(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde"

Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



Google 



Dit is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliothcckpl anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat 

doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken. 

Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke 

domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land 

verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van 

geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn. 

Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de 

lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u. 

Richtlijnen voor gebruik 

Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken 
uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven 
leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op 
automaüsch zoeken. 
Verder vragen we u het volgende: 

+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door 
individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet -commerciële doeleinden. 

+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek 
doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- 
den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien 
hiermee van dienst zijn. 

+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het 
project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet. 

+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er 
niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is 
voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval 
met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het 
eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng. 

Informatie over Zoeken naar boeken met Google 

Het doel van Google is om alle informaüe wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit 
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en ui tgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken 

op het web via |http: //books .google .coml 



TIJI»S( HRIFT 



TOOK 



f 



XEI»ERLAXl»S( UE 
TAAL- EN LETTERKUNDE, 



rmïiGtTKN TA>"WïHE Pk .• : 



MAATSCHAPPIJ 1»ER >EPERI ANPSOHE LETTERKUXDE 

TE LEIDEN. 



7" .lAAK«iAN\; 



LKI DKK. — E. J. BKILL 

IXXT. 



► 



. REDACTIE 



DE LEDEN DER COMMISSIE VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE 

BIJ DE MAATSCHAPPIJ: 

J. TEN BRINK. 
H, KERN. 
A. KLUYVER. 
a E. MOLTZER. 
J. VERDAM. 
M. DE VRIES 



I N H o U 1). 



Bladi. 

i. w. MULLER, I)e taalvormen van Reinaert 1 en II . . . . 1. 

L Vocalen. ... 5. 

II. Con8onant«?n H. 

in. Conju>;atie 44. 

IV. Deolinatie; A. Saljstantiva ^)7. 

B. Adjectiva i*». 

C. Pronomina 'i>^. 

ii, BUSKKN IRKT, Van Sinte Brandane , vs. 137 — 2IK) . . . . >^\ 

J. A. WORP, Apollo*8 Harp (KioH) 9*2. 

M. DE viiiES, Van den Ik)ix*b^nive van Coucbi. Fragmenten . . 97. 

Inleiding 9". 

I. Fra,L!iiient uit Atrcoht 1«H. 

II. Fnifirnienten uit Heeswyk. Kerste fragment. . . . 101. 

Tweede fragment . . . 18^). 

Bijlage: i. Scavote 237. 

II. Imliare tiiO. 

III. Zimperlyc "^47. 

IV. Nog een fragment van Coucbi 248. 

j. w. MULLER, Mr. Henrir van Alcmaer 251. 

J. H. ualli^:k, Saksiacbe namen van planten en delftftotfen . . 201. 

M. DE \'RiEs. Ken fragment van de tweede vertaling der Rosé. 282. 

H. E. MOLTZKR, Over woekcr. Middelnederlandtfch fragment . . 292. 

J. v^JiDAM, rujftin^e Ïi02. 

A K., BlaiUuliing '^l^. 



403250 



DE TAALVORMEN VAN REINAERT I EN II. 

De volgende bladzgden bevatten de uitkomsten van een ver- 
gelijkend onderzoek der taalvormen van Reinaert I en II. In 
de eerste plaats is daarb^ m^n doel geweest, eene bedrage te 
leveren tot de vaststelling van eenen zuiveren, critischen tekst 
der beide werken. Zeker hebben de beide Reinaert-gedichten 
op een dergel^k onderzoek, dat eene scheiding tusschen dich- 
ter en afschrijver althans gedeeltel^k mogel^k maakt, vóór 
andere gedichten aanspraak, niet alleen uit hoofde van hunne 
hooge innerlgke waarde, maar ook omdat z^ juist de oudere 
en de jongere periode van het Middelnederlandsch vertegen- 
woordigen, en bovenal omdat de op het uiterst slechte en slor- 
dige hs. b berustende tekst van II , zelfs in den vorra , dien de 
uitgave van Prof. Martin er aan geeft, zulk eene grammatische 
» taalzuivering" dringend noodig heeft, veel meer dan I, waar- 
van hs. a een in grammatisch opzicht nauwkeurig, althans 
niet moderniseerend afschrift sch^nt te zgn ^). 

Daarb^ kunnen deze onderzoekingen later wellicht een en 
ander opleveren voor de nadere bepaling van tyd en plaats 
der beide werken. Men neemt op grond der voorkomende 
plaatsnamen, enz. gewoonl^k aan, dat I vóór 1250 in Oost- 
Vlaanderen , II omstreeks 1375 in West- Vlaanderen is geschreven, 
terwijl hs. a omstreeks 1400 door een Vlaming , hs. b omstreeks 
1425 (door een Hollander?) vervaardigd zou zijn ^). Deze mee- 
ning wordt door de taalvormen over het geheel bevestigd. Het 



1) Zie hierover Qjb. 1 vlgg. 

2) Zie Martin , Einl. I vlgg., XVI vlgg. 

1 



groote verschil tusschen den oorspronkel^ken dichter en den om- 
werker bestaat hierin, dat, terwgl de laatste volstrekt niet 
zuiver Westvlaamsch schryft en herhaaldel^k van Maerlant 
afw^kt, » Willem die Madoc maecte" telkens opnieuw blijk 
geeft van buitengewone zuiverheid en nauwgezetheid in zgne 
taal en zijne r^raen, zoodat men hem ook ten opzichte der 
techniek gerust onzen voortreffélgksten Middeleeuwschen dich- 
ter mag noemen : ik wijs slechts op zijne e-, o- en o€-rijmen , 
op welke punten hy allen, ook Maerlant, in zuiverheid over- 
treft. Tevens hoop ik iets bg te dragen tot de chronologie 
van verschillende^ versch^nselen ; immers op de vraag , waar 
en wanneer, tot of sedert welken tyd deze of die vorm gang- 
baar is geweest, moeten w^ in vele gevallen nog het antwoord 
schuldig bly ven. Vooral op het vocalisme , de apocope der slot-^ 
en de wisselvormen heb ik daarom myne aandacht gevestigd; 
ik heb m^ hierb^ niet laten afschrikken door de dikwijls on- 
zekere, of op zich zelve weinig beslissende uitkomsten, ge- 
dachtig aan hetgeen Dr. Franck, AfdA. 5. 83—4, over de 
noodzakelgkheid en het nut van dergelyke detailstudiên ge- 
z^d heeft 

Gewoonl^k heb ik alleen de feiten gegeven ^) , soms ook door 
vergelyking van oudere of jongere dialecten eene verklaring 
beproefd; dikwgls heb ik mg echter moeten bepalen tot eene 
statistiek der vormen, zonder tot eenig bepaald resultaat te 
kunen geraken omtrent het deel van den dichter en van den 
afechrgver. De groote moeilgkheid is juist hierin gelegen, dat 



1) Veel Tto het door mfj opgemerkte wu reedt door Prof. Franck in igne Mnl. 
Gramm., of door Prof. Martin in zyne nitgaTe behandeld: ik heb dan meestal daar- 
heen Terwezen. Het eerste stok van Prof. Van Helten*s Mnl. Spraakkunst kwam m\j 
eerst in handen, toen het achterstaande reeds grootendeels bewerkt en geschrcTen 
was; in den daar Tenamelden schat van bewijsplaatsen beTinden sieh natoarlijk ook 
Tele uit den Rein.; om die reden alles, wat daar reeds Ttrmeld werd, hier te 
schrappen, scheen m\j echter onooodig, en, in het belang van een volledig overzicht 
der eigeDsardighe<]en van R. I en 11, ook ongewenscht. — Nadat ik het volgende 
reeds bij de Redactie had ingeleverd , vertcheen Prot Van Uelien'a nitgavt van 
Reinaert I. 



men in I en in II (vervolg) met dichter en afischrgver, in II 
(omwerking) met dichter, omwerker en beider afschrijvers te 
doen heeft. Hier komt nog bg de onzekerheid aangaande de 
>vorlage" van den omwerker: immers de tekst van I, dien wg 
kennen, wgkt zeker van het origineel vrg sterk af; waarschgn- 
Igk zelfs heeft de omwerker een hs. van I voor zich gehad , 
dat in vele opzichten nader aan het oorspronkelgke stond dan 
de redactie van a: er is dus eigenlgk sprake van een origineel 
(x), eene gewgzigde redactie, waarvan a, en eene omwerking, 
waarvan b een afschrift is ')! Vooralsnog zgn dan dergraen dik- 
wgls de eenige, hoewel lang niet altgd vaste stenn. Bovendien 
mag men uit het feit, dat iets door den omwerker uit I behou' 
den is, nog niet altgd afleiden, dat dit voor hem een gewone 
vorm of een gewoon woord was: alleen wat ook in de afwijk 
kende gedeelten der omwerking en in het vervolg , en dan nog in 
het rijm voorkomt, is zeker van den dichter van II. Immers dat 
hg om niet al te veel ^overhoop te halen^' op sommige plaatsen 
woorden, rgmen of vormen behield, die eigenlgk in zgnen tgd 
verouderd'), of in zgne streek » ongehoord*' waren, is niet 
onwaarschgnlgk. Wanneer (om van poëtasters als Velthem niet 
te spreken) reeds een dichter als Maerlant >om vrai te hondene 
rgm ende sin'*, dus uit >reimnot", en ook wel om eene alge- 
meen verstaanbare schrgftaal te bezigen , vaak buiten zgn eigen 
dialect ging, dan zal eene eeuw later de vermenging der dia- 
lecten , waarop deze min of meer algemeene schrgftaal be- 



1) Zie hierorer Ojb. 4 Tlgg. De oBderlinge Terhoodiog der Tenchilleode redactiet 
koop ik later nog eeoa opnieow met het oog op de teksteritiek te oodenoekea. 
bkele pluttM i^a hienehter reedt terloops behandeld. 

S) Mea KÏe ttm voorbeeld Tan dete Middeleeowtcke Banier vaa overaemeii bg 
Mr. S. Maller Fi , Die Holl. Cronike v. d. Heraot vBgdr. v. Vad. Ge«:h. Se Reeki, 
II « bil. 1 vl|yc), waar grhc^le paaaaget ait Stoke vrgwel letterlijk liJB iagelaaehtiB 
eeae kroaiek van r 14(K). waaronder allerlei oitdriikkiogen, die ia dien tijd waar- 
•rhijalijk atet o»eer gangbaar warca. Zoo heeraeht er in de taal Tan 11 leker eene 
Trg groole oagclgkaiatigbctd taaachea de ondere , aii I overgeooMeae, «b de nieuwen, 
oorapronkel^ke gedealtea. 



rust ^) , zonder tw^fel Teel verder gegaan z^n. BoTendien is onze 
omwerker Tooral niet angstvalliger en nauwgezetter dan Maerl., 
een zuiver, onvermengd dialect behoeft men b^ hem niet te 
verwachten, en het gaat dus niet aan, alles wat niet in dat 
dialect thuishoort, voetstoots te verwerpen en onecht te ver- 
klaren , iets waartoe men in I op grond der buitengewoon zui- 
vere oudvlaamsche taal van het geheele gedicht wel degel^k bet 
recht heeft. Ten gevolge van dit alles is eene beslissing tus- 
schen omwerker en afschryver dikw^ls zeer moeil^k. 

Meestal z^n hier de plaatsen van II aangehaald naar 6roebe*s 
afschrift^) (doch naar de telling van M.'s uitgave, die ik ook 
voor I gebruikt heb) ; by onbelangr^ke verschillen (t of y , ghe 
of ge^ enz.) zijn echter zeer dikw^ls de vormen en de spelling 
van M.*s uitgaaf behouden. De door het rgm bewezen plaatsen 
heb ik altijd van (:) voorzien , behalve b^ de apocope van den 
infin. en by de declin. der znw. en bnw., waar alle plaatsen , 
tenzy het tegendeel vermeld is, in het rijm staan. Voor de door 
mij gebruikte verkortingen ^) verwijs ik naar Ojb. (De oude en 
de jongere bewerking van den Reinaert. Amst. 1884) blz. I — 
IV, waaraan ik toevoeg: F(rauck, Mnl. Grammatik), Verd(am, 
Mnl. Woordenboek). 

Aan Prof. Franck , die my op de meest heusche wgze over 
verschillende punten hooggewaardeerde inlichtingen heeft gege- 
ven, breng ik hier mynen weigemeenden dank. 



1) Zie o. a. F. 3, Alex . Inl. LXXXIV. 

2) Zie Ojb. III; wtar dit aftchr. eene door M. in de rarr. niet opgegerene IfiiDg 
heeft (wat nog al eent roorkomt) heb ik altgd atilzwijgend de lezing Tan Gr. aan- 
gehaald. 

8) By Tormen, die xeker alleen van de aftchryTers lijn, heb ik meettal van a en 
b getproken; in onzekere gevallen ook wel eent van I en II: uit het al of niet aan- 
wezig zijn van bewgzende rijmen blijkt dan genoegzaam, of een vorm den dichter 
of den omwerker, dan wel vermoedelgk alleen den afachrgven mag worden toege- 
ach reven. 



I. Vocalen. 

&. De oorsprookelgke d is nog bewaard in ghe{h) orsam 
2572/2594 (:), /1694, dus ook in IL Hat (odium) , dat alleen in II 
/938, 8810, 5824, 7225 (:), 7681 (b) voorkomt, en geheel met 
Hd. hoêz overeenstemt, moet in vorming van Nnl. haat (uit 
hate) verschillen (of kan het evenals an , dan ^) , enz. berusten 
op oudere apocope?); het bnw. hat (= ghehat > vijandig'*, zie 
F. 17) komt evenzoo alleen in II voor;818, 3973 (:). Over c/tra* 
(vocat.) /940 (:)| en pijpghehlas 4164 (:) zie Franck , op Alex. blz. 
397, Gr. 45; Van Heiten, Tijdschr. 3. III; Verd. 2. 491; is 
in dwüB eene oorspronkelijke «i , die door de , oorspronkelgk 
alleen in de verbogen vormen thuis hoorende, a verdrongen 
ware, onmogelyk? In elk geval wordt de ö, in deze vormen 
voor II hierdoor toch wel bewezen, daar een rym ü: a verder 
niet voorkomt. De (ï in de verbogen vormen der woorden met 
d is in II nog bewaard , bijv. gemaec /3831 (:) , onghemake 4878 (:), 
caeff 7301 (bc), gheseUcaeps 7497 (c ; b : -êraps) , achterbaecs 4239. 

I heeft al tyd: xcaes , iraeêt , enz. bgv. 226/, 1316/, 1890/; II wast, 
enz., zonder bewyzende rymen ; maghet (mach het) : draghet wordt 
door II , gesyncopeerd , behouden 3347 3347 , nuiechê 1498/ wegge- 
laten. I doorgaans: saeU êoeltt II: saU ^salt teYenzoo cant 4219 ^ 
ga/t 6785 , enz '). Evenzoo meestal jamer , -like Y. jammer , -like, 

a X ^ ')• ^^^ den umlaut betreft , vermeld ik de volgende 
vormen: geslechte 6552 (:) (F. 13), ge$tedicheit 4851, êcende{n) 
(b:a) 1339 (:) {scende f. of scent m., zie gl. Rymb. en Franc; 
Verdam, Versl. Kon. Ac. 3J« reeks 2. 297), kemden 5154, 
wermen 5063 (:). bat en bet in I elk tweemaal, in II tweemaal 
(eens overgenomen) bat 2235/2256, 3976, doch 8 maal bet 
(alle:), dat dus zeker meer in gebruik kwam. II heeft eenmaal 
laet9t 4976 (:), meestal leêt 3612, 3664, 8990, 5506, 5848, 

1) Zie Of er doe woordes bca. bQ AdT«rbiA. 

8) DmH SS9/. S46S/ it door M. te oorechte ia émsri vertMlerd, no F. U. Aam. 

8) Orrr # X «i tn fnUfèm, eni.. sie beo. bQ Co^jngttie. 



6 

7088 , doch nooit in 't rym , ofbchoon dit toch geenszins 
onmogelgk was; is lest dus van den afschrijyer? I kent geen 
Tan beide. 

weien : verdreien 6835 (c volgens M., volgens Gri.: ai : at ; b : aei : 
aeï)^ weidet 5361 , dreide 5610 (beide in b) *), vgl. gl. Hild. (Kil. 
geeft weien als Sax. op , en in Gelderland luidt het ook nog 
aldus). Is hierby van umlaut sprake, of is ai (of at?)') alleen 
voor de e tot ei iplv. tot ê overgegaan (vgl. screien , Meie , enz. 
F. 26) ? In elk geval wordt ei voor II niet bewezen ; het zal , 
daar De Bo en Schuermans beiden oat als Vla. opgaven, 
dus wel van den afschr. zgn. 

II kent umlaut van d tot ê in geberen /925 , weer (esset) 6656 (:) , 
weren /2484 , /2922 , /3185 , verveert 3817 (:) , vermeert 4221 (:) ») ; 
mordeneere 128/ ( : ombeere ; ƒ 135 : -oer : -oer) staat in I geheel al- 
leen, vermoedelgk is het dus van den afschr. van a, en moet 
men lezen : -are : -are , evenals in II ; doch vgl. F. 39 over een 
mogel^k -ere uit -ére (ontleening van den umlautsvorm -ere 
uit het Brab. of Limb. is in I hoogst onwaarschgnl^k). Over 
het geheel toont II dus meer neiging tot umlaut dan I. 

wale en wel z^n eigenlyk twee verschillende woorden, zij 
komen in I en II beide passim zonder eenig onderscheid voor. 

II heefb verder nog: nase 6091, naesgat 6078 {nese o. a. 
793/821 (:)), vaechde 7143 (:) naast veechde 7139 , dienatmegen 5150 
(? M. naar p : -maghede) , steven (staven) 6328 (Kil. geefb steve 
op als vetus voor staf). 

enden 3885 (:) , entvoghel 6883 zgn onvlaamsche vormen , blij- 
kens het r^m echter eene vryheid des dichters tegenover zijn 
dialect. De Vlaamsche vorm was (en is) aend(e)^ zie De Bo en 
Schuerm. i. v., Verwfls, Inl. op Nat. BI. XXXVII en Taalk. 
Bgdr. I. 223. 



1) taaiem 7054 ( : serapgu) alleen in c , xeker rtn den tfichr(|?er , leet met b : 
dra9en (zie ook Verd. i. ?.). 

2) Of oonpr. ae (zie Bnane, Got. gr. ( 22; Beitr. 11. 51 vlgg.) P 

8) Ofergang (zonder aml.) tot e ?oor -rt heeft volgens F. 69 alleen bQ S, niet 
bg 4 plaata. 



baraet X t^^f'oet (ook verraet)^ moer X ^^ (beide passim) 
zgn nataarlgk te yerklaren uit het yerzwakte accent, by het 
eerste woord gesteund door de yolksetymologie. 

A X o. n uitsluitend: wopen /2172, 4325, 5859, 6655, 
maar zonder bewgzend rgm. Pron. pers. fem. in I uitsluitend 
hare, II in het rgm altgd hare, hoer (zie ben. bg Pronom.), 
buiten het rgm passim Aore, hoor, huer; dat deze Tormen niet 
in het rgm Toorkomen, bewgst hier nog niet, dat ze yan den 
afschrgyer zgn: waarschgnlgk waren het de ongeaccentueerde 
yormen , die natuurlgk alleen in het yers konden yoorkomen , 
terwgl haer dan yooral in het rgm stond (zie F. 47). 

af in I uitsluitend (o/, zooyer ik weet, alleen 21/, in den 
proloog, zie ben. blz. 13, noot 4), in II soms af behouden 
1798/1818, 2851/2841, en yerder 5266, 5305 (ave), 7486, 
meestal yenrangen door of /1924, /2094 , en yerder 3702, 
4943, 4986, 5671, 5772, 7083, 7394, 7686 (alle:, zie yer- 
der M.*s gloss.), eyenzoo in samenstellingen. Volgens De Bo, 
24 ylgg-f kent het Wyl. tegenwoordig uitsluitend o/, ook in 
samenstellingen '). Eyenzoo waeh, ach X och (zie gl.), doch niet 
door het rgm bewezen '). 

é : ê. De yolgende tabel geeft een oyerzicht dezer rgmen : 



1) Zw Ttritr baa. bQ A^firbu 

8) Ofvr '^eJki- ra -«ri/- in «U rtrl. U^d « dttlw. ét ww. èrim^km, rat. lie 
^ Coig. 




8 



Ui 

'S 





o 




CQ 




"^ 




t* 


*— H 


•» 


c:^ 


1-H 
1-4 


9 




M 




^ 


kA 


O 


O 


N 


o> 


• • 


kA 


r^ ^-^ 


•> 


• O 


o> 


*c3 o> 


*-^ 




CO 


kA 


Nüi^N.^ 




co o 1-H ^^ 


<o ^ 


"<^ "<^ »-• 





W co 






co 
co 

CD 



kA o CQ 
CO f- 



C^ ^^ *-x ^ '-^ 

00^ Sco i> 22 

I cOi-^©ï<o,-4CO'^'^ 



s 

o 



CD 



kA O 
Oi 00 



f-l "<*« I 



eo 
co 

00 



^ c<i 

-Er 

.. O 



co "^ 



o 
o 

co 
co 



CO oS 

-„^ «.I-H kA 

o S co *^ *^ 

■^2 2 51^ 



lA 
kA 



co co 

09 



I I 



0« ©ï "^ 



^^ ^^ j -H kA j 









— ?;^ 
















<rN 
















<« 
















1 






o 


CL 








^ 


/*N 


s 


co 






• 


c5 


00 


kA 


M 


co 


¥^ 




/-s 


'S 

• • 


00 
09 


•> 


•• 


^s 






^^ 


_ 


• 


""•»i^ 


— 1 


~ 11^^ III _ 






t* 


'S «^ 


1 


kA 


00 


00 t* 






o> 


t* 


o 


o oa 






C4 


00 


t* 


oa ^ 






>-• 


^*<' 


N-*' 




V^N.»' 




CO O 00 


1 f-« «^ 


1 kA f-4 


"^ COOï i-> 


1 'N 1 f 


^^ 


1 ^ 09 1 




o> -^ 


1 


1 .. 


04 


1 1 




1 1 



m 



H 




i3 «8 



d 

•2 
S 



1 



.9 



i« <*> 



d 

s 

► 

.S 



,fetfei?^?lfe45'H 



d 

9 



d 
d 



•• •• fl 



J5 ^ 



.9 



n 






.9 

I 



• 

PU 
PU 
PU 

d 



tb 



I * ï* 






i 

o 
fl 

a 



V 

Be 



's fl 

•fa 

eo ^ 



& 
O 

V 

M 

e- 

V 

M 



SI 

+ I 

i-4 Q« 




9 

Hierbg heb ik , Toordat ik er eenige concloaies oit trek , het ToUfende 
op te merken. Ik heb alle rgmen geteld , ook normale als êxiês, om 
de frequentie dezer njmen tegenover de weinige onregelmatige in *t oog 
te doen springen; opgesomd heb ik de rgmen slechts, wanneer se on- 
regelmatig en weinig talrijk of twijfelachtig waren; de rijmen als -hede: 
'hedet die niets bewjjsen heb ik daarom afzonderlyk uitgemonsterd. 
Voorts Terdienen de volgende woorden eenige vermelding wegens de 
plaats, die sü in deze tabel verkregen hebben. Voor heden (bodie) heb 
ik ë aangenomen, vgl. (behalve onze tegenwoordige spelling) Cosyn, 
Noord en Zuid 1. 219 vlgg., en Franck, Etym. Wdb. i. v. Het rymt 
hier dan ook 3459 (?)/3 158 op -hede, 4830, 6670 op ë. alleen 7300 
op *?. — Onder de ^r:/x rijraen heb ik opgenomen 2075/2105,2081/2111 . 
waar bleeten, ghebleet op ê rymt, zie beneden. — eten -. creten 6479 heb ik 
als ë: ë beschouwd. Wel kent Kil. 323 een ww. kreiten, kreten (d. i. e) 
• provocare", biykbaar hetzelfde, als hetgeen Schucrm. 292 mot > tergen, 
plagen**, en De Bo 571 met »knyzen, verdrietig, vragen om iets" ver- 
klaren (zie nog voor het Limburgsch : Ooze Volkstaal 2. 222 i. v. en 
vgl. gl. Lsp.), dat men wellicht aU causatief yan kreten «schreeuwen**, 
met eene latere intrans. beteek. (vgl. neigen, steig{er)en, enz.), zou kun- 
nen opvatten, doch eenvoudiger is het, voor deze iotrans. bet. een ww. 
met zwakken vocaaltrap crëten (uit ^kritón) aan te nemen (o. a. ook 
Lorr. (J.) 1. 1053, en Franc. 5475 in deze intrans. beteek. voorko- 
mende), dat tot krUen staat, als ctécen tot divtn. Prof. Franck, die 
m\j hierop opmerkzaam maakt, en in het gloss. zijner Gramm. ook twee 
WW. crf/«i heeft opgegeven, vermoedt dat crêien {^kraitjnn) » tergen'* een 
geheel ander woord is, dat met criien en creten » schreeuwen** niets te 
maken heeft, veeleer bij *kritan «rijten, krabben** behoort, evenals 
Hd. krilzeln (vgl. Hd. rfiz^n: reisten en Klnge, Etym. i. v.). NI. 
cretten (o. a. Rosé 1610) en kreUen (Kil., De Bo) zijn zeker nader 
verwant aan Hd. kratzen, dat trouwens wel in eenige verwantschap 
met *krUan zal staan. Zie verder Kluge en Franck i. v. kraUen >). 
Wellicht blaken tan slotte deze beide ww. ^kHtan identiek , vgl. het door 
mij, Ojb. 101, over de verschillende beteek. van $cramen, tcrewten^ 
kroMsen, ichrassen opgemerkte. — $lepen: ghegrepen 7353 heb ik als ë;ë 
gerekend. Volgens Franck, ZfdA. 25. 41 , heeft er soowel een itépen (uit 
^êlipón) als een tieipen, tUpen (nit tlaipjan) bestaan, heide met trans, en 
intrans. bet. De verschillende dialecten hebben het een of het ander, of 
beide door elkander: De Bo^beeft depen trans, (maar ook enkele afleid, 
met ee)\ Schoerm. zegt uitdrukkelijk dat het Vlaamsche üepen in Brab., 



1) Ib au ook Fruek i. v. krtUs (•■ kkften) 



10 

Antw., Kempen en Noord-Brab. >met eene bleitende e, of bijna al8 5^]p«n 
of slijpen'' wordt uitgesproken; V. d. Brand, Onze Volkstaal 1. 86, 224, 
geeft voor het Noordbrab. op: steipen, in de bet. sleepen en slepen^ das 
tr. en intr.; voor den Antwerpschen Brabander ') Kiliaen is sleipen 
blykbaar de gewone vorm (in de tr. en in de intr. bet.), waarheen by i. v. 
slepen verwgst. Blikbaar is dus sleipen , sleepen Brabantsch , slepen Vlaamsch , 
en wel in beide beteekenissen ^). Daar nu R. II stellig Vlaamsch is , en 
bovendien II (b) van ê veelal ei maakt , sal men hier wel ê moeten aan- 
nemen. — bleke 4802 (: ghebreke) is niet »bleiche Farbe*' (M., gloss.) , 
maar mv. ▼. hlec »vlek", zie Verd. i. v., het qjm is dus ë : ë. — l:w/»rood" 
5636 heeft stellig e ; het is identiek met hele »guttur'\ — De « van teder 
3782 heb ik als e beschouwd, op grond van Beckering Vinckers' be- 
toog, TLB. 4. 198. — Ëvenzoo die van gheten, ppp. v. eten 6424, op 
grond van Schuerm. 152, V. d. Brand (Onze Volkst. 1. 87, 172), Ver- 
couillie (t. a. p. 2. 17), Beckering Vinckers (t a. p. 200), Temest (Uit- 
spraakleer der Ned. taal § 14), waaruit voldoende blykt, dat de tweede 
klinker in woorden als kedel^ ledig bg samentrekking niet met den eer- 
sten samensmelt tot een tweeklank, maar alleen de quantiteit, niet de 
qualiteit van den eersten wyzigt. Hetzelfde zal men dus hier, waar geen 
syncope, maar synaloephe of eigenlyk elisie plaats heeft, wel mogen 
aannemen '). 

Wat de e voor r betreft, in begeren heb ik ë aangenomen, op grond 
van den bgvorm begaren (e wordt voor r niet tot a, vgl. Franck, Etym. 
Wdb. i. V. en V. d. Brand, t. a. pi. 1. 86); in keren ê op grond van 
mhd. keren. — De e van veer (uit veder) 4015 heb ik als ë beschouwd, 
in overeenstemming met V. d. Brand t. a. p. 1. 87 , 172, De Bo 287 en Kil. : 
vere. Wel schgnt streer, uit stoe(h)ur (of stce(h)ir?) é te hebben (zie Franck, 
ZfdA. 25. 47, en ygl. Gr. 40, 47), maar wat bg eene oudere syncope geschiedde, 

1) Zie Klayrer. Kiliamn 122 ?lgg. 

2) Het Orooingich ichijQt te weifelen: terwijl volgens Prof. Goeijn het Oroningich 
(SUd?) alleen slepen kent (ZfdA. t. a. p.), geeft Onnekes voor Hontingoo sleepen op 
(Onze Volktt. 2. 56). Hebben na èn ^slaipjam èn ^sHpón van oadiher deze beide 
(tr. en intr.) beteek. gehad , loodat de verschillende dialecten later eene verschillende 
keos uit beide hebben gedaan, en de onderscheiding onzer Nnl spelling dus volko- 
men willekeurig en kanstmatig (doch praetiseb) is; of heeft ^slaipjan (zeker toch 
eans. v. sttpa», «doen glyden**) oortpronkelyk alleen de trans. bet. gekend , terwtjl bet 
later, evenalt neigen, stei(jé)reH en dgl, ook de intr. bet. heeft aangenomen, wat 
hier zeer beganstigd werd door de verwarring met het oorspr. enkel intr. ^skp^ 
(vgl. Fr. 202 over den invloed van het intr. queUn op bet trans. queUen), zoodat 
onze tpelliog , zij ket ook kanstmatig, een oud, hittori»cb onderscheid heeft hersteld P 

8) Onze tpelling preeken, leeje \% dus eigenlyk verkeerd. — Het Oron. achynt 
trouwens bij ftsmenstelliog wel scberpl. e# te kennen (Onze Volktt. 2. 66). 



11 

behoeft daarom nog niet bg een zooveel jongere sjncope , als die der d 
tamchen vocalen, ie hebben plaatti gehad. — Bg de gevallen van -«r< 
lyn er vencheidene , waar êrt voor art staat, zooals veerde, fleineert ea 
dgl.; ook enkele wuar -aert : -eert rymde, heb ik hierby gerekend. — 
Umlaut van A (zie boven, bh. 6) heb ik aU c beschouwd, vgl. F. 39, 
ZfdA. 25. 42. — 

Zien wg na, welke uitkomsten bet Toorgaande overzicht op- 
leyert. Ik beperk mij bierby in hoofdzaak tot eene yergelgking 
met hetgeen Franck voor Maerlant gevonden heeft (ZfdA. 
25. 80 vgl.); eene volledigo behandeling van de kwestie der 
Terschillende e*s in het Mnl., in verband met de hedendaagsche 
tongvallen, zou voorzeker voor onze kennis der uitspraak van 
het Mul., voor de plaats- en tydsbepaling der Mul. dichtwer- 
ken (en ook voor de tegenwoordige spelling) belangrijke resul- 
taten beloven , doch ligt niet binnen myn bestek. 

Waren beide klanken ê en t- voor den dichter gelgk geweest, 
dan zou men het rym ex : ex stellig vry dikwijls aantreffen '). 
In plaats hiervan vindt men alleen si weteii : si heten 21/. Ik 
weet niet , of hierby sprake kan zgn van eene verkorting der e 
voor tt {heten >nominati sunt** uit een vorm, overeenkomende 
met Ags. hdttony vgl. F. 134, Sievers, Ags. gramm. g 367, 
anm.); èt uit etet enz. staan niet geheel gelyk, omdat daar 
van ê (of é), hier van e, dus niet alleen van verkorting (of 
kort blyven), maar ook van eene andere qualiteit sprake is, 
ook de analogie van vet uit ^faitid (zie Kluge) is niet vol- 
komen; aan den anderen kant ware in het praes., waar 
sg. en plur. anders altyd dezelfde vocaal hadden , ook 9% 
tct'ten naar analogie van tV wett niet ondenkbaar: V. d. Brand 
geeft voor Noord-Brabant althans werkelyk wetten op (Onze 



1) Wfllifwtar komt ? in I. wtar de ww., \m het rijm altbant, m et ttt l nog met 
ijTBcopceren . alleen in open lettergrepen, dot in slepende r^oMn, voor (pmm. 
en ppp. der tt. ww), / daarentegen leer dikw^U in gefloten lettergrepen (b^v. 
prart. tg. V. WW. der ikl ). dut in ttaande rymen. waardoor de mogelgkheid Tan 
onioivert hjinen teer beperkt wordt . maar aan den anderen kant vermeerderen 
de kanten bierop weder, doordat I foor NI. «i leer taak de Vlaamtebe / beeft. 



12 

Yolkst. 1. 86); zeker kan ten gevolge van een en ander een 
r^m van twee dergel^ke woorden als geoorloofd beschouwd 
z^n. In geen geval echter geeft dit ééne, tw^felachtige 
geval (m den proloog^ waarover straks), vergeleken met de 
talr^ke onzuivere rijmen in II, en tegenover de regelmaat 
der zuivere {ëx : ëx of ex : ex) in I , het recht om aan te nemen , 
dat de dichter beide klanken doorgaans op elkander liet r^men , 
en dus geheel gelijk uitsprak. Op dit punt is I dus nog ten 
minste even conservatief als Maerlant. II daarentegen heeft 
wel nog overwegend zuivere rgmen, maar toch reeds 4 en 11 
maal ëx : êx. Hieruit volgt , dat de omwerker öf beide klanken 
gelijk uitsprak, of minder nauwgezet in zgn rijmen is. Daar 
hij zoogoed als zeker uit West- Vlaanderen afkomstig was , waar 
nu nog een scherp onderscheid tusschen de twee é's gemaakt 
wordt, en er bovendien bg gelyke uitspraak zeker nog veel 
meer dergelyke rymen zouden gevonden worden *) , zal men wel 
tot het laatste moeten besluiten : het waren dus eenige , ook 
voor hem onzuivere rgmen , die hij zich voor het gemak , uit 
armoede, veroorloofde. — "hede rymt in I alt^d op ë, evenals 
b^ Maerlant (F. 20, ZfdA. 25. 45); in II evenzoo , slechts ééns : 
ê. De Mnl. rijmen geven hier dus een krachtigen steun aan 
onze, zoover ik weet, alleen op traditie of conventie berustende 
spelling -heden naast -heid. — I rymt hleeten^ ghehleet op e, 
wat II althans behoudt, wederom evenals Maerlant (t. a. p. 37); 
dit klanknabootsend woord, dat toch wel te allen tgde even- 
eens zal z^n uitgesproken, verspreidt eenig licht over de uit- 
spraak der ^, nl. min of meer als de > zware blètende è*\ zoo- 
als o. a. te Yperen nog geschiedt (t. a. p. 49 , De Bo 287). — 
-e«/ in Fransche woorden en namen {casteely juweel^ Bruneel 



1) Wel heeft II, erenaU het Nnl., in plaats ?an de Vlaamiche / veelal ei, wat 
de kanirn op oiiziii?ere rQmeD Terminderi , maar daartegeDOTer staat , dat men in de 
7794 TN. Tan II, waanran de 1« helft slechts roor een deel letterlek uit I, das met 
xairere r^men is oTergenomen, en waarin horendien de st. ww. wtl syncopeeren, en 
dos è ook in gesloten lettergrei>en kan voorkomen, 9&el meer onxaivere rymen loa 
kannen Terwachten dan in de 8476 tss. van I. 




18 

enz.) in I: ^, in II meestal: ê, maar ook soms:^'); Maerl. 
eyensoo meest: ê, wat op dezelfde uitspraak yan ê, nl. onge- 
yeer gelgk aan Fr. -e/ of è w^st, en weder een historischen 
grond aan onze hedendaagsche spelling geeft '}. Eyenzoo rymen 
de andere yreemde woorden en namen') in I en II op ^, alleen 
deken (decanos) 2971/2961: é, wat [trouwens om de afleiding 
zeer natuurlgk is. 

Bg de e yoor r toont I zich eyen angstyallig: slechts twee 
twgfelachtige geyallen yan onzuiyer rgm doen zich voor: 
oyer ombere^ mordenere 127/ zie boyen blz. 6; aangaande 
het andere, bereihere (domine) 8469/ merk ik op, dat een 
hêre^ vóór eigennamen, wanneer de klemtoon niet op het 
woord yiel, op zichzelf niet onwaarschgnlgk is (ygl. "hêde in 
de cas. obll., later ook in den nom., wat eyenzeer wel aan den ge- 
ringen klemtoon zal moeten worden toegeschreven, zie F. 20, 
26, 190), als 't ware een tusschentrap tusscheu hêre en den 
kortsten yorm her (dit laatste schgnt in I juist niet yoor te 
komen (zie gloss.) , en is dus wellicht pas later uit dit onderstelde 
hêre ontstaan) ; de yraag is maar , of zulk een yorm , die al- 
leen op onbeklemtoonde plaatsen vóór eigennamen, en dus in 
het yers thuishoorde , ook na eigennamen , en in het rijm ge- 
bruikt kan zgn. Doch zeker is het opmerkelgk, dat de eenige 
geyallen yan êx : ex en êr : èr yoorkomen in den proloog en ge- 
heel aan het einde van het tterk; zonder dat ik yooralsnog de 
echtheid yan proloog en slot zou willen betwgfelen , en daar- 
mede een ouden stryd oprakelen *) , wensch ik toch hierop de 
aandacht te yestigen. Terwgl dus I ten opzichte yan ?r: er nog 
strenger blykt dan Maerlant, die èr : êr althans eer rgmt dan 



1) Dtaronder mtmêsMlé , erenaU b^ Maerl. (t. a. p. 4S). 
8) Teroeat . UiUprmakL 14 , geeft aan -«r/ eeoe achtere #. 

3) Het 1^0: ertdé, mm ê em , foreesi, •ecrmt, FAsriêttm, HêUmê^fmit, mmtkU, 
judiemrt. 

4) Zie Willeou. Inl. XXXIY en Joockbl.. UI. XXIX Tl|g^ rooral XXXVIL Ik 
moet bekrnaes, dat hei geheel ontbrekes ran eeaig tloi door dichter of alKhr^cr 
■m in I alt^ frcemd ia Toorgekomen. It ook de nnapeling op htt ontftaan dor ▼••!■ 




14 

êx : êx (i a. p. 47 en 49), veroorlooft II zich op dit 'punt 
weder veel meer vryheden dan I ; dat echter ër : er ook]' voor 
het gehoor des omwerkers minder onzuiver was dan êxiêxj 
mag men wel afleiden uit de veel grootere frequentie der eerst- 
genoemde. — Met er -f- cons. is het eveneens: in I rgmt -ërt 
nooit op "êrt^ in U éénmaal steert : vermeert 4221 (dus 
ê:ê , umlaut van a). Ook Maerl. vermijdt dit rym nauwgezet 
(t. a. p. 42) ^). — -er in vreemde woorden in I slechts tweemaal , 
beide Cantecleer : er (dus in overeenstemming met e in andere 
vreemde woorden : ex) , beide door II overgenomen , doch niet 
met andere vermeerderd. — De eigennamen op -eert {Grtmbeert , 
Tibeert , in II ook Reineert , Cuweert)^ rijmen in I altgd op e , nooit 
op ê\m II worden 4 van de 7 rymen uit I overgenomen, doch 
overal , waar de omwerker zelfstandig dicht , rigmt hy het op ë , be- 
halve 3817 {verveert : Reineert dus ë:^, umi. v. d). — Eindel^k 
-eren en -eert in den infin. en de ppp. der aan het Fransch 
ontleende ww.: in I komt de infin. slechts ééns, in rgm op 
zich zelf, dus zonder bew^s, voor, gheleert : apeert 2f)%l s^reeVi 
echter voor e; in II 11 maal: 6r, 4 maal: êr, Maerl. rijmt 
de eigennamen, evenals I, op er, vreemde werkw. op êr, um- 
laut van dr op êr ; alles , naar *t schynt, anders dan II (t. a. p. 
42, 43). 

Wat bl^kt nu uit een en ander voor de uitspraak der $ vóór 
r in I en II? De verschillende Ylaamsche e*s z^n mg niet 



toMchen wolven en fchapen {it\U zooali I het heeft) niet meer in den geest de8< 
omwerken, of des interpolators der fabel van de kikvorschen en den ooievaar, dan 
in dien des dichters van I? Ook het noemen Tan den «wnlf enten bere'* zonder 
eigennaam er by is niet in den geest van I, vgl. echter hierover Ojb. 118, 170. Ue 
geheele kwestie is waard, nog eens opnienw in haar geheel onderzocht te worden. 
Willemt' argumenten honden toch wellicht niet alle zoo weinig steek, als Jonckbloet 
heeft gemeend. VgL ook bov. blz. 7 {of) en ben. blz. 82 {ie:ié), 

1) Hoe het komt, dat -ért over het geheel zoo opmerkelyk weinig in het rijm 
voorkomt , terwyl toch r\jmen als ktieri: leert : eert {-de) zeer gewoon moesten zyn (en by 
Maerl. ook werkeiyk lyn), en terwyi rymen op -ert en op •^fv(M) ook hier in vry 
grooten getale gevonden worden, weet ik niet te zeggen: het tal toch wel niet toe- 
Tallig iQb. 



15 

daiJelgk genoeg , om hier Yooralsnog veel te kunnen uitmaken]; 
ook wordt Yoorzichtigbeid bg het trekken yan conclusiefl gebo- 
den door het kleine aantal rgmen, en door de reeds geblekene 
onnauwkeurigheid Tan II ten opzichte der e's (yooral bg 
Treemde woorden was natuurlgk grootere vrgheid geoorloofd): 
het OYerwegen yan deze of yan die rgmen kan daar dus zeer 
goed op toeyal berusten. Intusschen kan het yolgende wellicht 
tot eene latere oplossing bgdragen. Dat de namen Tibeert en 
Grimbeeri in I zonder uitzondering op êr rymen, bewgst, bg 
de nauwkeurigheid yan I , toch wel eene uitspraak dier woor- 
den, gelgk aan, of zweemeude naar er. Hoe was echter de 
uitspraak dier ê yoor r? Uit De Bo 287 kan men opmaken, 
dat tegenwoordig in het grootste gedeelte yan (West- ?) Vlaan- 
deren ^r als ^ (met de Fransche, >blètende*' i yan />^) wordt 
uitgesproken , terwgl ê (wel onderscheiden yan è) yoor r onyeran- 
derd bigfl , maar dat in enkele streken , o. a. te Yperen , èr als èr 
klinkt, er daarentegen als hr , welke uitspraak (als <) de e dan ech- 
ter yoor cdle consonanten heeft. Aangezien nu de ^,zooal8 wg zagen, 
yoor andere cons. in I waarschgnlgk als ^ klonk , mag men hieruit 
misschien yoor I dezelfde uitspraak der ê geyolgd door r afleiden , 
welke uitspraak men dan ook yoor Tibeert en Grimbeeri *) zou moe- 
ten aannemen. Hiertegen schgnt echter te pleiten , dat de yormen 
Tibaert en Grimbaeri (welker ae toch zeker wel nader aan de 
^ , dan aan de è of e staat) , wel in II , maar nooit in I voor- 
komen , o&cboon anders ar i, pi. y. êr in I wel geyonden wordt 
(zie ben.); dit zou dus integendeel wgzen op de uitspraak 
dier namen, en dus ook der andere woorden in I met onyeranderde 



1) D« etjmologie dexer oonproakelyk GensMUifehe nameo bo« -iri of -ir/ does 
rrrwaditcn. WtUieht moet men das dit ért (hf) toctehryTen tan bet Fnnaclie ori- 
giaoel, wmaroit d« diehter, den 6«rm. oorsprong der nnmen niet kennende, dese tb 
FrmmteMé woorden met Fnnjcbe nitApraiik (d. i. ^?) orenuun. Vg). het door m^ , Qjb. 
197. over den naam Inm^rijm opgemerkte. Voor dese namen de bovengenoemde uit- 
braak ff alt h- aan ie nemen, it onmogel^k , omdat de woorden joiat rymenop/r, 
dat in de ttreken , waar ir èr wordt, onveraBdard bl^, loodat beide klaakn niet 
nuTcr tonden r^i 



16 

ê (die dan ook in het gewone Mnl. en in de meeste streken 
van Vlaanderen niet in a overgaat, vgl. F. 47). Doch TAaert 
en vooral Grimbaert in II kunnen hun ontstaan ook wel 
alleen danken aan de volksetymologie van baert (barba) , welke 
misschien ten tyde van I nog geen invloed oefende. Hoe 
dit z^ , voor II sch^nt de « in die namen meer] als ê te heb- 
ben geklonken , hetzg hy êr als èr of als ër uitsprak. — 
Wat de WW. op -eren aangaat, is over de uitspraak van 
I niets met zekerheid te zeggen (de wisseling met -teren 
staat niet in verband met de Mnl. uitspraak, zie ben., blz. 
21); II schgnt ze met eene e, gel^k aan, of zweemende 
naar de ê voor r in Ned. woorden te hebben uitgesproken. 
Ik w^s op De Bo's opgave, dat het >waalschsteertige 'eeren'\ 
dat in Vlaanderen en Brabant anders meestal ê heeft (De Bo 
287, Ternest §14, V. d. Brand, t. a. p. 86), in een deel 
van Vlaanderen (welk, zegt hy er, helaas, niet by) >blè- 
tende*' klinkt. Uit dat deel (of uit een dier streken) zal 
de omwerker dan waarschynlyk afkomstig zyn , althans , 
indien men van de tegenwoordige uitspraak mag besluiten 
tot de toenmalige, iets, waartoe men zeker niet overal en al- 
tyd het recht heeft. 

De quaestie der uitspraak dus voorloopig onbeslist latende, 
kunnen wy als slotsom toch zeker vaststellen, dat I ten op- 
zichte der e-rijmen met Maerlant volkomen overeenstemt, doch 
dezen in zuiverheid en nauwgezetheid nog overtreft ^) ; II daaren- 
tegen staat wel, wat de uitspraak betreft, op hetzelfde stand- 
punt als I en Maerl. (behalve by de namen op -eert en de 
WW. op -eren) , maar is veel minder nauwkeurig dan beiden , 
al is ook by hem een streven naar zuiverheid niet te misken- 
nen. Dit verschil tusschen I en II , dat a priori reeds te ver- 
wachten was, zullen wy telkens bevestigd vinden; nu reeds 
geeft het ons het recht, by den dichter van 1 overal groote 
nauwkeurigheid in het rym te onderstellen. — 

1) Men Tergete echter niet, dat in de honderddoizenden venen van M. nataar- 
lyk eer onxoiferheden gevonden worden, dan in de fierdhalfdoixend van I. 



17 

e X *• Willam /l schgnt een bepaald HoUandsche Torm , dien 
men althans Yoornamel^k in Hollandsche stokken (o. a. ook bg 
Uildegaersberch) aantreft, en die hier dus wel yan den af- 
schrgyer afkomstig zal zijn. 

Voor r -{■ TOC is a ipl?. è (niet ipl?. ê) in I, en ook in II 
niet ongewoon 904/, 2465/, 2878/ >} , 2935/ >); 5128, 6636 
(alle: oorspronk. a en a); € blijft voor r onaangetast, gaat 
niet in a oyer, Tgl. F. 47 en De Bo 287. — In de afwisse- 
ling Tan Qj e en €ie Toor r-^couB. heb ik uit de rgmen noch 
Toor I, noch Yoor II eenigen regel kunnen ontdekken, eyen- 
min als het Nnl. of het Westyl. zich hierin gelgk schynen te 
blyyen. Alleen kan men in 1 zekere Yoorliefde yoor de gerekte 
Tormen met ^aeri (en "are), in II voor die met "Cert en de 
korte met -art en "tri opmerken. I heeft in het rgm alleen 
Reinaertj Cuunzert, maar Ttbeert, Grimbeert^ U ook Retneeri, 
Cuwteri. Ttbaeri^ Grimbaert^ zie ben. bg Deel. der eigenn. 

ê X H. I geeft de Toorkeur aan ê , II Bchxjnt daarroor ei in 
de plaats te stellen ; nauwkeuriger scheiding is onmogelgk , 
noch naar den umlaut, die yolgens sommigen (o. a. Y. Belten , 
Klink, en Mkl. 62, Grallée, Noord en Zuid 5. Eztranummer, biz. 68) 
ê tot ei zou maken, noch naar den yolgenden oons. Voor r, 
/i , 1^ , auslautend , en in de praet. der ww. yan de t-kl. heb- 
ben noch 1 , noch II ei. I heeft slechts 8 ^'-rgmen , II 22 
(waaronder 5 uit I oTergenomeu) -|~ ^^ ^). De e-rgmen yan I 
worden door II soms behouden , dikwgls in ei yeranderd (waar 
dit laatste althans niet onmogelgk is, zooals bgy. bg een rgm 
yan e op een yreemd woord). Men mag echter m. L deze ei^ niet alle 
als yan den omwerker afkomstig beschouwen: dat yerbiedtzgu 
ontwgfelbare herkomst uit West- Vlaanderen , waar toch stellig 
in de M£., eyenals nog nu , zekere yoorliefde yoor de e heerschte ; 



1) Zie r^ittkx. 1. 9. i«. Vgl. Bog iMTtiUrt 23S5/. 

S) l)»t det» in 1 alle, ia II grootcndeeU Toor d ot t foorkomen, ligt toch wel 
tllceo MUI het (likw||U voorkonen van woorden alt bti^, êtidê, kidé, -rtidt ent^ 
dat dit dat Ml» bfw^ foor ata iavload der dcatalai op de voorafgaaade ? oc. 




18 

zeker zijn vele ei's op rekening van den (Hollandschen?) aï- 
schry ver te stellen , Toor wien , bl^kens zijne veranderingen tegeu 
het rgm in (bgv. g/ieleide : crede /149) ei het gewone was. Den 
laatste alle ei's toe te schrgven en den omwerk^r voor een 
onvervalschten Westvlaming , die alleen ê sprak en schreef, te 
houden , gaat echter m. i. ook te ver ; enkele woorden als 
bede /2834, scede /2078, bereet 4875, bescheet 5302, dregen^) 
6377 , geleden 7299 sch^nt hy toch alleen dan met ê te ge- 
bruiken, wanneer hij daartoe gedwongen wordt door een rijm- 
woord, dat of ê, of eene zoodanige ^ , die nooit et werd , bevatte , 
5f aan eene vreemde taal ontleend was. Men heeft; dus zeker niet 
het recht alle ei% in e te gaan veranderen; vele et*s zijn m. i. 
van den omwerker afkomstig ; en dit vooral , omdat blykens Ver- 
couillie , Onze Volkst. 2. 9 en De Bo 286 tegenwoordig de è slechts 
in enkele streken van West- Vlaanderen met uitsluiting van ei in 
gebruik is, terwijl op de meeste plaatsen slechts in vele, lang 
niet in alle woorden , waar het Nnl. ei heeft , ê gesproken 
wordt. In de ME. zal die vermenging, hoewel in mindere mate, 
toch ook reeds bestaan hebben. Oorspronkel^k had natuurlijk ieder 
dialect of in alle gevallen, of volgens vaste wetten e of ei\ 
langzamerhand echter vermengden zich die dialecten meer eu 
meer, of werden althans de afwijkende vormen ook elders bekend : 
de Oostvlaamsche dichter van I sprak en schreef doorgaans <', 
maar kende toch reeds in enkele gevallen vormen met ei, die of 
reeds in zijn dialect waren ingeslopen, of hem nog vreemd waren, 
maar in elk geval te stade kwamen iu het rijm op woorden, 
welke alleen ci, geen ê. hadden, b^v. Fransche namen als Z/am- 
freit^ woorden op -heit^ enz.; de Westvlaamsche omwerker 
sprak en schreef anderhalve eeuw later eveneens meestal ê , maar , 
hetzy zyn dialect reeds meer vermengd, hetzy hy meer met vormen 
uit andere dialecten bekend was , hij gebruikte in ruimere mate 
dan I woorden met ei in het rijm, welke de (Hollandsche ?) 
afschrijver nog aanzienlyk vermeerderde. Het aandeel van dich- 

1) Kil. noemt drttghen bepaald Vlaamtrh i. pi. ?. het foor hem gewone dnihgen. 




19 

ter en afschrijyer hier juist te scheiden , is dos yooralsnog ondoen- 
Igk, zoolang althans omtrent het gebruik yan ^ of Wgeene scher- 
pere grenzen z^n getrokken ten opzichte yan de plaats waar, 
en de woorden waarin ze Toorkwamen en yoorkomen '). Waar- 
schijnlijk zal alleen het onderzoek der oorkonden, welker tyd 
en plaats met zekerheid bekend zgn, daartoe in staat stellen. 

e X ê. vremdé X vreemde, peelgrijn^ pelgrim (-tm blgkens 
3635 ( : tijn) yan den afschr., ^ ook de ^ ?) , menich X mennich pas- 
sim, beêem y^hetêem 772/778 (ygl. F. 14), oorcfe^/ X öorA/ pas- 
sim (uit 3693 ( : Firapeel) bl^kt dat de omw. althans ook den 
ouden yoUen yorm kent *) ). Eyenals op dit laatste woord had 
het accent zeker ook invloed op de wisselyormen in II leitur 
en Uttier (zie gl. M. en 4748), en op keyttj/y^ katijf^ al is hier 
de wisseling in het Ofr. yan chaitif^ cheitifj chétif en Uiti>re, 
Uttüre wel de eigenlijke oorzaak , eindelijk op verbi en her (zie 
boy. biz. 13) in II. Wat van dit alles den afschrg ver toekomt , 
is voorloopig niet uit te maken. 

ie X '• Oyer het geheel heeft I meer e , II meer t , zoo gere- 
geld strecXsiric, (zie gl. en 1171/1195, 3888, 6498 (: te)), 
selver X zilver , met X niit , mes- X ^w- •), -n«^<« X ^nisse *) f 
(o.a. 2584/2606, 3431/3433, 3160/, 5336), alle passim. Ver- 
der nog: ghexotê yCghetcü 597/647 (:), maar e ook 5053 (: Arvt^ 
toteles); messen X missen 2583/ (:), 8946 (:), maar mes 4060 
{:ses): Ut X lil 2847/2837, maar e 5188 (:/or«0; (bt)smette(n) 



1) L)e door Verc. t. a. p gegeven regel , Tolgent welken tegenwoordig n /wordt Toor ^, 
/, ^. é. /, «, ■. gut hier althAni niet op. Vgl. F. 26. Ei mhJ^tX in I en II nooit 
in / oTer te gun in vreemde woorden, Toor rocmlen, in êeide, leide , gke»€%i enx. 
(doi uit -egê-), en in -heit (nom.). [>e S n-r^OMn in I, die hierbuiten Tillen, ttjn 
S79/. 1097/. 1181/. De door De Bo t a. p. gegeren ToorbeeUen tu / Toor ti 
i^n ■ecstal ook in de ME. met 4 gebmikelük. 

S) Vgl. Qjb. 196 over lêe^rim, en Klnge, Noain. ttnmabildl. X. 

5) Zie Tcrder ben. bU. 34 . over Hat^mef(t) ne ben. by Deel. 

4) KU : FUadri dicnnt wuê- , BnibanUi et ilii «w-; De Bo 698 geeft als WtL 
msê- op. 

6) diéi: is /S40a kna des : €s o( éis is t^n (F. 2i4), over èmm; heti, s$ ne fcr- 
im m C«g. 




20 

4393 (iwetU), 5574, 5646 {ivet), {be)8mitt€{n) 4128, 5576 
( : ttoitte) ; gif (imper. v. geven) 5672. Vooral voor -cht wisselen e 
en t, een enkele maal in I, maar dikwgls in TI 303/331, 1641/1655, 
2863/2853, /63, /3320, /3363,/3433, 5524, 6447, 6551 , 6701 , 
7711, 7789 (alle:)^). Men kan dus niet zeggen , dat I nooit i , II 
nooit e heeft; zeker kende II althans ook e, en zgn vele t*s 
weer van den a&chrgver; van een Westvlaming kan men dan 
ook eene neiging tot e yerwachteu, zie De Bo 288, waar- 
uit echter blgkt, dat het Westvlaamsch nu althans tegenover 
Nnl. i wel in vele gevallen , doch volstrekt niet uitsluitend e heeft. 
Zie nog peck 6538 (:), lecken 4129 (:) 5692, 5699, in overeen- 
stemming met De Bo. Wellecoonif dat II voor wülecome in de 
plaats stelt (o. a. 629/587, 1073/1097, 3277/3291 , 6560/), zal wel 
van den afschrijver zgn; het is, gelyk bekend, een latere, door 
volksetymologie (naar Fr. bienvenu) ontstane vorm , dien het 
Wvl. nog heden niet kent (De Bo t. a. p.). ligghen X legghen , 
zie gl. en 536/560, 839/877, 871/895,2898/2886,5710,6501, 
7113, 7118, 7419, het laatste wordt door 5992 (: aegghen) 
toch wel voor II bewezen (of een onzuiver rgm?)*). 

Voor n is omgekeerd de overgang van e tot t juist in het 
Wvl. gewoon (zie De Bo t. a. p.) , zoodat brengen , hoewel niet 
identiek met het oude st. *brtngan, maar uit %rangjan (zie 
Fr., Etym. Wdb.), daar toch met t luidt, en men dit laatste 
ook wel voor II zal mogen aannemen: bringhen wordt dan ook 
door II meestal bewaard, bgv. 432 460, 663/715, 3065 3057, 
en verder 3560, 4613, 7643 (alle:); brengen^ dat in II overal 
elders te lezen staat ') , is dus vermoedel^k van den afschry ver. 



1) Te onrechte beweert F. ?1 , dat voor -cAt i niet of zelden voorkomt , o. a. nooit 
in ricJUem en tUcAfem; zie bfjT. ricA/en 7780, tUcAfen /8320. 

2) De venrirring tusschen die twee ww. is dut reedt ond; van onze tegenwoor- 
dige (Hollmdtche) dooreeiihatpeling ook van Uuf en Ui , ffelegem tu ffeUffd 'u txtumel in 
de M£. , zoover ik weet, nog K«en sprake; wel it het ontttaan daarvan te zoeken 
in de toen reedt gewone verwarring der infin., ontstaan, behalve door de gewone 
wisseling tusschen e tn i, doordat èn liggAen ën leggAen beide den byvorm legAen 
hadden (F. 103, 118). 

3) Rymen als 6107 (.venyAew), 7001 (: ^itfi»^ Am) bewyxen nataarl(jk nieU: beide 




Erenzoo zal het wel zgn met ghedenkm , blende , gd de praet. 
heng, veng, enz. (zie beo. by Conj. en gl. M.): ook II zal hier 
t' hebben gesproken en geschreven. 

Voor m is t in het Vla. minder gewoon (F. 71 , De Bo 288); 
II heeft wel limmerman, dimmen, kin (I steeds e), maar alleen 
e wordt door het rgm bevestigd: cUmmen 7688, bem (zie ben. 
bg CoDJ.). Vgl. F. 74, anm. 

ee X Ie- -*i^*n «n -«ttn in den infin. v. ww. in I en II naast 
elkaar: -eren, zie hierboven, blz. 8; -Uren 849/, 4043, 4193, 
5497 , 564 1 (alle : zich zelf) ; het verschil berust op de uitgangen -er 
en -ter in de verschillende Fransche dialecten , waaruit werd 
overgenomen (F. 125). veerlich staat 5209, 7725, volgens F. 
82, 240 een jongere (Uoll.) vorm, die 1674/ dao ook door 
rierticfi zal moeten worden TervaD^en (a heeft: XL). 

el X e voor n. I heeft oooit, II telkeaset' in»We,«Mnrw&, 
leinde, weinde , uieinletde, fieinc, manken, veimter alle ipW. 
e; daarentegen dikwjjls peinxn y. pensen , veimen yC venten. Het 
r^m bewgst hier nieta (maar koo ook nauwelgka iets bewyzeu) ; 
de oorzaak van het verschil bg peimen eo vAnten is mg onbekend. 

y iplv. 1 voor n + cons. {kijnder , wijnier , aermijnc , eeijneten, 
enz.) is in a zeer gewoon , ook in b , althans voor dentalen ; 
daar echter b tnaacben ij en y bgna geen onderscheid maakt, 
en het laatste voor i en voor i}' gebruikt, is de bedoeling onzeker. 
Bowyzende rgmen (trouwens niet talrgk, maar bgv.: tchijnt) komen 
niet voor'); ij zal wpI van de beide afschrgvers zgn (zie F. 
61, anm. 2). Bekend is deze uitspraak (als in) o. a. nog in het 
WtI. (De Bo 457), en, tot Nol. i>'fi gediphthongeerd, te Gouda 
en in het Amsterdamsch der zoventiendeenwsche kluchten (nog 
in of reeds ijn?). Dezelfde uitzondering, die De Bo atelt (aU 



r^Bvoordn koBSCD « d( ■■ bcbbcB; wd rUabew^ b hier du ook foogocd *li 
oaaogtlUk. 

I) ur bfKoa oonpr. f rcadi ii dn diphlhoag ij orer la gua, ca na ook duroH 
MD r1|a oaBogtlffk? Ottr in (gd n de pluti tui dco oTorgiog nn ( ia rj u, 
M«t(r ik wort. aog ttt «óaig Wknd. 



U 



22 

d o{ t persoonsuitgang is, dus bg ww. op -innen) vindt men 
ook hier: nooit At mjnt voor hi tüin^t. 

e , I X "• ^**^^ X luttel , (n)emmer{meer) X {n)umfner(Tneer) , spel 
X spul (6750 , 7700) , selver X «u/v«r (5487, 5637), sitten X «w«<^ 
144/152, rti/fen (t) 3965, alles onbewezen; omgekeerd uX*: 
/m«< X ^wf (tt blijkens 2397/ , 2623/2637 (:) van den afschrijver) , 
busant y^ büant 1149/1173; u is echter in II bewezen in lucht ') 
(t) 7553 (: ducht) (e 1641/1665 (:), i 6818), en is hier Wvl. (De 
Bo 651). Over heden X huden zie ben., biz. 25. 

I X U' adversarijs : waer is 4653 , omgekeerd toijs : Paris 
5553. 'ijs uit 'iiLs is oorspronkelgk natuurlijk lang geweest, 
maar is toch blykbaar, ten gevolge der toonloosheid , reeds in 
het Mnl. ook tot -w verkort; Paris kon als vreemde naam zoo 
wel met ï als met i worden uitgesproken (vgl. Franck , lul. op 
Alex. LXXIX); beide rgmen zgn dus zeker zuiver (vgl. nog 
perdidit : guit /269. -Zyc X -lic zeer dikwgls (ook in I -lic bgv. 
3030/); het r^m kan hier natuurlgk niets bewijzen , daar staat 
natuurlgk altijd 4ijc, bgv. 6347 (of moet men lezen: «Zie : -/te, 
zie ben. by Deel.), -ijn in I meestal -tn , in II -en: eighin , 
maerghin , gvddin X eigen , enz. — De swarabhakti-klinker wordt in 
II na / (niet na r) vaak geschreven : ellic , alsullic (4704) , bellichdi 
(/3231), alle welke vormen in I niet voorkomen. 

Ie X ^^* I^6Z6 beide klanken (t^ tweeklank , ie tweelettergre- 
pig i-i-e) werden in het oudere Mnl. altgd duidelgk onderscheiden, 
en rgmden dus ook niet (zie F. 5, Taalk. Bgdr. 2. 161, Inl. 
op Alex. LX VU). Toch komt in I één dergelgk rgm voor 
ghelijet : verriet 3425/, in DL twee tij{e)t : niet 5221, vijftien: 
surgijen 7619'). Bewezen deze rgmen nu, dat ie en ie niet 
meer, of niet meer zoo scherp onderscheiden werden? Ik zou 
het niet dur?en beweren: immers alle overige rgmen op ie of 
ie zgn volkomen zuiver ; Franck wil het eenige r^m in I ^ 



1) Volgens bp; M. ntar e en tegen het r$m: Hekt. 

2) iUê (femor): ^ (^pu) 6^87 ii luirer ieiie, lie F., InL op Alex. LXX. 
S> Wederom aan het eimds Ftn I (vlg. boTen blx. 18, noot 4)! 




23 

dan ook emendeeren in beghiet : verriet (zie Ojb. 94). De spel- 
ling Tan a is over het geheel zuiver: er is zelfs een stre- 
ven merkbaar om ie altyd door ije uit te drukken , en de 
klanken zoo te onderscheiden. In b daarentegen is de spelling 
deerlyk in de war: ie en ie worden wel doorgaans als ie geschreven , 
maar ook zeer dikwyis t en y (beide hier wel den klank i 
voorstellende), bgv. 1® y voor te : Skuslauiend leckemy 12110 , ver^ 
radery 4825, hoverdy 7683, perty 5368, vry : verty /2587, ty 
6740, ook voor cons.: lyt /3427, 5097, 7161 (b) (ditkanech- 
ter werkelijke syncope der e zijn, zie F. 21. 1); 2" t, y voor 
ie : oly 6806 , ftyleucy : midiennj /2233 , fallaci : êaluaci 4345 , aft- 
soluci : jyerseciici 4521, exsecuci : ahsoluci 4539, histori 5634, 
5640, 7793, 9paci : informaci 6399, contrari 6641, 6706, reg^ 
nari 7519 (b), ojfiti 7588 (b)'), en ook voor cons.: kreygiren 
/r»3 njtiren : pfeytiren 4537 , ygelic 1655 a, re/y/4465 , nyt 5222 , 
%r 6767, 6768, syt 6768, nywe ;614, 4059, 6991, nywelic 
6907, remywet 7331 (b; c: t^miet), Hs. c is hier, zooalsdik- 
wyls, meer behoudend dan b. Hieruit blijkt ten eerste dat de 
afschry ver van b ie reeds min of meer als t uitsprak , wat ook 
natuurlyk aan onze Nnl. uitspraak lekkernij enz. moet zyn vooraf- 
gegaan ; ten tweede dat ook ie voor hem reeds min of meer tot i was 
geworden , dus reeds nagenoeg met (e samenviel : in het eene 
^eval werd de e, die eigenlyk in de volgende syllabe stond, 
geapocopeerd (of gesyncopeerd), in het andere smolt de naslag 
van den diphthong allengs weg, zoodat het (voor ons gehoor 
ook zeer geringe) verschil tusschen tweelettergrepig ie en diph- 
thong ie verdween. In het Wvla. schgnen beide dan ook tot 
een Roort van tweeklank geworden te zijn, duidelijk onder- 
M,heiden van de i (= NI. t)'); in onbeklemtoonde lettergrepen 
aan het einde der woorden schijnt echter ie ook wel, evenals bij ons, 

!) In Je verKogeo or. werden deie woorden met m liter natourlyl tweeletler- 
grrpig. evenals die met ie het reed« rroei^r wiren: tchter i (uit it) plaatste men 
den uitgang met e er voor, om dien duidelgk te dorn hoorrn : oH-m , dr(-€n ^iftU hH 
rroegere ééolettergrepige . maar di|)hthon(citche otiém, drien, eni. , lie F iO 169, 
lal. op Alex LXIX. ca^Tgl Hd teiem roor mm. 




24 

als t te worden uitgesproken {leli enz.), zie De Bo 451). In het 
Nnl. daarentegen is ie tot ij (gespr. et) , ie tot t (geschr. ie) gewor- 
den '). — Dit alles geldt echter slechts Toor den afschrijver van b. 
De dichter van I heeft hoogstwaarschgnlgk een in zgn tijd 
stellig onzuiver r^m als ie : ie niet gebruikt , zoodat het eenige 
voorkomende geval vermoedelgk corrupt is; voor den dichter 



1) Z\jn woorden nis poetij^ kofftjt muzijk ooit met ij ( = «») uitgesproken? 
Vanwaar dan onze tegenwoordige uitspraak met ie (d. i. ^)? Of is deze spelling ij 
alleen een overblyCsel ait den t\jd, toen men met (/ nog ^ bedoelde , welke spelling men , 
rooral in en om *i rym, behouden heeft, toen de i in deze woorden niet tot (/ 
overging, en van welke verouderde spelling de uitspraak met t; dan weder een pedante 
navolging is geweest? £n waarom hebben dan poezij enz. niet, evenals htertehappij , 
hoovaardij, enz. hun f (uit Lat. -ta, Fr. -ie) tot t; gediphthongeerd ? Vermoedeljjk zyn 
derg. bastaardwoorden achtereenvolgens uitgesproken met ie, (, y, dui evenals de 
Nederl. woorden met dezen bastaard uitgang , en heeft men in lateren tjjd, terw^l de 
laatstgenoemde woorden aldus bleven, de vreemde woorden opnieuw uit het ï'ransch 
(of Lat\jn) overgenomen, of juister gezegd, zich den vreemden oorsprong en de oor- 
spronkelijke uitspraak dier woorden (met t) herinnerd, wat men nu, evenals in het 
Fransch en in het Nederl., door ie voorstelde. Vandaar de verschillende uitspraak 
van oorspronkelijk denzelfden uitgang; poesij is dus de oude regelmatige ontwikke- 
ling, heeft vroeger op de werkeiyke uitspraak berust, en is later door dichters 
behouden, poëzie berust op nieuwe ontleeuing; rgl. NI. kopij naast kopie, Hd. 
melodei en Yerouderd poesei , femfaeei, paradeis naast de nieuwere vormen dier woorden 
met ie (zie Kluge i. v.). Waarschyniyk z^n dus ook de woorden op -iVit en -t^/ vroeger 
werkeiyk met ij uitgesproken, en later opnieuw ontleend; in het Wvl. worden zy 
nog heden duideiyk met t, niet met ie uitgesproken (De Bo 451). In woorden 
als kojij , waar de laatste lettergreep onbeklemtoond was, zal de uitspraak wel altyd 
i geweest zyn (erenals in Vla. leU, enz.) en de spelling ij naar analogie van poezij 
en dgl. zyn ingevoerd in een tyd, toen men tusachen de ^ en i in deze woorden 
weifelde, en dus met ij ook wel eens de nitspraak i(e) voorstelde. — Hoe komt het 
Vlaamsch-Brabantsch aan drij, naast Mnl. en ook Wvl. drie? (Kil. heeft drij,drije^ 
ook Vondel (V. Heiten, V.*s taal $24); of het Mnl. het kende, weet ik niet: de 
hss. hebben meestal III, zoo ook in I, byv. 1006/, 27S8/, 2805/, 2812/, waar M. 
dri heeft, maar zie 2001/: ie). Is drie tot dri en dit tot drij geworden langs pho- 
netischen weg? Of beantwoordt drij aan 6ot. ^reie, Ags. prf, Ohd. </r(*), Nhd.^m' 
voor mann. en vrouw., terwyl ons drie oorspronkeiyk eigeniyk alleen onzydig was, 
en beide later roor alle geslachten gebruikt zyn? Dan moet dri reeds oud zyn en 
ook in *t Mnl. voorkomen. 



*) Vgl. Braune, Ahd. gr. §270 c, waar roor 't latere Ohd. ook drie (masc.) 
wordt opgegeven, maar driu alleen TOor het nentr. 



25 

yan II bewijsen de twee rijmen ten hoogste toenadering in de 
aitapraak, of het zijn onzuivere rijmen, zooala hij zich er 
meer yeroorlooft. 

leX«(«)- Zie F. 78, ZfdA. 24. 359, De Bo 1201. I heeft 
Toor Ogerm. io en iu altgd i« '), II behoudt dit meestal, maar 
heeft êchijnbaar daarnaast Taak u, zoo vuer 5370, 5476, duer 
(carus) 4876 , 5481 , vluys (vlies) 5576 , suucU 4355 (:) , 5949 , 
6009 , ruken 5463 , 5466 , Rukenauwe passim , dietse X duutsc 
5/9 , 1457/1499 , 4037 , dkden X d^^en 1444/, 3184/3208 , /2974 , 
liêde X ï^^ passim , hnden 6129 , 6133 ') ; schijnbaar — want be- 
wezen worden deze u^s niet : integendeel , in het rgm komt al- 
leen ie voor, nooit u : vier 1241/1265, 3621, 6513, diere bi6l, 
bestier 5712, bedi^en 4492, liede 2189/2209, 3257/3271, /879, 
4785, 4892, 5569, 7439, 7774, stiet 7473») (alle:), heden zie 
boven blz. D. De om werker toont zich hier dus een goed Vla- 
ming, de u's zgn klaarblijkelgk van den (Hollandschen ?) af- 
schrgver. Het eenige rym, dat hiertegen zou kunnen worden 
aangevoerd, suuct:cruuc 4355 is zeker corrupt, en bewgst 
dus niets hiertegen '). Rukenauwe zou dus in Riekenauwe ver- 



1) Imhtieri 3398/ ii leker een knoeiform voor Imp^êrt (naar Uebaerf)'. beide woor- 
den f\)tt blykbanr telkent, wmt roe. en cons. betreft, verward (oortpronkeiyk xyn 
beide é^, tie glota. Etop. i v.). 

2) Zie Ojb. 106; Kil. geeft tU^t aU üoU op. 

3) De beUekenit deser regeb , tooaU te in b voorkomen , ion op xicb lelf wel te 
verklaren mn: ••lerven tondnr xiekte**. ii, naar Prof. Pranck mQ venekert, cene 
fpreekwoordelQke oitdmkking geweest voor .gebangen worden*', xie ook M . Anm., 
waar ketselfde iprtekwoord in bet Hd. wordt aangeweaen (in Hor. Belg. IX vond 
ik bet niet, en Snringar noeb Harrebomée stonden m^ ten dicnate); bet loo daten 
nieaw bew\^ i^n Tan dea omwerken neiging om spreekwoorden in te laneben (lie 
M . Einl. L en Qjb. 120. 189). Deniettemin ia de plaata stellig niet in orde: im- 
mers bet r^m is gebeel onxaiver, aoowel wat de consonant ak wat de Tocaal betreft. 
De door Mart, bis. 436 gyner oitgave. opgesomde gevallen van oonaonantiseb on- 
xttiwr r^m kannen b^na alle gemakkelyk verbeterd worden, en loo ion men ook 
bier door te le»n : tmkê : cmké een sebynbaar volkomen , altbans oonsonantiseb mi- 
ver rtjm verkr^^gen. KtL na kent 1® tmeU vetos Sax.. Sicamb., 8® tmêckê en 
S^ tmkt beide Sax., Sieamb., en 4° tmekis, tmyeku H o 1 1^ doeb de gewone 
(Brab.) vorm is voor bem blikbaar tiêckU ^ dat na ook by De Bo ea Sebaerm. alleea 
wordt opgegeven. In den VUsmsrben R II beeft men dos bei reebt, noeb 



26 

doopt moeten worden. Het is zeker zonderling, dat de laatste 
vorm noch in II, noch in een der latere bewerkingen (p, r, 
Caxton*s vertaling) ooit voorkomt , ofschoon de etymologie 
van den naam den Nedersaksischen vertaler althans nog wel 
duidelyk geweest zal zgn, maar juist hierom is het toch ook 
weer zeer verklaarbaar, dat de HoUandsche afschrgver de be- 



tumckfifi), noch ook iuktt te verwachten, maar siecfe^ welke vorm dan ook werkelyV 
5888, 5891 voorkomt en 7622 (:) bewezen wordt. Men zou dos moeten aannemen , dat , 
evenals Maerl. reeds by uitzondering in het r\)m wel eens u gebruikt, waar zjjn dia- 
lect eigenlijk ie eischt (Inl. op Alex. LXXXIV), ook de omwcrker ter wille der 
beide spreekwoorden, welke hij te pas wilde brengen, hier in het r\jm op het on- 
veranderbare eruke dezen hem eigenlek vreemden vorm zou gebezigd hebben Doch 
er is een woord, dat, ook in het Vlaamsch, een zuiver rijm geeft,en op allereenvoa- 
digste manier te herstellen is , nl. ttuHC (o. a. Van der sielen ende van den lichame 
801, zie verder Kil. en De Bo). Dit woord wordt Esop. 36. 19 — 20 juist in het- 
zelfde spreekwoord, dat hier voluit, gebruikt: So langhe ttuuct men ende .ff eed \ Den 
itoep (kruik) te vatre^ dat H hreect. Het is mogeiyk, dat de overeenkomst toe- 
vallig is, doch vooral wanneer men denkt aan de verwantschap, die er elders tus- 
schen den Esopet en Reinaert II bestaat (zie M., Kinl. XLIV, Ojb. 153 — 6,envgl. 
verder nog 4858— 503S met £s. X), dringt de gedachte zich op, dat het vaM,ttttue 
of het WW. ttukcn hier op de eene of andere wyze by het tweede spreekwoord be« 
hoort, hetzg men byv in 4355 na sterven eene punt plaatst en by tonder stuue^-ke) 
een nieuwen (trouwens gewrongen) zin laat beginnen, hetzy men eene lacune aan- 
neemt, waardoor itunc of stuken op eene verkeerde plaats en in een verkeerd ver- 
band is gekomen. Prof. Verdam , dien ik over deze plaats raadpleegde , geloofde met my 
dat niet suuet , maar sttntc de ware lezing is, doch opperde aangaande de beteeke- 
nis daarvan eene andere gissing, die m. i. leer de aandacht verdient. Hy meent, 
dat sonder stuuc («zonder stoot'*) in het Mnl. de betetkenis kan gekregen hebben van 
ons .zonder slag of stoot", d. i. zonder dat men eenige moeite behoeft te doen", #met 
het meeste gf*mak*', wat bier 6f ironisch door Nobel tegenover R. kan zyn gebruikt , 
of wellicht in de beteekenis kan zyn overgegaan van «weldra", «binnen korten tyd**; 
zoo krg^ men eene uitdrukking, geiyk men naar de lezing van p: sonder tangke 
marren, en die der Engelsche vertaling van p door Caiton (herdruk van E Arber. 
liond. 1878) : wUAomt kmge taryeng , zou verwachten (h en r baten niets). Bewezen 
is deze beteekenis van tonder stume {-ke, -ken) nog wel niet , maar zy ware geenszins onver- 
klaarbaar, en zou hier in het verband goed passen; in elk geval heeft p dus waar- 
tchyniyk iets dergeiyks gelezen en in proza vertaald. Wellicht ook is de plaats op 
andere (minder eenvoudige) wyze te verbeteren (ook sonder kukeu «zonder veel ge- 
schreeuw*" zou misschien mogeUjk zyn , vgl. Rymb. 82202) ; maar in elk geval is de 
plaats, zooals bM. haar geven, niet in orde, en allerminst een bewys van eene on- 
vlaamtche « bij den omwerker. 



27 

teekenifl nog zeer goed gevoelde, en dos steeds den Toor hem 
gewonen yorm met u in de plaats Tan den Vlaamschen met ie ') 
heeft gesteld. Het rgm bewast hier nataarlgk TOor noch tegen. 
In nauw yerband hiermede staat: 

•r:ér {ör rgraende op Ogerm. of Rom. ü yoor r, in het 
WtI. uitgesproken eur {ör), zie F. 37. 47, ZfdA. 24. 359) 
komt in I nooit voor , in II vindt men t^rhueren : verbueren 
4245, aventueren : gebneren (accidere) 6169»). OCwhoon F. 47 
deze uitspraak van ur als ör ook b^ niet- Westvlamingen vindt, 
zoo staven deze rgmen hier toch zeker, in verband met de 
overige eigenaardigheden , mede de Westvlaamsche herkomst 
van II. Men zal dus nu ook gebturen (vicini) : aventueren 
/3188, dueren : tmeren *) 4513, asuere : aventuere 5499, due^ 
ren : arentueren 7105, en dueren 7091, bueren 6019, enz., 
als eu (ö) moeten opvatten * en uitspreken , al kunnen zg 
op zich zelf niets bewjjzen , en door een niet-Westvlarolng even- 
goed als tl ; ü uitgesproken zgn. 

«X I. Dezen umlaut van ü tot > (F. 35) kent I in sommige 
gevallen , maar vooral in II komt t vaak voor : ric 3572 (:) , 
maar rugghe 1742 1743(:), 2851/2841; pu«^ 2704,2714 , /2749, 
6417 , putte Xpit 2604/2616, 2607/2619, A'nVA^piiff^ 2671/, X 
-pit 2508/26001!) (blijkbaar juist hierom veranderd) , 2636/2648, 
2663/2675, -pit nog 2580/2602, /3167, 3723 (alle 3:), dus 
ook in I, oghenpit 7139, 7348 (beide:); êtic /Il 13, ƒ2034, 



1) De Bo 9SS »gt aitdrakkel^k . dat ru(iyècm in W..V1. «niet gekend" b; Kil. 
64S noemt het ercnioo HoU. Sic., Vlaamich U rmktn dof leker nu erenmin alt 
ooit Troeger. 

2) tetymrem 5707 (x yebttêrtm) , uit Ofrm. feiiJoir, tsiUéor, hc«ft in het Mnl. seker 
ó gehad . het r^m ia doa ö : ó. 

8) Dit woord had bl^kent Mhd. irértu, Nhd. frmM^rm oonpr. tf. doa MnL i, 
Wvl O, welke laataU oiUpraak in dit woord ook in het Nnl. ia doorgedrongen 
(F t a p Ml noot). Het Nhr. legt nog: (rmrtm (Onte Volkat l 167> Volgeaa 
Klnge ia het wellicht mit het lid. orergenomen (Aga. dréoriy loa nl. d doen Ter- 
wachten). doa Mhd • Wvl.- Nnl.(?) Of kan de tm hier eenfoadig een nnlaat van O 
(nit Ogerm il) r^n. loudat men naast Mhd. trértm roor het Mnl. een infrm, trwm- 
rtm (ait Vr«r(iV«>. maff aannemen (rtl ben hls. 29, noot 8)? 



28 

4357, 6309, 6675, 7254 (in II alle:), stuc /1472, 4879, 
5126, 6601, 6933; dinne /3143(:), dun 5469. Bewezen is 
dus voor I rugghe, putte en pit, voor II ric (en rugghe'f), pit 
{putte bepaald vermeden) , stic , dinne : II is hier dus meer 
uitsluitend dan I, en de vormen met u in II zullen weder 
van den afschrgver zgn *). Blgkens De Bo 1201 is de i WvL, 
al sch^nt z^ ook elders voor te komen, en al is u in vele 
woorden daarnaast gebruikelyk (onder de hier besproken woor- 
den noemt hy alleen stic als bg uitsluiting geldende; dim^ 
put , rug komen ook in 't Wvl. naast din enz. voor). — 
Eenigszins in str^d hiermede schijnt dinken X dunken pas- 
sim; daar het echter nooit in het rgm voorkomt (ofschoon 
toch r^men op dinken niet moeilgk waren), is eene beslissing 
hier onmogeLyk'). 

Over ghehidet X ghehuut 2596/2608 (:) zie men M., Anm.; F. 39 , 
anm. 1 ; Van Heiten , Tgdschr. 5. 260. 

u : OU. Over spiritus : huus 1541/ , dominus : huus 2063/ (U heeft 
op beide plaatsen iets anders) , zie het boven , blz. 22, over i : ij 
gezegde en het daar aangehaalde ; Menelaus : Venus 5557 kan 
ü o{ ü z^n. Zgn Dutca (Douai) /2648 (:) en Coewaert (iplv. u) 
158/, 164/ een bew^s, dat u voor w in sommige gevallen nog 
als Nnl. o«, Hd. u werd uitgesproken (vgl. F. 66. 2), en de 
voorstelling van dezen klank dus niet vaststond? Fr. co(u)ard 
pleit voor deze uitspraak van den naam '). 

o : ó. De volgende tabel geeft hiervan een overzicht : 



1) Het tweemaal behouden van ruggke (eens : ) kan niet als bewys daartegen gelden. Op- 
gemerkt dient echter, dat rgmen op de yormen met u weinig talryk waren, t«rwyi 
ie en dit foor ttic en pit waren, wat Spanje en Oranje zoo lang toor elkaar ge- 
weest z^n: rolkomen zekerheid heeft men hier dus niet. 

2) Noch De Bo 1201, noch Vercooillie, Onze Volkst. 2. O, geven ^tui^M op onder 
de Toorbeelden van i Toor u, zoodat het b(jna niet- WW. zon schynen, indien 
Verc., t. a. p. 87. niet opgaf: dinken {=: denken en rf««i^). Dat het in *t rym niet roor- 
komt. is wellicht het gevolg der weinig beklemtoonde plaats, die het in den 
zin meestal heeft 

3) raeu : ealu 7498 (b; cM.: ro{e):alêo) is zeker niets anders dan een soort Tan 
«eye-rime** van den afechryTer, nadat raeu eenmaal verkeerd geschreven was. 




2P 



A. ox. >) 



I 



(Omwerking) II (Vervolg) 



ar: óar 


45 


43 


42 


&s: 6s 


54 


56 


78 


os io vreem- | óx 
de woorden:) 6x 


5 (incl. 2: zich 1 


9 (incl. 3 : sich 


2 (4033. 7701) 
10 (incl. 3: sich 
lelf) 
85 


Til : &r 


self) 

4 (1787/. 2343/. 
2659/. 2969/) 


self) 
5 


B. or. 








ör:ór 


18 


7 


26 


6r:&r 


4 


3 


— 


'órt,'dê:art,'de 


5 


6 


9 


-6rt^ -de : ^rt^ -de 


— 


; — 


— 


, dr 
OT 10 Treem- 


— 


1 (/2959:wch 


2 (3883, 4507) 


de woorden: - 
or : or 

•ïjrt^ -de : órt^ -dê 


1 (945/) 

5 (311/, 1323/. 
l629/,2047/,2793/) 
10 


self) 

, 7 

13 


21 
11 



Ëenige opmerkingen over enkele woorden met twyfelacbtige o*s mogen 
aan de uitkomsten van dit onderzoek Toorafgaan. 

De o van knopen 2027/ heb ik ali 6 beschouwd, overeenkomstig Md. 
knAufen nit ^knaupjan , al is een *knup&n niet ondenkbaar (Hd. knüpfen wyst 
op *knuppjan, zie Klage, ons hutp^p) wyst das nog niet direct op een *lrna- 
pen). ~ Evenzoo cloot /823 met 6 . zie Klage . De Bo , Schaerm.: kloot en kioi{t) 
stonden naast elkaar *) ; klote (o) by De Bo « krote is toch wel alleen ait het 
laatste woord ontstaan door verwarring met kloot. Onze nieuwe spelling 
beeft ook . hoewel aarzelend , in beide woorden scherplange oo aangeno- 
men (zie Grondbeg. der Ned. spell. § 80 b.c). — crc/n^/2021 . 6189 met 
5, vgl. Franck, ZfdA. 24. 365. Nnl. kreunen moet 6f op een stam met 
zwakken vocaaltrap ^krüni- (naast *kraun/an) berusten'), óf op ontlee- 



1) Zie de verkortiagea , kierbovea, bis. 8. gebraikl 

2) Eb ook kloet (zie M. gl. ea Anss., en Qjb. 87) ast seb\|absar zeer sfirQ- 
krade beteekcals. WuBecr ssea echter Van Dsle, Sehaem., De Bo, Kil. vergeiyki, 
siet men, dst de oortpr. bei. ook vso dit woord wel •klomp, rosd voorwerp** lal 
1^0 geweest, ea later •basta... inferiore psrte obtosa et globo muaits** (Kil.), 
wst in I werkel^k de beteekeais tehyat te xj^a. Etjmologiscb moet kei woord eebter 
vsB èlüot gceebeideo worden (xie Fraack , £tjm. Wdb. i. v.). 

S) Vgl. eeae dergelijke witeeling ia Mal. sidmem aaaii Nal. ttemmen oit ^itümi' 
(F. tap. Asat. op Alez. S07). — Kil verwijst by kremmem ea kromem ook aaar 
gromem, waar b^ Amf. f rome Tergeli|)ki. Dit Sag. to fromm (Ags. ^rétimm. 




30 

ning uit een dialect, waar ook o (uit au) »umlautet'* tot eu (zooBlsbleu 
uit hloode^ sneu , (wal slecht uitvalt , tegenvalt) uit snoode en derg.). — door , 
dore (stultus) met 6: ofschoon Verd. 2. 291 ook van een »ongerekten vorm^ 
spreekt (te recht?), en vele der door Franck, Ëtym. Wdb. i.v, duizelen ^ 
genoemde woorden »den klanktrap u'' hebben, wyst toch het allernaast 
verwante Mhd. tóre duidelgk op ö. — pote {poon) 6088, 7025, 7125 
met o , volgens onze hedendaagsche spelling, ofschoon ik daarvoor geen ande- 
ren grond weet , dan de traditie ; uit Kluge blijkt dienaangaande ook niets. — 
cote {root) 6087, in strgd met onze spelling, met ö, op grond van Franck, Ëtym. 
Wdb. i. V. — hoden 7337 met ö : Kluge neemt voor bet Hd. aarzelend ê , maar 
voor het Mnl. ü aan , en Prof. Franck verzekert my , dat de uitspraak in 
Duitsche dialecten nog op ö wyst; ten overvloede schryft Kil. hoden. — 
AelcTote 5205 met ö: het tweede deel van het woord staat zeker wel in 
verband met krot (latnm) , zie Kil., Schuerm., De Bo, (5200 heeft b • 
Aelcrotte^). — crode /1911 met ö, in de meening, dat het toch wel met 
cruden, Nnl. kruien zal samenhangen. Zeer helder is het woord en de 
regel, waarin het voorkomt, my echter nog niet. — - altoos /2958, 7208, 
7251 met ö , als zynde samengetrokken uit altöghes, 

Gewoonlgk wordt ö:6 als een door alle dichters gebruikt 
rgm beschouwd (F. 13, Inl. op Alex. LXXVIII) : het verschil 
in uitspraak zou dus óf geheel verdwenen, óf althans zoo ge- 
gering geworden zgn , dat zelfis nauwkeurige dichters als Maerlant, 
die nooit of zelden ë : ê rymen , toch in ö : ^ geenerlei bezwaar 
zagen (behalve voor m , zie t. a. p. en F. 44). Toch maken de 
hedendaagsche dialecten nog wel degelijk en duidelgk onder- 
scheid, zoo bgv. het Wvl., het Noordbrab., het Gron. (vgl. De 
Bo 755, Onze Volkst. 1. 165, 2. 11, 59, en Kil.). Het schgnt 
echter, dat de dialecten ten opzichte der twee soorten van o 
reeds vroeg het spoor zyn bgster geraakt, en de op de etymo- 
logie berustende onderscheidingen hebben vervangen door an- 
dere, bgv. naar gelang van de volgende cons. : vooral r en m 



Hd. en 'Ned. greitun) kan toch niet op de eene of andere wyic met kreunen in 
verb«ud staan? Zie orer kreunen nog Klayrer, Kil. 187. 

1) Het eertte lid zal wel aal .gier" Eyn , xie Ned. Wdb. en De Bo. en Tgl. de 
andere eren rindelyke namen Tan Rakenauwe't maagirhap , o. a. Fanthe-erote (M., 
£inl. XL). 



81 

hebben naar 'tschgnt grooien inyloed gehad, terw^I yerder de 
nog min of meer diphthongische uitspraak der oe in sommige 
streken ook wellicht mede in het spel is geweest. Ten gevolge 
Tan een en ander is de eenparigheid ten opzichte Tan de d en J 
tegenwoordig ook lang niet zoo groot als bg de ê en ê (Tgl. Taalk. 
Bgdr. 2, 289, KluyTer, Kil. 129). Maar het is ons hier niet 
te doen om de geheele geschiedenis der Terschillende o's in het 
Mnl. en in de tegenwoordige dialecten: ik wilde alleen aantoo- 
nen , dat I hier alweder nauwgezetter dichter (rgmer) blgkt dan 
wellicht een zgner Mul. kunstbroeders. 

Vooreerst rgmt o in yreemde woorden in I en in II 
Toor andere cons. dan r, op twee geTallen na, altgd op J, 
cTenals bg Maerl. althans met Rome het geyal schgnt te zgn; 
daar echter Tele dier Treemde woorden ausl. o of oi hebben , 
terwyl Nederl. woorden ausl. of TOor t (oorspronkelgk) niet 
anders dan o konden hebben , en er zich Terscheidene rgmen 
Tan Treemde woorden op elkander onder bcTinden , wil ik 
hierop niet te Teel nadruk leggen. Vreemde woorden roet or 
zgn te zeldzaam en te weifelend in hun rgmen om er eeuig 
besluit uit te trekken. 

De hoofdzaak is het rgm van ó : J in Nederlandsche woorden. 
TegenoTer 45 rgmen Tan o: ö en 54 Tan ó ló^) staan in I 
slechts 4 Tan ó:o; in de omwerking is de Terhouding Trg wel 
dezelfde gebleTen, maar in het TerTolg, slechts 900 regels 
langer dan I , Tindt men naast 42 rgmen met o : ö en 78 met 
6: (i, 35 met óió; de onzuiTere rgmen zgn dus naar Terhouding 
in II (Tenrolg) oneindig talrgker. De 4 onzuiTere rgmen in 
I zyn horen : gheloven (credere) llSlj ^poghede : ghedoghede2343l , 
loghe (mentirer) : hoghe 2659; , cdtooê : scadelooê 2969/. Gaat men 



l) By hei overwicht Atr laircre rgoen ook in II hoode mea echter in'toog, dmt 
het^ecA boven, bU. 11 nooi, by de € werd opgemerkt ook hier Fta toeptaiing iit 
loolang apocope en tjnoope nog niet ilgemaen wmren, kon O aUcen in open letter- 
grepen, diii in slepende rgmen voorkomen, terwyl é althnat mer fnnk in de prmet* 
•g der n-kl., dnf in ge»lot«n lettergrepen « en in etnnade r^aea Toorkwnm. 



32 

te ver, wanneer men bij het eerste rigm aan verwarring 'tna- 
schen ghelóven (credere) en ghelöven (promittere) ■) , bjj het 
tweede aan yerwarring tusschen doghen (pati) en doghen (yalere) , 
bg het derde aan verwarring tusschen de 6 van ind. sg. en 
de ö van ind. pi. en conj. van het praet. der u-kl. '), en bg 
het vierde aan eene tw^felachtige quantiteit (of qualiteit) zoo- 
wel van altoos (uit 'töghes) als van "loos (door den betoon 
en door invloed van het er naast bestaande loa^) denkt, en 
zoodoende deze gevallen als verklaarbare uitzonderingen op 
den regel, om alleen zuivere r^men te gebruiken, Schouwt? 
Het is mogelijk, maar zelfs al waren deze rgmen bepaald on- 
zuiver , dan blgft hun aantal te gering , en het groote ver- 
schil, aan den eenen kant met het overwegend aantal zuivere 
rijmen in I, en aan den anderen kant met het veel grooter 
aantal onzuivere in II , m. i. wederom te opmerkel^k , om 
aan toeval te kunnen worden toegeschreven. Dwaal ik hierin 
niet, dan is I, zoover ik weet, de eenige Mnl. dichter, van 
wien tot nog toe bewezen is , dat hg dit rijm althans vermgdt , 
het alleen bg uitzondering , uit nood of bg vergissing gebruikt. 
Dat hg hier niet zóó streng is, als bg de e, wijt ik aan die 
mindere vastheid en eenparigheid in de uitspraak der verschil- 
lende o's, waarvan boven sprake was. 

Ook bg een volgende r schgnt hg het onzuivere rgm te 
hebben vermeden, er is althans een verschil met II, hoewel 
minder groot, dan bg ox. Daar echter geen der 5 onzuivere 
rijmen aan eene of andere uitzondering doet denken *), en bo- 
vendien bg OT^ gevolgd door een dentale cons., beide o*s ook 



1) Vgl. b\jT. 1G16/1630, waar II ghelSoen schijnt te gebroiken ipW. ghet^ven 
▼ftn I, en vgl. ook 2610/2532 en 2617/2541 met elkaar: vaak weet men nauwe- 
lyks welke der twee woorden men voor zich heeft; zie ook Ojb. 76. 

2) Vgl. boven blz. 11 over wéét — wit en , en vooral De Bo 275 i. v. ^m^ctm, Ver- 
eoaillie. Onze Volktt. 2. 84^85. 

8) Vgl. beneden. 

4) Tenzy de o van dor{e) (stultua) toch wellicht o is: dan zonden nog 2 oviiivere 
rymen wegvallen. 




33 

in I zonder eenige beperking op elkander rgmen, wil ik dit 
Toorloopig in *t midden laten, te meer, daar r de ö^) toch 
zeker wel in quantiteit of qaaliteit gew^zigd heeft (zie F. 46 — 
57 en De Bo 755, waaruit bl^kt, dat byy. in Fransch-Vlaan« 
deren alle o's Toor r scherp z^n). 

n rgmt daarentegen in alle geyallen zonder eenige beper- 
king ö en ó: 6f hg rgmde dus onzuiver, 6f het yerschil was 
TOor hem geringer, óf er was reeds verwarring in de onder- 
scheiding der o's: geheel gelijk zullen de beide o*s ook voor 
hem wel niet geweest zyn , daar zg nog heden in West- Vlaan- 
deren onderscheiden worden (zie b^v. nog Temest § 20 en 21). 

Het eenige onderscheid , dat Maerlant tusschen ó enó maakt, 
nl. voor de m ') , vindt men evenwel niet alleen in I , maar ook 
in II gehandhaafd: onder de 39 onzuivere rgmen van II is 
geen enkel rgm öm : óm (bgv. cömen : bomen enz.) •). Of waren 
er weinig rgmwoorden op <^? 

Dat -örf, -</f ook in I op -<V<, ^de rgmt, bewgst wel, dat 
de swarabhakti- vormen met ^oor iplv. ^or^ toen reeds ge- 
bruikelgk waren , iets wat in tegenspraak schgnt met de vaste 
spelling mort, wort, porte^ enz., die juist in I, niet in II de 
gewone is. Heeft men hier met twee verschillende wgzen van 
uitspraak te doen, welke met elkander om den voorrang din- 
gen , zoodat men in het rgm zoo noodig de verlengde (ör) kon 
bezigen, ofschoon de korte (ór) buiten het rgm en in proza nog 
algemeen gebruikelgk was; of moet men uit de spelling hart 
en dgl. in I met F. 56 afleiden , dat voor r -|- dent alU o*s 
(ó en ^) gelgkelgk (gerekt of lang) uitgesproken werden, en 
men dus, juist omdat -orf vanzelf als èrt werd gesproken, de 
aanduiding dier rekking of lengte overbodig achtte en dus 
naliet «)? 

1) Of ^ eraaalfl / voor de r oBaaaKeUtt blQft? 
S) Vgl Fr, lal op AIcx. LXXVIII. 
8) W«l óm:O0m, im tinkM, bU. 86. 

4) Volgciu Prot Fruick btbbea woordea tls orlof, ordêel ems. reel lêrngtr hui il, 
bewBArd. daa wort, portê eai., teker t«ii gevolge fu des bytooa op de tweede let* 

8 




34 

oc:o. Zie F. 29, 44, Inl. op Alex. liXX vlgg., LXXVIII. 
In I is de toestand aldus: 1° slot-o«; slot-o: doe : vró 2105/ 
(Verd., Tydschr. 1. 17, wil naar b: aUoivro lezen, maar her- 
roept dit, Mnl. Wdb. 2. 227, omdat do« hier niet tegen het Mol. 
taalgebruik blykt in te druischen; vgl. behalve de daar aan- 
gehaalde plaatsen nog 2120/); 2^ oei ói: moeien (amita) : ver/i^tm 
1363/, 1665/, 1987/, 2907/, 3219/; 3« oem : öm of; 6m komt 
in I niet voor ; 4*^ oe voor andere cons. : ö of o : snoeren : voren 
2935/, voeten : grote 3049/, aoenen : comen 3419/. Men zal zeker 
niet aarzelen , den tekst van onzen nauwkeurigen dichter van de 
laatste drie onzuivere r^men, die voor een deel ook op andere 
gronden verdacht zijn (en waarvan het laatste bovendien weder 
aan het einde van I voorkomt, zie boven, blz. 22, noot 8), 
te zuiveren (zie Tydschr. 1. 26, en J.'s uitg., en vgl. Ojb. 
86). Immers, zelfs al is 2105/ niet corrupt, toch blijkt ook 
hier weder, hoe nauwgezet onze dichter is, uit het vermij- 
den van het rijm oem: öm, dat bijna alle Mnl. dichters, ook 
Maerl., gebruiken (lul. op Alex. LXII). Het hs. spelt meestal 
{o)öm voor oem^ ook buiten het rijm {{ghe)nomen 806/, 2632/, 
verdoomt : ghenoomt 999/, roomt: ghenoomt 2635/, ééns, aan 
het einde, Öm : domsdaghe 3450;), en dikwyls ömm voor öm : 
commen, willecomme^ byv. 527/, 705/, 1448/, 3277/ passim, 
daarentegen vrome ^ somichj enz. Moet men hieruit, niet alleen 
voor den afschrijver, maar ook voor den dichter afleiden, dat 
oem als Om , öm daareutegen als ömm klonk (zoodat oem op den door 
F. 44 bedoelden 2'ien of tusschentrap stond , of hadden voor den 
dichter oem en öm hunnen oorspron keiijken klank ? Gelyk (d. w. z. 
beide öm of beide omm) zyn zy voor hem zeker niet geweest: 



tergreep {órU>/ X wóórdi), i»aardoor de werking der r (anders natuarlyk gesteand door 
het accent, vgl. de rekkinj^ van oorspr. korte klinkers in o^ien, beklemtoonde let- 
tcrgr.) min of meer verhinderd werd In II staat echter reeds geregeld o&r/(7/, 0(;r</M/ 
eni., wat toch roker rekking aanduidt Waar de r geen verlcngenden invloed had , en 
de hoofdtoon op ör zoer sterk was, ontstond órdel, naast {o)órdM, Tgl. b^v. R. v. Utr.. 
gloM., en de samenstelling órdélboském in Zutfcn en elders: immen loo zal mendeie 
woorden toch wel moeten uitspreken. 



35 

een afdoend bewgs daarvan is de afwezigheid van dergelgke 
rgmen '). Streng bewezen zon de klank dmm alleen worden door 
een r^jm op een woord mei oorspronkelijk omm, maar dezezgn 
Trg scbaarsch en doen zich dus zelden in het rgm Yoor {omme , 
domme, stomme, de vreemde woorden somme, tomme, enz.). 
Afgezien van 2105/, houden wg dus voor I alleen 5 rijmen 
over van oei op <^t'), en dat nog wel bg een vreemd woord, 
waar alle Middeleeuwsche dichters zich, zooals trouwens zeer 
verklaarbaar is, vrgbeden veroorloven (Inl. op Al. LXXIX). De 
spelling moie enz., die in I (ook bg rgm van oei : oei 2867/) 
regel is, wgst ook hier op eene gewgzigde uitspraak, althans 
bg den afschrgver. 

In II zgn de onzuivere rgmen natuurlgk weder veel talrgker : 
l** slot-o^: slot^: aUo : toe /1235, vroitoe 4237, 7119,; doe 
/6069*); 20 oeiiói: moeide : vemoide /681 , moeie:v. /1383, 
1679, /2895, /3233, 6457; en; &i: bloeien : gecroien (ppp. v. 
crtnitnt » kruien'*) 5251 ; 3^ oem : öm {p€)noemen : {ge)comen /1659, 
/2159, 4299, 5209, 6349, 6595, Perdoemen : comen /2223, 
4557 , 4797 ; en ; óm : bomen : bloemen /49 , droomt : noemt ,2647 
4* oen : dn : doen : ongewoen /3395 , baroene : hoerensone /3413, 
gewoon : rerdoen 6071 ; en ; ('m : scoonre : coenre 4183 , doen : êcoon 
6667 *) ; 5** voor andere cons., oe : ö : beroepen : onghexoroken /203, 



1) iirt Nwvl. eo andere dial. hebben foor ocm en Om bi>ide «Hnai (fgl I>eBo7&6, 
Veroouillie t a. p II) Vgl. ook hel llolUndieh der 17e eeaw, lelfs in eigenaanieB , 
loo meeroulcn Anna RoaÊMurt. Dezelfde ferkorting door den invloed der m beeft 
men, alt ik my niet bedrieg, in het Ofra., waar (althans in enkele dialecten) omm : 
om geoorloofd ia 

2) Dat ik Fr. oi (in permoiém) ■■ Ói, niet a Ot stel, bemtt op F. 185, en op de 
boven geblekene waa neb ynlyk beid, dat o in Fraaaebe woorden meestal op ó rymt. 
Oonpronkeiyk kon troawess 9i in NederL woorden erenmin bestaan als aosl. 9 (daar 
&i en anal. 6 rroegar niet bestssn hadden); later is Ot, &; ontstaan, doordat inter- 
voeal. ^ tot 7 werd in dooifr, ^êhvoum enx , waar Brabanders en Vlamingen Oi wel 
de^lyk van Si onderscheiden, fie Ome Volkst. L 87. 171. 9. 7. Temett f48. 

8) êo:hm moek ho 7017 is niet, looala wy souden meeaen o:0€, tie Gl. Lap. en 
De Bo 156. die ab Wvl éo opgteft, en oit MaarL hm mo kiÈ {-.hutu) aanhaalt. De 
klank wiaselda dos in daae «it4nikkiBg, bagrypamk genoeg, af. 

4) Ofer Smkm9(€ym : é0tm ta dgL lia ben., bla. SS, noot 8. 



36 

genoecht : doocht 6143 , voeghen : soglien 5741 ; en : 6: goet : dooi 
4367, doot : verwoei 5971 *). Het aantal is groot genoegd doch 
rekent men /3395, dat stellig, en /203, dat misschien cor- 
rupt is , verder die op oen : ön , en 6143 en 5741 , welke waarschgn- 
lijk anders verklaard kunnen worden , er af ^) , dan houdt men , 
behalve de ook elders geoorloofde (ausl. voor j en m) , slechts 
enkele onzuivere rijmen over, die ontwijfelbaar zgn; altoos ge- 
noeg evenwel, om te doen zien hoe ook hier II in zgne rgm- 
kunst beneden I staat. Dat hij echter toch zooveel mogelgk 
het rgm oe : o vermijdt, blijkt bgv. uit 7123 — 6 {voeten: ghe^ 
moeten , poten : ghescoten). De spelling commen , enz. is in b 
zeldzaam (bgv. 3739) , meest coom , wellecoom. Ook om en at 
voor oem en oei is daar onbekend ; integendeel worden om en oi 
gespeld oem en oei , ten einde zoodoende voor het oog een zui- 
ver rijm te verkrijgen. Van den afschrgver zgn evenzoo bloeyt 
;908, hehloeyt /953, hloyde 4071, 6093, 7147 (c) {:te moede), 
7Si9 (c) , ghecoyt 6809 (c), vermoeyt 6845 (: te roei) , (alles iplv. 
oe) , welke door de rgmen weersproken worden (merkwaardig 
oude voorloopers van het tegenwoordige bloeien voor bloeden , 
enz.; zie verder ben. bij Cons.); over stroi (stroo) 3905(;prot), 
dus van den omwerker, zie ben. bij Declin. '). 

oa iplv. oe voor keel- en lipletters komt in I veelvuldig 
voor , ja is daar de gewone schrgfwijze ; voor m zelden {bloumen 
324/), meest o{o)j zie hierboven; voor andere cons. nog min- 
der; in II komt deze schrgfwijze zelden of nooit voor. Men 
zou juist omgekeerd bg den Oo«i vlaamschen dichter deze uit- 



1) Volgens M.'s lezing; die van b {dooi : groot) geeft wel een zuiver r^m, doch 
geen zin. 

2) cloot : groot /823, Avctoete : hete /SSl , hooft : tooft 6825 zyn zuivere r(jmen , rie 
Ojb 37 en 103. 

3) I heeft door^raans Lamfroit , daarnaast I^mfreit 647/, C99/ (beide :); Il (en 1) 
alleen Lam{Mt)freit o a '699 (:); zie Ojb 200. F 126. De afwisseling tasschen beide 
klanken bestaat reeds in de Ofra. dial., en is vandaar overgenomen; ei is dus ook 
voor ] bewezen, waar het in het r\)m om het grooter aantal rymwoorden voor bet 
gemak gebruikt werd. 



J^'- 



37 

spraak ^) niet , bg den I^f^^Tlaamscben om werker daareategen wel 
▼erwacht hebben: moet mea dos aannemen , dat beide afscbrg vers 
consequent de spelling veranderd hebben, ^uoodat men in I o€, 
in II OU mag, ja moet herstellen? 

ue (O) ipiv. oe. Zeer dikwgls vindt men in II oe als ue ge- 
speld in genuechi^ genuegen ^ vwgen^ brueder, mxiêde^ hueden ^ 
gmeien , êueU , prueven , rueken , êueken , vuelen , vuertn , meren , 
dus alle beantwoordende aan Mhd. üe , Nhd. ü , d. w. z. in 
woorden, waar nmlant althans mogelijk is; daarnaast slechts 
eukele als vluert, brueder (sing.) ^) enz. , waar dit niet het geval is. 
Voegt men hierby nu de bovengenoemde rgmen vuegfien : 
sueghen (sus) 5741 en genuecht : dtierht 6143, waar zulk een ue 
werkelijk op ti^ ') d. i. ó^ umlaut van d, rymt, dan moet men 
er wel toe komen , in die ue niet meer eene willekeurige spel- 
ling des afschryvers te zien, maar er werkelgk umlaut van oe 
in ie erkennen , en deze twee rgmen dus niet als onzuiver, maar 
al8 ö:ö op te vatten. Waarschgnlijk is deze niet-Westvl. uit- 
spraak hier door den omwerker uit nood aan een ander dialect *) 
ontleend, immers rgmen als voeghen: dxooeghen 5315 en vele 
andere dergelgke zgn toch stellig zuiver oe : oe. Men moet dus 
aannemen, dat de omwerker een enkele maal om het rgm 



1) WaArtcbynlyk niet alt Nol. o«. mmar ftlt Nnl. korte oe (Hd m): bet^Mmrwrl. 
■Ithao» •chynt Nol oe alt las^ oe (-(-naslag), daareotegeii Nol. oe foor gatt. en 
lab en Nol. om beide als korte oe uit te tprekeo ; het Katirykseb spreekt Nnl. oe 
voor gntt. en lab als om oit; het Gron eindelijk spreekt mlU Nnl. Otf*8 als ou oit 
VkI. f. SO. I>e Ho 766. 804, Vercoaillie, t. a p. 7. 11. eni. 

2) Vgl. echter in hedend dial. brenr of bnmr, leker uit het plnr. overgenomen. 
8) b heeft in alle 4 woorden we, door M. in oe:oe tn oe: oo veranderd. 

4) Zoover ik weet, komt de oml v tachtl O (em, ö) byna in alle dialecten voor 
(tlthans in byna geheel Belipé, en ook byv. in Gron). de nml. v. scherpl. ^daaren- 
tegen is in 't Wvl. onbekend, loidt in 't Oostvl., Limb. en Gron. ^. in *t Zbrab een, 
ooetel Noordbrab éé (ttisscheo eu en m); de oml t. oe eindrlyk is in 't Wvl. en 
Ooslvl onbekend, luidt in het Saks, Zbr . .Nbr, Antw m (maar niet eonstant). Limb. 
tnstrhen em en ■ (oet wordt mj), Gron (soms) m. Zie over dese klanken: Onte 
Volkst. t a. p , Klayver. KiL 133, enx. Strikt genomen kan men hier das ten 
huogstc eeae nitapraak tttsaehaa «« en ■ (d en tf) aannemen , loodat de beide rymen toch 
niet geheel inivcr aondcs t^n, maar is dit niet eer deikhnar daa Mto? 




38 

buiten zyn dialect is gegaan , wat eene eeuw na Maerlant , 
die dit ook reeds soms doet ^), niet kan verwonderen: de rer- 
menging der dialecten zal natuurlijk steeds verder gegaan zgn. 
Vermoedel^k zyn dus niet alle ue'9 van den omwerker; waar 
het niet door het rym geeischt werd, zal de omwerker bijzijn 
eigen dialect zijn gebleven. De spelling ue in die woorden in 
b en in andere latere hss. is dus uitgegaan van dialecten , waar 
de umlaut van oe werkelijk (als ü of ö) aanwezig was; in de 
latere ME. mode geworden , is zij door onkundige afschrijvers 
uit andere streken ook overgebracht in woorden , waar van 
umlaut geen sprake kon zijn. 

Het is de vraag of men dezen zelfden umlaut van oe moet 
aannemen in de boven , blz. 35 sub 4^ opgesomde rijmen oen : 
on')\ de woorden met oe rijmen daar o^^ gewone ^ sone , woorden ^ 
welke in alle dialecten den umlaut van ö in d kunnen hebben , 
of op scone^ waar althans enkele dialecten denzelfden umlaut 
kennen; vgl. hierover F. 29, Inl. op Al. LXXI. Bij de rijmen 
oe : 6 zouden dan beide rijmklanken aan andere dialecten ont- 
leend zijn. 

O. Of die umlaut van d in I en II dikwyls voorkomt, is 
voor het overige moeilyk uit te maken (vgl. F. 36, ZfdA. 24. 
25, 355 vlgg.): de spelling ue voor o komt in I zelden (bgy. 
hneghen 2106/), in II zeer dikwijls voor; in I komen 4 r^men 
ö : ö (d. w. z. twee woorden , waar ö mogelyk is) voor, tegen 9 
ö:ö (waar in een der beide umlaut onmogelyk is, en het rym 
dus ö:ö moet zijn); in II 9 d : ó tegen 37ö:örymen. Nadere 
bijzonderheden zijn twgfelachtig : ghewone komt slechts ééns in 
I ') voor 919/ ; eveuzoo gone slechts ééns in II 5603 (beide ; soné) ; 
verder scbgnt vore alleen op ^ te rgmen , sone en jode daaren- 



1) Zi« de bekende plaats Frtnc. 181. 

2) Fr. en Ltt. -o» is in I en II oen (F. 29, 125, Inl. op Al. LXXIX): par^ 
doen:tcocn 2917/, Uoem 1831/. 8400/, 3466; Simoen 4544. Salomoen 6687. 
lioeHé 3803 . baeljoen 7587 b (? c : baclt'u : «), alle ; doem{e), 

8) in li nog de bovengenoemde rymen op (om. 




39 

tegen ook op ö. Doch de r^men zgn te weinig talrijk om er veel 
uit af te leiden '). 

o X ö. bot84^p X bootscap 477 507, 481/511 , 1353/1370, 2476/; 
beide uit ^bodoêkap door oudere of jongere syncope der a ? — 
loos nom. sg. in de bet. »los** 6826 (:) (in de bet. tslim*' 
7207 (:) en zie gl.) naast lo8 1469/1511 (waar de constr. niet, 
de bet. wel duidelyk is), en evenzoo r^r/oo^t 3 sg. praes. 5310 (:) 
naast verloët ppp. 7288 (:) en 7o«tó(:); zie F. 45 anra. : loos 
vereenigde dus nog de twee l)et. >slim" en >los*\ — Voor de 
o \i\ patemooêter 1737/1757 {iclooster) yergelyke men boven, 
blz. 22 en 28 over de T en a: eene vryheid, bg een vreemd 
woord en in het ryni begrypelgk (die echter den afschryver 
van b aanstoot en aanleiding tot by voeging van te trooster gaf). 

oe X o. moeste X moste passim , omgekeerd wostine X woestijn 
503529, 2667 2669 (F. 166, 41); trop 821/859 (F. 125, De 
Bo 1187). 

o X •. morghin passim , en maerghin byv. 1093; , 1371 » 1390/ 
2728/, 2796/ X morgen o. a. 6772 (:), 6793 (:) en f?i<rr^^^ /l 391 , 
6790 (F. 35 , 47 , 50 , anm. : 'r meer VI., "r meer Br. en Holl.) ; 
alleen de o is dus bewezen , al kunnen de andere vormen wellicht 
ook van de dichters zyn : De Bo 685 kent mergen als verouderend. 

o X tt. upy^ op^ vul y^ vol passim ; wru// X wolf 1573/1600 , 
1003', 2899 2887, 3420/3422, c/u/ 493, 918', mo/ (» stof") 
6975, 7102 (beide: vol; c: vol : mul), EvenzOo heeft I voor r 
soms u: burse 1265/, dnrstt (audebat) 2402/ (dorste 758/), (um^ 
2702/ (anders altyd o). Daarentegen heeft I voor n altgd o, 11 
ook meestal o, maar soms ook uicundi 3773, kunst 4105, 
7665, kundigen /292, gunst /679, 6626, 7467 (c), 7744. tran- 
gunst /931 , ongunst /2570 , 5829, 6591 , gum 6951 , sunde /2222, 
4112. borvh in I en II, donrebussen 3745, maar meto3801(:). 
Is tocht (u): gedocht (a) 6565 een onzuiver rym? Over *t geheel 
is I hierin meer oudvlaamsch: De Bo 756 geeft de vormen met 
u voor / als Westvl. op, terwyl die met u voor n over 'tal- 

l) ervnem (rgl. bov«a bil. 80, F. t a. p. 3M . ILlajTer. Kil. 189) wordt alt^ 
mti o gTtiM-ld /8081, 6189 (Wide;^), 6104, 6696. 




40 

gemeen meer in jongere HoIL-Brab. hss. voorkomen. Bewgzende 
r^men doen zich niet voor en kunnen ook kwalgk voorkomen , 
daar van bijna alle woorden wisselvormen mogelyk schgnen. 

oa, aa, a. ou voor w wordt in I gewoonlyk au gespeld, 
hetzg uit Ogerm. üo of aw ontstaan : trauwe , rauwe , rauwen , 
blauwen , vrauwe , scauwen , alle welke woorden op elkaar rgmen. 
Ogerm. dw is aeu : claeuwen 750/, 1262/, 2891/ {:braeuioen). 
De Bo 804 en Schuerm. 442 onderscheiden de Oostvl. oii- 
spraak van ou als au van de Westvl. als oe (ttusschen de 
korte o en de langere oe''), II heeft aii alleen voor oorspr. auz 
nau 3589, 3941, 5071, 5134 (maar nouwe : trouwe {iw) 4981, 
: vrouwe 6319), Rukenauwe 7596 (c; b: iZ. (/te vrouwe) {: ghe^ 
trouwe) , 5291 ( : rauwe) ; claeuwe 3549 , 6848 , clauwe /802 , 
J1282, /2879. Voor trouwe, glietrouwe (dus oorspr. iw) staat in II 
dikwijls {ghe)tru[we) o. a. /637 , /661 , /665, /678, /1793,/2671, 
4390 , 4422 , 6261, 7252 enz., maar nooit door eenig rym bewezen ; 
de i*ijmen op oorspr. au bewijzen ook wel , dat de omwerker 
althans ook de uitspraak ou kende; zgn de u's van den af- 
schrgver ? De woorden met oorspr. uw hebben in I altgd uto , 
maar komen niet in 't rgm voor ; in II heeft men betrouwen : 
vrouwen /3415, verduwen : kuwen 3829 , bouwen : trouwen (iw) 
4253, vrouwe : knouwen 6075, duwen : gruwen 7115, dus naar 
'tschgnt ou bewezen; moeten dus 3829 en 7115 ook met ou ge- 
lezen worden? 

oaXnl, el (F. 33, 52, 76). hulde laculde in I en II 2165/, 
2511/2533, 3463/3461, 4323, Aoudö alleen in 12249/2273, 
scout , 'de alleen in II /2057 , 3855 {onsc) , 3972 , 4502 ; ghe-^ 
welt in I en II 2265/2289, 2316/, /2289, /2823, 5417, 7689 
en buiten het rijm nog 5233), ghewout slechts éénmaal in II 
behouden 605/657, 2134/, 2472/, 2875/, 3452/ (alles:). Kende 
11 dus houde en gheioout niet meer? Of is dit toeval, evenals 
dat scout in I niet voorkomt, ofschoon alle drie toch gemak- 
kelgke rijmwoorden waren ? *) 

1) Orer wilde X wouds, hiU X helt enz. zie by Goigag. 



41 



II. Consonanten. 

De h wordt in bet Vlaamscbe bs. a zeer raak Yoorgeroegd 
en weggelaten , zie Mart., Eïul. X ; in hoeverre dit van den 
dicbter afkomstig is, blgft natuurlgk onzeker; de (Hollandscbe ?) 
afscbrgver van hs. b doet bieraan byna in *t gebeel niet mede , 
slecbts een enkele maal vergist by zicb {eten 6155, hase 7bl2, 
onüieren 4388, o/erhande /1293, 4698, vgl. M.*8 aant. op de 
laatste pi.): over *t gebeel kan men zien, dat by voor de h 
een goed oor bad ^;. 

Afl«lHillaUe beeft in a meer plaats dan in b, welks ver- 
vaardiger bier over *t gebeel meer grammatisch spelt, terwyl a 
meer de pbonetiscbe vormen geeft : omberaden , ommacht , anêcoen , 
fifefêt^ oemoedelike X ontberen , enz.; maar tocb ook in b : ondoen , 
wachs {'te des) /814 , êel(/)ê /2209 , Bcheyndi {-de d%) /942 , hutêsclielic 
6125, 6132, patrysen /3156 en dergelyke, voor een deel zeer 
krasse en jonge verminkingen, waarscbynlyk alle van den af- 
scbryver. 

Eiieatliesls mi prothesis P van t in a soms: int sleets 
duvels name 1274/, tsinxen 41/, ontsochte 3342/; in b dikwyls: 
goedertierenste /2101, onUcout /1897, 3702, 3855, 4505, f^^t« 
7792, int spaeus hoff 4479^); (over Lantfreyt passim zie Ojb. 
200); 2^ van d in b : lijnde 1969, /2062>), venijnden {int) 
4873, gespelden 5328; zonderling genoeg vind ik geen enkel 
voorbeeld der d tnsscben liqoidae {stilder ^ beendevy aldermeest 
en dgl.)^); in bet rgm staat scalmeiden 3487 {-.reiden)^ 7415 



1) CU pUfttoea aU wmê {k)mi X em M*d ki S7l|290. {k)m wuttromU ytt X mit- 
tnmw€ {k)iti S699/i7n mag men wellicht afleiden, dat de «rorlage** ran been Ka. 
waa. dnt met de i vel degel^k in de war waa (de Weatvl. arehetjpai ?) , ^ de 
verbetering waarvan de ( HoUandtehe ?) afAchryrer van b een enkele maal de foat«n 
over het hoofd mg en overnam , of ook toma een plaata mtaventond en verknoeide. 

S) roêemcrmmi.'fmms (Ud. ƒ«»#) 6609 b fs.-is of s:t. 

3) Zie o a ook S. Maller Fx , Glom. op de Utr. reehtabronnei i. t. 

4) Over m«r «i iiméUm /647, mfi kmêr wUrdê 6876, die door méi «i iümm 
698/646 . iS97 ( .- mrdimtgm) worden wceraproken , lie Van Heiten , T^jdaehr. 6. 2X6— S < 
in elk geval ia dit ijrataetiaeh , niet phonetiaeh te verkUren. 



42 

( : seiden) , waar op de eerste plaats b beide cCs , op de tweede 
plaats c de d[ in se. tot t, y maakt: men zal toch wel als M. 
moeten lezen, met anorganische d in scalmeiden (of ook reien ^ 
seien met bc ?) ^). 

Parasoge: nochtan X nochtant 78/88, 353/381, 1398/1436, 
X nochtans 1061/1085 , 3002/2994 ; alleen de oorspronkelgke Torm 
komt in het rijm voor (/3153, 4571, 5231, 5737, 5855), en 
is dus van den omwerker (rgmen op de jongere vormen waren 
zeer gemakkelijk). Evenzoo {n){ement passim in II; een bewij- 
zend rym ware alleen nyement : ghiement {oi jugement volgens de 
lezing van Prof. De Vries) ^), maar zulk een blijkbaar bedorven 
plaats heeft weinig bewijskracht. Verder nergent in b passim , 
maar niet bewezen , wel de oude vorm nergen 5335 (:) ; teg^fgs 
onbewezen , tegen 4937 , 5689 (beide :). Adverb. a in corts 6608, 
7104 (c) [cort 6627), hillix^ zie gloss. (zelfs iplv. het adj. 
6663) , al des gelijcs 5629 (p nog : ghelike) ; maar nog zonder -« 
behouden 5422, oidanck 4845 (:), niet 4607 (:), enz. Geen dezer 
achtergevoegde mkl. z^n door bet rijm bewezen: waarschgnlgk 
komen dus alle op rekening van den afschrijver. 

Apocope en sjneope (van cons.) Apoc. v. 'de in Eerswijn 
6409 (:) naast Eerswinde in II (zie ben. bij Deel. der eigenn.), verder 
in provendey^ proven 2715/2727, gesyn 6002, beide onbewezen- 
d tusschen twee voc. valt in b uit in me (mede) 4554, 7472 
(c), 7710 (c), sei 7761 (c volgens Gr.), sou 6882 (c),no4225 
(: placebo), bli 7140 (c), 7414 (bc), 7433 (c), 7726 (c), (ééns 
in 't rijm /2981 , doch zoogoed als zeker door den ufschr. achter hi 
ingevoegd, zie Ojb. 86'), luy 7767 (c)*); verder eellynck /171, 
weer (Hd. wetter) /Il 25 (p nog: weder) ^ wair (utrum) /971 , 



1) I)e WW. li[d)en en {to<i)ti(d\en laat ik buiten beschouwing, daar verichiUende 
uitdrukkingen mij in betcekenib en afleiding niet duidelijk zyn. 

2; Ovrr M 's lezinj^: nUmen : »miemem t\t Ojb. 99. .Tuist dit verdachte iit>M^»/ doet 
mij ook twijfeli'n aan de door Prof. I)e Vrie-s voorgeslagen lezing. 

.*}) Zie den vollen vorm blitic byv. nog ƒ1082. 6871 (beide:). 

4) In het naschrift van b nog: tt:wiê, dra: pa, nlre : U^verMta :pa{9\\e\j\w.'4lé^. 



43 

4078, 7286, veer (yeder) *) 4015 {:gheer copio), (en misdoen 
dat. pi. fem. /1483(:), doch waarschijnlgk bedoryen, zie Ojb. 
51); na andere yoc. dan e wordt dan eene ; ingevoegd (of d 
gaat in j OTer)«): srai (scade) /2918, 6950 (c), 7446 (c), scal- 
meyen: reyen S487 , ; «ric/^ 7415 (c) (zie bov. biz. 42) , ont^/ien ; 
siden 7527 (c),; tiden (teraporibus) 7715 (c), hoeygen {<^\m\n. y , 
hode) : noyen 7337 (b ; c : hoden : node) , armoede : moeye (amita) 
/1995 (yerknoeide lezing) , gecroeyen (ppp. t. cruden) 5521 
{.'bloeyen); en verder hloeyt^ behloeyt ^ bloyde, ghevoyi ^ vermoeyt 
mot anorganische j (zie bov. blz. 36 . alle door de rjjmen weer- 
sproken); na u wordt w ingevoegd: houwen : gewouwen /459, 
houwen : trouwen 4253 (M.'s lezing bouicen is toch wel juist, zie 
Verd. 1. 1402. 3), spouwen : ouwen 5993, ouer 4382 (?). 

Van deze gevallen zjjn Eerswijn, no^ veer^ gecroten door het 
qjra bewezen; het is dus mogelgk, dat van de andere nog 
enkele van den omwerker afkomstig zyn , ofschoon het meer 
den schyn heeft, alsof het vooral eene eigenaardigheid van hs. 
c is ') , en men dus wat niet streng bewezen is , in den ouden 
normalen vorm met d kan herstellen. 

J X ë. jonnen X gonnen , 10 10, 260/272, 5808, 6951 enz., 
evenzoo gonst (gunst), gicht 5389 (in stryd met F. 110). Een 
dergelyke weifelende g (palatale sisklank of spirant of wel 
halfvoc. t ) is zeker ook de g geweest in diminutiva op -gen 
of 'jen in II: rijsgen 5251, stertgens 5900, hoeygen 7337, en 
evenzoo de g {j, t) in vreemde woorden: geeste /4, stage276llj 
seriant X 9^<'nt 984/1007, 2446 2464, botUlgier 2808/2804, 
craieren X treygiren 45 54 (F. 126). 

elit X W- oester X o/ter passim, maar ar/i<^ ook in II 1293/1313, 
6015, 6733, enz. (alle ; ^rA^^r) ; a/ter is onbewezen, en is ook 
zeker de meer (Friesch-Saksiscbe) HoUandsche vorm, zie VenL 



1) Niet •Fbder«/rwi'* (W.M ), maAr .ieU t«er liehU, geriBgt", vgl de bekende 
Mol uitdmkktBgea miêt êtm tmimi tut. 
S) Vgl. F lU. 6 ra TOdicbr. ft. UI noot. 
S) Dot ia aaden gevalle*, by de «poe der -«bQr ,j niet Teel eoMenratterer daa b ie. 



44 

1. 16. Ook efter (» hierna") /1663, /1848 is zeker niet Vlaamgch; 
in T komt alleen echt voor (zie gl.) , in II ook echUr 4921. lachter 
y^ laster y zie de bovenaangehaalde rijmen bg achter en gloss. M. 
gracht X graft 1601/1615 ( ; nacht), gheruchte X geruft 739/793 , 
/1385 (cht /884), vercoft (praet.) 4006; geen der ƒ 's is bewezen 
(gaeft : gehnaecht 6721 is geen onzuiver rijm; men \ezQi geknaeft^ 
zie Verdam, T^dschr. 1. 19, Franck, Etym. Wdb. i. f. itnoft- 
heleii), 

ruweXruge 2822/, /803, 3529, 6815, 6968 (c op de laatste 
twee plaatsen ruwe) , nooit in 't rgm (F. 90). 

vroech alleen 7567 (c) en 6931 (b: vroech doe: toe)^ dus 
stellig van den afschryver iplv. het herhaaldelgk in U r^m staande 
vroe 3844, 4318, 6931 (c : vroe : toe) (F. 116). 

Isiugrtjn X Isegrim , zie Ojb. 196 ; evenzoo peelgrijn X pelgrim 
/3016, 3635 {:8ijn): de vormen met m zgn dus zeker wel yan 
den afschrgver ^). 

terden X treden 540/564, 2877 2867, verde X vrede 166/174 
(en 140/148 volgens J.'s lezing), alle onbewezen. 



III. Conjugatie. 

ImperatleTcn als ganc 5862, vanc 1538/1575 (naast va 
1549/1585(0), elach 1538/1575, 5789 (beide:), aich /1298, 
7314, dus ook nog in II. 

e iplv. ^ komt in I alleen in den imperatief voor: nem 
1954', 2564/, (beide :), wat algemeen Mnl. is. In II zyn daar- 
entegen de vormen met verkorten stamk linker zeer gewoon, 
meestal voor <, et, zelden voor andere cons. (F. 17, 43): et 
3 sg. /294, /944(:), 2 pi. /1238(:), /3451(:), verget 3 sg. 
5930 (:), 6013, toet 3 sg. .3147, 4895 (:), inef 3 sg. 6453; 
sprect 3 sg. /I90, 4170, 2 pi. 3857, 4572, 6726, brect 3 sg. 
4357, 4927, stect 6 sg. 7730, trect 2 pi. 6632; heft 3 sg. 

1) Over hem X ^ sic beneden by Coig. 



45 

1245, 4018, west 2 pi. /1976, 6560. Het eenige Yoorbeeld 
dezer klinkeryerkortiDg in I verbtt (:) wordt echter door II in 
verbijt ende et Yeranderd 3453/3451 *). Blykens Onze Volkst. 1. 
22, 245, 2. 37 en de aldaar uit De Bo aangehaalde plaatsen is 
dit Yerschynsel in het tegenwoordige Westvlaamsch en Noord- 
brabantsch zeer gewoon. 

Van de ww. aiei er beeft II: praes. ward /1819, /1940, 
/2048, 4140, 4153, 4222, 6761; xüort 8822; praet. werp /213, 
/233, *(er/ 4491; wort (ind. 3 sg.) 3784 (:) •). 

In de ppii. der ww. Tan de 6^« kl. op -agiien en -eglieB heeft 
I uitaluitend e, Y[ e en a beide: ghedreghen 881/, 902/, 3282/, 
bedreghen 2525/2549, glieêUghen 653/705, 1728/1748, 4847, 
versUghen 427/, 901/ ); ghedraglum /2499, /2628, 3813.7616, 
hedraghen 4499, verdraghen 4057, gluilaghen 6012, beêlaghen 
4058 (alle:), en nog baiten het rgm ghesleghen /1657y gheêla- 
ghen 6251, ghedraghen 7225. Daarentegen heeft II eenige ppp. 
met «, die in I niet voorkomen : ghescepen 6249 (a 6495) , be- 
greven /2621 (:), ghegreven 5562» (waarschgnlgk bedorven le- 
zing), 5641; ghedwoghen 5149 (:). 

Tpp. met zoogen. irttckaaiUiui" in I en II: 6etranM624/, 
;986, becani 4392 , 6562 , gesant 6215; ook ghesacht 6700 *) (alle :). 

-oclit- in het praet. en ppii. der ww. bringhen^ denken^ 
tcerken en in sochie (moUis) is zoowel in I als in II veelvuldiger 
dan -orAf-: in het rym althans komt -orAt- in I alleen 1911/ 
{: nacht), in II /912, /1320, /1944, 5152, 5628, 6062 voor, 
•ocht' daarentegen in I 12, in II 13 -f- 13 maal. Waren er meer 
rymwoorden met o? Of ligt er dialectverschil aan ten grond* 
slag')? 



1) WedcroB ua bet 9mdê raa I, lic boren, bU. 82, noot 8. 
8) Orer eomwum ne bo?., bli. S4 — 6; over kg^keu, hrimgken {e) bis. 80; orer 
apoeope der •« m de ww. bli. 50 vlgg. 

5) Of gkrwUyk^m, f ie Ojb 89. 4) Volgem F. 150 Brab -HolL 

6) Kil. Boeat wekt II o II. Frit. ; I)e Bo heeft bei alt Wrl, oCKrboon imeii er 
o&«*t ftaat. Üe aCKbr. rao b feraadert o nog al ceni ia «, lie /Sié, waar, vernioe- 
drltjk Joor bcm, om die redea het r^mwoord veraadenl ia. 



ki 



46 

Die ppp. f welke oudtgds, en ook in I , sonder g he- TOorkomen, 

worden in II gewoonlijk daarvan voorzien: comeny^ghec, 87/, 
314/, 1087/, 2775/, 79/89, 160/168, /2160, /3141, 3787, 
4363, 5210, 7702, maar in II nog comen /543, /951 , /1598, 
ƒ1772, 4300, 4855, 6595, l(yih', bleven X ghebl 866/902, 
1652/1666, /6, maar hl 5506; vonden Xg^^- 2361/2387, 
maar vo, 2238/2262, 6628, 6993 (b; c: gev.)\ leden Xghel. 
3206/, 231/237, 2455/2473, 3645, 7219, maar /. /351,3502; 
worden X gfiew. 2780/2778, 3111/3103; brocht X 9^f>r. 332/, 
748/, 83/93, 651/703, 685 737, 1644/1658. Evenzoo gheten 
X gJieghelen 706/763 , 4463 , 4882 , 6330 , 6589 , maar gheten 
5837, 6424; onneert 1994/, 7337 naast gheonneert 2001/. Voorte 
in II zonder ghe- de ppp. van vreemde ww. vüiert 5326, 5642, 
lycensiert 4043. Wat hierbij van den dichter, wat van den af- 
schrijver is, zou alleen de metriek wellicht kunnen uitmaken. 

Wlsselvormen In de sterke en swakke Terroeglngt eceide 
/1469, 4477, 7634, 7749(c)'); maar sciet /880(:), 3952(:), 
4510, 6194 (:), 6611, 7652, 7749 (b): het sterke praei dos 
wel , het zwakke niet bewezen. Naast loech (ook in II o. a. 
4610 (:)) ook lachde 6109; ghepronden X gf^^prijnt 399 '427 
{prandic 1535/1572;; beswijmde 6196, ppp. beswijmt /3255. 
Beghinnen sterk in I en II : began 108/, 2236/2249, /2109, 
6395, ontgan 2079^ (alle:); begon8te{n) alleen in I, X began ^ 
begonnen 146/154, 1317/1335, X %öm/<n) 64/74, 3393/3389, 
6480, welk laatste ook in I voorkomt o. a. 1707'; het zw, 
ppp. noch in I, noch in II. Ghewesen 2909 2897 (:), 5907, X 
geweest 2929/2915, het laatete ook 4318, 7253, 7669, doch 
niet in 't rym ; ghesijn 4437 (:). 

Naast de ook in II nog zeer gewone en door het rijm bewezene 
infin. gesden , clieti en dgl., reeds een enkele maal gescieden 
7259 (o*). Van vUen komen naast do 1823/, 0689 (:) in II 
ook doodi 5800 en vloghen 4658 , 4789 , onbewezene, en volgens 



1) Volgens F. 172 Iloll.-Brib. 

2) Over de ww. fidtm en iidcu xie boT., blx. 42, noot 1. 



47 

F. 140 Tooral üoll. Yormen, en ook vlucht 3 sg. praes. 7394 
(b ; c : vliet) voor ^). 

pUgtien^ plim, Praes. ind. 3 sg. pUghet^ pleecht 1217/, 5748, 6299, 
6575, pltet 5918, 7454, 7665 (alle drie:); 3 pi. pUghen 
35/37. 654/706(0, 4938 (:). 5090, 5164, 6369 (:), 7549, 
plüm 4817(0; inf. pleghen 430 456(:), 1727/1747, 6558 (:), 
plien ƒ1416 (:), 5698(:); I heeft dus, oaar *i scbiint, alleen pUghen ') , 
Il pleghen en plien, In *t praei. pi. heeft II naast plaghen ook ploghen 
5124(:), 5150 (:), ppp. gheploghen 4331 (:). 4771 (:). 6394. 

f^en, ghevaen (en ontfaen) zijn de gewone vormen, ook iu II: 
ind. 4799, 5682 . inf. 4907 (:) , 5028 . 6706 , ppp. 5656 (:) . behaWe 
dat het zeer dikwyls uit I behouden is. Daarnaast evenwel ook 
ind. vantt /273, 3883; inf. vanghen 3429/3431 (:), /1543, 3692, 
3856, 4700; ppp. ghevanghen 683/, 2839/2831, /3035 (3043/ 
ghevaen), /250(:), 7196: de ind. en inf. vanghen schenen dus 
alleen in II (en ééns aan het einde van P) ) voor te komen , het 
ppp. ook in I. Evenzoo inf. gangliën alleen in II /1463, 3928, 
5314, 6588 (de laatste drie:), maar ppp. ghe-, ontganghen 
ook in I 3237/, /1956. 

ÜÜt') in I en II 587/ 1160/1183, 5572 (conj.) (de laatste 
twee:); hielt 3680, 6080, 6351, 7479 (onbewezen, maar waren 
er veel ryrawoorden?) en helt /2688 , 4053 (conj.), 4096,4107 
(alle vier:), beide alleen in II. Vul in I en II : ind. 4063, 3781 
(plur.), 7742, conj. 5820 (:), 6147, vel (alleen sing.) 3543, 
3577, 6407, 6613, 7027 (alle:). Fine in I uiteluitend, in II 
1825 1849 (:), /2019(:). 5679. 7751 (c), meesUl echter venc 
,813, /1544, ;2057 (mv.) /2280, 3869, 4690 (mv.) 4783, (rav.) 
5204. 5536, 6107 (mv.; brenghen), 6438, 7421 (het eenige rym 
bewyst niets, vgl. bov. blz. 20 , noot 3); hinc meest behouden, 
maar hene /192 (conj.), /2965 (conj.), /2978, /3301;^^cheb 



1) Over ^M^rroieyUm xie bor.. bil. 36 en 43. 

i) Dat pi0ykti nitt door bet r^m beweiea wordt, tt torb wel bloot toerml. 

8) Zie borea, bli. 46, noot 1. 

4) De compot. éêmr ww. er oader beigrepen. 



48 

ik nooit outinoet: vermoedelijk zyu al deze «'s Toor n Tan 
dea afschrijver, vgl. nog 5507, 6337, 6704, en dgl., waar 
deze praet. op Cs r^ymen^ die byna nooit of nergens in e yer« 
anderen. 

staen. 3 sg. ind. steet komt in I en II voor 2663/2673, 5494, 
5915 (alle:); stoet en stont zgu in I en II gelgkelyk geldig , 
in beide door talrgke rgmen bewezen. 

raken, rochte^ gherocht in I en II 747/ (:) , 752/, /2973(:), 
3537 (:), naast de regelmatig zwakke vormen 2405/, 1240/1264 (:), 
2437/, 6528 (:). 

Praetcr.-praes. weten. 3 sg. praet. woste /3324 ( : gosté)^ beide 
zeer twyfelachtig. 

connen. Praes.-vormen met enkele n alleen in I: ghi coont 
3307'; voorts in II du con8t{e) 4049, 5674, 6412, 7165, 
alle onbewezen. In het praet. heeft I bijna uitsluitend conste 

0. a. 3312/ (:), ofschoon ook cond£ een enkele maal voorkomt 
201/; II daarentegen heeft meestal conde /2397, /3475, 3890, 
5386, 5764, 5788, 6281 (alle:), conste wordt meestal in 
conde veranderd, maar toch behouden 342/370, 462/489, en 
gebezigd 6159, 7018; eens ghi cost 6934 (c). — (j)onnên 
(X gonnen , zie bov. blz. 43). Praes, 3 sg. in II vergan 5737 (:), 
maar gun(8) /1461 , 6951 (conj.) ; praet. in I jonste 3311/, in 
II meest gonde 4296 (:) , goste /3323 (zie hierboven), 5808 
Vgl. beghinnen, bov. blz. 46. 

dorren. I alleen dar 1352/, 2005/, 2930/, 2955/, II ook der 4173; 
in II ook reeds de verwarring met dorven : derf iplv. dar /2941 , 
4529 , dorren iplv. dorven 5777 (zie Verd. 2. 361 , 363). 

sullen. 1 uitsluitend sal , II sal 1412^456,2155/2177,3708, 
4900 enz., en sel /1376, '3146, /3450 (alle:); verder seUt(e) 
4873, 5535; het mv. sellen komt alleen buiten het rgm voor: 

1. 3. ps. /3053, 3881, 7193, 2. ps. /716 , /1025, /1201, /1707 ; 
selen, sulen of solen (F. 15 , blz. 15) noch in I, noch in IL 

moghen. Prjies. 2 pi. mocht 1112/; /714, 4035. 
moeten, moeste X mo8t(e) passim , maar zonder bewyzend rym 
voor het laatste. 



49 

wilUn, Praes. 1. 3. sg. unUeY^wü passim, maar het laatste 
onbewezen, 3. xoütX^ 3062/3054, 3462/3460 (of = wille het? 
rie F. 170). Praet. wüdeX wonde 132/140, 610/662, 1270/1292, 
1487/1529, enz.; baiten het rym scbgnt I meer wilde ^ II meer 
woude te hebben , hoewel volstrekt niet uitsluitend ; in het rym 
komt wonde in I en II meer voor dan wilde ^ wat echter niets 
bewgst, daar het yeel gemakkelyker rgmde {wilde in het rgm 
slechts 1159/1183, 2185/2205, 5571). 

doen. Praet in I nog geheel regelmatig; in II naast de regel- 
matige , door *t rgm bewezen Yormen ook reeds 3 pi. ind. deden 
/829(:), /24, /806, /1742, /1890, 3 sg. conj. dede /2092, /2561, 
3707, 5011 (alle rier:), ni30, /1998, /2213, /3209. 

Btjn, I altgd bem ; II zeer dikwgls ben , hin , maar in het rgm 
alleen bem bgv. 1774/1794, 2780/2778,3118/3110, 4338, 4444, 
5580, 5955, 7603, 7639 (alle : hem) \ ben en bin zgn das 5f yan 
den afschrgyer, óf de toonlooze yormen, die in *trgm niet ge- 
bruikt konden worden ; beet X bist gewoonlgk , maar I kende ook 
biet 2623/2637 (:); eêY^is gewoonlgk:» komt in I, althans in 
het rgm, niet voor, II kent beide yormen es 1217/1239, 2951/2937, 
3718, 6663, 6781, i$ 6841 (alle:)>). Praet. ind. weren /2484, 
/2922, conj. were{n) /3185, 6656 (alle yier:), blgkbaar een on- 
ylaamsche yorm iply. het gewone waren , uit rgmnood gebruikt. 
Oyer het ppp. zie boy. blz. 46. 

F ew— mi tg— ge«. 2 sg. op 'ête in II (yooral in het laat- 
ste gedeelte) P. in het praes. : MbHe (du nog postpositum, niet her- 
haald) /949, 7316 ; du verlieste 7308, du segste 7313 (c ; b : êeffeet)^ 
du hebete 7166, 7297, 7310, 7313, 7327, du en canste 5674, 
7165, du êeUte 4873, 5535, du biste /942; 2». in het praet: 
wuiêie 7302 (c; b: êoutstu) {du hier nog postpositum, niet her- 
haald); du paefête 7290 (conj.), 7318 (b;c:^ar€«), du quaemHe 
6423, du êoeutê 6420, du eeiisU 6423, du êoudste 4891, 7306. 

2 ag. praes. op -e#.: du doets 5859. 

2 pi. praet der iw. ww. op -«: ffi gruete 6058, gi hoorde 6128, 



1) éiê9:iê /S40S kaa ak dmtu dak éiêtU (F. SS4) giliia mwèuL 



50 

gi laefde 6720, gi sende: (gt) verblende A12S : Aj gi tnisdet/lde {212^ 
gi spotte 6724, en oo)l mei giherh9a\A:andwoord£g%l22&^lachde 
gi 6109, seynde gi 4694. Ook hs. a sch^nt dit ééns te hebben : 
iDÜde ghi 1778/. 

Vormen met -en iplv. -e: scoorden ende braken 1 sg. oonj. 
/2372, toenden 3 sg. ind. , hadden S sg. ind. /246S. 

Geen enkele van al deze vormen wordt door het r^m be- 
wezen, wat bij sommige althans toch zeer wel mogeijk was; 
vermoedelyk zgn zij dus alle van den afschrjver. 

Sjncope der -e in de vervoeging wordt in II nataurlgk 
veel meer aangetroffen dan in I; wanneer en waar dit voor 
't eerst werd toegelaten, zal men wel alleen kunnen leeren uit 
de oorkonden; zooveel is zeker, dat I zelden syncopeert, en dat 
aan den anderen kant in II vormen als duncket /Il 20, /1685, 
/1992, 3913, nakede /790, danckede 6001, hehaghede 6045, du- 
wede 3531, 3982, vooral in c (zie 6895, 6984, 7139, 7338, 
7357) nog niet ongewoon zjn. 

De syncope der tweede -e- in het praet. der zw, ww. komt 
in I en II hoogst zelden voor: vo^A^^ 210/, voerese 2848/, horet 
3363/, ghetrauioet 3387/; aset 212/216 {:oplaset^). 

Apocope der -e in de vervoeging. Nu w^ hier voor het 
eerst van de apocope der slot-« gewagen, zijn eenige opmer- 
kingen van algemeenen aard wellicht niet misplaatst. De vraag , 
boe ver deze apocope ten t^de van R. II was doorgedrongen 
is voorzeker een der gewichtigste punten van dit onderzoek: 
immers juist in dezen tyd, in de laatste helft der 14^ eeaw^ 
dringen uit de spreektaal, die uit haren aard veel » radicaler'' 
is, d. w. z. de volle, oude vormen prysgeeft, te gelyk met vele 
nieuwe woorden ook allerlei afgesletene, afgekapte, verminkte 
vormen , die in het oudere Mnl. ongeoorloofd en ongehoord zgn » 
in de meer conservatieve, steeds langzaam volgende schryftaal 
binnen. De vraag is nu: wanneer en waar is dit begonnen? 
Men dient hierby dus niet alleen op den tyd, maar ook op de 



1) Volgens BeeU' emendatie , TydKhr. 2. 206. 




51 

plaats, op den tongval te letten: het zuivere WeHtylaamsch 
van onzen tgd bgr. staat in dit opzicht op een pant yan ont- 
wikkeling, dat het UoUandsch der l?*' eeaw reeds lang achter 
zich had: het bewaart nog heden ten dage Maerlant's taal bgna 
ongerept. Eb behaWe yerschil van tyd en plaats heeft er zeker 
ook tusschen de yerschillende schrgyers, ook wanneer zg tgd- 
en gOQWgenooten waren , onderscheid bestaan : de een zal zich 
meer yan de ooderwetsche schrgf- of boekentaal hebben bediend , 
de ander zal zich, wanneer 5f zgn persoon, 5f zijn onderwerp, 
óf de stgl yan zgu werk het medebrachten, nauwer aan de 
leyende volkstaal hebben aangesloten ; de een zal zich binnen 
de grenzen yan zgn dialect hebben gehouden, de ander yaak 
daarbuiten gegaan zgn '). Men zal dus ieder schrgyer of ieder 
werk op zich zelf moeten onderzoeken , yoordat men tot eenige 
zekere, algemeene uitkomst kan geraken. 

Dit onderzoek nu wordt zeer bemoeilgkt door de dolle, door 
dik en dun gaande afkappingswoede der afGtchrgyers: de rgmen 
zgn dus de eenige toetasteen. En ook die nog niet eens geheel 
zuiyer : wat in het r\jm , op de meest beklemtoonde plaats yan 
het yers niet yrgstond kan in het yers nog wel recht yan be- 
staan hebben; en omgekeerd kan een dichter uit »rgmnood'* 
zich wel eens een enkele maal in het rgm zekere yrgheid (in 
dit geyal het overnemen uit de spreektaal) veroorloofd hebben, 
zonder dat dit nog voor hem de normale vorm was; voorts 
heeft er in een tgd van overgang natuurlgk lang weifeling ge- 
heerscht en schreef dezelfde dichter waarschgnlgk nu eens een 
vorm met -e , dan weer een zonder -e , terwgl de spreektaal reeds 
alleen den geapocopeerden vorm kende '); en eindelgk zgn er te 
allen tgde zekere staande uitdrukkingen , die aan de werking der 
klankwetten weerstand bieden , en als versteende overblgfiMlen uit 



1) Mm iUlk ia tmm Maw m?. Vu dtr Pala en MnltAtoli mmI «llauiaer. Wat 
hkr tans»aiMU> de apoeopa gtiagd ia, geldt BatvvrlOk ia het algamaaa efeaiMr Urn 
opiiehte raa rooalaa. ieetieTonBca , woordenktoa, eaa. 

1) VgL OM MM. 0m\ mf€m. «yM «a dgl 




52 

een ouder t^dperk in veel jongeren tgd bigben bestaan ^). Genoeg 
om te doen zien , dat big zulk een onderzoek de uiterste omzieh- 
tigheid vereischt wordt. Zooals op de meeste punten yan dien aard , 
heeft ook hierop Dr. Franck het eerst de aandacht geyestigdy 
en tevens den weg gewezen , door z^n onderzoek van den Seghe- 
Ign (AfdA. 5. 79) en yan Maerlant (Inl. op Alex. LXXXII en 
ZfdA. 26. 332). Daaruit is gebleken , dat niet alleen de West- 
ylaming Maerlant in de 13e eeuw, maar ook Loy Latewaeri 
(wiens herkomst, yoor zooyer ik weet, nog niet bekend is) oit 
de eerste helft der 14® eeuw nog slechts by uitzondering apocope 
toelaat. Men kan dus a priori verwachten, dat zich in R. I 
geene apocope (behoudens enkele algemeen-Mnl. gevallen van 
ouderen datum), in II een begin van apocope zal vertoonen. 
En zoo is het er ook inderdaad mede gesteld. Het hs. van I, 
hoewel veel jonger dan het gedicht, heeft de oude vormen oyer 
het geheel zeer zuiver bewaard en van apocope is daar dus g^n 
sprake , laat staan van een bewgzend rgm '). 

Anders is het daarentegen in II gesteld. Hoewel de tgdsmimte 
tusschen de vervaardiging van gedicht en handschrift hier yeel 
kleiner schgnt (wellicht niet meer dan eene halve eeuw?), vindt 
men in b toch geenszins eene ook maar b^ benadering getronwe 
afspiegeling van het Westvlaamsch van c. 1375: juist op dit 
punt heeft de (Hollandsche?) afschrijver zich zeer talrgke en 
groote vr^heden veroorloofd; niet alleen buiten , maar ook m 
het rgm, heeft h^ gekapt en gesnoeid, zooveel hg kon, zeker 
zelfs meer dan in zgn eigen tgd en plaats gebruikelgk was, 
en daardoor soms (schynbaar) vormen in 't leven geroepen, 
welke zelfs nu nog, en zeker toen nog veel eer, onmogelgk 
waren (condj scaed, bood^ aeff en dergelgke monstra!); kortom 
b vertoont een afschuwelgk mengsel van oudere, jongere en 



1) Vgl. onze dttieven op -e: in den bloedtt enz. 

2) Gevallen alt uxunte 1125/, waer ie 1129/, waer toe 1148/, gaefte 1U9/, gr^ei 
« 17711. waar inclinatie of elitie plaats heeft, reken ik niet mede; M. drakt dgl. 
woorden somf aan elkander, tomi niet, maar in elk geval bewyien ly geen eig«i- 
lyke apocope. 




53 

onbestaanbare Tonnen '). Evenwel zal ons uit de rgmen blaken , 
dat ook de omwerker zelf, lerende in eenen tgd yanorergang, 
zich zelyen niet gelgk bleef, en na eens de oude, yolle, dan 
weer de jonge, geapocopeerde Tormen bezigde. Dat bet voorden 
toekomstigen critischen uitgever van R. Il eene moeilgke vraag 
zal z^jn, hoever hg in het herstellen der oudere vormen mag 
gaan , en wat hg op elke plaats moet schrgven , behoeft geen 
betoog'); wg hebben ons hier echter voorloopig alleen bezig 
te houden met die gevallen van apocope, welke door het rgm 
bewezen worden. Wg komen dus hier allereerst tot de apocope 
in de conjngatievormen '). 

1 af. iwné. praos. waen /3139 (: doet verêtaen)j 6440 {:van 
daen) ^ gheer 4016 (; niet een veer)^ hoor 6149 (: door), êpaer 
7095 (: hierentaer); de rgmwoorden kunnen alle ook met -« 
gelezen worden, al staan ze gewoonlgk geapocopeerd (ooküetv, 
nog bg Kil., uit vedere); 13139 zou men dan moeten lezen: 
wane:doet te verêtane (vgl. bgv. 1609/1623), wat echter met een 
znw. als object wellicht minder gewoon was. Dus één min of 
meer zeker geval van apocope , welke trouwens bg zulk een 
te waen, als verzekeringsformule in een tusschenzin gebruikt, 
wel het eerst zal zgn voorgekomen; daarom zal men 6440 
misschien ook ie toaen moeten lezen. Dat dit evenwel nog niet 
bewgst, dat apocope in alle gevallen geoorloofd was, spreekt 
vanzelf. 

1 , S ag. e«aj. praoa. verhoet (3) 3899 ( : onder die voet)^ 
eene zeer onfeekere plaats , door M. tegen het rgm naar p ver- 



1) Ib elk geral bl^kt kienut wel, dat kei WettTlaameck toe» reeds ooBeerrttitrer 
wie dAB kei dieleel des BÜKkr^rets, fermoedelOk ket HoUandsek; ketieUde oider- 
sekeid des, dat BOf kedea wtXi wsar te aeoMa. 

%t Ib M.'t oiigBfB keenekt ie desea opsiekte ook gesBe groote ooBeeqBeaÜe : bb eeas 
krrsUlt k^ de oide f onBea , dBB weder Uet k(| seer joB<e TonneB tab ks. b sUbb , 
loodst s^Bc sHfSTe. koewel ib veel miBdert BMte dsB ks. b. toek ook eea womAwr- 
ÜBf BMBKsel TSB oodtre es joBgere ToimcB oplevert. 

3'i Zie verder kesedea ky DeeliBstie cb by Apocope der bywoordcB eas. Ik nd 
kierby over kei slueaesa sUaeB de ia ket rym stBisde, das werkel^k of sek^akaar 
beweiCB gevallaa aaakstoa , de overiga kepaaldtl^k als aoodaaig laawfsea. 




54 

anderd, vgl. Ojb. 96; volgens m^ne lezing is er geen conj. 
bedoeld, in elk geval heefb zg geen genoegzame bewgskracht. 
Meer bewast eer ie laet 4533 {.-stoet ace), dat, hetzg iad. of 
conj., in allen gevalle ontwijfelbare apocope (wederom in een 
liulpww.) is. 

1 , 3 9g. conj. praet. Tan «t. ww. liet (1) /1439 (: in verdriet)^ 
liep (l):ri£p (1) 4401, en dgl. bewgzen niets; evenmin ghevid 
(3) 7186 {: siel ace.) (maar waarsch^nlyk is het ind., en be¥rg8t 
dan apoc. v. sieT)^)] waer (esset) /2819 , /2999 , 4362(;t>an, in 
vaer)j /2225 {:naer)j 4314 {: openbaer adv.), 4831 {:niemaer 
ace. sg.); 5370 (: daer adv.), 5555 ( ; daemaer)^ 6656 {seer: weer)^ 
dus rijmende op woorden, die meestal wel geapocopeerd kunnen 
worden, maar toch ook nog zeer vaak met -e voorkomen. Het 
eenige ontwyfelbare geval schiynt waer (esset) 5549 ( ; ie aeg di 
waer) ; wel zou men hier gemakkelijk ware: twaren kunnen lezen , 
doch ghi aecfit waer is een te gewone uitdrukking (zie gl.), om 
het zonder geldige reden hier te betw^felen. Gewoon was de 
apocope ook hier stellig niet, blijkens rymen als 5572, 5573, 
6003: 4,6639: 40, 7713:4 enz. waar de volle vorm, soms 
zonder eenige noodzaak (bij op elkander rymen van twee conj. 
praet.) ook in het zoo sterk moderniseerende hs. b z^n blgyen 
staan. 

Terbogen Infln. na te. Vgl. Franck, AfdA. 5. 82 en ZfdA. 26. 
344. Apocope is hier schijnbaar bijna regel , maar z^ is lang niet 
alt^d bewezen. Vooreerst zijn er zeer vele gevallen , waar beide 
rijmwoorden zonder eenig bezwaar met eene -« verrekt kunnen , 
en dus ook meestal wel moeten worden , zooals te slaen /784 
(; vaen ace. sg.), te doen /1348 (; baroen ace. pi.), 5608, 5775, 
passim ( : coen , een zeer gewoon rijm), zie verder nog /867y 
/1623, /1673: 4, /2031: 2, /2203, /3340, 4231 , 4267: 8, 5364, 
6072, 6404, 6667, 6774, 7776, 7787: 8, enz. enz., op alle 
welke plaatsen de volle, ongeapocopeerde vorm althans mogelijk 
is. Het hs. (b) heeft deze wel zeer zelden behouden (byv. 3804), 

.1) Ovor klMf (8) 7870 i:g^eefi) xie Ojb. 104. 



• •• 

• • • 

• • • 



• • 




55 

maar deze zeldzaamheid bewgst op zich zeWe natuarlgk niets. 
Eeoe tweede reeks van geyallen , waar de apocope ten minste 
twyfelachtig is, yormen die plaatsen, waar de infin. afhangt 
▼an wanen , beghinnen , pleghen en dgl. ww., welke in den ouderen 
tyd door den blooten inf. gevolgd werden , terwgl later de eer- 
bogen inf. met U daarnaast en daarroor in de plaats kwam 
(▼gl. tegenwoordig durven met ie iplv. met den enkelen inf.). 
Zulk een infin. met ie komt yoor (in het rgm) : na wanen /7b6 , 
/1770, 3518, 3519, 6350, 6363, 6957 (c), 7029, 7043(c), 
7299 (c); na beghinnen /745, /810, /1728, /1769, /2158,/2260, 
/2892, 3882, 5778, 6473, 6480, 7116; na pleghen Aibl , 
4939, 5899, 6156. Op byna al deze plaatsen kan men zonder 
bezwaar den blooten inf. herstellen: of men evenwel het recht 
hiertoe heeft, is niet zeker; immers ook de constr. met ie 
schynt reeds yrg oud: zoo Tindt men in I (waar de blooteinf. 
regel is), reeds ie: na beghinnen 148/, 1693/, 11071 {:)^nA pleghen 
521/(:), 536/, 2760/, (na wanen , naar het schgnt, nog niet), 
en zoo Tind ik by Maerl. bgy. na pleghen den blooten inf. 
Heim. 934 {:). 998, Franc. 10132, Mart. 1.905 (:),Sp. 1» 13.32, 
Rijmb. 4779 var. , 21244 ; doch U -e Rgmb. 610 (:), 1879 , 4779 , 
4853 (:), zie verder gl. Rgmb. i. v., dus beide meermalen door het 
r^m gesteund. Ook zyn er in II een paar plaatsen, waar men 
den blooten inf. niet kan herstellen, zonder in het rgmwoord 
eene ten minste even onwaarschijnlijke apocope aan te nemen, 
zoo na pleghen /1727 (uit I), na beghinnen 6480. Het is dus 
twyfelachtig, of men niet op vele plaatsen de nieuwere constr. 
met ie van het hs. moet laten staan. Aangezien echter de inf. 
zonder ie, althans na wanen en beghinnen^ in het hs. nog her^ 
haaUMijk voorkomt, en men alleen op de beide bovengenoemde 
plaatsen gedwongen wordt de nieuwe constr. te erkennen, 
geloof ik te mogen vaststellen , dat tgdens II de nieuwe constr. 
na plegen en beghinnen (na wanen schgnt zg later te zgn in- 
geslopen ') allengs de oudere begon te verdringen , maar nog 

1) De t^ Tta het opiredta dettr ooofir. nl wedar aUmo ait dt oorkoadta ksi* 
■ea bepMld word«i: de r^BMa bfttca kier weiaig, éux dew bndc kvcrtiee (tpo- 



56 

geenszins geheel verdrongen had (evenals nu b^ durven), soodat 
men, waar het rgmwoord het niet verbiedt, genist te kan sehrap- 
pen. Maar al mocht men door de nieuwe constr. slechts als 
by uitzondering toe te laten te ver gaan, zoo dwingen deae 
plaatsen in allen gevalle niet tot het aannemen der apocope 
na te: men kan öf den blooten inf. öf, waar het rgmwoord 
het eischt , te -e lezen ^). Na deze beperkingen moeten wg 
echter toegeven, dat er verscheidene plaatsen zgn, waar eene 
aanvulling met -e om het rijmwoord onmogelgk is. Zoo komen 
geapocopeerde infin., voorafgegaan door te voor: P na een 
znw. /2874, 6479 (?), 7301, 7412; 2o na een bnw, 3829, 
4918, 6907 (volgens M's lezing; b heeft ace. na m), 7566; 
3^ in finale zinnen zonder om na een ww. /553, /2069, 4127 
(pM. ; b anders), 4554; 4^ in finale zinnen met om na een 
bnw. of een ww. /2512, /2847, 5114, 5609, 7449;. 5"" naeen 
voorzetsel , gevolgd door te 6030 ; 6® na verschillende ww. (hem) 
pinen 6828, 6942, 7467, 7688, gher eden \lll 6, dwinghen ï>lQl, 
ontbieden 3739, toisen 6346, heten 6940, sweren 7191 , weten 
4708 ^) , 5906 , 6938 , schinen 4386 , aijn /2684 , 4328. Het is 
mogelijk , dat in enkele dezer gevallen ook de bloote inf. zonder 
te gebruikelyk was , bjjv. na bnw. met om (nog in de 17* eeuw) •), 
na scfiinen, weten y heten {?)j enz., ook dat twee naast elk* 
ander staande, of van elkander afhangende infin. verschillend 



oop« der -€ en geldigheid fan te -e iplv. enkelen inf.) wederkeerig ftn elkaader af- 
haogen, en men dui in een cercle vicieax komt. 

