeelen en op de noodige kaarten opge- 
teekend, dan reeds verkrijgt men daarvan een hoog denk- 
beeld; maar niet weinig neemt dit toe bij het zien, hoe het 
geografisch instituut zich te gelijk met geodetischen, hyp- 
sometrischen, topografischen, geologischen, paleontologischen, 
zoologischen, botanischen en archeologischen arbeid in de 
onderhanden genomen gedeelten bezig houdt. 

Omstandigheden schijnen te hebben medegebragt dat 
deze werkzaamheden in de nog minder tot ontwikkeling 
gekomen streken van het „Farwest" aanzienlijk verder ge- 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



23 



vorderd zijn, dan in de rijke Oostelijke Staten; zulks wordt 
daaraan toegeschreven, dat eerstbedoelde landstreken nog 
regtstreeks onder de Bondsregeering sorteeren, terwijl in 
de sedert langen tijd gevestigde Staten meer zelfbestuur 
l)estaat en het deze dan overgelaten wordt in verschillende 
richtingen werkzaam te zijn, naarmate de behoefte zich 
"daartoe doet gevoelen. 

Dat federaal Gouvernement nu heeft in der tijd aan 
kapitein Wheeler^ die wij het voorrecht hadden te Venetië 
in persoon te leeren kennen, opgedragen dat vrije gebied, 
gelegen be westen den looe meridiaan van Green wich, on- 
derhanden te nemen en hem alle middelen verschaft, dit 
op zulk een ruime schaal en in zoo veelzijdige richting 
"bewerkstelligen; juist dddr nu liggen het Rotsgebergte en 
andere pittoreske streken, waarvan zulke heerlijke fotogra- 
:fien werden te zien gegeven. 

Het meteorologisch instituut zond meer dan 30 aliassen en 
driedaagsche kaarten den toestand van het weder aangevende; 
-op hydrografisch gebied vond men de resultaten van de 
onlangs verrichte peilingen in de zee der Antillen en de 
^olf van Mexico en van deze golf was eene reliefkaart 
aanwezig, waarbij echter, naar het ons toescheen, de diepte- 
«chaal wel wat zeer groot was aangenomen in verhouding 
van de horizontale, tengevolge waarvan het beeld al te 
zeer misvormd werd: ook de nautische almanak voor 1884 
^as aanwezig. 

Op statistisch terrein vond men kwartaal-rapporten over 
invoer- en uitvoer, immigratie en scheepvaart, loopendetot 
ultimo Maart dezes jaars; een atlas met 49 kaarten der 
bestaande postrouten, jaarverslagen over landbouw en 
lx>schwezen. Verder de bijzondere expeditien in Utah^ 
Yelhwstone^ Wyoming^ Dakota en Colorado, 

Bij deze oppervlakkige opsomming heb ik de klassen- 
indeeling niet gevolgd, wijl de arbeid in Noord-Amerika 
in alle richtingen, en dit is, naar ik meen, volkomen juist 
gezien, bijna overal zoodanig hand aan hand gaat en in 
«Ikander grijpt, dat scheiding in klassen het verband zelfs 
^an een vluchtig overzicht zou hebben geschaad. 

Canada. 

Bij de inzendingen uit Canada viel de aandacht het meest 
op den geologischen arbeid der bijzondere aldaar werk- 
zame Commissie, vroeger onder Logan^ thans onder Sel- 
^wytCs leiding; de rapporten van 1863 tot 1879 waren 
aanwezig met een aantal kaarten door de Commissie zelve 
-en door anderen uitgegeven. Het Gouvernement van 
4Québec had geschiedkundige en statistische overzichten 



gezonden van het schoolwezen, van volkstellingen, land- 
bouw, openbare werken, spoorwegen, kanalen, post- 
wezen, financiën en maritieme aangelegenheden. Voor 
hem, die tijd vond zich daarin te verdiepen, boden deze 
stellig de gelegenheid om zich een juist denkbeeld van 
den toestand des lands te vormen. Meerdere uitgevers 
hadden nog school- en andere aardrijkskundige-werken 
ingezonden en in de 8e klasse vond men de onderzoe- 
kingen der Golf van St. Laurens door Faucher de St. 
Maurice. Aan deze tentoonstelling was ook nog een zes- 
tigtal monsters van verschillende houtsoorten toegevoegd. 

Venezuela. 

Van Venezuela valt enkel te zeggen, dat de voor dat 
land te Venetië geaccrediteerde consul enkele statistieken 
op last van Guzman Blanco sedert 1875 opgemaakt, be- 
nevens enkele te Caracas uitgekomen boekwerkjes en 
kaarten had ingezonden. 

Brazilië. 

Uit Brazilië waren bezendingen gekomen van de Minis- 
terien van Oorlog en Marine. Ofschoon voor het meeren- 
deel aan ons en, indien ik het wel begrepen heb, ook in 
het algemeen in Europa niet of weinig bekende kaarten 
van kusten, baaijen, havens, reeden, eilanden en rivieren, 
zoo vond men djaaronder toch geene van reeen ten datum 
en konde deze tentoonstelling geenszins het bewijs leveren, 
dat in het Keizerrijk in de laatste jaren veel is verricht; 
alleen de werken van den kapitein ter zee Baron de Teffé 
over de baai van Antonina en de drooglegging der lagune 
Rodrigo de Freitas dateerden met de reisbeschrijving van 
den corvet Bahia al Mar door den zeeofficier Wandenkolk 
van de laatste 4 of 5 jaren. 

Argentijnschen Republiek. 

In de Argentijnsche republiek daarentegen is meer leven 
te bespeuren; de inzending bedroeg ruim 250 nummers en 
dat de deelneming buitengewoon algemeen is geweest moge 
daaruit worden opgemaakt, dat dit aantal van ongeveer 
honderd inzenders afkomstig was, waaronder niet meer 
dan 13 Ministerien of andere Staatslichamen en 6 weten- 
schappelijke Genootschappen. 

In de ie klasse vielen de astronomische, in de 3e de 
meteorologische werken van Dr. Benjamin Gould in het 
oog; ook de platte grond van Buenos- Ayres van het To- 



24 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



pografisch Instituut aldaar en de kaart der provincie En- 
tre Rios, geografisch en geologisch, van het Topografisch 
Instituut dier Provincie waren schoone werken ; niet min- 
der belangwekkend de algemeene kaart van Patagonievan 
kapitein Afoyatio, 

In de 2e klasse had het Geografisch Instituut een groot 
aantal Engelsche zeekaarten van de kusten en zeeën der 
Republiek ten toongesteld. In de volgende klasse trof 
men enkele reeds van Parijs bekende zaken aan; intus- 
schen schijnt Dr. Burmeister zijne studiën sedert ijverig te 
hebben voortgezet, blijkens zijne thans aanwezige natuur- 
kundige beschrijving van het land. Daar vond men ook 
Dr. Berg's entomologische en botanische werken, zoomede 
de geschriften door verschillende wetenschappelijke inrich- 
tingen uitgegeven. De archeologische arbeid van Ramon 
Listay maar vooral die van den generaal Mitre over Tia- 
huanaco boeiden in de volgende klasse. Die generaal had 
ook in de historische klasse zijne bijdrage geleverd, maar 
in 't bijzonder werd daar belang gesteld in de geschriften 
van Emanuel Trelles, Diego Garcia betreffend en die van 
Dr. Quesada, de geschiedenis van Patagonie behandelende. 
Het üfficio Statistico bewees in de 6e klasse dat het zeer 
werkzaam is, zoo in algemeenen zin als vooral ten opzigte 
van handel, in- en uitvoer; ook de Ministerien van Binnen- 
landsche zaken, Justitie, Onderwijs en Finantiön gaven hier 
een aantal verslagen over de laatste jaren. 

De werken van het aardrijkskundig Genootschap, o. a. 
eene door hetzelve uitgegeven atlas der Argentijnsche Re- 
publiek waren het voornaamste in de 7e klasse; terwijl 
men in de laatste een aantal fotografien op Buenos-Ayres 
zelve betrekkelijk en vooral de verzameling van Christiaan 
voor het binnenland aantrof, met belangrijke reisbeschrij- 
vingen, als van Stanislas Zehallos naar Auracanie, van 
kolonel Mansilla naar de Ranquelen-Indianen, van Fran- 
ciscus Moreno naar Oost-Patagonie en van Moyano dwars 
door dit, Amerika's Zuidspits uitmakende, land. 

Chüi. 

Niettegenstaande zijn verwoedde oorlog met Peru en 
Bolivia had Chili toch nog tijd gevonden aan het interna- 
tionaal wetenschappelijk feest te Venetië te denken en had 
eenige zaken gezonden, waaronder die van het Hydrografisch 
/ffj/f/f/f^/ uitmuntten en zulks niet alleen door kustkaarten- 
plans van baaijen en havens, maar mede door rivierop- 
nemingen en kanaalkaarten, waaraan het in de 6e klasse 
nog enkele monpgrafien van Provinciën met overzichts- 
kaartjes had toegevoegd. 



Vier deelen jaarboeken van het Meteorologisch Instituut 
en vooral de geologische en mineralogische werken van 
den hoogleeraar A. Pissis^ welke echter te Parijs het licht 
zagen, trof men aan. 

iSgypte. 

Egypte, het eenige Afrikaansche rijk dat vertegenwoor- 
digd was, had zich zeer ingespannen om wetenswaardige 
zaken te laten zien. In de ie klasse vond men een ne« 
gental kadastrale kaarten der Khediviale domeinen, 
die aan den Staat zijn afgestaan om als garantie 
te strekken voor leeningen bij het huis Rotschild; 
in de 3e klasse de geologische kaart van Mitchell 
der streken tusschen den Nijl en de Roode Zee; tabellen 
der jaarlijksche rijzing van den Nijl en de meteorologische 
waarnemingen der laatste drie jaren. In de historische 
klasse waren eenige Arabische werken, o. a. de Mappe- 
monde van Hadgi Ahmed 1559 en enkele Arabische in- 
strumenten door het Egyptisch aardrijkskundig Genoot- 
schap afgestaan. Behalve eenige statistische werken, o. a. 
het Suez-kanaal betreffende, in de 6' klasse, vond men in 
de daaraanvolgende: fotografien van Abyssinie, genomen 
naar de aquarellen van kolonel Lockett, en geleek de 
laatste klasse meer naar een ethnografisch museum dan 
naar eene aardrijkskundige tentoonstelling. Wapens, klee 
derdrachten, ustensilien enz., der verschillende Egyptische 
volksstammen en van verder afgelegen streken, meer dan 
1000 stuks, door het aardrijkskundig Genootschap en ande- 
ren ingezonden. Belangrijk was aldaar hetgeen de Gene- 
rale Staf had beschikbaar gesteld, ten aanzien der verken- 
ningen gedaan in Kordofan, Dar/oer, Harrar^ de groote 
meeren^ de Somali-landen enz., door verscheidene officieren, 
vooral Purdy-pacha;: de reis naar Soedan van Said-pacha 
en die naar Mekka 1880 — 1881 van kolonel Sadik-bey, 
Door een en ander mocht de Egyptische tentoonstelling 
zich in een druk bezoek verheugen, terwijl de Commissaris 
Abate-hey iedereen naar wensch inlichtte. 

Japan. 

De inzending van Japan geschiedde, met uitzondering 
van eene kleinigheid van het jonge Tokiosche aardrijks- 
kundig Genootschap, geheel van Regeeringswege ; zij bestond 
in de i' klasse uit eene in 1877 uitgegeven kaart op kleine 
schaal van het Keizerrijk, in twee bladen kleurendruk; 
eene andere pas in den aanvang dezes jaars gereed geko- 
mene, waarop ook de platte gronden van Tokio en KiotOy 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



25 



met enkele eilandenkaarten en de driehoeksmeting van 
Hokkaido. In de 2* klasse waren een honderdtal kust- 
eilanden- en havenkaarten, met eene bijzondere waarop de 
kustverlichting stond aangegeven. 

De 3* klasse had belangrijke mineralen-verzamelingen, 
zoölogische, botanische en archeologische werken; het 
meteorologisch rapport over het jaar 1879 van professor 
Mindenhall en over 1875 — 1880 van het Keizerlijk meteo- 
rologisch Instituut betreffende Tokio en andere stations. 
Werken over het onderwijs, in 't bijzonder die der nor- 
maalschool te Tokio, vormden de 7' klasse met hetgeen van 
het aardrijkskundig Genootschap reeds is gepubliceerd. 

Deze tentoonstelling was aangevuld door het Italiaansche 
Genootschap en de Handelschool te Venetië met kaarten, 
door Valtnziani met prachtige panorama's en door den 
Commissaris Berchei met diverse werken . 

Victoria. 

De kolonie Victoria had mede van Regeeringswege 
geene onbelangrijke inzending gedaan. £en aantal alge- 
meene en bijzondere geologische kaarten en boekwerken, 
op die onderzoekingen en het mijnwezen, vooral de goud- 
ddving, betrekkelijk; de tot dusverre verschenen triangu- 
latien en kaarten van het topografisch Departement ; kaar- 
ten en verslagen over het post- en telegraaf wezen ; enkele 
(dans van baaien, zeestraten en ankerplaatsen, maande- 
]ijksche meteorologische en magnetische opgaven tot het 
einde van 1880 en werken over de oorspronkelijke bewo- 
ners van Australië met de natuurhistorische der hoogleeraren 
Cay en von MuelUr^ vormden een klein doch belangrijk 
geheel. 

Naar ik verneem, zoude New South Wales ook nog 
cene inzending hebben gedaan; daarvan heb ik echter geen 
kennis kunnen nemen, aangezien die zeer laat, na mijn 
vertrek uit Venetië, moet zijn aangekomen. 

Nederland. 

^.Holland brachte eine dusserst interessante und gelun- 
^^ene Ausstellungy^ had ik het genoegen op mijne 
terugrdze naar het Vaderland in eene der meeste 
geachte Duitsche dagbladen te lezen; dat was een aange- 
name echo op de vele lofepraken, die ik te Venetië van 
bevo^de personen van velerlei nationaliteit reeds had mo- 
gen vernemen, doch die toen — aangezien zij tot een Neder- 
lander gericht waren — steeds eenigermate als beleefdheids- 
betuiging konden gelden: nu echter de „Augsburgsche 



Allgemeine Zeitung" dit aan het lezend Duitsch publiek 
herhaalde, behoefde van zoodanige nevengedachte niet lan- 
ger sprake te zijn. 

De waardige voorzitter der Jury, prof. de Quatrefages, 
een man die steeds rond voor zijne meening uitkwam, waar 
het op oordeelen, soms veroordeelen aankwam, zelfs van 
hetgeen bij zijn eigene Natie plaats vond, had mij den 
laatsten avond te Venetië wel ook toegevoegd, dat het 
hem in de wijze van handelen van Nederland zoo uiter- 
mate bevallen was, dat men zich aldaar streng binnen 
de gestelde grenzen en op zuiver wetenschappelijk terrein 
was blijven bewegen; maar, al hadden wij niet noodig 
dit uit te bazuinen, wij Nederlanders waren ons toch 
van onze tekortkomingen in vele opzichten te zeer bewust, 
om niet met eenige spanning het over onze tentoonstelling 
gevelde oordeel te verbeiden en wij voelden ons gelukkig, 
toen dit in algemeenen zin zoo gunstig uitviel. 

Zeker, verdiend of niet, overtrof het onze verwachting. 
Was in 1875 de zaak, in allen opzichte voldoende door de 
Regeering gesteund, tijdig op het touw gezet kunnen worden, 
was toenmaals de Nederlandsche commissaris in het land 
zelve aanwezig en kond e hij er het zijne toe bijbrengen 
om de inzendingen te bevorderen; had hij tijd en vond hij 
bij deskundigen krachtigen steun, om de verzamelingen 
zoodanig te completeren dat zij een bruikbaar geheel vorm- 
den: thans nagenoeg niets van dat alles. 

Onze Commissaris was ditmaal Jhr, Teixeira de Maitos 
de Nederlandsche consul te Venetië en aldaar woonachtig, 
dus weinig bij machte van daaruit de inzendingen te be- 
vorderen, hetgeen hij zelve zoo goed gevoelde, dat het 
zijnerzijds niet aan voorstellen ontbroken heeft, hem in 
Nederland een deskundige ter zijde te stellen. Belangrijke 
steun van regeeringszijde werd evenmin ondervonden; 
enkele departementen van algemeen bestuur, zooals van 
Oorlog of van Koloniën, niet te na gesproken, die zich de 
moeite gaven belangrijke inzendingen te doen gereed 
maken en zelfs den chef van het Topografisch bureau, 
den kundigen Eckstein^ met de opstelling in loco te be- 
lasten: zoo ging van regeeringswege noch eenige aan- 
moediging tot inzending noch toekenning van faciliteiten 
daarbij uit. 

Bij ondervinding wetende hoezeer zoodanige aansporin- 
gen noodig zijn om particulieren — hier voornamelijk 
uitgevers, instrumentmakers enz. — tot medewerking te 
bewegen, had de vrees, dat Nederland te Venetië bij 
andere natiën zoude ten achteren staan, maar al te 
zeer grond. 

Ons Genootschap, dat zich tijdig de zaak aantrok, 

4 



26 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



modit evenmin slagen de Regeering tot andere gedachten 
te brengen en nam zich toen voor, alle zijne krachten in 
te spannen — ja des noods daarboven te gaan — om toch 
te trachten dat gevaar af te wenden en, gaat men den 
catalogus der inzendingen ten bedrage van i8o nummers 
na, dan zal men zien, dat daarvan meer dan de helft 
afkomstig zijn van ons Genootschap of door zijne tusschen- 
komst verkregen. 

Voeg daarbij de inzending onzer zusterinstelling te 
*s Hage in een twintigtal nummers, mede door ons Ge- 
nootschap bezorgd, dan heeft onze instelling eenig recht 
te beweren, dat het behaald succes voor een goed deel 
aan haar is te danken en zonder zich daarop te verhoovaar- 
digen, mag men toch verwachten dat dit erkend en op 
prijs zal worden gesteld. 

Dank zij eenige vaderlandsch lievende mannen, werd 
's Genootschaps-kas buitendien zoodanig gesteund, dat 
voor eenige vertegenwoordiging van Nederland op het Con- 
gres en in de Jury, waar dat vooral zoonoodig was, konde 
worden gezorgd en zoodoende is voor ons de zaak ditmaal 
beter afgeloopen, dan men eenige maanden geleden had 
durven verwachten. 

En toch, men begrijpe het wel, de tentoonstellingen 
mogen zich tegenwoordig sterk vermenigvuldigen en de 
zaak daardoor bezwaren opleveren, het is voor 's Lands 
eer, voor de achting die eene Natie wordt toegedragen zoo 
ontzaggelijk veel waard, niet alleen bij politieke, staat- 
huishoudkundige of handelsaangel^enheden, maar ook 
op wetenschappelijk gebied niet ten achteren te blijven, 
dadr, waar anderen hun best doen om te schitteren; op- 
offeringen ook van Regeeringswege daarvoor gedaan zijn 
waarlijk volkomen nuttig en doeltreffend te achten. 

Doch geno^, laat mij, na deze onwillekeurig de pen 
ontvloeide uitweiding, tot onze tentoonstelling terugkeeren. 
Reeds gaf ik op dat zij uit i8o nummers bestond, tegen 
335 in 1875 te Parijs; ak men echter in verband tot het 
bovengezegde bedenkt, dat slechts een vijftal uitgevers in- 
zonden; dat al het overige van de Regeering in Nederland 
of Nederlandsch Indie, dan wel van Genootschappen af- 
komstig was; dat men bovendien van hier uit zich vol- 
strekt onthouden had, aan de geschiedenis der geografie 
in de 5e klasse deel te nemen, te Parijs door 90 nummers 
vertegenwoordigd; waarvan alleen voor een achttal nummers 
is afgeweken uit beleefdheid voor aanzienlijke inwoners 
van Venetië of omliggende plaatsen, die, Nederlandsche 
historische werken in hun bezit, bij onze afdeeling wenschten 
geëxposeerd te zien : dan zal dat lage cijfer onzer inzen- 
dingen geen bevreemding meer baren. 



Trouwens — we hadden reeds gelegenheid er op te 
wijzen — op de kwantiteit komt het hier minder aan, dan 
op de kwaliteit van het beschikbare en op de wijze waarop 
dit wordt tentoongesteld. 

Veel zal ik over die inzendingen niet behoeven te zeggen. 
Gij allen kent ze evengoed als ik en weet ze beter te be- 
oordeelen ; doch eene korte opsomming van het voor- 
naamste althans zij mij vergund. 

In de eerste klasse zond het Ministerie van Koloniën 
de nieuwe Etappekaart van Java en Madoera ; eene uit- 
voerige platte grond van Batavia met aanduiding der ka- 
dastrale hoofdindeeling en de werken van professor f. A.C 
Oudemans over de triangulatien in Nederlandsch Indic 
Het Departement van Oorloge proeven der schoone werken 
van het Topografisch bureau te 's Hage: als van de chro- 
molithograflsche kaart van Nederland, schaal i : 25000, 
van de op de U bekende Ecksteinsche wijze gereproduceerde 
kaarten van de Residentien van Java, schaal i : 1 00000, van 
de Stafkaart van Nederland i : 50000 en van de Waterstaats- 
kaart op dezelfde schaal. Het Indisch Gouvernement foto- 
grafisch, fotolithografisch en albertypisch gereproduceerde 
residentiekaarten van Java en omliggende eilanden, schaal 
I : 1 00000, 18 in aantal, met een enkel gewest — Pa- 
soeroean — op de schaal van i : 20000 en andere be- 
scheiden. Ons Genootschap gaf de meest belangrijke in 
zijn tiidschrift sedert 1875 uitgegeven kaarten op deze 
klasse betrekkelijk, naar behooren opgeplakt om als wand- 
kaarten te dienen ; ik heb niet noodig die hier te noemen. 
Mr. van Musschenbroek zond zijne kaart van de Minahassa 
op het topografisch bureau te 's Hage bewerkt, kapitein 
Zimmerman zijne platte grond van Suriname. 

Jammer dat de reproductie der door het rijk aangekochte 
groote kaart van Suriname nog niet verre geno^ gevorderd 
was, om daar te worden bijgevoegd. 

De 2e klasse bevatte de rivierkaart van Nederland, schaal 
I : loooo ; V. Musschenbroek's kaart der baai van Tomini 
en verder van ons Genootschap de kaarten der afdeeling 
Nederland met nog enkele kustkaarten op Oost- en West- 
Indie betrekkelijk; doch in deze afdeeling werden vooral 
zeer noode de inzendingen der Nederlandsche en Neder- 
landsch Indische hydrografie gemist : diensten die in andere 
Rijken zoo uitstekend waren vertegenwoordigd. 

In de 3e klasse gaf het Ministerie van Koloniën het 
werk in 3 deelen, be\rattende de rapporten over magnetische 
waarnemingen óooiDr. van Jiijckevorsseliné&vilnójsdh&xï 
archipel gedaan; het Indische Gouvernement de publica- 
tien van Dr. Bergsma over meteorologie, de rapporten 
van Cluysenaer op Sumatra betrekkelijk, in verband tot 



y 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



27 



den afvoer der Ombilienkolen. Ook de werken van het 
Bataviaasch Genootschap, van de Koninklijke Natuurkun- 
dige Vereeniging en van de Geneeskundige Vereeniging 
waren door hetzelfde intermediair hier aanwezig. 

De tweede afdeeling van het Utrechts meteorologisch 
Instituut, directeur Baron van Heerdt^ zond een achttal 
merkwaardige nummers in; ons Genootschap zijne op deze 
afdeeling betrekking hebbende edita en het natuurhistorisch 
deel der Sumatra-Expeditie, voor zooverre dat gereed is, 
het PooleomUè de zoölogische resultaten der reizen van 
de Willem Bar endz in 1878 en 1879, kapitein Zimmerman 
een drietal nota's over de voortbrengselen van en meteo- 
rologische waarnemingen op Suriname, Brill drie zeer de 
aandacht trekkende werken van geologischen aard van pro- 
fessor A/iir/m, de erven Bohn eindelijk het derde deel — 
voor zooverre verschenen — van het standaardwerk over 
Jaoa van onzen hooggeschatten Voorzitter. 

De 4e klasse bevatte van het Indisch Gouvernement 
de woordenboeken van Von de Wall, van der Tuuky 
Matthes en Oosting met enkele andere werken, waaronder 
een linguistisch kaartje van Java in manuscript van K, I*, 
EolU, de aandacht trok; daarop waren met verschil- 
lende kleuren de gedeelten van dat eiland aangegeven, 
waar Soendaasch, waar Madoere«sch en waar Javaansch, 
dit laatste in twee dialecten, de hoofdtaai uitmaakt. Het 
Haagsche Instituut zond de werken van Gustaaf Schlegely 
van der Chijs en Leupe ; de erven Bohn het eerste deel 
van Veth's Java en ons Genootschap zijne alhier behoorende 
publicatien met het ethnografisch en linguistisch deel van 
Midden-Sumatra, door A. Z. van Hasselt bewerkt. 

In de 5' klasse kwamen, behalve de oude Poolkaarten, 
uit ons Tijdschrift van den kapitein de Bas, het tweede 
deel van professor Veth's Java; van Mr. /. E. de Sturler 
zijn Granada en Alhambra en zijne dissertatie over ons 
Oost-Indisch rechtsgebied en verder de door de Italianen 
afgestane bescheiden, die ik reeds aanhaalde, en die be- 
stonden uit een paar globes van Hendrik de Hond, van 
1640 en Atlassen van Nicolaas Visser, de Wit en Blaauw. 

De 6e klasse bevatte slechts een paar nummers, als: 
statistieke gegevens de kolonie Suriname betreffende van 
kapitein Zimmerman, het Tijdschrift der Indische Maat- 
schappij van Nijverheid door tusschenkomst van het 
Indisch Gouvernement ontvangen, en eene verzameling 
producten van den Indischen Archipel door Jhr. Texeira 
de Mattos op eigen kosten bijeengebracht. 

De 7e klasse bood in de eerste plaats 'het zeer leerrijk 
exposé aan van de verschillende methoden van reproductie 
van kaarten op het Topografisch Bureau te 'sHage in 



toepassing en ditmaal bepaalde zulks zich niet enkel tot de 
U allen bekende wijze van kleurendruk door het etsen van 
vlakke tinten op steen en aanwending der typo-aotografie, 
uit de Residentiekaarten van Java het best bekend, maar 
strekte zich ook uit over de sedert eenigen tijd aldaar in 
praktijk gebrachte wijze van heliogravure op steen, die 
evenals zijne vroegere, doch onlangs weder verbeterde en 
vereenvoudigde, procéde's zeer uitvoerig werden voorge- 
steld; de verschillende steenen en bewerkingen dezer 
eenvoudige en toch blijkens de resultaten zoo doel- 
treffende werkwijzen waren in volgorde tentoongesteld en 
daarbij de noodige verklaringen in de ItaUaansehe taal 
gevoegd: zoodat ieder de gelegenheid had zich daarvan op 
voldoende wijze rekenschap te geven % Ons Genootschap 
gaf hier zijn Tijdschrift; H, A. Ijeenk Willink te Arnhem 
zijne goedkoope Globes voor het onderwijs bestemd, waar- 
van die è. /3 2. — met een omvang van 2 meters zooveel bijval 
vond, dat het aanwezige exemplaar terstond kopers vond ; 
ook bestellingen volgden en den exposant den raad 
gegeven is, om daarvoor in Italië octrooi te vragen, wijl 
reeds aanstalten tot namaak werden bespeurd. Voorts trof 
men hier het Tijdschiift van het Indisch Aardrijkskundig 
Genootschap het Aardrijkskundig Weekblad en de werken 
van Robidé van der Aa, von Rozenberg, S. Muller^ Lude- 
king, Croockewit, Reinwardt en Carl Bock, allen door het 
Haagsch Instituut gezonden. 

De 8e klasse eindelijk bevatte het voornaamste deel der 
inzending van het Poolcomité, als de rapporten over de 
drie eerste reizen van de Willem Barentz en de fotografien 
van f.A.Grant, vervaardigd op de beide eerste dier reizen; 
daaraan had Z. Apol een fraai geencadreerd schilderstuk 
toegevend een deel der kust van Nova Zembla voor- 
stellend met eenige aquarellen, waardoor de aandacht, 
ook der hooge bezoekers van de tentoonstelling ten 
zeerste werd geboeid. Van /. G, RobberU te Rotterdam 
vond men hier het plaatwerk Insulinde en voor het 
overige vonden hier de Bijbladen van ons Tijdschrift 
en de beide eerste deelen van Midden Sumatra met 
de bijbehoorende kaarten hunne aangewezen plaats; terwijl 
eindelijk door professor Kan eene manuscript kaart van 
Arabie was ingezonden, waarop alle bekende reizen in dat 
schiereiland gedaan waren aangegeven en die alhier ook 
strekken moest, om aan te geven op welke wijze het Hooger- 
onderwijs in de Aardrijkskunde hier te lande wordt 
opgevat. 

Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat de Ne- 



») Zie Bijlage I. 



28 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



landsche afdecling in waarheid niets anders aanbood dan 
hetgeen in de laatste zes jaren is tot stand gebracht, dan 
wel werken die inmiddels zijn voortgezet of verbeterd. 
Intusschen had er veel meer kunnen zijn; om daarvan 
een denkbeeld te geven, had Mr. van Musschenhroek eene 
brochure in de Fransche taal gereed gemaakt, waarin al 
het in dat tijdsverloop op de aardrijkskunde betrekkelijk 
in ons land uitgekomene werd opgesomd en dit geschrift 
werd aan deskundige bezoekers rond gedeeld: terwijl ook 
professor Kan zich in hooge mate verdienstelijk had ge- 
maakt door het bearbeiden zijner. Proeve eener geografi- 
sche bibliografie van Nederlandsch Oost-Jndie over de 
jaren 1865 — 1880, deels als vervolg op „Hooijkaas bekend 
repertorium" dat door Dr, fF, N. Durieu voltooid en voor 
de uitgave is gereed gemaakt, doch in meer bijzonderheden 
tredende, wijl daarin ook is opgenomen wat buitenland- 
sche tijdschriften ter zake bevatten. 

Maar het was niet voldoende dit alles in gereedheid te 
brengen , het moest ook op geschikte wijze worden tentoon- 
gesteld; dat nu was de taak van den door de Regeering 
benoemden Commissaris Jhr. lexeira de Matios, 

Langen tijd in de onzekerheid of uit Nederland zoude wor- 
den tentoongesteld en hoeveel ruimte daarvoor noodig was, 
vorderde het al den tact, dien verdienstelijken man in 
zoo hooge mate eigen, om, tegenover de allerw^e om 
plaatsruimte belegerde regelingscommissie, meester te blij- 
ven van de vertrekken voor ons land aanvankelijk door 
zijn toedoen bestemd en, zoo ten opzichte van verlichting, 
als situatie, onmiddelijk aan den toegang der tweede ver- 
dieping zoo bijzonder gunstig gelegen. 

Stel u eene ruiine vierkante binnenplaats voor aan twee 
zijden door corridors, aan de beide andere kanten door ver- 
trekken begrensd, die alle in de meest mogelijke ruimte 
het licht van die open binnenruimte kunnen ontvangen. 
Drie der vertrekken ingenomen door de inzendingen der 
Departementen van Oorlog en Koloniën, de beide andere 
door Ons en andere Genootschappen, waarvan één geheel aan 
de Sumatra-Expeditie gewijd. De binnenwanden der corri- 
dors geheel en al bedekt door de kaarten uit Indie gezon- 
den, door de inzending van het Poolcomité, met boekwer- 
ken en de productenverzameling: dan maakt ge u eenig 
denkbeeld van dat waarlijk schoone geheel, dat op een- 
voudige doch zeer passende wijze versierd onze tentoon- 
stelling inderdaad veel uitgebreider deed schijnen dan zij 
was en op eiken bezoeker een aangenamen indruk maakte, 
gelijk mij reeds herhaaldelijk door vreemde congresleden 
was verzekerd, vóórdal ik nog de gel^enheid had gevon- 
den, mij zei ven daarvan te overtuigen. Reeds deelde ik 



mede dat de heer Ecksiein door de Regeering was afge- 
zonden, om voor de juiste plaatsing der zaken van het 
Topografisch bureau te waken en door ons Genootschap 
was ons verdienstelijk lid, den reiziger D, D, Veth^ eene 
gelijksoortige opdracht gedaan ; in die heeren, met wie 
onze Commissaris zich zoo uitmuntend wist te verstaan, 
vond deze dus den noodigen steun; doch zijne bekendhdd 
met de plaatselijke middelen en met de landstaal, zijn uit- 
nemende tact, waarop ik reeds wees: maar vooral de 
innige liefde voor Nederland die hem bezielt en die den 
Nederlandsche Congresleden op zoo velerlei en zoo ondub- 
belzinnige wijze is gebleken, stelden hem in staat, de hem 
opgedragen taak op zoo onovertroffen wijze tot stand te 
brengen en daarvoor komt hem ons aller lof, onze innige 
erkentelijkheid toe. 

Nederland vindt in zijnen Consul te Venetië zonder 
eenigen twijfel een waardig vertegenwoordiger in het Bui- 
tenland! 



En zoo hebben wij dan die belangwekkende verzameling 
aardrijkskundige voortbrengselen uit alle oorden der wereld 
te zamen doorloopen. Heb ik mogelijk hier en daar uwe 
aandacht bij min gewichtige zaken bepaald, stellig sloeg 
ik daarbij nog veel meer over dat vermelding verdiende; 
doch nu reeds vrees ik veel te veel van uw geduld te 
hebben gevergd. 

Op de vraag of er veel nieuws te zien was, moet zon- 
der twijfel bevestigend worden geantwoord; daarvoor heb 
ik u enkel maar te wijzen op de 8* klasse. Wellicht was 
er nimmer een tijdperk zoo rijk aan ontdekkingsreizen 
dan de laatstverloopen zes jaren. Veel is daarbij bekend 
geworden en met zekerheid vastgesteld, waaromtrent vroe- 
ger slechts gissingen bestonden en aan verrassende, geheel 
onvoorziene, resultaten heeft het evenmin ontbroken, al zijn 
niet alle gedane tochten even vruchtbaar geweest, al heb- 
ben zij ook aan meerdere bekwame en ondernemende rei- 
zigers het leven of de gezondheid gekost. Dit zal intusschen 
anderen niet terug houden; men wil nu eenmaal onze aarde 
in haar geheel tot in zijne verste schuilhoeken, tot op den 
bodem der wereldzeeën beter leeren kennen en elk volgend 
jaar zal daartoe zeker ook verder het zijne blijven leveren. 

Wij kunnen daarover hier niet in bijzonderheden treden, 
doch merken verder op, dat nagenoeg van elk land de be- 
wijzen voorhanden waren, dat de aangevangen werkzaam- 
heden krachtig worden voortgezet; dat ook aan het onder- 
wijs in de aardrijkskunde allerw^e meer aandacht wordt 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



29 



geschonken. Als eigenaardigheid van deze tentoonstel- 
ling, waardoor zij zich meer bepaaldelijk van vroegere 
onderscheidt, valt aan te teekenen, dat meer dan vroeger 
het eigen — ik zoude haast zeggen klad — werk van de 
leizigers zelve werd te zien gegeven, nu eens reeds terwijl 
het voor de uitgave nog niet was gereed gemaakt, dan 
loeder nevens de aangevangen of voltooide openbaarma- 
king daarvan; dat men thans ook voor het eerst eene 
toepassing op groote schaal aantrof der fotografie bij ter- 
reinopnamen, waaraan bijna zeker eene toekomst is te 
Toorspellen en eindelijk dat in zeer vele rijken, vooral van 
Staatswege, meer en meer de aandacht wordt gewijd aan 
<ie beste tevens snelste en goedkoopste wijze van reprodu- 
oeeren van kaartwerken, waarbij, naar het schijnt, de /?- 
ioiincografie iet meest veld wint, vooral sinds men zich 
^e in Frankrijk heeft aangetrokken en ze aldaar tracht te 
veredelen en dat men op die wijze bewerkte kaarten daarna in 
Meuren weet te doen drukken en dus geen afbreuk meer doet 
aan de vrij algemeen aangenomen stelling, dat in kleuren 
gedrukte kaarten degenen zijn, die op den duur het meest 
ingang zullen vinden. 



Zal ik U nu nog over de bekrooningen spreken? 

Reeds bij eene vorige gelegenheid deelde onze Voorzit- 
ter mede hoe het Nederland daarbij gegaan is en stellig 
is dat niet ongunstig, gelijk moge blijken uit bijgaande 
tabel 1), waarin de volledige uitslag van het door de Jurij 
uitgebrachte en door de Giunta van het Congres goedge- 
keurde onderzoek is nedergelegd 

Slaat men daarbij enkel acht op het totaal aantal be- 
haalde prijzen, dan voorzeker staat Nederland, dat thans 
de negende in de rij is geworden, betrekkelijk lager dan 
in 1875 t^ Parijs; doch in de werkelijkheid is dit het ge- 
val stellig niet: zelfs dan niet, wanneer men van het stel- 
lig valsche beginsel uitgaat, dat het verkregen aantal be- 
krooningen als maatstaf moet worden aangenomen van 
den rang die eene natie in de beoefening der aardrijks- 
kundige wetenschappen inneemt. 

Zoowel uit den catalogus als uit bijgaande tabel zijn 
intusschen, ook in verband tot hetgeen in 1875 is geble- 
ken, een paar m. i. niet geheel van belang ontbloote ge- 
volgtrekkingen te maken : 

ie. Dat het Land zelve, alwaar het congres met de 
daaraan verbonden tentoonstelling plaats heeft, als van 
zelve alle krachten inspant om daarbij te schitteren; dat 



I) Zie bijlage. IL 



het zoowel van den kant der openbare instellingen, als van 
die der uitgevers en bijzondere personen, maar vooral ook 
uit historisch oogpunt daartoe ook het best in staat is en 
dientengevolge ook bij de bekrooningen — zelfs zonder 
eenige hoffelijkheid van de zijde der beoordeelaars in 
rekening te brengen — steeds bovenaan zal staan. 

2e. Dat, enkele uitzonderingen daargelaten, in den regel het 
aantal particuliere inzenders afneemt, naarmate de afstand 
toeneemt, waarin debetrokken Staat verwijderd ligt van het 
Land, waarin de plechtigheid plaats heeft; doch dat zoo- 
danige regel niet van toepassing is op inzendingen van 
r^eeringswege, die meer afhankelijk blijven van de bij zon- 
dere inzichten van de hoofden der betrokken departemen- 
ten van algemeen bestuur in elk Rijk. 

Houdt men dit een en ander in het oog bij de beoor- 
deeling van het verkregen aantal bekrooningen, dan zal 
men meer naderen tot het juiste standpunt dat elk land 
op zich zelve inneemt en zulks zal te meer het geval wor- 
den, als men daarbij tevens niet over het hoofd ziet over 
hoeveel meer middelen groote mogendheden hebben te 
beschikken dan kleine; welke laatste ook bovendien veelal 
nog daarom in het nadeel zijn, omdat dddr regeeringssub- 
sidien moeijelijker en in betrekkelijk geringer mate te ver- 
krijgen zijn. 

Zoo beschouwd rijst Nederland zeker ettelijke nummers 
in de ranglijst. 

£n nu is bij dat alles tot nog toe als onomstootelijk aan- 
genomen, dat het uitgesproken oordeel in allen deelen 
onwraakbaar is, hetgeen moeijelijk is aan te nemen. Neemt 
men echter de omstandigheden in aanmerking waaronder 
geoordeeld moest worden, zeer zeker heeft dan de Jury, 
waarin de meest bevoegde personen in elke richting op 
aardrijkskundig gebied zitting hadden, een voortreffelijk 
werk geleverd en komt haar ten volle den lof toe haar 
door Prins de IcanOy de Voorzitter van het congres, in de 
slotzitting toegezwaaid. Slechts weinige dagen waren die 
Jury voor dat reuzen werk gegund en ongelukkig nog wel 
dezelfde waarin ook het Congres zitting had, zoodat de 
de juryleden de vroege ochtend- en de late avonduren 
aan hunne taak hadden te wijden met opoffering van rust 
en van uitspanningen van zoovelerlei aard, als het gast- 
vrije Venetië, voorgegaan door zijn* waardigen Syndicus 
graaf Serego met den wereldberoemden naam Dante Alleg- 
hieri den congresleden bereid had. Zij zouden die taak 
dan ook onmogelijk hebben kunnen vervullen, zoo zij zich 
geene hulptroepen hadden toegevoegd, die echter vooraf 
door hun van juiste instructien werden voorzien. 

De zittingen toch der acht Juryklassen vonden alle nagenoeg 



3P 



BE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETlE. 



gdijktijdig plaats en slechts enkele Staten badden het 
voorrecht, ook door een gelijk aantal juryleden te üjn ver- 
tegenwoordigd. Ons land b.v. had er slechts twee, profes- 
sor Xan en Mr. pan Mussckenbroek^ die officieel als 
zoodanig bekend stonden; doch op hun verzoek be- 
toonden zich lexeiray van Hasselt en de Sturler bereid, 
hun dür te vertegenwoordigen, waar zij zelve met geen 
mogelijkheid konden aanwezig zijn. 

Dat de genoemde offideele Nederlandsche Juryleden in- 
tusschen bij hunne vreemde collega's in hoog aanzien ston- 
den, moge daaruit blijken, dat Mr. van Musschenbroek bij 
de zamenstelling der bureaux bij acclamatie tot voorzitter 
der 3e klasse werd benoemd; dat gelijke eer in de 7e klasse 
aan pro£ Kan was toegedacht, die hij echter vermeend 
heeft te moeten van de hand wijzen; doch dat hij niet- 
temin een der uitverkorenen met Schweinfurdt^ M^agner 
en enkele andere authoritdten geweest is, die, vóór 
dat het eindrapport werd vastgesteld, in speciale commis- 
sie werden benoemd, om twijfelachtig gebleven punten tot 
beslissing te brengen. Ook was hun crediet zoo groot, 
dat toen hun de vraag gesteld werd, wat naar hun oor- 
deel in de Nederlandsche afdeeling voor bekrooning in 
aanmerking kwam, hun daarop g^even antwoord niet 
alleen zonder de minste discussie werd aangenomen, 
maar daaraan zel& andere werden to^evo^d, die zij uit 
bescheidenheid hadden verzw^en. Hadden zij — oi- 
schoon dan wellicht ten koste van de goede meening, die 
omtrent hen bestond — daarvan misbruik willen maken, 
iets wat hij zulke gel^enheden en wellicht ook hier bij 
sommige naden niet ten eenemale is achterwege gebleven, 
dan had het hun weinig moeite gekost, het cijfer der 
Nederlandsche bekrooningen hooger op te voeren. 

Bdialve voor de vele moeite die zij zich gaven in het 
behartigen der hun opgedragen moeijelijke taak, zijn wij 
hun vooral ook dank schuldig, dat zij den Nederlandschen 
naam ook bij deze g^l^enheid in hooge achting bij 
de geheele wetenschappelijke wereld hebben weten te hand- 
haven. 

Veel is er gestoken over het meer of min doelmatige, 
ja noodzakelijke, om in de toekomst het stelsel van be- 
looningen bij aardrijkskundige tentoonstellingen al of 
niet te behouden ; ik zal hier het voor en t^en niet in 
behandeling nemen. Van wederzijde is daarvoor veel te 
z^gen en de beslissing zeker niet gemakkelijk ; maar ge- 
leede aanleiding tot zoodanige gedachtenwisseling bestond 
te over, tengevolge eener minder goede voora%aande 
regding der werkzaamheden door de uitvoerende Com- 
missie. Had deze bet samenstellen der Jury niet overge- 



laten aan de Giunta van het Congres, die uit den aard 
der zaak slechts een enkelen dag vóór de opecing zijne 
eerste zitting konde houden, maar zich zelve daannede be- 
last, des vereischt na daarover met de voornaamste aar- 
drijkskundige Genootschappen te zijn in overleg getreden, 
dan had die Jury hare werkzaamheden eerder kunnen be- 
ginnen en daarmede gereed kuimen zijn, toen het Congres 
werd geopend. De bekroonden hadden dan — voor zoo- 
verre zij aanwezig waren — zich in die onderscheiding 
reeds staande het Congres kunnen verheugen; maar, wat 
aanzienlijk zwaarder weegt, de Juryleden zelve waren dan 
in die weinige congresdagen niet zoo overkropt geworden 
met hoogemstige bezigheden, die al hunne aandacht vorder- 
den en him daardoor meermalen beletten aan den aibdd 
in de Sectien deel te nemen, althans zoq ona^ebroken 
en opgewekt als wenschelijk ware geweest bij mannen 
van hun kaliber; want wat ook moge zijn uit het oog ver- 
loren, stellig in de keuze der personen heeft men zich niet 
vergist; de Jury bevatte de kundigste en meest bevoegde 
personen onder hen over wien men in Venetië had te 
beschikken. 

Amsterdam^ November 1880. 



Byiage I. 

De nienwe Ecksteinsche procedé's, die op de 

Aardrijkskundige Tentoonstelling te Venetië 

aanschouwemk waren gemaakt. 

i^ De drie momenten tot het kunstmatig voortbrei^D 
van alle nuancen van een zelfden steen en van alle 
kleuren van drie steenen. 

Eerste moment. Een steen met asfalt bedekt, waar- 
op een scherpen overdruk van een grise (fijne, even- 
wijdig naast elkander liggende, lijntjes) dat met 
goudbrons overstoven is. 

Tweede moment. De steen aan het licht blootge- 
steld, de asfalt verhard, behalve onder de roet goud- 
brons overstoven lijntjes, welke in terpentijn opgelost, 
thans geheel blootgelegd, met water afgespoeld en tot 
etsen in de verschillende gewenschte nuancen gereed is. 

Derde moment. De steen in verschillende nuancen 
geetst en met een der drie grondverwen, blaauw,rood 
of geel ingewreven. 

De verkr^en nuancen kunnen in de stoompers worden 
a%edrukt. Nog wordt aangeteekend, dat de schets der 



DE AARDRIJKSKUNDIGE TENTOONSTELLING TE VENETIË. 



3ï 



3*. 



kaart door middel van overdruk, dan wel door een 
koolpositief, op het uitgewasschen grise wordt aange- 
bracht en dat de witte gedeelten der kaart, met in 
terpentijn opgeloste asfalt, door middel van een pen- 
seel worden bedekt, alvorens tot het etsen wordt 
overgegaan. 

De drie momenten om eene voor gewone zwarte druk 
gegraveerde kaart in kleurendruk over te brengen 
in holdruk (creux), die echter tengevolge van het etsen 
met den wals in den stoompers kan worden afgedrukt. 

Eerste moment. Overdruk eener gegraveerde kaart, 
op eene met asfalt bedekte steen; die overdruk met 
goudbrons overstoven. 

Iweede moment. De steen aan het licht blootge- 
steld, de asfalt verhard, behalve onder de lijnen, 
die met goudbrons zijn overstoven en die in terpen- 
tijn opgelost, volkomen blootgelegd, met water afge- 
spoeld tot etsen gereed is. Zoodanige gedeelten der 
kaart, welke men niet wenscht te zien afgedrukt, wor- 
den vóór dat de etsing plaats heeft, door een penseel 
met in terpentijn opgeloste asfalt bedekt. 

Derde moment. De reproductie der gravure geetst, 
ingeolied, de steen met ether afgewasschen en de gra- 
vure ingezwart, dan wel met eenige andere kleurstof 
ingewreven. 

De drie momenten tot dadelijke reproductie in steen- 
gravure, eener penteekening op papier. 

Eerste moment. De teekening op dun schrijfpapier 
met zwarte chineesche inkt geteekend, aan wederzijde 
met canada balsem overstreken en met de randen in 
eenigzins vochtigen toestand op den met asfalt be- 
dekten steen gekleefd. 

Iweede moment. De steen met de zich daarop 
bevindende teekening aan het licht blootgesteld; de 
asfalt verhard, behalve onder de zwarte lijnen, die 
in terpentijn opgelost en volkomen blootgelegd, met 
-water afgespoeld tot etsen gereed zijn. 

Derde moment. De teekening of kaart geetst, inge- 



s«- 



olied, de steen met ether afgewasschen en de gravure 
ingezwart. 

Nog wordt aangeteekend, dat men de flauwe par- 
tijen eenmaal, de sterkere twee of driemaal etsen kan 
waardoor het effect der teekening aanzienlijk wint. 
Verkrijging eener kool-schets op steen, door middel 
van een negatief. 

De steen wordt overdekt door eene zeer dunne laag 
van een mengsel van gelatine, bichromaat en chi- 
neesche inkt, dat in de donkere kamer door middel 
van een spons wordt aangebracht. 

De blootstelling aan het licht onder het negatief 
duurt nauwelijks ëéne minuut. 

De teekening wordt door middel van een penseel 
met warm water te voorschijn gebracht. 

Eene steen met typo-aütografisch schrift. 

Gewone lettertypen worden in daartoe bestemde ko- 
peren ontvangers naast elkander vastgeschroefd en 
met een zekere inktsoort (half overdrukinkt en half 
lithografische inkt) in droogen toestand, door middel 
eener kleine boekdrukkerswals, ingezwart en op de 
bestemde plaats op van kleefstof voorzien paus- of 
ander papier afgedrukt en daarna tegelijk met de 
autografische teekening op den steen overgedragen. 

Bij kleurdruk, alwaar een juist passen wordt ver- 
eischt, wordt de teekening met lithografische inkt op 
den steen aangebracht vóór dat het typografisch ge- 
drukte schrift daarop wordt overgedragen. 



Ten slotte valt nog op te merken dat steenen voorzien 
van de sub. i* bedoelde mechanisch chemische construc- 
tie der grisé's (een nog zeer kort geleden door Eckstein 
uitgedacht middel om het procédé van den kleurendruk 
te vereenvoudigen) ten behoeve van particuliere belangen 
in den handel zouden kunnen worden gebracht, waardoor 
het drukken van alle nuancen in drie steenen onder het 
bereik van een ieder komt en dit tevens tot een minimum 
van kosten terugbrengt. 



Byiage n. 

Statistisch Overzicht der bekrooningen op de Aardrijkskundige Tentoonstelling 

te Venetië in September 1881. 



STATEN. 


O >J 


•0 






S 


|8 


eii 
•2-S 


"4 


5« 


^« 


1! 


1^ 




^Jl 


^1 


1^1 


< *' 


AANMERKINGEN. 




I 


! 






1 


6 


2 


9 




















I buiten mededinging. 




2 


i 2 




I 




I 


3 




7 






















3 


I I 


5 


I 




5 








12 
















2 id. 


Italië. 


4 
5 


! 
12 


7 


2 




2 


4 

4 








6 


25 


1 
1 








2 id. 
I id. 




6 


2 


I 


I 


I 


I 


3 












9 














7 




I 






I 


5 














7 








2 id. 




8 




2 


I 


5 


6 


5 
















19 






I id. 






18 i 16 


6 


1 6 


22 


26 


















94 




9 




I 


2 




I 


1 
1 






3 




















2 


I 






i 






























3 


3 




I 




I 






I 






















4 


I 


I 






I 








5 








1 










Frankrijk. 


i 


4 
6 

I 

I 
1 


I 

3 

I 


3 

2 
4 


1 

I 


3 

I 
8 


4 
4 
7 








3 


II 


13 


9 


21 


66 




I id. 




19 


6 


II 


I 


14 


15 












1 




I 




I 


I 




2 






I 


4 




















2 


I 




2 




3 






6 






















3 


2 








5 


2 






9 


















Oostenrijk. 


4 
5 
6 

7 
8 


I 


I 

2 


2 
2 


2 


2 
2 

4 
6 


2 
I 

4 








4 


4 


I 


6 


16 






I id, 
I id. 




I 


5 


3 


8 


2 


22 


10 


















50 




2 




2 








I 


2 


S 




















2 




2 






3 


I 




6 






















3 


I 


2 


2 




I 


3 






9 
















I id. 


Zwitserland. 


4 

1 

7 
8 


2 


I 
2 
2 

I 


1 


I 


I 
I 

3 

I 


I 

4 
2 








2 


4 


5 


8 


4 












5 


10 


3 


I 


II 


13 


















43 




I 




I 


3 








2 


2 


7 




















2 


I 


I 












2 






















3 


3 


I 








I 






5 
















Duitschland. 


4 


I 


I 


I 
3 




I 
I 










3 


5 














6 


I 








I 










2 














7 




3 






2 
















5 












8 






3 


I 




I 
















5 


34 

1 




I id. 




9 


6 


7 


I 


6 


5 


















I 




I 


I 




I 








2 




















2 


2 














2 














1 






3 


I 


2 


I 




I 








5 














I id- 


Rusland. 


4 

1 

7 
8 


I 
2 
2 


3 

I 
2 

2 






I 
2 


I 
I 
4 
3 








4 


3 


5 


8 


5 












9 


10 


2 




4 


9 


















34 


321 


I 


Transporteeren 




65 


51 


37 


II 


79 


78 


30 


24 


45 


22 


52 


35 


43 


70 


15 



STATISTISCH OVERZICHT DER BEKROONINGEK EKZ. 



33 



STATEN. 


(J roepen l 
waarin ! 
bekroond. 


8 » 

^'1 


Ü . 

5'' 






■1" 


Mcntion 1 
hónorablc. 


M 




^l 




il 

t4 

H 

m 








> fl 


s S 

< 


AANMERKINGEN. 


Per transport 


.... 


65 


5ï 


37 


II 


79 
I 


78 

I 


30 


24 


45 


22 52 


35 


43 


70 




321 


15 buiten mededinging. 




2 






I 


3 
















3 


2 


I 


j 




I 








4 


















4 






I 


I 


I 


I 








4 














Hongarije. 


1 

7 
8 


2 
I 

I 


I 


I 1 
! 

I 


I 


I 

2 


3 • 

1 
3 ' 

I 








7 


3 


6 


3 












6 

I 


3 


4 
i 


2 


6 


9 , 


1 

I 






1 








30 








I 












2 


I 




I j 




I 


1 




3 




, 








1 






3 


2 








I 








3 










i 


I id. 


Zweden. 


t 
l 




I 

I 


2 ' 
I 




3 

I 
I 


2 
4 








8 , 


2 


5 


3 












4 


2 


4 ' 




8 


7 








1 






i 25^ 


I 




I 


2 












2 














1 






3 


3 










2 






5 


















4 


I 






I 












2 1 














Nederland. 


5 
6 

7 
8 




I 

2 

2 


I 


I 
2 


2 


I 

I 








3 

1 
1 

i 1 


I 


3 


7 






1 id. 

2 id. 




I 


6 


5 


I 
I 


4 


__3_ 


4 


3 
















23 




3 




2 














2 


I 








I 






2 






















3 


I 




I 




I 








3 


















Spanje. 


4 

5 
' 7 


7 


I 






I 
I 


I 








I 


8 




2 








I id. 




1 
1 I 


II 


I 


2 
I 




1 4 


I 

1 








— 






i 


19 




I 








1 2 














3 


I 




I 


2 




2 






6 


















Argentijnsche 


4 
5 


1 










2 

2 








2 


2 














Republiek. 


6 






I 




I 
2 


I 

I 












I 


I 


4 






I id. 






I 
2 




3 


2 


3 


9 


2 
















18 




I 




I 










2 


2 


I 












3 




















Noord-Araerika. 


3 


3 
















3 




















6 


I 






I 




I 












3 




1 








8 

I 


I 

9 

2 


I 




I 




I 


3 














I 


12 
























2 


I 


2 












4 


















Engeland. 


4 












I 








I 
















1 


I 








I 

I 
I 


I 




I 


1 




I 






3 


12 








2 


4 


2 






















3 












I 






2 




















4 












I 1 








I 
















Griekenland. 


1 




I 


' 1 






i 
2 
2 
I 


1 








I 


3 


2 


I 














I 


2 




I 


7 i 


1 














II 






Transportceren 




106 


66 


57 , 

i 


20 


105 


117 1 

i 


43 

1 


40 


71 


41 


74 


48 


62 1 


92 




471 


21 id. 



34 



STATISTISCH OVERZICHT DER BEKROONINGEN ENZ. 



STATEN. 


Groepen 1 

waarin . 

bekroond. | 


Lettres 

de 

distinction. 




8*0 


1 

h 

'S « 


|: 


II 

il 


1! 

H 


bo 

^8 


il 


M 




II 

^4! 




^r 




11 


AANMERKINGEN. 


Per transport 




.06 


66 


57 

"'i 


20 


105 


"7 


43 


40 j 71 1 41 


74 


48 


62 


92 




471 


21 buiten mededinging. 




I 


2 








2 


1 , 
1 
















2 


I 


I 


1 








* I 


















3 




I 


1 




I 




! 2 ' 
















Japan. 


4 
6 


I 

I 








' 




1 ! ' 
' 1 




I 














7 


I 








I 






1 






2 












8 






1 






I 
2 


I 




1 






I 


II 








1 ^ 


2 







1 






1 






I 




I 










1 












4 


i I 


I 














2 


1 












Egypte. 


6 

1 


1 
1 


I 
I 


I 




I 


I 
I 






1 


2 


2 


I 


8 




I id. 






i I 


4 


I 




I 






1 


i 






I 




2 




I 












I 


1 


1 










4 












I 






1 I 


1 












Brazilië. 


l 


! I 
1 I 






I 
I 




I 










I 


I 


I 


I 


6 








2 


I 


1 


2 










1 










I 1 


I 








1 I 








i 










3 .! ' 
















I 
















België. 


5 ' 










I 










I 














7 


I 






















I 












8 








I 


















I 












3 






I 




I 
















5 








2 




I 












I 














Chili. 


i 


I 






i 


I 

1 


1 




2 










I 












1 I ■ 


I 




I 


I 


1 






I 













4 








3 , 


I 








1 














Victoria (Australië). 


4 . 
6 


I 
I 










1 
! 
i 






I 




, 






3 




» 




3 






j 




1 




















3 


I 






1 


, 


i 




I 


















Canada. 


6 i 


1 








1 










I 














7 










I 


1 












I 












8 

1 










I 














I 


4 
I 

1 








1 


I 








2 


1 












i 




Portugal. 


8 






I 






— 












I 






1 
1 


1 


I 




















Bulgarije. 


8 


1 


1 

! I 


I 












I 






1 






I 












1 


22 id. 


Totaal generaal .... 




123 


l7S 

1 


59 


1 24 

1 


108 


..5 


i 47 


44 


78 


46 


76 


54 


69 


100 




514 



257 



257 



VERSLAG 



VAN HET 



Derde Jnteï^nationale A.ardï\ijkskundig Congres, 
GEHOUDEN TE VENETIË i5-22 SEPTEMBER 1881, 



DOOR 



Prof. C. M. KAN. 



Dient de verslaggever van elk congres goed te overwe- 
gen, welke afdrukken hij van de door hem ontvangen 
indrukken aan zijne lastgevers zal mededeelen - bij het 
congres te Venetië is dit in dubbele mate het geval. Immers 
de indrukken van de stad, waar 't congres gehouden werd; 
van de feesten, die de plechtigheid opluisterden; van de 
algemeene en sectie-vergaderingen; van de tentoonstelling 
en van de vele vreemdelingen, waarmede men in aan- 
raking kwam, waren zoovele, dat menig verslaggever 
zelve gevaar heeft kunnen loopen een verwarden indruk 
van het geheel te verkrijgen, en dus zeer voorzichtig moet 
zijn bij het doen eener keuze, wat hij in het door hem te 
geven verslag op den voorgrond zal stellen. Gelukkig 
wordt hij bij het doen dier keuze geholpen, als hij scherp 
onderscheidt, voor wie dat verslag wordt uitgebracht. Het 
kan bijv. in eene bijeenkomst als deze i) niet ge wenscht zijn 
uitvoerige beschrijvingen te geven van de stad Venetië, die 
men of zelve zag of uit onze beschrijving toch onvolledig 
zou leeren kennen; evenmin van alle feesten en plechtige 



i) Het verslag werd uitgesproken ter algemeene vergadering van 
het Aardrijksknndig Genootschap, gehouden te Amsterdam den 23 
i)ecember 1881. 



receptien, die wel te Venetië, zoo als wij later zien zullen, 
iets eigenaardigs hadden, maar toch niet genoeg om met 
de uitvoerige beschrijving daarvan een zoo belangstellende 
opkomst te beloonen. Evenmin zal men waarschijnlijk 
behagen vinden in de opsomming der namen van hooge 
personages en celebriteiten op 't gebied der aardrijkskunde, 
die trouwens ook daarom minder noodig is, dewijl de 
„hervorragende Persönlichkeiten" toch van zelve bij 't be- 
schrijven der werkzaamheden van het Congres zullen ter 
sprake komen. 

Rest dus weinig anders dan een zooveel mogelijk gron- 
dige bespreking van datgene, wat het Congres ter sectie- 
en algemeene Vergadering voor de geographische weten- 
schap heeft verricht, een onderwerp, dat op een algemeene 
Vergadering van een Aardrijkskundig Genootschap niet 
zoo geheel misplaatst mag heeten, en daarom nog des te 
eerder aan de orde dient gesteld te worden, dewijl de oor- 
deelvellingen, die men in zijne tijdschriften over dat Congres 
allicht reeds gelezen heeft, zoo wonderbaarlijk ver uiteenloopen. 

Terwijl bijv. de verslaggever in Petermann's Mittheilungen 
tot -de conclusie komt dat het Congres te Venetië „den 
Wunsch nach regelmassiger Widerholung erhöhte" en aan de 
hoofdvoorwaarden van het succes — deelneming aan 't 



36 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



Congres door celebriteiten op 't gebied der geographie uit 
allelanden — nauwelijks minder voldeed dan dat te Parijs, 
terwijl deze zeker niet onbevoegde autoriteit met het Con- 
gres en de ontvangst te Venetië ten zeerste ingenomen is, 
heeft de Heer Dr. Josef Chavanne i V2 pagina van zijn 
verslag over het Congres, dat in zijn geheel 3 pagina's 
groot is, noodig, om al zijn grieven tegen het Congres op 
te sommen. Het organiseerend Comité was niet voor zijn 
taak berekend; het Congres miste zijn „völkervereinigende 
Macht;" de verhandelingen in de sectien en ter alge- 
meene vergadering waren van ondergeschikt belang; de 
vragen waren te veel; de praeadviezen kwamen te laat; 
overal heerschte de „tonende oder hohle Phrase"; aan be- 
leefdheids betuigingen werd te veel tijd geschonken; er 
was niet gezorgd voor plaatsen, waar men elkander des 
avonds kon ontmoeten, enz., enz. 

Wie heeft gelijk? Naar 't ons voorkomt, heerscht in 
beide oordeelvellingen eenige onjuistheid, doch zeker niet 
het minst in die van den Oostenrijker, welke, na acht da- 
gen lang de gast van het gulle Venetië te zijn geweest, 
slechts berisping en geen enkel woord van lof voor zijn 
schoone gastvrouw over heeft. 

Doch wij zullen de feiten laten spreken en den lezer 
zelven laten oordeelen. Wij zullen daartoe meer nauw- 
keurig nagaan wat in de sectie-vergaderingen is voorge- 
vallen, minder uitvoerig over de algemeene vergaderingen 
spreken, om met een enkel woord over de eigenaardigheid 
der Venetiaansche feesten te eindigen. 



De Sectie-vergaderingen van het Congres. 

Bij 't bespreken van *t geen te Venetië in de sectien 
van het congres voor de geographische wetenschap werd 
verricht zal 't niet onnoodig zijn vooraf over de bronnen, 
die ons ten dienste stonden, een enkel woord in 't midden te 
brengen. Tijdens het congres zelve was 't niet wel mogelijk 
meer dan één der gelijktijdig vergaderde secties bij te 
wonen, en zelfs in deze moest iemand, die de functies van 
Jurylid te vervullen had, wegens vergaderingen en be- 
zoeken, door hooggeplaatste personen aan de Tentoon- 
stelling gebracht, dikwijls afwezig zijn. 

Toch kon de verslaggever reeds in die dagen vele bouw- 
stoffen verzamelen. Wanneer hij, de vraagpunten ken- 
nende, die in de verschillende secties zouden behandeld 
worden, te rade ging met hetgeen de Diario of het Con- 



gresblad betreffende sprekers en hunne onder>verpen aan- 
kondigde; of als hij kennis nam van de korte verslagen, die 
daarin van 't besprokene in de verschillende secties voor- 
kwamen; wanneer hij verder eenigen slag had om door 
informaties bij hen, die de sectie-vergaderingen hadden 
bijgewoond, of bij de sprekers zelven, iets meer gewaar 
te worden dan het Congresblad daarover mededeelde — 
dan kon hij reeds vrijwel op de hoogte komen van de 
belangrijkste quaesties, in die secties besproken. Natuur- 
lijk ging dit alles zooveel te beter, naarmate hij meer in 
de gelegenheid was geweest de algemeene vergaderingen 
bij te wonen, waar door rapporteurs (helaas! dikwijls 
met te bekwamen spoed) het verslag dier besprekingen werd 
voorgelezen, doch tevens (wat meer licht gaf!) de in de 
secties genomen beslissingen vóór het Congres en in stem- 
ming gebracht werden. 

Dit alles tijdens het Congres. Eenigen tijd daarna ga- 
ven verschillende bezoekers in zeer uiteenloopenden vorm 
de door hen ontvangen indrukken terug en er ontstond dus 
voor den verslaggever een nieuwe gelegenheid om het ont- 
brekende in zijne eigene aanteekeningen aan te vullen. Hij 
vermocht zoodoende een verslag samen te stellen, dat juist, 
omdat het niet alleen de zelf ontvangen indrukken terug- 
geeft, in weerwil van alle leemten, eenige aanspraak op 
betrouwbaarheid mog maken, en vooral de hoofdresultaten, 
op wetenschappelijk en praktisch gebied door het Congres 
verkregen, kan vermelden. 

Overigens is de litteratuur over het Congres van Sep- 
tember af, dus in den loop van ruim twee maanden, reeds 
belangrijk toegenomen. Om van de dagbladartikelen te 
zwijgen, zooals de Allgemeine Zeitung die leverde, — in 
Petermann's Mitiheilungen van November en December; 
in de Proceedings der R. G. Society van December ; in de 
twee laatste nummers der Deutsche Rundschau en eindelijk 
in de November- en December afleveringen van het maand- 
schrift Aus allen Welttheilen vindt men vrij uitvoerige ar- 
tikelen over het Congres, al wordt dan ook in de meeste 
dezer verslagen, in vergelijking van 't geen over de tentoon- 
stelling wordt medegedeeld, bet Congres betrekkelijk zeer 
kort besproken. Ook in Yitt Athenaeum en in het Bulletin 
de la Société de geographie commereiale de Bordeaux vond 
men spoedig althans eenige nadere berichten over 't 
geen te Venetië was voorgevallen, terwijl van 22 Septem- 
ber af (den dag der sluiting van het Congres) tot op he- 
den beknopter en uitvoeriger verslagen in de achtereen- 
volgende nummers van PExploration voorkwamen. 

Natuurlijk moesten al deze verslagen in degelijkheid en 
uitvoerigheid achterstaan bij 't geen de Italiaansche tijd- 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



37 



schriften, leverden. Bij deze heeft men dan ook de hoofd- 
bron te zoeken, waaruit latere verslaggevers niet zelden 
geput hebben, een feit, dat zooveel natuurlijker moet 
heeten, als men weet, dat Italianen bij de sectievergade- 
ringen als secretarissen en vicepresidenten fungeerden, de 
discussies meestal in het Italiaansch gevoerd werden en 
de Italianen op dit congres de meerderheid vormden, ge- 
lijk de Franschen te Parijs. Zoo schonk bijv. de Nuova 
Antologia ons reeds in haar October-nummer een uitvoerig 
verslag van 't congres, geschreven door Brunialti, den 
secretaris der zesde groep, terwijl ook Giovanni Florenzano, 
a%evaardigde van de stad Napels bij het Congres, in 
zijn Relazione aan den burgemeester en den raad van 
Napels, zoowel het Congres als de tentoonstelling besprak. 
Nergens echter vonden wij een uitvoeriger en degelijker 
verslag dan in het September-nummer van het Bolletino 
della Societa Geografica Italiana, De bouwstoffen zijn, 
zooals uit het voorafgaande woord blijkt, door de sectie- 
secretarissen geleverd. Niet enkel <ius de wenschen en 
besluiten, op de algemeene vergaderingen goedgekeurd, wor- 
den daarin medegedeeld, eveneens in zeer geregelde volg- 
orde alle in de verschillende secties behandelde quaesties, 
de daarover gevoerde discussies en de beslissing, waartoe 
men gekomen is. Het is dus ook vooral door middel van 
dit verslag dat wij onze aanteekeningen hebben kunnen 
aanvullen en verbeteren i). 



1) De bovengenoemde bronnen, nauwkeuriger opgegeven, zijn de 
volgende : 

1. Der geographische Congress in Venedig, 15 — 22 September 1881 
(Petermann's Mittheil. i88i, Heft XI en XII p. 427 en 459). 

2. Report of the third international Geographical congress, Venice, 
September 1881. Bij Captain A. W. Baird, R. E. Commissionar 
for India to the Congress (Proceedings of the R. G. S. Dec. p. 749). 

3. Der dritte internationale Geographen-Congress in Venedig. Von 
Dr. Josef Chavanne (Deutsche Rundschau, IV. Jahrg. Heft 2 en 
3 p. 50 en 107.) 

4. Der dritte internationale Geographische Congresz in Venedig. Von 
Otto Delitsch (Aus allen Welttheilen, Nov. en Dec. 1881 p. 58 en 78). 

5. Trobième Congres international de Géographie par M. Gustave 
Raveaud (Bulletin de la soc. de géogr. commerc. de Bordeaux 
No. 22 et 23, p. 654 et 677). 

^. Les Actes du 3e congres international de géographie d Venise 
(rExploration, Nos. 22 Sept.; 6, 13, 20, 27 Oct.; 3, lo, 17, 24 
Nov. ; I, 8, 15 en 22 Dec.) 

7. Il congresso geografico internationale a Venezia. Attilio Brunialti. 
(Nuova Antologia. Rivista di scienze, lettere e arti. Anno XVI 
(1881) 1° Ottobre p. 373. 

8. Il congresso e Ie esposizioni di Venezia. Relazione al sindaco ed 
alla Giunta comunale di Napoli dell' Assessore Giovanni Florenzano. 
Napoli 1881. 



Tot zoover over de bronnen. 

Wij zullen thans achtereenvolgens de verschillende sec- 
tien bespreken. 

In de eerste groep (mathematische géographie, geodesie 
en topographie) kwamen hoofdzakelijk drie punten ter 
sprake: de nauwkeurigheids-waterpassingen in verband met 
de bewegingen der aardkorst; het bepalen van het lengte- 
verschil door middel van de telegraaf; het bezigen der 
photographie en 't aanbrengen van verbeteringen daardoor 
in de topographische opnamen. 

Wat het eerste punt betreft, (ook reeds te Parijs be- 
handeld) thans sprak de ie groep, en op haar voorstel 
later het Congres ter algemeene vergadering den wensch 
uit dat het internationale geodetische comité het veld van 
zijn onderzoek ook tot de studie der bewegingen van de 
aardkorst mocht uitstrekken en wel door periodiek herhaalde 
nauwkeurigheidswaterpassingen. De keus der lijnen en de 
bepaling van het tijdsverloop tusschen de waterpassingen in 
moesten natuurlijk aan dat Comité overgelaten worden. 

Tevens werd daarbij de wensch uitgesproken dat de 
staten, die dit tot dusver niet gedaan hadden, zich alsnog 
bij dat lichaam mochten aansluiten, terwijl de geodetische 
commissie, in verband met het nut, dat de wetenschap 
uit den band tusschen geodesie en geologie zou kunnen 
trekken, werd uitgenoodigd zich door de keuze van eenige 
geologen te versterken, die dan meer bepaald de bewegingen 
der aardkorst konden nagaan. Belangrijk is ongetwijfeld 
dat, wat kapitein Baird, Commissionar for India to the 
Congress en de verslaggever van dat Congres in de boven- 
genoemde Proceedings, in den loop der discussies over dit 
vraagpunt in 't midden bracht. Door zijn bericht over 
't geen op geodetisch gebied in Engelsch-Indie verricht 
werd; door zijne beschrijving van de nauwkeurige methode, 
daarbij toegepast; ook door zijne herinnering aan 't geen 
in deze quaestie ter vergadering der British Association 
was gezegd en besloten, bracht hij de vergadering op den 
rechten weg en tot het rechte besluit, en leverde hij 
tevens het bewijs, dat het bij de discussies over punten 
van zoo hoog practisch en wetenschappelijk belang zeer 
noodzakelijk is dat gouvernementen of genootschappen voor 
de afvaardiging van hen zorg dragen, die zulke vraag- 
punten theoretisch en practisch van alle zijden hebben 
bekeken. 



9. Terzo Congresso Geografico internationale enz. (Bolletino della 
societa geografica italiana. Settembre 1881 p. 619.) 

10. Bij 't afdrukken komt ons in handen: Le congres géographique 
international de Venise etc, par L. Drapeyron. Paris 1882. 



3» 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



Wat de lengte bepalingen door middel van de telegraaf 
betreft, dienaangaande sprak het Congres op voorstel 
der I** groep den wensch uit, dat een statistiek der tele- 
graphische bepalingen van lengteverschillen aan het eerst 
komende Congres zou worden voorgelegd en dat dit werk 
aan de Italiaansche Istituto topografico militare zou worden 
toevertrouwd. Ook weder bij de discussie over dit punt 
ontbraken de bevoegde autoriteiten niet. Vooreerst nam 
daaraan deel de zoo bekende Fransche kolonel Perrier, die 
op 't gebied der graadmetingen en triangulaties zeker zijn 
sporen verdiend heeft, en voorts weder de bovengenoemde 
kapitein Baird, die thans kon mededeelen, dat in Indie 
reeds een eerste lengtebepaling in verbinding met Green wich 
had plaatsgehad en dat deze bepalingen steeds werden voort- 
gezet en tot Birmah waren uitgestrekt, i) Verder deelde 
hij mede dat colonel Campbell van de Indian Survey 
voor de bepaling van persoonlijke dwalingen den idiometer 
had uitgevonden. Geen wonder dat kolonel Ferrero, de 
voorzitter der groep, na 't hooren van deze nieuwe feiten 
den wensch uitte dat zoowel het geodetisch comité als 
de geogr. genootschappen in Europa wat beter op de 
hoogte mochten zijn van 't geen door de Indian Survey 
verricht werd. 

Bij het derde punt, toepassing der photographie op de 
topographische opname, een denkbeeld, reeds vroeger door 
den Heer Laussedat opgevat en door den Heer Versteeg 
onder den titel „Photographie, toegepast op terreinopname'', 
in het Nat. Tijdschr. van Ned. Indie besproken, gaf de heer 
Paganini Pio, bij het Italiaansche Topographisch Instituut 
belast met den topographischen arbeid, een zeer belangrijk 
verslag van zijne eigene werkzaamheid en die van anderen, 
door middel der photographie bij de opname van moeilijke 
punten in de Apennijnen en de Abruzzen, sp. van den 
Gran Paradiso, den hoogsten, minst bestudeerden en minst 
genaakbaren der Italiaansche bergen, verricht. De opgave 
luidde om op zulke moeilijke terreinen door middel der 
photographie panorama's te verkrijgen, die behoorlijk geredu- 
ceerd en gereproduceerd, tot illustratie der bladen van het 
opgenomen terrein konden dienen, en voorts om te onder- 
zoeken, of die panorama's zelf in relief konden gebracht 
worden. Binnen drie maanden bracht genoemde ingenieur, 
de Heer Paganini Pio, bij 't opnemen van den G. Paradiso 
de elementen mede voor de vlakte- en hoogtevoorstelling 



i) „That already a fundamental longitude in India had been 
established in connection with Greenwich and that the system was 
now bcing actively carried out in India and was be extended to 
Burmah." 



van ongeveer 200 D kilometer in 24 panorama's f191 per- 
spectieven), vervaardigd op ongeveer 3000 meters hoogte. 

Van minder practisch belang waren voorts de discussies 
en het besluit betreffende de steeds terugkeerende quaestie 
van den eersten meridiaan. Zeer terecht merkt de verslaggever 
in de Mittheilungen dienaangaande op: „Het is moeilijk 
er over eens te worden, en (wat erger is) die eensgezindheid 
heeft noch voor de wetenschap, noch voor de praktijk 
groote beteekenis. Alleen voor het onderwijs zou zij zeer 
wenschelijk zijn. Het bedoelde besluit luidde overigens dat 
binnen een jaar door de gouvernementen een internationale 
commissie zou benoemd worden om zich over den eersten 
meridiaan te verstaan, die daarbij niet enkel de quaestie 
der lengte maar ook die van 't verschil van uur en datum 
voor oogen moest houden. De commissie moest samen- 
gesteld zijn uit leden van wetenschappelijke genootschap- 
pen (bijv. geodeten en geographen) en voorts uit ver- 
tegenwoordigers van den handel en het onderwijs. Voor 
iederen staat konden 3 personen gekozen worden. De 
voorzitter van het Italiaansche geogr. genootschap werd 
uitgenoodigd voor de vervulling van dezen wensch bij 
zijne regeering en bij de vreemde genootschappen de 
noodige stappen te doen. — De Amerikaansche a%e' 
vaardigden stelden, toen dit besluit genomen was, Was- 
hington als plaats voor, waar de vergaderingen konden 
gehouden worden. De groep nam acte van dat voorstel 
zonder zich evenwel in dezen te binden. 

Werden dus in de eerste groep onderwerpen besproken 
van even groot wetenschappelijk belang als practisch nut, niet 
minder was dit in de tweede^ die der hydrographie en 
maritieme geographie, het geval. Studie van wind en stroo- 
men en de middelen om de resultaten dier studie voor de 
scheepvaart aan te wenden; het aanmoedigen der scheeps- 
kapiteins op de groote vaart tot het doen van meteorolO' 
gische, magnetische en hydrographische waarnemingen in 
weinig bekende streken; de jongste studiën over ebbe en 
vloed; de meest geschikte plaatsen om deze waar te nemen; 
*t verband tusschen ebbe en vloed en verschillende meteo- 
rologische verschijnselen ; het waarnemen van de temperatuur 
van 't zeewater op verschillende diepten ; met welke instru- 
menten, in welke zone dat waarnemen geschieden moet; het 
nagaan van het dierlijk leven op verschillende diepten in ver- 
schillende zeeën i) — het waren zoovele onderwerpen, die in 



i) Kapitein Magnaghi verklaarde in de zitting van 17 Sept. een 
nieuw op de tentoonstelling aanwezig instrument, dat met meer zeker- 
heid dan de tot dusver gebezigde, den iuisten warmtegraad van het 
water op verschillende diepten aangeeft. Hij had daannede een on' 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



39 



liooge mate de verdienste der actualiteit bezaten, en, inge- 
leid door den bekwamen directeur van 't Italiaansche 
hydrographisch bureau, kapitein Magnaghi, of door prof. 
Oiglioli, niet weinig de aandacht trokken. Wat het aan- 
moedigen der scheepskapiteins betrof tot het doen van 
waarnemingen, daartoe werden verschillende voorstellen 
gedaan. Zoo wenschte de Belgische afgevaardigde, Prof. 
Langlois, dat kapiteins en stuurlieden een uitvoerige, ge- 
makkelijk Ie beantwoorden lijst van vraagpunten zouden 
ontvangen, en door medailles, of in 't hoogste ressort, 
door decoraties zouden beloond worden, doch nimmer 
door een geldelijke belooning, waartoe zij, naar de mee- 
ning des sprekers, te hoog stonden. De voorzitter der 
sectie, de Heer Versteeg, wees er op, welk stelsel men 
daarbij in Holland volgde en deelde tevens mede, dat bij 
de Nederlandsche Maatschappij van Nijverheid nog steeds 
het denkbeeld bestond het daarheen te leiden, dat niet 
enkel de gezagvoerders, maar ook de stuurlieden, die 
veelal degene zijn die het werk verrichten, in de jaarlijks 
uitgereikte belooningen konden deelen. 

Overigens gaven de tot dusver genoemde onderwerpen 
geen aanleiding tot de formuleering van bepaalde beslui- 
ten i), behalve dat het Congres, op voorstel der tweede 
groep, den wensch uitdrukte, dat de door Magnaghi en 
Giglioli zoo voortreffelijk begonnen hydrographische stu- 
diën met energie mochten voortgezet worden, een wensch, 
die beter dan lange betoogen aantoont, hoe belangrijk 
ÓRZt studiën te achten zijn. 

Doch behalve met de reeds genoemde, was de tweede 
groep gedurende vele bijeenkomsten met een vraagpunt bezig. 



derzoekingsreis in de Middell, Zee gemaakt en aanvankelijk het bassin 
bewesten Sardinië en de Balearen onderzocht en daarna de Tyrrheensche 
Zee in verschillende richtingen van kaap Bonifacio tot aan de Sicili- 
aansche kust en van daar Noordwaarts tot Livorno terugkeerende, 
doorkruist. Ofschoon daar nergens buitengewone diepten werden 
aangetroffen, had het nieuwe instrument hem toch uitermate voldaan 
en meende hij het ook gerust voor groote diepten te durven aanbeve- 
len. Hij had bij die gelegenheid ook geobserveerd, dat de temperatuur 
van het water der Middell. Zee tot op zekere diepte afneemt, maar 
daarna constant blijft, doch dat die constante temperatuur op de eene 
plaats aanmerkelijk verschilt met die van de andere. Zoo gaf die constante 
bijv. in de nabijheid der kust van Italië, en in *t bijzonder in de na- 
bijheid van Napels, een hooger warmtecijfer aan dan elders. Over de 
oorzaken van dat verschijnsel wenschte hij zijne meening nog niet 
uit te spreken : hij was van oordeel dat daarvoor nadere onderzoekin- 
gen, ook in verband met den aard van den bodem, noodig waren. 

I) Integendeel: meermalen werd besloten dat de oplossing der 
4|aaestie aan een volgend congres overgelaten, of aan een internationale 
fommissie zou moeten opgedragen worden. 



waarbij wij een oogenblik langer willen stil staan, vooreerst 
dewijl het Congres in dezen wel tot bepaalde en belangrijke 
besluiten kwam ; ten anderen, dewijl deze resoluties voor 
ons land en zijne koloniën van groot gewicht kunnen 
worden. Wij noemen het dan ook een gelukkig feit dat 
de Nederlandsche afgevaardigde, de geachte ondervoor- 
zitter van het Aardr. genootschap, daarbij tegenwoordig 
kon zijn en zoowel op den gang der discussies als op de 
genomen besluiten een belangrijken invloed kon uitoefenen. 
De bovengenoemde kapitein Magnaghi besprak namelijk 
de kusten, die nog niet voldoende onderzocht waren. Hij 
verdeelde ze daartoe in kusten, die volkomen goed zijn 
opgenomen en voortdurend bewaakt worden om de kaarten 
aan de werkelijkheid conform te doen zijn; in kusten, die 
voor korter of langer tijd nauwkeurig werden opgenomen 
en slechts bij gelegenheid weder werden nagegaan ; in kusten, 
die voor de tegenwoordige hoogte der wetenschap onvol- 
doende zijn opgenomen; en eindelijk in kusten, die in 
't geheel niet zijn opgenomen, of zoo onvoldoende, dat de 
teekening op de kaart onvolledig is. Spreker ging daarop 
na, welke kusten men nu wel het eerst diende optenemen, 
en welke volken moesten -worden uitgenoodigd, om een 
werk van zoo algemeen nut uittevoeren. Bij de discussies 
over dit punt wees de Heer Versteeg er op, in hoeverre 
datgene wat de Heer Magnaghi over onzen archipel had 
medegedeeld minder juist was geweest, zonder dat hij 
daarom de lacunes, die de kaarten ^an den Ned. Ind. 
Archipel in dat opzicht nog opleverden, ontkende. Hij 
verklaarde de oorzaken daarvan. Zij waren niet te zoeken 
bij de officieren der Nederlandsche Marine, veeleer in het 
gebrek aan systeem, bij die opnamen gevolgd; in een niet 
alleszins voldoende activiteit bij het hydrographisch Bureau 
te Batavia, die niet gunstig werkte op de ambitie dier 
officieren, en eindelijk in de herhaalde verplaatsingen van 
dat Bureau. Voorts wees spreker op 't verschil, dat 
in dezen bestond tusschen de zoogenaamde Flying Survey 
en de geodetische kustopname. De laatste, met trian- 
gulatie en astronomische plaatsbepaling gepaard gaande, 
was zooveel degelijker, maar duurde ook zooveel langer, 
tot groot ongerijf van handelaar en zeeman. Door voor- 
beelden, aan de Indische hydrographie ontleend, bewees 
spreker dan ook de wenschelijkheid eener bespoedigde 
opname, doch tevens van eene bespoedigde publicatie diex 
opnamen, waardoor de ambitie der op het terrein bezige 
opnemers zooveel meer zou geprikkeld worden. — Hoezeer 
dit advies op de conclusie der sectie van invloed is geweest, 
blijkt uit de woorden van dat door de algemeene vergade- 
ring overgenomen besluit zelve, 'twelk aldus luidt : „Het Con- 



40 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



gres wendt zich tot de regeeringen, die een georganiseerden, 
hydrographischen dienst hebben en gelooft hun te moeten 
aanbevelen zoo snel mogelijk met de opname van zulke kusten 
voort te gaan, die nog niet of onvolledig opgenomen zijn. 
Het noodigt die Regeeringen uit zich onderling over de 
verdeeling van dezen arbeid te verstaan en vestigt de aan- 
dacht vooral op de noodzakelijkheid om de kusten der 
Roode zee en van eenige onvoldoend bekende gedeelten 
der Middellandsche zee te vernieuwen. Het Congres 
beveelt eindelijk alle regeeringen aan de opnamen der 
kusten van hun eigen land of van hunne koloniën, 
naarmate men met dat opnemen verder gaat, in haar ge- 
heel of gedeeltelijk al dadelijk voorloopig te publiceeren en 
deze kaarten eerst dan te verbeteren en aan te vullen, als 
zij ten gevolge van geodetische opnamen van het noodig 
aantal punten definitief gerectificeerd worden." i) 

Wij hopen zeer dat althans de Nederlandsche regeering 
de wenken van den heer Versteeg en van het congres zal 
opvolgen en vernemen met genoegen, dat eene nadere be- 
spreking van dit punt op een der eerstkomende vergaderin- 
gen van ons Genootschap zal plaats hebben. Nederlandsche 
hydrographen en de vele belanghebbenden bij dit punt 
zullen die gedachten dan nader kunnen uitwerken en hun 
meening over dit punt ontvouwen. 

In nauw verband met het zoo juist besproken besluit 
staat een andere wensch, door het congres uilgesproken, 
deze nl., dat toch de teekens, op de zeekaarten voor ban- 
ken, gevaarlijke plaatsen enz. gebezigd, onderling mochten 
overeenstemmen, evenals de betonning der kusten en rivier- 
mondingen; een wensch, die trouwens ook reeds te Parijs 
was geuit. Overigens sprak het congres te Venetië er de 
hoop bij uit, dat die wensch nu tegen de tijd van het 
4e congres eindelijk eens mocht vervuld worden. Ook werd 
de gedachte nog eenigszins nader geformuleerd door de 
bijvoeging, dat die onderling overeenkomende teekens, 
waardoor verschillende gevaren zouden aangewezen worden, 
van dien aard mochten zijn, dat zij de plaats, waar zich 
die gevaren bevonden, reeds eenigermate aanduiden. 2) 



i) Wij moeten hier nog bij opmerken dat blijkens het verslag der 
zesde zitting (21 Sept.) later nog besloten werd dat vooral ook de 
kusten van Centraal- Amerika en van West- Amerika onder strenge 
qontróle moesten gesteld worden. Vgl. Bollet, d. Soc. geogr. ital. p. 624. 

2) Als wenscben, die niet voor de algemeene vergadering gebracht 
zijn, vind ik nog in het verslag der 4e zitting (18 Sept.) vermeld, 
„dat er regelmatige peilingen in de hoogere waterlagen mochten plaats 
hebben, teneinde de algemeene stroomingen te kunnen bepalen''; „dat 
die peilingen op geregelde tijden plaats mochten hebben en dat alle 
schepen met peiltoestellen (overeenkomstig de nieuwste uitvindingen der 



In de derde groep, die der physische geographie, mete- 
orologie, geologie, botanie en zoölogie, liepen de discussies 
bijna uitsluitend over de meteorologische waarnemingenen 
de stations op hooge breedten, volgens het denkbeeld Wey- 
precht, op te richten, i) Op voorstel van den bekenden 
meteoroloog Al. Woeikof werd besloten den wensch uit te 
spreken, dat tegelijk met de oprichting van de stations vol- 
gens het plan Weyprecht op hooge breedten, meteorologische 
stations van den tweeden rang op dezelfde meridianen, 
maar op lagere breedten, zouden opgericht worden. Zij wa- 
ren vooral gewenscht in Oost-Siberie, tusschen 52® en 72' 
N. B. en voorts aan de Westkust van Nova-Zembla. Ook 
hoopte men, dat de Italiaansche r^eering in de antarc- 
tische gewesten een zoo volledig mogelijke reeks van waar- 
nemingen zou laten doen, en dat langs de Rio Negro in 
Patagonie en in de baai S. Giuseppe meteorologische en 
speciaal magnetische waarnemingen, onder medewerking 
van de zich daar bevindende Italiaansche zendelingen, zou- 
den gedaan worden. Toen er in de groep was medege- 
deeld, dat voortaan in Frankrijk en Italië op de meteoro- 
logische stations geregelde waarnemingen zouden plaats 
hebben aangaande de temperatuur van de oppervlakte des 



wetenschap) mochten voorzien zijn voor de bepalingen van gemiddelde 
diepten, terwijl de toestellen ter bepaling van groote diepten voor 
afzonderlijke schepen, of zelfs voor oorlogschepen bewaard bleven"; 
„dat alle gouvernementen de trigonometrische gegevens voor de trian- 
gulatie der vuurtorens mochten mededeelen op 't oogenblik dat deze 
worden opgericht, terwijl aan de zeemogendheden wordt aanbevolen 
het zoo in te richten dat de reeds bestaande vuurtorens aan de trian- 
gulatie verbonden worden''. Aan 't slot der 6e zitting (21 September) 
werd volgens de Exploration (10 Nov. 1881 p. 852) op voorstel van 
den ingenieur Antoine Contini, nog de volgende wensch uitgesproken 
„Que les gouvemements des Etats situés sur les cótes de la Médite^ 
ranée et des mers moins importantes qui communiquent avec die, 
prennent les arrangements opportuns pour établir Ie plus tót possible 
de nouvelles stations maréo-graphiques sur les points des cötes continen 
tales et insulaires, qui seront jugées les plus convenables pour recon- 
nAitre Ie marche des marées dans ces mers en se servant A besoinde 
maréomètres è doublé tracé ayant tous une mème unité de mesure 
tant pour les abscisses ou lignes coordonnées que pour les lignes 
ordonnées (lignes droites tirées perpendiculairement d*un point de la 
circonférence d'une courbe k sön axe). Elle exprime aussi Ie voc» 
qu'une de ces traces soit envoyée par chaque station, d des periodes 
determinées, k la société géographique italienne ou d un autre corps 
scientiBque pour les comparaisons opportunes et qu' on en présente 
ensuite Ie travail général d'une année entière au moins, k l'exposition 
du quatrième congres géographique." 

i) Door Hunfalvy werd nog aangetoond dat n historische lijden 
geen verandering van klimaat voor de geheele aardop|>ervlakte aan te 
wijzen viel. Ook ging van deze groep het bovengenoemde besluit uit 
dat eenige geologen in de geodetische commissie zitting dienden te nemen» 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



41 



bodems, sprak de groep daarover hare tevredenheid uit 
en uitte zij tevens den wensch, dat deze ook elders, vooral 
op de bergen, mochten plaats hebben. 

Voorts werden in deze groep nog zeer belangwekkende 
discussies gehouden en besluiten genomen over de wensche- 
lijkheid om aan de hand van nauwkeurigheidswaterpas- 
sing en mareographen niet enkel het stijgen en dalen van 
den bodem en van gebouwen aan te wijzen (hetzij aan de 
kust, hetzij in het binnenland), maar ook de horizontale 
verplaatsing van verschillende punten van dien bodem, i) 
In verband met deze onderwerpen werd ook de mogelijk- 
heid besproken om alsnog het verschil in niveau bij de 
Middellandsche zee, van de vroegste tijden af tot op onze 
dagen opgemerkt, te bepalen, en wel uit duidelijk zicht- 
bare of goed te onderscheiden geologische kenmerken, 
bijv. erosie der kusten door de zee; gaten van paalwor- 
men; oude strandlijnen; sporen, op oude gebouwen achter- 
gelaten, enz. enz. 

Verder wisselde men in deze groep van gedachten over 
de wenschelijkheid om vooral in bergstreken de aanplan- 
ling van bosschen weder zooveel mogelijk te bevorderen 2) 
en door 't oprichten van speciale observatoria de studie 
van de aardelectriciteit en van de verschijnselen in het 
binnenste der aarde, meer bepaald de aardbevingen, te 
bevorderen. 3) Eindelijk sprak de groep ook nog den 



I) In de derde zitting (17 Sept.) van deze groep las prof. Isseleen 
verslag voor over de „bradisismi'' (langzame bewegingen van 4cn 
bodem) en vertoonde halfronden, die de vermelde feiten aanwezen. 
Aan de discussie over dit punt, zegt het verslag der 4e zitting, namen 
verschillende sprekers deel, waarvan sommigen zich voor, anderen 
tegen de theorie van Darwin verklaarden. Boll. p. 626. — In de Se 
zitting las de heer Luciano een nota voor over de beweging van de 
kust bij Venetië, waarop de heer Uzielli den volgenden wensch uit- 
sprak, door de vergadering goedgekeurd : „De 3e groep spreekt den 
wensch uit, dat de commissie voor de opgravingen in het koningrijk 
(Italië) en dergelijke commissies in andere landen nauwkeurige opgaven 
verzamelen over de bewegingen van den bodem, afgeleid uit de ligging 
van oude gebouwen ten opzichte van den spiegel der zee" (Boll. p. 626). 

2) Men kwam tot een drieledige conclusie: i®. dat de gouverne- 
menten strenge maatregelen mochten nemen, om de wederaanplanting 
van bosschen, vooral op de bergen, te beveiligen; 2®. dat zij een 
krachtigen stoot mochten geven aan alle werken, die op bosch- en 
weidecultuur betrekking hadden; 3®. dal zij de met dat doel verrich- 
ten arbeid mochten bekend maken (de daarbij gevolgde methode en 
verkregen resiütaten). Vgl. Boll. p. 627. 

3) De beide hierop betrekking hebbende besluiten luidden aldus: 
„De derde groep, gelet hebbende op de belangrijke resultaten, welke 
de stadie van de aardelectriciteit belooft, spreekt den wensch uit dat 
dergelijke waarnemingen ook op andere plaatsen, met overleg daar- 
voor uitgekozen, geregeld mogen plaats hebben*' ; en : „de derde groep 



wensch uit, dat de waarnemingen, die op bergen gedaan 
waren, of in 't algemeen op groote hoogten, in extenso 
mochten gepubliceerd worden, op de wijze als dit reeds 
vroeger, op voorstel van prof. Hann, door het meteorologisch 
congres te Weenen nader geformuleerd was. — 

Het spreekt van zelf, dat de onderwerpen in de vierde groep, 
die der anthropologie, ethnologie en philologie, besproken, van 
zuiver wetenschappelijken aard waren. Naar aanleiding eener 
verhandeling van prof. Pigorini over megalithische monumen- 
ten in de provincies Milaan, Grosseto en Otranto gevonden, 
waarvan het Ministerie van onderwijs teekeningen en plannen 
had laten vervaardigen, werd besloten, dat het congres er 
op zoude aandringen deze spoedig in gereedheid te brengen, 
opdat zij nog in de verhandelingen van het congres zouden 
kunnen worden opgenomen. Ook zou men volgens den 
wensch dier groep bij dat zelfde Ministerie er op aandrin- 
gen, dat te S. Anna d'Alfaedo in de provincie Verona, 
waar men volgens de mededeelingen van den heer Stefani 
steenen voorwerpen van een eigenaardigen vorm had aan- 
getroffen, systematische uitgravingen mochten plaats hebben, 
teneinde aangaande den aard der ligging dier voorwerpen 
tot meerdere zekerheid te kunnen geraken. 

Stelden wij deze besprekingen op den voorgrond, dewijl 
zij tot bepaalde besluiten aanleiding gaven, wij moeten 
dan eveneens melding maken van de voordracht, door den 
heer van Musschenbroek over den oorsprong der woorden 
Moloco en Alfoeren gehouden. Immers ook deze leidde tot 
het uitspreken van een wensch, die vooral in Nederland niet 
onbekend mag blijven. Nadat spreker had aangetoond, dat 
de Semitische wortel melek (vorst, koning), die zich west- 
waarts van de Levant tot Spanje (te herkennen in het woord 
Malaga) uitbreidde, oostwaarts in de woorden Malacca, 
ki- mlaka (plant, die op Java in vorstelijke tuinen voorkomt) 
en in den naamMolukken wordt aangetroffen, besprak hij 
daarna den statenbond, die zich in die eilandengroep onder 
de Polynesische stammen, meer bepaald op Halmaheira, had 
gevormd en den naam Moloco's kreeg, nadat de Maleiers 
zich in dien bond hadden ingedrongen. De meer beschaafde 
Maleiers hadden op hun polynesische bondgenooten het 



spreekt den wensch uit dat in elk land de genootschappen of andere 
wetenschappelijke lichamen de studie en het verzamelen van waar- 
nemingen aangaande de verschijnselen in het binnenste der aarde, 
meer bepaald de aardbevingen, mogen aanmoedigen door 't vestigen 
van een middenpunt, waar alle van overheidswege gegeven berichten 
te zamen komen. Bovendien beveelt de groep de oprichting van bij- 
zondere seismische observatoria (osservatorl sismici) aan, ten einde 
voortdurend raicroseisraische waarnemingen te kunnen doen, zooals 
men onlangs in Italië gedaan heeft** (Boll. p. 627). 

6 



42 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



woord Alfoer toegepast, dat van Arabischen oorsprong, 
(„horr" = vrij, niet getemd) bij de Spanjaarden in horro,bij 
de Portugeezen in forro overgegaan, door de Maleiers in 
den vorm alfourou werd overgenomen en volstrekt geen 
onderscheid van ras of nationaliteit aanwees, daar het in 
die beteekenis van: vrij, ongetemd, onbeschaafd, niet ver- 
edeld, op menschen, ja zelfs op dieren en planten werd 
toegepast. Men had trouwens niet enkel polynesische, maar 
ook maleische en micronesische Alfoeren. 

Hoewel dus het woord Alfoer, als ras- of volksnaam op- 
gevat, reeds veel verwarring had gesticht, werd het toch als 
zoodanig te veel gebezigd om het thans nog geheel te doen 
verdwijnen. Maar dan werd het ook des te noodzakelijker 
dat men algemeen van zijn ware beteekenis op de hoogte 
werd gesteld. — Tot zoover de heer van Musschenbroek. 

De heer Giglioli betuigde zijn instemming met het ge- 
voelen van den spreker en was zoozeer van het belang 
zijner opmerking overtuigd, dat de groep op zijn voorstel 
den wensch uitsprak, (den „lebhaften Wunsch" zeggen de 
Mittheilungen), dat zoowel de Regeering van Nederlandsch 
India als de daar aanwezige wetenschappelijke vereenigingen 
toch hun aandacht mochten schenken aan de ethnologie 
der zoogenoemde Alfoeren van Halmaheira en naburige 
eilanden; men zou daaruit tevens opheldering mogen ver- 
wachten aangaande den oorsprong der blankere Polynesiörs. 

Overigens kwamen in deze groep nog zeer belangrijke 
onderwerpen ter sprake, wanneer sommige daarvan dan 
ook al even goed op een congres van oudheidkundigen 
hadden kunnen behandeld worden. 

Zoo vertoonde de heer Crespellani een archaeologische 
kaart van het gebied van Modena met aanwijzing van 
voorwerpen uit de steen-, brons- en ijzerperiode, die men 
daar gevonden had; zoo besprak de abt Chiérici de prae- 
historische overblijfeelen, gevonden in de provincie Reggio 
in Emilia. Hij had daarvoor een kaart laten vervaardigen, 
naar aanleiding waarvan hij eerst eenige hydrographische en 
topographische bijzonderheden aangaande die provincie me- 
dedeelde, en waarop hij daarna de opgravingen aanwees, 
die reeds geschied waren. Bovendien vertoonde hij een 
lijvig album, waarin de teekeningen, lithographien en photo- 
graphien der gevonden oudheden vereenigd waren. 

Meer bepaald op 't gebied der anthropologie behoorde te 
huis een voordracht over de inboorlingen van Australië. 
Naar aanleiding daarvan besprak de Heer de Quatrefages 
de vermindering van het aantal dier inboorlingen en van 
vele andere rassen sedert de stichting van Europeesche 
koloniën. Hij bood bij deze gelegenheid ook een af- 
levering van de Revue scientifique aan, waarin zijn 



artikel, getiteld „Le croisement des races humaines" 
voorkwam. 

In de volgende zitting bood de heer Buszezynski voorde 
verslagen eene verhandeling aan, getiteld „La population 
de 1'Europe au point de vue ethnographique". Hij gaf 
daarvan ter vergadering een kort resumé, doch 't is ons 
niet mogen gelukken den inhoud daarvan te weten te 
komen, i) Met dien inhoud zal dan ook zeker in verband 
staan een naar aanleiding van de gehouden voordracht 
door den abt Balaestra voorgestelde resolutie, die ons niet 
volkomen duidelijk is en aldus luidde : „De 4* groep wenscht 
dat het geographisch, anthropologisch of statistisch Genoot- 
schap van ieder land zich bij de bijeenkomsten, die in 
't vervolg plaats zullen hebben, doe vertegenwoordigen, 
opdat men vollediger en waarschijnlijk nauwkeuriger resul- 
taten zal kunnen verkrijgen." 

In diezelfde zitting vertoonde de heer Hamy een casette 
van eigen vinding, die in een beperkte ruimte alles bevatte 
wat men voor anthropometrische waarnemingen op reis 
kon noodig hebben. Prof. Giglioli prees de inrichting er 
van en stelde voor er een kleurenschaal aan toe te voegen 
om de nuanceering van huid, haar en oogen te kunnen 
bepalen, een toevo^ng, waarvan Dr. Hamy alleszins het 
nut erkende. 

In hooge mate trok daarop de aandacht een mededee- 
ling van den franschen reiziger Georges Reveil. Hij berichtte 
n.1., dat hij in het land der Somali-n^ers sporen van 
bouwwerken, graven en voorwerpen ontdekt had, die aan 
oude volken toebehoorden. Uit den aard en de opschrif- 
ten dier ruïnes vermoedt hij dat er vroeger in die streek 
grieksche koloniën gelegen hebben. Om zijn stelling te 
bewijzen vertoonde de spreker daarop o. a. ook photogra- 
phien van inlanders, die hij op zijn reis genomen had. 

Op het gewicht dezer ontdekking wijzende, herinnerde de 
heer de Quatrefages er aan, hoe men ook op de tegenover 
gelegen kust van Afrika bij den Senegal een ras ontmoet, 
dat alle Semitische kenmerken bezit, behalve de kleur, welke 
met die der Negers overeenkomt. Hij knoopte daaraan de 
opmerking vast, dat de kleur der huid van lokale omstandig- 
heden afhangt en dus voor de onderscheiding der rassen 
weinig waarde bezit. Ook nog weder in de volgende zitting 
kwam prof. Giglioli op het gewicht van Revoil's ontdekking 



I) Hebben wij den heer Hildebrandt, die ons van die voordracht 
een en ander mededeelde, goed begrepen, dan heeft de heer B., een 
Pool,- zich daarbij op 't gebied der politiek gewaagd en moest hij 
door den Voorzitter uitgenoodigd worden dit gevaarlijk terrein te 
verlaten. 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



43 



terug, die volgens zijne meening een nieuw licht verspreidde 
over een vraagstuk, dat tot dusver zoo moeilijk op te lossen 
viel. In de laatste zitting gaf de heer Dutreuil de Rhins een 
kort overzicht van de verschillende pogingen, door Euro- 
peanen aangewend om tot Tibet door te dringen. Fransche 
zendelingen waren, naar sprekers meening, verder dan 
anderen in dat land doorgedrongen. Voorts deelde hij be- 
langrijk^e bijzonderheden over Tibet mede, die hij van den 
abt Desgodins vernomen had. Voorts wees professor 
Albanese op 't gewicht der anthropologie voor philosophische 
en sociale studiën en Dr. Hildebrandt, naar aanleiding van 
rijn voordracht over de steenperiode in Europa, op de 
noodzakelijkheid om allerwege in dezelfde richting archaeo- 
logische nasporingen te doen, opdat deze de waarde van 
een gemeenschappelijken arbeid zouden kunnen hebben. 
Eindelijk sprak professor Vilanova over eenige afbeeldingen, 
in een onlangs ontdekt hol te Santander aangetroffen. 

I Achter in dat hol had men overblijfselen gevonden, die 
veel met de kjokkenmöddings overeenkwamen. 

In de 7'^///<?groep(historischegeographieengeschiedenisder 
geographie) speelden natuurlijk de geschiedenis der cartogra- 
phie en de ontdekkingen der Italiaansche reizigers een groote 
rol. Zoo sprak men bijv. over de vijfde reis van Amerigo 

I Vespucci en de reizen, gedaan onder leiding van Juan de 
la Cosa; over de reizen van bisschop Laurent Bianchero, 
dichtbij Bordighiera geboren, in 1814 in Afrika afgelegd; 
over de reizen van Petro Tafur in het oosten en zijn ont- 
moeting met den Venetiaan Nicolo de Conti ; over de echt- 
heid der reis van den Florentijn Verazzano langs de Ame- 
kaansche kust tot 50 N. B. en het daarvan gehouden jour- 
naal, d.d. 8 Juli 1524 te Dieppe achtergelaten; over de 
echtheid der levensbeschrijving van Chr. Columbo door 
zijn zoon Ferdinand; over de vervaardiging der platte 
kaarten vóór Mercator ; over 't ontstaan der namen van de 
winden en van het woord loch ; over de veranderingen, bij 
de rivierstelsels in het graafschap Goriza van den tijd der 

I Romeinen af tot op onze dagen opgemerkt, enz. enz. 

Het is mogelijk, dat het verslag der in deze groep ge- 

I houden discussies ook in het Bolletino della Societa geogra- 

' fica italiana slechts onvolledig en te zeer verkort werd 
medegedeeld. Doch is dit niet het geval, dan komt het ons 
voor, dat het belang der daar behandelde onderwerpen 
niet in overeenstemming was met de zoo uitstekende werken 
en kaarten, die Italië op de tentoonstelling te zien gaf. 
Waarschijnlijk is ook hier weder gebleken, dat ernstige 
studies over historische geographie beter in den vorm van 
uitvoerige werken teruggegeven worden dan in dien van 
beknopte voordrachten of oppervlakkige discussies, waartoe 



een congres uit den aard der zaak zich zoo dikwijls leent 
en leenen moet. 

Intusschen verdient ééne wensch, door de 5e groep uit- 
gesproken, wel een afzonderlijke vermelding. Hij werd door 
de algemeene vergadering overgenomen en luidde aldus: 
„Het congres drukt den wensch uit, dat de hand gelegd 
worde aan de samenstelling van een historisch- geographisch 
woordenboek van Italië voor de Middel-Eeuwen. Dat woor- 
denboek kan zich aan de reeds voorhanden voorbeelden 
aansluiten en is een werk, dat vooral aan de reeds bestaande 
commissies voor de Storia Patria moet toevertrouwd worden. 
Voorts hoopt het congres, — daar toch de methode om zulk 
een woordenboek samen te stellen voor alle landen dezelfde 
blijft, en een algemeen geographsch-historisch woordenboek 
voor de Middel-Eeuwen ontbreekt — dat in ieder land, 
waar een dergelijk werk nog niet begonnen is, de geleerden 
worden uitgenoodigd het op zich te nemen, met het doel 
tot de samenstelling van een algemeen geographisch-historisch 
woordenboek mede te werken. 

In de zesde groep (economische geographie, handelsgeo- 
graphie en statistiek) traden, in tegenstelling met de vijfde, 
de' besprekingen van in de praktijk ingrijpende onderwerpen 
schier uitsluitend op den voorgrond. Landverhuizing, de 
oprichting) van handelsmusea, de beoefening der economi- 
sche en statistische geographie bij 't middelbaar en hooger 
onderwijs, het gebruik maken van handelsexpedities voor 
de vermeerdering der kennis van nog weinig bekende lan- 
den of werelddeelen, de verbindingswegen tusschen Indie 
en China, de handelswegen naar de Afrikaansche binnen- 
landen, de ruilmiddelen vcor dien handel i) enz., vormden 
in deze groep de onderwerpen der voordrachten of dis- 
cussies en leidden tot het uitspreken van talrijker wenschen 
dan in eenige andere groep. 

Wat de musea betrof, het congres sprak den wensch uit, 
dat er meer dergelijke inrichtingen als thans te Milaan 
Brussel, St. Gallen en Venetië gevonden werden, door het 



i) Op uitnoodiging van den Heer Gauthiot gaf de Heer Levasseur 
nadere inlichtingen over het werk, sedert het Congres te Parijs door 
Roudaire, sp. bij de chotts van Gabes, verricht. Professor Brunialti 
deed opmerken, dat een rapport van Kapitein Beaudot, door het 
geogr. genootschap te Lyon gepubliceerd, niet enkel de conclusies 
van Roudaire weerlegt, maar ook voor een gedeelte het onderzoek in 
zijn waarde aantast. De Heer de Lesseps deed toen opmerken, dat 
het verslag van Beaudot van voor 1856 dateert en dus betrekking 
heeft op Roudaire's eerste expeditie, die door de tweede geheel ge- 
rectificeerd en aangevuld is. De opname is toen toch met alle nauw- 
keurigheid der wetenschap onzer dagen geschied, zoodat de geode- 
tische resultaten niet te betwisten zijn. 



44 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



initiatief van genootschappen voor de beoefening der han- 
delsgeographie en door ondersteuning der regeeringen mochten 
ontstaan. Bij 't onderzoek der vraag, welke de beste midde- 
len waren ter vereeniging van de commercieele belangen met 
die der wetenschap, in *t belang van geographie en handel 
beide, werd, op voorstel der 5e groep, door 't Congres de 
wensch uitgesproken, dat de geographische genootschappen 
zich toch vooral zouden laten gelegen liggen aan de reizen, 
die met het oog op handelsbelangen in weinig of niet be- 
zochte streken werden ondernomen, daar zich toch aan die 
reizen zoo gemakkelijk tochten, die groot nut voor de geo- 
graphie konden opleveren, lieten verbinden, i) Doch vooral 
ten opzichte der landverhuizing sprak het congres zeer 
verklaarde meeningen uit. Wegens het belang der emigratie, 
ook als geographisch feit, zoo formuleerde de algemeene 
vergadeiïng haar besluit, openbaart het congres de vol- 
gende wenschen: i®. dat de regeeringen mogen voortgaan 
de statistische nasporingen over emigratie en immigratie 
te bevorderen; zij mogen daarbij de voortdurende van de 
tijdelijke verlniizingen onderscheiden en zich niet bepalen 
tot het verzamelen van cijfers en feiten, maar het onderzoek 
ook uitstrekken tot de oorzaken dier feiten, alsmede op 
hunne gevolgen voor handel en scheepvaart wijzen; 2^. dat 
de vereenigingen tot bescherming der landverhuizers en de 
genootschappen voor de beoefening der handelsgeographie 
toch alle berichten, welke zij konden inzamelen, over de 
aanleidingen, die voor de beweging van den stroom der 



I) Bij 't bespreken van dit punt werd door Camperio zeer terecht 
de aandacht gevestigd op de vereeniging voor handelsonderzoekingen. 
(Vgl. Tijdschrift Aardr. gen., Meded., Dl. V, p. 132 en 162) te Milaan, die 
verschillende kantoren op de kust der Roode Zee heeft gevestigd om 
ze te verkoopen, als zij productief zijn geworden. Voorts deelde hij 
(Explor. 15 Dec. p. 90) merkwaardige bijzonderheden mede over de 
kantoren voor handel en colonisatie te Benghazi, %vaar de handels- 
weg, die 't land der Toearegs vermijdt, uit het Afrikaansche binnen- 
land de kust bereikt, en te Tobrouk, waar de oude romeinsche havens 
nu nog groote schepen toelaten de kaden te bereiken. Opmerkelijk 
ook mag heeten wat de Lesseps (Explor. p. 91), die juist met den 
Koning der Belgen had geconfereerd, over l'association africaine 
mededeelde, nl. dit, „que l'association africaine est disposée k suivre 
la voie heureusement ouverte par la société d'exploration de Milan." 
De 6e groep sprak, nadat de quaestie der stichting van handelskan- 
toren in banden gesteld was van een commissie, bestaande uit de 
HH. Camperio, Soleillet en Brunialti, op voorstel dezer commissie den 
volgenden wensch uit, dat men internationale magazijnen (en wel van 
privaat initiatief uitgaande) zou vestigen, die, terwijl zij handel dreven, 
tegelijkertijd zeer nuttig zouden kunnen zijn voor de studie der geogra- 
phie." Voor zoover ons bekend, heeft het congres dezen zoo vaag ge- 
formuleerden wensch niet bekrachtigd; of misschien werd deze er in 
't geheel niet voorgebracht. 



landverhuizers in een zekere richting bestonden, mochten 
publiceeren, en evenzoo alle bijzonderheden over het leven 
(de loonen en de kosten) in de landen, die landverhuizers 
tot zich trokken of daartoe uitnoodigden ; eindelijk over 
den toestand, waarin de landverhuizers zich bevonden, die 
de koloniën der verschillende natiën vormden. 3®. dat vooral 
in de landen, uit welke de landverhuizing hoofdzakelijk 
plaats had, bureaux opgericht werden, door particulier 
initiatief gesticht, waardoor alle mogelijke inlichtingen 
kond verschaft worden. 

Wat de verkeerswegen betrof, ook dienaangaande kwam 
het congres, althans voor éénen, tot een bepaalde con- 
clusie. Het was na de voordracht, door generaal Türr ter 
algemeene vergadering over het doorgraven der landengte 
van Korinthe gehouden. Het congres, zoo luidde dat be- 
sluit, dankt generaal Türr voor zijne mededeeling over de 
vraag der doorgraving van de landengte van Korinthe. 
Na kennis genomen te hebben van de plannen, ontwer- 
pen en profielen, allen overeenkomstig de types, aangeno- 
men bij het Suez-kanaal, is het congres van meening dat 
de voorbereidende periode, die der voorstudie, geëindigd 
is. Met het oog op het belang, *twelk dit kanaal voor den 
handel met het Oosten kan opleveren, spreekt het con- 
gres den wensch uit, dat met de uitvoering daarvan ter- 
stond een aanvang moge gemaakt worden. 

Zoo eenige groep, dan was het wel de zevende (metho- 
dologie, onderwijs en verspreiding der geographie) die de 
afwezigheid van. vele congresleden, als juryleden dienst 
doende, gevoelde, terwijl bovendien vele sieraden dier 
groep, te Parijs nog aanwezig (wij noemen slechts Cortam- 
bert en Wappaeus), door den dood waren weggerukt of 
niet naar Venetië waren opgekomen. De discussies in 
deze groep hadden dan ook niet het belang, dat zij te 
Parijs bezaten, waarbij evenwel niet mag vergeten woi- 
den, dat reeds over verschillende punten van groot ge- 
wicht in 1875 een beslissing was genomen en deze thans 
natuurlijk niet weder ter sprake konden gebracht worden. 
Het aantal vragen was dan ook bijzonder klein voor deze 
groep en bedroeg slechts drie : het bepalen der grenzen 
van de geographie als wetenschap, vooral in verband met 
andere wetenschappen; het nagaan in hoeverre de te 
Parijs uitgesproken wenschen vervuld waren of tot ver- 
vulling konden gebracht worden en het onderzoek naar de 
mogelijkheid eener overeenstemming tusschen verschillende 
geographische genootschappen bij de transscriptie van 
plaats- en persoonsnamen. En niet veel langer dan de 
questionnaire zijn dan ook de verslagen der zittingen, 
waarvan bovendien slechts vier in het Bolletino zijn opge* 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG GONGRES TE VENETIË. 



45 



nomen. Ook lezen wij van slechts éénen wensch, door 
deze te Parijs zoo levendige groep aan de volledige ver- 
gadering voorgedragen en door deze overgenomen, deze 
n.1., dat de schoolkaarten op eenvoudige schaal met 
eenvoudige verhoudingen vervaardigd mochten worden, om 
zoodoende een helder denkbeeld te kunnen geven van de 
betrekkelijke uitgestrektheid i) der landen en ze gemak- 
kelijk onderling te kunnen vergelijken. Overigens waren 
de discussies in deze sectie ook geenszins van dien aard, 
dat zij gemakkelijk tot bepaalde resultaten konden leiden. 
Zoo gaf de voordracht over het eerste onderwerp (de 
grenzen der geographie, vooral in verband met de overige 
wetenschappen), uitgesproken door den algemeenen secre- 
taris van het congres, Prof. Della Vedova, aanleiding tot de 
benoeming eener commissie, die deze zoo moeilijke quaestie 
staande het congres overwoog. Wanneer het waar is, wat 
prof. Della Vedova in die voordracht o. i. zoo juist op- 
merkte: dat dit vraagstuk wel het eerste was, dat op 
het eerste aardrijkskundig congres had dienen behan- 
deld te worden, doch dat de reden, waarom dit tot 
dusver niet geschiedde, aan de ingewikkeldheid van hét 
vraagstuk, dat voor oplossing nog niet rijp scheen, moest 
worden toegeschreven, dan verwondert het ons niet, dat 
die commissie in den woeligen tijd der korte congresda- 
gen met geen conclusie, die algemeen bevredigde, gereed 
is gekomen, en dat Dr. Delitsch bjj 't bespreken van dit 
rapport opmerkt : „Die Debatte daniber waren bei der Ver- 
schiedenheit der Anschauungen lang und unersprieszlich." 
Ook trof het ons, dat de verslaggever in het Bulletin de la 
société de geographie commerciale de Bordeaux, die zich 
n de zevende groep had laten inschrijven, omdat hem 
het onderwijs „intéressait d'une maniere toute parculière,'* 
van de geheel e quaestie, de commissie en haar rapport 
met geen woord melding maakt 2). — En wat van dit on- 



i) Door den Heer Turguan werd aan 't slot der 4e zitting (Bollet, 
p. 638) de volgende wensch voorgesteld, die noch in de sectie zelve, 
naar 't schijnt, verder besproken is, noch voor 't Congres gebracht 
werd: „De zevende groep, in overweging nemende dat de voorstelling 
van bergen door kleine streepjes een valsch denkbeeld geeft van terrein 
verheffing, spreekt den wensch uit, dat men in de elementaire atlassen 
zooveel mogelijk het stelsel volgt om het terrein voor te stellen door 
hoogte krommingen van een enkele kleur, door middel van veree- 
nigde over elkander gebrachten tinten, en dat eveneens de diepte der 
ice door hoogtekrommingen met over elkander gebrachte tinten wor- 
den aangewezen." 

2) Intusschen heeft de commissie hare conclusies wel medegedeeld. 
Zij luidden aldus (BoU p. 638): i°. Het wetenschappelijke doel der 
geographie sluit in zich de studie der vormen van de oppervlakteder 
aaide; het strekt zich nog uit tot de uitingen en wederkeerige betrek- 



derwerp gold, kan van de meesten gelden, die in deze groep 
ter sprake kwamen. Zoo laat zich immers de zoo moeie- 
lijke vraag naar de uitspraak en schrijfwijze van vreemde 
namen gemakkelijker oplossen door langdurige studie 
van degelijke taaikenners en critici i) dan door een zoo 
bont samengestelde vergadering van congresleden. En stel- 
lig is zij niet opgelost door de methode, die volgens den 
Franschen verslaggever in het bovengenoemde Bulletin „a 
paru réunir Ie plus de suflfrages,'* n.1. deze, dat men den 
naam der plaats in Romeinsche letters zoo op de kaart liet 
brengen, als deze door de bewoners dier plaats geschreven 
werd; dat men voorts tusschen twee haakjes, voorloopigen 
bij wijze van inlichting, den naam er bij voegde in de taal 
van het land, waar de kaarten gebruikt werden. Bijv. 
men zou op de fransche kaarten laten zetten Venezia 
(Venixe), op de engelsche Venezia (Veni^e). Als de sectie 
deze methode heeft goedgekeurd, heeft zij zeker de quaestie 
niet opgelost, maar zich veeleer met een vrij omslacRtigen 
en vrij onpractischen maatregel te vreden gesteld. 

Eindelijk gaven in deze groep ook de discussies over het 
gebruiken van halfronden of wereldkaarten met hun ver- 
schillende onvermijdelijke gebreken, of over het nut, dat 
men voor het lager onderwijs van congres en tentoonstel- 
ling zou kunnen trekken, meer aanleiding tot wisseling van 
denkbeelden, dan tot het trekken en uitspreken van be- 
paalde conclusies. — 

Wanneer wij ook van de achtste groep, die der geogra 
phische reizen en onderzoekingen, beweren, dat zij noch door 
hare leden, noch door hare discussies zoozeer de aandacht 
trok als te Parijs, meenen wij geen te hard oordeel uit te 
spreken. Verplaatsen wij ons nog even in de herinnering 
naar het jaar 1875. Toen voerden het woord: Dr. Gerhard 
Rohlfs over zijne zoo uitgebreide reizen in Noord- Afrika ; 
Dr. Nachtigal na 't volbrengen van zijn zoo belangrijke 
reis door Wadai, Darfoeren Kordofan; Dr. GeorgeSchwein- 
furth, die zooveel nieuw licht wierp over het westelijk Nijl- 
gebied en *t aequatoriale Afrika; de Markies de Compiegne ; 
Prof. von Hochstetter, Dr. A. B. Meyer en Dr. Leitner, 
die bijna allen nieuwe terreinen hadden ontdekt en ze zoo 
goed hadden beschreven. Ook Russische reizigers van den 
eersten rang, als bijv. KhanikofF en Sewerzof, de beroemde 



kingen van de verschillende onderdeelen der organische wereld; 2<*. 
De geographie, ofschoon een afzonderlijke wetenschap, ontleent desal- 
niettemin aan de overige wetenschappen alles wat haar nuttig is, 
teneinde op die wijze volkomen haar doel te bereiken. 

I) Dr. Dornseiflfen's degelijke verhandeling: „De taal der aardrijks- 
kunde" (Tijdschr. Aardr. Gen. Dl I, p. 234) levert daar\'an de bewijzen» 



46 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



onderzoekers van de Tian Sjan en de Pamir, waren aanwe- 
zig en lokten, evenals een Vambéry en een von Scherzer, door 
hun voordrachten of hun persoon de meeste congresleden 
naar de groep, waar zij spraken of aan de discussies deel- 
namen. En hoe belangrijk waren toen die discussies, als 
een Schweinfurth en een Nachtigal over den vermoedelijken 
loop der Oeelle van gedachten wisselden ; als zoo bevoegde 
autoriteiten hunne meening uitspraken over de te volgen 
route, over de te bezigen lastdieren, over de toerusting 
der reizigers, over handelsprodukten, aan te knoopen han- 
delsrelaties en zoovele punten meer van hoog wetenschap- 
pelijk en praktisch belang. 

