(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Tijdschrift voor Indische taal-, land-, en volkenkunde"

This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project 
to make the world's books discoverable online. 

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 
publisher to a library and finally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying. 

We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web 



at |http : //books . google . com/ 



.^•^^T^ 
A!^^^ 



«<jb.^ 






i: 



#K 



a¥» 



i\'<^ 

W^- 









^, 






.4 I 




4 




iNj 






.■^V . vv^-'^ 



>^^ 



:.■%> 



%♦" 



. 1 






*- ^ 





edby Google 



Q II 



Digitized by 



Google 



Digitized by VjOOQIC 



TIJDSCHRIFT 



VOOK 



INDISCHE 

TAAL-, LAND- EN YOLKENKUNDE 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



TIJDSCHRIFT 



VOOR 

INDISCHE 

TAAL-, LAND- EN VOLKENKUNDE, 

UITGEGEVEN DOOR HE^ * ' *' 

BATAVIAASCH GENOOTSCHAP VAN KUNSTEN 
EN WETENSCHAPPEN, 

ONDER REDAKTIE VAN 

Mr. W. STORTENBEKER, Jr. 

DOKTOR IN DE REGTEN EN LETTEREN 
EN 

W. P. GROENEVELDT. 



DEEL XXIV. 



BATAVIA, 






'* HAGE 


w. BsunriNO. 






M . NUHOFF. 




1877. 




• 






Digitized by CjOOQ IC 



Digitized by VjOOQIC 



TJSTEJLCDTJJD 



VAN HET 



YIER EN TWINTIGSTE DEEL. 



Bladz. 

Geschiedenis van Let Madoeresche Vorstenhuis (door Dr. W. 
Palmer van den Broek) , vervolg van pag. 310 van deel XXII. 1 

De 'kaart van Tjiëla of Timbanganten , door K. F. HoUe . .168 

De plaatsnaam Smgapama, door K. F. Holle 177 

Nota betreffende den ekonomischen toestand van het rijkBangli 
(BaH), door F. A. Liefrinck 189 

Bijzonderheden over de Sekah-bevolking van BilHton, door Ch. 
M. G. A. M. Ecoma Verstege .201 

Verslag van het verhandelde tgt regeling der betrekkingen tus- 
schen de Maleische en Boeginesche nederzettingen aan de 
Koetei-rivier onder den vorigen Sultan van Koetei , — ver- 
taald uit het oorspronkelijke Maleisch 212 

Ben Menangkarbouwsche heilige, door D. Gerth van Wijk. . 224 

Uitrusting van een Dajak ter Wester-afdeeling van Borneo die 
uit snellen gaat; beschrijving van Wan Masjehoer, djaksa 
te Sintang, vertaald door C. Kater 234 

De vroegste geschiedenis van Bandjermasin , door F. S. A. de 
Qercq 238 

Verbeterde spelling van eenige inlandsche plaatsnamen, door 
F. 8. A. de Clercq 268 

JBSene episode uit de geschiedenis van Madjapahit, door F. S. 
A. de Qercq 280 

358652 

Digitized by VjOOQIC 



Bljldz. 

De troeboekvisscherij, door J. S. G. Gramberg 29 S 

De priesterschool te Tegalsari, door F. Fokkens (met eene plaat). 318 

Maleisch-Atjehsch woordenlijstje 337 

Malagassisch en Javaansch, door J. Meinsma 348 

Aanteekeningen betreftende de landschappen VI Kotta Pang- 
kallan en XII Kotta Kampar, door G. du Bij van Beest 

HoUe (met eene kaart) 356 

De Kalangers door G. Ketjen , met aauteekeningen door H. L. 

Ch. te M 421 

De Oost-Indische Compagnie der edelen van Genua (1648 — 1649), 

door Mr. N. P. vau den Berg 442 

Verslag omtrent den zeeroof over liet jaar 1876 475 

Iets over Endeh, door S. Roos 481 

De Klok of Kohkol van Galoeh, door K. F. HoUe . . . . 581 
Beschreven steen uit de afdeeling Tasikmalaja, Residentie Pre- 

anger, door K. F. Holle 586 

Alphabetisch-systematische inhouds-opgave van deel XTII t/m. 
XXIV van het Tijdschrift voor Indische Taal-, I^and- en 
Volkenkunde, door Mr. J. A. van der Cliijs . . . . 589 
Alphabetische lijst van de medewerkers aan de 24 eerste deelen 
van het Tijdschrift voor Indische Taal-, Land- en Vol- 
kenkunde door Mr. J. A. van der Chijs 611. 



Digitized by 



Google 



GESCHIEDENIS 



VAN HET 



YORSTENHUIS VAN MADOEM. 



{Vervolg van jpag. 310 van deel XXII.) 



60. Voorloopige staking der vijande- 
lijkheden. Kjai Goeroe MaDja 
weder in correspondentie met Ge- 
neraal DE KocK. Groote eischen 
van Sultan Ngabdoei.-Chamid. 
De vijandelijkheden hervat. Ge- 
neraal VAN Geen en Commissor- 
ris Nahuijs te Jogya, Gene- 
raal VAN Geen's onderhandelin- 
gen met &«/^?2 Ngabdoel-Cha- 

MID. 

Sultan Ngabdoei.-Chamid vaardigde aan al zijne legerhoof- 
den de order uit, dat de oorlog voorloopig gestaakt was. Zij 
die dorpen bezet hadden kregen den last om geen vijandelijk- 
heden te plegen, omdat er nog onderhandelingen gevoerd 
werden. De Generaal zond nu en dan een brief aan Sultan 
Noabdoel-Chamid , en deze wederkeerig aan den Ge7ieraal. 

Woensdag den lO^en Sapar (12 Sept. 1827) kwamen er 
een paar afgezanten van Kjai Goeroe Manja en Pangeran 
Ngabdoekbachman te Soerakdrta met brieven aan Luitenant 



Digitized by 



Google 



2 

Gouverneur-Generaal ' DE Kock en aau den Commissaris- Gene- 
rcud, die toen te Saldtigd zijn verblijf hield. De afgezanten 
waren Hadji Zakaeija en Hadji Ngabdoel-Wahab. De brief, 
die aan den Luitenant Gouverneur-Generaal gerigt was , werd 
dezen dadelijk aangeboden. Des Vrijdags werden de beide af- 
gezanten, vergezeld van Sajid Chasan idid naar Salaiiga ge- 
zonden, waar zij den brief aan den Commissaris-Generaal aan- 
boden. Nadat deze hun een brief als antwoord medegegeven 
had, keerden de gezanten naar hun huis terug. 

Te Jogya waren al veel lieden gekomen , diè zich aan Sultan 
SepoEH onderwierpen. De onderhandelingen over den vrede 
hadden geen gevolg, omdat Stdtan Ngabdoel-Chamid bij zijn 
onderhandelingen met het Gouvernement al te groote eischen 
deed. 

Om die reden werden de vijandelijklieden nu hervat. Zij 
vingen weer aan in het dorp Poeloeh-batoe ^ ten noorden van 
Kloten. De Hollandsche krijgsmagt bestond uit 3 koloiines, 
elk van 1000 man. De hrandals waren ook talrijk. Na een 
strijd van 2 dagen waren veel hrandals gesneuveld en gewond, 
en de Hollanders hadden ook veel gekwetsten. Daar de hran- 
dals wel bemerkten, dat zij tegen de magt der Hollanders 
niet bestand waren, trok Sultan Ngabdoel-Chamid van daar 
naar het westen. 

Op Zaturdag den 15«len Moeloed (6 Oct. 1827) kwam Ge- 
neraal-Majoor van Geen van Soerakdrtd te Jogya^ get^scor- 
teerd door 70 huzaren en 4 trompetters. 

Op den daarop volgenden Dingsdag bezocht Generaal-Majoor 
VAN Geen de benteng van JDdnalajd en Fasargëde. Pangeran 
Adipati van Madoerd en zijn broeder vergezelden hem daarbij. 

Dos Woensdags kwam Kolmiel Nahuijs, die nu den titel 
van Commissaris Nahuijs voerde , vergezeld van een zoon van 
den Sultan van Soemènëpy bij een van zijne Ratoes verwekt, 
met name Pangeran Anom Nawawi. Pangeran Adipati van 
Madoerd en zijn broeder bragten hem in het fort een bezoek. 
Commissaris Nahuijs hield bijzonder veel van die beide Pa«^<?- 



Digitized by 



Google 



raM omdat hij zeer bevriend was met Z. Hoogheid den Sultan 
van Madoerd. 

Op Donderdag aanvaardde Commissaris Nahuijs het bestuur 
als Resident vdm Jogyd, en dit verwekte groote blijdschap bij 
de ingezetenen van Jogyd^ zoo aanzienlijken als geringen. 
Want vroeger was Commissaris Nahuijs al Resident van Jogya^ 
en daarom hielden zij veel van hem. Alle ingezetenen van 
Jogya , aanzienlijken en geringen waren . nu zeer in hun schik. 

Op Woensdag den 19en Moeloed (10 October 1827) zond 
Genncud-Majoor van Geen afgezanten met een brief aan Sul- 
ian NoABDOEL Chamid, waarin hij hem verzocht een dag te 
bepalen voor een te houden bijeenkomst op den berg Gamphig. 
De namen der afgezanten waren Haé^i Asra van Soerakarfé^ 
Hadji Kapii.an, Hadji Ngabdoet. Gani en Kjai Moestaal. 
Zij werden vergezeld van een Hollander, Luitenant Roeps, 
en een kolonne gewapenden, die echter maar van verre 
post moest vatten. De kommandant van de kolonne was 
Kolonel Eoest met Kapitein Koelman en Luitenant van der 
Tak. 

Bij den berg Gamping ontmoetten zij de afgezanten van 
Snltan, Ngabdoel Chamid, namelijk Toemënggoeng Mangoen- 
PRAwuta, Doellah NaTaPRawina en AchadoeUah Aboesangid, 
met een gevolg van omstreeks 15 man, die zich echter op een 
aÊtand van de plaats der ontmoeting hielden. Toen zij naar 
orde gezeten waren, gaven zij den brief van den Generaal 
(aan de gezant>en van den Stdtan) en deze namen dien aan, 
en lazen hem , daar de brief maar als een plakaat (of publi- 
catie) ingerigt was. Toen zij het stuk half gelezen hadden, 
en de HoUandsche krijgsm^t zagen , vroegen zij : //wat is de 
'Teden dat de Hadjis met zooveel troepen komen?" 

Waarop de Hadjis antwoordden: //dat maakt niets uit : Wij 
^staan borg voor hen." 

Toen lieten zij iemand naar de troepen gaan met verzoek 
om terug te trekken. Nadat zij zich teruggetrokken hadden, 
en de brief uitgelezen was, zeiden de afgezanten van Sultan 



Digitized by 



Google 



Ngabdoel Chamid : //wij kunnen dezen brief nog niet beant- 
//woorden , en zullen hem aan Sultan Ngabdoel Chamid aan- 
//bieden. Op aanstaanden Zaturdag verzoeken wij u hier weer 
//te komen." 

Daarop ging elk zijn weg. 

Zaturdag morgen vertrokken dezellde afgezanten van Jogyd 
tegelijk met Kapitein Koelman aan 't hoofd van een detache- 
ment troepen. Om 9 uur guigen de Getteraal en de Cammiaga- 
ris ook naar den berg Gampinff^ tegelijk met de beide Ma- 
doeresche Pangerans , vergezeld van Raden Toemënggoeng Majoor 
Djaja-ADiNiNGKAT en (eenige) Madoeresche Kapiteins en Lui- 
tenants. De HoUandsche afgezanten ontmoett^en die van Sultan 
Ngabdoel Chamid. Toen zij den brief (aan den Generaal) ont- 
vangen en bij zich gestoken hadden , liepen de afgezanten van 
den Sultan hard weg, daar zij de HoUandsche troepen onder 
de wapens in 't gelid zagen staan. De (y5«<?faa/ keerde daarop 
met alle troepen naar Jogya terug. De vredesonderhandelin- 
gen le'dden tot geen resultaat. 

Op Maandag den 24en Moeloed (15 October 1827) keerde 
Generaal-Majoor van Geen naar Soerakartd terug. De Sul- 
tan van Soeniênep vertrok ook van Jogt/a^ ten einde naar Soe- 
mën'êp terug te keeren. Een van zijïi zoons, Pangeran Amzah, 
nam hij mede. 

61. Gevechten in de omstreken van 
Pa^argëdé, Togt naar Samen. 
Personalia. Aankomst van nieu- 
we Pwmëhasansche hulptroepen te 
Jogya, Eenige kleine Hoofden 
onderwerpen zieh. 

Op Dingsdag den 25en Moeloed (16 October 1827) verlieten 
eenige troepen van Pangeran NaTaPRaDja de benieng van Da- 
ndldjd , om het land ten oosten van Pasargèdé door te gaan 
en te onderzoeken. Zij vochten met de brandalsj en zetten 



Digitized by 



Google 



elkander van beide zijden na; maar eindelijk werden de troe- 
pen van NaiaPRaDja vervolgd (en vlugtten deze), daar hunne 
gelederen (anders) ingesloten werden. 

Den volgenden morgen rukte Pangeran Adipati NaiaPBaDja 
met zijn troepen en met Luitenant Kolonel Sollewijn en zijn 
kolonne, die de benteng van Dandldja bezet had op naar de 
plaats, waar de hrandaU zich bevonden, ten zuidwesten van^ 
Pasargëdé. De Hollanders staken de woningen van de dorpen 
in brand, terwijl de hra7idaU g^^n wederstand boden. 

Op Donderdag maakte Kolonel Cochius met een kolonne 
en met 75 van pieken en 25 van geweren voorziene Madoe- 
resche pradjoerifs onder Kapitein Raden Pandji ToEMaNëoaua 
en de Luitenante Raden SëTjaDiPOEna, Kjai SiNoaMARiTja, Kjai 
SiNGaMëNGGail en SiNoapaTiia onder kommando v^n Luitenant 
Pot .AND, en met den Soemenèpsclien Prins Pa7igeran Moham- 
MAD een expeditie naar Sarnèn ^ ten zuiden van de stad, de 
verblijfplaats van Toemënggoeng DjajaNeoaRa, een legerhoofd 
van de brandais. Om 6 uur ging Kommandant Nahuijs, be- 
geleid door huzaren ook naar Samen. Bij hun komst te JSaw- 
toelkarang werden zij door de hranduls van achteren, van de 
rediier- en van de linkerzijde beschoten. De Hollanders be- 
antwoordden hun vuur al vooHmarcherende , en rukten al 
vcichtende tot aan het doq) Slarong op. Zij lieten alle huizen 
langi? de wegen voortdurend in brand steken, en legden zeer 
veel huizen in asch. Luitenant Poi.and en de Madoeresche 
piekeniers waren daarmede belast, en verbrandden veel dorpen. 
• Om 3 uur te Samen komende, vonden zij het huis van 
Toemènggoeng SoEMaNëoana verlaten. De Hollanders betrokken 
het en bleven er overnachten, 's Nachts om 2 uur kwamen 
de brandais hen aanvallen, en toen ontstond er een gevecht 
met geweervuur aan beide zijden. Zoo wat een uur later trok- 
ken de brandais terug. Omstreeks éen uur staken de Hollanders 
alle huizen in brand, en om 5 uur vertrokken zij naar Imd- 
giri , overal brandstichtende. Ten noorden van de sterkte Plèred 
bleven zij overnachten. Den volgenden morgen staken zij den 



Digitized by 



Google 



6 

brand in de huizen aldaar, en om 7 uur verbrandden zij de 
huizen op den berg. 

Daarop kwam 'Pangeran Adipati NaTaPEaDja, en raadpleegde 
met den Kolonel. Niet lang daarna gingen zij uiteen. De 
Kolonel ging met zijn krijgsmagt naar de stad, en Pangeran 
Adipati NaTaPEaDjS keerde terug naar DanalajL Er was maar 
éen Soemënëpsc/ie jager gesneuveld. Van de brafidalê werden 
10 gevat en gedood; daaronder was een vrouw van de brandals 
met één kind. Het kind werd haar ontrukt en op den grond 
geworpen, daarop werd de moeder gedood. Het kind werd 
door een soldatenvrouw aangenomen. De vrouwen, die nog 
maagden waren, werden genomen door de soldaten die pas 
van Holland gekomen waren. Zij forceerden haar met hun 
drieën, tot dat zij bloedden en doorstaken haar dan met het 
zwaard. Een maagd werd door een soldaat van het Soemenep- 
8che tfoni^ercoTfs gevonden , en nadat hij met nog twee anderen 
haar geforceerd had, totdat zij bloedde, werd zij door zijn 
Lidtejiant genomen. De Hollanders maakten 60 buffels en 
runderen buit. 

Op den volgenden Zaturdag keerde Kolonel Nahuijs naar 
Soerakarta terug. 

Raden Pandji Kapitein DjajaniPOERa had voortdurend koorts 
en werd daarom van de kolonne van Majoor de Dudzeei.e af- 
gevoerd. Zijn ondergeschikte manschappen werden met de 
Madoeresche pradjoerit^ , die zich te Jogya bevonden, vereenigd, 
uitgezonderd 32 jagers met pieken, die bij de kolonne bleven. 

Tot Residefit van Jogya werd de Ads.-Resident van Soera- 
bdja , de heer van Nes benoemd , maar ondergeschikt aan 
Commissaris Nahuijs. Deze was oqk bijzonder wel met Pange- 
ran Adipati van Madoera^ omdat hij zeer bevriend was met 
Z. H. den Sultan van MadoerL 

Op Zondag den 7eii Eabingoelakir 1755 (28 Oct. 1827) 
kwam Pangeran Adipati Mangkoe Adiningrat van Pamëka- 
san wederom te Jogya^ medenemende 2 kompagnieën met mu- 
zikanten. Een van de Kapiteins was een zoon van Pangeran Adi- 



Digitized by 



Google 



paü zei ven, en heette Sadèn Ar ja SóERjawiNaTa, de andere 
Kapitein was een bloedverwant van den Sultatiy en heette 
Raden Dëmang SoEnaNëoaRa. Pangeran AcHpali van Madoerd^ 
zijn broeder en de beide andere vorstelijke bloedverwanten 
maakten hunne opwachting bij Pangera7i Adipati van Paméka9a% 
en betoonden hem hunne eerbiedige hulde door zijn voeten te 
kussen; hij liet echter niet toe, dat de oudste der Sëntan&s 
hem de voeten kuste , maar gaf hem de hand, tot groot genoe- 
gen van Pangeran Adipati van Madoerd, zijn broeder en de 
andere Sëntdnds. De terugkomst van Pangeran Adipati van 
Pamska»a7i was een groote geruststelling voor hen, daar zij 
nu hoorden, dat Z. Hoogheid de Sultan^ zijne gemalinnen en 
kinderen allen gezond waren. 

Maandag den 22en Rabi7igoelakir (12 Nov. 1827) onder- 
wierpen zich 4 Rdnggds en 22 B^kMs aan Luitenant- Kolonel 
SoLT.EWijN , die zijn kamp buiten de henteng van B&naldjd had op- 
geslagen. Zij smeekten in hun dorpen te mogen blijven tot 
geruststelling van de geringe Javanen, en dit verzoek van de 
Rdnggds werd toegestaan. 

62. Commissaris Generaal du Bus 
en Luitenant Gouverneur-Ge7ieraal 
DE KocK te Jogyd. Zij bezcfeken 
de bentengs van Ldndldjd en Pi- 
sangan en keeren naar Soerdkartd 
terug. 

Op Donderdag den 25en Rabingoelawai (15 Nov. 1827) 
reisden de Commissaris Generaal en Luitenant Gouverneur- Ge- 
neraal DE KocK, die te Soerdkartd woonden, naar Jogyd. 
Kolonel Cochiüs, Pangeran Adipati van Madoerd en zijn broe- 
der Pangeran SoERja-ADiNiNGRAT vertrokken 's morgens om 3 
uur van Jogyd naar Prambanan^ ten einde de Generaals van- 
daar in te halen. Om 9 uur kwamen de Generaals te Pram- 
hanany en wisselden vriendschappelijke groeten met den Ko- 



Digitized by 



Google 



lonel en de beide Pangera^is. Suli^m Scpoeh van Jogya^ de 
minderjarige Sultan^ Aï^(9 Sultan en andere kinderenen bloed- 
verwanten (van den Sultan) gingen hun ten westen van de 
rivier van Gèwok , met een menigte van pieken en geweren voor- 
ziene troepen, in rijtuigen of te paard te gemoet, en hielden 
zich gereed in de nieuwe pasavggrahan , die ten westen van de 
rivier van Gdwok was opgerigt (om de hooge personen te ont- 
vangen). De Generaals hielden bij hun komst in die pasang- 
grahan op. Na beleefde groeten zetten zij zich allen naar rang- 
orde neder. Nadat er thee , koffij , wijn en jenever gepresen- 
teerd was, vertrokken zij. De Commissaris Geiiera^d gvl Luit'e- 
nani Goiiverimir-Gejieraal de Kock zaten in denzelfden wageii. 
Op lien volgde Mtan SëpoEH met z\jn gemalin, Ratoe Sui.- 
TAN, in een wagen, en daarna de minderjarige Sultan in één 
wagen met Commissaris Nahuijs. De rijtuigen gingen Lang- 
zaam voort. , de pradjoerif'S van de kraton liepen in rijen voor 
en achter de rijtuigen. Toen zij om 6 uur te Jogi/a kwamen , 
stonden de troepen en haije ten zuiden van het fort ge- 
schaard. Tn het oosten , beginnende van den westelijken oever 
van de Tjoedl rivier, stonden eerst de Soemtnepsc/ie^ dan de 
Pamekasa7ische en dan de Madoeresche ^J^^ljoerits. De Hol- 
landschc soldaten stonden ten westen van het fort. 

Nadat de Generaals gezeten waren , werden ter hunner eere 
met donderend geraas saluutschoten uit geweren en zwaar 
geschut gedaan. Stdtan Scpoeh zat op een gouden daynpar ter 
linkerzijde van den Commissaris-Generaal^ en naast hem zat 
Ratoe SuJtan. lAiitenant Gouverneur-Generaal de Kock zat ter 
regterzijde van den Commissaris- Ge}ieraal ; naast liem zaten 
Cmnmissaris Nahuijs, de minderjarige Sidtan op een zilvereu 
dampar , en eindelijk Pangeran Adipati Pakoealam. Deze per- 
sonen zaten allen op stoelen , de anderen stonden maar. Nadat 
men wijn gedronken had, keerden Sultan SëPOEH en de min- 
derjarige Sultan naar de kraton terug. Zij werden door deu 
Residmt van Jogya begeleid, en ontvingen 11 saluutschoten 
met zwaar geschut. Daarop gingen al de anderen ook uiteen. 



Digitized by 



Google 



Om 5 uur 's avonds was er diner bij de beide Generaals, De 
Kolonel en de Meyoora^ alsmede Pangeran Adipati van Ma^ 
doerd eu zijn broeder Pangeran Soeej&-adiningrat en Pange- 
ran Adipati van Parnikcusan waren ook genoodigd. Bij 'tin- 
stellen van toasten werd er ook een toast ingesteld op Z. Hoog- 
heid den Sultan van Madoera^ en werden zijne gehechtheid, trouw 
eu de aanzienlijke hulp , die hij aan het Grouvernement bewees, 
uitdrukkelijk vermeld. Na het eten zei de Commissaris Ge- 
neraal'. i/ik verzoek den Pangeran Adipati van Madoera vele 
>ygroeten van mij aan Z. Hoogheid den Sultan te zenden, en 
//verder draag ik hem op aan Z. Hoogheid den Sultan mede te 
/'deelen, dat de Generaal zeer veel van Pangrrati Adipati en 
'i^zijii broeder houdt." 

Daarop verzocht Luitenant Gauveryieur-Generaal de Kock hem 
ook vele groeten aan Z. Hoogheid den Sdtan ie Aoen. Pange- 
ran Adipati nam dit op zich met de woorden: //al wat de 
//Heeren mij gezegd hebben zal ik in een brief vermelden." 

Vrijdag morgen gingen Sultan SëPOEH met Ratoe Sultan 
wederom naar het fort; zij werden begeleid door de zoons eu 
bloedverwanten van den Sultan^ door Baden Adipati DANOERëDJa 
en al zijn Boepatis. Nadat zij een poos bij de beide Generaals 
gezeten hadden, keerden de beide Sultans naar de kraton 
terug. 

Op den volgenden Zaturdag gingen de beide Generaals naar 
de henteng van D&nalaja, Pangeran Adipati van Madoera mei 
zijn broeder en Pangeran Adipati v^n Paniiiassan gingen mede. 
Bij hun aankomst te DanMaja ontvingen zij 33 saluutschoten 
uit zwaar geschut. Toen zij de henteng geïnspecteerd hadden, 
keerden zij naar de stad terug. 

Nadat zij in het fort ©en weinig uitgerust hadden, gingen 
zij naar de kraton^ begeleid door Pangeran Adipati van Madoera 
met zijn broeder en door Pangeran Adipati van Pamihassan, 
De Madoeresche , Soemênépsche en Pamékassansche pradjoerits 
stonden en haije geschaard. Ook werden er uit zwaar geschut 
33 saluutschoten gelost. Nadat zij ongeveer 2 uren in de 



Digitized by 



Google 



10 

kraton gezeten hadden , keerden de Generaals naar het fort te- 
rug ouder 't lossen van 't zelfde aantal saluutschoten. 

Den volgenden Zondag ging Luitenant Gmverneur-Generaal 
DE KocK naar de hentetig van Pisangan , vergezeld van Pange- 
ran Adipati van Madoera en zijn broeder. Toen hij daar niet 
lang geweest was keerde hij naar de stad terug. 

's Avonds om 5 uur kwamen Pangeran Adipati van Madoera 
met zijn broeder, en de Pangeran Adipati van Paniékassan en 
Soemhiep^ bij den Generaal ten eten. Na het diner zei de 
Commissaris Generaal tot Pangeran Adipati van' Madoera , dat 
hij later , als die Jogy&sche oorlog afgeloopen was , nog eens 
naar Madoera wilde gaan om Z. Hoogheid den &dtan te ont- 
moeten, en dat hij dan ook een visite bij hem en zijn broe- 
der zou maken. Daarop ging 't gezelschap uiteen. 

Maandag morgen om 4 uur keerden de beide Getieraals weer 
naar Soerakartd terug. Pangeran Adipati van Madoera en zijn 
broeder vergezelden hen tot Gmcoh , even als Pangeran Adipati 
van Pamékasan en de Pangeram van Soeniénep, Majoor van 
DER WijcK vertrok te gelijk met de Generaals , daar bij naar 
Holland wilde terugkeeren. 

63. Togten in de omstreken van Ba- 
ndldjd. Kolonel Cleerens be- 
zoekt Magëlang en keert naar 
Bagelen terug. Een benteng te 
Bligoe aangelegd. " Dood van Ra- 
toe Anggcr. Döod van Sulta7i 

SëPOEH. 

Op Donderdag den 17cn Ujoemadilawal (6 Dec. 1827), 's mor- 
gens om 4 uur, vertrok Luitenant Kolonel Soij.ewijn van Bd- 
naldjd om tegen de dorpen ten zuid-wasten van Danalaja op 
te rukken. Toen hij een weinig ten zuiden , niet ver van een 
dorp gekomen was , raakte hij slaags met de brandals , en werd 
er van beide zijden geweervuur geopend , totdat het om half 



Digitized by 



Google 



11 

zes dag werd. 's Morgens om half zes vertrokken Kolmiel 
CocHius en Resident van Nes met Pangeran Adipati van Ma- 
doera en zijn broeder Tmigeran SoERja-ADiNiNGRAT , en ver- 
der met Pangeran Adipati van Pamëhasan uit Jogya^ om de 
strijdenden te hulp te komen. Zij gingen echter niet langs 
den grooten weg, maar slopen door de dorpen heen, de wo- 
ningen in brand stekende. Zij hadden 28 Madoerezen met ge- 
weren bij zich, onder Kapitein Raden Pandji SasiiawiNaTa 
en Luitenant Mas SoEuaDiiiaGa , alsmede 120 Madoeresche pie- 
keiiiers onder de Kapiteins Raden Pa^idji SoEMaNëaaRa , Raden 
Paui^i SoERjaDiPOEïR& en Raden KoETaKOEsoEMa en de Lui' 
i^nants Kjai Scrangbakat , Raden SoERUDiKDjSja , Mas DjaJa- 
RêKSsa, Raden Djajai.ëKsaNa , Kjai SiNoaMARiTja en SiNoa- 
paTRa. Het kommando over hen werd door Raden Toemeng- 
goeng Majoor Djaja-ADIN^NGRAT en Luitenant PoiiAND ge- 
voerd. Voorop gingen de pra^oerits van de kraton^ aangevoerd 
door Raden Adipati Kolonel WiRaNeoaRa; op hen volgden de 
huzaren, dan de Madoeresche pradjoerits met geweren en dan 
de Madoeresche piekeniers. Pangeran Adipati van Madoerd^ 
zijn broeder Pangeran SoERja-ADiNiNGRAT en Pangeran Adipati 
van Pamëkasan bevonden zich met al hun eereteekenen bij de 
Madoeresche piekeniers, die door Raden Arjd Djajengkoe- 
soEMa aangevoerd werden, en bij de civile ^nantrTs. Daarop 
volgde een peloton Hollandsche soldaten, verder 2 stukken 
geschut, en daarna weer Hollandsche soldaten. Omstreeks 9 
uur kwamen zij ten westen van de plaats , waar gestreden werd, 
eu de partijen elkander nog niet lang met geweervuur bestook- 
ten. Kolonel Cochius beklom met al zijn troepen een kleinen 
berg , genaamd Goenoeng Padokan , en zag maar naar de strij- 
ders. Maar Luitenant Poland trok met 28 van geweren voor- 
Jtiene Madoeresche pradjoerits^ onder Kapitein Raden Pandji 
SasRawiNaTa en Luitenant Mas SoERaniLaGa, en 28 Madoe- 
resche piekeniers, onder Kapitein Raden Patidji SoEMaNëeaRa 
<u Luitenant Raden Djajai.ëKsaNa, de dorpen rond om de hui- 
zen in brand te steken. Hij bemagtigde zelfs 2 kleine kin- 



Digitized by 



Google 



12 

deren , een meüije vaa 9 jaar en een jongetje van 4 jaar, waar- 
om hij met de moeder worstelde. De pradjoerUa van de kror- 
ton staken de woningen in de dorpen ook in brand. Daarop 
viel er regen. Omstreeks 11 uur werd de strijd gestaakt. 
Niet lang daarna keerde Koloml Cochius met al zijn troepen 
naar Jogya terug, terwijl LuitenaaU Kolonel Sollewijn met 
zijn kolonne naar Banalaja terugkeerde. De hrandala vlu^t- 
ten naar 't gebergte, daar hun huizen door de Hollanders in 
asch gelegd waren. 

Op Donderdag den lOen BJoefnadilatoal (29 Nov. 1827) 
werd Goesü Raden Ngabdoel Samad door Kolonel Cleeuens 
in tegenwoordigheid van Generaal van Geen , die te Magelaaig 
woonde , gebragt en deze ontving hem met de meeste welwil- 
lendheid. Zaturdag den 26en Djoenmdïlawal (15 Dec. 1827) 
keerde Kolonel Cleeuens met Goesü Raden Kgabdoel Samad, 
begeleid door Radefi Pandji Kapitein SoERaDiPOERa , naar Ba~ 
g&m t<3rug. 

Gmeraal Majoor van Geen en Re»idefd Valck rukten met 
hun troepen uit naar Bligoe^ om daar een óff;*^(?«^aanteleggeii. 
Nadat zij aan den daarmee belasten persoon de noodige aan- 
wijzingen gedaan hadden, keerden zij weer naar Magëiang 
terug. 

Woensdag den l^en Bjoemadüakir 1755 (3 Jan. 1828) 
's avonds om 5 uur kwam Ratoe Anggcr, eene dochter van 
Sultan SëPOEH van dezelfde moeder als Sultan KaDja, ge- 
huwd met Raden Adipati DANOERëDja , in de krato7i aan verval 
van krachten te overlijden. Zij was de eigen grootmoeder 
van den minderjarigen Sultan door zijn moeder. 

Donderdag avond om 8 uur overleed Sultan SëPOEH na ge- 
neeskundige behandeling. Vrijdag om 10 uur werd hij te 
Pasargèdé begraven in het graf van zijn grootvader, Panem- 
hahan SENaPATi iNGAiiHoa. De derde doode in dien tijd was 
Paaigeran Manqkoediningrat , die te Atnbon overleed. De 3 
lijken werden eerst in de kist gelegd, en toen begraven. Pangeran 
Adipati van Madoera^ zijn broeder Pangeran SoBRja ajöininö- 



Digitized by 



Google 



13 

MJLTy PoÊigeran Adipaü van Paniékoêan en de Pangeran» van 
Soeménip volgden het lijk (van Sdtan SePOEH) naar Pa^argédé 
in gezelschap van den Secretaris van Jogya. 

64. De opstand in de buitenprovin- 
dën, vooral in Ujipang en Badje- 
kwïn, Madoeresche hulptroepen 
derwaarts gezonden. Verschillen- 
de togten in \ Rembangêche» De 
opstand aldaar gedempt. 

Nadat Radeti Toemenggoeng SasnaDiiiaGa het rijk van Jogj/ii 
verlaten had, verzocht hij Sultan Noabdoel Chamid den op- 
stand in de buitenprovinciën en strandgewesten te verbreiden, 
daar hij vroeger Prijaji in de buitenprovinciën geweest was. 
Daarom ging hij dadelijk naar Djipang en Radjikwïsi^ omdat 
daar &milie van hem woonde. SasRaniiJba verzamelde m i&at- 
dfiiwe^i een aanzienlijke legermagt. Zel& vele inwoners van 
Sidajoe en Toeban verhuisden daarheen, omdat de brandalshtt 
gewest Toeban afliepen. 

Toen dit aan Zuitefiant GawvefTteur-Generaal de Kogk be- 
kend geworden was, gaf hij spoedig last aan Majoor du Perron 
van Magelang om naar Radjikwiei op te rukken. Op Maan- 
dag den 5«i^ Djoemadilaiir 1755 (^4 Dec. 18^7) vertrok Ma- 
joor DU Perron van MagiUmg naar Ra^ektoÜn met een kolonne. 
Van de Madoeresche pradjoerits gingen er 40 mede onder Luir 
ienant Senah, die te Manareh in bezetting lagen. Yan de 
Hollandsche troepen, die zich te Jogyi bevonden, werden ook 
eenigen naar Badjihwiei gezonden. Yan de hulptroepen gingen 
de Soeménippers mede. 

Zijn Hoogheid Sultan TjaKRa-ADiNiNORAT van jfod^d ont- 
ving een brief van het Gouvernement, waarin hij verzocht 
werd pradioerüs als versterking naar Badgihoin te zenden. Da- 
delijk liet Z. H. de Sultan zijn Patiky Baden AdipaüKoEsoz- 
xl-ADiNiNGRAT bij zich komcu en gaf hem last om pradjoerita 

1* 



Digitized by 



Google 



14 

te TenssmeteKi. Bede» .Aüpaii Jison dieii .\asi JOff üdi, iserwff- 
derde ^^^ch , en '^ de üoodtge bevoleoi. iKa msrliexyp c^aajeenige 
dagen was het Radm Adipéiti ^igA^aiki %ika^^ 
onder de wapens te brengen. Hun Magoor was een neef en 
schoonzoon van den Sulésm ooelven en JieMe^Sadm^Arfa Vobk- 
waNêoaBa; hij was een £oon van Sadesi^dipaihVQ^snAvéMBSLy 
die te Samarang overleed. cBe .Kn^pitsms woiesi JRaien ^Pand^i 
Wasinosari , een zoon -vwi iReahn Bundfi WAdX»09Aitl, die te 
Tempel overleed , en Raden .Puu^i WötaDiNiNöBAT., ^flen verre 
neef van den Sultan, De Luüenawt-A^é^^ida/fi^t fv^B&^JSadenYoBs- 
paLCKsaNa. De gewone LuiienanU waren Radeti WraaDiPOEiia^ 
Rtiden SasRaDiPOBua, Xjai Dföj&Rasa en iZo^lim SöEBasesitiKa. 
De onderoffiei^en hadden éen titel van lawah, Yoorts wa- 
ren er 2 stukken geschut bij met 6 (Madoeresche) en £ 
Hollaodsche kanonnievs. Yan de pmdjoeriU waren 20 -met 
geweren «i 160 met pieken gews^end. Yoorts waren er 6éa 
tamboer en één pijper. Zij werden begeleid door ^n Imüe- 
tuint ^ de Kommandaot van het fort van ^ifiufoera , met 30 vtti 
tzijn^daten en één korporaal; te^zamen met officieren en «n> 
derofficieren 230 man. 

Daarop stelde Sadèn Jjêipaii vKoBsoiaia^ADiNrNcntAT :aan Z. 
H. den Sultauj aan den AdsiêUn^jResideutyA.'sTmshiJi&ss enoiaii 
den Kömmandant voor, om de prtüff'oerüs te laten vertrekkem 
^p Zoüdi^ den ll«ii Djaemadilakir A756 (30 Dec. 1;887) en 
-daarvan kennis te geven aan Kdanél BoNNici>r.£ laan Sóefttr- 
hofa en ^oloml Beublin. DiontengevQ^kwanx Kclond^QssüK' 
LiN te Madotri^ om de troepen, die Vertrekken z^den, te 
inspecteran. Zkmdag stonden allen vöttallig op de aloe»tréiaê9t 
.«n marschvaardig. Baden .\Afja PoËRwamëeasBa had zijn uai- 
form aan, en nam afscheid van zijn moeder, haar voeten- kus- 
sende, -en 'deoe bedwong met nCDeit» hoax tranen, èoAX-BiKden 
Ajm Adipati PosRWaNëoaKa alleen nog dezen > zoon l>ij aicrh 
htó na 't vertrek van ^jn oudepen broeder. Dwrijl aij 'zeer 
godsdienstig -vlas en ervartai in de kennis der Mohammedaansehe 



Digitized by 



Google . 



1$ 

godUMiBt; veirtroinmle' zij. Haar- zoon toe^ asoi dea aimagtigen 
sofaqppcr, den hoogirarheveit AUabi 

Danop. vevtrofiiimi; al dë< tnoepen van da^ alöe^aloefh^ nutr^. 
cheovdeB nasr Sambüanfftm^ gïiitgen daar s&heep eu; sifci^teni te 
Sidtffoe aan ifsL Yerder gingen z^ over land naar ïb^iw»», waar 
zij op Woensdag den I)^w\Q^o^«RadEi2a^9^(i^ Ja !LddB) ^s avonda 
om fr noD aankwamen! Zij ontmoetten daar iSiijtMisaaiL SbHEPPBB» 
en (dan Adêtêtfwt^SesidBfti) Mbiji». 

Donderdag morgen- em 7 nor vectrok üajoi^^ Sghipqbexs' 
mei z^h troepen;, met: iZbdi^xt .Ajé Majoor PoERwSNëolRa en 
de zijnen, en met den Kommandant (mn. J^Ktofa., genaamd' 
X«adf3Mwó SseeiE)' en* zijsi mansehtqppen van* 2l>0fe»^. om op te 
rokken naar ket dorp» Sëïlobm onder Sidafee^ Be regenten, inan 
IMim en Sidèybe. XHikten tegelijk met hen op. Bij limLkomst ta 
EXdoimm Tandm^ a^ keft verlaten. Be Hx)IlandscUe> en: Madjoe^ 
reaoke^ troqpen kielden daar* %. uren hal/t,, en toen- gin^n zij'Weer 
op* marscbi naao haè dovp MaSSlm&,. Xoen^ zij ougeveex^^ \ uur 
geloopen kaéden,. en- in* ket derp-lfiiaUbKlkwanw^ ontmoetten 
z^. omsiseeks 300: imndkls. l^adet^k begon hj&t ge]Rieervu«D ?an> 
weeKZ^deoL X)e> strijd begon V morgens^ om 9 nor en dbafde 
tot II nnc Toen trokken de* brandalê alvechtsndetsrugw Be^ 
Macioeresoke prc^omié zetten ken aoktema, en< déarop vlngt- 
ten al de brandals met grooten spoedi BeHollandsoheeiirMisK 
doeraaoke tooapen vervolgden hen tot aan* hun woamgen. Zlij 
vonden die veclatanv plunderdien ze uü en stal&en ze toen al]^n 
io; brand. Hoa buit bestond uit 9} bêtübf'», 1 gomelan en 4 
paarden. 

Op dl^ I8m Bfoemadify$kk (6 Ja». X8^8) ging er een JMr 
laacbck de^keneot vit om iramdaU te» zoeken. Bij den beog 
ISUakm komende», zagen zi]: btnndaü wegvlngten^ en zich mi^ 
auMlaffeit in hei/ dorp StduUm veieenigeii, De J^Uandsohein»-^ 
fiBmtene,, d» pradfami» en de S^ajenffêHiarë staken toen de* 
woningen dov vlugtende bra»dah in brand; Nadat de ving-. 
tdïngeaii zieb mart koiL makkers tot één bende vereenigd had- 
den , vertrokken zij noordwaarts naar het dorp BoHnlü^^ 2^ 



Digitized by 



Google 



16 

waren naar gissing 40 man sterk, en hadden één vaandel 
bij zich. Bij hun komst op de grens van het dorp Bokm- 
hing staken de hrandalê dit in brand. Toen de Hollanders dit 
zagen, keerden KapUem Schifpebs en de Kommandant met 
hnn troepen terug naar de huizen, die de brandalê in brand 
gestoken hadden. De brandalê vlngtten toen naar het zuiden , 
maar de Hollandsche troepen hielden hier halt om de omlig- 
gende dorpen tot onderwerping te brengen. Om 11 uur keer- 
den zij naar hun tijdelijke verblijven terug. 

Op den 21en van die maand (9 Januari 1828) ging de Hol- 
landsche krijgsmagt van daar om brandalê te zoeken. Zij mar- 
cheerde in % afdeelingen: de een, onder bevel van den Kom- 
mandant en den Raden Adipati van Toeban met 1 kompagnie 
Madoerezen, ging westwaarts naar het dorp Kédatan, Kapitein 
SoHiPPEas met zijn troepen en Baden Arji Majoor PoEKwaNë- 
oaBA en zijn troepen gingen zuidwaarts. Bij het dorp EXm- 
hamg-btlo ontmoetten zij brandalê en werden met hen hand- 
gemeen. Nadat het geweervuur van weerszijden ongeveer 1 uur 
geduurd had, vlugtten de brandalê. De Hollanders maakten 
S stukken geschut met de kogels buit , staken de woningen der 
brandalê in brand en trokken toen westwaarts. Daar troffen 
zij 3 brandalê aan ; een van hen onthoofden zij , en de beide 
anderen namen zij mede naar Toeban. 

De Hollandsche troepen hadden nu al veel dorpen onderwor- 
pen, nl. 30 stuks ; 4 Boelhijoê en 10 Chinezen hadden zich ook 
onderworpen, en van de Javanen bood eiken dag de een na 
den ander zijn onderwerping aan de Hollanders aan. 

Dingsdag den 288» (beter den 27en) I);oemadilakir (15 Ja- 
nuari 1828) rukte de Hollandsche krijgsmagt met Baden Arja 
Majoor PoERwaNëoaBa en zijn troepen uit naar het dorp Dem- 
pel onder Toeban. Bij hun komst aldaar zagen zij ongeveer 
60 brandals, die naar alle kanten heen vlugtten , toen men op 
hen pelotonsvuur gaf. Nadat hun verblijfplaatsen in brand 
gestoken waren, keerden de Hollanders en Madoerezen naar Toe- 
ban terug. 



Digitized by 



Google 



17 

Op den volgenden Donderdag rukten de HoUandsche en Ma- 
doeresche troepen weer uit , en wel naar het dorp Piring^ ook 
onder Taeban. Zij vonden er geen brandals^ maar troffen daar 
een kolonne troepen aan , die van Bandjar kwam. Zij bleven 
daar overnachten , en toen keerden de troepen van Toeban wéér 
naar Toeban terug, terwijl de kolonne van Bandjar daar nog 
bleef. 

Op Zondag den i^ B^dfip {2,0 Januari 1828) kwamen al 
de troepen , die Toeban bezet hadden , onder de wapens, omdat 
Generaal Holskan daar komen zou. Saden Arjd Majoor Voiëu- 
waNëG&Ra was met zijn troepen in het dorp BpoA, ongeveer 1 
paal van de stad, gelegerd. Omstreeks half-twaalf kwam de ïrtf- 
neraal in het kampement van Baden Arjd Majoor ^ en vroeg 
hem naar het aantal van zijn manschappen; waarop Baden Arji, 
Majoor antwoorder A^ik heb van Madoera 2 kompagniëu me- 
degenomen." Daarop steeg de Generaal weer in zijn rijtuig. 
Baden Arja Majoor en Baden Adipaii van Toeban volgden 
het rijtuig te paard. Te Toeban ging de Generaal neoiT de wo- 
ning van den Heer Meijee, Aê&iêtent-Beeident van Toeban, De 
Generaal gaf de hand aan Baden Adipaü van Toeban en aan 
Baden Arja Majoor \ de laatste bragt hem toen de groeten 
over van Z. Hoogheid den Sultan van Madoera* De Generaal 
knikte met het hoofd , bedankte hem, en verzocht wederkeerig 
vele groeten aan Z. Hoogheid den Sdtan van Madoera over- 
tebrengen. 

Op den volgenden Donderdag vertrokken Baden Arji. Majoor 
PoEBwaNëoaBa en de Kommandant met al hun troepen van Toe- 
ban naar Badfëhwiei. Om 2 uur te Dempel komende, hielden zij 
een oogenblik halt, en toen gingen zij verder, 's Avonds om 7 uur 
staakten zij hun marsch, en bleven midden in het bosch over- 
nachten om den volgenden morgen te vertrekken. Den volgen- 
den dag wéér vertrekkende, kwamen zij om 5 uur 's avonds bij 
het dorp Biron^ waar zich een menigte brandals bevonden, die 
daar een bentet^ aangelegd hadden. Aanstonds was het een he- 
vig gevecht. De Madoeresche^ae^'oen^ schreeuwden, en tracht- 



Digitized by 



Google 



18 

ien Ae bentmtg tejov«fineesteren, tarvijl xie partijen elkander 
:ihevig beschoten. Om B uur «tonnden de H^adoerescbe pra- 
.dfcerUa onder luid geschxeevir vooruit. Bgtdei^Arj&Mafoor^asai' 
w&nëGaBa was nog ^een jeugdig officier, ybu een dapperen in- 
:iiDrst, en aanstonds bereid <ttn zelf deel aan het gevocht te 
^Dfimen jen ^stozm te loopen. Toen zijn manschappen dit zagen, 
liepen zij vóór hem vooruit. De brandala ziende, hoe de 
.Jdadoerezen onder. woest geschreeuw vooruit stormden, en niet 
in staat om aan de als een fijne r^fen neervallende kogels 
•jireéistand te bieden, vlugtten in der haast weg. De Madoe- 
i resche pr-adjoeriU traden toen de bmieng binnen. Daarbij sneu- 
- velden £ Madoeresohe ondecofficieren aan kogelwonden, m^t 
^narne BA&ATKALiJca ^en WiRaPATi. De onderofficier vaan- 
V deldrager Baden Djjij& SAsMrra was gewond. Daarna sloegen 
-de HaUanders en Madoerezen hun bivak in het dorp J^mt^^ op. 
Des Vrijdags vertrokken zij van Bèngd om naar Bad/H- 
.»eêi te gaan. Om 10 uur 's avonds in het dorp Pelem ko- 
mende, ontmoetten zij Generaal Holsmak met «d sdjn troepen. 
..Zij overnachtten daar. Des morgens schaarden eij zich allen in 
.*t geHd, ten einde Madptkwliêi te belegeren. Zij waren onge- 
tveer 8000 man sterk. Toen allen gereed waren, vertrokken 
sdj naar Jiad^ïiiwite$y en sloten dit van alle zijden in; doch 
;.zij vonden de plaats verlaten. De Generaal en zijn officiereu 
traden de stad binnen, :en hielden halt op de aloen-aleen. 
Eenige oogenblikken later gaf de Generaal last aan Kapitein 
sficHiPPEKs^ Kapitein de Lassasie en Luitenant Taki.ik (Teqe- 
-LAAR?) om met hun troepen brandalê in de dorpen op te zoe- 
ken. Deze vertrokken daarop. JT^P^^^ScHipPERsgingmetde 
zijnen naar de dorpen ter regter en linker zijde, maar vond 
-ze allen verlaten. 

Op Zondag morgen om 7 uur hoorde de Generaal schieten 
in het dorp Pandangan. Hij Het Maden ArJ& Mtyeor PoüewI- 
Nëcffisa met zijn pradfoerite daarheen trekken, te gelijk met de 
.Toebanecie colonne. Daar komoide vonden zij het al door de 
HoUandscbe troepen van Bandjar ingenomen. Zij bleven in 



Digitized by 



Google 



19 

• Let idorp Xjfüiof^m överaaclitoD, £Si yeptvokkea den SFoigenden 

-morgen meer vaair Saêf^^kwïèi^ waaridj .op msaw hielen ver- 

-toeven. Daar het nu ecSiter te Ba^Jmim vel-Tmiigjg&itQTè&i 

w«9 , -kregen Badm Jtf}& Mc^oor PoB&w&iréa&Ka en Xammeiidant 

Hi9«»><»rder, om 'met hun treepen aaftr Jlfinterif^temg té keeren. 

Op Vrijdag den ^tièf^ Mdfip (16 Febr. Wl«) vertokken 

Baden Arji iUJoffr F0iaEW&NëGas& en Konunandant Heogze 

met al bxm ^tro^)en van RttdjihtD^d om naar Madoera terug 

'te keeren. JSatavdng im 1 uur kwamen ^j te Sbeiaii. Den 

daarop Tolg^den Maandag vaoi daar Tertrekkende , kwamen zij 

det Dingedags te SUd^e, en op Woensdag den 1^ SoewaA 

IT65 («O i^r.l«88)ikwameB Badm Afyi Mffoor Ponw&«ëGasa 

en 'KetmBandant Hbggix met al Ixan troepen in welstand te 

MttdoerA aan, tot gropte irrengde van Z. M. den SuÜan van 

Madoer& en van -de moeder van Saien, Afy& Mafoor PoEKwa- 

NteJtt&. Zij waren ho(^^ verblijd, cmidat bun (schooneoon en) 

i»oa in w^dstand iemggdLeerd wa$. 

(tö. T^'TïmrSomidArpaheê. Oeveefat 
aldaar. 'Twee voogden o^v^r den 
oninderjarigen &dia$i aangest-eld. 
%gt^i naar en gereefaten te 
heng-^Hng. KoUnd Ci.eb]ibns 
keert naar Mag$lan§ terug. 

Kolond CuEBBXfyg, die zich in de bmêeng van Mom&Feh op- 
hi^, vertrok naar Soembirpa/hs ten zuiden van Brinhihm^ 
viMgeseld van een koiosme en van 'G^exü Bladen üqks^gkl 
Sakad, «n'll met geweren en 61 met pieken gewapende jira- 
^'odrifo,^Bder de Kapvêei/ns i22^d(i9tti'a»<^BoEi&iiiPOSB&en.iZa^ 
èsH ARjr& D9AjnBNOR&K& en den LuUsnant KjaiD^iiAvB&A. Kor 
pim Sftdm Ptmdji 8oEft&DiPOXK& kreeg onder weg de heete 
koorU, ^ gaf Uoed op, Eoodat men hem in de benteng van 
Ma^pti achterliet. Toen ^ de troepen te éfemèërpaies ^aan- 
gdoexttj^n waren , «loegen snj daar hun verblijf c^. 



Digitized by 



Google 



20 

Zaturdag den 15en (beter den lÖ^a Eedjep (& Febr 1828) 
's namiddags kwamen de brandaU de Hollandsche troepen bele- 
geren. Zij werden aangevoerd door Raden Mm Soskoeb en Toe- 
menggoeng KeRTa pangalasan, terwijl Kolonel Cëekens juist 
naar de henteng van Maron was teruggekeerd. Cheêti Raden 
Ngabdoel Samad had toen juist de heete koorts , maar toch 
kwam hij buiten het kamp en voegde zich bij de Hollandsche 
officieren. Het gevecht begon. Nadat het geweervuur één uur 
geduurd had , sneuvelden de Toeménggoeng van de brandals en 3 
personen zonder rang door kogelwonden , en daarop trokken alle 
brandals terug. De Kolonel kwam nu te Soembïrpakeê ^ maar 
de brandals waren al weggegaan. Toen Goesü Raden Ngab- 
doel Samad den volgenden morgen nog ziek was, werd hij 
door Kohfiel Cleerbns naar de henteng van Maron medegeno- 
men, daar die henteng nu geheel gereed was. 

Dewijl Sultan SëpoEH gestorven was en de minderjarige 8^1- 
tan nog niet in staat was om te regeren , werd in overleg met het 
Gouvernement besloten wederom 2 voogden aan te stellen, en wel 
Pangeran AdiwinStS , een zoon van Sultan SëpOEH, en Pangeran 
MangkoekoesoemS, een jongeren broeder van denzelfden. 

Op Maandag den 4en R^djep 1755 (21 Jan. 1828) verhie- 
ven Commissaris Nahuijs en Resident van Nes die beide Por- 
ngerans tot voogden van den minderjarigen Sultan, Het toe- 
zigt over de kraton werd opgedragen aan Raden Mas Toeméng- 
goeng JoEDSNëGaRa , een jongeren broeder van des jeugdigen Sul- 
tans moeder, verder aan Ratoe Aging^ de moeder van den jeugdi- 
gen Sultan en aan Raioe Mas , weduwe van (wijlen) Sultan EADjra. 

Sultan Ngabdoel Chamid hieldtoenzijn verblijf in het dorp 
KasanAirata\ maar zijn krijgsmagt was nu al verminderd. 

Zaturdag den SOen Rédjïp (16 Febr. 1828) 's morgens om 
4 uur vertrok Majoor Cox van Spengel van de stad Maia- 
ram {Jogya\ en rukte zuidwaarts op naar het dorp Ireng-irïng 
omdat daar, naar men verhaalde, veel hrandals waren. Hij 
nam troepen mede, maar geen gfschut, omdat men dat om 
den modderigen weg niet vervoeren kon. Ook nam hij 10 hu- 



Digitized by 



Google 



ai 

^zaren meê en verder 25 Madoeresche prdajoeriU met geweren 
onder Kapitein Raden Pandji SasB&wiNaTa en Luitenant Raden 
SêTJaDiPOEBa, en 100 piekeniers onder de Kapiteins Raden 
Pandji So£M&NaG&B&, Raden Pandji Dj&j&dipo£B& en Raden 
Pamêji D£W&koeso£M& en de Luitenants Kjai SiNGaHeNGoail, 
Kjai SêBANGBAHAT, Kjai Mas DjajaBeKsa, Kjai SiNoaMA- 
BiTja, Raden Djajai.ëKsa:Na , Kjai Mas AMONODjaja enSiNoa- 
paTBa , gekommandeerd door Raden Toemenggoeng Mojoor D ja- 
Ja-ABININOBAT en Luitenant Poland. Ook waren er 10 met 
geweren en 20 met pieken gewapende pradjoerits van SoeniSnep 
bij, onder Raden Toemenggoeng Mojoor SoEBêNGBaNa. De Ka- 
piiein der met geweren gewapende Jonkers was BëKsaojaja. 
Voorts waren er maar i pradjoerits YdJiPamüoian mei geweren 
bij, onder Luitenant LeHBOE SoEBANOoaNa. Allen te zamen 
iraren zij 300 man in getal. 

Toen zij ten zuiden van de kraton gekomen waren, verdeel- 
den de troepen zich in 2 afdeelingen: Luitenant Poijlnd met de 
ModoereseAe , Soeminipsche en Pamékasansche pradjoerits ging 
links af door de sawahvelden. Mojoor Cox met zijn troepen 
en 100 Madoeresche piekeniers onder Luitenant SiNGap&TB& 
sloeg regts af en ging langs den grooten weg. 

Luitenant Poland kwam zonder bezwaren in het dorp Iréng- 
irïngy maar vond het verlaten. Hij stak het in brand, en 
vertrok toen in een zuidwestelijke rigting. Nadat hij een 
paar dorpen voorbij gegaan was, zag hij 4 brandals te paard, 
en bij zijn nadering schoten zij op hem; maar toen de Hol- 
landers terugschoten trokken de brandals niet lang daarna te- 
rug; onder de vervolging verloor men hen uit het oog. Lui- 
ienamt Poland wendde toen een list aan , en hield zich, als of 
hij terugtrok. Toen de Hollanders nu terugtrokken, en de 
brandals hen van achter beschoten, maakten de Hollanders 
wéér front, schoten tetug, en toen trokken niet lang daarna 
de brandals terug. Bij de vervolging verloren de Hollanders 
hen op nieuw uit het oog. Zij hielden zich toen andermaal 
alsof zij terugtrokken, en toen kwamen de brandals wéér en 



Digitized by 



Google 



22 

«cfaoteQ. van. achteren op h&n. De Hoilanders keerdhnt meii 
iosa wéér om, eu acliotea op de braatdètlsy dkt zieh daaropaaa 
hun gezigt ontirokken: Daarop vervolgden, de-. HoUsaderalif» 
door. de dorpen ooa t» trekken. Maar. toen: Luitenwit^oijAXLD 
2Sigy dat d& viervolgde broMidals' in een omgekeerda rigting adb- 
terwaarts liepeti» zei hi} tot £<Mla»AfyéMa;oorlhliifkAi)isiisa^ 
TLA.T: f'Mijoar! ik ben hier niet op mijn gemid&. Op dit 
//teriein '\b geen ruimte genoeg ; 't is^ beter naan een open. plek 
//temg te- keereu, want de &ra»da£r, die in een tegenoyecge- 
//st^e rigting vlugtcm, hebben plaa. om o&S: te- omsingekn. 
//Ook verwauder ik mij ten hoogsten over Xdjioor Cox., Tcant 
//w^ zijn. nn al 3 uur in gevecht , &ï Mb^oqt Cox. wil. ons niet 
//helpen.'' 

jRad&i Tosménggoeng Majcor antwoordde : //ik laat het geheel 
//aan u over, en voeg mij naar uw vedangen." 

De HoUandsche troepen toekkea nn werkdijk terug. Toen 
zij opj de aawahvdüen kwamen , sehoten: d& braadair op. hen 
in den r:i^ , en hun. kogela vielen in groeten getale neder ; 
maar de Hollandersr mansheaiden steeds verder, in de aehter- 
hoede een. weinig teg^iweer biedende. 

Kort daarna zag LuUênaié Polanii de troepen raa Mafoot 
Cox. in hfit lioordweaten. Hij hield nu halt ,. stelde sdjn tix»- 
pen in 't gelid, en onderhield met de hmtdala een gestadig 
geweervuur. Doch toen hij nog meer hramdaUy mei een vean- 
del bij zich, te uien kxeeg, zond Iimtmant Fois.iLND: een paar 
peraonen uit, om Majoor Cox herigt (van zijn toestand) tege* 
ven^ Hij zond Lvümicmi Skivo&KAiiixflrl en den onden-adjudant 
WiB.&TKQBif&. Niet lang daarna kwam er een. peloAon soldaten, 
die pas uit IMland gekomen waren. Zij rukten voorwaarts, 
en gaven pebèonsvuur,. terwijl Mafoor Cox van de linkerzijde 
laags een. omweg op di^n vijand afkwam. Toen nu de Hol- 
laodsohe addaten- en dë Madoere9che.y Soeménépêcke eu Famï- 
koêHtnseie ppod/oeriti druk schoten , vlngtten de brandtd^ ver»- 
strooid weg , viooral toen zij zagen , dat Majoor Cox van de 
linkerzijde op hea afkwam. 



Digitized by 



Google 



23 

'Nu kwam jook JmtmumtHKohnél Sollbwijn .naiet 40 hos»- 
ren en Jansiers Tan .SAnèiaja onverwachts uit bet oosten ie 
voorschijn , en daarop verhaastten de brandaU hun vlugt. Mar 
■iocr Gox had op egn imarsch van de stad ook irauêaU hi^nr 
g^roffisn , maar deze wilden niet vechtxsn, en Mnjo&r Gox wilde 
niet op then afgaan of hen vervolgen, daairom had hij ^ijn 
togt -gestaakt si s»jn troepenmaar cqp de sawahvelden in 't gelid 



Toen de'HoUandsche strijdkrachten zioh vereenigd hadden, gin- 
gen zij vandaar , fom de hnmAeiê te vervolgen, doch dit was 
vruchteloos , omdat zij hen te ver moesten vervolgen. Ook was 
het oear warm, en waren de 'troepen vermoeid van het loepen 
doer dbn diepen modder. : Majoor G&x. viel zelfs van zijn 
paard, «n zijn nniforoijas werd met slijk bemorst. Luitemmt 
PoLANi) viel ten gevolgie van den diepen modder drie nuileii van 
zijn paard. Om die reden hielden alle troepen halt midden 
op de sawahvelden , staken de dorpen regts en links in brand, 
en roofden pctdiy kippen, eenden en Tundvee. Nadat de Hol- 
landsche troepen ongeveer l^/j uur halt gehouden hadden, ver- 
trokken zij om naar de stad terug te keeren. Een van de 
dorpen voorbijgaande , werden ^ij door de brandals in den rug 
beschoten, maar zij beantwoordden hen niet en gingen rustig 
voort. 

Niet lang daarna was er iemand, die Jiadm Toeminggoefig Mor- 
joor DJ&J&-ADININGRAT vau achtcren tocricp , dat de pijper Pak- 
MANAH in een dorp achtergebleven was; terwijl hij mede aan 
'tjEwJi-roöven ivas,wBs hij -door veel brcmdaia met spieken- aan- 
gevallen. Bïj 'had toen 2 steken aan den hals , 1 aan de reg- 
terhand en £ in <den mg gekregen. Toen Rcbden WeeméfiggoeHff 
Majoor dat 'hoorde, ^af hij aanstonds aan ^ijn offioMpen last 
om terug te keeren en hem te halefn. Baden Panêji Kapitem 
SSsiAwiyiTi gaf zijn paard de sporen, en rende tenig, ter- 
wijl de bramlalê tmophoudêlijk naar hem «choten. Lmtenattt 
PoLAin) zette zijn paard in den draf, zoodat hij met paaiden 
al m den 'modder Tolde. Nadat m&n den gewonden pijper op- 



Digitized by 



Google 



24 

genomen had, werd hij door Madoeresche piekeniers wegge- 
dragen ; daarna gingen alle troepen wéér verder op marsch naar 
de stad. 

De hrandaU volgden hen en schoten op hen, terwijl de troe- 
pen hen uit de achterhoede beantwoordden. Digt bij de stad 
keerden de brandaU terug, en zóó kwamen de Hollandsche 
troepen in de stad. £r waren naar gissing 20 brandals, zoo 
vrouwen als mannen, die achtergebleven waren en zich in de 
dorpen schuil gehouden hadden, gesneuveld. De Madoeresche 
pijper was niet gevaarlijk gewond en kon eenige dagen Liter 
wéér loopen. 

Kolonel Ci.£eb£Ns , die zich te SoembirpcikU onder Magelang 
bevond, keerde op den 26«^ RoewaA (13 Maart 1828) naar 
Magelatuf terug, medenemende (r(?<?^tó iZewfe» Ngabdoel Saila.d, 
die koude koorts had. Raden Kapitein Pandji BosB&DiPOSBi 
ging met hem mede. 

66. Oeneraal de Kock vestigt zich 
te Magïlnag. Generaal van Geen 
verlaat Java, Zieke Madoerezen 
naar Jtfo^^a teruggezonden. Pa- 
ngeran Adipaü van Pameiasan 
keert naar Pa^Tï^^a;» terug. Het 
Madoeresche jonkercorps opge- 
rigt. 

Op den 26en Roewah (13 Maart 1828) kwam Luile?ian^ 
Gfauverneur- Generaal de Kock te Magelang ^ omdat Generaair 
Majoor van Geen naar Holland wilde terugkeeren. Deze ver- 
trok den volgenden dag om naar Holland te gaan. 

In deze maand Roewah werden de Kapitein der Madoeresche 
piekeniers Raden SoEMaDiNiNOEAT en Luitenant SomihiE^ookA 
wegens ziekte naar Madoera teruggezonden. Daar de ziekte 
van Goesti Raden Nga6DO£i< Sauad in hevigheid toenam, 
vroeg hij Luitenant Gouverneur- Generaal de Kock verlof om 



Digitized by 



Google 



£5 

voorloopig uaar Madoera te gaan. De Ghtieraal gaf hem dat 
verlof des te liever, omdat Z. Hoogheid de Sdtan vau Mar 
doera zeer bezorgd was over de langdurige ziekte van zijn zoon. 

Op Donderdag den lOen (beter den 11"^) Poeasa Hbo (^7 
Maart 1828) vertrok Goesü Badefn Ngabdosl samad vau Ma- 
gilang^ om naar MadaefSi terug te keeren. Baden Kapüem 
P(md;i SosnaDif osBa en Baden Luiteuawé DipauêNGG&La ver- 
gezelden hem. 

Luitenant Gouvemeu/r-Generaal DB Kook: keerde niet naar 
Soeraiart& terug y daar hij zijn verblijf maar te Magélang wLLde 
vestigen. 

Pangeran Adipaü SANja-ADiNiNGSAT van Madoera en zijn 
broeder Pangeran SoEEja-ADiNiNöEAT deden nog bij voort- 
during te Joqyakarta dienst. De jongste en sterkste Madoe- 
resche pradjoerits werden idtgekozen en van geweren voorzien, 
ie zamen 100. De JTo^pi^» der piekeniers i&u^ Pa^'i SoEica- 
Nëoaita werd hun Kapitein en hun Luitenants waren de Lui- 
ienanis der piekeniers Kjai Sauangbakat en SiNOaNATRa, 
allen in uniform gekleed. De onder-ofScieren en soldaten ont- 
vingen kleeding van 't Gouvernement. Deze 100 met geweren 
gewapende pradjoerits werden voltallig gemaakt op den 1^^ Poe- 
aê& van 't jaar 1855 (17 Maart 1828). 

Op Zaturdag den 12en (beter den ISea) Poe&8& (29 Maart 
1S2S) werd Baden Pandji Kapitein Kabtasmaka wegens lang- 
durige sdekte naar Madoeri teruggezonden. 

Nadat Pangeran Adipati van Madoera en zijn broeder de 
Hollandsche uniform volgens model droegen, genoten zijn nog 
meer eerbewijzen van de Hollanders. 

Eiken morgen werd er van al de Hollandsche troepen, die 
te Jogya waren , appel gehouden voor het fort , en wel in deze 
orde: in de regterflank stonden deMadoeresche|>ra<^'(?öfife, dan 
volgden de Hollandsche en Javaansche soldaten, daarop de 
Boemenip&(^ei pradjoerits en eindelijk die van Paméhoèofn, Pange- 
ran Adipati Mankoe-adiningrat kreeg een hoogeren rang en 
werd Kolonel. 



Digitized by 



Google 



26 

Maandag den 21^^ (beter den 22«i) Poeoêa (7 April 1828) 
vertrok Pangeran Adipaü Kolonel Makgkoe-adininqrat van 
Pamikasan uit Jogy&^ om naar Pamékiêan terugtekeeren , en 
wederom pradjoerits te verzamelen , terwijl zijn zoon Raden Ar ja 
Kapitein SoE&j&wiN&Ta zijn post als kommandant van zijn troe- 
pen waarnam ; 80 pradjoerite lagen in de benteng van Piaanga»^ 
20 in die van Kimdlakdy 30 in die van Bamboel en 30 in 
die van Kr^tèL Te Jogya waren 48 man, en 13 lansiers la- 
gen in de benteng van Dilanggoe. 

Pangeran Adipati van Madoeta en zijn broeder bleven te Jogyd ; 
zij beraadslaagden met hun oom Baden Toemenggoeng Majoor 
DJ&J&-ADININORAT en Sajid Ghasan over de loeraJie van de 
Madoeresche piekeniers. Daar hun pradfoerits nu met gewe- 
ren gewapend waren , was 't aantal loerahe nu te groot , en zoo 
men van hen gewone soldaten met geweren maakte, zouden 
zij zich zeker gekrenkt gevoelen, omdat zij nu den naam van 
loerah hadden. Daarom kwamen zij overeen om hen tot êol- 
daat^onkerê aantestellen , die de beide Pangerans moesten be- 
schermen , als er wat te doen was. Dit geschiedde. De jonge 
en sterke loerahe , ten getale van 20 werden uitgekozen en tot 
soldaatrjonkers aangesteld met 1 sergeant en 2 korporaals , zoo- 
dat er dus 17 gewone soldaat-jonkers waren. Raden Daeno, een 
halve neef van den Pangeran zei ven, werd tot hun Luitenant 
aangesteld. Hun Kapitein was tevens Kapitein van de Ie kom- 
pagnie , die met geweren gewapend was, nl. Raden Pandji Sasse- 
wiNaTa; die van de 2e kompagnie heette Raden Pandji Soe- 
K&Nëoasa. De Kapitein bij de !« kompagnie Madoeresche pie- 
keniers was Raden Pandji SoEBjaDiPOETRa , die van de 2^ kom- 
pagnie Raden Pandji DjSjaDiPOEBa, die van de 3e kompagnie 
Raden Pandji DswaKOEsoEMa , en die van de 4e heette .Sa<^ 

BpOETAKOESOEMa. 

Over deze nieuwe regeling waren Kolonel Cochiüs en Lv,%- 
tenant Poland hoogst verblijd. 



Digitized by 



Google 



27 

67. Togt naar Samen, Pangeran 
NaTa-ADiNiNOBAT gaat tot de 
Hollanders over. Verplaats- 
ing van Hollandsche ambte- 
naren. Aanval op i/(7^a. Sul- 
tan NoABDOEL Chamid te Fa- 
^han en Kasambir&tL 

Op Vrijdag den £«» (beter den Sca) Sawal (18 April 1828) 
's morgens om 5 uur vertrok Kolonel Oochius van Jogy& om 
naar het dorp Samen op te rukken, daar men verhaalde, dat 
Sdian ^Noabdoel Chamid naar dat dorp wilde gaan, en zich 
daar een Prins met name Pang&ran NaTa-ADiNiNGRAT, een zoon 
van Pangeran Manhoeboemi^ zou komen onderwerpen. De Ko- 
lonel nam een kolonne mée, benevens 26 Madoeresche j9a4^'(>m^ 
met geweren onder Kapitein Baden Pandji SasR&wiNaTa en 
26 Madoeresche piekeniers onder Zuitenaait Kjai SiNGaMABiTj&. 
Zij marcheerden tegelijk met Baden Adipaü Luitejumt-Kolonél 
WiR&NêG&E& en zijn troepen die Gowoh bezet hadden, en met 
Imtenani- Kolonel Sollewun en zijn kolonne, die in de henteng 
van D&nal&ja gelegerd was. 

Toen zij ongeveer om half twaalf bij het dorp iS(»;»^ kwamen, 
tastte Zuitenani^Kolonel Sollewijk het dorp onmiddellijk aan, 
terwijl hij zelf aan 't hoofd van zijn kolonne voorwaarts trok. 
Digt bij het dorp zag hij de brandah in het dorp in 't gelid staan. 
Xadat hij 2 maal met geschut op hen had laten vuren, bonden 
de brandale hun wapens in bundels, en wenkten met onderste bo- 
ven gekeerde vaandels. Daarop kwamen Kolonel Cochiüs, Zuüe- 
nani Kolanel Sollewijn en de officieren , vergezeld van Bade^t 
^ipaU Luitenani Kolonel WisaNëeaRa nog digter bij. Toen 
de aanvoerder der brandalê^ Pangeran NaTa-AWNiNORAT , de 
Hollandsche officieren zag naderen trad hij spoedig vooruit, 
en groette Baden Adipati Zuilenant Kolonel WiBANëoaEa 
vriendschappelijk. Zij zetten zich in de sawahvelden maar 
op den grond neder. Na ongeveer 1^ uur vertrokken de 



Digitized by 



Google 



28 

HoUaudsche troepen met Pamgercm NaTa-ABiNiNGKAT en zijn 
gezin, dat echter niet talrijk was. Het bestond uit 2 jongere 
znsters, vrouwelijke bedienden en £ kleine kinderen. Zijn 
wapens waren niet anders dan eereteekenen, die door 12 man 
gedragen werden. 

Toen zij om 5 uur in de stad kwamen, werd Pange- 
ran NaTa-ADiNiNORAT met zijn familie in het fort, gebragt. 
Nadat hij eenigen tijd bij JResident van Nes gezeten had 
bragt Raden Adipaü DANOEKënja hem bij den minderjari- 
gen Sultcm, Daarna werd Danoerdjan hem en zijn gezin als 
logies aangewezen. 

De Heer de Yooel , die Besident was van Madoera^ 
Pamëkoêan en SoernXniêp , werd benoemd tot Resident van 
Djap&ra^ en het bestuur van Madoera^ Soeménïp en PanA- 
hasmi werd nu weer als vroeger geregeld , daar de heer 
VAN Haak van 8oeraJb&j& het weer als Bmdent bestuurde. 
Het werd verder maar bestuurd door een AsBwtenihRendent ^ 
die onder Resident van Haak van Soerabqfd stond. Een 
maand later werd de Aeêiêtent-Reddent van Teulingen van 
Madoera benoemd tot Aênstetii-Resident van Bjapara , en werd 
hij te Madoer& vervangen door den Aêêistent-Reeideni van 
Saldtiga^ Baron van Bheede, die zeer wel was metZ. Hoog- 
heid den Sultan van Madaerd^ en deze hield ook veel van 
Baron van Rheede. Hij en zijn echtgenoote waren zeer 
geschikt, om Z. H. den Sultan en Ratoe Ajoenan van dienst 
te zijn. 

Op Maandag den 5«a (beter den 6^) Satml (21 April 1828) 
om 10 uur deden de brandale in 't noordwesten van het fort 
achter de chinesche kamp een aanval op de stad Jogyd, Er 
ontstond een levendig geweervuur tusschen hen en de soldaten 
die daar de wacht hadden, terwijl de Hollandsche soldaten en 
de Madoeresche, Soem^n^pseke en Pantïkasansche pradfoeritê 
voor het fort in 't gelid stonden. Om half twïwlf hield het 
geweervuur op, en om 12 uur keerden de troepen, die aan- 
getreden stonden , naar hun verblijfplaatsen terug. Om 1 uur 



Digitized by 



Google 



29 

werd er weer op dezelfde plaats als zoo even met geweren 
geschoten. Spoedig kwam de HoUandsche krijgsmagt voor 't 
fort weer onder de wapens. Niet lang daarna werd er op den 
zuidelijken wal van de kretkm met geweren geschoten. Maar 
toen er van den wal van de kratan met geschut op de brcmdalê 
geschoten werd, hield het geweervuur op. Achter de Chine- 
sche kamp werd huitengemeen hevig met geweren gevochten. 
De Irandals trokken zuidwaarts, en kwamen vlak ten westen 
van het fort, zoodat hun kogels zel& in het fort vielen. Om 3 
nar hield hun geweervuur op, en werden de aangetreden troepen 
wéér naar hun kazernes teruggezonden. 

Sdtaai NoABDOEL Chauid vertrok op Donderdag den 8^ (be- 
ter den 9ai) 8a/ioal (24 April 1828) van KasambiréUa^ en ging 
naar het dorp Patihauy 6 palen ten westen van de stad. Hij 
was vergezeld van Pangeran Adipaü Anom, Pangeran Soek- 
jawiDjaja, Pangeran ADisoEBJa, Pa/ngera^ SoEH&NêoaB& en 8 
Taeménggoengs, Zijn leger bestond uit 2000 man. Den vol- 
genden Yrijdag ging Sultan Ngabdoel Chahid naar het dorp 
Mdangiy en ^s avonds keerde hij naar Padkan terug. Hij gaf 
toen bevel om in het dorp GadfaAan een tn^sdfid en in hei dorp 
Toeloengan een pasanggraAan te bouwen. 

Op Maandag den 12«n (beter den lS«n) Satoal (28 April 
1828) stelde hij Baden Toemïnggoeng DANOEKOEsoEMa tot zijn 
Paüh aan met den naam van Raden Adipaü DANOEBeDja. 
Hij inspecteerde van tijd tot tijd de legerplaats in het dorp 
Kimédfen. Pangeran Adipaü Anom, Paatgeran ADisoEBja en 
Pangeran SoEMaNëoaB& hadden zich met hun troepen in de 
dorpen Pambalang en KaeaniAikér'êp g^egexA. Pangeran^OAB- 
noERiiACHKAN stoud met zijn troepen ten zuiden van de stad 
J^ogjfi en Toemïnggoeng Djao/aKëNOoaLa ten noorden, K;ai Goe- 
roe MaDja bevond zich in de stad W&nirid}&. 

Daar SdUm Noabboel Chahid een poging wilde doen om 
de stad aantevallen, vertrok hij op Donderdag den 15«i (beter 
den 16«a) Sawal (1 Mei 1828) weder naar Ka8anibir&t&, en 
Pangeran AdisoerjI, Toemenggoeng WiRjaNëeana en Toenténg" 



Digitized by 



Google 



goeng MiNKOfijOEDa liet hij met ongeveer tiO mnn van hun 
troepen te Fanhan achter. Voorts liet hij iu alle dorpen be- 
kend maken, rlat hun bewoners maar voor do HoUandsche 
troepen moesten terug trekken. 

68. Togteu naar Goe^ijoeng Grodjo- 
gan en Goenomg Parënggan. 
Gevechten aldaar. MadoerescAe 
troepen bij DmtHhji. Togt 
Jiaar Imagvri^ en naar Iring- 
irhig. De benteng van Ka- 
nigara aangelegd. Togt naar 
Bedotdong^ Imdgirien Bantoel. 

Op Zondag vertrok Luitetiaui KoUmel Som. kwijn met zijn 
kolonne , versterkt door de jonker-pradjoenUf van So^tt^enep^ \ au 
Bandl&ja , met het doel om op den Goeno-^pg Urodjogan , ten 
noorden van Bantoel en ten westen van Stiiraug^ op 6éxi jiaal 
afstand van da patanggraAan van SuJtan >ir*ABi>oKi. Ch.vmid, 
toen hij zich te Sharang bevond, een 6(?;^few^ op tt* wc ijieii. Drie 
niet hooge bergen verhieven zich daar naa^t «ïlkander; iil. Ho**- 
naeng Gidog^ Goenoeng Farttiggaii en GoefUh',tg Grodfogan. Op 
dezen laatsten berg zou een benimg worden opy^eworpcn , omdat 
hij de hoogste van de drie was, en men boveu op dien berg 
den omtrek van de waUen van de hraUm onderscheiden kon. 
Toen LuUenatU Kola^upl Sotj.ewijn daar L'elcomcMi wa.< , sloeg 
hij aan den voet van die bergen het kamp ^ oor '/i ju troepen op. 

Op Dingsdag den 20«n (beter den £!«») S^ral (« Mei 18-28) 
^s namiddags om 3 uur werd ]iij door een iri oot aantal vijanden, 
die uit het noorden en oosten kwamen, h^mu^i allen. \a een 
hevig geweervuur van beide zijden trokken He hramhiU naar 
hun gebergte en hun dorixjn terug. 

Woensdag morgen om half zes vertrokken Kolmtei ('(khh s en 
Beddeni van Nes uit de stad, medenemeïide een v^xooi siuk 
geschut met kogels van 12 jK>nd, ten ein»if dat in de h^/^ng 



Digitized by 



Google 



8i 

op den Goenoeng Groijogan op te stellen. Het werd door buf- 
fels getrokken. Zij werden vergezeld door vele Madoeresche, 
JSogmin}!p9cig en PamëioêonscAe Prinsen en door Jtadeu Adipati 
Lmienmt Kolonel WiRaNëoaBa met al hun troepen. Zij kwa- 
men om 11 uur aan het doel van hun tocht, doch daar de 
betUeng van de €henoeng Orod/ogan nog niet gereed was, werd 
het stuk eerst op den Goenoeng Patinggan geplaatst. Om 3 
nur vertrok Kolond Oochiüs met zijn gevolg weer naar de stad, 
masT hij liet Pangeran NaTa-ADiNiNGRAT , die zich pas onder- 
worpen had en Kjaï Tban^^ot^ BeKsaPRaDja met hun gevolg 
achter om Luiteiumt Kolond SoTiT.EWiJN bij te staan. Op reis 
naar de stad zag Kohmel Coghius een 100 tal 6ra»da/^ op een 
heuvel staan ; hij hield toen op in afwachting dat de brandaU 
zouden wiUen vechten , maar toen zij niet naar beneden wilden 
komen, keerden de Hollandsche troepen naar de stad terug. 
Op Maandag den 26en (beter den 27eQ) Scuoal (12 Mei 1828) 
werden de HoUandsche troepen , die zich aan den voet van den 
Goenomg Paringgan gelegerd hadden, door een groot aantal 
brandak aangevallen , maar zij hadden nog niet lang gevochten, 
toen zij zich al verwijderden, omdat het gedonder van het 
groote stuk geschut op den Goenoeg Parënggan hun schrik aan- 

Denzelfden dag 's morgens om 5 uur vertrok Kolonel Chochiüs 
mt de stad met zijn kolonne en met Soeménipscke piekeniers 
onder Baden Toem^nggoeng SoEBENOoaNa. Zij gingen westwaarts 
van de stad. Toen zij aan de dorpen op de grenzen van den 
Goenoeng Paringgan gekomen waren, wikkelden zij zich in een 
kleine schermutseling met de hrcmdale , die daarna op de vlugt 
gingen. Nadat Kolonel Cochius den berg beklommen had, 
keerde hij met zijn troepen naar Jogya terug. 

Lniiena$d Kolonel SoUiEwiJN , die zich met zijn troepen bij 
den Goenoejtg Par^nggan gelegerd had, verwijderde zich den vol- 
genden Dingsdag van daar, ten einde de linksen regts liggende 
dorpen te onderzoeken. Eu Pangeran Adipaéi NaTapnanja , die te 
Müilaja gelegerd was, verwijderde zich ook vandaar, om de 



Digitized by 



Google 



32 

dorpen nabij de Goenoeng Parinffgan ie onderzoehen.. Deze beide 
legerma^n kwamen in hevig gevecht met de brandalê. De 
Luitenant der SoemünipscAe lansiers, met name DjAj£NGLaG&, 
sneuvelde, daar een kogel zijn stuit doorboorde. De brandalj 
die op hem geschoten had, werd gevat, door &^«?»^«^jMe!^ lan- 
siers afgemaakt en zijn geweer werd buit gemaakt. Yan de 
brandals waren er 7 gesneuveld. Daar echter de Hollanders 
zagen , dat de vijanden te talrijk waren , en zij zich niet goed 
konden aaneensluiten, keerden zij naar hun legerplaats temg, 
waarop de brandals wéér naar ^t gebergte gingen. 

Woensdag namiddag om 4 uur kwamen de brandalê een 
aanval doen op de Hollandsche magt, die bij den Goenoeng Paring- 
gan gelegerd was. Men schoot tot 10 keeren op hen, maar al 
dat gebulder van de kleine stukken geschut telden zij niet meer. 
Digt bij 6 uur trokken zij naar hun verblij^laats terug. 

Donderdag morgen om half acht vertrokken Kolanel Cochius 
en de Secretaris van Jogya^ Baron van Keede met een koloune 
uit Jogya om de dorpen , grenzende aan den Goenoeng Parïnggan 
te doorzoeken. Zij namen 50 met geweren gewapende Ma- 
doeresche pradjoerüs onder Kapitein Raden Pandji SoEMaNëaa&a 
en Luitefiant SiNoapaTE^, mede. Ten zuiden van den Gfoe- 
noeng Parïnggan troffen zij op een kleinen berg een groot aantal 
brandals aan. De Hollanders bestegen dadelijk dien berg, 
maar toen de hranddU dit zagen, daalden zij den berg af, en 
gingen in een dorp. Toen staken de Hollanders de woningen 
der brandalê in brand, en schoten met geschut op het dorp, 
waarin de brandaU getrokken waren. Niet lang daarna zag 
men hen in 't westen en zuidwesten buiten het dorp komen. 
De Hollandsche magt verdeelde zich nu in 2 afdeelingen: 30 
Madoeresche en SoefnénépscAe praJjoerits zouden onder Luitenant 
PiEPLENBoscH , Kommaudaut van de Soeménêppere en Luite- 
nant Adjudant van den Kolonel y in het zuidwesten tegen de 
brandals ageren , terwijl de Kolonel met de anderen in het noord- 
westen de brandalê zou bestrijden. Maar de brandalê in het 
westen wilden om het geschut niet vechten. De Madoeresche 



Digitized by 



Google 



SS 

fradjcmUy die tea zoidwesteu (van het dorp) kwamen, raak- 
ten slaags met den vijand. Na een hevig geweervuur van beide 
zijden vlügtten de hrcmdaU van het noordwesten, en sloten 
de Madoeresche pradjoerUs tnsschen % voren. De Madoeresche 
prad/oerits rukten onophoudelijk voorwaarts, en schoten, maar 
de SoemSnSppers wilden hun niet te hulp komen, en bleven 
op hun gemak maar achteraan. Luümant Fieplsnbosch ge- 
lastte hen zelf voorwaarts te gaan maar zij wilden niet. Na 
een groot half uur kwam Kolonel Gochius zelf daar, en ge- 
lastte de Madoeresche pradfoerita niet verder voort te rukken, 
en een Madoeresehen corporaal , genaamd MABJa , prees hij om 
zijn dapperheid. Yerder gaf Kolonel Coghius order aan Kapi- 
fetft SosMaNëoaBa , dat alle soldaten moesten halt houden en zich 
in H gelid stellen. De Kolonel bleef achter de in 't gelid 
staande Madoeresche pradfoeritê staan. Niet lang daarna kwa- 
men de Hoüandsche troepen, die in 't westen geweest waren, 
en hielden ook halt achter de Madoeresche ^oi^'om^. Daarop 
nikten de Ircmdala wéér voorwaarts en schoten, doch de Ma* 
deeresche pradfoeritê mogten niet weerom schieten. Eenige 
oogenblikken kter werd een huzaar door een kogel gewond, 
en toen gaf de Kolonel last aan alle troepen om voorwaarts te 
gam, alleen de Madoeresche pntdfoeriU niet, daar zij het ge^ 
schut moesten dekken. Toen de Kolonel met de HoUandsche 
hnzaren en SoemSnëpeeAe lansiers voorwaarts ging, gaven de 
miters hun paarden de sporen, en renden op de brandale in, 
tenrijl de HoUandsche infEUiteristen te voet voortgingen en pe- 
lotonsvuur gaven. Het geschut ging niet meê voorwaarts , 
maar bulderde onophoudelijk. Zoo kwam de Kolonel en zijn 
troepen in gevecht , maar de brandals gingen toen op de vlugt, 
en waren een half uur later niet meer te zien. Daarop keerde 
de Kobmel terug naar de plaats, waar het door de Madoe- 
resche pradjoerÜê gedekte geschut stond. Yan de Ambonnezen 
varen 2 gewond, en één paard van de huzaren was gewond. 
Üb Hollanders maakten één trom, % geweren en één piek buit. 
Waarschijnlijk waren er veel brandals gesneuveld en gewond. 



Digitized by 



Google 



34 

In de avondschemering vertrok de Hollandsche magt, en 
keerde naar de stad terug. 

Vrijdag morgen om 3 uur kwamen de ira^^^la^f de stad ach- 
ter de Chinesche kamp overvallen. Zij schoten met veel geraas 
op de Hollanders , die zich echter daaraan met stoorden ; zel6 
wilden de Hollanders die daar op de wacht stonden, hun 
schieten niet beantwoorden. Niet lang daarna gingen de ^a»- 
dols maar verder. 

Op Zaturdag den lÖ**» (beter den 17«») Doelkaïdah (30 Mei 
1828) werden 54 Madoeresche j>ra<^'a^i^ met geweren onder 
Kapitein Baden Pandji SoEicaNêoaBa en de Zuüenaniê Baden 
SëTJADiPOERa en SiNoaraTRa, en 50 met pieken gewapenden 
onder Kapitein Baden Pandji ÜEwaKOEsoEiia en de Luitenanis 
Baden ADiNëoaEa en Kjai SiNoaitARiïja te gelijk met Zuüe- 
nawt PoLAND gedetacheerd om buiten de henteng van Dan&laj& 
post te vatten. Zuitenant Pieplenbosch werd Konmiandant 
van de andere Madoeresche pradjoeritê , die in de stad bleven 
en van de Soenténepsehê pradjoents. 

Op Maandag den 18«» Doelkaïdah (1 Junij 1828) 's mor- 
gens om Ö uur ging Kolonel Cochius met Pangeran Adipati 
van Madoerü en zijn hoeder Pangeran SoERja-ADiNiNGBJLT en 
Baden AbjI Kapitein SosKja-wiNaTa van Pamékasan met een 
Hollandsch detachement maar den Goenoefig Grodjogaat^ ten 
einde de benteng daar te bezetten. Het eene groote stuk ge- 
schut , dat op den Goenoeng Pa/ringgan geplaatst was , werd in 
de benteng van den Goenoeng Grodjogan gesteld , zoo dat er nu 
2 groote stukken geschut in de benteng waren. 

Op Woensdag den 5*" Doelkaïdah (beter Bïsar d. i. 18 Junij 
1828) vertrok Kommandant Poland met zijn Madoeresche 
pradjoerits en de troepen van D&ndlaja om naar Im&giri op 
te rukken , en daar Toeminggoeng NaTaPB^Dja van de brandaU, 
die zich onderwerpen wilde, te ontmoeten. Toen hij bij het 
dorp Banaran kwam, zag hij ongeveer 55 brandals uit het 
dorp komen, en zich met hun makkers, die ten getale van 
omstreeks 150 man in het dorp DjUmhïran gelegerd waren. 



Digitized by 



Google 



35 

vereenigen. Daar zij dadelijk op de Hollanders schoten, be- 
antwoordden dezen hun vuur al voorttrekkende. Bij het dorp 
Karang-sïmoed ontmoetten zij wéér brandalsy die op hen schoten, 
terwijl de Hollanders met hen onder 't marcheren vochten. 
Om 11 uur te Imdffiri komende, wachtten zij een poos, omdat 
de Toetninggoeng , die zich onderwerpen zou, er niet was. Daarna 
keerden zij naar D&nal&ja terug. Op dezelfde plaats, waar 
zij vromer gevochten hadden, streden zij weer met de brem- 
dols. Het werd een hevig geschiet van beide zijden; 4 van de 
troepen van NaTamaDJa hadden het ongeluk door geweer- 
schoten te sneuvelen, de anderen vlugtten toen naar de Ma- 
doeresche prad^'oeriU. De Hollanders trokken intusschen al 
vechtende verder. Ten zuiden van het dorp Bjérodjogan 
kwamen de lieden van NaTaPRSDja hun te hulp uit de hen- 
teng Mcdangdjma, Zij schoten op de hrandaU van ter zijde, 
en toen trokken de hrandals terug en gingen weer naar het 
zuiden^, De Hollanders keerden naar Danalaja terug. 

Zondag den 9®»* JDoelkaidah (beter Doelkaidfak := Bhar of 
22 Junij 1828) vertrok Kommandant Poland met zijn Ma- 
doeresche pradjoeritê en een Toeménggoeng van NaTaPKaDja, met 
name Taeménggoeng EênsaDiwiRja , met 50 man van i)£^a^a/a 
om naar het dorp Ir^ng-^^ng op te rukken. Toen hij daar 's mor- 
gens om 6 uur kwam, trof hij er ongeveer 50 brandalê aan, 
en ontstond een gevcht , waarbij zij op elkander schoten. Zoo- 
dra zij digter bij kwamen, trokken de hrandalê terug, en als 
de Hollanders voor hen retireerden, rukten deze voorwaarts. 
Bij het dorp KapaUm ontmoetten zij Kolonel Cochius, die 
daar kwam na de henteng van Djerodjogcm geproviandeerd te 
hebben , en hun nu 2 stukken geschut tot versterking afstond. 
Daarop rukte Kommandcmt Poland met zijn troepen en kanon- 
nen voorwaarts. Nadat men het geschut 2 malen gelost had , 
vlugtten de brcmdalê^ totdat zij niet meer te zien waren. De 
HoUandsche troepen vertrokken nu om naar Danal&ja terug 
te keeren. Te Kroj^ak (scheidde de Kolonel zich van hen en) 
keerde naar de stad terug. Kommandant PoiiAND ging weer 



Digitized by 



Google 



36 

naar D&nMajL Niet lang nadat Kommandant Poland zich 
van hen gescheiden had , kwamen de brandals van achteren op 
hem schieten. Kommandant PoiiAND werd regts boven zijn 
heup getroffen, doch de kogel drong niet door, en schaafde 
zijn vel maar. Een sergeant van de piekeniers KaLasiNoa ge- 
naamd, kreeg een schampschot aan de linker elleboog, waar- 
door zijn buis scheurde. De Hollanders gingen zonder ophou- 
den voort, en verdedigden zich maar van achteren. Toen zij 
bij de henteng van Malangdjiw& gekomen waren, keerden de 
brandaU terug naar de plaats , waar zij van daar gekomen wa- 
ren, tevens hét oog op hun tegenpartij houdende. De Hol- 
landers gingen daarop naar ])&7ialaj&. 

De Hollanders legden wederom een benieng aan te Kanigara^ 
een vroeger lustverblijf van Sultan SëpoEH, ten zuidwesten 
van den Goenoeng Gampmg en niet ver van daar. Toen die ben- 
teng gereed was, besloten zij er nog één in het dorp Brosod 
aan de Praga rivier aan te leggen. 

Pangercm Adipati van Madoerè, en zijn broeder kregen berigt 
van hun oom Raden Toemënggoeng Moedor Djaja-ADiNiNORAT 
dat de Luitenant der piekeniers Mas AMONOBjaja zich nu en 
dan zonder verlof verwijderde en zich onbehoorlijk gedroeg. 
De beide broeders en Baden Toeminggoeng Majoor Djaja-JU)i- 
NFNGRAT kwamcu toen overeen, om Luitenant Mas Amoxo- 
Djaja uit zijn betrekking te ontslaan, en in zijn plaats den 
onder-adjiidant WëKTiTaoENa tot Luitenant en Sergeant MLa- 
JANDANI 8o£RaKS,êTi tot onder- adjudant aan te stellen »i aan 
Luitenant Piepi.ekbosch keimis daarvan te geven. 

Op Donderdag den 5*» Moeharam 1756 (17 Jplij 18^8) 
hadden de Ka^tein van de met geweren gewapenden, Baden 
Pandfi SoEicaNëoaRa , die zich te D&nêlaja bevond, en de 
Luitenants Baden SëTjaDiPOERa en SixoAPaTRa het bevel over 
37 man. De Kapitein der piekeniers Baden KoETA-KOESOBMa 
verving Baden Pandji Kaptiein Dswa-KOEsoEHa , die wegens 
ziekte naar de stad gezonden werd, hij voerde bevel over 
46 man. De Luitenants SiNoaMAKiTja en Baden DjajaiiëKSANa 



Digitized by 



Google 



87 

vervingen Raden ADiNëo&Ka, die ook wegens ziekte «aar de 
stad gezonden werd. Luitenant Poland was hun kommandant. 

's Morgens om 7 uur vertrokken zij van Dhnalaja tegelijk 
met een kolonne uit de stad, aangevoerd door Majoor van 
Ganzen, 's Namiddags om 4 uur bij het dorp Baladong ko- 
mende, zagen zij ongeveer 100 hrandalê^ aangevoerd door 
Tominggoeng DjoEwiTa en Toemlinggoeng Gtoeroe. Deze werden 
dadelijk handgemeen met de kolonne van Maf oor van Ganzen 
ten westen van de Opak-nviev, Zuitenant Poland trachtte 
hen met de MsuioeveschG jorad^oerite op den oostelijken oever van 
de Opai tegen te houden , maar toen de hrandals dit bemerk- 
ten , deinsden zij terug en vlugtten. De Madoeresche pra^oe- 
rite vervolgden hen tot Im&giri , waar men hen niet meer zien 
kon. De HoUandsche troepen bleven te Im&giri overnachten. 

Omstreeks 9 uur 's avonds kwamen de brandah het verblijf 
der Hollanders belegeren. Toen schoten de beide partijen he- 
vig op elkander, en om 2 uur verwijderden de brandals zich. 
Een Ambonn^che soldaat was aan zijn linker hand gewond. 
*s Morgens om 8 uur vertrokken de HoUandsche troepen naar 
een dorp ten zuiden van Manger^ waar Kolonel Sollewijn een 
benieng aanlegde. Zij bleven daar overnachten, en vertrokken 
den volgenden morgen naar Bantoél^ waar zij zich bleven le- 
geren, en een stal bouwden. 

69. Overzigt van het terrein door 
èb brandals hea^i, SultanÜGAB- 
doei^Chamid aan het zeestrand 
te Balebera^, zijn gebied door 
hmtengs omringd. De troepen 
te JBantoely Baldadigheden door 
de Hollanders te Slarong ge- 
pleegd. Verplaatsing van Ma- 
doeresche officieren. Bangsver- 
hefiSng van eenige Madoeresche 
en andere Qrooten. 



Digitized by 



Google 



38 

De troepen van Sultan Nqabdobl-Chamid , die Gcmad besEet 
haddeu, stonden onder bevel van Panffera» SoKBja, Toetnüaff' 
goettg PADifaNêoaBa en Toeménggomg SeTjapuAwraa. Zij be- 
stonden uit 250 man. Zij die het dorp Bhkang bezet badden, 
te zamen 2t)0 man, werden aangevoerd door Baden Di?4k.ob- 
soEMa , Kjai Adipati Oislawan, Mas Toeménggoen§ D j alandbua 
en Mus JRmggh PBAWUtapiLaoa. Maar de troep die het dorp 
Bhkofig bezet had, was door de uit het noorden komende 
Hollanders verjaagd, en naar het zoiden gevlugt, en de Hol- 
landers waren tx)en naar het noorden teru^ekeerd. De troep 
der brandalê^ die het dorp Inta-mta bezet had, bestond nit 
100 man, en werd aangevoerd door Toeménggoenff SoejbJL- 
JOEBa en Badm Pandfi DjajraPBAWi&a. De brandali eindelijk , 
die het dorp Sénièpi bezet hadden, werden aangevoerd door 
PaiigeroH, Ngahèhi Ngabdobr-Bachkan , Pemgeran Ngabdoel- 
Samsoe, Pangeran DipaNëoaBa, een zoon van &dtan Ngab- 
dqbl-Chamid , en Pangeran Pakoenfnobat. SulUm Ngabdoel- 
Chamid vertoefde toen met Kjai GtoEBOK MSdjI en Kjai Djoe- 
HAE-MisKiN in het dorp BoLebercm. 

Op "Vrijdag den 6" Moehamm (18 Jnnij 1828) bevond IQai 
D/OEHAB-MisKiN zich jvust in het dorp Baleberan aan 't zoider 
zeestrand, en stak een and stak grof zakkegoed als vaandel 
op, maar toen het ontplooid was, verdween er de helft van. 
Hierdoor werd Sultan Ngabdobl-Chamid zoo ontmoedigd, dat 
Iiij naar zijn pasanggrahan in het dorp Kagambir&td terugkeerde. 
De landen, die Sdtan Ngabdobl-Ghamid nn^nog in zijn 
magt had, strekten zich 50 paal van 'toosten naar het westen 
uit en ongeveer 25 paal van het zuiden naar het noorden. 
Maar binnen die landen waren veel bergen en uitgestrekte 
moerassen. Daar buiten waren alle landen aan de Hollanders 
gehoorzaam. 

De bentengs der Hollanders lagen nu rondom KMamdwraih 
op een afstand van 15, 10 of 6 palen. Zij hadden het voor- 
nemen om zoodra de bentengê in de dorpen Manger en Srdgol ge- 
reed waren, nog weer een benteng digter bij Kasambirat& aan 



Digitized by 



Google 



S9 

te l^gen, en, als die gereed was, Kaêombirdtd te verwoes- 
ten. De Hollanders hadden, (iu den kring van bmtmgê) geen 
andere opening gdaten dan den weg naar het J^fór-gebergte, 
opdat Sultan Ngabdoel-Chamid naar dat gebergte 20a kunnen 
gaan; zoo hij dat deed, wilden de Hollanders hem niet ver- 
TCjJgen , omdat de weg zeer slecht was. Hun streven was SuUan 
Noabdoel-Chamid maar gebrek te doen lijden , omdat naar de 
meening der Hollanders in het JTeZir-gebergte geen voldoend 
voedsel voor veel menschen te bekomen was, hoewel er veel 
dorpen waren , want men rond er 10 dorpen met Tëgal velden 
en weinig aawahs. 

In de maand Moeharam vocht een koloune , die van Tempel 
kwam , met brandaU , die in het dorp Int^^iUd gelegerd waren. 
Deze verloren daarbij 2 aanvoerders : Baden KaTaoiRDja en 
Ali Basah TjaKRaNêea&a , wiens hoofd aan de slapen doorboord 
weid. Bovendien sneuvelden er ongeveer 50 gewone soldaten. 

Al de legeraanvoerders van SuUan NGABDosii-GHAKiD kwa* 
men nu te Kascmdm&ta bijeen. Svltcm Noabdoil-Ghamid 
gelastte hen toen snch gereed te houden, want als AUah^ dc^ 
Allerhoogste, hem hulp verleende, wilde hij opden 18«»of 20«» 
van de maand Moeharam aan zijn vijanden een slag leveren, 
en indien de Allerhoogste hem geen hulp verleende, wilde hij 
in de spelonk van den Goenoeng Lanang gaan , daar hij dan 
volgens zijn proclamatie niet meer in staat was de Hollanders 
weerstand te bieden. Hij stond aan Toemewggoeng EëDjaNë- 
Q&Ra en Toem^nggoeng DjajawiNaia niet toe eenige militaire 
vertooning te maken, en gelastte hen zich in het dorp Pa- 
dahtu schuil te houden. 

Zoolang Majoor van Ganzen en Kommandant Foland 
Banioel bezet hadden, onderwierpen zich veel dorpsbewoners 
aan de Hollanders , en velen bewerkten wéér hun aawah-v^Aen. 
Baden Pandji Kapitein SosMaNêGasa werd naar de stadterug- 
geaonden, omdat hij aan heete koorts leed, en te £a»^^ ver- 
vangen door Saden Pandfi Kapitein SSssawiNaTa. Om dezelfde 
reden werd Zuitenant Kjai SiNoaiiABiTja ook naar de stad ge- 



Digitized by 



Google 



40 

zonden. Zijn opvolger was Luitenant DjajaRëKsa. Zoodra de 
gewone soldaten ziek werden , liet men hen door anderen ver- 
vangen. Dientengevolge waren er in de stad maar weinig ge- 
zonde pradjoerits. 

Majoor van Ganzen verwijderde zich (van Banioeï) om een 
uitstapje te maken naar de plek, waar Sultcm Ngabdoel-Chamid 
te Slarong vertoefd had. Hij deed dien togt te gelijk met 
Kommandant Poi.axd en met de Hollandsche en Madoeresche 
officieren. 

De verblijfplaats van Mtan Ngabdoel-Ciiamid bestond 
uit twee spelonken naast elkander aan de helling van den berg 
met een uitgang naar het zuiden. De westelijke (grot) was 
ingerigt. voor slaapvertrek en van een deur voorzien. De slaap- 
stede bestond uit een grooten, vlakken steen. De oostelijke 
grot was voor audiëntiezaal ingerigt. Tusschen die beide spe- 
lonken droop water uit een ronden steen , zoo groot bIs de dop 
van een Klapa-gadwg met een uitstekende punt als een borst. 
Het water droop ook op een steen, die de gedaante van een 
kopje had, en hoewel het zonder ophouden op dien als een 
kopje uitgeholden steen droop, Kep het niet over den rand, 
en het verminderde ook niet. Ten westen van die spelonk lag 
een groote vlakke steen naast een vijver , en die was bestemd 
voor bidplaats. Voor de spelonk lag nog een zwarte harde 
steen onder een widara-hoom^ bestemd voor zitplaats van den 
Sultan^ als hij audiëntie gaf. 

Nadat Majoor van Ganzen en zijn officieren dit alles gezien 
hadden, schonden zij die overblijfselen, door er steenen tegen 
te werpen. Een van de officieren , LuiteruufU Kes (KEssTiER ?) 
gooide den steen, waaruit het water droop, in stukken. Bij 
zijn tehuiskomst viel hij van zijn paard, en brak zijn lin- 
kerheup. Konmiandant Poland wilde ook als de anderen een 
steen werpen , maar werd door een sergeant van de Madoeresche 
piekeniers , met name KaïlsiNoa daarin tegengehouden. Nadat 
zij de verwoestingen hadden aangérigt, en elk zijn eigen naam 
op den grooten vlakken steen geschreven had , keerden zij naar 



Digitized by 



Google 



41 

de legerfdaats te Bawtoel ten^. Niet hng daarna werd Mvfóor 
VAN OaKzen ssiek en naar de stad vervoerd , waar hij overleed. 
Op Woensdag den 18«^ Moekanm (drO Jnlij 1828) gingen 
Jtaëen Arj& KapUein Djajekgkat ea Ae Luitena^ Baden TA- 
lL«8XOBsoEKa , Bodffa Djaj&N adp&dI , en Baden SoEBaPATi van 
Jhmpel naar JoffyA om daar voor goed te blijveu, omdat er 
geen pradjoerüs meer waren, want men kad ze over andere ben^ 
tengê verdeeld. Een Luite?iant Kjai KoEDa-PANOROEMPAK liet 
men de benteng van KalidjinffUfng bewaken. 

De troepen, die de bentengs van Grogol en T^gahoaroe be- 
waakten, gingen op marsch naar het dorp SanoekA. Digt bij 
het dorp Kilapan ontmoetten zij dr<»»ia^ onder aanvoering van 
Toemenggoeng TjaKnaNeGaBa , Toeménggoeng Kë&TaNëoas&, To»" 
rnifiggoeng SSTjaNëNana en Toeminggoeng SoebSwtdjSjS. In het 
dadelijk ontstane hevige geweervuur van beide :^jden, kwam 
Toeménggoeng SoerSwidjaja door een schot te vallen en sneu- 
velden behalve een loerah van de Prayia^ Mat NeSiiS genaamd 
nog 5 BoelMj&a, Nadat deze gesneuveld waren, trokken de 
brandaU terug. Bij het dorp IfOa^inih hielden aj halt en 
stelden zich in 't gelid , vereenigd met de troepen van fwngeran 
Ngabèki Ngabdoer-Rachman , Pangeran AnisoERja, Pangeran 
SofeaiairisaBa en de ToemÜnggoengs BeKsawiDj&ji en KSai&n&Na, 
beitaande uit ongeveer 400 man. 

Op Maandag den 7«° Sapar 1756 (18 Aug. 1828) ontvingen 
Pangeran Adipaéi van Madoeri en zijn broeder uit handen van 
Bandent vak Nes van Jogy& een document of acte van het 
Gouvernement, waarbij Pangeran Adipaü en zijn broeder door 
het Gouvernement in rang verheven werden en hun de tHel 
van Pangeran Adipaü Kolonel SëTja-ADiNiNOKAT en Pangeran 
Imitenaigt Kolonel SoT^Rja-ADiNiNöKAT verleend werd. Li dat 
zelfde document werd Pangeran Majoor AtmJd/S-adininorat 
ia rang verheven met den titel van Pangeran Luitenant Kolonel 
ATMaDja-ABixiNGRAT. Die verheffing veroorzaakte groote blijd- 
schap onder al de troepen en de leden van het Madoeresche 
vorstenhuis , zoowel aanzienlijken als geringen. De Soeménipêchf 



Digitized by 



Google 



42 

Pangeram werden door het Grouveniement ook in rang ver- 
heven. Pangeran Arj& NAwawi werd nu Pangeran Arja Lui- 
tefumt KoUmel Nawawi, Pangeran Mohammad werd Pangeraat 
Mafo&r Mohammad van de artillerie, en Pangeran Saboedin 
werd Pangeran Majoor Saboedin van de lansiers. Tevens werd 
Pangeran AdipaH Mankoe-adiningrat van PamOasan tot den 
rang van Kolonel verheven. 

70. Getteraal de Kock inspecteert 
de beniengs van Grigol en Ti- 
galr^aroe. Togt naar Gading 
en Manger. Togt naar Kaèam- 
Urata. Drie Madoeresche offi- 
cieren keeren naar Madoerd te- 
rug. Gevecht bij GrbgoL Sul- 
tan Ngabdoel-Chamid trekt 
heen en weer. Hevige gevech- 
ten te Pblong en Barongan. 
Togt naar Bïnang en gevecht 
aldaar. 

Op Donderdag den 10«° Sapar (21 Aug. 1828) vertrokken 
Pangeran Adipaü Kolonel SëTJa-ADiNiNGRAT van Madoeri, zijn 
broeder Pangeran Zuitetiant Kolonel SoEEja-ADiNiNGRAT , en 
Sofid Chasan, te gelijk met Pangeran Zuitenant Kolonel Na- 
wawi en zijn broeder Pangeran Majoor Mohammad en Pange- 
ran Majoor Saboedin in 't gevolg van Kolonel Cochius naar 
de benteng van Tempel, om Luitenant Gouverneur- GeTier aal de 
Kock daar af te halen. Zij verlieten de stad 's morgens om 5 
unr, en kwamen omstreeks 9 nur bij de benteng ysji Mal&ia^ 
ten noorden van de benteng van Pisangan en ten zniden van 
die van Tempel. Zij hielden daar halt onder een groot-en ka- 
^o^^-boom aan de kant van een (zij) weg, ten noorden van 
den grooten weg. Niet lang daarna kwam de Generaal van 
Magelang, en groette allen. Daarop vertrokken zij om naar 



Digitized by 



Google 



43 

de benteng vau Grhgol en Têgal-waroe , ten zuiden van Pisangan, 
Om 11 uur kwamen zij bij de benteng van Grdgol. Ten wes- 
ten van die benteng was een kleine, maar zeer steile berg met 
de gedaante van een koekoesan^ die 6rö(Wiö^«^-G^tf%? heette. Op 
den top van dien berg stond een soldaat op schildwacht. De 
Generaal ging daar heen om de post, waar die schildwacht 
stond, te inspecteren , maar geen van de paarden konde den berg 
bestijgen, uitgezonderd dat van den Kommandant der benteng 
van Grogol, Om die reden gingen de Generaal ^ de Kolonel 
en de officieren den berg te voet bestijgen , want moeijelijk zou 
men iemand vinden, die zoo forsch, gespierd en sterk van ge- 
stel was als Luitenant Gouverneur-Generaal de Kock. Al de 
officieren hijgden al , toen de Generaal nog met snellen pas den 
berg op- en afklom. Nadat de Generaal eenigen tijd in de 
lenleng gezeten had , vertrok hij weer naar de benteng van Teim- 
pd^ terwijl de Kolonel en de andere officieren hem begeleidden. 
Zij kwamen daar omstreeks 8 uur, en bleven er overnachten. 
Den volgenden morgen keerde de Generaal naar Magelafig te- 
rug; Kolonel Cochius en zijn gevolg gingen weer mOkV Jogya. 
Op Zondag den 20*»» Swpar (31 Aug. 1828) rukte Kolonel 
Cochius uit naar het dorp Gading^ omdat men verhaalde, 
dat Toeménggoeng DjajaNêoaRa zich in djat dorp gelegerd had, 
en dat Sultan Ngabdoei.-Chamid hevig gestreden had met 
Luitenant Kolonel Sollewijn bij de benteng van Manger^ daar 
Mian Ngabdoel-Chamid het plan had om oostwaarts naar 
Padjang te trekken, ingeval hij een uitweg vond. Om die 
reden ging Kolonel Cochius met spoed naar het dorp Gading 
om hem den weg af te snijden. Hij ging met niet meer dan 
8 huzaren van de stad, en nam bij zijn komst te JSantoel de 
daar gelegerde kolonne met al de daar aanwezige Madoeresche 
pradjoeritê mede. Bij het dorp Sanieti komende, kon hij de 
voorpost van de brandale zien. Na 7 malen op hen geschoten 
te bebben rukte hij voorwaarts, en toen vlugtten de brandals 
spoedig weg. Toen zijn troepen bij het dorp Gading kwamen 
vonden zij dat verlaten , staken de huizen in brand, en gingen 



Digitized by 



Google 



44 

verder naar het dorp Bfadjan^ dat eveneens verlaten wie, en 
waar zij bleven overnachten, 's Avonds om 9 nar kwamen de 
brandcdê uit het noorden, schoten 6 keer met gesohut en ge> 
weren, maar alleen zij die op wacht stonden, beantwoordden 
hun schieten; want dat had de Kolond gehst, de anderea 
moesten maar blijven slapen. Na een gevecht van ongeveer 
^ uur verwijderden de hrafiddlê zich. De Hdfauders vertiok- 
ken 'smoi^gens om uur na eerst het dorp i» brand gestoken 
te hebben met het doel om naar Mangef te gaan. Ten^uideu 
van Bantod ontmoetten zij ZuiUuant Kolonel i>e Bbon met 
zijn kolonne. Allen hielden toen ongeveer een uur halt, en 
vertrokken toen wéér. Luitenani Kolonel i^e Bron en zijn troe- 
pen marcheerden af te gelijk met de kolonne van Banéoel, die 
naar Bantoel terugkeerde. Kolond Cocmus vertrok van daar 
naar Manget^ slechts van 8 huzaren vergezeld. 

Het gevecht , dat Lnitenant Kolonel Sotj.£wun aan Sultan 
NöABDosii^CHAifiD geleverd had, was a%Bloopen. De Sultan 
was Weder naar KcmMibvrata teruggekeerd , nadat vele van zijn 
soldaten en een van zijn aanvoerders gesneuveld en 2 van hen door 
kogels gewond wareu. De Hollanders hadden toen SL vaandels eu 
een zwarte vlag met het teeken van een volle maan aan eexi drie 
. pufitige, met goud ingelegde speer en een paar vaandels met het 
teeken van een volle maan aan een vierpuntige, met goud 
ingelegde speer buit gemaakt , en hadden maar één huzaar ver- 
loren, doordat s»jn paard niet te houden was en naar de v^«n- 
delijke gelederen holde. 

Kolonel Cochius bleef maar één nacht te Manger^ en keerde 
den volgenden morgen naar Jogya terug. 

De Kapitein der Madoeresche piekeniers, Baden Koetakoe- 
soEMa werd wegens ziekte naar de stad gezonden en te Bafi- 
toel door Badeti Paii^i DjajaDiPOEBa vervangen. 

Niet lang nadat Sultan Ngabdoel-Chamid na het gevecht 
te Mangir naar Kasambirat& teruggekeerd was, vertrok de Hol- 
landsche kolonne van Mag'élang nog in dezelfde maand Sapar 
naar Kamnthifdta en belegerde die plaats. Maar Snltan Ngab- 



Digitized by 



Google 



45 

doel-Chahid verwijderde zich van daar zonder te vechten. 
De Hollanders staken er alle woningen in brand, en vertrokken 
toen, om naar hun garnizoen terug te keeren. Op den grooten 
w^ ontmoetten zij echter een aantal van ongeveer 4000 
brandah, die hen dadelijk omsingelden. Er ontstond een he- 
vig gevecht , waarin beide partijen elkander van 's morgens 8 
uur tot 's namiddags 2 uur bestookten en vervolgden. Een 
van de raderen van een affuit brak daarbij, zoodat men het 
stuk geschut niet vervoeren kon; één van de Madoereschejora- 
djoerits^ die voor Luitenant KëBOKëNaNGa liep en bij de 4^ ko- 
lonue behoorde, werd door 3 kogels getroffen : één drong in 
zijn voet, de beide anderen drongen niet door. Van de Ma- 
doeresche pradjoerits die in de henteng van Tempel in bezetting 
lagen en ook meê vochten, werd de loerah SiNOANoaKa aan 
zijn hand door een kogel gewond. Van de Hollanders sneu- 
velden velen, en velen werden gewond. De hraiidaU hadden 
ook veel dooden en gekwetsten. Daar men toen van het vech- 
ten te vermoeid was, werd de strijd gestaakt, en trokken de 
koiouues elk naar haar post terug. 

Op Donderdag den 24®** Sapar (4 September 1828) werd 
üod^i Kapitein Arja Djajexgkat van Madoer& wegens dysen- 
terie naar Madoera teruggezonden, te gelijk met 2 Luitenanti 
Baden DjajaNADpana en Eaden SoERaniKDjaja , die nu en dan 
ziek waren. 

Op Vrijdag den 9" (beter den 10«») Moeloed (19 Sept. 1828) 
vochten de Hollanders hevig met de hrandals ten zuiden van 
de bentetig van GrbgoL Zij voclit-eu zelfs man tegen man. Ma- 
joor DipaDjaja van Soeménep werd door een kogel aan 't hoofd 
doodeUjk getroffen. Onder de soldaten waren ook veel dooden 
en gekwetsten. Onder de gesneuvelden waren 2 met den rang 
^an Ringga^ 1 met den rang van Ngabèhi en 15 zonder rang. 
De brandals keerden toen naar hun verblijfplaats terug, en 
de Hollanders gingen wéér naar hun kazerne. 

Sdtcm Noabdoel-Chahid bleef in dien tijd in de dorpen, 
die aan Kasambirdtd grensden, heen en weer trekken. Nu en 



Digitized by 



Google 



46 

dau hield hij zich in het dorp Kédoengloebh aan de Praga^rv- 
vier op. 

Dingsdag den 18*° (beier den 14") Modoed (iJS S^. 1828) 
rokte Kolonel Cochius naar Imagiri op, medeoemende de ko- 
lonne van DaaiMofa^ de troepen van NaTapnaDja, aangevoerd 
door Badeti Toemïnggoeng N&iawiDjaja, en de kolonne van 
Ba/ntoel met de Madoeresche pradjoeriU onder Raden Kapitein 
Pand^i SassawiNaTa en de Luüenmits Raden SêTjaDiPO££a en 
SiNGapaT&Sl en onder den Kapitein der piekeniers Raden Patidji 
Dj&j&DiFOERa en de Luitenants Mas Dj&jaBêKsa en Raden Dj&- 
jaLëKsaNa. Deze beide kolonnes vereenigden hun gelederen 
in de benteng van Ir^ng-ir^ng. Nadat zij de benieng om 10 
uur verlaten hadden, en de Cjpai-rivier genaderd waren, 
kwamen de kolonne van Danalaja en de troepen van Nm- 
p&aDja met de brandals in gevecht. Na ongeveer een uur 
strijdens vlugtten de brandals. De Hollanders gingen toen 
verder om naar het dorp Barongan te gaan. Bij het dorp 
Polong kwamen de brandals van achteren, van de regter- en 
van de linkerzijde uit het geboomte aanzetten en op hen 
schieten. Die ' van de linkerzijde schoten , troiien een sergeant- 
majoor van de Soeminépsche lansiers , met name Amkat , daar 
hij in het borstbeen door een kogel getroffen werd, die tot tos- 
schen de schouders doordrong. Hij viel van 't paard, maar 
was toen nog niet dood. Spoedig rigtteu de Madoeresche /w^a- 
djoerits en de Ambannesche soldaten pelotonsvuur op de brandcih. 
Een sergeant van de Madoeresche piekeniers liet zich spoedig 
met zijn vaandel van het paard vallen, en als hij dat niet 
gedaan had , zou hij door de kogels van zijn makkers getroffen 
zijn, daar hij zich juLst vóór zijn kameraden, die pelotons- 
vuur gaven, bevond. Toen de Hollanders zoo hevig schoten, 
vlugtt«i de brandals spoedig weg. 

De Hollanders marcheerden toen verder. Niet lang daarna, 
kwamen er ongeveer 15 brandals te voet uit het geboomte 
van een dorp te voorschijn, op ^/^ paal afstand van hen. Toen 
KolüTiel Cochius hen zag, liet hij halt houden, stelde zijn 



Digitized by 



Google 



47 

troepen in ^t geMd , eu draaide het geschat om. Toen de bran- 
dde pelotonsvuar gavea, gaf de Kolonel een Xuitenant order 
om het geschut op hen af te schieten. De Luiteaant è&od dit 
en to^ vlugtten allen in het geboomte. Onder hen was er één, 
die een geel vaandel dro^. Daarna sloegen de brandalê met 
veel geraas op Mndéa en rijstblokken. De Hollandsche troe- 
pen vertrokken toen vas het dorp Pdang^ om naar het dorp 
BoTongan te gaan. De brandals ziende, dat de Hollanders 
vertrokken, kwamen spoedig uit het geboomte, en gaven hun 
pelotonsvaur in den rug. 

De hraatdaiê vochten in dien tijd met zooveel vuur en op- 
gewektheid , omdat zij aangevoerd werden door Pangeran Ngab- 
DOEL MADJLD , vrocgcr Pootgefan So£BJ&BEaTa genaamd, verder 
door DjajaHêiroGaLa van Samen ^ die nu Toeménggoeng Djaja- 
Néoaaa heette, en door Baden Mas SëKTOT of Raden MnggS 
Paawuta SêNTiKa, een zoon van den BaNrooa, den vroegeren 
oproennaker van Madioen. Deze personen waren nu de steun- 
pilaren van Sultan Noabdoel-Chamid. 

Toen de hrandals nu uit het geboomte schoten, werd één 
van de Hollandsche soldaten getroflen door een kogel, die 
zijn regterkuit doorb€M)rde. Zij schoten andermaal, toen de 
Hollanders hun vuur beantwoord hadden, en daardoor werd 
weer één van de Hollanders gewond. Daarna hielden zij halt 
ten noorden van de rivier van Imagvri , en schoten hun geschut af. 
De bramdals schoten toen weer uit het geboomte, en troffisn 
^Q artUlerbt met een kogel, die hem de borst doorboorde, 
z<HKier dat hij stierf. Daarop vertrokken de Hollanders van 
Imigiri. 

Omstreeks 2 uur te Barongan komende, sloegen zi] daar 
tijdehjke verblijven op en overnachtten daar. Ongeveer om 
half acht 's avonds kwamen de braudaU ten oosten van de 
Imigiri rivier, en gaven onder hard geschreeuw en 't luid 
Uinken van de bendes pelotons- en geschutvuur. De Hollan- 
ders, die op wacht stonden, beantwoordden dat vuur maar, 
<le anderen liet de Kolanel slapen. Daarop werd een korporaal 



Digitized by 



Google 



48 

van de Hollanders, die de wacht afloste, door een kogel, die 
hem het hoofd doorboorde, doodelijk getroflen. Kolonel Co- 
CHius werd om den dood van dien korporaal zoo hevig ver- 
woed, dat hij met al zijn troepen vooruit rukte en snel met 
het geschut liet vuren. De hrandals trokken nu terug, ver- 
hieven hun gebeden andermaal luid schreeuwende, en gingen 
toen weer vooruit. Terugkeerende naar hun vroegere plaats , 
gaven zij weer pelotons vuur en schreeuwden. Om half drie 
hield de strijd op. De Hollanders staken de huizen inbrand, 
en vertrokken van daar om 6 uur. De kolonne van D&naLaja 
keerde naar Dan&l&jè, en die van Bantoel naar Bantoel terug. 
De Kolofiel kwam te gelijk met de kolonne te Bantoel^ en 
ging zonder zich daar op te houden wéér naar de stad. 

Zondag den 18«" (beter den IQ**») Modoed (28 Sept 1828) 
vertrok Kapitein Westinck, kommandant van Bantoel^ met 
zijn koloime en met de Madoeresche pradjoerits van Bantoel 
tegelijk met Luite7iant Kolonel Sollewijn , en zijn troepen van 
Manger. Al die troepen vereenigden zich in het dorp Pondang. 
Toen allen marsch vaardig en in 't gelid geschaard waren, ver- 
trokken Luitenant Kolonel Soli.ewijn en zijn troepen zuid- 
westwaarts, terwijl de kolonne van Bantoel oostwaarts ging. 
Bij het dorp Samahan zagen zij ongeveer 20 brandah met een 
geel vaandel, die op de vlugt gingen, toen er op hen gescho- 
ten werd. Terwijl de Hollanders hen nazetten, zagen zij bij 
het dorp BinaTig ongeveer 100 brandaU met 4 vaandels en 1 
vergulde pajoeng. Deze brandals rigttên op de Hollanders pe- 
lotonsvuur van voren, van de linker- en van de regterzijde. 
Toen deze echter met geschut op hen vuurden, en de kogel 
over de vaandeldragers heen vloog, vlugtten de hrandals^ van 
schrik bevangen in het dorp B^nang, Kapitein ^estinck gaf 
nu bevel, dat de Soemenepsche Kapitein met zijn troepen naar 
de linker zijde zou gaan, terwijl de Hollanders naar de regter 
zijde gingen en de Madoeresche pradfoerits in 't midden bleven. 
De brandah kwamen regt« en links uit het dorp Bhumg- 
Er ontstond een levendig gevecht. Een Soeniénipsche wacht. 



Digitized by 



Google 



49 

meester werd aau zijn regterdij getroffen. Een Madoereesch 
vaandel met het teeken van een witten aap werd boven de 
kop van den aap door een kogel doorboord. 

Nadat het gevecht een half unr geduurd had, vlugtten de 
brandals. De Hollanders staken toen het dorp BUnang en al 
de regts en links van daar liggende dorpen in brand. 

Daarop kwam er iemand met een order van Zuüenant Ko- 
hnel SoLi.EWiJN. waarin Kapitein Westinck gelast werd zich 
met hem te Tankil te vereenigen, daar Luitenant Kolmiel Soii- 
LKwijN met de hraniaU gevochten en de huizen van dat dorp 
iii brand gestoken had. De Kapitein vertrok toen met zijn 
troepen naar Tankil, waar hij om half een aan kwam en zijn 
kolonne met die van Manger vereenigde. Nadat de troepen 
op de pasar van Taniil uitgerust hadden, gingen zij om 2 uur 
veer op marsch. Ten oosten van het dorp Benang kwamen 
de hrandals regts en links van de voortmarcherende troepen 
uit de dorpen en schoten op hen. De Hollanders schoten al ver- 
der gaande terug. Een van de Madoeresche pradjoerits^ Ketel 
genaamd, werd % keer door een kogel ligt gewond. DebrandaU 
gingen steeds voort met schieten, maar toen losten de Hol- 
landers het groote kanon, dat in de benteng vaii Grbgol ge- 
plaatst was en daarna schoten zij met het geweer op hen. Nu 
kwam er opening in de drommen der hrandah^ en gingen zij 
in het dorp. De Hollanders trokken nu verder, en daarop 
kwamen de brandaU weer uit het dorp, en schoten op hen. 
Toen de Hollanders bij het dorp Samen gekomen waren, hiel- 
den zij halt, en werden de Hollandsche huzaren gelast de bra7i- 
daJ^j die op een afetand achter hen waren, natezetten, en toen 
vlugtten deze in groote verwarring. De HoUanclers gingen 
daar na weer verder. In het dorp Pandang komende keerden 
de kolonnes naar haar respective hentengs terug. 

n. Hulptroepen gezonden van Ter- 
nate^ lïdore en Boetmi, Hun wa- 
pening, kleeding, soldij en dien- 



Digitized by 



Google 



50 

sten. Raden Adipaü Luite7iant 
Kolonel WiRaNëoaRa te Gowoky 
verheven tot Pangerang Praboe- 

NINGRAT. 

Luitenant Gouverneur Generaal de Kock kwam met de hooge 
Ambtenaren te Batavia overeen , om hulptroepen van de Vor- 
sten van het oosten te vragen, en deze kwamen te Ma^Vmtg 
aan. Die van Ternate werden aangevoerd door Majoor Saptoe^ 
die een uniformrok met epauletten droeg. Hij had 560 Alfoeren ^ 
die hun kleedjes tusschen de beenen door gehaald hadden, 
onder zich. Die van Tidore werden aangevoerd door Majoor 
Sawijoedix, die een rok met epauletten en een tulband 
droeg. Zij bestonden uit 297 man, geheel als JE'^/^ï^ gekleed, 
zij waren dan ook Mohammedanen. 

Deze troepen van Ternate en Tidore waren gewapend met 
^verpspiesen , pijlen, schilden en korte zwaarden. De steelen 
van de werpspiesen waren van kleine hamboe ^ de punten wa- 
ren van a;-6^hout, cylindervormig gesneden. Als zij zulk 
een werppies wilden afwerpen, hielden zij een stuk hamboe 
van één span en één hand lengte, waarvan van voren de 
helft was weggesneden , en dat daar van een kapas-^^t voorzien 
was, en diende om de werpspies af te werpen, in de hand. 
Wanneer zij zulk een werpspies wüden uitwerpen, legden zij 
de eeue punt van de werpspies in de linker hand en het dikke 
uiteinde van de spies op het eind van de hamhoe (dat men 
in de regterhand hield); daardoor kon de spies zoover weg- 
vliegen. De pijlen, die zij gebruikten, waren ook van dunne 
hamboe met punten van art^hout, maar zonder vezels; daar 
door had de pijl, zóé aangewend, een goede uitwerking. Zij waren 
verder niet vergiftigd, want door haar uitwerking waren zij 
al zoo goed als half vergiftig. Hun bogen maakten zij van 
de stam van de hamboe ori^ en de pezen waren van rotting. 
Zij zagen er uit als een halve draagstok , daarom waren zij zoo 



Digitized by 



Google 



51 

stijf. Als de Alfoeren zulk een pijl afschoteu , drong zij door 
2 menschen heen. 

Hun schilden waren 1 el en 1 span lang en éèn vadem 
breed; in 't midden ingebogen en driehoekig. Het hand- 
vatsel in H midden was belegd met schalen van zeeschelpen 
of scherven. Overigens waren zij van hout gemaakt. Hun 
korte zwaarden hadden den gewonen vorm. 

De aanvoerder van de Boetonsche troepen was een ouder 
broeder van den Sultan van Boetmi , genaamd Sulta7i SAiiEMAN. 
Hij had den rang van Luitenant Kohnel , en droeg een baadje met 
shppen en knoopen en met galon omboord. Zijn saroeng was 
ook met galon omzet. Zijn hoéloeh had den vorm van een 
gajaman (?) ook met galon omboord. Velen van zijn Mantris 
waren officieren. Hij had 400 man als Entjih gekleed, met 
pieken en krissen gewapend , onder zich. Ook had hij 2 Hadjis 
als zijn Goeroes^ die nu en dan de gebeden van de maand 
Moeloed opzeiden, bij zich. 

De soldij van de soldaten van die 3 landen was als volgt: 
die geweren wilden dragen kregen 6 Gld. en de anderen 3 Gld. 

Velen van de soldaten van die 3 natiën waren gelegerd te 
Tegdwaroe onder Magelang. Zij waren wel eens met den 
vijand in gevecht geweest, en als de Hollanders tegen den 
vijand uitrukten, werden zij voorop geplaatst. Zij waren bui- 
tengemeen dapper , drongen onbevreesd in de huizen om te plun- 
deren , en . kregen veelal buit. Van de Alfoeren, die eigenlijk 
(even ruw als) Bajakkers waren, liet men velen vrij in de 
bcsschen rondloopen. Dientengevolge kwamen debrdndals die 
zich in de bosschen verscholen , in groote moeijelijkheden. Zij 
wilden wel met hen strijden, maar beseften, dat het een 
schande was, als zij eens 't ongeluk hadden door toedoen van 
die naakte vijanden te ster\'en. En als zij niet met hen voch- 
ten, bragten zij hun veel nadeel aan. Daarom werden de 
Bodkijaê van angst bevangen. Van de soldaten van die 3 
natiën kwamen slechts weinigen in gevechten om, maar velen 
stierven aan ziekten. 



Digitized by 



Google 



52 

Daar de dorpen regis en links van Gbwok liggende, allen 
zonder uitzondering zich al onderworpen hadden aan Raden Adi- 
pati Luitetiaat Kolanel Wi&uNeGaRa , die zich te Gowoi geleerd 
had, besloot de Generaal y dat hij westelijk moest voortdringeu 
en zich legeren buiten de benteng van JUalati, Vele links cii 
regts van Maiati liggende dorpen onderwierpen zich daar ook 
aan hem. 