1) De gevtllvn wtar de infln. na andere Toon. dan to ttaat (/2423, S698, 8880» 
S945. 626S {tü invoegBel van WM), 6937, 7007, 7I0S (of inw.P), 7778) blQTCB 
hier natauriyk buiten beschouwing: daar kan 6f een ace., 6f een dat, die erenali 
andere dat. (ook by Maerl. reed») apocoi>e toflirt, bedoeld zjjn: de «taaiheid** der 
-g grldt, zooalt bekend in, allrrn voor drn iiiiin. na /'tf, en diu wordt door deieplaataen 
niet weertproken. — De oor/aak van dit beklijven juist ua fo is blykbaar hierin 
gelegen, dat t$ langer dan cruige andere praep. (imniem tot heden toe) nitalaiteod 
den dat. geregeerd heeft, eu men dus onbewust na tv een anderen vorm dan diMi 
▼an den nom.*acc., een duidelyk datief-teeken verlangde. 

2) Volgens V.*s afsehrift; M. heeft geen /#. 

3) Vgl. Van Heiten, Vondei's taai S IM— 196. 



57 

behandeld werden ') , doch bezwaarlijk zal men cJle geyallen 
kannen yerw^deren *). 

Als resultaat meen ik das te kannen yaststellen : dat de on- 
geapocopeerde vorm met ^e na te in II ') nog in gebraik was , dat 
na wanen , beghinnen , enz. meestal nog de onyerbogen inf. zonder 
t€ werd gebruikt , maar dat na andere yoorzetsels , en ook soms 
na te apocope toch ook reeds werd toegelaten. 

Drong de apocope bier, waar de -« zoo bgzonder lang constant 
is gebleyen, reeds ait de spreektaal in de schrgftaal binnen , dan 
beeft men bet recht , in II die apocope ook in andere geyallen te 
yerwachten. Voomamelgk komt hier in aanmerking de -« in 
de yerbuiging. 



IV. Declinatie. 

A. SUBSTAJmVA. 

•terke ■laacvliMi {behalve ja-êtammen), IVom. ag. Anor- 
gan. e in pry{h)ore 945/ ( ; ore % en toch ook zeker wel in 
proviêore 4507 (: te vore{n)] b: oor: oor); oyer deze oyer- 
tollige e in bastaardwoorden zie Fr. t. a. p. 80. 

Ace. ag. enen mure 335/, 343/ , 1162/') sch^nbaar mann.. 



1) V5I oftr ieto dgl. Fr. t. a. p. 83. V. Heitra t a. p. ( 197. Verdi 
Tekfterit. 81. en hier '658, /8884, 4127 (in oBgekeerde orde 8618--9?), wsar 
100 telt deakbear ware. 

8) Aan een TeneliU toMehen één- eo naerlettergrepige ww. (dat nl. de laaUt- 
Seaoeade, waar de -« sa eene lettergreep mei tooalooae # kwmm i» iAum {i€ kamUmé , 
t€ 9frfrwckm»e\ eer apocope toeliet daa /# j^mmê, tt dotmê, eni.) valt niet te denken: 
o»der de boven opgeeomde lyn er Tcrtebeidene Tan de laatete eoort. 

8) in I is, (ne boren, bis. 58. en ald. noot 8) Tan apocope der werkwoorda- 
▼ormeo geen iprake: ten boogite rindt men een enkele maal im bet Ten een form 
ala im U womm 8177/ moet men daar lesen: m /# woommf 

4) Zie a»ib. 40. 

I) AUe aanbnliafw ia dit lioofiilnk ilnan wadar in 'trQm. iadimi Wl omgekeeide 
■iet «itdrakkalfk Ytrmald ia. 



■u^ 



58 

maar elders in I is het woord steeds ytodw., zooals M. ook te 
recht hier hersteld heeft: muur m. en mure yr. stonden in het 
Mnl. naast elkander, vgl. Kluge, i. v. — cloet 786/ en daete 792/ : 
het tweede zal wel dat. zgn , zie over om c. dat. Franck, Alex. 
5. 146 noot en Aant., blz. 456 (ook claet: onder voet ware 
trouwens mogelyk, zie beneden, blz. 61.') 

Dat. «g. Voor I zyn de volle vormen met -« r^^el; maar 
ook voor II zijn deze nog zeer gewoon, of nog in het ha. be- 
waard, of althans waarschijnlyk gemaakt, doordat blikbaar 
beide rijmwoorden geapocopeerd z^n; de regelmatigheid Tan 
dergelijke rijm verbindingen, waar beide woorden met -e aan- 
gevuld kunnen worden, pleit eer vóór, dan tegen apocope. 
Vooral bg bepaalde zegsw]yzen als bi daglie (bgv. 2369/23939 
2791/2767, 5409) en dgl. geeft hs. b steeds den volleu yorm; 
verder byv. verrade 6262 enz., ook buiten het rgm. 

Doch daarnaast staan ook geapocopeerde vormen. In I over 
het geheel zelden, raven 17/, matter dagheraet 1098/, in — moni 
1554/, te — oom 2129', in — ban 2722/, waarvan trouwens die 
na in niet eens als dat. behoeven te worden opgevat *). 

In II kunnen van de talrijke sch^nbaar geapocopeerde datieven 
vooreerst in vele gevallen beide rijmwoorden met ^e aangevuld 
worden ; zoo : van — steefi ,850 ( : alleen), /1608 (: ghemeen)^ knecht 
/2932 (: mit recht), uut — mont: hont (beide dat.) 3567, roet 
4520 ( ; mit quaet) , van scat 5523 ( ; dat) , na — toaen 5643 
( ; aen), met — bec : met — tree 5857 : 8 (p nog : trecke), bi — coninc 
6005 ( ; (fine dat. sg. of pi. P), van hongher 6583 ( : jonglier ace. pi. ▼. 

1) Mitien simite (nom.) /l 1 (.• ik dit begkitme) en haddi kive 49S8 (:gaet atf» den tim) 
zyn toch nirts an<Icr8 flan trhrij floxiitn van den aftchr|jver, door M. te recht ver- 
beterd? Of hebben dergelgke wantchepaelt , geboren ^f uit verwarring van twM 
naamvallen of twe<' constructies, uf uit de neiging eeni (af)Khry vers om ook eent oade 
vormen met een -€ te gebruiken, ooit werkeiyk bestaan , ook buiten het rym , vgl. byv. 
by Hooft: Ijaes ick sic den dagkeradc {:) ? Iets derg. i% gkemaee Mfil (.* j^r«r), 
/3103, oorlo'tf /:i007, Am)/ H92», 4581, wrlkr xonderlinge ace. echter, biykent d# 
rjjmcn , stellig van den afschr. zyn. 

2) Vgl. tegenover im — ban bQv. f^ ó<i«n« 2740/ , ra» ^« danu^ 2748/, beide baittt 
het rgm. 



59 

jonc), mit — nijt 6955 {: tp^t adj. of adr.?), mit — val 7157 
(b: mit a/) '), U voet 7742 (: êoet adj. postp. *). Of deze 
echter alle aangemld moeten worden, zou ik betwyfelen: yoor- 
eerst kan na een praep. vaak de ace. bedoeld z^jn , en verder 
zgn Yormen als ane (zie ben. by Ady.), honghere (zie F. 21.7,178.4), 
te voete (zie ben., blz. 60), datte voor II ten minste onzeker. 

By de volgende is geene aanynlling der beide rgmwoorden 
mogelyk, doch kan na eene praep. de ace, bedoeld zyn; de 
rectie der praep. in het Mnl. is nog niet voldoende bekend om 
hierover te beslissen : in — waen /1083 *), tn — ban 4408, in — staet 
4693 , 5739 , in — mont 7542, tn — pat 7703 (ace, of dat. als God, 
zie F. 178.4), oen — Dam 6888 , bi — raet 5295 , 5968, uut — mont 
4754 , uut — pront 561 1 , mit — vlijt /3142 , mitten wint 6977 (c), 
7055. Indien men al deze plaatsen als dat moet opvatten , 
zyn dit natunrlyk zoovele bewyzen van apocope; doch men 
mag stellig na tn en aen , en vry zeker ook na de andere praep. 
een ace aannemen. 

Voorts tn ecliijn 4598 (: concubijn nom. sg.); tegen aanvul- 
ling is geen bezwaar, maar in eene dergelyke bywoordelyke 
uitdrukking na tn zou de apocope evenzeer verklaarbaar zyn, 
als in het er op rgmende vreemde woord. Evenzoo kunnen 
ghedaen aenschijn /1832 (; tn den lachter mijn) en dat is a. 4352 
(; u pijn) met -^n): -€ gelezen worden; daar evenwel h^pine 
en by de pron. postposita apocope vroeg geoorloofd schynt 
(F. 208.1, 222), an echine eene bywoordelyke uitdrukking is, 
die al spoedig tot één woord is samengesmolten ^). en eindelyk 
worden a.: êijn (sunt) 1775/1795 geene aanvulling toelaat, 
zullen wg hier wel voor I en II apocope moeten aannemen. 

Streng bewezen zyn ten slotte slechts enkele gevallen : teinden 



1) Ztê rwdt M*t louig naar a mik: wui ëiUm. 

2) 4390 IS tcker vel aee. bedoeld. 

8) In wü émcki mijm imm A609 ie ir. folgest Verd. 8.4ft8 noa. 
4) Zie o. a Verd. i. t. ki. 

I) Vgl. over de apoeope ia dergtlyke *fonMllwft sebraoehUa VerbalfonMa" 
F. 180. be^. 



60 

minm praet 6752 (; vraet ace. sg.), te voet 5419 (.• ghemoei 
adj.), 6325 (: bestoet)^ 6959 (; mitter spoet), 7012 (.• ootmoet 
(acc.)i (het laatste weder eene staande uitdrukking). 

Met bet oog op Maerl. en B. I , waar de apocope in dit geral 
toch ook reeds geoorloofd was (F. 178. 4, t. a. p. 81 en 343), 
en op den iniiu. na te in II (bov. blz. 66) is dit kleine aantal 
bewezene gevallen eenigszins onverwacht en bevreemdend ; waar- 
schijnlijk zal men dus op vele der opgesomde plaatsen toch wel een 
dat. zonder -e moeten aannemen, en het voor toeTal honden, 
dat die vormen niet meermalen door het rgm bewezen worden. 
In elk geval blykt M.'s bewering, dat «diesehrhaufige Apocope 
durch die Reime meist bestatigt wird" (Eünl. XII), althans op 
dit punt onjuist; integendeel, in den regel heeft de omwerker 
zeker nog den dat. met -e geschreven; en waar dit niet het 
geval is , behoeft men nog niet eens altijd eene engere apocope 
aan te nemen (zie Fr. t. a. pi.), dikw^ls z^n het oudero 
vormen zonder -e : de jongere apocope begon pas door te drin- 
gen, het eerst, naar het schijnt, in bepaalde uitdrukkingen. 

Mom. en ace. pi. In II komen buiten het r^m Yele on- 
bewezen en ongeloofelijke vormen zonder -e voor, zooals nom. 
hofid /365, 7534, vond 4354, scalc 4814; ace. spronc 6961, 
7036, vinger 4241, tand 5493; zijn dergelyke vormen ooit of 
ergens in gebruik geweest? Anders staat het met eenige, die 
ook in het rijm voorkomen: baroen nom. 6403 (voc. /2 7 70 buiten 
het rijm), ace. /1347, 4280, campioen nom. 6778, caproen ace 
(pi. of sg.?) 4232 (alle :te doen of : coen\ prochiaen voc. /868, 
present ace. 5894, en verder knecht nom. 5312, ace. /2702, 
5873 (haren knecht ace. of dat? pi.), huusghenoot nom. /2770, 
speelghenoot nom. 5206 , voet ace. 3900 ^). In al deze gevallen 
is apocope niet ongehoord: bij bast^ianl woorden , by de oor- 
spronkelijk consonautische stammen knecht en ghenoot en bg 
den oorspr. t<-stani voet (vooral in een gewone verbinding als 
onder voet , die hier evenwel slechts op conjectuur berust) komen 



1) Volfseni m|jDe lezing, xic Ojb. 96. 




61 

zulke sch^nbaar onyerbogeo Tormen werkelgk Yoor (zie F. 
178. 6, 198 Anm. en t a. p. 81 en 343): zij kunnen dus ook 
hier bedoeld z^n. Doch de volle Tormen zgn overal mogeljjk 
en ten minste even waarschynlijk; sWeen present b89i {: ghesent) 
wordt door het rgm bewezen. 

De zwakke nom. ace. pi. op -^n komt in het hs. van I reeds 
een enkele raaal Toor (337/, 3349/, door M. onveranderd ge 
laten), in het hs. van II zeer dikwyls: magen 172 j 7722 ^ dagen 
8799, honden 3889, 5787, slagen 7356, tanden /20b {:), êcaUken 
4233, viêsehen 6349, moniken /2728 , coningen /1425, vluegelen 
3783, enz. >). Zgn deze vormen alleen van den afschrgver, die 
de door den omw. nog uitsluitend gebruikte mv. op -« in ^en 
veranderde, hetzg om het rgm «: en te verbeteren '), hetzg omdat 
hg werkelgk reeds de nieuwe mv. op -en kende; of heeft ook de 
om werker deze mv. op -en gebezigd, zooals men volgens F. 178.6 
voor een schrgver uit bet einde der 14^ eeuw zou mogen aan- 
nemen? De rgmen baten hier niets: immers e: en is, zoover 
ik weet, altgd en overal geoorloofd geweest; wat des dichters 
en wat des afschrgvers is, zal dus ook hier voorloopig niet 
gescheiden kunnen worden. 



I> Bo0csis9em /4S6 (:) kan plar. w. eea iw. boecêtmM zyn, (Ut BtAst «/«/'bettond , 
KM Frmnck, Gloti. en Bljm. Wdb. 

S) Het rym ii nker oiet de é^nige redeo tot Tennderiiig geweeet : Tooreent komen 
de Tormea set •«■ jout dikwyU m het ven TOor, tenrfjl er onsekeerd rele ^.* m 
rymto in het ha tyn bleven itaan f^%\. de l^tt in M.'i aitg , bis. 486 met hetht.); 
en ten tweede bewast b^v. dagtn (aoe. pi); ie eUgt 5753, wnnr door den nieawen 
plomlifvorm joitt het laiTere #; e q)m geechonden wordt, wel, dat de ifichr. 
tlthane niet tUeen om het •ej'e rime** w^sigde. — By tUfkê (dat. ig.)'* ksgke (nom. 
ig ) X détek (ne&).* mtek 41/45 loa men wellicht knnnen denken aan eene opvatting 
door den omw. van kmghé alt mr., by welkt rerandering in ksfhém een door hem 
af^keord rym e: tn ontstaan ware, om welke reden h^ het dos liever in doek ^ 
mek veranderd non hebben; eenrondiger it het, de verandering toe te tehr^ven aan 
de vervanging van m c« dat. door het nieuwere op e. aoc. — eUgkê (nom. ig.).* 
wut^ké (nom. pU) X cU/m (inf )/ wtsftm 61/71 behoed men niet aan den omwerker 
toe te irhry ven . de verandering kan evengoed van den abekr. i^n (hetiQ om «i .* 
M , hetiQ om etn plar. op •«• (vgl. aekter /M70) te kragen , hetsQ w^gnna de eoastraetie 
(vgl. troawiaa renda 1758/). 



62 

Gen. pi. keer 3638 ( ; me^r mare) en dgl. bewgzen natuurlijk 

geene apocope. 

Dat. pi. baroen /1027 , /3339, 3697; alleen het laatste (.• ml 
misdoen) is zoogoed als bewezen. 

Sterke neutra {behalve ja^stammen). IVom. aoe. ag; Oyer ml 

isere 3472/ (; in de riseré) zie Ojb. 94: men zal, ter Ferwg* 
dering van den bastaardvorm van dat. en ace, dus moeten lexen 
of beide in dat. of ace. pi. of in die riser: int iser. Een der- 
gelijk wanschepsel in b is in dit beginne (: mtnen sinne nom.) 
/Il, waar de om werker natuurlijk sin: beghin schreef (zie boy., 
blz. 58, noot 2 '). Bij enkele woorden is men in twgfel over den aan 
te nemen nom.: na sijn begheer /709 {:beer urso), Jiaer^ sijn b, 
ace. sg. /2337, 5706 (beide: heer dominum, -o); op de tweede 
plaats drukt M. : ere: ere, op de twee andere eer: eer. Verd* 
geeft begeer als onz. op, dat 5f uit begliêre moet zgn geapooo- 
peerd (de bewijsplaatsen zijn alle uit lateren t^d), óf eene jon- 
gere afleiding van begheren kan zijn. Maar ook die heghen 
(mann. of vrouw, evenals ghere^ vgl. F. 181 anm. 1) is moge- 
lyk. Wellicht hebben al deze vormen naast elkaar bestaan , ygl. 
ghe- mesbare , -aer, gJienent , -de en dgl. vrouw, of onz. woorden, xie 
beneden. Naast volen ace. 4003, dat. 4067 (niet :) komt vo^ voor 
nom. 3997 (: cole), ace. 4033 (:terscool), dat. t?oo/ 4025 , 4074 
(beide niet :) ; hier is geen sprake van apocope , of van eene ontwik- 
keling als van Mul. raven tot Nnl. raaf: er bestond van oudsher 
een vorm zonder -n (Got. fulaj Ohd. /u/t) naast dien met -n 
(Ohd. fulln), zie Kluge i. v. ^). Bg paradise ace. sg. 5457 (; epise) 
zou men kunnen denken aan eene anorgan. -^ (vgl. boven, bis, 
57 over een dergelijke -e by masc); ten overvloede kennen het 
Ohd. en Mhd. naast paradis ook paradisi^ -e , zie Graff en Ben.- 
Müll. i. v. 

Dat. sg. Apocope in I alleen in van baraet 483/, een vreemd 



1) Over veuifte (ace.) 4933, xie ben. blz.? 

2) rolé o. a. ook Nat. BI. 1. 1683 (VAB; Verwijs: vokm). Het Oron. k«at 
Dog vool (Ouxe Volktt. 8. ftO). 



63 

woord, waar apocope oad is (F. t. a. p. 343), en tn Aui/9 1066/, 
1117/, 1358/, 1541/, an— huus \\2ZI , voor — huaa 1376/, waar 
men wel aan een mogelyk bedoelden ace. zou kunnen denken 
(ygl. echter uien huae 1127/, in dien huse 1237/, beide buiten 
bet rym), doch dit niet behoeft te doen , aangezien de dat. 
zonder -e in dit woord overoud is, dus in elk geval niet door 
jongere apocope ontstaan is (ygl. Grimm, Qr. 1'.622, Oallée, 
Alts. Laut- u. Flexl. 1 § 56, Braune, Ahd. gr. § 238, anm. 
2, Paul, Mbd. gr. g 115. anm. 2). 

In II beeft scbgnbaar telkens apocope plaats, doch zelden ontwy- 
fclbaar. Vooreerst is een volle vorm met -e in vele gevallen waar- 
schynlyk of althans mogelyk, zoo byv. tra verdriet /1440 {:liet 
1 sg. conj.), van steen /2761 (: ghemeen)^ van — vel 12979 (; rara — 
ghesel)^ mit quaet 4519 (: teinde mijn raet)^ van enen been 5453 
(; reen dat. sg.), ira enen jaer 5703 (.• volvoer of: volnaer^ zie Ojb. 
103; in beide gevallen is -«; -e mogelgk), enz. In mit — recht 
/2701, 5873 (; knecht ace. pi.), /2931 (; k. dat. sg.), 6551 
( ; gheêUcht ace. sg.), mit onrecht 4389 ( : k, dat. of ace. ? sg.) 
zou men apoc. kunnen aannemen , omdat knecht als oude conson. 
stam eene eigenaardige vervoeging bad (zie bov. blz. 60), gheslechi 
wellicht apoc. toeliet (zie beneden), mit c. ace. mogelyk was '), 
en bovendien in eene dergelyke bgwoordelijke nitdrukking apo- 
cope eer te verwachten is; maar tegen aanvnlling bestaat toch 
geen bezwaar. 

Ten tweede vele gevallen , waar aanvulling onmogelyk is , doch 
na een voorz. de ace iplv. den dat. bedoeld kan zgn: ') tra — beghin 
4185, UI — crijt 6742, tra — berijt 7682; mü — naesgat (stellig ace.) 
6078 ; na — lijf /836 ; voor — huuê /1090 (zie hierboven); tjara — 
venijn 5387 (bovendien een vreemd woord); oen — ghelaet 6472. 

Op andere plaatsen echter blgkt de dat. uit lidw. of vnw. 



l) Mil mUern r^cMiê 6878, tmi tUtm omrÉchU 6818 (beidt/ kmêcki plor.) ii ba- 
iaorl^k wti (Uii«f. 

8) Ik bat hiar de ge^ka Iwitea rekeniig. WMr de aee. duidd^k blQkt ^f uit 
het mv. (tooelt /18). öf ait d«i kltaktr (loodi /8I9. mMx M. deletiBgTub: hof 
§hêlof oBBOodig (eo o^i«iilf) ia komt gkohm vtnuidcrd Wefl). 



Il^ 



64 

en is aanyulling onmogelgk of althans twijfelachtig: th m$ 
leven /2536 {:wil vergheven) (na eene toonlooze lettergreep), m 
enen halven jaer /2605 (; daer, dus e: e niet onmogelgk), van 
enen dinc 3989 (een woord, dat behalve onz. ook yroow. ia 
geweest, wat invloed kan hebbeu gehad), evenzoo van alle dinc 
6006 (waar geslacht, getal en nv. onzeker z^n), ter luien kuuê 
5119 (zie de vor. blz.), na den richt 6702 (: nicht \ ia niehu 
met auorgan. e^ evenals in het Nhd., onmogeLgk?). Onze uit* 
komst is dus, dat er van jongere apocope nauwelijks een on- 
twijfelbaar, of althans verklaarbaar geval te vinden is; even- 
als in het manu. is de apocope der -« in den dat. sg. nog 
uitzondering, tot zekere gevallen beperkt; de volle Yormen 
zijn regel. 

Mom. ace. pi. Van jongere apocope is hier geen sprake. In 
I bestaan de vormen met en zonder -e zonder verschil naast 
elkaar, bijv. lier 855/, -e 895/, dier 1868/, -e \%1ZI. In II 
zonder -e: been /1283, 6822, jaer 5990, 6394, lier /797, 
tooort /15, /466, 6929, 7762, dier /2696 i), haer /2324, scoêp 
4270 (?) (buiten het rijm 6330), dinc 4517, 5981, 7752 (kan 
ook als fem. sg. worden opgevat ^) ; verder vele met -e, bijv. 
woorde 5640; ook met -en: dingen 4613, 5333 (?), gfiebreien 
/2080 , stenen 4085 (dat. ?), en dieren zeer vaak buiten het rijm , 
(dat hier trouwens weinig bewijst). I schijnt uitsluitend -re te 
hebben '), II meestal -er, zoo kinder /188S, /2147 , 3871, 5173, 
6531, 6573, 7243, 7387, 7759, jongher 6584 (plur. Y.datjane, 
als znw. gebruikt), maar toch ook -re: hoenre /2115, beenre 
3831, 5839 (beide niet:); -e: kinde Ab69,jonghe 6522; .^ : 
jonghen 6120, 6657, bladen 5783, recalven 6597; -^ren: ibm- 
deren /426 , loichteren 6678 (beide niet :). 

Dat. pi. Hebben vormen als kynderlijn /1468 , welpekijn 
/3240 (en ook wel /1380) (beide: Ermelijn), been /820 (:cUen)^) 



\) fitr is toch zeker wel van den afschryver. 

2) Is pccrd 3S0O plur. en hf^ett 4763 pi. fcm. of neiitr. (boide bmt«n bet ry«)? 

3) Zooali meD dan ook 2086: 6 wel zal moeten leien (a: eoêmt: Aoêne, M. : -«r; -^). 

4) Immers bier it tocb wel, evenals in I 800/, plmr. bedoeld. 



65 

ooit bestaan (sjDCope van ^nen tot -n)? Hier moet in elk geval 
overal toch wel en : ê hersteld worden. Ook hier naart "eren 
-€n : kinden 6601 , 6683 , jonghen 3867 ; -ers : kinders /1399 (niet :). 

jm-mimwÊkWÊkem. Wwwliaa. Apocope komt in I en in II alleen 
voor in de woorden op ^er. (Over pit^ Kriekenpü^ oghênpit 
(ook dat en ace. -pU blijkens /3167, 3723; ^) en ric (de plaat- 
sen boy., bk. 27) sie F. 179 en t. a. p. 386; verandering van dit 
(overal het rijmwoord) in ditU , hoewel anders mogelijk , is dns 
onnoodig en ongeraden. Onder de talrijke plaatsen, waar -^re 
tot -o^ is verkort, zijn er slechts twee twijfelachtig, nl. mor^ 
denaer ace. sg. 5911 (: ttoaer)^ waar are: are wel mogelijk, 
doch niet waarschijnlijk is {ttoaer »de waarheid'* passim), en 
auiaer ace. sg. 4828 {:claer praedic), waar volgens F. 208.2 
are: are althans niet onmogelijk is. Of men /2477 {dit telde 
hi die vier felle verrader : algader) moet lezen : verroeren : a/- 
gadre^ dan of men den geapocopeerden ploralisvorm verrader 
moet aannemen (F. 180), kan ik niet beslissen. — Gbwoonlijk 
gaat de plur. dezer woorden in de hss. van I en II reeds 
op -«n uit, welke zwakke uitgang hier ook het eerst te ver- 
wachten is ; daar echter e : en geoorloofd is , kan wederom 
niet vartgesteld worden, wat van den omw., wat van den af- 
schr. is; toch komen in b nog plur. op -e voor: ghekuer Il606 ^ 
ghetughe /1909; die op -« in a zelden, in b vaker: dorpers 
845/884, /887, 866/902, jaghers 2456/2474, verraders /2521, 
voetgangkers 3746, enz. (alle niet:). — soen (nom.): toen 4471 
wordt door M. wel te recht in scne: lonen veranderd. 

Ja-aiaauBCs. Meatim. Noch in I, noch in II is apocope be- 
wezen. (Over Stic (de plaatsen bov., blz. 27), net 5679, 7668 
zie F. 185 en t a. p. 336). Van de woorden met ghe- zijn ook 
in U de volle vormen nog zeer gewoon, bijv. geslachte /3472, 
3881 (niet:), 7267 (alle ace), 3687 (dat), gerocku /884 (ace.), 
gedinge /504 (dat). Gevallen als gherocht 7500 (ace.; himockt)^ 
6187 (dat; At hroekt), aensiekt 7131 (ace; gkedickt adv.) 

1) Wtaroa M ., gL dit aU ou. opgÊtti, wwi ik mH. 



66 

bewezen natuurlgk eer den vollen vorm dan de apocope; tw^ 
felachtig z^n echter plaatsen als gheslacht 6552 (: recht dal), 
7267 ( : wacht dat. of ace), 7599, 7663 (: tnaeht dat.), waar apocope 
wel niet bewezen , maar toch niet onwaarschgnlgk is. — Ohê'^ 
mesbare in I uitsluitend, en ook in II 1763/, 3249/, /3263 (alle: 
ware esset), maar 3601 (: hoer pron. pers.), 4416 {:jaer ace. 
pi.), 7 137 ( : daer) maken ook ^aer niet onwaarschgnlgk; OTor het 
ontstaan dezer vormen zonder -« van woorden met ^Atf- naar ana- 
logie der talrgke neutr. verbaalsubst. met ^A^-zieF. 185, t. a. p. 
337, Aant. op Alex. blz. 470. (De beide woorden schgnen in 
I en II steeds neutr., nooit fem. te zgn). — Qhenmt 2538/ (ace), 
met groten geninde 2832/. In het Mnl. schgnen twee woorden 
ghenent en ghenende , beide n. en f., naast elkander te bestaan. 
Of deze woorden van oudsher naast elkander bestaan hebben, 
dan wel uit elkander ontstaan zgn, en zoo ja, op welke wgae, 
is, bij de talrgke mogelgke oude vormen en lanalogiebüdonj^en'* 
moeilijk uit te maken ; ik wgs er alleen op , dat bg Otfirid het 
simplex ginindan voorkomt, dat de uitdrukking met ghenends^ 
waarin het woord voomamelgk gebruikt wordt, zoowel van het 
een als van het ander de dat. kan zgn, en dat ghenent blgk- 
baar geen jonge apocope- vorm is '). — Antwoorde2\^%l^ 2954/, 
vorwoorde 2534/, voorwaerde 646 1 (alleen bet eerste :) schgnen in I 
en II beide f. ; ook hier spelen van oudsher verschillende vormen 
door elkander (zie over deze en dgl. woorden Braune, Ahd. gr. § 
201 anm.) In allen gevalle is bg geen dezer woorden van 
eigenlgke apocope sprake. — Hoi nom. 6534, strot dat. 3915 
(beide: prot). Het eerste zou de, hoezeer onregelmatige, toch 
algemeen-Mnl., uit de cas. obl. ingedrongene vorm zgn voor 
het normale houwe (zoo nog bg Kil., zie ook Franck, Etym. 
Wdb. en vgl. Nnl. oot, het Goot); doch de regel is in b naarp 

I) Voor wufi ghement (t) zie verMhill pi. \^ Oudem. (waarTtn de meeste:), ca 
nog Ken. 1456 (:); wiet gkenente Limb 2.670 (:) xal wel een fout det aftehr. iga. 
evenals Maerl., Sp. il. 3'. 48. 61 (Kie de uoot aldaar), oftchoon de vorm niet oa- 
verklaarbaar ware. — Vgl. ook it^mde f en tamt m. (reedt bij Maerl, Wap. Mail, 
1 843) naast elkander. 



.i.a.^\W 



67 

ingeTuld: er kan dos zeer wel de, ook om het rgmwoord 
waarscbgnlgke , datief Am«, gestaan hebben '). Evenssoo zal 
êtroi wel met eene -€ verrgkt moeten worden: het is dan een 
dat. van atrai^ dat 5f een oad afleidsel op -/a van Hraujanj 
5f een jongere »anlehnung" aan êtroien moet zgn (ipW. bet 
oude stró^ dat #fr^e), ait êtrao^ êtratoe, zie Branne, Abd. gr. 
§ 114a), waarop ook bet in denzelfden kring beboorende, en 
▼aak te zamen gebmikte hoi wellicht niet zonder invloed ge- 
weest lal zgn (nog heden is strooi in dialecten, naar ik meen , niet 
onbekend). 

Zwakke ■MMevllaa. De nom., ace, dat. sg. vertoonen in I 
nooit, in bet hs. van II ontelbare malen apocope, doch er is nauwe- 
Igks één bewezen geval : heer : êeer, hoen : ie unien en dgl. (passim) 
bewgzen natuarlgk niets; evenmin heer^) (voc.) 6018, 6068 
(beide : meer, zie ben., bk. 82); wil /27 , /2909 , 6245 , onwil 5984 
(alle: êtil); poep 4269 (: êtxiep ace. pi.; êcape is in II evenzeer 
mog^lgl^t sie bov., blz. 64), 4412 (: aep*)); bom 6425 (:iam; 
Kil. nog: kome)] poot^) 6088 {: koot), 7025 (: enen doch groot) 
(en buiten het rgm 6966); alleen bet laatste geval schgnt twgfel- 
achtig , in zooverre enen slaeh ffrote{n) voor II wel wat te oud 
ficbgot, doch zie F. 208. Dos geen enkel zeker geval ; de volle 
vorm is ook nog vrg dikwgls in b bewaard gebleven. Over 
monstra als bood 6675, êcaed 6207, en dgl. zie bov., blz. 52. 

Zwmkke BMitm. hert passim, doch nooit bewezen , ook niet 
6847, 7019 (:êmeH): bet laatste woord luidt in *t Mnl. emerte 
f, (M. geeft naar het Hd. m. op). 

Merke em mwakke ffëoilalMi (behalve i- en u-stammen). 

1) B^Y : « Ugka» <f M InÜêr mm AoU, Tgl. /. p. Aoie 4748, 7617. w. »iroHe) 
S91&. ea &711. 

2) A#r (dlMS IB 11, nc bov.. bli. IS) it gM^e «geslyke apoeope, «ItliaatDiel op 
^•e ma Ie fItllMi a«t de McUre; ia allea gevalle» kaa ImC aU tooalooae vona 
•ooit door kei r^a Ihwimb wordea. 

3) Verd. gesit mtp aU aonaalea vona op; waanna^ 

4> pate «aa oonpr. feai. (fie Klage); ia b (ook ia II?) ii kei echter blykeat de 
proa rteda naae. 



'sua,ilk>J 



68 

Van apocope in bet enk. is in I geen sprake. In b komen geapooo- 
peerde vormen b^ menigte voor, doch slechts zelden door het rgm 
gesteund. Vooreerst in eenige vreemde woorden: bewezen is lu 
Allb {: misericordes), 6781 (: es) ^); waarschgnlgk is feest 348S 
(: alremeest) (of mag men alremeeste postpositum voor den om- 
werker aannemen? zie F. 208); doch onbewezen zgn eaneu^ 
hijn 4597 (: in schijn dat. of ace.), wrijn 7345 (: pyn dat.) 
(5959 : 60 hebben beide woorden in b -€), pijn /288, /399, /1968, 
/2204, /2437, /2470, /2680, /2991, /3112, 6624 (alle: lêegt^ 
(ace.), Ermelijrij sijn pron. postp., lijn^ te sijn^ woeêtijn eadglL)f 
4351 (; dat is aenschijn)^ 4932 (: venijn ace., dat als Treemd 
woord wellicht een overtollige -e kan krggen , vgL bor., bis. 57), 
woestijn byy. /529, /2679, /3184 (de door F. 188, ia. p. 80, 339 
besproken vormen pijn en woestijn behoeven dos in II niet te 
worden aangenomen), manier 5332 (; van Trier (zie ben., bis. 75), 
proi 3916 (; van strot), 6533 (; vuul hoi nom., maar de regA 
ontbreekt in b, zie de vorige blz.) 

Ten tweede eenige woorden, waar na eene toonlooze letfeer* 
greep de -e werkelgk verdwenen is: loghen /3 172, 7309 (beide.* 
bedroglien), koken 7463 (: gheroken), reden 4901 (: te vredbn), 
6768 (nom. pL : glieheden) (ook in het vers, bgv. 4185): deae 
apocope is algemeen-Mnl. (zie F. 21.7, 188, t. a. p. 333); niet 
alzoo coninghin 4307 (: sin)f en hier met WM. inne : êinne (aoc. pl«) 
te lezen is bedenkel^k: werd sinne ooit in die bet in het niY. 
gebruikt (vgl. 5132) P 

Voorts mag men in verschillende gevallen naast de vroaw. 
woorden een maun. vorm zonder -« aannemen: zoo is vaar m. 
in het Mnl. meer gewoon dan mre f. (zooals M., gl. opgeeft); 
dienovereenkomstig kan men in den dat. na met , van , m , enx. 
vare lezen (/1635, /29Ö9, /3000, 3841, 3931, 4361, 7597), 
doch waar bepaald ace. bedoeld is, vaer /2663, 5765 (beide: 
secht waer), sonder r. 4111 (: c^r praedic.) — Mag men bg met 
sroonre groet 6058 (; int ghemoet) reeds denken aan een miuin. 



1) KftD het onz pAelet (o. a /2039:) op dit woord rtD inrloed gcwcMt tyn? 




69 

bgvorm groet , als in het Mhd.. Nhd. en Nnl. (door den afschr. 
met een vrouw. Terbogen adj. Terbonden *)H — rol 7660 (; in — Kot) 
18 zeker bet abetr. maDD. woord, nog over in ons: » aan den rol 
z^jn." — strooi 5855 {: hi boot): kan naast het Mnl. «frofe/. (vgl. 
M., Anm., Kil., Schaerm. i. v.) toen reeds het Nnl. itrot m. 
bestaan hebben , waardoor de beide woorden in geslacht en 
buiging door elkander geloopen zouden zgn? — Over êUmt f. 
2928/ (buiten het rgm 2373/), 5685 (: hont nom.) naast stonde 
zie F. 188, t. a. p. SS9; over meercat 6519 (nom. sg.: dat) 
F. t. a. p. 388«). 

De volgende gevallen van jongere apocope zgn echter meer 
of min zeker, tnare (volgens F. 194 oorapr. een neutr. ^-stam, 
in het Mnl. altgd fem.) kan , doch behoeft niet gelezen te worden 
/895, 3932, 4405, 4832 (4831 is corrupt, zie Ojb. 98); 3862 
(; een haer) sohgnt moer onvermgdelgk , doch so duehtie niemen 
van enen hare is zeker beter Mnl. dan s, d, van niemen een 
haer (vgl. /1784) *). — sid 7185 {:ic wane enen coninc nie en 
gheviel) kan men aanvullen, maar na ie wane is een conj., 
hoewel niet onmogelgk, zeker niet zoo gewoon als de ind. — 
tfi die woês 6278 (hs.: moes : die arme dufoes); hier met W. en 
Verwgs (Inl. op Hildeg. XX) dwase te lezen, schgnt mg, 
ondanks F. 211 1« alin., gewaagd: dv>aes is toch blgkbaar 
altgd inw. geweest, of als zoodanig beschouwd, men zal dus 
hier wel apocope van to<ue moeten aannemen. — Tegen met uwer 
pis 6841 (;u) valt niets in te brengen, de nom. pisse blgkt uit 
mü pissen 6981, 7103 (en 7052, niet:) (of zgn alle verbogen 
inf. ?) — té maet /2869 (: hoet gast) schgnt zeker, maar het laatste 
heeft veel van een inlapsel des afiM^hr. (vgL bgv. /2892), nadat 

1) Ere«ioo bm iigei èo$i M64 0«w/) nieto ia te breas^a i^, (Mbd. èmoM m., 
óc Vtrl i. v.)i BMar aitto WWt, beidt woordea Bet •« te lesea. 

fl) WÊêi mmin kmr SOM (/ êttr) h aatmorlDk •êfé-, ook beboeft aiea bet a^j. 
aiet Meaa. te verbmisea, daar aatft kmr bl ook kfr$ t ftoad (ne Prmaek» Etyai, 
Wdb. i Y ). — MM 7ti6 (mm: èêm pi.) kaa bt aaaa (loader •#) ^ rroaw. (net 
-4) i^a (b leeet bier ook aaden). ^ Over ^oC# . jei#r/# tae bov., bb. 67 , SS ; orer «niiir 
>de 4Ut boir.. bU M. Bool S. 

S) WW teb^Bt bet mU mmrt bedoeld U i^a. lie bea., bit, 76. 



ife.. 



70 

hy het voor hem verouderde ijhemicke van I door U tnaet had 
vervangen : wellicht heeft de omwerker dos de lesiiig yan I be- 
houden 1) (aan een onz. moet , overeenkomende met Mhd. mat 
n.y valt toch niet te denken?). 

Vormen met -en iplv. -« komen in b, en soms ook in a, 
niet alleen in den gen. of dai, waar het ten gevolgpe van de ver- 
warring der st. en zw. deel. in het geheele MnL gewoon is, 
maar ook soms in den ace. voor: priemen 385/, vygetien 481/ 
(beide niet:), scaden, vromen 474/; dieflen (379 (niet:), karynem 
/451, toylen /lOOO, tnalen 8634, heiden UlO , eyden &947 (niet:), 
alle welke vormen zeker óf aan schrgffonten öf aan de neiging 
om en : en te rgmen hun ontstaan danken ; het schgnt tronvrens 
ook vooral b^ vreemde woorden voor te komen, ten 'gevolge 
der onzekerheid aangaande den nom.; een enkele maal kan ook 
het mv. bedoeld zyn, zoo by genaden ill^ /345, 7009 (alle:), 
zie F. 194, Anm. 

Van het plur. komen in a enkele vormen op -e voor: aveniure 4/, 
394/, lettre 3363/; in b talryke geapocopeerde vormen als fmiy« 
/1148 , fonteyn /3160 , beest ') 4750 , enz ; alle weder voornamelgk 
by vreemde woorden en buiten het rijm ; reden 6768 (:) ia syncope 
van ^nen, 

¥rouw. I- en u-stamiien. De anorgan. vorm van den 
nom. ace. sg. op -e der langstammige woorden komt in b reeds een 
enkele maal voor, doch nauwelijks bewezen: onmachu /1819 is 
stel]i<^, crachte /8 44 waarschijnlijk van den aftchr. — Ot mei l^s 
node 4926 plur. bedoeld kan zijn, weet ik niet. — sondeir eeuldê 
4324 is geen plur., maar de regelmatige ace. van scidde (naast 
9cult), vgl. in I 07m*u/(/6 82/ en Ohd. «^ti/da naast«ibu/t. — HaUm^t 
5145 [:wet)t 5160,7389 (beide niet:) schijnt vreemd; volgens 
M.'s ontwijfelbaar juiste afleiding (iHassdienisse'') heeft men in 
het tweede lid een korten vrouw, t- stam te zien, en verwacht 

1) Vgl. byr. te boet: mit verraet /2039, waar meo met M. leie: haU ihmrmiê* 
welk laatste woord tle abchr. telkeiii in heraet of verrmet rerandert. 

2) Knnoen avenfu«r{é), becsf{e) reedt ooi geweest, eo kan met pêtrd êmdê wmghêm 
3800 (:) het enk. bedoeld zyu ? 



71 

men dus '-neU (uit ^Anttt), zooaU Kil. dan ook heeft (vgl. Kluge 
i. V.). Ook het glo«. achter Franck's gramm. geeft echter net op. 
Doch de Traag, of dese Torm net in het NI. kan hebben be- 
staan, LB hier overbodig; op de eenige plaats , waar Hatenet 
in het rym staat, zgn blgkbaar beide rgmwoorden door den 
aÜM^hr. geapocopeerd : immers niet wet » geloof, wet", maar 
wete f. » kennis, kennisgefing** is het rechte woord (»die weet 
(heeft) haar weetje ook wel" soaden wg nog zeggen), vgl. Kil«, 
glosB. Lsp., Fr., gloas., enz. Wg kunnen dus veilig overal Hate^ 
nete lezen; de vorm zonder -« is dan ontstaan 5f doordat de 
afschr. den naam niet begreep , 5f doordat er werkelgk naast 
nete een vorm net beiitond, welke echter voor II door vs. 5145 
niet bewezen wordt 

Van de woorden op "heit komen in II enkele nom. en ace. 
sg. op "kede voor /247, 4890, 4966, 4975:6, 5016 (dat.?), 
5028, 5812 >) (zie F. 190). 

De gen. dat sg. zonder -e {voert ^ daetj ghewelt en ghewoui^ 
enz.) staan naast die met -€ (evenals overal in het Mnl.), en 
schgnen ook in I reeds talrgker dan laatstgenoemde; zeker is 
dit het geval in II, waar echter ook nog vormen met -«voor- 
komen: crachU /3471, mocAte /3 193 (niet: ), ghewelde J2289 , -/^ede 
/3164, 4810, 5590. Ook -en vindt men in b: «tec&n 5440, (m(l)- 
êcouden 3855, geboorten /845, crachten /737, 7073 (alle niet:, 
of; -«n , dus weinig bewgzend) ^). 

Plur. op *«fi (buiten den dat.) reeds in a en b: gansen 
2087/, (/2117 nog -«), meedaden 1675/, /2807, vriheden /3457 , 
steden 5061, listen /1938, noden 3763, alles sporadisch en 
buiten het rgm, dus onbewezen. 

KIHaere yepca . Oen. sg. vad^^ broeder in I nog 1277/; 



1) êtnAédê SSS7/ tt isani plur? 

S) Vu moorï (ii I alt^ vroaw Whalte SIM/ (?). ia II maaB ) loidt de dat. ia 
I moori U?/. SIM/ (beide:), ea maonU 8&86/ (niet:). Het Q^rm. kende een om.. 
Uter mMMM. woord wtor^ (Kloge. Nom. itammbildl. ^ 117), danrnAaat een rroow. 
woord, dat in orereeMteaaing nMt Lat. wtors, -iis toek wel een »- ataa nl i^a 
geweeat (rgl. Kern. Ui Salka 68) 



72 

178/, 1334/, {vaders 2347/?), ia U niet meer; plar. deaer 
woorden ook in I meest op -« 305/333, 1920/1952 , miv 
sustren 320/, 5201, 7387, dochtren 329/357 (alles niet:). 

Dat. sg. vrtent komt niet voor, -e 3967, 7483; plar. vr i êmt 
alleen 1959/, -e 2148/, 3412/ (beide niet:) en in II altgd (ook 
reeds -en). Gen. sg. viant nog /2288 (?niet:); plar. iTumt 7557, 
anders altgd -cfe, zooals ook 6949 wel zal moeten worden 
gelezen {: scande ^)j -en /659 (niet:), 4671. 

Eigennamen ^). Reinaert ') in I nom. -de 1898/ , 2808/ (beide 
niet:), zeker alleen van den afscbr. , en dos in den gewonen 
vorm te herstellen; dat. -de 4/, 31/33, 702/, 1325/, 1977/, 
3386/, 't 1075/ (niet:), 1325/ (?); ace. -(fe59/, 154/, 857/, 1757/. 
In II dat. -de /4, /33, /3382, -e /1345(?), /8886, 6175 (of 
ace.?); ace. -de 3494, -< /69{?), /161 (?), /1070, /1777 (?), 
5041 (?), 6778, 7248; ace. pi. -de 7675. I schgnt dos aUeen 
verbogen vormen op -de , II ook verbogen vormen met apocope op 
't te kennen. 

Tibeert en Grimbeert moesten , verbogen , 'te luiden (zie Omff 
4.325), zooals ook in I voorkomt (TibeerU 1942/, 2246/ ffruit- 
beerte 2257/, 2288- alle 4 buiten het rijm); ook 1 laat beide 
namen op -tus uitgaan. Daarnaast staan in II van beide namen 
onjuiste vormen met ae*), en van G. in I ook een dat. op 
'de 1753/, 1760/ (beide niet:), blijkbaar ontstaan door de ana- 
logie van Reinaert , -de en de volksetymologie van Grim''b€Uird^)\ 
eiudelyk in I een dat. Tibeert 1246 (niet:), 1925/. 

Cuwaert"^) dai ace. -de 2744/ (niet:), 3385/, (1 ook: -rfw),de 



1) Of bestODd , evenals sc^tU m. oattt te^mdf f., ook teani m. nuit moiw^ f. (vgl. 
bov., blz. 65 Doot, co Wiselau (Mnl. ep fragm , ed. Kalff) 29 noot)? 

2) Zie hierover ook Ojb. 196 vigg. 

3) te iplv. a<} aUeen in II /102I. 3494, 3712, 6908, 6946, 7089, 7848 (alle: 
e), 3817 (: r), en ilikwyls buiten het r^m. 

4) O. a Grimbaert /l492, /1777 (beide; lUmacrt), en dikwyli buiten het ifM, 
evenals Tibttert. 

6) Zie reeds /186— 7 (?). 

6) (V iplT. m^ alleen in II /3087. 



73 

dat en ace op t in II /3381 , |S087 moeten blijkbaar in -de 
▼eranderd worden. 

Isingrifn nom. •nê 2489/ (niet:); dat. en ace. "ue 3000/, 
231/, 1563', 2093; O, dat. -n /2992(?), 6053 (:mt;nacc. 
8g.), maar snik eene appos. bij een dat staat in bet Mnl. 
niet altijd in den dat (ne F. t a. p. 343), ace. -n /237, 
/2123, /3409, geen van alle bewijzend, hoewel in de rijm- 
woorden ipifn , Rifn , mijn poetpos.) apocope mogelijk is ; (buiten 
het rijm ook in I -n bijv. 1515 , 1614/); apocope dos ook voor 
II nauwelijks bewezen. 

Belijn dat -ne 3216/, 3285/, 3344/ (beide niet:), 3375/, 3424/; 
-fi /3229, /3371, 5908; ace. -n/3426; geen« ran alle bewgzen 
apocope. 

Brune in I öf Tolgens de oorspronkelgke zwakke verb. (alleen 
de met: gemeikte staan in het rgm) nom. Brune 497/, 863/, 
2489/, 3413/; toc. 563/, 659/, 704/ passim; gen. -nen 2435/, 
2486/; dat -nen 657/, 773/, 807/, 2461/, 2472/, 2842/, -ne 
476/, 645i(:), 1461/ (:). 1813/ (:), 1819((:), 2249/; ace. .fi€fi 
2248/, 2331/, -ne 889/, 978/, 983/, 2167/, 2451/, 2838/. De 
dat en ace. op -fi^ kunnen ook reeds als vormen der sterke 
deel. worden beschouwd. Dat deze sterke deel. in I werkel^k 
reeds naast de zwakke bestond, bl^kt uit nom. Bruun 510/, 
525/, 776/, 850/, 2020/ (:); voc. 480/, 624/, 1901/(:), dus ttq 
dikwgls, hoewel de zwakke vorm nog de overhand heeft; gen. 
'S 2466/, 2987/; dat -n 479/, 931/, 3420/; ace -n 544 , 
911/. Deze sterke deel., die door het anders zoo behoudende 
hs. a en door de twee rgmen toch wel bewezen wordt, was 
zeker mede onder den invloed van het bnw. brwan en van den 
CHra. naam Bruns ontstaan; 1 heeft zelCs uitsluitend Brunuë, 
niet meer Bnmo , sooak de Isengrimus en de Beinardus ?an Mone 
(Grimm, R. F. CCXXIU*)). In U nom. -n /696 (:)(?), /1933 



1) VolgwM a^ Udüf , ü» pjb. 66; otw deo vorm lêtfrim jlmmfrimê) 909S/. 
Sai/(?) ii« tU. 196. 

i) VolgMt Graf S SIS io« ook ia hst Olut mmI Brem r«di Brem voorki 



74 

(voc.)(:), /2024(:), /2055 (:)(?), 3805, 8969 et passim; schgn- 
baar komt de zw. nom. op -e niet meer voor, maar /696, 
/2055 moet zeker -ne gelezen worden: immers de zwakke verb. 
was nog bekend, is althans niet altgd veranderd blijkens 
de cas. obl. : gen. -nen /2484, /2841 , /2979 (I op de 1« en 
3e plaats -«, welke sterke gen. in II niet schijnt te worden 
gevonden); dat. -nen /509, /586, /741 , /817| /854, /2466, -itf 
/1839(:), -n /734, /1503(:), /18(i3 (:), /3479, 3962, oiaar op 
de beide in *trijm staande plaatsen moet -n^n) hersteld worden; 
ace. -nen /876 , /962 , /2469 , /2830 , -ne schijnt in b niet voor 
te komen, maar moet misschien vaak hersteld worden uit -n 
ƒ507, /867, /1002, /2272, /2357, /3409, 8727, ens. 

Hermelttie ^) in I nom. -«; dat. -en 3225/; ace. -en 1S59/, 
3087/, 3099/; in II nom. Ermelijn /1379, /1449, /1467, /2487, 
/3111. /3183; dat. -nen 7750, -n 3925; ace. -n /8079; al de 
schijnbaar geapocopeerde vormen rijmen op pi/n, vfoeêtijfif wd* 
pekijn^ of pron. poss. postpos. : apocope is dos mogelijk, maar 
niet waarschijnlijk. 

(Ha)er8(w)int (alleen de met: gemerkte in 't rgm) in I nom. 
Hersuint 2899/, Haersint 242/; gen. Hersenden 2937/ (: Mndm) ; 
dat Hermindeii 2920/, Ueraeiiden 3421/, Haersenden 2868/, 
Harsemün 2121/ (.-kinden), Arsenden 1975/; ace. Yswendm 
1Ü49/. lu II nom. E{e)rswinde /2887, 6451 (:), 7618 (:), Eer- 
swijn /246 , 6409 (:) ; gen. Eerswinden /2923 (:) ; dat. Etrmynden 
'1664 (:). Eersswynde 3423; Eerstoijn 12906; ace. Eerswinde 7 32b{i). 
Bewezeue, of althans waarschgnlijke normale nomin. sgn dos 
voor I Herswint. voor II Eerswinde en Eerswijn. 

Andere eigennamen. Canticlere nom. 291/ (niet:), /fetnaerrfuie 
ace. 1409/, Ruinen^ Widelanken ace. 1921/, Boudewijn nom. 
5693 -), Lam/reiiU ») dat. 645/ (X 't /699 ?), ace. 699/ , Abrtoen 

1) Over de k «an het begin lie Ojb 196. 

2) BnUwtHi werd regelmntig tot BouduHc (K , t. a. p. 345); NI. Boudewijm, lid. 
BaUiciH, EIterwem, Tramt wein , tnt. berusten volgens Prof. Kranck op volkaetjrmo- 
logie {wijn vinum), of op invloed van de Ijat. en Fr. vormen BaidminiUt B*iÊd{o)wm, 
Van apocope is hier dus eigenlyk geen sprake. 

S) Over 01 X «t sie bov., bli. S6 , noot 8. 



75 

dat. 5337 y 5363 (; coen^ U doen^ dus waarachijnlijk •€ te 
herstellen), Ooodê gen. /3007, 4134, 6873 (aUe niet:), Gode 
dat of aco. 4132, 7517 (beide niet:), 5341, God dat (of ace 
als appoe. bij een dat zie bov., blz. 73), 7188 (F. 178.4, 5); 
Coppen X -tu gen. 305/333 , 307/335 (beide niet :), Corbout dat 
of ace. 4353, 4655 >), Julocken ace. /1316. 

Plaatenamen. Maupertuus heeft in dat. of ace. in I en II nooit 
eene -e 514/, 1065/, 1357/, 1375/, 1425/, 3080/; /1377,/3072, 
3515, 3747, 7739; evencoo de datieven Mampelier 1155/1179, 
5937 (?), Gent 92/102, Provijn 4038, doch 7Vi^5331 {: manier) 
moet seker met -e aangevnld worden , immers ook de nom. luidde 
Triere (sie ook r 4877 Trere); Jordane ace. 2643/2655 (II 
apoc.?), Pavien dat /23; Rome dat. in I op -€, in II op ^en 
2724,5/2736,7, 2750/2753, 2798/2794, 3686, 4534, 4538, 
7701. Over Kriekenpit^ •putte sie bov.. blz. 27 en 65. 

B. Adjbctiva. 

ILpmemj^ 4er -c by Ja-, I- ea «-staaiaieB (vgl. F. 201 , 
t a. p. 80, 339). In I is hienran geen sprake; wel van den 
oorspronkelijken nom. zonder -e der t- en u-stammen met 
lange stamlettergreep , welke naast de jongere, naar analogie 
der /a-stammen gevormde met -« blijven bestaan, zoo: stüoer 
1855/, 1870/. 2022/, 2197/ (; daer, naer en de laatste plaats: 
tcaer (verum), wat hier bewijzend is), en evenzoo in II /1592, 
2217, 4585, 6365; traech 1900/, 2719/ (beide: maech nom.), 
maar ook -e 1176/ (niet:): verder in I ook edel 991/, 2553/, 
2201/2221, 5553 (alle voc. of nom., maar niet:); zie F. 203. 
II heeft nog meer gevallen van dergelgke êckgnbare apo- 
cope: kooch /1584 (;o/oocA), 6913 (niet:), welken vorm zouder 
-e ook I reeds als adv. gebruikt 1546/. — soet hA%Z{:boet) is 
mogelgk, doch niet bewezen (zie bov., blz. 69, noot 1), 7741 
{: te voet) zal men echter wel niet anders kunnen lezen (of is 

1) Orvr amUmêi(4) 1146 lie bov^ Ui. 71; ow Aêk(ryooi(ê) iSOi ( / tptêifêtmo^i 
bov.. Ui. 00. 



76 

te voete naast te voet (b^v. 5419, 7011, beide:) denkbaHT?); hier 
moet men dus of den ouden vorm zonder -« (sie echter F., i 
a. p. 341, uoot), of latere apocope aannemen. — wiltlSlfil (:gki 
tailt), 5835 (:ghevilt), dus bewezen (trouwens ook in I reeds 
271/ (niet :), zie F., t. a. p. 342). — onghehiêre wordt in ghiêr Ter- 
anderd 414/442 (:vier quattuor) , wat öf met -«:« kan gelenn 
worden , of de onvorbogen vorm van het als znw. gebruikte bnw. 
na die is (vgl. b^ F. 211 de gherecht)^ waarop wellioht het 
znw. ghier (vultur) niet zonder invloed gebleven is. — int apem^ 
boer: mi selve maec ie voor een maer 5097; de tweede regel is 
zonderling: mare geeft, noch als » gerucht**, noch als > merrie" 
opgevat, hier een zin (tenzg men by het laatste denke aan het 
latere meer > nachtmerrie , tooverkol , vrouwmensch, feeks**); Praf. 
Franck wil lezen voren (vgl. byv. 5322) en maer als adj. op- 
vatten (»mij zelve noem ik het eerst," vgl. bijv. 5822); men 
kan de plaats met of zonder -e lezen (zie F. 201 en t. a. p. 
341), openbaer verder 5442, 7522, enz. (niet:). — ghewoon 
6071 (: tot sijn verdoen); apoc. is wellicht mogelijk (zie bov., 
blz. 56, noot 1), zeker niet vereischt. — ghemeen 4150, 4158, 4916, 
5503, 6954 (alle: alleen on i?^en pi ur.), dus geenszins bewezen. — 
vreemt 4837, 5634, 5927, 7221 (alle niet:) i). De beweien 
oude vormen zouder -e zijn dus zeldzaam , en die met -« komen 
in b ook herhaaldelijk voor, zoo milde , blide , ') blode enz 

In purpervaer 540 1 ( ; voor waer) zal men echter apocope moeten 
aannemen: immers ^vare uit farwa^ faro is in het Mnl., waar 
de -é niet, als in het Mhd., na korte voc. 4' ^ afvalt, de nor- 
male vorm. — Bewgzen voor de eigenlgke jongere apocope bg 

1) qmit wordt door /270 (.- pèrdidU) wel bewezen (/S88.- Aérmijt bewQrt nkU), 
V, Gr., gl. geeft het dao ook naitt qidfe op; mtar ali rreemd woord tUat hat op 
zich zelf; ook het Mhd. heeft quU. 

2) Orer bii /2982 zie bor., blz. 48; orer de alt adv. ten deele beweune ameJU, 
iont^ enz. zie ben., blz. 82; zy onderftellen toeh wel een (oaden of jongeren) vorm vaa 
het adj. zonder •#. Gevallen all prooM /8907(:). gheumer / 1725 0), /1M7(:), ênmj 
/3884, 4484, dun 6469, enz., die alleen m het verf of in rijmen zonder htmi^ 
kracht voorkomen, heb ik hier nitt vermeld: allatn dia, welke altkana mog«lyk 
•chijnen of dikw^ls voorkomen. 



77 

de /a-stammen zgn seldzaam : niet bewesen zqd : cUen panim 
(; alleen t been plar. en dgl.); êcoon 5459 (: onder shemeU 
ihro<m)j 6666 (; U €U>en)\ eoen /1577, (óf volgens b met aan- 
TuUing van -€.* -«, óf met M. naar p'te lezen), 4279 (:6aroen 
pi.)» 5337 (: Abrioen dat), en passim: te doen; reen wordt 
evenmin door 6458, 7312 (niet:) beweien, maar wel door 
4787 ( ; steen ace sg.): evenzoo is rijc /2579 , 5538 , 5553 (beide 
niet:), 7194 zeer tw^felachtig ^) , doch 4628 (: onghelijc znw. 
ace. sg.) onbetwistbaar. In het geheel dus twee zekere gevallen; 
de volle vormen komen dan ook zelfs in b nog dikwgls voor, 
bgv. cUne /3130, nutU 5974 (beide:). 

Over de eigenl^ke verbuiging hier slechs enkele opmerkingen , 
daar hier zeer zelden iets door het rgm bewezen wordt en er 
op dit punt groote verwarring schgnt te heerscben >). 

■aae. Nom. sg. op -n komen in a en b voor; in hoeverre 
deze anorganische vorm wellicht reeds door beide dichters ge- 
bruikt werd, is niet uit te maken. Na em in b soms reeds 
(F. 202) de verbogen vorm: een trotnoe vrietit 4555 (meest on- 
verbogen , bgv. 7059 , 7505); omgekeerd na die onverbogen : die 
ruul ratijf 5274. 

Ace. sg. Onverbogene (uit den nom. overgenomene) vormen in a 
en h: vul aflaet 2770/, 2801/; groot vederelach^ lof, lachter 
/1885, /3317, 6016, subtijl roet /1426. Bewgzen goede \\Q9>Q, 
eerête 3771^, die meeste 5530 en dgl. iets meer dan de slor- 
digheid des afiKhrgvers? goedertiere X -n 2337/2363 (nom. pi. 
-fi in I en U 3067|3059 (beide:)). 

Gen. sg. Sterke vorm op -# na d^, ook in II: utoes goets 
raetê 548/, tn eens artms ziets wise 1318/; des edels houts 5627. 

Dat sg. slapende /129 en dgl. alleen schrgffbuten (?) ; arem 
man 773/ zeker ab een geheel beschouwd; veruniten /2744 uit 
"Snen gesyncopeerd, groot 7457 en dgl. uit nom. overgenomen. 

Nom. ace. pi. Enkele onbewezene vormen met apocope der 
-e: groot /2769, gevangen ;8437 (sync. uit -ai^?), subtijl 6644. 

1) /S7S8 tf wMfwb|BMpE btdorfoi. üê Qjk. Sl. 

8) kWrnm éê êk Modnig wn— Uit pJMtw éUm ia M f%aL 



78 

Dat. pi. Enkele op -e /2477, 4660 öf slordigheid des a&chr., 
óf als ace. opgevat? 

Meutra. Nom. ace. sg. Na de pron. poss. in b reeds (F. 202) 
meestal -6 /S3, 4326, 6085, 7788 (c; b: zonder -e). — datwaer^ 
zelfst. gebruikt (»de waarheid"), is het gewone /1906y /3147, 4019, 
4173, 4612, 5912 (alle:), 6637 (niet:), geen van alle Tolkomen 
bewezen, maar de meeste toch waarsch^nl^k ^); volgens F. 211 
zouden dat waer en dat ware beide even goed mogel^k sgn, 
doch naar analogie van secht waer 170/, 673/, 1391/| 2654/, 
2664/, 3695/, 4288, 5550, 5766 (alle:, behalve 673/), sal dat 
waer wel overal aangenomen moeten worden. 

Dat. sg. overlopende /1755, alleen slordige spelling, of met 
slapende (zie boven), menige dat. pL neutr. /366 en dgl. misschien 
een bewgs , dat bij part. praes. en na toonlooze lettergrepen de 
-w gemakkelgk afviel? van verren X -e 979/1013, 1046/1071. 

Pem. Nom. ace. sg. Enkele vormen zonder -€, vooral groot, 
ook in I 2588/; /2470, /3401, 3644, 6848, 6950, 7094 (sie 
F. 202); maar ook andere bnw.: nom. 6714, 7345 (c: -f), 
ace. /619, /948, /1381, 4335.3) 

Gen. dat. sg. I meest -re; II -^r, maar na n ook -re: Heenre 
/1186, opgelokenre 3569, zoo ook scoonre^ edelre^ enz. Sen 
enkele maal -e van goede sede /3061 (of is dit ace.?); ook in I 
niet ere verbolglvenlike tale /79 (na eene toonl. lettergr.). In den 
compar. ook in II nog meest -rr6:«tiya^rr«/2326, Mifeerf«|3190(?). 

C. Pronomina. '). 

Personalia. I. Ace. (of dat. ?) sg. mijn 4625 (:)*), 5107. 

1) 4ti38 heeft b: twaren, p: dat waer, M.: iware, wat hier ook beter p«tt daa 
tie Irxing van a of b. Omgekeerd f taat 6377 tw€ter ( ; dner), waar men twarem f erwaeht ; 
moet men hier lezen: ttraren: riare? Maar de geheeie regel ïb bedorren (zie Tydaehr. 
2 77); evenzoo 4831. 

2) Drzc vormen ryn , g^lyk bekend 'w, niet altyd jonge apocope-vormeo;zy kaBoea 
o|) oude onverbogen vormen berusten; vgl. Branne, Ahd. Krarnn. f 247, Paal, Mlid« 
gr $ 129. 

3j Alleen de aU zoodanig vermelde plaatüco staan in het rjjm. 
4) Verrooedeiyk is deze plaats eehter niet in orde, zie Ojb. 97. 



79 

II. Gen. pi. uwes /1204, 6558 (beide tsd één persoon), uu?^ 
/1973(?), 6493. 

ni. Nom. 8g. fem. êoe komt in I passim, en naar ik meen, 
oitslaiiend Toor, in II niet. Dat sg. masc. heme wordt door 
II Termeden 3090/3082 (in I in 't rgm ; door II blgkbaar hierom 
Teranderd) ^). Dat. ace. sg. fem. haer met apocope der -e is 
in I zeldzaam 8106/; in II bewezen door 3696- (: êeit wa^r), 
5289 (; voorwaer)^ (ook door /243| 3602; ja^r ace. pi., mu- 
baer?)^ in strgd met P.'s bewering, t a. p. 335, dat haer 
nooit in 't rgm staat. Orer hore^ hoor, huer zie boT., blz. 7). 
Gen. pi. fem. haerre in I en II niet ongewoon 151/159, /2455, 
5118, 6962. 

Pa— esa t Ta. In I is de rerboiging rrg regelmatig, maar 
toch Tindt men na het nw. in de cas. obl. ran het mann. en 
in het rrouw., kortom in alle nr., ook onrerbogen Tormen mijn , 
Jt/fi, sijn^ in II zgn deze Tormen zelfs de gewone. Door het 
rgm kunnen deze Tormen natourlgk alleen bewezen worden bg 
sterk enjambement en wanneer het pron. achter hetsabst staat, 
en in dit geral worden ook bewezen: in I mijn 1138/, 2751/; 
in II: mi>i/ll62,/1432,/3358, 3510, 8647, 3879, 5315, 6116, 
6196, 6230, 6240, 6665, 7550, 7645, (/1449, /3080, /3410; 
Ermelijn, Isegrijn ace. twgfelachtig) ; êijn 3496, 3970, 4468, 
4808, 5694, (/2469, /3372, 3926, 6623; pijn, BMyn, Er- 
melijn in cas. obl. twgfelachtig) (alle:). In I zgn dos voor het 
znw. de rerbogen Tormen regel (rgl. bgr. bg enjambement 
minen dat sg. neotr. 2283/(:)), en worden de onverbogen Tor- 
men alleen na het znw. toegelaten, hoewel de rerbogen Tor- 
men ook daar de gewone zgn (412/, 504/, 744/, 1291/, 1310/, 
1406;, 1858/, 2451/, 2677/, 3376/, aUe:); in II (althans inb) 
zgn de onrerbogen Tormen niet alleen na, maar, naar 't schgnt, 
ook voor het znw. regv^l (daarnaast blgren nataorlgk de rer- 
bogen Tormen bestaan). Deze onrerbogen Tormen behoeren 
echter niet door jongere apocope ontstaan te zgn; Tooreerst is 

1) ü^ pi. hm. door Vtrw^. Mal. ftprttkk. mit 11 (760 aaagf^btald , Wrut op 
▼orkccrdo l«iaf fM W.; bIL: ktm. 



80 

bg cUle pron. poss. de onverbogen Yorm (overeenkoinende met 
den gen. der personalia) vanouds eigenlgke de normale, biJT. 
in het Ohd. in den nom. sg. van alle geslachten , en Tftn- 
daar in andere nv. overgebracht ^) ; ten tweede is bepaaldelijk 
bij het pron. poatpositum de onverbogen Torm in het BfnL 
vanouds regel (waarnaast de verbogen vormen op -e en 
^en voorkomen, zie F. 208.1, 222); en ten derde kon mmen 
enz. worden gesyncopeerd tot mt}n, welke vorm dan weder in 
de andere casus overgebracht kon worden. Men behoeft dus 
noch wanneer het pron. voovj noch wanneer het na het sabst. 
staat, bij mijn en dgL aan jongere apocope te denken ; evenwel 
zal zeker de geringe klemtoon, dien dergelijke pron. poss. , voor 
het subst. staande , hadden , en hun veelvuldig gebruik giooten 
invloed hebben gehad op het in gebruik blijven dezer kortere , 
on verbogen (schijnbaar geapocopeerde) vormen: de verbi^^n 
vormen zijn door dit alles hier vroeger dan in andere gevallen 
verdrongen, en later alleen kunstmatig in de schrijftaal weder 
iugevoerd. Schijnbaar heeft men hier dus eene apocope, die 
in I reeds in begin aanwezig, in II veel meer veld gewonnen 
hoeft, terwijl men werkelijk met oude onverbogen en met ge- 
syncopeerde vormen te doen heeft, die gesteund en algemeen 
geworden zijn ten gevolge van eene jongere apocope , ontstaan 
onder invloed der toonloosheid '). Zooveel is zeker, dat de on- 
verbogen vormen in het latere Mul. hoe langer hoe meer in- 
dringen en de volle verbogen vormen verdringen : men heeft dus 
iii dit geval stellig geen recht, overal de volle verbogen vormen 
critisch naar de grammatica te herstellen. 

De verdere verbuiging der pronomina is in a vrij correct, in 
b deerlijk in de war : allerlei oudere en jongere vormen staan er 
naast elkander; welke vormen de dichter gebruikt heeft, is hier 
uit de rijmen niet te beslissen, daar er meestal slechts van 

1) Vgl Kraunr. Ahil. KCtmni. § 284—6. 

2) Vgl. ovrr ileMlfilc ri*i'ils vroeg xirh fertooneDde onverbogea fomieD der prott. 
p(»M io het Mhtl.: I'tul. Mhd. gr. § 143, BariMh. Bciir. s. kritik der Kodm 
(üerm 10.60). 






«1 

het al of niet aanroegen eener n sprake is; slechts enkele op- 
merkingen dus. t/ voor alle nv. ook reeds in a 949/, 1839/, 2918'. — 
Zeer gewoon is. ook in a, de vorm mxnen, desen enz. in den 
nom., volstrekt niet alleen voor vocalen (F. 223, Anm./*, om- 
gekeerd heeft b onophoudelijk die enz. in alle nv., zelfs in den 
dat. plur. — Gewoonlijk miere ^ gheere ^ eert X r^fjnre enz. (dijnre 
ook 2623/) ; de laattrte vormen houden in b veel beter stand dan 
minen , enz. ; de uitgang -re was natuurlijk karakteristieker en dus 
taaier dan -«, -en. — Das gen. sg. neutr. alleen 31 15/3107 (:) 
(3023|; en is het van den afschr.). — De alleen in a , niet in b. — In 
b vele apocope's als deen^ geen enz., nooit bewezen. — Dikwijls heeft 
het , anders zoo conservatieve , hs. a den ace. dit , dese , ene , waar 
b nog den door het voorz. of het ww. geregeerden dat. dier, deser^ 
renre heeft. — (Die) gone alleen 5004 (:), zie bov., blz. 38. — Wie 
als nom. (-hij, die; al wie) 4129, 5884, 7760, 7789, 7791. — 
Naast nome in 1, en ook in II 3740 (:), ook som 2191/, ƒ3051 , 
5118 (: om), ook in sg. 7779; evenzoo somich en sommich in II. — 
f\elve nom. sg. masc. 3615, 4973, dat. /252, /967; self nom. 
sg. m. /3308; selver nom. sg. m. 5866, 6115, ace. 5684, dat. 
/194, 1086; (sijns) selfs (in I nog vaak -r^«) passim. — Niemene 
nom. 1349, 1754/, ace. 130, 2222/, 2387/, 2600/, alle in 
I ; iu b in alle nv. passim niement^ doch nooit bewezen; even- 
zoo is het met alleen (-e bijv. nog Qi\^&: henen) en reel^), — 
Beede (X ^0 dat. zouder -w 875/, 2890/, 2903/; 2720, /2912, 
7337, steeds voor of achter een pron., evenals alle in hetzelfde 
geval (zie Verd. 1.765). — Ander gen. sg. masc. in I 1165/1189, 
2934 2920, in b -en of -*; ander on verbogen in b in alle nv. 

Hierby sluit zich geleidelyk aan, wat er valt op te merken 
omtrent de apocope iler -e bg de adverbia en partikels (alle plaat- 
sen staan hier weder in het rym, tenzjj het tegendeel vermeld is). 
Adverbia van adj. afgeleid komen niet alleen in II , maar ook 
in I zonder -€ voor, ook in het rym: in I hooch 1546/, snel 

1) 0074 M mm mdttm fiWikMl via W.. eveoaU byv M48. 




82 

3422/ (en buiten het rijm licht 3035/, recht 282/, 3410/ en 
dgl); in II hloot 4969, 5980, vlaer 4151 i?), 4680 (?), 5827, 
6465 (?), 6708 (?), licht 4601, 5477, 6447, êachi 5152, detht 
/2955, snel 7028, soet 3831, 5463 (?), vast /1221 , enz.; vol- 
gens Fr., t. a. p. 342, bewijst dit echter niets, daar de ace. 
neutr. en in het algemeen de vorm van het adj. vaak als adv* 
gebruikt wordt; van apocope is in dat geral geen sprake. Dat 
woorden als ghemeene^ openbare^ welke als adj. in II geene 
apocope toelaten , dit als adv. evenmin doen , spreekt Tanzelf : 
de apoc. wordt althans nergens bewezen , zie bgv. gh. /1433 , /1607, 
,'2762, 4916; o, /1888, /2245, /2657, 4313, 5i09. 

Adv. op 'like komen in II buiten het rijm reeds zeer vaak 
in den vorm -///V, -lic voor, in 't rijm zelden: ghierichlijc 6347 
(: int slijc). 

viere ^ meer (en emmer- <i nemmer-) stonden vanouds naast 
elkaar (F., t. a. j). 347). ^:ii komen ook beide in I voor; men 
schijnbaar alleen in I (102|, 3193/), maar op vele plaatsen 
in II schijnt mere door den afsehr. geapocopeerd te zyn, en 
dus hersteld te moeten worden /1312, /3169, /3463, 3652, 
4941, 5198, 6017, 0067, 7592 (evenzoo wordt mee, dat in b 
dikwijls iu meer veranderd is, door talrijke r^men voor II be- 
wezen). 

Evenzoo stonden ere (mi eer vanouds naast elkander ; I kent 
dan ook beide, 11 schijnbaar alleen eer: ere 101/, 3194/, eer 
3046/; ,111, /3038, maar deze laatste twee plaatsen kuntien al- 
thans ook nift ere gelezen wonlen. 

n)ie, av , ani. ave in I 814( (en 442/, 3336 en dgl., niet:), 
wellicht ook in 11 o^M-l , 6525, waar apocope niet bewezen is; 
(/;/ in 1 en II passim, mn alleen in II, nooit in I (alle ook:}. 

ure. aj\ of, are in 11 nojif 5305 ^hoeji': (faejiacc, sg.), over 
(/ƒ (in 1 en 11) en e/ (alleen in 11) zie bov., blz. 7. I wyki 
hierin dus af van Mat'rlant, die wel eveuzoo oen noch in noch 
buiten het rijm kent, doch oj reeds bezigt, ook in 't rym 
(t. a. p. 334 en 335). He ojjgaven van het Mnl. Wdb., dat 
ane y </// , aeu en ave ^ aj, oy* onverschillig by dezelfde dichten 



83 

door elkander gebezigd worden, en dat ane meest bg oudere, 
OW en oen meest bg latere schrijvers gebonden worden . zyn dus 
niet geheel juist: bet oudste zuivere Vlaamsch , waarin I ge- 
schreven is , kende noch aen noch of (ook niet buiten het 
r)jm), daarentegen wel an (naast ane ^ en af naast ave)^ door 
elkander wonlen de 3 vormen der beide woorden dus alleen 
in werken van jongeren datum gebruikt. De verklaring vau 
dit verschgnsel is bekend: an is ontstaan door oudere , a^n door 
jongere apocope (na de rekking der <1 tot tï); af was de be- 
klemtoonde, of de toonlooze vorm *), welke daarom noch in 
samenstellingen, noch in het riJm thuis hoorde, maar later 
daar is ingedrongen (F. 13. Anni. 1, en 67). 

(iore , dor, door. Als adv. dort nog in II 3833, en waar- 
schijnlyk 0150, 7045, waar apocope niet bewezen is; door in 
't vers ook 4365, 6227, enz., doch in 't rijm niet bewezen; als 
praep. in I dor^ in II door^ natuurlek evenals alle praep. onbewezen. 

rare, ror, voor. Als adv. in I vore 1618/1632 fen buiten het 
T\]n\» zie gloss.): in II voor 4508 (: provisoor nom. sg.), 7046 
( : door), waarsohyniijk moet men op beide plaatsen de -e aan- 
vullen , of rorfn (:'Orf^ zie bov., blz. 57) lezen, dat als adv. 
in I en II zeer gebruikeljjk is, hoewel niet uitsluitend. Als 
praep. schijnen I en II alleen roor te kennen , niet ror. Maer- 
lant gebruikt dort, dor door en rore, ror, roor. doch in het 
rgm alleen dore en rore , en als a^lv. alleen dore (?) en rorfn 
(F., ZfdA. 26.335, 24.356). 

medf , met, mede in I en vooral in II passim; met (adv.) 
r>04. 1228 , 2113 (alle drie niet:); /3452 (b ook eenige malen 
wftd , dat toch wel nooit bestaan heeft). 

utf , uut. ute nooit in 't rflm (zeker toevallig, of omdat er 
i»einig ri'.mwoonlen waren), maar in I buiten 't rym zeer ge- 
woon, bijv. 52l\ 1826/, 2379/, in II niet meer; uut in I en 
II beide herhaaldelijk in 'trgm, doch hier is geen sprake van 
a|<KO|e: \an oudsher stonden, o. a. in het Got, Osa. en Ohd. 

n V|[t Ap. mêf- en hf 



84 

de adv. ut >foras** en tUa »foris" naast elkaar, welke al spoedig 
verward , en als praep. gebezigd , ook in *t Ohd. naast elkander 
üz en iize opleverden. 

tote X ^ot doorgaans , doch natuurlek onbewezen. 

omme, om. omme in l en II: 2443/2461, 7726 (en 6168 
en dgl., niet:); om in II 5117; buiten het rym in II, en ook 
in I passim. (Maerl. vermijdt om in het rym.) 

inne nog in II 3663. 

harCj haer (huc). hare in I 2646/ (3244/ niet:), en wellicht 
in II /2658, 4293; haer alleen in II 4020, 4447, 4611 (Maerl. 
in 'trijm alleen hare (zoowel het pron. als het adv., ziebov.,blz. 79). 

harentare in I 1622/, 1705/, 2061/, en waarschijnlijk in II 
/1636, /1725, 4406, 7096. 

dare , daer. dare nergens bewezen , doch mogelijk /2606 , 
6200, 7138, 7181 , daer in I en II passim; ook hier berust 
de vorm zonder -e niet op apocope: uit vermenging van dara 
en dar zijn beide vormen geboren, zie Franck, Etym. Wdb. 
i. V., en t. a. p. 335. 

nare, naer. nare 2373/ en wellicht /2226, 3842, 4152,5556, 
6199, 6466, 7182, waar naer, hoewel soms zeer waarschijnlijk, 
toch niet bewezen is ; 7iaer (eo na) in I en II passim (hier is 
de vorm zonder -e toch wel de oude oorspronkelijke, die soma 
(naar analogie van dare) eene -e heeft aangenomen?) 

danen, dane, dan, daen. I uitsluitend danen (ook 2799/, waar 
M. van dane drukt, heeft a danen); II soms van danen o. a. 
6611 {: wanen infiu.), maar meestal van dan /2603, 3952, 
6580, of van daen /523, 6439, 6526 (en /2738 , /3141 niet:); 
6439 , 6526 moet daen wellicht in dane veranderd wordeQ. 
Danen en dane zijn twee woorden, met verschillend suffix ge- 
vormd (Ogerni. thanait(a) en thana\ dan is oude apocope uit 
dajie^ maar daen kan of jongere apocope uit dane, of syncope 
vau danen zijn , en is dus geeu zeker bewijs van apocope. 

wanen, wane , xcan, waen, I uitsluitend wanen, II wan 6595 
en waen /1217, /2160, /3345, 6021 (alle niet:); zoowel wanen 
als wane is dus voor II mogelyk. 



■M 



85 

heneji^ hene , hen, heen. l uitsluitend henen ^ II henen /1594» 
/3351 , 3758 , 5042 , 5600 , 6252 , 6435 ( ; aUene(n) , al de overige 
niet:), hene 1573 (d), hen korat niet voor, heen /I573(b), 3599, 
4050: het laatste kan, evenals waen^ weder door apocope der 
-ff , of door syncope van -nen tot -n ontstaan zijn (zie Franck , 
Etvm. Wdb. i. v. dan en heen\ Waarom hetien zooveel meer 
gespaard blijft, dan danen qh 'wanen, is mij onbekend. 

danne^ dan. I danne o. a. 21 13/, II schynt het niet te hebben. 
Onbewezen zjjn ten slotte de passim voorkomende geapocopeerde 
vormen Beer, woel (5208; dat tcaiermael bewijst niets, daar dit 
woord oorspronkelijk fem. (die male) was, zie TLB. 1.51,53, 
Kern, Lex. Sal.* 50) en die (7253: ^o.wat êtic alleen in c; b: 
dirke: Btuke, wat ook veel waarschijnlijker is, ofschoon een ace. 
sg. of zelfs gen. pi. siic hier wellicht niet onmogelijk ware (F. 185) ). 

Haarlem , üctober 1886. j. w. mullke. 



VAN SINTE BRANDANE, 

VB. 1 37-- 260. 

In de Middel nederlandsche redactie der Brandaan-legende komt 
eene episode voor die aanleiding heeft gegeven tot tegenstr^- 
digc meeningen aangaande haar oorsprong en beteekenis , na- 
melyk de verzen 137—260. 

Men kan het daar verhaalde aldus samenvatten : op het 
oogenblik dat Braudaan scheep zou gaan , vond hg een doods- 
hoofd van reusachtige afmetingen. Brandaan bezweert het, zyn 
vroeger leven te verhalen. Ik was, zegt het hoofd, een heiden 
en een zeeroover: 

» Ie waa groet eode straoc , 

Eode ie waa wel C foete lanc , 

Dus woedic in die diepe zee , 

Eode dede den gheoen wee. 

Die hier op die lee baren 

Met toepen wilden varen.** (?•. 157—162). 



86 

f Ten slotte kwam hy in een storm om, en voer ter helle. 
Brandaan vraagt hem , of h^ zich niet wil laten doopen , ten 
einde uit de hel verlost en het Paradys deelachtig te worden. 
De doode weigert evenwel, en betoogt met klem van redenen 
dat hij by eene verandering van zyn toestand niets te winnen 
heeft: werd hy gedoopt en zondigde hij opnieuw, dan zon hg 
in het hellevuur veel gestrenger gefolterd worden , dan nu het 
geval was ; en nog meer vreest hy , opnieuw de angsten des 
doods te moeten doorstaan : 

»Al ware al de werelt dgn, 

Ende soe oec ware roet ghuldyn , 

Ënde ghi se mi mocht gheven , 

Ënde daer toe met blischepen soude leven, 

Noch II°i. der jaren , 

Ie en naemse niet te waren , 

Dies gheloeft, dor den noet, 

So Bterc is die pine der doet. 

Dies willic weder varen 

Te mynre harmscaren ') 

In die deemstemesse." (va. 241 , 251) 

Brandaan geeft hierop aan de ziel vrijheid te gaan waar zy wil : 

»Du8 voer die heydin man, 

Aldaer hem God ghejan , 

Ter stede daer God woude ," (vs. 255—257) 

en Brandaan begaf zich naar zyn schip. 

Deze episode vindt men niet terug in de, trouwens verkorte, 
Hoog- of Nederduitsche redacties van het verloren Duitsch ge- 
dicht, waarnaar de ranl. auteur werkte. Verwys was van oor- 
deel , dat ook deze episode naar een Duitsch origineel vertaald 
werd, zich beroepend op het woord harmschaer dat tweemaal 
in onze episode, en evenzoo later in het gedicht voorkomt 
( VS. 240, 250 en later 1143, 1599); volgens hem was dit woord 
niet van Nederlandscheu oorsprong. Deze meening is inder- 



1) Verbetering van Dr. De Vries ; zie Verw|ja, in Verilagen en Meddd. d«r Ko" 
HinJkl. Jkad. LUUrk. %t reeki, II. 238. 



^ 



87 

tijd door Dr. Kera bestredea {Verêl. en Medeii. 2« reeks, II, 
229). Een ander ooderzoeker, Suchier, die ia Boehmer's Roma^ 
nisrhe Studiën de Brandaaa-le^eoden behandelde, vond de mee- 
ning van Verwys onaannemelijk, om litterarische re<lenen : hy 
noemt de geheele episode »eine Betrachtung, deren Zusam- 
menhang mit Brandans Schicksalen zu locker ist, dis dass der 
Dichter selbst ihn hatte herstellen können". (Rom. Stud, I , 
562). Zoolang de germanisten het niet eens zyn over de her- 
komst van het woord Juirmschaer^ is de vraag moeilgk uit te 
maken. Twee opmerkingen slechts: vooreerst is het onmogelijk, 
juist om dat woord, dat ook elders in het gedicht voorkomt, 
en bovendien in de handschri fielt) ke overlevering verknoeid is, 
aan te nemen, dat onze episode het werk zou zijn van een 
ititerpolator van den mnl. tekst, en wel van den kopist van het 
eenige handschrift dat ons verhaal bevat (in het andere hand- 
SC 11 ri ft ontbreken de 300 eerste verzen). Ten tweede : het verhaal 
kan uit het Duitsch vertaald zyn, zonder daarom in het origineel 
geslHJin te hebben , waarnaar de schry vers van de door Schröder 
uitgegeven redacties werkten ; het kan door een Duitscher geïn- 
terpoleerd zyn in het handschrift dat onze mnl. dichter volgde ^). 

Fienig licht zal intusschen ont«ttoken zijn , wanneer wij weten 
uit welke bron de auteur van onze episode geput heeft. Ik 
geloof dat ik die bron kan aanwijzen. 

Bij een onderzoek over de Brandaan-legende in het algemeen 
raadpleegde ik Maerlant*8 Spietjhel , ten einde my te vergewis- 
sen dat Maerlant op dit punt van Vincent van BeauvaiB onaf- 
hankelijke bronnen gekend zou hebben. Ik bespeurde weldra 
dat dit niet het geval was, maar myn aandacht viel daarby 
op een verhaal dat by Vincent voorkomt, maar mij daarom 
niet minder interesseerde. Maerlant, zooals men weet, even- 



1) i^at oat rerhtal in het origioMl «airnair het MiddeldaiUche gedieht (de door 
Srhruder ailft^icrfm NederdtiiUehr t«ktt ii hiervan een uittreksel) en de Hoogd. pron- 
trUt bewrrkt werden roorkvam. U oowairaehynlQk , dair dete twee t«ktteo onaf han- 
kelyk vo elkander t^jo (Soehier, p 561) 



88 

als zyn voorbeeld Vincent , verwerpt de eigenl:gke Brandaan- 
legende; maar maakt van onzen heilige toch gewag bij het 
verhalen der lotgevallen en reistochten van den H. Malo (lat. Ma- 
chiites, Maclovius), wiens reisgenoot Brandaan geweest zou zijn. 
Hoe Vincent en Maerlant het met hun beginselen van critiek 
overeenbrachten , de eene legende te verwerpen , terwijl z^ de 
andere, niet minder avontuurlijke, opnamen, gaat ons bier 
niet aan. Malo onderneemt met Brandaan een zeetocht tot 
ontdekking van een geheimzinnig eiland , door de engelen be- 
woond , en Ima geheeten . Na jaren lang rondgezwalkt te 
hebben I ontdekken z^ een eiland waar zij een reusachtig graf 
vinden; op raad van Brandaan en z^n overige reisgen ooten , 
bidt Malo God dat hij den doode verwekker zyn gebed wordt 
verhoord : 

»Ende alee hi endde sine ghebede , 

Stont die ruese op van der stede , 

So groot, 80 lanc, dat eiken doch te, 

Dat8 niemene geloven en mochte'*. (III*, 56, va. 85 vgg.) 

Uij verhaalt dat hij op aarde een reus en een heiden geweest , 
en na zijn dood ter helle was gevaren; thans door Malo's 
voorbede verlost, wil hij zich laten doopen. Dit gebeurt, en 
nu vragen Malo en de zynen den reus inlichtingen omtrent 
Inia. De reus wist hen aanstonds te helpen : 

» Wilen , seiti , hier te voren , 

Doe ie die aee hadde vercoren, 

Ende ie wandelde dor die vloede , 

Doe saghic Ima dat goede." (Ibid. 57, vs. 9 vgg.) 

maar hy had, als heiden, het nimmer mogen bereiken. 

»Dic bisscop Machuut hem bat, 

Dut hi name daer ter stat 

Ilaren cabel ende troese dare 

Daer hi waende dat eylant ware. 

Doe ginc hi henen dor die vloet, 

Ende tooeh tscip also te voet 

Oft hise gebringen mochte 

Toten eylande, datmen sochle". (Ibid. vs. 19 vgg.) 



89 

De reizigeni werden evenwel , Toor zij Traa bereikt hadden , 
door een Rtorm teruf^geslac^en ; zij keerden naar het eiland 
terug waar Malo het graf liad aangetroffen; daar stierf de reas, 
en werd ten tweeden male begraven. 

Er bestaat een zeker verschil tusschen dit verhaal en dat 
van den Brandaen : Brandaan vindt een doodshoofd , Malo een 
geheel lichaam ; de reus in de laatste legende stemt er in toe , 
i ich te laten doopen , die in den Brandaen weigert. Over het 
laatste verhaal is eene zonderlinge , pessimistische tint gespreid , 
die in de S. Malo-legende geheel ontbreekt. Maar in beide 
verhalen is de uit de dooden opgestane persoon een reus , een 
heiden ; in beide wordt hij als bijzonder vertrouwd met de zee 
voorgesteld; in beide verhalen vindt men de karakteristieke 
trek van het waden door de zee. In beide verhalen doet de 
afgestorvene mededeelingen aangaande de folteringen die hg in 
de hel had te doorstaan. Dit alles maakt waarschynlgk dat er 
verband bestaat tusschen de beide legenden. Blykbaar heeft de 
vinder van onze episode het avontuur van S. Malo gekend, 
eenige omstandigheden , misschien onder invloed van andere 
verhalen , gewijzigd fwij komen op dit punt zoo straks terug), 
en , naar eigen opvatting , een geheel ander slot bedacht. 

Uit welk werk putte hy? Niet uit Maerlant; de 5. Brandaen 
is veel ouder, en wij zagen dat onze episode het werk niet kan zgn 
van een Nederlandschen interpolator. Maerlant vertaalde in deze 
hoofdstukken V^incent van Beauvais woonlelgk , en volgde zyn 
zegsman zoo getrouw, dat de uitgevers den tekst met behulp 
van het Latjjn van Vincent konden verbeteren ^). Maar de ronl. 
•S. Brandaen is ouder dan Vincent; de dichter heeft dus uit 
dezelfde bron geput als de Fransche encyclopedist. Naar die 
bron verwgst Vincent zelf door de woorden e peêtis S. Machuti^ 



1) Ik merk dit op. omdat Sachier (bli. 501) irgt: .Verwet, S 241— 2. ist also 
brrrrhtiict, dju ndl Gf^icht aod nicht die NnwigtUio alt Maerlanta Qaelle anxu* 
•«hca". VenrQt seidf dit niet en hy had gelyk. Maerlant achyot het gedicht en de 
Smm^io niet gekcad t« h«bben ea rertaalde Vi&cent woordelyk. 



90 

door hem aan het hoofd van de paragraaf geplaatst die han- 
delt over Malo. Er bestaau verschillende levensbeschrgvingen 
van dien heilige: die, waaruit Vincent putte, is in 1613 door 
Jean du Bois (Johannes a Bosco) in zgne Bibliotlieca Floria^ 
censis uitgegeven (p. 485 vgg.). Het is niet noodig dat verhaal 
afzonderlijk te behandelen; evenals Maerlant Vincent vertaalde, 
kopieerde Vincent de Latijnsche biografie, hier en daar eenige 
zinsneden verkortende. 

Er zouden hier, wilde men de Malo-legende opzettelgk be- 
handelen , verschillende opmerkingen te maken zyn. In welk 
verband staat de Malo-legende tot die van Brandaan? Vanwaar 
die merkwaardige inwerking van de eene Keltische legende op 
de andere? Doch deze punten kunnen alleen uitgemaakt worden 
na eene chronologische studie van de levens van S. Malo. Wg 
merken alleen op, dat onze episode niet voorkomt in de oudste, 
door Mabillon uitgegeven biografie (vgl. J. hoih.^ [* Emigration bre^ 
tonne en Armorique, Rennes, 1883, p. 44). 

W^ kunnen des te gemakkelijker hier dit punt voorbggaau , 
daar de Lat^nsche Brandaan-legende niets bevat wat ook maar 
in de verte aan ons verhaal herinnert. Maar de middeleeuw- 
sche légenden-litteratuur bevat andere verhalen die overeenkomst 
toonen met onze episode. In de hoofdzaak wijken zy soms zeer 
af van den mnl. Brandaen evenals van de Malo-legende; maar 
eenige trekken, die men niet terugvindt in de Malo-legende, 
heeft de Brandaen met deze verhalen gemeen; de onderstelling 
is geoorloofd, dat de dichter, behalve de Malo-legende, andere 
overeenkomstige kende, en daaruit putt^. 

Prof. Q. Paris alhier vestigde mijn aandacht op de legenden 
betreffende Trajanus. Men weet dat in de middeleeuwen het 
verliaal gangbaar was, dat de als een voorbeeldig vorst beroemde 
Keizer , op voorbede van Paus Gregorius den Groote , in het 
Paradijs was opgenomen. Men stelde zich dit wonder op ver- 
schillende wijzen voor: volgens 'sommigen zou bij het opdelven 
van eeu naamloos graf de schedel van Trajanus gevonden zijn, 
en deze. weder levend geworden, daarop de voorbede van den 




91 

Paus hebben aangeroepen. Volgens den theoloog Willem yan 
Auxerre (gest. 1230) zou daarentegen de Paus, getroffen door 
het verhaal ran eene daad van rechtvaardigheid van Trajanus, 
den Keizer uit eigen beweging uit de doo<len opgewekt, gedoopt 
en alzoo voor hem de poorten van het Paradjjs geopend heb- 
ben '). Wg hebben hier hetzelfde thema als in de Malo-legende; 
beide verhalen wijken te veel af van de legende uit den Bran- 
dam dan dat w^ een direct verband kunnen aannemen ; maar 
zg bebooren blgkhaar tot dezelfde groep van godsdienstige 
voorstellingen. 

Een ander verhaal, dat vooral overeenkomst heeft met de 
eerste legende aangaande Trajanus, vindt men in de ViUs Pa-- 
tmm (uitgaaf Rosweyde, Antwerpen 1615, p. 526). Wande- 
lende in de woestgn, wordt daar verhaald, stootte de kluize- 
naar Macarius by toeval met zgn stok een doodshoofd aan, dat 
.slechts even onder het zand begraven was. Aanstonds begon 
het hoofd te spreken; de doode bleek in zijn leven een heiden 
geweest te zjjn, verhaalde van de pynen der hel, en van de 
verlichting die de gebeden van Macarius in het lijden der 
verdoemden aanbrachten ; de Christenen , werd er bggevoegd , 
die gezondigd haalden, werden strenger gestraft dan de heide- 
nen. Toen het verhaal geëindigd was, begroef Macarius het 
hoofd dieper en ging zyns weegs. 

Men weet dat in sommige gevallen de verhalen der Vttce 
Patrum zeer hoog opklimmen. Het is niet onmogelyk dat deze 
legende de bron is geweest van alle andere dergelyke. In ieder 
geval komt het ons niet onwaarschynlgk voor, dat de dichter 
van onze redactie, behalve het Leven van S. Malo, ook het 
verhaal aangaande Macarius gekend heeft. De vermelding van 
het doodshoofd (niet van een graf, zooals in de Vita S. Ma- 
rhutt), en de bijzonderheid dat de heiden niet gedoopt wordt, 
maar alles zich tot een gesprek bepaalt, zouden dit doen 
gelooven. 

1) G. Parif. in de Mélam^êt d€ f EcoU tUi Hamte4 Études, Paris 1878. p. 283. 286. 



92 

In ieder geval is het niet waarsch^ nikker geworden dat de 
interpolator een Duitscher is geweest. Suchier (o. c. p. 563), 
heeft vermoed, dat de dichter van het Duitsche origineel den 
Latijnschen tekst van de Navigatio S. Brandani niet kende, 
maar alleen mondelinge berichten dienaangaande. Blykbaar was 
deze lersche legende in Duitschland weinig verspreid. Het is 
niet zeer waarschijnlijk dat Bretonsche verhalen van dien aard 
meerdere bekendheid verkregen; en het feit is bij de levendige 
litterarische gemeenschap tusschen Frankrijk en Nederland voor 
dit laatste land gemakkelijker aan te nemen dan voor Duitsch- 
land. Het is dus mogelijk dat de auteur van onze episode een 
Duitscher was, maar, als men enkel rekening houdt met litte- 
rarische argumenten , is het niet zeer waarschijnlyk. 

Parys, Mei 1887. g. b. huet. 



APOLLO'S HARP (1658). 

Een paar schriftelijke aan teeken in gen, op het schutblad van xn^jn 
exemplaar dezer bekende bloemlezing gemaakt, geven mij aanleiding om 
over den verzamelaar van dit bundeltje eene gissing te berde te brengen. 
Die aanteekeningen bestaan uit de aanwijzing , dat eonige verzen , die 
niet o\ met eene enkele letter zyn onderteekend , van Brandt's hand zyn. 
Een nader onderzoek van de zaak leerde mij het volgende. 

De volledige titel der bloemlezing is: ApoUoA Ilarp^ Bestaande in 
Neder duyt^che Mengelrymen ]^an byzondere xtolfen, van C. Huygens ^ J. v, 
Vondel, J, Wesfterbaen , J. vander Bnrgh , II, Anslo , J. Decker ^ J. Vos, 
etc. />// een verzamelt door N. H. A. I. M. (Vignet) C Amsterdam^ By 
Jan Uendriksz. en Jan liietnrer/sz. Boekverkoopers. Anno 1658. Allereerst 
zy opgemerkt, dat Brandt, die toen predikant te Nieuwkoop was, in 
dezen tijd verscheidene werkjes bjj Jan Kieuwertsz heeft uitgegeven »)» on 
dat hij met .Tnn Hendriksz in betrekking stond ^), In de opdracht van 
»D'uytgever Aan Jiiffr. (1. v. L." leest men o. a. : >Onder veele Ge- 
dichten heeft men dit inzonderhejdt gezien in die twee Deelen der 

1) In lfij6 Vyft'uH prudicaticn van Joannes Loedingiiis (vgl. Penon . Bijdrügen , 
II, blz f)7). in 1657 y<irlaet uw eigen Verrfaederinge niet (t. a. p.. III, biz. 130), 
io 165S «Icri -l-ien druk van het Kronijkje (t. a p., blz. 93), en in 1666 s^ne 
Seiehtelifke Gedichfen (t a. p., If, blz. 172). 

2) y^\. Penon. t. a p, II. bk. 155 — Brandt noemt hem in 1660 «onze 
boekverkooper" — III, blz. 68, 11». 180. 



■± j^rta 



93 

Mengel-rljmen , die Toor dezen, niet zonder oordeel verzamelt , met zolken 
graagheydt ontfangen zijn, dat ij den Drocker alles afgekocht, en ons 
bewogen hebben om een derde stuk , en dat weder meest van die zelfde 
Poften , op nieuws daar by .te voegen/* Uier wordt biykbaar gedoeld 
op de beide deelen der Verstheyde Neder duytsche Gedichten^ die in 1651 en 
1G53 waren uitgekomen, eo Tan welke Brandt de voornaamste verzame- 
laar is geweest')* Misi<chien is bet eene herinnering aan dien titel, dat 
boven de bladzijden niet de woorden Neder duyUche Mengelrymen , die het 
titelblad van ons bundeltje te lezen geeft, maar Vertckeide Dichten zgn 
geplaatst. 

Het register, dat verder voorafgaat, is onvolledig en op dezelfde slor- 
dige wijxe bewerkt, als in de Vertcheyde Nederduytscke (iedichten *) ; er 
komen in het boekje verscheidene verzen voor, die in het register niet wor- 
den vermeld. Wy tellen in het register 16 gedichten van Brandt. De verzen 
(^p het overlijden van de deuchtzame wedutre Meinttje Jan» Pt*êer8{h\i.2\ = 
<i: Urandts Poezy , 1688, blz. 381), Op de dttodt van Joannet Loeditigiut ^ 
lUtnunstrantê i*redicant tot AmMterdam (blz. 26 « P., 382), Antwoordt op 
tCanttroordt van de Heere can Hrandwyk (blz. 76 ■» P., 553), Aan den 
Heer e Jacob Wetterfnien , Ridder, Ileere van Bramltrijk (blz. 84 = P., 550), 
Jiruyluft^'Zang voor den liruidegom Michiel van Eden, en de Bruidt Mar' 
ijaretn Ueesteranus. Oetroutrt te Ij)Oiduinen den 12. Sovemb. 1656 (blz. 
136 -a P., 277), Op het orerlyden van den godvruchtigen en geleerden Ar^ 
noldujf Ct'eesteranut , in zijn leven Predikant van de Hemon$trant»che Ge" 
meente , in 's Gravenhage (blz. 300 = P., 383) en Op de Bruyloft van L^. 
Jacttlnts Cuylemnn , l\edtkant in de Gemeente der Remonstranten tot Wad- 
dinxveen, en Jol/route Maria IVy bouts 8 Sept. 1658 (blz. 396 = P., 279) 
zijn alle ondtrteekend: G. Brandt. Verder hebben de gedichten Op de 
I^-int van Mr. Liet^en van Coppenol (blz. 22 » P., 463). Aan den Heere 
van Brandtfryck (blz. 70 = P., 551), Op het Huwelijk van Dn. Albertus 
Holthenus en Juffr. Geertruyd Stedunu (blz. 108 — P., 274), Geluk-wen- 
fching aan Dn. Christiaan Hartsoeker, Ocer zijn Huwelijk met Juffr. Anna 
von der My (blz. 111 « P., 273), Graf -schrift van D. Joannes Andreas 
K<merding, Overleden den 14. Juny 1657 (blz. 145 » P., 426) de ondertee- 
kfning: Ci. B, tcrwyl Aan den Heere Jacob van der Bargh , Over U zenden 
van zeeker GetUcht op Okkenburgh (blz. 82 = P., 549), Aan I, I. van 
l^eewven (blz. 107 = P., 2o9;, Op d'afbeeldinge vmn den Heere Cornelii 
Pietertz. Hooft, In zijn leven Burgermeester en Raadt van Amsterdam (blz. 
109 = P., 444), Voer zen , Geschreven in het stam-boek van den Heere Faustus 
MorMtinius, Poolsch Ridder (blz. 112 » P., 474) slechts met eene B. zgn 
geteekend. Het gedicht Op myns Vaders Geboorte-dagh . Den 3. October, 
in U Pest-jaar 1655 (blz. 112 « P., 241) is niet in het register vermeld; 
het il onderteekend: G. B. Wy tellen das reeds 17 gedichten van Brandt; 
een vry groot getal. 

In het register worden verder 8 verzen genoemd onder de letter D. ; 
van deze zyn later 7 in Brandt's Pttezy opsrenomen. Het zyn: Aan N.H, 
(biz. 25 - P.. blz. 240: Aan N. HarUoeker), Brief aan J. C. (blz. 92 « 

1) Vgl Petton. I. a. p, I. bU 72. vl» . II. bis. 70. 

2) T s. p. 1. bli 47. vlgg. 11. bil. M. 



94 

P., 556), Op d^ afbeelding van Karolus Niellius (bb. 106 = P., 457), Op 
eene bestraffing van zonde (blz. 106 = p.^ 71^, Vaerzen uit het Boek v€Ên 
Mimus Celsus y tegen het Ketter- dooden. Dus vertaalt en nagevolgt (blz. 110 « 
P., 607), Op een qunlijk vertaalt Boek (blz. 118 = F., 472). Deze Terzen 
zgn , in overeenstemmiog met de opgave in bet register, onderteekend 
met de letter D. Maar een zevende gedicbt, Op d'afbeeldinge van Rosé" 
mondt Door den beroemden schilder 6'. Fliuk (blz. 121 = P., 547), dat in 
het register onder D. staat , is onderteekend met de letters J. L. Het 
getal verzen van Brandt, dat in den bundel is opgenomen, is dus ge- 
klommen tot 24; w^ vinden reeds twee valsche onderteekeningen. 
Op blz. 14 treffen wy het volgende gedichtje aan: 

Op de gift van een Schilder aan een Vryer. 

«Dees schooDen omtrek heeft de Schilder my gegeven. 
Dit *8 meer als dootverf , en een weinig min dan 't leven. 
Alwaar 't maar hout en verf het moet my meerder z^n. 
Die 't ware goet ontbreekt vertroost zich met de schijn." 

Het versje is onderteekend N. N. en wordt in het register niet yer- 
meld. In Brandt's Poé'zy lezen wg (blz. 460): 

Op d" afbeelding van wylen myn ega Zuzanna Barlaeus, 

«Deez^ schoonen omtrek van den Schilder my gegeven. 
Is meer dan doodtverf, maar veel min dan 't lieve leven. 
Al is 't slechts doek en verf, het moet mj dierbaar zyn. 
Die 't ware goet ontbeert, vermaakt zich met de schyn." 

Het gedichtje is van 1670. Toen werkte Brandt dus, na den dood 
van zjjne vrouw, het versje om, dat hg vóór September 1652 op het 
portret van zgn meisje had gemaakt. In N. N. vinden wg de derde 
valsche onderteekening. 

In Apollos Harp is verder een Latynsch vers van Bojus opgenomen; 
de vertaling staat er naast (blz. 195): Aan den vermaarden Rechtsgeleerden 
Mr. Quiryn van Stryen , Oudtste Advocaat voor de Hoven van Hollandt, In 
het register staat het onder de verzen der Anonymi; het is van Brandt 
(P., blz. 608). Onder dezelfde rubriek in het register is gebracht Op 
d'Oproerige, Op een l^edicatie over Matth. VI : 13. Verlost ons van den 
bozen. Ten tijden van den Oorlog met Engelundt, Het vers op Quiryn van 
Stryen is niet onderteekend, maar dit gedicht draagt de onderteekening 
P. V. Het is ook van Brandt (P., blz. 558). Dit is dus de vierde valsche 
onderteekening, terwijl nu het getal verzen van den Nieuwkoopschen 
predikant tot 27 is geklommen; een getal, dat in den bundel alleen 
door de verzen van Vondel wordt overtroffen. 

Nog eene enkele opmerking. De opdracht van Apollos Harp is van 28 
Augustus, en wg vinden in bet boekje een lijkdicht op Geesteranus door 
Brandt geschreven ; deze predikant was den 28sten Juni gestorven. De 
bruiloft van Jacobus Cuyleiuan , die 8 September 1G58 plaats had, is 
door twee verzen in dezen bundel vereeuwigd; het ééne (blz. 882) is ge- 
schreven door C. Bremer, h 't andere door Brandt. 

Na het boven aangevoerde is er alle reden om te gelooven , dat Brandt 
één der veizumelaars, of misBchien de eenige verzamelaar van Apollos 
Harp in goweent. Hoe zou bjj andeis zoo vele gedichten met verschillende 
onderteekeningen in den bundel hebben kunnen doen opnemen V 




05 

De letten N. H. A. I. M. op den titel leveren geene zwarigheid op, nu 
gebleken is, hoe Brandt in het boek met de onderteekeningen van zyne 
▼erzen heeft geknoeid. Zoo heet ook het 2de deel van de Vencheyde Neder^ 
duytêche Gedichten verzameld te zyn door J. V. M. Evenmin doet de op- 
dracht aan >Juffr. G. ▼. L/* veel ter zake; de letters kunnen slaan op 
Geertruid van Limborg, wier hawelyk in 1669 door Brandt ii bezongen 
(P., blz. 303), maar kunnen even goed uit de lacht zyn gegrepen. 

Was Brandt de eenige verzamelaar, of werd hy door anderen byge- 
staan y Het laatste zou men kannen opmaken uit den volgenden zin van 
de opdracht: »Waerdig, zeide ik, dat a deze Gedichten waren ; maar dan 
zonder ik eenige ujrt, die ik uwe ganite niet wil vergen, gelyk ik ze 
myne toeitemroinge geweygert hebbe, buyten myn weeten , jae tegen 
myn danck by de andere in-geflenst, daar by ze even alt Icooper by 
gout in aloy en luyster uyt munten, gelyk ik toonen zoade met de pa- 
ginaas te t^^^ekenen , indien ik de Aucteuren met eenen niet teekende/' 
Wy hebben hier echter te denken aan onwil van den uitgever om som- 
mige venen te weigeren, en niet aan oneenigheid met anderen, die, te 
zamen met Brandt, den bundel byeenbrachten. Want de laatste zin der 
opdracht luidt: >Dit docht my nodig Me-juffrouw van deze Gedichten 
in *t kort te gemoet te voeren: gelieftze de eer te doen van te lezen, 
en gy zult my den arbeydt betalen van *t vergaderen ,** enz. 

Het eenige. dat er tegen pleit om Brandt voor den venamelaar te 
houden, is dnt in den bundel het puntdichtje van Jan Vos is opgenomen 
(blz. 391): 

Aan G. B. 

• Het Daitsche dicht behoort aso 't eodt ger^mt te mtun. 
I)e vaurp^l die bett itMt wordt tllerbest geprezen. 
Wie Tisch wil eeten heeft het ook op uut gemant. 
Een rymloot dicht it sli een lemmer zonder pant.*' 

Dit is blykbaar tegen de beide rymlooze gedichten gericht, die Brandt 
in 1648 had uitgegeven. Toch bewyst het opnemen in den bundel van 
dit versje niet veel tegen de gissing, dat Brandt Apolloi Harp heeft uit- 
gegeven. AU predikant wilde hy den naam niet hebben, dat hy zich 
met zulke dingen bezig hield; daarom verschuilde hy zich achter de 
letten N. H. A. I. M. Hy wilde gaarne een groot getal zyner verzen ge- 
drukt zien; daar dat getal hem zou kunnen verraden, plaatste hy onder 
vencbeidene gedichten andere voorletten dan zyne eigene. 

Juist door dit knoeien met initialen kunnen wy aan Brandt nog een 
versje toeschreven, dat in den bundel is opgenomen, maar in zgne /^M:;y 
niet wordt aangetrofien. Westerbaen bad korten tijd geleden Vondel 
aangegrepen, en eenige venjes, die hierop betrekking hebben, zijn in 
ApolUti Uorp te lezen. Maar Westerbaen had in 1657 ook met Brandt 
een po^tischen strijd gevoerd, toen deze hem verweet, dat bij niet ter 
kerk ging ; ook deze verzen staan in den bundel. Nu zagen wy boven , 
dat 7 van de 8 verzen, die met D. zijn geteekend, van Brandt zijn. 
En het 8ste luidt aldus (blz. 54); 

Vondel van Westerbaan. 

.Wst leit doch WesterbsAn. z^n reeJ'nen en Godts Woordt 
Hei merk om ns te tien, de bril die ons de poort 




96 

Der ware Kerk vertoont? Let hy wel op dat merk? 
Die in geen kerk en komt die mist de heele Kerk." 

Dit versje moet dus op naam yan Brandt worden gesteld *). Erg mooi 
was het niet, om het, met eene andere onderteekening voorzien, hier 
te doen afdrukken. Brandt had in z^jn strijd met Westerbaen het laatste 
woord gehad; het was dus niet hoffelijk nog eens op de zaak terng te 
komen. Bovendien had Westerbaen hem voor den bundel no^ ongedrukte 
gedichten van zijne hand verschaft. Maar het letterkundig geweten van 
den Nieuwkoopschen predikant was ruim ; men kan hem ergere din^n 
dan dit geknoei ten laste leggen. 

In 1663 verscheen een 2de druk van de bloemlezing onder den titel: 
Den herstelden Apollos Ilarp ^ Versien met verscheyde nieuwe snctren: Voor 
desen noyt soo gedruckt*) Het is eene titeluitgave, waaraan een bijvoegsel 
van 83 bladzijden is toegevoegd. Gedichten van Brandt zijn daarin niet 
opgenomen, maar daarentegen enkele versjes, die nog al ruw zijn. Ook 
de «Ordonnantie'' van Apollo die als voorrede voorafgaat, doet volstrekt 
niet aan onzen predikant denken. Naar alle waarschijnlijkheid heeft dus 
Brandt in deze tweede uitgave de hand niet gehad. 

Groningen, Dec. 1886. j. a. worp. 



1) Op de volgende bladzijde van Apollo* Harp vinden w\j de versjes: 

Vondel aan Wefterhuan. 

«Heer gy zeilt de Kerk niet mis, 
Want gy laat die daar zy is.'' 

J. V. V. 

/. Knnerding voor Westerhaan. 

«'t Is beter dus de Kerke mis, 
Te leven Christlijk in z\jn kluis. 
Te bouwen Godt een Kerk in huis, 
Als gaan daar 't afgodshuisje is." 

Tegen /. Konerding en Weslerhaan. 

• Ik vraag of dus de Kerke mis 
Wel Christlgk t'huys te leven it? 
En of die zel£s een Kerke bout 
Zich vry van 't afgods huisje houdt ?** 

Het laatste ver» is niet onderteekend, maar staat in het register onder de ge- 
dirhtrn van J. Conerding. Ik ben overtuigd, dat Urandt het geschreven heeft. 

2) yoor de lu f helers van de kunst. Door Expresse last ende ordre van den 
breden raedt der vermaerde dich teren en sckerp-siunighf verstomden ^ eendraehteiijek 
vergadert op den bcrgh Uelu^on, onder de protectie van de Kd. Gr. Mo. Heerem 
Staten van Hollandt ende West-Vrieslandt. (iedruckt in V Jaer onses lieeren 
M.D.C LXIII. 




VAM DEN 

BORCHGRAVE VAN COUCHI 



FRAGMENTEN, 

MXOIOKDIILD OOOl 

M. DE VRIES. 



De fragmenten, die in de volgende bladzgden voor *t eerst 
in het licht worden gegeven, leveren eene bgdrage tot de ge- 
Bchiedenifl der middeleeuwsche dichtkunst, die, naar ik ver- 
trouw, door de beoefenaars der Fransche zoowel als der Neder- 
landsche letterkunde niet zonder belangstelling zal worden ont- 
vangen. Zg bevatten de overblgfselen van een uitgebreid 
opisch-romantisch gedicht uit den Earolingschen sagenkring, 
dat tot dusverre geheel onbekend was, en welks Fransche 
voorbeeld, waarnaar het blgkbaar vertaald of nagevolgd werd, 
spoorloos verloren is geraakt, althans — zoover ik weet — 
nergens vermeld wordt 

Door vriendelgke tusschenkomst van den heer J. W. Van 
Leeuwen, boekhandelaar alhier, ontving ik vóór eenige maan- 
den een twaalftal perkamenten bladen ter inzage, hem mede- 
gedeeld door den Eerw. heer 6. Van den Eisen , Professor in 
de kerkgeschiedenis in de Abdg van Beme te Heeswgk. Zg 
waren gevonden als schutbladen in een exemplaar der » Concüia 
omnia generalia et partinilarta'\ uitgegeven te Keulen bg Petrus 
Quentel in 1538, door Br. Petrus Crabbe van Mechelen. Het 
boek behoorde in de \6^^ eeuw aan Theodorus Oualterus a 
Vel dinghen en werd omstreeks 1608 gekocht door Bodolphus 

7 




98 

Zegers, dest^ds pastoor van Oudheusden en lid der Abdg yan 
Berne. Het perkament is echter niet van de Abdg afkomstig i 
want de drie boekdeelen zgn reeds in de 16^^ een w ingebonden , 
vóórdat z^ het eigendom der Abd^ werden ^). 

Zoodra ik m^ overtuigd had van het belang der nieawge- 
vonden fragmenten, verzocht ik den heer Van den Eisen, se 
aan de Maatschappy der Nederlandsche Letterkunde te willen 
afstaan , wier r^ke boekverzameling de aangewezen bewaarplaats 
is voor al dergel^ke handschriften en losse bladen , gedenktee- 
kenen onzer middeleeuwsche literarische beschaving, die nit den 
storm der tijden gered zgn. Big ven die stnkken hier en daar 
verstrooid , dan loepen ze altgd gevaar weder verloren te gaan ; 
hier te Leiden in een middelpunt vereenigd, onder het liberaal 
beheer onzer boekerg , staan zg den beoefenaar der letterkunde 
altgd ten dienste. Met de meeste bèreidvaardigheid , en met 
welwillende toestemming zijner overheid, voldeed de heer Yan 
den Eisen aan mgn verzoek: een bewgs van onbekrompen 
liefde voor de wetenschap, dat de Maatschappg op hoogen 
prgs stelt, en waarvoor zg den edelmoedigen gever hier, bg 
monde van haren voorzitter, openlgk dank betuigt^). 



1) Hei is dan ook tlechU eene toevallige omstandigheid — waarop de heer Van 
den filsen m\j opmerksaam maakt — , dat ome fragmenten teroggeTonden iQii in 
eene Abdij van de orde der Prcmonstratensen , terwijl he( eerste klooster of de ttam* 
abdy dexer orde in 1120 gesticht is juist in de hosschen Tan Qmeif, door de mede- 
halp der heeren van Coacy, Thomas en xgn soon Engelram. De Ahdjj Tan Bene ie 
Heesw^k is de eenige , welke van die weleer xoo bloeiende orde, die vroeger in Ne- 
derland en België meer dan 40 kloosters telde, in ons land is OTergebleTen , ofiwhoon 
er ook nog een vroutoelijk klooster der orde te Oosterhoat hestaai. 

2; In het Supplement op den Catalogus van de Handschriften der Blaatsehap|ig, 
bewerkt door Dr. S. G. De Vries, vindt men onze fragmenten vermeld onder 
N^. 1024. Het is m^ aangenaam bjj deze gelegenheid te mogen mededeelen, d«l 
ook andere letterkundigen meer en meer hei wenschelyke beginnen in ie zien, om 
de fragmenten, die van tyd tot tjjd worden gevonden, aan de Maatechappy af te 
staan. Nog na de uitgave van bovengenoemd Supplement ontving zQ van den heer 
R. J. Schierbeek RJz. ie Arnhem, door iusschenkomst van Mr. W. II. S. Boelee 
te Leeuwarden, een blad uit Boendale*s Lekentpieghel , en van den heer J. Broeekaert 
te Wetteren een blad uit Maerlant*s Rijmbyitl. Mogen deze goede voorbeelden ?eel 
navolging vinden 



99 

De twaalf bladen, te Heesw^k gevonden, z^n 210 mm. hoog, 
lt>0 breed. Zg zgn aan den bovenrand genommerd. Vier dra- 
gen de cgfers van LXXXIII tot LXXXVI, de acht volgende 
▼an LXXXIX tot XCVI, van welke echter het eerste en laat- 
ste cgfer ontbreekt omdat daar de bovenrand is weggesneden. 
Het handschrift was afgedeeld in katernen van 8 bladen of 16 
bladzgden. Onze fragmenten bevatten de middelste helft van 
de elfde katern en de geheele twaalfde, die dan ook op de 
eerste en laatste bladzgde onderaan met het nommer XII ge- 
merkt is. De bladen LXXXVII en LXXXVIII, de twee laatste 
der elfdÖ katern, ontbreken, waardoor eene gaping van 8 ko- 
lommen of ongeveer 408 verzen ontstaat. Elke bladzgde na- 
melyk heeft twee kolommen, elke kolom 51 of 52 regels. Het 
schrift is rechtstandig, duidelgk, en over 't algemeen goed be- 
waard, ofschoon het op sommige plaatsen door kreukels en 
scheurtjes in het perkament of door de opgeplakte styfsel wat 
heeft geleden , en hier en daar door het wegsngden fan randen 
enkele regels of beginletters ontbreken. Versierselen hebben de 
bladen niet, dan alleen de gewone roode streep door de eerste 
letters van elke kolom, en de roode hoofdletter ter aanwgzing 
van elke nieuwe alinea. Alle uiterlgke kenteekenen wyzeu aau, 
dat het handschrift afkomstig is uit het laatst der 14^« eeuw. 

De inhoud onzer fragmenten betreft de lotgefallen van den 
burggraaf van Couchi en van zgne geliefde, de vrouwe van 
Famweel, in verband gebracht met tafereelen uit de geschie- 
denis van Frankrgk, ten tgde van Lodewgk den Vrome en 
Karel den Kale, in de jaren 840 en 841. Die inhoud deed 
my aanstonds vermoeden , dat de fragmenten tot hetzelfde werk 
zouden behooren als de vier bladen , indertyd door Mone in 
de Stads- bibliotheek te Atrecht gevonden en in zgn Ueherëicht^ 
bl. 57 , beschreven , waarin dezelfde stof in hetzelfde verband 
behandeld was. Onze altgd behulpzame Universiteit»- Bibliothe- 
caris, Dr. W. N. Du Rieu, schreef naar Atrecht, om mede- 
deeling der genoemde perkamentbladen te verzoeken , doch ont- 
ving, helaas! van den beheerder der boekarg aldaar, den heer 



100 

Wicquot, het bericht, dat de fragmenten ondanks alle naspo 
ringen niet te vinden waren. Sedert den tgd, dat Mone 
gezien en afgeschreven had, waren zg zoekgeraakt. Na was 
alle hoop gevestigd op Mone's afschrift, indien dat nog te ont- 
dekken mocht zgn. Met Dr. Dn Rieu heb ik daar onderzoek 
naar gedaan, en het mocht ons gelukken, door een beleefd 
schreven van Mone's zoon. Prof. Fredegar Mone te Earlsmhe, 
en vooral door de inlichtingen, ons op de meest verplichtende 
wijze verstrekt door Z. Exc. den Minister van Binnenlandsche 
Zaken in het Groothertogdom Baden, te weten te komen, dat 
de letterkundige nalatenschap van Mone thans in de >ELaiser- 
liche Universitats- und Landesbibliothek" te Straatsburg berust. 
Weldra vernam ik van mijn vriend Prof. E. Martin aldaar, 
dat het bewuste afschrift zich werkelijk onder die papieren be- 
vond, en had ik aan de welwillendheid van den heer Biblio- 
thecaris, Prof. Dr. K. A. Barack, de toezending van het ge- 
wenschte stuk te danken. Aan al de genoemde personen, wier 
hulpvaardigheid ik in dezen op zoo aangename wgze mocht 
ondervinden, breng ik mgn oprechten dank. 

Het afschrift van Mone, nu reeds meer dan vijftig jaren ond, 
is, ondanks het sterk verbleeken van den inkt, nog volkomen 
duidelijk leesbaar en draagt alle bigken van de meest ver- 
trouwbare nauwkeurigheid. De inhoud doet aanstonds zien, dat 
wig hier een gedeelte van hetzelfde werk, waartoe onze firag- 
menten behooren, hebben teruggevonden. Zelfs kan er nanwe- 
Igks twgfel bestaan , dat de bladen te Atrecht deel hebben 
uitgemaakt van hetzelfde handschrift als die te Heesw^k. Het 
zyn, zegt Mone: »vier Blatter einer Hs. des 14 Jahrh. in 
Quart, mit gesp. Col., auf jeder 51 Verse, zusammen 816 V. 
mit rothen Anfangsbuchstaben. Das erste und dritte Blatt 
haben durch Beschneideu etwas gelitten, so dass mehrere An- 
fangsbuchstaben fehlen." Alles dus juist als in de nieuwont- 
dekte fragmenten, met welke dat van 'Mone dan ook in de 
eigenaardigheden van taal en spelling geheel overeenstemt *). 

1) }{et it jammer dat Mone niet Termeldt, in welk boek de fragmenten teAtreekl 






. • • 



• 



101 

Wg bezitteii dos na van het tot dasverre onbekende dicht- 
werk zestien bladen. Ongelukkig heeft Mone het getalmerk 
yan de bladen te Atrecht niet opgeteekend, zoodat wg niet 
kunnen bepalen, welke plaats zg in het gedicht innamen. Dit 
den inhoud blgkt alleen, dat zg aan de andere fragmenten 
yoorafgingen; want zg verhalen ons, hoe koning Lodewgk in 
vollen luister zgnen zoon tot ridder sloeg, terwgl in de Hees- 
wgksche bladen 'skonings plechtige uitvaart en de kroning 
van Karel den Kale beschreven wordt Hoeveel ruimte er tus- 
schen het een en het ander in heeft gelegen, is niet te ramen. 
Het fragment van Mone bevat 817 verzen ^), de vier eerste bla- 
den van Heeswgk hetzelfde getal, de acht laatste hebben er 
1653 geteld. Door het wegsngden van sommige randen echter 
zyn in 't geheel 63 regels verloren gegaan. Het gezamenlgk 
getal der werkelgk teruggevonden verzen bedraagt derhalve 
3224. Weinig zeker in vergelgking met de uitgebreidheid, die 
het geheel moet gehad hebben ') , maar genoeg toch om den 
inhoud en den aard van ons dichtwerk althans eenigermate te 
leeren kennen. 

De naam van den » Burggraaf van Couchi*' heeft ongetwgfeld 
den lezer reeds doen denken aan den bekenden, in 1829 door 
Crapelet uitgegeven, Oud-Franschen roman yUhistoire du Chd^ 
tt'lain de Couty ei de la Dame de Fayel". In dit allerliebte ge- 
dicht worden de liefdesavonturen dezer beide personen verhaald, 
de listen die zg aanwendden om elkander te ontmoeten , hun 



ftU «chatblMieii i^d gevonden. lo eene aaoteekening onder zyn abehrift legt hy wel: 

• Virr BÜtter «w , die ich ia Aime in der Bibliothek f om folgenden Boche 

ftblóttc: ** doch de titel Tan ket boek u in de pen gebleTen. Wbt men dien, 

dan «art het mtaKhiw nog mogelyk, de bladen temg te vinden. 

1) Mone legt Slfl, en dat b op tich lelf waar; doch daar er nn va. 785 biy- 
kent het r^m een ven ontbreekt, komt men in de nommering tot 817. 

2) Hoeveel bladm het geheel ingenomen heeft, laat zich niet bepalen. De cyfen 
LXXXIII— XCVl bew^^ien daaromtrtnt nieta, want wy weten niet, hoeveel bladen 
er nog volgden, eii het ia lang niet aeker, dat er jaitt LXXXII voora%ingen. 
\66r one gcdieht kan hel hnndaehrift nog wnl een of ment andere itakken hebhen 
bevat 




. 102 

genotr^k bgeenz^n, zoo dikw^ls de heer van Fajel afwezig 
was, maar ook het leed dat hun wedervoer, toen hanne ge- 
heime betrekking aan den bedrogen echtgenoot was yerraden. 
Vol spyt zint deze op wraak, en weldra vindt hg het middel 
om zijne vrouw op barbaarsche wgze te straffen. Goucy neemt 
deel aan een kruistocht in het Heilige Liand, wordt zwaar ge- 
wond en sterft op den terugtocht. Vóór zgn dood gelast hg 
een dienaar, zgn hart met de haarlokken zgner geliefde, die 
zij hem tot aandenken had medegegeven, en met een brief 
van zgne hand, in een koffertje te sluiten, en dit aan de 
vrouwe van Fayel ter hand te stellen. Maar de dienaar, nabg 
het kasteel gekomen , om den last van zgn heer te volbrengen , 
wordt door Fayel overvallen en gedood, en de inhoud van het 
koffertje valt dezen in handen. Hg laat het hart als eene pastei 
toebereiden en aan zijne vrouw voordienen. Zg eet er met 
smaak van. Hij zegt haar wat zij • gegeten heeft , en vertoont 
haar den brief van Coucy. De ongelukkige vrouw verklaart, 
dat zg na die edele spgs nooit meer iets anders gebruiken wil, 
valt in zwijm en sterft van bittere smart. 

Dit aandoenlijk verhaal , door den dichter Jakemon Sakesep 
in bevallige verzen berijmd en liefelijk afgewisseld met een 
aantal zangerige liederen, aan den burggraaf van Coucy toe- 
geschreven, heeft in Frankrijk eene groote populariteit verwor- 
ven. De legende, in de bloedige ontknooping vervat, het voor- 
zetten van het hart van een minnaar aan zgne beminde, die 
daarop alle verdere voedsel weigert, is al van overoude dag- 
teekening. Gaston Paris heeft aangetoond, dat zg in kiem 
reeds wordt aangetroffen in Indische sagen ^). In de Europee- 
sche letterkunde is zij vóór en na door verschillende dichters 
met allerlei wijzigingen en verscheidenheden verhaald. Reeds 
een oud Proven9aalsch troubadour, en later de beroemde Boc- 
caccio hebben er hun talent aan gewgd; in jongeren tijd ia de 
geschiedenis meermalen behandeld en zelfs op het tooneel ge- 



1) Zie de lUwtiê CrÜiqne tao 14 Mei 18SS, bl. 899. 



103 

bracht '). Doch de aaDtrekkelgkste Yoorstelling is altgd die ia 
den ouden Franschen roman , het kunstwerk van Sakesep, 
waardoor het droerige verhaal bgna onafscheidelgk verbonden 
bleef met den naam van ïlenaut de Coucy. 

Ik behoef over dit alles niet uit te weiden. Gaston Paris 
heeft er in een belangrgk artikel opzettelgk over gehandeld ^ , 
en talqjke letterkundige schrgvers hebben op velerlei bronnen 
gewezen, velerlei bgzonderheden medegedeeld. Voor ons is al- 
leen de vraag: In welke betrekking stond het werk, waartoe 
onze fragmenten behooren, tot den roman van Sakesep? Was 
het daarvan eene navolging of andere bewerking? Of was het 
een ouder gedicht, waaraan misschien Sakesep zgne stof heeft 
ontleend? In één woord: welke plaats heeft het eenmaal in de 
geschiedenis der letterkunde ingenomen? 

Om deze vraag te beantwoorden, zal het in de eerste plaats 
noodig zgn, een overzicht te geven van den inhoud der frag- 
menten. Ik stel daarbg vooral datgene op den voorgrond, dat 
ons kan inlichten omtrent de personen, die in het gedicht 
voorkomen, hunne onderlinge betrekking en het verband der 
geschiedenis, die de dichter heeft willen verhalen. 

De inhoud van het eerste fragment komt op het volgende 
neder : 

Sierlgk uitgedost, is de Fransche adel van heinde en verre 
naar Pargs gestroomd. Het is er overvol, er is bgna geen on- 
derkomen te vinden. Het Pinksterfeest is ophanden : dan zal 
koning Lodewgk zgn zoon Karel tot ridder slaan. 



1) Ook het oode Duittebt Utd Ysa èmt Bnrnaktrfêr •■ oom romtiiee tib Bru- 
Mfttknek Off BramdgnèoftA beratton tr •« aakUak wtn. Vtrg. GmU» Pimt in d« 
Hu/otr0 üii é€ U Frmmeg, XXVllI, p. S79. ra Dr. O. lUlff, i7#/ Uêé m êU 
MtddêiiêmMm, U. SOS flgg. 

2) H%»t Uit iê (a rrwmm, XXVIII, SSt— 890. wwkt kf| tcrrat dm bmb tib 
des dichter taeUteU, dka dcM tltehU im eni ■erofÜchoB te r»dra h«d gcgereB. 
Itet de u—m vma dra riddv aki RsaéU ww, get^k ara hea fwUl pUegt It 
■rn. naar BmtmtJ, wordt drar rasfrtwiad op hL M7. 



h. 



104 

'De burggraaf van Couchi ^) (Dominicus geheeten) , en met 
hem z^n neef en schildknaap Lucaen, nemen afscheid van den 
heremiet , bg wien zy drie jaren in het woud hebben vertoeM i 
en begeven zich op weg naar de hoofdstad. Als kooplieden 
vermomd , komen zij te Famweel ^) , en nemen in eene herberg 
hun intrek. Lucaen (hier en elders kortweg Lunc genoemd) 
vraagt, of er ook een zanger is, die hun het nieuwe lied kan 
zingen, van de roovers in het woud? Men antwoordt hem, 
dat hij daarvan maar zwijgen moest, want de edele yroowe 
der stad, de nicht van den koning van Frankrgk, had dat 
lied op doodstraf verboden. Het was een spotdicht op den bes- 
ten ridder die ooit de wapenen droeg, en die bg haar, bg ha- 
ren gemaal en bg de burgers der stad algemeen geliefd was, 
zoodat niemand kwaad van hem wilde hooren. Lucaen veront- 
schuldigt zich, omdat zg kooplieden waren die daar niets van 
wisten, en vraagt, of de graaf en gravin van Famweel niet 
naar Pargs zouden gaan om de feesten bg te wonen. »Ja,'* 
luidt het antwoord, »zg gaan beiden zeker derwaarts, want 
hun kamerheer is reeds vooruitgereisd." Couchi heeft moeite 
zgue vreugde te verbergen, nu hg bespeurde dat de edele 
vrouwe hem nog niet vergeten was en deelnam in zgn leed, 
en nu hg hopen mocht haar te Pargs te zien en haar alles te 
vertellen, hoe de verraders haar valschelgk hadden belogen, 
en van de ontrouw , die hg van zgn oom had ondervonden. 
Van ontroering kan hg aan tafel bgna niet eten, en begeeft 
zich vroegtijdig ter rust. Lucaen betaalt hunne rekening, ver- 
zorgt de paarden, en gaat mede naar bed. Couchi heeft een 
onrustigen nacht, droomt van de vrouwe van Famweel, en 

1) Zoo schrift onze dichter ait\jd. In 't Fransoh ii de naam Qmcy of Comei, 
Doch ook de tpeUing Coueki komt reedt in *t Ood-Frantch voor. Men Tindt ie o. a. 
bij Philippe Mootkes, ra. 27654 en 80481. 

2) Hoe onze dichter tan dezen naam komt, in plaats fan Fayel, it mQ niet ge- 
bleken. Misschien is het eene verbutering Tan Faiüouel, waarmede sommige schrQ- 
vers Fayel hebben verward. Zie HisL Uit. de la Framce, XXVIII, 364. In een 
Engelsch gedicht nit de 15de eeuw luidt de naam FagmelL Zie het aang. werk, 
hl. 885. 




105 

roept *s morgens Lucaen op , om de paarden te zadelen. Deze 
ziet den heer en de vrouwe der stad met een schitterend ge- 
volg uitryden , waarschuwt zgn meester , en begeeft zich met 
hem op weg naar Paqjs. Zy ryden den grafelgken stoet ach- 
terna , en bereiken dien , maar Couchi wil de hooge personen 
niet yoorbgrijden. Lucaen begint lont te ruiken omtrent de 
gezindheid van zgneu heer. Daar komt een schildknaap uit 
Bretagne aangereden op een ridderpaard, dat hg zgn meester 
had ontstolen, yroolgk het lied zingende »Tan den borchgrave, 
hoe hg te Troies was opgehangen." De vrouwe van Famweel, 
verstoord om die overtreding van haar verbod, beveelt haren 
» meier*' den knaap terstond aan den naasten boom op teknoo- 
pen, en de meier brengt dat bevel ten uitvoer. Couchi wisselt 
met dezen eenige woorden over de aanleiding tot zulk eene ge* 
strenge straf, en komt opnieuw tot het besluit, dat lie edele 
vrouwe bedroefd is over zgn gewaanden dood, den dood van 
»den borchgrave van Couchi'*, die buiten Chalons »in die traelge 
hanghet**, zooals 't in het verboden lied heette. Lucaen, die 
meer en meer zgn meester begint te doorgronden, schertst wat 
met hem. Intusschen durft Dominicus den wagen der gravin 
niet naderen, maar rgdt hiiar aanhoudend achterna. Omtrent 
den middag laat zg stilhouden. Zg had daar een reiger gezien, 
en laat den witten valk uitvliegen , dien de burggraaf haar ten 
geschenke had gegeven, en dien hg gewonnen had in dat tor- 
nooi te Couchi, waanüt al zgne ellende was voortgesproten. De 
valk vervolgt den reiger, en doet hem voor den wagen neder- 
storten. Allen prgzen den edelen vogel, en Beatrgs (zoo heette 
de gravin) zeide: »God behoede de ziel van den heer, die mg 
dezen valk heeft gegeven!'* De burggraaf, die juist voorbg- 
rgdt, zegt er >Amen!*' op, en groet de vrouwe, die hem 
echter in zgne vermomming niet herkent Hg was dan ook 
onkenbaar geworden in de laatste drie of vier jaren, sedert hg 
van zgne geliefde had moeten scheiden. Vroeger een schoon 
baardeloos jongeling, had hg nu, na een driejarig verblgf in 
het woud, een langen baard gekregen. 



Hl 



106 

Couchi spreekt met zyn dienaar over het gebeurde met den 
valk, en de herinneringen daardoor bg hem opgewekt, en 
Lucaen, die nu alles begrijpt, boezemt hem moed in. Onder 
dit gesprek r^den z^ voort, nu eens vóór, dan achter, dan 
ter zijde van den wagen der gravin , totdat zg te Pargs komen , 
waar de vrouwe hare herberg betrekt. Voor Dominicus en 
Lucaen is in de stad geen onderkomen te krggen. Zg begeven 
zich naar het klooster te St.-Denis, waar een broeder van La- 
caen keldermeester was. Deze ontvangt hen gastvrg. De borg* 
graaf, nog altgd voor een koopman doorgaande, vraagt naar 
het feest te Pargs en de heeren, die daarvoor over waren ge- 
komen. Hij verneemt, dat zgn oom »drossate" aan het hof 
is, en verheugt zich hem daar te zullen vinden; want als de 
tgd daar was, wilde hg hem ten strgde uitdagen. Des anderen 
morgens, op Pinksterdag, kleedt zich de burggraaf: op het 
Igf een draken vel, daarboven zgn harnas, wapenrok en zwaard, 
en over alles een wgden tabbaard, tot op de voeten afhan- 
gende. Met Lucaen hoort hg de Mis in het klooster, en te 
voet gaan zij op weg naar Pargs, waar koning Lodewgk s^- 
nen zoon den ridderslag zou geven. Alle genooten van Frank- 
rgk zgn daar bgeen. Het is in de stad zoo vol, dat men zich 
op de straat nauwelijks bewegen kan. Aan het hof is alles in 
vollen luister: vrge toegang en open tafel voor iedereen. De 
groote heeren gaan uit en in. Couchi bespiedt hen , en Lucaen 
helpt hem hunne namen uit te vorschen. Naast den hertog 
van Bourgondië gaan Amelieur en Menifroot. Couchi herkent 
»die mordenaren*' niet, maar Lucaen weet hem mede tedeelen, 
wie zg zijn. Na den maaltgd aan het hof komen de groote 
heeren uit de kapel in de hooge zaal. Ook Karel de Kale 
treedt binnen, en met hem eene schaar van aanzienlgke edel- 
knapen, die met Karel den ridderslag wenschen te ontvangen. 
Want , voegt de dichter er spottend bg , oudtgds kon niemand 
ridder worden zonder dat hg tot ridder geslagen was; maar 
nu is dat niet meer noodig, nu brengen zg bg hunne geboorte 
hun ridderschap al mede! Zoo veredeld is thans het volki 



107 

Met alle plechtigheid geeft Lodew^k zgnen soon den ridder- 
slag, eo bewgst Tervolgens dezelfde eer aan een aantal jonge- 
lingen van hoog^ geboorte. Aan vele ridders worden hoogere 
ordeu verleend. De burggraaf is van dit alles getoige, maar 
wordt door niemand herkend. 

Tot zooverre het eerste fragment. Het tweede verplaatst ons 
in een lateren tgd , weinige maanden na het boven verhaalde *). 
Het is van den volgenden inhoud: 

Florant , heer van Famweel (en , als nit het vervolg blgkt , 
tevens van Champagne), is in gesprek met zgn neef Eduard, 
die verlof vraagt hem eene mededeeling te doen omtrent eene 
aangelegenheid van groot belang, die hg als bloedverwant zich 
verplicht acht niet te verzwggen. »Laat hooren*', zegt Florant, 
»wat is er, daar mg schade en schande van zou kunnen ko- 
men? Het zou goed zgn, het bgtgds te verhoeden.'* Nu geeft 
de sluwe Eduard zgne bekommering te kennen over de ver- 
trouwelgkheid van den heer van Couchi met Beatrgs, Florant's 
echtgenoote. »0m harentwiP*, zegt hg, >is op het feest te 
Couchi de hertog door zgnen neef gewond, om harentwil heeft 
deze zgnen oom in het krgt gedaagd. Altgd is hg om en bg 
vn>uwe Beatrgs, gelgk iedereen weet Dat hebt gg al te lang 
gedoogd!'* Op deze woorden van den ngdigen en valschen 
Elduard werd Florant diep beschaamd en bedroefd. Hg had 
zijne vrouw innig lief, en nooit had hg in haren omgang met 
Couchi iets onbehoorlgks opgemerkt Nu was de booie ngd in 
zgn hart binnengeslopen. Hg dorst zgne vrouw niet in op- 
spraak brengen , want koning Lodewgk was haar naaste bloed ; 
en evenmin wilde hg Couchi verbitteren, want de edele graaf 



1) Karvl ar Kêlê M ia S88 gtbonm ea noei dos in 839 of S40 dm riddcnlog 
bebben ootvtageB Lodew^k't dood, die io S40 Toonriel, woidt ia kei volgeado frig- 
■KBt TerkaaU. Er kaaaea derhalve toteebea de gebearteabMa faa kei oertla oa 
dk ?aa hH tiPMdi fragaoit tleelite weiaigt aiitadia far l oop i i^a. 



^ 



108 

had hem zooveel goeds bewezen. Doch met z^ne rust is het 
gedaan. Moest hij op zyn ouden dag zóó iets beleven! »£6n 
worm had diep in zijn rozeblad gebeten", en die wond was 
ongeneeslijk. Zijne houding tegenover Couchi wordt geheel an- 
ders dan te voren. Door knagende achterdocht gekweld , ont- 
wijkt en schuwt hij nu den vriend, wien hy vroeger altjjd 
gezocht en geëerd had. Een afkeer had h^ voor hem opgevat» 
voor hem, den besten ridder die op aarde leefde, die eerder 
voor hem dan voor z^n eigen vader zgn bloed zou hebben ge- 
stort, die hem nooit eenige ontrouw had gedaan en liever een 
wreeden dood zou hebben verkozen , dan zich te vergrgpen 
aan zgne wederhelft, aan de edele vrouw, in wier ziel nooit 
eenige booze gedachte was opgekomen. Maar de valsche in- 
blazingen van Eduard hadden Florant geheel van den w^ ge- 
bracht, en hem tegen Couchi eene veete doen opvatten, die 
niet te overwinnen was, vóórdat het tot een uiterste zou ko- 
men. Eduard, het » boosaardige serpenV*, liet niet na, hem 
telkens »in de ooren te vedelen'*, innig verheugd dat hg den 
graaf van zijne vriendschap voor Couchi had afgetrokken. Zoo 
groeide de nijd en haat voortdurend aan , al dorst Florant zgne 
veranderde gezindheid vooreerst nog niet ISten blgken. 

Nu zal de dichter ons verder verhalen van Adelaen, den 
hertog van Ardennen. Te Pargs door zijn neef, den heer van 
Couchi , wegens valschheid ten strgde gedaagd en in dien kamp 
overwonnen, had .hij hem het land van Couchi geheel moeten 
afstaan. Te midden van zijne spijt over deze vernedering en 
over de teleurstelling zgner liefde, die hg te Couchi had on- 
dervonden, overvalt hem eene doodelijke oogziekte. Vóór zgn 
sterven schenkt hij het land van Ardennen aan een bastaard, 
dien hg bij de vrouwe van Bouillon had gewonnen, en laat 
bij notarieele acte verklaren, dat zij zijne wettige vrouw ge- 
weest was. Op het bericht van zijn overlijden komt de graaf 
van Couchi terstond naar Ardennen , om zijnen oom eene eer- 
lijke uitvaart te bezorgen. Talrijke vrienden en magen verge- 
zellen hem in rouwgewaad; zelfs Karel, koning LiodewgVs 



m 



109 

zoon. Maar Florant Tan Famweel, yan ngd yerteerd, yeinst 
zich ziek en blgft weg. 

De hooge heeren komen te Denye, de hoofdplaats yan Ar- 
dennenland , en yinden daar den l>a8taard , die intasschen zg- 
nen yader reeds ter aarde had doen bestellen. Die bastaard 
heette Masebroac, omdat de hertog Adelaen hem op een speel- 
reisje aan de Maas bg zgne moeder yerwekt had '). Zgnen 
yader had h\j altjjd gehaat, maar nu had deze hem z^n land 
opgedragen en hem als wettigen zoon erkend met behnlp yan 
zyn oom, bisschop Herman yan Luik, die yoor die erfstelling 
en die erkenning yalsche charters had oitgegeyen. 

Couchi en de zynen worden door Masebroac yerwelkomd, 
die echter zgnen neef op bitteren toon yerw^t, dat hg den 
hertog, zynen oom, weinig eer bewgst door te laat te komen , 
nu de uityaart reeds was afgeloopen. In woede ontstoken , 
voegt Couchi hem toe: »Gg zgt een bastaard, want mgne 
moei Hildegaert heeft nooit bg den hertog een kind gehad. 
Hoe dorst gg u onderwinden , yóór mg , den wettigen erfge- 
naam des lands, de begrafenis te bezorgen?'* »yan het her- 
togdom yan Ardennen*', roept Masebrouc uit, >komt u geen 
zandkorrel toe. Al hebt gg mgnen vader en mg het land van 
Couchi ontweldigd, hem te Pargs yalschelgk beticht en in den 
tweekamp verwond , ik zeg u , dat ik wettige zoon ben , door 
mgn vader als erfgenaam erkend bg gezegelde brieven met al 
deze heeren als getuigen. Daarvoor moet alle tegenspraak yer- 
stommen.** Aller oogen zgn op Masebrouc gericht. »Bg God 
en alle Heiligen!'* roept Couchi: » durft men mg hoonen en 
mg mgn land ontzeggen? Het is de eerste keer niet, dat ik 
onrecht Igd, maar met Gods hulp ben ik het altgd te boven 
gekomen. Nu zal koning Lodewgk mgn recht erkennen, en 
met de wapenen zal ik het weten te handhaven.** Met moeite 



1) Hoe onw diebUr door de venneldiBg tab dm bysoaderbetd dea mub Ttn 
Miuebromr wil ▼•rkUrtn, \% niet recht doidel^k. Miar dat nl ook wel siet nit te 
makea mo, tooUag w^ aiet wctea boe de bmmi ia *t FrmMck Isidde. 



110 

gelakt hot aan de hoeren, die met Couchi gekomen waren, 
eene oogenblikkel^ke uitbarsting te voorkomen. Aan 'skonings 
hof, voor de genooten van den lande, moest de zaak naar 
recht en wet worden beslist. 

Des andereu daags bewast Couchi den overleden hertog de 
verschuldigde eer, begiftigt kloosters en armen, en vaardigt 
aan alle steden en ambtenaren het bevel uit, Masebrouc niet 
als heer te erkennen, op verbeurte van al hunne leenen. Daarop 
keert h^ terug naar Parys, waar intusschen koning Lodew^k 
door de ziekte was aangetast, die een einde aan zgn leven soa 
maken. Algemeen was de deelneming in het .gevaar, dat den 
beminden vorst bedreigde. 

Gedurende die ziekte van den koning bracht Couchi eenigen 
t^d bg z^ne geliefde door. Masebrouc maakte van die tusachen- 
ruimte gebruik, om zyne macht in Ardennenland te vestigen. 
Hy was door zijne moeder heer van Huy en van Bouillon, en 
had van moedersz^de veel machtige verwanten: zgnen groot» 
vader, den graaf van Goten, z^nen broeder Triestram van 
Taras , en anderen. Deze allen waren in hun eigen belang vol* 
gverig hem te steunen. Vooral z^n oom, bisschop Herman van 
Luik, stond hem met raad en daad ter z^de. Zy trekken het 
land van Ardennen door, en doen Masebrouc als heer erken- 
nen, die, om het verwijt van bastaardy te smoren, den naam 
aanneemt van Hertog Reinier. In de hoofdstad Deuve wordt 
hy als landsheer gehuldigd. 

Het gerucht van dit alles verspreidt zj^h door het land. 
Eenige personen, indertyd door den graaf van Couchi verlost 
uit de gevangenis te Brunenstein, waar de »valsche moorde- 
naars ')'' hen opgesloten hielden , zyn verontwaardigd over de 
verheffing van Masebrouc, den bastaard, wiens geschiedenis sg 
maar al te wel kenden. Zy besluiten den graaf van Couchi 
van het gebeurde kennis te geven. Twee hunner trekken naar 

1) Denkelijk de boven (bl. lOA) genoemde Amelieiir en Menifroot. die daar ook 
#dic mordenaren*' heetrn. Doch omtrent dit gedeelte van het verhaal geveo oUD 
fragmenten geen rrrder lirht 




111 

Famweel, en brengen hem de noodlottige tgding, dat geheel 
Ardennenbind den hertog Reinier als heer erkend had. »Wat 
'Yoor een Reinier is dat?*' antwoordt Couchi. »Heer*', zeggen 
zg, »het is Masebronc de bastaard, die zich nu Reinier laat 
noemen.** Couchi barst uit in eene klacht over de ontrouw en 
boosheid zyner magen. Zyn yader had hem zjjn land doen yer- 
liezen , en nu had z^n oom hem beroofd ran zgn wettig erf- 
deel, Tan het land van Ardennen, en dat aan een onbekenden 
bastaard gegeven ! Maar die gift was nul en van geener waarde 
zonder zgne toestemming. En, bg God almachtig! hg zou de 
trouweloozen , die tegen zgn gebod den bastaard erkend had- 
den, wel weten te straffen! 

Hier ontbreken twee bladen, te zamen 408 verzen , waarin, 
gelgk uit het vervolg blgkt (vs. 1792—1707 en 1820-1823), 
o. a. verhaald was , dat de valsche Eduard , de neef van Flo- 
rant, door Couchi, tot straf van zgne lastertaal, in een twee- 
kamp gedood werd. Waar het fragment weder aanvangt, vin- 
den wg den graaf van Couchi te Brunenstein , waar hg zgn 
neef Lucaen komt bezoeken. Vandaar begeeft hg zich naar 
Couchi I en vervolgens naar Guise. Op beide plaatsen klaagt 
hg over het onrecht, hem door den bastaard aangedaan, en 
ontrangt de verzekering van trouw zgner onderdanen. Op weg 
naar Pargs verneemt hg het overlgden van koning Lodewgk, 
en stort tranen om den edelen vorst, wiens dood het geheele 
land met droefheid vervulde. Te Pargs aangekomen, begeeft 
hg zich aanstonds naar het hof, waar *skoning8 Igk op het 
praalbed lag, omringd van eene schaar van hooge ridders, die 
met den jongen koning Karel den Kale hunnen rouw bedre- 
ven. Couchi groet Karel en al de aanwezigen, trekt de klee- 
deren van zwart fluweel aan , die hem worden aangeboden , en 
neemt deel aan het rouwbetoon. 

Aan alle grooten des rgks bad Karel zgne boden gezonden, 
om den dood zgns vaders bekend te maken* Ook de edele 
vrouwe van Famweel ontving die tQding met diepe smart 




■^ïi 



112 

Haar gemaal Florant maakt zich op om naar Pargs te vertrek- 
ken, maar wil niet dat zig medega, uit vrees dat zg daar 
Couchi mocht ontmoeten. Z^ spreekt er hem over aan, beant- 
woordt z^ne verwaten met de plechtige betuiging van hare 
ongekreukte huwel^kstrouw , herinnert hem aan het kwaad, 
haar door zyn neef (Eduard) gebrouwen, aan al het goede, 
hun door Couchi bewezen, en eindigt met de yerklaring, dat 
z^ vast besloten is, als naaste bloedrerwante de uitvaart des 
konings te gaan bewonen. Florant, b^na verteederd, geeft 
toe, ofschoon de wond in zijn hart nog verre van genezen 
was. H^ maakt zich gereed voor den tocht, en zgne echtge- 
noote laat een prachtigen wagen bouwen, geheel met zwart 
fluweel bekleed. Zij zelve, haar geheele gevolg, en de paar- 
den , die voor den wagen gespannen waren , alles was in rouw- 
gewaad gehuld. .Daags na haren gemaal begeeft zg zich op 
weg naar Pargs. Couchi, vernemende dat Florant is aange- 
komen, maar Beatrijs niet, is eerst diep verslagen; maar wel- 
dra wgkt zgne droefheid op het bericht, dat ook de vronwe 
van Famweel met haar luisterrgk gevolg te Parys is versche- 
nen, waar zg als eene gehoorzame echtgenoote haren intrek 
nam in de herberg van haren heer. 

Nadat al de genoodigde heeren en vrouwen vergaderd wa- 
ren , werd 's konings lijk van Pargs naar het klooster van 
St.-Denis vervoerd. Alles was in den diepsten rouw. Zulk eene 
plechtige uitvaart had nooit iemand gezien. Eene schaar van 
geestelgken, hooge en lage, zongen het Requiem: zulk een 
zang was nooit gehoord. Daarop volgde de offerande. In volle 
wapenrusting was het lijk den konings tentoongesteld, alsof 
hij in levenden Igve ware. Al de heeren en vrouwen kwamen 
offeren, de een na den ander. Beatrijs van Famweel deed hare 
offerande zóó dat iedereen zeide: al ware zg koningin van 
Frankrgk, of *s konings moeder of zuster geweest, zg had zich 
niet op edeler wijze van haar >devoor** kunnen kwgten. In het 
voorbggaan groette zij Domiuicus, die ter zgde van het praal- 
bed stond, roet een bevallig gebaar. 



i^^^^^^^^' 



113 

Na de offerande wordt de Igkdienst Toortgezet , en Terrolgens 
het lichaam des konings naar de prachtige graftombe geroerd, 
waar het wordt bggezet bg het Igk zgner gemalin. Daarop 
keert Karel met den ganschen stoet naar Pargs terag, betoigt 
na den maaltgd aan allen zgnen dank, en beraadt zich met 
de aanwezigen, op welken dag zgne kroning te Reims zal 
plaats hebben. Die plechtigheid wordt yastgesteld op het aan- 
staande Driekoningen-feest, en allen worden yermaand daarbg 
tegenwoordig te zgn. 

Na afloop ran dit alles vinden de heeren en Trouwen ge- 
legenheid met elkander te spreken. Beatrgs Tan Famweel heeft 
een onderhoud met Couchi en deelt hem mede, hoe het met 
haar gesteld is. Op zgn raad begeeft zg zich tot den jongen 
koning Karel, en Terzoekt hem zgnen inTloed op haren man 
aan te wenden, opdat de rust in hun huis niet Terstoord 
worde en hg haar behandele , gelgk hg onder koning Lodewgk 
gedaan had. TeTens Terzoekt zg hem, met zgn koninklgk ge- 
zag de zaak te willen regelen Tan den dood Tan Eduard , wien 
de heer Tan Couchi had doorstoken, omdat hg hem gelasterd 
had. De koning staat hare bede toe, laat Florant bg zich ko- 
men , en beTeelt hem , zgne Trouw en den heer Tan Couchi in 
ecre te houden, en den zoen wegens den dood Tan Eduard aan 
hem, den koning, OTer te laten. Florant betuigt, dat hg niets 
wil doen tegen 'skonings gebod, en de koning brengt de Ter- 
zoening Tan Couchi en Beatrgs met haren echtgenoot tot stand. 
Florant hield dien Trede, en deed Toortaan zgne Trouw geen 
Terwgten; maar wat er in zgn hart omging, dat wist hg te 
Tt.*rbergen , en dat is haar later gebleken na den dood Tan ha- 
ren geliefde, toen zg hare min met den dood bekocht! 

Hier Tleeht de dichter eenige beschouwingen in omtrent den 
staat Tan zaken in het rgk , waardoor Karel de Kale de kei- 
zerskroon , die zgn Tader en grootTader hadden gedragen , nog niet 
TerwerTen kon. Maar hg Tond Tooreerst genoeg te doen , om als 
koning Tan Frankrgk OTeral Trede en orde te bandhaTen. 

Intusschen naderde het Kerstfeest, en begon men loebereid- 

s 




114 

selen tot de kroning te maken. Alle hooge ridders en edel- 
vrouwen stroomden naar Reims om dat feest bg te wonen, 
ook de vrouwe van Famweel. Toen de dag van Driekoningen 
was aangebroken, werd koning Earel plechtig naar de kerk 
van Notre-Dame geleid, waarheen h^' zich, ondanks de felle 
koude, te voet begaf: een voorbeeld van christel^ken ootmoed. 
De kerk was prachtig versierd en weergalmde van de tonen 
der schoonste muziek. De koning werd naar het hoofdaltaar 
geleid , om gewyd te worden. Alle aanwezigen baden voor hem , 
dat God hem uit den hemel het Heilige Sacrament mocht zen- 
den: een mirakel, dat bg de wijding der koningen van Frank- 
r^k placht te geschieden. De dienst nam een aanvang, de 
aartsbisschop van Reiras droeg de H. Mis op, het volle koor 
der geestelijkheid hief den lofzang aan, en verscheidene hooge 
wereldl^ke heeren namen daaraan deel. Boven allen muntte 
Dominicus, de edele graaf van Couchi, uit: er was geen 
voortreffelijker zanger dan h^. De vrouwe van Famweel her- 
kende zyne stem, zij was er diep van getroffen, het was een 
medic^n voor haar hart. De bisschop zette den dienst voort, 
het afgebeden mirakel der nederdaling van het Heilige Sacra- 
ment op het altaar had plaats, de koning werd gew^'d en ge- 
kroond, en de plechtigheid met een feestelijken maaltgd be- 
sloten, waarbij Karel vrouwe Beatrijs de eereplaats aan zgne 
zijde gaf. De heer van Couchi diende als oppertafelmeester. 
Het feest muntte uit door overvloed en pracht. De armen en 
kloosters werden niet vergeten, maar ruim bedeeld, zoodat al- 
ler gebeden ten hemel opstegen, dat de regeering van Earel 
gezegend mocht worden. 

Veertig dagen lang duurde de hofhouding, door allerlei 
feestelijkheden, ibohorden, tafelronden, quinteynen, jachten 
enz.'\ opgeluisterd. Na afloop van alles geleidde men den ko- 
ning terug naar Parijs, waar hij de hulde zyner leenmannen 
en de verzekering hunner trouw ontving, en alles verordende 
om den vrede en de rust in het koninkryk te handhaven. Zoo 
liep de winter ten einde. 




115 

Zoodra de maand Maart verstreken is, neemt Couchi maat- 
regelen om zijne reebten tegenover den bastaard , die hem het 
land van Ardennen ontroofd bad, te doen gelden. Reinier, 
door Karel gedagvaard, weigert ten bove te verscbgnen : niet 
den koning wilde bg als beer erkennen , maar den keizer. Nu 
brengt Coucbi eene krggsmacbt bijeen. Met behulp van den 
koning, van z^ne getrouwen te Coucbi en te Guise, en van 
andere vrienden, verzamelt hg een leger van 14,000 man. Ook 
Florant bad 2000 man geleverd, want hg dorst bet niet laten; 
maar hg deed bet met een kwaad hart. Zijne vrouw Beatrys 
bad er op aangedrongen, die zelve baren geliefde in *t geheim 
met groote geldsommen ondersteunde. Zóó toegerust, rukte 
Couchi naar Ardennenland op. 