Of dit alles dan te Venetië ontbrak? Let men enkel 
op het personeel der Afrika- reizigers, dan waren deze 
in de personen van Burton, Cameron, Lenz, Massari, 
Nachtigal, Schweinfurth, Serpa Pinto enz. voldoende ver- 
tegenwoordigd. Ook ontbraken geenszins alle ontdekkers 
in andere werelddeelen, bijv. d'Albertis, Crévaux, Kreitner, 
enkele Russische reizigers, de Heeren van Hasselt en Veth, 
Dechy Mor, Dr. Kjellmann van de Vega, Wheeler, 
Reiss en Stübel, von Schleinitz en eenige anderen. Doch 
de achtste groep vormde geenszins, zooals te Parijs, het 
middenpunt, waar die reizigers van hun tegenwoordig- 
heid deden blijken, een tegenwoordigheid, die trouwens bij 
het gemis van een lijst der aanwezige congresleden, soms 
moeielijk genoeg kon vermoed worden. En dat ook de be- 
sproken onderwerpen of de gevoerde discussies in de 
achtste groep geenszins hunne aanwezigheid verrieden, zal 
ons kunnen blijken, wanneer wij nagaan, wat in die 
achtste groep besproken of besloten werd. 

De eerste zitting ging, naar 't verslag daarvan in de Bol- 
letino gegeven, geheel met voorbereidende maatregelen ver- 
loren. In de tweede zitting begon een niet altijd verkwik- 
kelijke discussie, door den reiziger d' Abbadie ingeleid, over 
de vraag: of een expeditie beter door éen dan door meer 
personen werd ondernomen, een discussie, die opvolgende 
zittingen voortgezet, vooral aanleiding gaf tot een gedach ten- 
wisseling tusschen de Heeren Nachtigal en d' Abbadie, welke 
niet altijd van even groot wetenschappelijk belang mocht 
heeten. In een volgende zitting bood de Rus Venjukoflf zijn 
werk aan : „Sur la liste des voyageurs russes en Asie'* en 
werd de wensch uitgesproken, dat alle natiën zulk een lijst 
mochten samenstellen. Ook bood de zoo bekwame secre- 
taris van het Portugeesche geografische genootschap zijn 
werk aan: „De Benguella as terras de Jaccas*' en zette hij 
uiteen, wat verder door dat genootschap op geographisch 
gebied verricht werd. In de vierde zitting sprak de groep, 
na een daarover gevoerde discussie tusschen de heeren 



d' Abbadie, Soleillet, Serpa Pinto en prof. Penazzi, die de 
zaak inleidde, hare meening uit over de wenschelijkheid der 
afschaffing van den slavenhandel in de Egyptische provin* 
cien. Op voorstel van Soleillet werd die wensch ook uit- 
gestrekt tot andere Europeesche koloniën van het zwarte 
werelddeel, waar zich diezelfde kwaal mocht vertoonen. 
Zeer eigenaardig mag het wel heeten, dat in den loop 
dierzelfde discussie beweerd werd, dat het lot van den 
Afrikaanschen slaaf boven dat van den Europeeschen 
proletarier te verkiezen viel, een meening, die wij in hare 
gedeeltelijke waarde niet willen betwisten, maar die, in 
den loop dezer discussie uitgesproken, er zeker niet toe 
medewerken zal om de kracht van het votum te verhoo- 
gen. — In de laatste zitting (op de voorlaatste komrn wij 
terstond terug) gaf de heer Victor Guérin een beknopt 
verslag van de verschillende wetenschappelijke expeditien, 
in de laatste 30 jaar onder toezicht van 't Fransche mi- 
nisterie van onderwijs uitgerust, en besprak de Italiaan 
Gamba de antarctische expeditie. Het was deze voordracht, 
die het volgende voor de Italianen zeker alleszins beleefde, 
maar overigens vrij onbelangrijke votum tengevolge had: „Het 
congres erkent het hooge belang, dat voor de geographische 
en natuurhistorische wetenschappen gelegen is in 't op nieuw 
ondernemen eener reeks van antarctische onderzoekingen. 
Het zendt zijn groet aan de kbeke reizigers, die thans 
naar die gewesten op weg zijn, wenscht den moed van 
het Italiaansche comité, dat zich thans met het oog op 
die onderzoekingen gevormd heeft, te verlevendigen en hoopt 
dat het plan Negri-Bove spoedig moge uitgevoerd worden." 
Vat men nu al die voordrachten, meeningen, wenschen 
en verwachtingen der achtste groep te zamen, dan staan 
zij, zou ik meenen, in beteekenis toch wel eenigszins ach- 
ter bij *tgeen in dit opzicht te Parijs in die groep door de 
dii majorum gentium onder de reizigers werd medegedeeld. 
Er was, naar onze meening, slechts éene zitting, de voorlaatste, 
die aan de Parij sche zittingen deed denken, en waarin aan 
de bedoelingen en verwachtingen, die men van de bijeen- 
komsten der achtste groep mocht koesteren, werd beantwoord. 
Het was de zitting, waarin de reiziger Dechy Mor ons in zijn 
voordracht, door verschillende voorwerpen en afbeeldingen 
opgehelderd, naar de Himalaya verplaatste; waarin verslag 
werd gegeven van de reis, door den Heer Ujfalvy met zijne 
moedige echtgenoot naar Cachimir ondernomen, en waarin 
de Nederlandsche reiziger van Hasselt zijn door een flinke 
kaart opgehelderd verslag gaf van de reizen der Sumatra- 
expeditie en zoo duidelijk aantoonde, welke vruchten de 
wetenschap in *t algemeen en de geographie van Sumatra 
in 't bijzonder daarvan geplukt had Zoo ergens, dan moet 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



47 



in de achtste groep van een geographisch congres in de 
eerste plaats aangewezen worden, welke nieuwe terreinen 
weder bestudeerd en in het wereldverkeer werden opgeno- 
men, en dat liefst door hen, die deze terreinen, soms met 
levensgevaar, ontsloten. Zij kunnen de ontvangen indrukken 
jseker het best en levendigst terug geven en mogen daarbij 
ongetwijfeld op de aandacht en belangstelling van het ge- 
hoor aanspraak maken. Vandaar dan ook dat de zoo juist 
genoemde reizigers zich in een groot en belangstellend ge- 
hoor verheugen mochten, en dat, toen door den Heer van 
Hasselt het woord gevoerd werd, de ingenomenheid met 
voordracht, kaart, en niet het minst met de verkregen 
resultaten, herhaaldelijk werd te kennen gegeven. 



II. 



De algemeene vergaderingen en de feesten. 

Bepalen wij ons na 't bespreken der bijeenkomsten van 
de acht groepen nog een oogenblik bij de zittingen van het 
plenum of bij de algemeene vergaderingen en stellen wij 
ook bij deze op den voorgrond, wat zij voor de geographi- 
sche wetenschap tot stand brachten, dan staan zij onge- 
twijfeld in dat opzicht bij de sectie-vergaderingen achter. 
Dat mag trouwens niemand verwonderen. Immers een 
groot deel van den tijd dier algemeene bijeenkomsten 
werd besteed aan de lectuur van beknopte en, zoo als 
wij zeiden, niet zeer verstaanbare relazen van 't geen op 
de sectie-vergaderingen was voorgevallen; aan de goed- 
keuring der daar genomen besluiten, die, slechts zelden 
ter emendatie teruggezonden, meestal bij acclamatie wer- 
den aangenomen; of aan de wisseling van internationale 
beleefdheden en plichtplegingen. Overigens maken hierop 
voorzeker een uitzondering de boven besproken voor- 
drachten van generaal Türr over de landengte van Ko- 
rinthe en van de HH. Maghnaghi en Giglioli over de reis 
der Washington in de Middellandsche Zee; de voordracht van 
Crévaux over zijne reizen in Guyana en naar de Amazonen- 
rivier en van Massari over zijne reis met Mateucci in 
Noord- Afrika; of eindelijk van Correnti over de reis van 
Francesco Arese in het binnenland der prairien van 
Noord-Amerika. 

Ook was het meer dan een internationale beleefdheid, 
toen het Congres zijn leedwezen betuigde over den dood 
van den verdienstelijken Italiaanschen reiziger Mateucci en 
zijn innigen dank uitsprak aan Belgie*s koning of aan 
mannen als Bennett, Dickson, Wilczek, Borghese en baron 



von Mueller, warme begunstigers der wetenschap en van 
vaderlandsche expedities. 

Eindelijk mag de verslaggever ook de zoo plechtige zit- 
ting der opening niet vergeten, toen Italie's Koninklijke 
familie en met haar zoovele hooggeplaatste ambtenaren in 
Kerk en Staat in het openbaar een bewijs aflegden van 
. hunne levendige belangstelling in dit groote feest der geo- 
graphische wetenschap; toen prins Teano de zoo schoone 
gedachte uitwerkte, dat hoezeer ook gewaardeerd en ge- 
steund door Vorsten en Regeeringen, de beweging op 
geographisch gebied hoofdzakelijk van de vrije natiën zelve 
moet uitgaan; toen de syndaco van Venetië, Dante AUe- 
ghieri, even edel van voorkomen als van geslachte, in 
prachtige taal het op Nederland ook zoo toepasselijke 
denkbeeld ontwikkelde, dat Venetie's glorie in lang vervlo- 
gen eeuwen dan alleen waarde behield, als zij tot nieuwe 
daden in het heden en in de toekomst prikkelde, als zij tot 
het goed verstaan van 't „Noblesse oblige" medewerkte. 

Niemand moge een openbare zitting, waarin zulke denk- 
beelden en zulke dankbetuigingen als 't ware voor geheel 
Europa worden uitgesproken, om later in zoovele dagbladen 
en tijdschriften herhaald te worden, een onbelangrijke 
plechtigheid noemen. Zij maken werkelijk dieperen en 
blijvender indruk dan menig geleerde verhandeling der 
sectien, die later in de compte-rendu van 't Congres 
wordt te slapen gelegd, gelijk zij op hare beurt reeds velen 
zachtjes en liefelijk deed insluimeren. Met gloed en over- 
tuiging uitgesproken, hebben zulke openingswoorden in- 
tegendeel reeds menigeen wakker geschud en in den dienst 
der wetenschap behouden of versterkt. 

Wij zijn thans aan het eind van ons eigenlijk verslag ge- 
komen. Een uitvoerige beschrijving te geven van de feesten, 
die het Congres opleverde, zou vooreerst de tijd niet toelaten 
en ligt ook minder, wij zeiden het reeds, op onzen weg. 
Daarvoor is trouwens reeds gezorgd: men behoeft slechts 
de geestige en goed gestelde brieven na te slaan, die van 
Venetië uit aan het Vaderland zijn gezonden, of de ver- 
slaeen, die van het Congres in de A^. R, Courant gegeven 
zijn. Toch wenschten wij naar aanleiding dier feesten en 
receptien een enkele opmerking te maken. 

Er is over geklaagd (Deutsche Rundschau p. 51) „dasz 
es zu Venedig an gemeinschaftlichen abendlichen Zusam- 
menktinften fehlte" en daardoor „der hauptsachlichste Reiz 
internationaler Versammlungen, die Möglichkeit persönlicher 
Bekanntschaft, fast verloren ging". 

Ik moet vermoeden, dat de schrijver onder deze gemeen- 
schappelijke bijeenkomsten de vergaderingen verstond en 



48 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



terugwenschte, welke de Duitschers te Parijs onder het genot 
van bier gewoon waren te houden, en waardoor zij zich juist 
eenigermate van de overige congresleden isoleerden. Is dit 
vermoeden juist, dan moet ik doen opmerken dat voor zulke 
avondfeesten zeker te Venetië ook wel gelegenheid zal bestaan 
hebben en het Congres-bestuur wellicht voor belangrijker 
zaken te zorgen had. Had men daaraan zoozeer behoefte,, 
men had elkander slechts rendez-vous te' geven in de tal- 
looze cafés en restauraties, waar trouwens eiken avond tal 
van congresleden te vinden waren. 

Doch alle vermoedens daargelaten, dit staat vast, dat 
zoowel het gemeentebestuur van Venetië als het Congres- 
comité overvloedig gelegenheid schonken niet enkel om 
de avonden der congresdagen met afwisselende genoegens 
door te brengen, doch tevens om elkander te ontmoeten, altijd 
voor 't geval de talrijke jury-vergaderingen of sectie-bijeen- 
komsten en de gemeenschappelijke uitstapjes daartoe nog 
geen gelegenheid genoeg hadden geschonken. Het waren 
juist deze edeler genietingen, waarvoor de stad Venetië 
(niet minder dan de stad Parijs, waar men zich niet zoo- 
veel meer met de congresleden bemoeide) had gezorgd; 
genietingen, die nog dit eigenaardigs hadden, dat zij ons de 
schoone stad Venetië van haar schoonste zijde lieten zien 
en ons een blik in het volksleven lieten slaan, zooals zeker 
weinig vreemdelingen vergund werd. 

Nu eens verschafte de electrische verlichting een gezicht 
op het S. Marco plein, de San Marco kerk, het dogenpa- 
leis en het eiland San Georgio, 't welk de prachtige omtrek- 
ken der gebouwen en hun schoone versieringen door beeld- 
en schilderwerk beter deed uitkomen dan de helderste 
zonneschijn ; dan weder wierp bengaalsch vuur of electrisch 
licht een zoo eigenaardig schijnsel op het groote kanaal, 
zijn tallooze gondels en zijn oude paleizen, waardoor het 
meest karakteristieke gedeelte der stad, tegelijk met de 
schilderachtig gegroepeerde toeschouwers, als een reusach- 
tig tableau-vivant voor de oogen werd getooverd en een 
onuitwischbaren indruk in de ziel achterliet. Een ander- 
maal gaf een wedstrijd van gondels gelegenheid om te 
doen zien, welke rol die gondel in het leven der Veneti- 
anen speelt; hoe de kampende gondeliers, door honderden 
pijlsnel langs elkander voortschietende gondels begeleid, 
van de oevers en uit de paleizen door duizende belang- 
stellende oogen werden gevolgd, door duizende stemmen 
werden aangemoedigd en toegejuichd, terwijl tusschen alles 
door de prachtig versierde gondels van de municipaliteit met 
hunne gecostumeerde roeiers de weelde voor den geest rie- 
pen, in vroeg ere eeuwen aan den gondel ten koste gelegd i). 
I) De booten der kampende gondolieri waren allen nieuw en ver- 



Nog weder op andere dagen werden de congresleden tot 
het bijwonen van operavoorstellingen en het bezoeken der 
schouwburgen uitgenoodigd, of had vorst Giovanni de 
zalen van zijn woning opengesteld om de congresleden ook 
een blik te gunnen in het inwendige dier oude paleizen 
waar de fijne smaak der Venetianen uit ameublement, 
beeld- en schilderwerk zoo luide sprak, waar Venetie*s beste 
muziekale krachten en de bloem der Venetiaansche aristo- 
cratie vereenigd waren. Voegt men bij dit alles de gemeen- 
schappelijke tochten naar de Murazzi, Tocrello, Murano en 
Padua i), waardoor de gelegenheid werd geschonken zich 
van de zoo hoog ontwikkelde kunstindustrie der Venetia- 
nen een denkbeeld te vormen, dan meenen wij aangetoond 
te hebben dat de stad Venetië in alle opzichten aan de 
wetten der hoogere gastvrijheid heeft voldaan, ruimschoots 
gelegenheid schonk elkander te ontmoeten en genietingen 
verschafte, die zich nauw aansloten aan diegene, welke 
het Congres, de tentoonstelling en het ontmoeten van zoo- 



schillend gekleurd ; de kleeding der gondolieri zelve kwam met die 
der boot overeen. De gondel der municipaliteit, van de vorstelijke 
familie en van de kamprechters waren versierd met groene, rooskleu- 
rige of blauwe sluiers, met linten en wimpels, of met gouden netten 
omweven. Tusschen de lichte masten hingen aan koorden de schitte- 
rende producten der Venetiaansche glasindustrie. Geheel volgens oud 
Venetiaansch gebruik waren de zes, acht of tien roeiers sierlijk uitge- 
dost, terwijl de eigenaar of heer alleen op de door fluweel of tapijtea 
phantastisch opgesierde eereplaats gezeten was. 

I) De Murazzi zijn lo m. hooge muren uit vierkante brokken steen 
samengesteld, aan de buitenzij zacht hellende, die de Adriatische Zee 
meer dan 5 kilom. ver begrenzen en van de lagunen scheiden. Zij 
werden gebouwd, omdat bij doorbraken van de stormachtige zee de 
havens der stad Venetië en de vaarwaters in de lagunen met verslij- 
king bedreigd werden. Tot cello is de moederstad van Venetië. Hier 
heen, op de iets drogere lagunen-eilanden, hadden zich de vreedzame 
burgers van Aquileja, die voor de horden van Attila vluchtten, 
terug getrokken. Zeer oude kerken met zware steenen venster- 
nissen, oude steenen, onder welke éen als leuningstoel uitgehouwen (de 
stoel van Attila geheeten, ofschoon waarschijnlijk de zetel van een des 
oudste bisschoppen) — alles bewijst een zeer hoogen ouderdom. Afuraw 
een vriendelijk plaatsje, met. breede en diepe kanalen doorsneden, dat 
een duizend jaar geleden nog in staat was met Venetië te wedijveren, 
thans bekend door zijne fabrieken van glas en glaspaarlen. Te Padua 
werden de congresleden ontvangen in de prachtige universiteitszaal 
o. a. versierd met gedenksteenen, standbeelden en 700 wapens van de 
mannen, die zich voor de universiteit verdienstelijk hebben gemaakt, 
of daar met bijzonderen roem hun studiën volbrachten. Vandaar ging 
de stoet naar de Salone, een met schilderijen versierde, maar bovendien 
architektonisch zeer merkwaardige zaal (82 m. lang, 27 m. breed. 25 
m. hoog), zonder eenige zuil of scheidsmuur, zoodat de bewoners vair 
Padua zich dan ook beroemen de grootste zaal tei wereld te bezitten 



HET DERDE AARDRIJKSKUNDIG CONGRES TE VENETIË. 



49 



vele beroemde reizigers en degelijke beoefenaars der aard- 
rijkskunde kon opleveren. Liet de regeling van het Con- 
gres hier en daar te wenschen over en lieten zich soms de 
vele werkzaamheden moeilijk met zoovele feesten vereeni- 
gen, men wij te het eerste niet aan de stad Venetië en 
make haar in geen geval van de te gulle ontvangst, waar- 
van trouwens ieder naar welgevallen meer of minder kon 
gebruik maken, later een verwijt. Veeleer past daarvoor 
een woord van weigemeenden, onvoorwaardelijken dank. 

Vraagt men ten slotte, of Nederland in 't bijzonder reden 
beeft gehad over den gang der zaken te Venetië tevreden 
te zijn, dan meenen wij daarop volmondig bevestigend te 
kunnen antwoorden. Wat de tentoonstelling betrof, is dit door 
de Heer Versteeg voldoende aangetoond, terwijl het verslag 
van 't verhandelde in de secties of later het compte-rendu 
ons den indruk hebben kunnen of zullen geven, dat de 
Nederlandsche naam op 't gebied der aardrijkskunde goed 
is gehandhaafd. Maar er is meer. Schreef de Heer de 
Jonge voor een tal van jaren een werk over de relaties, 
die ten allen tijde tusschen den leeuw met het zwaard en 
den leeuw met het boek hadden bestaan i), zonder twijfel zijn 



I) Nederland en Venetië, door Mr. J. C. de Jonge, 's Hage 1852. 
Achtereenvolgens worden in dit voortreffelijk werk de staatsbetrek- 
kingen, en de kunst- wetenschappelijke en letterkundige betrekkingen 
tusschen Nederland en Venetië beschreven. 



deze relaties door het Congres vernieuwd, daar wij ver- 
trouwen mogen (hetzij met alle bescheidenheid gezegd) dat 
de Nederlanders niet enkel aangename herinneringen van 
Venetië hebben medegenomen, ze daar ook zullen hebben 
achtergelaten. 

Heeft daartoe medegewerkt, dat zij zich onder dien 
zachten hemel, te midden dier vriendelijke bevolking, op 
wie de schoone omgeving niet zonder invloed bleef, zoo 
volkomen tehuis gevoelden, niet minder is dit toe te schrij- 
ven aan den Nederlandschen consul, die, zooals hij voor de 
Tentoonstelling zorgde, evenzeer den tact bezat om zijne 
landgenooten in de vreemde stad geheel op hun gemak 
te plaatsen, met zijne vrienden en kennissen in aanraking 
te brengen, de deuren der particuliere kunstverzamelingen 
en archieven voor hen te doen ontsluiten, kortom om op 
zijn terrein alle wetten der gastvrijheid te vervullen en als 
een goed consul voor de belangen der Nederlanders zorg 
te dragen. Moge de Nederlandsche regeering het voor- 
beeld van het Aardrijkskundig Genootschap volgen en 
hem in 't openbaar het bewijs schenken van hare tevreden- 
heid voor alles wat hij te midden zijner vele bezigheden 
voor Congres, Tentoonstelling en de Nederlandsche afge- 
vaardigden verrichtte! 



Amsterdam, December 1881. 



C. M. KAN. 



TOELICHTING BIJ DE SCHETSKAARTEN VAN EENIGE BELANGRIJKE 
TERREINSVERANDERINGEN IN NEDERLAND, GEDURENDE DE 
LAATSTE JAREN TOT STAND GEBRACHT 



DOOR 



J. W. WELOKER. 



De afdeeling „Nederland" van het Aardrijkskundig Ge- 
nootschap stelt zich o. a. ten doel de belangrijkste veran- 
deringen die de topographische gesteldheid van Nederland 
ondergaat, telkens door kartons, waarop de nieuwe toe- 
standen zijn voorgesteld, ter kennis te brengen van het 
publiek, dat in de aardrijkskunde van het vaderland be- 
langstelt. Dit heeft een tweeledig doel: vooreerst om de 
veelal belangrijke werken, waardoor die veranderingen 
-worden veroorzaakt, meer algemeen bekend te maken en 
de lezers van het Tijdschrift zoodoende op de hoogte te 
houden van de vruchten van den voortdurenden en zege- 
vierenden strijd met het water hier te lande, — ten tweede 
om mede te werken tot de nauwkeurigheid der kaarten, 
die voor het onderwijs in de aardrijkskunde op de middel- 
bare en lagere scholen worden gebruikt. Het is toch be- 
kend dat dikwijls, zelfs op de nieuwste uitgaven van 
schoolkaarten en atlassen, de aanduiding wordt gemist van 
terreins veranderingen, die reeds verscheidene jaren geleden 
hebben plaats gehad. 

De afzonderlijke verkrijgbaarstelling der kaarten van de 
afdeeling, kan medewerken om de vervaardigers van school- 
kaarten en schoolatlassen gemakkelijker in het bezit van 
de nieuwste gegevens te stellen en hun zoodoende bij elke 
nieuwe uitgave gelegenheid geven om hunne kaarten daar- 
naar bij te werken. Voor het onderwijs in de vaderlandsche 
aardrijkskunde kan dit niet anders dan bevorderlijk zijn. 



Als eerste stap op den bovenbeschreven weg strekt de 
kaart, bevattende kartons van een tiental terreinsverande- 
ringen, die, hoewel sommige reeds eenige jaren geleden 
tot stand zijn gebracht, toch nog volstrekt niet algemeen 
bekend zijn en op menige kaart en atlas van Nederland 
nog ontbreken. 

Ter toelichting van die veranderingen worden hieronder 
kortelijk voor elk eenige bijzonderheden medegedeeld. 

A. Sohenirepolder. 

Zuidbeveland en Wolphaartsdijk, thans gezamenlijk 
één eiland vormende, waren vroeger door een breeden 
zeearm gescheiden, die, breed maar ondiep, uit uitgestrekte 
met laagwater droogvallende platen en slikken bestond, 
waartusschen een aantal dikwerf van plaats veranderende 
smalle geulen liepen. 

Deze zeearm, die verschillende namen voerde, is meer 
algemeen onder den naam van Schenge of Schengen be- 
kend, en aan de zijde van Wolphaartsdijk of de noordzijde, 
op het laatst der 1 6e, maar vooral gedurende de 17e eeuw, 
aanzienlijk ingekrompen door opvolgende indijking van 
rijp geworden schorren tot nieuwe polders. 

Tusschen het aldus vergroote eiland Wolphaartsdijk en 
Zuidbeveland bleef echter nog steeds een breede zeearm 
bestaan, totdat in 1809, door de indijking van het geheele 
oostelijke deel daarvan, de Wilhelminapolder ontstond en 



TOELICHTING BIJ DE SCHETSK AARTEN VAN EENIGE TERREINS VERANDERINGEN IN NEDERLAND. 



Sr 



de beide eilanden, naar wij hopen voor goed, aan elkan- 
der verbonden werden. 

Door deze indijking, een der grootste onder de talrijke, 
die in de laatste eeuwen in Zeeland zijn tot stand gebracht, 
bleef het westelijk deel van het Schenge als een doodloo- 
pende, diep tusschen Zuidbeveland en Wolphaartsdijk insprin- 
gende inham over, die bij gemis aan doorstrooming alsnu 
steeds sneller moest opslibben en verlanden. Na 1809 zijn 
dan ook een drietal polders in het Schenge ingedijkt waar- 
van één, de Perponcherpolder, die op het karton voorkomt, 
tegen de westzijde van den Wilhelminapolder, en boven- 
dien twee in den westelijken mond bij het Sloe, die te 
zamen nog heden een eilandje vormen en waarvan de oos- 
telijke, de Calandspolder, mede nog gedeeltelijk op het 
karton valt. 

De voortdurende verlanding van het overblijvende deel 
van het Schenge deed echter in de laatste jaren de indij- 
king van het oostelijkste gedeelte eene geldelijk voordeelige 
zaak worden. In 1873 werd daartoe de Koninklijke con- 
cessie verleend en het werk is in 1874 tot stand gebracht. 

Daartoe is de op het karton aangegeven dijk tusschen 
den dijk van den Noord-Kraaijertpolder op Zuidbeveland 
en dien van den Westkerkepolder op Wolphaartsdijk ter 
lengte van 2500 M, gelegd, en daarin voor de afwatering 
van den nieuwen polder eene sluis gelegd nabij den door- 
gang van den nieuwen dijk door een der geulen van het 
Schenge, genaamd de Piet, die gedeeltelijk is binnen ge- 
dijkt. Verder zijn eenige wegen in den polder gemaakt, 
alsmede eenige waterleidingen ten behoeve der omliggende 
polders die voorheen vrij op het onbedijkte Schenge uit- 
loosden, maar dit voortaan door den nieuwen polder moe- 
ten doen. 

De nieuwe polder heeft den naam verkregen van Schenge- 
polder en is ongeveer 600 Hectare groot. De bedijking, 
sluis, alsmede de aanleg van wegen, duikers en waterlei- 
dingen hebben te zamen in ronde som 322000 gulden ge- 
kost. Alle werken waren in 1875 voltooid. 

De openbare verkoop der ingedijkte gronden heeft opge- 
bracht in ronde som 976000 gulden, waarvan het aandeel 
van den Staat, die ten deele eigenaar van de schorren 
was, circa 628000 gulden bedragen heeft. Het aandeel van 
den staat in de kosten der bedijking was 193000 gulden. 

Slechts 3 Hectare laagland zijn niet verkocht. 

Door deze indijking is de oostpunt van den Calandspol- 
der nog slechts 800 M. van den nieuwen dijk verwijderd. 
De indijking van het nog overgebleven deel van het Schenge 
en hiermede de aanhechting van het eilandje, gevormd 
door de Sebastiaan de Lange- en Calandspolder aan Zuid- 



beveland en Wolphaartsdijk, is dan ook nog slechts eene 
vraag van wellicht korten tijd. 

B. Van Lijndenpolder, 

In de 16" eeuw was geheel het tegenwoordig Zeeuwsch- 
Vlaanderen beoosten den Brakman tot ver over de tegen- 
woordige Belgische grens verloren gegaan door watervloe- 
den en oorlogsgeweld en lag het met de zee gemeen. 

In de 17' eeuw werd daarvan een groot gedeelte tot 
vruchtbare polders ingedijkt. Dit geschiedde echter uit 
den aard der zaak naarmate de schorren en slikken daar- 
voor geschikt waren en niet naar een bepaald plan, zoodat 
op het einde dier eeuw dit deel van Zeeland er nog geheel 
anders uitzag dan tegenwoordig. Het Hellegat stond nog 
gedurende bijna de geheele 18* eeuw bezuiden Axel om 
met het zoogenaamde Axelsche Kanaal of Axelsche Gat 
en door dezen met den Brakman in verbinding en deze 
drie vormden te zamen een breeden, doorloopenden zeearm, 
die met de Schelde een eiland insloot, waarop Ter Neuzen, 
Hoek en Zaamslag gelegen waren. Op den zuidelijken 
rand van dat eiland lag Axel aan den noordelijken oever 
van genoemden zeearm, en aan een diepen inham daarvan 
op den zuidelijken oever aan de overzijde lag Hulst. 

Eerst in 1789 en 1790 is het middelste gedeelte van 
dien grooten zeearm tusschen Hulst en Axel ingedijkt, zijn 
de Brakman en het Hellegat gescheiden en werden Axel 
én Hulst landsteden. 

Sedert dien tijd vormde laatstgenoemde zeearm tusschen 
het land van Stoppeldijk en de polders onder Zaamslag 
een diep, zuidwaartsloopenden zeearm, die tegen den in 
1789 gelegden zeedijk eindigde en waarin de opslibbing en 
en verlanding dus snel voortging. Dientengevolge is sedert 
van het zuiden af steeds meer land ingedijkt en de inham 
voortdurend noordwaarts op ingekort. 

In 1846 werd de Catharinapolder tegen den dijk van 
1789 aan bedijkt en in 1863 de Willem III polder, die 
gedeeltelijk op het karton voorkomt, maar ook nu zelfs op 
menige kaart nog ontbreekt en als water wordt voorgesteld. 

Reeds in 1876 was het gedeelte van het Hellegat benoor- 
den den Willem III polder aan het zuidelijk einde geschikt 
voor indijking, Deze heeft in dat jaar vanwege den Staat, 
aan wien het Hellegat behoort, plaats gehad door het leg- 
gen van een 790 M. langen zeedijk tusschen den dijk van 
den Willem III polder en dien van den Kleinen Eendragts- 
polder. De nieuwe polder is van Lijndenpolder genoemd 
en komt op het karton in zijn geheel voor. Hij ligt onder de 
gemeenten Zaamslag en Boschkapelle en is 175 Hectare groot. 



52 



TOELICHTING BIJ DE SCHETSKAARTEN VAN EENIGE TERREINSVERANDERINGEN IN NEDERLAND. 



De l>edijking met alle bijbehoorende werken heeft slechts 
53500 gulden gekost. 

Door deze inpoldering is nog slechts een zeer klein 
gedeelte van het een eeuw geleden nog in zijn geheel aan- 
wezige Hellegat overgebleven. 

Nog ééne inpoldering, die wellicht reeds na weinige 
jaren kan volgen, en het zal geheel van de kaart van Ne- 
derland verdwenen zijn. De bedijking op den linkeroever 
der Westerschelde zal dan met regelmatige kromming 
onafgebroken dicht langs de Schelde doorloopen. 

C. Polder Adriana Johanna. 

Zooals het met het Schenge en het Hellegat is gegaan, 
ging en gaat het ook met het Dijkwater, een deel van den 
zeearm, die voorheen de eilanden Schouwen en Duiveland 
scheidde, doch die als doorloopende arm reeds lang heeft 
opgehouden te bestaan. 

In de Middeleeuwen liep tusschen Schouwen en Duive- 
land een diepe breede zeearm, de Gouwe genaamd, die 
een weinig ten zuidoosten van Zierikzee gemeenschap had 
met de Oosterschelde en zich ongeveer een half uur ten 
noordoosten van Zierikzee in twee armen splitste, welke 
te zamen het oude eiland Dreischor omsloten en beiden in 
de Grevelingen uitliepen. De westelijke arm behield den 
naam van Gouwe, de oostelijke heette het Dijkwater of 
Noorderdiep, terwijl de Gouwe benoorden de splitsing 
Noordgouwe, daar bezuiden tot aan de Oosterschelde Zuid- 
gouwe heette. 

Reeds in 1374 is de Noordgouwe afgedamd en gedeel- 
telijk bedijkt als polder Noordgouwe, waardoor Dreischor 
aan Schouwen werd gehecht. 

De overgebleven doorloopende zeearm, door het Dijk- 
water en de Zuidgouwe gevormd, is gaandeweg opgeslibd 
en verland. Het overgebleven smalle vaarwater was in het 
begin der 17e eeuw zóó verondiept en voor de scheepvaart 
onbruikbaar geworden, dat in 1607 door de regeering van 
Zierikzee tot de afdamming van de Zuidgouwe werd be- 
sloten, nadat eenige jaren te voren de nog bestaande, 
nieuwe haven rechtstreeks naar de Oosterschelde was ge- 
maakt, en de oude haven, die in de Zuidgouwe uitkwam, 
hierdoor overbodig geworden was. De afdamming is even 
beoosten Zierikzee tusschen 1607 en 1610 uitgevoerd en 
hiermede Duiveland aan Schouwen gehecht. Over den toen 
gelegden afsluitdijk tusschen de polders Alteklein op 
Schouwen en Zuider Nieuwland op Duiveland ligt nog heden 
ten dage de groote weg van Zierikzee naarZijpe. De Zuid- 
gouwe slibde daarna bezuiden den dam geheel aan en is 



in 1628 door de indijking van den Gouweveerpolder, naar 
het vroegere veer over de Gouwe aldus genaamd, geheel 
verdwenen. 

Ook benoorden den afeluitdijk werd reeds in 16 14 de 
gedeeltelijk op het karton voorkomende Groot Bette waarde- 
polder ingedijkt en het Dijkwater en het benoorden den dijk 
gelegen deel der Zuidgouwe hierdoor aanzienlijk versmald, 
totdat eindelijk in 1646 de regeering van Zierikzee tot vor- 
ming van eene spuikom voor de diephouding der nieuwe 
haven de tweede afdamming, ongeveer één uur benoordoos- 
ten de stad maakte. In dat jaar werd namelijk de Klein 
Bettewaarde- of Saspolder ingedijkt en een dijk dwars door het 
Dijkwater gelegd van de noordpunt van dien polder naar den 
dijk van het in 1628 bedijkte Galgepoldertje. Indendwars- 
dijk werd een in lateren tijd uitgebroken en gedichte sluis 
of sas, later het Verste Sas genaamd, gelegd, waarnaar de 
Klein Bettewaardepolder mede genoemd wordt. 

Sedert is van het Dijkwater niets meer bedijkt dan tot 
heden op alle kaarten voorkomt. Wel is na dien rijd op 
den Duivelandschen oever de Jongepolder in 17 10, en op 
den Schouwschen de Nieuwlandpolder in 183 1 bedijkt, 
doch de zeearm zelf, hoe ook versmald en verondiept, bleef 
gedurende bijna 2^', eeuw tot den dwarsdijk, waarin het 
Verste Sas lag, doorloopen. 

In 1872 is dit opgehouden door de bedijking van den 
op het karton voorgestelden polder Adriana Johanna, groot 
44 Hectare. De afsluitdijk loopt van den dijk van den 
polder Dreischor op Schouwen naar dien van den Jonge- 
polder op Duiveland, zoodat het zoogenaamde haventje 
van Belder, ten behoeve der visschersvaartuigen, met het 
open Dijkwater in gemeenschap is gebleven. 

Door deze indijking is wederom een goed deel van het 
Dijkwater verdwenen. 

D. Workunimer-, Parregaster- en Makkum- 
mermeerpolder. 

In het zuidwestelijk deel van Friesland liggen tal van 
grootere en kleinere meren, poelen en plassen, die aldaar 
reeds sedert de bedijking van het land bestaan en niet 
gevormd zijn door verveening van den bovengrond. Naar- 
mate de bodem dier meren uit eene meerder of minder 
dikke kleilaag bestond, zijn verscheidene daarvan, vooral 
in deze eeuw, droog gemaakt, sommigen evenwel, wier 
bodem uit zand bestaat, zullen wel steeds blijven wat zij zijn. 

In de laatste jaren is de droogmaking der in het wes- 
ten van de provincie gelegen meren en poelen ter hand 
genomen. De drie grootsten, genaamd de Makkummer-, 



TOELICHTING BIJ DE SCHETSKAARTEN VAN EENIGE TERREINS VERANDERINGEN IN NEDERLAND. 



55 



Parregaster- en Workummermeren, vormden met eenige 
kleinere meren en poelen aanzienlijke oppervlakten, die, hoe- 
wel zij niet allen aaneenlagen, door verschillende breedere 
of smallere waterwegen met elkander in verbinding stonden. 

Het eerste plan tot droogmaking der drie grootste me- 
ren dateert van 1854, doch kwam niet tot uitvoering en 
bleef onder langdurige onderhandelingen slapende, totdat 
in 1866 eene beperkte concessie werd verleend tot droog- 
making van vier der kleinere in de nabijheid der drie 
groote meren gelegen plassen, het Kerkemeer, de Luike- 
vaart, het Tootmeer en Ypenbuurstermeer, allen onder de 
gemeente Wonseradeel, welke droogmaking dan ook tot 
£tand kwam. 

Die der drie groote meren bleef echter rusten tot 1S72, 
in welk jaar de zaak opnieuw werd opgevat, tengevolge 
waarvan na lange onderhandelingen in 1874 de concessie 
aan de Heeren C. C. Ledeboer te Makkum c. s. defini- 
tief werd verleend. 

Aan de droogmaking werd bij de concessie de verplich- 
ting verbonden tot het graven van verschillende na te 
noemen kanalen in het belang van de scheepvaart en de 
afwatering, dit laatste ook omdat de meren deel van Fries- 
lands boezem uitmaken en deze mitsdien tengevolge der 
droogniaking voor het westelijk deel der provincie aan- 
zienlijk verkleind zou worden. 

Na goedkeuring van het plan der droogmaking en der 
in verband daarmede te maken kanalen werden de drie 
meren, die aan den Staat behoorden, in 1876 ter geza- 
mentlijke grootte van bijna 853 Hectare aan de conces- 
sionarissen verkocht en in datzelfde jaar een begin gemaakt 
met de droogmaking van het Workummermeer, nadat de 
concessie aan de Friesche landaanwinningmaatschappij, te 
Bolsward gevestigd, was overgedragen. In het volgend 
jaar werd ook die der Makkumer- en Parregastermeren 
begonnen en krachtig voortgezet. 

De droogmaking en verkavelig der drie meren kwam 
in 1878 geheel tot stand. 

In het belang der scheepvaart en afwatering is het Mak- 
kummermeer in twee gedeelten drooggemaakt, waartusschen 
een scheepvaart- en afwateringskanaal is gespaard, terwijl, 
gedeeltelijk in verband daarmede, ter vervanging der vroe- 
gere gemeenschap over en door de meren de navolgende 
kanalen gemaakt zijn: 

i'*. Het van Panhuijskanaal, strekkende van de trekvaart 
Workum-Bolsward bij Tjerk werderzijl in westelijke 
richting dwars door het Makkumermeer tot het punt 
waar het kanaal de Groote Zijlroede vroeger in het 
Makkumermeer uitkwam. 



2®. Een kanaal langs den zuidoostelijken rand van den 
Noord-Makkumermeerpolder van het punt bij Exmor- 
razijl, waar de vaart Bolsward-Makkum vroeger in den 
oosthoek van het Makkumermeer uitkwam, tot het van 
Panhuijskanaal bij Bruindeer; 
3®. Een kanaal van Allingawier langs de oostzijde van 
den Zuid-Makkumermeerpolder tot het van Panhuijs- 
kanaal bij Bruindeer. 
4®. Een kanaal langs de geheele westzijde van laatstge- 
noemden polder van het punt, waar de Ids^ahtiizer- 
vaart vroeger in het Makkumermeer uitmondde, naar 
de Kleine Zijlroede en van deze naar de Groote Zijl- 
roede. 
5<>. Een kanaal tusschen de trekvaart Workum-Bolsward 
van een punt bewesten Idserdaburen naar het vaar- 
water de Indijk, dat vroeger de gemeenschap tusschen 
de Workummer- en Parregastermeeren vormde, en 
wel naar het zuidelijk uiteinde van dat vaarwater bij 
den noordelijken oever van het Workummermeer. 
60. Een kanaal langs den zuidrand van laatstgenoemd 
meer tot behoud der verbinding van het vaarwater 
het Hollemeer bij Workum met de trekvaart Workum- 
Bolsward, welke verbinding vroeger gedeeltelijk door 
het meer zelf werd gevormd. 
Het Workummermeer wordt drooggehouden door een 
stoomgemaal, staande aan den noordelijken rand van den 
polder, aan het tusschen de Indijk en de trekvaart Wor- 
kum-Bolsward gegraven nieuwe kanaal, dat hierboven sub 
5 is genoemd. 

De Parregaster en Makkumermeren worden bemalen 
door een stoomgemaal in den noordwesthoek van den 
Makkumerpolder bij de samenkomst van de Groote Zijl- 
roede met het van Panhuijskanaal. 

De Noord- en Zuid-Makkumermeerpolders zijn onder 
door het van Panhuijskanaal door een grondduiker 
met elkander in verbinding. 

De kosten der droogmaking met inbegrip der wegen, 
verkaveling en stoomgemalen, alsmede van de gegraven 
kanalen met de werken tot herstel der daardoor afgebroken 
gemeenschap te land en van de onteigening der door de 
nieuwe kanalen ingenomen terreinen hebben te zamen 
ongeveer 850000 gulden bedragen. 

E. Spoorwegovergang bij Arnhem. 

Op verscheidene kaarten van den laatsten tijd wordt de 
plaats van den spoorwegovergang beneden Arnhem nog 
steeds onjuist aangegeven. 



54 



TOELICHTING BIJ DE SCHETSK AARTEN VAN EENIGE TERREINSVERANDERINGEN IN NEDERLAND. 



De brug ligt nier onmiddellijk bij Arnhem, maar ruim 
een half uur gaans beneden de schipbrug aldaar bij den 
Rosandepolder. Zij heeft op den rechteroever vier overspan- 
ningen, elk wijd 57.50 M, over de rivier zelve twee over- 
spanningen, elk wijd 95.50 M. en op den linkeroever aan 
de zijde der Betuwe ééne overspanning van 57.50 M, 

Op den rechteroever in den Rosandepolder begint bij de 
brug een hooge spoorw^dam, die tegen de hooge gronden 
bij den lagen weg van Arnhem naar Oosterbeek eindigt 
en aansluit. Het station Oosterbeek ligt even benoorden 
dien weg juist bij het noordelijk einde van den spoorweg- 
dam; noordelijk van het station begint eene ingraving. 

De vloer der brug over den Rijn ligt 5.53 M. lager dan 
de bovenkant der spoorstaven op het station te Arnhem 
en 14.07 M. boven den middelbaren waterstand in den 
Nederrijn ter plaatse van de brug. 

De onderkant der overspanningen ligt nog 1.30 M. lager 
dan de vloer der brug. 

F. Spoorwegovergang bij Nijmegen. 

Ook de spoorwegovergang over de Waal bij Nijmegen 
en de aansluiting van den spoorweg Kleef — Nijmegen aan 
de brug komen veelvuldig onjuist op de kaarten voor. Het 
hierbij behoorende karton kan strekken tot verduidelijking 
van den werkelijken toestand. 

De brug ligt even beneden de stad tusschen de oude 
vestingwerken en de Nieuwe Haven over de rivier. Zij heeft 
op den rechter of Betuwschen oever tusschen den dijk en 
de rivier vijf overspanningen, elk wijd 57.50 M., en over 
de rivier zelve drie overspanningen, elk wijd 133 M. 

De vloer der brug, de aardenbaan bezuiden de brug en 
het station Nijmegen liggen 14.88 M. boven den middel- 
baren waterstand der Waal bij de brug. De onderkant der 
drie overspanningen over de rivier ligt nog 1,30 M. lager. 

Ten einde eene aansluiting van den spoorweg van Nij- 
megen naar Kleef met dien naar Arnhem te verkrijgen, is 
een gedeelte spoorweg gemaakt van het nieuwe stadonder 
laatstgenoemde lijn naar een punt van eerstgenoemde een 
eindweegs bezuiden Nijmegen. Deze nieuwe, zoowel als de 
oude lijn komen op het karton voor. De oude lijn is thans 
met het oude station opgeruimd. 

Ook de Zuidoosterspoorweg van Nijmegen naar Tilburg 
gaat van het station der lijn Arnhem— Nijmegen uit. De 
aansluiting is op het karton te zien. 

In verband met al deze spoorwegwerken en de slechting 
van Nijmegen ondergaat deze stad eene aanzienlijke uit- 
breiding. 



Op het karton zijn de nieuwe straten, wegen en pleinen 
aangeduid die op het terrein der geslechte vestingwerken 
zijn of worden aangelegd. Uit die schets is te zien dat 
een rondom de stad loopende breede rij- en wandel- 
weg het terrein der vestingwerken in de lengte doorsnijdt 
en den nieuwen aanbouw in twee bijna halfcirkelvormige 
strooken ter weerszijden verdeelt. De naar Nijmegen voe- 
rende groote wegen en de toegang naar het stationster- 
rein zijn met dit uitbreidingsplan in behoorlijk verband 
gebracht. 

Op de kaarten van ons land kunnen in het vervolg de 
vestingwerken van Nijmegen, die nog steeds op de meesten 
prijken, worden weggelaten. 

G. Verruiming van het Keteldiep (Zuidelijken mond- 
▼an den IJssel). 

Ter verbetering van den waterweg van Zwolle door de 
Willemsvaart tot Katerveer en van daar langs den IJssel 
voorbij Kampen en door het Keteldiep tot in de Zuider- 
zee zijn in de laatste jaren belangrijke werken uitgevoerd. 
Het doel dier verbetering was het verkrijgen eener grootere 
diepte in dien' waterweg dan tot dusverre aanwezig was. 

In de jaren 1866 tot 1868 hebben achtereenvolgens de 
provincie Overijssel en de gemeenten Zwolle en Kampen 
aanzienlijke subsidien toegezegd voor de uitvoering, die 
van Rijkswege zou geschieden. In 1869 is met het werk 
begonnen. 

Daar in den hoofdtak van den IJssel, het Keteldiep, 
slechts eene doorgaande diepte van 2.05 M. onder A.P. 
werd aangetroffen en voor den waterweg eene doorgaande 
diepte van 2.72 M. onder A.P. of 3 M. onder volzee noo- 
dig werd geoordeeld, was het noodig het Keteldiep te ver- 
beteren. 

Daartoe werden in 1869 de oude Ketelkribben door het 
Rijk van de gemeente Kampen overgenomen en hersteld 
en werden zij met 800 M. verlengd om in de Zuiderzee tot 
in dieper water te reiken, terwijl tevens, om meer water 
op het Keteldiep te brengen en dit door sterkeren stroom 
diep te houden, het Regterdiep werd beteugeld en het 
vaarwater tusschen de Ketelkribben werd uitgebaggerd tot 
de bovenvermelde diepte. 

In 1870 werd de verbetering van den bovenmond van 
het Keteldiep ondernomen. Deze mond liep vroeger in 
sterk gebogen richting bezuiden den Kattenwaard om, zooals 
dit met stippellijnen op het karton is aangegeven. Deze 
bocht is toen vervangen door een nagenoeg recht riviervakr 
breed 60 M., dwars door den Kattenwaard over ongeveer 
600 M. lengte gegraven, gelijk het karton aanduidt. 



TOELICHTING BIJ DE SCHETSK AARTEN VAN EENIGE TERREINSVERANDERINGEN IN NEDERLAND. 



55. 



De a^esneden bocht werd later aan beide zijden afgeslo- 
ten en met baggerspecie aangeplempt. 

Niettegenstaande het Keleldiep hierdoor een veel beteren 
bovenmond had verkregen en geschikter was geworden 
om meer rivierwater af te voeren en derhalve diep te 
blijven, kon in de eerstvolgende jaren de gevorderde diepte 
van 3 M. niet bereikt worden. 

Ten einde die te verkrijgen werd in 1872 besloten het 
Keteldiep tusschen de dammen van 70 M., zooals de 
breedte tot dusverre was, te verwijden op 100 M. en aan 
het geheele Keteldiep mitsdipn de breedte te geven, die 
tusschen de in 1869 uitgevoerde verlenging der dammen 
was aangehouden. 

Dit werk is in 1875 uitgevoerd De noordelijke op het 
karton gestippelde Keteldam is opgeruimd en door eene 
30 M. noordelijk gelegene vervangen, terwijl ook de in 
1870 uitgevoerde doorsnijding van den Katten waard op 
100 M. breedte is verwijd. 

In verband daarmede is de in 1869 en 1870 uitgevoerde 
beteugeling van het Regterdiep vervolgd en is in de 
bovenmond op beide oevers eene krib gelegd, door welke 
kribben, die tegenover elkander liggen, de mond aanzien- 
lijk is vernauwd. 

Al deze werken kwamen in 1877 gereed. 

Daardoor is eene nieuwe situatie van den IJsselmond 
ontstaan, die op verreweg de meeste kaarten tot dusverre 
ontbreekt. Zelfs de reeds in 1869 uitgevoerde verlenging 
der Ketelkribben wordt nog op sommige op vrij groote 
schaal uitgevoerde kaarten van den laatsten tijd gemist. 

H. Prius ^lexanderpolder. 

De zoogenaamde Kleine Plassen in Schieland ten noord- 
oosten van Rotterdam waren de laatsten der door vervee- 
ning ontstane plassen, waaruit nog in het midden der 
vorige eeuw bijna geheel Schieland bestond. Blijkens de 
kaart van Schieland, omstreeks dien tijd te Amsterdam 
door Isaak Tirion uitgegeven, was, behalve eene strook 
langs den HoUandschen IJssel, in geheel Schieland be- 
noorden de Schie nauwelijks een vijfde der oppervlakte 
te vinden die niet verveend en tot plas was geworden . 
I Op smalle onverveende strooken tusschen de plassen 
\ lagen de dorpen en over nog smallere strooken en kaden 

tusschen die dorpen lagen de wegen. 
I Sedert dien tijd is alles ten eenenmale veranderd en 
I heeft droogmakerij aan droogmakerij in circa 130 jaren 
tijds geheel Schieland weder in vruchtbaar land her- 
jschapen. 



Deze dijk bestaat nog; aan de Noordzeezijde daarvan 
hebben zich sedert zijn aanleg duinen gevormd, zoodat de 

De Prins Alexanderpolder, op het karton voorgesteld, 
is de laatste der groote droogmakerijen in Schieland. De 
polder is overbekend en eene nadere beschrijving, die in 
allerlei bijzonderheden zou moeten vervallen, hier niet op 
hare plaats. 

De verkaveling en de wegen zijn op het karton te zien 
als ook de stoomgemalen die den polder drooghouden en 
allen langs de zuidzijde zijn gebouwd. 

Zij malen het polderwater op de ringvaart, welke 
wederom door een niet op het karton voorkomend stoom- 
gemaal, genaamd „Prins Alexander," bezuiden den Rijn- 
spoorweg bij het Kralingsche veer aan den Schielandschen 
zeedijk gebouwd, op de Nieuwe Maas wordt afgemalen. 
De ringvaart staat door een gedeeltelijk nog op het karton 
vallend uitwateringskanaal met dat stoomgemaal in ver- 
binding. 

De droogmaking is onder beheer en toezicht van eene 
in 1864 door den Koning benoemde Commissie in 1866 
begonnen; in het laatst van 1872 was de geheele polder 
droog en in 1874 waren met de verkaveling al de met de 
droogmakerij in verband staande werken voltooid. 
- De verkoop der drooggemaakte gronden heeft in 1874 en 
1875 plaats gehad; voor ruim 2367000 gulden is totaal circa 
2668 Hectare land verkocht, zoodat de gemiddelde koop- 
prijs per Hectare circa 887 gulden heeft bedragen. De 
hoogste prijs per Hectare bedroeg ongeveer 1855, de laag- 
ste 437 gulden. 

De Commissie van beheer en toezicht is met ingang van 
I Januari 1876 ontbonden, nadat in Juli 1875 het door 
de stemgerechtigde ingelanden verkozen nieuwe polderbe- 
stuur was opgetreden en dit bestnur op den isten Novem- 
ber d. a. V. den polder van de Commissie had overgenomen. 

I. Folder het Noorden op Texel. 

Het t^enwoordige eiland Texel bestond tot in het begin 
der 17de eeuw uit twee afzonderlijke eilanden, het eigen- 
lijke Texel en het Eijerland, dat grootendeels uit duinen 
bestond. Tusschen beide eilanden lag een zeer breed met 
verschillende geulen doorsneden strand. Over dat strand en 
door die geulen stond de Noordzee dwars over den tegen- 
wóordigen Eijerlandschen polder met de Zuiderzee in on- 
belemmerde .gemeenschap. 

Ter verbreking van dife gemeenschap en ter vasthechting 
van het Eijerland aan het toenmalige Texel is in 1629 en 
1630 op last der Staten van Holland en.Westfrieslandeen 



56 



TOELICHTING BIJ DE SCHETSKAARTEN VAN EENIGE TERREINS VERANDERINGEN IN NEDERLAND. 



zanddijk gelegd tusschen de duinen even benoorden de 
Koog op Texel en de duinen van het Eijerland. 
duinketen van Texel met die van het Eijerland is vereenigd 
geworden en onafgebroken langs de geheele Noordzeezijde 
van het tegenwoordige eiland doorloopt. Aan de zuidoost- 
of Zuiderzeezijde van den zanddijk is het strand opgeslibd 
en met eene kleilaag bedekt. De daardoor ontstane schorren 
waren in deze eeuw rijp voor de indijking, die in 1835 en 
volgende jaren is geschied. 

Daardoor is de Eijerlandsche polder ontstaan, waarvan 
de zuidoostelijke dijk gedeeltijk op het karton voorkomt. 

Buiten den Eijerlandschen polder is in 1846 een nieuw 
gedeelte schor als Eendrachtpolder bedijkt waarvan de 
zuidelijke punt mede op het karton is te zien. 

Tusschen den dijk van den Eijerlandschen polder en den 
Eendragtpolder ten noorden en den zeedijk van het oude 
Texel ten zuiden, bleef een diepe inham over, die nog op 
de meeste kaarten als zoodanig voorkomt en aan Texel zijn 
vreemdsoortigen, aan het thans levend geslacht welbeken- 
den vorm gaf. 

Ook deze inham is echter verdwenen. In 1874 heeft het 
bestuur der zoogenaamde 29 gemeenschappelijke polders 
op Texel (die te zamen het oude Texel zonder den Eijer- 
landschen polder vormen) concessie verleend tot het be- 
dijken van dien gedeeltelijk opgeslibden inham. 

Daartoe is in 1875 een afsluitdijk gelegd van den uit- 
springenden dijkshoek van het oude Texel ten noordoosten 
van het dorp Oosterend naar den zuidoostelijken hoek 
van den dijk van den bovenvermelden Eendragtpolder. 
Deze dijk en de daarin gelegen uitwateringssluis hebben 
te zamen circa 313000 gulden gekost. Dijk en sluis kwa- 
men in 1875 gereed, waarna in 1876 voor bijna 37000 
gulden de aanleg van wegen en kaden en het verkavelen 
van den polder, en in 1878 de bouw van den op het kar- 
ton aangeduiden windwatermolen met bijbehoorende boe- 
zemkaden voor bijna 33600 gulden is uitgevoerd. 

In 1877 en 1878 is te zamen 234 Hectare land voor 
ruim 135000 gulden verkocht en de verkoop duurt nog 
voort. Daar een groot deel van den polder echter uit 
slecht land, het zuidoostelijk deel zelfs uit zand, dat niet 
eens verkaveld is, bestaat, zal een deel wel onverkoopbaar 
blijven en de indijking finantieel eene zeer onvoordeelige 
zaak blijken. 

Aangezien toch de polder circa 812 Hectare groot is 
en de indijking circa 4ooooo gulden heeft gevorderd, moet 
de Hectare, om de kosten te dekken, gemiddeld circa 
500 gulden bij verkoop opbrengen. De in 1877 CQ i^7^ 
terstond verkochte landen, die het best van hoedanigheid 



zijn en in het zuidwestelijk deel van den polder liggen^ 
hebben blijkens bovenvermelde cijfers echter nog niet een? 
dien middenprijs opgebracht. 

K. Willem-Leopoldpolder in het voormalig Zwin. 

Nog tijdens de latere jaren van den worstelstrijd tegen 
Spanje was het Zwin of Sluissche Gat een vermogend eiï 
diep vaarwater, waarin de oorlogschepen der Spanjaarden 
en Nederlanders onbelemmerd in- en uitliepen. Sluis was 
destijds eene goede zee- en oorlogshaven, om welks bezit 
menigmaal hevige strijd werd gevoerd, zoodat de sterke 
vesting dikwerf een zwaar beleg had te doorstaan. 

In het midden der i8e eeuw had Sluis wel haar belang 
als zeehaven reeds verloren, maar het Zwin bestond nog 
als een breede zeearm, die zich circa een uur beoosten 
Sluis in twee en verder oostelijk in nog meerdere takken 
verdeelde, waarvan de zuidelijkste tot diep in het tegen- 
woordige Belgische grondgebied doordrong en de noorde- 
lijkste, een weinig beoosten Breskens in de Westerschelde 
uitkomende, de in de i6e en den aanvang der 17e eeuw 
bedijkte landen van Cadzand en Groede als een eiland 
van het overige Staats Vlaanderen afscheidde. 

Sedert is, evenals in zoovele andere gedeelten van Ze^ 
land, ook hier alles geheel veranderd. Bij den aanvang 
der 19e eeuw was het eiland van Cadzand en Groede 
door indijking van den bovengenomden noordelijken tak 
aan het overige deel van Zeeuwsch Vlaanderen vastge- 
hecht en was van dien tak nog slechts een klein 
stukje aan het zuidelijk einde bij de vereeniging met 
het Zwin over. En ook de overige takken waren allen 
ingedijkt. Op iedere eenigzins uitvoeriger kaart van 
Zeeland is de ligging dier vele voormalige zeearmen 
duidelijk te herkennen uit den langgestrekten vorm der 
smalle polders, die door hunne indijking zijn ontstaan. 
Van het Zwin zelf bestond in 1800 nog slechts een dood- 
loopende zeearm, die op ongeveer 7000 M. beoosten Sluis 
tegen den Bakkersdam, een half uur gaans bezuiden Oost- 
burg, eindigde. Doch ook dit overblijfsel van den eenmaal 
zoo machtigen inham is thans geheel verdwenen, evenals 
het in 1800 nog bestaande, bovenvermelde uiteinde van 
den tak, waardoor Cadzand en Groede één eiland zijn 
geweest. 

Dit uiteinde is thans de in 1807 bedijkte Austerlitzpol- 
der, nadat reeds in 1803 door de bedijking van den Olic- 
slagerspolder vlak benoorden Sluis het Zwin bij deze stad 
tot op 600 M. was ingekrompen. Tegen en bewesten den 
Bakkersdam werd in 1807 de Sophiapoldez en bewesten 
deze in 1827 de Diomedespolder ingedijkt. 



TOELICHTING BIJ DE SCHETSKAARTEN VAN EENIGE TERREINSVERANDERINGEN IN NEDERLAND. 



57 



In 1864 volgde eindelijk bewesten dezen de Zwinpolder, 
die zich tot benoorden Sluis uitstrekt en gedeeltelijk op het 
karton voorkomt. Sluis was hiermede een landstad gewor- 
den en van het Zwin alleen nog het stuk over, dat men 
zich op het karton benoorden den Zwinpolderdijk kan 
denken. 

In 1872 is ook dit laatste stuk ingedijkt. Door eene in- 
ternationale Commissie, die te Brussel heeft vergaderd, is 
in 1871 het plan voor den gedeeltelijk onder België, ge- 
deeltelijk onder Nederland gelegen nieuw te bedijken pol- 
der vastgesteld. 

Deze nieuwe polder, op het karton aangeduid, en groot 
629 Hectare, is, naar de koningen der beide landen. 



Willem-Leopoldpolder genoemd; 505 Hectare liggen op 
Belgisch, 124 Hectare op Nederlandsch grondgebied, De 
nieuwe zeedijk heeft ruim iioooo gulden gekost; in 1873 
was de polder voltooid. 

En hiermede is het Zwin voor goed van de kaart ver- 
dwenen ; alleen de eenigszins teruggetrokken ligging van 
den nieuwen zeedijk duidt aan, dat hier eenmaal een diep 
landwaarts indringende machtige zeearm werd gevonden 
waar langs Brugge's koophandel in de Middeleeuwen hare 
rijkbeladen vloten naar zee zond en uit zee terug zag kee- 
ren, en waarop zoo menigmaal bloedige zeeslagen zijn 
geleverd. 

Alkmaar y Julij 1881. 



REIS VAN DEN OPPERKOOPMAN WOLLEBRANDT GELEIJNSZ. DEJONGH 
VAN SOERATTE NAAR AGRA 1636— 1637, 



DOOR WIJLEN 



P. A. L E U P E. i) 



Wie onzer lezers met de werken van onze gevierde 
romancière 2) niet onbekend is, zal zich ongetwijfeld herin- 
neren de door haar geschreven novelle: „de Alkmaarsche 
Wees"; het verhaal van den jongeling, die, na op verschil- 
lende ambachten besteld geweest te zijn, zijn vaderstad 
ontliep, zich in dienst der Oost-Indische Compagnie begaf, 
in Insulinde kwam en daar in dienst dier Compagnie van 
de laagste sport op de ladder tot den rang van Opper- 
koopman opklom en in 1648 in dien rang, tevens als ge- 
wezen Directeur van den Handel in Perzie en Hindostan, 
de retourvloot van dat jaar, bestaande uit twaalf rijk 
geladen schepen, als Admiraal in de Hollandsche havens 
bracht en zich in zijn vaderstad vestigde om zijne nog 
over zijnde levensjaren in rustige rust te voleindigen, het- 
geen in 1674 plaats had. 

Het museum dier stad bezit een uitmuntend geschilderd 
portret van onzen De Jongh {N^. 13), door Cesar van 
Everdingen; zoomede, onder N*^. 14, een schilderij, voor- 
stellende de schepen, doorhem in 1648, en onder zijn vlag 
tehuis gebracht 3). Het stuk is door een onbekend meester 
vervaardigd. 

i) De plaatsing dezer bijdrage, de laatste van de hand van onzen 
diep betreurden Leupe, is vertraagd geworden, dewijl de door hem 
geschreven Inleiding eerst voor eenigen tijd onder zijne nagelaten 
papieren teruggevonden werd. 

2) Mevrouw Bosboom-Toussaint. 

3) Zie verder over deze stukken"^ en voorts eenige bijzonderheden 
hem betreffende, de „Beschrijving der schilderijen enz. in het Burger 
Weeshuis te Alkmaar, door C. P. Bruinvis." 1870 bij H. Coster en Zoon. 



Uit alle zijne handelingen blijkt dat de Jongh een hoogst 
verdienstelijk dienaar der Compagnie geweest is. In 183616 
Batavia zijnde, werd hij bij besluit van Gou v. Gen. en Ra- 
den van Indie benoemd tot Tweede persoon in den Han- 
del van Speratte en Hindostan onder den Directeur Ba- 
rent Pietersz. Hij was in het bijzonder gecommitteerd om 
den lijnwaadhandel van Poerop en Bonarisse te onderzoe- 
ken, en de „procure" van den bajanasen anil (Indigo) te 
bevorderen ; voor zijn standplaats moest hem Agra worden 
aangewezen. Hij was daar geen onbekend persoon : van 
1624 af had hij in die kwartieren verkeerd. 

Hij vertrok van Batavia in Augustus van gemeld jaar 
met de vloot naar de West van Indie bestemd, en kwam 
den 18 November voor Soeratte ten anker. 

Na eenige besprekingen met den Directeur, Barent 
Pietersz, en nadat het benoodigde voor de reis in gereed- 
heid was gebracht, werd het vertrek bepaald op den 26 
December 1636, zoo als ook geschiedde. Van die reis be- 
staat buiten het Journaal of Dagverhaal een ander, dat, 
behalve het dagelijks voorgevallene, de merkwaardige bij- 
zonderheid heeft, dat het met penteekeningen, in den tekst 
gevoegd, voorzien is, die ons een aanschouw geven van de 
plaatsen, die zij op den weg passeerden. Een zoodanige 
wijze van Journaal houden kwam ons uit dien tijd nog 
niet voor. Boven de penteekeningen staan met roode inkt 
de namen der plaatsen, de richting waarin men die 
zag, enz. 

Met uitzondering van éene teekening, die dubbeld aan- 



REIS VAN DEN OPPERKOOPMAN WOLLEBRANDT GELEIJNSZ. DE JONGH, ENZ. 



59 



wezig is, zijn ze niet onderteekend. Deze eene heeft het 
volgende monogram : 




Wij vermeenen hier uit te mogen maken : Abraham Jans- 



zoon Stein^ een der Assistenten, die met de Jongh van 
Batavia was gekomen en hem ook nu op de reis naar 
Agra vergezelde ; hij kan n. f. ook de journaalhouder zijn. 
Daar het H. S. bij de stad Fettepore (ii Maart) eindigt, 
komt het ons voor, dat er een of meer bladzijden aan 
ontbreken, maar daar de reizigers op dien zelfden dag 
te Agra aankwamen, hebben wij het ontbrekende uit 
het Journaal van de Jongh kunnen aanvullen. 






jgüsl^o 2iü t€lSicft^ A: j^iS^ 



25 






27 ïïfo. ^iwka^nJ- 44.W-^. HttWi*.- iiC^t^n-- <i««wl- i^ ^ ^ -i,éröHjiw"iAU7r 






-<v^4^- — 



SVÏ^T ^^;^*.^ 1-^^-^ ^f^-^- 



^#•€-5 3^^%>»*i^- 4^ Ct^c^ irmw— ivi^%^^%>«%- 

Horrx ^<^ <?*^'»* «^^ «i:^-Uw >^<sU;>f-;c irf«->,^^u^ •^5<H7*^*^ 

^i^;*7i .:?ix^^i^ ^Lr<s.^-<f ^^-i-^f-v- ^-v^-C??' 









»,SU-G»4-«^>^i»***''""^ '-""TT*- ^^" "-"^ ^" — 

^ J^!jX^V-*-< ,4-,?W.^.H^?«- ^^,«**H«»''^»i- ,t,»^«rpl49TW/5*<f^f»f/-^ 




Looft Gk>d heden 26 December A<^ 1636. 6^ 



Dito. Zijn wij met ons tienen Nederlanders sterk uit Soeratte vertrokken nevens 
een caffilah van i8 karren specerijen en passeerden de rivier van Bardjou (Bregou?) 
alwaar omtrent ten 3 ure ons buiten dito Bardjou nedergeslagen hebben, 

! verwachtende den opperkoopman WoUebrant Geleyntzen die als opper- 
hoofd over de caffilah mede naar Amadebat en voorts naar Agra ging om aldaar als 

I opperhoofd te resideeren. 

27. Dito. Omtrent ten 7 ure in den avond is bij ons gekomen d'Ed. WoUebrant Geleyntzen 
opperkoopman en secundepersoon over de directie van Gonseratten, om 

voort naar Agra te reizen, en aldaar zijn plaats te nemen, met hem waren 
nog 3 assistenten, die des nachts bij ons bleven. 

28. Dito. Met ojDgang van de zon zijn wij van dito Bardjou weder vertrokken en des 
avonds in Casamba gearriveerd, alwaar des nachts opleiden en rusten. 

29. Dito. Zijn met den dageraad van dito Casamba vertrokken en omtrent den middag 
aan de rivier van Brotcha gekomen dezelve gepasseerd in *t Brotcha, 

alwaar d'Ed. Compagnie een huis in huur heeft, gelogeerd. Dito 
I Brotcha is een bemuurde stad, hoog gelegen en sterk van muren 
loopende de rivier langs dezelve. 

Nota. Eene halve mijl buiten dito stad in een dorp zijn wij opgehouden geweest 
door den tol die zij begeerden, doch hebben ons daartegen gesteld en zijn alzoo ge- 
passeerd. 

31- Dito. Zijn een weinig op den dag uit dito Brotcha vertrokken en hebben 15 cos 
gereisd en des avonds in een dorp genaamd Sameloot opgeleid en ons 
gerust buiten het dorp. 

Anno 1637. 

P"*». Januarij. Zijn omtrent 2^3 uren na den middag in de stad Brodera, God zij 
lof, wel aangekomen, deze stad is rondsom met steen bemuurd, gele- 
gen in eene vlakke effene plaats, met een groote voorstad aan de eene zijde 

, en vele schoone tuinen en begraafhuizen in 't ronde om heen zeer rijk 

[ van bestiaal, als ossen, buffels en bokken. 

Dito. Zijn met t' sluiten van de poort uit dito stad Brodera vertrokken en in de 7 

cos gereisd en na middernacht gepasseerd de rivier van Wassel 

en kort daarna buiten het dorp van Wassel gekomen bij een bejaansche 

cafhlah, die onder het geleide van Santidas banjaansche koopman naar 

Amadabad vertrok, waarbij ons nedersloegen en zijn met den dageraad 

in compagnie van dito caffilah weder vertrokken tusschen Brodera. 

Dito. Zijn met den dag in compagnie van dito caffilah weder vertrokken en in 
een dorp genaamd Animogery des middags gekomen, nedergeslagen en g erust 
tot den dag. 

6, Dito. Zijn met den dag weder uit dito Animogery vertrokken in compagnie van dito 
caffilah en omtrent den middag in het dorp Narijoet, daar ons .buiten dito 
nedergeslagen hebben, zijnde gereisd 7 groote cossen. 

Dito. Met het aankomen van den dag vertrokken weder van Narijoet en 
passeerden de stad Mammadabad en leidden buiten dito op, op den kant 
van eene rivier, die voorbij dito stad loopt, daar een weinig voor den avond 
door passeerden en reisden voort tot het dorp Quingy genaamd, 
alwaar t' buiten het dorp opleidden, zijnde i V2 cos van dito rivier 
Mammadabad gelegen. 

Dito. Met den dag vertrokken weder van Quingy en zijn des middags — 
God zij lof — gelukkig in Amadabad met onze specerijen en contanten 
gearriveerd, alwaar d'Ed. Compagnie's Resident in goede gezondheid, mitsgaders 
den stand van de Compagnie vonden. 

Dito. Zijn met ons 3 karren uit Amadabad, om de Agrasche caffilah, die onder- 
wege was te gemoeten en convoyeren, vertrokken, hebben tot ons 
opperhoofd Simon Jansz. onderkoopman; namens des avonds onze rust in het 
uiterste dorp en zijn in den nacht van daar weder vertrokken. 



'^^tLi'~^o d?y.i&,}(inaaxu>Jfi6Ï7> 






11 

2^. 



3. 



TfUö. fW^W.- P»**4-trM-. 2 il^wA^ hX^I *^\4cb *H454-V%?. l*J»fc^lrtlJ^»^»4^* 



;3r^e^^*^ f^^^^^^AK*^ Ic-^^-^^ ^ 









TiÏLU fU.L>^ %^*r2r«U m^#H4 ^.| i^US^nfA /^.^Xeo^^^h^ 






l 



Looft God heden 10 Januarij A^ 1637. 63* 



Dito. Zijn gekomen bij den put, hetwelk een uitnemend treffelijk werk 

is, gelegen omtrent 6V9 cos van dito dorp en nadat wij dito gezien 

hadden, zijn van daar weder vertrokken, alzoo verstonden dat voorschreven caffilah 

omtrent 6^/2 cos van daar was, derhalve ons cito cito voortgespoed 

hebben en zijn alzoo omtrent 1^2 uren na den middag bij dito 

caffilah gelukkig gekomen, dewelke wel geconstitueerd vonden 

en hebben ons dien nacht daarbij nedergeslagen. 

Dito. Omtrent middernacht zijn wij met de caffilah voort naar Amadabad 
vertrokken en des middags bij den voorschreven put gekomen, alwaar opleidden 
en vernachtten, zijnde gereisd 67a cos. 

Dito. Zijn voor den dag van dito put weder vertrokken en voor den middag 
gelukkig binnen de stad Amadabad met dito caffilah gearriveerd, 
hebbende — God lof — geen schade in den weg geleden. 

Dito. Zijn omtrent 2 uren na den middag met d'Ed. WoUebrant Geleyntzen 
en nog 5 assistenten uit Amadabad naar Cambaja vertrokken, reizende 
meest den geheelen nacht. 

Dito. Zijn des morgens voor de stad Susuntra, alwaar een 
weinig ontbeten en een groote schoone put zeer wel gemaakt bezien 
hebbend weder van daar vertrokken en des avonds salvo in Cambaja ge- 
arriveerd; zijnde deze stad gelegen aan de zee, alwaar veel agaat- 
werk gemaakt wordt en te koop vindt, van gelijk vele witte en 
met gekleurde zijde gestikte dekens. 

Februarij. Zijn omtrent ten 10 ure s'ochtends weder uit Cambaja naar 
Amadabad vertrokken en tegen den avond voor Susuntra gekomen, van- 
waar een weinig rusten en wat gegeten hebbende weder, ver- 
trokken, reizende zoo den geheelen nacht over. 

Dito. Zijn omtrent den middag bij Digien Tabash gekomen alwaar eene 
fraaije schoone tuin bezagen, van waar een weinig na den middag 
vertrokken naar Amadabad, daar des avonds salvo gearriveerd zijn 
vindende de vrienden in goede gezondheid. Dito tuin is gemaakt 

door een groot heer, genaamd , tot een gedachtenisse van 

een slag tusschen zijn vijand en de victorie bekwam. 

Dito. Zijn des morgens met ons 5 Nederlanders onder het commaAdo 

van d'Ed. Willebrant Geleyntzen opperkoopman en secunde 

persoon wegens de Directie van Gonseratte en Hindostan van 

Amadabad naar Agra vertrokken, daar de Almogende ons salvo gelieve te 

geleiden, gepasseerd eerst een rivier, die omtrent i è. iV» cos 

daarvan <üto Amadabad ligt, en mede wat lager digt aan den muur 

voorbij loopt, alsmede aan het Dorp Cassenpoer liggende hoog op 

den kant van dito rivier, zoodat wij dito Cassenpoer mede 

passeerden en zoo voorts gereden zijn, na ons afscheid van 

Sr. Silvius en de vrienden genomen hadden, tot het dorp Pansaer, 

zijnde 15 cos van Amadabad) alwaar wat gerust en gegeten hebben. 

En zijn tegen den avond na den zonneondergang weder van dito Pansaer 

vertrokken en in den nacht gekomen in het dorp Massanna, zijnde 15 cos 

van Pansaer, alwaar wij vonden Mirzia Callam met zijn caffilah, 

en na omtrent 2^3 uren daar gerust hadden zijn in dito's 

compagnie weder van Massanna vertrokken. 

Dito. Zijn omtrent ten tien ure gekomen in het dorp Minnova, gelegen, 
7 cos van Massanna, vanwaar na wat gegeten en gerust 
hebbende, weder vertrokken naar het dorp Sitten Bour, daaromtrent 
ten 5 uren arriveerden. Dito Sitten Bour is een klein stedeken 
gelegen 7 è, 8 cos van Minnova, hetwelk wij op de linkerhand 
lieten liggen, slaande ons neder in een drooge rivier digt bij 
dito Mirzia Callam's caffilah. 



i^ 



cLj^yio a^jf.U.'J^ruAnoJU^'T, 






W»^^ C< ^W ^ #Hi^^H4- V,^**u^f»^iA«^ ^^-iw'^^IrtP «risc^iuX 4.^TÏ7I^1^ .^tn 







lö?^ 



J\^ D^CO'i"^ ,n,v/{ ^-roooi.^ ^ 














Jjot. 



d'b q\ 



U/t 



xjY t ' i)U*tt t*(^éi/i^liS^ftj>(XASi ïi-tT 



17. 



!^^.^'^:i^it^}::^i'^^'t:è^^I:i 



" ^ « 4-3i^*i.r^W /4.5wv^dpir6[^ f,:^^t«>é.-Ji^* 







•S^^ V#^V-»->^ ^^^,1^,,^ 



•i^rtr 



'rtf clW^ffcrmr jT/^t., Z 'Di 



ifr^cLni.'At 







Looft God heden A^. 14 Februari 1637. 65 

Dito. Zijn omtrent 3 uren voor den dag van dito Sitten-Pour vertrokken en 
omtrent ten 4 ure na den middag voor het dorp Palangh Pour, zijnde 12 cos 
van Sitten-Pour gekomen en aldaar nedergeslagen. 

Nota. Dito Palangh Pour is een Radja's plaats, daar men tol in 
betaalt. 

Dito. 2ijn 3^4 uren voor dag van *t voorschreven dorp Palangh Pour 
vertrokken en omtrent den middag een dorp genaamd Callam gepasseerd 
en een weinig na den middag gekomen in het dorp Dantuwara, daar 
ons nedergeslagen hebben; dito Dantuwara is gelegen op een hoogen 
steenen khp bij een rivier zijnde Radja's land of de plaatse daar de 
Koning geen gebied heeft en de reizende tol moet betalen. 

Aldus vertoont zich Dantuwara als 
het Noorden ten westen van N. W. ligt 
dat passeerden (en) op de linkerhand 
lieten leggen. 



Rivier meest droog. 

Het overland van de rivier. 



Dito. Zijn omtrent 3 uren voor den dag van dito Dantuwara vertrokken 
en omtrent ten een uur gekomen bij het dorp genaamd Booth, liggende 
13 cos van Dantuwara, alwaar het boogachtig is, strekkende meest Oost- 
waarts aan, alwaar ons nedergeslagen en gerust hebben. 

Aldus vertoont zich het dorp Booth 
als ge t* aan de regterhand passeert. 



Dito. Zijn des morgens van Booth vertrokken latende hetzelve op de rechterhand 

liggen, passeerden door t' gebergte door, ter wederzijde niets ziende als 

hooge bergen, reizende zoo tot tien ure, wanneer wij gekomen zijn 

bij 't dorp Barragam, gelegen aan den voet van dito gebergte, alwaar 

ons nedersloegen en rustten tot den volgenden dag; dito Barragam is 

gelegen omtrent 5 cos van Booth. 

* Aldus vertoont zich hèt dorp Barraam als men 
het van verre ziet onder het gebergte gelegen. 



>?.» 




^AWV^AMOi 



lic xA. r 

^.-*. - ^^ ^« c, ^gn^H.^ 















^^b^^ Wflïr 'x^*<^=rt6c>/é•♦*^H4?1l>i»*Ï4^i^alw-' 




£^cL ^1^ / ^i{^^ T^H» >^irV ^•^*tt^«-t^- 






3 



o 






o; 






i' 






?^ 



19. 



ë 



'S '^ g 
Tj P - 



Heden 18 Februarij A^. 1687. 



67 



Dito. Zijn 2 k $ uren voor dag van het voorschreven 
dorp Barragam vertrokken en omtrent ten 3 
ure na den middag gekomen voor het dorp genaamd 
Biehnael, alwaar wij ons dicht aan de stad of het 
vlek bij een tank neergeslagen hebben, s' Nachts 
passerende eerst voorbij hoog steenachtig ge- 
bergte en eenige bergjes, zijnde Bielmael 
gelden 16 cos van Barragam. 

Nota. Eer wij tot Bielmael kwamen hebben 
een loozen alarm gehad, alzoo de Mooren begonnen 
te roepen en meenden dat er dieven in de 
caffilah waren, waarover van onze karren 
gegaan zijn met ons geweer gereed in de hand, 
doch alzoo niets vernamen, na een half uur 
gemarcheerd hadden, zijn weder op onze 
karren gaan zitten en het geweer bij ons 
nedergel^d. 

Aldus vertoont zich den berg t^enover Bielmael 
omtrent een half of drie kwart cos aan de linkerhand 
passerende West Noord- West en gaande Noorden ten 
Westen aan. 



Aldus vertoont zich Bielmael, als men aan 

den ingang ligt meest W. Z. W. van onze tenten. 



Dito. Zijn omtrent ten 3 ure voor dag 

van dito Bielmael of tank vertrokken 

en omtrent Va ^ "/* mijl gereden hebbende is er 

een groot geschreeuw en geroep gehoord in het 

voorste der caffilah, meenende dat er dieven 

waren, waarover wij met volle 

geweer uit de karren gesprongen zijn en 

zoo omtrent een Va ^ur gemarcheerd, doch niets 

vernemende, enkel dat aan dat één man twee 

pakjes, zooals zij zeiden, afgenomen waren, 

die daarover het misbaar maakte, zoodat 

weder op onze karren gingen, reizende 

voorts tot het dorp Modera, alwaar omtrent 

den middag gekomen zijn en ons neder- . 

legden, zijnde dito dorp Modera 12 cos 

van het voornoemde gelegen, gingen 

Noord-Noordoost doch meest ten 

Noorden aan. 







't^SS »tn4lOfiii^i 









^si^il- ' <^n»*-r rr*?^*^ V-4 ^"f-^ fc^-«(\*J^.;«^/r >«*t f*XT^^^ 



k,yy4->.«»A«i^ ^ 5 ty»«g; :. ***«»>P-^»»»« »>«>*«'~/ A«u.««t<4 » » .»»v»U; ^^>^ ^ ,%t^»A 







'^e.^M 



r2ii\*pA&- *. \ vAcf'^'XVW 



'/Qf^ 












:/ 



«f/k 



i7<?tf/ 






:t%c7i. 




Looft God heden 20 Februarij A®. 1687. 69 

Dito. Zijn omtrent 3 uren voor dag van Modera vertrokken latende 
hetzelve op de linkerhand liggen, nemende onzen weg Noorden len Oosten 
passeerden tusschen veel gebergten, komen omtrent ten drie ure na den 
middag voor de stad d'Galoor, gelegen op een zeer hoog steenklippig 
gebergte en onder aan den voet ligt mede een stedeken strekkende tegen 
het Zuiden, regt tegen aan den berg alwaar wij ons nedergeslagen hebben, 
zijnde dito d'Galoor van het voornoemde dorp gelegen 13 cossen, zoo men 
zegt, edoch geloove wel 15 è 16 zijn* 

l5ito. Zijn omtrent '3 uren voor dag van dito d'Galoor vertrokken latende het 
op de linkerhand liggen en passeerden aan de de regterhand hoog gebergte 
reizende zoo voort tot half achtermiddag, wanneer voor het dorp Gandorp 
gekomen zijn, liggende 15 cos van t' voorschreven d*Galoor W. N. W. alwaar ons 
neergeslagen en gerust hebben. 

Dito. Zijn 3 uren voor dag van t* voorschreven Gandorp vertrokken laten hetzelve 

op de linkerhand leggen, gingen meest Noord Noordoost aan en 

aan de regterhand eenige gebergten en zijn alzoo omtrent den middag 

gekomen voor het dorp Dondava, dat op de linkerhand van ons lieten 

leggen, gelegen 12 Agrasche cossen van het voornoemde dorp, alwaar 

ons nederlegden en rustten. 

Dito. Zijn omtrent 3^4 uren voor dag van het voorschreven dorp vertrokken 
gingen meest O. ten N. en O. N. O. aan en kwamen omtrent den middag 
voor het dorp Congarany, zijn 13 Agrasche cossen van het voorschreven dorp alwaar 
nevens de caffilah nedergeslagen en gerust hebben. 

Dito zijn omtrent ten 2 uren in de nanacht van dito Congorany 
vertrokken en gingen meest O. N. O aan, kwamen omtrent ten 3 ure 
bij het dorp genaamd Gogig-talie, alwaar ons digt bij een groote 
tank vol water nedergeslagen hebben, zijnde 9 cos van t' voorschreven. 

Dito. Zijn omtrent ten één uur in den nacht van t' voorschreven dorp weder vertrokken 
en tegen negen ure gekomen bij het dorp of vlek Bielpaer alwaar 
ons een weinig buiten hetzelve nedergeslagen en gerust hebben, zijnde 
dito gelegen 10 cos van dito d'Gogigintalan latende bewesten dito 
dorp een klein gebergte liggen daar eene kapel opgebouwd is. 

Nota. Tusschen Bielpaer en Bintol hebben eenige kleine gebergten 
aan wederzijden, doch meest aan de linkerhand gepasseerd. 

Aldus vertoont ztch het dorp 
Bielpaer als daarvoor • ligt. 

Dito. Zijn omtrent één imr voor dag van 't voorschreven dorp vertrokken en passeer- 
den eenige kleine gebergten meest aan de linkerhand, gingen 
O. N. O. wel zoo oostelijk aan, kwamen omtrent 2^8 uur na den middag 
voor het dorp genaamd Bintol alwaar ons nederlegden en rustten 
aan een groote tank vol water, gelegen voor dito dorp, zijnde van het 
voorschreven dorp 9 Agrasche cossen. 



Aldus vertoont zich het dorp Bintol als gij daar 
voor ligt op een groote tank gelegen. 



faas Iféö^^ 0.X J^/rêtanriü Mü^46Ï>. , 







*i//ii/ Q^tvoJit Acht i^'or£ ^//^^^«^««litf <^ 



(P; 







i^W«r»«r-T«^k^^ *#irr^ .><M#^-'W < ti ir ,il J> |- üfAtmiS— êifCJ^/ mnéym^ -Ö^^W**^ 












jnu/r- . 




^ ., -*-<^•^.^. 



Looft God heden 27 Februarij A®. 1687. 



71 



Dito. Zijn omtrent 2 uren voor dag van t' voorschreven dorp vertrokken en ge- 
passeerd door de stad Miertha, nemende onze rustplaats buiten dito 
stad digt bij een grooten tank, gingen O.N.O. aan en kwamen daar- 
omtrent den middag, is gelegen 7 cos van het voornoemde dorp. 



Dito. Zijn omtrent 2 uren voor dag van voorschreven stad Miertha 

vertrokken en omtrent 7 Agrasche cossen gepasseerd voorbij, een 

berg daar eene kapel opstond en onder aan dito berg ligt 

een dorp genaamd Naar, latende hetzelve op de linkerhand van ons 

liggen, gingen O.Z.O. en O. ten Z. aan, voor dito dorp komende gingen 

Z.Z.O. aan en de berg lag O.N.O. van ons, die op de eene zijde liggende 

tegen W.Z.W. en vertoonde zich aldus en passeerdgn tusschen 

beide door, alsmede een half uur daarna passeerden nog een 

dorp genaamd Alianewaes en hebben ons even buiten dito 

nedergeslagen, zijnde 9 Agrasche cossen van voorschreven stad Miertha, 

reisden O. aan, dan O.Z.O. en Z.Z.O weinig meer of min. 

Aldus vertoont zich 't dorp Alianewaes als 

gij daar voor ligt op eene tank digt aan dito gelegen. 



Maart. Omtrent 3 uren voor den dag zijn van het voorschreven dorp vertrokken 
en tusschen hooge gebergten den geheelen dag gepasseerd meest O.Z.O. 
tot voor den berg, daar de stad Asamier op ligt, kwamen en gingen 
toen N.O. en N. O, ten O. aan, passeerden alzoo om den voet van dito berg, 
zoodat niet voor s' avonds laat bij de stad Asamier, gelegen 
onder den berg gekomen zijn, daar onze rust genomen hebben in een vier- 
kant bemuurd plein, daar man, als daar present was zijn re- 
sidentie nam en voor zich heeft doen bouwen, hebben 2 drooge ri- 
vieren gepasseerd voor daar kwaden, zijnde 13 Agrasche of 18 
Goeseratsche cossen van het Voornoemde dorp. 

Aldus vertoont zich de stad Aesmier 
Gelegen op hoog gebergte, 



Dito. Zijn omtrent één uur voor den dag uit dito stad vertrokken 

passeerden tusschen t' gebergte door, latende op de linker als regter 

hand eenige verder staande vlekken en zijn omtrent ten 9 ure 

gekomen voor het dorp Kissenger, zijnde 2 Goeseratsche cossen van voorschreven 

stad, gingen N. O. ten O. aan, alwaar ons nedersloegen en rustten. 

Nota. De overleden koning heeft van Agra tot Azamier in 

bedevaart op zijn bloote voeten gereisd of gegaan om aldaar 

een heilig man genaamd Said Piet te bezoeken en nog voor 

zijn dood te spreken, gaande iederen dag^maar één Agrasche cos of 

gou daar hem dan ruste, op welke plaatsen hij tot een gedachtenisse 

een groote piramide yan steen heeft doen rigten of maken 

van Agra tot Azamier toe. 



2ddnrto Jji A'Jiéifrtü> J'jesy. 






^^,--tiy"_3P <it' fMteA y*,t,;. ^& ujjl^riJti;'- ^'""^ 
^u Jnrt <-»rV»i''/|j*/!'i- ^<>i i»'-^'''' «<''* '^^ ' 







6 










."^ 



Cxonf^mTti 











Looft Gk>d heden 4 Maart A®. 1637. 



73 



Aldus vertoont zich Kissen ger O. Z. O. van ons 

als wij op de tank lagen waar wij rustten, zijnde deze tank 

groot en vol water, lopende onder aan het dorp. 



Dito. Zijn omtrent 3 uren voor dag van t' voorschreven Kissenger vertrokken 
latende hetzelve op de regterhand van ons liggen, passeerden omtrent 5 
cos van dilo een groot vlek met een groote schoone tank, lieten hetzelve 
op de linkerhand liggen, gingen O. N. O. aan en omtrent een cos van 
Bandera Sonderi aan de regterhand, lieten een dorp liggen en gingen in het 
eerst N. N. O. aan, wel zoo noordelijk, omtrent een musketschot en toen 
weder O. N. O. totdat wij kwamen voor het dorp genaamd Kersuily gelegen 
10 Soeratsche cossen van Kissenger daar ons rustten 

Aldus vertoont zich het dorp Bander Sondery 

N. N, W. van U zijn, passeerden het aan de linkerhand 

gingen O. N. O. aan. 



Aldus vertoont zich het dorp Kcrsuili als het Z. Z. 
van U ligt, hehbende een groote tank met veel 
geboomte op den kant. 



O. 



Tat*« 



5. EKto zijn omtrent ten 3 ure voor den dag van t' voorschreven dorp 
vertrokken en gepasseerd door eén klein stedeken genaamd Moetaet 
mosa, gelegen 5 cos van het voorschreven dorp en omtrent één cos van de 
voorschreven stad, zijn nog een dorp gepasseerd gelden op de regter- 
hand en omtrent lYg cos van voorschreven dorp lieten aan de linkerhand nog. 
een ander dorp liggen; gingen tot de voorschreven stad O.N. O. aan en van 
dito voorts Oost en zijn gekomen omtrent ten één ure voor het dorp 
genaamd Ladana gelegen op onze linkerhand 12 cossen 

van 



'^dÏLsl^ iiy ^.MdrUo jffjósy. 



I 







1'^ i 



^>.U.«A*.— /^A< O^filrl^tJU.-^^^^ %^S*^3^»»40««rV g*4Xfe^i^ y ^> ^ <^ 











V^ 



^::Z^^^tiLjh //c.-if'.j^^^'Ht^^, 






Looft God heden 5 Maart A. 1637. 75 

van voorschreven Karsuily, alwaar oplegden en rusten 
tot een weinig voor dag. 

Aldus vertoont zich stedeken T'siaetsouw als gij daar van " 
buiten aankomt en voor ligt. 



> 



6' Dito. Zijn omtrent 4 uren voor dag van t' voorgeschreven dorp 
vertrokken latende hetzelve aan de linkerhand liggen, gingen 
O. t. N. aan, passeerden door een groot dorp, Haersoery genaamd 
,g) buiten hetwelk wij omtrent ten 2 uur ons nederge- 

^ slagen en gerust hebben, is gelegen 12 cossen van het voorschreven 

§ dorp. 

_ ?• Dito. Zijn omtrent 4 uren voor dag van t' voorschreven dorp 

jj Haersoery vertrokken en ten 11 ure gekomen voor het dorp 

'O genaamd Laersouw gelegen onder aan t' gebergte op de 

» linkerhand van ons, gingen O. aan, is gelegen 12 cos 

van t' voorschreven dorp Haersoery. 

** Aldus vertoont zich het stedeken Laersouw liggende 

g Oost vap en digt onder een hoog gebergte. 

'S 

o 

•o 

_n onze tent. 

♦* o. Dito. Zijn omtrent ten drie ure voor dag van voorschreven 

§ dorp Laersouw vertrokken, latende op de linkerhand 

t; zeer hoog gebergte liggen, gingen O. aan, passeerden voor- 

Si bij een klein dorpje op een bergje gelegen op de regter- 

g hand van ons, zijnde gelegen 7 cossen van t' voorschreven dorp, 

2 reizende zoo voort naar het dorp genaamd Garhi, alwaar 

< een wein^ namiddag kwamen en ons buiten dito 

nedergeslagen hebben, zijnde gelegen 11 cos van t' voorschreven 

dorp Laersouw. 

Aldus vertoont zich het dorp Garhi 
als men daar voor ligt, hebbende een 
grooten tank voorgaan. 



Tank met water. 



Dito, Zijn van het voorschreven dorp Garhi omtrent 3 uren 
voor dag vertrokken en gepasseerd door een dorp 
gelegen digt aan eene rivier die wij mede met onze karren 
door marcheerden, zijnde niet boven 2 voeten diep, 
gelegen omtrent 7 cossen van het voornoemde dorp 
Garhi van waar voortreisden naar het stedeken Hin- 

dou- 



^axitlTco Jhj.^.J^an^ ^f jósy. 



iO. 






r ^A n, imi^ryaT «3il«r^» / >iu9ir w%»W *H^^ 
















11 



)<Mf^< 



«'^«V-') 














i.ij^<H_/ .«ïHfW^ f«V,*.*4- H^->W*^.^ , <^UX Ui S*% U^v^hX. 



Looft (ïod heden Ö Maart A®. 1637. 77 



douwan, zijnde gelegen 13 cessen van dito Garhi, daar wij ons 
buiten hetzelve opleidden en rustten tot des anderen daags. 

Alsdus vertoont zich het stedeken Hindoon als gij daarvoor 
ligt, hebbende een groote tank aan de westzijde. 



Tank. 



10. Dito. Zijn omtrent 3 uren voor t' lamieren van den dag van 
dito Hindouwan vertrokken en gepasseerd tusschen hoog ge- 
bergte en zeer moeijelijke wegen, omtrent 8 cos van t' voorschreven stedeken 
ligt een stad genaamd Sakandera op een hoog gebergte aan de linker- 
hand van ons passeerden mede eene groote drooge rivier, gelegen tusschen 
t' gebergte in, reizende zoo voorts tot Bramabath latende Bajana aan de 
linkerhand één cos onder t' gebergte liggen, alwaar wij dito 
rivier weder passeerden alsmede het dorp Bramabath, leggende ons 
buiten hetzelve bij een grooten put, zeer wel gemaakt, neder; dien dag 
van Hindouwan tot Bramabath gereisd 12 groote cossen meest 
O. N. O. van elkander gelegen; dito put is zeer treffelijk gebouwd 
altemaal van steen en kalk zonder eenig ijzer- of houtwerk 
daaraan, waardig te bezigtigen. 

Aldus vertoont zich t' gebergte Sekandera 
zijnde rondom bemuurd, hebbende een groote 
stad en kasteel boven op. 



Aldus vertoont zich Bramabath 
als gij daar voor ligt bij eene groote 
welgemaakte put met veel 
boomen daaromtrent. 



Put. 



II. Dito. Zijn omtrent 3 uren voor dag van *t voorschreven Bramabath ver- 
I trokken en 8 cos van daar een dorp genaamd Chanuwa gepasseerd 
gelegen aan de regterhand op een kleine berg of hoogte en ligt 
bij dito nog een klein gebergte eu één cos van t' voorschreven dorp zijn wij 
tusschen laag gebergte doorgepasseerd, alwaar een begraafplaats 
en een torentje of stad, dat wij aan de linkerhand van ons lieten 
liggen, reizende zoo voort naar Fettenpoor, alwaar wij een weinig na den 
middag kwamen en buiten hetzelve bij een klein dorpje ons neder- 

sloegen 














(f'l r^' 



J^^ -m ^Sm 




■■ -- .?'%^::i'>ir:-"3:;^ 







Heden 11 Maart A*» 1637. 79 



sloegen zijnde dito Fettenpour gelegen 
12 I 13 cossen van Bramabath; dito Fetten- 
pour is rondom bemuurd, gelegen half 
op een berf^ en half in eene vallei voor 
dezen zeer wel bebouwd geweest 
maar nu zeer vervallen. Het is eene plaats 
daar de Koning Achbar zijn hof 
gehouden heeft, welke nog meest 
in efFecte is te zien, daar het onderhouden 
wordt, waardig om te zien, zoo staat binnen 
de stad op het gebergte mede eene 
uitnemende, kostelijke, groote en wei- 
gemaakte begraafplaats, liggende 
achter dito stad een groot staand 
water t' welk in haar taal tank 
of tolau genaamd wordt, vol visch zijn 
S tot sommige plaatsen i è, 2 vademen 

o diep meer of min, daar men met 

Ö barkjes in kan varen en houdt 

^ in hetzelve veel gevogelte, als wilde 

■g ganzen, eendvogels en diergelijke 

S . doch mag daarin niet gaan vogelvangen 

5 noch te visschen, als alleen die van het 

Konings hof. Zoo mag mede nie- 
o mand 30 cossen in t' rond van dito 

c stad eenige herten, die daar veel zijn, 

*^ als ander wild gaan jagen op een ejroote 

poene, alzoo die plaats tot vermaak van het 
Koningshof gehouden wordt. 



>o 



3 

C3 



S Aldus vertoont zich 't dorp Chanouwa 

é als ge daar voorbij passeert. 



^ 









Rivier. 



Een dorp op een gebergte tusschen 
Chanouwa en Fettenpour gelegen. 



ADRES AAN DE LEDEN DER TWEEDE KAMER VAN DE ST ATEN-GENERAAL, 

OVER DE BENOEMING VAN EEN DIRECTEUR VAN HET ETHNO- 

GRAPHISCH MUSEUM TE LEIDEN. 



Aan de Leden der Tweede Kamer van de 
Staten- Generaal, 

Mijne Heeren! 

Toen het Bestuur van het Aardrijkskundig Genootschap 
zich in Maart 1874 per adres tot Z. E. den Minister van 
Binnenlandsche Zaken wendde, ten einde voor het Ethno- 
graphisch Museum een meer geschikte localiteit te verkrij- 
gen, heeft het daarin uiteengezet, welke diensten dat Mu- 
seum bij een goede inrichting aan de beoefening der geogra- 
phische wetenschap zou kunnen bewijzen. 

Door dezelfde motieven geleid, en met vermeerderde 
belangstelling voor het Museum, meent het Bestuur van 
het Aardrijkskundig Genootschap zich thans tot U te 
moeten wenden, ten einde de post, door Z. E. den Mi- 
nister van Binnenlandsche Zaken voor de benoeming van 
een Directeur op de begrooting gebracht, door U moge 
worden goedgekeurd. Immers, door afstemming van dien 
post, zal, naar de meening van het Bestuur, de toestand 
van het Museum dezelfde blijven, als hij gedurende zoo- 
vele jaren geweest is, deze n. 1.: dat het Museum op 
verre na niet de vruchten afwerpt, welke het zou kunnen 
afwerpen; dat het dus geenszins aan zijn bestemming 
beantwoordt. 

Toen in het najaar van 1880 de persoonlijke band ver- 
broken werd, waardoor het Museum met het Rijks-Museum 
van Oudheden verbonden was, koesterde het Genootschap 
gegronde hoop, dat het Museum meer naar buiten zoude 
werken. In die verwachting werd men teleurgesteld, daar 
toch door het votum der Tweede Kamer de verandering 
in het Bestuur, welke toen plaats greep, meer een nadeel 
dan een voordeel voor het Museum is geworden. Was er 
tot op dien tijd een waarnemend directeur, die althans 



zijn snipperuren aan de verzameling kon wijden, sedert 
dat votum staat in 't geheel geen Directeur aan het hoofd. 

Dat een enkel persoon voor het beheer van een verza- 
meling, die haar ethnographisch materiaal steeds ziet toe- 
nemen, onvoldoende is, behoeft zeker niet nader aangetoond 
te worden, tenzij men mocht mllen aannemen, dat door 
dezen alleen zou kunnen geschieden, wat op het Rijks 
Museum van Oudheden door een Directeur en een Con- 
servator en op het Musenm van Natuurlijke Historie door 
een Directeur en 4 Conservatoren plaats heeft. 

Het Bestuur van het Aardrijkskundig Genootschap be- 
hoeft er zeker niet op te wijzen, welke vruchten het Rijks 
Ethnographisch Museum nog verder zou kunnen afwerpen, 
als de Directie dezer tot dusver zoo stiefmoederlijk be- 
handelde inrichting werd toevertrouwd aan bekwame, 
jeugdige handen, die met toewijding de taak op zich 
zouden willen nemen het Museum hier en in het buiten- 
land beter bekend te maken, allerwege relaties aan te 
knoopen, het gebruik van dat Museum in zijn ware licht 
te stellen en te doen toenemen. Ook zal het niet tot in 
bijzonderheden aantoonen, hoe nauw het verband is, dat 
tusschen de goede inrichting van het Ethnographisch Museum 
en een goede opleiding van toekomstige Indische ambte- 
naren bestaat, noch hoezeer de niet-Nederlandsche beoefe- 
naar der Indische land- en volkenkunde recht heeft om 
in Nederland een Museum te verwachten, dat op dit ge- 
bied met andere Europeesche kan wedijveren. 

Dit alles daarlatende, meent het Bestuur er slechts op 
te moeten wijzen, dat door het niet benoemen van een 
directeur een alleszins onvoldoende toestand in het beheer 
zou worden bestendigd, een toestand, die zeker niet ten 



ADRES AAN DE LEDEN DER TWEEDE KAMER VAN DE STA TEN GENERAAL, ENZ. 



8l 



bate der wetenschap zou strekken of bevorderlijk zal 
kunnen zijn aan 't handhaven van Nederlands op dat 
gebied verkregen naam. 

Daar het Bestuur van het Aardrijkskundig Genootschap 
overtuigd is, dat zijne in dezen gedane stappen niet dan 
aan zuivere belangstelling in het Museum kunnen worden 
toegeschreven, een belangstelling, waarvan het door het 
afstaan zijner collectie Ethnographische voorwerpen, door de 
Sumatra-expeditie verkregen, het bewijs heeft geleverd, 



durft het hopen, dat zijn verzoek door U in ernstige 
overweging zal worden genomen, en beveelt het vol ver- 
tiouwen het handhaven van de rechten der wetenschap 
en het handhaven van den Nederlandschen naam in de 
hoede der Nederlandsche Volksvertegenwoordiging aan. 

Namens het Bestuur van het Aar dr. Genootschap: 

P. J, Veth, President, 
C. M. Kan, Secretaris. 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



Aanteekeningen op het derde deel van //Java, 
geographisch, ethnologisch, historisch."' 

Het was te verwachten, dat in eene poging om, zonder 
autopsie, alleen naar de bestaande literatuur en van dezen 
en genen verkregen inlichtingen, eene chorographische 
beschrijving van Java te geven, ook bij de aanwending 
der meeste zorg, hier en daar onnauwkeurige en verouderde 
opgaven zouden voorkomen, welke slechts kunnen worden 
aangewezen door hen, die in de jongste jaren op Java 
vertoefd en in gunstige omstandigheden tot verkrijging van 
lokale kennis verkeerd hebben. Natuurlijk is er niemand 
die met Java in zijn geheele uitgestrektheid en tot in zijne 
minst toegankelijke deelen zoo volledig bekend is, dat hij al 
de oneffenheden en verkeerdheden in de samenvoeging der 
duizenden steentjes, waaruit het mozaïek van mijn werk is 
samengesteld, zou kunnen opmerken. Hiertoe wordt de 
samenwerking van velen vereischt, en dan ook dringend 
door mij ingeroepen. Intusschen zijn mij reeds nu vele 
inÜchtingen en aanwijzingen voor verbetering van mijn 
werk verstrekt, waarvan natuurlijk dan het beste gebruik zou 
gemaakt worden, wanneer zij voor de bewerking van eene 
tweede verbeterde uitgave van mijn boek konden worden 
aangewend. Ongelukkig is, bij den beperkten kring van 
het publiek dat Nederlandsch leest, en bij de uitgebreidheid 
en kostbaarheid van het werk, eene tweede uitgave eene zaak 
waarop al zeer weinig kans bestaat. Ik ben uit dien hoofde 
bevreesd, dat de mij gemaakte opmerkingen het doel om 
tot verbetering van mijn werk te strekken, zullen missen, 
indien ik niet op eene andere wijze voor de bekendmaking 
daarvan zorg. 't Is daarom, dat ik aan de Redactie van 
het „Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap" 
vergunning heb gevraagd, onder de rubriek „Nalezingen 
en Verbeteringen", van tijd tot tijd een en ander uit mijne 
correspondentie betreffende het derde deel van Java mede 



te deelen, waaraan ik ook enkele malen verbeteringen 
zal toevoegen die mij door de lezing van gedrukte be- 
scheiden zijn aan de hand gedaan. Ik doe het ook in 
de hoop van daardoor bij de Nederlanders in Indie de 
overtuiging te wekken, dat niemand meer dan ik zelf het 
gebrekkige van mijn werk kan inzien, en dat iedere aan- 
wijzing van misslagen mij welkom is. 

Hier mogen thans in de eerste plaats eenige verbete- 
ringen volgen op het eerste hoofdstuk der eerste afdeeling, 
dat aan de Hoofdstad van Ned. Indie gewijd is. Zij zijn 
ontleend aan een brief van den Heer G. Pannekoek, 
dd. 23 Mei 1879. 

Blz. 14, regel 4 van boven. De paardenspoorweg heeft | 
nooit een station gehad bij de Harmonie. De stations 
zijn Stad Batavia, Kramat, Meester Cornelis en vroeger 
Tanabang. Bij de Harmonie worden de paarden door 
andere vervangen. De tramway is zeer slecht in orde; 
de rails liggen slecht en de zware wagens vermoorden 
de ongelukkige paarden die er voor loopen, en die vaak 
slechts met onmenschelijk slaan zijn vooruit te krijgen. 
Een en ander is geen wonder voor hem die, hoe opper- 
vlakkig ook, met de geschiedenis van den tramway te 
Batavia bekend is. 

Blz. 15, reg. 12 V. b. De oude poort te Batavia staat 
niet aan de noordzijde van het voormalig buitenplein 
van het kasteel, maar aan het zuidelijk uiteinde daarvan. 
De voormalige Pinangpoort schijnt bij het sloepen van 
het kasteel te zijn verplaatst. 

Blz. 36, reg. 16 V. b. Het is onjuist dat de begraafplaats 
te Tanabang geene monumenten uit den tijd der Com- 
pagnie bevat. Men vindt er thans verscheidene oude 
gralsteenen, o. a., meen ik, dien van den Gouv.-Gen. 
G. W. Baron van Imhoff. 

Blz. 38, reg. 21 V. b. Het oude hotel van den Gouv.-Gen. 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



83 



is nog steeds in gebruik voor diners enz. De tuin is 
uitgebreid met het erf, gelegen achter de vroegere wo- 
ning van den Algemeenen Secretaris, thans bureau van 
het Departement van Justitie. 

BI. 52, reg. 7 V. o. De Gouvernements-paardenposterij 
naar Buitenzorg is opgeheven en de stations zijn ver- 
dwenen. 

Blz. 55, reg. 8 v. b. Het hotel Willem II bestaat sedert 
ruim 15 jaren niet meer. Het gebouw met dat er naast 
is afgebroken en op het terrein zijn twee straten aan- 
gelegd met nette Europeesche woningen, GangHalkema 
en Gang Cornelis. 

Blz. 58, reg. 10 V. o. Het Djati-gesticht is sedert jaren van 
Djati overgebracht naar Kramat. 

Vennoedelijk zullen nog wel meer zoodanige mis- 
stellingen zijn aan te wijzen. Van anderen aard 
is de volgende aanteekening op blz, 27, noot i. De 
Regeering heeft eerst in het Koloniale Verslag van 1880 
eenige gegevens medegedeeld over de bevolking van 
Java's hoofdsteden en daardoor de onzekerheid wegge- 
nomen waarvan de genoemde noot getuigenis geeft. (Zie 
Deel V van dit Tijdschrift, bl. 188). In het Kolo- 
niaal Verslag van 1881 wordt de bevolking van Batavia, 
\\\t^. 1879, op ruim 3000 zielen meer gesteld en opge- 
geven als volgt: Europeanen 4,838, Chineezen 23,539, 
Arabieren 795, andere vreemde Oosterlingen 114, Inlan- 
ders 73,565, totaal 102,901. 

In het tweede hoofdstuk „de residentie Batavia" heb ik 
de volgende hinderlijke drukfouten opgemerkt: 
Blz. 64, noot I, staat tweemaal: Thornton^ lees: Thorn» 
Blz. 70, reg. 20 V. b., staat: aan de str andmoerassen langs 
de kust der geheele westelijke afdeeling^ die welke zich 

oostwaarts van de stad tot Kramat uitstrekken 

lees: aan de strandmoerassen langs de kust der geJuele 
oostelijke afdeelingy die welke zich westwaarts^ enz. 
Blz. 84, reg. 2 V. b., staat: de eigenlijke Goenong Salak 
I ten Westen en de Goenong Tji Apoes ten Oosten^ lees: 

de eigenlijke Goenong Salak ten Oosten en de Goenong 
Tji Apoes ten Westen, 
Blz. 95, reg. 6 v. b. staat; een westwaarts loopenden wegy 
lees: een oostwaarts loopenden weg, Aid. reg. 7 v. b. 
staat: een weinig zuidivestwaarts^ lees: een weinig zuid- 
oostwaarts. 

\ In het vijfde hoofdstuk wordt in de beschrijving der stad 
Tjeribon en omstreken eene merkwaardige bijzonderheid 



gemist, waarvan ik de kennis dank aan een hoogst lezens- 
waardig stuk van den heer F. C. Heynen, onder den titel 
„Drie bergvlakten op Java," opgenomen in het Tijdschrift 
„Onze Wachter" (Dec. 1876). Over het lustverblijf Soenja 
Ragi spreekt de schrijver in denzelfden geest als door mij 
bl. 196 V. is gedaan ; maar terwijl ik de beschrijving 
daarvan besluit met de woorden: „Alleen zoekt men te 
vergeefs naar iets dat den gekuischten kunstzin bevredigen 
kan," gaat de Heer Heynen, na op de grillige verzameling 
van zonderlingheden gewezen te hebben, in dezer voege 
voort: „Doch juist niet om den wille dier grillige vormen 
leiden wij den lezer daarheen. Er is iets in de nabijheid 
van het hoofdgebouw waarop, zooverre mij bekend is, nog 
niemand de aandacht heeft gevestigd en dat wel der aan- 
dacht waardig mag heeten." Dat alle schrijvers door mij 
geraadpleegd van die bijzonderheid zwijgen, is voor mij 
geen verontschuldiging, daar ik aan den Heer He)men 
zelven een overdruk van zijn opstel verschuldigd was. Ik 
zal hier zijn eigen beschrijving met eenige bekorting 
mededeelen. 

„Als gij een paviljoen of prieel, — in den Chineeschen 
grottenstijl, een soort van fantastiseh rococo, gebouwd, — 
door of langs gewandeld zijt, dan voert u eene kleine 
brug op een hoogte, waar vroeger ook een gebouw, doch 
van geheel ander maaksel en van grooteren omvang, 
schijnt gestaan te hebben. Op de uiterste punt dier hoogte 
aan uwe linkerhand wordt gij verrast door een waar 
kunststuk van gebakken steen. Blijkbaar is het een poort, 
doch van geheel anderen vorm dan wij gewoon zijn. Het 
is als had men eerst een vaas van gebakken steen gevormd 
en die later in twee helften van boven naar beneden zoo 
zuiver mogelijk doorgezaagd, en als had men toen daarna 
beide de helften op een afstand van een meter of daar- 
omtrent met de meeste nauwkeurigheid tegenover elkander 
geplaatst. Elke helft dier als doorgesneden vaas zal naar 
mijn schatting aan den voet eene breedte beslaan van 
ongeveer twee meters en met haar toppunt eene hoogte 
bereiken van nagenoeg vier meters. 

„Indien men van beneden naar boven den omtrek van 
eene der helften volgt, bespeurt men eerst een rechtlijni- 
gen voet bij wijze van plint, waarop naar binnen sprin 
gende steenlagen zijn gelegd, die, eindigend in een lijst, 
wederom naar buiten uitloopen en alzoo op een weinig 
minder dan de helft der geheele hoogte een sierlijk, naar 
een vaas gelijkend voetstuk vormen voor een trapvormig 
zich verheffende piramide, waarvan elke terugspringende 
steenlaag op de hoeken een klein driehoekig ornament 
draagt. Een weinig terugwijkend vereenigt zich met het 



84 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



voetstuk dezer piramide, tot versterking en versiering te- 
vens, een nog kunstiger voetstuk, dat een weelde van holle 
en ronde lijsten, van een prachtigen krul of volute en van 
wel aangebrachte paneelen te aanschouwen geeft. 

„Het geheele monument is vervaardigd van steenen, die 
naar een vooraf geteekend plan gevormd, daarna met zorg 
gebakken en ten laatste op de voor elk hunner bestemde 
plaats gelegd zijn. Het vormen, bakken en leggen der 
steenen is zoo nauwkeurig geschied, dat gij overal, indien 
gij scherp toeziet, te nauwer nood de naden of lijnen tus- 
schen de naast elkander liggende steenen kunt ontdekken. 
Hoe nauwlettend de zorg en het overleg der bouwlieden 
moeten geweest zijn, treedt u nog klaarder voor den geest, 
als gij, de weelderige speling der buiten- en binnen waarts 
springende lijnen en vormen opgemerkt hebbende, tusschen 
de beide helften der vaas, gelijk ^vij het monument zoo 
even noemden, gaat staan, en dan ontwaart dat gij u be- 
vindt tusschen twee loodrecht opgaande, onberispelijk ef- 
fen vlakken, waarvan de steenlagen met die der rijk be- 
werkte zijden volmaakt overeenstemmen; een enkel verzuim 
toch, waar ook gepleegd, had onvermijdelijk een storenden 
invloed moeten oefenen op de onmiddellijk op elkander 
liggende en met geene bespeurbare tussehenstof verbonden 
steenlagen der loodrechte muurvlakte." 

Hoe is het mogelijk, is men geneigd te vragen, dat 
van de vele beschrijvingen die wij van Soenja Ragi bezit- 
ten, geene enkele dit merkwaardig kunststuk van beter stijl 
en uit beter tijdvak afkomstig vermeldt? Het behoort 
vermoedelijk tot dezelfde periode, waaraan wij de oudeja- 
vaansche poorten te Koedoes enToeban verschuldigd* zijn, 
en verdiende daarmede opzettelijk vergeleken te worden. 

In het zesde hoofdstuk, „de Preanger Regentschappen," 
valt het volgende op te merken : 

BIz. 299, reg. 8 v. o., staat: „7<r midden der tuinen is 
bij een dezer boomen een badhuis opgericht''' Hier moet 
bronnen in plaats van boomen gelezen worden. 
Blz- 337» reg- 9 v. o. is met een enkel woord de rawa 
Lakbok vermeld, waarover ook reeds D, I. blz. 57, in 
het voorbijgaan gesproken was. De hier volgende bij- 
zonderheden zijn ontleend aan een statistiek rapport over 
de Residentie in 1837, en mij bekend geworden door 
welwillende mededeeling vau den heer Bool : 
„De overlevering zegt dat hier in vroeger tijden de zetel 
was van een der eerste ratoe*s van Galoe. Aan de noor- 
delijke boorden van dit moeras vindt men ook eenige 
overblijfselen van de grondvesten eener voormalige uitge- 
strekte stad. Vele gedeelten zijn echter in den moerassigen 



bodem verzonken, en men kan slechts hier en daar eenige 
massa's zware steenen ontwaren. Sommigen meenen dat 
dit moeras de plaats is van het oude Medang Kemoelan. 

„Men verhaalt dat de stad die hier gestaan heeft, verzonken 
is op hetzelfële tijdstip waarop het eiland Noesa Kam- 
bangan door onderaardsche vulkanische werking boven het 
water werd opgestuwd, vanwaar dit eiland dan ook zijn 
naam, die drijvend eiland^ niet, zooals de heer Blume, over 
de Padma schrijvende, meent, bloem^n-eiland beteekent, 
moet ontleend hebben. Volgens dezelfde overlevering moet 
zich de oude luister van deze verzonken stad herstellen, 
wanneer Tjilatjap, waar nu nog slechts een klein pakhuis- 
établissetnent bestaat, een bloeiende en volkrijke landstreek 
zal geworden zijn.** 

Daar Tjilatjap sedeit dit geschreven werd, zeer veel in 
belangrijkheid gewonnen heeft, zullen misschien de geloo- 
vigen thans reeds op de spoedige vervulling dier profetie 
beginnen te hopen. 

In de tweede afdeeling, voor zoover zij verschenen is, 
heb ik de volgende hinderlijke drukfouten en onjuiste op- 
gaven opgemerkt: 
Blz. 369, reg. 2 V. b., staat: vergunde hun^ lees: vergunde 

hem, 
Blz. 481, reg. 20 V. b., staat: Kali Logang, lees: Kali 

Logoeng. 
Blz. 499, reg. 5 V. o., is de tegenwoordige bevolking van 
de stad Samarang op minstens 50,000 zielen geschat. 
Volgens eene Regeeringsopgave in het Koloniaal Verslag 
van 1880, in Deel V van dit Tijdschrift, blz. 188, ver- 
meld, bedroeg zij uit*. 1878 79,443 zielen. Omtrent deze 
opgave zegt echter thans het Verslag van 1881, dat het 
getal inlanders daarin abusievelijk te hoog is gesteld, 
omdat, in plaats van het cijfer der inlandsche bevol- 
king van de stad Samarang, dat van het district Sa- 
marang is opgegeven. Dien ten gevolge wordt nu het 
cijfer op ult<>. 1879 eenige duizenden lager gesteld, 
ofschoon werkelijk eer vermeerdering dan vermindering 
heeft plaats gehad. De thans opgegeven cijfers zijn: 
2830 Europeanen, 9,085 Chineezen, 653 Arabieren, 
2,199 andere vreemde Oosterlingen, 54,374 inlanders, 
totaal 69,141- 

Mijne verwachting, dat vooral in het hoofdstuk over de 
Vorstenlanden, het vierde der tweede afdeeling, veel te 
verbeteren zou vallen, is juist gebleken. Ik dank aan 
Dr. Groneman, die langen tijd te Jogjakarta heeft gewoond, 
een schrijven vandaar, dd. 20 Aug. i88r, waarin hij een 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



85 



menigte aanmerkingen en verbeteringen op dit hoofdstuk 
mededeelt, die ik in haar geheel in het volgend nommer 
van dit Tijdschrift wensch te doen opnemen. Voorloopig 
bepaal ik mij tot de verbetering van hetgeen blz. 6i8, reg. 
5 en volgende, over de hoofdstad Jogjakarta gezegd is, en 
tot de aanwijzing eener belangrijke bijzonderheid, die ik op 
bl. 643 verzuimde te vermelden. In een anoniemen brief 
uit lierlijn werd mij de opmerking gemaakt, dat de Hof- 
straat te Jogjakarta gewoonlijk Toegoe wordt geheeten, en 
niet krom maar lijnrecht is, en dat men langs die straat 
naar de aloen-aloen gaande, in strijd met het door mij 
gezegde, het fort aan de linker- en het residentiehuis 
met de andere door mij vermelde gebouwen aan de rechter- 
hand heeft. Dit laatste nu is eigenlijk slechts de verbete- 
ring van een schrijffout, doch wat de beschrijving der straat 
betreft ben ik misleid door Teenstra, die in zijne „Beknopte 
beschrijving van de Ned. Oost-Tnd. bezittingen,*' bl. 180, 
het volgende zegt: „Van de noorderpoort naar de zuider- 
poort loopt de kromme en meest levendige Hofstraat, loo- 
pende derzelver zuideinde bij het keizerlijk paleis op een 
ruim plein uit, hetwelk met schoon geboomte beplant isi" 
Het aangehaalde boek is zeker geen werk van groot gezag ; 
maar ik meende het in zulk een bijzonderheid te kunnen 
vertrouwen, en hoe de schrijver er toe gekomen is krom 
te noemen wat inderdaad recht is, blijft mij een raadsel. 
De bijzonderheid die ik verzuimde op blz. 643 te ver- 
melden, is de zoutaanmaak in het Pakoe-alamsche gebied. 
De reden van het verzuim is, dat die aanmaak plaats 
heeft op een wijze die de aandacht van den reiziger wei- 
nig tot zich trekt. Eene beschrijving van die wijze, die van 
de manier van vervaardiging van het Gouvernements-zout 
geheel verschilt, wordt o. a. gevonden in het T. v. N. I. 
Jg. IX. D. I. blz. 372; zij is afkomstig van den heer A. 
van de Poel. Des morgens vroeg gaan mannen en vrou- 
wen, dikwijls bijgestaan door hunne kinderen, een zekere 
met zand bedekte plek aan het strand, in de nabijheid hun- 
ner woningen, met een lichte hark gelijk maken en van 
alle onzuiverheid reinigen. Daarna gaan zij in zee en 
halen water met scheppers, uit het breede lontarblad ge- 
vormd, en besproeien daarmede herhaaldelijk de gereed 
gemaakte plek. Na aan dien arbeid een paar uren besteed 
te hebben, rusten zij uit tot omstreeks twee uren in den 
namiddag, en beginnen dan met een plankje, dat van een 
handvatsel voorzien is, het besproeide zeezand op te hoopen, 
Zijn zij hiermede gereed, dan brengen zij naar de plaats 
waar het opgehoopt is, vier stukken hout of bamboe, ieder 
twee voet lang, en steken ze, nabij den hoop, rechtstandig 
in het zand, zoodat een vierkant gevormd wordt, waarvan 



iedere zijde omstreeks twee voet lang is. Cp die stokken 
plaatsen zij nu een vierkant raam van dezelfde grootte, 
waaraan een groote, van bamboe gevlochten mat bevestigd 
is. Op den grond onder de mat wordt een uitgehold hou- 
ten blok geplaatst. Het met zeewater besproeide, maar in- 
middels gedroogde zand wordt bij gedeelten op die mat 
geworpen en op nieuw met zeewater begoten, dat, terwijl 
het door de mat in het blok afvloeit, al de zoutdeelen mede- 
voert die zich in het zand hebben vastgezet. Is de eerste 
dosis besproeid zand genoegzaam op deze wijze uitgewas- 
schen, dan wordt zij door een tweede vervangen en zoo 
vervolgens tot de geheele hoop is opgeruimd. Het dus 
verkregen, met veel zout bezwangerde zeewater, wordt naar 
de woningen overgebracht en uitgestort in aarden potten 
met wijden mond, die op zeer eenvoudige fornuizen boven 
een sterk vuur geplaatst worden. Nadat de uitdamping is 
ten einde gebracht, wordt het zout uit de potten gehaald, 
dat zoo wit is als kristal en in hoedanigheid het Gouver- 
nements zout aanmerkelijk overtreft. Het zout blijft het 
eigendom der bewerkers, die echter aan prins Pakoe-alam 
daarvoor een kleine belasting voldoen. De dorpen waar 
deze eenvoudige, maar doeltreffende zoutaanmaak wordt 
gedreven, genieten groote welvaart. 