Het Gouvernement was hem daarvoor hoogst dankbaar, eu 
verhief hem van zijn lagen tot een ho(^n rang, door hem 
te verheffen tot Paugeran Peaboenixgrat , Luitenant- Kdond 
van de pradjoeritê van de kratan , met het regt om den gouden 
pajoeng te dragen. Pangeran Praboenikgrat werd daardoor 
zeer hooghartig, en nam in één maand % Prinsessen ten hu- 
welijk. De een was een dochter van Pangeran MANKOEKOEsoEua, 
een van des Sultane voogden; de andere was een dochter van 
Pangeran SaNTaKOEsoi^.Ma. Yroeger was hij al met 2 Prinsessen 
getrouwd , van welke de een een dochter van Sultan Ranja, en 
de andere een dochter van Pangeran Aboebakau was. De laatste 
was zijn oudste vrouw geweest doch nu reeds overleden. Pangeran 
Praboexixoeat had dus gelijktijdig 3 vrouwen van aanzienlijke 
geboorte , en toen ter tijde was er niemand te Jogya^ die Pangeran 
Praboexixgrat in weelderigheid van levenswijze overtrof. 

172. Onder/ia?ideli7igen ?net Kjai 
Goeroe Manja. Zi^n on- 
derwerping. 

Pangeran Praboexixgrat ontving te Maiati bezoek van een 
afgezant van K^ai Goeroe MaDja , die (door dezen) vrijen toe- 
gang naar het land Padjatig verzocht. Pangeran Praboexixgrat 
antwoordde , dat hij hem dit niet durfde toestaan, en dat hij er 
eerst kennis van wilde geven aan den Ge7ieraal, Nadat die 
afgezant vertrokken was , gaf Pangeran Praboexixgrat kennis 
van dat verzoek aan Kolonel Cochius en Resident vax Nks 
van Joqya. 



Digitized by 



Google 



58 

0^ vrijdag den 22^ RabingodaJsnr (31 Oct. 1828) ging 
Rendmt van Nes met Kolonel Coohiüs nsokV hei doTf Mdlaü ^ 
met iMit Toornemen om met Xf'ai Gk)£RO£ Mai>ïa een bijeenkomst 
te bebben. Doch zij ontmoetten hem daar niet. AReenPanffe- 
ran Fsabobninobat ontmoette den a^essant van KJai Gosboe 
Maüji, met name Kjed Imaja Gasali, die hem mededeelde, 
dat Kjai Goeroe Manja nianand wilde ontmoeten dan de 
hoogste ambtenaren van het Holiandsche Gkmvemement. Ko- 
lond GooHius en Besident van Nes keerden toen naar de 
stad terug. Bij hun koiost in de stad gaven zij daarvan 
berigt (aan de autoriteiten) te Magïlang en KartasoerSu 

Op maandag den 25«> Rabingoelakir (3 Nov. 1828) kwam 
Lmimsavb Otmoemum Generaal ds Kock Tan Magïlang te Jogya, 
Tegelijkertijd vertrok Kolond Nahüijs, met Pangeran Ad^kUi 
PoEBOEBsUa, Pangeran Adipati Ngahèhi^ Pangeran Aiuja Ma- 
TAUAK, Saden Adipati Sa8RaDiNiNaB.AT , Patik van Soerdkarta 
en de Pangoehe van SoerakartL TA] ontmoetten elkander te 
Malaü. Pangeran Adipati van Madoer& en zijn broeder kwa- 
men hem daar ie gemoet. Den volgenden woensdag gingen 
Kclomd Nahuus , de Bseideni van Jogyè^ de PatiAs van Jogya 
en Soer&korta^ de Pangodoee van Jogyh en Soer&karia^ Pan- 
geran F&aboxningbat en Sajid Chasan Idin naar Malati, 
Kjai GoEKQE MaDj& had een pasanggrahan buiten het dorp 
nudden op de sawah^AAesi laten oprigten. 

Toen de Heeren met hun gevolg in die pasanggrahan kwa- 
men, en Kjai Goeroe MaDj& ontmoetten, gaven zij hem 
vriendschappelijk de hand. Kjai Goeroe M&]>j& omhelsde 
Sajib Chasan. Daarop zetten zij zich naar orde neder, de 
Holiandsche heeren en hun gevolg t«r regterzijde van Kjai, 
Goeroe M&dj& en zijn eigen gevolg aan zijn linkerzijde. 

Kdond CocEcnrs vroeg toen aan Kjai Goeroe Manja 

naar zijn kwaliteit, of hij namelijk door Sultan Noabdoel 

Chamib afgezonden was , dan of hij gekomen was uit ^gen 

bew^bg. 

Kj<d Goeroe M&Dja antwoordde: >i^ik ben door den Sultan 



Digitized by 



Google 



54 

wgezonden om te eischen, dat hij als Opperhoofd van deMo- 
^hammedaansche godsdienst erkend wordt". 

Waarop de Kolonel zei: //die zaak zal het Gouveraemeut 
vwel toestaan, indien Kjai Goeroe Maoja zich aan het Gt)u- 
// vernemen t onderworpen heeft. Kjai MaDJa moet nu maar 
.//alleen met de Raden Adipatiê en de Pafigoehes van Soerikarta 
//en Jogy& raadplegen. Ik weusch maar , dat Kjai MaDJa dan 
//dadelijk vrede met het Gouvernement maken zal". 

//Goed, Mijnheer!" antwoordde Kjai MaDj&, //ik verzoek 
^/daarvoor een termijn van 5 dagen." 

Daarop zei de Kolonel: //dat is mijn opregt verlangen". 

De PaTigoeloe van Soerakarta voegde er nog bij : //wat de 
//zaak van het geloof aangaat , daar in bragt het Gouvernement 
//vroeger geen veranderingen, en dat zal het nu ook niet 
//doen". 

Kjai MaDja snaauwde hem toe: //wel, wat stapt gij er 
//luchtig overheen ! Hoe weet gij dat ?" 

De Pangoeloe van Soerakarta wilde hem volstrekt even bits 
antwoorden, maar Rade7i Adïpati van Soerakarta bragt hem 
tot bezinning en toen zweeg hij. Evenzoo bragt Sa jid Chasan 
Kjai MaDjfi tot bedaren door hem een gezegde uit den Koran 
aan te halen. Toen zweeg hij. Op last van Kjai M&dj& 
werden nu ververschingen als koffij en gebak rondgediend. 
/Nadat zij daarvan wat gebruikt hadden, gingen zij uiteen, 
de Kolonel en zijn gevolg naar de stad en Kjai MaDj& naar 
het dorp Malawi, 

Op Zondag den "i^^ Djoeniadllawal (9 Nov. 1828) kwamen 
er afgezanten van Kjai Goeege M§Dja met een brief van hem. 
De afgezanten heetten Kjai Iman Gazatj, Hadji Ngabdoet. 
Wahab en Kjai TIIlïaDIHa^^a. De brief was gerigt aan Pangerau 
Praboeninouat , en hield in, dat hij gezind was vrede te 
sluiten , als men hem tot Hoofd van het Mohammed aausch 
geloof verhief. Het antwoord van den Generaal was, dat hij 
niet lang meer redeneren wilde, maar dat hij weer naar Ma- 
gilanjg en Kolonel Nahuijs naar Soerakarta terugkeeren wilde 



Digitized by 



Google 



55 

om den oorlog te hervatteu. Behalve dien brief verzocht Kjai 
MaDj& verlof om iiaar het landschapPo^^a^ te gaan; hij stond 
er borg voor, dat hij niemand leed zou doen, maar daar de 
beraadslagingen (over den vrede) hier nog niet afgeloopen 
vraren, hoopte hij ze daar in Pctdjang tot een goed einde te 
brengen. 

De Generaal stond hem dit niet toe , daar de bewoners van 
Paêjang nu rustig waren, en (als hij er kwam) zou de kleine 
nian maar een schrik krijgen. 

Kjai Iman Gazali hernam daarop: //zoo 't hem nietgeper- 
//mitteerd werd (naar Padjang te gaan en) veel menschen (als 
/rgevolg) mede te nemen , was het ook goed , als hij dan maar 
^800 man mogt medenemen'\ 

Ook dit stond de Generaal niet toe: waarop Kjai Gazali 
zeide: //als hij dan maar 20 man mogt medenemen'\ Maar 
ook dit stond de Generaal niet toe. 

's Maandags keerden de a^ezanten vau Kjai Goeroe M&DJ& 
met een brief ten antwoord terug. 

Des dingsdags ging de Generaal weer naar Magelaaig, Hij 
werd derwaarts vergezeld door Pangeran Adi^ti Kolonel SeTja 
Adiningrat van Madoera en zijn broeder Pangeran Luitenant 
Kolonel Soerju Adininorat, en verder gevolgd door B4ide^i 
Toemengoeng Majoor DjSjaDiNiNORAT , de burger fnantrig^ en 
Hadeti ArJ& Kapitein SosRJsiwiNaTa van Pamékasan. 

Op woensdag morgen den ^^^ Djoemadilawali).^!^^^,!^^^) 
vernam Luiteyiafit Kolonel t^e Bron , die zich te Kïmbangaroem 
gelegerd had, de tijding, dat de brandale zouden uitrukken. 
Daarom vertrok hij met zijn troepen in dienzelfden nacht 
naar de plaats waar de brandals zich bevonden in het dorp 
PM^m. Toen de Hollandsche troepen dadelijk op dat dorp 
aanvielen, kwam er een man buiten het dorp. De Luitenant Ko- 
lonel vroeg hem wat menschen er in het dorp waren, en hij 
antwoordde, dat Kjai Goeroe MaDj& daar met zijn troepen 
was, en dat hij vrede wilde sluiten en over de godsdienst 
spreken. Daarop zeide de-Cw/^;/a«^ JTo^öw^?, dat hij van de vroe- 



Digitized by 



Google 



56 

gere benndislagiiigen van KltUen uiet« ahrisL Men bleef toen 
bij het dorp PëHm oveniachteu- 

Den volgenden morgen vertrok £jai Goeroe M&Df& met 
een gevolg van ongeveer 500 man in een oostelijke rigting. 

De HoUandsche troepen volgden hem, en noodigden hem 
uit te vechten, of zoo hij niet vechten wilde, zich aan hen 
over te geven. Bij het dorp Tjïp&ka hield Kjai Goeboe 
M4dj& met al zijn troepen halt, e» bleef daar overnachten. 
De HoUandsche troepen deden hetzelMe. 

Den volgenden morgen vroegen de Hollanders aUe wapenen van 
Kjai M&sja op, en toen werden zij hnn overgegeven. Op vrijdag 
na afloop van het gebed vertrok Kjcd Ooeeoe MftDj& met zijn 
gevolg naar Kloten y waar hij Kolonel NAHtiiJs ontmoette. Op 
het verzoek van JSjai Ooeboe Mii>j& om maar dadelijk naar 
8oerakart& te gaan , antwoordde de Kolonel dat het beter was 
op de hoofdplaats (te Batavia) te beraadslagen. Toen vertrokken 
zij van Klaêen. Bij hmi komst te Kaliian verwijderden de 
lieden van zijn gevolg, die geen rang hadden, zich stilletjes. 
Er bleven niet meer dan 50 man over. De voomaamsten 
onder hen waren K)ai Bade&an, Kjai Moestjlpa, Alibasah 
Hasan Basabi, Toemengoeng Fadjano, Toemengoeng Wib&- 
Nêo&B^, Toemengoeng KëBT&Nêa&B&, Toemengoeng OiSihyfii.ix en 
Toemengoeng MANKO£jro£D&. Deze zetten de reis naar Sil&tiga 
voort, om van daar verder te gaan naar Samarang. Kjai 
Goeroe M&I)J& bleef nog sterk aandringen op zijn verzoek 
om den Generaal eerst te ontmoetten. Eindelijk stond men 
hem dit toe, en werd de reis voorloopig te Sdl&tigd gestaakt. 

Pangeran Adipaii van Madoerd^ die ach nu te Mdgèlang bevond, 
en zijn broeder ontvingen van den Generaal en zijn echtge- 
noote veel beleefdheden. Op maandag den IQ^n JDjoemadilaneal 
(17 Nov. 1828) vertrokken beide Pangera$is en die van Pa- 
mekasan van Magelang^ en keerden naar Jogya terug. Op 
't zelfde oogenblik vertrok Luitenant Gouverneur Generaal de 
KocK om Kjai Goeroe MSoji te Sdlatigd te ontmoeten. 

Toen Luitenant Gouverneur Generaal de Kogk J^ai Goeroe 



Digitized by 



Google 



57 

MiDji ontmoette, zei hij hem, dat het best zou zijn, dat 
Kjai GoEBOE MaDja zelf met den CommUsarM- Generaal sprak. 
Daarop werd Kpii Goeboe MaDja naar Katavia vervoerd , en 
keerde de Generaal naar Magïlang terug. 

73. Togi van DSiei naar Paêangi en 
gevecht aldaar, Togt naar SAoeh^ 
Bintjiran en het zeestrand. Ge- 
vecht bij Tauggoélaai en bij Toeri, 
De benteng van PaUtwoenan aan- 
gelegd. Bentengs rondom de ver- 
blijfplaats van Sultan Ngabdoel- 
Chamid te Pasangi, Zijn treurige 
toestand aldaar. 

De 4« kolonne , die aangevoerd werd door Majoor Bauek en 
Luüenant RiETVEiiD, en buiten de betiteng van i)?^4 gelegerd 
was, vertrok op dingsdag den ISea Bjoemadüawal (25 Nov. 1828) 
tegelijk met de van pieken voorziene pradjoerits onder Luitenant 
Kjai KëBOKëNSNG& en zijn lagere ambtgenooten 's nachts om 
12 uur van Dïksa om naar het dorp Pasangi^ ten zuiden 
van Kasambirata , te gaan. 's Morgens om 6 uur ontmoetten 
zij de brandals bij het dorp Pasangi. Zij werden met elkander 
handgemeen , maar na een gevecht van een half uur, vlugtteu 
de brandals in der haast. De Hollanders gingen toen in het 
dorp Pasangi y namen er wat rust, en vertrokken om 12 uur 
veer van daar naar BUksa, Buiten het dorp kwamen de dm;»- 
dids terug , en schoten op hen. De Hollanders beantwoordden 
bun vuur, al voortmarcherende. Bij den berg van het dorp 
Soesoetoro bleven de brandals, die hen op een a&tand gevolgd 
waren, staan. De Hollanders zetten hun togt nu voort, en 
keerden naar Behsd terug. Een korporaal, van de Madoere- 
^he met pieken gewapende jagers , met name Matjan kreeg 
een k(^el in zijn linker dij, Mas B^^ïdin in zijn regterhaud, 
Galtek. in zijn regterlende, en MëBTATROEN& in zijn linker dij. 



Digitized by 



Google 



'58 

Zij werden naar Mag'élang vervoerd. Er bleven nu nog 45 
(Madoerezen) in de legerplaats van Déha. 

Op den 16en DjoemadOakir (28 Dec. 1828) rakie Kolonel 
SoLLEwijN , die buiten de benteng van Matiger gelegerd was , 
met zijn troepen, als mede de kolonne met Madoerezen, die 
de hmteng van Bantoel bezet had uit naar ImdgirL Teen zij 's 
morgens om 7 uur te Imagiri kwamen, vertrokken zij naar 
het dorp Sïloeh. Om 10 uur daar komende, werden zij met 
de branddU op den oever van de Siloeh rivier handgemeen. 
£r ontstond van weerszijden een hevig geweervuur, doch uiet 
lang daarna retireerden de hrandals. Een Hollandsche LuUepani 
en 3 soldaten van de kolonne van J!fo«</<?r waren gewond. De 
Hollanders vertrokken toen oostwaarts en gingen in een boom- 
gaard, waar zij ongeveer 20 hoofden van hrandals vergaderd 
zagen. De Madoeresche oflScieren Radmi Pandji Kapitein Sh- 
B&wiNaTa, Baden Pandji Kapitein Djaj&DiPOEnli, Luit^iant Baden 
DjSjSiieKs&Na en Luitenant SiNoJlpJLTEa met 2 van geweren en 2 
van pieken voorziene pradjoerits vervolgden de braTidals die zij 
gezien hadden, tot op een afstand van 1^ paal zonder hen te 
achterhalen. 

Daarop vertrokken zij en beklommen den berg Bintjifon. 
Toen zij op dien berg hrandals zagen, naderde Baden Pandji 
Kapitein S&sESwiNaTi hen met 4 van pieken en 4 van geweren 
voorziene pradjoerits. Digt bij hen komende, schoot hij zelf 
op hen, zoodat een van de bratidals sneuvelde; de brandds 
wierpen hem met steenen terug. Niet lang daarna riep Komman- 
dant PoiiAND hem toe om terug te keeren. Hij deed dit, en toen 
vertrokken de Hollandsche troepen weer , dwars over de bergen. 

Bij den berg Gïgeran vonden zij ledige huizen, waarin zij 
halt hielden en overnachtten. Den volgenden morgen om 6 
uur vertrokken zij in een oostelijke rigting dwars door 't ge- 
bergte, de huizen overal in brand stekende. 

Op het zuider zee-strand kwamen zij bij een pasanggrakan 
van den Sultan van Jogt/a j waar hij vroeger wel eens ver- 
toefde als hij een togtje naar de Zuiderzee maakte, digt bij 



Digitized by 



Google 



59 

een druipsteengrot. Westwaarts gaande kwamen zij bij een 
zeer warme bron, met een dak van droppen overdekt. Verder 
westwaarts kwamen zij bij een dorp op het zeestrand, waar 
zij halt hielden en overnachtten. 

Den volgenden morgen om 6 uur vertrokken zij in een 
uoordelijke rigting langs den oever van de Opak-nvier ^ en 
verbrandden de huizen. Toen zij bij het dorp Siloek kwamen, • 
vas er een brandal , die een geschrift en een jonge klappernoot 
wegwierp en toen hard wegliep. Baden Pandji Kapitein Sa- 
sfiawiNaTa en Raden Pandji Kapitein DjajaDiPOEita lazen het 
geschrift, waarin stond, dat Raden Toeménggoeng NaxawiDjaja 
aan SoERaHeNOoai^ Sawah in leen gaf. Zij hadden het echter 
nog niet geheel gelezen, toen de hranddU van achteren kwa- 
men aanzetten en op hen schoten. De Madoeresche pradioe- 
riU kwamen nu spoedig terug om hen te vervolgen, en 't ge- 
lukte hun een van de brandals te vatten. Zij leverden hem 
over aan Luitenant Poland, die hem liet dooden. Hun ver- 
volging voortzettende, kregen zij nog 8 brandaU^ die ook 
gedood werden. De Hollanders hielden toen halt in het dorp 
Dawaloe, waar zij bleven oveniachten. 

Den volgenden morgen weder vertrekkende , en bij het dorp 
S^oek komende, vonden zij daar 5 brandals^ die om vrede 
smeekten, en ontbolsterde rijst, jonge klappemoten en tabak 
ten geschenke aanboden. De Hollanders zeiden hun, dat zij 
eerst de wapens, die in de huizen waren, moesten uitleveren, 
waarop de brandal^ antwoordden, dat er in de huizen geen 
irapens meer waren. Toen werden 3 van hen door de Hol- 
landers omgebragt ; namelijk : SoEBaKëNooaLa , die beweerde 
een bloedverwant te zijn van Pangeran SiNoasARi van Soera- 
^'^rta^ RëKsajiëNGoaLa en WiEaMëNGGail. Alle drie toch wa- 
njn aanvoerders van de brandaU geweest, maar de & anderen 
berden gelast naar hun woning terugtekeeren. De Hollanders 
'taken toen de huizen in brand , en keerden deels naar Man- 
9^y deels naar Bantoel terug. 

Majoor Bauer, Kommandant van de 4e kolonne, waarbij 



Digitized by 



Google 



60 

de van pieken voorziene Madoeresche jagers onder Luitenant 
Kjai KëBOKëNaNGa en zijn ondergeschikten gevoegd waren , en 
die te Behh gelegerd was , rigtte toen ter tijde een henteng 
bij het dorp Tanggoelan aan. Op zondag den 21*" Djcema- 
dilaür (28 Dec. 1828) werd hij door ongeveer 2000 brandaU 
aangevallen. Hun voorhoede, uit 80 man bestaande, was ge- 
kleed in rood lakensche baadjes en werd aangevoerd door AU 
Basah NaTapRAwma, alias Raden JlfiiïSéNTOT. ToendeHol- 
landsche troepen hen zagen kwamen zij dadelijk te geUjk 
met de troepen van Mangkoediningrat, aangevoerd door zijn 
jongeren broeder Pangeran PiiANGwëDai^a genaamd, buiten de 
versterking. In het toen ontstaande hevige gevecht bulderden 
de kanonnen der Hollanders met snel op elkander volgende 
schoten, maar de brandals hielden niet op voorwaarts te ruk- 
ken. Toen zij digt bij gekomen waren, vielen zij met ver- 
woedheid aan. De Hollanders deinsden terug. Kapitein van 
Ingen sneuvelde, Pangeran PRANGwënaNa insgelijks. Het 
geschut viel in handen van de vijanden, die hen tot digtbij 
de in aanleg zijnde benteng vervolgden. Spoedig kwamen de 
HoUandsche en Madoeresche jagers hun te hulp, en nu ont- 
stond er op nieuw een gevecht, waarna de 5ra»<^«/* terugdeins- 
den en vlugtten. Maar het geschut, dat zij buit gemaakt 
hadden, werd hen niet weer ontnomen, daar zij 't op hun 
vlugt medenamen. De Hollanders hadden 45 dooden, maar 
de Madoeresche jagers waren allen ongedeerd. 

Op woensdag den 24*** DJoemadüakir (31 Dec 1828) rukt« 
de 4» kolonne met die van Kaliwatoang uit. .Bij het dorp 
Toeri trofien zij brandaU aan , die op hen schoten , maar zij gingen 
zonder zich op te houden in het dorp, staken de huizen in 
brand en keerden toen naar hun posten terug , terwijl de hran- 
dnh hen op een afetand volgden en beschoten. Daarop keer- 
den de huzaren, lansiers, Alfoeren en Dajahs naar hen terug, 
maar toen de hrandah dit zagen, gingen zij op de vlugt, 
en daarop gingen de huzaren en hun gevolg naar hun leger- 
plaats terug. De Irmidah ziende, dat hun vervolgers weer te- 



Digitized by 



Google 



61 

rugkeerden, rukten weer vooruit en schoten, maar de Hollan- 
ders betrokken toen hun legerplaats zonder zich om hen te 
bekreunen. De Madoeresche jagers (met pieken) waren toen 54 
in getal , behalve. 10 jagers , die met geweren gewapend waren. 
Op donderdag den lOen Redj^p (15 Jan. 1829) vertrok de 
kolonne van Bantod , om een henteng bij den berg Palawoeiuin 
«umteleggen. De Heer Frager , die vroeger Kommandant van 
Jog^a was, voerde die kolonne nu aan. Als Konmiandant 
van Jogga was hij opgevolgd door Kapitein Boemestinq (Wes- 
TiNcx?), die de kolonne vroeger kommandeerde. 

Luitenant Poland keerde wegens ziekte naar de stad terug, 
en magtigde Luitenant Otto voor. hem de Madoerezen te 
konmiandeeren. De Madoeresche LuitenaM Moê SoERaDiLaaa 
werd naar de stad gezonden, omdat hij de koude koorts had; 
Luitenant Sckangbakat volgde hem op. 

De kolonne vertrok 's morgens om 6 uur van Bantoel. Ten 
westen van de Gfoenoeng Gamping ontmoette zij Kolanel Cochius. 
Onder het halt houden gaf de Kohnel aan Raden Pandji Ka- 
pitein DjajaKOEsoEiia last om aan zijn piekeniers mede te deelen, 
dat de met pieken gewapende soldaten, die bij de kolonnes 
ingedeeld waren, dezelfde soldij zouden ontvangen als de met 
geweren gewapenden, nl. 5 gld. in de maand. Allen betuig- 
den eenstemmig hun ingenomenheid met dien maatregel, en 
hun dank. Daarop werd de togt voortgezet. Toen zij om- 
streeks \% uur het dorp Tritis bereikten, kwamen Aehrandalg 
uit het dorp, en schoten bij pelotons te gelijk. Toen de 
HoUanders met geschut terug schoten, vlugtten de brandaü 
en vervolgden de Hollanders hun togt. Omstreeks bij de 
Goenoeng Palawoenan komende , namen zij de huizen in beslag , 
en sloegen er hun verblijf op. Niet lang daarna keerde Ko- 
lonel Cochius weer naar de stad terug. De Madoeresche pie- 
keniers moesten nu lieden opvatten, die aan de bentejig tegen 
een loon van 16 duiten daags zouden werken. 

De bentengs van de Hollanders werden al digter bij de ver- 
blij^laats van Sultan Noabdoet.-Chamid in het dorp Pangasih 



Digitized by 



Google 



62, 

aangelegd. Van de kant van JDéhd naderden zij tot het dorp 
Samake en tot de pasar van Nanggoelan^ ongeveer 4 palen 
ten noorden van het dorp Pangasih. Van de kant van de 
benteng van Tegalwéroe was die van Oeraiig^ 5 palen ten noord- 
oosten van Pangasih aangelegd , en van uit Bantoel legden zij 
nu de benteng van Palawoenan^ 5 palen ten oosten van Pan- 
gasih , aan. Eindelijk naderden zij het dorp Pangasih van uit 
de benieiig Manger door "t aanleggen van een benteng bij het 
dorp Tjoeijoek , ongeveer 5 palen zuid-oost van Pangasih. Ten 
westen van het dorp Pangasih lag het zoogenaamde KSlir 
gebergte. 

Sultan Ngabdoel Ch amid , die in het dorp Pangasih vertoef- 
de, was al den tijd zeer ter neer geslagen, omdat Kjai GrOE- 
ROE MaDja in de raagt der Hollanders gevallen was, en omdat 
de bentengs van de Hollanders al digter en digter bij Patigasih 
aangelegd werden. Om die reden zei hij tot zijn onderdanen : 
//hoort, mijn kinderen! daar de Hollanders mij vervolgen en 
//mij met hun allen als een bruid in een grooten optogt 
//willen afhalen, zoo verzoek ik u, mijn beminde soldaten! 
//een groot , deugdzaam paard te zoeken , opdat ik in staat zij 
//met de Hollanders te strijden." 

Baden Mas Soekoer deed nu aan Sultan Ngabdoel Chamid 
een voorstel , waarin hij beloofde zelf de inwoners van de gewes- 
ten van Samarang en Ditnak te onderwerpen. Hij verzocht 
dan van den Sultan gronden aan den berg Mnrapi liggende te 
mogen ontvangen. Dientengevolge werd Raden Mas Soekoer 
in rang verheven met den naam van Kjai Adipati SoERaDi- 
MëNGOaLa en met een Prinses in 't huwelijk verbonden. 

74. Kjai Qoeroe Maoja biedt zijn 
bemiddeling aan. Kapitein^Yn^s 
een tijd lang als gijzelaar aan- 
gehouden. Gevecht bij Pisanga7i, 
Voorloopige staking der vijande- 
lijkheden. 



Digitized by 



Google 



63 

Op dingsdag den 15«" Mdjep (20 Jan. 1829) kwamen er 
a%ezanten van Kjai Goeroe MaDja van Batavia bij Sultan 
Ngabdoel Chamid. Zij heetten Kjai Gazali, Hadji Noab- 
DOEL Wahab en Mohammad Chasan BësARi. Er was een 
HoUandsche Luitenant (beter Kajntein) Roeps, die Javaansch 
spreken kon , bij : Zij kwamen per rijtuig van Samarang^ gin- 
gen eerst in de benteng van Pisa^igany en toen in die van 
Malaü. Het doel van hun komst was Sultan NoABDOEii Chamid 
kennis te geven, dat K^'ai Goeroe MaDja zich nu te Buiten- 
zorg bevond , dat hij met zijn geheele gevolg in den tuin (van 
het paleis) logeerde, en dat de Ge^ieraal ten hoogste begaan 
was met Kjai Goeroe MaDja. Indien het Sultan Ngabdoet. 
Chamid dus behaagde iets aan den Gemraal te verzoeken, wat 
het dan ook zijn mogt, dan was hij Kjai Goeroe Maoja in 
de gelegenheid om dat verzoek aan den Generaal mede te deelen. 
Als de zaken bleven, zooals zij nu waren, zou er nooit een 
eind aan komen, en dat zou bij Kjai Goeroe Maoja hartzeer 
veroorzaken. Deze afgezanten kwamen bij Sultan "Ngabdoel 
Ckamid. 

Op dingsdag den 17««» Redj^p (22 Jan. 1829) kwam Luite- 
nmit Gouverneur-Generaal de Kook, die nog te Mag^lang ver- 
blijf hield, te Soerakarta^ en des vrijdags keerde hij naar ^öt- 
2tiang terug. 

Op dienzelfden dag kwamen de afgezanten van Kjai Goe- 
roe MaDj^ te Jogya^ maar zij lieten zich over den stand der 
onderhandelingen niet uit. Des zaturdags kwam Commissaris 
Xahuijs van So&i'okarta te Jogyakarta^ om AU Basah NaTa- 
PRAwiRa te ontmoeten , dewijl Sultan Ngabdoel Chamid in de 
zaak van de onderhandeling hem zijn vertrouwen gaschonken 
had. Op zondag vertrok Conmmaris Nahuijs van Jogy&y en 
arriveerde tegelijk met de afgezanten van Kjai Goeroe MaDJa 
bij de benteng van het dorp Gamplmig, Van daar werden die 
gezanten verder gezonden naar het dorp Pangasih om (den Sul- 
tan) berigt ta geven, dat Commissaris Nahuijs zich in de 
(^ieng van Gamplong bevond, en als 't hem {Sultan) behaag- 



Digitized by 



Google 



64 

de, stalde de CantmiamrU voor, dat Baden Ali Baaah Nara- 
PRAWiKa deu CompiismrU in de benieng zou ontmoeten. Baden 
Ali Baaah NaTapRAwiRa antwoordde: //als 't den Conminaris 
^welgevallig is, stel ik voor een bijeenkomst te houden op 
>fden westelijken Pr^^a-oever , en Kapitem Robps moet dau 
#voor mij borg zijn." 

Commissaris Nahuijs antwoordde dat hij al zoo ver weg 
van Soerakarta naar den oostelijken Pra^a-oever te Gamplong 
gereisd had, en stelde Baden Ali Baaah NaxaPRAWiRa voor 
de rivier over te steken. Maar Baden Ali fiewaA antwoordde, 
dat hij de rivier niet durfde over te steken; ook wilde hij 
Kapitein Roeps niet laten terugkeeren, indien Kjai Gtoeroe 
MaDJa niet teruggezonden werd. Ingeval men Kjat Goeroe 
MaDja verbande , zou Kapitein Boips ook verbannen worden , 
CU als men Kjai Goeroe MaDJ& om 't leven bragt, zou Ka- 
fitein Boeps hetzelfde lot ondergaan. Daarop liet Commiaaaris 
IsTahuijs weten dat het ook goed was, indien Baden Ali Ba- 
aah de rivier niet durfde overtesteken en dat hij niets anders 
Türzocht, dan dat hij een degelijk goed vertrouwd persoon 
zond , aan wien hij zijn voorstellen aan Baden Ali Baaah kon 
opdragen. Tot dat einde zond Baden Ali Baaah één Boepati 
met name Baden Toemenggoeng MangoendipoerS. Toen deze 
te Gamplong gekomen was, werd hij dadelijk in arrest gezet. 
Commiaaaflria Nahuijs zond daarop kennis, dat Baden Toeming- 
goeng MANOOENBiPOERa niet zou teruggezonden worden, indien 
Kapitein Roeps niet naar Gamplong teruggezonden werd. Toen 
daarna Kapitein Roeps te Gamplong kwam, werd Baden Toe- 
menggoeng MANGOENDiPOERa teruggezoudeu. De Commiaaaria 
vertrok toen weer naar Jogya, 

Daarna hervatten de brandala den strijd. Zij kwamen in 
gevecht met de kolonne van Piaangan. Het werd een hevig 
gevecht , doch voor dat het een verwarde kamp werd van man 
tegen man, scheidden de partijen met moeite, en keerde elk 
naar zijn verblijf terug. 

Op zondag ging Commiaaaria Nahuijs weer naar Soer&karia. 



Digitized by 



Google 



65 

Gedurende de maanden BoewaA en Poedsd (van 5 Febr. tot 
4 April 1829) bleven de vijandelijkheden gestaakt, omdat 
Sultan Ngabdoel Chahid dat verzocht, of, zooals anderen 
beweren , omdat het Gouvernement nog met hem onderhandelde; 
volgens anderen omdat het nog zoo erg regende. In dien tijd 
werd de magt van de brandals zeer groot en sterk. Vele 
dorpelingen, die zich aan 't Gouvernement al onderworpen had- 
den gingen weer tot de zijde der hranddls over. 

Op donderdag den 4" Sawal (9 April 1829) gaven Kolonel 
CocHïXJs en de Commandanten van al de Gteuvemements pra- 
djoerUs te Jbffya order aan alle pradjoerits om zich gereed te 
houden en op hun hoede te zijn, omdat de oorlog in 't groot 
zou hervat worden. 

Op vrijdag werd de kolonne van Bardoel onder Kapitein 
Pragee met de Madoeresche pradJoeriU van Bantoel verplaatst 
tot buiten de kleine benteTig van Karasan^ ongeveer 2 ^/^ paal 
teu zuiden van Bantoelkarang. 

75. Gevecht te Pripih. Gevecht te 
Irtn^-ireng. Togt naar Rangoe 
en Dfebogan en gevechten aldaar. 
Inspecties van de Madoeresche 
pradjoeritê, Togt naar Bempei 
en Gar'éffes. Togt naar Boekem. 

Op zaturdag deed Kolotiel Gochius een togt naar Mdnger ^ 
om de landstreek daar te onderzoeken. Toen hij van Hariger 
vertrokken was, en bij het dorp Priph kwam, trokken hem 
ongeveer 400 hrandaU met 8 vaandels, waaronder een geel 
vaandel naast een gouden pajoeng^ te gemoet. Toen de Kolonel 
dil zag, zond hij dadelijk een huzaar uit, om Kapitein Pra- 
<ïER te Karasan met al zijn troepen te ontbieden. Na de 
tonast van dien huzaar te Karasan^ vertrok Kapitein Prageb 
met zijn kolonne , waarbij 106 Madoeresche pradjoeritê met ge- 
veren onder Kapitein Baden Pandji SasRawiN^Ta en de Lui- 



Digitized by 



Google 



66 

ienants Raden SêrjaDiPOEBa en Kjou SëRANOBAKAT, eu 52 
piekeniers onder Kapitein Baden Pa/ndji D/ajaDiPO£Ra en de 
Luitenants Mas DjajaBëKsa en Baden DjajaLëKsaxa en onder 
't kommando van Luitenant Poland , ie zamen met de andere 
soldaten ongeveer 250 man en met 2 stukken geschut. Te 
Pripih komende, stalden zij zich tegenover de brandals of &bi\ 
a&tand , zoo ver als men iemand beroepen kan , ten westen 
van den weg, terwijl de Kolonel met zijn troepen voorwaarts 
1 ikte. Toen de brandals zagen , dat de HoUandsche troepen 
nader kwamen , gingen de brandaU allen haastig op de vlugt. 
Luitenant Poland en de Madoeresche ^oi^WH^ kregen nu den 
last om langs een omweg naar het geboomte van het dorp 
Pripih te gaan. Toen de Madoeresche pradjoerite ten westen 
van dat geboomte gekomen waren, gaven de brandals uit het 
oostelijk gedeelte van het geboomte pelotonsvuur op hen. De 
met geweren gewapende pradjoerit^ beantwoordden dat, en toen 
gingen de brandals op de vlugt, zonder dat men zien kon 
waarheen zij gingen. 

De Kolonel vertrok vandaar naar de henteng vslh Ireng-ireng 
eu niet lang daania kwamen er brandals uit het geboomte van 
Ir^ng-ireng. Men zag maar 7 man met geweren, en 3 reden 
te paard. De Kolonel gaf last om die personen te verjagen 
eu te vervolgen. De huzaren en lansiers gaven hun paarden 
de sporen en renden op hen af. Zij konden de brandals die 
te paard zaten , niet achterhalen , maar wel hen die te voet 
gingen. Deze werden achterhaald en na een gevecht sneu- 
velden allen aan pistoolkogels en sabelhouwen. De Luitenant 
van de huzaren werd door een bajonet van de brandals 
getroflen, waardoor alleen zijn rok scheurde. De geweren 
van de brandals werden buit gemaakt en bij den Kolonel ge- 
bragt. Deze vertrok nu naar Karasan\ niet lang na zijn 
komst aldaar , scheidde hij zich van de anderen en keerde naar 
Jogya terug. 

Op woensdag den 10*° (beter den 11") Sawal (15 April 
1829) ging Kapitein Praoer met zijn kolonue en de Madoe- 



Digitized by 



Google 



67 

resche pradjoerits op xnarsch naar het dorp Rcmgoe^ omdat zich 
daar, naar men verhaalde, veel hrandaU bevonden. Toen zij 
DU om 11 uur in het dorp Mangoe kwamen, vonden zij het 
vt^rlaien. Zij staken al de huizen in brand, en vertrokken 
naar het dorp Djïbogtm, Niet lang daarna zagen zij een voor- 
post van de brandah y bestaande uit ongeveer 40 ruiters, ten 
westen van de benkng van Kétoes. Toen de huzaren en lansiers 
hen vervolgden, en zij naar de hoofdmagt vlugtten, werd de 
vervolging gestaakt. Ongeveer 300 brandals hadden zich daar 
geposteerd. Zij hadden 3'geele, 3 roode en 2 witte vaandels 
eu 3 gouden pajomgi bij zich. De Hollanders hen ziende stel- 
den zich in slagorde, en schoten 10 malen met het geschut, 
waardoor één van de vijandelijke ruiters doodelijk getroffen 
werd. De brmtdals trokken toen al vechtende terug, en daarop 
werden de Madoeresche pradfoeritê gelast hen te vervolgen. 
Terwijl deze hen vervolgden, hielden dé brandah weer halt; 
maar nadat er spoedig weer met het geschut gevuurd was, en 
de Madoeresche pradfoeriêê met hun geweren geschoten hadden, 
vlugtten al de brandah in het gebergte. Na een vruchtelooze 
vervolging hielden de Hollanders halt, en niet lang daarna 
keerden zij naar Karasan terug, de huizen overal in brand 
stekende. 

Op zaturdag den 13*'» (beter den 14e°) Sawal (17 April 
1S29) ontving Hadm Toemenggoeng Majoor DjajaADiNiNGRAT 
van Madoerd last van Kolonel Cochius om 2 of 3 maal in de 
maand de legerplaatsen van de Madoeresche pradfoerits, die 
bij de kolonnes ingedeeld waren, te inspecteren. De beide 
Pangeranê werden daarvoor niet bepaald aangewezen, zij konden 
iu deze naar welgevallen handelen. De beide Pemgeranê en JZo- 
de» Toemenggoeng Majoor handelden overeenkomstig dien last. 

Op maandag den 15*" (beter den 16«°) Sawcd (20 April 
1829) 's morgens om 6 uur vertrok Kapitein Peager met zijn 
kolonne tegelijk met de kolonnes van Manger en Imagvri om 
de brandah in de dorpen Dempet en Garages in te sluiten. 
Ten westen van de benteng van Kééoeê zagen zij ongeveer 15 



Digitized by 



Google 



68 

brandalê te paard en 100 te voet met 4 vaandels. Nadat 
men 4 kanonschoten op hen gelost had, trokken de brandalê 
al schietende tenig. Toen de Hollanders hen tot aan de Opat- 
rivier vervolgden , vlngtten zij oostwaarts langs de beide rivier- 
oevers. De helft van hen stak de rivier over, en ging naar 
den berg Soeratjala. Terwijl de Hollanders oostwaarts trokken, 
zag Kapitein PxAGEn op een berg een vergulden pajoeng. Na 
2 kanonschoten vlngtten allen van daar. Nu trokken de Hol- 
landers op nieuw oostwaarts, en niet lang daarna ontmoetten 
zij de kolonne van Imagiri. Zij hidden nu halt en overnacht- 
ten in het dorp Dempet. Den volgenden morgen vertrokken zij 
in een westelijke rigting, overal de huizen in brand stekende. 
Kapitein Prageb zag ten westen van de graven van den Batoe 
van Girij Pangeran SoEHëDANG en Pangeran PoEBBaja, de 
vaandels van de brandalê. Op zijn nadering vlngtten zij, gin- 
gen in een dorp, en raakten zoo uit het gezigt. Kapitein 
Pbageb stak toen (de daken boven) de graven en de Mësdfid 
in brand, en vertrok toen, na eerst de huizen (in de nabij- 
heid) in brand gestoken te hebben. Om 12 uur bij het dorp 
Gareges komende, hield hij halt, en bleef daar den nacht over. 
Den volgenden morgen vertrok hij weer in een noordelijke 
rigting , de huizen in brand stekende , en toen keerde hij terug 
naar Karasan. 

Dingsdag den 23" (beter den 24") Sawal (28 April 1829) 
's morgens om half zes vertrok Kapitein Prager met zijn 
kolonne van Karasan ^ tegelijk met Kolonel Cochius, die dien 
nacht te Karasan had doorgebragt. In de benteng van Ir^ng- 
ireng hielden zij halt. Niet lang daarna kwam hun de kolonne 
van Imagvri tegemoet. De Kolonel vertrok toen met deze 
kolonne, en Kapitein Prager ging met zijn troepen naar het 
dorp Roékëm^ waar volgens geruchten veel Jra?^^fefo waren. Om 
1 uur daar komende , vonden zij het dorp verlaten. Zij staken 
toen al de huizen en de Mèsdjid in brand, omdat Pangeran 
Ngahèki en Pangeran SoEMaNeGaRa daar nu en dan verblijf hiel- 
den. Daarna keerde Kapitein Prager weer naar Karasan terug. 



Digitized by 



Google 



76. Togt naar Séntolo en gevecht 
aldaar. De hentengê van Sèntolo 
en Padasan aangelegd. Sidtan 
Ngabi>0£l Ghamid van Pmi- 
gasik verjaï^ gaat naar ^o^^- 
fe» èn tracht naar Djahdran- 
kah te ontkomen. 

Verhalen wij nu van de kolonue, die te Magëlang gelegerd 
was. Op zondag den 14en (beter den \h^^ Sawal (19 April 
18£9) vertrokken de kolonne van de benteng van Kali hawatig 
ouder Kapitein Ten Have met de Dajaks, de kolonne van 
Tègahoèroe en Qrhgol onder Luitenant Kolonel Ledei. met de 
Tidorezen, ten einde ten westen van de Pr(!^a-rivier bij Sèn- 
tolo^ ongeveer 4 paal ten oosten van het dorp Pangasih^ waar 
Sdktn Ngabdobl Ghamid zich bevond, een S(?^?ï^ aan te leg- 
gen. Ook bestond het plan om ongeveer 4 paal benoorden 
PangasiA in het dorp Padaê een benteng aan te leggen. Zij 
namen hun weg over de benteng van Pasa/r Nanggoelan en^ 
kwamen te Sèntolo uit. Toen zij daar één nacht geweest wa- 
reu, kwam er een aantal brandals aangevoerd door Beulen AU 
BasoA NaTaPKAWiEl Zij begonnen het gevecht boven op een 
berg, terwijl het hard regende, zoodat de geweren der Hol-, 
landers niet wilden afgaan, en deze daardoor in een moeijelij- 
ken toestand kwamen. Toen deden de Tidorezen een verwoe- 
den aanval , waardoor de gelederen der brandale verbroken werden. 
Als men den hevigen strijd zag, zou mén 't waarschijnlijk 
achten, dat er velen sneuvelden, en toch waren er niet veel 
dooden; slechts één Hollandsche huzaar, die sneuvelde bij 
een ontmoeting met AU Basah^ een zeer dapper en onoverwin- 
nelgk man, die op den avond van den ^Sen {Poewasa) van Sul- 
Urn XoABDOEL Ghamid een Raden Ajoe tot vrouw gekregen 
had. Van de brandale was één Ngabèhi^ met name Ngahehi 
TaoENSsëyT&NS gesneuveld, behalve 3 personen zonder rang. 



Digitized by 



Google 



70 . 

Ook waren er velen door de pijlen der Tidorezen gewond. Aan 
de zijde der Hollanders sneuvelde één Javaan. 

Daarop zetten de Hollanders hun werkzaamheden, n. 1. het 
traceren van de heniengs van Sè^itolo en Padas voort. 

In dezen tijd maakten de Hollanders een pont (over de 
Pragd) op bijna één paal afstand van de henteng van Gamphng; 
maar zij was toen nog niet gereed, en strekte zich uit naar 
het noorden ; 2000 man van Prabdlinggd onder MagcluTig werk- 
ten daaraan onder opzigt van Raden Toemtnggoeng JoEDa- 
Nëoana, een man die spoedig in rang was opgeklommen, daar 
hij vroeger maar den titel van Rdnggd voerde. Luitenant 
Kolonel Le Bron dekte hen met zijn kolonne van Plnangan. 
Kort daarop was de pont klaar. Zij was buitengemeen sterk, 
en werd door een kleine he^iUng op den westelijken Prdgd-o^- 
ver beschermd. 

Op dingsdag den 23eii (beter den 24?en) Saival (27 April 
1829) vertrok de Hollandsche krijgsmagt om &^/^« Ngabdoel 
Chamid in Pangadh ta belegeren. De Hollandsche legermagt 
bestond uit 7 kolonnes. De aanvoerders LuiUnant Kolonel 
Le Bron met zijn troepen , Luitenant Kolonel Ledcl met zijn 
troepen, met de Tidorezen en met Raden loemengoeng Sojijyk- 
NëoaRa van Prabdlinggd onder Magëlang aan 't hoofd van 2000 
man, naderden van het oosten. Kapitein Ten Have met 
zijn kolonne en de Dajaks en de 4^ kolonne van Pasar Nang- 
goelan met 58 van pieken voorziene Madoeresche jagers, onder 
Linte7ia7it Kjai KëBORëNaNGa, en de van geweren voorziene 
Soemene2nc}\G pradjoerits onder Majoor Dipaojaja naderden van 
het noorden. Ten westen van Pangasik bevond zich de ko- 
lonne van Manoreh met 1000 man van Manoreh^ benevens de 
kolonne van Britikïlan met 1000 Javanen uit diestreek. Ten 
zuiden van Pa7igasih stond luitenant Kolonel SoLiiEwiJN met 
zijn kolonne. 

De kolonnes van het noorden rukten vooruit, en kwamen 
te Kasambirdtd in gevecht, maar de brafidals vlugtten kort 
daarna, en werden door de Hollanders nagezet. Toen de ko- 



Digitized by 



Google 



71 

lonnes uit het oosten tot Pmigasih genaderd waren, kwamen 
zij ook in gevecht met de hrandals^ die echter niet lang daarna 
vlugtten, en door de Hollanders nagezet werden. Deze ko- 
lonnes vereenigden zich toen met die van hét noorden, en 
zetten gezamenlijk de hraiidak na tot aan de grenzen van 't 
laud Bagëlen^ zonder hen tè achterhalen. 

De Hollanders keerden toen naar Pangasih terug, staken het 
iii brand , overnachtten daar , en keerden den volgenden morgen 
naar Sentoio en Passar Nanggoelan terug. Aan de zijde der 
Hollanders was ééw met een geweer gewapende jager gesneuveld 
door een kogel van een van zijn eigen kameraden. 

Volgens berigten van de dorpsbewoners had Sultan Ngabdoel 
Chamid het plan om naar het Prao<?gebergte te gaan, naar 
het gewest Djabdrankah^ ten zuiden van het gewest Batang ^ 
op een afstand van één dagreis van daar. Hij werd door niet 
meer dan 100 man vergezeld , doch kon daar niet komen, om- 
dat de kolonne van 't westen hem daarin verhinderde. Daarom 
keerde hij weer naar Kadoe terug, de dorpen verwoestende. 
Radm AU Hasah NaTapiiAWiRa en 7 Toeménggoengs belastte 
liij met het bewaken van den westelijken Pm^a-oever. 

Ten zuiden van Jogya bevonden zich Pangeran Ngahehi^ 
Vangeran SoEMaNëoaRa, één AU Basah en 5 Toeménggoengê 
aan het hoofd van de hrandals. Nu en dan kwamen zij in ge- 
vecht met de Madoeresche pradjoerits , die te Karasan gelegerd 
waren. 

77. Aanval van de brafidals op de 
bentettg van Karasan. Togt naar 
Kidjing, Een benteng aldaar op- 
gerigt. Sultan Ngabdoel Cha- 
KiD in het dorp Kêdoe. De ben- 
teng bij de Goenoeng Kalipira 
aangelegd. De brandals te Ka- 
mtnbirat& bij nacht overvallen. 
De benteng van Bepok aangelegd. 



Digitized by 



Google 



72 

Op Vrijdag den a6««* (beter den 27'°) Sawd (2 Mei 1829) 
's middags om 12 uur trokken de branflah van de zuidzijde 
naar Karaaan op. Zij waren 250 man in getal, en hadden 
5 vaandels bij zich. Toen Kapitein F&aoeb hoorde, dat de 
hraiidah hem wilden komen bezoeken, rukte hij spoedig met 
zijn kolonne uit. Tegenover de hrandah staande, werden de 
Madoeresche pradjoerits gelast met de huzaren vooruit te gaan. 
Zij haastten zich luid schreeuwende voorwaarts te gaan , en vie- 
len zoo verwoed aan , dat de brandalê van schrik wegvloden. Een 
van hen werd door een huzaar nsêrgesabeld. Toen de Madoe- 
resche pradjoerits hen op eenigen afstand vervolgden, bleven 
zij staan om te vechten. De Madoeresche pradjoerits en de 
huzaren kwamen hen echter vol moed nader, en toen gingen 
de brand<ds andermaal op de vlugt , zonder dat men zien kon 
waarheen zij gingen. De Hollandsche troepen keerden daarop 
allen ongedeerd naar Karasan terug. 

Op Zaturdag verwijderde Kapitein. Prager zich met zijn 
kolonne naar de nabijliggende dorpen om brandals te zoeken. 
Ten zuid-oosten van het dorp Samen zagen zij ongeveer 340 
brandals. Toen de Hollanders met geweren en geschut op hen 
vuurden , trofTen zij een brandal, die te paard reed en dood neer- 
viel. Daarop vlugtten de anderen buiten het gezigt. 

Op Maandag kreeg Kapiteifi Prager order om met zijn ko- 
lonne bij het dorp Kédjing , ten zuid-westen van het dorp &- 
men^ post t-e vatten, omdat de Hollanders niet ver van het 
dorp Kédjing een henteng wilden aanleggen. 

Op dienzelfden dag vertrok Kolonel Cochiüs met de beide 
Madoeresche Pangerans^ vergezeld van Radeti Toemèngoeng Ma- 
joor DjSj&-adiningrat , en met Soemén^psche en Paniékasansehe 
Prinsen, uit de stad. Bij de henteng van Boeloes ontmoette hij 
de kolonne van Im&giri, die zich al te Boeloes gelegerd had, met 
2 groote stukken geschut, die men in de benteng van Kédjing wilde 
plaatsen. Nadat men de noodige toebereidselen gemaakt had, 
om die stukken door buflels te doen wegsiepen , vertrokken zij 
naar Kïdjing^ waar zij omstreeks 9 uur aankwamen, en Luir- 



Digitized by 



Google 



73 

iejuuU Koland Sollewun van Mcmger met KapUein Prager vau 
Karoêtm aaatrofien. De troepen vau Mmiger kregen uu order 
om ten zuiden van het dorp op eeuigen afetand post te vatten. 

Daarop liet Kohnel CJochiüs de plaats voor de hmteng be- 
* stemd afbakenen , en vertrok even over 10 uur weer naar Jogi/a^ 
met allen die hem van de stad gevolgd waren. Het dorp Ke- 
djmg was (uigeveer 10 palen van de stad gelegen. 

Nadat Sultan. NeABDosL Chahid van het dorp Pcmg^sih 
verjaagd was, verwoestte hij de dorpen in het Kadoeacke, Hij 
had eerst niet meer dan 100 man bij zich, maar toen hij 
door % dorpen gegaan was, groeide zijn gevolg weer tot 1000 
man aan. Hoe meer dorpen hij doortrok, des te grooter werd 
zijn aanhang, die weer uit duizenden bestond. 

Hij gaf hun last om de bentengê van Soembiran en Têgalwiroe 
onder Magelang aantevallen. Zij deden dit, en trachtten de 
kazernes buiten die beide bantengs te overmeesteren. Toen 
de Hollanders hoorden , dat Sultan Ngabdoel Chamid zich 
iu het dorp Kedoe bevond, lieten zij spoedig een aantal ko- 
lonnes daarnaar toe marcheren om den Sultan te belegeren. 
In een hevig gevecht werd Sultan Ngabdoel Chamid bijna 
gevangen genomen. Hij kreeg veel dooden en gewonden, maar 
men wist niet waar heen hij ging. 

Op Donderdag den 3*° (beter den é*** Doelkaïdah (7 Mei 
1829) vertrok de 4* kolonne , die nu in de benteng van Pasar 
Nanggoelan onder Magelang gelegerd was, van daar om een 
henteng op den berg Kalipird aan te leggen. Daar komende, 
namen zij daartoe de noodige maatregelen. Dit duurde tot 
Zaturdag den ia«» (beter den 13*») DoelkaïdaJi. (16 Mei 1829). 
Toen kregen de met pieken gewapende Madoeresche jagers, 
onder Luitenant Kjai KêB0KëNaNG&, die 58 man aanvoerde, 
vergezeld van de Gomoengtaloache soldaten last om 's nachts 
om 2 uur als roovers naar de zuidzgde van Kasambirata te 
trekken. Toen zij daar kwamen, vonden zij de brandals sla- 
pende. De Madoeresche jagers met pieken vielen verwoed op 
hen aan. De brandahy die den dood ontkwamen, vlugtten 



Digitized by 



Google 



74 

verward naar alle kanten ; 5 van hen , waaronder één Toemèng- 
goeng kwamen daarbij om het leven, en 10 werden gewond. 
De goederen van de brandaU werden door de Madoeresche 
jagers bait gemaakt, nl. 2 paarden, alsmede pieken, itm#^ en 
3 irwscheden. Daarop keerden de Madoeresche prcidjoerUê al- 
len ongedeerd naar de Goenoeng Kalipird terog. 

Toen de Hollanders, die de henteng bij het dorp Kidjmg 
aanlegden, die gereed hadden, keerde Kapitein Praoer met 
zijn kolonne en de Madoeresche pradjoerits naar Karoion terug. 
De Madoeresche pradjoerits , die toen ter tijd tot de kolonne van 
Kapitein Praoer te Karasan behoorden, bestonden uit 117 
met geweren gewapende pradjoerits^ de onder-oflScieren mede- 
gerekend, onder Kapitein Raden Pandji SSsr&win&t& en de 
Luitenants Baden SeTjaBiPOER& , Kjai SeRANOBAKAT en Sing&- 
P&TR& , verder uit 52 pradjoerits met pieken, de onder-officieren 
medegerekend , onder Kapitein Baden Dj&jSiDiPO£R& en de Lui- 
tenants Mas Dj&j&RëKs& en Baden Djaj&i.ëKs^N&. 

Omstreeks 10 dagen later, op Maandag den 28*° (beter 
den 29*") Boélhaldah 1756 (1 Junij 1829) vertrok Kaptm 
Praoer met de 10* kolonne van JPijra^a» naar het dorp Dégaöi, 
om daar nog een bejit^eng op den oever van de Opak aan te leggen. 

78. Verplaatsing van ambtenaren. 
Togt naar Wdndpeti en Ka- 



De Secretaris Baron van Beede werd bevorderd tot President 
(beter Lid) van den Raad (van Justitie) te Soerabaja^ en de Heer 
VAN Teijt.ingen volgdc hem als Secretaris van Jogyd op. Deze 
was vroeger Assistent-Besident van Madoerd en zeer bevriend met 
Z. Hoogheid, den Sultan van Madoerd. Eenigen tijd later 
was hij Assistent-Besident van Djapara geworden, en nu werd 
hij Secretaris van Jogyd, Hij kwam te e/öj^yi op Maandag den 
7" (beter den 8") Doelkaïdah 1756 (11 Mei 1829). De 
Assistent-Besident van Sdldtigd^ Baron van Reede, volgde hem 



Digitized by 



Google 



75 

als A^iêtófUSeêident vau Madoerd op. Deze was ook bijzon- 
der bevriend met Z. H. den Sultan van Madoera. 

Nadat de Hollanders de bentcTig bij het dorp Depok hadden 
aangelegd, legerde Kapitein Fraoeb zich met al zijn troepen 
buiten de benteng van Manger in de plaats van Luitenant Ko- 
land SoLLEWUN, die met zijn troepen naar het dorp Wanapèti 
op den westelijken Pri^a-oever trok , omdat Sdtan Ngabdoel 
Chamid zich in de nabijheid in het dorp Kitjoeboeng bevond, 
nog steeds vergezeld van 2000 ^ 3000 volgelingen. 

Op Maandag den 11»° Moeharam 1757 (13 Julij 1829) ver- 
trok Kolanel Cochius van Jogt/a om naar de benteng van Wa- 
napëti te gaan, te gelijk met troepen, die daarheen proviand 
bragten; te weten een detachement pradjoerits met geweren en 
geschut onder aanvoering van Luitenant van Dionant en te- 
vens met Pangeran Adipati Kolonel SëTja-ADiNiNGEAT en zijn 
broeder Pangeran Luitenant Kolonel SoEEja-ADiNiNORAï , ge- 
volgd door de Madoeresche Kapiteins^ Luitenants^ civile Mantris ' 
en al hun eereteekenen , gedragen door uitgelezen loeraïis. 
Raden Toemengoeng Majoor Djaja-ADiNiNGEAT mogt niet mee- 
gaan, maar moest op last van den Kolonel de orde onder de 
pradjoeritSy die te Jogj/d bleven, bewaren. Zij vertrokken 
's morgens om half zes van Jogyd^ en kwamen om 8 uur te 
Karasan^ waar zij de OfBicieren , die hun van Manger te gemoet 
gegaan waren, aantroffen; nl. Raden Kapitein Pandji SasRa- 
wixaia, Raden Pandji Kapitein Djaja-DiPOERa , Luitenant 
Sixoa-paTBa , Luitenant Raden ADiNëoaBa, Luitenant Mas Djaja- 
KCRsa en Luitenant Poland. Zij boden Kolonel Cochius en de 
andere Pangerans hun groeten aan en bewezen hun onderdanige 
hulde aan de beide Madoeresche Pangerans. Het deed den 
Madoereschen OflScieren en Luitenant Poland ontzaggelijk veel 
genoegen, dat zij de Pangerans ontmoetten. 

Daarop vertrokken zij , en om half negen kwamen zij bij 
de benteng van Manger^ waar zij een nacht overbleven. Raden 
Pandji Kapitein Djaja-DiPOEua haastte zich om de beide Pa- 
ngerans eten aantebieden, als versch gevangen zeevisch, want 



Digitized by 



Google 



76 

het dorp Matiger lag digt bij de zaidzee. Zij aten er met 
veel gretigiieid van , want sedert 4 jaren hadden zij geen versche 
zeevisch gegeten, Zij gaven Raden Pandji Kapitein Djaja- 
DiPOEEa hun hartelijken dank te kennen; want onder al de 
Madoeresche Officiereu te Manger was er geeu een, zoo bij der 
hand en zorgvuldig in 't klaar maken van eten voor de beide 
Pattgeran^^ als Raden Pandji Kapitein Djaja-DïPOERa, zoo dik- 
wijls zij te Matiger kwamen. 

's Morgens om 7 uur vertrok Kolonel Cochiüs met de beide 
PangeraM en de troepen en met het proviand, dat voor Wa- 
napéü bestand was. Toen zij om 9 uur den Prdga oever be- 
reikt hadden en het proviand naar den westelijken oever wilden 
overbrengen, waren de Hollanders van WdttêpSü daar al op 
den westelijken oever, om het in ontvangst te nemen. Na- 
dat dit geschied was, keerde de Kolonel met de beide Patige- 
ranê en de troepen naar Manger terug, en bleef daar over- 
nachten. • 

Den volgenden ochtend om 7 uur vertrok Kolonel Cochiüs 
niet de beide Pangerans en met Kapitein Kommandant Pragkii 
en Luitenant Poland benevens alle troepen van Manger^ om 
Luitenant Kolonel Solt.ewijn te Wd7iapeti een bezoek te brengen. 
Om half een daar komende aten zij , en om 2 uur vertrok de 
Kolonel met de zijnen van Wdnapèti. Zij gingen langs het 
zeestrand, waar de weg groote moeijelijkheden opleverde. Bij 
de monding van de Pm^^-rivier staken zij dien over. In 't 
midden van de rivier vielen vele ruiters van hun i)aarden ten 
gevolge van de diepte van den moerassigen grond. Maar Pangetan 
Adipati Kolonel SëTja-ADiNiNGiiAT viel niet van zijn paard, om 
dat zijn paard, als van Margdwati afkomstig, zeer sterk was. 
ïoen zij op den vasten wal gekomen waren, hielden zij een 
oogenblik rust in de benteng van Baieberan, Daarop vertrokken 
zij naar het dorp Brbêoty hielden daar weer een oogenblik rust , 
en toen gingen zij naar de betiteng van Kaliwatang , om daar 
wat uit te rusten. Van daar weder op marsch gaande, kwa- 
men zij 's avonds om half zeven te Manger^ waar zij ovemacht- 



Digitized by 



Google 



77 

ten. De a&tand van Manger naar W&napèti was ongeveer 
9 palen. 

Den volgenden morgen om 10 unr vertrok de JTofo»^? met de 
beide Pa/ngeranê en de troepen, die hem van de stad verge- 
3Eeld hadden, van Manger, Te Karasan verzocht de Kolonel 
de beide Pangerans naar de stad terugtekeeren , wat zij dan 
ook deden. De Kolonel was voornemens om naar de benteng 
van Kamédjing te gaan, en wilde liever dat de beide Pange- 
rans dadelijk maar naar de stad terugkeerden , omdat de ö^^f^^ 
van Kantédjmg te klein was om hun logies te verschaffen, en 
ook nog niet gehe6l gereed was. De beide PangeransYe^rdien 
met al hnn gevolg naar Jogya terug. De Kolonel zette met 
zijn troepen den togt naar de benteng van Kamédjing voort, 
en hield daar halt. 

79. Mas Toeménggoefig Dj&j&nS- 
G&R& in zijn henteng bij Ka- 
midjing h^e^rdi. Zijn neder- 
laag en dood. Togt naar 
TanUsan. Sultan Noabdoel 
Chakib van daar verjaagd. 
Saden Mas Soekoee en Toe- 
minggoeng Adipati Anom on- 
derwerpen zich aan het Gou- 
vernement. Togt naar Dar^ 
en gevecht aldaar. 

De hoofdaanvoerder van 't leger van SuUafi NoABDosii 
Chakid heette Mas Toeménggoeng Dj&j&NëGSB&, iemand van 
zeer lage geboorte, vroeger Dj&J&i£ëNG&L& genaamd. Hij was 
van een zeer losbandige levenswijze, vol lagen en listen, maar 
sedert de dorpen Samen ^ Kamédjing en Depoi door heniengs 
beschermd werden, mogt het hem niet gelukken de bewoners 
van bet dorp Samen onder zijn bevelen te krijgen. Daar hem 
dat ergerde, legde hij een kleine benteng op een berg aan, en 



Digitized by 



Google 



78 

stelde daariu 3 kanonnen , ten zuiden van het dorp Kamêdjing. 
Ook schreef hij een uitdagenden brief aan Kolonel Cochius, 
en zond dien naar de benteng van Kamèójing. De brief kwam 
toen de Kolonel zich daar nog bevond. Nadat de Kolonel den 
inhoud van dien brief vernomen had, gaf hij last om 4 kolonnes 
bijeen te brengen. Vrijdag den 15^° Moeiaram (17 Julij 1829) 
kwamen de 4 kolonnes de benteng van Mas Toemenggoeng DjI- 
jaNëGaR& belegeren. Na een hevig geweervuur van beide 
zijden kwamen de Hollanders in een hachelijken toestand, daar 
't hun niet gelukte den berg te beklimmen. Alleen aan de 
troepen van Luitenant Kolonel le Bron gelukte het de Ae«^^ 
van achteren te beklimmen. Een sergeant van de Mankoe- 
NeoiR&sche troepen van Soerakartd klom langs de neerhangende 
wortels van een waringin-hoom. naar boven , en zag dat de ben- 
teng verlaten was. Hij deelde aan een Hollandschen Kapitein 
mede , dat de benteng ledig was en verzocht hem vrijheid in de 
benteng te gaan. Toen hem dit toegestaan was, ging hij er in, 
maar binnen komende, kwam Mae Toein^nggo&ng Dj^aNëoaiia 
juist uit zijn verblijfplaats in een ravijn te voorschijn. Van 
zijn gevolg waren maar 3 man meer over; een van hen was 
zijn Goei'oe , de ander was een trompetter en de 3* een stal- 
knecht. 

Mas Toemenggoeng Dj&jSNëo&iiS zei tot den MANKOENëoaBa- 
schen sergeant: //nu leer ik voor 't eerst de gewaarwording 
//kennen van iemand , die strijdt met een (boer met een) lederen 
//buikband." 

De sergeant antwoordde: //wel hoekomt dat in je gedachten? 
//als ik bang was om te sterven, dan zou ik hier niet alleen 
//zijn." 

Mas Toeminggoe^ig DjSj&NéG&K& trok spoedig zijn hris^ en 
stak naar den sergeant, die hem de kris ontrukte, en Mas 
Toemenggoeng DjSj&NêGaii& er mede stak. Daarop ontstond 
een gewring en geworstel, tot dat zij op den grond vielen. 
Doch daar Mas Toemenggoeng Dj&j^Nëo&nS nog niet dood was, 
kwam er spoedig een andere sergeant van MANKO£NëG&R& en 



Digitized by 



Google 



79 

sloeg hem met de kolf van zijn geweer op het hoofd, zoodat hij 
stierf. Na den dood lieten de beide worstelaars elkander nog 
niet los. Daarop sloeg hij Mas Toem^nggoenffDjhhféQhsLkhei 
hoofö af, en bood het Luitenant Kolonel le Bkon aan, en deze 
liet het aan Kolonel Cochius brengen, die het op een staak liet 
plaatsen. Het lijk van den MANKOENëoaKaschen sergeant werd 
gereinigd, en na de gebruikelijke gebeden met eerbewijzen 
naar Soerdkartd vervoerd. Hij stierf op dien vrijdag na het 
moorddadige tweegevecht. 

Men vond hi dien tijd zelden een man, als de HoogEdel- 
Gestrenge Heer Kolonel Cochius. Hij was bedreven in 't 
oorlogvoeren, wijs en schrander en zeer begaan met den dood 
van zijn gewone soldaten ; van daar dat Kolonel Cochius, zoo- 
lang hij in Jogya het bevel voerde , nog geen nederlaag geleden 
had. Om al die redenen genoot hij in volle mate de gêne- 
genlieid en 't vertrouwen van Luitenant Gouverneur-Generaal 
DE KocK, en waren zij het steeds met elkander eens. Bei- 
den waren helder van verstand, zachtzinnig, regtvaardig, ver- 
gevingsgezind, onverzettelijk en standvastig in 't strafiTen en 
beloonen. Al de belooningen en straffen, die zij gaven aan 
hun ondergeschikten , aanzienlijken of geringen , waren geëven- 
redigd aan hun betrekking , zonder lievelingen of personen van 
hooge afkomst voor te trekken. Daarom waren allen met ont- 
zag en liefde aan Luitena7it Gouverneur-Generaal de Kook en 
Kolonel Cochius gehecht. 

Op Zondag den 24«° MoeJiaram 1757 (26 Julij 1829) ver- 
trok Luitenant Kolonel Solt.ewijn , die in de benteng van Wa- 
ndpeii gelegerd was met zijn kolonue naar Ta?ikiêan, omdat 
men verhaalde, dat Sultan Ngabdoel Chakid zich daar be- 
vond. Ook kwam er een kolonne uit het Mag^langscAe, Met 
deze kolonnes wilden zij (den vijand) den uitweg naar het 
noorden a&nijden. Toen Luitenant Kolonel Cochius met zijn 
troepen digt bij het dorp Tankisan gekomen was, verdeelde 
hij die in 3 afdeeüngen om het dorp aan te tasten, maar iSi^- 
tan Ngabdoel Chamid ging met zijn gevolg in allerijl op de 



Digitized by 



Google 



80 

vlagt, doch daar dé Hollandsche troepen vermoeid , en bij hun 
marsch van W&napUi naar Tanktêoai al een a&tand van onge- 
veer 17 paal afgelegd hadden, en de weg moeijelijk begaan- 
baar was , begreep men , dat de vervolging vruchteloos zon zijn, 
zoodat de Hollandsche troepen maar in het dorp gingen, en 
de huizen daar in brandstaken. 

Twee Hollandsche Zuitenanis zagen toen een groot huis. Zij 
gingen er naar toe, en wilden het in brandsteken, maar toen 
zij op het plein gekomen waren , kwam de (vroeger) verbannen 
zoon van Kjai Adipati van Samarang, Baden Moê Soekoeu, 
die de zijde der brandalê gekozen had buiten het huis. Hij 
vroeg in 't HoUandsch vergifienis , gaf zijn kri* over, en deelde 
mede , dat in dat huis de (oudste) zoon van SuUan Ngabdoel 
Chamid, Fangerom Adipati Anom met zijn vrouwen zich be- 
vond, en vrede wilde maken. Niet lang daarna kwam Pa«^^- 
ran Adipati AxoM naar buiten , en gaf zijn wapens over. Men 
nam genoegen met zijn vredesvoorstel , en voerde hem met 
zijn gevolg , bestaande uit 6 vrouwen en 7 mannen, naar Wa- 
napeü mede. Op Woensdag werd hij naar Mangsr gebragt. 
Kolonel CocHiüs vertoefde te Manger 6 dagen lang, uitzien- 
de naar de komst van Pangeran Mankoeboemi, die naar men 
verteld had, zich onderwerpen wilde, maar hij kwam nog niet, 
alleen zijn £ minderjarige zoons met hun bij wij ven kwamen 
zich onderwerpen. 

Op dien Woensdag wilde men Pangeran Adipati Anom naar 
de stad voeren, en de Secretaris van Teulingen kwam hem 
al uit de stad te gemoet, maar Pangeran Adipati Anom ver- 
zocht wat uitstel, omdat hij nog zoo vermoeid en zijn vrouw 
6 of 7 maanden zwanger was. Men stond hem dat uitstel toe. 
Kolonel Cocmus en de Secretaris keerden óp dien dag naar de 
stad terug. 

Op Donderdag morgen om 4 uur werd Pangeran Adipati 
Anom naar de stad gebragt onder geleide van de Madoeresche 
pradjoerits die te Manger waren, en van Kontmandant Poland. 
Zij kwamen even over 1 uur in de stad. Bctden Mas Soekoer 



Digitized by 



Google 



81 

werd in het fort geplaatst, en in een kamer opgesloten met 
één vrouw bij zich. Pangeraai Adipati Anoh werd ook daar- 
heen gebragt , maar zijn kamer was niet gesloten, en de menschen 
konden bij hem komen , doch hij werd door soldaten met één 
Luitenant bewaakt. 

Toen de Mag^langêche kolonne , die den vijand de pas (naar 
't noorden) afgesneden had, bij de overgave van Pangeran 
Adipaii Anom tot het dorp Kalidèngen gekomen was en bran.' 
dak zag, werden de Madoeresche jagers die bij de 4* kolonne 
behoorden , namelijk LuUetiant KêBOKëNaNoa en Sergeant LêM- 
BOETëNGoana met hun onderhoorigen , te gelijk pet de hu- 
zaren, lansiers, Djafengs'ikars en Dajaks vooruitgezonden. De 
brandaU dit ziende vlugtten naar alle kanten. Toen vervolg- 
den hen de Madoeresche jagers met alle kracht, en 't gelukte 
han 10 hrandaU te dooden, en één vaandel buit te maken. 

Op Zondag den 1«° Sapar (2 Aug. 1829) werden Pangercm 
Adipati Anok en Beulen Mas Soekgsb. met hun gevolg naar 
Samarang getransporteerd. 

Op Maandag den 2**^ Sapar (3 Aug. 1829) vertrok de é'' ko- 
lonne , die in een benteng op de grenzen van Magtlafig gelegerd 
was, van daar om naar het dorp i?ar»*a op te rukken. Bij hun 
komst aldaar wikkelden de brandals zich in een verward ge- 
vocht van piek^i tegen pieken. Zij konden hun geweren niet 
afschieten, omdat vriend en vijand door elkander liepen. Niet 
lang daarna vlugtten de brandals naar alle zijden. Van de Ma- 
doeresche jagers was er één, nl. loerah Ma.tjandalih gesneuveld , 
en er waren 4 gewonden : Sergeant LëMBOETëNGoaRa met 4 won- 
den , Sergeant SiRKasaja met 9 wonden, loerah BaNOsawATjaxa 
met 1 wond en loerah Wi»aTANGiNGSiR , ook met 1 wond ; 4 
pieken van het £Ektsoen poetang sSldkd waren a^ebroken. De 
hrondalê hadden veel gesneuvelden en gewonden. 

80. Sultan NGABDosii Chahid op 
den oostelijken Pro^a-oever ver- 
volgd. Hevig gevecht te JV^a- 



Digitized by 



Google 



82 

mn. Hij gaat naar RadjM en 
Gantjahan en laat de bentengs 
van Dj'émhïran en Gantjahan 
in brandsteken. De vrouw van 
den jongen Pangeran Mankoe- 
BOEMi onderwerpt zich met an- 
deren aan het Gouvernement. 

Op Vrijdag den 6^*^ Sapar (7 Aug. 1829) ging Mtan Ngab- 
DOEi. Chamid naar den oostelijken Prdgd-oe\eTy en hield op 
in het dorp Soemangoer ten noorden van de benteng van Pad(M. 
De HoUandsche troepen , ten getale van 4 kolonnes gingen er 
dadelijk naar toe , namelijk : 1 kolonne van Manger , 1 van Pi- 
sangan^ 1 van Kamêdjing en 1 van Gamplong^ maar voor dat het 
tot een gevecht kwam, trok Sultan Ngabdoel Chamid van daar 
in een noordelijke rigting , met ongeveer 500 man bij zich. De 
kolonnes van PUangan en Gamplong vervolgden hem met spoed. 
Ten noordwesten van de Goenoeng Gamphig in het dorp Ngawin^ 
achterhaalden de snelste vervolgers de vijanden, die zich daar in 
hinderlaag gelegd en verscholen hadden. Het werd een verwarde 
levendige strijd. De brandals werden aangevoerd door Moê Sex- 
TOï of AU Basah NaT^PRAWiEa , die te paard zittende met zijn 
piek rondzwaaide, hoewel zijn eene hand toen nog niet van een 
kogel wond genezen , en nog met een doek omwonden was. De 
HoUandsche troepen waren nu in een benarden toestand, om- 
dat velen van hun makkers nog achtergebleven waren. Luitenant 
Kolonel Le Bron kommandeerde zelf; een piek van de brandal4 
stak hem door zijn broek. Daarop kwam een menigte huza- 
ren te hulp, en toen vlugtten de brandaU verschrikt en in 
verwarring naar het noorden, den Sultan achter na. Yau de 
Hollanders was een Luitenant gesneuveld, en van de pas aan- 
gekomen kavaUeristen van Makaasar waren 2 gesneuveld, voorts 
2 Bajaks en 6 met geweren gewapende soldaten. Aan de 
zijde der brandaU sneuvelden 3 Toeminggoengs en 5 liöden zon- 
der rang. Nadat de Hollanders het aantal van hun dooden 



Digitized by 



Google 



83 

geconstateerd hadden, vertrokken zij weer om de hrandalê te 
vervolgen. Doch daar zij niet wisten , waar zij naar toegegaan 
waren , en het al 2 uur in den namiddag was , verdeelden zij 
zich kngs verschillende wegen den vijand maar afwachtende. 
De kolonne van Kamédjing volgde het lijk van den gesneu- 
velden Luitenant naar de stad. De kolonne van Matiger met 
de Madoeresche pradjoerits vatte post te Malati, omdat Pa- 
ngeran Kolonel Praboeningrat met zijn troepen van daar reeds 
vertrokken was , met het doel om den vijand in 't noorden den 
pas af te snijden. 

Sdtan NoABDOEL Chamid rukte verder op naar JRctdj^k, ten 
westen van Malati. Des nachts vertrok hij weer naar het zui- 
den en hield halt in het dorp Gantjahan. Op zondag morgen 
vertoonde Sdtan Ngabdoel Chamid zich , toen hij de pasar 
van Banioel voorbijtrok en zuidwaarts ging. De HoUandsche 
troepen zagen hem, en schoten op hem met geschut, maar 
hij stoorde zich daar niet aan, en ging rustig verder. 

Toen hij ten zuiden van Bantod gekomen was, ging hij 
met een omweg oostwaarts en toen zuid-oostwaarts naar Pa- 
sargede , ongeveer 3 palen van daar, digt bij Plèred. Hij stak 
dit in brand, omdat de bewoners voor hem de vlugt namen. 

Maandag nacht stak hij de heniengs van Dj^mbiran en Ban- 
djancoeroeng in de brand. Dit waren kleine hmtengs^ die 
uiet met kanonnen gewapend en maar door troepen van Pa- 
ngeran Adipati NaTaPRanja bezet waren. 

Toen de Hollanders daarvan berigt kregen, spoedden zij zich 
daar heen. De kolonne van Pisangan ging den vijand te Da- 
ndldjd af wachten, en die van Kamedjing stelde zich te Ka- 
medjing strijdvaardig, terwijl die van Manger met de Madoe- 
resche pradjoerits zich te Malangdjiwan geposteerd had. Op 
dingsdag wilden zij Sultan Ngabdoel Chamid vervolgen en 
daar opzoeken , maar hij was toen al naar 't gebergte ten zuiden 
van Pl^èd getrokken. De Hollanders wilden hem nazetten, 
inaar toen hij dat bemerkte, trok hij weder westwaarts. 

Op dingsdag den 10«» Sapar (11 Augustus 1829) 's avonds 



Digitized by 



Google 



84 

om half zeven kwam de Badm Ajoe van (den jongen) Pan^srün 
Mankoeboemi in de stad JogyUcarta ^ om zich met het Gou- 
veniemeut te verzoenen, te gelijk met haar dochter Baèen 
Ajoe Sajclti, 2 bij wij ven van Mankoeboemi, en 3 zoons van Man- 
koeboemi, bij bijwijven verwekt, met name Pangeran Ngab- 
DOEL Chasan, Raden Mas Ooentoeu en Baden Mas Daja. 
Pangeran Ngabdoel Chasan had een nog minderjarigen zoon 
bij zich. Er waren 20 vrouwen en 25 mannen in hun gevolg. 
Te gelijk met hen kwamen Raden Ajoe SoEBjaB&aTa met een 
gevolg van 13 vrouwen en 4 mannen. Raden Ajoe Toemèngoen/g 
JoED^-KOESoEMa met een gevolg van 4 vrouwen, en Baien 
Ajoe Toentèngoeng TiuTa KOSsoEMa met een gevolg van 5 
vrouwen. Hun verzoek om zich te onderwerpen werd door 't 
Gouvernement aangenomen. 

81. Nieuwe Madoeresche hulptroe- 
pen naar Jogya gezonden en 
aankomst te Jogya, Diensten 
van Sajid Chasan van Madoera 
te Jogt/a, Plaatsing van eenige 
Madoeresche officieren. Eenige 
aanzienlijke Pangeraiis onder- 
werpen zich aan 't Gouverne- 
ment. 

Zijn hoogheid Sdtan TjixuS-ADiNiNGRAT van Madoera gaf 
last aan zijn Patïk^ Raden Adipaii KoEsoEMa-ADiNiNORAT om 
wederom troepen te verzamelen tot versterking van die, welke 
te Jogyd waren , en deze gaf spoedig de noodige orders aan de 
Poenggdwdê. Niet lang daarna waren er 160 pradjoeriU met 
14 onder-officieren en één Luitenant^ Raden DiPaLCKsaNa ge- 
naamd, bijeen. Daarop gaf de Paüh aan Z. H. den SuUan 
berigt, dat de pradjoerite gereed stonden. Z. H. de Sdtan gaf 
er kennis van aan Kolonel Beürun te Soerdiajd^ en vro^ 
om een schip voor 't overbrengen der troepen. De Kólond 
zond spoedig een groot schip naar de reede van Sambüangan. 



Digitized by 



Google 



86 

Op Zondag den £2** Sapar (£3 Ang. 18£9) werden die pra. 
djoerüê van Mctdoera gezonden en ingescheept. Een schoon- 
zoon van den Sultan^ met name Raden Arja FoERwaNëGaBa be- 
geleidde hen, en hidld onderweg over ben het toezigt, gead- 
sLsteerd door 4 militaire en 3 civiele mantris als officieren. 
Op dienzelfden dag verlieten zij de reede van Sambüangan 
om naar Samarang te gaan. 

Te Joffjfd kregen "Pangeran Adipaü Kolanel SêTja-ADiNiNGRAT 
vau Madaera en ^ijn broeder Pangeran Luüenant Kolanel SosBja- 
ADININ6KAT den last van Kolanel Coghius, dat Madefi Toe- 
mnggoeng Majoor Djaja-ADiNiNOEAT de Madoeresche troepen 
vau Samarang moest gaan afhalen. Deze vertrok op Zondag 
den 22"» Sapar (23 Aug. 1829) van Jogt/a ^ vergezeld van 2 
officieren, namelijk Baden Kapitein KoETaKOEsoEMa en Z^fite- 
noitt Kjai SiNoapaT&a , en door de welwillendheid van Kolonel 
CocHius kregen zij voor hun gevolg levensmiddelen en reis- 
geld mede. Toen Raden Arja PoERwaNéGSRa met al zijn pra- 
djoerite hen ontmoetten, was Raden Toem^nggoeng Majoor hoogst 
verblijd, omdat hij Raden Arja PoERWdNëoaBa zag. Nadat 
zij 2 nachten te Samarang gebleven waren, vertrokken zij naar 
Jogt/d , waar zij op Trijdag den 5«° Moeloed (4 Sept. 1829) 
aaiikwamen. De beide Madoeresche Pangerans waren inwen- 
dig ho(^t verblijd, even als Sajid Chasan Idid. 

Op verlangen van Resident van Nes gaf Scyid Chasan on- 
derwijs aan den minderjarigen Sultan van Jogya tot vreugde 
van de beide Madoeresche Pangerafie, Overigens bleef de ver- 
houding van Sajid Chasan tot die beide Madoeresche Pange- 
ranê dezelfde ten opzigte van 't bedienen , en adsisteren. 

Nadat Raden Arja PoERwaNëo&Ra eenige dagen te Joggi 
vertoefd had, vertrok hij op Maandag den 15'* Moeloed (14 
Sept. 1829) van Jogya om naar Madoera terugtekeeren. Hij 
nam zijn weg over Magelang ten einde daar aan te gaan 
eii zijn opwachting bij Luitenant Gouver fieur-Getteraal de Kock 
te maken. 

Be beide Madoeresche Pangerans raadpleegden met Sajid 



Digitized by 



Google 



86 

CShasan oTer de vni^, wie KapUem van de pas aangekomene 
Ifadoeresche troepen zon worden; zij kwamen toen overeen» 
dat de Kapitein der piekeniers , Baden Pandji SoESj&niFonnaf 
hun Kapitein moest zijn, en dat de Luitenant der piekeniers 
TJ&KB&KOESOEM& hem als Luitenant moest adsisteren. Zij wer- 
den daarop *s morgens en ^s avonds op de aloen-alaen in de be- 
bandeling van het geweer geoefend , en hadden die met lang daar- 
na b^repen. In dien tijd was dos Baden Pandji SisKawnrlfSi 
Kapitein van de 1® kompagnie van de Madoeresche pradjoerüt 
met geweren; de Luitenants waren Baden SëTj&DTPOER& , Mas 
Soer£dipoer& en Badeji Daeng , Luitenant hij het jonker-corps. 
De Kapitein van de 2* kompagnie , die met geweren gewapend 
was, heette Baden Pandji SoEMlbYëaaRa ; zijn Luitenants ir^x^n 
Kjai SeuAXGBAKAT en SiNoapaTRÜ. De Kapitein van de 3* kom- 
pagnie was Baden Pandji SoEUJaDiPOETBa , en de Luitenants 
waren Baden TjaKRaKOEsoEMa en Baden Dipai.ëKsaNa. Allen 
droegen na uniform. 

De Kapitein van de 1* kompagnie piekeniers was Baden 
Pandji Dj&jaDiPOEua met de Luitenants Baden AniNëGaBa en. 
Baden Djajai.eKsaNa. De Kapitein van de 2* kompagnie pie- 
keniers was Baden Pandji DEwaKOESOEMa , de Luitenants whven 
Mas Djaj^RëKsa en Mas SoERaPATi. De Kapitein van de 
8* kompagnie piekeniers was Baden KoETaKOEsoEMa , en de 
Luitenants waren Kjai SiNOAMARiTja en KcRTiTROEKa. In dezen 
tijd waren Mas NailsASTRa, Majandani en WiRiTROBNa 
ouAet-adjudanten. De Madoeresche met pieken gewapende ja- 
gers, die aan kolonnes waren toegevoegd, ontvingen een be- 
wijs van goedkeuring voor hun diensten, en 3 van hen wer- 
den in rang verheven: Kjai KëBOKë?faNGa werd tot Kapitein 
verheven, en Sergeant LëMBOETëNGoatta kreeg den rang van 
Luitenant; hij behoorde tot de 4® kolonne. Sergeant TfiOENa- 
waNGsa kreeg ook den rang van L^df^enant; hij behoorde tot 
de ö'^ kolonne. Matjan werd tot jager aangesteld. Hun Hol- 
landschc Luite^iant was Luitenant Sèli (Seelig?) 

Donderdag den 25'^'' Moeloed 1757 (24 Sept. 1829) kwam 



Digitized by 



Google 



87 

JPaiagertm Sob&j&di , een jonger bloedverwant van Sultan Ngjüb^ 
noiL Ghahid zich te Jpgya aan het Goavernement onderwerpen. 
Op den volgenden Zatnrdag onderwierp Pa»^^/'a»SoEB.j&B&&TS, 
bij de brandalê bniten de stad Pangeran Ngabdoel Madjxd 
genaamd , eveneens een jonger bloedverwant van Sultan Ngab- 
D08L Chajiid, zich ook aan het Gronvernement ; en eindelijk 
kwamen des maandags Pangeran Mankoeboeki, de oom van 
SuUan Ngabdoel Chamid, en Pangeran ADiNëoana, die nu 
Pangeran SoEiUENGiiaGa heette, ook 6en jonger bloedverwant 
van d^ Sultan te Jogya. Resident tan Nbs en de beide Ma- 
doeresche Pangerane gingen hun tot Manger te gemoet. Even 
voor 6 nor kwamen zy te Jogya^ terwijl hun 7 saluutschoten 
met groote kanonnen werden gegeven. 

82. Dood van Pangeran Ngdbehi 
Nqabdoes Baghkan. Droe- 
vige stemming van Sultan 
Ngabdoel Chamid. Pange- 
ran TëfajaNa onderwerpt zich. 
Overlijden van Pangeran Adi- 
foti Pakob-alam. Generaal 
DE Kocx. komt te Jogt/a. 
SëNTOT komt met vele ande- 
ren zich onderwerpen y en 
gaat in dienst bij 't Gouver- 
nement. Generaal deKogk 
keert terug naar MagtUmg 
en inspecteert onder weg de 
bezetting van Pisangan. 

duUan Ngabdoel Chaxid was zeer neérslagtig en inwend^ 
bedroefii om het overlijden van zijn oom Pangeran Dj^aKO£- 
somia, die later Pangeran Ngdbèli Ngabdoeb Bachkan heette. 
Deze was namelijk gestorven na een gevecht met de HoUandsohe 
huzaren op den westelyken Pro^o-oever, waar een huzaar hora 



Digitized by 



Google 



88 

met zijn sabel op het hoofd sloeg. Maar de Hollanders wisten 
dit niet. AU Baêah NaTaPB.AWiBa had toen ook deel aan den 
strijd genomen, en zijn paard met dat van een hnzaar moeten 
verwisselen. 

Om die reden was Sultan Ngabdoet. Chamid inwendig be- 
droefd, want onder alle personen van vorstelijk bloed was er 
niet één, die Sultan Noabdoel Chamid zoo trouw diende, 
als Pangeran NgabèhL En waarlijk , hij was een fraai gebouwd, 
verstandig en scherpzinnig edelman. Zijn lichaamskleur was 
blank geel , want zijn moeder was van Chinesche afkomst , zijn 
vader Sultan Sepoeh had zeer veel van haar gehouden , en om 
de moeder hield hij ook veel van hem, en stelde hem lot 
opperbevelhebber aan. Toen nu Pangeran Ngabèhi gestorven 
was, gevoelde Sultan Ngabdoel Chamid, dat hij een steun- 
pilaar miste , op wien hij in den oorlog zijn vertrouwen stellen 
kon. Ook ontstond er groot gebrek aan levensmiddelen voor 
zijn bloedverwanten , omdat de dorpsbewoners hem geen padi 
en geld meer leverden , en er overal bmtengs van de Hollan- 
ders waren. Dit was de reden , dat Sultan Ngabdoei. Chamid 
aan al zijn bloedverwanten en volgelingen liet bekend maken, 
dat zij geheel naar verkiezing konden handelen. Hij gaf hun 
vrijheid zoo zij zich aan het Grouvernement wilden onderwerpen. 
Dientengevolge kwamen vele van zijn volgelingen en bloed- 
verwanten in de stad om zich aan het Gouvernement te on- 
derwerpen. 

Waar Sultan Ngabdoel Chamid zich bevond, was onbekend. 
Hij kroop door digte bosschen en bezocht verlaten huizen. 
Daarbij kwam nog, dat hij inwendig zeer droevig getroffen 
was door den dood van zijn geliefden joS^oia/m», met name Poe- 
TOET SoEwaxDa. Hij had nu nog maar één pandiawan^ van 
wien hij veel hield, met name Banteng-warenq. Sultan Ngab- 
doel' Chamid zei tot Banteng-waeeng /'een vreemd mensch , 
'/die PoETOET SoEwaNDa! Wij hadden te zamen afgesproken, 
'/dat hij met mij zou leven en sterven, en nu blijf ik alleen 
</over! Wanneer zal ik hem nu volgen? In het gevecht ge- 



Digitized by 



Google 



89 

/trdroeg Iiij zich als de groote hoop: als er velen voorwaarts 
/rgiugen, ging hij ook voorwaarts, en als zij retireerden, 
/rretireerde hij ook. Maar hoe kon het ook anders? Zijn tijd 
/fytHs immers gekomen 1 Ik hoop na maar, dat ik hem spoedig 
/rvolgen mag/' 

Op Woensdag den 1« Rabrngoelakir 1757 (30 Sept. 1829) 
kwam Pangeran Tëpasaxi, een jonger bloedverwant van Sultan 
Ngabdoei. Chajcid te Jogya om zich aan het Gouvernement 
te onderwerpen. 

Op Maandag den 8« RMngodakir 1757 (5 Oct. 1829) 
kwam Pangeran Adipati Fakoealam van Jogya na een lang- 
durige ziekte te overlijden. Zijn lijk werd te Pasargïde begraven. 
Op Zaturdag den 25"» BabingoelaMr (24 Oct. 1829) kwam 
LuÜenani Grouvemenr-Generaal de Kock met Commiêêaria Ko- 
land Nahuijs te Jogya, De beide Madoeresche Pangerans re- 
den hem tot Malati te gemoet. 

Op den volgenden Zondag kwam AU Baaah N4T&PRAwrRi, 
ook Baden Ali Basah PRAWiE&DiRëDj& te Jogya om zich aan 
het Groavernement te onderwerpen. Met hem kwamen Pangeran 
SoEEjiwiDjiji, een jonger bloedverwant van iS^^^« Ngabdoel 
Chamid, en Pangeran SoESi^Nëa&Rl , een zoon van Pangeran 
SoFJUEKOi^o& en Pangeran SoEBjaBRaTa, een zoon van Pa- 
ngeran SoEBjaBRaTa, voorts 25 aanvoerders van troepen, 50 
ruiters en 500 man infanterie, met geweren of pieken gewa- 
pend. Het gouvernement ontnam hun de wapens en tenue. 
Verder deelde Ali Baeah FRAWiR&DiRëDj& aan den Generaal 
mede, dat hij verzocht in gouvemements dienst te treden, en 
niet onder de bevelen van een landgenoot te staan, ook be- 
loofde hij den Generaal zijn adsistentie, zel& al zond men hem 
ook uit, om Sultan Noabdoel Chahid te vervolgen. 

De Generaal antwoordde, dat hij hem al wat hij verzocht 
toestond, en gaf de order uit, dat ^^i |J9a«aA PRAWiR&DiRëDja 
nu officier in dienst van het gouvernement geworden was. Wat 
zijn aanbod om Sultan Noabdoel Chamid te verjagen aanging, 
daarover zou de Generaal eens nadenken. 



Digitized by 



Google 



90 

Toen de Generaal hem in dezen tijd ten hnize van den 
Beêidewt in het fort ontmoette, sprak de Generaal dadelijk 
Bade9i AU Boêoh toe, en wees hem de 2 Madoeresehe Pon^f- 
rans aan , en aanstonds bewees Raden AU Basah hun zijn eer- 
biedige hulde. Zij waren spoedig zoo familiaar met elkander, 
als of zij elkander al lang kenden , en dat kwam daarvan dat 
Baden AU Boêah een edelman was van een vriendelijke min- 
zame inborst. De Creneraal was in een zeer opgeruimde stem- 
ming, en zei tot de Madoeresche Pangerans: vPangerans^ók 
//nu al jaar en maanden te Jbgy& zijt, Sade?i AUBa9aAheQ& 
//vrede met ons gesloten." 

De beide Pangerans knikten , als antwoord , met het hoofd. 
Daarop gingen zij uiteen. 

Eenige dagen later op maandag den ^*^ Bjoema^lamal (2 
Nov. «18&9) 's morgens om half zes keerde de Generaal weer 
naar Magëlang terug. Resident van Nes, Kolonel CocHits 
en de beide Madoeresche Pangerans vergezelden hem tot aan 
de benteng van Pisangan. 

De Madoeresche pradjoerits^ die bij de 10® kolonne behoor- 
den, waren in dezen tijd van Manger xOiViT Pisangan ven^i^isX. 
Zij stonden in 't gelid onder de wapens, toen do Generaal te 
Pisangan kwam, en nadat hij allen, die daar onder de wapens 
stonden, geinspecteerd had, w&s hij hoogst voldaan over hen. 
Na de inspectie groette de Generaal den Resident^ den Kolmd 
en de beide Madoeresche Pangerans y en verzocht hun als zij 
aan hun vader den Sultan schreven, vele groeten van hem te 
doen. Daarop groetten zij de Heeren, die met den Generaal 
van Magelang gekomen waren; n.1. Luitefumt Kolonel Boest, 
de Luitenant Kolonel van de artillerie van Leeuwen, Majoor dk 
Stuers en de Majoor der huzaren Peeié. Ook zij verzochten 
vele groeten aan den Sultan van Jlfoffö(?ra aan te bieden. Daar- 
op groetten hen de hooge Hollandsche ambtenaren en officieren, 
en droegen hun op vele groeten aan den Sultan van Madoera 
te doen, omdat zijn Hoogheid, de Sultan van Madoera alom 
bekend en vermaard was om zijn hoogen rang en om zijnbij- 



Digitized by 



Google 



91 

zondere vriendschap en gehechtheid jegens de Hollanders. Daar- 
om hielden de Hollanders innig veel van hem, vooral zij die 
hem van nabij kenden, maar zel& zij die nog niet .met hem 
in aanraking geweest varen, koesterden dezelfde gezindheid 
jegens ham als de anderen. 

De Qtneraal vertrok toen met zijn gevolg van Pwon^a^ om 
nur MagliUmg terug te keeren. Besident van Nss en zij die 
hem van Jogya begeleid hadden, keerden naar de stad terug. 
Te MalaH steeg de Resident met de beide Madoeresche Pa- 
üj^erans in een rijtuig, 's Morgens om 10 uur kwamen zij in 
welstand te Jogya aan. 

83. Sdian NoABDOfiL Ghamid bijna 
gevangen genomen. Hij ont- 
snapt. Diensten van AUBmoA 
en zijn troepen. Bevordering en 
rangsverhei&ng onder de Ma- 
doerezen. De Sultan van Sae- 
minSp en de Pakémbakan van 
Pamikoêan bezoeken den Getie- 
raal te Batavia en Generaal 'o^ 
Kook te MagHlafig. De Pa^ 
nSndxihan bezoekt Jogya, Een 
mRVcwePangeran AdipatiVAJSLO^- 
Ai>AM benoemd. Kolanel Co- 
CHius wil naar Holland gaan, 
maar vervangt eerst Generaal be 
Kook gedurende diens afwezig- 
heid naar Batavia. £eu gouden 
en een zilveren medaille uitge- 
reikt. 

Sdtan NoABDOEL Chahid bevond zich in het land Gbwongy 
ten westen van het land Kadoe. Op Woensdag den 14'" Djoe- 
madiloÊPol (11 Nov. 1829) wilde hij uit het gebergte naar lagere 



Digitized by 



Google 



92 

streken gaan, toen hij de kolonne der Hollanders van Magé- 
lafig^ die naar 't gebergte wilde gaan, om dat te onderzoeken, 
ontmoette. Na een kort gevecht deinsde de Sultan met zijn gevolg, 
zich verwerende, terug. Terwijl de Hollanders al schietende hun 
aanval voortzetten, zag een HoUandsch Sergeant-mcyoor Sultan 
Ngabdoel Chamid en legde dadelijk het geweer op hem aan, 
maar de Sultan sprong van zijn paard, en ging in een ravijn. 
Zijn volgelingen lieten ook hun paarden achter , en verscholen 
zich in ravijnen en in alang-alang. De Hollanders grepen de 
achtergelaten paarden , en kregen zoo een buit van 42 paarden. 
Zij haastten zich daarop naar de gevlugte en weggekropen 
hrandalê te zoeken, en doorzochten 4 dagen lang het geberg- 
te zouder één hrandal te vinden. Sdtan Ngabdoel Chaxid 
verschool zich in 't wüde bosch. Hoewel hij daar geheel al- 
leen (en zonder vrees voor menschen) was, zoo was hij toch 
blootgesteld aan de gevaren van de wildernis onder kidange y 
herten , tijgers, wilde koeijen en rhinocerossen, kruipende door 
alang-alayig en glagah. Daarom was er geen van de Hollan- 
ders of dorpsbewoners, die wist waar de vlugtende Sultan 
zich bevond. 

In dezen tijd kreeg Radeti AU Basah op zijn verzoek voor 
zijn ondergeschikten geweren, pieken, kleeding, levensmidde- 
len en bezoldiging van het Gouvernement. Men droeg hem 
verder de taak op, om buiten de benteng van Gbwok zich met 
zijn troepen te legeren, en Pang er an Praboeningraï aldaar 
aftelossen. De troepen van Raden AU Basah PRAWiRiDiRë- 
Dji bestonden uit 50 kavaUeristen , gekleed in gesloten witte 
baadjes (zonder kraag), die hun tot aan de knieën reikten, 
witte broeken, blaauwe of groene lakensche djoAahs^ (een 
ruim overkleed) strekkende tot boven de knieën, benevens 
groene of zwarte tulbanden. De officieren droegen sjerpen. 
Zijn met geweren gewapende praêjoerits waren 250 in getal , 
en droegen allen witte tulbanden, gesloten lange baadjes zon- 
der kraag, witte broeken en rood lakensche djoebahs^ en hun 
officieren droegen blaauw lakensche djoehah^y blaauw lakensche 



Digitized by 



Google 



93 

broeken, en groene of zwarte tulbanden met sabels en sjerpen. 
Zijn 800 met pieken gewapende pradjoerits droegen dezelfde 
kleeding als de vorigen, maar hun êjoehahè waren groen of 
donkerblaauw , en sommigen van hen droegen alleen maar 
witte gesloten lange baadjes zonder kraag. Hun pieken waren 
Tan HoUandsch maaksel zonder p^hêi (of ring bij de vereeni- 
ging van stok en punt); de houten steel stak in de ijzeren 
punt, zoodat het ijzer om het hout sloot. Het ijzer was 
Wank en blinkend gepoetst als een bajonet, en de piekstee- 
len waren allen zwartgeverwd. Volgens ' de regeling van Ra- 
ien AU Basah FiiAwiB^DiReDja was de Javaansche kleeding 
bij zijn troepen afgeschaft, en liet hij hen maar een Arabisch 
kostuum dragen. Ook wilde hij niet toestaan, dat zij arak 
of wijn dronken op het Hollandsche nieuwjaars-feest, toen hij 
door Resident van Nes in het fort te Jogya op dat feest ge- 
noodigd werd. Hij kwam toen tegelijk met Pangeran Soer- 
JawiBjSji, Pangeran SoEMaNëoaRS, en Pangeran Soerj&br^- 
Ta, allen in Arabisch kostuum, in de stad, en nam maar 
ecnige van zijn manschappen mede, voor de helft met ge- 
weren gewapend, met tamboers, pijpers en trompetters. Toen 
hij 's namiddags om half vier aankwam, ging hij met de 
troepen maar verder, en hield halt om het gebed in de groo- 
te Misduid te doen, tot na de Salatngied (gebed om 7 
nnr). Daar op vertrok hij met zijn gevolg onder het ge- 
roffel der trom en 't geklank van fluiten en trompetten, en 
ging zoo in het fort. Van het feest verhalen wij niet. Na 
den afloop ging Raden AH Basah PRAWiRaDiRëDja weer met 
d zijn troepen naar Gbwok. Pangeran Adipati Kolonel Se- 
Tj&ADiNiNOKAT CU ziju broodcr ontvingen een rapport van Lui- 
iewmt Potend van Pisangan , dat één van de Madoeresche ser- 
geanten MARTa genaamd en een korporaal met name SiNoa 
Diwa, zich bijzonder goed gedragen hadden, met het voorstel 
«n hen een rang te verhoogen, als de Pangerans het goed- 
keurden. De beide Pangerans gaven hun goedkeuring, en 
ïroegen toestemming aan Kolonel Cochius. De Kolonel gaf 



Digitized by 



Google 



94 

die; Sergeant Ma&tS werd tot lAtUenaiit^ en Korporaal Si- 
KG&Djaja werd tot Sergeant bevorderd. Kt verwekte vreugde 
aan al de Madoeresche Pradjoerik en vermeerderde hun moed. 
Zijn Hoogheid Sdtan Tjaiuul-ADiNiNaBAT van Madoerd hreeg 
van het Gouvernement al wat hij voor zijn zoons verlangde. 
Op Zondag den 17*'*' (beter den 16«» JDjoemadUakir 1757 (13 
December 1829) gaf hij last aan Patik Baden Adipati Koe- 
soEMa-ADiNiNOBAT , om aan al zijn onderdanen bekend ie 
maken, dat zijn zoons in rang verheven waren. Raden AÜ- 
pati Ko£soEMa-ADiNiNosAT kwam aanstonds buiten op de pa- 
seban^ en deelde aan alle onderdanen mede, dat het Z. H. 
den Sultan behaagd had, onder goedkeuring van Commiesariê- 
Generaal du Bus van Baiavia^ zijn zoon Goesti Baden Ngab- 
DOELSAKAD den naam te geven van Pangeran AoiNëo^, 
— deze was toen 17 jaar 1 maand en 8 dagen oud- » zijn zoon 
Goeêü Baden NaABDOKLK.o£SAH , toen 8 jaar 8 maanden eu 
7 di^en oud, te verheflen tot Pangeran TjaKBaNëo&Ea, eu 
verder Goeêti Baden Noabdobleasit, toen 7 jaai 7 maanden 
en 12 dagen oud, tot Pangeran Tj&KRaKOEsoEMa esi Goesti 
Baden NaABDOELDJALiMOEN, oud 4 jaar 5 maanden en 21 
dagen, tot Pangeran TjaKBawiNaT& te verheffen. Zijn schoon- 
zoon Baden Adipati FoEBwaNêoaBa werd tot Baden Toemeng- 
goeng FoEBwaNêaaBa verheven. Toen dit alom bekend ge- 
maakt werd, verwekte het groot genoegen onder de vorste- 
lijke bloedverwanten. Sultan Pakoe-nataningbat van Soeme- 
nep en Panêmbahaai Mankoe-adiningbat van Pamèia&Mi 
bragten een bezoek aan den Generaal te Batavia, en gingen 
op hun terugreis te Magèlang aan om een bezoek te brengen 
aan LuUenaml Gouverneur-Generaal de Kock. Na een kort ver- 
blijf vroeg de Panewbahan van Pamëkaêaai den Generaal Yevloi 
om naar Jogjfd te gaan , en de zoons , bloedverwanten en onder- 
danen van den vorst (van Mddoera) te bezoeken. De Sultan 
van Soeménep bleef te Magelang en ontving daar bezoeken van 
zijn zoon$ en bloedverwanten , die te Jogya waren , en daarvoor 
naar Mag'élang reisden. De Panewbahan van Pamïkoian kwam 



Digitized by 



Google 



95 

op Vrijdag den 21*» DjoemadUakir (18 December 1829) te 
Jogya en ontmoette de Prinsen en Vorstelijke bloedverwanten 
(van Madoera) tot aller groote blijdschap, maar bleef niet lang 
te Jog^ya, 

Dingsdag den 3«* RUdjïp (29 December 18E9) keerde tij naar 
Mctgtlang terug om verder naar Pamékasan te retourneren, te 
gelijk met Kapitein Badm Arji So£EJ&wiNaT& , Kommandant 
van de PamékMwnsi^Q Pradjoeriis te Jogy&. Deze werd als 
zoodanig opgevolgd door Raden Themènggoeng Kapüem Dj&j2- 

ADIWIN&T&. 

Pangerofi Soeejaninörat van 't Paioealamsche huis werd 
door het Gouvernement verheven tot opvolger van wijlen zijn 
vader met den titel van Pangera» Adipati Pakoealam, met 
denzdlMen rang, en dezelfde mwakê en eerbewijzen als zijn vader. 

Op Woensdï^ den 18<aa R^djep (13 Januarij 1830) 's mor- 
gens om 7 uur l^de Kolonel Coghius zijn betrekking neder , 
omdat hij naar Ba;éavia wilde gaan en naar Holland terugkeeren. 
Maar Luitenant Gowoemeur-Genercud de Kook besloot hem eerst 
tijdelijk zijn werk optedragen , daar hij zelf naar Batavia wilde 
gaan , doch slechts voor een korten tijd , dan zou hij aanstonds 
weer naar Magilang terugkeeren. Donderdag avond vertrok 
Kolonel CocHius naar Magelang, luitenant Kolonel Sollewijn, 
die vroeger een van de dapperste aanvoerders van het Gou- 
vernement was, volgde hem als kommandant van de troepen 
te Jogya en als Hoofd van de l*» kolonne op. 

Dingsdag den 24" Rïdjep (19 Jan. 1830) ontving Pange- 
ran Luitetiant Kolonel Puaboeningrat , die te J/o^^i gelegerd 
was, een belooning van het Gouvernement, bestaande in een 
gouden medaille. Te gelijk ontving Luitenant SiKoapaTKa van 
Madoera een zilveren medaille van het Grouvernement, en deze 
werd hem in 't bijzijn van de troepen achter het hri ie Jogya 
uitgereikt, tot zeer groot genoegen van alle officieren. 

84. De Patik van Sultan Ngab- 
DOEi. Chamid geeft zich over 



Digitized by 



Google 



96 

aan hei Goavernemeot. De 
Sdtan^ ten einde raad, wil Ge- 
neraal DE KocK te Magilang 
ontmoeten , en gaat naar Mar- 
norek. 

Op Woensdag den 25«> Eédjïp (20 Jan. 1830) onderwierp 
de PaM van Sultan Ngabdoei. Chamld , genaamd Raden AA- 
pad DAXOEneDja, zich aan Majoor Kxekk, (*) die bevel voer- 
de over de troepen in Bagèlen^ met 2 Toeménggoengê en 10 
personen zonder rang. Kort daarna werd hij naar Mag^ang 
gezonden aan Resident Yalck en Kolonel Cochius. 

Op Dingsdag den 1«" Roewak (26 Jan. 1880) werden de 
Kajntein der geweerdragende Madoeresche prctdjoeritsy Raden 
Pandji SoEBJa-DiFOETsa met zijn Luitenante Raden Dip&i.eK- 
saNa, Mas SoEBa-Diiloa en SiNoaPaTBa en zijn soldaten ea 
onderofficieren, te zamen 94 man, en de Kapitein der pieke- 
niers Raden Pandji DEwa-KOEsoEifa en zijn Luitenant Raden 
Djijai^KsaNa met zijn ondergeschikten, vereenigd met de 10^ 
kolonne te PisatigaUy omdat hun kazerne naar ^t noorden van 
de groote Miêdjid verplaatst werd. Zoo ook werden de 8oe- 
mlSnepsche pradjoerits te zamen in het tijdelijk verblijf van hun 
Luitenant Kolonel te Kamajoran vereenigd, omdat de aloen- 
aloen in orde moest gebragt worden , en men de paseban» her- 
stellen wilde , opdat de stad Jogyakarta spoedig een welvarend 
aanzien zou krijgen. 

De Adsistefit-Resident van Madoera^ de Heer van Rheede 
werd vervangen door Adsistejit-Reeident GoiiDMAN. Deze was 
ook zeer bevriend met zijn Hoogheid den Sultan van Madoera. 

Intusschen was Sultan Ngabdoel Chamid, buiten het oog 
van anderen en door woeste bosschen of over steile en gevaar- 
volle bergen rondsluipende, inwendig erg bedroefd. Van zijn 
leger was niemand overgebleven dan zij die hem innig lief 



n I)it moet z\|n: Kolonel Cleerenb. 



Digitized by 



Google 



97 / 

hadden, maar h ijbragt hen niet op één plaats te zamen, daar 
elk zijn levensonderhoud zoeken moest. Om die reden be- 
sloot Sultan Ngabdoel Chamid te doen wat hij verlangde; 
hij wilde namelijk zelf een ontmoeting hebben met Luifenant 
ömvemeur-Generaal be Kock te Magèlang^ en zond iemand 
naar Koland Kleek (lees Cleerens) die de benietig van Ma- 
noreh bezet had, met verzoek om hem daar te laten passeren. 
Kolonel Kt,ekk (lees Cleeeens) trok hem hoogst verblijd te 
gemoet. Bij hun ontmoeting groetten zij elkander, en toen 
Tcrtrokken zij dadelijk. Aan de benieng, van Manoreh komen- 
de, zei de Kolonel tot den Sultan: //als het den Sultan be- 
^haagt, verzoek ik hem hier eerst te blijven, omdat zijn broe- 
'rder de Generaal nog niet van Batavia teruggekomen is. Met 
>reen paar dagen, denk ik, zal hij wel te Magelang zijn. 

Sultan NoABDOEi. Chamid voldeed aan dat veraoek. De 
Kolonel bood hem eten aan , en gaf ook eten aan al zijn vol- 
gelingen tot die van den laagsten rang toe. 's Morgens en 
's avonds, zoo lang hij te Manoreh vertoefde , liet Kolonel Ki^erk 
(lees CixEEEENs) het den Sultan aan niets ontbreken. Sultan 
NoABDOEL Chamid kwam op Woensdag den 21*" (beter den 
22" Soewah (17 Febr. 1830) \j& Manoreh. Eiken dag kwamen 
vele andere van zijn volgelingen daar ook , zoodat de HoUand- 
sche troepen hen op den weg stonden op te wachten en nog 
steeds andere volgelingen zich bij hem voegden. 

85. Generaal de Kock te Ma- 
gïlang teruggekeerd. De 
Sultan komt te Matenh en . 
bezoekt den Generaal. De 
hulptroepen van Madoera^ 
SoemSnSp en Pamekasan keo- 
ren terug. Een zilveren me- 
daille uitgereikt. Sterfgeval. 
Pangeran DiPaNeoaEa bij zijn 
vader te Matetih, 



Digitized by 



Google 



98 

Toen Inntenant G&uverneur'Oeneraal D£ Kock de tijding ont- 
ving, dat Sultan Noabdoel Chamid te lft^<?&p«^ wilde komen, 
maakte hij deu meesten spoed om van £tUavia terugtekeeren. 
Op zondag den 4«» (beter den 5«) Poedêd (28 Febr. 1880) 
kwam Luitenant Gouverneur-Generaal de Kock te Magelang 
terug. Sajid Chasan Idid ontmoette hem daar al dadelijk, 
want terwijl de Generaal nog op reis was, had hij aan den 
Beêident van Jo^ya geschreven , dat Sajid Chasan te Magelang 
komen moest. Raden AU Basai PRAWiRaniBëDji had toen den 
l^t gekregen om Sultan NGABDosii Chamid te Manoreh te 
adsisteren, en dit was hem ook een groot genoegen. 

Op maandag kwamen er afgezanten van Sultan Ngabdoki, 
Chamid bij den Generaal^ nl. Kjai Toemenggoeng KëBTapA- 
NGALASAN, Raden AU Basah FBAwiRaDiuëDja , Hadji Neisa 
en Kolonel Ki^ebk (lees: Cleeiiens) om te vernemen wat de 
Generaal besloten had. De Generaal antwoordde, dat hij den 
Sultan wel wilde ontvangen, maar dat hij eerst een geschikte 
verblijfplaats voor hem wilde gereed maken; daarom verzocht 
hij hem zijn komst nog wat uittestellen. Dö afgezanten keer- 
den toen naar Manoreh terug. Resident Vat.ck van Magelang 
gaf nu spoedig last aan Raden Toenienggoeng Danoeningrat 
van Magölang om logies voor den Sultan ten westen van 
de PrJ^a-rivier in het dorp Matesihy ten westen van het 
Besidentiehuis van Magelang ^ op ^ paal van daar, gereed te 
maken. 

Op vrijdag den 9«» (beter den 10*») Poe&êci (5 Maart 1830) 
■'s namiddags om 3 uur kwamen Pangeran Adipati Anom (zoon) 
van Sultan Ngadboel Chamid met zijn vrouw en de moeder 
van den Sultan van Samarang om zich bij Sultan Ngabdokl 
Chamid te voegen, opdat deze zich des te beter in zijn lot 
mogt schikken. Niet lang daarna was het nieuwe logies ge- 
reed, en toen liet de Getieraal den Sultan daar komen. De 
Majoor der huzaren Grensi (Perié) werd gelast hem aan het 
hoofd van 150 Ilollandsche , Javaansche en Ambouuesche hu- 
zaren te gemoet te gaan tot aan de Pragd rivier, te gelijk 



Digitized by 



Google 



99 

met Baden AU BamA Nqabdobl Moestafa FaAwi&aDiBëDja 
en 30 van zijn ruiters. 

Op maandag den 12«" (beter den 13") Poedsd (8 Maart 
1830) vertrok Sulfan NoABDOETi Chamid van Manoreh, Zijn 
ondergeschikte pradjoerits , ongeveer 700 in getal , met geweren 
en pieken gewapend en allen tulbanden dragende , werden voor- 
opgezonden. Eenigen tijd na hun vertrek ging Sultan Ngab- 
DOKL Chah ID op reis , rijdende op een donkerbruin paard. Hij 
droeg een witte djoebahy een groenen tulband, en zijn aange- 
zigt was verborgen achter een wit gazen sluijer. Zijn volge- 
hngen, die achter hem gingen, waren aanzienlijke mannen, 
namelijk: AU Basak KEBTaNéGaaa , AU £a«a^ G&nd&koesoj:- 
Ma, Kjai Pangoeloe Pckek Ibeahim, Boellah Hadji Badeoewin, 
BodlaA KëuTaBSsa, Boeüah KëB.T&BAOK, Toem^^i^ffoeng SSishSl- 
Nëoina , Toeménggoeng DiPawij&Na en Kjai Malangi, met on- 
geveer 300 gewone pradjoerits , van geweren en pieken voorzien. 

De HoUandsche troepen , die hem begeleidden, waren Kolonel 
Klekk (Cleerens) met de 6* en 7® kolonne en 50 Madoe- 
resche jagers met pieken, die Djagermatjan genoemd werden, 
ouder Luitenant Troen&wangsS. De 700 pradjoerits ^ die 't 
eerst op weg gegaan waren, kwamen 's morgens om 7 uur te 
Uaiesih en betrokken de voor hen ingerigte verblijven. Om- 
streeks 11 uur kwam Sultan Ngabdoel Chamid met zijn ge- 
volg te Matesih^ en betrok dadelijk zijn logies. 

Nadat Sultan Ngabdoel Chamid daar maar korten tijd 
vertoefd had, vertrok hij wederom, ten einde Luitenant Gou- 
vemeur-Generaal de Kock ten huize van d&n. JResident ve^n Ma- 
gïlang een bezoek te brengen. Hij ontmoette toen den Ge- 
neraal, benevens Kolonel Cochïus , ReHdent Valok, Majoor de 
Stübrs en Sajid Chasan Idid. Nadat zij niet lang tezamen 
geseten hadden, nam Sultan Ngabdoel Chamid afscheid, en 
keerde met al zijn troepen naar zijn verblijfplaats te Matesih 
terug. 

Sdtan NoABDosL Chamid gevoelde zich nu op zijn gemak, 
evonab sdjn troepen en vredelievend gezind. Het ontbrak hem 



Digitized by 



Google 



100 

iii zijn verblijf te Matesih niet aan een ruim onthaal, daar de 
Generaal hem dit dagelijks toezond. 

Woensdag den 14*« (beter den 15«») P(?<?a*4 (10 Maart 1830) 
vertrok Kolanel Cociiius van Magelang om naar ZTö/feaJ terug 
te keeren. 

Patigeran Adipaü Kolonel SëTjaADiNiNoaAT van Madoeratn. 
zijn broeder Pangeran Luitenant Koland SoEBJa-ADiNiNGEAT, 
die zich te Jogya bevonden , ontvingen een order van Luitenant 
Kolofiel SoiiLEWijN en Resident van Nes, waarin hun ver- 
gund werd met al hun troepen terug te keeren naar MadoerL 
Ook de Pangerariê van Soemènèp en Pamekasan met al hun 
troepen mogten naar hun land terugkeeren. De beide Patige- 
ran^ (van Mculoerd) antwoordden daarop : //het is goed , maar 
//eerst wenschen wij Luitenant Gouverneur-Generaal de Kock 
//te ontmoeten/' 

Luitenant Kolonel Sollewijn zei daarop: //het is mij wel, 
//maar dan wil ik daarvan eerst aan Luitenant Gouverneur-Ge- 
ftneraal de Kook te Magtlang kennis geven." 

De Pangeranê gaven toen order aan al hun ondergeschikte 
pradjoerit-a om te Jogya te komen, en dezen voldeden aan 
dien last met groote blijdschap. 

De Luitenant van de met geweren gewapenden, Kjai Se- 
RANOBAKAT, die zich te Pisangan bevond, ontving op zondag 
den IS''» (beter den 19««) Poeasa 1757 (12 Maart 1830) van 
het Gouvernement een zilveren medaiUe ten geschenke, tot 
groot genoegen van al de Madoeresche pradjoerits, die te Pi- 
sangan waren. Luitenant Kjai Sckangbakat haastte zich zijn 
opwachting te maken bij de beide Pangerans in de stad, en 
werd door hen met de meeste welwillendheid ontvangen. 

Maar juist in dien tijd waren zij in een bedrukte gemoeds- 
stemming, omdat de ziekte van den Kapitein der piekeniers, 
Raden Pandf'i Df &j&DiPOE&a, die aan dysenterie leed, in hevig- 
heid toenam. Om die reden bleven de leden der vorstebjke 
familie digt bij hem, ten einde hem te verzorgen. Zondag 
morgen om 5 uur den 25^*» (beter den 2,6^^) Poeasi 1757 



Digitized by 



Google 



101 

(U Maart 1830) kwam Kapitein Baden Pandji Dj&jaDiPOEEa 
te overlijden, en keerde terug tot Gtods barmhartigheid. Hij 
werd in ^t zelfde graf als Kapitein Baden Pandji Arjd Dja- 
jiNORAT van Madoera te Pasargede begraven. 

Dingsdag den 20*° Poeasa (14 Maart 1830) kwam een zoon 
van Sidtan NoABDOEii Chamid, met name Pangeran Dipa- 
NeGaEa van 't Prfl(?tf-gebergte zich bij zijn vader voegen, en 
te Magelang bragt hij een bezoek aan den Luitenant Gouver- 
neur-Generaal, Zijn gevolg bestond uit ongeveer 150 man, 
met geweren of pieken gewapend, en werd met de anderen 
rereenigd in de verblijfplaats te Matesih, Alle troepen van 
Sdtan Ngabdoel Chamid, die zich aan het Gouvernement 
onderwierpen, ontvingen van den Generaal den last om zich 
in de verblijfplaats te vereenigen, en daar hun opwachting bij 
Sdian Noabdoel Chamid te maken. 

86. Sultan Ngabdoel Chamid 
wordt eensklaps gevankelijk 
weggevoerd. 

De Generaal^ de Besident ,en anderen bragten Sultan IfoAB- 
öOBL Chamid ook een bezoek te Matedh , en deze bragt we- 
derkeerig ook bezoeken aan den Generaal, Naar 't uiterlijk 
te oordeelen schenen de groote Heeren al vrienden te zijn, en 
dit kwam van de kunde en wijsheid van den Generaal^ want 
d«zen ontging niets van al wat er op de wiereld voorviel, 
en hij was vol schrander beleid , vol van diepe menschenkennis , 
nederig van zin, vol liefde en gehecht aan al zijn medeschep- 
selen. Maar in 't geheim had de Generaal met Beeident Valck 
en anderen al een afspraak gemaakt en aan Hoofdoificieren 
zooals Kolanel Klebk en Kolonel du Perron al eén wenk 
gegeven om heimelijk troepen in hinderlaag te stellen. Besi- 
dent Vaixïk: had ook al eens geraadpleegd met hen die in zijn 
naaste omgeving waren, en met hen wier raad gewoonlijk door 
Sdtan Ngabdoel Chamid ingeroepen werd. Zij waren allen 
eensgezind en van dezelfde meening. 



Digitized by 



Google 



102 

Tengevolge van den raad van allen, die men gewoon was 
te raadplegen vertrok Sultan Nqabdoel Chamid op zondag 
den 2*» (beter den 3~) Sawal 1757 (28 Maart 18*0) even 
voor 7 uur van Matedk, om een bezoek afteleggen bij Luite- 
na'fit Gouverneur -Generaal de Kook. Raden AU Ba^ah^hxA- 
NëoaRa, Raden AU Basah GaNDaKOEsoEMa (de jonge), Pa^^a'fl» 
DiPaNëoaEa en Hadji Naisa vergezelden hem met 12 Hoofden 
van den rang van Doellah en ongeveer 600 gewone soldaten. 

Luitenant Gowoerneur-Generaal de Kock had in 't geheim 
reeds alle troepen ouder de wapens laten brengen. Toeu de 
Bdtan in de buitengalerij (van 't residentiehuis) gekomen 
was , ging Resident Valck hem te gemoet , en noodigde hem 
uit in de kamer in de zuid-oosthoek van ('t residentiehuis) 
te gaan. Nadat zij elkander gegroet hadden, ging de Generad 
op een bank zitten. Sultan Ngabdoel Chamid zette zich 
regts van hem op een stoel, en zij die hem begeleid hadden, 
zaten ook in die kamer, nl. de jonge Pangeran DiPaNëGaiiS, 
AU Baêah MêRT&Nëoaa^, AU Basah G&NDaKOEsoEMa en 
Hadji SgisS. De Boellahs zaten op stoelen buiten de kamer 
en de gewone soldaten bevonden zich allen ook in de buiten 
voorgalerij. Toen zij eenigen tijd gezeten hadden, kwamen 
ongeveer 400 Hollandsche soldaten met geweren, en stelden 
zich rondom het residentie-huis in 't gelid. De Hoofdofficieren 
en de Resident waren ook bij de ontmoeting in de kamer. 
Alleen Luitenant Kolonel du Perron stond buiten de deur, de 
andere officieren bleven deels voortdurend in de kamer zitten, 
deels liepen zij uit en in de kamer , en dit laatste deed Sajü 
Chasan ook. Intusschen werden de tijdelijke verblijven (te 
MatesiA) op een afstand door de 6® en 7© kolonne omsingeld. 

Daarop zei de Generaal tot Sultan Ngabdoel Chamid : //Pa- 
f/ngeranl ik heb van Batavia een last omtrent u ontvangen, 
//waarover ik u spreken moet. Men wil nog heden een eind 
//aan de zaak maken." 

Sultan Ngabdoel Chamid vroeg: //hoe? blijft u mij nog 
ff Pangeran DipaNëoaRa noemen ? Daardoor maakt u mij hoogst 



Digitized by 



Google 



lOS 

/ybesehaamd en verlegen, omdat ik den naam van Pangeran 
/rDipiïTëGaRa al aan mijn zoon gegeven heb. Ik verzoek van 
Aü^i Gouvernement niets anders dan wat ik tijdens de confe- 
'i'Pentie te Djaianang verzocht." 

De Greneraal zei toen: //wat die kwestie saaigmiy Pangeran l 
//die kan ik niet beslissen. Het zal dus maar het best zijn, 
*dat u zelf daarover spreekt met den Gouverneur te Salatigay 

Daarop verzocht hij den Sultan een andere zitplaats te ne- 
men , en bij hem op de bank te gaan zitten. Terwijl de Ge- 
neraal het woord Sdlatiga uitsprak, verlieten de Secretaris ^ 
Lifüenant Kolonel du Peeron en de Majoor der huzaren de 
kamer en gingen naar de buitengalerij (van 't residentiehuis), 
ontnamen aan de troepen van Sultan Ngabdobi* Chamid hun 
krissen, en gelastten hun allen op zij te gaan. De officieren 
ontnamen den DoeUahe hunAr^*^». Daarop gaf J2m<fe»^ Valck 
eeu wenk aan Baden AU Basah QaNDaKOEsoEMa om buiten de 
kamer te gaan. Toen deze buiten gekomen was, fluisterde hij 
hem den last toe, om al de wapens, die in de Pasanggrahan 
van Matesih waren, te halen. Hij gskt hem Raden ToemènggoeTig 
Onder 'Collecteur Mangoen KoEsoEMa van Magèlatig met Ma- 
foor Matilis (Michiels) en omstreeks 100 soldaten mede. 

Daarop zei de Generaal weder : ff Pangeran ! ik verzoek u spoe- 
"dig naar Sdlatiga te vertrekken. De wagen staat gereed." 

De Generaal rigtte zich van zijn zitplaats op. Majoor de 
Stüers trad hem in den weg en ging voor den Generaal staan. 
Toen naderde Kapitein Roeps Sultan Ngabdoel Chamid. De 
Sultan vroeg: //hoe nu MëRTaNeGaRaP wat wilt gij?" 

Deze antwoordde: //ik doe wat mijn vorst verlangt, waar- 
i'heen hij ook gaan mag, ik zal gehoorzamen." 

(De Sultan zei daarop): //laat Ha€(;i Badboewin en de Pang- 
"hodoe hier komen I Het zij dan zoo , maar ik vraag eeu tijd 
/'van 7 dagen om mij te beraden." 

De Generaal antwoordde : //ik geef geen uitstel , het best is 
*nu op staande voet te vertrekken." 

Mcffoor ds Stueas nam de regterhand van SuUan Ngabdoel 



Digitized by 



Google 



104 

Ghamid onder den arm, en Kapitein Boeps vatte zijn linker- 
hand , en zoo werd hij , als iemand t^en wien men geweld 
pleegt, in het rijtnig gebragt. 

Bij zijn vertrek zei de Sultan klagende : ^ach I hoe is het nu 
/fHadji NgisS, Hadji Badeoewix en PanghodoeVéuLVilR^^' 
//HiM? Dat de zaak zulk een loop moet nemen! dat is toch 
//onbehoorlijk !" 

Waarop zij antwoordden: //dat doet niets ter zake, als de 
//gansche kwestie maar spoedig uitgemaakt is!'' 

Een kleine panakawan , met name Banteng wareno, haastte 
zich ook in het rijtuig te klimmen. Zij hadden zich nog niet 
geheel naar behooren in 't rijtuig neergezet, toen de koetsier 
de paarden een slag met de zweep gaf, en toen renden zij 
heel hard weg. De huzaren, die hen zouden begeleiden, had- 
den al lang gereed gestaan, en renden mede, toen zij den 
wagen zagen voortsnellen. Zij waren meer dan 40 in getal. 

De jonge Pangeran DiPaNëaaES ging daarop weer op de 
stoel zitten, en riep den Resident herhaaldelijk toe: //het is 
//zijn (voor beschikt) lot! Kom hroer Resident ! laat maar thee 
//en spijzen voor den dag brengen!" 

Hij wilde niet naar zijn logies (te Maiesih) terugkeeren, maar 
bleef eenigeu tijd met zijn fiamilie in het huis van den Resident 
logeren, terwijl Saj'ul Chasan hem bediende. Al de andere 
volgelingen van Sultan Ngabdoet. Ghamid werden onder ge- 
leide van Sajid Chasan Idid naar Matesih teruggezonden. 
Alleen AU Basah KëRTasALiMOEN en Doéllafi SoEH^Diiioa 
werden in 't blok gezet , omdat zij (eigenlijk) onderdanen van 
de Hollanders en van Kadoe afkomstig waren. 

Toen Raden AU Basah GaNDaKOEsoEifa met al zijn onder- 
geschikten in de pasanggrahan van Maiesih gekomen was , zei 
hij tot hen: //makkers! gij moet mij niet verkeerd verstaan, 
//niemand van u mag zich verroeren." 

Zij beloofden te zullen gehoorzamen. Toen traden de Hol- 
landsche soldaten binnen, en roofden alle wapens, bonden die 
in bundels, en bragten ze naar het noordergedeelte van het 



Digitized by 



Google 



105 

Residentiehuis , waar zij in een kamer bewaard werden, nl. 57 
geweren, 825 pieken, 19 vaandels, 19 trommen, 1 fluit en 
7 hoopen krissen. Terwijl die wapens vervoerd werden, wer- 
den de wegen bewaakt door de Madoeresche piekeniers, Dja- 
oenMATJAN genaamd, die tot de 6® kolonne behoorden. 

Pangeran Adipaü Anom van Sultan NoABDOEii Chamid ont- 
ving van den Generaal den naam van Pangeran DipSningrat 
en werd op zaturdag den 8*° (beter den 9*°) SawdL (3 April 
1830) naar de stad Jogyd teruggezonden te gelijk met zijn 
bloedverwant Pangeran DiPaKOEsoEMa , nog 2 andere jeugdige 
bloedverwanten, en met de moeder van Sultan Ngabdoei. 
CiiAMU). Nadat de jonge Pangeran DipaNt?GaRa eenige dagen 
in het residentiehuis vertoefd had, werd hem een eigen logies 
aangewezen ten oosten van het residentiehuis. 

Op dingsdag den 4" (beter den 5" Sawal (30 Maart 1830) 
werden de bij wij ven van Sultan Ngabdoel Chamid, met name 
BpeTNANiNGROEK en RëTXANiNGSiH ook naar Samarang gezon- 
den, den Sultan achterna. Doellak DiPawuaNa en ongeveer 
40 man vergezelden haar derwaarts. De soldaten van Sultan 
Xgabdoel Chamid werden gelast elk naar zijn eigen woning 
tenig te keeren, en kregen veel of weinig reisgeld mede, al 
naar dat zij veraf of digtbij woonden. 

87. Kolonel Cochius blijft op 

Java^ terwijl Generaal de 

KocK naar Nederland te- 
rugkeert. 

Toen KoUnel Cochius, die naar Holland wilde terugkeeren, 
te Batavia gekomen was, werd hij door Gouverneur- GeTier aal 
VAN DEN Bosch aangehouden, en verzocht nog een paar jaren 
op Java te blijven, want Commissaris Generaal (du Bus) was 
toen al vervangen door Gouverneur- Generaal van den Bosch. 
Deze hield hem aan, omdat hij meende niemand anders te 
hebben , aan wien hij' het opperbevelhebberschap van het leger 



Digitized by 



Google 



106 

kon opdragen, en die zulk een waakzaam oog op Saerakarta 
zou houden, daar Luitenant Gauvemevr Generaal ds Kook naar 
HoUand wilde terugkeeren. 