Van zynen kant bad Reinier niet stilgezeten. Een leger van 
20,000 man stond hem ten dienste, door zyne vrienden en 
magen bgeeu gebracht. Vooral de bisschop van Luik en Rei- 
nier's grootvader , de beer van Goten , hadden zich volgverig 
betoond, en nevens hen de broeder van den bisschop en Rei- 
nier's eigen broeder, twee strgdlustige partggangers. Al deze 
beeren badden den keizer Otto hulde en manschap gedaan. Zy 
trpkken met hunne troepen naar de grens van Ardennenland, 
om eon inval van Coucbi te voorkomen , en slaan daar hunne 
tenten op. Dominicus legert zich op eene mijl afstands. Hg 
vestigt zich in de sierlgke tent, die hg »in het wilde woud'* 
bad gewonnen: een koning van Alexandrië zou er met eere in 
gelegen hebben. Verkenners en spionnen gaan van weerskan- 
U'n uit, om de macht en de stellingen des vgands te be- 
spieden. 

Couchi ontbiedt eenen berant , Bien-Argent gebeeten , een 
alom vermaard man, die in christen- en betdenwereld de wa- 
pens van alle ridders kende, en draagt hem op zich naar Rei- 
nier te begeven, en »strgd, veld en tgd*', of een ridderlgken 
tweekamp te eiscben : een van beide. Bien-Argent rgdt naar 
*8 vgands legerplaats , wordt bg Reinier toegelaten , en volbrengt 
zgnen last Reinier antwoordt op hooghartigen toon en beraadt 




116 

zich met z^'ne magen, die hem den tweekamp met Couchi 
ten stelligste ontraden. »Die strgd'', zeggen z^, »ware al te 
gevaarlek , want Couchi heeft in geheel Frankrgk zgns ge- 
lyke niet. Moesten wij u verliezen, het zou een al te groote 
ramp z^n. Liever willen w^ met u de kans wagen: w^ heb- 
ben drie man tegen twee." Het besluit van den raad wordt 
door den bisschop van Luik aan den heraut medegedeeld. »E[et 
recht van Reinier'*, zoo spreekt hij hem toe, »door gezegelde 
brieven bevestigd, is ontwyfelbaar en moet onverkort blgven. 
Wil Couchi het bestrijden , welnu , op den derden dag na de- 
zen zal hij ons hier gereed vinden, om het land van Ardennen 
voor onzen 'neef te behouden. Die gelofte zullen wg gestand 
doen.'' »Ja, dat zullen wij!" roepen al de aanwezigen. Bien- 
Argent neemt zijn afscheid, en brengt het antwoord aan zgnen 
heer over, die voor den aanstaanden strijd de hemelsche ge- 
rechtigheid inroept en van de zijnen opnieuw de verzekering 
ontvangt van hunne onwankelbare trouw. 

Nu rust men zich van beide kanten ten strijde toe. Reiuier 
schaart zijne benden in drie afdeelingen; hjj zelf zou de voor- 
hoede aanvoeren, ziju broeder den middeltocht; de bisschop 
met den heer van Goten de achterhoede. Couchi, in wiens le- 
ger een uitmuntende geest heerscht, stelt zijne troepen in twee 
hoopen op, elk van 7000 man, die elkander op den voet 
zouden volgen. 

Op den bepaalden dag rukt Reinier aan met de ontplooide 
banier van het ryk der Ardennen. Dominicus, een ervaren 
krijgskundige, verzekert zich het voordeel van zon en wind, 
en trekt tegen hem op, insgelijks het wapen van Ardennen 
voerende, maar met dat van Couchi en Guise gekwarteleenl. 
Een oorverdoovend hoorn- en trompetgeschal weerklinkt over 
het veld, alsof de duivel uit de hel ware losgelaten. Men rydt 
op elkander in. De bastaard daagt Couchi uit, die zyn paard 
de sporen geeft en met gevelde speer op zgn vijand aanrent. 
Van den schok dreunde de aarde. Beider speren waren in 
stukken gevlogen. Zy richten zich op in den zadel, en bren- 




117 

gen elkander met het eind bouts, dat zij nog in de hand hiel- 
den, geduchte slagen toe. De bastaard is als bedwelmd: hoo- 
ren en zien vergaat hem. Coochi spreekt hem dreigende toe; 
zy trekken hunne zwaarden en zullen juist er op inslaan, toen 
zy door het opdringen der troepen, die intusschen handgemeen 
waren geworden , Tan elkander worden gescheiden. EIr volgt 
een algemeen gerecht met speren en zwaarden, waarbg menig- 
een in het stof byt. Couchi, in zyne stygbeugels staande, is 
altijd vooraan en spreekt den zgnen moed in. De gedachte, 
boe do schoone Beatrys zich verheugen zou , indien zy van 
zyne wapenfeiten hoorde, bezielt hem met onweerstaanbare 
kracht. Menig hoofd moet dat bekoopen. Alles wat hij met 
zijn zwaard raakt, is dood of verminkt: geen schild, noch 
helm , noch halsberg weerstaat zyne slagen. De zijnen volgen 
hom dapper. Maar ook de bastaard vecht met alle macht, 

en 

Doch hier breekt onze tekst af. Den uitslag van den stryd 
vernemen wy niet, al laat het zich voorzien, dat Couchi de 
welverdiende zege behaalde. 

Uit dit overzicht van den inhoud onzer fragmenten is al 
a^inHtonds gebleken , dat het gedicht , waarvan zy deel hebben 
uitgemaakt, een geheel ander werk was dan de -^Hisioxre du 
Chtltelain de Coucy\ Deze laatste behelst niets anders dan de 
lotgevallen der beide gelieven, zonder eenig verband met his- 
torijiche gebeurtenissen , behalve alleen de vermelding van ko- 
ning Ricbard Leeuwenhart, die by gelegenheid van een groot 
steekspel de aanwezigen opwekte tot deelneming aan den kruis- 
tocht, dien hy ging ondernemen, aan welke oproeping dan 
ook Coucy gehoor gaf. De handeling wordt dus gesteld in het 
jaar 1190. Maar ons gedicht verplaatst ons in 840, drie en 
eene halve eeuw vroeger , lang voordat er aan kruistochten ge- 
dacht werd. Het verhaal van den minnehandel tusschen Couchi 
en de vrouwe van Famweel is hier dooreen gevlochten met de 
geHchiedenifl van Frankrgk: een schitterend hoffeesti den dood 



WÊÈm 



118 

en de uitvaart van Lodew^k den Vrome, de kroning van Ka- 
rei den Kale, familieveeten van hooge ridderlgko geslachten , 
den strijd om de erfopvolging in het hertogdom van Ardennen. 
De liefde van Couchi is hier de draad, die door het geheele 
verhaal heen loopt en de verschillende deelen tot een samen- 
hangend geheel verbindt. In het eerste fragment staat zg nog 
op den voorgrond, ofschoon toch reeds in verband met — 
ware of verdichte — historische feiten. Maar in het tweede 
heeft het geschiedverhaal het overwicht, zóó echter dat altgd 
Couchi de hoofdpersoon blijft en z^ne genegenheid voor Bea- 
trys nooit uit het oog wordt verloren. 

Men ziet, de beide gedichten wijken te ver van elkander af, 
om bij het eene aau navolging van het andere te denken. Ook 
in de bijzonderheden, voor zooverre den held des verbaals en 
zyne beminde betreft, is meer verschil dan gelijkheid. In den 
Franscheu roman heet de kastelein Renaut ^) , de naam der 
edel vrouwe wordt niet genoemd: het is altyd la dame de FayeL 
In onze fragmenten draagt de burggraaf (vreemd genoeg) den 
naam van Dominicus; de vrouwe van Fayel, hier Famweel ge- 
noemd, heet Beatrijs. Haar echtgenoot, wiens naam in het 
Fransche gedicht niet voorkomt, is by ons de graaf Florant* 
Coucy zelf voert bij Sakesep altijd den titel van »chatelain*\ 
bij onzen dichter is hij in het eerste fragment evenzeer »borch- 
grave", maar in het tweede »grave", wettig heer van het land 
van Couchi. Van dit verschil geeft onze tekst de verklaring. 
In den tweekamp met zgn oom Adelaen, den hertog van Ar- 
dennen, had hjj de overwinning behaald, en zijn oom had 
hem het geheele land van Couchi moeten afstaan: van toen af 
was de burggraaf zelf graaf geworden. Wat de overige perso- 
nen betreft , die in de beide gedichten voorkomen , is er niet 
de minste overeenkomst En wat omtrent de lotgevallen der 
beide gelieven verhaald wordt, loopt even verre uiteen. Van al 
hetgeen wy in den Franschen roman lezen, wordt zoogoed als 



1) Verg. boven, de aant. 2) op|bl. 103. 




119 

niets in onze firagmenten gebonden, en omgekeerd beratten 
deze nagenoeg niets, wat w^ daar terugvinden. Het eenige, 
waarin beide gedeeltelyk oyereenstemmen , betreft bet steekspel 
te Coucbi. In ons eerste fragment wordt in *t Toorbygaan aan- 
gestipt, dat Beatrgs den witten Talk, dien zg uit liet vliegen, 
ten geschenke bad gekregen van baren ridder, die in dat tor- 
nooi den edelen vogel als prys zgner wapenfeiten gewonnen 
bad. Het tornooi zelf moet vroeger behandeld zgn geweest. In 
het Fransche gedicht wordt het breedvoerig beschreven. Ook 
daar is een valk het loon van den overwinnaar. Maar die valk 
wordt aan den heer van Chauvigny toegewezen : het is » leprU de 
ceulz dthorê\ de prys voor de vreemde ridders bestemd. Coucy 
behaalt »& priê de cheux dedenê*\ de belooning voor den besten 
ridder van het land zelf ^). 

Of ons gedicht met het Fransche dezelfde bloedige ontknoo- 
ping gemeen heefl gehad, is niet ait te maken, daar wg den 
verderen loop en het slot des verbaals niet kennen. Ik acht 
het echter zeer waarschgnlgk , dat ook hier dat tragische uit- 
einde niet zal hebben ontbroken. De dichter schynt er op te 
doelen, als hg, na de verzoening van Florant met zijne echt- 
genoote en den heer van Coucbi, door koning Karel bewerkt, 
er bg voegt, dat Florant wel dien vrede hield en zgne vrouw 
voortaan met alle betamelgkheid bejegende (H, 1855), 

Maer wat hi int herte droach, 

Beide spade ende rroach, 

Dat 10 coodi helen wale, 

Ende dat wa« femoj eode qoale, 

Dat hi seder wel aDtchyn 

Dede der frouweo ^n 

Naer die doot van haren lieve, 

Daer die vrouwe bt in grieve 

Qüam vander bitter doot, 

Dat tcade was eode jammer groot, 

Maer doch staerf loe dor die minne. 



1) Vt, S007 sa i04l. 




120 

Dit voorspelt een noodlottigen afloop, en die zal wel denke* 
lijk geen andere geweest zyu dan in den Franschen roman. 

Doch ondanks deze weinige punten van overeenstemming ^ 
onvermydelijk bij den aard van het onderwerp, mogen wg na 
al het aangevoerde het besluit opmaken, dat het gedicht, waar- 
toe onze fragmenten behoorden, en de roman van Sakesep twee 
geheel verschillende werken waren. De laatste is in den eigen- 
leken zin een roman (Taventures , het eerste sluit zich nader 
aan bij de zoogenaamde chansons de geste uit den Earoling- 
scheu sagenkring. Het is althans in dien geest bewerkt en 
doet zich voor als een episch gedicht. 

Wat nu de historische stof betreft, die onze dichter behan- 
delt en die hy met de lotgevallen van Couchi en zgne beminde 
in verband brengt, daarin is hij met de meest mogelyke vrg- 
heid te werk gegaan. Door de vermelding van Lodewijk den 
Vrome en Karel den Kale geeft hij aan zijn werk den sch^n 
van een ernstig geschiedverhaal, Doch het is niet meer dan 
schijn. Ouder den dekmantel van die achtbare namen beweegt 
hy zich vrij in het ryk der verdichting en maakt onbeschroomd 
gebruik van het recht -kquidlibet aiulend%\ door Uoratius aan 
de poëten toegekend. 

Reeds in hetgeen hij vermeldt omtrent feiten, die met de 
werkelijke geschiedenis in betrekking staan, blijkt het, hoe hg 
een loopje neemt met historie en chronologie. Ik haal enkele 
staaltjes aan, om den lezer te overtuigen. 

Onze dichter verhaalt ons, dat Lodewyk de Vrome te Pargs 
overleed, en te St.-Denis in de graftombe, waarin het Igk zg- 
ner gemalin rustte, begraven werd. Doch Lodewgk is niet (e 
Parijs gestorven, maar op een eiland in den Rgn by Ingel- 
heim; niet in het klooster te St.-Denis ter aarde besteld, maar 
te Metz in de kerk van St. Arnulf ; en niet bygezet by het 
lijk zyner vrouw, maar by dat zijner moeder EUldegarde ^). 



l) Nithardi Hut, p. 71, en FUa Ludoviei Pü, p. 126, beide io het Vide 
Deel van üouquct, RectteU des BittvrUni da Gaule* et de U Framee. Opmerking 



121 

De bondgenootea rao Reinier , den hertog Tan Ardennen , 
zegt hg , wilden het gezag van den koning Tan Frankrgk niet 
erkennen, maar deden holde en manschap aan den Duitschen 
keizer Otto. Dat was in 840. Doch in dien tgd regeerde Lo- 
tharius , Lodew^k's oudste zoon , in het Duitsche rjjk. Ott-o , 
de eerste Tan dien naam, is meer dan eene eeuw later, in 
962, keizer geworden. 

Onder de bondgenooten Tan Reinier, zegt hg Terder, was 
niemand gTeriger dan zgn oom Herman , de bisschop van Luik. 
Doch Tan Maternus en SerTatius af tot op heden toe is er nooit 
te Luik een bisschop geweest, die Herman heette. Van 836 tot 
840 werd die zetel door Pirardus, Tan 840 tot 855 door Hir- 
chariuH bekleed '). Bisschop Herman is louter een gewrocht der 
Terbeelding. 

Ook Tan den hoofdpersoon Tan ons gedicht moet hetzelfde 
worden getuigd. Van een graaf Tan Coucy , zelfs Tan een burg- 
graaf, kon in 840 nog geene spraak zgn. Het land Tan Coucy 
behoorde sedert den tgd Tan CIoTis aan de Kerk Tan Reims. 
Onder de regeering Tan Karel den EenTOudige, in het begin 
der 10<)« eeuw, is daar door den aartsbisschop HenTeus een 
kasteel gebouwd, waarin later (omstreeks 925) Herbert, graaf 
Tan Vermandois, die Toor zyn minderjarigen zoon Hugo het 
aartsbisdom bestuurde , eene bezetting liet leggen '). Eerst Tan 
dien tijd af heeft men dus een slotToogd Tan Coucy gekend. 
Doch de naam Tan een burggraaf Dominicus staat nergens ge- 
boekt, en in de geschiedenis der achtereenTolgende heeren, die 
er het bewind Toerden, is niets te rinden, dat OTer den held 
Tan ons Terhaal eenig licht Terspreidt 



TcrdicBt wtlliebt, dat d« o^joiiU MeeaSog. alaof Lodew^k de Vrome te St.^Deais 
begnreo foo f^B, ook elden voorkomt BQ Pkilippe Mosikee, rt. 1S464, leest 
men vmo bem: »A Si "Dmus fu wus tm ti^"*. 

1) Zie de \f^ is bet SvppUwi, op Pottbast. BUL kiit. wudü mtwi, p. 847. en 
Otmi. Sfmf EfUeofonm E/eei. CmikoL, p. 24S 6. 

2) Zie Da Cbeeae, Htêioirt yémêmlo^iqm dêë Mmimmi de Gmimm, tfArérêt, dé 
Oumd êi dg Comof (PMie. 1631), p 185 vlg.. ea Prtumt, p. 811 vig. 



122 

Niet beter is het gesteld met hetgeen de dichter weet te ver- 
halen omtrent het hertogdom yan Ardennen. Ik wil niet drak> 
ken op dien naam hertof/dom: het is bekend, dat in dergelgke 
romantische gedichten de namen duc en comte wel eens dooreen 
worden gebezigd. Het kan ook zijn, dat men de Moezelgonw 
(Pagus Mosellensü) moet mederekenen , die werkelgk eeu her- 
togdom was, en in 687 met het graafschap van Ardennen Ter» 
eenigd werd '). Maar noch Tan een Adelaen , hertog of graaf 
van Ardennen, noch van een bastaard Masebrono of Beinier, 
yindt men ergens eenige melding. En eyenmin is er eenig spoor 
te ontdekken yao een oorlog, om de erfopyolging in dat graaf* 
schap met een heer van Coucy gevoerd. Trouwens, vóór 963, 
toen het graafschap ophield ^), kan de slotvoogd van Gougj 
nog geene macht hebben gehad om zulk een stryd te onder- 
nemen. 

Ook de verdere namen , die wij in onze fragmenten aantref- 
fen, Florant en Beatrys van Famweel, Lucaen, Eduard, Ame* 
lieur , Menifroot , de graaf van Goten , Triestram van Taras enx^ 
behooren blijkbaar tot het gebied der fabelen. Zelfs in geen 
der epische gedichten, aan de sagen van Earel den Groote 
en zijn geslacht gewijd , heb ik die namen kunnen opsporen. 
Z^ zyn wel vermoedelyk door onzen dichter uitgedacht '). 

1) Bertholet, Hts f. du Duché de Luxembourg ^ II, 11 en 14. 

2) Zie Bertholet, a. w. III, 5 vlg., Dewez, Ilitt. part. des Prop. Bêlf. l, 107. 
Na den dood van Ricwin, den laatsten graaf van Ardennen, werd z^n gebied in 
963 verdeeld tusschen zyne vier zonen. Aan z\jn derden zoon, Siegfried, Tiel het 
land van Luxemburg ten deel, waarvan hy nu als eerste graaf optrad. Den omTing Tnn 
het graafschap van Ardennen geeft Bertholet (II, 13) aldus op: »Le Pajs d*Ardenne, 
Payuê Ardennemnt, comprenoit Ie Marquisat d'Arlon, la VriyM de Loxembourg. 
et tontes les terrcs situ^s anx environs de I'Eltz, de la Wiltz, de TOaren, de 
rOurt, de TEmblevc , de la Semois, de la Lessc, et d'une partie de la Sure.*' 

Wat den naam Reinier betreft, moet ik nog even opmerken, dat (volgena Ber- 
tholet, III, 4 vlg.) de voorlaatste graaf van Ardennen , de vader van Kicwtn , werkel^k 
zoo heette. Doch deze was geen bastaard van Adelaen, maar de wettige loon Ten 
»Sa<1iger Ie Juste'\ en geen tydgenoot van Lodewyk den Vrome, maar met dicae 
achterkleindochter gehuwd. Wat Bertholet van hem meldt, heeft met het verhaAl 
in ooze fragmenten niets gemeen. 

3) A1l«H>n de naam FloraiU komt voor in den roman Fiorent et Octamétm, wiar- 



123 

Op geographisch gebied schynt hg zich gel^ke vrgheid te 
hebben veroorloofd als op dat der historie. Zoolang h^ spreekt 
Tan Parijs , Reims , Troies en Chdlons , of van Coucy , van 
Bouillon^ van Ghuse (dat zeker Guise zal zgn), gaat alles goed. 
Met het graafschap Goten , het gebied van Reinier*8 grootvader, 
moet het markgraa&chap of hertogdom Septimanië bedoeld zyn , in 
het Zuiden van Frankryk, tusschen den Rhóne en dePyreneen, 
dat naar de Westgotlien, die er vroeger woonden, ook Gothië 
genoemd werd. Doch wat te maken van BrunensUin^ van 7a- 
ras, of van Deuve^ de zoogenaamde hoofdstad van Ardennen- 
laud? Het kan zyn, dat een enkele naam, die van Deuveh.y.^ 
door den vertaler verknoeid is , en dat in het oorspronkelgke 
iets anders te lezen stond '). Doch dit is eene bloote gissing. 
Onwillekeurig komen mg by dit alles de woorden voor den 
gee^t, die Albericus, de bekende monnik en kronykschryver 
in de Abdy der »Trois Fontaines", reeds in de 13^« eeuw schreef 
by de vermelding van de verhalen omtrent Aymerijn van Nar- 
bonne, die den Paus tegen de Sarracenen te hulp kwam. »De 
nomiue Papae'\ zegt hy, >qui a cantoribus dicitur Milo, non 
est curandum , quia ita solent nomina mutare vel per igno- 
rautiam vel curiose */*. Indien ree<ls ten tyde van Albericus 
de cantores in het veranderen der namen zoo willekeurig te 
werk gingen, wat mag men dan wel van hunne opvolgers, de 
latere romantische dichters, verwachten ')? 



over lic Pftalin Parif id Hist Uit. de U Franet, XXVI. SOS— 885. Hei boek 
FlorcHf et Uom, door Mone {Veóersicki , bl. 77), fenmeld als in 1621 door den 
biMchop fan Antwerpen verboden, ia bettelfde wtrk, blQkens hetgeen Parii aldaar 
(bl :{:55) mededeelt. Üocb de bier genoemde Floremt beeft met onaen Fiormmi , beer 
van Famweel, nteta te maken. 

I) Aao Dommi kan wel niet gedacbt worden. Dat bectte in *t MnL Douwy of 

i) JUerici Monseki Trimm Fomiimm CAromieom, nitgave Tan Leiboits (Haanover, 
16US , op het jaar 887, bl. 175. 

3) Verg. A. Darmeateter , De Fhoeam/e, p. 100, waar by van die latere gedichten 

trgt: «Haec enim poemata anteriomm poematam argnmenta enm alUa Cabnlia, 

•en traditie. ae« nUiuide deanmptia, ten inTentta, miaeent et eottfuMliat.'' 




124 

üit al het bovenstaande blgkt genoegzaam , dat het yerhaal 
van onzen dichter, voor zoover w^ het kennen, eene schep- 
ping is van zijn vindingrgk brein. Of men wellicht bg dit al- 
les nog mag denken aan een historischen achtergrond ; of mis- 
Bchien gebeurtenissen, later en elders voorgevallen, of wel onde 
thans onbekende sagen, hem aanleiding gegeven hebben tot 
het plan van ziyn werk, waarbg hg dan eigenmachtig tgden, 
plaatsen, personen en feiten veranderde, en zgne stof door 
eigen verdichtselen aanvulde tot een welsluitend geheel: daar- 
over durf ik geene uitspraak doen. Om die vraag te beant- 
woorden zou een omslachtig onderzoek noodig zgn, en er is 
alle kans, dat de uitkomst niet bevredigend zou wezen. Doch 
in elk geval ligt zulk een onderzoek niet op miynen weg. Het 
kan alleen ondernomen worden met behulp van Fransche boe- 
kerijen, waar men alles b^eeuviudt wat de gewestelgke ge- 
schiedenis van Frankrijk in de middeleeuwen betreft, en het 
zou eene ruimte van tijd vereischen , waarover ik niet te be- 
schikken heb. ik mag niet te veel uren aan mijne levenstaak 
— het Nederlandsch Woordenboek — onttrekken. 

Dat ons gedicht uit het Fransch vertaald is, behoeft nauwe- 
lijks aanwijzing. Bijna alle voortbrengselen onzer middeleeuw- 
sche letterkunde van epischen of romantischen aard zgn aan 
die bron ontleend, en het geheele karakter van het dichtwerk, 
waarvan de fragmenten hier voor ons liggen, de plaatsen waar 
de handeling voorvalt , de personen die er in optreden , de too- 
neelen die er in worden geschetst, alles bewijst onmiskenbaar 
den Franschen oorsprong. De talrijke vreemde woorden , die wg 
in onzen tekst aantreffen, leiden tot hetzelfde besluit. Waar 
wij lezen van adobeeren . affarant , bordoen , chyteit , defileren , 
devoor , /at/erie , faittjs , Jinieren , fraude, fjoddeeren , gorelle , ffra" 
tiensy grenjaert^ jugement ^ compangie , consent^ contreye^ conve* 
nant^ costumier, cronement ^ medecinael ^ mevjoot, omnipotent ^ 
org/ielieus, ortegraphie^ ostelrie ^ ^yenseus , portatire ^ prayerie ^ 
priurhier , principnel ^ ren pon 8 ^ royad ^ sarreeren ^ scarote^ secreet^ 
ftepufturt' . so/fisant , solorheeren^ suptljlkett^ i^rglorifieren ^ «Men- 



g| 



125 

leerai , icaenge eDZ.| om yan andere meer gewone woorden niet 
te spreken, kunnen w^ geen oogenblik in twgfel staan. 

Zoover ik beb kunnen nagaan, is het oorspronkelyke werk, 
dat aan het onze tot voorbeeld verstrekte, thans geheel onbe- 
kend. Nergens vind ik er eenige melding van gemaakt, ner- 
gens eenige aanduiding van de verhalen, die w^ in onze frag- 
menten lezen. Dat een geleerde als Gaston Paris in zgn door- 
wrocht artikel over den Chdulain de Coucy met geen enkel 
woord rept van eene andere bei^erking dier legende, op de 
onze gelykende, is wel een bew^s, dat de Fransche letterkun- 
digen van zulk een gedicht geene kennis dragen. Of het mis- 
schien nog ergens in het duister verscholen ligt en wacht op 
eene toevallige ontdekking, wie zal het zeggen? Maar juist 
aan de omstandigheid, dat de oorspronkelgke tekst verloren 
schijnt, ontleenen de overblyfselen , die wg hierin yertaling 
terugvinden, eene dubbele waarde. Zg vullen eene leemte in 
de geschiedenis der Fransche letteren althans eenigermate aan, 
en zullen uit dien hoofde niet onwelkom zgn ook aan de be- 
oefenaars der Itomaansche philologie. 

Welk van de beide werken was nu het oudste, datgene 
waaruit onze fragmenten vertaald zgn, of de roman van Jakemon 
Sukesep? Voor de beoordeeling der juiste verhouding tusschen 
l>ci(ie is die vraag yan belang. Volgens Tobler en Gaston 
I^ari^ *) moet de Fransche roman geschreven zgn op het einde 
der IS"^' of in *t begin der lA^^ eeuw, onder de regeering van 
den Franschen koning Philips den Schoone (1285—1314). Of- 
schoon bet moeilgk is, den ouderdom te bepalen van een ge- 
dicht, dat yerloren is geraakt en waarvan wg dus de taal en 
den stijl niet kennen, komt het mg toch waarschgnlgk voor, 
dat het andere werk van ouder dagteekening geweest is. De 
roman, door Crapelet uitgegeyen, is een eigen Igke ronuin cTaven- 
turts, in min of meer modernen trant. Ons gedicht daarentegen , 



1; JmArkmck fnr rowuM. mm/ emgl. Spmcié WÊd LUêrmtmr , XIII, 109 fig., en 
Uut. Utt. 4ê U rrmnct. IIVIU, Sft5. 




126 

hoewel niet volkomen met den naam van ehansan de geste te 
bestempelen , sluit zich toch nader by die c/iansanê aan , brengt 
het verhaal in verband met andere — zij het dan ook verdichte 
— sagen uit den Karolingschen fabelkring, en ademt meer den 
geest der vroegere middeleeuwen. Dit schynt op een hoogeren 
ouderdom te w^zen. Qroot zal het verschil wel niet geweest 
z^n, want juist in de tweede helft der 13^® eeuw waren der- 
gelijke ridderlyke verhalen in zwang. Maar toch mag men, 
naar 't mij voorkomt, ons gedicht wel eenige jaren vroeger 
stellen dan de Histoire du Chdtelain de Coucy. Is die meening 
juist — waarover ik gaarne het oordeel aan Fransche letterkun- 
digen overlaat — , dan heeft Sakesep wel denkelgk het oudere ge- 
dicht gekend en ook daaraan voor een gedeelte de stof van zgn 
roman ontleend. Het gevoelen van Ga'^ton Paris ^) , dat hg in 
de liederen van den heer van Coucy , door hem in oude handschrif- 
ten aangetroffen, in verband met de populaire legende van het 
als spys toebereide hart, de aanleiding tot zgn verhaal heeft 
gevonden, zal dan eene kleine wijziging of aanvulling behoe- 
ven. Ook het gedicht, waarvan onze fragmenten de vertaling 
behelzen , komt dan in aanmerking als eene der bronnen , waar- 
uit hij vermoedelijk geput heeft. 

Ik moet nog even wijzen op een merkwaardig verschil tus- 
schen de beide gedichten. Het betreft de voorstelling der lief- 
desbetrekking van den burggraaf en zijne beminde. In den 
Franschen roman is het een minnehaudel, die, hoe bevallig 
ook geteekend, toch kwalgk overeen te brengen is met de be- 
grippen van ridderlijke eer en vrouwelijke deugd. Geheime ont- 
moetingen der gelieven, waarby de heer van Fayel telkens be- 
hendig bedrogen wordt, gevolgd door misdadige schending der 
huwelijkstrouw. Al is de dichter ook nog zoo met beiden 
ingenomen, al schildert hy hun beeld met de liefelijkste 
kleuren, toch waagt hy geene poging om hunne schuld te 
loochenen of zelfs te verbloemen, en de wraak van den belee- 



1) T. ft pi., bl. 305 Tlgg. 



127 

digüen echtgenoot, hoe afschuwelijk ook in de uityoering, is 
toch eenigermate gerechtvaardigd. Hoe geheel anders b^j onzen 
dichter! De liefde tusschen Dominicus en Beatris is eene har- 
telyke en innige gehechtheid, eene teedere genegenheid zelfs, 
maar naar middeleen wsche denkbeelden volkomen bestaanbaar 
met hetgeen de ridder aan zgn ouden vriend Florant, en de 
edelvrouwe aan haren gemaal verschuldigd was '). Overal wordt 
deze voorgesteld als >eene ongheblaemde vrouwe** (II, 1452), 
en haar minnaar als >de beste ridder**, die >no7nt ontrouwe 
dede*' (II, 233—235). Zoo zuiver, zegt de dichter (II, 172): 

80 zQfer was baer minne , 
Dat ziere beide ne wonden inne 
Gheene wankelinge laten comen 
Van ghepeinse of daer in dromen, 
Dat daer jemen qnaet in helt, 
Ende bleten altoes verzelt, 
Beide froucb ende spade, 
In goeder minnen. 

Om geen ding ter wereld zou Dominicus zich vergrepen heb- 
beu aan hare eer. Hy was aan Florant meer gehecht dan aan 
zyn eigen vader (II, 239), 

1) Hoe meo dett^ds orer die gilsote taken dtcht, blykt xeer ksrmkieristiek ait 
de woorden, die Sskesep sin Itabel, de kamenier der «daase de f%jéV\ in dea 
mond legt. Zy legt tot hare meetterc* (rt. 2361): 

•monlt m'eemenreill , par m*ame. 

De root, qai eetct haote dame, 

S'avét mari prea et raillant. 

Et tot ce (aitee na amant.** 
Maar laat er aanstoads op rolgen: 

»Si ne di pas poar oe qn*aaer 

Ne poisl bifSB dame na baeeUr 

Ia hoanesU et avoir ehier; 

BI te li pnet , t'il a mestier, 

D'aaeaa bel jonel fiure doa: 

Tont ee pnet (kire par raison; 

Mais t'oaaonr doit si biea garder 

0*0 Ui ne te pnist astnier 

Ia lien privé, car je vons di: 

li Uta ca oat fut maiat bardi** 




128 

Ende eer hem die goede man 
Eeneghe ontrouwe hadde ghedaen, 
Hi haddem eer laten vlaen, 
Ja als an zgn goede w^f , 
Die noynt adre an haer Igf 
Hadde van ghepeinse qaaet. 

Met volkomen vrg moedigheid beantwoordt Beatrgs dan ook 
de verwaten van haren echtgenoot, toen deze door den yalsehen 
Eduard achterdocht had opgevat, met eene hartstochtelgke be> 
tuiging van hare onschuld (II, 1406): 

Bi den Heere die mi gewrachte 
Met ziere heilegber moghenteden, 
Ie hebbe toten daghe van heden 
Ghedaen als eene goede vrouwe 
Ëude ghequijt die zelve trouwe, 
Die ie u beloofde wilen eere, 
Als ie u nam teeuen heere, 
Ende sal oec eeweliko, 
Tote ie aceede vao erderike. 
Ende noch en es hi niet gheboren , 
Die mi anders leide te voren 
Dan doghet ende reinieheit. 

En zij schroomt niet, na de vermelding der weldaden, die 

zij aan den heer van Couchi te danken hadden, er bg ie Toe- 

gen (II, 1448): 

Endf» ewoiyc sal hi van raien 
Gheminl z^n zonder dorpernie. 

Op hunne liefde kleeft dus niet de minste smet. Alleen de 
inblazingen van een laagliartigen lasteraar wekken in het hart 
van Florant wantrouwen en ijverzucht op, verkoelen zgne ge- 
negenheid voor Beatrijs en haren vriend, en bereiden de droe- 
vige outknooping voor, het noodlottige uiteinde eener onschul- 
dige vrouw. 

Ik wil op dit kenmerkend verschil tusschen de beide gedich- 
ten niet bepaald drukken, om den hoogeren ouderdom van het 
onze waarschynlijk te maken. Gaston Paris heeft opgemerkt, 



129 

dat ook in sommige veel jongere bewerkingen derzelfde stof de 
genegenheid der twee gelieven als rein en onschuldig wordt 
voorgesteld '). Op zich zelf bewgst dit yerschil dus niets Toor 
eene vroegere of latere dagteekening. • Maar ik zou toch in be- 
denking willen geven, of het niet eenige waarde heeft, waar 
het de vergelgking geldt van twee verhalen, beide uit de 13^« 
of lA^^ eeuw afkomstig; of niet ook deze voorstelling van on- 
zen dichter een meer eigenaardig middeleeuwschen geest ademt 
dan die van Sakesep, en of zy dus niet allen schgn heeft tot 
het oorspronkelgke karakter der sage te behooren. 

Wat den ouderdom van onze Nederlandsche yertaling betreft , 
ook deze laat zich niet met zekerheid, maar alleen bg benade- 
ring bepalen. Onze fragmenten bevatten geene enkele aandui- 
ding, die tot eenige gevolgtrekking aanleiding geeft. Het hand- 
schrift is uit het laatst der 14^« eeuw. Het is echter blgkbaar 
geen autograaf. Ofschoon de tekst over *t algemeen vrg zui« 
ver is, komen er toch misstellingen en fouten in voor, die op 
een afschrgver uit de tweede of derde hand wgzen. Dit bren{[t 
ons eenige jaren achterwaarts, zeker althans tot het midden 
der eeuw. Veel vroeger evenwel zou ik den tgd niet durven 
stellen, want onze yertaler was blgkbaar een man, die onder 
den invloed stond van de nieuwere begrippen der didactische 
school. Dat getuigen de aanmerkingen, die hg hier en daar 
invlecht. Ik haalde reeds boven aan, hoe hg bg de yermelding 
van den ridderslag, dien vele aanzienlgke edelknapen te gelgk 
met Karel den Kale ontyingen, er spottend bg voegt (I, 782 — 
791), dat men die plechtige handeling nu niet meer noodig 
acht, want dat de >princhen kinder" na bg hunne geboorte 
hun ridderschap al medebrengen: 

Dub ei'lTolc veredelt xeere! 



1) T. A pL. bl. 879, SS5 ta $87, waar h^ spreekt van den roman van MadU«. 
de LutMO (mJm^edoitê dê lm cour dê PkUifpé-Auju»iê*\ 1789), en o. a.getaigt: «Bn 
faiiaat de .Gabrielle" la rietime innoeenie dee foren ra jaloiuet de ton laari, Madlle. 
de LoaMn a rendo eeCte tngiqne hiatoire plna inUreeaaaie el pint toDdre.** Hei b 
opmerkcl^k , n« reedt b^ een ^dfcnoot van Snkeaep dcteUde voonlelUng te vinden. 

9 



130 

Men ziet, de bloei van het ridderwezen was reeds yoorbg, 
toen onze dichter zich die scherts kon veroorloyen. Blders geeft 
hij ons gemoedelyke uitingen ten beste op zedelgk gebied. Als 
h^ verhaald heeft, hoe de listige Eduard in den boezem yaa 
Florant de knagende achterdocht opwekte i neemt hg die gele- 
genheid waar om in een twintigtal verzen (II, 107 — 128) uit 
te varen tegen den boozen n:yd, 

Die welke die yermaleadide 
Viant eerst ter werelt brochte 
Ende oec also vaste cnochte, 
Dat men niet ontcnopen can. 

En hg besluit met de vrome verzuchting: 

Dies moete ontfaermen onsen Heere 
Ende ziere liever moeder Marien! 

Lat«r, waar hg ons meldt dat Beatrgs, te Pargs aangeko- 
men, haren intrek nam in de herberg van haren echtgenoot, 
roemt hij (II, 1559 — 1576) die handelwyze als een bigk tu 
den ootmoed en de onderdanigheid, die eene vrouw, en yoorml 
eene vrouw van hooge geboorte betamen, en hg dringt die 
opmerking aan met eene (trouwens niet zeer duidelgke) vergif 
lijking, waarvan de zin schijnt, dat adel zonder ootmoed even 
verkeerd is als dat iemand zich > zonder scip of boot** te water 
wilde begeven. Eene poëtische ontboezeming, die vrg prozaïsch 
eindigt met de woorden: 

Ter materien ie weder keere. 

Dat de vertaler deze en dergelgke uitweidingen niet in xgn 
Fransche voorbeeld vond , maar uit eigen wgsheid inlaschte , mogen 
wij wel als zeker aannemen. Zij zgn in een episch-romantisch ge- 
dicht ten eenenmale misplaatst, maar geheel in den geest van Maer- 
lant en Boendale, geheel in overeenstemming met de denkbeelden 
der Nederluudsche burgerij in de eerste helft der 14<*« eeuw, die 
prijs stelde op nuttige leering eu stichtelgke vermaning. 

Wanneer ik dit alles te zamen overweeg, dan geloof ik onie 
vertaling niet jonger te mogen stellen dan 1350, maar ook 



ISl 

niet ouder dan 1330, toen de begrippen der didactische school 
eerst recht waren doorgedrongen in den geest der natie, soo- 
dat ZQ ook op de dichters vaa epos en roman inrloed hadden 
bekomeo. De taal en stgl onzer fragmenten stemmen met deze 
tgdsbepaling Tolkomen orereen. Het is dezelfde manier yan 
zeggen — nog tamelgk zuiver Middelnederlandsch , maar toch 
reeds met eene OTerhelling tot meer moderne wendingen en 
uitdrukkingen — als die wg in andere gedichten uit hetzelfde 
tgdperk aantre£fen, met name in de oyerblgfeelen ran den 
Loyhier en Maioêrt^ met wier taaieigen dat yan ons gedicht 
yeel oyereenkooist heeft. 

Omtrent den persoon van den yertaler, zgn naam , zgne 
woonplaats enz., is ons volstrekt niets bekend. Alleen getuigt 
zgn werk, dat hg een niet onbekwaam dichter was. In hoe- 
verre hg eene getrouwe overzetting of wel eene omwerking ge- 
leverd heeft, kunnen wg bg gemis van den oorspronkelgken 
tekst niet beoordeelen. Doch zgn verhaal is overal zoo natuur- 
Igk en zoo duidelgk , dat wg in het eerste geval aan de nauw- 
keurigheid van zgne vertaling niet behoeven te twgfelen. Taal 
en stgl zgn niet zonder verdiensten. £r is gang en leven in; 
waar hg personen sprekende invoert, zelCs bezieling en gloed. 
De woorden wiMeling b.v. tusschen Couchi en Masebrouc, de 
toespraak van den heraut Bien-Argent bg zgn bezoek in het 
legerkamp van Beinier, en het antwoord hem door den bis- 
schop van Luik gegeven, zgn gesteld in krachtige, manlgke 
taal. Somtgds weet hg niet onaardig te schertsen, vooral waar 
hg den goedigen Lucaen laat spreken. Zeer zeker is het ge- 
dicht in zgn geheel, niet alleen door de afwisseling en ver- 
scheidenheid van tooneelen, maar ook door den lossen en sier- 
Igken veriiaaltrant , voor onze voorvaderen eene boeiende lec- 
tuur geweest. 

Zgn derhalve onze firagmenten belangrgk uit een letterkundig 
oogpunt, zg zgn het niet minder voor de kennis onzer middel- 
eeuwsche taal. Merkwaardig, hoe bgna iedere vondst van over- 
blgfselen der oude po«ue onze taalkunde met nieuwe bgdragen 




132 

verrekt. Ook hier vinden wig een aantal woorden, die tot du»» 
verre nog niet, of slechts eene enkele maal waren Toorgd^o- 
men. Uitdrukkingen als dreve, sijn gebluuc vervcten^ p^rijet, 
int gruus steken, imbare^ zvmperlijc^ verdarentheit ^ versloofi^ 
of vreemde woorden als affarant, bardoen^ goddeeren^ fforelk^ 
scavote, waenge, zijn den taaibeoefenaar welkom. Watdespnak- 
kunst betreft, begroet h^ met belangstelling den weinig be- 
kenden vorm drieu voor draaide (II, 1695), en het opmerke- 
lijk gebruik van onzen dichter, om aan de persoonlgke Yoor- 
naamwoorden, als subject gebezigd, het aanwyzend yoomaam* 
woord die toe te voegen. In onze gemeenzame volksspraak ii 
die invoeging bij eigennamen en gemeene naamwoorden nog 
heden zeer gewoon, als men b.v. zegt: Willem die huft mij 
verteld , de lamp die wil niet branden , enz. ^). Maar datzelfiie 
die, met de persoonlijke voornaamwoorden verbonden, is een 
zeldzaam verschijnsel. Verdam heeft er reeds op gewezen, dit 
het in de fragmenten van Iluge van Bordeaux meermalen voor- 
komt, maar voegt er bij, dat hy zich niet herinnert, de» 
eigenaardigheid ooit bij andere schrijvers te hebben gevonden ')• 
Het trekt daarom onze aandacht, wanneer wg hier telkeni 
zegswijzen aantreffen als ie die vruchte mi, ik vrees (I, 290), 
ie die zegghe u (II, 453), ld die zalre bi zijn leven setten (II, 
507), hi die riep (II, 2731), soe die heeft (I, 518), wi dit 
hebben tijt ghenouch (I, 297), enz. Eveuzoo, wat de spelling 
aangaat, treft ons het veelvuldig gebruik van r, in de plaats 
van 8, voor vloeibare en andere medeklinkers: zlaen, zlouch^ 
gezlegen, zlach, zlavine, verzmaet , zniden, zcoenkine enz. Of die 
schrijfwijze van den dichter zelven afkomstig is , of van den 
jongeren afschrijver, laat zich natuurlijk niet beslissen. Doch 
het blijkt in elk geval genoegzaam, dat de nieawgevonden 
verzen, ook wat de taal betreft, vry wat nuttige leering be- 



1) Men dcnke slechts aan het bekende lie4je: mJan die tloeg Lijtfe, Em Lijtje 
tiocg Jany 

2) Taalk. Bijdr. I, 114 vlg. Verg. ook Dr. Ktlff. Mnl. EpUehe FragwL, bl. gg9. 
Ele die ghine vindt men in Loykiêr en Malaert, ald. bl. 2S8, rt. 549. 



133 

yatteu ter uitbreiding Tan onze, wel in de laatste jaren aan- 
zienlijk vermeerderde en verbeterde, maar toch in menig op- 
zicht nog zoo gebrekkige kennis. 

Ik laat thans de fragmenten in nauwkeurigen afdruk volgen: 
bet eerste naar het afschrift van Mone, de overige naar de 
oorspronkelijke perkamentbladen , die ik met alle zorgvuldigheid , 
hier en daar met aanwending van een reagens en niet zonder 
moeite, heb ontcgferd. Waar de lezing twyfelachtig is, heb ik 
dat door cursieve letters aangewezen. Enkele blgkBare fouten 
heb ik in den tekst verbeterd, doch altgd de lezing van het 
handschrift aan den voet der bladzyde vermeld. Van taalkun- 
dige aanteekeningen heb ik my in den regel onthouden: mgne 
uitgave is voor lezers bestemd, die Mnl. verstaan. Alleen by de 
meer belaugryke woorden , die tot nog toe niet verklaard wa- 
ren , heb ik eene korte opheldering gegeven , en op enkele 
plaatsen, waar zelfs een ervaren kenner der oude taal een 
oogenblik in twyfel zou kunnen staan , door eene kleine vin- 
gerwijzing de juiste opvatting gemakkelyk gemaakt. Een drie- 
tal woorden , die eene meer uitgewerkte toelichting vereischten , 
te uitgebreid om onder den tekst te worden geplaatst, t. w. «ra- 
iH)te, imbart en zimperlijc^ heb ik in eene Bylage behandeld. 

En hiermede geef ik deze bydrage tot onze middeleeuwsche 
letterkunde aan myne landgenooten over. Ik doe het met den 
weosch, dat weldra nog andere overblyfselen van het gedicht 
voor den dag mogen komen. De verspreide bladen van het 
jammerlyk uiteengescheurde handschrift moeten toch voor een 
gedeelte nog hier of daar verscholen liggen, vermoedelyk in 
Nooni-Brabant of aangrenzende streken. Mogen zy, die in de 
gelogeuheid zyn tot nasporingen in oude boekverzamelingen en 
archieven , vooral niet verzuimen er naar te zoeken. Wy mogen 
oiet^ onbeproefd laten, om van den zoo deerlyk gehavenden 
letterschat onzer vaderen te redden wat nog te redden valt. 



I. 

FRAGMENT UIT ATRECHT. 



Fol. 1 a.' Ende al80 wel gheadobeerde 
Vant meu kume upter eerde. 
Also vul was die stede 
Met Yolke van der edelhede, 
6 Dat zi cume mochten binnen 
Alle ostelrie ghewinnen, 
Sine moesten buten weghe z^n ^). 
Nu willic der materien mgn 
Volghen ende bliven bi 

10 Den borchgraven van Couchi 
Als die edel ridder goet 
Den dach entie t^t verstoet, 
Dat het naecte den termiyn 
Dat die feeste zoude sgn, 

15 So ne woudi langher t^t 
Beiden , maer an den ermgt 
Nam hi orlof den vierden dach 
Die vor den Tsiuxen ghelach, 
Dat crone soude draghen 

20 Die coninc met zinen hoghen maghen , 
Ende zinen zone ridder maken. 
Hi haddem up alle zaken 
Beraden metten neve zijn, 
Die hem gaf een brievekgn 

25 An den coninc Lodewgc, 



1) Of het moetien herbergen (haisTestingen) i^n op afgelegen pltateen. 



135 

Twelke den ridder rgc 

Dede harde grote stade. 

Die borchgraye bi Torzienen rade 

Dede al zine wapine 
30 Ane onder eene zlavine, 

Die goet waren ende gave. 

Oheene beter drouch hertoge no grare, 

Noch daer toe abo goet een zwert. 

Hi was oec also wel ghepeert ') 
85 Als eenich heere diemen vant. 

Lucaen z^n neye, die seriant, 

Hadde zine male wel bewaert 

Aldaer up zgn zomerpaert, 

Daer hi selve up was gbeseten. 
40 Sgn derde paert woadi vergeten, 

Want hi peinsde om tprofgt 

Dat ostelrien quaden tgt 

Soude') wesen te Pargs; 

Ende in den clooster te Sente ') Dengs 
45 So hadde Lacaen eenen broeder, 

Die van den wine was behoeder. 

Mochti niet bet, bi dede verstaen 

Doe zinen meester Lacaen, 

Si zonden daer herbergen wale. 
50 Doe namen zi met scoender tale 

Orlof an den goeden ermgt, 
Fol. 1 6. Diese heeft ghebenedijt 

Metter hant alle bede 

Ende Gode bevolen mede, 
55 Ende daer met zyn si ghesceiden: 

God die neerosi in ziere gheleiden! 

Si zullens hebben wel te doene. 

1) Van zolk ero goed purd roorxirn Verg 11, 2406: M4irde wel gktpmert. 

t) By Mooe: Somdêm. 

S) llrt lU hccA. by rerkortiag. S. 



136 



Het en was nye ridder also coene, 
Haddi bestaen dat hi bestont, 

60 Hi ne hadde in der herten gron 
Sorghe gheadt ende vaer, 
Hoe dat hi zoude van daer 
Hebben gheraect, daer hgs began, 
Ënde in der eren bleven dan, 

65 Der ghelgc dat hi dede, 

So ghi zult horen die waerhede. 

Beide reden zi te samen. 
Na dien dat zi orlof namen , 
Te Famweele ') in die stede; 

70 Want cooplieden alle bede 
Hieten zi waer zi quamen. 
Si veranderden hare namen 
Onder hem beiden in secreit 
Bi groter behendicheit. 

76 Hine leefde oec niet, gheloves mi, 
Die den borchgraven van Couchi 
Ghekent hadde int openbaer, 
Diene over drie der jaer 
Hadde ghekent of over viere , 

80 So was hi an zine maniere 
Verkeert ende an zine ghedane, 
Hine hadder al zgn meerken ^) ane 
Gheleit an wezen ende an sprake 
Met goeder moete ende met ghemake 

86 Ende oec bi secreter dinc. 

Hi scheen die scoenste jongelinc 
Wesen van der werelt al, 
Eer hi quam int ongheval 
Dat hi van zinen lieve sciet 



1) In Mone*t •fschrift staat hier eo io 't venrolg altyd Famweele. 

2) By Mooe: meerk ï ame. Zeker it meerken, opletten, bedoeld: al «y» wuerkem^ 
al xyoe oplettendheid. Verg. tb. 308. 



187 



90 Ende dat hi int zwaer rerdriet 
In den wonde lach drie jaer. 
An :dnen baert haddi noyt haer, 
Die hem lanc was worden doe. 
Te Famweele quamen si toe 
95 Orer cooplieden gberaren, 
Daer si wel ontfanghen waren 
In eene scone ostelrie. 
Des ayonts so yraechden zie 
Wie dat here was yan der stede, 

100 Dies men hem die wareit sede, 

Ende dat die Troawe was der ghelike 
Des coninz nichte yan Yrankerike, 
Foi. i e. Die beste entie scoenste mede 
Die men wiste in kerstinede. 

105 Doe so yraechde Lnuc aldaer, 
Of daer eenich constenaer 
Ware die conste nieuwen zanCi 
Si zoudens hem weten danc 
Ende gheyens hem oec miede. 

110 Si hadden ghehoort nieuwe liede 

Van royers die lagen in den wouden, 
Dat zi gheeme horen zonden. 
Cume hadde Lucaen twoort 
Van dien zange gebrocht yort, 

115 Men hietene zwgghen daer, 

Want niemen so coene ne waer 
Dies yermaende in die stede, 
Het ne soudem Igf of lede 
Oosten yan der yroawen goet, 

120 Op dat soe worde der zaken yroet; 
Want daer men dat liet yan 
Maecte was die beste man. 
Die wile hi woende in die stede, 
Die noyt wapine an dede, 



138 

125 Ende oec ghemint also zeere 

Metter vrouwen ende metten heere 

Ende metter ghemeender stat, 

So dat niemen mochte om dat 

Quaet van hem horen spreken, 
180 Men zout an zgn leven wreken. 

Lucaen zeide: >6elcht hu niet, 

Wi ne weter ^) of gheen bediet , 

Want wi z^n vremde cooplieden, 

Ende gheerne horen wi bedieden, 
186 Dat rovers ende mordenaren 

/n haren tiden qualyc varen, 

Dor die vrese die si ons doen 

Z>icken zonder occissoen". 
Daer met lieten si die tale. 
140 Luuc die vraechde te dien male, 

Als die behendich was ende wgs. 

Of TA niet te Par^s, 

fiere of vrouwe, zoude wesen. 

Men andworde hem na dezen: 
U5 </a si zeker alle bede, 

Wsxii hute camere huter stede 

Foren ghevaren was ^). 

l?je borchgrave verblijdde om das 

So zeere dat hi verscoot, 
150 ^1 hadt ghezgn van coude groot, 

1) By Mone: weten, 

2) De graaf en gravin van Famweel vertrokken eerst den volgenden morgen naar 
Par^s: lie vt. 229 — 235. Zy waren das nu nog niet vertrokken. Dat lii hute ca- 
mere waren gegaan, zegt in allen gevalle niets: Au/er stede ware genoeg. Doch het 
adv. Voren wgst er op, dat hier sprake is van een ander persoon, die de hooge per- 
sonages vooruitreisde. Men zal moeten lezen: 

Want hcLer camerare hater stede 
Voren ghevaren was. 
mih\ zeide men, «zij gaan zeker naar het feest te Par\)s, want kun iawêerAeer b 
reeds vooraitgereisd". 



f> I 



189 



Ende Terrine al zgn gfaeblntM;'), 
^de metten worde zeidi ïLxnte 
Of der ghelgc of hgt der eonde *) 
Fol. 1 d. Dede, dat niemen merken sonde. 

116 Daer eo spraken li menieh woort 
Binnen der maeltgt rechte Toort, 
Beede Tan deeen ende Tan dien. 
Büde was, gheloTes mien, 
Die borchgraTe Tan Oouehi, 

160 Dat die edele Tronwe Tri 
Sgns hadde Tergheten niet, 
Ende haer leet was sgn Terdriet, 

Ende dat die Trouwe Cutgs 
Sonde wesen te Pargs. 

16S Dies so Terbigdde hi zere in dien. 
Hi hoopte dat hise xien 
Noch zonde Tor zine doot, 
Ende dat soe die wareit bloot 
Noch weten zonde algader, 

170 Hoe datse die Terrader 

Valschelike hadden beloghen, 
Daer bi dat zi noch bedroghen 
Wesen zonden, mochte hise seouwen, 
Ende Tan der Talscher ontrouwen, 

175 Die hem zgn oem hadde ghedaen: 



1) D. t Ed hentelde — herstelde xieh Tan — lyne Terlegenlieid. OMmme, hier 
Toor het eent aan *t licht komende, it looreel alt verleg^mheid, verwarrimg. Verg. 
het adj. gêkU, Teriegea, in de war, onUteld (Verdam II, 97A); mhd. bUc, hUme, 
kié^ io denselfden nn, M^, Terlegen i^n (Benecke I, 814 rlg.); Zweedteh bhf^, 
•ch ach ter, bbfgmi, tidi achamcn, Ufgd, schaamte, hhfgket , Terlegenheid ; Zwitaeneh 
hlmff^ Treesachtig, Uigtm, pUJktm , Treesen, •ehrikkeo, heren, hlmghêU , blmguoÊUteii 
(Slalder 1, 187 vlg)- '^«tmmw it hier woTeel alt AertitlUu, Miek kêrvatttm vmn 
iets, er «m Uèowum , hd. siek trkoUu. Alt om. ww., Toor giek kgrtUUent niemot 
krmeki Ukomém, leest men het hy Rooshroee II. 155. r. U, en in de RuwU. 
Awomdtt hl. 110, va. 4. 

S) Dcnkemk te lam: Al étr gUI^ af kijt dor eoudê. 



140 

% Daer of zoudi wrake ontihen, 

Want van al was hi tbeghin. 

Vele peinsdi in zinen zin, 

Daer hi over tafle sat, 
180 Dies men hem vermaende dat, 

Waer bi dat hi niet en ate^). 

Hi zeide hi hads') ter goeder mate, 

Hi woude z^n ter rusten waert. 

Doe 80 was hi ter vaert 
186 In eene camer gheleet al daer, 

Ende zyn cnape daer naer 

Bekende ^ ende betaelde mede 

Met wel groter hovesschede, 

So dat mens hem zeide danc 
190 Die nacht waren doe niet lanc: 

Het was int uutgaen van Meye. 

Luuc ghinc na zinen greye 

Besien ten peerden, ende daer naer 

So ghinc hi te rusten daer 
195 Ment hem wiysde, daert was scone. 

Tote die zonne an den trone 

Lichte, zo sliep Lucaen. 

Hine hadde niet bevaen 

Sulc ghepeins int herte binnen 
200 Ende zulken last van minnen 

Als die borchgrave goet, 

Die zulc ghepeins in den moet 

Hadde dat hi lettel ruste. 

Alst dach was een lettel luste 
Fol. 2 a. 206 Hem te lukene s^n oghen. 

Doe zo quam hem een vertoghen 

In vormen van vizioene, 

J) By Mone: ai. 

2) By MoDe: hi kade. 

8) Denkeiyk te leien Reiende, aaakte hnnne rekening op, rekende at 




141 



Dat hi riden sach int groene 
Die Trouwe van Famweele, 
810 Met TTuecbden ende met riyeele, 
Ter steden van Pargs waert. 
Daer mede ontspranc hi ter yaert, 
Ende hi riep Inde: »Lucaen, 
Hebdi noch niet ghedaen 
815 Den peerden bare orboren? 

Die Trouwe die es lange Toren. 
Vullgc, laet ons riden naer!" 
Mettien quam bi them seWen daer. 
Sine oghen ontdedi ende zacb 
280 Dat het was scone dacb. 

Niemen ne was hem daer bi. 
Die borchgraye Tan Couchi 
Die zo ghinc hem seWen cleeden 
Ende wapinen ende ghereeden: 
88S Ghewone zo was hi der pine. 
Ende Luuc, die cnape sine, 
Hadde hem zeWen up ghedaen. 
Te zinen peerden es hi ghegaen. 
Het was worden scone dach. 
230 Die Trouwe dat ^) hi porren zacb 
Doe ute dien casteele 
Enten heere Tan Famweele 
Met eenen ghezinde elc zonderlinc, 
Al hadt eenen riken coninc 
836 OheTolgt, hine dors hem scamen niet 
Sonder te lettene yet 
So es al doe Lucaen 
Te zinen meester ghegaen. 
Dien hi Tant al bereit. 
840 Al daer heeft hi hem ghezeit 



1) By Mom: éit. 




142 



Of hi zoude willea ridea, 
Want hi hadde ghezien liden 
Vrouwen ende heeren uter stat. 
Als die borchgrave dat 

245 Hoorde, zeidi: »Lucaen, 

Het es harde quaet ghedaea, 
Dat ghi hebt zo lange ghel^en. 
Wi zouden s^n an die wegen 
Emmertoe milen drie." 

250 Lucaen zeide: » Meester, mie 
Luste te slapene wel. 
Onse peerden die zgn snel, 
Si zullen corte milen maken." 
Hi wiste lettel van der zaken, 

255 Waer omme dat z^n meester zede. 
Fol. 2 b. Met wel groter neerensthede 
So ghinc wezen ^) Lucaen , 
Ende alsi al hadden ghedaen, 
Saten si up beide te zamen. 

260 An den weert si orlof namen 
Al doe in hoyesscher wgs. 
üter poorten van Pargs*) 
So z^n si ghereden daer. 
Den zelven wech yolchden zi naer, 

265 Die de vrouwe was ghereden. 
Omtrent twee milen buter steden 
Mochten zi voren wesen. 
Den borchgraven, so wi lesen. 
Was te bet in allen zinne, 

270 Dat hi die edele graefnedinne 
Wiste voren in den pat. 
In hem zelven dochtem dat 



1) Denkfiyk te lezen torsen, de ptarden opladen. 

2) T. w. ait de Parij$ehe poori , de poort Tan Fanweel, waardoor men op den 
weg naar Par^i kwam. 



143 

Die roke quain yan haer ghewayt, 
Dies zgn herte was ghepayt. 

875 Also TuUgc hem die beere 
Haeste ende reet so zeere, 
Dat hi die monde metten winde 
Van haer ende yan haren gesinde 
Stnyen sach te hemele waert 

880 Bet an so nopedi zgn paert, 
Dat hise achterhaelde naer. 
Doe sone wildi daer 
Niet yorder riden yortwaert, 
Hine wederhilt zgn paert. 

885 >Faelt ha yet?*' sprac Lucaen. 
>Waer omme doedi niet bet angaen 
Ha paert, dat wi die yroawe zien? 
Maer ghi hebt een ontsien. 
Dat men ha yerkennen mach." 

890 EKe borchgraye apten cnapen zach 
Ende hi zeide: > Lucaen, 
Het ware onnedelheit ghedaen, 
Soaden wi als boayen riden 
Ende heeren ende yroawen Uden 

895 Vor bi binnen haren hande '). 
Ie die yrachte mi der scande, 
Ende wi die hebben tgt ghenoach." 
Lacaen om die tale louch. 
Als die hem bemoede wel 

300 Dat zoet was ende niemen el 
Dien hi minde also zeere. 
Want met menegen naawen kere 
Haddire meere an gheleit. 
Als yet ysn haer was ghezeit, 

805 Dat hi yeranderde al daer bi. 
Maer yan den here yan Couchi 



i) lieakel^k t« ïmam: èmmm Asrm Umdê, in hai eigea laad. 



* 

■ •■mi.iJT -..La.. 



144 



Fol. 2 e. Conatgt anders niet glieweten , 
Dan hire na mochte meten '). 
Al zcoenkine na dien tiden 

310 So began hi achter riden, 
Altoes die ogen dare waert. 
Doe quam ghereden up een paert 
Een page ute Bartaengen lant, 
Die welke den afifarant ') 

816 Sinen meester hadde ontreden, 
Ende van groter bl^theden 
So zanc hi dat nieuwe liet, 
Twelke van den borchgraven hiet, 
Hoe hi ghehangen was te Troes, 

320 Ende dat met zo luder yoes, 
Dat die edele vrouwe hoorde, 
Die haer in den zin verstoorde 
Ende zeide: > Groten ondanc 
Moeti hebben die dat zanc 

826 Boven den verbode m^n!" 
Doe beval die vrouwe fijn, 
Dat men al daer zoude vangen 
Ende an eenen boem hangen. 
Haer ghezinde was tien tiden 

330 Daer ghereden an eere ziden. 

Die meyere van Famweele der steden 
Ës daer an den cnecht ghereden , 
Ende zeide: »Wie leerde hu dat liet?" 
> Lieve heere, of ghyt ghebiet," 



1) Dan by by giiting kon opmaken, kon nagaan. Zie ook II, 2502, en Terg. 
gotb. miiOH, bd. ermessen. 

2) AfaroMt, ridderpaard (verg. vs. 341); proT. al/eram, ond-fr. am/eraml , au- 
ferramt. Ontleend aan Arab. al fata» ^ str^dros, met weglating der t en toeToeging 
Tan den nitgang an^ amt, gelyk meermalen by Oostenebe woorden. In de Longue 
étóil werd de r Terdabbeld {au/errant)^ omdat men bet woord in Terband bracbt 
met bet a^j. ferramt ^ yzergrauw, grgi, en bet opvatte alt benaming der klear van 
bet paard. Zie Diex, Etym. Wdi. Il, 292 Tig., en vooral Gacbet, Olou. 36 vlg. 



145 

3S6 Sprac die cnecht ende was yenraert: 
>Sgii8 meesters zo es dit paert, 
Maer ie die hebt hem ontreden, 
Ende ie salt hem zonder beden ' 
Weder ghehenden, laet mi gaen." 

340 >Ja/' sprac die meyere, >ghi hebtgedaen. 
Om dat ghi hebt dit paert ghestolen, 
So zuldi moeten gaen ter scolen, 
Met eere leeder tuwen grave*'. 
Doe zo dede hine beeten ave 

S4S Ende leedene onder eenen boom. 
Van den paerde nam hi den toom, 
Daer hine mede hangen dede. 
EKe borchgrave ende zyn cnape bede 
Quamer ghereden toe. 

3M) EKe borchgraye yraechde doe. 
Wat die cnecht hadde mesdaen. 
EKe meyere andworde zaen: 
>Hi heeft ghezongen twee liedekine, 
Daer hi omme te qoaden fine ') 

366 Comen es, also ghi ziet. 
Deen dat es trerboden liet 
Van den borchgrayen yan Couchi ; 
Fol. 2 d. Dat ander sauc hi jeghen mi, 
Dat hi was een dief der paert. 

3G0 Dies heeft hi zine uutyaert 
Nu an desen boom ghedaen;'* 
Die borchgraye andworde zaen, 
Die den meyere kende wel: 
>Het doet quaet singen ende maken spel, 

366 Daer omme dat men hangen moet 
Het scgnt dat die yrouwe goet 
Den borchgraye haette zeere. 



1) B^l Mom: 



10 



146 



Dat niemen mach zingen yan den here, 

Hine moeter omme ghehangen zgn." 
870 »Dat ne doet soe niet ansch^n, 

Dat hi was yan haer ghehaet; 

Haer es leet dat men yerzmaet 

Heeft met alsulker doet, 

Want z^n yromicheit was groot 
875 Entie doghet entie trouwe, 

Die hi dede onzer yrouwe 

Ende die haer ghingen an.*' 

Die meyere reet doe yan dan 

Haestelike ziere yeerde 
380 Al doe henen metten peerde, 

Daer die onecht up quam ghereden. 

Altemale die waerheden 

Seidi der yroawen doe. 

Mettien quam ghereden toe 
885 Die heere yan Famweele 

Met spele ende met riyeele 

Al daer an der yrouwen waghen, 

Daer zijt beide anezaghen 

Die borchgraye ende Lucaen, 
890 Die te mallgc andren ^) zeiden saen : 
»Het es nu te ziene goet, 

Dat die yrouwe in den moet 

Drouye es, gheloyes mi, 

Om sborchgrayen doot yan Couchi, 
895 Die buten Zalons in die traelge 

Hanghet." >Ic prise die faelge," 

Seide die yrome Dominicus. 

»Ic die hebt oec lieyer dus,'* 

Seide doe weder Lucaen: 
400 >Wilt der yrouwen riden aen, 



1) m Mone: tm dien. 




ff 



147 



Daer so sit in haren wagen« 
Si leyen diese gheerae zagen, 
Ende niet Terre zgn Tan hier. 
Doe zo zflide die ridder fier: 

406 >Dat ne staet mi niet te doene. 
Het es quaet wesen al te coene, 
Daer men weeën heet meedadich.*' 
>Wat, heere! rronwen zgn ghenadich, 
Foi. s a. Seide doe weder Lucaen : 

410 >AI heeft zoe desen cnecht Terdaen, 
Soe ne zonde hn hangen niet, 
Al wiste zoe hoe dat ghi hiet: 
Qhi hebt doch dor haer ghedaen." 
Dos goddeerde ^) Lncaen 

415 Jeghen den meester zgn, 

So dat bemoedde die ridder fijn, 
Dat die cnecht daer op beende ') , 
Datti die scone rronwe meende 
Ende minde, so hi dede. 

480 Maer hi ghebaerde te diere stede. 
Als oft hgt Terstoede niet, 
Maer emmer Yolchde trrome diet 
Also naer als hi mochte. 
Dicken was hi int gfaedochte 

425 Dat hi aldaer zonde jagen 
Metten peerde an den wagen 
Ende groeten tscone wgf. 
Doe qoam hem een Taer int Igf , 



fff 



1) GoddetrttÊ, acbertaen, boerim, tiek TerlmÜgen net tardiglieden te leggen. 
Ood-Fr. ^amdir (U Carae de Ste Pal. VI, 879); eng. to gaud-, Tan Ut. g^md^n, 
Hei woord komt by om nog in de ISde en I7de eenw Toor, in de beide Tormen 
foddêfrtm en ^amtUermè. Zie OodeMam, Wdk, op BrmUro^ b1. 180. 

S) D^utr tpoitmtd op doetde. 0?er btmm, eiseAl|k op eea ètmljt of TogeUlai^e 
blaien, flgnarlyk genomen voor tpoti^, êehm^mm, of aU bedr. ww. Toor hotpotUn, 
Mtêehmiktn eu, ne Verdam. MmL Wdh. I. S86. en De Jager in TÊmipdi, III, 
S69-879. 



148 



Dat hi den breidel weder helt. 

480 Seere so was hi ontstelt 

Al daer van gherechter minne. 
Als een die es cranc yan zinne 
Baerdi jeghen hem zelven daer. 
Luiïc, die daer hoorde naer, 

435 Hadder in ghenouchte groot , 

Want die wareit vernam hi bloot , 
Dat zoe die ghene ter waerhede 
Was diene zuchten dede 
Ende caermen nacht ende dach, 

440 Ende daer al ziyn troost an lach, 
Sine doot ende sine ghesonde. 
Die noyt niemen van zinen monde 
Qheweten conde no verstaen. 
Onsen Heere bat Lucaen, 

445 Dat h^s loen moete ghewinnen, 

Als diene ^) hadde in groter minnen. 

Ie weet, die heere van Couchi 
Volchde naer die vrouwe vri 
Al toter hogher noene. 

450 Doe hilt die vrouwe stille int groene 
Metten wagene daer soe in zat, 
Entie redene was om dat 
Si eenen heigher up eenen pit 
Saghen , enten valke ') wit 

465 Deder werpen na die vrouwe, 
Die haer zende up rechte trouwe 
Die borchgrave van Couchi, 
Want hine wan, die ridder vri, 
Te Couchi in den tornoy, 
foi. 3 h. 460 Daer ute dat tgrote vemoy 
Yan den borchgrave sproot. 

1) By Mone: dine. 

2) BQ Mone: wmliê. 



149 

Die yalke Tan daechden groot 
Die 80 zach den heygher riaen, 
Dien hi na ziere natuere bewisen 

466 Edelike boven clam, 

Snde staken so dat hi qoam 
Gherallen Yor der vrouwen wagen. 
Si prgsden alle diene zagen 
Den werden goeden yalke wit, 

470 Ende die vrouwe zeide dit: 

>Qod hoede die ziele van den heere 
Van den viant Ludfeere, 
Die mi gaf den valke goet !'' 
Die borchgrave dat woort verstoet, 

476 Die doe biden wagen leet. 
>Amen!** seide hi ghereet, 
Ende groete die vrouwe mede, 
Maer nalincs hi uten gherede 
Viel van verdarentheit ') , 

480 Daer hi die vrouwe wael ghemeit 
Metten groetene sprac an. 
Die lettel upten goeden man 
Achte te diere tgt, 
Dor dat hi ztac ') in zelc abgi 

486 Kennesse ') soe gheene drouch 
An den ridder, die welke slouch 
Ign peert doe metten sporen 



1) f'frdarem/Aeii , ontftoltenis , ODtroering, bedwelming. Kilimaa: m ferdaertniAeyd , 
•topor; ferdë^rrm, ftapefacere, attonitum reddere, et Obttapere, itiipefleri/* Zoo 
ia het Leven r. Jet. c. 80: «Dit teide hi ia ere vtrdetmtheit fan herten^; c. 234: 
• Ende alie die Trowen dit hoerden ende Ternamen, to worden li perdmmt ende rer- 
tagl Bnde aldaer li itonden in dire verdam/ Aeit ,"* enz.; e. 240: «So tere wonderde 
hen, ende to tere worden li eerdamt van bliichapen.'* Nog beden in Vlaanderen 
wrdtiren en verdarien, verbaten, verbouwereeren. Zie Scbaermant 781, De Bo 
1266. en vtrg. Dr. Fraark, Biym, Wdh op Bedeiren. 

2) By Mone: tme. Doch ongetwQfcld b itae bedoeld, dat, naar de eigenaardige 
•pelling Tan onie fragmenten, ook eióe kon loidtn. 

8) Eg Mone: 



150 

Ende reet die vrouwe ^) yoren , 
Die z:yns zlouch cleine gade. 

490 Maer hi die was tenden rade 
Worden in dat claer anschgn, 
Doch so was die herte zgn 
Gberust in dat edel heelde, 
Die welke uut ghenouchten speelde 

495 Scaec in den zelven tiden. 

Met zinen cnape reet hi beziden 
Ende zeide: >Lucaen, saechdi dit, 
Hoe varinc dat die yalke wit 
Den heygher hadde*) onder ?oet?" 

500 >Het es zeker een yoghel goet," 
Seide weder doe Lucaen, 
)DEnde die vrouwe wel ghedaen 
Bat') over die ziele van den heere, 
Diene haer gaf te harer eere, 

505 Ende ghi waert die coster doe. 
Mi es te moede of zoe, 
Die ziele , noch steect int gruus •)/' 
Doe so zeide Dominicuus: 
i>Luuc, daer an zegdi waer. 

510 Ie gaffen der vrouwen maer 



1) Bij Mone: vrouwen. 

2) Bij Mone: Aadiütr, 
8) Bij Mone: Wat. 

4) 0/ de giel nog in haar ttoffeUjk omhulsel huUt , t. w. of de persoon nog leeft. 
Gruii is in Vlaanderen de benaming der graanpelien, die by het malen alt xemelem 
van het graan worden afgescheiden (Schaermans 168, De Bo 892). Het graan iteect 
noch int gruut, is dui: het zit nog in zijn hulsel. Maar wanneer bet door den 
zaaier in den schoot der aarde geworpen is, breekt het uit zQn hulsel, en komt dan 
eerst tot ontwikkeling en wasdom. Zoo ook de mensch, wiens ziel het stoffelyk om> 
hulsel verlaat, wanneer h^ sterft en begraven wordt. De vcrgelyking van den menaob 
met een graankorrel, in deze toepassing, is zeer eigenaardig. Het beeld was troa- 
wens aan den Bijbel ontleend, t. w. aan Joh, 12, 24, en 1 Cor. 15, 86 vlg. Werd 
misschien eert\)ds een van deze teksten by Mjkdiensten gelenn of gezongen, dan na 
het gezegde van den spotachtigen Lncaen werkel^k recht geestig iQa. 




151 



FoL 8 r. In den tomoy yan Ooachi: 
Aldaer so ghebaerdi mi 
^ In den tomoy als een dane. 

Het es zeder leden lanc, 

61S Dat ie TOf^el nochte yronwe 
Niet en sach in goeder trouwe, 
Dan na npten dach yan heden. 
Soe die heeft in weezdieheden 
Noch den Tog^el, dinke mi/' 

sso Ende metten selyen so liet hi 
Hem een zuchten daer ontgaen. 
Daer up andworde Lucaen: 

>Laet Taren zuchten ende wenen 
Ende caermen ende stenen. 

5SS Ghi hebbet lange ghenouch ghehayt ') 
Vor haer, here, nu zgts g^epayt. 
Dat zo dinct mi wel ghedaen, 
Want heden hebbic wel yerstaen, 
Dat soe hu mint die ghi niet haei. 

580 Noyt ne wistic uwen staet 

Dan nu upten dach yan heden, 
Dies ie ben bet te yreden 
Dan ie tote noch hebbe ghez^n. 
Ie hebbe oec dor hu cargn 

586 Harde yele doghens leden. 
Sgt te rusten ende te yreden. 
Uwen noot suldi yerwinnen 
Ende oec hebben loen yan minnen, 
Ende dat wel in corter tgt, 

540 Op dat ghi bout ende coene sgt." 



1) Hmyen, hier met mr Terbooden, gewoonlQk aet nagr (im). Hayeu nmêr üi^ 
er Mar kaken, verUogeD. Verg OutM. Ued en Otd., U. 480, ti. llO: •M(jo hope 
#/ Mmv*^ usér tm ksit ,** verlaagt nergeiif andere naar; en Eertte bHêCof e. M. 
(m Moltser. MmL Drmrn P.), hl 848. ti. 848: .Wel hem diet Tokht ende m 
eM Jkayi^, naar m^ TcrUngt. Twee latere Toorbeeldea (uit het QmttiM. Jmo. ?aa 
1607, en oit den ümdü étr Am) rindt men aangehaald bQ OndtmaM, lil , I. 




152 



Menich troestel^c scoene woort 
Brochte Lucaeu al daer Toort 
Om te payene zineo heere , 
Die 80 vele trooste noyt eere 

545 Van gheenen mensche ghecreech, 
Sonder yan hare. Stille hi zweech 
Al daer hi reet in der prayerien. 
Hine wilde loechenen nochte lyen: 
Haddi gheloechent i), hi hadde ghelogen, 

550 Ende dat lyen hadden so bedrogen, 
Dat hiere niet woude comen aen. 
Doch verstoet wel Lucaen 
Wat dat van den dinghen was. 
Aldus reden si dor tgras, 

555 Sprekende in menegher w^s, 
Tusschen daer ende Par^s, 
Twelke was twee dachvaerde. 
Als nu was hi metten paerde 
Voren, bachten, nu besiden 

560 Van der vrouwen tallen tiden; 
Ende waer soe lette ofte bede 
Fol. 3 d, Dede , daer toe lette hi mede , 
Al haddi van haren meisnieden 
Ghesijn; maer over cooplieden 

565 Voeren si in diere wys. 

Dus volgheden si tote Par^s 
Ende tote die edele graefnedinne 
Was te harer herberghen inne. 
Doe al te eerst ^) hi van haer sciet , 

570 Maer zi ne conden vinden niet 
Herberghe binnen al Pargs, 
Si ne moesten te Sente ^) Den^s 



1) By Mone: gkeloechei. 

2) Denkemk te lezen: Doe alreertt. 
8) Ui. S., als boTen. 



153 



Al doe in den cloester riden. 

Daer yant Laoc ten zelren tiden 
67S Binnen den broeder zgn, 

Die achterwaerde daer den ') wgn. 

Daer 80 waa Lncaen 

Van sinen broeder wel onÜaen, 

Snde daer toe zgn meester mede. 
G80 Hi ne hadde gheene waerbede 

Van hem ghehoort in rjgt jaren, 

Waer dat hi was bevaren, 

Ende hiltene oyer doot. 

Eere ende weerde groot 
586 He?et hi hem beiden daer 

Ghedaen, ende eene camere Yorbaer 

80 dedi hem hebben doe, 

Einde al dal daer hoorde toe, 

Ende oec stal te haren paerden. 
690 Het was een coopman van waerden 

Sgn meester, zeide Lucaen, 

Die welke hem hadde ghedaen 

Doghet ende eere groot 

Ende ghelost yan der doot, 
696 Ende hi hadden ') langhe ghedient. 

Die goede monec was doe zijn yrient 

Ende dancte hem Tan sbroeders weghen. 

Haddi wel ghekent den deghen , 

Hi haddem eeren meer ghedaen, 
600 Maer doch was hi wel ontfaen 

Naer dat het gescepen stoet. 

Blide was in zinen moet 

Die edel borchgrave rike, 

Dat hi daer was zo heimelike, 
606 Want het hiesch zgn upzet. 



1) By MoBC: <i4, 

2) B^ Mom: AatüU. 



154 



Si onderyraechden al te mei 
Yan der feesten yan Pargsi 
Ende yan den heeren wgs 
Die ter feesten waren comen, 

610 Daer toe dat heeft ghenomen 
Die boichgraye goeden goom. 
Hi yerstoet wel dat zgn oom 
Fol. 4 a. Een drossate was te hoye , 
Ende yan den meesten loye. 

615 Hi was een out costumier 
Ende een edel princhier, 
Die yele hadde metten brande 
Ghedaen uptie Gods yiande. 
Al was hi licht yan ziere spraken, 

620 Niemen es in allen zaken 
Yulmaect danne Ood alleene. 
Die borchgraye, yan herten reene, 
Die was blide in zinen moet. 
Als hi die waerheit yerstoet i 

625 Dat z^n oem was aldaer, 

Want hi meende ^) int openbaer 
Te beroepene in een crgt. 
Als het poynt ware ende tgt. 
Niet wondi hem openbaren. 

630 Wel te ghemake dat zi waren. 
Beide meester ende cnape, 
Al daer metten goeden pape. 
Van gheere dinc waerzi yergeten. 
Wat men drinken ofte eten 

635 Mochte na goeder betamen, 
Twelke zi in weerden namen. 
Na maeltgt zi te rusten traken 
Ende ordineerden hare zaken 



1) Iieet wèÊênden , meende hem. 




155 

Heimelgc naar haer gherooch ^) , 
640 Ende des morgbens TToncb 

Sgn zi beide Qpgbestaen. 

Die borchgrare heeft anghedaen 

Naest zinen lire eens draken Yel, 

Qherget *) , dat hem harde wel 
545 Stoet, het hadde groot yirtuut. 

Qoalgc mochte men hem die buut 

Qnetsen, diet anedronch; 

Yengn ende hitte het oec rerzlouch 

Ende moetheit ende zweet. 
660 Het plach te draghene als hi street 

Die eerste tover der woetinOi 

Die die tente zidine 

Maecte met ziere fiiyerien '). 

Nu zo hadt in ziere baelgien 
656 Die borchgrare ran Couchi, 

Diet minde, ghelores mi| 

Vor gont ende Tor groten scat. 

Hi bads menichwaerf te bat 

Ghehadt binnen den feilen wonde. 
660 Daer over dat die ridder boade 

Dede sinen halsberch goet, 

Daer dore dat hi noyt zgn bloet 

Sach , ab hine anedronch , 
Pol. 4 b. Wat men up hem stac ende slouch : 

l) By Mone: yhtmomek. 

8) Gk€rij4( lOQ kaBnen beieekesen ytêtrttpt, tr, rmfi. Ia dat gertl loa achter 
nr/ geeo koanBU moeten ttaaa. Doch io dien lin it het woord niet gewoon. Ik vat 
het dof lieTer op alt het xwakke verl. deelw. van rijen, riem, rQgen (hd. reUsm), 
en dot in de beieekenit van pfrv^em. Alt loodanig leest men ykeriedt icoem, geregen 
schoenen, in de Tsr. op Kom, ▼•. 124S7, waar het tekst-ht. fêr§(j€)mê heeft « en an 
dit pl^^ye gtrijt , aan de sfieer geregen, in het fragm. Tan Doom dê Mmftmce, h^ 
Dr kalff. Mml. EpiseAê Vrfm, bl. 178. ts. 322. De bedoeling if dan, dat h^ op 
*t blootr l^f een drakenvel aandeed, dat h() met een r\jgsnoer beTeaitgde. 

3) Toootmmrij, toooerkmui , (r. /ttri^, ofr. faerie en fmêtiê. Varg. fiifêt te» 
toovcBaraa. hg Verdam. MmL Wdb. 11. 7SS. 



156 



665 Omme dat minde hine zeere. 

Boven den halsberghe dede die heere 

Een tornikeel ') van kele stgf , 

Wel ghebonden in zgn Igf , 

Met eenen cruce zelvergn , 
670 Daer in drie scavoten ^) f^n 

Van goude, daer hise mede brac. 

Die edel ridder sonder lac, 

Die noyt in stride was vervaert, 

Gorde an ziere siden een zwaert, 
675 Twelke was ghetempert wale 

Ende f^n van goeden stale. 

Eenen widen tabbaert ') 

Toten voeten nederwaert 

Heefki boven anghedaen. 
680 Der ghelike dede Lucaen , 

Maer hi ne was ghewapent niet. 

Messe hoorde tvrome diet 

In den clooster te Sente *) Dengs. 

Doe 80 woudi tote Parijs 
685 Gaen over zine voet, 

Dat niet verre van dannen stoet. 
Dit was upten Tsinxendach, 

Dat men den edelen coninc sach 

Crone draghen ende honden hof, 
690 Om te meersene zinen lof, 

Ende om datti den zone zgn 

Woude ridders ord^'n 

Uptien dach doen nemen an. 

Ie wane so menich edel man 
695 In menegen jaren was int stede, 



1) Bij MoDe: tormkeel. 

2) Zie de Bijlage, n^. I. 
8) B(j Mone: rabltaeH, 
4) Hl. S,, tU boven. 




157 



Noch 8o meneghe rrouwe mede. 
Die coninc was wel ghemint 
Ende Karel, zgn scone kinti 
Beide met deinen ende met groten. 

700 Daer waren alle zine ghenoten 
Van Yrankerike binnen der stede 
Ende ran den keyserike mede, 
Dat scone was te ziene an. 
Qhelgc eenen coopman 

706 So quam die borchgrave int stede 
Ende daer toe zgn cnape mede, 
Omme dat zi te bet mids dien 
Die feeste zouden wel bezien 
Ende die Trouwen entie heeren. 

710 Oume consten zi hem bekeeren 
Uptie straten, daer zi ghingen, 
Sine moesten dore dringen: 
So vele Yolcs was al daer. 
Te hoTe ghingen fd daer naer. 
PoL 4 r. 716 Open so stoeden al die doren: 

Na des hores toe behoren 
Ende na des daghes hoecheit 
Was thof niemen wederzeit, 
Was hi cleene ofte groot. 

720 So ne was spise, wgn no broot, 
Hoy nochte voeder coren: 
Die coninc die gafk al te voren 
AhM) langhe als duurde thof, 
Dies men hem eere sprac ende lof 

7S6 Verre ende wide in menich lant. 
Alse die heeren soffisant 
Ohingen te hove uut ende in, 
Daer toe gaf hi zinen zin 
Die borchgrave, wie zi waren; 

780 Ende als hi die hoghe baren 




158 

Niet ne kende, zo heeft Lucaen 
Also vele daer toe ghedaen, 
Dat hi wiste wie zi waren. 
Wel onthüti^) die edele baren, 

785 Want het stoet hem wel te doene. 
Den hertoge ter Borgenjoene 
Sach men daer van stat') groot. 
Amelieur ende Menifroot 
Ghingen beide bi hem daer, 

740 Als twee heeren vorbaer, 

Moy ende stout in haer ghebaren; 
Maer hine kende die mordenaren 
Al daer niet in haer abgt, 
Maer hi ondervant te diere tgt, 

745 Lucaen, wie zi beide waren. 
Want hi kende an zgn gebaren 
Amelieure harde wale: 
Hi hadden te meneghen male 
Beide ghesproken ende ghesien, 

750 Ende volghedem so verre na dien 
Bi suptglheden groot, 
Dat hi hoorde Menifroot 
Heeten die bi hem ghinc, 
Entie waerhede ran der dinc 

766 Heefd den borchgrave geseit. 
Al die heeren wael ghemeit 
Hebben si meest oversien. 
Men ghinc reeden cort na dien 
Seere ten etene waert, 

760 Want die coniuc wide vermaert 
Ende zine heeren al te male 
Vonden in die hogbe zale 
Eten int openbaer. 



1) By Mone: omthüU. 

%) Voor itmt denkelyk te lemi tUU, gestalte. 




159 

Dies waren die stagen daer 

766 Ghemaect an die taflen dierei 
Pol. 4 d. Daer binnen ^) dat die piinchiere 
Entie Trouwen zitten sondeni 
Na dat zi waren ghebonden 
Van hoecheden ende Tan eeren. 

770 Doe sach men die grote heeren 
Uter capellen al te male 
Comen in die hoghe zale 
Bi den coninc Lodewgc, 
Ende tusechen tween *) coninghen rgc 

775 Qoam die jonchere wel ghedaen, 
Karel die Caluwe, ghegaen, 
Die alBO lanc was als die Tader. 
Der princhen kinder al te gader 
Quamen daer met hopen bi, 

780 Want alle gader wouden zi 
Ridders met Eaerle wesen. 
In ouden jeesten dat wi lesen, 
Dat niemen ridder wesen mochte, 
Vor dat hi ter wapinen dochte, 

785 Ende hi hadde des ridders slach, 

•) 



I) By Mom: kmMê. 

S) Het Ht. keeft: //. 

8) BlQkem hei rym oatbraekt hwr een vers. Ik kan duurby eeae gi«iiig niet on* 
derdrnkkea. Het if opmerkeiyk, dat het laatfte Ten Tan deie kolom (vi. 817) op 
▼t. 785 rymt en nitaemeod in den lin ion paaten. Niemand kon ridder iQn voordat 
hy den riddenlag had ontvangen , hoeveel tr ook aan gelegen moeht i^n , d. i. hoe- 
veel belang hy er ook by hebben moeht. Wat de an van vi. 817 daar ter plaatse 
ton lyo, laat zieh niet bepalen, omdat het vervolg ontbreekt; maar het is nirt te 
ontkennen, dat het er na vt. 818 wel wat verdacht nitdet. Men loa niet licht 
knnnen seggen, wat er volgen mocit. Heeft minehien de afrchryver, bemerkende 
dat hy VS. 786 had overgeslagen, dat vers (looab men wel meer deed) onder aan 
da kolom geschreven met een verwyxingiteeken naar de plaats, waar het behoorde 
te itaan? En heeft missehien Mone dat verwytingstceken nirt opgemerkt, loodat in 
lyn afKhrift het vers bleef staan, waar het tich in 't Hs. bevond? AUaea de ver- 
gelyking van het oonpronkelyke perkamanibbd ion dÜ knnnen nitmakoL Doeh dat 
by belaas I loekgemakt. 



160 



Nu z^'n zi ridders zonder zlaen, 
Princhen kinder, alsp zaen 
Alsi ter werelt zgn gheboren: 
790 Die ordinen bringen zi met hem voren! 
Dus es tvolc veredelt zeere! 
Lodew^c, die grote heere, 
Dede eenen pellel spreiden daer, 
Die van goude blicte claer, 
795 Ende daer up wapenen zinen sone, 
Dien hi in den hals na i^one 
Slouch, als hi was bereit, 
Ende hevet hem gheseit 
Die poynte die daer hoorden an, 
800 Ende hieten wezen goet man. 
Preus was die jonghe heere, 
Die den vader dancte zeere 
Ende daer toe den andren heeren, 
Diene holpen adobeeren. 
805 Gortelike waren ghinder 

Vele der groter heeren kinder 
Na Eaerle ridder ghedaen. 
Hogher ordine men daer ontfaen 
Meneghen zimplen ridder zach. 
810 Also menich ridders slach 

Was daer ghegeven in vele jaren , 
Dies men vrojl^c daer ghebaren 
Sach in die hoghe zale. 
Die borchgrave zaecht al te male 
815 Van beghinne toten endt, 

Dat hi van niemen was bekendt. 
Hoe vele datter ane ghelach 



n. 

FRAGMENTEN ÜIT HEESWIJK, 



BERSTB FEAOMEKT. 

Fol. Lxxxiil a. Woodi oiet gram daer omme zgn, 

Dat ie gheeme loude claghen 
Ende in biechten a ghewaghent 
Als die bem u yleesch ende u bloeL 

5 ESnde wiltic «n^ghe dinc dan goet. 
Die n te noeen mochte coment 
Te scanden of te onrromeni 
Heeldic die, so waric qoaet.** 
Florant sprac: »Ednwaert, na so laet 

10 Horen, wat hebdi Tor bande, 
Daer mi scade ende scande 
Of comen mochte? Het ware goet 
Dat te tiden ware verboet; 
ESnde dat ics bem nu ende echt 

15 Danc wiste ware recht, 
Die mi dat te 'roren brochte 
Dat ie dat beletten mochte, 
Soat gherallen of ghesden. 
Ie bidde u, berecbtes mien/' 

2 iNemet dan wel, liere heere: 

Het deert miere herten zeere, 
Dat ie metten oghen zie. 
Dat so grote compangie 
He?et die heere van Couehi 

9& Met miere vrouwen, want also rri 
Ne zacb ie nye wgf no man. 

11 



162 



Na dat ie ghemerken can 
Ende ie menichwaerven zie, 
So es het am^s ende amye, 

30 Of mi .ne bedrieeht m^n waen. 
Ie zie uwes eleine gade slaen 
Miere vroawen Beatrgs , 
Ende ie ben te voren wgs 
Dat ter feesten van Couehi 

35 Was ghequetst dbertoge yri 
Van zinen neve om haren wille; 
Ende dat zi in ghescille 
Eerst qnamen om een verwet, 
Ende dat hi in een ergt 

40 Den oem beriep, dat was om hare. 
Ende daer so hadde ander mare 
Of gheeomen eortelgc, 
Ne waer die eonine Lodewgc, 
Dat mi te zegghen es te groot 

45 Maer al soudie bliven doot, 
Ic moet quiten mine troawé. 
Men sonde den graye entie vrouwe 
Eene ure niet verseeden zien 
Bin alden daghe, gheloves mien; 

50 Ende als hi es uter steden, 
(een vers weggesneden), 
Fol. Lxxxiii b. Vor hire weder binnen h... 

Si eonnent wel zegghen daer^) 
Sijn die Ueden al ghemeene. 

55 Heere mgn , hets u te eleene 

Dat ghgt hebt ghedoocht so lange. 
Het sehgnt dat hi bi bedwange 
U die vrouwe ontfortsen zal, 
So die lieden over al 

1) Dit Ten was moeilyk te ooteyferen. De lezing it niet teker 



I 



168 



60 Wd oonnen zeggfaen ende borderen 
Ende 4a6r mede maken sceren.*' 

Om die redene entie woorti 
Die de nideghe brocbte Yooit, 
Wart Florant, die oude heere, 

05 Bescaemt boyen maten zere, 
Ende slouch zgn hovet neder, 
Peinsende voort ende weder. 
AI die tale hi wel rerstoet, 
Die hi vaste int herte loet. 

70 Het was hem te hoorne zware, 
Dat hi in zine oude jare 
Van haer zoude moeten hebben blame, 
Dien hi minde als z^n lichame, 
Als zine ziele, als zgn Igf. 

75 Waert also dat men zgn wijf 

Ontminde, hi ware hem liever doot, 
Ende men sonde hem tyen bloot 
Dat het zine outheit dade, 
Joide die vrouwe buten pade, 

80 Of dat daer of liepe mare; 
Want hi kende wel dat ware. 
Dat zi met andren waren vrj 
Ende met elc andren gheerne bi 
Waren vronch ende spade, 

H5 Maer hi ne deder zine scade 
Noynt te eenighen tiden inne, 
Dat daer eeneghe looe minne 
Ofte fraude in mochte wesen. 
Si waren beide so ghepreeen 

90 In allen duechdeliken love, 
Ende daer toe in eiken hove, 
Dat zi niet zouden in enegher blamen 
Willen hare goede namen 
V en ofte bringhen. 




164 

95 Nemmermeer haddi in dien dinghen 

Eenich men ghemaect, 

Of hem beiden oynt ghelaect, 

Ne hadde ghedaen 

Die valsche Eduwaert 

100 Ute nid« ende nte 

Dat zine 

(een vers weggesneden). 
Fol. LXXXlii c. Dat hi emmer wonde wreken. 

Pensens wart die grave Florant 

105 Om die worde vanden tyrant. 
Liever haddi hem ghezweghen; 
Want als een man heeft ghecreghen 
Druc inder herten binnen, 
Qualic can hine unt ghewinnen, 

110 Want altoos leit hi ende cnaghet, 
Ende als daer ngt toe draghet 
Bi rade vanden viant, 
So wast der herten eenen bant, 
Die men qualgc can ontcnopen, 

115 Als tstrec so vaste wert toe ghelopen 
Metten over feilen nide, 
Die welke die vermalendide 
Viant eerst ter werelt brochte 
Ende oec also vaste cnochte, 

120 Dat men niet ontcnopen can. 
Florant , die over rike man , 
Die liet in zgn herte groyen 
Dat rgs van twifele ende bloyen 
Van een cmdek^n, heet ngt, 

125 Daer mede dat die weerelt wgt 
Es ghevoet harde zeere: 
Dies moete ontfaermen onsen Heere 
Ende ziere liever moeder Marien! 
Die heere dorste niet antyen 




165 

rto Ziere Trouwen eeneghe dinc, 
Want Lodewgc, die coninc, 
Die 80 was haer naeete bloet, 
Ende die edele grave goei 
Hadde so vele dor hem ghedaen, 

185 Qhel^c dat ghi hebt verstaen , 

Dat hgt hem niet dorste openbaren. 
Ende brochti die Trouwe in maren 
Met feUen worden enegherande, 
Dat ware hem ewelike seande; 

140 Of dat hi den evelen moet 
Ghewonne vanden grave goet, 
Dat zo ware hem alte swaer, 
So dat hi hilt zgn ghebaer 
Simpebre dan hi te Toren dede 

U5 Jeg^en hem beiden telker stede. 
Quaet 80 hadde Eduwaert 
Ghedaen an die dachvaert 
Fander ralscher lozer sprake, 
illtoes gheloefdi up die sake 

160 Fan hem beiden gra?e Florant, 
Ende hi mercte tconrenant 
Dicken ran hem beiden daer, 
(een vers weggesneden). 
Fol LXXXiii d. Dat zi 80 dicken waren tsamen. 

156 Alsi hem te ghemoete quamen, 
So scuwedi hem beiden den pat 
Onweerdeliken 9 ende dat 
En haddi noyt ghedaen te voren. 
Ende den ridder wel gheboren 

150 Plach hi spade ende tylike 
Te groetene wel hovesschelike 
Met eenen lachenden anschine: 
Nu groetine met eenre grine 
Ende die treckende ende zaen 




166 

165 Was hi verkeert ende tegaen. 
Ënde ziere Trouwen mede 
Hi een ander wesen dede 
Dan hi plach daer te voren, 
Dat die vrouwe wel gheboren 

170 Meercte entie grave gheeert, 
Dat zgn wesen was verkeert; 
Maer so zuver was haer minne. 
Dat ziere beide ne wouden inne 
Gheene wankelinge laten comen 

175 Van ghepeinse of daer in dromen i 
Dat daer yemen quaet in helt, 
Ende bleven altoes verzelt. 
Beide vrouch ende spade, 
In goeder minnen ; maer zine scade 

180 Deder inne die grave Florant 
Bi rade vanden viant 
Ende vanden valschen Eduwaert, 
Dat hi emmer altoes grenjaert 
Gremmende bleef als een hont. 

18b Hi hadt hem laten M. pont 
Costen van roden goude , 
Ende hi hadde onder moude 
tihezgn die heere van Couchi, 
Dien hi also gheeme bi 

190 Plach te zine daer te voren. 
Die minne die was al verloren, 
Die hi an hem hadde gheleit. 
Die doghet entie hovescheit. 
Die hi hem dede, wart vergheten. 

195 Daer so hadde een worm ghebeten 
Diepe in ziere rosen blat, 
So dat nemmermeer dat gat 
Conde heelen noch ghenezen. 
Ende als hi in eenegher rezen 



167 

800 Gberaren was die heere van Couchi, 

Weder het verre was of bi, 

So was blider zgn ghebaren 

Vele om zgo wech raren 
(een vers weggeêneden). 
Kol Lxxxiiiu.205 fladdi gheenen orlof ghenomen, 

Die grayet an hem daer te yoren, 

Hi bads rouwe' ende toren 

Gbebadt in zgn herte groot: 

Nn en was dies gheenen noot 
sio Hi dede hem an eenre ziden, 

Wanneer dat hi londe riden, 

Sgns orlo£i en gheerdi niet. 

Ende als hi comen biet ') 

Weder die heere van [Couchi, 
21& Ende bi was der steden bi, 

Dede hi hem buten weghen, 

So dat hi ?anden vromen deghen 

Yerrremde boven maten zeere. 

Ende alsmen hem vanden heere 
2S0 Plach te bringhene goede mare, 

So was hi in blider ghebare 

Ende dedem eere diese brochte: 

Nu was hi diet lettel rochte, 

Ende hadt zelve telker stonde 
2i6 Liever 'ghesleghen van monde, 

Dan hgt hadde vort ghezei 

Ende te voren so haddi met 

Hem altoea ghewillenl^riden, 

Beide vechten ende striden, 
830 Jagben , vlieghen ') , lolacheren : 

Nu en haddgs gbeen begheeren. 

1) ÜMiém, hier in den lis rma §n êfd wordêm, all b. ▼. ia: AiJ Ag ei dat yedaam 
tê kéhkm, mm ic^ dat h| het gvdaaa heeft De xin it: -mli smb »ddê dmt kij 



8) Mêi mUtm jëfêm. Zie de Toorbeeldea m Oademaaa. Vil, SM 



168 

Recht so haddi in onweerden 

Den besten ridder die boven der erden, 

Den scamelsten ende den boutsten mede « 
235 Die hem noynt ontrouwe dede; 

Ende hi hadde hem eer te goede 

Gheworden met zinen bloede, 

Dan den rader diene wan; 

Ende eer hem die goede man 
240 Eeneghe ontrouwe hadde ghedaen, 

Hi haddem eer laten rlaen, 

Ja als an zgn goede wgf , 

Die noynt adre an haer Igf 

Hadde van ghepeinse quaet, 
245 Al waest dat die ralsche raet 

Ont^t^lt hadde den grave Florant, 

Ende hi jeghen den wigant 

Grote Teede drouch ran binnen, 

Daer nemmermeer an quam verwinnen, 
260 Vor die puust wart vulzworen, 

1:^ men wel hier na zal horen ^). 

Ende als die heere van lore 

Ontboden was sconinx hove, 

Of dat hi daer wesen woude, 
265 (een vers weggesneden). 

Fol. Lxxxiiii b. Al hadder feeste oec ghes^n. 

Ghelgc triacle scuwet vengn, 

Scuwedi al daer hi mochte, 

Dat den grave wonder dochte. 
260 Ende die oude grave Florant 

Voer dicken in Zampaengenlant , 

Dies hi niet ne plach te voren, 

Ende altoes was hi in die oren 

Ghevedelt van Eduwaerde, 

1) Ook dex« Tenen voonpellen den bloedigen afloop Ttn het verhul. Verg. ho- 
ven, bL 119. 



.^^4M| 



n Ha. 



169 

265 Den serpente Tan feilen aerde, 
Die blide was dat hi den grave 
Floraste hadde ghetrocken ave 
Ala Tan minnen die hi 
Drooch den heere Tan Goachi. 

270 Seere liet die oode man 
Vanden heere dat gheepan, 
Ohelge als gfai hebt ghehoort, 
Ende Tan daghe te daghe Toort 
Wies die ngt ende die omminne 

275 Altoes an die gheTeinsde zinne; 
Want als hi onTerhoet 
Qusm biden heere goet. 
Ofte met hem dranc of at , 
Cleine goet dede hem dat, 

280 Al dorste hgt openbaren niet, 
Omme dat tedele diet 
8o Tele dor hem hadde ghedaen , 
Dat hgs hem niet conste ontgaen, 
Of en hadde anders toe ghecomen. 

285 Na so willic n nomen 

Een ^) ghedeel ende doen Terstaen 
Vanden hertoghe Adelaen. 

Ter tgt, dats m^n Terstaen, 
Dat die hertoge Tan Ardaen 

290 Jeghen zinen neTe Trede 

Maecte te Pargs in die stede, 
Twelke hem tlant Tan Goachi 
Goste gheheel, al daer hi 
Heymeliken omme roawe 

295 Dreef, so dedi om die Troawe, 
Die hem hare minne ontsede 
Te Goachi binnen der stede, 



k 



170 

Also ie u maecte cont, 

Ende dat hier omiine wert ghewont 

300 Ende te Par^s binder steden 

Daer toe beroupen van valscheden , 
Daer hi pays of moeste maken , 
Ende int vuulste vander zaken 
Bleef Tor meneghen wigant, 

305 Ende hem daer toe zgn lant 
(een vers weggesneden). 
Fol. Lxxxiiil e. Also d\^ nam hi dat inne, 

Dat hi voer in Ardane, 
Daer hem eene ziecheit ane 

810 Quam vanden rouwe groot, 
Daer hi omme moeste doot 
Bliven, in beide die oghen, 
Dat hem dede tgrote doghen. 
Ende eer hem wert die doot bekent 

315 Ende het naecte zinen ent, 
So gaf hi tlant van Ardane 
Eenen bastaert, die hi ane 
Der vrouwen wan van Bulioen , 
Ende lyede vor tabelioen, 

820 Dat het was z^n ghetroude w^f, 
Soet hem riet die keytgf , 
Ende het was loghene groot: 
Ende daer in so bleef hi doot 
Die hertoge Adelaen. 

:^25 Als die waerheit hadde verstaen 
Die edele grave van Couchi, 
Yriende, mage verzaemde hi, 
Ende voer te Ardane waert, 
Om eene eerlike uutvaert 

330 Te doene van zinen oem, 
Ende ten rouwe woudi goem 
Nemen ende draghen zwart 




171 



Meoich goet mau so wart 
Den heere te goede daer. 

385 SeWe Karel , dat es waer , 
Die Calowe Tan Vrankerike, 
Die sone Tan Lodewikef 
Ende menich Trome wigant 
Maer Tan Famwele Ftorant 

840 Ghinc hem af te diere noot, 

Daer ne was die trouwe niet groot, 
Ende die Teysde hem ongheeont; 
Maer die n^t, die inden gront 
Hem stac, was tocnsoen. 

845 Maer met menq^n hoghen baroen 
Es hi comen te Ardane, 
Die raadeder hadden ane 
(Dat waren die Trienden dne) 
Ende daer onder wapine. 

850 Wel hoghelike dat zi quamen 
Binnen DeuTe, daer zi Temamen 
Den st eerken bastaert Tan Ardane, 
Die hem nojnt die Tader ane 
DroQch dan hi ^) zine doot, 

855 Dat hem qoam nat nide groot. 
Van Lndeke bisscop Herman 

Was zgn oem , d ') 

Kol Lxxxiiu ^ Trac boTen maten seere, 

Om dat hem die Tader eere 

8«o Dede in zine doot. 

Harde meneghen heere groot 
Hadde bi hem die bastaert, 



1) lii. Ai, doek <lc aa titelii èi. l)e bedoeling U: wtea de vader tieh nooit had 
aaagetrokkeii dan no ê^ i|n dood. 

S) Vaa dfien halfweggnaedcB regel is de eerite lielft nog te leien. De tweede 
kelll lal wel gelnid ktbbtt: ditme Atm mm. 



172 

Die den vader hadde ghehaert^) 
Ghelgc adnen aone ghetrout^). 

866 Hine spaarde zelver nochte gout 
«leghen eere, iheghen cost'). 
Hi peinsde dat wel ghelost 
Sonde wesen metten lande 
Ende metten goede menegherande , 

370 Dat die vader achter hem liet. 
Masebrouc waest dat hi hiet, 
Om datten dhertoge Adelaen 
An ziere moeder wel ghedaen 
Wan npter Maaen riviere, 

375 Daer hi metter vrouwen fiere 
Hem heymelike voer vermeyen 
Inder scoender contreyen, 
So ghelieve gheeme plien: 
Mazebrouc hiet hi nut dien, 

380 Als hi kerstin was ghedaen. 
Maer den vader Adelaen 
Dien so haette hi toter doot, 
Als die was van moede groot, 
Tote hi hem zgn lant updrouch 

386 Ende eeren meer dan ghenonch 
Dede, dat hine hem trac an 
Over ghetrout, dat Herman 
Die bisscopi zgn oem, bedreef, 
Diere zaerters ave screef 

3M Vor notarise, vor tabelioene, 
So hgt wiste wel te doena. 
Al waest loghene ende ghedwas, 
Dat hi niet ghetrout en was, 



1) Vertta gkeaert, ter itrde beiteld. Verg. ti. 418. 

S) Men bedenke, dat gktiroui hier en elders beteekent: im wettig huwelijk 
wekt. Zie de mant. op MaerUnfi Sp. Hitt, III*. 48, 98. 

8) De zin it: by spaarde geen geld. om eene laisterrQke en kostbare TertooiiiBg 
(by de begrafdiis) te maken. 




178 

Was hi heere, wat lacher an? 

395 Van Goachi die Trome man 
Die es comen binnen der siede 
Met wel groter moghentede, 
Maer niet ne qnaoi hi so zaen, 
Die ootraert ^) was eerst ghedaen. 

400 Her Masebroac entie zine mede 
Die so waren noch in die stede. 
Den Tromen heere Tan Conchi 
Dien so welleeomden si 
Ende alle die met hem qnament 

405 Dat zi alle in danke namen. 
Masebroac die seide: »NeTe, 
Dats a God rele eeren gheve, 
(een ver$ weggeeneden). 
FoL LX XXV a. Ende waer omme so hebdi 

410 Aldns langhe ghebeit? 

Ghi hadt cleine weerdicheit 
Toten hertoghe minen rader, 
Dat dinke mi, want al te gader 
Mine vrienden , mine maghen, 

415 Die hebbic OTer vele daghen 

Hier binnen deser stat Terzaemt; 
Ende als ghi niet ne qaaemt, 
Hebbicken eerlike gheaert 
Ende ghedaen die untvaert 

420 Ab eenen edelen princhier. 
Over niet so comdi hier, 
Ende mof^et wel weder keeren. 
Maer emmer hebdi lettel eeren 
Ghedaen den hertoge uwen oem!*' 



l) l)« oatkamiBg m, die nea aehtor dit woord Terwachton loa, it ht dea af- 
•ehr^fer ia de pea geUerea , öf door daa dichter leWea reedt oaaoodig geoordeeld. 
Hei wcfUtea dar oatkeaacade partikel, ook waar iQ oamttbaar mag heeiea, it 
troawrat eeae eigeMardigiMid vaa oaaea diehter. Verg o. a. I, 810 tig. 



174 



425 Die heere nam der talen goem, 
Die men biet van Couchi, 
Ende aldus andworde hi: 

iCristos Heere! wat horic na! 
Moetic versproken z^n van u 

430 Vor dese heeren ! dats mesdaen ! 
Hadde die hertoge Adelaen 
Dusdaneghen zone als ghi z^t, 
Ende hgs niet ne heefi; ghel^t^ 
So moeste hi hem emmer scamen. 

435 Hoe eist dat ghi heet bi namen? 
Ie peinse dat ghi z^t bastaert. 
Want mgn moye Hildegaert 
En hadde bi hem noynt kint. 
Orghelieus sidi ghesint, 

440 Wel so moghedi bastaert wesen! 
Wat onderwindi n van desen, 
Minen oem teenegher ure 
Vor mi te gheven sepulture, 
Die oir bem van zinen lande?** 

445 >Die werde van eenen deinen zande,'* 
Sprac Masebrouc, »sone hebdi ane 
Den hertochdomme ') van Ardane. 
Al hebdi minen vader ende mi 
Tlant ontfortst van Couchi, 

450 Boven dat ghine in die lede 

Wondet ende daer boven valschede 
Ane leit te Pargs , 
Ie die zegghe u wel dat ghgs 
Ander mare noch sult horen! 

456 Ghetrout kint ende bet gheboren 
Bem ie zeker dan ghi zgt, 
Al eist dat ghi mi despgt 



1) Hl. hertodomme. 



175 

Hebt gheseit dat ie bem baataert. 
(een verê weggeenêden)^ 
Foi. LXXXV3 400 Nq ter tgt in rine doot, 

Vor al dese heeren groot , 
Vor bisacoppe /;Tor tabelione, 
Dat ie zgn ghetroade zone 
Bem ende oor van zinen Unde, 

466 Dies hi mi vor dese wigande 
Seghel ende briere gaf, 
Die icker mach toghen af, 
Ende dese heeren ter oreonda, 
Waert so dat ie yemen vonde 

470 Diere wonde zegghen jeghen. 
Hem so yolghes menich deghen, 
Diet hem aldaer holpen steerken, 
Beide leeke ende eleerken.'* 
Elkerl^e in zinen hone 

475 Sach npten feilen Mazebrone 
Dor die tale, gheloTes mi. 
Doe sprac die heere Tan Conehi: 
»6henaden, God ende alle zant! 
Mi es hier ontseit mgn lant, 

480 Ende men versprect mi toe 

Onwerdelike, ende ie ne weet hoe 
Dat ie oome an desen rey. 
Biden goeden sente Mey! 
Dit en es eerstwaerreu niet, 

486 Dat mi evele es ghesciet 

Ende onreeht ghedaen ende dogen , 
Ende jammerl^c belogen , 
Dat ie met redenen al verwan. 
Qod die zi ghelooft der van 

490 Ende zgn lieve moeder Marie, 
Also ie hope dat si mie 
Noch in rechte znllen steerken! 



176 

Al haddi papen ende cleerken 
Tuwer hulpen vele meere, 
495 Die coninc Lodew^c mgn heere, 
Die keyser ende coninc zi, 
Sal te rechte houden mi 
Naest Gode onsen lieven Heere, 
Ende mgn scilt ende minen speere, 

500 Daer toe dat ie mi verlate. 

Ghine hadt heden dese ommate, 
Wane ie wel, gheseit te mi 
Onvergouden, haddic ende ghi 
Hier ghesgn onder ons tween. 

505 Ende die mgn eerve ende mgn leen 
Mi sal ontsegghen ende ontgheven, 
Hi die zalre bi zgn leven 
Setten ende avontueren! 
(twee verzen weggesneden) ^). 
Pol. Lxxxv e. Ne haddic te deser uutvaert 

iViet brocht minen jonghen heere, 
Ende dese princhen vul der eere. 
Die ie niet ne wille beroeren, 

515 Ie soudu van uwer quader voeren 
Castien, die ghi ane mi toocht** 
Die heeren zeiden: »U ghedoocht, 
Ende en maect ons gheen ghevecht. 
Die ghene die tmeeste recht 

520 Hevet, het zal hem bliven. 

Wine zgn hier comen om gheen kiven, 
Maer om der zielen te bidden goet. 
Diere God ontfaermen moet, 
Ende allen zielen mede!** 

525 Maer die orghelieushede , 



1) Met het eerste der hier ontbrekende twee Tenen begon een'? ilinei, loonltmei 
in *t HS. nng duidelijk xien kan ait de iiMiren der mode beginletter. 



É 



177 



Dat ghelaet ende dat ghebaer, 
Dat die bastaert toochde daer, 
Dat was groot boyen maten, 
Ende dat wonderlgc ghelaten. 

530 m en hadde, gheloTes mi, 
Om den heere yan Couchi 
Niet ghegheyen eene peere, 
Dor al dat zgn rechtzweere 
Was, ende van bastardieu 

635 Van zinen weghe , al wildgs niet lyen , 
Het moeste uochtan also wezen. 
Die menege was yroet yan dezen 
Binden lande yan Ardane. 
Die heeren, daer yele lach ane, 

540 Spraken daer ten besten toe, 
So dat zi alle schieden doe 
Ende meenden dat ziere of 
Spreken souden in sconinx hof 
Vor die ghenoten yanden lande. 

545 Des anders daghes eene offrande 
Dede die heere yan Couchi 
Ende eene 8Cone uutyaert, dies hi 
Hadde lof ende eere, 
Ende gaf om onsen Heere 

550 Cloosters ende den armen lieden 
Vele goeds, Hi dede ghebieden 
Steden ende officyeren 

Ende in allen maniereu , 

Daf si den feilen bastaert 

555 }ilLasebrouc een penewaert 
Qoeds noch heerscepien 
Comen lieten in ziere yoechdien, 
Up al dat zi yan hem bilden, 
Ende yraechdem of si wilden 
(twێ verzen weggesneden). 



\% 




178 

i<oi. LXXXY d. Yor dien tgt was ghesien. 

Maer den heere was van dien 
Sticke niet gheandwoort, 

565 Die weder keerde rechtevoort 
Tote Pargs in die stede, 
Daer eene grote ziechede 
Lodewike was comen an, 
Daer of dat die goede man 

570 Moeste sterven inden hendt. 
XVI ^) jaer haddi tregement 
Ghehadt gheweldiehlike 
Na zinen vader, den coninc rike, 
Ende in dat jaer dat hi staerf. 

575 Sine lieden waren te diere waerf 
Seere drouve boven maten , 
Heeren , vrouwen van allen staten , 
Omme des conincs ziechede; 
Want zine goedertierhede 

580 Ende zine grote gherechticheit , 
Sine doghet, zine edelheit, 
Die was boven maten groot. 
Ui hadde na zgns vader doot 
Tlant in vreden wel ghebouden 

585 Enten jonghen enten ouden 
Recht ende wet ghedaeui 
Dies hi hadde lof ende eere ontfaen. 

Ende die wile zekerl^c 
Dat die coninc Lodewgc 

590 Siec was ende onghesont, 
Was die grave namecont, 
Die vrome heere van Couchi, 
Sinen soeten lieve bi, 



1) Aldus het Ut., doch men lexe XXVI. Lodewyk de Vrome regeerde ▼•!! 814 
tot 840. 



179 

Die welke hadde al ziiie memorie. 

595 Maer ons bewast die isiorie, 

Dat MasebrottC, die felle baataert, 
Bin diere tgi dede sinen aert 
Met die hem gbinghen ane 
In dat lant van Ardane. 

600 Van Hoy was hi behoeder 

Ende heere bleven na ziere moeder 
Ende vanden lande van Bolioen. 
Harde menioh vrome baroen 
Bestoet hem vander moeder ziden, 

605 Maer onder den keyser te dien tiden 
Woenden zine maghen meest. 

Al dat lant van ') 

Dat 80 haddi verwoorven: 

Van zinen oom waest hem verstorven , 

610 Die ziere moeder broeder was. 
Van Gt)ten die grave ras ') 
Dat so was zgn oudervader. 
Het bestoet hem meest algader 
(een vers tüeggesneden), 
Fol Lxxxvid 615 Ende het was die broeder sgn, 

Van Tarase Triestram. 
Dese waren alle gram, 
Dat die heere van Couchie 
Sonde willen die heerscapie 

620 Hebben te male van Ardane, 
Ende haren broeder uter bane 
Steken ende bastaert maken. 



1) De DMiD Tan het li&d U onleeibtar. Er tch^jnt tortett oi forteU te lUan, 
ir de ecnie letten igo niet t« osderkenaen. 

2) Het U niet met lekerbcid te befliiten, of hier het how. ras, raach, hedoeld 
ta, of de Franarfae eigennaam Rat$e. Daar echter in ra 2i47 ook Coachi «die 
ad«l ridder roj" genoemd wordt, heh ik aan het eente de Toorkenr gagerea en rms , 
nkt JLu, gcachrerea. 



180 

Nochtan wisten si die zaken 
Wel dat hi was bastaert, 

626 Maer ten hoochsten weghe waert 
Wouden zine helpen bringeni 
Want seone waren hare dingen, 
Dat ziere ave zaerters groot 
Hadden ende in die doot 

680 Die ghifte vanden vader zgn, 
Ende hiere in dede zinen fijn, 
Bi scalken ende bi lozen rade, 
Als die hadde cleine scade 
Yet te doene cleine of groot, 

685 Want die over felle doot 

Hem te stuer was ende te wreet. 
Ende te male zgn secreet 
Was die bisscop Herman, 
Daer z^n uterste wille ghinc an, 

640 Omme dies hgs hadde te bat, 
Ende hi mede anden scat 
Deelde ende an die tresorie. 
Die bastaerd z^n neve ende hie 
Warens eens harde wel. 

645 Si waren beide scalc ende fel, 
Ende filasebrouc die steercste was 
Van al dien lande, ghelovet das. 
Out van XXini jaren. 
Hine haddem niet willen vervaren 

650 Yan sterken lieden zevene. 
Om te rovene vanden levene, 
Haddi hem ghedreghen ngt 
Ende ghehadt hadde in een crgt. 
Ghemeenlike zine maghen 

655 Woudene helpen ende draghen, 
So si daden wel anschgn, 
Want met hem zi ghevaren zgn 



181 

Dor dat lantscap van Ardane, 
Om haren neve te helpen der ane 

6(M) Ende machtich te maken vanden rike. 
Si qoamen also moghendelike 
Dor dat lant ende in die steden , 
Ende met so sconen reden 
Van brieren ende ran zeghels met, 

666 Dat si ») 

Foi. Lxxxvi i. Ende daer toe alle o&cjere 

Ende clergie alretiere, 
So dat zi sonder letten meere 
Al daer ontfinghen over heere 

670 Masebrouke van Bolioen, 

Die hem dede vernamen doen 
Met ziere niewer heerscapien 
Bi rade vander baronien. 
Om dat te zeere darewaert 

676 Dat luut drouch van eenen bastaert, 
So wart hi ghenaemt Eleinier 
Onder alle die princhier 
Ende voort onder die clergie; 
Ende ware oec yemen die 

680 Hem die eerste name gave, 
Hem zouder toren comen ave, 
Up dat hgt gheweten conde, 
Ende waer men oec dien name vermonde , 
Dies ne d/fcfoghi hem niet ane. 

686 Binden lande van Ardane 
Was hi over heere ontiaen; 
Si worden hem alle onderdaen 
Van eerven ende van leene *). 



1) DeM regel U weggenedra, doch de twee eerste woorden Dai «t i^d aog te 
S) Het Hl. had etnt mm Imm wtêdê, doek wtêdê ii later doorgeiArapt 



182 

Beide groot ende cleene 
690 Si hem alle manscap deden 

Te Deuve binnen der goeder steden, 

Twelke was die hoofl; stat. 

Harde blide was omme dat 

Die hertoghe Reinier, 
695 Die fel was ende putertier 

Ende oec hovermoedich zeere. 

Hine kende gheenen heere 

Up wiens moghenteit hi hachte, 

Mids zinen hoghen gheslachte, 
700 Dat hem wel woude mede. 

Over mids der moghentede 

Van zinen lande, van ziere namen, 

So hoofden zi an hem te zamen, 

Want hi was een heere groot. 
705 Hem dochte oec dat z^n ghenoot 

Niet ne leefde verre no bi, 

So hovermoedich so was hi. 
Als hertoge was die putertier 

Ende hi was ghenaemt Beinier, 
710 Qhelike ghi horet bedieden, 

So waren daer eneghe lieden, 

Die de vrome grave reine 

Hadde verlost te Brunensteine , 

Daerse die mordenaers felloen 
715 Hadden ligghende int prisoen. 
(een vers weggesneden). 
Kol. LX XX VI e. Van den heere van Couchi ^) 

Hadden ontfanghen daer. 

Dreven zi een drouve ghebaer, 
720 Dat zi hadden audren heere. 

Si wisten wel die loze keere , 

l) Dit Ten ii b^nv oitgewiicht, doch ik meen het toch ontcyferd te hehben. 



0^ 



188 



Die mar onder dame dede, 
Ende datmer Tortgts zede 
Van liMebrooke ran Balioen; 

726 Maer Adelaen die baroen 

Die woo^ hem niet trecken an , 
Om dat zgn moeder eenen man 
Hadde als hi was gheboren. 
Maer als der yronwen qaam te voren 

710 Die doot ende soe sterren zoude, 
Ende hi was van cleinder honde '), 
Gaf zoene al doe Adelane, 
Dies zi andren te verstane 
Harde wel conden doen, 

785 Al was hi ') die felloen 

Al doe worden ghetroat kint: 
Dies si waren gram ghesint 
Al die ghene, ghelores mi. 
Die vanden heere van Conchi 

740 Verlost waren, als ie zede, 

Ende meenden dat si die waerhede 
Den grave zonden overdragen. 
Twee ghesellen, twee ghemagen, 
Streken henen so verre dat zi 

745 Comen sgn te Couchi, 

Maer zi en vonder niet den heers. 
Sonder yet te letten meere 
Trocsi te Famweele waert, 
Want hem lieden was verclaert, 

750 Dat si al daer vinden zonden 

Haren heere, den vromen bonden. 

Beide traken zi te zamen 
Also langhe dat zi quamen 
Binnen der stat van FamweeL 



1) Fmm ekimUr kawdê (d. i. omdê , leeft^), oog jong. 
S) T w. mliof kii 



184 

756 Si trocken binnen den casteel 
Beide te gader, al daer si 
Vonden den heere van Couchi. 
Si cnielden vorden vromen man 
Ende spraken hem met groeten an. 

760 Hi was diese wel ontfinc 

Ende vraechdem of si eenege dinc 
Al daer an hem begheerden. 
Si zeden: » Heere, van groter weerden, 
Ende dor bringhen eenen mare, 

766 Daer wi omme drouve ghebare 
Hebben dat het es ghesciet 
(een vers weggesneden). 

Fol. LXXXVI d. ^) 

Willen wijs u te kennen doen. 

770 Alle die ghene van Ardaen 
Hebben over heere ontfaen 
Den hertoghe Reiniere." 
Die grave andworde sciere: 
»Wat Reiniere es dat?" 

775 » Heere, men mach die waerheit plat 
Niet segghen: hets die bastaert, 
Die Mazebrouc was vermaert, 
Maer Reinier es hi nu ghenant. 
Als hi heere wart int lant, 

780 Was deerste name of ghedaen.** 
Als die grave dat hadde verstaen, 
So zloach hi zijn hovet neder 
Ende over een stic hief hgt up weder. 
Claghelike hi doe zede: 

786 »Ende moetic emmer boeshede 
Vinden an mine naeste magen! 
Dies so moetic Gode clagen, 
Want ics niet ne hebbe verdient. 

1) Dit Ten ii Tolkomen aitgewiicht en niet meer te onteyferen. 




185 



Alle die yrerade zgn mi vrientf 

790 Mine maghe zgn mi viant. 

Mgn ?ader onfcgaf mi mgn lant, 
Mgn oem hevet mi oec ontgheven 
Dat mi van rechten ore ee bleven , 
Tgoede lant van Ardane, 

706 Dat hem heeft ghetrocken ane 

Een bastaert, daer ie niet af ne weet 
Die waerheit of hi mi bestoet. 
Al ware hi bastaert van Adelane 
Ende hgt hem ghedreghen ane 

800 Hadde in zine doot 

Met valscheden die es groot, 
En mochte van gheenre weerden zgn, 
Het en ware biden wille mgn, 
Diere tioynt toe dede consent. 

806 Bi Gode den Heere omnipotent! 

Ic hiet stichten brant 

Met in Ardanenlant 

na dede , 

So men wel wet die waerhede. 

810 Maer ic sal 

Verherghen doen aUe Ardane ^) ! 
So gruwelgc was nie ghesien, 
Dat zi hebben onthenret mien 
Boven dat ic hem verboot, 

816 Dat si cleine noch te groot 

Niet ne ghaven den bastaert').'* 
Also gram dat hi waert 



l) Detc geheele pUaU (▼§. SOS— 811) u door ▼erkrenkelisg Ttii het perkament 
aoofcoed all onleMbear. Met groote moeite heb ik er oog looTeel Tan ontc^ferd, 
dat althans de loop der redeneering dtiidel|)k bl^kt. 

i) Verg. boTcn, Tt. 661—668. 




186 



TWEEDE FRAGMENT '). 

Fol. LXXXIX a, {de bovenrand der kolom , zes verzen , wegffeenedeti). 

Die Toer eerst te Brunesteine , 

Te besiene boet gbestaen 

Was metten goeden ridder Lncaen, 
1286 Die in goeden poynte was. 

Ende van danen Toer bi ras 

Om te zine te Coucbi. 

Sinen lieden claechde hi, 

Hoe dat menne woude ontbêerven; 
1240 Daer si wouden Toren steerven 

Sine goede lieden eere. 

Dies bem zeide danc die beere. 

Te Gbuse so voer bi daer naer, 

Daer hi clagbe int openbaer 
1246 Dade over den bastaert. 

Sine lieden onvervaert 

Seiden >Heere, als gbi wilt 

Ontdecken uwen edelen scilt 

Ende ontwinden uwen vane, 
1260 Om te vaerne up Ardane, 

So willen wi alle zpn bereet." 

Die beere beeft bem danc gbeseit 

In wel yriendeliker wfls. 

Van danen voer bi te Pargs, 
1265 Ende eer bi te Pargs toe quam, 

Onder wegben bi vernam, 

Dat die coninc Lodew^c 

Versceden was van erdergc 

1) ToMchen dit fragment en het vorige ontbreken twee bladen (LX XX VII «■ 
LXXXVIII), te samen 8 kolommen of 408 Tenen. Daar het Yorige ftragoient 817 
rerzen bevatte, en aan het hoofd dezer eerste kolom se» verzen iQn weggeanodea, 
kannen w^ de nnmmering der verzen met het c^fer 1232 hervatten. 



187 

Ende te Gode waert gheyaren. 
1260 Dat waren hem die droafirte maren, 

Die hi nye boorde in al zgn leven. 

Ay God! wat roawen was ghedreven 

Al doe Tanden goeden man! 

Te weenen dat hi began 
1S66 Alao bitterliken zeere. 

Hi claechde den goeden heere, 

So hi wel te rechte mochte. 

Hi zeide: die de weerelt zochte 

Dore, hine hadde yonden 
1270 So goeden man in zinen stonden. 

Daer an dat hi seide waer. 

Groten rouwe, groot mesbaer 

Mochten zi driren wale, 

Sine lieden alle te male, 
1276 Om den goeden Lodewgc 

Van Couchi die grare rgc 
Fol. LXXXIX b. (zes verzen loeggesneden). 

So ghebaerden zi ghemeene, 

Beede groot ende cleene, 
1286 Jonghe, oade, leeke, cleerken. 

Niewer so ne mochtemen merken 

Anders dan rouwe ende verdriet 

Van Couchi dat vrome diet 

Quam verslooft ^) in ghereden. 
1290 In zine herberghe binder steden 

Es hi haestelgc ghevaren. 

Hi beete zonder eenich sparen 

Ende es te hove ghegaen, 

1) Terilooft^ afgetlooCd, nraar ▼«nnoeid. Het woord is mQ elden in dien lin 
Biet rnorgekomen, doch xiek vertlottn Toor xich mfslovem wordt tbaat nog wel ge- 
hoord FentooptM^ by KiliAao door peUrg , operire TcrtMld. en waartin Oadenuuu, 
VII, 490, een foorbeeld maahaalt aii de Kjk. CArom,, is een geheel ander woord. 
Verg y^. Wdh. op AJtkmm en A/tloowem. 



188 



Daer die coninc was ghestaen 

1296 In eenre riker ymbaren ^). 
Sine conduten alle waren 
Vul speciën van zoeter guere, 
Ende ghezuvert sine ymmuere*). 
Die balsemen ghaven zoete Incht. 

1800 Die vrome rocken van hogher tncht 
Stonden daer in oenen rinc 
Bi Eaerle, den jonghen coninc, 
Die men den Galuwen biet, 
Die welke ne finierde niet 

1805 V<an groten rouwe dien hadde hi. 
Die edele heere van Couchi 
Die so beeften al daer ghegroet 
Ende die ander beeren goet, 
Die daer bi bem waren gbestaen, 

1810 Van wien dat bi wel was ontfaen 
Ende vanden jongben coninc mede, 
Diene bi bem al daer dede 
Staen, want bi was een gbenoot. 
Mantel ende sorcoet, 

1815 Cousen ende oec caproen 

Was scbiere brocbt den ridder coen , 
Ende al van fluweele zwart, 
Dat bem daer gbegbeven wart. 
Dat bi baestelike dede an 

1820 Al weenende, die goede man, 

Dat zi wel mocbten cleine ende groot 
Merken dat bem sconincx doot 
Harde zeere ter herten gbinc. 
Earel, die jongbe coninc, 

1826 Hadde zine messagiere 



1) Over fmbart en wat diumede in betrekking ttaat, lie de B(jlage» n®. II. 

2) Pr. humeun. Ut. kuwnoret, fochten. 



189 

Ghesent an alle adne princhiere, 
Ghenoten, ondersaten, mannen , 
Fol. LXXXIX c. (zes verzen weggesneden), 

An prelaten hoghe yermert 

18S5 Was ghesent over al. 

Die boden waren sonder ghetal, 
Die men sende Terre ende bi. 
Te Famweele waren si 
Ghesent an die edele Trouwe, 

1S40 Die welke hadde groten rouwe 
Om den heere haers neven doot. 
Nu hoort onhovesscbede groot 
Van Florante haren man. 
Alsmen hem die mare an 

1346 Vanden doden coninc brochte, 
So peinsdi ende dochte 
Datter zgn Trouwe niet soude Taren, 
Omme dat toe den Tromen baren 
Daer soude Tinden Tan Couchi, 

1S50 Daer soe tonghemake bi 
Soude wesen harde zeere. 
Haer seWe so bereide hem die heere 
Om te Taeme te Pargs. 
Ende als die Trouwe was wgs 

1355 Dat hi Taren soude alleene, 
Ende hi groot nochte cleene 
Haer ne zeide Tander Taert, 
Was in doghene die Trouwe waert. 
Peinsende boTen maten zeere, 

1360 Sprac aldus die Trouwe: >God Heere! 
GbeTroeden mach ie ende weten. 
Dat ie bem wel zaen Tergheten, 
Coninc heere, om uwe doot 
God bringhe uwe ziele uut alre noot 

1365 Ende Terdse Tander hellen gracht! 



190 

Ie bem al nu te min ghehacht 
Met minen heere den grave Florant, 
Om dat ghi doot zgt, vrome wigant. 
Mi dinke dat hi heeft onwaert, 
1870 Dat ie zoude yaren ter nutvaert, 
Daer toe dat ie bem ghebeden. 
Dat bediet yander reden 
Dat zo maeh ie weten wale/' 
Doe zende soe ten zelven male 
1875 Om haren heere dat hi quame, 
Maer het was hem onghename, 
Hine wouder comen niet. 
Doe ghine twivelike diet 
Fol. LXXXIX d. (zes verzen weggesneden). 

1385 Eeneghe lieden die daer zgn ') , 
Van *) wien ie den neve mjn 
Hebbe verloren ^) , om dat hi sede 
Van uwer onghestadiehede , 
Daer an dat hi niet ne looeh.'* 
1390 Die vrouwe was van moede hooch. 

>Quaet gheseit maeh lettel baten/* 
Sprae die vrouwe : > wilt u ghematen , 
Heere, te sprekene zulke woort; 
Want, heere, broehte een ander voort 
1895 Die tale, ghi zouter wrake of nemen, 
Ende hoe moeehdi dan ghetemen 
Te peinsene in uwer herten gront 
Of te sprekene metter mont 
Vanden ghenen in eneghen keere 
1400 Quaet, die noyt na uwe onneere 
Stoeden noeh na uwe blame? 



1) Dit z^n woorden, door Florant tot zyoe vroaw gesproken. 

2) Us. Wam. 

8) Zie de Tolgende aant. 




191 



Qhi mocht den zulken inder &me 
Bringhen, het ware beter ghelaten. 
Heere, diee wilt o ghezaten 

1405 In eenen edelen reynen ghedachte. 
Biden Heere die mi ghewrachte 
Met ziere heilegher moghenteden, 
Ie hebbe toten daghe Tan heden 
Ghedaen als eene goede vroawe 

1410 Ende gheqogt die selye troawe, 
Die ie o beloofde wilen eere, 
Als ie ü nam teenen heere, 
Ende sal oec eewelike, 
Tote ie sceede Tan erderike. 

1416 Ende noch en es hi niet gheboren. 
Die mi anders leide te Toren 
Dan doghet ende reinicheii 
Het sonde mi oec wesen leit, 
Haddic an yemen anders Tonden. 

1420 God late mi leTen mine stonden 
Ghelgc dat ie hebbe ghedaen, 
Sone sal ie gheene blaemte oni&en 
Met Terdiender waerheit. 
Ende heeft yemen yet gheseit 

1425 Anders , dat heefti becocht '). 

Ende, heere, waerdi wel bedocht, 
Ghine zout diee Termanen niet. 
U ncTe was een CTel diet 
Ende stoet altoes na mine blame. 
oi XCë. 1430 Ghi peinst lettel om die Trame, 

Die wï hebben, ie ende ghi, 
Vanden heere Tan Gouchi 
Ontfimgen inder tgt Terleden. 



1) Vtrg. ft. 1792—1797 en 1820—1823. wianiit bl^kt . dmt Florani't natf Sdaard 
Mr Cooebi, tot ftnf fmu i^ne Uilertaal, ia eea tw«tkamp gedood 




192 



Al ware een feyt uut haesticheden 

1485 Ghevalleii, dat wel ware yerdient, 
Soudi daer omme zulken vrient 
Willen ^) verweerken , segt mi , 
Als die heere es van Couchi? 
Redene') kent, ie bids u zeere. 

1440 Heeft hi doot den valschen heere, 
So heeft hi u dat lyf behouden: 
Es dan die zoene niet wel Tergouden? 
Ende miere zuster behilt hi tleven 
Ende Zampaengen, dat ons es bleven, 

1446 Daeromme dat icken minnen moet. 
Ende die hem anders jan dan goet, 
Evel so moet hem ghescien! 
Ende ewelgc sal hi yan mien 
Qhemint zgn zonder dorpernie. 

1450 Ende, bider maghet sente Marie! 
Ie zal yaren inden rouwe, 
Als eene ongbeblaemde vrouwe, 
Ende die bem vanden naesten bloede, 
Dies mi wee mach zyn te moede, 

1455 So watter yemen omme doet!** 
Doe keerde haer die vrouwe goet. 
Die der tranen vele ontsprongen, 
Dat dea ouden enten jongen 
Deerde diet zaghen an; 

1460 Ende Florant, die hoghe man. 
Die veranderde in die tale. 
Hi keerdem omme te dien male. 
Hem ne stoet den evelen moet 
Niet an vander vrouwen goet, 

1465 Noch vanden heere van Couchi, 



1) Hl wuu. 

2) Id het Ht. tUat hier eene alinet aAngewesen. Ik heb die weggelaten « waot 
de rede Tan Beatr^t loopt ona^ebroken door. 



193 



Maer in die herte so ne was hi 
Niet ghepayt als te gronde. 
Onna ^) was die felle wonde 
Ghenesen die hi hadde ontfaen. 

U70 Sine Taert bereeddi saen 
Om te Taeme te Pargs; 
Ende die edele vrouwe jol^s 
Van minnen ende daer toe toI roaweo 
Si dede eenen wagben boawen. 

1475 Ie wane men so rikelike 

Vonden hadde in Vrankerike, 
Noch daer toe scauwen mogheu, 
Met zwarten fluwele overtoghen. 
Al des ghelike so was zi, 

1480 Ende alle die haer waren bi 
Foi. xc è. Waren alle zwart flueel^n. 
Die cussine waren pellergn 
Swart, die daer binnen laghen. 
So wat dat was anden waghen , 

1485 Was van dierbaren ghetaowe 
Ende al ghedaen na den raawe. 
Die perde , die ghiugen int lynioeu , 
\dde die werde vrouwe doen 
Alle over cleeden met morede *) , 

1490 Ende die vrome ridderen mede 
Entie andre meysnieden 
Waren alle zwarte lieden , 
Die den waghen volchden naer. 
Hot was een drouvelgc ghebaer, 

1495 Met oghen te scouwene an 



1) Onma — gkemut»^ ferre fto geneien. Verg. TuaUt. Bijdr. 11, 51. 

2) Momf , iwtrte of donkerbruine ttof; miftt. panmus moraiui (Da Cange IV, 
ft44r). ofr aorev (Lft Cnme de Ste Pal. Vil, 428); verg. ital. wtoraio By Mer- 
Una en Tort», Geseh. w. Am/w. II, 611: 'Item, fier lakene ter teutten ende ca- 
procae brhonf mtarwjff te f^rvcae.** 

13 



194 

Den waghen ende zgn ghespan 
Ende diere hoorden toe* 
Die vronwe es np gheseten doe, 
Den andren dach, zi a bekant, 

1600 Naer dien dat die grave Florant 
Was ghesceeden nter steden, 
Die welke so langhe es ghereden, 
Dat hi es comen te Pargs, 
Als hem toe horde in diere wgs, 

1606 Want hi was een machtich heere* 
Meneghe Trouwe ende menich heere 
Sachmen comen binder steden. 
Die heere van Cioaohi hi dede 
Nauwe wachten ende spien 

1510 Om dat wivelgc engien 

Ende om den grave, haren man. 
Of zi alle beide dan 
Ten groten rouwe souden comen. 
Die heere die was doe yernomen 

1515 Gomende, maer die vrouwe niet, 
Twelke den heere was bediet. 
Qualike, dies gheloTct mi, 
Mochte doe die heere van Couchi 
DrouTer wesen dan hi was, 

1520 Bi dies hi beduchte hem das 
Dat der vrouwen yet mesquam, 
Ende dat up haer gram 
Om ziaen wille was Florant, 
Dies men an den wigant 

1626 Werden mochte wel gheware. 
Drouver was zgn ghebare 
Om die weerde Trouwe menjoot, 
Dan soe was om die doot 
Vanden coninc Lodewike. 

1580 Nochtan was die ridder rike 



M 



105 



Om die dooi drouve zeere 
Fol xc e. Vanden coninc, sinen heere. 

Dot dien rouwe te gader quam , 
So waeet dat men an hem yernam 

1535 Dalre rouwelgcete ghebaren 
Van hem allen diere waren, 
Beide Tan leeken ende van cleerken. 
Dat die meneghe began merken. 
Het Beiden oec lieden ghenoach, 

1540 Dat hi meeren roawe drouch 
Dan Karel die Calawe dede, 
Maer zine wisten die waerhede 
Van al niet ende den groni 
Maer in wel corter stont 

1545 Slakede een deel den rouwe. 
Die mare quam dat die Trouwe 
Comen was binnen der stat, 
So zimperlgc ') dat Tor dat 
Noynt ne was sghelgcs gheeien. 

1550 Beere so ?erblgdde doe Tan dien 
Die Trome heere Tan Couchi, 
Want den staet der Trouwen Try 
Die was harde zeere gheprgst 
Ende met Tinghers na ghewgst 

1555 BoTen hem allen die daer quamcn. 
Die Trouwe Tan hogher namen 
Die ?oer sonder letten meere 
Ter herberghen Tan haren heere. 
Redene waest ende bediet, 

1560 Dat zoene woude scuwen niet: 
Der Trouwen hoort omoedicheit 
Ende daer toe onderdanicheit, 
Ende so zoe meerre zi, 

1) Zie de B^lasc. d^ 111. 




196 



So het haer bet, gheloves mi, 

1565 Toehoort omoedicheit , 

Na de materie der edelheit. 
Teen en dochte nichte mee >) 
Sonder tander dan in die zee 
Een dochte zonder scip of boot, 

1570 Of in een ander water groot, 
Daer hi dore woude yaren 
Sonder quetsen vanden baren. 
Hoe dat zys eens ghedrougen, 
Dat en eau ie niet ghevougen, 

1575 Weder vrouwe nochte heere. 
Ter materien ie weder keere. 
Als die vry edele baren, 
Diere toe ghebeden waren, 
Comen waren enkie vrouwen, 

1580 Doe so mochtemen anescouwen 
Den doden conine van Parys 
Ten clooster waert van Sente ^) Dengs 
Fol. XC d. Met siere dierre sepulturen 
Voeren te diere uren. 

1585 Daer was menich edel man. 
Die zine wapine hadden an, 
Ghelyc of zi waren doot. 
Wel C orsse van prise groot 
Waren daer teenre scaren, 

1590 Die metter wapine verdect waren, 
Verkeert staende ende averecht, 
Of zi hadden in een ghevecht 
Verwonnen ghesgn ghemeenlyc, 
So die conine van Vrankeryc 



l^ Nick f e mte, tamentr van nicM de mee^ lat. nthilo mugit, NieA/e m§e — eUm^ 
Diet meer — dan, d. i. evenmin ~ aU. Verg. Kijmb. 441 var., Rijmer, u. VlammtL 
4150, eni. 

2) Ilt. S., alt boven. Zoo ook vt. 1614. 



•J 



197 



1606 Verwonneii was yander doet. 

Ende^) die orsse TaD leden groot 
Also droavelike gbinghen, 
Dat hem die hoofde neder hingen 
Schinende toter eerden toe. 

IMO Die heeren ende die Trouwen doe 
Also drouyeliken naer 
Qnamen in haer ghebaer, 
Dat het ne was wgf no man, 
Diese zach met oghen an, 

1006 Hine moeste weenen daer. 

Die tordsen maectent also claer, 
Die mer voren voerde ende drouch , 
Dat het wonders ware ghenonch 
Te zegghene na der waerhede. 

1610 Al hadde eene grote stede 
Met alle ghesyn in viere , 
Was te ziene die maniere. 
Aldus ende in deser wgs 
Sgn si comen te Sente Denijs, 

1616 Daer die kerke jeghen berecht 
Was ende altemale ontdect'), 
Dor die vlammen vanden viere, 
Daer die kerke mede schiere 
Hadde verbrant ende ontsteken. 

1620 Ie wane men noyt horde spreken 
Van sp rikeliker uutvaert. 
Die clerke van constegher aert 
Songhen al daer Requiem. 
Die abdt dede, also hem 

1626 Toe hoorde, den dienst ons Heeren. 



1) Hi. Em. 

2) l>e bfdoeliDf^ it. dat de kerk daarvoor opseiteiyk wat ingericht door het mtfr 
vaa alle dekklecdaa, gord^nea cai, t. w. om hy die tallooae toortan het g^ 

vwr faa hraad te roorki 



'A 



198 

Men ne dorste hem niet leeren 
Wat hi doen zonde ende laten* 
Die hoghe bisscoppe, die prelaten, 
Die rike abten entie monken, 

1680 Die dekene entie canonken, 
Die Caermers, die Jacopine, 
Die Minderbroeders, die Angustine, 
Die Wilgemine, die Zartroes, 
Fol. XCI a. Slichte papen na haerre ?oe8, 

1686 Dyaken ende sulkiyaken. 

Oosters, clerken, wat gheraken 
Ten chore conde of daer bi. 
Of ten stagen al daer zi 
Boven den chore mochten staen, 

1640 Hebben haer beste daer ghedaen 
Over die ziele vanden heere 
Ende tsiere conincliker eere. 

Sulc zanc boven '), zulc tenoor. 
Was nie ghehort in eenen choor, 

1646 Sulc cant ende zulc discant. 

So goet musiker ne was int lant, 
Die te rechte hadde verstaen 
Die conste diere was ghedaen : 
Soe was so menichfout. 

1660 Daer zonghen jonghe, daer zongen out, 
Daer zonghen claer, daer zongen rude, 



1) Zame bovem, de hoogere stem, lator bovóHsam^ gebeeten, all bQ Voadtl, 
X, 682: 

Meerminnen, meermant. Tritons hooren 

I>en bat en bovemang der kooren, 
en b(j De Brane, Bamketw. II, 411: «Leert den bat en den howtm'tmègk , e& «al 
de t(jd tpeelt, dantt dat." Verg. het Cort beduydtel van V xiMgen, Tan J. A. Bm, 
aitg. door Van Vloten in Hooft't Brievai, I) IV, bl. 271. Vandaar de laton t- 
goarmke iegtw\)ie iUm hooenMong singtn^ den boventoon, den boogiten tooa vora. 
Den mosiekkenner zal bet xeker niet onwelkom fQD, bier in eea gedieht «il db 
14de eeaw de kantttermen tmnor, cmtU en dUetuU aan te treffen. 



199 



Daer longhen stQle, daer zongen lade. 
Al die menegherande aoen 
Was te hoome groot bordoen'), 

1666 Der ghelgc men noynt becande. 
Maer alst qoam ter offirande, 
So ghinct eerst ten siene waert') 
Die offer, die nnt hogher aert 
Was ghestelt na den tgt. 

1660 In een coninclge abgt 

Was die scilt Tan Vrankerike 
Gheoffert ende der ghelike, 
Dat der wapinen hoorde toe. 
Want den coninc mochteroen doe 

1666 Sien in der jmbare ') , 

Of hi in lerenden lire ware, 
Ende in siere mire wapine, 
Of een in die stede zine 
So hadden gheset die wigande, 

1670 Gbelgc dede hi zine ofirande *). 
Ende alle gader zine gfaenoot 
Toomden *) met rouwen groot , 
Of hi hadde ghezgn in live. 
Die heeren ende die edele wive 

1676 Offerden al daer deen na dander. 
Vanden coninc Alexander 



1) Boréotm, fr. b(ntrdom, iUl. lardomg , de benamiDg Tan de besp^p in het orgel, 
ca lm aitbreidiofc ook voor bai io 't algemeen. Zie Littrë, I, 302, en het Foeakh 
Urio deUa Cruêcm , I , S8S. Het nal. woord komt ook ?oor in Ro$€ 702 , aange- 
haald by Verdam I. 1876. In ome plaats trhynt bardoen in rai meren xin genomen te 
x^n ?oor de harmonie der ?eraehillende tonen {mmuyktramde soem), waardoor al die 
•taaunen t« nmen een tehoon gtheel vormden. 

t) loo w€rd kêt tent tem (oom ^eiteU, eertoond. 

S) Zk de B\)lage. n^ II. 

4) Vertta: eUof h^ Mijtte ofermmde deed. 

5) Toornen, eigenl()k : iemand m den toom van £(in paard eerthaWe opleiden of 
bifclasden [^WeL 8066), by uitbreiding in 't algemeen ?oor: ecnhnlfa bigaleiden, 
fergcKllcn. omgeran. 



200 



No vaDden coninc Dargs 
Sone was in gheenre wys 
So scone uutvaert ghedaen. 

1680 Die materie doet verstaen, 
Dat die vrouwe Beatrys 
Van Famwele in zulker wijs 
Al daer hare offrande dede, 
Datinen ghemeenlyc zede: 

1686 Al hadde zoe zekerlike 
Fol. xci b. Coninghinne van Vrankerike , 
Of des conincx moeder ghezijn 
Ofte zuster na den schgn , 
So ne mochte vrouwe Beatrijs 

1690 Haer devoor in gheere wgs 
Edeliker hebben ghedaen. 
Dominicus die was ghestaen 
Der ymbaren ander ziden, 
Ende zach die vrouwe liden, 

1095 Die up hem drieu *) haer ogen daer 
lu een zimperlyc ^) ghebaer, 
Dat den heere was bequame. 
Die vrouwe van hogher name 
Was van tween ^) priesters daer gheleet , 

1700 Die met rouwen was ghecleet 
Elc toter erden in zyn abgt. 
Die vrouwe was te diere tgt 
Vanden heeren meer ghepr^st 



1) Van dit drUu, verl. tijd van draieH, wat tot nog toe slochtt één voorbeeld 
bekend, t. w. Z^l. Bijdr. 6, 228, «raar het als ons. ww. voorkomt: «tachijnt of de 
weerelt drieuwe op zijn dQme*\ aangehaald by Verdam op Draeyen (II, 372). Over 
de analoge vormen criem, tieu en wicu, van craient saien en waien, zie Verdam in 
TaaU. Bijdr. l, 141. Van Heiten in dit Tijdschrift, III. 97. en Franck, Mnl. 
Gramm. § 154. 

2) Zie de Bijlage, n"". IIL 

3) Het Ha. heeft: //. 



201 

Ende met Tingheren ghewgst 

1706 Dan alle dandre die daer qoamen. 

Die jonghe coninCf hoghe Tan namen, 
Wiste haer des groten danc. 
Die offirande ghedaarde lanc, 
Ende also was ghedaen, 

1710 So es men daer Tort ghegaen 
Inden dienst lofsam, 
Ende als hi ten bende quam, 
So ghinc hi ter tommen waert. 
Ie wane dat Tan zulker aert 

1716 Noch Tan zulker maniere 

Nie tomme was ghewrocht so diere. 
Dat ghesteente ende dat gout, 
Dat daer ane was ghebout 
Ende Tan meesters hant ghewrocht, 

17S0 Dat en haddemen niet ghecocht, 
Dat wanic wel, om eene chyteit. 
Daer was onJer eerst gheleit 
Sijn wgf, die edele coninghinne, 
Karels moeder, ende uter minue 

1726 Wilde hire onder ligghen daer. 
Daer was harde menich jaer 
Ghewrocht OTer die tomme diere 
Van hoghen meesters meneghertiere. 
Ystorien waren daer an ghewrocht: 

1780 Hi moeste wezen wel bedocht, 
Diese te rechte zoude nomen. 
Hine hads oec niet te hoofde ghecomen 
Die ghene dies pine haddo bestaen , 
Ende ie wilt oec OTerzlaen 

1735 Vaader tommen dat jugement, 
Omme dat mi niet bekent 
Daer of es dat ondersceit. 
Kol xci e Onder die tomme was firheleit 



202 

Die coninclike dode lichame, 

1740 So der eeren was betame. 

Tgout, die onsen ende twas, 
Ende die wapine diere was 
Gheoffert, was eens heeren goe 
Weert, also ie Terstoet, 

1746 Ja eens groots heeren rike. 
Die clooster was eewelike 
Te beter vander o£Erande. 
Doe zo keerden die wigande 
Met Eaerle weder te Pargs, 

1760 Ende die vrouwen. In hogher wgs 
Ghinghen zi te zamen eten. 
Die jonghe coninc, vnl der weten, 
Die zo dancte eiken heere 
Ende eiker vrouwen vul der eere, 

1766 Die zi hem daer hadden ghedaen. 
Na maeltgt z^n si gh^^n 
Te rade up alle dinc, 
Ende wanneer men den coninc 
Binnen Riemen cronen wonde. 

1760 Daer so drougen die heeren boude 
Eens, 80 ie u zegghen mach, 
Upten heilegen Dertiendach ') 
Naest comende, dat die o£Erande 
Die coninghen uut vremden lande 

1765 Daden onzen lieven Heere: 

Dat was een dach van groter eere. 
Daertoe waren zi ghemeene 
Vermaent, groot ende cleene, 
Die der cronen hoorden toe, 

1770 Dat zi wel onthilden doe. 

Ende als ghesceeden was den raet, 



1) Het Ha heeft: IIII dsek. 



.^ 



203 

Die Yiome heeren haer ghelaet 
Hilden met elc andren daer 
Ende metten Trouwen Torbaer. 

177B Van Pamwele die Tronwe Tri 
Sprac metten heere van Conchi 
Ende zeide hem haren staet, 
Ende hi haer weder zinen raet 
Ende altemale zgn belanc, 

1780 So dat die Trouwe haren ganc 
Vor den jonghen coninc dede, 
Ende bat hem met haerre bede, 
Dat hi haren man in dien 
Wilde hebben^ dat haer mochte ghescien 

1786 Ruste ende pays na haer Terdienen , 
Ende hise niet woude ontzienen 
In rusten, in payse noch in eeren, 
Noch oec haren staet ontkeeren, 
Fol. XCI d Ende hi haer dade der ghelgc 

1790 So hi bi den coninc Lodewgc, 
Sinen lieven vader, dede. 
Ende voort bat zoe hem mede, 
Dat hi name te hem waert 
Vander doot van Eduwaert, 

1796 Dien die heere van Couchi 
Stac om die redene dat hi 
Hem scande zeido ende blame. 
Den coninc was wel bequame 
Die bede die de vrouwe bat, 

isoo Ende harde cortelgc na dat 
Hi den grave Florant ontboot. 
Doe zeide hem die heere groot: 
,Weet, van Faiuwele Florant, 
Dat mi wel es becant, 

1805 Dat ghi hebdt eene vrouwe f^n, 
Die alre liefste nichte miin. 



204 

Die mi van zibben mach bestaen 
Ende mi vele eeren heeft ghedaen. 
Dies biddic u dat ghise eert 

1810 Ende niet vermindert maer Termeert. 
Dadi anders het ware quaet, 
Ende, biden Heere daert al an staet! 
Het ware mi van herten leet, 
Want io gheen liever nichte weet. 

1815 Mijn vader mindese, so doe ie mede. 
Ende voort weet die waerhede, 
Dat die heere van Couchi 
Seere es ghemint met mi , 
Ende hi es oec te minen live; 

1820 So dat ie van eenen ghekive 
Hebbe ghehoort in u hof, 
Daer manslacht es comen of, 
Dat myn vrient zoude hebben gedaen. 
Die waerheit hebbic wel verstaen, 

1825 Dat hi minders niet ne mochte. 
HarJe goet dat mi dochte 
Dat ghi peinset om oude daden, 
Daer u die ridder wel in staden 
In uwer noot heeft ghestaen, 

1830 Ende wies hier es mesdaen 

Dat ghi dat te mi waert keert, 
Ende ghi elc andren eert, 
So ghi vortgts hebdt ghedaen; 
Want vanden heere, wilt verstaen, 

1835 Mach u comen gheen achterdeel.*' 
Doe cnielde die heere van Famweel 
Ende zeide: »Heere, wies ghi ghebiet, 
Willic doen ende anders niet, 
Ende en staet mi oec te doene.*' 
Fol. XClia 1840 Dus maecte die jonghe coninc zoene 

Vanden heere van Couchi 



205 

Ende Tander yroawen vri 
Ende Tanden heere Florant, 
Daer niemen of was becant 

1846 Dan hem vieren') namelyc, 
Daer die coninc Tan Vrankerijc 
Harde wel ane dede. 
Ende Florant hilt zinen Trede 
Ende dede ziere Trouwen eere, 

1860 Ende tyede hem beiden niet meere, 
Weder stille noch openbare, 
Ende hine wouder gheene mare 
Van niemen of horen meere, 
Anders dan doghet ende eere. 

1866 Maer wat hi int herte drouch, 
Beide spade ende Trouch, 
Dat 80 condi helen ') wale , 
Ende dat was vernoy ende qaale, 
Dat hi zeder wel anschyo 

1860 Dede der vrouwen fijn 

Naer die doot Tan haren lieTe, 
Daer die Trouwe bi in grieTe 
Quam Tander bitter doot, 
Dat scade was ende jammer groot, 

1865 Maer doch staerf zoe dor die minne. 
Die heeren die te Paqjs inne 
Ter uutvaert doe waren comen. 
Hebben alle orlof ghenomen. 
Kerstinheit ghemeenlike 

1870 Wart naer die doot van Lodewike 
Harde zeere te onvredeu. 
Beide laot ende steden 
Die so worden in ghescille. 



1) Ht ////. 

t) Hl ««Om. 




206 

Ende die van Bome hadden wille 

1875 Dat zi eenen ') keyser wouden 
Maken, ende dien zelve houden 
Machtich binnen harer steden. 
Mids harer groter moghenteden 
Maecten zi eenen keyser doe, 

1880 Welken keyser dat viel toe 
Alteinale Lombardien, 
Toscane, Romenien, 
Almaengen ende Oostrike, 
Eude hi wan moghendelike 

1886 Die steden diere hoorden toe, 
Dat Karel die Calewe doe 
Conde beletten niet, 
Die dat keyserike ^) liet 
Varen an zinen danc. 

1800 Sine moghenteit was te'cranc, 

Hine hadde noch gheen crone ontfiien 
Fol. XCII b. Ende het was hem ondergaen 

Met moghenteden , eer hgt wiste 
Of zyn raet al daer na ghiste; 

1805 Want tkeyserike van groter werde 
Dat so moeste metten zwerde 
Sgn ghewonnen ende ghehoaden: 
Noch yan rechte no van scouden 
Hadder niemen anders an, 

1900 Was bi coninc of ander man. 
Earel ende Lodewgc, 
Sgn zone, hildent vromelgc. 
Si waren machtich ende ontsien 
Ende zeere ghemint te dien, 

1905 So was Earels zone Loyhier, 



1) Hl. eemê. 

2) H». keyserlUe. 



207 



Onder menegheo princhier. 
Dus waren sd keysers allegader, 
Oem, Tader ende oudenrader 
Earel des Calewen Torseit. 

1010 Al was hem die moghenieit 
Ontbonden ende ondergaen^ 
Eer hi hadde crone ont&en, 
Daer die vrome jongbe baroen 
An badde gbenoucb ie doen, 

1915 Om te bondene in Treden 
Sgn lant ende zine steden, 
Want dat edele conincrike 
Was inpperste yan erderike. 
Alse vander kerstine wet 

1020 Die jongbe coninc beeft bem gbezet 
Te yaerne van steden te steden 
Vizenteren ende in vreden 
Te bondene groot ende cleene, 
Tote dat die coninc reene 

1926 Sine crone sonde ontfaen. 
Nn was die tgt so gbegaen 
Dat Kersdacb beghonde naken, 
Ende te Riemen zacbmen maken 
Grote gbereedscap al omtrent 

1930 Jegben dat bogbe cronement. 
Elc princbe, zi u verclaert, 
Dede bem te Pargs waert. 
Als die dagbe waren leden. 
Van diere toe waren gbebeden 

19.15 Ende vermaent van recbter scont. 
Metten jongben coninc stout 
Voeren die beeren wide vermaert 
Ter stede van Riemen waert, 
Ende die vrouwe ran Famwele 

I9i0 Ende menegbe damoyzele 



208 



Volchden den coninc Da tien tiden, 
Dor dat zi souden verbliden 
Dat hof ende in eeren risen 
lol. xcil c. Na des edels staet bewisen. 

1945 Binnen Riemen der goeder stede 
So quam grote moghentede 
Beide van vrouwen ende van heeren, 
Die den coninc wouden eeren, 
So betaemde der hoocheit. 

1950 Het was altemale bereit, 
Dat der feesten hoorde toe. 
Si waren oec alle doe 
Toecomen die dienst heeren, 
Die den coninc adoberen 

1955 Souden helpen ende verchieren 
Na costume ende na manieren. 

Si ontbeden den hoghen dach 
Daer die offrande up ghelach, 
Ende als die feeste was comen 

1960 Die wi Dertiendach nomen, 

Leedden die heeren wide vermaert 
Den coninc ter kerken waert, 
Die meu noemt Onser Vrouwen, 
Daer men binnen mochte scouwen 

1965 Harde meneghe chiorheit, 
Die daer jeghen was bereit. 
Al die menistraudie vander stede 
Men al daer te weerke dede, 
Orgheleu ende portativen '), 



1) Portative , draagbaar orgel, in den trant van onze terëphine- of kamerorgebi 
In eene oade lijst ?an moziekinitramenten leest men evenioo: mOrgues teams et por" 
tat\vei\ Zie de aanhaling by £. Kenan in üist. Litt. de la Franee, XXIV, 758. 
Op bl. 753 zegt Renan: «Dans une jolie roiniature da temps, les anges joaent antoar 
de la Vierge de la harpe» de la trompette, da tambourin, de Vorgue portmtif, ét 
la mandoline'*. 




209 

19^0 £nde al die conste diemen drifen 

Met enegher menisiaraadien mochte, 

Men al daer ie weerke brochte, 

So die coniDC ter kerken ghinc. 

Het was een gratiense dlnc 
1976 Te ansiene ende een groot oinoet, 

Dat die coninc ghinc te Toet. 

Het was oec gheTrosen zeere, 

Ende men hadde in langhen eere 

So couden winter ghezien. 
1980 Ter kerken qaamen zi na dien, 

Daer binnen was groot bedranc, 

Groot gheluot, groot gheclanc 
Die edele coninc die was daer 

Gheleit upten hooft oataer, 
1986 Al daer men zacreren sonde. 

Alle die liede, jonc ende onde, 

Baden onsen Heere al daer 

Ofer den coninc openbaer 

Ende oec mede stillekine, 
1990 7>at God die gratie zine 

i4nden coninc woude zenden, 

Ende vanden hemele ghehenden 

Dat wel weerde sacrament, 

Dat wi moeten inden ent 
1995 Orboren als ons naect die doot: 
Foi. xcil d. Date olye ende kersme groot, 

Daer kerstinede bi verclaert. 