De vervaardiging van zuiderzeestrandzout (dit is de 
fraaie ofïicieele naam van het zout aan Java*s zuiderstrand 
vervaardigd) was vroeger geoorloofd of gedoogd op de ge- 
heele zuidkust tusschen Banten en Pasoeroean, en werd in 
meerdere of mindere mate gedreven op alle gedeelten 
van het strand die daarvoor geschikt waren, doch nadat 
de Mantjanegarasche landen in 1830 onder het Neder- 
landsch gezag gebracht waren, is de vergunning langzamer 
hand ingekrompen, totdat de Regering in Febr. 1836 
overging tot een algemeen verbod van allen zoutaanmaak 
langs de zuidkust van 's Gouvernements gebied, en van 
het vervoer naar dat gebied van het zuiderzout uit de nog 
aan de Vorsten gebleven landen. Dit besluit, met de daarbij 
voorgeschreven overgangsmaatregelen, vormde het laatste 
bedrijf van den „verdelgingsoorlog" tegen het zuiderzout, 
die in de „Aanteekeningen over koloniale onderwerpen" 
van den heer E. de Waal, III, bl. 256 v. verhaald wordt. 
Daar het strand der Vorstenlanden alleen in het Pakoe- 
alamsche gebied den zoutaanmaak begunstigt, is in werke- 
lijkheid het vervaardigen van zuiderzout nagenoeg uitslui- 
tend tot het regentschap Karang Kemoening beperkt. 

Ook in het zesde hoofdstuk „Djapara en Rembang'' 
heb ik reeds iets te verbeteren, ofschoon het eerst in de 
jongst verschenen aflevering van „Java" bevat is. Het be- 



86 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



treft Prawati, waaromtrent bl. 576, reg. 7 v. b., gezegd 
werd: „Het ware wenschelijk dat eens onderzocht werd, 
of niet in bouwvallen of overleveringen sporen van de 
vroegere beteekenis dezer plaats zijn overgebleven." Ik ben 
met dat PrawStl, zeer ongelukkig geweest. Eerst schreef 
ik in het 2e Deel, blz. 252, reg. 2 v. b., dat de ligging 
dier plaats niet meer bekend is;*' maar ik herriep dit in 
de verbeteringen, met aanwijzing der volstrekt niet twijfel- 
achtige ligging. Eenigen tijd daarna ontving ik een brief 
van den heer Knebel, destijds Controleur in Koedoes, dd. 
25 Oct. 1878, waarin het volgende voorkwam. 

„De afdeeling Koedoes wordt verdeeld in drie districten: 
Koedoes, Tjendina en Oendaan. Oendaan nu grenst ten 
zuiden aan Grobogan en de Serang-ri^ier, hier Tangoel- 
angin genoemd, de rivier namelijk die het district Oendaan 
scheidt van de afdeeling Demak. 

„De districtshoofdplaats van Oendaan is de dessa Prawata, 
gelegen op het Kalkgebergte. Dit gebergte, dat daar ter 
plaatse den opstaanden rand vormt eener rawa, geeft nog 
de overblijfselen te zien van een ringmuur, die door de 
dessagenooten wordt aangemerkt als de „Kraton". 

„Maar er is nog iets anders. Op 2 palen afstands van 
Prawata ligt de dessa Oendaan, die in het dijkje van de 
Tangoel-angin een ruggesteun vindt. De Kabajan's van die 
dessa (en ook van die dessa alleen) loopen er altijd met 
naakt bovenlijf en gekleed met de koeloek, en wel omdat 
de legende die heeren als dienaren toewees aan den Vorst 
van Demak.'* 

Ik herinnerde mij, toen ik de bovenaangeh aaide woorden 
van D. III, bl. 756, nederschreef, van dien brief alleen, 
dat er de reeds door mij gepreciseerde ligging van Pra- 
wata in werd aangewezen, en verzuimde na te zien, of er 
no2 iets anders in voorkwam. Maar ik deed nog erger. 
Ik zag ook geheel over het hoofd wat reeds Brumund, 
in zijn bekende verhandeling in het XXXIIIste deel der 
werken van het Bataviaasch Genootschap over de oud- 
heden van Prawatd heeft geschreven, maar ongelukkiger 
wijze niet ter plaatse waar hij over Koedoes en omstre- 
ken, maar waar hij over Demak handelt, blz. 164 v. 't Is 
niet mogelijk dat ik die plaats niet vroeger meermalen zou 
gelezen hebben, maar ik heb verzuimd iets daarvan aan 
te teekenen, denkelijk in de meening dat ik haar van zelve 
zou terugvinden. Brumund gewaagt daar van eene te 
PrawatS nog gedeeltelijk overeind staande poortzijde van 
gehouwen steen, „Gapoeri" geheeten, en verrijzende aan 
den rand van een nog al steil zich verheffenden heuvel. 



Bij die poort ligt een zeer beschadigd joni-pedestal, en 
achter haar vindt men eene kleine hoogte, door de be- 
volking nog als de sitinggil van den Kraton beschouwd. 
Overal in den omtrek liggen stukken en hoopen van 
gebakken steenen, en in het nabijliggende bosch vindt 
men fragmenten van oude muren en een vierkanten hoop 
van brokken, zeven voet hoog en veertig schreden in om- 
trek, die ook voor een sitinggil gehouden wordt. De over- 
levering wil dat de Kraton waartoe deze overblijfselen 
behooren, door de Vorsten van Demak zou gesticht zijn. 
Wij hebben echter in de geschiedenis van Java, D. Il, 
bl. 251, ook een Soesoehoenan van Prawdta leeren kennen, 
die wel ongetwijfeld in dien Kraton heeft gewoond. Toch 
blijft het mogelijk, dat dit vorstelijk verblijf door zijne te 
Demak zetelende voorgangers gesticht is, of ook, vóór de 
zegepraal van den Islam, door een Hindoe-vorst is be- 
woond. 

Bij dien ouden Kraton behoorde natuurlijk ook een 
badplaats; zij wordt volgens Brumund aangewezen in het 
nabijliggende Garoedd. Het is een onregelmatig gevormde, 
hier en daar met zwaar geboomte omringde en gedeeltelijk 
met waterplanten begroeide, natuurlijke kom, aan den voet 
van een kalkheuvel. In het kristalheldere water zweramen 
groote, wit en grijs gevlekte schildpadden, die als gehei- 
ligde dieren geëerd en gevoederd worden, en zoo tam zijn 
dat zij het aangeboden voedsel uit de hand hunner be- 
gunstigers komen eten. In het water liggen twee zware 
trachietzerken en op een hoogte aan den kant eenige ge- 
houwen steenen. 

Op een heuvel, een paal zuidwest van Prawata gelegen 
en Goenong Gedé genoemd, vindt men nog een cirkel- 
vormige walophooging van kalksteenbrokken, vier voet hoog 
en twaalf schreden in omtrek. De inwendige ruimte is 
thans ledig, maar eenmaal zou hier, volgens de verhalen 
der inlanders, eene prinses van Loeddjd met haren echt- 
genoot begraven zijn. 

Aan het slot van hetzelfde hoofdstuk, blz. 184, r. i6v.b., 
moeten de woorden: waar wij nog slechts enkele minuten 
van de grens van Soerabaja verwijderd zijn^ vervangen 
worden door: waar wij reeds enkele minuten de grens van 
Soerabaja voorbij zijn. 

Eindelijk is in het zevende hoofdstuk, blz. 816, r. i2v.b., 
Soerapringgi in Soerapringga, en drie regels verder: 
pringgi in pringga te verbeteren. 

P. J. Veth. 



VlJF-EN-DERTIGSTE AlGEMEENE VERGADERING 



VAN HET 



AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP, 

GEHOUDEN TE AMSTERDAM, D E N 23 DECEMBER 1881. 



Vrijdag den 23 December 1881 had te Amsterdam in 
een der welwillend afgestane zalen van 't genootschap 
Natura Artis Ma^stra de vijf-en-dertigste algemeene 
vergadering van het Aardrijkskundig Genootschap plaats. 
De voorzitter, Prof. P. J. Veth, deelde aan de talrijk op- 
gekomen leden, onder welke vele dames, het bericht mede, 
dat de heer P. W. Jansen j directeur der Deli-maatschappij, 
de op hem uitgebrachte benoeming als lid van 't Bestuur 
had aanvaard en dat de Nederlandsche reiziger, de inge- 
nieur Schelling, een kort verslag van zijn uitstapje naar 
Talfin Arabie bij het Genootschap had ingezonden, 't welk 
in een der eerstvolgende nummers van het tijdschrift zou 
gepubliceerd worden. Hij gaf daarna het woord aan den 
heer Versteeg, die een verslag van de tentoonstelling te 
Venetië leverde. 

Spreker begon met een beschrijving der plaats, waar de 
tentoonstelling had plaats gehad: het gebouw, tegenwoor- 
dig voor koninklijk paleis bestemd, dat aan de Piazetta 
grenst, voorheen als bibliotheekgebouw bekend, terwijl als 
succursaal een in den tuin bij dat paleis behoorend pavil- 
joen dienst deed, Een-en-twintig staten hadden aan den 
wedstrijd deelgenomen. Men miste er Denemarken, Noor- 
w^en, Portugal en Turkije, alsmede China eneenige meer 
a%elegen staten, welke of om den grooten afstand of door 
gebrek aan ondersteuning der R^eering, die bij andere 
staten soms ook veel te wenschen overliet, niet vertegen- 
woordigd waren. Nadat spreker nog had opgemerkt, dat 
de van de derde en vierde groep afgenomene ethnographie. 



anthropologie en philologie te Venetië een afzonderlijke 
groep vormden, zoodat men er één meer dan te Parijs 
telde, ging hij voor de best vertegenwoordigde staten (Ita- 
lië, Frankrijk, Engeland, Zweden, Rusland, Duitschland, 
Oostenrijk, Hongarije en Zwitserland) ofe verschillende 
groepen na, om met voorbijgang van Spanje, België, Grie- 
kenland, Canada, Venezuela, Brazilië, de Argentijnsche 
republiek. Chili, Egypte, Japan en Victoria, de aandacht van 
^ijn gehoor bij 't geen Nederland tentoonstelde, te kunnen 
bepalen. Met verwijzing naar het voorgaande nummer van 
het Tijdschrift, waarin deze voordracht in haar geheel werd 
opgenomen, bepalen wij ons thans slechts tot het merkwaar<- 
xligste, dat de besproken landen opleverden. In Italië was 
het — behalve vele astronomische, geodetische en topo- 
graphische werken, photographische reliëfs, panorama's en 
nieuwe instrumenten bij die opening gebezigd ; kustkaarten 
en havenplans; kaarten, die de rivierverbeteringen, water- 
werken en droogleggingen voorstelden; meteorologische 
waarnemingen en zoölogische werken — vooral de geschied- 
kundige klasse of de historische geographie, die het glans- 
punt van ItaliCs tentoonstelling vormde, al beweerden sotn- 
.mige geleerde Italianen dan ook, dat men slechts de helft 
voor zich had van 't geen had kunnen geleverd worden. 
Toch hadden ^^ musea, bibliotheken en andere openbare 
instellingen tentoongesteld. De geheele linkerwand der 35 
meter lange zaal van de Antica Bibliotheca was overdekt 
met kaarten, terwijl de daaronder overblijvende ruimte van 
doorloopende vitrines was voorzien, waarin kostbare por- 



88 



VIJF EN DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



tulanen en oude boekwerken. De tentoongestelde werken 
waren chronologisch en wel eeuwsgewijze, aanvangende mj 
de 13e, gerangschikt.. Men zag er een Arabisch instrument, 
een astrolabium van het jaar 12 16; instrumenten en diplo- 
ma's uit de nalatenschap van Marco Polo; een manus- 
criptkaart van de reis, in 1545 door Fra Niccolo Poggi- 
bonsi naar Jeruzalem gedaan; Fra Mauro's zoo beroemde 
manuscript-wereldkaart (1459); ^^^^ minder dan 70 portu- 
lanen, waaronder van de 13e en 14e eeuw; oude relief- 
plans, uit het maritiem museum van Venetië afkomstig, 
voorstellende forten op de kust van Dalmatie, op Cyprus 
en Morea, resp. van de jaren 157 1, 1612 — 1619 en 1628; 
drie uitgaven van het Theatrum orbis terrarum van Abra- 
ham Ortelius van 1592, 1601 en 1620; hoogst in terressante 
inzendingen van de Armenische mechitoristische paters van 
't klooster Lazaro, enz. Wat de manuscripten en andere 
kaartwerken uit de provincie Venetië betrof, aanvangende 
met de iie eeuw en in bijna 2200 nummers tot op onzen 
tijd doorloopende, zij waren in het werk Saggio di 
Cartografia della Regione Veneta^ uitgegeven door de 
Venetiaansche afdeeling van het vaderlandsch geschiedkun* 
dig genootschap en den congresleden aangeboden, nader 
omschreven. 

Bij Frankrijk viel het in het oog, hoe krachtig alleipi- 
nisterieen of departementen van algemeen bestuur er toe 
hadden medegewerkt, om 's lands eer bij dit internationaal 
wetenschappelijk feest in hooge waarde te houden. Dat be- 
wezen de algemeene waterpaskaart van Frankrijk (i : 80,000); 
de nieuwe topographische kaart van het rijk (i : 50,000); 
de inzending van het Ministerie van Marine, bestaande uit 
eenige boekdeelen met kustkaarten en zdlaanwijzingen, 
jaarboeken van getijden en andere hydrographische bijzon- 
derheden; een. kostbare verzameling wind-, zee- enstroom- 
kaarten en de geologische kaart van het Rijk (i : 80,000). 
De nationale bibliotheek had uit haar rijken schat een paar 
nummers gezonden, op Italië betrekking hebbende, b. v. 
een Notice des provinces de tEmpircy manuscript uit de 
6e eeuw ; het ministerie van buitenlandsche zaken een kleine, 
doch schoone verzameling manuscriptkaarten, o. a. een we- 
reldkaart in 10 bladen van 1559 en een kaart van Jean 
Blair (1654) op perkament, Malesia voorstellende. Ook de 
meeste kaarten, diagrammen en werken, statistische gege- 
vens bevattende, waren van de Regeering afkomstig, even- 
als de reeksen gemeente- en departements-kaarten (de laat- 
sten I : 10,000), door Binnenkndsche Zaken uitgegeven. 
Nadat spreker daarop vluchtig de inzendingen der geogr. 
genootschappen, uitgevers en reizigers van Frankrijk bespro- 
ken had, wees hij er op, hoe aan Engeiand's inzending 



alleen gouvernements-instellingen (de admiraliteit, het geo- 
detisch instituut der artillerie en het Ministerie van Kolo- 
niën) hadden deelgenomen. De admiraliteit had o. a. een 
driehonderdtal der zoo gunstig bekende en algemeen ge- 
bruikte zeekaarten betreffende alle kusten der aarde inge- 
zonden, en bewees daardoor, hoe Engeland op dat gebied 
meer heeft geleverd dan alle overige landen te zamen; het 
geodetisch bureau der artillerie stelde platte gronden van 
steden op zeer groote schaal (i : 500), provinciekaarten 
(i : 2500) en bladen der geologische kaart van Engeland 
en Schotland ten toon ; uit Engelsch Indie waren ingezon- 
den de nieuwste bladen van den India Atlas, zeer uiteen- 
loopende terreinsoorten (van het hooge gebergte af tot de 
meest uitgestrekte vlakten en zeekusten) voorstellende, en 
voorts kaarten van terreinen in Afghanistan en aan gene 
zijde der Himalaja; eindelijk de in Indie zelve uitgegeven 
kaarten, hetzelfde terrein voorstellende, doch op verschil- 
lende wijze bewerkt, als in lithographie, chromolithographie, 
photozincographie en photocoUotypie. 

In de Zweedsche afdeeling verdienden de kaarten van den 
generalen staf (die van 'tgeheele koninkrijk i : 100,000; 
van enkele afzonderlijke departementen op de helft dier 
schaal) en de werken van den hoogleeraar Eckmann over 
de expeditie in den N. Atlantischen Oceaan in 1877 met 
de daarbij gebezigde instrumenten alleszins de aandacht 
Toch werd de aandacht als *t ware van alle andere za- 
ken afeetrokken door de verzameling Nordenskiöld, vooral 
belangrijk door de verscheidenheid en het nagenoeg geheel 
vreemde op botanisch, anthropologisch en in de eerste 
plaats op ethnographisch gebied. 

In Rusland trok vooreerst de didactische groep, ingezon- 
den door het paedagogisch museum, dat onder het departe- 
ment van Oorlog ressorteert, de aandacht, doch verder de 
reuzenarbeid der topographische afdeeling van den generalcn 
staf, die met haar verschillende sectien zoowel in 't Bal- 
kangebergte en Finland werkzaam is, als bladen van Toer- 
kistan, Khiwa en 't Lop-noor uitgeeft ; die Batoem en Eriwan 
in den Kaukasus en den Ouden Oxus of Amoe Dana, voorts 
Koeldsja, Ferghana en het meer Karakoel onderhanden 
heeft, en nog daarenboven de reizen der beroemde reizigers 
Potanine, Perzoff en Prsjevalski door Mongolië, Centraal- 
Azie en het Pamir-plateau bewerkte. Op waardige wijze sloten 
zich daaraan de werken van het Aardrijkskundig Genoot- 
schap, dat de verslagen der reizen van Kessler in den Kauka- 
sus, van Bogdanow in het Aral-Kaspische gebied en van 
■zoovele anderen publiceerde, alsmede die van de sectien 
van dat Genootschap te Irkoetsk, Tiflis en Omsk gevestigd. 
Ook bood het Russsiche Genootschap de bezoekers van 



VIJF EN DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



89 



het congres overzichten aan van de hydrographische, geolo- 
gische, botanische, zoölogische en statistische werkzaamhe- 
den in de laatste zes jaren, dus na 't congres te Parijs, verricht. 

Het Duitsche rijk muntte vooral uit door de instrumen- 
ten, die het te zien gaf (theodolieten, uni versaal instrumen- 
ten, afetandsmeters, verrekijkers enz.); voorts door zijn 
hydrographischen arbeid (18 admiraliteitskaarten van de 
Oofitzee-kusten, 7 van die der Noordzee); eindelijk door 
zijn wandkaarten en alles wat op het onderwijs betrekking 
heeft. Ook door voortreffelijke reisbeschrijvingen, als die 
van dr Bastian, Schweinfurth, Nachtigal en von Richthofcn, 
onderscheidde zich de Duitsche afiieeling. 

Zeker stonden, volgens spreker, weinig op de tentoonstelling 
aanwezige kaarten hoog«r, wat volledigheid en uitvoering 
betrof, dan die van het Militair Geographisch Instituut te 
Weenen, door Oostenrijk ingezonden, zoowel wat dehelio- 
kopergravure als wat de chromolithographische methode 
betrof, terwijl ook een gelukkige navolging der Ecksteinsche 
methode werd opgemerkt in Karpathische bergpartijen. 
Datzelfde Instituut zond buitendien nog gekleurde photoli- 
thographische districtsschoolkaarten, die met hetgeen de 
voortreffelijke uitgevers als von Holder, Tempsky, Holzel 
en anderen hadden tentoongesteld en met de zoo goed 
geïllustreerde reiswerken van Dr. Holub, graaf Czechen3d 
in Oost-Azie, luitenant Lux in West- Afrika, en met de zoo 
aantrekkelijke werken der verschillende Alpen- en touris- 
tenclubs, waarin zoovele panorama's, kaarten, reliefmodel- 
len, beelden en photographien, een schoon geheel vormden. 

Nadat de heer Verste^ bij Hongarije slechts kort had 
stilgestaan en op 't belang der Zwiisersche afdeeling met 
haar gletschervoorstellingen, geologische werken, afdeeling 
oude kaarten, Dufoursche kaart, en voortreffelijke werken 
q) 't gebied van het onderwijs had gewezen, bepaalde hij 
ten slotte zijn gehoor bij de Nederlandsche afdeeling, wier 
gunstige beoordeeling door vreemdelingen spreker niet be- 
lette er op te ^vijzen, wat zij had kunnen zijn, als het 
voorbeeld der Ministerien van Oorlog of Koloniën, die 
zich de moeite gaven belangrijke inzendingen gereed te 
maken, door andere departementen van bestuur gevolgd 
was. Van de 180 nummers waren meer dan de helft afkom- 
stig van het Geographisch Genootschap of door zijn tus- 
schenkomst verkregen; 20 nummers waren van de zuster- 
instelling te *s-Hage, mede door het Geogr. Genootschap 
bezorgd. Ook hadden nog een vijftal uitgevers ingezonden; 
het overige was afkomstig van de Regeering in Nederland 
of Nederlandsch Indie. Aan de geschiedenis der geographie 
in de 5e klasse was door Nederland niet deelgenomen; 
slechts een aantal nommers, door aanzienlijke bewoners 



van Venetië of omliggende plaatsqn, die Nederlandsche 
historische werken in onze afdeeling wenschten ten toon te 
stellen, ingezonden, waren opgenomen. 

Spreker noemde en omschreef hierop de voornaamste 
inzendingen: de etappekaart van Java en Madoera en de 
uitvoerige platte grond van Batavia met aanduiding der 
kadastrale hoofiiindeeling ; de werken van prof. Oude- 
mans over de triangulatien in Ned. Indie; de rapporten 
over magnetische waarnemingen door dr. Van Rijckevorsel 
in den Indischen Archipel gedaan, alle dobr het Ministerie 
van Koloniën ingezonden. Het Indisch gouvernement 
voegde daarbij de photograpisch, photolithographisch en 
albertypisch gereproduceerde residentiekaarten van Java en 
omliggende eilanden; de publicatien van dr. Bergsmaover 
meteorologie; de rapporten van Cluysenaer, op Sumatra 
betrekking hebbende, in verband met den afvoer der Om- 
bilien kolenvelden; de werken van het Bataviasch Ge- 
nootschap, de Kon. Natuurk. vereeniging, de Geneeskundige 
vereeniging en de Indische maatschappij van nijverheid te 
Batavia, alsmede verschillende woordenboeken en een 
linguïstisch kaartje van Java in manuscript van K. F. Holle. 
Het Aardr. Genootschap gaf de belangrijkste der sedert 
1875 in zijn tijdschrift uitgegeven kaarten der afdeeling 
Nederland, het werk over Midden-Sumatra, de verschillende 
bijbladen van het tijdschrift, enz, enz. Voegde men bij 
dit alles de kaart der Minahassa en der baai van Tomini 
van mr. Van Musschenbroek; die van Suriname door 
kapitein Zimmerman; de inzendingen van het Meteorolo- 
gisch Instituut en van het Pool-comité ; de geolog. werken 
van prof. Martin; het standaardwerk over Java van prof. 
Veth; de werken, in de laatste jaren door het Haagsche 
Instituut gepubliceerd, nl. die van Leupe, Schlegel, von 
Rosenberg, Robidé v. d. Aa en Carl Bock; de werken van 
mr. J. E. De Sturler en de uitgaven van den heer Robberts 
te Rotterdam (het plaatwerk Insulinde); eindelijk degoed- 
koope globes van den heer Tjeenk Willink te Arnhem, 
dan was daarmede het voornaamste opgenoemd, dat in de 
verschillende groepen tentoongesteld was. Natuurlijk werd 
ook weder op deze tentoonstelling het exposé van de ver- 
schillende methoden en reproductie van kaarten op het 
topografisch bureau te 's-Hage met de in den laatsten tijd 
aangebrachte verbeteringen en vereenvoudigingen niet ge- 
mist: de verschillende steenen en bewerkingen waren in 
volgorde tentoongesteld en daarbij de noodige verklaringen 
in het Italiaansch gevoegd. Ten slotte wees spr. er op, 
hoe de heer van Musschenbroek in een in 't Fransch ge- 
schreven brochure had uiteengezet, wat in de laatste jaren 
in Nederland op 't gebied der aardrijkskunde was gepu- 



90 



VIJF EN DERTIGSTE ALGEMEENE VERGAÓÊRING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



bliceerd, terwijl prof. Kan door zijn ,,Proeve eener geo- 
graphische bibliographie van Ned. Indie over de jaren 
1865 — 80" had aangetoond, wat in en buiten Nederland 
over onzen Archipel was geleverd en door zijn kaart van 
Arabie, waarop alle bekende reizen in dat schiereiland, 
'waren aangebracht, had in 't licht gesteld, op welke wijze 
het hooger onderwijs in aardrijkskunde hier te lande wordt 
opgevat. Met een woord over Nederlands plaats, bij tentoon- 
stelling en congres ingenomen, en de aan dat land toegekende 
belooningen, besloot de heer Versteeg zijn voordracht. 

Na de pauze gaf prof. C. M. Kan verslag van den we- 
lenschappelijken arbeid, door het geographisch congres te 
Venetië verricht. Waren vroeger in brieven, aan de N, R, 
Courant en Hei Vaderland gericht, de beschrijving van 
Venetië, de daar gehouden feesten en een algemeen over- 
zicht van congres en tentoonstelling op den voorgrond ge- 
treden, thans, op een bijeenkomst van het Aardrijkskundig 
Genootschap, moest aangetoond worden, in hoeverre de 
wetenschap door dit congres was bevorderd, en dat des 
te eerder, dewijl over de resultaten, door het 3de congres 
verkregen, in de daarover reeds verschenen verslagen zeer 
verschillend werd geoordeeld. 

Nadat spr. die publicaties en de verdere bronnen voor 
zijn verslag had nagegaan, stond hij achtereenvolgens uit- 
voerig stil bij hetgeen in de acht secties of groepen van 
het congres was voorgevallen, beschreef daarna in meer al- 
gemeene trekken de algemeene vergaderingen en eindigde 
met een korte uiteenzetting van 't eigenaardige, dat deVe. 
netiaansche feesten hadden opgeleverd. 

Wat de sectie-vergaderingen betrof, daarvan waren vooral 
die der vier eerste groepen, alsmede die der zesde zeer be- 
langrijk geweest. In de eerste groep (mathematische geo- 
graphie, geodesie, topographie) werd besloten, dat het in- 
ternationale geodetisch comité het veld van zijn onderzoek 
ook tot de bewegingen van de aardkorst moest uitstrekken 
en zich door de keuze van eenige geologen, die deze be- 
wegingen meer bepaald konden nagaan, moest versterken. 
Voorts gaf de ingenieur bij het Topogr. Instituut in ItaHe 
een overzicht van 't geen hij en anderen bij die topogra- 
phische opnemingen door middel der photographié bij de 
hoogste en ongenaakbaarste terreinen, b. v. de Gran Pa- 
radiso, hadden kunnen verrichten. Binnen drie maanden 
bracht hij de elementen mede,, n.1. 24 panorama's (191 
perspectieven), voor de vlakte- en hoogtevoorstelling van 
ongeveer 200 d kilom., vervaardigd op ongeveer 3000 me- 
ter hoogte. Ook werd nog in deze groep de wensch uitgespro- 
ken, later door het congres overgenomen, dat aan het vol- 
gende congres een statistiek der telegraphische lengte verschil- 



len, op te maken door het Instituto topografico militare, 
zou worden ingediend, een statistiek, die zeer wenschelijk 
scheen, toen gebleken was, hoeveel in Engdsch Indie dien- 
aangaande door de Indian Survey reeds verricht was, waar- 
van in Europa nog zeer weinig bekend was geworden. 

In de tweede groep (maritime geographie en hydrogra- , 
phie) werden niet minder onderwerpen van groot weten- 
schappelijk, doch tevens van practisch belang besproken, 
bijv. de studie van wind en stroomen, voor de scheepvaart 
aan te wenden; het aanmoedigen van scheepskapiteins tot 
het doen van waameiningen ; de studie van ebbe en vloed; 
het bepalen der temperatuur van het zeewater en het 
nagaan van het dierlijk leven op verschillende diepten, 
die, ingeleid door den uitstekenden directeur van het Ita- 
liaansch hydrographisch bureau, kapitein Magnaghi, in 
hooge mate de aandacht trokken. Bij de discussies over 
de opneming van minder of niet goed opgenomen kusten, 
waaraan de heer Versteeg voor den Indischen Archipel 
levendig deelnam, werd op diens advies een ook voor 
Nederland belangrijk besluit genomen, door het congres 
bekrachtigd, waarbij de gouvernementen met geregelden 
hydrographischen dienst werden uitgenoodigd zich over 
de opneming dier kusten te verstaan, de niet of onvol- 
doend opgenomen kusten zoo snel mogelijk te doen opne- 
men en die opnemingen in haar geheel of gedeeltelijk al 
dadelijk voorloopt^ te publiceeren, en deze kaarten eerst 
dan te verbeteren en aan te vullen, als zij ten gevolge van 
geodetische opnemingen van het noodige aantal punten, 
definitief gerectifieerd werden. Ook sprak het congres, op 
voorstel dezer groep, den practischen wensch uit, dat toch 
de teekens, op de zeekaarten voor banken en gevaarlijke 
plaatsen aangegeven, evenals de betonning der kusten en 
riviermondingen, bij de verschillende natiën mochten over- 
eenstemmen en van dien aard mochten zijn, dat zij de 
plaats, waar zich die gevaren bevonden, reeds eenigermate 
aanduiden. 

In de derde groep (physische geographie, meteorologie, 
enz.) hield men zich vooral met de stations, volgens het 
plan Weyprecht op te richten, bezig. Het congres verlangde 
op dezelfde meridianen, doch op lagere breedte, stations 
van den tweeden rang (bijv. in Oost-Siberie tusschen 52* 
en 72^ N.Br. en aan de westkust van Nova-Zembla) en 
noodigde de Italiaansche regeering uit, vooral ook in de 
Antarctische gewesten, waarnemingen te laten doen en in 
de zuidelijkste gedeelten van het zuidelijk halfrond, langs de 
Rio Negro in Patagonie en in de baai San Giuseppe, me- 
teorologische en speciaal magnetische waarnemingen, onder 
medewerking van de zich daar bevindende zendelingen, te 



VIJF EN DERTIGSTE ALGEMEENS VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



9^ 



laten verrichten. Voorts werden in deze groepen de zoo 
merkwaardige horizontale verplaatsing van den bodem; 
de wijziging in 't niveau van den spiegel der Middell. zee, 
in den Icop der eeuwen opgemerkt; de oprichting van 
speciale observatoriums voor het waarnemen der aardelec- 
tridteit en aardbevingen; de waarnemingen der tempera- 
tuur van de oppervlakte des bodems, vooral op bergen en 
de weder aanplanting der bosschen besproken. 

In de vierde groep, anthropologie, ethnologie en philologie, 
werd verslag gegeven van de megalithische monumenten 
en de overblijfselen uit de steen-, brons- en ijzerperiode, 
op verschillende plaatsen van Italië gevonden, en betoogde 
de heer Van Musschenbroek, hoe onjuist het was bij het 
woord Alfoer aan een ras of volksnaam te denken, een 
opmerking, die Prof. Giglioh aanleiding gaf het congres te 
verzoeken de R^eering van Ned. Indie en de daar ge- 
vestigde genootschappen uit te noodigen hun aandacht te 
schenken aan de ethnologie der zoogenaamde Alfoeren van 
Halmaheira; dan zou ook allicht over den oorsprong der 
blankere Polynesiörs meer licht geworpen worden, In de 
' vijfde groep (historische geographie en geschiedenis der 
aardrijkskunde) kwamen bijna alleen geschiedkundige feiten 
op 't gebied der kartographie en der ontdekkingsgeschie- 
denis ter sprake, terwijl de wensch werd uitgesproken, dat 
men zoowel in Italië als in de overige staten van Europa 
aan de samenstelling van een historisch geographisch 
woordenboek voor de middeleeuwen mocht medewerken. 
In de zesde groep werden alleen onderwerpen van groot 
practisch belang besproken, bijv. landverhuizing; de op- 
lichting van handelsmusea, op de wijze als zij reeds te 
Milaan, Brussel, St. Gallen en Venetië waren opgericht; 
de verbindingsw^en tusschen Indie en China; de handels- 
wegen naar de Afrikaansche binnenlanden; de ruilmidde- 
len voor dien handel. Bij het bespreken der immigratie en 
emigratie sprak het congres den dringenden wensch uit, 
dat de gouvernementen toch niet enkel feiten en cijfers 
zouden verzamelen, betreffende de landen, waarheen de 
stroom der volksverhuizing zich richtte, maar het onder- 
zoek ook zou uitstrekken tot de oorzaken en gevolgen 
daarvan en dat verder door particuliere instellingen (ver- 
eenigingen tot bescherming van landverhuizers, genoot- 
^happen voor de beoefening van handelsgeographie en 
bureau*s van informatie) alle gegevens mochten gepubliceerd 
worden over het leven, de loonen, de kosten in de landen, 
-die landverhuizers tot zich trokken en den toestand der 
landverhuizers in de koloniën der verschillende natiën. 
Wat de verkeerswegen betrof, werd door het congres de 
•wensch uitgesproken, dat de doorgraving der landengte 



van Korinthe, doo- generaal Türr ter algemeene vergade- 
ring besproken, om haar groot belang voor den handel 
met het Oosten zoo spoedig mogelijk een aanvang mocht 
nemen. In de zevende groep (onderwijs, verspreiding der 
geographie) waren de discussies over de grenzen der geo- 
graphie als wetenschap, vooral in verband met de andere 
wetenschappen en de overeenstemming in de transscriptie 
der plaats- en persoonsnamen zonder groot practisch nut; 
zij liepen over vraagpunten, die meestal moeilijk op een 
congres uit te maken zijn. De achtste groep (geographische 
reizen en onderzoekingen) stond insgelijks in gewicht verre 
achter bij die in 1875 te Parijs. Zij vormde geenszins 
zoozeer het middelpunt van beroemde reizigers; de debat- 
ten hadden veel minder belang en — wat meer betee- 
kende — zoo zelden werden nieuwe terreinen besproken, 
door kloeke reizigers ontsloten of in het wereldverkeer 
gebracht en door hen zelven voor een belangstellend ge- 
hoor in hun eigenaardigheden geschetst. Dat had slechts 
in de voorlaatste zitting plaats gehad, toen de Hongaar 
Dechy Mor zijn gehoor met zijn voordracht, door afbeel- 
dingen en verschillende op de reis verzamelde voorwerpen, 
opgehelderd, naar de Himalaja verplaatste, toen een leven- 
dig verslag werd voorgelezen van de reizen, door Ujffalvy 
met zijn moedige echtgenoot in Kasjmir ondernomen, en 
toen de heer Van Hasselt zoo duidelijk, ook door zijn 
kaart, aanwees, welke nieuwe resultaten er voor de ge- 
ographie van Sumatra en de wetenschap in 't algemeen 
door de Sumatra-expeditie verkregen waren. 

Aan 't slot zijner voordracht stond Prof. Kan bij de 
algemeene vergaderingen stil, die, behalve de verhandeling 
van gen. Türr en de voordrachten der reizigers Crevaux, 
Massari, Giglioli en anderen over hun reizen, zoo belang- 
rijk waren geweest door 't uitspreken der bovengenoemde 
wenschen; door de bewijzen van belangstelling, die het 
Vorstelijk Huis en de aanzienlijke Italianen in dit feest 
der geographische wetenschap hadden gegeven, doch ook 
door de kernachtige gedachten, bij de opening en sluiting 
uitgesproken. Niet door Regeeringen, maar door de vrije 
volken zelven moet de beweging op aardrijkskundig gebied 
gesteund worden; men verheöe zich niet altijd op een 
glorie van vroegere eeuwen, maar voele zich door dat 
roemrijk verleden tot nieuwe daden geprikkeld — het wa- 
ren woorden, voor Venetië gesproken, maar alleszins op 
Nederland toepasselijk. Met een woord over de nobele 
gastvrijheid der Venetianen, die den congresleden zoovele 
genietingen verschafte en tevens een zoo juisten blik liet 
slaan in het karakter der stad en het leven der bevolking, 
besloot spreker zijn voordracht. 



DE BODEMGESTELDHEID VAN DE TRANSVAAL, 

VOORDRACHT, 

GEHOUDEN IN DE VERGADERING VAN HET 
AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP, DEN 28 OCTOBER 1881, 

DOOR 

DR. J. A. ROORDA SMIT. 



Het is mij een groot genoegen, dat ik in de gelegen- 
heid ben, om aan de invitatie van het bestuur van dit 
Genootschap te kunnen voldoen. 

Ik hoop U eenige mededeelingen te doen over Zuid- 
Afrika en wel meer speciaal over de Transvaalsche Repu- 
bliek. Als inleiding zij het mij vergund een blik te werpen 
op de geschiedenis van de boeren, waarvoor we ons vroe- 
ger in *t geheel niet interesseerden, terwijl wij dit thans met 
zooveel sympathie doen. 

Toen in 1835 de boeren uit de Kaapkolonie hun Exo- 
dus begonnen ten gevolge van het wanbestuur der Engel- 
schen, waren er in Europa slechts weinigen, die zich om 
hen bekommerden. 

Die onverschilligheid vond daarin haar grond, dat eerst 
bevooroordeelde reizigers als Le Vaillant, Barrow enz. en 
later de zendelingen aan de Boeren een slechte reputatie 
hadden bezorgd. 

Hieruit moeten we 't verklaren, dat wanneer soms onze 
aandacht op de Kaap werd gevestigd, wij minachtend de 
schouders ophaalden voor dat ellendige ras van slaven- 
handelaars en kafFerverdrukkers, die zich niet wilden schik- 
ken naar de wetten en bevelen van het zoo uiterst humane 
en eerlijke Engelsche régime. — Toen deze antipathie te- 
en de boeren in Europa eerst in beperkte kringen was 



aangekweekt, werd zij later meer algemeen door het odium 
theologicum, dat hen vervolgde. 

De menschlievende bewoners van Westelijk Europa von- 
den het noodig dat alle gekleurde rassen van de geheele 
bekende wereld tot het Christendom zouden gebracht worden. 

Met energie trok men aan het werk en zond zendelin- 
gen naar alle windstreken. 

Enkele dier zendelingen kwamen naar de Kaap. 

De eerste die daar optrad was Dr. van der Kemp, die 
in zijn jeugd cavallerieofficier was geweest in het l^er 
van Prins Willem V, later te Leiden in de Medicijnen 
was gepromoveerd, zich toen te Dordrecht vestigde en van 
daar naar de Kaap vertrok. 

Na een wilde en stormachtige jeugd was hij dweepziek 
geworden, en als een godsdienstig dweeper trad hij in de 
Kaapkolonie op, om de Hottentotten tot het Christendom 
te bekeeren. 

Na hem kwam Read, na dezen Philips en met hen eenige 
Dei minorum gentium. 

Al deze heeren zagen in hun' wilde bekeeringswoede^ 
alle andere maatschappelijke belangen over 't hoofd. Zij 
wilden, coüte qui coüte, de gele Hottentotten en de zwarte 
Kaffers als de gelijken, ja, als de supérieuren van de blan- 
ken beschouwen. 



DE BODEMCÏESTELÖHEID VAN DE TRANSVAAL. 



93 



Voor de laatsten, die zij op alle mogelijke wijze schade 
berokkenden, daar zij aan de landbouweüde bevolking de 
werkkrachten en de persoonlijke veiligheid onttrokken, had- 
den zij niets over dan de innigste verachting en den diep* 
sten haat. 

Het moet eenigszins verwonderlijk schijnen, dat de streng 
orthodoxe zendelingen dien haat koesterden tegen de streng 
orthodoxe boeren. 

Dit kan alleen worden verklaard uit de eigenaardige 
verhouding van de gekleurde rassen tot de boeren en 
uit de eigenaardige sympathie, die nog onze hedendaagsche 
philanthropen koesteren voor menschen met gepigmenteerdé 
huid. 

Toen eindelijk de boeren (in 1835) voor het Engelsche 
bestuur en de zendelingen de wijk namen, bleef hun het 
odium diabolicum vervolgen. 

In hun strijd tegen de barbaren Moselekatse en Dingaan, 
heetten zij de aanvallers, die de brave eerlijke en bovenal 
zoo zwarte Kaffers op de meest onmenschelijke manier 
mishandelden. 

Hun tochten t^en veedieven, als Moselle en zijn 
vriend Sechele, als rooftochten gebrandmerkt, werden ge- 
critiseerd door den braven Livingstone en zijn eerlijken 
schoonvader Moffat, die beiden trouw werden bijgestaan 
door hun vrienden Inglis, Edwards en den in Transvaal 
nog zeer welbekenden Ludorff. 

Al deze heeren brachten de Engelsche en HoUandsche 
pers in oproer tegen de barbaarsche boeren, ja zelfs in de 
kerken hield men hier bidstonden, dat aan de arme ver- 
drukte Kaffers de zegepraal mocht ten deel vallen over 
hun wreede onderdrukkers. 

Dat de zeer beklagenswaardige en waarheidlievende 
zendelingen bij die bidstonden niet kwaad voeren, behoeft 
geen betoog. 

Maar Livingstone en Moffat bemoeiden zich later niet 
meer met de Boeren, en de in Transvaal nieuw aange- 
komen Duitsche zendelingen schenen minder van kwaad- 
spreken te houden dan hun Engelsche collega's. 

En wanneer ook een enkele Duitscher, zooals bijv 
Dr. Wangemann, thans de super-intendent der Berlijnsche 
missie, uit zijn pen gal liet vloeien tegen de boeren, dan 
deed hij dit zoo onhandig, dat geen verstandig man aan 
zijn schrijven geloof kon slaan. 

En zoo ver^gat men in Europa bijna geheel, dat op het 
Transvaalsche grondgebied een klein maar dapper volk 
een HoUandsche republiek had gesticht. 

Plotseling werden wij daaraan herinnerd door de komst 
tan president Burgers. Zijn innemende persoon deed als 



met een tooverslag de oude grieven tegen zijn landge- 
nooten vergeten, en vooral het jongere geslacht begon zelfs 
een levendige sympathie voor hen te koesteren. 

Dit alles was slechts tijdelijk. De Secocoenie-oorlog en 
de Houding der Boeren werden in Holland streng gegispt. 
En toen ze zich lieten annexeeren waren we overtuigd, 
dat de Boeren lafaards waren en ontaard van de dappere 
overwinnaars van Dingaan en Moselekatse. 

Wij hadden geen sympathie meer voor hen. 

Maar ook thans was de publieke opinie te voorbarig. 
Zij veranderde weer met een tooverslag, toen de mare 
kwam, dat dit kleine volk van nog geen 60,000 zielen 
den handschoen had toegeworpen aan het machtige Albion. 

Wij werden trotsch op onze Afrikaansche broeders, die 
ons nog eens den tachtigjarigen worstelstrijd in 't geheugen 
riepen. 

En hoevelen van ons hebben hen niet vergeleken met het 
oude, kleine, maar toch zoo reusachtig groote Hellas? 

Het is gebleken, dat de Transvaalsche Boeren gehecht 
zijn aan het land, dat zij bewonen. Als landbouwers 
bewerken zij den grond, en daarom zal een kleine, 
hoewel uit den aard der zaak zeer oppervlakkige studie 
van den Transvaalschen bodem en zijn productieve kracht 
U misschien welkom zijn. — Mocht deze studie nogeenig 
voordeel kunnen brengen aan mijn Transvaalsche vrienden ! 



II. 



Wanneer we van Natal over den Vrijstaat naar de 
Transvaal reizen, dan vinden we aan de kusten alluviaal 
zand. Verwijderen we ons verder van de Natalsche kusten, 
dan passeeren we verschillende formaties, tot we eindelijk 
komen in het gebied der Drakenbergen. Hier vinden we 
een kolossaal bekken van zandsteen, hier en daar bedekt 
door Thonschiefer. 

Dit zandsteenbekken is op verscheidene plaatsen secun- 
dair door vulkanische werking opgeheven en hier en daar 
door vulkanische gesteenten doorboord en bedekt. Overal 
in de Drakenbergen vinden we dezelfde verhoudingen terug. 
Onder die opheffingen vinden wij enkele zeer eigenaardige 
vormen, waaronder in de eerste plaats de tafelbergen onze 
aandacht trekken. 

' Ik had de gelegenheid enkele dier tafelbergen nauw- 
keuriger te onderzoeken. Zij bestonden tot aan hun top 
uit zandsteenlagen, die ik in een ravijn, in de onmid- 
dellijke nabijheid, veel lager terugvond. Sommige waren 
aan hun top of dicht daarbij, sommigen op een derde 
liunner hoogte door vulkanische gesteenten doorbroken. 



94 



DE BODEMGESTELDHEID VAN DE TRANSVAAL. 



De zandsteen, die tot de Drakenbergen behoort, heeft, 
zoowel in Natal als in den Vrijstaat, bijna geheel hetzelfde 
karakter. Hij komt nl. volkomen overeen met de zooge- 
naamden gres houiller. 

Inderdaad bevat hij op vele plaatsen, reeds dicht bij de 
oppervlakte, steenkoolbeddingen, die hier en daar zijn 
afgebroken, maar op vele plaatsen in Transvaal kunnen 
worden aangetoond, en wel speciaal in de districten Mid- 
delburg, Wakkerstroom, Utrecht en Lijdenburg en verder 
in Natal, Basutoland, en den Vrijstaat. 

De kolossale dikte van de steenkolenbeddingen, die we 
hier in Europa dikwijls waarnemen, schijnt daar onbekend 
te zijn. Tot nog toe vindt men de lagen tamelijk aan de 
oppervlakte, maar van geringe dikte n.1. van een tot 8 
Eng. voeten en steeds afgewisseld door zandsteenlagen. 

De kwaliteit dier steenkolen is in 't algemeen goed. De 
bovenste lagen naderen in hun algemeene eigenschappen 
meer tot de bruinkolen; dan volgen tamelijk vette, veel 
teer leverende steenkolen. 

In verscheidene monsters vond ik een groote kwantiteit 
p)rriet. De steenkolenbeddingen behooren tot de drakenbergen 
en schijnen in *t meer westelijk centrale gedeelte van de 
Kaap niet voor te komen. 

Uit het aangevoerde blijkt dat machtige vulkanische wer- 
kingen de steenkolenbeddingen van Zuid-Afrika hebben 
opgeheven. Dat deze beddingen nog jong zijn, blijkt uit de om- 
standigheid dat de bovenlagen dikwijls uit bruinkool bestaan. 
Hieruit volgt dat de vulkanische opheffingen der Draken- 
bergen van een jongeren datum zijn dan de bruinkolenperiode. 

Het meer westelijk gedeelte van de Kaap en ook van 
Transvaal wordt door andere formaties ingenomen. Reizen 
we de Transvaal van Zuid naar Noord door, dan komen 
we na de kolenzandsteen van den Vrijstaat, die zich nog 
ten noorden van de Vaalrivier bevinden, gepasseerd te 
hebben, ten eerste op het Heidelbergsche bekken. Dit 
bestaat vooral uit schieferzandsteen, die een ander karakter 
draagt dan de zandsteen van het Pretoriabekken, die mij 
toeschijnt tot de Silurische periode te behooren. 

Deze Silurische lagen strekken zich tot op grooten afstand 
van Pretoria uit, ten noorden tot bij Pienaars-rivier, ten 
oosten tot aan de Drakenbergen, waar wij ze terugvonden 
op de goudvelden in het district Lijdenburg. Hoever het 
Pretoriabekken zich ten westen uitstrekt kon ik niet nauw» 
keurig bepalen, daar het reeds vrij spoedig door andere 
formaties wordt bedekt. 

Deze Silurische lagen worden hier en daar doorsneden door 
metaraorphische riffen, waarvan de Makhalibergen, die bijna 
geheel uit kwartsporphyr bestaan, de voornaamste vormen. 



De richting van de meeste dier metamorphische riffen 
is van oost naar west. 

Zij bevatten op verscheiden plaatsen metaalertsen als 
loodglans, koperkies, dat hier en daar secundair is veranderd 
tot malachiet en koperlazuur, en waarschijnlijk geringe 
kwantiteiten goud. 

De diluviale detritus dier riffen bij Pretoria bleek mij 
zoowel bij wassching als bij amalgamatie sporen goud te 
bevatten. 

De geringe kwantiteit zal echter een geregelde exploitatie 
dier goudvelden bij Pretoria niet in 't leven kunnen roe- 
pen. Hetzelfde geldt voor de andere ertsen loodglans 
en koperkies die in de Makhalibergen en andere kwart- 
sitriffen worden gevonden. 

Wel vindt men in de Makhalibergen hier en daar nog 
sporen van oude mijnwerken, naar men zegt door Duit 
schers of Portugeezen daar aangelegd, maar goede resul- 
taten heeft men klaarblijkelijk niet verkregen. 

Terwijl de Silurische formatie van Pretoria in het Oosten 
bedekt wordt door den kolenzandsteen van de Draken, 
bergen, vinden we noordwaarts, in het Waterbei^he 
bekken zandsteenformaties, waarop ik later terug kom. 

De lijn, die het Pretoriabekken van het Waterbei^gsche , 
scheidt, loopt bijna recht van Oost naar West, eenige 
mijlen ten zuiden van Pienaarsrivier. 

Bij deze rivier en tot aan de Waterbergen vormt het 
een groote vlakte, bedekt door diluviaal zand en detritus, 
dat voor een groot gedeelte afstamt van de Drakenbergen 
en waarschijnlijk door rivieren en stroomen daar is ge- 
bracht. Ten minste de verschillende quarzit-soorten, agaat^ 
jaspis, rookkwarts, citrin enz., die in de Drakenbergen 
voorkomen, zijn op de Springbokvlakte in ruime mate 
voorhanden. Alle genoemde kwartsit-soorten vond ik in 
massa's in de rivierbeddingen, als de Tugela enz. enz., 
direct bij de Drakenbergen. 

Over een breedte van 6 Eng. mijlen wordt het diluvium 
jder Springbokvlakte doorsneden door een lang hoog veen. 
De richting van deze veenlaag, die als een smalle, lange 
gordel zich tot Lijdenburg laat vervolgen, is van Oost 
naar West. 

De Waterbergsche zandsteen draagt een ander karakter 
dan die van Pretoria. Hij is meer rood, bevat grootere 
kwartsitkorrels en verweert lichter. Hij schijnt mij toe van 
jongeren datum te zijn dan die van het Pretoriabekken. 

Door de weinige fossielen die ik vond, was het mij 
onmogelijk den ouderdom dier lagen nader te bepalen. 
Wel vond ik hier en daar afdrukken en fossielen maar dit 
was alleen in de Drakenbergen. Ik vond daar prachtige^ 



DE BODEMGESTELDHEID VAN DE TRANSVAAL. 



95 



Stukken fossiel hout, waarvan ik er meenam voor het door 
mij te Pretoria opgerichte museum. 

Evenals bij Pretoria vertoont het Waterbergsche bekken 
opheffingen in den vorm van Tafelbergen en daarbij 
metamorpliische riffen, waarvan het kwartsporphyr weer 
het grootste aandeel inneemt. 

Ook hier bevat de kwarts goud, en in grootere hoeveel» 
heid, zoozelfs, dat men in de Eerstelingmijnen bij Maraba- 
stad, die tot het Waterbergsche bekken behooren, met 
succes eenigen tijd het goud heeft ontgonnen. 

Ook de diluviale detritus om en bij deze metamorphi- 
sche riffen bevat goud, maar in geringe hoeveelheid. 

De riffen bevatten verder (in Waterberg) loodglans en 
koperkies. Op twee plaatsen in het distrikt Waterberg 
zag ik, dat men door dagbouw het loodglans had geëxploi- 
teerd. Men had dit zeer methodisch gedaan, zoodat ik 
geloof, dat dit in de i6e of 17e eeuw door Portugeezen 
is geschied. De Kaffers, hoewel zij loodglans als cosme- 
ticum gebruiken, nl. om het met vet vermengd op hun 
huid te smeeren, kunnen dit niet gedaan hebben, daar- 
voor is de bouw te methodisch. Overigens betwijfel ik of 
deze looddepöts ooit de kosten kunnen goedmaken. 

Ik heb zelf daarvoor leergeld gegeven en geen voldoend 
succes kunnen behalen met loodmijnen in 't distrikt Water- 
beig, hoewel ik verscheidene riffen met de uiterste zorg heb 
onderzocht. De massa kwartsit toch, d. i. de gangmassa, die 
verwerkt moet worden, levert geen genoegzame hoeveelheid erts. 
Overigens is het loodglans, dat in deze kwartsporhyr is 
ingesloten, tamelijk rijk aan zilver, waarvan ik mij door 
verscheidene chemische analyses heb kunnen overtuigen. 
£r zijn echter loodmijnen in de Transvaal, die voldoende 
kunnen opleveren. 

Zij li^en in het distrikt Marico en werden geëxploiteerd 
door de firma Braij en Co. Ik heb geen gelegenheid gehad 
Marico te bezoeken en ik kan daarom over de geologie 
dier mijnen niets naders meedèelen. 

De Pretoria zandsteen-formatie wordt over een groote 
uitgestrektheid bedekt door een kalksteenformatie. 

Hoewel op verscheidene plaatsen niet voorhanden, vinden 
wij dezen kalksteen aan de oppervlakte terug over het 
geheele zuid-westelijke gedeelte van den Transvaal, het 
noord-westelijke gedeelte van den Oranje- Vrijstaat en de 
diamantvelden (Griqualand West). Op verscheidene plaatsen 
zooals dicht bij Pretoria (de Fonteinen, de Wolvegaten) 
en bij Potchefstroom (Wonderfontein) enz. bevat deze 
laatste formatie groote druipsteengrotten, waarvan vooral 
''^e te Wonderfontein ons levendig aan de grotten van 
Han herinneren. 



Ik heb zooeven doen opmerken, dat de Silurische zand- 
steen-formatie van het Pretpria-bekken veelvuldig door 
riffen en aderen van ertsbevattende metamorphische ge- 
steenten wordt doorsneden. Dit is ook het geval voor de 
kolenzandsteen in de distrikten Middelburg en Wakker- 
stroom. Op verscheidene plaatsen vindt men daar toch in 
metamorphische gangen, ijzerglans en ijzerglimmer, die ons 
geheel aan het beroemde ijzererts vanElba herinneren, en 
kobalt, in den vorm van speiskobalt en kobaltblüthe. Men 
heeft daar zelfs de kobaltmijnen gedurende eenigen tijd 
geëxploiteerd. Zooals echter bekend is, is het kobalterts 
geen artikel, dat men steeds van de hand kan zetten door 
het weinige gebruik, dat de chemische industrie van dit 
metaal maakt. Hieraan moet het waarschijnlijk ook ge- 
weten worden, dat men de exploitatie der kobaltmijnen 
geheel heeft gestaakt. 

Bij het bespreken der geologie merk ik nog op, dat in 
het distrikt Waterberg warme zouthoudende bronnen zijn, 
die den omringenden bodem met koolzuren natron en dub- 
belkoolzuren kalk impregneeren. Op een paar plaatsen in de 
buurt dier thermen vond ik efilorsenties van natron-salpeter. 

Zooals U bekend is heeft men grooten ophef gemaakt 
van de goudvelden in Lijdenburg (Transvaal), die ten 
noorden van de Transvaal (de Tati en anderen die in het 
land van Moselekatse zijn gelegen, tusschen de Limpopo 
en Zambesi-rivieren. 

Enkele geleerde Duitschers hebben zelfe in dit laatste 
land het Ophir van het Oude Testament willen herkennen. 
Nc^ anderen, waaronder Mauch, die er de ruïnes van 
Zimbaye ontdekte, die hij later in Petermanns Mittheilun- 
gen heeft beschreven, verklaarden dit voor het land Scheba 
of Zaba, dat is, voor de domeinen van de beroemde ko- 
ningin, die eens aan de voeten van den wijzen Jodenkoning 
Salomo de spreuken vergaarde, die van zijn' welsprekende 
lippen vloeiden. 

Daar ik geen archaeoloog ben, kan ik mij met deze 
quaestie niet inlaten. 

Het goud komt in Transvaal in twee vormen voor, nl. 
in kwarts en als zoogenaamd alluviaalgoud. Vroeger heb 
ik U reeds meegedeeld, dat er in het district Zoutpansberg 
in het Waterbergsche bekken, talrijke kwartsit-aderen loopen, 
die een aanmerkelijke kwantiteit goud bevatten. 

Monsters van deze riffen werden naar Engeland gebracht 
en een Londensche compagnie nam de exploitatie van 
deze mijnen op zich. Zij had geen succes. Hoewel de 
aau de oppervlakte liggende lagen der kwarts zeer rijk 
bleken te zijn, was dit niet het geval met de dieper 
gelegen lagen, en men heeft de exploitatie moeten staken. 

13 



96 



DE BODEMGESTELDHEID DER TRANSVAAL. 



De zoogenaamde alluviale goudbeddingen op het Pretoria 
en Waterbergsche bekken, zijn beide te arm voor een 
geregelde exploitatie. 

Iets anders worden de verhoudingen in het distrikt 
Lijdenburg, dat gedeeltelijk bestaat uit Pretoria zandsteen, 
die in het oostelijk gedeelte door de kolenzandsteen van de 
Drakenbergen wordt bedekt. 

Men heeft daar met veel succes een tijdlang de goud- 
velden geëxploiteerd. 

Het kwartsgoud in riffen werd daar niet geëxploiteerd, 
alleen het alluviale goud. 

Een groot nadeel van de Lijdenburgsche goudvelden is 
dit, dat de meeste placers zeer klein zijn, daarbij komt nog, 
dat de placers zeer verschillen wat het goudgehalte betreft. 

Een geregelde exploitatie wordt door deze ongelijkmatig- 
heid bijna onmogelijk, daar enkele del vers bijna niets 
vonden, terwijl anderen soms bij toeval klompen ontdekten, 
vlak aan de oppervlakte en zoo in korten tijd een fortuin 
hebben vergaard. 

Beroemd zijn geworden enkele groote klompen, waar-, 
onder een paar, die President Burgers mee naar Eiuropa 
nam en waaruit hij later de eerste Transvaalsche munten 
heeft laten slaan. 

De bespreking der goudvelden brengt ons geleidelijk op 
de diamantvelden, die in Griqualand-West liggen, dus 
eigenlijk buiten de grenzen der Transvaalsche Republiek. 

Door de analogie die er in de geologische structuur ligt 
van het Z.-W. gedeelte van de Transvaal en Griqualand 
West, acht ik het zeer mogelijk dat er ook op Trans- 
vaalsch terrein diamantmijnen zullen worden gevonden. 

In een artikel in de Archives Neerlandaises van 1880 
heb ik de geologische structuur der diamantdepóts be- 
sproken. 

De hoofdzaken wil ik nog even resumeeren. 

Te midden van een zandsteenformatie, waarvan ik den 
ouderdom niet heb kunnen bepalen, en die op verschei- 
dene plaatsen door een kalksteenformatie wordt bedekt, 
liggen de diamantmijnen, oorspronkelijk als heuvels, thans 
als kolossale putten, die tot een diepte van 400 en meer 
Eng. voeten zijn uitgegraven. 

De diamantmassa heeft al deze lagen doorbroken, zoo* 
als blijkt uit het opgeheven zijn dezer lagen aan de mijn- 
randen. Het moedergesteente van den diamant is een 
breccie, die buitendien nog vaalith, smaragdit, ilménit,oli- 
vin enz. bevat en verder nog een donkergrijs gesteente, 
waarin ik koolstof, verbonden met waterstof, vond. 

Een nauwkeurige analyse van dit mineraal deed mij het 
kennen als een silikaat van de samenstelling 5 (MO. SiOj) 



4 RsOs, 5 SiO», waarin verder nog 1,2 pCt. koolstof, 
waarschijnlijk met H verbonden. De slotconclusies, die ik 
uit de verschillende geologische gegevens van de diamant- 
depóts trok, zijn deze: 

I®. De diamantmijnen zijn van vulkanischen oorsprong. 

2^. De aanwezigheid van vrije koolstot in de breccie 
wijst er op, dat deze koolstof heeft gediend tot vorming 
der diamanten, door gelijktijdige inwerking van hoogen 
druk en hooge temperatuur. 

Deze hypothese heett men in België aangevallen. De 
hoogleeraar Spring uit Luik, die van mijn onderzoek rap- 
port uitbracht aan de Société de Geologie merkte op, dat 
de diamant bij hooge temperaturen vervluchtigt en alleen 
asch overlaat. Hij voert verder aan, dat de diamant waar- 
schijnlijk van organischen oorsprong is. Ik voer daartegen 
te dezer plaatse aan: 1^. het feit, dat Prof. Jeremejen 
diamant vond in xanthophyllit, waar dus een plantaardige 
oorsprong moeielijk kan worden aangenomen. Toch is 
met den vulkanischen bouw der mijnen een plantaardige 
oorsprong voor den diamant niet buitengesloten. De kool- 
stof in de mijn toch kan zeer goed van plantaardigen 
oorsprong zijn, te meer daar de bouw der mijnen er op 
wijst, dat we hier met zoogenaamde slijkvulkanen te doen 
hebben, zooals we die o. a. zooveel in Mexico vinden. 

2 o. Dat het mij onmogelijk schijnt dat wij bij zorgvul- 
dige afsluiting van zuurstof de diamant zouden kunnen 
vervluchtigen. Ik voor mij geloof, dat de experimenten van 
het vervluchtigen van diamanten op een dwaling berusten. 
En in een vulkanische massa kan zeer goed een volslagen 
gemis aan zuurstof zijn, of ten minste slechts zulk een 
kleine hoeveelheid, dat zij in 't geheel niet voldoende is 
om de koolstof, in die massa vervat, te verbranden. 

Over de kwaliteit en andere eigenschappen der Kaapsche 
diamanten heb ik reeds vroeger geschreven, o. a. in een 
feuilleton in het „Handelsblad" van Mei 11., en ik kom 
daarop thans niet terug. 

Vóórdat ik den landbouw en de geschiktheid van het ter- 
rein voor cultures bespreek, geloof ik, dat het dienstig za 
zijn V eerst even te herinneren aan de hydrographie van 
de Transvaalsche Republiek, aan de hoeveelheid regen, de 
waterbronnen enz. 

De Transvaal wordt door twee rivieren gedraineerd, 
het noordelijk en oostelijk gedeelte door den Limpopo, 
het zuidelijk en zuid-westelijk gedeelte behoort tot het ge- 
bied van de Vaalrivier, en deze is een neventak van 
de Oranjerivier. 

Alle mogelijke kleinere rivieren en stroomen van de 
Transvaal behooren tot deze twee hoofdkanalen. 



DE BODEMGESTELDHEID VAN DE TRANSVAAL. 



97 



]>e twee stroomdomeinen worden van elkaar gescheiden 
door een hoog plateau. £r bestaan goede kaarten van de 
Z.-A. Republiek, waarop deze korte hydrographische schets 
uitstekend is weergegeven, zoodat ik 't niet noodig vind 
hierover uit te wijden. 

Van meer belang, vooral voor den handel, is het vol- 
gende feit. De rivieren van Zuid-Afrika hebben niet, 
zooals vele onzer groote rivieren, een bovenloop en een 
rustigen benedenloop, waartusschen een meer als reservoir 
is geplaatst. 

Alle rivieren, zelfs de groote, hebben alleen een boven- 
loop. Nu is het wel waar, dat de val van het water niet 
te groot is om ten minste op enkele rivieren de scheep- 
vaart mogelijk te maken. 

De Vaalrivier bv. ontspringt uit de Drakenbergen, bijna 
6000 Eng. voeten boven zeeniveau, en valt met ca. 800 
voeten over een lengte van ruim 200 Eng. mijlen in de 
Oranje-rivier. A priori zou men dus niet denken, dat, 
zelis op de Vaalrivier, de scheepvaart bijna onmogelijk is. 
Maar de bedding der Vaalrivier is uiterst onregelmatig, 
en zij valt hier en daar met trappen. Zoo komt het, dat 
de stroomsnelheid, vooral op enkele plaatsen, zeer groot is. 
Ik twijfel op mijn waarnemingen er echter niet aan, dat 
men door het leggen van sluizen, de rivieren bevaarbaar zal 
kunnen maken, zelfs voor niet te diep gaande stoomschepen, 
en dat men op die wijze den handel en de industrie van 
Z.-Afrika zeer zal kunnen bevorderen. 

Hetzelfde wat ik van de Vaalrivier gezegd heb, geldt 
in meerdere of mindere mate voor de Oranje- en Limpopo 
rivieren. 

Wat den regenval aangaat, zoo moeten wij den geheelen 
kaap in twee helften verdeelen, nl. de oostelijke en de 
westelijke helft. 

In de oostelijke helft heeft men den regen in den zomer, 
terwijl in de wintermaanden bijna geen regen valt. Tot 
deze oostelijke helft behoort de geheele Transvaal. 

In de westelijke helft, d. i. in de omstreken van Kaap- 
stad en de Westelijke provinciën van de Kaapkolonie 
regent het bij voorkeur in de wintermaanden, terwijl 
's zomers de regenval zeer onbeduidend is. Maar beide 
helften hebben dit nadeel, dat de regenval, vooral door de 
hier tamelijk loodrecht invallende zonnestralen niet vol- 
doende is voor den landbouw. Om echter meer regen te 
verkrijgen is men daarom op verschillende plaatsen met 
boschcukuur begonnen. Daar dus de regenval niet vol- 
doende is, heeft de landbouwersbevolking haar toevlucht 
moeten nemen tot irrigatie. De koopwaarde van den grond 
vordt in verband daarmee grootendeels bepaald naar de 



voorhanden hoeveelheid water, die voor irrigatie kan worden 
gebruikt. Dit water komt hier en daar van bergen, maar 
meestal uit bronnen, die dicht bij de oppervlakte liggen. Over 
het algemeen leveren zij slechts een kleine hoeveelheid wa- 
ter, daarbij hebben zij de onaangename eigenschap, dat de 
inpermeabele laag, waarop zij liggen, dikwijls zeer dun is. 
Het gevolg hiervan is dikwijls geweest, dat, terwijl men 
de bronnen wilde verdiepen, om meer water te verkrijgen, 
men de geheele bron verloor. 

Toch zijn er verscheidene uitgestrekte plaatsen, waar 
men met goed gevolg artesische putten zou kunnen aan- 
lagen op niet zeer groote diepte. 

De zandsteenlaag van het Pretoriadal b. v. is bijna in- 
permeabel door haar hoog gehalte aan aluinaarde silika- 
ten; daarbij ligt zij tusschen twee bergruggen, waarvan 
een aanmerkelijke hoeveelheid water naar den ondergrond 
vloeit. 

Evenals dit bij Pretoria mogelijk is, zou men ook in 
andere districten op doelmatig uitgezochte plaatsen met 
zeer goed gevolg artesische putten kunnen aanleggen. In 
het district Waterberg vond ik zelfe een flinke bron boven 
op een heuvel: dit water kwam van hooger gelegen berg- 
toppen. 

Het water uit die bron zou zeer goed de geheele vlakte 
van tien vierk. Eng. mijlen of een gedeelte daarvan, in 
vruchtbaar bouwland kunnen herscheppen. 

Maar ik betwijfel het niet of de Trans vaalsche boeren- 
bevolking, die dikwijls op meesterlijke wijze met geringe 
hulpbronnen haar gronden in cultuur heeft gebracht, zal 
ook hier langzaam maar zeker den landbouw nog tot een 
hoogeren trap opvoeren. 

De aard der bouwgronden in de Transvaal is natuurlijk 
zeer verschillend. Terwijl men in de buurt van sommige 
rivieren en in vlakten uitstekende klei- en humusgronden 
aantreft, ligt op andere plaatsen het gesteente van den 
ondergrond aan de oppervlakte en is dus landbouw daar 
onmogelijk. De waarde der gronden voor den landbouw 
kan dus slechts door nauwkeurig onderzoek worden be- 
paald en ik geloof, dat het zeer moeielijk zou zijn om deze 
zelfs in een gedtéailleerde kaart te kunnen aangeven. 

De cultures, die in de Transvaal met goed gevolg wor- 
den ondernomen, verschillen natuurlijk: 

i<>. naar de geographische breedte; 

2®. naar de omstandigheid of de gronden in questie, 
ten zuiden of ten noorden der beiden liggen. 

3^. naar den aard der gronden. 

Terwijl men ten zuiden der bergtoppen dikwijls alleen 
die vruchten kan verbouwen, die in een gematigd klimaat 



98 



DE BODEMGESTELDHEID VAN DE TRANSVAAL. 



tehuis behooren, kan men vlak ten noorden van de meeste 
bergen, b. v. van de Makhalis, zoo ook in vele plaatsen 
in het noorden van Transvaal half tropische vruchten ver- 
bouwen. 

Wat echter overal wil groeien, is maïs, die zeer weel- 
derig opschiet, verder graan, haver, enz. 

Op vele plaatsen, vooral bij Rustenburg, verbouwt men 
uitstekende tabak, die door de geheele Kaap zeer ge- 
zocht is. Ik ben er zeker van dat, zoo men met genoeg- 
zame kennis de tabak oogst, zij nog meer zal gezocht zijn 
dan thans het geval is. 

Ik geloof, dat men met veel succes kina- en opium- 
plantages in het noorden van Transvaal zou kunnen aan- 
leggen. Het zou der moeite waard zijn om hierover expe- 
rimenten te nemen. De wijnstok tiert in de Transvaal zeer 
welig en de druiven zijn van goede kwaliteit. Het is echter 
jammer, dat evenals in de Kaapkolonie de temperatuur te 
hoog is in den gistingstijd der druiven, zoodat men de na- 
gisting moeielijk kan vermijden en men gedwongen is om 
den wijn óf door suiker, óf door een zeer groot alcohol- 
gehalte te verduurzamen. 

Men heeft de druiven echter op vele plaatsen dienstbaar 
gemaakt tot het bereiden van een uitstekenden brande- 
wijn, die bij meer kennis van zaken en goede behandeling 
den besten cognac zeer nabij komt. 

Een andere brandewijn, die echter een groote hoeveelheid 
amylalcohol bevat, dus van mindere kwaliteit en daarom 
weinig gezocht is, is de perzikkenbrandewijn, die uit gegiste 
perziken wordt verkregen. Zooab te verwachten is, bevat 
deze brandewijn nog bitter-amandelolie en andere bijmeng- 
selen, die van de pitten afkomstig zijn ; daarbij is zij hoog 
gekleurd, wat haar den naam van Capesmoke (Kaapsche 
rook) heeft bezorgd. Door filtratie door dierlijke kool heb 
ik haar van die schadelijke bijmengselen voor een groot 
gedeelte kunnen zuiveren. 

Evenals bijna alle ingevoerde Europeesche boomen en 
heesters groeien de perzikken en druiven in de Transvaal 
zeer welig. Gedurende het eerste jaar van mijn verblijf 
te Pretoria plantte ik eenige perzikpitten. Het schijnt 
onmogelijk maar toch is het waar, dat een dezer pitten 
na twee jaren een boom had gegeven van circa twaalf 
voet hoogte en reeds vruchten droeg. 

Van den Eucalyptus globulus, dien men in Pretoria had 
aangekweekt, hadden eenige exemplaren in tien jaren een 
hoogte van ruim zeventig Eng. voeten bereikt. 

In de laatste jaren is men begonnen proeven te nemen 
met eiken en olmen. Van den uitslag dier proeven weet 
ik alleen, dat eiken daar goed schenen te tieren. 



Uit het aangevoerde zou men licht tot de conclusie 
komen, dat de Trans vaalsche bosschen er zeer welig uit- 
zien. Dit is echter niet het geval. Voor een groot gedeelte 
is het kleinbosch uitgeroeid door het grasbranden, dat 
's winters veel wordt gedaan om spoediger jong gras te 
hebben, maar de niet uitgeroeide groote bosschen zien er 
over 't algemeen mager en armoedig uit. 

De boomsoorten, die men in de bosschen daar aantreft, 
zijn vooral acacia's en mimosa's, waarvan enkele uit- 
stekend timmerhout leveren. Maar bijna overal waar 
men oude Aftikaansche boomen ziet, vormen zij enorme 
doornen, in plaats van flinke gezonde takken. 

Het schijnt mij toe, dat de bodem voor deze soorten 
die er misschien eeuwen hebben getierd, geheel is uitgeput. 
Wil men boschcultuur in Transvaal zoo is het wenschelijk 
daarheen Australische en Europeesche boomsoorten over 
te planten. 

Ten slotte nog eenige woorden over de veeteelt. 

Toen de Kaap ontdekt werd, bezaten de Hottentotten 
een groote hoeveelheid vee, schapen en runderen. Paarden 
waren in de Kaap geheel onbekend; zij werden eerst later 
door de Hollanders ingevoerd. 

SchajDcn werden alleen bij de Hottentotten gevonden, 
en wel het vetstaartschaap, ovis platyura, dat eigenlijk in 
Azië tehuis behoort. 

Dit feit is een van de argumenten, die ik heb aange- 
voerd om de stelling te verdedigen dat de Hottentotten 
Mongolen zijn. 

Eenige andere argumenten zijn het sterk Mongoolsche 
type van de Hottentotten, die zich zooals ik bewezen heb 
ook in den schedelvorm openbaart. (Archives Neerlan- 
daises 1880). 

Het vetstaartschap is thans in de Kaap bijna uitgestor- 
ven en heeft plaats moeten maken voor de Engelsche en 
daarmede verwante rassen en het Merinoschaap. 

De schapenteelt heeft in Afrika een kolossale vlucht 
genomen en het export van wol wordt nog steeds grooter. 
Ook de Angora-bok is in de laatste jaren zeer aangekweekt. 

De Transvaal schijnt echter voor schapenteelt niet 
zeer geschikt. Als redenen daarvan kunnen we opgeven 
vooral een vergiftige plant, die op alle Ruminantia zeer 
verderfelijk schijnt te werken, en die ten noorden van den 
Witwatersrand (Transvaal) dikwijls kolossale velden bedekt. 

Ten zuiden van den Wiiwatersrand schijnt deze plant 
niet voor te komen en 't is dan ook waar, dat de zuide- 
lijke districten van Transvaal goede resultaten hebben op- 
geleverd, wat dezen tak van veeteelt betreft. 

Ook voor paarden is de Transvaal niet zeer geschikt; 



DE BODEMGESTELDHEID VAN DE TRANSVAAL. 



99 



dat is, wel de zuidelijke maar niet de noordelijke districten. 

Bijna iederen zomer heerscht er onder de paarden een 
epidemie, waaraan honderden sterven. 

Hoewel het mij niet mogelijk was een volkomen diagnose 
dier paarden-epidemie te maken, wil ik toch het ziekte- 
beeld schetsen. 

De ziekte treedt onder twee vormen op, die bij de boeren 
bekend zijn, als de paardenziekte en de dikkop-paardenziekte. 

De oorzaken der ziekte schijnen gelegen te zijn in 
plotselinge tempertuurs-verandering, of het weiden in nat 
bedauwd gras. 

Paarden, die zorgvuldig voor deze invloeden bewaard 
worden, krijgen de ziekten zelden. 

Het incubatie-tijdperk schijnt ca. acht dagen te zijn. 
De ziekteverschijnselen zijn: matheid en lusteloosheid, 
daarbij koorts. Soms is er parèse van de achterste extre- 
miteiten. De ademhaling is in de meeste gevallen, die ik 
waarnam, bemoeielijkt, en men kan zeer duidelijk reutel- 
geluiden waarnemen. 

Dikwijls bestaat een uitgebreide zwelling der lymph- 
küeren, vooral aan den hals. 

Komt deze lymphklierz welling — wat dikwijls het geval 
is — aan den kop voor, vooral in de buurt van de parotis- 
klier, dan noemt men het dikkop-paardeziekte. 

Ruim 80 procent van de paarden, die aangetast zijn, 
bezwijken. Genezen ze, dan krijgen ze gewoonlijk deze 
ziekte niet terug en heeten gezouten. 

Men kan dergelijke gezouten paarden gerust aan de 
genoemde schadelijke invloeden blootstellen, zonder gevaar 
van een nieuwe infectie. Krijgen zij de ziekte toch nog 
voor een tweeden keer, dan is het verloop veel kalmer en 
minder noodlottig. 

Over 't algemeen zijn de gezouten paarden minder vu- 
rig dan voor hun ziekte, en 't schijnt ook dat zij minder 
krachtig zijn geworden. Vooral zijn hun voorpooten min- 
der sterk dan vroeger. 

De therapie had tegen deze ziekte tot nog toe weinig succes. 

Een van mijn paarden, dat ziek werd, behandelde ik 
!•. door een ruime bloedon ttrekking, uit de oppervlakkige 
vena jugularis, 2^. met brandewijn om de callapsus, die 
dreigde, tegen te gaan. 

Het beest genas post hoc. — Is hier de spreuk post hoc 
ergo proptei van eenige toepassing? 

Bij de sectie van een paard dat aan de ziekte gestorven 
was, vonden wij uitgebreide infiltratie van beide longen. 
Aan hart en ingewanden konden we niets abnormaals 
waarnemen. 

Oorspronkelijk waren er geen paarden in de Kaap. De 



Hollanders voerden het Andalusische ras in, men heeft dit 
later met het Arabische ras gekruisd. Nog later heeft men 
gekruisd met Engelsche rassen. De nu in de Kaap inheemsch 
geworden rassen zijn, hoewel niet forsch, uitstekende paar- 
den met elegante vormen en uiterst intelligent. 

Hoewel hun absolute spierkracht niet zeer groot is, zijn ze 
zeer volhardend en zij kunnen bij een eenigermate goede verzor- 
ging dubbel zooveel werk doen, als de meeste paarden hier. 

Eigenaardig is het Basuto-ras, een zeer klein en schijnbaar 
nietig paard, maar zoo volhardend en sterk, dat het ongetwij- 
feld het beste paard van Zuid- Afrika moet genoemd worden. 

Runderen waren reeds in het bezit van de inboorlingen, 
toen de Kaap ontdekt werd. Enkele oorspronkelijke rassen, 
nl. de kleine Zoeloe-os (met horens) en de kleine „Boes- 
kop" (zonder horens) zijn blijven bestaan. Tot welk ras 
de kolossale trekossen behooren is mij niet duidelijk. 

Ook Hollandsch rundvee heeft men geïmporteerd en 
gekruisd met Afrikaansche soorten. Jammer, dat men met 
het Hollandsche rundvee ook de besmettelijke longziekte 
heeft geïmporteerd. 

Uit het aangevoerde blijkt, dat er in den Transvaalschen 
bodem nog groote schatten verborgen liggen — goud, en 
waarschijnlijk diamanten. Doch grooter rijkdom, dan goud 
en diamanten kunnen opleveren, is er het loon van de 
bebouwing van den grond, die door den Transvaalschen 
Boer met energie begonnen en krachtdadig voortgezet, den 
bloei van het land verzekert en om rijke vruchten te dra- 
gen, slechts wacht op de medewerking, die meerdere be- 
schaving hun bieden kan. 

Die hulp wacht Transvaal van Europa, in de eerste 
plaats van Nederland» 

NASCHBIFT. 

Het bijgaande kaartje bevat de verdeeling der verschil- 
lende formaties in en om de Transvaal, zooals ik die 
heb kunnen waarnemen en determineeren. 

Voor zoover mij bekend is, is dit de eerste proeve van 
een geologische kaart van de Z. A. Republiek. 

Uit den aard der zaak kan deze schets niet anders 
dan hoogst oppervlakkig en onvolledig zijn. 

Yan harte hoop ik daarom dat zij weldra door beter 
bestudeerde en vollediger kaarten zal worden vervangen. 

Indien anderen, die in deze richting werkzaam willen 
zijn, het door mij geleverde materiaal kunnen gebruiken — 
tant mieux. 

Ik geloof dat een nadere verklaring der kaart niet 
noodig is, wanneer men de korte geologische beschrij- 
ving in den tekst voldoende heeft nagegaan. 



Geographische Aanteekeningen 



BETREFFENDE 



DE RESIDENTIE SUMATRA'S OOSTKUST, 



DOOR 



J. S. G. GRAMBERG. 



Er is voorzeker geen land ter wereld, dat bij een zoo 
gunstige ligging aan een voorname zeestraat, die het verre 
Oosten met het Westen verbindt, zoo weinig bekend en 
bezocht is als het rijk van Siak. 

Siak met zijne „Onderhoorigheden", zich uitstrekkende 
langs een goed deel van Sumatra's Oostkust, mag als uit- 
gebreidste der oeverstaten van straat Malaka worden 
aangemerkt. Maar ofechoon het een der best bevaarbare 
stroomen van de gansche kust en daardoor eenuitmunten- 
den weg voor handelsgemeenschap van de binnenlanden 
der Westkust met genoemde zeeengte bezit, heerscht er 
noch bedrijvigheid, noch vertier. 

Terwijl het een vruchtbaren bodem heeft, geschikt voor 
allerlei cultuur op groote schaal, die daarenboven wouden 
draagt vol meubel- en timmerhout en die zelfs in de 
bovenstreken rijke delfstoffen in zijnen schoot verbergt, is 
in Siak alles dood en doodsch. 

Dit negatieve voorrecht heeft het rijk hoofdzakelijk te 
danken aan zijne tegenwoordige onbekendheid bij de buiten- 
wereld. Daardoor heeft de stroom der handelsbeweging, 
welke straat Malaka vooral in de laatste jaren te aan- 
schouwen gaf, Siak niet kunnen bereiken, of, beter gezegd, 
die driftige stroom schoot het land voorbij, dewijl hij een 
andere richting volgde. De -orsten van Siak zijn dan ook 
even arm als de schaarsche bevolking. Ontwikkeling is er 
zoo goed als afwezig en beschaving moet nog haren eer- 
sten stempel drukken op land en volk. 



De reden van die achterlijkheid van een land, zoo gun- 
stig gelegen, zoo rijk aan hulpbronnen, de oorzaak van 
die tegenwoordige verlatenheid \an Siak ligt in het vroe- 
ger verleden des rijks, in de toestanden en invloeden die 
er hebben bestaan en gewerkt. Van buiten, herhaalde aan- 
vallen en overheering door het toen overmachtige en oor- 
logzuchtige Atjeh; inwendig, langdurige burgeroorlogen, 
gekweekt door de vorsten zelven in hunne twisten om den 
troon, waarvan wanbestuur, kncvelarij en volksverloop het 
gevolg waren. En — of dit nog niet genoeg ware — werd 
alles nog verergerd door de opgedrongen bescherming van 
twee rivaliseerende machten i), eene bescherming, die inder- 
daad slechts afsluiting ten gevolge had, en ontegenzeggelijk 
op den bloei en de ontwikkeling van het nog steeds arme land, 
met zijne sluimerende rijkdommen, verlammend heeft gewerkt. 

Het ligt natuurlijk niet op den weg van het „Aardrijks- 
kundig Genootschap", om in de kolommen van dit tijd- 
schrift uitvoerige historische mededeelingen op te nemen. 
Die te geven is trouwens ook ons voornemen niet. De 
vroegere geschiedenis van Siak is met de noodige zorg 
elders behandeld, door nu wijlen don heer E. Netscher 2). 



i) De Engelsche en Nederlandsche O. I. Compagnie. Welk dezer 
beide lichamen het sterkst was in de uitoefening van monopolie, dur- 
ven wij niet beslissen. Zooveel is echter zeker, dat de Nederlandsche 
O. I. Comp. haar stelsel met hand en tand vasthield. 

2) Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunstea 
en Wetenschappen, deel XXXV. 



DE RESIDENTIE SUMATRA S OOSTKUST. 



lOI 



Onze ax]»eid bepaalt zich hier tot den tegen woordigen toe- 
stand des lands, tenzij, wellicht hier of daar, eene vluch- 
tige geschiedkundige herinnering tot verduidelijking dezer 
aanteekeningen mocht noodig zijn. 



I. 



Straat Malaka is ongetwijfeld een der voornaamste zee- 
wegen, en de handel van West ea Oost heeft daarvan sedert 
onheugelijke tijden voor de verbreiding en den afzet zijner 
waren gebruik gemaakt. Immers Amerika, Europa, Perzie, 
Voor- en Achtei -Indie, zenden hunne scheepsladingen er 
doorheen naar Singapoera, Siam, Cochinchina, Japan, en 
voor een deel ook naar den Indischen Archipel. Met die 
ladingen houdt natuurlijk ook het personenvervoer een ge- 
lijken tred. 

Deze drukke vaarf door straat Malaka is in het laatste 
tiental jaren nog aanmerkelijk toegenomen, ten gevolge van 
de opening van het Suez-kanaal, welk feit eene enorme 
uitbreiding, vooral aan de stoom vaart heeft gegeven. Onder 
het tweeduizendtal stoomschepen, dat in het jaar 1880 het 
kanaal passeerde, mogen zonder twijfel achthonderd stoo- 
mers gerekend worden, die hun weg vonden door straat 
Malaka. Het kan niet ontkend worden dat de noordooste- 
lijke oever der straat, die onder Britschen invloed staat, 
oneindig meer genot heeft van die scheepvaartbeweging 
dan de zuidwestelijke. De Britsche nederzetting op Poelo 
Pinang deelt daarin voor een klein, Singapoera voor een 
zeer groot deel, terwijl de Nederlandsche kant der straat, 
zegge de Oostkust van Sumatra, bijna geheel onopgemerkt 
en onbezocht blijft. 

Wel is waar heeft de ontwaking van Europeesche indus- 
trie in het Delische in de laatste jaren eenig leven en 
vertier aan die streek geschonken, doch dit kwam, wat 
scheepvaartdrukte betreft, toch nog hoofdzakelijk ten bate 
van Poelo Pinang. Moge ook niet ieder stoom- of zeilschip 
op zijn tocht naar het verre Oosten Singapoera aandoen, 
met bet grootste aantal vaartuigen is dit wel het geval; 
en vooral de stoomschepen, ofschoon zij niet altijd op die 
stapelplaats laden en lossen, doen haar toch in den regel 
aan om kolen in te nemen, te ververschen en om reizigers 
af te zetten, wier weg niet verder voert of in de richting 
ligt van den Archipel. Straat Malaka is niet alleen een 
gereede weg die Oost en West verbindt, maar daarenboven 
een ruim en veilig vaarwater, waar schipbreuken tot de 
zddzaamheden behooren. Geen wonder dan ook, dat met 
al die voordeelen de reede van Singapoera de bontste 
mengeling van vlaggen vertoont, als vertegenwoordigers van 



de meest uiteenloopende nationaliteiten. Zoo wappert de 
vlag van Siam naast de Duitsche, de Amerikaansche nevens 
de Hollandsche en Fransche, terwijl de Noorman zijn . 
kruis ontplooit nabij de sombere kleuren van Lin^a. 
Maar verre van die allen wint het de Engelsche vlag door 
overvloedige vertegenwoordiging. 

Begrensd door het Maleische schiereiland aan de eene 
en Sumatra's Oostkust aan de andere zijde, loopt straat 
Malaka van Noordwest naar Zuidoost. Voor hen die uit 
den Indischen oceaan komen, kan straat Malaka gezegd 
worden aan te vangen bij Diamant-punt op den Sumatra- 
wal en aan de overzijde bij het eiland Salanga. De ingang 
der straat heeft hier een wijdte van omstreeks zestig zee- 
mijlen. 

Aan het zuidoostelijk uiteinde is het vaarwater aanmer- 
kelijk vernauwd en heeft de zeeengte slechts eene wijdte 
van ongeveer 15 mijlen. Zonder de straat van Singapoera 
mede te rekenen, kan men de lengte van straat Malakka 
van af i" 30' N.Br. en 103* 15' O.L. op ruim 300 zee- 
mijlen stellen. 

Werpen wij een blik op de beide oevers, dan leveren 
deze, wat betreft het uiterlijk aanzien des bodems, een in 
't oog vallend verschil op. De Malaka -oever vertoont af- 
wisselend heuvelreeksen en bergtoppen, de Sumatra-zijde 
daarentegen is zoo laag, dat zij onzichtbaar is voor sche- 
pen die koers houden langs den Noordoostkant, en eerst 
in 't oog valt als men den Sumatra-wal nadert. Dan ont- 
waart men eene donker vaalgroene, onafgebroken lage kust, 
waarachter geen enkele heuveltop te bespeuren is. 

Eerst ver om de Noord komt er eenige afwisseling in 
die eentonige kustlijn, daar een meer geaccidenteerd ter- 
rein door het voorkomen van eenige uitloopers van het 
Barisangebergte gevormd wordt. 

Wij kunnen ons echter in een opstel, dat meer bepaald 
aan Sumatra's Oostkust gewijd is, niet m dien algemee- 
nen aanblik vergeno^en; wij moeten de Sumatraansche 
zijde meer van nabij in oogenschouw nemen, en worden 
dan al spoedig gewaar, dat die schijnbaar onafgebroken 
kustlijn zich geheel anders voordoet, dan men op een af- 
stand zou meenen. Vertoonden zich eilandengroepen langs 
den noord-oostelijken oever, hier vindt men ze evenzeer, 
doch zij zijn laag, drassig en dicht overdekt met geboomte 
en struikgewas, tot de strandvegetatie behoorende. 

Deze nog al omvangrijke eilanden worden gevormd door 
zoutwaterkanalen, die ze van Sumatra's vasten wal schei- 
den en door de Maleiers Selats worden genoemd, ter on- 
derscheiding van de vrij talrijke en soms nog al breede 
riviermonden, welke Kwala heeten. Zulke Selats zijn: Selat 



102 



DE RESIDENTIE SUMATRA's OOSTKUST. 



Roepat, de Brouwersstraat, straat Padang, Selat Ajerltam 
en meer andere. 

Hoever de Oostkust van Siunatra zich eigenlijk uitstrekt, 
kunnen wij hier in het midden laten. Het Gouvernement 
heeft aan Siak en Onderhoorigheden, toen het die streek 
tot een bijzondere residentie verhief, den officieelen naam 
van Sumatra's Oostkust gegeven, en in dien meer beperk- 
ten zin strekt zich de Oostkust uit. van den Zuidelijken 
oever der Tamiang-rivier tot aan de monding der Kampar. 
Dit zijn toch de beide punten die de uiterste grenzen van 
Siak en zijne zoogenaamde „Onderhoorigheden" vormen. 

Beginnen wij met de Zuidergrens. De bodem is hier 
natuurlijk alluviaal, en de afstand van het Barisan-gebergte 
is hier zoo aanmerkelijk, dat de rivieren, die aan de weste- 
lijke berghellingen haar oorsprong nemen, gelegenheid heb- 
ben om zich op haar langen loop en door opneming van 
talrijke voedende takken tot vrij breede en diepe stroomen 
te ontwikkelen, welke den afvoer van producten uit het 
binnenland gemakkelijk maken. 

Zoo treifen wij, in het Zuiden beginnende, de volgende 
noemenswaardige rivieren aan: 

lO. De Kampar. Deze wegens haar langen loop zoo 
belangrijke rivier mondt uit tegenover het eiland Rantau, 
waar zij Kampar besar heet. De stroom wordt gevormd 
door twee hoofdtakken, de Kampar kiri en Kampar kanan, 
die elk op hunne beurt tal van bijstroompjes opnemen. De 
Kampar kiri ontspringt op den Boekit Sengaling onder 
den naam van Soengei Si-Blimbing en vereenigt zich met 
de Kampar kanan tegenover de kampong Moeara Tako, 
waardoor de Kampar besar (de groote Kampar) ontstaat. 

De Kampar kanan heeft een veel langeren loop en 
ontspringt nog voorbij Kampar di Oeloe, nabij de grens 
tusschen de Padangsche Boven- en Benedenlanden, terwijl 
zij zich met talrijke bijriviertjes voedt. Deze tak draagt 
ook den naam van Sibajang. 

Hoewel nu de Kampar-rivier goede gelegenheid aanbiedt 
voor binnenlandsche prauwvaart, bezit zij echter geen 
goede communicatie met de zee. Eene groote breede rots- 
laag verspert hare monding, zoodat vaartuigen van eeni- 
gen diepgang er niet kunnen binnenvallen. De Kampar-rivier 
levert aan hare monding nog een bijzonder natuurverschijn- 
sel op. Bij enkele vloedtijden heeft er namelijk een soort 
van golfstroom plaats. Er komen van buiten eenige kolossale 
rollers den riviermond binnen, die met onweerstaanbare 
kracht alles met zich medesleepen, zoodat onbewaakte vaa r- 
tuigen daardoor worden losgerukt en tegen de oevers 
worden verbrijzeld. Dit verschijnsel heeft ook plaats bij de 
Tanah Poetih-rivier (Rokan) en de Panei- en Bila-rivieren. 



De Siak-rivier daarentegen is hiervan geheel vrij. Worden 
echter de prauwen bewaakt, dan heeft zulk een opkomende 
golfstroom geene nadeelige gevolgen. Zelfs weten ervaren 
schepelingen hiervan partij te trekken om met hunne vaar- 
tuigen gemakkelijk een grooten afetand stroomopwaarts af 
te leggen. 

2®. De Siak-rivier is, wat bevaarbaarheid voor groote sche- 
pen betreft, wel de voornaamste rivier der Oostkust (in den 
hier aangenomen beperkten zin), zoowel wegens hare genoeg- 
zame diepte als w^ens hare open monding. Oorlogschepen 
van zekeren diepgang kunnen gevo^elijk tot Pekan Baroe 
opstoomen, zijnde dat een afstand van ongeveer 90 mijlen 
stroomopwaarts. Hare monding is bijna een geografische 
mijl (zegge 6500 meters) wijd, terwijl daar ter plaatse 
de doorgaande diepte van 12 tot 16 vademen bedraagt. 
Echter staat op een enkele plaats, nabij het eiland Gontong, 
slechts3 Ys vadem water. De doorgaande diepte van het 
vaarwater is van 4 — 1 2 vadem. Voor het fort te Siak staan 
13 en te Pekan Baroe 8 vadem water. 

Uit de kaart eener in 1756 verrichte opneming der rivier 
van de hoofdplaats Siak tot aan de monding, vergeleken 
met die eener andere die ruim een eeuw later, in 1858, 
heeft plaats gehad, blijkt, dat de bedding der Siak-rivier 
in dit lange tijdsverloop geene belangrijke verandering 
heeft ondergaan. Wel bestaat er tusschen de beide kaarten 
geen volkomen overeenstemming, maar de omstandigheden 
in aanmerking genomen, waarvan de uitkomsten van zulk 
een rivieropneming afhankelijk zijn, is de overeenstemming 
zoo groot, dat men het recht niet zou hebben eene veel 
grootere te verwachten, indien de beide opnemingen nage- 
noeg gelijktijdig hadden plaats gehad. 

Tusschen de hoofdplaats en Pekan Baroe, ongeveer 
halverwegen, stort zich de rivier Mandau in de Siak. Zij 
neemt haren oorsprong in het noordwestelijk gelegen meer 
Tasik. De Mandau geeft haren naam aan de landstreek, 
welke zij doorstroomt. Iets hooger op ontlast zich aan den 
rechteroever de kleinere rivier Gasip, aan wier monding 
in vroeger tijden de Sultans van Siak hun zetel hadden 
gevestigd. 

Eenige mijlen boven Pekan Baroe wordt de eigenlijke 
Siak-rivier door de ineenvloeiing der rivieren Tapong ka- 
nan en Tapong kiri gevormd. Deze beide *Tapongs schen- 
ken insgelijks haren naam aan het laryischap, dat zij om- 
vat houden. De Tapong kanan is de minst machtige tak 
en bezit een geringe stroomsnelheid; zij loopt evenwijdig 
met de Mandau en met de haar voedende takken, de 
Soengei Kapanasan en Landei. Haar oorsprong is aan den 
voet van de bergrij Langga. De Tapong kiri, de eigenlijke 



r 



DE RESIDENTIE SUMATRA'S OOSTKUST. 



103 



hoofdtak, stroomt van West naar Oost, langs de heuvel- 
reeks Soeligi, die haar talrijke voedende spruiten toezendt, 
welke als de bronnen der Siak-rivier kunnen beschouwd wor- 
den. Dat de Tapong kin zich te Kasikan in twee armen 
zou verdeelen, waarvan de eene naar de V Kota en de 
andere naar het gebied van Kampar voert, is onjuist i). 
De Tapong kin loopt evenwijdig met de Kampar kanan 
en de uitloopers der Soeligi-heuvels beletten alle toenade- 
ring. De gemeenschap tüsschen de negarien Siak en Kam- 
par (eigenlijk Poeloe Lawan genaamd) heeft plaats door 
middel van een landweg, welke van Pekan Baroe naar 
Terata Boeloe leidt en in 1863 door mij werd betreden. 
Iets westelijker is een tweede, die van Petapahan naar 
Bankinan (V Kota) voert. Beide dwars wegen zijn gedeelten 
van den grooten handelsweg over land, die de gemeenschap 
van de Westkust met straat Malaka vormt. 

De oevers v^n de Siak-rivier zijn uiterst schaars bevolkt. 
Beneden de hoofdplaats kan men niet zeggen, dat eene 
eigenlijke kampong voorkomt. Alleen zijn enkele ladangs 
te vinden nabij het eiland Gontong en aan eenige inmon- 
dende spruitjes, zooals de S. Kembang Bonga, de S. Boe- 
aten, de S. Pinang en de S. Mampoera. Van de hoofd- 
plaats tot Pekan Baroe opwaarts geldt hetzelfde. De Ta- 
pong kanan bezit een paar kampongs, namelijk Kota 
Bateh en Sedidjang. De Tapong kiri is iets meer bevolkt. 
Daar treft men aan Panta Tjermin, Petapahan, Batoe 
Gadja, Kasikan en Talang. Al deze kampongs liggen op 
vrij groote afstanden van elkander. 

30. De Siak Ketjil heeft, evenals de eigenlijke Siak-rivier, 
hare uitwatering in de Brouwersstraat, ongeveer eene mijl 
ten Noordwesten van de laatse. Het is een nietig stroompje 
en zij staat in geen verband met hare grootere zuster. 

4<>. De thans volgende rivier van eenig aanbelang is de 
Rokan. Zij loopt in de richting van Zuidwest naar Noord- 
oost. Haar hoofdtak ontspringt bezuiden de meer genoemde 
heuvelreeks Soeligi en buigt er zich in zijn loop naar zee 
omheen. De rivier bestaat eigenlijk uit twee voorname 
stammen, die elk door onderscheidene bijrivieren worden 
gevoed. Het zijn de Rokan kanan en Rokan kiri, die 
niet ver van het Zuidwesterstrand van straat Malaka ineen 
vloden en dan den naam bekomen van Tanah Poetih- 
rivier, naar het dus geheeten landschap. Deze Rokan- 
araien, hoewel tot ver landwaarts in voor prauwen bevaar- 



i) Deze onjuiste voorstelling van den loop der Tapong kiri komt 
voor in het Tijdschrift voor de Indische Taal-, Land- en Volkenkunde, 
deel 7, blz. 424, waar insgelijks gemeld wordt, dat Tapong onder 
Kota Intan sorteert. Dit landschap sorteert wel degelijk onder Siak. 
Vandaar de expeditie tegen Kota Intan in 1876. 



baar, zijn dit echter minder voor meer diepgaande Euro- 
peesch-getuigde vaartuigen. Zij hebben dit echter op de 
Siak-rivier voor, dat zij veel sterker bevolkt zijn. Tal van 
Kampongs vindt men langs hunne oevers, waarvan wij aan 
de Rokan Kanan opnoemen: Rantau Binoeang, Kape- 
noean, Tandjong Balik, Temboesei, Mampang en Karang. 
De voornaamste kampongs langs de Rokan kiri zijn: Kota 
Lama, Kota Intan (Koentha) Oedjong Batoe en Rokan. 

Ook de Panei-, Bila-, Asahan- en Batoe Bara-rivieren 
zijn stroomen die goede waterwegen vormen. Minder be- 
teekenend zijn te dezen opzichte de Serdang, de Deli, de 
Langkat en de Pertjoet; doch in bijzonderheden kunnen 
wij hier niet treden, dewijl haar loop ons niet genoegzaam 
bekend is. Opmerking verdient het echter, dat de door ons 
opgesomde rivieren hare namen hebben geschonken aan de 
rijkjes welke zij besproeien i). 

Over het algemeen genomen is de uitgestrekte alluviaal- 
bodem, door de genoemde rivieren besproeid, vruchtbaar te 
noemen. De kustzoom en de omtrek'der riviermondingen zijn 
echter onbebouwbaar, dewijl het land daar als het ware nog 
in den staat van wording verkeert. Daar heerscht de zooge- 
naamde strandvegetatie, waarin de rhizophoren (Bakau) met 
hunne luchtwortels den boventoon voeren, hoewel enkele 
exemplaren van Sonneratia, Aegiceras en Climacandra zich 
daartusschen mengen. Iets verder van het strand vertoonen 
zich de nipa-, de sago- en niboeng-palmen met de pan- 
danen en verschillende rottingsoorten. Waar de bodem rijst 
en minder drassig wordt, wijzen hoogopgaande woudboo- 
men, heesters en struikgewas aan, dat de moerasstreek 
achter den rug is. Tabak, gambier, rijst, suiker zouden 
hier uitmuntend gedijen; doch men ontwaart slechts hier 
en daar een opengekapte plek in het woud, waar, op vrij 
primitieve wijze, wat rijst en veldvruchten worden geteeld, 
terwijl ook enkele vruchtboomen en suikerriethalmen bene- 
vens een ellendige paalwoning (goeboek) het aanwezen van 
menschen verraadt. Onder die vruchtboomen spelen de 
klappers, de pisang en de pinang de hoofdrol. Hooger 
op leveren de bosschen prachtige houtsoorten op, geschikt 
voor timmer- en meubelhout. Ook leveren tal van woud- 
boomen van de groep der Dipterocarpeeön (tweevleugel- 



i) Wij zullen trachten in een volgend nommer ook over hét kust- 
gedeelte ten Noorden der Rokan-rivier, dat niet door den heer Gram- 
berg berdsd is en hem daarom minder bekend bleef, eenig meerder 
licht te verspreiden, naar aanleiding van hetgeen daarover is mede- 
gedeeld door de heeren van der Bor, de Scheemaker, Vigelius, La- 
rive en Neumann in D. XVII, XVIIÏ en XXVI van het Tijdschrift 
voor Ind. Taal-, Land- en Volkenkunde, uitg. door het Bat. Gen. 

jRed. 

14 



104 



DE RESIDENTIE SUMATRA S OOSTKUST. 



zadigen) uitmuntende olie- en vetsoorten, waaronder de 
minjak tengkawang eene eerste plaats bekleedt. De hooge 
Alstonia's verschaffen woonplaatsen aan de bijen, die den 
inzamelaren groote hoeveelheden was en honig bezorgen. 
Vergeten mag hier ook niet worden de Isonandra, welke 
de in den handel zoo gezochte getah per^a i) levert. De 
hier genoemde artikelen dragen met nog vele andere, zoo- 
als harsen, rotting, bezoar, drakenbloed, nipa-bladeren, enz., 
den naam van boschproducten, dewijl zij zonder bebouwing 
van den bodem worden verkregen. Het inzamelen van deze 
producten verschaft aan menigen inlander levensonderhoud ; 
want het zijn bijna alle belangrijke handelsartikelen, waarin 
jaarlijks voor duizenden wordt omgezet. Jammer dat op 
dit inzamelen niet de minste controle bestaat; de zorge- 
loosheid toch, waarmede de inlander daarbij te werk 
gaat, zal oorzaak worden dat goede rotansoorten even- 
zeer zullen verdwijnen als de getah pertjah. De Ma- 
leier snijdt weg en kapt, zonder zich in het geringst om 
bijplanting te bekommeren. Als daartegen niet beter ge- 
waakt wordt, zullen zich ook op Sumatra's Oostkust vroe- 
ger of later dezelfde treurige verschijnselen voordoen als 
in het rijk van Bandjermassin op Bomeo, waar groote 
overvloed is geweest van rotan, maar de beste soorten ten 
gevolge van het onnadenkend wegsnijden door de inzame- 
laars, als het ware zijn uitgeroeid, en ook de Isonandra- 
boomen, door het omkappen zonder bijplanten, meer en 
meer verdwijnen. 

Zoo doet zich ook het feit voor, dat op het Maleische 
schiereiland, en bepaaldelijk zelfs op het eiland Singapore, 
eenmaal zoo rijk aan het getah-pertja-product, thans te 
vergeefe naar Isonandra-soorten wordt gezocht. Ik meen, 
dat alleen in den botanischen tuin te Singapoera nog een 
exemplaar, als een bijzonderheid, wordt aangetroffen. 



II. 



Na deze algemeene en vrij oppervlakkige schets der resi- 
dentie Oostkust van Sumatra, zullen wij ons thans meer 
bepaald bezig houden met het rijk van Siak Sri Indrapoera. 
Ontegenzeggelijk duidt de naam een Hindoe-oorsprong 
aan, terwijl de indeeling des volks in soekoe*s van Menang- 
kaboschen oorsprong is. Het Mohammedanisme heeft echter 
in later tijd zelfe de herinnering der Hindoetijden uitge- 
wischt, ofechoon een goed deel der bevolking, vooral op 
de eilanden, nog heidensch is. Ook in feesten en gebrui- 



i) De Engelschen schrijven dit woord gutta percha, waardoor een 
geheel verkeerde uitspraak in Europa algemeen is geworden. 



ken kan men vele overblijfselen uit de voor-Islamietische 
tijden opmerken, zooals b. v. bij de bezwering van de 
troeboek en bij het bannen van booze geesten uit de 
lichamen van zieken. 

Ofschoon wij, wel beschouwd, van eigenlijk Siak bij de 
korte schets der rivier reeds bijna alles gezegd hebben wat 
op aardrijkskundig gebied valt op te merken, kunnen wij 
echter een en ander mededeelen omtrent den tegenwoor- 
digen toestand en de indeeling des lands, zijn regeeiings- 
vorm, zijne bevolking en zijn bronnen van bestaan. Daarna 
zal ik ook over de zoogenaamde „Onderhoorigheden" eenige 
bijzonderheden van denzelfden aard laten volgen. 

Straat Malaka, zoo uitnemend gelden voor zeehandel, moest 
al vroeg de opmerkzaamheid opwekken en daarmede ook de 
begeerte van bezit. De beide oevers werden diensvolgens van 
vroeg af bezet, hetzij door de strandwaarts komende abo- 
rigines, hetzij door kolonisten uit den vreemde. Dat om 
het behoud of om de verovering dezer nederzettingen meer- 
malen strijd moest ontstaan, laat zich gemakkelijk in- 
zien. Aan beide oevers van de Straat hebben dan ook, 
zoowel te land als te zee, worstelingen plaats g^repen,en 
hebben die soms nog plaats in den tegenwoordigen tijd. 
Vroeger bepaalde zich die, nog al vaak zich herhalende 
strijd om het bezit van een begeerlijk punt hoofdzakelijk 
tot de verschillende kuststaten onderling; later mengden 
zich daarin vreemde nationaliteiten. Diensvolgens zijn som- 
mige streken verrijkt, andere weer ontvolkt en verarmd. 
Van sommige vroeger bestaande rijkjes zijn alleen nog de 
namen bekend gebleven. Enkele zelfs zijn met naam en al 
verdwenen. Zoo is b. v. van het te gronde gegane rijk van 
Aroe, den noord-westelijken nabuur van Siak, de naam 
alleen bewaard gebleven in de Arau, een kleine spruit, 
vallende in de Panei-rivier, terwijl van het niet onbelang- 
rijke Bataksche strandrijk, door Mendez Pinto in 1609 be- 
zocht, zelfs de naam niet tot ons is kunnen komen. 

Atjeh heeft ongetwijfeld in al die oorlogen een groote 
rol gespeeld en wel die eens overweldigers, doch veel ge- 
welddadiger nog is de tusschenkomst geweest van het 
westersch element. Aan den krachtigen invloed die daar- 
van uitging, is voor een groot gedeelte de huidige toestand 
van alle kuststaten aan straat Malaka toe te schrijven. 
Die invloed toch is heerschend en blijvend. 

Ook het rijk van Siak heeft zijn aandeel gehad in al 
die worstelingen. Nu eens was het overwonnen en werd het 
overheerd, dan weder traden de vorsten op als overwin- 
naars en gebieders over uitgestrekte bezittingen; maar zijn 
tegenwoordige toestand van onmacht en ontvolking heeft 
het eigenlijk te danken aan binnenlandsche oorlogen, door- 



DE RESIDENTIE SUMATRA'S OOSTKUST. 



lOS 



dien de leden van het vorstenhuis elkander meermalen het 
bezit van den troon betwistten. 

De vroegere geschiedenis van Siak ligt, evenals van zoo 
menig rijk in Indie, in het duister. Dit is niet zoozeer toe 
te schrijven aan gebrek van oorkonden, als wel aan de zucht 
van Maleische en Javaansche schrijvers, om de meest moge- 
lijke ongerijmdheden in hunne geschiedverhalen te mengen, 
en den vorsten, wier leven zij beschrijven, een bovennatuur- 
lijken oorsprong toe te kennen, zoodat het niet altijd mo- 
gelijk is waarheid van verdichting te onderscheiden. 

De eerste eigenlijke vorst van Siak is, voor zoover wij 
kunnen nagaan, een onechte zoon van den Sultan van 
Djohor, Abdoel E)jalil, met name radja Hassan, geweest. 
Zijne komst aan de regeering kan in het begin der zeven- 
tiende eeuw worden gesteld; want toen de Nederlanders 
onder Heemskerk voor het eerst in 1603 E)johor bezoch- 
ten, was genoemde vorst in Siak gezeteld. In 1616 echter 
werd Djohor door Atjeh veroverd, waardoor Siak cijnsbaar 
werd aan den overwinnaar. Hoelang die onderworpenheid 
heeft geduurd, kan niet worden aangegeven, doch de ge- 
schiedenis leert, dat Djohor, vereenigd met Atjeh, in 1641 
onze bondgenoot was bij de inneming van Malaka en dat 
genoemd rijk ook in 1648 met de O. I. Compagnie een 
contract sloot, onder anderen ten doel hebbende het mo- 
nopolie op de Siak-rivier. Ook is het bekend dat Djohor in 
1662 aan de Siak- en Rokan-rivieren Sabandars had voor 
het heffen van belastingen. 

Siak maakte zich op zijne beurt los van Djohor. De 
eerste onafhankelijke vorst was Radja Ketjil, die zelfs voor 
een tijd den Djohorschen troon besteeg i) en in 1746 over. 
leed. Genoemde vorst voerde het thans nog bestaande 
Soekoe-bestuur in Siak in. Gedurende zijne regeering wer- 
den de Atjehers voor goed van de Oostkust verdreven. 

Had men gedurende het leven van Radja Ketjil vele 
oorlogen te voeren, na zijn dood kwam het land evenmin 
tot rust. Zijne twee zonen Radja Mohammad en Radja 
Alam betwistten elkander den troon. De duistere politiek 
van de Compagnie te Malaka steunde nu eens den eenen, 
dan weder den anderen pretendent, en tegelijk werd de 
suprematie van Djohor over Siak erkend, zooals blijkt uit 
den afstand van Siak aan de O. I. Comp. door Sultan 



i) De lotgevallen van dezen vorst zijn zeer merkwaardig; zoo ook 
die van zijn naneef Radja Akil, die in 1824 Sultan van Soekadana 
op Bomeo werd. In het belang der Indische geschiedenis zou het 
inderdaad nuttig zijn, dat een levensgeschiedenis dezer beide Siaksche 
vorsten in het licht verscheen, geput uit vertrouwbare bronnen. [Over 
Radja Akil is uitvoerig gehandeld in Prof. Veth's „Bomeo's Wester- 
afdeeling", D. Il, bldz. 150--166 en 445—465. lUd."] 



Soleiman in 1745. Daarop verrees in 1756 op het eiland 
Gontong, nabij den mond der Siak-rivier, een fort, dat 
kort daarop door de Siakkers werd uitgemoord, waarop in 
17 61 eene expeditie naar Siak plaats vond, die de onder- 
werping van Radja Alam ten gevolge had. Hoewel deze 
burgeroorlog als het begin van Siaks achteruitgang kan aan- 
gemerkt worden, waren de geschillen om het bezit van den 
troon daarmede nog geenszins geëindigd. Mohammad Ali, 
de zoon van den overleden vorst, vond een mededinger in 
zekeren Radja Ismael. Deze behield het veld en zijn zoon 
Jahja volgde hem op, doch na diens dood, in i79i,vielde 
troon in handen van zekeren Said Ali, wiens vader, een uit 
Mekka afkomstige Arabier, met de zuster van Radja Alam 
gehuwd was. Het was deze vorst, die gewapenderhand 
de kuststaten tot aan de Tamiang-rivier veroverde en aan 
zich leenplichtig maakte, onder den naam van „Onder- 
hoorigheden." Zijn geslacht regeert thans nog. 

Omstreeks den aanvang dezer eeuw leetden er nog enkele 
directe afstammelingen van Siaks eersten zelfstandigen vorst 
Radja Ketjil, doch geen hunner heeft de teugels over het 
rijk weder in handen kunnen krijgen. Maar ook het tegen- 
woordige vorstenhuis kan niet roemen op krachtige leden. 

Toen ik Siak in 1863 voor de eerste maal bezocht, zat 
er Ismael, een kleinzoon van Sultan Said Ali, op den 
troon. Hij was een nietig, onwaardig vorst, verslaafd aan 
opium en omgeven door gedemoraliseerde familieleden, 
welke de bevolking op allerlei wijze knevelden. Ismael is 
sedert onttroond en in diens plaats is zijn broeder Kasim 
tot Sultan verheven. Deze is een gemoedelijk, doch weinig 
zelfstandig vorst, die zijn verarmd land wel tot ontwik- 
keling zou willen brengen, maar er noch de middelen, noch 
de geestkracht toe bezit. 

Onze invloed in straat Malaka is sedert het begin dezer 
eeuw sterk «Verminderd. Allengs werden de banden met 
het Nederlandsch-Indische Gouvernement verbroken. Eene 
Britsche nederzetting verrees op Poelo Pinang. Daarna 
trad Singapoera in het aanzijn. Engelsche zendelingen be- 
reisden de Oostkust van Sumatra en bewerkten hoofden en 
kooplieden in het belang hunner natie; en hoewel wij in 
1822 een nader contract met Siak hadden gesloten, bracht 
de politieke zendeling Anderson in 1823 eene, overigens 
onwettige, overeenkomst met dit rijk tot stand, waarbij den 
Hollanders eene vestiging aldaar werd ontz^d. Onze invloed 
vermeerderde ook niet door het tusschen ons en Groot- 
Brittannie in 1824 gesloten tractaat, daar hierbij de stad 
Malaka voor goed aan onze mededingers overging, en eerst 
in 1858 werd ons gezag in Siak, ten gevolge van gebeur- 
tenissen die ik niet noodig acht hier te verhalen, weder 



io6 



DE RESIDENTIE SUMATRA'S OOSTKUST. 



voor goed gevestigd, terwijl het zich sedert het begin der 
landbouw-industrie in het Delische met steeds klimmen- 
den nadruk heeft doen gelden. 

Deze korte historische uitweiding heb ik mij veroorloofd, 
om eene betere voorstelling van den huidigen toestand der 
landen te kunnen leveren. Het rijk bestaat thans uit de 
volgende onderdeden: 

lO. Eigenlijk Siak. 

2^, De Onderhoorigheden. 

Eigenlijk Siak is ingedeeld als volgt: 

a. Siak besar, Betong, Rempak en Siak ketjil. Dit zijn 
hoofdzakelijk de oeverstreken der Beneden-Siak-rivier. De 
hooftinegerie Siak is een vrij armoedige plaats. De ge- 
bouwen van eenige beteekenis zijn de woning des Sultans, 
de raadzaal, de mesdjid, en het huis van den rijksbestier- 
der, allen van hout. AUes heeft overigens een vervallen 
aanzien; handel is er bijna niet. Alleen bieden het fort 
en de woningen van het Europeesch dienstpersoneel, met 
hunne roode daken en net plantsoen, bij de binnenkomst 
van Siaks hoofdplaats, een ietwat gezelligen aanblik. 

d, Boekit Batoe. Een landschap, gelegen aan de Brou- 
wersstraat. Het strekt zich uit van Domei ten Noorden, 
tot Tandjong Balei ten Zuiden. Het wordt bestuurd 
door den Datoe Laksamana of vlootvoogd des rijks. De 
hoofdkampong ligt aan den mond der kleine rivier welke 
denzelfden naam draagt. De huizen zijn allen paalwonin- 
gen, in de riviermonding gebouwd en onderling verbonden 
door een soort van trottoir van planken of niboeng latten. 
Er is nog al handel, vooral in troeboek. 

c. Pekan Baroe, gelegen aan den rechteroever van de 
Siak-rivier, aan de Z.-W. grens van het landschap Man- 
dau. Het wordt bestuurd door een Bandahara (negerie- 
hoofd), en ligt aan den vroeger besehreven handelsweg van 
de Westkust naar zee. Het vormt daardoor een station 
voor de kooplieden der binnenlanden, die op Malaka of 
Singapoera handelen. Er gaat vrij wat meer om dan op 
de hoofdplaats Siak. Pekan Baroe zou, w^ens de diepte 
der Siak-rivier, een uitmuntenden terminus vormenvaneen 
spoorweg uit de Ombilin-kolenvelden. Groote schepen 
zouden hier kolen kunnen laden en Bengkalis kon in dat 
geval het hoofddepot worden voor straat Malaka. 

d. Het landschap Mandau, dat zich in noordwestelijke 
richting uitstrekt tusschen Siak en Pekan Baroe. Het is 
vrij uitgestrekt, doch slecht bevolkt. De oevers der Mandau- 
rivier zijn, evenals die der Siak, met dichte wouden be- 
groeid. Uitgestrekte kamferbosschen treft men hier aan, 
alsook prachtig timmerhout. De bodem is rijk aan humus 
en bijgevolg zeer vruchtbaar. Een eigenaardig product van 



dit district is de Batoe goeliga (bezoarsteen), aan welken j 
door inlanders en Chineezen een groote geneeskracht wordt ! 
toegeschreven, en die dus een zeer gewild en duur artikel | 
is onder de inlanders. Men ztgt, dat deze steen in het 
nest van sommige slangen wordt aangetroffen (galsteen?) 

Volgens verklaring van vertrouwbare inlandsche hoofden 
moet in de dichte bosschen van Mandau een volkstam 
leven, die tot heden toe geen gemeenschap houdt met de 
buitenwereld. De ruilhandel geschiedt onzichtbaar, door op 
zekere plaatsen goederen neer te leggen, die dan voor an- 
dere artikelen — zegge boschproducten — worden inge- 
wisseld. De^e verhalen herinneren aan hetgeen omtrent de 
Koeboe's in het Palembangsche verzekerd en geloofd wordt 
Pekan Baroe en Mandau zijn domeingoederen van den 
regeerenden Sultan, 

«f. De langs de Oostkust gelegen eilanden Roepat, Beng- 
kalis, Padang, Pantjor, Rantou en tal van kleinere eilan- 
den, tusschen de monding van de Kampar- en Siak-rivier, 
vroeger een geliefkoosde schuilplaats voor de in deze strt- 
ken zwervende zeeroovers. Roepat is eene directe bezitting 
van den Sultan. Padang is een vrij groot eiland en als 
het ware een tegenhanger van Bengkalis, waarvan het door 
straat Padang is gescheiden. Eigenlijke kampongs vindt 
men er niet, maar wel enkele hier en daar verspreide wo- 
ningen en bangsals of werkplaatsen. Hier en op andere 
omgelegen eilanden hebben namelijk onderscheidene Chi- 
neezen van Singapore houtzagerijen opgericht, waarvan de 
houtwerken, onder den naam van Singapoersche planken, 
in straat Malaka en zelfs op Java een gereeden aftrek 
vinden. Zonder de minste controle of zelfe retributie wordt 
sedert jaren dat hout door vreemdelingen van het Neder- 
landsch-Indisch grondgebied weggehaald, en niemand 
denkt er aan hierop eenigen regel te stellen. De voor- 
naamste vestiging op Padang heet Marbou en is gelegen 
op den Noordoosthoek van dit eiland. Aan de Noord- 
kust van Rantou vindt men de karopong Tebing Tinggi. 

Het eiland Bengkalis verdient een ietwat breedere be- 
schrijving, èn omdat daarop de hoofdplaats ligt der resi- 
dentie Oostkust van Sumatra, èn dewijl het door zijne 
ligging een belangrijk punt is, dat, bij eventueele ontwik- 
keling van handel en nijverheid in Siak, zeer belangrijk 
zou kunnen worden. Gelegen nabij de monding der Siak- 
rivier, en in de Brouwersstraat eene reede bezittende die 
onder de ruimste en veiligste van geheel Ned. Indie mag 
gerekend worden, heeft het daarbij door straat Padang 
eene gemakkelijke communicatie met straat Malaka en den 
ganschen Indischen Archipel. Het is een vrij groot eiland, 
even dicht met bosch bedekt als de overige eilanden en 



DE RESIDENTIE SUMATRA'S OOSTKUST. 



107 



geheel Siak. Zooals de bijgevoegde kaart doet zien, zou het 
nagenoeg de gedaante hebben van een langwerpigen, slechts 
in geringe mate stomphoekigen driehoek, indien de h)rpote- 
nusa — ik meen de bochtige Zuidwestkust — dien naam 
rechtvaardigde. Van af de westelijkste punt (Tandjong Djati) 
tot aan de uitwatering van de kreek Kombong besar, heeft 
het eene lengte van 60 kilometers. De gemiddelde breedte, 
b. V. van de hoofdplaats Bengkalis noordwaarts tot aan 
straat Malaka, is 14 kilometers, doch aan de Oostzijde 
heeft het, ten gevolge van den belangrijk zuidwaarts uit- 
springenden landtong, de breedte van ruim 31 kilometers. 
De bodem is laag en drassig. De vochtigheid van den 
grond zou echter veel verminderen, indien de dichte bos- 
schen, die alle uitdamping beletten, voor een deel waren 
opgeruimd. Enkele zoetwaterstroompjes, zeer onbedui- 
dend overigens, treft men hier aan, waarvan de Soengei 
Bengkalis, de Bantan toewa, de Bantan tengah en de 
Kombong besar de voornaamste zijn. Het noordelijke 
strand is geheel onbewoond, zoo ook het oostelijke. Alleen 
aan den zuidwestkant vindt men eenige kampongs, wier 
bewoners zich hoofdzakelijk met de vischvangst bezig hou- 
den. Enkele — doch zeer weinige — woningen vindt men 
in het midden des eilands, waarvan de bewoners zich 
aan het inzamelen van boschproducten wijden. De kam- 
pongs van eenige beteekenis zijn, van de Westpunt of Tan- 
djong Djati beginnende: Maskoem, Toean Toedjoe, Seba- 
hoe, Pedeki, Bangkalan Batang, Klapa Fati, Bengkalis, 
Sendoro en Soengei Alam i). Men ziet dus dat de oevers 
langs de Brouwersstraat het meest bewoond zijn. Dit heeft 
zijne reden. De bevolking bestaat hoofdzakelijk van de 
troeboekvisscherij, die op groote schaal gedreven wordt. 
Deze belangrijke tak van bedrijf wordt voornamelijk uit- 
geoefend door de bewoners van Bengkalis, Tandjong Ba- 
lei en Boekit Batoe. Dewijl de troeboekvisscherij elders 2) 
uitvoerig door mij is behandeld, kan ik hier volstaan met 
slechts enkele hoofdpunten er van aan te stippen. Detroe- 
boek is eene elftsoort, en tevens een trekvisch. Zij komt 
in enkele streken van den Indischen Archipel verspreid 
voor en verschijnt alleen in de Brouwersstraat in dichte 
drommen, doch zwemt niet verder dan de monding der 
&ak-rivier. Die scholen bestaan hoofdzakelijk uit kuitvis- 
schen, en een merkwaardig verschijnsel is het, dat buiten 
de Brouwersstraat bijna geen enkele visch met kuit wordt 



i) Op de kaart luiden de namen eenigszins anders, doch in de on- 
wetendheid welke schrijfwijze de beste is, hebben wij gemeend zoowel 
die van het handschrift als van de kaart onveranderd te moeten te- 
niggeven. Redactie, 

2) De ,»1jidische Gids*', Augustus 1880, blz. 331. 



aangetroffen. De troeboekvisscherij is een georganiseerde 
tak van bedrijf en dagteekent reeds uit de voor-Islamietische 
tijden. Er zijn twee tijdperken van uitgaan voor de vis- 
schers, namelijk dat van de groote vangst (Bintang Kena), 
gedurende de maanden September, October en November, 
terwijl in Februari, Maart en April de kleine vangst (pin- 
tang Kaoes) plaats heeft. Het tijdstip van uitgaan is bij 
volle maan. Men mag aannemen dat jaarlijks tusschen de 
7^8 milioen visschen worden gevangen. Is de vangst 
slecht, dan heeft er een plechtigheid plaats, de „troeboek- 
bezwering*' genaamd. Hierin speelt eene vrouw de hoofd- 
rol onder den naam van Djindjang Radja. Het geheelé 
feest wijst op heidensche herkomst, hoewel de Mohamme- 
daansche Sultan van Siak er deel aan neemt. 