88. Viering van Gar^hëg Poeaaa 
te Madoera, Pangeran At- 

M&DJa-ADININGRAT WOrdt 

met de Gouvemements gou- 
den medaille vereerd. 

Zijn Hoogheid, Sultan TjaKna-ADiNiNGRAT van Madoera 
hield op het feest na \ einde van de Pö^a^a-maand in de 
groote panddpa (van zijn paleis) een openbare zitting, waarbij 
al zijn zoons en bloedverwanten tegenwoordig waren. Zijn 
Poenggatoaa en B^keU^ met zijn schoonzoon Pangeran Luite- 
nant Kol^mel ATMaDJa-ADiNiNORAT aan het hoofd, zaten op 
de pdntjdniii. De bloedverwanten van den Sultan^ de Nijakas 
en de aanzienlijke en lage Maniris zaten op de pagelaran^ met 
Baden Adipati KoEsoEMa-ADiNiNGRAT aan 't hoofd. Het ge- 
heele priestercorps, bestaande uit Kjai Ngabdoel Charim, 
Moê Pangoeloe Ngabdoel moekaram met de Ketibs, Sajide 
en Hadjiêy kwam na het gebed in de groote M'ésdjid binnen 
bij Z. H. den Sultan. Allen boden den Sultan hun eerbie- 
dige hulde aan, en daarop liet hij hen naar buiten gaan. Toen 
liet hij Pangeran Luitenant Kolonel ATMaDjJL-ADiNiNORAT , en 
verder Baden Adipati KoEsoEMa-ADiNiNGRAT , tegelijk met 
zijn bloedverwanten, de Nijdkas en den Djeksdy in de groote 
panddpa komen. In de groote pandapa komende , legden zij 
eerst hun krissen af, en toen boden zij den Sultan hun eer- 
biedige hulde aan door zijn voeten te kussen. De oudsten 
van hen bewezen hun hulde door een gewone groete. 

Niet lang daarna kwamen Assistent-Besident Qdldman en 
Kommandant Hbqi met hun gevolg in de groote pandapa ^ en 
boden den Sultan hun groeten en gelukwenschen met het 
nieuwe jaar en met den feestdag aan. Toen zij gezeten waren 



Digitized by 



Google 



107 

zei de AsMient-Besidefit tot den StdtaUy dat hij, zoo de Sul- 
tan het goedvond, de gouden Gouvemements medaille aan 
Pangeran Luitenant Kolonel ATMaBja-ADiNiNGSAT op de borst 
wilde hechten. Toen de Sultan hem geantwoord had, dat 
het goed was, gaf de Aêsütent-Besident een wenk aan Pan- 
geram ATicaDja-ADiNiNOBAT. Zij stonden op , en toen ver- 
sierde hij den Pangeran met de gouden medaille, hem door 
het Gouvernement ter belooning geschonken. Daarop werden 
er 7 saluutdichoten gelost tot groote vreugde van den Sultan 
m van de vorstelijke zoons en verdere familie. Daarbij kwam 
nog, dat de Sultan een brief van zijn zoon te c%yd ontvangen 
had, waarin hem medegedeeld werd dat Sultan Noabdoel 
Ghaiiid zich reeds op de hoofdplaats Magelang bevond. 

Daarna ging men aan tafel, en werden er toasten ingesteld, 
maar Z. H. de Sultan^ zijn zoons en familieleden dronken 
daarbij maar tbee uit glazen , zoodat het den schijn had, alsof 
zij madera-wijn dronken. Na het eten gingen de gasten naar 
hois; alleen Baden Adipati KoEsoEMa-ADiNiKGRAT bleef op de 
pagelaran. De vorstelijke bloedverwanten, de Nyakai^ Djèksa 
Poenggawoê^ Bekeh en de hooge en lage Mantris boden den 
Sudtan nu hun eerbiedige hulde en groeten aan door zijn voe- 
ten te kussen of hem de hand te geven , en daarna verrigtten 
zij dezeUde plegtigheid ten opzigte van de leden der vorste- 
lijke femilie, de Ni/akaSy den Djtksa^ en de ouderen en jon- 
geren onder hen. Eindelijk aten zij van de rijst, die op dezen 
feestdag geofferd was [Sidèkak)^ en toen gingen zij naar huis. 
Op eiken grooten feestdag was dit het vaste ritueel te Madoèri, 

Pangeram Luitetumi Kolonel ATMaDja-AOiNiNORAT ontving 
de gouden Gouvemements medaille op zaturdag den 1'** (be- 
ter den &*■) Satfiol 1757 (27 Maart 1830). 

89. De beide Madoeresche Por- 
ngerans bij Oeneraal de 
Kook ie Magelang, DeMa- 
doeresdie, Soemeuèpsche en 



Digitized by 



Google 



108 

Pamf^kasansche pradjoeriU , 
en de Madoeresche Pange- 
ram keeren naar hun land 
terug. 

Pwngeran Adipnü Sötju-adininguaï en zijn broeder Paiigeran 
Luitena7it Kolonel SoERja-ADiNiNGRAT ontvingen te •%ƒ» verlof 
om Luitenant Gouvemenr-Generaal de Kock te Magèlang een 
bezoek te brengen. Op Woensdag den b^ (beter den 6^) Sa- 
wal (1 April 1830) 's morgens om 4 uur vertrokken de beide 
Madoeresche Pangerans van Jogya^ gevolgd door Raden Toe- 
menggoe?ig Majoor Djaja-ADiNiNGBAT en de civile ^a»^rw. Ten 
noorden van de rivier van Pabelan ontmoetten zij een wagen, 
die hun van Magèlang was toegezonden. De beide Pangerara 
en de Raden Toeminggoeng gingen toen in den wagen zitten, 
en kwamen omstreeks 11 uur te Magèlang. Zij maakten daar 
hun opwachting bij den Generaal, en zetten zich na 't wisse- 
len van groeten neder. Daarop zei de Generaal: f/Pangerans! 
//de oorlog is nu afgeloopen. De Pangerans gaan naar Madoeta 
//en ik keer naar Holland terug; ik wacht met mijn vertrek 
>ynog maar op de komst van Kolonel Gooylvg^. Hoewel ik zeer 
//verlang uw vader den Sultan te ontmoeten, kan ik dat nu 
//echter niet doen , omdat ik spoedig van hier ga om naar Hol^ 
t'land terug te keeren.'' 

Verder verhaalde de Generaal^ hoe hij Sultan Ngabdoel 
Chamid gevangen genomen had, zoo als vroeger reeds ver- 
meld werd. Tevens verzocht hij de beide Pangerans ^n BaJen 
Toeminggoeng tegelijk met Resident Valck bij zich t«n eten. Na 
den maaltijd verzocht hij de beide Pangerans en den Ra^ 
Toemenggoeng (te Magèlamg) te blijven , en hun intrek in 
de woning van Raden Toemenggoeng Danoeningrat , Regmi 
van Magtlang te nemen. Ook inviteerde de Generaal de 
beide Pangerans en den Roden loemènggoeng eiken avond bij 
zich in het residentiehuis ten eten. Zoolang Sajid Chasan 
Idid zich te Magèlang bevond, at hij bij den Generaal. 



Digitized by 



Google 



109 

Op Vrijdag avond zei de Genercud na het eten tot de beide 
fangeranê van iladoera^ dat alle Madoeresche pradjoeriiSy die 
zich in 't Jb^^osche bevonden, dadelijk naar Madoera zouden 
teruggezonden , en te Soerdiartd op schepen zouden getranspor- 
teerd worden. De Madoeresche pradjoeriU die in 't Magïlang- 
sche waren, moesten eerst nog bijeen gebragt worden. De 
beide PoMgerans gaven daarop hun goedkeuring te kennen. 
Verder zei de Genercud: //als de Fangeranê nog iets verlangen, 
-verzoek ik hun dat te z^gen." 

Hun antwoord was: //wij hebben niets meer te verzoeken; 
«^alleen verzoeken wij Uwe Excellentie ons bij onze terugkeer 
''naar Madoera een brief aan uw vriend, Z. H. den Sultan ^ 
"m&iie te geven." 

Daarop zei de Generaal: //hebt daar geen vrees voor I als de 
''Pangeranê vertrekken, zal ik hun een brief voor Z. H. den 
''SmUan medegeven.'' 

Toen ging het gezelschap uit een, en keerden de Fangeranê 
naar hun logies terug. 

Op Zaturdag den 8« (beter den 9«) Sawal (3 April 1880) 
werden de Madoeresche pradjoeriU ^ die zich in het «/b^yosche 
bevonden , naar Madoera gezonden , en te Soerdiartd op schepen 
geladen. Luitenant Poland was aan hun hoofd. De Fangeranê 
van Soemènfy en Famikaêon met al hun pradjoeritê werden 
ook naar hun landen teruggezonden. 

Verhalen wij nu van de beide Madoeresche Fangeranê^ die 
zich te Magïlang bevonden. Eiken dag kwamen er Madoere- 
sche pradjoeritê^ die in de bentengê gelegerd waren en tot de 
kolonnes behoorden, te Magilang bij de beide Fangeranê hun 
opwachting maken, en deze waren daarover zeer verheugd. 
Zij werden daarop verzocht de aankomst van de pradjoeritê 
te Magilang per brief te melden aan hun oom, Raden Toemeng- 
goeng Majoor Djaja-ADiNiNORAT (te Jogyd?). 

Sqjid Chasan idid bleef in dezelfde verhouding tot de 
beide Fangeranê en maakte eiken dag zijn opwachting bij hen. 
Hij overlegde met hen, dat zij mogten bewerken, dat hij met 



Digitized by 



Google 



110 

hen meeging, als zij naar MwS^oera terugkeerden. Zij spraken 
daarover met JRende9U Yalck, maar desse antwoordde, dat 
Sajid Chasan idid niet met de Pangeraris naar Madoerd kon 
terugkeeren, omdat Sa;id Chasan idid de Goeroe van den 
Sultan geworden was, en later veel bezigheden krijgen zou. 

Op Maandag vertrokken de beide Fangerans met hun ge- 
volg^ en de pradfoerits^ die zich te Magïlang bevonden, van 
Magïlang naar Jogya^ waar zij 's morgens om 11 uur in wel- 
stand aankwamen. 

Op Vrijdag den 14«» (beter den 15«) Sawal (9 April 1830) 
verlieten de pradjoerUs^ (die van Magïlang gekomen waren), 
de stad Jogya om naar Madoera terug te keeren. Yan Soera- 
Jcarta reisden zij op schepen verder, tegelijk met het overschot 
van de Soeminép&a^e en Pamekasafm^Q pradjoefüs, onder aan- 
voering van luiterumt Pieplenbosch 'en den fourier Ham. 

De beide Madoeresche Pangeratis zouden op den 20*" (beter 
den 21«) Sawal (15 April 1830), begeleid door J&wfe» 7böw%- 
goeng Majoor Djaja-ADININGRAT en al de civile MantrVs naar 
Madoerd terugkeeren. Zij bragten alle dagen afscheidsbezoeken 
aan hun vrienden, de officieren, en aan Luitefiant Kolonel Sol- 
1. E WIJK, aan Resident van Nes, verder aan Pangeran Man- 
KOEBOEMI, Raden Adipati DANOEBrêDJa en aan Paaigeran Adi- 
pati Pakoealam. De beide Pangerans verzochten den laatsten 
hun eerbiedige hulde te mogen bewijzen aan de weduwe Ra- 
den Ajoe Pakoealam, en haar voeten te kussen. Deze was 
daarbij zoo aangedaan, dat zij onder het spreken stokte, en 
haar de tranen over de wangen liepen, want zij behoorde tot 
de vorstelijke familie van Madoera^ en noemde de beide Pa- 
ngerans en den Raden Toemènggoeng Majoor haar oudere broe- 
ders en haar jongeren broeder. Nadat zij Pangeran Adipati 
Pakoealam de hand gegeven hadden, gingen zij naar hun 
verblijf terug. 

Op Donderdag den 20« (beter den 21«°) Sa7val 1757 (15 
April 1830) 's morgens om 6 uur vertrokken de heide Pange- 
rans met hun geheele gevolg om naar Madoerd terug te keeren. 



Digitized by 



Google 



111 

Pcmgeran Adipati Pakoealam deed huu uitgdeide tot Gbwok. 
Toen de Madoeresehe Pangerana in welstand te Klaten waren 
aangekomen, bleven zij daar overnachten. Den volgenden 
morgen vertrokken zij vandaar. Bij hun komst t« Kalitan 
werd hun van Soerakarta een rijtnig te gemoet gezonden, en 
vandaar reden zij per rijtuig naar Soerakarta, Dadelijk gingen 
zij naar Commisêafrk van Nahuijs, die hun verzocht hun in- 
trek te nemen (in een huis) ten zuiden van 't Residentiehuis. 
Eiken avond aten zij bij Chmmissaris Nahuijs, en beurtelings 
werden zij als gasten onthaald door Z. H. den Soeêoehoenan ^ 
Pangeran Adipaü FoEROEBaja en de andere Pangerwns. De 
beide Madoeresehe Pangeram legden in 't gezelschap van Com" 
noMoris Nahüijs een pittig bezoek af bij Z. H. den Soesoe- 
hoetum^ Pangeran BoËHiNaTa en Pan/geran PoEBOSBaja. Ook 
bragten zij nu en dan bezoeken aan Ratoe PëKBAJOEN. 

Wederkeerig ontvingen zij bezoeken van Pangeran Adipati Poe- 
KOEBaja, Paaigeran ADiNeGana en de andere Paaigerans in hun 
tijdelijke woning. Baden ToemSnggoeng Majoor Dmi-ABmiiXG- 
BAT vergezelde de beide Madoeresehe Pangerans steeds, en kwam 
ook met de (iS^^a^^^che) Pangerane in gezelschap , als deze 
de Madoerasche Pangeraais bezochten. Pangeran Adipati Poe- 
Romja en R(Uoe Pcmbajoen waren met hun jongere bloed- 
verwanten, de beide Madoeresehe Paaigerans^ bijzonder ingenomen. 

Op Dingsdag den %h^'' (beter den ^6*°) Sawal (20 April 
1830) vertrokken. Pa«^^a» Adipati Kolonel SëTja-ADixiNGRAT 
en zijn broeder Pangeran Luitenant Kolonel SoERja-ADiNiNGRAï 
in een rijtuig van Soerakarta, iDe wagen was 't eigendom van 
Pangeran Adipati PoEROEBaja , omdat de wagen van den Secre- 
tari» niet sterk genoeg was. 

Op dienzeUden dag vertrokken Raden Toemènggoeng Ma- 
jfm Di^aja-ADiNiNQ&AT en Raden Arja DjAjENG-KOEsoEMa 
om de vrouwen van rang , de kleederen en eereteekenen met 
de loerakêy die de bagage der Prinsen droegen, te begeleiden. 
Zij gingen te Sèton scheep. 

De Madoeresehe, Soemen^sche en Pamèkasansche pradjoerite 



Digitized by 



Google 



112 

waren vroeger in schepen de rivier afgezakt. Toen zij bij de 
haven van Sambüwngan kwamen, gingen KammandatU Hegi, 
Baden AdyacUi KoESOEMa-ADiNiNOBAT en Saden Arji FosEwa- 
ADiNiNORAT hun van de stad Madoerd te gemoet, 

Nadat zij Luitenant Poland en al de andere officieren ge- 
groet hadden , vertrokken zij naar de stad. Al de pradjoerÜë 
waren onder weg in een opgeruimde stemming. In de stad 
komende gingen zij naar Z. H. den Sultan. Luitenant Poland 
groette Z. H. den Sultan en de leden der Vorstelijke familie 
zeer beleefd, en daarop bewezen de officieren hun eerbiedige 
hulde door den voetkus aan Z. H. Sultan , die daarover zeer 
verheugd was. 

Eenige dagen later kwamen Luiterumt Pieplenbosch eafamer 
Hak , en deze bragten ook een bezoek aan Z. H. den Sultan, 
De Sultan stelde veel belang in Luitenant Poland, Luitenant 
Piepij:nbosch en fourier Ham , en verzocht hen 's morgens en 
^s avonds bij zich ten eten , en vrolijk feest te vieren. Maar 
Luite/iant Pieplenbosch bleef niet lang te Madoeriy daar hij 
toen naar Soetnènëp vertrok, omdat hij eigenlijk Kommandant 
van de Soemlén^psche pradjoerits was. Luitenant Poland tocli 
behoorde tot een kolonne, en daarom had i^i^^ww^»^ Pieplen- 
bosch zijn werk als Kommandant van de Madoeresche en Soe- 
miln^psche pradjoerits , die te Jogya achterbleven , op last van 
Kolonel Cochiüs, tijdelijk waargenomen. 

90. Plegtige ontvangst van de 
Madoeresche Prinsen onder 
weg en te Madoera. 

Nadat Pangeran Adipati Kolonel ScTja-ADiNiNORAT van Ma- 
doera en zijn broeder Pangeran LuiteTiant Kolonel SoEiua-ADi- 
NiNGRAT te Samarang gekomen waren, bleven zij daar 4 
dagen, om eenige geschenken voor hun tehuiskomst aante- 
schaffen. Op 2iondag vertrokken zij van Samarang met hetzelfde 
rijtuig en denzelfden koetsier, waarmee zij te Samarang ge- 
komen waren. 



Digitized by 



Google 



118 

Op Maandag , den S^ DodkaïdcA (24 April 1830) arriveerden 
zij te Sidofoe. Pangeran NÜTa-ADiNiNGRAT , Pangeran S&sRa- 
ADiNiNG&AT, Pangeran ADiNëQaR& en Raden Pandji SoekSdi- 
POBui reden hun tot de post (r^^öw^ tegemoet, in gezelschap * 
van den Baden Adipati van Sidcyoe, Om 4 uur 's namiddags 
kwamen Pangeran Adipati Kolonel SéTjS-ADiNiNORAT en zijn 
broeder op de post Gïnteng, Bij de ontmoeting bewezen zij 
hun eerbiedige hulde aan hun oudere broeders Pangeran Ni- 
tS-adiningkat en Pa^igeran S&sRa-ADiNiNGKAT. Hun oom, den 
Raden Adipaü van Sidofoe^ gaven zij vriendschappelijk de hand. 
Pangeran ADiNëG&B& (hun jongere broeder) bewees hun zijn 
hulde door een voetkus. Daarop vertrokken zij van Gïnteng. 

Te Sidafoe gingen zij dadelijk naar de dalem vnji den Saden 
AdipaH van Sidajae^ waar Ba;toe Adipati Sidajae haar kleinzoons 
wachtte; zij was Gemalin geweest van den V^ Sultan van Madoerè^ 
maar had bij hem geen kinderen. Zij was tante van den Baden 
Adipati van Sidofoe. Toen de beide Pangeranehim grootmoeder ont- 
moetten bewezen zij haar door een voetkus hun eerbiedige hulde. 

Nadat zij ëen nacht te Sidcyoe vertoefd hadden, vertrokken 
zij den volgenden morgen weer om naar Soerabdjd te gaan. 
Be Pangerans^ die hun te gemoet gegaan waren, vertrokken 
te zelfder tijd met Batoe Adipati , maar gingen scheep om naar 
Madoera te gaan, waar zij spoedig aankwamen. Kommandant 
Hegi en Luitenant Foijlnd kwamen hun te Gersik te gemoet. 
Baden Adipati KRaicaDjaja ADiNëG&&a ging hun te gemoet van 
8oerib&ia. Baden Toemènggoeng Majoor DjSja-ADiNiNGHAT en 
zijn gevolg waren des Zondags al met een schip te Gerêik 
aangekomen , maar wilden niet aan wal logeren, daar zij steeds 
wachtten op de komst van de beide Pangerans, 

Bij H vernemen van de tijding, dat de Pangeranê zouden 
komen, liet^en de Baden Toemènggoeng Mcyoor en Baden Arjd 
BjAj£No-KOEsoEM& de vorstclijkc eereteekens gereedsteUen voor 
de woning van den Aêeietent Beeident Benoit van Gersik. 
Zij die hun te gemoet gegaan waren stonden allen gereed in 
de voorgalerij va^ de Aêsiêtent Beêidenfs woning van Gersik^ 



Digitized by 



Google 



114 

nL Kommandunt Hegi, Luitenant Poland, Kjai Toemeng- 
goeng BRaTaNEoSKa vau Gerêik^ Kjai Toemtnggoeng Chider-col- 
ledeur N&Ti-ADiNÉoaRa van Girêik en Baden Adipati KRaiia- 
BjajS-ADiNêoHiia. 

Bij hun aaukomst groetten de beide Madoeresche Po^^a^s^ 
de Heereu en de Boepatis^ die hen daar waren komen af- 
wachten. Daarop gingen allen naar rangorde op stoelen zitten. 
De Assistent Resident liet thee, koflSj en versnaperingen pre- 
senteren. Nadat men daarvan gebruikt had namen de beide 
Pangerans afscheid om naar Soerabdja te vertrekken. Hun 
oom, Raden Toemefiggoeng-Majoor Djaja-ADiNiNORAT, verzochten 
zij, dat hij hun gevolg van mannen en vrouwen met hun 
bagage de terugreis (naar Madoerd) weder per schip zoude 
laten doen, en te Soetja aan wal zoude laten gaan onder 
toezigt van Raden Arjd DjAjENO-KOEsoEiia. Raden Toeniing- 
goeng zelf werd verzocht hun tot Soerabdja op het schip te 
vergezellen; hij nam daarmede genoegen. 

Daarop bestegen de beiden Pa^tgeranêy Kommandant üt^i^ 
Luitenant Pol and en de Raden Adipati van SoerdbhjcL hun 
rijtuigen, en reden naar SoerdhdjL De vorstelijke schoon- 
zoons, nl. de Bhinen-Patih Pangeran Luitenant Kolonel At- 
MaDJa-ADiNiNGRAT CU Roden Toemenggoeng PoERwaNêG&&a, als- 
mede Raden Arjd PoERwaniNiNGRAT van Balegd en de Kapiteht 
der Chinezen Tan Djin-sing hielden zich in de woning vaii 
Kolond Beurlin gereed om hen te ontvangen, maar de Pa- 
ngeraavs en de Raden Toemenggoeng gingen hun tot buiten de; 
stad Soerdbaja tegemoet. Niet lang daarna ontmoetten zij de 
beide Pangerans op weg, keerden toen dadelijk terug, en kwa- 
men met hen in de woning van Kolonel Beurlin. De beide 
Pangerans groetten Kolonel Beurlin en hen, (jiie hun vau 
Madoera te gemoet gegaan waren, en daarop gingen allen op 
stoelen ziften. 

De toenmalige Resident van Soer&baju^ de Heer de Salis 
had juist den Heer van Haak als zoodanig vervangen. 

Raden Toeménggoeng-Majoor Djiji-ADiNiNGRAT, die te scheep 



Digitized by 



Google 



115 

van Girsik vertrokken was , kwam niet lang na de Pangerans 
te Soerabaja^ eu ging hen aanstonds bezoeken. Des namid- 
dags, even over vieren, legden de beide Pangercau^ vergezeld 
raa hen, die hun van Madoera te gemoet gegaan waren, een 
bezoek af bij Resident de Salis , te gelijk met Kolanel Beub- 
LiN. In dien tijd woonde BeMent de Salis nog in de stad', 
ten westen van KoUmel Beublin, daar het Besidentiehais te 
Simpang nog door Besident van Haak bewoond werd. Resi- 
dent DE Salis ontving de beide Pangerans met de meeste be- 
leefdheid. Daarop keerden zij terug naar de woning van Ko- 
lonel Beublin, en bleven daar overnachten. 

Den volgenden morgen, 's Woensdags om 6 uur, vertrok- 
ken de beide Pamgerans met hen, die hun te gemoet gereisd 
waren , en met hen, die hen begeleidden, alsmede Kolonel Beub- 
lin, die hen naar Madoera zou vergezellen, van Soerabaja. 
Zij voeren over in een sloep, en zouden te Kanud aan wal 
gaau. De AssistenihResident Goldman van Madoera^ Pangeran 
S&sBa-ADiNiNOBAT CU Raden Adipati KoEsoEMa-ADiNiNOBAT met 
de Séntanas en Mantria bevonden zich daar, en hielden daar 
rijtuigen met paarden en menschen om de goederen te dragen 
in gereedheid. 

Toen de sloep digt bij den wal van Kamal gekomen was, 
gingen zij hun spoedig op het havenhoofd te gemoet. Niet 
lang daarna kwam de sloep bij het hoofd, en stegen de beide 
Pangerans met hun gezelschap aan wal. Nadat allen elkander 
gegroet hadden, gingen zij naar de pasanggrahan van Kamal. 
Raden ToemSnggoeng KoEsoEiia-ADiNiNOBAT zocht intusscheu 
naar zijn ouderen broeder , Raden Toemènggoe7ig DjajJL-ADiNiNo- 
RAT, en toen hij hem vond, omhelsden zij elkander, en 
gingen daarop ook naar de pasanggrakan. Zij zetten zich daar 
allen naar rangorde op stoelen , dronken thee , en aten van de 
versnaperingen, waarop de havenmeester te Kanud hun ont- 
haalde. Daarna namen zij plaats in rijtuigen. De Sèntanaa 
en Mantriê reden te paard achter de ratelende rijtuigen. 

Terwijl Pangeran Adipati Kolonel Serji-ADiNiNOBAT in 't 



Digitized by 



Google 



116 

rijtuig zat ontving hij een brief van Luitenant Gauvemeur-GfenS' 
raal de Kock , gewikkeld in geele zijde , liggende op een gou- 
den schenkblad en overdekt met fluweel, dat met goud galon 
omzoomd was. Op de post Pèdeng hielden zij op om van 
paarden te verwisselen. Zij aten daar weer van de versnape- 
ringen, die de havenmeester van Soetja hun aanbood. Nadat 
de paarden verwisseld waren, vertrokken zij weer van Pèdeng. 

Ti. H. Sultan TjaKBa-ADiNiNOBAT van Madoerd zat al een 
poos in de groote pandapa met zijn kleinzoon Raden Iskak , 
den zoon van Pangeran Adipati Kolonel SeTji-ADiNiNGUAT , 
naast zich. Deze was juist geboren, toen de vader naar /(S^ya 
zou vertrekken, en nog te Simhüangan was, bij welke gele- 
genheid Z. H. de Sultan hem niet toestond naar de stad terug 
te keeren. Goesti Raden Iskak was nu op 2 maanden na 5 
jaren oud , en kon al goed spreken. Zijn grootvader had hem 
in Hollandsche kleeding doen steken, met een kleine sabel op 
zij , en had hem geleerd zijn vader bij zijn komst de voeten 
te kussen. 

Al de oflBcieren, die van Jogya gekomen waren, met al de 
PoenggawQ8 , B^ülê en Loerahs en met Mas JDemang DjcKsa- 
Nëoana hadden den last ontvangen op de Pantjaniti te blijven, 
daar zij den brief van Luitenant Gouverneur-Generaal de Kock 
(in de kraton) moesten brengen. Het Hoofd der geestelijken 
K;ai Ngabdoel Chabim en Mas Panghoeloe Noabdo£t< Moe- 
KABAii, met de Ketibêy Sajids^ Seks en Hadjis waren de 
Pangeranê al een eindje te gemoet gegaan, en bevonden zich 
voor de poort van de grooté Mesdjid, De met pieken en ge- 
weren gewapende troepen stonden aangetreden van 't oosten der 
pantjaniti tot bezuiden van de pagüaran. De vorstelijke ga- 
mêlana stonden gereed. De gamelan Kjai Goentoeb was in 
't paviljoen geplaatst , en de gamelan Kjai Sapoedjaoad stond 
ten zuiden van de groote pandapa. 

Toen nu het berigt kwam, dat de zoons van den Sultan 
nabij waren, ging de Sultan naar de P&ntj&niliy te gelijk met 
zijn oudere zuster, Groesti Raden Ajoe Arja PBAWiBi-DiNiNO- 



Digitized 



by Google 



117 

HAT, en zijn jongere zuster, Goesii Raden Ajoe PoEKwi- 
NêoanS. 

Toen Pa7%geran Adipati Kolond SëTja-ADiNiNGRAT en zijn 
broeder tot voor de groote M^éêdjid kwamen, boden Kjai Ngab- 
DOEL CHAKIM, MoB Paugoéloe Ngabdoel Moekjleam en hun 
ondergeschikten hun eerbiedige welkomstgroeten aan de beide 
fangerans aan; deze beantwoordden die beleefd, en toen reed 
de wagen verder. 

Ten oosten van de paaeban^ Pakertan genoemd, werd er 
(toen zij voorbijgingen) op de vorstelijke gamelan Kjai Goen- 
T0E& met luid gedruisch geslagen. Daarop reed de wagen 
verder. Bij de pantjdniti komende, stegen zij spoedig uit 
den wagen. * De Kolonel en anderen boden den Sultan hun 
groeten aan. Pangeran Adipati Kolonel SëTjSi-ADiNiNGRAT gaf 
hem de Missive (van den Greneraal) over. De Sultan ontving 
de Missive met eerbetoon , en gaf haar over aan Mas Demang 
DjëKsSNëoiaa. Deze hield den brief boven zijn hoofd, en liep 
er mede onder een vergulden pajoeng vbbr den Vorst. Toen 
zij binnen de poort van de pandapa gekomen waren, werd de 
vorstelijke gamelan Kjai Sapoedjagad geslagen, zoo dat het 
luid gedruisch de 1cr<xUm vervulde. Bij hun komst in de pan- 
dapa^ werd de Missive op een tafeltje gelegd, en overdekt met 
rood fluweel, dat met goud galon omzoomd was. 

Z. H. de Sultan ging op een stoel zitten met den Kolonel 
en den Aêêistent^Reêident aan weerszijden. Nadat de beide 
Pangeranê hun vader , weenende hun kinderlijke hulde betoond 
hadden, verzocht deze hun op stoelen te gaan zitten. Z. H. 
de Sultan gaf nu een wenk aan zijn kleinzoon Goesti Radeti 
IsKAK om zijn vader te naderen, en deze betoonde toen zijn 
kinderlijke hulde door den voet te kussen van zijn vader, die 
hoogst aangedaan zijn zoontje omhelsde. Allen waren ver- 
wonderd, toen zij zagen, dat een nog zoo jong kind den wenk 
begrepen had, en al bedreven was in 't betoonen zijner onder- 
danige hulde. 

Daarop werden de andere Prinsen en Raden Adipati Kos- 



Digitized by 



Google 



118 

soEM&-ADiNixaBAT met al de Sïnt&n&ê en ofBcieten in de^a»- 
dapa geroepen. Daar komende, legde Rade7i Toenténggoeng 
DjojS-adininoeat zijn kris af en ging hurkende vooruit, 
om Z. H. den Sultan door een voetkus zijn hulde ie betoonen, 
doch de Sultan stond hem dit niet toe, en gaf hem maar 
vriendschappelijk de hand, Daarna legden de Prinsen, Baden 
Adipati KoEsoEMa-ADiNiNOUAT , de Sentandê en officieren han 
krissen af, en bewezen den beiden Pangerans hun eerbiedige 
hulde , den ouderen door hun de hand te geven , en den jon- 
geren door een voetkus. Toen die plegtigheid was a^eloopeu, 
namen allen op stoelen plaats. 

Z. H. de Sultan besloot nu de Missive te (laten) lezeu. 
Ma^'i jyémang DjëKsaNêoaBa ging voor den Sultan Staan, en hs 
de Missive voor als volgt: ' 

//Brief en velerlei eerbiedige groeten van mij , den Grooteii 
>r lieer Hendrik Mercus de Kock, Luitenant-Gouverneur^ Lui- 
» tenant Generaal^ Kommandant van de Ghroote Ster (Milit. 
^Willemsorde) over Nederlandsch-Indië , thans in welstand 
/rop de hoofdplaats van K^doe verblijf houdende, aan mijn vriend 
ff Sultan TjaKRa-ADiNiNöRAT , die het bestuur over 't eiland 
ffMadoera uitoefent. 

//Ik heb uw beide brieven ontvangen. In den eersten brief 
>r verzoekt U mij uw zoons aan de zorg van den Grooten Heer 
ffWKS DEN Bosch aan te bevelen, en in den andereu brief 
/rwenscht u mij geluk met de onderwerping van PaftgeranDi- 
irpaNëoaRa. Op den eersten brief antwoord ik, dat er (in de 
MfzoTg van den Gouverneur-Generaal omtrent uw zoons) wel 
>rgeen verandering komen zal , daar de door u bewezen diensten 
/f bekend zijn, en ik (uw zoons) zoolang onder mijn hoede 
yi'gehad heb. Ik zal echter het door u gedane verzoek (aan 
/rden Gouver tieur- Generaal) mededeelen. Op uw tweeden bric^ 
irantwoord ik, dat ik u veelmalen dank voor uw gelukwensch 
>rmet de onderwerping van Patigeran DipaNëoaRa, Ik denk, 
i^dat u wel zult vernomen hebben, dat ik Pangeran Dipa- 
iTNêaa&a naar Batavia gezonden heb, omdat hij onbehoorlijke 



Digitized by 



Google 



119 

«eischen deed, en volstrekt boven de regerende vorsten, de 
ff Sultans van Soerakarta en Jogyakarta^ wilde gesteld worden. 

^Ik geef dezen brief mede aan uw zoons Pangeraat Adipaü 
"Kelend Serja-ADiNiNGRAT van Madoera en Pangeran Imtenani 
"Kolonel SoERja-ADiNiNGRAT. Zij zijn nu reeds 5 jaren ge- 
«'?cheiden van u, hun vader, van hun moeder en van hun land, 
*ten dnde het bevel te voeren over uw pradjoeriU in den hier 
"gevoorden oorlog onder mijn opperbevel. De beide Pangeranê 
«hebben getoond, dat zij lieden zijn, die als brave menschen 
"naar behooren hun pligt doen in allerlei omstandigheden, (zich) 
">teeds (gedragen), zooals het jeugdige zoons van eenaanzien- 
*lijk persoon betaamt. Ik vertrouw de beide Pcmgerems nu 
"weêr aan uw zorg toe, omdat ik veel van hen houd, en 
•hun een toegenegen hart toedraag , en omdat ik spoedig, over 
''oenige dagen, het voornemen heb naar Holland terug te 
*keeren. 

'/Tegelijk met dezen brief zend ik u mijn afscheidsgroet. 
"Ik smeek God, dat u moogt leven in allen voorspoed en dat 
''UW Begering lang duren moge. Als ik Z. M. den Koning 
"van HoUand in welstand ontmoet, zal ik hem ook mededee- 
"liug doen van de door u verleende hulp en van uw trouwe 
''gezindheid jegens het Gouvernement. Ik hoop, dat mijn 
''koning u, mijn vriend en Sultan van Madoerdy dan een tee- 
"keii van zijn genegenheid moge schenken. 

"Geschreven te Magilang op Zaturdag den 3 April 1830.'^ 

Toen Z. H. de Sultan den brief hoorde voorlezen, werd hij 
7/xT verblijd, en zoo ging het 'allen , die het hoorden. Men 
liet na met donderend geraas de vorstelijke gamelan Kjai Sapos^ 
DjAOAD klinken, en daarop antwoorden door de gamelan Kjai 
GoENTOER, die in de ^o^tf^möa»^ geplaatst was. ^ngamelant 
als de Kjcd Sapoedjaoad, vond men misschien maar zelden. 
Zij was zeer groot, en klonk met het geraas van een storm- 
rind , ab men er hard op speelde en als men er zacht op sloeg, 
klonk zij aangenaam en zacht. 

Daarop ging Z. H. de Sultan met den KoUmel^ den AdsU- 



Digitized by 



Google 



' 120 

tent^Bendent y de andere Heeren en de beide Madoeresche Pein 
ngeraM in de krcdan. Daar komende schonk Z. H. de Sultan 
aan zijn zoon Pangeran Adipati Kolo7iel SëTja-ADiNiNGRAT een 
kriê met schede van Balineesch fatsoen en alle toebehooren, 
versierd met een gouden S^bk (of schuifbeugel aan de cein- 
tuur), die met schitterende edelgesteenten bezet was, een bande- 
lier van goud-galon en een brillanten ring ; aan Pangeran Lui- 
tenant Kolonel SoEBja-ADiNiNGBAT gaf hij dezelfde geschenken. 
Verder ontving Kommandant Hegi een geschenk als dauk- 
bewijs , omdat bij de beide zoons van den Sultan van Gërnk had 
afgehaald; nl. een kris met schede van Balineesch fettsoen en 
alle toebehooren , versierd met een gouden schuifbeugel en een 
bandelier van goud-galon; Luitenant P01-A.ND kre^ dezelfde 
geschenken, en de fourier Ham ontving een kris met gouden 
schede van Javaansch fetsoen en een bandelier van goud- 
galon. Met groote blijdschap droegen zij die voorwerpen da- 
delijk. 

Toen ging Z. H. de Sultan weer naar de Pandapa , en ver- 
zocht den Kolonel en den Asmstent-üesident hem naar de wo- 
ning van Pangeran Adipati te vergezellen. Zij voldeden aan 
dat verzoek. Bij hun komst op de Pantj&niti st^en zij in 
rijtuigen , en terwijl zij onder weg waren, klonken de Vorstelijke 
gamelans , trompetten en fluiten met het geraas van een storm- 
wind. Mannen en vrouwen, ouden en jongen en kinderen 
stonden in digt opeengepakte drommen regts en links van 
den weg te kijken. 

Ratoe Ajoenan zat al eenigen tijd in de dalem van Pangeran 
Adipati, Zij was de moeder van Pangeran Adipati Kolonel 
SëTja-ADiNiNGRAT CU Pangeran Luitenant Kolonel SoERja- 
ADiKiKGRAT. Rotoe MADOEReTNa zat daar ook bij haar. Deze was 
de Gemalin geweest van den eersten Sultan^ doch had bij hem 
geen kinderen. Ook zaten daar Ratoe Adipati van Sidajoe^ 
eveneens vroeger de Gemalin van den eersten Sultan ^ ook 
zonder kinderen, en Ratoe Wetan, Gemalin van den tegen- 
woordigen Sultan; voorts de Prinsessen Goesti Raden Ajoe Pa- 



Digitized by 



Google 



1£1 

ngeran 4dipali, de Gemaliii van Pangeran 4^ip(téi Kolonel^ en 
dochter van den Pafoémbaju^n van Pamekc^m-^ Goe9Ü Badm 
Ajoe Pangeran ATMaDja-ADiNiNanAT , GoeUi Sadm Ajoe To^- 
mingoeng Mansloe-adiningbat, Goesü Baden Ajoe SAKiDja, 
G^ü Sadeu Ajoe Sriganten, allen dochters van .Bö}^^ Ajoe- 
NAN. Deze had allerlei spijzen op gedekte tafels in drie 
afdeelingen laten opdisschen. De Vorstelijke gcmèlan Kjai 
RiJONG stond gereed ten zuiden van de Pandapa^ en een an- 
dere gamelan van Balineesch maaksel stond in de Paaehan 
Vidjü piaan. 

Toen Z. H de Sultan aankwam, klonken de gamélcms met 
luiden galm. De Sdtwn nam zijn beide zqops mêe naar bin- 
nen, en zei hun, dat zij hun eerbiedige hulde aan hun groot- 
moeders en moeders moesten betopnen. De beide Pangeran^ 
d^en dit, en kusten de voeten vaQ hun grootmoeders en hun 
moeder Jtaioe Ajoenan, en deze omhelsden hen al kussende. 
Daarop gingen zij naar hun moeder Raioe Wetan en hun 
oudere zusters Güesti Iiade*i Ajoe AïMaDja-ADiNiNGRAT en Qoesti 
Saden Ajoe Toentivgomg Mankos-adiningbat. Gocêti Raden 
Ajoe Pcmgeran Adipaéi bewees haar man eerbiedige hulde door 
een voetkus, en diezeKde eer bewezen Goesti Raden Ajoe 
SaridjI en haar zuster Goesü Raden Ajoe Sriganten ook aan 
haar beide oudere broeders. 

Daarop werd Raden Toemtnggoeng Djaja-ADiNiNQRAT binnen- 
geroepen. Bij zijn komst wenkte de Sultan hem toe digter 
bij zijn gemalin Raioe Ajosnan te kom^. Hij ging toen op 
zijn hurken naar haar toe , en bewees haar zijn onderdanige en 
eerbiedige hulde. De Ratoe groette hem vriendelijk, en vroeg : 
'brger Mas Toemènggoeng I zijt gij nu weer hersteld" ? Waarop 
Baden Toemènggoeng eerbiedig antwoordde : ^/ja , door uw zegen 
'^ben ik nu gezond." 

Z. H. djB Sultan ging nu aan tafel met den Kolonel^ den 
Assisteni-Resident y de andere Heeren en de vorstelijke bloed- 
verwaoten, officieren, Ny&his en DjêKsa-Neo&Ra. Allen aten 
aan tafel. De Kolonel en de Assistent-Resident dronken op de 



Digitized by 



Google 



gezondheid van Z. H. den Shdian en de heide Pangerans, Deze 
beantwoordden dien toast, en zoo werden er over en weer druk 
toasten ingesteld onder 't liefelijk geklank van de gamelan Kjai 
BiJOKG. De officieren waren hoogst opgeruimd, want er is 
in deze wereld geen blijdschap zoo groot, als die van een over- 
winnaar in den strijd. Na 't eten gingen allen uiteen. Dit 
geschiedde op Woensdag den b"* Doelkaidak 1757 (28 April 
1830). 

Mken Zondag en Woensdag hield Z. H. de Sultan buiten 
de kraUm openbare zitting, en dan gaf hij van tijd tot tijd 
aan zijn bloedverwanten en de anderen, die in den oorlog over- 
wonnen hadden, en van Jogya gekomen waren, geschenken, al 
naar dit met hun rang overeenkwam. Den officieren, die kleine 
dorpen (in leengebruik) hadden, gaf hij er nog gronden bij. 
Den onderofficieren en loerahs^ die weinig sawaha hadden, gaf 
hij meer {saicaAs)^ en de soldaten kregen vrijstelling van pacht 
Toor hun boomgaarden en van heeredieusten. De Séntands en 
LoerahSy die nog geen dorpen of sawahs hadden, en zich uit- 
muntend gedragen hadden , kregen dorpen en sawakê. Zij die 
geen huizen hadden , of wier huizen door hun lange afvrezigheid 
vervallen waren , kregen geld om huizen te koopen of de ver- 
vallene huizen te herstellen. Allen, die schulden gemaakt 
hadden bij Pangeran Adifati Kolonel SëTja-ADiNiNGRAT en bij 
Pangeran Luitenant Kolonel SoEEja-ADiNiNGRAT , tijdens hun 
verblijf te Jogya ^ ontvingen een bekendmaking , waarbij zij ge- 
last werden op de pagïlaran te verschijnen, en daar werd hun 
alles kwijtgescholden zonder dat zij behoefden te betalen. Aan 
de Séntands , Mantriê en Loeraha , die op de hoofdplaats pacht 
in vruchten of andere pachten hadden moeten brengen, werd 
alles zonder betaling kwijtgescholden voor den tijd, dat zij te 
Jogya in dienst van den Sultan geweest waren. De Sèntdndêy 
Mantrï*êy I/oerahs en pradfoerits, die aanleggers van dorpen 
of ontginners van mwahs geweest en in dienst van den Sid- 
tan te Jogya gestorven waren, werden door hun kinderen (in 
hun regten) opgevolgd. De volwassene en kleine kinderen 



Digitized by 



Google 



123 

van 't mannelijk geslacht kregen de betrekkingen van hun vaders. 
Als hun weduwen nog zwanger waren, werd er tot haar be- 
valliag gewacht, wanneer er dan een zoon geboren werd, volgde 
hij zijn vader op, en als het een meisje was, zocht men een 
neef of neefskind, en zoo men dien vond, volgde deze den 
overledene op. De meisjes werden op hoog bevel bewaard 
voor de opvolgers van haar vaders. Zóó is altijd het oor- 
spronkelijk gebruik bij de Madoerezen geweest. Om die reden 
telden de Madoerezen , die een last van hun vorst volvoerden, 
den dood niet. Zóó bleef het rijk van Madoerü bij voort- 
dnring bloeijend en welvarend, en bleven al de onderdanen 
en bloedverwanten van den vorst tevreden en welgemoed. 

Eenige dagen later vertrok Luitenant Poland, en keerde 
naar Jo^yd terug, en toen nog eenige dagen later kwam Zui- 
Unant Pieplenbosch van Soemen^p, Hij maakte zijn opwach- 
ting bij Z. H. den Sultan^ bleef eenigen tijd te Madoera^ en 
keerde toen naar Jogya terug. Z. H. de Sultan gaf hem een 
irw met schede van Balineesch fiatsoen en toebehooren, ver- 
sierd met een gouden schuif beugel , benevens een bandelier van 
goud galon ten geschenke. Luitenant Pieplknbosch , was 
daarover zeer verheugd, bood daarvoor zijn hartelijken dank 
aan, en vertrok toen met den fourier. 

91. Kolonel Cochius vervangt 
' Luitenant Gouverneur-Gene- 
raal DE KocK. Deze ver- 
trekt naar Nederland. 

Kolonel Cochius, die door Gouverneur-Generaal van den 
Bosch te Batavia aangehouden werd, kreeg last om wéér naar 
Mag e lang terug te keeren, en Luitenant Gouverneur- Generaal 
BE KocK in zijn betrekking (van Kommandant) te vervangen. 
Eenige dagen , nadat hij te Magïlang was aangekomen, verliet 
Luitenant Gouverneur-Generaal de Kock Mag'ilang; zonder te 
fogji of Soerakarta aan te keeren wilde hij maar dadelijk naar 



Digitized by 



Google 



124 

Samarang gaan. Hij maakte haast met zijn vertrek, uit vrees, 
dat de goede tijd om naar Hollcmd te gaan verstrijken zou. 

9^. De Soesoehoenan van Soera- 
karta en zijn vrouwen. Zijn 
reis naar Satnarang om af- 
scheid te nemen van Luite- 
nant Gmvemeur-OeneraM de 
Kook. 

Wij verhalen nu van Soerdkartd, Zijn Hoogheid Soesoehoenan 
PAKOE-BOEwaNa SenSpati ÏNGALaoa Ngabdoeruachman Saji- 
DiN PANaTaoaMa was een vorst van nog jeugdigen leeftijd, en 
nog in de kracht van zijn leven. Hij hield er veel van om 
op ongezette tijden uitstapjes te paard te maken. Zijn eerste 
Gemalin was een dochter van zijn oom Pangeran Adipati Nga- 
BÈHI, maar hij zond haar dadelijk: naar de dalem van haar 
vader terug. Hij had nu drie Gemalinnen. De oudste was 
een dochter van zijn oudoom Pangeran Arja ADrNëoaita, ge- 
naamd Raioe KëNTjaNa ; de middelste was een dochter van zijn 
oudoom Pangeran Arja Mankoeboemi, genaamd PAitoe Mas, 
en de jongste was een dochter van Radeii Arja Pamcnang, 
met name Ratoe Anom. Van de laatste hield hij het meest, 
omdat zij de schoonste was. Zij was geel witachtig van vel, 
ongeveer als een Chinesche Prinses. JRaden Arja Pamcnang 
was een zoon van Pangeran Arja Blitah, en deze was een 
zoon van Z. H. den Soesoehoenan , die te Lawejan begraven is. 
' Commissaris Nahüijs deelde aan Z. H. den Soesoehoenan de 
tijding mede, dat Luitenant Gouverneur- Ge>ier aal de Kock 
naar Holland wilde terugkeeren, en maar regtstreeks Van Ma- 
gtlang naar Samarang zou vertrekken. Daarop gaf de Soesoe- 
hoenan dadelijk order om naar Samarang te reizen. Pan^mbahccn 
BoEMiNaTa, de oudste PangercCns en Baden Adipati SSsBa- 
DiNiNGRAT verzekèrdeu hem wel , dat zij zijn plan om naar 
Samarang te reizen volstrekt niet Cfoedkeurden, madr Z. H. de 



Digitized by 



Google 



125 

Soesoekoenan was van zijn plan niet af te brengen; in de eerste 
plaats omdat hij Luitenant Gauvemeur-Generaal de Kock vol- 
strekt ontmoeten wilde , en in de tweede plaats omdat hij zeer 
verlangde de zee en de groote schepen en een stoomboot te 
zien. De volgende personen werden bestemd hem naar 8ama- 
rang te vergezellen: zijn ooms Fangetan Adipati PoEBOEBaja, 
Pangeran Adipati Ngabèhi, Pangeran Arja NaTapOERa; Pa- 
ngeran Arja Naïa-KOEsoEMa en Pangeran Arja BatAtee; zijn 
jongere broeders: Pangeran Arja SoEUjaBRaTa, Pangeran Arja 
NaTa-BnaTa, Pangeran Arja NaTa diningeat, Pangeran Arj& 
SaNTa-KOEsoEMa , Pangeran Arja SoEMaBnaTa, Pangeran Arja 
PuNooa-KOEsoEMa, Pangeran Arja SoEEja^NiNOKAT , Pangeran 
Pandji Toemènggoeng SiNDOESENa, Pangeran Arja^OESjk dipoerS, 
en Pangeran Arja SoEEja-KOEsoEMa , en eindelijk de Boepatis: 
Baden Toeménggoejtg PoEEwa-DiN^iNGEAT van Kaparak tüng^n^ 
Baden Toemènggoeng Djaj&-DININGEAT van de Kaparak kiwa^ 
Baden Toeme7iggoeng Djaja-DIPOEEA van deg^dong tengUn^ Raden 
Toemènggoeng PEAWiEa-DiPOEEa van de g'édong Jdwa^ en de 
Weddnd panoempi?ig , Raden Toemènggoeng PEAWiEa-NëoaEa. Al 
de ordonnansen gingen ook mede onder hun Loeraks: Radeti 
Ondermajor Pandji ATMaDiPOEEa , met den oudsten Bifiël^ Raden 
ATMasoEPANa , en den jongsten -Bëi^/y -Rwfe^ AïM^niKaEa, met 
de gewone ordonnansen: Raden ATMawraaoa, Raden Atm.b.voiëS'- 
paKa , Raden ATManniaDa , Raden AxMawAEsixa, Raden ATMa- 
wiEaxa , Raden ATMa-PEABaNOsa, Raden ATMa-soEKAEsa, Raden 
ATMa-DDcëD ja , Raden ATMa-DiwiEja , Rcuïen ATMasoEBEaTa , 
Bode» ATica-wiBjaja en Raden ATMa-soEDiBja. 

Toen allen gereed waren , kregen zij , die niet per rijtuig 
zouden reizen, den last om vooruit te gaan, en daarop ver- 
trokken zij. Een dag later reisde Z. H. de SoeêoeAoenan af, 
zittende in één wagen met Commisêaria Nahuijs. Tö Ampel 
komende, bleven zij daar een nacht. Den volgenden morgen 
vertrokken zij van daar; bij hun komst te Samarang gingen 
zij dadelijk naar Bodfong, De Resident schrikte, want hij had 
niet gedacht, dat Z. H. de SoesoeAoenan dien d&g t& Samarang 



Digitized by 



Google 



126 

komen zou en meende , dat hij te gelijk met ZmteHoaU Chm- 
verneur-Generaal 0S Kogk zou komen. Hij ging hem haastig 
te gemoet, heette Z. H. den SoesoeAoenan ^ CammiêêorU Na- 
Huijs en al de TangerouM welkom, en Terzocht allen op stoelen 
plaats te nemen. Daarop liet hij wijn, jenever, bier en bran- 
dewijn presenteren. Zij dronken toen op elbmders ges&ondheid, 
en namen daarna rust om zich wat te verfrissehen. Z. H. de 
Soesoehoencm bleef maar te Bidjang logeren. 

Den volgenden dag kwam Luitenant Gouverneur-Generaal i>iè 
Kook te Samara^tg^ en ontmoette Z. H. den Soe^oeAoenan d2L' 
delijk te Bbdjong. Met groote blijdschap groetten zij elkander, 
en dronken wijn, bier of brandewijn. Luitenant Gav^erneur- 
Generaal de Kocis: logeerde ook te Bbdjong, Zoolang Z. H. 
de Soesoehoenan te Samarang was maakte hij eiken morgenen 
avond uitstapjes te land of op zee om de groote schepen en 
de stoomboot te zien. 

Nadat Luitenant Growoemeur-Genertud be Kook. drie dagen 
te Samaramg vertoefii had , vertrok hij van daar met het voor- 
nemen om te Batavia aan te keeren. Den volgeuden dag 
vertrok Z. H. de Soesoehoenan van Sama/roAig om terug te keeren 
naar Soeraiarta, Hij bleef weer een nacht over té AmpU^ en 
vertrok den volgenden dag van daar. Te Soerokarta komende, 
ging hij dadelijk naar de kroten. 

93. De Cornmiêsariêsen Meeküs 
en VAN Sbvenhoven te Jogya 
en Soerakarta, Overgave 
van de M&ntjanègoarQS(^Q 
landen aan 't Gouvernement. 

Eenige dagen later kwconen er twee Commseariseen van 
Bcda^ia te Soerdkartd en Jogyakarta: Commiesarie Mebkus 
kwam te Jogyd en Cotimiêêaria van Ssvxnhoven te Soer^Jkarid. 
Zij bragten een brief van het Gouvernement mede, waarin het 
Gouvernement de landBeha{]^n BemjoenuUy Bqgélèn en de 



Digitized by 



Google 



187 

Maniféii^lérische landen (Maéioeii en K^diri) tegen een vaste 
som of pacht {padfUg) vroeg te bessitten. De SoeêoeAaenafi van 
Soerêkartd en de Sulian van J^ogyd gingen n^r de Commissa^ 
rigioi om hnn toestenuning daartoe te geven; maar inwendig 
was de SoeaoeAoewm vaA Soerakarta zeer bedroefd. Zijn Ge- 
malin, die, toen zij dat hoorde, juist drie maanden zwanger 
was , weende nu en dan , en viel haar man , den SoeeoeAoenany 
onophoudelijk lastig, zeggende: ff8oeêoehoenan\ ik wil liever 
/ysterven, als ik niet beval van een zoon, ^e Pcmgeran Adipaü 
/^wordt/' De Soeaoehoenan antwoordde: //Sobdjinah! houd u 
^maar still Ik zal u getrouw bijstaan en den AUerhoogsten 
vtn AUerheiügsten er om bidden. Ik wil mij verwijderen om 
/rop de graven van mijn voorouders voor u een zoon af te 
^smeeken, en naar de voorvaderen gaan, die te Magiri begra- 
«ven zijn, opdat geen ander het rijk van iSc^^^^r^a moge be- 
/Inkomen, dan een afstammeling van u i^)^ 

91 De Boesoehoenan verlaat zijn 
kraton heimelijk om op de 
graven van zijn voorvaderen 
te bidden. 

Z. H. de SoesoeAoenan liet da^op vier ordonnansen: Baden 
ATMasoEPaifa, Sadeti ATicawiRaoa, JRaden ATicaPOESPaKa en 
Baden ATMaDiBana bij zich komen. Toen zij bij hem geko- 
mm waren, zei hij: /'gij, vier Badens! van nacht wil ikuit- 
f^mi , maar gij moet er met niemand over praten, en er zel& 
4«an uw vrouwen en kinderen geen kennis van geven. Gij 
fBioet uw paarden niet medenemen, maar alleen zadels en 
«rtoomen. Gij zult op mijn eigen paarden rijden. Yan avond 
«"om iien uur mjoet gij hier in de hrenUm koniea/' 

De vier ordosmanaen beloofden dit te zullen doen, en gingen 



O Bat deze scène werkéLyk is yoorgeraüen , en aanleiding tot de togt van 
^ Soetoehoettan na^r Imêgiri gegeven heeft, is thans nog in de kraton X^Soe- 
rikartd algemeen ]>ekend. 



Digitized by 



Google 



128 

naar huis. ^s Avonds om tien uur maakten de Ordonnansen 
zich gereed, en namen zadels en toomen mede. JRadeu Ktusl- 
FOESPaKa keerde bij Eaden ATMasoEPaxa aan, en zei tot hem: 
//wat dunkt u? waar zou de baas {Kjai Loerah) heen gaan? 
//Vreemd, dat wij geen paarden mogen medenemen^M 

Raden ATMasoEPaNa antwoordde: houd u stil, Baden AtmI- 
//POESpaKa! wees maar voorzigtig. Ik gevoel mij ook niet op 
//mijn gemak , maar als wij , lieden zonder rang niet met onzen 
//Heer gaan, wie zal het dan doen? Het is juist iets voor u 
//en mij in alles met onzen Heer deel te nemen." 

Om tien uur kwamen de vier ordonnansen in de kratauy en 
gingen dadelijk naar de panépèn. Niet lang daarna kwam er 
iemand van den vorst met een brief. Het was Pangeran Pandji 
PKijëMBana, die den brief bragt en aan Maden ATMasoEPai^a 
gaf. De brief luidde aldus : //Last van den vorst. Z. H. de 
N Soesoehoenan zal op Kjai PëLaxKaw^Ti rijden, en Kjai Mi- 
//GisëKTi moet aan koorden geleid worden. De vier ordonnansen 
//moeten op de volgende paarden rijden: Maden AïMasoEPaNa 
//op Kjai NiTAKaNTa, Maden Atm^wib-SgS op Kjai PiAnkS- 
//wiDjajS, Maden ATMipoESP&Ka op Kjai PAEEDja-MOEDS en 
f/Maden Atm&dib.&dS op Kjai Samparmeg&. Zondag morgen 
//om 5 uur op den 13««» (beter den 14«°) Btsar 1757 (*) (6 
//Junij 1830) moeten al de paarden gereed en gezadeld zijn 
//met de vorstelijke bagage voor gebruik onder weg, en een 
//kistje met welriekende olie, wierook, een spiegel en 500 
//Gld, ; verder de vorstelijke piek Kjai K&wiwëLANo; de pis- 
//tolen Kjai Kentj^kJ en RoEP&KÉNTji moeten in het kleêr- 
//kistje van den vorst gelegd worden ; en de twee degens, Kjai 
//EëMëNG en Kjai Pandji , moeten aan de zijden van het paard 
//des vorsten gehangen worden." 

Nadat zij den brief gelezen hadden, haastten Maden Atm&- 
SOEP&N& en zijn makkers zich om al de]maatregelen te nemen, 
die in den brief voorgeschreven waren. 



(*) De woorden yan de Sfnidld beteekeaen : 5 paarden hebben eenerlei gelaid. 



Digitized by 



Google 



1&9 

Z. H. de Soeêoehoenan zat in zijn Sanggar (of bidvertrek), 
en gelastte zijn Gemalin Boitoe Anom wat zij na zijn vertrek 
doen moeet, met deze woorden: //Sobdjïnah ! als er iemand 
/"Daar mij komt vragen, moet gij zeggen, dat ik nog slaap, 
ftü ongesteld ben , en dat ik niet bniten mag komen uit vrees 
/•voor konvatten. De deur van de Prabajoêd moet gij op 
/irslot doen, en de deur van mijn kamer ook. De deur van 
ffde noordelijke en van de zuidelijke Srimenganti moet gfj slui- 
z^ten, en niemand mag er doorgaan, dan ik en mijn gevolg; 
«'Verder mijn broeder Maé Adipati Koesoem& joed& en oom 
/^AjDiNëörtR&. Verzoek hen maar naar binnen te gaan." 

Even voor vijf uur kleedde Z. H. de Soesoehoenan zich in 
krijgstenu met een diensibuis van zwart laken en een zwart 
lakensche broek; om zijn middel droeg hij een gordel, verder 
op zijn rug de iris Kjai Maés& PANOEiiAK en op zij zijn kris 
Kjai Baroewang. Daar op ging de Soeêoehoenan naar buiten, 
en steeg voor de pan^pèn te paard. In Soeranatan komende, 
kwam Toemênggoe7ig WiRj&NëGilESL hem met een paai*d tegen, 
en volgde hem. 

Toen de Soeêoehoenan de dubbelde poort uitgegaan was, be- 
gaf de Hollandsche huzaar , die daar de wacht hield, zich spoe- 
dig naar de stad, om aan zijn Luitenant^ den Heer Noltek, 
rapport te doen, en deze gaf er spoedig kennis van aan Com- 
miêêariê Nahüijs en Commiêêariê Mer'kus. Daar de Heer 
XoLTEïi^ berigtte, dat de Soeêoehoenan maar vijf personen bij 
zich had, maakten zij zich ongerust. Om zeven uur zonden 
Commiêêariêêen iemand naar de kratony met verzoek om (den 
Soeêoehoenan) te spreken. Toen de afgezonden persoon bij de 
SrimUnganti kwam, en Njai Toem^nggoeng SeTjiNSM& ontmoette, 
zei hij, dat de Commiêêdriêêen (den Soeêoehoenan) in de kraton 
wilden spreken. Waarop die Njai ToentSnggoeng antwoordde: 
*zeg maar aan de beide Commiêêariêêen, dat Z. Hoogheid nog 
^^slaapt." De afgezondene keerde nu naar de stad terug, en 
berigtte aan de Qmmiêêariêêen^ dat zijn Hoogheid nog sliep. 

Töeii «ijn Hoogheid te Lawefan ten westen van Soerdiartd 



Digitized by 



Google 



130 

gekomen was, zei hij: //Atm&poesp&k^ en ATif&DiB&D&! 
ff gij moei op een afstand voomitgaan, en gij, JRaden Aruir 
/irsoEPaNal moet vóór mij rijden.'" En zoo reden zij in twee 
gedeelten. 

Te Delanggoe vroeg Raden AxMasoEPaNJl : ^daar ik in uw 
//Hoogheids dienst sta, neem ik de vrijheid uw Hoogheid te 
^vragen, waar u naar toe wilt gaan.^' 

Z. Hoogheid antwoordde: //ik wil een togt doen naar de 
//graven van Magiri^ 

Waarop Raden ATMosoEPllNa wederom vroeg: //heeft uw 
/^Hoogheid daarvan al kennis gegeven aan Commisêaris Nahuus 
/fGn. aan uw dienaar, vader Raden Adipatr? 

//Neen", antwoordde de vorst, //ik heb er aan niemand kennis 
/j'van gegeven, dan alleen aan mijn jongste vrouw." 

//Maar", vroeg Raden Atm& soKPaN& weder //wat is uw Hoog- 
//hcid dan van plan te doen, dat u weggaat, zonder er ver- 
//trouwelijk mededeeling van te doen aan de aanzienlijke per- 
//sonen te SoeritartaT' 

De vorst zei daarop: //vroeger heb ik al eens dergelijk be- 
/fxigi gegeven aan den Rijksbestierder , maar die heeft het mij 
//toen verboden." * 

Raden ATiiSsosp^Na hernam: //voor ons ligt de benteng 
//van Ladjoer^ en naar de gebruiken van de HoUanders kan 
//niemand daar passeren. Zij zullen uw Hoogheid nu wel niet 
//durven dwingen om -terug te keeren, maar een brief van hen 
ff\s in een oogenblik te Soerahartay 

Zijn Hoogheid antwoordde : //hoogst waarschijnlijk zullen zij 
//niet weten, dat ik het ben. Op zijn best zullen zij mij 
//houden voor een Mantri^ die voorbijgaat." 

//Och Heer!" zei daarop Raden ATMisoEPiNi, laat ons maar 
//terugkeeren ! Waarschijnlijk zullen de gevolgen van dezen togt 
//niet aangenaam zijn, en zonder twijfel zal men u berispen, 
//daar u geen verlof gevraagd heeft. Als de Commiêearis u 
^na uw vertrek in de kratan een bezoek wil brengen, wat zal 
//uw femilie dan op de vragen van den Commissaris antwoorden" ? 



Digitized by 



Google 



131 

Waarop de vorst antwoordde: //waarschijnlijk zal de Comr 
i/migsaris niet {n de hraton komen, want ik heb gelast, dat 
/rmen maar moest zeggen, dat ik ziek ben, en de deuren heb 
/i'ik laten sluiten." 

/rDat is nog gevaarlijker,"" hernam Raden ATMlsoEPaNl ; 
^als de Commisêoria hoort, dat uw Hoogheid ziek is, zal hij 
/irnet een Doctor in de hraton komen, en als uw Hoogheid 
«"dan afwezig is, hoe zal het dan afloopen? En bovendien: 
irwat heeft uw Hoogheid toch op 't oog , dat (deze reis) nood- 
/^zakelijk maakt? Wil uw Hoogheid alleen maar een togt 
/i^nasr de heüige graven doen ? Of heeft u nog andere plannen?" 

De vorst antwoordde: //wie zou niet zielsbedroefd zijn, 
ftRaden! als hem zijn landen zoo maar ontnomen en opge- 
ireischt worden? en hoe, als ik ze niet afgestaan had, en hen 
«'tot een strijd had uitgedaagd ? Het ware beter geweest, dat 
^ik ze voor de dubbelde pacht verhuurd had, maar zij drongen 
'raan op de oude pacht." 

Op dat oogenblik kwamen zij voor de benteng van LadjoeVy 
doch zij gingen maar verder, zonder dat iemand hen stoorde. 
Ten zuiden van Ladjoer^ zagen zij twee Hollanders van het 
zuiden komen, de Hoeren Meijer en Luc^lKDie, ingezetenen 
van 8oer&kari&^ die van Klaten kwamen en naar Soeraiart& 
terugkeerden. Zijn Hoogheid sloeg toen op zij naar de «^«70^ 
af. Toen Raden ATMaPO£SP&K& en Raden ATM&DiBJiD^ hen 
ontmoetten , groetten zij de Hollanders en vroegen : //waar komt 
»Q van daan"? Hun antwoord was: //van Klatón^ wij willen 
''naar Soeriiarti terugkeeren." 

Op de vraag van den Heer Meijee, waar de Radens naar 
toe gingen , antwoordden zij : /i^wij willen naar Papai gaan om 
een broeder te bezoeken." 

Toen de Hpllanders al verweg waren, kwam zijn Hoogheid 
wéér op den groeten weg, en vroeg Raden ATM&soEPaN&: 
^hoe is dat? is uw Hoogheid bang om Hollanders te ontmoe- 
ten? Kom laat ons toch terugkeeren"! 
Waarop de vorst in toom antwoordde : f/Raden ATMisoEPaN& 



Digitized by 



Google 



132 

//is net als eeu klein kind. Kom , rij maar vooruit , en laat 
ATMUPOESP&K& hiOT komen! Je hebt veel te veel praajbs/' 

Raden ATMisoEpiNi reed nu vooruit, en riep .BöwfewATMa- 
poesp&kIL toe: //gauw Radeti ATMapoESPiKa ! keer terug (naar 
//den vorst)." 

Toen hij nu voor den vorst gekomen was, vro^ deze: 
«'wat Hollanders waren dat"? 

Saden ATM&POESPaKa antwoordde: ^die HoUandera zijn in- 
^gezetenen van Saerakartaj zij komen van EJatèn en willen 
ü^naar Soerakarta terugkeeren." 

Daarop vro^ de vorst, of zij hem herkend hadden, en of 
zij ook iets gevraagd hadden. (ATKapoEspaKi beantwoordde 
die vragen , en voegde er bij) : Almaar , Heer ! ik smeek u tocli 
>»'maar terug te keeren en uw plan niet door te zetten." 

Vertoornd zei de vorst : //zelfe een klein kind kan mij zoo'n 
//raad wel geven; alsof jij alleen mij dat zeggen kunt! Rijd 
//nu maar weer vooruit, en laat ATMasOEPUNa hier komen"! 

Raden Atm&poesp&k& reed haastig weer vooruit, en riep 
Raden ATM&soEPaN^ toe (om terug te keeren), en deze reed 
toen spoedig terug tot voor den vorst. 

Bij Palènibon sloeg de vorst een kleinen zijweg in die naar 
het zuiden leidde, en kwam in het dorp Kalima». Daar 
rustte hij wat ten huize van Toemètiggoeng WiBjSbrëGaEd, en 
vroeg om wat eten. Het overschot ervan gaf hij aan zijn 
volgelingen. Daarop vroeg Z. Hoogheid: //Atm&poesp&kS en 
//Atm^ieId&I zouden er wel zijn, die mij herkennen op mijn 
//togt"? 

Beiden antwoordden : //waarschijnlijk velen. (Men zal u her- 
vj'kennen) aan uw paard, dat geleid wordt en aan uw staatsie- 
//piek. Als het u behaagt, stellen wij u voor dat paard hier 
is^maar achter te laten." 

Doch Z. Hoogheid stond dat niet toe. Nadat de ordon- 
nansen met eten gedaan hadden, ging de vorst (weer) op reis. 
Een zoon van Toemènggoeng WiRjaNëaaRi ging meê, daar hij 
vroeger in de kraton als Mantri gediend had, maar hij had 



Digitized by 



Google 



133 

toen op de wacht een fout begaan, en was daarom met af- 
zetting gestraft. Het was nu zijn voornemen om zijn diensten 
(weer) aan te bieden. Maar toen de vorst bij het doti^Bjim' 
boeng bemerkte, dat de zoon van Toetnènggoeng WiBj&Nëoaii& 
hem volgde , zei de vorst : //genoeg , johge man ! keer terug en 
''Volg mij met ! pas maar op uw huis , daar uw vader al mee- 
^gaat." 

Hij ging daarop terug , keerde te Kloten, aan , en gaf aan 
Kjai Toemènggoeng Mangoen NêG^& te Klatèn kennis, dat Z. 
H. de Soesoehoenan naar Mdgiri ging met vijf man bij zich' 
Kjai Toemènggoeng Maj^ooen Nêa&&& ging toen haastig naar het 
fort, en gaf den Kommandant Saocrman berigt van 't geen 
de zoon van WiiUaNëGiR& hem verteld had. De Komman- 
dant schrikte en (zei) met den vinger op hem wijzende: //jij, 
''Mangoen NêG&B&l jij bent een aartsleugenaar/' Waarop deze 
antwoordde : >yen toch , Mijnheer! heeft iemand mij dat verteld. 
"Welnu, Mijnheer kan hem zelf vragen." 

Daarop vroeg de Kornfnandant aan den zoon van WirS- 
NëoJo^ : //is het waar, dat Zijn Hoogheid naar Mdgiri gegaan is'? 

Deze antwoordde: //ja, Mijnheer! ik weet het zeker, want 
fl'ik zelf ben met hem tot het dorp Ujjimjboeng meegegaan en 
'/daar gelastte hij mij terug te keeren. Hij had maar vijf man 
"bij zich: mijn vader en vier van zijn ordonnansen." 

De Kommandant schreef nu brieven aan den Commiêsaris van 
SoeraJkarta en Besident van Nes te Jogyh^ en nadat hij die 
geschreven had, gelastte hij twee oppassers die met allen spoed 
Ie bezorgen. 

Toen Zijn Hoogheid bij het dorp Tankisan gekomen was, 
liet hij zijn volgelingen twee aan twee gaan : achter hem moesten 
Raden Atm&foesp&k& en Baden Atm&die&d& rijden, en wel 
op eenigen a&tand , en als er iemand vroeg (wie daar aankwam), 
moesten zij zeggen dat het Raden Mas Rija So£BJ& ATMaDj&, 
een zoon van Mankoeboemi , was , die als Onderfnajor en chef 
van de ordonnansen over alle inwoners in de kroten bevel voert. 
^ als men vroeg waar zij heen gingen, moesten zij zeggen. 



Digitized by 



Google 



134 

dat de Soe^oehoenan van Saeriiartd hen gezonden had om een 
paard aan Baden Rija Wir&koeso£M& van Magiri te brengen, 
daar hij naar SocthhiTth was opgeroepen. Kjai Toemènggoeng 
'WiRj&Nëo&B,& en Balden Atm&wirIo& moesten v6<5r den vorst 
gaan en het paard aan de teugels leiden, en Baden Atm&- 
SOEF&N& moest bij den vorst in 't midden blijven. 

Terwijl zij voortgingen, zei Baden AtmIsoep1Ln& : y^wat is 
//dit toch voor een (vreemde) optogt zonder regel of orde! Als 
//de menschen onze bagage zien, zuUen zij ons honden voor 
//lieden, die verhuizen; als zij het paard aan de teugels zieD 
//leiden, gelijken wij wel op kooplieden, die naar i/b^yigaan; 
//en als zij onze keurige kleeding en wapens zien, zullen zij 
//ons houden voor krijgslieden, die op een expeditie willen 
//gaan, maar geen soldaten hebben, zoodat wij wel wat hebben 
//van oflBcieren, die van garnizoen veranderen. Hier voor ons 
//ligt de benteng van Kalasan; hoe nu, als de wacht ons onder- 
//vraagt. Zoo ik zeg, dat wij kooplieden zijn, dan hebben 
//wij geen pas, en zoo ik zeg, dat wij door den Soesoehoenau 
//zijn uitgezonden, dan hebben wij geen brief. Wat zal ik 
//voorgeven'7 

Zijn Hoogheid antwoordde: //als men u ondervraagt, moet 
/'gij maar antwoorden wat ik u zoo even gezegd heb. Zoo 
//men u wil aanhouden, moet gij het niet toestaan, en niet 
//van 't paard stijgen." 

Baden ATMSsoEPaNS zei daarop : //het zou al heel verkeerd 
//zijn daar aangehouden te worden; maar zou het niet beter 
//zijn terug te keeren"? 

Waarop de vorst antwoordde: //wel wat heb je veel tepra- 
//tenl Ben ik dan een klein kind, dat gij mij maar steeds 
//bang maakt"? 

Toen zij ten oosten van Kalasan gekomen waren, en de 
Hollandsche soldaten, die daar op wacht stonden, zagen, dat 
er menschen op den weg waren, die goed gekleed waren, en 
een paard, dat zij leidden, bij zich hadden, liepen zij op hen 
af, om met hun zevenen hen te verhinderen verder te gaan. 



Digitized by 



Google 



135 

De 7orst zette zijn paard dadelijk in galop, en Beulen AthI- 
soEFaN& vroeg: //hoe nu? als zij ons aanhouden"? 

De Soeêoehoenan antwoordde : //nu ja , laat ze u dan aanhou- 
«den I als zij u in ernst aanhouden , geef hun dan maar geld ! 
^geno^ daarvan'M 

De HoUandsche wacht riep, en schreeuwde: //wie is het 
/'die daarheen gaat? Houdt op! de Konmiandant laat u 
«roepen." 

Baden AtmSwirSg& en Toemènggoetig WiRjaNëoSEi volgden 
den Soesoehoenan in galop, maar Baden ATAfasoEpSxa bleef 
staan. Op de vraag van den Hollander, wie daar zoo even 
voorbijgegaan was , antwoordde hij : >rdat was mijn chef, de 
fLoerah van de ordonnansen." 

Toen hij verder vroeg , hoe hij heette en wat hij doen wilde, 
antwoordde hij: //hij heet Baden Maa SoERjaiiTMaDjS ; de 
f Soesoehoenan heeft hem naar Mugiri gezonden om Baden Bija 
>rWEK&KO£soEM& ccu paard te geven, daar hij nsoLV Saeraiartd 
«ontboden is." 

De Hollander vroeg daarop: //waar is uw pas"? 

Baden ATM&so£paN& antwoordde : //wel , een pas ? zie je dan 
«mijn vergulden degen niet? en is hier dan nog geen zende- 
«ling van den vorst met een pas gekomen"? 

Toen de Hollander nu zei: //de Ziwawww^/^»^ laat u roepen," 
voegde Baden ATMJiso£PaN4 hem toe: //ik wü mij niet laten 
«roepen, want ik reis met spoed. Houd op, en keer terug 
«naar de benieng! daar heb je vijf realen"! 

Baden Atm&so£P&n& reed daarop in galop verder den Soe- 
soekoenan achter na. Toen Raden Atm&po£sp&k& en Baden 
ATM&DIR&D&, die achter den Soesoehoenan reden, voor de 
benieng kwamen , en de Kommandant hen vroeg , wie zij waren, 
en waar zij heen gingen , antwoordden zij : //wij zijn ingezete- 
«neu van Soerakarta^ en willen een bloedverwant van ons be- 
«zoeken, die ten westen van hier woont." 

Daarop vroeg hij : //weet gij ook , wie voor u voorbijge- 
«reden i^"? 



Digitized by 



Google 



136 

//Neen," was het antwoord //ik weet niet, wie hier voorbij- 
//gegaan is/' 

De Hollander zei weder: //naar zijn zeggen was het een af- 
//gezaut van den Soesoehoenan van Soer&kari&y 

Waarop Raden ATMioiuaDS antwoordde: //gij weet het dus 
//wel, ik weet het niet," 

Hij reed toen verder. De Soesoehoenan wachtte hen af te 
Kali bènïng. Toen zij daar allen bijeen waren, trokken zij 
verder. 

Daar Commmaris Nahuijs zich ongerust maakte, zond hij 
om elf uur andermaal iemand naar de kraton^ om te vernemen 
hoe het met den Soesoehoenan was ; en toen die persoon in den 
kraton kwam en de wachthebbenden daarnaar vroeg, antwoord- 
den zij , dat de Soesoehoenan nog sliep. Daarop zond de Com- 
mmaris een boodschap naar Panïmbahan Bgemin&tu, Pangeran 
Adipati Po£BO£Baj&, Pangeran Adipati Ngabèhi, Pangeran 
Alipati Ngabèhi, Pangeran AdipatiKoEsoi:uSLjo^ï>i, Pangeran 
/kiuNcüaRa, Pangeran Arjd Mataram, Raden Adipati SIse&- 
luNiXGRAT en Pangeran Adipati PAKOENCGaRS, waarbij hij 
hun verzocht om des namiddags om vier uur in het Eesidentie- 
huis te komen dineren. 

Toen de Soesoehoenan op de pasar van Magiri kwam, en drie 
j)ersonen ontmoette, die eerbiedig neêrhurkten, kreeg hij een 
schrik, en vroeg: //kent gij mij, dat gij zoo op de hurken 
gaat zitten"? 

Zij antwoordden: //ja Heer! uw dienaren kennen u wel, u 
//is Zijn Hoogheid, de Soesoehoenan^ 

Op de vraag van den vorst, wiens bedienden zij waren, ant- 
woordden zij: //wij zijn bedienden van uw Hoogheids dienaar 
Raden Arja WiRaKOEsoEMa." 

Daarop zei hij tot hen : //gij moet er niet met anderen over 
//spreken, dat ik hier ben! roept uw Heer maar hier"! 

De drie personen haastten zich het aan hun Heer te zeggen, 
en Raden Arj& WiRiKOESOEM& ging met spoed naar hem toe. 

Toen de Soesoehoenan te Magiri was aangekomen, steeg hij 



Digitized by 



Google 



187 

van 't paard, leidde het zelf aan den tengel, en klom (de 
trap) op naar de begraafplaats van Sultan Agobko. Niet lang 
daama kwam hij weer beneden , en liet de djimats (of grat- 
bewakers») gewoonlijk êjo&roekaenl^t 9 genaamd, door i2adiar 
ATnawmaGa roepen. Daarop ging hij zich baden op het ^ 
van een ëjvmai van logya^ Kjcd Balak. 

Toen Baden Arja Wib& KOEsoBHa kwam, ging hij naar 
Badeu ATifaso£P&NS toe, en vroeg hem fluisterende: //wat? 
if\s Z. H de SoesoeAoenan hier zonder gevolg van HoUandsche 
«Thnzaren'^ ? 

Sade» ATMasoEPaxa antwoordde: ^Z. H. de Soetoeioenan is 
/'hier incognito, en heeft den naam van Baden Afyd SoEBji- 
frATÈOLDji, a»igenomen, doch gij moogt het maar weten; hond 
<rhet voor n zelven!" 

Waarop Baden Arja 'Wi&aK0ESOSM& zei : /^odb Oom ik kan hier 
/"niet met een oog knippen, of de kommandant schrijft het op.'* 

Eensklaps kwam de Soesoehoenan van het baden en vro6g: 
*fTX]i gij welvarend, Bei'''*? 

WatasLOESOEica antwoordde: ^door Uw zegen ben ik ge- 



(De Soeêoehoenan zéi daarop:) i^broerl ik ben vaai huis go- 
^gaan met het voornemen om op de graven te bidden/' 

Daama ging de Vorst naar de Soerambi (of 't voorportaal) van 
de Mèêdfid om zich te kleeden en zich van zijn ster te voor- 
zien. Kort daarop kwam J£;ai Djucat Baulk met een bord i;^ 
ian, en een bord met vleesch. Toen hij het gezelschap gegroet^ 
had, en zij naast elkander waren gaan zitten, vroeg hij: 
^mijn kleinzoon! wat edehnan zijt gij''? 

De Soeêoehoenan antwoordde: 4^ik ben van iSiT^ojiai^a, groot- 
«rvaderl een zoon van Pangeran Makkoeboxmi." 

Kjai Bai^k zei: //Uw grootmoeder (d.i. mign vrouw) heeft 
^een weinig kètan voor u; zi) heeft het na uw komst alhier 
«rgekocht. Hier bied ik het U aan, mijn kleinzoon"! 

De Soeêoehoenan at van het eten, en gaf het. nadat hij 
er een bandvol van gegeten had, aan zijn volgelingen. Toen 



Digitized by 



Google 



138 

daarop de Djifnats kwamen, en een iS^a^ voor hem maakten, 
vroeg hij: //hel waarom maakt gij een Sëmbah? wie ben ik 
//dan"? 

De DjimaU antwoordden ; //zijn Hoogheid de SoeêoeAoenm'' 
De Soesoehoenan zei daarop: //gij moet mij niet met eeu 
ffSémbah vereeren; weet dat ik hier incognito ben." 

Na dit gesprek klom de Soesoehoenan (de trap) op naar de 
graven, kuste die (alle), zelfe ook de graven van (het hof van) 
Jogya^ en brandde bij allen wierook. Nadat hij dit gedaan 
had, gelastte hij den JDjimats (in het gebouw) op het graf van 
Sultan Aqoenq te gaan slapen. Hij zelf lei zich te slapen aan 
den voet van den pot met water (voor de biddenden bestemd), 
ten noorden van de loods op het graf van Sidtan Agoeng. 

94. Maatregelen te Saerakarta geno- 
men om den Soesoehoenan op te 
zoeken. 

Terwijl de beide commissarissen met de genoodigden aan tafel 
zaten vroeg een van de commissarissen aan Panèmbahan Boemi- 
NaTa: //waar is de Soesoehoenan. 

Het antwoord van den Panimbahan was : //Zijn Hoogheid is 
//in de kraton^ 

Daarop fluisterde de Commissaris Luitenant Nolten iets in, 
en gelastte hem in de kraton te gaan en kennis te geven, dat 
de Commissaris den Soesoehoenan bezoeken wilde, en als hij 
nog sliep, moest men hem wakker maken. De Heer Nolten 
ging spoedig heen , en ontmoette in de Srimïnganii poort Njai 
Toemïnggoeng SëTja NaL&. Hij deelde haar mede, dat de Com- 
missaris komen zou, en als de Soesoehoenan nog sliep, moest 
men hem wakker maken. 

Njai Toemenggoeng antwoordde: //Zijn hoogheid slaapt den 
//ganschen dag tot nu toe, en ik durf hem niet wakker te 
//maken." 

De Heer Nolïen keerde daarop naar 't Residentiehuis terug, 



Digitized by 



Google 



139 

en flaisterde den Commissaris ia ^toor, dat de SoesoeAoenun 
nog niet opgestaan was. Toen het diner op dien avond om 
zeven uur a^eloopen was , namen de Panimbahan en de ande- 
ren a&cheid om naar huis te gaan. 

Terwijl de Cammissarissm nog met elkander zaten te praten 
over den Soesoehoenan ^ kwam er 's avonds om 10 uur een brief 
van den Kommandant van Klatèn , inhoudende het berigt , dat 
de SoesoeAoenan naar M&giri gegaan was, vergezeld van niet 
meer dan vijf personen. Nadat zij den brief gelezen hadden, 
verzochten zij Panëmbafuin BoEMiKaTa, Goesü Pangercm Adipati 
PosuoEBaja, Pangeran Adipati Ngabêhi, Pangetcm AdijmH 
MAT^OENêoaBi en Saden Adipati SASBaNëoaRa (in HBesiden- 
tiehuis) te komen. Toen zij kort daarna kwamen, deelde de 
Commissaris aan den PanembaAan mede , dat hij een brief van 
den Kommandant van EXatèn ontvangen had met het berigt, 
dat de SoesoeAoenan naar Magiri gegaan was met een gevolg 
van niet meer dan vijf personen. De Panïmhahan en de ande- 
ren waren ten hoogste verwonderd, en kwamen overeen om 
2dch van de waarheid van dat berigt te overtuigen en in de 
hraion te gaan. Bij de Kamandoengan poort werden alle Pa- 
ngerans verzocht daar te komen , en toen zij bijeen waren, gin- 
gen zij in de kraicm^ en inderdaad: de Soesoehoenan was niet 
in de kraton. Zij besloten daarom hem na te zetten. Com- 
missaris Nahuijs zou zelf gaan, vergezeld vbltl \ij{ Pangerans : 
Pangeran BaliItèe, Pangeran PRiNGoaiiaja , Pangeran Soer- 
jaBuSxa , Pangeran SaxTaKOESOEMa , en Pangeran Pandji Soer- 
jaNiNGRAT , benevens een van de twee Boepatis van de Kaparak^ 
Saden Toemïnggoeng DjajaniNiNGRAT , met al zijn Mantris^ te 
zamen 200 man. Ook gingen er troepen van MANKOENëaaRa me- 
de, namelijk 80 huzaren en lansiers onder Majoor Pangeran Soer- 
jaMATARAM CU de Kapiteins Baden Arj& SoERjaniNiNORAT en 
Baden Arja SoERjaiciRDja j& , benevens 300 man infanterie 
onder Majoor Pangeran SoERjaDiNiNGRAT. 

Maandag morgen om negen uur waren allen marschvaardig, 
en ging Commissaris Nahuijs met al zijn gevolg op reis. 



Digitized by 



Google 



140 

Lmtetumt Nolten met 60 Hollandsche hozaren en Baden 
Toeménggoeng Djaj&DiKiNGRAT met 100 man maakten de voor- 
hoede uit , en kregen in last om den Soesoeioenan op te aoeken. 
Pangeran Mcyo&r Soerj^ningaat van MANKOENeoajba met zijn 
manschappen legerde zich in het dorp Pidji tegelijk met 100 
flankenrs. Commiswris Nahuijs zou naar Kalimas gaan. De 
andere Prinsen bleven allen in de krcUon de wacht houden en 
Baden Adipati SasEaniKiNGBAT bivakkeerde met al zijn Boe- 
patiê op de aloen-aloen. Al de pradjoerits van den SoesoeAoenan 
waren ook bijeen, en stonden op hun post. 

95. Terblijf van den Soeêoehoenan te 
Mdgiriy en vertrek naar Pa««a»- 
tjmgan, Maatregel^i van den 
Resident van Jogya om den Soe- 
êoehoenan op te zoeken. 

Nadat de Soesoehoenan te Magiri geslapen had, stond hij 
om vier uur op. Op zijn vraag aan Baden ATMasoBPiNa, 
of hij iets gedroomd had, antwoordde deze ontkennend. De 
Soesoehoenan gelastte hem daarop , alle DjinuUa^ die nog sliepen , 
wakker te maken , en Baden ATMasoEPaxa voldeed spoedig aau 
dat bevel. Allen stonden op , en kwamen bij den Soesoehoenan. 
Op zijn vraag, wie van hen iets gedroomd had, antwoordden 
zij, dat geen van ben gedroomd had. Maar eindelijk zei 
Baden ATMiasoEPaNa : /rik heb gedroomd, dat uw vader de 
//overledene Soesoehoenan^ mij verscheen en mij vroeg om 
ffheloT' en Aard-groente. Ik ging to^oi die groente zoeken , 
//vond ze en deed ze in een peperhuis. Ik wilde ze aan uw 
//vader aanbieden , maar hij was al naar de kraUm teruggekeerd. 
//Ik gaf toen de groente over aan Njai Toeménggoeng^ en 
//toen werd ik in eens wakker." 

Daarop vertelde Baden ATMasoEPaNa: //ik heb gedroomd, dat 
//ik allerlei bergen aan een ijzerdraad te zamengesnoerd had , 
dat ik dien ijzerdraad boven op het hoofd droeg , maar dat de 



Digitized by 



Google 



141 

^draad brak en de bergen uiteenvielen. Ik zamelde ze toen 
/"bijeen, maar voordat ik dat gedaan had kwam er eensklaps 
ffOGu Hollander. Ik vervolgde hem, maar kreeg toen een 
^schrik, en tot nu toe beef ik er nog van." 

Baden ATifawiB&oa zei daarop: //natnniiijk , je bent er aan 
^gewoon! te Kalasan ben je ook door een Hollander aange- 
/Inhouden." 

Nu zei de Soesaekoenan : //ik heb gedroomd, dat ik vele 
^rvrouwen zag, die naar mij keken, maar hoe zij er een voor 
/'een uitzftgen, heb ik nog niet gezien." 

Waarop Raden ATHaso£PaK& volgen liet: //misschien waren 
^het wel uw grootmoeders, die hier begraven zijn." 

Na dit gesprek ging de SoeêoeAoenan bidden om 't geen hij 
verlangde, en na het gebed vroeg hij aan de DjinuUsy hoe 
ver Pamanijingan van daar lag. 

Een van de Djimats antwoordde: //het is een halve dagreis 
ff[iQi 's middags 12 uur)." 

Waarop Baden ATMasoEPaN& hem toesnauwde, terwijl hij 
met den vinger naar hem wees : //wat een leugen , die je daar 
/'zegt, Ijimatl Te paard reizende is Pamanijingan wel een 
x^dag van hier." 

Nadat zij een poos met elkander gestreden hadden, zei de 
SoeêoeAoenan : // WrR^KO£soEM& I gij moet paarden in gereedheid 
/'"brengen , mogelijk raken de paarden van de ordonnansen uit^ 
''geput." 

Maar Bctden ATM&soEPaNa voegde er bij : //neen , Baden 
ffRijal dat is niet noodig; ik zou er toch niet op willen rij- 
zeden, want het zou niet goed zijn in de gevolgen. Ik heb 
ffWQoii een eigen paard gekocht, en heb altijd maar op een 
/'paard gereden, dat Uw Hoogheid mij gegeven had. Het 
/'paard, waar ik nu op rijd, is mijn eigendom niet." 

De Vorst zei verder: //WiRiKOEgoEMS ! gij moet met mij 
«"me^aan en drie üjinuUs medenemen." 

In dien morgen bestrooide de Yorst al de grafsteden met 
bloemen, en kuste ze allen. Maar toen hij de grafstede van 



Digitized by 



Google 



142 

van Soenan Bagoes (zijn grootvader) wilde kussen, waren er 
boven de poort (of boog) gekko's^ die zeer druk vochten en el- 
kander beten, en de kleinste werd zoo erg gebeten, dat hij 
bijna werd ingeslikt. Op de vraag van den SoesoeAoenan^ waar 
dat een voor teeken van was, antwoordde Baden ATicasoEPiNi: 
^TJw Hoogheid moet niet aan allerlei voorteekens denken! 
//Laat ons maar weer (naar Soerdkartd) terugkeeren, en niet 
^naar Tamantjingan gaan. Het is al te ver." 

Niet lang daarna kwam de Vorst buiten, en gaf 50 realen 
ten geschenke om daarvoor na zijn vertrek aan allen, die te 
M&giri geslapen hadden, een maaltijd te verstrekken. 

Toen vertrok hij om naar Parnantjingan te gaan. Nadat 
hij een eindje ver gereden had, viel het rijpaard van den 
Vorst bijna neer van vermoeidheid. Hij reed nu verder op 
het paard , dat geleid werd , en gaf zijn rijpaard aan Baden 
Arjd WiEaKOEsoEMa. 

Nadat Besidenl van Nes den brief gekregen had, waarin 
de Kommandant van Kluten kennis gaf, dat Z. H. de Soeêoe- 
hoenan van Soerdkartd naar Mdgiri vertrokken was met vijf 
personen in zijn gevolg , overlegde hij met Kolonel Sollewijx 
en kwamen zij overeen om den Vorst naar Magiri te volgen. 
Hij gaf aanstonds order aan 60 HoUandsche huzaren om zich 
gereed te maken, en toen de 60 huzaren marsch vaardig waren, 
vertrokken Besident van Nes en Kolonel Sot.lewijn. De Heer 
VAN DEN Beeg ging met hen mede. 

Toen zij bij de henteng van Magiri gekomen waren, werd 
er spoedig iemand uitgezonden (naar 't huis van Baden Bijd 
WiKaKOEsoEMa), doch hij vond hem niet te huis enbragtden 
Kolofiel de tijding, dat WiRaKOEsoEMa niet te huis was. De 
Kolonel werd daarop verstoord , en gaf last om aUe mauneu 
in het huis van WiBaKOEsoEMa gevangen te nemen. Toen dit 
geschied was, werden zij in de henteng gebragt. 

De Besident en Kolonel beklonmien de trappen naar de be- 
graafplaats, en vroegen aan de JDJimats, of de Soesoehoenan 
van Soerdkartd daar was. Deze antwoordden, dat Zijn Hoog- 



Digitized by 



Google 



143 

heid er niet was, maar dat daar den Yorigen nacht een man 
van hooge geboorte, met name Jiaden Arjd SoERja ADMaDja 
geweest was , die zoo even in den morgen vertrokken was naar 
Pamantjingcm, De Kolonel en de Re&ident met hun militair 
geleide gingen hem toen achterna naar Pamantjingan. 

96. De Soesoehoenan komt te Pa- 
mantjingan , vertrekt naar ^t zui- 
derzeestrand en gaat daar slapen. 
Hij wordt door den Resident 
van Jogyakarta gevonden en me- 
degevoerd , eerst naar Krèhet^ en 
van daar na Ddnilajd. Bezoek 
te Poêarg^de, 

Maandag des namiddags om S nur kwam de Soesoehoenan 
te Pamantpngan. Raden ATMawiiiaG& kocht wat rijst, vleesch 
en gras, en bragt piêattgsiAmmen bijeen om er een vlot van 
te maken. Niet lang daarna hadden zij pisang^isLTameti verza- 
meld, en werd er een vlot van gemaakt. Toen het klaar was, 
ging de SoeêoeAoetum er op staan, (stak de rivier over), en 
wierp een stel kleuren in de zee. De Soesoehoenan raakte 
daarbij zijn karwats kwijt, daar zij door een golf werd weg- 
gevoerd. Hij klom van het vlot (op den wal) en zag toen 
de parang trüis (rots waaruit water druipt), de parang wedang 
(rots waaruit warm water komt) en de zuidelijke parang koe- 
êofma , want er zijn twee dergelijke parang koesoemaa , een 
zuidelijke en een noordelijke. De eerste ligt op het strand, 
maar lag vroeger in zee, nu liggen zij beide op het strand. 

Raden ATMasoEP&Na zei: /^waar wenscht Uw Hoogheid te 
/'slapen ?" 

De Vorst antwoordde: //ik wil hier maar slapen, digt bij 
"het water." 

/f Neen," zei Raden ATicasoEPaNS , //hier moet Uw Hoog- 
/^heid niet slapen, want vroeger, toen Uw dienaar nog een 



Digitized by 



Google 



144 

//kleine jongen was, lag deze plaats in de zee. Het is beter 
^(te slapen) bij de noordelijke ^m^ koeêoemdy die vdJivroegoT 
ffti op 't strand lag." 

De Soesoehoenan volgde zijn raad, en ging naar de noorde- 
lijke parafig. Daar komende maakte de .S^k^ de plaats waar 
de Vorst slapen zou, schoon. Maandag avond omstreeks acht 
uur ging de Soesoehoenan slapen, en legden zich al zijn vol- 
gelingen ook te slapen; alleen Made^ ATicasoEPaNa sliep niet, 
hij zat met de Yorstelijke piek Kjai K&RawêLAjfG in de han- 
den aan het voeteneind van den Vorst. Wij verhalen' niet 
van de schoonheden van het strand, terwijl het juist volle 
maan was. De DjinuUSy die te voet gegaan waren, kwamen 
intusschen aan. Ook kwamen er vijf Aoi^hektlê om den 
Vorst eten aan te bieden , maar de SoeêoeAoenan sliep toen al. 

Omstreeks tien uur kwamen Resident van Nes en Kolonel 
SoLLEwijN met hun militair gevolg te Pamanijingan om naar 
den Soesoehoetum te zoeken. Toen zij kort daarop menschen 
zagen slapen, naderden zij hen, en lieten de huzaren op een 
a&tand; alleen de Officieren volgden hen met den Heer vak 
DEN Bekg. Zij stegen van hun paarden , en zochten naar den 
Soesoekoefum. Het trof juist, dat zij Baden ATMapoEspiK.4 
wakker maakten ; deze stond op , maar ging toen wéér liggen. 

Maden Ath&so£P&n& had den Resident al een poosje zien 
aankomen, en wekte den Soesoehoenan^ maar deze wilde niet 
wakker worden, zoodat Baden ATMasoEP&Na, den Besident 
toeriep: //Mijnheer! hier is zijn Hoogheid." 

De Besident en de Kolonel gingen nu naar hem toe, kniel- 
den voor hem, en zeiden: //Mijnheer AeSoena?i/ wij ^ Besident 
/^van Jogjfd en Kolonel Sollewijn komen Uw Hoogheid af- 
/jrhalen." 

De Soesoehoenan werd verschrikt wakker, ging opstaan, stak 
zijn kris (vol verontwaardiging) op zij , zette de handen in de 
zijden, en zei: //wel die onbeschofte Hollanders, dat zij mij 
ffviii den slaap durven wakker maken!" 

Daarop verwijderden de Besident en de Kolonel zich op een 



Digitized by 



Google 



145 

a&t8nd. De vier ordonnansen met Raden, Wui&koesoxm& en 
WiBjaNëGBRê gingen voor den Vorst staan, inwendig op alles 
bedacht, terwijl de Djjimaü en Aoi^Mkda naar alle kanten 
wegvlogen. 

De Heer van den Bsbg naderde nu den Vorst, en zei 
tot hem vriendelijk: //Uw Hoogheid gelieve het mij niet ten 
«"kwade te duiden! Daar is Seddent van Nes en Uw vriend 
"Kdond SoLLBWijN , die U op last van Uw Vader, Cammissttris 
vNahuus, komen afhalen. Uw Hoogheids bloedverwanten zijn 
«"zeer ongerust, en zenden naar aUe kanten menschen uit om 
"Ij te zoeken."" 

Toen de Vorst de woorden van den Heer van den Berg 
hoorde, bedaarde zijn toom. De Residmt en de Kolo7iel\Lyt2k- 
men nu weer bij hem en groetten hem. Daarop zei de Resi- 
dent: //Uw Vader, C<m>niiê8ari8liA.u\jiisen(hnmiisari8W£s,- 
'^Kus verzoeken U naar Soerdiartd terug te keeren, en zoo 
''üw Hoogheid niet naar Soerdkartd wil terugkeeren, is het 
''ook goed, dat hij naar Jbgyd teruggaat, want beiden zijn 
«'dat Uw Hoogheids eigen hoofdplaatsen.'" 

De 8oe9oehoejum antwoordde: >/goed. Vader! ik zal naar 
^Soerakarta terugkeeren." v 

De Resident bood hem een flesch jenever aan, en de Vorst 
nam die aan. Hij zette de flesdi aan de lippen, en dronk 
er uit. Daarop zei hij : //Vader 1 ik wil morgen vroeg maar 
^terugkeeren, en eerst aan mijn verlangen om hier (van nacht) 
"te slapen voldoen." 

De Resident zei daarop: //als "t U behaagt, 'verzoek ik 
"M medelijden ' te hebben met de HoUandsche huzaren, want 
''de Hollanders kunnen den wind, die hier waait, niet uit^ 
''Staan. Laat ons, als "t U behaagt, nu maar van hier ver- 
trekken." 

De Vorst antwoordde: /'goed Vader! ik zal nu van hier 
«vertrekken, en verzoek mijn rijpaard." 

Hij steeg te paard, allen vertrokken. Bij de benteng te 
Kfihet verzocht de Resident zeer beleefd eerst wat in die benr 

XXIV. . 6* 



Digitized by 



Google 



146 

teng op te houden om wat uit te rusten. Terwijl zij daar 
uitrustten, ging de Soesoehoenan op het plein op den ambèn 
liggen , bewaakt door vier huzaren , zeggende : ff Raden Atm^- 
//soEPaN&! gij moet aan mijn hoofdeinde gaan staan, anders 
^zullen zij zoo meteen nog met hun voeten aan mijn hoofd 
//raken." 

Baden ATM&so£PaN& plaatste zich toen aan het hoofdeinde 
van den Vorst , met de piek Kjai K&aiwëLANO in de handen. 
Niet lang daarna kwam het Hoofd van de henteng^ en bood 
den Vorst een katoenen sprei en een kussen aan. De Vorst 
nam die in gebruik, en zond Raden Rija WirIkoesoemu om 
4 uur ('s morgens) naar Pasargede om aan den Djoeroekoew^i 
(of bewaker), met name Ma^ Koedoes, kennis te geven, dat 
Z. H. de Soesoehoenan den volgenden morgen de graven op 
Poiargïde zou komen bezoeken. Raden Rija WiRaKOEsoEM& 
reed spoedig in galop weg. 

Dingsdag morgen om 7 uur vertrokken zij van de benten^ 
van Krèbet Zij hielden rust in de benteng van Danalaja. 
Toen de Soesoehoenan zei: //Vader! ik verlang dadelijk naar 
ffSoerdkartd terug te keeren", antwoordde de Resident', '/zoo 
//met een, Soenan! ik wacht nog een brief van Uw Vader 
f f Commissaris Nahuijs, daar deze gelast heeft, dat Uw 
//Hoogheid verzocht werd, eerst te blijven op de plaats, waar 
/j'ik U aantrof om Uw Vader, Commissaris Nahüijs, die U 
//zal komen afhalen, af te wachten. Ik heb hem al berigt 
//(van onze ontmoeting) gezonden, maar nog geen antwoord 
//ontvangen."^' 

De Resident schreef toen andermaal een brief, en droeg een 
huzaar de taak op om dien in galop te bezorgen. Daarop 
zei de Soesoehoenan: ff Raden ATi£asoEP&N& ! Keer maar eerst 
//naar huis terug, en zeg aan mijn jongste gemalin, dat ik 
//van daag niet kan terugkeeren omdat de Resident van Jogyd 
//mij aanhoudt. Gij moet ATH&DiKaDa medenemen, maar 
//niet weer terugkeeren," 

Raden ATicasoEF&Na smeekte dringend terug te mogen 



Digitized by 



Google 



147 

keeren , en verzocht het tot drie malen toe ; maar de Yqrst stond 
het hem niet toe, en zei: //'t is niet noodig, dat gij heen en 
^weèr trekt. Gij zijt al bejaard en ik heb medelijden met 
/'U. Morgen kom ik waarschijnlijk te huis, maar gij moet 
>rwat spoedig reizen, opdat Soedjinah niet al te zeer naar 
ffunj verlangt; want ik heb haar beloofd, dat ik van daag 
»ie huis zou komen."' 

Raden ATKasoEP&Na en Raden ATManniaDa renden in galop 
weg. Bij het dorp Tankisan troffen zij Raden Toeménggoeng 
DjSjaBixiNGEAT aan. Zij omhelsden elkander weenende, en 
daarop zei Raden Mas Toemïnggoeng \ //zijt gij welvarende, 
/f mijn oudere broers?'' 

/yJa," was hun antwoord, //wij zijn welvarende." 
Toen hij daarna vroeg, waar hun Vorst, de Soeèoehoenan 
was , antwoordden zij : //die is op 't oogenblik te DanMaja , 
/'waar hij door den Resident van Jogy& aangehouden wordt. 
/s'Waar gaat gij heen. Raden Toeménggoeng? hoe is het op de 
//hoofdplaats {Soeraiartay? 

Raden Mas Toeménggoeng antwoordde : //na uw vertrek was de 
^hoofdplaats in rep en roer. Als die zaak niet goed ten einde 
/i'gcbragt wordt, zal zij waarschijnlijk heel wat te doen geven. 
/rik ben er op uitgezonden om den Soesoehoenan te zoeken. Lui- 
fftenatU Noltex is met zijn huzaren naar Goenoeng kidod ge- 
/rgaan, en Commissaris Nahuijs is te KaUkoening gebleven." 
Daarop nam Raden ATMasoEPaNa a£3cheid van hem en ga- 
loppeerde verder. Toen het paard van Raden ATKADiBaDa bij 
Malindjon neerviel , vroeg hij een ander paard tot aan Kloten, 
Het duurde echter een tijd, voordat hij er een kreeg, zoodat 
Baden ATHasoEPaNa maar vooruit reed. 

Intusschen bleef de Soesoehoenan te Banaldja voortdurend 
zijn terugkeer vorderen. //Het is immers niet noodig" zei hij, 
^nog op den Commissaris te wachten." 

Maar Resident van Nes antwoordde : A'wat ik TJ beleefd ver- 
^zoek, moet geschieden, 't Is beter de komst van Uw vader 
^faftewachten." 



Digitized by 



Google 



148 

Waarop de Soeaoehoenan zei: //goed, ik zal Uur wil doen, 
//maar nu wil ik naar de graven van fa»a/rgide gaan om de 
>ygraven van mijn voorouders met bloemen te bestrooijen/' 

De Eesident antwoordde : //zooals U verlangt ; doch van na- 
^middag om 4 uur dan , omdat ik iemand naar Jopyd gezon- 
//den heb om een witte broek te halen."' 

De Soesoekoenan zond toen iemand naar P^Mor^^ om kennis 
te geven, dat hij daar (in den namiddag) kolnen zou. Hij 
zond daarvoor Baden ATM&FO£SPaK& , die de boodschap aan den 
Ujfoeroekoen^i Mas Koedoes overbragt, terwijl Raden Arja 
WiBaKOSsoEMa daar juist ook was. Deze zei hem waarschuwend : 
if Baden ATMSpoEspaKa ! een ongeluk heeft mij getroffen, daar 
//alle mannelijke leden van mijn gezin te Md^ in de benteng 
//in arrest gezet zijn." 

Nadat Baden Atm&poxsp&kIL afscheid genomen had, keerde 
hij naar D&ndl&ja terug. Bij den Yorst komende, deelde hij 
hem de waarschuwende woorden van Baden Arja Wik&koe- 
SOEM& mede. 

Toen Commiasarii Nahuijs, die met al de Prinsen te Ka- 
limas vertoefde daar een brief van Beêident vak Nes kreeg 
met het berigt, dat de Soesoekoenan al te Bmaldja was gaf 
hij dadelijk order om te vertrekken, en toen allen reisvaardig 
waren, gingen zij op weg. 

's Namiddags om 4 uur vertrok de Soesoekoenan naar de 
graven van Paêargède^ te gelijk met Besiden:6 Yan Nes, den 
Kolonel en de andere Heeren. Bij de graven van Pasargïde 
komende, trad hij dadelijk naar binnen, bestrooide de graven 
met bloemen, en kuste ze. Daarop buitenkomende ging hij 
een bad nemen. De Besident bleef met zijn gevolg zoolang 
in de pasAan voor de begraafplaats. Kort daarna kwam Baden 
Mae Toemènggoeng DiajriDiNiNOKAT , die na beleefde groeten 
vroeg, waar de Soesoekoenmi was. Besident Tak Nes ant- 
woordde: //Zijn Hoogheid necnnt een fcad." 

Baden Mas Toemènggoeng trad nu binnen naar de plaats, 
waar de Soesoekoenan zich bevond. Toen deze juist met baden 



Digitized by 



Google 



149 

gedaaii had, en hoorde, dat Raden Mas Toemenggoeng geko- 
men was, zei hij tot hem: //wel Oom! hoe gaat het? Hoe 
/"komt het, dat Oom zelf mij hierheen volgt? 

Terwijl Raden Mas Toemenggoeng al weenende druk met den 
Yorst praatte, kwam Commissaris Nahuijs. Hij groette Re- 
sident Van Nes en vroeg naar den Soesoekoe^ian, Resident 
Tan Nes antwoordde , dat de Vorst een bad nam. Toen kort 
daarop de SoesoeAoenan buitenkwam, liep Commissaris "Nakvijs 
naar hem toe, en omhelsde hem weenende. De Pangerafis 
omhelsden hem ook , en weenden. Daarna keerden allen weer 
naar de benteng van Banalaja terug, en hadden daar een groot 
diner. 

97. De SoesoeAoenan zend iemand 
naar Soerakarta om berigt van 
hem te geven. Onderzoek van 
Commissaris Merkus te Soe- 
rakarta en van Commissaris 
Nahüijs te Banalaja. 

Toen Raden ATMasoEPaN& te Soerakarta gekomen was, ging 
hij aanstonds naar de kraton^ en kwam bij PanembaAan Boe- 
MiNaia. Deze vroeg hem, waar de So€soeAoena7i was. Raden 
ATMEsoEP&Na antwoordde : //De Soesoehoenan is nog in de beft- 
ffteng van Banalaja^ omdat de Resident van Jogga hem daar 
/» aanhoudt." 

Op de vraag van den PancmbaAan , waarom hij teruggekeerd 
was, deelde hij mede, dat hij een boodschap voor JZa^ö Anom 
had. Daarop ging de PanemhaAan met Goesti Pangeran Adipati 
PoEftOEBajl en Pangeran Adipati NgabèAi en met .ffiadfe^ ATMa- 
SOEP&N& in zijn bidvertrek. Tevens zond de PanemhaAan 
iemand naar RxUoe Anom met verzoek om daar te komen. 
Niet lang daarna kwam Ratoe Anom uit de prabajSLsa op het 
plein voor het bidvertrek. Toen zij Raden ATMasospaNa zag, 
liep zij op hem af, vroeg op zijn schoot te zitten, en zei 



Digitized by 



Google 



150 

hevig wcenende : //Oom ! waar is Uw Vorst , de Soeêoehoenan ?" 

Rade7i ATMasoEPaNa antwoordde: //Ratoef U moet niet zoo 
//weenen, maar eerst naar mij hooren. Ik kom hier op last 
//van Uw Gemaal, den Soesoehoenan ^ in de eerste plaatsom 
//U zijn groeten en zegenbeden te zenden, en in de tweede 
//plaats om U mede te dèelen, dat Zijn Hoogheid bij zijn 
overtrek van hier wel beloofd heeft van daag terug ie keeren 
//maar dat hij nu niet kan terugkeeren , omdat hij in de he^i- 
nUng van Banalaja door üesident Van Nes aangehouden wordt 
//om te wachten op de komst van Commissaris Nahüijs." 

De Ratoe zei, op nieuw weenende: //maar Oom! gij moet 
//terugkeeren !" 

Daarop zei PanêmhaJian BoEMiNaTa : //nu genoeg , Ratoe ! 
//ga nu weer naar de pr&6ajds& ! laat Uw Oom nu eerst wat 
//uitrusten !" 

De Ratoe ging naar binnen, de Tanémhahan en zijn gezel- 
schap gingen buiten het bidvertrek. Daarop zei de Tanemha- 
han: // ATMasoEPaya ! ik neem U mede naar het residentiehuis.'' 

//2iOoals U verkiest," was zijn antwoord. De Panémbahan 
nam hem in zijn rijtuig mede, kwam in het Eesidentiehuis 
bij Commissaris Merküs, en zei: //Mijnheer! hier is een van 
//de dienaren van den Soesoehoenan ^ die met den Vorst is 
//meegegaan , en nu met een boodschap naar de hoofdplaats ge- 
//zonden is." 

Raden ATMasoEPaNa werd nu op last van den Commissaris 
in de kamer gebragt en verzocht alles ronduit te vertallen 
zonder iets te verbergen. Hij verhaalde toen alles van H begin 
tot het einde, en daarna schreef Commissaris Wes.'KV^ alles op. 
Toen hij dat gedaan had, gingen zij naar buiten. Panêmhahan 
BoEMiNaTa nam afecheid en ging met Raden ATuisoEPaN^ 
naar huis. 

Toen Dingsdag avond om 10 uur de maaltijd inde benteng 
van Banal&jd afgeloopen was, liet Commissaris Nahutjs Ra- 
den AxMapOESPaKa bij zich komen, en zei tot hem: //wel, 
// ATMapOESPaKa ! wat zijt ge toch een klein kind , dat ge met 



Digitized by 



Google 



151 

*den Soesoehoèncm meegegaan zijt, zonder Uw vertrouwen te 
/'Stellen op de aanzienlijken van Soerakaria! Gij hebt zeker 
^den Soesoehoenan aangeraden om op de graven van M&giTiXjQ 
^gaan bidden dat ge U zoo maar op uw gemak gevoelt." 

Badm ATicapoEsp&Ka antwoordde: //het zij zoo, Mijnheer! 
//hoe vertoornd u ook zijn moge , ik verlang nederig ^Ues te 
//mogen dragen , wat de Heeren omtrent mij mogen besluiten. 
^Ik ben maar een gering persoon. Zou bij voorbeeld een be- 
ffdiende van Mijnheer zich kunnen verzetten tegen zijn ver- 
nSasMgsn en heengaan om aan anderen (geheimen) mede te 
/'deelen voor dat Mijnheer het hem gelast heeft?" 

Op de vraag van den Commissaris , wiens zoon hij was, ant- 
woordde Raden ATMaPOESpSKS , dat hij een zoon was van Raden 
Toemènggoeng 8ing^bb&t& van Bajilali. 

Daarop liet de Commissaris ToeTnènggoeng Wiiij^Nëo&B& bij 
zich komen, en zei tot hem: //WiRjiNëoSKi ! gij zijt al een 
/'oud man, maar weet u toch niet naar behooren te gedragen. 
/'Wat zou het goed zijn, dat gij als Toemènggoeng ontslagen 
/^werd! want gij waart het, die den Soesoehoenan tot de reis 
/'hebt aangespoord. Is 't waar, dat de vorst er met u niet 
''over gesproken en u niet geraadpleegd heeft"? 

WiRjIxëGluS antwoordde: //werkelijk, ik wist er niets van; 
''maar Raden ATM&soEpaN& , die was steeds in de nabijheid van 
"den SoeweAoenan.^'' 

Op de vraag, van den Commissaris, waar Raden Atm&soe- 
Pa^'i was, deelde Raden AtmSpoesp&k& mede, dat deze met 
een boodschap naar Soerakaria teruggekeerd was. Daarop zei de 
Commissaris weder : //dus , Wraj&NëG&RS ; gij bekent niet, dat 
"gij den Soesoehoenan de reis hebt aangeraden, hoewel gij uw 
"zoon gelast hebt eten voor den Soesoehoenan bij zijn aan- 
/'staande reis naar Mdgiri klaar ie maken, daar hij te Kali- 
ffkoening zou aankeèren"? 

WiRjaNëo&R^ antwoordde: //(dat ontken ik) ik heb hem zelfs 
''in H geheel niet onthaald, en hem maar aangeboden wat ik 
m huis had." 



Digitized by 



Google 



152 

De Commissaris outbood daarop den zoou van WIRJ&Nê6aRl^ 
die kennis gegeven had aan den Komnuindant van Kloten^ bij 
zich, en liet hem met zijn vader (over de toedragt der zaak] 
dL^puteren. Toen WiRj&NëGiR& het verloor, kre^ zijn zoon 
geld en laken ten geschenke. 

98. Vertrek van den Saesoehoenan 
naar Xlatèn. Zijn vrachteloos 
beroep op de Prinsen van Sae- 
rdkartd. Aankomst te Kalifan. 
Vertrek naar Satfiarang en ver- 
banning naar Amhon. 

AVoensdag morgen om 8 uur vertrokken allen van Danaldja. 
Toen zij te Klatèn gekomen waren, en daar ophielden, eischte 
de Soesoelioenan dadelijk naar Soerdkarta terugtekeeren , maar 
de Commissaris antwoordde, dat hij nog niet dadelijk kon te- 
rugkeeren, als er nog geen borgstelling was van de Grooten 
van Soerdkarta^ zooals van Panenibahan en anderen, daar de 
Soesoehoenan bij zijn vertrek (het bestuur) niet aan die Groo- 
ten had toevertrouwd. De Soesoehoenan. zei daarop : //dat heb 
//ik gedaan aan Oom Adlpati KoEsoEMajoEDa en aan grootva- 
//der (oud-Oom) Tangeran ADiNeoaiia ; ik heb hun gezegd het 
//bestuur waar te nemen/' 

De Co7nmissaris antwoordde herhaaldelijk: //toen ik hun een 
//voor een vroeg , wist niemand er iets van. Maar als u 't ver- 
//langt, zal ik een brief zenden om de zaak eerst te onderzoeken/' 

Daarop schreef de Commissaris een brief, en zond dien naar 
Soerdkarta. De brief kwam nog op dienzelfden dag te Soe- 
rdkarta aan, en werd Com7nissaris Mekkus aangeboden. Na- 
dat deze den brief gelezen had, verzocht hij PaneTJiboAauBoi' 
MiNaTa, Goesti Pangera?^ Adipati PoEKOEBaja, Pangeran Adipati 
NoABëHi, Pangeran Adipati KoEsoEMajOEDa , Pangeran Anixë- 
oaiia, en Radefi Adipati SasEaniNiNGRAT bij hem te komen. Toen 
zij niet lang daarna in 't Residentie huis verschenen, deelde de 



Digitized by 



Google 



159 

Comniiaêariê .aan den PanèmbaAan (en aan de anderen) mede, 
dat hij een brief van Kloten gekregen had, (waarin beweerd 
verd) dat de Soesoekoenan bij zijn vertrek het bestnnr aan 
Pangeran Adipati KoEsoEMaJOEBa en Fangeran AniNéGaE^ toe- 
vertrouwd had. De Panémbaiafi vioeg hun, of dat waar was. 
Waarop Paufferan Adipati Ko^soEmLJOEt>k SLUtwoofAde : //(wat?) 
«hij zon mij het bestuur toevertrouwd hebben ? Ik heb zelfs 
/'(van zijn vertrek) niets vernomen." 

Zoo luidde ook de verklaring van Pmvgeran Aj)iNéGaR&. 
Daarop zei de Commissariê tot den Panhnbahan: ffCanimiê- 
»sarU Nahtjijs stelt voor den Pangerans arrest te geven." 

De Panimbakan antwoordde: //goed Mijnheer I Ik zal hun 
/rmaar in de iraion arrest geven." 

Toen gingen zij naar huis. Bij hun komst in de iratan 
werden Pamgeran. Adipati KoEsoEMaJOEDa en Pangeram, Adi- 
NêoaBa in het kantoor gevangen gehouden, onder bewaking 
Tan 12 Hollandsche flankeurs. 

De Soeêoeioenan bleef intusschen aandringen op zijn eisch 
om naar SoerüaTta terug te keeren, maar de Commissaris gaf 
steeds hetzelfde antwoord, dat hij niet mogt terugkeeren, 
wanneer ei nog geen borgstelling van de Grooten te Soerdiartd 
was. De Soesoeioenan schreef toen brieven aan Batoe Anom, 
Cowuuissaris Mebküs, Panémhahan Boemin&t&, Goesti Pange- 
ram Adipati FoEROEB&ja , Pangeran Adipati NaAsëHi en Raden 
Adipati SassaDiNiNGRAT , waarin hij hun vroeg borg voor hem 
te zijn. Hij zond Saden ATMaPOESpaKa, en deze werd bege- 
leid door 4 huzaren en 8 Mantrfs van de kraton. De Vorst 
gelastte Baden ATMaposspaKa , dat hij \s avonds om 10 uur 
te Klafèn moest teruggekeerd zijn. Raden ATMaPOESPaKa reed 
in galop weg, en ging te Soer&iartd dadelijk naar het Besi- 
dentiehuis , waar hij Commissaris Nahüijs sprak , en den brief 
aanbood. Na 't lezen van den brief zei de Commissaris: 
^goed PoEBPaKal de Soesoekoenan zal morgen te huis komen. 
«^Oij moet niet naar KlcUèn terugkeeren." 
Raden ATMaPOESPaKa antwoordde: //ik smeek U dadelijk 



Digitized by 



Google 



154 

//terag te keereu, want ik heb beloofd nog heden avond om 
//lO uur weer te Klatèn te zijn." 

Daarop zei de Commissaris: //als gij er op aandringt terug 
ffie keeren, zal het Uw ongeluk zijn. Dat de Soesoehoennn 
//niet boos op U zijn zal, daarvoor sta ik U borg." 

Den volgenden dag' 's morgens om 6 uur, donderdag den 
17*° Besar (9 Junij 1830) werden de Pangerans^ Boepatis en 
alle pradjoerits van Klatèn gezonden. Alleen Bangeran Soer- 
jaeaaTa bleef achter, daar hij met den Soesoehoenan in 't rij- 
tuig zou zitten. 

Om 8 uur steeg de Soesoehoenan in het rijtuig met Com,- 
missaris Nahüijs en Bangeraii SoERjaBR&T& , die de Vorstelijke 
piek Kjai KiftaweLANG droeg, en toen vertrokken zij. Onder 
weg vertelde Commissaris Nahuijs, dat zij aanstonds te JEo- 
litan zouden ophouden , om daar eerst op M^aden ATMaPOESPaKa 
te wachten. De Soesoehoenan gaf daartoe gaarne zijn toestem- 
ming. 

Te Kalitan stegen zij dus uit den wagen. Daar stond één 
ledige wagen, aan weerszijden geflankeerd door 30 huzaren 
van MANKOENêGa&a. Daarop kwam Kapitein Adjudant Roeps. 
Hij groette het gezelschap en verzocht den Soesoehoe?ian wat te 
vertoeven in het aldaar gelegene lusthuis (van den Soesoehoe- 
nan), Doch voor dat zij daar waren aangekomen, kwamZ»i- 
teTiant Kolo?iel Roest, die na een beleefde groete zei: /rik bied 
//den Soesoehoenan de groeten aan van zijn grootvader, den 
ff Gouverneur-Generaal ^ en de Generaal verzoekt Uw Hoogheid 
//naar Samarang te gaan, en wel oogenblikkelijk." 

//Neen", (antwoordde de Vorst ,) //ik ga niet naar Samarang^ 
//voordat ik te huis gekomen ben." 

Toen de Luite7iant- Kolonel zei , dat dit niet geschieden kon, 
en Pangeran SoERjaniiiTa weende, zei de Soesoehoenan: //ach 
//jonger broeder! troost U maar, ga niet met mij mee! Ik 
//zal mijn lot maar alleen dragen. Alleen raad ik U aan om 
ffPatigeran Adipati PoEBOEBaj^ te dienen, zoo goed als gij 
//kunt." 



Digitized by 



Google 



155 

De Vorst sprak nog veel tot hem, en verzocht hem de 
piek Kjai K&R&wëLANG aan PanembaAan BoeminStS toe te 
vertrouwen. 

Daarop reed de wagen in een westelijke rigting weg. Toen 
de vorst bij zijn komst te JBd/dledi Arjd SiNoasëNTiKa zag , 
verzocht hij hem mede te gaan, en toen deze in den wagen 
plaats genomen had, reisden zij weer verder. 

Cammissaria Nahüijs en Pangeran SoEBJaBiiaTa reden in- 
tusschen naar Soerakarta terug. 

PanênAahan BosMiN&Ta, Goesti Pangeran Adipati Poeroe- 
Buja en Pangeran Adipati NaABêui kwamen in het Eesidentie- 
huis om den Commissaris te groeten, daar zij den Soesoehoenaai 
tot Kartasoera wilden te gemoet gaan, maar Commissaris 
Merktjs stond hun dat niet toe. '/'t Is onnoodig hem te ge- 
^rnoet te gaan'\ zei hij, '/zoo aanstonds komt Ag Soesoehoenan 
^inuners." 

Kort daarna kwamen Commissaris Nahuijs en Pangeran 
SoERjaBBaia. Commissaris Mebkus vroeg den Pangeran^ waar 
de Soesoehoenan was en daarop antwoordde Pangerang SoERja- 
BRaTa: //zijn Hoogheid de Soesoekoenan is naar Samarang vér- 
trokken op verzoek van den Generaal.'''' 

Toen de Panembahan en de beide andere Pangerans dit 
hoorden, schoten hun de tranen in de oogen. Zij groetten, 
en gingen naar de kraion. Bij hun komst aldaar was het 
een luid rumoer van al het geween in het paleis. J^e Ratoe's 
weenden , vooral Ra;toe Anom jammerde en weende erbarmelijk. 
Zij wilde niet achterblijven, maar met den Soesoehoenan mee- 
gaan, waar hij ook heenging. 

Op Donderdag den 17" Besar 1757 (9 Junij 1830) vertrok 
zijn Hoogheid van JCitó», en kwam hij te Samarang. Te 
Bodfong komende verzocht hij, dat alleen zijn Gemalin Batoe 
Anom spoedig te Samarang mogt komen. 

Op Zaturdag den IQ*"* JSesar (11 Junij) liet men Eatoe 
An'om van Soerakarta vertrekken , te gelijk met het nog jeug- 
dige dochtertje, dat zij bij den Soesoehoenan had, met Raden 



Digitized by 



Google 



156 

Toeniénggoeng TjaKuaDipOEBa , een oom van den vorst door 
diens moeder, met een zoon van dezen, Mas SakijS geuaamd. 
Zij werden begeleid door Patigeran ADiNëG&K&, die 's VorstcB 
in>, een namaaksel van de kris Kjai MoEs&TANKOBëii mede- 
nam, ten einde die te verwisselen met de beide krisieii, die 
de vorst nu droeg, en ook de ster van den vorst wilde vragen. 
Bij hun komst te Samarang gingen zij dadelijk naar BoêjoHg, 
Toen Ratoe Anom haar gemaal ontmoette, weenden zij beide. 
Daarop kwamen de Resident van Lawick van Samarang met 
Pangeran ADiNëG&K& bij den Vorst om de beide krissm, die 
de Vorst droeg, en de groote ster te verzoeken. De Soem- 
koefum weifelde nu niet meer, en gaf aUes gewillig over. 
Eenige dagen later werden de Soesoehoenan en zijn Gemalin 
op een groot schip gebragt ; zooals het heette, had de Generaal 
hem verzocht te Baüivia te komen, maar inderdaad werd hij 
toen verbannen naar Ambon. Sultan Abdoei. Chamid was naar 
Banda verbannen. 

Pangeran ADrNëG&K& keerde naar Soerdkartd terug, mede- 
nemende de beide krissen^ zijnde erfstukken van het Vorste- 
lijke huis, en één groote ster. 

98. Pangeran Adipati Fo£ROEBaj& 
tot Soesoehoenan verheven. Com- 
missaris Me&rus en Commis- 
saris Nahüijs verlaten Soe- 
rakarth. Twee ongehoorzame 
Pangera7is verbannen. 

Op Maandag den 21«° Bllsar 1757 (13 Junij 1830) 's mor- 
gens om 6 uur, terwijl de Pangerans^ Boepatis enpradfoerüsnog 
op de aloen-aloen bivakkeerden, werd Pangeran Adipati Poe- 
roeb&jI, bij besluit van het Gouvernement en onder goed- 
keuring van de Vorstelijke femilie en van de Boepaii\ ver- 
heven (tot Kroonprins) onder den titel van Pangeran Adipdi 

Anom AMANKOENëo&R& S0EDIBIJ& B&DJ&POETII& NARENDSa 

Trah Matarah van Soerakartè, Adiningrat. 



Digitized by 



Google 



157 

(Op dienzelicten dag) des middag» om 12 tmr werd hij ver- 
heven tot Vorst van Soerikartd met den titel van Inkang 
SinoeJioen Kangdjing Soesoehoenan PAKOEBoÈw&Ni SENiPATi 
l5GATio& Ngabdoeb^bachman Sajidin FA:pf &t&o&M& de ü&vemle. 
Het geheele ceremonieel en de eerbewijzen bij "'t verheffen van 
dien Vorst waren, zooals van vroegere tijden af gebmikelijk 
was, zonder eeüige afwijking, en dit strekte tot groote blijd- 
schap van het volk, en van de leden der Vorstelijke familie, 
aanzienlijken en geringen. Er waren (bij die gelegenheid) 
zelfe lieden, die de gelofte aflegden om voor gek te spelen, 
of die andere geloften deden van dergelijken aard, alles nit 
blijdschap. De Soesoehoenan regeerde voorspoedig als Vorst tot 
bevordering van den bloei en de welvaart van het rijk van 
Soerdiartd. Het volk en de leden der Vorstelijke Êanilie, 
aanzienlijken en geringen, waren nn allen getast en tevreden. 

Benige dagen later vertrok Commisêaris Meekus om de 
Manifanegérasche landen {Kediri en Madioen)^ die aan het 
Gouvernement zouden verpacht worden , te inspecteren. Por- 
ngeran^ Adipaü Pakoealam van JbgyA ging met hem mede. 
CommiMariê Van Sevenhoven was ook reeds van Jogya ver- 
trokken, om de landen Bagilen en Ba/njoemas te inspecteren 
tf^lijk met Resident Valck van Magïlang. De landen, die 
nog ónder Soerdiartd bleven, waren: Padfang, Mataram,^ Soe- 
tawati en Jogj/diartd (?) ; en de landen die er niet toe behoor- 
den , werden door het Gouvernement gepacht. 

Twee maanden later keerde Commissaris Nahuijs naar 
Holland terug. Resident Van Nes van Jogya werd (eerst) 
met de waarneming der betrekking van ife*i(fe»^ van Soer&iarti 
belast, maar niet lang daarna kwam de nieuwe Resident y de 
Heer Mac Qillavky, die toen voor de tweede maal Resident 
van Soerakarta werd, tot groote blijdschap van Z. H. den 
Soesoehoenan en van de leden der Vorstelijke &milie. 

Een jonger broeder van den (verbannen) Soesoehoenan ^ met 
name PoMgeran Arja NiT&DiNiNOEAT werd verbannen, omdat 
bij ontevreden was , daar zijn oudere broeder hem beloofd had, 



Digitized by 



Google 



158 

dat hij hem tot Pangeran Adipaü verheffen, en met een 
gouden pcyoeng begiftigen zou. Toen nu zijn broeder verban- 
nen was, was hij zoo temeer geslagen, dat hij zijn huis ver- 
liet, naar de Mérapi ging, en van daar naar Ampel ^ waarbij 
ten huize van den Heer Dezentje vertoefde, en hoewel de 
Heer Dezentje hem verzocht naar de hoofdplaats terug te 
keeren, wilde hij dit niet doen. De Heer Dezentje gaf er 
nu kennis van aan Beaidmi Mag Gillavby te Soerakartdy 
en nadat deze den brief van kennisgave gelezen had, gaf hij 
order aan Luitenant Nolten om spoedig naar Ampel te reizen. 
Ook gaf hij hem nog allerlei andere bevelen. 

De Heer Nolten kwam te Ampel y en verzocht Pangeran 
NaTaDiNiNGBAT naar de hoofdplaats terug te keeren, maar de 
Pangeran wilde niet, tenzij men deed wat hij verlangde, an- 
ders vnlde hij liever zijn broeder naar ^;»d(>» volgen. LuitenaaU 
Nolten deed wat hij verlangde, en bragt hem naar &«MPraii^, 
waar hij scheep ging, en verbannen werd naar Amhan in de 
n[iaand JRabingoelawal 1758 (Augustus of September 1830). 

Beeident Mac Gillavey bragt intusschen een bezoek aan 
den Soesoehoenan , en gaf hem kennis , dat een van de Pan- 
gerans zich van de hoofdplaats verwijderd had. Zijn Hoogheid 
was hierover zeer spijtig , en liet alle Pangerans bij zich komen. 
Allen kwamen, alleen Pangeran NiTiniNiNGRAT niet. Daarop 
deelde de Seeident de geheele zaak mede. Dit geval griefde 
den Soesoehoenan zeer , en inwendig was hij vertoornd , daar hij 
zich niet bewust was eenigermate te kort gekomen te zijn in 
zijn zorg voor de leden der Vorstelijke familie. 

Zoo werd Pangeran Adipati Luitenant Kolonel Manko£i>i- 
NiNGRAT te Magêlang eenigen tijd later ook verbannen, want 
hij had al eens een berisping van het Grouvemement ontvan- 
gen, en nu werd het bekend, dat hij de lieden zonder rang 
misleidde, om op nieuw wanorde te stichten. Om die reden 
kreeg hij nu geen vergiffenis, maar werd naar Ambon ver- 
bannen. 



Digitized by 



Google 



159 

99. Het corps Madoeresche pradjoe- 
fits bij besinit van het Gouver- 
nement opgerigt. De Sultan van 
Madoeri tot Commandeur^ ver- 
heven. Uitreiking van gouden, 
zilveren en koperen medailles. 