Dat die inghel uederwaert 

Selve bringhet aten trone 
2000 (Dat es eene miracle scone). 

Ja daer men gherechtelike 

Eenen coninc van Vrankerike 

Te Riemen sacreren zal. 

Haer ghereedscap hadsi al 

u 




210 



2U06 Te Kiemen bin Onzer ^) Vronwen kerke. 

Bisscoppe, meesiers, hoghe clerke 

Beghooden den dienst al daer. 

Die erdsche bisscop, dat es waer, 

Van Riemen der goeder stede 
2010 Was die daer die messe dede: 

Het hoorde toe zinen leene. 

Die choor beghan al ghemeene 

Up te heffene Tullen zanc: 

Het scheen dat inden hemel clanc. 
2015 Ghemeenlike dat clergiet 

Dat ne wilde sparen niet 

Sinen zanc te diere t^t« 

Het was te hoorne groot delgt 

Ende te ziene meloudie 
2020 Vander edelre clei-gie 

Ende vanden princhen met, 

Die hem ten dienste hebben ') gheset 

Ende goede clerke waren. 

Dominicus, die yrome baren, 
2025 Die edele grave van Couchi, 

Boven hem allen zo sanc hi. 

Want van hem allen was niemen 

Al doe binnen der kerken van Riemen, 

Die beter cleerc was 
2030 Noch die bet zanc of las 

Na musike, na ortegraphie. 

So edelike zanc hie, 

Dat hi alden choor verlichte. 

Sgn zoete lief, des conincx nichte, 
2036 Die weerde vrouwe van Famwele, 

Die bekende wel die kele. 



1) Hl. 6mte. 
2J Hl. hebi<. 



V v.'^ 



211 



Haer herte Terglorifyerder in 
In altenude haren zin| 
Daer die lieyelike zanc 

2040 Der Trouwen dor die oren clanc: 
Het was haerre herten medecinael. 
Die andre prgsden oec altemael, 
Diere hem yerstoeden an, 
En de ghaven lof den goeden man. 

2045 Ende die bisscop die ghinc voort *) 
Pol. xcill «. Den dienst doen so daer toe boort. 

Ende als die weerde man 
Die prefatie began 
Ende hise heeft ghehent, 

2050 So wart al daer bekent 
Olie ende kersme mede 
Comen met eere claerhede 
Vorden priester apten outaer; 
Ende alsmens wart ghewaer, 

2055 Begonsten zi alle singhen dos 
Met luder stemmen: >Sanctus 
Dominns Deus Sabaotb! 
Benedictus, Heere God! 
So sidi in alre tgt!*' 

2060 Seere waren zi verbijt , 
Beide leeke ende cleerke, 
Ende al dat was in die keerke. 
Als die miracle was ghesciet, 
Ende die bisscop ne lette niet 

20€5 Hine dede zine officie voort , 

Ende hi sprac die heileghe woort, 
Daer hi met maecte tsacrament: 
>Almachtich Qod omnipotent, 



1) Dê tWM UatfU reg«U fta de» kolom i^a oabeachrevM geUUa. Kr ontbreekt 
skter bmU. 



'^é-^ ril 'A 



212 

Dalende ute des Vader scoot 

2070 In dat cleine zuver broot," 
Twelke hi hief weerdelike, 
Al daert arem ende rike 
Saghen metten oghen an, 
Ende daer na die goede man 

2075 Dede dat ambocht voort, 
Dat]^ter messen toe behoort. 

Als den dienst ten hende qnam, 
Men den edelen coninc nam 
Ende hiefene vanden outare. 

2080 Met eere crone van goode clare 
So was hi hoghelgc Terchiert. 
Wel so was hi ghemaniert 
Die edele coninc wel ghedaen, 
Wien dat men brochte zaen 

2085 Eenen witten muul amblant, 
Daer men up hief al te hant, 
Omme dat hi was ghewgt 
Coninc ende ghebenedgt 
Bi der gratie van onsen Heere. 

2090 Al die weerde ende al die eere, 
Die men eeneghen coninc royael 
Doen mochte teenen mael, 
Die so was hem over recht 
Qhedaen van ridders ende van cnecht. 

2095 Ghenoten ende leenheeren 
Brochten met groter eeren 
Te Riemen in die hoghe zale. 
Fol. XCIII è. Die ministraudie al teenen male 

Vander Vranxscher crone was daer, 

2100 Die menich blidelijc ghebaer 
Maecten vor den coninc. 
Heeren, vrouwen wel varinc 
Ghinghen hem te male vercleeden 



218 

Ende ter etentgt bereeden. 

2105 Te Riemen in die hoghe zale 
Daer Terzaemden al te male 
Heeren , vrouweD , riddren , cnecht , 
So het behoorde over recht, 
Daer men in allen aren 

8110 Hof hout met openen doren, 

Daer een coninc wert ghecroont. 
Dat hof was zeere Terscoont 
Van alrande chierhede. 
Met wel groter weerdichede 

2115 Leeddemen den coninc dwaen 
Metten biascop, die ghedaen 
Den hoghen dienst hadde daer. 
Si dwoughen ende daer naer 
Heeren, Trouwen, na haer betamen. 

2120 Die coninc van hogher namen, 
Die men in eeren mochte loven, 
Dede den bisscop ') sitten boven , 
Ende daer naer so zat hi, 
Ende daer naer die landsvorsten vri 

2126 Ende die vrouwen wei gheboren 
8aten elc na zgn behoren. 

Beatrgs, die vrouwe rike, 
Plach biden coninc Lodewike 
Te zittene in eiken hove: 

8180 Dies wondse boten love 

Karel die Calewe steken niet, 
Die dat wivelike diet 
Ter tafelen zitten dede daer hi 
Sat*). Die heere van Couchi 



1) Kr lUuit Biucop^ met hoofdletter, of etgealyk (Vy tchr^ffoat) Bis$op, ofbohooB 
de kopiist overal elden Inueop tebryfl. Bedoeld is nstaarlOk de Aartsbisschop ▼•!> 
Beias (Terg. ti 2008). die echter in *t foorgtande meemuleo alleen bii*eof ge- 
Booid is. 

8) Don iatcrpvaetie Smt. Diê is in het Hs. aangtgetra. 



214 

2185 Die was een upper bottelgier. 
Ie wane hi vor die vrouwe fier 
Blidelike diende al daer. 
Een edel vriendelgc ghebaer^ 
Dat so mochtemen daer zien togen. 

2140 Wies men hadde peinsen moghen 
Beide van dranke ende van ate, 
Dat behoren mochte den state, 
Dies so was al daer plenteit. 
Also varinc als gheseit 

2145 Of gheweinscht was om die dinc, 
Het was daer also varinc: 
So wel was ghedient al dare 
Ende ten hove ghenomen ware, 
Beide van ate ende van spisen. 
Fol. XClllc.2150 Men hadde connen niet vulprisen 

Dat edel rikelike hof. 
Ie ne weet of ie daer of 
Soude hebben bate of prys, 
Dat ie u allen maecte wgs, 

2165 Wat mer dranc of wat mer at. 
Ie wane neenic, ende om dat 
Willict *) over laten liden. 
Si waren alle metten bliden. 

Coninghe, hertogen ende graven, 

2160 Croodsen ende cromme staven, 
Ende al dat hem volchde naer. 
Het was een edelijc ghebaer, 
Dat daer toechden vrouwen, heeren 
Ende menistrele. Een hof vul eeren 

2165 Waest te Riemen int palas. 

Onse Heere niet vergheten was: 
Dat waren die aerme die quamen 



1) Hl. WilHe. 




215 



Om hebben in riere namen, 

Ende die huusaerme te dien 
2170 Die 80 waren wel Yonden, 

Ende die aerme cloosten mede, 

So dat si daden haer ghebede 

Boven maten harde zeere 

Orer Eaerle den jonghen heere, 
2176 Dat hem God wonde gheren 

Gratie ende langhe in zalich leren 

Te vulstane in weldaden. 

Ghemeenlgc zi dns baden 

Over den coninc rike, 
2180 Dat hi moeste Vrankerike 

Beleeden so zi beide gader 

Daden vader ende ouderraderf 

Karel ende Lodewgc. 

Die beste princhen van erdergc 
2185 Waren si in haren tgt, 

Ende Karel, des zeker sgt. 

Die so achterrolghet wale. 

Daer was bliscap in die zale. 

tOherende ^) toIc was wel ghegaeft, 
2190 Ende die aerme wel ghelaeft, 

Ende die rike wel ghedient, 

Daer die name zeere versient 

Bi was vanden groten heere. 

Aldns daden zi hem eere, 
2196 Sine dienst lieden daer. 

Men hoofder toten avonde naer, 

Dat mer weder decken ghinc, 

Ende also dede die coninc 

Hof houden XL daghen 
2200* Met mannen, met vrienden ende magen. 



2) Hêt fhtrtméê (i<y<in—rf<) po(«, da bduMfUgM, Booddntftigei. 




216 

Daer binnen hiltmen menich spel, 
Fol. XCIII d. So men mach ghevroeden wel, 

Van bohoerJen ende van tafelronden 
Ende van quinteynen, die stonden 

2205 Jeghen die grote staken, 

Van jachten diemen daer zach maken 
Achter straten vander steden, 
Ende van alre spellgcheden. 
Alse die feeste hende nam, 

2210 Brochteu die heeren lofsam 
Den coninc weder te Pargs. 
Daer maecte hi bi rade w^s 
Alrande officyeren, 
Ende vrouwen ende princhieren 

2215 Ontfinghen hare leene daer, 
Ende namen cort daer naer 
Orlof anden groten heere. 
Die hem dancte vander eere 
Die si hem hadden ghedaen, 

2220 Ende bat dat zi hem wouden staen 
In staden, als hgs hadde noot; 
Want zine heerscapie groot 
Die so was ghemindert zeere 
Bi dat z^n vader, die heere, 

2226 Ende zgn oudervader helt: 

Dat was die keyserlike ghewelt. 
Die zi met eeren groot bezaten, 
Dat hi claechde boven maten. 
Die heeren wister wat toe doen, 

2230 Maer baden den hoghen baroen. 
Dat hi hem pynde wel na tgone 
Te regierne die Vrancsche crone: 
Hi hadde daer an lands ghenouch, 
Ende zi wouden spade ende vrouch 

8836 Lgf ende goei daer voren zetten. 




217 



Woude hem yemen dies beletten. 
Dies was ghepayt die coninc goet, 
Eode zgo raet w^s ende vroet 
Voeren Tan steden te steden, 

2S40 Die zi in payse ende in yreden 
Stelden ende in goeder hoede , 
Daer si an daden als die Troede, 
Daer die coninc wel ghezint 
Boven maten bi wert ghemint 

2245 Aldos brochten die heeren stont 
Ten bende den winter cout. 

Ende als Maerte leden was, 
Woude die edel ridder ras, 
Die Trome grave van Couchi, 

2250 Versouken, gbeloves mi, 
Sinen neve den bastaert. 
Die hem toechde feilen aert, 
Dat hi tlant van Ardane 
Pol. XCIIII a. Hem badde ghetrocken ane, 

2255 Dies bi badde grote claghe 
Vor den coninc alle dagbe 
Gbedaen, die beere groot, 
Die den bastaert ontboot 
Te bove, daer bi niet ne quam , 

2260 Dies die coninc was wel gram ; 
Want Reinier, bi gbeenen keere, 
Ne woude den coninc over heere 
Houden, maer den keyser yri. 
Die edel heere ▼an'Coucbi 

4 I 

2266 Swoer dat bi den tyrant 
Sonde tien in zyn lant 
Daer toe] gaf hem die coninc fiere 
V«. der saudeniere , 
Ende die beere van Couchi 

2270 Vememde zine lieden vri 




218 



Te Couchi, te Ghuse mede, 
Ende mids yrienscap ende bede 
Van dien hi lieye hadde ghedaen 
So verzaemdi, na tverstaen 

8276 Der materien, VUI**. man, 
Want IIm. gaffer hem dan 
Van Famweele grave Florant, 
Uut Famweele, uut Zampaengelant. 
Van scanden conde fagt laten niet, 

2280 Ende want hem die yrouwe riet, 
So dat hgt laten niet ne dorste; 
Maer eene qaade imborste 
So hadde in tmeenen vanden heere ^). 
Nochtan was hi blide zeere, 



1) Men leze in met halven klemtoon, en verbinde het niet met 
met htuide^ alt verl. tijd van inhebben. En men vatte imhonte niet op in den ni 
▼an ont inhortt, maar in de oonpronkelyke beteekenit van drift, hartttoeht. D« 
oedoeling it: mMaar de meening van den heer had een booten hartttoeht «•*', of, is 
hedendaagsche taal: mMaar im het gemoed van Florant woelde een boote Aeurtstocht, 
t. w. de jaloezie."* Inborst is door syncope der n ontstaan nit imbomtt, hd. is- 
bruntt , by Kiliaan: minborntt , inbrunst , auimvs fervent, atudium Jlagnmt, 
ardor, zelut;" eene afleiding tsd brinnan, birnan, bernen, branden. Het geeft te 
kennen het inwendige vaar, dat in iemands boezem brandt, gloed, Turigen Qrer, 
zoowel in goeden zin, voor ijver, geestdrift^ als in kwade opvatting, Toor hoowe 
begeerte, drift^ hartstocht. De uitdrukking quade inbusten (waarin ook de r door 
syncope is weggevallen) voor booze driften^ vindt men nog by De Cattelein, Diwer- 
sehe Liedekens (Rott. 1616), bl. 55. Van inbomst , inborst komt verder het a^j. 
inbomstig, inborstig , hd. inbrünstig, hartstochtelijk, vurig, yverig, by Kiliaan y^r- 
vidus, aeer enz., dat o. a voorkomt by Raosbrocc V, 109, en nog in de 16de 
eeuw, by Van Ghistcle, De Castelein, Van Vaernewyck en anderen, veelvuldig 
wordt aangetroffen. Later, tegen het einde der 16de eeuw, is inborst van beteekeaia 
veranderd, omdat men in Holland, toen het oorspronkelijk Vlaamsche en Bra- 
bantsche woord daar bekend werd, de afleiding niet meer begreep en onwillekeurig 
aan borst begon te denken, waarmede het woord etymologisch niets te maken had. 
Eene qua€le inborst gold voor een boozen hartstocht, eene goede inborst voor eene 
edele aandrift: geen wonder, dat inborst in 't algemeen voor gewtoedsaandomisÊf 
genomen en allengs, door de bijgedachte aan borst, ^oot het gemoed lelf, den amrd 
of het karakter gebezigd werl. Een nieuw staaltje van volksetymologie! 

Wat inhebben betreft, in den hier bedoelden lin , verg. Neim. d, Heim. IMI» 
MelH. 2183, 8739. Snellaert, Nederl. Oed. bl. 276, va. 14. enx. 



■M 



219 

2285 Dat hi daer yerTremden soade. 
Ende den yromen graye boade 
Sende die vrouwe groten scat 
Heymeliken, omme dat 
Hem vele scats zonde behonven. 

2290 Aldus machmen vriende prouven 
In des weercs openbaren. 
Ende die grave yanden Baren 
Sende hem V". saudenieren ') 
Heymelgc, ende een bestieren 

2295 Daer of, een der neren z^n , 
Omme dat die ridder fijn 
Siere dochter loste vander doot 
(Dat was eene trouwe groot, 
Dat die heere daer omme dochte) , 

2300 So dat die grave wel hebben mochte 
Met die hem vielen an 
Bet^ dan XFHI^. man 
Ter weere, of also vele, 
Dies zgn herte was in spele, 

2305 Als hi zach die scone scaren , 
FoL XCIIII 6. Die hem alle ghehu/;>trA waren. 

Daer mede nam hi zine vaert 
Ten lande van Ardane waert. 
Fel ende wreet so was Reinier 

2310 Ende zeere putertier, 

Want harde wel so wiste hi, 
Dat die grave van Couchi 
Met crachte up hem zoude comen, 
Daer hi raet up heeft ghenomen 

2815 Met zinen vrienden, met zinen maghen, 
Ende versaemde in corten daghen 
Wel XX". man. 



1) Lmi mmdmÊiért (rerg. rt. 2268) ea in h«t rfjawoord Uttmr§, b«tiard«r. 




220 

Want die bisscop viel hem an 
YaQ Ludeke der goeder stede, 

2320 Ende zga oudervader mede. 
Die heere yan Ghoten was. 
sBisscops broeder, zyt vroet das, 
Ende Reiniers broeder van Taraes ') 
Dese hadden groot zolaes 

2826 Beide int vechten ende int striden: 
Sine plaghen in haren tiden 
Ne gheene ander dinc te doene. 
Si hadden den keyser Ottoene 
Alle manscap ghedaen. 

2830 Die Romeine hadden ontfaen 
Ende die Ghermanne mede 
Ende Almaengen, dats waerhede, 
Lombardien ende Oostrike, 
So dat Ottoen moghendelike 

2835 Sinen keyserliken stoel besat. 
Maer niet sone pgndi hem dat 
Te crankene die Vranxsche crone. 
Maer dese vornoemde persone 
Waren comen in Ardane 

2840 Met meneghen sconen vanOi 
Omme te helpene Reiniere 
Jeghen den grave fiere. 
Die men hiet van Couchi. 
Ten cante so traken zi 

2:^46 Des lants met haerre cracht, 
Omme des graven macht 
Te wederstane ane den cant, 
Dat hi niet ne brake int lant. 
Si zlougen anden velde groene 



1) Van den naam U nieta meer te onic|jfereD dan / . . a^. De bedoelde penooi 
moet Tristtram vam Taraet i^n, die II , 616 vlg, de broeder van Maiebrooe (Bfliaier; 
genoemd wordt. 



221 

2860 Tenten ende pawelioene, 
Ende die faeere yan Coachi 
Die es comen also bi. 
Dat hi yemam niemaren, 
Hoe dat daer die grote scaren 

2866 Ten cante lagfaen randen lande. 
Die hem waren viande 
Fol XCIIII e. Ende diene wouden wederstaen. 

Doe dedi mue ghetelde zlaen 
Hem lieden up eene mile naer, 

2860 So dat zi met oghen claer 
Tenten ende panwelioene 
Bliken zaghen in dat groene, 
Ende zi ghingen haer ghetelde 
Al daer rechten anden velde. 

2866 Die tente die dedele man 
Bindien wilden woude wan ^) , 
AIro zaen also met staden 
Was ontorst ende ontladen, 
Was zoe also zaen gherecht, 

2870 Dies menegen ridder ende onecht 
Hadde wonder harde groot. 
Dat pawelioen menjoot 
Was an te ziene gracelgc 
Om te verstane claerlfjc, 

2876 So was thooft een pawelioen 

Up eenen mast van Teerwen groen, ' 
Ende die cameren daer an ghestaect 
Waren tente w^s') ghemaect, 
Kuekenen, stallen, bottelrien. 

2880 Een coninc van Alexandrien 
Hadder met eeren in ghelegen. 
Menege woenste was ghezlegen 



1) Vtrg. I. 660-668. 

8) VtnU, ia éim woord: têmtmcijê, teBtagsw^ 



222 

Omtrent die scone tente daer. 
Die ondeckers openbaer 

2:^86 Reden hem al daer ontdecken 
Tusschen beiden, om eeu mecken 
Te nemen van anders macht, 
Ende die spierers dach ende nacht 
Slopen in die heeren daer, 

2390 Omme te wetene al twaer 
Ende tmeenen der wigant, 
So dat zi dat convenant 
Van elc andren wisten wale, 
Z>ie moghentede ende die ghetale 

2396 Der yiande, ende wie zi waren. 
Fan Conchi die vrome baren 
Die so nam eenen yraut, 
j^nde dien beval die heere staat, 
Dat hi varen zoude ter vaert 

2400 ^n zinen neve den bastaert, 
j^nde hem heesschen str^t 
-Ende velt ende t^t, 
Ofte camp, teen van beiden. 
Die yraut began hem bereiden 

2405 ^aestelike te ziere vaert. 

^arde wel was hi ghepaert '). 
Hi voerde voer hem eene scive 
Van zelvere , daer tien waerf vive 
Wapinen in stoedeu der heeren rike, 
Fol. XCIIIW. 2410 Maer dat hooft was Yrankerike. 

Die yraut hiet Bien Argent, 
Harde verre was hi bekent. 
In heydinesse, in kerstinede 
Kendi tlant ende oec die zede, 

2415 Ende die wapine der heeren , 



1) Verg. de aant. op 1 , 34. 






223 



Daer ane dat hi vele eeren 
In zinen levene hadde ghebad. 
Harde zaen haddi den pad 
Orer ghemeten Bien Argeni 

S420 Int heere so ward hi bekent 
Also zaen als menne zach. 
Die jrraut dede gherrach 
Omme thof Tan Reiniere, 
Dat men hem wgsde sciere. 

2426 Daer es hi comen ') harde zaen* 
Vele heeren wel ghedaen 
Hi daer biden bastaert yant. 
Hi heette neder ende bant 
Syn pert 7or die tente daer, 

2430 Ende ghinc ter zalen naer, 
Daer hi yant die principale. 
Hi groetese met zoeter tale. 
Si hietene wellecome zgn. 
Doe sprac hi dus: »Die heere mgn, 

2436 Die edel graye yan Gonchi, 
Die ontbiet u ende bi mi, 
Dat ghi wilt, heere Reinier, 
Sgn lant, zgn eerye rumen hier. 
In dat caes daer gh^t doet, 

2440 Doedi wel ende ghi gheyroet; 
Ende ter redene daer ghgt laet, 
Heescht u die heere yan yromer daet 
Dach , yelt ende strgt , 
Of dat ghi jeghen hem int crgt 

2446 C!omt: yan beiden hebdi cuere. 
Beraet u in corter ure 
Ende gheeft andworde mi. 



1) Het Hl, heeft: Dmer Ai a eowitn, altof dete regel oog by het Toorguiide be- 
Dtar eehicr by dit ven ecne alinea U aaogeweien, begint hier eea nieawe 
«B BOCt dot «f At geletea worden 




224 



Voort die heere van Gouchi 
Die so doet u deffiieren 

2460 Na yiandeUker manieren, 

Twelke hi u zal doen anschgn/' 
Daer met hi die sprake zgn 
Liet, ende die bastaert Reinier 
Die zeide: i>Qhi zgt harde fier 
2456 In uwe tale, Bien Argent, 
Ende die u hier ghesent 
Heeft es harde orghelieus, 
Hoverdich ende zeere preos. 
Maer cleene so es hi van mien 

2460 Weder gheducht of ontsien. 

Sine deffianche es mi welcomen. 
Haddic minen raet ghenomen , 
Fol. xcv a. Ic soudu andwordon dan." 
Doe so ghinc die felle man 

2465 Te rade met zinen maghen, 

Ende began hem lieden vraghen, 
Wies hi wilde anegaen 
Ende wat hem dochte best ghedaen. 
»Ic zoude vechten, riedgt, 

2470 Alleene jeghen hem int cr^t. 
Om me dat die minste scade 
Ware, waert bi uwen rade." 
Doe zeiden die andre daer: 
»Den eenwgch ware u te zwaer, 

2476 Want men zoude zyns ghelike 
Niet vinden in Vrankerike. 
Hi heeft die vroemste vanden lande 
Verwonnen met zinen brande 
In campe te meneghen stonden. 

2480 Van gheenen vromer men vermonden 
In al erderike mach. 
Het ware ons een evel zlach, 



tt 



226 



Verlorea wi u, yrome wigant, 

Ende Ardanen tgoede lant. 
M8S Wi hebben liever te deeer aren, 

Dat wgt met u avontoren: 

Wi hebben drie man jeghen twee.' 

Sonder te lettene mee 

Keerden zi metten rade. 
M90 Den laai sprac met lierer lade 

Van Ludeke biascop Herman. 

Den yraut sprac hi dos an: 

»Bien Argent, nu hoort na mi. 

Segt den heere van Couchi, 
2495 Dat hi heeft groot onrecht 

(Dat weten heeren ende cnecht), 

Dat hi wille teser weerven 

Sgn yleesch ende zgn bloet bedeeryen ^). 

Harde fel es hi ghezint. 
i50o Ilmmer 80 es naerre tkint 

Dan tsuster kint, machmen weten. 

Wie datter na woude meten ') , 

Hi zoude bliven int onrecht. 

Het weten ridder ende cnecht 
M06 £nde cleerke ende leeke 

Ende rike ende weeke ') , 

Datter goede brieye of sgn , 

Wel ghescreyen ende in Latgn, 

Ende daer ghesteken ane 
2510 Den groten zeghel Tan ArdanCf 

Van Ludeke ende yan Bulioen, 

Ende van meneghen tabelioen 

Ende van notarise mede, 



1) T. w. aymm hioêdmrwmmt {RêmUr) in het Mfdêtf êtorim. 

f) Amüm «#■ A#/ wiUê otuUnfotktu, um^mmm. Verg. de aant. op I. 308. 

S) JUtt emdt «msIv» lüken en armen Zie de aanL op MaerlaDt't Sp. Hisi. II*, 

40. 46. 

U 



226 

Foi. xcv b. In kennessen der waerhede, 

2515 Dat men emmer moet gheloyen. 

Men maecht middelen no doyen, 

Het moet bliyen al gheheel '). 

Ende wille hi ons achterdeel 

Doen an onsen maech vorseit, 
2520 Dat mach hem wel worden leit. 

Te') kenne doet hem, Bien Argent, 

Eist dat hi hem niet omme went, 

Ende hi striden wille met ons, 

Wi die gheyen a respons: 
2525 Van heden apten derden dach 

Men ons al hier vinden mach. 

Daer so willen wi uptie bane 

Tlant behouden yan Ardane 

Onsen neye Reiniere, 
2530 Die daer sal zine baniere 

Ontwinden wel yromelgc, 

Ende wi alle ghemeenlgc. 

Dies zo wilt hem maken yroet. 

Daer sal menich omme z^n bloet 
2535 Sturten moeten up die bane, 

Eer hi tlant van Ardane 

Onsen neye afwinnen sal, 

Ende hier met so weetgt al. 

Nu keert weder als ghi beghaert: 
2540 Wi meenen onse daohyaert 

Te houdene na miere tale." 

»Dat zullen wi!*' spraken zi te male, 

Reinier, zgn broeder, beide gader 

1) Mem kou de zaak niat schikken door een middehoeg te kiesem, noeh u epUiêtm 
en gedeeUeUjk inwilUgen , maar het recht van den hertog wioei geheel em owwfraMt- 
(ierd worden erkend. Orer middelen , ne Nederi Woordenb. op Oewuddeld. 

2j lo het Hs. is hier eeoe alinea aangcweieD, doch ten onrechte, want de rede 
van den biiachop loopt onafgebroken door. 




227 

Sgn oem ende zgn oadeirader, 

8M5 Ende die tharen rade waren. 
»Na adieo! so willic yaren/* 
Seide weder Bien Argeni, 
>Ende doen minen heere bekent, 
Dat gbi hem znlt leyeren strgt 

2650 Ende velt te suiker tgt 

So gbi mi hebt doen yersiaen." 
Mettien so es hi ghegaen 
Te zinen paerde ende ap gbeeeten, 
Dat hi met sporen heeft ghesmeten, 

2655 Als hi orlof hadde gbenomen, 

Ende reet so langhe dat hi es comen 
In dat heere yan Coachi. 
Vor zinen heere so es hi 
Ghegaen, die na hem beidde. 

2660 Sine redene dat hi zeide, 

Qhelgc dat ghi hebt ghehoort, 
Ende hoe hem was gheandwoort 
Na den heesch die hi ane leide, 
Dachi tgt^ yelt ende stede 

rol. xcv e. 2566 ocht yan .... 

AIm die heere yan Coachi 
Bitn ilrgente hadde yerstaen, 
Heeft hine harde wel ontfaen. 
»J5ode/' zeidi, > wille Ood, 

8570 Die boyen al doet sgn ghebod, 

Het mach den bastaert wel berouwen 
Ende den zinen die met ontrouwen 
Mgn lant dus af willen winnen; 
Want ie bens wel te binnen 

2575 Ende menich heere wide yermaert, 
Dat hi emmer es een bastaert, 
Ghe wonnen binnen huwelike. 
Maer zi hebbent yalschelike 




228 



Bedreven , dese papelaren ^). 

2580 Dies 80 sal haer openbaren, 
Hopic, die gherechticheit." 
Sine lieden hebben oec gheseit: 
»Heere, dat zal wesen waer, 
Dies ne hebbet gheenen vaer, 

2585 Ende wi zullen u, cleine ende groot, 
Bi bliven al toter doot, 
Al waren zi meerre dan zi sgn." 
»Gode lone u, lieve vriende m^n!" 
Sprac die heere van Couchi. 

2690 Al hare dinc so ghinghen zi 
Bereeden met herten blide 
Jeghen den dach vanden stride, 
So dat z^t hadden al bereit. 
Ende den t^t die niet ne beit, 

2595 Noch gheene wile stille en staet, 
Maer emmer altoos vortwaert gaet, 
Die es comen, want hi was cort. 
Ende alsmens gheware wort 
In die heeren alle beide, 

2600 Elkerlyc hem bereide 
Til^c metter dagheraet. 
Si bekenden anders staet 
Ende wisten anders wille, 
Beide lude ende stille, 
2605 Ende zonder eenich sparen, 
Na dien dat zi bereet waren, 
Ghingen zi hem ordineren, 
Scaren ende batelgeren. 



1) Paptiare, gewoonlyk papelaert ^ haichelnar, sehgnheilige. Zie Ron 0100, 
dus 1367, en verg. de a«Dt. tao Dr. Franck op Alex. bl. 401. Oad-Pr. 
(Roquefort II. 29», La Curne de Ste Pal. VIII, 178), mlat. papelardut (Da Ckag« 
V, 67) Het afgeleide papelardie leeat men in Ro» 391. Het lUl. kent nog liedM 
pappalardo. 



229 



Drie scone scaren maecten si. 

2610 Die alre eerste zoudi 

Selve beleeden die bastaert, 

Met wel verwaerty 

Onder te perde ende te roet, 
Ende z^n broeder soade beboet 

2616 y ander ander scaren wesen 
Pol. xcv d. Met Yl^. mannen, ende na desen 
Sonde die bisscop met ziere roten 
Volgben ende die beere yan Goten, 
Die zouden doen die acbterboede. 

2620 Het waren twee saptile moede 
Ende consten orlogben wel, 
Want zi steerc waren ende fel. 
Met gbemake ende met ayise 
Sacb men den ridder goet yan prise 

2626 Hem bereiden yan Concbi. 
Sine lieden yerzaemde bi 
Met eenen buegbeliken moede. 
Alle die wise entie yroede 
Hi te zinen rade nam, 

2680 Als een ridder wgs ende lofsam, 
Hoe zgt ane wouden leggben. 
Maer men borde bem allen z^gben: 
»Gbi die zult ons, yrome baren, 
Ordineren ende scaren. 

2686 Ende der gbelike gbi ons stelt, 
Also zullen wi an tyelt 
Ons tsamen bonden np desen dacb, 
Ende doen tbeste dat elc macb 
Of metten liye gbedoen can, 

2640 Ende elc zal hem pinen man 
Te wesene na zgn yermogbeui 
Ende God zal ons yerbogben. 
Dat bopen wi, eer comt die noene. 



230 

Pinen wi ons wel te doene!*' 
2645 »Noch 80 hebbic mi bi,'* 

Sprac die beere yan Couchi, 

» Goede lieden ende w^s. 

God onse Heere van parades 

Late heden recht ghescien! 
2660 Daer in so ghetroostic mien/' 

Doe 80 ghinc die vrome baren 

Die zine met yorhoeden scaren. 

Twee bataelgen ende niet meere 

So maecte die wise heere , 
2655 Elc yan VII«. man, 

Ende die 8oaden andren an 

Volghen cort mettw spoet. 

Niemen hadden zi te voet 

Dan cnechten, die anden yelde 
2660 Verwaren zouden dat ghetelde; 

Want mochten zi deerste waenge <) 

Hebben an die campaenge. 

Dander zouden si daer mede 

De bet tonder doen alle bede 
2665 Bi der eerster sconfelture, 

Ende zi namen te diere ure 
Fol. xcvi a. (de bovenrand der kolam^ ze$ verzen^ weggesneden). 

Dat zjjn neve die bastaert 

Ontwonden brochte den standaert 
2676 Vanden rike yan Ardane^ 

Ende dat hi onder dien yane 

Hadde wel VIm. lieden. 

Ende als hi hoorde dat bedieden, 



1) Het eerste voordeel, ie eerete witut of oeerwimmmg. Wmerngt, een Fnatek 
woord, ontleend een Ood-Fr. wtutimg , l^ter goMmg^ Uinnt ^«m, iUL gmadeffmo; 
wMArneveni het ww. waaigner, vaigmer, gaaignsr, gaigner, thans getgmer. Verg. Lt 
Cnrne de Ste. Pal. X, 197, waar hQ een xeer sprekend Toorheeld aanliaalt: 

• Ansi rit è la fnUt , eonune fhit an weawy.** 



281 



Seide die heere yan Couchi: 

2680 »Miiie vriende yolghen mi! 

Ic bebbe yerboort goede maren." 
Doe porredi metter eerster scareiif 
Ende die andre yolgheden an. 
Niet yerre reden si yan dan, 

S686 Sine zaghen oomen den bastaert 
Metten ') adnen wel gbescaert. 

Om sonne ende wint so nam hi 
Ware die beere yan Coucbi, 
Als die de beste was yan wapen, 

26iK) Onder riddren ende cnapen 

Yemaemt, die men al doe wiste. 
In z^n herte hi al yor gbiste. 
Wies bem te baten moehte comen. 
Sonne ende wint beefti gbenomen 

869( Tsinen yordeele al daer. 

Die dacb was scone ende claer 
Up comen ende der zonnen scbgn , 
Ende bet coelde een lettelk^n. 
Dat meercte wel die ridder boode, 

8700 Dat tgbestof yander monde 
Sinen yianden zonde deeren. 
Als een ridder ynl der eeren 
Reet bi yoren in die bane. 
Hi badde die wapine yan Ardane 

2706 Boyen staende, ende daer bi 
Die yulle wapine yan Coocbi 
Ende yan Gbnse gbeqnarteleert , 
Die alle wide waren yermeert 
Prenscbelike reet bi yoren. 

2710 Daer so mocbtemen eenen boren 
Horen blasen den bastaert, 



1) Hl. Mêitê, 



232 

Ende daer naer al ongheapaert 

Menegen horen , menege ghorelle ^). 

Of die yiant uier helle 
2715 Hadde ghes^n uut ghelaten, 

So qaamen zi boven maten 

Alle yreeselike ghebarende. 

Banderside so qoam yarende 
Fol. xcvi b. (zes verzen weggesneden). 

2725 Comen ende also naer, 

Dat si hare speeren daer 

Om josteren lieten zinken. 

Die bastaert, wie na zgn dinken 

Die alre vroomste was gheboren, 
2730 Hi es daer ghereden voren 

Wel een boghescote, ende hi 

Die riep: >Heere van Couchi! 

Rasch! gheringe! wel ane! wel ane! 

Hier es tlant van Ardane 
2735 Te winne, up dat gh^s beghaert!*' 

Daer dat riep die bastaert, 

So horet die heere van Couchi. 

Vele blider so was hi 

Dan of men den ridder boude 
27 iO Eene mine van finen goude 

Hadde ghegheven al daer. 

Metten sporen van goude claer 

Noopte hi tors daer hi up zat, 

1) GkorelU, met ongewone inschaiTing eener o geTonnd Ttn grtlU, in H Oad- 
Frmntch de benaming van een krygtklaroen of tchelle trompet. Het woord komt 
roor in renchillende rormen: greUe, g^tiU ^ grtHUt graiiU, graile, graUiê: tie D« 
Cange VII. 198 c. U Carne de Ste Pil. VI, 415, O^het, Olou., 846, Rajaott- 
nard III, 498. In 't Mlat. heette het instrument ^f»a/r#, ab b.T : «at oniTvrm, 
aodito primo aonita gracilii, featinent bellieii indai/' en: mgraeilümt, tibüt, imhm 
clangent ibas'\ by Du Cange I!I, 645 a. De naam ia ontleend aan Ut. grmeUU, tab 
geluiden geiegd in den zin van fijn, scherp, tekél, vanwaar ook het fir. tdj. §rU9^ 
in vois gréU, ichelle item. Verg. klaroen, fr. elairon, van elair. 



233 

Dat weder traghe was no lat, 

2746 Maer licht ghelfjc eenre ree 
Ende zwart, no min no meei 
Van hare ghel^c eenen raven. 
Dat ors yergat al zgn drayen, 
Alst die sporen scerp besief. 

8760 8gn hoyet dat het np hief 
Ende ran als een hasewint, 
Ende die heere wel ghezinl 
Conster hem ghelaten mede. 
Scilt ende glayie bede 

2766 Die 90 hilt hi te ziere weere, 
Ende die bastaert die zeere 
Verstoort qnam np zinen neye. 
Met eere yreseliker dreye ^) 
Si al daer te gader qnamen. 

2760 Men hadde selden zien yerzamen 
Hem tween also yreselgc. 
Si daden yerbeyen dat erdergc 
Die sterke perden in haer rennen. 
Men so mochtse wel bekennen 

2766 Alle beide uut eiken heere. 
Haerlgc yeste zinen speere 
In des anders scilt al daer. 
Na een yromelgc ghebaer. 
Dat daer yarinc wert anschgn, 

S770 Want tebroken dat zi sgn 

Ende die trentaoene up waert ylogen 
Kol. xcvi e. (teê verzen weggesneden). 

Die bastaert hadde zgn gherede 
Naer gheruamt, gheloyes mi. 

S7S0 Uptie crupiere so lach hi 



1) Dfwm, TT. nw., drift, geweld. Ut impetut. Vao thijvm, ab èttê, slede, 
, AmujP , 9wi, tckrmf, tfUet^ tiêêg eai . rmn bijten ens AU vroaw«l||k ea ia 
i«i WtteknU wta bet woord ia 't Mol. tot dosTenre aiet foorgtkooMa. 



284 



Yander steke zwaer ende groot. 
Ie weet oec den zwaren stoot 
Van Conchi h^sief die heere. 
Dat houds hende randen speere 

2785 Haddi noch behouden daer, 
Dat groot was ende zwaer. 
So hadde oec mede die bastaert. 
Die hem rechte np z^n paert. 
Qaal^c so was hem te moede, 

2790 Dat hi so booch ghel^c der roede 
Yor die steke yan eenen spere, 
Ende hi yoer upten rromen here 
Slaen metten zwaren trentsoene, 
Als die steerc was ende ooene. 

2795 Den zlach dat men yerre hoorde , 
Daer omme dat hem zeere stoorde 
Die vrome heere van Conchi. 
Sgn trenchoen dat hief hi 
Ende zlouch om gheraken 

2800 Den bastaert, dien hi meemaken 
Gheeme zonde na datti conde, 
Ende gheraecten te diere stonde 
An die zide vanden helme, 
Dat hi nalincx sat in dwelme. 

2805 So zeere wouch die grote zlach ^ 
Dat hi en hoorde no en zach, 
Ende trentchoen dat ylooch int zant, 
Dats hem lettel bleef in dhant, 
Ende hi zeide: »Fel bastaert, 

2810 Varen moeti inderwaert ^) , 

Dat ghi mi dus wilt ontheerren ! 
6hi die zulter omme steerven, 
Ende oec uwe hulpers mede.' 
Doe so trac hi uter scede 



»f 



1) VenU: hmdenMcrt. 



335 

2815 Sgn wel oyer goede zwaeri. 
Tselye dede die bastaert 

Recht waenden zi andren daer 
Metten scaerpen zwerden claer 
Slaen, maer zine haddens macht, 

2820 Also menegen scaerpen scacht 
Sachmer comen uptie bane 
Ende so meneghen sconen yane 
Ende wimplen ende pingoene. 
Dat beide die heeren coene 
Fol. XCVI d. (zes verzen weggesneden). 

Tonderdoen dat was die beste. 
Elkerl^c den speere yeste 
So bi naest mochte «ie meskieye 
Sinen yiant ende te grieye. 

2836 So menegen spere men daer brac, 
Dat men hoorde dat ghecrac 
Oyer in die ander heeren. 
Men zach yor die stide speeren 
Menegen ter eerden yallen, 

2840 Ende meneghen zgn bloet autwallen, 
Ende menegen oec doreriden. 
Die zwerden, die conden zniden, 
Trocken zi yerdeliken daer, 
Ende yoeren metten zwerden baer 

S84ft Up elc andren houwen, keeryen. 
Dat die menege moeste besteeryen 
In dat yreselike toecomen. 
Gh!oten ware heeft ghenomen 
Ten zinen die heere yan Conchi. 

2850 Eiken troostende so yoer hi 
Altoes in die bataelge yoren, 
Die men hem dor breken ende dor scoren 
Sach met zinen scaerpen brande, 
Staende in zine steghebande, 



236 

2855 Recht als een ontsinnet man. 
Ende te peinsene hi began 
Om die scone Beatqjs: 
Conste hi verdienen prgs, 
Haer souds comen wel die mare. 

2860 Ie weet dat tghepeins van hare 
Menich hovet daer becochte. 
Watti met vullen zlaghe gherochte^ 
Was verminct ofte doot. 
Sine vromichede groot 

2865 Verboudde alle die zine dare 

Ende brochte zine viande in vare; 
Want wie dat den vromen man 
Sach metten x>ghen an, 
Die so souwede z^n ghemanc, 

2870 Want z^n zwert al dore dranc. 
Scilden, helmen, halsbergen mede 
Ne hadden jeghen des zwerts znede 
Weder macht no gheduren, 
Ende hem volgheden te diere uren 

2875 Die zine vromeliken an, 
Dat bestaerf menich man. 

Seere dat die bastaert vacht. 
Banderzide sine cracht ^) 



1) uier eindigt de katern en ont fragment. Onder desen laaUten regel itaat 
Wrochte, aU aanwijzing van het woord, waarmede de volgende katern mocai be- 
ginnen. 



B IJ L A G E. 



I. SCAVOTB. 

(I, 670). — De burggraaf yan Coachi trekt boven zyn har- 
nas een wapenrok (tomikeel) aan, dien hg stevig aan het Igf 
vastbindt. Die wapenrok is >van kele'*, beladen met oen zil- 
veren kruis, en daarin >drie scavoten van goade**. De naam 
scavoU^ die hier voor 't eerst in het &Inl. wordt aangetroffen , 
is blgkbaar ontleend aan het Oad-Fransche escafotU , eëcliafotu , 
als heraldieke term vermeld door La Curne de Ste Pal. V, 
458. Bg brengt twee voorbeelden bg uit den Roman de Perce^ 
foratt^ waar men leest: >rescu taris d*argent, k trois tèd^afoU 
t€ê noires**, en: >re8cu blanor de noir, a iroÏB eschafottes d*ar- 
geni** Hetzelfde woord komt elders voor in den zin van > grande 
et longe coqnille de moule de rivière, dont les femmes, en Pi- 
cardie, se servent pour amasser la crème de dessus Ie lait, pour 
en faire du beurre*\ van welke beteekenis La Curne twee voor- 
beelden uit Froissart aanhaalt. Hg vermoedt, dat de heraldieke 
benaming daaraan ontleend zal zgn en dus moet opgevat wor- 
den in den zin van schelp. 

Dat deze verklaring inderdaad juist is, blgkt genoegzaam, 
wanneer men het Oud-Fransche woord in zgnen oorsprong en 
zgne verwanten nagaat Blgkbaar is eecafotu eene afleiding van 
gr. 9Ki^^ lat. êcapha. Het Qrieksche woord, afkomstig van 
aKaxniv^ graven, uithollen, gaf in *t algemeen een uitgehold, 
hol voorwerp te kennen, en werd niet alleen yoot boot o( schuit ^ 
maar ook voor een nap , schacU of schotel gebezigd. In 't Latgn 
was scapha de gewone benaming van een boot, maar de demi- 
nutieven scaphium en scaphiolum werden in den ruimeren zin 
genomen van ^quodcumque vos concavum'\ gelgk het bg Fao- 
dolaii heet. Hetzelfde vinden wg in het Oud-Fransch terug. 



238 

Escafe staat bg Godefiroy (UI, 348 vlg.) aangeteekend als cha- 
loupe, maar ook als coquiUe^ cosse. Van escafe zgn a%eleid de 
verkleinwoorden escafotU, escafette en escafelotU^ alle in den 
zin van scMp of schaal. EscafelotU komt voor ab benaming 
van de schaal eener noot , een notedop , en êscafotte wordt bg 
Godefroy niet bepaald als mosselsc/ielp , maar in *t algemeen als 
coguille , écaille verklaard : h^ haalt zelfs een voorbeeld awi vmn 
escaffottes de eufz^ eierschalen. 

Het Igdt dus , dunkt mij , geen twgfel , dat scavoU werkelgk 
eene schelp moet hebben beteekend. Van welke soort de hier 
bedoelde schelpen wareu, is niet te beslissen. Maar nit de 
woorden, by Godefroy aangehaald: ^apainter Ie chapeau (Tun 
pélerin dCescaffottes de bourdons^\ meen ik te mogen opmaken , 
dat het zeer wel de zoogenaamde Si-Jacobsschelpen kannen 
geweest zyn, want deze, het zinnebeeld van pelgrimstochten, 
werden door de pelgrims op den hoed gedragen. 

De heer J. B. Rietstap , wien ik over ons woord raadpleegde , 
als den meest bevoegden beoordeelaar van alles wat de vrapen- 
kunde betreft, meldde my, dat de naam escafotU niet alleen 
onbekend is in de tegenwoordige heraldieke taal, maar hem 
ook in gedenkstukken van ouderen tgd — Fransche , Engelsche « 
Duitsche — nooit was voorgekomen , ofschoon uit de beide boven 
aangehaalde plaatsen van den Roman de Percêforest blgkt, 
dat het werkelijk een heraldieke term geweest is. Het was dos 
zeker eene uitdrukking, die betrekkelyk zelden gebezigd weid. 
De verklaring van scavote door schelp achtte ook hg door het 
bovenstaande taalkundig bewezen. Als heraldieke term toch zal 
het woord wel denzelfden zin hebben gehad, waarin het gold 
in de gewone taal. Slechts één bezwaar, meende hg, deed sich 
voor, t. w. dat de belading van het kruis met drie van die 
figuren (die dan waarschgnlyk op den rechtopstaanden paal 
van dat kruis zouden geplaatst zgn) hem niet natuurlgk, al- 
thans in den tyd van goede heraldiek niet aannemelgk voor- 
kwam. >De voorbeelden' \ voegde hg er bg, >van wapens met 
een kruis, dat met vijf St.-Jacobsschelpen beladen (of, zoo men 



.^M 



289 

il, gebroken) is — één in het harti en één op eiken arm — 
sgn Trg talrgk in Picardiê, Axtois en aangrenzende streken. 
Men son dns ook in ons gedicht m}/, niet drie schelpen mo- 
gen Ttfrwachten/* 

Uit een heraldiek oogpunt is deze bedenking zeker van ge- 
wicht. Hadden w^ te doen met eene beschrgving, door een 
erraren wapenheraut gegeven, dan zon ongetw^feld het be- 
iwaar, in het getal der stukken gelegen, als overwegend moe- 
ten aangemerkt worden. Doch dien eeretitel van deskundige 
mogen w^ zeker onzen dichter niet toekennen , en wg behoe- 
ven dus, op dezen technischen grond alleen, eene verklaring 
niet te verwerpen, die taalkundig zoo duidelyk is aangewezen. 

Wat voor *t overige de beschr^ving betreft, dien de dichter 
geeft van het wapen, door Couchi op zgn tamiked gevoerd, 
moet ik nog opmerken, dat die ook in andere opzichten niet 
volkomen helder is. De wapenrok, zegt hg, was >van kele*'. 

Met eenen cruce zelvergn, 
Daer io drie icavoteo f|jo 
Vao goade, daer biie mede brac. 

De zin der woorden dtier hise mede brac is grammatisch niet 
wel te bepalen , omdat volstrekt niet blgkt waarop dat se slaat. 
Er gaat cruce vooraf, maar dat woord is onzydig. Doch al 
moge het taalkundig onjuist zgn uitgedrukt, de heer Rietstap 
is van oordeel, dat se moeilijk op iets anders betrekking kan 
hebben dan op cruc^j en wel wegens het werkwoord frtYxr. >Het 
breken in de wapenkunde**, schryft hy, >is niets anders dan 
het wyzigen van een reeds bestaand wapen door de kleuren of 
het getal der figuren te veranderen of er nieuwe by te voegen. 
Hier hebben wy dus te denken aan een zilveren kruis in een 
rood veld, gevoerd door eene familie, waarvan een jongere 
aoon , om lich van ouderen te onderscheiden , het wapen brak 
door het met drie gouden schelpen te vermeerderen.*' 

De uitdrukking daer tn, die min of meer twyfelachtig is, 
moet wellicht niet in den eigenlyken zin worden opgevat, alsof 
de seavoien gepUatst waren ik het kruis, want dan sou goud 




240 

op zilver staan , hetgeen in den ouden tyd der heraldiek niai 
lichtel^k voorkwam. >Misschien*\ schrgft mg de heer Bietsiq^t 
>was het een verkort kruis (dat los op den wapenrok stond 
en de randen daarvan niet raakte). Alsdan zou er gelegenheid 
z^n geweest, dat de drie gouden scanoten op het rood geplaatst 
waren, twee van boven en één van onderen." 

Doch het zou , geloof ik , eene nuttelooze moeite zgn , de be- 
scbr^ving, die w^ in ons gedicht vinden, al te streng uit te 
leggen. Het is bekend, hoe de burgerlgke dichters Tan dien 
tgd, die zelden geoefende wapenkundigen waren, dikwgk met 
die figuren omsprongen, vooral waar het verdichte wapens 
gold. En hier hebben wg natuurlek met een bloot verdichtsel 
te doen. Een wapen uit het jaar 840, terwgl de allemoegste 
familiewapens eerst van omstreeks het jaar 1000 dagteekenen! 
En een wapen van den burggraaf van Coucy uit een igd, 
toen de burg te Coucy nog niet bestond! Een nieuw bewgs 
van de vrgheid, die onze dichter zich in historie en chronolo- 
gie veroorloofde. In ieder geval gelgkt het wapen, dat hg be- 
schrgft, niet in het allerminst op dat der latere heeren van 
Coucy, die een van zes stukken vair en rood gedwarsbalkt 
schild voerden. Zie Rietstap, Armorial général (2« éd.),I, 471* 

Mgn oprechten dank aan den heer Rietstap voor de mg zoo 
welwillend verstrekte inlichtingen, waardoor het mg mogelgk 
geweest is een onderwerp, dat buiten mgne gewone studiën 
ligt, met eenig vertrouwen te behandelen. 



II. IMBABE. 



(Il, 1295, 1665, 1693). — Een der merkwaardigste woor- 
den, die in onze fragmenten voorkomen. In het Mnl. was er 
tot dusverre geen voorbeeld van gevonden. Het moet echter in 
Vlaanderen eene gewone uitdrukking geweest zgn, als blgkt 
uit een paar plaatsen van lateren tgd, waar het in dezelfde 
beteekenis wordt aangetroffen. 



241 

In de » Vkiemêche Audt-'vremdicheytj inhoudende veel wonder^ 
liekê antiquiteyten^ enz., * vergadert^ ghecomponeert ende Rheto- 
rifekdicken ghestelt by Ballaeden'\ door Marcus van Vaernewgck 
(Gent, 1562^), vindt men eene beschryving van de uitvaart 
van Hendrik II, koning van Frankr^k, zooals die, op last 
Tan Filips II, d. 16 Juli 1559 te Gent in de kerk van St. Mi- 
ehiel gevierd was. In de inhoudsopgave van > Tvierde tractaeV\ 
die voora%aat, leest men: 

Van Henricus nutvaert, den tweeden van dien name, 
Con^nc van Vranckeryc, te Ghent ghecelebreert ; 

en het opschrift van het gedicht zelf luidt (bl. 142) * > Van der 
dooi ende uuivaert van den Franschen Conijnc , Henricus de tioeetste.** 
Het gedicht bestaat uit acht coupletten , elk van tien regels* 
Ik laat hier de vier laatste volgen , omdat het uiterst zeldzame 
werkje aan weinigen bekend is, en omdat de beschrijving, die 
hier van de uitvaart eens Franschen konings wordt gegeven , 
eene treffende overeenkomst heeft met hetgeen in onze frag- 
menten verhaald wordt. Die vier laatste coupletten luiden aldus: 

5. 

Dees antvaert ghebuerde , so menich ansach , 
Den aeitbiensten dach van Hojmaent, met expresse, 
XV.C. neghenenv^ftich , met groot gheclach, 
Op S. Annen dach, die men wel eeren mach, 
Naer sconincs overljden thien daghen en sesse. 
Ons coninc was selve, met al zgn noblesse, 
In dees natvaert, hj wildet gherne beslaven. 
Met veel bisschoppen en abten, hem doende adresse, 
Die d*Exeqnien deden, om de ziele te laven, 
Als soumen gaen begraven. 

6. 

Een swart baseken dnerlncbtich stont daer ten toghe 
XLVllI voeten hogbe, voor den choor seer eerbaer. 
Het badde gbecost (mj waer leet dat ie loghe) 

1) DU is de twerde drak , mvan mieut otwrtien endt vermeerdert ^* Uit de Opdracht 
ca ttlt d« kerkel^ke ipprobatie. aso het ilot van 't boekje geplaatst, U^kt dat de 
ssriU ■itgsvs ia 1(69 het licht had geaien. Het door my gebruikte exemplaar be- 
twÊL ia d« Komakiyke BihUotheek te *a-Graveakaga. 

IC 



242 

Ses hondert guldenen, by ons conincs ghedoghe, 
Niet dan van thantghedaet ^): daer op dat branden daer 
Al 800 veel keersen alsser daghen zjjn int iaer. 
Den bnec *) stont ooc vul keersen, die yierich laeyden, 
En 'was met swart laken behanghen, alomme aldaer, 
Met die Francsche wapenen, die %j daer an naeyden, 
Die twerc verfraeyden. 

7. 
Boven op dit huseken stont een coninclicke oroone 
Met peerlen schoone, val keersen en lichte. 
Onder stont de Inbare seer ydoone 
Schynende eenen antaer voor elckcn persoone. 
Daer over dat een cleet was, costelic van ghewichte, 
Met een cassen, daer op lach voor elcx ghesichte 
Een gaoden crone, en scepter, die wat bedieden wilden. 
Ende in elcken houc van desen ghestichte 
Stonden Herauten, die in groote ghecroonde schilden 
Die Francsche wapenen bilden. 

8. 

Voor dese monstrantie oft oratorie 

Stonden teender memorie die Fransche standaerden. 

Maer van alle die keersen, tot zander glorie 

Weerdich te narreren in een historie, 

Scheen de kercke vierich, vele hem vervaerden. 

Wat natiën van volcke daer in veigaerden, 

Waer my oncont; dus cortic m^jn sermoen. 

Met bet huseken , bier vermeld , dat voor het koor was opge- 
richt , bedoelt de dichter de katafalk , waaronder het l^k yan den 
vorst werd tentoongesteld. Onder die katafalk, met talrgke was- 
kaarsen schitterend verlicht, stond de imbare^ de l^kbaar, met 
een kostbaar kleed omhangen. Een kussen met kroon en schepter, 
benevens de wapenschilden van Frankrijk , voltooiden het geheel. 

Het blijkt dus , zoowel uit onze fragmenten als uit de ver- 
zen van Vaernewijck , dat imbare de benaming der lijkbaar 



J) Wy zouden zeggen: alUen aan arbeidsloon. 
2) De benk, het raim der kerk. 



243 

was. In die zelfde beieekenis komt het woord (volgens eeae 
mededeeling yaa mgn vriend Stallaert) ook voor in eene oor- 
konde van 17 Nov. 1575, te vinden in het onlangs door den 
heer F. De Potter uitgegeven Second Cartulatre de Gand{Qeui, 
1886). Daar leest men (bl. 171): >So heeft hy beset ende ge- 
fiindeert in der eeuwicheyt acht jaerghetgden , die men alle 
jaere doen zal op acht diversscbe daghen in dezelve cappelle, 
met dyake ende zanckmeestere , met zgn choraelkens , daer men 
ten daghe van elcken jaerghetijde doen zal een ghesonghen 
messe van Requiem , ende naer de messe zal gaen ten imhare , 
die de costere zal stellen in midden van den choor, met twee 
bernende kerssen, tsijnen coste; aldaer de priestere, die de 
messe doen zal, metten dyake ghehauden zullen zijn te lesene 
eenen psalme van De profundis^ eenen Paternoster ende Ave 
Maria ^ ende werpen wgwatere over alle gelooveghe." Het geldt 
hier geene koninklyke uitvaart, maar de beteekenis van imhare 
18 dezelfde: de lijkbaar, hetzg die het lichaam van den overle- 
dene bevatte, of wel — als in dit geval — het Igk van den reeds 
begraven doode vertegenwoordigde (de /auor cercueil of looze baar). 

Hetgeen in onze fragmenten , in verband met de imhare , 
wordt medegedeeld omtrent de tentoonstelling van het lichaam 
▼an den overleden vorst, heeft mede eenige toelichting noodig. 

In de eerste plaats, waar het woord voorkomt, is het lyk 

▼an den koning tentoongesteld in zyu paleis in de hoofdstad. 

Conchiy leest men daar (II, 1293): 

68 te hove ghegaen , 
Daer die coninc was ghestaen 
In eenre riker ymharen. 

En dan volgt er: 

Sine conduten alle waren 
Val speciën van zoeter guere, 
Ende ghezuvert sine ymmuere. 
Die balsemen ghaven zoete lucht. 

Het manlyke voornaamwoord sine^ dat uiet by het vrouwe- 
IjpEe imhare behooren kan, bcwyst genoegzaam, dat men hier 
niet te denken heeft aan buizen of pijpen , tot de imhare be- 



244 

hoerende en bestemd om die met welriekende geuren te Ter- 
vullen. Ook liet woord ymmuere^ vochten, kan geene betrek- 
king hebben op de lijkbaar. Met conduten worden derhalve de 
huizen in het lichaam des konings bedoeld, met name de êlag^ 
aderen , in welke by het balsemen de bederfwerende aromatieke 
stoffen werden ingespoten '). Door die bewerking waren de 
vochten van het lichaam gezuiverd. De bedoeling dezer venen 
is dus eenvoudig deze , dat het l^k des konings gebalsemd was. 

Later vinden w:y den overleden vorst tentoongesteld in de 
kerk van het klooster te St.-Denis, waar de plechtige uitvaari 
gevierd wordt. Daar zag men den koning in der ymharé (II, 
16(55), als ware hi^ >in levenden live'\ en in volle wapenrus- 
ting, alsof zijne ridders iemand zoo in zgne plaats hadden ge- 
steld, en in de houding alsof hig z^ne offerande deed, terwgl 
al zyne genooten hem in diepen rouw omgaven. Uit deze be- 
schrijving bl^kt, dat het lichaam niet op de Igkbaar lag, 
maar iu staande houding vóór de l^kbaar onder de kata&lk 
geplaatst was, gel^k het dan ook vroeger uitdrukkelyk heette, dat 
de koning in de imbare was ghestaen. En werkeljjk was het 
oudtyds de gewoonte, het gebalsemde lijk van een vorst in 
staande houding bij de uitvaart ten toon te stellen '). Later 
heeft men het lyk vervangen door een wassen beeld, dat on- 



1) Conduuf , fr. conduite lat. conduetM, in 't Mol. zeer gewoon Toor de 
of pijpen van waterleidiDgen , foDteinen enz., komt ook elders Toor in ioepamig op 
de buUen io het menschclyk lichaam. Zoo leest men in de Owi-VL Otd, III, 128, ▼•. 
246 vlgg., dat het aangezicht van den mensch seven conduten heeft : twee •m de 
ooren, twee aan de oogen, twee aan den neus en ^n aan den mond. En in hei 
Leven van Jezus, c. 112: «al dat ten monde ingheet, dat comt in den boae, eade 
van daer lidet dor de condute van den lichame.** 

2) Over de uitvaart en begrafenis der transche koningen en koninginnen ia r«el 
geschreven De door mij geraadjileegde bronnen zijn inzonderheid: 1^. Jotn. Tuist, 
Commcntariorum et dUguüitionum de rebus Gallicu libri duo (Frankfort, 1570), 
waarin (p. 182 — 141) een hoofdstuk mVe obitm, exsequiis êtpuituraque regum tt rv- 
gifuirum Gnlliae*' \ 2®. Mabillon, Discours sur les anciennes eéf^ultures de moe rvis, 
in de Mémoires de littérature de V Académie Royale des Itucriptionj et Belleê JLet^ 
tres, Tomé II (Paris, 1786), p. 683—647; en 8®. Paul Lacroii, Vie mUUairt tt 
relifjieute au moyen dge (4e éd., Paris, 1877), p. 644 — 558. 



245 

der de katafalk vóór de lykbaar gesteld werd. Ia het zoo evea 
aangehaalde werk vaa Lacroiz viadt men op bl. 553 eeae af- 
beelding, die ik zou weaschen hier te kuaoea overoemea, om- 
dat zg als 't ware opzettelijk geteekend schijat om ter ophel- 
dering van dit gedeelte oazer fragmenten te verstrekken. Zy 
stelt de uitvaart voor der Fransche koningin Anna van Bre- 
tagne, de gemalin van Lodewijk XII, overleden d. 9 Jan. 
1514, en is ontleend aan eene miniatuur uit een handschrift 
van dien tgd. In het midden van het koor der kerk te Blois 
ziet men eene prachtige katafalk, waarop aan alle kanten 
brandende waskaarsen geplaatst zijn, en die getooid is met 
een omhangsel van zwart fluweel en met verschillende wapen- 
schilden. Onder de katafalk staat, insgelijks met zwart fluweel 
bedekt, de lijkbaar met de doodkist, waarin het lichaam der 
koningin rust. Vóór de lijkbaar verheft zich in staande hou- 
ding het wassen beeld der vorstin , kroon en schepte» dragende. 
£en aantal geestelijken liggen rondom geknield, terwyl de Mis 
bediend wordt door den bisschop van Parjjs. 

Men ziet, in de hoofdzaak is deze voorstelling geheel gelyk 
aan die van onzen dichter. Het eenige verschil is dit. dat hier 
het lichaam der vorstin in de doodkist rust en alleen hare 
beeltenis vertoond wordt, terwyl in onze fragmenten (naar 
oudere zeden) het gebalsemde lijk zelf van den koning , staande 
vóór de looze baar, ten toon is gesteld. 

Ik moet nog even terugkomen op het woord imbartt om 
het in zgn oorsprong en vorm te verklaren. Het is opmerke- 
lyk , dat het op al de drie plaatsen , waar het voorkomt , met 
y wordt gespeld {tftnbare) , ofschoon toch overal elders in onze 
fragmenten het voorzetsel in of im wordt geschreven. Dit kon 
een oogenblik doen vermoeden, of het woord ook van Ro- 
maansche afkomst zou kunnen zyn. Doch de zorgvuldigste na* 
sporingen hebben my bewezen , dat er op het gebied der Ro- 
maansche talen volstrekt niets is te vinden, wat naar imhare 
gelgkt. Ook in geene andere Germaansche taal is er een spoor 
Tan te ontdekken. Het moet dus een eigenaardig Nederlandsch 



246 

woord ziJD. En dan kan men wel aan niets anders denken 
dan aan eene samenstelling yan m en bare. Onwiliekearig is 
men geneigd, imbare te vergeleken met de in 't Mnl. zoo ge- 
wone uitdrukkingen in baren staen^ in baren liggen en tVt baren 
legaen , in welke in baren hetzelfde beteekent als op de lijkbaar '). 
Volgens eene mededeeling van den heer Guido Gezelle ign 
die uitdrukkingen nog heden in Vlaanderen in gebrnik, met 
name te Kortrijk , waar men zelfs door het inbare den ge- 
heelen toestel verstaat: de baar, de schragen, het l^kkleed 
enz., kortom alles wat dient om een lijk in bare te stellen. 
Voor een hedendaagschen Vlaming maakt dus het oude imbare 
vanzelf den indruk , alsof het uit in bare gevormd was. Doch 
er is tegen die verklaring een afdoend bezwaar. Ware het 
woord op die wijze ontstaan, dan zou het noodwendig onzgdig 
moeten zyn. Het zou dan eene uitdrukking wezen als het te- 
huis, het tekort enz. Te Kortrijk wordt dan ook werkelgk het 
imbare gezegd, blijkbaar naar de hedendaagsche opvatting des 
woords. In de boven aangehaalde oorkonde van 1575 leest 
men insgelijks ieii imbare y doch het vlak daarop volgende die 
(ie rostere zal stellen doet zien , dat het woord toch eigenlgk als 
vrouwelijk bedoeld is, en dat er dus waarschgnlgk niet tm» 
maar ter moet gelezen worden. In allen gevalle is het woord 
zoowel bij Vaernewijck als in onze fragmenten, de oudste ge- 
tui<^en die wij kenneu, zeer bepaald van het vrouwelgk ge- 
slacht, evenzeer als hare zelf. Het vereischt dus eene andere 
uitlegging. Ik meen het te moeten vergeleken met andere 
woorden, die uit het voorz. in en een substantief van stof- 
felijke — niet werkwoordelijke — beteekenis zgn samengesteld. 
De inboexh'l is de boedel , die zich in het huis bevindt; de tw- 
houten zijn houten in het schip; een inham is een ham of kreek 

1) Zie de voorbeelden by Verdam, 1, 679. Het vaste gebruik ftn het Toort. m 
io deze r.e^swyzen verklaart tevens de uitdrukking i'm eenre ymhartn en im d^r jtm- 
bare, zooals het io onze fragmenten beet, ofschoon daar eigenlyk het TOon. voor 
beter zou passen. Doch de dichter stelde zich niet bepaald de lykbaar alleen voor, 
maar den geheelen toestel, de katafalk met baar en alle toebehooren, waarin het 
lijk ;;e)tl.'iatst was. 



247 

m het land; het ingewand of ingeweide het gewand of geweide 
«1 het lichaam , en eyenzoo het verouderde inaxieren , de yoor- 
malige benaming der iogewanden , enz. Inbare of xmbare zal 
dan de l^kbaar zgn, die in de katafalk is geplaatst, en wel 
Termoedelgk dien naam gekregen hebben in tegenstelling van 
de baar f waarop het Igk naar de kerk werd gedragen. Uit de 
Afbeeldingen bg Lacroix kan men zien, dat die beide baren, 
de draagbaar en de vaste baar in de katafalk, vrg wat in 
Torm verschilden. £r was dus reden om ze ook met verschil- 
lende benamingen aan te duiden. En dan kon zeker aan de 
laatste, die in het »huseken'* stond, geen gepaster naam wor- 
den gegeven dan imbare. 



III. ZIMPERLIJC. 



(II t 1548 en 1696). — Een woord, dat tot hiertoe niet 
werd aangetroffen. Wel kende men simperlike^ als variant van 
simpellike^ in Lekensp, I, 2, 87 (hs. I), doch dat komt hier 
niet te pas. Blykbaar is hier (II, 1548) de beteekenis bedoeld 
Tan tut^ fraai , keurig j sierlijk, bevallig y ter aanduiding van de 
sierlgke uitrusting der gravin, die vs. 1474 — 1493 beschreven 
is: verg. vs. 1552 — 1555. Ook op vs. 1696, waar het woord 
nogmaals voorkomt, past die beteekenis uitnemend. Beatrgs, 
heet het daar, wendde hare oogen naar Dominicus met een 
zimperlijc — d. i. bevallig — gebaar» Het adj. simper is in de ver- 
wante talen algemeen bekend. In bet Deensch, Noorsch en 
Zweedsch komt simper, semper in de volksspraak voor in den 
an van sierlijk , net , keurig , kiesch , vooral van kieschkeurig , 
veelal met het bgdenkbeeld van gemaakt , preutsch (Molbech , 
D€nuk Dial.'I^x. 473 vlg., Aasen, Norsk Ordbog (2*i« uitg.), 
643, Rietz, Svenskt DiaL-I^^ex. 566). In het Zwitsersch semper, 
keorig, Idesch (Stalder II, 370). Verg. Eng. to simper, ge- 
maakt, gekunsteld glimlachen, a simper-de^cocket , een nuQe 
(Halliwell 743). Blgkbaar behoort hiertoe ook Hoogd. zimper^ 



248 

lich^ gemaakt, en zimpem, zich gemaakt aanstellen. De Dait- 
scha etymologen weten met die woorden geen weg. Weigand 
(II, 1145) noemt den oorsprong tdunkel*', en Klnge (385) 
zegt: > weitere beziehungen fehlen''. Uit het bovenstaande 
blykt, dat simper in alle Germaansche talen bestaat, maar 
overal met de s (of de daarmede gelykstaande Nederlandscha 
zachte z), alleen ia het Hoogduitsch met de scherpe z (te). 
Zimperlich is dus kennelgk uit de Nederduitsche tongrallen 
overgenomen: in de Hoogduitsche uitspraak ging de s in 
z over. In het Mnl. schynt simper nog alleen de goede ojf- 
vatting te hebben van keurig , sierlijk^ bevallig: het ongunstige 
b^denkbeeld van gemaakt , gekunsteld , preutsch , is er elders en 
later bijgekomen. Over de afleiding zie Skeat {Etym. Dict. 
554), die het in verband brengt met sipp, dat in *t Neder- 
duitsch en de Noorsche talen in soortgelgke beteekenissen voor- 
komt en ook by ons in sip kijken wordt wedergevonden. Er 
zou over die verklaring wel het een en ander te zeggen val- 
len, doch dat ligt hier buiten myn bestek. 



IV. Nog een fragment van Couchi 

De bovenstaande fragmenten waren reeds grootendeels afge- 
drukt, toen ik kennis maakte met het pas verschenen fjerste 
Deel van de Geschiedenis der Nederlandsche iMterkunde door 
Dr. J. Te Winkel , een voortrefielgk werk , dat met algemeene 
belangstelling ontvangen verdient te worden en zeker , indien 
het op gelijke wyze wordt voortgezet, eenmaal nevens het 
hoofdwerk van Jonckbloet eene waardige plaats zal innemen. 
Daar las ik op bl. 196, aant. 3): >Ook in eene Dietsche be- 
werking van De Burchgrave van Coetchy ^ waarvan 816 verzen 
te Atrecht bewaard worden, vindt men van ^Madox drome^ 
gesproken." Die woorden herinnerden my aanstonds aan eene 
mededeeling van Jonckbloet, die mg bg het schryven mgner 
Inleiding ontgaan was, omdat ik indertgd, bg |de lezing zgner 



249 

Gêêdiiêdêniê^ niet Yoorziende dat ik ooit de fragmeatea yan 
Couchi soa bewerken, daar geen bijzondere acht op had gesla- 
gen. Ik bedoel hetgeen hy zegt op bl. 361 van Deel I der 
3<^< nitgave. Sprekende over Madocs droom haalt h\j daar de 
bekende plaats uit Maerlant's Rijmbijbel aan, en Iaat daarop 
Tolgen: >£Tenzoo wordt er gewag yan gemaakt in het nog 
ongedrukte fragment eener vertaling yan den Burchgrave van 
Cceichy^ die uit Maerlant's tyd is. De Vrouwe van Fayel zegt 
tegen haar minnaar, die haar zeer ingewikkeld zgne liefde 
bekent : 

»Nocb wanic, her ridder, dat gi slaept, 
Of dat ghi sgt in Madoz drome.*' 

In de tweede uitgave (1873, I, 109) komen die woorden 
eveneens voor. Later hebben Prof. Martin in zyne Inleiding 
op Reinaert^ bl. XIV, en Prof. Moltzer in dit Tijdschrift^ III, 
812, het getuigenis van Jonckbloet overgenomen. 

Zoolang (Ie inhoud der vier Atrechtsche bladen nog onbe- 
kend was, moest men vermoeden, dat Jonckbloet dit fragment 
bedoelde, dat hy misschien in vroeger jaren onder de oogen 
bad gehad. Dr. Te Winkel had dan ook alle recht om aan te 
nemen, dat de twee aangehaalde verzen aan dat Airechtscho 
fragment waren ontleend, het eenige van welks bestaan men 
toen nog vernomen bad. Nu echter die 816 verzen gedrukt 
vóór ons liggen , en die beide regels er niet in voorkomen , 
blgkt het, dat Jonckbloet nog een ander gedeelte van ons ge- 
dicht moet hebben gekend. En dat het stuk, dat hy bedoelde, 
wel degelgk tot den Borchgrave van Couchi behoorde, wordt 
zoogoed als bewezen door hetgeen hij zegt, dat het daar de 
Vrouwe van Fayel is , die tot haren minnaar spreekt. Dit moet 
h{j dus ook in dat fragment hebben gelezen. 

Ongelukkig heeft Jonckbloet niet aangeteekend , waaraan hg 
zijne mededeeling ontleende. Was hij zelf in het bezit van een 
of meer bladen van een handschrift van Couchi? Of had hg 
in de eeoe of andere boeker\j zulk een fragment gevonden? Of 
had hg er ergens eenig bericht van gelezen? Het laatste komt 



250 

Di^* niet aannemel^k Toor; want in dat geval moert ook wel 
iemand anders er kennis van dragen, en mgne yakgenooten, 
die ik er over raadpleegde, verklaren eenstemmig, dat eg even- 
min als ik zelf er ooit van gehoord hebben. Hoe het zg, 
Jonckbloet heeft een fragment van ons dichtwerk gekend, dat 
w^ nu niet kennen. Waar het zich thans bevindt, heb ik 
niet kunnen opsporen. Voorloopig moet het als verloren aan- 
gemerkt worden , totdat het wellicht door een gelukkig toeval 
weder te recht komt. Nu eindelijk de overbljjfaelen van den 
Borchgrave van Couchi het licht zien , mogen wg dat verlies 
dubbel betreuren. Het is een nieuw bewgs van hetgeen ik bo- 
ven schreef (bl. 98), dat het raadzaam is de fragmenten van 
onze middeleeuwsche gedichten, die van tgd tot tgd worden 
ontdekt, in eene algemeene bewaarplaats bgeen te brengen, 
waar z\j veilig geborgen zgn en te allen tyde door den be- 
oefenaar der letterkunde kunnen geraadpleegd worden. Hopen 
wg , dat het blad , waarop Madocs droom vermeld staat , spoe- 
dig uit zijn schuilhoek te voorschijn kome, om aan de na ge- 
drukte zestien bladen te worden toegevoegd. 

Dat Jonckbloet naar zyn fragment de vertaling van Couehi 
>uit Maerlant*s tijd" afkomstig achtte, moet ik natuurlgk in 
het midden laten. Zoolang wij dat stuk niet kennen , en dns 
niet kunuen nagaan, welke gronden hy voor die meening ge- 
had heeft. Iaat zich dat niet beoordeelen. Voorloopig houd ik 
mij aan de latere tijdsbepaling, die ik bl. 129 — 131 als waar- 
schgnl^k heb voorgesteld. 



Bl. 128, reg. 11. gewracbte leei ghewrachte 

Bl. 132 , Aant. 2). Ook in de fragmenten van BeerU wMtten bredem roetem komt 

de uitdrukking voor: •Maer ie die makede Mem des vroet.** Zie Moltser, 

Floris e. Blanc., bl 141, vt. 88. 



251 



M«. HENRIC VAN ALCMAER. 



Sedert door Schel tema iu de iuleiding zyner uitgayc van 
»Reintje de Vos*' een Henric van Alcraaer, die iu 1477 en 1481 
te Utrecht woonde , is aangewezen , heeft men dezen vr^ algemeen 
gehouden yoor den man , die zich later in de voorrede van den Ne- 
derduitschen Reinke Vos als redactor en glossator noemt. Bewezen 
is de identiteit dezer twee personen echter niet : nog een andere 
Henric van Alcmaer uit denzelfden tyd is opgespoord, kortom 
er heerscht nog groote onzekerheid aangaande den persoon, die, 
naar 't sch^nt, het eerst den berymden Reinaert in hoofdstuk- 
ken verdeeld en van een e korte glosse voorzien, en daardoor op 
de latere bewerkingen eenen gewichtigen invloed gehad heeft. 
Als bgdrage tot de oplossing dezer vraag wensch ik hier de aan- 
dacht te vestigen op een stuk, waarin een Henric van Alcmaer, 
zonder twyfel dezelfde als de reeds te Utrecht aangewezene, 
optreedt. 

In de Verslagen en mededeelingen der Vereeniging tot uitgave 
der bronnen ^an het oude Vaderlandsche recht 1 , 485 deelt 
Mr. S. Muller Fz. een merkwaardig vonnis van den Utrechtschen 
raad mede aangaande eene erfeniskwestie. Voor ons doel zyn 
hier alleen de volgende feiten van belang. Zekere Katharina, 
omstreeks 1440 weduwe geworden van Jan van Toorn , was 
hertrouwd met Elyas van Oestrum , uit welk huwelyk eene 
dochter , Alydt van Oestrum , was gesproten , die op hare beurt 
eerst met Splinter van Meghen, on na diens dood metimeyster 
Henric van AIcmar*' getrouwd was. üenoemde Alydt van Oestrum 
was met haren halfbroeder Willem van Toom in een twist ge- 
wikkeld over de erfenis hunner moeder, en «pandde'* daarom in 
1466 aan het roerende goed van Willem van Toorn, en daarna 
in 1467 ook aan eene >husinge ende hofstede», aan welke 



252 

goederen zg door de schepenbank ook werd » geëigend*'. Doch 
Willem van Toorn beklaagde zich by den Dtrechtschen Baad (die 
reeds vroeg een groot deel der rechtspraak op de schepenbank 
had veroverd ')), en deze stelde hem in 1468 in het gelgk. Ygf 
jaar later echter, in 1473, deed >meyster Hen riek van Alcmair**, 
Alydt's echtgenoot, die >aan eene universiteit had gestudeerd 
en blikbaar ervaren was in de kronkelpaden der toenmalige 
praktijk" ^), eene nieuwe poging om huis en hofstede in besit te 
krygen, en ditmaal gelukte die poging werkelgk. Wel klaagde 
Willem van Toorn opnieuw b^ den Raad , doch dese wist na 
niets anders te doen dan de zaak uit te stellen. 

Intusschen werd Mr. Henric een man van gewicht in Utrecht. 
David van Bourgondië, die, in 1456 door toedoen van zgn yader 
Philips Bisschop van Utrecht geworden , zich slechts door Bonr- 
gondische hulp kon staande houden , zag in 1474 de kans schoon 
om zyoe macht uit te breiden en de regeering zgner trotsche, 
op hare voorrechten na^verige, hoofdstad aan zich te onder- 
werpen '). Hij vernietigde o. a. de geheele crimineele rechtspraak 
van den stedelijken Raad, en stelde bovendien een hof van appèl 
in, >dat recht van der scive" genaamd ^), natuurlijk mede tegen 
de onafhankelijkheid der stedelijke rechtspraak gericht. In dit 
lichaam , dat deu Raad natuurlijk een doorn in het oog was , 
hadden 10 leden zitting, raeast liooge geestelgken. Hoewel niet 
behoorende ouder de in 1474 aan gestelden *) , moet Mr. Henric 
van Alcmaer kort daarop, immers voor 1477, tot lid van dit 



1) Zie Mr. S. Muller Fz , De middelceuwsche rechttbronnen der ttad Utracht. 
Inleiding. 

2) Muller, Verslagen blz. 4ttl: het in de noot aldaar aitgetprokea Termoedea , 
dat hy .vocrsprake" (advocaat) was, wint volgens Mr. M. niet iniraanoh\)niykhekl , 
nu hij een zoo aanzienlijk man blykt. 

3) Zie hier>vcr MuIIjt. Inleiding blz. 112 vlgg.; en Arend 11*. 106 vlgg. 

4) Naar de seive «tnfel, waarom de rechters by hunne beraadslaging boiten de 
i»chci>enbank zaten'* (Muller, K. v. IJ, Gloss. i. v). 

Ti) Noch Burman, ütr. Jaarb 3. lOU (waar slechts U penonen genoemd wordca), 
noch Van de Water, Utr. Plarcaatboek 2. Ü4S, 9 (waar alle 10 genoemd wordeo) 
vermeldt hem. 



253 

hof benoemd zgn. In dit laatstgenoemde jaar toch werd Bis- 
schop DaWd, door den dood yan Earel den Stouten yan zgn 
grooteten steun beroofd , dadelijk door den Raad der stad Utrecht 
gedwongen , alle nieuwigheden , die inbreuk hadden gemaakt op 
de rechten der stad, weder af te schaffen, en daaronder natuur- 
lek in de eerste plaats >dat recht yan der scive'', hetwelk dan 
ook nog in 1477 werd opgeheven ; te gelyk hiermede werden nu 
8 personen »om allen besten wille" door den Bisschop op aan- 
dringen der stadsregeering uit de stad yerbannen ; deze 8 , bier 
>onse lieye getruwe Raide'' ') genoemd , waren blgkbaar leden van 
het gehate Hof: 5 yan hen komen ook yoor onder de bij de op- 
richting in 1474 genoemden , de eerste 6 yoeren bovendien allen 
den titel » meister** en behooren tot de hooge geestelykheid yan 
het Sticht, de 7^ is de schout van Utrecht, de 8^ (yermoede- 
Igk het laatst genoemd als jongste in jaren of in rang) > meis- 
ier Henrick yan Alcmair**. Zooals men ziet, treedt Mr. Hen- 
riek hier in goed gezelschap , te midden der hooge geestelyken 
en ambtenaren op: blykbaar was ook hij een aanzienlijk man, 
wiens yerwgdering de Utrechtsche regeering noodig keurde, 
omdat zg zgnen invloed duchtte. 

Dat nu deze Mr. Henrick van Alcmair werkelijk dezelfde is 
als de man, dien wy zooeven in een proces zagen optreden, is , 
dunkt mg , aan geen redelyken twyfel onderhevig : naam , titel , 
werkkring, tyd en plaats stemmen volkomen overeen, en we- 
derkeerig helderen beide omstandigheden elkander op: hy was, 
blgkens zgn optreden tegen zijnen halven zwager, een bekwaam 
en handig jurist , zeer geschikt om in de nieuwopgerichte recht- 
bank plaats te nemen , en omgekeerd kan zyne hooge positie 
YÓór 1477 den eenigszins zonderlingen verderen loop van het 
geding over de erfenis verklaren. Zoolang Bisschop David het 
heft in handen had, durfde de Raad diens beschermeling, lid 
Tan het hoogste gerechtshof, niet aan; toen echter in 1477 de 
Bisschop al zyne verkregen macht weder moest prysgeven , het 



1) Zm Bormui, Utr. Jurb. 8. 18i. 



254 

Hof opgeheven en de leden yerbannen werden, terwgl de ste- 
delijke Raad aan den anderen kant zyne oude rechtspraak her- 
nam , verkreeg Willem van Toorn van den Raad wat hg zoolang 
te voren vruchteloos gevraagd had. >Des Saterdaghes voer Licht- 
missen 1478'' stapte de Raad over het formeele bezwaar heen 
en verleende aan Willem van Toorn restitutio in int^prom ')• 
Nu Mr. Henric van Alcmaer verbannen was, behoefde men hem 
niet te ontzien , men veroordeelde hem in absentie ; en terwgl de 
Raad zoo den gehaten vreemdeling (immers zgne herkomst oit 
Alkmaar zal hem in Utrecht wel niet ten voordeele geweest zgn !) 
nog na zyn val een belangrijk nadeel berokkende en zgne listige 
advocatenstreken vruchteloos maakte , toonde hg te gelgk , zgne 
aloude rechtsmacht nog verder dan vroeger te willen uitstrekken. 

Of Mr. Henric zgnen zwager later opnieuw voor de sche-. 
pen bank heeft gedaagd, is onzeker, de verdere loop der zaak 
is onbekend. Wel is hg waarschgnlgk in Utrecht teruggekeerd, 
de gelegenheid daartoe is hem althans opengesteld. De twist 
tusschen den Bisschop en de stad was steeds hooger geloopen, 
de bau over de stad uitgesproken; eerst nadat Utrecht door 
Maximiliaan van Oosten ijk belegerd en ingenomen was , werd 
David van Bourgondië in 1483 in zijne macht hersteld. Twee 
jaar vroeger echter had bij zich door bemiddeling van den Paus 
reeds voor korten tijd met de Staten en met de stad verzoend, 
en de laatste van den ban ontheven^). Bg het verdrag, dat 
hieraan voorafging, werd door de stadsregeering Maandags na 
Paseben 1481 afgekondigd, dat zg 7 van de 8 bannelingen 
van 1477 » weder vrij in de stadt ontfangen ende restitueren*' 
zouden. De laatste van de 7, in dezelfde volgorde als in 1477 
genoemde personen , is wederom >Meyster Henrick van Alcmaer**. 
Dat de laatste werkelijk is teruggekeerd, bigkt wel is waar niet : 
zijn naam schgnt althans tot nog toe na dien tgd te Utrecht 

1) Zie over de juridische bijzonderheden verder Muller, Vertl. bli. 492--498. 

2) Zie Arend II*. 109 vlgg. 

3) Zi<« Burman, Utr. Jaarb. 3. 474 (niet 3Si, gelijk Scbeltema, en op z^ii Toet- 
spoar Grirn'H, Martin e. a. opgefen). 



255 

niet geyonden te zijn (terwgl bgv. drie zgner medeballingen na 
hunne terugkomst o. a. als afgezanten van den Bisschop optreden '), 
doch zoolang er geen stellig bewys wordt gevonden, dat h^ 
elders woonde, mag men uit het feit, dat hy weder werd toe- 
geUten in de stad , wel afleiden , dat hij zelf dit wenschte , en 
Toorshands dus aannemen, dat hij na 1481 weder te Utrecht 
geTertigd was. 

Ik heb deze geheele geschiedenis opzettelyk breedvoerig ver- 
haald, niet alleen omdat de combinatie der verschillende ge- 
gevens ons den ütrechtschen Henric van Alcmaer nader leert 
kennen , en ons daarmede een aardig kijkje in het Middeleeuwsch 
stadsleven gunt, maar vooral omdat zij onmisbaar is bij de 
beantwoording der vraag , die hier ter plaatse het meeste belang 
heeft: Is deze Henric van Alcmaer te Utrecht dezelfde als de 
man, die in de voorrede van den Reinke zegt: »ik, Hinrek van 
Alkmer, scholemestcr unde tuchtlerer de^ eddelen dogentliken 
Torsten unde heren , hertogen van Lotringen , umme bede willen 
mines gnedigen heren, hebbe dit jegenwcrdige bók üt walscher 
unde franzosescher sprake gesocht unde ummegesat in dudesche 
sprake .... unde hebbe dit sulve bök gedelet in ver part, unde 
hebbe bi islik capittel gesat eine korte ütle^ginge unde meuinge 
des sulfsten poëten umme to verstan den rechten sin des capit- 
tels." Griram (R. F. CLXXV), Martin (Einl. XXII) en Prien 
(Zur vorgeech. des R. V. 2) zijn het er over eens, dat dit al- 
leen op eene Nederlandsche bewerking kan zien ; volgens de 
laatsten is deze Hinrek van Alckmer de man geweest, die den 
tekst van Reinaert II in hoofdstukken afgedeeld en van eene 
korte glosse voorzien heeft, uit welke redactie, omstreeks 1487, 
althans vóór 1488 , te Antwerpen bij Gerard Leeu gedrukt *), 
hoogstwaarschgnlijk de Nederduitsche Ueinke Vos vertaald is. 



1) Zie Bamuin 8. 468. 518. 

S) I)e frtgmeotfo dn«r redactie, jrt'waoolijk d (renoemd , zyn door dro Tinder Ca- 
, door HoffouDn van Fallerslrb(*n en het laattt en het best door Prieo, Zur 
te dca Retoke Vos. Halle 1880 (ook Paul en Brauoe, Beitr. 8. 1—54) 
. Of er de mdtlwpaling xie Prien, blx. 9. 



256 

Wie worden met dien hertog yan Lotharingen en met dien 
H. y. A. bedoeld? De eenige, op wien de eerste titel in 1487 
past, is René II, in 1485 gehuwd met Philippa yan Gelre (de 
dochter van den bekenden Adolf) : de Nederlandsche prinses zou 
dan den Franschen hertog in aanraking hebben gebracht met 
dezen Nederlander en met de Dietsche letteren. 

Tegen deze voorstelling bestaan echter eenige bedenkin- 
gen, voor een deel reeds door Martin en Prien te berde ge- 
bracht. Vooreerst wekt een Nederlandsche schoolmeester in 
dienst van den Franschsprekenden en Franschgezinden hertog 
van Lotharingen bevreemding. Evenwel dit is ontw^felbaar , 
tenzy men den proloog alle geloof ontzegge of onder den her- 
tog van Lotharingen een ander persoon versta. Ten tweede is 
het niet duidelijk, wat een > scholemester unde tnchtlerer*' c 
1487 aan het hertogelijk hof te doen zoude hebben gehad: de 
drie kinderen van René zijn geboren in 1486, 1487 en 1489, 
en is het nu denkbaar, dat de hertog b^ deze zuigelingen een 
schoolmeester ') heeft aangesteld? Nog onwaarschgnlgker is het, 
dat hij deze kinderen in het Nederlandsch zou hebben laten 
onderwazen. Waartoe? vraagt men onwillekeurig; toch niet ter 
liefde zijner Nederlandsche gemalin; of wellicht met het oog op 
eene mogelijke erfopvolging in Gelderland? Zoo nauw namen 
de Middeleeuwsche vorsten het toch wel niet met de landstaal 
hunner toekomstige onderdanen. Maar het onwaarschgnlykste 
is zeker, dat René toen reeds voor ileesstof*' ten behoeve dier 
pasgeboren kinderen heeft willen zorgen. Of bovendien daartoe 
de Reinaert, zelfs wanneer een > scholemester unde tuchtlerer*^ 
dien >in usum delphini" van eene deftige glosse had voorzien, 



\) Wat wordt met dat •acholemester ande tachtlerer^* eigenlek bedoeld? It het 
alleen .schoolmeester** of mag men de betrekking meer gelykatellen met ons «gon* 
rerneur**? Noch uit Schiller en Lubben, noch uit een paar voorbeelden fmo •taelil* 
meister'*, mg door Prof Verdam welwillend medegedeeld, is my hieromtrent iels 
naders «gebleken. — i)e 8e xoon van Uené had van z^n gev^de jaar af tot gonver» 
neur Philibert de Stainville , die verschillende meesters onder sich had (ne Dom 
Cal met , ain'jT'^haald by Prien, t. a. p. 3, noot). 



257 

uit een paedagogisch oogpunt byzonder geschikt was , xnag meu , 
naar ik meen, betwyfelen. Het is dus zoo goed als zeker, dat, 
indien deze bewerking in 1487 gedrukt ^) is, dit niet ten behoeye 
Tan de Lotharingsche prinsen is geschied. Maar voor wien dan? 
Ten behoeve van den hertog zelven, die ter wille zijner Ne- 
derlandsche gemalin Dietsch wilde leeren? De verdeeling en 
de >korte ütligginge'' doen meer aan het onderwys van kinde- 
ren of van het volk denken; is zulk eene didactische glosse 
Tan een »inchtlerer unde scholeraester*' ^) ten behoeve van zyn en 
heriogelgken heer ook wel zeer aannemelgk? Of, ten slotte, 
beeft de hertog H. v. A. alleen aangespoord om dit werk te 
ondernemen, of, zoo hy het, om welke reden ook , reeds onder- 
nomen had , ten algemeenen nutte uit te geven ? Eene dergelyke 
aorg voor de geestelyke en zedelijke ontwikkeling eener hem 
▼reemde natie is, zelfs in een verlicht vorst als Bene schynt 
te ign geweest, evenmin begrijpelyk. 

Deze bezwaren ten aanzien der betrekking tusschen den pedde- 
len hertogen van Lotringen" en den Hinrek van Alckmer van 
den proloog zyn echter op zich zelf wellicht niet onoverkome- 
l^k; komen wy thans terug tot onz^ Henric van Alcmaer. (Een 
andere Henric van Alcmaer, frater te Zwolle, in wien Delprat 
den lateren » scholemester** meende te hebben ontdekt, is reeds 
door Prien, t. a. p. 4 — 7, op goede gronden verworpen.) Vóór 
de identiteit van den Utrechtschen en den Lotharingschen H. 
T. A. pleit eigenlgk alleen de overeenstemming van naam en 
Tan tgd| terwyl ook de titel (magister artium) èn voor een 
lid van het gerechtshof èn voor een >tuchtlerer'* niet onge- 
past schynt. Daarentegen is er veel wat tegen de vereenzelvi- 
ging der beide personen spreekt. 



1) llca too kannen denken tan de mogel^kheid , dat het boek vroeger bewerkt 
wirt, mêMX dit baat niet veel: volgent Prien, t. a. p. it de bewerking na 14H0 ver- 
VMrdigd, ea hebben w^j diu in elk geval met detelfde penonen te doen. 

S) En men moet hem inderdaad, indien men niet alle geloof aan den proloog 
oatfgf n wil, wel voor den eertten glomator houden; welk aandeel ion hy anden 
ook Mn d« bewerking hebben gehad? De ttkêt stemt woordei^k met K. 11 overeen. 



258 

Vooreerst, hoe komt deze raadsheer in het hoogste gerechts- 
hof van den Utrechtschen Bisschop, blikbaar een yerraogend en 
aanzienlek man ') , plotseling verplaatst in de betrekking rmn 
> scholemester unde tuchtlerer*' ? Zelfs indien men dit mag op- 
vatten als > gouverneur", blijft het eenigszins vreemd*). 

Ten tweede: hoe komt een invloedr^k aanhanger van den 
Bourgondischen Bisschop een tiental jaren na den slag bg Nancy 
in eene betrekking tot den hertog van Lotharingen, gehuwd 
met eene Geldersche prinses , beiden verklaarde vjjanden van het 
Bourgondische huis ? ^) 

Ten derde zou men wellicht kunnen w^zen op het verschil 
tusschen de Nederlandsche dialecten te dien tyde. Zon een ge- 
boren Hollander aan het hof eener geboren Ueldersche prinses 
wel allereerst naar een Vlaamsch werk hebben gegrepen oin de 
hertogin te onderhouden , den hertog of zijne kinderen Dietsch 
te leeren, of eindelijk voor de pers te werken, en zonden er 
in het werk van dien man onder die omstandigheden niet wel 
eenige sporen van Hollandsch of Geldersch gevonden worden? 
Intusschen wil ik hierop bij de ontw\ifelbare populariteit van 
den Keinaert ook in die dagen en bij de geringe overblgfselen 
van d niet veel nadruk leggen. 

Vragen en twyfeliugen genoeg. Wil men niet tot het ge- 
wone hulpmiddel zijn toevlucht nemen door den proloog onecht 
of geïnterpoleerd te verklaren *) , dan zal men , indien d wer- 



1) Wat beteekent het •van'" voor zyn naam? Alleen «uit Alkmaar afkomstig*', 
of iets anders, hoogers? 

2) £x-gouvernciir van llené II zelf, waaraan men wellicht zon kannen denken, 
kan 0H2d H. v. A. althans, die na 14S1 waarschynlyk nog eenigen t^d te Utrecht 
woonde, wel niet geweest zyu. 

3) Of tusschen Bourgondië en Lotharingen na 1477 vrede gesloten is, heb ik niat 
kunnen nagaan: het huwelijk van Philippa van Gelder (die in 1477 met haren broe- 
der karel aan het Bourgondische hof gevangen gehouden werd) in 1485 met Renë 
▼. lioth. zou wel pleiten voor eene verzoening, immers voor eene toestemming van 
het Boiirg. hof; doch de Iiotharingsche hertogen zyn, als ik my niet bedrieg, steeds 
den Franschcn koning getrouw en dus d(*n Bourgondiërs vyandig gebleven. 

4) Indien men onder «hertog van Ix>tha ringen" werkelyk den toenmaligen hertog 
van AV^/crr-Iiotharingen (d. i. hertog van Brabant) nl. Philijtt den Schoonep loo 



259 

kelgk c. 1487 gedrukt is, óf naar een anderen H. y. A. moeten 
omzien, öf yoor omen H. v. A. eenen yrg romantischen leyens- 
loop moeten aannemen. Hg zou dan hetzg na zgne yerbanning 
in 1477 niet in Utrecht teruggekeerd , hetzy na zynen terug- 
keer in 1481 opnieuw yerdreyen zgn , en daarop, uit sp^jt, 
dat sgn loopbaan aldaar ten einde , en de Bisschop niet in staat 
geweest was , hem te handhayen , en boyendien door het raads- 
▼onnis yan een belangrijk deel zijner bezittingen beroofd, zich 
hebben aangesloten bij de yyanden yan het Bourgondische huis; 
daar, aan het hof des hertogen yan Lotharingen , zou hij , ook uit 
geldnood wellicht, den post yan » scholemester unde tuchtlerer** 
oyer de in 1 486 en later geboren prinsen aanyaard , en , met 
welk doel dan ook, Ueinaert II met indeeling en korte glosse 
uitgegeyen hebben *). Indien dit alles zich werkelgk aldus heeft 
toegedragen, is de door Vondel yoor oen tragisch persoon ge- 
eischte >staetyeranderinge" in ruime mate zyn deel geweest, 
iets wat trouwens in die woelige Bourgondische perio<le hier 
te lande geen zeldzaamheid zal geweest zyn. Men zou dan in 
de glosse naast politieke toespelingen en blykeu yan rechtsge- 
leerdheid scherpe aanyallen op de hooge geestelykheid kuuuen 
yerwachten , en , yoor zooyer ik kan nagaan , beantwoordt de 
glosse aan deze yerwachting wel degelyk. Intusschen , dergelijke 
uitingen yindt men in • elk middeleeuwsch werk en yooral in 



gen fenUftD (gelQk Prien, t. a. p. 4, noot, fragrnderwijie oppert), ware de piMtt 
TiB den NederlAadtcheo unhaDger van Biaachop David als op? oeder fan den joDgea , 
{■ 1487 negenjarigen hert(^ Teel begrypelyker. Maar dat Philip» de Schoone kort- 
weg hertog Tan Lotharingen jrenoemd zou zijn , zal wel niemand ((elooven 

1) Eene byzondere aanleiding wat er waartchijnlyk niet en was ook niet noo^lig. De 
Rdaaert wat, blykens de prozaredactie van 147tf en den herdruk daarvan in l<485, 
BOg steeds populair. Verband te gaan zoeken byv. tusschen eenrn Willam dvt f'os, 
éw t ^f^ 1456—77 in (Urecht in de regeeriu); ge/rten, in 1477, als aanhanger der 
Bonrgooditrhe party gevangen genomen en verbannen, in 1481 van de algeroeene 
■aiBeatie oitgealoten wonit, zoodat de Paus zich zelfs voor hem in de bres stelt (zie 
Bmnnaa, Utr. Jaarb 3, register, op z|in naam en bovendien ald , bli. 474, 482), 
du eea aanvoerder der Itourgondisrhe party — en tussehen onzen Keiaaert, ware 
§ï te avoatavrlyk , al springt de naam ia dtat omgeving vanzelf in het oog. 



260 

de redacties van den Reinaert: zg zgu dus nog yolstrekt geen 
bew^s van Henric's redactorschap. 

Heeft men dus het recht, de beide H. v. A.'s te yereenEelvi- 
gen? De gegevens laten zich desnoods, hoewel niet zonder 
eenig wringen, met elkander vereenigen; doch de geheele toe- 
dracht der zaak klinkt ni. i. te zonderling om waarsch^olgk te 
kunnen worden genoemd. »Solche vermutungen bedürfen noch 
grösserer sicherheif', zeg ik Grimm (R. F. CLXXII) dienaan- 
gaande gaarne na, en die kan ik helaas niet verschaffen: de 
HH. Muller, Gonnet en Bruinvis, archivarissen van Utrecht, 
Noord-Holland en Alkmaar, wisten mg over Mr. Henric niets 
naders mede te deelen. Ik moet my hier dus vergenoegen met 
het bekendmaken van enkele nieuwe bgzonderheden en bet uiten 
van eenige twijfelingen tegen de identiteit der beide personen. 
Moge een ander gelukkiger zijn en over den persoon van Henric 
van Alcmaer meer licht kunnen verspreiden. 

Haarlem, April 1887. j. w. mxjllbb. 



SAKSISCHE NAMEN VAN PLANTEN EN DELFSTOFFEN. 



Korten tyd geleden is de boekerg der Universiteit te Utrecht 
▼errgkt met een klein bandschrift, 124 bladen groot, dat, be- 
halve twee bladen met versregels uit lateren tijd , een medi- 
cynboek bevat, welks schrift op de 13<^ eeuw ah tijd van ver- 
▼aardiging wyst. 

Op sommige punten vertoont het eenige overeenkomst met 
het door Prof. K. Regel beschreven Gothaër *) medicijubook , 
doch over het geheel wykt het hiervan aanmerkelijk af, ter- 
wgl de overeenkomstige artikels in redactie nog al verschillen. 
Wellicht zal men mogen aannemen dat beide uit eene bron 
afkomstig zyn, waaruit ook het Wolifenbuttler hs. nog al het 
een en ander heeft genomen. De taal van ons handsciirift wijst 
op de oostelyke provinciën van ons land of op de westelijke 
streken van Duitschland, grenzende aan üverijsel of de Graaf- 
schap Zutfen. 

De vervoeging van het werkwoord is zuiver Saksisch; vor- 
men als tt , t/u voor cht worden meer iu gedenkstukken uit 
die streken aangetroffen, terwjjl tot in Twenthe nog heden 
tiicht voor ndl. nUt gehoord en ook iu andere charters gevon- 
den wordt. De rh = ndl. /:, in dit hs. voorkomende, schynt 
niet volkomen de waarde van ndl. ch of hd. ch ie hebben : de 
/i 'lA hier wellicht van dezelfde waarde als in de spellingwyze 
ff/ii op dezelfde bladzyde toch vindt men r, k en rh , b.v. 
m^rrhtcorteleit 102, mercsap 104, li''^* 109, Jnk 115, «AW* 107 



1) Jftbrbarh dtt Vercint für niederdealirlw sprtckfortrhQDg 187^ Zwei mnd. Ar 
MBTtbüfher. <-od rhaii Cn%ih. W^ ood cod Wolfenb. 21. 3. ron K Kegel 9 5 

II 



262 

voor ndl. doek; óc, ók en och voor ndl. ook worden dooreen 
gebruikt. Niet onmogel^k is het echter dat het van een Doitsch 
voorbeeld is overgeschreven, hiervoor pleiten twee vormen nL 
trinke en leffele 109 v. waarnaast 121. r. weder lepel. 

Uit dit hs. waarvan ik in eene volgende aflevering meer 
hoop mede te deelen omtrent taal en inhoud, heb ik thans de 
namen der planten , steenen en andere stoffen opgeteekend. 
Eenige dezer plantnamen waren door behulp van Dieffenbach 
Gloss. Lat. Germ. wel te bepalen; waar deze te kort schoot, 
was mij een ander hs. der bibliotheek alhier van dienst, nl. 
Script, e cel. n^ 83, dat op blz. 174 e. v. eene Igst bevat 
getiteld : Apothecariorum synonima, waarin naast al- 
lerlei Latijnsche benamingen de Germaansche gevoegd zgn. De 
lyst is door my aangehaald als Ap. Sy. 

Namen van Planten, Kruiden, enz. in hs. 

414 ms. var. Utrecht. 

adick {Sambucus ebtUus) 61. r. beren de uppe deme adicke 
wasset. 

ad ie wortel 8. v. nim . . . adicwortelen half also vele (recept. 
V. oximel). 

affresia {Euphrasia officinalis) 26. r. De sere hostet, de 
scal nemen lacricien , de scone si scaven, unde hertes tunghen , 
helpe, afifresia. 

afru de {Abrotamum^averuit Ap. Sy. 177) 75. r. afrude is 
het unde droghe, der vrowen moder openet se, enz. 122. r. 
wedder der vrowen suke : se scaloc seden an wine afruden. 

agrimonie (Agrimonia eupatoria) 106. v. wan der hut ser: 
. . . . wirp dat in agriraouien. 122 r. wedder der vrowen sake: 
se scal oc seden an wine afruden, agrimonien. 

alant {luula helenium) 76. v. Alant is warm unde v ach tich , 
he is güt to der borst, to der lunghen, enz. 

alandeswortel 107. r. wan der hut ser: .... drinch enen 
ghoden thoge alandeswortelen , de au wine ofte and bere soden sL 



263 

mloe paditom (Aloë { hepatiea) 10. v. dar scnlttu to don 
aUoe paditum ene halve mare wicht. 78. r. aloë paditum dat 
is hei nnde droghe , it reyneghet den magen dat hovet unde de 
lade, enz. 

allune {Alumen êolsum Ap. Sy. 175) 58. r. weder dat munt- 
ser van der sucht; Nim allune deme de munt to dicke is van 
der Bocht, do dat twischen de tenen. 

mnis (Pimpinella anisutn) 4. v. weder de bette: .... holpe 
also vele, anis also vil kiene gepulveret. 20. r. van demegra- 
wen stene: ... witkomen sat; netelensat unde anis 67. v. anis 
is het unde droghe , he vordrifb de groven vuchticheit des min- 
schen. 

appel, apel 92. r. appel 92. v. — 22. v. sote appelle , 92. r. 
wirt vullicheit des kornes unde wines noch, kien apel. 92. v. 
Tele appele wasset. 

attrament {Chalcantum) 20. v. van deme grauen stene :.. . 
nim attramentes also vele unde pulvere ene clene. 

aurine (Gentiana rentaurium) 3. v. gechen de hette: .... 
80 scoltu nemen awrineu unde wermoden sat. 78 v. Aurine is 
twigerhande, grot unde clene. 103. r. he sede an wine polleyen 
aorinen, batonien. 105. v. sowe den spolworra hevet de sede 
awrinen mit wine. 

bato n ie 103. r. 11 1>. v. betonie 36. v. (lactonica 70) (Betonica 
ofirinalüf): van der kellenden gycht: .... de neme betonien. 103. 
r. he sede an wine ]>olleyon, aurinen batonien. 109. v. weder 
de moter: nim nacbt unde dach unde wermoden, batonien. 

benedicta {Geum urhanum) 115. v. nim wuntcrud, fene- 
kel, benedictam. 

beneriscen 58. r. (1. beverisceP) (berberis?) weder de kid- 
lende gicht: Nim ruden, salwen, der like vele, nim bene- 
riscen. 

ben we 11e {Sympfiytum ojtdnale) 102. r. weme de derme 
in de macht gath: de sede in wine polleyen, |>orloch, ben- 
welle. 

berenworth (Selinum paluttrt — Mdemonia Ap. Sy. 197.) 



264 

24. V. ofte en minsche tobroken si ; c. • . so acnltn nemen be- 
renworth unde helpe. 

bertram, berterameu {Anthemiê pyrethrum) 26. y. desere 
hostet: du seult nemen bertram pulveret also vele alao op 
eneme pennighe liggen mach. 52. v. dus make ene pillen : . . . . 
nim honichsem unde en clene bertrammes. 110 r. weder dmt 
witte in den oghen: pulvere twe des berterames unde ejm del 
ingevers. 

bete {Bèta vulgaris) 22. v. van deme sweren in deme Hto: 
.... peper scultu vormiden .... beten unde rove , genae , enede , 
note unde plumen. 

bevenelle iPimpinella satifraga) 115. v. sut bevenellen in 
alden bere unde gif eme alle dage drinken. 

bevergeyl {Scrophidaria minor of herba tri/olii febrint) 15. r. 
van den de sic vorvat an dranke: nim lorberen unde beyer- 
geylen. 38. r. van der suke der vrowen : . . . . so scaltn nemen 
bevergeylen unde lorberen like vele. 

beveritze (Berberis?) 110. v. weder de gicbt: ..,. unde 
beveritze helpt oc darto gegethen. 109. r. de sede salvien, be- 
veritzen, hintberen. 

billenkrut {Hyosryamua niger), 35. v. weder de kolden 
gicht : . . . . he scal nemen hedernetelen unde billenkrut like 
vele. 118. r. dit is aggrippa: nim billenkrut, hedernetelen. 

billen wortelen 37. r. van der kelleuden gicht: .... he 
neme billenwortelen , dranwortelen. 105. r. to deme hugen: nim 
billenwortelen unde make de to pulvere. 

bivot {Artemisia vulgaris) 103. r. welic vrowe der blomen 
nicht en hevet: de sede in alden bere; sevenbom, sincgronOy 
bivot. 103. V. so welker vrowen der dat kint im deme live ge- 
storven is, de scal to semene stoten ruden unde bivot, vene- 
col , enz. 

b 1 a d e 1 o s e 34. r. ( Crassula maior — Steynbladdose Ap. Sy. 
201). Nim persiksteue, hol wort like vele, bladelosen unde dat 
witte van twen eygen. 116. r. nim .... Hndenlof, bladelosen, 
levestok. 



265 

bli dat. 8. blye (Plumbum) 47. v. scrif dit an blye. 

blionien (Bryonia alba) 36. ▼. van der kelleuden gicht: de 
neme betonien, blionien. 

bietsten 46. y. {Bolus armenus Ap. Sy. 176) — {Lapis hae- 
fnatiUê Ap. 8y. 206) weder den blotganck : . . . . unde wriven 
den blotstên mit deme sape in ener scotelen. 

bliwit 118. y. bensalve: nim bomolie unde bliwit. 

bockesborn {Qassia Jistula Ap. Sy. 204) 41. v. So welli- 
ker yrowen de beyemoder klemmet umme dat herte, d» scal 
nemen bockesborn. 

bomolie 114. y. weder dat horend: .... dar sal men in 
don win unde boraoly. 118. r. dyalte: ... do dar to boraolye 
unde sla it togadere. 

bomyaren 121. v. weder de borst: nim bomvarensworte- 
len , nim smerwortelen , nim dninwortelen. 

bomwuUe (Bombyj') 114. r. weder dat horend: des morge- 
nes sal men dat ut wisken mit bomwullen. 

bon e {Phaseolus imlgaris) 63. v. weder den brant: nim bo- 
nin unde sud de also langhe dat du de oversten hut afdrucken 
mogbest. 

bonenstro 40.. y. so welich vrowe vorvroren is an derae 
kindelbedde ; . . . de scal nemen erwstenstro , bonenstro , wic- 
kenstro. 

born {Aqua) 35. r. en salve: . . . . so dwa he de dghen mit 

kolden borne, do den darna rosen water in de oghen. 115. r. 
nim liusat unde sut dat sere mit borne. 

botter, boter 63. v. weder den brant: .... unde nim 
meyghesche boteren unde luttere de an watere yan deme solte. 

81. r. make negen koken van weteme mele unde bestrike de 
mit botteren. 117. r. nim olde boteren unde snielte de. 

bramberensap {Rubtis frurtm^osiis) 109. v. unde drinch der 
bramberen sap. 

dach telenstc n (Achates*^) 84. r. Nim en dachtelensten unde 
scaf dar af an ber unde gif ener yrowen drincken de des kin- 
dee Dieht gheneeen kan. 



266 

darenwortelen (Conyza aquarroaa) 31. r. van der adhe- 
ren : .... he neme darenwortelen. 

dranwortelen 37. r. van der kellenden gicht: .... he 
neme billenwortelen dranwortelen. 117. v. dyalte: . . . nim dran- 
wortelen. 121. V. weder de borst:.... nim smerworteleu , nim 
dranwortelen. 

diadragantum 26. r. de sere hostet: .... so is de gutto 
helpende met desseme drierhande lactnarinm : diapendium , dia- 
dragantum unde penic. 

dyalte 24. r. (uit althéa wortel) ofte en minsche to breken 
si : .... du scult die sere smeren mit dyalte. 117. y. dit is dyalte: etc. 

diapendium 26. v. s. diapendium diadragantum unde penic. 

dyorenticum 39. v. van der suke der vrowen:..,. eyn 
pulver het dyorenticum. 

dragantum, dragant ^t^naderwort. {draguntea-nder^ 
laort, drakenwort Ap. Sy. 187 en 230) 4. v. dragant eyn half 
lot wicht. 78. V. scal men dar to don mastix ofte dragant. 120. r. 
dragantum. 

driakel 47. v. (Theriakel) so we ene fistelen an der wan- 
get he^et: de neme driakelcrut unde stote dat an eneme mo- 
sere. 48. r. adderbeet — men neme driakel.. 

e k e n 1 o 32. r., weder den harworm : . . . . twigé* des daghes 
wasche it mit ekeneme lo. 33. r. Weder dhe varenden : . . . . 
scave eme dat puWer in dat sere unde waschet ene des aven- 
des unde des morgens mit ekenlo. 

elhorn 14. v. {Samhucus nigra) hollenderen holt (2* hand) 
dat is elhorn efte vleder 58. v. weder de kolden gycht: nim 
elhorn. 80. v. elhorn, naderwort ghesneden nnde scaven. 

eiren lof {Betuia alnus) 32. r. iunck elrenlof scultu bernen 
to pulvere, so wor en ser is dat nen salve helen kan. 

embrenwortelen {Solanum quadrifolium hacciferum) 22. r. 
van deme sweren in deme live: .... so scultu nemen embren- 
wortelen, nader wortelen. 

emeteneyere 114. r. weder dat horend : . . . . efte men sal ne- 
men emeteneyere , vrowenmelch , porrolokis sap unde segen gallen. 



267 

e n g e y e r {Amonum zingiher) 19. r. wan deme maghen vor- 
koldet is: he scal netneo enghever, galegao , pardiscorne. 69. v. 
engheyer is to manegken diDghen güt nutteren getten ofte 
sloken. 110. r. weder dat witte in der ogbeo: pulvere twe des 
betterames unde eyn del ingivers. 121. r. ingibe condituin: 
. . • . uiide engeyer dat yerde del. 

e p p e 8 a t {Apium graveolens) 109. y. weder den buebete : 
palyer peper, eppessat enz. 

er witte 22. y. 119. y. wal esc e erwite 53. y. {Pi- 
sum) — 22, y. yisch, loc, erweten scult tu vorraiden. 119. y. 
weder dat water : nim yam . . . grone erwitte an scoden. 53. y. 
unde make de pilleu dat se werden also walesce erweten. 

erwitenstro 40. v. so welich vrowe vorvroren is an 
deme kindelbedde .... de scal nemen erwitenstro , wickenstro. 

e 8 e 1 a (Euphorbia esula) 18. r. yan der ro spise: . . . so scalt 
iu eme des pulyeres gbeyeu yan der esela ene halye walnut 
scelle ynl in deme oximelle. 

e s c 1 a m i n o r 10. r. {Chelidonia ?) Dit is en drank: Nim 
esclaminor dat krud. 

e s p e n 1 o f {Populus tremula) 35. v. so we de kolden gicht 
heyet de scal in deme meygbe nemen espenlof unde scal dat 
seden. 

etek {Acetum) 9. r. dre bekere godes etekes. 21. r. senep 
unde etek is eme bose. 107. y. make beden nat in starkem eteke. 

galigan (Maranta galanga) 19. r. wan deme magben yor- 
koldet is; .... be scal nemen engheyer. galigan enz. 67. y. 
galigan is bet unde droge be reynegbet den magben yan den 
bosen flecma. 

gartkomensat 39. r. (Carum carvi; Cumtnum alexandri" 
num Ap. Sy. 201. yan der yrowen suke: nim yenecolsat, 
peterciliensat , gartkomensat. 

(gentiaan) enciane (Gentxana lutea) 16. y. yan der ro 
spisen: de scal nemen encianen unde scal se eten. 

gerste 108. (hordeiim vulgare) v. tbegben de spruten des 
anilates: .... nim fenugretum unde gersten. 



268 

gerstenber 21. r. van deme grawen stene: he scal Tor- 
midea nige ber unde gerstenber. 

gerstenmele 64. r. weder den swellen : Du scolt nemen 
duvenmist unde gerstenmele. 

ger&tenmolt 106. v. van der hutser: de scal nemen 
gerstenraolt, bruwe dar af ber dat dicke si. 

gest 21. r. be scal vormiden nige ber unde gersten ber, gest 
unde eygersupent. 

gerstenstroSl. V. so welich minsche de harworm he- 
vet de scal nemen gerstenstro unde bernen dat to oselen«. 

grensich (Potentilla anserina) 118. r. Dit is agrippa: nim 
kedernetelen like vele unde grensinck. 

spanes grone {Cortex eris Ap. Sy. 175) 32. r. wedei 
den harworm : .... spanes grone unde pulvere dat kiene. 

hart (R^sina) 115. y. 2 maal. van der salven : nim altsmer 
unde smelte dat unde luttere dat van deme solte unde do dar 
hart to. — .... dat stot to semene an eme mosere unde do 
it to deme smolte unde to deme harte. 

haverber {Avena sativa) 12. v. goden win scal he drin- 
ken, god wetenber eder haverber. 

havergrutte 3. r. gechen de hette : dunne havergrutte 
sere soden sint eme och got. 

ha ver stro 57. v. van deme vlote der brust. nim haver- 
stro unde berne dat to aschen. 109. v. van den bladeren: .... 
dat de asche si van haverstro ghebrant 

h e d e {Stuppa , toerk) 30. v. Nim heden van vlasse unde legge 
de darin. 83. v. unde nim heden unde make enen piaster dar- 
van. 43. r. dhe open is twischen veile unde vleysche: de neme 
heyden unde sprochwiden. 

h e d e r n e 1 1 e 1 e 35. v. {Archangelica urtica urens) weder de 
kolden gicht: he scal nemen hedernetelen unde billenkrut. 106. 
V. wan der hut ser : .... nim hedernettelen unde solt. 118. r. 
nim billenkrut, nim hedernetelen like vele. 

h e 1 p e , h o 1 p e 4. v. {Marrubium vulgare) gechen de hette: 
.... ysopen en half verdinc wicht , holpe also vele. 24. v» ofte 



269 

en minscbe tobroken si: so scolt tu nemen berenworth unde 
helpe. 120. r. fiolen, helpe suddistelen , lungewort. 

hertes horn (Cochlearia coronopus) 20. v. van deme gra- 
wen stene: .... da scult nemen crevetes steyn unde herteshorn. 

hertistunghe {AspUnium scolopendrta) 4. v. geclien de 
hette; . . . . so scal men nemen bertestunghen. 76. r. eeleya . . . 
dat is lic der bertistnngben. 82. r. van der lungen : .... de 
scal seden an watere lacricien, hertistunghen. 120. r. nim ber- 
tistnngen enen balven verdinc. 

be«lin-, besline somerloten 48. r. ( Corulus) so 
wene en adbere ofte en slange gesteket : ... de neme hesline 
somerloten unde bete de an deme vure. 

hintberen 109. r. van den bladeren: sweme de bledere 
in deme antlate uplopet unde werdet de roven , de sede salvien , 
beveritzen, bintberen. 

witbofkomensat (Cuminum cyminum) 20. r. van deme 
grawen stene : nim . . . mercsat , witbofkomensat. 

h o 1 1 e n d e r {Samhucus) 14. v. de sik vorvat an dranke: 
nim bollenderen bolt (dat is elhorn efte vleder). 

boUenderes wortelen 8. v. oximel : nim venicoles 
wortelen .... bollenderes wortelen eyn clene, redic wortelen. 

bol wort (Aristolochia rlematith) 34. r. en salve: nim per- 
sikstene, nim bolwort like vele. 72. r. Holwort is twierbande, 
de ene is senewalt, de andere lanch. 

honieb, boneg — homelenbonicb 35. v. — 9. r. 
do dar to enen beker boneges. 35. v. en ougben bote: nim ba- 
sen bragben unde bomelen bonich. 

bonigbsem 57. v. weder den snuven : . . . . nim bonigb- 
sem unde make dat even dicke; lat dat stan acbte daghe. 

b o p p e {Ilumuluê lupulus, 119. v. weder dat water: nim varn 
unde grone bonen an scoden, grone wieken unde boppen. 60. r. 
en gut bote den vrowen : .... reynevanen hoppen , sud dat 
an en une ketele. 

bor (lutum) 52. v. weder dat swellen in deme balse: nim 
dat witte bor van ener gans, tempere it mit bere. 



270 

hunswarf {Digitus veneris , cinoglossa?) 116. r. Tan der 
salven : . . . . uim nachtscaden, crucewort , hunswarf. 

h u s I o k {Sempervivum tectorum) 30. v. van deme horetsere: 
de neme ruden unde huslok 105. r. to deme hovede:.. . darua 
neme ke fiolenwater unde huslokes sap. 116. r. van dersalyen: 
.... levestok , veneeol , huslok allike vele , stot dat. 

ingibe conditum 19. r. wan deme maghen vorkoldet 
is : .... du scult eme geven eyn lactuarium , dat het ingibe 
conditum. 121. r. dit is ingibe conditum. 

iserne hart ( Verbena offi/nnalia) 122. v. swelich vrowe 
des kindes nicht nesen mach , der sal men seden bivot ofte 
iserne hart. 

isope {Hyssopus officinalis) 101. r. Isope is heit unde droge 
... is gut der bosen lungen unde weder den bosen adhme enz. 

calianderes sat. {Coriandrum saturim) 20. r. van deme 
grawen stene : .... nim wegebreden sat , saxifrican sat , cali- 
anderes sat unde pendela. 

kamfer {Camphora A p. Sy. 249) 34. r. en oughen bothe: 
.... du scult nemen kampferes so grot , dat do eme des avon- 
des in de ougen. 

cardemomen {Amonium cardamonium) 67. r. cardemo- 
men sterket den roaghen , se dowet de spise. 

casrafistula 4. v. kastifistulam 120. r. {Ccusia 
fUtula — Bencrut, bockeshom A p. Sy. 248) 4. v. gechen de hette: 
. . . cassiafistula also vele. 120. r. kastifistulam , dragantum, rosen. 

c e d u a r e {Amonium zedoaria) 19. r. wan deme maghen vor- 
koldet is: .... be scal nemen enghever, galigan, pardiscornei 
zeduar. 69. v. ceduare is güt ghegetten. 

celeya {Aquilegia vulgaris) 76. r. celeya is ein crud dat 
wasset opper heyde, dat is lic der hertistunghen. 

kernemelic 18. v. he scal vormiden . . . allerhande melic, 
sunder kernemelic 

keselinghe {Lapis silex) 42. v. weder dat water : Nim nat 
sant ut deme watere unde grawe keselinghe unde graf de uter 
erde. 



circollen (Timbra sarcol Ap. Sy. 252) 108. r. chegen 
de antlates ylecke : nim ossengallen , do dar to circollen. 

klie (fur/ur) 108. v. chegen de antlatesvlecken : . . . . so 
iprerp dar in en Inttel wetener dien. 41. v, nim popelen , we- 
ten clyen. 

klofloc 55. V. clufloch 102. r. {Alltum sativum) 55. v. 
en pille: nim bevergeylen unde klafloc. 102. r. he sal och 
seden an wine: swayel, clufloch. 

c o b e b e n (Piper cubeba) 67. r. cobeben sint güt , se maket 
bliden mSt se gift gdden lucht deme munde. 

oom ene {Cuminum) 68. v. comene is het unde droghe, he 
Tordrift de bosen winde des maghen. 80. v. swe nicht wol pis- 
sen en mach: de scal stoten comen. 

co pil la 120. r. Dit is en vullenkomen sirop: nim hertes- 
tunghen enen halven verdinc, copillam, polipodium. 

koperok ( Vttreolum album swe galitzansteyn A p. S y. 1 76) 
34. r. en saWe: koperrokes so vele, so en doder van eneme 
eyge. 51. r. Soweme de senen untwi chehouwen siu : so nim 
koperoc gelutteret. 110. v. weder de vinnen: .... stot dar to 
copperroc. 

crevetessteyn 20. v. van deme grawen stene .... du 
scult nemen crevetessteyn unde herteshorn. 

kristiane (Astragalus gly^jp^^yllos) 120. r. dit is en vullen- 
komen ^irop: nim hertestungen .... lacrisien , kristianen. 

crncewort iSeneno vuhjaris) 116. r. van der salven : . . . . 
nim nachtscaden, crucewort, hunswarf. 

quede {Pirus cydonia) 33. r. so weme de vote utvallet an 
stncken: de scal nemen queden unde scal de an kienen pen- 

nighen sniden. 1 H. r. weder dat horent de sal ene witte 

gans fiillen mit eme witten ale unde mit twen queden. 

1 a c r i s i e {Glynjrrhiza glahra) 29. v. van deme hughe : . . . 
eten sucker unde iacricien , 67. v. Lacriscie is ghetemperet . . . 
se is gut weder den busten. 82. r. van der luugen; ... de scal 
leien an wat^re: Iacricien , bertistuu,{on. 120. r. lacrisien, kris- 
tianen. 



272 

lacricien sap 120. r. langewort , lacriciensap desser 
allike vele. 

1 a c t o n i c a (1. B a t o n i c a) 70. Lactonioa is het nnde 
droghe, he is güt mit wine unde mit honighe dranoken we- 
der dat water. 

leverblome {Anemone hepatica) 3. y. gechen de hetie : 
.... dar scolt tu to don leverblomen. 

levestok {Ligusticum levisiicum) 101. v. Levestok is heyt 
unde droghe, he dowet wol de spise. 116. r. Tan der salven; 
nim .... bladelosen , levestok , venecol. Vgl. lubistoch. 

levestockes wortelen 8. v. oximel : . . . . leyestockes 
wortelen also vele, mercwortelen. 30. v. van deme hovetsere: 
.... de neme ruden unde huslok , levestockes wortelen. 

1 i n. 102 r. weme dat lif sere dun is: .... he scal och ne- 
men gerstenmele unde lin. 

lilienwortelen (Lilium candidum) 81. v. van deme swele : 
.... so stot. 

lilienwortelen unde van popelen. 102. r. weme dat lif 
sere dun is : .... unde lin unde de wortelen van der lylien. 

1 i n d e n 1 o f 116. r. (Tilia) van der salven : . . . . nim iunc 
lof van sprocwiden, lindenlof, bladelosen, levestok. 

linsat 115. r. Nim linsat unde sut dat sere mit borne 
unde wrinc dat dor enen duch. 

lodeke — slichte lodeke (Rumex acutus) 43. r. dhe 
open is twiseheu veile unde vlevsche : . . . . du scult nemen 
slichte lodeken wortelen. 107. v. Nim de wortelen van der 
smalen slitten lodeken. 

1 o c (Alltum porrum) 12. v. du scult molken unde lok unde 
anetvochele unde gense vormiden. 22 v. van deme sweren in 
deme live: .... erwiteu, loc scult tu vormiden. 

lorbeer {Laura nobilis) 15. r. van den de sich vorvat an 
dranke: .... nim lorberen unde bevergeylen. 105 r. to deme 
hovede: de ueme polleyen unde lorberen. 38. r. van der suke 
der vrowen : ... so scaltu nemen bevergeylen unde lorberen. 

1 o r t h a 23. v. (in margine; dat is loreberen olyé) dit is van 



.Ül 



273 

der milten bote : .... so scultu nemen lortha unde scult die 
bi deme vnre mede smeren. 

loTengel {Lavandula spica) 38. r. van der suke der vro- 
ipren: . . . . so scaltu nemen bevergeylen unde lorberen likevele; 
do darto lovengele twie also vele. 

ubistoch {Ligusticum levistirum) 103. r. welic vrowe der 
blomen nicht en hevet : . . . . ofte se stote muehwort , lubistoch , 
aerenbom. 

lubbestoc sat 20. r. van deme grawen stene : .... so 
nim petercilien sat unde lubbestoc sat. 

lumeken 122 r. 41. r. lumeken nortmanen 119 r. 
( Veronira heccabunga) 41. r. so welich vrowe vervroren is an 
deme kindelbedde: .... se scal lumeken seden mit gronen swi- 
nen smolte. 122. r. weder de borst: sut lumeken unde bade 
de borst daarmede. 119. r. weder de moter: .... so scal se 
seden an watere lumeken nortmanen. 

lungewort {Pnhnonaria maculata) 120 r. dit is en vullen 
komen sirop: .... sudistelen, lungewort, lacriciensap. 

m a n d e 1 e 3. r. gechen de bette : mandelen , moseken is 
eme got. 

marcedonie {Macedomcum-kervel) 36. v. so we de hevet 
(de keilende gicht) .... de neme betonien , blionien , niarce- 
donien. 

marrobium {Marruhium ndgare) GO. r. en gut bote den 
vTOwen: .... nathtescaden , marrobium. 

m a s t i X (id. a. bertram) 77. v. mastix met colden watere 
dronken sterket sere der maghen. 78. r. mastix is gut den la- 
den mit den bosen kenebacken. 78. v. scal men dar to don 
mastix ofte dragant. 

ma terne [Matricaria parthenium) 103. r. welic vrowe der 
blomen nicht en hevet: de sede in aldcn bere seveubom, sinc- 
grone , bi? ot , popelen , materne. 

medeke (Eryihrodanum) 81. r. weder den scitten : ... de 
neme negen me<leke in der erde unde berne de to pulvere. 

meghede blo me {Camomiilus) 32. v. weder de varenden : 



f^Li 



274 

.... sint se eme utgebroken dat so siget so scal he nemen 
meghdeblomen. 

m e 1 i c 68. r. m e 1 i c h 79. v. — 68. r. anis : den vrowen 
oket he de melic. 79. v. wil se dat de melich vorga. 

mente (witte — ), minte. 100, r. (Mentha silvestrtê) witte 
minte is heit unde droge, se sterket den magen. 

mercsap {Sium latifolium) 104. v. deme de nese gerne 
blodet , de drinke mercsap. 105. v. de drovich is de drinke ste- 
des mercsap. 

mercsat 20. r. van deoie grawen stene: .... nim Inb- 
bestocsat, mercsat, wit hofkomensat. 

mercwortel 8. v. merchwortel 102. r. 8. v. oximel : 
nim venicoles wortelen unde petercilien wortelen like vele , merc- 
wortelen also vele. 102. r. weme dat lif sere dun is: de scal 
stoten vencoles wortelen, merchwortelen. 

m o r a t e 74. r. {Cochlearia amoracia) (Rude) mit moraten sape 
unde mit honighe menghet. 

m i n i u m (rot) 119. r. weder den bucbete: de neme rot 
minium unde wrive dat mit wine. 

m o s e k e 3. r. gechen de hette: .... man delen moseken is 
eme got. 27. r. de sere hostet: .... so welikerhande moseken 
ofte vleysch ghe nuttechet. 

muchwort? 103. r. welic vrowe der blomen nicht en 
hevet : . . . . ofte se stote muchwort , lubistoch. 

muschate {Myristica fragrans) 41. v. so welicer vrowen dat 
herte wateret unde kranc is , de neme muschaten. 66. v. mu- 
schaten blomen is het unde droghe; se sterket de leveren unde 
de milten. 

muschatenblomen 41. v. so welker vrowen dat herte 
wateret unde kranc is de neme muschaten unde muschaten- 
blomen. 

nacht unde dach {Parietaria ojficinalis) 13. v. Dhu 
scult nemen nacht unde dacb, de bebbet gele blomen unde 
blawe. 119. r. Nim nacht unde dach unde wermoden. 

nachtschade {Solanum nigrum) 116. r. van der salven : 



275 

• ... Dim nacbtscaden crucewort, hunswarf 60. r. en gnt bete 
den TTOwen: nim bivot, petercilien wortelen, natbtescaden. 

naderwort {Serpentina herha — dragantea A p. Sy. 187) 
22 r. van denie sweren in deme live: so scult tu nemen em- 
breowortelen , naderwortelen 40. r. van der suke der vrowen: 
naderwort, bevergeylen, lorberen. 80. v. so we nicht to stole 
gan en mach : . . . . elhorn , naderwort. 

o'egheleken 67. r. {Caryophyllus aromaticua) Negbeleken 
sint het unde droghe , se sterket den maghen , de leveren unde 
alle de diuck. 

negenkracht 43. r. {Tussüago petaaitea)^ Dhe open is twi- 
schen veile unde vleysche: de neme heyden unde sprochwiden, 
negenkrachi 1 19. v. scorflodeken , negencraft. 

nenocwortel 60. r. {NympJiea ?) Additamentum by : en 
gut bote der vrowen , nim bivot , petercilien wortelen. 

nortman 44. r.? van der leveren: .... de neme 

clene popelen, nortman, warmoden like vele. 

netelensat ( Urtica divica ?) van deme grawen stene : . . . . 
nim .... withof komensat , netelensat unde anis. 

n o t e {Ntix) 22. v. note unde plumen , berin unde honich 
unde sote appelle, grof brot scultu vormiden 

orendula {Eryngium'Orengel ^ walddUtel. Ap. Sy. 193) 
(121. r. ingibe conditum: nim de wortelen van orendula , was- 
8che 86 scone van deme saede. 

ossengalle 103. r. (Fel tauri 207. Ap. Sy.) thegen de 
antlatesvlecke : geghen de buien unde de wuUe unde vlecken 
des antlates : nim ossengallen , do darto circollen. 

ouscellen 33. v. (2) en ouchen bothe : nim ouscellen unde 
beme de to pulvere. 

paradiscorn {Cardamornum maius) 19. r. wan deme ma- 
ghen vorkoldet is : .... he scal nemen enghever , galigan , pardia- 
corne. 59. v. weder dat water : . . . nim . . . peper, paradiscorn. 

p e d i c 10. r. (Medtdla plantarum vel arhorum) dit is en drank : 
nim esclaminor, dat krud .... de wortelen scult tu .... scone 
scellen unde nemen de riuden ane pedic. 



276 

pen ie 26. v. {Feniculum porcinum-Penicum Ap. Sy. 191) 
de sere bostet: . . . diapendium, diadragantnm unde penic,de8- 
ser drierhande lactuarium. 

pendela {Filopendula Ap. Sy. 207; 20. v. van deme gra- 
wen fltene : .... calianderes sat unde pendela. 

peper {Piper nigrum) 22. v. van de sweren in deme live : 
.... peper scultu vormiden. 59. v. weder dat water; .... nim 
peper, paradiscorn. 

persikstene {Amygdahis persico) 34. r. eo salve: nim per- 
sikstene, nim holwort like vele. 

petercilie {Apium petroselmum) 8. v. oximel: nim veni- 
coles wortelen unde petercilien wortelen. 69. r. Petercilie is het 
unde droghe. Galienus spricht, enz. 103. r. welic vrowe der 
blomen nicht en hevet : de sede .... petercilien , venecol. 

p 1 u ra e {Prunus domestica) 22. v. van deme sweren in deme 
live : noten unde plumen .... scult tu vormiden. 

p o 1 i p o d i u m {z, vam) 120. r. dit is en vullenkomen sirop : 
nim hertestuDgen enen halven verdinc , copillam , polipodium. 

polleygen-polleyen. {Meiitha pulegium) 27. r. Nim 
salvien unde polleygeu. 102. r. de sede in wine polleyen, por- 
loch. 105. r. de neme polleyen unde lorberen. 

popel, poppel [Populus nigra) 44. r. Van der leveren: 
.... de neme cleue poppelea 61. v. weder den vorstal: nim 
popelen 81. v. van deme swele: so stot lilien wortelen unde van 
popelen. 103. r. de sede in alden bere: .... bivot, poppeleni 
materne. 

p o p e 1 i o 31. r. (id ) van der adheren : . . . . unde bestrike 
dat swel mit popelionen. 

porloc 122. r. por 1 och. 102. r. porrolokis sap. 
114. r. (Allium porrum) 102 r. deme de derme in de macht 
gath: de sede in wine polleyen, porloch. 122. r. weder der vro- 
wen suke: .... porloc mit petercilien. 114. r. weder dat he- 
rent : . . . . vrowen melch , porrolokis sap. 

p o r 8 (Myrica gale) 75, v. Pors is colt unde droghe, he vor- 
drift de bette van deme hovede. 



277 

radehelen {Agrostemma githago) 35 r. en oughen bote : 
de neme radehelen aode biode se umme den hals. 49. r. van den 
irnnden r . . . nim rot wuntkrut unde radehelen. 

r e d i k (Raplianus sativus) 29. y. van deme hughe . . . . so 
BGultu eme gheren redik. 

redicwortelen 8. 7. dus maken en ozimel : . . . . redic- 
wortelen , swerdelen -wortelen. 

reynyane ( Tanacetum vulgare, Reynvayn := artemisia do- 
mesUca matricaria media, Herba Marie maior, Ap. Sy. 177) 
111. Y, deme de lase de maghen eten: gif em den reyn vanen 
in deme Meyn nuttereu drinken. 

rel ik 115. v. (vide rol ik) van der salven: ... ribwort 
ande reliken, dat stot to semene. 

ribwort {Plantago lanaolata) 115. v. ribwort unde reli- 
ken, dat stot to semene an eme morsere. 

roghenmel {Serale cereale) 11. v. du scult nemen roghen 
mei unde maken eynen koken unghesolten. 

rolikensap relike {Achillea millefolium Ap. Sy. 186) 
104.r. to deme siden ovele: driok rolikensap mit wine, dat 
belpet ane twirel. 

roreswortelen {Arundo donax) 1 02. v. Swerae en pil 
efte en dom in deme li?e steket: de neme unde stote rores- 
wortelen. 

rofie 3. ▼. so scolt tu nemen aurinon unde wermodeu sat 
ande droge rosen. 73. r. de rosé is colt unde droghe, se is 
gfit geroken den Inden. 

rove 22. v. {Rappa-Navis Ap. Sy. 185) van deme sweren 
in deme live : . . . . beten unde rove .... scult tu vormiden. 

r u d e (Ruta graveolens) 30. r. van deme hovetsere : .... de 
neme ruden. 58. r. weder de killende gicht: nim ruden. 103. v. 
to semene stoten ruden unde bivot. 116. v. gicht salve: nim 
salvien , ruden , seveubom. 

safferan, sofferan ( Crocus sativus) 27. r. de sere hostet : 
nim salvien unde polleyen like vele, uude pulvere dat, sofferan 
alflo vele. 80. v. swe nicht wol pissen en mach: de scal stoten 

18 



278 

comen unde leghen sapheram an win. 100. r. Sofferan is hert 
unde droge .... efbe men den sofferan etet mit der spise. 

salyie, salue (Salvia ojicinalia) 27. r. Nim salvien unde 
polleygen. 74. r. van der salvien: Salvie is het unde droghe, 
se is gut der leveren etc. 121. En salve nim III saluen wor- 
telen unde sede dat. 

s a 1 s m e r 43. r. (robbentraan). Dhe open is twischen Telle 
unde yleysche : .... du scult rede hebben salsmer. 

sancamedia 36. ▼. van der keilenden gicht en bote : . . . 
de neme marcedonien, sancamedia. 

s a t u r e a (Scaturea) 104. r. neset se dar ran drade, se drinke 
satuream. — deme de milte to grot is, de drinke stedeliken 
satuream mit warmen watere. 

saxifricansat (z. Stenbreke) 20. r. Tan deme grawen 
stene : . . . . nim wogebredensat , saxifricansat. 

seblad {Nymphaea Ap. Sy. 183) 13. r. Wilta deme min- 
schen helpen van der suke de ene is angewassen^ so scolta 
nemen seblades wortelen. 

segengalle 114. y. weder dat horent : . . . . efte men 
sal nemen emeten ejere, vrowenmelch, porrolokessap unde se- 
gengallen. 

se nep (Sinapts) 21) 21. r. senep unde etek is eme bose. 
s e n e p m o 1 e n 49. r. nim fenekel unde make et dor ene 
senepmolen. 

sentauria 110. r. (ygl. aurine) deme de oghen ioken: 
Der sede sentauriam in virnen wine. 

sevenbom {Juniperus sabina) 103. r. welich yrowe der 
blomen nicht en hevet: de sede in alden bere sevenbom. 116. t. 
gichtfialve : nim salvien , ruden , sevenbom. 

sindowe 41. r. Drosera rotundifolia , Alchemüla wlgairiêf 
Leucopedion Ap. Sy. 192. So weliker vrowen de aderen besiop- 
pet sint, dat se nene vrucht untfan mach: de scal nemen sin- 
dowen. 122 r. weder der vrouwen suke: .... se scal oc seden 
an wine afruden , agrimonien , batonien unde sindowen. 

sincgrone {Vinca minor) 103. r. welic vrowe derblomen 



279 

nicht en faeret: de sede in alden bere sevenbom, sincgrove, 
broot. 

si po 11e (AUium cepa) 114. y. ofte mesal enen sipolen bo- 
Ten afsniden. 

sceven 115. r. (voor een ben wond) make enen knust van 
linenen doke nnde bint dat mit den sceven. 

aker Tel 114. y. wringen dat dor enen doch an enen 

gropen skerrel. 

scode (de bast) 119. y. weder dat water: nim yam unde 
grone bonen an scoden, grone erwitte an scoden. 

scorfl odeken (Rumex acutusf) 119. y. weder de moter : 
. ... sprocwiden, scorflodeken, negenkraft. 

slee (Prunus spinosa) 77. r. De slen sint güt, colt sint se 
unde droghe; yan den spricht Djascorides etc. 

s m e r 1 e (Amarülus) 33. y. so we bat en seren yingher : de 
scal nemen smerlen unde scult de tospliten, leghen eme up 
den yingher. 

smerwortel 121. y. weder de borst : nim bomyarenswor- 
telen, nim smerwortelen. 

smolt 8. 2. en supent maken : yet mit smolte. 58. y. nim 
olt swinen smer, smelte dat, nim smolt, loghe licke yele. 

solt 102. r. enz. Weme de dernie io de macht gath : . . . . 
he sal ook seden an wine swayel, cluflock unde solt. 

sprocwide 116. r. 119. y. sprochwide 43. r. {ScUüs 
/roffiUê) 43. r. dhe open is twischen yelle unde yleysche: de 
neme heyden unde sprochwideu. 116. r. yan der sal yen : .... 
honswarf, innc lof yan sprocwiden. 119. y. weder de moter: 
uim nacht unde dach unde weermoden, batonien , sprocwiden. 
stenblome 48. y. (Melissa calamintha ?) so welich wunde 
iowort geblot heyet: de neme stenblomen unde seden de an 
wine. 

stenbrekensat {Saxi/raga granulaia) 59. r. we<ler de 
kolden gycht: nim peterciliensat , mercsat. stenbrekensat 

storit (Stt/raj; ojfficxnalu) 17. r. yan der ro spise: ....des 
yerden daghes scolttu nemen storit also grot also ejn iung he- 



280 

neoej. 18. r. Is de minsche also kranc dat tu eme nicht en 
dorst storit geven , so gif em esela drank. 

sudistel {Sonchus oleraceus) 120. r. dit is eo Tallenkomen 
sirop : . . . . rosen , fiolen y helpe , sudistelen. 

sunderclot 42. y. {Ferrugo calctuton) weder dat water : 
.... nim sunderclot uter smede unde make den steyn ande 
sunderclot glogbendicb. 56. v. do dar in glogendhe sunder- 
clote. 

surdegh 106. v. {Fermentum-suerdeich Ap. Sy. 208) wan 
der hut ser: .... nim hedernethelen unde solt, eyn Inttel sn- 
res deghes. 

swe rdelenwortel {Iris pêeudacorus^ GladioluB domesH" 
cus'sweerdel Ap. Sy. 180) 8. 7. dus maken en oximel: .... 
redicwortelen , swerdelon wortelen. 

s w e V e 1 107. v. swavel 102. r, — 102. r. Deme de derme 
in de macht gat: he sal och seden an wine swarel, clnfloch 
ande solt. 107. y. Nim swevel, stot ene clene. 

yarn (Folypodium füix) 119. y. weder dat water: nim ymm 
unde grone bonen an scoden. 

fenekel 115. y. yenecol 103. r. f enecol 79. t. 
[Anethum foenicxdum) 79. y. wil de yrowe yele meh'ch hayen : de 
neme fenecol. 104. r. welich yrowe en dot kint: .... de scal 
to semene stoten ruden unde biyot, yenecol efte anis. 115. t. 
yan der sal yen: nim wincrud, fenekel. 

yenecoles wortel 102. r. weme dat lif sere dan is : 
de scal stoten yenicoles wortelen. 

fenugretum 108. y. ( Trigoneüa foenum , fenum grecutn) 
theghen de spruten des antlates : . . . . uim fenugretum unde 
gersten. 118. y. nim. 

yiffoUir 62. r. {Pentophyllon vyffblatcruit Ap. Sy, 255) 
weder den yorstal : . . . . is it in deme wintere so uim watieh 
yifi'oltir. 

fiole {viola odorata) 4. y. rosen eyn lot wicht, fiolen abo 
yele 74. y. fiole is colt unde yucbtich. 120. r. dit is en ynl* 
lenkomen sirop : rosen , fiolen , helpe. 



281 

fiolenwater 104. y. to deme hovede * de dwa dat Tor- 
hoTet dicke rait coldeu watere, dar na neme he fiolenwater. 

TÜspane 38. ▼. weder der vrowen suke : . . . . de scal ne- 
men yilspane ran yseren. 

TÜt 51. V. (JUtrunij cento) dar en ben untwei is: .... 
legbe den nlt in de schenen unde leghe den vot uppe de dekene. 

T 1 e d e r (Sambtuns) glosse op blz. 14. r. by hollenderen holt 

fa ma sterre 73. r. f u mester 21. r. (2) (Diefb. 251 
/umiterra nl. nannenkrudt) 21. r. Van deme grawen stene: .... 
so scnlt ta nemen fumesterre unde scult dat pulveren. — So 
scal he des fumester eynen goden toghe drinken. 73 r. fu- 
mus terre is warm unde droghe .... 

w a I n u t 10. ▼. {Juglans regta) nnde scult des pulveres dar 
in don ene halve walnut scellen yoI. 43. r. nim also vele ge- 
ghen ene halve walnut scelle vul. 

walrareC?) 22. r. van deme sweren in deme live: so 
scolta nemen embren wortelen .... bevergeylen , walraven. 

wepdorn 116. r. {Rosa canina) van der salven : nim dat 
lof van deme wepdome unde stot dat mit reyneme smolte. 

wegebrede (Plantago maiovy Amoglosêd) 71. v. van der 
wegebrede: de weghebrede is kolt unde droghe; dor dat dro- 
gfaet se vule wunden. 

wegebredensat 20. r. van deme grawen stene : nim 
wegebreden sat, saxifrican sat. 

w e r m e d e 75. r. w e e r m o d e 119. v. w a r m o d 44. r. 
w o r m e d e 60. r. {Artemisia absinthium) 3. v. gechen de 
bette : . . . so scolttu nemen aurinen unde wermoden sat 44, r. 
van der leveren : de neme clene poppelen , nortman , warmoden 
like vele. 60. v. en gut bote den vrowen : . . . . snd wormeden 
in olden bere. 75. r. wermede is het unde droghe, se vordrift 
och den slim van deme munde des maghen. 119. v. weder de 
moter: nim nacht unde dach unde weermoden, batonien. 

wetenber {Triticum êativum) 12. v. goden win scal he 
drinken; god wetenber eder haverber. 

w i g 1 e 43. r. {êolix t) dhe open is twischen veile unde vley- 



282 

sche : de nome heyden unde sproch^iden , negenkratht mit der 
wiglen like vele. 

wicke(grone-) ( Vicia) 119. v. weder dat water: nim 
yam unde grone bonen an scoden, grone erwitte an ecoden, 
grone wieken, 

w i e k e n s t r o 40. y. weder de sake der vrowen : • • • . de 
scal nemen erwtenstro, bonenstro, wickenstro unde eeden dat 
in eneme ketele. 

wuntcrud ( Veronica ofjicinalü) 115. y. Nim wnntcrad fe- 
nekel, benedictam, ribwort unde reliken. 49. r. yon den won- 
den : . . . . nim benedictam , nim rot wuntcmt. 

wintworpe {Bilio ?) 32. y. weder de yarenden : so weme 
de yarenden utbreket de neme wintworpe. 

wiswort ( Convallaria polygonatum). Dit is en drank , den 
de minscbe drinken scal : . . . . du scult nemen wiswort ande 
scellen de wortelen unde droghen de. 

z e n n e u ' (?) ^) 22. r. yan deme sweren in deme liye: . • • . 
so scult tu nemen embrenwortelen , naderwortelen , zennea\ 
beyergeylen. 

Utrecht, 20 Dec. 86. 

I. H. OALLÉB. 



EEN FRAGMENT VAN PE TWEEDE VERTALING 

DER ROSÉ. 

In de boeker^ der Uniyersiteit te Jena beyindt zich een per- 
kamenten blad , met Middelnederlandsche yerzen beschreyen. 
Door yriendelijke bemiddeling yan Prof. Fr. Eluge, aan wien 
ik deze mededeeling te danken had, werd my dat blad door 

1) Niet duidemk leesbaar. 



288 

het Bestuur der bibliotheek welwillend toegezonden , om het te 
onderzoeken en ten nutte onzer letterkunde aan te wenden. 
Het bleek my van genoegzaam belang, om den inhoud hier 
aan myne vakgenooten bekend te maken. 

Het is een blad van een handschrift in klein-folio , met helder- 
xwarten inkt zeer duidelyk geschreven. Elke bladzyde bevat 
twee kolommen» elke kolom 40 regels: het geheel telt dus 160 
Tersen. In den loop des tyds heeft het veel geleden. Een roeke- 
looze boekbinder heeft het blad om den rug van een boek ge- 
slagen , zoodat het middelste gedeelte den rug bedekte en de 
bovenste en onderste kanten tot schutbladen dienden. Daardoor 
zgn VS. 61 — 66 en 100 — 105, maar vooral vs. 20 — 25 en 141 — 
145 erg beschadigd. Nog ziet men er de koorden in afgedrukt, 
die by het innaaien van het boek dienst hadden gedaan. Van 
Ts. 20 — 25 is zelfs het grootste gedeelte weggescheurd. Gelukkig 
zyn de overige verzen grootendeels ongeschonden en nog vol- 
komen leesbaar. 

Uit den inhoud bleek mij aanstonds, dat het fragment een 
deel heeft uitgemaakt van eene vertaling der Rose^ en wel van 
de tweede bewerking, waarvan Verwijs in zijne uitgave eenige 
andere overblijfselen heeft medegedeeld (bl. 245 — 258). Ons 
fragment is vertaald naar den Franschen tekst uit het eerste 
gedeelte van den Roman, door Guillaume de Lorris bewerkt, 
en wel naar ts. 2516 — 2634, bl. 82 — 86 der uitgave van 
Fr. Michel. Het beantwoordt aan vs. 2500 — 2648 der vertaling 
van Heinric van Aken. 

Een paar fragmenten van deze tweede bewerking, uit twee 
dubbele bladen bestaande en te zamen 640 verzen bevattende, 
zyn sedert 1863 in myn bezit en door mij aan Verwijs ten 
gebruike gegeven , die ze op bl. 249 — 257 liet afdrukken. Zy 
waren omstreeks 1825 door myn Vader, Dr. A. De Vries te 
Haarlem, losgemaakt uit den baud van een hem toebehoorend 
exemplaar van den Fasciculus Temporum. Naar een afschrift 
van Bilderdyk reeds in 1840 uitgegeven door Clarisse in De 
Jager's Taalk, Mag. III, 163 — 222, zyn zy eerst later door 



284 

Jonckbloet als gedeelten der Rosé herkend ^) en door V^wgs 
in z^n werk opgenomen. Merkwaardig nn mag het heeten, dat 
het te Jena gevonden blad ongetwigfeld tot hetzelfde handachrift 
heeft behoord als die vier onder mg berustende bladen, Deielfde 
soort van perkament, dezelfde grootte, hetzelfde letterschrift , 
gelgk getal van kolommen en verzen, en in beide dezelfde 
eigenaardigheid, dat de groote letters, die bg elke alinea be- 
hoorden te staan, wel op den kant door eene kleine letter 
aangewezen, maar later niet door den rubricator zyn ingerold. 
Beide hebben derhalve deel uitgemaakt van denzelfden oodez 
en nu , na eeuwenlange scheiding , elkander voor een paar weken 
op myne schrgfbafel ontmoet, — doch om straks daarop weder 
voorgoed te scheiden ! Het ééne blad gaat naar Jena temg , de 
vier andere worden door mg aan de Maatschappg der Neder- 
landsche Letterkunde afgestaan , om voortaan in hare bibliothedc 
rustig bewaard te blgven. 

Ik laat hier het nieuwgevonden fragment volgen met de 
noodige ophelderingen ter toelichting vandeminofmeerdoistere 
plaatsen , voor zooverre de vergelijking van den Franschen tekst 
en van de vertaling van Heinric van Aken mg daartoe in etaat 
stelde. 

Leiden, 3 Sept. 1887. 

K. Dl VEI18. 



a. groete droef heit mgn, 

nc ghesgn *) 

In dit bedde, daer ie ne mach 
Ruste hebben nacht noch dach. 
6 Met sulken rouwe, met suiker clage 
Saltu den nacht al toten dage 



1) GeêcAicdenis der Mnl Diehtkumit, III. 837. Verg. TaM. Mê§, UI, SU. 

2) Denkel^k aan te Tallen: Davr in ie kekbe ls»e gkeeijn. 



285 



Orerliden, dat seggic die, 

Eendio ^) der minnen sede nie. 

Maer ofbu danne ne moges niet 
10 Langer liggen in dit verdriet, 

Du aalt opstaen ende di gereden , 

Cousen scoyen ende cleeden, 

Eer da sies die dageraet, 

Ende gaen henen, data mijn raet, 
16 Stillekine, alst ware een dief, 

Ten huns wert daer da heres een lief. 

Al» du daer voren comen best ^) , 

So saltu sien oest ende west 

emen hevet gesien , 

20 t ganc vort mettien 

chter . . . 

men v . . . 

daet .... 

êade .... 

26 n of . . es veil 

Sonder horten ende s 



1) Kêmdie, ereiudt in de eente Tertaliog» in A: c^pdW/ ie mnt komdê, en in 't Fr. 
m ymqmtt .. . ommm». Doeh b^ C, in den tweeden peraoon: y fa/ ghi moU kimmei. 
Zoo ock m Chanoer: ij' ê^r thoa knew. Verg. Verwys, bl. 41. 

2) Sommige der hier rolgende rerten i|jn deerlyk beechadigd, rooral doordien een 
•Uk fia het perkament ii weggeecheard. Vs. 17— M loiden in de JUm, l, bl. 88, 
▼a. 2i80 Tlgg.: 

Une hore irai k l'ait derriéree 
Saroir s'il eet rem^ deafen, 
St jacherat ilaee defon 
Toat lens i, la plaie et an rent. 
Aprèi iraa h l'ait derant; 
St ie ta trenTee fendéare 
Ne feneetre ne lerrtere, 
Oreille et eeoonte parmi 
S'il ie tont Itea endormi. 
▼a. 19 moet aeker akiaa worden aangerold: 

Of ét utemen herat gaaien. 



286 



Vintstuse besloten, so salta gaan 
Ter vorder dore; daer salta staan 
Ende horken') of si alle slapen, 
80 Heren ^), Trouwen ende knapen, 
Slaepen si ende duse hors in wake, 
Die di doet leven met ongemake, 
Maecke dine clage vor die dore 

« 

So lude dat die scone hore 

85 Ane dgn suchten ende ane dgn carmen, 
Datta niene macht geharmen 
No gemsten dor haren wille , 
Die di torment lade ende stille. 
Hare sal ontfarmen diere smerten, 

40 Si en si alte hart Tan herten. 
b. Alstu dan aldas hoTOS gedaen, 

Soatu thans wert keren saen. 
Maer cusse die porte daer ai es inne, 
Eer da gaes, dor hare minne, 

46 Ende emmer wacht, hoe soet gesde, 
Datti noch man noch wgf ne sie 
Daer bi nachte gaen noch keren, 
Oftu wilt wachten haerre eren. 
Dustaen keren, dustaen gaen, 

60 Dnstaen waken, spreken, staen 
Sal di doen mageren ') dyn Tel 
Onder dijn cleet, dat wetic wel. 



1) Horkem, hd. korckem, eni kmrk, laitlaren , by IUImab «MMi/tef». V«rg. Vdtkoi. 
II, 11, 11, wAar men de bedonren Yenen ddut leie; 

Seat ende penninge die kér$ boet 
Al bemelike, dU borken doet 
Meaigew, diet omae niet e» dade. 

2) Ht. Here. 

8) Ht. wtarpn, docb dat de ware leiiiig wtm^erm u, bl(jkt nit Ba9$t ▼•• S5ii: 

Icit venira, ieit alert, 
Icit Yfülien, irat parkrt, 
Foot ai amaat tou lor drairfau 
Darement mmmgrir lor piaM, 



287 

Dit salta sniemen wel bekinnen, 

Want die forche yan der minnen 
ft Ne laet ne genen minre fijn 

Vet of wel gevarwet sjjn. 

Dese geliken niet den gone, 

Die yalscer minnen syn gewone 

Ende ommegaen met haren liegene 
10 Om die Trouwen te bedriegene ') 

Met haren valscen boseloren ^) , 

Ende seggen dan dat si verloren 

Hebben eten ende drinken 

Dore hare minne ^ daer si omme êlinken. 
ift ISochtAn êie ie dat si sgn 

Y etter dan gemeste swgn ^). 

idere vertaling (ts. S658): 

Dit gmen, dit keren ende dit wtken 
Doet den minnare wtm^er maken 
Ende afhemen syn anieyn. 
ïüè eerst ie hriêgtne, doeh het laatate woord it doorgeaohrapt en door 
errangen. 

taat er letterlek. Het woord ii volkomen daidelyk leesbaar. Het vooraf- 
9M is eenigssins beschadigd, maar toeh is de leting niet twyfelaehtig: ik 
>ers één Toor één herkend. Wat butelorem betreft, bet woord is tot hier- 

▼oorgekomen en is my, ook na een naawgeiet ondersoek, even dnister 
, moet dos wel myne toeTlucbt nemen tot eene gissing. Blykens bet fer- 
èmmlorem sooveel beteek enen als heustUoéU, ktiff€mmcktif$ frtuUjêt, é#- 

Dit doet Tansclf denken aan eene sameasteUing taa kuêel, h$uad, ea 

die beide in deselfde beteekenis bekend zyn. Voorbeelden van hêwml, by 
mwum/a, \indt men bg De Jager, FgneJk 260, iVsy. 1, SI, en Onde- 
Sr. I, 668. Lort, by Kiliaan umffoe, vanwaar lorem^ bedriegen, lonr^^ 
«, is betxelfde als Uur, ait oase oade klaebtea overbekend. BmêmUormt, 

deelen bestaande, loo dan eigenlyk èemz$kmdê /^MprMi(;«f beteekeoen. 
jesehreven, kon het licht verkeerdeiyk èmselorem worden gespeld. Is echter het 
lomaanschen oorsprong , dan kan het verwant lyn aan ital. la^ , leagea , 
en, buffiardo , leogenasr , ofr. boiêcr , bedriegen . èoisdié , bedrog , mlat. èmmiis 
WW. hautiart, èosiare (Da Cange I, 629 vlg.), waarby dan evenwel de ait- 
tvarklaard blgft. Do^h dit alles, ik erken het, is niet meer daa gissea, ea 
t vaa gissingen , want hei r^mwoord op fisstm is maar al te vaak wusttn, 
rgelykiag met het Fraasch maakte het mogeiyk, de oaleesbare woordea 
I. Uft loidt (vs. 8ft64 vlgg.): 



28S 

Voert soutu wesen goedertiere 

Jegen dijns selfs cameriere ^). 

Coep hare cleeder ofte scoen 
70 Of ander scoenheit na hare doen , 

So dat si bidde dine lieve, 

Dat si di in hare herte brieve, 

Ende segge dat si di heefb vonden 

Goet ende hovesch ') te meneger stonden. 
75 Dyn lief ende alle diese minnen, 

Ende die hare heimelichede kinnen, 

Saltu vordren in elke stede 

Ende doen hem ere ende werdichede. 

Daer machti vordeel groet af comen, 
80 Alst ^) die scone heeft vernomen, 
c. Uter gheburten, wat soes ghesciet, 

En saltu di ververen*) niet, 

Qai vont les dames traissant, 
Qai dieut por eas losengier 
QqMI ont perda boivre et mengier; 
. Et ge les Toi, les jengléora, 
Plus cras qa'abb^ ne que priors. 
Het laatste vers, dat onze vertaler verving door vetter dan getMtte twijn, is door 
den anderen bewerker getrouwer overgezet (vs. 2667 vlg.): 

Want vetter siet men al hare lede 
Dan abte oehte prioren mede. 

1) Onhandige vertaling. De bedoeling is niet moe eigen kamenier, maar Amre 
kamenier, die van uwe beminde. Rote, vs. 2569 vlgg.: 

Encor te commant et encharge 

Que Usnir te faces por large 

A la pucele de VoeUl. 
Beter by den anderen vertaler (vs. 2671): 

Jegen die maget, die met kare woent 
Het is opmerkel^k , dat in ons fragment b\| dit vers op den kant een kroi^e staat , 
als om aan te duiden «lat het niet in orde, niet goed vertaald is. 

2) Us. hoveêche. 
8) Us. AU. 

4) Het wederkeerige voornaamwoord di verhindert b^ ververen aan v e rv e ir e n te 
denken. Men vatte het derhalve op als ververren, verw^deren, en vergel^ke, wat des 
vorm betreft, het oude veer, verre. Roêe, vs. 2681: 

Da pais gairea ne feeloigne. 



289 



WtLui die Tan Tor ogen ^) es , 
Eb teer Tergheten, des sgt ghewes, 
86 Nameliken yan den Trouwen, 

Dies mach elc die waerheit scoawen, 
Want si wandel sgn Tan sinne 
Ende ongestade ane die minne. 
Heefstu noetsake so groet, 
90 Dattu moets Taren dor die noet 
Van dinen ÜTe in Tremden lande, 
Laet hare bliTen tenen pande 
Herte ende sin ende dine trouwe, 
Dattn hare wesen soat getrouwe 
95 Ende pinen omme weder keren saen, 
Als dine besichede es gedaen. 
Als du dan weder comen best, 
Oauc te hare, dat dinct mi best, 
. . eer du leges of eer du e<#, 

100 Of eer du drincs of eer du , 

So laet of du waers Tererret 
Dattu so lange hoTes gem^rre^, 
Ende soe . . sculdenesse ') dan . . . , 
Ende daer . . . mach om haren s • . 