In den goeden tijd bedraagt de vangst, welke drie dagen 
duurt, 1000 è, 1500 visschen per sampan of kleine prauw; gedu- 
rende de Bintang Kaoes is men al zeer tevreden met een sotal. 

Voor de visscherij worden ongeveer 500 kleine vaartui- 
gen gebezigd, waarvan de eene helft tot berging der netten 
dient en de wederhelft voor de gevangen visch. De troe- 
boek is zeer gratig en heeft weinig waarde, maar de kuit 
is een belangrijk handelsartikel. Zij dient als toespijs bij 
de rijst en is zeer gezocht door den ganschen Archipel. 
De versche visch zonder kuit kost uit de eerste hand f \ 
de IOC stuks, met de kuit is de prijs /8. De kuit op zich 
zelve kost van /s tot f 2,%o de 100 stuks. In de tweede 
hand kost reeds de kuit teSingapoera /8, terwijl te Bata- 
via de kuit reeds met 25 cents per stuk wordt betaald. 
Vroeger, onder het Sultansbestuur, was de troeboekvis- 
scherij aan eene drukkende belasting onderworpen, waar- 
door de visschers steeds in een staat van armoede ble- 
ven en zelfs in pandelingschap geraakten. Thans heeft de 
Indische regeering de belasting afgeschaft en die vervangen 
door een matige belasting op het zout. Toch blijven de 
visschers nog in bekrompen omstandigheden verkeeren, 
doordien de Chineesche opkoopers te Singapoera, door het 
verleenen van groote voorschotten, den handel dwingen 
en geheel in hunne macht hebben. De voornaamste om- 
zet heeft plaats te Boekit Batoe en op de hoofdplaats Beng- 
kalis, wat op die plaatsen- nog al levendigheid aanbrengt. 

Zij, die zich niet met de vischvangst bezig houden, er- 
neeren zich met het inzamelen van boschproducten. Deze 
bestaan voor het eiland hoofdzakelijk in: getah pertja, 
en balam i), koelit tengga (een boombast om te looien) 

i) De nsuim omvat verschillende getah-ople verende boomen, meest 
behoorende tot de Sapotacee€n. Qok de boom die de echte getah 
pertja oplevert, de Isonandra GtUta^ wordt in de Padangsche Boven- 
landen balam iemhaga genoemd. 



io8 



.DE RESIDENTIE SUMATRA S OOSTKUST. 



en soentei-noten, ter bereiding van plantenvet voor de markt 
te Singapoera i). Ook het maken van atap voor dakbe- 
dekking en het sago-kloppen wordt hier uitgeoefend. 

Landbouw, in den eigenlijken zin des woords, is hier eene 
onbekende zaak. Alleen zijn in den omtrek der hoofdplaats 
eenige Chineesche tuinlieden gevestigd, die veldvruchten 
telen, ook alweer voor Singapoera. Proefnemingen met de 
cultuur van tabak voor de Europeesche markt hebben tot 
nog toe geen gunstig resultaat geleverd; althans twee on- 
dernemingen nabij de hoofdplaats zijn mislukt. Thans is 
men echter begonnen met den aanplant van Cassave 
(Jatropha), waarvan het ineel onder den naam van Tapioca 
in Singapoera een gereeden aftrek vindt. Ook in Siak zelf 
heeft men met deze teelt een aanvang gemaakt, en zij 
schijnt er goed te slagen. 

Behalve eenige Mohammedanen op de hoofdplaats, is de 
bevolking, evenals op de overige eilanden, heidensch en 
hare hoofden voeren den titel van Batin. Zij is nog vrij 
primitief en bezit weinig lust tot landbouw. 

Bengkalis is de zetel van het Europeesch gezag der gan- 
sche Oostkust en sedert 1858 door ons bezet, doch eerst 
sedert 1873 door aankoop Gouvernements-eigendom ge- 
worden. Behalve den omzet van troeboek en eenige bosch- 
producten gaat er nog weinig om. 

De hoofdplaats is hoofdzakelijk bevolkt door Chineezen, 
waarvan er ongeveer 800 zullen zijn. Behalve het garnizoen, 
dat 40 man sterk is, bestaat het Europeesch element uit 
hoogstens tien of twaalf personen, terwijl het inlandsch 
ambtelijk personeel meestal van elders afkomstig is. Hoe- 
wel Bengkalis thans nog eene plaats is van weinig betee- 
kenis, zou zij eene schoone toekomst hebben, indien het 
eenmaal mocht gebeuren dat er een hoofddepot van Om- 
bilin-kolen werd opgericht. Dit -zou inderdaad niet weinig 
afbreuk doen aan Singapoera, waar alle stoomschepen 
thans verplicht zijn kolen te laden. 

Werpen wij nu een blik op de„Onderhoorigheden.*'Het 
nog al uitgestrekte landschap Tapong, gelegen tusschen de 
beide hoofdtakken der Siak-rivier, is langs vredelievenden 
weg onder het gezag des Sultans gekomen. De zes hoofden 
hebben den titel van Bandahara; hunne waardiglieid is 
erfelijk, doch hunne aanstelling krijgen zij uit de hand des 
Sultans. De langs de Oostkust gelegen staatjes zijn echter 
door Sultan Said Ali met de wapenen aan het gezag van 
Siak onderworpen geworden en heeten daarom ook „Dja- 
djahan*' of wingewesten, terwijl daarentegen Marbou en 



I) Deze vruchten zijn afkomstig van een Dipterocarpee en leveren 
lietzelfde product als op Bomeo de minjak tengkawang. De boom 
komt ook op Bangka voor. 



Tebing Tinggi geen djadjahan, maar apanages zijn van 
het vorstelijk stamhuis. De wingewesten bestaan van 
Zuid naar Noord uit de volgende landschappen i): 

1. Koeboe. 

2. Tanah Poetih. 

3. Bangko. 

4. Panei. 

5. Bila. 

6. Kwaloe. 

7. Asahan. 

8. Batoe Bara 2). 

9. Padang. 

10. Bedageh. 

11. Serdang. 

12. Pebonengan (behoort onder Serdang). 

13. Pertjoet (onderhoorigheid van Deli). 
i4. DeÜ. 

15. Langkat. 

16. Tamiang. 

De verhouding tusschen Siak en zijne onderhoorigheden 
is op dit oogenblik zeer gebrekkig geregeld. Tijd en gebeur- 
tenissen hebben veel toegebracht om de banden van gezag 
te verslappen of te vernietigen. Het gaat hier den Sultan 
van Siak evenals den Koning van Portugal, die nog 
lang na het verlies zijner bezittingen ter kuste van Gui- 
nea, niettemin op de rijksmunten het randschrift liet stem- 
pelen: „Rex Portugae et Guineae." Het Sultans -bestuur 
mist alle veerkracht en teert op zijne traditien. De vroe- 
ger onderworpen oeverstaten ter Oostkust zijn daarente- 
gen voor het grootste gedeelte vooruitgegaan in bevol- 
king, welvaart en bedrijvigheid ; er is meer ontwikke- 
ling gekomen, terwijl het eigenlijk gebied van den hoofd- 
vorst in dat alles achterlijk is gebleven. Alleen in de 
landschappen Tapong, Koeboe, Bangko en Tanah Poetih 
wordt het gezag van Siak nog voldoende erkend. Met de 
overige „Onderhoorigheden" is dit het geval in geenen 
deele. Sommige roepen het Sultansgezag alleen in wanneer 
hun belang dit medebrengt ; andere hebben zelfs alle ge- 
hoorzaamheid opgezegd. Zoo wilde in 1865 de vorst van 
Asahan niets van de suprematie van Siak weten, het- 
geen hem op het verlies van troon en vrijheid kwam te 



i) In de volgorde der wingewesten, voorkomende in het reeds 
vroeger genoemde Tijdschrift van het Bataviaasch Genootschap, komen 
ettelijke misstellingen voor, welke hier zijn verbeterd. 

2) Tusschen Batoe Bara en Padang liggen nog de landschappen 
Tandjong en Poegerawan. Het van Siak onafhankelijke landschap 
Kota Pinang in het bovenland van de Panei-rivier behoort thans ook 
tot de residentie Oostkust van Sumatra. 



DE RESIDENTIE SUMATRa's OOSTKUST. 



IÖ9 



Staan, aangezien de Indische Regeering in dit geval den 
Sultan van Siak vermeende te moeten steunen. De Sultan 
van Asahan werd bij die gelegenheid naar Riouw verban- 
nen, terwijl het bestuur over Asahan tot heden toe in 
handen is eener commissie van inlandsche hoofden, aan 
wier hoofd een controleur staat. 

Daarentegen heeft Deli zich in 1862 van Siak weten 
los te maken door de souvereiniteit van Nederland bij 
contract te erkennen, niet als onderhoorigheid van Siak, 
maar „evenals Siak." Zelfe heeft onlangs Panei bezwaren 
geopperd tegen de erkenning van het gezag des Sultans in 
lake van troonopvolging. 

De regeeringsvorm van eigenlijk Siak is eene vrij inge- 
wikkelde ; dien naar westersche begrippen duidelijk te om- 
schrijven, is geen gemakkelijke taak. Lang moet men 
n het land vertoefd en omgang met de hoofden gehad 
hebben om dien te vatten. Ik hoop dat de beknopte be- 
knopte beschrijving die ik hier laat volgen, er den lezer 
althans eenigermate een denkbeeld van zal geven. 

Het hoofd des rijks is de Sultan, die den titel voert 
van Jang di pertoean besar Siak Sri Indrapoera. Daarop 
volgt de rijksbestierder of onderkoning, Jang di pertoean 
moeda, die het uitvoerend bewind in handen heeft. Soms 
heeft deze nevens zich den Tongkoe panglima besar, die 
eigenlijk de opperbevelhebber is der strijdmacht. Hierop 
volgen de vier rijksgrooten, hoofden der IV Soekoes ge- 
naamd. De namen dezer soekoes of stammen zijn Tanah- 
Datar, Limapoeloe, Pasisir en Kampar. Het zijn de hoof- 
den der Maleiers, in vroeger tijd van elders gekomen, en 
zij zouden met onze consuls vergeleken kunnen worden, 
indien zij niet elk voor zich als vorst van hun stam 
optraden. Hunne onderhoorigen bewonen echter geene 
afzonderlijke districten, doch leven vermengd met de oor- 
spronkelijke Siakkers, die den naam dragen van Hamba- 
radja en orang soekoe Talang. De eerstgenoemden be- 
booren eigenlijk tot geen soekoe. Behalve dit college van 
bestuur van vreemden oorsprong, heeft men nog de vol- 
gende eigenlijk inlandsche hoofden (orang besar dalam): 
De datoe Bandhar (voor den handel). 
„ „ Laksamana (voor het zeewezen). 

. beide voor de 

„ „ Djaja pahlawan mentara kiri / ^. \ 

•9 9» Djaja pahla wan mentara kanan.i ^ 

^en het ceremo- 
nieel. 
Het bestuur over de eigenlijk inheemsche bevolking is 
opgedragen aan den Bandhar van Pekan Baroe en dien 
van Mandauy elk voor zooveel aangaat hun district, ter- 



wijl vier Panghoeloes het gezag hebben over de Hamba- 
radja in de Siaksche benedenlanden, hierboven genoemd 
sub a. 

De Laksamana of vlootvoogd is tevens gouverneur 
van het district Boekit Batoe, waar hij ook gezag uitoefent 
over de daar wonende personen die tot een der IV Soe- 
koe's behooren, en zulks in den zin van gedelegeerde der 
IV Soekoehoofden. 

Behalve deze dignitarissen behooren nog in het raderwerk 
van bestuur de volgende civiele personen, welke onder den 
datoe Bandhar staan: een secretaris of schrijver, een mata- 
mata of inspecteur van policie, en een pertanda of beul. 
Wat de militaire hiërarchie betreft staan eenige panglima's 
of onderbevelhebbers onder den Panglima besar. 

Aan eene eenigszins nauwkeurige begrooting der bevol- 
king van Siak en de Onderhoorigheden is vooralsnog niet 
te denken. De opgaven der betrokken hoofden zijn zoo on- 
bepaald en in den regel zoover beneden het ware cijfer, 
dat alleen bij benadering het zielental in deze streken kan 
worden aangegeven. De heer F. N. Nieuwenhuyzen, die 
in 1858 als Gou vernements- commissaris onze betrekkingen 
met Siak regelde en er eenigen tijd vertoefde, geeft een 
cijfer op van 

17,130 inwoners voor eigenlijk Siak en 
14,400 „ „ de Onderhoorigheden. 

Totaal 31,530 „ „ de geheele Oostkust. 

Dit getal is stellig veel te laag gesteld. Hoe dun Siak 
ook bevolkt moge zijn, kunnen wij toch gerustelijk het 
bevolkingscijfer op 150,000 zielen stellen i). 

Immers het is eene ongerijmdheid aan te nemen, dat 
Bengkalis, met zijne talrijke visscherskampongs langs de 
Zuidkust, slechts 50 inwoners zou tellen, ongerekend de 
Chineezen! Dit geldt ook voor het aan de overzijde gele- 
gen district Boekit Batoe, waar de visscherij insgelijks op 
groote schaal wordt gedreven. Het eiland Roepat is hier 
geheel vergeten, terwijl de Hamba-radja inderdaad veel 
talrijker zijn, dan door genoemden schrijver is aangenomen. 
Het cijfer van de Onderhoorigheden met het talrijk Chi- 
neesch element aan de kustplaatsen is insgelijks ver bene- 
den de werkelijkheid. Wel is waar heeft er sedert de ves- 
tiging van ons gezag ter Oostkust eene belangrijke ver- 
meerdering van bevolking plaats gehad, doch vóór 1858 
zou het' totaalcijfer der bevolking gevoegelijk op 115,000 
mogen gesteld zijn. 



I) Hiertoe behoeven zelfs niet gerekend te worden de vreemdelin- 
gen die zich sedert 1863 in het Delische bevinden. 



IIO 



DE RESIDENTIE SUMATRA S OOSTKUST. 



III. 



Van de „Onderhoorigheden" heb ik eigenlijk nog 
niets medegedeeld dan de namen. Ik zou ten dien op- 
zichte kunnen volstaan met de erkenning, dat wij te wei- 
nig met al de kuststaatjes bekend zijn om nauwkeurige 
opgaven te kunnen verstrekken, en met er op te wijzen, 
dat er weinig andere bijzonderheden van zouden kunnen 
worden vermeld, dan het ontstaan en beëindigen van 
eenige geschillen, hun gewoon inlandsch handelsbeloop en 
dergelijke. Voor één dezer landschappen kan echter die 
verontschuldiging niet gelden. Het is Deli, waaraan ik 
dan ook dit slothoofdstuk wensch te wijden. Wel is waar 
heeft in een vroegere aflevering van dit tijdschrift i) de 
hoogleeraar P. J. Veth een vrij uitvoerig en nauwkeurig 
geschreven stuk over Deli geleverd, maar — wij verkeeren 
thans in een later tijdperk, mijne donnés reiken dus ver- 
der. Bovendien ben ik als Secretaris der residentie Oost- 
kust van Sumatra meer in de gelegenheid geweest om 
bijzonderheden te leeren kennen, die niet altijd uit schrif- 
turen kunnen worden geput. Maar er is nog iets. Lang 
vóórdat ik als landsdienaar ter Oostkust werkzaam was, 
is door mij een tocht naar straat Malaka ondernomen, 
en heb ik mijn aandeel gehad — het zij met alle be- 
scheidenheid gezegd — in de grondlegging van Deli's 
ontwikkeling. 

Hierboven heb ik reeds met een enkel woord doen uit- 
komen, dat de Britsche invloed ter Oostkust van Sumatra 
allengs overwegend was geworden. Als oorzaak kunnen 
wij noemen: activiteit van den kant der Engelschen, tegen- 
over werkeloosheid van onze zijde. Bij hoofden en hande- 
laren was het ,,Ingries poenja" 2) schering en inslag. Dit 
bleek onder anderen ten duidelijkste, toen Siaks Sultan, 
door zijn broeder bemoeielij kt wordende, bescherming zocht 
bij het bestuur te Singapoera. Om politieke redenen werd 
deze natuurlijk niet verleend; een Engelsch avonturier 
echter, met name Wilson, maakte van Siaks zwakheid ge- 
bruik, en nestelde zich met eenige bijeengeraapte geluk- 
zoekers te Boekit Batoe en te Klapa Pati en begon er 
de rol te spelen van James Brooke. Een tweede Serawak 
stond voor de deur. In dien nood wendde zich de Sultan 
tot het Nederlandsch-Indisch Gouvernement, met verzoek 
om hulp. Deze werd verleend. Een oorlogschip verdreef 
Wilson en de zijnen, terwijl eene regeeringscommissie 
onze betrekkingen met Siak regelde, ?n dier voege, dat 



1) D. II. bl. 152. 

2) „Het is Engelsch." 



het rijk nu feitelijk onder ons gezag kwam. Er werd 
een militaire post op het eiland Bengkalis gevestigd en 
een assistent-resident belast met het civiel bestuur en 
de politieke leiding der zaken. Siak was een „buitenpost" 
van de residentie Riouw geworden. Door dat alles onder- 
ging de toestand van het zoo lang verwaarloosde rijk eene 
merkbare verandering. Er kwam meer vastheid en regel- 
maat in het bestuur; er was controle tegen willekeur, en 
daardoor ontstonden allengs meer waarboi^gen voor de 
veiligheid van personen en goederen. 

Onze bemoeienissen met de Onderhoorigheden des rijks — 
ik meen met de verschillende kleinere staatjes langs de 
Oostkust — bleven echter nc^ een paar jaren onbeduidend. 
Riouw was al een uitgestrekte, moeielijk te besturen resi- 
dentie, de Oostkust was zoo groot en — het is niet aan 
ieder Indisch hoofdambtenaar gegeven in zulke zaken een 
flink initiatief te nemen. 

De ambtenaar, die de taak op zich nam om de Oostkust 
nader te leeren kennen, was de toenmalige resident van 
Riouw, nu wijlen de heer E. Netscher, bekend om zijne 
arbeidzaamheid op velerlei gebied. Hij bezocht in 1861 
Siaks onderhoorigheden en maakte zoodoende kennis met 
de verschillende staatjes en met hunne politieke verhouding 
tot Siak. Het gevolg van dezen tocht was, dat in het vol- 
gend jaar een tweede bezoek plaats vond, bij welke gele- 
genheid door de vorsten en hoofden verklaringen werden 
geteekend, waarbij zij het oppergezag van Nederland over 
Siak erkenden. Alleen maakten de Sultans van Asahan en 
Deli hierop eene uitzondering. Eerstgenoemde vorst wilde 
hoegenaamd geen gezag van buiten erkennen; terwijl Deli 
wèl onze souvereiniteit aannam, doch niet langer als vazal 
van Siak wensch te aangemerkt te worden. Sedert dien tijd 
is Deli meer zelfstandig opgetreden, terwijl Asahans vorst 
als balling leeft te Riouw. 

Onze invloed werd door die inmenging merkelijk ver- 
sterkt, hetgeen natuurlijk door onze Engelsche overburen 
met leede oogen werd aangezien. De alleenhandel, dien 
de kooplieden van Pinang, Malaka en Singapoera tot dus- 
verre met de gansche Oostkust hadden gedreven, en die 
zeer belangrijk was, werd nu ernstig bedreigd. Luide klaag- 
tonen werden door de Engelsche bladen in „The Straits" 
over de nadeelige gevolgen, die ons optreden in straat 
Malaka voor hun handel zou opleveren, aangeheven. Zoo 
schreef de Singapore Free Press van 18 September 1862: 
„Het Nederlandsch Gouvernement doet weder nieawe 
pogingen om zich meester te maken van Sumatra's Oost- 
kust en op die wijze geheel Sumatra in zijne macht t& 
krijgen, met uitzondering misschien van Atjeh. Het laatste 



DE RESIDENTIE SÜMATRA'S OOSTKUST. 



III 



bezoek met twee oorlogschepen van den resident van 
Riouw, vergezeld van den assistent-resident van Siak, aan 
de verschillende havens van Oost-Sumatra is niet zonder 
uitwerking gebleven." De Penang Gazette van haar kant 
telde, in een uitvoerig artikel, al de voordeelen op, welke 
de Britsche handel tot dusverre van de Oostkust had ge- 
trokken, en besloot met er op te wijzen, dat die zouden 
verloren gaan indien de pas uitgebrachte vertoogen van 
lord Palnoestan geen paal en perk stelden aan de vorde- 
ringen der Hollanders op Sumatra. 

Het was op die herhaalde tochten den scherpzienden 
blik van Netscher niet ontgaan, hoeveel rijke hulpbronnen 
ter Oostkust van Sumatra nog ongeopend lagen en hoe 
het land tot ontwikkeling zou kunnen geraken door wes- 
tersche werkkrachten. Hierover trad hij, omstreeks het 
einde van 1862, in vertrouwelijke correspondentie met een 
oud vriend, een geacht ingezetene van Batavia, en stelde 
de vraag, of er niet iemand te vinden zou zijn die bereid 
was om eene reis te ondernemen naar de door hem be- 
zochte streken, ten einde aldaar een onderzoek in te stellen 
naar den bodem en zijne productieve kracht. Het geval 
wilde dat ik kennis bekwam van die uitnoodiging, en 
reeds op 10. Januari 1863 toog ik naar straat Malaka. 
Deze onderzoekingstocht leverde gunstige uitkomsten. Op 
verschillende plaatsen werden gronden onderzocht; er wer- 
den betrekkingen aangeknoopt met den Sultan van Siak, die 
zelfe aan schrijver dezes een stuk bouwgrond afstond i;. 
Talrijke lïionsters van producten, waaronder ook Deli-tabak , 
werden bijeengebracht en bij aankomst te Batavia rondge- 
deeld aan verschillende handelshuizen, aan de Maatschappij 
van Landbouw en Nijverheid, alsmede aan de Koninklijke 
Natuurkundige Vereeniging, terwijl in dagbladen en tijd- 
schriften de aandacht op den rijkdom des bodems van Su- 
matra's Oostkust werd gevestigd. 

De ondernemingsgeest te Batavia was niet overgroot. 
Men betoonde zich huiverig om gelden te steken in onder- 
nemingen in streken, welke men nimmer te voren had 
hooren noemen. Eindelijk deed zich een enkel ondernemer 
op. De heer Jacobus Nienhuys had den moed, na ont- 
vangst van nadere inlichtingen en van mijn laatste mon- 
sters tabak, eene tabaksondememing in DeU aan te vangen. 
Hij slaagde bij uitstek en werd weldra door enkele andere 
planters gevolgd. Nadat de uitstekende qualiteit der Deli- 
tabak erkend was geworden, nam de landbouw-industrie 



i) Deze schenking, groot 500 bouws, is tot heden niet door de 
Indische Regeering erkend, hoewel de Sultan toen de vrije beschik- 
king had over zijne bouwgronden. 



ter Oostkust met reuzenschreden toe. Niet alleen Neder- 
landers, doch vooral Engelschen, Denen, Franschen en 
Duitschers stroomden toe, en tal van estates verrezen in 
een land, dat weinige jaren te voren nog zoo goed als 
onbekend was. 

De toevloed van bevolking hield gelijken tred met de 
uitbreiding der verschillende cultures; want men was in 
het Delische ook begonnen met den aanplant van noten- 
muskaat, cacao, koffie en klappers i), ofschoon de tabak den 
bove;ntoon behield. Ook over de aangrenzende landschap- 
pen Langkat en Serdang breidden de landbou w-onder ne- 
mingen zich uit. 

In 1862 was er nog geen enkel Europeaan in het Delische 
gevestigd, terwijl er slechts enkele Chineezen — pachters 
en kleinhandelaren — werden aangetroffen. De onder- 
staande bevolkingsstaten mogen een denkbeeld geven van 
den vooruitgang in dit opzicht: 

1875 1876 

Europeanen 85 — 124 

Arabieren 9 — 9 

Chineezen 6371 — 7607 (koeli's) 

Andere vreemde Ooster- 
lingen 646 — 774 (Klingaleezen) 

Inlanders 28303 — 30204 

De productie van tabak bedroeg in 1879: 
voor 32 ondernemingen in Deli 5,488,131 Amst. ^ 

„ 19 „ „ Langkat 1,401,516 „ „ 

», 9 »» », Serdang 1,321,925 „ 

Totaal 60 2) 8,211,572 „ „ 

Dat handel en scheepvaart in gelijke mate toenemen, en 
daarbij ook de uitvoerrechten en de landspachten, is natuur- 
lijk. Aan in- en uitvoerrechten benevens pachten werden 
door het Sultans-bestuur geheven: 

1874 1875 

In- en uitvoer / 18,000 — / 41,200 

Opiumdebiet „ 57,500 — „ 105,000 

Verkoop van arak „ 3,348 — „ 21,762 

Deze cijfers zijn welsprekend genoeg voor een land waar 
weinige jaren te voren niets omging en vorsten en hoofden 
door afpersingen en knevelarijen zich een schamel inkomen 
trachtten te verwerven. Dat alles moest ongetwijfeld de 
aandacht der Indische Regeering trekken. De veran- 
derde toestanden maakten het wenschelijk, ja noodzakelijk, 
dat de Oostkust van Sumatra tot een afzonderlijk gewest 



i) Van de klapperteelt wordt thans meer en meer afgezien, daar 
zij slechte resultaten geeft. 

2) Er zijn echter over het jaar 1879 70 ondernemingen opgegeven. 

15 



112 DE RESIDENTIE 

werd verheven. Dit geschiedde in 1873. De zetel des 
bestuurs werd gevestigd op het eiland Bengkalis, terwijl te 
Deli een assistent-resident werd bescheiden. Maar nog in 
een ander opzicht toonde het Gouvernement zijn belang- 
stelling, door namelijk de in- en uitvoerrechten en de 
pachten aan zich te trekken, tegen uitkeering eener jaar- 
lijksche schadeloosstelling aan de betrokken vorsten en 
hoofden. Dit was, met de invoering der Europeesche rechts- 
pleging, wel de meest ingrijpende regeeringsdaad sedert 
1858, en hoe noode de vorsten, met het oog op hunne 
stijgende inkomsten, in deze transactie toestemden, kwam 
toch de maatregel tot stand. 

Deze jaarlijksche schadeloosstelling beliep voor: 

Siak f 28,350 

Deli „ 123,100 

de overige kustplaatsen „ 31,075 

Totaal f 182,525 

Hoe belangrijk deze uitkeering ook schijnen moge, 
leerde de uitkomst niettemin, dat de Regeering in dezen 
hare belangen goed had begrepen. Immers de eerste ver- 
pachting bracht in 1876 op: 

Voor Deli /3 72,300 

„ het overig deel der kust „ 106,656 

Totaal / 478.956 

terwijl de in- en uitvoerrechten niet minder de verwachting 
hebben overtrofiFen. In 1879 beliepen zij alleen voor de 
afdeeling Deli (met Langkat en Serdang) de som van 
/ 193,357. In het geheel klommen de ontvangsten in ge- 
noemd jaar voor Deli tot de som van / 1,195,196, ter- 
wijl de uitgaven (waaronder / 238,370 voor het militair 
departement) / 693,87 o beliepen. 

Het is derhalve niet te verwonderen, dat door die kolos- 
sale beweging op industrieel gebied de vroeger zoo ar- 
moedige landschappen Deli, Serdang en Langkat een gansch 
ander aanzien hebben gekregen. De 70 ondernemingen 
van tabaks- en andere cultures, met ongeveer 20,000 arbei- 
ders, de massa koop- en ambachtslieden welke zich 
hierbij heeft aangesloten, de groote wegen die zijn aange- 
legd en de vermeerdering van openbare en particuliere 
gebouwen die daarop is gevolgd, dat alles is de vrucht 
van nog geen twintig jaren, in een strook lands die een 
lengte zal hebben van een twintigtal geographische minu- 
ten en niet breeder is dan een vierde geographische mijl! 

Thans is de zetel des bestuurs van het moerassige Deli 
verlegd naar het 12 Eng. mijlen hooger gelegen en ge- 
zonder Medan. Hier treft men tevens aan het militair 
kampement, de hoofd-administratie der Deli-maatschappij 



SUMATRA S OOSTKUST. 

/ 

en het door dat lichaam gestichte hospitaal, ingericht voor 
een 1 00-tal lijders. 

Die snelle ontwikkeling van Deli's bloei heeft, afgeschei- 
den van de geschiktheid des bodems voor allerlei cultuur, 
een dubbele oorzaak ten grondslag. Vooreerst heeft de 
Indische Regeering, uit onbekendheid met alles wat de 
Oostkust van Sumatra betreft, hier onwillekeurig het stelsel 
van non-interventie toegepast, zoodat de industrie zich kon 
uitbreiden zonder belemmerd te worden door inmenging 
der bureaucratie. Ten andere is de handel te Batavia, 
vroeger zoo angstvallig, ja huiverig, om in Deli op te 
treden, thans met een koortsachtige zucht bezield om aldaar 
cultuurondememingen te exploiteeren. Daaraan is echter 
eene belangrijke schaduwzijde verbonden; want niet alleen 
blijven daardoor de overige kuststaten buiten den stroom 
der beweging, doch moet er teeeniger tijd noodwendig een 
reactie plaats grijpen, welke een ongunstig verloop zal nemen. 

De geschikte terreinen in Deli zijn allen bezet; doch de 
t abaksmanie doet nu ook op de meest ongeschikte gronden 
in Langkat en Serdang landbouwondernemingen verrijzen, 
die reeds nu bewezen hebben geene deugdelijke produc- 
ten te kunnen opleveren. 

Vroeger had men geen oogen voor Deli, thans heeft 
niemand een blik over voor Siak. Het Indisch Gouverne- 
ment draagt hiervan evenwel eenigermate de schuld. Paste 
het voor Deli het stelsel van „laisser faire" toe, voor Siak 
betoonde het zich daarentegen minder vrijgevig, zoodat 
daardoor meer dan ééne onderneming is verijdeld geworden. 



Ik zou hier mijn arbeid als geëindigd kunnen beschou- 
wen. Ik heb zooveel mogelijk de punten niet behandeld, 
welke reeds door Prof. Veth in zijn lezenswaardige bijdrage 
over Deli waren ter sprake gebracht. Alleen bij één punt — 
en 't is een gewichtig — wensch ik nog een oogenblik te 
verwijlen. In bedoeld artikel besjjreekt de schrijver onder 
andere de hoogst moeielijke communicatie van Deli met 
buitenlandsche gewesten. Dit bezwaar bestaat inderdaad. 
Vooreerst veroorloven de kleine stroompjes den afvoer van 
producten van de plantages naar de havenplaats alleen bij 
kleine hoeveelheden. Daarbij is de reede van Deli ontoe- 
gankelijk voor vaartuigen van een eenigszins groot charter. 
De stoomschepen moeten, zooals de zeelieden zich uitdruk- 
ken, „een gezicht uit den wal blijven." Dit levert in meer 
dan één opzicht een groot bezwaar voor afschepers van 
producten op. Vooreerst verbetert de lading, en vooral ta- 
bak, er niet op, wanneer herhaalde overschepingen moeten 
worden bewerkstelligd. Ten andere is het gedwongen trans- 



DE RESIDENTIE SUMATRA'S OOSTKUST. 



"3 



port naar eene vreemde haven — hier Pinang — vrij 
kostbaar. 

Op grond hiervan vermeent de schrijver, dat, wanneer 
overscheping toch noodig is, de groote stoomschepen die 
even goed op Sumatra zelf konden verrichten als in eene 
Engelsche haven. Zulk een aanlegplaats zou dan ook kun- 
nen dienen tot directe ontvangst van koeli's uit China, 
terwijl men nu in den aanvoer van werkkrachten afhan- 
kelijk is van Sihgapoera of Pinang. De heer Veth besluit 
zijne beschouwing ter zake met de volgende opmerking: 

„Het verdient dus de ernstige overweging van allen, die 
in den handel en de welvaart van Deli belang stellen, of 
het mogelijk zou zijn, hetzij de haven van Deli door den 
aanl^ van kunstwerken meer bruikbaar te maken, of eene 
andere haven in dit gedeelte van Sumatra te vinden, die 
beter dan Laboean Deli aan de vereischten beantwoordt." 
Hierop nu wensch ik te antwoorden. De haven van 
Deli meer bruikbaar te maken, dat wil zeggen toegankelijk 
voor schepen van grooter charter, geloof ik, dat aan 
groote bezwaren onderhevig, zoo niet geheel ondoenlijk 



is; maar — eene andere haven te vinden in dit 
gedeelte van Sumatra, die beter aan de vereischten 
beantwoordt dan Deli's tegenwoordige haven, dit ge- 
loof ik, dat niet geheel tot de pia vota behoort. Ik ver- 
wijs daartoe naar het in de buurt gelegen eiland Kampei. 
Reeds in 1863 wees ik op dat eiland in mijn reisverslag 
aan de Indische Regeering, als wellicht geschikt voor de 
inrichting van een kolenstation. De Fransche Messagerie 
namelijk zocht toen, om niet in de handen te vallen van 
de haar weinig genegen Engelsche P. en O. Company, ter 
Oostkust van Sumatra eene geschikte plaats voor hare naar 
het Oosten bestemde stoomschepen om de kolen. Ik ver- 
meende toen en vermeen nog, dat bedoeld eiland zich bij- 
zonder daartoe zou leenen. Voor zoover ik weet is geen 
onderzoek ingesteld geworden naar de al of niet uitvoer- 
baarheid van dit plan. Maar het zou nog kunnen geschie- 
den, en wanneer de geschiktheid der reede van het eiland 
Kampei mocht gebleken zijn, dan had men te gelijk een 
goede afecheepplaats voor producten, een station voor 
Chineesche koeli's en een steenkolen-depót. 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



Aanteekeningen op het derde deel van „Java, 
geographisoh, ethnologisoh, historisch.'' 

{Vervolg.) 

Ik laat thans de aanmerkingen volgen door Dr. J. Gro- 
neman te Jogjakarta, in een schrijven van 20 Aug. 1881 
gemaakt op het vierde hoofdstuk, handelende over „de 
Vorstenlanden." 

De met dat terrein door langdurig verblijf zoo bij uit- 
nemendheid bekende schrijver heeft zich, zooals hij zich 
uitdrukt, in de verbetering van hetgeen door mij minder 
juist is voorgesteld, bepaald tot hetgeen hij door veeljarige 
en nauwkeurige aanschouwing juist beoordeelen kon. Ik 
moet echter opmerken, dat de verschillen tusschen mijne 
voorstelling en de waarnemingen van den heer Groneman, 
naar het mij toeschijnt, in vele gevallen het gevolg zijn van 
veranderingen die in de laatste veertig jaren hebben plaats 
gegrepen, en in vele andere van het verschil dat tusschen 
de gebruiken der hoven van Jogjakarta en Soerakarta be- 
staat. De heer Groneman schrijft in 'zijn brief de voor- 
stellingen in mijn werk voorkomende aan de onvolledig- 
heid mijner bronnen en de oppervlakkigheid van al te 
vluchtige waarnemers toe. Onvolledigheid mijner bronnen 
bestaat stellig ten opzichte van datgene waardoor zich 
Jogjakarta van Soerakarta onderscheidt, en ten opzichte 
der wijzigingen die de instellingen der Vorstenlanden in 
den laatsten tijd ondergaan hebben; maar aan Winter, op 
wiens berichten ik mij voornamelijk heb verlaten, kan, 
wat Soerakarta betreft, noch onvolledigheid, noch opper- 
vlakkigheid verweten worden, wel eenige onduidelijkheid, 
die hier en daar tot misverstand kan hebben aanleiding 
gegeven. De lezer zal opmerken, dat ik blz. 570 — 579 en 
589 — 598 alleen over Soerakarta sprak, en dat Dr. Gro- 
neman; lijfarts van den Sultan, in de aanteekeningen op 
die plaatsen bijna altijd bepaald Jogjakartasche toestan- 



den schetst, waaromtrent ik blz. 598 opmerkte : „De 
inrichting van het Hof en het inlandsch bestuur in het 
rijk van Jogjakarta is nooit zoo opzettelijk en in bijzon- 
heden beschreven, maar wat er hier en daar als in het 
voorbijgaan van gezegd wordt, toont ons de fragmenten 
van een samenstel dat aan de inrichting van het broeder- 
rijk, met enkele uitzonderingen, geheel gelijkvormig is." 
Uit de aanteekeningen van den heer Groneman op dit 
gedeelte van mijn werk, leeren wij nu de verschillen ken- 
nen tusschen het hedendaagsche Jogjakarta en Soerakarta 
voor veertig jaren. Die verschilen zijn nog al groot, maar 
zouden misschien veel minder wezen, indien wij de mid- 
delen bezaten om met het tegenwoordige Jogjakarta ook 
het tegenwoordige Soerakarta te vergelijken. 

Blz. 571. De oudste uit de eerste ratoe geboren zoon, 
geldt bij de Javanen als wettige troonopvolger. Alleen 
waar zulk een zoon ontbreekt, verheft de vorst eene 
zijner andere vrouwen tot vorstin, om haar oudsten 
zoon (door onze Regeering) tot kroonprins te kunnen 
doen benoemen. Zoo werd de tegenwoordige Sultan 
van Pangéran Ngabéhi (oudste der zonen van niet vor- 
stelijke vrouwen) tot kandidaat voor de troonopvolging 
verheven door de verheffing van zijne moeder, de Raden 
Ajoe Sepoeh, oudste, maar in rang tweede, wettige 
vrouw van den zesden Sultan, tot Ratoe Sultan (thans 
Ratoe Ageng). Bij zijne eerste vrouw, Ratoe Kentjina 
(thans Ratoe Mangkoe Boew&ni), had die Sultan geen 
zoon. 

Blz. 572 V. Bij mijne dagelijksche bezoeken in de Kapoe- 
trèn te Jogjakarta, ontmoet ik daar evenveel mannen 
als vrouwen, en wel prinsen, broeders en zonen, neven 
en kleinzoons, zwagers en schoonzoons van den vorst, 
en verder pSnikawans, handwerkslieden (timmerlui, 
metselaars, verwers, kleermakers — ook van vrouwen- 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



"5 



kleederen — ververs van batik -kajins), hadji's en pries- 
ters — waaronder dezulke die de prinsessen den Koran 
en andere boeken leeren lezen, — en koeli's en min- 
dere bedienden in menigte. 

Sommige zoons blijven ook na hun besnijdenis nog 
wel in de kapoetrèn wonen, o. a. de tegenwoordige 
Pangéran Ngabéhi, die eerst sedert een paar jaren naar 
zijne tegenwoordige woning buiten den kraton verhuisd 
is, maar vóór dien tijd een huis bewoonde in de kapoe- 
trèn, dat nu door de Ratoe Ajoe (zuster van den Sultan 
en gescheiden vrouw van wijlen den vierden Pakoe alam) 
bewoond wordt, tegenover de woning van de Ratoe 
Agëng, des Sultans moeder. 

De bezoekers worden niet door een Njahi toemeng- 
goeng of Njahi (Nji) loerah, maar door een europeeschen 
ordonnans aangediend en binnengebracht, die ook brie- 
ven en boodschappen aanneemt, zoowel aan den Sultan 
als aan de vorstinnen. 

Een Njahi (Nji) loerah volgt mij echter, even als een 
ordonnans, bij mijn visites in de kapoetrèn, waar de 
ordonnans buiten de huizen blijft wachten en de Nji 1. 
mij aandient, voor de deuren nederhurkende (sild). 
Blz. 573. De dochters van den Sultan heeten allen Raden 
Adjeng, en worden, meerderjarig wordende, Raden Ajoe 
genoemd, als zij een Ratoe tot moeder hebben; in 't 
andere geval worden zij eerst bij haar huwelijk Raden 
Ajoe. De dochters van een Ratoe worden allen bij 't 
huwelijk tot Ratoe verheven. v 

Alle kinderen van den Vorst bij een Ratoe hebben 
den titel goesti vóór den naam en den adellijken titel 
(raden mas, raden adjeng, raden ajoe, pangéran), en 
alle andere kinderen den titel bendard. Behalve de 
ratoe's heeft de Sultan wettige vrouwen, die Raden ajoe 
heeten, en waarvan de oudste of eerste in rang Kang- 
djëng bendara, Raden Ajoe Sepoeh heet, en goendiks 
(sëlir), die alleen in geval van zwangerschap gehuwd 
worden i), maar ook meestal Raden Ajoe's zijn of 
worden. 

De adel blijft langer in de vrouwelijke linie dan in 
de mannelijke gehandhaafd. De vrouwen blijven Raden 
Adjeng (Raden Ajoe na 't huwelijk) als de ouders Raden 
Mas en Raden Adjeng of Raden Ajoe waren. Is de moe- 
der geen Raden Ajoe meer, dan worden de kinderen 
van een Raden Mas; Raden bagoes (m) en R. rara, of 



I) Deze woorden vereischen eene nadere opheldering. De vorst zal 
toch wel niet de algemeene wet van den Islam overtreden, die het 
huwelijk met slechts vier vrouwen toelaat. 



in Jogjakarta R. lird (vr.), genoemd en een Raden IdrS. 
wordt bij haar tiuwelijk raden ngantèn. 

Mas (m.) en mas Idrd (vr.), dat bij 't huwelijk ngan- 
tèn en soms m. adjeng wordt, is geen werkelijke adel 
meer. Menigeen heet zoo, die in het geheel geen adellijk 
bloed in de aderen heeft. Alle talèdèks van den Kraton 
heeten mas adieng, en de niet adellijke goendiks van 
Europeanen enz. worden beleefdheidshalve zoo genoemd. 
Blz. 574. De Kapatihan heet in Jogjakarta Danoerëdjan 
naar Danoe Rëdjd, den naam van den Rijksbestuurder. 
Blz. 575 vr. In Jogjd zijn acht Toemënggoeng NajSki's 
(4 T. N. djëro en 4 T. N. djaba) en talrijke Toemëng- 
goeng (of Boepati) anom. De kraton-kommandant heeft 
ook den rang van najaka. 

Al de nijdka's houden om beurten een etmaal de 
wacht op dezelfde plaats in de westelijke pandSpa Sri 
menganti. 
Blz. 592. In Jogja is 't hoofd van de pradjoeritan een 
Toemënggoeng najaka, volgende in rang op den Rijks- 
bestuurder. Hij heeft den titulairen rang van majoor 
of luitenant-kolonel en draagt Nederlandsche uniform. 
De laatste is sedert rijksbestuurder geworden, en de 
daarvoor vacante plaats is nog onvervuld. De voorlaatste 
was tevens najdka djero (MertS negara). De laatste 
heette Dhanoe dhi-ning-Rat. De kommandanten der 
afdeelingen en verdere officieren hebben geene militaire 
rangen. De kommandanten zijn toemënggoengs en heb- 
ben geen unifonn en geen wapens, maar voeren bij hun 
Javaarische kleeding een langen stok. De mindere officie- 
ren, pandji's, dragen in gala een fantasie-uniform even- 
als de troepen, ongeveer zooals door u op blz. 625 en 
626 beschreven is, maar zonder saroeng. Alleen dragen 
allen een schootsvel, in den vorm van ma^onnieke 
tabliers, 't zij van wit katoen, 't zij van andere stof, 
en versierd met gouden franje, of randen van passement. 
Bijna allen^ soldaten zoowel als officieren, dragen een 
blauwen of groenen stofbril. Sommige afdeelingen zijn 
met geweren, enkele andere met pieken (of met werp- 
spiesen) gewapend. De kris is voor allen, ook de pijpers, 
tamboers, bekkenslagers, hoomblazers enz. de rigueur en 
is in gala met bloemkransen versierd. Alle mindere rangen 
zijn erfelijk. De ook bij ons gebruikelijke strepen, en vleu- 
gels aan de Qavaansche) hoeden zijn de insignien der onder- 
ficieren, en nog rijker getooide vleugels die der pandji's. 
Blz. 600. Pangéran Soerjd Winata is een^ hoofdregent, 
najaki, die den persoonlijken rang van Pangéran 
Sentana heeft 
Blz. 604. Ook de prinsessen van den bloede hebben 



ii6 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



paloenggoehans. De erfelijkheid der ambten is regel, 
geen wet. Bij den dood van den Toemënggoeng Naj&kS, 
Mangkoe di poerS, werd zijn oudste zoon wel regent 
van dien naam, maar geen najaka; hij werd pradjoerit- 
regent (kompagnie's kommandant). Als najakd werd een 
andere regent, een Toemënggoeng (boepati) anom, schoon- 
zoon van den Sultan, in zijn plaats gesteld, en deze 
behield zijn eigen naam. De namen der najdkd's gaan 
niet over met den post, wèl de naam van den Rijks- 
bestierder. 

De kinderen van goendiks zijn even goed wettig als de 
kinderen van andere vrouwen; maar zij zijn minder hoog 
in rang i). Er zijn echter voorbeelden van overgang van 
een ambt op een goendikszoon, met voorbijgang van een 
zoon van een hoogere vrouw. Wettig gehuwde vrouwen, 
die niet den naam van haar man dragen (of, als haar 
man de Sultan is, geen ratoe zijn) heeten ook goendik. 
En ongehuwde bijzitten moeten, als ze zwanger zijn, ge- 
huwd worden. Onwettige kinderen, of onechte, zooals wij 
het uitdrukken, zijn er dus niet 2). 

Blz. 605. De staatsiemuts heet koeloek. De kopjak is een 
kindervayiX^^, 

Blz. 609. De regentschaps-hoofdplaats Sleman ligt nie 
aan den grooten weg, maar daarvan verwijderd. 

Blz, 614. De stad Jogja wordt ten westen begrensd 
door de Kali Win&ngi, en ten oosten door de Kali Tjodé, 
die tusschen de stad en de Pakoe-alaman (met de nieuwe 
wijk Bintira) doorloopt. De Kali Godéan is mij onbekend; 
wel ken ik eenige palen westwaarts van Jogjd, in de buurt 
van den Goenoeng Gamping, eene desa Godéan. De 
Bêdog ligt veel westelijker dan de Windnga, en loopt langs 
de badplaats Ambar Winangoen. 
Van de hooge en lommerrijke boomen zoudt gij er niet 



i) Dit is niet in strijd, maar geheel overeenstemmend met hetgeen 
door mij, D. I. bl. 357 v., over de goendiks gezegd is. 

2) Hier stuit ik op hetzelfde bezwaar als boven bij de noot op 
blz. 573. Beschouwen wij de goendiks als slavinnen van den man 
met wien zij leven, dan zijn hare kinderen volgens het recht vanden 
I<;lam volkomen wettig; de goendik zelve komt als zij haren meester 
een kind gebaard heeft, in den toestand van Omm Walad, d. i. zij mag 
niet meer vervreemd of verpand worden, en is bij den dood des 
meesters van rechtswege vrij. Daar het houden van goendiks door 
Javaansche grooten ongetwijfeld ouder is dan de invoering van den 
Islam op Java, en daar in de inlandsche maatschappij eigenlijke 
slavernij nooit te huis is geweest, kan het ons niet bevreemden, 
dat de bepalingen van het Mohammedaansche recht niet zoo geheel 
op het goendikschap passen; maar als de Vorst met al de goendiks 
die hem kinderen schenken, een wezenlijk huwelijk aangaat, wordt 
AMiftJundamenteele bepaling van den Islam verkracht. 



veel meer vinden; alleen tusschen het fort en hetresiden- 
tiehuis staan nog enkele weringins, en aan den weg be- 
noorden het fort, langs den pasar, enkele kanari's. Een 
jonge tamarinden-laan is langs den weg bezuiden het 
fort geplant. 
Blz. 615. De tegenwoordige Sultan restaureert zijn kraton 
en kedaton. Muren zijn of worden vernieuwd en alle 
tratags i) van gegoten ijzeren kolommen voorzien enz. 
Blz. 618. Van die zuil aan den noordelijken ingang der 
stad (toegoe) is alleen maar een voetstuk blijven staan. 
De straat wordt naar dien paal Toegoe genaamd en 
loopt recht op den kraton aan, eerst door een euro- 
peesche buitenwijk aan den linker- of oostkant, dan door 
de Chineesche kamp, dan tusschen het fort (oost of links), 
en het residentiekantoor, de protestantsche kerk, het 
residentiehuis en de sociëteit (west of rechts) door naar 
de aloen-aloen. Voor de aloen-aloen liggen nog langs 
de gladag rechts eenige europeesche huizen en links de 
boeien. De geheele weg van den toegoe tot aan de 
aloen-aloen is iVa paal lang. De nsiaim I/ofstraat \s 
mij onbekend. De begraafplaats benoorden het fort naast | 
den pasar is gesloten. Een nieuwe begraafplaats ligt ten 
zuiden van de stad, beoosten den kraton. | 

Blz. 619. Het fort heet niet Rustenburg maar Vredelmrg, 
en die naam prijkt in groote letters boven de poort, 
't Heeft vier bastions; ieder bastion is gewapend met 
één twaalfponder boven de borstwering van den mid- 
denhoek, en twee drieponders, op draaibassen, boven de 
zijhoeken, en heeft bovendien in elke frontlinie drie en 
in elke courtine één (dus in 't geheel acht) schietgaten. 
Alleen het zuidwestelijk bastion heeft maar twee schiet- 
gaten in elke frontlinie, dus in 't geheel zes, maar is 
bovendien met een mortier gewapend, dat op den kraton 
is gericht. Bezuiden 't fort ligt een kampement van 
ofi&cierswoningen. 

Het nieuwe Residentiehuis is sedert 1875 of 1876 in 
gebruik gekomen. In de troonzaal staat onder den troon- 
hemel geen kanapee, maareen paar roode, met goud ver- 
sierde iroonstoelen en twee kleine tafeltjes met sirih- 
benoodigdheden, voor den Sultan en voor den Resident. 
De Sultan zit er echter op zijn eigen gouden (vergulden), 
met groen fluweel bekleeden dampar, die daarvoor bij 
alle ofiicieele feestelijke gelegenheden wordt med^;evoerd, 

i) Tratagxs eigenlijk een vlak dak aan weerskanten ofvóór aan een 
pandapa: maar hier schijnt het gebruikt te worden voor denpandapa 
zelven, of althans voor een gebouwtje, misschien van eenigszins bij- 
zonderen vorm, maar gewoonlijk onder den naam van pandapa b^ie- 
pen. Zie ook beneden de aanteekening op blz. 626. 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



117 



en gebruikt evenzoo zijn eigen roodhouten en zwaar 
vergulde voetenbank, door een panikawan vastgehouden. 
(In den kedaton doet dat een vrouwelijke panakawan), 
Blz. 621. *t Welig opschietende gras wordt op de aloen- 
aloen van tijd tot tijd weggeschoffeld. 

De gëladag is geen plein, maar een klein eind straat, 
zonder poorten, maar met een steenen barrière, zonder 
deuren of gewelf, in 't midden. 
Bk. 623. Op malëm selikoer i) wordt in de poew&si- 
maand de eerste malëman gehouden. De Sultan komt 
daar niet te paard, maar te voet, gearmd met den Resi- 
dent en verzeld van de andere autoriteiten {tiiet den 
militairen kommandant), de dragonder-lijfwacht te voet, 
met getrokken sabels, om hem heen, en den luitenant- 
kommandant van het corps met getrokken sabel naast 
hem. Aldus wandelt deze groep met gevolg 't gansche 
vierkant der voor hun soupé nederzittende prinsen en 
ambtenaren langs. Allen zitten onder den blooten hemel, 
ver buiten de schaduw der weringins, en beslaan niet de 
gansche aloen-aloen, maar een vierkant op de zuidzijde. 
De gasten zitten al neder vóór de komst van den vorst. 
De Panghoeloe en zijn staf van priesters en hadji's 
bidden, staande vóór de tratag hing siti hinggil 2). 

Er worden 5 malëmans gehouden, den 21 sten, 23sten 
25stenj 27sten en 29sten. De laatste worden door den Sul- 
tan te paard of met de ratoe's en prinsessen in wagens 
bezocht en dan beslaan de gasten de geheele aloen-aloen. 
De prins Pakoe alam en enkele andere Javaansche 
grooten houden op andere (tusschen-) dagen malëmans 
te huis voor hun onderhoorigen. 

Men zegt dat de malëmans gehouden worden in navol- 
ging van een geimproviseerden picknick door Pangéran 
Mangkoeboemi (den lateren eersten Sultan) gedurende zijn 
opstand tegen den Soesoehoenan, tijdens de poewas&, op 
't veld in de open lucht gehouden ; en dat daarom dat 
gebruik in heel Jogja in eere wordt gehouden, terwijl 
het in Soerakarta onbekend is 3). 
Blz. 624. De vijver van de mesdjid is vóór den oostelij* 
ken hoofdtoegang behoorlijk overbrugd. De geloovigen 
wasschen echter hun voeten naast de brug in 't vijver- 
water, dat zeer ondiep en vuil is. 



i) Dat is dè 2i"*« nacht of, naar onze wijze uitgedrukt, de avond 
van den 20»*«** dag. 

2) Zie straks de aanteekenlng op blz. 626. 

3) Het voorbeeld van Mangkoeboemi moet slaan op de wijze van 
malëman-viering in Jogjakarta, niet op de viering der malëmans in 
't algemeen, die ook te Soerakarta en elders op Java plaats heeft. 
Zie blz. 675 en Deel I, blz. 395, 



Gedurende het spelen van de gamelan sekatèn wordt 
er op de aloen-aloen vóór de mesdjid een soort van 
kermis gehouden. 
Blz. 625. Als de Sultan gedurende de garëbëgs op de 
siti hinggil zetelt, blijven zijne vrouwen (ratoe's en prin- 
sessen) binnen in de kapoetrèn. Niet alleen de aanzien- 
lijke Europeanen, maar bijna allen, ook die in de desa's 
wonen, worden uitgenoodigd de gafëbëg bij te wonen, 
en stellen zich aan schriftelijke aanmerking van den 
Resident bloot, als ze zonder wettige verhindering te 
huis blijven. Het aantal pradjoerits bedraagt hoogstens 
eenige honderden. Elke groep heeft een paar tamboers, 
een paar hoornblazers of trompetters, en soms een pijper 
en een bekken 3)- slager. Allen marcheeren tandakkende, 
doch bijna onmerkbaar. Alleen de eerste pandji van 
de eerste compagnie tandakt als door u beschreven is, 
en de achterhoede, een compagnie (of peloton?) pieke- 
niers, tandakt in haar geheel, waardig en kalm. 

De tandakkende pandji draagt, evenals zijn manschap- 
pen, een stofbril, een geelachtig witte of witte uniform, 
een steek met pluim en bloemen (de manschappen geen 
pluim) en lage, geen hooge^ laarzen; andere compagnien 
wèl\ weer andere een korte broek met witte kousen en lage 
schoenen. De eerste compagnie is, als meest alle com- 
pagnien, met geweren (thans percussie-geweren) gewapend. 
Bij andere compagnien zijn enkele piekeniers in 't ach- 
terste gelid. De laatste compagnie bestaat geheel uit 
piekeniers. Allen dragen bovendien twee krissen met 
bloemen versierd en zijn zelven met bloemen behangen. 
Enkele compagnien hebben steken, andere schako's, nog 
andere Javaansche krijgshoeden. Degens of sabels hebben 
alleen de officieren en de Javaansche lijfwacht, die echter 
niet meê defileeren maar vóór den Sultan uit tandakkend 
uittrekken. Ook zij allen hebben schilden van vlecht- 
werk met piekijzers beplant. 

Op de soldaten volgen de goenoengan's met eten voor 
het volk op de aloen-aloen, benevens de gamelans, en 
eindelijk de beide loerah's van de kampongs der talèdèk's 
met die dames en andere gamelans. Deze loerah's dra- 
gen het bovenlijf met boreh besmeerd en om de lende- 
nen een rooden geweven kajin. Verder zijn zij met een 
koeloek gedekt, met bloemkransen behangen, en voeren 
zij een grooten stok, waarmede zij gedurende eenige 
sekonden een spiegelduel houden. 
Blz. 626 vv. De benamingen der Kraton-afdeelingen en 
poorten zijn onjuist. Van het noorden naar het zuiden de 
aloen-aloen overgaande, heeft men: 



i) Kleine gong. 



ii8 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



1. Vóór de trappen van de siti hinggil de tratag rem- 
bat, een plafond van gevlochten bamboe, op ijzeren 
(vroeger steenen) kolommen. 

a. Links en rechts kleine pand&pa's (1. debangsal 
pëngapit, en de kleinere bangsal pengrawit, 
rechts weer een bangsal pëngapit). 

b. Verder zuidwaarts aan weerszijden van en vóór 
de trap een patjikëran en boven aan weerszijden 
van de trap een pëngapit taroeb agoeng. 

2. De trap en 

a. De tratag hing siti hinggil. 

b. De bangsal panggoeng. 

c. De bangsal witand. 

d. Rechts en links een gëdong gangsa. 

3. De trap naar beneden en de régol (poort) Bridjanali. 

Rechts en links een pëngapit bradjan&li. 

4. Tratag en bangsal mandoengan op een plein, dat 
gewoonlijk këbën wordt genoemd, naar een boom van 
dien naam. Vroeger stonden daar vier këbën-boomen; 
die zijn echter nu omgehakt. 

5. Régol (poort) Sri menganti (alias régol këbën). 

Aan weerskanten daarvóór een pëngapit man- 
doengan. 

6. Het plein Sri menganti, met rechts en links de pëng- 
apit Sri menganti en midden op het plein rechts en 
links een vierkante (en niet langwerpige) pandipa 
Sri menganti. 

7. De régol (poort) Kedaton, die toegang geeft tot het 
binnenste van den Kraton, en aan weerszijden er 
voor een pëngapit régol Kedaton, waaronder de euro- 
peesche en inlandsche voorwacht (één europeesch 
lijfwacht-dragonder) en de ordonnansen van dienst 
wacht houden. 

Naast die régol, binnen, rechts (westzijde) staat de 
gedong madhoe karapesak djawi, 't wachthuis der 
nji ioerah*s of vrouwelijke drempelwachters of ordon- 
nansen. 

Daarnaast (westelijk) een europeesch huis, gëdong 

hidjëm i), waar de Resident in casu logeert en de 

dames bij bals een toiletkamer vinden. 

Daarnaast en voor, front makende naar het oosten, de 

gëdong djëné 2), niet het woonhuis, maar het kleine 

officieuse receptie-salon van den Sultan. Hij woont naast 

de Kapoetrèn achter, noordwestelijk van de gedong djëné, 



i) D. i. het groene huis. 

2) Hetzelfde gebouw dat bij mij, blz. 628, gedong koening heet 
Koening is Ngoko en djené Krama en beide beteekenen geel. 



in den tamanan. Maar in de gedong djëné houdt hij 
een kleedkamer en een bureau in gebruik, en achter de 
gedong djëné woont in een ander huis de Ratoe mas, 
tegenwoordig Sultane favorite, die tot Ratoe verheven is 
met het oog op haar zoontjes. De eerste ratoe (Ratoe 
KentjinS), vroeger kroonprinses, heeft geen zoon. 

Midden op het binnenhof, dat met groote sawoe-boo- 
men beplant is, en waarvan alleen het gedeelte vóór de 
gouden pandapd Pelataran heet, staat, frontmakend naar 
het oosten, de bangsal kentjana, waarvan alle houtwerk 
geverfd en verguld is; de pilaren, sdkd's, donkerbruin met 
verguldsel, de van alle zijden oploopende dakbalken en 
planken geel met verguldsel, 't middengedeelte boven de 
vier groote midden -sakd's (sAki goeroe) zooals door u, 
bl. 628, beschreven wordt. De mindere prinsen en 
prijaji's mogen hun panddpa's niet beschilderen, of alleen 
maar het plafond tusschen de sak& goeroe. In den Ka- 
dipatèn is thans ook alles beschilderd; m den Danoe- 
redjan alleen het midden-plafond. 

Vóór de bangsal kentj&nd ligt de tratag kentjani, en 
achter de bangsal kentjind de tratag prdbdjeksi, en 
daarachter de groote pandSpa prabajëksA, waarvan het 
voorste deel tot staatsiezaal dient, en waarin in 't ach- 
terste zuidelijke kwartier (dus in den zuidwesthoek) de 
vertrekken van de Ratoe kentj&na zich bevinden. De 
tratags rusten tegenwoordig allen op ijzeren kolommen 
en de tratag kentjdnd en tratag prdbdjeksa zijn met 
ijzeren daken gedekt. 

Zuidelijk, naast de bangsal kentjana, strekt zich de 
bangsal manis (een langwerpige eetzaal) uit en vóór de 
bangsal kentjand staan twee gamelan-huisjes, kotak. 

Op het binnenplein staan nog aan de zijden, links, 
oostelijk van den noordelijken ingang, de pesowan ke- 
parak; verder in den noordoosthoek de gedong midji, 
en langs de oostzijde, van 't noorden naar 't zuiden, de 
bureau's, de gedong gangsa, gedong gapoerd, de srang- 
bdjS. (biljard- en schenkkamer) en de rijpaardenstallen, 
en langs de zuidzijde de gedong këmassanèn lampo 
en de gedong patéjan. 

Dan volgt de zuideruitgang, régol Kedaton kidoel, en 
daarnaast langs de zuidzijde de gëdong sëdah. 

Achter, zuidelijk van de tratag prdbSjëksa, voert een 
klein poortje, régol woeni (naar een woeni-boom gehee- 
ten), naar de kapoetrèn, die men evenzoo bereiken kan 
door de prAbdjëksd en achter langs de gedong djëné. 

Van een 'park te spreken is al te beleefd. Bloemen- 
plantsoenen zijn er onbekend; alleen staan er vrucht- 
boomen op de erven om de huisjes en krotten en keu- 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



119 



kens enz., en de kleine bidkapel (panëpèn), die echter 
tot bergplaats van een rommelzoo dient, staat in een 
gracht die meer van een moeras dan van een vijver 
heeft, en mij nog al eens malaria-patiënten bezorgt, 
ondanks al wat ik doe om dien poel telkens te doen 
schoonspoelen. Sawoe-boomen zijn er in dat „park" 
niet veel te vinden. 

8. De régol Kedaton kidoel ; zij wordt ook régol magangan 
genoemd en leidt naar buiten, naar het piein magangan 
dat door de 

9. Régol këmandoengan met het plein këmandoengan ver- 
bonden is. 

10. Hierop volgt de zuidelijke siti hinggil, die door trap- 
pen met de aloen-aloen kidoel in gemeenschap staat. 

In het bijzonder moet nog het volgende worden opge- 
merkt: 

BI2. 626. De toegang tot de siti hinggil voert onder de 
tratag hing sili hinggil door en heeft links (oost) den pan- 
dipa, waar de inlandsche crimineele rechtbank (alias 
landraad) gehouden wordt, en rechts (westelijk) binnen 
den kratonmuur de kazernes der europeesche lijfwacht- 
dragonders. 

De Residentieraad wordt op 't residentie kantoor ge- 
houden. 
Blz. 627. De remises en stallingen bevinden zich ten 
westen van de lijfwacht-kazernes en rechts (west) van 
den zijtoegang van de aloen-aloen tot den kraton. 

Het staatsie-rijtuig wordt ook door den Sultan zelven 
bij goed weder bij zijn staatsie-optocht naar de Residen- 
tie gebezigd, met den Resident ot Assistent-resident 
naast hem. 

Bij de BradjdnalS. is thans, sedert den Atjeh-oorlog, 
alleen een Javaansche wacht geplaatst. 

Op het plein vóór de régol Kedaton houdt slechts één 
europeesche schildwacht de wacht en (overdag) een paar 
europeesche ordonnansen. 
Blz. 628. De bangsal kentjana is groot genoeg voor vrij 
groote bals en soiree's, waar een paar honderd heeren 
en dames ontvangen worden. 

Van trappen kan men niet wèl spreken. De vloer 
vormt een kleine verhooging, met eene nieuwe verhoo- 
ging van het midden tusschen de 12 sdkd raw&. Deze 
ruimte heet penanjab, de daarmede in één vlak gele- 
gen niinite tusschen de vier saka goeroe in 't centrum 
heet lawahan, de omgaande galerij onder het afdak tus- 
schen de 16 buitenste saka's, of saka èmpès,heet èmpès. 



Daarbuiten is alleen vóór en achter nog de tratag 
(tratag kentjana vóór en tratag prabajëksa achter). 
Blz. 629. Toen van Rijckevorsel Jogja bezocht was er 
geen Pangéran Ngabéhi, maar de tegenwoordige Sultan 
was toen Pangéran Adipati anom, d. i. kroonprins. 
Vroeger, vóór 1872 en vóór de verheffing zijner moeder 
tot Ratoe, was hij Pangéran Ngabéhi, als oudste zoon 
van de wel oudste en eerste, maar niet vorstelijke wtoxtn 
van den zesden Sultan. Hij woonde toen, en ook vroe- 
ger als Pangéran Ngabéhi, in de Kadipatén, dewijl er 
geen zoon van des Sultans Ratoe bestond, en die Kadi- 
patén ligt niet achter de stallen der rijpaarden, maar in 
de westelijke helft van den Kraton, dicht bij dé weste- 
lijke poort Plëngkoeng Tamansari. De zuidelijke poort 
heet Plëngkoeng gading; in de noordzijde zijn twee 
poorten: de PI. Kapoetrèn, die toegang geeft tot het 
westelijk gedeelte, en de PI. panëmbahan, die toegang 
geeft tot het oostelijke gedeelte van den kraton. Daar 
is ook nog een plek, achter de stallen der rijpaarden, 
die Panëmbahan heet en waar, in veel vroeger tijd, een 
verblijf van een kroonprins kan bestaan hebben, waar- 
van nu echter niets meer overig is dan de bouwval van 
den verheven vloer van een kleinen panddpa. 

De prinsessen door u als „de Javaansche gratiën" be- 
schreven, zijn thans tamelijk oude vrouwen. De eerste 
heeft voor een jaar of zes haar 17de kind gebaard. 

De tegenwoordige Ratoe Kentjana, dochter van Sen- 
tot en vroeger vrouw van den man die later Pakoe 
alam is geworden, is niet naar den Kroonprins gevlucht, 
maar eenvoudig naar hare familie, en heeft een tijdlang 
in het residentiehuis verblijf gehouden. Later heeft de 
Pangéran Ngabéhi haar tot vrouw genomen. 

Vele jaren later gaf de Sultan (VI) aan den Pakoe alam 
een dochter tot vrouw, die echter ook van haren man 
wegliep, en dit gebeurde insgelijks met een vroegere 
vrouw, dochter van een regent van Banjoemas, die een 
onderkomen vond bij de familie van den Resident Bosch. 

Het huwelijk van den Pakoe alam met de dochter van 
den Sultan had dus niets met zijn scheiding van zijne 
vroegere vrouw te maken. 

In de Kadipatén woont thans, zoolang er wederom 
geen kroonprins bestaat, de Pangéran Arj& Mangkoeboemi, 
oudste broeder van den Vilden Sultan en van dezelfde 
moeder. De oudste zoon van den Sultan (die geen zoons 
heeft bij de Ratoe Kentjini, maar wel bij de tot ratoe 
verheven tweede vrouw Ratoe mas, maar die nog kin- 
deren zijn) woont buiten den kraton in 't zuidwesten. 
Blz. 630. Deze ratoe was tijdens van Rijckevorsels bezoek 

16 



120 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



tweede vrouw van den Kroonprins, die toen ook reeds 
tal van kinderen had, waaronder slechts twee (dochters) 
van de Ratoe Kentj^na, 

De Ratoe draagt nooit, en droeg ook bij van Rijcke- 
vorsels bezoek geen saroeng, 7a) heette toen echter 
Raden ajoe pati, en was geen ratoe. *t Gearmd opleiden 
en uitleiden der ratoe's en prinsessen was ook onder 
vroegere Sultans adat. Evenzoo, als zij aan een soupé 
in den Kraton, in de Kadipatèn of in de Residentie 
deel nemen, worden wij gedesigneerd haar aan tafel te 
brengen, en dan gedragen we ons hoogst fatsoenlijk als 
we (om de tegenwoordigheid van den Sultan zelven) weinig 
praten. Ik, die, uit den aard der zaak, die prinsessen 
beter ken dan eenig ander Europeaan, mag overigens 
gaarne met enkele een praatje houden. Er zijn er onder 
waar men beter meé praten kan dan met menige nonnah 
(kleurling). 

Van een afzonderlijke wijk der pradjoerits is mij niets 
bekend. Zij wonen in verschillende kampongs verspreid, 
evenals de verschillende pandji's en kommandanten. Elk 
korps (compagnie) heet naar den regent -kommandant. 

Blz. 631. Mijns inziens is het Waterkasteel minder merk- 
waardig, omdat het geen eigenaardig en vooral geen la- 
vaansch bouwkarakter bezit. De toegangen liggen niet 
onder water, maar zij zijn door den vijver aangelegd. 
De vloer alleen zou, als er water in den vijver was, b.v. 
in den westmoeson, onder water kunnen staan. Ik heb 
ook de rotonde altijd droogvoets bezocht, zonder water 
te zien. 

Blz. 633. Van Poelo KendngS, is niets meer dan een on- 
herkenbare bouwval overig. 

Blz. 634. De poorten van de Pakoe-alaman bestaan niet 
meer, behalve eene enkele aan de westzijde, dicht bij 
den zuidwesthoek, ontoegankelijk echter voor rijtuigen. 

Blz. 635. De monsterkop met uitgestoken tong, dien 
men ook in den Kraton en overal elders van stuc gemaakt 
vindt, is een nabootsing van den Wanaspati. Ik heb dien 
nooit zonder onderkaak gezien, maar de breede uithangende 



tong, die als spuigat voor afvloeiend regenwater kan ge- 
diend hebben, en de groote slagtanden bedekken de onder- 
kaak grootendeels. 

Blz. 636. De heilige visschen te Pasar gedé zijn uit Ban- 
doeng (Priangan) overgeplante gewone goudvisschen 
(ikan tjandra mas). 't Kan zijn dat er ook ikan lèlèh is, 
maar ik heb er die nooit gezien. 

Blz. 641. De badplaats waarheen de bedevaarten verricht 
worden, heet Ambar Winangoen. 

De hooge toren van den Goenoeng Gamping is al 
lange jaren geleden gevallen. 



Tot dusverre de heer Groneman. Ik kan niet ontveinzen 
dat ik eenigszins ontstemd ben geworden door die lange 
lijst van onnauwkeurigheden, vooral in de weinige blad- 
zijden die in mijn werk aan den Kraton van Jogjakarta 
gewijd zijn. Ik ben van mijne berichtgevers, in wie ik 
meende vertrouwen te mogen stellen, nergens afgeweken, 
en heb slechts in zeer enkele gevallen eene combinatie van 
hunne berichten beproefd. Misschien heb ik hen somsmis- | 
verstaan of verkeerd gecombineerd; dat hier en daar zaken 
vermeld worden zooals ze vroeger waren, en thans niet j 
meer zijn, is natuurlijk noch aan mij, noch aan mijne 
berichtgevers te wijten; er zou een zienersblik noodig zijn, ! 
om kennis te dragen van veranderingen die nergens ver- 
meld zijn. Eén ding is er bovendien in dat alles, dat mij 
eenigszins troost. De meeste opmerkingen betreffen klei- 
nigheden, die van geen invloed zijn op de kennis en waar- 
deering der Javaansche toestanden en eigenaardigheden, i 
Het is mijn ernstig streven geweest ook in kleinigheden 
nauwkeurig te zijn, maar daarin heb ik door de onnauw- 
keurigheid en onvolledigheid mijner bronnen dikwijls ge- 
faald. Toch vlei ik mij dat men van de lectuur van mijn 
boek in het algemeen een indruk zal ontvangen, die van 
Java en de Javanen een tamelijk ware voorstelling geeft. 

i 
P. J. Veth. 



Zes-en-dertigste Algemeene Vergadering 



VAN HET 



AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP, 



GEHOUDEN TE "SHAG E, DEN 4 MAART 1882. 



Deze vergadering werd gepresideerd door prof. P. J. 
Veth, die bij den aanvang wees op het levendig aandeel, 
ook van Nederland uit aan de beweging op geographisch 
gebied genomen. Een Nederlandsch reiziger, de heer Van 
Rijckevorsel, bereisde thans Brazilië; de hh. Buttikofer en 
Sala hadden hun onderzoekingen in Afrika ingesteld ; voor 
de vijfde maal zou de Willem Barents haar reis naar het 
Noorden ondernemen, terwijl ook prof. Buijs Ballot, krach- 
tig door de natie gesteund, zijn expeditie naar Dickson- 
haven financieel verzekerd zag. 

Doch er was nog een ander Nederlandsch reiziger in 
Afrika, wiens reizen voor de aardrijkskundige kennis van 
dat werelddeel zelfs zeer belangrijk mochten heeten: de 
heer Juan Maria Schuver. Schuver was de zoon van een 
Amsterdamsch makelaar, reisde op eigen kosten en had 
zich reeds vroeger door zijn reizen in Spanje en naar 
Konstantinopel, zooals uit zijn schetsen, daarvan in het 
Handelsblad g^even, kon blijken, als reiziger gevormd en 
voorbereid. Hij had zich daarna te Londen in de behan- 
deling van de nieuwste instrumenten geoeiend en was thans 
over Khartoem in het dal van den Blauwen Nijl tot Famaka 
(de oostelijkste grensplaats van Abessinie) en vandaar in 
het Bertaland en het dal van de groote Toemat-rivier door- 
gedrongen. Van daar begaf hij zich naar Fadasi, het 
verste punt tot dusver door een Europeaan (Marno 1870/71) 
bereikt, om van daaruit het land der Lega-Gallas te be- 



zoeken en zoowel over de geheele landstreek als over de 
oostelijke zijtakken van den Witten Nijl, Sobat en Baro, 
nieuw licht te verspreiden. Met dezen reiziger, die zich 
tot dusver met de redactien van vreemde tijdschriften ip 
verbinding had gesteld (Petermann's Mittheilungen en TEx- 
ploration) wenschte het Aardrijkskundig Genootschap be- 
trekkingen aan te knoopen. Spreker stelde dus voor hem 
tot correspondeerend lid te benoemen, terwijl hij daarbij 
tevens in overweging gaf den heer Dechy Mör, den Hon- 
gaarschen reiziger, die het Genootschap door 't geschenk 
eener zoo belangrijke verzameling photografien van het 
Himalaja-gebied opnieuw aan zich verplicht had, in plaats 
van het correspondeerende, het honoraire lidmaatschap aan 
te bieden. Nadat beide voorstellen waren aangenomen en 
de voorzitter nog had medegedeeld, dat het werk over 
Midden-Sumatra thans, behalve het gedeelte Natuurlijke 
historie, nageno^ gehee^ereed was, vestigde hij de aan- 
dacht op het feit dat de neer J. E. Comelissen thans voor 
het eerst na zijn terugkomst uit Indie de bijeenkomst van 
het Genootschap bijwoonde. Hij heette hem hartelijk wel- 
kom, en zeide hem, zooals vromer den overigen leden, 
hartelijk dank voor de diensten, aan de wetenschap, den 
Nederlandschen naam en het Genootschap bewezen. 

Op verzoek van het bestuur werd de bespreking der 
Indische hydrografie daarop ingeleid door den heer W. 
F. Versteeg. Die voordracht luidde als volgt: 

17 



122 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



De IndiBohe Hydrografle. 

De Indische Hydrografie maakte hetzij rechtstreeks^ hetzij 
zijdelings^ onophoudelijk een onderwerp van gedachten- 
wisseling uit in den boezem van ons Genootschap en her- 
haaldelijk gaf zulks aanleiding tot op- of aanmerkingen, 
meestal in ons Tijdschrift terug te vinden, waaruit genoeg- 
zaam is op te maken dat niet allen, die gemeend hebben 
zich over dien belangrijken diensttak een oordeel te mogen 
vormen, ter zake eenstemmig dachten of denken. 

Tot staving hiervan zij het mij vergund, het voornaam- 
ste van het tot dusverre daaromtrent in ons Genootschap 
verhandelde, even in het geheugen terug te roepen. 

Onder hetgeen dXs zijdelings^ op den hierbedoelden dienst- 
tak betrekkelijk, door mij bedoeld wordt, reken ik opmer- 
kingen, aanmerkingen of zelfs klachten over het min vol- 
doende der zeekaarten in Oost-Indie. 

Reeds in de derde algemeene vergadering door ons 
Genootschap gehouden, werd door den heer Robidé van 
der Aa, na een opsomming van hetgeen door vreemde 
natiën en meer uitvoerig van hetgeen door Nederland 
verricht is ter verkrijging van meerdere kennis aangaande 
Nieuw-Guinea, opgemerkt, dat men moest voortgaan met 
het methodisch onderzoek, het langzaam doen opnemen 
der kusten door oorlogschepen, althans van het gedeelte 
tot aan den meridiaan van 141'* O. L., 't welk door de 
proclamatie van 30 Juli 1848 tot een bezitting van Ne- 
derland was verklaard, i) 

Bij zijn overzicht betreffende de vermeerdering der kennis 
van den aardbol gedurende 1873 2) hooren wij onzen 
geachten voorzitter, bij de behandeling der Molukken, de 
klacht uiten, dat van geregelde opnemingen door onze 
regeering veel te weinig werk is gemaakt, al erkent hij 
dan ook een weinig lager, bij de bespreking van Sumatra 
en van Atjeh in het bijzonder, dat de bekruising der kus- 
ten de kennis dier geheele kuststreek zeer heeft bevorderd. 
Uit de geografische aanteekeningen betrekkelijk het eiland 
Flores, eenigen tijd later 3) door hem ten beste gegeven, 
mag ook het vele onzekere en min volledige der bestaande 
kustkaarten van dat eiland in genoegzame mate worden 
afgeleid en bijna te gelijkertijd 4) bij de bestrijding van 
den inhoud van Beccari*s brief over zijn reis van Mang- 
kasar naar Kendari, in welk stuk de Nederlandsche zee- 
kaarten zoo zeer gehekeld werden, komt hij tot de erkenning, 
dat er zeker op de Hollandsche zeekaarten, vooral die 



I) Zie aard. Tijdschr. I pag. 32. 
3) Ibid. pag, 180 en volgg. 



2) T. a. p. pag. 95 en 96. 
4) Ibid. pag. 199. 



van de nog zoo gebrekkig opgenomen oostelijke eilanden 
van den Archipel, nog zeer veel is aan te merken ; dat er 
wel gegevens tot verbetering bestaan, doch niet ontkend 
kan worden, dat men wel eens wat traag geweest is met 
de bezorging van nieuwe verbeterde uitgaven. 

In het verslag over den toestand en de verrichtingen 
van ons Genootschap gedurende het jaar 1874 — 1875 i) 
komt een kort levensbericht voor van den op 22 Januari 
1874 plotseling overleden, hoogstverdienstelijken en diep 
betreurden Blommendal, waarin natuurlijk ook gewag wordt 
gemaakt van de overbrenging van het hydrografisch bureau 
van Batavia naar 's Hage; daarin wordt gezegd, dat men 
van zijn werkzaamheid een doortastende verbetering in 
dezen gewichtigen tak van dienst mocht te gemoet zien. 

Bij zijn geografische aanteekeningen over de Kei-ei- 
landen 2) zegt professor Veth, dat hij het dikwijls betreurd 
heeft, dat van die merkwaardige eilandengroepen geen 
kaarten bestaan, waarop men zich eenigszins kan verlaten ; 
dat wel is waar verschillende punten hunner kusten door 
de Nederlandsche Marine min of meer nauwkeurig zijn 
opgenomen, maar dat er niettemin zulk een volslagen ge- 
brek aan overeenstemming tusschen de voorstelling der 
groepen op verschillende kaarten bestaat, dat men wel 
zeggen mag, dat zij met betrekking tot de cartografie 
grootendeels nog slechts onopgeloste problemen aanbieden. 

Hoezeer zulks mede toepasselijk is op de Aroe-eilanden, 
is mij persoonlijk ook maar al te wel bekend, gelijk daar 
ter plaatse ook wordt aangehaald. Sommige gedeelten der 
Kei-eilanden werden door opnemingen van Engelsche en 
Italiaansche zeeofficieren een weinig beter bekend en door 
raadpleging van meerdere, waaronder manuscriptkaarten, 
gelukte het onzen voorzitter en zijn zoon, een over het 
algemeen betere voorstelling der groep te verkrijgen; wat 
echter het verlangen naar geheel juiste kaarten nog geens- 
zins uitsluit. 

De kaart en beschrijving der Teloeti-baai op Ceram 
door von Rosenberg 3) in ons tijdschrift gegeven, wijken 
niet weinig af van de bestaande zeekaarten: de vraag 
blijft, wie hier gelijk heeft? 

Op de 14e algemeene vergadering te Middelburg gehou- 
den gaf professor Kan voorloopig verslag van de reis der 
„Soerabaya'* langs de kusten van West Nieuw Guinea, later 
in het tijdschrift gevolgd 4) door de hydrografische be- 
schrijving dier kusten door den kolonel P. Swaan, den 
kommandant dier expeditie, die ook verantwoording deed 



i) Ibid. pag. 230. 
- 3) Ibid pag. 147. 



2) Ibid II pag. 92. 
4) Ibid III pag. 85. 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENS VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



123 



van de wijze waarop zijn daarbij gevoegde kaart is te 
zamen gesteld en die stellig de jongste verbeteringen bevat 
waarop gewezen kan worden. 

In dezelfde vergadering wees professor Veth in zijn 
voordracht over Atjeh's oostkust op de meerdere bekend- 
heid, welke van deze kust sedert het uitbreken van den 
oorlog was verkregen en gaf het vergaan van het stoom- 
schip „Zï///. Gen, KroesetC' mij aanleiding, om in verband 
met een artikel in de Middelburgsche courant de vraag te 
bespreken, in hoeverre het op den weg van ons Genoot- 
schap konde liggen, zich tot de regeering te wenden met 
een poging, om in den toestand der Indische hydrografie 
verbetering te brengen. 

Na een korte geschiedkundige herinnering van hetgeen 
vroeger en later door dien diensttak was gepresteerd en 
verwijzing naar de vele in den jongsten tijd verschenen 
nieuwe zeekaarten en verder aangewende middelen, kwam 
ik toen tot het besluit dat zoodanige stap als ontijdig moest 
i worden beschouwd, waarbij de vergadering zich nederlegde. 
De ontdekking van straat Egeron, mede in ons Tijd- 
I schrift besproken, i) gaf een nieuw bewijs van de onvol- 
ledigheid, ja onbruikbaarheid, zooals onze voorzitter niet 
ten onrechte opmerkte, onzer kaarten voor de eilanden- 
groepen in den Z. O. hoek van den Oostindischen Archipel 
I en deed andermaal den wensch uitdrukken, dat toch de 
r^eering eindelijk eens besloot de opneming dier groepen 
aan een bekwaam zeeofficier, van de noodige hulpmiddelen 
voorzien, op te dragen en in zijn rede ter gelegenheid van 
het zevenjarig bestaan van het Genootschap in de 29ste 
algemeene vergadering gehouden, kwam hij nogmaals op 
dat denkbeeld terug. 2) 

Meer rechtstreeks op het doel afgaande was o. a. de 
gedachtenwisseling die zich in de 24e algemeene vergade- 
dering ontwikkelde naar aanleiding mijner voordracht over 
de nieuwe, snelle en goedkoope wijze van reproduceeren van 
kaarten. 
I Daarbij vestigde de heer Boissevain de aandacht op de 
gedane voorstellen tot uitbreiding van den hydrografischen 
I dienst in Indie en uitte den wensch, dat die sneller en goed-* 
I kooper wijze van reproduceeren daarbij mocht worden iii aan-» 
I merking gebracht en konde strekken, om de voorstellen des 
te gemakkelijker ingang te doen vinden, wijl toch zoo groote 
behoefte bestaat aan een spoedige en practische opneming 
en reproductie der Indische zeekaarten. De admiraal 
Fabius was van meening, dat de verplaatsing naar Ne- 
derland van het Indisch hydrografisch bureau zoo nadeelig 



I) T. a. p. III pag. 211. 



2) Ibid IV pag. 320. 



had gewerkt; dat op hetgeen vroeger in Indie plaats vond 
geen andere bemerkingen waren te maken, dan dat gebrek 
was aan de noodige hulpmiddelen om de opnemingen met 
voldoende kracht voort te zetten. 

Nadat de voorzitter gewezen had op de omstandigheid 
dat dit bureau bereids weder naar Indie was overgeplaatst 
en referent opmerkte, dat daarbij echter geen spoor te ont- 
' dekken was van de nieuwere wijzen van reproductie, voerde 
de admiraal nog aan, dat de Atjeh-oorlog oorzaak was dat 
het personeel der oorlogschepen in den jongsten tijd zoo 
weinig aan hydrografie had kunnen werken, en zette de. heer 
Robidé van der Aa de voordeelen uiteen, verbonden aan 
het verrichten hier te lande der Indische hydrografische 
bureauwerkzaamheden . 

Ten slotte werd besloten om de betrokken Ministers op 
de zaak te wijzen, doch uit de later daarop bij het be- 
stuur ontvangen antwoorden, bleek, dat deze den tijd nog 
niet gekomen achtten om die nieuwere wijze van werken 
ook op de zeekaarten toe te passen. 

Meer dan eenig vroeger gehouden debat hebben de toe- 
lichtingen, behoorende bij de kaart van de Bocht van Tomini 
of Gorontalo, te zamen gesteld door Mr. van Musschen- 
broek i), aanleiding gegeven tot ernstige gedachtenwisseling. 
Mr. V. M. had bij zijn kaart tot grondslag aangenomen 
de zeekaart van Oost -Celebes in 1866 door het hydrogra- 
fisch Bureau te Batavia uitgegeven, doch zijn exemplaar 
was aan dat Bureau verbeterd tot op 8 Juli 1874. 

Intusschen had hij op het terrein zelf een aantal ver- 
schillen meenen pp te merken tusschen die kaart en den 
werkelijken toestand. Ook sloot die kaart niet meer aan de 
zeekaart der Molukken van 1865, tot welker verbetering 
echter inmiddels een overvloed van door hem aangeduide 
gegevens waren ontstaan; doch waaraan tot dusver niet 
scheen gedacht te worden. Ook hier dus een klacht over 
traagheid in het bezorgen van verbeterde zeekaarten. 

Alvorens nu te herinneren aan de opmerkingen, waartoe 
het bovenstaande aanleiding gaf aan een paar hoofd- 
officieren der zeemacht, die zelve het opnemingswerk in die 
streken verricht en bestuurd hadden, wensch ik melding 
te maken van een opstel over de hydrografie in Indie van 
de hand van den oud-gec^afisch ingenieur £. Metzger 2), 
wijl ook dat door een der door mij bedoelde hoofdofiicieren 
der Marine besproken is. 

De heer Metzger deelt daarin eenige beschouwingen over 
het onderwerp mede en onderscheidt den arbeid in drie af- 

1) Aardr. Tijdschrift IV pag. 93. 

2) Aardr. Tijdschrift IV pag. 191. 



124 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



deelingen: i® in het leggen van het geographisch driehoeks- 
net, 2® in de detailopneming, 3* in het samenstellen en 
reproduceeren der kaarten. 

De vragen, die men zich bij het ontwerpen van een ge- 
regeld plan te stellen heeft, stelt hij zich volgenderwijze 
voor: 
ö. Welke opnemingen willen en moeten wij hebben? 

b. Wat hebben wij daarvan reeds en in hoeverre is dat 

bruikbaar? 

c. Hoeveel personeel kunnen wij te werk stellen? 

d. Hoeveel geld hebben wij jaarlijks daarvoor noodig? 

e. In welke volgorde willen wij opnemen? 

De volgorde tusschen c en d naar omstandigheden te 
wijzigen. 

De vier eerste dezer vragen wil hij organiek, des noods 
bij de wet, zien vastgesteld, opdat noch opvolgende Minis- 
ters, Kommandanten der zeemacht of Chefe der hydro- 
grafie daarin vermogen wijziging te brengen. 

O&choon ook hij meent dat alles afhankelijk is van de 
vorderingen der détailopnemingen, gelooft hij toch dat de 
geographische bepalingen vooraf moeten geschieden en dat 
deze nimmer mogen plaats hebben door het personeel met 
de détailopneming belast, al is dat daarvoor ook nog zoo 
geschikt; wijl zulks den goeden voortgang van het werk 
te zeer schaadt zonder aan de kosten geevenredigde voor- 
deelen. Ten aanzien van het samenstellen en reproduceeren 
der zeekaarten teekent hij aan, dat het voornaamste doel 
van het Bureau moet zijn, het opgenomene niet alleen 
zoo spoedig mogelijk in kaart brengen, maar ook te 
publiceeren ' en zich daartoe op de hoogte te houden van 
de nieuwere methoden van reproductie. 

In de uitvoerige beschouwingen omtrent het werk der 
geografische bepalingen, waarin schrijver daarna treedt, 
hebben wij thans niet noodig hem verder te volfijen. 

De eerste der hoofdofficieren van de Marine, die de 
pen opvatte naar aanleiding van van Musschenbroek*s 
toelichtingen op zijn kaart der Bocht van Tomini, was 
de kapitein luit. ter zee Macleod. i) Deze was in staat 
meerdere der bij v. Musschenbroek twijfelachtig gebleven 
punten toe te lichten, als gevolg der door hem met andere 
officieren met de „Reteh" onder bevel van den kolonel 
Bowier van 1862 — 64 in die wateren verrichte opnemingen. 

Zeker heeft hij daarmede èn Mr. v. Musschenbroek zelven, 
èn de wetenschap aan zich verplicht; doch in zijn nota 
komen bovendien een paar punten voor, die hier niet 
buiten opmerking mogen blijven. Vooreerst teekent hij aan 



I) Aard. Tijdschr. V pag. 



22. 



dat hij in 1872 of 73, op het hydrografisch Bureau te 
Batavia de laatste kaart van Celebes Noordkust ziende, 
tot zijn niet geringe spijt bemerkte dat, na al de moeite 
die de Etatmajor van de „Reteh" zich jaren geleden ge- 
geven had, van zijne opnemingen nog volstrekt geen notitie 
was genomen. De vraag is gewettigd of zulks weder aan 
traagheid in het verbeteren der uitgaven of aan andere 
oorzaken was te wijten? 

Tweedens bespreekt de geachte schrijver het recht, dat 
de zeeofficieren hebben, dat hun werk overal en openlijk 
erkend wordt en, zoo in eenig opzicht, dan lieeft hij zeker 
daarin gelijk; het opnemingswerk in tropische landen, 
vooral van kusten, vaarwaters en eilanden is zoo afmattend, 
zoo bezwaarlijk; daarbij moet meii zich zooveel opoffe- 
ringen en ontberingen getroosten; daarbij wordt zooveel 
van het gestel gevergd, dat gezondheid, ja erger, daarbij 
in gevaar komen; dat het wel schande genoemd mag wor- 
den, indien die werkzaamheden — welke minstens met die 
op militaire expeditien gelijk staan — niet allerwege wor- 
den erkend. 

De kapitein ter zee Moeth, de tweede der hoofdofficieren 
die zich hooren deed i) en daarbij aanwijst welk belang- 
rijk aandeel hij aan de hydrografische werkzaamheden in 
die streken gehad heeft, is mede geheel onder den indruk 
van zoodanige miskenning en de heer van Musschenbroek, 
hem beantwoordende, z^, dat hem slechts voor een ge- 
ring deel het aandeel bekend was, dat de heer Moeth aan 
dien arbeid gehad heeft. 

Is dan, zoo vraagt men onwillekeurig, op de kaart, die 
op het Bureau werd te zamen gesteld, verzuimd daarvan 
de noodige melding te maken? 

Zeker dan beklaagt de heer Moeth zich niet ten onrechte. 
Het stuk van dezen schrijver heeft echter nog een andere 
verdienste, hij geeft daarin nl. aanwijzigingen der methode 
door hem bij het opnemen gevolgd, gelijk ook de heer 
Macleod omtrent de lengtebepalingen zijn opmerkingen had 
ten beste gegeven. 

Wij zullen die hier thans niet opnoemen, doch beschou- 
wen ze van hooge waarde, als afkomstig van mannen in 
de piaktijk doorkneed, die op het arbeidsveld zelf hun 
sporen ruim verdiend hebben. Niet minder aandacht ver- 
dienen daarom ook de aanteekeningen later 2) door den 
heer Moeth gegeven, naar aanleiding des heeren Metzger*s 
nota over de hydrografie in Indie, die wij zoo even be- 
spraken; al kan het zijn dat de uitspraken d^ir gedaan 
wel wat al te apodictisch schijnen en mogelijk niet iedereen 

I) Aardk. Tijdschr. V pag. 26. 2) Aardic. Tijdschr. V pag. 69. 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENS VERGADERING VAN HET iCARüRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



125 



zich bij al het daar gezegde kan nederleggen. De strekking 
<lier aanteekeningen is hoofdzakelijk om af te dingen op 
het gewicht van Metzger's ie afdeeling „de geografische 
bepalingen", doch het is duidelijk dat, hetgeen de heer Moeth 
onder trianguleeren verstaat en waartoe ieder officier der 
Marine in staat is, geen driehoeksnetten zijn van den éérsten 
rang,opgeodesischen grondslag berustende, zooalsMetzgerdie 
wenscht, maar daarentegen eenvoudige en met gewone in- 
strumenten bereikbare vastlegging van zoodanige punten, 
als ten grondslag aan een kustkaart moeten en ook zeer 
^oed kunnen dienen, al mocht later blijken, dat zoodanige 
vastl^ging, met nauwkeuriger middelen herhaald, tot verifi- 
<:atie aanleiding geeft. Minder gaaf daarentegen wordt 
f wellicht de stelling toegegeven, dat het werk d^r verbete- 
i ring van de zeekaarten voor Vs zoude zijn afgedaan; te 
minder nu de schrijver vooraf gezegd had, dat de zeekaarten 
altijd verbetering behoeven; ook is wellicht hetgeen hij 
' t^en het vaststellen van een geregeld werkplan aanvoert 
voor tegenspraak vatbaar. 

I Doch genoeg; ik heb gemeend dit oppervlakkig overzicht 

te moeten doen yoora%aan, opdat het meer duidelijk zoude 
1 blijken, waarom het bestuur van ons Genootschap er in 
I het afgeloopen jaar ernstig op bedacht begon te worden, 
I de Indische hydrografie eindelijk eens tot een bepaald 
onderwerp van behandeling te maken; te meer wijl het 
onderricht was, dat de regeering voorbereidingen liet tref- 
fen om de hulpmiddelen ten behoeve van dien diensttak 
belangrijk uittebreiden en ook maatregelen werden beraamd 
om meer stelselmatigheid te brengen in de bijdragen die 
door de Militaire Marine ten dienste der hydrografie worden 
geleverd. 

Die wensch tot opzettelijke behandeling van het zoo hoogst 
belangrijk onderwerp nam vooral voor spreker in niet ge- 
ringe mate toe, toen het bekend werd dat op het programma 
van het te Venetië te houden Aardrijkskundig Congres een 
vraagpunt voorkwam, dat daarmede in rechtstreeks verband 
stond en hij — bij de afwezigheid van een speciaal des- 
kundig Nederlander — zich als de vert^enwoordiger van 
zijn land konde geroepen gevoelen, aldaar aan de daarover 
gevoerde debatten deel te nemen. Gaarne had hij zijn 
beperkte zaakkennis voorafvermeerderd gezien door hetgeen 
zoodanige opzettelijke behandeling hem zoude hebben kun- 
nen leeren; doch tot zijn niet geringe spijt waren de 
pogingen door ons bestuur ingesteld, om eenig deskundige 
te bewegen, de zaak op een algemeene vergadering in te 
leiden en alzoo tot bespreking door volkomen bevoegden 
gelegenheid te geven, vruchteloos en spreker moest dus 



maar zien, hoe hij zich te Venetië hef best uit die moeie- 
lijkheid konde redden. 

Verslag te geven van het aldaar besprokene acht hij 
echter thans zijn plicht, te meer wijl de behandelde pun- 
ten, aan de beraadslaging waarover bevoegde personen, 
als de hoofden van hydrografische inrichtingen in Duitsch- 
land, Oostenrijk, Italië, Frankrijk en Spanje hebben deel- 
genomen, tot een bepaald eindbesluit hebben geleid, dat 
vooral ook op den Ind. hydr. dienst toegepast, wellicht niet 
zonder invloed zal blijven, om daarbij tot den gewensch- 
ten toestand te geraken. 

Wanneer straks door spreker zoodanige toepassing zal 
worden voorgesteld, zal het doel dat ons bestuur zich 
voorstelt, niet beter kunnen worden bereikt, dan wanneer 
speciaal deskundigen hun bedenkingen daartegen doen 
kennen. Niet onnoodig acht spreker daarom te herhalen, dat 
hij zich geenszins als specialiteit wenscht op den voorgrond 
te stellen, maar niets anders op het oog heeft, dan bevorde- 
ring der Indische hydrografie in zoodanigen zin, dat de gel- 
den en verdere hulpmiddelen, door de regeering daarvoor 
beschikbaar gesteld, zoodanig mogen worden aangewend, 
dat daarvan binnen den kortst mogelijken tijd ook de beste 
en overvloedigste resultaten in den vorm van goede zee- 
kaarten worden verkregen. 

Daarbij kan het dan mogelijk blijken dat een deel on- 
zer bespreking overbodig is ; dat de regeering zelve reeds 
afdoende maatregelen heeft genomen, die ons onbekend zijn 
gebleven; intusschen schaden kan zoodanige bespreking 
nooit: allicht komen daarbij nog gezichtspunten aan den 
dag, die tot dusverre aan de aandacht ontsnapt zijn. 
Ofschoon ik, van mijn zijde althans, ongaarne zoude 
medegaan met een der sprekers in de 2e sectie van het 
Venetiaansch Congres, die beweerde dat het de schuld 
was van de Aardrijkskundige Genootschappen van een 
land, zoo zijn regeering niet zorgde voor het bezit en de 
behoorlijke bijhouding der noodige zeekaarten, zoo ben ik 
toch geenszins vreemd aan het denkbeeld, dat het eenmaal 
op den weg van zoodanig Genootschap kan liggen, zich ter 
zake tot zijn regeering te wenden, mits daarvoor wezen- 
lijk termen bestaan en het geschikte oogenblik worde ge- 
kozen. 

Zien wij vooraf nog welke werkzaamheden verricht wor- 
den en welke maatregelen de regeering neemt om den 
dienst der Indische hydrografie eenigszins uit te breiden. 
Het Koloniaal Verslag van 1881 zegt — na de reden ver- 
meld te hebben die tot vertraging der onderhanden werk- 
zaamheden aanleiding gaven en tengevolge waarvan in 
1880 slechts de Oostkust van Billiton met de daar langs 



120 



ZSS-EN-ÜERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



gelegen eilanden opgenomen en in kaart gebracht konden 
worden — het navolgende: 

„Een uitbreiding der opnemingsn^iddelen wordt voorbe- 
reid en zal in 1882 tot stand komen. De twee schoener- 
brikken Melvill van Carnbée en Blammendal^ die aan het 
opnemingsstoomschip zullen worden toegevoegd en elk een 
stoomsloep zullen krijgen, komen in het begin van 1882 
ter uitzending gereed. Bereids zijn maatregelen genomen, 
om de aanstaande kommandanten der bedoelde nieuwe 
opnemingsvaartuigen in de gelegenheid te stellen zich voor 
hun specialen werkkring nader te bekwamen. Tevens 
bestaat het plan de werkkrachten op het hydrografisch 
Bu)reau te Batavia te vermeerderen, voor zooveel dat al 
dadelijk noodig is om het werk der compilatie beter te 
doen vorderen en verder eenig ondergeschikt personeel op 
dat bureau aan te stellen, ten einde voortaan het op steen 
brengen en drukken der gereedkomende kaarten weder in 
Indie te doen geschieden." 

„Bij de ontwerpbegrooting over 1882 is gerekend op de 
noodige fondsen om de bemanning der beide schoener- 
brikken in dienst te stellen en om reeds dadelijk de nieuwe 
organisatie van het hydrogr. Bureau in werking te bren- 
gen. De detacheering bij dat Bureau van twee officieren 
uit het actieve korps der Marine, welke tijdelijke maatregel 
reeds van Juni 1877 af is noodig scebleken, zal dan een 
einde kunnen nemen. 

„In het afgeloopen jaar is door twee daartoe aangewezen 
zeeofficieren met behulp van eenig minder personeel een 
nieuwe opneming bewerkstelligd van de reede van Batavia 
waartoe twee adviesbooten en een stoombarkas te hunner 
beschikking waren gesteld. In Maart ji. is ook een her- 
opneming gelast van de reede van Semarang, die behou- 
dens een gedeeltelijke opneming in 1865, 't laatst in 1848 
werd in kaart gebracht. Voor dit werk zijn dezelfde per- 
soneele en materieele hulpmiddelen to^estaan als voor de 
opneming der reede van Batavia. 

„Maatregelen worden genomen om meer stelselmatigheid 
te brengen in de bijdragen die door de Militaire Marine 
ten dienste der hydrografie geleverd worden." 

„Op het hydrogr. Bureau werd in 1880 voortgegaan met 
de gewone werkzaamheden aan het beheer van het depot 
zeekaarten verbonden en verder met de compilatie van de 
kaarten Riouw Lingga Archipel^ zuidelijk gedeelte der 
Chineesche zet, kleine Soenda eilanden blad III en Plan- 
nen en ankerplaatsen in de Molukken, 

.,Om hier te lande te worden uitgegeven, werden uit 
Indie verzonden de kaarten Noordkust van Java blad I 
en II. Reede van Telokh-Betong en l^estér- en Oostervaar - 



water van Soerabaija, welke echter naar Indie zijn terug- 
gezonden wijl wijziging in de teekening noodig bleek en 
nu zullen die in Indie worden uitg^even." 

„Van de kaarten Reede Menado en Z. W, kust Celehes 
was een nieuwe uitgave in Indie onderhanden.'' 

„Sedert zijn nog een aantal andere kaarten door het 
Bureau te Batavia afgeleverd, om hier te lande gegraveerd 
te worden. 

„De Indische zeekaarten waarvan in 1880 en in de 
eerste helft van 1881 de gravure hier te lande gereed kwam 
en die dus, hetzij voor het eerst, hetzij als nieuwe uitgaven 
het licht zagen, waren de volgende: Westkust Sumatra 
{AyerbanggieS'Padang\ Westkust Sumatra (Poeloe Hier- 
Ayerbanggies\ Noordkust Java blad I en II en Reede 
lelokh Betong, 

„De sterrekundige plaatsbepalingen ten dienste der hy- 
drografie, die door vertrek wegens ziekte van den daartoe 
speciaal in Indie gedetacheerden zeeofficier in de eerste helft 
van 1880 waren a%ebroken, zijn nog niet hervat. De tot 
voortzetting dezer taak aangewezen luitenant ter zee ie 
klasse heeft zijn voorbereiding aan de sterrewacht te 
Utrecht door bijzondere omstandigheden (het in reparatie 
zijn van het universaal instrument) eerst in Maart 1. 1. 
kunnen aanvangen. Door zijn voorganger werd sedert af- 
gewerkt en ter doorzending aan de Indische regeering 
aangeboden, het verslag van de uitkomsten zijner laatstelijk 
volbrachte plaatsbepaling op de Z. O. kust van Bomeo." 
Tot zoo verre het Koloniaal Verslag. Men zal gereedelijk 
met mij erkennen moeten dat daaruit den indruk wordt 
verkregen, dat de regeering in de hier behandelde aange- 
legenheid geenszins stil zit. 

En wat is nu te Venetië besproken? Het 8e vraagpunt 
in de 2e of hydrografische sectie te behandelen luidde : 

„Welke kusten, heden nog niet voldoende onderzocht, 
„zoude men het eerst moet opnemen en welke natiën zou- 
„den uitgenoodigd moeten worden, om een werk van zoo- 
„danig algemeen nut te doen ten uitvoer brengen?" 

De kolonel Magnaghi, chef van den Italiaanschen hydro- 
grafischen dienst, achtte het, om zich een juist denkbeeld te 
vormen van onze tegenwoordige kennis der zeehydrografie 
van alle deelen der aarde, het meest geschikt, om de kusten 
van het vaste land en de eilanden in vier hoofdklassen te 
onderscheiden en de bestaande zeekaarten in een dier 
klassen te rangschikken. 

In de eerste klasse bracht hij die kusten, welke volkomen 
zijn opgenomen en bestendig en stelselmatig bewaakt wor- 
den, om de kaarten te allen tijde conform de werkelijk- 
heid te doen zijn. Daarin viel, volgens dien rapporteur,. 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



127 



j^een enkele zeekaart in onzen OosMndischen Archipel. 
In de fweede klasse brengt hij de kusten welke korter 
of langer tijd geleden nauwkeurig zijn opgenomen, doch 
slechts bij gelegenheid weder worden nagegaan. Daarin 
viel voor zooverre ons onderwerp betreft, volgens hem 
jilUen de Noordelijke kust van Borneo, 

In de derde klasse wil hij die kusten zien opgenomen 
welke voor de tegenwoordige hoogte der wetenschap on vol- 
<loende zijn opgenomen. Daaronder brengt hij de kusten 
van Java en Sumatra met de Zuidkust van Borneo, 

In de vierde klasse eindelijk rekent hij zoodanige kusten die 
<A in het geheel nog niet zijn opgenomen, dan wel zoo onvol- 
doende dat de teekening op de kaart onvolledig is te achten 
I* en daaronder neemt hij op : de Oostkust van Borneo, Min- 

danao. Celebes en Nieuw Guinea met aanliggende eilanden. 
I Daarop, meende ik, mocht van Nederlandsche zijde niet 

worden gezw^en en nam ik de vrijheid op te merken dat 
I het gevelde oordeel in het algemeen, minst genomen ten 
1 aanzien van de kusten van Java, Sumatra en een goed 
i deel van Celebes, als veel te hard moest worden aangemerkt, 
o&choon het mij dan overigens ook moeielijk viel te ont- 
kennen, dat de zoo uitgestrekte onder Nederland behoorende 
Oost-Indische Archipel nog veel te veel zeekusten bevat 
die onvoldoende bekend zijn of wel waarvan men nog 
weinig met zekerheid weet; zoo ook dat het stelselmatig 
bewaken m. a. w. het bijhouden der kaarten van eenmaal 
goed opgenomen kusten ook stellig hier en daar wel wat 
te wenschen overlaat. 

Eenmaal aan het woord zijnde, meende ik over de zaak 
in enkele verdere uitwijdingen te mogen treden en voerde 
■ aan, dat hij die zich eenige rekenschap vermocht te geven 
van de uitgestrektheid van die wereld van eilanden en 
eilandjes zich daarover wel niet buitengewoon zoude ver- 
wonderen, vooral, indien hij tevens op de hoogte was 
van de middelen waarover de hydrografische dienst tot 
dusverre in Indie had te beschikken. 

Ik haalde aan, dat zelfs met zoodanig geringe hulpmiddelen 
eenmaal in Indie groote activiteit had geheerscht, toen 
men zich met eenvoudige praktische kustopnemingen te 
vreden stelde en de resultaten daarvan zoodra mogelijk 
door de zorg van het hydrogr. bureau werden in het licht 
gegeven; doch dat zelfs dan wanneer zulks steeds plaats 
vond en men tevens over tienmaal meer middelen had te 
beschikken, het nog moeite genoeg zoude kosten, de vooral 
in tropische gewesten zoo herhaaldelijk noodige bij houdingen 
der kustkaarten ten uitvoer te brengen en te gelijkertijd met 
de noodige kracht aan de vele nog noodige nieuwe op- 
nemingen voort te werken. 



Dat het minder gemakkelijk viel de oorzaken aan te 
wijzen van den wellicht minder snellen voortgang in Jater 
jaren bij vroeger vergeleken, doch dat men daarvan de 
zeeofficieren met de opnemingen belast toch nimmer een 
grief mocht maken, wijl deze — niettegenstaande alle 
daaraan verbonden bezwaren — toch nimmer hadden 
opgehouden zich daaraan volkomen toe te wijden. 

Dat daarop wellicht minder gunstig gewerkt kan hebben de 
omstandigheid dat men later — in 't bijzonder bij de opneming 
van Straat Bangka — een gansch ander systeem heeft gevolgd, 
veel meer omslachtig en tijdroovend en waarbij het eigenlijke 
terreinwerk werd voorafgegaan door een triangulatie van 
den eersten rang, zich tot verre over het tot de opneming 
bestemde terrein uitstrekkende en dientengevolge stellig 
wel zeer betrouwbare resultaten opleverende, doch die niet 
werden verkregen, dan ten koste van ontzaggelijk veeltijd 
en geld. 

Dat ook verminderde activiteit op het hydrogr. Bureau 
kan hebben geheerscht, door niet met den gewenschten 
spoed voor de zeekaarten partij te trekken van de inmid- 
dels toevloeiende gegevens, waardoor het ook konde 
schijnen, dat minder vooruitgang in het werk der opne- 
mingen bestond dan werkelijk het geval was en zulks ten 
nadeele van de zeevarenden, die alzóo verstoken bleven 
van de gegevens daardoor reeds verkr^en, die hun op 
hun zwerftochten door den Archipel zoo zeer te stade 
* zouden zijn gekomen ; ten nadeele wellicht van de opnemers 
zelf, die de noodige ambitie bij het vervullen hunner 
zware taak moeielijk konden blijven behouden, als zij 
moesten ondervinden dat, hetgeen zij met zooveel toewij- 
ding hadden tot stand gebracht, gedurende langen tijd, 
zoo niet voor altijd, onder het stof der archieven bedolven 
bleef, in stede dat daarvan onmiddellijk partij werd ge- 
trokken en het werk onder hun naam het licht zag, 
opdat zij daarvan de eer genoten die hun zoo rechtmatig 
toekwam. 

Dat zulks ook de aanleiding kan zijn geworden tot ver- 
plaatsing van dat Bureau van Batavia naar 'sHage; een 
m$iatregel, waarop men echter na korten tijd reeds is terug- 
gekomen, doch die op zijn beurt tot vertraging kan heb- 
ben medegewerkt. Dat daaraan niettemin het gevolg is toe 
te schrijven, dat aan de zaak sedert meer aandacht is 
geschonken dan voorheen, zoo zelfs dat men nu voor het 
eerst een vaartuig uitsluitend voor den hydrogr. Dienst heeft 
bestemd, zonder daarvoor de tot dus verre hoofdzakelijk 
voor het doel strekkende bijdragen van de Militaire Marine 
te verminderen of te veronachtzamen. 
Na deze uitwijding meende ik aan de sectie nog enkele 



128 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP, 



vragen te mogen richten, betrefifende een paar punten die 
mijns inziens den grondslag van het werk dienen uit te 
maken, wil men de hoop verwezenlijkt zien, om in de 
toekomst op een meer vluggen en geregelden voortgang van 
den arbeid te kunnen staat maken. 

In de eerste plaats meende ik, dat in een eilanden- 
wereld, alwaar de zeevaarder zich bijna voortdurend in 
't gezicht der kust kan blijven houden, alwaar hij steeds 
meerdere lichttorens en andere zeemerken zal gaan aan- 
treffen, de volmaakte of althans zoo volmaakt mogelijke 
bekendheid met lengte en breedte geenszins als eerste en 
hoofdvereischte is te beschouwen; ik geloofde dat in zoo- 
danige gevallen aan de zoo juist mogelijke détailopneming 
den voorrang toekomt; dat een detailkaart waarin het on- 
derling verband, de betrekkelijke ligging van kusten, eilanden, 
banken en andere gevaren, aangaven van diepten enz. enz. 
juist zijn, reeds als zeer bruikbaar is aan te merken, zelfs 
dan wanneer het later mocht blijken dat de daarop aan- 
gegeven lengte en breedte ettelijke seconden, ja zelfs een 
gansche minuut, van de waarheid afwijken: dat zoodanige 
detailkaart voorloopig in de bestaande behoefte kan voor- 
zien, in afwachting dat door nader te verrichten sterre- 
kundige plaatsbepalingen zoodanige partieele opnemingen 
gerectifieerd en op haar ware ordinaten wordt ingenomen 
op eenige verbeterde algemeene zeekaart. 

Dien ten gevolge meende ik dan ook, dat partieele op- 
nemingen, langs den zoo even vermelden weg verkregen, 
terstond nadat zij geconstrueerd zijn, dienden te worden 
gepubliceerd onder den naam van hen die op het terrein . 
het werk hebben verricht, opdat eenerzijds daarvan voor 
de scheepvaart zoo spoedig mogelijk partij kan worden 
getrokken, anderzijds ook den ijver der opnemers de noo- 
dige prikkel worde gegeven, om voortdurend veel en goed 
werk te leveren, als zij ontwaren dat, hetgeen zij met zooveel 
moeite tot stand brachten, ook dadelijk wereldkundig wordt 
gemaakt, in stede van eerst jaren daarna verwerkt, of wel 
geheel vergeten te worden. Eindelijk meende ik dat voor 
de reproductie van zoodanige partieele opnemingen ook om 
der kosten wille met vrucht gebruik zoude zijn te maken 
van een der t^enwoordig bekende snelle en goedkoope 
middelen van lichtdruk, in stede van het langzame gra- 
veeren op steen of koper, indien men al voor de definitieve 
zeekaarten aan die werkwijze alsnog mocht blijven hechten. 

Na uitvoerige discussie, waaraan door verscheidene zeer 
bevoegde personen werd deelgenomen en mij de gelegenheid 
werd geschonken die denkbeelden nog meer uitvoerig 
uit een te zetten, mocht ik het genoegen smaken deze 
volkomen gedeeld te zien. De kolonel Magnaghi, een dergenen, 



die met den Franschen hydrograaf aan de gedachten wisseling 
het ijverigst had deel genomen, vond bovendien in het feit 
dat eenmaal straat Bangka tegelijkertijd door Nederland op 
omslachtige en door Engeland op de besproken vluchtige wijze 
was opgenomen, een geval dat zich ook reeds in andere 
oorden der wereld had voorgedaan, aanleiding, om voor te 
stellen dat het congres den wensch mocht uitspreken, dat 
de verschillende zeemogendheden elkander toch op de hoogte 
hielden van den arbeid, dien zij onderhanden hebben of in 
de naaste toekomst denken te verrichten, opdat zoodanige 
dubbele arbeid voortaan werd voorkomen en zoodoende 
tijd en krachten gewonnen voor een taak, waaraan zoo- 
veel behoefte bestaat, doch waaraan door de gansche 
wereld heen nog zoo ontzaggelijk veel te doen overblijft. 

Het naar aanleiding van een en ander door het congres 
genomen besluit luidt als volgt : 

„Het congres wendt zich tot de regeeringen, die een 
„georganiseerden hydrografischen dienst bezitten en gelooft 
„haar te moeten aanbevelen zoo snel mogelijk met de 
„opneming van zulke kusten voort te gaan, die nog niet 
„of onvolledig zijn opgenomen. Het noodigt die regeeringen 
„uit zich onderling te verstaan over de verdeeling van 
„dezen arbeid. Het beveelt de regeeringen aan, de opne- 
„mingen der kusten van haar eigen land of haar koloniën,, 
„naarmate die arbeid vordert, in haar geheel of gedeeltelijk 
„al dadelijk voorloopig te publiceeren en eerst dan tot de 
„verbetering en aanvulling dier kaarten over te gaan, als 
„zij tengevolge van de geodetische plaatsbepaling van het 
„noodig aantal punten definitief voor correctie vatbaar 
„zijn geworden." 

Toen dit besluit en de motieven die daartoe geleid hadden 
aan het bestuur van ons Genootschap bekend werden, her- 
haalde zich aldaar de wensch het onderwerp opzettelijk en 
in een algemeene vergadering behandeld te zien en drong 
men er bij mij op aan, het alsdan in te leiden. Niet 
dan na veel aarzeling heb ik aan dat verlangen gehoor 
gegeven en meen na het voorafgegane thans niet beter te 
kunnen doen, dan U een schema voor te dragen, gelijk ik 
mij voorstel dat de hydrografische werkzaamheden in Indie 
zouden moeten worden geregeld en dat ten grondslag zoude 
kunnen dienen aan de door ons bestuur over deze gewichtige 
aangelegenheid zoo zeer gewenschte gedachtenwisseling. 

Geenszins geef ik, hetgeen ik desw^e zal in het midden 
brengen, voor het beste uit, ofschoon naar ik meen daar- 
door, voor zoover Nederland betreft, gehoor zal zijn g^even 
aan de uitnoodigingen en aanbevelingen uitgegaan van het 
Internationaal Aardrijkskundig Congres te Venetië. Will«i 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



129 



meer deskundigen zich de moeite geven, mij mijn dwalingen 
aan te toonen dan zullen zij mij voor overtuiging alleszins 
vatbaar vinden. 

In de eerste plaats — ik ben dit met den heer Metzger 
ten volle eens — moet met de meeste nauwkeurigheid 
worden nagegaan welke waarde aan de bestaande zee- 
kaarten kan worden gehecht en heeft men dus, op het 
voetspoor van jden kolonel Magnaghi, zich ernstig de vraag 
voor te leggen in welk der vier door hem aangenomen 
cathegorien zij behooren te worden "gerangschikt. 

Gaat men de lange, bijna honderd nummers tellende, 
lijst na der zeekaarten van onzen Indischen Archipel, die 
volgens den regeeringsalmanak in de dépóts zijn verkrijg- 
baar gesteld, dan zullen bevoegde beoordeelaars, naar mijn 
bescheiden meening, daaronder stellig eenige kunnen aan- 
wijzen, die behooren tot die welke volkomen goed zijn 
opgenomen en bestendig en stelselmatig worden bewaakt. 
Mij dunkt, dat o. a. de nieuwe opnemingen der voornaamste 
reeden en havens van Java, waarover het Koloniaal Ver- 
slag spreekt, daaronder al aanstonds zijn te rangschikken 
en de zoodanige zijn er zeker meer. Ook' het aantal der 
in de tweede klasse vallende zeekaarten nl. die welke korter 
of langer tijd geleden nauwkeurig zijn opgenomen, doch 
slechts bij gelegenheid weder worden nagegaan, moet aan- 
zienlijk grooter zijn dan de Italiaansche kolonel vermeent. 
Intusschen zoodanige schifting is werkelijk noodig. Om 
het overzicht gemakkelijk te maken, zoude men die bijv. 
op een algeroeene kaart van den Archipel met verschil- 
lende kleuren, kunnen doen aangeven, opdat daaruit als 
met een oogopslag duidelijk worde, wat te doen overblijft 
en, ofschoon dit zeker blijken zal nog zeer aanzienlijk te 
zijn, zoo heb ik toch de zekerheid, dat ik den Italiaanschen 
hydrograaf vrij wat krachtiger had kunnen bestrijden, indien 
reeds in September 11. soortgelijk overzicht had bestaan, en 
dit te sterker, indien ik daarbij tevens had mogen verwijzen 
naar de corpora delicti, de zeekaarten zelve, die echter 
I tot veler leedwezen op de Tentoonstelling ontbraken. 

Veel verder kan ik in de voorafgaande werkzaamheden 
met den heer Metzger echter niet medegaan ; de hoeveelheid 
personeel, dat te werk gesteld kan worden, zal nu eens grooter 
I dan eens kleiner zijn en .om op den langen duur jaarlijks 
even groote sommen voor het doel op de begrootingen uit 
te trekken gaat evenmin aan: de strekking in algemeenen 
zin moet zijn, om alles aan te wenden opdat het werk 
• goed geschiede en tevens zoo snel vooruitga als met de 
beschikbare middelen mogelijk is. . Organiek te dier zake, 
hetzij wettelijk hetzij reglementair, iets vast te stellen zoude 
enkel tot teleurstellingen leiden; men« is te zeer afhankelijk 



van het aantal en den toestand, waarin zich de materieele 
middelen bevinden, die bij vaartuigen zoo zeer aan plot- 
selinge en onverwachte veranderingen onderhevig zijn, 
dat men al zeer spoedig zoude ondervinden, dat men in de 
bepaalde onmogelijkheid zoude komen, om zich aan 
organiek vastgestelde bepalingen te houden. Hetgeen zoo 
even uit het Koloniaal Verslag werd aangehaald, bewijst 
m. i. dat het de regeering wezenlijk ernst is met de zaak : 
aan de Hydro^aaf worden twee nieuwe vaartuigen de 
Melvill van Carnhée en de Blotnmendal toegevoegd, de 
allergelukkigste keuze dier namen waarborgt ons reeds den 
ernst waarmede de zaak is opgevat ; mogen die twee spoedig 
door de Smits en de van Maurik en eenmaal door meer- 
dere worden gevolgd, waarvoor het dan niet moeielijk 
zal zijn even geschikte namen te vinden. 

Ook het vijfde punt van den heer Metzger, waarbij hij 
de volgorde wil bepalen waarin zal opgenomen worden, 
komt mij onpractisch voor. M. i. moet men dit geheel van 
de meestal , onverwacht zich voordoende omstandigheden 
laten afhangen. Wie toch had nu een tiental jaren geleden 
kunnen denken, dat de zeekaarten van Noordelijk Sumatra 
sedert zulk een reuzenstap voorwaarts zouden hebben 
gemaakt? Dergelijke gevallen zijn meer denkbaar. Ik ver- 
meen dat het voldoende is, indien de overzichtskaart met 
vier kleuren, waarop ik straks doelde, steeds behoorlijk 
wordt bijgehouden, oixiat men daarop te allen tijde kunne 
zien, wat nog te doen overblijft en dat steeds alle pogingen 
worden aangewend, om zoo spoedig doenlijk de kleuren 
der beide laatste cathegorien van Magnaghi voor goed van 
die overzichtskaart te doen verdwijnen. 