Zijn Hoogheid , S/dtan TjaKBa-ADiNiNOBAT ontving een besluit 
van het Gouvernement, waarbij hij verzocht werd een corps 
pradjoerits ^ bestaande uit infanterie, artillerie, pioniers en 
kavallerie , op te rigten. Hij gaf daarom last aan zijn schoon- , 
zoon, den binnen-P^^^^ Pangercm Luitenant Kolond ATicanja- 
ADiNiNGRAT CU dcu boiten-Pa^^ Baden Adipati KoESOEMa- 
ABDONGBAT, om de lieden, die tot dat corps zouden behooren, 
bijeen te brengen. * In dien tijd werden in andere landen ook 
bevelen gegeven om zulke corpsen op te rigten naar gelang 
van de talrijkheid der bevolking, maar bovendien werden in 
Madoera en Pamèkasan de uitrusting, de soldij en de voeding 
door het Gouvernement verstrekt. Resident Domis was in dien 
tijd Besident van Saerahaja , Madoer& , Pavnékasa/n en Soeménïp, 
Ook waren Gersiky Lamongan en Sidof'oe onder zijn bestuur. 
De Heer Ondaatje was toen Assistent-Resident van Madoera. 

Eenige dagen later was het Pangeran Luitenant Kolonel Kt- 
M&Dj&-Ai)iNiNGBAT CU Pangetan Adipati KoEsoEMi-ADnaNORAT 
gelukt de manschappen, die tot het corps pradjoerits zouden 
behooren, bij kleine getallen te verzamelen. Daarop werden 
de ofScieren aangesteld. Bij dat corps, zoo infanterie, pio- 
niers en artillerie, werden voor elke kompagnie aangesteld : 1 Ka- 
pitein, 3 Luitenants, 4 sergeants, 8 corporaals, 1 sergeant 
majoor, 1 fourier en 4 tamboers en pijpers. De gewone sol- 
daten van elke compagnie waren 150 in getal. Hun tenue was 
even zoo als dat van de pradfoerits van het Gouvernement. 

De Majoor van de zes compagnieën infanterie was des Sul- 
ia$is zoon, Pangeran Maf oor AniNëaaKa. 

Bij het bataillon waren ook 1 Hollandsche tamboer majoor 



Digitized by 



Google 



160 

en 2 Madoeresche corporaals geplaatst. Met de administratie 
waren 1 tweede Luitenant en 6 korporaals belast. Eindelijk 
was er nog een Adjudanir^majoor met. den rang van 2^^*^ Lui- 
tenant en 1 onder-adjudant. 

Des Sultane schoonzoon, de binnen-Pa^i^ , lP.angeTaa^ ZuUe- 
nant Kolonel TjiKRa-ADiNiNOBAT werd de LuUentmt Kolonel 
Tan het bataillon. 

De kavallerie bestond uit één kompegnie met 1 RUmeesUr^ 
4 LuitenanU^ d Wachtmeeêters ^ 12 JBriggaüerêy 1 Onder-adp^ 
danty 1 Oppenaacit^meester en 1 WacA^meeiter /ourier. Z^ be- 
stond uit 154 gewone kavalleristei;! en 4 trompetters» en werd 
aangevoerd door Pangercm JJuitencmi Kolonel SoebjI-abininobat. 

De Kolonel Kom^nandant van alle bataillons was niemand an- 
ders dan Pangeran AdipcUi Kolonel SêTjrSi-ABiNiNGRAT. 

Nadat alle oiBcieren benoemd waren, begonnen op Zoi^dag 
den 11«» (beter den 12«) DoelkaUuh 1758 (24 Aug. 1831) 
de exercities, onder leiding van KapUdn KommanAmt Hgooie. 
Een weinig later kwamen er 1 HoUandsche Onder-adfudanl ea 
4 sergeanten om de artilleristen en pioniers de exercitie te lee- 
ren, en voor de kavallerie kwam 1 OppertoacMmeeêter en 1 
trompetter. Deze stonden allen onder KapUein Kommandani 
IIegoie. De Sultan woonde elke week de exercities te paard 
bij, en werd dan vergezeld van den Aêêiatent-BesidenL Eens 
in de maand kwam Kolonel Beublix de troepen y^n Madoera 
en soms ook die van Paméhuaai en SoemUnep inspecteren, en 
't zelfde deed Seeident Domis ook. 

Op Dingsdag den 16« (beter den 15") Sapar 1759 (26 Jnlij 
1831) werd een neef van den Sultan ^ met name GoestiJSade» 
BoEsaN&, Ritmeeeter van de kavallerie van het Gouvernement, 
verheven tot den rang en titel van Raden Toemènggoeng Tja> 
KR&ifëqiaBa. Een kleinzoon van den Sultan ^ zoon van Pauge- 
ran Luitenant KoUnd ATKaDji-ADiNiXGBAT, met name Qoeeü 
Raden Boejamin, 2de Luitenani van de kavallerie, ontvii^ 
toen den titel en naam van Raden Toemïnggoeng S&8£&wiNaTa. 

Op Maandag den 13«* (bet^ den 12«») Ra&ingoelanal (22 



Digitized by 



Google 



161 

Aug. 1831) ging de Sultan naar Soerabaja om de Kammandeurs 
orde (van den Nederlandschen leeuw), een geschenk van het 
Qoavemement, te ontvangen. Hij ging bij Kolonel Beuelik 
logeren. De Sultan van Soemënèp , die er al aangekomen was, 
logeerde bij den Resident^ ten westen van het huis van den 
Kolond, De Begent van SoerlA&jay Baden Adipati Kr&hS- 
Djaja-ABiKëoaBa had zijn betrekking neergelegd, en was op- 
gevolgd door een zoon van Maden Adipati Kasepoehan van 
Soerabaja^ met name Raden Toeniénggoeng TjdoLSKêoaBa. Op 
last van den Resident van Soer&baja had deze reeds zitplaatsen 
voor den Sultan van Madoeri. , en voor dien van Soemïnepy die 
ook een geschenk van het Gouvernement zou ontvangen, in- 
gereedheid gebragt, en wel buiten de gledegan poort aan de 
noordzijde van de aloen-aloen. Daar was een fraai gebloemd 
tapijt uitgespreid, waarop drie stoelen geplaatst waren. De 
stoelen stonden op een verhevenheid. Seneden die drie stoe- 
len waren ter regter- en linkerzijde ved stoelen in rijen ge- 
plaatst. 

Op Woensdag den 15«» (beter den 14«») Rahingoelawal 1759 
(24 Augustus 1831) om 6 uur bulderden de saluutschoten, 
daar het op dien dag het feest van 's Konings verjaardag was. 
De HoUandsche troepen stonden op de aloen-aloen al onder de wa- 
pens. Voor het logement van den Sultan stonden de Ma- 
doeresche troepen en de Vorstelijke bloedverwanten gereed, 
allen in groot tenue. Ook de Vorstelijke oepdtjaras^ bestaande 
uit 6 snaphanen, 6 donderbuksen , 16 pieken, behalve de piek, 
Kjai GëNDoiSNOAN genaamd, en 4 schilden, alsmede de Poe- 
sdkasy nl. de pieken : Kjai Ai.0E60£Ea en Kjai NêNGoaii, en 
de gouden pajoeng waren er aanwezig ; zij werden allen gedra- 
gen, terwijl de andere oepatjdrds^ als een kwispeldoor, twee 
sabels , een degen en andere voorwerpen door sierlijk uitgedoste 
pandiaioana gedragen werden. Deze zouden vóór het rijtuig 
van den Vorst gaan , evenals 12 van 's Vorsten Gamboehs {pt 
dansers), en achter het rijtuig zouden 40 piekeniers gaan. 

De Sultan was in Vorstelijk gewaad gekleed en versierd met 



Digitized by 



Google 



iet 

de groote gouden xabsdaille. Om 7 uur steeg de Voist ia 't 
rijtuig met Kolonel Beubtjn, Aêsittettt-Besident Ondaatjts ea 
Kwnmandcmt Hbgoix. De zoons van den Sultan en de Rad^ 
AéUpaU zaten ook in rijtuigen. Daarop reden zij langsaam 
voort. De aep&i^dris werden in dezdfde orde, als boven ver- 
meld is, gedragen. Yoorop gingen de officieren te voet. Yan 
veire geleek de statige optogt op die van een bruido^gotu, en 
er waren regts en links van den weg dan ook veel toeschouwers. 

Toen de SkUüm op de alom-aloeii verscheen, presenteerden 
de Hollandsche troeprai het geweer, en werd de roffel gesla- 
gen. De SuUem zette zich op zijn stoel, en de officieren en 
a(^a^'(ird^ragers schaarden zich in rijen buiten de iratak^ 
alleen Kjai AiiOEOOEKa en Kjai NêNooaLa werden regts en 
links van den Yorst geplaatst. Zijn zoons en Baden Adipaii 
met gevolg zaten op stoelen. Een oogenblik later kwam de 
SuÜan van Soeménép zonder oepdéjétris^ en zette zich tat lin- 
kerzijde van hem. Toen kort daarna de Besident kwam, wer- 
den de geweren gepresenteerd en de roffel geslagen. Hij groette 
de beide Sultans en 't overige gezelschap , en ging zitten, met 
den Sultan van Madoerd aan zijn regter- en dien van Soemênêp 
aan zign linkerzijde. 

Daarop las de Secretarie het besluit, waarbij de beide Sul- 
tane door den Koning met een belooning vereerd werden, in 
't Hollandsch voor. De Resident stond op, en voorzag den 
Sultan (van Madoerd) met de versierselen der kommandeurs 
, orde, en daarna versierde hij den Sultan van Soefnenëp 
daarmede. Nadat dit a%eloopen was, werden zij gelukge- 
wenscht; de Baepatie bewezen hun eerbied aan de beide Sul- 
tane^ ook Baden Adipati met zijn gevolg en de officieren be- 
wezen den Sultan van Madoerd hun onderdanige hulde, en 
boden den Sultan van Soeménip ook hun eerbiedige hulde aan. 

Toen gingen zij naar de kerk, waar de Beeident doen 
zou, wat volgens zijn godsdienst gebruikelijk is (nl. bidden) 
voor de verlenging van het leven en 't geluk van den Koning 
van Holland. De Beeident ging van de aloen-aloen dadelijk 



Digitized by 



Google 



168 

met aijn g&volg in de kerk, ontmoette daar den PredUaut 
en de and^n^, eu toen baden zij volgens hun godsdienstige 
gdMmikeB vooi de Terlenging van het leven en bet geluk 
van den JKaninff van BoUand. De beide Sdtanê deden echter 
niet med, en waren enkel toeschouwers. Na afloop daarvan 
verlieten zij de k^k, en gingen naar de woning vm den 
Prediiani^ bewesten de kerk. Eenigen t^d later gingen allen 
weer naar hun wouing^i terug. 

De Snltan van Madoerd ontving de bessoekai^an veel Heeren, 
die h«m kwamen ^ukwenschen. Een of twee van hen bleven 
's avonds bij hem eten. Zoolang de Sultan te Soerabagi ver- 
toefde, kwamen er 's morgens en 's avonds veel Heeren een bezoek 
bij hem brengen, en sommigen bleven dan meteen eten. Ook gaf 
de SMem een partij en inviteerde den Xe^ident^ den Sulüin van 
Somifisp &ï veel He^en en Dames op een gastmaal. Ook 
de Boepiü^ê^ de Paiih en de Djtkèa werden genoodigd. Al 
de genoodigde Heeren en Dames kwamen om 7 uur, zoodat 
het huis van den Kolanel te klein werd. De Sidtoin van Soe- 
mêaêp kon wegens ongesteldheid niet komen, maar zijn zoons 
waren aanwezig. Er werd met zeer veel opgewektheid gedanst 
en met HoUandsohe en Chinesche kaarten gespeeld. De Heeren 
en Dames waren uiterst vrolijk en hadden volop genoegen, 
's Morgens om 4 uur ging de partij uiteen. Hierdoor werd de 
goede verstandhouding tusschen den Sultan en het Gouveme- 
m^t nog wéér meer bevestigd. Maandag morgen om 2 uur 
keerde de Sultan weer naar Madaerd terug, en om half twasdf 
kwam hij in welstand in zijn hoofdstad aan. 

De &dtan ging voort voor de kleeding van de ofiScieren en 
onderofficieren te zorgen, en woondealle weken de exercities bij. 

Drie maanden later kwamen de Grouvernements belooningen, 
b&staande uit gouden en zilveren medailles voor de zoons en 
bloedverwanten van den vorst. Op Zaturdag den aS*** l^Joe- 
madüakir 1759 (4 Dec. 1831) zat de Sidtan in de groote 
pauddpdy in gezelschap van al zijn zoons en bloedverwanten 
van den Auiêtent Beêideni Ondaatje en Kapitein KommandatU 



Digitized by 



Google 



164 

Heqgie, en werden de belooniugen uitgereikt. Pangeran Adi- 
pati Kolonel SeTji-ADiNiNGEAT , Pangeran Luitenant KóUmel 
SoEEj^-ADiNiNGRAT en PoMgeran Majoor ADiNêo&£& ontvingen 
de gouden medaille. Baden Toemènggoeng Djijri-ADiNiNGRAT, 
Raden Pandji Kapitein G&nd&ko£so£M& en Maden Arja Dja- 
jenguJlnJ kregen zilveren medailles. Nadat zij den Sultan hun 
eerbiedige hulde betoond, en den lAèmtent Besident en den 
Kommandant gegroet hadden, gingen zij uiteen. 

Op Zondag, den 5en (beter den 6en) Bèsar 1759 (6 Mei 
1832) maakte de Sultan aan zijn familie, de Nijakoè^ Poeng- 
gawas en Mantrïè^ die bij hem vereenigd waren, bekend, dat 
drie van zijn zoons door Gouverneur-Generaal van den Bosch 
verheven waren tot den rang van Pangeran, Ngabdoel Sami- 
JOEN, oud 15 jaar en 10 maanden, kreeg den titel van Pa- 
ngeran MANKOE-ADrwiNaTa ; Ngabdoel Chamir, van 4 jaar 9 
maanden, kreeg den naam van Pangeran PaAWTBA-ADiNëGiRi, 
en Abdoel Saleman, van 4 jaar 11 maanden, dien van Pa- 
ngeran PRAwiEa-ADiNiNGKAT. De Sdtan gelastte allen hen als 
de andere Pangeran» met dezelfde eer te eerbiedigen uitge- 
zonderd Pangeran AdipatL 

Op Woensdag den llea Babingoelawal 1760 (8 Aug. 1832) 
ontving de 2de Luitenant A^udawt JjëMBOE-TëNGaRa de gouden 
medaille van 't Gouvernement tot belooning voor zijn diensten, 
tijdens den oorlog in Jogya^ waarin hij veelmalen gewond was. 

In datzelfde jaar werd Pangeran Adipati Kolonel Pbaboe- 
NiNGRAT van Jogyd naar Ambon verbannen , omdat hij, na reeds 
een berisping van 't Gouvernement ontvaingen te hebben, op 
nieuw te Jogyd onrust verwekte. 

Op Zondag den 7en (beter den 6^) Babingoelaür 1760 (2 
Sept. 1832) werd een schoonzoon van den Sultan, met name 
Baden Arjd Praboe-adiningrat , eerste Luitenant van de 
kavaUerie , verheven tot den rang en titel van Baden Toemèng- 
goeng BR&Ti-ADINëG&E&. 

Terwijl de Madoeresche troepen al meer en meer geoefend 
werden en de Sdtan voortging op gezette tijden de exercities 



Digitized by 



Google 



165 

bg te wojae^i^ bloejida, het rijk van Madoera bij voiortduring. 
Het volk en, de leqle^ dei; vorstelijke, femüie,, aanzienlijken en 
geringen, gevoelden zich aUen gelukkig en tevreden. 

Op.Zfttnrdag dm 2i^ E^ifïp 1760 (15 D^. 1882) werd 
Kapüein, Komman^ant Hegqis op voorstel van den Sdtan door 
't Gouvernement aangesteld tot Adjudcmé van Zijn Hoogheid 
den SMta». Deze gaf hem de uniform ten gesohenke, en was 
bijzonder m^t hem ingenoo^en. 

Eenigen tijd later kwamen er als bdooningen van den Koning 
van Holland koperen medaüles met het borstbeeld des Konings, 
bestemd voor hen , die vijf jaren lang aan den oorlog in «/ö^i 
dddgenome^ hadden; maar van h^i, die niet tot deHolland- 
sche natie behoorden, werden aUeen de Officieren dfui^rmede 
begiftigd. 

100. De Madoerezen op een expeditie 
naar l>jambi. 

£enigeu tijd daiama ontving de Sdtan een missive van het 
GouTemement, waarUj pradjoeriU gevraagd werdmi voor een 
expeditie naar Bjambi onder Palenibang , omdat de SuÜan van 
Djambi zijch tegen het Gouvernement verzette. Z. H. de Sidtan 
gaf dadelijk aan zijn zoon JBangeran Aêipaü Kolonel SërjarA- 
DiNiNGBAT de noodigo bevelen, en deze gelastte zijn broeder 
Fangeran Luitmant Kolonel ATMaDJa-ADiNiNBRAT om 2 kom- 
pagniën in&nterie bijeen te brengen. Het duurde niet lang, 
of 2 kompagüien stonden gereed. Pangeran Magoor AwNëoaRa 
was hun aanvoerder. De eerste KapUein was Itadm Pandfi 
TjaKK&wiy&xa, en de tweede was Itaden TjaotaDiPOEBa ; de 
LuitemmU waren: SsKoaBaTBa, Baden Tj&i:E&KOEso£if&, JSesi»» 
SoKBjENOBaNa en Itaden Gai^DaKOJSsoEMa. Allen te zamenmet 
de Officieren en Onderofficieren waren zij SOI man sterk. 
Pangeran Adipaü gaf zijn vader den Sultan kennis daarvan, 
en deze berigtte nu aan Assistent-Bendent Ondaatje, dat de 
troepen gereed stonden. 

Op Maandag den 11*^ (beter den 12« ) Baimgoelawal 1761 



Digitized by 



Google 



166 

(£7 Julij 1838) vertrokken zij van de hoofdplaats van Madoer&j 
en staken (de straat) over van Kamal naar Soerab&ji, De 
SulUm ging derwaarts met hen mede. 

Op 2iatnrdag den 24™ Babingoélawal (10 Angnstns 1833) 
vertrokken zij met een schip , tegelijk niet Majoor Kolvf, en 
keerde de Sultan wéér naar Madoeri terug. 

Woensdag avond den 6" (beter den 5** ) Rahmgodakir (£1 
Augostus 1833) kwamen zij te Palembang^ en ontmoetten 
{LuUenant) Kolanel Michiels en Resident Fraetoeius van 
Palembang. 

Vrijdag den 22<* (beter den £1*° ) van die maand (6 Sep- 
tember 1833) vertrok Pangeran Majoor AniwiNaTa met zijn 
pradjoerita van Palembang om naar i^amU te gaan. Zij maakten 
de reis in booten. 

Dingsdag den 3** Bjoenuidüawal (17 September 1833) trof- 
fen zij {Luitenant) Kolonel Michiels en AsêMtent-Sesident 
Andbiesse in de henteng van Soer&langoen. 

Zaturdag den 7"^ (£1 September) vertrok {Luitenant) Kolo- 
nel MiOHiELs met Pangeran Majoor Adiwin&tS van die fe»fe«^ 
naar Bjambi, 

Maandag den 9** (£3 September 1833) kwamen zij bij het 
dorp Todangy in 't landschap Limoen y onder Ljambi, Zij 
troffen daar vijanden aan, en werden met hen slaags, maar 
niet lang daarna vlugtten deze naar hun sterkte, die op een 
hoogte gelegen was. De Hollanders vervolgden hen, en kwamen 
op nieuw in gevecht, doch kort daarop gingen de vijanden 
andermaal op de vlugt. De Hollandsche troepen sloegen 
toen hun bivak op aan den voet van den berg Limoen. 
Den volgenden morgen kwamen de vijanden terug om te strij- 
den , maar na een gevecht van ongeveer één uur, vlugtten zij 
allen. De Hollanders vervolgden hen wel twee posten ver, 
en toen gingen de JDfambimeizeïii in hun benteng. Daarop ont- 
stond er weer een gevecht, doch kort daarna vlugtten de 
vijanden. De Hollanders keerden nu naar hun Uvak terug , 
en voerden 6en aanzienlijken buit met zich mede. 



Digitized by 



Google 



167 

Op den daarop volgenden Woensdag trokken de Hollanders 
weer naar het dorp Soeralangoen terug. 

Op Donderdag den 2cn Bëdjïp (14 Nov. 1833) vertrok 
LuUenant-Kólonél Michiels met eenige officieren, AêMieni- 
Bendent Andeiesse en Pangercm Majoor Ai>iNêa&E& van Soe- 
raUmgoen met het voornemen om den Sultan van Bjambi in 
het dorp Singdbadng te ontmoeten. Nadat zij daar om 10 
unr gearriveerd waren, kwam de Sultan van DjatnJbi. Zij 
gingen elkander te gemoet, en gaven elkander na wederzijd- 
sche groeten de hand. Allen namen daarop naar hun rang 
op stoelen plaats. Zij spraken toen een tijd lang met elkander, 
en wisselden een contract, dat zij onderteekenden; toen gingen 
zij uiteen. 

Op Vrijdag den 15ea Boewah (27 December 1833) vertrok- 
ken Pangeran Majoor ADiNëoiE& en al zijn jTro^'em^ tegelijk 
met Luitenant Adjudant Bebnakdt van Paiembang om naar 
Madoera temg te keeren. Donderdag den 26^ (beter den 
28en) Roewah 1761 (10 Jan. 1834) kwamen allen in welstand 
op Madoera aan. 

Te Soetja aan wal gaande, kwamen Pangeran Majoor SoisbS^ 
ABixiNGUAT en Pangeran Luitenant Kolonel 3oebj&-adin£nch 
EAT hun te gemoet. Toen Pangeraai Majoor AniNëo&Ei bij 
zijn vader kwam, was deze hoogst dankbaar jegens den Aller- 
hoogste. LuitenantAdjudant Bebnabdt bood ook zijn groete 
aan, en wenschte^ den Sultan veel geluk ^(met den goeden 
afloop). Z. H. de Sultan bedankte hem , en gaf hem een 
kris van Balineesch maaksel met een gouden schuifbeugel en 
een bandelier van goud galon ten geschenke. Zeer dankbaar voor 
dat cadeau, nam hij na eenige dagen afscheid, en vertrok 
met eerbewijzen van den Sultan. 



Digitized by VjOOQIC 



DE KAART VAN TJIËLA OF 
TIMBANGANTËN, 

DOOS 

K. t. HOLLE. 



In het jaar 1858 ontdekte de kontroleur J. C. Lamickus 
VAN TooKENBUBO, (sedert overleden) met behtdp van den 
Hoofdpanghodoe van Lhnècmgan , Raden AaSfi Moehaitad Moesa, 
in de kampong T^iè'la , district Panembong , eenige oudheden , 
waaronder een kaart op inlandsch katoen (bowefa). 

De toenmalige Resident der Treanger ^ Jhr. Mr. van djer 
WiJOK zond een copij dier kaart met een nota van den Heer 
Lammers en een nota van den Regent van Bandoeng aan het 
Bataviaasch Genootschap van Kunsten en "Wetenschappen, dat 
ven die copij een facsimile op kleinere schaal liet maken, het- 
welk hierachter den lezers van dit tijdschrift wordt aangeboden. 

De heer Netschkr trachtte uit die nota's een stuk zamen 
te stellen voor het tijdschrift, doch stuitte, wat het historisch 
gedeelte betreft, op zooveel tegenstrijdigheden en duisterheid, 
dat besloten werd de stukken in mijne handen te stellen, 
om ter plaatse meer inlichtingen in te winnen. 

Ook ik toog aan 't werk en hoewel niet geheel zonder 
succes, — want ik vond eenige babads of brokken er van, waarin 
iets omtrent de zaak voorkomt, — toch was dit niet van dien 
aard, dat ik met een gerust geweten mij kon neerzetten tot 
het schrijven van een historisch opstel. 

Ik raakte zelfs eenigzins van den wal in de sloot, want 



Digitized by 



Google 



109 

instede dat meerdere bronnen iheer zekerheid garen, had 
JQist het tegenovergestelde plaats en kreeg ik naar mate 
meer lichten kwamen minder licht. 

£n geen wonder; want wie de groote ligtvaardigheid kent, 
waarmede inlandsche historieschrijvers met de historie van 
Imn land omspringen, zal even als ik meermalen hebben on- 
dervonden, dat zij zich in de eerste plaats niet om tijd be* 
kommeven , en soms met het meeste gemak eeuwen oversprin- 
gen, om aan de zaak, die hun ter harte gaat, een mouw aan 
te passen. 

Zoo heb ik geslachtslijsten gezien van nog levende regenten, 
waarvan er b. v. een slechts 11 geslachten van Noach af is ; 
van een ander, die Bathara Wisnoe onder zijn voorvaders heeft 
m dergelijke. 

Hoe meer men dus van die babads doorsnuffelt , hoe huiveriger 
men wordt een letter op papier te zetten. 

Het Mohanupedanisme heeft hier groote schuld aan, want 
dat er vroeger geschiedkundige aanteekeningeu bestonden, bleek 
mij o. a. uit een oud soendaasch geschrift op lontar , dat on- 
^lukkig deerlijk geschonden is. In den eersten geloofsijver 
moest alles wat boedhaasch was of er naar leek eraan gelooven, 
en wat er nog overbleef viel soms in verkeerde handen of ver- 
jring, zooals o. a. de verzameling van RAiriiEs , die schipbreuk 
leed en waaronder , naar ik vrij zeker meen te weten , ook oud- 
soendasche handschriften, afkomstig uit Galoeh. 

Het vorenstaande is dan ook de reden , dat ik tot nog toe aan 
de mij opgedragen taak niet voldeed, en ware er niet aandrang 
\Tin de zijde der redactie van dit tijdschrift , ik zou gaarne nog 
wat willen wachten met het schrijven van een historische toe- 
lichting bij de kaart. Deze is op zichzelve echter merkwaardig 
gtitto^ , weshalve ik het v^langen der redactie niet onbillijk 
\ind, om in allen gevalle maar eerst de kaart met een korte 
toelichting in 't licht te geven. 

Allereerst doe ik daartoe dienen de inleiding door den Heer 
Netbch£& opgesteld en luidende als volgt : 

XXIV. 7* 



Digitized by 



Google 



170 

//Om de kampong TjiMa te bereiken volgt men den rijweg 
van Garoet naar Tjikadjang in eene zuid-oostelijke rigting tot 
op een afstand van 7 palen; vervolgens wendt men zich 
zuidwaarts van den weg, waar langs het kleine meer Tjigèm- 
bar en, den voet eens heuvels volgende, een voetpad van onge- 
veer 1 paal lengte naar de kampong leidt. 

De omstreken zijn niet of weinig bevolkt (*). De kampong 
telt slechts een 12 of 15 tal huizen, die evenwijdig tegenover 
elkander zijn geplaatst. Al dadelijk bij het binnentreden valt 
eene woning aan de westzijde in het oog, die zich van de 
andere huizen onderscheidt door hare omheining van pluim- 
riet en van eene bruin roode plant, de handjoewang of draken- 
bloedrotan , waarmede gewoonlijk heilige plaatsen en voorname 
graven worden a%esloten. Een met alang-alang bedekte voor- 
poort , de opgehoogde aarde , die de woning twee treden boven 
den grond verheft, geven haar met betrekking tot de andere 
woningen een vrij aanzienlijk voorkomen. 

Zij is overigens op bamboezen steilen gebouwd en met alang- 
alang gedekt, en draagt geen kenmerken van groote oudheid. 

De lengte is 24 en de breedte 16 voeten. Nji AoeH, de 
bewoonster van het huis, leeft daar met hare kinderen en kinds- 
kinderen en staat in hoog aanzien bij de overige ingezetenen; 
zoo zelfs, dat zij voor haar en haar huisgezin zorgen, de wo- 
ning kosteloos herstellen en het erf schoonhouden, want zij 
is eene koentjen (bewaarster van vereerde poesakas) ; niet zelden 

(*) Zoo sprak men in 1858, Sedert is evenwel de theeondememing Waspada 
vlak bij de kampong 'Qiëla ontstaan, en dat» gepaard aan de reorganisatie van het 
Preangerstelsel, dat der bevolking wat meer tijd voor eigen landbouw liet, heeft 
een heel anderen toestand doen geboren worden. 

De vroeger woeste streken zijn nu allen bebouwd, hetzij met inlandsche land- 
bouwgewassen, hetzij met koiÜj, waaronder een massa soekahati-kofiij. 

Nieuwe kampongs zijn ontstaan, oude uitgebreid of verbeterd en op goede 
kampongwegen ontmoet men thans de bont gekleede inlanders, waarvan vroegtiT 
het vrouwelijk gedeelte erg gedecolteerd was (Prcangerstelsel) , doch wier roode, 
paarsche, groene of andere bont gekleurde korte baatjes (salontreng) thans vrolijk 
afsteken tegen het omgevend groen; terwijl zij het landschap vrolijkheid bezetten 
als ze kakelende, lachende of zingende van het werk huiswaarts keeren. 



Digitized by 



Google 



171 

brengt de bevolking deze hare offers. Treedt men de woning 
binnen dan ontwaart men een rijkdom van huisraad. 

Een afgescheiden zoldering , de helft van het huis beslaande, 
dient tot berging van levensmiddelen, en daaronder is een door 
gordijnen en bamboezen wanden afgeschut slaapvertrek. Alles 
getuigt van de ziudelijkheid , die de Soendaneeê steeds in huis 
in acht neemt. Veel bijzonders heeft het omschrevene niet; de 
inngting is die der meeste PTeanger\i\m&ïi, Iets anders is het 
dat de nieuwsgierigheid tot zich trekt; het is een stelling op 
den achtergrond t^en de westelijke bamboezen wand geplaatst, 
waarop staan eene groote kist en twee karpeks (eene soort van 
dozen), de nalatenschap bevattende van de voorouders der be- 
woonsters van Lawas Djaja , een, vele eeuwen geleden , gere- 
geerd hebbende dalem van het rijk Tiwbaaigantèn ^ thans een 
district in het regentschap Bandoeng , en van vele andere vroe- 
gere vorsten. 

Kleedingstukken, krissen, een klein metalen kanon of slan- 
genstukje , eene wimpel, alles zorgvuldig in de karpeks geborgen, 
strekken als voornaamste bewijzen van de echtheid van het 
mede bewaard wordende oude geschrift. 

A%escheiden van die twee karpeks staat op eene a&onder- 
Ujke plaats der stelling de kist , welke het door de ingezetenen 
meest vereerde erfstuk bevat. Het is de alle kenteekenen 
van oudixeid dragende, op grof linnen geteekende kaart, die 
juist op een derde der ware grootte hiernevens wordt we- 
der gegeven. Dit stuk wordt zoo vereerd , dat op den avond 
voor vrijdag, wanneer de ioenijen het ontrolt om door de bevol- 
king bezigtigd te worden, terwijl een komfoor met wierook daar- 
onder wordt aangestoken, onder het prevelen van een Arabisch 
gebed, dat zij alleen mag bidden en dat zij telkens herhaalt, 
deze rondom het huis blijft, en een ieder met gretigheid de klan- 
ken des gebeds. opvangt, hoewel het voor hem onverstaanbaar is, 
en met stommen eerbied het vereerde kleed aanschouwt, dat hem 
even duister is. De gedachte echter, dat het hunne voormalige 
vorsten waren, die het bezatea, en het zelfs door eenen magti- 



Digitized by 



Google 



172 

güo dalem verd vervaardigd, laai ben in die aanbiddeade atem- 
ming. Vromer hadden inlanders, van het bestaan dier oudheden 
bewast, zelfs voorname hoofden, zulk een vrees en onteag 
om de woning der koentjen te betreden , dewijl de ingezetenen 
van Tjiëla en Nji AoeM zelve hen mot zware ziekten, geldelijke 
verliezen, vreeselijke ongelukken, ontslag enz. bedreigden, dat 
zij hunne nieuwsgierigheid om de hooggevierde poesakas te bo- 
zigtigen, hoe groot die ook was, evenwel beteugelden. 

Welligt was die vreesinboezeming eene list, opdat vooral 
de hoofden met hunne oudheden onbekend zouden blijven, 
daar zij, in het tegenovergesteld geval ligt gezind zouden lieb- 
ben kuimeu zijn, het een of ander mede te nemen. 

Eerst onlangs toen de hoofdpanghoeloe van Limbcut^an^ een niet 
bijgeloovig en verlicht iidander, met den Heer Lahmebs de wo- 
nijig en poesakas bezocht, zijn eenige hoofden vrijmoedig genoeg 
geweest om met hen het huis binnen te treden; echter 'niet zon- 
der aarzeling en zekere vreesachtigheid, die de bewoonster en de 
inwoners vrijwaren voor aanvallen op den inhoud der kisten. 

De reden, waarom het bestaan dier oudheden zoo lang is on- 
bekend gebleven, vindt zijn oorsprong in de alom verspreide 
vrees en de afgezonderde ligging der kampong. Naar het 
zeggen van eenige personen moet, in vroegereu tijd, een Duitsch 
geleerde reeds de kaart en de overige zaken hebben bezigtigd. 
£ene algemeene bekendheid is aan dat onderzoek niet^ gegeven, 
en na zijn vertrek van Java is de zaak niet meer aangeroerd. 

Toen ik, schrijft de Heer Lammkes, bij mijn bezoek in de kam- 
pong door goede woorden en het ontzag, dat de hoofdpanghoeloe 
der Nji en den inwoners inboezemde, hen had overgehaald ons te 
vergunnen het heiligdom binnen te treden, en wij navraag deden 
naar het bestaan van oorspronkelijke SoendascAe stukken, werd ons 
met veel deftigheid //het geschrift" genoemd. Het was de kaart, 
die niemand begreep. Door de belofte van teruggave kwamen 
wij zelfs zoo ver, van haar voor eenige dagen te mogen medene- 
men, waarvan wij gebruik maakten om er twee koppen van te 
maken, zoo trouw mogelijk in letterschrift en teekening gevolgd. 



Digitized by 



Google 



178 

De kaart stelt voor een groot gedeelte der eigenlijke Soenda- 
landen en voornamelijk het daarop afgebakend rijkje Tim- 
banganten." 

Tot zoo ver de inleiding. — Ik voeg daarbij nog het 
volgende : 

Dat rijkje was een van de velen , waarin, na den val van Padja- 
djajbjlS en later met het verval van Matabah, de Soenda-landen 
vervielen, en nu schrikke men niet van Soenan Lawas Djaja, want 
het getal soenans en. panëmbahans was legio en er behoefde in 
den tijd , toen geen oppervorst krachtig de teugels van het be- 
wind in handen hield, weinig toe, om in naaste omgeving tot 
heel wat aanzien te komen. 

Zoo is er b. v. een heilig graf in de buurt van Tjipitjoeng van 
zekeren dalem Bakejan, die niets meer was dan een patinggi. 

Doch ik keer tot de kaart terug. 

Zij bevat het westelijk gedeelte van Java tot aan CAeriban 
ten noorden en de Sëgara-anakan ten zuiden, dus grootendeels de 
Soenda-landen. 

Al is ze wanstaltig geteekend en zonder proportie, den maker 
kan een goede dosis kennis van het land niet worden ontzegd. 
Verscheidene , werkelijk bestaande riviertjes aan de zuidkust zal 
men b. v. te vergeefs zoeken op de nieuwe kaarten. 

Het hoofddoel der kaart was blijkbaar een kaart van het gebied 
van Tifnbangantèn ^ en schijnt de ontwerper blijkbaar met een 
beetje esprit de clocher te zijn bezield geweest, en het gewest zij- 
ner inwoning door een vergrootglas te hebben aanschouwd, wat 
trouwens ook met ons Europeërs nog niet geheel en al uit de 
mode is, als wij over atis land spreken of van zijn helden en daden. 

Trouwens dat heeft zijn goede zij , want wie zichzelve minacht 
wordt geminacht. Als die hoogachting maar niet ontaardt in zelf- 
verblinding of het insluimeren op de daden van het voorgeslacht. 

Of wel de maker heeft //den Soenan willen lekker maken'' en 
daarom Timbanganten met eenige emphasé geteekend; want 
buiten proportie groot is het, en hoop ik later beter te slagen om 



Digitized by 



Google 



in 

ee& schetskaart vaa goede proporties te lever^i , waarin ik, of- 
schoon ik er moeite voor deed, nog niet mogt slagen. 

Lawas djaja dan, of een zijner opvolgers, wilde een kaart van 
zijn gebied hebben en dit pleit voor iemand uit dien tijd. 

Mohammedaan was hij , dat blijkt niet alleen uit het opschrift, 
in vrij slecht javaansch, dat eindigt met de ongelukkige tijdsbe- 
paling van Vrijdag den 14den der maand Moeharam, het jaar 
Alip , maar ook uit de bij de kaart bewaarde wimpel , waarop 
het dubbde zwaard (dzoel ^kar) is afgebeeld. 

In aUen gevalle is de kaart eene kleine 300 jaar oud, hetgeen 
de waarde ervan wel eenigzins verhoogt. 

Behalve de kaart bevinden zich in het heilige huisje te Tfiëla : 
een geelkoperen kanonnetje , 4 krissen , het ijzer van eene lans, 
ee^ige instrumenten om papier uit' de saëbast te kloppen en 
een oud leelijk baatje , alsmede de boven genoemde wimpel , 
die welligt bij de bekeering van het toen nog Siwa-Boedhis- 
iisch volk heeft dienst gedaan. 

Het opschrift op de kaart (No. I) luidt als volgt: 

Dit is de opgave van den vorst Ini Massallah, ratoe ing Tim- 



te Timbangantcn Soesoeuan 
Tjantajan, maar het is de nala- 
tenschap van Maharadja Toeng- 
gal, genaamd Maradja Soekma; 
de schoonzoon van Batoe Toeng- 
gal was genaamd Toewinis. Toen 
gemeten werd was hij reeds 
300 jaar oud (*). Soenan Lawas 
Djaja sprak: eerst (^) was ik ge- 
naamd Was Djaja Tjatjandaran. 
Deze verdeelde daarop het land; 



banganten Soesoenan Tja(n)ta- 
jan nanging poeniki tilar ratoe 
Toenggal nama Maradja Soek- 
ma , Maratoewane ratoe Toeng- 
gal nama Toewinis, kala oekoer 
oemoer woes tigang ngatoes ia- 
hoen. Ngandika Soesoenan La- 
was Djaja kitoA (kitaP) moelane 
aran Was Djaja Tjatjandaran. 
Poenika noentën andoem siti 
dadi tëloe poe(n)tjël tëloe doem. 



(*) Een krasse vent. Welligt was het vroeger met de mensclien evenzoo gesteld 
ala met de geliouwen. I>ie van den tegen woordigen tyd honden het niet zck> 
lang nit. 

C) Ik geloof dat we hier niet met het Jayannsche moela te doen. h^ben. 



Digitized by 



Google 



175 

bet wesd verdeoJ^ ip S s;Mikken L Kala adoem tjatjaogkok 4ina 



djaemaSh tanggal patbelas 9^ 
Mobarapi taboen Alip. 



Poenika tjatjabau tjatjang- 
kok isining Timbangautëu. 



(en ?) 3 dealen. Toen de ver- 
deeliag plaats Tond was het 
Yrijdag du» 14 der maand Mpe- 
baram van het jaar Alip. 

En verder opscbrift No. IV. 

Dit hi^F is de opgave van de 
volkstelling te Timbanganten : 

Daarop worden 78 kampongs opgenoemd, welke allen heden 
ten da^ nog bestaan. 

In een geschrijFt, dat ik van den Eegént van Soekapoera 
ter 'inzage kreeg, en gedateerd 1770 van onze jaartelling , vind 
ik ook onzen Lawas Djaja genoemd en achteraan een opgave 
van d^elfde kampongs bijna in dezelfde volgorde. 

Volgens dat geschrift, hetwelk ik later wil behandelen als 
ik nog wat beter beslagen ten ijs kan komen, wordt ook 
gesproken van een splitsing van Timbanganten in 2 deelen, 
met de Tjimanoek tot scheiding , welk eene deel thans o. a. 
het district Panembong uitmaakt, en de andere helft het 
tegenwoordige district Timbanganten of wel daj^rin gelegen is. 

De kaart bevat verder de merkwaardigheid, dat zij tusschen 
de Tjihaliwoeng en Tjisadane aanwijst het rijk' of de stad 
(nagara) Padjadjaran en daar naast de Lawang hadji of vorsten- 
poort , op Buitenzorg gemakkelijk te vinden. De plaats waar 
Batavia staat , komt nog onder zijn ouden naam Noesa Klapa 
voor. 

Wijders wordt de Pangerango genoemd Pangrango (vergelijke 
rangoe, broos) enlndramajoe Drëmajoe, denkelijk een verkorting 
van Dërma of darma (-i*®i) Ajoe (de pb'gt van het goede of der 
deugd). 

De heiligheid van Tjiëla is thans heel wat gedaald en dat 
de Koentjen bij een erge ziekte mijne hulp kwam inroepen 
om obat, heeft haar praktijk niet weinig geschaad. 

Tjiëla is thans even toegankelijk als Tjiboeroej, waar kort- 



Digitized by 



Google 



176 

geleden, sedert menschengehengenis voor het eerst, een regent 
van Limbangan, alsmede een wadana van het district een voet 
zetten , terwijl kort daarop de Eesident de kampong bezocht. 

Men brandt daar zel& petroleum , welke nienwigheid echter 
niet zonder schokken bleef; want een blik met die oHe ont- 
plofte, legde p. m. 30 huizen in de asch en kostte 5 menschen 
het leven. 

In een woord de heiligheid is voor een groot deel verdwenen , 
en is ook hier weer bevestigd het spreekwoord: Sic transit 
gloria mundi. 

Als nu de lezer maar met deze korte introductie der kaart 
tevreden is! 

JFcufpada, 2 Aug. 1876. 



Digitized by VjOÖQIC 



;l 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by 



Goo'^e I 



DE PLAATSNAAM SINGAPABNA, 

DOOR 

K. F- HOLLE. 



Onder de stukken betreffende Timbangantën , welke ik reedfi 
veraamelde, komt er een voor, dat ik hieronder doe volgen, 
ofschoon het nit veel lateren tijd dateert dan de kaart ^i de 
soenans reeds tot dipatis waren a^edaald. 

Het is de copij van een koperen plaat, gevonden in de ls|Lm- 
pong Naga, op de grens van Bingapama in het Mangoenire- 
djasche gelegen , waar ze als kaboejoetan nog eenigsdns in eere 
wordt gehouden. De kaboejoetan moet nog kaboejoetan Ba- 
dja faeeten. 

£r blijkt uit hoe gek het soms met plaatsnamen toegaat en 
hoe moeijelijk het dikwerf is , zonder historische toelichting, de 
beteek^s van den naam uit te maken. 

Beeds menigmaal hoorde ik vragen: hoe komt men toch 
in de afdeeling Tasikmalaja aan een leeuwmplaats ? (Singaparm^ 
dftt men als een verbastering van Singhapernah aanzag), en 
moeijelijk zou er een juist antwoord te geven zijn, wanneer niet 
de ottderwerpelijke plaat ons uit den nood hielp. De leeuwen 
verdwijnen hier even zoo, als die van zekere vrijhaven in 
de buurt van Biouw (Singapoera, eigenlijk Singgapoera, aan- 
kgplaats) en hebben wij in deze slechts te doen met een ouden 
Soendanees, genaamd Singaprana, die door den dipati van 
TÏBibangantën aan de zorg van een hoofd werd aanbevolen en 
wiens eigennaam , met omzetting van den medeklinker t-, later 
een plaatsnaam werd. 



Digitized by 



Google 



178 



De piagëm, waarbij dit feit 

Dit is een piagëm, afgeschre- 
ven van een vroegeren, waar- 
van de plaat beschadigd is. 
De inhoud is : Dit is een pia- 
gëm van den dipati van Tim- 
bangantên, gegeven aan oom 
Singaprana. Oom Singaprana 
plaats ik op zijn land Badja 
Ki . . . Wangsa di Krija. Gij 
moet voor hem zorgen, want 
het is uw eigen oude, voor al- 
les moet gij zorgen; — en wel 
ten eerste : dat niemand (hem) 
vemedere ; ten tweede : dat nie- 
mand hem ongelukkig make; 
ten derde: dat niemand met 
hem twiste. 

Laat dit vooral uw streven 
zijn, dat niemand anders den 
neus in zijn zaken steke, dit 
zou ongeluk aanbrengen. 

Als iemand dit (bevelschrift) 
wil overtreden, moet hij be- 
dwongen? worden; gij moet 
hem straffen en zijn kris a&e- 
men en wegbrengen. 

liaat uw volk te Radja dit 
mijn bevelschrift goed in acht 
nemen, zoo als het in den 
piagëm staat. Geschreven op 
Vrijdag den 8sten der maand 
Sawal in het jaar alip. 

De piagëm werd overgeschre- 
ven op Vrijdag den 24<sten der 



geconstateerd wordt, luidt: 

Fangêt soerat piagëm toe- 
roenan saking piagëm kang 
dingin** dening sampoen roek- 
sak papanipoen. Wondening 
oenine: Penget soerat piagëm 
isoen dipati Timbangantën ka- 
gadoeh dene paman Singaprana, 
paman Singaprana sóen ëng- 
gonaken ing boemine ing Ba- 
dja. . ..Ki. . .Wangsa di Krija 
Sira raksanên ponta wonga- 
toewa Sira dewek saoendakara, 
Sira roemaksa, kalajan sapisan- 
ne bok ana kang ngadjanani 
kapindone bok ana kang mi- 
tënahi, kang ping téloene bok 
ana kang ngadonani. 

Ikoe ta Sira den ijatna adja 
aweh den amboeng dening woag 
lijan ikoe sangare pitënah, jen 
si ana arëpa ngambah koedoe a- 
maksa, sira terapena poeloengan- 
na kërise katoer maring ngisoen, 
ikoe ta rajat Sira wong Badja, 
den pada ngestokëna ing oen- 
dang isoen kang moeni ing soe- 
rat piagëm. Kalanoelisingdina 
Djoemaah tanggal ping woloe 
woelan Sawal ing tahoen Alip. 
Kala noeroen piagëm ing di- 
na Djoemaah tanggal patlikoer 
woelan Djoemadilawal ing ta- 
hoen Alip ing tahoen 1203 titi 
toelis Bagoes Djaja. 



Digitized by 



Google 



179 



maand Bjoemadilawal van het 
jaar alip (of) het jaar 1203. 
Bagoes Djaja. 

Zoo luidt de in Soendaasch-Javaansch (basa djawarè=djawa 
savarè) geschreven piagèm , en ik zeg met Bagoes Djaja, titi 
toelis. 



JFoêpada, 14/8. 



Digitized by 



Google 



NOTA 



BETREFFENDE DEN EKONOMISGHEN TOESTAND VAN HET RIJK 

:b .A. ]V <3^ L I, 

EILAND BALI, 

DOOR 
F- J^ T.TRT'IinsrOg, 

Aspirant Kontroleur bij het BinnenlandscA Bestuur op 
Java en Madura. 



Ten einde eenig inzicht te krijgen in den ekonomischen 
toestand van een land, komt het mij noodig voor na te gaan: 
in de eerste plaats, welke werkkrachten in dat rijk aanwezig* 
zijn en in hoeverre de bevolking over haren arbeid vrijelyk 
beschikt, dan wel dien moet aanwenden in het belang van den 
staat of van de bestuurders van het land ; in de tweede plaats 
welke gegevens voor welvaart de natuur, te hulp gekomen door 
de hand der menscheu, aanbiedt, in hoeverre de bevolking er 
in geslaagd is daarvan partij te trekken en in welke-opzichiea 
zij bij het vervullen dier taak wordt te hulp gekomen of be- 
moeielijkt door het bestuur. 

Het eerste onderwerp zal ik trachten te behandelen onder 
do hoofden : a, bevolking , waarbij tevens in het kort kan na- 
gegaan worden op welke wijze het rijk bestuurd wordt, b. hee- 
rendiensten , c. slavernij en pandelingschap. Het tweede onder 
do hoofden: a. landbouw en veeteelt, b. nijverheid, c, handel. 

Bevolking. 
Het zuidelijk gedeelte van Bangli is vrij dicht, het midden 



Digitized by 



Google 



181 

en het noorden daarentegen vrij schaars bevolkt. Het getal 
rijksheerendienstplichtigen (pèngajah's) werd mij opgegeven 
5000 te bedragen ; indien dit getal juist is , dan kan men bij 
benadering het geheele cijfer der Heidensche bevolking op 
30.000 zielen schatten. 

Mahomedanen vindt men in Bangli in het geheel niet en 
slechts een twaalftal Chineezen is in dat rijk blijvend gevestigd. 

In den tijd van den koffieoogst hebben deze gewoonlijk nog 
15 iL 20 hunner landgenooten tijdelijk in dienst. 

Buiten dit gering aantal handeldrijveude Chineezen (allen 
Siiigké's, die dus ook hier hunnen roem als pioniers van den han- 
del handhaven), houden geene vreemdelingen in Bangli verblijf. 

Alvorens na te gaan welke diensten door den vorst van de 
bevolking gevorderd worden, zal het wellicht goed zijn een' 
korten blik te slaan op de inrichting van het staatsbestuur. 

De in het vorige jaar overleden vorst liet bij zijn' dood 
zeven wettige zonen na, die allen reeds den mannelijken leef- 
tijd bereikt hadden. 

De vrees , dat naijver tusschen hen zou ontstaan en binnen- 
landsche onlusten daarvan het gevolg zouden wezen, had hem 
doen besluiten het rijk vóór zijn dood te verdeelen en te be- 
palen, dat zijn oudste zoon wel is waar in naam vorst van 
geheel Bangli zijn zou, doch hij slechts een gedeelte van het 
rijk onder zijn direct beheer zou hebbeu, en dat elk zijner an- 
dere zoons en zes zijner verdere bloedverwanten ook een bepaald 
gebied ter besturing zouden krijgen. 

AUe deze personen voeren nu den titel van //anak-agoeng", 
beffen in hun gebied belastingen, en beschikken over leven en 
dood der opgezetenen. 

Op enkele uitzonderingen na houden die vorstjes verblijf op 
de hoofdplaats en zijn dus een' min of meer aanmerkelijken 
afstand van hunne onderhoorigen verwijderd. Zij stellen daar- 
om hoofden (jprabèiêl) aan, die het bestuur voeren over een 
of meer dessa's en tevens hen op de hoogte houden van wat 
er in hun gebied voortvalt. 

XXIV 8 



Digitized by 



Google 



182 

Deze prabèkH hebben onder zich kleinere hoofden {hUcm 
ièmpèk)y die door de bevolking gekozen worden. Dezelaatsten 
regelen alle dessa-zaken en worden daarin bijgestaan door den 
ffpangliman\ di<d hen ook bij afwezen vervangt. 

Verder hebben zij djoeroe-aralCa (boodschappers) te hnnner 
beschikking, om hunne bevelen aan de dessa-lieden over te 
brengen. 

Greschillen tusschen de bevolking worden gewoonlijk door 
eiken anak-agoeng in zijn eigen gebied beslecht; slaagt hij 
hierin echter niet, of geldt het questies tusschen personen on- 
der bevelen van verschillende anak-agoeng^s staande, dan wordt 
de zaak op de hoofdplaats a%edaan door de zeven broeders ge- 
zamelijk. , 

De bespreking van dergelijke zaken van algemeen belang 
heeft gewoonlijk plaats, wanneer de duisternis de vorstelijke 
broeders genoodzaakt heeft het hanen vechten, waarmede zij zich 
dagelijks op den passer bezig houden, te staken. 

De oppervorst, een onbeduidend en weinig geacht persoon, 
met zeer beperkte vermogens, is bij die beraadslagingen ge- 
woonlijk slechts figurant, en wanneer hij niet persoonlijk in de 
behandelde zaak geinteresseerd is, neemt hij steeds genoegen 
met alles wat zijne broeders anak-agoeng G'dé Ngoerah en 
anak-agoeng Tjokorda (*), die den. meesten invloed hebben, 
goedvinden te bepalen. 

Bij de behandeling dier zaken behooren de vorsten zich te 
gedragen naar den inhoud der peswara's, dat zijn de op schrift 
gebrachte besluiten van den //sang mawa boemi"" (lAndsheer), 

Meermalen echter ontstaan daarbij moeielijkheden, daar elke 
vorst voor de belangen zijner eigene onderhoorigen opkomt. 
In somjnige gevallen wordt de zaak dan gebracht voor den 
priesterraad of raad van Kerta's, die advies uitbrengt volgens 
de wetboeken. 



(*) Ngoerah en Tjokorda zijn eigenlijk alleen vorstelijke titels; de beide hier- 
bedoelde personen hebben echter van hnnne jeugd af aan geene andere 
gediagen. 



Digitized by 



Google 



183 

De zaak komt dan weer voor de vorsten, die vervolgens uit- 
spraak doen, gewoonlijk in overeenstemming met dat advies. 
Dit laatste is echter niet verplicht. 

Heerendiensteii. 

Elke anak-agoeng beschikt in gewone gevallen over de hee- 
rendiensten zijner eigen onderhoorigen. De voornaamsten zijn: 

1^ Aet (mderhonden der vorstelijke woning^ wat vooral in den 
westmoesson dikwijls de diensten der bevolking vordgrt; 

£• het bewaken daarvan^ waarvoor dagelijks in, het geheel 
circa 40 lieden opkomen; 

3« het onderhcmden der groote^ wegen; hiervoor wordt de be- 
volking niet dan in de hoogste noodzakelijkheid opgeroepen. 

4« het verrichten van A(?<?^i^é?i^w^», welke meest voor rekening 
komen van de bewoners der hoofdplaats, daar zij in de on- 
middelijke nabijheid zijn der vele aldaar gevestigde vorstjes, 
die elk de beschikking hebben over eene der acht wijken, 
waarin de kotta verdeeld is. 

5*^ het houden van de wacht op de plaateen waar in- en uit- 
voerrechten geheven wordeti. 

Behalve de bovengenoemde rijksheerendiensten worden ook 
nog dessaheerendiensten van de pengajah's gevoirderd, welke 
bestaan in het onderhouden der dorpswegen, tempels en — 
hanen vechtbanen. 

Al deze diensten, welke uitsluitend voor rekening der leden 
vau de laagste kaste komen, drukken niet zwaar, en gewoon- 
lijk presteert elke heerendienstplichtige per maand niet meer 
dan ééne dagdienst. 

Ook het oorhgvoeren geschied in heerendienst, daar van een 
vast leger natuurlijk hier geen sprake is. 

Sedert tal van jaren is Bangli, als bondgenoot van Klong- 
koug, op voet van oorlog met Gianjar. De strijd wordt wel 
is waar niet met veel verbittering gevoerd, daar het veten 
geldt tusschen de vorsten, veten waarbij de bevolking geen 



Digitized by 



Google 



184 

belaag heeft, docb desniettemin is eene voortdurende waakzaam- 
heid aan de grens noodzakelijk. Daardoor worden dagelijks 
vele lieden aan hun werk onttrokken. 

Wanneer een groote inval wordt beraamd of nieuwe ver- 
sterkingen opgeworpen worden , mogen de heerendienstplichtigen 
soms weken lang niet n^r hunne woningen terugkeeren. 

Slavern^ en pandelingschap. 

In Bangli worden ook personen gevonden, die voor altijd 
alle aanspraak op de vruchten van hunnen arbeid verloren heb- 
ben , personen, die het onverdeeld eigendom van hunnen meester 
zijn. 

Ongeveer twintig slaven behooren aan de in Bangli geves- 
tigde Chineezen, die ze van den vorst gekocht hebben. 

De anderen zijn allen het eigendom van den vorst, zijne 
broeders of verdere bloedverwanten. Het aantal dier lieden 
wordt geschat op circa duizend. Slaven worden de navolgende 
personen : 

1«. hrijg9ge^<mgenm^ voor zooverre zij niet onmiêdeliji afge- 
maakt worden; soms worden deze personen verkocht, doch be- 
halen dan eenen prijs van niet meer dan 15 k &0 gulden. 

2®. personen^ die wegens eetiig misdrijf den doods êckuldig zijn, 
doch door den vorst worden begenadigd en dan hunne boete 
niet kunnen betalen; vrouw en kinderen deelen in hun lot. 

3*. de vrouwen en dochters van soed/rdsy die overlijden zonder 
mcmnelijketi nakomeling of aangeno?nen zoon (sentana) na te laten. 

Wanneer een man wénscht te trouwen met eene slavin, 
en de vorst geeft zijne toestemming, dan muoet hij bij haar 
in het paleis komen wonen en wordt ook als slaaf beschouwd, 
tenzij hij een' behoorlijken koopprijs voor haar aan den vorst 
betaalt, als wanneer zij zijn eigendom wordt. 

Daar alles wat een slaaf verkrijgt het eigendom is van zijn' 
mester, zoo spreekt het van zelf, dat als bij eene vrouw 
huwt, deze ook het eigendoni van den vorst wordt. 



Digitized by 



Google 



185 

De slaven moeteu al bet werk doeu, dat hun meester hun 
oplegt, terwijl de slavinnen, zoolang zij jong en schoon zijn, 
als bijwijven worden gebruikt en later ook allerlei werk ver- 
richten, of naar den passer gezonden worden om handel te 
drijven, waarvan de winsten grootendeels aan de vorsten moeten 
a^estaan worden. 

Tijdelijk van hunne vrijheid beroofd zijn de pandélmgen^ 
personen, die hunne schuld niet kunnende betalen, bij den 
schuldeischer in dienst treden tot tijd en wijle zij aan hunne 
verplichtingen kunnen voldoen. Soms ook worden deze perso- 
nen aan den meestbiedende afgestaan en de opbrengst aan den 
schnldeischer gegeven, terwijl zij dan hunne vrijheid terug 
kunnen bekomen door het betalen der som, waarvoor de kooper 
heu genomen heeft. 

Landbouw. 

In BangH behooren alle gronden, zoowel de bebouwde als 
de onbebouwde, aan 'den vorst in zijne qualiteit van landsheer. 

De eersten heeft hij echter in erfelijk gebruik gegeven aan 
zijne onderdanen, in dier voege, dat zooveel mogelijk elke 
rijksheerendienstplichtige een deel daarvan krijgt. De vorst 
beeft alleen in sommige bepaald aangewezen gevallen (waarover 
later) het recht, om gronden, eens door hem in bruikleen ge- 
geven, weer terug te nemen. 

In elke dessa zijn een bepaald aantal deelhebbers ; sterft een 
hanner, dan komt zijn grond aan dengene, die hem als 
heerendienstplichtige vervangt, meestal zijn zoon of aangeno- 
men zoon. 

De gebruikers dezer gronden hebben het recht tiiet ze te 
verkoopen; wel mogen zij die verpanden, doch dan blijft op 
den verpander de verplichting rusten, om de bij zekere gele- 
genheden voor die gronden te leveren rijst en duiten te voldoen. 

De voornaamste producten, welke in Bangli verbouwd wor- 
den, zijn: 



Digitized by 



Google 



186 

a. rijst ^ die zoowel op kunstmatig besproeide, als op tegal- 
velden geplant wordt, 
h, djagoeng y 

c, ketéla^ 

d, gierst {djawa). 

e, tabak y 

f, suikerriet y 

g, uien^ 
h. koffie. 

Alleen in het zuidelijk gedeelte van Bangil vindt men sa- 
wahvelden-, deze zijn van zeer goede kwaliteit. Ook woixlt 
aan de bewerking door de bevolking veel zorg besteed. Men 
let hier op verscheidene kleinigheden, welke in Boelèlèng ver- 
waarloosd worden. Zoo, bijv. wordt op de plaats waar het 
water op de sawah komt een vierkant vakje a%eschoten, om 
aan het zand, dat door het water wordt medegevoerd, gele- 
genheid te geven tot bezinken. 

Ook wordt van het wieden meer werk gemaakt dan in Boelèlèng. 

Behalve het in laatstgenoemd rijk daarvoor gebruikt wor- 
dend mesje (kiskis) , tusschen een gespleten bamboe geklemd , 
dat men met onze schoffel zou kunnen vergelijken, bezigt meu 
in Bangli daarvoor nog een ander werktuig, een soort harl 
met houten tanden, waardoor de grond beter losgemaakt wordt. 

Indien het gewas niet door ziekte als anderzins geteisterd 
wordt, dan oogst men van eiken bos zaadpadi 50 tot 60 even 
groote bossen padi. 

Sedert vele jaren zijn geene nieuwe sawahs aangelegd. 

De reden daarvan is niet gebrek aan beschikbaren vruchtbaren 
grond , doch gemis vaü het noodige water. Wel is waar vloeit 
veel water nog onbenut weg, doch daar het veelal door diepe 
ravijnen stroomt , zoo zou het opwei'pen der vereischte dammen 
ontzachelijk veel materialen en arbeid kosten. 

Van de sawahs wordt geene belasting betaald. Het water, 
dat van de bergen stroomt, wordt echter beschouwd het ei- 
gendom te zijn van den vorst; het is domein. 



Digitized by 



Google 



187 

Op ieder nu, die een deel Tan dat water voor de besproei- 
ing zijner velden gebruikt, rust de verplichting, om, als da 
vorst een feest geeft of vele gasten ontvangt, tot het bestrij- 
den der onkosten bij te dragen. 

De hoegrootheid dier bijdrage hangt af van de hoeveelheid 
water, die de landbouwer noodig heeft. Een aandeel water 
voldoende om bij goeden grond 300 ik 400 vierkante rijnland- 
sche roeden te besproeien (winih atënah) wordt daarbij als een- 
heid aangenomen. 

Qeeft de vorst nu een verbrandingsfeest, dan moet voor elke 
ienah winih de benoodigde rijst voor ééne, hele (een tafel van 
16 personen) en in geld 200 kèpèngs (gelijk aan / 0,62^) ge- 
leverd w(Nrden. Bij het vieren der godenjaarfeesten (odallan), 
hetwelk om de zes maanden (elk van 36 dagen) geschiedt, 
wordt slechts de helft gevorderd, enz. 

Wegens het groote aantal der in Bangli regeerende vorstjes, 
hebben die heffingen meermalen pkats. Eene geregelde belas- 
ting zou zeker de voorkeur verdienen , daar thans de landbou- 
wer steeds in onzekerheid verkeert in hoeverre hij over zijnen 
oogst zal kunnen beschikken. 

Ook rust op de gebruikers der sawahs de ver|dichting , om 
aan de hanengevechten, die eens per jaar in de vorstelijke 
hanenvechtbaan worden gehouden, deel te nemen. 

Voor de voeding der slaven van den vorst en het dage- 
Ujksch verbruik van rijst in het paleis dient de opbrengst der 
zoogenaamde soMfaA droewé of doewé^ dat zijn dcmein-^sawahs. 
De vorst laat die voor zijne rekening bewerken, in dier voege, 
dat de opbrengst in drieën wordt verdeeld, waarvan hij twee dee- 
len krijgt , terwijl een deel aan den bewerker ten goede komt. 

De sawah^'s droewé vinden voornamelijk hun oorsprong in 
het ^mandjing'", dat is het recht van den vorst , om , als een 
soedra sterft zonder mannelijke er^enamen na te laten, zich 
al diens goederen toe te eigenen. 

Eveneens worden de sawahs van een^ tot den dood veroor- 
deelde ten behoeve van den vorst verbeurd verklaard. 



Digitized by 



Google 



188 

De tegenwoordige vorst neemt echter ook andere middelen 
te baat, om zijne domein-sawahs uit te breiden. 

Zoo, bijv. heeft hij kort na het overlijden van zijn vader 
van vele sawahs aan lieden uit de dessa Tampwagan (gel^n in 
het zuidoosten van Bangli) toebehoorende een gedeelte afge- 
nomen en bij de sawah droewé gevoegd, onder voorwendsel 
dat voor die velden in verhouding tot hunne uitgestrektheid 
een te klein aandeel bij de heffingen betaald werd. 

Dergelijke handelingen zijn in strijd met het bovenvermelde 
rechtsbegrip , volgeus hetwelk de vorst de gronden eens door 
hem in bruikleen a^estaan, niet weer willekeurig geheel of 
gedeeltelijk mag terugnemen. 

Ook is het , zegt men , eene der geliefkoosde straffen van 
den tegenwoordigen vorst, om', als een der hoofden zich aan 
eenig vergrijp heeft schuldig gemaakt, hem te straffen met 
verbeurdverklaring van eenige zijner ambtelijke sawahs en die 
bij de domein-sawahs te voegen. 

De jaarlijksche opbrengst der sawah droew^ wordt geschat 
op 4.200 pikols ontbolsterde rijst. 

Als de vorst in geldverlegenheid is, gaat hij er soms toe 
over eenige dier sawah droewé te verkoopen, waarvan dan een 
lontarbrief in den behoorlijken vorm wordt opgemaakt. 

Dit is de oorsprong der enkele in partikulier eigendom be- 
zeten sawahvelden. 

In het midden en het noorden van het rijk wordt de rijst 
alleen op tegalvelden verbouwd. Deze gronden worden dikwijls 
na twee jaren beplant te zijn geweest weer verlat>en en andere 
ontgonnen ; in elk geval moeten zij om de twee jaren één jaar 
braak liggen. 

De opbrengst bedraagt niet meer dan 1/4, in de gunstigste 
gevallen 1/3, van die der kunstmatig besproeide velden. 

In den regel worden van deze gronden door de vorsten slechts 
weinige of in het geheel geene heffingen Jgedaan, en hebben de 
bebouwers jaarlijks alleen eene kleine belasting te betalen aan 
de dessa (oepetin dessa). 



Digitized by 



Google 



189 

Het totaal bedrag der jaarlijksche productie van rijst is 
moeielijk op te geven. Bangli brengt echter meer dan genoeg 
voort voor de behoefte der bevolking. 

Djagoeng wordt veel verbouwd; soms als tweede gewas op 
de sawahs, grootendeels op tegal velden. 
Ook is de productie van kètéla aanzienlijk. 
Aan de kanten der gaga^s wordt soms gierst verbouwd, doch 
slechts in onbeduidende hoeveelheid. 

Klapperbaomen vindt men in Bangli weinig, het klimaat is 
te koud. De opbrengst is niet voldoende om in de behoefte 
der bevolking te voorzien. 

Als tweede gewassen worden ook nog verbouwd; tabaky ko- 
riander (ketoembar; het wordt gebruikt als toespijs bij het 
vleesch), auikerriet en ketimaen; de beide eerste artikelen groo- 
tendeels , de laatste uitsluitend voor binnenlandsche consumptie. 
In het noorden van Bangli, vooral in de nabijheid van het 
meer Batoer, legt men zich algemeen op de uienteelt toe. De 
grond is daar voor die cultuur zeer geschikt en van daar uit 
wordt het grootste deel van Bali, zoowel van witte als roode 
uien voorzien. De opbrengst per bouw bedraagt 7 tot 14 pi- 
kols, naar mate der gesteldheid van den grond. 

Een vijftiental jaren geleden is de bevolking van Bangli be- 
gonnen koffie te planten. Het jterrein is in het bergachtige 
Bangli uitstekend voor die cultuur geschikt. De koflBecultuur 
IS echter bij de Balineezen nog steeds eenigzins impopulair en 
de winsten daarbij te behalen, welke voor den Boelèlènger zeer 
aanzienlijk zijn en hem over zijne godsdienstige vooroordeelen 
hebben doen heenstappen , zijn voor den koffieplanter in Bangli 
niet zoo groot, daar hij verplicht is zijne koflBe aan bepaalde per- 
sonen te verkoopen en dus niet zulke hooge prijzen bedingen kan. 
De Banglische koffie is van zeer goede kwaliteit. 

Veeteelt 

Runderen worden in vrij aanzienlijke hoeveelheid gefokt en 
uitgevoerd. 



Digitized by 



Google 



190 

De paarden zijn schaard en klein; er wordt bij lai^namet 
zooveel gebruik van gemaakt voor het transport van goederen 
als te Boelèlèng. 

Ook het aantal der markene in Bangli is gering. 

Nijverbeici. 

Gouden en zilveren voorwerpen worden hier zeer weinig ver- 
vaardigd, daar de bevolking te arm is om ze te koopen en 
het den kleinen man bovendien door de vorsten en rijksgroo- 
ten zeer kwal\jk genomen zou worden , indien hij zich met een 
gouden kris of ander kostbaar voorwerp in het openbaar durfde 
v^rtoonen. 

De 4 of 5 goudsmeden in Bangli zijn allen in dienst van 
de vorstjes. 

IJzerêmeden zgn menigvuldig: die van Taman-Bali zijn be- 
kend voor hun degelijk werk en munten vooral uit in het 
vervaardigen van landbouwgereedschappen en voorwerpen voor 
dagelijksoh gebruik. 

De wapens door hen vervaardigd zijn echter van mindere 
qualiteit dan de Boelèlèngsche. 

Ook de timmerlieden zijn zeer ervaren in hun werk , dat 
hoofdzakelijk bestaat in het vervaardigen van bale'^s. Het 
hout en de bamboe z\jn in de bosschen zeer overvloedig; van 
daar dat de huizen in Bangli niet, zooals de gewoonte is op 
Bali, van klei, doch veelal van bamboe vervaardigd zijn. Doe- 
lang^ (schotels met pooten , die als tafeltjes dienen en door de 
vrouwen op het hoofd gedragen plegen te worden), boior^ (hou- 
ten schalen voor vruchten etc.) en iemekooien worden in 
menigte vervaardigd en naar Boelèlèng uitgevoerd. 

De metselaars van Bangli staan als goed bekend; dikwijls 
gaan zij naar Boelèl^ig om werk te zoeken en blijven daar 
dan geruimen tijd. 

De tempels in dit rijk kwamen mij voor minder schoon te 
zijn dan die van Boelèlèng, hetwelk echter waarschijnlijk het 
gevolg is van de mindere welvaart der bevolking. 



Digitized by 



Google 



' 191 

Alle hAndwerkslièden K^n in Bwigli yrijgesteld Fan de ge- 
wone heerendiensten. 

Men beschonwe dit echter niet als eene beacherming der 
nijverheid door den vorst, want de boitengewone diensten, 
die deze lieden moeten prestoeren, e\in des te talrijker. 

Dikwijls toch worden zij opgeroepen naar het paleis, waar 
zij dan soms maanden lang aan het werk geaet worden tegen 
een gering of in het geheel geen loon. 

Alleen wordt voedsel en ook wel eens eene geringe hoeveel* 
heid opium aan hen verstrekt. 

Door de vrouwen wordt ia Baiigli zeer weinig geweven. 

Andere takken van nijverheid dan de bovenvermelde worden 
hier niet beoefend. 

Arensuiker en Happerolie worden in geringe hoeveelheid aan* 
gemaakt. Door de binnenlandsche ligging tan Bangli, is het 
noodig het z<mi van elders in te voeren. 

Handel. 

Goede communicatiemiddelen, veiligheid van goederen en 
zoo min mogelijk belemmering bij in- en uitvoer zijn drie 
zaken, welke voorzeker voor den handel van groot belang zijn. 

Het is daarom wdlicht niet ondienstig, alvorens de handels- 
artikelen te bespreken, na te gaan in hoe verre in Bangli aan 
deze drie vereischten voldaan wordt. 

a. Cammunicatiemiddele», 

Bangli is in het binnenland van Bali gelegen en nngsom 
door andere rijkjes ingesloten, aoodat het z\jne producten niet 
direct over zee vervoeren kan, doch ze allen over land moet 
brengen naar Boelèl^ of Karangasem. Dit geschiedt met pi- 
koelpaarden, veelal ook door de bewoners zelven. 

Zooals boven gezegd is, wordt aan de wegen niet gewerkt 
dan in de uiterste noodzakelijkheid. Zij loopen echter, behalve 
die van de hoofdplaats naar Klongkong, waar men op een tra- 
ject van ±2 8 mijlen 7 diepe ravijnen moet overtrekken , over 



Digitized by 



Google 



192 

een vrij gelijkmatig hoogland, zoodat zij in alle tijden yan het 
jaar begaanbaar zijn. 

i. Veiligheid van goederen. 

Deze laat minder te wenschen over dan men, de decentra- 
lisatie van het bestnur in aanmerking genomen, zon verwachten. 

Die/eUdlen komen slechts zelden voor, en men schroomt niet 
het vee des nachts in groote kndden bniten te laten grazen. 
Ik meen dit te moeten toeschrijven aan de gestrengheid, i^aar- 
mede het misdrijf van die&tal gestraft wordt. 

Indien de bestolene den dief achterliaalt, dan heeft hij bet 
recht hem onmiddelijk te dooden en wordt hij volstrekt niet 
gestraft, indien hij kan bewijzen dat de verslagene werkelijk 
bij hem gestolen heeft, waartoe het voldoende is, dat hij eenen 
eed aflegt. 

Indien de dief niet achterhaald, doch later ontdekt wordt, 
dan gebeurt het meermalen, dat de bestolene met hem eene 
schikking treft. 

Weigert de benadeelde partij echter dit te doen en wordt 
d^ zaak voor den vorst of den Eaad van Kerta's gebracht, dan 
wordt den dief, indien hij het misdrijf over dag gepleegd heeft, 
eene boete opgelegd van 24,500 kèpèngs (gelijk aan ƒ76,56), 
is het des nachts geschied, dan wordt de boete verdubbeld. (*) 

Yelen zijn niet in staat deze boeten te betalen en moeten 
dan eene verminkende straf ondergaau, terwijl zij bij herhaling 
van misdrijf gekrist worden, tenzij de vorst hun vergiffenis 
schenkt en hen bij het getal zijner slaven voegt. 

In het algemeen is dus de veiligheid van goederen vrij goed 
verzekerd, doch tegen de hebzucht der vorsten kan men zich 
moeielijk beveiligen, en personen die eenig fortuin hebben, zul- 
len zich in den regel wel wachteu daarvan iets te doen blijken. 
Nog onlangs is het gebeurd, dat een Chineesche pachter. 



(*) Deze boeten komen gebeel overeen met die, welke in Boelèlèng op het- 
zelfde misdr\jf gesteld zijn; de bewonen van het laatste r\jk zyn echter i^ker 
en het valt hun dus gemakkelijker ze te voldoen. 



Digitized by 



Google 



198 

die een g^eelte der pachtpenningen (waarvan de betalingster- 
mijn nog niet was verstreken) niet op de eerste sommatie be- 
taalde, zich al zijne bezittingen, welker waarde veel meer be- 
droeg dan het verschuldigde, zag ontnemen. 

e. In- en uitvoerreekten. 

Deze worden niet aUeen geheven aan de grenzen van het 
land, doch ook overal waar men nit het gebied van den eenen 
anak-agoeng in dat van den andere trekt. 2iOo bijv. moeten 
personen die goederen willen transporteeren van de hoofdplaats 
Bangli naar Boelèlèng, vijf malen belasting betalen. Deze rech- 
ten zijn echter niet hoog; gewoonlijk bedragen ze voor een 
beladen paard 25 kèpèngs, een man met schoudervracht 8 kè- 
pèngs, eene vrouw met hoofdvracht 4 kèpèngs. 

Soms gaan lieden uit Boelèlèng koffie opkoopen in Gianjar 
of Mengoei en brengen die dan door Bangli naar hunne woon- 
plaats. 

Yoor elk beladen paard wordt dan als doorvoerrecIU 200 
kèpèngs' betaald. 

De voordeelen, welke de vorsten van deze tollen trekken^ 
zijn natuurlijk zeer gering en staan niet in verhouding tot den 
last, die zij der bevolking veroorzaken. 

Een enkel voorbeeld zal voldoende zijn dit te bewijzen. 

In de dessa Dahoesa is zulk een tolkantoor gevestigd. De 
jaarlijksche uitkeering aan den vorst bedraagt 10 ik 12 gulden 
en daarvoor moet dag en nacht een heerendienstplichtige daar 
de wacht houden. 

Tijdens het leven van den in het vorige jaar overleden vorst 
was de groothandel geheel in handen van ééu Chinees, die op 
de hoofdplaats gevestigd was en tegen de betaling van eene 
zekere som aan den vorst het monopolie had van den verkoop 
van opium en het opkoopen van koffie en huiden van de bevolking. 

Toen deze vorst stierf en het rijk tusschen zijne zonen en 
andere bloedverwanten verdeeld werd , stelden de meesten hun- 
ner in hun eigen gebied een a&onderlijk persoon aan, die 
daar het tdtsluitend recht had in bovengemelde artikelen han- 



Digitized by 



Google 



194 

del ie drijven , zoodot er thans tien vtfschiUende pachten zijn. 
Deze verandering is echter niet in het bekng der vorsten ge- 
weest, daar de pachters nn elkftar zooveel mogelijk afbreuk 
doen en zij op elkAars gebied trachten te smokkelen , waarvan 
eene daling van den pachtschat het natuurlijk gevolg is ge- 
weest. 

Het voordeel, dat de vorsten te zamen van de verpachtin- 
gen trekken, bedraagt jaarlijks niet meer dan 4000 rijksdaal- 
ders. 

Bovendien roepen de vorsten, als zij om het een of ander 
verlegen zijn, steeds de hulp van de pachters in, welke ver- 
plichte leveranties nooit betaald worden. 

De pachter op de hoofdplaats rekent, dat hem dit ongeveer 
/ 100 in de maand kost. 

Yijfiien jaren geleden werd in Sangli zeer weinig cpium 
geschoven. De consumptie in een geheel jaar bedroeg in dien 
tijd niet meer dan 1 of 2 üêtem. Toen is echter een Chinees 
zich in dat rijk komen vestigen, die de bewoners in dié slechte 
gewoonte heeft aangemoedigd. Dit, gevoegd bij de langza- 
merhand eenigzins toegenomen welvaart der bevolking, die 
zich zaken van weelde niet durfde aanschaffen , deed na 8 il 9 
jaren het opiumverbnuk stijgen tot 18 tuten per jaar , terwijl 
tegenwoordig jaarlijks 80 iiêtm van dat heulsap in Bangli aan 
den man gebracht worden. De opium wordt gewoonlijk ge- 
schoven gemengd met fijngesneden sadangUaderen (^), die over 
Boelèlèng van Banjoewangie en Makassar ingevoerd worden. 

De opium wordt door de pachters ingekocht te Boelèlèng 
voor / 1500 è / 1550 de kist en in het klein gesleten tegen 
18 p^'s per bol, dat is ƒ 2340 de kist. 

Den prijs , dien de pachter aan de bevolking voor hare iojfie 
betaalt, kan hij willekeurig vaststellen, daar in zijn pachtge- 
bied de koffie alleen aan hem mag verkocht worden. 



(*) Dit noemt men »mhnadat mêiadang*^ ; hct rooken van onvennengde opium 
beet "njamdoey 



Digitized by 



Google 



195 

Er zijn echter twee redenen, die hem nopen een' behoor- 
lijken prijs aan de bevolking té betalen, en wel ten eerste, dat 
de koltnur van dat product niet verplicht is en indien hij 
slechts weinig betaalde de koffleplanters hunne tuinen zouden 
verwaarloosden, althans geene nieuwe zouden aanleggen; ten 
tweede dat, indien hij den prijs lager stelde dan zijne colle- 
ga's, de bevolking hare koffie zou binnensmokkelen in een 
ander pachtgebied, wat haar niet moeielijk zou vaUen. Hij 
regelt dus den prijs ,dien hij aan de bevolking uitbetaalt, naar 
dien, welken hij zelf in Boelèlèng kan bedingen. 

In het laatst van het vorige koffieseizoen, toen de pikol kof- 
fie te Boelèlèng met 20 ^ 21 rijksdaalders betaald werd, be- 
drog de prijs, die door de pachters aan de bevolking werd 
uitgekeerd, 12 ^ 13 rijksdaalders. 

Verleden jaar heeft de ttitvoer van koffie uit Bangli 2500 ^ 
3000 pücdê bedragen. 

Ten slotte brengen de Chineesche pachters jawlijks 2000 
sfuiê huiden te Boelèlèng aan de markt, waarvoor zij daar 
eenen prijs bedingen van / 2.50 per stuk , terwijl door hen 
in Bwigli / 1.80 & ƒ 1.90 betaald wordt. 

De winsten der pachters , na aftrek van transportkosten, be- 
zoldiging hunner ondergeschikten, enz. zijn niet buitensporig 
hoog. 

Nadat de pacht onder tien personen verdeeld is geworden , 
levert het exploiteeren daarvan voor elk hunner niet meer dan 
een behoorlijk bestaan op. 

De handel in andere dan de bovengemelde artikelen wordt 
vooniamelijk door de Balineezen zelven gedreven, en is, be- 
houdens de geringe te betalen in- en uitvoerrechten, geheel 
vrij en onbelast. 

Ri^H wordt uit het oostelijk gedeelte van Bangli naar Ka- 
raugasem uitgevoerd, echter in mindere hoeveelheid dan vroeger, 
daar de binuenlandsche consumptie grooter is geworden. 

Thaus bedraagt de uitvoer nog jaarlijks ruim 3000 jpikols. 

De bergbewoners in het noordwesten van Bangli, die zich 



Digitized by 



Google 



196 

veel met de koffie-cultuur bezighouden, koopen hunne rijst 
gedeeltelijk in Boelèlèng. 

Bjagoeng wordt jaarlijks tot eene hoeveelheid van 1200 ^ 
1500 pikols ook voornamelijk naar Karangasëm uitgevoerd. 

De uitvoer van uien , die voor f 20 de pikol in Boelèlèng 
verkocht worden , \b zeer aanzienlijk ; het is mij echter onmo- 
gelijk geweest met eenige juistheid te weten te komen hoeveel 
hij bedraagt. 

Jaarlijks worden door de bewoners van Bangli 500 ^ 600 
stuks runderen naar Boelèlèng gedreven en daar aan Arabiesche 
en Chineesche kooplieden verkocht , die ze over zee verder ver- 
voeren naar Batavia of Makassar. De prijs, dien zij op de 
Boelèlèngsche markt bedingen, is in de laatste tien jaren van 
/ 20 ÏL / 25 tot / 40 gestegen. 

De verkoopers dier runderen keeren gewoonlijk niet met het 
geld naar Bangli terug, doch zetten het om in lijjmaden^ 
gedeeltelijk voor eigen gebruik, gedeeltelijk om ze aan hunne 
landgenooten te slijten. 

Ook Boelèlèngsche handelaren begeven zich soms met ver- 
schülende artikelen, voornamelijk lijnwaden, naar Bangli, om 
die aan de vorsten en rijksgrooten en aan den kleinen man te 
verkoopen. 

Zij gaan liefet in den tijd van den koffieoogst , daar dan de 
bevolking en de vorstjes, aan welke laatsten in dezen tijd de 
pachtschat wordt uitbetaald , het best bij kas zijn, en de onder- 
vinding hun geleerd heeft, dat op crediet verkoopen in Bangli 
eene niet aan t« raden zaak is. 

Het bedrag van den jaarlijkschen invoer van lijnwaden wordt 
geschat op / 80.000 i, f 40.000. 

De overige artikelen, die ingevoerd worden , zijn : t;>«r, ^a«- 
bir en kapas van Boelèlèng, klapperolie en zont van Karang- 
asëm, sirikkalk van Koesamba in Klongkong. 

De voornaamste artikelen van in- en uitvoer , waarvan ik de 
waarde ten naasten bij kan schatten, zijn dus: 



Digitized by 



Google 



197 

Invoer : 
80 kisten opium k f 1525 per kist . : . . / 45.750 
lijnwaden // 36.000 



Totaal / 80.750 

Uitvoer : 

3000 pikols rijst, Jl / 6.— per pïkol . . . / 18.000 

1200 tf djagoeng, ïl / 5.— per pikol . // 6.000 

2750 // kofSe, ^ / 40.— per pikol . . // 110.000 

2000 stuks huiden, k f 2,50 per stuk. . . n 5.000 

600 runderen li / 40.— per stuk. . . . // 24.000 



Totaal. . . ./ 163.000 

Met het oog op deze cijters geloof ik, dat men den jaar- 
lijk^chen omzet in Bangli op circa ƒ 300.000 moet schatten. 

Ten slotte zij het mij vergund nog eenige algemeene op- 
merkingen hier bij te voegen. 

Dertig jaren geleden was, ssooals men mij mededeelde, de 
Banglische bevolking, en dien tengevolge ook haar vorst, de 
armste van Baü. 

Yelen in het land waren toen niet in staat sdch de eerste 
levensbehoeften aan te schafieu en leden honger. 

Er kwam eenige verademing toen, na de derde Balische 
expeditie in 1849, Boelèlèng tijdelijk onder Bangli's opper- 
heerschappij kwam; maar het was voornamelijk de vorst, die 
daarvan voordeel trok en wiens rijkdom, voor het verkrijgen 
waarvan vrij wat ongerechtigheden gepleegd zijn, van dien tijd 
dagteekent. 

De bevolking bleef in denzelfden kommerlijken toestand. 

Het is nog geen tien jaren geleden, dat slechts de vorst 
en eenige rijksgrooten zich de weelde konden veroorloven, 
alleen rijst te eten, want de bevolking moest een groot deel 
van haren rijstoogst buitenslands verkoopen, om zich eenige 
andere onontbeerlijke levensbehoeften te kunnen aanschaffen. 

Bijst vermengd met eene aanzienlijke hoeveelheid kètéla of 
djagoeng was toen het eenige volksvoedsel. 



Digitized by 



Google 



198 

De bevolking is toen echter begonnen zich toe te leggen 
op de koflBeteelt, welke cultuur zich, vooral op aansporing der 
in het rijk gevestigde Chineezen, langzamerhand heeft uitge- 
breid, zoodat thans de slechtste tijden voor de bevolking voor- 
bij zijn, de meesten zich goed kunnen voeden en behoorlijk 
kleeden, in één woord, dat tegenwoordig eene betrekkeUjke 
mate van welvaart onder hen heerscht, niettegenstaande dat, 
te gelijk met de koffieteelt, ook het opiumverbruik zich heeft 
uitgebreid. 

Bloeiend kan men den toestand van het rijk volstrekt nog 
niet noemen en het geld is er nog steeds zeer scliaarsch. Als 
bewijs hiervan diene, dat terwijl den heerendienstplichtige te 
Boelèlèng , wiens beurt het is wachtdienst te doen op de hoofd- 
plaats, doch niet opkomt, eene boete wordt opgelegd van 500 
kèpèngs, een Banglier in dat geval niet meer dan 66 kèpèngs 
verbeurt. En toch komt de laatste trouwer op dan de eerste! 

De welgesteldheid der Boelèlèngers is in Bangli zoozeer be- 
kend, dat, zooals de ondergeteekende bij ondervinding weet, 
zoodra zij zich in laatstgenoemd rijk in eenigzins aanzienlijk 
aantal vertoonen, de prijzen der artikelen, die op de markt te 
koop worden aangeboden, pnmiddelijk tot het dubbele en meer 
stijgen. 

Er bestaat mijns inziens weinig kans, dat onder het tegen- 
woordig bestuur Bangli in de naaste toekomst belangrijk in 
bloei toe zal nemen. 

De oorlog met Gianjar is oorzaak dat aan de grens voort- 
durende onrust heerscht, de hoofden zich daar bijna geheel 
onafhankelijk gedragen en dat de geheele bevolking onder 
zware heerendiensten gebukt gaat. 

Het is niet onwaarschijnlijk , dat weldra ook binnenlandsche 
onlusten zullen uitbreken. Uit vertrouwbare bron toch ver- 
nam ik , dat de hierboven reeds vermelde anak-agoeng Tjo- 
korda van plan is ontrouw te worden aan zijn' broeder, den 
oppervorst, en zijn' schoonbroeder , den dewa-agong van Klong- 
kong. 



Digitized by 



Google 



199 

Buiten hun weten heeft hij vredesonderhandelingen aange- 
knoopt met den vorst van Gianjar, hopende met diens hulp 
zijnen broeder te onttroonen en zelf het opperbestuur over ge- 
heel Bangli te verkrijgen. 

Wie in den strijd, die wellicht volgen zal, overwinnaar 
blijft, is voor de bevolking van weinig belang. De vorst is 
er niet voor het volk, doch het volk voor den vorst. Wat 
den tegenwoordigen titularis betreft , durf ik zelfs verzekeren , 
dat zijne vechthanen hem meer belang inboezemen dan zijne 
onderdanen. 

Verder is eene der ooraaken, welke den vooruitgang van 
bet land tegenhouden deze, dat in Bangli de tweede kaste, 
die der Satrija's, zeer sterk vertegenwoordigd is en dat de 
leden daarvan het wel beneden zich achten , met handenarbeid 
zich een eerlijk bestaan te verschaffen, maar 7iiet om door allerlei 
kleine afpersmgen ten koste der bevolking te leven. Dit be- 
neemt der bevolking den lust, om door verhoogde vlijt en 
inspanning wat meer te verdienen dan zij voor haar dagelijksch 
onderhoud noodig heeft, te meer daar de bepaling, dat de 
goederen van een' tot den dood veroordeelde aan den vorst 
vervallen, het in Bangli gevaarlijk maakt rijk te zijn. "Wat 
het laatste betreft vinde het volgende hier nog eene plaats. 
Op zekeren dag wandelde ik over den passer te Bangli, waar 
men, zooab gewoonlijk, bezig was met hanenvechten. 

Een Boelèlèngsch hoofd , dat mij vergezelde, wees mij onder 
de spelers een persoon aan , die als zeer rijk bekend stond en 
van wien men hem van verschillende zijden verzekerd had, dat 
hij het niet lang meer maken zou in deze wereld, daar een 
der broeders van den vorst een begeerig oog op zijne rijkdom- 
men geslagen had. 

Veel is er dus wat aan de verdere ontwikkeling van Bangli 
in den weg staat. De vereischten voor meerderen bloei zijn 
overigeiiB in dat rijk wel aanwezig; dd&, meer dan in eenig 
ander rijk van Bali, blijven tegenwoordig uitgestrekte bosch- 
gronden en alang-alang velden beschikbaar voor dengene, die 



Digitized by 



Google 



200 

het wil ondernemen ze te ontginnen, gronden, zooals geble- 
ken is, uitstekend geschikt voor de kofB^ekoltaor, en zoo ik mij 
niet vergis, ook voor de teelt van suikerriet. 

Dat ze onbenut blijven, is zeker gedeeltelijk toe te schrij- 
ven aan de schaarschheid der bevolking , doch niet geheel , 
want hoe het anders te verklaren, dat in de laatste jaren 
circa 2000 personen naar Boelèlèng verhuisd zijn, om daar 
werk te zoeken als dagloonersP 

Boelèlènff, 21 Maart 1876. 



Digitized by 



Google 



BIJZONDERHEDEN 

OVER DE 

SEKAHrBEVOLK.ING VAN BILLITON, 

DOOR 

CH. M. 6. A. M. ECOMA VEESTEGE. 



De afkomst der Setah-bevolking van Billiton is moeijelijk 
na te gaan, doch -beweert men dat zij afetamt van zekeren 
Djoehar, voorvechter of panglima van den Inlandschen vorst 
van Djohor (Malakka), die wegens een vergrijp tegen zijn vorst 
door dezen verbannen zijnde, met zijne stam- of üamiliele- 
den eerst de kusten van Linga, Siak, Eiouw,. Singapore en 
\falakka door zijne zeerooverijen onveilig maakte , en van 
daar verjaagd, zicht naar de wateren van Banka begaf, waar hij 
en zijn volk zich in kleine praauwen bleven, ophouden en zich 
emeiBrden met zeerooverijen of wel met visch-entripangvangst; 
bierdoor wordt een gedeelte van dezen volkstam aangetrofien 
in de tot het. eiland Banka behoorende Klabat-baai, onder 
het mijndistrikt Blinjoe , of te Koerouw onder het mijndistrikt 
Koba sorterende , alsmede op het eüand Lepar , terwijl het 
meerendeel zich gevestigd heeft in den Billiton-archipel. 

Deze laatsten zijn verdeeld in vijf stammen, Soehoe ge- 
naamd, n. L de Soefcoe Djoeroe,,Parak, Ketapang, Blantoeen 
Oeliem, en elke spekoe staat onder het direkt bestuur van 
het distriktshoofd, binnen wiens gebied zij zich ophouden. 

Elke soekoe wordt daj^renboyen .nog bestuurd door een hoofd, 
uit hnn^ midden gekozen, die thans Kapala^Besmr wordt ge- 
noemd, doch vroeger den titel voerde van Demafig^ en onder 
xirv. 9 



Digitized by 



Google 



202 

dezen Xapala besaar staan weder mindere hoofden, dUs batten of 
ketoea (ondsten des volks), zijnde eigentlijk familiehoofden; al 
deze hoofden matigen zich aandeelen aan van de verdiensten der 
onder hen staande bevolking, hetgeen voor deze laatste zeer be- 
zwarend is, en dit zal eerst ophouden, wanneer aan de ge- 
noemde hoofden bezoldiging wordt to^ekend. 

De Depatti van Billiton, de zoogenaamde Inlandsche vorst 
van het eiland (thans eervol ontslagen) , . wórdt echter als 
hun opperhoofd erkend, die hiervan dan ook gebruik maakte 
om in overeenstemming met de Sekahs en Djoewas de mmdere 
hoofden aan te wijzen; hij genoot als servituut dat zijne 
vaartuigen door hen werden bemand bij gel^enheid zijner 
reizen of kruistogten op de zeeroovers. 

Zooals hiervoren reeds is vermeld, geniet ^tt hunner hoofden 
eenig aandeel in de voordeelen van de tripang- of vischvangst, 
alsook van de verzamelde agar-agar (zeemos of wier) en andere 
zeeprodukten , hetwelk per huisgezin of haloean (vaartuig) op 
f 2, — per jaar geschat kan worden , en waarbij nog de aandee- 
len in de adat of bruidschat en andere voordeelen komen. 

Gemiddeld kan de tripangvangst alleen, wanneer dezelve voor- 
deelig is , aan een huisgezien f 2, — per dug opbrengen , doch 
deze vangst en het inzamelen van zeeprodukten heeft slechts 
plaats bij kalm weer in den oostmoesson , terwijl in den west- 
moesson, als deze bronnen ophouden, door de Sekah-bevol- 
king vaak gebrek wordt geleden, en hoewel de vrouwen zich 
onledig houden met den aanmaak van kadjangmatten, die ze 
per kodie of 20 ètuks tegen ƒ 2, — of meer van de hand zet- 
ten , toch verpandt of verkoopt de Sekah , gedurende den west- 
moesson, alles wat hij bezit en wat «i^^ tot zijn bedrijf behoort, 
doch lost of koopt alles weer in , als hij in verdienste komt. 

De mannen benutten den westmoesson voor het repareren of 
vervaardigen hunner praauwen, die slechts 2 jaren zeewaardig 
zijn en dan vernieuwd moeten worden. 

Hoewel deze vaartuigen slechts eene lengte van 24 voeten 
bij eene breedte van 5 voeten en eene hoogte van 3 voeten 



Digitized by 



Google 



203 

hebben, dienen ze tot woonverblijf van hen, hunne vrouw en 
kinderen, terwijl men er ook kippen, honden en katten aan- 
treft , en vaak ziet men , terwijl de man met het zeil van het 
vaartuig bezig is, dat de vrouw of een der kinderen het roer 
hanteert; zoo zwerven zij met die scherp gebouwde, zeer ranke, 
zeilvaardige vaartuigen tusschen de klippen en reven der eilan- 
dengroep van den Billiton- Archipel , alwaar het moeijelijk 
zoude zijn op hen jagt te maken, daar zij als het ware met 
elkén steen , koraal of rots , dan wel zandbank of ondiepte be- 
kend, niet te genaken zijn. 

Kt zoogenaamde zeevolk^ eenig in zijn soort, is verdeeld 
als volgt: s 

1^. De Soehoe Djoeroe^ die den Islam belijden, hebben zich 
reeds sedert 1870 aan land in geregelde kampongs geves- 
tigd als: eene kampong ter hoofdplaats Tandjong Pandan 
bevattende 438 ziel^ en eene kampong ter standplaatse 
Mangad bevattende 136 zielen, terwijl een klein deel er 
van zich nabij de Karimatta Eilanden (Wester Afdeeling 
van Borneo) met de vischvangst erneert. 
2^. De Sekahs die tot het heidendom behooren, bestaan uit: 

a. De Soekoe Parah (de voornaamste stam), sorterende 
onder het district Tandjong Pandan en bevattende 
151 praauwen met 550 zielen, waarvan een onder- 
deel onder het hoofd Ma Régab^ bestaande uit 16 
praauwen met 167 zielen, zich nabij het eiland 

Mendanauw , in hetzelfde distrikt , gevestigd heeft ; 

b. De Soekoe Oeliem^ eveneens sorterende onder boven- 
bedoelden stam en in hetzelfde distrikt, bestaande uit 
60 .praauwen met 295 zielen ; 

e. De Soekoe Ketapang^ sorterende onder het distrikt 
Sidjoek, tellende 77 praauwen met 329 zielen, waar- 
van een onderdeel onder het hoofd Poenay, groot 
54 praauwen met 212 zielen, zich in de rivier en 
het distrikt Boeding, als een afzonderlijke stam heeft 
gevestigd ; 



Digitized by 



Google 



d. De Soekoe BakouWy tellende 67 praauwen met 297 
^elen, die aich in de rivier en ter standfdaatse 'MamjQory 

- sorterende onder het disirikt.Iongang of Mangar heeft 
gevertigd ; 

e. De Soéhoe Siai/doe^ waarvan een . gedeelte , bestaande 
uit 94 praauwen met 399 oielen, zich in de 'baai 
of standplaats Dindang heeft, gevestigd, terwijl het 
overige gedeelte, tellende 74 praauwen met d^Ssdelen, 
zich ter standplaatse Ambalong Tan . het distmkt 
Blantoe ophoudt. 

Wanneer, een man of jongeling het voornemen heeft in het 
huwelijk te treden, dan zoekt hij zich onder zijne slanke- 
nooten eene vrouw of jonge dochter uit, — daarna wordt de 
huweljgksgift of adat bepaald, bestaande in het betalen van 9 
tot SO realen in geld (een reaal is gelijk aan f £, — ) naar 
gelang der gegoedheid van den man of van de ouders des jon- 
gelings, hetzij uit eene praauw, koperwerk (de tawa-tawa, 
een koperen bekken of muzijkinstrumeut , waarop door het 
slaan teekens worden g^even), rijstpotten, kleine üUas (ko- 
peren of metalen draaibaasen) , geweren, sabels, pieken en 
andere diergelijke voorwerpen; voor het geval de bruidschat i;» 
gdd bedongen is , wordt die eerst n^ het overlijden van de 
vrouw , of wel nè. echtscheiding (hetwelk zeer zelden voor- 
komt wegens hunne gehechtheid) , aan de ouders van de vrouw 
uitbetaald. 

Intusschen gaat de man of jongeling, nu eens bijgestaan door 
zijn vader of andere familieleden, dan weder alleen naar het 
bosch , velt eenige tjengal njato of rissak boomen , om uit den 
stam planken te splijten, waarbij hoogst zelden t^i^, doch inden 
regel slechts twee planken uit eenen boom worden verkr^n; 
12 tot 20 planken zijn voldoende voor het vervaardigen eener 
praauw, en na ze m«t een dissel te hebben bekapt, worden 
deze planken tusschen wiggen of boomstammen gesteld en door 
vuur krom gebogen; — heeft nu de plank den behoorlijken 
vorm verkregen, dan worden er met een bijtelboor gaten in 



Digitized by 



Google 



205 

gemaakt en; de. plankeii met houtene peimeii aaa den. kiel eu 
ook. onderiing. verbonden ;. daaima woixien:ze. met spijkets aam 
kniervormige inhtmten. verzd^erd, dooh dit gosehiedde-invreege- 
reiKi tgd met, eo: is eerst. later. in.. zwang, gekomen nadat. men 
op: Billiton . bi) Ghinesoho' handelaren . goedkoop spj^jkeis kon 



Bij de zasnensttiling deeer'\v)aarIijkpniBitle¥e^ doch zeer ^ee- 
^vnaairdige vaartuigen gefandkt' mendos slechts een: diissel , .een bïj- 
telboor. cd'. e^i' stnk hout Qf/eeo/vkiioest ak. hamer*, en toch 
Isten ze^, wat konstrnkfcie:'betrefi, weinig te .wienschenjovef', daar 
het zoowel roei^ ala zeüvaariuigm van zew geringe^^. diepgang. 
zijm^ waanaede d&- Sdufas- ongehbovder a&tandea. afleggen, zelfs- 
in stormaditig wéér: 

Nadat het vaartuig op die wijze in elkander gezet is, voorziet 
de* man hetzelve van eigen vervaardigde riemen van het zoo- 
genaamde plawan toedak of seloemar hoat, dat zeer lenig 
en buigzaam is, zet er een mast in van het zeer ekstische 
lawTÏfAïy hont enr verbindt dezen door een want vanjroètan aan 
bet vaartuig^ doch sJecdtts aan. eene. zijde en wdl; aan den kant 
van den: wind, zoodat de ntast, krom gebogen^ als. het ware helpt 
om hoet eventwigt tèbewaren;^ De.vrouwdaasentegeu vervaardigt 
hot) zal. van ' een» Pandanus • soort i, . bekendi onder: dennaan» vaa 
benkoeaiig: of laÏB>', waarvan.. de laag&i bladeren eeist in. do. zon 
en daama opihet vunri gedroogd en daa meèitot fijne* draden 
gesneden rottan aan elkaiider' worden gniaaid , . kusmende dit 
z«ü. slechts- déie maanden. wordMi bmut', om ia dien tijd wedtir 
deor em ander te: wwden ve^vang^k. 

Met' ditt vaartuig gaat de niaa. zeewaarts^ vergezeld vaa z^nê 
vnmw^ met welke hi) zonder den bijstandvaneenen priester:, jdock 
alleea door-^bek^iBdmaking aan. dethoofdai of t»idsten. gehuwd is. 

Skehis- voomen van. w»t rrjstr of cassaive en. ettt:pBar aarden 
potten: met drinkw&ter gevold >, . een < paar - kookgereedschappeiDr 
bestaande uit koperen of aarden potten, een paar steenen als 
ftnrnms' en een harpoen:, serampaaag genaamdi — gaat hij. zich 
met zgne. geliefkoosde tkipang- of vischvangst bezigheud^t. 



Digitized by 



Google 



206 

Gewapend met den harpoen op den voorsteven van zijn vaar- 
tuig staande, terwijl zijne vrouw het scheepje bestuurt, blikt 
hij met zijne scherpe oogen overal rond om een visch of 
tripang (holothurie) op eene diepte van drie vadem te har- 
poeneren en zeer zelden mist zijn worp. Is het water echter 
door den golfslag te troebel , dan neemt hij zijne loeioe , een 
netwerk van bamboe of hout vervaardigd , den vorm van een 
scherpen gelijkbeenigen driehoek hebbende, 1 voet lang bij eene 
breedte van 7 voeten, en waarvan de eene zijde, geopend en 
met ballast bezwaard, met twee rottans aan het vaartuig 
is vastgemaakt. Deze fuik sleept , hij al ' zeilende in diep 
water, over den zandigen bodem der zee, alles medenemende 
wat zich aldaar mogt voordoen, doch voornamelijk om de 
tripang magtig te worden. Na eenigen tijd gezeild te hebben, 
trekt hij de fuik op, ontlast dezelve van haren inhoud en 
werpt haar op nieuw uit, om op en neer zeilende dezelfde 
handeling te herhalen. 

De tripang ontdoet hij of zijne vrouw van hare ingewanden 
door ze te knijpen of te persen, en na ze eenigen tijd in 
zoutwater te hebben gekookt , verwijdert hij de buitenhuid door 
wrijven met koraalbloemen en daoen pepaija, om ze, na ge- 
droogd te zijn, aan de Chinesche handelaren te verkoopen; 
zooals bekend is worden de holothurien als eene lekkernij door 
de rijken in China gegeten, zoodat aldaar de énorme prijs van 
f 300, — en meer per picol kan worden bedongen , — de Sekah 
erlangt echter slechts f 1, — per kattie of f 100, — per picol. 

Voorts erneert de Sekah zich met de inzameling van agar 
agar (zeemos of wier), dat van de koraal of den bodem der zee 
geplukt wordt op eene diepte van hoogstens 3 vadem of wel 
bij eb op ongeveer 1 & */j vadem, — deze agar-agar wordt een- 
voudig in zeewater en later in zoetwater uitgewasschen en na 
in de zon te zijn gedroogd bij de Chinesche handelaren voor 
/ 5 i / 8. — per picol te koop gebragt. 

Eveneens houdt . de Sekah bevolking zich onledig met het 
vangen van de zeeschildpad , bekend onder den naam van 



Digitized by 



Google 



207- 

sis^ieij die hetzij op de eilanden gevangen, dan wel in zee 
geharpoeneerd wordt — de dikke schaal brengt ƒ5 i / 10 
per kattie op. 

Is de tripang-, visch- en schildpadvangst hem ongunstig, 
dan vindt de Sekah een middel van bestaan, door op de 
eilanden naar boomen te zoeken, waarvan de bast of wortel 
tot verwhout kan dienen t. w. kengie, bahouw, mengkoedoe 
enz. en óok door het kappen van balken voor timmerhout, 
door op vracht te varen of door koeliediensten te verrigten bij 
het laden en lossen van (ïouvernements steenkolen en tin van 
de Billiton Maatschappij , waarbij hij 50 centen dagloon erlangt 
en zeer goede diensten bewijst, vooral daar de Inlandsche be- 
volking, zeer lui zijnde, daartoe niet te bewegen is. Ook als 
opvarende op de kruisbooten, zou de Sekah goede diensten 
kunnen verrigten, maar daartoe wil hij niet overgaan, omdat 
hij zich niet voor zekeren tijd en een bepaalden arbeid binden, 
en hierin zijne 07iafha7ikdijkheid betoonen wil; dit is zeer te 
bejammeren, daar het een krachtig, werkzaam en opgewekt 
menschenras is, uitstekend geschikt om zoowel te land als 
ter zee den zwaarsten arbeid te verrichten. 

Greene zorg voor de toekomst of spaarzaamheid kennende, 
verteren zij snel wat zij verdienen en lijden hierdoor veeltijds 
gebrek — zonder echter mismoedig te worden. 

In het jaar 1851 mogt het aan de heeren Tuijl van Seroos- 
kerke en John Loudon, concessionarissen der Billiton onder- 
neming, bij hun eerste bezoek gelukken, hen door het af koopen 
van hunne versterkte vaartuigen en wapenen van den zeeroof 
af te brengen en een eerlijk middel* van bestaan te doen zoe- 
ken, zoodat zij van af dat tijdstip hun zeerooversbedrijf vaarwel 
hebben gezegd en voortaan leefden van verdiensten op eerlijker 
wijze verkregen. 

Terwijl de Sekahs eertijds in vijandschap leefden met de 
inheemsche bevolking van Billiton, door wie zij zeer gevreesd 
werden , is echter vooral in den laatsten tijd meerdere toenadering 
in het leven 'geroepen; ter verdere bevordering hiervan heeft 



Digitized by 



Google 



2Ö8 

men getracht hen over te halen zich aan land te vestigen, 
maar de eerste poging daartoe mislukte door het uitbreken 
van pemicieuse koortsen. Echter bestaat bij dié toenadering 
nog geen voorbeeld dat zij zich door huwelijk met elkander 
vermengen , alleen bij dè Djoeroebevolking heeft dit somtijds 
plaats, maar ook daar zeer zelden. Daarentegen leven zij zeer 
eensgezind onder elkander en zijn zeer aan elkander gehecht; 
vooral is die band sterk ■ tüsschen man en vrouw , waarvan 
hieronder een voorbeeld. 

Op zekeren nacht bevond zich op zee een Sekah-praauw, waar- 
in een man met zijne vrouw benevens twee kinderen verblijf 
hielden ; — het vaartuig lekte in hevigen graad, zoodat de 
vrouw, die het water uithoosde en het niet meester kbn wor- 
den, ten einde raad haren slapenden eclitgenoot tot bijstand 
wilde hebben ; toen ze hem te vergeefe trachtë te wekken, ging 
zij er eindelijk er toe over hem dooi* een schep water uit den 
slaap te doen ontwaken. De man nog slaapdronken zijnde, 
schopte in het donker naar zijne vrouw, die op de borst ge- 
trofien eensklaps daaraan stierf. Hoewel de begrafenis in stilte 
op een der eilandjes plaats greep , kreeg het bestuur toch hier- 
van berigt en werd bedoelde Sekah gearresteerd. Bij het ver- 
hoor erkende hij het bedoelde feit te hebben gepield en van 
af dat oogenblik besloot hij tot den hongerdood over te 
gaan; — op last van het bestuur werd op allerlei wijze door 
den cipier beproefd hem door het toedienen van zijne gelief- 
koosde spijzen tot eten te nopen , doch te vergeefe — hij zèide 
tot den cipier: //laat mij maar uithongeren en staak alle uwe 
pogingen om mij tot eten te brengen; ik wil bij .mijne vrouw 
terug, Wtint zonder haar kan ik niet leven." Waarlijk eene 
huwelijkstrouw zonder voorbeeld. 

Hunne gehechtheid aan elkander blijkt nog ten duidelijkste 
bij het begraven hunner lijken, daar allen die tot eene fami- 
lie behooren , in een en hetzelfde graf worden begraven. 

Zeer zelden worden de Sekahs met elkander handgemeen en 
meest worden de geschillen beslecht door hunne hoofden of 



Digitized by 



Google 



aö9- 

oadstëU', die* zeer m^ aanzieii bi^ lien staan ; hebben de vronwén 
met elkander twist, dan slatö zij onder eeol vreesselijk nüs- 
blEiar Gfp hiÉQne praamven en dH heeft de beteekenis akof die 
slagen hunne tegenpartij trc*en. 

Zoovel te laBfd ab te walèr zijn steeds ' eenigen bij elkaaf , 
en nimmér'zièt men^ een Sékah, hetzij man of vrouw, alléén 
ovei* den weg gAan, of eéne praauw op eigen gelegenheid varen, 
tenzij c^ beurtvracht , van^ de eene plaats naar de andere tfer 
overbrenging vato personen of handelsgoederen; doch ook dan 
traehten ze, zoo het kan, in vereeniging met een of meer 
vaaartuigen de réis te' doen; eensdeels' kan men dit op rekening 
brengen hunner gehechtheid aan elkander, doch voornamelijk 
gesrehiedt zulks omdat de Sèkahs , voor het grootste' gedeelte 
heidenen zijnde, nog aan spoken en geesten gelooven (antoe 
laut en antoe darat) en dus' zeer vreesachtig van aard zijn. 
Met dan vereenigd dur?en zij zich= naar' elders te begeven 
eft* 's avoïftb zijn zij in het geheel niet te bewegen over land 
ter gtón; is dit evenwel urgent nóodig, dan gaat eenegeheele 
bende, digt bij elkander gedrongen^ en spreken zij elkander 
moed in door een vreesselijk misbaar te maken'. Voor het 
overige is de Sekah zeer kinderachtig van aard, hetgeen blijkt 
uit hfüine volkspelen, want is het kalm weer, dan begeven zij 
zich naar een der eilandjes, alwaar zij hetzij bok-sta-vast spelen 
of touwtje springen; voor dit laatste bezigen zij het (fikste touw, 
waaman zij een flink stuk hout vastbinden, hetgeen gevaarlijk 
wordt voor het scheenbeen. Hun geliefkoosd spel is echter 
een zeilwedstrijd- mét hunne praauwen of wel met kleine 
schepen als barken , brikken, schoeners en kotters , die' op 
Earopeesche wijze getuigd en keurig nagebootst zijn'. Men 
staat soms verbaasd hoe zulk een volk, dat altijd berucht was 
wegen» zijne zeeroóverijen, zich zóó kinderachtig kan gedragen^ — 
niet het minst moet men zich verwonderen dat zij zoo vefzot 
kannen zijn op suiker^ want niet zelden ziet men een Sekah 
aan een stuk Javaansche suiker knabbelen, en heeft hij geen 
geld om het te koopen, dan bedelt hij er om tot hij het 



Digitized by 



Google 



210 

krijgt en is dan zoo tevreden als een kind , zelfs springt en 
huppelt hij alsdan van genoegen. 

Even zoo gehecht als zij zijn aan elkander, zijn ze het ook 
aan Billiton — zelden of ooit zullen zij de bergen van Billiton 
uit het gezicht verliezen, en wanneer zij in de laatste jaren 
hiervan zijn afgeweken door hunne togten naar Borneo. en de 
Lampongs, om zich aldaar met de tripangvangst bezig te 
houden, zoo zijn zij ook uitgelaten van vreugde zoodra zij de 
bergen van Billiton terugzien, hetwelk zij luide verkondigen 
door het slaan op de tawa-tawa, vergezeld van herhaalde en 
luid klinkende keelgeluiden, overeenkomende met ja ja ja 
a 

Dit eenige en zeldzame zeevolk heeft nog andere eigenaar- 
digheden, o. a. deze: wanneer een Sekah bezoek krijgt van 
een matiy dan begeeft hij (de eigenaar van de praauw) zich 
naar den voorsteven van het vaartuig en laat zijne vrouw den 
gast alléén gezelschap houden, terwijl hij zich amuseert met 
op een trom, bij hen genaamd gendang^ te slaan; dit spel 
draag den naam van lontjofig^ en het slaan op die trom wordt, 
vergezeld van een allertreurigst gezang, even als een lijkzang; 
hiermede gaat hij vaak den geheelen nacht tot het krieken 
van den dag voort, zonder zich voor een enkel oogenblik te 
verpoozen; inwéerwil dezer eigenaardige gewoonte komen toch 
zelden gevallen van overspel voor en dan nog meest onder 
personen van zeer jeugdigen leeftijd. Opvallend is voorts de 
liefde der ouders voor hunne kinderen; deze worden om beur- 
ten door de vaders en moeders gedragen, doch het meest 
draagt de man het kind, zel& terwijl hij aan het werk is. 
Wanneer de vaartuigen zich in de rivieren bewegen, dan is 
over de geheele lengte eene bedekking van kadjang gelegd, 
waaronder zich de man en de kinderen bevinden , terwijl de 
vrouw het vaartuig met een roeispaan of wel met een dun hout 
voortroeit of boomt; hierdoor heeft de Sekah vrouw dan ook 
eene wonderlijke, niet zeer sierlijke gestalte, daar het achter- 
deel van haar ligchaam op merkwaardige wijze uitsteekt. 



Digitized by 



Google 



211 

Doordien zij bijna voor het grootste deel nog heidenen zijn, 
hebben ze ook eene bijzondere eedsaflegging, bestaande nit 
het ledigen van een kopje met water gevnld, waarin een paar 
kogels en de punt van een kris of piek zijn gedompeld; dit 
water drinken zij op, terwijl zij zeggen dat zij door het water, 
den kogel of het staal zeulen omkomen, indien zij eene onwaar- 
heid hebben verklaard. 

Doordien het Bestuur krachtig is opgetreden, hebben ze 
thans ook eerbied voor hetzelve, doch moet men hen gestadig 
met een krachtige hand besturen , daar zij , niet in het oog 
gehouden wordende, er vaak toe overgaan kleine dieverijen te 
plegen — o. a. kunnen ze de vischfiiiken der inheemsche be- 
volking niet ongestoord voorbijgaan, maar trachten met den 
harpoen eenige visschen daaruit te ontvreemden, en evenzoo 
doen zij de kusten aan, waar men klapperpalmen of wel aard- 
vruchten heeft aangeplant, ten einde de vruchten er van te 
stelen. 

Deze zucht tot ontvreemding is vooral echter zeer moeijelijk 
te beteugelen bij het stranden van schepen en vaartuigen; zij 
beschouwen dit als hun aandeel, hetwelk hun door den antoe 
laut is toegedeeld, en bij dergelijke gevallen komt de ware 
aard van den Sekah voor den dag. 



Digitized by 



Google 



VERSLAG 



VAN HET VERHANDELDE TOT REGELING DER BETREKKINGEN 
TÜSSCEEN DE MaLEISCHE EN BoEGINESCHE NEDERZET- 
tingen aan de koetei-rivier onder. den vorigen 
Sultan van Koetei, — vertaald uit het oor- 
spronkelijke Maleisch. 



y\^Ni/S^>/>.«%/>ii/N/\/>/>^V^S^ 



Het navolgende gesekrift bevRt de oYia:eeiLkomsten getrofieu 
tusschen de Boeginezen, welke te Koet^ verblijf houden , en 
den Sultban bijgestaan^ door zijne, oudsten, tijdens voor de 
eerste maal 'slands belangen in overweging werden genomen, 
te IJjemejan. 

Eerête afdsding. 

Door .de Boeginezen is overeengekomen zich naar den Sul- 
than te begeven en daar te regelen den loop der zaken, die 
kunnen voorkomen tusschen de Boeginezen en den Sulthan. 

Wij geven kennis dat ons een ziekelijk gevoel drukt, daar 
ons vader, moeder en huisgezin ontbreken. Misschien draagt 
het de goedkeuring weg van den Sulthan iemand te erkennen 
en aan te wijzen, aan wien hij zijne bevelen en wenschenkan 
te kennen geven. 

Wij zelve zijn niet bij magte iemand anders aan te wijzen 
dan die den Sulthan welgevallig is. 

. Tweede af deeling. 

De Sulthan antwoordde: //het zij zoo, verwijdert ulieden 
en overlegt wat den gezamenlijken Boeginezen te doen staat."*' 



Digitized by 



Google 



ais 

Daarop verwijderden zich de Boegineaen en traden in overleg 
met de gezamenlijke oudsten en droegen het ambt van oudste 
aan den Djoeragan Toedjing op, wordende hij gesteld tot een 
oudste der Boeginezen , om waar te nemen al wat de Sulthan 
wenschelijk mocht achten te bepalen. 

Zoodra het overleg der oudsten beëindigd was, begaren zij 
zich naar den Sulthan om den Poeadoe voor te stellen. 

Aldus sprak de gezam^lijke menigte der Boeginezen tot 
den Sulthan: //dit is de anachoda Toedjing, die is gesteld 
tot een oudste, die magt herffc over de Boeginezen, en die 
voorts de bevelen van den Sulthan vernemen moge/' 

De Sulthan antwoordde: //het zij zoo." 

Daarna sprak de Sulthan tot den Poeadoe: /s^zullen uwe 
gangen dezelfde zijn als die van den Poeadoe te Kpetei IiamaP" 

De Poeadoe gaf ten antwoord aan den Sulthan: //dit smeek 
ik den almagtigen Gh)d, dat hij mij behoede voor gelijkenis 
met den Poeadoe te KoetdrLama en mij kwaad doe denken 
van den Sulthan. Inmiers wij eten in des Sulthan's land ^i 
wij drinken zijn water. 

Sulthan, dit is ons overleg met de gezamenlijke oudsten: 
onze beloften willen wij in juiste overeenstemming door daden 
doen opvolgen en voor den Sulthan opheffen alle " (ont- 
breken eenige woorden). 

Dit was de eed die gedaan werd door den Poeadoe der Boe- 
ginezen: //Wanneer ik tegen den Sulthan kwaad zin, sterven 
moge ik hetzij staande of zittende ; geen zegen kome over mij 
en mijne afstammelingen." 

Dit was de zin van het gesprokene door de Boeginezen, 
en de Sulthan antwoordde: //het zij zoo." Voorts sprak hij 
tot den Poeadoe: //ook ik zal trachten het welzijn der Boegi- 
nezen te bevorderen." 

Derde afdeeHng. 

De Sulthan sprak: //Luister Poeadoe, de landzaten van 
Koetei hebben de regterhand, de Boeginezen de linkerhand." 



Digitized by 



Google 



214 

De Poeadoe antwoordde: /^Wanneer dit de bevelen zijn van 
den Sulthan, zoo sta mij toe vooraf mij te verwijderen om 
alles te overleggen/' 

De Sulthan hernam: //het zij zoo." 

Thans verwijderde zich de Poeadoe om te overleggen en de 
woorden van den Sulthan te overwegen, en toen de geza- 
menlijke Boeginezen hunne beraadslaging geëindigd hadden, 
kwam hij weer op tot den Sulthan. 

De Poeadoe sprak tot den Sulthan: //ik zal den Sulthan 
opening van zaken doen, wanneer het mij veroorloofd is.'' 
En de Sulthan sprak: //Het zij zoo, spreek Poeadoe, wat ook 
de Poeadoe heeft mede te deelen, ik wil het hooren." 

Zoo dan sprak de Poeadoe tot den Sulthan: //welke ook 
de bevelen zijn van den Sulthan aan de Boeginezen, ik zal 
ze nakomen, wanneer die overeenstemmen met onze gebruiken 
van oudsher geëerd. JDaarentegen , hoe nietig ook de bevelen 
van den Sulthan zijn mogen, wanneer zij strijden met onze 
gebruiken, zoo kan ik ze niet aannemen. Dit is het antr 
woord op de bepalingen der regterhand, gegeven door alle oud- 
sten, mij daaronder begrepen." 

De Sulthan sprak daarop: //Wanneer gij mijne bevelen te 
eeniger tijd niet wilt opvolgen, dan is de Koetei-rivier geen 
gesloten plaats; er is gelegenheid voor menschen om in en 
uit te gaan." 

En de Boeginezen namen genoegen met den zin der woorden 
van den Sulthan. 



Vierde Afdeelmg. 

De Sulthan sprak verder tot den Poeadoe: //Wanneer die 
van Koetei een Boeginees dooden , dan zullen die van Koetei 
zoeken en vervolgen tot dat zij gevonden hebben, en wanneer 
een Boeginees iemand uit Koetei heeft gedood , dan zuUen de 
Boeginezen op gelijken voet zoeken." 



Bigitized by 



Google 



215 

Vijfde Afdeding. 

De Sxilthan sprak verder tot den Poeadoe: //Wanneer ie- 
mand uit Koetei een schuld wil aangaan bij een Boeginees, 
dan mag deze die geven. 

Wanneer nu de bepaalde tijd van vertrouwen verstreken is, 
zoo vordere hij betaling, wanneer de andere' bij machte is te 
betalen. 

Wanneer hij niet betaalt, is het evenwel verboden den 
schuldenaar aan te houden. 

Wanneer gij hem mogt vasthouden, worden de gebruiken 
van Koetei geschonden, en daarvan is de Sulthan de bescherm- 
heer. 

Wanneer het vermogen te betalen blijkbaar is, maar de niet 
betaling uit onwil voortspruit , zoo ga op tot den Sjah-Bandhar 
(havenmeester). De Bandhar zal dan betaling vorderen." 

Zesd^ Afdeeling. 

Nog sprak de Sulthan tot de Boeginezen: //Ik moet de 
gebruiken van de landzaten van Koetei ter kenuisse brengen 
van den Poeadoe, en zij moeten worden in acht genomen. ' Het 
is te eeqenmale verboden daarbuiten te gaan." Zoo besprak 
de Sulthan met den Poeadoe deze overeenkomst. 

Zevende Afdeeling, 

N(^ sprak de Sulthan tot den Poeadoe. //Het zal goed zijn 
dat de Poeadoe kennis drage van de grensscheiding van Koetei: 
naar Berouw is dit Batoe Pagar en van daar landwaarts alles. 

Voorts is de grensscheiding van Koetei met Pasir het stroom- 
gebied der Taleken, wat stroomopwaarts regts ligt is Koetei 
en wat links ligt is Pasir. 



Digitized by 



Google 



ai6 

Aeitrie Afdeding. 

Dit m^as het gebied van Sulthan Mohamed SaUdiii) die het 
eerst een oudste stelde in de kampong. 

Het allereerst werd tot Poeadoe aangesteld de Datoe P^g- 
goewa Djahoe. 

De tweede man was prins Djibba, genoemd Penna Wallah. 
Prins Djibba, havenmeester, stierf in zijne betrekking. 

De opvolger van prins Djibba was Penna Soelang. Deze 
werd opgevolgd door, enz 

Hierna worden nog Poeadoes vermeld. 

Tijdens het bestuur van den eersten was er een opstand te- 
gen den Sulthan en zijne oudsten. 

In een tusschentijdperk, tijdens het bestuur van den tweeden, 
was er een oorlog met Kotta Bangoen , waarvan geene bijzon- 
derheden, enz. 

In een zeer jong tijdperk, tijdens hetbestirtir vanden derden 
Poeadoe, was er een aanval' op Tongarong van vorst Djahries; 
Tongarong werd geslagen. 

Negende Afdêeling. 

Dit zijn de voorregten van den Sulthan tegenover de inge- 
zetenen van zijn rijk. 

Wanneer een man zal worden gedood en hij vlugt tot den 
Sulthan, dan zal hij blijven leven, dpch hij is het eigendom 
van den Sulthan. 

Wanneer een man in ketenen is gekluisterd en hij komt tot 
den Sulthan, zoo kan hij niet worden uitgeleverd; hij is van 
den Sulthan. 

Wanneer een nieuw huis wordt betrokken en er loopt een 
man weg, zoo kan hij niet worden teruggezonden; hij is van 
den Sulthan. 

Wanneer de Sulthan feest viert en een man komt tot het 
feest , hij kan niet teruggezonden worden ; hij is van den Sul- 



Digitized by 



Google 



217* 

than. Verdef wfenneer'de Sulthan zich tot God heeft gekeerd 
en een man komt tothera,hij kan niet teruggevorderd worden; 
die man is van den Sulthan. 

Verder wOnneer eeüe vrouW van den Sulthan hem eenldnd 
baart en er komt een man, zoo kan hij niet teruggezonden 
worden, want hij is van den Sulthan. 

Wanneer echter iemand komt bij andere gelegenheden dan 
de bovengenoemde, kan hrj worden teruggezonden. 

]Ö!aar het is een regel bij het halen van een man, aan dèn 
Sulthan te betalen 7 realen; de betaling is het teeken van 
teruggave. 

Wanneer een man vlugt tot een prins (pangeran), zoo zal 
hij kunnen ierngkeeren, tegen betaling van 7 realen. 

Wanneer een man vlugt tot een van 's vorsten kinderen met 
erkenden rang , zöo zal hij kuimen terugkeeren, tegen betaling 
van. 4 realen. 

VoöTtè waimeer eeö man vlugt tot' een' der edelen, zoo zal 
men betalen 3 rfealen en de man kan terugkeeren. 

En wanneer een man vlugt tot een der vrije burgers van 
Koetei, dan zal hij uitgeleverd worden tegen betaling van 2 
realen — zoovele vlugtelingen ^als daar zijn, voor elk van lien 
betaalt men 2 realen. 

Wanneer de ondergeschiki-en der Böeginezen ontvlugten naar 
Koetei, zoo zal dezelfde regeling worden in acht genomen; of 
wanneer de ondergeschikten der Böeginezen tot den Sulthan 
vlugten , zoovelen als daar zijn , per stuk betaalt men 7 realen 
aan den Sulthan. 

liendè Afdeding, 

Regeling van huwelijkszaken bij huwelijken tusschen die 
van Koetei met de Böeginezen, wanneer er eene huwelijksgift 
betaald is. 

Wanneer zij scheiden willen, dan zal de vrouw geholpen en 
gesteund worden, wanneer zij een vechter en een oneerbiedig 
man ontvlugt. 



Digitized by 



Google 



218 

Voorts zal de vrouw niets beteekenen in kwestie van scholden.. 

Vooral wanneer zij moeder wordt , zal zij goed en kwaad in 
het huishouden deelachtig zijn. 

Oorlogsdiensten der Boeginezen , die in het land van Koetei 
verblijf houden. 

Wanneer de Sulthan eene zaak onderhanden heeft, onver- 
schillig of die zich ernstig of lagchende laat aanzien, en de Sul- 
than geeft daarvan berigt aan den Poeadoe of de Boeginezen, 
zoo moeten deze tot hem komen, wanneer zij de grenzen van 
het rijk, in dit stuk aangegeven , niet behoeven te overschrijden. 

Wanneer de Sulthan de grenzen overgaat, waarheen dit ook 
zij, en de Sulthan geeft daarvan kennis aan de Boeginezen, 
zoo zullen de Boeginezen den Sulthan volgen moeten, zoowel 
bij zijn heen- als teruggaan. 

Wanneer geen berigt gezonden wordt, dan zullen de Boegi- 
nezen niet optrekken en niet volgen. 

Voorts wanneer de Sulthan gestorven is of wanneer een 
nieuwe aan het bestuur komt , zoo zullen de Boeginezen 8 rea- 
len opbrengen. 

Mfde Afdeeling. 

Bepalingen in zake van dieverij. 

Wanneer een dief betrapt is geworden, dan is zijn vonnis 
dat hij worde gedood. 

Een ieder is bevoegd tot de uitvoering van dat vonnis, ten 
zij de Sulthan hem doode naar de voorschriften der wet. 

Indien een kerel is weggeloopen en een verloren man werd 
(onbeheerd goed), zoo is hij het vindloon van wie hem oppakt; 
zoo niet dan is zijn vonnis te worden gedood, doch vooraf zal 
dan aan den Bandhar kennis moeten gegeven worden, onver- 
schillig wie in de zaak betrokken is. 

Wanneer weggeloopen volk tijdens de ontdekking in verzet 
wil komen , zoo zal men hen dooden , doch van alles moet aan 
den Bandhar kennis worden gegeven. 



Digitized by 



Google 



219 

Twaalfde Afdeeling. 

Over den inbond der bepalingen tusseben Boeginezen. 

Wanneer iemand aan de beraadslagingen te Samarinda deel 
neemt en bij is in verstandbouding met de vorsten boven te 
Tongarong, zoo zal bij geweerd worden nit de vergaderingen. 

De man, die in verstandbonding staat met die vorsten, is 
nnsdadig. 

Dertimde Afdeeling. 

Over den inbond, enz. 

Wanneer de Snltban in eene kampong bniten zijne residentie 
ovemaebt (met eene vronw is),- en een man komt tot bem 
vingten, zoo zal de Snltban znlk een slaaf doen terngkeeren 
naar zijn meester, zonder losgeld voor dezen man die hem 
volgen wilde. 

Wanneer bij nn eenmaal is teruggezonden aan zijn meester, 
dan zal bij binnen 3 dagen daarna in bet buis van zijn meester 
met slagen worden gestraft, en vlngt bij daarop ten tweeden 
male, dan zal de Snltban dien slaaf niet weder doen terng- 
keeren. 

Veertiende Afdeding, 

Over den inbond, enz. 

Indien de Boeginezen gezamenlijk omtrent zaken beraadsla- 
gen, zoo znllen zij zicb wacbten bnnne bevoegdheid te over- 
schrijden. 

Ook zal elk burger zicb in acht behooren te nemen voor 
aanmatiging. Hun die later orang toewa moeten worden , komt 
het toe een boog woord te voeren. 

Ook zal niemand luisteren naar praatjes , die zekerheid mis- 
sen, of praatjes , wier oorsprong op de markt is. 

Al wie praatjes gelooft, zal voor den inbond der praatjes, 
welke bij beeft voortgeplant, aansprakelijk zijn, in zoo verre 



Digitized by 



Google 



220 

zij de waarheid missen ; ook' zal men geeu crediet geven aan 
slaven van anderen. 

Al wie aan een slaaf waarde geeft zonder bet^ng; een reaal 
te bovengaande, zal daarop geen regt kuanen verkrijgen. 

VijfHende Afdeeling. 

Van den inbond , enz. : 

Er zal geen * dobbelspel morden aangevangen , buiten toe- 
stemming van den Sulthan. 

Met toestemming van den Sulthan zal het niet ongeoor- 
loofd zijn. 

Zesüsnde Afdèeling: 

Een gebruik te KoeteL 

Wanneer een vorstelijk persoon met zijne- volgelingen (militaire), 
te Samarinda komt en hij dan zijn verblijf aan den wal neemt, 
zoo behoort hij. te luisteren naar ógh Poaadoe. 

Wanneer hij. niet ontsche^t, zoa valt het onderhoud van 
betrekkingen den Bandhar toe. 

En wanner hij .onwillig is om te luisteren naar den Poeadoe. 
of den Bandhar, zoo moet hij verdreven worden. 

Welk vorstelijk persoon hij zij en hoe hoog in aanzien ook 
het land zijner afkomst sta, hij die tfr Koetei komt is klein 
en den gewonen man gelijk. 

Zoo wil het gebruik te Koetei, hetwelk dóór dên Sulthan 
aan de Boeginezen wordt medegedeeld. 

Wanneer iemand ntr naar* buiten gftat of binnenkomt (een 
vreemdeling op de rivier gezien wordt), zoo geeft daarvan ken- 
nis aan den Bandhar. 

Wanneer iemand in aanraking komt^ met dèn vreemdeling 
tijdens zijne opvaart, zoo zult gij hem niet helpen. Indien 
gij helpt, zoo zal de Sulthan met dén helper afrekenen (doo- 
den). 