105 Ende out .... oet hare den dr . • n 
Ende Tan gena . • dander • . • • n 
Daer du om hare hoTes gesgn ')• 
Nu hee&tu die gebode mgn 
Van minen monde bier gehort. 

110 dse di te houden Tort, 

Oftu wilt Tan diere minnen 
Bliscap ofte goet ghewinnen' 



•1 



farkwtardige nitdrakking met dobbel Tooneitel: wor og€m ab eenheid opgerat 

. bet Toon. mm TerboDden, in den tin Tan om mii 4ê ooftm. 

Uk woord il toI komen duidel^k te leiea. 

^t. 99 — 107 Toor een groot gedeelte OBTentuabeer. Het Franeeb en de andera 

ig gevea geea liebt. 



290 



Als ie yan der minnen gode 

Hadde gehort al sine gebode, 
115 Ie seide: >Here, nu maeet mi wgs, 

Of gh^t gebiet, in welker wijs 

Enieh minre gedogen maeh 

Sulke pine *) naeht ende daeb 

Ende also menegen arbeit, 
120 Als ghi mi hier hebt geseit. 
d. Want mi wondert utermaten, 

Dat s^gie u bi caritaten^ 

Hoe enege herte, waerse hart yan stale, 

Maeh gedoren in suiker quale, 
125 In sole torment, in salker hellen, 

Alsie u mi doe horen tellen'*. 
Der minnen god andworde mi 

Ende seide: >yrient, dat seegie di, 

Hen maeh niemen hebben goet, 
180 Hine besart, dies benie rroet. 

Besurde dine men sere *) mint 

Dan die men liehtelike gewint. 

Dus eest van desen namelike. 

Hen es pine diere gelike, 
185 Minres pine, want niet mee 

Dan *) men osen maeh die zee , 

Dat si droge sonde bliyen, 

Sone moehtmen tellen no bescriyen 

Alt fernoy dat si gedogen, 
140 Die om getrouwe minne pogen 

Sonder enich loes b ^). 



1) Dit pimé was aertt OTergetlagen , maar u er later met kleine letten botea gt* 
ichreTen. 

2) yersta Mem, in den comparatief. 

8) Ht. Dat. — Oten, uittcheppen, leegteheppen; bf) Kiliaaa: «Oimm , eikauir».* 
Het woord komt nog in de 17de eeow Toer: sie üe Jager, J^ntf. I, SOS 
4) Het laatste woord sal wel Acum/ geluid hebben 



291 



Noehtan leefsi, hoe soei gSLêi^ 

In deser pine, in deaer noet, 

D. . natorlic es s ... en s^e^ ^). 

145 Een mensche die inden iE»rker leget 
Onder die worme, in dien stanc'), 
Sonder aet ende sonder dranc, 
Hen ware allene dat men hem geeft 
Water ende broet daer hi bi leeft^ 

160 Also men den gevangenen pliet, 
üine sterft om die pine nt^t; 
Want hi hoept dat hi noch sal 
Verwinnen al Rgn ongeval, 
Ende hi int ende sal ontgaen. 

115 Dus eest mettien die legt gevaen 
In den kerker yan der minnen. 
Hi hoept dat hi noch sal gewinnen 
Int ende bliscap yor die noet. 
Dus wert die hope van hem die doet, 

160 Die hem geeft troest ende coenheit mede. 



I Vê, 141 — 144 grootendeeU onlaMbaar en oavenUaabMr. Ook ontbreekt er een 
» Uttkeai ket r^jm. Het FranMk keelt (vi. S620): 

St toatee Toiee conrient Tirre 

Let emtnt, qa*il lor eet meitiera: 

Ckaeennt fait It mort rolentiert. 
n èê nadere Teitnler (ti. SS27): 

Dot leeft ki met pinen groet. 

Al wnrt dat ki geme wnre doet. 
) Mom, TB. S5SS: 

Gl qoe Ten met en ekartre oecnre 

Bt en Termine et en ordnre. 



292 
OVER WOEKER. 

MiDDBLKBDB&LANDSCH F&AGMKNT. 

Van het Tolgende fragment geyen de achttien eerste Tenen 
eene inhoadsopgave blgkbaar van eenig boek eener Doetrinad 
(of Spkghd of hoe het werk hebbe geheeten), waarin de > Tree- 
heit** was aan de orde gesteld. De Tolgende (ts. 19 — 264) loepen 
OTer » woeker'* en de zeTen laatste OTer >roef/' twee Tan de 
negen species, die naar het getuigenis Tan den dichter, de 
»vrecheit" telde. Voorzoover ik weet, zgn er geen mnl. didac- 
tische gedichten bekend, waarin OTer > woeker" wordt gehan- 
deld gelgk in dat fragment. In de Dieteche Doctrinael komt 
ook de » woeker*' ter sprake, bT. II, ts. 417 en Tlgg. en tb. 
2227 en vlgg., maar op geheel andere wgs, en zoo insgelgks 
in de Nieuwe Doctrinael [Spieghel der S(mden) Tan Jan de Weert, 
die slechts zeTen graden Tan » ghierecheit" noemt (tb. 800 en Tlgg.): 

»Ambicio so heet die eerste graet; 

Symonia hier na staat; 

Die derde graet heet asura; 

Die Tierde latrocinia; 

Die TJjfte heet perjnria; 

Die seste heet rapina; 

Die scTende injnsta judicia*' ^) , 

en waar dus blgkbaar eTcnmin het fragment te huis behoort. 
Ook het weinige, dat het fragment geeft OTcr ^roef' (tb. 611 
en Tlgg.): 

>een sonde, die Terre ende na 
Onder die edele liede wel es bekint: 
In dietschen heet men transament. 
Dit s^n ontscamel edelinghe of heeren 
Die haer toIc roTen ende transeneren'* ') , 



1) Blommaisbt, Ovl Oêd. III, bl. 78. en IftO. 

2) T t. pi. bl. 82 en 150; rerg OTer •Treeheii** en hare doebiert AUm,, X, ft. 4i m ▼!§§. 



293 

Tind ik noch in het eene noch in het andere werk terug. 
Daarom ben ik myn ambtgenoot en vriend, Mr. M. S. Pols, 
ten zeerste verplicht voor de welwillendheid , waarmede hy mgne 
mandacht vestigde op 't fragment en me in de gelegenheid stelde 
het af te schrgven. Het blad perkament, waarop het staat ge- 
schreven , dient tot omslag der verschillende Rechten van Patten 
en van Geervliet (alwaar het berust op het oud-archief der ge- 
meente), maar is, ook naar het oordeel van Prof. Pols, onge- 
twgfeld veel ouder dan 27 Januari 1488, den datum van het 
jongste stuk ^). Van de vier folio-bladzyden , elk van twee ko- 
lommen , heb ik gecopiëerd wat er leesbaar was : een goed deel 
was in een ondoordringbaar duister gehuld. 



N^ I. 

ons bekent, 

ende tansement ^) 

dander hant werclioden; 

Die vgfte is ontfanghen mieden; 

5 Die seste specie heet symonie: 
Also vele als leke misdoen in die 
Hopic , dat ie ^) . . . . sal scriven , 
Ende tander latic achter bliven; 
Die sevende , die hier na sal staen , 

10 Is onw .... lic ^) sacrement ontfaen : 
Die sake salie u doen weten mede, 
Twi dit staet onder die vrechede; 



1) Zm VênUftn «• Mêdtdmhmgmi dtr Vtrtemgimg tot wUgmm dtr hnmmem mm 
hat omdê ^fëdtrl. rmkt^ I» bl. 1611, waar hettelfde ttak «ProTitieB*' ens. enx. ia ge- 
aitMid 17 Jan. 1479. 

i) LiM: troMêtmmt: BLOMMiLor, Ovl 0$d . ///. bl. 88 . rt. 618 en de Vér. bl. IftO. 

S) Wellidit n ml ot km ml. 

4) Ommr^her 

19 



294 

Die achste is vree te sine van 
die enich mensche can ^) ; 

16 Die neghende is spelen om ghelt : 
Dan worden der leringhen ghestelt 
Der scrifturen, om die sothede 
Der speelres te toghene ende yalschede. 
Deerste specie der vrechede 

20 Die heet woeker , so ie sede : 
Dese te verhatene sere 
Troest ons der scrifturen lere ; 
Hier toe die bible dus yertelt: 
»Leenste dinen armen vriend diin ghelt, 

25 »Quet8ene mit woekere niet daer naer;'* 
In Levitici boec staet daer : 
»Dune salt dinen broeder gheven niet 
»Diin ghelt te woeker, wats ghesciet;" 
Deuteronomie dus so spreect: 

30 » Dinen broeder wat hem ghebreect 
»Lene sonder woeker tontfane, 
»Dat God die benedixie ane 
»Sende tallen werken diin 
»Int lant, daer du in sult siin.** 

35 Dat woeker hatelic is ende quaet, 
Inden souter gheorcont staet , 
Dattie propheten coninc David 
Tote Gode vraechde dit: 
»Here, wie sal wonende siin 

40 >Int hoghe tabernakel diin, 

»0f wie sal staen in die heilighe stede?'* 
Dan Yolchter na, dat God sede: 
»Die niet te woekere gaf siin ghelt.'* 
Een ander orconde so stelt') 



1) De e niet duidelijk; en kan eonate de leemte aanTallen? 

2) Of. v9rteU, 



295 

45 Ezechiel die prophete mede, 

Daer bi Tanden gherechten man sede, 

Of hi siin ghelt niet en leende 

Ende meer weder ^) meende. 

Of woeker das yerboden staet, 
60 Ist mit redene datment haet 

Ende ') gone , die des plien , 

Ghes ') ende wedersien. 

Woeker es te verhatene mede 

Om die menigherande quaetbede, 
55 Die wi in die woekeraers sien. 

Deerste sothede is van dien, 

.... datbi twasdom so begbaert , 

Datbi te wissel n e so veronwaert 

Jegben Gode ende souder^) sonde: 
60 Hi soude daer winnen vele ponde. 

Keytiyicb menscbe, die woekers') pliet! 

Hier op sinte Augnstiin dus bediet: 

>Twi leenstu so diin gbelt den lieden? 

> Wilstuat lenen den Gods mesnieden , *) 
65 > God soaddi bondervoat weder gbeven , 

>Ende souds besitten tewigbe leven.** 
* Dander sotbeit der woekeraers, 

Also scriftare doet in waers ^) , 

Dats datbi in *) levet 

70 Ende biis gbene noot en bevet, 

Ja opten besten pant al doren , 

Die bem enicbsins macb toe behoren , 

1) TontfmMê(r) Terg. N. Doetr. n. 872. 8) /Wfi#(/) 

8) Myu Triend Verdam tqU tan fétem v Mt am; aehter «wedersieB" pUatet 1^) eea 

TfMgteekeo met de opmcrkisgt .ik heb geen Toorbaeld wiar •wedettien*' loa koBDCB 

weieD bet tegendeel tab fuitm (geaebt).** 

4) L êomder. 5) Of woUtrmiif). 6) Ht. mnniêdtm. 

7) Ook elders, C «m Omt, 611, im wmtrt éom Toor wmmr wtëkm (probtre): tut. 
TftA Prof. Verdam. 

5) Hier gUt b^: .is dootMmdoL*' 



296 



Dat8[die siele, die God cochte 
Met sire passien sere onsochte, 

75 Die stelt hi den duvel in handen : 
Merct oft zwer is tot alder scanden. 
Die derde sotheit is, dat hi 
So gufiFelicke verterende *) si 
Op hem selven ende niet en spaert: 

80 Had hi staende te weds een paert, 

Hi soude so sparen, dat worde gheloost, 

Maer optie siele hi luttel gloost. 

Der heeste ghelgc is hi gheset, 

Die svleishouwers behoef hem maect vet, 

86 Hi ') eetse siin hoey ende siin coren. 
Die vleischouwer peinst wel den doren') 
Veel meer te vert^eme op hare: 
Al levets die heeste in ghene vare, 
Met haer selven moetsi betalen, 

90 Als hi sinen cost op haer wil halen. 
Dus gnf *) is die vrecke keytiif. 
Dat hi verteert siel ende liif. 
Met rechte wert woeker van hem verhaet. 
Die tonrecht merken wille ende tquaet, 

95 Dattie woekerare doet. 

Teerste quaet^), siit des vroet, 
Datsi den lieden vercopen den tiit, 
Die ghemien es der werelt wiit. 
Al is dat aertsche goet gheperceelt, 
100 Tiit is al omme effen ghedeelt. 

Die rike mach hem *) goet of scat , 
Maer sekeren en heeft hi plat 



1) Ht. perUrêdM. 8) WeUicht ie lexen: Al, of Hi gufm. 

8) Aldu in ttode Tan U worfmf 4) In margine hierbQ: (koon. 

6) Lbm: quoêt is. 
6) Prof. Verdam giet AsUm en feivnvn in het rolgende Tert. 



297 



Dan die airae, die gaet ter bede: 

Dos irt over atouie quaethede, 
105 Datsi om ghelt yercopen den cknen 

Tgont dat ghemien is den ghemenen. 

Hier om, so scriftnre spreect, 

So ist recht, dat hem tgt ghebreect. 

Ecclesiast seit te deeen: 
110 lAJst tiit yan rekeninghe sal weeën, 

»So sal die woekerare eiechen tiit, 

»Maer omme niet, des aeker süi" 

Die prophete Esechiel 

Spreect te deeen sere wel: 
116 »Het8 recht, die yercoept enighe sake, 

»Dat hier niet weder toe gherake.'* 

Dander woekeraera qnaethede 

b, datsi yercopen mede 

Den armen datsi hem soudefi gheyen, 
180 Soet bi drien wetten staet bescreyen: 

Eerst bider natuerliker wet 

Is die rike mensche gheset, 

Den armen te gheyene, want Gk>d 

Die gaf eersten dit ghebod: 
185 »Doe den armen yro ende spade, 

»Al80 du wüst dat men di dade;" 

Bider wet, die oec Moyses 

Van Gode ontfinc, gheboden es: 

»Die rike sullen den armen lenen 
130 »Sonder woeker doer wasdom ghenen;" 

Ende nader kerstiinliker wet 

Is dus in dewangelie gheset, 

Ja yan sinte Luce besereyen, 

»Ghi sult .' . 

185 »Sonder hope yan .... 

Claer ghenoech 

Dattie woekerae 



Il 




298 



Hare quaetheit 

Den armen datsi 

140 Souden si Oods 

Die derde quaetheit is ... . 

Die in hem heeft 

Dat hi rekent 

Als hi doer wasdom 

145 Tghemac dattie 

Rekent hi, dat hi hem ghevet; 

Tsolaes tiet hi den armen ane, 

Maer den wasdom meent hi tontfane: 

Dus wille hi mantelen sine onmate 
160 Quansiis onder die caritate. 

Ene vierde quaetheit is mede 

Der woekeraers int kerstiinhede , 

Datsi jeghen andren lenen. 

Men soude vinden jode gheuen, 
155 Die van jode woeker namen, 

Dats hem lieden grote scame. 

Der woekeraers vyfte quaet 

Is, dathi altoes ledich gaet. 

Bepinen wil hi niet siin broet, 
160 Twelke onse Here Adame gheboet; 

Want so die bible verclaert lichte, 

God sprac: >Int sweet van dinen aensichte 

>Saltu moeten nutten diin broet:'* 

Dus is van werken eiken noet. 
165 Sinte Paulus oec dus bediet: 

»Die niet werct, moet eten niet." 

Dus is die woekeraer so quaet 

Dathi altoes ledich gaet. 

Noch andere redene staen hier nare, 
170 Daer woeker om werdich ware 

Van eiken mensche te sine ghehaet. 

Eerst om dat ghetoghet staet, 



299 

Dattie woekeraen sUn dieren , 
Seit der ewangelie brieren; 

176 Hier of hebben wi Traeyer ezemple: 
Doet Cbristos al warp nten temple, 
Ghelt, beesten ende oec die gone, 
Die thare te lenen waren ghewone 
Om offeren den armen lieden 

180 Mids datn dea ontfinghen mieden, 
God bietae dieyen , want dos hi sede 



IL 



ICaer hi doet wel meerre 
Den Tolke dan doen maeh een dief. 
Die dief en steelt maer allene 
185 Ghins een groet deel, hier een clene, 
Datsi Tinden sonder wachte, 
Maer die woekeraers bi daghe bi nachte 
Stelende sün ja eenpaerlike 
Alse wel op arme als op rike; 

190 Huns ende lant steelt hi den man, 
Dat ghien dief ghestelen ^) can. 
Hier na toecht scriftore openbare, 
Dat roeTer is elc woekerare 
Nader hejligher leraers menen. 

191 KIe woekerare sal sgn ghelt lenen 
Den mensche qoansüs tsiere bederren, 
Mids dat hien Tersekere op erreu: 
Doer rriendscap quansüs so leent hiit, 
Maer hi hoopt, des seker siit, 

soo Dat sine werden sal dat lant, 
Dathi ontfaet eerst OTer pant; 

1) Bt.: fhÊtimIm. 



800 

Hi ghetroest hem op aventure, 

Die ghescouder en aal ter are 

Betalen, die hem was ghestelt: 
805 Dan bluft Üant siin over tghelt. 

Das roefb hi behendelike tgoet, 

Ende is om goet qaans ^) , dat hiit doet. 

Ten derden moghen wi merken mede 

Der woekeraers grote aconffierichede, 
210 Ende is dat ghien woekerare 

Siins ambochts lyen wille openbare: 

Si scamen hem, dat siit heten sonden, 

Maer ant doen si hem yaste honden. 

Der name si alle gherne omboren, 
215 Mids datsi twasdom niet Terloren; 

Doch honden si lieyer den name 

Met sca mberen der vrame *). 

. . • Iken wanhaghen, 

Wil hi plaghen, 

220 Die woek ontfaen, 

Also die yerstaen 

Deerste pine is, des ghelooft, 

Si werden yanden tyranten gheroeft 

Also si darme te royene') plien. 
225 Hier op staet in Tsaien: 

»Wee di, die hier royene*) pliet: 

iWaenstu beroeft oec werden niet?" 

Die woekeraer slacht der pertrisen, 

Die nader nataren bewisen 
280 Piint, datsi yreemde eieren reect, 

Entie so broet si ende qneect; 

Maer als die jonghen siin gheplnnmt. 

Hebben si saen dat nest ghernnmt 

1) Ht. tldai: quOs, 

2) Prof. yerdam tuU aao: mdêm dam o: «doi met teanden dan ombtrai darTraBt.** 
8) Ht. tUnmmêt Toor herowemf 4) Leet: ro9mi. 



901 



Ende sceden yan diese heeft ghebroet; 
885 Aldos die woekerare doet. 

Hi queect den scat met minnen groot ^) , 

Dien beewgct ter meester noet. 

Ene andere plaghe is nu hoer: 

Hi mach qualike doen restoer, 
840 Die beletten twee dinghe*gheerne: 

Hi is te gaf te verteerne, 

Dat hem niet en bliift riicheit, 

Daer hi restoer dade mede; 

Of hi is van hem seWen also rrec 
245 Ende so vaste in sduvels strec, 

Dat hier niet af wille aceden. 

Al ist nemmer een Tan beden, 

Nochtan sal hem ghelieyen bet, 

Dathi na sine doot set 
860 Twee hondert pont ghelts te missanghe, 

— So salmen siins ghedinken langhe, — 

Dan ') hiit den gonen weder gaye 

Van wien hi ontploct hadde die haye. 

Hier toe is hi oec niet vermaent 
866 Sonder als hi sterren waent, 

Dan neemt hiit hem aldos na. 

Hier op spreect meest Seneca: 

>Die yrecke nemmer wel en doet 

» Sonder als hi steryen moet.'* 
860 Die derde plaghe siin hoor besuert, 

Data dattie rgcheit selden ghednert 

Langer dan ten derden lede. 

Hier op Ecclesiast dos aede: 

> Die met yreemden saudeyen maect*' .... 



i) Ht. m. «tMM foti. 
8) Ht. tlmi. 



802 

365 Roef es dander specie ghenoemt, 

Die uter ghieriehede coemt. 

Die heilighe scriftare ons . . . 

Dat noot is datter hem .... 

Maer yiere siin princhipale saken, 
270 Die den mensche soude ^) maken 

Haten roef ende hebbende leet. . . . 



Utrecht, 1887, 10, 15. h. s. xoltker. 



CUSTINÖE. 



Cusiinge behoort tot de groote rubriek Tan woorden, die 
slechts een schaduw vertoonen van hetgeen z^ yroeger geweest 
z^n, en yoortleven als een schim en als eene herinnering 
aan een vroeger tgdperk der taal, b^ de meesten yan het te- 
genwoordige geslacht onbekend, en alleen in enkele tongyallen 
nog bewaard. In de Middeleeuwen was het woord yrg gewoon; 
het kwam daar ïn yerschillende beteekenissen voor, en werd daar 
ook in z^ne beteekenis en oorsprong voor het taalbewustz^n 
gesteund en levend gehouden door verschillende stamverwante 
woorden , afleidingen van denzelfden stam , welke thans bgna 
zonder uitzondering z^n in onbruik geraakt. En de enkele ver- 
wanten, die nog in leven zgn, worden ten gevolge van een 
eenigszins afwgkenden vorm of vreemd costuum door kusting 
niet meer als familieleden herkend. 

Over kiuting is indertgd gehandeld door onzen dichter en 
taalgeleerde Bogaers. Naar aanleiding van het bg Vondel voor- 
komende woord ku$ttngbrieven^)y door Van Vloten niet geheel 



1) Lbm: êomUm. 

2) Van Lennep, Vondel VI. 116. in een Ter^e gvUteld Küt^iê cp k§i p » rl j — </w 
9M 'tStadkmi wmm AwutênUm (1618): 



303 

juist yerklaard, wgst h^ er op, dat kusting niet hetzelfde 
is als hypotlieek. »Niet h^, die*' aldus drukt h^' zich uit, »geld 
uitleende en tot onderpand een vast goed verkreeg, werd daar- 
door houder van een hiatinghrief ^ wel van een hypotheek. 
Kustingschtdd kwam alleen te pas, als de eigenaar van eenig 
onroerend goed, dit verkoopende, er geheel of gedeeltelijk den 
kooppr^s op liet staan, waarvoor dan dit goed b^ voorkeur 
aansprakel^k bleef. H. de Groot in z^ne onvolprezen Inleydinge 
tot de Hollandache Rechtsgeleertheyt bevestigt dit kort en zakel^k, 
zeggende: »>de betalinge (t. w. van den koopschat van ontilbaar 
goed) kan bedongen worden, niet alleen gereed, maar ook b^ 
tgden ende deelen, *t welk bij ons genoemd werd kuatingpen- 
ningen , ende de brieven daarvan gemaeckt kustingbrieven.*^ " Wie 
er meer van wil lezen, raadplege Van Leeuwen's Rooms-Hol- 
lanta Regt, IV, 7 § 11 en XIII, § 22; en Alg. beredeneerd 
Reg, op alle de voornaamste rechtsgeleerde Advijsen^ Consultatien 
van den Grave van Nassau la Leek, bl. 401." Hiermede komt 
in hoofdzaak overeen de omschrijving, gegeven door Weiland 
in z^n Taalk. Woordenboek: »Een gerechtigd aandeel aan een 
verkocht huis of ander pand , waarvan men renten trekt : de 
helft der kooppenningen op kusting houden.*^ Tot aanvulling en 
voor zooveel noodig ook tot verbetering laat ik hier volgen 
wat mgn vriend Andreae mg over dit onderwerp schreef: 

>Het zakel^k verband op onroerende goederen heefb zich in 
de Germaansche landen langzaam ontwikkeld. Men onderscheidt 
a) Rentekoop (leening a fonds perdu met verband van een huis 
voor de rente) ; b) Zakelgk verband van een verkocht huis voor 
in term^nen te betalen kooppenningen {kusting in eigenleken 
zin); c) Hypotheek, voor elke andere schuld. Voor de kusting 
hadden zich b^zondere regelen ontwikkeld, niet geldende voor 



Zoo willen w\j, aw wettige erven. 
Ons troosten met uw rijke tasoh; 
Met potgeld, renten, hutingbrieven 
En schimmelpenning, lang vergaArd, 
En spaarpot, uit uw baik gespaard 



804 

alle andere hypotheken: er was dus alle grond om een onder- 
scheid in naam te behouden , ook al beteekende kusting in het 
algemeen zekerheid of een dergel^k begrip. Een zeer duidelgke 
voorstelling van de kustinge in den laatst besproken zin kan u 
geven een werkje getiteld : Amsterdamsche Secretary (Amst. 1787), 
bl. 59 — 75. — In de hedendaagsche rechtstaal komt het woord 
niet meer voor. Het volk gebroikt het echter, b. y. te Leiden, 
als synon. van hypotheek^ en zegt »dat er eene kusting op een 
huis staat, *'^ of »dat een huis zwaar bekust is." 

W^ kunnen thans van het hedendaagsche, zoogoed als ge- 
storven , kusting afscheid nemen , en het mnl. kustinge in zjjne 
verschillende opvattingen gaan beschouwen. 

De beteekenis, welke het naast aan de straks besprokene staat, 
is die van zakelijke zekerheid. Zie daarover De Groot, Inl. III, 
14 § 25, en II, 48 § 40 (vgl. boven), alsmede Y.d. Eeessel, 
Thes. Sel. 179; 427; 432; 487; Boey, Woordentolk of kusting- 
brief; Kersteman, HolL RechtsgeL Wdb, op het woord ; Noord- 
kerk , Handv. v. Amst. 1 , 529 ; 532 ; 538 ; 521. In de Middel- 
eeuwen komt custinge bepaaldel^k voor in de bet. van de rente , 
uit een dergelijk op een onroerend goed rustende schuld voort" 
spruitende. Voorbeelden vindt men W/ri. Stadr. 872, 64: »Soo 
wie kustinge gebroken of huyskustinge {zakelijk verband op een 
huis) van onse poorters {in gebreke gebleven is de daaruit voort" 
spruitende renten te betalen)^ die sal men eerst daartegen verdagen 
eer men claget", en ald, 373, 65: » Wie van kustingh bekhegt 
loert. Soo wie beclaget wort van kusting^ die is van beken 
schuldigh twee schellingh ende elcke verseten dage mede twee 
schelling''; Inform. 77: »Dat zy den rentiers een geheel jaer 
renten ten achteren zyn, bedragende 4397 £;... ende van 
afterstallige custinghen 707 £*'; Wfri. Stadr. 871, 58: »Van 
landt, erve ende kustingh aen te spreecken. Soo wie landt, 
erve oft huysiuge aensprac met getuygen oft kustinge (d. i. oft 
kustinge aensprac met getuygen), die in den onrecht bevalt, 
die verbeurt XXII se.*' Samenstellingen z^n lantkustinge ^ scheep' 
kustinge j huuskustinge , welke o. a. voorkomen Fri, Stadr. 159, 



305 

61 , in den zin van renU^ getrokken krachtens een zakelijk verband 
ruêtende op een stuk land, een schip, een huis. Zy worden op 
eene andere bladzgde (69, 13) genoemd: lantkesten, huuskesten 
sceepkesten, dat wel een meerv. vorm sal sgn, tenzy kesten een 
andere vorm voor custinge mocht zyn, of het als znw. ge- 
bruikte WW. Vgl. de in het Mnl. Wdb. aangehaalde plaats uit 
Büeris, 2, 736a >Dat nyemant clagen en mach om^ov^rciMf^ (?), 
ten si van er/kusten (eene kusting op een erf, mnl. ook custinge 
van erve geheeten)." 

De tweede hoofdbeteekenis van het mnl. woord is een eed, 
gezworen ter bevestiging van de gelooftüoardigheid van een door 
een ander a/gelegden zuiveringseed, een volgeed. >In bepaalde ge- 
vallen'* (ik haal de woorden aan uit een art. van Prof. R. Fruin, 
gedrukt in de werken der Kon. Acad. (1887), en getiteld: 
Waarheid, kenning en zeventuig (afzond, afdruk, bl. 10): >In 
bepaalde gevallen kan een verdachte zich niet zuiveren met 
zyn eed alleen..., hy moet eedhelpers medebrengen. Die hel- 
pers worden geacht te bevestigen, niet dat hy onschuldig is 
aan het hem ten laste gelegd misdryf, want daarvan weten zy 
niet af, maar alleen dat zy zyn eed >voor goedt ende oprecht 
houden.*' In Zeeland heet de meest gebruikelyke volgeed de 
kusting. Vyf magen van den beschuldigde . . . bezweren de op- 
rechtheid van zyn eed. »Die drie maghen hevet'), die met 
hem sullen doen ene kustinghe entie twee willense] jegenstaen , 
so sel hi gaen tq^ sinen prochipape : die 'selne manen [onder den 
stool, dat hi sine maghe nyet sel brenghen in enich onrechte, 
so sullen die twe , die jeghens hem waren , mit hem doen die 
eustinghe\ ende en willen sijt niet doen, so sal dieghene, die 
de custinghe helt, des naesten sondaghes twe andere magheu 
bringhen, die sullen met hem doen die custinghe.'^ Dus ter ge- 
ruststelling van hen, die twyfelen aan de geloofwaardigheid 
van hun beschuldigden maar schuld ontkennenden maag zal de 



1) Oarkh. 2. 28. SS (Ui. toksl: *qai teeiim têémX emthmfmmi'* s, 18U); 84S, 
107 («. 1890). 



806 

parochiepaap den verdachte op plechtige w^ze vermanen, dat 
h^ zyu magen geen ongerechten eed afvordere.*' Zie verder 
Oorkb. 2 , 342 , 108 : » Custinghe van manslachte , van mencken , 
van erven, van dieften ende van alle anderen dinghen, so aal 
h^s doen met siins selves maghen, heeft een ambochtsheer enen 
edelen scoutate, die mach dese ctistinghe voor hem doen; vader 
ende moeder moghen begroten (aanspreken) haer kinder metter 
custinghen , elc man sal hem besitten {d. i, besetten) met alsnlcker 
custinghe als hi in ghehuwet is.** De keur van Zeeland van 1495 , 
II a. 41 stemt met het bovengenoemde art. 107 in hoofdzaak 
overeen ; alleen heeft men in het bew^srecht eene schrede voor- 
uitgedaan, zooals blijkt uit het slot: » magen ten derden lede 
sullen custinge doen, welverstaende datmen niemant tot cus- 
tinge wysen en sal dan in gebreken van proeve." Vgl. ald. IV, 
16 '), waar gezegd wordt, dat c. q. de beklaagde mag worden 
belast met > custinge oh ander eeden.*' 

Zie verder Oorkb, 2, 331, 8; 3526: >A1 dat es binnen desen 
ghenomeden palen, dat helden si met ere ctistingheti also alset 
dese brief vorseghet . . . Ende dese custinghe houde vn vaste 
ende ghestade, ghelike of si voor ons selven ware ghedaen". 
Hier beteekent het een eed door verscheidene (6) personen afgelegd in 
zake der meting van een dijk ; zie ook ald. a. ; O. K. v, Brielle 
27, 19: »So wye een custinge doen sal mit z^nen maghen ende 
dairtoe kinderen brengt, die kinderen sullen out wesen v^fitien 
jair (O. VaderL R, 1, 355, 30)*'; Matthgsz. 163: »Daima 
seit A. mit siuen taelman : dat hy s^n smarte heeren (waar- 
schynlyk den dader eener verwonding aanwijzen) wil also nauwe 
als hi weet hoe hy dat doen sal mit recht. Die rechter yraechts 
vonnes. Tvonnes wyst : mit eenre custinghe. Die rechter vraechts 
vonnes: wie {d. i. wien?) A. sculdich is te custen (in wiens 
handen A den eed moet afleggen ?). Tvonnes wyst, als B niet ter 
antwoirden en is , dat die rechter {d. i. dien rechter ?) sculdich is A. 
te custen. Als dat vonnis ghew^st is, so seit die rechter totten 



1) Groot Placcaaib, IV, 979 flg. 



807- 

acepenen : hoe die cuitmghe weeën aal. Tvonnes wgst dattie cU- 
gher sal nemen by hem yive sgnre maghen, die mit hem die 
cu$teede sullen doen*'; zie rerder 164 ald,^ en Priv. v. Bridle 
2, 18, CU 10, en 19, a. 19; Mieris 2, 1726: tVan denzwaerde 
ende bokelare, dat hem W. ghenomen sonde hebben, segghen 
wi, dat W. daer voer staen sal meiter eustinghe^ ende wat hi 
buten siue cuatinghe steket (datgene waarvoor hij geen onechtddê" 
eed wil doen)^ dat sal hi rieracat ghelden"; Mieris 1, 514&: 
> Wonden die te cancte {of cante, OorlA. 2, 384, 87) sgn co- 
men also groot (d. i. dïe van den eenen kant tot den anderen 
eene zoodanige grootte hMen) ak tsgraren mannen of scepenen 
kennen, die mach mens halen(?) mitter custinge. Bloetreesen, 
slaghen, steken, vallen, warpen mach men rersaken metter 
custingen^ Naar aanleiding ran deze laatste plaats zegt Van 
Hasselt op Kil. bl. 288: ^Kustinghe pro qnovis iure iurando**, 
doch hierop is wel het een en ander af te dingen; wèl schgnt 
het woord ook de bet. boeddeed gehad te hebben: althans Kil. 
omschrijft het door: »Ins iurandum ridui aut ridnae de bonis 
defuncti iuste riteque in catalogum relatis,** doch Tolgens hem 
was dit gebruik beperkt tot Zeeland. Het schgnt Tolstrekt niet 
onmogelgk , dat het woord deze bet. heeft gehad , wanneer men 
let op de eigenlgke beteekenis Tan het woord, in verband met 
den oorsprong, dien wg gaan opsporen. Vooraf herinner ik 
nog aan het Rek. v. Zeeland 2, 113 voorkomende ciMteiiot^, d. i. 
kif die met een ander eene cuetinge doet , medezweerder , eedgenoot. 
Ook in eene ruimere beteekenis kwam cuetinge in het mnL 
▼oor, nl. in die van zuiveringseed ^ dien men voor zich zelven 
ajlegt; mnl. ook onseout geheeten. Zie hierover Oorkb. 2, 22, 
38 (in de Zeeuwsche kenr), waar onder allerlei gevallen, waarin 
de cuetinge wordt voorgeschreven, ook de woorden voorkomen: 
>Vir nobilis (aciet ignobili cuetingam pro parentibus suis;... 
Vir ignobilis faciet nobili cuetingam cum domino sno, et cnm 
parentibus domini sui. Item ignobilis fiuuet pro se ipso alii 
ignobili cuetingam cnm parentibus snis.** Of in de vertaling (bl. 
342, 107): >£en edelman mach eenen onedelen man euetk^ke 



308 

doen met sinen maghen. Een onedelman sal enen edelman 
custinghe doen met siins heeren maghen, een onedelman sal 
enen onedelen man custinghe doen elckerliic Toer hem selyen." 

Welke is nu de oorsprong van dit woord , en hebben wij 
overal hetzelfde woord met verschillende beteekenissen , óf zgn 
er twee verschillende woorden dooreengeloopen ? Naar mgne mee- 
ning is het eerste het geval. Custinge is een verbaal naamwoord 
van custen , dat in het Mnl. veel gebruikt werd. Het beteekende 
tevredenstellen^ geruststellen ^ gelgk uit enkele plaatsen blaken 
zal. Ruusb. 4, 26: > Honger ende lost Gode te dienene es soo 
groot; wat hi goeds ghedoen mach, dats saen verteert, ende 
custene niet (lat. nee eum quietum et pacatum reddidit/*; Limb. 
n, 984: »Ghi wilt mi goeden tyt custen ^^ d. i. gij wilt mif 
al heel goedkoop (d. i. zonder grond) tot kalmte stemmen^ klein" 
moedig maken of vernederen'^; VHI, 1480: >Gi hebt mi gecust 
vele bet {mij meer rust of reden tot tevredenheid gegeven) , dan 
ghi mi hadt ghegeven u conincrike." In de juridische opvat- 
ting beteekent etsten ook een volgeed of een zuiveringased doen , 
hetzelfde als mnl. onscout stoeren. Zie een voorbeeld daarran 
in de aanhaling uit Matth^szen. Het wèderk. ww. hem cus- 
ten bet. zich tevredenstellen. Zoo b.v. Rosé 2290: >Dan en 
sal u herte daernaer hem niet custen in sgn droven (fr. ton ' 
coer ne porras apaier (paaien))'* ; Ruusb. 3, 147: >Wildi u 
selven custen met uwen doen meer dan met betrouwen in Grode'*; 
Limb, IX, 242 in dezelfde bet. hem gecusten: >Doch ge-- 
custi hem das {stelde hij zich tevreden met de gedachte^ d. i. 
troostte hij zich daarmede, var. getroyst he hoem)^ dat die boom 
ten iersten niet en valt." 

Van hem custen komt het deelw. bnw. gecust, d. i. 
gerust, tevreden (vgl. Ruusb. 3, 147: dat sonde n ancusten; 
waar 4 varr. hebben ontkusten, Hs. L. ontrusten; M. on- 
rustich maken), veelal met gepait verbonden. Ruusb. 4, 8: 
»In nauwer nootorst bliven ghecust (lat. parea re/ectione eon^ 
tenti sumus),'' Zie verder Limb. Gloss. op gecusten, en MfU. 
Wdb. 2, 1183 op gecust en gecusten. Het tegengestelde 



309 

18 ougccuflt, d. i. ongerust^ ottruêtig ^ ontrrrfdeu. /jimb. Sertn, 
I9ld: >NogtaD blifse ongeaugt ende ongekuêt in al haren wer- 
ken*'; Hs, Epist. 42c: »Dat yemant strijtachtich ende onghe- 
rust scinet te wesen*'; Limh, I, 636: » Anders blevic onghecusU 
hi en hadde eue jonfrouwe . . . uteu Limborgheren gheslachten**; 
RxncL 58 : » Wie aondeu volcht ... es ongecuêt van woerden puren 
(m ontevreden met reine of tieüige woorden , wü daarnaar niet 
hooren)\ enz. 

Het is nu duidelyk, dat van custen de grondbeteekenis is 
tevredenstellen , geruststellen , en dat dus van custinge het grond* 
begrip moet zgn geruststelling , zekerheid. Zeer juist zegt Bogaers, 
Taalg. 9 , 254 : > Het znw. custinghe had dienovereenkomstig de 
beduidenis van geruststelling , zeker fieidgeving. Dat de meer by- 
zondere beteekenis, die kustingbrief ten tyde van 11. de Groot 
droeg en na hem is bly ven dragen , regtstreoks uit de oor- 
spronkelijke beteekenis des woords ontsproot , behoeft geen betoog : 
door dezen brief toch werd de verkooper van het onroerende 
goed gerustgesteld , en (hem werd) zekerheid gegeven ten opzigte der 
betaling van den koopschat.*' Geheel in overeenstemming hier- 
mede is de meening van Fockema Andreae, die voor het grond- 
begrip bevrediging of zekerheid aanneemt. En uit deze grondbe- 
teekenis zyn geleidelijk de twee uiteenloopende opvattingen van 
het mnl. custinge te verklaren. Custinge was aan de eene zyde 
een eed ter geruststelling of tot zekerheid van anderen , vooral om 
een mogelyken twyfel aangaande iemands geloofwaardigheid weg 
tn nemen; aan den anderen kant een middel tot zekerheid of gerust^ 
heid, dat zekere geldelyke verplichtingen jegens hem zullen wor- 
den nagekomen. Doch vanwaar is nu dit custen , en kan de nu 
vastgestelde grondbeteekenis ons wellicht voor het vinden van den 
oorsprong van dienst zijn ? Vooreerst kan zy ons doen zien , dat 
de afleiding (althans de rechtstreeksche) van kiezen onmogelgk de 
ware kan zijn. Want gesteld dat hoogerop kustinge met kiezen 
verwant i.s (hetgeen minstens twyfelachtig is), de afleiding van 
kiezen kan stellig niet gebruikt worden ter verklaring der be- 
teekenis van custinge op de wyze zooals dit gedaan is in het 



SlO 

boTengemelde opstel door myn ambtgenoot Fruin. Hg zegt 
ald. bl. 11: »Vijf magen van den beschuldigde door hem zelf 
gekozen — vandaar de benaming kusting , van kiezen — be- 
zweren de oprechtheid yan zijn eed/* Dat men z^ne eedhelpeiB 
mag kiezen, is' niets b^zonders: dit mag men bg eiken eed 
met conjuratores altijd en overal; wèl kan men in zgne keuze 
beperkt zgn b.v. tot zyne buren of markgenooten, gildebroederSf 
^bloedverwanten binnen zekeren graad (zooals in Zeeland); wilde 
men dus in den naam der plechtigheid de keuze uit de bloed- 
verwanten aanduiden, dan zou men eer op de beperking dan 
op den regel de aandacht gevestigd hebben. Bovendien doet 
ook de medezweerder , volgens de bronnen , de custinge ; heet 
de eed custinge^ ook als de beklaagde (onedelman) dien alleen 
doet , en doet hg de custinge aan den rechter of aan de tegen- 
party ^). Indien kustinge afgeleid is van kiezen , dan is dit in 
elk geval slechts middellgk zoo. Custinge komt nl. van custen^ 
en dit is volgens sommigen eene afleiding van een van kiezen 
afgeleid znw. kust. Kust is een in het ogerm. zeer bekend woord. 
Gh>t. kustus, proef; bewgs (vgl. het identische lat. ^u«tu« , smaak , 
en gustare^ proeven = hd. kosten^ Kluge 1786), waarnaast ^a- 
kusts^ proef; ags. cyst^ keuze; ook het uitgelezene (mnl. die 
kies); ook deugd, voortreiielgkheid , proef houdendheid (door 
welk woord ook got. kusttis door üeiue wordt weergegeven); zie 
Grein, Gloss, op cjst; otri kesty d. i. wil en keuze (Richth. 
8Ö7 op k e s t) ; osa. cust , d. i. ói keuze , zin , wü , öf /iet uitgelezene , 
of voortrejff^eUjkheid ^ ook een bewijs van voortreffelijkheid; mhd. 
kust^ d. i. keuring (in kustbrot^ kostbrot^ brood dat als proef 
dient); zie Lexer 1, 1802; ook met een 2^eii qy. of een bnw. 
verbonden wijze van zijn , toestand ; our. kostr , keuze , toestand, 
gelegenheid , voorwaarde ; zie Moebius 239. Ook het mnl. kende 
custe^ cust in den zin van wil^ wensch. Zoo b.v. MLoep IV, 
1036: >(Doe) volbrochten si hoirs vaders ^u«< , ende elke dochter 



1) Alllus 8chr\jft m\) Andreae, op wiens gezag ik my ook bier wed«r gianM 
beroep 



311 

aloech ter dooi horen ooms zoon*'. In den zin Tan vrije keui^ 
vrijt macht, staat het Mandev. c 50: ȣeB jegelgk sal daer 
wyren hebben ende maegden ende sal die magt ende hut altoot 
hebben roet hen te liggen ende te zyn.** In de bei. verordening^ 
bepaling, statuut leest men eust, Amand I, 381: »In deser ge- 
like . . vergaderden sy in eiken jare na den cuêts , ende quamen 
dare up eenen berch.** Het woord, dat gewoonlgk vr. is , is hier 
ml. , als het onr. koür. Het leeft thans nog slechts in de oitdr. 
té kust en te keur^ d. i. naar wil (of wensch) en naar keuze. De 
woorden kust en keur zgn dus zinverwant, doch niet identisch, 
maar langzamerhand is het Terschil in beteekenis nitgewisoht 
en thans worden zy als identiek opgerai Zoo is het o. a. ook 
gegaan met tegen lieug en meug , waarin heug de geestelgke , meug 
de lichamelyke zyde ran de uitdrukking vertegen woordigt; vgL 
got. huge , zin , rerstand ; en mul. en ndl. mogen o. a. = lusten (van 
spyzen); zoo b.v. in meugebet, d. L hij die meer luêt^ eig. dus 
een schotelbezem, by ui tbr. iemand dien men overal voor gArui' 
ken kan, een wrijf paal. Zoo b.T. Beets, Verpoozingen 23: >Het 
▼olk b te groot en te goeil om de meugebet eener teleurgestelde 
eerzucht en de wryfpaal der middelmatigheid te wezen**; Oudem. 
4, 386: >Zou ik nu noodhulp zyn of schamper meugebed^y^ 
Vgl. ook Weiland op meug, en meugelijk, d. i. smakelijk* 

Van dit znw. cust nu kan een nieuw ww. eusten a%eleid 
zyn, en dit zou ter verklaring ran custinge kunnen dienen « 
indien het de bet had Tan iemands wil doen, hem zijn zin 
geven. Doch het is zeer onwaarschynlyk , dat ran een snw., 
dat wil, wensch beteekent, een ww. zou afkomen, dat niet 
een wensch doen , wenschen beduidt, want dit zon zeer Ter- 
klaarbaar zyn, maar voor een ander doen wat hij wenscht, d. i. 



1) Het woord oatbrwkt io de woordenboeken van WeiUad en Van Otle, en werd 
blykeat de tpelliug wum^eUd met <i reedt in de 17de eeow niet «oed meer begrepM. 
Het btete bew^t viior de door mlJ gefeven Terklaring iihet ITde-eeawi^t 
4 i. êiokop, prssf (Wdb. op Bredero) £H tt MMne coap. van wêsL V^. bai 
frtPtmder, d i ét'm ^rméui wkmt of wtrdêr émm omffrootwmter 




312 

iemand zijn zin geven , waaruit dan de bet. van geruststellen , noodig 
om aistinge te yerklaren , zou moeten zyn Toortgevloeid. Om dese 
reden meen ik, dat de afleiding van kissen onToldoende is, en 
dat er naar eene andere , die beter voldoet, moet worden uitgezien. 
Aan het onderzoek , naar de ware afleiding in te stellen , 
ga de opmerking vooraf, dat een mnl. woord ons reeds meer- 
malen eerst dan recht duidel^k is geworden, wanneer wg 
op de gedachte kwamen om het te vergeleken met een van 
zijne synoniemen. De reden ligt voor de hand: de gedachten- 
gang is in de ontwikkeling der beteekenissen soms geheel. de- 
zelfde , meermalen soortgelyk , en zeer dikw^ls hebben de beide 
zinverwante woorden (althans enkele punten van aanraking en 
vergelyking. In het MnL Wdb. leg ik er my dan ook steeds 
op toe, de aandacht op de zin verwante woorden te v^tigen, 
omdat het my voorkomt, dat de vergelyking daarvan voor het 
juiste inzicht in het leven van een woord (in zyne biologische 
verschyuselen , zou men kunnen zeggen) vaak onmisbaar en in 
elk geval allernuttigst is. Men vgl. b.v. de overeenkomst in bet. 
by de woorden gemanc en gemene^ getes en gevoechy gespar en 
gespan , betalen en berechten ; herecken , berechten en bereiden ; 6«- 
talen en gelden \ geheel^ gans eu gave^ en men zal zien, dat bg 
die woorden althans de onderlinge vergelyking meer of minder 
gewichtige diensten heeft bewezen. Zoo geloof ik ook , dat het 
woord custen my niet zoo spoedig duidelyk zou zyn geworden, 
indien ik niet had gelet op het zinverwante woord, waarmede 
het bet meest verbonden voorkomt, nl. op />ay«n. Zie drie voor- 
beelden van gecust ende gepayt , in Mul. Wdb. op gecust^ en 
de verbinding gecust en ende gepayen op g ecusten, Payen na, 
lat. pacare , bet. tevreden stellen, bevredigen^ nl. paaien; doch 
ook zich vaji eene bepaalde verplichting kwijten , eene schuld vol" 
doen, iu geldschulden iemand betalen, fr. payer ^ eng. to pay. 
Zou nu niet ook custen één kunnen zijn met kosten in thans 
niet meer bekende beteekenissen, b.v. in die yau betalen ^ welke 
ook thans nog eigen is aan ons ww. bekostigen^ d. i. de kosten 
vaji ietK dragen ? Laat ik eerst bewijzen , dat naast de boven- 




318 

genoemde vormen ook die met o voorkomen. Naast cuaten, te- 
rreden stellen, voldoen, komt werkelyk costen voor, nl. Belg, 
Mus, 10, 56, 175: »Hi croop onder in dat waerme ende nam 
syn wijf in sinen aerme; daertoe peinsde hi selken lost, dat 
si {die gezdmte widerspenêtigé) saen was ghecost van meneghe 
wonderlike waerde, die voren schenen van duvels aerde (dat 
zij weldra genoegen nam met allerlei dwaze woorden of praatjes , 
die zij nog kort te voren beschouwde als door den duivel inge^ 
geven). Willems verklaart het woord niet onjuist door voldaan^ 
doch het is zoogoed als zeker dat dit slechts een gelukkig 
toeval is, want Brab. Y. dl. 1, bl. 821, verklaart hy gecust 
door aangezuiverd, voldaan^ van kuischen^ zuiveren(!). Naast 
custinge vindt men ook costinge, in de bet. zuiverings- of 
onschuldseed , nl. Mieris 2, 2526: >Alle smerte, die in Middel* 
burcb gheschyede , doe J. doot bleef, die zal men gbelden een- 
scstte . . . , ende die sal eyghelike starken mitter costinghe bi 
namen ende bi toenamen op den ghenen , diese hem mitter hand 
ghedaen hevet/* Op dezelfde bladzyde komt in dezelfde betee- 
kenis viermalen de vorm cu^ftf}^^ voor. Naast ongecust treffen 
^vy ook ongecost aan, nl. by Hadewych , 1, 182, 205, in 
den zin van onvoldaan: »A1 hadde begherte al dat minne ge- 
leisten mach boven allen sinne, nochtan soude si oti^^coa^ bli ven.'* 

Het is alzoo bewezen , dat custen en costen wissel vormen zyn, 
evenals musch en mosch , lust en lost , bus en bos , mnl. dus en 
dos, aUus en alsos ^ uchtend en ochtend; mhd. kostlich en kuste- 
lieh , kosten en kusten , proeven. En het is niet noodig te on- 
derzoeken , welke vocaal ouder is , de onvolkomen u of de on- 
volkomen o, daar de beide overgangen van o tot u en van u 
tot o door allerlei voorbeelden te bewyzen zyn. Zie Van Hel ten. 
Klinkers en MedeL bl. 48 en 55. Van hetgeen hier te bewyzen 
is , nl. onvolkomen u uit onvolkomen o , haal ik als voorbeelden 
aan duf uit dof] juffrouw uit joffrouw; kunne, kunst en kunnen 
uit conne, const, connen; gulden uit golden, gunnen uit ^omitffi, enz. 

Wy moeten thans nagaan, wat ons het ogerm. en het mnl. 
leeren aangaande vroegere, thans vergeten beteekenissen van 



314 

het WW. kosten. Het mnd. staat, althans volgens het wdb. ran 
Lfibben , op het ndl. standpunt , d. t, het kent alleen koêten in 
de bet. waard zijn , gelden , en geeft dus geen licht. Doch het 
mhd. geeft ods wat w^ noodig hebben. Behalve de nog heden 
bekende bet. beeft het ww. daar ook de trans, bet, van auf- 
wand macken, ausgeben, dne ons kosten maken, geld uitgeven 
of betalen, fr. payer; alsmede die van /ür einm den unterhalt 
hestreiten, ihn bekostigen: twolte si der bischof lenger haben, 
so ist er si schuldig ze kosten" (bg Lexer 1 , 1680). Het heeft 
deze bet. als denominatief van mnd. kost(e), mhd. koste, kost, 
hd. kost, ndl, kosl(en), ohd. kosta, uit mlat. costiu, eosta ont- 
leend (vanwaar ook it. rosto, fr. cciit, sp. eotta), en dit eene 
afleiding van mlat. costare, lat. constare (Elnge 178). Naast dit 
denominatief kosten met de trans, opvatting kosten maken, bekostigen, 
is een tweede kosten in gebruik gekomen , rechtstreeks van mlat. 
fostare , fr. cousler gevormd , met de intr. opvatting van die beide 
woorden '). Men vei^elgke voor deze in onbruik geraakte be- 
teekenis het in het Mnl. Wdb. bg gelden opgemerkte , dat ak 
intrans. beteekent tcaard zijn, kosten -,(^3 trans. iefo^. Het ofri. 
heeft een soortgelijk woord , insgelgks in trana. opvatting in 
gebruik, nl. kestigia, door Richtbofen te kwader ure afgeleid 
van lat. eattigare, waarmede het niets ter wereld te maken 
heeft: bet is hetzelfde woord als mnl. costigen , dat o. a. voorkomt 
Oork. V. Helmond 57: >Tot dien tortgsen te costigen, temaken 
ende te doen dr^eo sal een ygelic van sgnen ambacht gelycken 
cost doen", en is thans alleen bekeud uit bekostigen, dat ook 
reeds in het latere mnl, gevonden wordt, en voorkomt Wfri. 
Stadr. 267, 156: >Oock so wie sloot opvoert in Hoochcarspel , die 
daer niet toe en hoort of becosticbt (/>i)<;)edra(;r«n)hevet, die mach 

l> Vgl Grimm, fftb. 6, 18S6: -Fnilïeh geht denu din toUt» nioht tuf amUan 
lurücki u muu einc «igen» fortbildnng trio tod den tubtt. huU , anhnuid, geld- 
mtttcl, du docb Klbit ml idd kvttm ruckwuiia ggbildct vit, todiu di ïb der 
tnlwickeling tint licliitckbrwrguDg vorlic)it." lltl etnte dceldcr liiwwda ittMrjailt, 
bel luUtd gedcflu uiet. <i»r koil niet gcTomid ia tu het mr, koélm, dooh nm 
bet rom. inn. mlal. aufa. auhu afgeleid Reehtitmki komt dni tott niet liii iwfw 




815 

men bekueren." Vgl. mnl. becosten {Mnl, Wdb. l, 816); mhd. 
bekoBien en bekostigen ; mnd. bekoêten ; hd. bekosten , ranwaar zw. 
bekosta ; de. bekoste. Dat het werkel^k hetzelfde woord is , be- 
wijzen de door Richthofen aangehaalde voorbeelden : »80 schil 
bi him kestigia mit twilif eden iefla to een swirdkempa /* d. L 
onschuld zweren^ hetzelfde als mnl. ene costinge ot custinge doen\ 
>be mot kestigia om syn scada,** d. i. vergoeden ^ bekostigen^ 
voldoen. Van de door Richtb. gegeven vertaling bedrdngen kan 
by deze en de andere door hem genoemde plaatsen geen sprake 
zyn. Het hd. kent kosten in de bet. kosten maken ^ aufwenden, 
Tertun, vanwaar kostung , d. i. het uitgeven van geld^ uitgaven^ 
zie Grimm, Wtb. 5, 1866 en 1881. £indelyk vinden wginhet 
mnl. zelf een paar bewgzen voor het vroeger bestaan van coaten 
(rusten) in de trans, opvatting van betalen , nl. vooreerst het znw. 
custinge^ dat Keurb, v. Leiden v. 1658, art. 124, gelykgesteld 
wordt met termijn^ eig. betaling; vgl. het aan het fr. ontleende 
paaiementy dat uog heden by het volk in dezelfde bet. gebroikt 
wordt in de uitdr. bij paaiementjes betalen ; en ten tweede het bnw. 
custbaer, vooral van geldstnkken gebruikt Men vindt het b. v. 
Oork, V, Helmond 67: > Voor sesse ghelres gulden tsiaers goet ende 
nisbare (d. i. custbarey^\ Gesch, v, Antw, 2, 586: >de oudescilt, 
die tAutwerpen ghemaect es, goed ende custbaer over sestienne 
grote torn."; ald. : >£nen guldenen florjn diemen heet hallinc van 
Florencen , goet ende custbaer over twaeleve grote torn.'*; 638 : 
>Dat sy alle lakene ende stucwerk. . oversien ofb sy goed syn 
van ghewande ende custbaer van seghelene,** d. L ongeschonden^ 
in goeden staat. Het is een synon. van gave en gans, waar- 
over men zie Mnl. Wdb. De oorspronkelyke beteekenis is waar^ 
mede kan worden betaald ^ van munten , dus gangbaar^ mnl. g<^ n ge ; 
vgl. ald. dat woord en de tautologische samenstelling gancgave. 
Het ligt voor de hand hier te denken aan eene samenstelling 
van den werkwoordelyken stam van custen (costen) in de bet. 
betalen , uitgeven , en den uitgang baer '). Kil. kent het woord 



1) Volgens Willemt, Braè T dl 1. bl 821: kmutA, d i omgttekoméêm geld. 




S16 

nog, doch weet er, evenmin als later Willems, weg mede 
Hy heeft: >kastbaer, j. kujschbaer, kostbaer/* en 
ikuyschbaer, kustbaer, k o s t b a e r, parus, integer, probos/* 
Het is de vraag, in hoeverre dit woord één is met ons bnw. 
kostbaar j dat wel in het mnl. niet gevonden is, doch dat er 
evengoed kon bestaan als mhd. kostebcerey kostbcere; mnd. hd. 
kostbar: Kil. schynt het woord in de bet. predosus nog niet te« 
kennen; hy vertaalt het alleen door purus^ en daarnaast kent 
h^ een ander kostbaer in de bet. liberj immunis a sumptSbxu^ 
vectigalibus aut reditibus; d. i. vrij van lasten^ schotvrije Hoe hy 
aan deze beteekenis komt, die van elders niet bekend is, is 
niet duidelyk; denkelyk heeft hy het bnw. boêr (bar) met 
kosten samengesteld; vgl. hd. der ehren bar^ dat juist het te- 
genovergestelde is van ons eerbaar. De gewone woorden voor 
kostbaar in het mnl. zyn costel, costelijc en dier, dierbaer. Er 
was dus aan eostbaer geen behoefte. Daar nu ook Kil. de bet. 
preeiosus nog niet kent, schgnt het my het best toe aan te 
nemen, dat het woord niet is samengesteld uit koet en bcuir^ 
in de bet. kosten met zich brengende , veroorzakende (hoewel eene 
latere dgl. vorming niet uitgesloten is) , maar dat het oude bnw. 
cuetbaer (eostbaer)^ d. i. ongeschonden y zuiver, eig. gangbcuir, onder 
den invloed van costel aan den eenen kant, en dierbaer aan de 
andere zyde ziine beteekenis tot die van fr. précieux heeft ge- 
wyzigd. De oorspronkelyke bet. gaaf, ongeschonden schemert ook 
door in een ander bnw. van eene eenigszins vreemde samen- 
stelling, nl. costgave, dat men leest Oork. r. Helmond 20: 
> Altoos sollen sij leveren. . . goede gruyt ende costgave gelyc 
dat dacr toe behoirt." Een bnw. cost (cust) = cusibaer is er 
niet geweest. Is het woord, waarvan de bet. duidelyk is, dan 
ook wellicht geboren uit de verbinding van costbaar (custbaar) 
en gave, en gevormd naar het voorbeeld van gancgave? Men 
vergelyke het dialectische ondeugniet, geboren uit ondeugd en 
deugniet; het kan onverschillig gaan, uit verschillend enongeUji; 
uitveteren uit (den mantel) uitvegen en veteren . en Theoph. bl. 143. 
Nu dus custen = betalen vaststaat, is er niet het minste be- 



817 

zwaar, om in het woord kustinghrief een nieuw bewgs daarvan 
ie zien , en dit woord gelyk te stellen met betalingsbriefy eene acte 
(zie Mnl Wdb. op brief), waarby de betaling eener schuld op 
eene bepaalde wyze geregeld wordt 

Het is nu duidelgk, hoe cnsten (oosten), gecust, on- 
gecust en custinge aan hunne verschillende beteekenissen 
zgn gekomen. Uit het grondbegrip betalen wat men nchuldig isj 
aan eene geldelijke verplichting voldoen, heeft zich aan de eene 
zgde ontwikkeld het begrip van iemand voldoen, hem tevreden" 
of geruststellen, hem zekerheid geven, hetzg door eene zakelyke 
zekerheid, hetqj door een eed; aan de andere zyde dat van 
zich kwijten van eene verplichting, zich zuiveren van eene schuld. 
Vgl. ten overvloede het ww. kwijten ^ fr. quitter, van lat. qui^ 
tare, van mlat quitus, fr. coi, lat. quietus , gerust, rustig, eene 
bet die weder eigen is aan het mnl. gecust. 

Nog een enkel woord over het straks genoemde dialektische 
becust, d. i. met eene kusting bezwaard. Zou dit woord misschien 
al in het mnl. bekend zyn geweest? In de, O. R. r. Dordr. 
2, 308 voorkomende, uitdr. > herent, belast of besust met sce- 
penen brieven" is in het Wdb. voor besust, dat verkeerd is 
overgeleverd, voorgesteld betiinst, doch graphisch is deze fout 
niet zoo licht te verklaren. Beter zou wat de letters betreft 
voldoen , de verandering in becust , d. i. met eene kusting be» 
zwaard. Daar wy nu werkelyk in de Fri. Stadr. i\en "Horm custe ^ 
cust (mv. ctisten, kesten) hebben aangetroffen (zie ook Mnl. Wdb. 
op er feu 8 ten), schynt het inderdaad niet gewaagd, het be- 
staan van het bnw. becust reeds voor het mnl. aan te nemen. 

Ten slotte vestig ik de aandacht op een tot heden onver- 
klaard znw. custebot, waarover thans eenig licht kan opgaan. 
Men vindt het woord op de volgende plaatsen : Mieris 2 , 
7356 : » Van lant dat men te custebode legt. Voort van landen 
(/. lande) dat men vercopen sal , ende men des sonnendaechs 
in die kercke condich doet, ende te custebode legt in die 
weecke, dat niemant ontdriven en mach {d. i. dat en mach 
n. o.), alsoo verre als hyt te custeboile vercoopt; seide daer 



318 

jemant weder, dat waeren sal {d, t. dat sal waren) die ver- 
coper, als recht is"; De Riemer, 'sGravenh. 3, bl. 65, coat. 
76: »als de schout sit in gebannen vierschaere, ende den 
eysscher eyscht den verweerder seekere somme van penningen , 
stellende tselve aen den eedt Tan den verweerder, en den ver- 
weerder refuserende den eedt te doen of niet begerende te swe- 
ren, mer stellende tselve aen den eedt van den eyscher, wgkt 
daermede van s^n regt, twelk voor de vierschaere van den Hage 
genoemt word een cusbodC Van de eerstgenoemde plaats is de 
zin: >Naastingsrecht vervalt by vooraf aangekondigden verkoop.*' 
Vgl. Oorkb. 2, 339, 70, waar dit uitvoerig beschreven wordt. 
De woorden kunnen dus kwalijk iets anders zeggen , dan: > Land, 
waarvan men den verkoop vooraf in de kerk aangekondigd 
heeft en dat men in de week verkoopt of veilt in openbaren 
verkoop. Te custebode leggen of vercopen moeten hetzelfde be- 
teekenen , nl. publiek verkoopen. Dat dit werkelyk de beteeke- 
nis van het woord is, zal duidelyk worden door hetgeen mgn 
ambtgenoot Fruin my mededeelde. Hg schryft mg: >In een 
kuêtbodeboekje van 1708 — 33, van Edam (onder berusting van 
onzen archivaris Dozy) komen de volgende termen b\j afwisse- 
ling voor: *ku8tbode gehouden ten huize van (N. N.), den ... 
Januari van 17./'; veyling gehouden ten huize van enz.; My- 
lingh otte kustbodc'' \ kustinghbode , enz. Op dit opschrift volgt 
dan : » men presenteert te verkoopen een stuck land enz.^* Deze 
plaatsen zgn afdoende , en nu is ook de oorsprong duidelyk van 
het woord. Custbod , waarnaast de merkwaardige variant custing- 
bod voorkomt, beteekent eigenlijk betalingsbod ^ een bod gedaam 
in openbaren verkoop , of liever eene handeling waarbij er voor 
vertfchillende personen gelegenheid is een betalingsbody een bod te 
doen , d. i. een openbare verkooping of veiling. Nog heden is dit 
woord in de Zaanstreek en wellicht ook elders in Noord-Holland 
in gebruik (het pas genoemde kustbodeboekje was van Edam 
afkomstig). Men zegt daar nog: >een huis wordt te kustebode 
verkocht'', en >ftr wordt kustebode gehouden*'. Het wordt bg 
Boumao , Volkstaal in N.-HolL , niet vermeld. 



S19 

In de plaats ait de Haagsche costnmen is de beteekeais Tan 
het woord cusbot (Toor custbotj als cushaer voor aiêthaer) vrg 
onzeker. Het kan beteekenen betalingsbevel of aanbieding van eene 
nutinghe, in den zin ran verzekering onder eede, of eindelgk /i€t 
aanbod van de keuze om te zweren of dien eed terug te wijzen. 

De laatste beteekenis is de waarschgnlijkste, omdat 1^ hier 
eigenlijk ran een bevel tot betaling evenmin sprake is als van 
aanbod Tan een eed, en 2^ eene berechting als waarvan in de 
costume gesproken wordt, in Drenthe wordt aangeduid als eene 
>bi keur ende tal**, en een eed, als waarvan hier melding wordt 
gemaakt, nog later in Utrecht een keureed heet. In dit geval 
hebben w^ hier feitelijk een ander woord voor ons, dan het 
uit Mieris opgeteekende : hier zou cust het bovengenoemde 
(bl. 310), van den stam van kiesen afgeleide, znw. zijn. 

i. VKBDAM. 



BLADVULLING. 

In De Taalgids van 1859 wordt door Prof. De Vries mede- 
gedeeld , dat het woord slabbakken niet altyd met den klem- 
toon op de tweede lettergreep wordt uitgesproken : er bestaat 
ook eene uitspraak êldppakken , welke terstond doet denken aan 
eene samenstellende afleiding van slap met hak: sldphakken is 
met slappe hakken loopen, strompelen, sukkelen. 

Doch al is de afleiding van êldppakken hiermede in het licht 
gesteld, het blyft mogel^k, dat juist deze uitspraak in de volks- 
etjmologie haren oorsprong heeft, of anders gezegd: het blyft 
mogelyk , dat slabbakken of slappdkken overging tx)t êldppakken^ 
doordat men êlap en hak in het woord meende terug te vinden. 

In Zuid-Nederland was êUibbakken reeds vroeg bekend: Ki- 
liaan en Plautyn vermelden het Het woord hak in den zin 
van hiel behoorde echter niet tot de taal van Kiliaan, zooals 




320 

uit de biJYoegiag Sax. Fris^ Sicamh. in zya Ëtymologicum kan 
blyken. Ed er ziju uog andere gegevens, die aan eene samea- 
stelling met hak doen twijfelen. Indien nlabbakken eigenlijk be- 
teekende strompelend , sukkelend loopen , dan zou men mogen 
verwachten , dat het in de oudere taal bg voorkeur in dien zin 
werd gebezigd , maar dit is niet het geval. Kiliaan vertaalt het 
met labascere^ languescere ^ dejicere , laxari] Planten zegt: com~ 
meneer a fleschir et faülir^ en geeft als voorbeeld de neringe 
slabackt. In de vertaling van Guicciardini's werk over de Neder- 
landen wordt (bl. 13a) gesproken van rivieren, die geen ster- 
ken stroom hebben en dientengevolge , zoodra z^ in zee vloeien, 
^haestelijc haren loop laten «/a&ac^^ti'*: zij stroomen niet krachtig 
door, maar vermengen zich aldra met het zeewater. Nog heden 
is slabbakken in Vlaanderen slap worden , aan kracht verliezen , 
en wordt b.v. gezegd van wind en vorst. Op personen toe- 
gepast, is het nagenoeg hetzelfde als zwak zijn of verzwakken-, 
zoo by Marnix , Ps. 38 , 8 : 

lek gevoel dat iek slabacke « 
End verswacke. 

Het Noordnederlandsch taalgebruik van dezen tgd verschilt in- 
derdaad niet veel van het oudere. Slabbakken is gewoonigk: 
treuzelen, slap en traag zijn werk doen. Het is niet te ver- 
wonderen, dat die zonderlinge vorm de aandacht trok, en dat 
het volk zelf hem trachtte te verklaren Slabbakken of slappak- 
ken herinnerde aan niets zoozeer als aan slap en hak^ en 
daarmede kwam men onwillekeurig van slappdkken tot Mp- 
pakken. Is dit de loop der geschiedenis, dan moet de afleiding 
van het oudere slabbakken nog worden vastgesteld. De Bo han- 
delt er over in* zijn Idioticon (1026), doch ik acht my na niet 
iu staat zijne meeuing met juistheid te waardeeren. 

A. K. 



TUDSCHRIFT 



VOOR 



NEDERLANDSCHE 
TAAL- EN LETTERKUNDE, 



UITOWKTBN VAMWKOK DK 



MAATSCHAPPIJ DER NEDERLANDSCHE LETTERKUNDE 

TE LEIDEN. 



8t« JAARÜANG. 



LEIDEN. — E. J. BKILL 

1888. 



REDACTIE 

DE LEDEN DER G0KMIS8IE VOOR TAAL- EN LETTERKUNDE 

BU DE KAAT8CHAPPU: 

A. BSEITd* 

J. TEN BBINK. 

H. KEBN. 

H. B. MOLTZEB. 

J. YEBDAH. 

M. DE TBIES. 



INHOUD. 



BUdx. 

H. E. MOLTZER, Van ons Heren wonden i. 

j. VEHDAM, Dietsche Verscheidenheden 7. 

Lxxxvm. Lieftallig 7. 

Lxxxix. Rechtenesse 10. 

xc. Geyoech 20. 

xa. Gewillicb 23. 

xcii. Goort 26. 

xcni. Wgd en zijd 29. 

xciv. PlDimstrgken 32. 

xcv. Schrander 34. 

xcvi. Mender 36. 

H. KERN, Boos 37. 

R. FRUiN, Nog iets orer Cnstinge 46. 

Het woord Vorsche, in de Groote Keur van Zeeland . 56. 

F. BUITENRUST HETTEMA , Dietscbe Kleinigheden 62. 

Fresiska. — Snnna ewende 68. 

Wrbroedt 71. 

p. H. VAN MOERKERKEN, Warenar, 233 (1,3) 76. 

A. K., Bladvulling 79. 

J. A. WORP, Plantos op ons Tooneel 81. 

I. Amphitrvo 82. 

n. Avlvlaria • . 85. 

lil. Cvrcvlio 85. 

IV. Casina. . . 89. 

v. Mostellaria 93. 

VI. Menaechmi iOO. 

VII. Mile6 Gloriosus H9. 

vin. Psevdvlvs 132. 

IX. Trinvroravs 1^2. 

X. Trvcvlentvs 1^. 

A. s. KOK, Huig de Groot's Sonnet 154. 



INHOUD. 

Bladi. 

I. H. G., Prognostica 159. 

p. H. VAN MOERKERKEN, Granje. (Warenar 1029) 160. 

j. VERDAM, Het Brnsselsche Handschrift van Hein van Aken*s 

Limborch 161. 

Tweede boek 189. 

Derde boek 191. 

Vierde boek 194. 

Vijfde boek 196. 

Zesde boek 199. 

Zevende boek 202. 

Achtste boek 204. 

Negende boek 205. 

Tiende boek 206. 

Elfde boek 206. 

Twaalfde boek 209. 

E. T. KUIPER, Het Heidelbergsche Handschrift van den Limborch. 210. 

F. B. H., Verbetering (Tijdschr. 8, blz 64, 65, 66, 67) . . . 220. 

CORNELIA VAN DE WATER, Middelnederlandscho Kleinigheden. . 221. 

i. Alexander IV, 876 221. 

II. Reinaert II, 5048 en 5049 223. 

m. Clausule 346 225. 

IV. Bestaat er wel eene fout in den innerlyken samen- 
hang van den Tweeden Martijn? 228. 

o. KALFF, Plagiaat in de 16de Eeuw. (Houwaert ais Tooneeldichter). 231. 

Veelderhande geneuchlicke Dichten etc 236. 

JOHANNES BOLTE, Zu Wouter Verhee*s Handschrift 237. 

p. J. cosiJN, Niel, Wiel 243. 

JOHANNES FRANCK, Leidener Bruchstück des Flandrys .... 247. 

A. KLUYVER, Hlaifs 254. 

Trawant 260. 

j. w. MULLER, Gerijt Potter van der Loo en zijne vertaling van 

Froissart 2o4. 

H. J. EYMAEL, Losse aanteekeuingen op Hoofb's Warenar . . . 296. 

II. GORT, Schorrimorrie en Fluiten! 318. 

EM. SPANOGHE, Amand I, 06 320. 

CORNFXIA VAN DE WATER, Twoode Martijn, VS. 79—91. . . . 320. 



VAN ONS HEREN WONDEN. 

Onder eenige bladen perkament, ing door mgn TriendTiele, 
bibliothecaris van de boekerg der rgksaniyersiteit te utrecht, 
tot determineering rerstrekt, was ik zoo gelukkig een tot dusver 
onbekend handschrift te ontdekken van *taan Maerlant toege- 
schreven gedichtje van bovenstaanden tit«l. 

Gemakkelgk te ontraadselen was het onoogelijk blaadje klein- 
kwarto voorwaar niet, maar een uitnemend reagens stelde me 
toch in staat den kostbaren inhoud bgna geheel te lezen en 
af te schrgven : enkele leemten , door een paar gaatjes in het 
perkament , onmogelgk aan te vullen , verhelpt de redactie van 
het Gron. handschrift. Heel Teel, ik ben de eerste om het te 
bekennen, moge het Utr. handschrift van Ons heren wanden 
niet opleveren, zgne redactie verschilt toch genoeg van de 
andere , uitgegeven door Van den Bergh ^) en Van Vloten *) 
en Verwgs •) om , in stede van de varianten alleen , het geheele 
stokje hier te laten afdrukken. 

Bovendien, wie zich de recensie herinnert van Dr. Franck 
in het Z. ƒ. d, A. (N. F.). XIV, 2 (1881), zal den afdruk 
gewis volkomen gerechtvaardigd achten. Of was het niet juist 
dit gedicht, dat het verschil van gevoelen over het recht en 
de grenzen der critiek aan den eenen en het gezag der haud- 

1) Nieutce werken vam de MaaUeJkappiJ der Ned, Utterkmmde V. 2. bl. 51 vlgg. 

8) Kleine gedichten van Jaeob win Maerlant, bl. 44 rlgg. (verg. daarorer myne 
•aakoDdiging in het Weekblad voor kef lager, wuddelbaar en gymnasiaal ondertrijs, 
S5 febr. 1878 ; Vrrwya, Fan enen manne die gkeme cnoUen vereoapt ene goede boerde , 
M. 40 flgg.. en Frtnck io Anteiger fur d. AUerth. IV, bl. 3»6 rlgg ). 

8) Afl 2A der Bibliotheek ran Mnl letterkunde, bl 103 vlgg.. 162 rlgg. 

1 



.%,.., 



schriften aan den anderen kant tusschen de hh. De Vries en 
Franck aan het licht bracht? Had De Vries, door z^ne Teran- 
deringen Tan vaak, zooals Verwgs 't uitdrukt, »diep ingry pen- 
den aard" ^) getoond, dat h^ het goed recht der critiek, binnen 
zekere grenzen , onvoorwaardel^k erkende en handhaafde tegen- 
over de traditie van eenig handschrift, de hr. Franck was zoo 
radicaal niet. Met waardeering der conjecturen van De Vries — 
»8ie sind mit groszem aufwand von scharfsinn und gelehrsamkeit 
gemacht" (bl. 155) — is h^ dankbaar maar allesbehalve vol- 
daan. Dankbaar inzonderheid voor de, als ik zoo zeggen mag, 
onschuldige, dus minder diep ingr^pende, w^zigingen van den 
overgeleverden tekst, en voor menige gissing, die ongetwijfeld 
verbetering moet heeten. Maar, zoo schrijft hg ,» wen n der über- 
lieferung nur geringe rechnung getragen wird, wenn man überall 
seltene wörter und merkwürdige redensarten vermutet, dann 
kann man schliesslich aus allem alles machen" ; doch vergeet 
hy hier niet de Rigmi de passione Dominij veaillo crucis et 
mtlneribus Christi *), waarop De Vries' conjecturen zyn gegrond- 
vest, zoodat ook het vervolg van de beschuldiging bedenkel^k 
wordt: »aber dann schwindet auch jeder boden und die text- 
kritik wird zu einem bloszen spiel der phantasie"? Pure fan- 
tasieën zijn het in geen geval vanwege de bedoelde hymne: 
doch, ik wensch geen partij te kiezen. Zooveel is zeker, »dass 
es uns nicht darauf ankommen kann zu eruieren, was einer 
allenfalls geschrieben haben könnte^ sondern darauf, was er 
geschrieben hat'': daarover is dan ook geen verschil van gevoe- 
len , het blyft de vraag wie de meest betrouwbare gids is , de 
critiek of de codex. 

1. Totten gecruusten Jhesum. 

Als men merket alle manieren , 
Bistu, Jhese (u?) goedertiren, 
Paradys vol weelden al, 



1) T. a. pi , bl. 166. 2) T. •. pi, bl. 162. 



Want die yader goedertiren 
Yrocbte goede, sute ende diere, 

In di plante sonder getal, 
Der passieii yrochte die goede, 
Ende om die yloet Tan dinen bloede, 

Daer die milde af waerst int dal, 
Dent es dn onser aermoede, 
Daer om noch die helsch geloede 

Went ende lange wenen aal. 

2. Ten cruce ons heren. 

Segelgc cmus ons heren, 
Ons, die dolen, cansta leren 

Den wech, daer men altoes lacht; 
Den troen ondoesta ons met eren, 
Ende slaortse die ons willen deren, 

Die helle met ons heren cracht; 
Die nighic om die eere maere. 
Die bide die grote schaere 

In den hemel heyet bracht, 
. . . ende bant den portenare , 
Brac die helle, daer si in waere 

Gheyangen in der langher nacht. 

3. Totter cnme om heren. 

Di (e?) hoeft crone(?) mette(?) doemen, 
Nighic om der joden toeme ^) , 

Die Gode croenden als toIc yerwoet, 
Gheschoert in menigher stat biit . . . . , 
Ende bebloet in den doerboeme, 

Spiegel der groter oetmoet; 
Edel crone preciose, 
GheTarwet metter renre roee, 

Jhesom, diet al wesen doet, 



1) Kr volgt op ioérué nog: êorpe. 



Yerclaer ons herte roekelose, 
Van sonden dornich ende bose, 
Maecse suTer ende goet. 

4. Totter rechte hanU 

Di, rechter hant genaghelt dure, 
Daer ute Tloeit die sute ghure, 

Als dwaier uten Phison doet, 
Die doerquelden die joden sure, 
Die verdoemde creature, 

Die ongelovege joden verwoet; 
Die eysche ie ende anebede, 
Ende bid een visiken mede 

Als die lege onde , 

Dat du mi brenges in die stede, 
Daer die beclaghe haer dorperhede 

In sgn ende icker bliyen moei 

5. Ter alincker hant, 

Di , slincker , groetic mede , 

Dornagelt metten scarpen snede , 

Die nagel styf ende lanc, 
Du deelste ons, na Gyon sede, 
. . . beke, die dorperhede 

Ons afdwoech, den swaren stanc; 
Dine (P) edele wonde wi anebeden , 
Ende (?) nigen met oetmoedichede 

Alse die sute ader, die ontsprau . , 
Bi di on ons God, dat wi treden 
Opten yiant ende staen in vreden 

Ter doot, daer ons die wech wort stranc 

6. Ter wonden van der side. 

Fonteine van den paradise, 
Daer vier riviren ute yan prise 



Lopen, die al maken nat, 
Waarbi die yiande onwise 
Verloren hebben macht ende spise 

Ende noch doen om dat; 
Edele side wonde rene, 
Diere gelike was nie fonteine 

Noch 9alke dranc 

Die eerewi alle gemeine, 

Thegen Tengn, groet ende cleine, 

Stopt dyn medicine elc gat. 

7. Ter toonde des rechten voets. 

Wonde rau den rechteren roete, 
Ute di liep die beke soete , 

Ofte Tigrifl waer die yloet; 
Mensche, wan qaam di die boete, 
Dat du clems ter hogher groete, 

Daer altoes es rrede goet; 
Doer den loop ran dinen gate 
Offerde God tot onse bate, 

Die men niet quetsen en mach (?), bloet; 
Wonde, wys ons die strate, 
Dat die i\]i coem niet te late. 

Als ons die doet naken moet. 

8. Ter alinckeren voeie, 

Slincker Toet, uut dinen gaten 
Sende sgn bloet tot onser baten 

Bede die God was ende man , 
Die bist gelike der Enfraten, 
Wat da dwoges ons af die haten , 

Daer ons die nacht hilt in ban ; 
Suete nagel , suete wonde , 
Suete bloet, dat in dier stonde 

Uten dinen gate ran , 




6 

Bi di moeten wi hebben gesonde, 
Wi trage, misdadighe honde, 
Hoep 80 drager wi aen di dan. 

9. Tot onser Vrouwen. 

Dochter ; moeder van den kinde, 
Daer du en sages hangen te winde, 

Wat rouwen dogestu ende welc leet! 
En is geen herte, diet bevinde, 
No tonge so heylich, diet ontbinde, 

Want die mensche niet en weet. 
Van rouwen moet doerboerd wesen 
Mgn herte sonder genesen, 

Want verdient heefk coud ende heet , 
Dat niet en si verdoemt bi desen. 
Met pinen doergaen och doerlesen , 

Want ten sonden was gereet. 

10. Tot sente Jolian Ewangel .... 

O Johan ewangeliste, 

Du waerst behoeder ende 

Der cameren daer Qod in lach; 

Dese werelt houd mi , 

Helpe mi, daer ie om giste 

Ende dat ie gheer al dat . . . . ; 
Ie vermane di biden wene 
Ende biden rouwe , die niete .... 

Daer die herte gaf den . • . . , 
Daer du Gode versmaen sagest re .... , 
Dat du mi makest der scaren . . . . , 

Die God verloest op den Paesd .... — 

Utrecht, 1888 , 2. 29. h. £. moltzbe. 



'aA: 




DIETSCHE VERSCHEIDENHEDEN. 

LXXXYIII. LIXFTALUO. 

Geen der tot heden gegeven afleidingen en Terklaringen Tan 
dit woord voldoen, ook niet de laatste, door myn vriend Stoett 
in Noord en Zuid (10, 185 vlgg.) medegedeeld. Immers het 
door hem besproken bnw. getal ^ ohd. gazal^ mhd. gezalj ags. 
getal beteeken t in de ogerm. talen 5f vlug^ ênel^ behendig, ge- 
2 wind j of voegzaam^ geschikt; en nn kan men wel met weinig 
moeite van de bet. geschikt komen tot die van aangenaam , doch 
deze overgang is voor het germ. bg dit woord niet bewezen , 
en dus twyfelachtig. Er is nog een ander bezwaar: de super- 
latief lie/stgetal wordt door deze afleiding niet verklaard. Het 
is natuurlyk gemakkelyk , dien vorm aan misbruik toe te schrg- 
ven, doch daarmede is niet altyd eene kwestie uit te maken. 
Immers, wanneer men de zaak onpartydig beschouwt, zal men 
eer meenen , dat de twee deelen van het woord in eene andere 
verhouding slaan dan die van copulatie, dat men nl. den super- 
latief moet beschouwen als b. v. best geboren van welgeboren^ 
best geraect van welgeraect , e. a., en dat men dus in getal een woord 
te zieu heeft, in beteekenis met een deelwoord gelijkstaande. 
Lateu wy trachten , door in deze richting te zoeken , tot eene 
bevredigeode uitkomst te geraken. 

Er is in den laatsten tyd meer dan eens de aandacht ge- 
vestigd op bnw., die de bet. hebben van verleden deelwoor- 
den, doch niet den vorm, en die in lateren tyd byna alle 
in het gebruik door deelwoorden zyn vervangen. In den T, en 
Lettb, 4, 190, wees ik reeds op allerlei met ge- samengestelde 
woorden , waarin geen uiterlyk teeken van samenstelling zicht- 
baar is; zoo b. v. gehaer, haar hebbende; gelijc, eene 
zelfde gedaante hebbende; ge mate, maat houdende; ge- 
sprake, spraakzaam. Later vestigde ik de aandacht op adj., 
die in bet. met deelwoorden overeenstemmen, als gemac, in 
beteekenis overeenkomende met gemaect; gemanc, het- 
zelfde als gemengd; gevee, vyandig, hetzelfde als bet latere 



8 

gOTeet; gehat, in ééne yan zgne beide beteekenissen niet 
yerschillende van gehaet; gemoedich, gematich, ge- 
machtich, besculdich eo besondich, later yervangen 
door de deelw. gemoedicht, gematicht, gemachtich t, 
besculdicht, besoudicht '). Zoo komt ook naast gespar, 
vijandig, een deelw. gespert (gespaert), van sperren, 
voor ^). Ik moet thans nog op andere soortgelyke , ook uit het 
mhd., de aandacht vestigen. Allereerst w^s ik op het in het 
Mnl. Wdb. behandelde bnw. gebot, dat de bet. heeft van 
opgeroepen , gedagvaard , of ook onderdanig , gehoorzaam , en, niet 
naar den vorm maar naar de beteekenis , als een deelwoord 
is te beschouwen; op gedringe (Mnl. Wdb. 2,1080), dat in 
bet. overeenstemt met het deelwoord bedrongen (1, 666); op ge- 
hang e, dat vermoedelijk bestaan heeft in de bet. genegen , geneigd 
{2, 1119); op gehenge, waarvan eveneens het bestaan niet ge- 
heel zeker is , doch dat , als het bestond , de bet. had van ge^ 
doogd^ toegelaten^ aangenomen (2, 1134); op gerac (2,1485) 
waarvan geracheit, hetzelfde als geraect; op gerec, 
waarvan gerecheit, hetzelfde als gereetheit, gereedschap; 
op gecrone, met eene kroon versierd (crone dragende, 
2, 377 vlg.), bij uitbreiding voortreffelijk, hetzelfde als het 
deelw. gecroont (2, 1180); op gelage, gunstig gelegen ^ het- 
zelfde als het deelw. crelegen (2, 1193); op gemic (2,1385) 
dat in bet. gelijkstaat met het deelw. van mie ken in den zin 
van pasklaar maken , in orde brengen : het heeft althans de deelw. 
beteekenis gepast en gereed , bereid', op een vermoedelyk bnw. ge- 
won, hetzelfde in beteekenis als het meer gebruikel^ke gewone, 
waarover Franck handelt in zijne Aant. op ^feo?., bl. 413, welke 
beide woorden in hoofdzaak overeenkomen met het deelw. bnw. 
ge woont, van wonen, d. i. woonachtig (T, en Lettb, 4, 188); 
op getrouwe, dat ook in de bet. van het deelw. getrou- 
we t, in den zin van wettig , echty in het mnl. voorkomt; enz. 
Vgl. verder de artikelen ge dan, gedenc en gedoge in het 



1) Zie Tijdtehr. 6. 42 Tlgg; 49; 64. 2) ald.. 2S2 en 287. 



9 

Mnl. 'Wdb., wier Torming wellicht op dezelfde wyze moet wor- 
den verklaard; het kan zya nat hebben de aandacht der taal- 
geleerden op deze en soortgelyke Tormingen van bnw. te Testigen. 
Zien w^ nu, róór wg aan deze reeks van bnw. er nog een 
paar toevoegen, welke op dezelfde w^ze gevormde bnw. het 
mhd en het mnd. hebben aan te wijzen. 

lu het mhd. vinden wy o. a. gedon^ gespannt; gedrenge, 
gedrangt; gehdr^ behaart; gehërze, behertzt; gelip^ mit einem 
leibe verse hen ; gemach, womit verbanden; geman, bemannt; 
yeman^ mit mahne versehen; gehom^ gehörnt; ^^emmn^ , in liebe 
vcreint; geloup^ mit laub versehen, belaabt; ^e«rAuf«, gescheidt; 
gesinne^ mit sin begabt, besonnen; gesippe^ verwandt; geslahtj 
geartet; gesite^ g^ittet; gesmac^ wolriechend; getwengej einge- 
engt, zusammengepresst; gevar^ farbe habend, ndl. geverfd; 
gevtc/i , feindlich ; gevëder , gefiedert ; gewdfeti , mit wafiFen ver- 
seheu ; gewon , gewont ; geziere^ geschraücki In het Mnd. Wdb. 
vind ik opgeteekend gebreke^ gebrechend, fehlend; ^eAa<,feind- 
selig (mhd. gehaz): gehulpe^ behülflich (mhd. geholf)\ gemack^ 
bequem ; gewapen , gewaffnet ; e. a. 

Meii ziet dat het getal niet gering is van die bnw., welke in 
heteekenis met een (meestal verleden) deelwoord overeenkomen. 
Ijaat ik nu nog een paar tot heden in het mnl. niet opge- 
merkte bnw. van deze soort aan de behandelde toevoegen. In 
de eerste plaats gewapen, dat ook in het mhd. en mnd. bestaat. 
Men vindt het, door de afschrgvers of uitgevers nu en dan te 
onrechte ingewapent veranderd , op de volgende plaatsen. Oorl. 
r. Albr, 427 : > y'xexiiu^eni ghewapen' (hier en op de volg. plaats als 
zuw. gebruikt; in het Gloss. terecht: >g bewapen, gewapend 
man'*). L o. H, 2060: > Hoe moegdi rusten ende slapen , daer hier 
comt dus menich gewapen mi te slane** (in den tekst en mis- 
schien ook in het hs. gewapent). Alex. VII, 299: > Wacht, 
dat ghi ghewapen vaert , dat u dat moordadighe diet en rooghe 
ghescadeu niet" (A*. , door Franck onnoodig in gewapent veran- 
derd). Belg. Mus. 4, 197:»Zyn ^/i^tra/>^ scoten uut platen ende 
worpen van hem haer helme ende scilde.*' Wanneer de tweede 



10 

nv. gewapens voorkomt , als RincL 1067 ; lAvre d. Mest, 39 ; 
Lanc. II, 11262, is het niet uit te maken, of de nom. ^etoopen 
dan wel gewapent is bedoeld. 

Tot deze rabriek van bnw. behoort ook naar mgne meening 
het bnw. getal in de samenstelling tiefgetal. Het staat als bnw. 
gelijk met het deelw. getelty in de bet. geacht^ gerekend^ 6e- 
achouwd. Men kan de samenstelling het best begrgpen, wanneer 
men er eene moderne, als waard geacht naast plaatst. By deze 
beschoawingsw^ze kan men zich vooreerst den superlatief lieftt 
getal verklaren (vgl. waardst geacht , hooger geboren)^ ten tweede 
de verknoeiing lüf in 't getal ^ daar die althans eenigermate de 
gedachte weergeeft; verder het feit, dat lief getal meestal in 
twee woorden geschreven wordt; vervolgens — niet het minst 
klemmende be\v^s — de omstandigheid , dat lief getal behalve met 
onder j met of bi ook verbonden wordt met van^ nl. Limb. VI 
1927: »Doch wart si daer soo lief getal van haren na ghebueren 
al, dat sise priisden atermaten** (in ^ en £), hetgeen alleen mo- 
gelgk is, indien nog eenigermate in het woord de beteekeuis 
van een verleden deelwoord gevoeld wordt; vgl. geacht bij en 
door (=mnl. van), en Coll. 243 r; »Begerte gesien of geloef t te 
wesen van den menschen;'* en eindel^k het feit , dat men naast 
lief getal pok vindt goetgetal, d. i. voor goed gehouden ^ aU goed be* 
achouwdj onder de goeden gerekend j welke samenstelling , indien 
althans mijne meening aangaande liefgetal juist is, niet aan 
misbruik behoeft te worden toegeschreven. 

LXXXIX. BECHTENK8SE. 

Dit woord komt, zoover m^ bekend is, slechts éénmaal in 

de mnl. letterkunde voor, en is dus een zoogenoemd hapax 

legomenon. Men vindt het in den Moriaen, in een verhaal van 

den moord, gepleegd aan een paar vrome pelgrims. Aldaar lezen 

wij VS. 983: 

Te deRen cnice, dat gi daer siet, 
Daer menech rechtenesse gesciet, 
Daer verlooe een riddere dlgf, 
Beide hi ende Bgo wgf , 



11 

die, aldus gaat het Terhaal voort, den hemel roimschoots ver- 
diend badden aan de Christenen , want sg stierren in de nii- 
▼oering Tan een voortreffelgk werk, eene yrome daad. Zg 
hadden namelgk eene bedevaart gedaan, van waar sg met een 
grooten stoet en allerlei in den vreemde aangekochte zaken 
terugkeerden. Doch op een tweesprong werden sg door roovers 
aangevallen; de man werd gedood en uitgeechnd en de vroaw 
bestierf het van schrik. Op de plaats, waar de moord had 
plaats gehad, werd een kruis opgericht; en, aldus gaat de 
▼erhaler, een kluizenaar, voort: 

Das moesten si hier sterfen bede 
Teser gerechter we^^escede, 
Daer gi dit tcone cmce siet 
Ende daer menech gerechte gesciet. 

Aan de mededeeling van deze droevige gebeurtenis knoopt 
dan de kluizenaar de vermelding vast van het feit, dat daar 
op die plaats allerlei wonderdadige genezingen plaats hebben. 

Solke liede comen hier naect 
In haer broec , sonder scoen , 
Die haer pelegrimage doen , 
Die aiet efele s|jii befaen; 
Ende die hier riden eode gaeo, 
Hebben daer meoege bate bejaget.** 

Ik moest de plaats eenig^ns uitvoerig mededeelen, omdat 
men eerst nu zich een oordeel zal kunnen vormen over de be- 
teekenis van reehtene$ée , die in het Oloss. onjuist is opgegeven. 
Het wordt daar weergegeven door gericht^ en nog eens lezen 
wy in hetzelfde Gloss. op gerecht: »bnw., in de uitdr. ge- 
rechte wegetcêdêj d.i. (volgens vs. 984) de viersprong, >daer 
menech rechtencMe (gericht) gesciet**; eindelgk wordt ook ge^ 
rechte in vs. 1006 door gericht vertolkt Ik vermoed, dat met 
dit telkens zonder eenige toelichting herhaalde woord gericht 
zal bedoeld zgn terechtstelling, immers aan eene terechtzitting 
kan in het geheel niet worden gedacht. Men is nl. op eene 
eenzame plaats, hetgeen o. a. blgkt uit het feit, dat een 



12 

zenaar zich daar eene kluis heefk gebouwd om zich aan gods- 
dienstige overpeinzingen over te geven. En nu vraag ik: is 
eene dergel^ke plaats eigenlek wel zoo heel geschikt voor 
terechtstellingen? Zou de meyer eener Middeleeuwsche stad, die 
met de uitvoering der doodvonnissen was belast^), het wel 
zoo geschikt gevonden hebben , om ze zóó ver buiten eene 
stad te gaan voltrekken ? En zou omgekeerd een kluizenaar eene 
zoodanige plaats wel zoo b^zonder geschikt geoordeeld hebben 
voor overpeinzing en gebed? Ik geloofdat de eene onderstelling al 
even onwaarschijnlijk is als de andere. Doch niets dwingt ons , 
aan de in het Gloss. gegeven verklaring te hechten, indien er 
eene betere te vinden is. Dit is zeker, dat rechtenesse in vs. 984, 
en gerechte in 1006 hetzelfde moeten beteekenen: doch even 
zeker is het, dat de beteekenis gericht of terechtstelling de ware 
niet kan z^n. Doch wat beteekenen de woorden dan? Het 
antwoord wordt gegeven door de medegedeelde slotverzen van 
het verhaal : rechtenesse en gerechte beteekenen wonderdadige ge* 
nezing, dus hetzelfde als bate in den slotregel. Dit is de ware 
verklaring van de beide woorden , die reeds uit den samenhang 
met voldoende zekerheid is op te maken. Het spreekt vanzelf, 
dat dan ook de verklaring van gerechte loegescede in vs. 1004 
onmogelijk juist kan z^n: men moet zich eerder verwonderen, 
dat eene zoo gewone mnl. uitdr. op zulk eene wyze kon worden 
uitgelegd. Teser gerechter wegescede beteekent niets anders dan 
juist op dit kruispunt^ precies op dezen viersprong, Vgl. vs. 2801 
(dat door den uitgever op dezelfde wonderlgke wyze wordt 
verklaard): >Dat si Waleweine souden leiden toter gerechter 
wegesceiden int ende van haren lande" d. i. juisty precies tot 
aan de grens , niet verder dan de grenzen ; Voorgeb. v. Gent 70 : 
»de gerechte eelt'*, juist of precies de helft ^ niet minder dan de 
helft. Ook in andere gevallen moet een mnl. bnw. in onze taal 
door een bijw. worden weergegeven. Het aardigste voorbeeld 



1) Zie b.v. in den Limborch, Boek I; Seghelyn, Glo9t. op meyer, en de onlmngi 
gevonden fratrmenten ¥J«n Couehif^ in Tijdeehr. VII. 



13 

daarran is het mnl. enüh op eene plaats in den Rijmb. (17705)9 
waar verhaald wordt dat een onderzoek moeet worden ingesteld , 
of de valsche Smerdis » enige oren hadde'S d. i. »ook soms, 
misschien ooren had." 

Wat uit den samenhang bleek, kan ook door innerlgke bewgzen 
worden bevestigd. Rechtenesse nl. is eene afleiding van rechUn^ d. i. 
recht maken, oprichten^ dat nog heden van een zieke gebruikt 
wordt: een synon. dus van ndl. herstellen en genezen. Rechten 
of richten, eig. toeder recht maken, ontwikkelt uit dit begrip 
de beteekenis van herstellen , goedmaken. Het werd in de middel- 
eenwen en nog in de 17^« eeuw vooral verbonden met een 
obj., dat schade of nadeel uitdrukt. Zie Ngb. 2, 87 en Oudem. 
Bijdr. op richten. Het beste bewgs evenwel dat werkelyk 
rechtenesse kan beteekenen herstel, genezing ^ geeft het znw. ge^ 
rechtenesse, dat insgelgks slechts op ééne plaats voorkomt, doch 
in een samenhang die aan duidelgkheid niets te wenschen over- 
laat, nl. Sp. IIP, 3, 25: »Alse hi quam tote Ohent, vant hi 
sente Baven ghehent {overleden) ende doen meneghe gherechte- 
nesse.** Ook hier wordt het woord vooral gebruikt van eene 
wonderdadige genezing , het oprichten of doen opstaan van een zieke 
of zelfs een doode. Ook het znw. gerechte heeft deze betee- 
kenis. Wèl komt het, zoover mg bekend is, in het mnl. ner- 
gens elders in dezen sin voor, doch het mhd. kent gerihte{Yr. 
of o.?) in de bet. riehtigmachung , eene bei zeer nauw verwant 
aan die van herstelling , genezing. Ten overvloede vergelgke men 
de bet. 11, c) van berechten, nl. (wonden) behandelen, rer- 
binden, en de bet. 4, c) van berecken, nl. (zieken) freAan- 
delen, genezen. 

Een enkel woord nog over een paar andere plaatsen uit den 
Moriaen, welke tot heden niet goed begrepen zgn , nl. vs. 1425 
^^Sf-i ^^^^ ^^1^ doo' Walewein uit de handen van een ridder 
verloste jonkvrouw aldus hare geschiedenis verhaalt: 

1425 Bdel riddeie, ie maact a vreet, 
Twf hi Bi daten toren doet: 
Hi vilt mi hebben tere aaien .... 



14 

Ie hebbe al anderen toren 
1438 Die haveloosheit doet mi wee, 

Nochtan doet mi vele mee, 

Dat ie n wel gesecgen can .... 
1440 Mgn vader heeft vii jaer gequolen 
• Ende es ondergegaen van gode 

Ende leget in swaro ermode; 

Hine mach riden no gaen, 

Noch over sine voete gestaen: 
1445 Hi doget swaren arbeit. 

Te Winkel slaat voor in vs. 1439 2?a^ te veranderen in J?an , 
doch laat zich verder over de plaats niet uii Doch zooveel blgkt 
toch, dat hij aan de vtroorden dezen zin hecht: »De armoede, 
het feit dat wij aan lager wal z^n, smart mg diep; doch dit 
(hetwelk Franck wil invoegen) grieft mg veel meer dan ik u zegK®^ 
kan.*' Franck, Am. ƒ. D, A. VU, 20, in zgne beoordeeling 
der uitgave verklaart: »»ich habe schon etwas anderes was mir 
kommer verursacht, die armut, aber seine schlechten antrage 
sind mir doch noch schmerzhafter;*' dan mass man aber 1434 
dx>et dit lesen, and darf dat in 1435 nicht in dan Terandem, 
es sei denn dass man dem vele mee eine doppelte beziehung zu- 
gestehen woUe, aafs vorhergehende and aafs folgende. Die 
schwierigkeiten bei dieser aafifassang sprechen gerade nicht für 
dieselbe, oder aber nicht für die richtigkeit des textes.** Het 
eerste gedeelte van den slotzin beaam ik volkomen, ik begrgp 
Franck's redeneering niet overal even goed, doch meen dat de 
tekst hier volkomen in orde is , en dat er Tolstrekt geen moei- 
Igkheden zgn , als men hem goed opvat. De ongelukkige jonk- 
vrouw somt hare ongelukken op, en daarbg is onmiskenbaar 
een climax waar te nemen. Zy begint met het minste, en dat 
ook alleen daardoor een ongeluk is geworden, omdat de ridder 
wraak had genomen over hare weigering, nL dat de ridder 
haar tot zijne amie (bijzit, maitres) wilde maken. No was een 
dergelijk voorstel ongetwgfeld onaangenaam , doch geen middel- 
eeuwsch meisje (en vooral niet een meisje uit een ridderro- 
man) zal daarvan de tering gekregen hebben. Als zg weigerde, 



15 

dan was daannede de caak uit En een herhaald aanioek kont 
als in dit geral , voor het meisje lastig worden , doeb meer was 
het niet: het was voor haar geene schande « dat een ander 
haar schandelgke voorslagen deed. Naar het rog Toorkomt, moet 
men dch de beschouwingen eener middeleeuwsche jonkfrouw 
denken als ongeveer dezelfde als van eene hedendaagsohe roor 
haar stand besehaafde boeredeem. 

Duidelgk blgkt dit ook uit de woorden van het ? erhaal self, 
Eene dergelgke bekentenis van een jong meisje jegens een vreemd 
heer zou in onze dagen niet gedaan zgn zonder blos of hape« 
rende stem of zonder eene mededeeling, welke men niet bier 
vindt, maar wel bg eene andere confidentie, waar die naar 
onze begrippen beier kon gemist worden, nL die aangsand^ 
haar gebM^^os aekiemitgang (vs. 1438): 

k SMpet teegtro. »1 eett tcaode, 
lire kere riddere, &! oofeHboleo. 

>Maar dit is hei ergste niet«*' aldns vervolgt de jonkvrouw: 
>»<«• ik heb nog Led amdert rampen te betreuren /' <#f in 
*t maL 



(zoo cruk ia 't sBsd.: > k keMM; al awier verdriet^* «a dgL I, » wf 14^ 
ger mMüi iJ. mm i ig p i r wal gwa a kt ** Uotk nog vf«l neer iM^v^rooT' 
zaakt KÜ S K rt fr w ik <» aa wil f di A rtem . Mjn va i da r ^ dae mtn%éê 

^^ea ^ef^HrtMBMiS suaa ivas es ^^bocf oe aajBzsen*3BSaSifliB vnsi Srta jaavs 
Uaaff^wrt^. 41 SIS — ik »M!t kef a npfkiftig swi d fl a mwi» . al 
i» ii4i «eoit raaiafhi «^^ om 
iMf: n. tÊmm. fmm jpwukkrü 4^ 

}ii^Mi. «Nilib^ Si«ft js te Miftfliniif ia< icMSMiiea j wa n ii i'n ip s 
^n» üf ie «Ma.^. 4aa ••ai pya k^ «ctésr» «ouid. auiKaa sif 
iMT a« W« ti^ft ryfi^a. i# jw pea ki« • sasr srA mi ia* 
i«^nfWi« V«»UMewi(iir Si 4um tijfit ètè 



tm 




16 

dezen ridder , die m^ heden morgen , een vermeend hem door 
mjj aangedaan onrecht (nl. mijne weigering) wrekende , uit het 
kasteel van m^n vader heeft weggevoerd. Op zoo iets was ik 
niet verdacht, en zonder te letten op myne smeekgebeden, 
sleepte h^ m^ weg en doet hy m^ deze schande aan." 

M^ dunkt dat, op deze wgze verklaard, de plaats in alle op- 
zichten duidelijk is en de tekst volkomen zuiver. Slechts lette 
men er op, dat in vs. 1435 te vertalen door iets wat^ hetgeetu 

De in vs. 1446 voorkomende uitdr. heffen ende leggen 
is voor de oppassing van een zieke zeer schilderachtig. Eig. 
bet. zij natuurlgk optillen en {weer) neerleggen, Vgl. Lubben 
2, 172 6 op haffen: »EDe vrome, mogenhafüge («tór£« , «p?er- 
krachtige) vrouwe de schalde veer kranken luden vorheghen , de 
in erer unmacht unde noth fieven , haffen , dregen unde gode 
hantrekinge don." 

Ook de verzen 1449 — 51 hebben aanleiding gegeven tol 
misverstand. 

»Nu waric", 

zegt de jonkvrouw, 

»gerne met hem bleven 
Ende hem gehouden al min leven 
Na mine macht te minen besten.** 

Ik spreek niet van hetgeen in het Gloss. op gehouden 
wordt opgedischt. Dat gehouden hier een bnw. zou zgn , en wel 
een andere vorm voor gehoude^ behoeft geene wederlegging. 
Te Winkel heeft dan ook aan deze onjuiste verklaring in het 
Gloss. het volgende toegevoegd: >In vs. 1450 kan men het 
woord ook opvatten als part. van houden in den bekenden zin 
van onderhouden , verzorgen , b. v. Wal, 5406 , doch dan moet 
hem veranderd worden in haddene. Het mag verwonderen, dat 
voor deze in hoofdzaak juiste verklaring de eerste niet is ge- 
schrapt. Denkelijk is dit niet geschied , omdat er nog eene plaats 
is waar de uitgever meende, dat ditzelfde gewaande bnw. ge^ 
houden voorkwam , doch wg zullen zien , dat het daar zoo mo- 
gelgk nog minder past. De bedoeling is natuurlgk: »ikzoQzoo 



17 

gume b^ hem gebleyen z^n en hem, al ware het mgn geheolo 
leven opgepast hebben." De bet. oppasëen van honden is de 
regelmatige ontwikkeling der oorspronkelyke beteekenis bého$^ 
den^ bewaken^ welke vooral doidelgk uitkomt in den Middel- 
eeuwschen zegenwensch God houdui Er is evenwel nog één ding 
vreemd in de aangehaalde regels, nl. dat bg gehouden de verl. 
tgd van het hulpww. hebben niet uitgedrukt staat. Ook Franck 
spreekt hierover en wil wartc in den vorigen regel ver- 
vangen door haddie. Ter bevestiging haalt hg verscheidene 
voorbeelden aan, waarin hliven met hebben wordt vervoegd. 
Doch ook hier is elke verandering overbodig. De regels van 
zinssamenirekking in het Mnl. zgn geheel verschillend van de 
onze. Daarom kan men zeer goed haddic uit het voorafgaande 
warir aanvullen. VgL een soortgelgk geval , Ep.fragm. 238, 370: 

Geben«dgt lo moeti rgo 
Eode »Ue diene ebben lief, 
Eode tofren ende grief 
Alle (tie gooe, diene baten! 

waar bet ww. hMen in den 3'^ regel üH bet voorafgaande 
mjn ontleeiid en aansrerold rornet worden. Een geheel analooc( 
voorbeeld van een venehgnv^l . waarop nog meer moet gelet 
worden, giceft ons Maiid^rüU f, %lh: *Hi ki alVjo* de» .Sarra- 
cinen osderdaaieh gheweent en^ trib^nt gbe^^bevea.^ tkmMi%\i 
eeoe opmerking 'yver vi. \W}', 

B'^wmttn kaa a^ir ikn^iaix^.^k asef* aA4er« f^^»elf^iieii 4#a /// 

bet jrüiiWL '^«vir 4*<!*'i*'niMii . '^4*ve^^>3» *it i wt ^r**n »*r1f-**i^i ji^^« 
die m m^ ICdu W th »iii»r i%f* twriv^iH "^ ^li^^JH** ^fi*<#y 
de rmrj^if -1'* :ju»f, t*» ^vi^. ^.^iM^^ym .. ^^jtfAéf^m^m . nry^^u*^m m 



18 

De andere plaats uit Moriaen, waar iosgelgks het ww* Aoti- 
den aanleiding heeft gegeven tot misyerstand, is ys. 1752, waar 
de ontroostbare vader bg het zien van het Igk van zgn ge- 
liefden maar ontembaren zoon, uitroept: 

Wie heeft hem dlgf genomen, 
Minen alten lieven kinde, 
Dat ie Tor al die werelt minde? 
• Was hem das sioe doot gehonden! 

Hoe gehouden hier met mogelgkheid de beteekenis gunsiiffg 
genegen zou kannen hebben , begrgp ik niet. Het is een deelw. Tan 
houden^ in eene niet gewone opvatting, nl. als sjnon. van 
besceren, van het noodlot gebruikt. Te recht zegt Franck 
in zgne boven aangehaalde beoordeeling (bl. 22) : j,gehouden ist 
part. von houden, and heisst »(vom schicksal) bestimmt.*''' Ik 
breng dit punt ter sprake, omdat in den Seghelgn in denzelf- 
den zin voorkomt het samengestelde verhouden, doch daar wordt 
het door mg onjuist verklaard. In de verzen (vs. 3270 vigg.): 

Wgst mi den wech, hoe ie daer vare, 
So dat ie se (de v^anden) sconwen maeh. 
Hem is verhouden een sterfdach; 
Ie hope , iek] en hem sal gheven !'* 

moet de derde regel eene soortgelgke bet. hebben, als de uit 
den Moriaen behandelde. De verklaring »de dood is voor hen 
uitgesteld , d. i. z^ hebben laog genoeg geleefd, zg hadden 
al veel eer moeten sterven**, is gezocht en onnatuurlgk. En 
indien houden de bet. hebben kan van bepalen (door het noodlot), 
dan behoeft niet van verhouden gezegd te worden {Segh. Gloes.) : 
»De bet. bepalen, die verhouden hier ook zou kunnen hebben 
wat den zin betreft, is in het mnl. niet aan te wgzen." Eene 
zeer duidelgke plaats, waar houden dezelfde bet. heeft, vindt 
men Limb, I, 1229, waar de miskende en gehate Margriete 
haar lot en leven in Gods handen stelt met de woorden: 

No moets onse here wonden, 
Die te minen boa f gehouden 
Heeft al gader dat hem gaedt! 



19 

»Qod, die voor mg weggelegd heeft al wat hem behaagt, be- 
schikke over mg.** Of volgens de var. C: 

Ie moet hebbeo dat mi es gehouden 
Van Gode, daert aï aen gaet. 

Eindelijk eene plaats, waarvan Franck de gulle, bg aitge- 
vers en beoordeelaars altgd nog te zeldzame bekentenis aflegt, 
dat hy haar niet verstaat, nl. vs. 1532 vlgg.: 

Waleweio die goede eotie botide 
Sat doe weder op Oringalette .... 
Het wa« Bo stare ende so groot; 
Ende alt ego here hadde noot, 
Wachtet heme van tire lede, 
Oelgc dat t^n here dede. 

De onduidelgkheid der regels ligt vooral in de woorden van 
eire Me, waarvan in het gloss. geene melding wordt gemaakt. 
Het znw. lede moet hier opgevat worden als een vr. znw., met 
de bet. van het onz. znw. (eig. bnw.) leet; in den volgenden 
re^el, na dat, worden ingevoegd hem, en de geheele plaats 
aldus worden weergegeven: lAls zgn meester in nood was, be- 
waakte het hem tegen zgn leed , wist het leed dat hem dreigde 
van hem af te weren , bracht het hem buiten gevaar, evenals 
zgn meester hem deed.** Er zgn in het ranl allerlei voorbeelden 
van paarden die handelend optreden in 't belang van hun bergder ; 
zoo bv. in den Walewein en in den Seghelgn. Mg dunkt, 
(leze zin laat niets te wenschen over en is met de blgkbare 
iRHloeling der woorden in overeenstemming. Het vr. znw. Uide^ 
ige^ens. zu liebe, Uid, Bchmerz , betrübn\8*\ is in het mhd. 
zeer gewoon en eveneens in het mnd. Zie Lexer 1, 1863: 
Lubben 2, 647. Ook in het mnl. komt dit tot heden weinig 
opgemerkte woord meer voor, al blgkt niet altgd het vrouwe- 
lijk geslacht. Zoo b.v. Limb. Serm, 42 r: >A1 den genen ver- 
beven die di leide hebben gedaen.*' Hild. 50, 1 1 9 : > den ooninc 
was lede der dinck*', d. i. hif had er leed over (in het gloss. 
Htiiat te onrechte aan het woord hier het onz. geslacht toegekend). 



20 

Limb. XTLj 1027: »Eii dadiis niet, soo ware mi leede ghe- 
schiet.*' Natuurk. 770: »Hi doet den mensche ooc dicken lede 
ende yervaernisse groot' *• Brand. 972: »Datta mi leede hebs 
ghedaen** (de aant. ald. i^hoes' leeds" kan yervallen). Be/g. Mus. 
1, 31, 164: »Ic en seide di heden lede noch en mesdade noit 
man/* Rijmh, 20928: »Hi wilde Antipaterre trecken Toren ter 
cronen, ende al dor hare {nl. der moeder) ledé'\ In de uitdr. 
80 lede doen, Rein. I, 861; Melib. 3713; Brand. 1052; 
Hild. 147, 338, alsmede L. o. E. 2349: »Si daden hem on- 
sachte ende lede'*, is lede nataarl^k als bgw. te beschouwen. 
Vgl. Mnl. Wdb. op doen (2, 249). Op de laatste plaats alleen 
zouden beide opvattingen niogel^k z^n: immers bekend is de 
eigenaardigheid, dat door ende twee ongelgksoortige rededeelen 
worden verbonden. Zie Mnl. Wdb. 2, 943, op ge, 8), waarbg 
men nog voegen kan, Limh. VU, 550: »Nu doet hovessceit 
ende wale*'; IX, 155: »Si dede aelmoesene ende wale", en het 
in den Limb. meermalen voorkomende twaren ende God en 
troutoen ende God. 

XC. GEVOECH. 

Er zijn weinig woorden in het mnl. zoo vaak verward met 
een ander dat er op leek , als het geval is met de woorden pe^ 
voech en genoech. Laat ik een overzicht geven van de plaatsen, 
waar dit overigens eenvoudige en heldere woord is misverstaan, 
en het tevens op enkele plaatsen herstellen. 

Velth. III, 39, 12: 

Dit wonder ende ander gevoech 
Sach men genen wonder doen. 

Men leze genoech: »deze vreemde zaak en verscheidene andere 
zag men dat wonderl^ke schepsel bedreven.*' 
Wap. Rog. 534: 

De wille es deeer stat coninc; 
Ui mach laten of doen die dioc: 
Al na tj^n^ ghenouch'; 



21 

I. ghevouch^ zooals ook wel bedoeld is; althans inde noot staat: 

iHs. ghenouchy 

Segh. 3014: 

Ie hoop wi tullen hebben ghemac 
Noch tavont, ende teten gkenoeckt 

waar de var. beeft: 

Teten al ons ghenoech^ 

1. ghevoech^ d. i. «zooveel als wg willen, maar losten*', eig. 

> zooveel als ons voegt of lykt, aangenaam is." 

Hadew. 1, 99, 42: 

Si nemen te vroech 
Al hare ghenoeeh 
Onder de getellen. 

Men leze gevoecA, 

li, r. Utr. 2, 312, 25: » Indien partie dat mit genouge niet 
doen en wil, sollen hen recbt laeten wedervaeren." Men leze 
mit gevouge , d. i. met Bcliik , goedschiks ; hd. mit gutem fug, 

R. r. Elburg 189, 30: (»Si) hebben een gevoeth geseget 
tus^cben Pilgriro van Putten ende onser stat van der Elborch." 
Men lexe gevoech , d. i. minnelijke schikking (voegen = schikken), 
overeenkomst , verdrag. Het woord is in dezen zin vooral ge- 
woon bij Nyhoff (1, 171, 172, 173), doch komt ook voor 
Rein. n\ 3676; Oorkb. 2, 191a; Sp. IV», 16, 9; IVS 65, 66. 

Afor. G30: 

Nu laet om corten dete tale , . . . 
0(ï beginnewi weder den ftrgt, 
Ende tiet welc et n gtnoeck^ 

I. gevoech j d. i. >wat van beide (over welc^ zie Ferg, GIo8b.) uw 
zin, u naar den zin is, d. i. zeg wat gg liever wilt'* 
Lanc. II, 34320: 

8i teiden, dat en et niet gkenasek^ 
Bedl hi i^t gewiet coninc; 

men leze gevoech, d. i. >het komt niet te pas, is onvoegsaam 
of ongeschikt'*; lat non est conceniens {Sp. IP, 92 « 34). 



22 



Sp. l\ 24, 33: 



Tusscen der Zuutzee enter Danoawen 
Hiet al MessiaO» ^l^e wgt scouwen, 
Omme dat corens vele drouch, 
Dies ander lande hadden genouch. 

Men leze gevouch. De bedoeling kan natuurlgk slechts sgn: 
» omdat het yeel koren Toortbracht dat naar andere landen werd 
nitgevoerd/' of letterlgk: » waaraan andere landen iets hadden, 
waarvan zg voordeel hadden/' of misschien nog juister » waar- 
aan andere landen behoefte of gebrek hadden/' Ygl. MnL Wdb. 
op behoef en bederve, 

VI. Rijmk. 1380: 

Hi was 800 gherecht ende soo ghenoeghe^ 
Dattene die lieden hieten alte samen 
Boadin die goedertiere. 

Men leze gevouge , d. L meegaande , zachtaardig^ zachtzinnig ; 
eig. zich naar anderen voegende , inschikkelijk, Ygl. Sp. P, 34 , 
34: »da soat di ghevoughc makea" (lat. potius te aptês). 

Heim. 855 : 

Complexie es negheene dingen, 

Dan ghenoughe temperinghe 

Van der vnchticheit des lachamen. 

1. gfievoughe, d. i. gepaste y geschikte vochtmenging; eenê menging^ 
die is zooals zij wezen moet. Vgl. Sp, P, 81, 6; XP, 46, 19. 
MLoep I, 2906 : 

Wint ende weder waren gheouegksn^ 

d. i. geschikt y gunstig] men leze ghevueghc] de vm. int ghmuechde 
moet veranderd worden in int ghevueghde. Gevoechde, het- 
zelfde als gevoechte, beteeken t ck juiste mctat; sie Heim. 
936. Int gecoechte bet. dus op de juiste maat ; hetzelfde als mnl. 
wel getempert. 

1) Metit, t mesiam (i. e. meMiam) proventa voesU, Vine. 




23 

Oêtfri. Urkb. 1, 301: Ooderdanich ie wesea in 9X\en ghenoghê^ 
als si weren in der tgt enz.; I. ghevoghe\ ald. 300: Oldennm 
weder overleveren in aUnlken ghenoghe ende manieren als enz«; 
1. ghevoghê. 

Heim. 904: 

Alle die gherougkelyehede 

Diemen ter werelt vint emmermere, 

Eist weelde, eiit goet genoechte of ere, 

<l. i. al (ie voorrechten^ de goede dingen. De var. op bl. 355 heefb 
(jhen o ugh elijchede, 
Amand I, 3263: 

Dat ai oe mochten 

Niet gkeno»ghen hem ter doghed , 

men leze: ghêvoughen. Hem gevoegen bei. zich voegen^ zetten 
oi schikken tot ietSy zich op iets toeleggen. Zie b.v. SpA*, 36, 11. 
Ten slotte merk ik op, dai de mnl. uitdr. int gevoech zinyer- 
want is met genoech. Er is dus ook om sommige beieekenissen 
der beide woorden alle reden voor de in de handschriften zoo 
vaak voorkomende verwarring van genoech en gevoech. Vgl. 
verder Mul. Wdb. op genoech en genoegen. 

XCI. GBWILLICU. 

Voor het juiste begqjpen zyn zulke mnl. woorden hei ge- 
vaarlijkst en geven het meest aanleiding toi misvatting, die 
iü vorm met woorden uit onze tegenwoordige taal overeenko- 
iiieu , doch de eene of andere wgziging in beieekenis hebben 
ondergaan. Men kan dii gevaar hei besi vergelgken mei dai, 
wat een Nederlander dreigi, die niei zoo heel veel Duitsch 
verstaat, en dai zoo geesiig géillusireerd is door Sicherer in 
zijne >Plaudereien über Sachsisches und Schwabisches,'* hei ge- 
vaar b. V. van te verwarren en in zgne gedachte gelgk ie siellen 
hd. magd en ndl. maagd] hd. bellen en ndl. beUen; hd. oia- 
srhuss en ndl. mtêchot\ hd. ruchlos en ndl. roekeloos] hd, f revel 




24 

en ndl. wrevel; enz. Een zeer geschikt voorbeeld van het bier 
gezegde is het mnl. bnw. gewillich, dat in den Torm g^ 
heel, doch in beteekenis slechts gedeeltel^k met ndl. gewiUig 
overeenstemt. Verliest men dit uit het oog, dan is er gevaar, 
dat men, als men het in den eenen of anderen tekst vindt, 
geneigd zal zgn tot willekearige veranderingen, die men later, 
als men tot juister inzicht komt, natuurlek weder moet her- 
roepen. Aan dit gevaar is, gelgk blgken zal, bg ge wil 1 ie h 
niet ieder ontgaan. 

Het mnl. bnw. gewillich had eene veel sterkere beteekenis 
dan het hedendaagsche gewillig^ dat eene negatieve beteekenis 
heeft aangenomen, en gelijkstaat * met zonder tegenstribheUn^ 
zander tegenstand te bieden , zonder zich te verzetten. Halbortsma 
heeft dit zeer goed gezien en uiteengezet in zgne AanL op Sp. 
bl. 334: »gewillich int gevecht, pngnax, heet op het 
gevecht. Gewillich is hier niet [alleen] zonder tegenstremng^ 
als in *tNdl., maar met ijver, Itut^ ja treugdêy gelgk wüle dan 
ook vreugde is in het Landfri.** Mnl. gewiüich bet. ijverig^ voU 
ijverig^ volvaardig , lustig ^ vurig, bereidvaardigy met ijver ^ met 
animo y met lust iets doende. Hetzelfde bet. mnd. geurillich, dat 
door Lubben in het suppl. door eifrig^ /^^ wordt weerge- 
geven. Voorbeelden vindt men Lanc. IV, 6583: »Hi was van 
groter coenhede eude gewillech ende stare." Stoke VH, 886: 
>Daer mochte men gewillighe liede toe sicn gaen met herten 
groot." Grimb. I, 4071: >De8e vier heren valjant, rasch 
ende gewillich (van strijdlust brandende).^" Sp. IH*, 80, 44: 
y Gewillich int gevecht," belust op den strijd (vgl. Huygens, 
Cluysw. 79: willigh in 't gelach, gaarne aan een vriendendiseh). 
Velth. V, 50, 24: ^ Gewillich te stride." i?t;mi. 15958: »Hoemen 
{den tempel) met ghewilligher hant {met volijverige hand) eerlike 
soude maken weder." Parth, 5228: »Hi hieft (het zwaard) met 
eer ghewilligher hant." Roel. I, 195; Wal. 2440: » Vechten met 
gheunlligher hant." Lanc. Il, 85535: »Si, diene also sere minde 
alsi mochte, sach op hem met geunlligen sinne (met groote tn- 
genomenheidy met een blik vol tmrige liefde).*^ Gewillicheit 



25 

beteekcut dus ijver^ animo ^ aandrang^ luêt, Lanc, II, 4331: 
»Si begonsten hare orse nopen met sporen eude quamen ge- 
lopen met gerechter glayyen beyde met groter gewülicfieyde.'' — 
Ge willich like eii gewillelike (gewillike) bet. dus op 
eene wijze die van ingenomenheid , begeerte , vurigheid , ijver ge- 
tuigt , dus ijverig^ vol ingenomenheid, naar hartelust. Het ver- 
schilt dus in beteekenis minder van het mnl. geweldelike, 
dau van ous gewillig. Sp, P, 55, 32: »Men stac ende men 
street achtereen ses dage gewillichlike met groter crachte." 
Sp. IIP, 38, ib: 9 Hoe ghewHUchliJce W)e diende Gode". VI. Rijmk. 
2455 : Gewillichlike ende gaerne." Na uit deze plaatsen de 
beteekenis van gewillichlike duidelyk is geworden , zal men 
inzien dat er geen enkele reden bestaat om gewillichlike te ver- 
vangen door geweldelike of geweldichlike ^ zooals b. v. Jonckbloet 
geilaan heeft in eene plaats van den Reinaert] nl. I, 3430: 
>Hebse alle (de rammen) in u ghewout ende ghise ghetDilUch" 
like verbit." De beteekenis is ook hier met ijver, met ingeno- 
menheid, naar hartelust. Indien Jonckbloet op het oogenblik, 
<lat hy de onnoodige verandering maakte, aan de aanteekening 
van IIall>ertsma had gedacht, dan zou hy geweldelike niet in 
den tekst hebben opgenomen. Martin is dan ook Jonckbloet in 
dezen niet gevolgd, maar heeft gewillichlike bewaard , dat hg 
ie recht verklaart door ei/rig ; vgl. ook zyne Aant. op bl. 385. Aan 
hetzelfde gebrekkige inzicht is te wyten de even willekeurige 
en onnoodige verandering, door mg gemaakt Theoph, 7 ]0 rlgg,: 

Dat ie dus hebbe verloren 
Mine liele ende mgn leven « 
Dat ie daf hebbe opghegheven 
Den viant dof gkeweidichlikt , 

waarvoor ik geunUichlike in den tekst bracht, en waaraan ik 
de aanteekening toevoegde: >De omgekeerde vergimng in een 
hs. vindt men Rein. I, 3431.** Wel wisselen in de hsa. de beide 
woorden nu en dan met elkander af; zoo bv. Limb, VI, 1201 : 
>£. hief tswert wiUicAWce" (in A; geweldelich in B); YIU, 



26 

616: »Dit gestriit durde wiüichlike tote OTer noene'' (in A; 
geweltlich in B), doch dit is geen reden om het eene Yoor hei 
andere in den tekst te brengen. Getoetdiehlike in de plaats uit 
Theoph, beteekent met kracht en geweld ^ uit alle macht f vol^ 
gaarne^ volijverig j en elke verandering is dus ook hier oyerbodig. 

xcii oooBT {Vad. Mus. 1, 88, 78). 

In een kroegtooneel , ons beschreven door Jan Dingelsche 
in een gedichtje Van der taverne komen o. a. de volgende ver- 
zen Toor, waarin niet alles even doidelgk is: 

72. Es hem dan te na gheseten 

iemant, ofte sprect een Bpellgc woort, 

die man moet emmer sgn ghesmeten, 
75. Ofte Bi worpent al over boort. 

»Ja, lodder/* segghen si, >8idi versmort? 

Moeten wi (dit?) van a verdragen? 

Soadi vermanen onser moeder, goort? 

Bi den tanden, ghi wert gheslaghen I** 

d. i. > Indien iemand die slechts een enkele maal in eene her- 
berg een k^kje neemt , hun (den kroegloopers) te na komt « of 
zich jegens hen een grapje veroorlooft, dan moet er tot eiken 
prgs met zoo iemand ruzie gezocht worden , of zg zouden liever 
alles omverwerpen (dan dat zg dit zouden nalaten?). >Wel 
zeker, lichtmis,*' zeggen zg, >beD je bezopen? moeten wg dit 
van u verdragen? (Dan volgt een duistere regel, waarvan de 
inhoud moet zijn een terugslag op het ispellike woort** van vs. 
73). Bg de tanden (een comische vloek, te vergelgken met Bi 
Mamets billen j in Huge v. Bord.)^ gij moet worden afge- 
ranseld!" Lateu wij trachten op te sporen wat de opengelaten 
regel beteekent. In de aant. aan den voet der bl. vinden wg 
slechts: * goort ^ aldus.** Hiervan worden wg dus niet veel 
wijzer. Later wordt in hetzelfde deel (bl. 208) dit vers nog eens 
ter sprake gebracht, en daaraan de vraag vastgeknoopt: »Ib 
dat goort een schimpwoord, of is het de (verder opgegeven) 
voornaam Gtiert^ GodefridusV Het antwoord op dese vraag 



27 

zal kannen zgn: Geen yan beide, want indien het zoo ware, 
dan zou de gedachte in den regel uitgedrakt worden door de 
woorden: »Soudi yermanen onser moeder", d. i. >zoudt gg van 
onze moeder spreken ?** En waar zou dan de scherts zgn , waar- 
yoor de man moest worden gestraft? Neen , onser moeder zal wel 
zyn de 2^« nv. afhangende van goortj en de >^oorf der moeder*' 
zal wel zijn het voorwerp van den vermeenden spot, waarop 
de man heette eene aardigheid gezegd te] hebben. Men kan 
wel begrepen , van welke soort van ui hier in deze omgeving 
alleen sprake kan zijn , natuurlijk alleen van eene obsceniteit. 

Indien wij ons herinneren, hoe gewoon in het Westvlaamsch 
de rekking der e eu o geweest is, dan zon goort een andere 
vorm kunnen zijn voor gort. Gort nu, hd, gurt ^ mhd. gurt^in 
t^Mi der woorden, die hetzelfde beteekenen als gordel; daar- 
naast komen in *t mnl. voor gorde (gerde), gorden en 
gordel, terwijl gort ook voorkomt in het znw. gortketene, 
gortlelketting. Gesch. v. Antw, 2, 648; vgl. rand. gortztngel 
(ook in den door Pfaff uitgegeven Renout)^ bnikriem , hetzelfde 
als mnl. darmgorde (daregerde). De vrouwelijke gordel 
nu was het zinnebeeld der kuischheid; wanneer iemand zich nu 
schertsend uitlaat over »den gordel*' van eens anders moeder, 
dan spreekt hg op eene oneerbare wgze over haar, of trekt hg 
hare kuischheid in twgfel. Dit was een zeer geschikt voor- 
wendsel om ruzie te zoeken , want eene grovere beleediging 
kon men iemand niet aandoen. Op eene merkwaardige wgze 
wordt de gedachte van den nu niet meer duisteren regel be- 
vestigd en opgehelderd door een artikel uit eene keur op de 
munt, van 18 Maart 1503, ons medegedeeld door V. d. Wall 
7S3 (art. 3), alwaar juist tegen hetgeen hier in de kroeg ver- 
ondersteld wordt te hebben plaats gehad, eene straf wordt 
hedrf'igd. Ook de woorden stemmen merkwaardig overeen , de 
uitlr. schijnt dus eene staande geweest te zgn. Wg lezen daar: 
>Soo wat man die eens anders werckmans moeder vermaende 
van den gordel nederwaert in dorperheden of in qoade, diever- 
buert ses werckende daghen ledich ghaens.** De bedoeling is 



28 

niet zoozeer, gel^k Van de Wall meent, >eene onl 
en min zeedige aanraking,*' want de moeder in quaestie is 
yermoedel^k niet in de werkplaats aanwezig geweest , maar 
eene onbetamel^ke uiting oyer hare knischheid, of het noemen 
der lichaamsdeelen » beneden den gordel." Zeer van pas haali 
Y. d. Wall een paar bepalingen uit Oude firiesche wetten hier 
bg aan yan dezen inhoud: >Wort ene yrouwe ayer de banck 
geworpen, datse blike beneden den gordel ^ xy s, (ygl. V. Hasselt 
op Kil. 71; Lubben 1, 3566), en »Ene yrouwe beneden den 
gordel unhoyesch getapet {beetgepakt; mnd. tapen ^ o&i. tappa) 
eder getogen bynnen oren cléderen yi s.'* 

In de nab^heid dezer plaats is nog eene andere, waarop ik 
eyen de aandacht wil yestigen, omdat die aanleiding sou 
kunnen geyen tot misyerstand. Ik yoor m^ heb althans het 
juiste inzicht in de beteekenis eerst sedert kort gekr^^n. Wg 
lezen ys. 65 ylgg. : 

Alst 800 met desen kinderen steet, 
dat haer geit sere heyet ghedaen, 
800 dat op die heffenen gaet, 
gaen si te samen wel ghereet 
in die taverne roeren, scieten. 

Wat bet. hier de regel »soo dat op die heffenen gaet**? Is 
heffenen een andere yorm yoor effenen^ en moet de bet. zgn 
> wanneer het op vereffenen , betalen , aankomt** ? Deze yerklaring 
zou niet ongergmd zgn, doch niet met de woorden strooken, 
want 80 dat zou dan onyerklaard blgyen en die in dat moeten 
worden yeranderd. Neen , heffenen moet anders worden yerklaard. 
Het is het my. yan het znw. heffene^ anderen yorm yan heffe ^ 
in de bet. droesem ^ bezinksel ^ welke yorm ook bg £artA. yoor* 
komt, en de bet. is: »zóó dat er in de beurs heel weinig meer 
oyer is, zóó dat reeds diep of onder in de beurs moet worden 
getast.'* Deze uitlegging is de natuurlgke en dus de waroi 
en wordt ten oyeryloede beyestigd door eene plaats bg Hooft, 
in wiens brieyen (2, 108) men in denzelfden zin aantreft de 
uitdr. op de hef loopen^ op het laatst loopen: >'t Loopt op 




'- k. 



29 

de hef, ende *t staertjen zal hoe langer hoe meer aenzuuren*'; 
alsmede door de hd. uitdr. auf die hefen kammen , gehen , welke 
bet. zur neige gehen, Vgl. Grimm , Wth. 4*, 764, en vooral 
aldaar de plaats: »wenn ein ding za end ist kommen, so sagt 
man , es gehet auf die hdfen.^^ 

XCllI. WIJD EN ZIJD, 

Van deze algemeen bekende en in hare beteekenis glasheldere 
uitdrukking is, indien ik mij niet bedrieg, de oorsprong niet 
algemeen bekend: er zgn met de afleiding dwalingen ver- 
bonden , ontstaan door de gel^kheid in vorm van zijd met 
andere woorden , wier beteekenis eenigermate in de uitdr. paste 
of althans daarvoor pasklaar werd gemaakt, en zoo bleef de 
ware en eenvoudige beteekenis van het woord zijd verborgen. 
Ook voor my zelven is eerst sedert kort het ware licht over 
het woord opgegaan, en ter wegneming van mogelgke dwa- 
lingen by anderen , wil ik dat licht voor die mogelyke anderen 
laten schynen. 

Zijd is volgens sommigen een bywoord van den stam van 
hd. seity voorz. en dus verwant aan got. Btipus^ laat, waar- 
naast panaêeipê^ verder, in het vervolg; ohd. êid^ als bgw. 
naderliand^ later ^ als voegw. nademacd^ als voorz. udert; mhd. 
/^it ^ voorz., voegw. en bgw. met soortgelyke beteekenissen ; osa. 
ftUlh, waarnaast ook eidhar^ later, naderhand (Heyne, Gloss. 
op Iltliand^ bl. 300); ags. sidh, later, naderhand (Orein, 
2 , 444), waarnaast eveneens de nieuwe comparatief èidhor is 
gevormd; vgl. ook ohd. êidor; mhd. sider; mnl. êuier en seder, 
fidermeer en sedermeer^ waarnaast nog verscheidene andere vor- 
men, nl. êiden^ tident^ iidere^ Memeer en het in zgn vorming 
niet heldere eichten en eicktent^ ndl. êéder^ en met onorg. t 
sedert, voorz. Zie Kluge 315 op seit. Dezelfde stam, maar 
genasaliseerd , leeft voort in winde; eng. êtnce; mnd. Mii<;mhd. 
êint en sintemal; hd. eintemaL Zie £. Muller op si nee. Ook 
van de oorspronkelijke beteekenis , nl. laat^ zgn in het mnl. 



$0 

enkele sporen aan te wgzen: het bgw. si de (vgL Men^ eig. 
dat. plur., en tidemeer) komt in de bet. laat Yoor bg Stoke, 
dl. 2, bl. 450, Ys. 120 (uitg. Brill, dl. 2, bl. 87): 



Franc. 3918: 



(Ifi) quam daer 

In den avont^herde sidé. 

Ghint haer hi in de clove dede 
Van den mare navens zijti 
Als hi upstaet ter morgen tgt 
Vint hi de scnre al geheel. 

Dat het woord , als by w. , werkelgk is een comparatief bgw. 
(zie Eloge) met de bet. later ^ bl^kt oyertoigend uit eene plaats 
in de Limb, Serm. 1546: »Hen wart noit side {dA. later^ daamaf 
naderhand) so schone nog so sechte noch so weec , alse al sin 
lif was." 

Ean nu zijd in wijd en zijd met dit woord samenhangen? 
Men heeft bevestigd geantwoord, en is daarbg uitgegaan Tan 
de onderstelling, dat men hier te doen had met een OYergang 
van het begrip tijd tot ruimte. > Wijd zag op de mimte, en 
zijd op den t^d", aldus redeneerde men: inwijd en zijd betee- 
kende dus eigenlek in alle ruimte en sedert onheuglijke tijden ^ 
d. i. overal en altijd. Langzamerhand verloor men het geYoel 
yoor de eigenaardige en verschillende beteekenis der bdde 
woorden , en nam zijd de bet. van wijd aan , waarmede te ver- 
gelijken zyn uitdr. als te kust en te keur^ tegen heug en meug 
{Tijdschr. 7, 310 vig.) e. a." Deze redeneering kan niet joist 
zyn: immers er wordt hier aan side eene oorspronkel^ke be- 
teekenis toegekend, die het woord nooit heeft gehad. Geene 
enkele beteekenis der boven uit het ogerm. medegedeelde wettigt 
het, een b^w. side aau te nemen met de beteekenis altijd^ te 
allen tijde. Dit kan dus de ware afleiding niet zgn. 

Anderen brachten onwillekeurig het woord zijd in yerbaud 
met het znw. zijde ^ en verklaarden het woord ongeveer als Van 
Dale doet , door de uitdr. naar alle zijden. Ongetwgfeld verdient 
deze verklaringsw^ze wat eenvoudigheid aangaat de voorkeur, 



31 

en in deze richting is ook werkelyk de oorsprong te zoeken, 
doch het rechte begrip Tan het rerband tusschen de beide 
woorden ontbreekt nog. Is zijd een naaniTal Tan zijde ^ of om- 
gekeerd zijde Tan zijd geTormd ? Op deze Traag wil ik trachten 
een juist en afdoend antwoord te geTen. 

Zijd is het by woord Tan een bnw. zijd, dat de bei breed 
heeft gehad. Het dnidelykst blykt dit nit het ags. êtd, syd^ 
amplus, spatiosus, extensus, latns, d. i. rutm, breed, uitge" 
strekt. Zie Grein , Gloss. 442 , waar ook allerlei met dit woord 
samengestelde woorden worden Termeld. Mg dunkt eene betere 
en eenToudiger Terklaring kan er niet gegeTen worden. Wijden 
zijd; ranl. wide ende Me (Hild. 27, 27; Tijdschr. 4, 22; Mor. 
20; 3978; Lanc. III, 16390 (wide ende siden; Tgl. Grimb. II, 
5470 var.: Tan wyde Tan syde; Dingt, van Delft 43 en 44: 
»aIsoo wjde ende alsoo syde, alsoo lang ende alsoo breet als 
mijns Heeren palen Tan HoUant strecken*'); mnd. unt unde tfxt^ 
wide unde êide ; ags. vide and sxde , 8%de and vide , vide odhdhe side 
(in het eng. is de uitdr. uitgestorTen ; in de opperduitsche 
talen onbekend), beteekent dos hetzelfde als hd. weit und breit; 
eng. wide and abroad; mnd. verre ende wide; mhd. verr unde 
wite. Kil. wgd ende breed, laxus , latns, late patens. Wei- 
land, die zich in zgn Taalk. Wdb. OTer den oorsprong niet nit- 
laat, heeft zeer juist geToeld, dat de beide uitdr. identisch 
moeten zgn: > Wijd ende breed verbreijdt, bg Kil." zegt hg >is 
eTeuTeel als wijd en zijd, heinde en ver.'^ Elen duidelgk bewgs, 
dat zijd hetzelfde is als teijd, leTert fjimb. I, 842, waar A. 
heeft »scepper Tan der werelt wijt*\ en B. >Tan der werelt 
tfijt.'^ En wat nu den oorsprong aangaat, het is Tolstrekt niet 
onmogelgk, dat dit bnw. Terwant is aan het znw. zijde; zie 
Kluge 315 op seite. Men mag zich eTenwel om dit te be- 
wyzen niet beroepen op lat. Uttuê, breed, en Uitus, igde, daar 
die een geheel Terschillenden oorsprong hebben. 

De beide nu behandelde bnw. ^ijt, laat, en $ijt, breed, heb- 
ben blgkens de Terschillende (fs niets met elkander te maken, 
doch er is in het germ. en ook in het mnl. nog een eijt^ met 



' . j^ 



82 

dfl beteekenis laag, diep, waarop ik ten alotte n<^ eren de aan- 
dacht wil TeetigeD. Het is in bet mnd. seer gewoon (ne Lfib- 
beo 4, 217), en komt in 't mol. ook uitslaitend voor in de 
oostel^ke tongvallen. Men viodt het, ffgh. 4, 116: >I>at 
slot, stat, landt, Inde ende heerlgcheit van Wacbtendonok , 
hoge ende tijde" (de hooge tn lage heerlijkheid van W.; ge~ 
woonl^k wordt in dit verband hoge ende lege gebrniki); 4, S46: 
>To Doetjnckhem den thienden ther Eeeent, wijde ende hoge, 
groff ende smaU;" R. v. Zutf. 64: iDar een man een hnes 
heft toeecen tvien zekeren hasen , dat m^h hi tymmeren like 
syn naburen hoge of zide" ; vgl. ald. : >so magh die andere 
tymmeren also hoge ende also diepe alae hi wil"; ald.: «Also 
hoghe ende also zide beneden der aarden ende darboven {= 78, 
105)"; 65, 62: >Ib dar yen ander hnes bi ghel^en, dat xider 
dan dat stienhues is, oi wil daer jemand an tymmeren, dat 
sider blyft dan dat stienbuia ia"; Overiji. R, V, 12: ademach 
tymmem na dien faoghesten oft na den xideiten waer he levert 
wil." Dit is ongetwgfeld betzelfde woord als a^t, breed, waar> 
van bet adv. voortleeft in ons vijd en zijd. De begrippen breetf on 
diep grenzen na aan elkander en aan bet begrip teijd. De diepiU 
van een bnia wordt bp veranderd standpunt de breedte, en het 
mol. diep komt o. a. voor in de bet. dik van een balk (Mnl. 
Wdb. 2, 169). Eene zeer welkome bevestiging dezer meening 
levert eene plaats uit Gerl. Peters, waar wg bl. 220 lesen: 
(Altoos in sineo gronde of wesen hebbende een eenvoldich 
ghesichte, dat hi laet loopen hooghe ende txede (/. side), veer 
ende wiede (/. wide)," waar zeer juist aan den voet der blad- 
zgde onze uitdr. mjd en zijd vergeleken wordt. 

XCIV. FLV1UST&UK.KN. 

Langen tijd heb ik voor de verklaring van dit woord vol- 
komen vrede gevonden in hetgeen mg over den oorsprong er 
van uit de jaren mgner voorbereiding was bygebleven. Ik be- 
schouwde pluimêtrijken als eene uitdrukking anakMg met de 



■ 



33 

door Maerlant ( Wap, M, I, 9) gebezigde pluchen van den stave^ 
d. i. » iemand ontdoen Tan het stof dat hem yerontreinigt**, en 
dus in het algemeen » iemand allerlei kleine, ook ongevraagde 
oplettendheden bewyzen , hem naloopen , rleiend dienen , rleien, 
hem honing om den mond smeren.'* >Doch", zoo vraagt men 
zich af, wanneer men tot jaren van onderscheid is gekomen { 
»i8 pluim werkelgk te gebruiken in den zin van stofje ^ vuiltje^ 
eu zou men dan niet veeleer eene samenstelling pluisêtrijken 
verwachten ? Ofschoon pluim iets anders is dan pluii , zoo komt 
toch ook elders plume in de hier bedoelde bet. voor; vgl. Boëth, 
22r: >den coninc de plumen aflesen." En hoewel dus de aan de 
uitdr. toegekende beteekenis mogel^k is, zoo geloof ik toch om 
andere redenen , dat de tot nu toe algemeen geldende verklaring 
moet worden opgegeven. Laat ik mededeelen, hoe ik tot het 
juii^U' inzicht in de beteekenis en den oorsprong der uitdrukking 
ben gekomen. Ik las in Rein. II, 4841: 

hi {Heinaert) ttrijct al toon sineo steert, 

met de aanteekening van Martin , bl. 398 >er schmeichelt , 
l>etrü^t bestandig; vgl. Grimm's Wtb. s. v. Fuchsschwanz 
s treic hen*'. Slaat men nu het leerzame artikel fuchsschwanz 
op, dan vindt men behalve allerlei andere uitdrukkingen ook 
de beide gelykbeteekenendeyurA^^AuKinz en mtt (ifm /ucA^ArAu^ofir 
ntreiihen in de bet. vleien ^ honing smeren om iemands mond. 
Indien men dan eens nagaat of in het mnl. of later ook vosse» 
Ataart in dgl. spreekwazen in gebruik is geweest, dan vindt 
men »Hy geeselt hem met een vossesiaart ^'' d. i. hy streelt 
lieiu in plaats van slaan. Zie Harrebomée 2, 295; Willems, 
AViri. bl. 300. Doch vooral Kil. en Van Hasselt doen hier ge- 
wichtige diensten. Bg hen vinden wg op bl. 767: vosswant- 
zer, (ierm. Sax. adulator/* en op pluy mstrgcken, adulari, 
pal pare, assen tari , parasitari ; plumas, floccoe pilosque ex ves- 
tibufl alterius legere subblandiendo (de thans als niet de ware 
verworpen uitlegging van het woord, welke wel allereerst uit 
Kil. zal zgn geput)," en daarbg eene belangrgke aant. van Van 

s 



84 

Hasselt, die er op wgst, dat Hayd. op Stoke, dl. 2, bl. 31 S 
er reeds opmerkzaam op gemaakt heeft, datpluymstrgckers 
zgn, >die iemand als met een zacht pluymken of veerken wat 
honigs om den mond smeeren", tenz^ , aldus Yerrolgt Van Hasselt, 
de spreekwijze eerder ontleend is aan een dierl^ken staart, die ook 
pluim genoemd wordt, met name aan den staart Tan een tob, 
waaraan dan ter beyestiging wordt toegevoegd eene plaats uit 
de beschr^ying yan Delft, bl. 422: >A11 met zoetigheid, en 
(hg) gaf aan elk die hem te na kwam eenen streek met eenen yet 
met honig besmeerden yossestaart." Mg dunkt, hiermede is het 
pleit beslist en de ware oorsprong der uitdrukking in een helder 
licht gesteld. Plmm is nog heden de gewone term yoor „staart 
yan al die yieryoetige dieren, waarop jacht wordt gemaakt." 
En in het Hd. yindt men eene uitdrukking, welke met de 
onze in yorming gelgkstaat, nl. dsn fuchsschwanz streichen^ 
waarin stretchen dus eyenals ons streken moet opgeyat worden 
als streelend langs iets doen gaan. 

XCy. SoHKAlfDSR. 

Oyer den oorsprong yan dit woord is, zooyer ik weet, nog 
nooit opzettelijk gehandeld; en ook mgzelyen is hg nog niet 
zoo heel lang bekend. Ik acht het dus niet ongepast mgne 
meening aangaande de afkomst yan dit thans zoo bekende woord 
mede te deelen. 

Het is in weinige germaansche talen bekend , ja yoor zooyer 
ik weet en gelgk reeds door Weiland is opgemerkt, alleen in 
het Ndl. bewaard gebleyen. Er zgn yerscheidene yan dergelgke 
woorden in onze taal. Ik hoop, dat mgn yriend Franck aan 
zgn Etymologisch Woordenboek eene Igst yan die alleen in 
het Ndl. bestaande woorden zal toeyoegen. Edl. kent niet 
schrander ^ maar wel schrand^ dat hg weergeeft door »acer, sub- 
tilis, yafer, sagax, et subacidus, subacidulus.'* De eerstgenoemde 
zgn de nog heden bekende beteekenissen yan schrander^ nl. 
«/tm, geslepen^ scherpzinnig^ listig] yoorbeelden yan de tweede 




85 

rubriek zjjn my nooit Toorgekomen ; de beteekenis moet sgn 
een weinig zuur^ rinsch. Plant, schrand^ kloeck^ yafer, snbtiliB, 
sagax, ëchrand oft ampre^ subacidos.. Van een mnL sehnmt of 
schrander is my niets bekend. In de 17<^« eeuw komen ^Arandér 
en schrandel Toor. Zie Weiland op schrander, en Ondem. 6, 
219, alsmede het ww. schranderen (Oodem. Wdb, op Bredero) 
en het comisch gerormde schrandriseeren , d. i. philoêopheeren , 
overpeinzen (t 1. a. p.). Doch dit is ook het eenige, dat my 
aangaande aehrandetj wat zyne yerspreiding betreft, bekend is. 
Van waar is nu het woord? Wy denken natunrlyk in de eerste 
plaats aan het ww. schrinden {sehrandj gtêchronden) ^ dat in 
het ohd. Bcrintan (Schade 2, 807) en in het mhd. tchrinden^ 
{ftrhrand, geêchrunden) ToUedig bestaat, in het Mnl. slechts 
'\\\ samenstellingen gevonden is, nl. iescrinden {Boëth. 89<;: 
>GheIyc men deur eene teschranden ende ghespleten veste lich- 
telic . . . inwaert ziet;** >als de veste gaept ende teschranden 
staet;*' »dese veste es dan iuchronden of gapende*'), en in ver^ 
scrimlen op eene plaats in Limb. Serm. 47 a ( 7*. en Letib. 6 , 
234; vgl. mhd. re-, zer^ en verschrinden) : >mine sile es ver* 
.trrunden ende verdorret alse die erde die lange sonder water es.** 
Kil. kent nog schrinden ^ agere rimas, findi. Dit is de gewone 
bt^eekenis van het woord in alle germ. talen, nl. bersten , splijten^ 
openspringen , ook van de huid , den grond enz. Vandaar mhd. 
fch runde ^ spleet, hol, barst, ook in de huid; hd. scAnin^ (Wei- 
gand 2, 645), vanwaar schrundig^ mhd. schründig; Kil. schronde 
((ler. Sax. Sicamb. Fland.) j. klove ^ fissura, rima; schnmden^ 
findi, rimas agere. Verwant is ook hd. schTam(e) (Weigand 
2, 037); mhd. schram^ spleet, breuk, reet, gat, wond; Plant. 
tfchrantze ^ scissura, fractio, divisura; mhd. schrenzen, splyten, 
scheuren, verscheuren; ndl. schransen , smullen, eig. spys gulzig 
met dé tanden klein maken , ook schrensen. 7Ae De Jager , Freq, 
1, 593, en Plant schrcmtzen^ frangere, abrumperei laniare. 

Hoe is nu met deze beteekenis die van ons bnw. schrander 
te rymen? Uit de bet opengesprongen huid, kloof m het tfsl 
ontwikkelt zich die van verharding der huid, eelL Het woord 




36 

dat in het Lit. aan schrinden beantwoordt» beteekent >met eene 
korst bedekt worden of tot eene korst worden (Schade 2, 807).*' 
Weliswaar is deze bet. voor het gerro. niet bewezen, doch s^ 
brengt ons, indien z^ mag worden aangenomen, tot eene be- 
teekenis, geheel gelijk aan die yan lat. coZZtdftM, dat ook oor- 
spronkel^k eelttp beteekent en yeryolgens slim^ beliendig^ gerau' 
tineerdf getoikst (HoeafiPi;, Breda 199); lat. va/er. Oordeelt men, 
dat wg niet gerechtigd z^n op deze wgze de bet yan achrander 
te yerklaren, dan zou men ook yan de eigenlgke beteekenia 
scherp yan smaak (b^ Plant, ampre^ d. i. scherp) , kunnen komen 
tot de oyerdrachtel^ke yan scherp yan geest , d. i. scherpzinnig. 
Schrinden moet dan opgeyat worden in den zin yan > open- 
springen, zich openen yan de huid door den inyloed yan eene 
scherpe stof.'* 

XOyL MENDBR. 

Voor plaatsen , waar dit woord , dat opgewekt , vraolijk be- 
teekent , dus hetzelfde ongeyeer als het in het mnl. uitsteryende 
gemeet (gemeit), misschien ook vriendelijk^ voorkomend j mede^ 
dedzaam (waaruit zich de bet. yan menderscap^ nl. deelgenoot^ 
schap geleidelyk zou laten yerklaren), alsmede yoor oorsprong 
en yerwanten yan mender (yanwaar menderlijcjmenderlike^men" 
derheit^ menderschap)^ yerwys ik naar Ferg. Gloss. op men- 
der lik e. Dezer dagen yond ik het woord weder, en wel in 
een yorm die t. a. p. niet opgegeyen wordt en waarop het des 
te eer noodig is de aandacht te vestigen, omdat die zoo licht 
met een ander woord zou kunnen worden yerward, nl. minder, 
Grimb. II, 6592 leest men: 

hi was in allen manieren 
Hovesch, minder ende goedertieren; 

var. hoe£f, mindere ende g. Ook hier schgnt de beteekenis 
yeeleer vriendelijk ^ voorkomend te zgn, dan opgewekt. 

Amsterdam, Jan. 1888. j. yxaoAii* 




87 



BOOS. 

Onder de even kostbare als weinig talrgke oyerblgfselen Tan 
den Gotischen taalschat wordt dit woord niet aangetroffen. 
Wij ontmoeten het voor 'teerst in het Oud-hoogdaitsch, en wel 
in eenen vorm waaruit men kan opmaken dat in deze taal de 
stam bósi luidde; hiermede zou in 't Gotisch overeenstemmen 
hetzji bduêt of bdusu. 

Wat de beteekenis betreft, leveren de plaatsen bg Graff 
(Sprachschatz 3, 216) de volgende voorbeelden: pSse toiht = 
uhil wiht^ ons booswicht j Nhd. bösewicht; bo8a{8acha)^Yili8simtLm; 
verder vindt men het vertaald met >frivolns, ineptus, infirmas, 
fragilis.*' Het substantief bosa beteekent in *tmv. nugae^ d. i. 
beuzelingen. Bóshett is >vanitas*'; boêilincy nugax, d. i. beuzelaar; 
fjibosi, ineptus, frivolus; subst. ffibon, lichtzinnigheid, gebeuzel; 
het werkwoord boson^ beuzelen; voor 'nog eenige voorbeelden 
verwijzen wy naar 't aangehaalde werk zelve; voor 't Mhd. naar 
de woordenboeken van Benecke-Müller en Lexer. Voor 't Mnl. 
^eeft Verdam 1, 1367 als hoofdbeteekenissen op: slecht, gering; 
slecht, wat uiet deugt; dom, onnoozel; zedelyk verdorven. 
lioomchtichext is »beuzelarg, gebeuzel, beuzelachtigheid", dus 
vrij wel hetzelde als Ohd. gtbost] vgl. vorder het adj. gebose^ 
bij Verdam. 

Id 't oudere Friesch schynt het woord alleen voor te komen 
in den term thi base feng^ d. i. dartele, wulpsche, onzedige of 
zooals eene Nederduitsche vertaling heeft >unhove8che" greep 
(zie Richthofen Afries. Wtb. 620). Reeds Grimm (Wtb. onder 
//ö.«^) heeft de aandacht hierop gevestigd , en waarschgnlyk juist 
gezien. In het hedondaagsche Friesch is böê een zeer gewoon 
woord en komt het zelfii voor in afleidingen en samenstellingen 
lie iian 't Ne<Ierlandsch onbekend zyn, o. a. in b^sens^ ira; 
alacritas ad lucra ; hóswnf, vroedvrouw , misschien eene schert- 
sende wyziging van 't synonieme goedfrou. Desniettemin blgkt 
uit den klinker van het woord dat het uit het Hollandach is 
overgenomen (vgl. Halbertmna Lexicon Frisicnm i. v. bos). 



i 




88 

üit de Yormen en beteekenissen in het Ohd. en Mnl. kan 
men zien hoe nauw zich ons beuzel ^ beuzelen ^ enz. bg deoadere 
woorden aansluit. Het zou niet der moeite waard geweest zgn 
dit even aan te stippen, ware het niet dat Prof. J. Franck in 
zgn Eiymologisch Woordenboek de yerwantschap yan beuzelen 
met boos — dus ook met Ohd. bosüincf — als twijfelachtig 
voorstelt. Dat de eu de umlaut Tan oo kan wezen, blgkt yol- 
doende uit bleu.=: bloodiy zoodat het onnoodig is te yeronder* 
stellen dat de stamklinker in beuzel oudtjjds kort was. 

Te recht maakt Grimm (D. Wtb. 1, 249) de opmerking dat 
het moeielfjk is de oorspronkelgke , zinnelgjco beteekenis yan 
b<^8 en wat daarmede samenhangt op te sporen. Dat zulke ab- 
stracte beteekenissen als » slecht, beuzelachtig'* niet de oudste 
kunnen wezen, yoelde de groote dichterlgke geleerde beter dan 
wellicht iemand anders. Of iets goed of slecht is, kan men niet 
zien , d. i. niet met de oogen alleen zien ; men komt er toe te 
begrgpen dat iets slecht of goed is ten geyolge yan een ge- 
yolgtrekking. Men kan eigenlgk niet eens zien dat iemand 
toornig is; wel ontwaart men dat hg beeft, of dat zgn gelaat 
rood wordt of dat hg schuimbekt, enz., en uit die uiterlgke 
kenteekenen yan een toornig mensch maakt men , door de on- 
dervinding geleerd , op , wat er in 't gemoed yan zulk een persoon 
omgaat. Om nu de meer zinnelgke, en dus oudere beteekenis 
yan boos op te sporen, moeten wg trachten andere verwante 
woorden te vergelgken. 

De door Qrimm aangehaalde ^Bomaansche woorden bauzar , be- 
driegen, bauzia^ bedrog; bausios, bedriegelgk; alle Proven^aalsch; 
alsook Italiaansch bugiare, liegen ; bugiardo , leugenaar , — ze hel- 
pen ons even weinig als wanneer men om de verklaring van Noordi 
Oost, Zuid, West in het Bomaansch ging (zoeken, omdat deze 
Germaansche woorden , met honderd andere in de Romaansche 
dialecten zgn overgegaan. Blijven wg op Germaansch gebied, 
dan vinden wg eenige woorden die oogenschgnlgk tot denzelfden 
wortel behooren als boos^ en wel Nederl. buis en verbtdst , dron- 
ken, zat; buizen f slampampen, >largiter potare/' zegt Eiliaan* 



89 

Hiermede komen oyereen in *t Hoogdoitsch baus, volheid, >ftllle 
uüd zeche;'* baustfit zwelleo , dik worden, en slampampen, 
>largiter potare;** zie Grimms Wtb. 1, 1197 en 1200. Ook het 
Eogelsch heeft een bowzy, dronken; howze^ bauêêj zuipen. 

Hoe de begrippen dik, yol en dronken kannen samenhangen, 
behoeft niet aangetoond te worden; ons woord zat zegt alles 
wat noodig is. No weet men dat voor zat ook dik gebruikt 
wordt Tan iemand die >yoI zoeten wgns*' is of zich aan sterken 
drank te buiten heeft gegaan. Hetzelfde dik dient ook om het be- 
grip toornig, boos uit te drukken, vooral in de bekende spreek- 
wijze >maak je niet dik!'* Niet minder duidelyk spreekt ons 
woord » verbolgen.** Anderzgds verbindt zich ook de zatheid» 
't dronken zyn aan uitgelatenheid, razernij, dolheid, woede, 
boosheid, of ook aan bedwelming, gemis van helderheid des 
geestes , aan gewawel , droukemanstaal , en dit laatste heeft veel 
gemeen met gebeuzel, hetwelk men met een anderen naam 
» borrelpraat** pleegt te noemen. 

Al de beteekenissen die wjj van boos^ 6uw, enz. hebben leeren 
kennen , laten zich dus ongedwongen verklaren , indien wy uit- 
gaan van de veronderstelling dat in den wortel waaruit zich de 
opgesomde woorden ontwikkeld hebben , zoo niet oorspronkelyk, 
dau toch oudtyds het begrip lag van zwellen , opgeblazen zyn , 
dik worden of zich dik maken, zich verzadigen. Doch al ware 
het uitgangspunt in werkelykheid een ander, dan zou de aan- 
eenschakeling der beteekenissen er toch niet door verbroken 
worden. De vraag is slechts of men dezelfde overgangen by eene 
reeks van woorden uit een anderen stam gesproten kan aan- 
wijzen. Wy zullen die vraag, dunkt my, toestemmend beant- 
woorden als wy letten op de menigte van woorden die zich 
ontwikkeld hebben uit eenen wortel waaruit in *tSanskrit ge- 
sproten zjin madati^ mddyati^ mandati^ enz.; Perzisch maêt^ 
Grieksch lAivri^ ^ Gotisch matjan^ enz. 