Dat dit reeds een zware taak zal blijken te zijn; dat 
daarvoor nog veel hulpmiddelen, nog veel tijd en geld zal 
noodig zijn, zal bij het door bevoegden in te stellen onder- 
zoek maar al te zeer blijken. Men neme alle de zich voor- 
doende gelegenheden, zoowel met de eigenlijke opnemings- 
vaartuigen, als met hetgeen de Militaire Marine op de 
reizen en op de stations kan presteeren te baat om het 
gewenschte doel na te streven. 

De te verrichten arbeid zelf zoude ik even als de heer 
Metzger in de door hem genoemde hoofdafdeelingen wen- 
schen te zien gesplitst, namelijk in sterrekundige plaats- 
bepaling, in detailopneming en de samenstelling en repro- 
duceering der kaarten. De detailopneming is voor mij echter 
de hoofdzaak, de plaatsbepalingen hoe nuttig, ja onmisbaar, 
komen eerst in de tweede plaats ; beide onderdeden moeten 
onafhankelijk van elkander werkzaam zijn: het eene nooit 
op het andere behoeven te wachten. In nauw verband 
daarmede zoude ik de derde hoofdafdeeling, het samen- 

18 



130 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRTJK5KT7ND1G GENOOTSCHAP. 



Stellen en reproduceeren der kaarten, ook in twee scherp 
van elkander a^escheiden afdeelingen wenschen te zien 
gesplitst, doch daarover straks nader. 

De wijze waarop de detailopneming moet geschieden, 
zoude ik geenszins in bijzonderheden wenschen te zien voor- 
geschreven; zij hangt van te veel omstandigheden af dan dat 
daarvoor steeds bindende regelen zijn te stellen; is biiv. 
het onderzeesche strand flauw afloopend, ten gevolge waar- 
van de schepen steeds ver uit den wal moéten blijven, 
dan doet het volmaakt juiste beloop der kust minder ter 
zake, dan de zekerheid der diepten, waarop men zich in 
bepaalde peilingen bevindt; loopt daarentegen de kust steil 
in de diepte der zee af, dan wordt de juiste vorm dier 
kust meer hoofdzaak en het eene geval vordert een andere 
werkwijze dan het andere; zoo kunnen zich verschillende 
zeer uiteenloopende toestanden voordoen en men kan het 
den met de detailopneming belasten officier gerust over- 
laten, naar bevinding van zaken te handelen. Enkele hoofd- ' 
zaken zullen daarbij echter wel steeds moeten worden in 
het oog gehouden : alvorens den arbeid te beginnen zal men 
het onderhanden te nemen kustgedeelte wel goed moeten 
verkennen, opdat men in de gelegenheid kome, zoodanige 
hoofdpunten uittekiezen, waarop het latere detailwerk moet 
gaan steunen en heeft men zich die eenmaal oordeelkundig 
gekozen, dan moet het bepalen der lengteverschillen van 
die punten onderling met de meeste zorg geschieden. 

Drie achtereenvolgende bepalingen, van dezen aard, met 
tusschenpoozen van slechts enkele dagen, opdat de veran- 
dering in den gang der tijdmeters zooveel doenlijk buiten 
invloed blijft en met nagenoeg onderling gelijke uitkomsten, 
meen ik, dat als bepaald vereischte behoort te worden ge- 
steld, en dit gewichtig onderdeel van het werk mag — 
hoeveel bezwaren het ook moge opleveren — niet als ge- 
ëindigd worden beschouwd, alvorens zoodanige uitslag is 
verkregen. 

Minstens één dier hoofdpunten, dat daartoe het best ge- 
schikt is, moet van een duurzaam merkteeken worden 
voorzien, opdat, zelfs na verloop van jaren, dat punt met 
zekerheid kan worden teruggevonden; met welk doel dit 
geschiedt zal ik zoo aanstonds aangeven. Alvorens van de 
detailopneming af te stappen, wensch ik nog met een enkel 
woord te wijzen op het groote gewicht der zoogenaamde 
Landvcrkcnningen . 

Zooveel doenlijk vermenigvuldigde en zoo nauwkeurig 
mogelijke profielschetsen van de wijze waarop de kust en 
het daarachter gelden min of meer hoogland zich in be- 
paalde richting van het kompas aan het oog voordoet, is 
een voornaam middel om zeevaarders bij het naderen der 



kust tot leiddraad te strekken om te weten te komen waar 
zij zich bevinden. 

Van de oudste tijden her ziet men op de zeekaarten dit 
middel veelvuldig toegepast, doch het is mij voorgekomen 
dat zulks in de latere jaren dikwijls te zeer is veron- 
achtzaamd. 

Ik heb mij wel eiens laten vertellen dat een schip op 
Java's Zuidkust nabij den uitersten Oosthoek zoude zijn 
verongelukt, omdat op de zeekaart, die de gezagvoerder 
te zijner beschikking had, de hoek van Blambangan (Java's 
Z.0. punt) met even zwaar gebergte bezet geteekend was, 
als het in vorm daarop veel gelijkende ver uitstekende 
zuidelijk voorgebergte van het eiland Bali. De gezagvoerder, 
onbewust dat hij laatstbedoeld punt reeds achter den rug 
had, dit meenende te herkennen zoude Noordelijk op heb- 
ben doen sturen in het denkbeeld Straat Bali in te gaan, 
maar in stede daarvan zijn schip op de rotsen van Java*s 
Zuidkust hebben verloren. In het midden latende, wat 
daarvan waar kan zijn, zoo kan men zich zoodanige ge- 
vallen toch als zeer mogelijk voorstellen. Is nu echter 
de zeekaart met veelvuldige en vooral juiste landverkenningen 
verrijkt, dan zullen die in de meeste gevallen worden 
voorkomen. 

Nu is het vervaardigen van zoodanige profielschetsen 
echter geenszins ieders werk; niet iedereen hanteert de 
teekenstift even vaardig en zelfs dan als dit wel het ge- 
val is, is zoodanig werk toch altijd lastig, wijl elk denk- 
beeld van phantasie moet ter zijde worden gezet en de 
grootst mogelijke nauwkeurigheid hoofdvereischte blijft. 

Ik heb wel eens gedacht, of niet het fotografisch plan- 
chet bij zoodanige gelegenheden ware aan te wenden, nu 
het bij opnemingen te land, vooral in hooggelegen, weinig 
genaakbare terreinen, gebleken is zulke gewichtige diensten 
te kunnen bewijzen. Panorama's als daarmede verkregen, 
die zoo getrouw denkbaar het beeld teruggeven, zijn juist 
datgene wat voor landverkenningen het meest gewenscht 
is. Ik geef dat denkbeeld voor beter; zeker zoude het nog 
al bezwaar in hebben aan boord aan zoodanigen toestel 
den juisten stand te geven, doch kiest men daarvoor stille 
dagen uit en plaatst men het op het standaardkompas, dan 
wel wordt het in een ring van Cardanus vrij opgehangen 
en daarna van onderen verzwaard, dan ware daaraan 
wellicht voldoende te gemoet te komen. Bij het gebruik 
van droog collodium heeft men zich aan boord met de 
ontwikkeling der glasplaten niet in te laten; dit kan, des 
noods nog na maanden, op het hydrogr. Bureau geschieden. 

Maar genoeg over de detailopneming. 

Geheel afgescheiden • daarvan, meen ik, moeten de sterre- 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGE^IEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



131 



kundige plaatsbepalingen geschieden; hetzij dat die aan de 
detailopneming kunnen voorafgaan, hetzij ze later vol- 
gen, nimmer moet het een op het ander behoeven te 
wachten en het is mij toegeschenen dat de regeering daar- 
over niet anders denkt. Immers wij zagen in het Koloniaal 
Verslag dat de tijdelijke afwezigheid van den zeeofficier, 
speciaal voor deze bepalingen bestemd, geen aanleiding is 
geworden om de detailopneming te staken. 

De punten intusschen, die in de allereerste plaats in aan- 
merking komen voor zoodanige bepaling zijn m. i. die, 
welke bij de verschillende detailopnemingen van duurzame 
merkteekens voorzien zijn; aangezien de vastlegging van 
deze de gelegenheid aanbiedt om de detailopneming in haar 
geheel op haar ware plaats te kunnen overbrengen op de 
zeekaart. 

Geschiedt de detailopneming op eenig terreindeel alwaar 
vooraf reeds eenig punt op deze wijze is vastgelegd, dan 
moet dit punt natuurlijk ook het hoofdpunt worden waarop 
de detailopneming berust, en de alzoo verkregen arbeid 
kan, na de samenstelling, alsdan aanstonds voor de defini- 
tieve zeekaart dienen. Ik vermeen dat wegens den tijd, 
voor zoodanige plaatsbepaling gevorderd, en de uitvoerige 
berekeningen die daarbij noodig zijn, dat geval echter wel 
tot de uitzonderingen zal blijven behooren. 

De omschrijving, hoe die plaatsbepalingen geschieden 
moeten — indien die mocht worden noodig geacht — laat 
ik liever aan meer bevoegden over en ga ten slotte er 
toe over om den arbeid op het hydrografisch Bureau te 
bespreken, waarbij ik echter het administratieve gedeelte 
en het beheer der zeekaartendepóts met stilzwijgen voorbij ga. 

Reeds teekende ik aan dat het werk van het samenstel- 
len en reproduceeren der zeekaarten in twee scherp van 
elkander afgescheiden afdeelingen dient te worden gesplitst. 
Ik zoude nl. wenschen gecreëerd te zien een cathegorie 
van vaorloopige detailkaarten en daarnevens de eigenlijke 
definitieve zeekaarten^ meer of min uitgestrekt kustgebied 
omvattende. 

De eerste soort kaarten zijn degene, die het gevolg zijn 
van de zooeven behandelde detailopnemingen; zoodra die 
aan het Bureau zijn ingeleverd, moeten ze onmiddellijk ge- 
construeerd en gereproduceerd worden. Aangezien het 
voorloopige kaarten zijn, bestede men daaraan niet den tijd 
en den arbeid, die graveeren op steen of koper vordert, 
maar teekene ze op zoodanige wijze, dat zij voor reproductie 
langs een der snelle en goedkoope lichtdrukmethoden vatbaar 
zijn en vergete nimmer ze te voorzien van de namen der- 
genen, die het werk op het terrein hebben verricht Ver- 
volgens ga men onmiddellijk tot die reproductie over, zonder 



te wachten op de meer of min spoedig verwachte bekend- 
wording der uitkomsten van reeds onderhanden of weldra 
onderhanden te nemen sterrekundige plaatsbepaling van 
daarop voorkomende punten. 

Bijzondere installatie zal het hydrograf. Bureau te Batavia 
daarvoor niet noodig hebben, wijl het topogafisch Bureau 
die r^ds bezit en dit in zoodanige, toch zeker niet dagelijks 
voorkomende gevallen, gemakkelijk hulp kan verleenen. 

Dat het topografisch Bureau daartoe in staat is, hebben 
de fotolithografische en albertypische kaarten op de Ten- 
toonstelHng te Venetië aanwezig volkomen bewezen, terwijl 
ik meen te weten dat de dadelijke reproductie in steen 
gravure eener penteekening op papier, door Eckstein te 
's Hage zoo gelukkig toegepast, ook te Batavia reeds wordt 
beoefend. 

Handelt men zoo, dan zullen de verrichte detailopne- 
mingen met den gewenschten spoed het licht zien ten 
bate der zeevaarders en tot voldoening en aansporing van 
he:i, die ze in het zweet huns aanschijns hebben verricht. 

Zoodra echter worden niet de uitkomsten der sterrekun- 
dige plaatsbepalingen bekend, of de voorloopige detailopne- 
ming, die daarmede in verband staat, wordt des noodig daar- 
naar gewijzigd en is daarna geschikt om opgenomen te wor- 
den in de definitieve zeekaart. Van deze laatste nu worden 
nieuwe uitgaven noodig, naarmate het belaug en het aantal 
der wijzigingen, die zij ten gevolge der plaats gehad heb- 
bende detailopnemingen en daarmede in verband staande 
plaatsbepalingen behoeven, dit blijken noodig te maken. 

Of het raadzaam is de lithografie ook voor zoodanige 
nieuwe uitgaven van definitieve zeekaarten te blijven be- 
houden, gelijk in het plan der regeering schijnt te liggen, 
is aan twijfel onderhevig; voor zoodanig werk blijf ik de 
kopergravure, of hetgeen in nieuwere tijden deze begint te 
vervangen, de voorkeur geven. 



Van de uitnoodiging des Voorzitters om door wisseling 
van gedachten over een zoo belangrijke zaak tot meerdere 
klaarheid, doch vooral tot eene practische conclusie te ko- 
men, werd na deze rede van den heer Versteeg ruim- 
schoots gebruik gemaakt, en dat des te meer, dewijl door 
het Bestuur van het doel dezer Vergadering, behalve aan 
de Minisiers van Marine en Koloniën, aan vele zaakkun- 
digen, zooals de hh. Jansen, Moeth, Mac Leod, Oude- 
mans en v. d. Sande Bakhuijzen kennis was gegeven. 

De heer Van Musschenbroek gaf eerst nog de hier vol- 
gende nadere inlichtingen over de in dezen zoo belangrijke 
vermenigvuldiging van kaarten. 



'32 



ZES'EN DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



Toepassing van fotozinkografle op verveelvul- 
diging van hydrografische kaarten. 

Onze geachte Onder- Voorzitter gaf ons zijn mededee- 
lingen ten beste omtrent het pas vernomene. Korten tijd 
geleden gaf hij enkelen, ook mij, de hoofdtrekken van zijn 
gedachtengang bij de voorgenomen voordracht aan. Op 
mijn opmerking, dat hij de tegenwoordige middelen tot 
snelle vermenigvuldiging van kaarten slechts ter loops had 
aangeraakt, door hem reeds zoo helder uiteengezet in zijn 
verhandeling daarover van December 1878, ten behoeve 
van de leden van ons Genootschap in het Tijdschrift opge- 
opgenomen, en denkelijk de meesten Uwer bekend, ant- 
woordde hij mij, dat juist dat opstel, reeds openbaar gemaakt, 
hem de herhaalde behandeling van dat onderwerp onnoodig 
deed achten. Ik besloot toen, en onze overige bestuursleden 
keurden dat goed, om het kortelij k in herinnering te bren- 
gen, te eerder omdat de studie van het door Engeland en 
Britsch Indie tentoongestelde, tijdens de onlangs te Venetië 
gehouden Aardrijkskundige tentoonstelling, de overtuiging 
vestigde, dat ook de wetenschap in den tusschentijd niet 
had stilgezeten, en het vermenigvuldigen van kaarten thans 
zóó vlug en betrekkelijk gemakkelijk geschiedt, zóó goed- 
koop is tevens, dat het schier aan het ongeloofelijke grenst; 
terwijl bovendien behalve de fotozinkografle, nog een 
werkwijze in toepassing is gebracht geworden, die aan den 
reeds bekenden zoogenaamden natuurdmk herinnert. 

Ons hydrografisch Bureau in Indie had een goeden 
stelregel; van de bestaande steenen werd telkenmale slechts 
een klein aantal afdrukken genomen; niet meer dan de 
behoefte medebracht. De steenen zelve werden echter vóór 
de hand gehouden om steeds dadelijk elke bevinding, elke 
ontdekking te kunnen opnemen. 

Zij had echter een nadeel ^^dat zij niets dan steenen ge-- 
bruikte;'^ des noods zou men kunnen zeggen „//«/ zij 
steenen gebruikté'\ Voor topografie is de steen het repro- 
ductiemiddel bij uitnemendheid, te meer omdat de topo- 
grafische kaart van de toekomst geheel, en grootendeels 
reeds van het t^enwoordige is de gekleurde kaart, en 
die, volgens de bekende Ecksteinsche werkwijze door 
chromolithografie het best is te verkrijgen zoodra de 
fotolithografische steen gereed is. En de gekleurde kaart 
door heliogravure is wellicht, denkelijk zelfs, een der zaken 
die de toekomst ons schenken zal; voorshands bezitten wij 
die nog niet. 

Geheel anders is het met de eischen van de hydrogra- 
fische kaart. Voor die kaarten zijn twee hoofdindeelingen 



aan te nemen. De eerste omvat de blijvende, meestal 
grootere kaarten, die om zoo te zeggen een standvastig 
karakter hebben; waarbij echter de mogelijkheid, nood- 
zakelijkheid zelfs van gedeeltelijke verbetering niet buiten- 
gesloten blijft. De tweede omvat die talrijke schetsen, 
telkens hier of daar ontworpen, dikwerf door verschillende 
bodems, verschillende opnemers, onafhankelijk van elkander, 
onbekend met elkanders werk, omdat de vruchten van 
hun arbeid uit gebrek aan genoegzame en geschikte mid- 
delen tot reproductie, in archieven en bureaux blijven 
liggen enz., in één woord ongebruikt blijven. 

En dit ligt in den aard van de zaak. 

De steenen hebben hun goede eigenschappen, maar ook 
hun gebreken. Zij zijn duur, vooral in Indie, de vind- 
plaatsen raken uitgeput, en zij worden met den dag 
duurder, het gra veeren is ook niet goedkoop ; en meer dan 
een paar malen geretoucheerd of verbeterd kunnen zij niet 
worden. 

Voor de meer blijvende hydrografische kaarten is dus 
de koperplaat, dié steeds verbeterd en bijgewerkt kan wor- 
den, de aangewezene, en wel die verkregen door helio- 
kopergravure, volgens de Weener werkwijze u zakelijk en 
helder uiteengezet. Daarbij komt het in de eerste plaats 
op een goede netteekening aan, en die is in Indie, met 
minder onkosten dan hier, zoo goed te krijgen als men 
hier nauwelijks denken kan. Op nauwkeurige overname 
van de oorspronkelijke kaart of zelfs van het brouillon kan 
men zeker zijn. En is eenmaal de teekening déar, dan is 
het overige een vraag van technische oefening; vrij spoe- 
dig te verkrijgen. Na de aanvankelijke, bij het gedeeltelijk 
bruikbare reeds aanwezige materieel niet erg omslachtige 
eerste installatie, zijn de verdere onkosten stellig en denke- 
lijk heel wat minder dan bij de tegenwoordige lithografie. 

Nu blijft over het tweede punt, de tweede reeks kaarten 
teekeningen, schetsen, plans, waarvan men nu dikwerf en 
slechts met moeite een calque krijgen kan, waarvan de 
zuiverheid niet eenmaal steeds kan gewaarborgd worden. 
Hier vooral is groote openbaarheid, ruime verspreiding, 
noodig, niet alleen om eiken zelfs toevalligen opnemer in 
staat te stellen zijn werk vast te knoopen aan de uitkom- 
sten van den arbeid van voorgangers, of daarmede te ver- 
gelijken, maar ook om eiken reiziger, die daartoe in aan- 
merking komt, daartoe eveneens gelegenheid te geven. 

Twee vereischten hebben wij dus: de reproductie moet 
goed en snel kunnen geschieden, zij moet tot onbeteeketunde 
onkosten terug gebracht worden. En aan beide eischen 
wordt door de foiozinkografie. zooals die thans bestaat,^ 
in ruimen zin voldaan. 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



133 



Om te toonen wat zij vermag te leveren bracht ik 
nevensgaande kaarten mede, genomen uit de monsters van 
proeven, die de Generaal Thuillier en de Majoor Baird, 
die thans aan het hoofd van dien tak van dienst staan, 
mij schonken. Ik bracht tevens den laatsten Catalogus van 
Indische kaarten mede — die ik eveneens aan hun goed- 
heid te danken had — om u het veelomvattende te doen 
zien van het werk dat daardoor mogelijk is geworden, en 
waarvan de heer Versteeg reeds eenige getallen aangaf. 
Elke kadastrale dessa-kaart, u hier ter inzage aangeboden, 
wordt bijv. voor slechts enkele centen afgeleverd. 

Ook voor de geheele reeks zeekaarten, groote en kleinere 
van meer voorbijgaanden aard, en waarvoor men een 
koperplaat onnoodig acht, voor plans, reeden, enz. is die 
werkwijze uitnemend geschikt, en wordt er ruim en met 
den besten uitslag voor gebruikt. 

Hiervoor zoude een geheel nieuwe installatie aangevoerd, 
en werklieden geoefend moeten worden, doch de installatie 
is niet omvangrijk en de oefening wordt spoedig verkregen. 
De onkostbaarheid van de werkwijze is in Britsch-Indie 
bewezen. Zoodoende zouden wij binnen één of twee et- 
malen, en tegen een prijs van evenveel stuivers als vroe- 
ger guldens, aan alle aanvragen kunnen voldoen. 

Elk zeeman, opnemer, reiziger, zal gevoelen wat dat 
zeggen wil, bij vergelijking met den tegen woordigen toestand. 
Van de toepassing van de zinkografie op de stafkaar- 
ten en groote schaal topografische kaarten, en op onze 
inlandsche kadastratie, dessakaarten enz. spreek ik thans 
niet i doch ook daar is haar een groote toekomst weggelegd. 
Een nog nieuwere vinding veroorlooft om het eenvoudige 
calque van een teekening, doch met daartoe bereiden 
inkt en papier, in het zink in te drukken, genoegzaam 
voor afdrukken. Die werkwijze is niet nieuw, en doet 
denken aan den natuurdruk van een 25 jaar geleden. Ook 
van haar worden hier voorbeelden aangeboden. En dus 
hulpmiddelen genoeg. 



Prof. Oudemans gaf daarna een historisch overzicht van 
de hydrografie in Indie. Hij wees daartoe op de com- 
missie voor de verbetering van zeekaarten, zooals deze 
van 1827 tot ongeveer 1860 was werkzaam geweest en 
bestaan had uit den kommandant der zeemacht, diens 
adjudant en een luitenant der marine. In een zoo sa- 
mengestelde commissie, die trouwens zeer zelden verga- 
derde, had natuurlijk de kommandant der zeemacht feite- 
lijk geheel het roer in handen. Daarom had de heer 
Edeling in 1857 een wezenlijke commissie begeerd, be- 



staande uit dien kommandant als voorzitter, den hoofd- 
ingenieur van den geogr. dienst, den chef der betonning, 
den chef van het hydrogr. Bureau en een lid naar keuze. 
Voor het doen der waarnemingen achtte deze twee stoom- 
schepen en 3 rinkelaars noodig. Na langdurige onderhan- 
delingen had het gouvernement evenwel gemeend dat deze 
inrichting alsmede een later voorgestelde, om een korps 
hydrografische ingenieurs met een stoomschip en twee 
rinkelaars te doen opnemen, te duur zoude zijn, en dat 
men op de oude manier, en wel met de brik PyladeSy 
moest doorgaan. De heer Edeling was door dit alles niet 
aangemoedigd. Toch was in Indie nog zoo weinig niet 
verricht. In die 22 jaar na 1860 waren straat Bangka 
en Gaspar en de Noordkust van Billiton zóó opgenomen, 
dat de Italiaan Magnaghi de daarvan vervaardigde kaar- 
ten zeker onder de ie klasse zou moeten rangschikken. 
Was de Engelschman Staunton eerder gereed geweest, hij 
had van onze gegevens, hem welwillend verstrekt, gebruik 
gemaakt. 

Overigens had de Italiaansche kolonel het werk aan de 
opname van zulk een archipel verbonden, weUicht niet 
voldoende gekend. Het opnemen van de Key-eilanden, de 
Aroegroep, de Sangir- eilanden, enz., waar soms zelfs geen 
posthouder gevonden wordt, was niet van dadelijk belang, 
en hoezeer de geografen dat verlangen mochten, voor een 
gouvernement niet gemakkelijk. Van de 'Key-eilanden 
naar Batavia was een afetand als van Nederland naar 
Petsjora en Oeral; van Batavia naar Atjeh was nogmaals 
zulk een distantie. 

Het eerst was aan de orde de opneming van die wegen, 
waarvan de schepen in de verschillende moesons het 
meest gebruik maken. Daarin kon door een korps hydro- 
giafische ingenieurs en de uitbreiding der middelen voor 
de opname het best voorzien worden. 

De heer Robidé van der Aa, wijst er op, hoe ook we- 
der in dezen Ie mieux P ennemi du bien kon zijn. Hoe 
belangrijk die opname van drukbezochte vaarwaters vol- 
gens alle eischen der hydrografische wetenschap mocht 
zijn, men was thans nog alleen maar met Bangka en Bil- 
liton gereed en zou zoo voortgaande in geen eeuw klaar 
komen. Inmiddels bleven andere gedeelten, bijv. de Key- 
eilanden en de kusten van Nieuw-Guinea, die toch ook 
tot Indie behooren en door 't hydrogr. Bureau worden 
uitgegeven, zeer onvolledig bekend. Hoe die lacunes aan 
te vullen ? Naar spr. meende, door voort te gaan op den 
sedert kort ingeslagen weg, die, zooals bleek uit de nieuwe 
kaart van de bocht van Tomini, veel verbetering in ver- 
gelijking van vromer toonde. Het hydrog. Bureau geve 



134 



ZES-EN- DERTIGSTE ALGEMEENS VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



aan schepen, die weinig bezochte streken bezoeken, be--» 
paalde opdrachten m^e, wijze bepaalde details aan voor 
de opname van kustgedeelten, eilanden, klippen, en van 
die meerdere belangstelling en activiteit getuigde ook het 
feit dat hem, spreker, sedert de uitgave van zijn werk over 
Nieuw-Guinea (1879), de latere journalen ter beschikking 
waren gesteld. 

De heer Jansen, na het Bestuur voor de eer der uitnoo- 
diging dank te hebben gezegd, zette nader uiteen hoe dat- 
gene, wat sedert 1837 op 't gebied der Indische hydrogra- 
fie was verricht, toch niet zoo gering was, dat het den 
Italiaanschen officier tot een ongunstig óórdeel had be- 
hoeven te leiden. Reeds in 1848 had men in Indie die 
vierderlei klassen van opneming, waarvan deze had ge- 
waagd. Vermeldde deze dit in 1881 als iets nieuws, dan 
had daartegen protest dienen aangeteekend te worden. 

De voorzitter wyst den heer Jansen er op, hoe derge- 
lijke kleine details in de geschiedenis der hydrografie 
moeielijk bekend hadden kunnen zijn aan hem, die zich 
tot dusver niet uitsluitend op dit gebied heeft bewogen. 
Daarmt bleek echter op nieuw, hoezeer het te betreuren 
viel, dat tot dergelijke congressen door de Regeering geen 
zeeofficier of een ander deskundige werd afgevaardigd, en 
dat het niet inzenden der marinekaarten de gelegenheid 
tot het weerleggen van den Italiaan had benomen. 

De heer Moeth meende zijn meening over de oprichting 
van een korps ingenieurs te moeten uitspreken. Hij achtte 
de opneming door zulk een korps een geschiedenis van 
zeer langen adem, zooals uit die van straat Bangka bleek. 
Men zou dan van Batavia uit alles willen dirigeeren en 
controleeren. Men zou daar en niet op het terrein van 
opneming critiek willen uitoefenen en uit schetskaartjes, 
kleine kaartjes, peilingen enz. een kaart van slecht allooi 
willen samenstellen, die de opneming op het terrein zelf 
zou moeten logenstraffen. Men zou er te Batavia den 
naam opzetten en de namen der opnemers weglaten. Hij 
wees er verder op, wat verricht was zonder dat korps, 
als werk van vrije liefde. Zeer vele goede opnamen waren 
sedert 1837 ontstaan, .en het werk benoorden Macassar 
en elders werd in de Mittheilungen van Petermann alles- 
zins gewaardeerd. 

De heer Comelissen wijst er op, wat nog buiten het 
hydrografisch Bureau om zou kunnen verricht worden 
door de oorlc^schepen, waarvan zich een 20 è, 30 in zoo 
verschillende gedeelten van den Archipel bewegen, die zich 
met de opname van baaien en eilandengroepen konden 
bezighouden. Doch dan diende ook na den eigenlijken 
oorlogsdienst de hydrografische dienst op den voorgrond 



te staan en minder van die schepen voor den civielen 
dienst gevergd te worden, althans niet datgene, wat bijv. vol- 
gens het oordeel van den stations-kommandant door civiele 
stoombooten zou kunnen verricht worden. Op die wijze 
zouden de oorlogsschepen krachtig tot de samenstelling 
der voorloopige kaarten voor den hydrogr. dienst kunnen 
medewerken. 

De heer Van Hasselt beschouwt nader de klacht, als 
zou het hydrografisch Bureau de verdiensten der opnemers 
miskennen door 't weglaten der namen. Spreker meent 
dat het plaatsen dier namen niet zoo zeer op den voor- 
grond gesteld mag worden, als van de kaart maar het 
juiste gebruik wordt gemaakt. Zulk een openlijke erken- 
ning van elke daad, in dienst van het gouvernement ver- 
richt, acht spr. onnoodig; bij jonge ambtenaren zelfs min- 
der wenschelijk. Men vinde zijn belooning in 't besef zijn 
plicht gedaan en iets in 't belang van den dienst en van 
den Nederlandschen naam verricht te hebben. 

De heer v. d. Aa kan met den heer Van Hasselt in 
zijn patriotische ontboezeming niet medegaan. Hij vindt 
het natuurlijk, dat iemand, na 't verrichten van sonos zoo 
moeielijken hydrografischen arbeid, die niet altijd terstond 
gepubliceerd wordt en waarvoor iemand soms geen be- 
dankje krijgt, op de kaart zijn naam wenscht vermeld te 
zien. Overigens meent hij dat het gouvernement niet te 
bescheiden moet zijn met hetgeen verricht wordt. Vandaar 
wellicht het minder gunstige oordeel van den heer Mag- 
naghi. De kaarten, door het gouvernement gepubliceerd, 
waren moeilijk te verkrijgen en werden niet door den 
boekhandel verspreid. Wanneer men zich dan ook nog 
aan tentoonstellingen onttrekt, zooals vroeger te Londen 
en onlangs te Venetië, dan kan de vreemdeling moeielijk 
een meer waardeerend oordeel uitspreken. 

De heer Boissevain wijst op het nadeel, aan die ver- 
spreiding door den boekhandel verbonden. Men heeft dan 
een aantal depots zonder controle en waar oude edities 
van kaarten kunnen verkocht worden. In Engeland heeft 
men voor de Admiralty Charts één enkel adres, waar 
slechts de telkens gecorrigeerde kaarten worden a%eleverd 
en dé oude teruggenomen. Overigens verbindt hij aan 
zijn opmerking deze voor de practische zeevaart zoo be- 
langrijke vraag: Is het waar dat de verbeteringen, die op 
de kaarten zouden aan te brengen zijn, zoolang sluimeren? 
Zijn de klachten der zeelui, welke men dienaangaande de 
laatste 10 jaren vernomen heeft, gegrond? Is bijv. de straat 
Egeron, die men ontdekte daar waar vroeger land was 
geteekend, nu reeds op de kaart gebracht; en is deze reeds 
verkrijgbaar gesteld? 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



135 



De heer Oudemans licht nog nader toe, in hoeverre hij 
de oprichting van het korps ingenieurs wenschelijk had 
geacht; zeker niet, omdat hij de werkzaamheid der zeeof- 
ficieren minder waardeerde. Juist deze zouden daarbij 
dienst kunnen doen en veel nut kunnen stichten. Had 
men soms bij de samenstelling der kaarten een enkele op- 
name of schets niet genoemd, dan moest aan verzuim of 
vergissing, niet aan miskenning worden gedacht. Overigens 
bleef hij de opname der belangrijkste passages in de 
eerste plaats wenschelijk achten. Nadat daarop de heeren 
Moeth en Oudemans nog nader over de wijze, waarop het 
hydrografisch Bureau in de werkzaamheid der zeeofficie- 
ren ingreep, van gedachten hadden gewisseld, sloot de 
voorzitter de discussie, en deelde mede dat zoowel de door 
de heeren Versteeg en Van Musschenbroek gehouden 
voordrachten als de daarop gevolgde discussies uitvoerig 
in het Tijdschrift zouden worden gepubliceerd. 

Nader is besloten om die tot beter overzicht mede 
in dit verslag in extenso op te nemen, gelijk hierbo- 
ven geschied is en daaraan nog toe te voegen hetgeen 
de heer kolonel Kniphorst, verhinderd de zitting bij te 
wonen, het voornemen had gehad aldaar in het midden 
te brengen en dat hij na afloop der vergadering welwillend 
ter beschikking van het bestuur stelde en dat aldus luidt ; 



Ter juiste waardeering van datgene wat door mij zal 
worden bijgebracht, moet ik beginnen met op te merken, 
dat ik persoonlijk met de Indische hydrografie nimmer 
rechtstreeksche bemoeiingen heb gehad. Wel heb ik als zoo 
menig officier een partieele opname in Indié mede gemaakt, 
maar daartoe bepaalt zich dan ook mijn geheele prak- 
tische ervaring. Ik ben echter in de gelegenheid geweest 
de Indische hydrografie van uit twee zeer gunstige stand- 
punten gade te slaan. — En dat wel omstreeks '62 als 
I adjudant van den K. d. Z. en later als afd. chef van het 
I departement der Marine te Batavia — Dit ter preciseering 
I van mijn standpunt en wat den vorm aangaat, heb ik een 
korte nota gekozen niet alleen kortheids- maar vooral ook 
duidelijkheidshalve. 

Wat den algeraeenen toestand der Indische hydrografie 
aangaat, tot '58 toe waren de trigonometrische opnamen 
in Indie zeer gering. Het waren in hoofdzaak panieele 
opnamen van Baaijen, Reeden en zeer kleine gedeelten 
der kust, die met de gewone hulpmiddelen waarover aan 
boord der oorlogschepen kan worden beschikt, werden 
verkr^en. 



De meer algemeene kaarten, werden tot op dit tijdstip 
alleen door compilatie ' verkregen, waarvoor de gegevens 
gewoonlijk door zeeofficieren op zeer uiteenloopende tijd 
stippen waren of werden geleverd, zonder dat hierbij ooit 
naar vaste voorschriften werd te werk gegaan. Dit com- 
pilatie werk had toen plaats onder toezicht van een com- 
missie tot verbetering der Indische zeekaarten, welke reeds 
spoedig na het herstel van het Nederlandsch gezag in 
Indie door Baron van der Capellen was ingesteld (13 
October 1821 no. 13) (StaatsbL 38). Vooral met het oog 
op dit compilatiewerk werd een zeer gewichtige stap voor- 
waarts gedaan door de bepaling dat onder de werkzaam- 
heden opgedragen aan den geografischen dienst, ook zal 
behooren het astronomisch vastleggen van verschiUende 
punten in den Archipel en dat wel in overleg met ge- 
noemde commissie. 

Hetgeen er sinds 1851 op dit gebied eerst door de 
geografische Ingenieurs de Lange en later door den Hoofd- 
Ingenieur Dr. Oudemans is verricht, is opgenomen in den 
Regeerings Almanak van N. I. 

In '72 is door het uitvaardigen van algemeen geldige 
voorschriften, een niet onbelangrijk ruimere beteekenis 
aan het compilatiewerk gegeven, die op die wijze uitge- 
voerd, als hulpmiddel om in dringende behoefte aan betere 
zeekaarten te voorzien, veel goeds beloven. 

Stelselmatige opname. Eerst in 1858 werd aan een ge- 
regelde opname van den Indischen Archipel de hand ge- 
slagen. Echter niet vóór dat reeds vreemde natiën belang- 
rijke straten in onzen Archipel in kaart hadden gebracht, 
en reeds weder een Engelsch vaartuig de Saracen, com- 
mander Stanton in aantocht was, om straat Banka op te 
nemen en in kaart te brengen. Als het meest urgente 
begon leen cok Nederland met een opname van die straat, 
met het voornemen om oostwaarts aan al de verschillende 
vaarwaters, tusschen dit eiland en Borneo gelegen, in 
kaart te brengen. 

De duur der opname. Het was in September '58 dat 
de Pylades met dit doel voor het eerst op Muntok aan- 
kwam en ... . den 30 October 1865 rapporteerde de 
Commissie voor de verbetering der In^sche zeekaarten, 
dat de opname van Straat Banka als geëindigd kon wor- 
den aangemerkt. Ruim zeven jaar dus om een zeer klein 
gedeelte van het geheel, dat men onder den naam van 
Ned. Indischen Archipel verstaat, op te nemen en in kaart 
te brengen. 

Blijkens het koloniaal verslag van '78 was de Hydro- 
graaf in '78 bezig met het opnemen in de wateren van 
Bangka, en zegt dat verslag, beëindigde de Hydrograaf de 



136 



2ES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



verbinding der opnemingen van de Gasparstraten en van 
straat Bangka. — Indien men nu dat in kaart gebrachte 
plekje op de schoolkaart van Ned. Indie door Oehler en 
Cronenberg in 1862 samengesteld, eenigszins van naderbij 
beschouwt, zal men kunnen ontwaren dat met het beëin- 
digen der verbinding de opname van de Gasparstraten en 
straat Bangka, misschien nog ^een zes kwadraat graden 
werden opgenomen, en dat over een tijdvak van niet min- 
der dan 20 jaren. 

Vrage hoelang zal het nog duren eer de Indische Ar- 
chipel, die zonder overdrijving op ruim 600 kwadraat 
graden kan worden geschat, in kaart zal gebracht zijn ? Is 
de oplossing van dit vraagstuk niet moeielijk, de uitkomst 
daarentegen is hoogst bedroevend, en van dien aard dat 
wij de vrees niet kunnen onderdrukken, dat de tegenwoordige 
souverein van den Archipel, ook al kent men Nederland 
een langer leven toe, als tot nu toê eenige Staat pleegt te 
leven, toch nooit dat desiderium zal beleven. 

De finantiëele gevolgen der tegenwoordige werkwijze. 
Geeft de tot nu toe gevolgde werkwijze met het oog op 
den duur, reeds aanleiding tot zeer bedenkelijke uitkom- 
sten, ook met het oog op de finantiëele gevolgen verdient 
zij o. i. wel nader overwogen te worden. 

De opname van straat Bangka in drie bladen, benevens 
detailkaarten van de reede vaa Muntok, de mondingen der 
Soengsang en de Nangka eilanden heeft, beweert men, en 
ik geloof op deugdelijke gronden, gedurende een tijdvak 
van zeven jaar aan direkte uitgaven niet minder dan vier 
en een halve ton gouds gekost. De opname van de Noord - 
en Oostkust van Bangka heeft eveneens een tijdvak zeven 
jaar geeischt, zoodat naar dienzelfden maatstaf gerekend, 
alleen de opname van het eiland Bangka met de aanlig- 
gende vaarwaters, een uitgaaf van negen ton zoude hebben 
gevorderd. Neemt men hierbij echter nog in aanmerking, 
dat in het tweede tijdvak der opname, het voor verdere 
diensten afgekeurde zeil-opnemingsvaartuig de Pylades door 
een stoomvaartuig met zijn ontegenzeggelijk duurdere 
eischen was vervangen, en bovendien nog twee kruisbooten 
aan den dienst werden toegevoegd, dan kan men zonder 
overdrijving stellig aannemen, dat de opname van het 
eilandje Bangka — ik spreek hier nu natuurlijk vergelij- 
kender wijze — alleen meer dan een millioen guldens heeft 
gekost. Neemt men nu aan dat Bangka + vier kwadraat 
graden groot is en dit is stellig eer te ruim dan te weinig 
gerekend, dan kost dus de kwadraat graad twee en een 
halve ton gouds. 

Ook nu is de rekening niet ingewikkeld en springt het 
genoegzaam in 't oog, dat uit een finantieel oogpunt be- 



schouwd, ook de tot nu toe gevolgde methode van opname 
geen aanbeveling verdient. 

Eenvoudiger methode van werken. Maar wat dan? 
Naar het mij voorkomt moet er in de wijze van werken 
verandering komen. Willen wij de zware taak die ook 
in dien zin op ons rust behoorlijk nakomen, dan zullen 
wij voor alles moeten beginnen, met het tot nu toe 
gevolgde systeem van opnemen, dat uit een theoretisch 
oogpunt beschouwd, misschien onberispelijk is, op te 
geven en tot een veel eenvoudiger werkmethode, waarbij 
het zoogenaamd spreiden van geodesische netten niet ver- 
plichtend gesteld wordt, moeten overgaan. Voor wie met 
Indische toestanden ook maar oppervlakkig bekend is, zal 
het wel geen toelichting behoeven, dat het spreiden van 
geodesische netten verplichtend te stellen voor hydrogra- 
fische opnamen in Indie, een bijna zouden we willen zeg- 
gen — onmogelijk werk is. — Ook zal men het loodings- 
werk moeten bekorten en vereenvoudigen, door niet met 
uitsluiting van iedere andere methode, daarbij het pro- 
bleem van Snellius verplichtend te stellen. Waarom niet 
eenvoudig van astronomische plaatsbepalingen van het 
schip als uitgangspunt van het loodingswerk gebruik ge- 
maakt? Of waarom niet het schip vast gelegd door Azimuth 
observatien op goed zichtbare hoeken? 

En dat het anders kan, hiervan heeft commander Stan- 
ton, met de Saracen het stellige bewijs geleverd. Die En- 
gelschman heeft zonder verdere hulpmiddelen, wij zeggen 
niet even minutieus maar op voor de zeevaart zeer vol- 
doende wijze straat Bangka opgenomen en binnen den tijd 
van twee jaren, zijn practisch en degelijk werk ter beschik- 
king gesteld van den naar dadelijke resultaten snakkenden 
wereldhandel. Dus nog vijf jaar vóór wij met ons minutieus 
en keurig werk voor den dag konden komen. En heeft ten 
slotte die geodesische opname als standaardwerk of fabri- 
caat van de iste orde voor de zeevaart eigenlijk wel zin? 
Zou, werd nu weder een 'opname van straat Bangka bevolen, 
zou niet reeds menige diepte en zelfs kustlijn er geheel 
anders uitzien, als zij nu twintig jaar geleden door de 
Pylades werd opgemeten? W^ie de voortdurende en hevige 
werking der natuurkrachten in Indie onder den invloed 
der moesons en het afvloeien der kolossale rivieren 
op alluviale kusten, als die van Oostelijk Sumatra, heeft 
kunnen gadeslaan, kan, ons komt het alzoo voor, hierom- 
trent niet lang in het onzekere verkeeren. 

Wij zullen, het voor zoover de werkmethode aangaat, 
hierbij laten. Het is hier de plaats niet dit ruimer in 't 
licht te stellen. De belangstellenden in de Indische hydro- 
grafie veroorloven wij ons voor meerdere details te ver- 



ZES-EN-DERTIGSTE ALQEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKtJNDIG GENOOI SCHAP. 



Ï37 



wijzen naar een opstel, opgenomen in de Mededeelingen 
betreffende het zeewezen, waarin een waarnemend chef 
van dien diensttak, J. T. F. Bruin open kaart speelt en 
de fouten welke de Indische hydrografie aankleven, zoo 
scherp en helder mogelijk in 't licht stelt. — En voiU 
un qui en sait long sur ce Chapitre. 

De middelen voor de opname bestemd. Nu nog een en- 
kel woord over de toegestane middelen. Zijn zij bij een 
verandering in de werkmethode voldoende? Naar het 
ons voorkomt, kan het antwoord op die vraag, nu al- 
thans niet meer, zóó ongunstig luiden. 

Zooals wij vroeger reeds opmerkten, werd in '58 de zoo- 
genaamde geregelde opname van den Indischen archipel 
aangevangen met één zeilopnemingsvaartuig de Fy lades; 
welk vaartuig een tiental jaren later (in '69) wegens ouder- 
dom aan den dienst ontvallen, door een stoom vaartuig de 
Stavoren werd vervangen. Terwijl de Pylades gewoonlijk 
één, en enkele malen zelfs twee kruisbooten bij de opname 
ter beschikking had, kreeg de Stavoren in '71 nog een 
stoombarkas bij zich. 

Tot '73 toe zijn de werkzaamheden met die middelen 
voortgezet, toen eindelijk //^ ^S/öz^^r^w ook, wegens ouderdom 
aan den dienst ontviel. Het inmiddels in Holland op stapel 
gezette opnemingsvaartuig was echter op dat tijdstip nog 
niet voor den dienst gereed; terwijl wegens de toen reeds 
aangevangen Atjehsche verwikkelingen, het denkbeeld om 
f een ander vaartuig voor de opname tijdelijk te bestemmen 
moest worden opgegeven. De stelselmatige opname moest 
I toen dan ook worden gestaakt en kon eerst een jaar later, 
' toen eindelijk de Hydrograaf in Indie verscheen, worden 
hervat. Sinds is de regelmatige opname met die middelen — 
; en wij hebben er vroeger reeds op gewezen met welk 
j succes — voortgezet. Wie zich een duidelijk denkbeeld kan 
I maken • van de reuzentaak, die wij ook op hydrografisch 
i gebied in Indie nog hebben te vervullen, zal met ons wel 
inzien, dat de Indische hydrografie hiermede de gewenschte 
phase nog niet was ingetreden. 

En vooral zal dit sterk in 't oog springen, als men na- 
gaat dat een opname met één vaartuig, niet zelden, en dat 
dikwijls voor geruimen tijd, moet worden gestaakt, omdat 
het zoowel voor officieren als voor minderen ondoenlijk is 
om in een tropisch klimaat onafgebroken op het terrein 
van de opname te verblijven, en het vaartuig eenmaal 
'sjaars minstens bij een van de marine-etablissementen op 
Java moet opkomen om aldaar de noodige herstellingen 
en voorzieningen te ondergaan. 

Wanneer wij de Koloniale Verslagen van de laatste jaren 
raadplegen, dan blijkt het .dat de regeering dit nu ook 



begint in te zien en dat wij nu eindelijk . aan den voor- 
avond zijn genaderd van een niet onbelangrijke verbete- 
ring op hydrografisch gebied. 

Het volgende wat wij aan het jongste verslag ontleenen 
moge dit in 't licht stellen : „Een uitbreiding der opnemings- 
middelen, als waarop in 't vorig Verslag uitzicht werd 
gegeven, wordt voorbereid en zal in 1882 tot stand komen. 
De twee schoener brikken Melvill van Carnbeé en Blom- 
mendal, die aan het opnemingsstoomschip zullen worden 
toegevoegd en elk een stoomsloep zullen krijgen, komen in 
't begin van 1882 ter uitzending gereed; bereids zijn maat- 
regelen genomen om de aanstaande kommandanten der be- 
doelde nieuwe opnemingsvaartuigen in de gelegenheid te stel- 
len zich voor hun specialen werkkring nader te bekwamen". 
Was, wat de middelen aangaat, het verleden niet schit- 
terend, hetgene het Koloniaal Verslag ons nu in de toe- 
komst voorspiegelt geeft gegronde hoop, dat de Indische 
hydrografie spoedig over middelen zal kunnen beschikken, 
die meer nabij komen aan de eischen, die cns op dat ge- 
bied kunnen worden gesteld. 

Het overbrengen van het Hydrografisch Bureau te Ba^ 
tavia naar Nederland, Een punt, dat, terwijl de Indische 
hydrografie aan de orde is, stellig niet onaangeroerd mag 
gelaten worden, al is ook die zaak vooreerst althans van 
de rol afgevoerd, is de Overbrenging der hoofdwerkzaam- 
heden van het hydrografisch Bureau te Batavia naar 
Nederland. 

Wat ons aangaat wij hebben dien maatregel, waarin we 
niets anders hebben te zien dan eenvoudig een personali- 
teitskwestie^ nooit kunnen toejuichen. Wat wij hiermede be- 
doelen, is, dat het een handigen advocaat misschien niet 
moeielijk zou vallen het bewijs te leveren, dat het rationeeler 
zou geweest zijn, het hydrografisch bureau van Nederland 
bij dat van N. I. als veelomvattender in te lijven. Wij 
achten het dan ook zeer gelukkig dat reeds twee jaren later, 
en nog vóór de laatste bezending van het hydrografisch 
archief den Nederlandschen bodem had bereikt, op dien 
overijlden centralisatiemaatregel werd teruggekomen, en in be- 
ginsel weder een zelfstandig bureau te Batavia werd ingesteld. 
Hoe nuttig die maatregel werkte, kan eenigszins worden 
beoordeeld uit het feit, dat toen eindelijk, na een jaar 
stilstand van de geregelde hydrografische opname, de 
Hydrograaf in Indie verscheen, het bleek dat de laatste 
werkkaart, welke natuurlijk met het hydrografisch archief 
naar Nederland was verzonden, verzuimd was met de Hy- 
drograaf mede te geven, zoodat met het telegram dat de 
Hydrograaf behouden in Indie was aangekomen, tevens 
het verzoek moest worden gedaan, om dat, ter voort- 

19 



13» 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



zetting der opname, onmisbaar document, zoo spoedig 
mogelijk per mail uit te zenden. 

Dit eenvoudige feit alléén karakteriseert onzes inziens 
geheel de beteekenis, welke aan de overbrenging van het 
hydrografisch bureauwerk naar Nederland moet worden 
toegekend. 

Intusschen de illusionisten op dat punt — want dat er 
ook nu nog bestaan lijdt geen twijfel — en in 't algemeen 
zij allen, die maar al te dikwijls gereed worden bevonden 
om aan een in Nederland bestaande reorganisatiezucht 
de hand te leenen, hopen we dat in dezen onberaden 
maatregel — om geen ander woord te noemen — die veel 
geld heeft gekost, maar hetgeen veel zwaarder weegt, z/^^r/ 
kostbaren tijd voor de Indische hydrografie heeft doen 
verloren gaan, een vingerwijzing zullen zien, om voor het 
vervolg den gulden regel: Bezint, eer gij begint, wat beter 
in toepassing te brengen. 

Reproductie der kaarten, In een op ii Januari '79 ook 
alhier gehouden vergadering van het Aardrijkskundig Ge- 
nootschap, werd in een zeer boeiende voordracht van den 
heer W. F. Versteeg, een technische verhandeling over 
het vermenigvuldigen van kaarten gehouden. Als gevolg 
hiervan ontspon zich toen daarover met het oog op de 
Indische hydrografie een korte gedachtenwisseling, die daar- 
mede eindigde, dat besloten werd dat het Genootschap 
zich tot de Ministerien van Koloniën en Marine en Oor- 
log zoude wenden, en in een memorie zou uiteenzetten, 
welke voordeelen voor het rijk en zijn koloniën uit de 
toepassing der nieuwe en snellere methode van kaarten- 
reproductie zouden kunnen voortvloeien. 

Door te zwijgen heb ik mij toen met die motie veree- 
nigd, doch hierover heb ik later meermalen berouw gevoeld. 
En waarom? Omdat mijnheer de voorzitter, de regeering 
mijns inziens, in verband met de aanleiding tot de dis- 
cussie, er door op een dwaalspoor kan zijn gebracht. Het 
groote bezwaar, dat de Indische hydrografie aankleeft, is 
mijns inziens, ook nu nog altijd, niet gelegen in het niet 
snel genoeg reproduceeren van de Indische zeekaarten, — 
was dit werkelijk het geval dan zouden wij reeds op een 
goeden weg zijn — maar haar groote fout schuilt in een 
geest van te ver gedreven nauwgezetheid, die werd mij 
gevraagd hem met een paar woorden te definieeren, ik dit 
aldus zoude meenen te moeten doen. De leiding van de 
werkzaamheden der Indische hydrografie wordt beheerscht 
door een geest van te groote accuratesse, die geen rekening 
houdt met den drang dèr omstandigheden, en de behoefte 
aan dadelijke practische uitkomsten voor de zeevaart. 



Ten slotte nog wordt aan dit verslag toegevoegd het 
volgende, dat de heer kapt. luit. Macleod aan het Bestuur 
een paar dagen later, nog heeft medegedeeld: 

Mij dunkt dat het hoofdpunt van een voorstel aan de 
regeering te richten reeds voldoende aangewezen en her- 
haaldelijk genoemd is, namelijk het maken van een be- 
hoorlijk gebruik van de bestaande en nog te verkrijgen 
gegevens, die door de verschillende in den Archipel krui- 
sende oorlogschepen verschaft worden. Deze gegevens be- 
staan in kaarten en plans, en peilingen. Naar mijn 
bescheiden meening verdienen de eerstgenoemden verreweg 
de voorkeur. De „hydrografische journalen", zooaLs zij op 
de schepen worden bijgehouden en op gezette tijden inge- 
zonden, kunnen weinig nut stichten. De peilingen verdienen 
zelden zooveel vertrouwen, of beter gezegd, bij het afzetten 
er van wordt men zoo dikwijls in twijfel gebracht, dat het 
samenstellen of verbeteren van kaarten met behulp dier 
peilingen, door anderen dan de samensteller genomen, een 
gevaarlijk werk raag heeten. Er zou, dunkt mij, weinig 
aan verloren zijn, wanneer die hydrografische journalen 
werden afgeschaft. Doch daarentegen zou met alle middelen 
het inzenden van kaartjes en plans moeten aangemoedigd 
en bevorderd worden, van alle gedeelten van den archipel, 
waaromtrent de bestaande gegevens dsn kommandanten 
der schepen gebrekkig blijken te zijn. Mij dunkt dat dit 
de voorkeur verdient boven het door den heer Robidé 
V. d. Aa aang^even denkbeeld, om aan de kommandanten 
op te geven welke gedeelten zij al of niet moeten opnemen. 
Dit gaat wel aan voor de opnemingsvaartuigen, die met 
een bepaalde opname worden belast en overigens niets te 
doen hebben, maar aan de andere schepen moet het vrij 
gelaten worden ; men zal daardoor zeker zijn dat het inge- 
zondene werkelijk in een bestaande behoefte voorziet. 

Worden zulke manuscriptkaarten op het hydrog. Bureau 
ontvangen, dan behooren zij dadelijk door een der nieuwe 
middelen van snelle reproductie vermenigvuldigd te worden 
en aan alle schepen verstrekt, terwijl ook exemplaren 
moeten worden aangeboden aan de hydrografische werk- 
plaatsen van andere natiën, opdat deze er hun kaarten 
mede kunnen verbeteren. Op deze wijze strekt de verrichte 
arbeid dadelijk ten algemeenen nutte, en zullen wij zelt 
waarschijnlijk veel spoediger in het bezit zijn van verbeterde 
algemeene kaarten, dan wanneer wij daarop moeten wach- 
ten tot de zwakke werkkrachten onzer eigene bureaux de 
voorhanden stof hebben verwerkt. Ik heb hierbij het oog, 
niet alleen op hetgeen nog verricht kan worden, maar ook 
op den schat van gegevens, die ongetwijfeld nog te Batavia 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENS VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



139 



en in de archieven der maritieme stations, in den vorm van 
manuscripten voorhanden is. 

Voor de verbetering der zeekaarten kan ook met vrucht 
gebruik gemaakt worden van de statistieke opname. Het 
is bijna ongelooflijk hoe gebrekkig de teekening der kust- 
lijn en de benoeming van plaatsen en rivieren is, zelfs op 
de nieuwste kaarten der Java-zee. Ik had gelegenheid dit 
gebrek van nabij te leeren kennen toen ik in 1875 ^^ 
76 deel uitmaakte van de commissie tot het zoeken 
van een geschikte haven op de noordkust van Midden- 
Java. Ik nam toen eenige punten op tusschen Pekalongan 
en Rembang «en bemerkte daarbij, dat er een totale ver- 
warring bestond in de namen op de hydrografische kaart, 
die toch te Batavia vervaardigd was. Bij mijn particele 
opname bepaalde ik eenige punten trigonometrisch, en ik 
nam vervolgens de kustlijn en de namen over van de 
statistieke kaarten. Later stelde ik uit alles te zamen een 
overzichtskaart daar, en toen vooral trof mij het verschil 
tusschen die kaart en de zeekaart i). 

De geringe moeite, die mij het daarstellen mijner kaart 
had gekost, deed mij onwillekeurig vragen waarom het 
hydrografisch bureau niet op dezelfde wijze werkte, en hoe 
het mogelijk was dat daar, waar men zich toch zoo ge- 
makkelijk goede gegevens kon verschaffen, zoo. gebrekkig 
gewerkt kon worden. Op mijn voorstel werden van alle 
kaarten der Havencommissie copien gezonden aan den 
Kommandant der zeemacht, die daarvoor zijn erkente- 
lijkheid betuigde. Doch hoe goed die kaarten benuttigd 
werden tot verbetering der bestaande, bleek mij, toen ik 
eenige dagen geleden de afdeeling „Hydrografie" van het 
Ministerie van Marine bezocht. Ik zag daar een kaart 
van de Java-zee, waarop vermeld is dat zij te Batavia tot 
1881 is verbeterd, en waarop toch blijkbaar niets naar 
aanleiding van de kaarten der Havencommissie veranderd is. 

Op een te *s Gravenhage bewerkte kaart van de Java* 
zee is de kustlijn verbeterd naar' de topografische opnemingen; 
de bewerker nam echter de namen over van de vroeger te 
Batavia vervaardigde, waarvan ik zoo even sprak, en daar- 
door zijn in dit opzicht de oude fouten nog steeds blijven 
bestaan. De Nederlandsche bewerker heeft hieraan volstrekt 
geen schuld, maar hij was dupe van de slordigheid in Indie. 

Wanneer men nagaat, dat bovenstaande .opmerkingen 
slechts betreffen het kleine gedeelte kust van Pekalongan 



I) £en verkleinde copie dezer overzichtskaart is uitgegeven in de 

Verhandelingen v. h. Koninklijk Instituut van Ingenieurs, als bijlage 

cener nota van mij betreffende de havenquaestie op de N.-kust van 
Midden-Java. 



tot Rembang, dan wordt men zeer benieuwd naar de mate 
van nauwkeurigheid van de geheele kaart. 

Op de vergadering van 4 Maart ergerde iemand zich aan 
de gevoerde kritiek; „*t was alles kritiek", zeide hij, „waarom 
deed men geen voorstellen?" Ook het hierboven geschrevene 
is kritiek. Het spijt mij, maar hoe zal men verbetering 
verkrijgen wanneer men niet op bestaande gebreken wijst? 
Ik haalde een paar feiten aan, om te doen uitkomen hoe 
gemakkelijk het zou zijn goede kaarten te hebben, wan- 
neer men van de bestaande hulpmiddelen en gegevens met 
de noodige zorg gebruik maakte. 

Een der sprekers kwam op tegen het herhaaldelijk 
geuite denkbeeld van de kaarten te voorzien met de 
namen der vervaardigers, doch hij schijnt er volstrekt 
niet aan gedacht te hebben, dat er een geheel andere 
reden is tot het vermelden der namen dan het streelen 
van de eigenliefde der vervaardigers. De waarde der 
kaart wordt voor een groot gedeelte door die namen 
aangeduid. Wanneer men bijv. op een kaart van het 
hydrc^rafisch bureau te Batavia het in dikke letters ge- 
lithografieerde facsimile der handteekening Edeling ziet, dan 
weet men dat zij het werk is van een of meer compila- 
teurs, en dat zij dus alle groote gebreken kan bezitten 
aan dergelijk werk eigen; doch wanneer daarentegen ver- 
meld is dat de kaart is opgenomen en geteekend door 
deze en gene ofiicieren, op dit of dat schip, dan weet 
men oorspronkelijk werk voor zich te hebben, en zal men 
er grooter vertrouwen in stellen. Behalve de namen, dienen 
ook de jaartallen der opname en der vervaardiging nauw- 
keurig vermeld te worden. Op het' hydrografisch bureau te 
Batavia schijnt deze gewoonte niet te bestaan. Men zet 
daar op een oude kaart, bij eene nieuw uitgave, het 
laatste jaartal, in plaats van het oudste jaartal, met ver- 
melding dat het een nieuwe uitgave is ; of wel, wat nog 
erger is, men zegt dat de kaart verbeterd is tot op zeker 
tijdstip, zonder alle verbeteringen te hebben aangebracht, 
waartoe men in staat was, zooals ik reeds met een voor- 
beeld aantoonde. 

Deze weinige opmerkingen zullen misschien vaneenigen 
dienst kunnen zijn bij het formuleeren der bedoelde voor- 
stellen aan de Regeering. 



Aan 't slot der vergadering gaf de heer Van Hasselt 
zeer practische wenken voor het reizen met wetenschappe- 
lijk doel in Ned. Indie. Uit eigen ervaring was het hem 



I40 



ZES-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



duidelijk geworden, hoe wenschelijk het was dat men zich 
vóór den aanvang der expeditie van den politieken toestand 
der te exploiteeren gewesten op de hoogte stelde. Wat het 
aantal der expeditie-leden betrof, beperking scheen spr. 
wenschelijk, doch dan tevens een juiste samenvoeging van 
de leden met het oog op het doel van het onderzoek, bijv. 
van den geograaf met den geoloog of mineraloog, van den 
zoöloog met den botanicus, van den ethnoloog-photograaf 
met den linguist, enz. Spreker behandelde daarna de alge- 
meene eischen aan den afzonderlijken reiziger te stellen, 
n.l. een krachtig lichaam een opgeruimd humeur, bekend- 
heid met alle lichaamsoefeningen (paardrijden, zwemmen, 
roeien *enz.) handigheid, eenige vaardigheid in het teekenen. 
Daarna werd door sprekef de uitnisting (kleeding, onder- 
goed, schoeisel, hoofddeksel, bril) uitvoerig beschreven. 
Voortdurend diende de reiziger verder bij zich te dragen: 
een binocle, een geologisch zakkompas, een nauwkeurig 
loopend cylinderhorloge, een hard potlood, een deugdelijk 
zakmes, een kurketrekker, een kleine Amerikaansche bijl, 
een paar einden touw, een bandmaat, een loupe, een eindje 
waskaars, een fleschje ammoniak tegen insectensteken, een 
metalen kokertje met gewone phosphorlucifers, die voort- 
durend droogblijven en alleen in geval van nood gebruikt 
worden. Voor het maken van dagelijksche aanteekeningen 
waren noodig notitie- en schetsboek; etuis voor schrij ge- 
reedschap en toiletartikelen waren onpractisch, daar zij te 
ve;el plaats innamen. Als wapen waren een korte achterlaad- 
buks en een kleine revolver (in geval van nood) wensche- 
lijk. Vooral aan zijn nachtleger moest de reiziger zorg 
besteden : veldbedden van een taaie veerkrachtige houtsoort 
hospitaal-shirting voor onderlaag en velerlei ander nut, een 
klein hoofdkussen, een muskieten gordijn (klamboe) en een 
hangmat van koord waren wenschelijk. Op dezelfde wijze 
werden stoelen, tafels, harnachementen voor de paarden, 
kookgereedschappen en de levensmiddelen, voor zooverre 
deze mede te nemen waren, besproken. Wat de laatste 
betrof, vleesch in kleine bussen; eenige blikken met groen- 
ten en winterkost of hutspot; sardines zoo deze smakelijk 
te vinden zijn; met zout en specerijen ingewreven dunne 
plakken vieesch (dendeng) waren aan te bevelen, doch even- 
zeer rijst en scheepsbeschuit, die gedurende zoo langen tijd 
den honger kan stillen. Als drank was vooral thee verkieslijk, 
hoewel het drinken in 't algemeen en vooral het bezigen 
van de veldflesch op de wandeling ontraden werd. Ook koffie- 
chocolade en melk kan afwisseling geven. Suiker zal dik- 
wijls te pas komen. Verder doet zuivere bordeaux, als ge- 
zonde drank in de tropen, brandewijn of cognac als ge- 
neesmiddel uitstekend dienst. Een medicijnkist met handboek 



voor de meest voorkomende ziektegevallen, balans met ge- 
wichten, Engelsche en hechtpleister, hechtnaaldenenz.,kinine, 
laudanum, karbolzuur, ricinus enz. voltooien de uitrusting. 
Spreker behandelde daarna uitvoerig de verpakking der 
door de koelis gedragen goederen, al naarmate ze op het 
hoofd, den rug of den schouder worden gedragen; de in- 
houd van elke kist of trommel moest in een boekje en aan 
den binnenkant van het deksel worden opgeteekend. Over 
de geschiktheid der inlandsche dragers gaf hij zijn bijzon- 
dere tevredenheid te kennen, terwijl hij tevens hun voeding 
en uitrusting beschreef en hun gebruik als gidsen aanwees 
of op hun geschiktheid, (naarmate van hun ^genschappen) 
als helpers van geograaf, natuur-historicus en ethnoloog in 
bijzonderheden trad. Daarna werd de huisvesting van 
den reiziger behandeld. Deze was op Ned. Ind. grondge- 
bied de balai der negari en zoogenaamde passantenhuizen 
of de woningen der inlanders. Gebrek aan licht en lucht 
waren bij deze gemakkelijk weg te nemen, moeielijker de 
zwiepende vloeren, zoo lastig bij microscopischen arbeid of 
teekenwerk. In dat geval moet bij langer verblijf door 
koelies en een timmerman een kamertje met stevigen vloer 
getimmerd worden. In schaars of niet bewoonde streken is 
het medevoeren van een tent onnoodig en ondoelmatig: 
hout was overal te vinden en de koelies wisten in ander- 
half uur een hut uit bamboe, ruwe takken en dunne boom- 
stammen op te slaan, wier dak en bedekking verder werden 
beschreven. Met een beschrijvmg van verlichtingsmiddelen 
(handlantaarns op het bivouac met helder en stevig glas 
. en verder hanglampen) en eenige opmerkingen over het 
inkoopen, merken en bewaren der verzamelde voorwerpen 
besloot de heer van Hasselt zijn zoo behartigingswaardige 
wenken, terwijl hij ten slotte den wensch uitsprak, dat het 
in Indie nog zoo onmisbare onderzoek krachtig mocht 
worden voortgezet en door de natie gesteund. Is er niet 
één onder de velen, vroeg spreker, die schatten hebben 
verdiend of geërfd van hun vaderen, wien de roem van 
't vaderland genoeg ter harte gaat, om een ton gouds te 
bestemmen als standaardkapitaal voor Nederlandsche we- 
tenschappelijke expeditien naar Nederlandsch-Indie? Was 
dat het geval of werd het Genootschap door een Regee- 
rings-subsidie gesteund, dan eerst zou een geregeld syste- 
matisch onderzoek door natuurhistorici kunnen geschieden, 
die een kader van wetenschappelijke mannen konden vormen, 
terwijl om de vijfjaar naar het een of ander beperkt gedeelte 
van den Archipel een expeditie diende uitgerust te worden, aan 
zuiver geografisch en ethnologisch onderzoek gewijd. Voor 
het geologisch onderzoek kon het mijnwezen zorgen, voor 
het taalkundig onderzoek de daartoe aangestelde ambtenaren. 



SCHETSEN UIT BRAZILIË. 



In den jaargang 1881 gaf de Neder landsche Spectator y 
onder den titel van „Sprokkelingen langs den weg", eenige 
zeer belangwekkende schetsen van Dr. Van Rijckevorsel, 
over zijn reis door Brazilië. 

In de hoop, later een zelfstandig reisverhaal te kunnen 
leveren, geven wij thans een bloemlezing uit die schetsen, 
waartoe de uitgever van den NederL Speet, ons welwillend 
gemachtigd heeft. 



RIO JANEIRO. BAAI EN STAD. 

De schoonheid van de baai waarvan ieder zooveel ge- 
hoord heeft, is waarlijk nog nooit overdreven. Zeer ten 
onrechte wordt de reede van Napels er mede vergeleken, 
de twee hebben zeer weinig gelijkenis met elkander. De 
eenige stad in Europa, mij bekend, die er in de verte 
eenigszins op gelijkt, doch zeer in het klein, is Stokholm, 
uitgestrooid als het is op de eilanden en voorgebergten 
van het MaJar-meer. 

De ruime baai is omringd door bergen van graniet of 
gneiss, dat dan ook al de grillige vormen heeft, die zulke 
formatien gewoonlijk vertoonen. Bijna al de zonderlinge 
vormen die Zwitserland zoo schoon maken, kan men hier 
terugvinden, — doch met veel kleinere hoogte. Dit laatste 
treft u echter weinig, want men ziet de bergen van de zee 
opstijgen, waardoor zij zoo veel hooger schijnen dan zij 
werkelijk zijn. Hier ziet men een ronden rug, een aardhoop 
schijnbaar, waarvan men nooit vermoeden zou dat de 
heerlijke boomen die hem bekleeden slechts in eenige voe- 
ten aarde staan, en dat ook daaronder de harde rots ver- 
borgen zit. Toch wordt men hier en daar gewaarschuwd; 
sommige aardhoopen grond liggen als een kwart sinaas- 
a|^l, en dan is het snijvlak wel steil en de harde rots 



laat zich niet onbetuigd. En toch is een spleet genoeg voor 
een boom, soms met schitterende bloemen bedekt, een 
kleine onevenheid heeft grond genoeg voor een sierlijke 
struik, voor een handvol bloemen. 

Maar trotscher vormen doen zich ook voor; ook de 
Mont Cervin heeft hier zijn kopie, en meer. dan een. Het 
suikerbrood (Pdo de Assucar), dat vlak tegenover mijn 
ramen achter een ronden rug omhoog schiet, verdient zijn 
naam zoo ten volle,, dat een nadere beschrijving onnoodig 
is; eveneens onnoodig u te zeggen, dat het een kale rots 
is. Aan de overzijde der baai staat zijn jongere broeder, 
en achter ons hotel de Corvovado een spitse punt, die aan 
de eene zijde iets minder steil is, aan de andere echter 
bijna loodrecht. 

Natuurlijk staan zulke avontuurlijk gevormde bergen ook 
niet netjes op een rijtje geschaard, maar zijn door elkander 
geklotst, alsof de natuur ze maar voorloopig heeft neerge- 
worpen en nog vergeten heeft er wat orde in te brengen. 
De baai is dan ook een hoogst onregelmatig maaksel, hier 
een landtong, daar een kleine baai, ginds weer een eiland, 
zoodat men overal waar men heenziet de heerlijke tegen- 
stelling heeft van de groene bergen, hier en daar door 
roodbruine of grijze rotsen afgewisseld, daarboven de blauwe 
lucht, daaronder de nog blauwere zee. En over dat alles 
heen het waas van licht, de heerlijke zonneschijn zooals 
alleen de tropen die geven. 

Waar of op zulk een terrein voor de 400,000 zielen 
plaats is? Zoowat overal en nergens. De eigenlijke kern 
der stad is betrekkelijk klein, maar als de vangarmenvan 
een polyp strekken zich in allerlei richtingen tallooze wijken 
en straten uit, die hier een heuvel, ginds een rots omslui- 
ten. Enkele heuvels zijn bebouwd, andere vertoonen eenige 
villa's, maar ook zijn er geheel groene, waardoor de stad, 
al is die eigenlijk in de vlakte tamelijk dicht in een ge- 



142 



SCHETSEN UIT BRAZILIË. 



bouwd, er wonderschoou uitziet. Overal kijkt het groen 
tusschen de huizen door of er overeen. En groen wil hier 
ook wel eens zeggen scharlakenrood of sneeuwwit, of hoog- 
geel, want sommige boomen en planten zijn met zooveel 
bloemen van zoo heftige kleuren getooid, dat het ironie is 
om van groen te spreken. 

De vele kerken met haar koepels en torens, — want 
geen aardbevingen bemoeielijken hier de taak van den 
bouwmeester, — geven alweder een andere afwisse- 
ling, en over de stad heen ziet men overal de hooge 
bergen met hun nu eens trotsche, dan w.eer sierlijke 
vormeu, en met hun bruiloftskleed van eeuwigdurend 
groen. 

En de stad van binnen? Ja, waarde Spectator, van 
binnen valt elke tropische stad t^en, de Braziliaansche 
steden niet het minste. Ik wil u de hellepoort maar niet 
doorvoeren, die wij te doorworstelen hadden, de langdra- 
dige en kleingeestige douane. Genoeg zij het, dat wij, 
o&choon door hooge protectie bij uitzondering schitterend 
behandeld, toch nadat wij te 12 uur aan wal gekomen 
waren, eerst te 5 uut het oord der verschrikking verlieten. 
Dit is wel nog der boffen grootste; gewoonlijk zijn er 
verschillende dagen mede gemoeid, als men ten minste 
iets meer dan een tandeborstel bij zich heefl. En dan heeft 
men duizenden te betalen d. w. z. duizenden reis, en dui- 
zend reis zijn nog maar iets meer dan een gulden. Denk 
eens na wat ponden sterUng voor kolossale sommen geven, 
in die mikroskopische munt vertaald. 

Verwondert het u als ik zeg, dat ik telkens Rio naast 
Batavia plaats in mijn gedachten? Batavia is ten onzent 
al bijna zoo goed bekend als Voorburg, en ik meen dus 
het beste begrepen te zullen worden, als ik maar schrijf 
zooals de gedachten zich aanbieden. 

Behalve het hemelsche Jeruzalem bestaat elke stad uit 
huizen, daarnaar vraagt gij mij dus het eerst. Nergens 
beter dan hier zou het. u gelukken eeu lofzang op onze 
Indische woningen te dichten. Ik veroorloof u gaarne het 
lofdicht in kwestie hier in te lasschen, ik heb geen dichter 
bij de hand. Waar ziet men hier de galerijen, de bescha- 
duwde kamers, de huizen van een enkele verdieping van 
ons Batavia? Neigens. Hier is het groote ideaal een stee- 
nen klomp, juist als in Europa, met gewone ramen, trappen, 
kamers, smalle gangen, en alkoven. Ja, of gij mij gelooft 
of niet, ik slaap in een alkoof, een alkoof onder den 
steenbokskeerkring! En men beveelt mij des nachts de 
ramen te sluiten, omdat de dieven er eens mochten in- 
klimmen! Laten onze pruttelaars dan nog eens van on- 
veiligheid op Java spreken; als er nog een enkele is, 



stuur hem dan hier heen, om in een alkoof al zijn prut- 
telgeest uit te zweeten. 

Wij zijn er nog niet, het ergste komt nog. Die huizen 
staan allen schouder aan schouder in het gelid, de straten 
zijn nauw, de huizen hoog, — begint u het genot voor te 
zweven van een wandeling op den middag door de stra- 
ten van Rio? En de lui zijn hier dan nog zoo wijs van 
in het zwart te loopen, met, — rust in 's hemels naam 
even uit, want gij zult u een toeval lachen, — mei hooge 
hoeden op. 



BEVOLKING VAN BRAZILIË. 

Over het algemeen steken de BraziÜanen bij hun ooms, 
de Portugeezen, niet ongunstig af. Ik zeg ooms, omdat de 
bevolking hier al vrij wel gemengd is, en langzamerhand 
bezig is een ras te worden. Recept: neem een half dozijn 
Portugeezeu, een of twee negers, goed doorschudden, voeg 
er een theelepel vol Duitsch, Engelsch en Fransch bloed 
bij, goed doorkoken, en dan eenige generaties lang laten 
gisten . . . dan krijgt gij zoowat den meest gewonen Brazi- 
liaan. Denk u dan een reeks waarvan de bovenste terra 
de gewone Zuid-Europeaan is, met het bekende Fra-Diavolo- 
type, de middelste het zooeven klaargekomen decoctum, de 
onderste term een volbloed neger, dan hebt gij wat men 
zooal hier op straat het meeste ontmoet. De negerinnen 
zijn het beminnelijkst, met Europeesche japonnen, meestal 
licht gekleurd, vuil, niet onbeschadigd, en kennelijk met 
niets dan de bruine huid er onder; dan meestal een kleine 
sjaal met schelle kleuren, achteloos om de schouders ge- 
slagen, en het kroeze haar met macht van haarspelden op- 
gemaakt tot iets wat wel de zonderhngste karikatuur op 
een Parijsch kapsel mag heeten. Gisteren zag ik er een, 
naar het mij voorkwam, in een japon, wit met zwarte 
figuren, maar ziet, toen de schoone nader kwam, zag ik, 
dat het opengewerkt borduursel was en de figuren niets 
waren dan de kleur die de natuur haar gratis verstrekt 
had. Zoolang zulke lui in een kostuum steken, dat sterk 
van het onze afwijkt, dan zijn het eenvoudig vreemde 
voorwerpen, waarin men weldra soms eigenaardige schoon- 
heden ziet, maar als zij Parijsche modes dragen, — dan 
zien n^ers en negerinnen er even potsierlijk uit als de 
Javaansche bedienden, die gij door 's Gravenhage nu en 
dan kunt zien ronddwalen. 

Men ziet hier trouwens zooveel negers, die zich niet 
meer op onvervalscht bloed kunnen beroemen, dat het soms 
moeielijk valt echt van namaak te onderscheiden; zelfs 



SCHETSSN VIT BRAZILIË. 



143 



het zelfbedrog is op dat punt groot: menigeen houdt zich 
voor blank, dien een ander er niet voor zou uitschelden. 
Maar dit is een schitterende eigenschap; het schijnt, dat 
niemand hier om zijn gelaatskleur geminacht wordt. Ook 
dat is iets, waaraan wij op Java ons wel wat meer moch- 
ten spiegelen. 



UITERLIJK EN KARAKTER DER BEWONERS, 
HANDEL. 

Al dadelijk moet ik mijn beschrijving van hun uiter- 
lijke verschijning vollediger maken. Ik heb in mijn vorig 
schrijven een factor vergeten, die te Rio, vooral voor 
oningewijden minder in het oogvallend is. Het ishetlndi- 
aansche bloed, waarvan ik eenige lepels bij mijn recept had 
moeten voegen. Die bijmenging wordt duidelijker naarmate 
men langs de kust noordelijker komt; en dan, in den 
aanvang ziet men tusschen bruin en bruin nog zooveel 
verschil niet. Toch is er verschil. Het gemengde ras van 
Europeanen en Indianen heeft een schoener type dan de 
mulatten. De huid is eerder geel dan bruin, het gezicht 
vaak zeer schoon van vorm, de haren zijn niet kroes, maar 
glad of krullend, en niet zoo grof, lippen en neus zijn 
fijner gevormd. 

Gij, wiens ambacht het is, om alles te weten, weet dus 
ook, dat het tegenwoordig mode is, om de Amerikaansche 
Indianen of van Chineezen of van Japanners te laten af- 
stammen. Of wel, men geeft beide rassen als oorsprong aan 
van de twee soorten van Indianen, die, naar men mij zegt, 
duidelijk te onderkennen zijn. Ik heb nog niet veel „Ca- 
boclos*' gezien, — zoo noemt men de Indianen hier, — 
en misschien nog maar hoogst zelden een, die een chemisch 
onderzoek omtrent vervalsching voor een gezondheids- 
commissie zou kunnen doorstaan. Maar dit is zeker, dat 
ik soms werkelijk verwonderd ben geweest over de gelij- 
kenis met het Chineesche type, die ik bij eenigen van die 
lui vond. Meer echter in de geheele verschijning, in den 
indmk, dien het gezicht maakt, dan in de trekken, elk op 
zich zelf genomen; schuine oogen b.v. heb ik nooit opge- 
merkt. Maar ik hoop wel meer Indianen te zien te krijgen, 
op dit punt dus: tot weerziens. Alleen rekende ik mij wel 
verplicht u reeds nu mede te deelen, dat de oorspronkelijke 
bewoners van het land toch ook iets bijdragen tot het ont- 
staan van hun opvolgers. 

Ook het volkskarakter leeren wij natuurlijk gaandeweg 
beter kennen. 



Beide, deugden en ondeugden van de Brazilianen zijn 
veelal die van een jong volk, dat aan het begin van zijn 
eigen geschiedenis staat; zeer vaak zijn het in het groot 
de onaangename maar ook de beminnelijke eigenschappen 
van kinderen. Maar laat mij hier nog eens herhalen dat 
ik hier van „het volk" spreek en daarom niet eiken Bra- 
ziliaan voor een groot kind uitmaak. Een grondtrek van 
het volkskarakter is zeker de ijdelheid. Ik noem daar nu 
een leelijken naam, maar men zou ook al naar de omstan- 
digheden kunnen spreken van vaderlandsliefde, gevoel van 
eigenwaarde, aangeboren elegantie, en er bijvoren, dat die 
goede eigenschappen een enkele maal ook wat overdreven 
worden. Het zij zoo, maar een feit is, dat het werkwoord 
opkammen hier dagelijks in alle tijden en wijzen vervoegd 
wordt: opkammen, — opgekamd worden, — zich opkam- 
men. Het is wezenlijk vaak een te groote belasting op 
uw beleefdheid om de meest middelmatige en alledaagsche 
zaken als wereldwonderen te moeten aannemen en personen, 
die niets bijzonders deden, als geniale menschen. Maar men 
doet het toch gewillig, als men den grond der zaak wel- 
willend opvat. Het volk is jong, heeft nog niet den tijd 
gehad om veel groots te leveren, en de Portugeezen hebben 
hen ook waarlijk vroeger daartoe niet opgevoed, toen er 
b. V. in Brazilië noch glas, noch goudwerken mochten ge- 
maakt worden, en er geen drukpers mocht bestaan om aan 
het moederland geen afbreuk te doen. Natuurlijk hindert 
dit gevoel een Braziliaan, die het hart op de reclite plaats 
heeft, en ik ben overtuigd dat gij nu reeds met mij die 
ijdelheid, als is zij soms hinderlijk, eer een „travers" dan 
een ondeugd zult willen noemen. 

En men moet blind zijn om niet te erkennen, dat de 
Brazilianen wel geneigd zijn om; verbetering aan te brengen. 
Maar daar waar bijna alles nog niet op denzelfden trap 
staat als elders, is het wel natuurlijk dat men alles tege- 
lijk aanpakt en zelfs het eerst wat het meest in het oog 
valt, maar niet altijd het meest noodig is. Maar de wil is 
er zeker. Wat men hun in hoogere mate zou toewenschen 
is energie, maar ei lieve, kom eens in Paria bij mij lo- 
geeren (ik kan u een hangmat aanbieden) en zie eens of 
u veel energie overblijft. Dat weten wij nu eenmaal, dat 
de volken in de tropenlanden niet al te energisch zijn, 
en de Brazilianen staan daarin zeker nog niet achteraan 
op de lijst. 

Na het gezegde zult gij al inzien, dat als ik in mijn 
vorigen de bedrijvigheid in Rio beschreef, ik er had moe- 
ten bijvoegen, dat de Brazilianen zei ven niet de hoofdmo- 
toren in die samengestelde machine zijn. Gaandeweg ontdekt 
men, dat de groote werkzaamheid hier onder de vreemde- 



144 



SCHETSEN UIT BRAZILIË. 



lingen schuilt. Op alle grootere plaatsen, veelal ook op de 
kleinere (met uitzondering misschien van Pemapibuco) 
is de groothandel en de groote industrie, voor zoover deze 
' bestaat, in handen van Engelschen of Duitschers. Ach, 
waarom is het mij alweder niet vergund hier de Hollan- 
ders bij te noemen? 

Wij keeren dan terug tot den Brazilaanschen handel, 
want ik heb er nog bij te voegen, dat de beste en grootste 
winkels veelal aan Franschen toebehooren, die ook tappers, 
hotelhouders, enz. zijn, terwijl het in de lagere volksklassen 
veelal de Portugeezen en Italianen zijn, die het zwaarste 
werk doen en de hoogste loonen opstrijken. 

Gij begrijpt dat dit tafereel oppervlakkig is, er zijn ook 
groote Fransche en Portugeescbe firma's; maar in zijn 
groote lijnen geloof ik dat de schildering vrij goed is. Na- 
tuurlijk treft men ook op alle sporten van dien handels- 
ladder Brazilianen aan, maar zij maken niet de toongevende 
meerderheid uit. Hun eigenlijk bedrijf is in de eerste plaats 
de landbouw in het binnenland, die bijna geheel door hen 
gedreven wordt, maar daarvan heb ik nog weinig kunnen 
zien. Ik weet, dat als een dreigend onweder de slavernij- 
kwestie boven de hoofden der landbezitters hangt, maar 
ik ben daar te weinig nog in doorgedrongen om deze 
kwestie er bij te halen. Ik heb overigens den indruk, dat 
hier de kuituur al niet minder is dan bij ons in Indie, 
hoewel hier misschien de zoo nuttige kleine landbouw in 
veel mindere mate bestaat. 

De Braziliaan heeft gewoonlijk een goed hoofd; hij is 
handig, en ontegenzeggelijk heeft hij een groot gemak van 
spreken, zoo in het gewone leven, als in het openbaar. Hij 
is dan ook geboren diplomaat of politicus. Het ideaal 
van den rijken Braziliaan is om zijn zoon als diplomaat 
in Europa te zien, of anders is hij minister, afgevaardigde , 
op lateren leeftijd senator of staatsraad. En daarvoor zijn 
zij bij uitnemendheid geschikt. Al mogen hier aan het 
constutioneele raderwerk eenige van de feilen kleven, die 
wij veelal daarin bij de Latijnsche volken meenen op te 
merken, er is leven in. Elk opgevoed Braziliaan gevoelt 
dat hij iets te zeggen heeft, dat zijn afgevaardigde daar 
in Rio voor hem zit, dat hij het recht heeft hem op de 
vingers te zien. Dat heeft natuurlijk ook zijn verkeerde 
zijde, — de dagbladen b. v. zijn vol van vrij scherpe per- 
soonlijkheden, maar als ik het toch eens met Holland 
vergelijk, vind ik het voordeel niet geheel en al aan onze 
zijde. Politiek besef is hier meer dan bij ons. Wij zouden 
den Brazilianen trouwens nog wel een en ander kunnen 
benijden : zijn innemende uiterlijke vormen, zijn ontegen- 



zeggelijke elegantie. Al heeft hij soms een tikje van fatte- 
. righeid beet, de Braziliaan is goed gekleed, beweegt zich 
met gemak en heeft vele van de hoedanigheden die wij zoo 
gewoonlijk te samen „fatsoen" noemen. Zelfs de man uit 
de lagere standen mag gewoonlijk niet volmaakt keurig | 
zijn, op zondag als hij gekleed is, is hij een heer, zel& al 
is zijn hoog opstaande kraag niet volstrekt vrij van franje. 
Aan de persoonlijke verschijning wordt hier echter meer 
zorg besteed dan aan de overige zaken, die in het men- 
schelijk leven volgens onze begrippen noodig zijn. Ik heb 
u dit vroeger gezegd : men kent hier beter de weelde dan 
het comfort. De gastvrijheid van hoog en laag is hier 
grenzeloos, uw gastheer biedt u alles wat hij bezit ten ge- 
bruike, maar gij staat versteld over het niet aanbieden van 
sommige zaken, omdat kennelijk de man er het bestaan 
niet van kent. Natuurlijk moet men ook hier vooreenigen 
uit de hoogere kringpn een uitzondering maken; dezen 
zijn veelal in Europa geweest, of zijn er zelfs opgevoed en 
hebben meer comfort leeren kennen. 



HOTELS. 

Hetzelfde verschijnsel treft u in de hotels of wat daar- 
voor doorgaat. In de grootere kustplaatsen vindt gij ge- 
woonlijk een paar hotels met een vrij goede tafel, en die 
voor het overige ongeveer zoo goed zijn als een hotel op 
een zeer afgelegen weinig bezocht dorp in Europa. Maar 
ga eens verder het binnenland in. Weet gij hoe een hotel 
er dan uitziet? Stel u een ruimte voor, door vier muren 
en een dak begrensd. Deze ruimte is in eenige afdeelingen 
gesplitst door muren die ongeveer een paar meter hoog 
zijn, en dus niet tot aan het dak reiken. Deuren zijn 
meestal aanwezig in die binnenmuren, enkele malen zijn 
er slechts gaten. Ramen heeft zulk een huis voor en ach- 
ter, maar bij de binnen indeeling wordt er hoegenaamd 
niet op gelet welk hok een raam krijgt, welk niet, zoodat 
de meeste hokken geen licht of lucht krijgen dan wat er 
toevallig zijn weg heen vindt door den open dakstoel, of 
door de deuren. Het ameublemei.t bestaat voor degeheele 
ruimte uit eenige stoelen, een etenstafel en een paar kleine 
tafels, een spiegel, een wasch tafel, waarnaast een handdoek 
hangt en ... . niets meer. In de muren een schat van 
krammen. Komen er nu vijf, zes gasten, dan worden vijf, 
zes hangmatten verstrekt, gij zoekt twee krammen uit, 
hangt daar uw hangmat aan op, zet er u koffertje onder 
of bij, en uw nachtleger is in orde. Komen er nog meer j 
gasten, er worden nog meer hangmatten gehaald en ieder 



SCHEI SEN UIT BRAZILIË. 



145 



doet hetzelfde, waar het hem maar lust, zoodat uw reis- 
gezel misschien in een anderen hoek van het huis hangt 
en naast u een u geheel onbekende schommelt, wiens 
lederen tooi misschien uw neusgaten even onaangenaam 
aandoet als zijn gesnork uw ooren. Want men ziet hier 
in de bosschen vaak lieden te paard geheel in leder ge- 
kleed, lederen broek, buis, lederen hoed. Neemt men de 
lederen ingewanden in aanmerking, dan komt men tot de 
vTaag of de halfgod, die eertijds in de Braziliaansche bin- 
nenlanden den mensch fabriceerde, daartoe niet leder ge- 
bruikt heeft in plaats van het marmer dat zijn Grieksche 
kunstbroeder nam, want zulk een reiziger is zoowat geheel 
van leder. 

Tegen de vaak gedoomde struiken, tegen de vele slangen 
en andere lieve dieren, die in de bosschen huizen, is zulk 
een pantser natuurlijk zeer praktisch, maar het moet wel 
de fout hebben, van wat al te duurzaam te zijn, en wat 
al te gretig jaren lang de emanatien van een tropisch 
lichaam in te zuigen. — „Nachbarin, euer Flaschchen!" 

Natuurlijk kimt gij tusschen de twee genoemde soorten 
van hotels overgangstrappen vinden zooveel als gij wilt, 
ik meen de beide uiteinden van de reeks tamelijk natuur- 
getrouw te hebben weergegeven. Toch is er hierin, zooals 
in bijna alle opzichten, eenig verschil tusschen het Noorden 
en het Zuiden des lands, zooals het verschil in klimaat 
wel wettigt. De hangmat b. v. is in Rio zoo goed als 
onbekend, en begint pas ten noorden van Bahia uw oog 
te treffen. Maar hier is het dan ook het eerste en voor- 
naamste stuk huisraad, dat tot bed dient zoowel als tot 
luierstoel. En ik moet zeggen, al raag dit u armoedig klin- 
ken, het is een heerlijk meubel, en mochten de Indianen 
tot uitsterven veroordeeld zijn, dan leg ik hier plechtig 
den wensch neder, dat de laatste van het ras op sterk 
water bewaard worde met een opschrift in het Latijn en 
in het Buthecudisch (hoe wilt gij dit spellen ?) : „Dit is de 
„laatste van het ras dat aan het menschdom de hangmat 
„schonk. Hij stierf met eere in een hangmat.*' 



DE KUST. 

Het gedeelte van de kust vóór Kaap S.-Roque, dat 
tegenover Afrika ligt, is zeer verschillend van de Noord - 
kust tusschen die kaap en de mondingen der Amazone, 
hoewel de verandering niet plotseling is, maar vrij gelei- 
delijk. Het eerste gedeelte is steeds heuvelachtig; en in het 
zuiden zelfs op verschillende plaatsen rotsig. Het is een 
aaneenschakeling van heuvels soms met bergen er achter. 



zelden echter van andere dan hoogst matte vormen, en 
begroeid met struikgewas, niet dikwijls met echt bosch. 

De Noordkust daarentegen bestaat uit duinen en gelijkt 
sprekend op onze HoUandsche kust. Groote golvende lijnen 
van een onaangenaam geel, hier en daar vlekken van een 
grijsachtig groen, en daar waar een dorpje is, meestal 
een streep kokospalmen, achter, of op het duin. Slechts 
een enkele maal vertoont zich op den achtergrond een 
bergketen, bij Ceara zelfs zijn er verschillende, maar 
deze zijn verafgelegen en vertoonen van zee uit een meer 
zonderling dan schoon karakter. Zij staan daar namelijk 
zoo zonder reden, geheel geïsoleerd te midden van een 
vlakken bodem, zoodat uw eerste gedachte is: zou die 
berg daar niet tijdelijk geplaatst zijn om mij genoegen 
te doen? 

Somtijds echter komt een ondergrond van rooden, hoog- 
rooden zandsteen onder het zand te voorschijn ; waar 
deze verweert, is dikwijls een rijkere plantengroei, en het 
kleurenspel is dan dikwijls heerlijk. Het duinzand zelf is 
hier tegen de blauwe zee al te schel, maar met die streep 
bruinrood er tusschen, en bekroond met donkergroen, dat 
den overgang tot de blauwe lucht vormt, ja, daar heb ik 
nu en dan wel eens een schilder bij ge wensch t. Want ik 
behoef u niet te zeggen, dat het duin anders hier de kleu- 
renheerlijkheid van ons duin met de bewolkte luchten niet 
of zelden heeft. Het hevige licht der tropen laat alleen de 
kleuren tot hun recht komen, die de voorwerpen zelve 
hebben, het tooverachtige van licht en schaduw, van een 
zonnestraal gezeefd en gekleurd door een onzichtbaren 
nevel, de duizend tinten van morgen en avond, die heeft 
men hier niet, of zoo voorbijgaand, dat er een instantane-, 
schilder voor noodig zou zijn. Wel geeft natuurlijk een 
voorbijtrekkende wolk, een morgennevel soms een schoon 
'lichteffect, maar over het algemeen is het eentonig, en 
mist het het eeuwig veranderlijke, het steeds nieuwe van 
ons duin, waarvan gij nooit al de zijden hebt afgezien. 

Op enkele punten is die zandsteen zelfs door de zee 
uitgewasschen en vertoont holen, spleten, natuurlijke bogen, 
die aan Normandie herinneren, maar het was mij maar 
eens gegeven, dit van nabij te zien. Deze wandeling was 
werkelijk ger.otrijk, vooral om de heerlijke, bloemen die de 
tocht mij opleverde. De kroon spannen hier in de flora 
de passiebloemen met haar witte of violette sterren, soms 
zoo groot als een zonnebloem, maar altijd zoo fijn van 
kleur, zoo edel van vorm, terwijl de ranken, waaraan zij 
groeien, zich zoo sierlijk over alles heen slingeren. Ik be- 
grijp dat men aan die bloemen zulk een naam gegeven 
heeft, zij hebben iets heiligs, een edel soort van schoonheid 

20 



146 



SCHETSEN UIT BRAZILIË. 



te midden van den vaak wellustigen, veel opvallender tooi 
der hevig gekleurde bloemen, die in deze streken altijd den 
boventoon hebhen. 

Die wandeling was eigenlijk ondernomen om een vulkaan 
te ontdekken, die daar zijn zou, wat zelfs door zaakkun- 
digen moet beweerd zijn, maar wat zeer zonderling klinkt 
als men den aard van het geheele landschap ziet. Wij 
kwamen ten slotte niet zoo ver, omdat de avond begon te 
vallen, maar zooveel is zeker, dat de verheffing van den 
grond daar wel opvallend is, en dat de zeer ijzerhoudende 
steep hier en daar voor een leek heel veel doet denken 
aan wat men al zoo rondom vulkanen vindt. Ook moeten 
daar wel eens sporen van aardbeving bespeurd zijn. 

Het eerste gedeelte van de reis bood een paar waarlijk 
schoone punten. Eerst Cabo Frio, niet de stad, maar de 
kaap van dien naam. Zij heeft een ernstige, sombere 
schoonheid, die baai met haar kalm donker water, bijna 
aan alle zijden door een rotsachtige heuvelrij omgeven, 
die overal spaarzaam begroeid is met ijzingwekkende cac- 
tussen, die hun rechte armen zwaargedoornd troosteloos 
dreigend omhoog steken, op een wijze die aan de folter- 
werktuigen der middeleeuwen herinnert. Daartusschen in 
staan eveneens hier en daar groote bromelia's met haar 
ook al niet liefelijke bladen en haar koraalroode bloem- 
stelen. In die omgeving zou ik mij een van Israels boet- 
profeeten kunnen voorstellen, die den toorn des hemels 
verkondigd aan een schare die daar op dat smalle strookje 
strand zit. Waarlijk de cactusssen moet de natuurwil in 
een oogenblik van toorn geschapen hebben, en toen zij, 
de goede, na een paar dagen berouw kreeg over haar 
drift, plakte zij er die heerlijke bloemen op, diehetzelven 
niet begrijpen,waarom zij veroordeeld zijn omals„repoussoir" 
voor zooveel leelijks te dienen. 

Het tweede schoone punt was de ingang van de rivier 
van Victoria. Verder hadden wij schoone zaken te genie- 
ten te Ilheos, te Camanu, op het eiland Fernando de 
Noronho, dat wij van Pernambuco uit opzochten. Ik noem 
deze punten zoo inventarisgewijze op, omdat allen hetzelfde 
karakter hebben, dat mij te Rio reeds was opgevallen. 
Het heeft er iets van alsof de natuur daar niet recht vast 
besloten was, welk karakter zij aan het landschap zou 
geven, allerlei vormen vindt men er bijeen, die een schilder 
stellig niet op één doek zou durven brengen om niet van 
onwaarheid beschuldigd te worden. 

Over het algemeen ziet men niets dan heuvelen, op zijn 
hoogst zoo hoog als de stapeltjes, die wij gewoon zijn aan 
den Rijn met den naam van bergen te vereeren, en met 



veel kalmer lijnen, eigenlijk niets dan een sterk golvend 
terrein, dat, nietegenstaande het fnsschere groen, al even 
vervelend is als de duinen in het Noorden. Maar uit die 
malle heuvels schiet eens plotseling een piek omhoog, scheip 
als een naald, dikwijls overhellend, zoodat gij aarzelen 
zoudt er aan de zijde langs te loopen, en zoo volmaakt 
ongemotiveerd in dat eenvoudige landschap, dat uw eerste 
gedachte ook hier is, waar of de eigenaar van dit park 
dat ding wel zou hebben laten maken. Of het is een echte 
tafelberg, een stuk steen met loodrechte wanden en aan 
de bovenzijde met een rechte lijn afgesneden; hiervan is 
er te Rio en te Victoria een prachtexeinplaar. Of het is 
een ronde berg aan een zijde als met een mes afgesneden, 
met een vertikaal vlak, zoo glad, dat men er onmiddellijk 
den leeuw van Luzem in het groot in zou kunnen beitelen. 

En aan alle zijden is vaak zulk een zonderling produkt 
slechts omringd door weilanden die men hoogstens in 
Gelderland bergen zou noemen. De. omstreken van Rio 
zijn uit dezelfde elementen te zamengesteld, alleen is de 
baai zoo onvergetelijk schoon, omdat daar de flauw ge- 
teekende gedeelten zeldzaam zijn, slechts talrijk genoeg om 
afwisseling te geven, terwijl meer noordwaarts het zoute- 
looze regel wordt, en slechts nu en dan zulk een abnor- 
male berg u belet geheel in te slapen. Bij Santos moet ook 
zulk een bijzonder zonderling gevormde rots staan, waaraan 
het publiek om dien vorm den naam gegeven heeft van 
„Het wapen der markiezin van Santos." Deze markiezin 
was een dame die haar titel persoonlijk van den vorigen 
keizer kreeg. Nu heeft een bekend Fransch hydrograaf aan 
die rots den naam gegeven van „les armes delaPrincesse 
Impériale". Of deze laatste met de vergissing zeer in haar 
schik is? Een anderen berg van dien vorm, het Suikerbrood 
bij Rio, noemde ik al in mijn vorigen. Deze is van één 
zijde niet ontoegankelijk, en zoo hebben eens eenige 
Engelschen, die er boven op gekomen waren ereenEngel- 
sche vlag geplant. Maar zoo gemakkelijk is de bestijging 
toch niet, of het kostte eenige moeite om heden te vinden 
om de- vlag weer te verwijderen, en zoo waaide, tot groote 
woede van de hoofdstad, eenige dagen de Engelsche vlag 
op het meest in het oogvallende punt! 

Het meest zonderlinge voorbeeld echter van deze soort 
van landschap dat wij zagen is wel het eiland Fernando de 
Noronha. Dit ligt met nog een paar kleinere eilanden bij 
zich, zoowat 24 uur stoomens uit de kust, op weg naar 
Europa. Ik kan het u niet beter voorstellen dan door nin 
de gedachte het meest uitgetande rotsgebergte te laten nemen 
dat denkbaar is, een verzameling van „ Aiguilles" en „Matter- 
horns", doch die dan zoover onder een kolossalen molshoop te 



SCHKTSEN UIT BRAZILIË. 



147 



laten begraven dat er maar twee of drie pieken uit den 
dommen ronden hoop blijven uitsteken; deze echter kij- 
ken er dan ook heel gek uit. Elders bij een vrij kalm 
strand, waar ge een lekker zeebad neemt, verrijst in eens 
zonder reden, een groote steen, die van boven vrij dik, op 
een smalle basis rustende, vrij wankelmoedig er uit ziet; 
of een rots is van een gespleten, zoodat gij de zee aan de 
andere zijde door een reet van eenige voeten breedte ziet. 
Alles van die zaken die aan rotsige kusten, — zie Guem- 
sey, — veelvuldig voorkomen, maar die hier zoo zonder- 
ling geplaatst zijn. Ik herhaal echter, juist met Norman- 
die heeft de formatie nog de meeste gelijkenis. 

Van de genoemde eilandengroep is alleen het grootste, 
Femando zelf, bewoond. En hoe! Het is namelijk het ver- 
banningsoord van Brazilië. Daar nu hier de nog al eens 
uitgesproken doodstraf bijna zonder eenige uitzondering 
door gratie gevolgd wordt, kunt gij u voorstellen dat er op 
het eiland nog al een aardige verzameling van boosdoe- 
ners voorhanden is. Voor een land als dit, waar de doop- 
straf rechtens nog bestaat, beweren velen, dat de toepas- 
sing van het recht van gratie wel wat heel ruim is. Een 
lid der rechterlijke macht heeft mij verzekerd, dat het 
voorkomt dat slaven kalmjes een moord doen, omdat zij 
j toch zeker zijn van niet gedood te worden, en zij zich 
voorstellen, dat zij het op, Femando gemakkelijker zullen 
hebben dan bij hun eigenaar. 



PERNAMBUCO. 

Wij hadden het echter meer in het bijzonder over Per- 
nambuco. Eén zaak is daar zeker onmiskenbaar Hollandsch: 
de aanleg, het algemeene karakter der stad. Van zee uit 
gezien zijn Bahia, Rio en vele andere steden heel wat 
schooner, want ik behoef u zeker niet te zeggen, dat die 
meestal op hoogeren grond bebouwd zijn, of ten minste op 
een helling, en dat wij, met onze zich nooit verloochenende 
kikvorschnatuur, een laaggelegen moeras hebben uitgeko- 
zen. Batavia, Telok-Betong, Padang, wij kiezen altijd een 
lagen, vaak moerassigen grond, en als die eens tallooze 
levens gekost heeft, dan denken Wij er eens aan om een 
weinig binnenwaarts te gaan en zeggen dan: „hé, ja, hier 
is het beter." Op Atjeh doen wij weer aardig hetzelfde. 

Maar Pemambuco is heel wat beter, als men er binnen- 
komt; het is een der best gebouwde steden in dit land, 
al zijn de huizen er ook van binnen en buiten lang niet 
doorgaand schoon of verstandig gebouwd. Ook zijn de 
straten meestal vrij nauw, maar een breede rivier kronkelt 



zich in twee armen (of zijn het twee rivieren? ik weet 
het niet meer) door de stad heen en scheidt haar in drie 
,deelen en geeft er iets opens iets luchtigs aan, dat zeer 
vroolijk is. De schepen in de rivier herinneren u aan 
Holland, de bruggen in de stad, de boomen langs de kaai. 
Kortom het zijn alles kleinigheden, maar ieder gevoelt dat 
Pernambuco niet volkomen gelijk is aan de andere Brazi- 
liaansche steden. Vooral na het smerige Bahia, de iTeger- 
stad, is Pernambuco aangenaam, maar stil. 

Iets noordelijker ligt de oude bisschopsstad, Olinda, op 
een heuvel met een heerlijk uitzicht op het lage Pernam- 
buco. Wij lagen voor een der tallooze kerken in het gras 
en genoten met volle teugen het heerlijke tafereel. De zon 
was laag en hinderde ons niet meer, maar de zee, die 
links een groot deel van de schilderij innam, Was er door 
in een enkele massa zilver herschapen, in een eindelooze 
lichtmassa. In een grooten boog omzoomde haar het groene 
land, dat die eigenaardige afwisseling van donkergroen 
bood met hier en daar een schel blinklichtje waar een plas 
of een moeras de schuine stralen opving. In de verte de 
groote stad met al haar kleuren diep landwaarts in lang- 
zamerhand overgaande in wat op dien afstand een dicht 
bosch kon schijnen, en daarachter een statig klapperbosch, 
dat zich in de nevelen van den avond ging verliezen. Vlak 
onder u, als voorgrond, het stille Olinda met zijn kerken. 

Want het nauwelijks meer bestaande Olinda maakt den 
indruk op u, van slechts uit kerken en kloosters met toe- 
behooren te bestaan, hoewel de meeste door hun ramen 
zonder glas u duidelijk toonen, dat zij tot verval gedoemd 
zijn. Maar daarom juist passen zij zoo goed in Olinda, 
dat het verpersoonlijkte verval is? De bisschop woont er 
niet meer, diens paleis valt in puin, de inwoners die er 
nog zijn, weten zelf niet waarom ; zij zijn alleen nog niét 
naar elders vertrokken, omdat zij er te slaperig voor zijn. 
Trouwens met dat heerlijke uitzicht, moeten het zoete droo- 
men zijn, die hen helpen insluimeren. Vóór onze komst 
in het land was Olinda de eigenlijke stad, maar wij had- 
den liever modder en bouwden de „stad op het rif.*' Maar 
laat ik onze voorouders niet onbillijk behandelen. Olinda 
is van zee uit bijna ongenaakbaar, Pernambuco heeft een 
prachtige reede en diepe rivier. De reede schijnt echter 
sterk te verzanden, en wordt door voortdurend baggeren 
in het leven gehouden, nadat een dam, die aangelegd is 
om het verondiepen tegen te gaan, juist verkeerd gewerkt 
heeft. Zoo iets gebeurt dus ook in Amerika wel eens. 

Een herinnering aan het HoUandsche tijdvak van Per- 
nambuco moet ik hier ook nog vermelden. Bij een heer, 
bij wien men mij opzettelijk daarvoor introduceerde, vond 



148 



SCHETSEN UIT BRAZILIË. 



ik een schoone verzameling van al de oudere en nieuwere 
werken, HoUandsche, Latijnsche, enz. over dien tijd tot 
op Netscher toe, o. a. een prachtexemplaar van Barlaeus. 
De belangwekkende man was dan ook volkomen in die 
geschiedenis doorkneed, even als een ander, die hem kwam 
bezoeken, terwijl ik er zat, en die genoeg wilskracht gehad 
heeft, om, zonder leermeester, Hollandsch te leeren, om 
die boeken te kunnen verstaan. Natuurlijk sprak hij het 
niet, en verstond ook eerder het oude, dan het tegenwoor- 
dige Hollandsch. Maar ik wilde de zaak toch hier ver- 
melden; zoo iemand ontmoet men gaarne, het doet uw 
Hollandsch hart goed, en doet u het land gelukwenschen, 
dat nog zulke menschen bezit. 

Pernambuco bezit een rechtsgeleerde faculteit, even als 
Bahia een 'tnedische. Een universiteit is hier te lande 
nog niet, maar men wil er thans een te Rio oprichten. 
Toch zijn er doctoren genoeg. Elke geneesheer, al is hij 
ook tandmeester, elke advocaat, elke ingenieur, is nooit 
anders dan Sr. Dr. en men zegt dit zonder lachen, even 
als een schoolmeester in een gehucht van twintig huizen 
officieel professor heet, en zijn vrouwelijke evenknie pro- 
fessora. Vrage: welken titel zal men uitvinden als de 
universiteit eens opgericht is ? Van de studeerende jonge- 
lingschap in Pernambuco hebben wij alleen dit bemerkt, 
dat zij, op verheven rangen in den schouwburg gezeten, 
zich tot taak stelt, om met het meest vervaarlijke gebrul 
de entre-actes aan te vullen van de opera. Die kreten 
zouden u, zelfs al zijt gij wel eens op de Rotterdamsche 
kermis geweest, aan een oproer doen denken. 

Over het algemeen laat Pernambuco geen onaangenamen 
indruk achter. Integendeel, ware het weder er tijdens ons 
verblijf niet zoo bijzonder slecht geweest, wij zouden er 
zeer aangename herinneringen van hebben, maar het alle 
dagen wachten op een schoonen dag, en dan 's avonds 
weer zuchtend zeggen, dat de hemel weer geen waarne- 
mingen toelaat, zie, dat zou zelfs het paradijs wel een 
beetje vervelend maken. 



BAHIA. 

Van boord gezien, in het een zeer schoone stad, groot, 
tegen een heuvelrug aan gebouwd in eeri grooten boog, die 
aan de eene zijde eindigt in een hoog gelegen park met 
groote boomen ; aan de andere zijde in de verte laag aan 
zee is een schilderachtig oud fort het laatste wat gij ziet, 
en daarnaast een wit kerkje, Daarvoor de groote baai met 
haar eilanden en haar donkergroene oevers, en op het 



blauwe water tal van groote en kleine vaartuigen, met hun 
veelkleurige vlaggen. 

Maar ga eens aan wal ! Er is bijna geen stad, naar 
het schijnt, tusschen de keerkringen die niet, van binnen 
gezien, tegenvalt, maar,, wat Bahia aangaat, is de val nit 
de koets bepaald levensgevaarlijk. Nauwe straten, slecht of 
niet geplaveid en met allerlei graden van helling, inclusive 
de vertikale richting, want een der goede inrichtingen is 
een lift, die u heel gemakkelijk maar ten koste van veel 
zweet, vooral als een dikke negerin half boven op u gaat 
zitten, van de benedenstad naar de bovenstad brengt. Boven 
gekomen wacht u al dadelijk van het terras voor het 
„Palacio" — presidentswoning, — weer een overschoen 
uitzicht op de baai over de daken van de benedenstad 
heen ; gij denkt natuurlijk nu in een betere wijk beland te 
zijn, maar sla eens een van die straten in, om 't even 
welke! Kronkelend, vuil, nauw, ter weerszijden onoogelijke 
smerige, hooge huizen. Pas op dat gij niet in den modder 
te land komt als het regent, of liever pas maar niet op, 
want gij vermijdt het toch niet, en ga ook maar niet voor 
de negers uit den weg, want er is hier niet anders. Iemand 
te zien, die werkelijk zoo geheel en al blanke is, is hier een 
ware vond. 

Bahia dan is bijzonder rijk aan kerken, op één plein 
vier. Stel u daaronder niets verhevens voor, de bouw is 
niet beter dan van andere gebouwen. De slecht begrepen 
renaissance-vormen, sterk met een wanstaltige soort van 
rococo besmet, die gij uit Spanje en Portugal kent, schij- 
nen geheel Zuid- Amerika te beheerschen. Lijnen zonder 
eenigen zin, kolommen te dun of te dik en vaak zonder 
eenig doel, versiersel dat niet versiert, en dat alles met 
een schamele toepassing van kunstelooze kunst uit armoe- 
dig materieel te zamen gesteld. De hoofdkerk van Rio heb 
ik een paar maal gesloten gevonden; die moet werkelijk 
schoon zijn, en nog een kerk, in Bahia ol Pernambuco, 
werd mij geroemd, maar ook om deze te zien ontbrak mij 
de gelegenheid. Ik ben dus misschien wat onbillijk, maar 
van wat ik zag, kan ik volmondig getuigen, dat het niet 
in staat is u als schoon of grootsch te treffen. Altijd met 
uitzondering van de reeds besproken blauwe tegels. Daar 
zijn werkelijk schoone bij. Maar volgens onze begrippenis 
die versiering in een kerk nog al zonderling. Het doet er 
niet toe, een neger zal alles al licht mooi vinden. 

Om die kerken in haar glans te zien moet gij eenkerit- 
feest bijwonen. Dat is waarlijk vroolijk, en duurt den ge- 
heelen dag, twee dagen, ja, men zegt mij, dat er hier een , 
is, dat meer dan een maand duurt. De kerk is versierd. 



SCHETSEN UIT BRAZILIË. 



149 



ook niet met den rijkdom van N. Dame de Paris, maar het 
staat gezellig, het zijn niet meer die wit gekalkte wanden> 
die een Calvinist zouden doen springen van vreugde — 
vergeef mij die onmogelijke combinatie. Vóór de kerk 
militaire muziek, vuurwerk, over dag en *s avonds, want 
men heeft hier eene zonderlinge liefhebberij om vuurwerk 
ook op klaarlichten dag af te steken, zeker om de zon een 
handje te helpen. Veel volk is er op de been, er wordt 
veel koek gegeten en veel gespeeld, kortom de heiligen 
hebben veel eer van hun partijtjes. 

Wal te spottend gesproken? Neen, ik geloof, dat van 
onze Roomschen geen een deze kerkfeesten als een uiting 
van zijn godsdienst zou willen erkennen, doch dat ieder 
ze gaarne aan spot en ergernis zou overlaten. 

Van Bahia uit deed ik met een helaas sedert reeds over- 
leden vriend, een uitstapje naar Cachsdra. Per stoomboot 
eerst de baai en haar geheele diepte over en die is groot 
genoeg, om menigeen zeeziek te maken. Tot ons leedwezen 
bleven in onze omgeving zelfs de hevigste kenteekenen dier 
ziekte niet uit, wat altijd een reis eenigszins ongeurig 
maakt. Gelukkig stevenden wij weldra een rivier in, breed, 
statig en kalm, zoodat ieder weer tot het leven terugkeerde, 
en weldra in de kajuit een geducht grabbelen naar eten 
begon. De eigenlijke Braziliaansche manier toch van op- 
disschen (ik meen ook Portugeesch) is dat alles t^elijk op 
tafel gezet wordt. — Gij haalt wat gij wilt in de volgorde 
die u goeddunkt, wat meestal hierop neerkomt, dat gij pakt 
wat gij krijgen kunt, en vaak aan de andere zijde met 
leede oogen een schotel ziet verdelgen, waarvan gij heel 
gaarne wat genuttigd hadt. Bedienden ? Ja, die zijn er altijd 
wel eenige, maar die weten gewoonlijk van bedienen niet 
af en dan, gij moet nooit vergeten, dat het evengoed hee- 
ren zijn als gij; gij hebt ze dan ook aan te spreken als 
„Signor mo^o" hetgeen zich letterlijk het best in het fransch 
laat vertalen door: „Monsieur Ie gargon." Vergeet ook, 
als gij ooit aan uwe keukenmeid schrijft, het Illustriscima 
Sa. Donna enz. niet. Gij begrijpt dus, hoeveel die lieden 
u van de schotels zullen aandragen; wees maar dankbaar, 
als zij u nu en dan wel eens een schoon bord willen geven. 
Dat gij alles half koud te eten krijgt, spreekt van zelf, in 
dien halfslachtigen toestand die soms zoo levendig aan 
vetkaars herinnert. 



werk bemoeielijkt en de opbrengst onzeker maakt. Maar 
de regeering verdient hierin allen lof. Zij ziet in dat 
daarin de toekomst van het land ligt, en moedigt den 
bouw op alle wijzen aan. Met eene concessie moge als eens 
wat geknceid worden, — alsof dit elders nooit gebeurde, — 
het net wordt misschien wat te veel overal tegelijk aan- 
gevangen, om ieder wat te gunnen, maar de spoorwegen 
komen er dan toch, en elk jaar komen er meer. Ook komt 
het denkbeeld, cm steeds zoo te beginnen, dat de groote 
middelpunten van den landbouw in het binnenland voor- 
loopig al vast verbonden worden meteen bevaarbare rivier 
of met de kust, mij zeer verstandig voor. Verwonder u dus 
nooit over de menigte zeer kleine eindjes spoorweg die gij 
op xle kaart van Brazilië geteekend kunt vinden, later 
worden die wel verlengd en voor het oogenblik wordt het 
noodigste gedaan. 



SPOORWEGEN. 

Spoorwegen aanleggen is hier zoo eenvoudig niet, als gij 
de dun gezaaide bevolking in aanmerking neemt, die het 



C E A R A. 

De eerste plaats van eenig belang noordwaarts van Per« 
nambuco is Ceara, en die verdient wel dat ik er u even 

laat stoppen. Eigenlijk heet het oord Fortaleza, 

maar men heeft hier de voor vreemdelingen lastige ge- 
gewoonte, de plaatsen niet altijd bij hun officieelen naam 
te noemen. Zoo worden de hoofdsteden van provinciën 
bijna zonder onderscheid met den naam der provincie 
zelve aangeduid; men kent nauwelijks den eigenlijken naam. 
Zoo heet Rio de Janeiro eigenlijk S. Sebastiao, Bahia eigen- 
lijk S. Salvador en Pemambuco, Recife. Evenzoo hoort 
gij ncoit spreken van Victoria, Natalfortaleza,Belem, maar 
van Espiritu Santo, Rio Grande do Noite, Ceara en 
Para, hoewel die namen ten deele veel langer zijn. Boven- 
dien wordt nog de naam van elk gehucht officieel veran- 
derd als zij tot dorp of tot stad verheven wordt. Zoo heb- 
ben wij b. V. tusschen Bahia en Pemambuco waarnemin- 
gen gedaan in een plaatsje dat op onze kaart Baretaheet, 
maar men zeide ons al dadelijk, dat de naam thans Gamela 
was. Best, wij schreven Gamela, en ziet, bij het verfrek 
hoorden wij, dat het ding reeds niet meer zoo heette, maar 
in Maragogy herdoopt was. Uit zulk een verwarring moge 
nu een vreemdeling zich eens redden! Voor de binnenland- 
sche post, waarvan de organisatie hier toch al gebrekkig 
is, moet deze methode ook nog al bezwaren hebben. 

Fortaleza dan of Ceara, al naar gij wilt, is werkelijk 
een der beste steden van Brazilië, misschien onder de 
kleinere wel de beste. Reeds van de zee uit doet zij zich 
goed voor, een breed strand en op een kleine hoogte daar 



I5Ö 



SCHETSEN UIT BRAZILIË. 



achter de stad, waarvan een paar flinke gebouwen den 
blik tot zich trekken, en in het midden een publieke van^ 
deling, nog niet geheel klaar, maar die terrasgewijs en 
naar zee afdalend, iets zeer liefehjks aan de plaats geeft. 
Boven gekomen vindt gij breede straten, goed getrokken, 
en redelijk geplaveid, veelal met boomen beplant, verschil- 
lende pleinen, enkele goede huizen; het geheel heeft iets 
vroolijks en luchtigs, dat men in de andere Braziliaansche 
steden vaak zoo noode mist. £r is, al is Ceara zoo klein, 
een tramway, een eindje spoorweg, kortom, de Cearensers 
verdienen misschien wel een weinig den roep van flinkheid, 
dien zij in het land hebben. Want het schijnt, dat heel 
veel aan partikulier initiatief te danken is, zoo b. v. ook 
een leesgezelschap met een vrij aardig begin van biblotheek 
en een museum, waarin de zoölogie en de beeldende kunst 
broederlijk de hand reiken aan de numismatiek en de 
ethnologie. Gij kent deze soort van museums, zooals bijna 
elk stadhuis in onze kleinere Hollandsche steden er een 
bergt, waar een handvest van Karel V heel gezellig in een 
vitrine ligt tusschen een kalf met zes pooten en een Chi- 
nee^hen waaier. 

Het plaatsje is echter niet geheel en al een Eden. Eer- 
stens staan de inwoners als diefachtig en dom bekend, 
die van de lagere klassen wel te verstaan. Tot mijn spijt 
strekt onze ondervinding niet om dit te kunnen tegenspre- 
ken. Het Indiaansche bloed is hier sterker vertegenwoordigd 
dan in de meeste andere kustplaatsen; of dit met die on- 
aangename karaktertrekken in verband staat, durf ik niet 
zeggen; over de eerlijkheid bv. der Indianen hoort men 
bij uitstek verschillend spreken. Maar Ceara heeft meer 
nadeelen. De reede is bijzonder slecht, en dat mooie strand 
bijna ontoegankelijk; met sloepen kan men bijna nooit 
landen. Maar de geheele noordkust is bijna niet te gena- 
ken, met uitzondering van de enkele plaatsen waar ons 
schip een rivier binnen kon komen, hadden wij altijd de 
grappigste tooneelen bij het aan wal gaan. Vooral voor 
mijn reisgezel, die in den nacht observeert, was dit altijd 
zeer moeielijk; een paar malen bleek het eenvoudig onmo- 
gelijk, als het juist hoog water was. Bij eb is het gewoonlijk 
gemakkelijker, maar, op vaste uren waarnemende, kan men 
zich niet door eb en vloed laten ringelooren, en zoo wer- 
den alle methoden van aan wal gaan ui^eput. De ge- 
woonste manier was, om een goed eind uit de kust in 
ondiep water met de sloep te ankeren. Dan, — als gij 
dezen brief eens hardop voorleest, en er zijn dames bij, 
verzoek ik u hier een hoestbui te krijgen. — Dan stak 
zich de geheele bemanning in paradijs-galakostuum en met 
veel moeite werd alles aan wal gebracht. In den beginne 



best^en wij ook een paar negerschouders, maar, daar dit 
ons toch bij de geweldige branding niet droog hield, namen 
wij op het laatst hetzelfde kostuum aan, en zwommen naar 
wal. Ik kan u verzekeren dat de eerste intrede in een dorp, 
waar misschien de burgemeester de „illustre" bezoekers 
staat op te wachten, zeer plechtig is, wanneer de hoofd- 
personen poedelnaakt uit de golven opduiken, met een 
gevolg van heel en halfnegers in dezelfde uniform. Nu, de 
eenheid was er bij. In Ce^a was deze methode zelis niet 
bruikbaar, enkele zeer kalme oogenblikken uitgezonderd. 
Daar moest de „jangada*' gebruikt worden. 

Wat dit is? Een vaartuig dat sterk aan Robinson Crusoe 
herinnert, dat er verschrikkelijk levensgevaarlijk uitziet, en 
toch zeer praktisch is. Eenige boomstammen, voor en ach- 
ter spoelvormig bewerkt, als een klein vlot. Zeer groot 
driehoekig zeil, achteraan een roeispaan als roer, bij den 
mast een plank die door een gleuf gestoken wordt, en die 
als de zwaarden onzer binnenvaartuigen, de kiel vervangt. 
Vlug zijn deze primitieve vaartuigen, en vrij zeker; zij 
schuiven geheel op het strand en met wat vlugheid of een 
n^errug tot uw dispositie komt ge droogvoets aan wal. 
Maar aangenaam is de vaart niet. Al de passagiers staan i 
op elkander gedrongen zich vast te houden aan een paar 
opstaande houten die tot het tuig behooren; zijn er veel, 
dan omarmen de verst afstaande de gelukkigen die een | 
hout te pakken kregen, en zoo laat gij u schudden en ! 
schokken en bonst tegen elkander en trapt op allerlei i 
eksteroogen (alle Brazilianen dragen veel te nauwe schoe- 
nen en hebben dus eksteroogen, maar nette voetjes). Denk 
ook niet dat gij droog blijft. Elke overtocht kost u een 
voetbad, dat dikwijls hoog genoeg klimt, om een zitbad 
te gelijken. De genoegens van de vaart zijn dus zeer matig, 
maar gij bereikt uw doel, en daar hebt gij wel een nat 
pak voor over. Alleen als gij bezoeken hebt af te l^gen, 
is het minder aangenaam, dat men later, als gij of^estaan 
zijt, een watervlakte onder uw stoel zal vinden. 