Indien iemand een slaaf steelt van een andér^ zoo gtijpt 
den dief: 



Digitized by 



Google 



221 

Wanneer hij niet goedsbhiks vdgen wil en indien gij hem 
niet honden kunt, zoo doodt hem. 

Indien hij dood is, zal daaruit geen r^tazaak worden. 

Indien daarentegen :de bestolen eigenaar daarbij gedood wotdt, 
zoo zal zijn oudste in de kampong de zaak rusteloos vervolgen 
en zoeken tot dat de dader gevoxiden is. 

Wanneer dan de misdadiger zich verzet en zijne vervójgers 
erger vreezen, dan zal men hem als een gevaarlijke dooden. 

Hij is jdan gevallen, als of hij door een karbou ware aan- 
"gerand. 

Het regt heeft met de zaak niets te maken. 

Zeve?itie?ide Afdeeling. 

Een moordenaar eal met den dood gestraft worden, indien 
moordenaar en vermoorde van denzelfden rang zijn. 

Indien een vidje een slaaf nederlegt, zoo zal hij zulks nim- 
mer met den dood boeien. De verslagene moet aan zijn meester 
worden vergoed. 

Voorts wanneer huwenden feestvieren, moeten zij weten 
dat hun het vckigende is voorgeschreven: 

Indien zij zich bewegen voorbij het huis van den Sulthai^ 
op de rivier, dan zullen des bruidegoms Pajong, alsook zijne 
staande en opgerigte pieken — alles zal nedergaan. 

Het huis van den Sulthan voorbij zijnde, zal alles weder 
kannen worden opgerigt. 

Yoorts' wanneer een weggeloopen slaaf eigens op het water- 
gebied gevat wordt, zoo brengt hem aan zijn meester of geeft 
hem aan de oudsten. 

Wanneer 3 ^nachten om z\jn en de teruggave aan den orang 
iaewa heeft niet plaats gehad, zoo zal de vinder, wanneer de 
slaaf sterft t)f hcsn ontloopt, den eigenaar zijn slaaf moeten 
vergoeden. 

Indien een weggeloopen slaaf in zee gevat is, dan is 4 
realen het losgeld ; al waren er ook tien , voor elk van hen 
worden 4: realen betad^d, dit is het gebruik te Koetei. 



Digitized by 



Google 



222 

Indien iemand zijn slaaf dood slaat, zoo is hij voor den 
Sttlthan misdadig. 

Indien iemand den slaaf van een ander slaat, zonder dat 
hij schuld heeft, dan zal die slaaf het oordeel van den Sul- 
than inroepen. 

Indien de slaaf zijn verdiende loon ontving, zoo zal hij 
worden gegrepen en aan zijn heer overgeleverd. 

Voorts indien iemand eene schuld buiten het rijk heeft aan- 
gegaan en de schuldeischer komt met vordering tot betaling 
op zonder schriftelijk bewijs, dan zal zulks niet tot betaling 
verpligten. Zoo iemand betaling deed, zoo wordt het eene 
schuldvordering van den betaalder tot tijd en wijle van terug- 
betaling. 

Indien iemand kleederen leent en zij raken verloren, zoo 
zullen de kleeren vergoed moeten worden. 

Indien een dief zal worden gedood en men heeft hem inge- 
sloten, wanneer dan iemand in den kring treedt en hij wordt 
te gelijkertijd gedood, dan is het regt hem verslagen te reke- 
nen door een karbau. 

Wanneer die man gegrepen wordt, betaalt hij losgeld en 
»zal eerst dan losgelaten worden. 

Achttiende Afdeding, 

Dit verlangt de Sulthan van de oudsten, die gesteld zijn 
over burgerlijke zaken, en die, welke gezag hebben in zaken 
van godsdienst. 

Indien iemand in de kampong (wijk of buurt) iets schuldig 
is, dan zal de oudste in die kampong magt hebben tot rege- 
ling van zaken in de kampong. 

Indien de orang toea in de kampong niet weet, op welke 
wijze uitvoering van zijne regeling te krijgen, zoo zal hij de 
zaak voor de Poeadoe kunnen brengen, opdat deze zijn uit- 
spraak zal doen ten uitvoer l^gen. 

Indien het een zaak is dienende voor den Heer Priester. 



Digitized by 



Google 



223 

Wanneer tusschen de onderhoorigen van den Heer Priester 
een kwestie is gerezen, dan zal hij naar zijn goedvinden 
daarin beschikking nemen. Niemand zal hem znlks kunnen 
ontzeggen. 

Indien de Heer Priester niet in staat is zijne beslissing door 
zijne onderhoorigen te doen opvolgen, zoo kan hij de zaak 
brengen voor den Paeadoe^ en het is de Poeadoe^ die dan eene 
beschikking neemt, welke zal worden opgevolgd. 



Digitized by VjOOQIC 



EEN . MENANGKARBAUWSCHE HEILIÖE 

DOOR 

D. OEBTH VAN WIJK. 



Een paar paal teu westen van Boekit Tinggi of, zooals het 
meer bij de Europeeanen bekend is, Eort de Koek, de hoofd- 
plaats der Fadangsche Bovenlanden , ligt, omringd door vrucht- 
bare sawahs, het welvarende Kota Gedang. De inwoners dier 
negorij onderscheiden zich in vele opzichten van de andere 
bovenlanders ; beminnaars van den landbouw of anderen zwaren 
lichaamsarbeid zijn zij juist niet. Het verrichten der heere- 
diensten besteden zij uit en betalen het loon daarvoor uit de 
gemeentekas, die in de masdjid bewaard wordt. Hun rijst- 
velden laten ze in daghuur.hewerken ; alleen het planten der 
jolige padi geschiedt door de vrouwen, maar het ploegen en 
in orde brengen der sawahs, ja zel& grootendeels het snijden 
van het gewas, wordt verricht door in den omtrek gehuurde 
mannen. 

Of die afkeer van den landbouw uit minachting voor der- 
gelijken arbeid voortkomt en dus beschouwd kan worden als 
een overblijfeel van vroeger tijden , toen de bewerking van den 
grond geheel aan de slaven werd overgelaten , durf ik niet 
zeggen, maar zeker is het dat de Kota Gedangers zich veel 
liever bezig houden met handel drijven of op andere wijze den 
kost zoeken te verdienen. Gaarne trekken zij overal heen of 
zij trachten in de een of andere goevernements betrekking te 
komen en het is vooral uit hun negorij , dat de goud- en 
zilversmeden afkomstig zijn, wier cantille werk overal bekend 
is onder den naam van Padangsch werk. Volgens hun beweren 
wordt in hun negorij het minst geknoeid door de hoofden, 



Digitized by 



Google 



225 

omdat de ingozeteneu beter op de hoogte zijn eu dus minder 
gemakkelijk af te zetten dan elders. Over het algemeen zijn 
zij ijverige Mohammedanen, die zich houden aan de vijf gek- 
heden, de verplichte en vrijwillige vasten en andere voorschrif- 
ten van den Koran. 

Zooals overal, zoo zijn er ook in de Fadangsche Bovenlanden 
graven en andere plaatsen, die door de bevolking als heilig 
vereerd worden; maar Kota Qedang beroemt er zich op, dat 
het de meest bezochte bedevaartsplaats bezit van de Tiga 
Loehak, waarheen zich dagelijks uit alle deelen der Bovenlanden 
geloovigen begeven ter vervulling van een door hen gedane 
gelofte. Nu is het een uit een zware ziekte herstelde, dan 
e^ van een verre reis teruggekeerde, of iemand die gelukkig 
geslaagd is in een onderneming^ die naar den heiligen heuvel 
trekt om er te bidden of om er een geit of een karbauw te 
slachten. Deze heilige plaats, twee paal van het dorp aan de 
overzijde van de kleine rivier gel^n, die onder den naam 
van Batang Si Ano^ (*) door de Ngarai (*) langs Fort de Koek 
vloeit, is een kleine heuvel, Tampè^ Goegoek boel^^ (^) geheeten 
en gewijd aan de nagedachtenis van ToeankoeMalimKatji^ (^) 
die op wonderdadige wijze te Kota Gedang uit een nuu^ 
werd geboren. Wanneer de Toeankoe geleefd heeft, laat zich 
moeielijk bepalen; sommigen willen, dat dit ca. 100 jaar ge- 
leden is; anderen verzekeren, dat de nenek van hun nenek 
hem niet meer gekend of gezien hebben, zoodat zij meenen, 
dat er wel drie eenwen verloopen zijn, sedert de heilige man 
op aarde vertoefde. 

Onbekend is het, wanneer of waar hij gestorven is; hij is 



C) BovenlandBche uitspraak voor enab; ab en op veranderen in die uitspraak 
Injna altyd in oi, waarvan de slot i niet uitgesproken wo|dt, waarom ik ze in 
oavolging van den Maleier door hawusa tzansscribeer. Zoo wordt ai uitgespro- 
ken ei ifiS). 

O Door de Europeanen karbauwengat genoemd. 

O Tëmpat goegoek boelat, ronde graf heuvel. 

(^) Toeankoe is de titel van den imam ; door de regeering is hij gegeven aan de 
diatriktshoofden (Toeankoe Laras). Ka1ji5 a Kelgil. 
ixiv. 10 



Digitized by 



Google 



226 

plot^ling verdwenen 9 zoodat ofschoon tëmpat orang kiramat (^) 
het grafyi2Jï een heilige beteekent , de tëmpat go^oek boelat toch 
niet beschouwd kan worden als de grafhenvel van den Toeankoe. 

Behalve zijn wonderdadige geboorte schijnen vooral de twee 
volgende gebeurtenissen uit zijn leven van algemeene bekend- 
heid te zijn; want schoon ik bij navraag geen andere bijzon- 
derheden mocht vernemen, wist ieder, dien ik er naar vroeg, 
mij deze te vertellen. 

Eens dan was hij aan het bidden enbleef bij die godsdienst- 
verrichting een zoo geruimen tijd bewusteloos liggen, dat een 
ander het gebed voor hem voortzette. Toen nu dit geëindigd 
was , kwam de Toeankoe weer bij en verhaalde , dat hij op zee 
was geweest en de opvarenden van een prauw had gered, die 
op het punt waren van te vergaan. De mouw van zijn baadje 
en zijn bidkleed waren nat, en het water, dat er afdroop, was 
zout als zeewater. Eenige weken later kwamen de geredden 
hem bezoeken en geschenken brengen, tot groote verbazing der 
KotaGedangers , van welke de ongeloovigsten nu wel moesten 
bekennen, dat het wonder werkelijk had plaats gehad en de 
Toeankoe inderdaad een heilige was. 

Geruimen tijd later stierf zijn moeder, terwijl hij op reis 
was naar Mekkah om een heilige agoeng te halen; deze reis 
deed hij op een matje zittende. Binnen acht dagen, had hij 
beloofd, zou hij terug zijn en daarom bij zijn vertrek aan zijn 
bloedverwanten bevolen, als zijn moeder gedurende zijn afwe- 
zigheid mocht overlijden, haar met kamfer te bestrijken en 
niet voor zijn terugkomst te b^raven. Op den bepaalden dag 
keerde hij weer en het eerste wat hij vernam, was dat zijn 
moeder gestorven en in den goegoek boelat b^raven was. 
Vertoornd dat men zijn bevel niet had gehoorzaamd, blijk- 
baar uit ongeloof aan zijn wondermacht , slingerde hij de mee- 
gebrachte agoeng weg. Niemand zag haar; alleen hoorde men 
hoe zij door de lucht suisde; op een paal afstand kwam zij 



{*) Bovenlandsche mtspraak voor karamai. 



Digitized by 



Google 



227 

terecht in een sawah, waar nog het spoor van haar val getoond 
en die nog steeds de sawah gole^ (^) agoeng heet. Hij zelf 
verdween en werd nooit weer gezien. De agoeng wordt nog 
bewaard in de Soekoe si Koembang en er wordt o. a. van be- 
weerd, dat wanneer in haar nabijheid een andere agoeng wordt 
gebracht, deze slechts een dof gelnid doet hporen, al klinkt 
zij elders nog zoo zuiver en helder. En dit is een van de 
zekerste bewijzen, dat zij werkelijk een heilige reliqnie is. 

Hieronder volgt, wat ik oit den mond van een inlander 
omtrent Toeankoe Malim Ketjil heb opgevangen; ik heb op- 
zettelijk niet de bovenlandsche uitspraak weergegeven en slechts 
hier en daar gemeend er een ophelderende aanteekening bij te 
moeten vo^n. 



Bermoela adalah pada soeatoe masa, jang sakarang telah 
kira-kira 300 tahoen laloe , saorang anak gadis, soekoe si Koem- 
bang ('), negeri Kota Gedang; maka pada soeatoe hari anak 
itoe pergi ka Pehambatan O akan mentjahari mansiang. Maka 
haripon terlampau panas sahingga anak itoepon terlaloe haoes 
dan ajerpon tiada akan diminoem. Maka anak gadis itoe 



O Golè of golat = goelmg; volledig tama/k jam§ di ffoièsi agoemg^ waarheen 
de agoeng gerold is. 

O De Soekoe si Koembang is een van de vier oorspronkelijke aoekoee, waarin 
de Ifaleiers verdeeld waren; deze vier heeten Kota, PUiang, TJenii^ en si 
Koembang, die later weer in een aantal onderdeelen gesplitst z\|n, welke ook 
soekoe genoemd werden; zoo is b. v. Soekoe Goetji een onderdeel van Soekoe 
PUiang, Pisang van TJebiaga enz. 

{*) £en kleine kampoeng op eenige palen afstands van Kota Gedang gelegen. 
Omtrent den oorsprong en de beteekenis van dien naam wordt verteld, dat in 
vroeger t^den, voor onder ons betnor de tegenwoordige wegen aangelegd waren, 
de reis naar Padang, Priaman enz. langs die plaats gedaan werd. De vrouwen 
en andere bloedverwanten deden de vertrekkenden uitgeleide tot aan die plaats en 
hier werden z^ opgewacht door benedenlanders {orang rantau), die hen verder 
naar de plaats hunner bestemming vergezelden. Zoo ook werden zg bij hun te- 
rogkomst door hun bloedverwanten daar opgewacht en opgehouden {(UhambeU) om 
te eten en te drinken, alvorens de reis huiswaarts voort te zetten. 



Digitized by 



Google 



228 

meutjahari ajep kakiri kanan, miaka bersooolah ia d^ngan ajer 
jang iergenaug (^) pada daoeu kekdi., maka dimmosnmjalah 
aJQF itoe sahingga lepas dehaganj^. Satelah itoe jnaki^ ditjar 
harinjalah maasiang dau satelah tj)>6koep ia berolali manaiang 
itoe, maka kombalüah ia ka Kota Gedaagd 

Deugan hal jang demikien itoe Allah taala roelakoekmi koe- 
asanja, maka aiiak itoepon hamillah dan satelah beberapa 
lamanjft, maka tahoelah orang dalaza negen, bahoea anak itoe 
telah haioil. Maka dihadoe oranglah moea&kat pada soeatoe 
penuedanan jang dinaioai Gofaah (^), ja itoe bendak m^ja* 
rang (^) anak jang hamil itoe deugan tiada bersoeazai. Dalam 
pada orang moea&kat itoe, maka haripon hoedjan dengan 
lebatnja serta goeroeh petoes, maka sebab itoe diperdjandjh 
ken oranglah kata itoe, beresoek paginja. Satelah kaesoekan 
harinja, maka orangpon berkoempoel pada permedanan jang 



(') Ajer tegenaag of tergenang = tger genang, stilstaand water, hier dos water 
dat in de bladeren van een keladiplant was verzameld gebleven. Genang wordt 
gebruikt van het onder water zetten der 8awab«: wnh digenangi ajer of iger 
digenangken kaaawah. 

(') De negen is verdeeld in 3 ^joerai: djoerai hilir of ekoer kota, djoera ten- 
gah of tengah kota, djoerai moedik of kapala kota. Ieder van dece had haar 
masdjid, waar om beurten de vrijdagsche godsdienstoefening werd gdionde»; in 
vdfi negorgen ie thans sleehts een masdjid. Ook wm in iedere 4jo6nu een ver- 
gaderplaats (permedanan), die ^'irat, gobah en balai gedang heette en waar- 
naar de afdeelingea ook djoerai djirat, djoerai gobah en ^oerai balai gedang 
genoemd werden. In Tani^ Datar hebben de djoerai den naam van Kamt 

(*£/)• 

(') Wanneer een ongetrouwde vrouw zwanger was, dan verzamelden alle man- 
nen uit de negen zich en ieder wierp om haar ie vernederen met een steon of 
een stuk hout op haar woning (met^arang); zy werd dan naar den radja ge- 
bracht, wiens lyfeigene of sUvin z^ weid. Z\j en haar kind waren orang Jkan- 
(lam en ook de afstammelingen bleven slaven. Wanneer iemand zich als vader 
van de vrucht bekend, maakte , dan kon, als er g^en redenen waren die dit ver- 
hinderden, door een huweiyk en het betalen eener boete van 1 thail 1 pau 
( ƒ 20) aan den penghoeloe, de slraf voorkomen worden. Hetzelfde gold oek voor 
een weduwe. Een overspelige vrouw werd altijd orang Aandam. Vrg cnnriN ~ 

iemand verafschuwan; xm'hisnrf»fn\ = maken, dat iemand vera&ehuwd wordf. 



Digitized by 



Google 



n9 

bemama Balai Gedang Koetika orang akan memoèflai ptoeafti- 
kat , maka hoedjan kbat riboet rajapon toeroenkh serta deogan 
gt)eroeh petoes. Maka éi perdjandjiken poela kata itoe, ber- 
esixk pagii^'a dan satelah kaesoekan hatinja, maka oi'angpon 
kombali poda katempat tèoe, maka moea&kat poelalah omng. 
Satelah salesai dari pada moea&kalt ïtoe, lidaka berdjalai^h 
orang pergi menjarang itoe dan tlada berapa djaoeh dari padü 
teoipat itoe, maka datanglah beberapa lebah, penjangat, sa* 
fimbada (^) dan lainJain binatang menggigiti dan memantak 
onmg itoe dan koetika itoe djoega hoodjan kbat serta goeffoeh 
petoes dan riboet keras pon toeroenlah , sahingga sakalian orang 
itoe berlarian kombali poelang kafoemahnja masing^masing. 

Hatta pada petang Hoe djoega adalah saorang bennimpi' 
lasanja datang saorang orang toea berdjanggóet pandjang dan 
poetih; berkatalah orang itoe: /rbahoea djanganlah djadi me- 
njanmg itoe, karana anak jang di dalam tian itoe jaitoe $mk 
indardjati (^, dan Allah taala pon memeliharaken akan dia dan 
apabQa kamoe kerasken djoega hemdak menjwrang hoe, soedah 
tentoe Toehan jang Maha koeasa mendaümgkein bala (^) Jang 
amat besar lagi dari pada jang telah djadi ini/' 

Satdah hari aiang , maka berkatalah orang j»tg bermifispi 
itoe kapada sagala orang daiam negeri, saperti jaag dtaum- 
pinja malam itoe; maka oleh sabab itoe bet^ientilah hal itoe. 
Hatta satelah beberapa lamanja , maka sampailah oekoer djang^ 
kanja jaitoe harinja (^), maka lahirlah anak itoe, jaitoe anak 
Ud-laki. Serta anak itoe iiba di lantai, lantai patah; tiba 
di rasoek (^, rasoek koedoeng; tiba di dendi (*), aendibelah, 
dan tiba di tanah, tanahpon lembang (^. Maka itoepon di 



C) Boode 

O InSar^ati; indar, ook andar , =: sendiri ; djati (skr == nativitas), geboorte;, 
dos fféèorm, tonder dat de moeder door een man beztfm^erd tt . 
O IMa {kalk) ^ nap, oogslnk. 
(^ Toeo de Ymcht voldragea was. 
O Ot tloerlwlkm. 

n ^^ neatea , waarop de palen Tan £en Maleisch kuis nuten. 
O Ingedeukt, iaeednkt. 



Digitized by 



Google 



230 

djapoet oranglah akan anak itoe serta di bawak orang karoe- 
mah, maka di tjoetji dan di beisihken onmglah akan dia- 
Kalakian satelah beberapa tahoen antaranja maka anak itoepon 
besarlah serta di serahkenlah oleh mandénja (^) mengadji* 
maka s^ira djoega elmoepon banjaklah di perolehnja , sahin^ga 
ia mendjadi oelama besar dan di gelarken orang akan dia 
Toeankoe Malim Ketjil serta di djadikennja akan dia imam. 

Sjahadan pada soeaioe hari djoemaat Toeankoe Malim Ke- 
tjil mendjadi imam, sedang soedjoed maka Toeankoe itoepon 
tiada bangoen dan sabab telah terlampan dari pada djangkanja 
beloem djo^ ia bangkit dari pada soedjoed itoe, maka di 
gantiken oranglah akan dia dan satelah salesai dari pada sem- 
bahjang itoe, maka ia pon terbangoen. Maka bertanjalah 
orang kapadanja: >/apakah sebabnja Toeankoe demikien itoe""? 
Maka djawabnja: //bahoea saja melihat saboeah prahoe akan 
karam di laoet dan sagala orang, jang di dalamnja, berpeki- 
ken {^; maka saja tolonglah orang itoe dan prahoenja jang 
robob (') itoe telah saja soembati; itoelah sababnja dan saka- 
rang dengan insja Allah taala adalah salamat sadja kapal itoe 
berlajar/' Maka sakalian orang itoepon amat heran sakali 
menengar perkataan jang demikien, tambahan di lihatnjaakan 
langan badjoe dan kain sembahjang Toeankoe itoepon basah 
dan ajer jang bertitik pada langan badjoe itoepon di tjoba 
orang minoem, betoel masin saperti ajer laoet rasanja. 

Hatta kira-kira tengah doea boelan lamanja kamoedian dari 
pada itoe, maka orang jang katolongan itoepon datanglah 
serta berhadiat kapada Toeankoe itoe. Maka orang negen 
pon bertanja kapada orang jang datang itoe: fó&n manakah 
toean-toean datang dan apa sababnja, maka toean bersedekah 
sabanjak itoe?'" Maka sahoet marika itoe: /s'kami ini datang 



(^) Mande, moeder, wanneer men va» haar spreekt; OHtUd, als men td haar 
spreekt. 

(*) Schreeuwen; pekik seni, zooals een kind, dat na een val b. y. in het eerst 
bijna geen geluid voortbrengt. 

O Waar een gat in is, doorboord, vermolmd; hier dos iet. 



Digitized by 



Google 



231 

dari djaoeh; kira-kira tengah doea boelan laloe kami berlajar, 
sedang di tengah laoetan maka bidoek kamipon boeboes (^); 
kalan tidak Toeankoe ini jang menolong kami, soodah tentoe 
kami karam waktoe itoe; itoelah sababnja, maka kami ini 
datang kamari.'" Maka karana hal jang demikien makinlah 
bertambah-tambah pertjaja sakalian orang dalam negeri serta 
termakan di (^) hatinja, bahoea sasoenggoehnja Toeankoe itoe 
anak indardjati dan kiramat. 

Sjahadan satelah beberapa lamanja kamoedian dari pada itoe, 
maka Toeankoe itoepon di kawinken oranglah dengan saorang 
perampoean jang bersoesoe hampa dan toenggal (^) dalam soe- 
koe Piüang di Kota Gedang djoega. Maka lama kalamaaan 
boenda Toeankoe itoepon sakitlah; agak-agak batian telah ta- 
hoe bahasa boenda balian akan mati, maka bepertarohlah ba- 
lian kapada sanak saoedara dalam roemah itoe katanja: //Hai, 
sakalian sanak saoedara saja, adapon sakarang saja hendak 
pergi ka Mekkah mendjapoet agoeng, tjètjèk momongan dan 
rodjeli (^) ; maka djikalan boenda saja kadatangan adjal^ loellah, 
djanganlah toean-toean koeboerken sabeloemnja saja kombali, 
karana boenda saja akan saja koeboerken di goegoek boelat/' 
Maka djawab marika itoe //baiklah'^ dan lagi pesan balian 
/rinilah saja tinggalken kapoer, bila telah mati, loemar (^) 
boenda saja dengan kapoer ini, sopaja djangan boesoek mait- 
nja."" Satelah itoe maka Toeankoe itoepon memanggil saorang 
moeridnja, jang bemama si Tjoebadak (^) serta menjoeroeh 



O Doorboord, lei. 

O Di of dèk (dè^), zooals het op andere plaatsen wordt oitgeeproken , == oleh. 

O Fig. uitdrukking voor hennafirodiet; letterlek met één borst en dan nog 
wel een leege, d. L gelfjk de borst Tan een man; integenstelling van de borst 
eener vrouw, ioesoe honek (benat), vol. 

O Ti^ti^^» bekkens, die tegen elkander geslagen worden; momongang rodjeb, 
bode een soort van agoeng, maar kleiner. 

O HetzeUde wat by Pijnappel als loemas, bfj Klinkert als loemoer wordt op- 
gegeven; de kapoer is kapoer Baroes. 

(*) Deze naam wordt gegeven aan dwergen, die geset zyn; een mager klein 
menseh heet aran^ iatUA, De Tjoebadak is de Nangka. 



Digitized by 



Google 



232 

mengambil sahelai lapik pandak (^). Maka toeroenlah kadoea 
marika itoe katapakan djandjang, laloe berdjalan ka Friaman; 
maka sampai di sitoe Toeankoe itoepon doedoeklah pada lapik 
iioe serta mengadap kiblat dan si Tjoebadak itoe balian soe- 
roeh doedoek di belakang. Maka balian pon memintak doa 
kapada Allah Soebbana wataala. Satelab itoe maka kadoea 
orang itoepon lenjaplah dan pada hari itoe djoega boenda ba- 
lian pon matilah. Satelah tiga bari antaranja maka di koe- 
boerken orang mait itoe, karana pada sangkanja tidak moen- 
kin (^) Malim Ketjil akan kombali dalam toedjoeh hari itoe, 
karana Mekkah jang di toeroetnja.terlampan djaoeh sakali. 

Sjahadan satelah sampai toedjoeh hari, maka Toeankoe itoe- 
pon kombalilah dari Mekkah serta membawak saharawan (') 
agoeng dan tjètjèk, rodjeh dan momongan, akan tetapi sa- 
beloenmja ia sampai karoemah, maka kalihatan olehnja tanah 
di goegoek boelat tersirah (^) bekas orang mengaH (^)koeboer 
roepania. Maka pergilah ia katempat itoe; serta sampai, maka 
bertemoelah ia dengan saorang-orang jang bekerdja pada tem- 
pat itoe. Maka bertanjalah balian kapada orang itoe: ^hei, 
apakah jang di koeboerken orang disitoeP'^ Maka sahoeüah 
orang itoe: //adapon jang di koeboerken orang disitoe, jaitoe 
mande Toeankoe/' Sjahadan balian pon amat amarah, maka 
di poekoelnjalah agoeng di tempat itoe, kamoedian maka di 
bantingkennja saharawan agoeng kasawah jang sampai kini di 
namai orang sawah gole^ agoeng, kira-kira satoe paldjaoehnja 
dari pada tempat itoe, serta berkata: //hai, orang si Koem- 
bang, itoelah agoeng oentoek kalian'\ dan lagi katanja: ffhsl^ 
orang Piliang, djapoetlah bahagian kalian katempat ini/' Sa- 
telah itoe maka balian pon lenjaplah, sampai sakarang tiada 



(') Een zitmatj€, zoo gvoot «]• die b. ▼. op een «toel. 
(*) Moenkin, kunnen. 
(') Een stel. 

O Omgewoeld, zoodat er geen gras of andere planten groeien en de grond 
dns roodaehtig is. 
(*) Mengali van kali, wat kier gelQk ^«K is. 



Digitized by 



Google 



233 

kombali dan sagala kata dan boenji agoeng itoe kadengaran 
ka Kota Gedang sahadja. 

Adapon tjètjèk, bahagian orang Filiaug itoe, sakarang tiada 
lagi, telah terbakar dengan roemali (*), hanja agoeng orang si 
Koembang ada djoega , tetapi retak , sadikit oleh karana di 
bantingken dahoeloe. Bahoea kabesarannja agoeng itoe, apa- 
bila negen kadatangan bala, maka agoeng itoepon berboeni 
seudirinja dan djoega apabila agoeng itoe kaloengkahan (^), 
maka ia mengiparat (^) kapada orang jang meloengkahi itoe 
dan djoega apabila agoeng di persamaken boenjinja dengan 
agoeng jang lain, maka agoeng Toeankoe itoe terlampau elok 
sakali boenjinja. Demikienlah adanja. 



(') Na den brand warea de overblijfseleii van die tjetjek niet te vinden , zoodat 
men gelooft, dat zij verdwenen is {mengirap), misschien naar Mekkah. 

(*) Loengkah = langkah. 

O Kiparat hetzelfde als toelah, een ongelnk (tot straf); ook een boete, straf, 
b. V. een geit, te betalen door al wie in strijd met een gemaakte aüspraak, op 
een bepaalden tijd niet in de masdjid aanwezig is; de geit wordt door de ver- 
gaderden opgegeten. 



Digitized by 



Google 



UITRUSTING VAN EEN DAJAK 

TER WESTER-AFDEELING VAN BORNEO 

DIE UIT SNELLEN GAAT; 

. BESCHRIJVING VAN 

WAN MASJEIIOEIt, IIJAKSA TE SIMA^G, 

vertaald door 

O. KLATER/. 



'i>d^ ^^ ^)^^ ^.^r J^ 

*^jU^ J^i ^U bJ ^^th^ 
ct.'j s:>j' ^^^ £|;li «^i->t- 

^];ü ^i) J^^ J^ c;'^ 

^U ^;b "^ IJj^ bl 
v,::^^^ ül^jj «j^jli'^l ^;b rli^ 
^^1.1 CL>L* ) j) cKli ci^jl ^U^j 

^iK b) è)\i '9^j^ ij^*^ 



Dit is een mededeeling van 
de uitrustiug der Dajaksopde 
Boveii-Kapoeas en de Melavi, 
als zij willen gaan koppens nel- 
len. 

Zij nemen mee een schild en 
een parang; op zij van die pa- 
rang is een klein mesje, en aan 
de touwtjes van de parang hangt 
een fleschje met olie. 

Verder zijn nog bevestigd aan 
de touwtjes van de parang bees- 
tentanden, kralen, geneeskrach- 
tige kruiden en een haak van 
ijzer. 

Aan de schee van de parang 
heeft men verder nog randjau's 
van bamboe of vischgrateii, 
hebbende de Dajak verder bij 



Digitized by 



Google 



235 



«y^ i-f;^*^ l^^ ^^"^ c»'*^ 
cijjüü ^A/ftïb ^/«^l? ^j^^ 
AyJ' ^l^»^ e/**^ *-i-i-i 

vj^^j j^b vi^.< e/^^^^*^ 
^)j cj>U c:.^^ ^f^ji (Ji^^ 

C^5»*M Ci-Juo^ -^-^f^ vj'*^ 



zich een uitgehold houten blaas- 
roer, dat hij tevens als piek kan 
gebruiken. 

Verder een koker van bamboe 
voor de pijltjes, waarvan de kop 
is gemaakt van kajoe Gaboes, 
en de steel van Bindang of Nau ; 
(de Bindang ziet er uit als nipah 
en groeit aan den voet van ber- 
gen). Aan de punt van het 
pijltje is gesmeerd het sap van 
den Ipoeh-boom. 

Ook zijn er nog bij eene kleine 
vrucht van laboe ajer en drie 
of vier weerhaken van ijzer en 
een ijzeren piek. 



Ook eene van rotan ge- 
vlochten draagmand. 

Het nut van het schild is, 
om zich tegen de wapens der 
vijanden te dekken. 

Het doel van de parang is 
om den vijand te verwonden 
en het hoofd af te snijden. 

Met (ïe pisau raut maakt 
men randjau's en poesaran (droog 
hout om door wrijving vuur té 
maken), als men in het bosch 
overnacht. 

De olie uit het fleschjc dient 
om zich bij ziekte in te smeren. 



Digitized by 



Google 



236 



#oaf U ^, ^jU J Ji^/^ó 






u 



CJ^Ad. ^^U^ jsó^j c:^.^ 



^»i|. Ci^' 8^A*j^ ^7^*^ Wi5^' 
50 «j^U. i*!^ »^^* ^iii ^-^ 



.^J 



^ü/ 



u^y. 



.1? 



\jl,-Q^* ^^^y èyi^ c;^' 



r^L*^ ftj i>ï ^^ï «1^ 

ci^Xoï -dxAÏ X-jy-* d^' 



De beestentaudeu eu kora- 
len zijn enkel sieraad. 

Met den haak wordt het te 
snellen hoofd vastgehaakt, ah 
men met zijne makkers bezig is. 



De randjau's zijn om bij 
eventueele vlucht achter zich in 
den grond te steken , ten einde 
de achtervolgers te verwonden. 

Het blaasroer dient om, als 
men den vijand tot op 50 va- 
dem kan naderen, een pijltje 
naar hem toe te blazen. 

Het pijltje is van kajoe ga- 
boes en bindang gemaakt , om 
de richting te kunnen houden. 

De ipoeh-gom is, wanneer de- 
zelve door het pijltje in de 
huid is gebragt, vergiftig. 



De koker is om de pijltjes 
in te doen. 

De laboe-vrucht is omwaar- 
looza stukjes gaboes te doen. 

De weerhaken zijn om naar 
den vijand te steken, als lüj 
dicht bij is. 



Digitized by 



Google 



237 



dxs%- ^\j^ ü^y *^^i' 

JjJ.^ U»JJ^ Ci^«|^ ^^y^ ^y**yc 
Oi^ ^Jü^ C>f«y ^^^ c/^*^ 

C^ 4>i'*^ '•i^.' C?^"^^ ^'*^ 
^^ bJ CJ^A^ J^i c;b 

v^yjU ^U ) Jljy bo u.^ ^y 

Lia. vi^^ *ii^' 1874 ^^^ 



De piek is om meê te ste- 
ken, waarna tot het afbouwen 
van het hoofd wordt overgegaan. 



Het mandje is om eten meê 
te nemen. 

De gewoonte der Dajakhs is, 
als zij nit snellen gaan, het 
orakel (vogels) te raadplegen. 
Gteeft de vogel een slecht 
teeken dan wachten zij, om pas 
op een goed teeken te vertrek- 
ken. 

Wanneer de Dajakhs met 5 
k 600 man uit snellen gaan, en 
al is het ook slechts 1 of 2 
koppen hebben gekregen, moe- 
ten zij terug, omdat zij niet 
over bloed mogen gaan. 



Geschreven den 28 Mei 1874 
door mij Djaksa van Sintang 

WAN MASJEHOEB. 



Digitized by 



Google 



DE VROEGSTE GESCHIEDENIS 

VAX 

BANDJARMASIN 

DOOR 



Onlangs te Bandjarmasin vertoevende, werd mij inzage ge- 
geven van een in het Maleisch opgesteld verhaal over het 
ontstaan van het rijk van Bandjarmasin, onder den titel van 

Daar ik het echter niet mocht behouden, maakte ik een 
kort uittreksel, van wat mij daarin belangrijk toescheen, met 
het voornemen dit later met andere bronnen te vergelijken. 

Behalve in Dr, Schwauer's werk over Borneo (Deel I blz. 
43 en vlg.), vond ik in Deel VI van dit tijdschrift (blz. 225) 
het onderwerp door Hageman behandeld, onder den titel van 
//Bijdrage tot de geschiedenis van Bomeo'\ 

Na de lezing dezer stukken kwam het mij echter niet on- 
belangrijk voor, eene meer nauwkeurige vertaling van dat ver- 
haal in het licht te geven, te meer daar ik gelegenheid had 
mijne aanteekeningen met een ander Handschrift uit de Biblio- 
theek van het Genootschap te vergelijken, en vooral om reden 
ik boven de andere schrijvers het voorrecht had in loco de 
beteekenis van vele mindere bekende woorden en uitdrukkingen 
te vernemen. 

Daar Hageman als eenige leiddraad schijnt gevolgd te heb- 
ben eene zeer corrupte* transcriptie met Ijatijnsche karakters 
van bedoeld HS., nog in de Bibliotheek voorhanden, acht ik 



Digitized by 



Google 



239 

het minder noodig de door hem gemaakte fouten aan te too- 
nen , maar zal ik mij alleen bepalen tot eene vergelijking der 
beide met Arabische letter .geschreven Handschriften (^). 

Met A, wordt dan het HS. te Bandjar, met 3 dat uit de 
Bibliotheek aangeduid. 

De eenigszins vrije vertaling geeft den inhoud zoo getrouw 
mogelijk terug, en voor eigennamen is tevens de Maleische 
spelling opgegeven. 

Te Kaling (^é^) (^) woonde een rijk koopman, genaamd 

Mavgkoe Bomni ^^y)^, ^^)'t A\q^ behalve een groot aantal sche- 
pen, veel goud, zilver en allerlei fraaie edelgesteenten bezat. 
Bij zijne vrouw Satira yji^) kreeg hij een zoon, genaamd 

Ampoe Dj&imiia (C-^f^^ y^)- Deze huwde met Mangoen 
Toewa {y u^^-*) een kreeg twee zoons ; de oudste heette 
Ampoe M&nda Astana (\J^^ *^>^ ,^') en de jongste ia«»öö(? 
Mangkoerat [^^j^i^ ^) (3). 

Zoolang Mangkoe Boemi te Kaling woonde, vermaakte hij 
zich eiken dag met zijne kleinkinderen. Deze begonnen kna- 
pen te worden, toen M. B. ziek werd. Geen der bijgehaalde 
geneesheeren kon hem helpen, niettegenstaande hij hen met 
geschenken overlaadde. 



(*) AIü een bewijs» dat Hageman de taal van het door hem gevolgde HS. 
niet verstond, moge o. a. dienen, dat hy van de metalen afgodsbeelden (bërkala 
gangta) vertelt, dat zij beiden Gangta heetten! 

(*) In andere werken vindt men hiervoor Kélirtg en Kalinga, b\j Lassen zelfs 
Kaltnffga; de ware uitspraak is mij niet bekend. 

O In B. verschillen deze namen eenigszins: Satira heet er SÜti Radja 

(-^1. .Lm), Ampoe TjHtmika draagt daar den naam van Ampoe DjHtmaka 
{(.I^UjI*. *A^)), zijne vrouw van ^ra Mduffonioer ( .^Ua^ojJam), en de oud- 
ste zoon van Ampoe ManaB&stana (^liuiJ ^Lo ^iuo'). 

In dit HS. is aan het slot vermeld, dat het te Bogor geschreven werd, ver- 
iDoedelyk door een der volgelingen van den derwaarts verbannen Sultan. Ik heb 
meer vertrouwen in de in A. voorkomende namen , waarvan vele op dezelfde w^ze 
vitgesproken nog in den mond des volks voortleven. 



Digitized by 



Google 



240 

Toen zijne ziekte toenam en hij zijn einde voelde naderen, 
riep hij Ampoe Djiltniika met al zijne familieleden en dienaren 
tot zich, en droeg hem op voor deze goed zorg te dragen, niet 
te veel waarde te hechten aan aardsche goederen , zich niet te 
vertoornen maar verdraagzaam te zijn. 

Verder beval hij Ampoe Dj&tmika weg te gaan van KaUng, 
waar hij toch niet tot aanzien kon geraken, en eene andere 
woonplaats te zoeken. Om zich daarbij te overtuigen van de 
gesteldheid van den grond , moest hij ter diepte van een arms- 
lengte (*) een handvol (^) aarde uitgraven, en zoo deze warm 
op het gevoel was en een aangenamen reuk van zich gaf, dan 
was die grond goed en zou alles gedijen, wat daar geplant 
werd. Liet die grond zich echter koud aanvoelen , dan moest 
hij eene andere plaats uitkiezen, want hij zou er ongelukkig 
worden en niets kon er groeien. 

Nadat hij dezen raad had gegeven , overleed Mangkoe Boemi 
en' werd met de noodige eerbewijzingen begraven. 

Ampoe DjStmika bedacht nu, dat hij te Kaling niet veilig 
was, daar velen op zijne rijkdommen aasden en wilde derhalve 
verhuizen. 

Hij liet daarom de legerhoofden roepen , die van zijne fiuni- 

lie afstamden, met name Arja M^at Sari {*Sj^ ci^Xo u^i) 
en T(im&7iggoeng Tata JDjiwa (|^i*- ^^^^ ^tó^) (»); voorts een 



C) In A. staat: taparUjdloei dalamnja — ik vind dat woord in geen der 
woordenboeken. In B, leest men eerst: ^^IsvAA«m ^r iVO (^u ^'«3 
maar later ook Ql ^ X A m ^^/aIiJ. 

(*) Ó^ , ^ Pijn. ook klont. In B. Jjuj' en JiS'. 

(') Deze hoeloebalangs worden nog nader aangeduid als ie zijn de ^^-^t^^^* 

^\y en de )^ C>A»l^,' alleen in Hardeland*s Wdb.ifi(sub^a;»)jDai^. 
gapi verklaard als: die altijd in iemands nabijheid it. 

Volgens B. heetten die mantries: Arfa Mikai Sari (ys\m m^^-t b.r) 
en Tim&nggoeng Taiah Dfiioa (Ua». ^U axLtS), 



Digitized by 



Google 



^41 

man, genaamd Wïra B&rtoê ((j^ji ];i^) (*), die het opzicht 
hield over de nachoda's en kooplieden : en eindelijk de ver- 
schillende bevelhebbers der vaartuigen (*), allen met hunne 
onderhoorige &milien. 

Nadat deze personen zich in de groote raadzaal verzameld 
hadden , deelde Ampoe I)j&tmika htm mede , dat hij van Ka- 
ping vrilde vertrekken om eene andere woonplaats te zoeken, 
en gelastte hun zich met vrouwen en kinderen en al hunne 
have op ie vaartuigen in te schepen. 

Nadat alles in orde was gingen zij ter scheep , en ook Am- 
poe Sj&tmika bracht zijne goederen op het vaartuig, dat Si 
f Taboe lias (*) heette. Enkelen bleven achter om op de ma- 
gazijnen en geldkiBten te passen: zij zagen het vertrek stil 
aan (*), daar zij er veel hartzeer over hadden. 

Na eénigen tijd op zee te hebben doorgebracht , kwamen zij 
aan een eiland , en beproeven het middel van Mangkoe Boemi, 
maar dit gelukte niet. Zij gingen nu weder onder zeil en lie- 
ten eindelijk het ftnkef vallen nabij Oe^oeng tanak (^). 

Hio* legde Ampoe Djatmika sich te slapen om zijn ontrust 
gemoed tot bedaren te brengen, en hij droomde, dat bijzijn 
vader ontmoette^ die tot hem zeide: //Wees niet kleinmoedig, 
gij hebt mijn last opgevolgd en zult geluk op uwen tocht 
hebben r 

Ofechoon hij hieraan twijfelde, nam hij zich toch voorvol- 



t^) Van dezen wordt nog ▼ermeld, dat hij ze» 6c1innder waa «n V(Ar talen 
kende, ala: Arabiseh, Pendaeh, HöDandBcli, ChiBeeaclL en Javaansoh. In S, Wira 
^^Mat {tP^f fi^\ en kende hQ MalelBch in plaats van Aral)i8cli. 

O Als namen dier vaartuigen z^n opgegeven: 4Ui, ^^^^ en v— ftL ». 

n Volgena B, heette die pranw ^ P4r6oe Jaksa (^«kAJ jiJ ^j**). 

n In Ket HS. ^)óXo (mëndam), ket Dig. mamktm = itaan blyven. In 
2. koMt nOtnOam niet voor; or atast alleen: ^l^v^J u;,^) ^J JflKsS 

O ^ tiggtng dezer plaats werd m\j gezegd te zijn in het westen, nabg Mën- 
dawèk of SampU. 



Digitized by 



Google 



242 

gens dien droom te handelen. Toen bij het aanbreken van 
den dag de wind gmg liggen en de zee effen werd, ging hij 
met vier menschen aan wal, groef met een breekijzer een gat 
van een armslengte diep (^), nam den grond er uit, en voelde 
dat die zoo heet was als vuur en lekker rook als daoenpaedai (^. 

Hij was zeer verheugd, ging naar zijn vaartuig terug, en 
liet, toen het dag was geworden, Arja MSgat Sari en 'DimiBaig- 
goeng Tata Djiwa roepen. Hij zeide hun, dat daar de plaats 
was om eene negorij te stichten, en gelastte hun tevens van 
de medegebrachte steenen een tempel O te bouwen op de 
plaats, waar de grond was uitgegraven. 

Deze lieten nu al het volk aan land gaan en het geboomte 
omhakken: en zij maakten gezamenlijk den tempel en een paleis 
voor Ampoe Dj&tnüka, benevens woningen voor henzelvenom 
aldaar te verblijven. 

Ampoe Dj&tmika verzamelde daarop allen, die met hem ge- 
komen waren, in de baliroeng, en deelde hun mede, dat hij 
die plaats noemde N&ffara Depa (wJ • ï^lXi) (♦) ^ en zich zd- 
ven aanstelde tot vorst met den titel van Maharadja 3)aȣ, 
onder beding, dat hij alleen als vorst zou worden toegespro- 
ken. Yerder zeide hij tot de beide mAutries, dat hij a%ods- 
beelden van tjendanahout wilde doen vervaardigen om in den 
tempel te plaatsen , en die tot vorst te verheffen en te eerbie- 
digen; want //ik zelf ben niet van vorstelijke afkomst, en ik 
//doe dit om alle onheil te voorkomen, daar ik slechts a&tam 



Wellicht heeft de kroniékschrQver sich hier ver^t met Malaka's znidpunt, een 
der eerste plaatsen die de Hindoesche kolonisten in den Archipel aandeden. Op 
de kaart van Melvill is een Oetfjoeng tanah geplaatst by de monding der Kaha> 
jan-rivier. 

O In het HS. staat: ^jlrsoiui ^b (j»JX&A ^;^ï ^A;5JlJJ. 

(*) Een FandanuB-soort, waarvan de bladeren zeer welriekend zijn. 

(•) In HS. A. c^cSOAd- en cf «Xif-. 

O Als dit dezelfde plaats is als het tegenwoordige Ndgara, dan komt dit 
bericht vrfj wel overeen met dat van Dr. S. , die als eerste vestigingsplaats .«èiiadit- 
tai opgeeft, dat iets hooger aan dezelfde rivier is gelegen. 



Digitized by 



Google 



243 

ffVBJi aanzienlijke lieden; ik noem mij alleen vorst, om een 
//voorbeeld tot navolging te stellen voor hen, die na mij 
^komen." 

Algemeen werd dit goed gevonden en in drie dagen de beel- 
den met menschelijke gedaanten vervaardigd , die met de noo- 
dige versierselen en reukwerk in den tempel werden geplaatst, 
om eiken Donderdag avond door den vorst bezocht te worden (*). 

Het bevel over alle staatsdienaren werd toen opgedragen aan 
Arja MSgat Sari, en aan TSmSinggoeng Tata Djiwa gelast de 

menschen van Baiang H&mandit(sJ>^i'>^^^ ^^) (^) aan zich 
te onderwerpen; en daar niemand weerstand kon bieden, gaven 
deze hieraan gehoor en betaalden aan hem hunne schatting. 

Toen nu al de mantries feestelijk onthaald werden, heerschte 
er, groote vreugde, en waren allen zeer ingenomen met die 
regeling, omdat de onderlinge veeten daardoor ophield^i. En 
ais zij hunne belasting in rijst en padie opbrachten, liet de 
vorst die in de djoeraeng (') plaatsen, om te dienen tot voe- 
ding van zijne hofhouding. 

Vervolgens werden de werkzaamheden en verplichtingen van 
eiken mantrie aangewezen, en dit alles geregeld zijnde, gelastte 
de vorst aan 40 mantries met twee pantjalangs de goederen te 
gaau halen, die in zijne magazijnen te ICaling waren achter- 
gebleven, alsmede de lieden , die deze bewaakten. Aldaar aan- 
gekomen werd dit voorstel gretig aangenomen, en gingen zij 
gezamenlijk op reis. Op zekeren nacht werden hunne vaartui- 
gen door een hevigen orkaan overvallen (*) , waardoor vele prau- 



(') In B. staat, dat de beelden in twen dagen gereed waren, en wordt als 
dag der huldiging w:,^n-f^ iS^j^ opgegeven. 

O Volgens JB, moest de eerste JSaiang TuUang, BUangan en P&iak en de 
laatste Baiang Ngalei en H&mandU onderwerpen, en kr^en zij beiden het ge- 
lag over de, door hen onderworpen stammen. 

(•) 9*jy^i pUuUs om padie te bewaren, te Bandjar kindei geheeten. (Bij 
Haid., Daj. djoercng = pakhuis). 

(^) In A. ^^ voor ^U^. Het aantal achtergebleven personen wordtin 
B. op 4000 geschat. 



Digitized by 



Google 



244 

wen vergingen en een aantal menscben verdronken: de andere 
kwamen veilig te NSgara Depa aan en vestigden zich aldaar. 

En er heerschte vroolijkheid in die negorij ; zij werd bezocht 
door vele handelaren en het ging den bewcmers in alle op- 
zichten goed. 

De vorst wilde nu metalen a^odsbeelden (*) laten vervaar- 
digen, en stunrde tot dat doel aan den Yorst van China al- 
lerlei goederen van waarde en een brief, waarop van daar tien 
Heidensche priesters {pandiia) kwamen. Deze maakten de twee 
metalen beelden , e^i mau en vrouw , ter girootte van een kind, 
die in den tempel werden geplaatst , terwijl die van tjënd^ia- 
hont in zee werden geworpen , en het bevel g^ven om eiken 
Donderdag avond de nieuwe beelden te gaan aanbidden (^. 

Het land ging steeds meer vooruit en allerlei volken kwa- 
men er handel drijven als: CSiineeesen, Maleiers, Javanen, 
Boegineezen, lieden van D}ohor, van Atjeh, van Malaka, van 
Menangkabau, van Patani, van ICangkasar, van Bali, van 
Boeton, van Falembang, van Djambi, van Tbebau, van Ma- 
doera, van Bangkcd: {% Hollanders en Ealingers. 

Alle ingezetenen van Nftgara Depa legden de kleeding der 
Kalingers af, en kleedden zich ais de Javanen, en faun weed 
door den Yorst bevolen: ^Kleedt u niet ab de ILJeierB, 
^of als de Hollanders , of als de Chineezen , of als de Atjeb- 
i/neezen, Mangkasaren en Boegineezen, ja zel£s niet als de 

//Kalmgers. Ik zelf voeg mij naar Madjapait (i^*Hi*^*^)(*), 
//en gij volgt mij hierin na, want volgens de verhalen der 



O ^jtM cJ^^ï ^ai^M b een metaal, beftiuuidenbeeiieveniieDging^aa 
Qser en geel koper. 

(*) Ook nu staat in 3. malam DfoMHuU, en bovendien, dat A. ]Dj. gelastte 
eenmaal 'sjian die bedden met fijn laod te schoren, om bet roesten ie voor- 
komen. 

(*) In de HSS. ^ g X«.<, vennoedemk foutief voor qSsü. 

O Volgens B, Cl^sltli^U. 



Digitized by 



Google 



245 

//oaden vaa dagen zal u onheil trelfen, als gij uwe kleeding 
'/wijzigt, en o. a. de oostmoeson in westmoeson vemnderen en 
//omgekeerd. 

//Ook moogt gij geen zwarte peper (') planten, zooals te 
//Djambi en Falembang, behalve een paar staken voor eigen 
//gebruik , want door die peper komt niets op van hetgeen gij 
//plant, daar hare uitwaseming heet is (^)/' 

Niet lang daarna werd Ampoe I)j&tmika ziek; hij riep zijne 
zonen bij zich en vennaande hen in vrede te leven, en als 
kluizenaars rond te dolen om op heuvelen, in grotten of onder 
hooge boomen een vorst te zoeken; terwijl hij aan de beide 
Oropt-mantries opdroeg in dien tusschentijd het land te be- 
sturen (^). Daarna stierf hij. 

En Ampoe MSnda Astana dwaalde rond onder groote boo- 
inen en op hooge bergen, en L&mboe M&ngkoerat in diepe 
grotten , maar na drie jaren als asceet te hebben rondgezworven 
keerden zij ontmoedigd terug, want een vorst hadden zijniet 
gevonden. 

Op zekeren middag nu ging li&mboe M&igkoerat sla- 
pen, en hij droomde dat hij zijn vader Ampoe Dj&tmika 
ontmoette, die tot hem zeide: //Qij gaat te ver om een 
//vorst te zoeken: ga niet verder dan binnen den kring 
vvan deze negorij (^). Neem veertien stemmen vnxi pisang s<iba 



C) Het hiervoor gebezigde woord ftitUw is volgens het Daj. Wdb. Spaanse^ 
peper (Capsium); mij werd echter ten stelligste verzekerd, dat het te Bandjar 
ztfforte peper (Piper nignun) beteekent. 

{*) In de HSS. ^iU ^y^ S''^' 

O In B. draagt A. Dj. op zijn sterfbed aan de beide mantries nog op de 
beelden in zee ie werpen, dat zij ook deden. 

(•) Volgens J, ^ ^jjL Ülc Jbj en in B. ^s)J^|^Ji^ ^^J 
iiT' i^tW. De piiang saba, dezelfde die op Java p, kapok heet, wordt inB. 
4 ^«iIjUh genoemd. 



Digitized by 



Google 



246 

inmaak daarvan een vlot ('), overdek dat met een hemel van 
//wit lijnwaad, brand wierook aan de vier hoeken en hang 
//daaraan majangs (^) op, kleed n met een witte saroeng, ga 
^op het vlot zitten, en begeef u te middernacht stroomopwaarts; 
//mocht gij soms een krokodil of een groote visch of een slang 
//ontmoeten, wees dan niet bevreesd, want dat heeft niets te 
//bedaiden. 

//Komt gij uu aan de draaikolk (') midden in de negorij, 
//dan moet gij het vlot omdraaien en u stilhouden, want daar 
^zijn vele zaken om bang voor te zijn {*), Wordt op die 
//plaats aan de oppervlakte van het water schuim zichtbaar, 
//zoo groot als een pajoeng oAoer^ (^), en tevens het geluid 
//van een vrouwenstem gehoord, dan is dat de vorst, die gij 
//moet halen, en wat hij zegt moet gij doen."' 

Hierop werd LSmboe Mftngkoerat met schrik wakker, en 
deed zooals hem in den droom was geopenbaard. 

Hij ging dien nacht uit en vond het schuim met blazen, 
die flikkerden als edelgesteenten Op hetzel£le oogenblik bleef, 
het water stil als in een kom , en eene zachte stem kwam uit het 
schuim voort: //He LSmboe M&ngkoerat, wat doet gij toch 
//hier? (")" Hij antwoordde: //Ik zoek een vorst omNSgara 
//Depa te besturen." 

(') In de HSS. ^xoS = vlot. (Dig. en Mal. v. Falemb. id.). 

(O Eigenlijk ^^yCc^ fi^U d. z. migang, waamit nog geene bloemen te 
▼oonchijn komen. 

O In B, m^ji 4>i^ ; daarentegen in A. '^ji ^-^l*!^ * ^^ ^°^^ ^^^ 
is voor égf^ji Ü^y* 

O Volgens de HSS. vj:,«o1 r^^tyb ^U C^; ^yM^y^ werdmgals 

boven verklaard: misschien is het eene verbast. van het Mal ^**y = ^^w^' 
zichtig. 

{*) Volgens Pyn. een staatsie-zonnescherm. In B. is sprake van een witte 
krokodil, in dèn vorm van een fojoeng agoeng^ die daar ook later nit het schnim 
te voorschijn komt. 

O In A. ^ 9S*H i^J uJ); het woordje ^^l is nit het Daj. overgeno- 
men, en beteekent een uitroep wm verwcndmmg. 



Digitized by 



Google 



247 

De stem herhaalde: //Ik ben de vorst dien gij zoekt en 
i/mijn naam is Poetri Djoendjoeng Boehi £^^?^ ^J^^ 
/y(^5*^(*)." liSmboe M&ngkoeratzeide: //Dan zal ik u tot vorst 
/^verheffen en in den tempel plaatsen." Poetri Djoendjoeng 
Boehi antwoordde: //Ik wil niet in den tempel wonen, want 
»^daar is de plaats der anoden, maar laat vier stuks gevlekte 
/rbamboe bfitoeng van den berg Batoe Piring (*) halen en 
>/maak van die stijlen een paleis, waar ik kan wonen; en laat 
^voor mij door veertig maagden een gele saroeng vervaardigen, 
>ydie zeven cata (*) lang en zeven küan breed is — alles moet 
//in één dag af zijn en dan kom ik in mijn paleis." Lfimboe 
MSngkoerat zeide dat het goed was , en toen de dag aanbrak 
keerde hij huiswaarts ^n vertelde aan zijn broeder, wat had 
plaats gehad. 

Hij liet alles volgens het bevel der vorstin gereed maken, 
hetgeen door de hulp van velen ook tot stand kwam, en nu 
gingen allen in optocht naar de draaikolk. Nadat Lfimboe 
MSngkoerat de gele saroeng in het schuim had geworpen, 
kwam de prinses voor den dag en werd met veel gejuich naar 
het paleis geleid, terwijl de veertig maagden aan haar werden 
to^evo^d om haar te bedienen en te verzorgen. 

Dit geschiedde op den veertienden dag der maan in het be- 
gin van den avond. 

LSmboe MSngkoerat liet dag en nacht honderd lieden bij 



(O EigenUik staat er SJy^ f>?^ \Sj^^ ^^'^^^ ^^isblgkbaareenfoat 
▼oor ^J^^, , daar zij uit het sclmiiii te Toonchijn kwam. In JB. heet sQ 
s)^ issjj \Sy^ > vermoedelijk kende de afichr^yer de woorden (ffoen- 
dfoeug en boehi niet. 

O Deie berg is in de bestaande werken niet opgegeven. 

{*) \LJ is dezel£ie maat ak de Mal. c:,^»*», en ^JjS als de Jav. 
A^vtanj^, In B. moet die saroeng ook twee aHa breed z\jn, en zon zij gezegd 
hebben, dat die moest dienen \j:^} ^U^ ^i^ CS^^y J^^- 



Digitized by 



Google 



248 

het paleid de wacht houden, maar overigens kwam er geene 
verandering in de wetten, verordeningen en gebruiken van 
het land. 

Nadat zij eenigen tijd de teugels van het bewind in handen 
had, vroeg LSmboe MSngkoerat haar op zekeren dag, wien 
zij tot man wilde hebben. De vorstin antwoordde: '/Ik wil 
//tot man hebben iemand, die even als ik als kluizenaar heeft 
//geleefd; is die niet te vinden dan trouw ik niet." 

Nog wordt verhaald, dat Ampoe M&nda Astana twee zoons 
kreeg, die zeer schoon waren. De oudste heette Banghang 

Sokma Raga (^'j '^***** ê^)' ®° ^^ ]Qngs\xi Banghang Paknut 
Raga (^J; ^-^5^ ^j^) (*). Deze speelden eens onder het huis, 
en zagen of de wachtlieden wel op hun post waren. De veer- 
tig maagden werden allen verliefd en zongen minnedichten 
hun ter eere (*). 

Ook de vorstin zag die beide knapen en gaf ze sirih, pinang, 
nagasari-bloemen (die toen niet groeiden te Negara Depa) en 



O De tweede heet in B, Bangbang PiUma Baga (CJf)j Uoi ^AAj). 
{*) Als proeven van die pantoens worden alleen in A. vermeld: 

^a;AXJL? (^b CU^jl^<^^ S^Im ^^ C^b A^ ^f**^ 

^^l». ^U ^Uj ^^jlaJM ^j^ itT^'-^ «J^^^X^- 

sawali 2 oelar sawah; djëntei = lihat; sampilok = een soort trompet van blade- 
ren gemaakt. 



~ Digitized by 



Google 



249 

gmtal (*), die ze in hun saroeng staken. Toen LSmboe M?ing- 
koerat hen zag, joeg hij hen dadelijk naar huis, want hij 
was bevreesd, dat de vorstin met een zijner neven zou willen 
trouwen. 

Na rijp overleg zeide hij aan Ampoe M^ida Astana, dat 
hij met zijne neven wilde gaan visschen (^), en, ofschoon deze 
wist dat hij ze zou dooden, stond hij het toch toe. LSmboe 
Mangkoerat nam hen daarop mede en wierp hen in de Batang 
TahaHoeng (f^^ ^^ (^), en nog heden heet die plaats (?^aw^- 
i^amh (4>l-2) J') (4). 

Op het vernemen dezer tijding doodden Ampoe MSndoe As- 
tana en zijne vrouw zich zelven (^) in den tempel; en toen 
Tümboe M^gkoerat hunne lijken daar vond, nam hij de kris 
en het mes mede, en zorgde, dat zij behoorlijk begraven 
werden. Nog altijd draagt die plaats den naam van Sélagarah 

Van toen of bestuurde LSmboe Möngkoerat het rijk alleen. 

Nog altijd denkende over een huwelijk van de vorstin viel 
hij op zekeren middag in slaap , en droomde weder dat hij zijn 
vader zag, en deze hem zeide, dat de vorst van Madjapait 
een zoon had, die als kluizenaar leefde, terwijl hem tevens 



(*) (JwUj is volgens het Jav. Wdb. een van sirili-bladeren gemaakt pcper- 
baisje met een pinangnoot er in, waarmede bmid en bruidegom elkaar toegooien. 

(*) «j:^^!^ = het Mal. méndjala. 

O Bij Dr. de Hollander, Land- en Volkenkunde IJ, blz. 27, als een andere 
oaam van de Nigara- rivier opgegeven. In B. heet die f^^ f^.' 

(*) Volgens B. draagt die plaats nog altijd den naam van Loehoek Badang 
Sanak (^1*m CtX) ^5^^) 

«*) Bij Pijn. en in het Jav. heeft het hier gebruikte JjkM eene eenigszins andere 
beteekenis. In B. wordt dit nog aangevnld, dat hij zich doorstak met de kris, genaamd 
parang tart {^Xm ^p)> en zij met die, genaamd lading malüa (2UU c J)). 

(•) Deze transcriptie is niet juist, maar werd mij als de ware naam opffcgc- 
ven: B. heeft shiJU-, 
XXIV 11 



Digitized by 



Google 



250 

werd medegedeeld de wonderbaarlijke wijze, waarop die zooit 
geboren was. Wakker geworden riep hij Arja MSlgat Sari en 
T^m^nggoeng Tati Djiwa, en droeg hun op alles in orde te 
maken 9 daar hij naar Madjapait wilde gaan om dien vorsien- 
zoon te zoeken. Het bestuur in hunne handen latende , ver- 
trok hij zelf met veel gevolg en luister, en kwam spoedig op 
de reede en drie dagen later in de stad Madjapait aan (*), 
waar hij verzocht bij den vorst te worden toegelaten , hetgeen 
werd toegestaan. 

Bij het binnenkomen maakte hij echter geene eerbiedsbetui- 
ging aan den vorst, maar ging op de nti fo<?Aö(?r zitten, waar- 
op hij onder aanbieding van vele geschenken zijn verzoek 
voordroeg (*). 

De vorst zeide, dat hij geen zoons meer had en al zijne 
kinderen reeds gehuwd waren ; zijn oudste zoon te Palembang, 
een op Bali en de jongste te Soerabaia: zijn oudste dochter 
te Menangkabau en de andere te Mangkasar. 



C) In de IISS. staat: tj\xj ^^^Xi J sj:^) ybLi ^^ X*i jd^lj 

v::^iól2sui ^)j ^J^ ^^^\A lLxju J'^j^ ^.j^*^ c:^il^* 

J)it strijdt met de verklaring van Prof. Veth (Jav. II, blz. 132), dat de ligging 
aan zee voor Madjapait uitgemaakt is. 
C) De medegebrachte geschenken waren: 

JyCjki dl^iutt ^aIaI 

A • I • • * I 

C^XJi aJ^XUm jC»\m* 

J)Jambroet, een groene steen ; piJttU, rotan (Daj. een seroek in zee); ékonff voor 
het Mal. étor. B. heeft foutief pengiktU voor pikat en tenglong voor tut^gtUong, 



Digitized by 



Google 



251 

liimboe M&ngkoèrat antwoordde , dat hij dit alles wist, maar 
dat hij tot echtgenoot voor zijne vorstin zijn zoon vroeg, die 
als asceet leefde op den Goenoeng Madjapait. 

T)e vorst had hier niets tegen, maar verzocht hem om nog 
zeven dagen te wachten, daar zijn zoon pas zwaar ziek was 
geweest. Dit was aan Tümboe M&ngkoerat bekend, maar hem 
volkomen onverschillig. 

Na zeven dagen lang te hebben feestgevierd, gaf de vorst 
zijn zoon over aan Dimboe MSïngkoerat, en nadat deze rijke- 
lijk van geschenken was voorzien, gingen zij naar hunne prau- 
wen en voeren vier dagen en vier nachten. 

Toen zij aan de monding der rivier kwamen (*), was de 
wind gaan liggen , geen golfelag waar te nemen en zelfs geene 
beweging van eb en vloed in het water (*); de koningsprauw 
{si praboe tieui) was derhalve niet van hare plaats te krijgen, 
hoe men ook roeide of duwde. 

Baden Poetra zeide: '/De reden hiervan is, dat zich twee 
/'witte slangen {naga), een mannetje en een wij^e, om den 
//voorsteven geslingerd hebben; om ze te verwijderen zal ik in 
//het water springen en die slangen gelasten weg te gaan, want 
//het zijn dienaren van Poetri Djoendjoeng Boehi.'" 

Eerst op het hooren dezer woorden erkende L&mboe M&ng- 
koerat hem als koningszoon , want hij ontwaarde , dat deze 
hem in kennis overtrof. Baden Poetra voegde er nog bij : 
/rwacht drie dagen en drie nachten en ben ik in dien tijd niet 
//terug, doe dan een gebed en ik kom er uit!" 

Daarop sprong hij in het water ; de prauw schonmielde eeni- 
gen tijd heen en weder (') en kwam los. 

In dien tusschentijd ging L&mboe M&ngkoerat naarN&gara 



(*) Dit werd mij gezegd de beteckenis te zijn van ai\3 ^ó ^J; by Pijn. is 
/^nanff, kalm, bedaard van water. 

(O In >^. sliiXsjLj aAaLc; in B. eenvoudig t?J\j. 



Digitized by 



Google 



252 

Depa om geiten, karbouwen en kippen te halen, en alleman- 
tries te gelasten de rivier af te varen om Eaden Poetra in te 
halen. 

Toen hij na drie dagen en drie nachten niet ie voorschijn 
kwam, deed L&mboe M^ngkoerat een gebed, en na zeven da- 
gen verrees Baden Poetra uit het water, gekleed in eene sa- 
roeng van gele zijde; en op de plaats waar hij boven kwam, 
steeg een gong op uit de diepte, tot in deze dagen bekend 

onder den naain van Si Praboet PrcLdah (*»^'^ ^*^^}^) ( )• 
Raden Poetra zeide nu tot Mmboe M&ngkoerat: //Mijn 

//ware naam is Soerja Anata (^) (ci-^l!' ^„jy**) , hetwelk be- 
'/duidt, ik ben een vorst voortgekomen uit de zon, en aDes 
'/wat op aarde in de hemelen of in de wateren is , is aan mij 
/' ondergeschikt. " 

De prauwen gingen vervolgens langs een zijrivier (') naar 
Xagara Depa en Lëmboe M&ngkoerat gaf aan zijne vorstin 
kennis , dat hiï een echtgenoot voor haar gevonden had. 

Nadat Soerja Anata tot vorst was verheven (*), werd het 
huwelijk dan ook voltrokken; terwijl alvorens een kroon uit 
den hemel nederdaalde en zich eene stem liet hooren, dat wien 
die kroon paste alleen koning mocht worden. 

JZeven maanden later werd de vorstin zwanger en was belust 
op djamboe dipa (^), die de vorst van Madjapait liet halen; 
en toen de tijd daar was, verloste zij van een zoon, genaamd 



(») Volgens B. Sirdbat pradah (XOKi Ci^'yUi). 

(•) In B. heet hij Soerja Nata: in mondelinge overleveringen is hij als 
tkyerja Wiuaia bekend. 

(') In A. staat ^^^Iloli ^^y** ^ d. i. een korte weg door een zijtak; ook 
wel antatan. 

(*) Hiervoor vindt men in de HSS. het ook in het Dajaksch gebruikelijke 
woord bhrdoedoes. 

(*) Djamboe dipa is een soort djamboe, waarvan de pitten niet binnen in de 
vrucht zitten, maar aan de steel naar buiten komen; op Batavia heet die <^". «ö- 
!//>/, en op Java dj. bol mété. 



Digitized by 



Google 



25S 

Boetja Gangga Wangm (L**2)^ lI^A? L>^^). Na eeuigeii tijd 
bracht zij nog een zoon het wereld, en deze werd Soerja Wangsa 
(U*a£|j \ij^»**) geheeten. 

Tijdens zijn bestuur waren aan Soerja Anata onderworpen de 
vorsten van Poentianak, Sambas, Kotawaringin, Pasir, Koetei 
en K&rsikkan (*), en allen betaalden jaarlijks geregeld hunne 
schatting. 

Na verloop van eenige jaren deelde de vorst aan Lamboc 
M&ngkoerat mede, dat hij en zijne vrouw naar hunne plaatsen 
van afzondering wilden terugkeeren , waarom hij zijne kinderen 
aan hem overgaf; en na de noodige vermaningen gegeven te 
hebben, verdwenen beiden voor de oogen der verzamelde 
mantries. . 

Soerja Grangga Wangsa was toen reeds volwassen , en Soerja 
Wangsa verwisselde van tanden (^). 

Daarop werd eerstgenoemde tot vorst uitroepen. 

Er heerschte alom groote welvaart in het land, en vele 
handelaren kwamen daar wegens de goedkoopte der eerste le- 
vensbehoeften. 

Daar Soerja Gangga Wangsa ongehuwd was, wilde L^mboe 
MSmgkoerat hem wéér helpen om eene vrouw te zoeken ; maar 
de vorst wilde niet trouwen, en eerst na herhaald aandringen 
zeide hij, van zijne ouders den last te hebben gekregen om 

alleen te huwen met de dochter van Bipa Eadja (j-'j ^J^)- 
Kon L^mboe Mangkoerat die vinden, dan was het goed. Op 
zijne vraag waar dat meisje woonde , kreeg hij echter ten ant- 
woord, dat de vorst het niet wist, en hij liet nu overal 
zoeken en vragen, maar niemand vond of kende haar. 



(*) Volgen» A. / ^jCftJU^J^-niemand kent echter die plaats. In de auutec- 
keningen betrcfiFende Tanah Boemboe, (Tijdsch. Bat. Gen. I blz. 337), wtrit ge- 
broken van een Tandjong Karsik-Uam; weUicht lag daar die negorij. 

(•) Voor deze uitdrukking is in A. het woord kaping ff ahan gebezigd. 



Digitized by 



Google 



254 

Eens roeide zekere Singaban (*) naar de kampoeng Tangga 
Oelifi (^^y d^) , en kwam in de rivier voor de woning vaii 
Ar ja MManghoen (c;.^^^ ^;'). Daar zag hij een meisje in het 
water springen, terwijl haar dienstmaagd daarbij de wacht hield. 

Op het zien van den Singaban zeide deze tot het meisje; 
//He dajang Dipa Eadja, dek u spoedig toe, want daar is eeii 
//een Singaban!" De Singaban keerde nu spoedig terug eu 
gaf kemiis aan Lamboe M^ngkoerat van hetgeen hij gezien 
had. 

LSmboe MSingkoerat zond hierop Singatdia (C-^^^^) en 
Singapatii^J^^^^^) (^) naar Arja Malangkoen, met de bood- 
schap dat hij zijne docliter vroeg tot echtgenoot van den vorst. 
Deze maakte eerst zwarigheden, maar stemde er spoedig in 
toe, toen Ltoboe M^ngkoerat zelf kwam om te zeggen, dat , 
als hij zijne dochter niet goedschiks gaf, zij met geweld zou 
weggevoerd worden. 

L&mboe Müngkoerat nam haar dadelijk mede en bracht haar 
bij den vorst, zeggende: //Hier heb ik de dajang Dipa Badja, 
//die gij u tot vrouw wenschtl" De vorst antwoordde : //Niet 
//haar, maar hare dochter wil ik huwen : breng haar maar terug 
//en geef haar tot man iemand, dien gij geschikt oordeelt." 

LSimboe M^ngkoerat nam haar daarop mede naar zijne woning 
en vroeg aan al de mantries, wien zij dachten, dat haar kou 
trouwen. Deze zeiden: //Gij alleen zijt de recht« man." 

Hij trouwde nu met haar. 

Niet lang daarna werd zij zwanger, maar tot de 15e maand 
bracht zij geen kind ten wereLl. Lgmboe M^ngkoerat veront- 
rustte zich hierover zeer , want als het kind stierf, zou de vorst 
niet trouwen en er niemand zijn om hem later te vervangen. 



(*) ^laju* is een penoon, die vrouwen zoekt voor den vorst, (in de taal 
van Bandjar manjanjamar). Uit het verband zou bj B. blijken, dat er een volk- 
stam van dien naam was. 

(*) In B. heeteu deze personen: Sin^an&taka (UjLw \siXf**] en Singapaii 



Digitized by 



Google 



255 

Plotseling werd de stem van het -kind in den buik gehoord : 
^O mijn vader L&mboe M&ngkoerat, ik wil niet langs den 
^gewonen weg uit den buik komen; ik wil er alleen uit, als 
''een linker rib van mijne moeder wordt weggenomen, en ik 
"'door dat gat heen kan!" 

Al de omstanders waren zeer verschrikt, en na ruggespraak 
met de mantries besloot Lümboe M&ngkoerat de rib te 
splijten (*). 

De moeder stierf en het kind kwam te voorschijn, en het 

zeide: //Ik heet Poetri Koeripa?^ dj^j^ i>Sr"^)\ en toen men 
haar melk zou geven , wilde zij alleen die van een witte buffel 
gebruiken (*). 

Toen Arja M&langkoen hoorde, dat zijne dochter overleden 
was na de ribsplijting, zeide hij tot zijne vrouw: //Nu rest 
^ons niets meer, laten we samen maar sterven !" Zij vond dit 
goed, en hij at jonge pinang en zijne vrouw at oudepinang, 
eu Arja M&langkoen sprak: //Mijn sëpah worde een genees- 
"middel voor mijne kleindochter Poetri Koeripan en heet d^'u- 
ffratigoer Zijne vrouw zeide: //Mijn sepah ook en die heet 
f^kamomr Zij plantten deze in hun tuin en doodden zich 
zelven. 

De beide sepah's kwamen op en waren de oorsprong van 
djSrangoe en ktooesi ('). 



O Volgens B. ^i/^^ Aj ^^ e/^^*^' 

o Over dat kind staat uog in B. ^^f^} '^^•/i ^-^JJ Aj». (J^^^. sjS^ 

Daar zegt zij ook Poetri Hoeripan (^^i^* l^;-^) ^ hecten. 

O Djëranffoe is by Pyn. als een geneesmiddel opgegeven ; tamoen kan ik niet 
thuis brengen. In het plantknndig woordenboek van Filet ontbreken beide na- 
men. Volgens JB. ontstaan nit de sëpah*s ^y**yji tj'J ^^.t^* 



Digitized by 



Google 



256 

Nadat Poetri Koeripan. volwassen was, bracht L&mboe MïUig- 
koerat haar bij den vorst, en werden zij naar landsgebruik iii 
den echt verbonden. 

Eenigen tijd later zwanger geworden, verloste zij van eeue 

dochter, die genaamd werd Poetri Kalarang {^j^ sV-^^)* ^^^ 
ze huwde later met den Pangeran Soerja Wangsa, uit welk 
huwelijk een zoon werd geboren met name Tj&rang Laleuxtii 

(ci^^ f Ir?^'' ^^ d^ ^'^^^^ kreeg nog eene dochter , genaamd 
Voeirl Kaloengsoe ( y*^y^ S^V)» ^^ ^^^se huwelijkte hij lat>er 
aan TjSrang Lalewan uit (*). 

In dien tusschentijd waren Arja MSigat Sari en TSmanggoeng 
Tata Djiwa overleden. 

Op zekeren dag in de vergadering verschijnende, deelde de vorst 
mede , dat hij met zijne echtgenoote en ook zijn broeder met 
diens vrouw tot hunne vaderen wilden terugkeeren, en terwijl 
aan LSmboe Mjingkoerat werd opgedragen voor Tjarang Lale- 
wan en Poetri Kaloengsoe te zorgen , verdwenen zij allen voor 
het oog der verzamelde toeschouwers. 

Daarop werd Eaden ïjirang Lalewan tot koning verheven, 
en ook hij handhaafde de bestaande gebruiken en instellingen. 

Zijne vrouw beviel spoedig van een zoon, die genaamd werd 
Sakar Soeyigsang [^**^y»** j^) ; en toen deze zes jaar oud was, 
liet de vorst LSmboe Mangkoerat roepen , om zijne vrouw eu 
kinderen in handen van dezen getrouwen dienaar achter te la- 
ten; want hij zelf wenschte op te gaan tot zijne vaderen en 
verdween dan ook uit de oogen der menigte. 

Liimboe Mangkoerat trad in zijne plaate als vorst op, eu 
week niet af van de aloude gewoonten. 

Toen SSkar Soengsang zeven jaar oud was , bereidde zijne moe- 



(') In ^. heet die zoon , ,a!* .*^.l>- en de dochter van den" vorst iCt^ 



>^AMkJ<^ 



fcjj 



Digitized by 



Google 



«67 

der eens een gèhik van laboe {^); het was nog niet gaar en 
zij Toerde het i& de pan om, toen de jongen er wat van vroeg, 
hetgeen zijne moeder weigerde , met de bijvoeging dat hij moest 
wachten tot het gebak gereed was. Hg kon zijn lust evenwel 
niet bedwingen en nam met den rijstlepel wat weg. Zijne moe- 
der werd hierover zeer boos, en sloeg hem met een koperen 
lepel (^) op het hoofd, waarop hij hard begon te schreeuwen 
en het bloed hem langs het lichaam .droop ('). 

Geheel bebloed en ontkleed liep hy weg, steeds maar voort- 
hollende , en velen , die hem zagen , dachten dat het een ander 
kind was, omdat zij hem nooit gezien hadden. 

Te Nagara Depa bevond zich juist een koopman van Soe- 
rabaia, die Bjoeragan JSëlaba (S^^) heette; deze zag den 
knaap, riep hem, bracht hem naar zijn schip, reinigde eu 
kleedde hem, en daar hij op hetzelfde oogenblik onder zeil giug 
nam hij hem mede. 

Poetri KMoengsoe kreeg intusschen berouw over hare drift 
en liet overal haar kind zoeken, maar niemand vond het; 
enkel«i vermoedden echter, dat het door den Djoeragan was 
medegenomen, doch de menschen, die naar Soerabaia gezon- 
den werden, kwamen onverrichter zake terug. Wel gingen er 
elk jaar boden van Jj^lmboe MSuigkoerat uit, maar nimmer 
werd iets van het kind vernomen. 

Baden S^kar Soengsaog was langzamerhand tot jongeling op- 
gegroeid ; hij droeg den nam van Kimas Laiana (cP'^ c/**-*i^) (*) 
en werd zeer bemind door den Djoeragan en zijne vrouw. Hij 
wilde evenwel niet trouwen, al waren tal van schoone maagden 
op hem Terliefd. 



(*) Volgens J. JjOjJ »*^|^ eu in B. ^y^ *«^|^- 

(*} Deze heet in A. wanijoeh gangta. Volgens Hardeland is wantjoeJi het 
Bandjanche woord voor het l)aj. karoeir^ een dun plat hout, waarmede men de 
^kookte rijst uit de pan neemt. 

(') Ben dergelijk verhaal wordt gevonden in Meinsma 's Bahad tanah Djawa, 
U2. 3 en vlg. 

C) In B. |j;XJ ^4Jii'. 



Digitized by 



Google 



258 

Na den dood van den Djoeragan zeide hij tot zijne tweede 
moeder, dat hij naar Nligara Depa wilde gaan handel drijven. 
Ofschoon zij hiervan eerst niets wilde weten, stond zij het la- 
ter toe, en droeg den Djoeragan Bampoeng (^^i-«'*3) op goed 
voor liem zorg te dragen. 

Onder zeil gegaan zijnde kwamen zij niet lang daarna te 
Negara Depa aan. Kimas Lalana maakte zijne opwachting bij 
L^mboe M^ngkoerat, gaf dezen vele geschenken en wist zoo 
bevriend met hem te worden, dat er aan terugkeeren naar 
Soerabaia niet meer gedacht werd, en hem op het erf van 
Lamboe Mangkoerat eene woning werd aangewezen met de 
vergunning om te NSgara Depa te blijven. 

Eens bij de vorstin KSÜoengsoe zijnde, zeide LUmboe M^g- 
koerat: //Als gij wilt huwen, dan is er bij mij iemand van 
//Soerabaia, die Kimas Ijalana heet, en volgens zeggen van de 
//vorsten van Madjapait afstamt — hij is jong en ziet er knap 
//uit.'' De vorstin wilde hem eerst zien, en toen hij aan 
haar beviel, huwde zij hem; maar hij werd niet tot vorst 
verheven, en alleen bepaald, dat de zoon uit het huwelijk ge- 
boren vorst zou worden ; tot zoolang bleef Lïlmboe M&ngkoe- 
rat met het bestuur belast. 

Toen zij zeven dagen getrouwd waren , vroeg Kimas Lalana 
aan de vorstin om hem te luizen, en hierbij zag zij het lid- 
teeken van eene wond op zijn hoofd. Zij wilde weten wat 
dat was, en ofschoon hij eerst weigerde het te zeggen^ ver- 
telde hij, dat hij nog jong zijnde door zijne moeder met den 
rijstlepel geslagen en weggeloopen was , dat een djoeragan hem 
naar Java bracht, en hij zich den naam van zijn geboorteland 
niet meer kon herinneren. 

De vorstin dit hoorende begon te huilen en duwde zijn 
hoofd weg van haren schoot, zeggende : //Als dat zoo is, dan 
//zijt gij de zoon, dien ik verloren heb, en heet Sikar Soeng^an/gr 
Haar zoon weende, vroeg vergiffenis, en zeide: /i^lk was het 
//vergeten, dood mij nu maar!" 

Zij liet echter LSmboe Mftngkoerat roepen, ciie den raad 



Digitized by 



Google 



259 

gaf, dat zij zich zelve moest straffen, waarop zij besliste dat 
beiden van dien dag af moesten scheiden, en de naam van S&- 

kar zou veranderd worden in Raden S&ri KMoeroengati {^J^y^J 

Poetri KÜoengsoe bleef te N&gara Depa, maar Süiri KSi- 
boeroengan verhuisde naar een andere kampoeng en werd tot 
vorst verheven. Een jaar later stichtte hij een negorij aan 

de Moeara Koelak (c>^^* 1;V*)> ^^ noemde die plaats iVa- 
gara Daha (l*b)^ welke naam nog altijd is gebleven. (^) 

Maharadja ICaboeroengan vestigde zijn zetel later te Mara- 
hahan^ waar de meeste kooplieden woonden, hoewel anderen 

hun verblijf hielden te Jéoeora Marampio \ ^i^^j^ y^)- 

Poetri Kaïoengsoe verdween zonder te sterven en evenzoo 
TiSmboe M&ngkoerat. Deze laas te werd vervangen door den 

zoon zou Arja M^gat Sari , genaamd Ar ja Itiratiggana ^y 

^iXxl^j, en van dien tijd af heette de kota Radja Kota Arja 

Taratiggana\\J^^^f v^' '^=^^); en Marabahan ging zeer voor- 
uit, daar ook vele Javanen er handel kwamen drijven. 

De vorst S&ri KSboeroengan kreeg tw»aoons(*): de oudste 

heette Baden Soekarama ^fyy^ aJ^-y ^^ ^® jongste Baden 

J^angawan {uh^. iji'^j)- 

Toen zij groot waren, nam de eerste vier dochters van man- 
tries en de laatste ééne dochter van een mantrie tot vrouw. 

Op zekeren dag liet de vorst Arja T&ranggana benevens 
al zijne dienaren roepen, en onder mededeeling dat hij wilde 



(•) Volgens J. ^£^^> ^U ^J^j. 

(*) In het Aardr. en Stat. Wdb. van N. J. is DaAa een riviertje in het dis- 
triet Katingan Volgens S. heet die plaats ub J. Wellicht leefde die naam in 
<le lierinnering van het volk voort, en was de stichter afkomstig van het oade 
Hindoerfjk DaAa, dat in de 9e eeuw in Oost- Java schijnt bestaan te hebben. 

(^ In de HSS. wordt niet vermeld, met wie hy hnwde. 



Digitized by 



Google 



^60 

opgaan tot zijne vaderen, verdween hij voor hunne oogen. (^) 
Nu werd Raden SoekSrama vorst en Aija TSranggana bleef 
rijksbestierdel'. 

De vorst kreeg bij vier vrouwen vier zoons : de oudste heette 
Saden Pukêi (,^5***2i ^ji^^j)^ de iv^eede Saden Pandjanff i^jL'^^j 
2=?^)ide derde Radeti Balii^J^. c/^-*^!;) ®i^ ^^ jongste Akfe» 
Mambang (^f^ ij^** j) ' ^® moeder van dezen laatsten had 

nog een zoon, Raden Galoeh {^j^^ c/i*^!;)' ^ü ^^ anderen 
vader. (^) 

Ook Raden BSngawan kreeg een zoon, genaamd Beden 

Tarmalap (^-ilLy url^^V" 

Van Raden P&ksi werd de naam veranderd tot Pomgeran Mang- 
ioeboemiy van Raden Pandjang tot Pangeran Tam&ngoeng ^ van 
Raden Bali tot Pangeran Bagalang^ en van Raden Mambang tot 
Raden Djaja Béwa^ en allen huwden met dochters van mantries. 

Ook Raden Djaja Dewa kreeg een kind, maar dat stierf, 
omdat hij getrouwd was met een vrouw, die niet in afiscm- 
dering geleefd had. 

Raden Djaja Dewa nu liet geene nazaten achter, behalve 
dat de zuster van Pangeran Oaloeh huwde met Raden T&r- 
m^lap, den zoon van Raden B&ngawan. 

Niet lang daarna werd Poetri Galoeh zwanger, en bracht 
een zoon ter wereld, die door zijn grootvader, den vt>rstSoe- 

kSrama, Rad&n Samoedara{}y'^y^ genaamd werd. (^) 

Toen deze laatste drie jaren oud was, verzamelde de vorst 
eens al de mantries, riep Raden S&moedara, die voor de mii 
loekoer liep te spelen, en zeide tot hen: //Als ik dood ben, 



(*) Hiermede wordt eYen als dders bedoeld, dat hy in de eenzaaniheid als 
kluizenaar ging leYen {heriapa). 

{*) Behalve Baden P^n, die in B. ^jêèXü ^^^|i genoemd wordt, ko- 
men deze namen in beide HSS. overeen. Baden Tdrmalajp heet daar echter 
Baden lïaniri Baja, 

O In B. S&moedAra ^jÓ^a^). 



Digitized by 



Google 



261 

//verhef dan Kaden S&moedara tot votst!" Deze antwoordden : 
//Wij willen dat wel doen, maar knnnen uwe drie zoons 
/'niet voorbijgaan." 

Ofcchoon dit aanleiding gaf tot veel strijd , bleef de vorst 
niettemin bij zijn besluit. 

Als Raden S&moedara den oudei^om Van zeven jaren bereikt 
kftd, kwam de vorst te sterven, en Arja T&ranggana dacht 
om zijn last en voerde Baden S&moedara weg van het pa- 
leb. Hij zette hem ergens aan het uitwerpen van netten , onder 
bedizig dat hij niet zou zeegen wie hij was, en, als hij door 
zigne ooms of hunne dienaren zoti vervolgd worden, zich ie 
verbeiden, daar z^ hem zeker houden vermoorden. 

Baden S&moedara nam dit aan en Arja T&rauggana voerde 
hem met éene prauw weg. 

Wel liet Paitget'an T&m&nggoeng hem overal zoeken, maar 
niemand wist hem te vinden. 

Na allerki twisten zou Fangeran Mangkoeboemi tot vorst 
verheven worden. Toen deze plechtigheid plaats had, bleek 
de kroon hem te zwaar ie zijn , zoodat hij die niet kon dragen. 
Pangeran T&m&nggoeng beproefde het nu, maar de kroon was 
hem veel te wijd. Nu volgde Pangeran B&galang, dien de 
kroon evenmin paste. Al de mantries en het volk i^aren zeer 
verbaasd, te meer toen men doorging met de andere forlnali- 
t^ten en ook de^ geheel verkeerd uitliepen. Pangeran Muigkoe- 
boemi werd evenwel vorst, ea vertoonde zich eiken Zaterdag 
aan bet volk. 

Kort daarop verhuisde Pangeran B&galang naar Brangtnè^}) 
(het tegenwoordige Halalak) met zijne vrouw, kinderen en al 
zijn volk, in het geheel 2000 menschen, en eiken Zaterdag 
ging hij naar N&gara Daha om Pangeran Mangkoeboemi zijne 
hulde te bewijzen. 
Eenigen tijd later werd Pangeran B^alang ziek , en nadat hij 



(') Deze naam wordt ia B. aU ^Mtji opgegeven. 



Digitized by 



Google 



262 

:5ijneii beiden broeders verzocht liad voor zijne vrouw en kin- 
deren te zorgen, stierf hij. Hij liet een zoon en eene dochter 

na : de eerste heette Raden Lamar Bjadana (c;'"^'^ j^ tsA^^) > 

en de tweede Goeêti Lahsari {\Sf**4 ^^'**^)''{^) deafetamme- 
lingen van deze wonen nog heden te Marabahan. 

Nu waren en lieden, die twist stookten tusschen Fangeran 
TSlmanggoeng en Pangeran Mankoeboemi , met dat gevolg dat 
de eerste den laatsten niet meer als broeder wilde erkennen.* 
Het opleggen van een geringe straf aan een zijner gunstelingen 
deed Pangeran T&mSnggoeng zoo in woede ontsteken, dat hij 
zekeren Saban (*) omkocht om zijn broeder te vermoorden. 
Deze stak hem de kris in het hart en vluchtte daarop naar 
Pangeran T&m&nggoeng, welke laatste den moordenaar liet 
dooden om allen schijn van medeplichtigheid te ontgaan; 
iedereen wist echter, dat hij daartoe den last had g^ven. 

Pangeran TamSnggoeng werd nu vorst, maar de kroon kon 
hij toch niet dragen; de dochter van zijn broeder huwelijkte 

hij uit aan zijn zoon Raden B&gawan (ub • cK*^!;)- 

Intusschen woonde Raden S^moedarateP^wd^a» (^iT^'^^i^ )• 

afwisselend verblijf houdende te Soengei Mohol {O^y* ^y\- 

Koem'm (^/ï!^) (*), Bandjar en Soengei B^itoeng {^y^. ^T^) • 
Wel liet Pangeran Tftm^nggoeng hem herhaaldelijk zoeken, maar 
niemand vond hem, daar hij zich wijsselijk vermomde door 
versleten en gelapte kleederen en een bijzondere muts [kcepiak 
poetjok) te dragen. De menschen, voor wie hij visch zocht, 
voorzagen hem van de noodigste levensbehoeften, en toen hij 



(*) In B. heet de zoon Kaden Hardja («^ v^) en de dochter X^M4r 5f ra 

(*) Saban is volgens het Dig. Wdh. een mannennaam. 
O WeUicht hetzelfde dorp, dat in het Aardr. Wdb. PaUmdi heet. 
(^) Dit is de jaiste spelling en uitspraak van den in alle handboeken verhu- 
terden naam Kween. 



Digitized by 



Google 



263 

volwasseu was, wilden velen hem wel tot schoonzoon hebben, 
maar dit weigerde hij steeds. 

Een zekere Pauk Masih was te dien tijde te Bandjar tot 
aanzien geraakt. Deze hoorde het verhaal van den kleinzoon 
SoekSrama, die uit vrees van vermoord te worden voor zijne 
ooms moest vluchten. Fatih Masih stuurde daarop vijf prau- 
-wen uit om hem op te sporen, en hij werd te Halalak gevon- 
den, maar hij wilde niet meegaan, daar hij niet gewoon was 
met voorname personen in aanraking te komen. Fatih Masih 
g;ing er zelf heen en vond hem in eene kleine hut, zeer slor- 
dig gekleed omdat hij zich wüde vermommen. Fatih Masih 
herkende hem dadelijk en verzocht hem naar Bandjar te gaan, 
et bijvo^ende dat hij hem des noods met geweld zou weg- 
voeren. 

Ziende dat er niets aan te doen was, ging Baden S&moedara 
in de prauw van Fatih Masih zitten, en volgde hem naar zijne 
voning. 

Fatih Masih liet nu eene geit slachten en alles voor een 
groot feest gereed maken , en nadat Baden 8&moedara van be- 
tere kleeding voorzien was werden eenige patih's geroepen om 
tezamen met hen aan te zitten. Hij vroeg toen aan Baden 
Sfimoedara : /'Wij willen u tot vorst verheffen , neemt gij het 
//aan?'' Baden SSmoedara weigerde, zeggende, dat hij niet 
van vorstelijke afkomst was. 

Dronken gemaakt zijnde verklaarde hij : //Dat kunt gij nu 
/^wel doen , maar Baden Tlim&nggoeng zal u vermoorden ; want 
//ik zou al lang niet meer leven , als Arja Türanggana mij niet 
/i'had weggevoerd!" 

De patih's waren zeer verheugd, dat Baden S&moedara er- 
kende den kleinzoon van Soek&rama te zijn, en hem eerbiedig 
toesprekende, noemden zij hem Pangeran S&moedara, 

Gevraagd hebbende , wat nu te doen viel , stelde Fatih Ma- 
sih voor op te varen naar Marabahan , die negorij te overvallen 
en alle handelaren en inwoners weg te voeren naar Bandjar, 
<xm aldaar een nieuwe negorij te stichten: hij vermoedde dat 



Digitized by 



Google 



£64 

dese zich niet zonden verzetten, om reden die ^aats niet zoo 
ver landwaarts in lag. 

IXt aangenomen zijnde gingen zij den rolgeuden dag op weg, 
en toen te Marabahan bekend w^d, dat de kleinzoon van Soe- 
k&rama zich te Bandjar bevond, gingen alle handelaren enin* 
woners derwaarts. De volgelingen van Baden Tïm&nggoeng 
vluchtten hooger de rivier op, en Pangeran S&moedara kwam 
terug, werd met veel luister ontvangen en plechtig tot vorst 
van Bandjarmasin uitgeroepen: ook de omringende stammen 
erkenden hem als zoodanig. 

Baden T£ïm&nggoeng stuurde wel een leger op hem af, maar 
dat werd verslagen, en nn hadden er gedurende langen tijd 
allerlei gevechten plaats tusschen de lieden die boven op de 
rivier en die meer benedenwaarts woonden. Daar langzamer- 
hand de eerste levensbehoeften begonnen te ontbrek^u^Pa- 
tih Masih aan Pangeran S&moedara den raad om hulp van tfava 
te vragen, en wel aan den Sultan van Dêmak, aan wien alk 
andere vorsten op Java ondergeschikt waren (*). 

Pangeran S&moedara keurde dit goed en zond den Patih B&Ut 

(v>:>jl>) met de noodige geschenken en een brief op rm (*). 
Patih Balit reikte den brief over, en vroeg of de Stiltan ge- 



(*) Het hier ingelaachte verhaal van Patih Masih aan Pangeran S&moedan 
over den val van Ma^japait volgt in zQn geheel hierachter. 

(*) Deze brief was van den volgenden inhond : C^,«3if M«J ÜXjo^ ^!Lw 

J^-i^^ u!;' gV* iJ^-*"^ c;V^ y^y ^^^^^^ U*^^ y^ 
Ui cUf.' Uj^ üJ ^)jÏ ii/^W-;^ ^^^Xr^ CJ^J*3J) Lü ^^ 
C^JuUe Uyy ylsOUc J^M^^^ USi r ï^ J ) jLJ aSnAJ i:^j*^ 

^^^kj^^ ^/y ^ c;^^ e;^'*^' g!/ J^.^ J}^. l^!^ 
nJ^Gki iijk^ -jJüO J\^ J^^J* *S^i*M ^W iS*^^ 



Digit'ized by 



Google 



265 

uegeu was hulp te verleeiien. De Sultan nam dit aan op 
voorwaarde , dat de vorst van Bandjarmasin het Mohamedaansche 
geloof zou omhelzen. Teruggekomen gaf Patih BSlit verslag 
van zijne bevinding, en zoowel Pangeran S&moedara als Patih 
Masih en de andere Patih's verklaarden zich bereid den Islam 
te omhelzen. 

Patih BSilit ging weder naar Dëmak om het antwoord te 
brengen, en nu verleende de Sultan hulp van 1000 gewapende 
maimen, terwijl een Panghoeloe medekwam om hen tot den 
nieuwen godsdienst ie doen overgaan. 

Met de omwonende volken en handelaren aangegroeid tot 
een leger van 40000 man , voeren zij de rivier op en kwamen 

te Rantau Sangiang Gantoeng {^^ ^^ y^j) (O slaags met 
bet leger van Pangeran Tjim&nggoeng , dat op de vlucht werd 
gedreven. 

Daar het echter bleek, dat de oorlog nog lang zou kunnen 
duren, werd op voorstel van Patih Masih de strijd beperkt 
tot een tweegevecht tusschen de beide vorsten. 

Bij de daarop gevolgde ontmoeting zeide Pangeran SSmoe- 
dara: //Ik ben niet vergeten hoe gij vroeger voor mij hebt 
//gezorgd, dood mij dus maar!" Pangeran T&mSngoeng was 
hierdoor zoo getroffen, dat hij zijne lans en schild wegwierp, 
en in de prauw van Pangeran SSmoedara sprong om hem te 
omhelzen. De beide rijksbestierders volgden het voorbeeld hun- 
ner vorsten en gaven elkaar eveneens de handw 

Pangeran T&m&nggoeng noodigde nu Pangeran SSmoedara 
uit in zijne woning te komen , en daar overreikte hij hem de 
kroon en andere rijkssieraden. 



manfjato, het J)bj. ijato of 9ato, vcrganning wagen; mariha moet oom bctee- 
kenen. J3e woorden lawan (voor kalatcan) en sampejan zijn zniver Javaanschv, 
waarmede de schrijftaal (meer dan de spreektaal) trouwens overmld is. 
In ^. is de hnef ecnigszins anders geredigeerd, maar blijkbaar zeer corrupt, 

daar er o. m. van A> r^ ^JJLi ^Hf** gesproken wordt. 
(») In B. ^AÜi' i^siHè yxij. 



Digitized by 



Google 



266 

Pangeran S&moedara werd toen op de aloude wijze tol vorst 
gekroond, en er heerschte groote vreugde onder het volk, waar 
vroeger wederzijdsche fiamilieleden tegen elkaar gestreden hadden. 

Al het volk van NSgara Daha ging nu naar Bandjar, en 
niet lang daarna stierf Pangeran Tam&nggoeng. 

Door den panghoeloe van Dëmak tot den islam gebracht, 
veranderde Pangeran Simoedara zijn naam in dien van Soelian 

Soerinan Allah {^"^ J^-j^'** J^^)- 

De hulptroepen van Dëmak keerden daarop naar hun land 
terug en ook de lieden van Mendawei, Sampit, Pamboeang, 
Kotaringin, Soekadana en Batang-Lawei togen huiswaarts. 
Deze allen kwamen eiken oostmoeson schatting betalen aan 
den Sultan, die op zijne beurt elk jaar hulde bracht aan den 
Sultan van Dëmak. 

De nieuwe Sultan hield overigens de vroegere gebruiken in 
stand, en toen hij kort daarna overleed, liet hij twee zoons 
achter. De oudste werd tot vorst verheven met den titel van 
Soelian Rahmat Oellah^ en de jongste tot adipati met den 
titel van Pangeran Anom, 

Van dezen wordt nog vermeld dat onder zijne regeering de 
onderworpenheid aan Java's vorsten ophield, en gaat de geschie- 
denis tot een meer bekend tijdperk over. (') 



(') Ik eindig hier omdat en in de HSS. blijkbaar eene groote vens-arring 
heerscht, die ik uiet iu staat ben op te beldei-en. 



Digitized by 



Google 



NASCHRIFT. 



Volgeus deze kroniek zijn de elkaar opvolgende vorsten: 

1. Soerja Anata. 

2. Soerja Gangga Wangsa. 

3. Tj^rang Lalewan. 

4. Baden S&ri Kaboeroengan. 

5. Baden Soek&rama. 

6. Pangeran Mangkoeboemi. 

7. Pangeran Tamanggoeng. . 

8. Soeltan Soerinan Allah. 

9. Soeltan Bahmat Oellah. 

In stede van mij op het gebied der tijdrekenkunde iu gis- 
singen te verdiepen, zij hier alleen vermeld, dat Lassen in zij ue 
geschiedenis van den Ind. Archipel (zie de vert. van Dr. de 
Klerck, blz. 114) aanteekeut: //Omstreeks het jaar 1360 der 
/'inlandsche aera (of 1438) zond een vorst van Bandjarmasiu 
^'gezanten naar het hof van Madjapahit. Angka Widjaja droeg 
'^aan een zijner zonen Koeda Bandjaran Sari, die ook wel 
"Tjakra INegara genoemd wordt, het bestuur van dit gebied 
"op, waarna deze zich derwaarts met talrijk gevolg en een 
''leger begaf." 

Afgescheiden van de laatste bijzonderheid schijnt het niet 
ai te gewaagd te vooronderstellen, dat die Javaansche prins' on- 
der den titel van Soerja Anatu , (of Soerja Wi^iata , z. boven), 
aLs eerste werkelijke vorst iu het gebied van Borneo's zuid- 
kust optrad. 



Digitized by 



Google 



VERBETERDE SPELLING VAN EENIGE 
INLANDSCHE PLAATSNAMEN. 

DOOR 

:P. S. .A. 3DE OIjEB;OQ. 



De meerendeels zeer gebrekkige wijze, waarop de iiiland- 
sche namen van plaatsen gewoonlijk met Latijnsche karakters 
geschreven worden, zoo zeKs dat de ware naam uit de tran- 
scriptie dikwerf niet meer te herkennen is, noopte mij bij 
reizen in verschillende gewesten omtrent de juistheid der ge- 
bruikelijke schrijfwijze een nauwkeurig onderzoek in te stellen, 
met het doel hierin langzamerhand eenige verbetering tot staud 
te brengen. 

Het is echter geheel onmogelijk, dat één persoon de vele 
verscheidenheden op dit gebied kan nagaan; maar de hoop, 
dat ook anderen genegen zullen zijn hunne bevindingen mede 
t« deelen, doet mij besluiten reeds nu de aan mij opgegeven 
ware benamingen der regentschappen en districten van vijf 
Residentien uit Oost-Java bekend te maken. 

Wel wordt in de laatste jaargangen van den Regeerings- 
almanak aan deze aangelegenheid veel zorg besteed , maar hoe- 
vele moeilijkheden zich hierbij voordoen, moge o. a. blijken 
uit de opgaven van Dr. de Hollander, in den 3den druk zijner 
Handleiding voor de taal- en volk9nkunde van Ned.-Indie, die 
ter vergelijking tevens zijn bijgevoegd. 

Ofechoon ik verschillende inlandsche Hoofden raadpleegde 
en bij eenigen twijfel de namen liet opschrijven, blijft vergis- 
sing niettemin mogelijk, en houd ik mij voor opmerkingen 
van bevoegde zijde zeer aanbevolen. 



Digitized by 



Google 



269 

Wat de namen der districten» betreft, zoo Tolgen de in- 
boorlingen gewoonlijk den naam der woonplaats van het dis- 
trictshoofd; maar ik kan niet ophelderen, welke regelen daar- 
voor door Europeesche ambtenaren worden in acht genomen. 

Nog zal men bemerken, dat na en dan het aantal distric- 
ten verschilt. Ook dit kan ik niet toelichten, en voor de 
waarheid mijner opgaven alleen aanvoeren, dat zij genoegzaam 
alle op de plaats zelve zijn ópgeteekend. 

Volgens de onderstaande tabel heeft: 
Këdiri : 3 assistent-residentien, 5 regents. en 29 districten. 

Pasoeroewan : 2 f f 3 // en 23 // 

Prabalingga: 2 // 1 a^ en 13 // 

Basoeki: 2 // 3 // en 18 /^ 

Banjoewangi: 1 // 3 '/ en 2 // 



Digitized by 



Google 



270 






9 






-H J 



,| vg 



1 

^ 









bO 

^ s 

H Pu 



i-Ho^iïO'^ifa cHo^cO'^ii^ 



bO 



nodd^qos^uaSo'a 



•ua3ui{99pjY 



•uoiinapisofl" 



c 

es 



§ 



•c 



HÏFN 



ojioiS^ 



urpa^ 



oüOjSj^ 



!MPÜ 



'S* 't: 

il s 



ph o;^ 



bc 



Sr ,s -^ ^ü 

rt rt Ö J* r-* ^ w3 

PM pui H PM H ? W 



-^ï» lO 



uacldBnosinaSg^ 



S 
H 



•iraSuii89pjy 



uai^iwpisa^ 






Ti 



'aoddvqo&^ndSo^ 



•uaSntpapjY 



iidi'^uopiSQ^ 






pH Oi SO rj« <ö 



IMP9N 



5^ 



I S 

rs ï 3 3 



I cb^* «- i 3055-^ «■ 



•r r r 1 -2 

r 3 '2 5 s 



'2r 



\LCtnUJ9 

O O O 






B\tCU^ 






3^ 



Digitized by 



Google 



s 
-c 



3 



•g 

.2 



^ -noddBqoff^uaSag 



•ngSuijQQpjy 



uoi^uapieg^ 



.2 



§ 



'C 



^ ndddsqosiuaSdy; 



'U9Sni|99pjY 



•uai^UQpisog; 



I 
■g 



>n9dd«q99|n9S9<g; 



•uaSuijaapjY 



irai^uopisgg 



271 



^ o 
^ 'T 

i i 

H G5 



•» 




^' 


1 




«v 


1 


i 


i 


g, 

W 


1 




1 


1 



08 



bp 






.1 



60 



C 



^ Sb?jL 






f-< e* «o ■<!fi >o 50 t~ 



t— I OJ oo 






■ÏMP9X 









o 



\&vuüu:^uL» 






O O (J 



d 
•o 



1— 1 o» so ■* l» ® t- 


i-H Oï 50 


£ 


:[8p3SnaJx 


3[öqj9a 


1 


(,) 3[9ï«gSu9JX 


3[9qj9a 


^ 

&0 


HÏPSX 




1 



1 

1 



os .55* Sn ri< ? S «r^ »a> fen lO "^ 




es 



O 



Digitized by 



Google 



272 



I 



&0 



't 

08 

I 
•J 

c 



co 

-€ 
'S 

J 



I 
•g 

I 



I 

'I 1 

ö5 O 



bb 



PQ OQ P M 



-^ift f-(G^0O rHO^lCO'^ 



uaddBqos^uoSo'a; 



•ua^mpapjY 



•uai^uöpiso-ji 



.23 



n9dclBqos^n9S9<g; 



uaSuijdQpjy 



•uai(|uopiS9'a; 



i[9qj9a; (t)TO«sB^j9;5i JV)iia 



i[9qj9^I 



j«^!ia 



'IMP^^Ï 



ecs O 



pq PM U^ h:; ^ 



rs >a3 >a> S 



"^ lO «o l^ 00 






I— ( oi co "^ 



•ÏMP2X 



a 
o 



.22 






- .3 

*^ r 



S 3 ^1 ^ 5 



eg? j^C5 



•noddciios^iigSag 



•uo3ai|99pjY 



•iiai'^UQpisa'g; 



«- J I 3 i 2Ö^' 



U 

\tfvUUUD)UZ» 



\uatu:.w 



'S 

«o 

.2 

c 

H 



o o o 



Digitized by 



Google 



I 
•I 






-3 j uoddBqosiuoS^^ 



•uaSuT|a9pjY 



273 



. S^ i § ''l 

I S Ê 1 X 2 1 'S I 8 




*U«Jl&90jaOSt3J 



■uai^napiso'a; 




E*! •U9dd«qos'^u989|{ 



g udSunaopjy 

rH ! 

•UQi^napisïvg; 



•I 



•u«üaoj90s«j 



•nBjMLaojaosBj[ 



u8ddBnos;ua39^ 



uaSni^dopjV 



•U9i^uapiS8^ 






;^ ^ w 



8 ,5 2 ^' >2 S t^ ïü t^ ö 



rHO^CO-^iO^t^OOCSO 



'U6M90J90S13J 



'n«üOOJ90S«J 



'Uv-JA. dojaosBj 



5-èiS sx 






i^°B 



ê-rS ï) i r^ \ '^ f s' 5' 
r<ï3 V 5'Cg SJ03 C| g \g- 

i 5b ^ * é- J 3 3 3 » 






y^L^Kutufnuf 



XXIV 



12 



Digitized by 



Google 



274 



V 
^ 



O 
^ 



2 









uaddeqos^uaSfyg 



•U92iir[a8pjY 



•U9i'^uapisa^ 



•g 



uaddBiios^uaSa^ 



•uoSnipopjv 



•U3i>iiapiS8'y[ 






S> 



■§> 






bo 



es 

1^ 



tg 



O to 



03 

o 03 



rH Ol eO tJ( o QO t^ 



UBJiaojaostJj; 



■Siitjpjï 



nBüaojöosBj 



SaB^Bjt 



utiiioojaostjj 






I 



SP - 
^ 8 



o bo 

^1 



■Eb 



;^ ^ S (^ 



,J3 

o B 

te ^ 
bc 









rH Öl co «^ lO co t^ 



■U«AV0OjaOSBJ 
■ll«Ai90J9OS«J 



CS 

o 



•2ut5pj\[ 



nBAiaojaosTJj 



'iiadd«qos;u9S3'}i 



•ugSnipopjY 



•U9i:>uopts9^ 



§3 

•3 CS 

I h 



?5 o| 3 

t £. -ib -s^ r I °i rs 






KlfuB(CvtcJrtv 



Digitized by 



Google 



u 




D 




nd 


1 


^ 


O 


.l=i 


C 


HH 

^ 


^ 


-c 




1S 

ft 

en 





^, -uaddBqos^uoSaa 



■II0SuT]98pjY 



•u9i:ju9piso'a; 



2 

os 



^1 

ui 



I 



frj •naddBqos'^uaSa'a; 



2|f 



g i 'uaJoUi^oopjY 



•n8i:^U8pis8^ 



275 



^ J f5 cS 

^ 03| OO Tjï 



550 

g 



1 I §8 

eg pL, H P H 

rH oi 20 -^ iO 



[iSuBg 



*tó3ui][oqojj 



•|iSut?a; 



•uSSuipqojj; 



UBüaojdosBjj 



•eSSiiipqojj; 



9^ s n 
W O Ph O 



CS bi: 



piH H n H 



f-H Öl co tJI 



•jiSuBg 



•p^utjg 



rH Ol co '«?■ iC 

•«SSiiiivqiJJ 



•U«ü90J90S«j; 



•^SSuiisqBJj 



■c 

.2 



ft 



uaddBqos^uaSo'a; 



•U8i>ui|9apjy 



^ 5 r?i 



^ Vti* ax IC» 



vvnitrvu:» 



tl 15 

- ^ |. °i)(2| 



rO 



i éb^-^ ®- 



» 



\tAAt VUf VUX 



KUjutriJVUZDrv) 

'O 



•U9T)uapisa'g 



x^^olcï^rv 



yLOoneuJt 



Ü) 



Digitized by 



Google 



I 



"o 

> 



2 



g 

'tri 

g. 



uoddBqos^naSo^ 



•ua^mpopjy 



•ngi^^napisoj 



-2 



uoddBqas;u9Sag 



•U8i5ni|99pjy 



•uapttöpisan 






=3 

o; 



ü 



■UQddtjqas^uaSa^ 
•U9S(iip8pjv 



•uai:>uapiso'5j 



276 

lil 
111 

«d t*^ 00 



i 

(5 f^ O 1^ P 



fcb 

es 



05 O rH O^ GO 



•|33Tir[oqojjj 



•SnBfpBUiöO'j 



'OTS:j9JB5 :9 



•tóSmpqojj; 



a a o 

lil 

§ g-g 

►3 « (3 



g 



<o 



» 



o 2 .s i g 



Oi O rH Ol co 






^ 



•?3Smt|q|ja; 



^«^ o 



(x)3n'BfpBllI80r[ •UES3[Bi;jI | 



i32«ïi?q5Jd[ 









i i 3 



S Cs C§ 






M|rr 



V iu> n« uzv 



» 



\.2wi»cav 



\¥tH^ 



.Q) 



4 

^ 



M<A)iii>u:« 



K) 



Digitized by 



Google 



277 



I 

o 



I 
■i 



'i 1),^ 






Ph PQ PQ 



W PL, OQ M Ph 






•tta8TIT[99pjV 



*trai'^nopts9;g 



2 






S 



il 

?5 



nadèbqofi^uaSaig; 



iidSiirrdopjY 



'nac^tioptsag; 



è. 



I 



'n9dd«l|96|S889g 



«oSinpdpjy 



oi co Tr< xO 



•p[90sag 



rH ©i 50 ^ XO co 



•Ul?3[90J«m3J 



•ii[90Sog 



nre3{oojBu«j 



•Ti[9osoa; 



.3-1 I. -- 

llj-l 



m 



S r§ il I * 

QQ 1^ Ph QQ h< Ph 



rH ©l 00 T? »^ 



rH C^ co TJH o <;0 



•i^oostsg; 






, I- ^ Svi I? ^ 



i éb ^' «^ ê ft) ^"^ é- j 



\ttHtn0US9 
\tMfr*tlUS9 






*aoi^U9pi89g 



*trtu 



Digitized by 



Google 



278 









bc 



P 



uaddBqos^uaSa'a; 



•uaSuipgpjY 



•uai'^udpiSQ'a; 









p5 g5 p pq ^ pL, 



2 r:^ 






r-4 o^ co Tï« iC co r^ 



rH Ol 



•|S5ü|puoa 



•i5uBü9ofu«a; 



•Bs^Aijpiiog; •iSu«A9ofii'B5 



•jHaosog 



•T2u«ü9o[iiBa 



2 



.2 

i 
I 



I 



0) d 30) S oei 

P-j H 



ff« ^ 



as * 

SP ^ 

2 ^ 

30 o 



rH Ol co Tfi kft co 1>- 



OS ec3 

PQ P§ 
ph ei 



uoddcqos^naSdg 



•uaSuipapjY 



•mMBpuog; 



•i2ïreü8o[Ti«g; 
•iSnBAiaofii'Ba; 



•uai^uapisiya; 



'ii[90SBg; 



^ 






I 



uoddcqos'^uaSQ'a; 



•uaSuipopjY 



•u9i|iiapiso^ 






2 i5 ' 

s^3 -r^ 






- "T 



i éb 55 « ©. j i i cb 






vfr& 



USf 






o 



toïüe 



o» 



Digitized by 



Google 



1^ 

1 

"o 

1— i 


1 

s 


279 


1 

'o 

> 


•uaddBqos^noSa'a 


•Birejqraa(<j 




•ua9ui|aopjY 


•Snaï^pg 




"ii8t)uapis'0'a^ 


•i2uBü9o[uBg 


E 

3 

1 


1 

5 






•noddBqos^uoS^g 


«uwqraafQ 
•Suappdg; 




•naSni^aapjV 


•guaj^pog 


t^ 


•uai'^uapisag 


•i2n«ji9oCu«g; 


ja 


■l 

p 


• 


1 


•u^ddtBqos^uaSag 






•UQaiiT^agpjv 


(t^ ynjUrufLlat 




•n9T'^n9pisd|£ 


o 



e 
o 



CS 

.. -r 

I s 

g , 



s 

I 
1 

(5 



3 

C 
f 
I 



Digitized by 



Google 



. EENE EPISODE 

uit de geschiedenis van Madjapaliit. 

DOOR 

W. S. A. OE CliERCQ. 



Zelden vindt men op de bezittingen buiten Java mededee- 
lingen, die als bijdragen tot de geschiedenis van dit eiland 
kunnen worden aangemerkt, vooral om reden vele daar woon- 
achtige volkstammen in vroegere tijden geen eigen letterschrift 
hadden, en betrekkelijke overleveringen derhalve eerst later zijn 
opgeteekend. 

Dit laatste is o. a. het geval met een Maleisch Handschrift, 
behelzende de geschiedenis der vorsten van Bandjarmasin en Koe- 
taringin , waarin het verhaal is ingelascht van den toestand van 
het rijk van Madjapahit op het tijdstip, dat te Bandjar de 
hulp van den Javaanschen vorst werd ingeroepen. 

Voor zooverre het eene gewijzigde lezing bevat van hetgeen 
ons uit inlandsche bronnen op Java bekend is, heeft; de uitgave 
naar mijn oordeel eenige waarde, en gaat de Maleische tekst 
vergezeld van eene vertaling , waarbij de berichten van Lassen, 
Meinsma, e. a. zijn aangehaald. 

Zelfe indien door dit stuk niets wordt opgehelderd of toege- 
licht, verdient het niettemin de aandacht als eene bijzonderheid, 
van wat elders over een der grootste rijken op Java in de 
herinnering des volks is blijven voortleven. 



Digitized by 



Google 



YERHAAL 



VAN Patih Masih aan Pangeran Bamoedara van de 

WIJZE, WAAROP HET RIJK VAN MaDJAPAHIT IS 
VERVAT.LEN , EN DE SoELTAN VAN DeMAK 

DE eerste vorst OP Java werd. 



Naar luid van het verhaal der ouden van dagen was in 
vroegere tijden de vorst van Madjapahit Tfeö^^^i? Jfó^^ (*) ge- 
heeien, en srijn rijksbestierder Gadjah Mada. Alle aanzienlij- 
ken ^ Java waren aan hem onderworpen en velerlei landen 
als: Bantèn^ Djambi, Palembang y Boegie ^ Mangkasa/r ^ Dfohor^ 
Patcmi , Pahang , Maningkabw» , Atjih , P<mr , erkenden zijn 
oppergezag. 

Na den dood van <ien Patih stierf ook de vorst , en werd 
vervangen door zijn kleinzoon als vorst van Madjapahit. 

De Patih van dezen heette Dipati MahangoemJc^ en zijn 
rijksbestierder Mahaerdma, 

Te dier tijde gaf Dipati MaJia^igoemk bevel aan de lieden 
van Madjapahit, om met tien prauwwi en een aanzienlijk man- 
tri de prinses van Pasir ten huwelijk te gaan vragen (*). 



(*) Dit WW vermoedelijk AngM Widjê^d^ ofschoon de naam vau den Fstih 
ook op Brdwidjdjd kan duiden. (Vgl. Meinsma» Babad ianah Djawa blz. 24). 
Volgens Lassen, (zie vertalittg van Dr. de K. blz. 109), zou bet Martjd Widj^d 
koniieB wezen, wat evenwel aan tw^fel ondeibevig bl^^ft, omdat van zijn groote 
macht uitdrukkeiyk sprake is. Dat hij later door z\|n kleinzoon vervangen werd, 
bewijst nog niets; te meer daar A. W. als zeer verdraagzaam bekend staat, en 
onder zyne regeering de vestiging te Ampel pbiats vond. 

(') Vit overeenkomst met het i^k Pasix op Bomeo, heeft de kroniekschryver 
dezen naam verwisseld met het hem vermoedelijk onbekende Faiei op Sumatra's 
jiooid'Oostkust, de eerste Maleische plaats waar de islam werd aangenomen. 

Het in den tekst gebezigde woord mëlamar is uit het Jav. overgenomen. 



Digitized by 



Google 



282 

De vorst van Pasir kon geen uitvlucht vinden, want daar 
hij Mohamedaan was wilde hij zijne dochter niet geven, en 
was toch bevreesd om het aanzoek van de hand ie wijzen , daar 
de vorst van Madjapahit zeer machtig was en vele landen aan 
hem waren onderworpen. 

Hij gaf echter zijne dochter, om reden hij over zijn land 
en volk geen ongeluk wilde brengen. 

Daarop nam de gezant de prinses van Pasir mede enkeerde 
naar Madjapaliit terug. 

Er wordt niet vermeld, hoe lang zij op zee doorbrachten, 
tot zij aldaar aankwamen en Gagak Batang aan zijn vorst de 
Prinses van Pasir overgaf. 

Deze ontving allerlei geschenken en werd door den vorst van 
Madjapahit tot zijne vrouw genomen; maar zij kreeg eene af- 
zonderlijke woning , kwam met zijne bijwijven niet in aanraking 
en at geene onreine spijzen (*). 

Nadat zij eenigen tijd tezamen geleefd hadden, werd de 
prinses van Pasir zwanger , en toen de tijd daar was beviel zij 
van een zoon. Daarop kwam haar broeder Radja Boengsoe over, 
en bleef ongeveer een jaar te Madjapahit wonen. 

Terug willende gaan (^) werd hij door de prinses tegen ge- 
houden (^), die zeide: //O mijn broeder, ga vooreerst nog niet 
//weg, want niet een mijner kameraden (*) woont hier!" Badja 
Boengsoe drong er echter op aan te vertrekken, en de prinses 
hield het tot twee -^ driemalen met kracht tegen. 

Nu sprak de vorst van Madjapahit : //Blijf hier nog een paar 
//jaren wonen, want uwe zuster verlangt zeer naar u, (^) ab 



(') In den tekst staat : iiadA bëvtjampoer knoan goendiknja Hoe; dit lawttn 
is het Jav. lawan of kalatcan, ook in de spreektaal gebruikelijk. 

(') Manioek, Jav. id. 

(*) Di tangati, zie Daj. Wdb. als het Banc[jarsche woord voor weideren, «er- 
biedeti. M\j werd het verklaard door di iahuni. 

(*) iambah = iëman. 

O Tratna voor het Jav. trUtnS; de in het Wdb. als Sanskrit opgegeven be* 
teekenis van verhingen past in dezen zin het best. 



Digitized by 



Google 



283 

v/zij ziek is. Als gij hier blijft, kies dan slechts eene plaats 
/fxui om een huis te bouwen, en die sta ik (^) dadelijk af." 

Badja Boengsoe keerde niet weder, maar liet zijne lieden 
teruggaan om aan zijn vader, den vorst van Pasir, kennis te 
geven, dat hij door de prinses en den vorst van Madjapahit 
was aangehouden , en hij en de prinses zonden velerlei geschenken. 

Daarop gingen zij, die dezen last ontvingen, op reis, en er 
wordt niet opgegeven, hoe lang (^) zij op zee vertoefden. Eeni- 
gen kwamen te Pasir, bezochten den vorst en deelden hem 
alles mede over Badja Boengsoe, en boden de geschenken van 
dezen en de prinses aan. De vorst zweeg en zeide nietvS. 

Nu wordt alleen vermeld van de verhouding tusschen den 
vorst van Madjapahit en Badja Boengsoe , dat den laatsten werd 
toegestaan uit te kiezen, waar hij wilde wonen. Hij zocht 
eene plaats uit, waar vroeger menschen hadden gewoond (een 
gewezen gehucht), genaamd de doekoeh Ampil Kèdang ('), en 
liet die uitkappen om er eene woning neer te zetten. 

De vorst van Madjapahit gelastte aan zijne lieden daar te 
ontginnen; en er waren groote boomen, die weggekapt wer- 
den, en deze namen zij en maakten er stijlen van (^). 

Op de plaats, waar zij die woiung voor Badja Boengsoe 
oprichtten, vestigde hij zich met vijf lieden en zijne dienaren. 
Tot heden draagt die den naam van Ampil Këdang. 

Toen Badja Boengsoe aldaar eenigen tijd woonde, wilden 
de nabijgelegen dessa^s allen overgaan tot den Islam (^). Maar 
hij durfde niet en was bang. Hij zond zijne lieden naar de 



O Het Jbt. koeld^ in de taal van het dagclijkscli Ieren niet bekend. 

(^ SapaUA, Jav. id. 

C^ Dat R. B. zich te Ampil vestigde, wettigt het vermoeden, dat hij dezelfde 
persoon is als de Arabische priester Baden RaAmai, die later te Ampel in dena- 
b^heid van Soerabaja met 8000 fiunilien ging wonen. (Zie vert. van Lassen 
bl2. 118 en vlg.). 

C) Het hier gebmikte di olaht^a komt in beteekenis met het Jav. olah overeen. 

O In den tekst staat: dna jang parak Uoe përdjalanan Mjilèmuuak itoe; 
het laatste beteekent, dat zij zoo ver af lagen, als er tijd noodig is om rijst gaar 
te koken. 



Digitized by 



Google 



284 

prinses en deze zeiden tot haar: //Wij zijn gezonden door 
//onzen metgezel (^) £adja Boengsoe, die u verzoekt met den 
//vorst van Madjapahit te spreten (^) over de omliggende de- 
//sa's, die allen den Islam wenschen te omhelzen.'' Hierop 
vertelde de prinses aan haren echtgenoot , wat haar broeder ge- 
zegd had. De vorst antwoordde: //Zeg aan mijn jongeren 
'/broeder, dat, wie den Mohamedaanschen godsdienst wil vol- 
//gen, zijn gang maar ga: ik verbied het niet — niet alleen 
//dé desalieden, maar ook de inwoners van Madjapahit, zoo zij 
//het verlangen, maak hen gerust Mohamedaansch"'. 

Nadat de vorst dit gezegd had, vroegen de boden verlof om 
ierng te keeren , en al wat gesproken was brachten zij aan Ba- 
dja Boengsoe over, waarop deze ieder., die het worden wilde, 
Mohamedaan maakte , en zich streng hield aan het geloof in 
den Profeet. 

En het was bekend aan zijne onderhoorigen , dat Badja Boeng- 
soe uitblonk boven den vorst van Madjapahit. 

Nu was er een mantri, Si Api (^) genaamd, van beroep 
petinggi en afkomstig van JDfifiang. (*) D^e kwam met vier 
of vijf lieden om Badja Boengsoe klappers, pisang, aardvruch- 
ten, C^) sirih, pinang, rijst en kippen aan te bieden. De pe- 
tinggi was verstomd op het zien van Badja Boengsoe , hij knid- 
de neder voor zijne voeten en verzocht hem tot den Islam over 
gaan. Badja Boengsoe deed dit en onderwees hem omtrent de 
godsdienstplichteu. De petinggi vroeg daarna verlof aan Ba- 
dja Boengsoe om huiswaarts te keuren, en te huis gekomen 
zeide hij tot zijne vrouw, kinderen en familieleden: //O mijne 
//bloedverwanten, wilt gij te gelijk met mij Mohamedaansch 



(*) Rat andeikoe = Mculja andeikoe. 

(') Paduhkan wordt verklaard 4oor bilangkan; dit woord is in de wooiden- 
boeken niet te vinden. 

(') Si Api is wellicht eene verbastering van bet Dig. n apik, oen geleerde. 

(") Volgens Javaansche bronnen was Djipang de verblijfplaats van den Soenan 
van Koedoes. 

(*) Hoebi en gomhili voor oebi en khndili. 



Digitized by 



Google 



285 

>y worden, want ik ben het reeds?'' Allen (') vonden dit goed 
en vervoegden zich tot Badja Boengsoe met hun verzoek, en 
ook zij ontvingen onderricht. 

Vervolgens bood de petinggi van Djipang aan Badja Boeng- 
soe zijne dochter aan , zeggende : //Ik geef aan u mijne doch- 
^ter om met haar te doen wat gij verkiest: wil mij het hart 
iyverheogen, want ik kan niet in waarheid gelukkig zijn, als 
/rgij mij deze eer niet bewijst!" Biadja Boengsoe antwoordde : 
/fik neem dat aanbod in dank aan." 

Daarna werd de dochter van den petinggi van Djipang door 
Radja Boengsoe tot vrouw genomen, en hij met haar in den 
echt vereenigd. De petinggi \^lbracht deze plechtigheid en 
werd tot panghoeloe verheven. En men verhaalt dat toen de 
panghoeloe van Djipang alom bekend werd , hij van Badja Boeng- 
soe scheidde, en de Vrijdag te Ampil Kêdang werd ingesteld. (^) 
De nabijgelegen desa's gingen tevens allen tot den Islam over. 

Toen de vorst van Madjapahit dit hoorde, werd hij er niet 
boos over, want het was oorzaak dat Badja Boengsoe niet te- 
ragging. 

De zoon , gesproten uit het huwelijk van de zuster van Ba- 
dja Boengsoe met den Vorst van Madjapahit , die was uitgehu- 
welijkt aan de dochter van den vorst van Bali , was drie maan- 
ken zwanger. De dochter van den panghoeloe van Djipang, 
die gehuwd was met Badja Boengsoe, kreeg twee kinderen: 
de oudste een zoon en de jongste eene dochter, maar zij wa- 
ren nog klein. 

Eerst werd de dochter van den vorst van Bali zwanger, en 
toen de tijd daar was beviel zij van een zoon. Nadat dit kind 
ter wereld was gekomen, stierf de moeder. 

Het kind doodde ook de persoon, die het vasthield. Om deze 
reden zeide de vorst van Bali: //Als dat zoo is, is dit kind 



(') Pada in den zin Tan het Jav. pd^. 

O Bërpagat werd mij gezegd bërpoeioes te beteekenen: de juiste zin is mij 
echter niet duidelijk. 



Digitized by 



Google 



286 

//een ongeluksvogel , eii behoeft niet te leven, want het doet 
ff de menschen leed." 

De vorst liet het kind in zee werpen , ^dat het niet op Bali 
//zij , als het onheil wil doen ontstaan in dit land.'' 

Het werd daarop in zee geworpen. (^) 

Door den verhaler wordt medegedeeld, dat een bode van 
Njai Soeta Pepatik te Qrësik, genaamd Djoeragan Balan^ die 
spoedig wenschte terug te gaan naar de zee van straat Balam- 
bangan, iets zag flikkeren. (*) 

Nabij gekomen ontwaarde hij een doodkist ('). Hij liet die 
met een schuitje halen, en het kistje geopend hebbende zag 
hij , dat er een klein kind in* lag. De djoeragan zeide : /'He 
//roerganger en uitkijk, laat ons teruggaan en dit kind me- 
//denemen, want Njai Toemënggoeng heeft geene kinderen, 
//en zal naar mijn gevoelen zeker dat kind gaarne hebben; de 
//ouders zijn niet bekend ; ik veimoed dat het van aanzienlijke 
//personen afstamt, want zijn voorkomen is anders als dat van 
//andere kinderen." 

Die lieden antwoordden : //Wij zijn bang om terug te gaan« 
//om reden Njai Toemënggoeng het wel eens kwalijk kon ne- 
//men. 

De djoeragan vervolgde : // ALs Njai Toemënggoeng het kwa- 
//lijk duidt, dan neem ik (*) de geheele verantwoordelijkheid 
//op mij; als zij boos wordt, kan zij het op mij verhalen en 
//mij met vrouw en kinderen verkoopen. Tk durf (^) het vaar- 
//tuig eene andere richting te doen gaan en haar toorn trot- 
//seeren!" Het scheepsvolk zeide: /'Als gij zoo spreekt, dan 



(') Hier voor zee liet Jav. s^gard. 

(*) Dit is eene gewijzigde voorstelliug vs!i wat iii liet kort door Lassen (blz. 
120 der Vcrt.), en iet« uitvoeriger in het Tijdsch. v. Ned. Ind. (Ie J)eel I! blz. 
277en vlg.) wonlt aangcteekend. In het laatsti^ stuk heet de jmnses, die het kind 
aanneemt, Njai Agettg Pinafe, waarin rnen gemakkelijk /'^ö/i^ herkent , te meer 
daar dit woord ook phigatih geschreven ir. 

(^ Het Jav. tahm. 

(*) Het Jav. mamra. 

C) Wanilafi ^ van het Jav. iraui-, ook hhmtra is uit het Jav. ovcrgoBomeo. 