Madati , mddyati vereenigt in *t Skr. de beteekenissen in zich 
van > zwelgen, zich bedwelmen, uitgelaten vrolyk zyn;" matta 
is »zat, dronken, bedwelmd, geil, woedend;" mada is >roes^ 



40 



.»t 



dolheid, geilheid, verwaandheid, opgeblazenheid, woede;' 
dana^ minnelust; madya^ bedwelmende drank; madati en fiuni- 
daU^ beuzelen, dom zgn (jddye volgens de Indische omschrg* 
ving); manda^ sullig, dom, slap, zwak, treuzelig, langzaam. 
Er zyn nog tal van afleidingen die w^ hier kunnen laten msteii. 
üit het Perzisch kent men nuist, dronken, woedend^). Het 
Grieksche fjLifrróq is vol ; het Germaansche matjan is eten , en 
dat dit op hetzelfde neerkomt als zich verzadigen, behoeft gnen 
betoog. In 'tOssetisch is mastgun^ boos, toornig. 

Onder de samenstellingen met matta in *t Skr. treft men o. a. 
aan unmatta , dol , gek ; pramatta , beuzelachtig, zorgeloos, traag ; 
pramaday gebeuzel, gebrek aan ernst, slofheid. Doch waartoe 
meer voorbeelden? Het aangevoerde zal voldoende wezen om 
de overeenstemming tusschen de twee reeksen van woorden , uit 
geheel verschillenden stam gesproten, te doen uitkomen. 

Met ons boos verwant, zoo niet identisch, is het Baktrische 
baofUj bijvorm baoishi. Reeds uit dit laatste mag men opmaken 
dat de p') hier, gelyk in ettelyke andere woorden, voor ah 
staat; zoo ook in tpt, ys, voor Uhi^ in 'tOssetisch behoorlgk 
yekh^ ikh, ons ijs; ifa voor isha, Skr. tstid; tërëf voor tërësh; 
enz. De juiste beteekenis van baofu , baoishi komt op de weinige, 
tamelyk bedorven plaatsen waar het gelezen wordt niet duidelgk 
uit; men heeft het vertaald met » ongerechtigheid," maar daar er 
sprake is van tooverij zal het wel eer »maleficium" wezen. 

Het zou niet onmogelyk zyn dat ook het Latynsche furere 
met »boos" verwant is^ want de voorwaarden waaronder de s 
in r overgaat zyn aanwezig. Doch daaruit volgt niet met ze* 
kerheid dat de s hier oorspronkelyk was, en daarenboven is 



1) Hierby behoort ook ma^ti in de Zend AvetU, dat bl^kent de rerbindiog net 
^péna, ^nah beteekenen moet volheid, overrloed, of ieti dgl., in allen gevalle niet 
•KTootte," sooalt wordt opgegeven; f^dttm it «gedOen, voonpoed," onvenehilli|( of 
men het gelykttelt met WedUch spAdma in gttftuphéma (vgl tpkéii, Agt. ^id, ona 
voorspoed) of, zooals Josti doet, afleidt van fpam. 

2) Waarom ik f en niet « schrijf, en waarom beide lehryfwyMn even verkeerd iQb» 
it in dit t^dtehrift vroeger reedt geiegd. 




41 

men bg eene Latgnsche / zelden leker of die mt bh Toortgekomen 
is. Men heeft furere yergeleken met het Wedische bhurati^ 
waaraan Roth de beteekenis toekent van iraache und knrze 
Bewegangen machen , zappeln , zacken ;" füria heeft men gelgk- 
gesteld met 'tSlawiwhe bürja, stormwind (litansch bünSj bui); 
misschien te recht, misschien ten onrechte; in geen geyal mag 
men voorabnog den Latgnschen furor met de Qermaansche 
boosheid etymologisch gelgkstellen , hoe Terwant de begrippen 
ook zyn mogen. 

Moet men het Latgnsche furo ter zgde laten wegens de on- 
zekerheid van den onderen Torm Tan dit woord « het Skr. bhüêh 
— in *t Petersbnrgsche Wdb. wordt tweeërlei bhüsh aangenomen — 
is daarentegen zóó afwgkend in beteekenissen , dat wg geen 
middel zien deze in OTereenstemming te brengen met die Tan 
boos en Terwanten. Vooralsnog moeten wg het ons dns getroosten 
dat de wortel niet temggOTonden is. 

Indien men bg woordTergelgking alleen te letten had op de 
beteekenis, zon zeker niemand aarzelen ons boos in Terband te 
brengen met het Litansche baigus^ Treeselgk, gmwelgk; baisa^ 

schrik: hi^saê , duiTel; Ondslawisch béêü, Russisch 6/m, Cechisch 
f>fê , duivel , booze geest ; Servisch bijesj woede , razemg ^). Men 
heeft deze woorden afgeleid Tan Lit bijoti^ Treezen, Skr. Ml; 
men had er bg kunnen Toegen Skr. bhUhma, Treeselgk; bhU 
shayati, met schrik TerTullen, bang maken; hhUhana^ Treet- 
verwekkend, bang makend; bhesh, Treezen; bhyas^ beTen, en 
nog andere Terwante woorden die alle CTenals de Litansche en 
8lAwi8che eene $ in den stam Tertoonen. 

De overeenkomst in beteekenis, en gedeeltelgk ook in vorm, 
tuR8chen het Germaansche boo9 en de aangehaalde Baltisch- 
Slawische woorden is zóó treffend dat het ons niet verwonderen 
kan wanneer wg zien dat Grimm in zgn Woordenboek t. a. p. 
aangaande die overeenstemming verklaart :» die berühmng scheint 
unabweislich.** Maar welke betrekkinir bestaat er dan tnsschen 



1) Vgl Terdtr M ikloddi . Wkpt. WtV. in Ast. 9ftMkm IS ; Grim D. Wik 1« 949. 




42 
de twee reeksen ? Wat Giirnm daaromtrent aanroert ia niet 

ê 

bevredigend. H^ zegt: ȟbergaiige des AU in AI, wie zwisehen 
hausis und baistu^ zwischen baimare nnd ftotser, zwiachen ioM, 
boos und bots ^) erheben sich oft'*, doch al moge deze stelling 
waar zgn, — wat w^ hier in 't midden willen laten — , de daarrcKMr 
aangevoerde bewgzen zgn te zwak om ons van de waarheid van 
't gestelde te overtuigen. Aan nog meer bedenkingen onderhevii;; 
is hetgeen Grimm onmiddellgk laat volgen: »£ben mit rück- 
sicht darauf möchte man auch irgend einen bezng von böse mat 
die wurzel beiszen^ goth. beiian suchen, ans welcher goth.&eift, 
^ü/xif , fermentum und altn. bsiskr^ ahd. peiskar amarus entsprosz.'* 
Daargelaten dat de afleiding van heist uit bgten hoogst gewaagd 
schgnt, is het moeiel^k ze te rgmen met de verklaring van 
'tlit. baisiis uit bijoti. Dat de zoogenaamde Skr. wortels bhid 
en bhi , bhyas , en wat daaraan in de verwante talen beantwoordt, 
slechts verdere ontwikkelingen zonden wezen uit nog eenvou- 
digere elementen is onbewgsbaar; en welke zinnelgke voor- 
stelling zou aan zulk een veronderstelden primairen wortel ten 
grondslag liggen, zoodat zich de welbekende beteekenissen van 
bhid en bhi, bhyas daaruit zouden laten verklaren? 

Zoo onaannemel^k , op het tegenwoordig standpunt onzer 
kennis, het vermoeden is van een samenhang tusschen bijten 
en boos, zoo opmerkel^k is de schgnbare of werkelgke ver- 
wantschap tusschen ai en au in zekere stammen. Grimm drukt 
zich veel te sterk uit wanneer hg beweert dat zulke overgangen 
zich dikwgls vertoonen, doch er komen inderdaad gevallen 
voor waaruit men geneigd zou zgn op te maken , dat er stam- 
men met gelgke of nauwverwante beteekenis bestaan, die zich 
onderscheiden alleen door den wortelklinker en daarom ala 
variëteiten van één wortel kunnen beschouwd worden. Bg klank- 
nabootsende woorden is het verschgnsel bekend genoeg i doch 



2) Hiermede wordt het Nederl. bois, wtiupelling Toor boeê, èooê bedoeld, welk» 
t nieti gemeen heeft met die in 't Frantche boute, erenmiB ali de t ia Oinckoi of 
ia kairem met de i in 'tFnnache oiêêêu of aik. 




48 

ook by andere , die zoo zg oorspronkelgk klanknabootsend mogen 
geweest zgn, reeds in de oudste ons bekende tyden dat ka- 
rakter hebben afgelegd , yindt men iets dergelyks. Nemen wg 
eens den Slawischen wortel tük ^), waartoe o. a. behoort Oodsl. 
tüHnü^ similis, tükümü aeqaalis; Balgaarsch tükmo^ nauw- 
keurig; Russisch tokma, precies; hiervoor heefl het Litausch 
eenen stam met t in stede Tan u; dus tikti, tinku passen; 
taikiti, voegen. Bg eenen anderen Slawischen wortel tük treft 
men een nog veel grooter afwisseling van klinkers aan. De 
hoofdbeteekenissen hiervan zgn steken , insteken , tegen iets 
aanstooten. Nu moge het waar zyn of niet, dat de woorden 
door Miklosich opgegeven uit verschillende wortels gesproten 
zijn, gelyk de groote Sla wist zelf opmerkt, toch blgft het een 
feit dat byv. Oudsl. tykati^ Russisch tykatj^ insteken, steken; 
Russisch toika^ punt, rooeielyk geheel te scheiden zyn f an Lit. 
sutinku , sutikté , te samen treffen , samenkomen ; Lettisch atztitij 
aanraken. Zoowel hier dus als by 't voorgaande tük — ver moe- 
del yk eigenlyk dezelfde wortel — vindt men dat de klinkers t 
en u wisselen. Voorbeelden van wisseling der klinkers a (o) en t 
iu den wortel komen ook voor, byv. in 't Latyn discere, didtci 
naast docer€\ en nog vaker in reduplicaties, byv. Skr. dadiimi 
dadhilmi naast Gr. iiioifjLi ^ ribmjLt\ de voornaamwoordsstam t, 
waarvan Skr. ayam, Lat u, enz., wisselt met Skr. a in asya, 
aêtniii, enz. Skr. êima^ al, is gelykwaardig met satna. Niet 
minder duidelyk springt die wisseling in *toog bij Skr. loêh(a, 
loshtu, = leêhfu^ kluit E^n aardig voorbeeld van rip = rup levert 
de Kgweda; wij lezen aldaar 3, 5, 5: 

pdti priyarp ripó 4grai(i pad4rp wé^ 

Doch in 4, 5, 7: 

pdti priyiip rupó 4grai(i padérp wél|^. 

Even duidelyk spreekt ons $trijken vergeleken roet On. êtrjtika. 

Door de aandacht op deze en soortgelijke feiten te vestigen, 
neemt men nog niet de taak op zich het verschijnsel te ver- 

I) Hei derde tëJk b^ MilLlooefa. Bljm. Wtb. 




44 

klaren. Alleen wachte men zich met nietszeggende phrasen voor 
den dag te komen , en te bezweren dat de t in dit of dat geral 
in u is overgegaan, of omgekeerd, tenzij men tevens de aan- 
leiding van zulk een overgang kan aanwezen. Wanneer iemand 
bgv. ziet dat bet Skr. tsAu, pigl, ikshn^ suikerriet, enz. in som- 
mige Prakrits luidt usu, ukkhu, dan is hy alleszins gerechtigd 
om den overgang van eene oudere t in u in deze en soortgelgke 
gevallen toe te schrgven aan den invloed der u in de tweede 
lettergreep , maar waar geene aanleiding tot klankwissel bestaat 
of althans geen in 't oog vallende aanleiding te ontdekken is , 
boude men elke verklaring liever voor zich, want zelfs de ge- 
leerdste verklaring, gesteld in het alleronverkwikkelgkste ge- 
leerdenjargon, kan de onwetendheid des verklarers niet voor 
den deskundige verbergen. 

Aangezien klinkerwissel — wy bedoelen in engeren zin de 
klinkers t, u en a — voorkomt, zoo verdient het wel eenige 
overweging of op Germaansch gebied woorden aangetroffen 
worden die eene t of a in den wortel vertoonen en tevens min 
of meer zinverwant schynen met boos. Beginnen wg met het 
Ohd. bisjan^ büón^ geglosseerd met ilascivire** (van runderen); 
bisindiu met »con8ternans;*' men vindt ook een onvertaald 
bêstndiuj en eenen vorm brisentia calha, consternans vacca; bis- 
tmmn, oestrus; alles by Graff 3, 216, die aarzelend hierby voegt 
bUa^ boreas; vgl. by Eiliaan Nederl. bijse, storm. Met bisjan 
komt overeen, behoudens de kwantiteit der stamlettergreep , 
Nederl. bijaen (naast biesen)^ aestu exagitari; insano more dis- 
currere, bij Eiliaan; thans bijzen^ doch in Gelderland bizzen. 
Hangt dit samen met Oudnoordsch bisa en bjastra^ zich moeite 
geven ^)? Naast bisa staat het gelykwaardige basa. Indien deze 
woorden, ons bijzen en 'tOudn. bisa en ba^a^ met ons boos op 
de eene of andere wyze mochten samenhangen , dan zouden wg 
een voorbeeld hebben dat al de drie klinkers t, u en a verte- 
genwoordigd waren; ongelukkigerwys loopen de beteekenissen 



1) OldnordUk Ordbog van Jomon. In Cletftbj ontbreekt dit met Teel andere 
woorden, xelfs dezulke die men telkens in IJiUndiehe dagbladen kan aantreffen. 



45 

ie ver uiteen dan dat w^ het zullen wagen de ontbrekende 
schakels aan te vullen, niet omdat het moeieliik is met behulp 
vau een beetje verbeeldingskracht en handigheid eenen sierlyken 
krans van beteekenissen aaneen te rygen, maar omdat men bg 
dergelijke vraagstukken de verbeeldingskracht aan banden moet 
leggen en omdat handigheden lofieljjk zyn in een goochelaar 
of pleitbezorger, maar niet in onderzoekers. Intusschen is en 
blijft het opmerkelgk dat er aanrakingspunten van alle drie 
stammen — met t, u en a — schgnen te bestaan. Immers de 
vertaling van büwurm met »oestrus*' herinnert ons onwillekeurig 
aau *tfeit dat dit laatste ook razerng, woede nitdrukt, een met 
hoos verwant begrip; indien 't Lat. /uror inderdaad tot denzelfden 
wortel behoorde als boos, zou de OTereenkomst nog treffender 
worden, want >oestrus'* en »ruror** komen Trywel op hetzelfde 
ueder. Verder zou ons bazelen naast beuzelen zich vanzelf ver- 
klaren, byaldien het Noordsche basa eene variant was van een 
te veronderstellen béusan of busan, of wel busdn (in een nago- 
tiscb tijdperk buran, waarby misschien 'tOudn. byrr^ gunstige 
bries , behoort ; vgl. Ohd. brisentia met bisendia zooeven vermeld). 
Natuurliik is het denkbaar dat de overeenkomst van bcueUn en 
heuzeUn slechts een gevolg is van toeval. Reeds Grimm heeft 
in zijn woordenboek 1, 1148 onder basen, delirare, vagari, het 
vermoeden uitgesproken dat dit met ons dwaas verwant zou 
kunnen wezen, doch hy voegt er aan toe dat men ook op ons 
tYrhiizeri moet letten. Inderdaad, in de Pr&krits, de Iraansche 
talen en het Latyn is de overgang van dw in 6 zoo weinig 
zeKizaain ^ dat men ten minste de mogelykheid er van ook in 
't (jermaausch niet boudweg mag ontkennen. Vooralsnog echter 
twijfel ik of de verhouding tusschen bazelen en duxms wel zóó 
is als Grimm zich die schijnt voorgesteld te hebben. 

Kr zou nog het een en ander op te merken zijn over ons 
bijster en het Engelsche bateterous , doch dit opstel is reeds lang 
genoeg gerekt. Indien door het lezen er van bij den lezer de 
overtuiging gewekt of verlevendigd werd dat wij omtrent de 
allereenvoudigste en telkens terogkeerende verschijoaelen van de 



46 

wording en ontwikkeling der zoogenaamde wortels in diepe 
onwetendheid verkeeren , dan zou het hoofddoel van den Bdhrijrer 
bereikt zijn. 

H. KAKN. 



NOG IETS OVER CUSTINGE^ 

naar aanleiding van het opstd van prof» Verdam , ui de 

vorige aflevering geplaatst 

Ik heb reden om m^ te verheugen dat hetgeen ik in m^n 
verhandeling: over Waarheid, Eenning en Zeventuig, ter loops 
aangaande casting en custeed had gezegd, een zoo enraren 
taalkundige als prof. Verdam aanleiding heeft gegeven tot een 
opzettelgk onderzoek naar de afkomst en de beteekenis dier 
woorden. Ik heb uit zgn opstel veel geleerd, waarvoor ik hem 
mgn dank betuig. Toen ik m^n verhandeling schreef kende ik 
het middel-Nederlandsche custen niet ^), dat, naar ik nu verno- 
men heb, niet zelden met paaien samen wordt gevoegd en on- 
geveer hetzelfde als dat woord beteekent. Mgn gissing over de 
afkomst er van laat ik thans dan ook gaarne varen. 

Maar over het gebruik van het woord cueting heb ik nog 
iets in het midden te brengen, ook bg wgze van zelfverdedi- 
ging, en ik doe het bg voorkeur in dit zelfde Tydschrifb, 
waarin Verdam 's opstel een plaats heeft gevonden. 

I. Ik had namelgk beweerd, dat de custing een eed met 
eedhelpers was. Volgens de heeren Verdam en Fockema Andreee 
(welke laatste door eerstgenoemde in dezen werd geraadpleegd) 
is dit niet geheel juist. »Ook als de beklaagde (onedelman) den 
eed van zuivering alleen doet, heet deze soms custinge," zeg- 
gen zg. Ik betwgfel het zeer. Mg is geen enkele plaats bekend, 
waar de custing aldus met het lonscoude doen*' gelgk wordt 



1) Ik kende tlechto ^ne plaats, waar het Toorkomt, bg Matth^Mea, Vb. t9, «• 
dk waf mg aict doidal^k. 






47 

gesteld; de plaatsen toch, waarop mgn hooggeschatte ambtge- 
Dooten zich beroepen, sgn niet in dien zin te verstaan. Het 
zy mij yergand dit kortelgk aan te toonen. 

De hoofdplaats is art. 38 Tan de Liatynsche keur van Floris 
den Momber en luidt aldus; »Vir nobilis faciet ignobili cus- 
tiagam pro parentibus suis. Vir ignobilis faciet nobili custin- 
gam cum domino suo et cum parentibus domini sui. Item ig- 
nobilis faciet pro se ipso alii ignobili custingam cum parentibus 
suis.** Er schuilt in deze plaats een schryffout, die licht te 
herstellen is. Men pleegt geen custing voor zyn magen te doen 
maar met zyn magen. Wg verbeteren dus gerustelyk in den 
eersten volzin : cum parentibus suis. Er bestaan , zooals bekend 
is, slechts gebrekkige afschriften van deze keur, die hier en 
daar verbetering behoeven. Daarby zyn ons de oude vertalin- 
gen in het Nederlandsch en in het Fransch van dienst. Deze 
nu hebben ter aangehaalde plaatse inderdaad: ^met sinen maghe/' 
^par ses pareus.'* Zoo verbeterd , is de geheele plaats duidelyk. 
Moet een onedele van een edelman een custing ontvangen, dan 
geniet hij niettegenstaande zyn geboorte de eer, dat edelen hem 
den eed doen. Moet hy daarentegen een custing afleggen aan 
een edelman , dan kan hy met zyn onedele bloedverwanten 
uiet volstaan , maar moet bygestaan worden door zyn heerschap 
en door diens edele magen. Onder elkander doen onedelen , het 
behoefde nauwelyks gezegd, elkaar custing met hun eigen ma- 
gen. Van een eed door aanklager of beschuldigde alleen te zwe- 
ren , is hier dus geen sprake. 

Hetzelfde voorschrift nu wordt herhaald in de Nederduitsche 
keur van Floris V, art. 107: »Een edelman mach enen onede- 
len man custinghe doen mit tinen maghen. Een onedelman 
sal enen edelman custinghe doen mit siins heren maghen. Een 
onedelman sal enen onedelen man custinghe doen elckerliic 
voer hem selven.*' Ook van deze keur bezitten wy het oor- 
spronkelyke niet, en het afschrift is niet overal betrouwbaar. 
Misschien is hier aan het slot van dit artikel iets weggevallen. 
£r ontbreekt namelyk, wat in de Latgnsche keur, die blyk- 



T'ill 



48 

baar ten voorbeeld heeft gediend, niet gemist wordt : imitaiaeii 
magbe/' Het kan echter zgn, dat dit als oyerbodig en rtai 
zelf sprekend in de pen is gebleven. Hoe dit zg : ook hier is 
geen sprake van een eed zonder helpers. — In de steden, waar 
edelen en ouedelen ondereen leefden is het onderscheid , dat 
de landkeur maakt , yervallen. In de handvest van Tolen b. t. 
van 1366 lezen wg art. 38 : » wat .... ter castinge behoort, daerof 
sal elckenlic den anderen cnstinge doen mit sinen magben, 
syn sy edel of onedel." 

De heer Verdam heeft reeds gewezen op het woord custnatêf 
waarmee in een Zeeuwsche rekening de helpers in de cnsting 
worden aangeduid. In de Friesche rechten worden de zolken 
„kestfriondon", custvrienden , geheeten (Bichthofen p. 69 (10).) 

Is iemand ongelukkig genoeg om geen magen te bezitten, 
dan kan hg in later tgd worden toegelaten om , in hun plaats , 
zelf de zes eeden af te leggen. (Groote Keur, U, 41). Maar 
dat dit aan den aard der custing geen afbreuk doet, behoeft 
wel niet betoogd. 

II. Ten tweede had ik als een eigenaardigheid van de cns- 
ting genoemd, dat hy, die haar haalt, uit zyn magen kiezen 
mag degenen met wie hy den eed verlangt te doen. Ook daar- 
tegen komen myn vrienden gezamenlgk op: »Dat men zyn 
eedhelpers mag kiezen", zeggen zy »is niets byzonders; dit 
mag men by eiken eed met conjuratores altyd en overal.'* 
Waarlijk? Dan heb ik my deerlyk vergist. Maar ik twyfel, of 
de stelling wel in zoo volstrekten zin bedoeld zal zyn als de 
woorden zouden doen vermoeden. Zie hier althans een paar 
uitzonderingen, waarop ik myn woordverklaring had gebouwd. 

In de zoo hoogst merkwaardige Utrechtsche »Coeren van 
den vrede", by Mr. S. Muller , Utr. Rechtsbr. 1 blz. 44 art. 6, 
lezen wy : » Voert, tyet de raet vander stat des yemant, dat 
hi daer mede was mit rade of mit dade daer vrede gebroken 
si, so sal d^hene, demen des betyet, sweren mit vier man- 
nen, de die raet vander stat daertoe neemt van sinen vrien- 



49 

den , dat hi onsculdich was raets ende daets daer de vrede te 
broeken was.'* 

Een volgeed derhalve van vrienden (dat is magen), die ge- 
kozen worden niet door den beschuldigde maar door den raad 
der stad. — Doch dit geschiedt te Utrecht, en wy hebben be- 
paaldelijk met een Zeeuwsch gebruik te doen. Daarom een 
tweede voorbeeld, aan de Dingtalen van Zeeland's hoofdstad 
ontleend. 

In dat hoogst belangrijke stuk (het eerst door Mr. Pols 
uitgegeven in de Mededeelingen der Vereeniging tot uitg. van 
oud-vaderl. Recht, I b!z. 321) vernemen wg, hoe een burger « 
die een ander aanklaagt van kracht, zyn beschuldiging sterken 
moet. Uii zegt het zelf: »zoo sech ie, dat deze N. (de beschul- 
digde) sculdich is myn (d. i. m{j) magen te geven, opdat hi se 
kent, myn cracht mede te stereken, . .. ende kent hi se niet, 
dat ie se selve nemen zal/* 

Dus ook hier staat het niet aan hem die den eed doet, uit 
zyn magen te kiezen, maar aan zgn tegenparty, zoo die daar 
toe l)ereid is. — Geheel overeenkomstig hiermee is het, wat de 
Costumen van Waterland bepalen, dat iemand die beschuldigd 
wordt van een keurwond te hebben toegebracht, zich zal mogen 
ontrechten >met vyf van de koeren van sinen maghe, kiest hi 
die als recht is.** Ooid immers de regel zoo altyd en overal 
als de heer Andreae zegt, het ware overbodig geweest hem 
hier voor dit bepaalde geval nog uitdrukkelgk te vermelden. 

lil. Nu ik toch aan het woord ben, wil ik meteen een plaats 
\iit het Uechtsboek van Matthyssen toelichten, waarover de heer 
Verdam in het onzekere verkeert. De plaats handelt alweer over 
de cuhting en luidt als volgt: »De rechter vraagt vonnes, wie 
A, (de aanklager) sculdich is te custen. Tvonnes wyst, als 
H. (de aangeklaagde) niet ten antwoirde (tegenwoordig) en isi 
dat die rechter sculdich is A. te custen." De plaats, op zich 
zelf onduidelyk , ontvangt het noodige licht uit een Zeeuwschen 
brief van 1 32 1 , by Van Mieris II , 252. Daar vinden wg door 

4 



50 

den Graaf bepaald, dat, als op den dag, daartoe aangewesen, 
»degbene, daer men die smerte (de kwetsaur) op brenghen 
soude, die custingbe niet nemen en wilde, jof dat hj niet en 
quame ten daghe, soe sonde die Baeliu metten scepene ran 
Middelburch die custingbe ontfaen." Cnsten beteekent dos bg 
Matthgssen wat hier in den brief het nemen, het ontvangen 
van de custing heet. De constructie wordt al te gewrongen, 
als men met Verdam aanneemt, dat custen het afleggen van 
den eed wil zeggen , en A. derhalve hier het onderwerp en niet 
het voorwerp van den zin zou zgn. Ook is het woord kwalgk 
anders op te vatten in de volgende plaats van alweer een 
Zeeuwschen brief, thans van 1342, bij Yan Mieris II, 661. 
Er is sprake van twee partyen, die slaags zgn geweest en bg 
's Graven uitspraak verplicht worden elkaar de toegebrachte 
wonden te vergoeden , ieder met zgn helpers of medeplichtigen. 
Is er onder hen die voor medeplichtig worden gehouden iemand 
die ontkent het te zgn en op dien grond weigert mee te be- 
talen, >soe sullen die hoefthebbers (de hoofdpersonen), die 
anespreken , hem custen met hem vgften van sinen maghe tote 
hem , die sj kiesen sullen , dat hi . . . . in ghienen van al deeen 
voirs. perlamente (vechtpartgen) geweest heeft." De hoofdper- 
soon dus, die iemand als een zijner medeplichtigen aanspreekt 
om mee te betalen, zal dengene die zich verontschuldigt op 
een custiug vergen met de magen , die in dit geval bg uitzon- 
dering hij (en niet de beklaagde) zal aanwgzen. Custen is dus 
ook hier het afnemen , niet het afleggen , van een custing. 

Naar het mij voorkomt, doet deze omstandigheid, dat de 
beschuldigde de custing doet aan zgn beschuldiger (gelgk in 
andere gevallen omgekeerd de beschuldiger aan den beschuldigde) 
en slechts bg weigering der tegenpartg aan den rechter, die 
ze dan voor deze in ontvangst neemt, een merkwaardig licht 
opgaan over haar -aard en wezen. De plechtige ontkentenis van 
den aangeklaagde, door diens magen bekrachtigd, strekt den 
aanklager tot een soort van voldoening, waarmee hg tevreden 
kan zijn. De Fransche vertaling begrgpt dit ook aldus en laat 



51 

op het woord casting deze yerklaring volgen: >qui est a dire 



excusance." 



IV. Op blz. 4 zet prof. Verdam te recht een vraagteeken 
achter het ^overcusten", dat in de Costumen van Waterland 
voorkomt en hem vreemd schynt. >Dat nymant (heet het daar) 
clfi^hen en mach om overcusten, ten si van erfcusten." W\\ 
hchhon hier alweer met een foutive lezing te doen , die Van 
Mieris uit een gebrekkig afschrift overnam, doch die ik uiteen 
l>«>ier, (lat mij ten dienste staat, kan herstellen. Dit heeft: 
» I^jit nyiuaut daghen en mach over custen". Om is verkeerde- 
lijk ingevoegd, nadat even verkeerdelgk over en rusten aaneen 
j^eschreven was. 

O]) oen andere plaats zet hy daarentegen een vraagteeken 
/ouder reden , waar aan den zin niets hapert. Ik bedoel achter 
» wonden . . halen mitter custinge". De zin hiervan is : wonden 
op hem, die ze heeft toegebracht, met een casting verhalen. 
Wij zouden nog zoo spreken. In een Zeenwschen brief (bg 
Van Mieris II bl. 252) lezen wy : >sine smerte te verhalen op 
IMi'tcr's erfnaraeu voer scepenen van Middelburch". 

Kon soortgelyke uitdrukking verklaart hy , als ik my niet 
iMMlrio^. verkeenl. > Wonden, die te cante syn comen , alsoe 
^root als t<tgraven mannen of scepenen kennen, mitter custinge 
li]ilon'\ verklaart hy namelyk met: «wonden, die van den 
oonen kant tot den anderen een zoodanige grootte hebbeu als 
mannen of schepenen kennen/* Wonden >die te cante comen syn** 
wordon doorgaans kortaf «gecante wonden** genoemd, b. v. in 
do handvest van Tolen (by Van Mieris III, 201); en Matthyssen 
leort ons (blz. 96), dat wonde eigenlgk beteekent >die quetsinghe, 
die i;))ecant is,** en dat men ze onderscheidt in vleeschwonde 
rn Iwenwonde. Nog duidelyker spreekt de keur van Vossemeer 
(bij Ermerins, Zeeuwsche Ondheden , II blz. 303). krt 74 
hoeft ten opschrift: >Ghecante wonden of bolslagen** (het laai- 
<4te een woord, dat zoowel by Verdam als by Stallaert ontbreekt) 
en luidt aldus: >Wye den anderen gecante wonden of bolsla- 




52 

gen geeft met stocke otit anderen ongesiepen wapen, die" enx. 
Hieruit zouden w^ moeten opmaken, dat gekante wonden 
met stompe wapens worden toegebracht, en das z^n wat wg 
kneuzingen noemen. Doch daar Matthgssen hiermee niet geheel 
instemt, durf ik dit nog niet vast stellen. Zooveel is althans 
zeker, dat wy onze plaats aldus moeten verstaan: wonden, die 
gekant zyn , mag men op hem die ze heeft toegebracht verhalen 
tot het bedrag , waarop 's Graven mannen of schepenen ze schatten. 

V. Ook met de verklaring, die mign ambtgenooten van coe- 
ting, in den zin van ongeveer ons hedendaagsch hypotheek 
geven, kan ik m\] niet wel vereenigen. Zy meenen, met 
Bogaers , dat die beteekenis zal zyn voortgevloeid uit de hoofd- 
beteekenis, aan custen en de daarvan afgeleide woorden eigen, 
van geruststelling, zekerheid. Ik ben daarentegen van gevoelen, 
dat het begrip van verzekering oorspronkelyk aan casting en 
custingbrief vreemd was , en er slechts later van ter zyde is bg- 
gekomen. Om dit in het licht te stellen moet ik de zaak wat 
hooger ophalen en beginnen met iets te zeggen omtrent den 
verkoop van onroerend goed. 

In het belang van hen die op onroerend goed renten hebben 
staan, wordt van ouds de onderhandsche verkoop belemmerd. 
Openbare verkoop is derhalve de regel. Het openlyk te koop 
bieden wordt meestal veilen genoemd : zoo b. v. bg Matthyssen 
blz. 170. Ook wel met iets «openbaerlic te love ende te bode 
zitten.** Loven doet de kooper. In een Dordsche ordonnantie 
(O. R. V. Dord. II blz. 196) wordt gesproken van de pennin- 
gen, die hy (de kooper) daervoor (voor het te koop gebodene) 
loven sall.*' Bieden daarentegen schynt de verkooper te doen. 
Met iets >te bode zitten,*' is dus iets te koop bieden en af- 
wachten dat er prijs voor geloofd wordt. 

Nu vinden wy in Waterland (V. Mieris II blz. 735) daar- 
voor, in afwisseling met veilen, »te custbode leggen" in ge- 
bruik. In nog veel later tyd, in de 16« en 17« eeuw zyn in 
die streek custbode en veiling woorden van een en dezelfile bè» 



58 

teekenis. ^) ENt »te cnstbode leggen" zal na wel hetzelfde zgn 
aU het meer gebrnikelgke »te bode met iets zitten.*' Wat het 
Yoonroegsel cast, vóór bode, eigenlgk zeggen wil, laat ik in 
het midden: meer dan ooit mistroaw ik mgn taalkande. Blaar 
dat er tusschen dit woord en casting, waarvoor in West- 
frieslaad kortaf ook cast wordt gezegd, een zeker verband 
bestaat, zal wel niet twgfelachtig zyn. Bg een verkoop van on- 
roerend goed is het, ten gemakke van den kooper, gewoonte 
niet in eens en terstond den geheelen prgs te laten betalen. Er 
wordt betaliag bedongen in eenige termgnen , met dien verstande 
dat by de overdracht, doorgaans gift genoemd, de eerste ter- 
mijn vervalt. Dit blgkt ten dnidelgkste ait de Weetfriesche 
Stadrechten, door prof. Pols aitgegeven. In een keor van 
Hoorn vinden wg ondersteld, dat een hols of erf verkocht zal 
zjjn op drie of vier termgnen, in het eerste geval binnen twee , 
in het andere binnen drie jaren te verschgnen (blz. 162). De 
eerste betaling is in dit geval bg den koop geschied, de 
tweede een jaar daarna en zoo voorts. Zalk een termgn heet 
nu meestal >een dag van cnstinge." Een custingbrief is bg ge- 
volg een schriftelyke verbintenis om den koopprgs, voor zoo 
ver by niet terstond voldaan is, te betalen op vaste, aange- 
wezen dagen. 

Wanneer moet na het (^oed geacht worden over te gaan in 
het eigendom van den kooper, bg het betalen van den eersten 
of van den laatsten termgn? Het was te Hoorn in gebroik, 
eerst by het afbetalen van de volle som, das bg den laat- 
ston termyn, den eigendomsovergang te stellen. Daamit rezen 
misbruiken, die het overbodig is hier nader te beechrgven, 
maar waartegen een nienwe keor in 1545 voorzag door te b^ 
palen: >dat van na voortan van allen hnjsen, erfven ende 

1) Wat in de CottttMa tm Dea HMg «ewtboat** Ao«t betoektaai, isBkiaaia»- 
lyk. Ik gif erhtcr, op frottd Tan bet gvwoaa gebruik Taa bal woord bQ koop aa 
Tcrkoop, dat wij met eea orerdraebteUgk s^^r^ïk Ie doaa babbaa, aa dal da lia m1 
tija: de eiicber biedt daa cad aaa daa varwaerdar la koopt d«a kaa 
of lat«n oaar Terkianag. 




54 

landen .... behoerlycke briefven yan qu^tsceldinge [d. i. van OTer* 
dracht] ende van custinge gemaickt ende geleyert sallen worden 
op den eersten termgn ofte dag van der custinge** enz. (bis. 
136). Wat in dit voorschrift nog onduidelgk mocht zgn wordt 
voldoende opgehelderd door een uitvoeriger keur van Enklicd- 
zen, van 1564 (opgenomen in de Handvesten, blz. 871), vol- 
gens welke de kooper en verkooper gehouden zullen zyn » el- 
kander te passeeren brieven van kennisse onder scepenen zegel, 
te weten de kooper een kustingbrief en de verkooper quitantie 
[= quijtsceldinge] benevens reale traditie ende levering.*' 

Hier wordt dus de koop gerekend voltrokken te zgn bg het 
betalen van den eersten termen, en is de kustingbrief een obli- 
gatie. Of hy op het verkochte goed verzekerd is , durf ik niet 
beslissen. Zeker wel in zoover als alle schepenbrieven voor hy- 
pothecair worden gehouden, ook al staat dit in den brief niet 
uitgedrukt, gelgk men te Leiden (Ebk. van 1545, lY, 40) 
aanneemt. Maar oudere opstal, dat is vroeger er op gevestigde 
rente, gaat in alle geval voor. Ook schgnt het, dat er van 
het nog verschuldigde, van de custing derhalve, geen rente 
wordt berekend. Te Leiden althans wordt integendeel bg ver- 
vroegde betaling zooveel gekort als de rente hiervan zon be- 
dragen (Kbk. van 1545 IV, 39 en 60). 

Het was niet ongewoon , het lag zelfs in den aard der zaak, 
dat menig onbemiddeld kooper om aan geld te komen, terstond 
nadat hy bij het voldoen van den eersten termgn eigenaar ge- 
worden was, op het gekochte een rente vestigde. Het geval 
moest zich voordoen, dat het de verkooper was die hem hier- 
aan hielp, en dus de custingen, die hg nog te goed had, op 
het pand liet staan. Dat zal dan in den custingbrief uitgedrukt 
zgn , en zoo zal het allengs regel zgn geworden , dat custing- 
brieven met lange termijnen ook rente gingen dragen en het 
karakter van hypothecaire schuldvorderingen aannamen. Van 
dien geleidelijken overgang zijn mij echter geen bewijzen bekend. 

Tot verklaring van den aard der custing kan ook nog die- 
nen de wijs, waarop zij wordt ingevorderd b^ wanbeialing. 



55 

Daaromtrent Tinden w^ te Westwoade het volgende bepaald 
(Westfr. Stadr. blz. 359): 

>yoort« 800 wanneer yemant den anderen costen [lees coaten] 
schuldich es yan boys ofte lant, ende den dach yan betalinge 
eeu maent oyerstreecken zijnde, soo mach dengene die casten 
komt , denselyen casten dwarsuacbU doen uytleggen by den ge- 
rechte om den minsten penninck op te yeylen , eicke dach sgn 
ghelt yant gene datter alsdan by den richter belooft wort op 
dachgelt, alsoo lange deselye casten ten yollen betaelt wort.** 

Ik erken, dat deze yerklaring zelf noodzakelyk verklaring 
behoeft. Men moet de beteekenis kannen gissen , zal men er 
wiJ8 uit worden. Gelakkig komt ons Matthyssen te halp. Hg 
leert, (blz. 173) hoe in Den Briel de bargemeesters handelen, 
wanueer de pachter yan accgnsen niet op den bepaalden dag het 
verschuldigde voldoet: >so ist recht vanden ouden costamen ende 
baircomen, dat die barghemeesters sullen dat geit halen ter 
lomberden, nadat sy den coper of huirman [dat is den pach- 
ter] ende hair borgen voir gherecht gemaent hebben , totten 
steden minsten cost Ende nader maninghe sullen sy vander 
stede weghen eics daechs op elc <8 gr. leysten een gulden bal- 
ling .... totter tyt dat sy dat hoeftgelt ') mitter leystinge vol 
ende al betaelt hebben. Ende wairt dat sy niet en betaelden , so 
moghen die borghemeesters .... eyghenen ter steden behoef 
alle hair onbecommerde (d. i. onbelaste) goeden ende daertoe 
liairre borghen goeden.'* 

Nu, dunkt my , begrypen w\j de toedracht zoowel in het 
eeue ah in het andere geval. Betaalt in Den Briel de accyns- 
inan niet op zyn tyd , dan leent de stad het verschaldigde voor 
zijn rekening by de stads Lombarden, aan wie hy nu alle da- 
g'Mi een vaste rente verschuldigd is. Blyft hy in gebreke om dezen 
(ie voorgeschreven hoofdsom met de rente (leisting) te voldoen, 
dan wordt ten laatste zyn goed en zoo noodig ook dat zyner 



1) Er tUt in des tdnt tekttr koollc«tt. •gtftm" kttsMa oftrkodi| it m g»* 
•chrmpt lal moeten worden. 




56 

borgen aangesproken. Op soortgelgke wya handelt men ie 
Westwoud met den kooper , die zgn casten of cnstingeii nut 
op den dag betaalt. Men laat hem een maand den tgd om xgn 
verplichting nog na te komen; daarna doet de yerkooper door 
het gerecht een ieder die wil uitnoodigen om het verschaldigde 
voor te schieten, tegen genot yan zekere dagelgksche rente. 
Wie met de laagste rente tevreden is , geniet de voorkeur. Het 
spreekt van zelf, al wordt het in de keur niet uitgedrukt « dat 
de voorschieter of uitlegger na zeker tgdsverloop z^n pennin- 
gen aan het goed van den schuldenaar verhalen mag, zoo als 
wij dat in Den Briel verordend zagen. 

Er volgt ook hier uit, dat de custing geen rente draagt. 
Eerst na het verstrijken van den dag der betaling gaat zij, bij 
wijze van boete, rente afwerpen. 

Met custing vinden w^ een ander woord afwisselend ge- 
bruikt, waarvan de beteekenis vast staat, »voirwairde*'. Althans 
zoo versta ik wat bij Matthgssen, blz. 114, voorkomt: >die 
vercoper is sculdich my [den kooper] die gifte te geven ende 
sgn ghelt ende voirwaerden van mi te ontfanghen*'. In de taal 
der Enkhuizer keur overgezet luidt dit, mgns inziens, aldus: 
de verkooper moet mg quitantie benevens reale traditie geven 
en van mij het geld van den eersten termgn benevens den kus- 
tingbrief ontvangen. 

Ik vlei mg, dat ik in het bovenstaande het gebruik van het 
woord voldoende heb aangewezen. Aan heeren taalkundigen 
laat ik het over , dat gebruik uit de oorspronkelgke beteekenis 
en uit de afleiding te verklaren. a. FBuni. 



HET WOORD rOBSCHE, IN DE GROOTE KEUR 

VAN ZEELAND. 

In de Groote Keur van Philips den Schoone van 1495 tref- 
fen wg het woord vorsche herhaaldelgk aan, doch nergens in 
de oudere keuren van Floris den Momber en van Floris V, «i 



57 

wel om reden dat de onderweq>an , wftarby het woord te pu 
wordt gebracht, in die vromere keuren niet worden bebaodeld. 
Ander* zonden w|) door Tergeljiking Tan het Nederdnitsch der 
Groote Keur met het Latijn van die van den Momber terstood 
lic juiste beteekenia tan het woord te weten komen. Nn moe- 
ton wij deze van eldera opsporen. Wg beginnen met de pUatsen, 
waarin de keur het woord gebruikt, bgeen te stellen. 

('ap. I art. 35. «Ist dat eenigo poortera van den steden ge- 
legen binnen der Torschc ofte nytlandtsche personen komen", 
om hun recht op iemand te rerhalen enz. 

Cap. II art. 34: AIb iemand, die iets om gereed geld beeft 
gekocht , het gekochte wegroert zonder te betalen , zal de rer- 
koiiper «binnen der vorschen" op dat goed beslag mogen leggen. 

C'Rp. II art. 36: >Dat men in eicke prochie aal mogen bestel 
doen op iujden ran bnyten der TOrschen." 

Cap. II art 37. Als iemand io een prochie tot betalen ran 
een schuld veroordeeld ia en aldaar geen goed genoeg bezit, 
zal ile Hchuldeiscfaer >mogen gaen in een ander prochie binnen 
<lcr Torsche , daer die verlieser gegoet is", om daar zgn recht 
te halen. 

ïlpt bijeenvoegen dezer vier plaatsen is al voldoende om de 
weini^^ overdachte verklaring van Bynkershoek te weerleggen, 
die, handelende over cap. Il art. 34, de overige plaatsen ver- 
fteet en > binoen der vorschen" opvat als >op voracher of faseter 
daet" en vertaalt met iiiico. (Qnoest. inr. priv. 1. III c. 25, 
p. 497). 

Van die dwaling heeft EÏeh Appelios vrg gebonden in zgc 
A.:id. disserUtie: Ad sUtuU Zelandiae onni 1495 (L. B. 1780) 
p. 71. Hü let op al de plaatsen te zamen en komt tot dit 
l>ealuit: >£go qnidem per vortche jarisdictionem intelUgerem, 
nou talem quae intra certum territorinm reetricta ongnstis con- 
tinetur limitibua, sed quae sese per totam extendat Zelaadiam; 
ut l-iiineit lUr Ttyr$rhe intr» ZeUndicara iurisdictionem aignifieet, 
i^vunut antem ran t/innen dtr vorKhe Zelandnmi qui oppoaotor 
peregriuis seu luyden van hayttn der vonciu." 




58 

Inderdaad het verband, waarin op de aangehaalde plaatBett 
het woord staat, vordert deze of een soortgelgke Terklarii^ 
gebiedend. Maar hoe kan ooit vorsche aan de beteekenia ymn 
rechtsgebied gekomen z^n? Appelias beproeft zelfd niet dit mt 
te leggen. Ik wil het beproeven, en vlei mg er in te zullen 
slagen. 

Yorsch of versch beteekent oudtgds hetzelfde als nog thans. 
Bij tijdsbepaling staat versch tegenover min of meer verouderd; 
in zake van smaak tegenover bedorven , of ook wel tegenoTer 
bezouten. Die laatste beteekenis komt in stukken, diebedgking 
betreffen , vaak voor : bezouten landen zgn landen , die teu ge- 
volge van het doorbreken hunner d^ken door de zee overstroomd 
zijn; versche landen daarentegen dezulke die tegen de zee be- 
schut z^n gebleven. In het algemeen is het versche land het 
land dat bewoond en bebouwd wordt; het bezouten land het 
aan de zee voor goed of tydelyk verloren land. Of met andere 
woorden, het versche land is binnen d^ks, het bezouten land 
buiten dijks gelegen. Het buiten d^ks gelegen land wordt niet 
voor land geacht. Dit zegt ons met zooveel woorden Matthgs- 
seu, blz. 118: >Item is enich lant butengesleghen buten 
dyeks ende yement dairof den anderen enich lant vercoopt, 
men sal dair geen ghifte of geven, want ten leyt niet onder 
enich scependom , overmits datment niet en scouwet in enigen 
dijckaetzen mit enich ban, ende het is geacht voir geen lant" 

Opmerkelgk vooral in deze leerr^ke verklaring is het zeggen 
van den wel ingelichten auteur, dat het buiten d^ks gel^^n 
land onder geen schependom staat. Dat dit niet slechts in 
Voorne, maar in gansch Zeeland het geval is en wel van 
ouds, blijkt uit art. 114 der keur van den Momber, waar ver- 
ordend wordt, dat de keur over geheel Zeeland gelden zal, 
>exceptis choris de Middelburgo, de Zeerixe, de Weetkapella, 
de Dumburg et de Soutenlaude." Wel bestaat er een ambacht 
dat Souteland heet, en dat de uitgever hier bedoeld acht, 
bl^kens de hoofdletter, waarmee hg het woord drukt. Ook 
heeft de oude Fransche vertaling »et de Zoutelandt". Maar 



59 

zeker yerkeerdelyk : dat ambacht beeft niet, als de steden die 
voorafgaan , baar eigen keur al in zoo vroegen tgd. De Hol- 
hindsche vertaling geeft dan ook beter bescbeid en zegt: »son- 
der die van Middelburcb, van Zerixee, van Westcapelen, van 
Domburcb ende van den zouten lande^'. Door >exceptis choris 
<le Mitldelburch" over te zetten: »sonder dk van Middelburg" 
en choris onvertaald te laten neemt zy bet dubbelzinnige, dat 
den Latijnscbeu tekst aankleeft, gebeel weg. Wy mogen dus 
lianneiuen , dat de wetten van bet land niet gelden buitendyks. 
Dit blijkt bovendien uit een ander artikel, dat nu eerst recbt 
verstaaubaar wordt. Ik bedoel art. 57: >ommo malefactum 
pastoribus in terra salsa per se jacentibus in vita sua illatum 
et Dinue reroef nonuplum solvetur, et forefactum erit in gratia 
i-oiuitis." De heerden, die zich buitendyks op de scborren op- 
hoiuleu. worden volgens dit artikel niet door bet algemeene 
Zeeuwsche recbt, maar door een byzondere bepaling, hun ten 
l>eh(>eve gesteld , tegen onrecht beschermd. De Groote Keur van 
1495 verduidelykt dit nog zeer. Zy zegt, cap. III art. 11: 
>Item dat alie besoute landen sullen buyten deser kuere we- 
sen , als sy van outs geweest hebben ; maer die schade , die men 
den herder doet, die in soute landen liggen, dat salmen hem 
beteren ix schatten** enz. Zoo is het dus stellig juist, wat de 
opvatting van Appelius onderstelde, dat de jurisdictio Zelandica 
zieh even ver uitstrekte als de vorscbe. Het laatste woord kon 
dcrlialve zonder bezwaar het eerste in de keur vervangen. Maar 
«huirmee is zijn verklaring toch nog niet geheel gerechtvaardigd. 
Herlezen wy het eerste der vier uit de Groote Keur aange- 
liaalde artikels, dan stuiten wy al aanstonds op ieta dat met 
zyn opvatting niet strookt. Er wordt daar onderscheiden tus- 
si'hen > poorters van de steden binnen der vorscbe gelegen** en 
>uytlanische personen**; dat zou volgens hem hetzelfde zyn 
als poorters van Zeeawscbe steden en lieden van buiten Zee- 
land. Maar dan worden de Zeeuwen van het platteland enhnn 
rechtspleging voorbygegaan , wat onmogelyk de bedoeling kan 
wezen. Ook is de uitdrukking: steden binnen der vonche ge- 




60 

legen , in plaats van eenyoudig : steden van Zeeland , wat al ia 
gezocht. In de stadskeuren plegen onder uitlantschen de niei- 
ingezetenen in het algemeen verstaan te worden, en deze onder- 
scheiding schgnt ook hier het best te pas te komen. Wg mo- 
gen dus ons onderzoek nog niet voor gesloten honden. 

Toevallig heeft Appelius één artikel over het hoofd gezien, 
waarin ook nog de vorsche genoemd wordt, en dat hem Tsn 
het gebrekkige z^'ner verklaring had kunnen overtuigen. In 
art. 31 van cap. I. wordt onder de vereischten voor het d^k- 
graafschap ook genoemd, dat de gekozene zal » wonen binnen 
der vorsche, daer hy d^ckgraefscap bedienen sal*'. Het spreekt 
van zelf, dat iets anders van hem wordt gevergd dan dat hg 
in Zeeland verbluf zal houden; hg moet wonen in de nab^- 
heid van zgn dgkgraafschap. Derhalve is de vorsche niet, gel^k 
Appelius stelt, de jurisdictie van geheel Zeeland, maar vaneen 
gedeelte ervan , of beter gezegd niet een jurisdictie maar een 
stuk lands, een district. En herinneren wg ons nu, dat bezon- 
ten land heet wat buitendgks ligt, dan komen wg van zelf 
tot het vermoeden , dat een vorsche hetzelfde zal zgn wat in 
Holland een waterschap heet: een grondgebied in zgn dg ken 
besloten. Doorgaans zal het dus overeenkomen met eiland, voor 
zoover dit omdgkt is. Een welkome bevestiging van dit ver- 
moeden levert ons de handvest, door Albrecht van Beieren 
aan Brouwershaven verleend (bij Van Mieris lU blz. 560). Daar 
vinden wij (art. 8) ten opzichte van de custing verordend: »soo wie 
dat yemande van Brouwershaven aenspreect van eenre custinge, 
die sal hy hem doen met sgn magen die wonen binnen der 
vorsche van Scouweui ende en hevet hy daer magen niet soo 
vele, soo moet hy die custinge doen met sgn selfis eede.** 
Schouwen vormt dus in zgn ommedgk een vorsche op zich zelf, en 
zoo zal het ook wel met de overige eilanden gesteld zgn. Met Scar- 
penisseland is het zeker zoo, blijkens de Graaflijkheids rekeningen. 
De polders Scarpenisse, Westkerke, Poortvliet, Priestermeet 
en Strienpolre te zamen maken de vorsche van Scarpenisse 
uit. (Zie de uitgaaf van Dr. Hamaker, II, blz. 254, 330.) 



61 

Opmerkelijk is het , dat bet woord , hetwelk toch zgn betee- 
kenis aan de Zeeuwsche rechtsbegrippen ontleent, ook baiten 
de provincie, met name in Zuid- Holland, voorkomt Troawens 
wij vinden, dat daar na en dan by inpoldering het land wordt 
uit«4egevcn >ten Zeeuwschen rechte/* Zoo b. v. wordt ten op- 
zichte van Zwyndrecht door Willem III in 1332 vergund, dat 
men er >negheen recht en sal hauteeren, noch gheestelic noch 
werlic, anders dan Zeeuwsche rechten ende nae der Zeeuwsche 
kueren, als men recht in Zeelanf' (Mieris II, 534). Waar dus 
het recht gelyk is, moet men ook gelgke namen verwachten. 
Z<»o kan het ons niet verwonderen , dat Nicolaas van Putten 
in 1311 van de tienden gewaagt, die hg, »binnen der vor- 
Kche van Porteghale** heeft liggen (Mieris II, 120). Evenmin, 
dat men in de keuren van Geervliet leest van lieden » wonende 
buyten (de stad) binnen der vorsche van Putten.** (Versl. en 
Meded. II blz. 85). Ja het gansche gemeeneland heet in een 
brief van Philips den Ooede »de vorsche van Zuythollant*' 
(Mieris IV, 998), hoewel de tegenstelling tusschen versch en 
l>ezoutcn land hier natuurlyk niet bestaat. Ik twyfel dan ook, 
of er de benaming wel ooit inheemsch is geweest. In de hand- 
vt^tiMi en keuren vinden wg er een anderen, insgelgks eigen- 
juirdigen, naam in gebruik: »de reep van Zuyt-hollant" (Oudste 
Hechten van Dordrecht, I 284; II, 259, 278). Reep is zooveel 
als hoepel, ring; welke laatste benaming nog steeds, inzon- 
derheid by de kerkelgke indeeling, voor een vereeniging van 
geiniK'nten gebruikelyk is. 

Alles te zamen genomen zullen wg dus » vorsche*' moeten 
p'iykstellen aan het eenvoudige »land.*' Beide woorden wor- 
den in denzelfden zin gebruikt, en wg hoorden het vroeger 
van de oude juristen: bezouten land wordt voor geen land ge- 
houden. Naar Zeeuwschen rechte ii dut alle land vorsch land. 

E. FEUIN. 



62 



DIETSCHE KLEINIGHEDEN. 

1. 

In een HS. van 1348, dat epistel- en eyangelielessen Toor 
het geheele kerkjaar bevat, leest men: 

»De onzavere geeste ghingen ute, ende ghinghen in die 
yerkine, ende met groten bedrucke werden die yerkine ghe- 
jaghet in die zee.'' 

De plaats is naar het Middelnederl. Woordenboek yan prof. 
Verdam meegedeeld. Uit tallooze onuitgegeyen teksten yrorden 
woorden opgenomen ; nog alt^d komen hier bij, getuige de aan elk 
nieuw verschonend deel to^eyoegde lasten yan doorgespeurde 
werken. Toch schijnt hier alleen het » bedrucke'* yoortekomen; 
dit — overigens is de zin van het aangehaalde duidelgk — 
is niet helder. 

Verdam merkt op de a. p. (I. 666) dan ook op: ^Bedrue^=^ 
Angst I druk; men zou eer een woord als T^bedruuselC^ op deze 
plaats verwachten. Mare. 5, IS, heeft noch het een noch het 
ander/* Bedruusch heeft de beteekenis van iropetus, aandrang, 
onstuimigheid, vaart. £n leest men :^bedru8te^\ een gelgkbe- 
teekenend etymologisch verwant met het door Verdam ver- 
moede woord, dan is ook graphisch de lezing te verklaren. 
Hoe licht toch kon de copiïst ck in plaats van 0t gelezen heb- 
ben , vooral zoo de plaats in z^n grondtekst niet te duidel^k waa. 

Uit hetzelfde HS. haalt Verdam ook »bedruaste,*' en het 
adv, >bedrusteleke** in den te verlangen zin aan. 

Maar , in een Glossarium ^) uit de XIV^^ eeuw , dat Latgn- 
sche woorden met de vertaling in een Limburgschen tongval 
bevat, vindt men ook opgegeven: impetus bedruc. 

Dit MS. heeft veel uit kerkel^ke boeken genomen; mis- 



1) SlechU Toor een klein gedeelte in de Diatiica II, 169 tt. , gedrukt; ditaUeen 
hecfl ook Diefenbach in t^n GlosMriam verwerkt. Vgl. ook Horae Bdgioae yil dl. 



63 

schien wel diende deze glosse ter Yertaling Tan Mare. 5, 13: 
>magDO impetu grex prcecipitatus est in mare/* 

Voor *bedruc*' is dus de beteekenis yan impetos =: druk, 
drang , onstuimigen aandrang yastiestellen. In den laatsten zin 
moet het in >met grote bedrueke*' worden opgevat. Misschien 
zullen er nog wel teksten te vinden zyn, waar ook de eerste 
heteekenissen worden aangetroffen. 

Synoniem met dit woord wordt gevonden, behalven hedrach^ 
hedranc , drucht, druuêchj persse^ ook druust/)endruustinge, 
waarmede een On. thrystay drukken, dringen, en thrynting 
(subst.) te vergelijken is. Ook by het Noordsche woord neemt 
men den overgang van beteekenis waar, voor >bedruc** aante- 
uemen. 

2. 

Ken ander woord, dat slechts uit één citaat bekend schijnt, 
heeit in het genoemde Limburger Glossaar eenige analoga. On- 
der de eigenaardige uitgangen behoort ook ^ade. Verschil- 
lende woorden , hiermede gewoonlgk , zoo niet altgd , van 
werkwoordelyke stammen afgeleid, worden in dit MS. aange- 
trotten. f^rstelyk duiden zy het voorvallen der handeling, het 
zijn van den toestand, en geven vervolgens het resultaat aan. 

Naast >predicatio'* zoowel als by >predicamentum** voegde 
de y^o^s^ior predecade ^ preek en prediking. Zoo wordt >mine", 
dat nevens >minarj, dreigen*' staat, met dreigade weergege- 
ven. St'herade is de vertaling van >ruptura'*; zoo is pissade by 
>minctura** geplaatst. 

Ongetwijfeld geeft peperade ^ piperata, te kennen, >wat van 
pe|K*r gemaakt is, het gepeperde.** In andere Glossen-verza- 
melingen , by Diefenbach opgenomen , heet het ispysze von 
pfefler gemacht" of >pfefer kuche, peffer koch**, wat ons peper- 
koek is. 

Zoo zal dan ook in »as8cerade,*' in het Mndl. woordenboek 

1) T. Ilelten, Taal- k Letterb. VI. 110. 



64 

met één voorbeeld opgenomen, de beteekenis schuilen » 
asch gemaakt, aschkoek"; door andere yeryaardigers yan woor- 
denlgsten wordt als vertaling van »cinericeas*' opgegeren »hd« 
eyn ding von aschen gemacht, sim(ili8) eyn brot von eêckem 
gébacken.^^ 

Dan luidt de plaats, uit het medisch HS. van Ypermans 
(Mndl. Wdb. 1. 1.) geciteerd : 

»Rou linen garen, gesteken in ene warme asscerade, ende 
dat geleit op die pine also heet , als h^t mag gedogen y" 

als: Ruw linnen garen (pluksel?) in een warmen aschkoek 
gestoken, en dat, zoo heet (de patiënt) het kan ver- 
dragen, op de pgnlgke plaats gelegd. 

EHt suffix -ade is zonder twyTel hetzelfde, dat enkele ma* 
len nog in het Mndl. voorkomt, evenals veelvuldig in het 
Fransch. Naast promenade (action de se promener) is cavaleade 
te vergeleken. 

In het Ohd. bestaat een suffix -ato; Kluge twgfelt in de 
Nominale Stammbildungslehre § 130 aan den Romaanschen 
oorsprong van dezen uitgang. Ten onrechte , beweert von Bahder 
in de recensie dezer studie, vgl. Literainr Zeit. 1886. p. 484. 

Eerstgenoemde plaatst dit suffix in ééne § met Germ. édi; 
dat in On. dagrdd, Ags. dcegréd^ Nederl. dageraad voorkomt. 
Hg schgnt dus Ohd. -dia als een verschoven ^dde te beschouwen. 

Zoolang echter dit gevoelen niet op zekerder gronden steunt, 
valt aan identificeering van dat^ en ons '-ode bovengenoemd, 
niet te denken; gesteld dat dit aannemel^ker zou zgn dan den 
besproken uitgang aan de taal der naburige Franschsprekende 
bevolking ontleend te achten. In Frankryk drong reeds in de 
XIII« eeuw dit suffix uit Italië de grenzen binnen; een hon~ 
derd jaar later kan men het zeker in de Nederlanden aantreffen. 

3. 

Zonder twyfel geeft de mathesis menige opgave, welke een 
raadsel is en bl^ft voor velen ; maar om deswege de geheele 
wiskunde te noemen: retseU^ en een beoefenaar van die we» 



J-'it 



65 

ten schap een redere^ gaat op zgn zachtst gezegd te Ter. Toch 
vindt men deze opgaven in het meer genoemd Glossaar. ^) 

Ons woord > raadsel** zal vroeger nog eene andere dan de 
hedendaagsche beteekenis gehad hebben. Het achtervoegsel sla 
viudt men in onze, zoowel als in de verwante talen. Got. heeft 
skóhêl = alf, booze geest, preihsl = verdrukking hg ]>reihan = 
dringen ; Hd. wechsel by een stam wih ; daarentegen het Hol- 
laudsch baksel y zaagsel, brouwsel , die alleen het voortbrengsel 
eener werking aanduiden. 

Rüiuhel zal oorspronkelyk dos zgn de zaak , waarin raad ge- 
geven of te geven is, wat geraden of wat te raden was, op- 
gave, >schwierige Frage**, vraagstuk, om niet te zeggen: raad- 
stuk. iioept men niet juist by zoo iets de hulp en raadslag 
vau anderen in? 

Uovendien, ook wy spreken nog altyd van »raadseb opge- 
ven**, en is een raadsel ook niet dikwyls nu nog een moeielyk 
optelossen vraagstuk? 

Van denzelfden stam, met andere afleiding, kent het Ohd. 
ratuca ^ dat zoowel (Fnigma als problema , propositio , eonjectura^ 
tpuistio beteekent; en ^ratiscon eine schwierige Frage nach 
Veruiutung zu beantworten suchen*', ontraadselen. Zoo zou ook 
het Limburgsche retsele ^) eene opgave , moeielyke vraag zyn. 

Er bestond trouwens verband tusschen de toenmalige mathe- 
Ris, en zaken, die voor menigeen onbegrijpelyk waren: on 
n*appliqua les mathématiques qu* a Tarchitecture , k Thydrau- 
lique, et a la cosmographie céleste, oü Tignorance des temps 
avait fait admettre les opinions les plus absurdes,** aldus Le 
Bibliophile Jacob. En vooral die cosmographie céleete , nog meer 

1) Vgl. netMif, mathctti. Pimdgr. 8S7» ia Orimm. Wtb. VIII. 195. 

2) l'it eeo Haarlemmer GloMiar, ia wa dialect, aan dit LimburgBch gmMDd: 
gkertde: mathcsii (Taalk. B^dr. I. 291.) 

v|{l. nog gkcrademUêe a problema; gheretael ^ paradigma; Kil. geracdael. 

DiefpnWh beeft i. t. paradigma » bd. retael, retniM, nd. reetael, radelae, r«d«. 
hil leltaam rede «(iTe) furgmh; i. t problema ■> ejn rn/f/V«^#, ntuiga, raÜaea, 
rcctMl, t-oiu; retad, esi. 

S 




66 

»wichelar7^' dan »sterrekaiide'*, maakte Yooral de mathesis tol 
iets yerwonderlgks , iets raadselachtigs in de oogen der menigte. 
Daarbg hield de Mathematicus, de redere^ zich besig met be* 
rekeningen , met opgaven , uaaw verwant aan tooYerformolee , 
raadselachtig en onbegrgpelgk. 

liedere was zeker nog een onschuldige naam; meermalen 
toch werd hg — geen wonder — yoor een gokeler^ een ^rau- 
bemus ^) gehouden. Aan zulken zal menige »schwierige Frage'*, 
menig raadsel ter oplossing z^n opgegeven. 

4. 

Elke nieuw gevonden tekst of woordvoorraad brengt de op- 
lossing van vroegere vragen mede , maar tevens geeft zg nieuwe 
>retsele" op. 

Van deze zullen zeker enkele op fouten van de H8S. w^seo. 

Zoo ook ons MS. Zondert men de olievlekken uit, waarmede 
het rgkelijk bezoedeld is, en waardoor menig blad tot onlees* 
baar wordens toe bedorven wordt, dan is het onze vrg goed 
bewaard gebleven. De woorden zyn net geschreven , zeer weinige 
zgn er verbeterd, of veranderd. 

Onder deze laatste, waar de wijziging geen verbetering, 
maar verergering werd, hoort ook m. i. de vertaling van colera 
en colericus. Gene heet >c/« bluet'\ wat vrg onduidelgk is; deze 
de dat blut heuet , wat weinig opheldering geeft. Evenwel , toa- 
schen »de dat'* en >blut'* schgnt iets weggekrabd; de vraag 
is, wat hier kan gestaan hebben. 

Slaan wy andere Glossaria i. v. » colera" op, dan vinden wg 
bg Diefenbach een vyftal, dat ons dienen kan. Daar is er een 
uit Opper-Duitschlaud , die > colera" met »durr pluet*' vertaalt; 
twee andere weten van >durre blut" of »durre blot", bdde 
behooren in de streken der beneden-Moezel thuis; een vierde, 

I) Vgl. ÜiefeubMïh, Glossar. Het US. had hier WMnehyalQk Momèêm*; hctif Wt 
toeken in werkel^kheid groot formaat heeft, dot Q « na, of TvrlcnB M Y«r- 

wiMeld met het kleinere' i* tr . men xal toch in elk geval wtl «laab^rMr* 




67 

uit de buurt yan Maints, in eea Saksisch dialect geechreren, 
heeft: ^dorich bluf'; eene afleiding Tan dar^ met ons dialectisch 
flrogxch gelgk komend, zoo het althans niet met docr^ krank- 
zinnig, razend, woedend, dol, in rerband moet gebracht wor- 
den; immers een T^fde Glossaar, in denzelfden tongval, leest 
>dul blut**, en meer dan een rertaalt »colericus** met >truncken, 
ge7X)rnig". 

Dit staat vast, dat »durr plnet*' en »durre blut (blot)*' cAo(era 
teruggeeft. 

Het Limburgsch Lexicon zal iets dergelgks gehad hebben. 

Men zou »de bint*' kunnen veranderen in »dor blut**, en 
colericus vertalen met: »de dat dor blut heuet*'. Dit zon echter 
alleen noodig zgn, indien niet de o in het Ldmburgsch zoowel 
als in het Mndl. ook als e voorkwam. 

Dor id Got. wel ]>anr8us, maar Ohd. thnrrt, Osk. thnm', Ags. 
tbyrr , Deensch tor. Het kan dus in het Mndl. ddr geluid heb- 
ben ; hiernaast staan enkele malen vormen met t , e. vgl. van 
Heiten, Mnid. Gramm. p. 33, 35. Ook berète (borst) barst. 
Verdam , i. v. ; Taalgids L 255—259. Taalb. L 203. 

Of e wisselvorm is met ö. dan wel met a (in plaats van o) 
ViV>r r , is niet zeker , wel het eerste het waarschgnlykst. 
Naast dor kan toch dar (vgl. Hd. darre^ Saksisch daer) gestaan 
hebben, al komt dit als adj. niet voor. 

In het Limb. MS. vindt men rtêchê (scirpns); ber$U; schertn^ 
Bcheringe naast êchuertn (vgl. van Heiten , a. w. pag. 75), enz. 

Der blut, en de dat der blut heuet is dns te leien; hoogst 
waarschynlyk is het weglaten der r of der * aan slordigheid te 
wyten. Misschien danken wg de schrapping van i(2^r)** bg 
den laatsten zin aan de neuswgzigheid van een lateren bezitter 
of lezer, die het onnoodig oordeelde aan »blut** twee lidwoor- 
den , en dan nog wel een van het mannelgk geslacht, te laten. 
In het MS. is meer door lezers en schrgvers uit lateren tgd 
geknoeid. 

Met de herstelling der ' meenen wg de ware lenng toch 
terug gevonden te hebben. 



68 

De Traag rest nog alleen, of een cholerisch mensch gewoon- 
Igk dor, mager is, of zooals 't limburgsch zeide: »der blut 
heuet". 

Daartoe citeeren w^ uit : Het groote Planeet-Boek, o. a. voor 
de zooyeelste maal in 1801 herdrukt, III dl. p. 92: 

>Het is eenen mensche, dat de yier Complexioens, de 
eene voor de andere , heerschappye hebben willen . • • . ; 
welk het meest over de menschen regeerd . . . , na deselve 
Complexie word de mensche genaamd." De eerste hier van 
is »Colerici. Die syn heet ende droog gelyk het Vuur 
ende de Zomer. (Hy) drinkt meer dan h^ eet, is mager 
en heeft kleyne Lidmaten .... H^ sal hem wagten voor 
heete ende drooge Spys; hem is gesond, wat koud ende 
vogt is. — " 

Zwolle. F. BUITBKRUST HETTEMA. 



F R E S I S K A 0. 

SUNNA EWENDE. 

Hoezeer ook von Richthofen's Altfries. Wrtb. een onmisbaar 
werk is voor beoefenaars dier taal, niet altijd is het evenzeer 
te vertrouwen. Reeds vroeger is hierop gewezen. Kern toonde 
ia eenige opstellen (Taalk. Bijdr. II, 171) aan, dat in dit 
Woordenboek artikels waren opgenomen, die als zoodanig niet 
bestonden, waaraan beteekenissen waren toegekend, die niet 
in den zin pasten, waar het woord voorkwam. 

Merkwaardig was het artikel »ronne", toen behandeld, dat 
von Richthofen poogde te illustreeren met : » vgl. das ags. vraenne 
(lascivus) und vraenesse (lascivia), das mnd. wrensch Grimm 
3. 325, und Homeyer, reg, zum Ssp.", en dat toch niemendal 
anders is dan de 3. s. conj. prt. van rewwa , ran (ronnon) ; ronw^. 

Een zelfde stukje is de >sunna e wende", in den Broekmannen- 
brief te vinden. 



1) Aldus leze men ook dit woord in Tijdschr. VI. 1. 



69 

De bewerker ?an het woordenboek verklaart het met :> mhd. 
sunnf wende , die sunna ewende (der soane gesetzliche wende) 
findet am kiirzten und langsten tage statt". 

Als men een gerechtelij ken tweekamp zal strijden — aldus 
heet het in dien Broekmannen brief — 

>sa skelma tuiia kempa anda iera, a sunna ewende bifara 
sciite Maria letera dei, and a sunna ewende bifara sente 
Liiulgeris dei". (R^|. 169, 18) 

Nu valt liies Ludgeri volgens TArt de vérifier les dates op 
don 26»*<'n Maart. Von Richthofen zelf bevreemdde het, hoe in 
rechtsstukken zulk eene onbeholpene tijdsaanduiding kon ge- 
plaatst zijn. Daar de zomer >sunna ewende" op den 22«**» Juni, 
en de winter > sunna ewende" eind December valt, iso verstehe 
ich (hilier nicht, wie die eine sonnenwende von der andern als 
ror 8. Liudgeri liegend, unterschieden werden kann'*. 

Hadden de oude Friezen dit te onderscheiden bedoeld , zeer 
zeker zouden zij dat niet aldus aangeduid hebben; maar om 
twee hd fj aarlij ksche tijdstippen aan te geven, het op meer 
karakteristieke wijze hebben uitgedrukt. 

Zij hadden ook niet met > sunna ewende** den zomer- en 
wiuter-zonnekeer op het oog. 't Woord is slechts een meer 
oorspronkelijke vorm van wat in het Westerlauwersch sneuwende 
voor >*suu- e(u)wende** in *t Ohd. nog sunnun dband ^ Nhd. 
fonmihend luidt; en wel den dat. sing. 

Piissim komt de gewgzigde vorm be westen den Lauwers voor. 
Ik zou kunnen volstaan met naar von Richthofen's Wrtb. (p. 
1038) te verwgzen, ware het niet dat twee woorden, die de 
een den Zaterdag, de andere den Zondag aanduiden, door hem 
verward waren *). 

1) «ociiwendii Ch. 14<U. Schw. 608; taiowadet Ch. 14(K), Schw. 598. tnyewBa 
( b liTV. Srhw. GtfS. iDiond Ch. 1453. Schw. 54«. •nionde* Ch Ui^, Schw. 469; 
•nimiif ( h U7R, Schw 680; laiaDt Ch 1471. Schw 646. wurBMft •«mumb^*, 
*numdi, »mexmH,e), «Idu : Mcjnd Ch. 1484, Schw. lil, tneiiides Ch. 1475, Sekw. 
CC.i. »o«}rna« (dat) UUag keur. 1450 (Fr Rq. 510. 22); uiftjodct. ihid. (Pr. Rq. 
513. <J. 26). laeiad Gajut Vitrhr 1488 (Pr. Rq 517. 5); uiiaAdt Ch. 1478. Sehw. 
67& xaI drukfoat Toor immmdi i^a. 't EertU U oompoaton uit •mbaa ewoidc": fgl. 



70 

Ook saterdei boort men nog in enkele streken Tan het togen* 
woordige Friesland. De algemeene naam is sneaun^ 9njoen — 
zelden sneun geschreven — en veelal als enö^n uitgesproken. 

iSanna ewende" en zgn verdere vormen komt, voor zooTer 
m^ bekend, alleen in de provincie Friesland, en dan ook bg de 
Broekmannen voor. 

De Liadgerisdey valt — zooals boven is opgemerkt ^ op 
den 26*^i> Maart. Welke datum echter met Maria letera d^ 
is bedoeld, bl^kt niet te duidelgk. De uitgever der Frieeche 
Wetten zegt daaromtrent in zgn Wrtb. : »welcher unter den 
zahlreichen in Tart de vérifier p. 82 aufgezahlten marieatagen 
hier »der zweite*' (letera) genannt wird, weiss ich nicht, er 
muss hinter eine der beiden sonnenwenden fallen, mariae heim- 
suchung wird den 2ten juli gefeiert**. 

Daar isonnewende*' niet in den tekst kan gelezen worden, 
sla men een anderen weg ter verklaring in. 

Twee rechtsdagen in het jaar zgn vastgesteld. 

Het ligt m. i. voor de hand te veronderstellen dat zg een 
halfjaar van elkaar verscheelden. Dan heeft men in de Septem- 
bermaand den tweeden dag voor den tweestrgd bestemd, to 
zoeken. En daarvoor geloof ik den »sunna ewende" vóór 8 
September te kannen vaststellen. 

Wrtb. i. T. avend. De Torm aiund echter, die l^j aldaar alt Westerlaawench opgeeft, 
U nieta dan zijne foatieve afbreking van festa-ionde, Ch. 1890. Ook «aTend" heeft h(j 
aangeteekend uit een Ch. van 1482 (Schvr. 708); maar geen Frieach ia het alot Tan 
dat stak : » Ghesereuen int jaer on* Heren .... op die Sonendach in den FéêtêUmenf*. 
Evenmin als dat van den Franeker Bnorbrief U17 (Schw. I, 89; Fr. Rq. 481, 22): 

mGheum in dat ieer onset herana dutent fior hondert ende aanthiene " In dit 

laatste stak komen meer vormen voor, die tw^fel aan bon Frieachheid opwekken; 
copman éénA naast het ook in dit stak voorkomende meaepnum**\ evenioo mim dat oett* 
en aeti^ (M-. Nfr. éatt)\ mwonal", en wenat, Charter en Jariapr.; mWoenJksfiicJk** ea 
ioena/iieA, Jor. ; M-, en Nfr. venft. Daaronder hoort m. i. ook Fmitêlaumi, vgL 
FesU jond Ch 1482. Schw. 709; in zaiver Fr. stakken heb ik nooit «aaent" ont- 
moet, 't Zy dat men deze woorden te danken hebbe aan den oorapronkelljken op- 
steller, die misschien van geboorte geen Fries was; H x^ dat het aan den copiiat, 
den stads-aeeretaris Th. Delphos (1660), toeteachr^ven zfj, die ona desei «enigen 
tekst in bet Privilegie-boek der Stad Franeker gaf. Later hoop ik in de 
te zyn hierover meer in bisonderheden te treden. 



7i 

In bet Calendariuni medii et noTiaeyi Ton Weidenbach (1855) 
p. 193. — andere soortgelgke werken heb ik nu niet bg de 
baud, dit kan echter Tolstaan — leest men: iFrauentag der jün- 
gere , der letzte . . . . , der hintere . . . . » der lassere • • . . , onser 
fraicen laiemdach ^ . . . Maria Geburt, 8. Sept. . . . . »Des nei- 
steu dais Tnser yrowin dage dir laasere, in crastino nativitatii 
b. Marie virg. 1251.** — »Dit geschage na godee gehort 1275 
jair au ynser Trouwen abende der lassir den man heizit in 
latiue Natioitas.*' 

Door bem werden deze opgaven genomen uit » Geachichts- 
quelleu und Urkundenbüchern , die sich in (8)einein eigenen 
Bücberrorrathe beflnden (ee aind dieses fast alle rheiuischen) /' 
zouder nadere aanwyzing. Zg bewyzen voldoende , dat niet den 
2 Juli — die trouwens nooit de UUra heet — de bedoelde was, 
dat daarvoor de 8 Sepi alleen kan gelden. 

WILBROIDT. 

Door den vervaardiger van het Afir. Wrtb. wordt dit woord in 
de \A^^ keur (Fr. Rq. : W. 23, 12) gelgkluideud geacht en ver- 
klaard roet het in de Riustringer Liandrechten (Fr. Rq. 69, 8) en in 
de Friesebe Hunsingoer en Eemsgoer Keuren (Fr. Rq. 22, 10) voor- 
komende part. prt. urbruden (urbrwdeu). *tEenige verschil zou 
zijn : de laatste zyn sterke, het eerste een zwakke vorm van het- 
zelfde woord; beide zgn te vergelgken met »NnI. verbruyen {ptLiL 
vfrffruyd) verderben, verhudeln; im plattd. verbrüen, bremer 
wb. 1. 147; vielleicht ist die ursprfingliehe bedeut. des wortes 
verscbleppen , durchbringen , vgl. brida (ziehen).** 

Parallel met het Riustringer » urbruden'*, staat in de Landrech- 
ten van de Eemsgo (Fr. Rq. 68. 19) »ofirauad**; in die van de 
Westerlauwersche Friezen (Fr. Rq. 69, 8) irawet*' ^). Naast het 
sterke part. prt. in de Keuren van de Hunsingoers en Eems- 
^ërs, in die der Riustringers: »ur8ella** (Rq. 23, 6). In óê 



1) Volgesf dcB Ouómk DnÜL. U bet MS. Jm MamidptU Prwoaui (O. F. W. 

11. 99) ook: «ofnewttb". 




72 

Westerlauwersche is het dus niet noodzakelyh dat een woord 
gelezen wordt, in vorm OTereenstemmend met het slechts in 
een paar teksten parellel voorkomende: »nrbraden.*' 

De plaats handelt over den terugkeer Tan iemand, die door 
welken nooddwang ook, buiten 'slands geraakt is; heeft h^ 
eene have — zoo h^ zgne identiteit kan bewezen — indien 
dan zgn broeder of ibaelmond", of stiefVader of zwager, »8yn 
land wrseth ief vrrbroedt habbe" — dan is dit Tan geen waarde 
en de vorige van uit den vreemde gekomen bezitter kan sgne 
erve terugbekomen. 

In den Ouden Druk , waarvan de tekst door von Richthofen in 
zgne uitgave meermalen stilzw^gend is veranderd, staat evenwel let- 
terlek : »iür6rocdft*'; de uitgever las daaruit »urbroedt", en zekerlgk 
z^n enkele e's in dien ouden incunabel als te lezen. Hier is 
dit niet geraden ; op eene andere w^ze moet dit woord verbeterd. 

In eene Lat^nsche glosse, die in dezen O. D. op de 14® Kenr 
volgt — in von Richthofen *s werk weggelaten — leest men: 

»De captiuis infra i tercio l&driucdt." Evenzoo in de glosse 

bg de achtste Keur: .... lex ... posita inda landriucdt." ESn 
nogmaals in een opschrift van de Landrechten : »(2))at xxiste 
landriucdt ') is 

Reeds voldoende voorbeelden om i^wrbrocdt*^ te wgzigen 
in wrbroclit, part. praet. van urbringa. 

Dat dit woord hier moet gelezen, kan ook worden opge- 
maakt uit den correspondeerenden Westerlauwerschen tekst, welke 
voorkomt in het MS. Jus Munic. Fres. : »ief zyn broer . . .'. zyn 
land wrbrocht habbeth , iefka sield 

Het verschil van beide lezingen dezer Keur is echter te groot 
om alleen op grond van dit > wrbrocht" ook in den tekst van 
den O. D. dit woord te herstellen. 

Wat de beteekenis betreft, urbringa komt in den gewensch- 
ten zin meermalen voor. In het Westerlauwersch Rndolfsboek 
(Fr. Rq. 429, 29) is sprake van gevallen, waarin eene we- 

1) T. Richih drukt af (Fr. Rq. 71. 14): «Dat Mn e» twintigile loBdrio^l". 




73 

(luwe >da bibode der kinden ende dis guedis** verliezen kan; 
indien zg namelgk der kinderen erve i^urbrinckt bnta rede dis 
moudis'* (zonder raad en medeweten Tan den Toogd), of, als 
zjj ben in een klooster wil doen gaan; hoe ook, 

>ief dat eerwe wrbrocht is mit clasterferd iefta mit cape, 
als bia iericb sint , so fee bia oen hiara ayn eerue . . . . , 

indien de erre iwrbrocbt** is met bet gaan in een klooster 
of door koop — wanneer de kinderen (dan) meerderjarig zgn , — 
zoo bebben die ongerechte vervreemdingen, evenals in de 14**« 
Keur, geen >star*; de kinderen kannen bun erve in bezit ne- 
men , alsof deze niet van de band ware gedaan. 

Uij, die goed vervreemdde zonder recbt, was de wrbringer, 
Iii eene Recbt^verzameling, in bet Friescb gesebreven, uit later 
tijd dan boven aangehaalde Keuren en Landrecbten, de Juris- 
prudeutia Frisica (edid. de Haan Hettema 1834) vindt men 
I. ^) p. 234 onderscheiden tnsschen den iseller*' (verkooper) en 
den * wrbriTiger.'* Beiden kunnen door het nyaerrecbt (bet recbt 
▼an bet verkochte tegen den koopprys te naasten door de 
dichtst- ver wan te familie) worden getroffen. 

Dezelfde beteekenis als bet werkwoord heeft ook foerbringa; 
lurispr. I. 214: 

>hweerso datter een mond onjeriga kyndena gued selt ieffta 
f'oeritrtnckt'' (d. i. waar een voogd bet goed van onmondige 
kinderen verkoopt of vervreemt). 

Hij een artikel » urfcrin^a" *) zal dus voortaan ook W. 23, 
12. gevonden moeten worden. Urbranga^ dat ook door von 
Hichthofen wordt opgenomen, komt niet op de door hem aan- 
^e^^even plaatsen en voor zoover m^ bekend , in 't geheel niet 
voor; wel bet Riustr. »/ort brangath*" (Pr. Rq. 35, 6.) maar 
in den zin van >probare.*' 

Na de verandering van wrbroedt in > wrbrocht'' is geheel 

i) r Hirhth. Wrib. drukt. II. 8S4. 

2) (>uk Jariipr. I, 2S4: wrbriag« ocy sjb ajiM wilU *> laar wUlekra? ftrrrtaidtB. 
Vgl. ibid. 204. 




n 



en al Toor dit woord de Terge) 
yervallen. Maar ook bg urbrudi 
ze uiet. Von Richthofen Iaat y: 
weifelend uit; nadat bg de vorir 
en bet part. prt. bruden beeft n:t 
der inf. brida zu den andern b* 
bedeutet brüden, oder brüen (| 
fallen, br. w. 1. 146; nordli 
nnl. bruyen (bruit , gebmid) au i • 
Kein anderer dialect zeigt b1. -*^ 
brydia, bryd, bruddi, bmdini. .<•". 
bierher zu zieben?" 

Grimm liet dit vraagteekei ^^j^^" 
aan den uitgever van het A 
ags. bregdan , altn. bregda . 
gere» nectere bedeuten , uu- 
brudena swerde. Das platt 

Over de andere Tormc 
vingerwijzing naar het N 

Evenwel kent ook h' 
de beteekenis van trekk* 
blijkens het ags. br^u 
Meng. geeft ons nog / 
noemde brëgff-a^^) vli 
part. prt. brugffitin. 

In het Oudfriesch 
Met den gewonen ot 
3. s. prs. ind. , in d« 
>Hwersa ma nim 
and breit hia invx 

i) De bcteekenU Tan 
Uien over in die Tan Tle 
woord =3 weTcn; Oik. J 
zin, evenzeer alt bet 
breiden CTensoo. OoK 
dit in Friesland en oo> 



.♦■ 





dolge enda 



dqUaidend ; zg 
ft hlodêffa eggum. 
' als sy- 
Tergdgkt men 
Fnr/a in: vaea 
ia: >thet thu 
rin ufhringa , 
hebben van 
>verBchleppeii**. 
A als inf. in het 
{}ireida] wegens 
tongval brida ^ 




Eemsgoers voor, 



^-^iPXrST HICTTEHA. 





vg dezen regel 

tgt om zij 11 
schulde reu, 
n dag te bul- 
deren. 

meervoudsvorm 
beteekenis, 



den anderen i 




75 

{A. i. waar men oeemt een* rronw met geweld en t^en hiu 
wil , eo trekt te biDoen de deur eo orer den drempel — } 
Hetzelfde woord, maar met intransitieTe beteekenia, wordt 
ook ia de >HunsingoSr Boetereekaeo" aangetroffen; een aantal 
TerwoDdÏDgeD ran het oog zgn strafbaar geateld, zoo ook 
iGeF — thet ^e. . . . brtit", trekt, tengerolge eener kwetennr '). 
Eene eigenaardigheid , welke het Riustringer Frieecfa t^enoTer 
de andere dialecten kenmerkt , ia de w^ziging van ei — eigenlgk 
van fg door ig, ij — tot f. Waar men elders aantreft f/«i (diea) 
tiiei (potest) wei (via) brein (cerebmm) nnl (angoia), laidt dit 
in deu Riastringer tongral di, mi, vi, brin in brinponna, 
en nil (ook mn/). Hen aal , naaat breit ia weatdlsker atreek , 
bier dus tbrit" verwachten, dat in de OToreenkomstige boete- 
bepaling ook wordt geronden. 

Do Inf. , die hierbg past, is brida. In een eenigszins afwg- 
kende beteekenia leeai men hem ééo» in het vierde Landrecbt. 
Wanneer een meisje een hnwelgkagift is gieren ; 

>Ac ief hiri brother tha fletiena hrida wili and tiona, aa 

mot hiuse tiona and balda mith twam bondon".(Fr. Rq. 51,6). 

lu <lt; parallelle HunsingoCr en EemsgoSr Landrechten beeft 

men : telria de gepalatiseerde vorm ran *Ukia , waarmede in bet 

Nieuw- westerlanweracb Friescb oog tadtj« in den zin van 't HolL 

kitpoo , wegnemen , te vergelgken ia. 

Verder ia alleen nog enkele malen het part praeL bmden, 
011 liet iiamengestelde wrbrtid^ te vinden, overigens eb° S°°° 
Tormeu van dit werkwoord bekend. 

Het eerste leest men in de Bgvoegselen tot de Zeventiende 
Keur iu Hunsingoér taal aldus; 

ihwersa ma bemliachtes deïa, and bi soinandere aanna, 
tuene heran somnatb end tnene herefonan op riucht, end 
ofiedene weddat, and tha toa folk mith eaae gadar let; 
eud bwa tbena hlept mith bntdtna êuerde, end mith blo- 




76 

dega; al thet ther hi thenne fuchten heth an dolge enda 
an dadele, sa " Fr. Rq. 32, 17.) 

De Eemsgoër tekst is nagenoeg hiermede gplgklnidend ; sg 
spelt alleen: mith bruddene suerde^ ieftha mith blodega eggum. 

Bij *türbroedt is reeds opgemerkt dat iwrbruden'* als sy- 
noniem naast zich heeft: ofraeweth^ en ursella. Yergelgkt men 
dit wrbruden met andere aldus samengestelde als urfa in: >neii 
fulbrother vr fe thene otherne", *) of urswera in: >thet thu 
thi nowet ne ursuere" *) , of ook in boven getoonden zin urbringa , 
dan zal ook het woord in geschil de beteekenis hebben Tan 
»ten onrechte van de hand doen*', het Doitsche >ver8chleppeii". 

Resumeerend stellen wg voor het Oudfriesch als inf. in het 
Hunsingo'sch , Eemsgo*sch en Broekman'sch [breida] wegens 
breit ^ (berett). Daarnaast heeft de Riustringer tongval bridaj 
3. s. prs. ind. brit. 

Het part. prt. komt bg de Hunsingoërs eoi Eemsgoers Yoor, 
het saamgestelde urbruden bg hen en de Riustringers. 

Zwolle, April 1887. p. büitbneust hkttema. 



WARENAR, 233 (I, 3). 

In de beste uitgaven van dit blgspel lezen wg dezen regel 
met den onmiddellijk volgenden aldus: 

'K wil gien schoonvaêr die 'er den heelen tgt om zgu 

schulde ren , 
Noch een huis vol meisjens om den ganschen dag te bul- 
deren. 

Ieder oplettend lezer stuit op den ongewonen meervoudsvorm 
schulde j nog daargelaten de thans ongebruikelgke beteekenis, 



1) Fr. Rq. 165, 21 (Broekm.) « Gmd volle broeder name boven d«n anderen; 
Demc meer dan hij rechtens moge. 

2) Fr. Rq. 842, 19 (Himting.) = Dat i^ in nieU tfaüeJk Mwtrft, 



77 

die > schulden*' hier heeft Tan >creditam'* en niet van »debitum*\ 
welke beide beieekenissen Kil. erenwel opgeeft, — en op den 
vorm ren in plaats Tan rent. Natuurlyk heeft Prof. De Vries, 
die bet eerst eene critische uitgave Tan den Warenar bezorgd 
heeft, deze moeilgkheid niet onbesproken gelaten. Z^ne aan- 
teekening luidt als Tolgt: *Ren staat hier Toor renn oi renne, 
liet rijm schiddë ren op bulderen is dus wel eigenlyk niet juist, 
maar dergelijke Tqjheden moet men in onze oude kluchten wel 
eens meer TOor lief nemen. Met êchulde, Tolksuitspraak TOor 
schulden , wordt hier het geld bedoeld , dat men te Torderen 
heeft, terwijl het thans alleen negatief gebezigd wordt'*, 't Is 
volkomeu juist, dat in onze oude kluchten vaak zonderling met 
(Ie taiil wordt omgesprongen , doch geldt dit ook voor Hooft? 
Zoo ueen — en ik meen dat wy dit gerust mogen Taststellen 
— dan is dit bezwaar niet uit den weg geruimd. BoTcndieUi 
niet renne, doch rent is de hier Tereischte vorm van het werk- 
woord , vermits toch naar den inhoud der gedachte van een 
subjuuctivus met potentiale beteekenis hier geen sprake kan zyn. 
Ook geloof ik niet dat men êchulde hier kan laten doorgaan 
als volksuitspraak voor schulden. Aangezien de sterke declioatie 
met e in het meerv. in Hooft's tyd reeds tot en was verloopen , 
/ui ik er niet op wyzeu j dat schulde eigenlyk de juiste gramma- 
tische vorm is (Hel. 3219: skuldi eudi skattos). Doch wel wil ik 
er op wyzen , dat in het geheele blyspel slechts één voorbeeld van 
die volksuitspraak e voor en in het meerv. der zelfst. nww. te 
vinden is, nam. 901: >voor jou zyn de gerde reé". Op alle 
andere plaatsen , te vele natuurlyk om aan te halen , gebruikt 
Hooft den meervoudsTorm-en. By deze uitlegging Tan Prof. 
\>v V^ries sluiten zich Prof. Verdam (Nederl. Klaas. VUI) en 
Ix'endertz (Ged. Tan P. C. Hooft, H) aan; de laatste neemt 
."rhuldt- \n de beteekenis Tan >debitum*', hetgeen hier CTenwel 
niet ter zake doet. 

Het schynt my toe, dat met eene kleine Terandering boTen- 
staande regel Tan alle bezwaren kan Terlost worden. Ik stel 
uamelyk TOor in plaats Tan êchulde ren in twee woorden ie 



78 

lezen schulderen in éen woord met de vroegere beteekenw van 
êchuldenaars. Zoo vind ik het gebruikt in Het Leven v€m Jezmê 
(Ed. Meyer) bl. 182: »Wat maghic don, want mi myn li«re 
mine meyerie nemen welt? ine can nit graven ende ie schame 
mi te biddene. Ie hebbe mi bepeinst wat ie don aal, dat mi 
myns herens schiUderen selen ontfaen in hare herberghen, alaie 
van mire meyerien sal werden ghedaen. Doe ontboet hi alle 
sgns heren schulderen yor hem ende vragde den irsten, Hoe 
vele bestu minen here schuldech?" Oudemans (Bgdrage ens.) 
haalt uit Ruusbr. Gheest. Tab. 11^ bl. 170 de volgende plaats 
aan: »Ende verlaet ons onse scout als wi verlaten onsen 9eul^ 
deren'* \ en wat hier vooral veel afdoet, omdat blgkt dat korten 
t^d na Hooft schulder ^ zg het ook in de beteekenis van echuU 
dige — nog niet in onbruik was, Brandt schrgft in zgn Leven 
van De Ruyter^ bl. 522: »Doch het getal was zoo groot, dat 
anderen die 't wel wisten en de schulders kenden , hen niet 
dorsten beklappen*'. Bg Hooft zelveo schgnt schulder elden 
niet voor te komen ; wel komt schuldencuir voor in de beteeke- 
kenis van schuldeischer , als Hendr. de Grr. bl. 21 (uitg. 1671) 
»daar was er die zich hunne schuldenaars quyt maakten**; Nêd. 
Hist, bl. 646 (uitg. 1677) »die, bekommert van de schulde^ 
naars .... allerley hoon en wederwaardigheit uitstond**. — Voorts 
zoek ik het praedicaatsverbum, nu ren vervallen is, in tijt^ als 
3e p. enk. van tyen of tien , dat herhaaldelgk in den Warenar 
voorkomt, als 64, >A1 is *tdat ik door dwangh van zgnent 
ty'\ 84, »ik ty je tans wel met ien kneppel op 'tlgf*'; 244, 
»Nu ty ik weer nae huis**; 359, »ik ty op de been**; 458, » En 
doen hy nu begon an 'teeten te tyen**; 567, » ik zal *er after 
her tyen'; 959, >zoo teegeti (togen) we weer mit meka&r op de 
bien*'; 1129, »ik ty nae de schout**. Wel staat nu »den hee- 
len*' zonder substantief, doch juist doordien het daarbg behoo- 
rende substantief tijt — hoe dan ook — uitgevallen was, heefl 
de zetter of corrector uit het reeds verouderde schulderen een verbum 
ren gedistilleerd , aan welke handelwgze wy de tot dus ver ge» 
volgde lezing te wyten hebben. Hoe licht kon van twee op- 



79 

oeuYolgende gelgkluidende woorden een wegrallent en hoe be- 
kend is het dat onze Troegere sehrgyerB dergelijke uitdrukkingen 
gaarne bezigden! Hooft zelf gebruikt in den Warenar twee 
malen om niet niet; 177, >dit ken veur nt^ nüt komen'*; 248, 
>As de ryke d*amie zoo toe spreeken, dat is om niet niet*'. Het 
ge.slacht van tijt kan geen zwarigheid wezen ; tegen twee ma- 
len het vrouw, geslacht staat ook twee malen het mann. ge- 
slacht; 435, >Al8ewe te nacht niet slaopen gaen, zoo hebbdn 
we *tan de tijt^* ; 489 >0ok en dienen wy de tijt niet te lae- 
ten verloopen**; 43, >alle tyt heeft zijn bestek**; 1480, iz'ia 
kloek nae den tijt*\ 

Ij'it het bovenstaande meen ik derhalve met eenige reden als 
slotsom te mogen trekken, dat Hooft geschreven heeft: 

*K wil gieu schoonvaér, die *er den heelen tgt tyt om zgn 

schulderen , 
Noch een huis vol meisjens om den ganschen dag te bul- 
deren. 

Wij 7.yn dan tevens het onzuivere rym kwgt en de gedachte 
is veel duidelijker uitgedrukt De beteekenis van tyen als gaan, 
op de been zijn , in de weer zijn , blykt reeds voldoende uit de 
boven aun^ehaalde zinnen , en dat het voorzetsel om ook die 
heeft van het doel der handeling aan te duiden , is genoeg- 
zaam bekend. 

Itrecht p. H. VAN mobekbekjsn. 



BLADVULLING. 

Het Latjinsche lévts is eene zwarigheid geworden sinds de 
leersU^llingeu omtrent Indogermaansche vocalen zyn verrykt 
met tie theorie der nasalis êonans. Vóór dien tyd zag men in 
d** r van lévie eene wyziging van de oorspronkelyke a, die men 
in skr. laijhu, gr. iA^x^^ ^^R bewaard achtte, en die in slav. 
Uijuku t4>t I was verzwakt. Uit die verwante vormen bleek, dat 
in Icviê eene gutturaal was verdwenen: vandaar dat men het 



80 

aSeidde heteg ait Ugvü (Schleicher, Compend. % 153), kelij nit 
lAvi» (Ascoli, Studj Crit. 2, 143). De geleerden die later on 
bekende redenen de a van lagha eo i>Mxif oit eene Dualii 
sonans hebben verklaard, wilden ook in het Latgo de sporaB 
daarvan ontdekken: aan laghu moest beantwoorden lenhniê, 
evenals b. v. aan skr. tata lat. tentus. Dit is de redeDoering vu 
de Saossure {Sytt. prim. p. 24), maar sg is niet overtaigand. 
Vooreerst is het niet aanoemel^k , dat in het Latgn da daimI 
en de daarop volgende gutturaal beide tonden w^prallen , en 
bovendien is bet mogelgk dat het Latgnsche woord, hoeieer 
met laghu verwant, is afgeleid van een wortelvorm Konder 
nasaal. Dat een zoodanige vorm eens moet hebben bestaan, 
bigkt nit slav. Itgükü. In de stomlettergreep van dit woord is 
geen spoor van eene nasaal te vinden. De oadsl. t vertegen- 
woordigt r^elmatig eene oorspronkelgke i, doch aomtgda moet 
zg als eene verzwakking van ë worden aangemerkt, eo dit 
zal ook hier het geval wezen : immers de verwante vormen 
verbieden nageno^ stellig aan een wortel van de i-klasse te 
denken. Vandaar dan ook, dat ligükü door Mlklodch wordt 
gerekend tot een wortel Ug {Etym. Wtb. 163). Daarnevens staat 
de genasaleerde wortel Ungh , die zich in zgne zwakste gedaante 
vertoont in het Skr. en het Griekseh, in eene sterke in Ut. 
lengvat en goth, ïeiehu , indien althans dit laatste , naar men 
wil, tot dezelfde groep behoort. Kan tëvit niet in dit opxïcht 
met Itgükü overeenkomen , dat het ook tot den niet genasaleerden 
wortelvorm behoort? In dat geval zon de klinker geen andere 
behoeven te zijn dan idg. ë. 




PLAÜTÜ8 OP ONS TOONEEL. 



Voor een paar jaren gaf de Leipeiger hoogleeraar Carl Ton 
Roinhardstoettner een hoogst belangrgk werk uit, dat tot titel 
heeft: Plautus, SpdUre Bearbeitungen flautinUcher LuêUptêle. 
Kin Beitrag zur vergleiehenden Literaturgeêchichu. ^) Terwyl Tan 
zijne hand reeds vroeger eene studie was Terschenen over de 
navolgingen en bewerkingen van de Amphitruo^ ') legde de ge- 
leerde schryvcr thans in een omvangTyk boekdeel de resultaten 
neer van zijn onderzoek over den invloed van al de hippelen 
van Plautus op de Spaansche, Italiaansehe, Portugeesche, Fransche, 
EiigeUche, Duitsche, Nederlandsehe en Deensche letterkunde. 
Hei was waarlyk eene reuzentaak. En toch zullen nu nog zes 
declen volgen, waarin de invloed zal worden aangetoond van 
Terentius en Aristophanes , van de Grieksche tragici , Seneca , de 
Grioksche en Romeinsche epici, lierdichters , didactici, enz., en 
van de prozaschreven) der oudheid. Het is een wetenschappelgk 
)>lan, zoo groot, zoo vermetel, zou men by na zeggen , als slechts 
een Duitsch geleerde kan opvatten. Reinhardstoettner wil door deze 
studiën bewyzen , hoe onberekenbaar groot de invloed der clas- 
sieken is geweest op de letterkunde van alle beschaafde volken. 

Het boek over Plautus getuigt van eene verbazende belezen- 
heid. Na eene inleiding over den invloed van Plautus en Terentius 
op de laU*re letterkunde worden de comedies van Plautus ont- 
leeti en dan de vertalingen en bewerkingen in tal van talen 
besproken. Onze letterkunde neemt in bet werk een hoogst be- 
scbeiden plaatsje in; alleen de Warenar wordt ontleed en een 
paar andere stukken even genoemd. Toch heeft in ons land de 



1) I^pürj. rgrU^ 90m WUMm Fnêdneh, 1SS6. XVI «ii 793 bis. 

2) Dié plam/imiicAêm Imê t tfi êU m tfèUrtm BêoritUmmffm. 1. Jmpkiin». LtifÊJf 
IHSO (r. Fn^OncA). 




studie Tan het Lfttgu zoo hoof; gestaan en waien de 1 
blyspeldichters zoo bekend , dat het wet de moeite waard w de 
Tertalingen en bewerkingen van Plantns in het NederlandKk 
eens aan een nader onderzoek te onderwerpen. In sekeren xin 
sluit zich das dit opstel hg bet werk na Beinharditoettnar aan. 
De Nederlandscbe bewerkingen naar Plantos sallan worden be- 
sproken , terw^l terens enkele Nederlandsche Tertaliiigen vaa 
nieuwere blgspelen, die bonne verwikkeling aan den Latgn- 
schen dichter danken , zullen worden opgenoemd. Op ToUedi^beid 
kan eene stadie als deze natnnrlgk geene aanspraak maken *). 
De Tertaliagen naar Plautas , die elders reeds sgn besprokan , 
callen niet weder op nieaw worden behandeld. 

I. Amphiirro. 

In 1617 gaf Isaao ran Damme, een Haagscb dokter, eene 
vertaling ait van de Amphitrvo'); het is de eei«te ran «mi 
stuk Tan Plaatas in onze taal. Tan Damme rertaalde ng naaw- 
keurig en bracht ook de >6nppOBita" over, die door den Italiaan 
Hennolaas Barbanu (1464—1498) in de comedie zgn ingelaeeht. 
&.k voorbeeld Tan de wgze, waarop ran Damme zgne taak op- 
vatte, volgt hier bet begin van het 2^* bedi^f*). 

Amphitruo. Com flocx dicht acht«r mj. 

Sotia. ick ben a aen de hielen. 
Am. Ick achte u te sgn den meeeten aller fielen. 
So. Wel doch , wel waerom dat ? Am. om dat ghy my segt au 
Dat uojt gbebeart en is, noch oock ghebeoren can. 



1) ReinWailMttncr TBrnuIdt (bli. VX dit LQ toMchcB h«t dnikkca na ^i werkj* 
o*«r de JmpAUrto ta hrt Tencb|tDCD «aar eriiiak , wttria Vtm ward T«nntta. dal 
hii ten pur bc«erkiii|en nitt hul genoemd , kU ongercar SÜ usava had op güp aort. 
' 2) M. Jixii Plati Jmpiilno. (hrrgAtêrt » dé NideTdafite»* Uit Dttr Iiatm 
H> Dtmmt. Tot Ltfdtm, roor Bartkolomm JtotÊM. ét Fritt, «m-, Jmm 1C17. 

8) AiDgehuld DUT T. Mteti PUeti Comotdimt. Ea neofMtiam At/nM Flteè- 
litaU- (T-oniwr), 1B60. I. 
n. Stl: .Jm. Agc i tn weiukdatt, So. SeqnoT, rapieqnar ta. 

Jm. ScalatiMumum te irbitror. So. Nta qBUubrtMf 
JwL Qaia id qaod nniae eri Mqna fait aeqaa fatuoaat 




88 

So. Siet doch daer gaet ghy weer op owe ouwe sporen, 

Dat ghy noyt yan o Tolck en wilt de waerheyt hooren. 
Am, Wat? schelm, hoe can dat syn? ick sal wel eens terstont 

Die valsche yayle tong u snyden nyt den mont. 
So. Set*r wel, ick ben a slaef, doet al nae n begeeren 

Ghy 8ult nochtans yan dat te segghen my niet weeren. 
Am. Ghy stouten hanghebast, derft ghy op desen tgt 

V segghen t'huys te sgn, daer ghy by my bier zgt? 
•So. Ick seg u waer nochtans. Am. De Dnyfel moet u halen. 

Ick sal u met een stock den kop in stncken malen. 
So. Dat kunt ghy al wel doen want ick ben uwen knecht. 
Am. Begeckt ghy my scharlnyn? dat ghy die dinghen secht 

Ehe noyt en sgn gheschiet, daer noyt is yan ghelesen, 

Dat een den seWen mensch sou op twee plaetsen wesen? 
So. Voorwaer tis als ick seg. Am. Dat u Godt schenden moet. 
So, Waer mee heb ick yerdient dat ghy dien wensch mydoet? 
Am. Ghy schelm spot ghy met my, en derft my dat noch yraghen ? 
So. Soo dat was waer, met recht sou ick het dan verdraghen. 



Mihi praedictA. So. Eeeere, iam tnatim 

Ftcit tu, ot tuit BolU apat tt ftdet éi, 
Am (^uid Mt'*' qao modo? iam qaidea herele ego tibi ifUa 

ScrletUm, •celui, liBgoam apacidAm. So. Taot saa 

Proinde at commodaoitt et labei, qaioqoe factaa. 

Tarnen qoin loqoar haee sii fiieta asni kie, 

Nuraqnam ollo modo me potea detarrere. 
Am Sceleatiatume , aodea oübi praedieare id . 

IKjmi te eaae BaDc, qai kie adea. So. Vera dko. 
Am Malum qaod tibi di dabiiDt atqoe ego kodie 

l)ab<). So Iftnc tibift ia maao: nam tau iob. 
Am. Tan me, aerbero, aodaa eran lodifieari? 

Tune id dioere aodea, qaod bmbo «Bqvaa komo antekae 

Vjriit nee poteal fieri, tempore aso 

Homo idem daoboa loeis at temal fit? 
So. Proferto, at loqoor, rat itaat Am, Itppiter te 

Pf rdat. So Qoid mali stn , ere, tea a re pronaritoa? 
Am. Rogaine, improbe, etiam qoi lodoa faeia mt^ 
So. Merito maledieaa mi, si (non) id ita (betamal. 



d4 

Ick seg 800 't is ghebeart, en ick en lieghe niet. 
Am. Dien fiel moet dronken sgn. So. Oh oft dst wi8 gheieliiet I** 

Van Damme had genoegen Tan zgn werk; in 1635 werd 
z^ne vertaling, herdrukt ^) en in hetzelfde jaar werd het stuk 
te Amsterdam opgevoerd. Die tweede druk wgkt van den eersten 
af; met recht kon de schrgver hem lyermeerdert*' noemen, 
want het begin is geheel veranderd. Japiter en Mercnrios houden 
in den hemel een gesprek in t^enwoordigheid van eenige andeva 
goden; Amphitruo neemt a&cheid van Alcnmena en Japiter 
ziet haar. Na een » groot ghedruys en allarrem achter hetToon- 
neel/' veroorzaakt door het gevecht tnsschen de Thelebanen en 
de Thebanen, spreekt Mercurius den Prol(^vs (vs. 1 — 148) nit. 
Weder volgt een gevecht; Amphitruo verschgnt als overwinnnar 
en zendt Sosia met een brief naar zgne vrouw. Nn begint de 
vertaling, die verder geregeld doorloopt tot het einde van het 
4d« bedrgf, waar Van Damme de iSupposita*' met ongeveer 90 
verzen heeft verrgkt. Zg hadden best gemist kunnen worden* 
Maar misschien moest de vertooning van Hercules in eene wieg 
liggend en met pap gevoed door Bromia en Sosia, en Jano*8 
alleenspraak over het gebrek aan huwel^kstrouw van Jupiter 
de goe gemeente naar de voorstelling der redergkerskamer 
lokken. 

De meest bekende navolging der comedie van Plantus is 
zeker wel Molière*s Amphitryan (1668). Hiervan bestaan twee 
vertalingen in het Nederlandsch '), van welke de oudste aan 
A. Peys wordt toegeschreven. En Buysero gaf in 1679 eene 



Venim haa meDÜor retqae ati factast dieo. 
Am. Homo hic ebriast, at (ego) opino. So, Egone? Am, To itÜe. 
So. Vtinam etsem ita." 

1) Den tweeden Druci, vermeerdert ende verbetert door den Antkemr. Skdê gk^^ 
speelt op de Amtterdawuehe Camer, op Kermis, Anno 1086. 'PAwutêrdmm, Foor 
Direk ComelisM HoutAaeei, Boeek-vereooper , enz., 1085. 

2) AmpkUrion Bly-eynde Spel. In 't FrëMS gestelt door Moüiere, EêAê m m 
7 Nederlandts vertaeU. Anno 1070. 

JyfUer en Awspkitrion, of de twee geljfke Sosiaeu. Blgspêl. t^AwuieUUm, Bf Denid 
Bmarms, eni., 1780. Mêt PrimUgiê, 



veel T6rkort« bewerking tkd Molidre'sBtakDit;i;gD ^mpJ^frao*) 
telt alechU één bedrgf. 

n. ArlrUria. 

Booft'a Clvehtighe Comedy wm Wartfiart dat U, Avl%tiaTia 
vau Plautut , ruu 'ê lanU fftl^mtktit venbtiUeht (1617) ilnit ach 
nauw bg het oorspronkelgke aan. H«t atok ii OTerbekend. 
{Uinbardstoettoer beeft het in sün werk ontleed en met het 
oonproDkelgke vergeleken '). 

Van Molidre's Avar« (1669), de ineevt bekende navolging der 
Actvlaria, verscbeen in 168& aece Nederlandache vertaliog*), 
die aan Joon Pluimer wordt toegeechreven. Zg werd in 1756 
herdrukt *). In 1806 vertaalde J. S. van Esveldt Holtrop het 
Btuk op nieuw naar de Dnitsche vertaling van Zachokke *). 

m. CvrcTlio. 

Van deze comedie van Plantna, die seer weinig navolgingen 
heeft uitgelokt, bentten wg er eene in Vt Otétraadefi Mmnaar 
peluklng door 't geval*). Zg ia Tan de hand van Hendrik van 
Ualinael, die in het begin der vorige eeuw meer dan SOtooneel- 
stukkcn heefl geachreven onder de sinapieuk: Pargat et omat, 
welke spreuk hg door de afbeelding van eene kam oploisterde. 
Wy zullen den dichter nog veracheidene keeren aantreffen. 
De inhoud van igse bewerking ia aldua: 

1"< Bedrijf. (1) Jochem (Cappadox), >een Boffiaen," klaagt 



t ) Blf^L Dtm D. a. ftH—mt tf éê Jm^irJ^mU aüemèm/. T» J 
B, Jmoó iMcm^». CU., ISTB. 
i) lil. ios— soa. 

3) iV TrA. Blf^l. Vit itt Frmia mm JbMT. MoOmt (vIkmI: Tmt MJJffH 
ib^ndt) VAwuitrémm, Mf JOtH Marmm, at., 1*W. Mêt Fi mi^iê. 

4) Il AmêttU^, Bf têméi 2>mm. m^ 17M. Mt/ >rmltfi§. 

i) tU Vnk, BUjtrtl U wüf BcrfrffMN. FgtfnA ZtiaUm mitmm otênittmf wm 
Molii'4, Akt J S *»» EmUt BaUfef. JmderJam. 1$ r. BèHrtf, ISOe. 




86 

over z^ne gezondheid, en Margo, »eene Boffianuif'* die bgliem 
in dienst is , raadt als geneesmiddel brandewgn , veel brandewgn 
aan. Zg gebrnikt zelve bet middel altgd en weet, dat het uit* 
stekend werkt. De kosten komen er niet op aan i want sg heeft 
gisteren op den Dam aan drie heeren medegedeeld , dat sg eeo 
allerliefst meisje aan huis hebben , en één ran hen heeft bdoofd 
te zullen komen. Dit meisje heet Kaatje (Planesirm) en ia toot 
jaren door het lieve paar opgenomen of gestolen. (2) Ab Jcehem 
is uitgegaan, beveelt Margo aan hare dochter Jannetje, om op 
krediet brandewgn te gaan halen, maar het arme kind, dat 
ten gevolge van het gedrag harer moeder g^ne fatsoenlgke 
kleederen meer aan het l^f heeft en niets heeft mogen leeren , 
weigert. (3) Als Margo het meisje wil slaan, komt Lubbert, 
de kok, tusscben beiden en verwgt de moeder i dat zg hare 
dochter voor niet veel bgzonders opvoedt. (5) Erispyn (Palinvrvs) , 
de knecht van den jongen Ferdinand (Phaedromvs) , treedt op 
en deelt Lubbert mee, dat zgn meester dol is op het meiaje 
(Kaatje), dat bg Jochem inwoont , hoewel hg haar slechts eens heeft 
gezien. Hg wil haar trouwen, en, daar Margo heeft gezegd, 
dat hg het meisje voor 1000 rgksdaalders kan krggen, heeft 
hg zgn tafelschuimer naar den Haag gezonden , om hem dat geld 
te bezorgen. Lubbert vindt dat plan heel dwaas; waarom wil 
Ferdinand zulk eene vrouw trouwen; die plechtigheid is over- 
bodig. De oude Margo is aan den drank; hg kan haar met 
eenige glazen wgn omkoopen en het meisje gemakkelgk te 
spreken krggen. (6) Krispyn luistert naar dien raad, belt 
al vast bij Jochem aan en (7) belooft aan Margo een vaatje 
wijn, als zij hem het meisje, waarop zgn meester verliefd is, 
eens wil laten zien. (8) Aan Jochem, die te hois komt, doet 
hg hetzelfde verzoek — Margo heeft geweigerd — maar ook 
deze slaat het af; als hg geld brengt, zal de zaak veranderen, 
(9) Ejrispyu gaat uu aan zgn meester zeggen , dat de eerste 
onderhandelingen mislukt zgn. 

2^ Bedrijf. (3) Ferdinand en Krispyn naderen het huis van 
Jochem ; de knecht is beladen met flesschen en glazen. Krispjn 



87 

tracht sfjn mee«t«r nog h«t plut uit h«t hoofd te praten, om 
zooveel geld voor bet meUje te geven , nuar te Teq{eefii. (4) Op 
bun kloppen Terachjot Margo, Terheogd bg het sïen Tan al 
de fleescheo ; sg geren haar te drinken en , als xg bgna dronken 
is, staat zg toe, dat Ferdinand het meisje spreekt (6) Kaatje 
komt nu op en vertelt aan Ferdinand, dat sg ala kind ran 
liare ouders ia wegQ^Toerd ; zg spoort hem aan, om haar niet Tan 
liefde te spreken , TOordat hg weet , wie hare ondan cgn. Kriapjn , 
die bg dit gesprek tegenwoordig is , ïs lang niet zoo opgetogen 
als tgn meester en vertronwt de zaak rolstnkt niet. (8) Ala 
Kaatje weer in hois is gegaan, rerscbgnt I^s (CneTlio) da 
tPanticker," die naar den Haag is geweest en au mei erg Teel 
drukte terugkomt *) : 

„Ik bezwyk Tan honger, laat ik eerst myn buik Tollen. 
Ferd. Dat zal Tan Termoeidheid vju , g7 hebt scbieljk gegaan, 
Tt)f. Och ! hou mj Tast , ik kan niet langer op mjn beenen ataan. 

Eïen duisterheid stort OTer mjrn geücht , ik tuimel needer. 

Ferd. Ik kan hem niet langer honwen , leen in de banrd een stoel, 

Uj word bleek, haal waater, men moei hem beaproegen. 

7yf. Al was bet maar een kont roggenbrood, ik bid wilt a 

spoegen." 

By slot van rekening heeft hg geen geld meegebracht, want 

de vriend , aan wien Ferdinand hem gew>nden had , kon hon 

onmogelijk helpen. Haar Tjs is toch niet in alles ongalokkig 

geweest*): 

>Ik ging bedroefd weg Tan die vent, 
En ging wai wandelen op bet Boitenbof, of daar omtrent, 

I) AtBfcbuld uu FhdiiM, n. ISTl. v» Wa»i 



PAtiInmm liMntadlM iêraii «ndo. Cm. Ratiai, nÜM «•, ofMne. 
I'* Vide Bi ap^nit: d«Ua iM mUhi M MUtt tü» 

fü «latlsB erna u^mT propaatim odaF O. AmImo mImL 

n. ViE w|ub7 Ck. Ei frwUkatMt, U )-r -- > . <i'^'rbMB." 
1) n Ut: .PMt^aa» bIU rf a— ju', ''-<' >'■ -l:^ tuAutus ai lutmm. 
Hl illa trmn d 



88 

Daar ik een OfiBcier vond , breed , en weiiB ml 
Hy maakte de mine, of hy my zocht te 8predceitf 
Maar ik kwam hem voor, met een beleefd eoai|diineirt, 
Hy groete my weer , of wy den and're lang hadden gekend. ** 

De kr^gsman heeft Tys ten eten genoodigd , heeft hem daarna 
meegenomen naar zgne kamer en is toen in slaap geTallen. 
Tys heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt en is met een 
ring en eene obligatie van 500 pond op den Amsterdamschen 
kassier Judas (Lvco) op den loop gegaan. (9) Juist komt Jndas 
er aan en Tys stelt zich aan hem voor als de knecht yan den 
ofiScier Alezander (Therapontigonys) , die het geld komt halen. 
De kassier zegt, dat hg het aan z^n huis kan krggen. 

3de Bedrijf. Na tal yan kleine tooneeltjeSf die weinig tot 
de verwikkeling afdoen, treedt (11) Ferdinand op en poogt 
met Jochem te onderhandelen over het meisje, maar de kop- 
pelaar wil er niets van hooren. (13) Tys heeft het geld yan 
de obligatie gebeurd en geeft het aan Ferdinand, maar (14) nn 
komt plotseling Alexander met zgn knecht, Bobbert, te Am- 
sterdam om den dief op te sporen. (16) Judas vertelt hem, 
dat de knecht het geld al gehaald heeft, en hg begrgpt, dat 
hg den dief het best kan vinden in huizen als dat van Jochem. 
Hg treedt hier dus eerst binnen. (19) Na hem klopt Ferdinand 
bg Jochem aan ; hg is vergezeld van Krispyn , Tys en een paar 
dienders, die echter allen op den achtergrond blgven. (20) Na- 
dat hg bg Jochem weder vergeefsche pogingen heeft aange- 
wend, om hem Kaatje voor een bepaalde som af te staan , beveelt 
hg de politie om het meisje uit het huis te halen , omdat menschen- 
handel verboden is. (22) Onder deze opschudding treedt ook 
Alexander uit het huis , herkent Tys en laat hem gevangen nemen. 
Daar ziet Kaatje den gestolen ring, dien Alexander's vader 
vroeger heeft gedragen, en die juist zoo is als de ring, dien 
de vrouw, welke haar als kind heeft gestolen, haar heeft na- 



Adgredior hominem, Mlato «(1861110111: »Mlae*' inqmit mibi| 
Praendit dexteram, tedaeit/' oMi. 




80 

gelaten. Het bigkt, dat zg eene zuster ia yan Alexander; hare 
ouders z^n dus bekend en zg heeft nieta meer tegen een hu- 
welyk met Ferdinand, die zgn aanstaanden zwager terstond 
bepraat om aan Tys yergiffenis te schenken. 

Van Halmael heeft byna niets uit de Cvrcvlio vertaald, maar 
er slechts de verwikkeling aan ontleend. Hg is er volstrekt niet 
ia geslaagd om het stuk op onzen bodem over te planten. Dit 
behoeft ua de ontleding er van niet te worden aangetoond* 

IV. Oasina. 

Het is een gevaarlgk onderwerp , dat Plautus in zgne Casina 
behaudelt, en niet te verwonderen, dat latere dichters van 
zyu blyspel weinig partg hebben getrokken. Wg bezitten er 
eene navolging van in De Virliefde Orysaard Betrapt *), door 
van Halmael geschreven. 

!•<« Bedrijf. (1) Kees (Olumpio), een pachter, en Bobbert 
(Chalinus), de knecht van Rombout (Stalino), krggen twist 
over Katryn (Casina), eene dienstbode van hun meester, naar 
welke zy beide vrgen. Kees beweert, dat zgn meester hem het 
meLsje beeft beloofd en dat hg haar nog dezen avond zal 
trouwen. (3) Adelgond (Cleostrata) klaagt, dat haar echtgenoot, 
de oude Rombout, die reeds over de zestig is, de meid Eatrjn 
achterna loopt. Deze mededeeling wekt natuurlgk de veront- 
waardiging op van hare buurvrouw Cornelia (Murrhina), bg 
wie zy hare klachten uitstort (4) Rombout treedt op; hg ziet 
er uit als een jonge fat; zgn haar is netjes gepoeierd en zgne 
kleederen zgn naar den laatsten smaak. Hg voelt lich nog 
krachtig en gezond, trouwens: 

,Onze Katryn kan een oud mensch weer jong maaken.'* 

Hy zal haar uithuwelgken aan ign pachter Kees en heeft 
met hem afgesproken, dat deze voor den eersten nacht zgne 



l) BfytpU, Gmolgt mm éê Cmamm^ mt mr m Lêiffmm frnmmm óücifWMi éom 
tUm vtrmsardtm Pomi PUmhu. (VigMtt Pmf§mi H ormmi). tJmêtênüm, OêirmH 
voor dfn AntUmr. m kf ém mkm U hétmmm, mii 9ok If Hmérik wm éê Om$fê, 
eoi.. 1709. 




00 

rechten aan zgn meester zal afstaan. Adelgond, die in ds 
heeft gestaan en iets van de alleenspraak Tan hftren man kerfl 
opgevangen , treedt naar voren en houdt Bomboat Toor den gek| 
omdat hg er zoo opgeschikt en dwaas uitziet^): 

„Maar die mantel, wat hangt die vol misselyke ploo$eat 
*tls of gy uit een nest komt van luizen en vloogent 
Wat hebje gedronken, in wat Mothuis zyt gy 
Romb. Heb ik van daag wyn gedronken , zoo ben ik een 



Addg, Ja eet en drinkt, en verbruid al uw goed, 

*tls doch even veel, wat een zot mensch doet. 
Romb. 't Is al hoog genoeg Vrouw , 't was beeter dit te stanken," 

Het huwelgk van Eatryn komt ter sprake; Bombont wil 
hebben, dat Kees haar trouwt, en Adelgond geeft de voorkeBr 
aan Robbert. Wat heeft Kombout ook eigenlgk met de aaek 
te maken; 

,Het is vrouwe werk, meiden te besteeden, 

Ik weet niet wat gy u bekommert met de meid** ^ 

(5) Bombout vreest, dat zyne vrouw iets van zgn plan heeft 
gemerkt. (6) H^ tracht nu Robbert door geld te bewegen t dat 
deze van Eatryn afziet , maar de knecht heeft daar geene ooien 
naar. (8) Gelukkig voor hem houdt ook Kees vol, in weerwil 
dat Adelgond getracht heeft hem over te halen, en Bomboat 
besluit dus om het huwelgk van zjjn pachter met Eatryn door 
te zetten. 



1) Vgl. Pla9ti .... CowÊoediae , ... es recemacm lok. Trêdinei Oromom .... ««■§ 

praefatüme lo. Avgvtti Ermsti. L^mae 1760, dl I, A. III, Sc III, va. Mt 

Cldottrata, vVnde is nihili? vbi foisti? vbi loitraiat? Tbi bibitti? 

ld est mecAstor: vide palliolam Tt ragtt. SUtlimo. Oi me et t« iafelieiteBt . 
Si ego in os meam hodie Tini guttem iodidi CL imo tge, Tt labet, 
Bibe, es, diiperde rem. Si. ohe, um latia Txor eet: eomfrime te: Bimiom 

tiBaift.*" 
8) 1 1, Tt. 42: mCl. qait, n fêtiwi reete tat oonuMide, 

Me sinas curare ancillas, quae mea eet cnratio." 



91 

2'i' Bedrijf. (2) Daar Eeea en Robbert bg han plan blgreti 
om Daar de band ran Katrfn te dingen , wordt er door hnn 
inee8t«r en meeflteres besloten , dat zg er om znllen loten. Dit 
geochieiH niet -zonder twist, waat, lerwgl beiden het eerst 
willen trekken, willen Rombout en Adelgond beide den hoed 
TiixthoiideD , waarin de loten zgn geworpen. En ala de loting 
Leeft plaats gehad, blgkt het, dat Rombont met de papiertjes 
heeft geknoeid. (4) De bareo, Jasper en Coruelia, komen nu 
tu8sclieD beiden; er wordt weder geloot, nu eerlyk, eu Kees 
is de gelukkige winnaar. (6) Maar Adelgond geeft haar plan 
nog niet op; zg overreedt Robbert om zich als Katrjn t« ver- 
klM'den on zoo haar man er in te laten loopen. (7) Intuaschen 
iiiiinkt ttunibout met Kees de noodige afspraak voor bet buwe- 
lijk; <lit zal nog heden avond plaats bebben en Kees zal z\^av 
jonge vrouw meenemen naar de hofttede, die bg thans in 
pacht heeft, maar nn ?an zgn meeater ton geschenke krygt. 
Dit ge-<|irek wordt echter beluisterd door Adelgond en Robbert, 
die (HJ dan hun plan verder uitwerken. Robbert stelt er zicb 
veel genoegen van voor om zgne medeminnaar eens stevig in 
zijne armen te drukken. 

'A't' lieilrijj'. (1.2.3.) Er worden allerlei toebereidselen ge- 
maakt voor den maaltgd ter eere van het jonge paar, maar 
Komlmut, die zelf alles bestuurt, staat t^^n den kok zulk een 
toon aan , dat deze verontwaardigd wegloopt en hem tusschen 
ile jmtteu en pannen laat staan. (4) Kees, die intusschen is 
Ton<rh<^'ni-n als bruidegom gekleed, tracht hem te troosten, 
mniir hy \n door de telearstelling en het oponthoud zenuwachtig 
geworden. (6) Daar komt Angniet (Pardalisca) , de meid, op 
het toooeel vliegen met het bericht, dat Katr^n plotseling 
krankzinnig is geworden en haar zelfs heeft gewond '): 

.Mjn Heer, mja heer, bon mj wat vast, of ik val neer 
op de straat 



tfMfdaiüem. ai mUn , astbo , Um ■ 




92 
Romb. Waar schort het n dan? Wie heeft het a gedaan? 

Angn. Myn Heer, maak wat wind met uw hoed, ik wati 

•«>o benaaawt*' 

Eatryn loopt als dol door huis, vertelt de meid^ die daai^ 
mede natuurlek slechts een bevel van Adelgoüd opvolgt *): 

2>Z7 heeft dier gezwooren, d'eerste die met haar deift 

nad*ren de spondi 
Dat zy die zo gerust zal doorstooten als een hond. 
Eomb, Zy zweert dan dat zy my als d'eerste zal doorsteeken? 
Angn. Waarom jouw Sinjeur, of zout gy haar op die plaats 

eerst spreeken? 
Romh. Ik verzin my , 'k wil zeggen , de Boer loopt groot gevaar. 
Angn, Wel Meester , dat is al iyn verzonnen , is het niet waar.** 

(7) Adelgond en Cornelia komen het nieuws bevestigen , maar 
Romboat verdenkt zijne vrouw, dat zg den kok heeft omge» 
kocht en Katryn iets heeft ing^even. (10) Nadat de boren 
zich vroolyk hebben gemaakt over den dwazen streek, die 
wordt uitgevoerd, (12) wordt aan Rombout bericht, dat Katryn 
weder b^ haar verstand is, (12) en aan Kees, dat zgne bruid 
ten gevolge van hare korte razemg geheel is veranderd. (18) 
Het lieve bruidje verschgnt nu zelve; zg is zoo dik, dat Kees 
er geheel verbaasd over is, en drukt haren bruidegom soo 
krachtig in hare armen en kust hem zoo hard, dat Kees het 
uitschreeuwt van de p^n. Thans komt Rombout aan de beurt, 
wieu het niet veel beter gaat. lig krggt echter vermoeden, hoe 
de vork in den steel zit; de bruid neemt haar masker af en 
vertoont zich als Robbert. De oude heer bekent schuld en ver» 



Eloquere mihi cito. Pa, oontine j)ectus, face Tentulum, «mibo, 
Pallio." 
1) T. 8. p., TS. 36: mPa. audi: per omnes deot et deat 
Deiuravit, occisurum eum hac nocte, quieum cubaret. 
>SV. Me occidet? Pa an qaippiain ad te attioet? SC, Tah. ! Pa. qaid com e« ncgolii 
Tibi ett? St. (>ecca?ii illuc dicere villicum Tolebam. Pa. aeient 
De via in semitam degredere." 



98 

zoent zicb met zga« rronw , terwgl Eatryn «an Robbert woidt 
toegezegd. 

Van TertAÜng k»n meD «genlgk niet spreken, want slechta 
enkele Terzen zgn in het NederlandMh OTergebracht. Het laat- 
ste gedeelt« van de Latgnsche oomedie ia geheel weggelaten ; 
met recht , want dit ii yolrtrekt niet geschikt, om het op onte 
tjjden en zeden toe te panen. 

V. Moatellaria. 

De eerate bewerking der MoHtüaria 'm oue taal werd g»- 
geren door Pieter Bernagie (1656 — 1699) onder den tit«l D» 
Del'aue/iant ^) (1686). Deze bewerking, die reeds vroeger door 
mü wenl besproken '), wgkt nog al Tan het oorspronkelijke af. 
In hetzelfde jaar, dat Bernagie xgn stnk in de wereld zond, 
gaf Ladolph Smidi (1649—1720) ook eene narolgiag van de 
MoKtel/aria nit en koofl denaelfdên tit«l; De Debooijant *). Ia 
een woord Tooraf „Aan den redeljken leier" deelt de dichter 
mede , dat hg zijn blijspel reeds lang geleden heeft geecbre- 
ven. dat hij den titel van Bernagie beeft overgenomen en de 
comedie van Plantna >ten eenemaal op onze tjden en zeden 
gepast, eu naar de bedendaagsche 7bonM/u>etf«R Terschikt" heeft 
Met de >Spookery" heeft hij wat in de maag gezeten, daar 
>die (voornaamlek by onie Nederlanders) zo niet méér aan de 
niAD TTÜ, als in verleedene tjrden." Hij hoeft er een oogenblik 
aan ge<lacht, om er eene besmettel^ke xiekte voor in de plaats 
t« stellen, >doch" gaat hij voort, >metr«ihm(6o<2fgeezelzweepen) 
on lieken, de gek te scheeren, meen ik ten eenemaal ons on- 

I) Bl^iptl (Vigwl- IMtl fwmpu mta>U$y Tt Amdttdam, Bj 4ütH ÜMfmmt, 
tut. 16H6 Mit FrirUfit. 

3) \VI in M" JMTgiai tu dil KHiArUt. hU. 1S4-140. 

3) 'Y d4 MotUUmrim Ma Ptmilm; BIfifti wirtaaU. mrtMtt, m tTrymd. dm 
L^I-jlpA Sm,J, M D. Jmmtl L 8ë*fr. 

SKêIU «•« Hmmfia. etm tal lÊtifm» 
fétUmt geaurat. f tritm^aÊ p ar ttn l i k mrUm . 
tol Amt/trdam, Otdrmit wMr Aa Aafitmr, M lé l« lww Bf Jm Oumm lm 
aoerm. cu . ISSfl. 




94 

geoorloofd te zyn. Derhalven docht het my betaamlylni ta tt^ 
£en van myn lichtgelooyigen gryzaard een Duytêeher Dêm of 
Sweed te maaken; dewyl deze yolkeren noch ten eraiemaalnaar 
Geesten j Spooken, TooyenaarSf Bezweerders , en diergelyke hy- 
geloovige zottemyen, haar ooren neigen/* 

De vaderlandslievende dokter heeft het Latgnsche bljjspel, 
vooral in het begin, heel wat verkort. 

l*f^ Bedrijf. Gerrit (Grvniio) verwgt Robbert (Tranio), den 
» pedagoog" van zgn jongen meester, dat hg dezen gebed op 
het verkeerde pad brengt: 

»Hoe kan een mensch zo ras verkeeren! 
Oh! komt dat van Latgn te leeren 
Zo vloek ik het Latyn voortaen.'' 

De jonge Gustavus (Philolaches) hondt inderdaad , terwgl mgn 
vader Erik , een Zweedsch zeekapitein , buiten *s lands ia om eene 
erfenis te halen, raar hois en is steeds met zgne vrienden au 
het feestvieren. Als zgn vader het eens zag! 

»zon hy wel droomen 
Van dit gewoel, en dit gedruys? 
Van zulk een leven in zyn huys? 
Van zo veel vrienden die hier drinken 
En rooken, speelen en rinkinken, 
Als of het altyd kermis waer?" 

(7) Daar komt plotseling het bericht, dat Erik (Theopropides) 
terug is. Goede raad is duur. Éen der vrienden, Lodewgk 
(CalUdamates) , is bovendien zoo dronken, dat men hem niets 
aan het verstand kan brengen ^) ; 

Gustavus. >Zammel 

Niet langer; Vader komt, op! 
Lodewijk, Rammel 



1) Vgl. MosteUaria, oiigegeTen door Lorens, Weidmtna , 18M, 
VS. 861: De^Aivm. «VigiU: pater ftdaenit peregre PhiloUchae. CMUid. VaImI pOtr. 



95 

Wat heeo Tan rader ; hj vaar wel. 
Gutt. H7 Taart niet qnalyk, 00711 geiel, 

Maar ik, ik ben geheel Terlooren. 

Waak op , waak op , daar -ia mjn vader ! 
l.o(/. Help mj ; vajn degen ! die Temder." 

(9) Robbert weet echter raad ; hij doet allen in hoia gaan , 
bereelt hun zich stil te honden, ilnit de deur en (18) gaat 
Erik te gemoet, die aan de denr klopt tonder gehoor te krijgen. 
Robbert doet, alsof hij het Terwhrikkel^k TÏodt, dat Erik heeft 
aangeklopt, want — het spookt in hnia. Vroeger ia er iemand 
Termoord en men heeft tijne schim geaien , die teide*): 

>iijn waard heeft my de nek gebrooken, 

BetoTerd door een sak met goad , 

Die 'k hem 100 deugdijk had Tertronwd. 

Het \jV is in een pat geameeten. 

Ik beu Terlooren en Tergeeten: 

Maar gy, wil oit het moordhol gaan. 

Wegbt slujt bet! laat het ledig staan." 

Erik schrikt geweldig, maar Robbert ook, omdat hg in buis 
teren hoort maken en er dos gevaar ia , dat het geheele bedrog 
□itkonit. Erik moet daarom niet too dicht bg het hnis staan*): 

Rot'. >Ik bid a, met geTonweo handen, 

Van bier! tbd bier! g; raakt in sebanden. 



Ib mm. aau. Ak 
ta ptfirT 
SaliM Mdo ai, mt araa i^iMBt Iim pol «p « a d liw ptnia." 
Ij Tl. 486^ .ioÊfÊ mm bis araih. itqH ■■ 

Dirodil iH>pallSH daa ia Uw* uaAu . 
SnlMlai, tori «MN. ■•■« ta kiw iaifi* : 
SmMw hMB Mla. JmjiMt Uttatie.' 
8) Tl. iSTi Trmm» .kfmtU ab iaaM: 

PaM. üMwn hwala. Tiimr. Qao fwtaaF aUaa la ttm. 




96 

Er. Tut, tut, waarom ga jy niet vliên? 

Rob. Ik mag wel spookerije zien. 

Er. Hou Robbert! 

Rob. Stelje weer de pypen , 

O geest gy moet naar my niet grijpen , 

Ik heb de deur niet aangeraakt.'* 

Enk verwijdert zich en zoo is voorloopig de zaak gered. 

2^ Bedrijf. (1) Erik vertelt aan Robbert, dat hij den man, 
van wien hij het huis heeft gekocht, gevraagd heeft naar dai 
spoken, maar deze ontkent, dat hij er vroeger iets van be- 
merkt heefb. Wy brand (Misargvrides) treedt nu op; het is een 
woekeraar, die aan Gustavus geld heefk geleend en dit komt 
terugeischen. Robbert weet hem wat t«r zijde te trekken en 
poogt van hem uitstel te verkrijgen , maar de ander staat op 
zijn stuk. Erik hoort iets van den twist, die tusschen hen ont- 
staat; hij belooft de schuld van zijn zoon te betalen, maar 
vraagt, waarvoor dat geld heeft gediend. Robbert, die eerst 
verlegen is om een antwoord, vertelt hem eindelgk, dat zgn 
zoon er een fraai huis voor heefk gekocht. De oude heer is 
tevreden, maar (2) wil dat huis nu ook bezichtigen. Robbert 
w^st het huis aan van Enk's buurvrouw, de jonge wednwe 
Sibylle, en (3) gaat haar vragen, of zyn heer haar huis wel 
eens mag zien ; hij is van plan om juist zulk een huis te laten 
bouwen. (4) Aan Erik zegt hg, dat Sibylle erg berouw heeft 
over den verkoop, en dat h^ dus volstrekt niet moet toonen, 
dat hg thans de eigenaar is van het huis. (5) Beiden bezich- 
tigen het nu en pryzen om stryd alle bgzonderheden. In de 
laatste tooneelen van dit bedryf is veel naar het Latyn vertaald. 

3^ Bedrijf. (1) Erik en Robbert komen uit het huis van 
Sibylle; de oude heer heeft alles nauwkeurig bekeken en is 
erg in zgn schik; wat een koopje voor 13000 gulden! Robbert 



Tran. Nihil ego formido: pax mihitt enm mortub. 
fntvt. Heus, Tranio. Tram. Non me appelUbif, si npit 
Nihil ego commerui, neqae iiUt pereoMi font." 



97 

moet Gustavas , die den koop soo mooi tot atand heeft gebnchi, 
DU spoedig in de stad brengen. De knecht heeft Erik nl. T«r- 
tel<l , dat de jonge man bniten was. (2) Nn Terschgnt de kneefat 
van Lodew{jk ; hg klopt aan hg ErikV hals en verwondert 
zich , dat bem niet wordt opengedaan. Erik wil hem wegjagen 
uit angst Toor het spook, maar de jonge man lacht daarmede 
en vertelt, dat er gewoonlgk heel ander rumoer in hoia ii dan 
van een npook. Dit tooneettje ia Vrg naawkeor^ naar Plautni 
gevolgd. (4) Enk begint na te vreezen, dat hg bedrogen ia; 
hü klopt bij Sibjlle aas en spreekt met haar voor het eerst 
over den verkoop van haar huis; het verhaal van Robbert blgkt 
gelogen te zQn. (5) Daar komt dece xelf, maar hg bemerkt 
tentond, dat alles ontdekt ia, eu klimt op eene schutting 
— deze is in de plaata van het altaar hg Plantos gekomen — 
om do wraak van sgn ouden meester te ontgaan. En nu hg 
zich veilig voelt, bekent hg allee. (6) De vrienden van Oosta- 
vus verlaten thans het huis, (7) en Qnatavus self weet van xgn 
vader vergiffenis te verkrggen. Intuaachen geeft Robbert op de 
ftcliuttint; alterlei aardigheden ten beste. Ala Gustavua voor ago 
viuler knielt , maakt bij de opmerking : 

„'T is of men hier de Cinna speeld." 

(8) De woekeraar brengt de verpande meubelen terug ea 
eindelijk ziet Erik van zgne wraak af en roept Robbert toe '): 
„Wegl ga, waar 'tu lust." 

Robbert klimt af, maar vervalt nu in de banden van sjJD 
oiiilen v|jand Gerrit, die hem een duchtig pak slaag toedient. 

Smidd heeft hier en daar veel vertaald ; overigens vgkt sgn blg- 
^|ie1 vooral hierdoor van dat van Plautus af , dat de vronwenrollen , 
1'hilemativm , Seapba en Delphivm agti weggelaten. Zgn de „msre- 
trires" misschien weggebleven, omdat het stok in ons land speelt 
en eene benchrgving van deze dames „(voomaamljk bj onse Neder- 
Iniidom) 7.0 niet méér aan de man wil, als in verleedene tTdea f " 

I) t> llGt .Ag» M, M iapus. m kaia hÉtaa (MtiMa." 




98 

Eene derde navolging der Mostellaria treffen w^ aan in Yaa 
Halmael's De Herstelde Zoon'^). Het stak staat rerder Tan het 
Lat^nsche af dan de Deboosjant van Smids. 

Het 1'^^ Bedrijf begint met een hevig gevecht tomchen Kiit- 
pyn (Tranio) en Kees (Grvmio), een landbouwer van den ondfla 
Zimon (Tbeopropides) , die klaagt, dat men in de afwemghiad 
van zgn oaden meester z^ne l[>eesten laat verhongeren. (4) Fcr- 
dinand (Philolaches) , de zoon, treedt op en ontleent eene ont- 
boezeming aan die van Philolaches (vs. 95, Tlgg.): 

„Indien myn oordeel nog iets nuttelyks doet blyken. 

Zo mogt ik my wel by een defkig huis gelyken, 

Dat door de meester net en konstig is volhoud. 

Zo lang dit wort bewoond, van menschen die nog goud 

Nog arbeid spaaren, om daar handen aan te houwen. 

Zo zal men 't binnen digt, van buiten hegt beschouwen; 

Maar word het eens verhuurt aan vuil en gierig zoort. 

Men merkt van dag tot dag verval , *t verderf kruipt voort , 

Het dak vervalt allengs, de muuren zelf verstuiven, 

De Regen en de wind begint 'er door te snuiven. 

Dat eerst het voorwerp was van ieders lust en zin, 

Daar walgt nu ieder af, daar wil nu niemand in. 

Zo is het even met myn eigen zelf geleegen, 

Myn vader heeft my schoon en goed genoeg verkre^^n; 

Al wat ook dienen kon tot opbouw van myn jeugt. 

Dat heeft hy niet gespaard, maar aangeleid met vreagt. 

Zo lang ik d'eer en pligt myn boezem liet bewoonen, 

Was elk geneegen om my gonst en dienst te toonen. 

Ik was vernoegt, zo ver een wel gestelt gemoed. 

Met 't geen hem 't lot verstrekt, zig kittelt en voldoet. 

Maar 't zeedert dat ik .heb de deugden uitgestooten , 

En ingenomen vuile, en slaafze huisgenooten , 

Is al myn vastigheid, en aanzien weg, vergaan. 

1) Gevolgt uit Hosfelaria, vam den Beroemden Lm/ynseMem Poëet PImmims, Pfytpêt. 
(Vignet: Pnrgat et omat). t^Jwuteldam, By. Hendrik pan de Ga^e, VÈg^ 1711. 



De winden tkh gebrek beginnen door te bIuo. 
Do Tensten ran het licbt tja rot en nit geslagen , 
Ën niets blyft over, om de manren t'onderscfaragen ; 
't Zal alles Htort«n , zo door 't gunatige geral 
Nietfl op da^, dat m^n taI gelnkkig weereo sal." 

(5) Leonoor (PhilematiTm) , de beminde Tan Ferdinand , en 
Catryn (Scapha) , hare meid , boaden een geiiprek , dat in den 
aanvang reet beeft Tan dat bij Plaotns (tb. 149, Tlgg.); Cabyn 
raadt Leonoor aan om Ferdinand te laten loopen , daar deae 
alles verkwist, maar bet meisje wil niet Inisteren naar dien 
raad. Ferdinand beeft dit gesprek geboord , (6) en ia dos niet 
zeer Triendel(|k gexind j^ens Catryn. (9) Terw^l er in het 
huis Tan den onden Zimon weder feeet wordt gSTierd, komen 
de flchuldeischers Volkert en Jasper hun geld eiaoben. Crispjn 
Loudt hen Toor den gek. 

21^' Bedrijf. (\) De bagage van Zimon, die temg ia, wordt 
aan zijn huis bezorgd; (4) Ferdinand schrikt geweldig, ala h^ 
dit boort, (5) maar Criapyn bedenkt eene list, nu men den 
drunken Fredrik (Callidamates) niet bet buia kan uitkregen, en 
sKiit de deur. (7) Zimon klopt aan — hier en daar Tertaling 
Tan PlnutitB — en Crispjn verhaalt hem van het spook. (9) 
Ke«w, de pachter, heeft' gehoord, dat a^n onde meeater temg 
iü, eii wil zich nu wreken op Criapyn ; beiden schelden elkan- 
der uit. 

Z''' Br-hijf. (2) Mardochaj (Miaargrridea), een wisselaar, komt 
bet geld terugvragen, dat h^ aan Ferdinand beeft geleend; 
('ri>ii>yn tracht eerst nitatel te verkrijgen, en jaagt hem, als 
iliit iiit't gelukt, met dreigementen en met een bezemsteel weg> 
(li) Hij komt echter spoedig temg en Zimon hoort, dat njn 
7.oi>n vf^XA heeft geleend. Crispyn tegt, dat hij daarToor een 
huii« heeft gekocht. (7) Zimon wil het bezien en (8) Cnq^yn 
k1o|>t bij buurman Rombont (Simo) aan en vertelt hem, dat 
TiTilinand gaat trouwen. Zijn vader wil een huis voor hem 
/.etten naar het model van dat van Bombont; mag de onde 






100 

heer dit eens bezichtigen? Het verzoek wordt toegestaan. (12) 
Intusschen zijn de vrienden van Ferdinand uit het IiiiiB 
Zimon vertrokken en gaat Ferdinand naar Romboat om d 
te verzoeken een goed woordje voor hem te doen bij njn Tadar. 
(15) Nadat Zimon en Crispyn het huis van den baunnaii lieb- 
ben bekeken en hebben geprezen — hier is één en ander naiir 
het Latijn vertaald — (16) komt Kees klagen bij Zimon. Deni 
die van Crispyn allerlei slechts over Kees heeft gehoord en met 
Crispyn is ingenomen, gelooft hem niet. (17) Doch daar treden 
de schuldeischers Volkert en Jasper op en komt het geheele 
bedrog aan het licht. (18) Rombout vraagt en krgg^ vergiffenis 
voor Ferdinand, en (19) Crispyn houdt zijne rol in zooverre vol, 
dat hij Kees steeds blijft beschuldigen. Zijne straf bl^ft achterwege. 

De Herstelde Zoon is eene vrije bewerking der Latijnache 
comedie ; Van Halmael heeft weinig vertaald en dan nog meeet 
enkele versregels. 

Eéne der meest bekende navolgingen van de MoêtMaria in 
de latere letterkunde is Holberg's HuuS'SpögeUe ^ eller Abraea* 
dabra. In 1768 zag eene Nederlandsche vertaling van dit stok 
het licht onder den titel : Het huis^spook of Abracadabra *). 

'VI. Menaechmi. 

Evenals de Mostellaria heeft ook de Menaechmi in onze taal 
eenige navolgingen in het leven geroepen. De oudste is het 
blijspel Dubbel en Enkkel^) (1670) van Mr. Joan Blasius (1639— 
1672?). Het stuk, dat eigenlijk eene vertaling der Menaechmi 
is , werd reeds elders besproken ^). 

In hetzelfde jaar gaf het kunstgenootschap „Nil Volentibos 



1) Blytpel. In drie Bedrtjvem. Zonder Vrouweperzonem. Opgenomen in dl. VI d«r 
werken van Holberg. Te Amtterdam, By Stepem wam EtwekU^ eai., 1708. 

2) Jok- en Emst-Spel, door Mr. Joam BUsime, ReeAte- Geleerde, GeefeeU op tTdm" 
tterdawue iScAouw&urp. Duo, enm /aeiumt idem, mom eunt idem. f*Jwuterdmm, By 
Jaeob Lescaiff'e, enz., 1670. 

8) Vgl Dr Jan te Winkel. Bladzijden mi de geêckiêdemit der NederlmmdêeA^ 
letterkunde. /. Mr, Joen BUuiut els vertegenwoordiger pm de rommUiêeJke ricAÜÊtf 



101 

Arduum** eene bewerking van het Latijnache blijspel ait onder 
den titel De gelyke Twélingen ^). Zg zag in 1677, 1682 en 
1715 op nieuw het licht. Het is eene der beste bewerkingen 
eeuer Plautinische comedie, die wg bezitten, en verdient eeniga- 
zins uitvoerig ontleed te worden. 

1'^' Bedrijf, (1) Tys Tafelbezem (Penicvlvs), een »Panlikker", 
raadpleegt Dokter Poliferous over zgne maag, die nog niet 
goed genoeg is naar zgn zin: 

»E>ie tafelstrikken , die tafelstrikken zyn te lydig valsch; 
O! ik ontliep ze niet, al kosten 't me men hals; 
Want hoe dat je ze vérder ontloopt, én ze mientte rekken, 
Hoe veel te naauwer dat z'er gewend zyn toe te trekken , 
Ën daarom wacht ik hier na onze buurman Kwieryn ')." 

(2) Kwieryn (Menaechmvs I) treedt juist uit zgn huis, kg- 
vende op zgne vrouw Belie, die altgd vraagt, waar hg heen 
gaat. (3) Kwieryn's schoonvader, Jorden, bemoeit zich met den 
twist eu beweeg^ Belie om weder in huis te gaan en op de 
zaak te passen — Kwieryn drgft nl. handel in tabak. (4) 
Kwieryn heeft nu gel^enheid om aan Tafelbezem zgne plan- 
neu mee te deelen '): 

Kw, »Wil je wat raars zien, Amise? 7. T, By wat veur een 

kók is 'tgebraên? 
Laat me maar eens ruiken : Ie zél het daadelyk wél raén , 
Of ik zél *t aen 't gezicht wel zéggen , laet me maer kyken. 



on^rr Utterkmmdê im dê MPmUumdê êtmm. ffmsrkm, dê êrwm F. BoAm, ISSl, Ut. 
»8 — 106. 

1 ) Btf^l. va dê Mtuêekmn wtm Pimmtm fHrokkm. 

llirr wordt aAagehaald Mar dm Sdn dnik ▼!■ bat U^tptl, o p gwioaaa ia da DieAt» 
konstigt W^ erken «ra kéi Komtiftmoa i t c k êf ^ HU. folmUièmê. Ardmmm. Tg Amtttrdmi, 
Bf AlUrt Mêfnmi, eai., 1677. Mêi Primttfit. 

2) Vgl de uitimre der iUmmkmi raa Bril, T\rabMr . 1S78. 
Tt. 94: «lu ietaac aiait laata aiaela taai aMariax 

(^oam ou^ cxicadat» taato adilriagaai art lat. 
Nam cfo ad Meaaarhaai baae wmme ao." 
.1) Tt U6: Ut -Via ta fbetaaa laeakatam iaH>Mar«? /*#. <t«ift M aosH aaqaaa? 
lam eciam, M qaid titabalaBM< , abi raUqaiaa aidaro. 



102 

Kw. Héb je in een schildery Ganimédes wel zien pryken? 
Of Vénus met Adonis in zyn kérmispak aan 'er sy? 
T. T, Ik loof wel ja , óf neen ; maar wat raakt mjn die schildery. 
Kw, Gelyk ik niet wél zo een mooye jongen? 71 T, Ja, bad 

je wat te eetea. 
Kw. Zie my eens aan. T. T. Een fulpe Rok? wel kaerel, bin 

je bezeeten?" 

Hy heeft nl. onder zyne kleeren een rok van zgne vroaw 
▼erstopt en gaat dien nu aan Lievyntje (Erotivm) , eene lichte 
jufier, brengen. Ewieryn noodigt Tys uit om met hem bg 
Lievyntje te gaan eten, en vertelt hem: 

»Maar, Tysje, ik was nóch al anders in myn jonge tyd, 
Gelyk ik je wél vertéld héb ; ik raakte myn broer vroeg kwyt. 
Die ergens veur den drommel om raapzaad is gevaaren. 
Toen bleef ik 'teenigste Zeuntje, en was vry groot nm 

myn jaaren, 
En , gelyk ik nóg bén , Tys , een réchte ligtmis in myn huid.** 

(5) Lievyntje treedt uit haar huis en begroet Kwieryn , ter- 
wijl Tys geheel vergeten wordt *): 

7. T. »Kyk! ze vergeet myn te groeten. 
Liev. Jy bént maar een ootje in 't syffer , je geldt* er niet, man.*' 

Kwieryn overhandigt haar den rok als geschenk, klaagt 
over zijne vrouw en verzoekt Lievyntje een maaltijd te doen 
gereed maken , waaraan zij met hun drieën zullen deelnemen. 



3/<r. Die mi , cd umquam tu uidisti Ubalam picUm in pmriete , 
Vbi aquila Catameitum raperet, aat abi Veniu Adoneam? 
Pe. Saepe. »cd quid i»tae picturae ad me attinent? Me, Age me aapice. 
Ecqaid adsimalo similiter? Pe. Qui iitic ornatm tuoatP*' 
1) VI. 185: mPe. Qaid ego? Er. Extra nnmerum ea mihi.' 




108 

(6) Zij geeft dus aan hare meid Kniertje en aan Joost Smui- 
ger (Cylindrvs) de noodige bevelen en geld ^): 

„Dacr zijn drie achtentwintigen." 
SfH, ,,Maar wat gasten zél je trakteeren? dat diende ik te 

weeten. 
Ltev. Sieur Kwieryn, én Tafelbézem, weetje non wie ikroien? 
Sm, En jj de darde; de droes nóch toe, 4&t zijn ér wél tien; 

Want Tafelbézem kan allien teugen acht man Tretten." 

2^ Bedrijf. (1) De oudste Kwieryn (Menaechmys II) treedt 
op met zijn »Faktoor", den Portugees Antonio (Messenio). Hij 
verhaalt, dat hij 26 jaren geleden met zijn vader de Amster- 
damsche kermis bezocht en zijn geleider kwijt raakte. Hij dwaalde 
rond en werd me^enomen door een kerel, die hem beloofde, 
dat hi) hem naar de schuit op Amersfoort, waar zijn vader 
woonde, zou brengen. Maar hij werd op een ander schip ge- 
bracht, naar Nieuw-Spanje gevoerd, daar als slaaf verkocht, 
maar later vrygelaten. Hij zette zich als tabaksplanter in Bra- 
zilië neer, heeft een aardig vermogen verzameld en komt nu 
naar Nederland om te Amersfoort zijne famielje te bezoeken. (2) 
Joost Smuiger keert intusschen met de gekochte visch van de 
markt terug en spreekt Kwieryn bij zijn naam aan, die na- 
tuurlijk verbaasd is, dat men hem, die pas uit Brazilië komt, 
te Amsterdam kent '): 

Kw, Van wat Qasten reutel je, kaerel? Sm. Wél kén je 

heur naamen 
Niet zó wel, als ik? Ik mien jou linkermand, Tys, 

jou groote maat. 
A'rr. Mijn groote maat? wél hey, deeie Vent lykt wél gék 

an zen praat 



1) vt 220: .Sr. Moot tril buubm kAbct." 

Tt. 222; «Cy. Q«mM Modi i homiam «nat? 

A>. (Igo. MeoMchmat «t partiHat mos. Cy. lam kü Mlt dcom 
Nam pamiUM oeto bonoBoa ■■bm beiU Augitsr." 

2) VI 282: Me. Qbm Ib eoBuiaBi ^BBtrit? Cy. Pantfittt 
Me. Memn pAratitBB? otiio kie 




Antonio. Zeyik't jeniet, dat l ïoa ateeken. 

Kw. Maar , kameraad , >t reur üukermaud wil je 

spreekeo? 
Sm. Van Tjb Tafelbeuzem." 

Ewierjn begrijpt er Diets ran en Smnyger wordt boos ') : 

„Wél bey, kéa je me niet? Ik b4n Joost Sniniger, 

de vaerd van Bommel. 

Joost Smuiger , óf Joost Ruiger, loop <renr den drommel. 

Sm. Weet je niet, wie ik bén? wél, ik ben ommers niet 

dronken? 

Héb 'ik je niet zo diknils van den ouden bond inge- 

scbonken. 

Als je tot onzent rrolyk bént, én raak overzit tót 

den dag. 

Ant. DiabloB , dat ik déze guit niet bastonneeren mag. 

J?w. Jy my dikwils wyn ingeschonken , die in zo veel' jaaren 

Hier niet in 't land geweest bén ! Wat zél me nócb 

wéderraaren ? 

Sm. Ontken je dat? Ku). Zou ik 't niet ontkennen? Wfl 

dat komt zéker schoon. 

Sm. Kwam jy Teurleedeo May , in dat giutse hoia niet 

mét 'er woon ? 

Kw. Wie ? ik daar woouen ¥ 'k wou liever , dat ik 't huia 

in brand zag ateeken. 

Meteiiio. Diiio tibi «M hic ijcapluntu ploromoa? 
Me. Qacm tn pkruilam quMrii, idmloeeiu, ncanP 
Cf. FeDirDlom." 
1) n 300: ,Qi. Culindnii ego lam: dod Dotti aoaen maiimP 
ili. Seu tu Culindrn'i xu ColiDdrai, pcriahi. 
*•. 803: Cy. Non ku qnii ego >im, qni tibi ufpiuDins 

Cjritliii» tpud QM, quindo potu? Mti. Hei mibi , 
(jnam nihil eat, qui illic homiai di mm innam eipnt. 
Ml. Ton cjathiwkrs mihi Miet , qui ute bniK diim 

£pidimDnm nnmqnin oidi seqni sasi? Cf. Neg»? 
Mt. tiego hcTcic iiaro. Cf. Mom In in illiica ■«diboi 

HibitMV Ut. Di hoBona, qni iUic ktbitut, perdiunt. 



105 

Sm, Zen zëlf kwaed wénschen ; wie hét zen leeven zo mal 

hooren spreeken. 
Maar hoor eens Sinjeur Ewieryn. Kw. fVat is *t? 

Sm, Ik zou jou raeden , als men yriend , 
Dat je jou zél?en ?an jou angebooden daalder dient'*, 

enz. 

Zij houden elkander voor den gek , (4) terwyl Antonio meent, 
dat het eene list is, om hen in het net te lokken. (5) Hg 
wordt in deze meening versterkt door het optreden van Lie- 
vyntje, die (6) den oudsten Kwieryn voor haren minnaar aanziet ^) : 

„Wél hartje, hoe hébben we 't mit mekaar? 
Hlyf je veur de deur staen? Wat schort je? Wil je niet 

in komen? 
Om wiens wil zou je 't<)aeten , óf veur wie héb je te 

schroomen ? 
Je bint ommers doen en laeten 't 'onzent, en ten minsten 

zo vry. 
Als iu jou eigen huis." 

Kwieryn meent daarentegen '): 

,, Zéker, Antonio, dit Vrouwménsch is dol, óf dronken. 

Wat óf ze in 't zin heeft , dat ze de vreemdelingen zo vleit." 

Hij is verbaasd, dat zij zijn naam kent, weet niets van het 

best^'lde maal, evenmin als van het fulpen jak en van TysTa- 

telbezem, en begrijpt niet, dat zij de woonplaats en het vak 

Cjr. IntABit kio qaidem, qai ipta« nule didt nbi. 

Aodia, Mcaaeehac? Mü. qaid uU? Cy. Si me eoatalM, 
Niimmitm Ulam qaMi mihi dodam poUidta*! darc, 
Jabeai, n •apiai, porealom adferii labi." 

1) Yt 361: «Animale mi, miki min aideatar 

Te kie lUn fbrit, fbret qaoi pateaat 

Mtgit, qaam domat taa, domai qaom haee taa mV* 

2) vft. 37S: .Certo haee malier aat ia«aa aai ebriaft, MeMeaio, 

<^o«e liomiaem igaoiam eoapcUat ma tam CuaÜiariter.** 



1 



zijn ] t. Hij 


wil 


jcbter trachten de zaak te 


, . t n 


1 


lar gaat met baar ia buis, 


ni hij zijn b 




^ezoDdeD. 


■• (1) - 


' 


t aan den ouden Jordan , 


loonzoon 




1 «ft gevraagd, maar dat hij 


< t t is kw ge 


t. 


Daar ziet bij den oudstea 


BTjn , die uit t huis ti L 


: itje komt; hij spreekt hem 


liij 1 


t 


hem in den steek te njn 


t Ujk 1 




neryu liem Tolstrekt niet *) : 



„Wél kaerél , wie moeit je ! héb ik je ooit van men leeven 

Gezien? ik zég laat me gaan, óf ik zélje een oorvyg geeven. 

T. Zo kén je me niet, fijn man; én je weet niet, wie dat 

ik bén? 

Kw. Wél, zou 'k het zéggen, als 't niet waar was; 'k zweer, 

dat ik je niet kén. 

T. Ewierjn, zie toe, pae op. Kw. Wat valt ét tbuI op te 

passen? 

Ik zei me ran jou wél wachten , jy zélt me niet Terrassen. 