Eens toch heeft de jangada te Ceara ons heel wat genot 
bezorgd, o&choon ik tot mijn spijt moet bekennen, dat het 
ten koste van iemand anders was. Een van onze ofhcieren 
muntte bovenal uit door een groote handigheid, om, onder 
alle levensomstandigheden, in een oogwenk het beste, ot 
ten minste het minst slechte, voor zich zelven uit te kiezen. 
Het was bij den man een waar instinkt, om hoogst vrien- 
delijk en beleefd te zijn, maar, gij vondt regelmatig een 
sekonde later uit, dat hij het beste deel toch gekozen had. 

Maar ditmaal zou liij zich toch eens bedriegen. Telkens 
als wij te Ceara den wal naderden, stoof er eene bende 
bandieten op ons af, om ons tegen wat koper hun schou- 



SCHETSEN VIT BRAZILIË. 



151 



ders te leenen. Zoo ook nu. Onze vriend had natuurlijk 
al uit de verte den sterkste uit den hoop uitgepikt, en, 
vóór een ander nog aan opstijgen dacht, zat hij al hoog 
op een mulat. Maar slechts voor een ondeelbaar oogenblik, 
want toen ik mij omwendde om ook een mulat te beklim- 
men, ziet, daar zie ik een klein doch sterk gespannen 
gedeelte van een witte broek boven het water uit steken, 
en er achter een dito gedeelte van een grijze broek! Het 
was dus duidelijk dat daar twee menschen waren, waar- 
van al het overige onder de oppervlakte der zee was. De 
uitgezochte mulat was niet even handig als hij sterk was. 
In het volgende oogenblik zagen wij twee druipende figuren 
opduiken, de een, met een parapluie hoog opgeheven met 
welk ridderlijk wapen hij straks de tragische figuur van 
den ander bearbeidde. En dat alles in zee, ten aanschouwe 
van al de overige bandieten en van de lieve straatjeugd. 
Zie, waarde Spektator, het was heel slecht van ons, maar 
wij konden ons op de mulatten, die wij inmiddels bestegen 
hadden, bijna niet in evenwicht houden van het lachen, 
wat natuurlijk 's mans woede nog vermeerderde. Arme 
zwarte Herkules! 

Daar wij juist op reis gingen, was het geval zooveel te 
ernstiger; maar gelukkig is een Braziliaansche spoortrein 
nog al goedig, en de man had den tijd zich in het station 
te verkleeden, ja zelfe daarna gingen wij nog niet dadelijk 
weg. Maar ten slotte zaten wij dan toch in den extratrein, 
die ons met waarlijk buitengewone beleefdheid gegeven was, 
met den gezelligsten aller ingenieurs tot geleide en stoom- 
den landwaarts in. Het is nog maar een heel klein eindje 
spoorweg, maar het brengt tot aan den voet van een dier 
losse bergketenen, waarvan ik reeds sprak. Deze zijn vrucht- 
baar en bebouwd en zoo is het spoorwegje, als slagader 
van het verkeer, voorloopig voldoende; de aderen zullen 
later van zelf wel komen. 

We kregen dus eens wat anders te zien dan dat eeuwige 
strand met zijn vervelende duinen, ware bergen, al zijn 
zij dan ook niet hemelhoog. De straat, die wij doortrokken, 
verdient waarlijk gezien te worden, al zijn er niet van 
die schoonheden, die u de haren te berge doen rijzen. Nu 
eens een blik in een diep dal, dan eens een ravijn, of zij 
stoomt door een flink, gezond bosch , waarvan de schaduw 
niet onaangenaam is bij de groote hitte. En vóór u uit 
hoogere bergen, die steeds naderbij komen. Ook koffie 
krijgt gij te zien en eenige anders kuituren; de rit is niet 
te lang, uw geleider legt u op de meest onderhoudende 
manier allerlei uit, en in de vroolijkste stemming wordt 
het eindpunt, Canoa, bereikt. Een dag of wat hebben wij 
daar geobserveerd, gewandeld, dikke melk gegeten, een 



leventje gehad, dat, na eenige maanden aan boord, een 
waar genot was. Maar heel lang kon het niet duren, wij 
moesten weer terug, en weer aan boord, en weer de on- 
gezellige kust langs. Hadden wij maar geweten, dat het 
tragische einde zoo nabij was, ik geloof, dat wij Ceara 
niet verlaten hadden. 

Het gtootste ongeluk voor de provincie is niet de sleclite 
reede, die misschien de eenige oorzaak is waarom de stad 
geen belangrijke handelsplaats is, maar de groote droogte, 
die er nu en dan heerscht. Droog en dor was het er ook, 
nu wij er waren, maar niet zoo als het voor een groot 
jaar moet geweest zijn, toen er in geen drie jaar regen 
gevallen was. Het land bracht niets meer op, de slaven 
werden naar andere provinciën verkocht, de bevolking 
vluchtte bij duizendtallen naar de hoofdstad en naar na- 
burige provinciën ; tot in Bahia kwamen de vluchtelingen, 
waarvan een groot gedeelte uit gebrek en uitputting stier- 
ven. De stad zelve was. daar er een groot kampement 
gebouwd was, ontzaggelijk uitgedijd, maar ook dagelijks 
werden er honderden van die ongelukkigen begraven. Het 
moet een overgroote ellende geweest zijn, en de regeering 
was ten einde raad om hulp te verschaffen. Veel van de 
publieke werken die nu Ceara eer aandoen, zijn aan die 
periode te danken ; maar de reede door een goed gebouw- 
den dam te beveiligen, dat is er bij ingeschoten. De pro- 
vincie moet in dien tijd geweldig achteruit zijn gegaan. 

Wat de oorzaak van dit verschijnsel mag zijn? Men 
weet u te vrertellen, dat het om de honderd jaar terug- 
keert, maar eerstens verklaart dit niet heel veel, — ot 
zijn het soms de alvermogende zonnevlekken? — en dan 
tusschentijds schijnt er ook wel eens een kleine ver- 
maning te komen. De ontwouding zal hier ook wel een 
groote rol spelen. Bij de niet groote hoogte van de bergen 
en ruwe ligging, zeer dicht bij de kust, moeten de kleine 
rivieren wel hoofdzakelijk van den regen afhankelijk zijn; 
hier kon misschien wel een soort van uitlegging in zitten, 
want als het binnenland zoo weinig bosch meer heeft, 
dan weet men, dat de regen liefst ergens anders gaat 
vallen. Geen slechte smaak heeft die regen. 

Hoe het zij, mijn reputatie is er niet door gedaald, 
want men heeft, naar ik hoor, in de stad verteld, dat 
wij door de regeering gezonden waren, om met onze in- 
strumenten de zaak te onderzoeken en te verhelpen. Daar 
de droogte nu toch pas over een eeuw moet terugkomen, 
heb ik nog al veel hoop, dat het niet licht uit zal komen, 
als ik mijn werk slecht heb gedaan, en ik laat mij dus 
mijn macht maar genadig aanleunen; over een eeuw zal 
de eb in mijn roem mij zoo erg hard niet vallen. 



ï52 



SCHETSEN UIT BRAZILIË. 



DELTA. 

Zulk een delta, voor zoover het laag gelegen is, dat bij 
vloed door het brakke water overstroomd wordt, heeft het- 
zelfde eentonige karakter, dat zulk een verdronken land 
in Indie heeft. Dezelfde fantastisch4eelijke plantenfamilie 
heeft hier een ander harer leden ondergebracht. DeAmeri- 
kaansche soort is echter minder leelijk dan de Indische. 
Beiden hebben de eigenschap, van, in plaats van op den 
grond, er boven te staan, hoog verheven op een krekel- 
huis van wortels. Denk u een vlak, ongeveer vier voet 
boven den modderbodem; boven dit vlak steken boDnea 
uit, er onder slingeren en krullen zich wortels naar omlaag. 
Het is een gewriemel waar ge niet uit wijs wordt; op 
allerlei plaatsen zenden die wortels weer een tak om- 
hoog, en elk van die takken zendt weer wortels uit, zoo 
maar, uit een willekeurig punt van den stam; gij weet 
niet waarom die boom dééx een wortel noodig heeft. Men 
zou geneigd zijn deze gedrochten de grappenmakers van 
het plantendom te noemen, als zij zoo somber niet waren, 
door hun duister groen en door de eigenschap, dat zij 
altijd alleen groeien in een dichte, ondoordringbare massa, 
van onder tot boven met bladeren doorspekt, maar niets 
anders dulden. Geen varen, geen grashalm, geen slinger- 



plant siert die gladde stammen of vindt een plaatsje op 
den eigenlijk niet bestaanden bodem er onder, geen bromelia 
in de oksels dier brutaal uitgestrekte takken. In Indie heb 
ik van deze soort nooit meer dan heesters gezien ; hier 
worden het vrij hooge boomen, die wel een statig bosch 
vormen, maar troosteloos eentonig. 

In kleur munt nu eenmaal het echt tropische landschap 
niet uit. Ja, gij vindt in de natuur hier bloemen van een 
kleur zoo hevig, als gij in ons noorden niet durft droomen ; 
maar die bloemen verstoppen zich, zij zoeken uw blik niet; 
gij ziet boomen met een bloementooi waarvan slechts een 
kastanje of meidoorn in vollen bloei u een denkbeeld kan 
geven, maar hier zijn dan die bloemen niet van een 
eenigszins neutrale kleur zooals meestal bij ons, maar zij 
steken zoo hevig af bij het groen als een Amsterdamsche 
weesjongen bij de zwarte jassen in de Kalverstraat. En 
toch geeft die groote boom geen karakter aan het land- 
schap, die bloem geen kleur ; het donkergroen is zoo inten- 
sief, zoo overheerschend, die boom staat zoo eenzaam, dat 
de indruk overal en altijd dezelfde is; de tropische natuur 
is donkergroen, en nooit anders, al is zij ook gestoffeerd 
door een in vuurrood gekleede negerin op den voorgrond 
en door een kanariegelen boom daarachter. 



HET AMSTERDAMSCHE NOORDZEE-KANAAL 



EN DE 



NIEUWE HAVEN- EN GEMEENTEWERKEN TE AMSTERDAM, 



DOOR 



P. J. D I R K S. 



(Gedeeltelijk voorgedragen in de vergadering van het Aardrijkskundig Genootschap van 10 April 1880). 



{Met twee Kaarten^ 



Het Noordzee-kanaal. 

Het is op vereerend verzoek van het Bestuur van dit 
Genootschap, dat ik het waag eenige mededeelingen te 
doen over het Amsterdamsche Noordzee-kanaal, in een 
vergaderii^ waar zoo velen aanwezig zijn, die metgrooter 
bevo^dheid dit onderwerp zouden kunnen behandelen. 

Het volgende vormt dan ook volstrekt geen volledige 
beschrijving of geschiedenis van het grootsche werk, doch 
bestaat eenvoudig uit een opsomming van bijzonderheden, 
waarvan ik hoop, dat enkele door u met belangstelling 
zullen worden aangehoord. 

Hoe onze Hoofdstad reeds kort na haar ontstaan was 
Handelstad in merg en been, en hoe zelfs in de zeven- 
tiende eeuw geen der tegenwoordige wereldsteden kon wed- 
ijveren met Amsterdam, „de voorraadschuur van Europa", 
is van algemeene bekendheid. 



Behalve in het beleid van onze voorvaderen moet de oor- 
zaak hiervan gezocht worden in de bij uitstek gunstige 
ligging der stad, die, onmiddellijk aan zee gelegen, en 
doorsneden door tal van waterwegen, den vaartuigen de 
schoonste en veiligste ligplaats en gelegenheid tot lossen 
en laden aanbood. 

Om dien gunstigen toestand niet van blij venden aard 
te doen zijn, werkten echter twee oorzaken: de toename 
van den diepgang der schepen, en de afnemende diepte 
van de Zuiderzee en het IJ, vooral op de tusschen beide 
gelegen bank Pampus. 

Reeds in de vorige eeuw was dus te voorzien, hoe wel- 
dra de handel zich geheel zou verplaatsen, wanneer niet 
een middel werd gevonden om dè genoemde, steeds grooter 
wordende moeielijkheid te overwinnen. 

De eerste poging daartoe, de aanwending van de be- 
kende scheepskameelen, bleek weldra onvoldoende voor een 
handel van eenige beteekenis, en daar verbetering van den 
bestaanden toegang ondoenlijk was, moest men trachten 

21 



154 



HET AMSTERDAMSCHE NOORDZEE-KANAAL 



een geheel nieuwe verbinding van het IJ met de Noordzee 
tot stand te brengen. 

De aanleg van het groot Noord-HoUandsch kanaal dat 
reuzen werk voor zijn tijd, was daarvan het gevolg, ofschoon 
sommigen, waaronder Koning Willem I, reeds wezen op 
de wenschelijkheid van de doorgraving door Holland op 
zijn smalst. 

Het is hier de geschikte plaats om op te merken, dat 
reeds in 1619 een plan is gemaakt om het IJ met de 
Noordzee te verbinden, op dezelfde plaats waar nu het 
kanaal is gegraven. 

Een uitvoerige geschiedenis van dit plan en zijn ont- 
werper, door den Heer Amersfoordt, is te vinden in de 
Notulen van hel Kon. Inst. van Ingenieurs, jaargang 
1872— 1873. 

Het plan had voornamelijk een verbeterde afwatering 
voor Rijnland ten doel, en was vervaardigd door den land- 
meter van Rijnland, Jan Pieterzoon Dou. . 

Zeker stout gedacht voor dien tijd, terwijl men twee 
eeuwen later de uitvoering nog niet aandurfde! 

De Heeren van Rijnland, in wier vergadering Dou zijn 
plan had blootgelegd, waren dan ook zeer tevreden, zóó 
tevreden, dat ze hem, volgens Dou's eigen mededeelingen, 
inviteerden om bij de dienstboden in de keuken te blijven 
eten. 

Al spoedig bleek, dat het in 1824 voltooide Noord-Hol- 
landsche kanaal door zijn groote lengte, talrijke enmoeie- 
lijke krommingen, en de geringe afmetingen van zijn sluizen, 
de steeds toenemende eischen niet lang zou kunnen be- 
vredigen. 

De doorgraving van het land tusschen IJ en Noordzee 
kwam opnieuw ter sprake en werd in 1852 in ernst aan- 
hangig gemaakt door den Gemeenteraad van Amsterdam, 
die een technische commissie benoemde om de zaak te 
onderzoeken. Nog hetzelfde jaar bracht die vergadering een 
verslag uit, waarbij het ontwerp van een kanaal was 
gevoegd. 

Een opsomming van al de plannen, die daarna werden 
geopperd, en de discussien waartoe deze aanleiding gaven, 
is hier overbodig. Dat èn plannen, èn met beraadslagingen 
gevulde boekdeelen niet gering in aantal zijn, is zeker. 

In 1857 werd door den Minister van Tets een commissie 
benoemd, om het plan te onderzoeken van de Ingenieurs 
Crooker en Burns, dat de grondslag is geworden van het 
uitgevoerde ontwerp. De vervaardigers riepen toen, en niet 
ten onrechte uit: 

„Velen hebben gedacht dat de zaak in de laatste 



„zeven jaren zóó grondig en al de punten door zóó 
„vele commissies waren onderzocht, dat ef nu wel 
„niets meer overig was om verslag van te doen. 

„Over ons plan is reeds door niet minder dan 
„negen verschillende commissien rapport uitgebracht, 
„gedurende de laatste zes jaren. Zeven op technisch 
„gebied, twee óver de voorwaarden om concessie te 
„verleenen. Deze laatst benoemde commissie maakt 
„de tiende" uit. 

Gelukkig ging bij al dat wikken en wegen de zaak, zij 
het langzaam, gestadig vooruit. 

Den 10 December 1861 werd den heer Jaeger concessie 
verleend voor een ontwerp, waarvan het uitgevoerde een 
wijziging is, en 24 Januari 1863 werd deze concessie door 
de wet bekrachtigd. 

Groot was de vreugde te Amsterdam bij het bekend 
worden van dit heugelijk feit, en schitterend de illumi- 
natie op den eerstvolgenden verjaardag des Konings, toen 
tevens deze eerste schrede tot de dooigraving van Holland 
werd gevierd. 

Spoedig bleek echter dat dit vreugdebetoon wel wat 
voorbarig, de uitvoering der zaak niet zoo heel nabij was. 
Nu men de concessie had, ontbraken nog de middelen om 
ze uit te voeren. 

Allerlei pogingen om een maatschappelijk kapitaal van 
18 millioen te plaatsen mislukten, en toen men eindelijk 
een aannemer had gevonden, die deel nam voor 10 millioen 
en de rest van het kapitaal volteekend was (de Staat waar- 
borgde toen een rente van 3 %> gedurende 99 jaar na 
de voltooiing), bleek weldra dat de finantieele toestand 
van den aannemer zelven veel te wenschen overliet. Geluk- 
kig werden niet lang daarna competente plaatsvervangers 
gevonden in de Heeren Henry Lee & Son, die 2 Januari 
1865 het contract met de inmiddels opgerichte Kanaal- 
maatschappij teekenden. 

Eindelijk was het oogenblik van handelen aangebroken. 

Wèl ontstonden twee jaar later nieuwe finantieele mode- 
Hjkheden, doordien de aannemer zijn aandeelen niet kon 
plaatsen, doch ook deze werden overwonnen met behulp 
van den Staat, die de renlegarantie reeds 1 Januari '68 
liet ingaan, en van de gemeente Amsterdam, die bij de 
reeds vroeger beloofde bijdrage van drie millioen een 
tweede van gelijk bedrag voegde, beide te voldoen na vol- 
tooiing van de werken. 

Den 8 Maart 1865 werd op de Breesaap in tegenwoor- 
digheid van een klein getal genoodigden, de eerste spade 



EN DE NIEUWE HAVEN- EN GEMEENTEWERKEN TE AMSTERDAM. 



155 



gestoken door den Heer J. Boelen, directeur der Kanaal- 
maatschappij. 

Behalve dezen waren toen in. het bestuur de HH. : W. 
Heshuizen, Voorzitter; S. W. Josephus Jitta, Vice- Voorzitter; 
H. A. Insinger, C. A. E. van den Honert en I. de Clercq Jzn„ 
Directeuren. 

Ii^enieurs der Maatschappij waren de HH. J. Dirks^ 
eerst-aanwezend en Sir John Hakshaw adviseerend-in- 
genieur. 

Aannemers de HH. Henry Lee & Son. 

De HH. Heshjiisen, Insinger en Van den Honert namen 
reeds spoedig hun ontslag, en werden vervangen door de 
HH. Aug. Hendrichs en Jhr. Mr. J. W. H. Rutgers van 
Rozenburg, terwijl de Heer Jitta het presidium, de Heer 
Hendrichs het vice-presidium op zich nam. 

Gedurende de geheele uitvoering, en nog heden, heeft 
dit b^tuur zich gehandhaafd en het hoofd geboden aan 
alle tegenspoeden en rampen, die de onderneming zoo rmm- 
schoots gekend heeft. De genoemde namen verdienen diis 
voor goed aan het verkregen resultaat verbonden te blijven. 

Wanneer men den nu bestaanden toestand, voorgesteld 
4ioor de kaart, vergelijkt met een kaart van ouderen datum, 
dan valt ons onmiddellijk in het oog, welke groote veran- 
deringen sedert 1865 in de omgeving van Amsterdam zijn 
tot stand gebracht, terwijl tevens de voornaamste karakter^ 
trekken van het thans nageno^ voltooide Noordzee-kanaal^ 
duidelijk worden. 

Is aan de Noordzeezijde een nieuwe toegang voor de 
groote scheepvaart verkr^en, aan de Oostzijde is daaren^ 
tegen een dam gel^d, die de — vroeger onbelemmerde — 
gemeenschap van het IJ met de Zuiderzee slechts door 
de daarin gebouwde sluizen toelaat, en die noodig is als 
bolwerk voor de vruchtbare polders, waarin het IJ, de 
ruime watervlakte voorheen, grootendeels veranderd is. 
Vooral bcwesten Amsterdam is die vervorming van „oBh 
vnichtbaar water in vruchtbaar land** in het oog vallend, 
wijl daar slechts smalle strooken water zijn gespaard. Aan 
de Oostzode is de vorm van het IJ nagenoeg onveranderd 
gebleven, behoudens een aanplemping van ongeveer loo 
Hectaren land bij Nieuwcndam, en de belangrijke spoorweg- 
en handelswerken, die in den laatsten tijd zijn uitgevoerd. 

Wanneer men, van de Noordzee beginnende, langs het 
Noordzeekanaal oostwaarts gaat tot Schellingwoude, en 
achtereenvolgens de tot stand gebrachte werken beschouwt, 
wordt de aandacht gevestigd op de haven, die aan onze 
vro^r ontoegankelijke kust is gebouwd, en voorzeker een 
der moeielijkste en gewichtigste van die werken is geweest. 



Zonder goede haven toch ware Amsterdam ook door het 
beste kanaal niet gebaat. 

Zooals bekend is wordt de haven gevormd door twee 
steenen dammen of hoofden, die, aan het landdnde onge- 
veer 1200 M. van elkander verwijderd, gelijke hoeken met 
het strand vormen, en 1200 M. in zee nog 660 M. a&tand 
van elkander hebben. Van hier buigen zij zich nog meer 
binnenwaarts, om eindelijk aan den nnnid een invaart* 
wijdte van 260 M. over te laten. Deze vorm — een nauwe 
mond met daarachter sterk verwijdende haven — is gekozen 
omdat daardoor een aanmerkelijke stilling van de binnen- 
tredende golven wordt verkregen. De lengte van elk der 
hoofden bedraagt ongeveer 1530 M. 

Niet de geheele ruimte echter tusschen beide hoofden is 
of zal worden uitgediept, doch slechts een ellipsvormige 
kom, welker grootste breedte 650 M. bedraagt, terwijl ze 
ongeveer 55 H. A. groot is. 

De diepte van die kom is vastgesteld aan de zeezijde 
op 8.50 M., aan de landzijde op 7.50 M. onder AP. Wel 
is waar is die gevorderde diepte nog niet overal geheel 
bereikt, doch de uitbaggering is zoover gevorderd, dat 
zonder eenig bezwaar de grootste schepen van de haven 
gebruik kunnen maken, terwijl tegelijkertijd aan de verdere 
verdieping en verruiming kan worden voortgewerkt. 

30 November van het vorige jaar moest in het geheel 
nog verwijderd worden 160000 M»., waartoe echter, inde 
vaartuigen gemeten, veel meer moest worden gebaggerd. 
De gunstigste verhouding toch, tot nog toe verkregen tus- 
schen den werkelijk verwijderden en den uitgebaggerden 
grond, was i : 1.72, de ongunstigste i : 9.63. 

De constructie van de havenhoofden is natuurlijk van 
het grootste gewicht; reeds spoedig was vastgesteld dat ze 
zouden bestaan uit betonblokken, dat zijn kunstmatig ge- 
vormde steeneik van rechthoekigen vorm, die op een groot 
terrein nabij Velsen werden vervaardigd uit grint, puin, 
portland-cement en zand, en, na voldoende verharding, 
langs de werksporen der Kanaalmaatschappij naar de 
plaats huimer bestemming werden vervoerd. 

Men begon met de. werkwijze te volgen, die reeds elders 
met goeden uitslag was toegepast, doch vond slechts lang- 
zamerhand en door de ondervinding geleerd, hoe men den 
bouw moest inrichten op onzen beweeglijken zeebodem, 
die met eiken storm van gedaante verandert. 

Ter plaatse waar de hoofden moesten komen, werd die 
bodem eerst bedekt met een voldoend breed fttndam ent van 
basaltstukken, dat zooveel doenlijk door duikers werd ge- 
vlakt. Hierop werd dan onmiddellijk de eerste laag beton- 
blokken met de uiterste zorg geplaatst, en daarop de volgende 



156 



HET AMSTERDAMSCHE NOORDZEE-KANAAL 



tot het werk boven water kwam. Onder water bestaat dit 
dus uit los opeengestapelde blokken, die slechts door hun 
gewicht samenhangen. Vandaar dan ook dat de afmetingen 
der blokken langzamerhand grooter werden genomen en 
hun gewicht — in den aanvang werden blokken van 2000 
k 3000 Kg. gebruikt — tot 20000 Kg. werd opgevoerd. 
Boven water werden de blokken met snelverhardend 
cement en zware ijzeren ankers aan elkander verbonden. 

Naarmate zij in dieper water komen, worden de hoofden 
ook allengs breeder, en vermeerdert die breedte vanó.mio 
aan het landeinde tot 8.m2o. De hoogte voor de kruinen 
is aan de landeinden ruim 2.in, aan de zeeeinden bijna 
3.11150 boven dagelijksch hoogwater. 

De aanleg van zulke bolwerken tegen de woedende zee, 
midden op het gebied van den vijand ondernomen, is 
natuurlijk niet zonder strijd tot stand gekomen, en dikwijls 
werd in één nacht door één storm het werk van maan- 
den vernield of zwaar beschadigd. 

Zoo was in het najaar van 1872 die schade zóó groot, 
dat men ernstig bevreesd was voor de toekomst van het 
werk. Een Staatscommissie werd benoemd om rapport uit- 
tebrengen over de oorzaken van de schade, en om voor 
de toekomst middelen te beramen ter voorkoming van 
dergelijke verliezen. 

Juist was het verslag van de commissie gereed, toen 
in den stormachtigen herfst van '73 beide hoofden een 
gezamenlijke lengte van 800 Meter ongeveer, zoodanig 
werden aangetast, dat ruim 17000 M' betonblokken óf wa- 
ren weggeslagen, óf ten minste zoodanig verzet dat ze ge- 
heel moesten worden opgebroken. De versterkingen, door 
de commissie voorgesteld, bleken dus dringend noodig en 
werden dan ook voor gemeenschappelijke rekening van 
Staat en Kanaalmaatschappij ten uitvoer gebracht. 

Ze bestonden in een bestorting met betonblokken van 
loooo of 20000 Kg. van de buitenzijden der verst in zee 
gelegen deelen van de havendammen, en een verhooging 
van deze zelfde gedeelten over een lengte van ongeveer 
800 M. voor ieder der hoofden. Vooral van de bestorting 
werden goede resultaten verwacht, omdat ze de kracht der 
golven breekt, vóór ze tegen den vlakken wand der hoof- 
den slaan. 

Met deze versterkingen hebben de hoofden dan ook in 
de drie winters, die ze na hun voltooiing beleefden, meni- 
gen storm doorstaan zonder dat eenige belangrijke schade 
werd toegebracht. Er bestaat dus geen reden meer tot 
vrees voor hun duurzaamheid ; een vrees die trouwens niet 
licht zal opkomen bij een wandelaar op één der hoofden, 
die de reusachtige steenmassa's beschouwt, die door cyclo- 



penhand schijnen ter neer geslingerd. Om het binnenkoiden 
in de haven ook bij nacht mogelijk te maken, zijn door 
den Staat twee vuurtorens opgericht, die juist de as van 
de haven aanduiden, terwijl de Kanaalmaatschappij voor 
de noodige kleinere geleidelichten heeft gezorgd. 

Ook is door de Kanaalmaatschappij gezorgd voor de 
oprichting van een semaphore of seinpost op het hooge 
duin nabij de haven. Reeds van verre kunnen de schepen 
aan de geheschen signalen den waterstand in de haven 
zien, en zijn tevens in de gelegenheid volgens het „Sein> 
boek van alle natiën" met den wal berichten te wisselen, 
die des verlangd onmiddellijk per telegraaf verder worden 
geseind. 

Het uiterste kanaalgedeelte, welks water nog in vrije 
gemeenschap is met de Noordzee, wordt uit de haven be- 
reikt door een diepe vaargeul, die men aan beide zijden 
heeft moeten b^enzen door kleinere havendammen, elk 
van + 400 M. lengte, omdat anders het voortdurend van 
beide zijde toevloeiende zand de diepte telkens weer zou 
gevuld hebben. 

Ook heeft men de boorden van het buitenkanaal van 
een kostbare oeververdediging moeten voorzien, om het 
door den golfslag afglijden van de oevers in het diepe 
kanaal te voorkomen. 

Ten einde de Noordzeesluizen, waartoe dit kanaalge- 
deelte den toegang geeft, voor de invallende golven zooveel 
doenlijk te vrijwaren, is het niet in rechte strekking maar 
met een kleine bocht gegraven. 

De breedte van het buitenkanaal is op den bodem 42 
meter, de diepte 7.50 onder A.P. De duinstreek lag op 
deze hoogte 23 — 30 M. hooger, zoodat een groote ontgra- 
ving noodig was om de gevorderde diepte te bereiken. 

iioo Meter van zee gelegen, treffen we de Noordzee- 
sluizen aan, de poort, die zich gastvrij opent voor de 
beladen zeekasteelen, doch tevens, ter bescherming van 
ons land tegen de Noordzeegolven, de plaatsvervangers voor 
de weggegraven duinen. 

De vrees voor deze plaatsvervanging was in vromer 
jaren een der belangrijkste tegenwerpingen tegen de door- 
graving van Holland op zijn smalst. Gelukkig dat thans 
de ingenieurswetenschap met zekerheid zulk een belai^ 
durft toevertrouwen aan de constructien, die aan haar zijn 
getoetst. 

De Noordzeesluizen hebben dan ook reeds lang haar 
sporen als uitstekende waterkeering verdiend, terwijl de 
buitenste gedeelten der baksteenen muren, en de daarin 
aangebrachte sluisdeuren 1.5 meter hooger zijn dan de 



EN DE NIEUWE HAVEN- EN GEMEENTEWERKEN TE AMSTERDAM. 



ÏS7 



hoogst bekende stormvloed, zoodat ook gevaar voor over- 
{tordng niet is te vreezen. 

Behalve een uitwateringsluis, om overtollig kanaalwater 
te loozen, bevatten de Noordzeesluizen twee schutkolken, 
waarvan de één een lengte heeft van 120 bij een wijdte 
van 18 en een diepte van 7.75, de andere een lengte van 
85, een diepte van 5 en een wijdte van 14 M. (de grootste 
boot van de Stoomvaartmaatschappij Nederland is 1 14 M. 
lang.) 

In Februari 1871 b^on men met den bouw dezer slui- 
pen, die reeds 27 Juli 1872 van regeeringswege werden 
opgenomen en goedgekeurd. Het feit, dat in dezen harden 
zandbodem geen onderheiing nöodig was, beeft natuurlijk 
niet weinig bijgedragen tot dezen voorspoedigen aanleg. 

De grootste zwarigheid, die men bij den bouw te over- 
winnen had, was het droog houden van den fundeeringsput, 
welks bodem ongeveer 20 meter beneden het omringende 
terrein gelegen was, en waarin door het poreuze zand van 
alle zijden het water toestroomde. Met behulp van een zeer 
krachtige stoombemaling is echter ook deze hinderpaal 
overwonnen, en werd, zooals is opgemerkt, het sluisgebouw 
in korten tijd voltooid. 

In de nabijheid van de sluizen zijn natuurlijk verschil- 
lende inrichtingen aanwezig voor het gemak en de veilig- 
heid der scheepvaart, remstoelen enz. 

Voor het bedienend personeel zijn aan de zuidzijde wo- 
ningen gebouwd, waarnaast de in een havenplaats benoo- 
digde Rijksgebouwen zich verheffen. Daar omheen heett 
^ch reeds een beteekenende plaats, IJmuiden, gevormd, 
waar behalve scholen en kerken, zelfs een gasfabriek aan- 
wezig is. Daar echter de schepen allen slechts zoo kort 
mogelijk te IJmuiden vertoeven, schijnt de hooge vlucht, 
die dit plaatsje in den aanvang nam, wel wat voorbarig 
geweest te zijn. Toch kan het, wanneer een spoorweg het 
eenmaal met Amsterdam zal verbinden, als visschershaven 
•en badplaats belangrijk worden. 

De sluizen gepasseerd, komt men in het eigenlijke kanaal, 
dat hier van het Westen naar het Oosten gericht is, en dat 
over een lengte van 3000 M. door doorgraving verkregen is. 

Tot de brug in den spoorw^ Haarlem — ^Uitgeest is de 
ixxlemsbreedte 35 M., de diepte 8.50 onder AP. Nabij die 
bmg worden deze afmetingen 27 en 7.5 meter, zooals ze 
•dan blijven tot nabij Amsterdam. 

De verdieping van dit eerste kanaalvak is voor Staats- 

Fdcening ondernomen, en moet beschouwd worden als 

een eerste stap om deze belangrijke verbetering van het 

jehe^le kanaal tot stand te brengen. 

Onzen tocht voortzettend, merken we nog op de draai- 



brug in den straatweg van Velsen naar Beverwijk, en ' 
komen iets verder in het kanaalgedeelte, dat vroeger deel 
uitmaakte van het Wijkermeer. 

Van dien waterplas is echter niet veel meer te bespeu- 
ren, en aan beide zijden van het betrekkelijk smalle kanaal 
ziet men niets dan prachtig bouwland, dat door zijn welig 
gewas duidelijk verraadt hoe vruchtbaar de oude IJbodem is. 
Behalve in een klein gedeelte van 800 meters, de door- 
graving van het schiereiland Buitenhuizen, blijven we aan 
weerszijden dat schoone gezicht houden tot zeer nabij 
Amsterdam, terwijl de talrijke welvarende boerderijen, die 
we overal bespeuren, het bijna onmogelijk maken ons 
voor te stellen, hoe hier weinige jaren geleden niet anders 
te zien was dan een onafgebroken watervlakte. 

De drooggemaakte landen of polders vormen een zeer 
belangrijk deel van de onderneming der Amsterdamsche 
Kanaalmaatschappij, ofschoon ze schijnbaar tot het hoofd- 
doel, den zeeweg, niet bijdragen. Niet alléén toch zijn door 
deze werken ongeveer 6000 hectaren vruchtbare akker- 
grond aan den landbouw geschonken, maar tevens is de 
opbrengst van de landen, een belangrijke bijdrage geweest 
in de aanlegkosten van het kanaal, dat zonder deze zeker 
nooit door een partikuliere Maatschappij zou zijn tot stand 
gekomen. 

In het geheel zijn in het IJ droog gelegd zes kleine en 
groote polders, die ieder, of meerdere te zamen, een af- 
zonderlijke stoombemaling hebben, behalve nog een klein 
terrein nabij Zaandam, en de reeds genoemde gronden 
nabij Nieuwendam, die zijn of worden aangeplempt. 

Behalve door het hoofdkanaal, zijn de polders geschei- 
den en door 9 verschillende zijkanalen, allen gericht op 
de scheepvaart en afwateringsluizen langs het oude IJ 
gelegen. 

Om de polders te kunnen droog maken, moesten ze 
natuurlijk eerst geheel van dijken omgeven worden, waar- 
toe een dijklengte van ruim 60000 meters noodig was. 
Al deze dijken zijn vervaardigd uit het opgebaggerde IJslib, 
vermengd met zand van de doorgraving; terwijl de bagger- 
machines zóó waren ingericht dat ze als het ware zelve 
de dijkwerken uitvoerden. 

Nadat een polder beringd en afgemalen was, werden de 
noodige slooten, tochten en wegen gemaakt, werd het land 
omgespit en bezaaid, en in dien toestand bij gedeelten ver- 
kocht, naar gelang de verschillende polderwerken vorderden. 
De verkoop bij betrekkelijk kleine deelen is echter ook 
toe te schrijven aan het streven, om ^oo min mogelijk de 
prijzen te drukken. 

Telkens vóór een veiling zou plaats hebben werd den 



iS8 



HET AMSTERDAMSCHB NOORDZEE-KANAAL 



Hoogleeraar van Bemmelen te Leiden een scheikundig 
onderzoek van den bodem opgedr^en, waarvan het resul- 
taat was dat behoudens eepige onbeduidende uitzonderin- 
gen in de IJpolders overal aan de oppervlakte een kleilaag 
wordt gevonden, ter dikte van i è 3 M. De samenstelling 
van die klei is overal dezelfde; ze bestaat uit s^% klei, 
367o «^lid en silicaten, 6% humus, en 9.57* koolzure 
magnesia en kalk. 

Onder de zéér vruchtbare klei wordt in den regel een 
laag veen gevonden, dan een laag oude klei, en eindelijk 
zeezand. 

Bij het opmaken van de plannen voor het Noordzeekanaal, 
was de opbrengst dezer gronden geraamd op /2000 per 
Hectare, doch door hun steeds toenemenden roep van 
vruchtbaarheid brachten ze aanmerkelijk meer op. 

19 December 1873 werd het noordelijke deel van het 
Wijkermeer in veiling gebracht, en werden ruim 400 hec- 
taren verkocht voor gemiddeld / 2110 per hectare, dus 
reeds onmiddellijk meer dan verwacht werd. Bij een der 
veilingen bereikte de middenprijs zelfs het cijfer van 3120 
gulden, zoodat de totale opbrengst ver boven de begrooting 
is geweest. Zeker een gelukkige zaak, waar ook de aan- 
legkosten door allerlei onvoorziene omstandigheden verre 
boven de raming stegen. 

De toestand van de gronden is op het oogenblik uit- 
stdcend en zonder bemesting brengen ze nog alleszins vol- 
doende oogsten op. Van het zoutgehalte van den bodem, 
waarvoor sommigen zoo bevreesd waren, heeft men hoe- 
genaamd geen last gehad» daar dit door het telkens weg- 
gemalen regenwater spoedig verwijderd was. 

Door inklinken of samendroogen van den grond, liggen 
natuurlijk de terreinen lager dan de vroegere IJbodem. 

Bepaalde onderzoekingen daaromtrent hebben niet plaats 
gehad, doch het schijnt dat men voor de IJpolders minstens 
40 cM. voor die verlaging moet rekenen. 

Men moet echter niet vergeten dat er in dezen zeer 
slappen grond, na de droogvalling eigenlijk slechts een stijve 
brij, andere oorzaken tot verandering der hoogteligging 
hebben med^ewerkt, n. 1. het toevloeien van grond uit de 
hoogere naar de diepere plaatsen. 

Daardoor is b. v. een vrij diepe put, voorbij het stoom- 
gemaal van Polder III oost, thans de Amsterdammer polder, 
zeer nabij de spoorwegbrug naar Zaandam, geheel gevuld. 

De dijken om de droogmakerijen hebben slechts een 

hoogte van 1.5 meter boven den waterspiegel Van het 

-^*«aal, die volgens de concessie op 50 cM. onder Amster- 



damsch peil moet worden gehandhaafd. Deze hoogte is 
dus alleszins voldoende, terwijl de droogmakerijen gezamen- 
lijk tegen de hooge Zuiderzeevloeden worden beschennd 
door den afsluitdijk bij Schellingwoude. 

Deze groote en kostbare dijk heeft een totale lengte van 
1260 M. en is na den spoorwegdam van de Oosterschelde 
de grootste dijk, die in ons land dwars door een zeearm 
is gelegd. 

Het dijkslichaam is opgetrokken op een doorgaande laag 
zinkstukken en beeft een lengte van 3.50 boven AP. ter- 
wijl de hoogst bekende stormvloed te dier plaatse (1825) 
opliep tot 2.50 M boven AP. 
' Door den slappen bodem zakte de aanvoergrond in 
den beginne voortdurend weg, zoodat in [den dijk veel 
meer grond verwerkt is, dan men oorspronkelijk had ver- 
wacht. 

De glooiingen en bermen van den dam, die aan weers- 
zijden aan zwaren golfelag blootgesteld kan zijn, zijn natuur- 
lijk afiloende met ateenglooiingen beschermd, 

Gedurende den aanleg van het kanaal moest in den dijk 
een opening van 250 meter voor de vaart aanwezig blijven 
tot de sluizen voltooid zouden zijn. 18 Maart 1S72 werden 
deze geopend, waarna dit laatste gat gedicht kon worden 
en de geheele dijk nu spoedig voltooid was. 

In tegenstelling met de Noordzeesluizen, waar betrekke- 
lijk weinig, doch meestal zeer groote schepen passeeren, 
was hier een inrichting noodig, die een bestaande zeer 
drukke vaart zoo weinig doenlijk belemmerde. 

Gemiddeld worden aan de Zuiderzeesluizen 7000 schepen 
per maand doorgeschut, welk getal echter in drukke zomer- 
maanden tot het dubbele kan opklimmen. Er passeeren dan 
gemiddeld ruim 450 schepen per etmaal, doch de drukste 
etmalen zijn van 600 k 700 vaartuigen. 

Drie ruime schutkolken, waarin telkens vele vaartuigen 
te gelijk worden doorgeschut, maken dit mogelijk. De 
grootste of middensluis is 96 meter lang, 18 breed, de 
beide andere 73 bij 14 meter, terwijl ze alle drie 4.50 
onder AP. diep zijn. 

Aan de Noordzijde van deze s«hutkolken vindt men een 
krachtig stoomgemaal, aan de zuidzijde een uitwateringsluis. 
Evenals de uitwateringsluis aan de Noordzee dient deze 
tot het op peil houden van het kanaal» waarop voortdurend 
van alle zijden water wordt gebracht. Wanneer de uitwate- 
ringsluizen door hoog buitenwater niet kunnen loozen, dan 
moet het stoomgemaal te hulp komen. Zeldzaam is dit 
geval kouwens niet, want in 1879 ^« ^* ^^^ ^^ stoom- 
gemaal 4771 uren, dat is bijna aoo etmalen, gewerkt. 

Wanneer de buitenwaterstand normaal is, verwijderen de 



EN DE NIEUWE HAVEN- EN GEMEENTEWERKEN TE AMSTERDAM. 



Ï59 



machines van dit stoomgemaal 2000 M^. water per minuut 
uit het kanaal. 

Konden de Noordzeesluizen op een vast terrein zonder 
eenige onderheiing gebouwd worden, hier was de bouwplaats 
midden in het IJ gelegen, en bestond buitendien uit zeer 
slechten en weeken grond. Om den fundeeringsput droog 
te kunnen krijgen, heeft men éen drkelvormigen kistdam 
gemaakt, met een middellijn van 165 meter. Drie ring- 
vormige paahijen, stevig aan elkander verbonden en de 
tusschenruimte met klei gevuld, vormden den wand van 
•dezen dam, waarvoor ongeveer 5400 palen zijn geslagen. 

In 1867 kwam deze kistdam gereed en werd leéggemalen, 
waarna met de fiindeeringwerken kon worden aangevangen. 
Van de krachten, die op dien dam gewerkt hebben, kan 
men zich slechts een denkbeeld vormen, wanneer men hem 
in den laatsten tijd van zijn bestaan gezien heett, toen 
op verschillende plaatsen aanmerkelijke vormveranderingen 
hadden plaats gehad. Eenmaal gedurende den bouw is de 
dam dan ook bezweken, en nog twee malen heeft men 
hem gedeeltelijk moeten vullen, om een nieuwe doorbraak 
te voorkomen. 

In den dam werden, om later het sluisgebouw te dragen, 
niet minder dan 9030 palen geslagen, te zamen lang 120 
kilometer. 
j 29 April 1870 was de fundeering voltooid en de opbouw 

zoover gevorderd, dat de gedenksteen gelegd kon worden, 
i zooals dan ock op dien dag met groote feestelijkheden 
geschied is door Z. M. den Koning. Eigenaardig was het 
toen gevierde feest, op den bodem van die groote kuip, van 
alle zijden door water omgeven. 

Bij gel^enheid van deze steenlegging hebben de sluizen 
den naam van Oranjesluizen bekomen, waardoor de naam 
van ons Vorstenhuis voorgoed aan het Noordzeekanaal is 
verbonden. 

We hebben nu gezien, dat het waarlijk geen alledaagsche 
werken zijn, die tot -vorming van den handelsweg voor 
' onze hoofdstad noodig waren. Velen, waaronder desktmdi- 
gen, twijfelden dan ook aan den goeden uitslag van een 
werk, waarvoor zooveel bezwaren, zoo groot en zoo ver- 
schillend van aard, moesten worden overwonnen. Bezwaar*» 
lijk zal men dan ook op een ander zoo klein gedeelte van 
onzen aardbol, al de verschillende toestanden vinden, die in de 
landstreek tusschen IJmuiden en Pampus gevonden worden. 

Niettegenstaande deze twijfelaars gingen echter Directie 
en Ingenieurs kalm huns weegs, tot bereiking van. hun 
grootsch doel. Waren er op dien weg oogenblikken, waarop 
ze bijna dehanden in den schoot wilden leggen, er waren 



ook dikwijls oogenblikken van triomf, wanneer een nieuw 
behaalde zege den goeden uitslag weer scheen te voor- 
spellen. 

Aan havenhoofden, aan dijken, aan sluizen, in één woord 
aan het geheele werk werd zoo krachtig mogelijk doorge- 
werkt, zoodat toen in 1872 de spoorwegbrug nabij Velsen 
gereed was gekomen, en de dam, waarover vóór dien tijd 
de treinen reden, gemist kon worden, deze de laatste 
scheidsmuur was tusschen het water van Noord- en Zui- 
derzee. 

I November 1872 werd deze muur doorgestoken. 

Door den betrekkelijken spoed, waarmede dit resultaat 
bereikt was, aangemoedigd, meenden velen dat ook de vol- 
tooiing van het werk in korten tijd zou kunnen geschieden. 

De reeds vermelde verwoestingen aan de havenhoofden, 
en de onvoorziene werken, die aan de Noordzee moesten 
worden uitgevoerd, waren oorzaak dat deze hoop niet werd 
verwezenlijkt. 

Alle tegenspoed en teleurstellingen kwam men echter 
gelukkig te boven en weldra zag men met rassche schre- 
den het oogenblik naderen waarop het kanaal en de haven 
voor de scheepvaart, — zij het ook nog niet voor den 
vollen diepgang — kon worden geopend. 

Den I November. 1876 was dat oogenblik aangebroken. 

Andermaal zou Z. M. de Koning een blijk [van zijn 
belangstelling in de ondemeroii\g geven. 

Van heinde en verre waren belangstellenden van eiken 
rang en stand toegestroomd om de feestelijke opening van 
Amsterdam's Kanaal bij te wonen; velen om zich te over- 
tuigen dat werkelijk hun twijfelingen beschaamd waren. 

Onder het gedonder van het geschut verklaarde Z. M. 
de Haven van IJmuiden en het Noordzeekanaal voor de 
scheepvaart geopend, en bevestigde zijn woord door per 
feestelijk versierde boot de eerste te zijn, die van sluizen 
en haven gebruik maakte. 

Dat de werken reeds van dien tijd af aan hun bestem- 
ming beantwoorden, is door de ervaring gebleken, terwijl 
de spoed en het succes, waarmede na dien tijd is voortge- 
werkt, voor den dag komt wanneer men het aantal en 
den diepgang der schepen, die in de verschillende jaren na 
de voltooiing van het kanaal gebruik maakten, met elkan- 
der vergehjkt. 

I November 1876 werd het kanaal geopend voor schepen 
met een diepgang van hoogstens vijf en vijftig decimeters. 

In 1877 werd de nieuwe weg reeds gekozen door 3376 
schepen met een inhoud van i 030 303 tonnen. In 1879 
waren die getallen 4013 schepen met i 368 895 ton. 



i6o 



HET AMSTERDAMSCHE NOORDZEE-KANAAL 



Onder de schepen van 1877 waren er vier met een diep- 
gang van 60 of 68 decimeters; onder die van 1879 bevon- 
den zich echter 109 met een diepgang van 60 decimeters 
of meer, en zelfs twee van 72 decimeters. 

Ook uit het feit dat sedert Mei 1879 de Stoomvaart- 
maatschappij „Nederland" haar geregelden veertiendaag- 
sche maildienst van Amsterdam laat uitgaan, volgt hoe 
groot het vertrouwen op de haven te IJmuiden is, en hoe 
men in waarheid kan zeggen dat het Noordzee-kanaal vol- 
tooid is. 

Ongelukken van eenig belang kwamen dan ook in haven 
noch kanaal tot heden voor, niettegenstaande toch vele 
schepen met zeer zwaar weder zijn binnengdcomen. 

Blijkt uit een en ander dat het Kanaal werkelijk in staat 
is om tot Amsterdam te voeren al wat daar wezen wil, 
ook in een ander opzicht heeft de opening van het kanaal 
vruchten gedragen. 

De oude Amsterdamsche ondernemingsgeest is weer ont- 
waakt; de hartader van het land klopt niet langer flauw. 

Jammer is het dat de Kanaalmaatschappij, die het ka- 
naal tot stand heeft gebracht, het ook niet kan behouden. 

Er is geen kans dat ooit de inkomsten voldoende zullen 
;Eijn om het onderhoud te bestrijden, vooral bij de be- 
staande neiging om de kanaalgelden zoo laag mogelijk 
te stellen en zelfs geheel af te schaffen. Ook is het beter 
dat zulke groote belangen als aan het kanaal verbonden 
zijn, niet in particuliere handen blijven. 

In hoofdtrekken is dan ook reeds de regeling der over- 
overdracht van de werken aan den Staat vastgesteld, zoo- 
dat die overname weldra te verwachten is. 



II. 



De spoorweg- en gemeentewerken te Amsterdam 1). 

Om Amsterdam in staat te stellen de vruchten van zijn 
nieuwen waterweg te plukken, en met de overige Noord- 
zeehavens de concurrentie te aanvaarden, moesten behalve 
het kanaal vele andere werken worden uitgevoerd, en is 
dan ook in de laatste jaren zoo van staats- als van ge- 
meentewege veel tot stand gekomen. Op vele punten ko- 
men die verschillende werken ten nauwste met elkander in 



ï) Dit gedeelte is niet op de vergadering van het Genootschap 
voorgedragen, doch op verzoek der afdeeling „Nederland'* later door 
den heer Dirks bewerkt en aan het eerste gedeelte toegevoegd. 



aanraking, doch ten einde eenige volgorde in het oog te 
kunnen houden, zullen hier eerst de werken van den ^ 
Staat, daarna die van de gemeente besproken worden. 



I>e Staatsspoorwe^en. Ter aansluiting met den oudere» 
staatsspoorweg van Zaandam over Uitgeest naar den Hel- 
der, is een nieuwe lijn gelegd, gaande van Zaandam over 
de ,,Hem", vervolgens met een draaibrug over het Noord- 
zeekanaal en daarna de scheiding vormende tusschen de 
polders III oost en III west van de nieuwe droogmake- 
rijen in het IJ, om eindelijk door de Overbraker .Buiten* 
en Binnenpolders de gemeente Amsterdam te bereiken. 
. Nabij het oude station van den Hollandschen spoorweg 
sluit zich deze, die daartoe van het dorpje Sloterdijk is 
omgelegd, bij de nieuwe lijn aan, die vervolgens weldra 
over een draaibrug met 10 M. wijde openingen de Singel- 
gracht passeert, en daarna tot aan de Prinsengracht be- 
staat uit een gemetselden viaduct, die aan het andere 
uiteinde weder door een draaibrug van gelijke afmetingen 
is begrensd. 

Met inbegrip van beide draaibruggen is deze viaduct 
ongeveer 586 M. lang, en bestaat uit een aaneenschake- 
ling van gemetselde bogen, die elk 6 M. spanning héb- 
ben. Waar de viaduct verschillende straten kruist, zijn 
deze bogen door ijzeren bruggen vervangen, ter verkrij- 
ging van een grootere doorridshoogte. 

De hoogte van het vlak der spoorstaven op dezen via- 
duct is 5.50 M. boven Amsterdamsch peil, even als op- 
het nieuwe stations-emplacement. 

Grootendeels is de viaduct gebouwd in de Ëilandsgracht. 
Ze is geheel gefundeerd op palen, die een laag beton 
dragen, welke door damplanken is ingesloten. 

Voorbij de Prinsengracht begint het stations-emplace- 
ment, bestaande uit drie afzonderlijke gedeelten, welke 
door doorvaarten gescheiden zijn. 

Het eerste gedeelte, waarop het tijdelijke station is in- 
gericht, omvat een groot gedeelte van het Westerdok, dat 
daartoe met zand tot de benoodigde hoogte is aangevuld. 

Het tweede is een eiland in het IJ, vóór het middelste 
gedeelte van de stad, en eveneens door aanplempingen 
verkregen. 

Het derde gedeelte eindelijk neemt een stuk van her 
Oosterdok in. 

Vooral het midden-eiland heefl ontzettende hoeveelheden 
zand vereischt om het op de gewenschte hoogte te bren- 
gen. De IJ-bodem was te dier plaatse bijzonder slap, en 
eenigszins vaste grond werd eerst op diepten van 12 tot 27 
meter gevonden. 



EN DE NIEUWE HAVEN- EN GEMEENTEWERKEN TE AMSTERDAM. 



l6l 



Men is begonnen met langs den geheelen omtrek van 
het eiland sleuven te baggeren tot 6,5 Meter onder water, 
en het daartusschen gelegene te verdiepen tot 4.5 Meter. 
Daarna werd de diepe geul aangevuld met zand, en daarop 
een zanddijk aangel^ ter hoogte van 2.5 — 4,5 Meter boven 
water en ter breedte van 10 Meter. In de nu ontstane kom 
eindelijk is het verder benoodigde zand gestort, dat op 
sommige plaatsen tot een diepte van 17 Meter is door- 
gezakt. 

Zooals reeds is opgemerkt ligt het geheele emplacement 
vrij hoog, 4 k 4.5 M. boven de straten van Amsterdam. 
Het is echter geheel omgeven door lagere terreinen, die 
aan den IJkant een breede kade vormen, waar tal van 
steigers zijn gebouwd ten gerieve van de kleinere scheep- 
vaart. 

Van het midden-eiland, waarop later het definitieve cen- 
traal-personen-station gebouwd zal worden, voeren drie 
toegangsw^en naar de stad, de oostelijkste met een bas- 
cule brug, de beide andere met vaste bruggen voor de ge- 
meenschap tusschen de vier kleine bassins welke nog tus- 
I schen den spoorweg en de stad zijn overgebleven. In de 
kade langs het IJ zijn verder aan weerszijden van het 
midden-eiland draaibruggen aanwezig, terwijl eindelijk voor 
den spoorw^ zelven de gemeenschap wordt onderhouden 
door twee prachtige viaducten^ gebouwd voor zes sporen, 
en met een doorvaartshoogte van ruim 6 Meter. Met de 
bijbehoorende werken heeft elk van deze viaducten ruim 
een millioen gulden gekost. 

Aan de oostzijde eindigt het station-emplacement bij een 
draaibrug voor de Oosterdok-sluizen, met openingen van 
21 M. De geheele afstand tusschen deze brug en die over 
de Prinsengracht bedraagt ruim 1500 M. 

Beoosten genoemde sluizen volgt de spoorweg den voor- 
maligen Oosterdoksdijk tot de Stadsrietlanden, waar het 
centraal-goederen-station gevestigd is. 

Hier wordt weder een groot emplacement aangetroffen, 

dat tevens ruimte aanbiedt om naar gelang der behoeften 

goederenloodsen op te richten, en waar dan ook reeds een 

' loods van de Stoomvaartmaatschappij „Nederland*' en een 

voor het algemeen goederenverkeer aanwezig is, 

Voor directe overlading van schepen in spoorwegwagens 
en omgekeerd, is naast dit emplacement een bassin ge- 
graven, op den waterspiegel ongeveer lang 900 en breed 
IOC M. en ter diepte van 7.50 M. onder A. P. Door een 
130 M. wijden mond staat dit bassin in gemeenschap met 
het afgesloten IJ, dat van hier tot de stad over een opper- 
vlakte van 58 Hectaren op dezelfde diepte is gebracht. 
Langs de Noordzijde van het bassin is ter lengte van 



750 Meter een basaltmuur gebouwd, waartegen de diepst- 
gaande schepen onmiddellijk vastgemeerd kunnen worden, 
en waarvan nu reeds gebruik wordt gemaakt door de 
groote Suez-Booten van de Maatschappij Nederland. 
Voortdurend liggen hier één of meer dezer prachtige sche- 
pen, wier veertiendaagsch vertrek telkens een buitengewone 
levendigheid geeft. 

Voor de kleine vaart is nog een water-communicatie 
aanwezig tusschen het spoorwegbassin en de stad, door 
een kanaal dat langs de oostzijde van de Rietlanden naar 
de Nieuwe Vaart is gegraven. Langs de zuidzijde van 
het bassin is" een waterkeerende dijk gelegd, die aan den 
zeedijk aansluit, en waardoor het genoemde kanaal ge- 
leid wordt door een keersluis met een doorvaart-wijdte 
van 10 Meter. 

De doorgaande spoorweg gaat langs de zuidzijde van 
dit emplacement, buigt zich daarna zuidwaarts om, gaat 
met een draaibrug over de Nieuwe Vaart en een vaiste 
brug voor het versch water-kanaal van Amsterdam, en 
wendt zich verder westwaarts om naar het Bijks-entrepót- 
dok, waar hij in verschillende sporen eindigt. 

Even bezuiden de laatstgenoemde vaste brug sluiten de 
Ooster-spoorweg en een verbindingslijn van den Rijn- 
spoorweg zich bij den Staats-spoorweg aan. Op eigen 
kosten heeft de Rijnspoorw^-maatschappij deze verbinding 
aangelegd, tevens in verband staande met de zuidzijde van 
het spoorw^-bassin, waar ze een eigen aanlegplaats heeft 
gevormd, ten deele uit een basaltmuur, ten deele uit 
steigerwerken bestaande. 

Om t^emoet te komen aan de belangen van de binnen- 
vaart, die wel wat werd bemoeielijkt door al die 'werken 
vóór Amsterdam, is bewesten de stad van stadswege een 
kanaal gegraven tusschen de Singelgracht en het Noordzee- 
kanaal, door een schutsluis van het laatste gescheiden. 
Verder is dit kanaal door een zijkanaal met de Zoutkeets- 
gracht verbonden. 

Naarmate de verschillende genoemde werken gereed 
kwamen, werden ze ook langzamerhand in gebruik genomen^ 
De Hollandsche IJzeren Spoorweg-maatschappij, die 30 
Maart 1870 concessie had verkregen voor den spoorweg 
van Amsterdam naar Zutphen, met zijtak van Hilversum 
naar Utrecht, had reeds spoedig weg en werken tot Amers- 
foort gereed. Nadat een hulp-station was opgericht nabij 
de Oosterdoksluizen en door een tijdelijke baan en viaduct 
was vereenigd met den Staatsspoorweg, die tot de Riet- 
landen gereed was, werd 10 Juni 1874 de dienst op deze 
lijnen geopend. 

15 Mei 1878 kwam de spoorweg Amsterdam — Zaandam 



22 



102 



HET AMSTERDAMSCHE NOORDZEE-K ANAAL 



in gebruik, voorloopig met een klein halte-gebouw nabij 
het voormaUge station van den Hollandschen spoorweg.. 

15 November van hetzelfde jaar kwam het tijdelijke 
centraal-station in het Westerdok in exploitatie, eerst alléén 
voor den dienst naar Haarlem en Zaandam, weldra ook 
voor het doorgaand verkeer met den Ooster-spoorweg, en 
sedert 15 Mei 1879 (toen het station van den Ooster- 
spoorweg door brand vernield werd) voor den geheelen 
dienst van dien weg. 

25 Juni van dat jaar eindelijk werd ook de verbinding 
met den Rijnspoorweg in dienst gesteld, zoodat men nu 
van het Westerdok in alle richtingen kan reizen. Er ver- 
trekken dan ook op het oogenblik in geregelden dienst 
dagelijks 50 treinen van het Centraal-station, en even 
zooveel komen er aan. 

De Gemeentewerken. Dat Amsterdam door zijn nieuw 
kanaal en de spoorwegwerken in een toestand kwam, die 
ook van gemeentewege vele groote werken eischte, werd 
reeds spoedig door den gemeenteraad ingezien. 

Reeds in 1873 werd door de Heeren Joan Muller c. s. 
een plan ingezonden tot aanleg van een houthaven van 100 
hectaren aan de westzijde der stad, en een handelskade 
aan de oostzijde, die voor de groote scheepvaart bereikbaar 
zou zijn, zonder dat ze sluizen of andere hinderpalen op 
haar weg ontmoette. De bestaande gelegenheid tot het 
lossen en vlotten van hout vereischte dringend verbetering, 
en de geringe afmetingen der Oosterdoksluizen in ver- 
band met het drukke verkeer over de daarvoor gelegen 
spoorwegbrug, waren oorzaak dat het Oosterdok veel van 
zijn geschiktheid voorde scheepvaart verloor. Een besluit in 
den geest van het ingezonden plan werd dan ook weldra 
genomen, en het cjemeentebestuur gemachtigd met den 
Staat en de Kanaalmaatschappij in overleg te treden over 
de benoodigde oppervlakte land en water, en over de ver- 
dieping van het afgesloten IJ voor de te bouwen han- 
. delskade. 

Eerst in 1876 echter kreeg de gemeente beschikking over 
voldoende terreinen voor de ontworpen houthaven, zijnde 
behalve een gedeelte van het IJ, een stuk van Polder Illoost 
der Kanaalmaatschappij, ter grootte van 48 Hectaren. 

Toch was men met het oog op de aanstaande opening 
van het Noordzeekanaal, en de groote behoefte, reeds be- 
gonnen met de inrichting van een gedeelte der houthaven ; 
een watervlakte van ruim 21 H. A. was daartoe op een 
diepte van 2 meter gebracht en, behalve een paar door- 
vaarten, geheel omringd door paalwerken, om de hout- 
vlotten tegen den golfslag te beschutten. Naast deze vlot- 



haven was tevens een ligplaats voor schepen gevormd, 
door uitbaggering tot een diepte van 6 meter onder den 
waterspiegel. Ter vastmeering van de schepen waren hier 
29 zware duc d'alven geplaatst. 

• Reeds zeer spoedig bleek, hoezeer deze houthaven aan 
de behoefte te gemoet kwam, en hoe wenschelijk het was 
het geheele plan zoo spoedig mogelijk te voltooien. In 
1878 werd hiermede dan ook een aanvang gemaakt, en 
thans is de houthaven nagenoeg gereed. Ze bestaat nu: 
le. uit de reeds vroeger voltooide vlothaven van 28 H. A., 
met de daarbij behoorende ligplaats van ruim 14 
hectare. 
2e. een nieuwe vlothaven groot 16.5 Hectare, en een groot 
houtdok van 20.5 Hectare, het laatste diep 7 Meter 
en van de eerste gescheiden door een landtong, die 
een flink terrein voor den opslag van hout oplevert. 
3e. de eiken houthaven, groot niim 3 Hectaren, met het 
groote houtdok door een verbindingskanaal vereenigd. 
In het geheel omvat de houthaven aan water ongeveer 
90, aan verschillende terreinen + 36 Hectaren, te zamen 
126 Hectaren. 

Van het Noordzeekanaal zijn de havens en dokken 
gescheiden door een kade, die ongeveer 2280 Meter lang 
is, met twee invaart-openingen, elk van 20 Meter. Deze 
kade is van zand gestort, en met klei en steen bekleed. 

In de gemeenschap te water met de houthaven wordt» 
behalve door het Noordzeekanaal, voorzien door het reeds 
genoemde Westerkanaal; in die te land langs den groo- 
tendeels geslechten Spaamdammerdijk, thans Spaamdam- 
merstraat. Een spoorwegverbinding met den staatsspoorw^ 
wordt tot stand gebracht. 

Met den aanleg van de handelskade, eveneens in 1873 
vastgesteld, werd in 1875 een begin gemaakt. Ze bestaat 
uit een landtong in het oostelijke IJ, aan de oostzijde over 
700 Meter lengte met het goederenstation verbonden, en 
reikende met den westelijken kop tot nabij de Oosterdok- 
sluizen, waar ze 70 Meter van den staatsspoorweg verwij- 
derd is. Hierdoor ontstaat dus een binnenhaven lang 
ongeveer 1200 Meter, terwijl aan de IJzijde een kade ter 
lengte van 1862 Meter aanwezig is. 

De binnenhaven is bestemd voor de kleine vaart, en 3 
Meter diep; terwijl langs de geheele buitenkade een diepte 
van 7 Meter aanwezig is. 

De doorgaande breedte van de landtong is 59 Meter, 
aan het westelijk uiteinde over 100 Meter lengte tot 85 
Meter verbreedende. Het middelste gedeelte biedt een 
ruime gelegenheid aan tot het plaatsen van loodsen, terwijl 



EN DE NIEUWE HAVEN- EN GEMEENTEWERKEN TE AMSTERDAM. 



163 



aan weerszijden sporen zijn aangebracht in verband met 
het goederen-emplacement, en voor de beweging van 
rolkranen tot lading en lossing der schepen. Aan den 
westkop is bovendien een 80 tons kraan aanwezig, tot het 
'm- en uitladen van bijzonder zware voorwerpen. 

Zoo aan de binnen- als buitenzijde wordt de aanleg- 
plaats der schepen gevormd door basalt-muren. 

Daar de geheele aanleg van de kade in den slappen 
IJbodem moest geschieden, is voor de constructie, vooral 
van den buitenkaaimuur, op een eigenaardige wijze gezorgd. 
De diepte van den vasten bodem (uit zand bestaande) 
was gemiddeld 13 meter onder water. In de richting van 
de kaaimuren werden nu eerst zanddammen gestort, voor 
den buitenmuur tot 6 Meter boven water, tengevolge 
waarvan het zand 9 4 10 Meter onder water doorzakte. 
Daarna werden de zanddammen weer uitgegraven voor de 
fundeering van de muren, bestaande uit onderscheiden 
betonkofFers, reikende van 5.5 M. tot 2.5 M. onder water. 
Op deze hoogte is de buitenvloer aangebracht, behoorlijk 
verankerd aan dien van den binnenmuur, en hierop is 
dndelijk de kaaimuur, van los opeengestapelde bazaltsteen, 
ter gemiddelde dikte van 2.15 Meter, opgetrokken. 

Van de kade leiden drie toegangswegen stadwaarts, en 
wel: 

i". aan de westzijde over een draaibrug met openingen van 
10 Meter, en een tweede draaibrug over de Oosterdok- 
sluizen, langs den Oosterdoksdijk. 
2*. ongeveer 700 Meter oostelijker, over een enkele bascule- 
brug van 10 Meter spanning en een draaibrug over 
de Dijksgracht naar Kattenburg. 

Eindelijk van de oostzijde langs en over het goederen- 
station en het Funen. 

In 1877 werd het eerste gedeelte kaaimuur (200 M.) 
aanbesteed, en kwam het volgende jaar gereed. Daarna 
ging men over tot den westkop met de draaibrug en aan- 
sluitende kaaimuren, die in 1879 gereed kwamen, terwijl 
ook de diepte van 9 M. langs de voltooide gedeelte be- 
reikt werd. Op het eind van dat jaar was een lengte 
van 400 M. ter exploitatie gereed en aan de verdere vol- 
tooiing wordt met kracht voortgewerkt. , 

Hoewel dus veel in voorbereiding of in aanleg was, 
vond het Noordzee-kanaal bij de opening nog weinig ge- 
reed, en was men genoodzaakt zoo spoedig mogelijk 
.eenige werken uit te voeren, die in korten tijd voltooid 
konden zijn. 

De eerste behoefte, die zich voordeed, was die van een 
behoorlijke gelegenheid tot veelading, daar weldra twee 



geregelde veediensten op Londen ontstonden. Een groote 
steiger met veepark en stallen werd daartoe nabij de 
Westerdoksluizen gebouwd en in het begin van 1877 vol- 
tooid. Door een doelmatige inrichting van dezen steiger is 
het mogelijk het vee zoowel op het dek als tusschendeks 
te laden, daar de steiger in het midden, 3 M. aan de 
einden slechts 1.5 M. boven water is. 

Voor de diepgaande schepen verder, die men weldra 
verwachtte, werden in allerijl twee groote steigers in de 
nabijheid van dezen veesteiger gebouwd. Deze hebben 
ieder een lengte van 120 bij een breedte van 60 M., ter- 
wijl hun bovenvlak 3 M. boven den waterspiegel is en 
rust op 4753 palen, elk lang van 18 — 12 M. ; in hun 
soort zijn deze werken dus enorm, en merkwaardig is de 
spoed waarmede ze uitgevoerd werden. 3 April 1877 werd 
■de bouw met eenige bijbehoorende werken aanbesteed, 
voor / 47 6, 5 60 en reeds 13 Augustus was de eerste, in de 
tweede "helft van September de tweede steiger gereed. 

Door een spoorweg met een draaibrug over de wester- 
doksluizen, zijn de steigers met den staats-spoorweg ver- 
bonden. 

Een laatste gevolg van de opening van het kanaal was 
de inrichting van de noordzijde der Nieuwe Vaart tot 
een kade voor de stoom vaart, waartoe 6 December 1876 
besloten werd. Hiertoe werd de bestaande houten 'ophaal- 
brug (de Kattenburgerbrug) veranderd in een draaibrug 
met openingen van 20 M., terwijl met de Hollandsche 
spoorwegmaatschappij een contract werd gesloten tot het 
leggen van sporen en het exploiteeren van de kade. 

Deze kwam dan ook reeds spoedig in gebruik, en wel 
grootendeels van de Koninklijke Nederlandsche Stoom- 
vaartmaatschappij, die aan het westelijk gedeelte groote 
loodsen bouwde, en haar schepen liet laden en lossen. 
Weldra verrees aan het oostelijk uiteinde eveneens een 
loods va,|i de Hollandsche spoorwegmaatschappij, en op 
,het oogenblik wordt de geheele kade druk geëxploiteerd. 
. Eindelijk zijn op twee plaatsen in het IJ zware boei- 
. ankers gelegd, bestemd voor het verhalen der groote sche- 
pen. Een dier werken is gelegen nabij den veesteiger, het 
andere nabij het westpunt van de Handelskade. 

Door particulier initiatief is voorzien in de behoefte 
aan drooge dokken, zoo belangrijk voor een zeehaven van 
eenige beteekenis. Tegenover de Handelskade is door de 
„Amsterdamsche Droogdokmaatschappij" een groot drijvend 
.dok geconstrueerd, sedert de opening „Koningin Emma Dok" 
genaamd, en omringd van de noodige werkplaatsen. Be- 
westen den Buiksloterham is een tweede drijvend dok ge- 



'^ "^ 



164 



HET AMSTERDAMSCHE NOORDZEEKANAAL 



bouwd door de firma Von Lindern & Co. Beide dokken 
zijn voor de grootste schepen ingericht. 

Behalve de genoemde werken, . die allen tol handel en 
verkeer in betrekking staan, heeft het Noordzee-kanaal 
ook nog in een ander opzicht veranderingen ten gevolge 
gehad, n. 1. in de waterverversching van Amsterdam. 

Geschiedde deze vóór de afsluiting van het IJ door de 
dagelijksche getijden en vooral door de lage ebben en de 
hooge vloeden, die het vuile water verwijderden en versch 
water aanvoerden, nd dien tijd moesten daartoe andere 
maatregelen genomen worden. 

Vooreerst werd een afwaterings- tevens scheepvaart- 
kanaal gegraven van de Singelgracht naar de Zuiderzee 
bij Zeeburg, en werd tevens die gracht of Buitensingel 
zooveel mogelijk genormaliseerd, terwijl een tijdelijk stoom- 
gemaal werd opgericht om water uit te malen, wanneer de 
gelegenheid tot lozen ongunstig was. Nu werden 's nachts 
de sluizen langs het Noordzeekanaal gesloten en door het 
nieuwe kanaal water ingelaten, hetgeen *s morgens wéér 
door het openen der sluizen op het Noordzeekanaal werd 
gebracht. Het tijdelijke stoomgemaal heeft weinig gewerkt 
en werd weldra weer opgeruimd. 

De beschreven waterverversching was echter nog niet 
voldoende, en daarom is naast het genoemde kanaal een 
tweede gelegd, met een krachtig stoomgemaal en een uit- 
wateringsluis aan het einde. Het stoomgemaal bestaat uit 
acht schepraderen van 8 M. middellijn en is berekend om 
bij een gewonen buiten-waterstand 1600 kubieke meters 
water per minuut op te malen. Door een stelsel van ver- 
schillende sluizen in de beide kanalen is de inrichting zóo 
getroffen dat naar willekeur water uit de stad in de Zuider- 
zee, of in de omgekeerde richting kan gebracht worden. 
In 1878 aangevangen, kwamen deze werken in den loop 
van het volgende jaar gereed. 

Van de laatste veranderingen die nog te vermelden zijn, 
is zeker de groote uitbrefding van de stad niet de minste. 
Aan alle zijden verrijzen nieuwe wijken om de steeds toe- 
nemende bevolking, die in de laatste 10 jaren met ruim 
*/io vermeerderde, te huisvesten. Verder zijn tal van wer- 
ken uitgevoerd tot verbetering der communicatie door de 
stad, zoo te land als te water; straten zijn verbreed, grach- 
ten gedempt, tramwegen aangelegd, ruim 40 bruggen zijn 
nieuw gebouwd, vernieuwd of gewijzigd, kortom de geheele 
stad is van uiterlijk veranderd, en van een deftige matrone, 
op vroeger verworven lauweren rustende, een jonge wereld- 
stad geworden, die weder medestrijdt in den wedkamp 
^er volken. 



Om in het volle genot te komen van alle voordeelen, die 
Amsterdam als zeehaven thans bezit, is echter nog één 
groot werk volstrekt onontbeerlijk: een rechtstreeksche en 
korte waterverbmding met den Rijn. Moge die weldra 
stand komen ! 



B IJ S C H R I F T 

BIJ DE 

KAARTEN VAN HET VOORMALIG IJ IN 1865 EN VAN HET 
NOORDZEE-KANAAL IN 1881. 

DOOR 

J. W. WELCKER. 

{tevens dienende tot Naschrift bij de vorenstaande 
Verhandeling van den Beer P. J. Dirks.) 



De Afdeeling „Nederland" van bet Aardrijkskundig 
Genootschap, die zich overeenkomstig het doel harer 
oprichting tot taak heeft gesteld de belangrijkste heden- 
daagsche veranderingen van den Nederlandschen bodem 
in schrift en kaart aan de leden van het Genootschap en 
het publiek zooveel mogelijk bekend te maken, had reeds 
van den aanvang op haar programma gesteld een van de 
gewichtigste dier veranderingen, te weten de aanleg van 
het Noordzee-kanaal en de droogmaking van het IJ. i). 

Toen dan ook de heer P. J. Dirks door het bestuur van 
het Genootschap was uitgenoodigd om in een der verga- 
deringen een voordracht over die werken te houden, meende 
de Afdeeling van die gelegenheid gebruik te moeten ma- 
ken en daaraan de uitgave te verbinden van een tweetal 
kaarten, waarvan de eene den toestand van het IJ vóór de 
droogmaking, de andere die na den aanleg van het 
Noordzee-kanaal en het tot stand komen der nieuwe IJpol- 
ders zou voorstellen. 

Daar echter in verband met die groote werken ook te 
Amsterdam zelf belangrijke werken en inrichtingen waren 
tot stand gebracht, die eveneens op de laatstbedoelde kaart 
zouden voorkomen, verzocht de Afdeeling den heer Dirks 
om aan de in de vergadering van 10 April 1880 voorge- 
dragen verhandeling over het Noordzeekanaal, een tweede 



I) Zie Tijdschrift v. h. Aard. Gen. Deel IV. blz. 326. 



EN DE NIEUWE HAVEN- ESt GEMEENTEWERKEN TE AMSTERDAM. 



i6S 



■gedeelte toe te vo^en, waarin, in dezelfden geest als voor 
het Noordzeekanaal, de groote spoorweg- en havenwerken 
en de nieuwe handelsinrichtingen te Amsterdam werden 
behandeld. Op die wijze zouden de uit te geven kaarten 
als het ware één geheel met den aangevulden tekst van 
den heer Dirks kunnen uitmaken en beiden elkander we- 
•derkeerig toelichten. 

De heer Dirks verklaarde zich met de meeste bereid- 
willigheid geneigd tot die aanvulling en heeft, door per- 
soonlijke aangelegenheden verhinderd haar terstond te be- 
werken, in het laatst van October 1880 aan zijn wel- 
willende toezegging gevolg gegeven. 

Daarop is door de Afdeeling een besluit genomen 
omtrent de inrichting, den vorm en de samenstelling der 
kaarten, en werd ten slotte in den aanvang van dit jaar 
de zorg voor haar vervaardiging aan mij opgedragen. 

Die opdracht viel voor mij samen met een verandering 
van werkkring, welke de voltooiing der kaarten tegen wil 
en dank heeft vertraagd, zoodat zij eerst thans, niet zonder 
eenige inspanning, voor de gravure gereed zijn gekomen. 

Tegelijk met de kaarten zal alsnu de verhandeling van 
den heer Dirks in het Tijdschrift worden opgenomen, tot 
welk uitstel deze zijn toestemming had gegeven. Zij dient 
daarbij als toelichtende tekst; haar waarde als zoodanig 
in een aardrijkskundig, dus niet technisch tijdschrift, zal 
den lezer van zelve blijken en behoeft voorzeker van de 
jsijde der Afdeeling niet te worden betoogd. 



De samenstelling der kaarten en de keuze der gegevens, 
tfe er den grondslag van zouden uitmaken, leverden 
eigenaardige moeielijkheden op. 

Eensdeels toch werd geoordeeld dat het niet op den 
-weg van het Gemootschap, noch op den weg der Afdeeling 
lag om, ter verkrijging van juiste gegevens, hier te lande 
opmetingen of topographische opnemingen te doen ver- 
richten, doch veelmeer om de reeds aanwezige gegevens 
•op te sporen, te benuttigen en te verwerken ter bekend- 
making aan de leden van het Genootschap en ter ver- 
meerdering der aardrijkskundige kennis van het Neder- 
landsch publiek. 

Men diende dus te verzamelen wat aan algemeene kaar- 
ten reeds uitgegeven of ten dienste van collegien, autori- 
teiten enz, reeds of^emeten en in kaart gebracht, doch niet 
uitgegeven was. 

Daarentegen bleek bij onderzoek weldra dat de reeds 
openbaar gemaakte g^evens ep. kaarten veelvuldig on- 
nauwkeurig en onjuist, ja dikwerf met elkander in strijd 



waren, zoodat alleen bij zorgvuldige schifting een voor- 
zichtig gebruik daarvan kon gemaakt worden. Het is 
toch de bedoeling der Afdeeling om nauwkeurige, bin- 
nen de grenzen van het doel volledige, en het Tijdschrift 
niet geheel onwaardige kaarten te geven, en men diende 
zich dus te bepalen tot het gebruik van die grondslagen, 
welker oorsprong en ..samenstelling hun nauwkeurigheid 
boven twijfel verhieven. 

Ook laatstbedoelde gegevens waren evenwel niet allen 
even recent door de voortdurende verandering van de 
terreinsgesteldheid nabij Amsterdam en den opvolgenden 
aanleg van talrijke openbare werken. Het was dus noodig 
zich ook de jongste gegevens te verschaffen en voor de 
samenstelling der kaart te gebruiken. 

Met dit alles is men niet ongelukkig geslaagd: door de 
welwillendheid, van verschillende zijden betoond, werden 
teekeningen van belangrijke onderdeelen van het aftebeel- 
den terrein verkregen en niet het minste bezorgde daarbij 
de belangstelling van den Heer Dirks gewichtige bijdragen, 
meer bijzonder Amsterdam, de w^en in en naardeljpol- 
ders en IJmuiden betreffende, ontleend aan geteekende 
kaarten, berustende bij de Amsterdamsche Kanaalmaat- 
schappij en de Directie der gemeentewerken te Amsterdam. 
Met behulp en gebruikmaking van de belangrijke op 
die wijze verkregen details zijn verder als grondslag der 
kaarten aangenomen de groote Topographische en Militaire 
kaart des Rijks en de nieuwe uitgave van de bladen Am- 
sterdam I — 4 der Algemeene Waterstaatskaart van Neder- 
land, beiden kaartwerken, welker voortreffelijkheid bekend is. 
Het is uit den aard der zaak een tijdroovende arbeid 
geweest, waartoe de heer Koot zoo welwillend zijn vrije 
uren ten beste heeft gegeven. Een ieder, die met het samen- 
stellen van kaarten bekend is, weet hoe voorzichtig moet 
gehandeld worden bij het inpassen van enkele juiste 
gegevens uit een overigens onjuiste kaart in het grond- 
plan eener juiste, en hoeveel nauwkeurigheid het herleiden 
tot dezelfde schaal van detailkaarten, op verschillende 
schaal geteekend, vordert. 

Het werk is thans gereed en zal weldra aan het oordeel 
der lezers worden onderworpen. De daaraan bestede zorg 
en moeite doen dit oordeel, bij eenige welwillendheid, niet 
zonder een weinig vertrouwen tegemoetzien, al kleven voor- 
zeker ook aan deze kaarten, even als aan alle dergelijk 
werk, gebreken en onjuistheden, zij het dan van ineer 
ondergeschikten aard. 

Voor den tijd der kaarten is aangenomen 1865, toen 
nog niets aan het Noordzeekanaal was verricht en 1881, 
het thans weldra eindigende jaar. Met name diende de 



i66 



HET AMSTERDAMSCHE NOORDZEE-KANAAL EN DE NIEUWE HAVEN- EN GEMEENTEWERKEN TE AMSTERDAM. 



kaart van het Noordzeekanaal en het drooggemaakte IJ 
zooveel mogelijk met die voordracht verband te houden 
en er eigenaardig op te slaan. 

De nauwlettende beschouwer zal op de kaart van 1881 
zoowel alle meest in de laatste tijden aangelegde harde 
wegen in en naar de IJpolders, als de wijze van walerbe- 
maling dier polders aangeduid vinden. Verder te gaan en 
b. V. ook de hofsteden aan te geven, scheen niet wensche- 
lijk: dagelijks toch worden nieuwe hofsteden bijgebouwd 
en op het oogenblik dat deze regelen in druk verschijnen, 
is de toestand van 1881 in dat opzicht reeds niet meer 
aanwezig. 

Het karton van IJmuiden, de jongste plaats van ons 
land, zal waarschijnlijk menigeen welkom zijn. Het is, 
zoover bekend, nog op geen enkele uitgegeven kaart zoo 
volledig en gedetailleerd te vinden en mocht dan ook, naar 
de Afdeeling meende, op de door haar uittegeven kaart 
niet ontbreken. 

Verdere toelichting schijnt onnoodig. Alleen zij nog op- 
gemerkt, dat de terreinen, naarmate zij verder van den 
omtrek van het voormalig IJ zijn gelegen, minder volledig 



in alle détails zijn voorgesteld, voornamelijk om het IJ en 
Noordzeekanaal sterker op den voorgrond te doen treden, 
maar ten deele ook om den reeds zoo tijdroovenden en 
voor het oog van den teekenaar vermoeienden arbeid niet 
onnoodig uit te breiden ten behoeve van gedeelten, die 
overigens niet onmiddellijk met de hoofdzaak in verband 
staan. 

Ten slotte wordt de aandacht er op gevestigd, dat bij 
het meten van afstanden op de kaarten niet de dubbele 
decimeter, maar de passer en de op de kaarten aange- 
duide schalen gebruikt dienen te worden, ten einde de 
afstanden nauwkeurig te leeren kennen. 

Moge de verrichtte arbeid zijn doel bereiken: het ver- 
spreiden onder het Nederlandsch publiek van eenige juistere 
kennis van een gewichtig gedeelte van den vaderlandschen 
bodem, dat in de allerlaatste jaren meer dan eenig ander 
van gedaante is veranderd, doch waarvan de nieuwe ge- 
daante aan menigeen bij gemis eener meer nauwkeurige 
voorstelling waarschijnlijk slechts onbestemd voor den geest 
staat. 



Alkmaar, December 1881. 



J. W. W. 



C U R A g A o. 



DOOR 



J. K U Y P E R. 

[Met een Kaart) 



Dit hoofdbestanddeel onzer bezittingen in den West- 
Indischen Archipel is in zekeren zin een oase in die 
streken, ofschoon eerlijkheidshalve moet erkend worden, 
dat het slechts bij wijze van contrast aldus mag worden 
gesignaleerd. Gelijk ih de dorre woestijn de enkele plekken 
die zich door vochtigheid en vruchtbaarheid onderscheiden, 
en daardoor den reiziger verademing verschaffen oasen 
worden genoemd, zoo kan die naam hier te midden van 
de vruchtbare, maar moerassige en derhalve hoogst onge- 
zonde kuststreken van de Caraïbische zee, met eenig recht 
worden toegekend aan het betrekkelijk dorre Cura^ao, 
welks droge bodem en luchtgesteldheid ook verademing 
aanbieden aan hen, die versterking, herstel of nieuwe 
krachten moeten zoeken, na een ontzenuwend verblijf in 
de voor den mensch helaas zoo ongezonde oorden langs 
deze kusten. 

Het is juist deze droogte van de atmospheer, te voor- 
schijn geroepen door een het grootst gedeelte des jaars 
heerschenden, straffen passaatwind, die vooral tegenwoordig 
onze weinig produkten opleverende bezitting belangwekkend 
maakt en wellicht een schoone toekomst in 't verschiet 
stelt; immers wij weten allen dat het kanaal van Panama 
in uitvoering is en dat onder de vele zwarigheden, welke 
deze kolossale arbeid oplevert, de kwestie der ongezondheid 
van de landengte in het langdurige regenseizoen zeker een 
der gewichtigste is. 

Reeds op hel Congres te Parijs wezen wij er op, hoe 



de maatschappij van het Interoceanische kanaal niet ver- 
standiger kon doen, dan tijdig te trachten ons Cura^ao te 
bezigen als een herstelUngsoord voor uitgeputte werk- 
krachten en vals magazijn voor de menigte werktuigen en 
materialen, die zoo lang ze nog niet in gebruik werden 
genomen, noodwendig in het vochtige klimaat van Colon 
en aangrenzende streken een spoedig bederf te gemoet 
gingen. Cura^ao's klimaat is daartoe bij uitnemendheid 
geschikt, de ligging is ook vrij gunstig te noemen, als juist 
in de route der uit Europa komende schepen, de haven is 
boven alle andere prachtig, veilig, diep, van kaaien voor- 
zien, en bevrijd van de orkanen die zoovele andere Antillen 
teisteren. 

Niemand weersprak ons beweren, doch onze invloed was 
niet krachtig genoeg om de concurrentie van Martinique 
en Guadeloupe en enkele naburige havens van de baan te 
schuiven. Alles bleef voorloopig bij het oude, maar de 
aandacht was op Cura^ao gevestigd en de tijd moest nu 
het overige doen. 

Dit vond werkelijk plaats en wel onder droevige omstan- 
digheden; een aantal niet aan matigheid te gewennen 
werklieden bezweek reeds, de gele koorts kwam ook hier 
en daar rondwaren en twee in den waren zin des woords 
onontbeerlijke mannen vielen bereids als slachtoffers van 
het klimaat, ten gevolge hunner onverpoosde inspanning, 
met name de Lessep's rechterhand, de oud-zeeofficier Bionne 
en de onvermoeide technische chef Blanchet. Het is waar- 



i68 



CURA^O. 



schijnlijk ten gevolge hiervan dat wij een uitnoodiging 
ontvingen om inlichtingen te verschaffen nopens het klimaat 
van Cura^ao, dat thans bij de leiders van het grootsche 
werk op den voorgrond treedt, zoodat het oogenblik goed 
gekozen mag worden genoemd om ook de lezers van het 
Tijdschrift een kaart van eiland en baai onder de oogen 
te brengen. 

Te eerder gaan wij daartoe over, omdat ons onuitgege- 
ven opnemingen van den lateren tijd ten dienste stonden, 
en de hier geleverde voorstellingen dus in alle opzichten 
voldoen aan de waardigheid van dit wetenschappelijk Tijd- 
schrift, welks Redaktie zoo zelden in de gelegenheid is 
goede kaarten van onze West-Indische eilanden te publi- 
ceeren. 

De kaart van het geheele eiland is op een schaal van 
I : 200000 geteekend, groot genoeg voor het doel, vooral 
omdat het hoofddeel, de St. Anna baai en omstreken met 
de hoofdstad Willemstad, daarneven op tienmaal grooter 
schaal is afgebeeld. Het zal den beschouwer treffen dat 
geen enkele rivier of beek op het eiland voorkomt, en dat 
niett^enstaande de bodem heuvel-, bijna bergachtig is, 
want op het noordwestelijk deel verrijst de St. Christoffel- 
berg tot een hoogte van 365 meter. Bovendien is de 
regenval er gedurende een paar zomermaanden in de meeste 
jaren volstrekt niet zoo onaanzienlijk als men wellicht 
denkt, doch al het water spoedt zich langs smalle geulen 
naar zee, en slechts enkele plantage-bezitters hebben onbe- 
duidende waterreservoirs aangelegd. 

Die verbazend lange droogte van acht, negen maanden 
duur, bevorderd door een vrij krachtigen wind, somwijlen 
verergerd door het geheel wegvallen van het regenseizoen, 
heeft dan ook ten gevolge dat van de kweeking van han- 
delsgewassen eigenlijk geen sprake is, zelfs de teelt van 
cochenielje en aloë op uitgebreide schaal gaf men in de 
laatste jaren op, dat de kuituren zich tot de valleien 
bepalen en zich beperken tot klrine Turksche tarwe, een- 
voudige groenten en geurig ooft, terwijl de dorre hoogten 
weinig anders opleveren dan schrale weiden voor runderen, 
schapen en kabrieten (geiten) of wel dooreengewassen kreu- 



pelhout, cactussen en aloös. Eenig zout en vrij wat dividivi 
(een looistof) vormen de hoofdvoortbrengselen voor den,, 
natuurlijk niet belangrijken uitvoer; toch zijn er een aantal 
plantages, want ieder eenigermate bemiddeld inwoner wil 
grondbezitter wezen. 

Het . is buiten eenigen twijfel dat het geheele eiland op- 
gaat in de hoofdstad, die door alle eeuwen heen (wij 
bezitten het reeds 2^ eeuw) haar welvaart ontleende aan 
de scheepvaart. Bij den wankelenden toestand der naburige 
landen en staten, ging dit gepaard met up en downs 
al naarmate de smokkelhandel floreerde of de levering van 
oorlogsmaterialen in 't geheim of openbaar bloeide; inden 
jongsten tijd kwam hier inzoover verandering in, dat de 
naburige landen en met name Venezuela, zich in een 
krachtiger bestuur mochten verheugen en bedreigden het 
kleine Cura^ao de keel toe te knijpen als het even 
ondeugend bleef; wanneer alle havens in den omtrek voor 
de snelzeilende schooners van ons eiland worden gesloten 
is het hier met de welvaart gedaan, en tegenwoordig wordt 
men er derhalve een weinig voorzichtiger en verbant zelfs 
de lastigste politieke vluchtelingen uit Willemstad. 

De kaart kan ons intusschen leeren hoe heerlijk de 
haven is, diep genoeg voor de grootste zeekasteelen, ruim 
genoeg om er honderden te kunnen herbergen, veilig ge- 
noeg om er rustig te liggen al veegt de krachtige oosten- 
wind over de omringende hoogten; voorzien van flinke 
baaien om te laden en te lossen, van werven, mastbokken 
en soortgelijke hulpmiddelen voor de scheepvaart, en niet 
tegenstaande dat alles weinig onkosten. 

Een eigenaardigheid van de in drie of vier hoofddee- 
len gesplitste stad is, dat het onderlinge verkeer wordt 
onderhouden door tal van over en weder varende pontjes 
door kleurlingen bestuurd, wier bestaanmiddel thans bedreigd 
wordt door een te Amsterdam opgerichte maatschappij,, 
welke zeer prozaïsch door middel van stoombooten in dat 
verkeer zal trachten te voorzien. Och, moge ook in menig 
meer belangrijk opzicht, een omwenteling ten goede op- 
Cura^ao plaats grijpen! 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏF, 



DOOR 



A, J, SCHELLING. 



II Aug. — 8 Sept. 1881. 



Het is aan de lezers van dit Tijdschrift bekend, welke 
ijverige pogingen onze consul te Djeddah, de heer J. A. 
Kruyt, heelt aangewend, om door woord en pen de belang- 
stelling voor het bereizen van het ten deele nog zoo weinig 
bekende Arabie in Nederland te wekken. Zijne roepstem 
volgende, en gesteund door de deelneming en de hulp 
van het Aardrijkskundig Genootschap, vertrok ik in Mei 
1881 naar Djeddah, met het voornemen, om mij dooreen 
kleine reis in het binnenland, b. v. naar Taïf, tot grootere 
ondernemingen voor te bereiden. Bij de aankomst te Djeddah 
raoest ik echter al spoedig de bevestiging vernemen van 
hetgeen mij reeds vroeger van daar geschreven was, dat 
gedurende het leven van den tegen woordigen Groot-Sjerief 
'Abd al-Mottalib aan de uitvoering van dit plan niet te 
denken viel. Zoo weinig echter als ik mij door die vroegere 
berichten van de reis naar Arabie had laten terughouden, 
zoo weinig kon mij thans de bevestiging daarvan ontmoe- 
digen. Moge 'Abd al-Motalib zoowel als de beide raads- 
Heden, een Syriër en een Jemaniet, die eigenlijk voor 
hem regeeren, een onverzoenlijk Christenhater zijn, — 
hij is niet onsterfelijk. Terwijl hij, volgens het gewone 
gevoelen, ongeveer 90 jaren oud is, zijn er anderen die 
hem minstens over de 100 jaren toekennen, en ook zijn 
gelaat, dat aan een doodshoofd doet denken, voorspelt 
hem geen lange loopbaan meer. Bovendien liet het zich 
wel aanzien, dat andere deelen, meer naar het zuiden, 
reeds thans te bereizen zouden zijn, en er werd zelfs een 



plan daartoe gemaakt, dat echter nog niet dadelijk tot 
rijpheid kwam. Om, gedurende den tijd dat ik wachten 
moest, toch eenige bezigheid te hebben, trachtte ik ten 
minste een gedeeltelijke uitvoering te geven aan een ander 
plan, dat mij alweder door den Heer Kruyt werd aan de 
hand gedaan. Wetende dat ik komen zou, en gezind 
mij in alles zooveel te helpen als hem mogelijk was, had 
hij van een onderhoud met den Pasja van de Hedzjaas 
gebruik gemaakt om er op te wijzen, dat er te Djeddah 
groote behoefte bestaat aan aanvoer van drinkwater, — 
dat wellicht een artesische put in de nabijheid der stad 
zou te boren zijn, en dat ik misschien wel geneigd zou 
wezen, om, in den eersten tijd na mijne aankomst, hier- 
voor eenige voorloopige verkenningen te doen. De Pasja 
juichte dit plan zeer toe en verzocht den Heer Kruyt 
mij wel te willen schrijven, dat ik dadelijk bij mijn uitreis 
naar hier de noodige instrumenten voor een boring zou 
meebrengen. Hij vergat echter, zooals te verwachten was, 
cautie te geven voor de te besteden sora, zoodat duidelijk 
te voorzien was, dat er niet veel van het plan zou komen. 
Toch besloten we thans dit gesprek als grond op te geven 
voor de aanvrage om de noodige zaptijes, om mij te be- 
schermen wanneer ik uitstapjes in den omtrek maakte; 
kwam er van de bron niets, dan kon ik ten minste een 
eenigszins uitgebreid kaartje van de omstreken van Djeddah 
samenstellen, b. v. tot aan de bergen. De gouverneur gaf 
gereedelijk bevel voor 5 zaptijes. Ik wil hier al dadelijk 

23 



lyo 



VAN DJEDDAH NAAR TAlF. 



bijvoegen, dat, aangezien van een civiel ingenieur geen voor 
het beoogde doel toereikende kennis van geologe kon ver- 
wacht worden, ik den Heer Cornelis de Groot, oud-hoofd- 
ingenieur der ■ mijnen in Nederlandsch-Indie, verzocht 
had mij behulpzaam te zijn tot het bepalen der steen- 
soorten, ten einde, indien eene artesische bron toch nog 
ernstig ter sprake mocht komen, daaruit de noodige ge- 
volgtrekkingen te maken, — eene hulp die hij mij met de 
grootste bereidwilligheid had toegezegd. Daar evenwel de 
macht der Turken in den Hedzjaas zeer gering is, en 
alles er eigenlijk van den Groot- Sjerief afhangt, werd be- 
sloten ook diens goedkeuring in te roepen. 

De daareven aangeroerde verhouding tusschen Groot- 
Sjerief en Wali, beide door den Sultan aangesteld, zou hier 
ten zeerste eene duidelijke uiteenzetting behoeven, maar 
daar mijn verblijf hier nog te kort is om mij geheel in 
die- ingewikkelde zaken in te wijden, durf ik mij daaraan 
nog niet wagen. Alles is hier te verward, dan dat men 
er in zoo korten tijd inzicht in zou kannen krijgen. En- 
kele dingen, die dadelijk in het oog vallen, kan ik echter 
vermelden. De Groot-Sjerief vertegenwoordigt het inlandsch 
element, dat echter, als altijd in Arabie, inwendig ver- 
deeld is, en bestaat uit twee partijen, aanhangers van de 
beide families uit wier midden de Groot-Sjerief door den 
Sultan gekozen wordt. De eene is die der 'Aoon's, waar- 
toe de vorige, zeer liberale, maar door geweld van het 
leven beroofde Sjerief 'Abd Allah behoorde; de andere die 
der Déjézets, waartoe de tegenwoordige behoort. Eerstge- 
noemde familie is verreweg de grootste en heeft ontegen- 
zeggelijk den meesten invloed; het tegenwoordige hoofd 
ervan is 'Abd Allah Pasja, broeder van den vermoorden 
Sjeiief, 'Abd Allah. Zooals altijd komt deze naijver den 
Turken zeer te stade, wier invloed buiten de steden Djed- 
dah, Taïf en Mekka eigenlijk niets beteekent. Slechts door 
middel van den Sjerief kunnen zij gezag over de Bédo- 
wienen uitoefenen, en daaruit volgt, dat alles afhangt van 
de houding, die de Wali tegenover den Sjerief aanneemt. 
Een flink man kan, door van de omstandigheden partij 
te trekken, betrekkelijk nog al veel doen, zooals b. v. 
l)lijkt uit het feit, dat dezelfde Turken vriend 'Abd al-Mot- 
talib, die vóór 'Abd Allah reeds eenmaal Sjerief was, toen 
door den Wali, als den Sultan vijandig, op eigen verant- 
woording werd gevangen genomen, natuurlijk met behulp 
van de partij der Aoon's. Het blijkt intusschen dat sedert 
de Sjerief van partij veranderd is. 

Om de tegenwoordige verhouding te kenschetsen kan 
ik een paar bijzonderheden mededeelen, 'die ik later te 
Taïf vernam, en die in betrekking staan tot Midhat Pasja, 



als beschuldigde van den moord van Sultan 'Abd al- 
Azlz. De Pasja, die bij zijne aankomst te Djeddah bij een 
invloedrijk Arabier gehuisvest was, moest reeds den vol- 
genden dag met zijne medebeschuldigden de reis naar 
Mekka voortzetten. Daar we ons in een huis bevonden, 
gelegen recht over dat waarin de gevangenen waren, kon- 
den wij ze allen bij hun vertrek goed waarnemen. Een 
palankijn, tacht, i^^ sJ, door twee kameelen, een voor 
en een achter, gedragen, was voor Midhat Pasja bestemd, 
gelijk ook voor de twee andere hoofdbeschuldigden; de 
anderen reden op ezels. Zulk een palankijn wordt, zoo 
het heet, alleen door voorname vrouwen gebruikt, zoodal 
men meenen zou dat het nog al een gemakkelijk middel 
van vervoer was; maar inderdaad is het een afschuwelijk 
voertuig, dat gedurig van de eene naar de andere zijde 
heen en weer schommelt, zoodat we ook al zeer spoedig 
de reizigers zich met beide handen aan de zijkanten zagen 
vastklemmen. 

Toen ik mij later te Taïf bevond, zag ik de gevangenen, 
den dag na mijne aankomst, uit Mekka aankomen, — de 
drie hoofden niet meer in palankijns, maar in sjoekdoefs, 
uJjJLt, twee overdekte gestellen, die onderling met tou- 
wen verbonden over een kameel gelegd worden. Ze gin- 
gen dadelijk naar den Sjerief, die in Metna, ongeveer 
een half uur buiten de stad, ten zuidwesten, woont; niet 
naar den Wali. Na ongeveer anderhalf uur kwamen ze 
terug, om in de citadel, die er eigenlijk geen is, — maar 
daarover later, — opgesloten te worden. De kommandant 
der Turksche troepen is echter een vriend van Midhat 
Pasja; van daar dat de Sjerief te Konstantinopel een offi- 
cier aangevraagd heeft, uitsluitend met de bewaking be- 
last, uit vrees dat anders ontsnapping mogelijk zou zijn. 
Met den Beiram vroegen de gevangenen verlof om de 
gewone felicitatie-bezoeken bij Wali en Sjerief te mogen 
afleggen. De eerste stemde toe, maar de laatste weigerde, 
zoodat zij in de citadel moesten blijven. Misschien zou 
men uit het bovenstaande opmaken, dat de Sjerief den 
bevelhebber der citadel ongenegen is. Dit is echter niet 
het geval ; maar wel is het dit met den Wali, die zelfs 
zijne vervanging te Konstantinopel heeft aangevraagd. 
Zoodra de Groot-Sjerief dit vernam, schreef ook hij aan 
den Sultan, om de bevestiging van dien officier in zijne 
betrekking en een eerekleed voor hem te vragen, en aan 
jijn wensch werd gevolg gegeven. Toch is de verhouding 
tusschen de beide bestuurders (openlijk ten minste) niet 
vijandig: met den Beirdm was de Wali 's morgens om 
7 uren reeds bij den Sjerief. Ik vernam deze verhalen te 
Taïf, en men zou licht kunnen denken dat ze, als uit 



VAN DJEDDAH NAAR TAIF. 



t^t 



een Arabische, dus den Turken vijandige bron afkomstig, 
niet veel geloof verdienen. Ik had ze echter van een jong 
Indiër, die er, geloof ik, geen belang bij gehad kan hebben 
mij onwaarheden te vertellen, daar hij buiten de partij- 
schappen staat. Hij zei b. v. ook : „deze Wali is een zeer 
goed (ik denk dat hij dit bedoelde in den zin van „goe- 
dig") man." 

Terwijl het schrijven over mij aan den Sjerief op ant- 
woord wachtte, vernamen we eerst dat de Medzjlis der 
stad het afkeurde dat ik ,met 5 soldaten zou gaan; er was 
minstens nog een Sjerief als geleider noodig. De Medzjlis 
is het bestuur der stad, ongeveer de gemeenteraad, en wat 
die nu met mijn uitstapje te maken had, is mij niet dui- 
delijk. Misschien was de aanleiding te zoeken in de her- 
innering aan de gevolgen van den moord van 1856, toen 
ook zij gestraft werden die geen andere schuld hadden, 
dan dat ze lijdelijk hadden toegezien zonder poging om 
den moord te verhinderen. Het . antwoord liet zich nog 
maar steeds wachten, toen mij zijdelings aangeboden werd, 
de 'Ain Zobeide, SJüüJ ^jkc, de waterleiding van Mekka, 
die gedurende twee jaren in herstel is, te komen in- 
specteeren, om te zien of er niet goedkooper gewerkt kon 
worden. Natuurlijk nam ik het aanbod aan, en nadat 
ongeveer 14 dagen lang verteld was, dat de brenger der 
officieele uitnoodiging, in gezelschap van een Sjerief en twee 
bisjaas (d. z. soldaten van den Sjerief) met ezels en muilezels 
voor mij en de noodige bedienden zouden komen, kwa- 
men ze dan ook eindelijk opdagen. Dit is, hetzij ter loops 
gezegd, tot nog toe mijne ondervinding met alle Arabieren 
geweest: wanneer het een of ander op een bepaalden dag 
vastgesteld is, mag men in den regel blij zijn, als het drie dagen 
daarna werkelijk gebeurt, en is men daarbij in Ramadan, 
dan wordt de tijd licht, zooals hier, tot 14 dagen verlengd. 

Den dag na de ontvangst van den brief vertrokken we, 
zooals ik bepaald had. Ik verwonderde me toen nog niet 
zoo over deze stiptheid, als ik nu wel doen zou. Toch werd 
het acht in plaats van vier uren eer we op weg gingen. 
Het ergerde mij omdat het t^en de afspraak was, maar 
was tevens oorzaak dat ik bij Omar Nassif, den grooten 
man in Djeddah, bij wien mijn geleider was afgestapt, een 
Arabisch diner kon bijwonen. Gegeten werd natuurlijk met 
de vingers en een houten lepel. Er waren verschillende 
gerechten; die ik zeker geloof dat in Europa zeer in den 
smaak zouden vallen. Europeesch was, dat we allen op 
stoelen zaten. Daar waren wij met ons negenen zeer ge- 
drongen aan een tafel geplaatst, die uit een blad metaal — 
ik geloof koper, maar kon het door de duisternis niet dui- 
delijk zien, — gevormd was. 



Van het personeel dat met ons ging, noem ik in de 
eerste plaats den tolk 'Abdoe, Egyptenaar van geboorte, 
die mij bij de eerste ontmoeting vrij goed Engelsch scheen 
te spreken, maar mij later tegenviel. Het spijt mij, dat het 
zoo is, maar hierdoor vernam ik veel minder, dan anders 
het geval zou zijn geweest. Kleinigheden, die ik in 't voor- 
bijgaan opmerkte en waaromtrent ik navraag deed, vor- 
derden soms 10 minuten explicatie, voordat hij ze be- 
greep, en gedurende dien tijd ontgingen mij misschien 
vijf andere bijzonderheden, waarbij ik met meer vrucht 
mijne aandacht had kunnen bepalen. Voor iemand die 
hier reizen wil, is kennis der taal een volstrekt vereischte; 
anders is men met gebonden handen en voeten overgele- 
verd aan menschen, die, al zijn zij vrij goed, toch de ge- 
breken van hnn ras hebben, 't Was me, wilde ik niet in 
groote moeilijkheden geraken, zelfs niet eens altijd moge- 
lijk door te zetten wat ik *t eerst bevolen had. Een lijf- 
bediende en een kok, een Indiër, vormden mijn personeele 
hulp. Levensmiddelen in blikjes namen we in voldoende 
hoeveelheid mede, zoodat ik over het eten niet te klagen 
had. Van den aard van het werk dat ik zou inspecteeren, 
was mij niets verteld, dan alleen dat het een waterleiding 
was en dat er op sommige plaatsen graven in de diepte 
bij zou te pas komen. Vreezende dat het meenemen van 
vele instrumenten, die ik voor het werk niet noodig had 
of meende te hebben, zooals een sextant enz., slechts 
hunne achterdocht zou opwekken, waardoor misschien het 
succes ook van mogelijke latere expedities in de waag- 
schaal werd gesteld, nam ik zoo weinig mogelijk meê. 
Van den sextant speet het me later zeer, vooral toen ik, 
boven verwachting, nu toch werkelijk te Taïf kwam. Bij 
mijn vertrek van Djeddah had ik wel aan de mogelijkheid 
gedacht dat dit zou gebeuren, maar men had mij volstrekt 
niet gezegd, dat dit van den aanvang af de bedoeling was 
geweest, zooals mij toch later bleek, — weer een staaltje 
van de nonchalante manier waarop hier alles behandeld 
wordt. Had ik den sextant te mijner beschikking gehad, 
dan had ik van het plat naast mijne kamer uitstekend de 
breedte, kunnen bepalen, zonder dat iemand het merkte; 
want ik was daar dikwijls alleen. Daar we altijd 's nachts 
reisden, was het mij onmogelijk mijne route met het kom- 
pas te bepalen. Over dag te reizen kon van niemand ge- 
vorderd worden; maar de maneschijn verlichtte, helaas! 
den omtrek niet genoeg, om mij in staat te stellen den 
weg over eenige lengte te overzien. 

Hoe het zij, de reis werd eindelijk op Donderdag it Aug. 
des avonds kwart voor achten aanvaard. Als hoofdleider 
en vertegenwoordiger der ' Ain-Zobeidc-Commissie fungeerde 



172 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏF. 



Abd al-Keriem, een man uit Taïf. 't Was mij sterk afge- 
raden per kameel te reizen, waarom ik op een muilezel zat. 
Op den rug van het dier kwam eerst een Arabisch zadel 
en daarop een choerdj, ^^^^ een voorwerp dat uit twee 
onderling verbonden zakken bestaat, soms zeer fraai van 
Perzisch tapijt gemaakt, en vooral zeer nuttig. Gewoonlijk 
is hiermee eene Arabische uitrusting voltooid, maar voor 
mij was daarop nog een groote deken gelegd, waarin een 
kussen was gewikkeld. In 't begin was het me zeer vreemd 
zoo hoog te zitten, terwijl uit hoofde der breedte van den 
toestel, van besturen van mijn rijdier geen sprake kon zijn; 
maar men went aan alles, en later beviel mij dit gevaarte 
zeer goed, daar het mij natuurlijk eene zachte zitting ver- 
schafte. 

De eerste opdracht die ik kreeg, was, om, al rijdendein 
den maneschijn, te zien of het terrein geschikt was voor 
een spoorweg van Djeddah naar Mekka. Van voorbereidend 
onderzoek voor kunstwerken had niemand eenig denkbeeld. 

Evenals hier met den spoorweg, ging het later met de 
artesische putten. Toen 't idee „water uit een put te krijgen, 
zonder opvoer werktuig", eenmaal ingang had gevonden, 
wilde iedereen zulk een put hebben, en* tengevolge daarvan 
werd ik onderscheiden malen naar reeds bestaande putten 
geleid, met een watemiveau van b. v. 6 M. onder de op- 
pervlakte van den bodem, met het verzoek er in te zien, 
en dan te zeggen of ik dacht dat er een artesische bron 
van gemaakt kon worden, en hoeveel dat zou kosten, 
't Kategorisch antwoord, dat ik daar op het oogenblik 
absoluut niets van zeggen kon, schrikte geen enkelen nieu- 
wen vrager af, zoodat ik het wanhopig besluit opvatte, 
hun 't principe aan het verstand te brengen. Ongelukkig 
gebruikte ik hierbij de platen uit het werk van Degausée 
en Laurent, waar ze er weldra in slaagden, de eenige voor 
oningewijden onduidelijke plaat uit te vinden, die op één 
blad drie doorsneden voorstelt, zoodat de eene in de lucht, 
de andere in de diepte schijnt te staan. Al deed ik het 
onmogelijke om hunne aandacht op iets anders te vestigen, 
die elkaar kruisende lijnen schenen een fatale tooverkracht 
op hunne verbeelding uit te oefenen, zoodat ik dien dag 
geen rust meer had, en zelfs des middags uit mijn slaap 
werd gewekt. Dit gebeurde in de vlakte Na'amaan; ^U^, 
en gelukkig vertrok ik den volgenden dag naar Taïf, waar 
ik wel zorgde dat het boek niet meer uit mijn koffer kwam. 
Zoo ging het echter altijd; ik was nu eenmaal de ma- 
chendis (ingenieur), en moest dus niet alleen antwoorden, 
zooals ik reeds verhaald heb, op absurde vragen over 
spoorwegen en artesische putten, maar ook moest ik mijn 
begeleider 'Abd al-Keriem, wanneer de bergen ons het 



gezicht op de zon benamen, het juiste oogenblik zeggen, 
waarop deze onderging, opdat hij op den rechten tijd zou 
kunnen bidden; ik moest weten hoe laat de maan opging, 
ofschoon hij dat even goed kon zien en weten als ik ; maar 
wat nog het mooiste was, ik moest ook precies zeggen, 
ofschoon ik de vlakte slechts vluchtig had doorgereden, 
hoe lang het graven van een nieuw kanaal naar Mekka, 
in verband staande met een artesischen put, wel zou duren, 
en vooral ook dadelijk, hoeveel het kosten zou; maar 
hierover later. Vragen als deze: „stel er is een artesische 
put; men maakt hem eerst van boven dicht, en na een 
paar jaar weer open, zal er dan toch weer water uit- 
komen?" of: „als men met een waterpas-instrument werkt 
(dit kenden zij), en men weet hoe diep een kanaal, waar- 
van de helling onbekend is, op zeker punt onder den 
grond ligt, kan men dan zeggen, hoe diep 't op eenig 
ander punt ligt?" enz. — vragen die mij werkelijk door 
mannen met grijze baarden gedaan werden — ga ik verder 
voorbij, 't Is niet te ontkennen, de universeele wetenschap 
die mij, als Europeaan, werd toegeschreven, was flatteus, 
maar uitermate lastig. 

II Aug. De weg loopt in den aanvang, onmiddellijk 
bij Djeddah, tusschen twee lage heuvelrijen door, die spoe- 
dig verdwijnen, om ongeveer een uur verder zich weder 
te vertoonen, en was voortdurend zeer vlak. Tegen twaalf 
uren bereikte wij een eenigszins golvend terrein, door wat 
men een pas zou kunnen noemen, zoo dicht naderen de 
heuvels elkander. Bij het terugkomen zag ik, dat de weg 
hier een dubbele bocht vormt. Op het oog kon ik natuur- 
lijk niet bepalen, of er al dan niet een spoorbaan dooige- 
legd zou kunnen worden. Na een geringe daling kwamen 
we in Wadi-bachra, ï^ssu \S'^^y waar verspreide bosjes gras 
stonden, die zelfs nu in Augustus, en ook nog bij mijne 
terugkomst in September, niet geheel verdord waren, — een 
duidelijk bewijs dat het water op niet zeer groote diepte 
aanwezig moet zijn. Te i u. 50 m. kwamen we in Bachra, 
waar wij een uur rust hielden. Te 2 u. 45 m. werd de tocht 
hervat, totdat we om 4 uren te Hadda ^^^^ kwamen. In 
het terugkomen merkte ik op, dat de bergen die Wadi- 
Bachra in twee rijen begrenzen, aan de linkerzijde (na- 
melijk als men van Mekka komt) soms tot aanmerke- 
lijke hoogte onder het zand bedolven zijn, maar de andere 
niet, zoodat men, bij aanleg van een spoorw^, de rechter- 
zijde houdende, voor geen verstuiving zal behoeven te 
vreezen, zooals bij den ouden weg van Kaïro naar Suez. 
Al dien tijd was de pas der ezels vrij stevig en vast, en 
toch zag ik later dat hun hoef bijna geen indruk achter- 



VAN DJEÜDAH NAAR TAÏF. 



173 



liet. Na eenige rust te hebben genomen werd ik om half 
6 wakker; mijn deken, uitgespreid op een vlechtwerk over 
een raam gespannen, was een zeer goed bed geweest. Ik 
bemerkte toen voor het eerst, dat er ook twee bisjaas met ons 
meegingen. Daar we nog op den Mekkaweg waren, was er 
geen vrees voor onze veiligheid, zoodat ze naar eigen ge- 
noegen hadden rondgereden. Hadda is een vrij groot dorp, 
waar de karavanen ophouden. Gedurende den nacht had 
ik, tot we Hadda bereikten, 18 karavanen geteld die van 
Mekka kwamen, en 15, waarvan 7 met Hadji's en 8 met 
goederen, die derwaarts trokken. 

Wellicht ora geen opzien te verwekken, deed 'Abd al- 
Keriem ons om 6 uren naar het dorp Sjiemezie, ^*i^, 

opbreken, waar wij te 7 uren aankwamen. De weg van 
Hadda af vernauwt zich sterk,, maar bij Sjiemezie wordt 
hij weder wijder. De Mekka- weg gaat van hier af oos- 
telijk, de bergrij te gemoet, terwijl wij begonnen de wes- 
telijke rij te volgen. Dicht bij Sjiemezie is eene bron en 
eene moskee, en in de vlakte zag ik aan de oostzijde 
booraen op eenigen afstand. Mijn geleider noemde de 
vallei daar eenvoudig „Wadi", zonder meer. Wij rustten 
den geheelen dag, 12 Aug., terwijl een heete samoem 
waaide, aten om 12 uren en gingen daarop om 4 uren 
verder. Wij hadden toen de zon bijna zuiver rechts van 
ons, en daar ze omstreeks 6 uren onderging, moest deze 
Wadi zich ongeveer van N.N.W. naar Z.Z.0. uitstrekken. 
Nauwkeurige opgaven kan ik niet doen, daar ik, om boven 
vermelde redenen, nog geen enkel instrument gebruiken 
durfde. De geheele vlakte was weer bedekt met geel- 
groene grashoopjes en scheen op het eerste gezicht volkomen 
doodsch; maar na ongeveer een uur kwamen we bij een 
Bedowienen-karap, waar onze geleider Sjerief Ali gewoonlijk 
dienst deed. Wij staken daarop de vlakte over en kwamen 
aan een zacht golvend terrein, op nog vrij grooten afstand van 
de bergen, datgeheel bedekt was met kleine steentjes, in vorm 
bijna parallelopipedums, + 9 cm. lang en 2 cm. dik en 
breed, maar die naast, niet op elkander lagen, zoodat overal 
het zand er doorheen kwam. Wij naderden daarop snel 
de bergen. Te half 6 maakten we weer een hoek linksom 
en kwamen daardoor in een vrij nauw dal, waar we te 
6 uren halt hielden, om te bidden en te eten. Te 7 uren 
gingen we verder, passeerden het (droge) bed van een Seily 
zooals zulk een winterstroom hier schijnt te heeten, en niet 
y^Wadi" en zagen daar sporen van bebouwing. Hier 
dicht bij was een Bedowienen-kamp, waaruit twee vrouwen 
ons gastvrijheid kwamen aanbieden, die we echter niet 
aannamen. Daarna gingen wij rechts, recht op de bergen 
af, zoodat ik meende dat we wel zouden moeten klimmen, 



maar Sjerief Ali wist een pas te vinden die bijna niet steeg. 
Daarbuiten lag een ander Bedowienen-dorp. Hier kwamen 
ons eenige mannen te gemoet, niet om ons te berooven, 
maar uit vrees dat wij met dat doel tot hen kwamen. 
De streken hier, en zelfs ook die betrekkelijk dicht bij 
Djeddah, werden in den laatsten tijd soms verontrust door 
een Bedoewienen-hoofd Ibn Binsjaan (indien die ten minste 
niet slechts een mythisch wezen is), waarom 'Abd al-Keriem 
mij in Sjiemezie mijne beide geweren en revolver had doen 
laden. Daarop gingen we iets noordelijk en op eens 
kwamen wij aan de rechterhand, bij den voet van Djebel 
Thor, op den veel beganen weg die van Mekka naar 
Taïf voert. Djebel Thor is zeer kenbaar aan zijn scherp 
gebogen en overhangende spits. Recht er tegen over, aan 
de andere zijde van den pas, was een uit elkander ge- 
vallen berg zeer kenmerkend. Wij gingen nu welgemoed 
verder; Sjerief Ali en de beide ezeldrijvers (natuurlijk ook 
op ezels) begonnen vroolijk te zingen, wat ze gedurende 
het zoeken naar den weg niet gedaan hadden, en zoo 
kregen we om half 12 de tuinen van het dorp Hassanije, 
ia***»J), aan onze rechterhand. Een half uur lang strek- 
ten deze tuinen zich uit, totdat wij om 12 uren aan de 
drinkplaats kwamen en halt hielden. Wij vonden hier eene 
afdeeling Turksche soldaten, die zich juist tot vertrek 
naar Mekka gereed maakten. Hier sliepen we op onze 
dekens of kleeden op den grond, waarna wij te i uur 
50 min. verder gingen. Het duurde niet lang of een der 
ezeldrijvers beweerde dat we verdwaald waren, en schoon 
Sjerief Ali het tegensprak, ging hij toch in een der drie 
of vier Bedowienen-dorpen die we passeerden, den weg 
vragen, waarbij zich een luid hondengeblaf deed vernemen. 
Te 3 uren 53 minuten hielden wij halt in een vlakte, 
waar ieder zich weer op zijn deken uitstrekte, maar ook 
nu niet voor lang, want te 5 uur 10 minuten wekte ons 
'Abd al-Keriem en hoe moe ik ook was van het onge- 
wone, met wijd uitgespreide beenen rijden, moest ik op- 
staan. Het bleek dat wij dezen dag (13 Aug.) slechts 
een korten rit hadden af te leggen ; want toen wij weldra 
Wadi Arafaat, cl;U^ ^S^^y ^^^^^ van ons gekregen had- 
den, waarbij de witte waterleiding van Mekka ook op 
sommige punten te zien was, gingen we Wadi Na'amaan, 
^Ufti, in, met de zon recht voor ons, boven Djebel 
Korra, en zagen na korten tijd den eindpaal der reis van 
den dag. Hier ontrolde zich voor ons een tooneel vol 
leven. Een groote menigte mannen en kinderen waren 
daar bezig aan het bloot leggen der waterleiding. In de 
onmiddellijke nabijheid van het terrein was eenv kamp met 
hutten en twee tenten, waar we te 6 uren 45 min. afstegen. 



174 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏF; 



De geschiedenis van 'Ain Zobeide is, naar ik van een 
der Indiërs vernam, genoeg beschreven, zoodat ik het 
weinige dat er me van verteld werd, niet behoef te herha- 
len. Slechts wat het tegenwoordige betreft, het volgende. 
De waterleiding ligt in Wadi Na'amaan, onder de opper- 
vlakte van den bodem, — op de plaats waar gewerkt werd 
i8 meters, — maar op ongelijke afstanden zijn er in 
breuksteen gemetselde schachten aangebracht, die i è 2 
meters boven den grond uitkomen, en waardoor de Bedo- 
wienen water kunnen putten. In den regentijd komt er 
geweldig veel water, en eens, voor ongeveer honderd jaren, 
geschiedde dit in zulk een mate, dat het de schachten 
bij den aanvang of de „Oem 'Ain Zobeide" inliep en 
door het medegevoerde zand de waterleiding voor een 
groot gedeelte verstopte. Zoo werd mij verhaald, maar ik 
geloof dat ook de bouw van het werk daaraan schuld 
heeft; doch daarover later. 