Digitized by 



Google 



287 

//volgen wij u, maar hoe staat het met den wind, want in 
ff den westmoeson kunnen wij niet terug?'' De westewind ging 
nu liggen en er woe\ een oostewind , eu het vaartuig zeilde 
terug. Tiater woei de wind uit het zuiden, en het scheeps- 
volk (') was verbaasd, en zeide: //In dit geval brengt het 
«fkind ons zegen aan." Toen kwamen zij te Grësik. Dedjoe- 
FBgan nam de kist en bracht die met het kind aan wal bij 
Njai Soeta, en zooals hij tot de matrozen gesproken had, sprak 
hij ook nu: ^Ik alleen durf uwen toorn op mij te nemen: 
//als gij beveelt, dat ik met vrouw en kinderen zal gestraft 
//worden, dan verzet ik mij daartegen niet, daar ik het kind 
/rdurfde meenemen, maar gij hebt dat kind lief; omtrent de 
//ouders bestaat geen zekerheid: ik vrees uwen toom niet.'' 

Njai Soeta Pëpatih antwoordde: //Dank dat gij (^) het ge- 
//nomen hebt, alsof gij tien kains meebracht! Dat kan geen 
/' schade heeten! Al wat mijn eigendom is in het vaartuig, 
//verdeel dat onder het volk als eene belooning van mijne zijde, 
jfen neem gij zelf het vaartuig," De djoeragan en het scheeps- 
volk waren zeer verheugd. 

Het kind werd nu verzorgd door Njai Soeta, en zij zocht 
eene min om het te zogen. De knaap wüde echter niet zuigen, 
en werd eten in den mond gestoken (^) en met santan te 
drinken gegeven. 

Njai Soeta Pëpatih voedde het kind met veel eerbied op ; en 
van af het oogenblik, dat zij het kind aan nam, vermeerder- 
den hare goederen in rijkdom en aanzien. 

Mahoerdara was gestorven en evenzoo de Yorst van Madjapahit. 
De prinses van Pasir , die de echtgenoot was geworden van den 
vorst van Madjapahit , was bij haren man komen wonen. Toen 
de vorst stierf woonde zij te Ampil Këdaug, bekeerde zich, 
en omhelsde den Islam bij haren broeder Kadja Boengsoe. 



( *) Bandéga is een soort vaartuig ; awak handéya = axcak prahoe. 
(*) Njawa of ikam njawa, Bandjarsch = gij. 
C) Üidoehngiy Jav. id. 



Digitized by 



Google 



288 

In het rijk van Madjapahit ontstond opstand en de bewoners 
verspreidden zich naar alle zijden, eenigen naar Bali, anderen 
naar Toeban, Madoera en Sidajoe. Zij[ gingen ieder a&onder- 
lijk op allerlei plaatsen wonen. Eerst gingen op Java tot den 
Islam over de desa^s nabij Ampil Këdang , daarna de pang- 
hoeloe van Djipang , daarna Grësik , Soerabaja, Dêmak, Koedoes, 
en eindelijk het overige Java. 

Na Madjapahit was het grootste rijk dat van Dëmak onder 
den Soeltan, genaamd Sri Alam^ de vorst die de Koeta Ra- 
maja stichtte. 

De geschiedschrijver verhaalt, dat de zoon van Radja Boeng- 
soe Wali AUak werd geheeten, ook wel genaamd Pangeran 
Bonaaig. De dochter van Sadja Boengsoe werd tot vrouw ge- 
nomen door den Soenan van Koedoes , en nadat deze onderwijs 
ontving van Eadja Boengsoe, heette hij ook Wali Alhi of 
wel Pangeran Makctdam. 

Het kind, dat men gevonden had in de zee bij straat Ba- 
lambangan werd eveneens Wali AUak en genaamd Pangeran 
Giri O Veel is er niet opgeteekend, maar wordt verhaald 
door den mededeeler. 



(') Uit stemt overeen met wat Lassen opgeeft (blz. 121 van de Vert.). 



Digitized by 



Google 



NB. Wegem de imerdere oorspronkelijkheid is door 
mij den tekst gevolgd van een te Bandjarmasin geleend 
HS, De H8S, in bezit van het Batav. Gen, dragen 
te veel het kenmerk van minder nauwkeurige afschriften. 



^jtè^yi ^f^ ,<f*^ e/^ CL^Aam c:*o) »jU Jliftj -J.K ()i 
CL^Lo C^J Xi^AM ajU JXaJ ^K Ji.^ ^j]m )y^ ^^^^ 

sf/^^ 6 A li;^*^ *y ^'^ ^V u^"^ c:^«>Ia»^ ^;^' «;^ 
xlS^ CW^ r*''^ u5V* f-^ï-^ ^^^^ f^^, i^^ ff^ri j**»i 

^jJut Aj\ y»M ^)j ^^j\S ^^\i^ ^)0 iiyi JUI jM^li ^1. 

u:^^ ^liVA^ 4>JuJ ij| ci^ lH^ j^i T'^j ^-^.' vj>Jt'.Ad-^ 

#lj) J\y^ o lICo u;^.^ ««^ 4_/*Aij ^U. ^j;ii^ ,A;ïi£; c;>J 
^U! uJ^ c:.^ju»#y jljJ ^a;^;^ ^ c;^' ^--li ciy* cT*^' 
C?o t>?l? Ci^-* ^/i^ ,^1 2d^"b c>^.) c:^^X aAJJ ^) 
cjyü C^^ oj|) ^*»li ,^5yi ^J^ e^Uy Ji ^j;^^^ <^>^^ 



Digitized by 



Google 



290 



JUJJ (^JUU ^óJa 4M*fij -p.). Ci^-^ ci^Jblira^J ^J ^j») 

^iU JytJ ^3^ ^J^^ CJ^jiy*** ^^ ^^ v,:;^' ^S/^ ^^' 

e/l;*^^ e/' ^^^^ c:^Li JIT cLxju ^J v::^^.' Livi CJ^ A!y 
J^*J o-Xft^ *J^^.'*^ CJ^ji^*** ^^ ci^Jbli»^ ^ï. CL^li" CJ^ <:^ 
^y c:^L* 4>iJl c/> jj^ü' ^*w^ (J^ ^j c.lj ^***i) i^J 

c:^^ Jüoj)^ ^-^^H c/^ «Ji-^A^ ^tiXJut C-^jj^ia öj| r ^;U *lAi 

ï^^ vi/^ ^>^ ^W- ^^'i» r*^ ^1; C^-* ^/J^ J/ ^W- 

^/l c:^J ^U ^1; ^^.' i^ ^4»l; c5>f^ ^y ^U ^i;£;jï 

c:^J ci^^ï ^0 4^ï i) cL^%ju«J jUJ ^'j j3Lj ci^Ï 
^-^ »öJ^^ c;^^ /*V J***^ ^J^ ^'^ **^^"' eA/** ^^ 

oUS c:^J jJi^M* r eL;l^ oly ^J v::.^^ -j-K C^^ c:^j ciV** 
c:^jbli25w -P.K ^J ^^Ai^ ^)j c:,,ou*J ^^U vl/ï ci^uum^ 

p^^) *i'^0 (^0 *!)jt c:,^fl^t c5^l»i« ^Mjii -.|^ Ciyc c:^l 



Digitized by 



Google 



291 



c ji* Jlaa^I ^Ujj ci^J v,::^^g4>> cS^ vji^jl *^^*3yj ^^U.«Jt ^j 
^]U.^ c;^l j^U ftj» ^jj C-^^ c:^jj éji" JoLcb 

^Kslf^jr"^ ^^J J/ c:^j> c;^^^ e/^fo-- Ci^ v//i 

óiS ytU {^j^^ u5y^ Ci^«« S(3^ ^^i^ 1*^) fS^ 4^to 
cLi^U^ C^^ c:^^ ^'yi^**» cii^l^ ^' o^J c>JtU»^ ^)j ^^jj£i 

CL^^ ^^^JLcl». i'ljèsD Jijj ^Lm Xam^U) o>^£b ^]L) ^) 

^ï c:^' ci^jblisp^ ^_5•^ ^)0J ^^^t ^^j^— * v::^' ^^0 ^j^) 

^Lm) ijoJub ^UmJ Ci^«« <^^W^ y^ ?r!; ^^ c:^^lisw« «^|. 
jLü ^U ^JLm) ^J*) ^^J c:^' ^^) *iijb ^^JL)j c:^' 

CiU ^iaw ,^^;J^ (•U ^^AÜ vj:^.1 ^\^ ^ ^Um, ci>^ •^^ 

-ijüb (^t^ ^ijji M*M lJ^^ l^^ A**i^ j^ **^^^ y**^ 
cr^) ^_5^ C^-* ^y-*^ ^y ^^^i^^i^ C^?!:^ '^^^^ v-5^^ ^-^-^ 

Ci^** ^j^CoJU) U:,JU ^i^Li^l^ kZJjm y*M ^V ^S\S ó^i J^»mj 

^^«j c:^^ ^^^^ vii^-* ^S^ "^Issüum,! ^Uj) ïjI|^ ^-•^ 

«Sb C^AmiJ JLJ fi£ JÜlAjb CS^ \JL^} y^ ^y Ji ^y 



Digitized by 



Google 



292 



^^jfKué CL^li' CS^ *3U) nó^ CS) t;jj\S dyb ^^ï r^U^ 

ld CLi^ Vji^jj ^*M^ ^K ^ ^)d ^j^ OJ '^^i^' mJ^^ ^JS^ 

-Cftjïi C^-^ ^^i^.' **^ ^i<f*^ i^;^ J^ CL^t*** ^IsJuL*) 

ilLj *1^jJUj J^S* ^j^\^ J^ cl>U Icj iJJyMs c:>o^ J^ 
ji .J j>,v^ ^^ ^{43^ <^^.^ «^ ^^^ /'^r^ ^^ ^'^ ?r!; 
CL^»« ^^5^ **:>^.V. ^;^^^ ^. CS^ er!P^*^ ^-ii^.' 

CiU i-s^J ^^^ Jfï'^''^ teAft- c;^^ ^j^f CS^ ^jir-,*^ 

^'i v^Iao* ^^U^ ^^^y JIsÓLo aIjLü cI^^U»^ — ) . 4ri^^ jCdy 

^jj)dy*» ^J^S\ oj^ v.:i^^y •^l^ c>i^ J'^ ^1^*^ r^ 
%ó^m CJtQ O^^/. ^^^^ c:^^Us\^ éJ\j ^^) C/^ ^i^W^ .^^ 
^^ l1^ lUU. ïi^M» v::^lj ^Ij --'^ 4>i) ^j^ï ^yUlyj 

c:-^' J»^ ^'ï ^ü; CSia óyc ^. ^) J e^y^y \y ^^ ^^) 
^jS cUU. c:^J ^Ij ^)^ t>i) J^^^ ^J^j^ ^^ lH^. 
CS^ v::^) ffji^S jy^ ^Sm» jduLi d/Kl ,_f> aüL5jL ^A^^^it ^^ 
is^y.^ c:^) p,^) c:.,.vx«^j c:^.) ^^) ^üaI* ^J^ ^^\ 

ci;^^^ CJ^^ (Jf^*^ cl;^a*« ^.li^ ^JoJü ^^^juujIÜ' cl;U Ji^J 



Digitized by 



Google 



293 



cLTÏ^ ;Uit-i ^) o^U *J^U yb' ^> Jb jüUj j! JcS^ c:^) 

CiU ÏJ^ ,A/»«il «3 ^^^aa i) C-^^ e:^j! er^*^ vi^'^^ ""«J^^ 

^A^^ljj J»i' r^\S ds ^ï^ j c:^ï 3UJ ^LGj Ci^^ ci^ï «4Xm* 
vi^S" ^j^yjl '^^^jj;^ s^*Vj>;^ u5* c/^l;^ ^'^'^ ^--^ *^^^' 
^^ jU ^£AaJ j^b ^^If ^) r^'ii' ^U^ jUaS' ^ ^) 
sj^S\ c^) ï'^15' ^) ^j») CSy*4 ^^)j Ji ^^5^^* c3^^ 

ï^iz ^ P^li' )^ ^^)^ ^\ij U) ^3;Uy JUJ ^) r^i\S 

^y ^ «-tj^i^ «/V ^ ^*^ tt/^.*^ ^i:/^ ci;*^ r*"' b^^ 

^U^ CJ^^ 2^^' v/l^ ^Sj^^ y^ tti;*^ J^^ ^^^^' J/ 

^ J^-y ]/i^ c/^'' \sk e/^^^i^*^ tt/i' ^'^ y^ e;d^ 
^f[' «ö[5*^ CLjyM ^Ui *JLw *Lü^ )^AJU u^vi-*^ c>j' ^•^ J'^ 
J^ C-^^jjüb ^Isu ^^i^CeJ ^ï ^^.Ui' yty ^^) d^^U C-^^ 
Jd^ oU; cl;^Ij ^y^ ^j^ j!\ ^) ^j;UL CL>U cl;^^; 

^) <— ^^ '•^^^ **^ J'j^ ri^ '*i^^ j^ C-^** r^ M^' 
ji)^ ^«Xc ^j>f^^ ^ï v^Ui' v5>J|' *^f.*>^ \J^jt^ ^^ c/^ 

^)^J cl;^« ci^j) »'^15' ^J e/^"*'^*^ CL^M 3US *Ux<^U 
^5l^J c:^j ^Ui CL^^Mi ^b tXi yfj^j^^ Ci^ib S4XM1 LL^jb 



Digitized by 



Google 



294 
SjS ls^'vj '^i»^J^ e^''^' c.»^'^ ''^ ^^ cLy- Jf«'^U •^ 

^1/ j^) jL ^j sz^] J:v^ clC ,*/j^'^u ^ ^*xi- 

jj^Cu-- 4^^ •^'^ ^^'^ CiU ,£^;Ajjb cL/y** ^L* jj c:^' 
^U ^^U^j cL;y, ^[j iL^\ .UÜJ c:^^ ""(^il^ y^Xc 

^ÏJJ ^) ^U ^/"^ ^Lc JUJ d^' (^JO CXe yJ^y»*X^ è^ 

^JUicLj»^ ^Ij 4::-yt CLy« w>j' ^^^ ^K^L«w« c:^) ^lü 
^j;b ^Ui' r iu^ ^i/J^^ ^i^w' ** L^^ J+<'^U ^j*) |»l- 

^ Vii^^ ♦^li ufr-'^ C^-^ CLi^U »4X**i o*aI«^ ^^ ^;ï«5 

v,::^jbU2y.< ^..^^xi CJU v::^.' ,j***^ ^|; e/'j*^^ e/^*^ i»'^' 
A»*o> v^^ï (j^ij^ vj:^^ v.3yo ^bo ^j^) cS^ jU jj^U c:^) 

,^^ki J^^ ^^j^iiA^r c^Ij ^J^ r^U v.::^) c.^J ^j/2jl***,I jIjü 
CL)/ (V^ H R"^' f^'^ «-Sy** ii;UaLi ^Uj c:^.' <>«0 ^j;UaLi 



Digitized by 



Google 



295 



^^1 jU. ^^ 4>i jy^^ ^^ ci^j) s^^l; ^^ ^f' ö 

^^' c-f;^^ Jj-o)i) c;^y b -^**^ c!^ ^' é^^ ^j^ 
O.JU.J ^^ ^'--^ yM *^ jyy, v-fl/** ^'^^^.'t! ^^j*^ \J^y*** 

^ c>-^^ e/' *i^y*^^ 4*^s^ c.^;^^ e'^ vj:^ou*J <I/^3- ^"^^j 
CLjy** ^b ^^t ^) \j:^Sc)ó ^buJb ci^JL* CLJ^ÏJ c:^ï*i ^. 



Digitized by 



Google 



AANTEEKENINGEN OP DEN MALEISCHEN TEKST. 



Blz. 212. In .B.(i) vindt men voor c:^*U»^ steeds ^^ 
^j:^^^» Daar wordt de naam van den vorat niet vermeld, 
maar alleen ^^;i^y^^ ö-^ Al ^^^ Ci^^»-* kü^j ui^j J*^ 

id. S. heeft na Pahang nog <— ^^^^ en ^^•«^ in plaats 
van /mU. 

Blz. 290. Voor ^^y^ staat in A i^j^A^ ^J} C^^aA. 
id. ^;*^ is in B. veranderd tot ^^\ en C-^j^U^ tot 

id. De naam van de ontgonnen plaats heet in B. enkel 

id. In plaats van ^^^ ^ eAl^^ *^ f ^ ^^ ^' ^-^ 

O^^ftj» ^' wordt deze zin in B. teruggegeven: eA^*^ 

*c:^t iy*j ^^^) ^^^ ^A^UIUL, v::..^^^; 

Blz. 291. InjB. O^^ j^ ^U*« e/^* 

id. De naam ^^*" is in B, weggelaten en vervan- 

gen door ^^f^ e/'^ ^.^ ^^^>^ ^;^^* 

Blz. 294. B. is minder te vertrouwen — zoo staat er van 

de dochter van den vorst van Bali: j^^ ^J^, ^•*^, JlXiu 

^^ *— ^, dat onzin is. 

Blz. 295. In B. eenigszins gewijzigd : vJ*^ e/*;^*' '^ 



O B. is een ander door mij vergeleken HS. uit de bibliotheek v. b. Bat. Gen. 



Digitized by 



Google 



297 

^^ «^ *Ib) ^a/4jJ*5 sji^J «JCvm Oi' yt)^ ^j/')^ *i^' 

Over het geheel wordea de minder dxudel^ke plaatBen door 
vergelijking met Hs. B, niet opgehelderd, daar de a&chrijver 
vele door hem niet gekende woorden blijkbaar geheel wülekeu- 
rig veranderde, zonder den zin daardoor beter verstaanbaar 
te maken. 



^ 



2^ '^ ^^'^ 



,r/ 



V. 



13 



Digitized by 



Google 



DE TROEBOEKVISSCHERIJ 

DOOB 

J. S. G. GRAMBERG. 



INLEIDING. 



Ouder de bedrijven, die de mensch ter hand neemt om in 
eigen voeding te voorzien, of om er een middel van bestaan 
door te vinden , is de vischvangst een der niet minst belangrijke. 
Deze toch wordt uitgeoefend door alle natiën, die daartoe in 
de gelegenheid zijn. De oeverbewoners van belangrijke stroo- 
men en uitgebreide meeren , of zij , die aan de zeekust verblijf 
houden , visschen meest allen, 't zij in het groot , 't zij in het 
klein. 

Wij zullen ons thans met het visschen op groote schaal be- 
zig houden, omdat wij hier een bepaalden tak van bedrijf te 
bespreken hebben, welke eene niet onbelangrijke rol speelt in 
de indische voeding , en niet minder in den inlandschen handel. 

Zooals bekend is , worden in Europa sommige visscherijen in 
't groot gedreven, zooals de haringvisscherij , die ondanks de 
zware concurrentie van andere natiën aan Nederland nog zoovele 
voordeelen oplevert. 

Verder kunnen genoemd worden het zalm- en steur-visschen» 
de kabeljauw- en schelvisch vangst , het visschen naar sardijnen 
enz. Vergeten wij ook. niet te gewagen van de Amerikaansche 
walvischvaarders , die met tal van schepen de poolzeeën door- 
kruisen, en van de cachelotvisschers , die warmer streken op- 
zoeken om hunne kostbare prooi machtig te worden. 

In den regel werpen alle ruime winsten af, en brengt het 
product, als artikel van binnenlandsche consumptie dan wel 



Digitized by 



Google 



299 

van verzending, een belangrijk vertier te weeg in de streken, 
waar men zich met het visschersbedrijf bezig houdt. 

De visscherijen in het groot zijn meest alle georganiseerd; 
dat is, zij werken onder zekere regelingen en bepalingen, die 
of van huishoudelijken en administrativen aard zijn, of bestaan 
in verplichtingen, den visschers opgelegd door de regeering 
des lands, waartoe zij behooren. 

Zulk eene georganiseerde visscherij op groote schaal treft men 
in Indië onder anderen aan in de Brouwersstraat, nabij de 
monding der Siakrivier. Het is de troeboekvisscherij, waarvan 
de hoofdstations zijn: Bengkalis, op het eüand van dien naam, 
en Boekit^Batoe , aan den tegenovergelegen oever der Brouwers- 
straat. Er zijn echter ook nog andere plaatsen, waar de in- 
woners zich met deze visscherij bezig houden, zooab Pariet, 
Boeroe Bakoel en Soeka Bakau in het Siaksche, terwijl op 
het eiland Bengkalis ook nog eenige kampongs worden aange- 
troffen, waar de bevolking zich geheel of gedeeltelijk met 
de troeboekvisscherij afgeeft. Zij zijn de volgende: Soengei 
Alam, Singoro, Klapa Fati, Fangkalan Batang, Si Bahoe, 
Maskoem en Pedeki. De beide eerstgenoemde plaatsen zijn 
echter het hoofdtooneel , waar de omzet plaats vindt. 

Deze visscherij was vroeger gebonden aan tal van regelingen, 
hefSngen, knevelarijen en ceremoniën, welke de zaak voor de 
visschers eer winstdervend dan winstgevend maakten en die-^ 
vreemd genoeg — de bevolking , die zich met de vangst van 
troeboek emeerde, tot het pandelingschap voerde. . 



GESCHIEDENIS DER VISSCHERIJ. 

Het is hier de plaats om eene schets te leveren van den 
vroegeren toestand dezer visscherij, ten einde eene vergelijking 
te kunnen maken met het verleden en het heden en, zoomo- 
gelijk, nla te gaan wat deze niet onbelangrijke tak van bedrijf 
voor de toekomst belooft. 



Digitized by 



Google 



soo 

Deze vmcheiij bestaat al sedert eeuwen. Beeds in Aeia Binr 
doetijd schijnt zij aan eenige r^elingen en bepalingen te zijn 
onderworpen geweest. Dit is op te maken nit de ceremoniën 
die plaats hebben bij de //Troeboek bezwering"", van welke 
plechtigheid de beschrijving hieronder zal Tolgen. 

Hoe echter de regeling der belastingheflSng op de Tisschmj in 
die overoude tijden was , kan nit gebrek aan bronnen niet wor- 
den nagegaan. Men mag echter aannemen dat de opbrengsten 
toen niet zoo drukkend zullen geweest zijn als da heffingen 
door de latere mohammedaansche vorsten van Siak ingevoerd, 
vxwiral na het verdwijnen huuner vioeg^re grootheid ea het 
te xuet giaan vim hun rgkdom. Deze meeaiing putten wq uit 
gegevens van lateren datom, welke ons leeren hoe de sultans 
van Siak uit geldnood de niet drukkende indirecte belasting 4^ 
de ttoeboek veranderden in eene directe heffing, welke zwa^r 
drukte op den vissdbter en de visschenj sterk deed achti»- 
uügaan. 

Deze omstandigheid moet hebben plaats gegrepen na het jaar 
1828 , want Anderson dedt in genoemd jaar in zijne i^nmaioii 
to the East-Goast of Sumatra"" mede., dat de tmeboekvissch^ 
toen zeer bloeide, dat er jaarlijks 14 i^ 15 noillioen vissdioa 
werdeflL gevangen en de sultan ƒ 72.000 aan rechten genoot. 
De kooplieden namelijk, die da troebodc uitvoerctoi naar 
Malakka of naar de Fadangscbe bovenlanden, hadd^i aan uit* 
gaand recht te betalen: 

per 1000 stuks kttit 1* soort 4 doUars 

^ lÖOO /y id 2 // 2Va reaal (») 

ijr 1000 // gedroogde visch 2*/^ // 

In die dagen was de viarktprija dezer artikidcat: 

1000 stuks kuit 1« soort 20 h 22 dollars 

1000 i)f id 8^ // 6 è 7. ir 

1000 ^ gedroogde visch. 8 & 10 ^ 

Het aantal prauwen en netten in gebruik bij de visBcherg 



(*) Sen reaal is / 2 zÜTer. 



Digitized by 



Google 



801 

moet toen zeer belangrijk zijn geweest. Op de vissebers zelven 
drnkte geene belasting en de a&emers regelden bunne yerkoop- 
pngzen naar de betaalde reebten. 

Maar nn kwamen binnenlandsche oorlogen, somtijds ver- 
oorzaakt door tweedracbt tnsscben de leden der vorstelijke fa*- 
müie, dan weder door weerspannige vasalen , die Siak^s oppergezag 
poogden af te scbudden. 

Door dergelijke herhaalde incidenten verloren de Siaksche 
vorsten veel èn van hunne rijkdommen èn van hunne macht. 
Qm in het toenemend geldgebrek te voorzi^i, meende men 
niets beters te kannen doen dan eene directe belasting te heffen op 
de troeboekvisscherij en de uitvoerrechten op den visch en de 
ktrft te lat«n varen. Die nieuwe belasting was zeer drukkend 
voor den visscher, en van dat tijdstip dagteekent dan ook 
het verval der visscherij en de merkbare verarming der bevolking 
XBü Siak, want door het meer en meer dalen van het gezag 
des sultans nam ook het straffeloos knevelen der bcfteiking 
door de mindere hoofden toe. 

De directe belasting op de troeboekvisscherij bestond €^n- 
lijk in eene soort van monopolie. De vissebers moesten namelijk 
van elke 1000 stuks troeboek, door hen gevangen, 800 stuks 
aan den vorst afstaan tegen den halven marktprijs, welke be- 
paling later zoodanig werd gewijzigd, dat de visscfaers de ge- 
heele vangst moesten a^ven tegen vermind^en prijs. Hoe 
drukkend dit ook voor de visschers moge geweest zijn, zouden 
zij in hun bedrijf toch nog een middel van bestaan hebben 
gevonden, indien niet de trouwelooze zendelingen des sultans, 
die het product in ontvangst moesten nemen én de uitkeeringen 
doen , wel de visch ontvingen, doch de betaling daarvoor nalieten. 
Ook wist men door dobbelen op groote schaal de visschers van 
alles te berooven wat zij nog bezaten, en zoo werden de meesten 
hunner eindelijk panddingen hunner eigen knevelaars. 

Er was nog eene andere helling langs welke de arme oever- 
bewoners der Brouwersstraat te gronde gingen. 

Alle vischgetijen waren niet even gunstig, en wanneer de 



Digitized by 



Google 



802 

Tangst tegensloeg, moest men toch eten en sdcli kleeden. Ook 
diende men te zorgen voor de instandhouding van het visch- 
want. De beambten des sultans verschaften deze noodwendig- 
heden dan , natuurlijk tegen verhoogde prijzen. Maar de schuld 
niet binnen den bepaalden termijn betaald wordende, iets wat 
in den regel plaats vond, werd het schuldbedrag verdubbeld, 
en zoo geraakten de arme visschers mede langs dezen weg in 
pandelingschag. 

Dit had tengevolge dat velen hunner uitweken naar de 
omliggende eilanden , of te Malakka en te Singapore een goed 
heenkomen zochten. 

Een groot volksverloop was hiervan het gevolg, want ook 
andere Siakkers, niet visschers, emigreerden insgelijks in me- 
nigte ter ontvluchting aan den druk der overige belastingen 
die het volk arm en den sultan niet rijk maakten. 

Bij de opdracht van het rijk van Siak Sri Indrapoera aan 
het Gouvernement van Nederlandsch Indie in 1857 (contract van 
1858) werd eene andere belasting op de troeboekvisscherij in- 
gevoerd en werden tevens eenige visschersdorpen als onderhoud 
voor de Rijks-grooten aangewezen. 

Elke visschersprauw , uitloopende in den goeden tijd moest 
drie doUars ( ƒ 8. — ) betalen , en in den tijd der schrale vangst 
/ 2,70. Wilde men voor het geheele jaar eene licentie tot visschen 
erlangen dan moest men 24» dollars of / 64.80 storten. Deze 
ongelukkige maatregel heeft een geduchten slag toegebracht 
aan de reeds kwijnende troeboekvisscherij, want hij was ge- 
baseerd op een geregelden terugkeer der vischtijden en op 
een gelukkige vnngst: en de arme lieden werden gedwongen 
tot betaling der hun opgelegde belasting of zij visch gevan- 
gen hadden of niet. 

Dit was de toestand der troeboekvisscherij tot in 1868, 
op welk tijdstip de indische regeering, de belasting opdetroe- 
boek , alsook de pacht op het debiet van opium en zout in het 
rijk van Siak van den sultan overnam tegen uitkeering eener 
jaarlijksche schadeloosstelling. De belasting op de troeboekvis- 



Digitized by 



Google 



803 

scherij werd daarop van / 64.80 op / 40.40 's jaars terugge- 
bracht en alle knevelarij van hoofden en beambten ge&uikt. 
Doch de visschers waren te veel ten achteren en konden niet 
tot hun verhaal komen. Daarbij had de lange druk en de staat 
van slaa&heid, waarin zij verkeerd hadden, geen gunstigen in- 
vloed op hunne energie uitgeoefend. De belasting, hoezeer ver- 
minderd, kwam moeilijk binnen, de visschers bleven in staat van 
kennelijk onvermogen verkeeren. 

Ten einde de verarmde bevolking op te beuren verminderde 
het Gk)uvernement de troeboekbelasting in 1866 andermaal 
en bracht die op de helft van het vorig cijfer, zegge op / EO.20 
per prauw 's jaars. Niettegenstaande dezen vrij milden maat- 
regel bestond er toch nog voortdurend moeite om de belasting 
uit de handen der visschers te krijgen. Elk jaar toonde een 
belangrijken achterstand aan, die met moeite of soms in het ge- 
heel niet kon worden aangezuiverd. 

Thans echter zijn alle moeilijkheden ten deze vervallen. 
Aanvangende met dit jaar heeft de regeering tegen eene jaar- 
lijksche schadeloosstelling de pachten en heffingen overgenomen 
van de vorsten en hoofden van Sumatra's Oost-kust. Hierdoor 
is niet alleen eene meer gelijkmatige werking van het belas- 
tingstelsel in die streken tot stand gekomen, maar ook zijn 
onderscheidene heffingen der inlandsche vorsten a%eschaft, die 
belemmerend waren voor den handel of drukkend voor de be- 
volking. Dewijl men nu had leeren inzien, dat de belasting 
op de troeboek, als drukkende op vrij wisselvallige vangsten, 
minder gunstig werkte, is deze te gelijkertijd afgeschaft en door 
een zekerder werkend aequivalent vervangen y namelijk eene ge- 
ringe prijsverhooging van het zout, dat rijkelijk benoodigd is 
voor het droegen der visch en het inzouten der kuit. Deze 
tak van bedrijf kan zich derhalve voortaan vrij ontwikkelen en 
zal zich ongetwijfeld opbeuren na jaren lang in druk te hebben 
verkeerd. 



Digitized by 



Google 



804 
DE VDSCHVANOST. 

Haaden w^ ons thanfi bezig met den visch, de vangst en 
den omzet. De troeboek wordt in verschillende deelen van doi 
indisdien arch^l aangetroffen. Hij komt verspreid voor iu 
straat Malakka, en aan Somatra's Oofft-knst in de Panei-rivier. - 
Ook vindt men hem in den Btoaw-arohipdi , terwijl Senn vul 
Basel hem mede op Bomeo's Westkust heeft gezien, namelijk 
op de visehmarkt te Pamangkat. De eigenlijke herkomst van 
den treeboek kan echter niet met zekerh^d worden aangegeven. 
Hodgst waarschijnlijk komen zij van den noordelijken mond 
van straat Malakka, van waar zij op gezette tijden en in groote 
scluden naar de Broawersstraat aizakken, waar de vronwel^ke 
viseh hare kuit a&et in de talrijk aldaar voorkomende boch- 
ten, inhammen en kreken. De troeboek is alzoo een trekvisch, 
maar de plaats, waar hij in scholen verschijnt en in 't groot 
gevischt wordt, is tamelijk begrensd. Zij bepaalt zich slechts 
tot ettelijke mijten, strekkende het tooneel der visscherij zioh 
sledits idt van Tandjong Djati, het westelijkste punt van het 
eiland BengkaUs, tot aan 13andjong Balei, nabij de monding 
cier Siak-rivier. Hoogst zelden worden er nog schol^i aangetrof- 
fen voorbij de Siak Ketjil. Hun intocht geschiedt gewoonlgk 
bi) lichte maan en hun aanzijn vemraadt zich doc^r eoie eigem- 
aardige kleine rimpeling van het water en het dartel <q>springen 
van menigeu visch. Hoe talrijk die drommen ook mogen we- 
zen, zijn zij niet zoo dicht /dat een daartusschen in het water 
gestoken róeispaan overeind blijft staan, zooals menig ovet^ 
dreven verhaal der Maleische vissch^^ luidt. 

Opmerkelijk is het , cb.t in straat Malakka geen troeboek met 
kuit wordt gevangen ; inzonderheid niet onder den wal van het 
schierriiand ; alleen vertoonen zich op de hoogte van Singapore 
enkele kuitvisschen , doch de kmten zijn dan van inferieure 
kwaliteit. De inlandsche visschers zeggen dan ook, om dit ver- 
schijnsel te verklaren, dat de troeboekvisschen in straat Malakka 
nog allen van het mannelijk geslacht zijn en eerst bij hun 



Digitized by 



Google 



805 

intocht ia de Bronwersstraat in kidters yeranderen. De waar* 
heid zal hier wel zijn, dat de mannelijke yissohen bij de in* 
trede in de Bronwersstraat zich voor het meerendeel van de vrou-i 
wdijke a&cheiden en alleen htin weg vervolgen of naar de plaats 
hunner herkomst terogkeeren. Dit mag worden aangenomen, 
dewijl onder de duizende kuitviasehen , welke in de l^onwera^ 
straat worden gevangen, slechts ettelijke hommers worden ger 
vonden. Het zon echter ook kannen zijn, dat het mannelijk 
geslacht bij deze vischsoort niet sterk vertegenwoordigd is. 

De troeboek heeft eene gemiddelde lengte van 45 centimeters 
en heeft veel overeenkomst met den elft in Europa. Hij is 
in verschen toestand een vrij smakelijke visch; echter is hij 
wegtos zijne veelvuldige fijne graten voor menigeen een min* 
der aangenaam gerecht. De prijs der visch zonder kuit is dan 
ook veel lager dan van die met knit, waarom de vangst hoofd* 
zakelijk plaats vindt. De knit vindt haar weg door den ge- 
heelen archipel; de visch met. 

De vischtijd wordt verdeeld in twee hoofdtijdperken, namelijk 
de lantang kena of groote , en de bintang kaoes of aehrale 
vsngst. De eerstgenoemde omvat de maanden September, 
Oetober en November. De tweede heeft plaats in de maanden 
Fefamari , Maart en April. Het spreekt vsa zelf dat die visch* 
ti}den, even als zulks met de moesons plaats heeft, niet altijd 
geregeld invallen, en dat het eene jaar rijkere uitkomsten op- 
levert dan het andere. Boven is reeds gezegd dat Anderson in 
1823 de vangst schatte op 14 ^ 15 mUlioen visachen 'sjaars, 
tJmis mag men aannemen dat er tusschen de 7 ii 8 millioen 
worden gevangen. 

Ongeveer 500 vaartuigen worden voor de troeboekvisscherij 
gtkmgi. Zulk een vaartuig < — sampan pamoekat genaamd — 
i$ bemand met vier personen en kost den eigenaar ongevew 
ƒ 60. Het voor de visscherij gebezigde stel netten, poekat of 
arau geheeten, he^ gewoonlijk e^ie lengte van &6 of 42 
vadem. Zulk een stel nett^ kost den visscher dr/ 180. De 
Betiten ^n aUen zc^vuldig gdooid. Hiertoe gebruikt men 



Digitized by 



Google 



306 

koelit tengga, de schors van een boom, die veelinildig in die 
streken voorkomt, en in tamelijk groote hoeveelheden naar 
elders als looistof wordt uitgevoerd. Iemand die zich derhalve 
met dezen tak van bedrijf wil bezighouden , heeft een kapitaal 
noodig van om en bij de ƒ 250 , ongerekend eenige telkens 
wederkeeirende kleine uitgaven voor de uitrusting en de be- 
taling zijner drie helpers, die bf hun loon in geld, bf in een 
aandeel der vangst ontvangen. 

Het maximum van de gevangen visch in den tijd der bintang 
kena wordt berekend op 1000 stuks per vaartuig. Enkele 
malen is de vangst wel eens ruimer en bedraagt het aantal 
visschen 1500 en 2000 , doch dit is eene zeldzaamheid. In de 
bintang kaoes is de vangst veel geringer. Sommige vaartuigen 
brengen dan slechts een 40 ii 50 tal visschen aan, andere nog 
minder. Elke vischtocht duurt drie dagen. 

Gedurende het tijdperk der schrale vangst vertoont zich in 
de Brouwersstraat en omstreken vrij menigvuldig eene andere 
vischsoort , tengiri genaamd , die zoowel versch als gedroogd een 
goeden aftrek vindt, en waarvan de vangst voor den visscher 
eene ware tegemoetkoming is in den slappen tijd der troeboek- 
visscherij. De tengiri heeft in vorm veel overeenkomst met 
den beniteruit den groeten oceaan, doch is van kleiner afine- 
tingen, als hebbende eene lengte van 50, 60 tot 65 centimeter. 

Van de 1000 stuks troeboek zijn er in den regel 800 be- 
schadigd of te klein; van deze wordt gebruik gemaakt voor 
eigen consumptie en het overtollige, als ook de overige afval, 
wordt aan de chineesche tuinHeden ter bemesting van den grond 
afgestaan. Er kómen dus slechts 700 gedroogde visschen in 
den handel, als product van een driedaagschen tocht. Overi- 
gens geven 1000 visschen 800 kuiten (telor troeboek), waarvan 
500 stuks 1* en 800 2« soort. De 1* èoort wordt maar een- 
maal gezouten en heet dan telor tawar. De 2* soort wordt 
tweemaal gezouten en wordt telor masin genoemd. 

De versche troeboek zonder kuit kost te Bengkalis in de eerste 
hand — zegge van devisschers — ƒ4 de 100 stuks; met kuit 



Digitized by 



Google 



307 

/ 8. De kuit 1* soort haalt ©en prijs van ƒ 5 per 100; 
de £• soort de helft. 

In de tweede hand, dat is de prijs waarvoor de telor troe- 
boek door de opkoopers naar Singapore wordt gezonden, is 
deze reeds gestegen van ƒ 5 op / 8 de 100; de 2e soort en 
de gedroogde visch rijzen insgelijks naar rato in prijs. Te 
Boekit Batoe, aan den anderen kant der Brouwersstraat, zijn de 
prijzen in de eerste hand gewoonlijk iets lager. Aldaar wordt 
voor de 100 stuks visch met kuit / 6.75 i / 7 betaald, 
terwijl 100 gedroogde visschen / 3.50 halen. 

BengkaUs en Boekit Batoe bestaan bijna uitsluitend van de 
vischvangst en het daardoor ontstaande handelsvertier. Aan de 
meerdere of mindere mate van levendigheid kan men gereede- 
lijk nagaan, of de vangst al dan niet overvloedig is geweest. 

Aan al die bedrijvigheid, waar te nemen bij inlander en 
Chinees, als er veel visch is gevangen, paart zich echter voor 
het overig deel der ingezetenen een tamelijk groot, hoewel kort- 
stondig ongerief. Het inzouten van duizenden kuiten en het 
droogen van honderdduizenden visschen verspreidt zulk een on- 
aangenamen geur, dat het uiterst moeilijk voor iemand is het 
lang beneden winds van zulk eene vischdroogerij uit te houden. 
Echter mag worden geconstateerd, dat die penetrante vischlucht 
geen overwegend nadeeligen invloed uitoefent op den algemee- 
nen gezondheidstoestand. 

Eer wij dit hoofdstuk sluiten, valt er nog eene opmerking 
te maken. Zij is deze. De handel in kuit en gedroogde visch, 
bijna uitsluitend verkregen door den handenarbeid van ingeze- 
tenen van Nederlandsch-Indie , is in vreemde handen en wel van 
Ghineesche opkoopers te Singapore. Deze regelen den markt- 
prijs en trekken derhalve ook de grootste winsten. Wel te 
betreuren is het, dat tot heden toe geene pogingen door bewo- 
ners van den indischen archipel zijn aangewend, om dien handel 
aan zich te trekken, iets wat bij eenigen ondernemingsgeest en 
volharding toch geene onmogelijkheid zou blijken te zijn. 



Digitized by 



Google 



808 
DE TBOEBOEEBEZWEBING. 

ük bedrijf heeft zijne kansen van tegenslaan. Deze r^«l is 
vooral van toepassing op de visch vangst. A^^cheiden van liet 
verloren gatin van netten, het zinken van een vaartuig, het 
omkomen d&Bs visBchen en meer dergelijke onvermijdelijkheden, 
biedt de visch vangst op zich zelve zeer wisselvallige uitkomsten 
aan. Het eene jaar zal eene goede vangst opleveren, het an- 
dere minder, een derde zal zelis schraal zijn. Ongunstige jaren 
komen alzoo evenzeer voor bij de troeboekvisscherij als bij de 
haringvangst. 

Natuurlijke oorzaken, die ten grondslag kunnen liggen waarom 
er veel of weinig visch komt opzetten, worden door den in- 
lander nimmer in rdcening gebracht. Daarentegen is hij steeds 
g^eigd zijne gedachte^ op bovennatuurlijke oorzaken te rich- 
ten, wanneer een vreemd of onrustbarend verschijnsel zkh 
aan hem voordoet. Dit is ook het geval met den troeboek- 
visscher. Is de vangst eenigen tijd lang slecht geweest, dan is 
het bij hem eene uitgemaakte zaak, dat geheime oorzaken in 
het spel zijn, of vijandige machten de vangst beletten. IKe 
invloeden ten goede te keeren en het booze onschadelijk te 
maken is bij hem wet en plicht. Yan daar de overoude cere- 
monie van het //troeboekbezweren." 

Aan die feesten nemen hoofden en visschers deel, ja ook een 
groot deel der bevolking, want het geldt hier het algemeen 
welzijn: gojbrek aan visch geeft achteruitgang, armoede. 

De troeboekbezwering is echter 'geen alledaagsch fbest; 
daartoe is het te veel beteekenend en te kostbaar tevens. Dai- 
zende guldens moeten worden bijeen gebracht, zal de cere- 
tnonie behoorlijk worden uitgevoerd. Geen enkele formaliteit 
toch mag worden verzuimd, of alles is te vergee& geweest. 

Y66t wij de beschrijviug van het feest zelve geven, dienen 
wij kennis te maken met de hoofdpersoon die de bezwering 
doet. Dit is eene vrouw, die, hoewel van burgerlijke af komst, 
den vorsteUjken titel voert van Djindjang Badja. Deze waar- 



Digitized by 



Google 



809 

digheid is erfdijk en blijft dus steeds in dezelfde fionilie. De 
Hidat schrijft ook voor dat de Djindjang Badja altijd eene 
Ttonw moet zijn. Wel heeft men eens beproefd een manaan- 
testellen als troeboekbezweerder (^), doofa dan gelokte de be- 
zwering niet: de ingeschoven persoon kon niet in geestver- 
rakking kennen. 

Uit een physiologisch of liever psychologisch oogpunt be- 
sehonvd, laat zich deze bijzcmderheid wel eenigzins verklaren. 
Bij de invoering dezer ceremonie zal men wél iemand hebben 
gekozen, die hoogst prikkelbaar van zenuwen was en die ge- 
makkelijk in geestverrukking kon worden gebracht, hetzij door 
eigen opwinding, hetzij door wierook of iets dergelijks. Zulk 
eone eigenaardige gesteldheid der zenuwen wordt allicht een 
familietrek, en dit schijnt door eeuwen heen het geval geweest 
te zijn vooral met de vrouwelijke leden der familie, waarvan 
de ]>pudjang Badja a&tamt. De tegenwoordige troeboekbe- 
zweerster is een oude vrouw, Ëmbong Edah genoemd, welke 
omringd van kinderen en kleinkinderen, in de kampong 
Klapa Fati verblijf houdt. Dewijl hare woning slechts een 
halve paal van de hoofdplaats Bengkaüs verwijderd is, liet ik 
haar op zekeren dag uitnoodigen om mij een bezoek te brengen. 
Hieraan voldeed zij weldra en betrad mijne woning, vergezeld 
van een stoet mannen, vrouwen en kinderen, allen hare ver- 
wanten, die netjes in ietwat bonte kleeding waren uitgedosoht. 
Alleen zij dro^ een stemmig, donker kleed en was met geen 
enkel sieraad getooid. Op hoffelijke wijze werden ^toean sa- 
kertaris" een paar klapfpers en een tros pisang aangeboden en 
spoedig was de kennis gemaakt. Embong Edah is eene vrouw 
van ruim zestig jaren. Hare haren zijn reeds vergrijsd, doch 
haar gelaat draagt nog de sporen van vroegere schoonheid. Hare 
oogen, wanneer zij kalm daar nederzit, schijnen als met een 
zacht waas overtogen, doch als zij in opgewekte stemming ge- 
raakt, verandert die nevelachtige uitdrukking plotseling, die 



n In 1865. 



Digitized by 



Google 



310 

oogen glinsteren dan van een vreemd vuur, iets dat onmid- 
dellijk aan begeisterung doet denken. Overigens is er niets bij- 
zonders of vreemds bij Embong Edah. Zij is spraakzaam en 
mist alle schawheid, welke de vrouwen uit deze streken andere 
zoozeer kenmerkt. 

Gevraagd zijnde of zij de goedheid wilde hebben, iets mede 
te deelen omtrent de plechtigheid der troeboekbezwering , 
antwoordde zij terstond: ^zeer gaarne wil ik alles mededeelen, 
wat op dat feest betrekking heeft , maar .veroorloof mij u te 
zeggen , dat ik niet weet op te geven , wat ik zelve spreek of 
zing, wanneer ik op den //dondang^^ zit. De bathins moeten 
u dit maar zeggen.'' 

Dit werd met zulk een kalme eenvoud, en blijkbare onge- 
veinsdheid geuit, dat hier aan geen bedrog te denken viel. 

!Na eene korte pauze begon Embong Edah hare beschrijving 
van het feest waarvan zij de vorstin is, en bijna woordelijk 
wordt haar verhaal hier wedergegeven, met tusschenvoeging 
echter van hetgeen de bathins daarna omtrent de Djindjang 
Eadja zelve hebben verhaald. 

Den titel van bathin voeren de oude dorpshoofden op het 
eiland Bengkalis; meestal zijn zij nog heidenen even als de 
onder hen levende bevolking. Vier van deze hoofden treden 
op als rijksgrooten van de Djindjang Badja gedarende het feest, 
terwijl hunne vrouwen als staatdames of helpsters optreden. 
Deze acht personen hebben derhalve een werkelijk aandeel in 
de plechtigheid. 

Nog ééne vrouw is er, die geene onbelangrijke rol speelt in 
deze vrij omslachtige plechtigheid. Het is de bidoe, wier 
werkkring later zal blijken en wier betrekking — mede van 
dairvoijanten aard — insgelijks erfelijk is. 



Wanneer tot het feest besloten is en de noodige gelden sdjn 
bijeengebracht, worden er twee feestloodsen gebouwd, één te 
Boekit Batoe en één aan den mond der kleine rivier Beng- 



Digitized by 



Google 



811 

kalis. Deze worden opgesierd met loofen bout gekleurde stoiFen, 
waarvan geel, als vorstelijke kleur, de hoofdtoon heeft. Daarop 
wordt de Djindjang !Badja van hare woning a%ehaald en in staatsie 
naar Boekit Batoe gebracht, vergezeld van de vier bathins en 
hunne vrouwen. Het zijn de hoofden van Bengkalis, Sindra, 
Soengei Alam en Penabal, die steeds daartoe zijn aange- 
wezen. 

Boekit Batoe is de algemeene verzamelplaats, waar tevens 
het inleidend gedeelte der plechtigheid, zegge het eerste orakel 
plaats heeft. Het tweede en voornaamste orakel wordt uitge- 
sproken aan den mond der Bengkalis, waar de Godheid der 
troeboek , Djangi , zijn verblijf op den bodem der rivier houdt. 

Met veel staatsie wordt de Djindjang Badja de feestloods 
binnengeleid. Zij neemt daarop plaats op een soort van di- 
van, bekleed met geele zijde. De bezweerster heeft nu hare 
gewone kleeding a%elegd , want zij is van burgervrouw in eene 
vorstin veranderd. Zij is gehuld in een zijden rok met wit 
overkleed, haar hoofd is bedekt met een geel zijden doek met 
goud doorweven, terwijl welriekende bloemen en gouden hoofd- 
sieraden niet ontbreken. In de hand houdt zij mede een geel 
zijden doek met gouden franjes, benevens een waaier met 
gouden rand. 

Buiten de loods is nu alles levendig. Er wordt gedanst en 
gezongen. De tambourin en andere muziekinstrumenten doen 
zich hoeren. Thans treden de vier bathins op en voeren een 
dans uit met de Djindjang Badja. Deze dans bestaat uit eenige 
deftige ronddraaiende bewegingen, vergezeld van de noodige 
a%emeten lichaamsbuigingen en het beschrijven van figuren in 
de lucht met de beide armen. Hierop neemt de heldin van 
het feest weder plaats op hare verhevenheid, terwijl de vier 
hoofden zich naar de vier hoeken der loods begeven, waar 
niemand anders een voet mag zetten. Nu komen de vier 
vrouwen de Djindjang Badja bedienen. 

Een groot koperen schenkblad wordt aangebracht en een kom- 
foor met gloeiende kolen. Op dat blad bevinden zich de vol- 



Digitized by 



Google 



312 

geilde ingrediënten: benzoë , wehidcmide olie, bntin gerooster- 
de en witte rijst. 

De olie wordt na in hare hancten mtgegotön, waarop aij zich het 
licsfaaam hiermede inwrijft. Nn wordt ook de benzoë in het 
vunr geworpen, en terwijl de welriekende rookwolken voor haar 
<^ti|gen, wordt zij bestrooid met de bruine en witte rijstkor- 
rels. Weldra begint er nu eene verandering plaats te grijpen 
in het wezen der Djindjang Badja. Hare oogen beginnen te 
^insteren en strak op één punt te staren. Zij wordt aLs het 
ware met een anderen geest bezield. 

In dien toestand geeft zij op wat er gedaan moet worden om 
het feest behoorlijk te kuimen vieren en de vier bathins zign 
daarbij de uitvoerders van hare aanwijzingen. Deze bestaan 
gewoonlijk in het opno^nen van het getal karbouwen en geitel» 
die voor het feest moeten worden geslacht, het g^eedmaken 
van het noodige gebak, het in acht nemen van sommige ^fbr* 
maliteiten en dergelijke. Het hoofd van Boekit Batoe, dat den 
titel van laksamana {*) voert, is verplicht alle aanw^zingen 
van de troeboekbezweerster stipt te doen opvolgt. Bij de 
plechtigheid heeft hij evenmin iets te zeggen als de sultan van 
Siak. Alleen hebben zij het recht om naast de Djindjang Badja te 
zitten en haar enkele vragen te doen in het belang der visscherij. 

Maar — al heeft er eene voorloopige aanwijzrag plaats g^ad 
betreflTende de regeling van het feest — het groote woord van 
dit eerste orakel is nog niet gesproken. De geest in de Djin- 
djang Badja heeft nog niet gezegd, wanneer men moet opbreken 
naar de rivier Bengkalis, waar de godheid Djangi moet worden 
opgeroepen. Dit is een punt van angstige afwachting. De groot- 
ste spanning heerscht onder de feestvierende menigte omtrent 
het tijdstip waarop deze openbaring zal worden gegeven. Het 
kan dagen duren, ja zel& maanden eer het gewichtige woord 
overtrekken'^ van de lippen vloeit der in geestvermkking ver- 



O Vlootvoogd. Toen Siak nog een maciitig rijk was, had de lakaunana 
-veel inrloed. Tkons echter is de titel alleen overgcfaleven. 



Digitized by 



Google 



SIS 

keenrende vrouw. En geen wonder! zoolang het fee^ dnnrt 
mag er niet worden gevischt. Soms wordt zij onrustig, als werd 
zij gekweld door kwade geesten; soms geraakt zij door over- 
spanning in diepe bedwehning. Onder zulke onistandigheden 
treedt de Hdoe op. Deze ontdoet de overspannen vrouw van 
hare kleederen en verwisselt die tegen andere. Helpt dit niet, 
dan tracht zij door een eigenaardig, zacht gezang haar weder 
tot bewustzgn te brengen. 

IXt laatste middel helpt altijd, en wanneer de Djindjang 
Badja weder geheel tot hare kennis is gekomen wordt zij ook 
door de bidoe gespijsd en gelaafd. 

Zulke tooneelen kunnen zich dag in dag uit voordoen, tot- 
dat eindelijk de geest het tgdstip van vertrek gelieft bekend 
te maken. Dan komt alles in rep en roer ; de bezweerster wordt 
m een staatsievaartuig, vergezeld van de bidoe benevens de 
vier helpsters, en bewaakt door drie bathins overgebracht naar 
de monding van de Bengkalis. De bathin van Sindra, die als 
aanvoerder der vloot optreedt, opent den tocht en handhaaft 
tevens de orde. Onder zijne bewaring heeft hij de proviand 
voor het feest, alsmede een zeer grooten voorraad van inlandsch 
gebak (^), dat echter niet om te eten, maar voor een ander, 
zeer eigenaardig doel bestemd is. 

Op het vaartuig van den tijdelijken vlootvoogd volgt de 
rijkversierde prauw der Djindjang Badja, gevolgd door 400 h, 
500 visschersvaartuigen. De aanblik van zulk een optocht is 
wel der moeite waard en de anders zoo eenzame Brouwersstraat 
is dan het tooneel van groote levendigheid. 

Bij de aankomst van den stoet in de feesüoods begint het 
tweede gedeelte der plechtigheid: het eindorakel zal er plaats 
hebben. De in zijde gedoschte en met bloemen en goudwerk 
versierde bezweerster wordt door haar gevolg naar den met geel 
beUeeden divan geleid. Wanneer zij tegenwoordig zijn, plaatsen 



v) Het IkOoAIxstlniddecl Id^f^ttti ii rijst In vttTsclulleiidfe ^tmiieii (n berd- 
diagen. Er ia onder die kwee^lewee ved w«4}ft en ketoepit. 



Digitized by 



Google 



314 

de sultan van Siak en de laksamana zich aan hare zijde. De ba- 
thins nemen plaats aan de vier steunpilaren der loods en hunne 
vrouwen zitten achter den divan. De bidoe is nabij. 

Eenige nieuwe voorwerpen, tot de plechtigheid behoorende, 
treffen thans het oog des aanschouwers. Het eerste wat de aan- 
dacht trekt is een met geel bekleeden schommel, — dondang — 
behangen met gouden klokjes. Verder ziet men nog zestien 
siridoozen, op eenigen afstand gerangschikt voor den divan. 

Terwijl het volk daarbuiten jubelt , tandakt en zingt bij het 
geluid van rebana en trommen, heeft in de loods eene belang- 
wekkende ceremonie plaats. Wierookwolken stijgen voor de 
Djindjang Badja op, de inzalving met reukolie heeft weder 
plaats, als ook de bestróoijng met rijstkorrels. De ^begeiste- 
rung" der bezweerster vangt weder aan. Herhaalde malen 
krijgt zij nu zenuwtoevallen ; zij zingt, gilt soms en rolt zich 
over den grond. Dan is de bidoe er spoedig bij om haar te 
kakneeren. Zij waait der half uitzinnig geworden vrouw firissche 
lucht toe en spreekt haar zacht zingend toe. Ook de bathins 
schijnen nu door die geestverrukking te worden aangestoken 
en stellen zich aan als bezetenen. Zij tieren, rollen zich over 
den grond en slaan met armen en beenen {*). 

Eindelijk is de bidoe er in geslaagd de bezweerster tot kalmte 
te brengen, het rapport tusschen haar en de geestenwereld is 
eindelijk tot stand gekomen en ook de bathins keeren weer 
tot de orde terug. 

Langzaam verheft de Djindjang Badja zich van haar divan 
en wordt door hare vier staatdames naar den schommel geleid, 
waarop zij onder het klingelen der gouden klokjes plaats neemt. 
Nu worden een voor een de zestien geesten opgeroepen, die 
met de zaak der visscherij te maken hebben. Het zijn allen 
locale personages , als daar is b. v. de gee^t van Tandjong Padang, 
van Tandjong Djati enz. Voor elk dezer geesten is eene siri- 



(*) Zoa dit welliclit eene Teipliclite geestrerroering zgn? Of souden die 
lieden, bevangen door den indruk Tan hetgeen om lien pUats grqpt, in den ei- 
genaardigen toestand geraken die men laia noemt P 



Digitized by 



Google 



815 

doos bestemd. Zacht schommelend spreekt nu de Djindjang 
Eadja tegen die onzichtbare geesten, en daar niemand die taal 
verstaat, vertaalt de bidoe hetgeen de geesten antwoorden en 
wijst tegelijk de siridoos aan van den geest die het ^iroord 
voert, b. v. die van Blakan Banten of van Tandjong Moentei. 

Zoo wordt door elke geest, op zijne wijze, de oorzaak aangegeven 
van het wegblijven der visschen. Deze opgaven komen gewoonUjk 
neder op het niet behoorlijk opvolgen van enkele ceremoniën, 
gebrek aan eensgezindheid onder de visschers, het niet naleven 
van de alonde Hadat, de inhaligheid van sommige hoofden en 
zoo al meer (*). Daarbij worden dan ook de middelen opge- 
geven , die tot herstel van het envel moeten leiden, zegge om 
de kwade invloeden, welke in het spel zijn te vernietigen. 

Terwijl dit tooneel in de loods plaats heeft, hondt de bathin 
van Sindra met zijn vaartuig de wacht aan den riviermo]>d. 
Ook heeft hij in dien tusschentijd nitdeeling aan alle visschers 
gedaan van het onder zijne bewaring zijnde gebak. Nauwkeurig 
wordt nu achtgegeven of de godheid der troeboek teekenen 
van aanwezigheid geeft, hetgeen dan beteekenen moet, dat hij 
genoegen heeft genomen met het feest en hij de verzoenings- 
middelen, aangewezen door de zestien geesten, gelieft te ont- 
vangen. 

Op een gegeven oogenblik — altijd nadat de bezweerster en 
de bathins 24 uren gearbeid en gevast hebben — krijgt de 
eerstgenoemde eene nieuwe doch laatste geest verrukking, ter- 
wijl in de onmiddellijke nabijheid van het vaartuig des vloot- 
voogds eene sterke opbruisching plaats heeft. De godheid Djangi 
heeft gesproken ; hij is voldaan I 

Een luide jubelkreet uit duizende keelen klinkt over het 
water; de vlootvoogd geeft een teeken en — een eigenaardige 
waterstrijd vangt nu aan tot besluit van het feest. Het uit- 
gedeeld gebak dient daarbij tot projectielen. Honderde ketoepat's 



O Het verdient opmerking dat geen dezer geesten ooit ab zijne meening heeft 
opgegeven, dat door de drukke stoomvaart in Straat Malakka, de troeboekscholen 
•oms uiteen gedreven worden! 



Digitized by 



Google 



816 

en wkljid^s Yliegen nu door de lucht en wee! den neos, welke 
door znlk een vreemden kogel wordt getroffen. AUerwege 
heersebt gelach en gejaich. De roeispanen plassen, de vaartui- 
gen klieven snel in alle richtingen het water om hier of daar 
een tegenstander te ontmoeten, met wien een appeltje te schillen 
is, en niet eerder eindigt het gevecht, voordat het laatste stok 
gebak als projectiel is aangewend. 

Het feest is geëindigd. De vischvangst zal weer overvloe- 
dig zijn en de Djindjang Eadja keert als gewone burgervronw 
in den boezem van haar gezin temg. 

Tot herinneringsrteeken aan znlk e^ feest wordt aan de 
monding der rivier Bengkalis een karbouwenkop opgehang«i. 

Aan het slot dezer niet overdreven schets kan nog worden 
gewezen op eene legendarische anecdote, welke van onder op 
kind overgaat en het bewijs levert hoe onvoorwaardelijk de 
landzaat geloof hecht aan de kracht der troeboekbezweriug. 

Lang geleden — ja, meer dan honderd jaren — zond de sultan 
van Lingga eene boodschap aan den vorst van ISiak, meldende 
dat hij uitermate verlangend was om troeboek te eten, en hij liet 
derhalve dringend verzoeken om eenige van die geliefkoosde 
visschen te mogen ontvangen. De sultan van Siak, als jonger 
lid van het vorstenhuis Djohor-Lingga , wenschte niets liever 
dan zijn //ouderen broeder'*' genoegen te doen en gelastte dat 
men onmiddellijk op de troeboekvangst zou uitgaan. 

Maar — er was geen visch ! Men was te midden van den 
bintang kaoes. 

De visschers verklaarden alzoo hanne onmacht aan de kam- 
ponghoofien om zelfs een enkele troeboek te leveren. Deze 
laatsten gaven hiervan kennis aan de datoe's en de datoe^s 
maakten dit eerbiedig bekend aan den vorst. De sultan van 
Siak wQde echter ditmaal niets weten van den bintang kaoes. 
De vorst van Lingga had om troeboek verzocht en dit verzoek 
was zoo goed als een bevel: er m^esi visch komen. De vorst 
gelastte alzoo eene troeboekbezweriug. 



Digitized by 



Google 



317 

Met een bedenkelijk gelaat verscheen de Djindjang Radja 
voor Siaks sultan, en trachtte te betoogen , dat op dien oogen- 
blik eene bezwering vruchteloos zou zijn omdat het midden 
in den schralen tijd was. 

Toen werd de sultan ongeduldig en sprak: ff\k beveel niet- 
temin dat de plechtigheid zal plaats hebben I waartoe dient an- 
ders eene bezwering? In gewone gevallen heeft men die waar- 
lijk niet noodig. Zo» die echter bËjken mocht vruchteloos te 
zijn , dan zal ik haar doen afschaffen, want aan nuttelooze plech- 
tigheden heeft men niets/^ 

De troeboekbeezwerittg had alzoo plaata op "svoxsten bevel. 
Niets werd daarbij verzuimd. AUe eeremonien werden stipt in 
acht genomen. De plechtigheid liep dos zoo volledig mogeUjk af. 

Daarop togen de visschers uit, vol twijfel of zij wel iets 
zouden vangen. 

Maar o wondert p83 wacen de nett^ uitge^t of duizende 
troeboekvischw acboten toe ^ vulden dia zoodanig, df^t zy 
nauwelijks konden worden <q)gehaald en de vaartuigen te klein 
waren om al de gevangen visschen te b^gen. 

Toen mien den sultan de tijding bracht van deze gelukkige 
vangst, was deze zeear verheugd, dewijl hij nu kon voldoen aan 
het verlangen van zgn ondieren broeder, die in eere gezeten 
was op dan troon van liin^a: ^b^Nu zie ik", spjpak hij, //dat 
de troeboekbezwering geene ijdele zaak isT* 



Digitized by 



Google 



DE PRIESTERSCHOOL 

TE 

TEGALSARI, 

DOOK 

den oêpt. kanifoleur bij het binnenlandêcA-bestttur op 
Java en Madufa, 

F. F O K K E N S. 



Terwijl in 1742 geheel midden-Java het tooneel was van 
beroeringen en onlusten , door den Chineesch-Javaanschen oorlog 
in het leven geroepen, en iedereen naar de wapens greep om 
sdch, hetzij aan de zijde vanden Soesoehoenan PakoeboewanI 
n, hetzij aan de zijde van den pas uitgeroepen tegenkeizer 
Mas Gauendi te scharen, leefde er in het Panaragasche , op 
de plek, waar nu de beroemde dessa Tegalsari staat, een priester, 
die zich door zijn godsdienstzin en vroomheid een groot aan- 
zien bij zijne geloojEsgenooten verworven had. Hij was algemeen 
bekend onder den naam van Kjahi Agoeng Kasan Besakie. 

Eenige j^n te voren had hij zich in de- eenzaamheid afge- 
zonderd, en eene kluizenaarshut gebouwd in het uitgestrekte 
bosch, dat zich destijds van den voet van het Wilisgebergte 
over de vlakte van Panaraga uitstrekte. 

IMdr, ver van het gewoel der wereld, leefde hij een tijd lang 
ai^ezonderd, zich voedende met wortels en kruiden, en zich 
wijdende aan de zaak van God. 

Mocht hij er ook in slagen zich een poos aan de vergetelheid 
te ontrukken, lang duurde dit niet. 

Weldra toch kwamen velen zijner geloofsgenooten zich bij 



Digitized by 



Google 



819 

hem nederzetten om zich in den glans zijner heiligheid te 
koesteren. 

Hij onderwees hen uit den Koran en leerde hun den dienst 
Tan Allfth en den Profeet. 

Het aantal zijner volgelingen groeide langzamerliand aan, en 
weldra had zich uit de onaanzienlijke, door den kluizenaar ont- 
gonnen plek eene groote bloeiende dessa gevormd, waaraan 
men den naam van //Tegalsari" (bloementuin, lusthof) gaf. 

Den 30"*®** Juni' van het jaar 1742 ging de zon van den 
Soesoehoenan PAKOEBOEWANi II voor een tijd lang onder. Het 
Chineesch-Javaansche leger, met Mas Gabenoi aan het hoofd, 
had de troepen van den Soesoehoenan totaal verslagen, en rukte 
rechtstreeks op Kartasoera aan. De stad werd omsingeld en 
met weinig moeite genomen. 

Ter nauwemood ontkwam de Soesoehoenan, door slechts wei- 
nige getrouwen en door de gecommitteerden der Kompagnie 
vergezeld , aan het gevaar. Hij vluchtte naar het Madioensche, 
verzamelde zijne verspreide benden, en deed van daaruit ver- 
geefsche pogingen om zijn verloren kroon te herwinnen. Moe- 
deloos geworden door die opeenhooping van tegenspoeden, bleef 
hij geruimen tijd werkeloos. Hij begaf zich naar PanaragS, en 
zocht door bidden en boetedoeningen de gunst van All&h te 
herwinnen. In de dessa^s Tamanaroem, Setono en Karanggebang 
liet hij bidkapellen bouwen, en bracht daar dagen lang in ge- 
meenschap met Allfth door. 

Zijne vrienden zochten te vergee& naar middelen om hem 
weder moed in te spreken. Niets hielp. 

Ten laatste gaf men hem den raad de hulp van een heiligen 
priester in te roepen, en dien te verzoeken zijn voorspraak bij 
AMh te willen zijn. 

Kjahi Agoeng was de aangewezen persoon. 

Niemand dan hij, de heilige man bij uitnemendheid, was 
daarvoor beter geschikt. 

Op een morgen toen Mas Gabendi met al den luister van 
een oostersch vorst zich den volke vertoonde, toog Pakoeboe- 



Digitized by 



Google 



8SQ 

wIna n, slechts door twe^ getvouwen v^f^ezold, als «en boe- 
teling op weg naar Tegalsari. 

Do klmzenaar ontving hem met alle oerbewijsing^ aan üijnen 
rang verschuldigd. 

FAKo^BOBwiNi veroottoioedigde zioli voor heaaa, en smeekte den 
Kjahi zijn voorspraak te willen zijn bij Allah, en voor hem 
om bijstand te bidden, opdat hij weder in ^t bezit znooht ge- 
raken van zijn kroon, da erfenis zijner voorvaderen. 

Tevens deed hij de gelofte dat, bijaldien hij herstdd mocht 
worden in zijne waardigheid , hij de dessa Tegalsari zon msikea, 
tot de bakermat van den Isl&m in zijn rijk, haar zon a&taan aan 
KxAJSi Agoeng en zijne nakomelingen, en haar verheffen tot mer- 
dikan dessa, d. i. haar voor altijd zon vrijstellen van het betalen 
van belasting, 't doen van gedwongen leveringen en het praes- 
teeren van beerediensten. 

De pangéran van Madioera verdreef kort daarop HasGabkkdi 
uit Kartasoera en de Kompagnie herstelde den verdreven 8oe- 
soehoenam in zijne ntiacht. 

PAKOEBOBwlNi hield woord. 

Hij stond Tegalsari af aan Kjahi AoosNa en zijne nakome- 
lingen, onder voorwaarde dat zij zich te allen tijde zonden 
wijden aan het geven van onderwijs in deoi Mohammedaanschien 
godsdienst en zoo mogelijk jongelieden tot het priestersmbt 
zouden opleiden. 

Hetgeen vroeger eene toewijding geweest was, werd nueeoe 
verplichting voor Kjahi Agoeno. 

Dit verzwakte evenwel zijn ijver niet. 

Hij ging voort met zijne volgelingen de leer van AlUh te 
onderwijzen, en hun de verplichtingen in te prenten» welke AUfih 
zijne geloovigen heeft opgelegd. 

De reuk zijner heiligheid, die zich al meer en meer verspreidde, 
en niet het nmst de vrijwording van Tegalsari, maakte, dat de 
bevolking in korten tijd aanzienlijk aangroeide. 

Jongelingen van wijd en z^d maakten hon have en goed te 



Digitized by 



Google 



321 

gelde en deden pelgrimstochten naar Tegalsari om daar het 
wezenlijke onderricht in hnnnen godsdienst te ontvangen. 

Eene moskee werd opgericht, en verblijfplaatsen voor die 
jonge lieden in gereedheid gebracht. 

Zoo ontstond langzamerhand de alom beroemd gewordene 
priesterschool van Tegalsari, die tot op den huidigen dag hare 
vermaardheid heeft weten te bewaren. 

Kjtahi Agoeng stierf op hoogen leeftijd , betreurd door leer- 
lingen en vrienden. 

Zijn oudste zoon Kjahi Iljas volgde hem op. Deze drukte 
de voetstappen zijns vaders en werkte ijverig meê aan de uit- 
breiding der school. Ongetwijfeld zou hij veel meer tot den bloei 
en de ontwikkeling van Tegalsari hebben bijgedragen, ware het 
niet dat een vroegtijdig sterven hem zulks belet had. Nu moest 
hij zijne plannen overlaten aan zijn oudsten zoon en opvolger 
Kjahi JahjI, die volstrekt niet voor zijn taak berekend scheen. 

Onder zijn bestuur toch ging Tegalsari hard achteruit. Het 
onderwijs werd verwaarloosd en de leerlingen nagenoeg alleen 
tot profijt van den Kjahi gebezigd. Eene dergelijke handel- 
wijze bleef niet onbekend aan het hof van Solo, en had het ont- 
slag van KjAHt Jahja ten gevolge. 

"Van het ontslag bestaat nog een authentiek stuk. 't Is een 
brief, zonder zegel of dagteekening ; alleen aan het hoofd be- 
vindt zich nog een roode vlak, ten bewijze dat daarop vroeger 
een zegel is geplaatst geweest. 

Namens den Soesoehoenan Pakoeboewana III wordt daarin 
door Tapsïee anom Adiningbat, hoofd-pangoeloe van Soerakarta, 
aan Kjahi JahjI medegedeeld, dat het bestuur over de dessa Te- 
galsari voortaan is opgedragen aan zijn jongeren broeder Kjahi 
Kasan Besaeie n. De Soesoehoenan is tot dezen stap overge- 
gaan, omdat Kjahi Jahja zich niet meer houdt aan de voor* 
waarden, waarop deze dessa hem is afgestaan geworden. De 
jongelingen, die te Tegalsari komen, genieten nagenoeg geen 
onderwijs meer. Dit toch strekt zich slechts uit tot het af- 
schrijven van eenige vellen van den Koran, terwijl voor het 

XXIV 14 



Digitized by 



Google 



322 

overige de jongelieden gebezigd worden om ten voordeele van 
den Kjahi padi te snijden en kedelé te planten. 

Kjahi JahjI moest dus afstand doen van het bestuur ten 
behoeve van zijn jongeren broeder Kjahi Kasan Besakie II. 
Dit had plaats omstreeks het jaar 1800. Het vorige jaar 
(1799) was Kasan Besaeie II in het huwelijk getreden 
met de nicht van den Soesoehoenan PakoeboewIna IV, dié 
haar de dessa Karanggebang (Panaraga) met de onderhoorigheid 
Poh Lima als bruidschat medegaf , onder voorwaarde dat die 
dessa uitsluitend bestemd zou blijven voor het onderhoud van 
haar en hare erfgenamen. 

Yan deze schenking bestaat eveneens nog een authentiek 
stuk, en wel een brief van denzelfden Tapsibranom Adinino- 
RAT, hoofd-pangoeloe van Soerakarta. Het stuk is duidehjk 
bezegeld, doch zonder datum ofhandteekening. Het is namens 
den Soesoehoenan geschreven, en gericht aan deRADÈx Ajoe, 
echtgenoote van Kasan Besabis. 

In 1835 stierf zij, en bleef Kasan Besarie het vrucht- 
gebruik der dessa Karanggebang behouden. 

In die dessa werd zij ook begraven, en aan de inwoners 
daarvan het onderhoud van haar graf opgedragen. 

In 1830 werd het gebied der vorsten van Djokjakarta en 
Soerakarta beperkt tot de gewesten Soekawati, Padjang, Ma- 
taram en Gk)enoeng-kidoel, en al het- overige ouder het Neder- 
landsche Grouvernement gebracht. Tot dit laatste behoorde ook 
de tegenwoordige residentie Madioen en daarmede dus tevens 
de dessa Tegalsari. 

De politiek van het Gouvernement bracht mede de instel- 
lingen, die op den godsdienst berustten, te laten blijven loo 
als ze waren, en hen, die de voordeelen van die instellingen 
genoten, niet te berooven van het privilegie in der tijd door 
de Javaansche vorsten geschonken. 

Aldus behielden de merdikan en pakoentjen dessa*s hunue 
voorrechten. 

Volgens de kroniek der dessa Tegalsari zouden genoemde 



Digitized by 



Google 



323 

dessa's op de volgende wijze in hunne privilegiën door ons 
Gouvernement bevestigd zijn geworden. 

Na de overname van de residentie Madioeu door het N. I. 
Gouvernement werden de hoofden der pakoeutjen enmerdikan 
dessa's opgeroepen om te Magetan te verschijnen op Vrijdag 
(Paing) den 15^*° Sapar (jaar Djé) 1758, overeenkomende met 
het jaar 1830 onzer tijdrekening. 

Daar werd hun door den kommissaris Lawick van Pabst, 
in tegenwoordigheid van het lid van den Eaad van Indië Mer- 
Kus, den Pangékan Adipati Pakoe Alam II van Djokjakarta, 
den hoofd-regent vanMadioenPANOÉRANRoNGGA AeiaPrawi- 
bIdiningrat en alle andere regenten van die residentie te ken- 
nen gegeven: 

1® dat het Gouvernement het bestaan der pakoentjen en 
merdikan dessa's bevestigde, 

2^ dat deze dessa's vrij werden gesteld van heerediensten en 
belastingen, 

3** dat de pakoentjen dessa's moesten zorgen voor het onder- 
houd der graven, 

4^ dat het de wensch der regering was dat de gebruiken 
van het hof van Djokjakarta zouden worden gevolgd. 

Den 29**^ December 1833 werden deze bepalingen door den 
resident Launt nogmaals aan de hoofden der pakoentjen en 
merdikan dessa's in tegenwoordigheid van wijlen den hoofd- 
regent van Madioen, Pangéran RoNGGA Aria Prawiradinino- 
BAT medegedeeld. 

Het Gouvernement handhaafde daarmede bij mondelinge au- 
torisatie de voordeelen in de tijd door den Soesoehoenan aan 
de merdikan en pakoentjen dessa's verleend. 

Bij besluit dd. 23 September 1853 no. 2 (Stbl. no. 77) 
werd dit verder schriftelijk bekrachtigd. 

Den 9^*" Januari van het jaar 1862 stierf Kjtahi Bagoes 
Kasan Besarih II in den ouderdom van 100 jaren, nala- 
tende 10 kinderen (waarvan de oudste 70 en de jongste 26 



Digitized by 



Google 



324 

jaren oud) en 44 kindskinderen , welke hij allen aan zijn sterf- 
bed vereenigd mocht zien. 

Den 10*^*" daaraanvolgende des voormiddag ie 11 ure werd 
het lijk op de b^raafplaats van de familie van den overledene 
(in de dessa Tegalsari nabij den tempel gelegen), op de ge- 
bruikelijke inlAndsche wijze ter aarde besteld, waarbij de voor* 
naamste hoofden en geestelijken der afdeeling, ten getale van 
ongeveer 8000 personen, tegenwoordig waren. 

Onder het ruim . zestigjarige bestuur van Kasan Besabie 
had Tegalsari weder zijn vroegeren luister herwonnen. 

Hij zorgde voor een goed gehalte van onderwijzers^ en breidde 
de school zoo veel mogelijk uit. Bij zijnen dood telde deze 
ruim 800 leerlingen. 

Kjahi Kasan Anom, de oudste zoon van Kasan Besakie, 
werd nu door het Gouvernement tot hoofd van Tegalsari aan- 
gesteld, onder dezelfde voorwaarden, waarop zulks vroeger door 
den Soesoehoenan was gedaan. 

Karanggebang met de onderhoorigheid Poh Lima werd van 
Tegalsari gescheiden , en als hoofd daarvan aangesteld Baden 
Kasan Bipangi, echtgenoot eener dochter van Rabkn Ajoe 
Kjahi Bagoes Kasan Besabie. 

Kasan Anom stierf in 1878. 

Zijn jongere broeder Kjahi Kasan Kalipa volgde hemop. 

Sedert dien tijd is er in het bestuur van Tegalsari ^eene 
verandering gekomen. 

Van de kota Panaraga is Tegalsari slechts zes palen ver- 
wijderd. De postpaarden brengen ons in één uur over den 
fraaien met asemboomen beplanten weg naar post Ngotek , 
waar we een zijpad inslaan, hetwelk ons in tien minuten 
naar het doel van onzen tocht voert. 

Even als de meeste merdikan dessa's vertoont Tegalsari door 
de netheid van huizen en erven eene groote mate van steffelijke 
welvaart. De eigenaardige zucht van den inlander om zijne 
gegoedheid door het aanbrengen van steenen muren rondom 
zijn erf te doen blijken , wordt ook hier aangetroffen. 



Digitized by 



Google 



325 

Tegabari wordt tot de grootste dessa's van het regentschap 
Panaraga gerekend. De bevolking bedraagt 1679 zielen, terwijl 
sawah velden eene oppervlakte van 208^/3 bouw beslaan. 

De groote pasar wag^, in de nabijheid gelegen, brengt le- 
vendigheid en bloei aan de dessa , reeds zoo aanzienlijk gewor- 
den door hare hoogeschool. 

In het centrum der dessa staan eenige gebouwen, die met 
betrekking tot de geschiedenis van Tegalsari onze aandacht 
verdienen. 

Op de pkats, waar Kjahi Agoeng zijn kluizenaarshut 
bouwde, staat nu een groot steenen huis met dito pendoppo. 

't Is opgericht door Kasan Besarie II, en heeft hem en 
zijne nakomelingen steeds tot woonplaats gestrekt. Zijn zoon, 
Baden Adipati TjakranegarI, de tegenwoordige regent van 
Panaraga, broeder van den huidigen Kjahi van Tegalsari, 
heeft er het eerste levenslicht aanschouwd. 

Het huis met bijbehoorend erf is door een hoogen steenen 
muur omringd, en daarmede van de moskee, die er ten N. 
W. van ligt, gescheiden. 

Achter de moskee heeft men de begraafplaats, waar de vroe- 
gere bestuurders van Tegalsari, van Kjahi Agoeng af tot Kjahi 
Anom toe, hunne laatste rustplaats hebben gevonden. Deze 
graven vormen het heiligste plekje van de geheele dessa; het 
mag alleen door de familieleden van den Kjahi betreden wor- 
den, die ook zelf het terrein schoonhouden. In het bizonder 
wordt het graf van den stichter van Tegalsari vereerd, w^aar 
boven een klein gebouwtje met eene pendopo is opgericht. 

De moskee zelve is een vrij groot gebouw, van steen opge- 
trokken en met sirappen gedekt. De vloer is ongeveer vier 
voet boven den beganen grond. 

Een steenen stoep, bestaande uit twee treden, vergemakke- 
lijkt het binnenkomen. 

In elk der treden is een groote steen gemetseld, afkomstig 
uit het Hindoe tijdperk, ter lengte van 1 ^j^ meter, ter breedte 
van 2 en ter hoogte van l^j voet. 



Digitized by 



Google 



826 

De bovenste steen bevat aan de voorzijde een nog zeer dui- 
delijk opschrift, zooals op nevensgaande afbeelding isaang^e- 
ven. De onderste steen is door den tand des tijds te veel 
aangetast geworden , om er nog iets op te kannen waarnemen. 
Aan een hier en daar voorkomenden, doch slechts flauw zicht- 
baren omtrek bemerkt men evenwel, dat hij vroeger ook met een 
opschrift geprijkt heeft. 

Gaan we de stoep op , zoo komen we in de pendoppo «^Soe- 
rambi"' genaamd, bestaande uit een glad gepleisterden vloer, 
bedekt met een uitlooper van het dak, die op net geschilderde 
pilaren rust. 

Het front van de moskee bestaat uit een steenen muur, 
waarin eene deur, en aan weerszijden daarvan openingen van 
tralies voorzien, die voor vensters dienst doen. 

Treden we de deur binnen, dan ontwaren we een vierkante 
ruimte, waarvan de vloer bestaat uit glad geschuurd pleister- 
werk. Het dak, dat den eigenaardigen vorm vertoont, dien 
men bij de meeste moskeeën op Java waarneemt, namelijk eene 
afgeknotte vierhoekige pyramide door eene groote tusschenruimte 
van het afgeknotte gedeelte gescheiden, wordt door talrijke 
pilaren gesteund. 

Hecht tegenover de deur, in het midden van den westelijken 
muur, is eene vierkante nis (mihr&b) aangebracht van circa '5 
voet in het vierkant. Deze nis wijst, gelijk bekend is, de rich- 
ting aan naar den tempel te Mekka. 

Daarheen richten de geloovigen het gelaat, zoo zij hun ge- 
bed willen verrichten, en een boetvaardig zondaar, die meer 
dan anderen de hulp van Allfth meent noodig te hebben, gaat zel& 
in de nis staan om daar zijn hart uit te storten. 

Rechts van de mihr&b zien we de minbar of preekstoel, van 
waar des Vrijdags de preek (chotbat) wordt uitgesproken. Het 
is een losstaand houten gestoelte, circa 4 voet boven den grond, 
dat men door middel van eene trap, bestaande uit twee treden, 
beklimt. 

De trap staat aan den kant van de gemeente. 



Digitized by 



Google 



Boven het gestoelte bevindt zich een soort hemel, door vier 
net a^ewerkte stijltjes gedragen. 

Het geheel is sierlijk nitgesneden, rood beschilderd en met 
gouden randen a^ezet. 

Bij den Vrijdagdienst (^allt al-djom'at) wordt het gestoelte 
door een soort gordijn (klamboe) van wit moirée omhangen. 
Zoodra de priester, die de preek voorleest (ch&tib), de preekstoel 
heeft beklommen, wordt het gordijn rondom hem dichtgescho- 
ven, opdat hij zich door niets van buiten late afleiden, of 
door het gezicht een^r groote schare van toehoorders in de war 
riake. Onder aan de trap van de preekstoel, buiten het gor- 
dijn, plaatst zich dan een man, in den regel de merbot (kos- 
ter) of wel de bowwê,b (portier), gewapend met een langen stok. 

Dit is een oud gebruik, afkomstig uit den tijd van den chalief 
Moawiah. De vijanden van dezen chalief hadden namelijk het 
plan beraamd om hem op den preekstoel te vermoorden, en zou- 
den dit ook zeker gedaan hebben , indien hij niet, door ziekte 
verhinderd, een plaatsvervanger gesteld had, en dezen het lot trof 
dat hem beschoren was. 

Om herhaling van dergelijke scènes te voorkomen, plaatsten 
de volgende chaliefen steeds een persoon, gewapend met een 
zwaard, onder aan de trap van den preekstoel. 

Later, toen men wat vredelievender gezind werd, en de par- 
tijen niet meer zoo fel tegenover elkaftr stonden, werd het 
zwaard verwisseld met den stok. 

Behalve de hier bovenvermelde zaken vindt men in de mos- 
kee, op de vensterbanken en op eenige plankjes aan den wand, 
a&chriften van den Koran en andere gewijde boeken, ten dienste 
van de gemeente. Op den grond liggen opgerolde matten, 
die bij elke godsdienstoefening worden uitgespreid, en voor de 
verlichting zijn aan de pilaren olielampen bevestigd. 

Vrouwen mogen de zoo even beschrevene ruimte der moskee 
nooit binnentreden. Voor hen is aan den rechterkant een af- 
geslotene galerij ingericht, die door middel eener kleine deur 
in verbinding staat met de eigenlijke moskee. Wordt er ge- 



Digitized by 



Google 



828 

preekt, zoo staat de deur open, zoodat ze alles kunnen ver- 
staan, zonder zelve gezien te worden. Deze vrouwengalerij 
is eene a^eslotene ruimte zonder eenig sieraad, geen minbar, 
geen mihr&b, niets dan eenige matten. 

Links van de moskee heeft men een steenen waterbak, pe- 
dasan (Ar. koela) gemaakt, om de reiniging (wodhoe ofghosl) 
te verrichten, eene verplichting, welke ieder goed geloovige 
vóór het doen van zijn gebed moet nakomen. 

De vrouwen hebben eene afeonderlijke pedasan, die vóór 
hunne galerij, rechts van de moskee staat. 

Boven de pedasan der mannen hangt onder een houten af- 
dakje een enorm zware trom (bedoeg), van ± 6 voet lengte 
en 4 voet diameter. 

Op gezette tijden van den dag wordt hierop geslagen om de 
geloovigeu op te roepen tot het gebed. Eigenlijk behoorde deze 
oproeping van den toren van de moskee door een speciaal 
daarvoor bestemd persoon te geschieden, doch waarschijnlijk is 
die gewoonte op Java niet nagevolgd , omdat aldaar de huizen 
te veel door boomen zijn omringd, die het geluid opvangen, 
en zoodoende beletten zouden, dat het tot de ooren der geloo- 
vigeu doordringt. 

Hiermede hebben we de moskee van binnen en van buiten 
bekeken, en zullen haar nu verlaten om onze wandeling voort 
te zetten. 

Nauwelijks zijn we buiten gekomen of onze nieuwsgierigheid 
wordt weer opgewekt door eenige gebouwtjes, die we in de 
nabijheid der moskee waarnemen. Het zijn de zoogenaamde 
pondoks (verblijfplaatsen) der santris , van hout en bamboe op- 
getrokken en met sirappen gedekt. 

De ruimte inwendig is links en rechts verdeeld in een aan- 
tal aan elka&r grenzende hokjes, die elk ongeveer eene opper- 
vlakte van 8 .voet in het vierkant beslaan bij eene hoogte 
van 10 voet. De vloer is van bambo^. 

Eén voet. boven den vloer is aan den buitenwand een van 
houten tralies voorziene opening aangebracht, die door houten 



Digitized by 



Google 



829 

luikjes kan gesloten worden. Vlak onder dit venster staat, op 
een halve voet hoogte boven den vloer, een bamboezen tafeltje, 
waaraan de leerling op den buik liggende zit te lezen of met 
de beeaaen onder het lijf zit te schrijven. 

Boven deze tafel heeft men in elke cel een bamboezen rek 
gemaakt, dienende tot b^plaats van boeken, papier ea der- 
gelijke zaken. 

Ander sieraad of ameublement treft men in de hokjes niet aan. 

Al de cellen komen door middel van 3 il 4 voet hooge 
deuren uit op een 10 voet breeden middengang met bamboe- 
zen vloer, welken middengang men aan weerdbnten door eene 
denr kan binnen komen. 

De geheele vloer , van den gang zoowel als van al de cellen, 
staat twee voet boven den grond, esi is als het ware één groote 
baM-balé. 

Elke pcHidok bevat tien cellen, aan weerskanten van den 
giuig vijf. Elke cel dient tot verblijJ^laaüi van 8 Ik 4, ja 
dikwijb van 10 santris, zoodat één pondok een honderdtal 
leerlingen kan bevatten. 

Oogenschijnlijk is het aantal personen, dat in ééne cel te 
zamen woont, wel wat te groot. Ze zijn er evenwel alleen 
maar in om voor eigen oefening te studeeren, en dan zelden 
of ooit allen te gelijk. Om te slapen zoekt iedere santri zich 
een luchtig plaatsje, hetzij in den gang, hetzij in den soerambi 
(voorportaal van de moskee) , hetzij in de moskee zelve. 

Des avonds verzamelen de santris zich in den regel in den 
middengang , die door een zeer primitieve hanglanq» flauw ver- 
licht wordt. Ze ontvangen dan lessen van .hunnen onderwijzer 
of brengen den tijd al koutende door. 

Te Tegalsari heeft men vier pondoks , die dus gezamenlijk 
ruimte voor 400 leerlingen zouden aanbieden. 

Op zij van de pondoks treft men een aantal kleine loem- 
boengs (rijst-schuren) aan, waarin de santris hunnen voorraad 
padi bewaren. 'Vier of vijf santris bergen hunne padi in één 
loemboeng. Zij houden er dan om beurten de wacht bij. 



Digitized by 



Google 



330 

Hiermede zijn de verblijfplaatsen der santris besclireven. Ijaat 
ons nu een woord spreken over die personen zelve. 

De santris of Javaausche studenten in de theologie, die aan 
de pesantrèn vau Tegalsari onderwijs ontvangen, komen op de 
verschillendste leeftijden aldaar aan. 

Men heeft er die 10 jaar, men heeft er die 30 jaar oud 
zijn. Een bepaalde leeftijd is er niet voor gesteld. 

Slechts weinigen blijven lang genoeg op de school om vol- 
komen bekend te raken met de verschillende heilige boeken, 
waaruit onderwijs wordt gegeven. De meesten, vooral de ge- 
huwden, die hunne vrouwen hebben achtergelaten, gaan na 
verloop van 1 i, 2 jaar weder naar huis, om daar met hun 
weinigje opgedane kennis te pronken, en, zoo het kan, er 
nog wat mede te verdienen. 

Anderen, die langen tijd met vrucht het onderwijs te Te- 
galsari hebben gevolgd, zien zich een eerbiedwaardigen rang 
in de Javaansche maatschappij te verwerven, door te dingen 
naar de betrekking van pangoeloe kjahi, of naïb, in welke 
betrekking zij dan de vruchten van het vroeger door hen ge- 
noten onderricht kunnen plukken. 

De leerlingen te Tegalsari, op dit oogenblik 252 in getal, 
zijn uit de meest verschillende streken van West- en Midden-Java 
afkomstig. Men heeft er uit Bantam, de Preanger-Regentschap- 
pen, Cheribon, Krawang, Djokjakarta, Kadoe, Bagelen, Soe- 
rakarta en uit Madioen zelve. 

Uit de oostelijke residenties worden er geen leerlingen aan- 
getroffen, (Andat de pesantrèn van Soerabaija voor de jongelie- 
den aldaar de //alma mater"' is. 

Het onderwijs te Tegalsari is in den volstreksten zin des 
woords //geheel vrij", leder Mohammedaan kan het bijwonen. 
Leeftijd , bekwaamheid , meer of mindere gegoedheid — niets 
is voor den leerling verplichtend gesteld. 

Komt hij te Tegalsari , zoo behoeft hij niets te weten, noch 
vroeger eenig onderwijs genoten te hebben. Ontbreekt hemde 



Digitized by 



Google 



331 

kennis van lezen en schrijven, zoo kan hij ook die te Tegal* 
sari opdoen. 

Het eenige, waar de leerlingen bij het bezoeken der pesantrèn 
op te letten hebben , is — dat ze zelven hunne boeken mee- 
brengen. Boeken toch worden niet door de school verstrekt. 

Schoolgeld wordt te Tegalsari niet betaald. Het onderwijs 
geschiedt geheel kosteloos. De santris betalen niets en behoeven 
geen werk voor den Kjahi of voor de Gtoeroes te verrichten, 
even min behoeven zij voor hen de sawahs te bewerken. En- 
kelen doen het , maar dan is het eigen verkiezing, nimmer wor- 
den zij er toe gedwongen. De Kjahi, als oppermachtig gebie- 
der in zijne dessa, laat zijne eigene sawahs door de bevolking 
bewerken, en stelt tevens eenige dessalieden voor dat zelfde doel 
ter beschikking van de goeroes. De hulp der santris kan dus 
daarbij best gemist worden. 

Cadeanx geven van de zijde der leerlingen is ook geen regel; 
enkelen, die het zeer goed knnnen missen, geven bij hun 
vertrek een of ander geschenk aan de onderwijzers. 

De groote hoop is echter arm en doet het niet. 

De instelling is dan ook van dien aard, dat het geldeUjk 
voordeel geheel op den achtergrond treedt. 

Het geven van onderwijs aldaar wordt als een verdienstelijk 
werk tegenover AllAh beschouwd, en moet dien ten gevolge 
kosteloos geschieden. Het genieten van betaling, in welken 
vorm dan ook, zou alle verdienste van het werk wegnemen. 

De santris voorzien zelven in hun eigen onderhoud. Enkelen 
bezitten daartoe de middelen, anderen moeten die middelen 
zoeken. Dit geschiedt gewoonlijk op de volgende wijzen. 

Is de tijd van rijstplanten aangebroken , zoo gaan velen naar 
de naburige dessa's, en helpen tegen betaling van zeker loon in 
geld (toekoe tdndoer) de landbouwers in het bewerken hunner 
sawahs. 

Anderen nemen aan om een zeker sawahveld te bewerken en 
te beplanten, mits hun met den aanstaanden oogst een zeker 
aandeel in de productie gegeven wordt. Is de tijd daar, dan 



Digitized by 



Google 



382 

snijden zij de padi, en nemen hun aandeel meê naar hni«: 
(madjeg), waar zij het in de hiervoren beschrevene loemboengs 
opschnren. 

Eene andere manier om aan den kost te komen is het ver- 
richten van lijkdiensten. 

Bij 't overlijden van een eenigzins gegoeden inlander worden 
dikwijls 20 tot 100 santris geroepen om tot behoud der ziel 
van den stervende of van den doode stukken uit den Koran 
voor te lezen of dikirs te prevelen. Daarvoor krijgen zij eene 
ruime geldelijke belooning en worden tevens op allerlei lekkernijen 
onthaald. 

Verder is het de gewoonte , dat op den 21***" dag der vasten- 
maand de santris in verschillende troepjes op reis gaan om van 
de geloovigen de pitra te ontvangen. 

Ten laatste worden er eiken Donderdag avond in de moskee 
maaltijden gegeven , waaraan elke santri en in 't algemeen elk 
gelooVige bezoeker kan deelnemen. De kosten voor deze maal- 
tijden woiden door den Kjahi uit de zak&t bestreden. 

Zoo als reeds te voren is medegedeeld, keeren de meeste 
leerlingen , na een kort verblijf van 1 k 2 jaren in den kring 
hunner &milie terug, en vatten hun vroeger handwerk weer op. 

Enkelen blijven 10 h 20 jaar te Tegalsari en worden dan , 
zoo zij eenige voorspraak hebben, verkozen tot pangoeloe, 
naïb of eenige andere geestelijke betrekking. 

De Kjahi is in zijne dessa nagenoeg onbeperkt wereldlijk en 
geestelijk opperhoofd. Hij is tegelijk bekel en pangoeloe. 

Als geestelijk opperhoofd benoemt en ontslaat hij de onder- 
geschikte priesters naar willekeur, en heeft hij het recht zelf in 
hunne functies te treden. Zoo kan hij bij ontstentenis van 
den Imftm of Ch&tib in het gebed voorgaan of de preek voor- 
lezen, en bij absentie van de goeroes de jeugd onderwijs geven. 
Ook kan hij bij afwezigheid van den Imam of Ch&tib de waar- 
neming hunner functies aan de goeroes opdragen. 

Als wereldlijk opperhoofd zorgt hij voor de belangen der 



Digitized by 



Google 



883 

desM, Yoor de bewerking en bewatering der sawahs, Toor 
bet onderhoud Tan wegen en voor de politie. 

Moet er eenige reparatie plaats grijpen aan moskee of pondoks, 
9SOO roept hij de bevolking in heeredienst op. Moeten ervoor 
dat doel kalk, steenen of andere materialen worden aangekocht, 
Boo begroot hij de kosten, en slaat die om over de geheele 
dessa. 

Is de tijd daar, dat de sawahs bewerkt moeten worden , zoo 
deelt hij een gedeelte der bevolking in bij zifne velden, die 
eene oppervlakte van 80 bonws beslaan, en stelt voor datzelfde 
dod ook eenige dessalieden ter beschikking van de goeroes, 
die elk een aanded van 4 bonws in de velden besdtten. De 
lieden, die of deze wijze in heeredienst werken, krijgen geene 
betaling, doch wel voeding. 

In kwaliteit van geestelijk opperhoofd is de Kjahi verder nog 
ü^amil"' d. i. inner van de zak&t. Hij krijgt hiervan niet, eooals 
de Mohamedaansche wet voorschrijft, '/, gedeelte, doch neemt 
er voor zich en zijne helpers zooveel af als hem goeddunkt. 

De zak&t wordt alleen geïnd van de padi, en wel na dro- 
ging van het product. 

Ze bedraagt ^/i^ gedeelte van het bruto produkt, en wordt 
in natura voldaan. 

De zakftt wordt tot verschillende doeleinden gebezigd. 

De Kjahi betaalt er het sedekah feest (ratib) mee,datiede- 
ren Donderdag avond in de moskee wordt gegeven. De santris 
en al degenen, die dan komen bidden, worden na afloop 
dier godsdienstplechtigheid geregaleerd op rijst met allerlei 
toespijs (dengdeng, sajoran, sambal enz). 

Ongeveer 10 personen zitten in eenen kring en nemen hunne 
portie uit een groeten schotel van gevlochten bamboe (am- 
bengan) welke in hun midden staat, en met genoemde spijzen 
gevuld is. 

Yerder krijgen de orang miskin (behoeftigen), de fakirs (ar- 
men), de personen die buiten eigen toedoen in schulden zijn 
geraakt, en de weezen, eene bedeeling uit de zakdrt. 



Digitized by 



Google 



384 

Sterft een santri zonder middelen waaroit, en erj^namen 
(ahliwarith) door wie de begrafeniskosten zonden knnnen be- 
taald worden, zoo betaalt de Kjahi ze uit de zakftt. 

Aan bedelende santris (ibn sabü), die van elders komen, 
wordt mede een gedeelte gegeven. 

Uit de geschiedenis hebben we reeds knnnen opmaken dat 
de hoogste waardigheid te Tegalsari erfelijk is in het geslacht 
van Kjahi Agoeno. 

Yroeger werden de kjahi^s aangesteld door den Soesoehoenan, 
na 1880 werden ze benoemd bij Gonvemements besluit. 

Hetgeen wel eens beweerd wordt, dat de Kjahi van Tegalsari 
noodzakelijk de bedevaart naar Mekka moet gedaan hebben, 
is geheel onwaar. Ten minste tot nog toe heeft geen enke^ 
kjahi, die het bestuur over genoemde dessa gevoerd heeft, de 
bedevaart ondernomen. 

Evenmin de goeroes of onderwijzers. Deze zijn twee in getal. 

Het zijn strikt genomen geen geestelijken, doch zij kunnen, 
zooals we boven gezien hebben, door den Kjahi tot het waar- 
nemen van geestelijke functien geroepen worden. 

Ze worden door den Kjahi benoemd, en meestal gekozen uit 
de oudste en knapste santris. 

Geldelijke voordeelen zijn niet aan de betrekking van goeroe 
verbonden. 

Elke onderwijzer krijgt vier bouws sawahs van de dessa, 
tot de bewerking waarvan de Kjahi meestal zijne hulp verleent 
en een gedeelte der bevolking in heeredienst oproept. 

Enkele santris helpen ook wel eens de sawahs der goeroes 
bewerken. Dit is evenwel eigen verkiezing, er wordt daarop 
volstrekt geen pressie uitgeoefend. 

Schoolgelden worden niet betaald en het geven van cadeaux 
is geen gewoonte. Dat het wel eens gebeurt, is natuurlijk, even 
goed als bij ons op de Europesche scholen. Een goed bemid- 
delde leerling geeft nu en dan en meestal bij zijn vertrek den 
onderwijzer een geschenk. Dit zijn evenwel slechts enkden, 
de meeste santris zijn arm. 



Digitized by 



Google 



SS5 

Evenals zoovele andere geestelijke betrekkingen wordt ook 
die van goeroe beschouwd als een aan All&h welgevallige dienst , 
waaarvoor men niet in dit leven, niaar eerst hiernamaals be- 
looning ontvangt. 

Het onderwijs dat te Tegalsari gegeven wordt, kan gevoege- 
lijk verdeeld worden in onderwijs voor eerstbeginnenden en 
voor meergevorderden. 

Tot het eerste kan men dan rekenen het leeren lezen en 
voor sommigen het leeren schrijven van 't Arabisch en het 
brengen van de leerlingen op een hoogte, waarop zij geschikt 
zijn den onderwijzer in het voorlezen en uitleggen der Arabische 
.schriften , waamit het meer gevorderd of hooger onderwijs be- 
staat, te kunnen volgen. 

De twee goeroes bemomen zich alleen met dit laatste. Het 
onderwijzen der eerste beginselen laten zij over aan de kwee- 
kelingen, waartoe gewoonlijk eénige ontwikkelde santris worden 
gekozen , die dan in de pondoks (nam, in den middengang) les 
geven. De goeroes geven altijd onderwijs in den soerambi, 
het voorportaal van de moskee, nooit in de pondoks. 

Des morgens van 7 tot 12 ure en des middags van 1 — 4 
ure is het onderwijs klassikaal (weton). 

De onderwijzer neemt zeker handboek in de Arabische taal 
met Arabische karakters geschreven, waarvan zijne toehoorders 
mede ieder een exemplaar bezitten, en draagt den inhoud daar- 
van in 't Javaansch voor op den bekenden zangerigen toon. 
Opdat de leerlingen zooveel gemakkelijker den goeroe kunnen 
volgen, zijn die handboeken meestal met dubbelenr tekst ge- 
drukt, met een Arabischen en met een Javaanschen tekst. De 
laatste is dan tusschen de regels in geplaatst. 

Gedurende de les spreekt de goeroe alleen. Indien de san- 
tris de eene of andere opheldering te vragen hebben, moeten 
zij daarmede wachten tot de les is a%eloopen. Eene enkele uitzon- 
dering bestaat hierop. In de Arabische handboeken komt veel- 
vuldig de uitdrukking voor: |»^; ^^ ^^ ^^J^ ^^5^^* d. w. z. 
de Profeet (Mohammad) hem schenke AU&h heil en zegen. 



Digitized by 



Google 



Zoodra éd onderwijze deze woorden heett voorgelez^, vallen 
allen gezamenlijk in en herhalen ze. 

Overigens bewareai de santris een diep stilzwijgen, en loi^ren 
slechts naar de voordracht van hunnen onderwijzer. 

Het irallen tegelijk opzeggen'^ 't welk men gewoonlijk in de 
langgars hoort, geschiedt alUen bij het lezen van den Koran, 
nooit bij het voordragen van een ander Arabisch handboek. 

l^SL de les kzen de santris het verhandelde in hanne pondoks 
nog eens over, en leeren het zooveel mogelijk van boit^i. Komt 
faun de eene of andere moeielijkheid in den weg , zoo vragen 
zij hulp van de kweekelingen of ook wel van de goeroes. 

Dit nalez^ te hnis doen evenwel niet aUe santris. Men 
treft dit alleen aan bij de vlijtigén ; want het is eigen verkie- 
ang, dwang bestaat er niet. 

De leerlingen zijn niet evenals op onze scholen verlucht het 
geleerde op den een of andere tijd wéér te geven. De goeroe 
gaat iederen dag verder met zijne voordracht, zonder zich ooit 
door het geven van respcmsies op de hoogte te stellen van het 
profijt, dat de santris van zijne lessen gehad hebben. Zoo ook 
bekomm^ hij er zich weinig om of de leerlingen al dan niet 
geregeld zijne lessen bijwonen. "Van daar dat men het ver- 
schijnsel aantreft , dat santris dagen en weken wegblijven, dan 
weder enkele lessen bijwonen , om ze daarna weer geruimeu tijd 
niet te volgen. 

Het onderwijs te Tegalsari is dus geheel vrij. Of deze vrij- 
heid evenwel gnnstigen invloed heeft op de deugdelijkheid 
van het onderwijs, valt te betwijfelen. 

Behalve het klassikaal onderwijs wordt er -nog een soort 
privaat onderricht (sorogan) gegeven. 

Des avonds na vieren stellen de goeroes zich daartoe voor 
eiken santri beschikbaar. Dan kan elke leerling, met welk boek 
hij verkiest, bij den goeroe komen , om opheldering en uitlegging 
te vragen. Dan bepaalt elke santri afeonderlijk de keuze der 
boeken, terwijl zulks des morgens door den goeroe geschiedt. 



Digitized by 



Google 






r-C 



./---"N 



-. i 



'i "^''v )'^M<êm 



-->...? 









:^tv ^-v#^-^-^-^' 



^^^ :.^ y. <-■ . ■-■, ^ 



>ny^: yk 



■^ .'1' '' ^>^ ■ 









^ 



» X-.V 









Il ,ill' 



n 



:p 




Digitized by VjOOQIC 



Digitized by 



Google 



MALETSCH-ATJEHSCH 

Woordenlijstje, 



Dit lijstje is in twee exemplaren aan de redactie toege- 
zonden, het eene in Arabisch en het andere in Europeesch 
letterschrift. Volgens eene aanteekening van den inzender is 
het eerste met behulp van een inlandschen tolk uit opgaven 
van Atjehsche kleinhandelaars zamengesteld , terwijl het tweede 
eene transcriptie daarvan was, door een Atjeher te Pinang 
vervaardigd. Bij nader inzien bleek echter dat de transcriptie 
te Pinang gemaakt aanmerkelijk van het oorspronkelijke afweek 
en dit, gevoegd bij het zeer geringe woordental, gaf aanlei- 
ding dat omtrent de wenschelijkhdd eener uitgave eerst het 
gevoelen van 's Genootschap's Corresponderend Lid Dr. H. N. 
van der Tuuk gevraagd werd. 

De Heer van der Tuuk antwoordde, dat het nuttig was deze 
lijst in het Tijdschrift op de nemen, omdat daardoor hoogst 
waarschijnlijk eene nadere bespreking van het onderwerp zou 
worden uitgelokt, en deze raad wordt thans opgevolgd in de 
hoop dat de daaraan vastgeknoopte verwachting spoedig moge 
worden verwezenlijkt. 

Bed. 



' Digitized by 



Google 



388 



Maleisch. 


Atjehsch 
V'"^ lijst. 


Atjehsch 
Z^^ lijst. 


saja 


^y\,) 


hoeloen toean 


angkau 


^\S 


drone 


ija (dija) 




njo ko njan 


kami 


y.^r'^ 


kamaié 


kamoe 


iS 


gala 


dija orang 


^•bi'^^hi^ 


gab njan 


jang 


A 


ijang 


itoe 


^.^ 


njan 


ini 


^ 


njo 


disini 


^J 


sinoié 


disana 


2UJJU< 


sideh 


kamari 


j^c/^ 


kanoi 


kasana 


^ 


kadeh 


kasitoe 




id. 


disitoe 




sidehko 


mana? 


"y 


too 


deri mana? 


J^ 


panai 


djikalau 


j^^ïd£ 


hadat kamanen 


kapan 


^^ 


padjan 


terkadang 




dangdang 


salamanja 


,ji'^>-i!>^ 


salahoetnja 


sekarang 


^ 


djino 


tida 


> 


ana 


boekaii 


ttl^ 


con 


apa? 


Sfy 


poi 


djangan 


S 


beek 



Digitized by 



Google 



339 



Maleisch. 


Atjehsch 


Atjehsch 




!■*• lijst. 


ade lijst. 


begini 


^ 


manoi 


b^toe 


«i'^ttA* 


manen 


siapa 


Hfr* 


soi 


kapada 




kapada 


dengau 


e;/ 


dongen 


sring-sring 




kaijim 


lagi 


r^ 


lom 


belom 


r^^/ 


goh 


soeda 


l^ 


ka 


nanti sabentar 




prig sihat 


doeloe 


^^0 


düe 


di moeka 


lio 


di nab 


di balakang 


cjyjjj 


di likoet 


ada 


U 


na 


beri 


J^9- cf^ 


djoek 


tanma 


é^/ 


tarimong 


bilang 


<:/ 


koen 


bitjara 


!;l^ 


marik 


panggil 


s^yi;^ 


tahoie 


makan 


«^ü ^U 


patjoeh, padjoh, leboeh 


mi noem 


t^w>Wa 


djib 


dengar 


^)J 


longoh 


lïhat 


^^\s 


kaloen 


berasa 


r^ 


manjoem 


berdjalan 


c;:*-»^^ 


tadjak 


lari 


é^ 


poeloeng 



Digitized by 



Google 



340 



Maleiscb. 


Atjehsch 
1'^' lijst. 


Atjehsch 
2^*^ lijst. 


breuti 


,^ 


tapijoeh 


toenggoe 


iiji c^^j^v^" 


taprig 


berdiri 


^^J 


badoh 


doedoek 


t>jJ 


tadoeko, doek 


Pigi 


cj:- 


djak 


datang 


LG^C^ 


taka, tataka 


tidoer 


ix> 


tahif tih 


bangoeii 


CJi^. 


badoh 


tanja 


t^^ 


tanjong 


miuta 


'^' 


lake 


dapat 


tr^ 


batamoeng 


hilaiig 


ïjOlS" 


gadoh 


ambil 


^^ 


'tjok 


angkat 


^j'^ 


taboot 


iiaik. 


CSjS 


taik 


toeroen 


^y 


tatoeroen 


boeka 


C/^il^i 


tapoloh 


toeloep 


^y 


katoeb 


masoek 


ér^' 


tamoiig 


kaloear 


OJU>^ 


tatobek 


mau 


(^ 


tatim 


harep 
pariksa 




harip 
tapariksa 


menang 




mauang 


kalah 


yu 


taloe 


marali 


c/^i^ 


bangis 



Digitized by 



Google 



341 



Maleisch. 


Atjehsch 
l«te lijst. 


Atjehsch 
2^^ lijst. 


orang 

orang laki-laki 




oerong 
oerong agam 


id. perampoean 
auak 




oerong inong 
anoek 


bapa 
iboe 




aijah 
ma 


soedara 




soedra 


sobat 




sobat 


soerat 




soerat 


tangan 
moeloet 




djaroi, sapai 
boboh, bebe 


mata 




mata 


aijer 
kaki 
ramboet 




teh 

gakie 

hoek 


roema 


"r'v 


rojemoh 


tanah 




tanoh 


kali 

goenoeng 

pohon 


(ij:. 


krong 

goenoeng, gUeh 
bak 


boea 


'y. 


boh 
bahasa 


koeda 




goeda 


sappi 


^ 


lamo 


aijam 
bèbèk 




manoek 
itek 



Digitized by 



Google 



342 



Maleis ch. 


Atjehsch 


Atjehsch 




•fciiA. t«A%>&U ^xx • 


!•'* lijst. 


&*• lijst. 




sawah 


M 


belang 




padi 


v^Jli 


padi 




bras 


LT^y^ 


brog, berë 




nassi 


^ 


boe 




djalan 




djak 




bini 


^- 


paroemoh 




lati 




lakoi 




kapala 


h^ 


hoele 




tanda 




tanda 




moesoeh 




moesoeh 




boeroeng 


ri'^ir 


tjietjeng 




binatang 




binatang 




moelai 


ttj^i» 


tatoepoen 




sakit 




sakit 




kawin 




kawin 




menjahoet 


cy^jL, 


tatja wek 




bertemoe 


tr^ 


maroepok 




tertawa 


r^ 


tekim 




toeloeng 




toeloeng 




bakar 


cyy 


getoep 




masak 


jj^U 


mengoen 




loepa 


jiii^ 


toehoh 




inget 




inget 




groeten 


étitèè 


tabri slamat 




djalan 




djak 




mati 1 




mate 





Digitized by 



Google 



343 



Maleisch. 


Atjehsch 
!•*« Ujst. 


Atjehsch 
a^Mijst. 


boeloeh 






terong 


mandi 






manoek 


boewang 








tawar 






late 


garam 






sera 


mau 


• 




ongkoh 


manis 






manëh 


boetoh 






boh 


poeki 






poekoei 


bersina 






moekah 


kosoug 






soeh 


oembah 






rije 


dia 






dji 


perigi 






moen 


kenjaug 






teroi 


lapar 






dah 


ngantoek 






tengët 


apa chabr 






poei chaba 


deri mana datang 






panai tëtëka 


berapa banjak 






padoem na 


sebab 






sebab 


nanti doeloe 






prëh dilë 


poekoel berapa 






poeh padoem 


banjak 




) 


loo 


sedikit 




oo^ 


batjoet 


baik 




^ 


get 



Digitized by 



Google 



344 



Maleisch. 


Atjehsch 
1»*« lijst. 


Atjehsch 
2^* lijst. 


djahat 


Iw^^^ 


djohat 


kering 


J^^ 


toeh 


basali 




basah 


perloe 




perloe 


besar 


^^J 


roijok, raja . 


ketjü 


c:^^^ CL>^ 


tjoet, oebet 


lebar 




lawah 


bërat 


U^ 


gohon 


euteng 


uf^ 


pol 


sesek - 




arat 


tinggi 


wU 


maijang, pajang 


pandjang 




pandjang 


pendek 


cLT^i'J 


panoek 


dalam 


Oi^ 


lok 


nakal 




perboetan djohat 


bagoes 


^ «j^ 


get 


djelek 




ana get 


sama-sama 


S^^ 


sadjen-sadjen 


poetih 




poetih 


itam 




itam 


merah 




merah 


idjoe 




idjoe 


biroe 




biroe 


panas 


'-^y* th' 


goegoek, oeroh, toetoeng 


dingin 


^^SVaw 


sedjoek 


terang 




terang 



Digitized by 



Google 



S45 



Maleisch, 


Atjehsch 
1»*« lijst. 


Atjehsch 

2^«lijst. 


glap 


XaAam 


djoelah 


lebih 




lebih 


koerang 




koerang 


overtreffende trap 




gajoe 


pmggang 




roewong 


koetjing 




ngijap 


kera 




kera 


het passief 




ka — tegen een mindere 
ne — tegen een vriend 

. of oudere 
ffe — tegen oude lieden 
vrouw tegen man 


pasar 


J^ 


pakan 


pasir 


v^yl 


anoi, ano 


pantei 




pantei 


poeloe 




poeloe 


soesoe 


^^Ji^ 


mom 


soesah 




soesah 


kelmarin 


^V^ 


baroi sa 


besoek 




kahib, khib 


besoek pagi 


y^ H^AXm 


songoh ingë 


hari 


^J^ 


horai 


malam 


fX. 


malam 


matahari 


\Sj^\2^ 


mata horai 


boelan 


Jy. 


boelen 


tahoen 


^ 


toen 


XXIV 




15 



Digitized by 



Google 



846 



3£aleiscli. 


Atjehsgh 
l»te Ujst. 


Atjehsgh 
2^* lijst. 


api 




4?y' 


apoi 


djembatan 
rinda 

haloes 




^y 


titis 
panë 
kasar 
haloes 


sedjoek 






sadjoek 


batoe 






bate 


nja 






njo 


aroes 






aroes 


asap 






asap 


soengei 






keroeng 


\ja 






na 


bet oei 






njoek 


tengah 






tengeh 


penoeh 






penoh 


boleh 






lëh 


boenga 






boengoeng 


sadja 






tagai 


idoeng 






idoeng 


gigi 






gigoh 


lidah 






Udah 


dada 






dada 


proet 






preoet 



Digitized by 



Google 



847 



Maleisch. 


Atjehsch 
1»»« lijst. 


Atjehsch 
2*«Hjst. 


1 


L, 


sa 


2 


),0 


doea 


3 


c>iJ 


lih 


4 


c:^ 


pat 


5 


tr^ 


limong 


6 


r^' 


nam 


7 


*^y 


toedjoe 


8 


^' 


lapan 


9 


b^ 


sikroeng 


10 


S^JLAmj 


seploeh 


11 


U^ 


sebla 


12 


(,/*^ I^J 


doeabla 


20 


^y >jj 


doea ploeh 


21 


Lm ^y )^J 


doea ploeh sa 


80 


Jdy ^>jJ 


lih ploeh 


50 


<!y eyol 


limong ploeh 


100 


^»r 


sirtoes 


1000 


^^r* 


seribe ' 



Digitized by 



Google 



MALAGASSISCH 



EN 



J AVAANSCH. 



lu de October-vergadering kwam een brief ter tafel van den 
Heer Makre-de Marin (denzelfden van wien in de vergadering 
van Maart t. v. een schrijven gelezen werd) ten geleide van eene 
door hem samengestelde Grammaire malgache. (1) Toen ik 
als Secretaris hierop antwoorden en voor het gezondene bedan- 
ken moest, wilde ik, om mij toch met eenige mate van 
nauwkeurigheid uit te dnricken, dat werk wel eens inzien. 
Te meer voelde ik mij daartoe geneigd omdat deze spraak- 
kunst, zoo als dan ook de volledige titel luidt, is: fondéesur 
les principes de la grammaire javanaise, en de Schrijver zich 
teekent Officier de TUniversité , professeur libre de malay, ja- 
vanais et malgache; een Fransch geleerde dus die, en zoo als 
later blijken zal, verscheidene, talen van onzen Archipel be- 
oefent. Die ook niet onbekend schijnt te zijn met onze moe- 
dertaal, daar hij, aan het slot van zijn brief, gewaagt van 
Jan De Marre , den dichter van Batavia , wien hij gelukkig 
prijst om de koningin van het Oosten uit eigen aanschou- 

(1) Grammaire malgache, fondée sur les principes de la grammaire jaTanaise, 
soivie d'exercises et d'nn recaeil de cent et un proverbes, par Marre-de Marin. 
Paris. Maisonnenve et Cie. 1876. 8°. 



Digitized by 



Google 



S49 

wing gekend te hebben. Getuigt dit noodwendig van omvang- 
rijke taaistudie: nog meer bewijs hiervan geeft een werk, dat 
de Schrijver ons toezegt, en hetwelk ten titel zal voeren : Jardin 
des racines océaniennes, waarin ongeveer zeven honderd stam- 
woorden uit het Malagassisch zullen worden vergeleken met de 
overeenkomstige wortels in het Maleisch, Javaansch, Sunda- 
neesch, Battaasch, Dajaksch, Makassaarsch , Boegineesch, Ta- 
gaalsch enz. Wanneer men nu in het oog houdt dat, gelijk 
van elders bekend ia , de Maiagassische taaltak overeenkomt met 
de Maleisch-Polynesische talen; dat ten minste twee van 
deze laatste geacht mogen worden tal van beoefenaars te 
tellen onder de lezers van dit Tijdschrift: dan zal men de 
poging niet te vermetel vinden , dat ik , zoiider de taal van 
Madagascar te verstaan, nochtans enkele punten in het licht 
stel, waarin zij, volgens den Heer Ma-Riib-de Mauüst bet 
Javaansch en het Maleisch zou haderen; ook om te kusmen 
nagaan in hoeverre de Schrijver recht had zijne sfMPaakkunst 
te iK)emen: gegrond op de b^inselen' van het Javaansch. 
Met dit doel zijn boekje doorbladerende, stip ik daaruit bet 
volgende aan. 

Den verbalen vorm geeft men in het Maig. aan de woor* 
den door een der voorvoegsels : 

mi , man , man , man , mam , 
ten aanzien waarvan ik opmerk dat de ueusklank n wordt te- 
ruggegeven door ;f^ en n door ^ , wat voor het Fransch over- 
eenkomt met oïïs nj. Gemakshalve zullen dan ook verder deze 
twee samenstellingen gebruikt worden, waarvan vooral de eerste 
een voor ons oog zeer gemeenzame vorm is. Deze voorvoegsels 
nu nemen, even als in het Javaansch en Maleisch, de harde 
medeklinkers in zich op en plaatsen zich vóór de zachte, of- 
schoon, voor het overige, de werkwoordvorming geheel naar 
laatstgenoemde taal schijnt te geschieden. 

Sangschikt men in eerstgenoemde taal de neusletters onder 
elkander; stellende links de overeenkomstige medeklinkers, die 
den neusklank vóór zich nemen, en rechts die, welke voor 



Digitized by 



Google 



350 

den neusklank plaats maken, dan verl rijgt men het volgenda 
tabelletje : 

^ — . »n AJi ên ÊSn tp 

-. — — ' «c tim ÊJ» «ji 

... -. — asn m» cü o 

riA Ti ÊA» tm ÊSi êtn mn 

la ga ng ka ra ha 

ja za nj sa — — 

— da n ta — — 

— ba m pa & va 

Het is vreemd dat , terwijl de Schrijver op bl. 7 è&ja een har- 
den verhemelte-medeklinker noemt, die dns rechte zou moe- 
ten staan, hij op bl. 18 van die/a een zachten medeklinker 
maakt, omdat de uitspraak dz (ik vermoed dus gelijk «?) zou 
wezen en hij haar bij gevolg niet in den neusklank doet opgaan. 
Men meene echter niet dat hier eene zoo uitvoerige verwij- 
zing naar het Jav. gegeven wordt: de overeenkomst met die 
tAal en het Maleisch wordt slechts in eene korte noot aan- 
geduid , hier zoowel als elders. Er komen nu eenige voorbeel- 
den, die men inderdaad in het Maleisch niet anders zou 
vormen; waarom het dan ook vreemd is dat de S. niet meer 
uitdrukkelijk ook van die taal gewaagt: 

kaboka , slag , mengaboka , slaan ; 

kabona, los, mangabona, loslaten; 

gaboka, hoop, manggaboka, opstapelen; 

geka, dwang, manggeka, dwingen; 

ala, weg, mangala, wegnemen; 

harato, net, mangarato, visschen; 

janona, arrest, manjjanona, arresteeren; 

jobona, keus, manjjobona, kiezen; 
men zal de ; in deze woorden , naar ik meen , kunnen terug- 
geven met de «^ , en de vorm jn met de vm , evenzoo ook 
met de overeenkomstige letters van het Maleische alphabet. 
Meer voorbeelden zijn: 



Digitized by 



Google 



851 

tadi, touw, manadi, tonw maken; 

dabokoka, val, mandabokoka , vallen; 

fjEiditra, betoovering , mamaditra, betooveren; 

vaki, gekloofd, mamaki, klooven; 

bobana, laster, mamobana, lasteren. 
De gebiedende wijs wordt gevormd door het achtervoegsel 
^, dat ia of oa wordt, al naar den uitgang van het woord, 
waarachter 't wordt geplaatst. Voorbeelden: mifidi, keus, mi- 
fidia, kies; mitia, beminnen, mitiava, bemin; miharo, zich 
bemoeien met, miharoa, bemoei u met. 

Voor de uitdrukking van het causatief bezigt het Malg. 
het tusschenvoegsel amp^ en komt dus hier geen verwijzing 
naar het Jav. te pas; voor den wederkeerigen vorm dient if: 
mamango, slaan, mifamango, elkaar slaan, dat overeenkomst 

toont met den Javaanschen reciproquen vorm: *^*^W^*|*S/f 
elkaar om de ooren slaan; zoo ook in voor den passieven 
vorm, dat, gelijk ook opgemerkt wordt, aan den vorm van 
het oud-passief in het Jav. beantwoordt: tapaka, brok, tina- 
paka, verbrokkeld; eindelijk heeft men een tusschenvoegsel 
om^ dat gezegd wordt in het Jav. zijn aequivalent te vinden, 
en waarmede ik vermoed dat dan het toestandswoord bedoeld 
zal zijn: hehi, lach, homehi, lachen. Vgk. "^^ en «^'^«j^ 

Ook heeft men de herhaling van het grondwoord, die zou 
uitdrukken: bij zelfstandige naamwoorden het denkbeeld van 
herhaling, maar meestal slechts welluidendheidshalve zou ge- 
bruikt worden; bij werkwoorden een hoogeren graad zou be- 
teekenen van wat het grondwoord aangeeft, en bij bijvoege- 
lijke naamwoorden eenen minderen. 

Een vorm, uit het Jav. bekend, het substantief denomi- 
natief met het aanhechtsel •^<^> zou ook in het Malg. zijne 
overeenkomstige samenstelling hebben in het voorvoegsel / of 
/eng en het achtervoegsel ana^ en zoo zou dan van miasa, 
werken, fiasana gevormd zijn, dat gereedschap zou beteeke- 
nen. Ook hier is, hetgeen over de eigenlijke beteekenis van 



Digitized by 



Google 



352 

den vorm gezegd wordt, zeer onvolledig en heeft de verwij- 
zing naar het Jav. geene andere waarde dan die van eene op- 
merking. Dit is evenzoo het geval met de verklaring dat 
het voorvoegsel ha en het achtervoegsel cma zouden vormen 
het zuiver passief van 't transitief werkwoord in het Javaansch. 
Gtelijk men in die taal van de benamingen der vier hoofd- 
windstreken werkwoorden kan maken, om uit te drukken dat 

iets of iemand die richting uitgaat, bv. «««J7^»*[M voor west- 
waarts aanhouden : zoo ook kan van andrefana , west , gemaakt 
worden mangandrefana, met de zoo even vermelde bet eekenis. 
Aan een werkwoord geeft de verdubbeling van het grond- 
woord de beteekenis van een frequentatief; zoo heeft mitoto- 

toto, trappelen, van toto, overeenkomst met het Jav. '*"^;^ 
(*^rm^\N Doch ook hier heeft de S. met eene oppervlakkige ver- 
wijzing volstaan. 

Dezelfde beteekenis die *^*^ in het Jav. en ^^^ in het 
Maleisch heeft , bezit efa; eindelijk vindt men het redewoord 
«<ri«c terug in aza. 

Tot weinig meer dan het hier opgesomde bepaalt zich wat 
het //fondée sur les principes de la grammaire javanaise^' wet^ 
tigen kan. Voor het overige is déze spraakkunst op de ge- 
wone leest van die der Europeesche talen geschoeid, waarin 
de verschillende rededeelen in de gewone volgorde na elkaar 
behandeld worden. 

Wat de overeenkomst van den Malagassischen taaltak met 
de talen van het Maleisch-Polynesische gebied betreft : men 
zou hier meer verwachten tot bevestiging en verklaring van 
dit verschijnsel. Voor zoo ver deze verwantschap zich uit- 
spreekt in min of meer treffende gelijkheid van woorden, 
die eene zelfde zaak of begrip of modaliteit beteekenen, vindt 
men eenige voorbeelden in het volgende. Het partikel IRa 
voor eigennamen van adellijken , b. v. Radama , zou beteeke- 
nen: bloed r= '^{ waarvan -^^^-w^o^x^ En zoo doet men den 



Digitized by 



Google 



358 

naam van gewone lieden voora%aan door I , I Boba , dat het 

Jav. «3 zon zijn. De telwoorden zijn in beide talen: 
Malg. Jav. [volgens den Heer Mab&e] 

1 sa sa 

2 roa ro 

3 telo telo 

4 e&tra pat (dat meer gel^kheid 

heeft dan men meenen zon, omdat e&tra op 
eene stomme lettergreep uitgaat) 

5 dimi lima {d en l worden 







vaak verwisseld) 




6 


enima 




nem of nenem 


7 


fito 


als voor d en l) 


pito (voor ƒ en / heteelfde 


8 


valo 




volo 


9 


sioi 




sanga 


.0 


folo 




sa-poloh. 



Maar dan begeeft hei Jav. ons, want van 11 tot 19 en 
van %1 tot 29 telt de bewoner van Madagascar : 1 boven de 
10, 2 boven de 10 enz. 1 boven de 20, 2 boven de 20 
enz. wat weer doet denken aan de wijze van tellen in het 
• Ëngganeesch waar 7 heet: 5 + 2; 8 uitgedrukt wordt met 
4 + 4 en 9 met 5 + 4. (^) In de benamingen der tien- 
vouden is weer veel overeenkomst met de samenstelling^ met 
«|«^r 1000 is arivo= S*-^ De breuken worden gevormd 
door een voorvoegsel faAa , of ""mjpaka dat het Javaansche 

"•^ en het Maleische j^ zou zijn ; bv. 2/8 is roa ^mpaha telo 
= •/'»i»(»3^«ï«^»»«| =LlxAy ^J. Duidelijk is de S. hier niet , 
en schijnt hij te meenen dat ook voor ranggetallen ^'^ 
gebruikt wordt. Althans van •^'^r wordt daar niet gespro- 
ken. In de gewone taal is tena = «"«^^ in gebruik. 

Tonnen van het persoonlijke voornaamwoord zijn in den 



(I) Ygk. Notulen yaa het Bat. Gen. dl. XIV bl. 37. 



Digitized by 



Google 



354 



eersten persoon: aho^ zaho ^ izahoy ko^ aki waarin *^»^ 
en *^ teruggevonden wordt , zonder dat er verdere overeen- 
komst te bespeuren is. Meer vindt men die bij de aanw. 
vnw. ttó, itoiy ini. Het bezittelijk vnw. schijnt uitgedrukt 
te kunnen worden door*»^ achter het zelfst. nw. Zoo vindt 
men zanak-anak-koe voor: mijn kinderen. Zeer karakteristiek 
is ook hier weer de tweeërlei vorm voor den eersten persoon 
meervoud, al naar mate men den persoon , tot wien men spreekt , 
mede in- of buitensluit: y^^^C en ^JS waarvan deMalg. 
overeenkomstigen zijn Uiia en zaAay of izahay. Het alge- 
meene *^*^ vindt men bijna gelijkluidend in ano terug. 

Het is duidelijk dat voor zoo veel mij betreft , althans , 
wat hiervoren over het Malagassisch gezegd is , geheel en al op 
des Schrijvers gezag rust. Ik kan dus ook niet beoordeelen 
in hoeverre hij gerechtigd is , in zijne opdracht aan den eer- 
sten Minister der Koningin van Madagascar, te beweren dat 
deze spraakkunst de eerste zou zijn, in Europa uitgegeven. 
Doch ik meen deze uitspraak te moeten betwijfelen, omdat 
in ditzelfde Tijdschrift, in 1865, de Heer Stüart (1) eene 
aankondiging plaatste van //Outlines of a granmiar of the 
//Malagasy language" door den Heer Van der Tuuk. Ik 
heb, dit is zoo, het boek niet gevonden en sprak de Heer 
Stuabt toen ook als van een werk, dat verschijnen zou^ en 
dat hij trouwens alleen Kende uit een overdruk van de eerste 
bladzijden der spraakkunst uit de Transactions van de £. A. 
Soc. Het is dus niet onmogelijk dat die uitgave niet voort- 
gezet zou zijn, maar het is bevreemdend dat dit veld sedert 
1839 geheel braak zou gelegen hebben.^ In dat jaar toch kwam 
het tweede deel der Kawi-Sprache van Wilh. Von HuMBor.DT 
uit, en vindt men daarin genoemd een woordenboek van Cha- 
PELiER, een van Jefpreijs en een van Barthélemi Huet, 
alle drie door Von Hümboldt in hs. gebruikt. Er moeten 
daarin stellig grammaticale inleidingen geweest zijn. Boven- 

(1) Tydschrift yan het Bat. Geo. dl. XV, bl. 286 en dl. XVI, bl 189. 



Digitized by 



Google 



355 

dien spreekt Von Hüicboldt van eene spraakkunst, die hem 
de weduwe van den zendeling Jeffbeijs in hs. toegezonden 
en waarvan hij een afschrift genomen had. Eindelijk zelfs 
vermeldt hij eene gedrukte spraakkunst, door Ghapelier sa- 
mengesteld en door Lesson uitgegeven in de Annales Mari- 
times van 1827. Is het aannemelijk dat gedurende bijna vijf- 
tig jaar niets meer over de spraakkunst van deze taal in het 
licht zou zijn verschenen? De Heer Van dee Tuük zal hier- 
over wel meer kunnen mededeelen. 

J. MEINSMA. 

Batavia, 3 December 1876. 



Digitized by 



Google 



AANTEEKENINGEN 

B6TE£FF£NDE 

DE LMDSCHAPPEN VI KOTTA PANG- 
KALLAN EN XH KOTTA KAMPAB, 

DOOH 

Gh- r)XJ üu VA.3sr ssssT hox-i-e. 

if<?^ eene kaart. 



I. Grenzen, terreingesteldlieid, bergen, rivieren, 

enz. 

a. Panokallan. 

In het noordoosten van^ dé afdeeling Limapoeloeh Kotta 
der residentie Padangsche Bovenlanden en daarvan gescheiden 
door eene breede heuvelreeks van aanzienlijke hoogte, ligt het 
landschap Pangkallan , dat ter onderscheiding van andere stre- 
ken van dien zelfden naam, welke meer oostwaarts in het 
stroomgebied der Kampar Kiri gelegen zijn, meestal Pang- 
kallan Kotta Baharoe of ook wel VI Kotta Pangkallan ge- 
noemd wordt. 