T. Wél, kén je Tjra Tafelbeuzem niet, jou ouwe groote maat? 

Kw. Je raaskalt, vrjer; me dunkt, dat je niet wél mét je 

zinnen staat." 

Het wordt er niet beter op, als Tafelbezem Kwieryn beschul- 
digt , dat hij het jak van zijne vrouw heeft gestolen. (3) Ewieryn 
is gedurende den maaltijd met Lievyutje niet veel wijcer ge- 
worden, maar hij heeft zich alles laten aanleunen. Eu als 
Kniertje , de meid , hem verzoekt om voor hare meesteres den 
nieuwen rok te lateu veranderen, een sieraad naar den goud- 



I: .Nom cdcpol ego te, qood tciuii, amquam uitc hniic dicm 
Vidi ncqne noni: oenm «Ho, qauqou a, 
AcqnoDi ii hciu, mihi odioani oe *iai. 
Fa. Nou me ooaütil' Mt. Noa ncgfim, li boaerim. 
Ft. Mcnuchme, nïgiU. Jb. Vigilo teisle cqnidein, qaod Ki> 
Pt. TDom pantilam dod dohuÜF Me. Non tibi 

I, UBcipat, ut intcUcgo." 



107 

smid te brengen en voor haar zelve iets te koopen, neemt hij 
dat welwillend op zich. Zij spoort hem aan om spoedig heen te 
gaan , want (5) Belie verschijnt in de denr. (6) Dan komt de 
jongste Kwieryn op, die van plan is naar Lievyntje te gaan. 
Maar aangehitst door Tys Tafelbezem '): 

,,Zét jy me weer een dag' scheer, als ik by je te gast zél 

komen : 
Nou, Bëlitje, wakker, kyf, én doet hém van den duivel 

droomen" , 

leest Belie haren man duchtig de les, terwgl Kwieryn niet 
l>egrijpt, waarom Tafelbezem zijne partg niet neemt. Vooral het 
wegnemen van het jak en van een |,goud yzertje*' — hetzelfde, 
(lat Lievyntje aan den oudsten Kwieryn heeft meegegeven — 
speelt bij deze verwijten eene groote roL (7) Als Belie is weg- 
gegaan, treedt Lievyntje op, en de jongste Kwieryn wil van 
haar die beide dingen terughebben ') : 

,,lk héb je flus een jak, én korts een goud yzertje gegeeven, 
Qeef me dat eens wéér, want men wyf weet het allega&r, 
Hoe 't toegegaan is: Eü bekje, geef het me maar; 
Ik zél je daar na wél eens zo veul moogigheid koopen." 

Lievyntje zegt, dat zij hem een oogenblik geleden die beide 
(Hngeu reeds ter hand heeft gesteld; Kwieryn ontkent dit en 
zoo ontntaat er een twist tusschen hen. 

A'^^ Beiirijf. (1) De oudste Kwieryn heeft gedurende zijn 
tocht door de stad te diep in het glaasje gekeken en (2) wordt 
in dien toestand gezien door Belie en Tafelbezem. 

l^Iie, die meent haar man voor zich te zien, leest hem 
(luchtig de les, maar de ander begrijpt niet met welk recht de 
vrouw hem uitscheldt. Bovendien vril zij het jak terug hebben. 



1 ) Tft. 617: «At ta M eUm im nnmniii pnadiui. pcrgs is «ii 

2) T» ATS: Ammo «kpol pdlaa UImi. uMbo U. ^wm tiVi dadoa iM. 

MiHi Mm nddc: aior rsKiiit rm owmb, ui ÜMtostt, ordiM. 
Ego iibi radinui bb Uato plant psUaa, ^&om 



108 

dat h^ by zich beeft, K» i wu nei aiieen geven aaa 

Lieryatje, die het bem stelde. (4) Thans treedt <]e 

oude Jorden, de vader ' op; hij ïr door Tafelbezem 

gehaald en iracht den ti e itellen '): 

>Hoe kjk je zo bedroefd? wat schort hém, dat hy zoo 

toornig siet? 

Héb je kwestie mit meka&r ehad ? apreek , wat is 'er 'eschied ? 

Wie hét schuit? allébej? zég 't me, maar zonder venl' 

woorden." 

Belie brengt haar beklag in; Jorden vermaant tot zacht- 
moedigheid, Tafelbezem stookt bet vuurtje aan, en Ewieryn 
ontkent alles *): 

»Héb ik men voeten over beur drempel gehad, ik zweer je, 
Dat ik nooit mag komen, daar ïk gaeren weezen zou." 

Men houdt hem nu voor krankzinuig en Tafelbezem wordt 
gezonden om een dokter te halen. (5) Ewieryn houdt zich na 
werkeljk., of bg krankzinnig is , doet Belie uit aogst vluchten, 
(6) dreigt Jorden, die vergeefsche pogingen aanwendt om bem 
tot bedaren te brengen , en (7) gaat eindel^k heen. Dokter Po- 
IjfemuB verscbynt en de zaak wordt bem uitgelegd. (9) Hg 
neemt terstond den ]'ongst«n Ewierjn, die nu optreedt en 
tracht zich met 7.^ne vrouw te verzoenen , onder handen. Polyfemus 
vraagt naar zijne leefwyze; drinkt Kwieryn roode of witte wgn? 
>binnenbier of Wezeper?" Kwieryn is verontwaardigd '): 

>Wil je met eenen niet weeten, 
Of ik men geld mét tarwe , rogge , óf witte brood te eeten , 



1) ra. 770: .Quid tu triitii <■? quid illc intcm tit te into* dettititP 

NcMJo quid an ucliUti ntu iotcr aot dao 

Loqain, ater raemiilii cnlpam, piacii: OOD loDgoi logDi." 

2) ra. 817; rSi ego intn ladli haioi amqaim, ubi hibilat. peaïtnm ptdé 

Onmian homisniB uoplo nl G4ni miMrorum miurmmai.*' 
S) Tl. S17-. .QniD tD rogu, 

PorpunDH puem u paniocnm ■oleim ego mm %a IntcHin? 



109 

Of in geveerde Tisschen, óf geechobde YOgels yerteer? 
Jónlen. Nou raakt hy hiel boiien westen: hoor je 't niet? ay, 

ordonneer 
Hém een reeéptje, eer hy doller wordt. PoL Laat my 

betyen , 
'k Moet hém noch wat yraagen. Jor. Je zélt mit rraa- 

gen niet bedyen: 
Je moordt hem mit al dat rraagen. PoL Zég, voelt 

gy uw gericht, 
Of uw* oogen niet dikwils styf staan ? Kw. Je ziet me licht 
Veur een puistebyter óf sprinkhaan an,*' enz. 

Kwieryn houdt op rijne beurt Jorden en den dokter voor 
krankzinnig, die (11) intnsschen besluiten hem op te sluiten. 

h'^^ Bedrijf. (1) Antonio, de knecht van den oudsten Kwieryn, 
Ls in een gesprek gewikkeld met den schipper Kees Koenen, 
als (2) Jorden met ivier Arbeiders*' verschynt en den verbaas- 
den Antonio meedeelt, dat Kwieryn gek is geworden en men 
hem zal binden. (3) Nu de jongste Kwieryn opkomt, wordt dit 
voornemen ten uitvoer gebracht, maar Antonio en de schipper 
komen te hulp en bevryden hun gewaanden principaal. Antonio 
vraagt als belooning — by Plautus vraagt Messenio zyne vrij- 
heid (V8. 1030) — 

T^Schénk me men vracht van men tabak, én twé kisten 

moskovaden , 
Die je me toegelaaten hebt in jou bevrachting te laaden." 

Kwieryn staat dit verzoek, waarvan hg niets begrgpt, toe, 
iiiajir hy kent Antonio niet en weet niet, waarom deze hem 
^ehoIi>en heeft, en hoe hg zgn naam kent: 



SolnmM mm a«k tqiABottM, pStrit pcinati»? Smêm. PüpM, 
Aidin ia, ■! delirtBenU loqtitar? qaid omms dan 
Poiioaif ali^mid, prist i|QMB pcrdpii iBsaak? 
Mttiiens MiB« modo: fftiaa pcreonUbor alia. Sr. Oceidb fabttlm. 
M0J. Dir mihi hoe: toWai tiU «aqnui oenli dmri ieri? 
M«. (^aid? Ui m» lie«tU« «tatti «m, IraMo issiiJMiMil^ 




110 

» S[ , maar help me te recht , 

Hoe kén je me? zo Tc dol bén, dat zal me doen 

beilaaren. 

Kees Koenen. Bin je mit ona niet van Lissabon na Téssel toe 

gevnaren ? 
Ant. Bén ik jou faktoor in Brnzil niet vyf jaaren ge- 



Ku>. Jy myn faktoor, vrind? 7.ou ik ook gék weezen? 

ik vrees"t. 

Ik weet nérgens van; maar vaar voort, Kw-nm. 

Heb je me niet 

Met boomolie, tabak, blankos, en moskeraden 

ófelasden ? 

Ant. Héb je m; in jon bevrachting geen twé last goed 

toegestaan, 

Die je tne straks franco gegeeven hebt? Kio. Hoe 

zal 't nóch gaan? 

Koen. Héb je me niet beloofd de boómery van drie 

daizend gulden, 

Die op veertien dagen zigt was, als jou eigen' 

schulden 

An te neemen? bin je niet met de Bodemere veiv 

akkerdeerd , 

Dat j'er kontant betaalen zoud" , 



Aatonio spreekt nu van geld , dat zgn meester hem heefl 
overhandigd, voordat hij het huis van Lievyntje bioDentrad, 
en Kwieryn doet, alsof h^ allea begrijpt, maar zich onooozel 
heeft gehouden om daardoor eene weddenschap te winnen. Hy 
neemt het geld van Antonio aan en gaat heen. (6) De oudste 
Kwieryn verschijnt; als Antonio zinspeelt op z^ne bevrijding 
uit de handen der vier kerels en op het geld, dat h^ terug- 
gekregen heeft, heet hy bet liegen en wordt woedend. Antonio 
en de schipper honden hem voor krankzinnig en grijpen hem 



111 

aan , terwjjl Ewieryn om hulp roept (7) Jorden , Belie en Ta- 
felbezem yerscbynen ; de eerste wil hem 

»in zeo hois 
Bj zen wyf draagen laaien'*, 
wat weer aanleiding geeft tot nieuwe Terwarring en bg Antonio 
de verdenking opwekt, dat het alles met Lieryntje, Jorden en 
Belie doorgestoken werk is om zgn meester af te zetten. Hg 
wil hem dus weder met behulp van den schipper bevrgden. (8) 
Dokter Polyfemus heeft den jongstan Ewieryn in zgn buis ach- 
tergelaten ; hg laat hem halen , en (9) nadat men den oadsten 
Kwierjn heeft losgelaten, die terstond Antonio te Igf wil, ver- 
schijnt (10) ook de jongste Ewierjn. Algemeene yerwondering. 
Belie weet niet, wie van beiden haar man is , en de twee 
Kwierynen zgn niet slim genoeg om dadelgk de toedracht der 
zaak te vatten. De dokter — bg Plautas is het de slaaf Mes- 
senio — komt hnn te hulp : 

»En zég, wie heet Ewieryn? 

De Ovuhte^ én De Jongite Kwierytiy te gelyk. 

Ik. 

Kees Koenen. Alle bey Ewieryn , dat is nuuwlyk. 

/V. Ik meen Ewieryn Stoffelsen? 

De OwlêU^ in De JangsU Kwieryn^ U gelyk. 

Dat bén ik. 

Poi. Dat is een gmnwlyk, 

Ën wonderlyk wérk; hoe! naam, én toenaam bey eveneens? 
Wie is van beiden de tabakkooper? 

De Oudste f én De Jongste Kwieryn^ te gelyL 

Ik. 

J*ol, Dat is wat ongemeens! 

Maar die meen ik, wiens Vader in tabakplanten gedaan 

heeft, 
En ie Aroersfoord aliyd in de Eatolyke Eérk gegaan heeft. 

De Oudste , én De Jongste Kwieryn , te getyk* 

Ik." 




112 

Er komt licht in de dnisternis. De JoDiïate Kwieryn bekent, 
dat h^ het jak van z^ne Trouw heeft weggenomen , eu wordt 
als de echtgenoot erkend. Jorden geeft den goeden raad : >HoDdt 
ze nou van mekaar", Polifemn»; wordt voor zijne moeite be- 
loond; Belie belooft niet meer zoo als vroeger op haar man te 
znlleu kyven , en haar echtgenoot zal zich niet meer met Lie- 
vyutje inlaten; Tafelbezem wordt met een pak alaag gedreigd 
en zoo eindigt het stuk. 

De Oelylee Twélingen ia eene verdienstelijke bewerking der 
Afenaechmi. Er is veel party gftrokkeu van hut origineel, waar- 
uit tal van aardige gezegden- zijn overgenomen. Hier en daar 
is een tooneeltje ingelaacht. Het stuk kan in Amsterdam qwleo ; 
de toestanden zgn niet waarech^niyk , maar toch mogelgk. De 
slaven zyn er uit gewerkt en alleen de panlikker van beroep 
is een prodakt van vreemden bodem. 

In 1675 zag te Antwerpen eene andere bewerking der co- 
medie van Plautua het licht. De schr^ver, A. F. Wouthers, 
gaf aan zyn stuk den titel; De twee ghelycke Schtppen^). De 
klucht heeft den volgenden inhoud. 

1»'« Bedrijf. Sander G. Van Bal (Menaechmva I), ighehouden 
Schipper", verlaat zyn huis en vertelt aan zijne vrouw Griet, 
dat hy een pak moet bezoi^en by Signor Pauwels en dan naar 
Lillo moet varen. Het echtpaar krggt twist, die hiermede af- 
loopt, dat Sander met voldoening z^t: 

»Ick heb baer even-wel nu fraey in huya ghekeven." 

Hij ontmoet Steven (Penicvlva), een >Tafel-Gast" , en nu 
blijkt, dat bet pak voor Signor Pauwels niets anders inhoudt 
dan den zoodagachen rok van zijne vrouw. Hij zal dit klee- 
dingatuk vereeren aan de »Waerdin" Catryn (Erotivm), en 



'Des Bock moet deaen d^h eens swemmen in den w^n: 
lek wil dat ghy hiertoe mijn tafel-gast sult zgn : 



l) Cheil maer-ghiboolil agt den Meuaecimut m Plauttu Door J. F. ITimtlitT». 

y, C. Vertoont op M Jntmrpttie Schouteöarfi , dm 31. Novemler 107^ *?>n'»7»' 



^~^ 




113 

Want Joutf'rouw Trjn mach wel de Spit eens braef doen 

keeren 
Als ick haer desen Rock cotn Toor den Brom yereeren." 

Zij vinden Catryn , die toot den rok eten en drinken wil 
verschaffen , drinken vooral , want Sander 

»wil eens uyt de borst soo sat syn als een swyn*' , 

maar zij wil niet tevens voor Steven opdisschen, die ischranst 
voor Heven'' , en dat gaat niet aan , want 

>soo veel cost, en w^n, 
Kn (lat voor eenen Rock? ick heb de maet ghenomen 
*k Sie dat 'k met desen Rock niet toe souw connen comen/* 

Sander beloofl een gouden keten van Catryn, waaraan een 
pa^ir schakels ontbreken , te zullen laten herstellen , en nu mag 
Steven aan het maal deelnemen. Deze is dus voor van daag 
weor geborgen : 

>Myn leven hanght daer aen, soo 'k smorghens souw ver- 
geten, 
Wuer dat ick *s noenens ben gedachvaert om te eten. 
'k Heb myn ghedachten hier soo gonstigh als myn maegh, 
Want dat is al myn sorgh, daer ick alleen naer vraegb: 
Ick leef maer om den Brom , als my die sal ontbreken 
Dan laet ick om een duyt my wel de keel af steken." 

Thans treedt Joris (Messenio), de > knecht van den onghe- 
houden Sander*' , op met een valies en wordt spoedig door zgu 
nieesUT (Menaechmvs II) gevolgd. Deze is met zgn schip te 
Antwerpen gekomen: 

f Jae was 't niet fraey daerom tot Lillo te vernachten 
Om dat 't den Tollenaer noch niet en qnam te pas 
Toen ick quamp met mgn schip, als hy al slapen 



(iuta de »€ rrtdit, dUta de nmiikwÊO. t'AmttPerpm, Bf ImmètfÜsts wamde Cm^, 
op (it KêtM-rinj im de Dormê'Croom. IA76. 

S 




114 

Jor. De Kloek hadt toen b1 ses. Sond. Die Huickeri Itijckdom 

maecken 

Behoorden d'halveu nacht tot jders dienst te waecken. 

Bet is hier al beleeft aelfs tot eeu' Tollenaer. 
Jw. Dat wert men liier best aen de maeghdekens gewaer. 
Sand, Jae, die tot Amsterdam aoo ataer als katten pronckeo 

Syn hier heel rrindelick." 

En zoo komt het gesprek op het gevaarlgke ran Antwerpen 
en op de beruchte Lepelstraat, Joris waarschuwt z^n meester 
en schrikt, als Catrjn uit haar huis treedt en Sander b^ xgn 
naam aanspreekt. 

Jor. >0 Baes, dat isser een, Sie dat gy voor u siet. 
Die roede stricken iu die op gecroldn locken , 
En dat wit Passament op incarnate rocken 
Siet al wat op sgn hoera, dat eraem staet m; niet aen." 

Sander is vooral rerwonderd , dat Catrjn zgne afkomst keut : 

»Ohy BÏJt tot Amsterdam gheboren, en uw' Vader 
Was Herreman van Bal. Sand. Dat'swaer, dan segb noch 

nader. 

Cai. Uw Moeder Truyken Bieat, die was van Rotterdam. 

Sand. Ick speur wel dat ^liy niy ghekent hebt t' Amsterdam. 

Cat. Ik heb noch Amsterdam, noch Hollandt oyt bekeken. 

Sand. Hoe weet ghy dan soo wet vau mijn geslacht te spreken ? 

Cai. Wel hebt ghy my dat niet by w^len uyt gheleyt?" 

Joris waarschuwt nog eens en meent'): 

> Die Verekens weten stracx naer yder saeck te taelen , 
Als sy maer cans en sien om baer daer by te halen , 
Sy seyndeu Jonghers, en doortrapte Megsens uyt 



.morem hunc mcretricei htbcnt: 
Ad portam miUunt lerunlo*, «Dcillulu: 
Si quic perfgrint niuia in portnm idutnit, 



A 



115 

Om *t ondersoecken wat Toor Voick sit op het scbnyt.** 

Maar zijn meester zendt hem weg met het Talies, yerklaart 
aan Catryn , dat hy niet op Stèren wil wachten ^) : 

>Ik treek my hem niet aen. 
Kn Bcboon oft hy al quam , 'k wil hem niet binnen laeten ;** 

dreigt dezen , nu hg yerschgnt, met slagen en gaat met Catryn 
binnen. Steyen is woedend en yertelt terstond aan Griet, dat 
haar man haar beroofd heeft. Griet slaat in hare boosheid taal 
uit, die aan Steyen de woorden ontlokt: 

» Su8 Grictien swyght men mogbt dit hier in keunis legghen , 
Men weet by wglen niet, wat m'op het straet al seydi 

(iriH. Wat brilt my dat, ick segh*t maer nyt een haestigbeydt. 

>^tev. Men deed* u light daerom op de Pegs-Camer daeghen.'* 

De getrouwde Sander komt nu tehuis: 

»'k Com om myn onder-lgf, het is te grooten couw 
Om 800 op Ischuyt te syn." 
Niulat zyne yrouw hem op niet malsche wyze de waarheid 
hei*t\ gezegd , moet hy nog boyendien heel wat yan Steyen 
hooreii. 

;ƒ /'^ Bedrijf, De ongetrouwde Sander yerlaat het hnis yan 
Catryn; hij heeft rok en keten bg sich om se te doen herstel* 
len , en is zeer in zyn schik: 

>Ja, ja, dit is spgs en drancken 
hl dese stadt yoor niet ghecregen, en dan noch 
DeêH keten met dees rock yoor giften yan 'tbedrogb. 
.lae Jotl'rouw, Sander sal by a we*er t'ayont comen. 
Neen, 'k heb al ionst gbenogh yan dees sottin becomen**. 



Rogitaal qsoutit tit, qaid d mnmi nd** 
I> vf 422: «Neqoe ego illaoi maaeo tteq«e lloeri (bcio, aaqM fk mmtH, 

•oio iatro mitU.** 




Catryo ziet in , dat zy n vat ouvoorzichtjg is geweeat 

met hem die dingen mee ge' 

>Ba aeker Sauder heeft vad i «gb my ü-aey gehodt. 
Hy heeft den Rock we'erom, aga darmen vol gbeghet^n 
ëd daer hj beeft by noch ri my mijn goade keten, 
Die hy light elders voor 'tg .agh veqmsseu souw." 

Nu komt de getrouwde Sander haar den rok weerom Tmgen, 
maar Gatryn eischt van hem rok en keten terug en dreigt hem: 

iGby schelm ! gby Dief! ick sweer soo gby my niet terstont 
Mgn Keten gheeft, dat ick u sal doen als een' hont 
Met twee Dief-leijdera naer den swerten Arent alenren 
Al BOuwt ghy 't met eeu strop om uwen hala betrearen". 
Joria spreekt deu gehuwden Saudnr als zyn meester aan, en 
als Catryn met twee >Diefleger8" optreedt, om hem te doen 
vatten, helpt hy Sander, en de beide kerels gaao op de vlucht 
Joris houdt Sander, die hem niet kent, voordronken; voor 
zijne hulp in het gevecht verzoekt hg hem: 

»Soo schenck my dan het recht, 
Waer op ick beu verhuert by u , om noch sea jaeren 
Op uw schip met u naer Oost-Indiun te vaeren. 
San(f. Sijt vry, wanneer ghy wilt, ick wil u wel ontslaeo, 
Jor. Soo wil ick desen dagh noch naer mijn' Ooms toe gaen, 
Die dient op 't Brussels sas, ick sal siin plaets licht 
cryghen." 
Joris overhandigt aan Sander bet valies, eu deze is daar zeer 
mede in zijn schik : 

s'kGae t'huys, nu ick iets heb dat mgn Wijf paeyeo sal," 

3* Bedrijf. De ongetrouwde Sander komt met den rok en 
krijgt twist met Uriet, die den rok terugeischt; Joria tracht te 
vergeefs tuaacheu beide te komen. Als Griet zegt, dat zy zevea 
jaar met hem getrouwd is , ontlokt dit aan Sander de woordeo : 



A 



117 

)>'t Is vreenit den eersten dagh dat ick hier eora in siadt 
Vindt ick de Borghery tot eenen toe 800 sat, 
I)at sy den eenen mensch voor d*anderen niet kennen, 
hl Hül landt souw men hun die parten wel af- wennen/* 

Hij krijgt nu ook ruzie met Joris, die in zijn nieuwen dienst 
wil gaan , en van wien Sauder het valies opeischt. Thans treedt 
de gehuwde Sander op met het valies; zij zien elkander en de 
famieljt'-betrekkiug komt uit. De gehuwde Sander doet daarna 
het volgende verhaal : 

> Wel ick sal u dat eens gaen klaer voor ooghen stellen, 
Soo niy myn Mo'er dat wist voor desen te vertellen. 
Wv vaereu in de Zee, ghenegen met ons schip 
Nacr (Jroeu-landt toe te gaen: wanneer het nae een klip 
Hoor eenen dollen wint ghewislijck wiert ghedraghen . 
Da«r wuH gheen helpen aen , het Roer was af-gheslaghen , 
Den Mast was over-midts, wy wachten maer den stoot, 
Wanneer mijn Moeder met my af-spronck in de Boot. 
Hier by qiiamp noch een' knecht, myn Va*er wouw hier 

by comen 
Di«' u al weeneude hadt in den arm gheuomen , 
Om u aen Moeder oock te gheven in des' noot. 
Dan midts hy stont aen 't boort, soo vloegh de Touw van 

't boot 
In stueken , en de boot in 't midden van de baeren , 
Maer wy syn met geluck dit ongevaer ontvaeren , 
Door 't riemen van dees knecht: wy raeckten aen het lant 
Kil kreghen daer den cost een half jaer, als het strant 
Wicrdt van een Hollantsch schip bevaeren , die ons naemen 
In Ildllandt, en van daer naer dese stadt, daer ick 
Mijn Moeder haest verloor door droef heydt, endoorscbrick 
\'an dry jaer la nek naer het gheval van onsen Vader 
Veri^lieeft^s U» taelen : ick was twaelf jaer out." 

Hij is te Antwer]>en blgven wonen, is schipper geworden 
en is g«trouwd. De ongetrouwde Sander verhaalt dan verder: 




118 

>Het Scbip echoot naer de klip , en 't waer goewia in studceo 
Dan eeaen dwarel wint quamp soo op 't scbip te ilntckeo 
Dat het bea^jdea vloogh ea soo 'tgfaevaer ontschoot." 

Ëenige jaren later is zijn vader zee gevalleu en verdronken : 

>Want hy hadt wat te veel g ibraitdo-vcijn ghedroacken." 

Alles is du3 thans opgehek de klucht teu einde. 

ZiJ ia eene vrije bewerk ; Metwechvii en veel korter 

dan het oorspronkelijke. Vi < taling is slechts op enkele 
plaatsen sprake. 

In onzen tijd werd het hlgspel vau Plautns nagevolgd in 
De Tweelingbroeders ') van M. J. Gillesen. Het stukje speelt te 
New-Tork. Charles Stepheusou woonde als kind te Looden. 
Hy herinnert zich, dat hij een tweelingbroeder had, dat zyo 
vader hem, toen hg zeven jaren oud was, medenam naar een 
kroningsfeest , en dat hij toen verdwaalde. Een heer voad hem, 
deed alle moeite om hem te recht te brengen , en nam hem , 
toea dat niet gelukte, mede naar Amerika. De man had geene 
kinderen ; hij nam den jongen ia zijne zaken en maakte hem 
tot zgn erfgenaam, onder voorwaarde, dat hij de dochter vau 
een boezem vrieud vau hem zou huwen. Charles Stephen bod 
voldeed aau die voorwaarde, hoewel bij sedert eenige jaren 
met een ander meisje verloofd was. Aan deze vertelt hij uiet, 
dat hij gehuwd ia, maar blijlt steeds met haar in betrekking 
en brengt haar, iu gezelschap van zijn ongehuwden vriend 
Bor»telinaQ , den mantel zyner vrouw ! De tweelinghroeder komt 
in Amerika, eu nu vindeu wij iu het kort dezelfde verwikke- 
ling als in de Menaechmi. Natuurlijk trouwt de broeder met 
het meisje. — Het stukje i» door het elimineeren der >mere- 
trii" wel fatsoenlijker, maar veel onmogelijker geworden dan 



1) Bbjlfel mcl Zang in één Bedrijf, vrij geiolgd naar M Bameiiui-ia btijtprlwam 
PUntiu. u uUlrckul voorkomtHd, in Streekfati .WertUgaelücdena." dttl lil. bU. 
216, door U. J. Gilian. Awulcrdam . 0. 'lUeod. Bvm. 1876. 



119 

Plautus* bliJ8[)el. Zooals reeds ait den titel bljjkt^ is alleen de 
yerwikkeling der Menaechmi nagevolgd. 

Ook in andere talen dan in het Nederlandsch riep de Me^ 
uaechmi eene menigte bewerkingen en navolgingen in het licht. 
Eenige daarvan zijn weer in onze taal overgebracht. Pietro 
Aretino (1492 — 1547) schreef Lo Hipocrito; Hooft vertaalde 
dit blijspel in proza onder den titel Schijnheüigh. Hg gaf het 
niet uit *), maar eeif ander berymde het proza van Hooft en 
in 1624 zag deze bewerking op naam van Bredero het licht ^). 

Een ander Italiaansch blyspel GC Inganni (1562) van Nicolo 
Secco werd door Dr. Bernard Fonteyu in 1633 op ons tooneel 
gebracht onder den titel: TranquiUi de i/ant Droef Bly^Eyndent" 
Spel , en Fortunati Geluck en Ongeluck *). 

Van Sbakespeare's Comedy of Errors gaven A. S. Kok en Dr. 
Burgersdyk ons beide eene vertaling onder den titel De klucht 
der vergueingen. *) 

VIL Miles Gloriosus. 

Ludolph Smids heeft in De Geschaakte Cinthia*) (1688) eene 
XtHierlaudsche bewerking gegeven van de MUes. 

\4fc Bt'JrIjf, (1) >Don Alcides Polimacheroplacides , Ridder van 
de zeven zwaarden , leggende binnen Messina in guarnizoen'* 

1) i)r. Tio Vloten g»f het ftuk tu Uooft uit in de DUiêckê Warmndê , 1856, 
blz 213. vigg., ook all B()la|^ aehter dl III tu Jioo/ti £rw9€m, 1867. bU. 889. 
vlgg. en in n®. 99 Tan het KUsêiêè Lgjiêrhmdig FmUUam. 

2) G. A. Brtdtroodi Sckyn-HtyU^k. Op den Kêfêi: OiuUreemêekijmHmnejfliekêjfi, 
Soo trvrf tUn wkmêck vetUijti mHtft. i* Jwutêirwdmm . Voor Lodow^Jtêt, wtmder PUêêt, 
cDi , Aumt 1624. M^ Pr iw iiêfit woar stmm Jmrm, 

3) ÜeipctU op dê JwutenUmuekê Omtr, Jmmo M.DC.XZXIII. TAwuUUêdmm, 
9uvr hirck CormêiiêM. HomiAéÊtck , eat.. Aa$»o 1688. 

\^\. over dit ttak mi^u opetel over Beratrd FöBtcja ia Omd'HUUnd , 2de jaarg.. 
1SS4, bil. U5, 148. 

4) Vgl W. SUMupmrm Dmmtitiêekê wtrkm. TtrimM éoor A. 8. Kok, Amsier- 
dam, 1H80. dl V, en ZV werktm wtm WiUism SAmJtê^mn 9$rtmmU door Dr. L A, J. 
Hmrjtfidtjk Uiden, E. J. BrUL 1886. dl. I. 

5) Klmckttpcl. Getrokken mi de rgrwmmmde Krffswmn ren PUmtmi, Amp. èf Sto- 

T\mpmiU%i99 ykem^Têpev h fi/m réxmi^. 
t'Jmsifrdmm, Bf de &y: rmn J. LoÊtmife, eaa., 1688. Mei PrmUfie. 



% 




120 

(Pvrgopoliüicea), heeft ver itteniuiien vemcht. Als 

zelf niet van ove: igd 1 7.\ lienaar Eapit4tnD (Artotrogrn 

en Palaestrio I }i de OTeHuiging breagen ') 

>yan «len rinoceroa wilje spreekt 
Op wiens schubben en schilden lueu u die zeven zwa 

den in stukken zag breeken. 
Alc. Daar draag ik mjn naam af; Poli^acberoplacide». Kap. 
'T ia waar , gy braakt hem de voorste poot 
Ed had gy uw best gedaan, gy had hem met een vuist- 
slag gedood 
Ja waa uw voet niet uitgescbooten , 

Gy had het beest door de ribben, en dwars door zyn 

darmen heen gestooten." 

Natuurlijk zijn alle vrouwen dol op hem ') : 

Kap. »Tu de waereld was nooit ontzaggelyfcer krygw: 

Daar hy niet lomp of scheef; maar wel gemaakt van Ijf 

en leen. 
O schoone! gy word bemind en aangebeeden ran ydereen: 
Binnen Messina, byzonderlyk , van de atlei^^otate me- 
' Tfoowen, 

Die, apyt die Ciothia van Napels, met held Alcidea wen- 
schen te troowen. 
Noch gisteren hielden my drie Sinjoraaa hy de mantel raat. 



1) Aangehaald naar it uitgave laa LorcDi, WeidmapD , 1860. 
't. 25: Artofmgrt. .Vccata. ïdepol ucl clephanto in lodia 

Qua pacto pagao [inefregiali brarchïDDi. 
rrrgopelinieiÉ. Qnid? hracchium? j/rl. Illot dicerc uolui, (emnt. 
Pvrg. At indlligcatir ioram. Jrf, Pol li quidvm 
CoDÏiiu OM*, p«r eoriam, per nixwra 

S) n. tl: Jrl, .(^DÏd ego dicam , qna 

Te, Pargopolinicim , unum ia terra aiuere 
Virtate el forma el factii iniiietiMamiuii? 
Amaot t»J omnea muUerea, Deqne iniuria , 
Qui lil tam paleer, nel illae , qnae hert pallio 
M* reprehenderust, Pen/ Qnid ttr diieronl tibi? 



121 

Alc. En wat zeideiize? Kap. Zy badden wel zes dagen op 

my gepast. 
Zy vroegen, of je niet Alcides waard, uit het geslacht 

der helden: 
'k Zei ja; en dat je vader tegen Atlas heeft gevochten in 

de Hesperische velden. 
Och, Rprak de jongste, dat ik hem eens omermen mogt! 

Al(\ Weuschte ze dat, zeker? Kap. Ik ben van haar beiden 

omgekocht. 

Air, Waar toe, Kapitano , waar toe toch? Kap. Om heden u 

verby haar wooning te legen. 

Air. Ja, zo plaagtme my! laat een ander zich met zyn sterkte 

of schoonheid vleyen, 
Voorwaar, ik ben ze raoê." 

Alcides wordt niet alleen door zgn knecht voor den gek ge- 
houden , maar ook bedrogen. Hg heeft niet lang geleden te 
Napels een meisje, Cinthia (Philocomasivm) , weten te lokken 
en is met haar weggereisd, terwijl haar minnaar, Horatio 
(Plevsicles), afwezig was. Nu is Kapitano de knecht van Horatio; 
hij i» Alcides uagereisd , heeft hem te Messina gevonden en is 
in zgn dienst getreden. Zoodra hg aan Horatio het bericht had 
gezonden , dat Cinthia gevonden was , is deze naar Messina 
^e^aan en is nu gehuisvest bg een >Doktoor** (Periplecomenvs), 
die naast den ridder woont en die in den muur tusschen de 
l>eide huizen een gat heeft laten maken , waardoor de twee ge- 
lieven bij elkander kunnen komen , als Alcides niet te huis is. 
(4) Ongelukkig is Zakkanino (Sceledrvs), een andere dienaar 
vuil den ridder, op het dak geklommen, om een weggevlogen 

Jri. RofnUbaat: •hiein* Aehillet est*' inqaii nihi. 
kloiBo eioMi frater*' inquam. anaait altera: 

• Ergo mecattor paleer rtt*' inqoit oiihi 

• Et liberalta. i^ide, eacMriet quan deeet. 

• Ne illae tont fortaaatae, qaae cam illo eabaat.** 

Pory. Itaae aibat tanden? Art. Qoi» me ambaa opeaeraaerwit , 

Vt t« hodie qoaai poapam Ulam pnetcrdoeerea. 
PoTf. Nimiaat miaeria, aiaia paleram eate hoi 



1^ 



L r 



papegaai weer te vtiDgen, en 1 ift Horatio en Cinthia el- 
kander ÏD het huis van den I %ieu omLelzen. (6) Er is 
dos gevaar, dat alles aan het il komen, maar Kapitano 
weet raad ') : 

>De Ridder van de zeven zwaarden laat zich heel 

licht ooren aannaajen; 

Hj heeft geen meer ^ 1 als een braadharing; ik 

1 hem leiden als een kind, 

Zyn onger^elde o heid maakt hem eo doof 

als blÏDd. 

DoktooT. Ik ken zyn dwaasheid: maar gy houd my in Terlaogen. 

Kap. Heer Doktoor , zie das meen ik myn saaken aan te 

rangen. 

'k Zal hem wys maaken dat de znster van Cintbü 

bier is gebr^i, 

Door zeker jongeling die op haar fauwelyk wagt: 

Dat zy en Cinthia zyn gelyk van gelaat, ja van lyf 

en leedeii, 

Ala waar deseenen aangezicht uitdea anderen gesneedea: 

Dat gy die twee gelieven in uw huis hebt gelogeerd. 

Dokt, Puik! het gevaltme. Kap. Zo nu iemand Cintbia 

blameerd , 
En haar by den Ridder van oneerbaarheid durfd be- 
tichten , 
Zo zal ik daar een schot voor schieten, hem beter 
onderrichteo , 

1) Tl. 233: Palatêlrio. .Eriu mcui clcphinti cona circumtgntuit . dod •do, 

Nequt hib«l plu iipieatitc qaim Upïi. PenpUcomam. 
latuc cgomet tcïo. 
Pal Üa-nt %\e ratioiwm incipiudn, hinc iottitUD) utotitm : 

AA PhilocomMium hnc (aroma geminim germuiim altcram 
IMom Atbenii idDtaiiM cdId imtton lliquo tuo. 
Tim •imilem quim Itc/« llrtiit: ipul tt co* bic ilcuorlicr 
Uiom ho>|iitio. Peripl. Eugc, enge, Upide; Uudo commcntuni taom. 
Pal Vt, n 'Mame «DcrimiDttni ait «daanniii militcm 

Meui coucruot, w tam nidiwi bic cam «lii^uo luwulirur. 



128 

Ën zeggen dat hy slechts twee yreemdelingen rond." 

(7) Kapitano moet zya plan terstond uitvoeren, want Zak-* 
kauino komt, angstig voor straf, hem meedeelen, wat hij heeft 
gezien. (9) Kapitano wijst hem Cinthia, die gewaarschuwd is 
en voor een raam van het huis van Alcides verschijnt. Zakka- 
nino vertrouwt de zaak echter nog niet. (11) Nu treedt Cinthia 
uit bet huid van den ridder, scheldt Zakkanino uit en gaat 
dan weer naar binnen. (13) E^n oogenblik later komt zy in 
uudere kleeding uit het huis van den dokter; zg laat zich 
Diana noemen en geeft voor Kapitano en Zakkanino volstrekt 
uiet te kennen. Zakkanino, die nog niet overtuigd is, grgpt 
haar aan , maar kqjgt een oorvgg. (14) Zg gaat het huis van 
den dokter binnen en verschgnt een oogenblik later als Cinthia 
voor één der vensters van den ridder. (16) Nu komt de dok- 
ter op, woedend, omdat Zakkanino zgne nicht, die bg hem 
logeert, heeft lastig gevallen. Hg stuurt Zakkanino in zgn 
(des dokters) huis, om daar Diana te zien. De knecht is over- 
tuigd en vraagt den dokter vergiffenis voor zgne vergissing. 

2''< IJe^hijj', (1) Kapitano, Horatio en de dokter beramen 
plannen om Cinthia uit de handen van den krggsman te be- 
vrijdeu , nadat de beide laatsten eerst het vóór en tegen van 
het huwelijk hebben behandeld. Horatio is oen vurig minnaar 
en de dokter is niet gehuwd; hg vreest eene lastige, kgvende 
vrouw, en op kinderen is hg niet gesteld '): 

»E)ie heb ik genoeg, amice: nichtjes en neeQes; vrienden 

en maagen: 
Die. dagelyks, voor dag en don, na myn gezondheid 

koomen vraagen; 
Die op myn huis passen; die my naar myn oogen zien; 

Aricuaoi it«r nidiate tpiid te eoalra eoBMmoB neom 
Cum tiio uBAtort aaptciMitMi ttqne •«te«laBleai.** 
1) Tt C98: .(^iiADilo kabeo moltot oogattot, qoid opvt mtki til liberifl? 

Nnnc beM ■iso et fort«Mte ttque ut «oio «tqae aaiao it lobet 

lU>um MM !■ Borte eogMtit dïd%m, iatcr cot psrtiui. 

¥d apttt HM toat, n mte evraat: uitaBl qttid asm. «eqttid «tlUi: 



124 

Die des nachts praktizeereD watze aiy , by ilaag , lutn zul- 

leu biêa ; 
Die my t«F maaltjd roepen, of toez.eDdeD gebraaden en 

gezoodeo; 
Oordeel eens, sinjoor Horatio , of ik kiudereu heb vau uooik-Q. 
Zy twisten om de rang ; elk is graag de grootste uiati : 
Hy schat zich geruïneerd te zyn, die 't minste geeren kan. 
Terwyt ik lacchen moet , haar ziende zo gereed om met 
de band iu het meel te weezen." 

Intusscheu heeft Eapitano z^n plan gereed: eene jonge, 
knappe vrouw moet den ridder van de zeven zwaarden faed 
erg het bof maken, dan zal h^ Cinthia wel laten gaan. De 
dokter kent eene operazangeres, Laura (Acrotelevtivm) , die deze 
rol wel op zich zal willen nemeu. Kapitano zal haar 

> opschikken met een helm op bet boofd, gelyk een 

AmazooD, 

Een boog in de vuist, een koker op de rog, en broozeo 

aan de beeneo, 

En breugen ze tet uwent, als of ze by u te huis lag." 

Hare meid zal voor schildknaap van de Amazone spelen en 
de dokter zal heeten tot de famielje der vreemde priuaes te 
bebooren. Het plan wordt goedgekeurd en aau Kapitano een 
ring ter hand gesteld, om daarvan bij zijne list eeu paasend 
gebruik te maken. (5) Laura en bare meid verschijnen in Ama- 
zoneukostuum en krygen van Kapitano de laatste aanw^zingen. 
(9) El spoedig treedt nu Don Alcides op; bjj beeft zijn groeten 
invloed aangewend tegen bet gebruiken van buskruit: 



PriT.«,«.. 


n ln«t , 


■dluDt: 


rc^Unl. 


DOClu D 




imn 


um « 


.p.rim 


S«rufl<«ii 


t: dant 


iodc lurlcm mihi 




■ 1 




*ibi, 




AbdnruDt 


me ld 


ciU, me 


■d M ad 


pr.Ddi< 




4d 




n ocKa 



125 

)»De zaak is vast gesteld: nu zal de sterkheid weer te pas 

koomen in het stry'en: 
Weg dan, pistool en musket! weg klein en grof geschut! 
Geeu moed noch dapperheid heeft ooit uw geweld gestut! 
Kleene jongens en tengere wyyen hebben, met u , de braafste 

generaalen neer doen Tallen. 
Neen: nu zal me weer met zeisenkoetzen de legers yer- 

uielen , met muurrammen beuken de wallen , 
En , met de zabel in de vuist , ouder een verdek van schilden, 

beklimmen een vest. 
Want dat duivelsche buskruid dat haat ik meerder als de pest; 
Oni dat het zo meeuigen krygsheld benam het leeven. 
I^nje (laar, KapitanoV wees nu blyde, daar is een plakkaat 

tegens het kanon geschreeven.*' 

Kapitano geeft hem den ring, dien de schoone Amazone, 
welke hij den dokter haar intrek heeft genomen , hem voor Don 
Alcides ter hand heeft gesteld; de Amazone heeft door den roep 
van zijne heldendaden liefde voor hem opgevat. De ridder van 
<le z<'ven zwaarden loopt terstond in den val en gelooft alles, 
wat zijn dienaar hem op de mouw speldt. Nu staat echter voor 
eene nieuwe liefdesbetrekking Cinthia in den weg^): 

»Maar, wat doen ik met Cinthia? die zal ik toch nimmer 

trouwen. 
Knp. Maak ze je quit; je behoeft ze nu niet een oogenblik méér 

te houwen. 
Haar moeder Olimpia , en zuster Diana, zyn hier in de stad ; 
Die kan je ze wéér overleveren. AU, Wat zeg je, Kapitano, 

hoe versta ik dat? 
Haar moeder in Mesnna? Kap. Zoo hoorde ik van die 

haar hebben gesprooken. 



l'sl (^uin tu illam iobe tfit te Mn qoo lubci: Ment Mror 
Kioi knt ftnaÏBA «eatt KftlMtiim H mtdm MetnutqM 




126 

Kyk! hoe gemakkel; o de banrleu, dÏA je twn 

C lia bibJea, nu verhronken. 

Atc. Nu zal ik me , zonder m( van dat Bpjtig menscfa niet 

Jconnen ontslaan. 

Kap. Is het mj geoorloofd jou aan te wyzen hoe ge dit aao 

mo«t gaan? 
Alc. Vryelyk ; wel , wie zou ik anders , Kapitano , als jon 

(ionauleeren ? 
Kap. Hoor: het komt 'er jou niet op aan: laat ze behouden 
de gegeevene kleêren, 
Goud en zilver, juweelen , en alle koetelykheid ; 
Mite dat ze , dus geregeleerd , zo dadelyk Tan je scheid. 
Alc. Al goed : maar zo de Amazone ook aerzelde , zo was ik 
deerelyk bedroogen. 
Kap. Antiopa? Alc. Heetze zo? Kap. Ja; die? die heeft a so 
lief als den appel van haar oogen." 
(10). Rosetta, de meid der o ingerea, komt als Amazone 

gekleed; xg knielt voor A en brengt hem de liefdesbe- 

tuigingen van hare meestei « Antiopa, over. De ridder 

is in de wolken; (11) z) sluit staat vast om Cinthia te 

laten gaan en hij treedt zijn huis binnen om haar dat mee te 
deelen. ( 1 2) De samengezworenen vi mgen zich over het gelukken 
van huuue list eu beramen nu verdere pUnneu. Laura en Rosetta 
zullen den ridder uog meer opw a, en dau '): 
Kap. Als Laura en Rosetta hebben gedaan , 

Dan zul jy, gelyk een schipper, by den Ridder gaan. 

Prrj. Eho In, tdueoiliu Ephcaam mater eintP Pai. Ainnt qai iciutit. 
PpFf. Hcrclc occatLanem Icpidim . ut malicrem ïicludtn roria. 
Pal Immo uin lu Icpide (iccre? Ptrg. Loqaere et comilium cedo. 
Pal. VÏD tn illim tdutum atnoaert. ■ te ut ibeit per grillim? 
Prrg. Cnpio. Pat. Tom Ie hoc fucre oportet. tibi diuitimram idfatimd : 
Inbe lïbi larnm itque ornamentt, qoae illi initraxti malierl . 
Ommia dano hibere anrerrefw ipa te qno Inbeat libi. 
Prry. Pliect at dieia. ael cmim nc iitaiii imittam et hiee mntet BJam , 
Vide modo. Pat. Vah deljcata'i: qnaa letamqnam octdIoi amet," 
1) va. 1166: Pat. .Quom eiteniplo ent hoc raetun.ii/ intro haccabicrit,ilii tu ili» 



127 

Verzie je dan yan een pikbroekjen , een hemdrok, een 

muts, een paar wanten, 
Eu laarsjes: en fin, stel je toe gelyk een zeeman, aan 

alle kanten. 
By den Doktoor zei je dat tuig rinden; alzo die reel 

Tisschers heeft in zen dienst. 
Hang ook een wollen lapjen orer dit oog, om of op 

't onverzienst . . . . 
Horatio. T is wel : maar wat moet ik doen , na dat ik me dos 

heb g^n transformeeren ? 

Kap. Ciathia , uit de naam yan haar yergramde moeder , begeeren : 

Kom haar eischen, als hebbende zy yerstaan dat hy *er 

dochter hoond. 
Het trouwen opschort i en haar eer tegenzin als liefde 

betoond; 
Dat zy te yreeden is hem daadelyk te ontslaan, en haar 

wederom te ontfangen. 
Indien het hem heden mag benren de scheiding aan te 

yangen , 
Tcrwy] de wind uit een hoek komt, die de stuurman 

keurd yoor goed.** 

«V^^ Bedrijf. De ridder yan de zeyen zwaarden is zeer in zgn 
8clnk. Hg heeft aan Cinthia zgn yoomemen te kennen gegeyen 
om baar te laten gaan; zg heefk eindelgk er in toegestemd 



Faeiio i!i ioum crmmiu orsAiM bne Mwelerieo. 
GiQttMi hibm fHTigiaiui, mtsloi ob oealot Imwi ; 
PtlliolttB hibm JhfTfi— ■■, wêm is ook» thiliMirmt : 
ld eoMxiiB ia umto Iamo, apaptUato bneebio, 
PnMdnetw tliqiii adtfaadato qufi gabtrattor •!«. 
AtqM aptti ba»e tHMB oaak bats mat: aaai ii piteatoni babet 
PlameUs. Qaid? abi aro aionwtai^ qaia ia didt qald ÜMlanM nai? 
Pul Hoc acaito «I Mulrb aarbii Pbikmnaitiam aeeeniio, 
VI. d iUra «1 Aiboat, tU taeaa ad poriaa eiio, 
Atqoe «/ iabMt %un ia aaaia: n qald iapoat mIUL 
Ni« aal. ta tolaiaraai «m aaaia: a«ta» aptffim dara.** 




128 

hem te rerlatnn, maar dan moet Kapitano haar begeleiden. 
Dese doet, alaof hg dat Treeseljj.k vindt ^): 

>Je meend dat immers niet; ik kau niet zonder n leeren." 
(2) De beide Amazonen treden op, doen, alsof zj) Don AU 
cidsB en Eapitano niet zien, en beginneu een gctiprek, wiuiria 
de ridder zeer wordt geprezen en ook de heldendaden van An- 
tiopa worden rermeld. EÜndeliJk zien de Tronwen hem, masrd« 
prinses geraakt door dien aanblik koo in de war, dat zg niet 
spreken kan. (3) Horatio komt, als schipper gekleed, om Cin- 
thia te halen , en (6) deze verlaat met hare bagage het bnia 
van Alcides. Zü doet, alsof zy erg bedroefd is, dat x^ tui 
den ridder van de zeven zwaarden moet scheiden, en ook Kapi- 
tano is zichtbaar aangedaan. Gintbia valt in zwgm en Horatio 
vangt haar op, maar hij komt uit zijne rol en geeft haar een 
kuB. Dit dreigt de geheele komedie te bederven ; Eapitano 
waarschuwt ernstig en Horatio verzint den leugen*): 

>Ik heb, of 'er adem noch ging, aan 'er mondeken eens 
onderzocht" 

Eindelijk vertrekken zij, maar (7) Eapitano heeft nog niet 
genoeg van de grap; hij kan er niet toe besluiten om heen te 
gaan en zijn meester vaarwel te zeggen ') : 

»Ik wil liever altyd by je woonen, ja zelf Toor niet, 

.Als elders een vr; man weezen. Alc. Ik geloof het, en 

het heeft zyn reden. 

Kap. Nu zal ik een heerschap verlaaten ! by een zomber vrouw- 

mensch my besteedea! 

Het plaizierige soldaaten leeven afwennen ! och ! och t ik 

gryp me noch zelven aan." 

1) ». llUt: •Etiain mr? qno moda ego aiuim iJn* tcV" 

2) Tl. 1329: .TcmpUtwin , (pinret in Don." 

:l) xt. 1344: .tibi teruira m^iulim 

MuUo quam ilïi libcrtu «M. Pr^. Hab« ■aimum boDmm, 
Pal. Ilcu me, qann neuit mi in meDlam, ut mom mntindi ii<nt, 
Mnlitbra Boret diMCDdi, obliuiwcndi itntiotid." 



/~\ 



129 

Hij maakt het nu zoo mooi, dat Alcides op het punt is om 
hem in zijn dienst te houden, en nog juist b^ tgds komt hg 
weg. (8) Alcides is wel eenigszins getroffen door de trouw en 
gehechtheid van Kapitano, die hjj vroeger nooit zoo had op- 
gemerkt. (9) Rosetta stoort hem in zgne overpeinzingen om hem 
naar hare meesteres in het huis van den dokter te geleiden, 
doch (10) een knecht van dezen treedt haastig op: 

> Rosetta! Rosetta! je moet zo daadlyk in de Opera koomen , 
Üaar ia een post geweest; sinjoora Laura heeft *er afscheid 

al genoomen. 
Weet je niet dat jou klok geslagen heeft? Ros, Zeker, is het 

al zo laat myn vriend? 
Ik zal me noch moeten verkleeden ; het Amazoontjen heeft 

uitgediend'*. 

(11) Don Alcides valt uit de lucht, nu de knecht hem vertelt, 
dat de Amazonen prinses eene operazangeres is, die zoo dade- 
lijk in de Porno d'Oro moet optreden , (12) en Zakkanino komt 
hem meedeelen , dat hg een gat in den muur tusschen de beide 
liuizeii heeft ontdekt. De ridder van de ze^n zwaarden ont- 
st4M>kt in woede, trekt zgn degen en roept zgne trawanten, 
maar (13) als de dokter verschgnt, >met een houwertjen" ge- 
wapend, steekt hg zgn degen op, vertrekt] en ontlokt den dokter 
de woorden : 

>Hj heeft zyn eigen rapier eens bloot gezien; nu zou hy 

van schrik wel in het aardryk kruipen**. 

Ëen groot gedeelte van het stuk is naar Plautus vertaald. 
Maar dit had op vele plaatsen veel aardiger kunnen geschieden. 
Het bluffen van Alcides en de leugens van Kapitano staan ver 
achter bg het gezwets van Pvrgopolinices en bg de aardighe- 
den vau Artotrogvs, den parasiet, die zoo uitstekend rekent 
en zulk een verbazingwekkend geheugen heeft, en van Palae- 
i^trio. Waarom heeft Alcides den naam Pvrgopolinices niet liever 
l>eliouden , als hg een langen en vreemden naam moest hebben ? 

9 



Pvrgopolioices ia toch zeker i minder Treeuitl ilaii Po\r- 
macheroplacidea , die in de i dvt van Flautus voorkonit. 
De TerwikkeÜDg der comedie hi ; bg de bewerking zeer ge~ 
leden door de onmogeiyke / aeDprinsea. Waarom Laan 

niet liever, erenala Acrotelevti' l>^ PlaotoB, doen spelen roer 
de TTOUv van den dokter ? E .tste erg grappige tooueel^ 

van de MUes had dan toch km worden weggelaten. Ook de 

verhouding van Cintbia tot idder ia vreemd; het ia de 

alavtn oit de Latijnsche comedie bleven. 

Reeda eenige jaren , voordat iJe GesckaakU Cinthia het licht 
zag , had een ander dichter party | :etrokken van de Mües. An- 
driee Pels liet bg z^n dood in 1681 drie bedreven na vaneen 
blijapel, dat door het kunstgenootschap >Nil VolentibuaArdanm" 
werd voltooid en in 1684 uitgegeven onder den titel: De ver- 
waande Hollandsche Franachman ')■ 

Pela heeft voor dit bl^spel een atokje vao de verwikkeling 
aan de comedie van Plautua ontleend. Fran^ois heeft lang t« 
Parys vertoefd, er schulden gemaakt, lichtzinnig geleefd, en 
komt Qu vol aanmatiging en Franacbe woorden in Nederland 
t«rug. Zflne >moei", Kristine, die dweept met alles , wat Fransch 
is, zal hem koppelen aan een eenvoudig, maar zeer rgk nichtje 
uit Zeeland , dat by haar logeert. Maar het meisje ia verliefd 
op Eelhart en vindt Fran^ois belacbelgk. Om het huwelgk met 
Fran^ois te beletten, heeft Reinbart, een vriend van Eelhart, 
eeue list bedacht. Hg verhuurt zich als lakei by Fran^ia en 
buurt een huis naast dat van Kristine. Daario plaatst hg een 
kerel, Stoffel, vbygeoaamd a tout faire", met zgne dochter Ja- 
komyu : beiden geven voor van Duitachen adel en zeer ryk te 
zjjn. Aan hen wordt opgedragen om Fran^oia aan te lokken 
en hem het hoofd op hol te brengen. Verder wordt in den 
muur tusschen de beide buizen een gat gemaakt, dat in de 



1) fiiEr^c/ (VijiDtl: SU FoUnlihu Jrdimm) Ti AmtUnUm, Bg Jlherl Magnmt, 
;ni., 1684. Mft Priwittpe. 
Fjtn 2J< .Iruk .op nicuwi puuwkcnrig icnchikt ia tmI jtrbiUri" » •>« 171? 




131 

kamer van bet nichtje uitkomt. Evenals bij Plautus wordt het 
nichtje verraden, doordat een aap, die wegloopt over den tuin- 
muur, weer gevangen moet worden. Zoo ziet Meinsje, de oude 
dienstmeid, het nichtje Konstantia in de armen van Eelbart. 
Nu heeft met de meid hetzelfde spel plaats als met Sceledrvs 
bij Plautus, maar het wordt minder fijn uitgesponnen. Evenals 
Pvrgopolinices loopt Fran^ois in den val; hy maakt het hof 
aan de gewaande gravin Jakomyn en wordt met haar verloofd , 
waarbij een ring, evenals by Plautus, dienst doet. De verlo- 
ving met Konstantia raakt af en, tervr^l Fran9ois om zijne 
schulden te Pargs gemaakt wordt aangesproken, treden Rein- 
hart, Stotfel en Jakomyn in hunne ware gedaante op. Eelbart 
wordt verloofd met Konstantia en de verwaande Hollandsche 
Frauschman is geheel zonder bruid. 

Het stukje is dus eene verre navolging van de Miles, maar 
staat er zeker veel dichter bg dan Bredero's Spaansche Bra* 
Itatuier (1618) en Langendyk*s De Zwetser (1702), die, wegens 
het karakter van den hoofdpersoon met Plautus* comedie in 
♦H*n , zij het dan ook zeer los , verband worden gebracht '). Het 
sclüjnt mij te gewaagd om voor eiken bluffenden krggsman in 
e<'n blys{>el den Pvrgopolinices van Plautus of den Thraso van 
Terentius als prototype aan te nemen. 

Evenals de Menaerhmi telt de Mile^ eene menigte navol- 
kinj^eri in verschillende talen. Eenige daarvan zgn weer in het 
Nederlandsch vertaald. Zoo zag eene vertaling, van Uüluêion 
romitjnr (1636) van Pierre Corneille in 1691 het licht als De 
waarschijnelyke toveri/^); Fallee*s De misleide voogd, of het be^ 
ilroij door tjehjkeniê *) is eene vertaling van Cailhava*s Le tuteur 



1) \>| HcmhArastoettoer, hh, 6SS. 

2) niyfp^l fit het FramM-M tam dé Mmr P. Conmik Tê AwuUnUm^hy dê Erfy: 
r.im J LtMcaUie , eni . 1691. Mêt PrimUps, 

3) BUtpei i« vyf kedtywm, Nmmr ktt FrmueA wmm M, de CmUAénm, door B. A. 
t'allee (Opgroomeo ia ThmÜM em Mêlfoaumê. f'Il Deel. Jwuierdmwt, hij J S, Vmm 
t:»veUt IloUrof, ISOH.) 








VIII. P.eT 


In 1709 




I el 


heeft De l 


'01 


V „, 


bewerking 


de 1 




1.0 . 


■■ (1) 




h : 


Q 


1 »i 


> 


D. 


■• HS 


II 


iP 


. n en (4) 


!i k it 


G it 


TOOr 



dMp^ (1765), en Bramarbeu of de tnoewnue o^uner '> 
berg'a Jacob von lyboe , elUr dên tortalemfe Soldat. 



blgap«l uit, dat tot titd 
■ , Bedroogen *) ; het is eese 

van de Xiat^iische comedit 
over Pheoicia (Pboenicirm), 
toebereidselen om w^n rer- 
ereelt, voordat hg uitgaat, 
{en, dat Phenicia zich roor 
de i: 

iLicht komt deezen dagh haar Braigom , daarz' aan is besteed , 

Of anders zjn kaegt met de rest van de bedonge acbyvea, 

En zonder dat zalze de myne blyven. 

Was de beura nog ryklyk van Jonker Ferdinond, 

Daar waa voor haar geen beeter Borst ia het land. 

Die, had hy geld, zou vay wel eens zoo veel geeven". 

Gerrit zal de beveleo van zgn meester opvolgen , maar , 

>Maar Sinjeur, myu court^e, dat ik verdient heb met eeren , 

Word ook hoog tyt, om eens te Hquideeren. 

Ik heb altjd de beste Vrouwluy in de Stadt opgezogt, 

En haar met goet genoegen en voordeel aan de Man gebrogt. 

Bloed ! wat is 'er meenig partytje in ons huis geslootea ! 

En wat heb ik ook meer van u , als belofte , genooten". 

(5) Ferdinand ('Calvdorvs) is diep ongelukkig en klaagt bg zgn 



1) BlfÉptl. !m tff Bidrjvm (dl. V der Blf^im >u Holbvrs Tt Amtttrdmm. 
Bf Sfevcn wa EneUt. ui, ITSS). 

2) Oeroifi <Êft Pmuhbu. Wel eer » Lafyiur VttTM» iucArentw deor cUn Mr- 
maardai Poëet Flauhu BIfipel (Vigart: Pmrfl tl onut.) l'AwutinUai, e^inH 
voor dem Amllitur, em öy dem telr*it l» itttumn, ab ooi iy llndrit •« ob Oatf, 
BoekcttkaoptT, tai., 1709. 



133 

knecht Robbert (Tsevdvlvs). Hg heeft een briefje van zgne ge- 
liefde Pheuicia ontvangen , die o. a. schrift ') : 

>Myn voogt heeft myn aan een Haags Heer Leander verlooft 

of verkogt. 
En alzoo myn bederf, en zyn voordeel gezogt. 
Hy heeft tot een vereeriug al twee duyzent galden genooten , 
En die roy komt afhaalen zal dat met vyf hondert vergrooten , 
Den dagh van morgen is 'er toe gesteld, 
Dat er iemand met een brief zal koomen, en de rest van het geld. 
Deuk nu op midd*len om myn voogt om te zetten, 
Hy is gierig, door geld sult gy dit konnen beletten**. . 

Helaas! Ferdinand heeft volstrekt geen geld^): 

>Leen my een stuyver Robbert, ik zal s'u morgen we- 
der langen. 
Uob. Om wat 'er meê te doen? Ferd. Voor een touwtje, om 

my meé te hangen. 
Rob. Waar kryg ik dan myn geld morgen weerom? 

Of is het zimpel om my te berooven van deeze groote zom." 

Doch in weerwil van deze aardigheid krijgt Kobbert mede- 



1) AAugehftald oftar PlmuÜ Comoeduu , «d. FleekeiMo, II. 1871. 
rt 51. .Leoo me pcregre militi Maoedonio 

Minii uiginti, OMt aolapUt, oeadidit. 
Ki priof qoAM hioc abiit qoiadeeim miles oiiBai 
Dederat: nane aiiM qoinqoe remonuitar mioM." 
V» 68 • ei rei dies 

II sec lirsesiitaUst proxams (ad) Dioaosia.*' 

2) V» H4 (4Ê. •Actum hodie de mest. set potes dodc matoam 

Drachamaa mibi imaai dare, qoam eras reddam tibi? 

Pi Vtx hercle opiso, etai me oppoaam pigsori. 

Set qaid ra drarhama (aeere ob? Cc. Restim oolo 

Mihi rmere Pi. Qaam ob rem? Cm. Qoi me Cseiam pensilem 

Ortamsl mibi ante teaebras ienebraa perscqai. 

Pt (^ait mi igitur dracbiimam reddet,***? 
Au tu ea te caassa oif tdcBs suspendere, 
Vt me defraades draebama, ti dederim tibi?^ 




l^deo met zgn i : t, dat hy bem het g^ld sal 

verachafien om Ji te 1 . (6) Daar treedt Kerdiuaiids 

rader, Simon (Simo), i : i bi iman Aaselmiifl (Calltphoeo 

t«vens Cbarinva bg I < deze tracht bet gedrag Tan 

deD joDgen tuaa te ven ld* i, maar Simon meent: 

>Z^ 'er niet af, ik mc^ niet hooreo tot zyn Tenchooning. 

Ik verzeker u, by wagt op zyn tyt belooning 

Van dit lichtmisaen, te lang is (e lang. 

En wat ik bem afraade of niet, hy gaat zyn gang, 

Hy wil met geweld de Nicht ran de befaamde Ballio trouwen , 

En my is verzeekert aldaar vao een slegt hayshouwea. 

Deeze Ballio heeft onder de menschen de naam en ia geagt 

Voor eeo stille Vrouwe-bederver, en een pest van zyn eige gesist 

Daar worden scbandlyke dingen in zyn huya bedreeveii. 

Ed ik zou aan een verdagt vronmensch royn zoon geeren ?" 

Aneelmos voert hier tegen aan, dat op het meisje zelf nieta 
te z^gen is; de vader wordt wel een weinig rerteederd en 
apreekt Ballio &an , om te weten te komen , hoe het eigenlgk 
tusscheu zgn zoon eu Pbeuicia staat. (9) Ballio vertelt hem, 
dat htit meisje aan een ander is verloofd , en dat staat Simon 
goed aan. (11) Robert treedt op; bg wil aan geld zien te ko- 
men voor Ferdinaud , maar Simon is op z^ne hoede'): 

>Let 'er op, nu sal hy iete, dat deugdlyk scbynt, verzinnen. 
Gy zult niet meenen, dat Robbert, maar Cicero zal beginneo". 

Robbert hangt een droevig iafereel op van den toestand van 
Ferdinand , maar Simon laat zich niet vermurwen en geeft geen 
geld. (15) Robbert geeft echter zijn plan nog niet op en, als 
Lij twist met Ballio kr^gt, verzekert h^ dezen, dat hg nog 
beden zg»e nicht zal schaken. Ballio lacht hem hartel^k uit. 

2^' Bedrijf. (2) Ballio heeft een gesprek met den kok Lub- 



1). 



135 

l>ert , die , evenals zgn collega bg Plautus , erg opsngdt en aan 
Hal Ho dan ook de woorden ontlokt: 

>l)eezc Lubbert zal de regte Broer Tan die Kok weezen, 
Daar wy by de Terniaarde Poëet Plautus in zyn Pzeudolus 

van leezen, 
Die, als hy kookte, al het Qodendom dwong 
Dat het om een snof je malkander om de beste plaats ver- 

Terdrong," enz. 

(4) llobbert deelt aan Ferdinand mede, dat Simon thans niet 
ie<^(Mi /.ij II huwelgk met Phenicia is, maar dat hy geen geld 
wil geven ; Anselnius heeft daarentegen beloofd te zullen by- 
spriiij^eu. (5) Hy stuurt zyn meester naar de herberg en zoekt 
naar eeu middel om Ballio te bedriegen: 

>Ik zal deeze Ballio eens leeren, met my te balleteeren '), 
Hy is myu party, ik zal hem wakker af smeeren'*. 

((>). Daar treedt Kappert (Harpax), de knecht van den ver- 
l<Hif(ie vau Phenicia op ; hy heeft het geld en een brief voor 
Ballio bij zich en komt het meisje halen. Als hy by Ballio wil 
aaiikl(»ppen , nadert Robbert; hy weet Rappert te vertellen, 
van wieii hij komt en wat zyne boodschap is, en verzoekt hem 
het trt*l(l en den brief te overhandigen, daar hy de dienaar van 
Ballio is. De ander is echter te voorzichtig om hem het geld 
t4'r hand te stellen, maar geeft na lang praten wel den brief 
aan Hobl>ert. (7) Deze is in de wolken over dit fortuintje, en 
(8) nog meer, als Anselmus 500 gulden vril leenen. En Anselmus 
•^ta^it bovendien zyn nieuwen knecht, dien niemand in Amster- 
dam kent, af voor de list, die Robbert in den zin heeft. 

',V^' /iairljj, (1) Ballio wenacht, dat Phenicia goed en wel 
/.ijii huis uit was; hy is steeds bevreesd, dat Robbert zyne be- 
dreiging ten uitvoer zal brengen. En met recht. (3) Want 
H<)blK*rt maakt kennis met den nieuwen knecht van Anselmus, 



1) VS. 686 «lUllioneni abdlisUbo ki|iia«. 



GrispyD {Simmia) , en t jen makker. 
Zij Bpreken af, dat ( t &t huis van Ballio zal gaan. 
de rol van Rappert geld en den brief zal orer- 
haudigen en hel mi n (4) Dit plan wordt uitge- 
voerd, terw^l Ballio vo zgn hi staat. 

Bal. >Ik dagt dat die Kok al meer dief was, hy heeft oietveet 

gestoolea. 

Een tinne Beeker mis ik , met een paar kouaae zooien. 
Criep. Het sesde haia ia het gezegt van de Brouwers gragt. 

Daar moet hj woonen, ik ben verleegen met de vragt. 
Bal. Dit lykt een vreemdeling: by wie of by moet weezen ï 

Hy schynt het opschrift van een Brief t' overleeeea. 
Crisp. Hier ontrent moet het zyn, zoo ik niet mis. 

Maar wie maakt my in 't onzeeker gewis? 
Bal. Hy gaat na my toe: wat of hier zal gebenren? 
Crisp. Myn Heer, met oorlof, laat ik u niet versteureD, 

Eenen Heer Ballio, woont die ook hier ontrent? 
Bal. Ja Vryer, ik ben de Man zelfs, hy ia my wel bekeat. 
Crigp. (ïy hebt u vroeg tot hooge zaaken moeten gewennen. 

Daar zyn er geen' tien in A.msterdam, die haar zelven 
kennen." 



1) Tl. 0S6: Ba. «MiDut mtlnm hunc homistm tut opiDOr qous 

coqoMB: 
Nam DJbil ctiam dum hirpagiuit prutcr cuslhnm stonlliinM. 

1». 900: Simwiia. Ilibai nanaram *edulo; hoc ctt leitnm ■ porU proiiugBn 
Angiportuin : io id uigiportam me dcDorti iuiurmt. 
Quotumu («lil diierit, id ego »d modDm incarlo «cio. 
B: Quii bic bomo cblmmDdmtai nlP aat utidett? aot qncm qaaeriUt? 

Pcragrioa faeïea aidctar homioii ittiDe iguobilia. 
5). Set ecooiD qui ci iaoerta laael tnihi quod quicro ccrtiiia. 
Ba. Ad ms adit r«cU. node ego homiaem hooc «a*c dicun gentium? 
Si Hfu> tu qni cum hirquina barba aaU*, mponde <hoe)qnod rogo. 

II. UTt. Si. Ecquem in angipoito hoc bominem tu ooouti, t« rogo. 

Ba. Egomel me. .^>. Paaci iituc taciunt hominei qood tn pnedlcu: 
Nim ÏQ faro aii decumui qniiqiiMt, qui iptiai aaie nouaril." 



137 

Byna was de list nog mislukt, want Crispyn kent den naam 
niet van zgn voorgewenden meester , en Ballio rraagt*): 

>Wie zend u hier? dit is Robbert zyn onderwinden. 
Crisp. Breek op: als gy leest, znlt gj dat wel vinden. 
B<iL Wy zyn behouwen, 't is Leander, ik ben verblyd. 
Crisp. Ik ook : nu weet ik , dat gy de regte Ballio zyt. 

Leander is myn Heers naam, lees dog wat hy heeft ge- 

schreeTen.** 

(0) Het geld wordt betaald en Phenicia aan Crispyn meegegeven , 
die haar terstond meedeelt, dat hg haar naar Ferdinand zal 
l)reDgen. (8) Hoewel Ballio juist geld heeft ontvangen, weigert 
hij nogmaals om zgn knecht Oerrit te betalen. (9) Aan Simon 
deelt hg mede, dat hg Phenicia veilig heeft afgeleverd. ^11) 
Intusschen tracht Robbert zgn meester nog een anderen dienst 
te bewgzen ; hg zoekt Oerrit met geld voor zich te winnen , 
en deze, die boos is op zgn gierigen heer, biecht op: 

> Phenicia is al een zoete stuiver nagelaaten , 
Zoo in Obligatien als Contanten , omtrent zes duizent 

ducaaten. 

/ia/>. Is *er bewys, waar in dit Capitaal bestaat? 

Gtfr, Ik heb er boek van gehouwen, en weet alles op een draat. 

liol». Dan kont gy ons , en uw zelve verryken , 

Ik beloof u hondert ducaten , op den dag als dat zal blyken". 

(12) De echte Rappert heeft in de herberg gegeten en een 
dutje gedaan en komt nu met het geld om Phenicia te halen. 
(14) Uy spreekt Ballio aan en het bedrog wordt ontdekt. 



1) V9 985. £a. •Qam kaM miaine êd me Mitamat? 

Si. Notn iaagiaai: tate tist mmcb ■■■ormio milii, 

Vt aoÊM U BaIUomm «m iptsm. Bm. Oaao mi eptatalMi. 
^'i Aeeip« «t eogMMoe ngaom. Bm, }Sko, PolamtebMroplagidei 

Paru patoi ail iptat: aoai. ktas. PblaoMMhaeropUgidai 

Noaiaa ail. Si. Seio iaa tiVi om raeta dadkn apiaialaM. 

Poatqaaa PolaaaekaaroplafMcm aloealaa 



•• 



138 

(16) Robbert, die I uw vim uuu gvsprek he.-n 

beluisterd , wordt door I md. Ballio is woedeml , dut 

de list vau zyn tegeni - gelukt is, en zgoe stemmiiig 

wordt niet beter, als hg ai I t de 2000 golden Toorsgn 

meester weer moet overhi het vermogen Tftn Phenida 

aan Ferdinand ter hand b . '. o ttoi^^ ea krggt nataar- 

lyk ran zgn vader de te ilng om het meisje te troawen. 

Evenals ia de andere bt rk 9a van Van Hslmael naar 
Plautus, is ook in dit bl ig vertaald en veel veran- 

derd , zelfs in de volgorüe oneelea. Maar bet is eene 

der best geslaagde bewerkingen vi zgne hand. 

Een veel aardiger gebruik ' Ie Pievdvlvt maakte echter 
io oazen t^jd de heer Huf vi Bui n bg het schrgven van een 
stukje voor redergkers, dat lam draagt: Jager tn Pcf 

trijshond ') (1871). Het ; hier met succes door een 

jachthond vervangen. 

\t'' Bedrijf. (!) Jonker Flip (Calvdorvs), oen bartetochtel^k 
jager, zou dol graag in het bezit zgn van den hond Hektor, 
die toebehoort aan den hondenkoopmaa Eees Ketel (Ballio). 
Maar deze vraagt 200 guldeu voor het dier, en de joaker heeft 
geeu geld op het oogenblik, want ziju vader vindt, dat hg in 
deu laatstee tijd veel gekke dingen heeft gedaan en te z^r 
aan de jacht is verslaafd. Eu du heefl jonker Flip juist heden 
met den hond gejaagd en is vertot op het dier. (2) Kees Ketel 
wordt duH uog eens aangeklampt, maar hij wil geld bg de 
visch. Een majoor , die Hektor ile vorige week heeft gezien , 
heeft hem reeds ƒ150 gegeven en zal van daag zgn oppasser 
sturen met eeu brieQe en de ontbrekende /50. (3) Nu is Flo- 
wijn (PsevdvIvB), de jager van den jonker, even erg op den 
boud gesteld a\s zgn heer, eu hg belooft hem deu bond of 
2U0 guldeu te T.ullen verschaffen. (4) Zg trachten eerst oog 
Ketel te vermurwen , en als dit niet gelukt , loopt het op 



1) Blijiptl ijn drit bedrijen Qnotgd naar dm Pieadaliu van Plautiu. Door J. 
Uuf aan Bmm. Purmermdt . J Sek'Umakcr. (1871). 



139 

schelden uit, waartoe jonker Flip het sein geeft met de woor- 
den '): iFIowjjo, help eens een handje! scheld den vent eens 
uit.** Wy vinden ditzelfde tooneeltje bg Plaatas, ts. 360,Tlgg. 
Baron Darmstadt (Simo), de Tader van Flip, spreekt met zgn 
▼riend Fiedel (Callipho) oTer zgn zoon, en daar hy iets Tan 
de kwestie oyer Hektor heeft gehoord, Traagt hy er Flo^vyn 
naar , terwijl hy verzekert iedereen te zullen waarschnwon om 
den jonker geen geld te leenen. Flowyn zegt^): »We hebben 
het van een ander ook niet noodig. iZoo lang als er een baron 
Darmstadt bestaat , zullen wy er geen vreemde om lastig vallen. 

Darmstadt. Dus je denkt het toch van my te krygenP 

Ft. Ja; baron Darmstadt zal ons ƒ200 geven, en heel bin- 
nen kort. 

Dannst. Ik gooi ze nog liever in het virater. 

Fl. Dan hebben wy een goeden waterhond noodig, om ze 
weer op te halen. Neen, baron Darmstadt zal my /200 in 
handen geven; dat zeg ik hem vooruit, dan kan hy op zyn 
tellen passen. 

Darm. Als je dat kunt, Flowyn, dan ben je knap". 

Flowijn beweert, dat hy van daag nog Ketel zijn hond af- 
liandi^ zal maken en hem zal betalen met de /200, die hy 
van den baron zal krygen. Deze belooft hem die som , als hy 
den houd in handen krygt. 

2'^'' Bedrijf. (2) Qryp (Harpax), de oppasser van majoor 
Hartman , wil by Ketel aankloppen , maar Flowyn vangt hem op'): 

FL Ik zou maar niet kloppen; 't zal je niet veel helpen. De 
man die op 't huis past, staat voor je. 

]) VI 357 .pMudule. adtUU Altrim Mcoi atqoe oMrm bonc ntle dietb." 
i) V» 507 Vi .Numqomm edepol quoiqiuui nipplietbo, dam qoidcm 

Ta (aiaot) aiaet: ta mi hercle argeatam dabis: 
Api te equidem tUMUB. Simto. Tn a ■• taoMi? Pi. SUeaoe 
Si. Kilidito mi herele oemlom. ti dedcro. Pi. Dabtt. 
lam djeo ot a ■• euMM. S«. Certe adepol leio: 
Si apeialem, miinai al ou^am faeiaas feeena." 
3) Tt. 605 Pi. (juiaquia ea, eoapeadiaai ego te fMora paltaadi aolo: 

Nam ego praeator et patroaaa fbribaa proeaM fbraa. 



0: 




K 


fl. 




, ik 1 


Or. 


V 


D t 


n. 




wil ■ 


b. ■: 




■a 




)t zgn zaken waameem: ik 

1 \ en alles waarin ik hflm 

mi I j 

Gr. , ht ik wel; want om zelf baas te zgn, daar 

zie je 'er niet uit. 

Fl. (Ur zijde). Een mooi aambeeld! Daar zal ik mgn plan- 
nen wel op uitamedenl 

Gr. {ter zijde) Wat staat ie toch in zen zelven te mnmmelen ! 

FL Hm hm! zei je iets? 

Gr. Wat blief je, man? 

Fl. Maar zeg eens, — ik sta daar al te praktazeeran — ik 
geloof dat ik je ken. 

Gr. Mg? 

Fl. Ja; ben je 't, of ben je 't niet? Kom jy hier niet na- 
mens majoor Hartman, om den hond te halen? J^ brengt een 
briefje mee, en /50 aan geld, hè?" 

Zoo is het geheele tooneettje naar Plautus bewerkt. Flowgn 
krygt het briefje in banden. (3) Intusschen heeft jonker Flip 
bondgenooten opgedaan, nl. zijn vriend, jonker Pothof (Cha- 
rioTB) en diens knecht Wezel (Simmia), >Driekus Wezel, ge- 
pensioneerd korporaal van het Oost-Indische l^er , oud matroos 



Ua. Tuae « BillïoP Fl. Immo ucro ei;o ciui >i 
Ha. t^iiid iatuc uerbirt? Pt. Condin iiromm lua 

I. Gil: Ua Itn uiden: et non nïdcre dignoa qui libcr lin 



i: Ft Nim bisc mihi iocui ut- procndam ego hinc hodic multOB JdIu*. 
Ila (juid illk KCiim Icxjoilur? Pt Quid til Ig, ■duIcKCOi? Ua. Qnid MtP 
Ft K*ot tu >n uoo <■ ib illo militc (c) MKcdonitF 
Rimi» ciu* qai hinc ■ aobi* tut mcrealiu mnlienn. 
(jui argrnti meo crn Itnoni qniDdccim dedirat min», 
t^uiiiqoe dcbibct?" 



141 

en schoenmakersïoon**. Pothof heeft 37 galden bg zich; Flip 
en Flowijn leggen er eenige guldens bg , zoodat de som tot 
fM aangroeit, en nu zal Wezel op den hondenkoopman af- 
gaan. Na een praatje tosschen de beide slimme kuecht«(4), 
wordt aan dat voornemen gevolg gegeven. Ketel vermoedt eerst , 
dat de ander door Flowgn is gezonden (dit tooneeltje is groo- 
tendeels vertaald), maar Flowpn smeekt Ketel om zgn hond 
toch niet aan den knecht vao den majoor over te geven. (6) 
Dit geschiedt echter, en de beide knechts gaan met den hond 
naar de herberg, waar de beide jonkers op hen wachten. 

3'^^ Bedrijf. (1) Ketel wenscht baron Darmstadt geluk, dat 
hij de ƒ200 in zyn zak kan houden, die hg aan Flowgn heeft 
beloofd. Als Flowgo den hond van hem weet machtig te wor- 
den , geeft hg , Kees Ketel , ƒ 200. (2) Grgp treedt op om den 
hond te halen en wordt erg voor den gek gehouden door den 
hondenkoopmau , die meent , dat het een kerel is , door Flowgn 
in een soldatenpak gestoken om hem te bedriegen. Doch de 
waarheid komt uit en Kees Ketel moet niet alleen aan den 
majoor zgne 150 gulden terug betalen, maar ook nog 200 aan 
den baron. (3) Daar verschgnen de overwinnaars met den hond 
O)) eene groen gemaakte horde, voorafgegaan door eenige mu- 
/iekanten. Darmstadt schenkt aan Ketel de 200 gulden, en 
het blykt, dat de houd gestolen is en eigenlgk aan jonker 
Pothof behoort. 

Het is niet te betreuren, dat in Jager en Patrijshond geene 
vrouwenrollen voorkomen. Phoenicivm is toch in de Fsevdvlvs 
de eenige, en dan nog zwggeudè, vrouwenrol. En hare me- 
tamoq)hoHe in Hektor maakt de verwikkeling in onzen tgd 
heel wat waarschgnlgker. 

Als Nederlandsche vertaling van eene latere bewerking van 
de J*8fvdtlv8 moet' genoemd worden : De verstoorde serenade ') 
(1708) naar Regnard's La serenade (1695). Holberg heeft het 



\) Klmckttpel (Vignet: C ornH müm ti Lmkoré). Tt Jmtiérdmm, Bg de Erfytm 
M» J LtMCMiljt, eni . 1708. Mei PrieHêpe. 



142 

Latgusche blgspel nagevol l in buieru^n mvitgelieti-Sicr>ii:. 
Wg bezitten biervao eeoe «ling, als Dirk Mengrhof 
schrik ') onder z^ne werken i imen , maar ook eeuo be- 
werking op r^m. Zg werd in 1761 door H. vao Elvervelt iiit- 
gegeven onder den tit«l : De • >ff(n ojfkier ''). Het is grap- 
pig om Elvervelt in do voor booreu beweeren , dat hg 
in Holberg's blgspel zooreel )eten veranderen, om het, 
>ten opzichte der schikking, | ens en onwaarschynlykhe- 
den, daar in roorkomende , 1 i te maaken voor ods Ne- 
derduitsch Tooneel, dat zo onmaaligheden en onwaar- 
schynlykhedea wil dulden". 

IS. TrinvmmvB. 
Van Halmael bewerkte naar deze comedie zgn blgspel De 
edelmoedige vrinden^) ("1711), dat den volgendeo inbond beeft 
1'" Bedrijf. (1) Jasje, de tafelscbuimer , beklaagt zicfa : 

iDit gebouw is de wooning van een Cordiaal Borst geweeet. 
Maar nu ia het die van een Gierigaard, en een Oud stinkend beest, 
Die heb voor een klein stuk geld myn broodgever half beeft 

ontstolen. 
Deze Vrek was de zorg voor rayn jongen Heer boTolen , 
Zyn Vader, wanneer hy voor zyn geluk een reis bedogt, 
Heert bem tot een beschermer voor zyn huisgezin verzogt. 
Wel , ik beken , hy heeft een vroom harder voor syn schaa- 
pen verkoreo. 
Al» hy weêrkomt, hoe zindelyk zal hy zyn lamren vinden 

geBcboorea". 
(2) Üobbert (Stasimvs), de knecht van den jongen Lodewyk 
(Lesbonicvs) , is er niet veel beter aan toe dan de tafelBchui- 



I) Bl^tfKl. In «H Bedrijf in dl IV der DljipeUn, 1767, bU, IW. 

S) Bbitptl. Door H. ma EkrrveU T» Awuleldam. Hy Iiaak Dmm . cni., 1761. 
Mei Frivilegit 

3) Gnotgt Ka de Trinammia cm PUut—. Blfiptl (Vignet : F»r}at et Onaf)- f Am- 
ileUam. fly llaulrik hu de Gat/e, eni,, 1711. 



143 

nier. Zyn meester heeft alles doorgebracht , en , terwgl de nusente 
zijner vroegere vrienden hem nauwelgks meer aanzi^L|?iiaeft 
hij moeite om aan den kost te komen. (4) Yol verontwaardi- 
ging verwijt Jas den ouden Laurens (Callicles) , dat h^ het huis 
van zyne pupillen voor eene schandelgk kleine som heeft ge- 
kocht. (5) Maar Laurens zelf weet, welk geheim daarachter 
steekt, en is zich geen kwaad bewust. (6) Hg kan het trou- 
wens l)eter met zpn geweten vinden dan met zgne vrouw, 
eene helleveeg, die altgd aan het schoonmaken is: 

> Een goed man moet zig met het vrouwen werk niet moeyen. 
Van dit schoon maken is my al zo dikmaal gevraagt. 
Dat ray dit gedurig talmen niet meer behaagt, 
En al zouden wy in drie maanden niet klaar raaken , 
Zo wil ik na myn zin schoon laaten maaken'*. 

(8) Evenals Laurens is ook zgn vriend Anzelmus (Megaronides) 
met eene lastige vrouw geplaagd. Beiden spreken over hun 
huwelijksgeluk en dan komt Anzelmus met zgne boodschap voor 
drn dag. Er loopen allerlei praatjes over Laurens, dat hg Ru- 
«lolphus (Gbarmides) zou hebben benadeeld, en was deze zgn 
vriend niet *)? 

Lanrens, Gewis, myn boezem vriend van lichaam en van geest. 
En op dat u daar af het minst niet h\yti verholen , 
Heeft hy zyn huis en hof, en kindren my bevolen, 
Zyn Dogter heeft hy my gelaaten tot een pand, 
Om in zyn afeyn haar te zyn een regterhand. 
De zoon heb ik genoeg zyn pligten voorgeschreeven , 

1) Aangehaald oaar Fleekeiien, I, 1S69. 

vv KH^ Me*fartmide$. «FiiitiM hk ttbt AMieos Ckarmid«? CmUietêt. Eêü et fait. 

ld lU etM at ersdtt, rem tibi AueloreB «Ubo. 

Nam poatqium hie ttst rem erafregtt ilios 

Videtque ipM ad pMperiMB proiraetam mm m 

Saamqoe flUam mm adaltaa uirgiBmn, 

Semal eioi matrem MuuM}«e uorm iBortaaai : 

(^aoaiam bine itsnul ipMi ia Satoaeiaa, 

Mihi eoBBMB^ait oirgiaai fi^aatui Mas 



Maar die achept meer vermaak ia een oatagtig Icvven. 
Jij|f*' Was ik zyn Trind niet , hy barf my dit niet betroowt'. 

En toch hebt g^, gedurende de afnezigbeid van Rudolphiu. 
van zyn zoon het huis voor een geriugeu prijs gekocht, ttsgi 
Anzelmuü. Nu komt door dit geld de jonge niao nog veel meer 
op het slechte pad. Het ia schaiule. Thans vertelt Lanreiis zjin 
geheim. Rudolphua heeft hem, toen hij op reis ging, me^e- 
deeld , dat in het huis een schat was begraven , en heeft hem 
opgedreven om, als de zoon het buis mocbt willen verkoop«n , 
het zelf te koopeo. De jonge losbol btid geld noodig en wiMi- 
het buia van de hand doen ; Laurens kocht bet. Hoe minder 
geld hy er voor gaf, hoe beter; des te minder kon Lodewjk 
op maken. Zoodra Rudolphus terugkeert, zal Laoreus hem het 
huis weer overdoen voor dezelfde som , waarvoor hg het thans 
heeft gekocht. (9) Anzelmus is getroffen door dit verhaal j hg 
bewondert Laurens, die, terwyl bij goed handelt, zich de ver- 
achting der menschen gebxiost, en vaart hevig t^en praatjes 
uit, (10) Lodewjk en zgn kuecht treden op. De 9000 gulden, 
voor het huis ontvangen , z|ja bgua al weer verdwenen eo het 
ziet er voor deu lichtmis niet best uit. 

i''" Bedrijf. (1) De oude heer Zimon (Pbilfco) heeft eeo ge- 
sprek met zgn zoon Predrik (Lvaiteles) '): 

f'rederik. >£en zeeker jongeling 

Van goeden huize . die 't niet te voorspoedig ging , 
Wenste ik verbeetring (door myn welatand) in de zyne. 

Zimon. Van 't uwe? Fr. Neen van 't uw: want 't uwe is dog 

het myne. 
En 't myne is weer bet uw. Zi. Wat heeft by dan gebrek. 



I. :<26 Lt. AdalcKCDti hi 



lum carrumptum filinm. 

, credo hmnt ercdtrtt." 

nrt •onnio, amico kt^ue icqotli meo . 
I qni dutc et cof(iUlc (umm rem truUait, pater, 
uolo illi (tccre ego. Diai la nenii. Pi. Nempe de tuo? 
eo nam qnod toDHut neDniat, onne aulem uenm luum 



^^ 



145 

Ft. Te yeel. ZL Heeft hy geen goet gehad? Fr. HGesprdL 

Zeid zo. Zi, Hoe wierd hy urm ? laat ons de reeden hooreu. 
Heeft hy zyn goed in *tland, of welterZeeyerlooren? 

Fr. Zyn miltheid is wel meeet daar oorzaak yan geweest. 

Hy was te gastyry, en beminlyk om zyn geest". 

Ziroon is niet terstond oyertoigd, maar Fredrik openbaar nn 
de reden zyner holpyaardigheid >) : 

>Ten minste staft my toe, om iets yan hem t*ontfangen. 
Zi, Van hem ontfangen , daar g* een gift yoor hem begeerd ! 

Fr. Van hem , indien zyn gonst my met die schat yereerd. 

Zi. Oy revelt. welke schat staat n yan hem te wagten? 

/r. Het eenig yoorwerp, en het wit yan myn gedagten. 

Zi. 't Is dwaasheid , spreek my klaar. Fr. Terwyl (QT 't zo 

gebied , 

Kent gy zyn yroom geslagt, kent gy zyn Vader niet? 
Zi. Zeer wel , een wakker man , yan onbesprooke zeeden. 

fr. Dees heeft een Dogter, die zo yol bekoorlykheeden , 

De braafste man yerdiend , die ooit na *t howlyk dong. 

Wat dunkt u, dat ik deeze uit broeders hand ontfong? 
Zim. Hoe, zonder huwlyks ffoed, een kale Meid te trouwen. 
Fr. Ja , zonder huwlyks goed , een paerel yan de yrouwen'*. 

De oude heer laat zich eindelgk oyerreden om het meisje aan 



Pk. Qsia it? «setMf iM. I8«L Fk. HaMtM rwf Lê. HaMI 

Pk. Qd mm pMdiaH? 

PapUei«e aaidt fiH m mriUait MfoUitf 

MerettorawM m mmUs kakttt, M nm ptrdMH? 
Lê. Nihil ifloran. Pk. qM igitarf Lê. Tm mritaUa 9Ufo\, pMw: 

PneteTM diquataa taial ««m ia édidit abptr^iia." 
1) Ti. 870: Lê. .T« modo m bm prohiboM oedpere, stqsid dol mikL 
Pk. Aa 00 e gwl i t ta oi tokrtbia, liqiia ab Ulo aeeoptritf 
Lê. Bo , pater. Pk. Pol cfo bUm aolo mo ratloMS tdooaat Lê. Ii«g|. 

Sda to illaai qao gcaere gaataa lii? Pk. Bdo, idprÜM proU, 
Lê. Soror illial idalta airgo graadit: aa» eapio, palar, 

Daeara aioraai timt doU. Pk. 9i»t doU (aataa) wunmf Lê. H^ 

Taa ra «üaa.** 



haren broeder ten hi vn^^ea vmir ay» zoon. (3i Lo- 

den;k beeft berouw OTer , " manier van leven; men heefl 
bem in een bofiBehuis beleedi ; b^ werd woedend, maar bn- 
greep, dat h^ ongelgk had, • i verwet na aan zgn knecht, 
dat deze hem tot verkeerde d en heeft gebracht. Daar treedt 
Zimon op hem toe en dra^t : a verzoek voor, maarLodewjk 
meent , dat de ander hem voor len gek bondt ') : 

*Gaa, zoek uw Soon aan zjns gelyke te rerpanden". 

Hg weigert, want h^ kan aan z^ne zoster geene hnwel^k^ 
gift meegeven. Zimon dringt aan , en nu herinnert Lodewjk 
eich , dat hg nog een stuk grond bezit. Het ia het eenige , dat 
hg van zgn vermogen heeft overgehouden, en hg wil dit schenken. 
Eobbert komt hier tegen op *) ; 

>Wat rept gy van dien Hof, die wy niet konoen derven? 

Wy moeten ommers, was die weg, van honger sterveo". 
Als Lodewyk niet naar zijn raad luisteren wil, vertelt Rob- 
bert aan Zimon , dat op dien akker geene dieren kunnen leven , 
dat hg onvruchtbaar ia, dat er eene hoi^e belasting op ligt, 
enz. (vgl. Plautus, vs. 523, sqq.). Natuurlgk ziet Zimon van 
het aanvaarden van dit geschenk af, maar gaat vrootgk naar 
huis, nu hij de toestemming van Lodewyk heeft gekregen. En 
(leze klopt bg Laurens aan, om over bet buwetgk van zgne 
zuster te spreken, (6) Hg verzoekt Laurena, om den akker over 
te nemen en de waarde er van in geld aan zgne zuster ter 
band te stellen. Laurens ziet hierin een bewijs van beterschap 
en zegt , dat bg zelf nog eeue buwelijksgift voor het meisje 
heeft. (7) Daar verschijnt de kgvende en schoonmakende Cor- 
nelia, die den jongen man terstond het huis uitdrijft. (9) Hg 

]) T). 452: •Ciim uMttw ii«tT* bod ut leqiu ficlio. 

AdfiniUlftp nabil ■liain qnwriU," 
8) VI. G12: Stuimn. .NoitntinDC. m, nh natricem, qau dot edncal, 

Alwlieliare i nobii? etnc lii feecriii 

Qaid edemni nofmcl pottcs." 



147 

ontmoet Fredrik, die, ereDals zijn yader, weigert den akker 
van Lodewyk aan te nemen, en de jongelieden worden groote 
vrienden. 

Derdf Bedrijf. (5) Laurens en Ana^lmus spreken er over, 
hoe de dochter van Rodolphos zal worden oitgehuwelgkt. 
Laurens is van plan haar een gedeelte van den verborgen schat 
als huwelgksgift t« geven. Nu is er echter eene moeilykheid. 

Laur. > Nq weet ik naowlyks hoe men zig daar in dragen moet. 
Zal ik het de Dogter als van haar eigen geeven, 
Of als van het myne? 

Anz, Ik zou liever uitstrooyen, dat de Vader van de bruid 
U eenig geld geremiteerd had, dat beeter luid; 
Om , of de dogter met uw zin in 't huwlyk kwam te treeden. 
Dat gy haar dan met een eerlyke Bruidschat uit zou 

besteeden*'. 

Anders zou dit geval maar weder aanleiding tot nieuwe praatjes 
^even. (8) Daar treedt Rudolphus, de vader van Lodewyk , op ; 
hij i^ van zyne tweejarige reis teruggekeerd en (9) beluistert 
Kobl)ert , die er hardop over peinst , dat voor z^n jongen meester 
en voor hem Oost-Indiê nu spoedig het voorland zal zgn. Hy 
Achrikt^ ais hy Rudolphus herkent, en vertelt hem dan, dat 
zijne dochter de bruid is en dat zyn zoon: 

> Uw zoon is het hair uitgevallen , en dat kaalt zoo wat**. 

(11) Rudolphus belt aan by het huis, dat vroeger het zyne 
was, en vraagt naar zyne dochter, maar de meid, die hem 
niet kent. laat hem staan. (IS) Het wordt niet beter voor hem, 
wanneer de razende Comelia verschynt; als hy van zijn huis 
spreekt, wordt hy door haar uitgescholden. (16) Eindelyk ko« 
men I^aurens, Anzelmus, Zimon en Fredrik; Laurens ontdekt 
aan hen het geheim , waardoor hy in zyn goeden naam bena« 
<leeld is, en dat zyn gedrag volkomen opheldert Fredrik krygt 



148 

zgn meisje ea een braidschat van Riidolphus, ea (21) aan Lo- 
dewyb wordt door zqu vader rergiffenia geechonkeii. 

In dit blijspel heeft van Elalmael zicli, evenals in zgne ove- 
rige stukken, die hg aan Plantns ontleende, niet zeer nanw 
aan het origineel gehouden. Hg heeft tooneeltjes weggelaten en 
inf^evoegd en slechts op enkele plaatsen den Latgnschen tekst 
vertaald. 

Van Lessing's />er Schatz (1755), eene bewerking van 2Vt- 
nvmmvs, bestaan twee Nederiandsche vertalingen, die van de 
jaren 1780') en 1867») dagteekenen. 

X. Trvcvlentvs. 

Ook naar dit blgspel beeft Van Halmael een stuk bewerkt, 
nl. De Listige Ju/er Betrapt^) (1713). 

l'''' Bedrijf. (1) Jaap, een boer, is in de stad komen wonen, 
maar het bevalt hem volstrekt niet. Zelfs zgne dienstmeid Tryn 
brutaliseert hem , en (2) zgn zoon Kees (Strabaw) komt op het 
verkeerde pad. (3) Welke gevaren de jonge boer loopt , blgkt uit 
een gesprek tuascheD Isabel (Phronesivm) en Agniet (Astapbivm) , 
bare meid. Hoe velen heeft de lietige Isabel reeds geplukt I Tbana 
moet de boerenkinkel , die naast haar woont , er aan gelooven. 
Maar, daar het nuttig is om meer pezen op zgn boc^ te heb- 
ben, heeft Isabel aan een anderen miaeaar, den officier Al ex an- 
der, geschreven, dat zij zwanger by hem is. Agniet moet nu 
hier of daar een pas geboren kind zien te leenen, dan zal men 
den krggsman eeos aardig beetnemen. Want, zegt Isabel: 



1) De Schat, Tooiteltpfl Gevoigd naar het Hoogdtatich pn dn Hfrt O. h. 
Ijuiny. Te Amiterdan, Bg T. tan Uarrevell. 1T86. 

2) De ScAat. Blijtpel in één bedrijf, naar Aet HoogdtUicA caa G. S tattof (in 
Firtchtidenhtid. Bundel drama/iicie werkt*, in Proia en faaij, Jtuttrdam, L. F. 
J. llaiteU 1867, I, bl(. 71). 

3) Blfipel Oteolff u Tneulenliu tul den serwuurden Poiit Flautmê (Vignet; 
Purgat et Oma/). Te Amtterdam , Qidntt voor de» AutietiT, en tijH Ie iiiowua 
bf Headrik van de Gtete, mt, 1118. 



149 

>dan zal ik Yoor een uur of twee kraamTrouw weezen. 
Ondertusschen zal hy opdokken meer als je meend". 

(5) Bouwe (Btratvlax), de knecht Tan Kees, tracht zgn jongen 
meester af te honden van een losbandig leTen. Hg prgst hnn 
vroeger leven in het dorp, maar Kees wordt boos en geeft 
hem zjjn afscheid. (7) Zoo komt Kees bg zgn onden meester, 
Jaap, terug en vertelt hem, wat er is voorgevallen. De oude 
boer wil met zgn zoon en knecht naar het land terugkeeren. 

(8) Bouwe juicht dat plan toe: 

>De Vader, schoon het een boer is, heeft verstand. 
Hy ziet zyn abuis, en het verschil tosschen Stad en Liand. 
Veele verslyten de boeren voor onnoos*le en domme krengen , 
Maar die een boer wil bedriegen , moet 'er een meé brengen**. 

(9) Nu treedt Karel (Diniarchvs), een derde minnaar van Isa- 
be) , op gevolgd door zgn knecht Robbert (Cvamvs). Beiden 
zjjn juist van Rotterdam gekomen, om aan Isabel een bezoek 
te brengen, en Robbert, die wgzer is dan zgn meester, waar- 
schuwt (lezen, om zich toch niet door Isabel te laten bedrie- 
gen. (10) Agniet is intusschen geslaagd en heeft een klein kind 
geleend; Karel, die haar daarover hoort praten, meent, dat 
Isabel bevallen is, doch (11) daar treedt zg zelve uit haar 
huis en deelt hem mede, dat er gesproken wordt over een 
kind van eene buurvrouw , dat juist is geboren. Karel verwg- 
(lert zich om geschenken voor Isabel te koopen. 

2"^^ Bedrijf, (3) Agniet tracht Bouwe voor zich te winnen, 
maar zg slaagt hierin volstrekt niet ') : 

lio. Begin jy wéér, aal ik jon al deeie prullen van de kop rukken. 
Verwonder u niet, al vallen *er jou harssenen by. 



1) Aang«hMld bmt de aitgav« vaa Sehoell ia d« PUBia»-«diiie vaa Ritadü, ISSl. 

Tt. iSfi: SirmiwUs. «Abirt kiae ai proparaa fraadi grada, 

laai karelc cfo iaioi fletoa ooaipiot eriapoi etaeiaBM iaoa 
VagaaaUlot aiqaa ei earabfo naallaa. J êi t ^imm , ({aaaaai grttia? 



150 

Agn. Wel waarom dat? Bo. Om jou onbeschaamde zotterny. 

Agn. Ik word *er beschaamd of, om zulk onverstaadig tieren. 

Bo. Jy beschaamd! is dat waar? zo hakt my aan vieren. 
Het wil noch lyken , of zy rood worden kost , 
't Is in uw magt niet, gy zyt van die zwakheid verlost.^' 

(5) Jaap kr^gt twist met zyne meid Tryn en zegt haar de 
huur op. (6) Als hij is uitgegaan , komt zyn zoon Kees te huis , 
spoedig gevolgd door den slager Hans, die van Jaap twintig 
ossen heeft gekocht, welke h:y nu komt betalen. De panlikker 
Smul woont dit tooneeltje by ; (10) hg beloofb aan Agniet den 
jongen boer bij hare meesteres te brengen: 

>'k Weet een haas voor jou, hy is zo vet, zo gelardeert. 
Agn. Gy zult er een bout af hebben, word hy gefrikasseert'*. 

(14) Smul weet Kees te bepraten om met hem mee te gaan, 
en de jonge boer steekt een gedeelte van het pas ontvangen 
geld big zich en sluit de rest in zyn koffer. (18) De oude Jaap 
komt te huis; hij heeft zijn zoon overal gezocht, maar niet 
gevonden. (20) Ook Bouwe heeft gezocht en heeft den slager 
gesproken, die hem heeft verteld, dat hy juist het geld aan 
den jongen boer heeft overhandigd. (22) Jaap zoekt echter overal 
te vergeefs naar dat geld. (23) Thans treedt Robbert , de knecht 
van Earel , op met een zakje met geld , dat hij namens zyn 
meester aan Isabel als een geschenk moet ter hand stellen. 
De knecht is niet ingenomen met de klasse van vrouwen , tot 
welke Isabel behoort *) : 

>Zy slachten de zee, die niet in 't minste deel 

Str. Qaia ad foris oost ras ODguentis uDcta*t aasa acc«dere 

Quiaque bacculas tam belle purporissatas habes. 
AH. Ërubai mec£stor misera propter clamorem taom. 
Str. Itane? erubuitti? qaasi uero corpori reliqaeris 
Tuo potestatem coloris uUi capiendi , mala." 
l) VS. 568: Coamüi. «Meretricem ego item esse reor mare ui est: 

Qaod des deuorat nee datis anqaam abandat ; 
Hoc saltem sernat/' 



151 

Grooter, of hooger word, al zwelgt se een gantKhe vloot 

door haar keel, 
Alleen, dat sy verkrygt, kan %j noch bewaaren*'. 

Hjj is dan ook zoo yrg om eenige geldstukken uit het zakje 
te nemen en brengt het OTerschot aan laabel. (26) De knecht 
van den ofiBcier Alexander (Stratophanes) bericht , dat zgn meester 
in de stad is gekomen, en (27) dadelgk wordt Agniet uitge- 
zonden om het kind te halen. (29) Kees maakt kennis met 
Isabei en treedt haar huis binnen , terw^l (31) een oogenblik 
later zyn diefstal door zgn yader wordt ontdekt. (32) De oude 
Jaap en Bouwe, die te weten zgn gekomen, waar de jonge 
man zich bevindt, bellen aan bg Isabei, maar zg worden uit- 
gescholden. Zg begeven zich nu naar den > OfiBcier*' en mengen 
de justitie in de zaak. 

3^ Bedrijf. Dit speelt in >een gemeubileerde kraamkamer*'. 
(1) Smul en Kees zgn in het huis yan Isabei, de jonge boer 
met een zak geld onder den arm; de klaplooper zal hem eens 
wat van de wereld laten zien. (3) Maar Agniet sluit beiden, 
nadat zg een maaltgd hebben besteld, in een ander vertrek 
op , en (4) overlegt met hare meesteres , hoe zg den boer het 
best kunnen plukken. (5) Isabei gaat in bed liggen , om zoo 
aanstonds Alexander te bedriegen. Nadat Karel is verschenen , 
(8) treedt ook de krggsman op; het is een echte Bramarbas, 
die allerlei heldenfeiten heeft yerricht. Hg munt ver uit boven 
anderen : 

>And*re vechten met 'er bek, op den Dam, ofin de kroeg, 

En als zj maar babb*len, dat dunkt *er genoeg. 

Noch zyn 'er, die zulke kakelaars pryzen. 

En houden die Snappen yoor dapp'ren, en wyzen. 

De zotten vertrouwen haar op het gehoor. 

Eén ooggetuig geld meer, als tien van het oor ^). 



1) Ts. 490: «Pliirit «•! oraklii tailit ■»•• q«ui A«riti 



152 

Ik yerbaal niet, of ik deed, en zag het in ^tréld. 
Dit is wat anders, als dat me verteld''. 

Thans treedt hg nader en begroet Isabel, waarna Agniet 
hem het kind toont met de woorden ^) : 

«Hy is een Soldaat, en een Erygsman yan aart. 
Hy zag pas het licht, of hy riep om een zwaard, 
AL Hy is de myne, 'kmoet het gelooven*'. 

Natnurlgk moet Alexander al zgn geld en zgne kostbaarhe- 
den aan Isabel a&taan. (9) Kees en Smul verschgnen in de 
kraamkamer, (10) gevolgd door muziekanten, en met dansen 
en muziek wordt het kandeelmaal gevierd. Onder het dansen 
heeft Smul den boer zign zak met geld afgenomen en wil er 
mede verdwenen, maar de deur is gesloten. (13) Robbert komt 
berichten, dat de politie voor de deur staat; dit verstoort de 
feestvreugde. (15) De »0fi5cier*' treedt binnen met eenige dien- 
ders en met Jaap en Bouwe. Niemand mag het huis verlaten, 
Kees en Smul worden gevangen genomen , Isabel wordt van 
het bed gesleurd, de geschenken van Alexander in beslag ge- 
nomen en de gevangenen weggevoerd. (16) Alexander, die eerst 
nog wat praats had, houdt zich nu heel kalm en wordt om 
zijne vrees uii^elachen. Tot troost wordt hem echter meege- 
deeld, dat het kind, waarvan hij een oogenblik te voren de 
vader heette, geleend was. 

Deze bewerking van de Trvcvlentvs is zeer vrg. Slechts hier 
en daar zijn een paar regels uit het Latgn vertaald, en de 
ontknooping van het blyspel is geheel anders. Bij Plautus toch 
komt Phronesivm er goed af en kan aan het slot van het stuk 
de- woorden spreken (vs. 967) : 

„Veneris causa plaudite: eius haec in tutelast fabula*'. 



Toen Van Halmael in 1713 zyae bewerking van de Cvrcvlio 



1) V8. 506: Jst. «Quioe ubi natast ma- ma- machaerim et clapeam posoebat sibi ? 
ütrtUophamci. Meas est: scio iam de argumentii.*' 



158 

het licht deed zien, schreef hg in de Yoorrede: »Dit ons 29«te 
Tooneelspel, onder het opschrift ran de Onberaden Minnaar 
gelukkig door 't gevolg is het Laatste dat wy U. E. uit den Bloem- 
hof van Plautos op een doitsche Tafel sollen opdissen. Was 
onze E^uw Lettergieriger geweest, wy souden het oTcrschot 
van alle syne Tooneel en Zeeden-spellen licht (en met weinig 
moeite) in onse Taal rerplant hebben. Het restant sullen wy kloe- 
ker geesten overlaaten. Dien Latyn (hoe weinig zich tot noch 
zyner bekommerd hebben) is de geleerdste arbeiders wel waardig". 
Dit laatste behoefde niet door Van Halmael Terzekerd te 
worden. Maar waarom hebben dan hg en anderen , die zich tot 
het vertalen en bewerken der Plautinische comedies zetten, 
zich niet veel nauwer aan het origineel aangesloten? Vele dier 
bewerkingen zgn niet best geslaagd. En dit wekt geene ver- 
wondering. Niet ieder mensch kan naar Corinthe gaan en niet 
ieder dichter een Latgnsch blgspel van ingewikkelde intrigue, 
vol geest, en waarin eigenaardige toestanden worden geschetst, 
een Nederlandsch kleed aantrekken, dat goed past en goed 
staat. Daarvoor moet men een Molière, Holberg of Hooft zgn. 
Vau vele der bewerkingen in onze taal naar Plautus zou men 
de woorden van Huygens over de vertalingen der Latgnsche 
verzen van Barlacus kunnen bezigen: >maar die 'tzedert sgn 
kinderen in *t Nederlandsch kleed hebben willen steken, zgn 
de rechte sngders niet geweest**. Zonder twgfel zgn er ver- 
zachtende omstandigheden te pleiten. Het is moeilgk, soo niet 
ondoenlgk, eene Romeinsche »meretrix*' in eene Amsterdam- 
sche isnol*' te metamorphoseeren. De slaaf wordt knecht, maar 
de slavin ? Op dese klip moeten de navolgingen van de CtfrevUo , 
Coêinay Milêê en Pêewkltn stranden. Waar die figuur gemist 
wordt, of niet op den voorgrond treedt, looals in de Atflvla' 
ria, MoêtêUaria^ Menaêchmi en IVmommot, vermeerdert de 
kans van slagen. Verder heeft het verlangen , om op eigen wie- 
ken te drgven , ons menig aardig tooneeltje doen miswn , en de 
zucht om te localiseeren dikwgls veel doen inlasschen, dat 
best gemist had kunnen worden. 



154 

Zonder twgfel zullen er in onze letterkunde nog tal raa na- 
volgingen THD PlautoB z^Q, die boven niet werden besproken' 
Maar deze komen eerat langzamerhand roor den dag , want ook 
bier bemoeilykt de eigenaardige wgze, waarop onze vooronders 
door geheel veranderde titels hunne piraten aan bet oog der 
wereld poogden te onttrekken , een onderzoek ten zeerste. De 
bt^speten, waarvan de titel maar eenigazina het vermoeden 
kon opwekken, dat zij naar Flautus werden genomen, zgn door 
mg gelezen. Toch was het resultaat klein. Maar in elk goval 
zgn de bewerkingen van 10 van de 20 Plantinische blgspelen 
groot genoeg in getal om er het besluit uit te knnnen trek- 
ken , dat ook op het Nederlandsch tooneel de invloed van den 
Latgnschen dichter zich heeft doen gevoelen. 

Groningen. t. &. worp. 



HUIG DE GROOT'S SONNET. 

Sedert ik ïn 1883 in dit t^dscbrift een artikel over hel Son- 
net plaatste, is de litteratuur over dat onderwerp wéér heel 
wat toegenomen. 

Op twee bundeltjes vestig ik hier de aandacht van hen , 
wien de geschiedenis vau dezen dichtvorm belangstelling in- 
boezemt. Een keurig boekdeeltje verscheen te London bg Wal- 
ter Scott in de serie: >Tbe Canterbury Poets"; het is 
getiteld: Souuets ofthis Century, Edited and arranged 
witb a critical introduction on the Sonnet, by William Sharp". 
Ëene prachtuitgave van dezen bundel heeft eene n<^ uitge- 
breider inleiding over de Geschiedenis van bet Sonnet 

Het andere deeltje , bg deozelfden uitgever verschenen , draagt 
tot titel: >The Sonnets of Enrope, a volume of transla- 



155 

tions, withNotes, by Samuel Waddington." Dit bundeltje 
geeft de geRchiedenis van het Sonnet in voorbeelden. Het be- 
vat, behalve uog enkele in de aanteekeningen verspreid, twee 
honderd twee-en -veertig Sonnetten uit verschillende tgdperken 
en landen , nam. uit het Italiaantich , Spaansch , Portugeesch , 
Fransch, Duitsch, Zweedsch , Poolsch, Nieuw-Grieksch en het 
Hollandse h. De verzamelaar heeft er verschillende zeer 
vloeiend en getrouw (voor zoo ver ik heb kunnen nagaan) ver- 
taald ; verreweg de meesten echter heeft hy uit vroeger en later 
tyd en uit de verspreide Engelsche dichtwerken bgeengebracht. 
Natuurlijk worden in zyne rgke verzameling toch nog vele 
Sonnetten vermist, die men gaarne zou zien opgenomen. Doch 
ook vele voorbeelden, die niet zoo algemeen bekend zijn wor- 
den hier aangetroffen. Het is jammer, dat de Verzamelaar te- 
genover de vertalingen niet doorloopend de oorspronkelgke ge- 
plaatst heeft. 

Zal dit bundeltje velen welkom zyn, voor ons Nederlanders 
biedt het nog eene wezenlgke verrassing aan; ik vermoed al- 
thauH dat er genoeg landgenooten zullen zyn, die geen ken- 
nis droegen van een hier opnieuw gedrukt Sonnet, dat de ge- 
heele verzameling voor ons van belang maakt. Ik bedoel een 
Sonnet van Hu go de Groot en dat nog wel in het La- 
tijn! Tot heden heb ik in geen enkele letterkunde de weerga 
gevonden van een Latgnsch Sonnet. Ook Waddington noemt 
bet unique en deelt het in zgne verzameling als Curiositeit 
mede. Dit sonnet is bg wgze van lofdicht geplaatst voor Tho- 
mas Farnabie's uitgave van de Treurspelen van Seneca, 
1G24 te Leiden en te Londen verschenen. Thomas Famabie 
werd in 1575 te Londen geboren en wordt door een zyner 
landgenooten de eerste taalgeleerde, redenaar, dichter en lati- 
nist" van zyn tgd genoemd. Hg leverde uitgaven van Juvena- 
lis, Persius, Seneca, Ovidios, Terentins en Lucianus, waarop 
in den vyfden regel van het Sonnet gezinspeeld wordt. Hg 
was ook de dichter van het Latgnsche gedicht, voorkomende 
in den bundel In Memoriam, gewgd aan de nagedachtenis 




156 

Tan Edward KÏDg , in welken bundel Uilton's welbekend trenr- 
dicht Lycidaa roorkomt. 

Ziehier het oorsprooketgke , gel^k het door Waddington aU 
nauwkeurige copie wordt medegedeeld. 

iLiteratissimo, amiciasimo , candidissimoqae pectoii, Tfaonuu 
Famabio, sonnlum hendeca-ayllabicum sacro". 

Vitae Scena magiatra singularis, 
Scenae Tita Tragaedus; in tragaedis 
Lux primae Seneca est suprema eedis; 
Qua TV lux Senecae simul locarls. 

Das Stellis supeieminere claris, 

Tanquam ardentibue undecunque tedis. 
Et mendis Tr^ci medere foedis; 
Nostrie unde nepoÜbas canaris. 

Lngdunum néq: te modo Batavis, 
Londinumve suïs 1es;at Britannis, 
Urbem Aeternus ntram tenere mavis: 

Cunctis quia legitor locia & annis ; 
Nee lioguis bomlDum ferire pravifl. 
Et cedat tibi temporum tyrannis. 

Hugo Hollandiu*. 

Ziehier tevens de Tertaling van Waddington ; zg rerdient 
erenzeer vermeld te worden na de mededeeling van bet oor- 
spronkelgke. 

HUGO GROTIÜS. 

To Tkomat Famabie. 

(On editing the Tn^^ediea of Seneca). 

Life 's mirror, and our teacher, is the Stage, — 
Aod to the Stage life the Tragedian gives ; 
Throned 'raid tr^ediane Seneca stil) lives, 
And tb OU, whose ligbt here gleams upon bis p^e: 



157 

Each star pie cm iüCBt ^ eaeh elttsie mge, 

Tbat thines npraiie, firom thee hie Hgbt demes; 
By thee r ee tor e d the Tragie Muae leriTes, 
Whenee may thy praise be sang firom age to age. 

Nor LeydeD oor let London claim, entafled 

For their tole beritage, thy treaaored store, — 
Whiche*er thoa chooaest as thy home to be, — 

Bat read in erery town for erermore, 

By slaiid*roi2s tongues nntooehed , by oooe aasaüed , 
May Time *s dread tyranoy now yieU to thee. 

Nq w^ Waddington's rertaüiig ran Hugo de GrooI's L*» 
t^usch Sonnet hebben meegedeeld moeten w^ nog op een an- 
der sonnet uit dezelfde Terxameling w^ien, waarran de rer- 
taling door Edmond Gosae, den weibdenden beoefenaar onzer 
letterkunde , gelererd i«. Het is het sehoone Sonnet door Hoofk 
aan Hugo de Groot gericht, een klinkdicht dat in het oor- 
sprookelgke zich borendien door een bgzonderen rorm onder- 
scheidt, daar slechts twee rigmen orer het geheel rerdeeld z^n. 
Het dagteekent ran 1616. 

AAN MUN HEER HUIGH DE GROOTE. 

Weküge ziel, éie met ow scherp gezicht 
Neemt viaae amsé van dingen die genaken, 
En al óem dtmr 4cr oroieden zaken 

Begre p e n homdi met ieders reen en wiebt: 

VenoogeBde «i te breèn, in dierbaar dicht. 
Wat rMwi cA radrt ooit God oft menachen spraken: 
Zolks H^tkmi es0, ak Zeeman op een baken 

lo slairfa it a W0s0!f, ^ uw Terfaeren licht: 

O, gr#A« 7jm^ waé ttA ik van U maken? 
V^!u s4«» CMb^ éfm aü des Hemel laken 
KumA^ m mm tmn wd kenhg toagericht? 



Ofl een yemuft in top van 's Homels daksn 
Verhelderd, om op Aard te komen blaken, 
Daar 't land en liën met leer en leven sticlitï' 

Dit Sonnet , voor de Groot's P o e m a t a geplaatst , i§ door 
Edmnnd Gosse onder de >Sonnet8 of Enrope" eene plaats 
waardig gekeurd; bg geeft er de volgende vertAÜng van, die 
zoo wel niet geheel overeenkomstig den vorm van het oor- 
spronkelyke toch eene keurige vertaling kan heeten. Wg bren- 
gen, wat het Kollaodsch betreft, nog in herinnering dat 
>overleden" b^ Hooft in den zin van „verleden", — >laken" 
in dien van >lekken" of dalen gebezigd wordt. De vertaling 
luidt aldus: 



PIETER CORNELISZOON HOOFT 



[By Edmund Gosae). 

Great soul, tbat with the keenness of clear sigbt 
Just meaaure takest of approaching things. 
Yet by the wisdom that high memory briogs 

Dost hold full judgment of all past years' flight; 

What God or man ia counsel or of right 

May speak, thou canst expound; &om theelightapringa; 

Tbou art the eye of Holland ; when storm riogs 
In starlesa weather, thou dost lift thy light. 

Sun of our sphere, how shall I liken you? 
Art thou a blaat that God from heaven out-biew 
Come to our hearts, to find them well prepared? 

Or, from the roofs of Paradise, a spirit, 
Dowered with all akill that sons of light inherit, 
Whose wit and power our ï^arth with heaven hath shared ? 



159 

Behalve deze Sonnetten zijn nog in den bundel opgenomen 
een tweede van Hooft, getiteld »Friendship", evenzeer door 
Edmund Gosse vertaald, en een van Jan van Broekhuizen ont- 
leend aan Sir John Bowring's welbekend bundeltje over Hol- 
land en z^ne letterkunde. 

Breda, Sept. 1887. a. s. kok. 



. PROGNOSTICA. 

In een hs (980) te Gotha uit de 15« eeuw, dat verschillende 
zaken bevat, leest men op blz. 143 v. het volgende: 

Januario eyn kynt geboren wert dat scal wesen van kolder 
naturen. In Februario eyn kynt geboren wert dat wert gerne 
eyn dëf. In Marcio eyn kint geboren wert dat scal wesen kone 
unde klok van synnen unde men schal id vortheren unde id 
schal to male unstedich syn. In Aprili eyn kint geboren wert 
dat schal syn weldich unde kusch. In Junio eyn kint geboren 
wert dat schal sin unblide unde schal nicht weten unde schal 
nycht achten wat it deyt. In Julio eyn kint geboren dat schal 
syn gerich unde tornech. In Augusto eyn geboren wert dat 
schal wesen kusch unde getruwe unde weldich. In Septembre 
eyn kynt geboren wert dat wert van guden sinne unde sedich 
unde rechte richtende. In Octobris eyn kint geboren wert dat 
is van bozer nature unde schal quade wort spreken tegen gode. 
In Novembre eyn kint geboren wert dat schal werden eyn 
klok schutte, klok unde getruwe unde eyn meyster van arste- 
dye. In Decembre eyn kynt geboren wert, dat wert eyn recht 
richter unde geweldich unde kusch. 

April 1888. i. h. g. 



GRAKJE. CWatwwr 1029;. 

Prof. De Tries Leeft: op h\. 277 vlgg. Taal- en LetWb. 
II overtaigend aangetoond , hoe uit drie vreemde woorden ga- 
randia, creantum en gratum door wederkeerigen invloed de 
beteebenÏB van het vroeger misverstane granje outataan ia. Tot 
duBver kent men drie plaatsen, waar het voorkomt, en wel 
in verband met zotken, geven of krijgen. In de volkstaal, z^^ 
de Jager, Arch. IV, 489, hoort men eijn grant halen. Dit^nint is 
grantum, crantum, creantvm van het Lat. credentia. Onlangs 
trof ik dat woord grant, gespeld met d grand, aan op bl. 
303, 1« deel van den Vermakelgken Avanturwr {kmet. 1695), Elen 
schoenlapper vertelt , dat hy voor eene meid (Trjntje Pypen) de 
schoenen gelapt had en goedgevonden, dat haar aanstaande (Bram) 
voor baar zon betalen, op voorwaarde dat >hf my twee blan- 
ken aan gereed geld geven son, en dat ik na d'overige ses 
stuivers eu een half (want ^ stuivers was de som , voor twee 
halve solen , eu twee achterlapjes) drie maande» wagten zoa. 
Nouw, Sinjeur, daar was ik wel meé te vreêu; want Bram 
ken 't we] doen, als je weet, en daar by heeft syn Beste-vaar 
□og drie pot-huisen iu dese stad ; so dat ik , so t« rekenen , 
verstaeje wel? myn grand wel van hem sou gekregen hebben, 
indien >Tryntje Pypers sulke bruiery niet bad begost", enz. 
Blikbaar beteekent grand bier > hetgeen mg toekomt", «het- 
geen ik gecrediteerd had". 

Utrecht p. H, VAN uobhkekkkn. 



^ 



HET BRUSSELSCHE HANDSCHRIFT 

TAK 

HEIN VAN AKEN'S LIMBORCH. 



Gelyk ik in de Janaari*xittiiig (yan 1888) der Koninklgke Aca^ 
demie heb medegedeeld , ben ik in staat geweest het Bnisselsche 
handschrift Tan den Limborch op nieuw te onderzoeken. Door bet 
bestuur der Bourgondische bibliotheek is met de meeste heusch- 
heid myn, door bemiddeling Tan het Blinisterie Tan Buitenl. 
Zakeu gedaan , Terzoek toegestaan , om het hs. te leen te mogen 
ontvangen: dat een hernieuwd onderzoek , ook na het gebruik , 
door Van den Bergh er Tan gemaakt, niet onnoodig was, zal 
uit de volgende bladzyden blgken. Wel was het niet te ver* 
wachten, wanneer men den tyd der uitgave in aanmerking 
neemt '), dat het handschrift op streng wetenschappelyke wgze 
aan de uitgave van den Limborch zou zgn dienstbaar gemaakt — 
ook was en bleef de uitgever in de taalwetenschap een dilet- 
tant, van wien men geen wetenscbappelgke methode kon ver- 
wachten — , doch de noodige zekerheid , om in dezen een oordeel 
uit te spreken, ontbrak ons tot beden. Thans is die onzeker- 
heid weggenomen, en kunnen de volgende bladzgden, behalve 
voor het mededeelen van allerlei nieuwe lezingen , waardoor de 
Limborch op zeer vele plaataen (tosschen de drie- en vierhon- 
derd) kan worden verbeterd, ook dienen ter beoordeeling der 
uitgave van Van den Bergh, welke eerlang door eene nieuwe 
moge worden vervangen, hetzg van mgne hand, hetsy van 



1) 1846, ton éê m\AA»\m9èm\Mémk9 tMlwilMiAni Mf ia ksra 

11 



162 

een m^Der jongere vakgenooten. De tyd daarvoor is thans ge- 
komen: hei spreekt vanzelf, dat daarvoor ook eene hernieuwde 
collatie van hs. A zal noodig zgn, en dat de door m^ uit B 
opgezamelde bouwstof voor den aanstaanden uitgever van den 
nieuwen tekst ter beschikking is. 

Het Handschrift is door Van den Bergh in zgne uitgave, 
bl. XXXV vlgg. beschreven, en munt wat het uiterlijk betreft 
door niets uit; van zooveel te meer belang is het voor den 
inhoud; het is eigenlek eene vertaling van den Limborch in 
een aan Nederland grenzend dialect, half hoogduitsch, half 
nederduitsch , dus in een middelduitsch dialect, niet ver van 
onze grenzen gesproken , — indien althans de middelnederland- 
sche tint niet is toe te schrijven aan den vertaler zelven, die 
zich zoo veel mogelyk heeft gehouden aan den oorspronkelijken 
tekst. Voor buten b. v. vindt men nu eens buyssen , dan weder 
huaen, elders buten; voor moedernaect schrift hij modemacht; 
hy schryfb nu eens slapen , dan weder sla jen {sloeffen) ; nu eens 
li^ff getal ^ dan weder lüff getzal; enz. Ik laat het onderzoek 
aangaande de plaats, waar het dialect van den vertaler te huis 
behoort, voorloopig rusten en wijs op enkele andere eigenaar- 
digheden van dat dialect en van den vertaler. Sommige woorden , 
b. V. beten , porren , stappans , vollike , haestelike , altenen , ginder^ 
verwoet^ komen in zijn dialect, althans in zijne vertaling, niet 
voor, en worden geregeld of althans in den regel overgezet 
door afstam , riden , gerade , gerenkliche (d. i. gertngelike), snel^ 
lich, allet, hinwart (ook gindartz), rasende {rosende). Voor 
allerlei aan het fransch ontleende woorden, welke in zijn tong- 
val niet voorkwamen en dus niet verstaan zoudeu zijn , ge- 
bruikt hg zuiver nederlandsche (misschien ook is deze eigen- 
aardigheid aan een streven naar purisme toe te schrijven); voor 
maiseniede gebruikt de vertaler gesende {gesinde) ^ voor vemoyi 
ruwe (rouwe)] voor aniveren : komen ; voor peinsen : denken ; voor 
creature: mensche; Yoor petnsteren: weiden. Enkele woorden, die 
hg niet begreep, verkuoeide hg in zijne vertaling, zoo b. v. 
achterban , custen , civetein (dat hg bgna overal door burger weer- 



163 

geeft), verstoren (in B vertroosten)^ genindên (in B geminde). Eigen* 
aardige woorden , die in het middelnederlandsch elders b)jna niet 
▼oorkomen, zijn onden (hd. unten) voor onder ^ etch touwen (hd. 
stcft zduen) en stch iltn voor hem hoesten ; vorten (hd. fürchten) 
voor dtichten\ hegenen (hd. begegnen) voor ontmoeten; geracU' 
heit voor haestiehext ; stuckelen voor stoken ; eyn W;< en nijrgen 
kijt (dat ook in den door Pfafl uitgegeven Benout herhaalde 
malen voorkomt, en mij nog niet helder is) voor twint; norke 
(ndl. uurks, Noord en Zuid 11, 359 vlgg.) voor norts\ helmaex 
voor hantaex\ berispelen voor berispen'^ lispelen naast lispen^ enz. 
De vertaler is geen man van groot talent geweest; dit blgkt 
vooral uit de moeite, die h^ heeft gehad om de noodige rgm- 
woonlen te vinden , wanneer de eigenaardigheden van zgn dia- 
lect de keus van andere woorden noodzakelgk maakten; op de 
wonderlijkste wyze springt hfj om met het rym en zeer vaak 
18 het onder zyne hand geheel verdwenen; men vindt b. v. her* 
haalde malen, ja geregeld het rgm verstonde : muyt (mnl. ver^ 
stoet : moet) \ II 65 toüt : nyet; 247 beiden : perde \ 174 stonde: 
\coude\ 287 voert (mnl. vrucht) : vlucht \ 842 berichten : gebruken ; 
lOGl kop : beloeke; 1171 cone : lewe; 1351 ver stonde : guet; 
enz. Doch in dezelfde mate als zyne verdiensten als vertaler 
kleiner worden, stygt het belang der vertaling zelve, want 
nu het rijm is opgegeven in >the struggle for poetry**, behoefde 
de vertaler geen enkelen regel te veranderen en was hy dus 
vrij van bet aanbrengen van veranderingen, die hier en daar 
de hand van den oorspronkelyken dichter en den mnl. tekst 
onkenbaar zouden hebben gemaakt; en daaraan danken wy eene 
vertaling, die zóó betrouwbaar en letterlyk is, dat wy daaraan 
bijnii de waarde van een handschrift kunnen toekennen. Wan- 
neer wy deze vertaling b. v. vergelyken met die van den Benout^ 
uitg. door Pfati' in de Werken van den > Litterarischen Verein 
te Stuttgart**, n*'. 174, blykt eerst duidelyk de waarde der verta- 
ling van den Limborch ; de vertaler van den Benout heeft sich 
zooveel vryheden en veranderingen veroorloofd, dat men den 
oorspronkelyken tekst er slechts gedeeltelyk in herkent, en 



164 

het eene onmogel^kheid is , er deo mnl. tekst uit te recon- 
strueeren ; had hg eene wgze van vertaleD gevolgd , als met 
den Limborch is geschied, dan zou onze mnl, taal zich in de 
saowinat van een dichtatuk of althaue rgmwerk van meer dan 
15000 verzen mogen verheugea. De oogst, voor het mnl. taai- 
eigen nit den R^nout verzameld, is nu hiermede niet te verge- 
leken, al ia hg ook niet geheel onbelaogrgk te noemen. 

Welke is du de verhouding van den tekst, waarnaar £ is ver- 
taald tot ^ , en is ^ wellicht eene vertaling van A ? Het laatste is 
eene onmogelgkheid , daar B veel vollediger ia dan A, waarin 
vooral in de laatste boeken zgn uitgelaten tallooze passages 
van grooteren en kleineren omvang, welke in den oorspronke- 
Igkea tekst moeten hebben gestaan. Daaruit volgt nog niet 
onmiddellgk, dat B ouder moet zgn: zooals men uit Van den 
Bergh's inleiding weet, is dit hs. van 1474 en dos ongetwg- 
feld jonger dan A. Doch het kan eene jongere bewerking zgn 
naar eene oudere eo betere redactie, dan het Leidsche hand- 
schrift. Voor het beantwoorden der vraag naar de verhouding 
der hse. zgn vooral die gedeelten van den Limborch van ge- 
wicht, waar w^ een derde hn. ter vergelgking kuDuen bijbren- 
gen, d1. de door Van den Bergh in zgne inleiding C en 2) 
genoemde fragmenten, waarvan bet eerste door hem, hoewel 
onvolledig en onnauwkeurig, bg zjjne uitgave ia gebruikt, 
terwgl het tweede , dat langen tgd verloren geacht was , te 
Parija ia teruggevonden en uitgegeven door De Vries, in 
Tijdëchr. 3, 52 vlgg. Ik heb die gedeelten onderling vergele- 
ken , en bevonden , dat de overeenkomst tuaacben B ea C veel 
grooter is, dan die tuaachen B en A, m. a. w. dat BC veel 
meer voorkomt dan AB, en dat AC, of overeenkomst tusschen 
A en C tegenover B, slechts da^ voorkomt, waar B zich 
eene willekeurige verandering heeft veroorloofd. Ook verschei- 
dene der plaatsen AB tegenover C zgn veroorzaakt door wil- 
lekeurige w^zigingen van C; betzelfde kan gezegd worden 
van BC tegenoret A, zoodat alle drie de handacbriften ieder 
op zgne beurt zich aan hetzelfde kwaad heeft schuldig ge- 




165 

maakt. Het oonproDkelQk t»d B kan evenzoo gedaan heb- 
ben, en hoe meer ruimte men Toor dese mogelijkheid moet opeo- 
lat«ii , des te moeilyker wordt de te beantwoordeo vraag. Doch 
dit staat vast, in weerwil der willekeurige reranderingen , waar- 
aan ook C zich heeft schuldig gemaakt, is de rerwantechap 
van I! en C onmiskenbaar. Zoo is bet ook gelegen met B 
eü /), die tot eene en dezelfde handschriftenfamilie behoo- 
ren ; 7X)o is het ook met B ea E (de Heidelbergsche bewer- 
kiufj), gelijk uit een opstel ran een mgner leerlingen in dit 
tijitsclirift blyken zal, zoodat A tegenorer al de andere teksten 
alleen bljjft staan, en eene atzonderlgke familie Tertegenwoor- 
digt, welke verder van het oorspronkelijke ba. afistaat, dan al 
de aiiilcre bss. Te recht heefl Franck in zgne beoordeeling van 
Vervrjis' uitgave der Strophiscbe Gedichten er over geklai^, 
dut h«;t veld der handscbriftenstudie in oos land tot heden coo- 
goed als braak gelegen beeft: bet it wenschelgk, dat ook dit 
veld dt-r wetenschap bg ona te lande meer worde bearbeid, en 
dat <le hier vooropgestelde beweringen later door een opzettelyk 
ouderzo<'k nader worden bewezen en toegelicht. 

Ik '^11 thans over tot het mededeelen der uitkomsten van de 
vc-rtfelijking van B met den door Tan den Bei^h uitgegeven 
tekst van het Leidsche hs. 

'IVn pinde zoo volledig mogelgk te zgn, sa] ik ook de vroe- 
^er>- door De Vries, Te Winkel, Coaga en mg taWen op den 
l.iiiih.-r.fi uitgeoefende critiek ter sprake brengen, eene kleine 
iiilii'liting gevcu daar waar de vreea bestaat van, door hetTer- 
kt'Til Dpvalten van een woord, den zin niet goed te begrgpen, 
en iivene gelegenheid laten voorbggaaa tot het venneerdereo 
onztir keuuiri van het middel neder laodsch , toowel in naowken- 
righeid als in omvang. 

I, ö, 8. Zie r. m L(etterb.) 4, 237 vlg. 

I, 21. Dat ie teoen goeden ende briugfae 

/. iet. B icht. 

1, 41. Sine coenheit, tina Ttomkheit . . . 

Blaeetene bekini OTsr al 




166 

Ende daer soo liefghetal. 

L Ende daertoe soo liefghetal. 

B dar tzu. Over lief ge tal, zie Tijdschr, 8, 10. 

42. Sine crachticheit. /. Sine erachticheit. Zie T. en Lettb. 
1 , 243. 

60. B: Ein dat schoinste kint dat man in tlant, 
Ende dat vroemste van synen tzijde 
Dat man vant verre off wgde. 

Men moet dus in vs. 60 in A niet dat uitwerpen, waartoe 
men licht geneigd zou zijn, maar den gebrekkigen zinsbouw 
(Dat man in tlant dat man vant) stellen op rekening van den 
dichter. Vgl. met deze beschouwing het T, en Letterb. 4, 238 
door Te Winkel opgemerkte. 

74. Alle doget was hem ane, 

L ^loies hem ane"; gelgk V. d. B. met een vraagteeken in 
den tekst heeft opgenomen. B wuyss hon ain. 

110. Die herten vloen na haren zede 

Ten woude wert, soo si meest mochten. 

-B: so sy dat diepste mochten. De opvatting van B is niet juist. 
De bedoeling is »zoo snel als zij konden". Vgl. Ferg. 4842: 

Hi spranc stappans op Pen ne varen 
Ende liet lopen alremeest 
Ten castele wert int foreest, 

114 /. Soo verre dat sine wisten waer 

Deen den andren hadde verloren. 

B .... dat man en wyst war 

Der eyn den anderen hadde verloren, 
vgl. T. en Lettb. 4, 241. 

142. Men vuile aan, om het rijm te herstellen, benomen. Zie 
Mrd, Wdb, op benemen, en vgl. T, en Lettb. 4, 241. 

160 /. Ende aets wats hem was bequame. 

B: atz watz. Vgl. T. en Lettb. 4, 242. 




167 

215. Die man diese van Terren sach, 

Peinster. 

/. pein»de. In i? wordt dit woord gemist, doch de Terbetering 
is, ook zonder een aan dit bs. ontleend bewgs, zoogoed als 

zeker. 

223. Mi es meer miin armoede dan iet el, 

Ende miin vernoy dan miin spel. 

Volgens deze lezing zegt de koopman tot Margriete: >Meer 
(iau iets nuders word ik gedrukt door armoede; en myne ram- 
pen zyii vry wat grooter dan mgn genoegen, mgne vreagde.** 
Dit. is op zich zelf eene goede lezing, doch in B staat ieti 
auders, nl. : 

Mich is me mg n armoede dan yet el 
En mgn Terlnys dan ure spel. 

d. i. >Myn verlies is zoo groot, dat uwe nabyheid, uw gezel- 
scliap mij daarvoor niet kan schadeloos stellen". Aan deze op- 
vatting sluit zich dan geleidelyk het antwoord van Margriete 

aau iu vs. 228 vlg. 

260 /. Wel magict segghen, te minen leide. 
B mag icht. 

2(51. Ie volgede den andrt op miin paert; 
/. den honden y zooals B beeft. 

2l>7 /. Swarre dant te Toren was. 

B heeft: Swore dan id tzu roerentz was. 

2ö*J /. Dat was wonder; ie was vervaerL 

li ich was orveirt^ niet anweirt^ gelgk V. d. B. las; zie de 
var. Te Winkel, in T. en L. A^ 242 vlg., wil lezen: >in was 
vrrvaert'\ doch er is geen afdoende reden om van de lesing 
van /> af te wyken en de gedachte met bet Tolgende te Ter- 
hiiideu. Voorbeelden Tan ww. , samengesteld met or^, gewoon 
mnl. <»r-, zie men Taalk, Bijdr. 1, 295. 




168 

286. Dat ie mi »elTea niet en meehandele, 

Dat es wonder al te groot. 

Bern methandelen beteekent de handen aan zich zelf f laan, sieh 
toetakelen, van angst of wanhoop. Miaschieo heeft het woord 
hier de tegenwoordige beteekenis van de handen aan zich zelf 
slaan , nl. die Tan zich van kant maken. 

290. lone dar te lande niet wederkeren, 

Dies willic met u te lande gaen. 

Den onzin in deze regels verbetere men door, in OTereen- 
stemmiug met de lezing van B (vyss den lande), het tweede 
te lande te yerauderen in uten lande. 

350. mettesen 

Hebben si Ternomen , dat stallicht wareu , 

Ende daer stoet bi ene bare, 

Daer twee doode boven laghen. 

B heeft ttchelcke... de daer stonden by eynre baren". De 
lezing Tan A is zeer goed te verklaren: >zg zagen dat dat licht 
kwam van kaarsen, die bij eeue l^kbaar stonden te branden". 
Doch de lezing van B ïs merkwaardig door bet gebruik van 
tchalc, mv. schelcke, in de bet. van schraag. Lubben leehalk, 
die kleine stütze worauf ein sparren oder balken ruhet", daar- 
naast echalkhout en overgchelken , d. i. uitbouwen , eert uitOouio 
malcen (zu schalk, trager, bervorragender balkeukopf). Deze 
benaming is ontleend aan de oorsproDkelgke bet. van schalk, 
nl. knecht. Op dezelfde wyze worden de woorden knecht en 
knaap op voorwerpen , die den eenen of anderen dienst ver- 
richten , overgedragen in laarzeknecht en kleederknaap , kapstok ; 
mhd. der pfannen schalk , treeft , drievoet ; hd. ttiêfelknecht ; licht- 
knecht, profijtertje, enz. Zie verder Grimm, Wtb. 5, 1396, c 
op knecht. 

366. Ie hebben hongher herde groot, 

/. >wt hebben". B: wir haven den honger. 



/< 



i6d 

367. Al eist dat wi siin tonrasten, 

Altoos en moghen wi niet vasten: 
Het heeft ons verwgst onse here, 

(1. i. >God zelf heeft ons, door ons hier eten te doen Tinden,te 
kenoeii gegeven, dat wg niet altgd moeten vasten**. In deo- 
zelfden zin spreken wg van Godê vinger^ of den vinger Gods. 
B heeft: 

Her haet uns gevnjst nnse here, 

d. i. „Onze Heer heeft ons hierheen geleid of gebracht; eig. 
den weg gewezen". Vertmsen in A heeft de bet. van ons ver^ 
wijzen in de uitdr. «iemand naar een ander vertüijzen of iemand 
naar het eene of andere boek verm}zeri\ Hetzelfde ongeveer 
beteekent gewisen^ vs. 436, nl. geleiden. 

380. Daer die tafeU was doeo maken, 

/. die capelle, als in B. 

I, 403. Die clercke soeken, die hem waren 

Wien lande al ontfaren, 

/. uten handen. B uyss bonnen henden altzu moei untfaren. 
Vgl. T. en L. 4, 243. 

423. Dat werkelgk in «Hadden wine van hemelrike*' het 
enclitische -ne God beteekent (zie 7. en L. 4, 183), bl^kt 
duidelijk uit de lezing van B » bedden wir gotyan hymmelrich*'. 

429. Dit sgn quadiën mordenaren. 

Men kan aarzelen tusschen twee w^zen van verbetering van 
den foutieven regel, nl. >dit sgn qnadien ende m.** of >dit sgn 
quado mordenaren*'. Het laatste is in overeenstemming met de 
le/jng van B >tlit sgn qnode mordeneiren**. Vgl. I, 657: >hei 
(goed) namen hem quade mordenaren'. 

43G. Dat hise te lande ghewise, 

/. >te lande waert'*. B tsa lande wart. 




170 

437. Doe ghiDgen si met groten geclage 

Sanders dages toten daghe. 

L toten sconen dage. B : bys tzen schonen dage. Oyer de uitdr. 
scone dachy d. i. helder dag ^ klaarlichte dag^ volle dag ^ zie 
Tijdachr, 3, 115, en vgl. Limb. I, 833: 

Des avons bleef in den scepe 

Die verman, 

Tote Sanders dages ten sconen dage. 

456. verden ons scaden ende scanden, 

/. scade ende scande (: lande). Ons zal wel zijn de 3^^ ny. mv. 
van wi^ niet geapocopeerde vorm van het bezitt. vnw. Verden 
ons bet. dan ons vrijwaren of bewaren voor, eig. voor ons of in 
ons belang verre houden, B heeft: >behueden vur schade ind 
schande*'. 

463. (hi) sacher met comen riddren vele 

Een cnape met groten spele. 

/. ende cnapen. B: ende knapen. Zie T. en L. 4, 244. 

469. die vrouwen quamen totem gevaren , 

/. »die vrouwe quam". B: »die vrouwe quam al tzu hon ge- 
varen". 

475. /. met B: Van Limborch sertoghen Otten dochter. 

483. Heeft hi u ghedaen eneghe ere^ 

L onere. B: eynge unere. Zie T. en L. 4, 244. 

502. »ligt met goede 

Ende slaept ties wi thuus comen". 

Die joufrouwe hadt daer goet vernomen, 

Ende sliep. 

De derde regel is onbegrijpelijk: immers >si hadt daer goet 
vernomen" kan niet hetzelfde beteekeneu als >zij had het daar 
goed". Men leze naar B (durch guet): >doer goet". De be- 
teekenis is: »zij had het opgevat als in ernst of met een goed 
doel gesproken ; zij had het voor goede munt opgenomen." 




171 

Voor voorbeelden van de aitdr. zie men MnL \^db, op dor e 
CU op goei. Ëene soortgelijke verbetering moet gemaakt wor- 
den 1, 1180: 

Twee ghewonnen daer ene verloren. 
Men leze: >doer ene verloren'*. De bedoeling kan niet zyn 
• terwijl er slechts eene by verliezen zou", want dan zou er 
moeten staan verlore. De zin is >twee personen (nl. g^ en uwe 
aausta^inde) zouden door bet verlies (verderf) van eene (nl. van 
niijzelve) slechts winnen kunnen**. Men vergelijke de uitdruk- 
king luet eene latijnsche constructie als: >duo quaesium face- 
reiit per unam perditam*'. 

50(3. entie vrouwe dede 

Den waghen sere benen varen, 

Snelre vele dan enich raven. 
B heeft: ind die vrouwe dede 

Den wagenman bennen varen 

Snelre vele dan eynge karen. 
Voor ini(jen moet men met B lezen wagenman. Daarentegen 
moet men uit A ia B invullen sere. De assonance, die in A 
voorkomt , kan men verwyderen , door voor varen te lezen dra^' 
vfft. Zie .\/fil. W«Ib. op draven. Daar evenwel ook B varen 
hi*ettf wordt de zaak beden kelyk , en zou men eer vermoeden, 
dat de fout in den volgenden regel zit. Doch wat is karen 
uit /iV Misvschien is het woord betzelfde als mnl. carijn met 
toonverspriuging en daarmede gepaard gaanden overgang van 
'ij tl iii -^, als orden(e) uit ardine, metten uit mettine, Carijn 
(rtirine) heeft wel gewoonlijk in *t mnl. de beteekenis van een 
collectief, nl. bugagetoagenêy wagenburehty doch bet komt ook voor 
als voorwerpsnaam . b. v. Cron. v. Vlaend, 2, 158: >Met eenen 
rar'iue ende sommier al overdekt met groenen lakenen**. Maar 
vooreerst komt de vorm caren nergens voor, en ten tweede is 
er dan geeue vergelyking. >Een wagen, die sneller loopt dan 
een (de snelste) kar** is geen taal. Voorloopig blgf ik dus bg 
(Iravrn : raven ^ doch dan mag men de lezing unigenman oit B 
niet overnemen. 



172 

517. Hadden gheweest. Te Winkel, T. en Z. 4, 244, yer- 
betert >hadde geweest*'. Doch ook B heeft hadden* Als ondw. 
moet men dus beschouwen Margriete en de koopman. Hiermede 
te vergeleken is I, 825, waar A heeft: 

Dus voer hi soo verre henen , 

en B\ Sus vueren sy verre henen. 

Ook de t. a. p. in vs. 529 vlgg. voorgeslagen veranderingen wor- 
den door B niet bevestigd. Men leest daar, in overeenstemming 
met A\ 

dat mgn here 
Mijn vader wilt, begerric sere, 
Mer anders sgns en dede ichz nyet. 

532. Jonfrouwe, wine willen ooc anders niet 

Beiden, dat sal marghen siin. 

Deze regels bevatten het antwoord van de aan Margriete ver- 
schenen dame (die, onder den schyn van bekendheid met haar, 
haar allerlei beleefdheden bewijst en ten slotte blijkt eene dui- 
velin te zijn) op een gezegde van Margriete, dat zij met den 
zoon dier darae in het huwelijk wil treden, als haar vader, 
dien zij den volgeuden dag hoopt te zien , daarmede genoegen 
neemt. > Jonkvrouw**, zegt daarop de door den duivel gezon- 
den verschijning, »wij willen volkomen hetzelfde: laten wij 
wachten: morgen, als gij uwen vader ziet, zult gij eene beslis- 
sing nemen". Men ziet dus, dat de leesteekens van den uitge- 
ver den zin in de war hebben gebracht. Na niet plaatse men 
een komma-punt, en heiden vatte men op als 1«" pers. mv. van 
den adhortatieven conjunctief. Sluit uien zich , ten einde het rijm 
niet : niet te vermijden , bij de lezing van B aan , waarvoor iets 
te zeggen is (7'. en L, 4, 245), dan is beiden natuurlijk inf., 
afhangende van willen. 

Een soortgelyk voorbeeld der weglating van het pron. voor 
een !« pers. mv. vindt men Bloemt. 3^ 22, 216: 

Swighen best: lopen wi draien! 



173 

Voor den 1^ pers. cooj. Tgl. men Rein. I, 3177: 

Ohedoe, hoe ie ghedoe! 
en 1404: Gbenese, oft ie mach gbeneaen ! 

Voor de weglating van het voorn, bg den S^^^ pers. praes. 
conj. Tgl. men Tekstcr. 21. Voorbeelden van hetzelfde ver- 
schynsel bg den 3<>«n pers. conj. praeteriti vindt men Vad. 
Afuê, 1, 384, 30: 

AI waert dat sake dat si hoorden 

Die dinc, die hem niet goet en dochten, 

Ghebaerden , of sgs niet en rochten ; 

d. i. vzy moesten zich honden, of het hun niet schelen kon**. 
Kerk. Cl. 312: 

Sine willen niet sterven maertelaer, 

Leefden doch alse confessoren! 

d. i. > indien z\j dan ten minste maar als confessoren leefden*'. 

Ltmh. VII, 588: 

ware dat si saghen dat 
Dat wi te sere waren verladen , 
Soo quamen ons dan ten staden. 

d. i. »dau moesten zy ons te hulp snellen*'. 

509 vig. De (geoorloofde) assonance doe : soo heeft ook J3. 

Jonffrouwe, sade der jonchere due, 

Ich wolde dat ach stonde int hertze also. 

571. Dat ghi mi begheret tenen man, 

Die bliidste sondic wesen dan, 

/. manne:danne. B ten eynen manne:dan. 

579. ene maget, 

Die mi alsoo alse ghi behaget, 

/. alsoo wel. B also wael. 

585. Ghi siit scone, edel ende rike, 

Ghi telt wel oomen u ghelike. 

/. comen an n ghelike, d. L »gg nlt wel een jongeling van 



176 

798. Men kan de ontkennende partikel ne iaTollen, hoewel 
het niet atrikt iioodig is: zg wordt meer w^gelateo; doch aU 
men haar invult, moet men dit niet doen op de wgze, voorge- 
steld door Te Winkel, T. en L. 4, 249, maar aldus lezen: 

ËDde hi die {of der) inagbet niet en (oj oiene) vernam. 
£ heeft: 

Ende hi der m^et n;et en vernam. 
825. Zie hy 517. 
842. Scepper van der werelt w^t, 

Ende {d. t. die) van ere maget waert geboren. 
Dien bleef si alsi was te voren. 
l. Die bleef si. B : 

Die bleyff as sy was tza voere. 
Ooze taal vereischt in een dei^el^k geval: >Dat bleef zij". 
858, Soo dat iet noch te bi sele at 

Vertrecken. 
l. te bispele sal vertrecken. Zie 7*. en L. 4, 249, en vgl. I, 
2198 en var., en 2210. 

878. dan stont elc ende riseerde 

Wat siae here hebben moghe; 
Nu aaghen si die jonfrouwe, die hem doghe 
Scoonre vele dan ene godiooe. 
Men leze moehte : dochte , voor moghe: doghe, dat onzin is, daar 
het laatste geea vorm van het bier vereischte duvken zijn kan. 
£ beeft eene eenigszins andere lezing, doch de rijmwoorden 
dochte : mochte zijn er ook in te vindeo. 

924. Eude wt wat lande ende van wien 

Si ware gheboreu , datai seide. 
L dat Byt hem seide. B : dat sy id hoem sede. Ook in vs. 923 
moet eene kleine verandering gemaakt worden. Men vuile cti 
en maer in , en leze daar : 

Hare «n sonde maer al goet gheacien. 



175 

waar B heeft ter eren. Ook hier ia de beteekenis der beide 
uitdrukkingen wezenlijk verschillend. 

667. Men leze: 

Hare dochte, tzilyeren facelment 
Ende fgulden al omtrent 
Ën souden niet half die hertoghen 
Van der werelt verleisten moghen. 
Vgl. de yarr. uit B en C, aan den voet der bladzyde vermeld. 

677. Doe sacb si ghinder een ghestuuf, 

Van ghenen duvelen groot geruuscb. 

Het a8son eerend rym , hetwelk door C ter kwader ure werd ver- 
wijderd door (jeruuêch te veranderen in geruuf, dat niet bestaan 
heeft (zie '*v<7/i. Gloss. op geruuf), is te recht door Te Winkel 
verbeterd door de verandering van geruuf in gescuu/. Zie T. en 
L. Ay 246. De lezing van B\ 

(Doe) Sach sy hynwart eyn groes geëchuff^ 
Ënde dat allet henen sioeff^ 
bevestigt deze verbetering. 

718 /. Hi seide: In weet^ ende binnen desen 

Sien si weder ten lande waert, 
iu overeeustemmiug met B. Zie T. en L. 4j 247. 

737. Gheseilt. B verseilt. Dit woord is juister, daar het de 

bet. heeft van uit zijn koers gezeild o( geraakt. Zie V. Lennepi 

Ztemanficdb. 212. Ook in overdr. opvatting; b. v. Hoe komt 

gij hier irrzeiU? d. i. /itVr, waar men u niet zou verwacht hebben* 

743 vlgg. in B: 

Dat schjjS quam mit den zeebaren 
Ende mit den wende so sere gevaren, 
ld seylde sere mit vollen wynde* 
Die maget was boem so gehinde 
Ende dat lant, dat sy sie soegen {êagen). 
In overeenstemming hiermede leze men vs. 746 vlg. aldus: 

Die maghet was hem soo gehinde 
Ende dlant, dat sise taghen. 



176 

798. Men kan de ootkenneude p&rtikel ne iDvallen, hoewel 
het niet strikt uoodig ïb: zg wordt meer w^gelatea; docb «la 
men haar invult, moet men dit niet doen op de w^ze, tooi^^ 
steld door Te Winkel, T. en L. 4, 249, maar aldus lesen: 

Ende hi die (of der) m^het niet en {o/ niene) veraam. 
B heeft: 

Ende hi der maget nyet en Teroam. 
825. Zie bü 517. 
842. Scepper van der werelt wjjt , 

Ende {d. i. die) van ere maget waert geboreo. 
Dien bleef ei alai was te voren. 
l. Die bleef ei. B: 

Die blejff as sy waa tzu veere. 
Onze taal vereischt in een dei^elyk geval: »Dat bleef zg". 
858. SoQ dat iet noch te bi sele al 

Vertrecken. 
l. te bispele Bal vertrecken. Zie T. en L. A, 249, en vgl. I, 
2198 en var., eo 2210. 

878. dan atont elc ende viseerde 

Wat eine here hebben moghe ; 
Na saghen si die jonfronwe, die hem doghe 
Scoonre vele dan ene godinne. 
Men leze mochte : dovhte , voor moghe : doghe , dat onzin is, daar 
het laatste geen vorm van het hier vereischte dwtkfn zijn kan. 
B heeft eene eenigszins andere lezing, doch de r^mwoorden 
doc/tte : mothte z^o er ook in te vinden. 

924, Ëude wt wat lande ende van wien 

Si ware gheboren , datei seide. 
/. dat syt hem seide. B : dat ay id boem sede. Ook in va. 923 
moet eene kleine verandering gemaakt worden. Men vuile m 
en maer in , en leze daar : 

Hare en soude maer al goet gbescien. 



177 

B Want haer en sulde dan alle gayt geachien. 

Deze yersregel komt meer yoor in het mnl. ; zie b. y. Flor. 
831, en Mnl. Wdb. op gescien. 

1002. dat ouder der sonnen 

Soo wel gheraecter wgf en ware. 

Men leze: >Soo wel gheraect". JB So waelgeracht w^jffen were. 

1041. Versmelt. /. versmalt, d. i. verkropte. Zie V, 1757, 
eu Kon. Arad. (A/d. Lett.) 1887, bl. 331 vlg. 

1052. Dies mocbte te bat bars willen gescien 

Die ridders, die bi den mageden saten. 

Meu leze: Dies mochten te bat horen wille sien 

Die ridders. 

{of >baer wille gescien den ridders"). B heeft: >Dat mocht 
bat boers willen sien**. Dat en dies hebben hier de bet van 
zooilat. Zie voorbeelden in Mnl. Wdb. Het eenige wat door 
deze verandering niet geheel wordt opgehelderd, is het feit, 
dat A en B beide den gen. haerê willen hebben. 

1001. Lieden /. liden. — 1066. Sweech /. sweech hi. Zie 
T. en L. 4 , 249 vlg. Deze verbetering wordt bevestigd door B, 
waar men leest: 

Sus sweich he ejne kurte ure. 

Voor den eersten regel (1061) leest men in B: 

Doch dacht he: >ich en laytz huden alsus*'. 

I>e vraag is, of men niet, in overeenstemming hiermede, in A 
le/xMi moet: >in laets heden {hieden, huden?) dus**. 

1071. Es u herte dus hoghe verseinst, 

Dat ghi hebt gheleit vaste? 
Dat mi lief si, god geve u raste. 

Men leze: Dat ghgt hebt geleit vaste? 

Date mi lief. Qod ghevet u raste. 

Ü > Dat irt gelait hait vaste; datz mich lieff. Qot geTea och raste". 



178 

1110. Seidic hare, /. seidict hare, B secht icht hoer. — 1113. 
Dore die minnen. L minne. B menne. — 1115. Hebbic, L 
hebbict. Hoewel men in 't mnl. zoowel hebben als het hebben 
gebruikt vindt in de intr. opvatting, welke gel^k staat met 
ons het hebben^ zoo zal hier toch wel gestaan hebben hebbict^ 
in overeenstemming met B\ >hain icht". — 1121. De betee- 
kenis der woorden tuwen besten^ welke men licht geneigd zou 
zijn te veranderen in te mirten besten^ doch te onrechte, bl^kt 
duidelyk uit de lezing van J5: >na uren besten", d. i. zoo goed 
gij kunt. — 1130. So quaemt, l. so quaraic. B so queme ich 
tzen anderen mael. — 1141 vlgg. Hier heeft de vertaler eene 
fout gemaakt, welke het niet zonder belang is op te merken. 
Hy vergiste zich door het tweemalen voorkomen van jonfrouwe 
in 41 en 44, en schreef in 1141: 

JonfiFrouwe , sade de jonchere , dort al ain stoet (uit 44) ; 

ziyne fout ontdekkende, ging h^ aan het schrappen, doch nu 
schrapte hij te veel, zoodat alleen het eerste woord van den 
regel bleef staan. Om de hierdoor ontstaande leemte aan te 
vullen, begon nu de volgende regel met >sprach der jonchere", 
en door deze woorden, die ook 1145 voorkomen, dwaalde hij 
af tot dezen regel, dien hij met >ind dor ure doegt" aanvulde. 
Doch toen hij zag, dat iml in dezen geen reden van bestaan 
had, schrapte hij ook dit weder uit. — 1165. Uwes wijf, /. 
uwes wijfs. B urs wijfs. Zie vs. 1239, en vooral T, en L. 
2, 151 vlg. 

1180. Zie bg vs. 504. — 1206. die tafelen spreden. Dit zal wel 
geen goede uitdrukking zijn. Spreiden beteekent verspreiden , uit- 
spreiden^ uitbreiden^ über eiue fliiche von eiuander breiten 
(Weigand). Dit begrip kan kwalijk met een obj. als tafel worden 
verbonden. Men leze dus met B »die dischlaken\ of zette daar- 
voor het gewone mnl. ammelaken in de plaats , of leze scolaken 
{scoonlaken) ^ welke woorden voor tafeUaken of servet in het mnl. 
gebruikelijk waren. Het eenvoudigste is, voor tafelen te lezen 
tafeUaken. Er is hiertegen geen bezwaar, daar het woord 



179 

herhaalde rnalen in het mnl. (vooral in de noordelgke Neder- 
landen) voorkomt. Zoo b. v. Oorl. v. Albr. 173; 219; Jacóbik. 
217; 227; O. Geld. Maalt. A; R. v. VolUnh. 164. De uitdr. 
ta/t'lni spreulen komt nog eens in B voor, nl. V, 275: >Due 
dede man die tajfiellen spreifden\ doch daar het rymt op 
sarhen^ zal het hier ook wel niet de ware lezing zyn. Slechts 
in één geval zou de uitdr. tafelen spreiden kunnen worden ver- 
dedigd , ui. indien men er door verstond >A»rr en daar tafelt 
ut'erzet(eu'\ maar dit schijnt mg de bet. der uitdrukking niet 
te zijn, wel die van tafels opslaan^ in elkamler zetten \ of kan 
de uitdr. tafelen spreiden dit ook beteekenen? 

1255. >Hi saelt teer laten ende scuwens mi te meer*'. B 
heeft iscuwen mich tzu me*'. Men merkt hier het gebruik op 
viiii iles te meer in A^ waarop ook in het Mnl. Wdb. op des te 
(2, 141) de aandacht gevestigd is. 

1312. Moeder, bet ware beter bleven 

Dan ghise mi onwillicht hebt. 