Een groot gedeelte was echter nog bruikbaar gebleven; 
maar de lange weg, dien het water te volgen had, was zoo 
slecht onderhouden, dat het meerendeel verloren ging. Wel 
was de Sultan gewoon jaarlijks, als ik mij niet vergis, 
40,000 roepies te zenden voor het onderhoud; maar dit 
geld was nooit voor dat doel besteed, en gedurende de 
laatste jaren was deze bijdrage, w^ens de armoede van 
Turkije, zelfs geheel ver\^allen. Tekjedien Pasja, toen 
gouverneur van Mekka, nu van Bagdad, begon eene her- 
stelling, maar na 100 yards verbeterd te hebben, moest hij 
het werk bij gebrek aan fondsen opgeven. Daarop is er 
in geheel de Mohammed aansche wereld eene inzameling 
gehouden voor het „heilige werk", en deze moet eene 
enorme som hebben opgebracht. Nog dezer dagen las ik 
in een der Egyptische bladen, dat, na al 't geen er reeds 
voor gedaan was, een Egyptenaar voor dit doel 65,042 
piasters (è + 12.5 et.) bijeengebracht had. Al dit geld 
is in handen gesteld eener commissie, met den Moefti 
'Abd ar-Rachmaan Seradzj tot President, den Indiër Hadji 
'Abd al-Wahid ben Djoenis tot Secretaris, en verscheidene 
Indiërs en Arabieren (waaronder 'Abd Allah Pasja, hoofd 
der 'Aoons) tot medeleden. De Groot- Sjerief en de Sultan 
schijnen een soort van controle uit te oefenen, maar hoe 
heb ik niet kunnen uitmaken, 't Gaat met dit geld, evenals 
altijd in het Oosten : de een beschuldigt den ander, er tijde- 
lijk tot eigen voordeel handel mee te drijven, en personen 
die er geheel buiten staan, beweren dat allen er goed van 
leven. Hoe dit zij, gedurende ongeveer twee jaren is men 
bezig geweest het gedeelte boven den grond waterdicht 
te maken, en al is dit nog niet geheel klaar, toch ont- 
vangt Mekka, naar men mij zeide, weder genoeg water 



voor dagelijksch gebruik. Er zijn op het oogenblik drie 
„tanks" of reservoirs, waar het water kosteloos te verkrij- 
gen is, terwijl men er vroeger voor moest betalen; de 
reden waarom men nog meer water wil hebben, is om 
nog twee tanks te kunnen maken. Men heeft getracht 
het schoonmaken van het laatste gedeelte aan te besteden 
aan een Indiër. Deze is ook werkelijk begonnen met in 
het losse zand twee houten ramen, van ongeveer 2 meters 
• hoogte, te ondergraven en daardoor te doen inzinken* 
Hij had daarmee ten doel, wanneer hij de waterleiding 
bereikt had, een soort van tunnel te maken, van de eene 
kist naar de andere; maar behalve dat hij door verande- 
rende richting het kanaal dikwijls niet vond, stortte ook 
het losse zand telkens in, en bedolf daardoor de koffers, 
zoodat hij dien arbeid heeft moeten opgeven. Tegenwoordig 
wordt het werk door de commissie zelve uitgevoerd, onder 
leiding van een Egyptenaar, Moestafa genaamd, op ver- 
zoek door de Egyptische regeering gezonden. Volgens 
hare eigene opgaven zijn er nog 3600 yards te doen; elke 
yard k 60 dollar, maakt 216,000 dollar =: /453,20o 
voor 't geheele werk. Maandelijks vordert zij 20 yards, 
zoodat het geheel in 180 maanden of 15 jaar zou klaar 
zijn. Het aantal werklieden bedraagt 350 man, waarvan 
ik, ter latere vergelijking, de loonen hier opgeef. De ploegen 
zijn van 75 man; de opzichter over zulk een ploeg verdient 
20 piasters (deze ^ + 7.9 ets.), ieder der 15 gravers 8 pias- 
ters en elk der 60 dragers 5 piasters per dag. Het mate- 
rieel is breuksteen, 100 stuks d 14 piasters; — wilde men 
de steenen behakken, dan zouden ze wellicht 20 maal 
duurder worden. 

De vlakte waarin de waterleiding ligt, is vrij lang. Van 

Djebel Korra, )S cU?-, dus eigenlijk Djehel Kara, maar 

als Korra uitgesproken) tot aan Wadi Arafaat hadden wij 
4 uren en 45 min. per muilezel te rijden; ongelukkig had 
ik geen gelegenheid om de snelheid van het dier te meten, 
zoodat ik alleen kan zeggen, dat een gewoon voetganger 
iets langzamer gaat dan wij gingen. De breedte is niet 
meer dan 20 è 25 minuten gaans. Het oostelijk eind (de 
strekking der vallei is bijna recht Oost-West) heet Wadi 

Koer, daarna heet zij Wadi Sjeddaad, jjjjj,, en einde- 
lijk Wadi Na'amaan. Ten N. en ten Z. wordt zij door 
twee niet hooge, geheel kale bergrijen begrensd. Die ten 
N. loopt aan het westeinde laag uit en geeft daar toe- 
gang tot W^adi Arafaat. De kaart der waterleiding, die 
ik bij dit opstel vo^, is wat de bergen betreft zonder 
eenige juistheid, en kan alleen dienen om eenigszins de 
gesteldheid van het land aan te geven. Het is een copie 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏF. 



175 



van een kaart vervaardigd door een Turksch kolonel *). 
Het gedeelte onder den grond, dat bij Wadi Arafaat begint, 
is tot aan de Oem 'Ain Zobeide 45 minuten rijdens lang, 
het gedeelte dat nog herstelling behoeft, 25 min. Voor den 
tijd waarin het gemaakt werd, is het een kolossaal, hoewel 
kunsteloos werk. Zooals reeds gezegd is, ligt het zeer diep 
onder den bodem, — de grootste diepte, die ik mat, was 18 
nieters. Op deze diepte is altijd water, zooals ook blijkt uit 
de groene planten en zelfs boompjes, die ik er in September 
aantrof. Men heeft nu eenvoudig een kanaal gemaakt in 
breuksteen, zonder cement, 81.5 cm. hoog, 40.3 cm. breed, 
waarin de van alle kanten komende stroompjes (die ik in 

I het blootgelegde gedeelte onder de zijwanden van den put 
zag uitkomen) vereenigd worden — een draineerbuis dus. 
Aan het boveneinde moeten, volgens Burckhardt, bronnen 
voorkomen, — in het gedeelte dat nu klaar is zijn er geen. 
Uit de constructie volgt van zelf, dat het zand zeer ge- 
makkelijk in het kanaal kan komen en dit verstoppen, 

I zoodat het niet bepaald noodig is den grooten vloed van 
voor 100 jaar als de eenige oorzaak der verstopping te 
beschouwen. Dit blijkt ook daaruit, dat ik in eene der 
schachten, midden tusschen twee droge, den bodem op 

i 15.41 m. vond (deze put was dichter bij den oorsprong), 
terwijl er 2.30 m. water in stond. 

I Het nieuwe kanaal, dat men nu successievelijk op de 

I plaats van het oude maakt, heeft zoodanige afmetingen, 
dat er een man in kan gaan om het schoon te maken, 
't Is namelijk 1.783 m. hoog en 43 cm. breed. Tot op de 
hoogte dat er nog watertoevoer komt, is het evenals het 

I oude, eenvoudig uit breuksteen gestapeld; daarboven is 
het met cement gemetseld. Op eenigen afstand van de 
eerste opgraving, naar de zuidelijke bergrij toe, had men 
een tweede dergelijk werk, dat, volgens meting van een 

! der Indiërs 29 Eng. voet, of + 8.80 m. diep lag, waarbij 
echter valt op te merken, dat de oppervlakte van den 
bodem eenigszins golvend is. Dit werk heette 'AinToomaar; 
waar de aanvang er van was, wist men niet; 't was nooit 
verder opgegraven, maar het einde liep naar den tuin 
Dzjardije, eigendom van den Groot-Sjerief Abd al-Mottallib, 
dicht bij het in een zijdal gelegen dorp Soemaar. Er waren 
hier twee takken: de zijtak was 46 cm. breed en 35 cm. 



*) Deze kaart, in hoofdzaak een tracé van het kanaal, met een 
groot aantal namen in Arabisch karakter, is te Djeddah door den 
Heer Schelling naar het origineel gekopieerd op vijf bladen doortrek- 
papier. Zij is, zooals zij daar ligt, totaal ongeschikt om in ons tijd- 
schrift te worden opgenomen, maar kan door belanghebbenden in de 
Bibliotheek des Genootschaps geraadpleegd worden, waar zij tot nadere 
beschikking van den Heer Schelling bewaard blijft. 



diep, de hoofdtak was 50.6 cm. in het vierkant en het 
water er in was 46 cm. diep. Het water stroomde hier regel- 
matig door. Dit werk werd op een ouderdom van ongeveer 
500 jaar geschat. Later werd mij bij Taïf nog een dergelijk 
werk gewezen, dat diende om Sjoebra, een tuin der ' Aoons, 
te bewateren. 

De wijze van werken om deze putten te maken, was vrij 
eenvoudig. Aan de zijde waar men afdaalde, waren treden 
gemaakt over de geheele breedte, elk + 75 cm. hoog; om 
het afschuiven te beletten was de voorkant van breuk- 
steen opgestapeld. De losgewerkte grond werd in manden 
(sambiels) gedaan, en deze werden van hand tot hand 
doorgegeven. De overige wanden zijn meestal in natuurlijk 
talud, maar ook soms te lood afgestoken; afschuivingen 
en daardoor veroorzaakte ongelukken zijn dan ook niet 
zeldzaam. 

't Eerste wat ik deed na aankomst op het station, was 
natuurlijk slapen; zonder me wakker te laten houden door 
de nieuwsgierigheid der koeli's, die in grooten getale den 
„Nazranie'* kwamen bekijken. Daarop werd mij van 10 
tot I uur een blik op de werkzaamheden gegund, en 
om 4 uren gingen we naar de Oem 'Ain Zobeide, waar 
niets aan te zien was. *t Is een kleine ingezonken kom, 
met opgeworpen wallen er omheen, waarschijnlijk na den 
watervloed gemaakt, en die ook niet eens meer intact 
waren. De plaats waar de oude, nu geheel onder zand be- 
dolven schacht was, werd aangeduid door een hoop takken ; 
als gezegd is, was de afstand + 25 min. rijdens. Allen stegen 
hier af, zetten zich op het zand neder (op kleine kleedjes 
natuurlijk), lieten mij hetzelfde doen, en vingen daarop 
aan, mij vragen te doen van het bovengemeld genre. Ik wil 
hiermee volstrekt niet te kennen geven, dat ze allen even 
zonderling waren, — maar zij waren dit in hooge mate, 
waar het voor hen nieuwe dingen betrof. Dit alles hadden 
wij heel goed in het kamp kunnen afhandelen, maar ik 
geloof dat men deze plaats gekozen had om vrij te zijn 
van den Eg3rptenaar, daar mij bij deze gelegenheid ook 
verteld werd, dat men lang niet over hem tevreden was, 
en dat, wanneer ik een nieuw plan ontwierp, ik dat ook 
moest komen uitvoeren, terwijl de Egyptenaar alsdan naar 
huis zou gezonden worden. 

Zondag 14 Aug. Van morgen om zes uren op weg naar 
de vlakte van Arafaat, om te zien waar de waterleiding 
uit den grond komt. Ze is hier + 60 cm. boven den bodem 
hoog en is wit gepleisterd. Vóór ze ombuigt naar Wadi 
Arafaat, geven verschillende openingen naast elkander gele- 
genheid tot waterscheppen ; 't schijnt daar een veelbezochte 
drinkplaats te zijn. Ik wilde van deze openingen profiteeren. 



176 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏF. 



om, door middel van geïmproviseerde drijvers, zij 't ook nog 
zoo benaderend, de snelheid te meten, maar al deed een 
der Indiërs zijn best om mee te helpen, 't gelukte niet en 
ik moest het opgeven. Ik had Djebel Arafaat op een afstand 
van misschien niet meer dan een kwartier rijdens voor mij. 
't Verbaasde mij zeer, de geringe ruimte die hij aanbiedt, 
te zien, daar ik deze op niet meer dan 60 m. schat; 't is 
dan ook onmogelijk, dat er „duizenden" te gelijk op staan. 
Ik kon duidelijk de witte zuil of toren op den top onder- 
scheiden. Vertrouwende, dat ik hier nog meermalen zou terug- 
komen, bewaarde ik het vragen naar inlichtingen tot later. 
Daar, om de mogelijkheid eener artesische bron met eenige 
zekerheid te kunnen beoordeelen, onderzoek der omringende 
bergen noodzakelijk was, sprak ik af, dat ik hiermee zou 
beginnen, waardoor ik dan tevens een eenigszins uitvoerige 
schets van de vlakte zou verkregen hebben. Voor het oogen- 
blik echter was er niets te doen ; want ' Abd al-Keriem had 
besloten, dat we dien avond nog zouden vertrekken. 
We gingen op weg te 8 u. 25 min., — zonder Bisj aas, daar 
de weg hier veilig was, en alleen met twee koeli's met 
mijne geweren, die tevens den weg wezen, daar het tot het 
opkomen der maan vrij donker was. Te half elf rustten 
wij te Sjeddaad tot elf uren; toen gingen wij verder, tot wij te 
II u. 50 min. aan de bergen kwamen, die de voorloopers 
van Djeb. Korra zijn. De barometer stond hier op 703.9 
mm., ongelukkig kon ik in den maneschijn den thermo- 
meter niet aflezen. Te 12 u. 5 min. daalden we weer iets 
en dit ging zoo voort, tot we te i u. 15 min. halt hielden 
in een dorp „Korra", aan den voet van den berg van dien 
naam. Bij onze aankomst wees de barometer 679.9 ^^' 

Maandag 15 Aug. De barometer wijst 677.9, temp. 310.1 *) 
Wij gaan te 5 u. 30 min. op weg en passeeren, in dè on- 
middellijke nabijheid van het dorp, een steenen vergaarbak 
voor het water, dat daar uit de rots sijpelt. Te 7 u. 45 
min. komen wij bij de bron. Deze heeft heerlijk water, dat 
ook in een vergaarbak voor de dieren wordt opgevangen. 
De menschen vullen hun waterzakken aan de bron zelve. 
Het water stroomt altijd door, ofschoon nu, in Augustus, 
niet overvloedig. Barometer 594.8—26^3 Op 618.9—27** 
waren we een plaats gepasseerd, waar op dit oogenblik het 
water slechts droppelsgewijs te voorschijn kwam en zich 
in een holligbeid verzamelde, waarin ook een paar water- 
torren rondzwommen. Minder ver in het jaar is ook dit 
een drinkplaats, maar voor menschen alleen. 

Na eenigen tijd rust gingen we verder, en, na ongeveer 



♦) Bij het vertrek van Djeddah wees mijn Feiglstock 758.9 — 32®. 6, 
mijn Olland 753.7 — 32''.7. 



15 min. kwamen wij aan den rand van het plateau, dat 
op den top van Djeb. Korra ligt. Wat nu den afgelegden 
weg betreft, deze is afschuwelijk slecht, daar de bergen aan 
die zijde (de westzijde) steil dalen. Hij loopt langs het bed eener 
winterbeek, dat hij driemalen kruist, evenals 8 zijstroompjes. 
Zoolang deze plaatsen, maar vooral de drie eerste, niet over- 
brugd worden, is hier aan een weg in den zin van een 
gebaand pad niet te denken. Overigens is de weg in zigzag 
aangelegd, met wendingen, die soms, of liever meestal, niet 
meer dan 15 k 20 meters lang zijn, zoodat hij onnoe- 
melijk veel hoeken maakt, en daarbij zoo steil, dat het mij 
verwonderde dat de muilezels niet uitgleden. Op de steilste 
plaatsen zijn dan ook lage, breede treden aangebracht. Bijna 
overal is de buitenborstwering van uit een lager gelegen 
punt opgestapeld. 

Te 10 uren kwamen wij aan het dorp Hadda, op dit 
plateau gelegen. Voor mijn oor klonk de uitspraak even- 
als die van Hadda in Wadi Bahra, anderen schijnen 
het onderscheid te kunnen hooren; in allen gevalle is 
de schrijfwijze verschillend en wel )jjt Burckhardt geeft 
van dit plateau, vooral in tegenstelling met Taif, 
eene opgewonden beschrijving. Hij zag Taïf echter kort 
nadat het door den Wahhabieten-oorlog was geteisterd 
en Hadda, naar ik vermoed, kort na den regentijd. Ten 
minste van de beekjes die hij er aantrof, zag ik niets 
dan de droge bedding, en eveneens droog, en dus onbebouwd, 
waren de trapsgewijze aangelegde velden, terwijl de hier 
en daar verspreide groene tuinen met behulp van 
ossen uit putten bewaterd moeten worden, — precies als 
te Taïf. Ik kan mij dus zeer goed begrijpen, dat de rijke 
Mekkanen, die juist gedurende Juli en Augustus Mekka 
ontvlieden, de voorkeur geven aan Taïf, waar ze in elk 
geval verschoond zijn van het beklimmen van een vrij 
langen en, gedurende het laatste gedeelte, zelfs soms zeer 
slechten weg, zonder dat ik hun daarom gevoel voor 
natuurschoon zou durven ontzeggen. Ik wil daarmee 
niet beweren, dat ze dat gevoel voor het schoone wèl 
bezitten — daarvoor ken ik hen nog te weinig — maar 
alleen scheen me de tirade naar aanleiding van Hadda 
onverdiend. Buiten de enkele groene tuinen was alles 
wat ik er zag, zand, droge aarde en zeer veel naakte ber- 
gen, waarop slechts hier en daar een spruitje of grasscheutje 
te voorschijn kwam. 

Wij hielden niet op bij het publieke koffiehuis, maar bij 
een vriend van 'Abd al-Keriem, in een huis dat twee ver- 
diepingen had, iets wat wij, sinds wij Djeddah verlieten, 
nog nergens gezien hadden. Als iets merkwaardigs werd 
mij hier ook een waakhond gewezen, die aan een ketting lag. 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏF. 



177 



Ik verwonderde mij aanvankelijk meer over hen die hem 
mij wezen, dan over den hond, totdat het mij inviel dat 
deze voor den Moslem een onrein dier is. 't Schijnt weer 
Mohammed te zijn, die hem daartoe gemaakt heeft. Vóór 
zijn tijd schijnt de hond even als bij ons behandeld te 
zijn, zoo als ook bleek uit eene anecdote, die me verteld 
werd, en die in 't kort hierop neerkwam, dat vóór 
Mohammed's tijd een hond, door voortdurend het lijk 
van zijn vermoorden meester op te graven, dat de moor- 
denaar telkens weer begroef, de misdaad aan het licht 
bracht. 

Te I u. 50 m. vertrokken wij van Hadda; barometer 
597.3 — 37^. Het eerste gedeelte van den weg was weer en 
zigzag, totdat we over een kleinen afstand het zeer steile bed 
van een winterbeek volgden, waarna de groote moeielijk- 
heid voorbij was. Zonder noemenswaardige moeite zou er 
een zeer goede weg van te maken zijn, daar s feil klimmen 
of dalen niet meer voorkwam. Te 4 u. 45 min. waren wij 
weder aan den voet van den DjebelKorra (bar. 6 1 2.2 — 35 ^), en 
na nog eenige malen dalen en stijgen, zag ik weldra door 
een opening in de bergen de minaret van een vervallen 
dorpje buiten de poorten van Taïf, in welke stad we te 
4 u. 45 min. aankwamen, 't Meest in 't oog valt van 
verre de citadel, of wat ik als zoodanig betitelen moet; 't 
is een hoog gebouw van twee verdiepingen, dat op een 
hoogte dicht bij den wal staat, maar 't heeft geen kanon- 
nen of iets dergelijks, behalve op het plein er voor aan de 
stadszijde. Het ligt binnen het soldaten-kwartier, dat op 
zich zelf staat en door een muur van de overige stad afge- 
scheiden is. De wallen zijn zeer slecht en zouden zelfs 
geen schijn van tegenweer kunnen bieden tegen een vijand 
met kanonnen. Hun basis is opgebouwd uit kleinere en 
middelsoort stukken steen, met klei gecementeerd ; het 
bovengedeelte, geen halven meter breed, is uit in de zon 
gedroogde steenen gemaakt, en is op verschillende plaatsen 
voor meer dan de helft door de regens weggewasschen; 
de bastions zijn geheel omgevallen en niets is zooals het 
behoort. De huizen in de stad zijn op dezelfde manier 
gebouwd. Men rekende, dat ze ongeveer 30 jaar konden 
blijven staan. Er zijn verschillende moskeeën, waaronder 
één groote, met een zeer ruim kerkhof er bij. Op ver- 
schillende graven zag ik uit latten getimmerde overdek- 
kingen, ongeveer in den vorm onzer kippenhokken. Allen 
waren zij met planten, meest met een soort van cactus, 
getooid. Ik had gaarne eene schets van deze moskee ge- 
teekend, maar het gezicht dat ik er van uit mijn raam op 
had, was niet gunstig en schrikte er mij van af. Bij mijne 
aankomst te Taïf stond de bar. 606 — 30^ (Feiglstock.) 



Dinsdag 16 Aug. — Dezen morgen is de bar. 615 — 27®, 
OUand 622.5— 27 <>; de Feiglstock is hooger dan gisteren; 
waarschijnlijk omdat hij toen nog niet tot rust gekomen was. 
Van de dagen van 16 Augustus tot 3 September, den dag 
waarop ik de stad* weder verliet, is niet veel te zeggen, 
. daar Talf genoeg bekend is. De reden dat ik er zoo lang 
bleef en er bijna niets deed, is ten eerste te zoeken in 
'Abd al-Keriem, die met mij terug moest en tot het einde 
van Ramadan thuis wilde blijven, om den Beiram met zijne 
vrienden te vieren, en gedeeltelijk in mij zelven, daar ik 
mij de gel^enheid ten nutte zocht te maken door in den 
omtrek de bergen te onderzoeken. Daarbij werd ik vooral 
geleid door de zucht om inscripties op te sporen; ik wist 
toen nog niet dat daarmede ook al bedrog werd gepleegd. Ik 
acht mij gelukkig er eenige te vinden, waarvan ik kopien 
naar Nederland opzond. Dat zij valsch waren zou de te 
groote duidelijkheid der letters een meergeoefende al 
dadelijk hebben doen vermoeden; in allen gevalle ben ik 
thans daarvan overtuigd. Die tochten in het gebergte 
werden overigens, aanvankelijk althans, niet alleen -aiet 
bemoeielijkt^ maar men scheen te denken dat het een 
goed middel was om mij bezig te houden, en dus kreeg 
ik altijd vanwege den Wali een soldaat en van de 'Ain- 
Zobeide-commissie een gids mee, terwijl de muilezel en 
ezel van den Secretaris ook te mijner beschikking ston- 
den. Toch ben ik maar drie dagen met dit doel uitge- 
weest, maar telkens waren er drie k vier dagen noodig, 
voordat wij klaar waren om te gaan. Ik was dan altijd 
met de opkomst der zon gereed, maar den eenen dag was 
er geen soldaat, den anderen geen gids, dan weder geen muil- 
ezel enz. De besprekingen over den laatsten tocht dien ik 
mij voorstelde te doen, duurden ongeveer eene week, en 
toen moest ik het opgeven. De berg, die eerst drie uren 
ver lag, werd achtereenvolgens 7 uren, twee dagen en ein- 
delijk (heen en terug) drie dagen; de Bedowienen werden 
in dezelfde verhouding grooter Christenhaters, en evenzoo 
groeide het noodige escorte aan, totdat wij eindelijk een ge- 
zelschap van 12 è 15 personen zouden gevormd hebben, 
met nog een Sjeri^f, welke laatste alleen op bevel van den 
Groot-Sjerief kon medegaan. Wilde ik nu mijn plan uitvoeren, 
dan zou eten en drinken voor drie dagen moeten meege- 
nomen worden (want water was er ook niet), en men zou 
een bevel van den Groot-Sjerief vragen. Daar ik uit dit 
alles begreep, dat men mij niet wilde laten gaan, bedankte 
ik en gaf den wensch te kennen om van Talf te vertrekken. 
Doch alvorens dien terugtocht te verhalen, moet ik eerst 
nog iets zeggen over het eigenlijke doel mijner komst: de 
waterleiding. 

24 



178 



VAN DJEDDAH NAAR TAlF. 



Donderdag den i8den Aug. werd ik naar het huis van 
Hadji 'Abd al-Wahid gebracht, waar op een divan de Wali, 
de Defterdar en de President, Mufti 'Abd ar-Rahmaan 
Seradzj, gezeten waren, terwijl voor de leden en voor mij 
stoelen gereed stonden. De zoon van 'Abd al-Wahid, Hadji 
'Abd Allah, sprak een weinig Engelsch en vervulde te zamen 
met den meegenomen tolk 'Abdoe, de functies van dra- 
goman, 't Gesprek vlotte echter maar middelmatig, en veel 
is dan ook van deze madzjlis of vergadering niet te zeggen. 
Eenige der vragen die mij werden gedaan, heb ik boven 
reeds vermeld; ik was dikwijls op het punt mijn geduld 
te verliezen. Telkens kwam men terug op de vragen : „hoeveel 
kost het werk, hoe lang duurt het en hoe lang blijft het 
in stand,** tot ik er eindelijk het volgende op vond. De 
kosten stelde ik op "/^ van hetgeen ze op de oude manier 
zouden zijn, den duur van het werk op ^/a en de duurzaam- 
heid op 500 è 600 jaar, en hiermee waren ze zeer ingenomen, 
waarna ze eindelijk, ofschoon juist niet begrijpende waarom, 
goed vonden, dat ik eene kaart van de vlakte van Na'amaan 
zou- maken, vooral toen ik op hunne desbetreffende vraag 
verklaarde, dit voor niet te willen doen. Eerst later zou 
er over een plan en begrooting gesproken worden. Ik had 
mij voorgenomen hiervoor naar Holland te gaan, ra aar 
door hun eigen schuld bleef dit achterwege, zooals uit het 
vervolg zal blijken. Deze belofte wilden zij met alle geweld 
op schrift hebben, waarom is mij nog niet duidelijk; ze 
beweerden dat het mijn naam in den omtrek goed zou doen, 
als ik op deze manier het heilige werk bevorderde. Om 
hun genoegen te geven, teekende ik een in 't Hindoestani 
opgesteld geschrift, dat beweerd werd deze verklaring te 
bevatten. 

Ik zal nu nog 't een en ander over Bedowienen en 
andere zaken meêdeelen, die gevende zooals ik ze vernam 
of zag. Dicht bij den muur der stad aan den Zuidkant, die 
ongeveer van het Oosten naar het Westen loopt, ligt aan 
de binnenzijde een groot steenblok, dat El-Oeze geheeten 
wordt, en nabij de moskee ligt een tweede, El-Late 
genaamd. Beide steenen werden mij gezegd betrekking 
te hebben op de Christenen die vroeger in Taïf hebben 
gewoond. Ik beval mijn tolk, meer dan eens, na te vra- 
gen of er geen legende meé verbonden was, maar hij 
vergat dat steeds, totdat het te laat was. Deze Christe- 
nen in Talf werden mij ook nog bij een andere gelegen- 
heid genoemd. Op een tocht naar een der inscriptie- 
bergen kwamen wij, ten Zuidoosten der stad, op eene plaats, 
die de Bedowien, welke mij ten gids strekte, Metna noem- 
de, en waar de rots op verschillende plaatsen even boven 
het zand uitkwam en vlak was. Drie van deze plekken 



worden door de overlevering als merkwaardig aangewezen 
en zijn daarom door grootere en kleinere, in een band 
er om heen gelegde steenen aangeduid. Die steenen 
komen echter slechts aan drie zijden voor; de van Mekka 
afgekeerde zijde is open, de naar Mekka toegekeerde zijde 
is naar de twee lange zijden rond bijgewerkt. De eerste 
dezer plekken, een kleine uitholling die in een streep uit- 
loopt, geeft, zegt men, de lengte aan van Mohammeds voet. 
De tweede vertoont een iets dieperen put, gevormd door 
Mohammeds elleboog, toen hij, om "van zijn strijd tegen 
de Christenen uit te rusten, op zijn arm steunende uitgestrekt 
lag. De derde eindelijk vertoont twee rijen putjes, in welke 
men met eenigen goeden wil een overeenkomst met indnik- 
selen van gazellen-pooten kan bespeuren, ofschoon, daar 
ze in twee rechte, evenwijdige lijnen gelden zijn, het ge- 
heel met de voorstelling van het spoor van zulk een dier 
in strijd is. Toch werden ze afkomstig geacht van Moham- 
meds gazelle waaromtrent mijn gids mij het volgende ver- 
haal deed: Een Jood, die eene gazelle had gevangen, 
bracht haar tot Mohammed en zeide : „hoe kan ik voor- 
komen dat zij wegloopt?" Daarop antwoordde Moham- 
med: „ik sta er voor in dat zij altijd komen zal als gij 
ze hebben wilt." Daarop liet de Jood de gazelle 'los, die 
naar hare jongen in de bergen ging; toen volgde hij 
haar en zeide : „zoo heeft Mohammed gesproken, wat moet 
ik nu doen?" De jongen antwoordden, dat als dit waar 
was de gazelle gehoorzamen moest, en = — dientengevolge 
kwam ze altijd tot Mohammed en volgde hem als hij 
dit verlangde." Ik voor mij had het redelijker gevonden 
als zij nu den Jood gehoorzaamd had, maar dit dui- 
stere punt in het verhaal was niet op te helderen. 

Overigens komt het mij waarschijnlijk voor, dat deze 
plaatsen reeds in den heidentijd vereerd werden. Bij 
andere gelegenheden, eens builen Taïf, een andermaal 
op de oostelijke helling van den Djebel Korra, zag ik 
weer zulk een steenen band, maar die nu een gesloten 
kring vormde. Hier was, zeide men, een masdjid, waar de 
Bedowienen en reizigers bidden! 't Was wel de eenvou- 
digste vorm van moskee die men zich denken kan. 

Omtrent de Bedowienen en hunne gewoonten verhaalde 
'Abd al-Keriem mij nog eenige bijzonderheden, waarvan som- 
mige reeds bekend zijn, andere nog wel eenige nadere 
bevestiging behoeven. Is het, b. v., genoegzaam bewezen, 
dat de Bedowienen zoo buitengewoon bedreven zijn in 't 
opsporen van misdadigers of van weggeloopen kameelen, 
door het volgen van het spoor? Dat iemand wien, stellen 
wij vóór een jaar, zijn kameel is ontstolen, en die het 
dier niet heeft kunnen wedervinden, een jong dat het 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏF. 



179 



inmiddels geworpen heeft als dat van zijn kameel zou 
kunnen herkennen, gelijk hij mij verzekerde, schijnt mij 
nog sterker toe. Ook deelde hij mij mede, dat een Bedo- 
wien nooit het schouderblad van een schaap zou breken, 
omdat hij er uit waarzegt, b. v. of er dien dag een gast 
in het kamp zal komen, of het zal regenen of niet, en der- 
gelijke. Ik kan mij niet herinneren deze bijzonderheden 
vroeger gelezen te hebben. . Hij beloofde mij op den terug- 
reis deze laatste kunst door een of anderen Bedowien dien 
we ontmoetten, te zullen doen vertoonen, maar daar hij 
niet meeging, kwam er natuurlijk niets van. 

Nog één bijzonderheid moet ik vermelden waarin ieder- 
een te Mekka en in Na'amaan vast geloofde, en die misschien 
ook niet volstrekt onmogelijk is te achten. Er moet namelijk 
te Taïf een man wonen, die aanwijst waai men een nieuwe ' 
bron zal kunnen graven met zekerheid van water te vinden. 
Men bood zelfs aan hem naar Na'amaan te laten komen, 
om te helpen in het bepalen van een plaats voor een 
artesische bron. Hij beziet, zegt men, den grond bij zons- 
onder- en, voor controle, ook nog eens bij zonsopgang, en 
trekt dan zijne conclusies. Maar vreemd blijft het, dat hij zou 
weten te zeggen: „op ongeveer zoo veel meters diepte zult 
gij de rots vinden; graaf of breek die door, en dan komt 
gij bij 't water." Toch liet men mij ^een put zien die ge- " 
heel alleen te midden van zand stond, gedeeltelijk in de 
rots was uitgehouwen en eerst kortelings op zijne aanwij- 
zing was gemaakt. Als ik mij wel herinner zijn er in 
Europa ook voorbeelden bekend van dergelijke personen, — 
ik heb natuurlijk niet de geloovigen aan de hazelaarsroede 
op het oog. De vorige Groot-Sjerief wilde den man eens 
op de proef stellen en liet daarom een kruik (goella) met 
water begraven, waarop hij hem liet komen. Deze stelde 
daarop zijne onderzoekingen in, en zeide eindelijk : „er is 
water, maar niet veel; ik denk, — wel ik denk ongeveer 
een goella vol — méér niet.*' — Deze Groot-Sjerief speelt ook 
nog eene rol in een verhaal dat mij gedaan werd be- 
treffende een steentje dat iemand, van Djebel Korra 
komende, van den weg opraapte, en dat bij onder- 
zoek bleek voor 3/4 uit goud te bestaan. Sjerief'Abd Allah 
liet alle mogelijke nasporingen doen om de rots te vinden 
waar het van afgebroken was, maar zonder gevolg. Er 
zijn echter Bedowienen, die van een goudberg zeggen te 
weten, maar die niet beklommen kan worden, omdat hij 
te steil is. Daarom gaan ze, wanneer zij geldgebrek heb- 
ben, heen en schieten een stuk naar beneden. Is de grond 
van dit verhaal waar, dan is het overige er waarschijnlijk 
alleen maar bijgemaakt om anderen van nasporingen terug 
te houden. In Taïf loopen nog meer verhalen over den 



mineralen rijkdom van het land. Zoo moet er ten Oosten 
een berg zijn, iiit welks gesteente de Bedowienen een slechte 
soort van ijzer maken, door het erts met hout te branden. 
Ten Zuiden van Djeddah moeten steenkolen gevonden 
zijn'; van een proefetuk echter, dat aan een Engelschen 
agent van stoombooten te Djeddah, ter opzending naar 
Europa, gegeven was, had men nóóit meer gehoord. Den 
persoon in quaestie heb ik niet gesproken, maar andere 
Europeanen, wie ik er later naar vroeg, wisten er niets 
van. 't Kan daarom toch nog wel waar zijn. 

I September. Ik had dus gezegd te willen vertrekken 
en wachtte slechts op de muilezels en ezels, die, volgens 
Abd al-Keriem, in Taïf niet goed te krijgen waren. In 
waarheid geloof ik echter dat hij nog geen pretext gevon- 
den had om mij zonder hem te laten gaan, en daarom 
tijd zocht te winnen. Ik had daardoor gelegenheid iets 
van een straatgevecht tusschen inlanders te zien. Taïf 
is namelijk verdeeld in twee kwartieren, Harret-Foók 
jy S^U. en Harret-Asfal Ji^) 'iX^y die in onderlinge 
veete zijn, evenals Djeddah verdeeld is in vier kwartieren, 
Madeloen, Jemaan, Sjam en Bachr. In de laatste stad 
vecht men echter alleen met stokken, waarmede men 
elkander buiten de poorten soms geregeld slag levert. 
In Talf bestond er bloedveete. Met het einde van 
den Beiram ging elke partij, ieder op haren dag, den 
Sjerief buiten de stad met schieten en zingen en het dan- 
sen van een krijgsdans begroeten. Den tweeden dag werd 
ik gehaald om 'Abd Allah Pasja verklaring te geven van 
een modelletje tot wateropvoer, dat ik gemaakt had, en wel 
juist op het oogenblik dat de optocht de stad was binnenge- 
trokken en op de markt (soek) gekomen, die in het stad- 
deel der andere partij ligt. Deze verzette zich tegen den 
doortocht, en door een zijstraat zag ik plotseling eene 
mengeling van vliegende steenen, heftig bewogen stokken 
en dichte stofwolken, hoorde ook schieten, en zag van alle 
kanten de soldaten naar hunne kazerne draven om hunne 
wapenen te halen. Mijn geleider versnelde den pas en 
vond het raadzaam een omweg te maken. Was ik onver- 
standig genoeg geweest er heen te gaan, dan zou zich de 
woede misschien tegen mij gekeerd hebben; want al ging 
ik hier gekleed als de andere stadsbewoners, en al waren 
de Turken even blank als ik, toch wist iedereen reeds den 
dag na mijne aankomst, dat er een Nazrani in de stad was, 
zoodat ik steeds werd nagestaard. Wel was ik er volko- 
men veilig, daar men wist dat ik niet uit mij» zelven, dus 
niet uit nieuwsgierigheid, maar op aanvrage gekomen was; 
maar toch was de stemming jegens de Firandji er alles behalve 
gunstige veel minder dan onder den vorigen Groot-Sjerief; 



i8o 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏI-. 



de bekende opinie van Abd al-Mottalib zelven was niet zon- 
der invloed daarop gebleven. Ik hoorde later, dat bij dit 
gevecht één of drie personen (dit wist men niet recht) met 
kogels gewond waren, terwijl sommige tabaks- en fruit- 
winkels waren geplunderd. Naar mij stellig verzekerd 
werd^ wordt bij zulk eene gel^enheid nooit gebruik ge- 
maakt van de Dzjembija, — het eenigszins gekromde mes, 
dat bijna iedereen voor het middel draagt en dat in 
grootte van een dolk tot een sabel varieert, — maar 
alleen van de bovengemelde verweermiddelen. 

Den volgenden dag kwamen de muilezels aan, maar nu 
moesten zij verder rust hebben. Tegelijk kwam Abd al -Ke- 
riem, met een voor de gelegenheid aangenomen gelaat, mij 
vertellen dat hij ajaan, „ziek" was, zoodat ik begreep 
dat hij mij niet zou vergezellen. 

Zaterdag, 8 September. Heden vertrokken we te 4 u. 
30 m., b^eleid door twee soldaten van den Wali. Hadji 
'Abd Allah had mij eerst gezegd, dat er een Sjerief meê 
zou gaan, maar *Abd al-Keriem beweerde later dat dit 
niet noodig was. Omstreeks 7 u. 30 m. kwamen we 
aan het bed eener beek, en daarna volgden wij over 
een korten afstand dat bed zelf, .waarin zich de vroeger 
vermelde steile plaats bevindt, Vervolgens begon de in 
zigzag aangelegde weg tot aan het plateau, waar we 
te 8 u. 15 m. aankwamen. Na een kwartier stapten 
wij aan hetzelfde huis af als bij de heenreis. Op 
dezen weg passeerden wij ongeveer halverwegen een dorp, 
dat ik de eerste maal vergat te noemen. Heb ik wel ge- 
hoord, dan heette het Wadi el-Megrim i). 

Nu ik reeds zoo vele plannen besproken had, vreesde 
ik ook niet meer mijne instrumenten te gebruiken, en 
daarom had ik mij gevleid, dat ik thans een regelmatige 
schets van den weg zou kunnen ontwerpen, doch hierin 
zag ik mij opnieuw teleurgesteld. De eerste deceptie be- 
stond daarin, dat wij te 5 uren, dus een uur vóór zons- 
ondergang, op weg gingen. Ik hoopte gelukkiger te 
zullen zijn, wanneer wij den weg van Djebel Korra naar 
Djeddah overdag vervolgden, maar het bleek ondoenlijk 
de korte stukjes weg van telkens veranderende richting te 
noteeren, en de algemeene richting van den weg was niet 
aan te geven, dewijl beneden op de lagere bergen een 
dichte nevel hing. Ik moest mij dus tevreden stellen met 
het medenemen van stukken, die ik van de rots afslo^, 
en het aflezen van den barometer. Bij 't vertrek van 
Hadda op 4 Sept., te 5 u. 30 m., wees de barometer 



i) Op de kaart van Arabic van Berghaus staat Wadi Mohram, 

P. J. V. 



596.10— -270, bij het vertrek^ uit Taïf 614.9 — 310. Te 6 
u. 28 m. kwamen wij op de plaats waar ook water te 
voorschijn komt; bar. 618.2 — 29**. Deze laatste aflezing is 
echter niet geheel te vertrouwen, daar het instrument kort 
te voren een stoot gehad had. 

Te 9 u. 10 m. kwamen wij aan een zijtak van den 
weg, die rechts naar boven gaat, en, ofschoon iets langer, 
gemakkelijker voor de kameelen is, en daarom door de 
beide soldaten genomen werd. Voor dezen was het iets bui- 
tengewoons hunne kameelen over de bergen te brengen; 
bijna altijd nemen zij den tweeden noordelijker weg. Men 
komt dan ook slechts zeer weinig pakkameelen tegen. 
Te 8 u. 32 m. kwamen wij in het dorp Korra, waar wij 
een half uur rust genoten. Daarop gingen we eerst naar 
Sjeddaad, van 9 u. 10 m. tot 11 u. 8 m., en te 3 uren 
vertrokken wij vandaar, zoodat wij te 5 u. 15 m. op het 
terrein van het voorgenomen onderzoek in Wadi Na'amaan 
aankwamen. Op het eerste gezicht scheen hier het kamp als 
uitgestorven, maar eindelijk zagen we toch twee Indiërs, ach- 
tergebleven als bewaarders, terwijl al de werklieden Ra- 
madan waren gaan vieren. Dit wist men te Taif ; want 
voor het meerendeel behoorden ze daar tehuis, maar men 
had er mij niets van gezegd ; integendeel men had mij 
verzekerd, dat ik in het kamp ezels zou kunnen vinden 
ter vervanging der muilezels, die naar Mekka terug moes- 
ten, en ik had zelfs een brief bij mij aan den magazijn- 
meester, die het bevel inhield om mij alles te verstrekken 
wat ik noodig had of vragen mocht. Dezen inhoud ver- 
nam ik echter eerst later ; mij was alleen de brief gege- 
ven, zonder meer, en ik had er op dat oogenblik niet 
meer over gedacht, daar ik toch reeds in het kamp be- 
kend was. Er was echter noch directie noch magazijn- 
meester, maar een inlander beweerde dat allen naar Kan- 
tara, een tuin op den weg naar Mekka, gegaan waren en den 
volgenden dag zouden terugkomen. Daar wij toch dien avond 
niets meer doen konden, vond ik dat zoo erg niet en be- 
sloot ik, in afwachting van de ezels, den volgenden dag de 
reis te voet aan te vangen. Ik ging dus den 3 September 
reeds vroeg op weg, gevolgd door den tolk en de twee 
soldaten met hunne geweren. Onderweg wendde zich een Be- 
dowien, tot ons, die, hoorende wie ik was, uitriep: „O! is de 
machendis (ingenieur) gekomen ! ga maar niette ver, want er 
zijn kwaadwilligen." Wij gingen verder, maar te 8 uren 
werd het zoo warm en kregen wij zulk een dorst, dat wij 
terug moesten; de tolk en een der soldaten, nog vermoeid 
van het afdalen van Djebel Korra, bleven zelfs een groot 
eind achter. Aan de hut komende vertelde mijn bediende mij, 
dat de Sjerief van het naburige dorp Soemaar was komen 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏF. 



l8l 



vragen, waar de Nazrani ,(^ier een scheldnaam even als 
in geheel Arabie) zich bevond ; hij wilde zien hoe ik er uitzag. 
Daarop kwam de tolk aan, die vertelde dat eenige Be- 
dowienen, bezig met uit een schacht water te putten, en die mij 
ook nageroepen hadden, hem staande hadden gehouden 
en gedreigd tegen den avond te komen, en, als ik dan 
geen Muzelman was, mij te zullen dooden of zoo iets. Ik 
hield dit voor ijdele grootspraak; maar toen ook de Indiër in 
den loop van den dag, terwijl ik om de warmte in de 
hut bleef, kwam vertellen, dat er meer dan dertig Bedo- 
wienen bij hem gekomen waren, zeggende, dat ze niet 
zouden toestaan, dat ik hun land kwam begluren, en toen 
hij verklaarde te gelooven dat ik niet veilig was, besloot 
ik eene boodschap naar Kantara te zenden. Meenende 
dat ik slechts met een klein getal slecht gewapende kwaad- 
willigen te doen had, die met de geweren der soldaten en 
de twee van mij zelven, waarvan het eene, een achterlader, 
mij welwillend door den heer Kruyt geleend was, gemak- 
kelijk in bedwang zouden zijn te houden, was ik aanvan- 
kelijk op weerstand bedacht; maar weldra zag ik de on- 
mogelijkheid daarvan in, toen ik vernam, dat er niet al- 
leen een tuin, zooals ik dacht, maar een geheel dorp op 
10 ^ 15 minuten afstands was gelegen. Ik vond het dus 
raadzaam de komst der Directie af te wachten en bleef 
verder in mijne hut. 's Avonds kwam eindelijk de maga- 
zijnmeester, maar alleen; de Directie had volstrekt geen 
plan gehad om te komen en was, toen mijn brief aankwam, 
alweer naar Mekka op weg. Ook hijzelf had oorspronkelijk 
eerst den volgenden dag willen komen. Toen hij mij zag, was hij 
zeer verschrikt en beweerde dat ik volstrekt niet veilig was. 
Ik liet hem daarom een brief naar Mekka schrijven, met 
verzoek mij dadelijk een Sjerief en de noodige ezels te 
zenden, ten einde de vallei veilig te kunnen opmeten of, 
als dit niet kon, mij naar Djeddah terug te brengen. 
Zooals mij den volgenden dag bleek, had de tolk het 
eerste gedeelte of niet begrepen, of willekeurig weggelaten, 
maar ik vernam dit eerst nadat ik nog een tweeden brief 
geschreven had. Na verzending van den brief zonden we 
een boodschap aan den Sjerief om in het kamp te ko- 
men. Ik zag hem alleen op een afstand — het was een 
gewone Bedowien. 

Dienzelfden nacht werd het plan geopperd, mij per 
kameel naar Djeddah brengen; dit was voorgesteld door 
Hadji Isaac, en op dat oogenblik was ik daartoe niet 
ongeneigd, daar de Indiërs, mijn tolk, bediende en kok 
mij allen eenstemmig daartoe aanspoorden. Ik heb mij 
later afgevraagd, of ze wel ooit geweld zouden hebben dur-^ 
ven gebruiken, en of het hun niet alleen er om te doen is ge- 



weest mij door vrees geld af te persen. Hoe het zij, dit plan 
stuitte af op den enormen prijs, die voor de kameelen ge- 
eischt werd, en die ongeveer twaalf maal meer was dan 
in billijkheid kon gevraagd worden. Hiertegen zag Hadji 
Isaac op, want ik weigerde er zelf iets aan te betalen, 
daar ik de gast der 'Ain-Zobeide-Commissie was, die 
tot nog toe ook alle onkosten had gedragen. Nu werd be- 
sloten dat gedurende dien nacht twee Sjeriefs (broeders) 
voor mijne hut zouden komen slapen voor 3 dollars 
(/6.60). Op mijne vraag of zij mij niet begeleiden wilden, 
verklaarden zij eerst, dat geen 1000 dollars hen daartoe 
zouden bewegen; want dat het niet zou helpen tegen een 
hinderlaag. Later wilden zij mij echter twee dagen toe- 
staan, voor 5 dollars per dag indien ik bij het kamp 
bleef, en verder op den weg voor 10 Dollars; doch daar 
ik reeds den volgenden dag bericht uit Mekka dacht te 
ontvangen, wilde ik liever wachten. Ik wachtte echter 
den geheelen dag te vergeefs, en was daarbij vrij wel aan 
de verveling ter prooi. De beide Sjeriefs zaten in eene op 
dat oogenblik verlaten tent, om te zien wat ik uit zou 
voeren, en lieten mij dien dag nog aanbieden mij voor 
200 dollars (/440) vrije beweging te waarborgen, 't Geld 
hadden ze noodig, zeiden ze, om aan onwillige Bedowienen 
wat baksjies te geven. Hieraan was natuurlijk niet te 
denken. 

Ik had thans niets hoegenaamd te doen; de weinige 
lectuur die ik meegenomen had, was in Taïf reeds ge- 
bruikt, en dus lag ik den ganschen dag op mijn rug en 
trachtte te slapen, wat vooral op den middag, wegens de 
groote warmte (van 11 è 12 tot 3 uur schijnt hier 
eiken dag samoem uit het westen te waaien, ten minste 
was dit het geval de beide keeren dat ik mij hier op- 
hield), niet altijd gemakkelijk ging. 

Dit alles nu had voorkomen kunnen worden. Waarom 
was mij niet óf *Abd al-Keriem óf een Sjerief meegegeven, 
of had men mij niet ten minste met een geleidebrief toege- 
rust, en waarom had ik niet, zooals de Sjeriels vroe- 
gen, bisjaas (soldaten van den Groot-Sjerief) in plaats 
van Turken tot escorte? Men ware dan overtuigd 
geweest, dat ik door den Sjerief gezonden was; nu 
kon men dat niet aannemen. In één woord, had men de 
overtuiging gehad, dat ik door 'Abd al-Mottalib gezonden 
was, dan ware ik volkomen veilig geweest en had ik- 
overal kunnen heengaan, maar — ze geloofden het niet. 
't Was duidelijk dat men mij, zelfs al had ik het ge- 
vraagd,, niet eens meer naar Djeddah zou hebben willen 
brengen, zoo niet eerst bericht uit Mekka of uit Taïf was 
gekomen, tot welk einde Hadji Isaac des nachts ook naar 



l82 



VAN DJEDDAH NAAR TAÏF. 



laatstgenoemde plaats geschreven had. Voor één of twee 
jaar had men hier voor een ander Christen schapen 
geslacht en hem zoo goed mogelijk ontvangen, maar deze 
had een Sjerief bij zich. De in 't oog loopende noncha- 
lance waarmee men mij te Talf behandeld had, en de 
verveling die mij kwelde, maakten mij eindelijk zoo boos, 
dat ik 's avonds een brief stelde, die eerst door den tolk 
in 't Arabisch werd overgezet, en vervolgens door den 
magazijnmeester in het Hindoestani geschreven en verzon* 
den werd, waarin ik der Commissie verklaarde, dat ik 
mij door haar eigen gedrag van de te Taïf gedane be- 
lofte ontslagen achtte, en ernstig verzocht mij dadelijk een 
geleider en een ezel te zenden om mij naar Djeddah te- 
rug te brengen. 

Eindelijk te ii uren kwamen de ezels; de Sjeiief 
kwam, als antwoord op mijn eersten brief, te één 
ure. Nieuwe moeielijkheid I de Sjerief wilde meer geld 
hebben dan degeen die mij van Taïf had afgehaald, en 
drong dit aan met de belangstellende vraag, wie meer 
te zeggen en wie de meeste hersenen had ? Eene verkla- 
ring van mij, dat ik hem betalen zou, voor 't geval dat 
de Commissie bezwaar maakte tegen de som waarom- 
trent we zouden overeenkomen, wilde hij niet aannemen. 
Hij geloofde alleen Arabieren, en wilde met Firandji zoo 
weinig mogelijk te maken hebben. Ten slotte kwamen 
wij overeen, dat ik hem dadelijk na aankomst 30 thaliri 
(/ 66) zou betalen, en dat ik zelf dit geld met de Com- 
missie zou verrekenen. 

Zoo gingen we eindelijk den 7 September te half 
drie op weg, daarbij den weg veel dichter langs 
Mekka nemende, dan de eerste maal* Ik kon duide- 
lijk de spits van Djebel Noer zien, en kreeg telkens de 
waterleiding in 't oog. Wij passeerden de vlakte Wadi 
Abadije, maar 't werd weldra zoo donker dat ik niets 
meer onderscheiden kon; de maan was jong en de lucht 
zeer bewolkt. Ik bewonderde dan ook de juistheid waar- 
mede onze gids op deze ongebaande terreinen den weg wist 
te vinden. Slechts te 5, 6 en 8 uren hielden we + 5 mi- 
nuten halt, om Sjerief Hassan gelegenheid tot bidden te 
geven. Eindelijk kwamen we op den Mekkaweg, hielden 
bij een dorp, waarvan ik vergat den naam te vragen, 
even op om te drinken, en kwamen te 10 u. 30 m. aan 



eene bron, waar we een half uur halt hielden. Kort na 
elf uren kwamen we door een nauwen pas, waar, vol- 
gens den gids, roovers woonden, waarom de tolk mij 
vroeg liever maar niet te spreken, daar hetEngelsch noo- 
deloos de aandacht kon trekken. Kort daarop zagen wij 
voor ons uit twee witte voorwerpen, die, zoover ik opeen 
afstand kon oordeelen, op zuilen geleken, 't Waren, zoo- 
als ik later vernam, een paar van de kolommen die op 
verschillende plaatsen de grenzen van het heilige gebied 
aanduiden. Zonder het te weten was ik dus gemimen 
tijd door den Haraam getrokken. Tusschen de zuilen 
mocht ik echter niet door ; dat scheen Sjerief Hassan 
toch niet op zich te durven nemen, zoodat we een enorme 
vlakte, met telkens, ons pad kruisende zandruggen, over- 
staken. Te half twee kwamen wij te Sjiemezie, waar wij 
een half uur rust hielden, en te half vier arriveerden wij 
te Hadda. We hadden dus bijna 12 uren achtereen op 
onze ezels gezeten; de kok, een Indiër van 60 jaren, was 
steeds dapper meegegaan. 

Den volgenden dag, 8 September, togen wij te 3 uren 
weder op weg en te 10 uren kwamen we in Djeddah, 
waar de poort, wegens de soldaten, zonder bezwaar ge- 
opend werd. Dien nacht werd de kameel van den Sje- 
rief in een slopje naast het Consulaat vastgebonden, en 
hij zelf sliep op een pleintje dat bij het huis behoort, en 
waar de eenige „tuin" uit Djeddah is aangelegd, vóór de 
deur. Den volgenden morgen, toen ik met hem verrekend 
had en hem nog, volgens mijne belofte, eenig baroed inke- 
liez, Engelsch kruid, gegeven had, ging hij zoover van te 
verklaren : „ente tajib" (gij zijt een beste !), waarna hij 
vertrok. 

Van 'Abd al-Keriep, die volgens zijn zeggen des zondags 
in Djeddah moest zijn, en mij, als alles goed was gegaan, 
onderweg zou zijn komen afhalen, hoorde ik noch op 
dien dag, noch gedurende de 14 dagen die ik nog in 
Djeddah vertoefde, iets hoegenaamd, evenmin als de Com- 
missie, volgens bericht dat ik later van den heer Kruyt 
ontving, ook daarna haar stilzwijgen verbrak. Alleen kwam 
er nog even vóór mijn vertrek een brief van den Wali, 
die, wel wat laat, mijn behouden aankomst te Taïf meldde. 

Katro, 23 Oct. 1881. 



IETS OVER DE KAAKT 



VAN 



EEN GEDEELTE VAN SUMATRA'S OOSTKUST 



bij de Geographische Aanteekeningen van den Heer Gramberg. 



De uitgave der Kaart bij het opstel van den heer Gram- 
berg is vertraagd geworden door de gelegenheid, mij wel- 
willend verschaft door den heer P. J. Buyskes, chef van 
het hydrographisch bureau te 's Gravenhage, om inzage te 
nemen van eenige nieuwe gegevens betreffende de eilanden 
aan en bij de Brouwers-straat, die ook gediend hebben voor 
de samenstelling eener nieuwe zeekaart van dit gedeelte 
van Sumatra's Oostkust, die thans ter lithographie van den 
heer Tresling te Amsterdam in bewerking is. Mijn warme 
dank zij hem daarvoor toegebracht. 

De kaart was reeds bijna gereed, toen mij deze gelegen- 
heid geboden werd om belangrijke verbeteringen daarin 
aan te brengen. Zij waren gewichtig genoeg om mij te 
nopen de reeds onder mijn opzicht vervaardigde teekening 
te doen ter zijde leggen, en eene geheel nieuwe te doen 
vervaardigen. Dit uitstel verschafte mij tevens gelegenheid 
den heer Gramberg, die inmiddels van eene reis naar 
Amerika was teruggekeerd, zelven te hooren over het 
verschil in de namen betreffende het eiland Bangkalis, 
zooals ze in zijn opstel voorkomen, en zooals zij in het 
door hem daarbij overgelegd kaartje van het eiland gele- 
zen worden, op welk verschil in eene noot der redactie op 
blz. 107 van zijn stuk is opmerkzaam gemaakt. Dat 
kaartje, zoo deelt hij mij mede, is de vrucht eener opne- 



ming van het eiland Bengkalis dooreen Duitscher, of liever 
Oostenrijker, en daar, zoo gaat hij voort, de Duitschers 
vele Maleische namen anders uitspreken dan wij Hollan- 
ders gewoon zijn, is het verschil in de schrijfwijze dier 
namen uit de nationaliteit van den opnemer te verklaren. 
De heer Gramberg verzekert mij daarbij dat hij in zijn 
opstel de namen zoo nauwkeurig mogelijk overeenkomstig 
onze uitspraak van het Maleisch heeft geschreven, en ik 
ben daarom thans teruggekomen van het in de bedoelde 
noot uitgedrukte voornemen, om de namen zoowel van de 
kaart als van het handschrift onveranderd te geven; ik 
heb nu in de enkele namen waarvoor genoegzame ruimte 
was en die van eenig belang schenen, geheel de schrijfwijze 
van het handschrift gevolgd. 

De heer Gramberg had zelf geene kaart bij zijn opstel 
gevoegd, maar slechts eenige bouwstoffen daarvoor geleverd. 
Behalve het reeds besproken kaartje der opneming van 
Bengkalis en eene kaart van Deli, die voor het oogenblik 
buiten behai:deling kan blijven, bestonden zij uit schetsen 
van de opnemingen der Siak-rivier van 1756 en 1858, die 
als kartons op bijgaande kaart zijn opgenomen, omdat in 
het opstel van den heer Gramberg, blz. 102, eene toespeling 
daarop voorkomt, en voorts eene schets van den mond der 
Si.ak-rivier volgens eene opneming van 1863. Deze laatste 



i84 



IETS OVER DE KAART VAN EEN GEDEELTE VAN SUMATRA'S OOSTKUST. 



verschilt, ook wat de peilingen betreft, slechts zeer weinig 
van het karton dier monding, voorkomende op de in 1858 
uitgegeven zeekaart der Brouwersstraat van den kapitein ter 
zee J. van Maurik. Ook de opneming der rivier, door den 
heer Gramberg „de opneming van 1858" genoemd, komt 
reeds voor op de zooeven bedoelde zeekaart, zonder eenig 
verschil aan te bieden. De opneming van 1756 echter bleef, 
voor zooveel mij bekend is, onuitgegeven en verdiende 
alleszins ter vergelijking te worden opgenomen. 

Boven de hoofdplaats is de Siak-rivier gevolgd naar de 
kaart gevoegd bij het „Verslag van eene onderzoekingsreis 
in het rijk van Siak" door den Mijningenieur R. Everwijn, 
opgenomen zoowel in Dl. XXIX van het Natuurkundig 
Tijdschrift voor Ned, Indie (1867), als in het Jaarboek 
van het mijnwezen in Ned, O, Indié\ Jaarg. 1874, D. I. 
Ik ben niet zonder hoop, dat ik weldra in de gelegenheid 
zal zijn eene andere opneming van het bedoelde rivierge- 
bied van zeer bevoegde hand aan de Redactie van dit 
Tijdschrift aan te bieden. 

Voor zoover ik kan nagaan hebben den heer W. F. Ver- 
steeg voor zijne „Kaart der Residentie Riouw en Onder- 



hoorigheden", in 187 1 als bijvoegsel tot den Atlas van 
JNederlandsch Indië uitgegeven, wat het hier voorgestelde 
gedeelte van Sumatra's Oostkust betreft, buiten de ook 
door mij gebruikte kaarten van van Maurik en Everwijn 
geene hulpmiddelen ten dienste gestaan, die thans nog 
met vrucht zouden kunnen vergeleken worden. Aan eene 
juistere kaart der mondingen van de Rokan-rivier schijnt 
mij nog groot e behoefte te bestaan. 

De kaart die hier thans den lezer wordt aangeboden, is, 
met raadpleging van alle hier genoemde hulpmiddelen, op 
mijne aanwijzing samengesteld en geteekend door den heer 
J. H. Makkink, gewezen stuurman van de stoombaikas 
der Sumatra-expeditie, thans in dienst bij de Maatschappij 
tot Exploitatie van Staatsspoorw^en. Met genoegen heb 
ik mij op nieuw kunnen overtuigen dat zoowel zijne ken- 
nis van alles wat tot het cartographisch gebied behoort, 
als de keurigheid en de vaardigheid zijner teekenpen, hem 
tot deze soort van werk zeer geschikt maken. 



P. J. VETH. 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG" 



TE H ALL E, 



DOOR 



Dr. C. M. ka N. 



Er had voor eenige dagen te Halle aan de Saaie eene 
iDijeenkomst van geographen plaats, die niet lang te voren 
met veel ophef wetd aangekondigd; die niet van regee- 
ringswege was in 't leven geroepen en door geen officieele 
benoemingen een meer of minder officieel karakter had 
verkregen; waaraan geen plechtige ontvangsten, festivitei- 
ten en internationale ceremoniën waren verbonden — maar 
die, bij gemis van dit alles, toch weinig in waarachtige 
beteekenis en gewicht voor de geographische wetenschap bij 
de geographische congressen behoeft achter te staan. Het 
"was ons vergund die bijeenkomst bij te wonen en wij achten 
liet van onzen plicht de lezers van dit tijdschrift op de 
hoogte te stellen van *tgeen daar te Halle voorviel. Niet 
enkel het belang der daar besproken onderwerpen noopt 
ons daartoe; evenzeer de opdracht, ons van verschillende 
zijden geworden en gaarne aanvaard, om toch velen onzer 
landgenooten uit te noodigen tot den derden Geographen- 
tag, die te Frankfort zal gehouden worden, op te komen. 

Wij meenden die opdracht op tweeerlei wijze te kunnen 
vervullen: vooreerst door de verzekering te geven, dat wij 
Nederlanders daar bijzonder welkom zullen zijn; voorts 
door in 't licht te stellen dat het de moeite waard is de 
Geographentage, als zij hun tot dusver aangenomen ka- 
rakter blijven behouden, bij te wonen. Om dit laatste goed te 
kunnen doen, wenschen wij, na een korte geschiedenis van 't 



ontstaan dezer bijeenkomsten gegeven te hebben, uitvoe- 
riger stil te staan bij de daar verrichte werkzaamheid. 



De Deutsche Q>eographentag in zijn wording 
en ontwikkeling. 

De vereeniging van vrienden en beoefenaars der aard- 
rijkskundige wetenschappen in Duitschland heelt een 
geschiedenis, even goed als de Duitsche eenheid zelve. 
Nog vóór die eenheid tot stand was gekomen (ik bedoel 
in 1870) zijn daartoe reeds pogingen aangewend. Toen in 
het jaar 1865 in het „Freie Deutsche Hochstift" te Frank- 
fort a/M. vele Duitsche geographen bijeen waren, sprak 
Dr. Volger den wensch naar een meer blijvende vereeniging 
uit, en een jaar later deed Dr. Petermann het bepaalde 
voorstel om één groot Duitsch geographisch genootschap 
op te richten. Het zou uit een 1 00000 leden moeten be- 
staan, die door een bijdrage van 3 mark ieder het uitzen- 
den van geographisch-natuurhistorische expedities (in dezen 
het ondernemen van pooltochten) mogelijk zouden maken. 
Hoewel zeer velen Petermann hun instemming met zijn denk- 
beelden betuigden, kwam de vereeniging toch niet tot stand. 
Na 1870, toen Duitsch land's eenheid, de meerdere belang- 

25 



i86 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG.' 



Stelling in aardrijkskunde en ruimere middelen een beteren 
uitslag schenen te beloven, werd een tweede poging ge- 
waagd. In 187 1 werd te Breslau de geographische sectie 
der Deutsche Naturforscherversammlun^ opgericht en in 
1873 werd, op initiatief van Dr. Bastian te Berlijn, de 
Deutsche Gesellschaft zur Erforschung Aquatorial-Afrika's 
gesticht. Doch ook deze pogingen hadden niet het gewenSchte 
gevolg. De vergaderingen der genoemde sectie, te München, 
Cassel, Baden-Baden, Danzig en Hamburg werden, met 
uitzondering der laatste, steeds slechter bezocht; de Deut- 
sche Africanische Gesellschaft, oorspronkelijk bestaande 
uit de vereeniging der genootschappei\ te Berlijn, Dresden, 
Frankfort a/M., Halle, Hamburg, Leipzig en München, 
verloor weldra drie der medewerkende gezelschappen 
(Frankfort, Hamburg en Moi;chen), terwijl de overigen zoo 
slecht medewerkten en bijdroegen, dat, zonder de hulp 
van den Duitschen Keizer en de Vertegenwoordiging, zeker 
weinig had kunnen verricht worden. 

Andermaal werd de vereeniging der verschillende Duit- 
sche genootschappen ter sprake gebracht bij gelegenheid 
van het jubilee van het Gesellschaft für Erdkunde te 
Berlijn in 1878, het Ritterfeest in 1879 en de Deutsche 
Anthropologenversammlung in 1880, totdat eindelijk, in 
1881, de gedachte een meer bepaalden vorm aannam in 
een voorstel, dat van het Berlijnsche genootschap uitging 
en aldus luidde: Er zou te Berlijn één eenig Duitsch ge- 
nootschap worden opgericht met de bestaande genootschap- 
pen als secties en geïsoleerde beoefenaars of begunstigers 
van aardrijkskunde als leden. De secties zouden hun vroe- 
ger bestaande organen voortaan uitgeven og de wijze .der 
Ver hand lungen van het Zeitschrift für Erdkunde. Deze 
zouden dus de verslagen der zittingen bevatten en in korte 
Notizen een overzicht moeten geven van de voornaamste 
gebeurtenissen, op geographisch gebied voorgevallen. Het 
groote genootschap te Berlijn daarentegen zou een y^ar^^^/è 
uitgeven, dat aan inhoud en kaarten niets te wenschen 
moest overlaten, waartoe de bijdragen van een aantal 
leden, dat op loooo geschat werd, in sta^t zouden stellen. 
De door verschillende reizigers verkregen resultaten zouden 
daarin uitvoerig kunnen worden medegedeeld, terwijl zooveel 
meer reizigers zouden kunnen ondersteund worden. Liet de 
kas de uitrusting van expedities op groote schaal niet toe, 
voor het ééne groote duitsche genootschap zoude allicht 
eene ruimere bijdrage van de Regeering te verkrijgen zijn. 
Eindelijk zou ook de bibliotheek, die men natuurlijk voor 
de verschillende secties en leden gemakkelijk to^ankelijk 
moest stellen, een vroeger niet gekenden omvang kunnen 
verkrijgen en zou de uitgave van wetenschappelijke publica- 



ties op geographisch gebied moeten ondersteund worden. 

In weerwil van al deze lichtzijden mocht het voorstel 
den bijval der verschillende genootschappen niet verkrijgen. 
Het is niet gemakkelijk, en misschien ook niet alleszins de 
moeite waard, de verschillende motieven op te geven, waarom 
het groote Duitsche genootschap niet tot stand kwam. 
Niet alle argumenten, welke men er tegen aanvoerde, wa- 
ren even belangrijk, doch ook niet alle bezwaren, welke 
men er tegen koesterde, waren even geschikt om openlijk 
uitgesproken te worden. Genoeg zij het hier te vernielden, 
dat vrees voor centralisatie en verlies van zelfetandigheid, 
bezwaren tegen het inkrimpen der organen en het daar- 
mede gepaard gaande ledenverlies, en eindelijk twijfel, of 
er wel zoovele leden tot het groote genootschap als tot de 
kleinere locale vereenigingen zouden toetreden, er krachtig 
toe hebben medegewerkt om het bovengenoemde voorstel 
in den vorm, waarin het gedaan werd, te verwerpen. 

Van den anderen kant bleven toch de daarover 3 jaren 
achtereen gehouden discussies en gesprekken niet zonder 
vrucht. Werd ook al geen genootschap gesticht en geen 
Jaarboek in 't leven geroepen, toch was de behoefte aan 
gemeenschappelijke bijeenkomsten van reizigers, geographen 
en leeraren in geographie geconstateerd, en werd besloten 
deze bijeenkomsten voortaan geregeld te doen plaats heb- 
ben. Werd dus het practische doel van het Berlijnsche 
voorstel niet bereikt, het theoretische (wat de Duitschers 
het „akademische Ziel'* noemen) trad des te meer op den 
voorgrond. Als bijwijze van schadeloosstelling werd de 
eerste Geographentag (dus de bijeenkomst van geographen, 
die geen gemeenschapi^elijk genootschap vormen) te Berlijn 
bijeengeroepen en gehouden. De opkomst was voor een 
eerste poging in die richting niet geheel onbevredigend. 
Toch moet het aantal 70 voor geheel Duitschland als niet 
hoog aangemerkt worden. 

Wat overigens op dien eersten Geographentag voor- 
viel is gepubliceerd in het sedert eenigen tijd verschenen 
werk: Verhandlungen des ersten Geographentages zu 
Berlifiy am 7 und 8 Juni 188 1. Mii einer KarUnskizu 
und 6 Tafeln Abbildungen^ Berlin 1882, het werk, 
waaraan wij dan ook de bovenstaande bijzonderheden 
over het tot stand komen der Geographentage ontleen- 
den. Zij komen voor in de eerste voordracht, ge- 
houden door den Voorzitter van het Gesellschaft fQr Erd- 
kunde in Berlin, Dr. G. Nachtigal. De tweede voordracht 
op die bijeenkomst werd gehouden door Prof. K. Zöppritz 
te Königsberg, over: die Mittel und Wege zu besserer 
Kenntniss vont inneren Zustand der Erde zu gelangen ; de 
derde door prof. J. J. Rein, te Marburg, over: die Bcr- 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



187 



mudaS'Insein und ihre Korallenriffc^ nebsi einem Nach- 
irage gegen die DarwirCsche Senkungstheorie ; de vierde 
door prof. Ad. Bastian, over : die Ethnologie und deren 
Aufgabe; de volgende door August Meitzen, over: Das 
Deutsche Haus in seinen volksthümlichen Formen, waarbij 
dan de kaart en de zes platen behooren, die op den titel 
bedoeld worden. De eerste geeft een voorstellirg van de' 
verspreiding der verschillende huizen (het Frankische, het 
Friesch-Saksische, het Zwitsersche, het Noordsche, enz.), 
terwijl op" de platen de zoo verschillende huistypes worden 
afgebeeld. Voegt men bij dit alles twee belangrijke voor- 
drachten, de een van prof. Kirchhoff te Halle getiteld : Einlei- 
tung zuden Verhandlungen über Schulgeographie^ en de ander 
van prof. H. Wagner; Ueber die zeichnende Methode beim 
geographischen ünterrichty^xttol het stellen van bepaalde 
theses aanleiding gaven, welke nader in discussie werden 
gebratht (insgelijks in de Verhandlungen opgenomen) — 
dan mag beweerd worden, dat deze eerste Geographentag 
geslaagd is en dat de bovengenoemde publicatie alleszins 
de aandacht verdient van geographen en docenten. 

Bij het uiteengaan van dien eersten Geographentag 
werden eenige niet onbelangrijke besluiten genomen. Voor- 
eerst werd besloten dat de bijeenkomsten niet 2, maar 3 
dagen zouden duren, wel een bewijs dat men niet on- 
aangenaam en onnuttig bezig was geweest; verder werd 
de tijd der bijeenkomst tegen Paschen gesteld, opdat de 
deelneming nog meer algemeen zou kunnen zijn; ein- 
delijk werd als plaats voor de tweede bijeenkomst Halle 
aangewezen, waardoor dus tevens het beginsel werd uitge- 
maakt, dat niet ^nkel Berlijn de plaats van vereeniging 
zoude zijn. 

Wat te Halle voorviel bespreken wij in het volgende 
hoofdstuk. 



II. 



De tweede Geographentag te Halle. 

. Gaven wij in het eerste hoofdstuk een geschiedenis van 
het ontstaan en de ontwikkeling der Geographentage, in 
dit tweede wenschen wij vooral het karakter en de werk- 
zaamheid te doen uitkomen. Wat het karakter betreft, het 
wordt kortweg geschilderd door de woorden: eenvoud en 
degelijkheid. Op eenvoudige wijze waren eenige weken te 
voren door het Bestuur van het Verein für Erdkunde zu Halle, 
wier namen zelfs niet vermeld werden, (het bestond uit de 
Heeren prof. A. Kirchhoff en dr. Lehmann, beiden te Halle), 
de uitnoodigingsbrieven rondgezonden en in de voornaamste 



gedgraphische tijdschriften nedergelegd. pat programma 
bevatte, behalve de opgave der voordrachten, eenige berich- 
ten, waarop wij de aandacht wenschen te vestigen. Vooraan 
stond dat de avond vóór den aanvang van den eigenlijken 
Geographentag een gezellige bijeenkomst in een café, dicht 
bij de universiteit gelegen, zoude plaats hebben en dat zich 
die plaats ook voor de volgende dagen bijzonder „zu 
zwanglosem Zusammensein" leende, daar de zittingen bij 
de aula der universiteit gehouden werden en de tentoonstel, 
ling zich in de aangrenzende gehoorzalen bevond. Droeg 
deze maatregel er niet weinig toe bij om de leden onder- 
ling steeds voor en na de zittingen met elkander in aan- 
raking te brengen, en was zij uiterst gemakkelijk voor de 
leden met het oog op hunne tegenwoordigheid in het 
universiteitsgebouw, die voortdurend gevraagd werd; op 
nog twee andere berichten in dat programma, even goede 
bewijzen van rationeele organisatie, wensch ik de aan- 
dacht te vestigen. In het eerste bood de Vorstand aan 
voor 3 mark, hoogstens 4,' voor een behoorlijk logis zorg 
te dragen, een logis, waarover allen, die van het zoo 
heusche aanbod gebruik maakten, niet dan bij herhaling 
hunne tevredenheid betuigden. Daardoor waren in jsen 
of twee hotels bijna alle vreemdelingen en buiten Halle 
woonachtige bezoekeis van den Geographentag gehuisvest 
en had men ook des middags en des avonds aan de 
table d'hóte gelegenheid gezamenlijk van de vermoeienissen 
der inspannende zittingen uit te rusten. In het tweede 
gaf de Vorstand kennis, dat men zich ten slotte aan een 
„gemeinsames Abendessen" van 2 V/g mark per couvert zou 
vereenigen, waardoor opnieuw werd in het licht gesteld, 
met hoe geringe onkosten het bezoek van den Geographen- 
tag gepaard zou kunnen gaan. Ik meende deze schijnbaar 
zoo onbelangrijke zaken meer uitdrukkelijk te moeten ver- 
melden, om goed te doen uitkomen, hoe de eenvoudige 
inrichting dezer tweede bijeenkomst er ongetwijfeld toe 
heeft bijgedragen om het aantal bezoekers te doen toene- 
men en ten voorbeeld kan strekken van congressen hier 
en elders, voor zoover deze althans het gezellig, nuttig en 
goedkoop samenzijn van vakgenooten beoogen. Geen won- 
der dan ook dat aan het einde van den Geographentag niet 
minder dan 420 leden aanwezig waren, terwijl te Berlijn 
slechts 70 tegenwoordig waren geweest. 

Het moet zijn nut hebben, ter kenschetsing van het 
karakter der Geographentage, de Prasenzlisie^ zoo zorg- 
vuldig door den Vorstand opgemaakt en bij 't uiteengaan 
den leden aangeboden, eenigszins meer van nabij te bezien, 
om daaruit nu eens niet alleen de beroemde namen te 
lichten, maar tevens aan te toonen, wie in Duitschland tot 



i88 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



zulk een nationaal feest der geographen waren opgekomen. 
Welnu, wij merken dan onder deze natuurlijk vooreerst vele 
vertegenwoordigers van het onderwijs op: bij voorkeur 
docenten aan gymnasia en Realschulen, doch bijna geen 
vertegenwoordigers van het lager onderwijs. Het aantal 
Oberlehrer, Gymnasiallehrer en Lehrer bedroeg c'. loo, 
waarbij dan nog te voegen een 2otal Directeuren en Rec- 
toren, Inspecteurs van het onderwijs en Schulrathe. De 
universiteiten waren vertegenwoordigd door c'. 50 professoren 
van zeer verschillende faculteiten, 50 studenten en een 20 
privaatdocenten, doctoren en candidaten in verschillende 
vakken. De wetenschappelijk wereld in 't algemeen en de 
ambtenaarswereld werden vertegenwoordigd door een tiental 
doctoren en Sanitatsrathe, c*. 10 predikanten, 8 ambtena- 
ren van de rechterlijke macht en een zelfde aantal regee- 
ringspersonen (Oberbürgemeister, Stadtrathe, vertegenwoor- 
digers der provincie). Doch wat ons in deze presentielijst het 
meest trof, was het groot aantal handelaren en industrieelen, 
wier cijfer tot ongeveer 80 steeg en dus dat der Lehrer vrij 
dicht nabijkwam. Ja, zoo men tot de laatstgenoemde categorie 
de ingenieurs, de kartografen, de directeuren en het verdere 
personeel van zeer verschillende bergwerken en salinen, de 
agronomen en agriculturchemiker zou willen rekenen, geloo- 
ven wij dat hun aantal ten slotte vrij wel gelijk zou staan. 
Dat intusschen ook beroemde geographen en reizigers waren 
opgekomen, wensch ik ten slotte nog even uitdrukkelijk op den 
voorgrond te stellen. Op de presentielijst prijkten de volgende 
namen : Dr. von Boguslawski, Dr. Marthe, Dr. von den 
Steinen, de zoöloog der Duitsche antarctische expeditie, 
Dr. Behm, Dr. Vogel, Dr. Berghaus, de chef der firma 
Perthes, Dr. Habenicht, overste von Tillo, Dr. Emil Jung, 
Dr. Lindemann, Dr. Grundemann, Baron von Richthofen, 
Prof. H. Credner, Dr. Krümmel, Dr. Lange, Prof Welcker, 
Dr. von Scherzer, Prof. Koner, Dr. W. Reisz, Dr. R. 
Andree, Dr. Breusing, Dr. Delitsch, Dr. Hahn, de Ghes- 
quière, Prof. Rein, Prof. Regel, Dr. Hugo Toeppen, Prof. 
Zittel, Prof Studer, Prof. Zöppritz, Prof. Paulitschke, Prof. 
Wagner, Prof. Credner (Greifswald) Prof. Gerland en 
anderen, die bij het bespreken der werkzaamheden zullen 
genoemd worden. 

Doch wij mogen thans niet langer bij het karakter van den 
Geographentag stilstaan, wat uit het bovenstaande trouwens 
genoeg kan blijken. Thans roept ons de beschrijving der 
werkzaamheid, .die wij tweeledig zouden willen noemen : 
op 't gebied der geographische wetenschap en op 't gebied 
van het onderwijs. Wat de wetenschappelijke voordrachten 
aangaat, het zal voldoende, ja noodzakelijk zijn, daarvan bij 
voorkeur de hoofddenkbeelden mede te deelen. Wenschten wij 



alle bijzonderheden dier zoo zaakrijke voordrachten terug te 
geven, ons verslag zou een te groote ruimte innemen. Boven- 
dien zou dit ook daarom minder noodzakelijk zijn, dewijl 
zeer spoedig eerst een kort verslag, daarna het meer uit- 
voerig bericht der zittingen zal gepubliceerd worden. Ook 
in dat opzicht schijnt zich de Geographentag gunstig van 
het geographische congres te zullen onderscheiden. 

Tot de wetenschappelijke voordrachten brengen wij die 
van Prof. Studer uit Bern over eenige wetenschappelijke 
resultaten, vooral op zoögeographisch gebied, door de reis 
der „Gazelle" verkregen ; van Prof. Zöppritz te Königsberg 
over den vermeenden invloed der aardrotatie op den vorm 
der rivierbeddingen ; van Prof. Meitzen te Berlijn over de 
vaste nederzettingen der Germanen en hunne naburen in 
West-Europa ; van Prof Gerland te Straatsburg over de 
verhouding tusschen Anthropologie en Ethnologie; van 
Prof. Credner te Greifswald over de verspreiding der hooge 
bergmeren; eindelijk van Prof. Oberbeck te Halle over de 
Guldberg-Mohnsche Theorie van horizontale luchtstroo- 
mingen. 

Prof. Studer bewees in zijne inleiding, hoe elke diervorm 
zich van het bepaalde punt, waarop het ontstond, kring- 
vormig uitbreidde, totdat het landdier door zeeön, bergen 
of concurreerende dieren, het zeedier door landmassa's, 
submarine verheffingen, riviermondingen enz. wordt tegen- 
gehouden. De meeste diervormen zijn ouder dan de tegen- 
woordige vorm der aardoppervlakte, wat de verdeeling van 
land en zee aangaat, en wij kunnen dus uit hunne ver- 
spreiding, ook waar de geologe ons in den steek laat, 
gevolgtrekkingen maken over die vroegere verdeeling, gelijk 
wij, omgekeerd, uit die vroegere verdeeling de verspreiding 
verklaren. Wat leerde nu de reis der „Gazelle", die Prof. 
Studer zelf als natuuronderzoeker had mede gemaakt, i) 
over dit zoo merkwaardige punt? De waarnemingen over 
de fauna aan de oppervlakte en in de diepte der zee 
lieten deze in een pelagische en subpelagische onderschei- 
den. De eerste bestond uit dieren, die hun geheele 
leven zich vrij in de zee beweende doorbrengen, hetzij 
des daags, hetzij gedurende den nacht. Over dag zinken 
zij tot op een diepte van 2 è 300 vaam naar beneden. 
Sporen van een bestaan op groorere diepte dan 800 è. 1000 
vaam werden in den vorm „Röhrenpolype" aangetroffen. 
De subpelagische diervorm heeft gewoonlijk slechts in 
larven-toestand en gedurende het geslachtsleven vrije be- 



i) Duitsche expeditie onder von Schleinitz, die van 1874 tot 76 in 
de drie groote oceanen (den Atlantischen, Grooten en Indiscfaent 
onderzoekingen deed. 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



189 



weging; anders zijn zij bij de kust aan den grond gebon- 
den. De afetand tusschen deze larven en de kust kan doen 
uitmaken, hoezeer dieren van de eene kust naar de andere 
kunnen trekken; die afstand bedroeg onder den invloed 
der waterbeweging 3 — 500 zeemijlen van de kust. Het 
grondslik in de diepte der zee is samengesteld uit de 
minerale bestanddeelen dezer diertjes aan de oppervlakte, 
die na hun dood in de diepte zinken. Onder dat zinken 
worden de kalkbestanddeelen door het koolzuur van het 
water opgelost; dieper dan ongeveer 2000 vaam komen 
onaangetaste kalkschalen van foraminiferen der opper- 
vlakte niet; op grootere diepte vindt men slechts de 
laatste bestanddeelen in den vorm van kiezelig ijzerhoudend 
leem, waarin nog slechts de geraamten van radiolaria en 
pantsers van diatomeen aan te wijzen zijn. Als voorbeeld 
wees spr. op hetgeen door de „Gazelle" tusschen 32 en 
35 graad Z. B. van West naar Oost in den Indischen Oce- 
aan gevonden was. 

Wat de kustonderzoekingen betrof, bij de Westkust van 
Afrika had men door 'tgeen men met het sleepnet omhoog- 
haalde kunnen aantoonen, dat de fauna der Middell. zee 
en van de Westkust van Frankrijk en Spanje zich ter 
<iiepte van 38 — 60 vaam tot op 4® N. B. uitstrekte. De 
onderzoekingen aan de kust van Kerguelen-eiland bewezen, 
dat de fauna daar in nauw verband staat met die van 
Zuid-Amerika. Aan 't slot van zijn voordracht sprak 
prof. Studer de meening uit, dat de koraalriflfen, althans 
die, aan wier kusten men in den Indischen en grooten 
Oceaan peilingen had gedaan, eerder als bekransingen van 
submarine verheffingen moesten beschouwd worden dan dat zij 
op groote dalingen zouden kunnen wijzen, zooals Darwin 
voor den grooten Oceaan aannam. De „Gazelle" had 
juist omgekeerd sporen van opheffingen in dien Oceaan 
en in den Indischen Oceaan ^kunnen aanwijzen, of liever 
het aantal waarnemingen van dien aard, reeds vroeger 
{door Chamisso e. a.) gedaan, kunnen vermeerderen. Het 
eiland Dana tusschen Australië en Timor steeg 200 
vt. en is niets anders dan een omhoog geheven 
atol; op Timor bedraagt de verheffing van de jonge ko- 
raalkalk zelfs 450 m.; op den archipel van Nieuw-Biittanie 
en op de Tonga-eilanden tegen de 500 vt. Bovendien lieten 
zich aan de basis der koraal-eilanden bijna overal sporen 
van vulcanische werkzaamheid aantoonen. Volgens de 
peilingen, bij de koraalriflfen en koraaleilanden gedaan, 
trof men hellingen aan van gemiddeld 40 è. 60 graad, 
hellingen, die men ook bij bergprofielen ontmoette. Als men 
de kaarten, welke de diepten van den grooten Oceaan 
Toorstellen, beschouwde, sprong het in 't oog, dat de 



koraal-eilanden en riffen op plateaux gelegen waren, die 
zich in de lengte uitstrekten en wel in de richting van 't 
N. W. naar 't Z. O. Zij vertoonden zich als submarine, 
evenwijdig loopende bergketenen. 

Na de voordracht van den ondergeteekende over de 
uitbreiding onzer kennis van Sumatra in de laatste 10 
jaren, i) besprak prof. Zöppritz den invloed der wenteling 
van de aarde op den vorm der rivierbeddingen. Toen 
voor meer dan 30 jaren de beroemde Russische natuur- 
onderzoeker Karl Ernst von Baer zijne bekende wet over 
de in meridionale richting stroomende rivieren bekend 
maakte (zij drukken op het N. halfrond tegen en knagen 
aan hun rechteroevers en slibben aan op hun linker); 
en toen hij zijne waarnemingen, dienaangaande bij verschil- 

I) Dewijl aan de lezers van dit Tijdschrift voor *t meerendeel bekend 
zoude zijn wat den vreemdeling onbekend was, zal ik van de gehou- 
den voordracht slechts het volgende mededeelen. Eerst werd door 
ons uiteen gezet, hoe de slechte verwachtingen, door Crawfurd van 
Sumatra gekoesterd, niet verwezenlijkt waren, en de redenen opgege- 
ven (vruchtbaarheid, minerale rijkdom, meerdere bevaarbaarheid der 
rivieren, aard der bevolking), waarom Sumatra de parel onzer bezit- 
tingen, Java, naar den kroon stak. De belangstelling, in. dat eiland 
gewekt, voorts de Deli- en de Atjeh-oorlog, de oprichting der Deli- 
maatschappij en de instelling van den Dienst voor het Mijnwezen, 
eindelijk de Sumaira-expeditie hadden de kennis van het eiland snel 
doen toenemen, zoo echter niet, of beschrijvingen van het geheele 
eiland in den geest van Veth's Java ontbraken nog altijd, waarvoor 
de redenen nader werden uiteengezet. Bij 't bespreken der vermeer- 
dering onzer kennis moest men deze dus voor bepaalde gedeelten 
aantoonen: voor Atjeh, de Battalanden, Sumatra*s Westkust, Zuid- 
Sumatia, de Oostkust en het eigenlijke binnenland. | 

Voor Atjeh werden besproken en tentoongesteld de voortreffelijke 
kustkaarten en die van het oorlogsterrein, terwijl nagegaan werd, 
wat van het binnenland en zijne bewoners (de Gajoes) bekend was. 

Voor het Battaland werden nauwkeurig beschreven de sedert 1870 
daarheen gedane reizen en expedities en de onderzoekingen der zen- 
delingen. Ter weerlegging van Dr. Hagen^s gevoelen, die het Toba- 
meer „half fabelachtig'* had genoemd, werden de verschillende van 
dat meer en omstreken bestaande kaarten besproken en een van dat 
land en meer bestaande photographien-verzameling („Views from Deli 
and the Battak country'* van Feilberg) ter bezichtiging gesteld. Ook 
onze meerdere kennis, van de Batta*s opgedaan, werd omschreven. 
Voor Sumatra's Westkust werden de platen en kaarten der Sunia- 
tra-expeditie, de voornaamste kaarten uit het Jaarboek van het 
Mijnwezen en de kustkaarten ter bezichtiging gesteld en op de van 
den bodem, de rivieren en de bevolking verkregen betere kennis 
gewezen, Op dezelfde wijze werd voor Zuid-Sumatra de aandacht 
gevestigd op Verbeek's onlangs in het Jaarboek voor het Mijnwezen 
verschenen voortreffelijke kaart, en aangewezen, welke verbeteringen 
de kaarten der Oostkust en naburige eilanden hadden ondergaan. 
De oro-hydrographische gesteldheid van het eiland in zijn geheel 
was op een daartoe ontworpen schetskaart voorgesteld. 



190 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



lende rivieren, vooral bij die van Europeesch-Rusland en 
Siberië gedaan, mededeelde, werden de door hem vermelde fei- 
ten en de verklaring, die de beroemde geleerde er van gaf en 
welke overeenkwam met die dei passaten met volle ver- 
trouwen aangenomen. Doch toen die wet van Von 
Baer aan een mathematisch onderzoek onderworpen 
werd, bleek vooreerst dat zulk een afwijking van zich vrij 
bewegende lichamen niet alleen in de richting van de 
meridianen, maar in elke richting plaats had en op het 
zich bewegende lichaam van invloed was. Ook zag men 
spoedig in, dat de afwijking zoo gering was, dat zij weinig 
gevolgen kon hebben. De afwijking op zich zelf werd 
dan ook niet geloochend, niaar tevens werd opgemerkt 
dat de oorzaak niet daarin te zoeken was, dat een zich 
vnjbewegend lichaam zich langzamerhand naar plaatsen van 
verschillende breedte verplaatst en een zijwaartsche be- 
weging aanneemt, maar daarin, dat een meridiaan in zijne 
ligging aan zich zelven niet paralel blijft en ieder zijner 
deelen met een ander een hoek vormt. Met behulp van 
eenige mathematische berekeningen bepaalt en verklaart 
spreker daarop de formule voor de grootte dier afwijking. 

Bij de rivieren had men voorts te doen met bew^elijke mas- 
saas, die onder den invloed der zwaartekracht van de 
aarde stonden. De werking daarvan was echter zoo gering, 
dat bijv. bij een rivier van een kilometer breedte en een' 
stroomsnelheid van 2 meter per seconde, de verheffing 
der watermassa aan den rechter oever slechts 3 cent. hooger 
zoude zijn dan die aan den linker. Een zoo uiterst ge- 
ring verschil is volgens spreker ook met behulp van de 
fijnste meetinstrumenten nauwelijks aan te wijzen. Maar 
al is de zwaartekracht de kracht, die de rivieren voor- 
waarts stuwt, zij vormt daarom geenszins alleen de 
rivierbedding. Was dat het geval, dan moesten wij in 
een gelijk vormigen bodem, bijv. alluvium, volkomen nauw- 
keurig de geometrische kromme lijnen (Curven), welke de 
rivier in dien bodem maakt, berekenen of aangeven kunnen. 
Dat is evenwel volstrekt niet mogelijk, en de vorm van 
het rivierbed bij het lager gelegen gedeelte der rivier zal 
wel steeds afhankelijk zijn van den toestand der hooger 
gelegen gedeelten en van vele andere oorzaken. Verder toonde 
spreker nog aan dat de rivieren ook geenszins overal aan 
hun rechter oever afgevreten waren: bij velen waren zelfs 
de linker oevers aangetast. Wat nu de rivieren van Si- 
berië betrof, bij deze waren de waarnemingen van Von 
Baer juist, maar met zijne verklaringen kon spreker zich 
niet vereenigen. In hoofdzaak meende hij daar het verschijn- 
sel uit de overwegende westenwinden te kunnen verklaren. 

Prof. Rein uit Marburg, de bekende schrijver van het 



! voortreffelijke werk over Japan, was geheel van sprekers 
j meening en voegde daarbij de mededeeling, dat de geheim- 
' raad Duncker te Halle reeds sedert geruimen tijd (1875) op 
j ten naastenbij de zelfde gronden de wetten van Von Baer 
j bestreden had. Daar de Heer Duncker zelf ter vergade- 
ring tegenwoordig was, sprak hij zijne vreugde daarover 
uit, dat hij thans zoovele bondgenooten vond in de be- 
strijding van Von Baer 's hypothese. Hij zou ter bestrij- 
ding van Von Baer's op hem gerichte aanvallen weldra 
een werk publiceeren, waarvan hij het slot voorlas. Nadat 
ook nog Dr. Lehmann uit Halle de wetten van Von Baer 
bestreden had en had aangetoond, dat bij verschillende 
door hem onderzochte rivieren en stroomende wateren 
de loop van den stroom, meer bepaald de kronkelingen of 
het „serpentiniren" in 't leven geroepen werd door de 
terugkaatsing der 'waterdeeltjes tegen de oevers, werd de 
discussie over deze zoo merkwaardige voordracht gesloten. 
Prof. Gerland ging bij zijne bespreking van de verhou- 
! ding tusschen anthropologie en ethnologie van deraeening 
uit, dat vraagpunten betreffende de methodologie eener weten- 
.schap in 't algemeen daarom zoo goed voor een vereeni- 
ging van vakgeleerden konden besproken worden, dewijl 
de methode eener wetenschap slechts tot stand kwam door 
den gemeenschappelijken onafgebroken arbeid van alle 
onderzoekers, en niet door ae werkzaamheid van een enkel 
persoon. Juist in de ethnologie stond heden ten dage de 
eene meening tegenover de andere en een algemeen er^ 
kende methode bestond voor deze wetenschap nog niet. 
Daarom wenschte hij op deze bijeenkomst eenige voor de 
ontwikkeling der ethnologie belangrijke gezichtspunten mede 
te deelen, die hij aan de bespreking der verhouding tus- 
schen ethnologie en anthropologie wilde vastknoopen. 

De anthropologie is volgens prof. Gerland de wetenschap van 
den mensch naar zijn physische natuur (vom natürlichen We- 
sen des Menschen), van de menschheid „als organische Art" 
en van de rassen als verscheidenheden van deze „Art,'' 
terwijl daarentegen de ethnologie de leer is van het „Wesen 
und Werden der Völker." De laatste is dus een sociologi- 
sche wetenschap. Het begrip volk is een streng genealogisch 
begrip, want een volk erft zijn karakteristieke eigenaardig- 
heden slechts door rechtstreeks op elkander volgende 
geslachten, terwijl de eigenaardigheden /an het ras slechts 
uiteenloopende wisselingen (variationelle Schwankungen) van 
het menschelijke type zijn, geenszins volkomen zeker bij 
erfenis overgaan en bij gelijke uitwendige invloeden in 
geheel verschillende streken op dezelfde wijze ontstaan kun- 
nen zijn. Ras en Volk zijn dus geheel verschillende be- 
grippen. 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



191 



Het is den ethnoloog er vooral om te doen de menschheid 
in al haar verschijnselen te begrijpen; het bonte gewoel 
der volkeren, de zoo moeilijke vraagstukken der mensche- 
lijke beschaving tot haar eerste beginselen terug te brengen. 
Hij moet dus die afzonderlijke verschijnselen in hunnen ge- 
netischen samenhang nagaan, doch hij kan dit slechts, als hij 
den streng causalen samenhang tusschen de enkele groepen 
der menschheid, die genealogisch bij elkander behooren 
en die wij volken noemen, tot op hun eerste ontstaan kan 
vervolgen. En daar nu voor de variaties van de mensche- 
lijke type, zooals deze zich bij de rassen openbaren, zulk 
een samenhang noch aangetoond is, noch aangetoond kan 
worden, zal de ethnologie nooit haar doel bereiken, als 
zij in blinde afhankelijkheid van de anthropologie de 
menschheid slechts indeelt naar haar physische natuur, naar 
haar uitwendige lichamelijke kenmerken. Spr. bewees dit 
door vele voorbeelden, ontleend aan de verdeeling der 
menschheid naar het geheele anthropologische type en ver- 
volgens aan die naar de onderdeelen van het menschelijke 
lichaam, bijv. het haar, den schedel en de huidkleur. Zoo 
vereenigde men bijv. de Berbers, de Basken en de licht 
gekleurde Amerikanen of de blankere stammen der Austra- 
liërs met deMaleiers; zoo vond Topinard, naar aanleiding 
zijner schedel-onderzoekingen in Australië, twee rassen, 
waarvan het eene tot de Dravida, het andere tot de Mon- 
golen terug te brengen was. 

Hij zou dan ook wenschen dat de anthropologie de 
verscheidenheid van het soort „mensch*' niet anders zou 
behandelen dan de zoöloog en botanicus de variaties van 
hunne dieren en planten ; of dat hij de grootere en gewich- 
tige beteekenis, die hij aan zijne variaties toekent, weten- 
schappelijk bewijze, wat tot dusver niet geschied is en 
volgens spr. ook niet geschieden kan. De onhoudbaarheid 
eener systematische indeeling der menschheid, alleen rus- 
tende op de physische verscheidenheid, bleek dan ook reeds 
daaruit, dat zij, om zich staande te kunnen houden, tot 
steeds nieuwe en gewaagder hypotheses haar toevlucht 
moest nemen. Tot de laatste behoorde ook het zoo menig- 
vuldig voorkomend aannemen van vermengingen der volken 
onderling, die men gewoonlijk al te gemakkelijk daar ver- 
onderstelde, waar de lichamelijke type eener bevolking, die 
overigens een geheel vormde, uiteen liep. 

Stelden dus volgens spreker vele ethnologen de resultaten 
der anthropologie of der lichamelijke verscheidenheid onder 
de raenschen veel te hoog, zoo werd van den anderen 
kant, ook al door eenzijdige' anthropologische opvattingen, 
de ethnologische waarde der talen te gering geschat. Prof. 
Gerland is geenszins van de meening, door Lepsius uitge- 



sproken, dat talen en volken een meer of minder onafhan- 
kelijk leven van elkander leiden ; dat de eersten zich dikwijls 
van de laatsten scheiden. Zij gaat juist geenszins door bij de 
volken van Centraal- Afrika, die Lepsius tot het opvatten dier 
meening aanleiding gaven. De verwisseling van taal bij ge- 
heele volken berustte op zeer bepaalde wetten, die met de 
beweerde veranderlijkheid der taal geenszins overeenkwamen. 
Ook op dit gebied werd de blik der onderzoekers en de 
waarde der verkregen resultaten verduisterd en verminderd 
door het eenzijdig op den voorgrond stellen van anthro- 
pologische meeningen ; ook op dit gebied, zooals trouwens 
overal op ethnologisch terrein, mocht de anthropologie slechts 
als hulpwetenschap, doch niet als domineerende, optreden. 

Ten slotte stelde Prof. Gerland nog uitdrukkelijk op 
den voorgrond, dat hij de waarde der anthropologie ook 
voor de ethnologie geenszins wenschte te verkleinen: zij 
is voor den ethnoloog zelfs onontbeerlijk; hij moest ze 
slechts niet onmethodisch en daardoor onlogisch over- 
schatten. 

Naar aanleiding dezer voordracht deelde Dr. Obst uit 
Leipzig mede, dat bij de Turkmenen-stammen, onlangs 
door hem bezocht (de Jo moeden en Tekké), toch wel een 
historisch en anthropologisch te bewijzen volkenvermen- 
ging kon aangewezen worden. Men vindt onder hen twee 
zeer uiteenloopende typen (de mongoolsche en arische), 
als gevolg van den langdurigen roof der Perzische vrouwen. — 

Wanneer wij thans verslag gaan geven van de zoo merk- 
waardige voordracht van den Heer Meitzen over de vaste 
nederzettingen der Germanen en hunne naburen in West- 
Europa, dan gelieve de lezer wel in aanmerking te nemen, 
dat de zoo levendige spreker in zijne zoo boeiende impro- 
visatie tal van wetenswaardige bijzonderheden, maar niet 
altijd in geregelde volgorde, mededeelde, zoodat zij waarlijk 
niet altijd gemakkelijk terug te geven waren. Ook dient 
vooral met het oog op den titel der voordracht in aan- 
merking genomen te worden, dat slechts de eerste helft 
van het geheel werd uitgesproken, zoodat van het eigenlijk 
onderwerp betrekkelijk slechts weinig werd medegedeeld. 
In hoofdzaak besprak de Heer Meitzen het volgende: 

De berichten, die wij in de geschriften van Tacitu3 en 
anderen over de oudste toestanden bij de Germanen in 
Europa aantreffen, zijn niet altijd juist en in alle opzichten 
te vertrouwen. De geschiedenis laat ons trouwens bij deze 
vraag naar den overgang der Germanen van nomaden tot 
bewoners van vaste woonplaatsen vrij wel in den steek: 
het materiaal, dat wij voor oplossing dier vraag bezitten, 
is zeer onvoldoende. Daarentegen leert ons de geologie 
dat in den tijd, toen de mensch in het Nijldal wellicht 



192 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG." 



reeds de eerste schreden op den weg der beschaving zette, 
Midden- en N.-Europa nog in de gletscherperiode ver- 
keerden. Als deze langzamerhand ophoudt, dringt de mensch 
aldaar allengskens langs den ijskant vooruit. Hij leeft 
van rendieren en gebruikt de beenderen en het gewei 
dezer dieren als gereedschap: alles op de wijze als thans 
nog de bewoners der arctische gewesten hun leven leiden. 
Met eene betere ontwikkeling van plantengroei nam ook 
allengskens hun beschaving toe. Bij de tegenwoordige 
Eskimo's, Lappen en Finnen vindt men dus nog de types, 
zooals zijn toen tertijd bij de Germanen werden aangetroffen. 
De taal der Finnen bevat dan ook nog in de stamwoorden 
op zeer eigenaardige wijze de afspiegeling van de wilde 
natuur en het jagersleven zonder woningen, zooal wij dat 
uit Tacitus beschrijving kennen. 

Later zien wij hoe zich de Kelten", uit Azië komende, 
langs den Donau en den Rijn uitbreiden en tot Ierland 
doordringen; ten N. daarvan volgen dan de Germanen, 
die zich in Oost- en West-Germanen verdeelen. Op dezen 
stam volgt dan de groote bende der Slaven. Naast de 
Duitschers zetten zich de Litthouwen neer, gevolgd door 
Esthen, Lijflanders en andere volken. 

Vraagt men, hoe men aan de kennis dezer zwerftochten 
van de Indo-Germaansche stammen gekomen is, dan is het 
vooral de taaistudie, die ons op weg heeft geholpen. Mis- 
schien zal men uit oude sagen ook nog een en ander te 
weten komen, doch zij dienen dan ouder te zijn dan de 
Duitsche, die, hoe schoon ook, toch vroeger geheel anders 
moeten geluid hebben dan in den vorm, waarin zij tot 
ons zijn gekomen. Doch behalve in taal en sage vinden 
wij bij 't nasporen een nieuwen bondgenoot in de geogra- 
phie. De Indo-Germanen hebben niet enkel eene gemeen- 
schappelijke oertaal bezeten, ook een gemeenschappelijke 
oer-woonplaats (Ursitz). Naar de taalteoordeelen, hadden 
zij daar op dien oersitz reeds een bepaalden trap van be- 
schaving bereikt: zij werden door vorsten beheerscht, kenden 
het huwelijk, hielden zich met landbouw bezig en bezaten 
huisdieren. De geographische studiën onzer dagen hebben 
over dien oersitz nieuw licht geworpen: hij moet gelegen 
hebben aan de westzij van Hoog-Azie. Von Richthofen 
heeft bewezen, dat dit terrein sedert zeer langen tijdgeene 
belangrijke physische veranderingen onderging, want de 
lössformatie ligt daar 2000 voet hoog in de dalen der 
hooge gebergten. Aangezien dit loss volgens von Richt- 
hofen's verklaring ontstaan is door stormen, die de ver- 
weringsstoffen van de toppen der Hooge Alpen in zware 
wolken doen omhoog stijgen, welke later naar omlaag 
zinken, had er zich nimmer zulk een dikke lösslaag kunnen 



vormen, als daar niet duizende van jaren hetzelfde klimaat 
geheerscht en dezelfde fauna en flora bestaan hadden. 
Naar dit terrein, het Pamirplateau, met ruw klimaat en smalle 
dalen zijn de Indo-Germanen in Azië teruggedrongen, 
gelijk de Eskimo's en Lappen van betrekkelijk vruchtbaar 
der streken . aar hun ongastvrijer woonplaats gedrongen 
werden, en gelijk aan de oostzijde van dat bergland de 
Mongoolsche nomaden tot ontwikkehng kwamen. Beide 
stammen, Indo Germanen en Mongolen, waren van nature 
reeds zeer verschillend en hebben door hun zelfstandige 
ontwikkeling in beide van elkander gescheiden deelen dat 
verschil nog vergroot. De grens tusschen beide zal ten 
allen tijde zeer afwisselend geweest zijn. 

Wat nu de zwerftochten dezer nomadenstammen aan- 
gaat, over het noodzakelijke daarvan en hun uitgebreidheid 
hebben de onderzoekingen, door de Russische regeering 
dienaangaande ingesteld, in den jongsten tijd veel licht ge- 
worpen. Men heeft leeren inzien, hoe gemakkelijk volks- 
verhuizingen kunnen plaatshebben, ja ontstaan moeten, als 
men bedenkt, dat statistisch aangetoond is, hoe ieder no- 
maden familie van gemiddeld 5 personen voor haar onder- 
houd noodzakelijk 300 stuks vee bezitten moet, en hoe op 
een □ mijl slechts 6 familien leven kunnen. Neemt men 
verder in aanmerking, dat ook reeds een natuurlijke vermeer- 
dering der menschen weldra een verhuizing wegens overbe- 
volking noodzakelijk maakt, dan is te begrijpen, hoe de 
Indo-Germanen van het beschreven terrein uit voortdurend 
naar Europa uitweken. 

Thans was spr. tot het eigenlijke onderwerp zijner 
voordracht genaderd: de vaste nederzettingen der Germanen, 
m. a, w. hun overgang ,van het nomaden- lot het akker- 
bouwende leven. Prof. Meitzen schilderde ons dien overgang 
aldus. In Europa aangekomen, vonden de nomaden 
natuurlijk eenige andere physische toestanden dan in Azië, 
waarnaar zij zich te schikken hadden. Zij konden niet 
meer zoover rondzwerven, maar moesten zich meer con- 
centreeren. Hoe zij dit deden, kunnen wij uit een aantal 
kleine waarnemingen opmaken. Wij treffen nl. het optreden 
in vereenigingen (Genossenschaften) aan; het recht van 
occupatie ontstaat; de gauen wijzen wellicht op de grenzen 
der oude weiden. Ook deelt Strabo ons over het zoo eigen- 
aardige nomadenleven der Sneven eenige historische bijzon- 
derheden mede, waaruit de overgang tot een meer seden- 
tair leven op te maken is. Zij hebben nog geen vaste 
woonplaatsen en vestigen zich nergens voor goed, maar 
leven in wagens. In het oude volksrecht van alle duitsche 
stammen is het huis volstrekt geen vast goed, maar een 
voorwerp, dat verplaatst kan worden. In Hannover en 



Dp TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



193 



Oldenburg vindt men aanwijzingen van het feit, dat geheele 
vlekken met elkander van woonplaats wisselden. — Tot zoover 
de heer Meitzen, die ons dns slechts het overgangstijdperk 
door eenige feiten nader toelichtte. Met verlangen zullen wij 
in de verslagen de verdere ontwikkeling zijner denkbeel- 
den vervolgen, daar het niet anders dan zeer leerrijk kan 
zijn ons door middel der oudheidkunde, van taal-, recht- 
studien en de geographische wetenschap dien overgang 
van" 't nomadenleven tot den akkerbouw verklaard en voor 
oogen gesteld te zien. 

Prof. Credner's voordracht over de geographische ver- 
spreiding der hooge bergmeren droeg een meer geogra- 
phisch karakter, althans in den geest waarin deze weten- 
schap door Peschel en Kirchhoff of hunne leerlingen wordt 
opgevat. Daarbij wordt tusschen geologie en geographie 
een zeer nauw verband gebracht. Zoo begon prof. Credner 
dan ook met de opmerking, dat onder de talrijke proble- 
men, wier oplossing de geographie in verband met de 
geologie zich ten doel stelde, een belangrijke plaats innam 
de verklaring van 't ontstaan onzer groote Alpenmeren. 
Men had allerlei verklaringen daarvoor gezocht, doch 
geen enkele was algemeen aangenomen geworden. Eerst 
in den nieuweren tijd hadden prof. Heim te Zürich en 
eenige andere onderzoekers eene theorie ontworpen, welke 
tracht aan te toonen dat door niveau-veranderingen, hetzij 
binnen in het gebergte, hetzij op zijn randen, de laagstge- 
legen gedeelten der reeds gevormde dalen soms zeer diep 
beneden die oude dallijn (Thallinie) gedaald zijn en dus 
verzamelbekkens moesten worden van het water, dat vroe- 
ger zonder belemmering uit het dal wegstroomde. 

Voordat spr. nu evenwel tot andere verklaringen over- 
ging, wenschte hij de verschillende hooge bergmeren eerst 
de revue te laten passeeren. Vooreerst viel ons oog dan 
op de meren aan den noordrand der Alpen, die allen dit 
eigenaardige hebben, dat hunne geheele omgeving uit vaste 
gesteenten bestaat, Avaarom men deze meren ook rotsbek- 
kens zou kunnen noemen. Daartoe behoorden ook de groote 
Italiaansche meren. Zijn deze meren reeds in de Alpen 
zeer eigenaardig verdeeld (zij ontbreken in de Oost- Alpen), 
in de Pyrenaeen en in de overige gebergten van Spanje 
ontbreken zij geheel. De Karpathen, Kaukasus, Oeral hebben 
in 't geheel geen meren. Het grootste gedeelte* der Engel- 
sche, Schotsche en Scandinavische meren bestaat weder 
uit rotsbekkens; een groot gedeelte van Noord- Amerika 
bezit geene meren; eerst in het noordelijk gedeelte worden 
bergmeren gevormd, zooals in Zuid- Amerika eerst bezuiden 
den 4osten ^raad Z. B. dergelijke meren aangetroffen wor- 
den. In Azië vindt men het grootste bergmeer der aarde, 



nl. het meer Baikal, terwijl men nergens zoozeer-oan onze 
Alpenmeren herinnerd wordt als in Australië. 

Na deze beschrijving tot de verklaring terugkeerende, 
wees prof. Credner er op, hoe volgens Peschel het ontstaan 
der meren afhankelijk was van den ouderdom der ge- 
bergten. De meerbekkens vormen volgens dien schrijver de 
bekoorlijkheden van jongere gebergten: want bij ouderen 
zijn zij reeds door sedimenten opgevuld. PescheFs meening 
schijnt door te gaan, als wij de Alpen in dit opzicht met 
de Pyrenaeen vergelijken. De hoofdverhefl&ng bij de Alpen, 
waardoor hun eigenlijke bouw ontstaan is, dateert eerst 
uit de jongere tertiaire periode: de Pyrenaeen zijn daaren- 
tegen een ouder gebergte, want oud-tertiaire lagen verheffen 
zich daar tot aan den top. De hoofdverheffing der Pyre- 
naeen is wel in de tertiaire periode geschied, maar veel 
vroeger dan die der Alpen. Verder schijnt Peschel's meening 
ook door te gaan bij het gebergte van Nieuw-Zeeland, dat 
rijk is aan meren, terwijl het gebergte tot een jonger tijd- 
perk behoort. 

Daarentegen gaat zijne stelling niet door bij de meren 
van het Noorden en Noordwesten van Europa, want deze 
behooren bijna tot de oudste geologische tijdperken. Wat 
de Himalaya betreft, ofschoon deze keten gelijktijdig met 
onze Alpen ontstond, bezit zij toch in vergelijking met de 
Alpen weinig meren. Dit feit zou dus ook niet voor Peschel's 
verklaring pleiten, doch deze lost de moeilijkheid op door 
de bewering, dat de meren in de Himalaja, tengevolge 
der heftige nederslagen, welke deze keten kenmerken, reeds 
opgevuld zijn geworden. Naar spr.'s meening heeft men 
echter geen spoor dier opgevulde meren aangetroffen. 

Een andere verklaring brengt het ontstaan der meren in ver- 
band met den ijstijd. Deze liggen toch in die gedeelten der 
aarde, die vroeger met gletschers bedekt waren. De meren 
waren dan volgens deze verklaring reeds voór den ystijd 
aanwezig, werden in dat tijdperk met ijs opgevuld, en 
bleven in dien toestand onveranderd, totdat zij zich na 
den ijstijd met water opgevuld hebben. Tevens wordt 
daarbij aangenomen, dat de uitgravende kracht der glet- 
schers de reeds vroeger aanwezige meerbekkens vergroot 
heeft. — Nog verder gaat eindelijk de verklaring, volgens 
welke de gletschers alle deze meren uitgegraven en uitge- 
slepen hebben. Spr. kon niet bij alle gronden, welke tegen 
deze theorie aan te voeren waren, stilstaan. Hij merkte 
alleen op dat, wanneer men het onstaan der zoo diepe 
meren van Boven-Italie aan gletschers wilde toeschrijven, 
het dan moeielijk te verklaren zoude zijn, waarom ook niet in 
de andere deelen van Boven-Italie meren ontstaan waren. 
In die dalen hadden zich toch ook colossale gletschers tot 

26 



194 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



Ver in de vlakte uitgestrekt, zooals uit de achtergebleven 
moraines te bewijzen viel. Bovendien men vindt op aarde 
vele terreinen, die vroeger met gletschers bedekt waren en 
toch geen meren bezaten. 

Nog weder een ander gevoelen, dat alle overweging 
verdiende, werd uitgesproken door hen, die het voorkomen 
van bergmeren afhankelijk stelden van den plastischcn bouw 
en de architectonische toestanden der gebergten. Lyell 
sprak reeds voor 20 jaar de meening uit, dat de oorzaak 
van 't ontstaan der meren te zoeken was in niveau-ver- 
anderingen, die in onze gebergten na 't ontstaan der dalen 
hebben plaats gehad, een meening, die allen steun vond 
door het resultaat der onderzoekingen van prof. Heim en 
de officieren van het Zwitsersche Topographisch Bureau. 
Men heeft nl. voor de Zwitsersche meren de meening ge- 
uit, dat zij vroeger dalbodems geweest zijn, die later in 
meren veranderd waren. Overigens meende Spr. daarom 
volstrekt nog niet dat men volgens deze theorie alle overige 
bergmeren op aarde zou kunnen verklaren, wat men niet 
zelden meende te kunnen doen. Ten slotte merkte hij op, 
dat door de heden ten dage nog voorkomende tectonische 
aardbevingen bewezen wordt, dat de toestand van spanning 
in onze aardkorst, waardoor gesteenten gevormd worden, 
nog altijd bezig is en tot de vorming van zulke bekkens 
aanleiding heeft kunnen geven. 

Bij de daarop gevolgde discussie, waaraan vele geologen 
van naam deel namen, troffen ons twee opmerkingen, door 
prof. Zittel uit MOnchen en prof. Kirchhoff uit Halle ge- 
maakt. Prof. Zittel toonde vooreerst aan, hoe moeilijk het 
viel den ouderdom der gebergten te bepalen: bij de Alpen 
bijv. moet de hoofdverheffing in een zeer oud geologisch 
tijdperk gesteld worden. De verklaring van bergmeren door 
gletscherwerking achtte hij onhoudbaar, maar ook tegen de 
Lyell-Heimsche theorie had hij vele bezwaren. Daarom 
wilde hij zoo ernstig waarschuwen tegen de zucht (waarop 
ook prof. Credner gewezen had) om te generaliseeren en 
volgens ééne verklaring het ontstaan van zoo verschillende 
bergmeren te willen verklaren. Spr. helderde zijne meening 
door het volgende voorbeeld op. Onder de Beijersche me- 
ren vindt men er, zooals bijv. de Königsee, de Achensee 
en de Alpsee, die onderling zoozeer overeenkomen, dat 
men genegen zoude zijn bij hun ontstaan aan dezelfde oor- 
zaken te denken. En toch zijn alle drie, zooals bet nauw- 
keurig onderzoek van Dr. Penk aangewezen heeft, op zeer 
verschillende wijze ontstaan. De Königsee ontstond waar- 
schijnlijk door een „orographische Spaltung", de Alpsee 
behoort tot een „Einsturzgebiet," de Achensee is een „Stau- 
ungssee". — De opmerking van Prof. Kirchhoff was deze. 



Uit de voortreffelijke voordracht van professor Credner en 
uit de daarop gevolgde discussie was gebleken, dat leerlin- 
gen van Peschel met allen eerbied voor hunnen leermees- 
ter denkbeelden van Peschel, die niet juist waren hadden 
weerlegd, doch tevens — dat zij volgens de Peschelsche 
methode tot die betere denkbeelden gekomen waren. 

Wat de voordracht van prof. Overbeck* over de Guldberg- 
Mohnsche theorie der horizontale luchtstrooraingen aangaat, 
Spr. bracht vooreerst de luchtdruktoestanden in 't alge- 
meen en de wetten van Buijs Ballot in 't bijzonder ter 
sprake. Zeer uitvoerig werd aangetoond, hoe de windrich- 
ting en de windsterkte van den luchtdruk athitigen. Spre- 
ker zette daarop uiteen, hoe de nieuwere richting in de 
meteorologie zich niet meer daartoe alleen bepaalde (wat 
vroeger geschiedde) om de baan te berekenen van een 
punt, dat zich over de oppervlakte der aarde bewoog, 
waarbij men op de hoofdzaken niet lette, doch dat men 
thans de bewegingen in de athmospheer (wat het ook wer- 
kelijk is) als een hydrodynamisch vraagstuk beschouwde. 
Eerst in den jongsten tijd hadden in dien geest eenige 
onderzoekingen plaats gehad, welke door Guldberg en Mohn 
in het programma der Universiteit te Christiania gepubli- 
ceerd waren. Spreker besprak daarna nog meer afzonderlijk 
de wijze, waarop verschil van luchtdruk ontstond, en deed 
zeer terecht uitkomen dat dit door verschil of verandering 
van warmte geschiedde. Hij stelde daarbij tevens helder in 
het licht dat er volstrekt geen grond bestaat om aan te 
nemen, dat er horizontale stroomingen ontstaan. Het zijn 
verticale stroomingen. Maar de opstijgende luchtstroom, die 
naar boven gaande zijwaarts afwijkt of afvloeit, brengt 
beneden als 't ware een luchtledig teweeg, dat door een 
horizontale stroom ing naar het centrum van verwarming 
allerwege opgevuld wordt. Voor de praktijk is het nu 
noodzakelijk alle bij deze beweging plaatsgrijpende omstan- 
digheden, bij welke de afwijking door de draaiing der aarde 
een groote rol speelt, goed in aanmerking te nemen. Op 
mathematische gronden werd nu verder door spr. betoogd, 
hoe die .beweging plaats had en gewijzigd werd, bijv. door 
den tegenstand, dien zij door wrijving tegen de oppervlakte 
der aarde ondervond. — 

Wij gaan thans over tot de onderwerpen, die op het 
onderwijs betrekking hadden, doch zullen daarbij minder 
uitvoerig dan bij de wetenschappelijke stilstaan. Wij meenen 
daarom korter te kunnen zijn, dewijl bij het bespreken dier 
op het onderwijs betrekking hebbende zaken dikwijls duit- 
sche toestanden het uitgangspunt vormden en op duit^he 
toestanden het oog gericht was. Menig onderwerp zou daarom 
voor den Nederlandschen lezer van minder belang kunnen 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



' 195 



heeten. Is dit niet het geval, dan zullen wij eenige bijzon- 
derheden meer mededeelen. Tot de bedoelde onderwerpen 
brengen wij: de voordracht van Dr. Kropatscheck uit 
Brandenburg over de historische ontwikkeling van het 
geographische onderwijs; van Prof. Paulitschke te Weenen 
over behandeling van het verkeerswezen bij het geographisch 
onderwijs; van prof. Wagner te Göttingen over de invoering 
van het raeterstclsel bij het onderwijs in aardrijkskunde; 
van prof. Günther te Ansbach over de ware definitie van 
het begrip kustontwikkeling ; van Dr. Lehmann, privaat- 
docent te Halle, over de systematische vermeerdering der 
wetenschappelijke kennis van Duitschland ; eindelijk van 
Dr. Krumme te Brunswijk over het onderwijs in astrono- 
mische aardrijkskunde op de lagere en middelste klassen 
der hoogere (volks) scholen. 

Dr. Kropatschek gaf een zeer boeiend en geestig over- 
zicht van de geschiedenis van het geographisch onderwijs 
in Duitschland, ontleend aan schoolprogramma's en ver- 
schillende andere bronnen. Daaruit bleek dat het vroegst 
te Dusseldorp (1566), doch overigens eerst in het begin 
der vorige eeuw afzonderlijk onderwijs in aardrijkskunde 
gegeven was. Eerst tegen het einde dier eeuw vond dit 
algemeen plaats. Spreker ging daarna meer in bijzon- 
derheden na, welke verschillende denkbeelden over dat 
onderwijs gekoesterd, welke stelsels daarbij gevolgd waren 
en toonde herhaaldelijk aan, dat veel, wat heden ten dage 
als nieuw gold, vroeger reeds uitgesproken was geworden. 
Ten slotte sprak Dr. K. een zeer verklaarde meening uit 
over de wijze, waarop dit onderwijs thans moest ingericht 
worden. Hij formuleerde die meening in eene stelling, 
welke den volgenden dag, na door een commissie onder- 
zocht te zijn, aldus door de vergadering werd aangenomen : 
„De tweede Geographentag te Halle geeft zijn praesidium 
de opdracht de volgende resolutie met nadere omschrijving 
der gronden ter kennis van de onder wüsautoriteiten van 
het Duitsche Rijk te brengen. J)e geographie moet in alle 
klassen der hoogere (volks) scholen, zoowel bij het onderwijs 
als in de getuigschriften en dus ook bij de eind-examens, 
als een op zich zelf staand leervak i) behandeld worden." 

Prof. PauUtschke wees er op, hoe de loop der wereld- 
geschiedenis steeds in zoo nauw verband gestaan had met 
vraagpunten van internationaal verkeer en dat dus de 
geograaf bij dat wereldverkeer, de groote handelswegen, de 
opening van spoorwegbanen en overzeesche wegen uitvoerig 
stil moest staan. Deze wijze van opvatting der geographie 
zou niet enj^el in staat zijn de topographie zooveel beter te 



II dus niet als aanhangsel der geschiedenis. 



doen begrijpen en onthouden, maar zij zou den leerling ook 
zooveel kennis bijbrengen, die hem later in het practische 
leven van zoo groot nut konde zijn. Spr. stelt zich bij dit 
onderwijs drie trappen voor. In de laagste klassen wenscht 
hij vooral op de afstanden te wijzen en den leerling dus 
begrip te geven van de distantien tusschen verschillende 
landen en steden. Later moesten de verschillende landen 
met hun beteekenis voor het verkeer en de wijze, waarop 
zij onderling in verbinding stonden, besproken worden, om 
eindelijk met de meer gevorderde leerlingen de geographi- 
sche, politieke en economische toestanden dier landen uit- 
voeriger te bespreken en tevens over het stoomboot-, post- 
en spoorwegverkeer, op zich zelve beschouwd, meerdere bij- 
zonderheden mede te deelen. Ook de geschiedenis van dat 
verkeerswezen zou dan in zijn hoofdphasen kunnen geschil- 
derd worden. Hij richtte dan ook vooral tot hoogleeraren 
in geographie het verzoek bij hunne studenten die verkeers- 
leer te behandelen en meende dat zij vooral op de vak- 
scholen (handelscholen, zeevaartkundige en militaire scho- 
len of inrichtingen voor de studie van den post- en tele- 
graafdienst) op den voorgrond moest treden. Van zijn werk 
over de verkeersleer bood prof. Paulitschke eenige exem- 
plaren ter kennismaking aan de leden van den Geographen- 
tag aan. 

Zeer uitgewerkt, ernstig en degelijk was de voordracht 
van prof. Wagner. Spr. stelde de vraag : „Is het niet nood- 
zakelijk, nadat het officieel invoeren van het meterstelsel 
de meterraaat in het burgerlijk leven en in het handelsver- 
keer gebruikelijk heeft gemaakt, om zich ook bij het onderwijs 
der geographie voortaan overal van deze maat te bedienen ? 
Volgens Sprs. meening moet het antwoord onvoorwaarde- 
lijk bevestigend luiden. De geographie dient in dezen het 
voorbeeld te volgen, door zoovelen in hun letterkundige pu- 
blicaties gegeven. Wij moeten daartoe beginnen de oude 
maat, die in 't vervolg niet meer gebezigd zal worden, te 
vergeten en elkander helpen om het zoo moeilijk en me- 
chanisch werk, 't welk het overbrengen der oude maten in 
die van het metrieke stelsel vordert, 'vlug gedaan te krijgen. 
De tijd van overgang zal natuurlijk nog eenigen tijd moe- 
ten duren, maar de voorbereidselen daartoe worden ook 
reeds algemeen genomen en het zal onze plicht zijn aan 
het komende geslacht de metermaat, algemeen ingevoerd, 
als erfenis na te laten, zonder daarom zoo radicaal te werk 
te gaan als zij, die ook bij de verdeeling van den tijd of 
van den cirkel de decimale indeeling willen invoeren. 