In het zuiden begrensd door de districteii Sarilamah en 
Moengkar, in het westen door Mahi en Kapoer nan Sambi- 
lan, in het noorden door de XH Kotta Kampar en in het 
oosten door het zooeven bedoelde landschap in het stroomge- 
bied der Kampar Kiri, vormt het volgens de bestaande kaar- 
ten een' onregelmatigen vierhoek, welks langste zijden zich 
van zuid naar noord uitstrekken en die door de evennacht^- 
lijn in twee ongeveer gelijke deelen gesplitst wordt. 

't Is er echter verre van af, dat de grenzen van dit land- 



Digitized by 



Google 



357 

schap zoo naauwkeurig bepaald .zonden wezen, als men ge- 
neigd zou zijn uit de bestaande kaarten op te maken. 

Wel weten de inwoners op de voetpaden, die naar de om- 
liggende streken voeren, een pnnt aan te wijzen, waar hnn 
grondgebied eindigt en dat van hunne naburen begint, maar 
die grenspunten hebben eigenlijk meer betrekking op de ver- 
antwoordelijkheid voor den toestand van den weg dan wel op 
politieke indeeling. 

'De behoefte aan eene juistere afbakening der grenzen heeft 
zich dan ook zeker nog niet doen gevoelen , daar de dun ge- 
zaaide bevolking zich uitsluitend aan de oevers van de Ba- 
tang Aijer Mahi en hare zij-rivieren gevestigd heeft en in 
de onmiddelijke nabijheid harer kampongs zoo grooten over- 
vloed van bebouwbare gronden beschikbaar heeft, dat het tot 
nog toe zeker overbodig is geweest te beslissen, of de meer 
verwijderde woeste en hoogst zelden bezochte streken al dan 
niet tot haar gebied behooren. 

Wanneer men uit het zuiden komende de laatste heuvel- 
reeks overtrekt, die beschouwd kan worden aan deze zijde de 
grens uit te maken, dan overziet men van uit het hoogste 
punt van den weg het geheele landschap en dan blijkt met 
een oogopslag , dat het algemeene karakter van het terrein 
aseer heuvelachtig is. 

Slechts enkele, en op eene uitzondering na, kleine gedeel- 
ten van deze streek verdienen den naam van vlakten. /tZijn 
deze plaatsen, die men tot den aanleg der meeste kampongs 
heeft uitgekozen. Die vlakten zijn zandig en worden niet zel- 
den geheel overstroomd door de bandjirs van de rivieren aan 
wier oevers zij gelegen zijn. Dit is voornamelijk het geval 
met die van de hoofdnegorij Kotta-Baharoe , waar het water 
van de Batang Aijer Mahi dikwijls tot boven den vloer van 
de op palen gebouwde huizen klimt, ja soms zelfs het dak 
daarvan bereikt en dan dus niet weinig overlast veroorzaakt. 

Deze vlakte, aan den zuidelijken oever der rivier gelegen, 
heeft de niet onbelangrijke uitgestrektheid van 10 Ji lÜ □ 



Digitized by 



Google 



358 

palen en is dan ook verreweg de grootste van het geheele 
landschap. 

De geheele streek is aan de zuidelijke en westelijke gren- 
zen het hoogst en verheft zich aldaar tot een gebergte waar- 
van — in de volgorde van ongeveer Z. O. , N. W. — de Boe- 
kit Besaar, de B. Tabolij, de B. Api, de B. Sangoel, de B. 
Batoe Kampoh, de B. Koemanjan en de B. Gadis de voor- 
naamste toppen zijn. 

Een weinig noordelijk van de B. Tabolij ligt nog een kleine 
geïsoleerde rug, die zich Oost West uitstrekt en waarvan de 
beide uiteinden, die eenigzins oploopen, de namen dragen van 
B. Sitjawan (oostelijk) en B, Sialang (westelijk). 

Onder de bovengenoemde teppen zijn de B. Koemanjan en 
de B. Sangoel de hoogste. Eene globale meting met den 
sextant gaf voor den eerste eene hoogte boven de zee van 
1540 en voor den tweede eene van 1330 meters. De overi- 
gen kunnen op eene absolute hoogte van tusschen 800 en 
1100 meters geschat worden. 

In het noordoostelijk gedeelte is nog een heuveltop met 
name B. Sipopai gelegen, die nog afzonderlijke vermelding 
verdient. Zijne hoogte zal echter niet meer dan 600 ^ 700 
meters bedragen. 

Overigens bereiken de vele heuvels van het zeer geacciden- 
teerde terrein zelden grooter hoogte dan die van dr 100 me- 
ters boven den loop der voornaamste rivieren of van 150 4 250 
boven de zee. 

De normale helling van het landschap is, 't geen ook uit 
den loop der rivieren blijkt, van het zuidwesten naar het 
noordoosten 

Het land is doorsneden van beekjes en bergstroomen , die 
zich, behoudens eene enkele uitzondering, alle in de Batang 
Aijer Mahi ontlasten. 

Deze rivier ontspringt in de nabijheid van Baroe-Gbenoeng 
(Foeardatar) , doorloopt het keteldal van het landschap Mahi, 
neemt daar een aantal kleine beekjes op en treedt dan door 



Digitized by 



Google 



359 

eene opening in den hoogen en steilen bergwand van dat dal 
tot binnen het grondgebied van Pangkallan. 

Op deze hoogte begint zij bevaarbaar te worden , maar heeft 
nog een zeer sterk verval en daardoor op vele plaatsen on- 
diepe stroomversnellingen, die alleen het gebruik van vlotten 
of dat van kleine en zeer platboomde sampans toelaten. 

Op liaren loop van af de negorij Goenoeng-Malintang tot 
Kotta-Baharoe neemt zij slechts twee beekjes van weinig be- 
teekenis op, maar bij de laatstgenoemde plaats vereenigt zij 
zich met de Batang Aijer Boeloe Kassoh en de B. A. Malagiri, 
waarvan vooral de laatste haar eene niet onaanzienlijke hoe- 
veelheid water toevoert. 

Van hier tot aan hare uitmonding (//Moeara MaW) in de 
Batang Aijer Kampar (Kampar Kanan) neemt zij nog een aan- 
tal kleine beekjes op, die echter hare watermassa slechts on- 
merkbaar vermeerderen. 

Haar loop, die van af het landschap Mahi tot Kotta-Ba- 
haroe Oost-Zuid-Oostelijk is, wendt zich na het passeren van 
deze plaats naar het Noord-Noord-Oosten. Op vele plaatsen, 
vooral in haren benederdoop, vormt ze echter sterke kron- 
kelingen. 

Hare breedte overtreft nergens 80 meters; gemiddeld be- 
draagt ze boven Kotta-Baharoe 35 k 40 en beneden deze ne- 
gorij 45 k 50 meters. 

Niet zelden verdeelt zij zich in twee en meer armen (ala- 
han), die op eenigen afetand beneden waarts weer te zamen ko- 
men en zoodoende eilandjes vormen, die meestal niet veel 
meer dan met struikgewas en glaga-riet begroeide grindbanken 
zijn en dan ook bij hoogen waterstand overstroomd worden. 
Alleen Poelaoe Rantang, een weinig beneden de negorij Tan- 
djong-Balik gelegen, maakt hierop eene uitzondering en be- 
staat uit een met zwaar bosch begroeiden heuvel van 12 k 15 
meters boven het watervlak der rivier. Dit eilandje is dan 
ook gedeeltelijk in kuituur gebragt. 

De rivier levert, door de verscheidenheid van het terrein 



Digitized by 



Google 



860 

dat ze doorloopt, eene groote afwisseling van gezigten op. 
Hier woelend en schuimend door naauwe kloven in het ge- 
bergte over een bed van rotsen bmischend, daar weder zacht 
en zonder geruisch langs lage en vriendelijke oevers en langs 
bevallig gelegene kampongs stroomend; nu eens met eene 
zeer zigtbare helling en sterk kabbelend over eone ondiepe 
grindbank schietend , dan weder zich met kracht een doortogt 
banend tasschen de groote rotsblokken , die op sommige 
plaatsen haren loop trachten te versperren ; elders , voorname- 
lijk aan den voet van glooijende heuvels, zoogenaamde loe- 
boe's vormende , die bij volkomen efien waterspiegel ter naau- 
wernood eenigen stroom laten waarnemen ; afwisselend woest en 
vreedzaam , bulderend en kalm , voert zij haar helder en 
koel water tusschen haar veelal met weelderig geboomte be- 
groeide oevers de Kampar rivier te gemoet. 

Haar voornaamste zijtak is de Batang Aijer Malagiri, die 
in het zuiden op den Boekit Besaar ontspringende en de ne- 
gorij Menggilang voorbij stroomende, digt bij Kotta-Baharoe 
de B. A. Sesamo in zich opneemt, welke uit het zuidwesten 
komende, hare bronnen op den Boekit BatoeKampoh heeften 
aan den voet van den B. Sialang de negorij Kotta-Alam passeert. 

De Malagiri is voor zeer kleine sampans en bij niet lagen 
waterstand bevaarbaar tot aan de negorij Menggilang. De 
Sesamo biedt dat voordeel niet aan. 

De eenige zijtak die overigens nog eene afzonderlijke 
vermelding verdient, is de B. A. Boeloe-Kassoh , die op den 
Boekit Gadis ontspringt en alleen bij hare uitmonding in de 
Mahi tusschen de kampongs Boeloe-Kassoh en Lakoh-Oedang 
(Kotta-Baharoe) eenigzins bevaarbaar heeten mag. 

Behalve de Mahi met hare affluenten, worden in het noor- 
delfjk gedeelte van het landschap Pangkallan nog enkele aan- 
zienlijke beken aangetroffen, zooals de Aijer Groelama en de 
Aijer Pamanissan , die zich beide in de Kampar rivier uitstor- 
ten, de eerste bij Tandjong-Alij en de laatste bij Goenoeng- 
Boengsoe. 



Digitized by 



Google 



361 

b. XII KoTTA Kampae. 

De zoo even beschrevene Mahi rivier afvarende, passeert men 
ongeveer een halven paal voorbij de negorij Tandjoeng-Paoe 
een punt, waar, naar het beweren der inlanders, het grond- 
gebied van Fangkallan eindigt en dat van Kampar een aan- 
vang neemt. 

Onder den naam van Kampar schijnt eene vrij uitgebreide 
landstreek te worden verstaan, die zich uitstrekt over de ge- 
heele lengte van de beide oevers der niet onaanzienlijke ri- 
vier, welke in haren bovenloop den naam van Kampar. Ka- 
nan en na hare opneming van de Kampar Kiri, dien van Kam- 
par Besaar draagt , onder welken naam zij bij Poeloe-Lawan aan 
de Oostkust in zee valt. 

Moge die collectieve benaming en nog sterker die van //het 
Rijk van Kampar," zooals deze landstreek in oude documen- 
ten genoemd wordt, er al op wijzen dat die heele streek in 
vroeger tijden een politiek geheel vormde, 't is zeker, dat zij 
nu in een aantal onderling volkomen onafhankelijke deelen 
gesplitst is, die ook geen gemeenschappelijk hoofd erkennen. 

Het gedeelte waarover hier gehandeld zal worden, is offi- 
cieel bekend onder den naam van Doewablas Kotta Kampar 
(het telt tegenwoordig echter dertien negorijen , waarover hier- 
onder nader) en vormt als zoodanig een geheel. 

Ten zuiden wordt het begrensd door Pangkallan Kotta Ba- 
haroe en Kapoer nan Sambilan, terwijl het in het westen 
door de VI Kotta Gloegoer, in het noorden door het landschap 
Tapoeng en in het oosten door de V Kotta wordt ingesloten, 
welke laatstgenoemde drie landschappen vroeger alle tot het 
/'Eijk van Kampar" gerekend werden. 

Omtrent de grenslijnen van dit landschap kan volkomen 
hetzelfde gezegd worden, als 't geen hierboven omtrent die 
van Pangkallan vermeld werd. Slechts enkele punten daar- 
van op de communicatie-wegen met de omliggende streken 
zijn bepaald. 



Digitized by 



Google 



362 

De loop der lijnen, die deze ponten behooren te vereenigen, 
is nog nimmer vastgesteld. 

Het bewoonde gedeelte van het landschap bepaalt zich tot 
eene smalle strook land aan de beide oevers der Kampar Ka- 
nan, aan welke zonder eenige uitzondering alle kampongs der 
Xn Kotta's gelegen zijn. 

Dat bewoonde gedeelte is bijna overal vlak en zelden meer 
dan twee k dne meters boven het gewone water-oppervlak 
der rivier verheven. Het heeft echter op den noorder oever 
geen grooter breedte dan l&OO meters — meestal veel minder — 
en ontmoet op dien a&tand van de rivier den voet van den Boe- 
kit Soeligi, die zich in zijn hoogsten top tot circa 900 me- 
ters boven de zee verheft en die in zuid-oostelijke rigting 
een bergrug afzendt, welke te niet loopt in het heuvelach- 
tige terrein, dat het noord-oostelijk gedeelte van dit land- 
schap vormt en beschouwd moet worden als de voortzetting 
van den heuvel-chaos van Pangkallan. 

De zuidelijke oevervlakte neemt eerst een aanvang bij Tan- 
djoeng-Alij en strekt zich van daar uit tot de negorij Moe- 
ara-Takoes, waar de zandsteenheuvels weer de rivier naderen. 

Bij Batoe-Bersoerat bereikt die vlakte hare grootste breedte : 
die hier wel op 3000 ik 4000 meters geschat kan worden. 

Voorbij Moeara-Takoes wordt de vlakte van den zuider oever 
nog dikwijls a^ebroken door de heuvelruggen, die daar de 
overhand hebben, en westelijk van de uitwatering van de 
Kitpoer nan Qedang blijft er van die zuidelijke oevervlakte 
slechts hier en daar een klein stukje over, terwijl de vrij hooge 
heuvelrug, die aldaar de XII Kotta's van Kapoer nan Sam- 
bilan scheidt, zich met zijne takken en uitloopers meest over- 
al tot aan den oever der rivier uitstrekt. 

De hoogste toppen van dien heuvelrug zullen op 700 ^ 800 
meters absolute hoogte kunnen worden geschat. 

Bezoekt men deze streek van uit het district Kapoer nan 
Sambilan en volgt men het voetpad, dat van Moeara-Paiti 
naar de negorij Tandjoeng voert, dan bereikt men op de 



Digitized by 



Google 



363 

naar de Kampar rivier afloopende steile hellingen van den zoo- 
even bedoelden heuvelrug en op ruim een paal a&tand van 
de laatstgenoemde negorij eene opene plaats, van waar uit 
men oostwaarts een verrukkelijk vergezigt heeft over het 
grootste deel van de XII Kotta's. 

Dit gedeelte doet zich dan voor als een breed dal, dat 
zich aan weerszijden slechts langzaam en glooijend verheft, in 
het midden waarvan de Kampar Eanan zich kronkelt met 
honderden bogten en wendingen. 

Deze rivier heeft hare bronnen op de oostelijke hellingen 
van den Boekit Gedang in de landschappen Mopat Toenggal 
en VI Kotta Gloegoer. In laatstgenoemd landschap begint 
zij bevaarbaar te worden voor vlotten (rakit). 

Eerst in de nabijheid van de westelijkste negorij der XII 
Kotta met name Siberoewang wordt zij dit voor platboomde 
kleine sampans. 

Tusschen de negorijen Tabing en Tandjoeng neemt zij op 
haren r^gter-oever eene niet onaanzienlijke zij-rivier op, met 
name Batang Aijer Kapoer nan Gedang, welke op denzelfden 
bergketen als zij, maar iets zuidelijker, in het district Kapoer 
nan Sambilan ontspringt. 

Beneden deze zamenvloeijing is zij zoo in breedte als in 
diepte merkbaar toegenomen. 

Behalve een aantal kleinere beekjes, die zich aan weerszij- 
den in haar uitstorten, neemt zij nu verder nog een paar 
zij-riviertjes op, waarvan de Aijer Takoes, die van den Boekit 
Soeligi afkomt, op den linker, benevens de boven reeds ver- 
melde Aijer Pamanissan en Aijer Gk>elama uit het Fangkalan- 
sche op den regter-oever, de voornaamste zijn. 

Uit hetgeen hiervoren vermeld werd omtrent de gesteld- 
heid van het terrein dat deze rivier doorloopt, is reeds op 
te maken, dat haar karakter aanmerkelijk van dat der eerst- 
beschrevene Mahi rivier verschillen moet. Slechts op enkele 
plaatsen wordt hare bedding door hooge oevers en rotswan- 
den ingesloten. 



Digitized by 



Google 



364 

Zij onderscheidt zich verder van de Mahi door hare lan- 
gere bogten (rantaoe), door hare veelvuldige oeverbanken, 
door hare grootere breedte, die van 60 tot 120 meters be- 
draagt, en eindelijk door haar minder helder water. 

Met dat al biedt zij op verscheidene punten van haren loop 
ook de meest schilderachtige gezigten op de aan hare oevers 
gelegene kampongs aan. 

Hare watermassa bedraagt gemiddeld het dubbele van die 
4er Mahi, en terwijl zij bij een betrekkelijk even groot ver- 
val eene meer gelijkmatig hellende bedding heeft, is hare 
stroomsnelheid ook gemidddd grooter. 

(Men vergelijke hier de hoogte-opgaven van bijlage A met 
de bijgevoegde kaart.) 

Slechts eene plaats in haren loop door het grondgebied 
der XU Kotta's is gevaarlijk voor de passerende vaartuigen. 
Dit is de beruchte zoogenaamde //bating gedang'' {batingzn 
stroomversnelling), die een vierhonderdtal meters beneden- 
strooms gelegen is vaut de uitmonding der Mahi- rivier. 

Het gevaar wordt veroorzaakt door den geweldigen stroonn 
^1 het plotseling verval waanaede het water tuj?sohen en over 
de kolossale rotsblokken heenstort, die aldaar in de beddiüg 
verspreid liggen en het vaarwater bijna g^eel versperren. 

Overigens vindt men hier en daar nog een^ge schietstroo- 
meu over ondiepe grindbanken , maar deze zijn , hoewel lastig 
voor naar IxDven varende praauwen, echter niet gevaarlijk. 

Nabij de negorijen Goenoeng-Malelo en Siberoewang be- 
vinden zich niet ver van de oevers twee moerassen, bij de 
inlanders //danaoe'' geheeten, die echter slechts geringe op- 
pervlakte en weinig diepte hebben en van welke het eene, aan 
de overzijde van de kampong Moeara-Soebaling (negorij Goe- 
noeng-Malelo), zouder veel moeite droog te leggen zou wez^i. 

Een weinig verder beuedenwaarts ligt op den linkeroe- 
ver de kampong Kotta van dezelfde negorij , waar tegenover 
men de zoogenaamde Alahan Kampar mati vindt. 

Deze alahan vormde vroeger de eigenlijke rivierbedding , 



Digitized by 



Google 



365 

maar daar zij zich door haren bogt nog al ver van de zoo- 
even genoemde kampong verwijderde , heeft men daar een veer- 
tigtal jaren geleden eene geul gegraven, die de bestaande 
tandjocQg a&need en zooveel nader bij de kampong lag. 

De rivier zelve heeft die geul verder verbreed en tot hare 
eigenlijke bedding gevormd , terwijl haar vroegere loop thans 
bijna geheel verzand is. 

II. Negorijen, kampongs, bandjars en huizen. 

a. PANGIU.LLAN. 

Dit landschap, zooals boven vermeld werd, ook YI Kotta 
FangkaUan genoemd, telt zes negorijen, die te zamen weder 
verdeeld z\jn in 21 kampongs. 

De voornaamste negorij, Kotta-Bafaaroe aan de Mahi-rivier, 
gelegen ter plaatse waar deze de Aijer Malagiri en de Aijer 
Soeloekassoh (^ne^ut, bestaat uit de vijf volgende kampongs, 
namelgk: Boeloe-Kassoh, Lakoh-Gedang, Oelak-Pantij en Ti- 
ga-Balij in West-Oostelijke volgorde aan den zuider oever en 
Kotta'^Fandjang aan den noorder oever der rivier gelegen. Het 
zieloital dezer negorij bedraagt volgens de resultaten der ver- 
rigte opname 1279 inwoners (voor meerdere detaüs omtrent 
de bevoUdngstatistiek wordt verwezen naar bijlage B.) 

In bevolkingsterkte volgt op deze de negorij Goenoeng- 
Maüntang, op ongeveer 9 palen westwaarts van Kotta Baha- 
roe gelegen en bestaande uit de kampongs Kotta-Lama en 
Kotta-Toewa op den linker, benevens Kotta-Masigit en Ean- 
tjah-Loempoer op den regter oever der Mahi-rivier. 

Zij telt 806 zielen. 

De negorij Kotta-Alam met 714 zielen heeft vier kam- 
pongs, met name Kotta-Toewa, Kotta-Banah, Kotta-Alam en 
Kotta di Boekit, die in de aangegeven volgorde van znid 
naar noord aan het voetpad gelegen zijn, dat Fajakoemboeh 
met Kotta-Baharoe verbindt. 

De Aijer Sesamo met hare spruitjes voorziet deze kampongs 
van overvloedig helder water. 



Digitized by 



Google 



366 

De n^orij Tandjoeng-Balik , de vierde in zielental, heeft 
416 inwoners in drie kampongs, welke noord-oostwaarts van 
Kotta-Baharoe gelegen zijn aan eene sterke en dubbele kron- 
keling der B. A. Mahi, waaraan de negorij haren naam ont- 
leent. 

Die kampongs zijn: Kotta-Lama op den regteroever, bene- 
vens Kotta-Masigit en Kampong-Fanang op den linker. 

Ongeveer drie palen oostwaarts van de bovengenoemde ne- 
gorij Kotta-Alam ligt de negorij Menggilang met 223 inwo- 
ners. Zij wordt besproeid door de B. A. Malagiri en bestaat 
uit drie kampongs met name Kotta*Toewa, Kotta-Nomang 
en Kotta-Maransi. 

De flesde en kleinste negorij eindelijk met name Tandjoeng- 
Paoe is benedenstrooms van Tandjoeng-Balik gelegen en even 
als deze aan eene sterke bogt van de B. A. Mahi. 

lij bestaat uit de twee kampongs Poelaoe-Pandjang en 
Kotta-Lama, respectievelijk op den linker en den regter oe- 
ver, en heeft slechts 153 zielen. 

Behalve deze kampongs vindt men echter hier en daar nog 
enkele kleine nederzettingen , hier >/Bandjar^^ genoemd die van 
uit de kampongs bevolkt en gewoonlijk weder worden verlaten 
wanneer de ladangs, die in hare nabijheid zijn aangelegd, 
uitgeput raken en braak gelegd worden. 

Van die Bandjars zijn op het oogenblik de voornaamste: 
Kapala-Padang , Koeboe-Penawar en Sirogo. 

De eerstgenoemde bestaat uit een zestal woningen in het 
zuidwesten en op een drietal palen a&tand van Kotta-Baharoe 
aan het voetpad van Kotta-Alam. 

De tweede ligt westelijk en in de nabijheid van Tandjoeng- 
Balik, aan het voetpad dat Kotta-Baharoe met Batoe-Ber- 
soerat verbindt, en telt een tiental ladang-huisjes , terwijl de 
derde benedenstrooms van Tandjoeng-Balik aan de Mahi-ri- 
vier gelegen is en slechts drie huizen heeft. 

De tijdelijke bevolking dezer nederzettingen behoort onder 
die van Kotta-Baharoe en Tandjoeng-Balik. 



Digitized by 



Google 



367 

Yoor zoo ver de kampongs aan de bevaarbare rivier gele- 
gen zijn, bestaan zij voornamelijk uit eene enkele rij huizen 
langs den oever. 

Hier en daar zijn echter die rijen verdubbeld en enkele 
kampongs, vooral die van Kotta-Alam en MenggQang, strek- 
ken zich ook onregelmatig verder uit van de oevers der beek- 
jes waaraan zij gelegen zijn. Bij andere kampongs is dit 
slechts het geval, als zij aan meer dan eene zijde door water 
omgeven zijn, zooals bij sterke kronkelingen der rivier of bij 
uitmondingen van de voornaamste zijtakken. 

De huizen zien er behoudens enkele uitzonderingen alle ha- 
veloos en verwaarloosd uit. 

Ze bestaan voor verreweg het grootste deel uit ruwe dunne 
houten stijlen , die door rottan of boomschors aan elkander 
bevestigd zijn. De geheele constructie en bewerking verraadt 
ten duidelijkste dat een kapmes het eenige gereedschap was, 
dat bij de oprigting er van gebruikt werd. 

De bewanding bestaat bijna overal uit boomschors , die 
op achtelooze wijze t^en dunne wandstijltjes is aangebonden 
en vele reten en scheuren heeft. 

De vloer, die vier h zes voeten boven den grond verheven is, 
wordt gevormd door boomtakken of door //roejoeng"" (in latten 
gespleten pahnstammen van verschillende soorten) en is soms 
belegd met rottan-matten , terwijl de dakbedekking bestaat 
uit de groote bladeren van een dwergpalm, die hier //bolo- 
han'\ in de Fadangsche Bovenlanden >/batang-samik^^ genoemd 
wordt, welke bladeren zonder verdere bewerking als sirappen 
over elkaar gelegd worden , of wel uit de fijne bladeren van 
eene rcttansoort, welke met middennerf en al in den vorm 
van atappen op het dak worden uitgespreid. 

Als uitzondering op den regel moeten enkele goede wonin- 
gen beschouwd worden, die men hier en daar aantreft, welke 
hecht en d^eUjk geconstrueerd zijn en wier afinetingen ook 
aanzienlijk die der zooeven beschrevene algemeene type over- 
treffen. 



Digitized by 



Google 



. 368 

Enkele daarvan hebben planken omwandingen , sommige 
zijn met snijwerk versierd, en allen dragen de kenteekenen 
van nabootsingen te wezen (hoewel meestal niet zeer gdok- 
kige) van de huizen-type in de Padangsche Bovenlanden. 

Het aantal dier beter bewerkte woningen zal echter in ge- 
heel Pangkallan niet meer dan dertig stnks bedragen. 

Ook hier bestaat de dakbedekking uit de bovengenoemde 
bladeren. Het dekken met idjoek en sirappen is echter niet 
geheel onbekend: zoo zijn bijna al de masigits van laatstge- 
noemde dakbedekking voorzien, en de zoogenaamde //roemah 
negri" — passantenhuis — te Kotta-Baharoe heeft een idjoek dak. 

De grootste onreinheid heerscht over het algemeen zoowel 
in als om die woningen. De erven zijn bedekt met afval 
van het huishouden, rottende bladeren en modder. 

Als gunstige uitzondering op dezen regel kan de n^rij 
Goenoeng-Malintang gelden , waar de kampongs door de zorg 
van den Penghoeloe Kapala ongewoon zindelijk zijn. 

Gewoonlijk is elk erf omgeven door een pagger van dood 
hout, die geene opening heeft, maar die men, om er bui- 
ten te geraken, moet óverklimmen met behulp van eene soort 
korte ladders , die op sommige punten zijn aangebragt en een- 
voudig bestaan uit een paar stokken, die dwars tegen een 
paar andere zijn- aangebonden, welke in schuinsche rigting 
tegen den pagger steunen. 

In de kampongs vindt men geene paden. Om van hei 
eene einde daarvan naar het andere te geraken, is men dos 
verpligt achtereenvolgens al de tusschen gelegene erven over 
te gaan en de bijbehoorende paggers over te klimmen. Die 
lastige afsluiting moet natuurlijk dienen om het losloopend 
vee buiten de kampongs te houden. 

Bijna jaarlijks worden de aan de Mahi rivier gelegene kam- 
pongs door overstroomingen geplaagd, in enkele jaren zelfe 
meermalen, en somwijlen rijst het water in weinige uren tot 
boven den vloer van de woningen, 't Is zelfe voorgekomen, 
dat het de daken der lagere woningen bereikte, en dat dan 



Digitized by 



Google 



die huisjes niet werden weggespoeld, is te danken aan. het digte 
plantsoen, dat op de erven gevonden wordt, de kracht van 
den stroom breeekt en op deze wijze de huizen beschermt, 
wier stijlen bij zulke gelegenheid bovendien met rottan-tou- 
wen aan de dikste boomen worden bevestigd. 

Op een a&tand geeft dit digte plantsoen, vooral door de 
menigte klapper- en pinang-palmen die daarboven uitsteken, 
aan die kampongs een frisoh en bevallig aanzien , hoe verwaar- 
loosd zij inwendig er ook mogen uitzien. 

Vooral van uit de rivier beschouwd, leveren zij dikwijls 
schilderachtige tafereelen op. 

b, XU KoTTA Kampar. 

Zooals boven reeds even werd aangestipt, heeft dit land- 
schap dertien negorijen, die alle aan de Kampar Kanan gele- 
gen zijn. 

Van Oost naar West (dus stroomopwaarts) gerekend , volgen 
zij in de na te noemen orde op elkander : 

1". Poeloe-Gedang met 276 inwoners in twee kampongs, 
met name Poelaoe (linker oever) en Kotta (regter oever). 

2*. Tandjoeng-Alij met 261 zielen in drie kampongs, 
namelijk Moeara-Mahi op de beide oevers der Kampar, on- 
middelijk beneden de uitmonding van de Mahi, benevens 
Kotta en Silakoet drie k vier palen stroomopwaarts en beide 
op den regteroever. 

3*. Batoe-Bersoerat met 456 inwoners en drie kampongs, 
met name Loeboe-Agong (linkeroever), Kotta-Fandjang (reg- 
teroever) en Timoeloen (linkeroever.) 

4*. Kotta-Tengah met 417 zielen en vier kampongs , welke 
bij elkaar en tusschen de eerst en laatstgenoemde van Batoe- 
Bersoerat op den linkeroever gelegen zijn. Die kampongs zijn : 
Kotta- Ambatjang , Kotta-Tengah , Koeboe-Eamboetan en Bin- 
toengan. 

5*. Binamang heeft slechts twee kampongs, namelijk Kotta di 
Baroe (regteroever) en Kotta di Banah (linkeroever), en 124 zielen. 
XXIV 16 



Digitized by 



Google 



370 

6e. Fangkij met zeven kampongs en S48 inwoners. De 
kampongs zijn : Tandjoeng-G^edang , Parit , Kotta-Eandah , Loe- 
boe en Poelaoe- Ampat , alle op den regter-, benevens Kotta- 
Tinggi en Pengatassan, beide op den linkeroever der rivier. 

7e. Kotta-Toewah met 328 inwoners in drie kampongs, 
met name: Kotta-Toewah (regteroever) , Kotta-Anaoe (regter- 
oever) en Parit-Bantang (linkeroever.) 

Se. Moeara-Takoes met 326 zielen en vier kampongs , name- 
lijk : Alahan-Tiga en Kotta-Bahroe , beide op den regter- , bene- 
vens Kotta-Dalam en Kapala-Kotta , beide op den linkeroever. 

9e. Goenoeng-Boengsoe heeft 390 zielen en vier kampongs 
met name : Bongko-Wangan , Kotta-Lawas en Koeboe-Batoeng 
alle op den linkeroever en Kotta-Pandjang op den regter. 

10e. Tandjoeng met vijf kampongs en 402 inwoners. De 
kampongs zijn: Balik-Tandjoeng, Sawah en Kapala-Poelaoe op 
den r^ter-, benevens Bringien en Kotta op den linkeroever, 
aan eene sterke kronkeling die door twee lange en onderling 
paralel loopende bogten der rivier gevormd wordt. 

11e. Tabing met 390 zielen in vier kampongs, die aan 
eene andere sterke kronkeling der rivier gelegen zijn, alle op 
den regteroever. Hunne namen zijn : Kotta , Poeloe-Pandjang , 
Kotta-Tengah en Poeloe-Pondok. 

12e. Gh>enoeng-Malelo , bestaande nit drie kampongs, met 
name: Kotta en Moeara-Soebaling , beide op den linker-, en 
Kotta-Lawas op den regteroever, heeft 619 iawoners, en 

18e. Siberoewang met 336 zielen en vijf kampongs , waar- 
van Loeboe-Boentar , Doerian-Djantoeng , Kanijkan en Banah- 
Doerian aUe op den linker- en Batoe-Labi op den anderen oe- 
ver gelegen zijn. 

Bandjars zooals in Pangkallan kent men in het Kamparsche 
niet. De ladang- huisjes staan hier meestal geisoleerd in het 
midden der velden. 

De dertien genoemde negorijen hebben dus te zamen 49 
kampongs, waarvan er 24 op den linker- en 25 op den r^- 
teroever liggen. 



Digitized by 



Google 



371 

Over het algemeen is alles , wat hierboven bmtreut de Pangkal- 
lansche kampongs en haizen gezegd werd, ook op deze toepasselijk. 

Het aantal goede woningen, die men hier vindt, bepaalt 
zich echter tot hoogstens een tien & twaalftal. 

De overigen zijn veelal van dezelfde zamenstelling als de 
overgroote meerderheid in Pangkallan. Ze zijn even vnil , ha- 
veloos en verwaarloosd. Ze staan veelal ook in eene enkele 
rij langs de oevers der rivier, en de erven zijn op dezelfde 
wijze door paggars onderling gescheiden. 

Met uitzondering van eenige weinige, zijn de meeste dezer 
kampongs ook dikwijls blootgesteld aan overstroomingen van 
de Kampar rivier. 

In de kampong Kotta-Baharoe van de negorij Moeara-Ta- 
koes bevindt zich om de woning van het zich noemende la- 
rashoofd der XII Eottas, Datoe di Balij , eene aarden borst- 
wering van S ii 4 voet hoogte, omgeven door een drooge 
gracht van 2 voet diepte. Ook de nabijgelegene masigit is 
van zoodanige borstwering en gracht voorzien. 

Dit is het eenige spoor van versterking , dat men in de bei- 
de hier behandelde landschappen aantreft. 

III. Bestuur, lioofden, bevolking en adat. 

a. Pangkallan. 

Yan af de vroegst bekende tijden heeft deze landstreek altijd 
een politiek geheel gevormd. Ze was als zoodanig /s^tanahan- 
dika^^ en volgens de overlevering een onderdeel van het rijk 
van Menang-Karbaoe. 

Zooals bekend is beteekend de uitdrukking //tanah andika^\ 
in tegenoverstelUng van //tanah Soelthan,^^ een land dat een 
veelhoofdig bestuur van panghoeloe's andika heeft , welke vol- 
gens bestaande instellingen en gebruiken tot die waardigheid 
verheven worden. 

Hoezeer in de hoofdzaak nog dezelfde, heeft deze vormvan 
bestuur, waar hij in kontakt kwam met ons Gouvernement 
en door den invloed daarvan, in de laatste 80 jaren eenige 



Digitized by 



Google 



wijzigingen ondergaa*^, door dat langzamerhand enkele van 
onse instelUingen daarin zijn opgenomen. 

De tegenwoordige organisatie van dat bestnar zal in de 
volgende regelen worden uiteengezet. 

Elke der zes negorijen van het landschap heeft hare eigene pang- 
hoeloes — ook wel //niniehs^' genaamd — , die bij hunne aanstelling 
den voor hunne waardigheid vastgestelden galar aannemen. 

In bijlage C. vindt men eene opgave van die galars voor 
elke soekoe van elke negorij. 

Uit dien staat blijkt v^d^ , dat het aantal panghoeloe's in eene 
negorij niet bepaald wordt door het zielental ,noch door het aantal 
soekoe's , maar geheel willekeurig schijnt vastgesteld te wezen. 

De hoofdnegorij Kotta-Baharoe heeft in vijf soekoe's twaalf 
panghoeloe's ) Goenoeng-Malintang in vier soekoe's vier pang- 
hoeloe's, Kota-Alam twaalf panghoeloe's en vier soekoe's, 
TVmdjoeng-Balik in vier soekoe's zes panghoeloe's , Menggilang 
in vijf soekoe^s vijf panghoeloe's en Tandjoeng-Paoe in drie 
soekoe^s ook vijf. Niettegenstaande hun aantal van twaalf is 
de collectieve benaming der panghoeloe's van Kotta-Biharoe: 
^/Soekoe nan lima ninih nan sapoeloeh." 

Eigenlijk behoorden er ook slechts tien te wezen, in ie- 
dere soekoe twee , maar omdat //Sadjambar makan'\ het door de 
adat vastgestelde aantal personen, dat bij feestmalen aan een 
zelfde //doelang" aanzit , ook in deze streken zes personen be- 
draagt, heeft men het noodig geacht aan de soekoe Fatapang 
vier panghoeloe's te geven , ten einde het voor twee //djambar"' 
gevorderde aantal panghoeloe's voltallig te maken. 

Ieder dezer panghoeloe's is hoofd van een zeker aantal &- 
miliën, welke te zamen een y/boewah proet" vormen. ledere 
soekoe van Kotta-Baharoe bestaat dus uit twee //boewah proef', 
behalve Patapang, die er vier heeft. 

Te zamen vormen deze twaalf panghoeloe's het bestuur der 
negorij. 

Bij beraadslagingen over bestuursaangelegenheden hebben 
hunne stemmen gelijke waarde. 



Digitized by 



Google 



378 

Iii het dagelijksoh bestuur is dit echter niet het geval. Wel 
is ieder hunner voor zijne onderhoorigen het eenige hoofd met 
wien zij direct te maken hebben, maar de vier panghoeloe's 
van de soekoe Fatapang hebben ook nog bevoegdheden , welke 
die der overige soekoe's missen. 

Datoe Besaar is de voornaamste panghoeloe van YI Kotta 
Pangkallau en voert als zoodanig den titel van //poetjoek boe- 
leh''' (de stam, die boven alle andere uitsteekt). Hij wordt 
ook genoemd //telaga oendang"' (het best te vertalen door ons 
//wethouder'', woordelijk //meerdere wetten") en heeft als zoo- 
danig het toezigt op de handhaving der van oudsher be- 
staande en geëerbiedigde gebruiken en instellingen in het ge- 
heek gebied van Pangkallan. 

Zijne waardigheid brengt de verpligting mede voor den daar- 
in nieuw optredenden titularis om een groot feestmaal te ge- 
ven , zes buffels daarvoor te slachten en aan elk der negorijen 
een kop daarvan te zenden. Y66r dat aan deze foi^naliteit 
voldaan is , draagt de tot die waardigheid bestemdp persoon 
den gakr van Maharadjalela. 

Bij de eerste aanrakingen met ons bestuur was Patoe Be- 
saar de persoon , die ons als hooM der geheele landstreek werd 
aangewezen, om welke reden hij in oude documenten ook wel 
districtshoofd genoemd werd. 

Datoe Siwidjaja is de panghoeloe poetjoek voor de negorij 
Kotta Baharoe zelve. Hij draagt als zoodanig ook den titel 
van, //oerat tanggoeng'' (penwortel) en kan in zekeren zin 
beschouwd worden als bet uitvoerend bewind in zijne negorij 
te vertegenwoordigen. 

Zoo is bij voorbeeld zijne vergunning noodig voor het aan- 
gaan van een huwelijk , voor het geven van feesten , voor het 
ontginnen van woeste gronden enz. 

Datoe Bandahara is de jongste in rang van de zes pang- 
hoeloe's, die te zamen een ^djambar'' vormen. Als zoodanig 
bedient hg bij feestmalen z^ne medeaanzittenden. Zoodra 
echter gesobiUea ontstaan tusschen Pangkallan en andere stre- 



Digitized by 



Google 



874 

ken, die door de wapenen moeten worden beslist, dan treedt 
deze panghoeloe op als aanvoerder van de tegen den vijand 
uitgezonden troepen. 

Evenzoo is Datoe Domoe-angsa de jongste in rang van de 
zes panghoeloe's der andere //Djambar^' en bewijst als zooda- 
nig ook dezelfde diensten bij feestmaaltijden. 

Deze panghoeloe treedt echter tevens als arbiter op in alle 
geschillen welke tnsschen de panghoeloe's van Kotta-Baharoe 
onderling mogten ontstaan en die niet op andere wijze uit den 
weg te ruimen zijn. 

Zijne uitspraken moeten stipt geëerbiedigd worden. 

Andere verschillen in regten en verpligtingen der twaalf 
panghoeloe's zijn hier niet bekend, behalve dat die van de 
eerste djambar, namelijk Datoe Besaar, Datoe Toemanggoeng» 
Datoe Panghoeloe Besaar , Datoe Madja-indah , Datoe Farapati 
en Datoe Domoe-angsa bij de aanvaarding hunner waardigheid 
feest moeten geven en daarvoor een' buffel slachten — eerst- 
genoemde zelfs zes , zooals boven reeds gezegd werd , — terwijl 
de zes panghoeloe's der andere djambar// di tanah nan tasirah^^ 
tot hunne waardigheid verheven worden, welke uitdrukking 
beteekent, dat zij bij gelegenheid der begrafenis van hun 
voorganger op diens pas gesloten graf (//op de rood opgewoelde 
aarde'') zonder verdere formaliteiten als de opvolger van den 
overleden titularis worden aangewezen en erkend, en bij die 
zelfde gelegenheid ook den galar van deze aannemen. 

Kleine geschillen worden door de panghoeloe's der betrok- 
ken partijen zoo veel mogelijk in der minne vereffend. In- 
dien hunne uitspraak niet wordt aangenomen, wordt hooger 
beroep toegelaten op de gezamenlijke panghoeloe's der negorij. 

Bil overtredingen fungeren zij , zoodra de benadeelde partij 
zulks verlangt, eveneens als regters. 

Misdrijven van ernstigen aard mogen alleen door de ge- 
zamenlijke panghoeloe's beregt worden. 

Op den staat Litt*. G worden nog twee andere panghoeloe's 
onder de soekoe Patapang der negorij Kotta-Baharoe opgege- 



Digitized by 



Google 



375 

yen, die hier nog niet besproken zijn, namelijk Datoe Fan- 
doeka-toewan en Datoe Simapalawan. Deze worden genoemd 
/ypanghoeloe kampoeng'^ en siaan in rang beneden de twaalf 
anderen, zij hebben geen stem bij de beraadslagingen van 
deze en deelen evenmin in de financieële lasten als in de 
geldelijke voordeelen (belasting of boeten) der panghoeloe^s. 
Hnnne waardigheid en galar zijn echter erfelijk. Zij worden 
ook ffdi tanah nan tasirah^' daarin bevestigd. 

Hnn werkkring is ongeveer gelijk aan die der mamang- 
koe's of manoengkat in de Fadangsche Bovenlanden , m. a. w. 
zij staan hunne andika^s bij in het voeren van het bestuur 
en brengen veelal de bevelen van deze aan de anak boewah^s 
over. Zij zijn echter niet, zoo als dit in eenige streken der 
Fadangsche Bovenlanden het geval is, de aangewezen opvol- 
gers hunner andika^s. 

Bij de erfopvolging der panghoeloe-waardigheid houdt 
men zich niet angstvallig aan de regten der naaste verwan- 
ten. 

In eene familie-vergadering, waaraan al de leden der be- 
trokken //boewah proeft kunnen deelnemen, worden de goede 
en slechte hoedanigheden der verschillende candidaten over- 
wogen en in verband daarmede eene keus gedaan, waarbij 
echter de leden der oudste familie van de boewah proet 
bij overigens gelijke omstandigheden den voorrang hebben, 
terwijl evenzoo, als er meer dan één candidaat in eene 
familie is, de oudste boven den jongere de voorkeur krijgt, 
tenzij bijzondere omstandigheden den laatste doen verkiezen. 

In de ïiegorij Goenoeng-Malintang heeft iedere soekoe slechts 
één penghoeloe. Die der soekoe Domo wordt poetjoek ook 
wel kapala soekoe genaamd. Hij vertegenwoordigt, als het 
te pas komt, tegenover andere negorijen de gezamenlijke 
panghoeloe^s der negorij. 

In het algemeen kan dit zelfde gezegd worden omtrent ie- 
deren panghoeloe poetjoek zoowel in Fangkallan als in XII 
Kotta Xampar. Zij hebben wel geene beslissende stem bij 



Digitized by 



Google 



S76 

de beraadslagingen, maar zijn in zekeren zin ak presidenten 
der vergaderingen te beschoawen. De beraadslagingen zijn 
niet geldig, wanneer zij niet door den poetjoek of door een 
bijzonderen gemagtigde van dezen worden bijgewoond. 

De negorij Kotta-alam heeft in iedere soekoe drie panghoe- 
loe's , alzoo twaalf in 't geheel. Van ieder drietal is een (de in 
den staat C eerstgenoemde) de poetjoek met betrekking tot 
de beide anderen. 

De poetjoek van Tjiuiaga is weder de voornaamste van 
deze vier en vertegenwoordigt, zoodra noodig, de gezamen- 
lijke twaalf panghoeloe's der negorij. 

In Tandjoeng-Balik heeft de soekoe Domo drie panghoeloe's 
en de drie andere soekoe's elk een. De poetjoek is Datoe Si 
Maharadja van Domo. 

De vijf soekoe's van Menggilang hebben elk één panghoeloe, 
van welke die van Tjiniaga met den galar Datoe Maharadja-in- 
dah de poetjoek is , en in de negorij Tandjoeng-Paoe vindt men 
vijf pinghoeloe's , waarvan één voor de soekoe Malaijoe en 
twee voor elke der beide anderen. Datoe Sipandoeka-madjah- 
indah van Domo is hier de poetjoek. 

Alle adat- en inwendige bestuurszaken worden door deze 
adat-hoofden behandeld en beslist bij //moefaqat", en voor zoo 
ver die hoofden betreft is de primitieve vorm van bestuur on- 
veranderd in wezen gebleven. 

Sedert de aanrakingen met ons bestuur werd eefater, naar 
het schijnt van weerszijden , behoefte gevoeld aan tusschenper- 
sonen, die tegenover de Gouvemements ambtenaren het veel- 
hoofdig bestuur en de ingezetenen konden vertegenwoordigen. 

In het begin was de daarvoor, ook volgens de adat, aan- 
gewezen persoon Datoe Besaar van Fatapang Kotta-Baharoe , 
die als zoodanig door zijn mede-panghoeloe, den poetjoek van 
Kotta-Baharoe, Datoe Siwidjaja werd bijgestaan. 

In 1841 werd echter van wege ons bestuur een van Pang- 
kallan afkomstige /'Soedagar'' te Paijakoemboeh als panghoe- 



Digitized by 



Google 



377 

loe dagang aangesteld ótn de handelsrelatien met deze streek 
te bevorderen. 

Langzamerhand werd die panghoeloe dagang de persoon , dien 
de Gonvernements ambtenaren in de eerste plaats als tusschen- 
persoon beschouwden en met wien zij de Pangkallansche za- 
ken voornamelijk behandelden. 

Bij besluit van den Resident der Padangsche Bovenlanden 
dd. 5 November 1846 No. 1743 werd zekere Datoe Pan- 
doeka Sindara in die betrekking aangesteld en daar deze persoon 
door zijne betrekkelijk meerdere ontwikkeling spoedig vrij veel 
invloed verkrop op den gang van zaken in Pangkallan , werd 
hij weldra door onze ambtenaren ongeveer als hoofd dezer 
landstreek beschouwd en werden onze directe aanrakingen met 
de eigenlijke landshoofden van lieverlede zeldzamer. 

't Was waarschijnlijk omstreeks 1849 dat in iedere negorij 
der zes Kotta's Pangkallan een persoon werd aangewezen, tot 
wien de panghoeloe dagang zich bij voorkeur zou te wenden 
hebben], in de gevalle dat er Güuvemements bevelen moesten 
worden ten uitvoer gölègd. 

Die personen namen den titel van panghoeloe kapalaaanen 
werden door de panghoeloe's der betrokken negorijen als zoo- 
danig verkozen. 

In Kotta-Baharoe viel deze keus op zekeren Datoe Pangeran , 
die sedert dien tijd panghoeloe andika in de soekoe Malaijoe 
werd met deb galar van Datoe Toemanggoeng (zie bijlage D). 

In Gbenoeng-MaHntang vond men zekeren chatib (thans Da- 
toe) Pamoentjak den geschikten persoon. Deze was echter 
geen panghoeloe. 

In Kotta-Alam was het de toenmalige panghoeloe poetjoek 
der negorij met den galar Datoe Sinara. 

Bij diens overlijden volgde een zijner broeders hem als 
poetjoek op en nam ook den daarvoor bepaalden galar aan, 
terwijl een zijner kamanakans in zijne plaats tot panghoeloe 
kapala werd verkozen. 

In Tandjoeng-Balik was het primitief ook de panghoeloe 



Digitized by 



Google 



878 

poetjoek en deze persoon is ook thans in leven , maar heeft zich 
wegens vergevorderden leeftijd, voor zooveel zijne betrekking 
van panghoeloe kapala betreft, doen vervangen door zijn kama- 
nakan, die tegenwoordig als zoodanig bekend staat. 

In de negorij Menggilang werd de panghoeloe van de soe- 
koe Malaijoe als panghoeloe kapala verkozen, en diezelfde per- 
soon vervult ook nog tegenwoordig die betrekking, terwijl in 
Tandjoeng-Paoe even als in Tandjoeng-Balik de toenmalige 
panghoeloe poetjoek verkozen werd, maar zich eveneens te- 
genwoordig doet vervangen door zijn kamanakan. 

Datoe Fandoeka Sindara was echter nog altijd slechts pang- 
hoeloe dagang en Datoe Besaar het eigenlijke hoofd van TI 
Kotta Pangkallan. 

In 1864 wenschte deze laatste echter niet meer als zooda- 
nig door het Gfouvemement te worden aangemerkt, daar hij 
zich niet langer in staat gevoelde om in die betrekking te- 
genover ons bestnnr op te treden. 

Hij zelf, vergezeld van de voornaamste panghoeloe^s ¥an 
het landschap , begaf zich daarom naar Fort de Koek , waar zij 
op den 16en April van genoemd jaar eene zamenkomst hadden 
met den Resident der Padangsche Bovenlanden, in welke ver- 
gadering hij verklaarde zijne waardigheid als districtshoofd ne- 
der te leggen, terwijl de vergaderde hoofden met algemeene 
stenmien verzochten dat Datoe Pandoeka Sindara als laras- 
hoofd van Pangkallan mogt worden erkend, welk verzoek door 
den Besident werd ingewiUigd. 

Yan het in deze vergadering verhandelde werd proces-ver- 
baal opgemaakt en door den Besident onderteekend , welk stok 
zich in handen bevindt van het toen geinstalleerde larashoofd, 
voor wien het eene acte van aanstelling vervangt. 

De inkomsten, die de boven besproken panghoeloe's en 
hoofden door honne betrekking genieten , zijn over 't algemeen 
zeer onbeduidend en bepalen zich meerendeeb tot ^thail amas'' 
bij het verefl'enen van geschillen, tot boeten bij overtredingen 
en misdrijven en tot luttele geschenken bij feesten als anderzins. 



Digitized by 



Google 



379 

De panghoeloe's en hoofden der negorij Kotta-Baharoe heb- 
ben behalve deze ook nog eene andere en aanzienlijker bron 
van inkomsten, namelijk de belasting, die aldaar van bijna 
alle handelsartikelen te hunnen behoeve geheven wordt. 
Het bedrag dier belasting is voor de na te noemen artikelen 
als volgt: 

Yoor trasi, tabak, katoen, damar, schellak, tin, getah en 
bnskroid / 1. — per pikol; 

voor gedroogde visch (^troeboek") / 1.50 per 100 stuks; 

voor zijdenstoffen ƒ20. — per kist; voor andere manu&c- 
turen, kramerijen enz. 2^/^ der waarde, en voor iederen ver- 
handeld wordenden buffel 25 cents. 

Bijst, zout en alle andert hierboven niet genoemde artike- 
len zijn tolvrij. 

Deze belasting worden geind door twee personen, waarvan 
de een door het larashoofd, de andere door de panghoeloe^s 
wordt aangewezen. Deze twee personen deelen het ontvangen 
bedrag in tweeën, waarvan de eene helft aan het larashoofd 
alleen en de andere aan de gezamenlijke twaalf panghoeloe^'s 
komt, die het onderling nogmaals gelijkelijk verdeelen. 

Het aandeel van het larashoofd wordt geacht jaarlijks ƒ700. — 
h / 800. — te bedragen. 

De meeste panghoeWs onderscheiden zich uiterlijk in niets 
van hunne onderhoorigen ; hunne innerlijke waarde is veelal 
ook niet grooter. 

Er komen echter enkele gunstige uitzonderingen op dien 
r^l voor. 

De panghoeloe's kapala zien er over ^t algemeen &tsoenlij- 
ker uit en geven ook meer blijken van ontwikkeUng. Enkele- 
van hen zouden onder goede leiding waarschijnlijk zelfs tot 
goede hoofden kunnen gevormd worden. Lezen of schrijven 
kunnen ze echter geen van allen. 

Het larashoofd Datoe Pandoeka Sindara is een gewezen han- 
delaar. Volgens informaties moet hij vroeger zeer goede za- 
ken hebben gemaakt en een voor een inlander niet onaardig 



Digitized by 



Google 



880 

fortaintje verzameld hebben, dat echter voor een deel door 
ongelukkige speculatien weder verloren geraakt schijnt ie we- 
zen. Hij is betrekkelijk ontwikkeld en beschaafd, maarthans 
reeds vrij bejaard en met de gewone gebreken van den ou- 
derdom behebt. 

Het gezag, dat de boven besproken hoofden onder hunne 
bevolking uitoefenen, is niet bijzonder groot en 't minst van 
al in de negorij Kotta-Baharoe. Ze laten zich weinig gelden , 
maar grijpen iedere gelegenheid aan om zich over dien toe- 
stand van halve anarchie te beklagen. Ze hebben daarvoor 
een paar beeldsprakige uitdrukkingen , waarmede zij in enkele 
woorden trachten te schetsen hoe de toestand wezen kon eü 
hoe hij feitelijk is. 

Die uitdrukkingen zijn: 

//padie sakapoek, ampoh'' 

vdSDSiA sapati, lojang"' 

^karbaoe sakandang , djalang'' , waarbij zij hun land vergelij- 
ken met een gevulde padischuur, met een kist vol goud en 
met een kraal vol karbouwen, maar waarvan bij nader inzien 
de padikorrels ledig zijn , het goud geel koper en de karbouwen 
wild. De welvaart, die men daar meent op te merken, is 
dus volgens die gezegden slechts schijnbaar. 

De bevolking van Fangkallan geeft voor van Bovenlandsche 
afkomst te wezen en wel grootendeels uit Preangan-Padang 
Pandjang. Ook de L Kotta's hebben daaraan hun contingent 
geleverd en men vindt er enkele femiliën, wier voorvaderen 
te Kambodja en te Makassar te huis behoorden. 

Het uiterlijk der bewoners is met die beweringen in over- 
eenstemming. Ck)k de hier in gebruik zijnde zeden en ge- 
woonten zijn volkomen Maleisch. 

De adat kamanakan wordt hier evenwel niet zoo streng 
toegepast als zulks in de meeste streken der Padangsche Bo- 
venlanden nog het geval is. Als erfgenamen hebben kinderen 
en kamanakan ongeveer gelijke regten voor zooveel de nage- 
laten bezittingen betreft. 



Digitized by 



Google 



381 

Titels en waardigheden gaan echter alleen op de broeders 
of op de kamanakan's over. Het hawelijk is hier ook ge- 
heel Maleisch. De vrouw blijft na hare echtvereeniging bij 
hare bloedverwanten wonen en hare kinderen behooren tot 
hare soekoe. Over 't algemeen mogen in deze streken soekoe- 
genooten niet met elkaar in 't huwelijk treden. Die regel 
lijdt echter eenige uitzonderingen, bijv. voor de soekoe Pata- 
pang in Kotta-Baharoe en voor Domo in Tandjoeng-Balik , waar 
dat huwelijk wel geoorloofd is, mits de betrokkenen niet on- 
der denzelfden panghoeloe behooren. 

Ook wat betreft de tegen misdrijven en overtredingen be- 
dreigde straffen , volgt men hier de Maleische adat. Op moord 
en doodslag is de betaling van den bangoen ten bedrage van 
sakati lima (± / 400.) bedreigd. Een dief op heeterdaad 
betrapt mag men ongestraft op de plaats zelve om 't leven 
brengen. Dat zelfde regt heeft de echtgenoot , die zijne vrouw 
op overspel betrapt, zoowel tegenover haar als tegenover 
haren medepligtige. Later ontdekt worden dergelijke zaken 
echter met geldboeten afgedaan. 

• De veiligheid van personen en goederen laat echter in deze 
streken weinig te wenschen over. Van moord kwam in de 
laatste 40 jaren slechts één geval voor, en de schuldige 
was bovendien een vreemdeling. Diefstal is hoogst zeld- 
zaam. 

De inwoners gaan ook meest alle geheel ongewapend , en 
ziet men er nu en dan al eens een met een lans, een zwaard 
of een kris, dan is dit minder als voorzorgsmaatregel tegen 
elkander dan wel tegen wilde dieren te beschouwen , of ook 
wel als eenvoudigen opschik. 

In vorm komen die wapens overeen met die der Maleijers 
in de Bovenlanden. Zij worden dan ook van daar of van de 
Oostkust ingevoerd. In Pangkallan zelf worden geene wapens 
vervaardigd Wel vindt men in dit geheele district twee sme- 
den, namelijk één te Kotta-Baharoe en één te Manggilang, 
maar deze personen houden zich uitsluitend bezig met het 



Digitized by 



Google 



382 

maken van landbonwgereedschappen of van ijzerwerken voor 
den bouw van praanwen. 

De vuurwapenen, die men hier aantreft, bestaan hoofdzake- 
lijk oit een 70 ik SOtal lUa's, waarvan er een paar te Goe- 
noeng-Malintang en een tiental te Tandjoeng-Balik te huis 
behooren. De overigen zijn het eigendom van inwoners van 
Kotta-Baharoe. 

Verder vindt men hier en daar nog een donderbns of een 
oud vnorsteengeweer. 

Wat het godsdienstig leven der bevolking betreft, kan het 
volgende medegedeeld worden. 

In elke negorij vindt men één imam, één bilal en één 
chatib en bovendien heeft iedere panghoeloe een malim. In 
de meeste negorijen is de masigit des Vrijdags goed bezocht 
en te Kotta-Baharoe ziet men op de gezette tijden van den 
dag altijd eenige vrome lieden aan den rivieroever bezig 
met bidden. 

De dzakat bedraagt ook hier een tiende gedeelte van den 
oogst en wordt vrij geregeld aan geestelijkheid en armen op- 
gebragt. • 

He't aantal hadji's in Kotta-Bahroe wordt op circa 70 ge- 
raamd. Te Tandjoeng-Balik zijn er drie en te Goenoeng- 
Malintang twee. In de overige negorijen vindt menergeene. 
Zij allen houden zich uitsluitend met den handel bezig. — 
Bedevaartgangers of geestelijken van bijzonder aanzien treft 
men hier niet aan. 

Slavernij bestaat hier natuurlijk nog en het aantal der per- 
sonen, die daaraan ontleende verpligtingen jegens anderen 
hebben, wordt in Kotta-Baharoe op ongeveer een vierde ge- 
deelte van het zielental geraamd. 

In de andere negorijen is dat echter veel minder. 

Zij worden //hamba'' genaamd en schijnen bijna aUén af- 
stammelingen te wezen van pandelingen'. Het nemen van pande- 
lingen tot zekerheid van schuld komt hier niet meer of althans 
hoogst zeldzaam voor en handel in slaven in het geheel niet. 



Digitized by 



Google 



383 

Yoor een aantal dier dienstpligtigen bestaat die slavernij 
echter slechts in naam en de meesten hunner bewegen zich 
ongeveer even onbeleifimerd als de vrije lieden; men ziet er 
zel& niet tegen op ze met bloedverwanten van panghoeloe^s in 
het huwelijk te verbinden. 

Moord op een slaaf gepleegd wordt echter niet met ba- 
ngoen, doch slechts met geringe boete gestraft. 

b. Xn KoTTA Ejlicpak. 

Het onder dezen naam bekende landschap schijnt vroeger 
uit twee deelen te hebben bestaan, die ook thans nog wel 
eens als ongeveer onafhankelijk van elkaar worden beschouwd. 

Tot het eene gedeelte , bekend onder de benaming van Kam- 
par nan TIT Eotta of YII Kotta Hir , behooren zooals die naam 
aanduidt de zeven benedenwaartsche negorijen, vanafPoeloe- 
Gtedang tot en met Kotta-Toewah. 

Het andere deel draagt den naam van Toengkoe nan Tiga en 
telde vroeger vijf negorijen , omdat Siberoewang toenmaals nog 
een onderdeel van Goenoeng-Malelo uitmaakte. De benaming 
Toengkoe nan Tiga had naar 't schijnt betrekking op de drie 
voorname hoofden, die gezamenlijk deze streek bestuurden en 
die respectievelijk te Moeara-Takoes , te Tandjoeng en te Goe- 
noeng-Malelo gevestigd waren. Nog voor dat Siberoewang als 
zel&tandige negorij optrad, sloten de YIl Kotta Ilir zich bij 
de Toengkoe nan Tiga aan en dit bondgenootschap werd toen 
bekend on^er den naam van XII Kotta Elampar, welke tot 
nu toe behouden is gebleven. 

Er zou trouwens een groot aantal voorbeelden ook uit de 
Gouvemements landen kunnen worden aangehaald vu derge- 
lijke collectieve benamingen, die thans veranderd zijn en in 
't minst niet meer toepasselijk op het aantal negorijen (Kot- 
ta's) dat in zoo'n landschap gevonden wordt, daar dat aan- 
tal sedert de naamgeving dikwijls aanmerkelijk vermeerderd 
of verminderd is. 

Hoezeer gelijkheid van belangen deze twee deelen der XU 



Digitized by 



Google 



384 

Kotta's meestal tot eendragtelijke zamenwerking zal nopen, 
zoo behoudt zich toch ieder deel het regt voor, om voor zich 
zelf die maatregelen te nemen, die het in zijn eigen belang 
wenschelijk acht. 

Het inwendige bestuur van elke negorij op zich zelve is 
evenals in Fangkallan veelhoofdig. Een zeker aantal pang- 
hoeloe's, waaronder zich in elke negorij één poetjoek bevindt , 
en dat, zooals duidelijk blijkt uit de reeds genoemde bijlage 
C, in 't algemeen evenmin als in Pangkallan in direct ver- 
band staat tot het aantal aanwezige soekoe's of tot het zie- 
lental, behandelt alle voorkomende adat- en bestuurszaken der 
negorij bij /'moefeqat." 

In zaken , die de YJI Kotta Bir of de Toengkoe nan Tiga als 
afzonderlijk bondgenootschap betreffen, hebben al de pang- 
hoeloe's der betrokken negorijen gelijke stemmen. 

De opvolging in hunne waardigheid is in de hoofdzaak als 
in Pangkallan geregeld. Allen moeten echter bij de aan- 
vaarding hunner waardigheid een feestmaal geven, waarbij 
voor sommige hunner een' buffel moet geslagt worden, ter- 
wijl de overigen met het slagten van een geitenbok kunnen 
volstaan. Zij , wier galars in den staat Letter C met een 
* geteekend zijn, verkeeren in het eerste geval. 

Alles wat overigens hierboven omtrent den werkkring der 
panghoeloe's andika van Pangkallan gezegd is, kan ook op 
die van de XII Kotta ICampar toegepast worden. In ont- 
wikkeling en beschaving, of juister gezegd in hun gebrek 
daaraan, staan zij ook met deze gelijk. 

Hunne inkomsten als panghoeloe beteekenen zeer weinig of 
niets. Belasting wordt er te hunnen behoeve niet geheven. 
Zij zoowel als hunne onderhoorigen vinden hun bestaan in 
den landbouw. 

Gebeurt het echter een enkele maal, dat zij als panghoe- 
loe's eenig financieel voordeel hebben, 't zij door boeten als ^ 
anderzins, dan is de onderlinge verdeeling daarvan niet vol- 
komen gelijk aan die, welke men in Pangkallan volgt, daar 



Digitized by 



Google 



S85 

in de XII Kotta Kampar het aandeel dat de panghoeloe poe- 
tjoek ontvangt, altijd dubbel zoo groot is als dat van een an- 
deren panghoeloe. Heeft de negorij echter iets te betalen, 
dan deelt de poetjoek met de andere panghoeloe's slechts 
gelijkelijk in de te dragen lasten. 

Voor de betrekkingen met ons bestuur is er ook hier in 
elke negorij een persoon, die den titel van panghoeloe kapala 
voert. Die instelling dateert van 1845, in welken tijd de 
XII Kotta Kiönpar voor het eerst pogingen in 't werk gesteld 
schijnen te hebben om onder de Gk)uvemements landen te 
worden opgenomen. Die panghoeloe's kapala werden door de 
andika's en andere notabelen verkozen en de eerste titularissen 
schgnen door den toenmaligen civielen gezaghebber te Poe- 
ardatar als zoodanig bevestigd of erkend te wezen. Yoor 
hen die later in die betrekking optraden, heeft zoo'n er- 
kenning door een onzer ambtenaren ninmier plaats gehad, 
maar deze zijn verkozen als hunne voorgangers en door Datoe 
di Balij aangesteld (Zie bijlage D). Thans komt er onder 
de panghoeloe's kapala dezer dertien negorijen geen enkele 
voor, die tevens andika is. 

Datoe di Balij zelf is voor Toengkoe nan Tiga ongeveer het- 
zelfde wat Datoe Besaar voor Pangkallan is. Hij is de poe- 
tjoek boeleh en moet waken voor de instandhouding van de 
adat in genoemd landschap. Toen de YII Kotta Ilir zich bij 
dit landschap aansloten, verkreeg Datoe di Balij naar het 
schijnt ook eene dergelijke suprematie over deze streek. In 
elk geval werd hem die toegekend door ons bestuur, toen er 
in 18|^^ kwestie was van de inlijving der geheele XII Kot- 
ta's Kampar bij ons gebied. Hij beschouwt zich sedert dien 
tijd als onbezoldigd larashoofd van dit landschap van wege 
het Gouvernement aangesteld en in Toengkoe nan Tiga wordt hij 
ook algemeen door hoofden en bevolking als zoodanig erkend. In 
de Vn Kotta Ilir is dat echter niet zoo volkomen het geval 
en schijnt men hem daar zijn gezag wel eens te betwisten — 



Digitized by 



Google 



386 

in het geheele gebied der Xil Kotta's noemt men hem ech> 
ter met eenig ontzag: de //ninih Moeara Takoes/' 

Hij is een bejaard man, die zich uiterlijk voornamelijk 
door zijne solider woning en door het bezit van een tiental 
lela's van de andere hoofden onderscheidt. In ontwikkeling 
en beschaving staat hij niet boven hen. 

Onder de dertien panghoeloe's kapala is er een, die wel 
eenige nadere vermelding verdient. De bedoelde persoon is 
Datoe Batoewah van Ooenoeng-Malelo. In tegenstelling van 
bijna al zijne landgenooten is hij zeer levendig en werkzaam 
van aard. Zoo lang hij gezelschap heeft, praat hij ook, en 
hoogst zelden ziet men hem ledig, maar bijna altijd aan ^t 
werk. Hij beoefent ook het smidshandwerk. In verstan- 
delijke ontwikkeling kan hij gerekend worden boven alle an- 
dere personen van de XII Kotta's te staan. Hij heeft dan 
ook , niet alleen in zijne eigene negorij , maar ook in de twaalf 
anderen veel invloed en overal gehoorzaamt men aldaar vrij 
spoedig aan zijne bevelen, zoodra hij het noodig acht zich te 
doen gelden, wat nog al eens gebeurt.* Ook buiten de Xif 
Eotta's is hem eenige invloed niet te ontzeggen-, althans in 
de Tapoeng- en de Bokkan-streken is dit het geval. Het 
is tot nog toe echter niet gebleken , dat hij dien invloed ten 
kwade of te eigen profijte zou hebben aangewend, hoezeer 
men hem daarvan wel eens beschuldigd heeft. De overige 
twaalf panghoeloe's kapala beteekenen niet merkbaar meer of 
minder dan hunne collega's van Pangkallan. 

Blijkens de hier gevolgde adat is de afkomst der bevolking 
van dit landschap dezelfde als die der Maleijers in de Pa> 
dangsche Bovenlanden en waarschijnlijk nog veel minder ge- 
mengd dan die der bevolking van FangkaUan. 

De adat kamanakan wordt hier nog zonder afwijkingen 
toegepast. Soekoe-verdeeling, huwelijk, in 't kort alle in- 
stellingen zijn hier geheel Maleisch, ook wat betreft de reg- 
terlijke behandeling van geschillen in stra£saken. 

Dezelfde wapens, dezelfde wapendansen en dezelfde mu- 



Digitized by 



Google 



387 

ziekinstramenten , die in de Menangkabaoesche landen worden 
aangetrofien, vindt men hier terag. 

Het dragen van wapens is hier geene gewoonte. Yeüigheid 
van personen en goederen is , voor zooveel de inwoners onder- 
ling betreft, geheel naar wensoh ; misdrijven behooren tot de uit- 
zonderingen. De algemeene karaktertrek der bevolking dezer 
streek schijnt voorkomendheid en hulpvaardigheid te wezen. 

De godsdienstige voorschriften schijnen hier minder opvol- 
gers te vinden dan in Fangkallan. Wel vindt men in elke 
negorij een zelfde stel geestelijken als daar, maar hadjie's 
zijn hier onder de inwoners zeldzaam en met sembahjang houdt 
zich hier bijna niemand op. De Yrijdags-godsdienstoefenin- 
gen in de masigit hebben in de meeste negorijen slechts zel- 
den plaats, daar het daartoe gevorderde aantal van 40 per- 
sonen bijna nooit voltallig is. De opbrengst van de dzakat 
schijnt echter vrij geregeld te worden onderhouden. Ook in 
dit landschap vindt men geen geestelijke of hadji van bij- 
zonder aanzien. 

Wat de hier nog bestaande slavernij betreft, kan verwezen 
worden naisir het bovengezegde omtrent die in Fangkallan, 
met dit verschil, dat het aantal der onvrije personen, die 
men hier aantreft, betrekkelijk gering is en op niet meer dan 
een tiende deel der bevolking geraamd wordt. 

IV. Landbouw, 
a. Fangkallan. 

De landbouw staat in dit landschap op een vrij lagen trap 
van ontwikkeling. Vooral is dit het geval in de hoofdnegorij 
Kotta-Baharoe. 

't Is er echter verre af, dat dit te wijten zou wezen aan 
ongeschiktheid of onvruchtbaarheid van den bodem. 

De uitgestrekte vlakte van Kotta-Baharoe biedt voorzeker 
de allerschoonste gelegenheid aan tot het aanleggen van 
sawabs. 



Digitized by 



Google 



388 

Bij de menigte spruitjes en beekjes, die van het zuid- 
westelijk gebergte a&troomen, kan het niet veel moeite kos- 
ten deze geheele vlakte van het noodige water, te voorzien. 

Men heeft ze vroeger dan ook al bebouwd en een klein 
gedeelte daarvan tot sawahs «angelegd, die echter van den 
rq^n afhankelijk waren, daar men zich de moeite van het 
graven van waterleidingen niet wilde getroosten. 

Dit was dan ook waarschijnlijk de reden, dat de resulta- 
ten , die men van de sawahs verkreeg , steeds beneden die ble- 
ven, welke de ladangs opleverden. 

^t Lijdt echter geen twijfel, dat eene zorgvuldiger be- 
bouwing van de bedoelde vlakte gansch andere uitkomsten 
zou geven. 

Ze wordt op vrij gezette tijden jaarlijks een paar malen 
door het hooge water van de Mahi-rivier , althans gedeeltelijk 
overstroomd en men zou den tijd van bewerking daarnaar kun- 
nen regelen. En wanneer men op deze wijze zorgt, dat die 
bandjirs geene schade kunnen toebrengen aan het gewas, dan 
bli]ft daarvan alleen het voordeel over , dat het bij die gele- 
genheden aangevoerde slib zeker het zijne toebrengt aan de vrucht- 
baarheid van den grond. 

Aan ploegvee is geen gebrek. 

De bedoelde vkkte ligt thans voortdurend bijna geheel on- 
bebouwd , en behalve eene kleine uitgestrektheid sawah aan den 
noordelijken oever der rivier gelegen, bewerkt de bevolking 
van Kotta-Baharoe alleen ladangs in het heuvelachtige terrein 
dat de vlakte omzoomt en vier ii, zes palen van de negorij 
verwijderd ligt. 

Ook de ladangs van de ^bandjar"" Koeboe-Penawar worden 
voor een groot deel door inwoners van Kotta-Baharoe be- 
bouwd. 

Evenwel is het product dier velden bij lange na niet vol- 
doende voor de consumptie, zoodat er bijna dagdijks rijst 
wordt aangevoerd uit de afdeeling L Kotta, om in de behoefte 
aan dit artikel te voorzien. 



Digitized by 



Google 



380 

In de vigf andere negorijen van Pangkallan wordt e^ig 
meerder werk gemaakt van den rijstboaw, en aanvoeren van 
dat voedingsmiddel van bniten af hebben daar alleen bij 
slechte oogsten plaats. 

H Is echter ook daar bijna overal ladangbouw. In de ne- 
gorijen Menggüang en Tandjoeng-Faoe is dit zelfs uitsluitend 
het geval. Bij de negorij Kotta-Alam vindt men eenige sa- 
wahs van levend water voorzien en te Goenoeng-Malintang 
en Tandjoeng-Balik eenige , die van den regen afhankelijk zijn. 

Maar wederom is de bewerking en vooral de verdere ver- 
zorging zoo gebrekkig, dat de resultaten veel te wepscfaea 
overlaten en een vijftien i, twintigvoudige oogst reeds ouder 
de gunstige gerekend mag worden, zoodat men ook hier meest- 
al betere resultaten van de ladangs krijgt. 

Zoowel sawahs als ladangs hebben veel te lijden van de 
oli&nten, wüde varkens en herten, tegen wier verwoestingen 
bijna geene maatregelen genomen worden, daar men de vel- 
den na de beplanting bijna geheel aan zich zelf overlaat en 
zoowel afsluiting als bewaking verwaarloost. 

Vogels, veldmuizen en pianggangs brengen er verder het 
hunne toe bij om den oogst te verminderen en tegen al die 
vijanden is het voorname voorbehoedmiddel eenige djimats, 
die men in de velden plant, en verder eene hardop uitge- 
sprokene verzuchting tot de ^datoe datoe gedang" (olifenten), 
dat ze toch de velden van hun bezoek gelieven te verschoo- 
nen. 

I>e geoogste padi wordt hier op het veld door trappen met 
de voeten van het stroo ontdaap en meestal in de woningen 
der planters , zelden in a&onderlijke schuren opgeborgen. 

Tan andere voedingsmiddelen, zooals djagoeng en aard- 
vruchten, wordt hier nog minder werk gemaakt dan van de 
rijstcultuur. 

De achteloosheid van de bevolking ten opzigte van den 
landbouw valt ook zeer* in het oog bij de beschouwing van 
de klappercultuur. 



Digitized by 



Google 



390 

De geheele negorij Kotta-Baharoe ifi als 't ware een groot 
Idapperbosch en des niettegenstaande heeft er naar deze negorij 
een aanhoudende aanvoer plaats van klappers uit deYEotta. 

Dit vreemde verschijnsel is te wijten aan de groote me- 
nigte kalongs en toepai's, die hier voortdurend en geheel on- 
gestoord op de jonge klappers azen , zelfs op klaarlichten dag 
ziet men daar kalongs van den eenen klapperboom naar den an- 
dere vliegen en zich aan de jonge vruchten te goed doen. 
Van toepai's krioelt het. 

Maar evenmin als men tracht die schadelijke dieren te ver- 
jagen of uit te roeijen, evenmin acht men het der moeite 
waard de stanmien te ontdoen van de vele parasieten , wel- 
ke hier en daar ten koste van den boom allerweligst tieren. 

Ook in dit opzigt staat de hoofdnegorij Kotta-Baharoe ten 
achteren bij de vijf anderen, waar men althans voldoende 
klappers voor eigen consumptie heeft, ofechoon men bij meer- 
dere zorg voor de aanplantingen , er een overvloed van zou 
kunnen hebben voor den uitvoer naar andere streken. 

De koffijcultuur , die hier gedreven wordt , heeft alleen ten 
doel de bevolking van de noodige bladeren voor haren ge- 
liefkoosden en algemeenen drank //kopi-daoen'" te voorzien. 

Neemt men nu in aanmerking dat de voortdurende blade- 
renoogst natuurlijk allemadeeligst op de gezondheid en de 
vruchtbaarheid van den boom moet werken, en beschouwt 
men het in weerwil daarvan betrekkelijk gunstige aanzien van 
de meeste aanplantingen, dan komt men tot de overtuiging 
dat deze kuituur hier zeer goede resultaten zou kunnen op> 
leveren, als men er de noodige zorg aan besteedde. 

De weinige vruchten, die men thans daarvan oogst, wor- 
den naar de Oostkust afgevoerd, alwaar ze niettegenstaande 
hunne slechte bereiding nog ruime betaling bedingen. ' Die 
uitvoer wordt echter op nog geene dertig picols 'sjaars ge- 
schat. 

Andere kultures, die afzonderlijke vermelding waardig zijn, 

treft men hier niet aan; suikerriet, pinang en eenige vrucht- 



Digitized by 



Google 



891 

boomen vindt men in alle kampongs. Hier en daar ook wat 
gambier en eenige rameh, waaruit men het voor de vischnet- 
ten benoodigde tonw vervaardigt. 

Tabak wordt niet gekultiveerd. 

De ploeg is hier zoo goed als onbekend. 

De patjoel, >ypangkoer," die men hier gebruikt, onder- 
scheidt zich van die welke in de Fadangsche bovenlanden ge- 
bezigd wordt, door den nog scherperen hoek, dien de steel 
met het onderste deel daarvan vormt. De rigting dier beide 
deelen is b^na evenwijdig aan elkaar, zoodat het gebruik van 
dat gereedschap alleen bij eene zeer voorovergebogene houding 
mogelijk wordt. 

b, Xn KoTTA Kampae. 

In dit landschap heeft de rijstkultuur eene vrij groote 
uitbreiding , zoodat zij in staat is , behalve in de behoefte der 
eigen bevolking , ook voor een zeer groot gedeelte in die van 
de bewoners der V Kotta's te voorzien. 

Overal waar het terrein dat zonder moeite toelaat , heeft die 
kuituur in deze streken op natte velden plaats. 

Een groot deel der boven beschrevene oevervlakten aan beide 
zijden der rivier is in sawahs herschapen, die gemiddeld een 
veertig ^ vijttigvoudigen oogst opleveren. 

Gedeeltelflk zijn die sawahs van levend "water voorzien. 

Ze worden echter meestal met den pangkoer , zelden mei den 
ploeg bewerkt. 

Bijna jaarlijks worden deze velden ook door de bandjirs van 
de Kampar-rivier overstroomd, maar zelden in tijden dat het 
^ewas te velde staat. Waar de gelegenheid zich daartoe aan- 
biedt, wordt de oogst wegens die overstroomingen meestal in 
de op hooger gelegene gronden gebouwde padischuren en wo- 
ningen opgeborgen. 

't Meest valt dit in het oog in de negorij Tandjoeng-Alij , 
waar de sawahs in de nabijheid van de laag gelegene kampong 



Digitized 



jby Google 



392 

Silakoet zijn asmgelegd, terwijl de loemboengs alle in de op 
hooger terrein gelegene kampong Kotta, die op circa 1000 
meters a&tand van de eerstgenoemde ligt, zijn opgeslagen. 

Bovenwaarts van de negorij Tandjoeng vindt men echter 
weinig sawah's meer , en de bevolking zoowel van deze negorij 
als die van Tabing, Qoenoeng-Malelo en Siberoeang drijft de 
rijstkultaur bijna uitsluitend op ladangs in het nabij gelegene 
gebergte , die hier echter meestal ook goede oogsten opleveren. 

Ook in deze streken hebben de velden nog al te lijden van 
de oliüeuiten, herten, varkens, vogels en pianggangs. Even- 
wel schijnen ze hier beter böwaakt en daartegen beschermd 
te worden dan in Pangkallan. 

Bijst is dus ook hier de hoofdkultuur; mais en aardvruchten 
plant men slechts in geringe hoeveelheid voor versnapering. 

De klapperkultuur levert over het algemeen voldoende vruch- 
ten voor de behoefte der bevolking. 

De koffijkultuur biedt ook alle kans van slagen aan, maar 
verkeert hier overigens tot nog toe in hetzelfde geval als in 
Pangkallan. 

't Is hier evenwel volstrekt niet zeldzaam , dat men tot het 
verkrijgen van de noodige jonge plantjes behoorlijke kweek- 
beddingen aanlegt en deze goed onderhoudt. Een bewijs, dat 
de bevolking wel iet5 voor deze kuituur over heeft, daar ze 
. anders even goed zou kunnen volstaan met het overplanten 
der jonge plantjes , die men onder bijna alle aanplantingen vindt. 

Wat de overige kultures in dit landschap betreft, kan ge- 
heel hetzelfde gezegd worden, als hierboven omtrent die in 
Pangkallan vermeld werd. 

V. Veeteelt. 

Zoowel in Pangkallan als in Kampar bestaat de veestapel 
der bevolking alleen uit karbouwen en geiten. 

Bunderen zijn er volstrekt niet en alleen te Pangkallan 
vindt men een paard, dat het eigendom is van Datoe Pan- 
doeka Sindara. 



Digitized by 



Google 



393 

Het aantal aanwezige karbouwen kan in Fangkallan globaal op 
1200 en in de XII Kotta Kampar op 16t)0 stuks geschat worden. 

Ergerlijk is het aan te zien hoe die dieren hier ver- 
waarloosd worden. Om ze tegen de tijgers te beschermen, 
worden ze iederen avond te zamen gedreven in de voor hen 
bestemde kralen, die buiten de negorij zijn opgerigt en uit 
zeer hooge en zware palisaderingen bestaan, maar dit is dan 
ook alles wat men voor die dieren doet. 

Die kralen zijn onoverdekt, tengevolge waarvan de regen 
het inwendige daarvan in een diepen modderpoel herschapen 
heeft , die nooit gereinigd wordt en waarin de dieren dan ook 
meestal tot aan den schoft toe wegzinken, zonder dat ze het 
kleinste plaatsje harden grond kunnen vinden, om buiten 
die verpeste modder te blijven. 

Mogen die dieren op het heete van den. dag ook al behoef- 
te hebben zich ter verkoeling hunner huid of ter verja- 
ging van insecten in het water of in de modder te wente- 
len, zeker is het, dat het verblijf in die kralen, waar hunne 
huiduitwaseming geheel belet wordt en zij aanhoudend eene 
verpeste lucht inademen , zeer. nadeelig voor hen moet zijn. 

Het ongezonde en verwaarloosde uiterlijk van de karbou- 
wen in deze streken valt dan ook zeer in het oog en moet 
voornamelijk aan die slechte kralen worden toegeschreven. 

Maar behalve d^t vindt men een ander gevolg dier ver- 
waarloozing in de groote sterfte, die hier voortdurend onder 
de kalveren heerscht en die maakt, dat er van de ti^ jonge 
karbouwen zelden meer dan drie in het leven blijven. 

De meeste dier kalveren sterven kort na de geboorte aan 
witten buikloop of stikken in de modder. 

Hls zeer te betreuren, dat men in deze streken niet meer 
zorg aan de veeteelt wijdt, daar zoowel de overvloed van 
gras, ab de terremgesteldheid , eene groote uitbreiding daarvan 
zouden toelaten. 

Voor den landbouw wordt er hier van het vee weinig of 
geen partij getrokken. 
XXIV 16* 



Digitized by 



Google 



394 

De geiten worden hier op eene merkwaardige wijZiO zoo te- 
gen de nachtelijke aanvallen van tijgers, als tegen het gevaar 
van overstroomingen beveiligd, door ze iedereu avond in hok- 
ken op te sluiten, die op vier k vijf meters hooge stijlen ge- 
bouwd zijn. 

De toegang tot zoo'n hok bestaat in een hellenden boomstam, 
die op onderlinge a&tanden van 25 è 30 centimeters van ho- 
rizontalo inkepingen is voorzien, van de deur tot op den 
grond reikt en aan weerszijden geflankeerd wordt door leunin- 
gen van ligt hout. 

Nadat de geiten des avonds naar boven zijn gedreven, wor- 
den die toegangen a%esloten door eene menigte doomtakken 
tusschen de leuningen van den als trap dienenden boomstam op 
te stapelen, om de tijgers het naar boven klimmen te be- 
letten. 

Werden die hokken altijd behoorlijk onderhouden, dan zou 
de hier beschrevene gewoonte geen bezwaar hebben en in- te- 
gendeel aanbeveling verdienen, maar daar zoowel hokken als 
afgangen meestal verwaarloosd worden, moet het thans dikwijls 
gebeuren, dat de geiten, vooral bij het verlaten hunner hok- 
ken, naar beneden storten en hunne pooten breken. 

Het aantal geiten, dat men hier aantreft, is niet onaan- 
zienlijk, maar zelfs niet bij benadering op te geven. 

De overige huisdieren, die men in deze streken vindt, zijn 
enkele honden, katten wier luiheid en ongeschiktheid om 
ratten en muizen te vangen tot in de Padangsche Bovenlan- 
den spreekwoordelijk is geworden, alwaar men een lui en on- 
bruikbaar persoon met een //Koetjing Kampar" vergelijkt, en 
verder eenden en kippen in voldoende hoeveelheid voor de 
behoefte der bevolking. 

VI. Vischvangst. 

De vischteelt in vijvers is in deze streken geheel ongebrui- 
kelijk. 

Daarentegen zijn de rivieren vrij vischrijk. 



Digitized by 



Google 



395 

Men kent hier verschillende manieren van visschen. De 
meest gebruikelijke echter zijn die met het werpnet en het 
harpoeneren. 

Eerstgenoemde behoeft wel geen nadere beschrijving. 

Vermelding verdient echter eene gewoonte van enkele vis- 
schers in het Pankallansche, die, nadat het uitgeworpen net den 
grond bereikt heeft, zelf te water te gaan en duikende — 
soms in vrij diep water — met de handen de visschen onder 
het net weg halen , die anders bij het ophalen van het net 
zouden kunnen ontsnappen. 

In niet snel stroomende gedeelten der rivier ziet men dik- 
wijls een acht h tiental praauwtjes in een halven cirkel eerst 
een klein eind de rivier opboomen, om op een zelfde oogen- 
blik alle elkaar te naderen, den kring te sluiten en te ver- 
naauwen en dan gezamenlijk in het midden daarvan hunne 
netten te werpen. 

Het harpoeneren geschiedt hier op de volgende wijze. 

Op een der oevers bouwt men een klein hokje van circa 
4} voet in het vierkant, dat zoowel van boven als aan de zij- 
den zoo digt met groene bladeren wordt bedekt, dat alle licht 
van die kanten wordt afgesloten. 

De vloer van dat hokje bestaat uit slechts een paar stuk- 
ken hout, waarop men zitten kan, een paar voet boven de op- 
pervlakte van het water. 

Daarna spant men van onder uit dit hokje tot aan den an- 
deren oever eene rottan over de volle breedte der rivier , welke 
rottan over hare geheele lengte stukken van den schil van 
pisangstammen draagt, die k fleur d'eau in het water drij- 
ven. 

De witte kleur van die fladderende schillen doet de visschen , 
die deze plaats passeren willen, naar den oever zwemmen, waar 
onder het hokje eene opening is gelaten in die eigenaardige 
barricade. 

In dat hokje nu posteert zich de visscher met zijn har- 
poen en is dan door de volslagen duisternis die daar binnen 



Digitized by 



Google 



306 

heerscht geheel onzigtbaar voor de visscheu, terwijl hij zelf 
met het meeste gemak kan waarnemen alles wat er onder hem 
passeert, daar dit verlicht wordt door de schnine stralen die 
het water doorlaat. 

De ijzeren harpoen heeft een viertal weerhaken en zit slechts 
los bevestigd aan zijn houten steel, maar is daarentegen dege- 
lijk verbonden aan eene lange rottan lijn, die den visscher 
toelaat, nadat hij een visch getrofien en den harpoensteel 
teruggetrokken heeft, het gewonde dier, dat zich anders door 
de eerste krachtige bewegingen zou losscheuren, gelegenheid 
te geven een eind verder te gaan uitspartelen om na de ver- 
minderii^ van zijne krachten te worden opgehaald. 

De grootste visschen worden altijd op deze wijze gevangen. 

Verder vischt men hier ook nog door middel van fuiken, 
die soms met veel zorg en netheid bewerkt zijn en meestal 
vervaardigd worden uit de saga van den anaoeboom. 

Op enkele plaatsen der rivier gebruikt men wel eens trek- 
netten. 

Zoowel deze als de werpnetten zijn zeer fijn en sterk ver- 
vaardigd uit rameh-touw van eigen fabricaat. 

Het breijen geschiedt op geheel dezeUde wijze als dit in 
Europa gebruikelijk is en met dezelfde vlugheid. 

Ter bezwaring van de netten gebruikt meir tinnen ringen, 
waarvoor men het metaal uit Tapoeng haalt. 

Het bedwelmen der visschen door middel van de bekende 
vergiftige plantensoorten is hier niet gebruikelijk. 

VU. Ctominuiiicatie-middelen. 

a. Pangkallan. 

Zooals in bijna alle gedeelten van den Indischen archipel, 
waar ons direct gezag zich niet laat gelden, bevinden zich 
ook in deze streek de landwegen in een totaal verwaarloosden 
toestand, 't Zijn niet meer dan slechte voetpaden, die op eene 
enkele uitzondering na voor ruiters geheel onbruikbaar zijn. 

Het pad, dat bier het eerst vermelding verdient, is dat, 



Digitized by 



Google 



397 

hetwelk de hoofdnegorij Kotta^Baharoe met de afdeeling L 
Kotta's verbindt. 

Tan af Kotta-Baharoe tot aan de grens van het district 
Sari-Lamah , bij de kleine kampoeng Lakolv-Gedang, heeft het 
eene lengte van 10^ ik 11 Java-palen. 

Het begin daarvan loopt in zuid- westelijke rigting tot het 
einde der vlakte van Kotta-Baharoe bij de bandjar Kapala- 
Padang. 

Over dat gedeelte , waarvan de lengte ik i\ paal bedraagt ' 
is het g^eel vlak en zou zonder veel moeite in een zeer goe- 
den rijweg herschapen kannen worden. 

Bij Kapala-Padang wendt het zich regt zuidwaarts en door- 
loopt over een golvend terrein , «sbter zonder belangrijke hel- 
lingen, een bosch van jong hout, tot dat hei de negorij Kotta- 
Alam bereikt; over deaen a&tand, oirca 4 paal, is men ruim 
600 Bijnlandsche voeten geklommen. Dit .gedeelte wordt 
slecht onderhouden , msn^t zou ook gemakkelijk in een goeden 
weg met geringe hellingen te vervormen wezen. 

Van af KottA-Alam worden de heUingen langBsanerhand 
staker en op de vier thans volgende pal^ klimt men ruim 
1200 Bijnl. voet, welke klim bovendien nog zeor ongelijk- 
matig verdeeld is, zoodat op de laatste twee pal^i 2eker het 
1 deel daarvan komt, ^t geen voor dit gedeelte eene gemid- 
delde helling van 1 op 12 ge^. 

Na het passeren van de grens bij paal 43 volgt nu een 
nog steiler gedeelte van een paal lang en eene gemiddelde hel- 
ling van 1 op 8, waarmede men, na nog 600 voet geklommen 
te wezen, het hoogste punt van den bergrug berdikt. 

Deae laatstbedoelde drie palen zijn zeer moeijeligk en boven- 
dien slecht onderhouden. 

Oisohoon de weg over dat gedeelte op sonmiige plaatsen 
met voordeel te verleggen zou wecen, valt het echter te be- 
twijlelen of er in deze rigting wel ooit een geschikte karren- 
weg kon w<Nrden aangelegd, ten zij men door zigzags den af- 
stand aanmerkelijk vergroot. 



Digitized by 



Google 



898 

Bovendien is de verdere weg van af paai 42 tot aan de 
negorij Araoe, bij paal 34, alles behalve gemakkelijk en loopt 
op verscheidene plaatsen met zeer sterke hellingen langs steile 
bergwanden, vooral tusschen de palen 87 en 84, zoodat men 
met het verbeteren van het in Pangkallan liggende gedeelte 
slechts weinig geholpen zou wezen. 

't Is echter niet onmogelijk, dat door eene nadere be- 
studering van het terrein een geschikter tracé zal kunnen 
worden gevonden, oÉschoon men bezwaarlijk een lager over- 
gangspunt dan het bestaande bij paal 89 zal kunnen vin- 
den. 

De totale afstand langs den tegenwoordigen wegvanKotta- 
Baharoe tot Pajakoemboeh bedraagt 32 h 88 Java-palen. 

Een andere weg, die in belangrijkheid op den pas beschre- 
vene volgt, is die van Kotta-Baharoe naar Batoe-Bersoerat aan 
de Kampar rivier. 

i)öze mag echter tér naauwernood den naam van voetpad 
drairen. 

Hij loopt eerst in noord-noordoostelijke rigting tot de 
bandjar Koeboe-Penawar en van daar regt noordelijk naar Ba- 
toe-Bersoerat. 

Voortdurend klimmende en dalende in dit zeer heuvelach- 
tige terrein, heeft men wegens den uiterst verwaarloosden toe- 
stand van den weg ongeveer vier uren noodig om de zeven 
^ acht palen, den afstand van Kotta-Baharoe tot Koeboe-Pe- 
nawar, af te leggen. 

Het verdere gedeelte, van hier tot Batoe-Bersoerat, is wel 
iets beter maar niet veel. De lengte daarvan kan op 16^18 
palen gerekend worden, zoodat de geheele lengte van dien 
weg 28 ^ 26 paal bedraagt. 

De inlanders besteden er echter bijna altijd 1\ dag over 
en overnachten dan te Koeboe-Penawar, daar dit de eenige 
plaats is , waar men woningen aantreft. 

Voor het overige loopt deze weg door een digt bosch, de 
zoogenaamde //rimboe-pandjang." 



Digitized by 



Google 



399 

Paarden kunnen alleen onbereden hier langs gebragt wor- 
den en dan nog met groote moeite. 

Volgens de met deze streken bekende inlanders, zou die 
weg echter zeer goed te verbeteren wezen; in vroegeren tijd 
is ook al eens van Batoe-Bersoerat uit daaraan .begonnen, 
maar daar de bevolking van Pangkallan haar aandeel niet be- 
werkte, heeft die van Kampar den arbeid ook weder ge- 
staakt. 

Verder loopt er nog een voetpad van uit Kotta-Baharoe 
naar Menggilang en een ander naar Goenoeng-Malintang. Het 
eerste is circa 8 en het andere ongeveer 9 palen lang. 

Dat naar Menggilang is volgens informaties voor voetgan- 
gers vrij goed en verlengt zich verder tot in het stroomge- 
bied van de Kampar-Kiri. 

Het andere dat weder veel meer geaccidenteerd is, loopt 
voorbij de negorij Groenoeng-Malintang door naar Loeboe-Alij 
in Kapoer nan Sembilan, welke plaats nog circa 12 paal van 
eerstgenoemde verwijderd is. 

Van die beide wegen wordt echter weinig gebruik gemaakt ; 
men prefereert de daar bestaande waterwegen, voor zoo ver 
ze bruikbaar zijn. 

De voorname handelsweg van deze streek met de landen 
van de Oostkust, is de Mahi-Eivier. 

In gewone omstandigheden heeft men niet meer dan één 
dag noodig om van Kotta-Baharoe Moeara-Mahi te bereiken 
en ongeveer twee dagen om die reis in omgekeerde rigting te 
doen. Bij hoogen waterstand duurt deze laatste echter wel 
eens vier h vijf dagen. 

Verschillende plaatsen van dezen waterweg zouden niet zon- 
der gevaar te passeren wezen , wanneer de bemanning der praau- 
wen minder bedreven was in het besturen der vaartuigen. 

t Zijn meestal groote rotsblokken in de bedding der ri- 
vier, die de vaart bemoeijelijken en door welker opruiming, 
die niet eens zoo heel veel moeite zou kosten, aan de bevol- 
king een groote weldaad zou bewezen worden. 



Digitized by 



Google 



4fOO 

De praauwen die op deze rivier gebraikt worden , laden 10, 
15 en hoogstens 20 pikols; zij zijn zeer plat van bodem, in 
het midden breed uitgebouwd en laag op het water, terwijl 
zij voor en achter iets hooger en scherp toeloopen. 

Zij zijn zamengesteld uit een breed en zwaar kielhout, dat 
tevens het midden gedeelte van den bodem vormt en waaraan 
een aantal klampen zijn uitgespaard, die tot bevestiging van 
de ribben dienen, op welke aan weerszijden, naar gelang der 
grootte , twee , drie of vier over elkaar heen schietende planken 
vastgeklonken zijn. 

Die planken reiken van den voor- tot den achtersteven en 
bestaan zooveel mogelijk uit één stuk. 

De stevens zijn op het kielstuk ingelaten en hebben aan 
weerszijden voegen, waarin de uiteinden der boordplanken b^ 
vestigd worden. 

Tan steven tot steven is zoo eene praauw, die 20 pikols 
laden kan, 5^ ik 6 meters lang. Hare grootste breedte bedraagt 
1.60 ik 1.70 meter. Geladen is haar diepgang 40 & 50 centi- 
meters. 

Behalve een beweegbaar dak, dat de lading in de voorste helft 
van de praauw tegen den regen beschermt , hebben die vaartuigen 
allen een soort hutje op hunne achterste helft , dat veel bijdraagt 
om hun een zeer eigenaardig voorkomen te geven. 

Dat hutje is van voren open en heeft van achteren een 
meestal van snijwerk en kleuren voorzien beschot, waarin een 
vierkant gat is aangebragt dat tot deur dient , maar ter nauvrer- 
nood groot genoeg is om iemand door te laten. De zijwanden 
van dat hutje, meestal even als het achterschot en de bovenste 
boordplanken , met snijwerk en levendige kleuren versierd , 
zijn boven het boord 20 k 30 centimeters hoog en dragim het 
dak, waarvan de nok zich aan de voorzijde slechts 40 k 50 
centimeters boven die wanden verheft, maar dat van achteren 
in een hoogen en scherpen punt toeloopt, die zeker twee 
meters boven het boord uitstrekt en geheel den vorm heeft 
van de dakpunten der echt Menangkabowsche huizentjpe. 



Digitized by 



Google 



401 

Die praauwen zijn meestal bemand met vier roeijers en een 
man op den achtersteven , die het vaartuig door middel van 
een korten riem bestuurt. 

De rivier afgaande roeit men, opkomende boomt men. 

Boven Kotta-Baharoe zijn deze vaartuigen niet meer te ge- 
bruiken en om van daar naar Goenoeng-Malintang of naar 
Menggilang te komen , bezigt men kleinere praauwtjes , die in 
zamènstelling en rompvorm geheel met de beschrevene overeen- 
komen , maar geene daken of hutjes hebben. 

J. Xn KOTTA KilCPAB. 

Langs den zuidelijken oever van de Kampar rivier , van af 
Poelaoe-Gedang tot Goenoeng-Boengsoe, loopt een weg, die 
tei bij Batoe-Bersoerat alleen voor voetgangers bruikbaar is, 
maar van daar tot Goenoeng-Boengsoe ook voor ruiters geschikt is. 

Bij deze plaats wordt de rivier overgestoken en dan vervolgt 
zich diezelfde weg langs den noordelijken oever tot aan de 
we^elijke negorij Siberoewaag, maar is slechts tot Groenoeng- 
Malintaag als paardenpad bruikbaar. 

Al de negorijen van dit landschap worden door dien weg 
onderling verbonden. 

Het eerste gedeelte van af Poelaoe-Gedang tot Batoe-Ber- 
soerat heeft eene lengte van circa 11 palen en op verschillende 
plaatsen vrij steile hellingen, die echter bij doelmatiger aanleg 
meerendeels zoo niet alle zouden kunnen vervallen. 

't Zou in elk geval niet veel moeite kosten, dat gedeelte 
ook voor paarden geschikt te maken. 

Tan af Batoe-Bersoerat tot Moeara-Takoes , een afstand van 
circa 8 palen, doorloopt de weg een meerendeels vlak terrein 
en behoeft alleen wat verbreed te worden om het vervoer per 
as toe te laten. 

Van Moeara-Takoes tot Goenoeng-Malelo , welke afstand 15 
palen bedraagt, treft men hier en daar wel eenige hellingen 
aan, maar het lijdt geen twijfel of deze zouden vermeden 
kunnen worden door doelmatige verlegging van den weg. 



Digitized by 



Google 



402 

En evenzoo zou het weinig moeite kosten om den weg tot 
aan Batoe-Labi , de laatste kampong van Siberoewang, in orde 
te brengen, daar op dit laatste nog 4 palen lange gedeelte 
alleen een paar onoverbrugde riviertjes en eene moersasige 
plaats het gebruik van paarden verbieden. 

Behalve de bovenomschrevene weg , die eene totale lengte van 
38 palen heeft , bestaan uit verschillende punten van dit landschap 
voetpaden , die naar de naburige streken leiden. Het voetpad van 
Batoe-Bersoerat naar Kotta-Baharoe werd hierboven reeds vermeld. 

Van eerstgenoemde plaats, of beter gezegd van Kotta-Tengah 
aan de overzijde der rivier, heeft men nu verder een voetpad , 
dat men het verlengde van het laatst bedoelde zou kunnen 
noemen , naar Kotta-Ranah in Tapoeng én van daar over Kabou 
naar Batoe-Gadjah aan de Siak rivier. De afstand van Kotta- 
Tengah tot Kotta-Ranah bedraagt 7| ïi 8 palen. Zoo als 
thans de toestand van dat voetpad is, kan het niet onder de 
gemakkelijke gerekend worden. Het volgt veelal de golvingen 
van het terrein en het hoogste punt ligt 250 R. voet boven 
Kotta-Tengah, met een weinig moeite zou dit pad echter 
zeer goed voor ruiters bruikbaar te maken zijn. 

Van ongeveer denzelfden aard is het pad dat van Pangkij 
naar Kotta-Ranah leidt. Het loopt ook over denzelfden bergrug , 
een uitlooper van den Boekit-Soeligi , alleen schijnt het 1^ 
^ 2 palen korter te wezen. 

Van uit Batoe-Bersoerat heeft men ook een voetpad naar 
Koewo, de eerste negorij der V Kotta's, dat circa 28 palen 
lang moet wezen, alleen voor voetgangers bruikbaar, en niet 
dan met de grootste inspanning in één dag af te leggen is. 
Het loopt voor een groot deel door een heuvelachtig terrein 
en over zijne geheele lengte door bosch en wildernis. 

Van uit de negorij Tandjoeng bestaat een weg, die deze 
landstreek met het district Kapoer nan Sambilan verbindt. 
De eerste plaats van dat district, die men daarop aantreft, 
is de negorij Moeara-Paiti. De onderlinge afetand dezer twee 
negorijen bedraagt circa 14 palen. 



Digitized by 



Google 



403 

Van Tandjoeng uit begint het pad zigzagsgewijze al spoedig 
zoo steil langs de hellingen van den «bergrug te klimmen , dat 
ruiters genoodzaakt zijn af te stijgen en van tijd tot tijd 
zelfs hunne handen noodig hebben om naar boven te komen. 

Dit moeijelijke gedeelte is circa één paal lang. Daarop 
volgt een eind, dat afwisselend klimt en daalt in niet belang- 
rijke hellingen. Op deze wijze bereikt men op circa 3 paal 
afstand van Tandjoeng het hoogste punt van den weg en is 
dan 1080 R. voet van uit de genoemde plaats geklommen. 

Thans daalt het pad aan de andere zijde van den bergrug 
weder neer, in het begin vrij geleidelijk tot ongeveer de grens 
tusschen Kampar en Kapoer nan Sambilan, die hier op circa 
5 paal afctand van Tandjoeng verwijderd ligt. 

Van uit dit grenspunt tot aan de uitwatering van de Soengij 
Tanggij . in de Batang Aijer Kapoer nan Gfedang , een afstand 
van ongeveer 5^ paal, daalt en klimt de weg met sterke 
hellingen en veelal langs steile bergwanden. 

De totale daling aan deze zijde, van uit het hoogste punt 
tot de even vermelde Soengij Tanggij, bedraagt circa 960 voet. 
De overige S\ paal, van af de Soengij Tanggij tot aan de 
negorij Moeara-Païti , waarop men nog twee rivieren met 
name de Soengij Kapoer nan Ketjil en de Soengij Païti 
overtrekt, loopen door een bijna vlak terrein. 

2iOoals reeds gezegd is, treft men op dien geheelen afstand 
van circa 14 palen geene bewoonde plaatsen aan. De eerste 
tien palen loopen door bosch en wildernis, de laatste vier 
door een met kreupelbosch begroeid terrein. 

De geheele weg is te paard af te leggen, behalve de zeer 
steile hellingen in de nabijheid van Tandjoeng. 

Zoowel van de negorij Tabing als van uit Goenoeng-Malelo 
is het mogelijk de negorij Doerian-Tinggi in Kapoer nan 
Ssimbilan te bereiken, voor 'toogenblik zijn die beide paden 
echter nog zóó ongebaand, dat alleen de in deze streken goed 
bekende inlanders die wegen in de wildernis kunnen vinden. 

Volgens hun voorgeven echter moet het terrein tusschen 



Digitized by 



Google 



404 

« 

Qoenoeng-Malelo en Doerian-Tinggi allezins geschikt weEen 
Yoor het aanleggen van een goeden weg zonder belangrijke 
hellingen. 

Van uit de negorij Siberoewang loopt een voetpad naar 
Pandelian-Eokkan , dat voor voetgangers vrij gemakkelijk, en 
een ander naar Gloegoer, dat szeer geaccidenteerd en moeijelijk 
moet wezen. 

Volgens informatie's der inlanders zijn deze beide wegen een 
goeden dagmarsch lang. Geen van beide zijn voor ruiters 
bruikbaar. 

Yoor zoo v6el mogelijk maken de handelaren in deze streken 
echter bij preferentie gebruik van den waterweg, dien de 
Kampar-rivier hun aanbiedt. 

Deze levert minder gevaren op dan de boven beschrevene 
Mahi-rivier en is tot de negorij Siberoewang bevaarbaar voor 
praauwen van dezelfde grootte en constructie, als die welke op 
de Mahi gebruikt worden, ofschoon ze op sommige plaatsen 
lastige ondiepe banken te passeren hebben. 

Boven Siberoewang wordt de Kampar-rivier bijna alleen 
stroomafwaarts en met vlotten bevaren , waarmede de producten 
van de VI Kotta Gloegoer worden afgevoerd. 

Beneden Moeara-Mahi komt eene zeer lastige ongevaarlijke 
stroomversnelling voor, die hierboven onder den naam van 
//bating gedang'' reeds besproken werd. 

De beladen praauwen, zoowel op- als afwaarts varende, zijn 
genoodzaakt hier te lossen. Hunne lading wordt dan een 
paar honderd meters vér over land getransporteerd en de 
praauwen zelve door een' daar wonenden loods over de gevaarlijke 
plaats gebragt. 

't Laat zich aanzien dat ook hier de groote rotsblokken, die 
dit gevaar veroorzaken, zonder buitengewone moeite met behulp 
van mijnen uit den weg zouden kunnen worden geruimd. 

De zijrivieren van de Elampar, voor zoover ze in de X II 
Kotta's uitmonden , zijn behalve de B. A. Mahi en de B. A. 
Kapoer nan Gedang alle onbevaarbaar. 



Digitized by 



Google 



405 

Ook de laatstgenoemde, die hare oitwatering tusschen Tan- 
djoeng en Tabing heeft , kan eigenlijk niet onder de bevaarbare 
rivieren gerekend worden. Ze heeft meestal een' zeer sterken 
stroomen op verscheidene plaatsen gevaarlijke en naauwe pas- 
sages. Van dezen waterweg wordt dan ook weinig gebmik 
gemaakt en alleen met kleine praanwtjes. 

De vaartuigen, die op de Kampar-rivier worden gebraikt, 
zijn geheel en al van dezelfde constructie als die van Kotta- 
Baharoe, welke boven beschreven werden. 

Bij gewonen waterstand heeft eene geladene praauw onge- 
veer 12 uren noodig om van Koewo in de VI Kotta's Moeara- 
Mahi te bereiken. Afvarende doet men die reis in de helft 
van dien tijd. 

Van Moeara-Mahi tot Siberoewang duurt de reis voor eene 
geladen praauw meestal twee volle dagen, in omgekeerde 
rigting niet meer dan één dag. 

VIII. Handel. 
a. Pangkali.an. 

Niettegenstaande de boven beschrevene vrij lastige water- 
en de over 't algemeen uiterst slechte landwegen , is de handel , 
die in deze streken gedreven wordt, zeer levendig. 

Een groot deel van de bevolking van Kotta-Baharoe vindt 
daarin zijn bestaan. 

Voor deze negorij is de doorvoerhandel echter het meest 
van belang. Jaarlijks worden aanzienlijke hoeveelheden rijst 
van uit de L Kotta's naar de oostelijke streken afgevoerd, die 
bijna alle hunnen weg over deze plaats nemen, en niet minder 
belangrijk is de hoeveelheid gedroogde visch i^rtroeboek", die 
aan de Siaksche kusten gevangen en bereid, langs dezen weg 
in de Padangsche Bovenlanden wordt ingevoerd. 

Statistieke gegevens daaromtrent zijn wel is waar niet bekend, 
maar men kan zich wel eenigzins een denkbeeld vormen van 



Digitized by 



Google 



406 

die handelsbeweging , wanneer men weet, dat er te Kotta- 
Baliaroe circa 150 praauwen te huis behooren, die gemiddeld 
eenmaal in de drie weken een heen- en terugreis tusschen deze 
plaats en de V Kotta's doen en elk 10 tot 20 pikols laden. 

Behalve die twee voorname artikelen van doorvoer, die 
Kotta-Baharoe passeren en tot of van deze plaats per koelie 
langs den landweg over Kotta-Alam, Oeloe-Aijer en Araoe 
vervoerd worden, komt hier in de eerste plaats verder in 
aanmerking een groot aantal karbouwen, dat van uit de "V 
Kotta's langs den landweg benoorden de Kampar-rivier tot 
Batoe-Bersoerat en van daar door de //rimboe-pandjang" langs 
Koeboe-Penawar op Kotta-Baharoe wordt aangebragt, om 
verder naar de L Kotta's te worden vervoerd. 

Ook van uit het landschap XIT Kotta Kampar is de uitvoer 
van die dieren langs den bedoelden weg niet onaanzienlijk. 

De veehandelaren zijn meestal personen uit de L Kotta's, 
voornamelijk uit de distrikten Moengkar en Sarilamah. 

De uitvoer van eigen producten van Pangkallan naar de 
oostelijke streken bestaat voornamelijk uit damar, was en 
verder uit kleine hoeveelheden benzoë , getahpertjah en koffij. 
Ook wordt er wel eens rottan en hout afgevoerd, het laatste 
voornamelijk voor het bouwen van praauwen bestemd. 

Onder de koflBj , die van hier naar de Oostkust gebragt 
wordt , zal wel eens een enkele pikol voorkomen, die eigenlijk 
in de Qouvemements pakhuizen van de L Kotta's te huis 
behoorde ; evenwel schijnt de sluikhandel in dit artikel , die 
vroeger hier vrij belangrijk was , tegenwoordig weinig beteekenis 
meer te hebben. 

Naar de Gouvernements landen heeft van uit Pangkallan, 
voor zoo ver bekend , geen uitvoer van eigen producten plaats , 
tenzij een zeker aantal karbouwen, die jaarlijks denzelfden 
weg opgaan als de boven vermelde uit de Y Kotta's en uit 
Kampar. 

Daarentegen ontvangt Pangkallan uit de L Kottas voor 
eigen consumptie eene aanzienlijke hoeveelheid rijst, bijna 



Digitized by 



Google 



407 

uitslnitend voor de bevolking van Kotta-Baharoe , en verder 
tabak, gambier en suiker. 

De invoerartikelen, die via de V Kotta's voor eigen con- 
sumptie worden aangebragi, zijn zout, troeboek, klappers, 
pajongs, buskruid, lijnwaden, zijden stoffen en kramerijen en 
verder koperwerk, zooals doelangs, waterketels, lela's, gongs, 
enz. 

Eene raming van de hoeveelheid of van de geldswaarde dier 
artikelen zou wegens gebrek aan vertrouwbare gegevens te 
globaal wezen om van eenige waarde te kunnen zijn. Zoowel 
de in- en uitvoer als de doorvoerhandel is bijna uitsluitend 
in handen van de bevolking van Kotta-Baharoe. Die van de 
andere negorijen van Pangkallan neemt daaraan weinig deel 
en die van de oostelijke streken zooals V Kotta en Tambang 
in het geheel niet. Daaraan moet het gedeeltelijk worden 
toegeschreven , dat men hier geene passars vindt. Wel zijn de 
kampongs Oelak-Pantij en Kotta-Baharoe de verzamelplaats 
van handelaren en heerscht daar ook meestal veel handelsd rukte 
door laden, lossen, bieden en koopen en door de menigte 
lapau's', die aldaar verschillende artikelen in het klein slijten, 
maar bepaalde marktdagen kent men hier niet. 

Voor die lapau's is de kleinhandel in zout en troeboek het 
voornaamste. Ze slijten het eerstgenoemde per tjoepak tegen 
een' prijs, die met ongeveer f 6. — de pikol gelijk staat. 

Men noemt dit zout hier //garam Siam." Het wordt, zooals 
boven gezegd is, van de oostelijke streken aangevoerd en is 
witter van kleur dan het Gouvernement^ zout. 

De geldspecie, die hier in omloop is, bestaat voornamelijk 
uit Mexicaansche dollars en de zoogenaamde ^kepeng ajam"" 
of /i'kepeng itam" van Engelschen stempel. 

In deze laatste munt ontvangt de mindere man bij voorkeur 
zijne betaling. 

Ons zilvergeld is hier weinig gewild. De oude hollandsche 
duiten, die //kepeng sirah" genoemd worden, wel, maar onze 
nieuwe koperen pasmunt in het geheel niet. 



Digitized by 



Google 



408 

De verhouding tiuschen onze rijksdaalders en het hier 
gangbare kopergeld is hier eenigzins anders dan in de Padangsche 
Bovenlanden en wel in het voordeel van den rijksdaalder, 
hoewel deze in waarde bij den Mexicaanschen dollar wordt 
achter gesteld. 

De ondervolgende vergelijkingen zullen dit verduidelijken. 
1 Mexicaansche dollar = 4 reaal en 2 koepangs, 
1 rijksdaalder = 4 reaal en 1 kocpang, 
1 reaal = 4 koepang, 

1 koepang = 60 kepeng ajam = 20 oude HoUandsche doit^i , 
zoodat een Mexicaansche dollar =1080 en een rijksdaalder 
= 1020 kepeng ajam is, of respectievelijk = 860 en 340 
oude HoUandsche duiten. 

Ons guldenstuk wordt hier gelijk gesteld met 1{ reaal: 
zilveren pasmunt vindt men in 't geheel niet. 

De reaal en koepang zijn slechts fictieve benamingen voor 
de daardoor uitgedrukte geldswaarden. Deze zijn blijkens het 
bovenstaande respectievelijk gelijk gesteld met ƒ 0.66^^ en 
/ 0.16* Indisch courant. 

Volgens dezen maatstaf wordt de waarde van onzen rijks- 
daalder in deze streken / 2.83' en die van den Mexicaanschen 
dollar / 3.— 

Hieruit blijkt dat men, door het genoemde kopergeld in 
de Gouvernements lauden te brengen en het volgens den aldaar 
gewonen koers tegen rijksdaalders in te wisselen, ruim 13**/^ 
winst behalen kun. 

Neemt men echter de wettelijke waarde van den rijksdaalder 
als uitgangspunt aan, wat waarschijnlijk juist is, dan wordt 
de koers van ons guldenstuk in deze streken / 0.88* en de 
waarde van den reaal en van den koepang respectievelijk ƒ 0.5S* 
en / 0.14^ 

b. Xn KoTTA Kampae. 

De transitohandel heeft in dit landschap veel minder beteekenis 
dan in ÏPangkallan. 



Digitized by 



Google 



409 

Het TooniBamste artikel daarvan is de kofBj , die in eene 
jaarlijksche hoeveelheid, welke op 200 ik 250 pikols geraamd 
wordt, door de bevolking van Qloegoer op vlotten naar Sibe- 
roewang en Qoenoeng-Malelo wordt gebragt, waar ze door 
handelaren van Kampar ot van YI Kotta wordt opgekocht, 
om verder naar de Oostkust vervoerd te worden. ' 

Voor het grootste deel is diö koffij , bij de qnasi-bereiding 
die ze ondergaan heeft, ergerlijk mishandeld; ze is gebrekkig 
gedroogd , sterk gestampd en toch slechts half gepeld , vermengd 
met veel onreinheid en meestal reeds door den snoitkever 
beschadigd, 't Geheel ziet er zeer onoogelijk nit en is ter 
naanwemood als koffij te herkennen. Niettemin betalen de 
handelaren der Y Kotta's ze nog gaarne met 8 il 10 dollars 
de pikol. 

Behalve die koffij wordt er nit Gloegoer ook eene zekere 
hoeveelheid was, damar, benzoë, getahpertjah en ramehtouw 
van eigen fabricaat aangevoerd, welke artikelen bijna alle 
op den passer te Qoenoeng-Malelo verhandeld worden en verder 
naar de Oostknst gebragt. 

De personen van Gloegoer, die deze koopwaren aanbreng^i, 
laten de vlotten, waarmede zij gekomen zijn, achter op de 
plaats waar zij hunne zaken aan den man gebragt hebben, 
koopen daar zout , gedroogde visch en eenige andere benoodigd- 
hedeu in en keeren daarmede beladen over land weer naar 
hunne negorijen terug. 

Op den passer, die iederen Zondag te Goenoeng-Malelo bij 
de kampong Moeara-Soebaling gehouden wordt, worden ook 
uit andere streken nog een aantal artikelen aangebragt. De 
handel is er vrij levendig. 

Handelaren uit de Gouvemements landen, die via Kapoer 
nan Sambilan hier komen, brengen hier dezelfde soorten lijnwa- 
den en kramerijen aan , die men op alle passers in de Padangsche 
BoTenlanden vinden kan. 

Inwoners van de Tapoeng- en Bokkan-streken voeren hier 
was en rijst aan; handelaren uit de Y Kotta's voornamelijk 



Digitized by 



Google 



410 

zont, droogevisch en buskruid. Kijst, was, damar, getah- 
perijah e . benzoë worden hier door de bevolking van Kampar 
zelf aan de liandelareu te koop aangeboden. 

Ook in all^' andere negorijen van dit landschap wordt in 
deze artikelen eenigen handel gedreven met de VI Kotta's, 
maar behalve te Groenoeng-Malelo vindt men er nog slechts 
ééne bepaalde marktplaats, namelijk die te Pangkij , waar iede- 
ren Donderdag passer gehouden wordt , maar die veel» minder 
druk bezocht is dan de eerstgenoemde en waar hoofdzakelijk 
rijst voor den uitvoer wordt verhandeld, terwijl er zout en 
troeboek voor de consumptie wordt aangebragt. 

De geheel jaarlijksche hoeveelheid rijst, die uit dit landschap 
naar de oostelijke streken wordt uitgevoerd, moet zeer aanzienlijk 
wezen, maar kan ook alweer niet in cijfers worden opgegeven. 

De grootste helft der praauwen die hier voor den handel 
gebruikt worden, behooren in de V Kotta's te huis. Het 
volk in de XII Kotta's is meer landbouwer dan handelaar. 

De muntspeciën , die hier in omloop zijn en hunne onderlinge 
verhoudingen zijn geheel dezelfde als die, welke hiervoren 
met betrekking tot Fangkallan beschreven werden, en alles 
wat daaromtrent boven vermeld werd, is ook op deze landstreek 
van toepassing. 



Digitized by 



Google 



Bijlage A. 



HOOQTEOPQAVE 

van eenige plaatsen in de afdeeling L Kotta en in de 

landschappen VI Kotta Fangkallan en XII Kotta Kam- 

par in meters en in rijnl. voeten boven de zee. 



Meten R. Toeten. 



Paijakoemboeh 

Araoe (negorij) district Sarilamah 

Landij Singkek (hoog- 
ste punt v/d. weg) id. . . 

Tlakte van Landij 

(paal 87) id. .. 

Boekit Api (hoogste 

punt van den weg) id. . . 

Oeloe-Ajar (pasangra- 

han) id. . . 

Hoogste punt v/d. weg 

bij paal 42 id. . . 

Kotta- Alam (pasangrahan)...distr. Pangkallan 

Kotta-Baharoe (id.) id. . . 

Moeara-Mahi (kampong) . . . distr. Kampar . 

Batoe-Bersoerat (negorij) id. . . 

Hoogste punt op weg van 

Batoe-Bers. naar Kot- 

ta-Ranah (Tapoeng) id. . . 

Kotta-Ranah (negorij) distr. Tapoeng. 

Tandjoeng (id.) distr. Kampar. 

Qoenoeng-Malelo (id.) id. . . 



497 
525 

814 

802 

942 

812 



1584 
1673 

2594 

2556 

3001 

2590 



862 


2749 


308 


981 


103 


328 


58 


185 


88 


281 


166 


529 


86 


274 


102 


325 


114 


363 



Digitized by 



Google 



412 

Hoogste punt op den weg van 

Tandjoeng naar Doerian- 

Tinggi (Kapoer nan IX) . . distr. Kampar. 

Sialang (pasangralian) Kapoer nan IX. 

Kotta-Toewah (id.) id. . . . 

1* hoogte op weg van Kot- 
ta-Toewah naar Mahi id. . . . 

Soengij-Nanning (kam- 

poeng) id. . . . 

2* hoogte op weg van 

Kotta-Toewah n/. Mahi district Mahi. 

Soengij-Nenüan (kampoeng) .... id. . . . 
3" hoogte op weg van 

Kotta-Toewah n/. Mahi id. . . . 

Fasangrahan van Mahi id. ... 

1^ hoogte op weg van Mahi 

naar Baroe-Goenoeng id. ... 

Brugdek Batang Ajer Mahi id. ... 

Grens Mahi en Kotta-Lawas 

(^eg) 

Baroe-Gbenoeng (pasangrahan)...Kotta-Lawas. 

Poeardatar (etabUssemeut) id. ... 

Soeliki (id.) Soeliki. 



Meten. R. voeten. 



441 


1405 


153 


488 


154 


491 


887 


1871 


5170 


860 


330 


1052 


292 


930 


469 


1495 


247 


788 


847 


1107 


286 


911 


748 


2883 


816 


2600 


779 


2482 


531 


1692 



Nota. De hierboven opgegevene hoogten zijn alle genomen 
met den aneroide-barometer en berekend volgens de formule 
van Badau. 

Palembaijan, den 10 October 1875. 

De kaniróUur der 1® hUuêe^ toegevoegd aan 

den Beeident der Padangseke 

Bovenlanden , 

(w. g.) W. MICHEELSEN. 



Digitized by 



Google 



NGS-STATI 

jnen in Juiiij en Julij 



» £3 z: O s s. 



TJINIACtj. 



TOTAAL. 



Ni 



1 ë I ! & 
I § e § 
H 1^ > . <■% 



f I 



I 



S 



16 ' 



250 24 36 

I 

97 - - " 

2] 4 84 ' 92 57 



\ ' 



111 
Cl 
66 



17 16 



799 125 144 



"1 

10 : 



83 



225 


850 


294 


428 


1297 


203 


219 


178 


206 


806 


221 


225 


129 ' 


139 


714 


126 


117 


94' 


86 


416 


76 


72 


é7 ' 


38 


223 


45' 


43 


33 


32 


153 



I 87 



4 
10 



28 
96 
24 

235 

72 
54 

37 

198 

74 

99 



I 



17 I 37 24 



I 



S96 1026 765 922 3609 



19 



64 



36 



60 
57 
111 
31 
97 
72 
62 



69 
62 
151 
40 
120 
124 
119 



I 



71 
63 
84 
23 
95 
74 
85 



76 
79 

110 
30 

105 
78 
62 



276 
261 
456 
124 
417 
348 
328 



39 61 37 I 27 



90 490 



685 I 



495 ' 540 2210 



I 



10 



94 



1 



.1 



• 533 .104 
To^ 2:i5 39 



92 

99 
61 



" I 
" i 

" i 



17 



22 
37 



25 



T» 769 .143 160 59 
T<, 7ÜÜ 125 144 83 



8 
27 

30 



25 
'90 



97 

80 

117 

92 

233 

100 

719 
490 



I 



I 



115 1209 
. 196 



121 
107 
124 ' 
149 I 
241 
126 

868 
685 



1553 
1020 



56 i 
92; 

90 I 

73 

48 ' 

430 
495 

926 

765 



52 



111 



326 
390 

71 I 402 
7Q 1 309 



74 
62 



619 
336 



446 t 2463 
540 2210 

980 • 4673 
922 ' 3609 



Tof 156H 268 304 143 30 II5 2105 2579 1690 1908 \ ^^2r ^ 



I 



Digitized by 



Google 



Digitized by 



Google 



Bijlage C. 



LIJST 

▼an de galars der panglioeloe's iu de landschappen 
VI Kotta Pangkallan en XII Kotta Kampar. 



a. VI Kotta Pangkallan. 
1. Negorij Kotta-Baharoe. 



Soekoe Patapang. 


Datoe Besaar. 


Poetjoek boeleh. 




¥ 


Siwidjaja. 


Oerat tanggoeng. 




u 


Domoeangsa. 






n 


Bandahara. 




ff Malaijoe. 


n 


Toemanggoeng. 






19 


Radja Malaijoe. 




// Domo. 


ff 


Panghoeloe-besaar. 






ff 


Maharadja. 




V Piliang. 


ff 


Madja-indah. 






ff 


Mankoeta. 




*f TjiinskgBk. 


ff 


Parapati. 






ff 


Pandoeka-iudah. 




ft Patapang. 


ff 


Paudoeka toewan. 


Memangkoe. 



id. 



Poetjoek. 



// Simapalawan. 

2. Negorij Goenoeng-Malintang. 

Soekoe Domo. Datoe Bandaliara. 
ff Malaijoe. » Sati. 

ft Piliang. v Pandoeka Maharadja-lela. 

ff Pagar-Tijantjang. ff Pandoeka-radja, 

8. Negorij Kotta-Alam. 

Soekoe Tjiniaga. Datoe Sinara. Poetjoek. 



Digitized by 



Google 



414 



Soekoe 



Soekoe 



Soekoe 





Datoe Parapati. 






ff Langsamana. 




Domo. 


'' Ganda-besaar. 
ff Madja-besaar. 
// Maharadja. 


Poetjoek 


Patapang. 


ff Pandoeka-radja. 

'f Mangkoeta Madja-lela. 

// Panghoeloe-radja. 


Poetjoek 


Piliang. 


V Indah Maharadja. 






" Pandoeka Siuara. 


Poetjoek 




// Mangkoeta radja. 




4 


. Negorij Tandjoeng-Balik. 




Domo. 


Datoe Simaharadja. 
ft Simaharadja-besaar. 
" Mangkoeta. 


Poetjoek 


Malaijoe. 


'f Maharadja, 




Patapang. 


Baginda Mangkoeta. 




Piliang. 


// Si Maharadja. 
5. Negorij Menggilang. 




Tjiniaga. 


Datoe Maharadja-indah. 


Poetjoek 


Malaijoe. 


'/ Angat di radja. 




Domo. 


// Simadja-besaar. 




Patapang. 


ff Badja-panghoeloe. 




Piliang. 


// Badja-mangkoeta. 





6. Negorij Tandjoeng Paoe. 

Soekoe Domo. Datoe Sipandoeka Madja-indah. 

Pandoeka Simaharadja. 
ff Piliang. " Bidja di radja. 

ft Tan Simaharadja. 
ff Malaijoe. '/ Simaharadja. 



Poetjoek. 



Digitized by 



Google 



415 

b. Xn KoTTA SIampab. 

1. N^orij Poeloe-Gedang. 

Soekoe Domo. Datoe Toendika* 
• /' Malaijoe. ^ Madja- besaar* 

Patapang. ' Pandoeka Badja. 
Panghoeloe-besaar. 
" Piliang. // Toemanggoeng. 

2. Negorij Tandjoeng Alij. 



Poetjoek, 



Soekoe 


Koempaj. 


Datoe Sinara besaar* 


tt 


Domo. 


/' 


Maharadja* 






it 


Simadjalela. 


f' 


Patapang. 


if 


Pandoeka Eadja. 


fr 


Tjiuiaga. 


it 


fiadja Kampar. 


/» 


Mandalieling. " 


Indah-besaar. 






3. Negorij Batoe-Bersoeral. 


Soekoe 


Domo. 


Datoe Bandahara Sati* 






tf 


Simaboengsoe* 






V 


Sati* 






// 


Penghoeloe-besaar. 






1' 


Madjalela. 






" 


Baginda radja besaar. 






tr 


Madja-besaar. 


Soekoe 


Patapang, 


" 


Pandoeka Tiangsoh* 






ir 


Komo. 






n 


Simaharadja. 






4. : 


Negorij Binamang. , 


Soekoe 


Malaijoe. 


Datoe Badja-panghoeloe* 






/' 


Sinara. 


tr 


Patapang. 


if 


Bidja-radja* 


ff 


Tjiniaga. 


n 


Pandoeka Tiangsoh. 



Poetjoek. 



Poetjoek. 



Digitized by 



Google 



416 



5. Negorij Kotta-Tengah. 

Soekoe Malaijoe. Datoe Panghoeloe-besaar* 
n Rangkaja-besaar. 







ff 


Sinara. 


// 


Domo. 


ft 


Maharadja* 


// 


Piliang. 


ft 


Pandoeka Simaharadja. 


ff 


Tjiniaga. 


ft 


Panghoeloe-besaar. 


ff 


Mandaheling. ff 


Maharadja Sinara. 






6. 


Negorij Pangkij. 


Soekoe 


Domo. 


Datoe Besaar. 






ft 


Pandoeka Simaharadja. 






ft 


Paboe* 


ff 


Malaijoe. 


tl 


Madja-kaja* 






ft 


Eiqna* 


ff 


Patapang. 


ft 


Madja-dinda. 


it 


Piliang. 


ff 


Pandoeka Sindoek"*^ 






ft 


Mangkoeta Simaharadja. 



7. Negorij Kotta-Toewah. 

Soekoe Tjiniaga. Datoe Malintang* 

// Pandoeka-radja. 



ft 


Malaijoe. 


// Sindoek-kaja. 


ft 


Domo. 


It Baginda Simaharadja* 
ft Lila-mangkoeta. 


ff 


Patapang. 


// Madja-kaja. 


ft 


Piliang. 


// Marah-boengsoe. 


It 


Koempaj. 


n Madja-lela. 
8. Negorij Moeara-Takoes. 


Soekoe 


Domo. 


Datoe di BaHj* 
// Madja-lela* 


It 


Malaijoe. 


ft Panghoeloe-besaar* 
4r Pandoeka Tiangsoh. 



Poetjoek. 



Poetjoek. 



Poetjoek. 



Poetjoek. 



Digitized by 



Google 



417 

Soekoe Piliang Datoe Badja Maliimpoeni^ 

ft Tjiniaga // Pandoeka-radja* 

rr Mandaheling // Pandoeka Simaharadja* 

// Koempaj n Bandahara*^ 

9. Negorij Qoenoeng-Boengsoe. 



Soekoe Malaijoe 


Datoe Bandahara* 




N Pandoeka-radja. 




» Madja-besaar. 


't Patapang 


// Toemanggocng* 


>" Piliang 


ff Pandoeka Simaharadja. 




tf Si Madjalila. 




10. Negorij Tandjoeng. 


Soekoe Domo 


Datoe Bandahara* 




// Pandoeka-besaar. 




// Si Madjalila. 


Malaijoe 


tl Panghoeloe-besaar* 




// 'Baginda Laqsamana. 


^ Patapang 


// * Mangkoeta* 


" Piliang 


ft Madja-besaar. 




11. Negorij Tabing. 


Soekoe Malaijoe 


Datoe Besaar* 




M Pakamo* 




tt Maharadja-indah. 


if Piliang 


9 Maharadja-lela* 



Poetjoek. 



Poetjoek. 



Poetjoek. 



12. Negorij Goenoeng-Malelo. 

Soekoe Malaijoe Datoe Sati* 

tt Si Madjalila. 
if Patapang tt Pandoeka Simabaradja* 
tl Pandoeka-besaar. 

XXIV 



Poetjoek. 