C (I^Mdsche fragment): >ongewillich hebt". B >Moder, were 
hesser bleven , dan jr sy mich ontwildert haet**. De bedoeling 
(Ier woorden moet zgn : >Het zoude beter zyn, als het niet zoo 
was dat ^ij (^elyk nu het geval is) liever niet hebt, dat zy 
mijne vrouw wordt.** Doch men zou verwachten u onwülich of 
oimewUlirh , in plaats van mi onteillich. U on{ge)wmich betee- 
ken t hetzelfde als h te onttille of tondanke. Vgl. mnd. unurt/- 
h'Tid<'s , widerwillig, en unwiUinyes^ wider willen. De bedoeling 
van den zin is dan in overeenstemming met de woorden, die 
heteekeuen : >dat gy haar beschouwt of behandelt als iemand^ 
die u niet naar den zin (d. i. die n gehaat) is**. Beide ^ en J3 
hebhen mi {mirh) en niet u, doch reeds het voorbeeld van A 
kan d«* fout gehad hebben, welke door bet verkeerd verstaan 
van den zin moet zyn veroorzaakt. De lezing ontwildert van 
H kan tegenover die van A en C geen gewicht in de schaal 
leggen. — Voor êcept in vs. 1814 leze men hem êcept; sie 
Tijdschr. 4, 241. 



180 

1335. (Bi) aegt, opdat si u verliest, 

Dat BÏ nemmeer ec kiest, 

Lieve kint, si mint a soo sere. 
De dooT mg, T. én L. 2, 14 vlg-, vooi^estelde invoegiog Tan 
man io 1336 is niet de ware manier om den tekst te verbete- 
ren, zooaU blijkt uit B, waar men leest: 

Ende saet, ofl sy uch verliest, 

Dat sy Dummer en kiest 

LieS, sy mynt ucli so aere. 
De foot zit in den laatsteo regel , en in de interpunctie van 
den uit^ver. lAef is het voorwerp van loeten. 

1341. >Mine waerfaeit ende mine trouwe, die ie ben schul- 
dich di", verandere men niet (met Te Winkel, T. en L. ^ ^ 
250) in >dier ie ben sculdich". Smldirk wordt in het mnl. met 
een 2^"° nv. verbonden, wanneer het beteekent tot betaling van 
iet» verplicht , het verbeurd hebbende. Zoo b. v. in de uitdr. lUa 
doods (eig. deg levens) schuhlick; zie Tijdschrift 1, 159. Met den 
4^'° nv. beteekent het tot iele verplicht of verbonden. Io dezen 
zin staat het op de bcüproken plaats en Beln. I (uitg. Martin), 
3118: >bi der trauwe, die ie bem sculdich a". Zie ook Limb. 
I, bl. 49 noot, Ts. 7, vergeleken met I, 1655 en 2458. 

1369. omdat, /. opdat ghiis u wilt ghenenden. Aldus ver- 
betert te recht Te Winkel. Vgl. iï »Up dat yrs wilt genenden", 

1408. L. »der joncfrouwen {datief)". Zie T. en L. 2, 15. 

1436. Te hem, /. met B: te hem waert. Zie bij tb. 436. 

1482. Miin oom (He coninc ende mÜn moye 

Mogben wel met haesteu beiden. 
De bedoeling is, zooals duidelijk uit het volgende blijkt: izij 
hebben den t^d wel; zij moeteu nog maar een poosje wachten". 
Doch beiden en met haesteu sluiten elkander uit. En het ver- 
wondert mij , dat ik zelf of iemand anders deze »contrailictio iu 
terminis" niet eerder heeft opgemerkt. B heeft de ware lezing 



181 

bewaard, nl. nut staden^ d. i. op hun gemakt f^^tig^ kalm. Zie 
Tt'kstcr. 9. De fout is yeroorzaakt door het bgw. haesteUc in 
den YolgendeD regel. Dat de verbinding Tan heiden met staden 
gewoon wa8, leert Lanc. IV, 9759: »(Ajrtur) hiet die heren 
beiden raet staden" (= Sp. IIP, 50 , 89). 

1510. Ooc radic, alse ghise ziet, 

Dat ghi keert alse ghi begheert. 

De woorden >alse ghise ziet** z^n onverstaanbaar. B heeft iets 
anders, doch ook dit geeft geen gezonden zin, nl. >dat yr 
en siet**. Men leze: »dat ghi siet dat ghi keert**, d. i. dat gij 
zonjt (maakt)^ dat gij terugkeert, Vgl. onze uitdr. zie dat gij 
komt ^ het voor mij doet j enz. 

1540. Nu modi, vrouwe, a miins verlaten, 

Wildi, ende doen in eren leven« 

Men leze »mt doen in eren leven*' met 8. In vs. 1545 heeft 
/i in plaats van >Soo ben ie hier arm keytiif'* de betere lezing 
>8oo blive ie'*. De verandering van vrie en mie (in vs. 1551 
vljx. ) in vri en mi, voorgesteld door Te Winkel, T. en L. 4^ 
251 , wordt bevestigd door hs. 5, dat vry :my leeet. 

1619. ie ben lichtelec te bestieme, 

Want in ben niet groets ghewoene. 

B leest: Want ich en ben nyet guetz gewone. 

Dienovereenkomstig wgzige men A, De beooeling der woor- 
den is: >Men kan met mjj licht doen wat men wil; men kan 
mij misleiden en behandelen zooals men wil, want ik ben toch 
aan ^een goeden toestand gewoon, ik word door het ongeluk 
achtervolgd**, en, gelgk het mnU spreekwoord zegt: >Overhem 
8o willet al {Rein,)*', 

1638. Alsoe verre. Duidelgker ia de lezing van B »als sj 
(/. is) 800 verre comen eynre jonfirouwen*'. — Voor 1642 vlg, 
lezen wy in B: 

Dan haet he gnet yrs tra nntberren, 
Ende sy dar van irecken toeen betten. 



182 

Daaruit volgt voor A de verbeterde lezing van vb. 164S: 

Ende gi darf (of dar) aftrecken ten bestea, 
d. i. zg mag een goed heenkomen zoeken. 

1652. iMet uweo goeden". B leest imit uren gude". Id A 
zal duB ook wel goede gestaan hebben. Over verttoren , d. i. 
vergoeden, stliadeloosstellen , van lat. restaurare, fr. restorer, zie 
T. en L. b, 131 en 137. 

1657. >Eer iet lanc". Ten einde het rgm te herstellen (: vaot), 
leze men al te kant. — Bij vs. 1678 moet ik opmerken, dat 
de verklaring, door mij van deze plaats gegeven in Kou. Acad. 
(1887), bl. 332, in zooverre onvolledig is, dat ik daar alleen 
plaatsen medegedeeld heb, waarin hebben niet het voorz. ane 
wordt verbonden , terwijl het hier eene bep. met in by zich 
heeft. Bewijzen van hebben in ^ hebben anc ziJn ray niet be- 
kend, maar de eene zoowel ala de andere uitdr. moet oorspron- 
kelijk de beteekenis gehad hebbeu van part (of deel) aan iets 
hebben. En nu zeggen ook wij deel in iets en aan iets hebben , met 
een uiterst gering verschil vau beteekenis. Op dezelfde wijze 
hebben in het Mnl, de beide uitdr, hebben ave en hebben in 
naast elkaar bestaan luet de beteekenis deel aan eene miadaatl 
hebben, er in betrokken zijn, dus srhutd aan tets hebben. 

1715. Morpeleke, /. met B dorpeleke. Zie T. en L. 4, 252 
vlg. — Vs, 1718 leze men »en doet sijs niet", voor «en doet 
eijt niet", overeenkoniatig het mnl. taalgebruik en de lezing 
van B: .en deyt ,sy is nyef'. — Vs. 1740 leest B: »Eii(ie mor- 
gen iiiit hoer uyswert gaef". Dieuovereeukomstig vullu men in 
A na mei het vnw. hare in. Misschien zou men ook hfu-v wel 
kunnen missen; vgl. Franck. Aant. op Atex., bl. 411, doch 
nu B het vnw. heeft, schijnt bet niet raadzaam, deti door 
Franck gestelden regel hier toe t« passeu. Zie ook Mul. Wilf,, 
op daer (2, 22). Ook zou men in dat geval eerder nic/'' ver- 
wachten dan met: vgl. vs. 1770: >eude onsen soue mede {met 
die tooveriji hebt verleit", doch ik erken, dat ook nu-l nU bjjw. 



183 

in *t nui). gebruikt werd, even als nog heden in ndl. tong- 
valleu gezegd wordt: Ga je met? 

1773. Dat hi in hem moet worden veranderd, is door m^ 
aangetoond, T, eft L, 5, 132. — Vs. 1792 leest B >ende en 
('/./. ini den ich gelouve'* terwyl A heeft: >Ende dien (dat,)\c 
gheloove**. De lezing van B is even goed als die van A. Zie 
ook J/w/. Wclb. op geloven (2, 1287). — Vs. 1796 vlg. ia 
de lezing van B : 

Ich en dede den son den yr droegt 

Nye toverye e geyne, 

als duidelijker, te verkiezen boven die van A: 

Ënde den sone dien ghi dronghet 
En detlic nie toverie ghene. 
Zie ook r. en L. A, 255. 

1815. Zie T. en L. 2, 16. B heeft >Leve ich, e mergen 
nouc*\ en ook dit geeft een goeden zin, doch als er de Z^^ nv. 
hare hij ataat, kan levic niet goed zyn: dit moet dan in lovic 
worden veranderd. — Vs. 1881: »nu syt blide", is door Te 
Winkel , T. en L. 4, 256, te onrechte in >ne syt blide" ver- 
anderd. Ook B heeft nu. De bedoeling is: >Wee8 nu blyde, 
Maria! weldra zullen de dagen komen, waarin uwe blydschap 
in rouw zal verkeeren". 

Ib91. Ente vele heves ghewesen 

Songhevals, ane mi ghelesen, 
Ende heeft gheweeat langhen tgt. 

7) heeft- Ende tzu vele havetz gewesen. 

Dit ungeval ia an mich gelesen, 
Ende haet gewest lange tzgt. 

Deze lezing is te verkiezen, mits men voor dü ungexsü lese 
*lat o., i\.i, het ongeluk. Over de beteekenis van den tweeden 
re^el zie men Mnl. Wdb, op aen (1, 72). — Over vs. 1904, 
zie Mul. Wdb, op gereinen. — Vs. 1907 leze men: >(Ic 
en peinsde) om ghene toverie no en dachte**. De oorspronke- 
lijke lezing is door B bewaard: 



184 

Also geweirlicfa b^b ich bea 

Des unachuldich , inde myn sen 

Nye umb torerye en dachte. 
1950. Ik doe opmerken, dat het mnl. hangdUf zooveX de 
bet, heeft van heul , als yau een mitdadiger dk gehangen wordt. 
In bet eerste geval is het eene samenatelhng met den stam van 
een trans. ww. in het eerste deel en het obj. daairan als tweede 
lid, zooals brekeepel, woelwater, smijtegeld , heiitegoed , bedilal, 
bemoeial-, apüpenning , stokebrand, dwingeland, weetniet, doeniet; 
mnl. gadergout , gierbemnt ; iu het tweede geval is het woord 
gelijk aan hangende dief, en is het gevormd ala hangebast, hang- 
»lot, hangmat '), hangijzer, enz, 

1954. dat hare ane die huut 

Nemmer dan dat hemde en bleef. 
Men leze nemmeer of nemmee, en vatte dit op als znw. in de 
bet. niet meer. B heeft niet me. — Va. 2005 en 6 moeten van 
plaate wisselen. B heeft: 

Gloriose maget sy ryep , 

Die uren eyujgen son bracht 

Jhegen der naturen kracht 

Souder smet ind sonder blame. 
Men ziet tevens uit deze regela, dat er nog eene andere ver- 
betering in A moet gemaakt worden, door nl. »uwen eyg/ienen 
aone" te veranderen iu >uwen enigen sone". Eene soortgflijke 
verwarring van e;/gen en enich vindt men Tekstcr. 87. 

2055. In plaats van qvaetheit : baraetheit beeft B quaet: ba- 
rnet, eene lezing, die de voorkeur verdient, omdat fcurai-fAciV ten 
eenigszius vreemd gevormd woord ia. Men vormt wel abstracta 
op heit van andere abstracta, b, v, dogetheil, docb bet schijnt 
niet raadzaam, het aantal van dergelijke afleidingen noodeloos 
te vermeerderen. 

1) Ei^, door «oDuctjmologic 4t<tiu opgcvit ; cgL fr. 4iuuc. 



185 

2075. Die maget seide: Dits Treinde! 

Dor dere yan alle wiTen, 
Laet mi miin hemde an bliven. 

Tc VViükel heeft zich , T. en L. A^ 257, wel wat sterk tegen 
(Ie uitilr. >dits vremde'* uitgelaten, immers het blgkt nu, dat 
ook li dezelfde lezing heeft ; w{j (want ook ik begreep tot 
heden vremde niet) moeten dus tot de slotsom komen , dat het aan 
ons li^t. dat het woord een vreemden indruk op ons maakte. 
Men vatte vremde eenvoudig op als ongehoord^ angep<ut in Iiooge 
vuite , eu men is ontslagen van de moeite, om een ander rgm- 
woord op hemde te zoeken. 

2087. In plaats van >noode liet hem die knecht", heeft B 
>Dode liet (d. i. liet het) der knecht*'. Ook dit is eene goede 
lezing, doch die van A verdient de voorkeur. Hem laten betee- 
keut zich onderwerpen j het er bij laten ^ in iets berusten. Zie 
talrijke voorbeelden dezer oorspronkel^k mystieke uitdr. in Ndl, 
Wdh. op gelaten, dat van dit wederk. ww. hetdeelw. bnw. is. 

2109. Het rijm is niet in orde (cracht: maget). B doet ons 
ook hier we<ler de ware lezing aan de hand. Daar staat: 

Echites sluych mit sporen 
Wat he mocht mit groter jaegt, 
Ende quam recht als man die magt 
Geworpen sonde haven in dat vure. 

Men leze dus voor cracht het znw. jaget^ d. i. jacht j haast ^ 
if/KM'd. Vgl. Ferg, 1529: 

Morgen vroe alst daget, 
Soo willic ooc varen ter jaget 
Te minen vader. 

7't'r jiujet bet. hier hetzelfde als ter vaert^ metter êpaet, metter 
haest. Zie ook Ferg. Gloss. op jacht, jaget. 

2127 vig. luidt in J9: 

Alle {L Al) haint wir onn geckelich versampti 
Noch ia die maget unverdoempi. 



186 

Naar deze lezing moeten de verzen van A gew^zigd en aan- 
gevuld worden. Dat voor onver sont gelezen moet worden onver^ 
doemt is reeds opgemerkt door De Vries, laahutv, 132. Ver~ 
noemen is een niet ongewone bijvorm van versumen. Zie Christ. 
933; RincL 921; Melib, 1702 (= ver waarloozen); Wrake III, 
1253 (den t^t sotteliken versoemen); Afask, 1122. Het wederk. 
WW. hem versoemen vindt men Teest. 2055 : 

Die anders segghen, si hen versoemen. 

Vgl. Warenar 451. 

2148. Sal enich ende m:gns rouwen 

Hier worden tenegher tijt! 

Uit B blijkt, dat hier het ware woord niet is. Men kan het 
natuurlijk opvatten als hier beneden, hier op aarde. Doch J? 
heeft iet^ en dit is eene betere lezing, indien men het opvat 
als bgw. in den zin van wellicht y misschien ^ wel (als uitdr. van 
twgfel). Men vertale: »Zal er wel ooit een einde komen aan 
mijne rampen!*' In A zal gestaan hebben hiet, 

2164. Eer ie u noch droef heide 

Alsoe hebben liete. 

Aan den tweeden regel ontbreekt iets, zoowel uit het oogpunt 
van den zin als van het metrum. Men leze idroeflieide also^ 
sulke'\ B > druflFheide also sullich". TaIQ MnL Wdb, op alsosulc. 

2253. dat hi neme 

Dese jonfrouwe dat hi gheteme. 

Men leze: >dat hi geteme — dat hi neme*'. Zie Kon, Acad. 
(1887), bl. 335. — Vs. 2262: >soo siere wi al verlaten**, 
d. i. zoo zijn wij geheel of voorgoed van haar af. Deze regel 
is een zeer goed middel om hen te genezen , die nog altijd 
meeuen , dat Rein, I, 430: >God moeter {nl, der sielen) al ge- 
wouden'* bedorven is. Er ontbreekt niets aan het vers, waar- 
van de zin is: »God doe met haar (de ziel) geheel zooals hij 
wil**. — Vs. 2288: » grote feeste*' /. grote werelt (met B). 
Zie Te Winkel in T, en L, \ . 259 vlgg. — Vs. 2304: thuus, 




187 

/. thuus waert. B tzu huysswart. — Va. 2312: miemen en 
wett irat si si". Beter in B »nyn)an en weys wanne sy (/. sy 
sv)", il. i. waar zij vandaan komt, 

2332. 1c salse onthouden , want ie be^hert 

Hebbeu, sint icse ierst sach. 

Meu leze: want ics beghert 

Hebbe , sint icse xeniwerf sach , 

in overeenstemming met B >want ichs begerre (/. begert: wert) 
Haiii sent ich sy eirstwerff sach". — Voor neen, in vs. 2364, 
moet overeenkomstig het mnl. spraakgebruik gelezen worden 
nt'en»i, ^elyk ook B heeft {Neyn sy). Zie Huyd. op Stoke VI, 
878; Bloeml* 3, bl. 211. 

2374. Ie ben blide, sprac die jonchere, 

Dat si hier met n sal sgn 
Dan si ware metter moeder miin. 

Het li^t voor de hand blider te lezen in plaats van blide. Zie 
7\ en L. 4, 261. Doch B doet ons in den eersten regel eene 
andere leziug aan de hand. Wy lezen daar: 

8o bain ich sy liever, spracb der jonchere. 

Dienovereeukomstig zou men ook in A kunnen lezen : >Ick heb lie- 
ver''. — Vs. 2390 leze men >sifi<f vloetoghede*' voor >8i vloetoghe- 
tle". B »sy en schre". — Vs. 2408. Indien men daar voor haddiii 
uiet .1 leest hadê^ verbetert men de constructie. Dit isnietaltgd 
iiioi^elijk, want Hein van Aken heeft zich allerlei afwgkingen 
in (ien zinsbouw veroorloofd, maar het is nooit uit te maken, 
in hoeverre deze onregelmatigheden aan den dichter dan wel 
aan (Hfu afschryver moeten worden toegeschreven, en waar één 
der hss. ze niet heeft, moet men het er voor houden, dat het 
in dezen het naast aan de oorspronkelyke redactie staat. — Vs. 
2412 zyn de woorden >holps iet verdient'*, die ook B heeft, 
niet bedorven, gelyk ik vroeger meende. Zy beteekenen: »Zoo 
het nuHschien (wellicht, soms) mg baten, als ik aan u Ter- 




188 

diflode, dat g^ ook voor mg eeae getroutrn Triendin waart?" — 
Va. 2417 oDtbr. ende in B. Doch dit staat in A op eene rer- 
keerde plaats. Men leze 

Ie hebbe leets soovele ontfaen 
Ende van u gehadt selc doghen. 

2458. >Trouffe ie ben «culdich onser vrouwen". Mea leze 
met B ï Trouwe ie sculdich ben". Het is eene elliptische uitdr. 
voor >bi der trouwen, die {vgl. vb, 134i) ie onser Vrouwen 
sculdich ben." Vgl. boven bl. 180. — Vs. 2517 leze men met Bi 

Ghi moghet ons dienen ende varen mede. 

Dat dit de ware lezing is, blijkt uit vs. 2530: >die hem gou- 
den" (nl. sinen dienst). — Vs. 2523 vuile meo vroech in na 
Porrede. B: >inde vueren vroich van daer." — Vs, 2579 voor 
sinder daer leze men met B: >5inder dat ie." — Vs. 2624: »In 
groten wenen ende in geelde." Meo leze wene, datief van ween. 
B: >Mit groesen weyne inde geclage." — Vs, 2629: «Dievrou- 
wen kinden . . . eude aeiden," Men make enkv. van het mv. in 
overeenstemming met B: 

Die vrouwe kinde mijn ionSrouwe 

Eude sade hoer. 
Vgl. VS. 469 vlgg., waar hetzelfde verhaald wordt als hier, — 
Vs, 2685 leze raen seder, om het rijm te herstellen. 
2703. Wi vingense, daer mense verdede, 

Na men se enz. 
Men leze met B: lende, daer mense verdede." Nemen op sine 
kernlenhede heteekent bij zijn kristelijk geloof liecweren. Zie Tijdschr. 
I, 142. — Vs. 2711 staat in B het woord kare (ia A : kerre), 
dat wij ook iu 508 aantroffen; z. ald. — Men, dat in vs. 2748 
overtollig is, komt ook niet voor in B en moet dua worden 
geschrapt. Voor >na sine begherte" in va. 2755 heeft B >na 
sinen b^nne," hetgeen wel de ware lezing zal zgn. 



189 



TWKSDB BOSK '). 

Vs. 1 — 3. De Trg ondoidelgke regels Tan A worden toI- 
doende opgehelderd door de lezing Tan B, die eTenwel weder 
niet aan den Toet der bladzijde is opgegeTen. Men Traagt 
zich af, Yolgeus welke methode een oitgeTer te werk gaat, die 
ongeTeer een tiende deel opheldert Tan hetgeen hij ophelderen 
kan en moet. Indien men eene moeielijkheid moet Toelen, om 
behoefte te hebben aan opheldering, dan heeft Van den Bergh 
van den tekst Tan den Limborch al heel weinig begrepen. De 
rebels luiden bij B: 

Alse alle crade begonnen tzu sprujtten 
Ende die lewerke hait hoer maten 
Gelaysse Tan iroyst, dat sy wael weys. 
Dat der schone somer intsteit. 

Deze Yerzen heffen alle moeielykheden op. In ts. 2 Toege 
men /wvrt in. Gelaten is deelw. Tan laten ^ en niet van gelaten 
(zie .\ffil. Wilb, op gelaten). Van trouweti ^ieitLi mei t^an troost 
gelijk, en beteekent in het vertrouwen, Ont/eet = intêteit = be^ 
(jittt, — Vs. 33. Ende ben , /. Al ben. — 109. /. Gaet gerne. — 
124. Gedincken doen, /. gedincken, d. i. /teugen. — 147. /. 
j^evinden. — 212. /. het haddem. B hoem wonderde. — 219. 
A claen. B claeuwen. — 229. Wege, /. enwege. — 266. ende 
outhr. — 269. omme ontbr. — 283. B Man sal kame Tinden 
<lie krude Die ertzedien {A Tergaderen, heel maken) sullen ure 
hude. — 315. /. hier noch. B hier ontbr. — 317. l. mouwe. — 
340 TJgg. moet men aldus lezen: 

Ende die goede Tremde here 
Slouch enen doe daer neder, 
Dat hi meer en rechte weder. 

1 ) TcD einde m()B op«t«l niet OTermttig lang te nuken , nl ik mD Terder beptica 
tot hrt opgeven van de pUntten, die door de Tergemking BMt B ksaaea wordta 
Tcrtx-tcrd. AU ik er dut aieU by leg, it de Terbetering de Icdng tab B. Alteen alt 
rr iru bytondert te fenBcldoo u, nl ik iett sitTotilgtr Mottea t^m. 




190 

Her Heinr^c hi verdrouch 

Tswert, daer hi met noch enen sloech 

Den hals met den arme ave; 

voor een goed deel aldus naar B, — 376 /. Seltu onthouden. — 

474 vlgg. /. 

en leeft 
Man, die meer enighe sake 
Begeert, ware *) te gemake 
Mijn pert, dan ie nu te slapene doe. 

533 vlgg. /. 

Die ridder sendef {het goed) met ghenint 
(Want hine begheretó twint) 
Thuuswaert mit enen garsoen. 

627 /. boven enweghe. — 656 baesscen /. vaesscen (B). Zie 
Taalz, 13 vlg. — 704 Dies /. ten wapen doe. — 745 doet /. 
anesouct. De bedoeling is: >g^ weet niets van de onrechtma- 
tige eischen, die men tegen ons instelt; de onrechtvaardige 
w^ze waarop men ons behandelt". Het ww. anesoeken in deze 
beteekenis (ook vs. 953), behoort in het Mnl, Wdb, bij de bet. 
6), terwijl het te onrechte onder 3) staat opgegeven. 

748. Ghelovet /. ghelovic {B gelouve ich , niet geloubeV — 
780 /. Daer wi qualic moghen weder (: neder). — 834 meut /. 
men. — 835 ongereutert /. ongereimert, zonder losprijs. Zie 
Taalzuiv. 130. — 851 mijn gevanckenes /. myns g. — 905 
Sidi /. Ende seide. — 959 couds /. coude. — 1002 ongestaedt 
/. ongescaedt. Zie Taalzuiv, 109 en vgl. Limb. I, 999 en 1004. 
B heeft ongeschat (= ongereimert , vs. 835), dat insgelijks een 
goeden zin geeft. — 1113 slougheren /. slougber {B sluech). — 
1130 ontflaen /. ontgaen. Zie ook Kon. Acad, (1887) bl. 338. - 
1040 Men leze: »Hine piinde hem niet te varue slem (d. i. 
slim ^ schuin, langs eeu omweg), maer recht hi henen vloe". 
B\ tzu vame slemp. Uitvoeriger is deze verbetering besproken 

l) B wcre ich. 



%< 



»i?a 



191 

en met voorbeelden van êUm en êlim toegelicht, Kon, AcatL 
(1888), A/d. Lttt. bl. 141. — 1210 Die hertoge seide enz. /. 
»Her herloghe, ghi Rgt na tam**. — 1240 Conster B consts. 
Heide lezingen zgn te verdedigen. — 1255 De door mg Kon. 
Arad, (1887) bl. 338 voorgestelde invoeging van varen wordt 
door het hs. niet bevestigd. Men zal dus een anacolathon heb- 
ben aan te nemen en ald ww. by trt moeten aanvullen bê^ 
Hiaen (uit VS. 1257). — 1387 Ende /. Dat. Hoewel misschien 
ende te verdedigen zou zyn (zie Taalk. Bijdr, 1, 131, en Mnl. 
W'db op ende (2, 642)), zoo is toch ongetwijfeld dat natuur- 
lijker en ongedwongener. — 1388 Ane tsiene /. ane tsine, 
(i. i. (lan zijne zijde, B heeft gedeeltelgk dezelfde fout als A^ 
nl. »Ain tzu sijn**. — 1530 u ontbr. — 1582 lietic /. liets. — 
ir)39 quaets d. t. quaetst. B >dat quaetste gedue". — 1640 
/. Die hertoge van Oostrike. — 1689 vlg. Men leze 5f naar A 
»Lant, dorpe ende castele Ghevic u ende riichedeti vele**, 5f 
naar B » Lant , borge , dorpe ende stede Ghevic u ende riichede**. — 
1098 Veniwingen moet niet in verdingen veranderd worden, 
^Xelijk Taalzuir. 169 vlg. is voorgesteld. Zie Tijdêchr, 5, 104 
y\w. — 1707 beghere /. begheers. — 1720 tsinen tormente 
/. sine tormente. — 1773 Hi hietse wapenen /. Hi hietae {de 
kunpeu) hem (Heinric) wapenen. B En wapende sich heyme- 
liili. — 1825 Doren /. Dore. — 1829 Laten /. Laet. -T833 
mach /. en mach. — 1885 Doe halp /. Soe halp. — 1893 te 
^hoinake /. tonghemake. Er heeft waarschgnlyk onduidelyk ge- 
stjiun teugheviake (tègemake)^ dat o. a. ook voorkomt 1, 1354. 



DKRDK BOBK. 



58 /. Dat niemen en dar in een pare Jeghen hem comen te 
crite. — 04 niet ontbr. — 91 emmer een. B » emmer dat een", 
<iat hier niet te pas komt Vgl. over de uitdr. Tijdêchr. 4, 
22r>. — 175 souden /. hebben souden. — 186 En /. ende. — 
2U0 /. Want sine dioc dinct hare al doghet — 209 an ontbr. — 
210 Ende ontbr. — 223 seider /. seide. - 227 ^: »In Gods 



namen". — Dan l. Dat. — 242 dat ie dan hebbe gednen ^ 
dat ie hebbe den camp g. — 255 gaetwerder l. grietwerder. 
Zie Glost. en Mnl. W<S). — 267 vlgg. Hen vatte verspilt op 
als een t^d van verspetUn , d. i. mededeelen (vgl. stillen voor stel- 
len, VII, 1018; bettillen voor bestellen, XII, 131) en Terao- 
dere de interpunctie ran den uitgerer. B heeft voor 268: 
>Ed sij one anders ertzilt". In overeenstemming daarmede leze 
men in A: >en ai ons anderseins verspilt," en verklare aldus: 
>ti^ wilt beiden (B beyde voor toeder) om het land str^deD, 
maar gjj moet eerst van beide z)j<i€i> u"^ eiechen duidelgk 
vooropstellen , want indien ga ons die niet mededeelt , weten 
•wij er niets van, en kunnen er dus niet over oordeelen." Vgl. 
Kon. Acad. (1888), bl. 142. — 304 l. Die kivitein(mv., waar- 
voor B geregeld burger heeft) ende deden met vlite, — 368 /. 
Ende dat swert scoot. — 388 / >Die veighe den doot stap- 
pauB nam." Voor stappavs, dat B niet kent, heeft hij in den 
regel gerade, ook geringe {gerenge) en geringelike {gerenklike:). — 
403 valscelike l. vastelike. — 415 dach /. doch ( : noch). — 
422 met eren /. ter eren. Vgl. boven I, 660. — 441 ghinghen 
/. ghinghen si of gbiucsi. — 447. Vgl. XII, 1048. — 161) Data 
;. Dat {d i. dat het). — 470 vlgg. l. : 

Nu en weet wat mÜo jonfirouwe vrie 

U doeu te eren eii te lieve, 

Dau {B dar umb) — waert, here, van nwen gerieve, — 

Dat si u maect here eude voget 

Vau al deseu goede. 

Deze leziug komt overeen met de door mij, Kati. Acad. (\S87) 
hl. 338 vlg., voorgestelde. — 488 ghi ontbr. — 495 te male /. te 
dien male. — 572 noemen, d. i. roemen. Zie Kon, Arad. bl. 339, 
Vgl. VII, 1628. - 587 l. Dat miju lief is in mïnen lande (o/»i<iür 
A: Dat ie hebbe mijn lief \a mijnen lande) Eude iu mijn liuus, 
eude in dar dore scande .leghen hem niet spreken gaen. — 596 
Ic sa! /. Sal ie. — 608 soude /. soude nemen. — 039 aoekea 
ie /. sie icken. — 642 wel l. wel hadde. — 652 u /, bi u, — 



193 

097 tier stede /. teenre stede. - 725 Ontboet /. Ontbiet. — 
792 diere hi /. diere waren bi. — 845 heeft Tercoren /. heeft 
mee vercoren. — 848 /. Daer wonden dat si nu ware. — 855 
/. Kiuie sijn Moeder (n/, de moedermaagd). — 862 die /. dien. — 
904 In wandelingen of in werken /. of in woorden. — 930 
Hebhet u /. Wapent u. — 1002 Nu êtriden is eene vergissing 
van den uitgever, die meende dat in R nu staat, doch er staat 
nu. [)e uit<ir. connen aen iet j d. i. verstand van iets hehl^en^ is 
hi'kfMid. Zie MnL Wdb. op aen (1, 68); T. en L. 5, 115; 
Kcw. Anid, (1888). bl. 143. - 1022 Sal ligghen /. Leghen. - 
I037 onrecht /. mijn recht. — 1054 soudi /. soudic. — 1084 
vl«r^. H Ich en wille nyet syns sroeikens (: gebraych), OflF ben 
ich dar icht mach erlengen , so en wille ich nyet layssen ver- 
dringen. — 1087 In die stat /. in dien dat. — 1088 In baren 
troost /. in hare raste ende. — 1150 De, Kon. Acad. (1887), 
bl. 840, voorgestelde verandering is de ware niet. Men leze; >So 
wan* dat ie sochte al tenen quaden ende comen". — 1159 vlg. 
H. die dore den wout Keet, peinsede menichfout Ende reet 
wH'vr (ian twee milen. Doe sach hi tw corter wilen. — 1206 
«;<')) inden /. t^eninden. B heeft hier en byna overal verkeerde- 
lijk onniridt'ft, 1233 De door De Vries, Taalzuiv, 72, voor- 
j^cstvlde verandering van gevort in gevloert wordt helaas door 
hs. /y niet bevestigd, /i heeft ook hier, als in vs. 1233: ghe^ 
wuirt (en fijnen golde — ); vgl. Kon. Acad. (1888) bl. 131 vlg. 
Ook lu't voorz. in wyst er op , dat hier alleen van een (iugelegden) 
v1o4T sprake kan zijn , en dat dus De Vries gelyk heeft. — 
127:^ O wi, wat maken die! Si pinen ende coreos mi. /.Wat 
maken die Mi pinen. Zie T. en L. 1, 163. Wat coren$ betreft, 
dat door De Vries (t. a.p. 164) opgevat wordt als 2<>« nv. van 
d<* als znw. gebruikte onb. wgs coren. dus leed^ hcdling^ het 
i< inofc^fdijk, dat het hier bedoeld is, doch wel zoo eenvoudig 
srhynt het mij toe, de lezing van B over te nemen, die toren 
iM**ft. Zon niet ook aldus gelezen moeten worden op de door 
De Vries (t. a. p. bl. 163) uit Hê, I van den Lêp. aangehaalde 
plaats? Vgl. Kon. Aead. (1888), bl. 132. — 1284 De door 

U 



194 

mg, Aon. Acad. (1887) bl. 340, Toorgeatelde Terandering »Die 
uie en was wert gebuwet", waaraan meo zoa gez^^ hebbes 
dat geen twijfel kon zijn, wordt niet door bs. S beveflügd. 
Daar leest men (betgeen ook een zeer goeden zin geeft) : 

Dat si nie (ootV) en wert gbehuwet. 
Dat sal mi al miin leven i 



Vgl. Kon. Acad. (1888) bl. 132. — 1286 rnoetsi l. moesti. — 
1292 l. Ende at dat can lieda maken. Ook in B ontbreekt 
can. — 1323 maken /, magede(n). — 1347 »Uwer snater" als 
ondw. Zie Kon. Arad. (1887) bl. 341. Dezelfde opmerking was 
reeds gemaakt door Franck op Alex. b). 410. 



TI£fiDE BOEK. 



10 /. Mine berte es diese ontsiet, of Mine herte datse ont- 
aiet. — 11 — 14 ontbr. in B. — 14 herte /. mine herte. — 
15 Dit en ben ie /. Des en ben ie, d. i. tn dat gerat ben ik 
niet alleen. Zie een tweede voorbeeld VI, 1492, en vgl. T. en 
L. 2, 152. — 46 Dat hare /. Dedi hare. — 90 Ver^pien d. i. 
verspiën {: caHiën), betzelfde als versputoen {Limb. I, 1541); hier 
in den zin van iemand zijne minachting te kennen geven , fiem 
onder konden nemen. De in bet Gloss. opgegeven beteekenis 
vempieu (= rerspiedeii), d. i. gwteslaan, past hier volstrekt niet. — 
94 vlgg. De door mij. Kon. Acad. bl. 341, voorgestelde veran- 
dering vau En rotiêtene niement in En conste u niemen, wordt 
niet bevestigd door bs. B, dat beeft >En kousten nytit gema- 
cheu vroder". Hiervan ia bet ondw. de gedachte in de beide 
vorige regels: >A1 het leed dat hij zijn ouders aandeed , kou hem 
niet tot inkeer brengen". Vgl. Kon. Acad. (1888; bl. 133. — 
100 Men leze: iNiemen in al des vader lant En conate gfieseg~ 
g/ien sinen trant". B : en koude hoem gelaateren dat were schande". 
Zie Kon. Acad. (1888) bl. 144. — 125 hadde /. hadden. - 
170 B Ende syet widder by hoer (nw( hoem) erkrigen. Men 
Tulle uit A machte san en verandere tt/et in ht/et. De zin is 



195 

dan: » indien h^j door haar weder terugkreeg hetgeen zg hem 
ontnomen had, nl. zyue bezinning en zyne macht OTer zich 
zelven , dan zouden zy steeds hare onderdanige dienaars bly- 
ven*'. Misschien in yl te lezen: vEude mochti sine sinne bi 
hare gecrigen". — 20.*J /. willen. — 204 /. mach ie nochtan, 
ie sa! stillen. — 230 grote /. groette. — 284 ment /. men. — 
311 A Jaes (f/, i. ja des; zie Bloeml.' 3, bl. 211); B jae sj. — 
322 Men kan minnen ran omzetten , en lezen : >of van min- 
nen hebben gewout", d. i. volop minne smaken, doch ook B 
heeft eene goede lezing, nl. >or minne van hen hebben 
wout". 3;0 Dat /. die. — 369 Hem /. haer. — 398 selc 

al , /. selc : (nl. het volgende bewijê) al enz. — 692 wi /. wie. — 
788 8o verbliit .... dan /. so aere Terblyt .... dat. — 910 Ie 
wane /. in wane; vgl. ook 1074. — 970 niet /. niet mere. — 
1(H2 /. E. seide: Diê u gave een haer .... te soenen (B tzu 
«schonen of schonen), hi hadde den duTel inne. — 1024 De 
door my, 7\ en L, 6, 16 vlgg. , voorgestelde Terandering van 
Mitir/t in fcach wordt door hs. B niet bevestigd. Toch moet 
smrli de ware lezing zyu ; B heeft waarschynlyk de fout reeds 
in A ^'e vonden of êcach verkeerd gelezen. — 1036 Gi beteret 
mi 900 sere. Zie over het ww. beteren , dat ik ook meen te 
vinden Wap. Roij, 1831, Kon. Acad, bl. 343. De Vries wilde 
lezen In'^erru {Af til. Wdb. op beseren; T. en L. 1, 159). B 
heeft hier »Id muedt mich nu so sere**, welke lezing in geen 
v^eval de door ray voorgestelde bestrydt. — 1071 Cavene /. 
caneve. Zie Ferg. Gloss. op caenbeen en Kon. Acad. 1887| 
bl. 344. B heeft kinne. — 1140 of ie u wederhoude. De, 

T. eu A. 1, 158, door De Vries voorgestelde verandering 
in >of iet u wederhoude'* wordt door hs. B niet bevestigd. 
Daar 8taat >e ich uch widder houwe**. Men rerklare dus: 
>Zeg het! of anders rgd ik u (stoot ik a al rgdende) deze 
speer door het hart, liever dan dat ik u in het leven laat**. 

Wfilerhowlen heeft ook in het mhd. de beteekenis van f«(/- 
'An, in het leven kouden, hd. erhalUn. Zie Lexer 3, 837 en 
A'<fi. Aciid. (1888) bl. 134. — 1217 levende /. leveden. — 



196 

1268 die ontbr. — 1297 Lach ende sliep L Lach hi ende 
sliep. B ende ontbr. — 1397 Wat /. wat dingen. — 1446 
Een en darf /. Echites en darf (^ E. en darff). — 1464 berde 
wel /. utermaten wel. — 1475 en 76 moeten worden omge- 
zet. — 1485 an dit wout /. in d. w. — respgt /. despgt (J3 
noe m^ue despiit). — 1498 nu liever /. mi liever, — 1555 
scine /. sine. — 1650 opdat ie siin moeder ware L niet siin 
moeder ware, d. i. »ik zou het wel durven zeggen, als ik maar 
niet zyn eigen moeder was". — 1642 B Darna bleyft so ver- 
goen. — 1675 verdreven verandere men niet (T. en L. I, 243) 
in verdorven. Zie Kon. Acad. t. a. p. bl. 344 vlg. — 1777 gra- 
ven /. grave. — 1787. In het AfnL Wdb. is gederinge opgevat 
als gaderinge in vyandelijken zin. B doet eene andere en betere 
lezing aan de hand, nl. in den gedringe. — 1828 /. >Ende 
voerdet {B voert id) ter selver stont Der moeder, die es (of 
was) sere blide des". Aldus reeds in hoofdzaak voorgesteld 
Kon. Acad. t. a. p. bl. 346. — 1863 vromelike /. hovescelike. — 
1391 daer hi /. daer an hi, — 1970 willic /. willicken. — 
1980 ten inde /. ter werelt inde. Vgl. vs. 1989. — 1991 vlg. 
Vgl. Rein. I, 283 vlg. — 2034 Doch. B doe. 



VIJFDE BOKK. 

41 vele /. 80 vele. - 78 riddere /. rovere. Zie T. en i. 
2, 19. — 103 daer wederstoet /. eert wederstoet, d. i. stuitte^ 
ophield door te dringen. B ê id widderstonde. Zie VII, 217: 
eert wederhelt; Lanc. III, 22944: eert wederstoet; Lorr. II, 454: 
eerst (/. eert) wederstoet. Vgl. Kon. Acad. (1888) bl. 145. — 
133 ridder /. rover. Zie T. en /.. 2, 19. — 170 op wouden 
/. in wouden. — 185 In inganc ^ B levenganr , zal wel eene 
phiatsuaam verscholen zitten. — 207 en dorsti niet l. en dorste 
uicman. — 215 daer gheen here /. doer. — 268 ontboetten 
/. groetten. — senden weder /. sende enwegbe. — 332 De, Kon. 
Acad. bl. 346, voorgestelde verandering van overdrage 'm onver^ 
drage wordt niet door B bevestigd. Toch is zy de ware. B 



197 

heeft dezelfde fout ab A, Vgl. VI, 731 in verdrage nemen, 
Vni. 1253, waar A de goede lezing heeft, is B weder in 
(lezeltde fout vervallen. — 360 settent /. settet. — 375 Die 
/. Xie. li ie. — 471 van ghenen ridders /. ghenen ridder 
(ilatief), B geyn ridder. — 543 Hem harde sere /. Hem uwee 
hanif sere. — 578 Daer / Daer na. — 663 hare moei ge-- 
si'lirapt, — 690 dit /. diet B heeft ook dit^ doch daar wordt 
ook iii 61U ^ gemist. Vgl. T. en L. 1, 244. — 696 /. >Si 
was 8o wetende, dat gerief wale myns heren des keysers was". 
Daanloor zijn wij bevrjjd van de verklaring van het bnw. ge^ 
rif'/. 706 ic sie /. ie siese. — 746 een /. eens. — 827 ge- 
cloven /. gecleven , d. i geklommen^ van cliven. B geclommen. — 
8(i4 /. Nu hebben si miiu here met harre macht Gedreven in 
de stad te Vansecuer. — 896 nu liever /. mi liever. — 1017 
uecier, ook in B. — 1022 leide /. verceinsde. Zie I, 1070; 
VI, 4(i8 — 1023 Alse /. Ane. B Ain. Zie T. en i. I, 244. — 
1033 vlgg. B heeft: 

Ende schossen enwart sere (vgl. 1065), 

Sy soegeu bon komen ind bon keren 

Ende bon groes hoverdicheide. 

Sy roirkden de gelegenbeit van der stede 

Hon ussvaren ind bon enkeren. 

Due versagen die heren 

Niet verre van danne ein boschggn. 

Hieruaar verbetere men den tekst van A. Men ziet» dat de 
over <U^/e plaats in Kan. Acad.^ t a. p. 347 medegedeelde gis- 
siiiu«u niet worden bevestigd. W^\, Kon. Acad. (1888) bl. 134. — 
H»7-' (liü de noet /. die hem de noet. B en, — 1102 den 
ritidre /. die kersten (of der riddre?). B die kersten. — 1119 
/. Aiitiochinc». — 1121 Waren si /. warens. — 1150 sneeuwe 
/. seeuwt*. Zie TaaUnic. 147 vlgg. — 1321 vlgg. lo B >dat 
iie is »yn arm riddere Und ungeboren , dat is cleir. Dies en 
luacli lie nyet ain haer gewynnen Dan lyden en leyt en allen 
syiineu, Ende he vertrost sicb noch Up Venos, of sy eynich 




198 

sins noch Mochte untfarmen off boer son Cupido die faare 
briDgeii {l. briDget) scooe Den getrouwen minuare vore dogen 
He aai aich so vele pjnen ind poupen (L pougen) En Tolmo- 
digeiden ind eti Yolmachigeiden". Hiernaar wazige naen den 
tekst van A, 1325 »Ende hi troost hem doch" en 1330 «In 
Tolmoedichede , in vol mach tic bede" d. i. imet opgewektheid en 
zooveel ala in zijn vermogen ia". Zie over deze woorden, die 
tot heden in het mnl. niet waren aangetroffen, de opmerkin- 
gen in Kon Afad. (1888), bl. 146. Met volmathigeiden zou 
ook kunnen bedoeld zyn volmarcthnthn ; vgl 1 , 10G8 : » Here 
in volmaerUieden", I! en irolmachtir/ieiden , doch deze beteekenis 
komt hier minder goed te pas. Vfrlede» in va, 1332 heeft hier 
de niet gewone trana. opvatting van beKi-hnldigen , zieh ofipun- 
atiff over ifmand mtlaten. Vgl. mhd. verleiden, trans, anklagen, 
deuunciLTen , verleumden. Zïe ook Kon. Ai-ad. t, a. p. ^ 1435 
/. Des ie te minen groten onvromen , God en doet, moet ave 
comeu. Vgl B in dl. 1, hl. 48: >En fremden lande, dar ich 
eysnesse meugerhaude haven sal, yer {l. met het hs. Gotl en 
duet". — 1457 Ende moet geschrapt. — 1464 ghewapent B 
geharnist. — 1496 Evax ware /. E. en ware. — 150S /. Die 
coninc bequam , dien aine aake qualic dochte gaen ter curc. 
Iii hoofdzaak aUlus voorgesteld. Kon. Acad. (1887), bl. 348. — 
1518 der stad I. ter stad. — 1584 groeten l. grocte. — H>04 
wel saen B wel gedaeu. — 1625 hoghen l. hoghe. — 1730 
There /. Thare (dat hare). /? haer dinc. — 1748 belove /. be- 
loved-!. B Dat en loefde. — 1750 l. Dat hi (h)al Alder wereit; 
80 sere ontsach hi der vrouwen ere". B «Dat be all al der 
werell". Aldus iti hoofdzaak voorgesteld. Kon. Arad. < ]S8T)h\. 
348. — 1827 Maer moet geschrapt. — 1847 Toneffeningen , 
in v'ijnndfrhiip. B tzu aventureii , in gecanr. — 1959 ontboot 
l. boot. — 1989 dit wort wtbringheu /. dit vortbriiiglien. — 
2021 Dits /. Ditfl emmer. — 2037 na u /. die na u. — 2078 
Ghesct /. gbeseet, d. i. gesedet. Zie Kon. Acad. (1888) bl. U8. — 
2082 wel heien /, wel helende; doch ook iï heeft >wael helen". 
Kan dit ooit als bnw. voorkomen? Ik betwyfel het. De fout 



199 

in A moet dus oud zyu. — 2137 Gheven /. ^heven te wive. 
2 140 late /. lateu. 



ZE8DR BOEK. 



59 al oaect /. al moedernaect. — 62 gerecht, byw. d. i. 
jui^t , preries. B be?e8tigt de Kon, Acad. bl. 349 aangaande 
deze plaats geuite meening: daar leest men recht. — 210 Waert 
/. waert u. — 215 wistic /. hoorde ie. — 240 Dat hi wt hadde 
eude ane /. om hadde ende ane. — 247 hoe es dit comen /. 
OcliJirmen, hoe es comen. — 294 Doe woudene /. Die wouden. — 
298 Wat wetti. De Kon. Acad. bl. 350, Toorgestelde verbete- 
ring (wat niecti) wordt door hs. B niet bevestigd. Daar lezen 
wij: >\V'at weitfs ichs?** Men kan dus lezen: > Berecht mi wat- 
ter buten es. Die knecht seide: Wat wetic des**. Doch dan 
vol^t (lüurop vry vreemd vs. 301: >ic segt u**. My dunkt, de 
leziu^ wat mfcti^ d. i. wat bedoelt, trat meent gij^ verdient, on- 
danks //, de voorkeur. Vgl. Kon. Acad. (1888) bl. 295. — 
321 dit niet doen /. dit dor mi niet doen. — 329 U te bin- 
(lene /. Ende laet u binden. — 373 /. Wat waendi datti den 
banden weet met bitene met tanden (B mit den bissenden 
tzandeu). - 433 /. Want t^ cleincamerefi ende stallen poenten 
si (iio kerke alle. B heeft omgekeerd >die cleyn kameren inde 
die stalle machen sy tzu kirchen all (!)". Vgl. Lorr. II, 159: 
>te deinen cameren ende te stallen so maecti die kerken alle 
ideze plaats zal Van Aken voor den geest gestaan hebben/*; 
213: 9 te deinen cameren ende te stalle so voegt hi die kerke 
alle**. 4C)8 Of /. Of es. — 550 in selken rade /. in goeden 
rade. 553 hopen /. hopic. — 578 /. Want hem die selve 

zake Hadde vele goets gedaen. B Want die aelve sachen Had 
enie voel gnetz gedaen. — G58 /. Dies begonste ifolc te rinnen 
Na. B rennen. — 696 Doren /. dore. — 738 Vrouch here es 
langhe knecht, /. es geme langhe knecht. — 749 Salne /. sal 
mi. 754 Ghi selens /. selets. — 777 (Dat) Evax weder 

comen si /. weder hercomen. — 796 die here L alleen die 



here, — 896 In die atat daer si sien. B aia A: dar sy syn. 
De, Kon. AracL bl. 350, voorgestelde lezing >dat ai tien" wordt 
dus door B niet bevestigd eii toch moet ik baar voor de ware 
houdeu. — 925 teo kempe t. te campe. — 1008 Ende latu /. 
God latu. — 1074 l. Ende tieten hem beiden sciere striden 
ende alleae staen int crijt, — 1102 Dat es di ene ere groot 
/. Emmer ene ere groot. — 1132 wi bevelen u /. bevetene u, — 
1162 waerliic /. baei^telüc. B gerade. ^ 1224 /. om mioe minne 
Hebdi u aere geaventuert. — 1251 wat wit t. wat wit mi. — 
1310 macb l. macht. — 1319 Lief moêt geurhrapt. — 1366 
goets an l. wel goets an. — 1392 wetic l. winnic. — 1399 
ghi doget ineabaer ende verdriet l. gi doet mi awaer verdriet. — 
141;! op wat sake /. bi. — 1420 sonder inet meren rade /. 
Bondor roerren drade. — 1478 vlede /. ulede d.i. uutlede, Zie 
Taahmv. 1 72 en Limh. IX , 876 ; VIII , 999 vindt men dezelfde 
fout, doch als het woord daar moet gelezen worden, vormt 
het eene assonance. — 1521 Ie raaget l. ie mach (o/ mages?). — 
1653 l. Ende leidet ten boorde so hi. Dat sijt daerin hurte. — 
1797 Al omme tumme /. omme en tomme. B al omb ind II 
ioer. — 1807 een bof /. een monnichof. ^ 1833 En was oit 
l. En was dit niet. — 1904 bi minnen rade /. bi niinen rade — 
1900 800 gheciste /. ao boude (of boude?) gheciat*. B balde, — 
1927 Liefghetal van haren ghebneren /. uaghehueren. Over de 
uitdr. liefijeUd van, zie T'j'/sr/ir. 8, 7 vigg. , waar ook de oorsprong 
van liefgetat wordt besproken. — 1969 Keert uwer straten /. 
Keert van mi uter straten. — 1994 die wel l. was wel. — 
2011 Öoe liep bi t. Doe liep bi. — 2150 Die scade es /. Uat 
scade es. — 2171 willecome /. groot wiliecome. — 22U1. Eene 
merkwaardige tekstverandering, door Jen uitgever noodig ge- 
acht, omdat hij ile plaats niet begreep. A ea B hebben beide 
>her Evax werf', en V. d. Bergh bracht in den tekst )een 
ridder wert". Hij begreep niet, dat de bier bedoelde persoon, 
die voor het opdragen der koninklijke waardigheid komt plei- 
tea, dezelfde is als die, welke in vs. 210U genoemd is, >die 
goede man {de aancieniijke maii), die siin werl vnag [lij trien liij 



201 

woofi'fe) en die in B Wübrecht gedoopt is (Tzu heren Wil- 
brechtz sijns wertz huys waa}; vgl. 2105: iTieret datten die 
tctrt sach'' en B >datt«n her Wilbrecht sach". In weerwil 
«It'/er bt'ide voorafgaande plaateen vatte de uitgever wert op als 
het biiw., al8 vereerende toevoeging gebruikt, vond dit onzin 
(gelijk het dan ook is), en meende, dat de schuld lag aan den 
tekst , waarin hy , togen het gezag der beide hss. in , eene wil- 
l»keuripe verandering maakte. Vgl. Kon, Arad, (1888) bl. 143 
vlJ^^ Voor de eerlijkheid moet ik er bijvoegen , dat hetzelfde my 
overkomen i« in Secfh, 10308, waar de hss. hebben: >een dec- 
sel van spise goet", d. i. van goed metaal (vgl. klokkeftpijs)^ en 
dat <loor mij willekeurig in het weinig beduidende >van prise 
goet" is veranderd. — 220Ó /. Wisti dat in dese pine Her Evax 
sonde ons outfaren". — 2230 es vergaen /. viel. — 2243 Entie 
sine /. Knde tsine. B dat syn. — 2259 Hi moet qeêrhrapt, — 
23(M*) Gheseut Met II graven een prosent /. van II graven, nl. 
>die ons een geschenk van twee graven gezonden heeft, ons 
twi-e graven in handen gespeeld heeft". Zie vs. 2251 vlgg. 
Zoo wisselen ook met en van (doch met minder schade) af in 
VS. 2073 (^1 beleghen met, B van). Vs. 2331 en 2 moeten 
wonlen omgezet. - 2334 siet /. versiet. — 2344 bevint /. 
b«'vine. 2358 /. Den coninc . . . , dies (</. i. die des) mochte 

sijn wonlen erre. B des mocht he sgn worden erre". — 2395 
/. Manscap ende hulde. — Vs. 2416 en 7 moeten worden om- 
gezet, 2441 Allene /. Allendich. — 2447 vlgg. De door 
mij , t^oti, Acad. bl. 333, voorgestelde veranderingen worden 
door hs. B niet bevestigd. Daar leest men: 

>lr haet so over schone lyff" 

Sprach der jonffrouwe, >hedt yr yet aio 

Mich , en lies ach gejm man : 

Man sulde mich tzu allen tzyden 

Umb ure menne upryden**. 

Hier is evenwel oog ééne fout bggekomen, ol. dat hier da 
woorden der jonkvrouw en niet de Veoeüaaosche vroaw in den 




202 

moad worden gelegd. In eene dei^löke vergissing moet. dunkt 
m^ , de gemeen schappel^ke fout van B en A wordea gezocht. 
2483 dat ghi moet geschrapt. Vgl. Kon. Aead (1888) bl. 136. — 
2628 /. diere na gbewacht hadden. — 2673 dan dit si /. dao 
ie si. — 2708 l. weder tsi met dancke of overdsde. — 2722 
ontcreghen /. ontdreghen. Zie Kon. Acad. (1887), bl. 352. — 
2726 niet ave ghelaten /. niet ane g, — 2734 ontseiden /. ontseide. 
B entaacht. — 2750 Dat moetic togben, dat ie was vroawe 
van Arragoen, De, Kon. Aead. (1887) bl. 353, vooi^estelde 
wijziging (I). m, doghen, dü ie was v.) wordt door hs. B niet 
bevestigd. B leest: »Dat muys ich gode tonnen (: ougen), dat 
ie was vrouwe v. A". In weerwil van deze overeenstem raing 
komt my ook hier weder de door mij voorgeslagen verbetering 
juist voor. — 2761 Loefden /. toefden , d. i. be^oezen zij haar 
ter, complimenteerden zij knar. Vgl, B in dl. 2, bl. 250: »iier 
Evax . . . festierde jouffrouwe Margrieten sere, die widder 
sere toeffde den here". Zie de beteekenis van toeven uitvoe- 
riger toegelicht, Kon. Aead. (1888) bl. 149. — 2802 Die /. 
Daer, vL in Grieken. — 2803 sere d.i. seerre. 



ZKVI^TJDE BOEK. 

68 Gliewoest. Zie de opmerkingen over dit woord in Kon. 
Aead. (1887), bl. 353 en over gewoest balHuc, t, a. p. bl. 
82 vlgg. — 77 dore bare l. dore thare {d. i. dat bere). - 107 
onder vieren /. onder ons vieren. — 125 n gbeti)c l. uwe ge- 
lucke. — lil8 waren l. ware. — 2S5 enen stert ghesplct /. 
met enen stert g. Vgl. gesplitstert (IV, 1906). - 295 wet dat 
ie wnne /. dien ie wane. — 386 lieten dat hare stormen /. lieten 
dor dat h. s. - 469 dat si hem seide /. dat hi h. s. — 474 
groet /. getrouwet. — 476 Ende ntoet <ie»chropt. — 521 waert 
dat si /. waer dat si. — 616 inenicb /. menich ander. — 678 
Dat /. Dan. — 735 /. Waer dat mens gewoeghe, — 814 Die 
BOudenu ((/. t'. soudaeus) sere meshaken /. messaecten. Zie 7'. en 
L. 1 , 58. — 837 moeste l. moest [nl. dat swae-t). — 865 



203 

>vaiiic /. want. — 874 /. Dat hi hem niet en ontginc. — 895 
/. Der heyden conroot , dat oyertallic groot , datter bleef . . . ^ 
hint' leeft niet die/ u telde (of vertelde). — 904 ten tenten /. 
uten t. B tzen tenten. Vgl. Ko%u Acad. (1887), bl. 353. De 
fout racet dus oud zjjn. — 915 boden /. bereiden. — 920 
(lieiie becande /. die hi becande. Zie Kon, Acad. t. a. p. bl. 342. 
\*()or prijf heeft B de duidelijker lezing gichten, — 924 wecten 
/. wee te. Vs. 951 en 52 moeten yan plaats yerwisselen. • — 

098 /. Waren den kerstinen alsoo fel Dander heren. B heeft 
dezelfde fout. doch de regel is niet af. Er staat: » waren die 
kersten also". - 1018 stillen d.i. stellen. i5 bestellen. — 1020 
si hein tien /. si henen tien. — 1091 staende groot /. staeode 
(ii. i, hachelyk) ende groot. B heeft dezelfde fout. Vgl. dl. 2. 
1)1. 227, V8. 15. — 1117 Daer meneghe yele /. Felre yele. De 
T. ^i A. 2, 15 geuite gissing komt hierdoor te veryallen. — 
1119 /. Sere te comen ten coninc wert. — 1 120 Die /. Diene. — 
1121 8ere onderslaen /. hem sere onderslaen. — 1144 ghelyc 
/. deK'he(n)like. B hertelike. — 1186 Nilo /. yan Nilo. — 1248 
tote /. totem. - 1251 yromelike /. herde yromelike. - 1256 
\\A gheliken /. wel te rechte gheliken. — 1290 Diene /. dien 
hi. 1366 niet /. nie. — 1462 Enten /. ent. — 1483 ghe- 

slachtt* /. gheslechte. — 1548 en sparen nemmer dach /. en 
spare nacht noch dach. — 1594 Wtyoeren moet vóór aan 1595 
staan. - 1628 dan ie yrome / dan ie u nome. Indien men 
kon l)c\vjjzen dat roemen {romen) ook in dezen zin werd ge- 
hruikt, dan zou men niets behoeyen te yeranderen en kon men 
lez<n >dan ie u rome**. — 1720 Duchtic nochtan /. nochtan 
dunet mi. — 1725 Maer dachtic o /. maer doeh biddic a. Kon. 
Ara^l. bl. 354 was Toorgesteld ie lezen »maer doch radic u'*. — 
1735 l>ie8 /. dus. B sus. — 1812 dat hi doe /. wat hgs doe. 
// wat he i« due. — 1814 altoos ende /. altoos. — 1844 bleef 
/. blijn. — 1858 dede /. dede no. — 1867 si /. is, J5 is, — 
1898 /. Hets yele dincs onghedaen Dat noch wale mocht ghe- 
scien , </. I. >wat niet is, kan komen**. Vele dincs ^^s peeltijds ^ 
m/ci/. Vgl. J/n/. Wdb. bg dinc,en ^on. -4ca<i (1888), bl. 150. 



204 



ACHTSTE BOEK. 



28 Die /. Doe. — 46 /. Want man en was onder der son- 
nen. — 52 Ie /. ie. — 94 clein L cleine. — 125 /. Sine zien 
u, moghen «i, daer. — 135 Onraste /. Uwe onraste. — 143 
Nu moet ie hebben els te doene L In mochte, ie hebbe els te 
d. — 145 hebben wi /. hebben si. — 153 Syten /. die aieu. — 
173 Dat wi selve /. {na een punt) Ende wi. — 191 bereidem 
/. beriedem. — 198 dats waer L dat daer. — 202 wansoeu L 
warisoen. Zie Tekstcrit. 17. — 220 dat Z. dat hi. — 222 Be- 
tren mochten ende ontladen /. Betren mochte ende hem ont- 
laden. — 247 /. Her Demophon ende ie, wi twee (twie?), 
Duncket u goet, nadat iet sie (?). Vgl. de noot. In elk geval 
verdwijnen de drie rijmregels op -aren, — 345 biddic /. bereit. — 
362 ie l. is. — 384 Ende nu L hu o/ hoe. B wie. — 421 wettich 
noch /. w. noech , d, i. genoech. — 423 ende ooc goei Z. ende dlant 
goet. — 473 wantrouwen /. wantrouden. — 475 Dies en ontscul- 
dich icken niet /. Des en ontsach hi heme niet {daarvoor had 
hij geene vrees), — 492 comen /. tonen. Zie Kon, Acad. t. a. p. 
bl. 354. B heeft hier eene geheel verkeerde lezing, nl. »Laet 
ons noch tot her houden (: streden). — 496 sere. Ook in B, 
Men zou verwachten sciere. Of kan sere de bet. van sciere heb- 
ben? — 542 dat beiden /. dat lange beiden. — 557 In u 
bloet /. Met u bloet. — 600 te riden Z. te striden. B die 
strijt. - 601 hem begheven Z. begheven. — 612 clager Z. clage. — 
621 herde vele Z. volx herde vele. — 654 die doe Z. doe dat. — 
655 seide Z. seide hi. — 665 ende vioet geschrapt. Bij onder^ 
geven is het obj. verzwegen. — 670 ongeloevigen lieden l, 
ongeloven (: onfjelovij^en?) riesen (: verliesen). — 673 in uwen 
slane so en nioeti mi twint Z. so en modi (= mogedi twint 
(gij kimt rnet uw i*l(Uin niets uitrichteu). De Kon. Acad. t. a. p. 
354 geuite gissing komt daardoor te vervallen. — 801 Nu Z. 
No. — 884 Met hem vele haven Z. met werde {H mit horen 
werde) met vele haven. - 934 Mm (d. i. een raillioen !) Z. XX". — 
964 waect Z. vacht. — 980 ten Z. daer. — 981 te verbeteren 




205 

naar de var. in de noot. — 999 vlede /. ulede (natlede). Het 
woord vormt met spele eene assonance; de oyereenkomstige 
plaats in B ontbreekt. Zie Taahuiv. 172 en VI, 1478. Nog 
op ééne plaats staat in B dit woord of is het althans bedoeld , 
nl. X, 1359: >na dat ussleiden**, waar A heeft >na donlede**. 
Men leze >na duutlede". — 1019 Techien /. vechten dicke. — 
in;i3 ten here /. tenen here {alê een nieuw leger). — 1102 vele 
meer /. meer. — 1143 Ende moet geêchrapt, — 1155 daer /. 
♦'n was daer. — 1174 const /. en const. — 1230 l'at si /. doe 
si. — 12r)8 te moei geschrapt, — 1383 vechten here /.vechten 
eanip (ook in 1384 staat here). — 1456 werde B wedde. — 
1503 gheraecti /. gheraecteiu. — 1507 sioedcn si op /. scoten 
si op. — 1556 daer ie blide af t. daer ie was blide af. B dar 
ich blijden was afi. — 1611 Met hem /. met hare {niet met 
mi. Kon, Acad. t. a. p. 342). — 1673 radiit /. radi. — 1682 
gheweet /. ghemeet. Zie Kan. Acad. bl. 355. — 1694 keren 
/. gerne keren. Ook B keren. — 1760 reden /. reden henen. 



NKGKICDB BOER. 

49 hi /. hi haer. — 50 dore hare /. tote hare. — 78 sal 
/. sal Iii. — 119 siin /. siin si. — 122 Die niet en core die 
soniie /. Die niet (nietê) en core onder die sonne. Vgl. Kon» 
Ar. 1,1. (1888) bl. 151. — 126 Die hem dede /. Die minne 
drdem. — 127 Doe /. Dicke. — 133 Scawen is uit B ont- 
Iwinl. Het bet. hier eeren, ontzien. Zie Kon. Acad. t. a. p. bl. 
ii')."). — 140 Enichsins /. Hare eerst. — 152 dade goet /. dade 
^^root ^^)et. — 167 Maer /. Want. — 190 mochtic/. mochtgt. — 
201» vol^rhens /. volx. — 232 U ridderscap an onse scare /. ü 
vrirntscap aen die onse gewaer. — 265 Dus /. Doe. — 339 
wil lic /. willich. — 367 wtoemeDde /. wtnemenste. B der 
vrnrmste. 369 ontfaert /. venraert, — 381 uwe daghe /. alle 
»lai;ln'. li al dage. — 398 Ende moet geschrapt. — 418 Maci- 
doiiieii /. van M. — 514 Na dit vers volgen in B nog deze 
t\v«*f': Oif mit kracht aflgedreven 

Ende alre eyrst is dit orloch bleven. 




518 van hem l. vnn benen. — 544 die heren w«rt /. eer (kt 
therë utevért. — 552 hare cooincge l. drie der c. — 567 die 
buten /. die van b. — 588 daer fai nat l. dat hi brac(:). — 
592 vorwaer /. voer daernaer. — 638 lettel /. lettel goet. — 
677 geraecte /. geraecten. — 710 sere /. so sere. — T^d»chr. 
3 , 53 , 48 (Limb.-fTagm.) . . . escelike /. haestelike. B gerede. — 
722 liden l. riden [B en Tijdtchr. 3, 57). Ook de twee ia B 
voorafgaande verzen (zie noot op 720) staan Tijdachr. (^Limb,- 
fragm.). — 734 quamnier toe l. quam hem toe. B de qaam 
tzu; Limb.-fr. hem qaam toe. — 748 Dat ware /. Emmer 
waert. B Ommers weirt. Limb.-fr. Emmer waert. — 810 wi 
moghen /. si {de kinderen) mogheu. — 815 keren l. lerea. 

TIBKDK BOEK. 

80 En alse /. Ende alse. B <^nde dne. — 151 ghemingt /. ghe- 
mnurt. — 229 te doene wel /. te doene el. Zie A"on. .(Icat/. (1887) 
bl. 355. — 332 in dien gelate l. die in gelale. — 395 Weelde 
zonder hoofdletter. — 475 hare een kiot /. hare eerste kint. — 
525 ende omme gebonden /. ende die hsmle gebonden. — 660 
Ende dan /. Ende te lesten. — 728 ghene weelde en ea dan 
vrouwen /. dan met vrouwen. — 929 vlg. begonnen : commen 
/. genomen : comen. — 99.3 l. Sprac ilie maget , die sere wenede. — 
1112 Ende ooc /. Ende ooc benemen. — 1186 sonde /. soude 
mi. — 1210 l. Van den gelove dat bi gaf. — 1228 vruchte 
/. wacbte. Zie Kon. Aend. t. a. p. bl. 356. — 1242 Ood die 
inaecte hemel ende heyde Hi moet u, here, minnen /. God die 
hemel ende erde beide Maecte, moet u, here, minnen. Vgl, 
Kon. Arad. (1888), bl. 151. — 1300 na sinen live /. te sinen 
live. — 1359 donlede /. duutlede. Zie by Vlll, 999. 

KLFDS BOLK. 

16 tiheset /. gfaeseit. — 73 onderbinden /. ondervinden. Zie 
vooral Kon. Acad. (1888) bi. 152. — 121 vlg. /. Ende coninc 



207 

8al heten t^pel, daer elc sal berecbteu wel. — 163 /. hine wiut 
antwerden hoe. — 184 /. Wat ie diene of wat ie nighe. — 
105 /. met steke of met slage. — 898 /. die waerbeit seg- 
ghen. — 205 eure /. scure (B). Zie T. en L. l , 162 ooot. — 
264 theer /. te eer. — 296 /. Nocht^n es hi weloa af. B vele 
na d. i. (maar nu is het schild zoogoed als op). — 297 wiselee 
/. willich. — 811 al say /. alse say. — 330 hets goeta wert /. 
hope es gouta wert. — 343 ware scarp geeomen /. waret. — 
345 Enne /. En. — 405 wint wayt west /. wint van west. — 
414 om /. in. — 441 Al eist. De, Kon. Acad. t. a. p. bl. 356, 
voorgestelde verandering in alrierêt wordt door B niet beves- 
tigd, li Al ist). De fout moet dus gemeensehappclyk zyn. — 
400 gewinnen /. gedwingen. — 495 eens margens /. een smar- 
gens. — 509 vlg. /. Sonde vore hem staen ende hebben met 
Haren enen voet op dbedde geset. — Vs. 515 vlg. moeten 
worden omgezet. — 528 daer si minne /. daer sine minne. — 
555 versoeut /. verscoont. — 558 met enen wanne niet. B ich 
en wene nyet. De bedoeling zal zyn. >A1 doelt dit ook niet 
op een werkelyk geval**. Misschien te lezen: Al en ist, ie en 
wane. niet. Ic en wane betcekent dan waaraan ik niet twijfel. — 
Ó07 mi /. dat mi. — 579 telken üit wel /. S. t. wille. — 582 
j^i verstaen /. ^i hebt verstacn. — 590 Neen /. Neen , vrouwe. — 
r»33 (►nder tnette /. onder die voete. — 660 maken goet /. swi- 
«j^eii doet. — 688 Ic ben ghewacht /. ic ben in gowat. — 736 
(fhi hebt /. ghi legt. — 741 vlg. bande : becande /. bant:be- 
cant. — Na vs. 762 volgt nog in B: 

Nu versteit mich. jonflrouwe, wale. 
ld velt wale dat tsu den selven moei 
Ende up die selve ure mede 
Wert ein ander kint tzer selver stede 
5 Geboren off txer ander stat, 

Ja tsien off tzwelff, gelouft mich dat 
Ende alle haven sy, wilt yet versioen, 
Nature van den planeten ODt£aen , 
Ende dar umb is ben yngeboren 



208 



10 Dat sy sijn van eyure naturen 

Ende man saet sicherlich, 

Dat gelich treek t [na hoem] sgn gelich 

Alwege na hoem woe id mach. 

Man siet id geschien al den dacb. 
15 Ende dar by müyssen die kinder eir 

Mennen ind voel meir 

Dat bon treckt nature tzu; 

Ende dat sy t {d, i. siet) man spode ind vruich , 

Dat lude de van naturen mennen 
20 Al vordel nyet en versennen 

Noch en suken yre gelich, 

Mer sy nemen haestlich 

Dar bon bon nature an hengt. 

Id mendt eyn arm knecht 
25 Sulche tzyt eyn coninx kint 

Dar umb heist man die menne blent: 

Etz schertz, mer id deit nature, 

Die sich vermaint up y gelich e ure. 

De is ouch vrouwen laster sait, 
30 He en weys nyet wale wat he plegt, 

Off saist ouch duet hon onkuyscheide. 

Were yman de dat seede, 

He doelde ind misegt sere! 

Man hait vernomen wilnere, 
35 Dat eyn vrouwe raynde eynen man , 

Den sy nye rait ougeu ain- 

Gesien en had noch he hoere, 

Anders dan he uu we mere 

Van hoere dogt had vernomen , 
40 Ende ouch weir vur hoer komen 

Syne dogt ind syne alire (/. aöere). 

Dan wirt hon wille ind hon gerre 

Alleyn , noch tan dat sy en sagen 

Der eyn den anderen in mengen jaeren 



4b EiiUe mynüe darna sooder lo«a 
Wat deit dit dan altoes 
Dat dat hertz wirt altoee getraekt, 
Har ay hoo nature tsn weckt, 
Die altoea raecht yr gelich: 
50 Dit dunckeo mich reden richerlicfa, 
an T8. 763 vao den tekrt. — 8S0 beeqpn d.i. beségen, 
ubruik btnemeit. Zie over het woord en deze beteekenis, 
Acad. t. a. p. St'VO Tig. B faeeft een woord, dat althaos 
aar verdeitigile opTatting beTeatigt, ui. baluUn. — 862 
V. atralc /. der V. a. — 905 moest /. moet. — 926 l. 
si piiieu in oanpoet. — 10S6 si niet moet geschrapt. — 
vast /. vairter. — 1069 Nu l. Doe. — 1072 andren tnoet 
npt. — 1086 in dat /. int dac. ~ Va. 1085 eu 86 mcê- 
mtgeitt. — 1138 ateet over mi /. keert orer mi. — 1196 
/. men. 



TWAALFDE BOEK. 

Den vrienden die Bmenschen leven /. Deo viant, die in 
ven. — 67 minst /. moyat (B). — 177 Den heydenen 
men wt doe /. Deu keiaer balp men op doe. — 354 
e /. men. — SGü l. Htm gaf enen alacb die jongelinc. — 
diere i>ni viTvert /. die degen oaververt. — 396 verwach 
«ach. — 417 vallen /. neder vallen. — Na vs. 496 beeft 
■g: Heeft mit deu anderen heren. 

Dat ilunckt mich die achoenate ere. 
Wie /. Wi. — 676 hem riden daer /. hem riden naer. — 
vertKoet /. verstoet. Bern verêtaem d. i. djne bevntatheid 
zijn Hnnen zijn; dexelfde verbetering moet gemaakt 
. Zir Ktm. .-I.-.../. (l>"i^) hl. ir.-^ — 74X Istic 
— 768 Iladdi. B hadde hem. — h\il dongevil 
— 834 Clagen /. clattejule m-re. — 858 dat t. 
dad* l. daden. — 895 coenat /. goaaticfa. — 
I gtM^mpU — 995 /. Cvledonian ffanm woads, 
li 




210 

Waot bise gerne BBmen aoude. Zie 3'. L, 1, 244; Kom. 

Acad. (1887) bl S37. — 1040 i iet spreken aoe /. hem niet 
8. a. — 1048 goet bode en mach lichte niet mess^^en l. niet 
eeggeo. Zie UI, 447 en K<m. Acad. t. a. p. 359. B leest: «Gnet 
bode, here, en mach nyet Sageo licbtlich dar hoem of mis- 
schiet". — 1077 wenen /. wanen. — 1085 om mgn Bceden. 
B om mi mede. — 1086 hovessceden l. boreaacede. — 1121 
aidermeer Opdat l. aidermeer Dat. — 1125 Ie l. ie. — Na 1154 
beeft B nog: Dne ssde be id der keyaerennen, 

Die is blyde waa en allen sennen, 

Ënde ontboet den coninc dar 

Ënde Echitea offenboer 

Ënde trnweden boem die magt (ra. 1155 in A). 
1168 hem l. hare ere. — 1197 sonder beide l. al aonderb. — 
1201 Dat wi l. Want wi. — 1211 coninc /. kdserinne. Zoo 
staat in A en B. De uitgever beeft den aanienbang niet ge- 
vat. — 1230 alder l. alden. — 1236. Al bebbense /. Nu h. — 
1337 dede /. leide (rgl. de noot). — 1354 vig. /. Ënde wor- 
den Tor den hoghen outaer lo sente Sopbien kerke begraven. — 
1356 Ënde in ene scone tomme si beide Isghen l. ë. in ene 
scone tomme verhaven (:). — 1392 vlg. Over de t^dabepaliog 
van het werk, waarin ook fouten zgn ingealopen, zie Jonck- 
bloet, Ndl. Letl. (6 dln.), dl. 2, hl. 225 vlg. 

Amsterdam, Maart 1888. j. tbkdah. 



HET HEIDELBERGSCHE HANDSCHRIFT 
VAN DEN LIMBORCH. 

Het Heidelbergsche Hs. van den Limborch , n°. 87 van de 
Palatjjnache Bibliotheek, in de door Bartach in 1885 uitgege- 
ven bescbr^viug der oudduitache Haa. te Heidelberg n°. 51, ben 
ik onlaugB in de gelegenheid geweest met den middelnedo^ 
landscben tekst te vei^lyken. De uitalag heeft, helaas, aan 



211 

de verwachtingen, door V. d. Bergh in zjjne inleiding op den 
Limborch en nog kort geleden door Prof. Verdam oitgesproken , 
dat ook dit Hs. het een en ander zoo lederen tot Terbetering 
van den mnl. text, niet beantwoord. 

Reeds V. d. Bergh , die de bewerking alleen kende nit de 
uityoerige behandeling van Mone (Anz. f. E. der tentschen 
Vorzeit, 1835 pag. 164), spreekt Tan een iseerrrge Tertaling**. 
Te recht, naar mg gebleken is; en die groote Trgheid Tan de 
overzetting is het, die haar voor ons doel zoo goed als onbmik- 
baar maakt. De voorstelling der gebeurtenissen , de gang van het 
verhaal zyn niet overal dezelfde als in *t Mnl., de geest van 
het gedicht is hier en daar sterk gewgzigd , maar wat den vorm 
aangaat, heeft de vertaler over *t algemeen nog onaf hankelgker 
gewerkt. Niet de woorden, maar den zin, en zel£i dien niet 
altyd, heeft hg weergegeven. 

Met dat al zon er voor verschillende plaatsen in den lim- 
borch uit ons Hs. nog wel nnt te trekken cgn, indien niet 
eene andere omstandigheid de halp daar gewoonlgk overbodig 
maakte. Die omstandigheid bestaat hierin , dat text verbeteringen , 
die uit E — onder die letter wordt ons Handschrift door V. d. 
Bergh besproken — te gissen waren, mg later bleken bgna 
altijd met grooter zekerheid aan de andere bewerking, ons in 
het Bourgondische Handschrift (B) bewaard, ontleend te kan- 
nen worden. Hiervan enkele voorbeelden (alleen van plaatsen, 
waar V. d. B. de lezing van B niet had opgegeven): 

11, 1892 heeft i^: (Jnd forchten doch den rytter ser 

Dywyl er noch jrm leben wer. 

lu A in daar dos te veranderen: »tegemake**in>teongemake**. 
B schrgft: >Worens sy is tan me sn ongemake". 

111,1150. E: Ryt ich fnrbass TÜücht stnrb ich 

So wer mjn ofbati guiti verloren, 

waaruit gemakkelgk in A verbeterd kan worden: »80 ware dat 
ie sochte**. B heefk: »80 were al dat ie sochte**. 





212 

VI, 175. E: So wolt ey yn da omb nyt smeken 
Üad sweig deff atiU vemufEtichlich. 
In ^ t« BchrgTen: >DeB sweech si" enz. B: >Dar omb sweeeli 
si stille". 
Vil , 35. S: Nit was dem Keyser also gut 

DsD da/3 syn lant wasa wol bebnt 
Und starck besetzt mit allen dinghen. 
Lees dus in A: >Ende dat lant beset sere", wat S juist heeft. 
XII, 176. El Ee er {Demoph) dan wyder strytten kont 
Sas sasa det Keyser ouververt 
Dy wyl flaoa wyder off ayn pfert. 
Hieruit kan mea Toor A gissen: >Den Keyser halp men ap 
doe", wat weer in B staat. 

De overeeakomst in de bovenstaande plaatsen tosschen E ea 
B staat niet op zich zelf, ook is zij niet toevallig. Vergis ik 
mij niet, dan ligt aan beide bewerkingen eenzelfde origioefll ten 
grondslag. VerBcbilleade overwegingen leiden tot die conclusie. 

Dat E verder van A dan van B afstaat, bl^kt al uit het 
bovenstaande; bet blijkt ook daaruit, dat E in geen enkele 
minder goede lezing met A tegenover B staat. Met enkele 
betere lezingen is dat wèl het geval, maar de fout in .Bis dan 
gemakkelgk te verklaren als eene vergissing van den bewerker. 
Zoo heeft B V, 665: s Helpt dat sy weder kome tzu lande", 
E als A: >Durcb gotz wiln komt ir wyder dar" enz.; maar 
B heeft bg vergissing 67 voor 65 vertaald , zoodat vers 67 dan 
ook daar, waar het staan moet, ontbreekt. Ëvenzoo IX, 187 
E: >Sust ist myn bruder gantz on erben", wat zeer juist weer- 
geeft, hetgeen A heeft. Bij B daarentegen lezen we: >wantbe 
en kint noch raet" ; deze lezing is echter vrij dwaas , en bewijst dus 
alleen, dat de vertaler de uitdrukking > kint nocraet" niet keude '). 

1) MiDdrr ftemikkelqlc (c verklirfn lijn pluUtn nli de rolgeode: VIII. 824, wur 
S trbtiift: AoM liefile fnat , f tU J : /raiceit , m X . 231 , wur B i joniAen, B 
il* A jMi/raiF heeft. Id 't ttntt gciil 'u ffi Icting blijkbMr uit NgS iagnloptn, 
in bet tweede uit SU. 



213 

IntusBchen is uit dit alles zeker nog niet Teel af te leiden 
voor de nadere yerwantschap Tan E en B, Dat op plaatsen , 
waar A bepaald in de war is, twee andere Hss. beide de 
goede lezing aan de hand doen, is zoo rreemd niet, en doet 
tot huu onderlinge yerhonding weinig af. Maar anders wordt 
het, wanneer die twee Hss. tegenofer het andere staan met 
onverschillige, althans door de dichters als zoodanig behandelde , 
zaken, bijv. spelling van namen enz. ; of met lezingen , die noch 
beier noch slechter zyn te noemen dan die in ^; of zelfs met 
))epaal(i foutieve lezingen. Al die drie gerallen doen zich voor. 
Van de beide eerste geef ik de volgende Toorbeelden: 

I, 53 A\ sfêtien^ B: xtii , E: sybentzehen. — b8 A: xiu, 
B: \vi, K: êechêtzehen. — 222 A: >joncfronwe mi en constn 
niet vervroyen**, B: >ich en kan nch nyet errroawen*', £: >ich 
en kan uch nit erfrawen'*. — 261 A: >Ic Tolgede den andre 
op mjjn paert'*, B: den honden^ E: >Und als dy hont lyffen 
tzu walt Dan volgd ick yn snellichlich balt'*. 

II, iïiO i4: Enghene dine^ B: gene ere^ E: keyneer. — 1038 
A: henewjaeii ^ B: vechten goin , E: êtriten gan, — 1788 A: 
>ja hi'* enz., B: By gode here neyn hie**, £: Sy sprachen neyn 
her nit tzu vest. 

IV, 1029 A: >Want helpen hebbic te doenesere**, B: >want 
goetz ind urs hain ich tzn doin**, E: »Ach her ich be- 
dorff ewer wol**. — 2006: E spreekt als B Tan een broeder, 
A niet. 

V, 781 A: »Ic wonde Tor enen .d. dats waer, Ghemeeen 
pont senden daer**, B 781: pennme^ 782: xx pennine^ E: ^Ick 
wil fur sy betzalen schon, Fnr eynen pfenning xx geben**. — 
1095 A: Brando, B en E: Blando. — 1850 A: bi bekemlir 
cheden^ B: by bloethêdenj E: dureh voehien. 

VI, 955 A: >Her ridder hina ontfliet n niet", B: >Her 
rydder yr en ontaiet ach nyet*\ E: »Ir syt gar keok its in 
der wer**. 

VIII, 92 A: Theramuê, B en E: CaraÜnoê. — 873 A: 
t:4iinr, B en El Carmc. — 89S A: Boddal^ B ea E: 



214 

Yboddal. - 942, 45 A: Nijiie eo Nüue, B m E: Tnt en 
Tylue. - 946: Eber in B &a E. — 984 Ai wegheueten, Bi 
Mastageten, E (die dat rolk blgkbaar niet kende): *von Maaaa 
geket/êsen". 

IX, 414 A: Mioenen, B en E'. Etyonen. 

Hier t^enoTer staat, dat ook niet zelden alle drie de Hw. 
eene andere spelling van een naam geven , maar bg de slor- 
digheid, waarmee de dichtere en afachrgrere die zaken plaohteo' 
te behandelen , is dat niet te Terwonderen , en ook in die geral- 
len vertoont E nooit OTereenkonist met A. 

Gemeenschappel^ke Fouten in £ en £ riiiden wg o. a. op de 
volgende plaatsen: 

III , 802 wordt van Olivier , Heinric'a en Europa's zoon , ge- 
zegd, dat hy io Spanje koning werd >ende woende metten 
coninc Rioene". Rioen komt in den Limborch herliaaldel^k als 
koning van Spanje voor. B'b lezing: «coninc van Troyoen" 
daarentegen heeft geen zin. Tocb heeft ook £: > Den tro^ anera 
den was er bj". Hoe zouden B Ba E aan die lezing komen , 
indien niet uit eene gemeenschappelyke bron? 

V, 796 A: » Bleven een deel vertroest van sinne", £: «even 
verstoirt". Na het bericht, dat Margriete n<^ leefde, zo II en de 
ouders toch wel een weinig vertroost zgn geweest. E vood io 
zÜn origineel echter ook iverstoert", want hg vertaalt: >Hat- 
ten onru in yrera ayn". De dichter vond het zelf wat vreemd, 
want hg voegt er bij: »ünd doch gar aer erfrewet wörn. Van 
echites dem hogehorn" enz. 

YI, 421 A: Ifierut, B en E: Corui. Dezelfde man heet 
V, 977 bg B: Teren», bg E: Tere». In VI, 421 zal de spel- 
ling dus verkeerd zgn. 

Vni, 78 spelt B Polifemus: iPolismus". Dezelfde speUing 
geeft E, terw^l later beide Hss. den naam herhaaldelgk schre- 
ven , zooals hg zgn moet (bgv. E 509 , B 654). 

XI, 150 heeft B een regel, die alleen staat; >Tzworenhere 
id is vernoy". Het is mogelgk dat een bgheboorend vers ont- 
breekt; zeker is, dat E den regel van B teruggeeft, en ook 



215 

uiet meer: tSy spracb tzworn her da/3 ist gar schwer, Na her 
bericht mych** enz. Zoo dos ook niet beider origineel dat alleen 
staande vers gehad hebben? 

XI, 849 wordt gezinspeeld op den roman van Amadae en 
Ydoine. A geeft den naam joist: Amedoêt B daarentegen schrgft: 
Adamaê, E erenzoo. 

Deze lyst kon grooter zgn , indien E niet de gewoonte had « 
om als hy iets nndt, wat hg niet begrgpt of, wat hg ziet 
dat in de war is, eenfondig te 8chr\)Tenf wat hem goed 
dunkt. 

Van belang is eindelgk nog de Tolgende omstandigheid. E 
verkort en verandert zeer reel. Toch komen de zoo talrgke 
plaatsen, die B heeft, zonder dat A ze kent, bgna altyd in 
K voor óf geheel, óf zoo, dat men dnidelgk kan zien, dat E 
ze in haar geheel gekend heeft Waar dat niet het geval is — 
en dat is zeldzaam — , ontbreekt er altgd nog meer, zoodat 
bet bl jjkt , dat E aan het verkoften is geweest Aan den andé- 
ren kant hebben we plaatsen, van veel minder omvang en van 
veel minder beteekenis, die wèl in A en niet in B staan. Ik 
noem: 1,88. 141 — 146.1654—57.111,273—85.17,1689—93. 
1954. V, 2066, 67. 2105, 6. VI, 897. 1288, 89. 1881, 82. 
VIII, 995-1008. IX, 631—34. XU, 647, 48. Ik stem toe, dat 
ze nieerendeels van weinig belang zgn, dat een vrg bewerker 
ze alle zonder gewetenswroeging kon overslaan, maar het is 
toch zonderling, dat dan bgv. op plaatsen, waar in B namen 
ontbreken, die in A staan, ook in E daarvan nooit een spoor 
te vinden is. Zoo op de plaats Y, 2105, 6. E heeft veel ver- 
schil , maar hg begint als Bi »Der koning van den roten meer*\ 
terwyl de koningen van India en Oriënt, waarmee A zgne 
opsomming aanvangt, niet voorkomen. 

Na dit alles mag ik het, geloof ik, waanehgnigk noemen, 
dat B en E mi hetielfde Hs. van den Limboreh vertaald ign. 
De geschiedenis van hnnne wording althans legt aan die op- 
vatting geene hinderpalen in den weg, integendeel: t^d en 
plaats der beide vertalingen laten een aoodanig verloop der 



216 

dingen zeer goed toe. B is vervaardigu m l«f4 voor »Com*) 
jonggrave zu nianderscheit grave zu Blanckenheim7f E is toI- 
tooid een zestal jaren later') te E eidelberg, en de bewerking 
hiervan was ondernomen op bevel van den Paltsgraaf, Filips 
den Oprechten. Het Hs. kan gemakkelgk uit het bezit Tan den 
eerste in dat van den laatste zyn overgegaan: de plaatsen lig- 
gen daartoe dicht genoeg by elk) Ier, en het verschil in tgd 
is ongeveer zoo groot, als men vei vachten kan. 

Is mgne meening juist, dan : i ontegenzeglyk het Heidel- 
bergsche Hs. van belang kunnen z^n, om j5, dat eene a&eer 
getrouwe, maar toch niet geheel nauwkeurige, overzetting van 
een uitnemendeu grond text schijnt te z^n , te controleeren. Wel 
geloof ik niet, dat £^s hulp in dat opzicht van groote betee- 
kenis zou zijn, maar eerst eene onderlinge vergelgking der beide 
Hss. kan daarover voldoende doen oordeelen. Een voorbeeld van 
eene emendatie in B door middel van E is misschien: 

VlII, 884 A : Dat si haren litfsten vrient graven 

Met hem vele haven. 

B heeft 885: Mit horen werde mit vele haven 

E\ Mit allen yrn varende have. 

Het zou me niet verwonderen, als de mnl. text die» varende 
have'^ al gehad had , en £ er , die uitdrukking niet kennende , 
zijn > werde'' van gemaakt had. 

Het Heidelbergsche Hs. is op papier geschreven, duidel^k 



1) V. d. Bergh vermoedt dat er Coin had moeten staan d. i. Coenraad, en haalt 
een Cano van Manderecheid aan, die in dezen t|jd leefde (Inl. xxxvi). 

2) Johannes deelt aan het einde van zijne vertaling mee, dat zij voltooid ia .off 
wynacht abent" van het jaar 1470 Boven de teekening voor in het boek , waarop 
Johannes wordt voorgesteld zijne vertaling aan Filips overhandigende, staat het jaar- 
tal 1480. Het is echter niet waarschijnlijk dat onze dichter 10 jaren zal hebben 
gewacht met het aanbieden van een werk, dat hem beateld was. Bovendien bevond 
Johannes zich in 1470 nog niet eens aan het hof te Ueidelberg , en ten slotte volgde 
Filips, die in het gedicht voortdurend als «Pfaltzgraffund Kurfurst** wordt aangespro- 
ken, zijn oom, Frederik 1, eerst in 1476 in die waardigheden op. Het eerste jaartal 
moet das foatief z^jn. 




217 

vaa letter en zonder veel TerschrgTingen. Of het de TertaUng 
is, zooals z{j is neergeschreren , soo ik niet dnrren bepalen. 
De omstandigheid, dat er zeer weinig in veranderd of oitge- 
krubd is, doet yermoeden , dat we met een afschrift te doen 
hebben. Eéne yergissing versterkt dat vermoeden , nl. : dat XI, 
1120 eene nieuwe afdeeling een vers te laat aanvangt, zoodat 
we lezen : » Van lymburg was ye leng ye bas**, waarbg natuur- 
lijk >der hertzog*', die in het vorige vers staat , niet gemist kan 
worden. Als vertaler noemt zich aan het einde van het werk 
Johanues Sust of van Soest, aldus genoemd naar zgne geboorte- 
plaats — zgn eigenlgke naam was Grumelkut — , een man 
ook van elders als dichter bekend. Zgne bewerking van den 
Lymborch wordt, zoowel door Mone als door V. d. Bergh, zeer 
ongunstig beoordeeld. De eerste noemt het werk kortweg slecht 
(Uebers. , blz. 86), de andere flauw en mislukt. 

Ik stem toe, dat Johannes langdradig is en de levendigheid 
der voorstelling gewoonlgk bederft. Bovendien heeft hg eene 
onverdraaglyke neiging tot moraliseeren , waaraan hg vaak tot 
iu bet belachelgke toegeeft. Wanneer bgv. Europa van Milaan 
baar nacbtelyk bezoek bg Heinric aflegt, vindt Johannes noo- 
dig er alle dames tegen te waarschuwen, des nachts heeren in 
buu slaapkamer op te zoeken; in de geschiedenis van Evazen 
iSybille gebeurt bgna niets, of de dichter houdt eene zadekundige 
bespiegeling, waarbg hg dan allerlei voorbeelden uitdegewgde 
eu uit de klassieke geschiedenis aanvoert; als bg het koning- 
8pi>I iu het elfde boek koning Rioen op Margriete*s vraag >welc 
dat meeste genoechte si*' zgn wel wat gewaagd , maar toch niet 
onaardig antwoord geeft, vertelt Johannes kort en stgf, wat 
wat hy in zgn origineel vindt, en valt dan terstond in met 
eene bede aan den leier, om lich toch niet tot onknischheid 
te lateu verleiden. 

Maar niettegenstaande dat alles heeft Johannea zgne verdien* 
sten. Uy is nauwkeurig en verstaat zgn werk. Zgne verzen 
mogeu eentonig zgn, ze zgn niet slecht gemaakt, naar het mg 
voorkomt. Zgn verhaal is nergens onbegrgpelgk ; eene enkele 




218 

maal werkt h^ eene passage niet ongelukkig om (XI, 957 Tig.); 
smakelooze uitweidingen laat hg soms weg (I, 2006 Tig.). Dat 
hg let op wat hg vertelt bewgst zgne behandeling yan Heioric's 
wapenbroeder Amoat van Ardennen. In den mnl. text (II, 627 
ylg.) scheiden de vrienden voor Trier , om ieder langs een eigen 
weg in de stad te komen. Wg hooren dan niets meer Tan den 
ridder uit de Ardennen, totdat hg plotseling in het Tgandelgk 
leger weer te voorschgn komt, om Heinric ait de handen zgner 
yganden te redden. In E daarentegen lezen we, hoe Amoot 
eerst te Trier komt en zgne diensten aanbiedt en verTolgens, 
aldaar afgewezen, zich naar de belegeraars begeeft, waar hg 
bekenden vindt, die hem in soldg nemen. 

Karakteristiek voor de manier van onzen dichter en ken- 
schetsend voor de opvatting, die hg van zijne taak had, is de 
groote uitbreiding , die Johannes gegeven heeft aan de toespraak 
van de Wgsheid in het tiende boek. Die rede, die in het MnL 
ongeveer 150 verzen telt, beslaat er bg hem omstreeks 470. 
Hg neemt daarin de gelegenheid waar tot zijn heer , Paltsgraaf 
Filips , allerlei waarschuwingen en raadgevingen te richten , ver- 
schillende plaatselgke belangen te bespreken en onder andere 
een krachtig woord 'te doen hooren over het nut van zijn werk — 
hg was » syngermeister" — aan het hof van den graaf. 

Als eene proeve van Johannes' stgl en wgze van vertalen 
Iaat ik hier den aanvang vau het verhaal (I, 51 vlg.), zooals 
die in £ is, volgen: 

Eyn mol eyn richer hertzog sas 

Tzu Limburg y der geheyssen was 

Otto , den al dy welt erkant , 

Gar lyp hat yu syn eyghen lant, 

ünd al dy welt sus wyt und ver. 

Dan er hat yn ym tzucht und eer, 

Gelauben — warheit — menlicheit. 

Eeyns fursten rom gyng ny so wyt 

Als syn rom , den men ym ttu gab , 

Und furt den mit ym yn syn grab. 



210 

Syn menlicheit, gar duck bewesen, 

Mocht nummer menache nn gelesen 

Und nummer gentdichen yerston ; 

Er was da aller fnrsten kron 

Tzwey kynd bat er und aneh nit me 

Mit syner frawen in der ee, 

Usbundig hubach nber naiur, 

Wy blut und myleb yermischet pur. 

DajS eyn da/3 wa/3 eyn knebelyn, 

Da/3 ander was ejn megdeljru- 

Da/3 kneblyn bat sybentieben jar, 

Da/3 megdlyn secbtstseben ganti furwar. 

Der knab der wa/3 benrieb genanti 

Da/3 megdlyn margrete wass erkant; 

Ja beyd so ussermassen scbön, 

Da/3 al dy welt gyng eyn gedön 

Vod yn, und trug men yn tzu meem, 

Wy gy dy scbonsten kynde weernt 

Dy ye bescbynen bet dy sou; 

So ussbundig sy warent scbon. 

Dar tzu wucbs yn al togbend an, 

Da/3 offenbar spracb yderman, 

Und durcb dy welt gantc wart ertseltf 

Wy da/3 sy got bet UMerwelt, 

Ja sonderling fur allen kynden. 

In yn gentalicb kont men nit Tynden, 

Da/3 bosbeit oder ubels weer: 

So Tolmaebt bat sy got der ber. eni. 
Op (leze wgze ongeveer gaat onze dicbter voort, zooals men 
ziet, zich niet al te streng aan zgn Toorbneld houdende , meer- 
malen er zich zelfs nog yeel verder van yerwgderende dan hier 
het geval is. Heeft ook deze vrge behandeling niet altgd gestrekt 
om het verhaal boeiender, of de voorstelling der gebeurtenissen 
levendiger te maken, Jobannes beeft althans behoorlgk werk 
geleverd, en beeft zich ten minste niet tevreden gesteld m^t 



220 

maar klakkeloos en staafech na te schrgren, hetgeeo hg inden 
mul. text Tond. 

Alleen reeds in dat opzicht is bet onderscheid tosschen deze 
vertaliag en die ran den Renout van Montalbaen (oitgeff. door 
Dr. Fr. PfafF, TfibiDgen, 1885) zoo groot, dat er al zeer sterke 
bewijsgroDden moeten worden gevonden , eer men aan de gpsaing 
kan geloof slaan , dat beide vertalingen van eene en dezelfde 
band zijn. Er is te groot rerschil in de hunstvaardïgheid tsd 
Johannes van Soest en den onbekenden bewerker van den 
Renout, die grootendeels woordelyk weergeeft, wat demnl. text 
biedt, en zelfs dikwijls de moeite niet neemt de r^mwoorden 
in dier vo^e te veranderen , dat ze in zijn dialekt iets meer 
dan assonancen z^n, dan dat dit uit de weinige jaren, die 
tusschea de beide vertalingen in liggen , zon kunnen worden 
verklaard. Ieder, die van de beide werken kennis heeft genomen, 
zal wel instemmen met de woorden van Gervinua (door Pfaff 
aangehaald, biz. 475): >dass der verfasser dieser übersetzung 
mit den bearbeitern des Reinald , Malagis und Ogier Eine per- 
son gei , wie Hoffmann will und wie sogar Jonckbloet unbedocht 
nachschreibt, ist ganz uumöglich" '). 

Amsterdam, Maart 1888. K. T. kuipsr. 



VERBETERING. 

(Tijdschrift, 8''* Jaai^., Dietsche Kleinigheden n". 3 en 4). 

BIz. 64, reg. 1 van onder, en blz. 65. reg. 7 van onder: 
retsele, lees: raeUeU. 

Blz. 65, reg. 1 van boven, en blz. 66, reg. 6 van boven: 
Tedere, lees: raedere. 

Blz. 66 , reg. 7 van onder : de dat , lees : dat. 

> > > 9 > > bluet, lees: Uut. 

> 67 , > 7 > > laatsten zin , let» : eersten zin. 

> > > 10 > > dat der blut, \eea: dat blat. 



l)Tat dtif oonckiir ii ook Dr. Ptaffgekamtn ; fig. lync boTcngeoMmdi nil^tïie, 1 
CTi. DcielTilc hnft liter in de AllgemeÏDc coDMmliic MoDittchrin Tin 1B37 o 
monoiïniiliir ntrr Vin So«t gelere rd. 



221 



MIDDELNEDERLANDSCHE KLEINIGHEDEN. 

L ALIXAHDBE IV , 876. 

lo lAlexandors Geesten** Tinden we tn het Tierde boek eeoe 
bedoryen plaats, waarvoor Dr. Franek in z^n oitgaTe eene 
emendatie geeft, die hem zelven niet voldoet, zoodat hg de 
lezing nog zeer twgfelachtig blgft noemen. 

Van vers 391 af verhaalt Maerlant »met overslaghender ri- 
men** (veel oitvoeriger dan Gautier de Chatillon in zgne Alexan- 
dreis). wat Apelles »8creef ant graf van prise", dat Alexander 
in eene rots had doen nithouwen voor Darius* gemalin, die 
als gevangene van Alexander gestorven was. 

Tal van uitgebreide tafereelen, aan de Joodsche geschiedenis 
ontleend , toovert Apelles den toeschoower voor oogen : de schep- 
ping, zooals z;j in zes dagen tot stand kwam; het parad jjs; 
Adams en E?a*s ?erdrgving daamit; hon leven, >doe Teve sat 
ende span**, en »Adam pijnde om die spise"; verder de ge- 
HcbiiMlenJo van Kaïn en Abel, Enoch, Laroech, Noach, den 
Zondvloed, de Aartsvaders, enz. Maar voor het overige schgnt 
er ^een plaats meer te zgn; immers de profeten worden in de 
verzen 875 — 6 

Die propheten stonden daeran 
Elkerlgc met sinen sichte. 

zeer stiefmoederlgk bedeeld. Op de voorgaande tafereelen beeldde 
Apelles alles zeer oitvoerig af; de personen plaatste hg in eene 
omgeving, waaruit men honne geschiedenis kon opmaken, en 
nu voor de profeten niets dan hnn portret! Immers »8ichte** 
kan slechte voor >gestchte'\ d. i. » gezicht, gelaat** staan (zie 
Francks aant.). 

Maar van die profeten wordt dadelgk daarna verteld, dat 
zij respectievelgk spreken, weenen, voorspellen, staan, enz. 
Uoe zou Maerlant dat hebben kunnen sehrgren, loo hg 





ban gezicht alleen had voorf m gelast, dat voors] 

is eeavoudig belachelgb. , 3 aangezichtei 

den tekst verdwenen, zoo >de propheten atondaa 

dseran" oabesaoeid hlyfi. 

>Sicbte" emendeerde Dr. Franck voor srichte", dat hetïQu 
heeft. We moeten dus in lElkerlgc met einen richte" met eene 
grspbisch liefet kleine verandering, eene gedachte brengen, 
die in het verband past. 

lEUcerlyc met siaen " brengt ons op het denkbeeld, 

dat die profeten iets bg zich hebben, dat hnn toebehoort of 
bg hen behoort. En wat zonden zg nu eerder b^ zich heb- 
ben, dan een attribuut, waardoor de kanstenaar de beelden 
stempelt tot dat, wat hg hen wil laten voorstellen, n1. pro- 
feten. Geef bun dan eene rol in de hand , en w^ hebben , wat 
w^ w'enschen. Lees derhalve: >EIkerlgc met sinen scrichte"; 
d. i. Elk met zgn geschrift, zgne rol in de hand. 

>Scricht" is een wiseelvorm van >Bcrifï", die bg Maertant 
voorkomt, evenals >vychte" = >vgfte"; >drecht" = »drift. 

Oorspronkelgk wilde ik lezen: >Elkerlgc met sinen ghe- 
scrichte", hetgeen, wat de beteekenis en de scansie betrefl, 
heel goed zou kunnen. Evenwel, omdat de verandering een- 
voudiger was, wilde Prof. Verdam, wiena gevoelen ik vroeg, 
liever >scrichte" lezen, waarbij ik mg gaarne aansluit. Ook 
uit de uitgave van Snellaert mogen we opmaken, dat eene 
graphisch zoo klein mogelgke verandering de voorkeur verdient. 
De woorden sluiten aan elkaar, zoodat de fout niet ontstaan 
is door bet onleesbaar zgn van enkele letters; het waarachgn- 
Igkst is dus, dat eene enkele letter den afschrgver in de pen 
is gebleven. 

Nu >scricht" voorafgaat, is het ook te begrgpen, dat er in 
vers 880 over >bouke" gesproken wordt, als over iets, dat 
bekend is. 

Over het Latgn, dat met deze plaats overeenkomt, zou ik 
kunnen zwggen , daar Maerlant daarin geene aanleiding kan 
gevonden hebben, bet besproken vers te schrgven. 



223 

Het heeft slechts de twee yenen: 

Ecce prophetarum , quo rege et tempore quisqne 
Scripserit, eflBgies habet altior ordo locatas. 

Dit werkt Maerlant uit tot: 

Die propheten stonden daeran 
Elkerlgc met sinen scrichte 
Die Apelles, die yroede mant 
Met goode beidde lichte. 
In wat tiden dat si screTen 
Hare booke, dat stoet daer 
Ende in wat einde dat si bieren 
En de hare namen oec daemaer. 

n. EsniAnT II, 5048 en 5040. 

Tot de plaatsen in den Reinaert, die nog niet volkomen 
helder z^n, behoort ook dese: 

>Si (Isengr. e. Bmun) conuen wel bolen met hoi slaen 
Ende scone boffen ende blasen;*' 

De Proza-bewerking heeft hier Tolgens Martin: >Si connen 
wel buien met hoi slaen ende coyel timpen mei Tlocken yullen*'. 

Ër wordt oyer deze plaats gesproken in de aanteekeningen 
ÏD Martins uitgaye en in het Mnl. Woordenb. I, 1475. Daar 
de yerklaring niet yaststaat, heb ik nit het aldaar meege- 
deelde eene uitnoodiging gelezen, eigen krachten daaraan te 
beproeyen. Gaarne maak ik yan die uitnoodiging gebruik. Bg 

*Si cannên teel buien met hoi êlaen'\ 

ygl. men Halbertsma, pag. 30, aangeh. bg Harrebomée op »buil** : 

>Hg slaat builen met oorkussens", 

en De Brune , Spreekw. pag. 466 aangeh. i. a. p. : 

>Hg slaet met kussens groote buylen**. 




224 

Op geene ran beide plaateen dt a verklaard. 

Het komt m^ voor, dat >bnil" 1 beteekeut >balt, gezwel." 

>BuyleD slaen" = slaan , zoodat 1 ailen ran komeo. Na kan 

men alleen builen slaan met iets 1 s, niet met kussens, oorkaa> 

senB, zakken met hooi, of bo len, ereninin als mea kan 
geeselea met een' vossestaart. Eti lals nn igeeselen met een' 

Toesestaart" >Tleien" beteekeut, i i *bnlen met hoi 8laen"(Ut 

ook doen. Vers 5048 zou dan enen: >l8engrgn en Bmim 

koDtien (den koning) wel ig rleien". — 

»Covel tim eken miUen". 

Voor deze toevoeging ia Pn bewerking vergelgke men: 

Harrebomée: >Hi stopt u de kaper toI hoi." 

De Brune pag. 467: >Hi vnlt hem sqq caproen mit lioi." 

en vooral Van der Venoe > Tafereel der Belachende Wereld" 
pag. 186: 

iHoor! hoe wordt mea hier Terhevea 
'tSchgnt, dat wij als Heeren leven I" 
Antwoord: »Och de Waart volt ong» de kap.' 
Looft geen Vleijerg tongh gesnap". 

Uit dit laatete blijkt duidel^k, dat >de kap vullen" betftekeat 
>vleien", ihoniag om den mond smeren", amisleiden". 

Blijkbaar wisselen in de genoemde voorbeelden verschillende 
soorten van hoofddeksels elkaar af, zonder aan de spreekwijze 
eene andere beteekenia te geven. 

Derhalve: »Covel timpen met vloeken vullen" = vleien. 
(Buien met hoi slaen" kan zijn ^ vleien. 

Zoo zou dus waar kunnen biyken , wat Martin vermoedde , 
nl. dat de toevoeging in de Proza- bewerking de verklaring 
bevatte van *bulen met hoi slaeu". 

Maar iets anders is ook mogelijk. > Buien met hoi slaen" 
beteekeut letterlijk >builen slaan met iets, waarmee het on- 
mogelijk is builen te slaan", dus: >het onmogelgke kuuuen" 



225 

of irouiHch: » su)ogeaaanid , naar eigeo seggen , het oomogelyke 
kunnen*'; >den mond vol hebben Tan eigen TOortreffelgkheid*\ 

Ook deze beteekenis zou hier goed paasen. De verzen 5048 
en 5049 zouden dan dezelfde gedachte in tweeerlei Torm te- 
rugdreven. 

Welke van de beide beteekenisaen »buleu met hoi slaen" 
gehad hebbe, het is duidelgk, hoe het die heeft kunnen aan- 
nemen. 

Dat »de kap (caproen, kaper, oovel-timp ') vullen** de be- 
teekenis » vleien** heeft gekregen, zal de mode wel op hare 
rekening hebben. Heet bgv. een goed gevulde kap iets mooia, 
of is die een bewgs van voornaamheid of hoogen stand, zoo 
kan > iemand de kap vullen'* beteekenen : >iemand iete aange- 
naams aandoen of zeggen**, of althans: » willen aandoen of 
zeegen'*; » iemand in de hoogte steken**, > vleien**. Zit het zwaar- 
tepunt van de spreekwgze niet in het vuUeny maar in het met 
iets carhts vullen (nl. met »hoi*' of » vloeken"), zoo zou de 
ontwikkelingsgang anders moeten geweest zgn. Doch dat is 
niet waarschijnlijk , omdat het toch vreemd , alhoewel niet on- 
nio^plijkf zou zijn, dat in den korteren vorm: »de kap vul- 
len** zonder toevoeging van datgene, waarmede men vult, juist 
(lat, waarop het aankomt, zou zgn weggelaten. — 

III. CLAUSULB 346. 

Gaarne zou ik bovenstaande plaats even bespreken; ik ge- 
loot, aannemelijk te kunnen maken, dat daarin eene, gra- 
phisch zeer kleine fout, schuilt, tengevolge waarvan eene andere 



b Nog by SUring komt •eovtltiMp** voor ia •«• b«C«ektAit, die mti veel wwn 
-Vap" Trr«rhilt. Rr lal wel Mei kei woord kei on of aader Mot^e bedoeld i^a 
in ar Tolirnde regeU (aitg. t. BoeU. dl. II kli ISS): 

Wu effeo Gf^t ke«r dnft, kaar kleok on drogt te kloodoa. 

Die *t nekte wtm hmu klot onofonekitlerd UcI. 
\)e iwarte KevToltiap, tiek op koor roorkoofd krolload, 
Verkiel keor kbak Mg noor. 

II 




226 

gedachte er uit gelezeu wordt, ilan er uwur miivrlant io is 
gel^d. — 

Met de 25>*« strophe, vera 313, begiut de lofrede op Ham. 
Van vers 313 tot 325 wordt in algemeeae bewoordingen oTer 
Maria's volmaakte schoonheid gesproken. Ia de 26'^» strophe 
wordt aan eik onderdeel van het hoofd een of twee verzeo 
gewijd: aan het goudblonde baar, het effeti , lelieblanke voor- 
hoofd; de 6JDe ooren; de weergalooze, bruine wenkbrauwen; 
de van eeu' liefetijkeu gloed stralende oogen; de onovertrofifen 
•n onovertrefbare gelaatskleur. Dit wordt iu de 27»i« strophe 
voortgezet: Geen schoouere ueus, geen liefelijker lippen waren 
ooit aanschouwd. Hagelwitte tanden sierden haren mond (v. 
345). En daarna lezen we, vers 346 en vlg. : 

Noyt was mau die kints figure 

So scone gevi sieren conde, 
Soeter no satiger creature 
En wart uie moeder te sure 

Sint die werelt eerst begonde, 

No hier do in gere stonde. 

Bij eene nauwkeurige lezing vau deze zes verzen stuiten we 
op iets onnatuurlijks. Tot nog toe stond Maria Maertant stel- 
lig als volwassen vrouw voor den geest; dien indruk krügen 
we onder het lezen der lofrede. In vers 313 bijv. noemt hy 
haar »vrouwe", imaget"; iu vers 342 — 44 8[>reekt hgoverliaar 
als de voorsprake der metischen bij Jezus. Zoo moet het ons 
wel treffen, dat ur in vers 346 plotselitif? over Maria als kind 
wordt gesproken: >Noyt was mau, die kints figure So scune 
gevisicren conde". Maar wij zijn in Macriants Strophische Ge- 
dichten aan snelle overgangen gewoou; 't is dus mii^schien oii- 
noodig eene Ibut iu de woordeu te veronderstellen. Outegen- 
zegtijk echter zou het ons beter voldoen , zoo het woord k i n t 
hier uit den tekst bleek te moeten verdwyuen. 

Ëu , me dunkt, dat moet het, zoo wy deze plaats rergelg- 
ken met Velthems Spiegel Historiael VIII, 34, 86 vig., waar 



227 

eeno lofrede op Maria wordt gehouden, die herhaaldelijk aan 
die in de Clausule doet denken. Velthem zegt, na neus, mond 
eu lippen te hebben geprezen , in ▼«. 100 — 101 : 

>Rout u kinne, een dal daer inne 
Oft ?an yyore war gedraii" 

Do kin alleen is door Maerlant niet genoemd. Ligt het nu 
niet voor de hand, in plaats van >kint9 figuro", ikins figure" 
tl' lezen? Z«ier natuurlyk worden dan achtereenvolgens gepre- 
zen de neus, de mond, de tanden, de lippen, de kin. Daarop 
volirt : >(ieeu liefelijker schepsel heeft ooit het levenslicht aan- 
schouwd**, de gedachte, vervat in de laatste vier verzen der 
27*'' strophe. > Moeder" in vs. 349 is dus op te vatten, even- 
als in: >(ieen schooner kind is ooit van moeder geboren.'* Dit 
toi'passendi» op het bijzonder geval, dat wij voor ons hebben, 
zien we, dat de moeder natuurlijk Maria's moeder en niet Maria 
zelve is. De vermelding van Maria's moeder kan aanleiding ge- 
weest zijn, dat het kind Maria in den tekst is gekomen. Of 
zou k{jif.'< oorsproukelyk bedoeld zyn als kin-tê en niet b\s kint^a 
(t," eene spelling voor scherpe ê\ vgl. >Mhertogen" voor «her- 
togen'*)? Doch dit is vooral zoo aan het begin der woorden. 
Vj/1. «*venwel Matthjjsz. 207: untganrta en ingancU, 

Blijft nog te verklaren de vorm »kin«"; want »kiu" is tegeo- 
woordi;^^ vrouwelijk. Gesteld >kin" waa in het Mol. ook uit- 
sluitend vrouwelijk, dan nog zou de vorm >kins'* niet onmogelgk 
Rijn (zie Dr. W. L. van Hel ten , > Vondels Taal" §65). Maar 
liierto<*, tot verkeerde analogie, behoeven wy onze toevlucht 
niet te nemen. Het woord >kin" heeft verschillende geslachten 
(/ir Kluge); in het Gotisch is het vrouwelgk ; in het Oud-, Middel- 
en Nieuwhoogduitsch steeds onzydig. Een Mnl. onz. »kin"zou 
«lus niet oumogelyk zyn. Toch ligt het, dunkt me, voor de 
hiind , iiier aan een manl. »kin" te denken. In de Clausale 
staat >kiu" alleen hier; in den Tweeden Martyn echter komt 
l)»t twe<Mu;ial voor en wel manlgk; nl. vers 11: »Hef np dyn 
liovet ende dineu kin" (D. en F. echter: >dgu kin"), en vers 
2o:): >|)ie fierlike haren kin te miwaert dniget." 



Het bl^kt dus voldoende, dat de Torm >ki>ia ^eeo bezwmar 
is, en daar ikin" bier eene natnarl^ke, »kiad" slechts eene 
gewrongen verklariag toelaat, geloof ik, dat m^'ue veranderiiig 
zal blijken eene verbetering te z^d. 

Een voorbeeld van de tegenovergestelde fout, of iilthauü vau 
eene schrijfwijze, die aan de t^eno verges tel de font zou doen 
denken, vindt men Velth. II, 40, 33: Ende alsi dea kins ge- 
uesen ware, Soude men rechten over hare. 

IV. BESTAAT EE WEL BENE ?OUT IN DEK INNBRUJKKK SAHIN- 
HANG VAN DEN TWEEDEN HARTUN? 

In de volgende regela hoop ik eene beschuldiging t^en Maer- 
Isnt te ontzenuwen , als zou hij in den geheeleu opzet van den 
Tweeden Uart^n eene logische fout hebben gemaakt ; ik bedoel 
de opvatting van de 1^' strophe. 

Het zg mg vergund , hier de woorden te herhalen , waar- 
mede Prof. Jonckbloet (in zgne Gesch. der Nederl. Letterk., 3* 
uitg., S*!» deel, bladz. 38 — 39) in het kort den inhoud van de 
5de tot de 7<>< strophe weet^eeft: nJacob verhaalt nu, dat hg 
eene vrouw liefheeft, die in het geheel niets van hem wil 
weten" (5''* strophe); »eene andere bemint hem, maar hg is 
voor haar geheel onverschillig , hoewel zy de schoonste aller 
vrouwen is" (ö^* strophe). Aan welke moet hij zich nu hou- 
den ï" (l^" strophe). 

Zoover mij bekend is, heeft nooit iemand zgne stem verhe- 
ven tegen de wijze, waarop Jonckbloet (nog in 1885) de 7^* 
strophe aau de 5<'<< en de 6^^ verbindt. Ik mag derhalve be- 
sluiten, dat algemeen in zijn gevoelen gedeeld wordt en dat men 
de 1^^ strophe onmiddellijk met de beide voorgaande in verband 
meent te moeten beschouwen. 

Doch door dit laatste aau te nemen , treden wg als beschul- 
digers togen Maertaat op.. Immers reeds b^ het begin der 7^^ 
strophe: >Martijn, nu bore ende veretant: 

Dese twee sgn in een bewant, 
Dat costen moet aeens leren." 



229 

z<>ii«icn wij moeien zeggen: »Neen, MaerUnt, dat hebt gij mis ; 
uwe Yorhouding tot elk van die beide vrouwen maakt het volstrekt 
niet noodzakelijk, dat ééne van haar sterft. Integendeel; gg 
maakt of beiden gelukkig, of beiden ongelukkig; want trouwt 
^ij haar, die u liefheeft, zoo maakt gg niet alleen deze ge^ 
lukkig, maar ook de andere, die daardoor van uwe vervolgin- 
gen ontslagen is. Blyft gy daarentegen deze laatste lastig val- 
len , zoo hindert gjj niet alleen deze, maar kwelt ook de andere , 
die liet moet aanzien, hoe aan iemand de voorkeur boven haar 
wordt gegeven. Gy vergist u ook, als gy voortgaat: 

»Nu hebbic de macht in mine hant 
Welker ie wille breke ie den bant 

Ende mach hare al vergeven. 
Eramer moet dene laten den pant , 
Den liefsten die God ie vant: 

Hier toe syn si verdreven.'* 

De fout, waarop wy Maerlant hier hebben meenen te be- 
tnip|>eii , hindert ons telkens weer by de verdere lezing van 
(irn Tweeden Martiju ; ja, wat nog erger is, op die zonderlinge 
ver^issinj^ berust het geheele gedicht. 

Het is onbegrjjpelyk, dat Maerlant zelf dat niet gevoeld 
en. indien hy de fout bemerkt heeft, die niet hersteld zou 
Inbhen. Ik kon tian ook niet nalaten te onderzoeken, of 
Maerlant ook iets anders bedoeld heeft, of de fout niet ligt 
aan ons , aan onze opvatting van wat hy geschreven heeft. 
Kn werkelijk geloof ik zoo gelukkig te zyn, eene opvatting te 
kiinn(*n voordragen, waarby aan den ionerlyken samenhang van 
<len Tweeden Martyn niets ontbreekt. 

Mij dunkt, we moeten de 7^^ sirophe afscheiden van wat 
voorafLTuat. Nadat Maerlant zyne verhouding tot elk van die 
Ixide vrouwen aan Martyn heeft medegedeeld, gaat hg voort 
in vers 79 en vig.: »Luister nu eens goed, Martyn. Daar 
hren^^t het lot my weer met die beide vrouwen in aanraking; 
zij verkeeren in gevaar; éëne van beiden moet sterven; slechts 



ééne kan gered worden, en in mij .e macht biakc liet, t« t«- 
slissen, wie dat zijn zal," Bij deze verklaring is het volkomea 
in orde, wanneer Maerlant zegt, dat het gelnk van de eene het 
ongeluk vnn de andere met zich sleept, en omgekeertl. We 
verstaan nl. onder vgeluk" niets anders dan het gered worden 
uit gevaar; uit welk gevaar wordt door Maerlant in het mid* 
den gelaten; dit slechts vermeldt h^, dat hjj er slechts ééné 
kan redden. Daarop vraagt hij aan Martijn, wat dia ia znlk 
een geval zou doen. Maar Martijn begr^pt Jacobs vraag niet 
Jacob wil weten , hoe h^ als een edel , rein christen te ban- 
delen heeft: Martyn antwoordde, als had hg hem als harts- 
tochtelijk minnaar om raad gevraagd. Daaruit ontspint zich 
eene samenspraak, waarin het Jacob onmogelijk is, zich bij 
de uitspraak van Martijn neer te lej^gen. Eerst ergert hg zich, 
dat Mnrtijn het gedrag van heid< m als Medea en Narcissus 
als voorbeeld stelt. Daarna, als irtijn voorbeelden aan den 
Bijbel ontleent, antwoordt Jacob (21»''' strophe en vlg.): >Maar, 
Martijn, woudt g^ du de verkeerdheden van wijze menachen 
als een goed voorbeeld stellen, terwjjl God juist wil, dat die 
voor ons eene waarschuwing zijn , waardoor wij leeren de zonde 
te haten en het oog te vestigen op heilige liefde? Kom, Mar- 
tjjn, laten wij onze liefde louteren en God en zjjne liefde na- 
volgen. God is liefde; Hij beloont liefde; H;j haat niets, zelfs 
den duivel niet, die zyne hellepijn alleen aan üich zei ven , aan 
zijne liefdeloosheid , niet aan Gods haat te wijten heeft. Even- 
als God nu slechts huu, die hem liefhebben, het eeuwige 
leven schenkt, zoo wil ik ook haar het leven redden, die mij 
zoo standvastig heeft liefgehad." Kn Martijn erkent dstJacobs 
opvatting van de liefde edeler is dan de zijne: »Jacob, gij 
hebt mjj overtuigd; zelf zou tk dio oplossing nooit gevonden 
hebben; maar nu zie ik het in, uwe liefde is rein, zondig 
de mjjne." 

Er ontbreekt bij deze verklaring, dunkt me, niets aan den 
logischen gedachtengang in het gedicht, terwijl de verklaring 
zelve natuurtijk mag heeten. Ik hoop daarom, dat zg zhI bljj- 



ki-ri 'Ie ware te zgn en dat Maerlsot Toorgoed ia gezuiTerd van de 
bliitm , eeiie logische fout te hebben gemaakt , dat is eeoe 
fniil, die niet is t« renchoonea, die niet kan worden ge- 
ük'M op rekeoÏDg vnii tgd ea omstandigheden, maar die in de 
ilertieiide eeuw even sterk aln in de negentiende moet afgekeurd 
worden. 

Hsiirlom. cokhilia van ub watkr. 



PLAGIAAT IN DE 16"» EEUW. 

(Honwaert ali Tooneeldtcbter). 

Tot itusver werd Honwaert beschouwd als de dichter van 
vier ilWtische Spelen", welke o. a. in 1621 te Rotterdam Kgn 
uit^e>(<'vcii niiiltr den titel van >den Handel der Amoureusheyt" *). 

I>t! kt'nnirtniaking met een paar handschriften der Kon. Bibl. 
t<' Ilr<is'4f1 .it«tt niy in ataat aan te toonen: dat het aandeel 
vKii [louwnert in bet dichten van twee dezer stukkeu uiterst 
iteriiig i.i: dat men mag twyfelen of bet derde door hem werd 
viTTiuirdigJ; dut men mag vragen of ook soms bet vierde door 
een niider werd gedicht. 

I>e twee stukken, waaraan H. slechts de band beeft ge-- 
li'gJ, die hii desniettemin roor eigen werk uitgaf, zgn: het 
fipi'1 f.Mi Afftrax m Ditlo en dat min Man «i Vanu. 

I". Ter Kon. Bibl. tu Bmssel bevindt zich een bandschrift 
iii\ ;tii9, I vol. 4°), waarin neb betzelfde bevindt ats hetgeen 
iloor iiouwafrt op zgn naam is uitgegeven. Alleen vindt men 
liitT vóór elk stuk een prolo<^, die in de uitgave van Hon- 
wiifrt niet voorkomt. 

1) Ktm tntftn Diigin tu 1183 riad ik vanaaU ia M BiognphÏMA Waor- 
.\tn\y»ï Jrr N. ra Z. S. Uil bl. >M. Ookdur ■UHdM«labk«aor HonaotiauH 
rn b^uir l«rd« il IU3 •og. 




Ooder het & sj i t ik ut twn« ti- 

deeliogen. elk 1) en: >laet wTOQt«u den tnol 

fecit"; onder I twd : »Li wroeten den mol compiMuil 
a° Dm. 1552 ende is fa wer gtespeeldt in mayu iut ft«lfd« 
iaer. Reyer ghörtz scri b a° 1553. 

Id het slot van t eede spel is eene kleine, maar ge- 
wichtige verandering b ht. In het door mij genoemde band- 
schrift lezen wy : 

E^rweerdighe heereu, hier mee w^ cesseeren , 

Wy goudtbloemkens gruyeude in dÖchden; 

Blgt't Marien Soon bevoolen, de mat in vrSchden. 

In de uitgave van Houwaert: 

Eerweerdighe Heeren , hier met n j cesseren , 
Wy bidden u Houdt middelmate in deuchden ; 
Bevolen blyft de Heere, die r^st in vrauchden. 

Gesteld nu, dat Houwaert werkelijk de maker van dit stok 
zg geweest, dan zou hü dit op zijn 19''^ jaar moeten hebben 
geschreven; op zichzelf is dit reeds onwaarsch^ul^k, want een 
jong rederijker begon niet met het dichten van zinuespelen, 
door De Casteleyn al!> het moeilijkste iu de kunst beschouwd. 
Maar bovendien , de laatste regels van beide stukken vertoonen 
slechts geringe afwijkingen. Het Brusselsche hs. wijst erop, dat 
hft stuk voortkwam uit (ie Kamer do» Goudsbloemkens" te Antwer- 
pen ; bij Houwaert vinden wij in den voorlaatsten regel zgne 
spreuk: > Houdt middelmate" al past die in dit verband weinig. 
OF de Antwerpsche rederijker zou dus Houwaerts werk moeten 
hebben gemaakt tot het zijne üf deze heeft een letterkundige 
diefstal begaan aan een lid van de Kamer der Goudsbloemkeiis. 
In het eeerste geval zou het stuk van Houwaert nog vóór 1552 
door dezen moett-n geschreven zijn, wat niet aan te nemen is. 
Waarschijnlijk is dus, dat Houwaert hel werk van een ander 
eenigszins wijzigde en voor het zijne uitgaf. Wanneer wij er 
nu nog op letten , dat beide stukken zjjn onderteekeud door 



233 

een dichter, mens spreuk luidde: >laet vnroeteu den mor' en dat 
zekere Jacob de Mol in de IG^'* eeuw onder de Antwerpsche 
IWerijkers werd geteld , dan mag men als Trg ^fteker aannemen, 
(lat Houwaert hier plagiaat heeft gepleegd. 

2^. Op het titelblad van een ander hs. ter Kon. Bibl. te 
B. (d^. 3G8. 1 Yol. 4^) leest men: »Hue Mars en Venus tsae* 
men bueleerilen, lanck 1128 reghelen. Smeecken fecit.** Aan 
het slot: »Smeeken fecit Reyer gheurtaz. acripsit a^ 1551 in 
uovembri." 

Dat (Ie beide stukken ondanks sommige punten Tan Terschil 
- waarover later — letterlijk OTereenstemmen , ziet men al 
zeer spoedig. Ook hier hebben wij weer dezelfde Traag. Heeft 
Smeecken Houwaert bestolen, dan moet de laatste dit stuk TÓór 
1551, d. i. TÓór zijn 18^^ jaar geschreTen hebben: op zichzelf 
reeds zeer onwaarschijnlijk. 

h deze Smeecken dezelfde, die »Yan den Sacramente Van 
der Nyeuwervaert'* dichtte , dan wordt dat nog onwaarschijnlijker. 

Indien Houwaert het stuk had geschreTen, dan zou dat 
toch onmogelijk TÓór 1550 kunnen zijn geweest. Smeecken, 
die c. 1500 zijn Sacramentsspel dichtte en toen toch waarschijn- 
lijk minstens 20 jaar oud was, zou dan op zijn 70*^ jaar zulk 
een Amourens stuk hebben uitgegOTen als het boTengenoemde , 
terwijl de eigenlijke schriJTer nog leefde. 

Naar alle waarschijnlijkheid heeft Hoawert ook hier plagiaat 
gepleegd. 

In de slotregels Tan beide stukken merken wij een dergelijk 
verschil op als in het spel Tan Aeneas en Dido. Smeekens 
spel eindigt met deze reg(els: 

Huedt u wel, schuwt Trouwen blamade, 
BeToolen blijft de Oodlijcke gratie. 

In de slotregels Tan Houwaerta stuk lezen wij zijne spreuk weer : 

Houdt middelmate, schout Vrouwen 
£n blijft beTolen de Goddelijeke gratie. 



234 

• 

Houwaert nam het geheele stuk van Smeecken over, doch 
voegde er hier en daar hel een en ander bij of in. Wat hij 
toevoegde, is het volgende: 

1°. De Prologhen der vier Spelen (dit spel is in vier onder 
deelen verdeeld) 2® den dialoog tusschen den »Gheest van 
Amoureusheden'* en »Aert van Edelheden'* (op het eind van 
het eerste spel). 3° den dialoog tusschen »Meer hopen dan 
twijfelen" en »Meer twijfelen dan hopen*'. 

Ofschoon H. toch anders waarlijk niet bang is voor eene 
kleinigheid , zien wij hem op een paar plaatsen eene uitdruk- 
king van zijn voorganger wijzigen of weglaten , als hij die al 
te kras vindt. Zoo b. v. waar de beide »Sinnekens, met elkan- 
der over Venus sprekende, zeggen: »hör vörportaelken ontstect 
van hitten*'. Houwaert wijzigde dezen regel aldus: »Haer harte 
dunct haer smelten van hitten". »6hepeys v. M." besluit dit 
gesprek door te zeggen : 

Tquaetste, dat coomt van sulken ghebrasse, 
Es, datmen theylichdom crijgt in die casse. 

Bij Houwaert: 

'tQuaetste, dat komt van zulck ghebrasse, 
Ist, datmen den Voghel krijcht inde kasse. 

De lezing van Smeecken is veel schilderachtiger, vooral in 
een Katholiek land, waar men voortdurend een »heilichdoni 
in de kasse'* zag ronddragen; daarentegen is zij ook profaner ; 
ik vermoed, dat dit Houwaert ie kras is geweest, wat dan 
ook wel te begrijpen is. 

Ook elders (in het 3^'' Spel) heeft H. een i ge regels wegge- 
laten , die dan ook tot de platste behooren ; — evenzoo heeft 
hij in de beschrijving der samenkomst van het minnende paar, 
die door de twee »Sinnekens** bespied wordt, de kleuren min- 
der schril gemaakt, wat waarlijk niet onnoodig was. Terecht 
heeft Houwaert Phehus en Apollo vereenigd , zoodat alleen de 
eerste in zijn stuk voorkomt. 



235 

3°. In > Verband, over de Ned. Dichtkunst in België" zegt 
Snellaert op bl. 169, dat hg in een aan Prof. Serrure toebe- 
hoorend handschrift de volgende stukken las: » Van Eneas ende 
I>ulo (de Mol); Hue Mars en Venuê (Sraeeken); Van iVarctsêus 
ettiie I'Aho gheraaeckt by den Araorösen Colijn". Aan het slot 
noemt de schryver zich: Colyn Keyaert; hy schreef zijn stuk 
in 1553. Het laatste stuk kwam, mijns wetens, niet tot ons; 
wij kunnen het dus niet met het stuk van H. vergelyken. 

Zijn wy al te argwanend, indien wij — wetende, dat ook 
Iloiiwuert een stuk Van Narciêsuê en Echo op zyn naam uitgaf, 
«n ziende dat hier drie stukken byeen voorkomen , waarvan 
Houwaert er zich twee toeeigende — gaan twijfelrn, of hg 
ook hier plagiaat bedreef? 

4^. Mogelijk is het zeker, dat U. het vierde stuk > Van 
/A'titn/er ende Ilero'^ werkelijk zelf >poetelijck gheinventeert 
ende retorijckelijck ghecomponeert** hebbe, gelijk op het ti- 
telblad van >den Handel der Amoureusbeyt** van alle vier de 
stukken beweerd wordt No echter sommige posten op de lit- 
teraire rekening van den «Meester Ordinaris van de Rekeniu- 
^hon des liertochdoms van Brabant'* niet >accoord*' zijn be- 
vonden . zou hijzelf het ons niet euvel kunnen duiden , indien 
wij hier het vermoeden uiti^praken , dat ook het vierde stuk 
onrechtmatig verkregen goed is en, evenals de drie andere, in 
(ie eerste helft der 16**« eeuw thuis behoort. 

In het > Biographisch Woordenboek der Noord- en Zuidne- 
<lerl:itidsche Letterkunde" wordt nog vermeld een andere bundel 

tooiKH'lstukken , getiteld: > Den handel der Amoureusbeyt 

iu «iry boecken*', waarin zich 3 spelen bevinden, een van Jo- 
pittr en Yo. Uit werk kwam in 1583 te Brussel uit. 

Daar deze bundel niet ouder mijne oogeu kwam, kan ik 
niet beoordee^en, in hoever bier nieuwe gegevens liggen voor 
tli; oplossing der door mij gestelde vragen. 

Het kan echter zijn nut hebben ook op dien bundel de aan- 
dacht op te hebben gevestigd. o. kalff. 




VEEIDERHANDE QENEÜCHUCKE DICHTEN ETC. 

Den titel tbd deze merkwaardige verzameling Tolksdichten 
en volksTerbaleu vindt men beneTens eene inhoudsopgaaf ott* 
voeriglgk vermeld in Petit's Catalogus der Bibl. t. d. Mij der 
Ned. Lett. I, 213—214. 

De Antwerpscbe uitgever, Jan van Ghelen, deed deze ver- 
zameliug in 1600 het licht zien; de stukken, waamit zij be> 
staat, zgn echter naar alle waarschijnlijkheid alle vao veel rroe- 
geren datum. 

Van sommige stukken blijkt dat daidelgk. 

Aan het slat van het igenoechelic Gedicht van den Abt Tan 
Amfra" leest men: tDuysent v^fhondert int jaer ons Heeren" 
(1500). Het gedicht >Yan 't Luy e lecker landt.... is ghevon- 
den int Jaer doemen schreef duy sent ZuyckerkoeckeD , vjjf hondert 
Eyer vladen ende ses en veertich gebraden Hoenderen" (1546). 
»Der Vrouwen Pater Noster" werd ook door Hoffmann v. Fallers- 
leben uitgegeven in zijn boek: »In Duici Jnbilo" p. 83; hij 
schreef het af van een los blad nit den aanvang der 16^< eeuw. 
>Een Boeren Vaatenavonds Spel" is de vertaling van een Duitach 
tooueelatukje , dat waarschijnlijk c. 1522 — 1 535 gesebreven werd. 
(zie: Mittelnieil. Faatnachtspiele von W. Seelmann p. XXIX). 
De Klucht »van Moorkens-Vel" wordt reeds vermeld in de 

>Gemeene DuyUcbe Spreekwoorden Campen 1550. In 

»een beklaecblic Referejn van dat arme bier" wordt gezegd, 
dat het bier vooral slechter geworden is >8int dat Afarten ckin 
Rosfen quam". Waren de overige stukken in de laatste helft 
der 16'' eeuw gedicht, dan zou bet toch zeer vreemd zijn, dat 
er ook niet eene enkele politieke toespeling in voorkomt. Ook 
herinnert de geest dier stukken ons aan de eerste helft der IG'I' 
mia.schien het laatst der 15^' eeuw. Een enkel »Van de Mejen 
Van de schoone Vrouwen" behoort zeker nog tot de 15'^' eeuw. 



Zü WOUTER VERHEE'S HANDSCHRIFT. 

In Band 5, 8. 137—186 dieser Zeitschrift bst G. Kalff 
eine iler Hamburger Stadtbibliothek gehórige Sammlung tod 
Schauspicleo und Liedera, weicbe i. J. 1609 vod dam Goudaer 
Wuuter Verbee anKel^ wnnle, sasfUhrlich beschriebeQ und 
toilweine nbgedruckt. Da ich, durch diese Arbeit angeregt, TOr 
kurzcm selbst die Haadscbrift einzusehen Veranlasaung uabm, 
xo vermag ich hier durch deo Hinweis auf einige von Ealff 
Qbeniehone Nutnmern eiaen kleinen Nachtr^ eu jenem dan- 
kenHTrerteu Aufsatze zu bieten. Dieselben geboren samtlich dem 
7,weit«n Abschnitte der Saminliing (S. 131 — 252) an. welcber 
ilie Lieder umfaMt. Ein pur bei Eaiff whon erwahnte Stficke , 
7.U «lenen ich noch Bemerkangen hinsufOge, bezeichne ich durch 
t;in vorgesetztes Stemchen. 

S. 132. Buert op t booffden schier. 

Uebentcbrift: Een ander nieuwe Jaer. 
133. LoofT nu deu heer. 4 Strophen. 

Uebenchrift: Een ander nienwe Jaer. 
135. V liefTde quelt mg toter doot. 5 Str. 

Ueberscbrifl: Een ander Liet 
]5(i. lek Tint eglaes mfj in noot. 8 Str. 
142. Heylacie lieff wanneer salt sgn en dat, 4 Str. 

Op de Wyse : Gillemette. — Die Melodie bei Land , 
Tijdschrift voor Noord-Nederlandscbe Muziekgeschie- 
denis I. 250. 
'143. Ceres en Pomooes gaerden. 7 Str. 

Op de Wyae: Si eet p. c'ert] poor mon pncel- 
lagie. — DieM Melodie wïrd anch in deni von Uoff- 
inaun «on FAlU^nli-Wn , Ni<.slrrirtn<li>H;h<' V<)lk<l!»ler* 
1H56 a. XVII f. Upacbmbifnvii AtnsU-niamar Li4^l«r> 
ba«)i« 2, 59 Hliert. HntTmanDs Exctnplnr iMfindet 
•ich jetit anf der Kfiniglichcn Bibliothek tn Dcrlin, 
ngn. ZC 7788: 't Dubbelt vettwlwi | AmftlcrdaniNe 



238 

] 1 bi :, wi in )6gre|)en j zijn veoldcrlfy 

Li \\I ^e,hetNiea Amstordanu 

1 I Vo Vr 3 en Vrysters aeer genoegh- 

l^ck. I D I [Vi 1 , Oedruckt b; Jas Jacobn 

Bou[mBa.] { 110 +110S.-|- 1 Bl.qner8'>zweis|>altig. 
Ohne Melodien. Der Column en titel des I. Teilea üt: 
Het Oudt Amsterdams L dt-Boeck ; der des 2 : Het 
Nieu Amsterdams Liedt-Boeck. 
S. 145. Tot laudac^ mjjns lieffs wilt begiDoen. 4 Str, 

146. Weest al verzuecht [P verbuegt] stelt druck ter sgden. 4 Str. 
Nae die Toeis : Damoselle. 

148. Cupidooa felle etrael. 4 Str. 

149. M^D Binnen sjn m^n ontstelt gequelt met fantasiea. 
5 Str. 

150. Fortuyn favoreseert hem die v troest begeert. 6 Str. 

151. Al waer ick halff doot jae met fengn vergeuen, 5 8tr. 
Vgl. S. 184. 

152. Dat ickse na moet laten, daer alle myn troest aen 
Btaet. 4 Str. 

•158. Een Veuus dierken hout my ia haer bestier. 5 Str, 

Op de Wyse Soot begint. — Der Text steht im 
Antwerpeuer Liederbuche 1544 Nr. 36^212, ilie 
Melodie bei Land , Tgdachrift voor Noord-Nederl. 
Muziekgescbiedeois 1, 172 Nr. 18 ans dem urn 1600 
zu lieiden aiedergesch hebenen Lautenbuche des Jo- 
hannes Tbysius. 
' 166. Van achtenachtich het nieuwe Jaer, dat is waerachticb. 
4 Str. 

Op de Wyse: Lief wtvercoren, Lief triumphant. — 
Die Melodie teilt Land a. a. O. 1 , 183 Nr. 43 mit. 
•167. Alarm alram [!] alarme, vrou Venu» trom die gaet. 4 Str. 
Ueberschrift : Maey Lydecken op de wyse: Moecbt 
ick geluck verweruen al nae. — Dasselbe Lied steht 
auch in dem obeagenannten 'Dubbelt Terbetert Am- 
sterdamae Liedboeck' 1 , 104. 



i 



S.'ITO. Mljn oocbgens weeneu. 14 8tr. 

Op die wyse: Bedroefde hertekeo. — Den Text 
habe ich ïm Jahrbache ffir niederdonteche Sprach- 
forachung 13, 62 f. zusammeD mü eiuer hocbdent- 
scben Ueberaetzong aai dem Liederbuche dea Petrus 
FabriciuB, dos tod 1603 — 1608 lu Roatock nieder- 
geachrieben ist, abdrucken lanen. Eine aiederdeutsche 
Fassung steht in deo Niederdeutschen Volkaliederu , 
Hamburg 1883 Nr. 37. Die Melodie 6ndet iiich bei 
Biumker, Da§ katholische deutache Eircbenlied 2, 
289 ; b« Land , T^dscbiift voor Noord-Nederl. Mu- 
ziekgeschiedenis 1, 185 Nr. 4h nnd im Jahrbuche 
fflr nd. SpracbforBchang a. a. O. Eine Terwandte Weise 
'Bedroevet barteksn' bei Land a.ft. O, 1, 161 Nr. 5. 
* 173. Lieff int teereet mgn jonckheet krencken doet 8 Str. 

Die Weise 'Engelsche Fortnyn', welche auch S. 
225 nnd 227 citiert wird, findet man bei Land, 
Tijdacbr. voor Noord-Nederl. MnEÏekgescb. 1, 214 
Nr. 18. 
•17Ö. Den tjit is hier. 4 Str. 

Op die wyse : Tribulalie ende verdriet. — Der Text, 
welcher 3. 214 und 241 noch zweimal angefflhrt wird, 
steht nacb Lauds Angabe (Tgdschr. 1, 169 Nr. 14) 
aucb in: 't Groot Hoorns Liede-Boek, Amsterdam 
o. J., 3. 34. Die Melodie giebt derselbe Qelehrte aus 
Thysius' Lautenbucb. Das Lied 'Tribulatie ende rer- 
driet' steht im Antwerpeaer Liederbach 1544 Nr. 173. 
181. Schoon liefgen ient 4 Str. 

Weiter unten S. 241 abgedruckt 

184. Vrou Veoos, wat bedagt de strael vao awe craehten. 
6 Str. 

Opte wyse: Al wner iok half doodt — Vgl. 8. 151. 

185. Adieu nu vreucht, den t^dt veregst het schegden. &Str. 

Opte wyw: Geen laat noch pgn. — Das von Ealff 
140 und 144 angefQhrte Lied S. 187: 'Oorloff 




1 



240 



dan t'saem..' ist die flOKropD« uieses StQckcn. Zar 
Melodie vgl. S. 191. 
H. 189. Een edel godin, die ick bemin. 4 Str. 
Opte wyse: Bransle v lerlandt 
'191. Niet tangb gheleen heyipelgck by geralle. 5 Str. 
Opte wyae: Geen last noch pyn. 
208. Harderinuen siert u soete reg. 4 Str. 

Op de wejse : Al hebben den prinsen hareo [?haereii] 
wens. — Die Melodie wird auch S. 205 citiert. 
'241. Loet ons Godt louen, en nu die gracy s^ngen. 5 Str. 

Opte wyse: Den tyt is hyer dak 
•249. Door liefden regn. 6 Str. 

Op die roys van Soet Robbergen. — üeber die 
weit rerbreitete Melodie Tgl. Land, Tgdscbr. voor 
Noord- Nederl. Moziekgeschiedenia 1 , 223 Nr. 78 
und Bolte, Jahrbacb filr niederdentache Sprachfor- 
schung 13, 64 — 68. 160. Zwei weitere AufzeichnungeD 
derselben finden sich bei P. Fabricius und in Haio- 
hofertt Lautenbücbern 4 , 36a. 

Der Abdruck des nachfolgenden Liedes möchte sich weniger 
durch seinen poetischen Wert als durch seine einstige Beliebt- 
heit rechtfertigen. Ausser Verbee's Aufzeicbnung kenne ich noch 
■ zwei andre Ueberlieferungea j die eine ist in dem Mscr. genu. 
quart 612 der Berliner königlicben Bibliothek ')erbalten, einem 
prachtig gebundenen Liederbuche, das auf der Vorderseite die 
Initialen:H. B.A.M. Z.G. [ H.E.S.W.G.M.H.H.G.H. und auf der 
Rückseite die Jahres/.ahl 1574 tragt. Die Sprache der zierlich 
geschriebenen Texte trügt z. T. niederrheiniscbe F^rbiing; mit 
Verhee's Saoimlung ist ibm noch eine scbon im Autwerpener 
Liederbuche von 1544 Nr. 08 begegnende Nummer (BI. 266 
Nr. 13): 'Ich hatte ein stedig medickenn' (7 Str.) gemeinsam. 

1) E.tDa AbKhrift tod der IIiQil HolFmÉDiii tod FtUenl«b«n «nlbilt dia Mter 



J 



'241 



Die muire Fassung int au8 den beiden nd. Liederbücbero Ublaods 
umi De Boucks (Anfang dea 17. Jahrh.) 'm deo Niederdeutscben 
Volkaliedero , Hamburg 1883 Nr. 79abgedruckt, enlbaltaber nor 
3 Strophen, — Die Melodie 'Schooa lieffgea ient seer excel- 
leut' oder 'Schoon bloemkeo jeat' teilt Laad , Tgdscbr. voor 
Noord-Neiierl. Muziekgesch. 1, 1S8 Nr. 52 ans Tbyaiafl' Lan- 
ti^nliiichc mit; zu dea drei dort beigebracbten Citaten kaan 
man binzufügen : Dea nieawen Lust-hof. fAmsterdani, b; Bans 
Miithjsz 1602 S. 4. 



NiederrheiniBches Liederbnch 
. J. 1574 BI. 100a Nr. 49. 



Schoen blomgen gent, 

Ini herU geprent, 

Vmb iii bidt ieh torraenl. 

Dan icb abeent 

So lang TOD iu ninei wetenn. 

Ii'h wolt ilai wer ein endl, 

U [oeageo roet, 

nebr picellent, 

O wciKbeitt achoeniii 

Moin berti^beo verbleodt) 

O Auchkenn ichoena. 

Stat gbe; to loin , 

CAeich wie die Uejeno tornenn, 

liicb im bimmeU throniD. 

3. 
Srbeiidt oeidera ratb 
[)it' mich thoeDdtqwodt' 



W. Verhee's Uandscbrifl 1609 
S. 181. 

Een Ander opde wyse: Ale- 
msnge de moer'). 

1. 
Schoon liefken ieot, 
la bert geprent gepreten. 
Om T Igdt ick torment, 
Dftt ick khwDt 
Vui T do* lang moet weien, 
lek woade het waer en ent, 
O Bootken root, 
•eer exelent, 

V womh bloot 

Brenckt mgn herteken in tortnent, 

V oocbkene tchoon , 
Staet mg to toon 
Oelgck de morgen eterre 
bi hemelt troon. 



Schont ngden qnaet, 
die altgt qnaet «etcieren. 



1, WobI ■= Alleauda d'ABoar. Dim belitbta TkuwoM, weicba FiMhirt UTi 
in .in RnchkhUliUirwf Kip. I> (SchnbUt KloMer 8, S07) ulUrt mod »mek 
drr obn gnaiDU Fcirai Fehheiei eofbawmhrt kil, larat ■■■ jatil bqaaa ■«■ 
UbJ> MiltrilBDg io der T||dKbT. loor Noord-Naderl. MuidcgiMh. S, SU Nr. SM 




Vnod tein alzait ir saet 

Durch kanst vod bat, 

Daruf Mj dominiereD , 

Tnd spTochen oit dan qaadt, 

Scbewl ir geqnell, 

Fleht ir gebraidt, 

O reiae Btettige magdt , 

Sampt mir ia badt, 

So mag ich ia beliebenn, 

Lieb iuR himtneU graedt. 



Eslast discordt. 

Wilt ghi all rf my wrechemi, 

1d liebtenn ich TeiBchmoebt, 

Mucht ich recht fort 

Mein liebgen DOch einB thaen apre- 

So were meine frewde au hort, 

O Toesgeo roedt, 

Oib mir Confort, 

All mit eia groedt, 

iieio bitt erbortt, 

O pleibeate jugt, 

Meiaea hertzenn ein freudt, 

Ich sall eacb nicht bgebean, 

Lieb denckeo an micb, 

Wz ir macht. 



Pinderliche kroeo, 

Aiif euch atebt mein vertrawenii, 

Die liebete Beidt ir alleine. 

Die liebste sartein, 

Vnnd bouea allen Jangkfrawen 

Seidt ir mein hertten eio kroeun, 

O whoeoe Pereon, 

Der liebde ge mein, 

Weit na getrewe, 



En aaeijen i>o«k lifter saet 

Dner twist en haet, 

daer sy en [!■ in] domineren. 

En spreke □ niet dan quaat. 

Vliet haar geqoel, 

Bchoat haer gepraat, 

Dat haer opstel 

mach comen to laet, 

Regn maechdelick saet, 

Comt mg te baet, 

Soo mach ick domineeren 

Na s we reis roet. 



Eglaee discoort. 

En wilt op mg niet wreken, 

In lijden bl^ff ick versmoort, 

Maer dat ik rechte voort, 

Mgn soete liefi moecht spreken, 

Soo qaam mü Tcencht aeu boort, 

O lieueken soet, 

mgn bed aenboort, 

Al door den groet 

geeft m(j confoort, 

O bloedende jeucht. 

Mijns bert* ten genuecbt, 

Ick aal T niet begeaen, 

lied, Fejjiut om my 

Als ghg meacht. 



Princelicke greijn, 

Wilt my compasaij toon en 

Wt lieffdcn sertegn, 

Objj sijt die liefste alleijo 

Bonen alle Tronwen 

Al in des werelts plejjo. 

O Edel cersou, 

Daer ick alleyn op bon, 

O Beyne Joncknroa, 



Dok bit ich euch kllein, 
O roci'gen ro«t, 
Mciuca hcrticn gnodt, 
Icli Holl euch nicht b«geb«D[ 
Lieben hh io d«D todt. 

Uerlio. 



I Die ick tllegn btttroD, 

O BooakeD root, 
I troMt mg, tii tsoot, 
I lek lal V Diet verlutm, 
I li«ff tot inder doot. 

JOBAKKia BOLTB. 



NIEL, WIEL 

Nbat aanleidiog tkd een tamelgk lerendigSQ pennestrgd in 
T/if Ara'femt/ Tan 8 December '88 en lO Jui. '89 tusschen d« 
Iieoren StevensOD en Cook orer hei Bga. neoaol, wensch ik een 
en aniler ia het midden te brengen over de Torming tku dit 
bnw. , (lat, gelgk men weet, identiach is roet mnL nul. Gelgk 
meti weet, iü eigenlyk te veel get^d: immera de beoefenaara 
van liet Agfl., die zicL over niel hebben oitgeUten , blgken bet 
luiil. woord niet te kennen. Maar onze philologen zullen neb 
ongetwijfeld herinneren , dat reeds jaren geleden Verwgs in 
den Taal- en Letterbode, V, 109, orer Nüi gehandeld en twee 
plaatsen geciteerd beeft, de eene nit Jan Praet'a Spiyhêl der 
Wijrheit, de andere nit den Partbonopena. In genoemden Speghd 
lezen we ts. 2986: 

Die Bcalchedfl 
■loeeh Edelbede 
met haren cwerde, 
ao dat aoe viel 
ende lach at uw/ 
plat np die erde. 

Verwfjs Tergelgkt teer jaist agi. néol^ mowot en Terklaart 
het met pronus >TOonTar". In den Partb. 4070 wordt gespro- 
ken van iemand , die 



244 

van BiceD orse viel 
, . . ende bleef int nül 
liggbende int groene gras. 

Dit ia volgens Verwas >op den grond , vooroTtr", juister 
gezegd >in de diepte of laagte, op den grond". Misachioti )ieeti 
Verdam meer voorbeelden te z^ner bescbikking om de betee- 
benissen van bet woord beter te doen uitkomen en mgo betot^ 
aan te vullen. Ik vergeno^ me met de (reeds door Verw^ 
aangewezen) overeenatemming te doen uitkomen tusaoben mul. 
At lach nwl plat up die erde en ags. <iK> n& Jösve! hvti Htt 
]m neowol on eor^an, Josua 7, 10. In de door Grein geciteerde 
plaatsen , die voor mgn doel voldoende zyn , beteekent bet aga. 
adjectief > voorover, hals over kop, nederbellende , diep"; neo- 
wolnes is > diepte, afgrond". Sievers boudt het woord voor een 
samenstelling van ni >(naar) beneden" en he(Ud >bellende": de 
oude vorm nihold der Corpusgloasen zou dns eene gel^ke o 
hebben als ttoifold '}, die in een niet-behoofdtoonde lettergreep 
dezelfde waarde beeft als de a van het simplex: vgl. nl. (twee)- 
vuldig uit {twee)voldig met umlaut, in stede van {tv!ee)veldig, 
waarover Franck in zya Mnl. Gramm. juist geoordeeld heeft. 
Ongel ukkigcrw(ize komt nihold >pronus" slechts op ééne plaats 
in de Corpusglossen voor: Epinal en Erfurt geven daarvoor 
nihol, alle overige plaatsen kennen alleen öf mól öf nHo)wol, 
neowol. Moet men nu aauuemen, dat de schrijver van bet Cor- 
pusglossarium geen fout begaan heeft ofwel dat de andere </>looze 
vormen meer vertrouwen verdienen? Aan een derde mogeiykheid 
dat we met tnee verscbillende woorden te doen hebben , valt 
niet te denken. Laat ons aannemen , dat de corpuscopust naar 
waarheid zijn dialect heeft weergegeven, dan nog kan ik in 
ttihold niets anders zien dan een soort van volksety mologie , 
die bet woord met heal<l in verbaud bracht: de spraakmakende 
gemeeot' der zevende eeuw en de taalgeleerde van onze dagen 

1 dciCD «arm ni<t : hst cilul (Beifr. O, 800) 
juiil. Beide bintlKbrïricp hehben -fuldrt. 



245 

geven elkander dan in Temoft weinig of niets toe. Maar Treemd 
blyfi het, dat van deze yerrorming verder geen enkel spoor 
wordt aangetroffen. Daarom acht ik ket waarsch^nlgker, dat 
we hier werkelyk met een schrgffout te doen hebben: immers 
dat de (/-looze vorm verbasterd zonde^ zyn , laat zich uit de 
tot nog toe bekende taalwetten niet bewyzen: een d valt in 
*t Ags. na de / zoo maar niet weg, en de getuigenis van 
Epinal-Erfurt, die beide nifiol hebben en volstrekt niet jonger 
zyn dan Corpus, weegt , ook in verband gebracht met mnl. ntie/ 
zonder d, byzonder zwaar. Dat het Corpusglossarium volstrekt 
niet feilloos is, bewyst het zondenregister, dat Sweet OET. 
pg. 29 heeft opgesteld. Men voere hiertegen niet aan , dat mnl. 
niel zonder d gesteund wordt door hellen uit hatpjan: in hellefi 
staat de dentaal midden in het woord; de mogelykheid van 
een mul. -hol voor -haut^ ^erg. boud uit 6a/^, betwist ik. Voorts 
pleit tegen een vermoedel^k nihatp de omstandigheid, dat van 
de indogerm. partikel m- geen composita in het Oudgerroaansch 
bekend zyn. Nipar en nipana zgn afleidsels , die zelve weer in com- 
positie werden aangewend : wilde men ags. heald met een woord, 
(lat > neder** beteekende, vereenigen, dan bezigde men nieter' 
heald ^ niet nVuald. Ook de overige composita ?an heald be- 
houden de Cl en laten die niet in o overgaan : dit laatste heeft 
alleen plaats na labialen : Gritnbold^ hld/ord eet.; daarentegen êcyte^ 
heidil , tóhaid en met umlaut óhaeldi^ (-^')t wmaxuii óheldi. Een 
der zonderlingste vergissingen van Sweet is wel dexOi dat hg 
in zyn standaardwerk neólnes van neól^ nihol scheidt: Sievers' 
afleiding heeft hem van den goeden weg afgeleid. De A in nihol 
is een van de weinige overblgfiMls der spirans, waarover Sievers 
in zyn Gramm. § 218, Anm. 3, en Dieter pg. 66 gehandeld 
hebben. Met Cook de h als hiatosdelgster op te vatten is zuiver 
willekeur: het beroep op gihicdum doet niets af, zie Dieter 
pg. 05 en vgl. den vorm heódêsseóde in latere bronnen. Sa- 
mengetrokken luidt de vorm nihol natourlgk nuM, evenals onl. 
*nihol tot mnl. niel verliep. Mei de tr in neotpol handelt Cook 
even wonderlgk : deie letter lou moeten worden beschouwd als 




246 



teoding the first sjUable 
als bewys wordt aangeTt 
Tcrgelgke ohd. niuwanes i 
neowol kan kwalgk iets i 
a. w. het adjectief waa oi 
m attaché wisseling Tan hi 
wet. Evenwel weten we 
direkt uit nihol ontstaan 
een nto/o- ontwikkelen ; 
tegenhanger hierrao is < 
komt Toor in de ro 
hioeóh/es heeft Oi , 

hweóhl doen cons lee , 
gelykt: maar deze k I 
ontstaan zqn, want in' 
nit. Alleen blijkt dai lit 
die klaarblgkelijk • 
plaats had. Laa 



I as oej5iuuingxhe eecond": 
n^uxiK , ii^on-an , tf'fm.' men 
3ne" en oordeel«! De w in 
zi , dan de og. w uit gto, m. 
r aan de zoogenaamde grwn- 

i : ichte spirans naar Vemer's 
t Tf zekerheid of niól inderdaad 
ook uit niwulo' kan tich 
i geldt Tan mnl. nieL Een 
I wiet, igB. hweót. Dit snbstautief 
htceól, i oeówol en htoeógol: de gen. 
r. 8, 260, verkeerdelgk een oom. 
, dat hg met on. htoél uit hwe/d ver- 
L (in een jongeren tekst) alleen nit g 
o h en TOor l valt h ger^^ld 

lit ve iging van den tweeklank, 

ïdtIo t[ het samen gebrokkene hweól 
mde V D is evenals mnl. en nl. wid 
dubbelzianig : h^ kan uit een geparaxytoneerd géqlo ontstaan 
zijn, maar evengoed bet product z^jn der contractie hioewul. 
Natuurlijk is kwewitl geen organische vorm, omdat ilautgesets- 
lich" alleen hwe^ul mogelijk is , maar nevens huxgw^do- kan 
een vorm kwegwolo- bestaan hebben, dat in het Gotisch Airitro/ 
geluid zou hebbeu (vgl. Baiwala). Uit hwegwol komt alleen 
hwetool, ags. hweówol. OsthofTs kwehl met >{-soDauB", waaruit 
hcetcul verwerp ik, omdat zich hier ereomiD zulk een l ont- 
wikkelen kon als b.v. een n-sonaus ia onnén mogelyk zou zgn. 
Nevens hwewol kon dan naar analogie van hwegul een nieuw 
hwetoul ontstaan zijn , dat na syncope der w een gecootraheer- 
den vorm moest opleveren. Derhalve zyn ags. hioeól en mnl 
wül ook niet volkomen duidelijk. Eindel^k merk ik op dat een 
ags. kwehol niet voorkomt: reeds de oudste bronnen bezigen 
het eenlettergrepige hweól. Ik keer terug tot niel: vanwaar dit 
woord? Uppström dacht in : Decent folia pg, 98 aan got. 
naiw: maar wie durft op i w derlgke naiw, naitwor ver- 



247 

trouwen ? Elerder komt in aanmerking ondbnlgaarsch nic/» pronns**, 
waarover zie Miklosich, Lex. Palaeoslov. 452 en Ett/m, Wort. 
p^. 215, die tal Tan afleidsels (ongelukkig geen enkel met een 
/-suffix) vermeldt. Maar ik weet niet of het Slavigch geen 
keelklank vóór de n verloren kan hebben: is dit zoo, dan 
moeten got. hneiwan en verwanten daaruit z{jn gesproten. Mgn 
kennis van het Slavisch is te gering om in dezen meer dan 
een bescheiden vermoeden te uiten: alleen een grondig kenner 
(Ier Slavische talen kan dit tot zekerheid verheffen. Dat van mnl. 
niel ons vernielen komt, zal wel niemand onbekend zgn. 

Leiden, 15 Febr. '89. p. J. oosun. 



LEIDENER BRÜCHSTUCK DES FLANÜRUS. 

Dr. Sc. G. De Vries hat vom einbande einer firüher Bon- 
aventura Vulcanius gehörigen , jetzt Vulc. 54 bezeichneten , 
Leidener hs. (Agathiae historia de Justiniani regno) ein per- 
gamentblatt losgelös