Daarna meer bepaald tot de hoogtematen overgaande, 
toonde Spr. aan dat wij in dezen reeds vrij ver gevorderd 
zijn. De eene schrijver na den anderen gebruikt de meter- 



196 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



maat. En moge deze in boeken soms nog ontbreken, met 
de kaarten is het zooveel beter gesteld ; althans in de laatste 
10 k 15 jaren hebben de Duitsche kartografen zich vrij 
algemeen van de meter bediend, terwijl ook de gewone at- 
lassen meer' en meer tot het meterstelsel overgaan. Wat 
dus de hoogte betreft, wij hebben materiaal genoeg om 
ons de verplichting van het gebruik der meter op te leggen. 
Iets anders is het met de maten voor de bepaling der 
diepten van de zee. Voor de zeekaarten moeten wij nog 
altijd de absolute heerschappij van den Engelschen vadem 
erkennen : wellicht hebben wij hier nog wel een overgangs- 
tijdperk van 15 è 20 jaar te verwachten, voordat men op 
dit gebied tot het meterstelsel overgaat. Wat de lengte en 
vlaktematen betrof, de invoering van de nieuwe mijl in 
Duitschland van 7500 M., die later in 1873 weder even 
officieel afgeschaft was, had vooreerst veel verwarring ge- 
sticht, daar zij reeds vrij algemeen in de handboeken op- 
genomen was. Bovendien hield het geographische publiek 
nog altijd bijzonder veel van de duitsche geographische 
mijl. Zij was zoo gemakkelijk en men beweerde dat de 
kilometer te klein was voor groote afstanden. Wat het 
eerste argument aanging, Spr. toonde door becijfering 
aan dat de kilometer in een even eenvoudige verhou- 
ding tot den evenaar kon gebracht worden als de duitsche 
mijl. Was de kilometer te klein voor groote afstanden, 
waarom bezigde men dan niet als maat de Hen-kilometer ? 
Wat de afstanden op zee betrof, daar voerde de zeemijl 
(60 op een graad) nog onbeperkte heerschappij. Daarover 
wenschte spr. evenwel op deze plaats en op dit oogenblik 
nog geen beslissing uit te lokken. Maar wat de vlaktematen 
betrof, daarvoor was het toch in alle opzichten rationeel 
de D kilometer te bezigen, het 5Sste deel van de D duit- 
sche mijl, tenzij men de grootere eenheid van 100 D kilo- 
meter, die hij dan de D Myriameter zou willen noemen, 
wenschte in te voeren. Materiaal voor de invoering daarvan 
was in officieele stukken overvloedig voorhanden. Waar 
het in dezen vooral op aankwam, meende spr., was een- 
drachtig energiek op té treden. Zijnerzijds wilde hij daartoe 
medewerken door het indienen van de volgende besluiten, 
waarvan het i® en 3® den volgenden dag door de vergade- 
ring werden aangenomen: i®. De tweede Geographentag te 
Halle acht het tijd de duitsche lengte- en D mijl te doen 
vervangen door de metermaat; 2®. de Geographentag ziet in 
de invoering van de myriameter, die men ook „metrische 
Meile" zou kunnen noemen en van de D myriameter of de 
„metrische Quadratmeile" geen bezwaar. 3^ DeGeographen 
tag besluit dat een tot dat doel benoemde commissie de 
wenschen van die vergadering, betrekking hebbende op den 



verplichten invoer van de metermaat bij het geographisch 
onderwijs, ter kennis van het Ministerie van Onderwijs en 
de overige schoolautoriteiten brenge. 

Wij zullen thans bij de voordrachten over de definitie 
van het begrip kustenlengte en over het onderwijs in astro- 
nomische geographie slechts zeer kort stilstaan, om nog eenige 
meerdere ruimte voor die van Dr. Lehmann over te houden. 
Slechts dit zij van de eerste \ermeld, dat op de onjuiste op- 
vatting van het denkbeeld, zooals het door Ritter was uitge- 
sproken, werd gewezen, terwijl men zich vrij algemeen ver- 
eenigde met de denkbeelden, dienaangaande door Dr. Keber 
ontwikkeld in zijn opstel in de Mittheilungen van Petermann 
^^63 p. 309, getiteld: I'lacheninhalt und Küstenlange : ein 
st e hender Missbrauch beim Vergleich derselben durch Z^hlen- 
angaben. Dr. Krumme wenschte het onderwijs in astrono- 
mische geographie vooral op de universiteit vertegenwoordigd 
te zien ën meende voor dit onderwijs op de middelbare school 
of het gymnasium een toestel te kunnen aanbevelen, waar- 
door de verschillende standen der hemellichamen tegen- 
over elkander zoo duidelijk mogelijk werden voor oogen 
gesteld. Wij zullen ons van een oordeel over voordracht 
en toestel beide onthouden, doch teekenen slechts aan, dat 
betere kenners van dit onderdeel der geographie en van 
de wijze, waarop het dient onderwezen te worden, ter ver- 
gadering en in particuliere gesprekken als hun gevoelen te 
kennen gaven dat de toestel te duur en de mate van 
kennis, die bij 't gebruik daarvan bij de leerlingen veron- 
dersteld werd, te groot was. 

Dr. Lehmann behandelde een onderwerp, dat eigenlijk wel 
slechts den duitschen geograaf aanging, (Ueber systematische 
Förderung wissenschaftlicher Landeskunde von Deutschland), 
doch dat door de wijze, waarop het besproken werd, onwille- 
keurig ook de aandacht des vreemdelings trok. Hij begon met 
den heeren geographen er op te wijzen dat zij in hunne studies 
zich meest ver buiten hun land verplaatsen en werken publi- 
ceeren over ver afgelegen landen, terwijl geologen, botanid 
en meteorologen zich bij voorkeur met terreinen bezighouden, 
die dichter bij zijn gelegen. Het was een wetenschappelijke 
en nationale plicht zich meer met zijn vaderland en met 
de plaats zijner inwoning bezig te houden. Daartoe, 
meende hij, moest men den volgenden weg inslaan. Voor- 
eerst diende aan de hand der geologen de „heimatliche" 
bodem zeer nauwkeurig bestudeerd te worden: het relief 
in de verschillende landschappen; de invloed der athmospheer, 
de nivelleerende kracht, door het water op dien bodem 
uitgeoefend. Verder moest met behulp der meteorologen 
ernstige studie gemaakt worden van het „heimatliche*' 
klima, zooals het zijn invloed deed gelden op de verdeeling 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



197 



tn den aard van het organisch leven en afhing van het boven 
genoemde relief, den toestand van verweering der lagen 
aan de oppervlakte, de verdeeling van water, warmte, licht 
enz.. Levendig belang dient de geograaf ook in de plan- 
tenwereld (het karakteristieke plantenkleed) van zijn vader- 
land te stellen en in het dierenrijk, doch het meeste werk 
dient hij te maken van de bewoners, zooals zij onder den 
invloed van al die vroeger genoemde physische omstandig- 
heden zijn en geworden zijn. Het zijn vooral deDuitsche 
wetenschappelijke vereenigingen, die deze grondige studie 
voor Duitschland in de hand kunnen werken. Hij wenschte 
dan ook op deze, vooral op de geographische en historische 
genootschappen, een beroep te doen om buiten hunne ge- 
wone werkzaamheid toch vooral de studie van Duitsch- 
land op hun terrein te bevorderen. Wat door hen ge- 
publiceerd werd, kon dan in de schoolbibliotheken ter lec- 
ture gegeven worden, en bovendien zou op eiken Geogra- 
phentag een verslag daarvan geleverd kunnen worden in den 
vorm eener voordracht. Op voorstel van den spreker werd 
dan ook terstond besloten een commissie te benoemen, 
die zich tot de verschillende Duitsche vereenigingen zou 
wenden, ten einde hun tot de studie van het Duitsche rijk 
en de publicatie der resultaten van die studie op te wekken 
■en verdeir die maatregelen te nemen, welke het uitgesproken 
denkbeeld tot de gewenschte uitvoering kónden brengen. 
Tot leden dier commissie werden, behalve Dr. Lehmann, 
prof. Gerland en prof. Ratzel te Mtlnchen benoemd, ter- 
wijl tevens besloten werd de voordracht van Dr. Lehmann, 
in extenso gedrukt, aan die vereenigingen ie doen toe- 
komen. Stelt men zich de vraag, wat in Nederland voor 
de wetenschappelijke beoefening van ons vaderland, in den 
geest als door den spreker bedoeld wordt, verricht is, wat 
onze wetenschappelijke genootschappen en leeraren in dat 
opzicht nog zouden kunnen doen, dan verdient de voor 
Duitschland genomen maatregel ook voor Nederland alles- 
zins overweging. 

Wij zijn thans aan het einde onzer beschrijving van de 
wetenschappelijke werkzaamheid van den 2° Geographen 
tag gekomen en hopen den indruk gegeven te hebben dat 
er veel en degelijk gewerkt is. 

Dat karakter van degelijkheid kenmerkte ook weder de 
entremezzo's of de amusementen tusschen de vergaderingen . 
in. Zij waren toch bestemd voor de bezichtiging van den 
Zucht t hier gar ten in het Landwirthschaftliche Institut ; van de 
merkwaardige cmthr apologische verzameling in het Anatomie- 
gebouw der universiteit, waar ook de verzamelingen der 
expeditie Riebeck voorloopig geborgen waren; en eindelijk 
van de tentoonstelling. 



In den Zuchtthiergarten wees prof. Kühn op de wet, 
door Darwin het eerst aangewezen: dat de vruchtbaarheid 
der enkele soorten onderling zonder twijfel een maatstaf 
opleverde voor hunne verwantschap. Worden twee indivi- 
duen van 't zelfde ras maar van verschillend soort met 
elkander gekruist, dan is het volstrekt niet zeldzaam, dat 
de kruising vruchtbaar is, maar 'zeer standvastig is daaren- 
tegen de onvruchtbaarheid der uit zulk een kruising ge- 
boren bastaarden. Hoe nauwer verwant de eerst gekruiste 
dieren in hun soort zijn, des te grooter is de vruchtbaar- 
heid der nakomelingen. Wil men nu onderzoeken, van 
welke wilde dieren onze huisdieren afstammen en welke 
hun naaste verwanten onder de thans nog wild levende 
dieren zijn, dan heeft men door de kruising der laatstge- 
noemde met de overeenkomstige huisdieren een krachtig 
bewijsmiddel in de hand. Dit speciale, wetenschappelijke 
doel beoogt de Zuchthausthiergarten te Halle. Het is 
een tot dusver alleenstaande inrichting, die reeds menig 
raadsel dichter bij de oplossing gebracht heeft, niet 
enkel op zoölogisch ook op historisch gebied, omdat de 
geschiedenis onzer huisdieren ten nauwste met de onze 
verbonden is. Valt het te bewijzen, meende prof. Kühn, 
dat de stamouders van ons rund in Indie te zoeken zijn, 
dan mag daaraan een grond ontleend worden om ook de 
geschiedenis van het menschdom daarheen te verplaatsen. 
Langen tijd nam men aan dat de bison of Amerikaansche 
buffel nauw verwant was met onshuisrund. Meerdere krui- 
singen in den Zuchthiergarten te Halle bewezen dat wel een 
zekere vruchtbaarheid voorhanden was, maar dat toch meestal 
het moederdier of de bastaarden te gronde gingen. Maar 
in allen gevalle bleven de bastaarden totaal onvruchtbaar. 
De bison was dus onschuldig aan 't ontstaan onzer koe. 

Volgens den natuuronderzoeker von Nathusius bestond 
er tusschen yak en rund slechts een verschil van ras. Alle 
kruisingen van het huisrund met den yak zijn volkomen 
gelukt, maar de bastaarden bleven ook onder de gunstigste 
omstandigheden absoluut onvruchtbaar. Daarentegen had 
het Indische wilde rund Geial bij alle'te Halle ondernomen 
kruisingen niet alleen zijn eigen vruchtbaarheid, maar ook 
die zijner afetammelingen bewezen. In hem hebben wij, 
volgens prof. Kühn, dus den stamvader van ons huisrund 
te zoeken. — Wij hebben bij dit eene feit zoolang stil ge- 
staan, om den tuin, den rondgang en het geleide te karak- 
teriseeren. Wij zullen nu het paard, den ezel en het schaap 
voorbij gaan, over wier afstamming en lichamelijke eigen- 
aardigheden, in verband met kruising en paring, prof. Kühn 
eveneens veel merkwaardigs mededeelde. 

Het bezoek in het Anatomiegebouw was niet enkel belang- 



I9S 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



wekkend om het groot aantal schedels, welke prof. Wekker 
ter bezichtiging stelde en op wier verschil en eigenaardige 
overgangen hij wees, doch vooraUook daarom, dewijl hij 
aan zijn voordracht de wederlegging vastknoopte van ver* 
schillende door prof. Gerland geuite beweringen, die trou- 
wens niet alleen den anthropoloog minder juist voorkwamen. 
Prof. Welcker toonde aan dat de ethnologie volstrekt tot 
geen zekerder resultaten was gekomen dan de anthropologie 
en protesteerde tegen de beschuldiging eener onjuiste me- 
thode, den anthropologen voorgeworpen. Wat enkele an- 
thropologen misdreven, mocht overigens niet op rekening 
der anthropologie geschreven worden. Deze moest steeds de 
grondslag der ethnologie blijven. Wanneer ook al een ze- 
kere labiliteit der schedelvormen in 't algemeen kon toege- 
geven worden, er waren toch bepaalde Urvormen aanwezig, 
die volstrekt onveranderlijk 'zijn. Volken, die zich hun zui- 
verheid van ras bewaren, bezittten een verklaard on veran- 
derlijken schedelvorm; zooals het duidelijkste blijkt uit den 
schedel der Joden, die in weerwil van hun langdurig sa- 
menleven met andere volken, toch typisch gebleven is. 
Jammer dat het zoo moeilijk was jodenschedels mach- 
tig te worden. De zwarigheid, door prof. Gerland ge- 
maakt, dat men te weinig exemplaren had om te kunnen 
experimenteeren, behoefde niet altijd zwaar te wegen: de 
dolichocephale negerschedel en de brachycephale schedel 
der Lappen konden nimmer met elkander verward worden. 
Bij 't begin zijner onderzoekingen had Spr. slechts 6 neger- 
schedels; deze hadden hem -echter zoo vertrouwbare ge- 
middelde cijfers gegeven, dat hij later bij 't onderzoek van 
honderde schedels steeds hetzelfde resultaat verkreeg. De 
vijf karakteristieke schedelvormen, met hun lang- en kort 
schedels als uitersten, de middelschedels in 't midden en de 
tusschenvormen tusschen deze in waren steeds zeer wel van 
elkander te onderscheiden, zooals spr. door de schedels 
van Kalmukken, Eskimo's, Boschjesmannen, Maleiers der 
Soenda-eilanden, Magyaren, Toengoezen, Lappen, Finnen 
enz. enz. bewees. Ten slotte teekende hij nog protest aan 
tegen de onveranderlijkheid der taal, waarvan de ethnoloog 
zoo hoog opgegeven en waaruit hij zoovele gevolgtrekkingen 
gemaakt had. De taal kan een volk opgedrongen zijn en dan 
staan taal en schedel tegen elkaar over. In dat geval be- 
wijst de schedel meer. De Nieuw-Grieken bijv. hebben vol- 
strekt niet het hoofd der oude Grieken,- al spreken zij dan 
ook grieksch. Dat der Nieuw-Grieken is breed en hoekig, 
dat der oude Grieken is rond. Toch is het niet wel aan te 
nemen, dat de oud-grieksche schedel bij de Nieuw-Grieken 
door denken 200 . breed geworden is. — Na afloop dezer 
zoo piquante en geestige inprovisatie geleidde prot. Welcker 



zijn gehoor naar de Riebecksche verzameling, die 42 sche- 
dels uit Socotora bevatte, welke nog nader onderzocht en 
beschreven moesten worden. Trouwens wat van de schedels 
gezegd werd, gold meer of min van de geheele verzameling. 
Hoewel zij zeer veel nieuws en merkwaardigs bevatte, was 
alles nog zoo weinig gerangschikt, dat het moeilijk viel er 
een overzicht van te verkrijgen en er een nadere beschrij- 
ving van te geven, i) 

Ons rest thans nog een en ander over de tentoonstelling 
in het midden te brengen. Wij zullen thans niet weder 
behoeven stil te staan bij het groot aantal schoolkaarten, 
atlassen, globes, dat ook hier weder door tal van Duitsche 
en Oostenrijksche uitgevers tentoongesteld was. Overigens 
troffen ons daarbij de zoo uiterst lage prijzen bij zoo voor- 
treffelijke uitvoering. Door beide kunnen de schoolatlassen 
de concurrentie met de Engelsche o. i. zeer goed doorstaan. 
De Kleine Atlas van Debes (40 ed. Wagner en Debes te 
Leipzig) leverde voor 60 pfennig 19 kaarten, waarop alles 
wat voor de kgere school noodig is; de uitgave voor de 
middelbare school bevat 31 kaarten en kost i mark. Ook 
Dietrich Reimer en Justus Perthes traden met school- 
atlassen in het strijdperk r de eerste door den bekenden 
atlas van Heinrich Kiepert (in Duitschland acht zich de 
grootste geograaf der wereld dus niet te voornaam om zijn 
krachten aan een school-atlas te wijden), die 20 kaarten 
bevat en i mark kost; Justus Perthes met een uitstekend 
schoonen en practisch ingerichten Elementar-atlas van 12 
bladen: ieder blad bevat een of meer kaarten; het geheel 
kost 1.20 mark. 

Om ons thans echter bij iets anders en wel het aller- 
belangrijkste te bepalen, in hooge mate trokken de aan- 
dacht der bezoekers de publicaties der Deutsche Seewarte 
in Hamburg; de geologische kaarten van het koningrijk 
Saksen; het nieuwe werk van baron von Richthofen ; de» 
publicaties van het Verein fiir landwirthschaftliche Wetter- 
kunde in der Provinz Sachsen ; de wereldkaarten van Diefke te 
Leipzig en enkele andere zaken. De publicaties der Deutsche 
Seewarte vormen een bij den bekenden Friederichsen te 
Hamburg uitgegeven Atlas, die onder den titel Atlantischtr 



i) De expeditie Riebeck werd door het Verein für Erd kunde 7.ü 
Halle uitgerust naar het eiland Socotora in het voorjaar van 1881. 
Voordat de expeditie evenwel onder leiding van prof. Schweinfurth naar 
dit eiland ging, ondernam 2 ij eerst met hem een excursie van Kalio 
naar den noordrand van het Galala-gebergte aan den golf van Suei. Als 1 

vrucht dier excursie verscheen in de Mittheil. van bovengenoemd Verein 
(1881) een uitvoerige KaHe der Tour des Dr. Riebeck von Cairo Tum 

Wadi Na*ük von prof. Schweinfurth (i : 300.000). Daarbij is een tcxt 
van Dr. Riebeck in dagboekvorm gevoegd geworden. 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



199 



Ocean op ^6 kaarten de physische gesteldheid en verkeers- 
w^en van dien Oceaan voor oogen stelt. Zooals de directeur 
dier Seewarte in de voorrede opmerkt, moet die atlas voor- 
eerst in de practische behoeften der zeevaart voorzien, doch 
natuurlijk bewijst zij tevens de wetenschap onschatbare 
diensten. Hoevele duizende waarnemingen hier cartografisch 
voorgesteld zijn valt gemakkelijk in te zien. Alle kaarten 
zijn voorts door het personeel der Seewarte geteekend, be- 
halve kaart 36: „Die Verbreitune: und Hauptfangplatze der 
wichtigsten Walarten/'. vervaardigd door Dr. Bolau, Direc- 
teur van den zoölogischen tuin te Hamburg. 

De geologische opneming van het koninkrijk Saksen, 
hier, voorzoover ons bekend is, voor het eerst tentoonge- 
steld, heeft plaats gehad onder leiding van prof. H. Credner 
te Leipzig; van de 174 bladen, die het geheel bevatten 
zal, waren hier 34 ter bezichtiging gesteld. 

Het door ons bedoelde werk van baron von Richthofen 
was het pas bij Reimer te Berlijn verschenen tweede deel 
van zijn wereldberoemd „China." Het is weder op de 
prachtigste wijze uitgevoerd, met 126 houtsneden, een ge- 
zicht in kleurendruk, twee kaarten en vijf geologische pro- 
fielkaarten. Behalve een Inleiding bevat het de beschrijving 
van Noord-China. 

De tentoongestelde publicaties van het bovengenoemde 
Verein fiir landwirthschaftliche Wetterkunde bestonden in 
een synoptische weerkaart van 3 Maart 1882 en het Mo- 
natschrift für praktische Witterungskunde. Beide zijn van 
de hand van Dr. Assmann, chef der „Wetterwarte der 
Magdeburgischen Zeitung." Daar naast de eerstgenoemde 
kaart ook de weerkaart van Europa, zooals de Magdebur- 
ger Zeitung die dagelijks jjubliceert, was neergelegd, bleek, 
daaruit zoo helder de waarde van dergelijke Vereine fur 
landwirthschaftlicl^e Wetterkunde. Zij toch vermogen alleen 
met hun groot aantal dichtbij elkander gelegen stations de 
in groote trekken door de rijksinstituten (bijv. dat te Ham- 
burg) voor het geheele werelddeel opgemaakte graphische 
voorstellingen van de dagelijksche gesteldheid der athmos- 
feer, door een meer gedetailleerde fijne wetenschappelijke 
teekening vollediger en nauwkeuriger te maken. En dat is 
het juist, wat voor de locale weersgesteldheid van kleine 
districten zooveel beteekenis heeft. Slechts met behulp van 
zoodanige Vereine is het mogelijk — dit bleek duid^iijk uit 
de kaart — die kleine van de gemeenschappelijke lucht- 
beweging onafhankelijke cyclonen op te merken, die als *t 
ware de fijnere microscopische structuur van den geheelen 
meteorologischen toestand vormen. Cp de kaart stond o.a. een 
„Gewitter-Cyclone", die den 3 Maart in de buurt van Erfurt 
geheerscht had, en op de groote kaart niet aangegeven stond. 



Wat de wereldkaarten van Diefke te Leipzig betreft, het 
waren eigenlijk de door prof. Wagner te Göttingen bij dezen 
uitgever gepubliceerde wereldkaarten in omtrekken, doch 
thans aangevuld met hetgeen door middel van lijnen en 
tinten daarop overgebracht was. Zoo stelde een dier we- 
reldkaarten de verdeeling der aarde voor naar steppen, 
woestijnen, bouwland enz.; een andere de verspreiding der 
menschen over de aarde; een derde de dichtheid van be- 
volking, de warmteverdeeling enz. De bedoeling was om 
aan te toonen, hoe op reeds bestaande gedrukte H^and- 
karien de inhoud van Handkarten für Vorlesungen und 
Unterrichtszwecke kon overgebracht worden, altijd ,^so weit 
solches^ die Uebertragung durch Curven und Flachen-Colorit^ 
zu ermöglichen ist. De heer Diefke voorziet dus in een 
behoefte, die elk onbeholpen teekenaar (en er zijn onder de 
geographen, die niet allen cartographen zijn, vele) zoo dik- 
wijls zal gevoeld hebben, wanneer hij een verschijnsel, zoo- 
als het zich voor de geheele aarde voordeed, op een we- 
reldkaart wenschte voor te stellen en tinten of lijnen van 
verschillende kaarten met verschillende schaal op ééne 
wereldkaart had over te brengen. De heer Dietke die de 
Umrisskarten (voor de beide halfronden van Wagner, voor 
Europa van Koffmahn) heeft uitgegeven, levert de meeste 
dier kaarten voor 12 Mark (op linnen 1.20 — 1.80 M. meer) 
een prijs, die hier te lande zeker verre beneden datgene is, 
wat aan minder nauwkeurige teekenaars betaald wordt. 

Ten slotte zij nog vermeld, dat op de tentoonstelling de 
oorspronkelijke schetsen, kaarten en teekeningen van Carl 
Ritter door zijn biograaf •Kramer, die alles tot een zeer 
merkwaardig album had vereenigd, waren tentoongesteld. 
Hoezeer deze de aandacht trokken en niet enkel met be- 
langstelling beschouwd werden, omdat zij Ritters orgaan 
voor het opvatten en teruggeven van zeer verschillende 
natuurvormen reeds op betrekkelijk jeugdigen leeftijd dui- 
delijk aantoonden — maar tevens met grooten ' eerbied, 
ligt in den aard der zaak. 

Aan 't eind van ons artikel wenschen wij nog deze op- 
merkingen te maken. Hoewel wij getracht hebben de hoofd- 
gedachte en het eigenaardige in de verschillende voor- 
drachten goed te doen uitkomen, ligt het in den aard der 
zaak, dat niet zelden het eigenaardige dier voordracht 
evenzeer gelegen was in de détails, welke de hoofdstelling 
moesten bewijzen en toelichten. Ons verslag heelt veel 
daarvan moeten achterwege laten, dewijl wij niet alles 
konden opteekenen, en nog veel minder al het opgetee- 
kende teruggeven. De verhandelingen, die zoo spoedig mo- 
gelijk zullen verschijnen, en zooveel mogelijk de voor- 
drachten in extenso teruggeven, zullen de belangstelling van 



200 



DE TWEEDE „DEUTSCHE GEOGRAPHENTAG. 



den lezer geheel kunnen bevredigen. Ons doel is bereikt, 
als het ons is mogen gelukken die belangstelling bij hem 
op te wekken en hem tot het zelfbijwonen der bijeenkomsten, 
welke wij beschreven, over te halen. 

Onze tweede opmerking is deze. Wanneer dit verslag, 
't welk alleen over de werkzaamheden handelde, den in- 
dnik achterlaat dat op de Deutsche Geograptentage te zeer 
gewerkt wordt en dat men ook in de tusschenuren nog te 
degelijk bezig is, dan wenschen wij ons dienaangaande 
nog even nader te verklaren. 

Het valt niet te ontkennen, dat een werkzaamheid van 
9— I Vg en van 4 — 7 7» i) vermoeien kan, vooral wanneer be- 
langwekkende voordrachten de geheele aandacht vorderen en 
ook de discussien iemand alles behalve onverschillig laten. 
Het zou niet onmogelijk zijn, dat het volgend jaar hierin 
of in het tusschen de zittingen in ter bezichtiging stellen 
, van verzamelingen, waarbij ook weder voordrachten gehou- 
den worden, verandering gebracht wordt. Doch overigens 
zij opgemerkt, dat de gezellige maaltijden tusschen de 
voor- en namiddagzittingen, en vooral de zoo levendige 



I) Reeds den tweeden dag werden de bijeenkomsten, die om tien 
uur beginnen moesten, een uur vervroegd. 



bijeenkomsten des avonds alleszins in staat waren de ver> 
moeienissen weg te nemen, veel beter voorzeker dan de 
officieele recepties en de deftige feesten, die bij de con- 
gressen zoovele congresleden, ook nog weder des avonds, 
in functie doen zijn Op de avondbijeenkomsten teTttalle, 
waaraan wel eens een klein gedeelte van den nacht werd 
vastgeknoopt, heerschte voor alles een ongedwongen toon. 
Geestige toasten wisselden af met vroolijke, soms ernstige 
gesprekken, later met liederen, die het u verkieslijker deden 
voorkomen er mede in te stemmen dan er tegen in te 
spreken. Doch hoe ook, men leerde elkander daar wer- 
kelijk beter kennen; men wisselde daar van gedachten. 

Onzerzijds verklaren wij gaarne dat wij nimmer een 
congres bijwoonden, waar wij zooveel leerden, zoovele aan- 
gename kennissen maakten en zooveel genoegen smaakten. 

Het „auf Wiedersehen," tot zoovelen gericht, die men 
voor drie dagen als vreemden ontmoette en wien men 
thans hartelijk de hand ten afscheid drukte, was zoo op- 
recht gemeend en mag de hoop doen koesteren, dat weder 
zeer velen tot den 3en Geographentag zullen opkomen. Die 
hoop of liever de zekerheid daarvan kan wel als het krach- 
tigste bewijs gelden voor de bewering dat de tweede alles- 
zins „gelungen" mag heeten. 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



Verbeteringen op de kaart der wegen van het 
zuidelijk deel van Falembang. 

In „een woord bij de kaart van de voornaamste wegen 
in het zuidelijk deel der residentie Palembang," voorko- 
mende op blz. io6 van Deel V n° 3 van het Tijdschrift 
van het Aardrijkskundig Genootschap^ wordt het vermoe- 
den geuit, dat op de bij die aflevering gevoegde kaart n® 
4 een groot aantal onjuistheden in de namen zal voorko- 
men. Inderdaad is het getal daarvan nog al aanzienlijk, 
en door een verblijf van eenige jaren in de residentie 
Palembang, ben ik in staat gesteld, althans voor een deel 
der onjuiste namen, de juiste op te geven. Ik zal daarbij 
de splitsing in onderafdeelingen volgen. 

Onderafdeeling Ampat Lawang. 

Singoero^ng, lees: Segorèng. 

OelakMenkoedei, „ Oelak Mengkoedoe. 

Tandjong Radja, „ Tandjong Raia. 

Aier Lintang kana, „ Aier Lintang kanan. 

Grens Pasoemah oeloe Lintang met Pasoema lebar (dicht 

bij de doesoen Sawah) lees\ Grens Ampat Lawang met 

Pasoemah Lebar. 

Onderafdeeling Lematang Ilir. 



Benagoeng, 
A. Parapan 
A. Inis, 
Moeara Inis, 
Bedagoeng, 

Grens Moelak oeloe met 
Ogan Oeloe, 



Kebon Agoeng. 
A. Perapau. 
A. Misi. 
Moeara Mioe. 
Bèdegoeng. 



„ Grens Moelak oeloe 

met Lematang Ilir. 

Vroeger was inderdaad daar de grens met de Ogan 

Oeloe, doch sedert, bij Indisch Staatsblad 1830, n' 130, 



de marga Semendo bij de Lematang Ilir is gevoegd, is 
daar de grens van de onderafdeelingen Lematang Ilir en 
Lematang Oeloe. Moelak Oeloe is de naam van een marga 
in de onderafdeeling Lematang Oeloe, en m. i. zou het 
daarom beter zijn te schrijven: Grens Lematang Oeloe 
met Lematang lUr. Immers óp de andere plaatsen wor- 
den ook de grenzen van twee onderafdeelingen opgegeven 
en niet die van een onderafdeeling met een marga. 

Grens Ogan Oeloe met Inim, /<?^j-.- grens Ogan Oeloe 
met Lematang Ilir. 

Inim is geen afzonderlijk distrikt; vroeger had men 
wel een afzonderlijk hoofd daar, doch sedert, in het laatst 
van 1864, de divisie- en adjunkt divisie-hoofden werden 
afgeschaft, spreekt men in het dagelijksch leven nog wel 
van de Inim-marga's, doch in de administratie is het 
geen benaming van een distrikt of onderafdeeling. 

Om dezelfde reden kan op de kaart wegvallen: Grens 
Lematang Ilir met Inim. 

Vroeger was daar de grens van de Lematang Ilir met 
de Ogan Oeloe; doch sedert de Inim-marga's bij Indisch 
Staatsblad 1878, n« 27, bij de Lematang Ilir zijn inge- 
deeld, vormt die lijn slechts de grens tusschen twee mar- 
ga*s (Tamblang-karang radja en Lawang kidoel.) 

Onderafdeeling Ogan Oeloe. 

Antipa, lees : Lentipo. 

A Bandar, „ A. Sako. 

De Bandar is geen rivier, wel de Sako, en daaraan 
ligt de doesoen Bandar. 
A. Kiki, lees\ A. Kiti. 

Onderafdeeling Kommering Oeloe. 



Radja Boelan, 
Karang Ginda, 
Bloembangan, 



Padjar Boelan. 
Karang Endah. 
Blambangan. 

27 



202 



NALEZINGEN EN VERBETERINGEN. 



Sanoeng Naga, lees: Suoeang Naga. 

Tandjoeng Radja „ Tandjoeng Raia. 

A. Sedaboeng, „ A. Selaboeng. 

A. Kesang, „ A. Resang. 

De ligging van Moears Doea en Boemi Agoeng is ver- 
keerd. In vroegere jaren lag het établissement Moeara 
Doea inderdaad op de aangeduide plaats, maar thans is 
de toestand aldus: waar de naam Boemi Agoeng staat, 
moet de naam Moeara Dora staan, terwijl de doesoen Boemi 
Agoeng ligt aan den rechteroever der Selaboeng op + 5 
minuten gaans boven het punt waar de Selaboeng zich 
met de Saka vereenigt. Die vereeniging heeft plaats een 
paar minuten gaans boven Moeara Doea, en eenige ellen 
verder neemt de Kommering hun water op, nog steeds 
bovenstrooms van Moeara Doea. De Kommering zelve is 
beneden het punt waar zij de wateren van Selaboeng en 
Saka heeft opgenomen, een aanzienlijke rivier, voorgroote 
rakits (vlotten) en groote prauwen bevaarbaar; doch bo- 
ven dat punt is zij slechts een beekje en in den warmen 
tijd • droog ; en de hoofdrivier Kommering ontvangt dan 
de grootste hoeveelheid water van de Saka en de Sela- 
boeng, zoodat het vreemd schijnt dat de hoofdrivier niet 
Saka of Selaboeng heet, en de naam Kommering zich 
niet tot dat beekje bepaalt. Te Moeara Doea leidde men 
het woord Kommering af van kring (droog) ; Kommering 
zal dus misschien het daarvan gevormde toestandsoord 
zijn. 

Op de kaart is de oorsprong van de Selaboeng niet 
aangegeven; zij komt eenige palen westwaarts van Ban- 
ding Agoeng uit het Ranau-meer en neemt als linker-zij- 
rivier nog op de Mekakau (Makakou). 

De Kisam valt beneden Moeara Doea in de Kommering. 

Overigens heb ik op de kaart geen verkeerde namen 
gevonden, maar in de onderafdeelingen Ranau en Pasoe- 
mah Lebar ben ik niet genoeg bekend om er met zekerheid 
over te oordeelen, evenmin in Benkoelen, waarvan ook een 
stukje op de kaart voorkomt; alleen kan ik zeggen dat de 
naam Koeboe Prakoe moet zijn Koeboe Prahoe. Er is daar 
een pasangrahan. 

Verder komt mij de naam Selimaga aan de Enim niet 
bekend voor; in allen gevalle moet het een onaanzien- 
lijke doesoen wezen. 

In de Kikim staat de naam Soeka Rami; beter iou 
zijn Soeka Ramé; men hoort den é-klank duidelijk. Even- 
zoo komt mij de schrijfwijze Enim verkieslijk voor boven 
Inim. 



Voor hen die in de residentie Palembang niet bekend 
zijn, ware het nuttig geweest te vermelden, dat op de 
kaart de dikke roode lijnen karrewegen voorstellen. Moch- 
ten in vroeger jaren tusschen belangrijke plaatsen de we- 
gen zoodanig geweest zijn, dat de reiziger herhaaldelijk 
van het paard moest stijgen, na 1873 ^ ^^^ anders ge- 
worden. 

Op de met dikke roode lijnen aangegeven gedeelten van 
den weg kunnen karren en rijtuigen zich zeer goed be- 
wegen, en mogen er nog vele steile heuvelen zijn, waar 
het geraden is voertuigen bij daling tegen te laten hou- 
den, elk jaar komt daarin verbetering. Zij die — en er 
zijn dezulken — veel aan te merken hebben op de wegen 
in de residentie Palembang, verliezen geheel uit het oog, 
dat die wegen nog slechts weinige jaren geleden geopend 
zijn, en dat in de bovenlanden de bevolking gering en dus 
het aantal heerendienstpUchtigen klein is. 

Behalve de op deze kaart voorkomende, heeft men n(^ 
karrewegen van Tebing Tinggie, over Moeara Bliti, Oelak 
Tanding, en Kepahiang, tot Talang Padang, lang +115 
Sumatra-palen, en van Kepahiang 6 palen tot de grens met 
Benkoelen, vanwaar die nog doorloopt tot de hoofdplaats 
van laatstgenoemde residentie. 

Verder bestaat er nog een zeer goede weg van de 
hoofdplaats Palembang, loopende door de Banjoe Asin, de 
Moesi Ilir en de Moesi Oeloe, en bij Moeara Bliti zich aan 
den bovengenoemden weg naar Tebing Tinggie aansluitende, 
alsmede een weg van de Moesi Oeloe naar de Rawas. 
Doch deze twee wegen worden voor karrevervoer niet veel 
gebruikt; vervoer van handelsartikelen gaat daar meest 
langs de waterwegen. 

Wat Pasoemah betreft, heb ik mij gewend tot mijn 
ambtgenoot van der Wolk, met verzoek om in dat land- 
schap, waar hij Controleur is, de juistheid der namen na te 
gaan. Misschien zal de eerste onjuistheid die hij verbe- 
teren zal, den naam Pasoemah zelven betreffen. Ik geloof 
althans dat de schrijfwijze P asem ah de voorkeur verdient. 
De naam is afgeleid van semah, een soort van visch, en 
eigenlijk gegeven aan het riviertje Pasemah, waarnaar de 
onderafdeeling genoemd wordt. Vollediger heet zij Pasemah 
Lébar, in tegenstelling met Pasemah Oeloe Manna in het 
Benkoelensche en Pasemah Aier Kroh in de onderafdeeling 
Ampat Lawang. 



Talang Padang, 
26 Augustus 1881. 



VAN DER LiTH. 



VERSLAG 



DER 



Zeven-en-dertigste Algemeene Vergadering 



VAN HET 



AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP, 



GEHOUDEN TEAMSTERDAM,DEN22APRILi88 2. 



De Voorzitter, prof. P. J. Veth, opende deze vergadering 
en herinnerde er aan, hoe dezer dagen ook de vroegere 
chef der Sumatra-expeditie, de Heer A. L. Van Hasselt, 
naar Indie was teruggekeerd, doch dat thans ook het werk 
over de expeditie „Midden-Sumatra" zoo goed als gereed 
lag. Nog eenmaal wees spreker op de geheele samenstel- 
ling van het werk, zijn platen en kaarten, en sprak een 
woord van hartelijken dank uit aan hen, die er toe hadden 
bijgedragen den Heer Van Hasselt in staat te stellen nog 
22 maanden aan dat werk te besteden. 

Over het jaarverslag, dat thans door den Secretaris, 
prof. C. M. Kan, werd voorgelezen, treden wij in geen 
bijzonderheden, daar het in deze aflevering van het Tijd- 
schrift in zijn geheel voorkomt. 

De Penningmeester deed nu rekening van zijn gehouden 
beheer, waarna de jaarlijksche keus van nieuwe bestuurs- 
eden plaats had. 

In plaats van de aftredende leden, de Heeren F. De 
Bas, W. J. Van Gorkoni, J. Knijper, mr. S. Muller., mr. 
S. C. J. W. Van Musschenbroek en prof. C. M. Kan, 
werden gekozen de Heeren prof. H. G. Van de Sande 
Bakhuijzen, prof. S. A. Naber, J. F. W. Conrad, P. J. B. 
C. Robidé van der Aa en prof. K. Martin. De Secretaris, 
prof. C. M. Kan, werd herkozen. 



In zijn voordracht over de geologische gesteldheid van 
Bomeo toonde prof. Martin eerst aan, van waar het mate- 
riaal, waaraan hij zijn beschouwing over die gesteldheid 
ontleende, afkomstig was, nl. van de leden der Natuur- 
kundige Commissie (de Heeren Korthals en Muller), 
wier zoölogische en botanische collecties verwerkt waren, 
maar wier mineralogische verzameling niet gewaardeerd 
en te Leiden ter zijde gezet was, totdat buitenlandsche 
geleerden en de belangstelling, die Borneo in onze dagen 
mocht ondervinden, er de aandacht weder op vestigden. Van 
Horner (1836) had men den catalogus, maar niet de col- 
lectie; van Schwaner (1843 — 47) noch catalogus noch col- 
lectie gevonden; van Korthals en Muller daarentegen èn 
een bruikbaren catalogus èn een goede verzameling. Spreker 
zette daarna uiteen, hoe men uit de fossiele fauna, in de 
aanwezige specimina aangetroffen (orbitoiden en nummi- 
liten), alsmede uit de kalklagen in verband met koralen 
tot den ouderdom der sedimentaire gesteenten, nl. kalk- 
steen, mergel- en zandsteen uit het jong tertitaire tijdvak 
voor dat gedeelte van Borneo, waar de Teweh, de zijtak 
van de Barito, stroomt, kon besluiten; zooals deze voor 
den Z. O. hoek van Borneo, waar de Heer Verbeek en 
vroeger de Heer De Groot hun onderzoek hadden inge- 
steld, was vastgesteld. 

28 



204 



ZEVEN-EN^ERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



Wat leerde nu dit onderzoek voor den geologischen 
bouw van Borneo? De kern van Borneo, zoo ontwierp 
reeds Horner in 1837 het algemeene beeld, bestond uit 
oudere kristallij ne gesteenten (granieten, diorieten, schiefer). 
Die kern was omsloten door een tertiaire formatie, waar- 
onder een koraalrif, terwijl de inhammen door jongere 
formaties waren opgevuld. Spreker toonde nu verder aan, 
dat deze voorstelling in hoofdzaak juist mocht heeten. Toen 
nog alleen de oude kristallijne gesteenten van het eiland 
zich boven het niveau der zee verhieven, waren de ver- 
weerde en door de rivieren afgevoerde stoffen aan hun voet 
onder dat niveau afgezet. Zij vormden daar de lagen klei, 
mergel en zandsteen. Toen later het eiland omhoog ge- 
heven werd, m. a, w. het boven genoemd niveau daalde, 
kwamen die tertiaire lagen bloot te liggen. Inmiddels 
werden de insnijdingen der rivieren op het eiland dieper 
en werd de kracht van het water grooter, zoodat zich ook 
weder aan den voet dier tertiaire lagen nieuwe verwerings- 
producten afzetten, zoowel van de oudere als van de 
tertiaire gesteenten afkomstig, en wel in waterpasse lagen 
gelegen, goud en diamanten bevattende. 

Spreker vestigde daarna de aandacht op een geologisch- 
mineralogische kaart van een gedeelte van Borneo, hem 
door prof. Pijnappel ter hand gesteld, naar aanwijzingen 
van Schwaner en Horner, door Von Gaffron geteekend. 
Zij stelde in hoofdzaak den bodem voor, zooals het ont- 
staan zoo juist was geschilderd: de oude gronden rood, 
de tertiaire (en secundaire) formaties geel, de nieuwe gron- 
den bij de rivieren, vooral bij de mondingen, groen getee- 
kend. Op die kaart kwamen ook palaeozoische formaties voor, 
zooals deze voor onzen archipel overigens alleen in de Suma- 
traansche bovenlanden en op Timor voorkwamen. Het zou 
de moeite waard zijn te onderzoeken, of dit juist was: tot 
dusver leverden de gesteenten geen bewijs daarvoor. Ook 
hadden Homer en Schwaner wegens de verplaatsing of 
discordantie der gebroken en verschoven lagen aan den 
voet der kristallijne gesteenten, in tegenoverstelling der 
waterpasse ligging van de jongere formatie bij een gedeelte 
der tertiaire formatie aan hoogeren ouderdom (secundair) 
gedacht, terwijl de Heer Martin die verplaatsing en in- 
storting aan de gips- en steenzoutformaties toeschreef, 
waardoor, bij oplossing en uitwassching van deze, instor- 
tingen en verplaatsingen der lagen ontstaan, die in Bor- 
neo de kronkelingen der Barito, elders de zoogenoemde 
„Erdfalle" en ook kleine meren in 't leven riepen. Overi- 
gens bleek uit alles dat de kaart in hoofdzaak volkomen 
vertrouwbaar was, een gevoelen, waarin spr. nog versterkt 
was door vergelijking met de resultaten der jongste onder- 



zoekingen van den ingenieur Verbeek in 't J.. O. en van 
den ingenieur E ver wijn over de Westkust van Borneo in- 
gesteld. Aan 't slot zijner voordracht deelde de Heer 
Martin nog mede, dat de door Peschel in het Ausland 
(later in de Neue Problemé) gemaakte vergelijking tus- 
schen Borneo en Celebes, waarbij het laatste eiland 
een vermagerd Borneo, of het eerste een aangegroeid, 
aangeslibd Celebes wordt geheeten, zijn ontstaan niet 
te danken heeft aan Peschel zelve, zooals die meende, 
noch ook aan een opmerking, van Wallace atkorostig: 
zij werd reeds door Horner, en dus reeds in 1837, 
gemaakt. Tevens merkte hij op dat op een nieuwe 
editie van Marcou's geologische kaart der aarde Borneo 
nu niet meer wit behoefde gelaten te worden, gelijk op de 
eerste, toen, zooals de Heer Marcou beweerde, men van 
Borneo niets afwist dan 't geen daarover in eenige korte 
berichten in Nederlandsche en Engelsche tijdschriften te 
vinden was. ' 

Op de vraag van den Heer Quarles naar het aandeel^ 
dat Von Gaffron, als zijnde geoloog, aan deze kaart kon 
gehad hebben, deelde de Heer Versteeg mede, dat deze 
eerst met Schwaner de Barito opgevaren was, doch later 
bewesten die rivier een zelfstandig geografisch onderzoek 
had ingesteld, en tevens een verzameling gesteenten, had 
aangelegd. Toen Schwaner later, na zijn reis op de Barito, 
over Pontianak naar Batavia teruggekeerd, aldaar werkzaam 
was, had de Heer Van Lijnden de samenwerking van 
Von Schwaner en Von Gaffron bewerkt. Meer bijzonder 
aan de genoemde kaart hadden beiden gearbeid. Von 
Gaffron had daarop o. a. de kleuren aangebracht. Nadat 
de Voorzitter daarop nog de aandacht had gevestigd op de 
publicatie van Von Gaffron 's reis in de werken van het 
Kon. Instituut door prof. Pijnappel en de publicatie der 
kaart in het Tijdschrift des Genootschaps, beval de Heer 
Van Musschenbroek nog het onderzoek van Halmaheira 
met het oog op de gemaakte vergelijkingen meer bijzonder 
aan, en werd daarna de discussie over deze belangrijke 
voordracht gesloten. 

De Heer Dornseiffen vestigde vervolgens de aandacht 
op eenige belangrijke kaarten en photographiön uit de 
bibliotheek van het Aardrijkskundig Genootschap. Daar 
spreker het merkwaardige dier kaarten en photographien, 
welke hij ter vergadering had medegebracht, slechts met 
een enkel woord aanwees, kunnen wij op onze beurt weinig 
meer doen dan met een enkel woord te vermelden welke 
daarvan het meest de aandacht trokken. Wij noemen dan: 
een kaart van Joan Blaeu, voorstellende de golf van Tonkin, 
van het jaar 1697; een kaart van Sumatra van Izaak de 



ZEVÉN-EN-DERTIGSTE ALGEMEENE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



205 



Graaf (17 10), waaruit bleek hoeveel bekender reeds toen 
de veel bevaren straat van Malacca was, m vergelijking 
van de rondom Sumatra gelegen eilanden; een kaart van 
Willem, Pieter en Johannes Blaeu van de Noordelijke Ijs- 
zee, waarop Groenland en Spitsbergen, voor zooverre toen 
(1677) bekend, voorkomende; verschillende kaarten van 
Cura^ao, nl. een gedrukte, uitgegeven ten tijde van den 
gouverneur baron Van Raders, en een geteekende, van 
welke eerstdaags verbeterde edities, volgens latere opnamen, 
in 1375 gedaan, in het Tijdschrift des Genootschaps zullen 
gepubliceerd worden; een te Tokei in 1876 gedrukte Ja- 
pansche kaart, wel zeer verschillende van vroegere kaar- 
ten, ter vergelijking daarbij tentoongesteld; de nieuwe 
kustkaarten van Sumatra en Straat Bangka, als modellen 
van schoone lithographische uitvoering, de laatste tevens 
als proeve der resultaten, verkregen door zeer langdurige 
en dure opnemingen; Amerikaansche kaarten, voorstellende' 
het Yellewstone National Park en andere terreinen uit het 
verre Westen, waar verzamelingen van natuurwonderen 
(Geijsirs, heete bronnen, cascaden, breede en diepe water- 
vallen enz.) de aandacht trekken; Nederlandsche kaarten, 
die den Hoek van Holland voorstellen en de daar aan- 
wezige diepte ; voorts een kaart der Nederlandsche kust- 
lichten enz. 

Van de kaarten tot de atlassen en photographien over- 
gaande, vestigde de Heer Dornseiffen de aandacht op het 
geschenk aan het Genootschap van den beroemden reiziger 
Dr. Gerhard Rohlfs, nl. een verzameling photographien, 
voorstellende het terrein zijner jongste reis door de Liby- 
sche woestijn en die van den Hongaarschen reiziger Déchy 
Mor, gezichten uit de Himalaja teruggevende; op den atlas 
van Delfland, een geschenk van Dr. Barnouw en op ver- 
schillende Pascaerten; op den zoo verdienstelijken atlas 
van Zeeland, vervaardigd door de Heeren Pické en Lam- 
brechtsen, waarop niet alleen de aard der verschillende 
gronden (bosschen, boomgaarden enz.), maar tevens de 
sluizen, de kleine en groote werken worden aangewezen; 
eindelijk de residentiekaarten van Rembang en het album 
van het Toba-meer, reeds vroeger door ons vermeld. Aan 
de opmerking van Dr. Dornseiffen, dat alle genoemde. en 
tentoongestelde kaarten geschenken waren, waarmede belang- 
stellenden de bibliotheek hadden verrijkt, knoopte de Voor- 
zitter den wensch vast, dat toch zij, die in 't bezit waren 
van oude kaarten, deze niet mochten vernietigen df ver- 
koopen, ook al schenen zij bijna geen waarde te bezitten. 
Om dit goed te kunnen beoordeelen, diende men volkomen 
op de hoogte te zijn van de historische geographie en car- 
tographie. Van kaarten, welke jaarlijks verloren gingen of 



vernietigd werden, zouden ongetwijfeld vele een plaats in 
de geographische bibliotheek verdienen. 

Aan 't slot der bijeenkomst vestigde de Voorzitter de 
aandacht op de internationale koloniale tentoonstelling in 
haar beteekenis voor de geographische wetenschap. Het 
kwam spreker voor, dat het karakter dier tentoonstelling 
niet zelden miskend wordt. Niet zoozeer de voorstelling van 
exporthandel naar de koloniën was in dezen hoofdzaak. 
Het doel der tentoonstelling was meer wetenschappelijk: 
zij moest de koloniën aan de Nederlandsche natie beter be- 
kend maken. Daarom werd vooreerst een denkbeeld ge- 
geven van het land en van de natuur der koloniën in 
haar eigenaardigheden. Doch vooral het ethnographisch 
programma was zeer uitgewerkt, ten einde het volksleven in 
de koloniën in al zijn onderdeden met bijzondere nauw- 
keurigheid voor oogen te stellen. Dan kwam in de derde 
plaats het aanwijzen van dat wat door Europeinen ten 
behoeve der kolonie verricht werd, of van de betrekkingen, 
die tusschen moederland en kolonie bestonden, zoowel de 
politieke verhouding als het handelsverkeer. Werd dus het 
hoofdgewicht op de ethnologische afdeeling gelegd, en 
volgden de overige natiën het voorbeeld van Nederland, in 
zooverre dat zij aan deze afdeeling voor hun koloniën 
de meeste zorg besteedden, dan kon deze tentoonstelling 
voor de ethnographische wetenschap een zeer bijzonder 
gewicht verkrijgen. Dat dit ook van andere zijde werd 
ingezien, kon blijken uit het feit, 't welk spr. mededeelde, 
dat het regelings-comité van het oriëntalisten-congres, dat 
eerst in 1884 te Leiden zou plaats hebben, thans in over- 
weging had gegeven dit een jaar te vervroegen en het met 
de tentoonstelling te doen samenvallen. 

Doch hoe moest men het aanleggen, om althans onze 
koloniën, wat de natuur en het volksleven betrof, goed te 
doen voorstellen? Naar spreker meende, bestond er alle 
reden om aan te nemen dat dit alleszins voldoende zou 
kunnen geschieden. Vooreerst mocht van de Indische regee- 
ring krachtige hulp verwacht worden; verder zouden par- 
ticulieren in dezen evenzeer het hunne moeten bijdragen, 
waartoe spr. als voorbeeld wees op de zoo rijke en volledige 
verzameling kleedingstukken, door den Heer Van Rijcke- 
vorsel in Indie bijeengebracht en geruimen tijd in het ge- 
bouw der Yachtclub te Rotterdam tentoongesteld. Ook uit 
openbare verzamelingen zouden tal van voorwerpen inge- 
zonden kunnen worden. Wel wist spreker dat daaraan 
groote bezwaren verbonden waren, en natuurlijk vele reeds 
bekende voorwerpen ter bezichtiging werden gesteld, maar 
van den anderen kant zou juist dat tentoonstellen van 
voorwerpen, die tot dusver waren geborgen in gebouwen. 



2o6 



ZEVEN-EN-DERTIGSTE ALGEMEEKE VERGADERING VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP. 



waar het niet zelden aan ruimte ontbreekt, het "belang dier 
voorwerpen beter doen uitkomen, vooral wanneer zij in een 
behoorlijke ruimte en ook overigens met eenige zorg wer- 
den geëtaleerd. Bovendien zouden kenners en belangstel- 
lenden eerst dan goed kunnen beoordeelen, wat er was en 
wat er nog ontbrak. Werkten nu de Regeering, particu- 
lieren en bestuurders van openbare verzamelingen krachtig 
en eendrachtig samen, dan kon de Nederlandsche afdeeling 
iets leveren, wat de verbazing van Europa zou vermogen 
te wekken. Doch dan moest men ook niet luisteren naar 
de stemmen, die hier en daar vernomen werden, als zou 
van deze tentoonstelling niet veel komen, als ware zij niet 
goed op touw gezet. Dat koesteren en uitspreken van 
minder goede verwachtingen kon tot niets leiden. Spreker 



waarschuwde uitdrukkelijk voor die eigenaardigheid in het 
Nederlandsche karakter om aan eigen krachten te wan- 
hopen. Deed ieder voor zich wat hij kon om de zaak te 
doen gelukken, dan moest men slagen, terwijl het fiasco 
maken voor Nederland inderdaad een schande zou moeten 
heeten, 

Aan 't slot der vergadering stelde de Voorzitter voor, tot 
correspondeerend lid van het Genootschap te benoemen 
Rajah Sourindra Mohun Tagoré, te Calcoetta, die zich door 
zijn belangstelling voor wetenschap en zijn vrijgevigheid 
onderscheidde, zooals door zijn geschenken aan de Utrecht- 
sche bibliotheek en aan het ethnographisch museum was 
gebleken. Dit voorstel werd met bijval begroet, en de 
vergadering daarop gesloten. 



VERSLAG 



VAN DEN 



Toestand en de Verrichtingen 



VAN HET 



AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP, 

GEDURENDE HET JAAR 1881, uitgebracht ter ALGEMEENE VERGADERING van 22 APRIL 1882. 



Geachte Medeleden! 

Namens het Bestuur heb ik de eer U het volgende 
Verslag van den Toestand en de Verrichtingen van het 
Aardrijkskundig Genootschap in het afgeloopen jaar aan 
te bieden. 

Het aantal leden bleef geheel op dezelfde hoogte als 
het vorige jaar (928), hoewel het departement Enkhuizen 
door vermindering van het aantal leden ophield te bestaan. 

Als honoraire en correspondeerende leden werden be- 
noemd de H.H. Denison, Palander, Teixeira de Mattos, 
Dechy Mor en Schuver, waarvan de meesten, voor zoover 
die benoeming reeds te hunner kennis is kunnen gebracht 
worden, deze hebben aanvaard en daarvoor hun dank 
hebben uitgesproken. 

De nieuw- of herbenoemde leden van het Bestuur, de 
H-H, de Goeje, Buijs Ballot, Veth, Versteeg en Posthumus 
aanvaardden welwillend de op hen uitgebrachte benoe- 
mingen; de heer Rahusen heeft daarvoor meenen te moeten 
bedanken: zijn plaats werd ingenomen door den heer 
P. W. Jansen. — Bij voortdurig worden de administra- 
tieve werkzaamheden van het Bureau door den Heer van 
Bemmel op een wijze verricht, die tot groote tevredenheid 
van de zijde des Bestuurs aanleiding geeft. 



De wetenschappelijke werkzaamheid des genootschaps 
op Arctisch gebied kon in den loop des jaars niet dan zeer 
gering zijn. Aangezien het Comité voor de Ijszee-vaart 
de verslagen der Barents-reizen niet meer in het orgaan 
van het genootschap publiceert en het niet in den handel 
gebrachte verslag der laatste reis ons niet werd toegezon- 
den, heeft het Bestuur, dat natuurlijk in die reizen voort- 
durend het levendigst belang blijft stellen, slechts de in de . 
dagbladen gepubliceerde brieven der expeditie-leden kunnen 
overnemen. Voegt men daarbij de discussie over de vesti- 
ging te Dicksonhaven op onze laatste jaarvergadering, de 
uitkeering der som van/ 500 voor dat station, het opnemen 
van de bijdragen van prof. Buijs Ballot over het doel der 
internationale expeditie naar de poolgewesten in het 
Tijdschrift en het voortdurend nagaan en bespreken van 
de belangrijke gebeurtenissen op Arctisch gebied in de 
Mededeelingen van het Tijdschrift, dan is daarmede de 
werkzaamheid op Arctisch gebied beschreven. 

Voor de aardrijkskunde van Nederland was het genoot- 
schap in den loop van het jaar met meer vrucht bezig. 
Ter aanvulling van 't geen daarover in het vorig jaar- 
verslag werd medegedeeld, zij hier vooreerst vermeld, dat 
voor de samenstelling eener lijst van Nederlandsche plaats- 
namen thans twee commissien werkzaam zijn. Hoe de 



208 



VERSLAG VAN DEN TOESTAND EN DE VERRICHTINGEN 



eerste commissie, bestaauae uit deH.H. Dornseiflfen, Naber, 
Rogge en Kern, werkzaam is, kan u blijken uit de rond- 
gezonden circulaires, in het Tijdschrift opgenomen, en 
uit de eerste bijdragen, door die Commissie met afzonder- 
lijke pagincering onder de rubriek: „Geschiedkundig onder- 
zoek der Nederlandsche aardrijkskundige namen" in het 
Tijdschrift gepubliceerd. Het Bestuur acht zich zoowel 
aan de commissie als aan de H.H. van der Baan, Broe- 
kema, van Slooten, Dorrenboom, Winkler en Hattink, die 
belangrijke bijdragen inzonden, zeer verplicht. Een andere 
commissie, bestaande uit de H.H. Kuijper en verdere 
leden van de Afdeeling „Nederland", gaat van het denk- 
beeld uit, om op eenvoudige wijze, door 't consulteeren 
van het bestaande en 't volgen der nieuwe spelling, een 
„Register van Plaatsen in Nederland" samen te stellen, 
op de wijze van het Woordenboek van de Vries en te 
Winkel. Bij de samenstelling daarvan heelt Prof. de Vries 
zijn medewerking toegezegd. Het boekje zal goedkoop 
worden en tevens dienst doen als klein geografisch Woorden- 
boek, waarin de gemeenten met het bevolkingscijfer volgens 
de jongste volkstelling, en tevens de namen der wateren 
en merkwaardige polders zullen worden opgenomen. 

Over de werkzaamheid der afdeeling Nederland voorde 
aardrijkskundige kennis van ons land handelen wij nader 
bij de bespreking van het Tijdschrift. 

Voor de uitbreiding der Nederlandsche koloniën mocht 
het genootschap in den loop des jaars krachtig werkzaam 
zijn. Met den resident van Amboina, den heer Riedel, 
stelde het Bestuur zich in verbinding, ten einde van dezen 
geleerde de zoo gewenschte nadere berichten over deKey- 
en Aroe-eilauden te verkrijgen; aan Indische ambtenaren 
werd een circulaire toegezonden om hen op te wekken tot 
vermeerdering der kennis van Indie, tenvijl tevens een 
schema werd opgemaakt, de punten bevattende, die in 't. 
bijzonder in een beschrijving van eenige afdeeling ofeenig 
eiland de aandacht verdienden; aan het Koloniaal Museum 
te Haarlem werden uit de collecties, door de leden der 
Sumatra- expeditie bijeengebracht, eenige , specimina van 
producten, voor handel en nijverheid van belang, toege- 
zonden, waarvoor het Bestuur der Maatschappij van Nijver- 
heid zijn welgimeenden dank uitsprak; tot krachtige deel- 
neming vanwege het genootschap aan de Internationale 
Koloniale Tentoonstelling in 1883 worden alle maatregelen 
voorbereid; op onjuistheden, door vreemdelingen over onze 
koloniën verspreid, bijv. door Dr. Hagen over het Toba- 
meer en onze kennis van het Battaland in het Ausland, 
werd van w^e het Bestuur de aandacht gevestigd; de maat- 
regelen voor de publicatie eener geographische bibliographie 



voor Ned. Indie in het Tijdschrift zijn genomen, en, last 
not least: het werk Midden- Sumatra werd in den loop des 
jaars belangrijk verder afgewerkt, zoodat weldra het geheel, 
behalve een gedeelte van de natuurhistorische en linguïs- 
tische afdeeling, gereed zal zijn. Welke beoordeeling dit 
zoo schoon uitgevoerde werk op de jongste aardrijkskun- 
dige tentoonstelling mocht ondervinden is U bekend; hoe 
krachtig Z.K. de Minister van Koloniën bij voortduring de 
uitgave steunde is U reeds vroeger medegedeeld. Er blijft 
slechts over, een woord van oprechten dank uittespreken 
aan de expeditieleden voor de geleverde bouwstoffen, aan 
zoovele geleerden voor de bewerking der collecties, doch 
vooral aan onzen geachten Voorzitter, die met de hem 
zoo eigene nauwkeurigheid en zaakkennis die bijdragen 
van zoovele handen met niet genoeg te waardeeren opoffe- 
ring van tijd en moeite tot één geheel wist te vereenigen, 
tot een geheel, dat niet ten onrechte ook nog weder onlangs 
te Halle, even als te Venetië, de bewondering van den 
vreemdeling opwekte. 

Doch vooral voor de Indische Hydrographie was het 
Bestuur bijzonder werkzaam. Had deze zaak reeds jaren 
lang in tijdschrift en op vergaderingen de aandacht getrokken, 
en was zij meermalen voorloopig ter sprake gebracht, de 
bespreking der hydrographie in 't algemeen op het Congres 
te Venetië gaf aanleiding tot een meer bepaald handelend 
optreden van het aardrijkskundig genootschap in deze voor 
wetenschap en praktijk zoo hoogst belangrijke zaak. Nadat 
het Bestuur te vergeefs getracht had deze bespreking nog 
vóór het Congres te Venetië te doen plaats hebben, werd zij, 
in verband met het daar besprokene en beslotene op onze 
jongste algemeene Vergadering te 's Hage, door den Heer 
Versteeg ingeleid en ondervond zij daar zooveel belang- 
stelling, dat de eerstkomende aflevering van het Tijdschrift 
daarmede voor een belangrijk deel zal gevuld zijn. In 
die aflevering zullen voorkomen, de bijdrage van den 
Heer Versteeg; de uitbreiding, daaraan gegeven door 
den Heer van Musschenbroek ; de gehouden discussies 
en de later ingekomen nota's van de H.H. Kniphorst en 
Mac Leod, terwijl door het Bestuur van het genootschap 
zorg zal worden gedragen een en ander ter kennis te 
brengen van die afdeelingen van Bestuur, welke bij 
de regeling van den diensttak „Hydrographie" geacht 
mogen worden belang te hebben. Voegt men nu bij deze 
maatregelen, in 't belang der kennis onzer koloniën geno- 
men, de zoo verschillende publicaties van kaarten en arti- 
kelen in het Tijdschrift, waarop wij later terugkomen, dan 
mag op de werkzaamheid des genootschaps in die richting 
niet zonder voldoening teruggezien worden. Doch natuur- 



VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP, GEDURENDE HET JAAR 1881. 



209 



lijk niet uitsluitend tot de koloniën bepaalde zich de 
werkzaamheid eener vereeniging, die zich de bevordering 
der studie van de aardrijkskunde in 't algemeen ten 
doel stelt. 

Welk aandeel ons genootschap heeft genomen aan het 
groote geographische feest, in den nazomer van '8i te 
Venetië gevierd, behoeft U na de daarover uitgebrachte 
verslagen thans niet meer in bijzonderheden te worden 
uiteengezet. Genoeg zij het er aan te herinneren, dat 
niet enkel de naam van het genootschap, doch ook die 
van Nederland op 't gebied der wetenschap werd gehand- 
haafd, al werd die handhaving door de Nederlandsche 
regeering dan ook meer dan wenschelijk was voor de kas 
onzer Vereeniging op de schouders van het aardrijkskundig 
genootschap gelegd. Gelukkig dat zoowel door de zuster- 
vereeniging te 's Hage, het K. Instituut voor T. L. en 
V. V. d. Ind. Archipel, als door particulieren, wier hart 
warm klopte voor het handhaven van den Nederland- 
schen naam en het goede doel. 't welk het genootschap 
beoogde, in de finantieele bezwaren zoo welwillend en 
krachtig tegemoet gekomen werd. • 

Doch nog elders dan alleen te Venetië betrad het ge- 
nootschap het terrein van de algemeene geographie. 

Met den heer Kruijt, onzen Consul-Generaal te Djeddah, 
en den Nederlandschen reiziger in Arabie, den ingenieur 
A. J. Schelling, bleef het genootschap voortdurend in ver- 
binding. Naar aanleiding der hem in dezen verstrekte 
inlichtingen gaat de Heer Kruijt steeds voort met het aan- 
leggen van verzamelingen en het doen van waarnenaingen. 
De meteorologische observaties, gedurende 9 maanden door 
dezen ijverigen ambtenaar verricht, zijn in het jongst ver- 
schenen Jaarboek van het Kon. Ned. Meteor. Instituut 
opgenomen. 

Wat den Heer Schelling betreft, door het uitbreken der 
cholera en andere omstandigheden heeft hij het terrein 
zijner oorspronkelijke werkzaamheid in Arabie verlaten, om 
voorloopig aan den Nijl werkzaam te zijn. Het verslag 
dier vroegere reis is thans bij het Bestuur in bewerking, 
om in het tijdschrift van het genootschap te worden op- 
genomen. Later keert de Heer Schelling allicht naar 
Arabie terug, om alleen of in verbinding met den reiziger 
Stosz, over wien in onze Mededeelingen gehandeld is, zijn 
onderzoek te hervatten. 

Levendig belang blijft het Bestuur ook bij voortdurig 
stellen in het onderzoek van Brazilië door Nederlandsche 
reizigers. In het eerstkomende tijdschriftnummer zullen 
eenige geographische resultaten, tot dusver door den Heer 
van Rijckevorsel en wijlen den Heer van Alphen verkregeij. 



in het licht worden gesteld, ontleend aan de brfeven, door 
eerstgenoemden aan de redactie van den Spectator ge- 
schreven. Tot dusver werd de hoop op meer zuiver geo- 
graphische berichten, welke het Bestuur van de reizigers 
te gemoet zag, nog niet vervuld. Wellicht hebben de dood 
van den Heer van Alphen en de schipbreuk, welke de 
reizigers leden, tot het achterblijven dier berichten aan- 
leiding gegeven, daar toch van den overledene meer het 
algemeen geographisch, van den Heer van Rijckevorsel 
het magnetisch onderzoek mocht en moet verwacht worden. 
. Met den opvolger van den Heer van Alphen, den Heer 
Engelenburg, heeft het Bestuur zich weder in verbinding 
gesteld. Hoezeer de kaart van Pernambuco, vervaardigd 
door de H.H. Fournié en Béringer, en in ons tijdschrift 
opgenomen, in Brazilië de aandacht beeft getrokken, kan 
blijken uit het feit, dat. de Heer Deshiteau te Pernambuco 
tot het bestuur een schrijven richtte betreffende het doen ver- 
vaardigen van een 1000 ex. dier kaart op papier of linnen 
met bijbehoorenden text, welke hij in Brazilië verkoopbaar 
wenschte te stellen. — Neemt men nu verder in aanmerking 
dat op onze algemeene vergaderingen zeer verschillende 
onderwerpen van algemeen aardrijkskundigen aard ter 
sprake werden gebracht; dat het Bestuur door zijn bij de 
Tweede Kamer ingediend adres op nieuw pogingen aan- 
wendde om het Bestuur van het Ethnologisch Museum 
zóó te doen organiseeren, dat deze inrichting voor het 
vervolg meer vruchten voor de geographie zal kunnen 
afwerpen; dat het tot de geographische tentoonstelling te 
Kopenhagen en te Halle door het «tijdelijk afstaan van 
vele merkwaardige kaarten en werken uit zijn bibliotheek 
mede werkte; eindelijk dat het zich met den reiziger 
in Afrika Juan Maria Schuver in verbinding stelde, om 
dezen Nederlandschen reiziger in het orgaan van het 
vaderlandsche genootschap zijn kaarten en reisbeschrij- 
vingen te doen publiceeren, — dan mag beweerd worden 
dat het Nederl. Aardr. Genootschap zich niet uitsluitend 
op het gebied van Nederland en de Koloniën beweegt, al 
kiest het dat terrein, met het oog op het Nederlandsche 
belang en ten gerieve des vreemdelings, dan ook overwe- 
gend tot doel zijner werkzaamheid. Tevens werd door dit 
alles de band met de zuster-genootschappen, wier aantal 
weder met eenige vermeerderd werd (bijv. te Mo^mbique, 
te Breslau en te Jena) weder nauwer toegehaald. 

Bij 't vermelden van de volledige Bestuursvergaderingen 
wenscht het Bestuur op den voorgrond te stellen, dat door 
vermindering der administratieve werkzaamheden de weten- 
schappelijke, het doen van wetenschappelijke mededeelingen, 
in die bijeenkomsten steeds meer op den voorgiond treden. 



210 



VERSLAG VAN DE TOESTAND EN DE VERRICHTINGEN 



Daarom, doch tevens om andere redenen, overwoog het 
Bestuur de wenschelijkheid, de notulen dier volledige 
Bestuursvergaderingen te publiceeren en werd besloten 
daarmede 'te beginnen, als in 1883, het jaar waarin onze 
vereeniging haar tienjarig bestaan kan vieren, voorafgegaan 
is de publicatie der geschiedenis des genootschaps, waarnaar 
dan later bij de publicatie dier notulen kan worden ver- 
wezen. Tevens is bij het volledige Bestuur in overweging 
een nadere regeling der algemeene vergaderingen en de 
publicatie der mededeelingen op geographisch gebied, hetzij 
in het Tijdschrift des genootschaps of in afzonderlijke op 
zich zelf en eerder verschijnende verhandelingen, hetzij in 
een door het genootschap gesubsidieerd of uittegeven 
weekblad. De uitslag dier overwegingen zal ü natuurlijk 
later worden medegedeeld. 

Over de bibliotheek zuUen bibliothecarissen U het noo- 
dige mededeelen. Ons rest dus nog slechts het bespreken 
van het Tijdschrift en de Algemeene Vergaderingen. Wat 
het eerste betreft, het Bestuur acht het thans zoo geregeld 
verschijnen der tweemaandelijksche afleveringen geheel in 
't belang onzer vereeniging en meent ook nu weder den 
inhoud belangrijk te mogen noemen. Buiten de boven 
reeds vermelde artikelen kwamen daarin over Indie voor: 
de beschrijving van een tochtje naar her eiland Misool, in 
1862 door den Heer D. S. Hoedt verricht, door prof. 
P. J. Veth; een woord bij de kaart van de voornaamste 
wegen in het zuidelijke deel der residentie Palembang door 
D. D. Veth; iets over het Bestuur en de rechtspleging in 
het gouvernement van Atjeh en onderhoorigheden, ons 
door Z. E. den Min. van Koloniën welwillend ter publi- 
catie toegezonden; geographische aanteekeningen betreffende 
de residentie Sumatra's Oostkust door J. S. G. Gramberg, 
terwijl in de „Nalezingen en Verbeteringen" over de bena- 
ming a}foeros, de bevolking van Java's hoofdsteden, het 
werk Java van onzen Voorzitter, de Dayaks, Noord-Borneo 
en Pekalongan merkwaardige bijdragen werden geleverd, 
resp. door de Heeren Metzger, Veth, Bergsma, Groneman 
en Quarles. 

Wat de artikelen over aardrijkskunde in 't algemeen 
betreft, de vier laatste afleveringen van het 5de en de 
2 eerste van het 6 de deel bevatten behalve het bovenge- 
noemde op dat gebied, de volgende bijdragen : Mittheilungen 
uber die zoologischen Forschungen in Liberia (de onderzoe- 
kingen van Sala en Büttikofer) door H.Schlegel; de geologie 
van Spitsbergen door H. van Capelle Jr.; iets over den 
vee-rijkdom in Zuid- Amerika door prof. H, Weijenbergh; 
een vastpunt, in de Arabische berichten omtrent Oostelijk 
Azië gevonden, ontleend aan de Versl. en Med. der K. A. 



van Wetenschappen en afkomstig van prof. de Goeje; de 
graidmeting in Denemarken door F. de Bas; iets over de 
geschiedenis en Ethnologie der Z. Afrik. stammen en over 
de Kaffers door Th. M. Tromp; de Verslagen over de ten- 
toonstelling en het Congres te Venetië door de Heeren 
Versteeg en Kan; de reis van den opperkoopman Wolle- 
brandt Geleinsz, de JonghvanSoerattenaar Agra 1636— '37 
door wijlen P. A. Leupe : de bodemgesteldheid in de Trans- 
vaal door Dr. J. A. Roorda Smit; eindelijk de necrologien 
van de Heeren de Jonge en Leupe, door prof. Veth. Door 
wisseling van personeel in het secretariaat der afdeeling 
Nederland waren de bijdragen dier afdeeling in den loop 
van dit jaar minder dan gewoonlijk. Zij beperkten zich 
tot één artikel: „Terreinsveranderingen in Nederland," door 
J. W. Welcker. 

Eindelijk werd ook weder, als in vorige jaren, door de 
„Mededeelingen*' een overzicht gegeven van de merkwaar- 
digste gebeurtenissen op geographisch gebied, tevens een 
geregelde ontdekkingsgeschiedenis der verschillende we- 
relddeelen, zooals zij in onze dagen plaats heeft. 

Wat onze algemeene Vergaderingen betreft, achtereen- 
volgens werden daar ter sprake gebracht: de afvoer van 
de steenkolen der Ombilinvelden door den Heer D. D. Veth; 
de bemoeiingen der Fransche regeering tot het verkrijgen 
van een spoorwegverbinding van den Senegal met den Niger 
en van handelsgemeenschap met Timboektoe door Mr. van 
Musschenbroek ; de zoo juist genoemde geologie van Spits- 
bergen en Zuid- Afrika; ethnologische verzamelingen door 
prof. P. J. Veth; de reeds meermalen genoemde verslagen 
betreffende congres en tentoonstelling te Venetië; de In- 
dische hydrographie door den Heer Versteeg en het reizen 
met wetenschappelijk doel in Ned. Indie door den Heer 
A. L. van Hasselt. Daar de aard dezer onderwerpen had ' 
mogen doen verwachten, dat de opkomst der leden grooler 
geweest was dan zij geweest is ; — daar verder ook de andere 
keuze van het uur voor de bijeenkomsten geen resultaten 
heeft opgeleverd, meende het Bestuur dat het overwegen 
eener gewijzigde inrichting dier algemeene vergaderingen, 
zooals gezegd is, aan de orde moest gesteld worden. 
Overigens M. H. laat zich een krachtig werkende vereeni- 
ging denken, zonder dat de vele voordrachten, die later 
meerendeels in het Tijdschrift worden opgenomen, door 
het meerendeel der leden worden bijgewoond. Ons genoot- 
schap is daarvan een bewijs. Het bestuur durft toch de 
verzekering te geven, dat, in weerwil der minder talrijke 
opkomst ter Algemeene Vergadering, het Nederlandsch 
Aardrijkskundig genootschap van de Nederlandsche regee- 
ring en de natie duidelijk sprekende bewijzen van belang- 



VAN HET AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP GEDURENDE HET JAAR 1881. 



211 



Stelling ontvangt en in den vreemde waarlijk hoog staat 
aangeschreven. De toekomst kan inderdaad zonder eenige 
zorg, ja met blijde hoop, worden te gemoet gezien. In ver- 
band met de zoo welwillende gezindheid van Z. E. den 
Minister van Koloniën worden nieuwe plannen beraamd 
tot onderzoekingen in den Archipel; voor het tijdschrift 
ziin weder tal van belangwekkende bijdragen en nieuwe 
kaarten van gedeelten van den O. en W. Indischen Archipel 
ingekomen en in bewerking. Wij noemen slechts een ge- 
deelte der O. kust van Sumatra, St, Martin en Curagao; 



de stand der geldmiddelen is door het zoo zorgvuldig 
beheer van onzen penningmeester van dien aard, dat zij 
de wetenschappelijke werkzaamheid van het genootschap 
niet belemmert, wat vroeger niet zelden het geval was. 
Zooveel is zeker dat, als het volgende jaar onze vereeni- 
ging haar tienjarig bestaan viert, de stellige hoop mag 
worden gekoesterd, dat zij de plaats, die zij zich onder 
de wetenschappelijke vereenigingen heeft verworven, zal 
weten te behouden. 



29 



REKENING VAN DEN PENNINGMEESTER VAN HET AARDRIJKS- 
KUNDIG GENOOTSCHAP OVER HET JAAR 1881. 



ONTVANCWT. 

Saldo. 

Van vorige rekening f 3366.19^3 

CaniribuUè'n, 

Van I Donateur f 100. — 

„ 8 . ,, ƒ 25.— , 200.— 

„ I Lid „ 15 — 

„ 35 Leden ƒ 12.— „ 420.— 

„ 677 „ „ IC— „ 6770.— 

„ 10 „ (6 m.) „ 7.50 „ 75.— 

» 131 »» »> S-— >i 655.— 

„ I Lid(6m.) „ 2.50 

„ 8237.50 

Achterstallige Coniribuiiè'n, 

„ 4 Leden „ 67.35 

Geleverde werken aan 
Nieuwe Leden en den Handel, 

Opbrengst van vroeger uitgegeven Geschriften 
aan nieuwe Leden, den Handel geleverd „ 789.35 

Aardrijksk. Congres te Venetië'. 

Van Diverse Bijdragen ter bestrijding der 

kosten „ 1325.— 

Geschenken cuin het Genootschap. 

„ Legaat wijlen Jhr. P. A. R. Beelaerts 

V. Blokland te Utrecht „ 1000. — 

Rente Vlottend Kapitaal. 

Rente van Prolongatien „ 248.46 Vs 



ƒ 15033-86 



Nagezien en goedgekeurd: 
(get.) I. DORNSEIFFEN, C. M. KAN. 



UITGAAF. 

Uitgave van het Tijdschrift. 

Aan Tijdschrift Deel V, Bijbladen N^ 7, 8 
en 9 en Mr. S. C. J. W. v. Musschenbroek, 
Vaarwater Schipbreukelingen „Koning 
der Nederi." ƒ 5357.541;, 

Honoraria. 
„ de schrijvers in het Tijdschrift „ 1362.75 

Aardrijksk. Congres te Venetië. 
„ diverse uitgaven „ 25o8.3oi;2 

Algem. Hutsh. Vergaderingen. 

„ Locaalhuren enz „ 78.75 

Bibliotheek. 
„ Bindwerk en diversen „ 100.35 

Bijdrage aan de Afdeelingen. 
„ Afd. Enkhuizen, Middelburg „ 41.— 

Af deeling Nederland. 
„ Diversen „ 500.— 

Adfftinistratie-kosten . 

„ Diversen f 577.20 

„ Honoraria v. geemployeerden „ 800. — 

,, 1377.20 

Onvoorziene Uitgaven. 

„ Toelage aan den heer A. J. Schelling voor 

de uitrusting tot zijn reis naar Arabie. „ 200. — 

Saldo 

Op nieuwe rekening „ 3507.96 

ƒ 15033-86 

Amsterdam, 31 December x88i. 

(get.) A. W. VAN EEGHEN, 

Penningmeester. 



NOG HET EEN EN ANDER OVER DE LAND-DAJAKS VAN 

NOORDELIJK-BORNEO, 



DOOR 



JHR. MR. J. K. W. QUARLES VAN ÜFFORD. 



Naar aanleiding van Noel Denison's „Jottings made 
during a tour amongst the Land Dyaks of Upper Serawak, 
Borneo, during the year 1874," plaatste ik in den jaar- 
gang 1881, dl, V, van het „Tijdschrift van het Aardrijks- 
kundig Genootschap," blz. 42, „Iets over de Land-Dajaks 
van Serawak," en wederom, blz. 102, „Nog iets over Deni- 
son's stuk over de Dajaks." 

Voortdurende briefwisseling met den schrijver stelt mij 
in staat aan het vroeger medegedeelde nog het een en 
ander toe te voegen, dat wellicht iets kan bijdragen tot 
de nadere kennis van den belangrijken volksstam der 
Dajaks. 

Elke bijdrage daartoe schijnt gewenscht, vooral nu het 
tot stand komen der zooveel besproken „British North- 
Bomeo Company" en het aan deze verleende „Royal 
Charter" i) zooveler aandacht op het reuzeneiland Bor- 
neo en zijne bevolking heeft doen vestigen. 

Dat de mededeelingen van den Heer Denison aandacht 
en vertrouwen verdienen, is door ons in dit tijdschrift, door 
den Heer Perelaer (die onlangs in zijn „Borneo van Zuid 
naar Noord" eene nieuwe bijdrage tot de kennis der Da- 
jaks leverde,) in „De Indische Gids" van Maart 1881 
aangetoond. Dat anderen er evenzoo over oordeelen, kan 
blijken uit deze twee omstandigheden: dat hij, op grond 
dat de belangrijke inhoud zijner „Jottings" mocht doen 
verwachten, dat meer belangrijke mededeelingen van 



i) Door ons besproken in „De Economist" van Maart jl. 



hem mogen worden tegemoet gezien, benoemd is tot 
correspondeerend lid van het Aardrijkskundig Genoot- 
schap, (eene benoeming, welke, volgens zijne mededeeling 
aan mij, wellicht spoedig gevolgd zal worden door de aan- 
bieding van een stuk over de „Sakeis," de inlandsche 
bevolking van Perak in Achter-Indie, waaronder hij gedu- 
rende de laatste jaren verkeerde); dat hij, die, wij zagen 
het vroeger, aan zijne „Jottings" «lechts geringe waarde 
toekende, bij herhaling is aangezocht dat werkje tot een 
meer omvangrijk werk over de Dajaks om te werken i). 
Op nog eene omstandigheid, welke ten gunste van den 
Heer Denison pleit en bewijst hpe hij zich bij de inland- 
sche bevolking weet gezien te maken, en dus de. onder- 
stelling wettigt dat hij goed met deze weet om te gaan, 
dus een der eerste vereischten bezit haar grondig teleeren 
kennen, zij het vergund te wijzen. Na eenige jaren in de 
binnenlanden van Perak te hebben gediend, kwam hij in 
het vorig jaar in aanmerking voor eene bevordering, welke 
hem nader aan de zeekust en dus nader aan meer be- 
schaafde oorden bracht. Zoodra in het binnenland bekend 
werd dat er sprake was van zijn vertrek, werden van vele 
zijden door inlandsche hoofden, Chineezen enz., pogingen 



i) Doet hij dat niet, dan mogen wij toch eerlang weder een werk 
over de Dajaks van Serawak tegemoet zien. Hij meldt toch dat de 
Heer Low, die jaren lang in Serawak diende en veel met de Dajaks 
verkeerde, (zoon, n.f. van den bekenden vroegeren schrijver van dien 
naam over de Dajaks, thans resident van Perak,) een werk over hen 
onder handen heeft, dat belooft zeer belangrijk te zullen zijn. 



214 



NOG HET EEN EN ANDER OVER DE LAND-DAJAKS VAN NOORDELIJK-BORNEO. 



gen aangewend om hem in het binnenland te doen blijven. 
Toen dit niet mocht baten, ontving hij tal van gehechts- 
heid-betuigingen en werd zijn lof, zijn goede wijze van 
omgang; met de inlanders, openlijk in de dagbladen ver- 
kondigd. 

Na deze inleiding volge het een en ander over de laat- 
stelijk van den Heer Denison ontvangen mededeelingen 
betreffende de Dajaks. 

Het eerste, een door hem gezonden gedrukt stuk, is 
getiteld: „Some remarks about the religieus belief of the 
Land Dyaks in Sarawak. Extracted frora an article entitled 
„Borneo and its missions," which appeared in the „Mis- 
sionary Magazine,*' 1873 ^^^ 1874, by the Revd. F. W. 
Abé of the Sarawak Mission. (Singapore, printed at the 
Mission press. 7 pages). 

Wat den godsdienst der Dajaks betreft, de grondslag 
daarvan wordt gezegd te zijn vrees; vrees voor de hemel- 
sche machten, voorgesteld als gedeeltelijk in de sterren te 
huizen, gedeeltelijk als van demonischen aard. Twee 
verschillende stadion kunnen duidelijk in den godsdienst 
der Land-Dajaks worden nagegaan, de eene die der oor- 
spronkelijke bewoners van het land, de andere van Hin- 
doe-oorsprong. De oorspronkelijke eeredienst der Dajaks 
is fetichistisch. Zij gelooven aan de macht van fetischen 
(kleine houten of steenen godheden, „guna" i) geheeten) 
. en gebruiken deze bij hunne j^begaweis" of feesten, vooral 
als zij de toekomst wenschen te raden, de geesten te raad- 
plegen, de zegeningen des hemels in te roepen op hunne 
rijstaanplantingen of voor -hunne zieken. Deze fetischen 
zijn kleine, zwarte steenen, rond of ovaal, van de grootte 
van knikkers of grootef. Zij worden hun, inzonderheid 
aan de priesters, zeggen zij, door de demonen in hunne 
droomen geschonken. Zij gelooven dat deze steenen van 
de sterren, vooral van de Pleiaden, komen. 

Hoewel zij priesters, „dukuns", hebben 2), wordt ook door 

1) liet kwam geraden voor in de vertaling uit het engelsche stuk 
de engelsche spelling der Dajaksche uitdrukkingen te behouden, slechts 
herinnerende dat wij gewoonlijk o^ schrijven waar de Ëngelschen de 
letter u gebruiken. 

2) Iets wat Prof. Veih, „Bomeo's Wester-afdetling," II, 301, ten 
opzichte van de Dajaks der Westkust ontkent. Heeft die geleerde gelijk 
in zijne bewering dat zij evenmin priesters als tempels en godsdienstige 
feesten of plechtigheden hebben, dan zou uit het thans medegedeelde 
stuk blijken, dat in dit opzicht nog al een aanmerkelijk verschil tus- 
schen de Dajaks der Westkust en die van Serawak bestaat. Is dit 
aannemelijk en moet men niet eer aannemen, dat'de kennis der Dajak- 
sche zeden en gebruiken heel wat is vooruitgegaan sedert Veth zijn 
zoo hoogst verdienstelijk werk schreef, en hij dus thans in staat zou 



anderen veel bedrog gepleegd. De naam dier steenen, 
„guna," beteekent in het engelsch: voordeelig, nuttig; in 
het maleisch „tengaro,*" een onderpand. Zij worden 
gewoonlijk bewaard in een huis buiten het dorp waar 
hunne feesten worden gevierd, genaamd „bori guna." In 
het midden staat een kist, waarin die guna worden be- 
waard; bij gelegenheid van feesten wordt daaromheen een 
altaar opgericht, waarop hunne offers worden nedergelegd, 
en waaromheen zij al gillende dansen. Niemand bewoont 
dat huis, dat alleen voor feesten wordt gebezigd. Het 
wordt door het geheele dorp in orde gehouden en een der 
oudsten is meer bepaald belast met de zorg voor de kleine 
godheden. Niemand denkt er ooit aan een van deze weg 
te nemen, en de priesters onderhouden met zorg het geloof 
dat ziekte of dood den vermetelen dief zou treffen, of dat, 
zoo vreemdelingen ze zouden wegnemen, zij zouden wor- 
den vervangen of vanzelf terugkeeren. Naast deze „bori 
gvma*' wordt ter gelegenheid van feesten een kleine tempel 
van bamboe opgericht, „mosikit" genaamd (vermoedelijk 
van het maleische messigit of moskee). 

Naast eehe zekere klasse van mannen die als priesters 
en ook als geneesheeren dienst doen, hebben de Dajaks 
ook priesteressen of zingende vrouwen, „barich" genaamd, 
die haar deel nemen aan plechtigheden door het zingen 
van Dajaksche liederen of „pantoons," en door het dansen 
rond het altaar, versierd in feestdos, met vreemdsoortige 
mutsen of hoeden met kralen en met halskettingen van 
tanden van slangen, krokodillen, allerlei wilde dieren en 
van gekleurde glazen kralen. Terwijl de „barich" 's mor- 
gens, *s avonds en te middernacht op klagenden toon hare 
liederen zingen, zijn de priesters met hunne offeranden 
bezig, bidden hoogeren zegen af voor het menschdom en 
voor de vruchten der aarde, terwijl zij kaarsen op het 
altaar verbranden onder het uitroepen van „panjut," als 
een symbool van den nederdalenden zegen. Hunne offer- 
anden bestaan in rijst en vruchten, gevogelte en varkens. 
Het bloed der laatsten wordt in groote vaten met water 
der kokosnoten vermengd j hierin worden de „guna" of 
tooversteenen gelegd, onder toevoeging van een weinig 
stofgoud. Hebben dan over het vat eenige aanroepingen 
plaats gehad, dan wordt het bloed geacht eene zuiverende, 
reinigende kracht te hebben verkregen, die een z^n 



zijn ons omtrent de godsdienstige begrippen der Dajaks eene juister 
en vollediger voorstelling te geven, dan hem eene kwart eeuw gel^ 
den met de hem toen ten dienste staande gegevens mogelijk vras} 

Nog zij opgemerkt, dat waar Ds. Abé van „guna*s" spreekt, Veth 
de uitdrukking „ampatong" bezigt en deze meer als talisman, dan als 
eigenlijke afgodsbeelden beschouwt. Z. blz. 308. 



NOG HET EEN EN ANDER OVER DE LAND-DAJAKS VAN NOORDELIJK-BORNEO. 



215 



brengt aan de i^ersonen en zaken die er mede worden 
besprenkeld. 

Kennelijk wordt aan deze en andere plechtigheden eene 
geestelijke beteekenis gegeven. Die beteekenis zelve is 
echter verloren gegaan en alles wordt slechts volgens de 
traditie verricht. De priesters zeggen dat de tooverstee- 
nen oogen, handen, voeten hebben gelijk menschen, hoe- 
wel alleen voor de ingewijden zichtbaar; zij kunnen ook 
de zielen der menschen en de geesten der afgestorvenen 
zien. Zij aarzelden aanvankelijk om mij die steenen te 
laten zien; ik rustte echter niet voor ik ze had gezien en 
onderzocht, hen tegelijker tijd betoogende dat het geen zin 
had aan zulke steentjes goddelijke macht toe te schrijven, 
en dat het tevens zondig was tegenover den Almachtige 
en dat zij deze overblijfselen van hun oud bijgeloof be- 
hoorden weg te werpen. 

De voornaamste felischen van den Sentah-stam zijn de 
volgende: i®. een oud, half vergaan stuk „bilian" of ijzer- 
hout, ongeveer twee voet lang, genaamd „Se Bandar," 
waaromtrent de volgende legende wordt verhaald: eene 
barich of zangeres was aan het visschen en bracht met 
haar hengel een stuk bilian op. Zij wierp dit weder in 
het water, maar tot driemalen toe kwam het aan haar 
haak weder boven. Toen zij het nu in het bosch wilde 
wegwerpen, begon het te spreken en zelde dat het de god 
„Se Bandar" was, die heer was van alle visschen; dat zij 
onder haar stam bijzonder begunstigd was en daarom 
uitverkoren voor deze aankondiging; i) dat zij het naar 
haar dorp moest medenemen, waar de priesters het moesten 
bewaren en alle vier jaren met een groot feest vereeren. 
Dit stuk hout wordt nog bewaard in een klein huis, 
genaamd „Nukung Batuch" aan den voet van den heuvel 
Sentah. Het volk heet dit stuk hout de „guna Sigun 
Sendach." Bij het vieren van het vierjaarlijksch feest 
wordt alleen visch gegeten, gevangen in de rivier waar de 
„guna" werd gevonden. Dan worden twee varkens en 
twee kippen geslacht, altaren opgericht bij het huis der 
godheid, en offeranden gebracht. Dan wordt nog twee 
dsLgen feestgevierd, *s nachts de god met fakkels in processie 
rondgedragen, terwijl mannen en vrouwen liederen zingen, 
op acht verschillende plaatsen, waar vuren worden aange- 
maakt, ophoudende onder oorverdoovend gigil. 

2®. Een groote zwarte steen op den top van een heuvel, 
genaamd „Se Ganas." Het wordt in een klein huis door 
een oud man bewaakt en nu en dan gehuldigd. 

3*. Een kleine witte steen, genaamd „Genadah," bewaard 
in een hollen boomstam bij het hoofd Guna Bandar. 

I) Doet dit niet denken aan de „Maria-boodschap?'' 



4®. Behalve deze drie plaatselijke godheden hebben de 
Land-Dajaks in ieder dorp tal van kleine huis- of familie- 
goden, genaamd „guna manich," bewaard door een der 
oudsten, gedeeltelijk in het dorp, gedeeltelijk in de „bori- 
guna" of tempel. De in het dorp bewaarden worden door 
de geneesheeren gebezigd bij het behandelen van ziekten. 
De Dajaks gelooven dat het levensbeginsel in alle levende 
wezens is eene ziel, genaamd „semangih." Deze ziel gaat 
gedeeltelijk uit planten, dieren of menschen, wanneer zij 
ziek zijn, en wordt dan door booze geesten, „umots'* ge- 
naamd, naar verborgen plaatsen, „gumuram," in de bos- 
sehen Vervoerd. De priesters weten door middel dezer 
tooversteenen en door hunne voorbeden die zielen te doen 
terugkeeren. 

5<>. Nog eene andere godheid wordt hoogelijk vereerd, 
niet alleen te Quop Sentah, maar door alle Land-Dajaks 
langs de Sera wak-rivier. Het is een steen van manslengte. 
genaamd „Se Tauh*', bewaard in de „Panggah" of het 
dorpshuis van Penyowach, een dorp diep in het binnenland. 
De volgende geschiedenis wordt omtrent hem verhaald:* 
Acht broeders gingen in een klein vaartuig naar zee. De 
oudste heette „Se Turuh," de jongste „Se Kujauh" of „Se 
Tauh." Niet gewoon aan de zee, werden ze allen ziek en 
de jongste overleed na eenige dagen. Zijne broeders land- 
den ten einde hem te begraven en gingen toen weder naar 
zee. Maar het schip wilde niet van zijne plaats ; het bleef, 
als ware het door toovermacht tegengehouden, liggen tegen- 
over de plaats waar de jongste broeder begraven was. 
De broeders gingen weder naar den wal en besloten het 
lijk op eene andere plaats te begraven, in de meening dat 
deze wellicht aan „ümots** ten verblijf strekte. Ook nu 
wilde het vaartuig niet van zijne plaats. Ten derde male 
bleef hetzelfde het geval. Maar nu begon de overleden 
broeder te spreken, vertellende dat hij een steenen god 
was geworden, met bevel dat hij naar huis medegenomen 
en daar bewaard moest worden, en dat zij aan zijne moe- 
der, eene priesteres, moesten zeggen niet bedroefd te zijn en 
niet te weenen omdat hij eigenlijk nog leefde en een mach- 
tige godheid was geworden. Daarop voeren de broeders met 
het doode lichaam naar huis en kwamen te Penyowach. Zij 
lieten het lijk aan de landingsplaats en gingen het dorp in 
om hunne moeder den dood van hun jongsten broeder mede 
te deelen en wat daarop gevolgd was. Bij de aankomst 
harer zonen was de moeder juist bezig hare varkens te 
voeden; bij het hooren van de treurige tijding barstte de 
moeder in tranen uit, en oogenblikkelijk stierven alle var- 
kens. Algemeene schrik ! Eerst nu herinneren de broeders 
zich „Se Tauh's" bevel dat de moeder niet mocht weenen. 



2l6 



NOG HET EEN EN ANDER OVER DE LAND-DAJAKS VAN NOORDELIJK-BORNEO. 



Zij vertellen haar nu de heuglijke tijding dat haar lieve- 
ling een god geworden is. Toen zij in vreugde daarover 
met weenen ophield, had er een ander wonder plaats en 
herleefden alle varkens. Daarop kleeden allen zich in feest- 
kleederen, halen in triomf het lijk uit het vaartuig en leggen 
het neder in het dorpshuis. Daar is het nog te zien in 
den vorm van een langwerpig zwarten steen. Er gaat zulk 
een kracht van uit, dat niemand het durft naderen of in 
de nabijheid geraas maken uit vrees van ziekte of dood. 
Het dorpshoofd is met de bewaring belast. 

Het geloof in de macht dezer „guna's" is bij de Dajaks 
zoo diep ingeworteld en zoo algemeen verspreid, «dat het 
het grootste beletsel is tegen de invoering van het Christen- 
dom. Bijzonder verheugd waren wij dan ook toen het ons 
in 1873 gelukte niet slechts de twee oudste priesters, maar 
ook het hootd van den volksstam te Quop over te halen 
hunne dwalingen af te zweren en den doop te ontvangen. 
De laatste vooral leidde een christelijk leven en stierf na 
langdurige ziekte als een oprecht geloovige. 

Als resultaten van de invoering van het christendom in 
Noord-Bomeo mogen worden vermeld: i®. de vrij alge- 
meene invoering van de Zondagsrust, waartoe zelfs de 
heidensche priesters medewerkten door het geloof te ver- 
spreiden, toen zij bemerkten dat die rustdag aan het volk 
welgevallig was, dat die dag aan den booze was gewijd en 
hij die op dien dag op het land zou werken, door de booze 
geesten zou worden geplaagd. 2^. Het sluiten van geregelde 
huwelijken. 3®. Betere opvoeding der kinderen. 4®. Invoering 
van betere bouwwijze der huizen, bevorderlijk aan gezond* 
heid en eindelijk 5«. Meer algemeen gebruik van kleede- 
ren. 6^, Het meer en meer in onbruik raken van heiden- 
sche gewoonten. 

Ten slotte volge nu nog de mededeeling van eenige 
legenden en mondelinge overleveringen. 

lO. Dajaksch scheppingsverhaal. De God Tapa 
wilde de aarde scheppen, en maakte eerst het bilian- of 
ijzerhout en daaruit den vasten bodem, daarna de rivieren 
en boomen. Hij schiep ook twee menschen, een man, „Se 
Kaya", en eene vrouw, „Se Kamba'*; deze hadden twee 
zonen, „Se Kitak" en „Se Kirih," en van deze stamt de 
geheele bevolking van Bomeo, Dajaks en Maleiers, af. 

2^ Dajaksch verhaal van den zondvloed. Lang 
na Se Kitak was er een Dajaksche koning, een van zijne 
afstammelingen, die eene zeer schoone vrouw had. Eenige 
Maleiers kwamen in zijne woning, zagen die vrouw en 
verlangden haar weg te voeren. Uit vrees voor de bevol- 
king durfden zij het niet openlijk doen. Zij zonnen daarom 
op geheime middelen, wisten de koningin over te halen 



zich *s nachts met hen te verwijderen en bezorgden den- 
koning eene zware ziekte. Des konings nabestaanden haalden 
zijn broeder, een naburig hoofd, die hem door krachtige 
toovermiddelen wist te doen herstellen. Gedurende zijne 
ziekte had hij, in ijlhoofdigheid, aan zijne volgelingen 
medegedeeld dat de Maleiers zijne vrouw weggevoerd en 
hem betooverd hadden. Daarom gingen de beide broedeis 
met hunne volgelingen naar de verblijfplaats der Maleiers 
aan zee en haalden de koningin terug. De Maleiers, die 
groote toovenaars waren, wilden de Dajaks niet beoor- 
logeij, maar trachtten zich te wreken door het opdammen 
van alle rivieren, die van geheel Bomeo in zee liepen. En 
zoo gebeurde het dat het gansche land overstroomd werd 
en dat alle menschen verdronken met uitzondering der 
beide koningen met hunne vrouwen en kinderen, 

3. De geschiedenis der eerste vrouw. In het 
begin der dagen, toen de menschen de rijst nog niet ken- 
den, maar zich voedden met wilde kruiden en vruchten, 
leefde de groote aartsvader Se Kaya. De god Yang-Tapa 
zond hem eene vrouw, genaamd Se Kamba. Zij kwam van 
den hemel en leerde het volk rijst planten en voerde de 
eerste feesten en eeredienst in. Se Kaya, zoo luidt het ver- 
haal, arbeidde in de bosschen, gaten makende en zaad er 
in werpende. Op eenmaal komt de god Tapa, in den ner- 
soon van Yang, van den hemel, en verzelt ongezien Se 
Kaya, het zaad der goede rijst in de gaten werpende. Se 
Kaya rust eenige oogenblikken teneinde den stok, waar- 
mede hij gaten maakt, aan te punten, toen hij bij ongeluk 
met zijn groot mes (parang) Yang's voet treft. Deze schreeuwt 
van pijn, en op eenmaal ziet Se Kaya eene schoone vrouw 
naast zich staan. Verbaasd vraagt hij haar wie zij is en wat 
zij daar doet. Zij antwoordde dat zij van den hemel kwam om 
hem en zijne nakomelingen het gebruik der goede rijst te leeren; 
tevens zou zij bij hem blijven en zijne vrouw worden. Zij 
leefden gelukkig te zamen en wonnen vele kinderen, waar- 
onder twee beroemde helden, „Se Barun*' en „Se Man- 
gyeng." Maar na een tijd wordt Se Kaya zijne hemelsche 
gezellin moede en behandelt haar zeer onheusch. Yang, 
daarover vertoornd, doet Sekaraba naar den hemel terug- 
keeren. Se Kaya gevoelt berouw, en, in dankbare herin- 
nering aan Sekamba, leert hij alle menschen rijst planten. 

4. De eerste Dajaksche koningen van 
Borneo en Java. Toen de zooeven genoemde Se 
Mangyeng man geworden was, was hij niet alleen schoon,, 
maar ook zeer sterk; hij bezat groote kennis en moed en 
stond bij den hemel zeer in gunst. Hij vereenigde tal van 
jongelieden om met hen een tocht naar het naburige Java 
te ondernemen. Daar aangekomen, trok hij naar den hoofd- 



NOG HET EEN EN ANDER OVER DE LAND-DAJAKS VAN NOORDELIJK-BORNEO. 



217 



■ ^tel der Dajaksche bewoners van dat land. Deze hadden een 
ouden koning, die een zeeroover en groot toovenaar was en de 
vreemde (nog bij sommige bijgeloovige Dajaks geldende) 
wet had gemaakt dat niemand op straffe des doods zijn eigen 
naam mocht uitspreken. Se Mangyeng vernam spoedig 
<leze en andere berichten omtrent het land en zijn vorst, 
ook dat deze eene eenige, buitengewoon schoone dochter 
bezat. Spoedig verkreeg hij toegang tot 's konings woning 
en werd verliefd op het meisje. De oude koning was niets 
ingenomen met den jongeling en zou hem gaarne hebben 
gestraft wegens het binnentrekken van zijn land; maar hij 
was bevreesd voor zijn volk, omdat de faam van Se Man- 
gyeng's kracht en heldendaden reeds allen ter oore geko- 
men • was en het volk ingenomen was met de vreemde 
avonturiers, die zooverre hadden durven komen in kleine 
vaartuigen en den moed hadden gehad het afgesloten land 
van hun gevreesden vorst binnen te trekken. Die vorst 
bespeurde met ongenoegen de dagelijks toenemende gene- 
genheid tusschen Se Mangyeng en zijne dochter en zon 
op middelen om hem uit d^n weg te ruimen. Daarin 
scheen hij geholpen te worden door Se Mangyeng's open- 
lijke aanvrage om de hand zijner dochter; want daar het 
de gewoonte der Dajaks is om als 't ware zijne vrouw 
met geschenken te koopen, eischte hij van zijn aanstaanden 
schoonzoon een bewijs van zoo grooten moed, dat dit 
bijna noodwendig tot zijn dood moest leiden. Volgens de 
oude legenden, lag er tusschen Borneo en Java een klein 
eiland, „Pulau Pussa,'* dat betooverd was en bewoond 
werd door eene geweldig groote, woeste, zwarte kat. 
Deze was de schrik van alle omwonende eilanders; ieder- 
een vermeed in de nabijheid van dat monster te komen 
en gebeurde dit bij ongeluk, bij stormweder of anderszins 
toch, dan was men zeker dat de kat uit haar hol tevoor- 
schijn schoot, de menschen verslond en het schip in een 
draaikolk deed vergaan. Nu droeg de wreede oude koning 
aan den jongen held op deze kat te gaan dooden en ten 
bewijze daarvan haar staart mede te brengen. Onzen 
Dajakschen Jason of Theseus gelukte het, dank zij een 
bijzonderen tooverdrank, veilig op Pulau Pussa te landen; 
hij doodde de kat door haar in een kunstig samenge- 
stelden val te lokken en bracht haar fabelachtig langen 
staart aan den ouden koning. Hoewel noode, moest hij 
nu wel zijne toestemming tot het huwelijk geven, dat ge- 
vierd werd onder de toejuichingen des volks, dat den moed 
van den jeugdigen held bewonderde. Na den dood van 
den ouden koning, beklom Se Mangyeng den troon en 
r^eerde lang en met roem. Zijn broeder, Se Barun, werd 
<Je eerste koning over de Land-Dajaks van Serawak. 



5. Geschiedenis van Sekerah. Er waren 
eens acht Dajaks van Borneo, gered na een grooten 
watervloed, die, na lang rondgedreven te hebben, eindelijk 
op een vreemd eiland terecht kwamen, waar zij een lad- 
der vonden, die tot in den hemel reikte. Zij klommen 
dien op en bereikten de sterren, waar zij grond, boomen, 
planten, rivieren, dieren en hemelsche menschen vonden. 
Zij bleven er lang en leerden van die hemelbewoners het 
gebruik en de teelt van rijst, terwijl zij vroeger op aarde 
van wilde kruiden en vruchten hadden geleefd. Toen 
werden zij weder naar de aarde gezonden om aan hunne 
broeders te leeren hoe den grond te bewerken en te oog- 
sten, brengende zij de ziel der rijst met zich. Na hun 
dood werden zij allen in sterren veranderd; aanvankelijk 
waren er acht, maar eene viel van den hemel op Borneo 
neder en werd in steen veranderd en vereerd als een stee- 
nen god. De zeven overigen vormen een gesternte genaamd 
„Sekerah," dat den veldarbeid regelt. Het wordt door de 
priesters zeer nauwkeurig waargenomen; zijne bewegingen in 
verband met die der maan worden nagegaan. Volgens som- 
migen is het de verblijfplaats van den schepper „Tapa." 
Het is het Zevengestemte of de Pleiaden in den Taurus. 
Onder de andere aan de Dajaks bekende gesternten be- 
hporen de Orion, door hen „Pite Perenuk" genaamd; de 
Sirius of „Surieu", de avondster Venus of „Shiruanuh," 
ook de Groote Beer of Wagen. 

Tot zoover de mededeelingen van the Revd. Abè. Wij 
namen er veel uit over omdat wij gissen dat het hier te 
lande weinig bekende bijzonderheden betreft, niet onbe- 
langrijk om de zeden en gewoonten der Daj akkers van 
Noord-Borneo nader te doen kennen. 

Het medegedeelde kan ook gedeeltelijk strekken tot aan- 
vulling van hetgeen Prof. Veth op bbs. 300—323 van het 
2e deel van zijn bekend werk „Borneo's Wester-Afdeeling" 
omtrent* de godsdienstbegrippen der Dajaks, voornamelijk 
die der Wester-afdeeling, vermeldt, waarbij o. a., p. 315, 
ook van Hindoeschen invloed sprake is. Opmerkenswaardig 
schijnt dat, terwijl hij, blz. 308, omtrent het Dajaksch begrip 
betreffende het ontstaan der wereld niets aangeteekend 
vond, thans uit da eerste en derde der medegedeelde legen- 
den blijkt, dat bij de Dajaks van Serawak wel schep- 
pingsverhalen in .omloop zijn. Opmerkenswaardig ook, dat 
bij die stammen ook eene overlevering bestaat omtrent 
een grooten of zondvloed, die bijna al het levende zou 
hebben vernietigd. 

Nog zij er op gewezen dat Prof. Veth in 1856 (blz. 319) 
schreef: „Ofechoon de Dajaks schijnbaar omtrent hunne 



2l8 



NOG HtT EEN EN ANDER OVER DE LAND-DAJAKS VAN NOORDELIJK-BORNEO. 



godsdienstb^ippen tamelijk onverschillig zijn, hebben 
echter alle pogingen om hen tot den Islam of het Christen- 
dom over te halen tot dusverre weinig vruchten opgeleverd," 
en dat Ds. Abè nog onlangs moest melden: „Het geloof 

in de macht der „guna's" is het grootste beletsel tegen 

de invoering van het Christendom," zoodat blijkt dat de 
toestand in de laatst verloopen 25 of 30 jaren no^ niet 
veel veranderd is en de veeljarige omgang tusschen Engel- 
schen en Dajaks in dit opzicht althans nog niet veel tot 
beschaving der laatsten heeft bijgebracht. Zeker althans is 
het dat de Engelsche zendelingen onder de Dajaks van 
Serawak, al kon Ds. Abè eenige verbeteringen opnoemen, 
in de verste verte niet op zulke gunstige uitkomsten kun- 
nen wijzen als het Nederlandsche Zendelinggenootschap 
onder de Alfoeren in de Minahassa verkreeg. 

Bij vergelijking van het in de 5e legende medegedeelde 
omtrent het Zevengestemte, dat den veldarbeid regelt, met 
de zoo belangrijke mededeelingen in Schlegel's „Urano- 
graphie Chinoise** en de Groot's „Jaarlijksche feesten en 
gebruiken van de Emoy-Chineezen" (in „Verhandelingen 
van het Bataviaasch Genootschap," Dl. XLII, 1881), zien 
wij dat de onbeschaafde Dajaks evenzeer als de veel meer 
beschaafde Chineezen, om van andere, vooral landbouwende 
en zeevarende volken niet te spreken, i) groote waarde 
hechten aan de waarneming van den loop der sterren en 
in hun maatschappelijk leven veel dien overeenkomstig 
regelden. 

Tot zoover hetgeen wij over de godsdienstbegrippeu der 
Dajaks wenschten mede te deelen. 

Wij komen nu tot een paar Stukken van geheel anderen aard. 

Enkele uitdrukkingen, door den Heer Perelaer en mij in 
onze aankondigingen der „Jottings" gebezigd, hebben den 
Heer Denison tot eenige opmerkingen aanleiding gegeven, 
welke hier worden vermeld voorzooveel zij tot het recht 
verstand van sommige punten nog iets kunnen bijdragen. 

Op blz. 514 van de „Indische Gids" van Maart 1881 
had de Heer Perelaer o. a. gezegd, dat de naam „Dajak" 
in het Nederlandsch gebied op Borneo zeer weinig bekend 
is; „dddr, voornamelijk- in de Zuid- en Ooscer-Afdeeling van 
Borneo, bestempelt zich de niet-Mahomedaansche bevolking 



i) In de Groot 's verhandeling wordt telkens en telkens op die 
anderen gewezen. Geen geringe verdienste van zijn zoo leerzaam 
werk is zijne voortdurende aantooning dat Chineesche gebruiken bij 
tal van andere volken worden teruggevonden, of liever dat wat in 
China wordt geloofd ook voor vele andere landen geldt, zoodat van 
het algemeen menschelijke van vele dier begrippen, welke men öf 
zuiver Chineesch óf zuiver Christelijk waande, blijkt. 



met den algemeenen naam van „Ngadjoe's." In het 
Dajaksche dialect der binnenlanden beteekent „ngadjoe/ 
stroomopwaarts en duidt op hen die in het binnenland 
langs de rivieren wonen. De naam Dajak wordt meer 
opgenomen als een scheldnaam, die op hun waggelenden 
en gebrekkigen gang duidt. „Dajak" beteekent: „wagge- 
lend gaan." En werkelijk doordat de Dajaks het grootste 
gedeelte huns levens met gekruiste beenen in hunne prau- 
wen doorbrengen, zijn die beenen eenigszins krom enz., 
waardoor hun gang waggelend is." 

Daartegen merkt de Hr. Denison, in een stuk gedag- 
teekent; Perak 12 Dec. 1881, het volgende op. Denaam 
Dajak is in Serawak Proper in algemeen gebruik; de uit- 
drukking „ngadjoe" is er onbekend i). De „ngadjoe's" van 
Zuid-Borneo, voorgesteld op de titelplaat van dl. II van 
Schwaner's „Borneo, Beschrijving van het stroomgebied 
van den Barito," zijn geen Land-Dajaks. De mannen zijn 
getatoeëerd en de „simpilan** wordt gebruikt. De Land- 
Dajaks tatoeeeren zich niet en dragen geen „simpilan/* 
De Zee-Dajaks doen beiden. 

De Dajak op de titelplaat van Perelaer's „Ethnographi- 
sche beschrijving der Dajaks" zou in Serawak een Zee- 
Dajak heeten. De figuur op de plaat tegenover p. 32 heeft 
een Kyan- (Kajan) schild en m de hand een „parang 
itang" (de .,mandau" 2) van Oost-Borneo), beiden geheel . 
onbekend aan den Land-Dajak. 

De Hr. Perelaer zegt dat de naam „Dajak" in het bin- 
nenland wordt gebezigd als een spot- of scheldnaam, 
doelende op hun waggelend gaan en toegepast op hen die 
als de Dajaks hun meesten tijd met gekruiste beenen in 
de booten zitten. Dit kan althans niet van toepassing zijn 
op de Land-Dajaks, die het heuvelachtige binnenland be- 
wonen, waar de rivieren haar oorsprong nemen en dus 
nog klein zijn en die niet anders dan kleine bootjes bezi- 
gen, welke staande voortgeboomd worden, een groot ver- 
schil met de Zee-Dajaks, die in groote vaartuigen met 30 
k 40 roeiriemen de groote rivieren tot aan zee afzakken, 
vanwaar zij den naam Zee-Dajaks voeren. 

Op de verdere opmerkingen van den Hr. Perelaer ant- 
woordt de Heer Denison het volgende: 

De Land-Dajaks bewaren hunne schedels in afzonder- 



i) Dat de „Ngadjoe's" of „Bejadjoe's" alleen in Zuid-Borneo tehuis 
behooren, leerden ons ook reeds Schwaner, Veth, van der Lith, in 
„Nederlandsch-Oost-Indie," blz. 377, en anderen. 

2) „Mandau/' de eigenlijke koppensneller, een recht zwaard, dat in 
een scherpen punt eindigt, en van buitengewoon hard staal vervaar- 
digd is. Zie van der Lith, blz. 371. 



NOG HET EEN EN ANDER OVER DE LAND-DAJAKS VAN NOORDELIJK-BORNEO. 



219 



lijke gebouwtjes, genaamd „pangga." De Zee-Dajaks 
hebben die niet. 

In 187 1 gebruikte de Bomeo -Maatschappij Dajaksche 
arbeiders in hare mijn werken te Tigora. Zee-Dajaks wer- 
den gebezigd als houthakkers. Land-Dajaks van de Neder- 
landsche bezittingen gebruikten houweelen, wat de eersten 
niet wilden doen. De Zee-Dajaks, in die mijnen werkende, 
hielden niet den minsten omgang met de Land-Dajaks en 
namen niet meer notitie van hen dan een Chinees het 
van een Maleier zou doen. Godsdienst, taal, zeden en 
gewoonten, alles is bij die stammen verschillend en houdt 
hen afgescheiden van elkander. De fiere Zee-Dajak ziet 
met minachting op de Land-Dajaks neder. In vroeger 
jaren zouden bij ontmoeting heel wat hoofden afgeslagen 
zijn ea zouden de zachtmoedige Land-Dajaks zich nauw- 
lijks tegen de Zee-Dajaks hebben durven verdedigen. 
Daarentegen arbeidden de Land-Dajaks vara Sambas zeer 
goed samen met die van Sera wak en beweerden met dezen 
verwant te zijn. 

Ik blijf mijn beweren volhouden dat de Land-Dajaks 
sedert lang in het land gevestigd waren, alvorens de Zee- 
Dajaks er kwamen. Vanwaar deze kwamen is mij onbe- 
kend. Toen Sir James Brooke in Sera wak kwam, waren 
deze Dajaks gezeteld aan de Batang-, Lupar-, Saribas- en 
Kalakah-ri vieren, maar de Rejang (Redjang), waar er nu 
wellicht 30000 zijn, bereikten zij niet voor 1858. In 1865 
waren zij aan de Oya-, een weinig later aan de Muka- 
rivier, steeds noordwaarts trekkende. 

De eenige Zee-Dajaks die ik in het land der Land-Dajaks 
heb ontmoet, bestonden in eene kleine vestiging van Sibuy- 
ans te Lundu, en een paar huizen van denzelfden stam te 
Seruit aan de Samarahan- rivier. Deze Dajaks hielden zich 
geheel afgezonderd en gingen volstrekt niet om met de in 
hunne nabijheid wonende Land-Dajaks. 

Ik heb weinig over het koppensnellen gezegd, omdat die 
barbaarsche gewoonte niet meer bestaat onder de Land- 
Dajaks van Serawak, en, vergeleken met de handelingen 
der wreede Zee-Dajaks, ook weinig meer voorkomt onder 
de Land-Dajaks op Nederlandsch grondgebied. 

Toen ik de Si Panjang Dajaks aan de Sekyan-rivier 
bezocht, vond ik het dorp met bamboehagen omsingeld 
en den grond bedekt met ranjoes en ,,sudas," omdat een 
aanval werd verwacht van de Sidin*s. Bij ondervinding 
wetende hoe weinig de quasi-oorlogen tusschen onderschei- 
dene stammen der Land-Dajaks beteekenen, was ik in het 
minst niet uit het veld geslagen door die voorbereidselen tot 
een strijd. Had het evenwel een aanval van Zee-Dajaks 
g^^golden, dan had ik oogenblikkelijk het veege lijf gebor- 



gen, — zoo nog mogelijk, want de Zee-Dajaks waarschuwen 
niet vooraf, maar vallen onverhoeds met onstuimigheid aan. 
Het onderscheid tusschen de beide volken blijkt ook uit 
het verschil in hunne wapenen en werktuigen. Vergelijk 
slechts de „parangs," de „buco" of „burus" en den bijl der 
Dajaks met den geweldigen houwer „Ihlang" of „Mandau" 
der Zee-Dajaks. 

Het schijnt te kunnen worden gezegd dat de Land-Dajak 
oorspronkelijk geen koppensneller was. De hoofden der Serin's 
aan de Samarahan verzekerden dat toen de Land-Dajaks 
zich aldaar vestigden, geen Zee-Dajaks in die streken 
waren. Toen de Sibuyans er later kwamen en hen aan- 
vielen, leerden zij hen tevens het koppensnellen, dat de 
Land-Dajaks echter nimmer op zoo groote schaal hebben 
uitgeoefend als de Zee-Dajaks. Dit volgt ook uit den 
tegenwoordigen toestand der Land-Dajaks in Serawak, 
onder welken het koppensnellen geheel onbekend is. Men 
durft verzekeren dat in de laatste 20 of 30 jaren geen 
enkel geval van koppensnellen onder hen voorviel. Zij 
worden ook nimmer tot den krijg opgeroepen. Vergelijk 
dezen toestand met dien van verschillende stammen der 
Zee-Dajaks, die steeds tot den krijg bereid zijn, wanneer 
immer heel wat hoofden vallen. Het gouvernement heeft heel 
wat moeite om hen van het koppensnellen terug te houden. 
Zelfs nog in Juli 1881 trokken eenige Rejang Zee-Dajaks' 
over de grenzen van Broenei en snelden 18 koppen. 

Ik begrijp volstrekt niet hoe de door mij aangegeven 
grenzen der Land-Dajaks den Heer Perelaer aanleiding 
konden geven tot de volgende opmerking: „Maar laat 
„het zijn dat die parallel wezenlijk de bedoelde grens aan- 
„geeft, dan is het niet het kleine strookje hetwelk de Heer 
„D. aanwijst, maar ruim '^/g gedeelte van dat gedeelte van 
„Borneo, hetwelk bezuiden den aangeduiden breedtegraad 
„gelegen is, door Dajaks en wel door Land-Dajaks bewoond." 
Ik ben nog van meening dat de Land-Dajaks van Serawak 
en die andere stammen, wonende binnen de door mij op- 
gegeven grenzen, een op zich zelf staand ras vormen, en 
von Kessel, aangehaald in Veth's „Borneo's Wester-Af- 
deeling," I, 165, kwam in zijne poging tot classificeering 
dezer stammen tot bijna geheel gelijke uitkomsten als ik. 
De door hem vermelde Dajaksche stammen van Serawak, 
Sambas, Landak, Tajan, Meliouw en Sangouw, zijn, beweer 
ik, allen verwant en handelen dikwerf gezamenlijk, maar zijn 
geheel verschillend in taal, zeden en gewoonten en physiek 
karakter van de Zee-Dajaks en Kajans, en in hetgeen de 
Heer Perelaer schreef, kan ik geen aanleiding vinden om 
van meening in dit opzicht te veranderen. Schrijvers als 
St. John, Low, de Radja Sir James Brooke, de tegenwoordige 

30 



220 



NOG HET EEN EN ANDER OVER DE LAND-DAJAKS VAN NOORDELIJK-BORNEO. 



Radja, stemmen allen overeen om de Land-Dajaks teclas- 
sificeeren als geheel verschillend van de zoogenaamde Zee- 
Dajaks, die, volgens Everett, „On the original See-Dyak," 
onveranderlijk de uitdrukking bezigen : „Wij Dajaks," wan- 
neer zij van hun eigen stam spreken, daarmede te kennen 
gevende dat zij zichzelven alleen voor de wezenlijke Dajaks 
houden. De Zee-Dajaks evenwel van de Redjang noemen 
zichzelven „Iban," eene corruptie van het Kajansche woord 
„Ivan," een naam hun gegeven door de Kajans en dien 
zij hebben aangenomen. 

Het menscheneten komt in Serawak niet voor. Was 
dit mogelijk vroeger nu en dan het geval, die barbaarsch- 
heid en ook het menschenofFer is voor goed afgeschaft 
sinds den eersten tijd van het bewind van James Brooke. 

T