17 



Digitized by 



Google 



418 



Soekod Filiang 


Datoe Toemanggoeng^ 




tt 


Baginda radja besaar. 


9 Tjiniaga 





Pandoeka Sindoeh* 




ff 


Indah Komo. 




18. 


Negorij Siberoewang. 


Soekqe Domo 


Datoe Besaar* 




ff 


Bandahara. 




ff 


Tan Simaharadja. 


n Püiang 


19 


Pandoekoe-besaar. 




n 


Baginda-laqsamana* 




ft 


Maharadja-kaija* 




ff 


Madja Sinara. 




ff 


Maharadja* 




ft 


Pandoeka Simaharadja. 




ff 


Maharadja Sindoeh. 



Poetjoek. 



Digitized by 



Google 



BlJULGS D. 



OPGAVE 

▼an de namen , galars en soekoes der zoogenaamde rodi- 

hoofden in de landschappen VI Kotta Fangkallan 

en XII Kotta Ejunpar. 






Larashoofd. 




VI Kotta Pang-Mohamad M. 


Datoe Fandoeka Sin- 


Pata- 


• kallan. 


dara. 


pang. 


Panghoeloe's ] 


ECapala. 


Kotta-Baharoe. 


Si Maaboh. 


Datoe Temang- 
goeng. 


Malaijoe. 


Goenoeng-Malin- 


Si Katikkan. 


9 Famoentjak. 


Fager- 


taiig. 






tjan- 
tjang. 


Kotta-Alam. 


Si Lambeh. 


it Badja-inantri. 


Tjiniaga. 


Tandjoeng-Balik. 


Mohamad Ali. 


ft Siendo. 


Domo. 


Menggilang. 


Si Fadoeman. 


» Angkat di 
Eadja. 


Malaijoe. 


Tandjoeng-Faoe. 


Si Dolaman. 


Doebalang kaja. 


Domo. 


Larashoo 


fd.. 


XII Kotta Kam- 


Si Maoela. 


Datoe de Balij* IDomo. 


par. 






1 



Aftom. De penonen wier gala» met een * geteekend iQii» iflii tereoi pong- 
1iociloe*e andiln. 



Digitized by VjOOQIC 



420 





Panghoeloe's 


Kapala. 




Podoe-Gedang. 


Si Lindjah. 


Bandahara Badja. 


Pata- 
pang. 


Tandjoeng Alij. 


Si Doewalit. 


Datoö-besaar. 


Koem- 


Batoe-Bersoerat. 


Si Xampoeng. 


Datoe Moentjak. 


pai. 
Domo. 




Si Maasin. 


Feto-kaja. 


Malaijoe. 


Kotta-Tengah. 


Si Ghamis. 


Datoe Djala-kaja. 


Malaijoe. 


Pangkij. 


Tntan Kombaü. 


Tan Simaharadja. 


Domo. 


Kotta-Toewah. 


Si Ali. 


Datoe Pandoeka- 
toewan. 


Tjiniaga. 


Moeara-Takoes. 


Si Boekit. 


Si Madjalela. 


Domo. 


Gh)enoeiig-Bo]ig- 


Si Badoe. 


Pandoeka Badja. 


Malaijoe. 


Tandjoeng. 


Si OeUt. 


Si Madjalela. 


Domo. 


Tabing. 


Si Sadoeraman. 


Panghoeloe-besaar. 


Malaijoe. 


Gfoenoeng-Malelo 


Si Eapal. 


Datoe Batoewah. 


Tjiniaga. 


Siberoewang. 


Si Rakoen. 


Datoe Moeda. 


Domo. 



Digitized by 



Google 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



BE KALiNGEBS. 



DOOR 
IEL T^HITJJSSU, 



Onder de Javanen bestaat eene klasse van personen , bekend 
onder den naam van wong halang ^ die gemeenlijk te zamen 
wonen in eene of meer dessa^s en zich eenigzins afgezonderd 
houden van de overige bevolking. 

Dit feit is slechts aan weinige Europeanen bekend, enzelfe 
zij , die door een lang verblijf in de binnenlanden en door eene 
grondige bekendheid met de Javaansche taal geacht mogen 
worden goed op de hoogte der Javaansche toestanden te zijn, 
blijken van het bestaan dezer personen nimmer iets te hebben 
vernomen (*). 

Te meer mag dit bevreemding wekken, wanneer men bemerkt 
dat in vroegere tijden deze klasse van menschen algemeen be- 
kend was en met den naam van Kalangers werd aangeduid. 
Zoo spreekt reeds Speelman in zijne instruktie, den 23 Maart 
1678 aan zijn opvolger gelaten bij zijn vertrek uit Midden- 
Java (^), van zekeren Toemengoeng Lamongan, een der twee 
voornaamste hoofden der Kalangers^ die veel van zijn volkin 
de distrikten van Samarang en Demak had en welke Kalan- 
gers hun eigen profijt zochten met het kappen en verkoopen 
van hout. 

Evenzoo bestond in het begin dezer eeuw in de residentie 



(') Ook in het werk van Prof. Veth *Java*', vindt men in het Ie deel van 
deze Kalangers in bet geheel geene mdding gemaakt. 

(*> Te vinden h\j de Jonge, Opkomst van het Ned. gezag over Java, deel 
IV pag. 207. 



Digitized by 



Google 



422 

Pekalongan, doch onder het landschap Oeloedjami, dat later 
bij Tegal gevoegd is , een distrikt Kalang onder een inlandsch 
hoofd met den titel van Demang ICalang , of Demang der Ka- 
langers. Deze Kalangers betaalden destijds een hoofdgeld, 
waaraan de overige Javanen niet onderworpen waren, ten be- 
drage van 400 rijksdaalders en in de ofiBcieele stukken ge- 
noemd: hoofdgeld der Kalangers, 

Onder een aantal vragen omstreeks denzelfden tijd gedaan 
betreffende het regentschap Demak , vindt men als antwoord op 
de vraag: in welke classissen de bevolking was onderscheiden, 
dat zij verdeeld was in Javanen en Kalangers , met vermelding, 
dat de laatsten zich afkomstig rekenen uit het Wester-Balem- 
boang (Java's oosthoek) en dat zij a&tammen van zekere prin- 
ses , die zich met een hond vereenigd had. Daarbij wordt tevens 
vermeld dat zij aan de Compagnie een zeker tantum (hoofd- 
geld) betaalden en in afzonderlijke negorijen woonden. 

Ook Ba£9es sch^nt in zijn werk over Java hun afkomst 
te behandelen. 

Het Javaansch woordenboek van Gericke en Boorda (oude 
uitgave) maakt melding van hen onder het woord £a2a^ , als 
eene klasse van menschen die in de nabijheid van Soerakarta 
wonen en volgens het geloof der Javanen uit de vermenging 
van eene vrouw met een hond ontstaaan zijn, met bijvoeging 
dat het hoofd dezer Kalangers den titel van Wedono draagt (*). 

In de residentie Pekalongan worden zij thans nog gevonden 
in de dessa's Ketitang-lor en Ketitang-kidoel in het distrikt 
Pekadjangan, waarvan de eene geheel en de andere voor de 
helft door deze lieden wordt bewoond; zij zuUen daar ongeveer 
600 zielen tellen. 

In de residentie Tegal vindt men ze nahijgde grens van 
Pekalongan in de dessa's Kedawoeng-Sirandoe , Ambo, Kelang- 
wetan, Kelang-tengah , Kelang-koelon, Kelang-lorog, Srampa- 
dan, Sikaijoe, Lawang, Bedji-Legenoek, Temoe-irèng, Kemokol- 
lan, Dawoehan en Botekan. 

(^) Vergeiyk AAüteekening 1*. A. 



Digitized by 



Google 



s 



428 

In Kendal zouden zij in de dessa Plosso te vinden zijn, 
terwijl Tolgens de berichten der inlanders meer westelijk en 
in het zuiden van Java, vooral in de regentschappen Ambal 
en Tjilatjap, hun aantal nog zeer groot moet wezen. 

In de Bijdragen tot Taal-, Land- en Volkenkunde van 1862, 
deel VI pag. XXV, komt eene vraag omtrent deze Kalangers 
voor, waaraan het volgende hier wordt ontleend. 

Onder de Javanen leefden weleer stammen , die dezelfde taal 
spraken, maar zich van hen onderscheidden door het betrachten 
van bijzondere plechtigheden bij huwelijken, geboorten en 
ster^evaUen. Men noemt ze Kalang , Pinggir en Gadjah-ma- 
ti« In de Nawala Pradata (art. 24) wordt van deze stammen 
genoeg gezegd tot opwekking, niet genoeg tot bevrediging 
der nieuwsgierigheid. 

Maar dit blijkt er althans uit, dat het onder de regering 
Tan Pakoe Boewono II nog der moeite waardig werd geacht 
te bepalen, dat het kind onder de Kalangs den staat des va- 
ders, onder de Pinggirs en Gttdjah-mati^s dien der moeder 
volgt. 

De aanteekeningen van Mounier op dat wetboek (Tijdschr. 
V. N. I. 6* jaargang, 1* deel) herhalen eenige der reeds door 
BafKes in zijne History of Java ter nedergeschrevene overle- 
veringen omtrent der oorsprong der Kalangs. Zij verspreiden 
niet veel licht over het onderwerp 

Tijdens de scheiding van het Mataramsche rijk waren de 
Kalangs nog talrijk. De akte van verdeeling van het jaar 1755 
wijst aan elk der beide vorsten een getal van SOOO tjatja's 
van den stam der Kalangs toe. 

De vragen bij deze mededeelingen gevoegd, zijn, voor zoo- 
ver aan schrijver dezes bekend, nimmer beantwoord. 

Het is opmerkelijk dat de inlandsche hoofden, over deze 
S^alangers ondervraagd , zich als het ware schijnen te schamen 
dergelijke lieden onder hunne onderhoorigen te tellen en hen 
trachten te ignoreren. Zij verklaren dan ook als hoofden der 



Digitized by 



Google 



424 

godsdienst gaarne, dat alle Javanen Mohammedanen zijn, het- 
geen in strijd is met de gebruiken der Kalangers. 

£ene tweede eigenaardigheid is dat de Kalangers zelven zich 
schamen over hunne gebruiken, er nauwelijks voor durven 
uitkomen dat zij tot deze klasse behooren, en ongenegen zijn 
mededeeliugen te doen aangaande de plechtigheden en gewoon- 
ten bij hen nog in zwang. 

In naam behooren de Kalangers thans tot de Moham- 
medanen: de uiterlijke gebruiken zooals besnijdenis, huwelijk voor 
den priester enz. volgen zij op , hoewel zij hunne eigene plech- 
tigheden daarnevens hebben behouden. 

Zij worden door de overigen als paria's beschouwd, en hoe- 
wel lichamelijk niet van hen onderscheiden, betoonen zij te- 
genover de andere Javanen eene zekere schaamte, die zich in 
hunne houding uitdrukt. 

Bij de weinige mededeelzaamheid der Kalangers zelven heeft 
schrijver dezes zich moeten vergenoegen met wat andere Javanen 
hem hebben medegedeeld , hetgeen zich tot het volgende bepaalt. 

In de eerste plaats zijn het berichten betreifende dea&tam- 
ming der Kalangers van een hond en eene vrouw, welke nog 
al uiteenloopend zijn en hierachter afzonderlijk zullen worden 
medegedeeld. 

Deze afstamming speelt eene groote rol in al hunne plech- 
tigheden , waarvan de bedoeling is de voorvaderen ab getuigen 
bij en tot wijding van de plechtigheden op te roepen. 

Deze worden steeds gevierd in besloten huizen, buiten de 
aanwezigheid van vreemden, terwijl soms alleen de voor- 
naamsteu of oudsten daarbij schijnen te worden toegelaten. 

Bij het sluiten van een huwelijk worden acht dagen te vo- 
ren alle familieleden bijeengeroepen, hetgeen zij moenggoA uoq- 
men (^) en worden hun alle kleederen afgevraagd, hetgeen 
ayap-aywp wordt genoemd (^). 

(') In het thans gesprokene Javaansch wordt dit woord niet meer in dezelfde 
beteckenis gebruikt. 

(*) Dit woord is bij de overige Javanen onbekend. 



Digitized by 



Google 



425 

Al deze kleederen worden met die van den braidegom en de 
bruid in eene groote koperen pan in het dak van het huis 
geplaatst, het huis zelf wordt geveegd en geheel schoon ge- 
maakt, zoodat er geen vuü overblijft, en vervolgens wordt 
asch over den vloer gestrooid. 

Dit alles moet op een Vrijdag en derhalve Donderdag 
avond geschieden. 

Daarna komen alle familieleden, zoowel mannelijke als vrou- 
welijke, iederen nacht bijeen en blijven gedurende acht nach- 
ten waken; hierop wordt de vloer onderzocht, of er in de 
uitgestrooide asch ook voetstappen van een hond te bespeuren 
zijn, en wanneer dit het geval is, wordt het als een teeken 
beschouwd, dat de voorouders genoegen nemen met het hu- 
welijk. 

Alsdan wordt een slamettan aangericht, alameUan sayoei ge* 
naamd , bestaande uit 50 hoopjes , en waarbij minstens 50 klei- 
ne kuikens ter grootte van een vuist worden geslacht. 

Ook gaat men terstond over tot het weven van twee stukjes 
goed ten gebruike van bruid eü bruidegom , waarvan de hoofd- 
kleur rood is , doch vermengd met andere kleuren, voornamelijk 
wit en donkerblaauw of zwart. Het patroon is voor beide 
verschillend, dat voor de bruid wordt genoemd gedoh tdor 
mimi en is klein van ruit, dat voor den bruidegom heet jiedoi 
tdoT en is breed gestreept. 

Eene bijzonderheid is, dat deze stukjes goed in één dag 
geweven moeten worden : zij kunnen dus niet groot zijn. 

Daarna worden de kleederen die in het. dak waren opgebor- 
gen weder te voorschijn gehaald en aangetrokken, de gamelan 
wordt geslagen en soms wordt er een buffel of koe geslacht. 

Bruid en bruidegom worden op de kruin van het hoofd be- 
goten met water uit eene gendie, waaruit zij vervolgens beide 
drinken. 

Des avonds heeft de ontmoeting der verloofden plaats; de 
bruid wordt omwonden met een witten katoenen draad, dien 
de bruidegom met zijn kris moet doorsnijden. 



Digitized by 



Google 



426 

Den geheelen nacht blijven zij zitten bij het feest en des 
morgens bekleedeu zij zich met de voor hen geweven stnkjes 
goed, die later als djimalê bewaard blijven. 

Bij overlijden wordt het volgende in acht genomen. Na de 
begravenis worden de oude kleederen van den overledene, 
het zij man of vrouw, verbrand, hetgeen lepofsan wordt 
genoemd; na drie dagen wordt een feestmaaltijd gehouden, 
sidekah droe?ii geheeten , na zeven dagen weder een sidekah en 
na duizend dagen de sidekah eniaa-entaa^ waarbij hoopen ge- 
kookte * rijst (boeboer) worden gereed gemaakt en de nieuwe 
kleederen van den overledene worden verbrand. 

Volgens sonmiigen wordt ook nog een houten beeld ver- 
brand, dat den overledene zoude voorstellen. 

Eens in de zeven maanden vieren zij een feest , êidekah Ga^ 
hengan geheeten, en wel op een vrijdag wagé, of dingsdag 
wagé, welke voor hen heilige dagen zijn, de eerste als sterf- 
dag van de vrouw, de tweede van den hond, waarvan zij af- 
stammen. 

Daartoe komen alle familieleden te zamen en leggen geld 
bij een tot bestrijding der kosten van het feest, dat gevierd 
wordt ten huize van het oudste familielid. 

Nadat de spijzen zijn toebereid, worden zij voor de slaap- 
plaats op den grond neergezet, en worden de kleederen der 
aanwezigen hierbij gevoegd. 

Voor de spijzen wordt een bakje met zand of asch geplaatst, 
waarna allen zich naar buiten begeven en rondom het huis 
loopen , onderwijl tegen de pagger kloppende en roepende : Gij 
kunt binnentreden, want uwe afstammelingen hebben het eten 
reeds gereed gemaakt en klaar gezet gelijk het gewoonte is. 

Daarop gaan allen weder naar binnen , om het zand of de 
asch te beschouwen:- of er voetstappen van een hond in aan- 
wezig zijn. Indien dit het geval is, wordt het feest als door hunne 
voorouders goedgekeurd aangemerkt en zet men zich tot het 
nuttigen der spijzen. Eene bijzonderheid is, dat de spijzen 
worden opgedischt op gempol-bladeren , in herinnering aan het 



Digitized by 



Google 



\ 



427 

feit, dat hun voorvader met die bladeren zijne handen heeft 
gereinigd, nadat hij zijn vader had gedood. 

Terder leggen de Javanen aan de Kalangers nog eenige 
minder gunstige gewoonten ten laste, onder anderen, dat de 
vaders hunne eigene dochters vóór het huwelijk zouden ont- 
maagden • en dat zoons dikwijls met hunne moeders als man 
en vrouw leven. Aan dit laatste zoude volgens henwereldsch 
geluk en rijkdom als gevolg verbonden zijn. 

In Demak werd omstreeks 1800 van hen gemeld : //zij heb- 
ffhen één dag in het jaar eene plechtige feestviering, geschie- 
^dende dit binnenshuis en met geslotene deuren, wanneer men 
^wU, dat zij op handen en voeten loopen, om in de gestalte 
^van een beest het hoofd nederwaarts te dragen.**" (^) 

Ook gaat^het verhaal, dat velen onder hen een staart zou- 
den dragen , en werd mij een bepaald persoon uit het distrikt 
Tjomal (Tegal) genoemd, die nimmer rechtop kon zitten, het- 
geen aan zijn staart werd toegeschreven. Hetzelfde wordt 
verhaald van een reeds overleden regent in de residentie Bage- 
len, genaamd Toemenggoeng Aroeng Binang, die in rechte lijn 
tot de Kalangers zoude behooren. 

Huwelijken van Kalangsche mannen of vrouwen met Ja- 
vaansche komen wel eens voor, echter beweert men, dat hu- 
welijken tusschen Javanen en Kalangsche vrouwen meestal 
ongelukkig zouden zijn. 

Zij schijnen ook beelden of poppen van hout te bezitten in 
de gedaante van een hond , die door hen vereerd worden , be- 
nevens houten beelden of poppen ongeveer een voet of een hal- 
ven voet hoog , ffoleA sidjati genoemd, die henzelven voorstellen 
en 1000 dagen na hun dood verbrand worden. 



(*) Kan de afkomst van den naam Kalang met het oog op deze gewooate 
ook in verband staan met bet woord dUtng , dat in de Kawitaal krmpen betee- 
kent? of met bet JaYaanscbe woord alan$, verhinderen ^' va. den zin Tan rerboden 
omgang of verboden hnwelijk? 



Digitized by 



Google 



428 

Bij den eed , dien zij onder elkander afleggen, en die geheel 
afwijkt Tan den Mohammedaanschen of de andere Javaansche 
eeden, zouden zij dien golek sidjaü aanroepen. 

Bovenstaande bijzonderheden zijn gering en laten nog vele 
vragen onopgelost, die op hun geloof of bijgeloof betrekking 
hebben. 

Zij kunnen echter anderen aansporen elders een onderzoek 
in te stellen, hetgeen wellicht tot uitvoeriger mededeeUngen 
zal leiden, vooral als het wordt ingesteld in de dessa's waar 
een groot getal Kalangers te zamen woont, die door hunne 
grootere getalsterkte minder schuchter in hunne verklaringen 
zullen zijn. 

Eene eigenaardigheid is, dat deze Kalangers overal verspreid 
zijn en toch in a&onderlijke dessa's bij elkander zijn blijven 
wonen. Hunne overlevering geeft hiervoor wel eene oplossing , 
doch deze is te gezocht om te kunnen worden aangenomen. 

De betaling van een a&onderlijk hoofdgeld aan deregenten 
tijdens de compagnie doet vermoeden, dat zij als ongeloovi- 
gen destijds aan eene bijzondere heiflng onderworpen en zwaar- 
der belast waren dan de geloovige Javanen. 

Het zoude belangrijk zijn den oorsprong dezer klasse van 
personen te kunnen verklaren, en de vraag doet zich voor of 
men hier te doen heeft met een a&onderlijken stam of met 
een vreemd ras dat zich van elders tusschen de inwoners heeft 
nedergezet, dan wel enkel met eene godsdienstige sekte, die 
zich niet aan den Islam heeft willen onderwerpen. 

In verband hiermede mag de gissing worden geopperd, of 
men wellicht bij deze Kalangers sporen van den ouden inheem- 
schen godsdienst terugvindt, dien de inwoners beleden voor 
de komst der Hindoe's. 

De overlevering wijst op herkomst van over zee en doet 
die tot zeer oude tijden opklinmien, daar zij die met het ont- 
staan vaa het Praauwgebergte in verband brengt ; aan d^ an- 
deren kant wordt daarbij echter ook aangenomen, dat Java 
bij de komst der Kalangers reeds bewoond was. 



Digitized by 



Google 



429 

Eene vergelijking met de godsdienstige gebruiken van an- 
dere volken zal het best een leiddraad kannen geven tot de 
beantwoording dezer vragen en gissingen, alleen zij hier nog 
vermeld, dat volgeils de mededeeliag van iemand, dieeenigen 
tijd op het schiereiland Malakka doorbracht, de nog onbe- 
schaafde bergbewoners aldaar orang Kalang genoemd worden. 
Misschien kunnen de geschriften der Engelsche zendelingen in 
die streken hieromtrent inlichting verschaflen. 

Behalve uit een ethnographisch oogpunt, kan eenige meer- 
dere kennis betreffende deze Kalangers van belang zijn, ook 
met het oog op art. 119 van het Regerings-reglement , het^ 
welk aan ieder volkomen vrijheid laat zijne godsdienstige mee- 
ningen te belijden, en art. 256 van het Inlandsch reglement, 
waarbij is voorgeschreven, dat iedere getuige in eene stra&aak 
den eed aflegt op de wijze zijner godsdienstige gezindheid. 

Bij het blijkbaar streven der hoofden om alle ingezetenen 
tot Mohanmiedanen te verklaren en het bestaan der Ka- 
langers te ignoreren , mag gevraagd worden welke waarde 
de eed heeft, door hen voor de rechtbanken afgelegd op den 
Koran. 

Ten slotte mogen hier de vragen herhaald worden, door het 
Koninkbjk Instituut van Taal-, Land- en Volkenkunde in 
1862 gesteld. 

a. Zijn heden nog onder de Javanen bekend de benamin- 
gen van Kalang, Pinggir en Gadjah-mati? 

b. Hoe groot is hun aantal in de verschillende distrikten 
lEan Java? 

c. Wat is de oorsprong dier stammen? 

d. Wat is hun toestand onder de oorspronkelijke vormen 
van het Javaansch bestuur? Leefden zij toen in afzonderlijke 
dessa^s onder hun eigen hoofden? waren zij aan bijzondere 
lasten of dienst baarbeden onderworpen? oefenden zij bepaalde 
beroepen uit en waren de overige hun verboden? 

0. Welke bijzondere plechtigheden waren eertijds en zijn nu 
aog big ben in gebruik, en wat is de beteekenis van deze? 



Digitized by 



Google 



480 

f. Wat is han tegenwoordige toestand, zoowel maatschap- 
pelijk ab godsdienstig? 

g. Zijn zij van de overige Javanen door ligchaamsboow en 
gelaatstrekken onderscheiden? 

Bij deze vragen zouden nog de volgende zijn te voegen: 

A. Hebben zij eene afzonderlijke tijdrekening? 

i. Is ook bij hen het aanraken van onreine zaken en het 
eten van varkerivleesch , het drinken van sterke dranken ver- 
boden? 

h. Kan de oorsprong van den naam Kalang ook worden 
nagespoord ? 

Overleveringen der Kalangers. 

Betreffende den oorsprong der Kalangers is de volgende 
overlevering in omloop bij de Javanen der residentie Pekalongan. 

In den aanvang was er een kar , genaamd groldk of ^eMi 
kalang , door baffels getrokken, die over de baren der zee reed 
en op het eiland Java te huis behoorde. Terzelfder tijd kwam 
er een praauwvoerder , genaamd Dampoe-awan^ , van den 
overwal, wiens vaartuig door de wolken stevende. Toen de 
pedatievoerder die praauw in de wolkenzag, sprak hij den voer- 
man aan ; er volgde een woordenstrijd, totdat eindelijk de kar- 
voerder het juk zijner buffels nam en daarmede naar de praauw 
wierp, die getroffen werd en naar 'beneden viel ; de praauwvoer- 
der Dampoe-awang nam zijn roeiriem en sloeg daarmede de 
kar aan stukken. De buffels die voor de kar waren gespan- 
nen, vleiden zich neder aan het strand van het tegenwoordige 
regentschap Batang en veranderden daar in het voorgebergte 
van Oedjoeng-goenoeng , dat nog heden het voorkomen ver- 
toont der liggende buffels; de kar viel in zee en vormde een 
koraalrif (in het Javaansch karang , waarmede de naam Kalang 
in verband zoude staan). 

De overblijfselen der praauw vormden den berg, thans bekend 
onder den naam van Qoenoeng Prahoe en gelijkende op een 
omgekeerd vaartuig. Dampoe-awang landde nabij het Praauw- 



Digitized by 



Google 



\ 



481 

gebergte, zwierf in de bosscheu aldaar rond en kwam aaneen 
gehucht ten noorden ^ ^n den Dieng , Mendakoengan genaamd. 

Aan zekeren inwoner , genaamd Kjahi Inowirio , vroeg hij een 
jonge klapper y waarvan hij het water en vleesch nuttigde ; hier- 
na willende voldoen aan eene natuurlijke behoefte, vulde hij 
den ledigen klapperdop met zijne urine. 

Kort daarop kwam een groot wild wijfjesvarken , bekend als 
een tjéllertg mendidoeTigan ^ dat zich in een mensch kon veran- 
deren, aanloopen en dronk den klapperdop ledig, ten gevolge 
waarvan dit varken zwanger werd. 

Ejahi Inowirio, zoo genoemd omdat hij slechts één oog had, 
en die eene dochter had genaamd Embok Trisna, verloor eeni- 
gen tijd daarna zijn eetlust, totdat ten laatste zijne gulzigheid 
zich beligchaamde, ter grootte van eene muskaatnoot naar bui- 
ten kwam en hem aldus aansprak: 

Tader, hoe is het, ik ben in uw ligchaam en krijg niets 
te eten , daarom kom ik nu naar buiten , want ik heb 'reeds 
te lang niets genuttigd. 

Inowirio verwonderde zich hierover en antwoordde: ik heb 
geen lust in eten, zoo gij eten wilt, neem dan van mijn aan- 
plant zooveel gij verkiest , de pisang en ananas zijn reeds rijp. 

De gulzigheid voldeed aan hare begeerte om te eten en nam 
daartoe de gedaante aan van eene jonge muis; na gegeten te 
hebben wilde zij weder in het ligchaam van Inowirio te- 
rugkeeren , doch deze verbood het haar zeggende : ik wil niets 
nuttigen, het is beter 'dat gij blijft voortgaan met vruchten 
te eten, want zoo gij in mijn ligchaam terugkeert, zult gij 
later weder daaruit willen komen. 

De muis bleef dus buiten, nam den vorm aan van een hond, 
ontving den naam van Blang-wejoengijang, die Inowirio steeds 
ak zijn meester volgde. 

Het gelukte dezen een dwerghert (kantjil) te vangen, dat 
hij onder een gevlochten korf plaatste, met last aAn zijne doch- 
ter Trisna om indien zij wilde eten, dat hert te slachten. 

Des nachts kwam de hond Blang-wejoengijang bij den korf 



Digitized by 



Google 



482 

en vroeg aan bet hert , wat het daar dééd. Het antwoord was 
dat Inowirio hem bestemd had om zijn schoonzoon te worden 
ea met Trisna te huwen. De hond was hierover verwonderd, 
en beklaagde zich dat Inowirio hem niet tot zgn schoonzoon 
had verkozen, daar hij hem reeds zoo langen tijd had gevolgd. 

Het dwerghert stelde daarop aan den hond voor met hem 
te ruilen en zijne plaats in te nemen, voorgevende dat als 
Inowirio den hond in den korf vond, hij dezen zeker tot 
zijn schoonzoon zoude bestemmen. 

Toen Trisna den volgenden morgen buiten kwam en het 
hert wilde slachten, vond zij den hond in den korf; zij maakte 
zich boos en sloeg den hond met den rijststamper , zoodat hij 
wegliep ('). 

In het bosch gekomen, ontmoette de hond het wilde wijf- 
jesvarken, waarvan boven sprake is geweest, en dat, voor de 
buitengewone kracht en macht van den hond bevreesd, hem 
aldus- aansprak : Doe mij geen leed , want ik ben zwanger. 

De hond antwoordde daarop: Goed, maar ik wil eene over- 
eenkomst met u aangaan; het jong dat gij ter wereld zult 
brengen moet als het een mannetje is, mijn dienaar worden, 
en als het een meisje is, mijne vrouw. 

Eenigen tijd laten wierp dat zwijn een kind van het vrou- 
welijk geslacht, dat, als afstammende van den praauwvoerder 
Dampoe-awang , eene menschelijke gedaante had, en oplateren 
leeftijd den naam ontving van Dewi Baijoeng-woelan. 

Zij bewoonde een huisje in het bosch, dat steeds bewaakt 
werd door den hond, en bracht haar tijd door met het weven 
van kleederen, tot dat zij volwassen werd. 

Op zekeren dag ontschoot haar de spoel van hetwee^tonw 
en viel onder de balie-balie; onwillig die op te rapen, lietadj 
zich de woorden ontvallen : Wie die spoel voor mij opraapt , 
zal ik als het eene vrouw is , als mijne zuster aannemen en zoo 
het een mai\ is, zal ik hem behooren. 



C) Vcrgdyk aanteekening 1* B. 



Digitized by 



Google 



433 

De hond dit vernemende schoot toe, greep de spoel met 
zijn bek en bracht die aan haar terug. 

Hierover verbaasd , verklaarde het meisje niet met een hond 
te willen trouwen en sloot den volgenden nacht dedeurharer 
kamer van binnen. De hond bleef steeds voor de deur liggen 
janken en vroeg om binnengelaten te worden; ten laatste 
opende het meisje de deur en onderwierp zich aan het ver- 
langen van den hond (^). 

Ten gevolge hiervan werd de Poetri Baijoeng-woelan moe- 
der van twee zoontjes, tweelingen, genaamd Badhen Soedjal- 
mo en Badhen Djoijolengkoro. Toen deze groot geworden 
waren, vonden zij hun vermaak in de jacht en werden daarbij 
steeds gevolgd door den hond, waarvan zij niet wisten, dat 
hij hun vader was. 

Op zekeren dag joegen zij een wild varken op, dat hunne 
grootmoeder was (de moeder hunner moeder), doch zonder dat 
zij dit wisten, en zetten den hond aan het varken te vervol- 
gen. Deze echter, zijne schoonmoeder in het varken herken- 
nende, weigerde dit te doen; de zoons hierover verstoord', 
trokken hunne krissen , waarop de hond hen aanvloog met het 
gevolg dat beide broeders blind werden. 

De hond trok zich terug in een hol in den berg Watoe 
Karoeng in Kedoe, leidde daar een kluisenaarsleven en kwam 
slechts eenmaal 'sjaars naar buiten om te eten. 

De moeder Baijoeng-woelan deze gebeurtenis vernemende, 
toog op weg om den hond haren echtgenootop te sporen; zij 
ging echter westwaarts naar de Preanger en vond hem dus niet. 

De zoons gingen hunne moeder achterna en zwierven vele 
jaren te vergeefs rond ; zij verbleven eenigen tijd nabij den berg 
Sirah Galoeh nabij Gtiloeh of Soemedang en van daar trokken zij 
zuid-oostwaarts. 

Eindelijk kwamen zij te zamen aan het zuiderzeestrand , 
doch herkenden dkander niet. De moeder kreeg medelijden 

(>) Volgens eene andere lezing nam de hond toen tijdelijk eeae menselielijke 
gedaante aan. 



Digitized by 



Google 



434 

met de blinde rondzwervende mannen en bood aan hen van 
hunne blindheid te genezen, op voorwaarde, dat zij beiden 
met haar zonden huwen. Zij genas hen inderdaad en huwde 
met hen; geruimen tijd leefden zij zamen in de tegenwoor- 
dige residentie Bagelen aan het zuider-zeestrand en werden 
zeer rijk. Buiten hun huwelijk hielden de zoons er nog 40 
bij wij ven op na, waarbij zij vele kinderen verwekten. 

Op zekeren dag, terwijl Dewi Baijoeng-woelan het hoofd 
van haar eenen man Biadhen Djoijolengkoro reinigde, be- 
speurde zij daarop een lidteeken en vroeg hoe hij daaraan ge- 
komen was. Hij verhaalde toen, dat zijne moeder hem eens 
als kind met een houten lepel op het hoofd had geslagen ; zij 
herinnerde zich terstond dat zij een harer zoons als kind op 
dezelfde wijs had geslagen, vroeg naar den naam van haar 
man en ontwaarde , dat zij met hare eigene zoons gehuwd was. 

Tan dat oogenblik af scheidden zij , de zoons trokken weder 
westwaarts naar de Preanger en namen hunne 40 bijwijven 
mede. Op hunne omzwervingen lieten zij vele dezer vrouwen 
met hunne kinderen hier en daar achter, die later de stam- 
vaders der Ealangers werden , en dien ten gevolge is deze stam 
overal verspreid geraakt. 

Bovenstaand verhaal moet beschreven zijn in het boek 
Djoijolengkoro, waarvan schrijver dezes geen afschrift heeft kun- 
nen machtig worden, doch waarvan zich exemplaren moeten 
bevinden in Banjoemas en Bagelen. (*) 

Bniten deze bestaan er nog andere afwijkende lezingen, onder 
anderen dat de vrouw slechts één zoon had bij den hond, 
en dat de hond door zijn eigen zoon gedood werd, terwijl 
daarbij geene sprake is van blindheid. De moeder verweet 
den zoon, dat hij zijn vader had gedood, kreeg twist met hem , 
en zoude hem bij die gelegenheid met een houten lepel een 
wond aan het hoofd hebben toegebracht. 

Na de wederontmoeting en het daarop gevolgde huwelijk zoude 
de zoon een kind van het mannelijk geslacht verwekt hebben 

(>) Vergdigk aanteekening. La. C. 



Digitized by 



Google 



435 

bij zijne moeder; toen deze later haar zoon herkende aan de 
wond op zijn hoofd verliet zij hem , doch vermeldde uit schaamte 
de reden niet. Geruimen tijd later zouden moeder en zoon 
weder te zamen zijn gekomen, zonder elkander te herkennen, 
huwden wederom, kregen nogmaals een zoon, herkenden el> 
'kander nogmaals, en op deze wijze zoude zich zevenmaal het- 
zelfde hebben herhaald. 

Ten gevolge hiervan zouden de kinderen overal verspreid 
geraakt zijn en werd zeven een heilig getal, dat nog herdacht 
wordt door de feesten , eenmaal in de zeven maanden door de 
Kalangers gevierd. 

De Babad tanah djawa , waarvan de uitgave door den Heer J. 
8. Meinsma is bezorgd, maakt in de eerste bladzijden ook 
melding van het ontstaan der Kalangers. Daar wordt verhaald 
van een vorst van het rijk Giling-wèsi, Watoe-goenoeng ge- 
naamd, die twee vrouwen had, waarvan de eene, Dewi Sinto, 
27 kinderen bij hem had. 

Eens toen hij in droevige stemming met ontbloot hoofd uit- 
gestrekt lag op een bank, kwam Dewi Sinto bij hem zitten 
en ontwaarde eene kale plek op zijn hoofd. 

Door haar ondervraagd hoe hij daaraan gekomen was, ant- 
woordde hij in zijne jeugd door zijne moeder te zijn geslagen , 
en herinnerde zich dat deze toen juist bezig was geweest 
gekookte rijst af te koelen met een waaijer. 

Dewi Sinto vernam dit met schrik, daar het haar inviel, 
hoe zij eens haar eigen kind onder dezelfde omstandigheden 
op het hoofd had geslagen, en herkende in haar echtgenoot 
haar eigen zoon. Te beschaamd om dit te bekennen en toch 
haar huwelijk willende verbreken, zon zij op een middel om 
hiertoe te geraken en nam de volgende list te baat. 

Zij gaf haar echtgenoot te kennen dat hij wel als een roem- 
rijk vorst bekend stond , doch dat zijn roem niet als volmaakt 
beschouwd kon worden, zoolang hij geene widodari van Soe- 
roloyo tot vrouw had gekregen, en spoorde hem aan te trachten 
zulk eene widodari te verwerven. 



Digitized by 



Google 



436 

Het was haar zeer goed bekend, dat een hQirelijksaanzoelc 
om eene widodari oorlog en den vennoedelijken dood vanhaar 
echtgenoot ten gevolge zoude hebben en daarop rekende zij om 
tot ontbinding van haar huwelijk te geraken. 

Wat zij voorzien had gebeurde. Watoe-goenoeng volgde haar 
raad, met dat gevolg, dat hij in oorlog geraakte met Batoro 
Goeroe, vorst van Soeroloyo, en in dien strijd sneuvelde. 

Gelijk uit het bovenstaande kan blijken, is de overlevering van 
den oorsprong der Kalangers uit eene onnatuurlijke verbindte- 
nis op verschillende wijzen tot ons gekomen, in het eene ver- 
haal meer dan in het andere versierd met allerlei bijomstandig- 
heden (^), doch uit allen schijnt te mogen worden opgemaakt 
dat het ontstaan dezer van de overige Javanen afwijkende 
klasse tot zeer hooge oudheid moet worden teruggebracht. 

Pekdongcm, Maart 1877. 



AANTEEKENINGEN 

DOOK 

H. L. Ch. te M. 



A. 

De definitie aan het woord Kcdcmg in het Javaansch woor- 
denboek gegeven, hier aangehaald, zou mijns inziens tot ver- 
keerde opvatting kunnen leiden en verdient daarom een kleine 
toelichting. Men zou toch al ligt tot de meening kunnen 
geraken, dat de inlander in Soerakarta, bij het uitspreken van 
dat woord, aan een afzonderlijke klasse of stam van menschen 
dacht, die een afzonderlijken oorsprong, afeonderlijke gebrui- 
ken en instellingen hebben, zoo als die, welke in het vervolg 
van dit opstel beschreven worden. Dit is geenzins het geval. 



(*) Vergelijk aanteekeoing !■ D. 



Digitized by 



Google 



437 

Kalang dnidt in Solo een bepaalde kategorie van beroeps- • 
bezigheden aan, ongeveer zoo als die van Nara-wrêksa. Y6ör 
dat de hontbosschen door den Soenan aan het gouvernement over- 
gedragen waren en toen deze nog de vrije beschikking daarover 
had , waren de Kalang's degenen , die voor het kappen en ver- 
voeren van het hout naar het hof te zorgen hadden, terwijl 
de nara-wrëksa^s (zooals het uit de Kawi-benamiug afteleiden 
is) de timmerlieden van den Yorst uitmaakten. Thans ech- 
ter is het onderscheid van bedrijfsbezigheden , aanvankelijk 
voor elke der beide genoemde kategorien aangewezen, wegge- 
vallen en wordt met het woord Kalang in het algemeen bedoeld 
het stel ambtenaren en beambten, dat, met een Toemêng- 
goeng-wedhana aan het hoofd, belast is met het toezigt over 
de hoftimmerlieden; terwijl onder die benaming almede za- 
mengevat worden al hunne ondergeschikten en de opgezetenen 
hunner loenggoeh's of ambtelijk bezeten gronden. 

De overlevering omtrent den oorsprong der Kalang's uit de 
vereeniging van een mensch en een hond is in Soerakarta 
even als elders bekend. Als bewijs van de algemeene ver- 
sjpreiding dier traditie kan hier in het voorbijgaan gewezen wor- 
den op het volksgeloof dat de tjandi te Pragoeman , nabij 
Toentang (Salatiga), het graf is van den hond, den stamva- 
der of de moeder der Kalang's. De in Solo ter zake van het 
ont9taan dezer menschen in omloop zijnde legende zal hier 
onder vermeld worden. 

Zeer aannemelijk is het , dat de hof-timmerlieden en de over 
hen gestelden oorspronkelijk gekozen werden uit de kalang^s; 
doch men hebbe slechts terug te denken aan het nog niet 
zoo lang opgeheven regt der titularissen, hun ambt en do 
daaraan verbonden regten en bevoegdheden te verkoopen, om 
daaruit de gevolgtrekking te maken, dat de tegenwoordige 
individuen van dien naam niet meer van meerbedoelde men- 
schen afstamm^i. Yan Solosche Javanen , die schier dagelijks 
omgang hadaen met de Kalangs van den Yorst , heb ik dan 
ook de meest pertinente verklaring gehoord, dat bij de laatst 



Digitized by 



Google 



438 

genoemden ja wel is waar het bestaan van vreemde gebruiken 
en instellingen van de Kalang^s van vroegere tijden bekend is, 
doch dat zij volstrekt niet weten, waaruit die zeden en voor- 
schriften of plegtigheden bestonden. Dat die bewering een 
uitvloeisel zou zijn van het verzwijgen of loochenen van werke- 
lijk bestaande dingen kaï;! niet worden aangenomen; het min- 
dere aanzien , waarin de Toemenggoeng-Kalang bij zijn collega's 
Bopatie-Wedhana staat, ligt aan zijn beperkte magt en geenzins 
daaraan dat men op hem neerziet als op iemand vun minder 
ras, die lager staat dan zijns gelijken in andere golongan's. 



B. 

Hoe een overlevering in den mond van den inlander niet 
onvervormd blijft, daarvan meen ik hier een staaltje te kun- 
nen aanwijzen. De tirade van den hond en het dwerghert 
in de koeroengan althans gelijkt volkomen op de doagèng yan 
Sang Kantjil, een fabeltje, dat, als H ware,- elk kind in Mid- 
den-Java weet op te disschen. Vergis ik mij niet, dan is 
er ook vóór eenige jaren bij de firma van Dorp te Semarang 
een Jav. werkje verschenen, waarin iemand, zich tjarik B&- 
dhr& noemende, de bestaande fabels te boek heeft gesteld. 



Het boek Djaija-lêngkara ken ik niet; maar het getal der 
Javaansche bronnen, waarin van den oorsprong der Kalang's ge- 
wag gemaakt wordt, is te vermeerderen met het geschrift, 
waarvan het genootschap een exemplaar bezit en dat onder den 
titel van Babad IV in den catalogus voorkomt. In het voor- 
bijgaan zij hier aangemerkt, dat dit geschrift in zooverre mis- 
schien de aandacht waard is , dat het , in afwijking met al de 
overige bekende babad^s (waarin Java het tooneel zou zijn van 



Digitized by 



Google 



489 

de oudste mjthen, aanvangende met Nabie Cis, den zoon 
yan Nabie Adham, alsmede van Batara Goeroe en de Pau- 
jawa's), Praboe Soewéla-tjala van het rijk Kodhrat afkomstig 
(in andere babads «onbekend) den eersten vorst noemt, die na 
Adjie-Saka's komst het rijk van Mëndang op Java gesticht 
en, in herinnering aan zijn land, de afbeeldingen der goden 
en helden, de Pandawa's, ingevoerd heeft. Het boek, waarin 
bij elk feit een jaarcijfer aangegeven is, komt in het beloop 
der geschiedenis eerst dan met de overige babad's overeen, 
als het het verhaal van het rijk Prambanan opvat. 

Op folio 96 en 97 van dat handschrift wordt gesproken 
van Batoe Baka, vorst van Mëndang-Kamolan (Blora) , die, be- 
lust op de schoonheid van zijn eigen dochter, Dhèwie Betna 
Tjêndala, haar wilde bekennen, maar in zijn booze voornemens 
door haar belet, zijn dochter tot wraak naar een onherberg- 
zaam oord (ara-ara) verbande, waar zij zich met weven onle- 
dig hield. Djaka Bandhoeng , de zoon van een zekeren Èndang , 
raakte op haar verzot en verzocht om haar hand bij den 
Yorst, die tot voorwaarde stelde, dat hij (Djaka Bandhoeng) 
in één nacht den tjandie-sèwoe zou maken. Hij nam het 
aan , maar tot op een tiental beelden na met het werk gereed 
zijnde, werd hij overvallen door het geluid van het paddie- 
stampen der Prambanansche maagden en bemerkte dat het reeds 
ochtend was. Daarover ontsticht , verwenschte hij de Pramba- 
nansche meisjes, dat zij nimmer zouden mogen trouwen, voor 
dat zij de eerste jeugd voorbij zouden zijn. De Batoe Baka 
nam geen genoegen in het onvoltooide werk en Djaka Ban- 
dhoeng, daarover verstoord, vatte het voornemen op, de ver- 
bannen princes te ontvoeren. Hij deelde dit plan aan zijn 
moeder mede, die het niet goedkeurde, en er ontstond daar- 
uit een woordenstrijd, waarbij de zoon tot een bruinen hond 
werd vervloekt. De hond Bandhoeng, door denzelfden lust 
haar het verblijf der verbannen princes gedreven, stond véóv de 
omheining te huilen en vernam daar de gelofte uit haren mond , 
dat zij tot man zou nemen dengene, die haar op den grond ge- 



Digitized by 



Google 



440 

vallen spoel zou oprapen. De hond trad binnen en bragt haar 
den spoel. Zij zag daarin de beschikking der dhéwa's en gaf 
zich aan den wil van den hond over, maar beschaamd over 
haar zamenleven met het dier , van wien zij •zwanger was , gin- 
gen beiden de wijk nemen naar het bosch van Malang, waar 
zij een kind baarde, dat later daar ontginningen maakte en 
de stamvader was der Kalang's. 

Hierna keert het verhaal weer terug tot Praboe Baka in zijn 
gevechten met Praboe Laléan, den zoon van Pandjie. 



De Solosche legende omtrent den oorsprong der Kalang's 
luidt als volgt: Er was een zeker Vorst van Prambaoan, 
wiens naam niet genoemd wordt , die, door zijn hond vergezeld 
ter jagt zijnde , onweerstaanbare aandrift kreeg tot voldoening 
aan zijn zinnelijke hartstogten en , aangezien er geen vrouw bij 
hem was , aan die lasten bij den hond voldeed. Daaruit zou- 
den de Kalang's ontstaan zijn. 

Verder spreekt de overlevering slechts van den vorst, die, 
wroeging over zijn daad gevoelende, behoefte had, ze aan 
iemand mede te deelen , maar daarvan uit schaamte weerhou- 
den werd. Hij verzon daarop het middel, zijn Patih de 
keuze te laten tusschen het ontslag uit diens betrekking of 
kans te zien de oorzaak van zijn droefheid te raden. De 
Patih , van het knellende alternatief vervuld , raadpleegde daar- 
over zijn dochter, die op zich nam het hem opgelegde 
raadsel op te lossen, mits zij zich alleen in het bosch zouden 
bevinden. Aldaar aangekomen, ontblootte zij haar boezem, 
zeggende: //ziedaar, vader, het geheim van Sang Praboe". De 
vader vergat zich een wijle en wilde "ijn dochter om het 
middeh vatten, maar werd daarover door haar bestraft, die 
hetgeen zij deed slechts als een zinspeling voor de oplossing 
van het raadsel wilde opgevat zien. Tot zich zelf terugge- 



Digitized by 



Google 



441 

keerd, begreep de Patih de bedoeling er van en meende nu, 
ter Tergoelijking van 's vorsten schuld , zich zelf vóór dezen te 
moeten beschuldigen van de wandaad als zou hij zijn eigen doch- 
ter hebben verkracht , er bij voegende , dat hem nu duidelijk 
was , dat alleen zulk een schuldgevoel 's menschen hart in droef- 
heid kon dompelen. De vorst vond in deze zonde, schande- 
lijker dan de zijne, verzachting zijner wroeging en bevrediging 
Tan zijn hart, zonder zijn geheim te openbaren. 



XXIV 18 



Digitized by 



Google 



„DE OOST-INDISCHE COMPAGNIE 
DER EDELEN VAN GENUA/' 

(1648—1649). 

DOOR 



Eene gewichtige tijding twam in den loop van Vrijdag 26 
Maart 1649 ter kennis van den Gouverneur-Generaal Cornelis 
van der Lijn. De anachoda van een dien morgen ter reede 
van Batavia aangekomen iulandsch vaartuig bracht het <^vast 
ende seecker" bericht mede, dat te //Celida (') voor eenige 
dagen gearriveert en aldaar noch leggende waren" twee vreemde 
schepen, //doende alle debvoir om terselver als bijgelegene 
plaetsen in handeliuge van peper met d'inwoonders te geraec- 
ken" ten einde //hare ladinge in peper becomen hebbende 
daermcde naer Maccauw (Macao) te tenderen." 

Geheel onvoorbereid op eene dergelijke mededeêling was de 
opperlandvoogd echter niet. Nog slechts weinige maanden ge- 
leden was de Indische Regeering in het bezit gekomen van de 
missive van Heeren Meesters van 5 October 1647, waarin //den 
Heer Gouvemeur-Generael ende Raden van India aengeschreven 
ende bekent gemaeckt wert, wat aequipagien ende nijtsettingen 
bij aiidere uijtlantse natiën, buijten 't octro ij van de Geünieerde 
Nederlantse Oost-Indische Compagnie sijnde, uijt Europa naer 



(') Salida, ia de afdceling Fainan, even benoorden de hoofdplaats dier of- 
deeling. 



Digitized by 



Google 



443 

dese Indische gewesten ondernomen wierden'', en met tijzonde- 
ren nadruk was in dien brief de aandacht van de bewindvoer- 
ders in Indië gevestigd op de omstandigheid, //dat eenige 
particulieren van Genua in Holland , tot Sardam , hadden doen 
maecken ('), en oock rede in Texel seijlreedt waren liggende, 
twee schepen, het eene groot omtrent de 200 lasten, ende 't 
ander wat cleijnder, omme eerst naar Genua, ende van daer 
naer dese landen , om te negotieren met een competent capitael, 
daartoe reeds 80 duizend realen van achten gefourneert waren, 
hare reijse te parformeren." Naar aanleiding hiervan gaven 
Heeren Principalen bij gemelden brief //expressen last, ordre 
en bevöl", om, ingeval bedoelde schepen in de Indische wa- 
teren mochten worden //gerescontreert '' , met de meeste ge- 
strengheid de hand te houden aan de^ plakkaten van //hare 
Hoog Mogenden de Heeren Staten Generael der vrije vereenichde 
Nederlanden, ende siugulierlijck dat van den 4 3faij anno 
1632*" (*), volgeus den inhoud waarvan //alle het volcq inge- 
setenen ofte onderdanen van voorsz. geünieerde provintiën, of 
te anderen, in dienste geweest sijnde van de Compagnie, op 
vóorsz. schepen bevonden wordende , daer affgelicht, ende jegens 
deselve in couformite van gemelte placcaten, sonder eenige 
conniventie, op de poenaliteijten daerinne gestatucert, gepro- 
dedeert sal werden •/' — gevende Heeren Meesters evenwel uit- 
drukkelijk als hun verlangen te kennen, dat aan de voornoemde 



(*) "Nederlaad wa8 ia deze dagen (omstreeks het midden der 17e eeuw), om 
zoo te spreken, de algemcene timmerwerf vau Europa, en zijn roem was, ofschoon 
Brittanje inderdaad het in vele opzichten reeds daarin voorbij streefde, deswege 
zoo zeer gevestigd, dat èn Frankrijks monarch en de republiek van Genua meen- 
den, nergens beter eenige oorlogschepen te kunnen doen vervaardigen dan in dit 
Gemeenebest." J. C. de Joxge, Geschiedenis van het 'Nederlandsche Zeetce- 
zen, I. bl. 942. 2e druk. 

(^ Het aangehaalde plakkaat van 4 Mei 1632 is eene renovatie van het plak- 
kaat van 9 September 1606, te vinden op bl. 525 van het Ie deel van ^w/ömcA 
Verkaal van de O. I. Compagnie. Anihein, 1772 en Tjassens, Zee-Poliiie. 
Amst.y 1652, bl. 219. Vgl. J. K. J. de Jonge. De opkoMst van het Neder- 
landsch gezag in Oost-Indiëy IVe deel, bl. XLIV. 



Digitized by 



Google 



444 

schepen geen verder //empeschemenV^ zou mogeu worden aan- 
gedaan, //off ten ware [deselve in eenige plaetsen, alwaer de 
Compagnie haren handel met exclusie van alle andere natiën 
privative heeft, om te negotieren quamen te havenen.'' 

Dat de voor Salida aangetroffen schepen werkelijk iets der- 
gelijks in den zin hadden, scheen op grond van de ontvangen 
berichten niet twijfelachtig, en tot langdurige beraadslagingen 
behoefde het geval dan ook geen aanleiding te geven toen de 
leden der Hooge Begeering op Zaterdag den 27 Maart bijeen- 
kwamen om over de te nemen maatregelen te besogneeren. 
Uit nadere inlichtingen toch van den overbrenger van het on- 
welkome bericht bleek, dat de opvarenden van de bewuste 
schepen zich niet alleen verstout hadden om //te gaan havenen 
en handelen ter plaetsen alwaer de Compagnie naer vele ende 
groote aengewende moeijten ende costen, den handel, met 
exlusie van alle andere natiën eenich ende alleen is competc- 
rende'\ — maar dat zij bovendien //op deselve cust aldaer reeds 
eenige faictelijckheijt hadden geusurpeert mettet berooven der 
inwoonderen, die de Compagnie onder hare bescherminge bij 
contraote genomen, ende van' alle overlast te protegeren haer 
verobligeert heeft." Er kon dus met het oog op //den expres- 
sen last ende ordre van meergemelte onze Heeren Principalen'* 
geen sprake zijn van dralen. //Prompt en punctuelijck" be- 
hoorden hunne bevelen te worden //ter executie gesteld", en de 
slotsom van 's Qouvemeurs praeadvies kon wel geen andere wezen 
dan dat men de bedoelde indringers //met schepen ende volck'* 
van Salida behoorde te doen vertrekken, en naar Batavia te 
brengen, ten einde te //inquireren met wat authoriteijt ende 
commissie" zij zich //onderwonden" hadden om 's Compagnies 
rechten en privilegiën derwijze te miskennen. 

//Waerop naer rijp overlegh van saeckeu eenstemmigh goet 
gevonden ende gearresteert is, dat men om reden verhaelt 
terstont derwaerts aequipeeren, ende soo haest gereet vallen 
connen , ailsenden sal de jachten Jonge Prins , Popjensburgh , 
Lillo ende den Kievith , ende op deselve jachten 



Digitized by 



Google 



445 

committeren sal den sargiant maijoor van de militie alhier 
Willem van der Beecq, mitsgaders den oppercoopman Hendricq 
Graijer , met ordre ende bevel , dat sij lieden bij meergenoemde 
schepen comende, d'overicheijt derselver in der minne aendie- 
nen ende bekent maecken sullen, dat s'henlieden met schepen 
ende volcq vooreerst herwaerts naer Batavia sullen hebben te 
transporteren, ende d'oirsaeck, met de gelegentheijt haerder 
ongewone paresce in deze Orientaelsche gewesten , aen d'hooge 
overicheijt alhier te vertoonen ; om alsdan naer eijsch van wp- 
dersijts competerende recht daerover gedisponeert te worden. 
Efide daertoe ift goedigheijt niet willende verstaeUy dat alsdan 
de maght ende de middden hij Godt almacktigh de Cowj^nie 
verleent^ te werh stellen^ ende ahoo hoer lieden^ ^^^j *^ ^ 
minne , ofte onmifine^ hier in Batavia brengen mtllen. Ende naer* 
dien verhaelt wort , dat d'overicheijt van beijde voorengenoemde 
Genuasche schepen voornemens waren met hunne op de onst 
te becomen peperladinge naar Maccauw te willen, als wanneer 
de Straet Sunda doorcomen ende passeren sullen moeten, wert 
mede als voren gearresteert , dat, oft onse vooraengereerde 
lachten haer op de Westcnst mochten comen te missen ende 
sijlieden akoo deselve t'eschapperen , men in geseijde Straet 
Sunda met gelijcken last ende bevel onder 't commando van 
den oppercoopman Eijckloff van Goens op de wacht liggen, 
ende de wedercompste van voorsz. jachten , off 't passeren van 
de vooraengeroerde schepen sal doen inwachten, de fluijtschepen 
den Swarten Beer , ende den Os , mitsgaders de jachten Hulst 
ende Alcmaer, om bij rescontre van meergenoemde schepen 
daarmede te handelen, soo ende als hiervooren verhaelt aen 
de jachten naer de Westcnst gelast ende bevolen worden sal." 
Geen ijdele bangmakerij , maar krachtig handelen was dus 
het progranmia van den Gouverneur-Generaal van der Lijnen 
van de raadsleden Fr. Garon, Carel Beniersz en Gerard Demmer, 
die op dat oogenblik in het college van den Raad van Indië 
zitting hadden. Van de ter reede van Batavia liggende vloot, 
op 1 Januari te voren uit 11 volle schepen, 13 jachten en 



Digitized by 



Google 



446 



8 fluitschepeii bestaande (^), werden niet minder dan 8 vaar- 
tuigen afgezonderd om de twee Genueesche bodems machtig te 
worden, en men mocht dus als vrij zeker aannemen, dat de 
indringers den machtigen arm der Compagnie niet licht ont- 
snappen zouden , tenzij het blijken mocht , dat zij haar t-e 
vlug af geweest en Straat Suuda misschien reeds doorge- 
stevend waren om de voorgenomen reis naar Macao te ver- 
volgen. 

Een maand later was alle onzekerheid hieromtrent echter 
•geweken. Op den 26 April verscheen Rijckloff van Groens 
weder ter reede van Batavia, doch met twee schepen meer 
dan waarmede hij vertrokken was, want na een week of drie 
in Straat Sunda te zijn blijven kruisen, liepen hem eindelijk 
de schepen , waarop hij jacht moest maken , als van zelf in 
den mond. Het bleek nu, hoe volkomen juist de door de 
IToeren Meesters gegeven wenken geweest waren. De San 
Bernardo en de San Juan Baptista, die zich zonder eenigen 
tegenweer aan van Goens overgaven (^), stonden wel is waar on- 



(') Zie de «Lijste van de Nederlantse Navale Macht op Januarij 1649 in 
Indië", op bl. 800 van het eerste deel van de Jonqe 'j Geschiedenis van het 
h'ederlandsche Zeewezen. 

(') Ifl de geraadpleegde schrifturen komt omtrent de ontmoeting van van 
Goens met de twee Genueesche schepen geene enkele bijzonderheid voor, doch 
volgens het reisverhaal van Jan Janszoon Struijs, die op 17 jarigen leeftijd zijn 
vader ontliep en als zeilmaker dienst nam aan boord van de St. Joan Baptista, 
werd door de officieren van beide bodems na gehouden scheepsraad besloten, «dewijl 
meu onvermogens was , sich tegen soo veel schepen te ven^'eere", — (volgens Struijs 
zonden de Genueezen in Straat Sunda 14 (!) schepen van «de Oost-Indische Ne- 
derlandschc Maatschappij*' ontmoet hebben, en zou bovendien nog een schip, de 
Banda, ter versterking der Nederlandsche vloot zijn komen opdagen) "sich heel 
schips en hoofts op te geven, en aan de Heeren Meester bevelen te laten, hoc 
en op wat wijze deze saak te verstaan; wat den gemeenen man niet seer tegen 
was, zijnde omler haïir, wegens het oproer onder Madagascar (waarover straks 
nader), noch geen goeden grondt, maar wel oen ouden wrok gebleven; waardoor 
sij malkander dagelijks met scheldwoorden, en batige beschuldigingen bejegenden , 
geduureude welke onlu:jteu sij uialkauders geselschap ook soo wars wierden, dat 
sij slechts, hoc eer hoe liever, sochten te bcheijden : waartoe sich een bequame ge- 
legentheijt op deed ; en de HoUandsche vloot kreeg aldus deze goede vangst sonder 



Digitized by 



Google 



447 

der rechtstreeksch bevel van twee Nederlandsche //schippers" (^), 
maar zij waren uitgereed voor rekening van eeue //nieuw 
geformeerde compagnie van eenige particulieren uijt de repu- 
blijcqe van Genua (*), omme in deze Orientaelsche gewesten 
mede te navigeren, haren handel te drijven, ofte te negotie- 
ren", en als vertegenwoordigers dier Compagnie bevonden zich 
aan boord vier //edelluijden" van Genua, Paulus Aemilius de 
Inuren, Johaunes Baptista Fliscus, Stephanus Contevonus (of 
Cenonomis) en Petrus Maria de Marchis, aan wie het werk 
der //negotie" en de handhaving van de //ordre eude commis- 
sie" der Genueesche compagnie meer bepaald was opgedragen. 
Men had hier dus met ernstige mededingers te doen, wier 
verschijning in deze gewesten eene voor de Compagnie zeer 
bedenkelijke zaak mocht heeten, en hoe men ten hunnen op- 
zichte had te werk te gaan kon dan ook niet twijfelachtig 
wezen. //De respectieve opperhoofden" van de twee opgebrachte 



slagh of stoot in handen, waarmede wij den 12 Juli na Batavia streken/* J. J. Struijs, 
Drie aanmerkelijke en zeer rampfpoedige Reijzen door Jialien, Griekenlandt, 
Lijjland, Moscauien, Tartarijen, Meden, Persten, Oost- Indien, Japan en ver- 
scheijden andere gewesten; Amsterdam, 1686; bl. 25. Met de datums is Struijs 
blijkbaar in de war; hij laat db twee Genueesche schepen onder dagteekening van 
12 Juni 1649 voor Salida aankomen en van daar op den 2 Jnli naar Straat 
Sunda onder zeil gaan, terwijl uit de officicele gegevens blijkt, dat men in het 
laatst van de maand Maart te Batavia reeds bericht had van hunne verschijning 
op Sumatra's AVestkust. Ook met betrekking tot de sterkte der in Straat Sunda 
gestationeerde HoUandsehe vloot schijnt zijn geheugen den schrijver parten te 
hebben gespeeld; tenzij men ter zake met een eenvoudige schrijf of drukfout t€ 
doen heeft. 

(') 'Daar wierden tot Amsterdam twee schepen toegerust om na Genua te 
zeijlen. Het eene was gcnaamt St. Jan J3aptist, waarop schipper wierd Hendrik 
CJhristiaansz van Amsterdam. Het andere St. Bernardus, z\jnde daarop Yice- 
Commandcur Jan Bcnning van Weesp, en schipper Harmen Voogd van Schiedam. 
Over deze beijde was Commandeur Jan Maas van Duijnkerken. Den eersten 
voerde E8 en den anderen 26 stukken." Struijs, 1. c. bl. 2. 

(') Volgens Stbuus , 1. c. bl. 3 waren de beide schepen *voor den Groot- 
Hertog van Genua selve gekoft", en liet die Groot-Hertog ze ^nu voor drie 
jaren voorzien met levensmiddelen, buschpoeder en allerlei krijgsvoorraad.*^ 



Digitized by 



Google 



448 

vaartuigen kregen dadelijk in last om reeds den volgenden 
dag, Dinsdag 27 April » ter zifting van den Baad van Indië 
te verschijnen , en nadat aldaar ^derselyer gedemonstreerde or- 
dre ende commissie"' was geresumeert en geexamineert , werd 
op voordracht van den Edelen Heer Gouverneur Generaal 
«reenstemmigh goet gevonden ende gearresteert , dat men ach- 
tervolgens den last ende bevel , bij d' Heeren onze principalen 
op dit stuck herwaerts overgegeven , terstont van meergenoem- 
de schepen nemen ende ligten sal, alle sodanige scheeps- 
ofiScieren, matrosen ende andere, die bevonden sullen werden 
ingeborene, subjecten ofte inhabitanten vau de Yereenighde 
Froviütien te sijn, oock alsulcke die voor datum de Neder- 
landsche Oost Indische Compagnie in deze landen gedient sou- 
den mogen hebben; ende om sulcx met goede ordre te 
verrighten» men terstont na de reede aen geroerde schepen 
uijt den Sade van Justitie committeren ende senden sal, den 
fleer Fiscael Joan Cunaeus met de bijgevoechde rechtspersoo- 
nen Dirck Steur, Jan Bartelsz ende Dirck Wallis, neffens 
derselver secretaris Vincent van Moocq, doende alsdan jegens 
de gelichte ende afgenomen personen naer den teneur ende 
inhoude van welgemelte hare flo: Mo: placaten ende de 
poenaliteijten in deselve ge^tatueert , naer behoren procederen , 
sonder dat men eenigh voirder empeschement ofte verhin- 
deringe voorsz. schepen aendoen, maer haer bij hun selven 
geworden, ende werwaerts buijten 't district van onse negotie 
met deselve tenderen willen, toestaen ende vergunnen sal". 

Rechtens bleef het den Genueeschen handelaren dus onverlet 
om den steven weder naar elders te wenden, maar feitelijk 
was hun toestand niet veel benijdenswaardiger dan die van Ie 
Maire na de in beslagneming van zijn schip de Eendracht tij- 



"Op ieder, ze<j;t Struijs verder, werden bondert DiiijUchen (Hollanders) aange- 
nomeu", terwijl het ander volk bestond nit Italianen , "en daaronder eenige ban- 
diton", van welke laatsteo men zicb echter ontdeed door se te Malaga -te lande'* 
te xetten 



Digitized by 



Google 



449 

dena het bewind van den Gouverneur-Generaal CoeU' Indach- 
tig waarschijnlijk aan de moeilijkheden, die uit dit geval voor 
de Compagnie waren voortgevloeid, en aan de 650,000 livres 
die zij in der tijd had moeten uitbetalen aan de Compagnie 
de St. M!alo wegens de verbeurdverklaring van een der haar 
toebehoorende bodems, die omstreeks het eind van 1617, na 
een zwerftocht door de Indische zee langs Malakka en de 
Oostkust van Sumatra, ter reede van Bantam verschenen wa- 
ren (^), hadden Heeren Meesters in hun brief van 5 October 
1647 uitdrukkelijk gelast, dat aan de verwacht wordende Ge- 
nueesche schepen geene andere belemmeringen in den weg 
mochten worden gelegd, dan die het noodwendig gevolg zou- 
den zijn van de bestaande bepalingen omtrent het lichten 
van Nederlandsche schepelingen op vreemde bodems varende. 
Maar meer dan de eenvoudige toepassing van het op deze ma- 
terie betrekking hebbende plakkaat was trouwens niet noodig 
om de geheele onderneming te doen mislukken en de gevreesde 
mededingers in de Indische negotie onschadelijk te maken! 
Beroofd van het meest ervaren deel hunner bemanning, in de 
onmogelijkheid om andere schepelingen aan te monsteren , wa- 
ren de gemachtigden der G^nueesche Compagnie wel genood- 
zaakt zich met gebonden handen over te geven aan deHooge 
Begeering te Batavia, doch alvorens het verhaal van hun we- 
dervaren te dezer plaatse te vervolgen, moet een oogenblik 
worden stil gestaan bij hetgeen aan boord van de San IBernardo 
en de San Juan Baptista was voorgevallen, vóór zij door 
Bijckloff van Goens herwaarts werden opgebracht (*). 



C) De Jonge, Opkomst, enz. IV. p. XLIII. 

C) Volgens Struijs verlieten de beide schepen op tweeden Kerstdag 1647 de 
reede van Texel, en kwamen zij, na veel met tegenwind gekampt te hebben, 
den 25 Febmari 1648 te Genua, waar de lading gelost en de opvarenden afge- 
monsterd werden. Met Strays verbonden de meeste hunner zieh echter weder 
voor eene nieuwe reis, die drie jaren duren zou, doch waarvan het eigenlQke 
doel aan ^al het gemeene volk** onbekend bleef. Na nu den 12 April van Genua 
weder vertrokken te zijn, en zich te Malaga eenige dagen te hebben opgéhou- 



Digitized by 



Google 



450 

Men heeft in vollen ernst beweerd , dat de goddeloosheid eu 
de ongerechtigheden van de hedendaagsche maatschappij nauw 
verband houden met den weinigen eerbied , die de //sancten en 
sanctinnen'' der kerk tegenwoordig genieten, en ion bewijze 
dezer stelling is gewezen op het feit dat, terwijl geen enkele 
heilige naam werd aangetroffen onder de 371 vaartuigen, waaruit 
in 1846 ^e gezamenlijke Pransche zeemacht was samengesteld, 
het meerendeel der schepen, die ten jare 1571 in de Golf 
van Lepanto bijeen waren ter bestrijding van de Turken, de 
namen droeg van heilige personen of heilige zaken (*). Ook 
de Geuueesche Compagnie meende tot heil en troost der in 
dienst genomen schepelingen hare onderneming onder Hooger 
bescherming te moeten stellen, onder het bijzondere patronaat van 
den heiligen Bernard en van den heiligen Johannes den Dooper, 
wiens asch gelijk men weet in Genua 's kathedraal, den dom 
van St. Lourens, heet bewaard te worden; maar het inroepen 
van dier heiligen zegen belette niet , dat aan boord der schepen 
dingen gebeurden, die van den godsdienstijver der opvarenden 
geen hoogen dunk geven , en onwillekeurig den indruk maken 
dat de zich aan boord bevindende Gcnueezen er op uit waren 
om den naam te verdienen van ^/mannen zonder trouw"', waar- 



den, liepen de schepen den 29 Mei de straat Tan Gibraltar uit, ankerden ach> 
tereenTolgens voor korter of langer tijd bij de voornaamste der Kaap Verdische 
eilanden, en kwamen den 2 Augostos ter reede van Sierra Leone, waar zij tot 
den 16 dier maand bleven liggen, tot groot verdriet van de inboorlingen, die 
ten gevolge van een geschil tusschen hnnnen Koning en den Commandeur der 
schepen hunne negerij zagen plunderen en verbranden. Van Sierra Leone schijnt 
men in eens te zijn doorgezeild naar Madagascar, alwaar men den 13 Oeto- 
ber ' in de baai van Anton Gil (aan de noordoost kust van het eiland , op de 
kaart van Stieler aangeduid met deu naam van Ant&o Gon9alve8) het auker liet 
vallen. Eerst den 16 Maart 1649 zou men, altijd volgens Struijs, weder van 
hier zijn vertrokken, om ongeveer drie maanden later, en wel den 12 Juni in 
de baai van Sillebar, op Sumatra's Westkust, aan te landen; maar dat deze da- 
tums onmogelijk juist kunnen zijn werd boven rceils aangeteekend. 

(*) Le ver rongeur difs sociétés modenies ou U Paganisme dans Védueaiion. 
par Vabbé Gaume. Ed. de Bruxelles, 1831, p. \\l. 



Digitized by 



Google 



451 

voor de bewoners van Genua dikwerf pkchten gescholden te 
worden (*). 

Tot de aangemonsterde manschappen behoorden ook twee 
kapelanen , pater fraij Davidt , van de order van St. Tranciscus , 
en pater Joan Baptista Macine, aan wie //onder handtasting" 
beloofd was //voor haer gagien ende maentgelden" de som van 
honderd Spaansche realen , //mitsgaders in de cajuijt gedurende 
de reijse nevens andere cajurjtsgasten getracteert te werden." 
Maar alras moesten die geestelijke heeren ondervinden dat men 
in de kajuit weinig gesteld was op hun gezelschap. Van het 
begin der reis af werd hun de toegang tot de kajuit ontzegd; 
terwijl de overeengekomen maandgelden hun geregeld onthou- 
den werden, eene omstandigheid die aanleiding gaf, dat zij zich 
kort na hunne komst te Batavia //in alle eerbiedigheijt" bij 
requeste wendden tot den Edelen heer Cornelis van der Lijn, 
Gouverneur-Generaal van Indie, met het ootmoedig verzoek 
om den //Commandeur" der schepen //te ordonneeren ende 
gelasten haer te goed hebbende gagien te betalen ende vol- 
doen, ende bovendien eenige penningen, ter discretie van 
Zijn Edele, voor dat de cajuijt tegen 't bevel ende belofte 
van hare meesters soo langen tijd hebben moeten missen ende 
outbeeren, ende verders hare in desen de behulpsame handt 
te bieden"; — op welk verzoek hun, ingevolge raadsbesluit 
van 19 Juni //voor apostil gedient" werd, //dat sij lieden hen 
t' addresseren sullen hebben aen den Raedt van Justitie alhier, 
omme voor denselven 't intenteren sodanige actie als sijlieden 
tegens haer gebiedendt opperhooft gerechtelijcken sustineren te 
hebben." 



C) "De Geaueeden siju seer hoogmoedig ea on;ïtaiidvadtig , gausch niet bemind 
van de andere volkeren van Italien, die gemeenlijk seggen: Gente senza fede. 
Mare seuza pesce, Monte senza legno, Donne senza vergogna; datis: Menschen 
sonder troaw, Zee sonder viscH, Bergen souder hout, en Vrouwen sondcr 
schaamt.'' Zeer gedenkicanrdige en naauwkeurige Beit'beschrijmnge door Vrank- 
rfjk, Spanyie, lialien , eaz. Leiden, 1700; bl. 204. 



Digitized by 



Google 



4&it 

Liet men zich das aan boord van de San Joan Baptbtaen 
de San Bernardo weinig gelegen liggen aan het voorschrift 
der kerk om den dienaar zijn rechtmatig loon niet te onthou- 
den, ook de les van Paulas om als broeders met elkander om 
te gaan vond weinig behartiging. Twist en tweedracht schij- 
nen van den aanvang af onder de oificieren van beide schepen 
geheerscht te hebben ('); doch de tropische zou deed de reeds 
verhitte gemoederen tot ware dolzinnigheid overslaan. Aan- 
leiding hiertoe gaf het overlijden van den opperkoopman en 
directeur der negotiën op de San Bernardo, Sr. JanBenninck, 
tijdens de beide schepen nog in de baai van Anton Gil op 
Madagascar geankerd lagen. Als tweede in rang had hij naast 
zich gehad den schipper Harmen Vooght, doch wijl men irde 
directie van 't schip en de ingelade goederen"" niet aan de- 
zen durfde toevertrouwen wegens //sijn quaet comportement"' , 
]^wam men in eene vergadering van officieren aan boord van de 
San Joan Baptista overeen om schipper Harmen Yooght van zijn 
ambt te ontzetten , en hem naar boord van het andere vaartuig, 
dat onder het bevel stond van .den Directeur Johan Maes , te 
doen overkomen, terwijl Hendrick Christiaensz inmiddels als be- 
velvoerder van de San Bernardo zou optreden. Maar het volk 
van de San Bernardo was met deze beschikking niet gediend. 
Onbewimpeld verklaarde het //geen ander schipper te willen 
hebben ofte lijden", en Vooght zelf ook weinig roeping ge- 
voelende om zich door geweld te laten dwingen tot het ver- 
laten van een post , die hem lief was , besloot hij in overleg 
met zijne officieren /^om bij provisie het geschut uijt het 
ruijm te halen, te weten acht stucken; edoch niet om Maes 



(^) Zoo ontstond reeds ter reede Tan Sierra Leone oneenigheid tuaschen den 
Gommandeor der expeditie Jan Maes en den schipper van de St: Joan Baptist, 
Hendrik Christiaensz, over de Traag, of de „Koning" Tan die streek, wegens z^jne 
„onheleeflheyt", niet behoorde te worden gehangen. „Met Tcel redenen" werd 
zulks door Christiaensz afgeraden; maar ,,niettemin belaste den Commandeur, dat 
men hem flucx buiten boort sou smijten, dat ook aanstondts door 4 mannen, de 
kokspoort u:yt, gedaan wierd". Gelukkig kon de Koning „uijtermaten weiswem- 
men, iuToegen dat hij in korten tijd te lande raakte/* Stbuijs, 1. c. hl. 10. 



Digitized by 



Google 



453 

ie offenderen, maer alleenlijcken tot defensie, om off ban scliip 
vijandelijcker wijse mochte aengerandt ofte aengetast werden, 
dat het daerdoor mochte werden beschermt.'' 

Tot dadelijkheden tusschen de twee Geuueescbe bodems kwam 
het echter niet, niettegenstaande zij beiden een oogenblik de 
i/bloetvlagge"' in top hadden, zooals blijken kan uitdecurieu- 
se remonstrantie, die Herman Yooght bij zijne komst te Ba- 
tavia indiende aan ^den Gouvernenr Gbneralissimo van India 
Orientae'", en die in haar geheel als bijlaag aan dit opstel 
wordt toegevoegd. Door zoete redenen misleid begaf Vooght 
zich ten slotte geheel vrijwillig aan boord van de San Joan 
Baptista , en indien maar de helft waar is van hetgeen hij van 
zijn onthaal aldaar verhaalt, dan voorwaar mocht hij niet ten 
onrechte schande roepen over de //vuijle daet'\ waarvan hij 
het slachtofièr werd. Nadat hij ten spot van de bemanning 
van de San Joan Baptista in de boeien was gezet, werd eer- 
lang raad gehouden over zijn //noijt misdreven misdaedt'\ en 
werd hij //ongehoord ende velo levato gedeporteert van sijnen 
dienst" en //ontschippert", eu dit, //wat te noteren staet", 
door rechters, //die soo vol ende sat gedroncken waren, dat 
een van deselvige uijt den Raedt tradt , ende gingh s wemmen , 
doch weder geroepen sijnde, quam geheelijcken naect noch in den 
Baedt loopen'\ eene gebeurtenis //daer d' anderen, die mede in 
den Baedt waren, alleenlijck om lachten , dewijl de kraght van 
de wijn haer van gelijcken niet weijnich en hadt bevangen". 

Zoo werd derhalve ook de les van den apostel om niet in 
brasserijen en dronkenschappen te wandelen door de officieren 
van de Heftige Bemard en de Heilige Johannes de Dooper 
op treurige wijze in den wind geslagen, tot niet geringe er- 
gernis voorzeker van de geestelijke heeren, die voor het zie- 
lenheil der opvarenden hadden te waken. En ware het hierbij 
slechts gebleven, doch van nog ergerlijker tooneelen moesten 
de beide paters getuigen zijn , 700 dikwerf den schepelingen de 
kans geboden werd om zich aan de overtreding van Mozes negen- 
de gebod te bezondigen. Wellicht zal een vergoelijkend ne fioê 



Digitized by 



Google 



454 

i/iducas in t^niatUmem den paters op de lippen zijn gekomen bij 
hetgeen op Mudagascars strand gebeurde, toen Koning Diëmbro 
//tot een teijken van vrientschap ons rolck sijne wijven aan- 
bood, waer van de onzen niet vies af vielen, te meer omdat 
bet fraije en wel besne^lene swartinnetjes waren'' (*): maar 
wat moeten ook zij gele^len hebben, toen bij het bnitmaken 
van een Atjehsche jonk onder Sumatra's Westkust de geheele 
bemanning over boord werd gejaagd /'uijtgenomen een vrouw, 
die de Italianen leelik mishandelden en schoffierdeu, en die 
eijndelijk, na veel talmens aen lande komende, aldaar noch 
van haar man gekrist wierd, tot sij het bestierf!" 

En deze eene roofpartij was den Genueezen niet geno^. Xaar 
ludie gestevend om hunne schepen met de kostbare voortbreng- 
selen van Indie's bodem te vullen, schijnen zij als echte vrij- 
buiters de verzoeking niet te hebben kunnen wedcrstaan om 
zich krachtens het recht van den sterkste meester te maken 
van alle inlandsche vaartuigen, die zij op hunnen tocht langs 
Sumatra's Westkust tegenkwamen. Immers volgens de getui- 



(*) Stbuijs, l. c. bl. 14. Koning Üiembro bleek een oude kennis te zijn 
Tan den Commandeur Jan Maas. Nauwelijks toch waren de schepen in de baai 
van Anton Gil voor anker gekomen of de Koning «begon te Tragen , wat schip 
en Tolk wij waren: want hij kon aan de Tlagge wel sien, dat wij niet uijt Hol- 
land quamen. Den Commandeur antwoorder wij zijn Hollanders, maar met deze 
twee schepen in dienst des Groot- Hertogs Tan Genua. Na eenige Teidere redenen 
Troeg den Commandeur aan den Koning, waar hij soo goet Nederduijtsch geleert 
had, waarop hij berichte: lek heb in Oost Indien gcTaren, en aldaar bij seke- 
ren stuurman Jan Maas genaamt, slaaf geweest; onderwegen op de reijse na 
Hollandt, wierden wij van een geweldige Orcaan oTcrrallen. en raakte ons schip 
heel masteloos hier aan te driJTen; 't welk weder gecale&tert ea klaar gemaakt 
zijnde, ben ik te lande ingeTlucht, soo als het schip onder zeijl ging. Wel, 
seijde den Commandeur, Heer Koning is uw naam dan Diembro? Waarop hij 
antwoorde: Hoe kendt gij myn? Wel, seijde den Commandeur, kent g\j Jan 
Maas niet ? Ben Koning op dit woordt eerst seer Treemdt en schichtich opsiende, 
Tiel Toort den Commandeur om den hals en kuste hem. En aldus een weynig 
opgctoogcn gestaan hebbende : Wel aan , seijde hij , gij hebt mij een goet Meester 
geweest, alles is Toor u ten besten, haalt Yleesch, en Vruchten, soo Teel gij 
wilt, sonder iets te betalen.*' 



Digitized by 



Google 



455 

genis van Struijs werden op de reis van Salida naar Indrapoera 
nog /'twee Atchiuse jonken, geladen met peper, sandel, cam- 
pher , énz. wegge7ionie7i\ en het lag niet aan de officieren van 
de twee Genueesche schepen , dat zij hiermede volstaan moesten , 
want //onse meeninge was te Indrapoera noch eenige jonken te 
vinden , maar wij werden daarin bedrogen , zijnde deselve te 
vooren vertrokken/' (*) 

Het was dus niet ten onrechte, dat ter Raadsvergadering 
van 27 Maart 164?9 gewaagd werd van de feitelijkheden, die 
de Genucezen hadden //geusurpeert , mettet berooven der in- 
woonderen, die de Compagnie onder hare bescherminge geno- 
men had.'' Maar het blijkt niet dat zij te dezer zake tot 
opzettelijke verantwoording zijn geroepen. Integendeel; in het 
voUe besef van hare overmacht en van de volslagen machte- 
loosheid van de Genueesche indringers schijnt de Indische 
Regeering de zich aan boord der opgebrachte schepen bevinden- 
de officieren en de hen vergezellende Italiaansche edellieden 
van den aanvang af met eene zekere onderscheiding behandeld 
te hebben. Allen, die niet in de termen vielen om overeen- 
komstig den //teneur" van het plakkaat van Heeren Hoog 
Mogenden van de schepen te worden gelicht, bleven verder 
ongemoeid , en alleen de Hollanders werden naar den wal ge- 
zonden, met last aan de officieren om aldaar voorloopig te 
//verblijven", terwijl de mindere manschappen slechts gedurende 
een veertiental dagen aan een strengere bewaking in een der 
Bataviasche wachtposten onderworpen werden. Intusschen bleef 
het zoowel aan de meerderen als aan de minderen verborgen 
wat men eigenlijk met hen voor had, en dit gaf den Neder- 
landschen scheepsofficieren aanleiding om zich reeds weinige 
dagen na hunne ontscheping bij request te wenden tot de 
Hooge Regeering met met verzoek, zoo voor zich als voor 't 
gemeene scheepsvolk , om bijaldien //supplianten hare aengeno- 



(•) Struijs, l. c. bl. 25. 



Digitized by 



Google 



456 

men voyage niet en vermogen te voleijnden, alsdan in dienst 
der Edele Compagnie met soodanige qualiteijten ende gagie, 
als deselve tegeuwoordigh sijn winnende, te mogen worden 
gebraijckt en aengenomen , mits alvoren van haren gepraesteer- 
den eedt ontslagen, ende hare verdiende maentgelden ter handt 
gestelt mochte worden , om alsdan d'Edele generale Nederland- 
sche Compagnie in aller vlijt ende getrouwigheijt te dienen , 
ter tijt en wijle de patriase schepen naar 't vaderlandt, omme 
daer mede te gaen, sullen vertrekken/' 

Ook Herman Yoogt besloot zijne boven reeds aangehaalde 
remonstrantie met het verzoek, //dat hij mach werden g'em- 
ploljeert in de Comp. dienste in qualiteijt als schipper, als 
menige ja^en in die qualiteit deftige cooplieden hebbende ge- 
dient.'' De Eegeering echter maakte met het nemen vaneeu 
beschikking in dien zin geen haast. En Yooght, èn de andere 
supplianten werden, voorzoover zij zich met betrekking tot 
de Jiun te goed komende gagiën //verongelijckt ende gegra- 
veert" hielden, naar den Baad van Justitie verwezen, met 
toezegging alleen dat , wanneer zij na afloop van hun geding 
tegen hunne //Heeren ende meesters" nog iets mochten te ver- 
zoeken hebben, zij //alsdan naer gelegentheijt van saecken 
g'accommodeert ende geholpen" zouden worden. 

Daarentegen werd ter vergadering van den 3 Mei dadelijk 
eene gunstige beschikking genomen op het request van // Johan 
Maes als Directeur en Hendrik Christiaensz^ ge wez^i schipper 
naest Gode van den schepe genaemt Sainct Jan Baptist, doch 
tegenwoordigh schipper op Sainct Bemardo", waarbij op grond 
van de omstandigheid, dat zij door het wegvoeren van de 
aangenomen Nederlandsche matrozen en bootsgezellen ten eraeo- 
male beroofd waren van het volk , «rsonder welck haer voijagie 
wederonmie naer Genua te doen niet mogelijck en is" — aan 
de Hooge Begeering /yootmoedelijk" verzocht w^ «rhaer in* 
geladen goederen ende coopmanschappen alhier te mogen lossen, 
omme soo veel doenlijck is met vercoopinge van deselvigan 
hare Meesters voordeel naer behooren te doen, presenterende 



Digitized by 



Google 



457 

de peaningen, die daervan souden mogen comen te procederen, 
in handen van de E. Geoctroijeerde Comp. alhier te con- 
signeren , om deselvige wederom naer ende aen haer supplianten 
. Meesters overgezonden te mogen werden." Naar aanleiding 
van dit request namelijk gaf de Begeéring vergunning om ^reen 
huijs ofte packhuijs na hare gelentheijt hier in de stat te 
mogen huijren, en hare medegebrachte goederen daerin telos- 
sen ende op te slaen", doch onder voorbehoud om //tot het 
beneficieren derzelve" eene nadere licentie te verzoeken, waarin 
men hen echter //naer gelegentheijt'^ mede voor zoo veel noodig 
zou //accommodeeren/' Bovendien werd aan supplianten de 
toezegging gegeven, dat hun //naer eijsch van object" de be- 
hulpzame hand zou worden geboden met betrekking tot hun 
//voirder versoeck", strekkende om de hulp en de medewer- 
king te erlangen van de Begeering tegenover de aan boord ge- 
bleven schepelingen, wier //boosheijt ende woestheijt dickmael 
niet wel en is te bedwingen", evenmin als de >/dieverije der 
Chinesen ende andere vaertuijgen, die dagelijcx aen boort zijn 
comende." 

Van den kant der Indische Eegeering ontbrak het derhalve niet 
aan medewerking om in de gegeven omstandigheden alles nog 
zoo veel mogelijk ten meesten voordeele van belanghebbenden 
te schikken; maar wanbeheer in eigen boezem werd de hoofd- 
oorzaak, dat de zaken der onderneming eene hoe langer hoe 
noodlottiger wending namen. Zoo kwam o. a. ter vergadering 
van den Baad van Indië van 15 Juni in behandeling een 
request van Hendick Christiaensz , //schipper in dienst van de 
Oost-Indische Compagnie tot Genua", waarin hij zich beklaagde 
dat de conmiandeur Jan Maes geheel eigendunkelijk te werk 
ging in het van de hand zetten der goederen , die uit de beide 
schepen gelost waren, ^verkoopende de barnsteen ende eliphants 
tanden, als andere goederen meer, seer schandelijk beneden de 
waerde tot groote schade van de Heeren Beders", terwijl hij 
bovendien de geldkist geopend en het //swaergelt" tot zijn 
eigen «^particulier proffijt" had verwisJseld, zonder hem sup- 



Digitized by 



Google 



458 

pliant //daerin eens gekent te hebben/' Maar nog geen maand 
later vond een der leden van het Genueesche viermanschap 
aanleiding om aan de Ilooge Regeering een boekje open te 
doen van de gedragingen van dienzelfden Hendrick Christiaensz, 
die van zijn kant er op uit geweest was om zijn ambtgenoot 
Maes voor schurk en bedrieger uit te maken. In een ter ver- 
gadering van den 19 Juli ter tafel gebracht request van Jo- 
hannes Baptista Pliscus, gedagteek^nd //den 13 Julij inHjaer 
naer 't baren der heijlige maeght anno 1649'' heet het o. a. 
dat //Capiteijn Hendrick Christiaensz , gelijck hij noijt 't voor- 
deel van onse Compagnie betracht heeft", zulks thans //inson- 
dcrheijt seer notoir heeft doen blijcken , want nadat (hij) veele 
soo van scheepsprovisien (gelijck als daar genoech kan bewesen 
werden) als andere coopmanschappen ons ontvreemt hadde, heeft 
oock op 't selve schip" (de San Bcrnardo, waar hij als mede- 
bewaker op was aangesteld volgens beschikking van den Fiscaal) 
//niet meer willen passen, als eenelijck om dagelij ex den wijn 
op te helpen", op grond waarvan hij suppliant zich //revereu- 
telijck" uit naam //van onse E. Compagnie van Genua" tot 
den //doorluchtigeu Heer Generael ende seer voortreffelicke 
Heeren Raden van India" wendde , met verzoek om tegen //den 
voornoemden Capiteijn Hendrick Christiaensz na rechten te 
mogen procederen, opdat deselve moge reeckeninge doen van 
hetgene uijt voorseijde schip gemist wort, verseeckert sijndè 
veel van 't gene tot het schip behoort verdweencn te zijn." ( ^) 



(') In den tekst is de in het Resolutieboek opgenomen vertaling van het 
request van Joannes Baptista Fliscus gebruikt. Het oorspronkelijke stuk was, 
evenals al de overige straks nog te vermelden requesten van de » Genueesche 
edellieden", in het latijn gesteld, en luidde als volgt: 

Excelleutissime domine Indiarum orientalium generalis, 
prestantissimique consiliarii. 

Illucusque quo duae hae naves Genucnsium dominorum Bataviam per\'enerunt , 
egoque ad divi Bcmardi navem res videndi causa fui constitutus per dominum 
fiscalem, ut nihil in detrimentum contingeret, meas semper egi vires; sed dux 
Henricus Chris! ianus ejusdem, qui parvum semper habuit societatis nostrae pro- 



Digitized by 



Google 



459 

Getrouw aan de aangenomen houding om zich niet te men- 
gen in de onderlinge twisten en geschillen van 'de opvarenden 
der in hare handen gevallen schepen, bepaalde de Begeering 
er zich toe om zoowel aan Christiaensz als aan Fliscus te ken- 
nen te geven, dat zij zich beiden met hunne grieven en be- 
zwaren zouden te //adresseren hebben aen den Raedt van Jus- 
titutie alhier", ten einde //voor denselven den persoon ofte 
persoonen, daerover dolerende sijn,te beroepen."" Maar erns- 
tiger beraad eischte een onder dagteekening van 28 Juni in- 
gekomen request van de gezamenlijke //Genuese edelluijden", 
luidende volgens het in het resolutieboek geiusqreerde translaat 
A^van woort tot woort" als volgt: 

//Doorluchtigste Heer Gouverneur 
Generael ende seer voortreffelijke 
Heeren Baden van de Oostindien. 



gressus desiderium, hic in simili occasione tam manifeste patefecit (ut clare testes 

probant) quod ademptis quam pluribns supellectilibus , aliisqne mercibus, navem 

ifitam non amplins cnravit, solum vinum quotidie ezdicta exbaurire, visoque se 

nihil amplins posse capere, capta occasione sui nepoti snbnanclero (qui navem et 

nautas gubemat) jossit, ut ex ea abiret; at ego qui res videndi dictae naris mn- 

nus habeo, non soluni ob meum decus et disculpationem, sed ob meorum domi- 

nomm beneficium huic oonfusioni provideri cupiens, suplex ad dominationes ves- 

traa recunx), ut pro interim et in hac occasione nomine meae illustrissimae 

societatis Geniiae justitiam agat circa dictum ducem Henricum Christianum, 

ejujsdemque nepotcm, ut de eis omnibus rationem reddat, quae in praedicta navi 

desunt, cnm multa &d dictam navem pertineatia in fumum evanisse scio, simnl- 

que dignabitur etiam providere dictam navem pro tempore alio bomine, sicut 

ft benignitate Excellentiae vestrae praestantissimoram consiliariorum circa hoc res - 

ponsum spero, par actornitati vivat, interim dum prosperitatis finem desidero. 

Die decima tertia juüi a partu virginis 1649. 

Excellentissimi vestri pracstantissimi 
Conciüarii famulus obseqnens, 
Joannes Baptista Fliscus. 
De dispositie der Rc^eering op dit request werd mode in het Latijn »den 
suppliant overhandicht** ; zij luidde als volgt: 

«Rcmittimus supplicautem ad senatum justitiae ut coram eo personam sive 
personas, quas accusat, conveniat: utque de iis eam rationem, sive etiam poe- 
nam, aut correctionem requirat, quam adversus eas intentare ac probare possit.** 



Digitized by 



Google 



460 

//Alsoo nu de coopmanschappen der beijde schepen St. Jan 
Baptist ende St. Bernardus, de Compagnie der Edelen van 
Genua toebehoorende , ten deele heijmelijck, door den directeur 
Jan Maes vercogt zijn , ende de saecke sich dagelijcx niet an- 
ders laet aensien , alsdat gemelte Comp. meer schade als voor- 
deel staet t'erlangen, soo is 't, dat wij ondergeschrevenen 
Ëdelluijden, op gedachte schepen ons onthoudende, soo ten 
goede van gemelte Comp., als iu maiuctenue van onse Eere 
na vermogen willende voorsien: opdat bij eene ijgelijcken be- 
kent si) , dat onzeuthalven niet heeft gemancqueert van 't gene 
tot desselfis meeste nut ende voordeel hadde mogen dienen: 
Hare Ed^^. oitmoedelijck bidden: Alsoo de schepen meermael 
genoemt, noch voor verloren, noch geconfisqueert konnen ge- 
houden werden , hare Edn. deselve (indien mogelijc sijnde, ende 
buijten haer Ed". praejuditie connende geschieden) gelieven na 
behooren te provideren en voorzien: Want alsoo hare Ed. 't 
volck onder de jurisdictie van Holland resorterende , ter oor- 
saecke een speciael octroij gecontravenieert hadden, gelieft 
hebben van deselve schepen aft' te lighten : soo is 't recht ende 
billick (alsoo de Genuase schepen niet can verboden worden 
dese quartieren te bevaren (^)) dat haer Ed. deselve met ander 
volck, die van dat speciael arrest exempt sijn, ende onder 
Hollants jurisdictie niet en behooren, gelieven te voorsien, 
ofte andersints ons toe te laten deselve onder behoorlijcke 
gagie aen te nemen. Ten anderen soo versoecken gedienste- 
lijck hare Ed. ons gelieven te concederen dat Jan Maes, den 
capiteijn Hendrick Christiaensz , Harmau Yooght ende de 4 



(^) Dezelfde beschouwing komt ook voor in het boven aangehaalde request 
van Mae3 en Christiaensz, dat ter vergadering van 3 Mei behandeld werd. Men 
leest daar, •'hoe sij supplianten met hare schepen gecomen zijn in de Straet 
Sunda ter goeder trouwe, met volle commissie van hare Heeren ende Meesters, 
waerop sij supplianten haer vertrouwende waren, en gecnsints tot praejuditie van 
de Ed. geoctroijeerde Oost Indische Compagnie, maer alleenlycken om vreemde 
landen op te doen ende te ontdecken, alsoo daer tegens van wegens hare Ho: 
Mo: de Heeren Staten Generael noijt verbodt, ofte eenige interdictie is gedaen.'* 



Digitized by 



Google 



461 

staerluijden , te weteu de 3 eerste (maer insonderheijt Jan 
Maes) om reeckeninge wegens hare administratie tedoen, ende 
de resterende om de schepen te helpen overbrengen, naer Ge- 
nua mogen retourneren; voor vrelcke hare Ed. beleeftheijt ons 
ten hoogsten ten dienste van hare Ed. sullen verobligeert hou- 
den; alsoo niemant anders, uijtgesondert Jan Maes ended'an- 
dere, die de contanten, coopmanschappen eude alle de rest on- 
derhanden hebben gehadt, wegen de negotie eenige reecke- 
ninge sal weten te doen; hebbende hare Ed. haer vastelijck 
te verseeckeren 'tselve hare Ed. tot de meeste eere en repu- 
tatie te sullen strecken bij alle potentaten van de gantsche 
werelt, die haer over hare Ed. voorzightigh gedragen in soo. 
een wightige saecke, mits hare Ed. hare superioren-manda- 
ten nacomende, ende insonderheijt de Comp. harer vrienden 
van Grenua na vermogen de helpende handt biedende, op 't 
hoogste sullen verwonderen. Hare Ed. gelieve dan bij haer 
selven te overwegen, wat hare Ed. conscientien ende 't licht 
der redelijckheijt hare Ed. sal aenprijsen; Laet hare Ed. 
overdencken wat trouwe ende belofte de opperhooifden der 
4 schepen, die eerst beijde onse schepen hebben aangetroffen, 
aen Jan Maes gedaen en geswooren hebben, als wanneer 
hare Ed. sullen oordeelen, oS 't recht ende billick is, dat 
hare Ed. souden toelaten, dal de schepen bij mancquement 
van volcq alkier op de reede sullen blieven vergaen en ver- 
roUen; bidden derhalve hare Ed, 't een off 't ander middel 
(noch tijdt sijnde) gelieven voor te wenden, soo als hare 
£d. wijsheijt sal gedogen, ende dat hare Ed. ons hare reso- 
lutie wegen 't gene hare Ed. 't geraedtsaamst sullen oordeelen 
in scriptis gelieven te deelachtigen : Want bij soo verre mis- 
schien dese onse voorslagh bij hare Ed. niet conde geprobeert 
werden, sullen bare Ed. soo veel wegen aenwijzen , dat eijnde- 
lijck hare Ed. genoodtsaeckt sullen wesen 't een of 't ander 
aen te nemen [nam si via una bona non erii tot proponetitwr 
quod tandem unam acceptare debebunt); ofte bij soo verre hare 
Ed. niet connen verstaen ons versoeck in te willigen, ver- 



Digitized by 



Google 



462 

soecken hare Ed. opcntlijck gelieve te verclaren onse schepen 
alhier van ons moeten verlaten werden, 't welck wel light an- 
ders staet te geschieden {qvot facüe fiet) , "t en sij door hare 
Ed. beleeftheijt gesecundeert werden. Ondertusschen willen 
hare Ed. spoedige expeditie te gemoet sieu, in verwachtinge 
van welcke blijven hare Ed. dienstwillige dienaren, die haer 
£d. alle voorspoet nijt grondt onser harten toewenschen. 

//Batavia , in de quartieren van Oost Indien , in 't jaer 
naer 't baren der Heijlige Maeght 1649 den 29 Junij. 
Paulus Aemilius de Genua, 
Stephanus Contevonus , genuensis patritius , 
Johannes Baptista Eliscus, genuensis patritius, 
Petrus Maria de Marchis, genuensis patritius". 
Tot den 19 Juli, dus gedurende drie weken, bleef dit reque$t 
bij de leden der Hooge Regeering in behandeling; doch 
de op dien dag genomen resolutie bewijst , dat men zich door 
de deemoedige taal der Genueesche edelen niet van zijn stuk 
had laten brengen. Indachtig misschien aan den raad van Cats : 
Het is van outs niet vresmt geseijt: 
Let op een meiisch, wanneer lüj vleijt; 
Let op een mont die soetjens lacht 
Meer, als hij van te voren placht; 

kwam men eenparig tot het besluit om aan supplianten te 
verstaan te geven, dat //alle naturellen, ingesetenen ende sub- 
jecten der vrije Vereenighde Nederlanden , even als desulke 
die vroeger de Generale NederlaTidtse Oostindische Compagnie 
gedient hadden" van de hier ter reede verschenen Genueesche 
schepen gelicht waren //uijt cracht en in conformité van de 
placcaten ende ordonnantien van hare Ho: Mo: de Heeren 
Staten Generaal der Vereenighde Nederlanden, onse souverainen, 
mitsgaders den last ende bevel onser Heeren principalen de 
Bewindhebberen van geraelte Compagnie", en dat de Gouverneur 
Generaal en Raden van Indie //uijt een en dcnselfden hoofde" 
dan ook niet vermochten //ijraaut derselven, veel min de ver- 
eischte persooneu op geseijde schepen , 't sij om daermede naer 



Digitized by 



Google 



463 

Genua te retourneren , ofte hier of elders te navigeren, te laten 
verblijven*", noch te gedoogen dat die schepen zich //provideer- 
den" met ander volk //subjecten van welgemelten staet in dese 
landen sijnde". Maar //vrij ende ouverhindert" bleef het met- 
datal aan supplianten om //met deselve hare schepen en res- 
terendt volck allem^egen en daer het haer believen sal (edoch 
buijten 't eijgen district van gemelte Comp., ende daer deselve 
haren handel exclusive van alle andere natiën is hebbende) te 
navigeren, mitsgader haer van elders, oock daér, ende soo 
als te rade worden sullen (mede buijten onse jurisdictie) van 
volck ende andere provisien daertoe nodigh te versorgen." 

Als gevangen vogels wien de vrijheid geschonken wordt na 
vooraf gekortwiekt te zijn, bleven de Genueezen dus gebon- 
den aan de plaats , waar de oppermachtige Compagnie hen had 
aangehouden, want, gelijk zij. in hun nader request van den 
23 Augustus te kennen gaven , door het ontvangen apostil der 
Hooge Eegeering op hunne //supplicatie'' van den 28 Juni te 
voren , waren zij in de onmogelijkheid gebracht //om de schepen 
met 't resterende volck in behouden haven tot Genua te bren- 
gen'', en dewijl het //den schepen seer schadelijck was alsoo 
ongereddert te (blijven) leggen", waren zij alsnu te rade ge- 
worden om ze best mogelijk van de hand te zetten. Zij ver- 
zochten mitsdien dat het //den Hollanders, Portugesen, Engel- 
sen ende Chinesen sonder onderscheijt , deselve te coopen ge- 
oorlooft sou sijn, als oock het grof geschut, roers, pistoolen, 
cruijt, loot, londt ende sijdtgewcer, en andere gereetschap 
ten oorloge te copen, ende hierover op publijcque plaetsen 
te mogen doen papieren affigeren in verscheijde tale". /f Onse 
intentie", dus luidt hun request verder, //is, onsen wille al- 
tijt onder TJE. te buijgen, niet willende doen sonder XJE. 
approbatie ende consent, ten eijnde oock onze persoonen niet 
en worden verworpen, maer ten goede gehoort. En wat aen- 
gaet d' andere waren off leefftochten, te weten gesouten vlees, 
beschnijt, olie, wijn, ende andere restanten, menen niet dat 
*t noodigh is UEd te versoecken om die te vercoopen , oor- 



Digitized by 



Google 



464 

deelende dat /sulcx niet zal tot nadeel van XJEd. stiiet strec- 
ken; niettemin nochtans versoecken wij oetmoedelijcken (opdat 
wi] alle swarigheden mogen voorbij gaen) UEd. gelieven ons 
een maniere bij geschrift op te geven, hoe wij ons hebben 
te gedragen, ten eijude wij in geenen deelen door onwetent- 
heijt comen te struijckelen". 

Ootmoediger verzoek had in de gegeven omstandigheden 
moeilijk kunnen verwacht worden; maar toch kwamen reques- 
tanten er geen stap verder door. Na de zaak andermaal meer 
dan een maand in overweging te hebben gehouden gaf de 
Kegeering ingevolge raadsbesluit van den 25 September aan 
de supplianten te kennen, '/dat henliede in haren vrijen ende 
goeden wille gelaten wort met hare schepen, geschut ende 
voirdere armunitie te mogen gaen varen ende handelen, mits- 
gaders deselve alle te vercoopen ende veralieneren daer ende 
aen sulcken als het haer believen, endö sijlieden ten meesten 
voirdeele van hare Heeren ende Meesters te rade worden sullen, 
except aen de vereeuighde Nederlantse Oostindische Compag- 
nie ofte aen eenige derselver suppoosten ofte onderdanige , soo 
wel Indiaensche als Europische natiën, 't sij hier in Batavia 
ofte elders". 

Zoo bleef derhalve den Genueezen geen ander uitzicht over 
dan om hunne schepen ter reede van Batavia te zien //yer- 
gaen en verrotten.." Maar tot dit uiterste kwam het niet, 
want uit het verhandelde ter vergadering van den Baad van 
Indië van 4 Februari 1650 blijkt, dat zekere Bastiaen Boni- 
jouw, //burger ende ingeseten deser stede, van d'opperhoofden 
der bijde hier ter rheede aeugecomen Genuase schepen een dersel- 
ver, genaemt St. Bernardo, groot omtrent 170 JilSO lasten» 
met sail, trail, geschut, als voirderen ammunitie van oorloge, 
scheepsgereedschappen , victualiën als anders, gecocht endesijn 
eijgen gemaect heeft voor de somma van ses duijsent ende 
een hondert realen in specie, op hoope van daer mede naer 
d' een ende d' ander gelicentieerde plaets te varen ende goet 
voordeel voor sijn particulier te behalen". Blijkbaar was de 



Digitized by 



Google 



465 

Begeering dns teruggekomen op haar besluit van 25 Septem- 
ber 1649, waarbij het aan een iegelijk, die der Compagnie 
onderdanig moest geacht worden, verboden was om alskooper 
van de twee Genueesche bodems op te treden. Maar van de- 
ze verandering van inzichten vindt men in het hier bewaard ge- 
bleven resolutieboek van dien tijd geen melding gemaakt. Het 
laat ons volkomen onbekend met de verdere lotgevallen van 
de Genueesche edellieden. Hoe lang zij nog te Batavia ver- 
blijf hielden, of en hoe zij de terugreis naar hun vaderland 
aanvaardden, hoe de zaak door de Heeren Meesters werd op- 
genomen, en of de ontwerpers en oprichters der Compagnie 
van Genua zich lijdelijk hebben nedergelegd bij den ook uit 
een geldelijk oogpunt zoo noodlottigen afloop hunner onderne- 
ming, op al deze vragen geven de hier nog aanwezige papieren 
van de Vereenigde Nederlandsche Oost Indische Compagnie geen 
bescheid. Wellicht kunnen de in Nederland bewaarde besognes 
van de Heeren Zeventien dienaangaande eenig nader licht ver- 
schaffen; — de Indische archieven melden alleen nog , dat voor- 
noemde Bouljouw, de kooper van de St. Barnardo, zich op 
stuk van zaken onmachtig bevond //gesegde schip van dese 
rheede in zee te brengen , tenzij hij bij de Compagnie mercke- 
lijcken geassisteert werde met timmerluijden tot deselfis repara- 
tie , ende eenigh zeevarendt volck om 't zelve met kennisse in 
zee te regeren ende over te brengen." Volgens dezelfde bron 
bleek het Bouljouw ook aan het noodige kapitaal //tot de voirdere 
uijtredinge, ende procure van de vereijste ladinge te mancquee- 
ren", en dewijl //oversulcx meergesijde schip ofte jacht hem 
meer tot laste als ten voirdeele leijt", wendde hij zich >ysoo 
schriftelijck als mondelings" tot de Hooge Eegeering met het 
verzoek, dat het haar zou mogen gelieven hem //ten behoeve 
van de Generale Compagnie" de St. Barnardo weder //af te 
coopen", tegen restitutie van //sijn uijtgeleijde gelden, ende 
iets voor sijne, aireede daeraen gedane oncosten ende moeijten." 
//Alle 't welck bij Hare Edelheden in consideratie genomen, 
ende geleth sijnde op de deughdelijckheijt van 't jacht, dat 
XXIV 19 



Digitized by 



Google 



466 

het DOch nieuw ende niet over de twee jaren oudt, bij ge- 
volge de Compagnie noch veele jaren goede diensten doen can, 
dattet daer bij zeer wel van anckers ende goet toawwerck, als 
andere scheepsgereetschappen , mitsgaders Tan alderhande am* 
munitie van oorloge , ende onder deselve met vier en twintigh 
stucken nieuw ijser groff canon , oock victualiën, redelijck, vol* 
gens g^exhibeerden inventaris, versien, consequent seer goeden 
coop ingecocht is; Wort bij deselven, om reden g'allegeert, 
goet gevonden ende gearresteert , 't selve met vooraengeroerde 
toebehooren voor de Compagnie aen te nemen voor desonuna 
van 8000 courante realen van achten, sijnde 7625 gelijcke 
realen voor bovengenoemde 6100 realen in specie li een ende 
een quart courante reael ijder bij geseijden Bouljouw daer- 
▼oor betaelt, ende S75 realen voor desselüs moeijten ende on- 
costen daeraen gedaen; waer mede denselven hem volcomen 
gecontenteert houdt, ende den eijgendom van geseijde schip, 
met al 't gene daerbij, soo als hier vooren gespecificeert , be- 
vonden wort, aen de Gbnerale Compaignie cedeert ende over- 
geeft." 

Zoo was dus het eind der geschiedenis, dat de Yereenigde 
Nederlandsche Oost Indische Compagnie zonder geweld te ge- 
bruiken voor een betrekkelijk luttelen prijs in het bezit kwam 
van één der schepen, waarmede de Oost Indische Compagnie 
der Edelen van Genua gehoopt had in de Orientaalsche wate- 
ren schatten te vergaren. Waarschijnlijk zal ook het andere 
schip ten slotte wel in handen van de Indische Begeering ge- 
vallen zijn (^), doch de hier beschikbare bescheiden gewagen 
er verder niet van , en ook het verhaal van Straijs , die als 
opperzeilmaker //tot 18 gulden ter maandt" in dienst van de 
Nederlandsche Compagnie overging, en in Januari 1650 aan 
boord van de Zwarte Beer naar Siam vertrok, laat ons dien- 



(') Dit k&n ten minste worden opgemaalct uit de berichten van J. J. Merk- 
LEIN in z^ne. OH Indianische Reise, Nümherg, 1672; p. 994; ap. J. Beck- 
MANN, IdUeratur der aUeren Reiteèetckreibungen ; QöUingen* 1808; p. 269. 



Digitized by 



Google 



467 

aangaande in het onzekere. Aan zijne mededeelingen zij echter 
nog de bijzonderheid ontleend, dat de Commandeur Jan Maas 
te Batavia //kwam te sterven, en soo men uijt de teijkensen 
gesteltheijt van sijn lichaam naast vermoede, door vergiff, son- 
der dat men kon bedenken wie hem den vijg gekookt had.'^ (^) 



(^) Struijs, 1. c. bl. 26. Van de lotgevallen der beide Genneesche schepen 
wordt ook melding gemaakt in Johann yon der Behr's Diarium oder 
Tagehuch: über dasjenige to sich Zeit eiuer neun jahrigen JieUe iaglich bege- 
hen und zugetragen; Jena, 1668; bl. 125 (welke schrijver echter met de na- 
men in de war is, want hy spreekt van de Johannes Baptista en van de Ave 
Maria), doch nadere bijzonderheden deelt l^j niet mede. 



Digitized by 



Google 



BULAAQ. 



Remonstrantie ende yenoelc ran Hsr- 
man Vooght, gewesene schipper op den 
ichepe genaemt St. Barnardo, overgege- 
yen bij denselvigen aen den E^. ge- 
strengen, de Heer Comelis vanderLgn, 
Gonvemenr Generalissimo yan India 
Orientae, ende sijne bijwesende mede 
Raden. 

Niet te vergeeffs wert op hare Ho: Mo: penningen gesla- 
gen Coficordia resparvae crescunt; dat is , door eendragt werden 
cleijne dingen groot; ut discordia res maximae düabuntur^ géiijclL 
door tweedraght groote dingen comen tot niet; 
Ende dient, alsdat den remonstrant in desen, weseude schip- 
per op den schepe St. Barnardo, ende niet trachtende 
dan op denselve schepe te blijven; 
Dat nochtans bij de ofBcieren, dewelcke bij een waren verga- 
dert in het schip Sancto Qouanj Baptista, endedewelcke 
sonder oorsaecke jegens den remonstrant met een grooten 
haet ende nijdicheijt waren ingenomen, hem echter even- 
wel hebben belast om over te gaen in den schepe Sancto 
Gonanj voornoemd; 
Twelck hem remonstrant aengeseijt sijnde , en heeft daerin 
geen desobedientie getoont, maer datelijck sijn goet en 
de bagagie claer gemaeckt om ^t selvige te doen; 
Edoch sijn op hebbende volck hetselvige bemerckende sijn ver- 
wondert geweest, ende door affectie tot haren schipper, 
hebben soo datelijck de boot los gemaeckt, ende sijn 
gevaren aen het schip St. Gbnanj Baptista, verclarende 
geen ander schipper te willen hebben ofte lijden, dan 
baren ophebbenden schipper Vooght; 
Maer hare menichvuldige doleantien en hebben niet mogen 
helpen, doordien dese officieren in plaetse van met dengh- 
den het volck voor te gaen, haer meest allen in dron- 



Digitized by 



Google 



469 

kenschap hadden verloopen , ende daerdoor de menscholijcke 
redelijckheijt hadden affgeleijt. 
Des anderen daegs nu soo is Sr. Maes selver in persoon ge- 
comen aen boort van den remonstrant, hem vragende 
oflf hij wilde overgaen in den anderen schepe oft niet; 
Waerop in geeniger hande manieren en is geseijt niet te 
willen; maer alleenlijcken niet geerne sulcx te doen; ten 
anderen dat hem oock wel bekent was dat sijn remon- 
strants scheepsvolck hem niet en souden laten passeren; 
Hiervan mede hetselvige volck kennisse becomen hebbende, 
riepen gesamentlijcken geen ander schipper te willen heb-^ 
ben dan den remonstrant in desen , ende waer dat deselvige 
bleeff, daer wilden sij tot het laetste toe mede blijven, 
ende tot het uijtterste hem getrouw sijn, sonder dat sij 
eenigh ander schipper begeerden; Ende is hij Maes alsoo 
re in/ecta^ ende onverrighter saecke wederom aen sijn boort 
gevaren, sonder dat hij ietwes hadde connen becomen tot 
des remonstrants last ofte beschuldinge. 
Nu den 4: November laestleden, alsoo der bevonden werden 
verscheijden ledige vaten , soo heeft den remonstrant, om 
in andere tijdt en wijlen geen water gebreck te hebben, 
door sorghvuldigheijt siin volck aen landt gesonden om 
deselvige vaten te vullen: 
Alwaer comende, soo lagh daer met een boodt achter een 
hoecq landts het volcq van voorsz Maes, alle gewapent 
ende met geweer versien, die des remonstrants volck ge- 
waer werdende, dewelcke geen geweer om haer te defen- 
dere en hadden, hebben haer (per force) gedwongen, 
ende alsoo tegen wil ende danck gebracht aen hem Maes 
sijn boordt, roepende: Sa, gij moet met ons! Sa, gij 
moet met ons, ende soo voorts. 
Het voorsz volck dan haer siende overheert ende vermees- 
tert gaven haer selven gewillighlijcken over in haer vij- 
anden handen, ende wierden oversulcx aen het boort van 
voorsz. Maes gebraght. 



Digitized by 



Google 



470 

Waerover den remonstrant cnde sijn ander volck seer verwon- 
dert was, alsoo hij remonstrant noijt boodt ofte chaloup 
aen hem Maes en hadde geweijgert, ende sijn volck selfife 
nodich vau doen was hebbende. 

Dienvolgende resolverende wat in dese gewichtige , ende saecke 
van seer quade consequentie te doen stondt, soo is be- 
slooten bij den remonstrant ende sijn ophebbende officieren 
bij provisie het geschut uijt het ruijm te halen, te weten 
acht stucken. Edogh niet om hem Maes te offenderen, 
maer alleenlijcken tot defensie, om off des remonstrants 
schip vijandelijcker wijze mochte aengerandt ofte aenge- 

tast werden , dat het daer door mochte werden beschermt ; 

« 

Ende des anderen daegs daer achter volgende bij den remonstrant 
ende sijne officieren gesien wesende, dat den voorsz. 
Maes een ancker dede lichten, ende te boort halen, soo 
is gesamender handt goet gevonden, aen den voornoem- 
den Commandeur te schrijven; 

Gelijck bij den remonstrant in desen is gedaen, ende heeft 
voorsulcx in alle beleeftheijt ende respect met een swar- 
te sijnen brieff aen hem gesonden, in dato den 5 No- 
vembris anno löéS; 

Hem daerin schrijvende, hoe dat hij remonstrant seer verwon- 
dert was, dat hij Maes sijn chalup met volck ende al in 
sijn boort hadde genomen , Edogh wel gaerne weten wilde 
uijt wat oorsaeck sulcx was gedaen, ende dat hij heel 
quaet daghte, gelijck oock al het volck, dat hij Maes 
mocht in 't sin hebben; 

Doch dat hij wilde gedencken , dat sij één volck waren, eenen 
heer hadden , oock te samen eenen Grodt ende eenen Chris- 
tum, dat hij Maes daerover niets quaets en wilde be- 
ginnen, alsoo hij remonstrant niets quaet in den sin 
was hebbende; 

Ende niet anders begeerde te doen, als het geene hij wiste 
dat strecken mochte tot hare meesters proffijt, endehaer 
welvaart; 



Digitized by 



Google 



471 

Maer dat hij alsnn niet anders conde bemercken , dan alle be- 
driegerijen, ende valsheijt, ende dat hij Maes wilde ge- 
dencken, dat het quaet sijn eijgen meester loont; 

Ende dat door tweedragt sij malcander souden bederven, het- 
geen Grodt soude moeten geclaeght sijn; 

Dat hij daerover met een oprecht hart sijn meeninge hem 
remonstrant wilde adviseren om daerna te reguleren: 

Dat hij meende, omdat hij 8 ^ 10 man van den remonstrant 
onredelijck aen sijn boort hadde, dat hij daerdoor haer 
soude meenen tot slaven te maecken, dat hij hetselvige 
uijt sijn gedachten wilde setten; 

Doordien dat Godt soo wel door weijnige, als door veele can 
te wegen brengen. 

Edoch heeft den remonstrant geen antwoordt wederom beco- 
men; 

Maer is hij Maes comen drijven, ende te leggen recht voor 
des remonstrants bough, halende allen sijne stucken te 
boort; 

T geen siende heeft den remonstrant van gelijcken sijn ge- 
schut vaerhigh gemaeckt; 

Ende heeft hij Maes daerop van boven laten waijen de Ge- 
nuase vlagge, ende van achteren de bloetvlagge, maer 
noch niet opgetogen, ofte opgehesen, gelijck daerop den 
remonstrant van gelijcken heeft gedaen, doch sonder dat 
eenige hostiliteijt noch soo van d' eene, als van de an- 
dere sijde wierde gedaen, off is geschiet; 

Ende als dus dan liggende, soo is Maes in persoon met sijn 
bottelier, ende vier Italianen met zijn schuijt aen des 
remonstrants boort gecomen, vragende alle het scheepsvolk 
off haer noch wel indachtigh was het ^gh^ sij de Ileeren 
reeders tot Genua hadden geswooren, dewelcken daarop 
gesamentlijcken hebben geantwoordt, ja. 

Welck geschiet sijnde, soo heeft hij den remonstrant indesen 
selver gevraeght off hij alsnogh van syn schip St. Bar- 



Digitized by 



Google 



nardo wilde affgaen, doordien hij selver meende daerop in 
persoon te comen; 

Hetwelcken het scheepvolck verstaende, riepen gesamentlijcken 
ende eenparighlijcken, sij wilden haren schipper behouden 
ende bij hem leven ende sterven, ende niet verlaten. 

Waemaer den voorsz. Maes hetselvige scheepsvolck een geschrift 
heeft voorgelesen, daarbij hij kenbaer maeckte dat hij ge- 
resolveert was, tegens haer luijden te staen. O, onge- 
trouwigheijt: O, goddeloosheijt ! 

Nu eijndelijcken den remonstrant overpeijnsende watswariche- 
den hier uijt soude mogen comen te rijsen, ende te re- 
sulteren, die heeft goet gevonden, het versoeck ende 
begeeren van Maes voorsz. toe te staen; 

Seggende dat bij aldien hij Maes den remonstrant wilde beloven, 
dat sijne oiBcieren ende bootsgesellen hem souden houden 
ende erkennen, gelijck sij een schipper te houden en te 
erkennen schuldigh sijn, ende hem gehouw ende getrouw 
souden wesen in alle behoorlijcken saecken, ende in scheeps- 
^ dienst, gelijck sij schipper Hendrick geweest waren, hij 
was geresolveert in sijn schip over te comen. 

Waerop hij Maes antwoorde (was in praesentie van alle het 
volcq, mitsgaders sijn bottelier, ende vier medegenomen 
Italianen), alsdat sijn volck anders niet verplight en was, 
ende dat sij de remonstrant niet dan alle schuldige plicht 
en soude bewijzen. 

Op welcke woorden dan den remonstrant hem verlatende, ant- 
woorde, soo sal ick dan in den name Godes overgaen, al 
waart dat het volck mij wilde houden; 

Ende is hij remonstrant alsoo tegen danck van de matroosen 
ende ander scheepsvolk van het schip g^cheijden, ende 
gecomen op het schip St. Jan Baptist voornoemt. 

Gaende nu in de cajuijte daer den remonstrant meende ver- 
wellecomt te worden, 

Soo is hij in plaetse van sulcx van schipper Hendrick aldaer 
met veele onhebbelijcke ende onbetamelijcke woorden 



Digitized by 



Google 



473 

overvallen , hem noemende een dobbelden schelm , een 
verrader, een mensch die wilde veel onnosel bloets om 
den hals brengen, ende diergelijcken ; 

Bettende tegens den avondt een deel van des remonstrants volck 
in de boeijen, ende riepen de matroosen ende scheeps- 
volck opentlijcken uijt (in plaetse van alle eer te bewijsen): 
siet die schapen gaen voor in de boeijen, wij versoecken 
dogh dat den wolfF(denoterendedaermede den remonstrant) 
mede daerin mach geslooten worden. 

Gelijck snlks oock geresolveert is, ende wierdt den remonstrant 
(o vnijle daedtl) ook des avonts in de boeijen geset, daer 
hij Maes , ende schipper Hendrick hem na toe convoijeer* 
den, ende eijntlijcken hij Hendrick daer na seer spotte- 
lijck tegens het volck, 't geen boven in de hut was , om 
laghte ende spotte. 

Naer welcken tijt dan op den 8 Novembris laestleden is raet 
gehouden over des remonstrants noijt bedreven misdaedt, 
ende is hij remonstrant alsoo ongehoort ende velo Uvato 
gedeporteert van sijnen dienst, ende berooft van sijn 
schipperschap; 

Ende dat te noteren staet van rechters, die soo vol ende sat 
gedfoncken waren, dat een van deselvige uijt den raedt 
tradt, ende gingh swemmen, doch weder geroepen sijnde, 
quam geheelijcken naect noch in den raedt loopen; 

Daer d'anderen, die mede in den raedt waren, alleenlijck om 
lachten , dewijl de Jtraght van de wijn haer van geUjcken 
niet weijnich en hadt bevangen; 

Ende is den negensten daer aenvolgende den remonstrant uijt 
de isers geslooten , ende hem aengeseijdt, dat hij ontschip- 
pert was, en de van sijn schipperschap berooft ende op 
St. Jan Baptist evenwel blijven soude; 

Sonder dat hij eenighsints, ja noijt in sijn defensie, ofte in 
sijn saeck is gehoort geweest; 

Dien volgende het geheele gewijsde 't eenemael is van onwaerden; 

Want seer wel seijt den gemeenen regel in den rechten, ^i^- 



Digitized by 



Google 



474 

quid êtatueriê parte in audita altera aequum licet êtatuerU^ 
talmen iniquum e^t^ dat is, wat gbij hebt gestatueert ofte 
geoordeelt, sonder ijmandt gehoort te hebben, is onbillick 
ende onreght, ja schoon genomen het billick ende reght 
gewesen was; 
Ten anderen is notoir dat noit rechter mach vijandt sljn van 
den geaccaseerden ofte beschuldighden, gelijck daerlijcken 
blijct dat dese allen geweest sijn. 
Mits welcke redenen dan, van soo groote oneenigheijt ende 
quaet reglement van hem Maes: 

Soo versoeckt den remonstrant oitmoedelijcken 
alsdat hij sijne goederen, ende wat van hem 
noch in het schip sonde mogen sljn, alhier aen 
landt magb voeren, mitsgaders dat hij mach 
werden g' emploijeert in des E. Comp: dienste 
in qnaliteijt als schipper, als menige jaren in 
die qnaliteijt deftige coopluijden hebbende ge- 
dient, ende alsdan tegens de aenstaende ver- 
lossinge wederom na het Vaderlandt mach wer- 
den gesonden. 

{Resolutieboek van het Casteel van Batavia^ 
Maendag 17 Maij anno 1649). 



Digitized by 



Google 



VERSLAG 

OMTRENT DEN 

ZEEROOP 

over het jaar 1876. 



De berigten omtrent zeeroof in den Indischen archipel, in- 
gekomen bij het Departement der Marine gedurende het jaar 
1876, bepalen zich in hoofdzaak tot het navolgende. 

l**. In December 1875 werden door Zr. Ms. Stoomschip 
Pontianank 4 met buit beladen Tobelloreesche en Gallorareesche 
rooverspraauwen bij Tandjong Flesko in de golf van Gorontalo 
venneesterd. Deze praauwen hadden beoosten Gorontalo de 
kust onveilijg gemaakt, in sommige kampongs roof en moord 
gepleegd en eenige menschen als slaven weggevoerd. 

De roovers waren op de nadering der gewapende sloepen 
der Fontianak met achterlating van alles op de vlugt gegaan. 
De praauwen maakten uiterlijk weinig vertoon als zeeroovers- 
vaartuigen. Zij waren echter van liUa's en ander wapentuig, 
als geweren, lansen en klewangs voorzien. De sloepen, ten 
tweeden male naar den wal gezonden om de roovers zooveel 
mogelijk afbreuk te doen en nu geassisteerd door de met 
Boeginezen bemande gewapende blotto's van Gtorontalo, had- 
den toen het geluk een man, twee vrouwen en een kind van onge- 
veer drie jaar , die bij de overhaaste vlugt der roovers hadden 
weten te ontkomen, te bevrijden. 

Volgens latere berigten, ingezonden door den Besident van 



Digitized by 



Google 



476 

Menado, zijn nog bij eene vervolging van een gedeelte der 
bende door de inwoners van Kotta Boeno vier kortlings geroof- 
de vronwen bevrijd, terwijl eene Tobelloreesche vrouw met hare 
twee dochters in hunne handen vielen. i 

' Een ander gedeelte der roovers wist zich meester te malen 
van eene Boegineesche praauw, waarvan de anachoda en een 
groot gedeelte der bemanning bezig was damar te verzamelen 
in het bosch. Volgens de berigten hadden zij met die praauw 
een aanval gedaan op een Chineesch vaartuig, doch werden 
zij met verlies afgeslagen. 

Op een in de maand Januarij d. a. v. door de Pontianak in 
de bogt van Tomini gemaakten kruistogt werd van zeeroo- 
vers niets meer vernomen, ook hadden na de vermeestering 
van de vier praauwen geene rooverijen meer langs het strand 
plaats gehad. 

2®. Ten gevolge van den aanslag van zeeroovers op het 
koopvaardij schip West-Indian in November 1875, werden Z. 
M. stoomschepen Banka en Kinsbergen naar de Noord-Oostkust 
van Borneo gedirigeerd. 

Door eerstgenoemden stoomer werd niets van zeeroovers meer 
vernomen, terwijl de Admiraal van Kinsbergen te Sesajab ver- 
nam, dat de aanvallers van de West-Indian aldaar menschen 
vermoord en geroofd hadden. 

3®. In de maand Julij werd volgens een ingekomen berigl 
van den Resident van Soerabaija eene praauw Tjemplong, bela- 
den met Gouvernements-houtwaren, op de hoogte vanSidaijoe, 
digt bij het lichtschip van het Westgat, door eene zoo ge- 
naamde rooverspraauw aangevallen. De wachthebbende loods- 
boot snelde de praauw ter hulp en loste twee pistoolschoten 
op de roovers, die daarop de vlugt namen. 

De loodsboot móést wegens zijn minder getal roeijers spoedig 
de vervolging opgeven, 

4®. Volgens de verklaring van twee djoeragans, afgelegd 
voor den Whedana van Bezoekie, hebben in de maand Augustus 
twee gevallen van zeeroof plaats gehad in straat Madura. 



Digitized by 



Google 



477 

Een der praauwen heeft den aanval a%eslagen door het doen 
van eenige schoten; wegens den te groeten a&tand kon noch 
de djoeragan noch de opvarenden eenige aanwijzing geven om- 
trent de herkomst van het rooversvaartuig. 

De andere praanw is volgens verklaring van den djoeragan 
en een zijner opvarenden door een rooversvaartuig geenterd 
en beroofd ; zij hebben de bemanning herkend voor Madurezen^ 
doch wisten niet de minste aanwijzing te geven van waar de 
praanw afkomstig was. 

5*^. In December van 1876 werd te Temate het berigt 
ontvangen, dat op de eilanden Makkian en Batjan rooverijen 
gepleegd werden en menschen ab slaven weggevoerd. 

Een door Z. M. Stoomschip Fontianak gemaakte togt, on- 
middelijk na het vernemen dier berigten, had wegens het slechte 
weder, waardoor de kost (alwaar de rooverijen volgens de be- 
rigten hadden plaats gehad) niet genaderd kon worden, geen 
resultaat. 

Volgens den kommandant der Fontianak bleek echter uit te 
Novakian op de noordkust van Makkian ingewonnen berigten, dat 
de zeeroof meer in verbeelding bestond, en dat er, zooals ge- 
woonlijk, strandroof gepleegd werd door praauwen van ver- 
schillende kampongs, die bij eenige kans van reussite elkander 
aanvielen en beroofden. 

In het begin van 1876 werd door Z. M. Stoomschip Cura- 
9ao eene reis gemaakt door den Biouw en Lingga archipel , ter- 
wijl na eene te Soerabaija ondergane reparatie deze stoomer 
bestemd werd om een kruistogt te maken door het oostelijk 
gedeelte van den Indischen archipel. 

Die reizen hadden hoofdzakelijk ten doel vertoonen der vlag 
en wering van zeeroof. 

Op de reis door den Biouw en Lingga archipel werd van 
zeeroof niets bespeurd, zoodat de in die wateren plaats gehad 
hebbende kleine rooverijen wel gerangschikt kunnen worden 
onder strand- of kustroof, gepleegd door kleine vaartuigen be- 
mand met 5h6 man , die onder het voorgeven van handel te 



Digitized by 



Google 



478 

drijven, als zij hunne kans schoon zien, zich aan dieyerijen 
schuldig maken. 

Ook op den lateren togt van de Cura^ao door het oostelijk ge- 
deelte van den Indischen archipel werd van zeeroof niets bespeurd. 

Niet alleen de gevallen in de wateren van Riouw en Lingga, 
maar genoegzaam al de hier aangehaalde rooverijen, kunnen 
gerangschikt worden onder zoogenaamden strand- of kustroof , 
gepleegd door praauwen die zich het uiterlijk van rustige han- 
delspraauwen geven. Alleen het geval van strandroof vermeld 
sub 1 doet eenigzins denken aan eene geregelde rooversbende. 

Over het sub 2 aangehaalde geval, reeds in het vorig ver- 
slag vermeld, zijn blijkens de later ingekomen berigten de mee- 
ningen nog al verschillend. 

Volgens het daaromtrent uitgebragte uitvoerige rapport van 
den Assistent-Eesident van Koetei, is de aanslag op de West- 
Indian ontwijfelbaar toe te schrijven alleen aan de zoogenaamde 
Badjoa's Kobang , terwijl de stations-kommandant van de Z. en 
O. afdeeling van Borneo , na zijne reis naar de Noord-Oostkust, 
zich in hoofdzaak kon vereenigen met de beschouwingen van 
genoemden ambtenaar. 

De stations-kommandant van Celebes en onderhoorigheden, 
die met Z. M. Stoomschip Banka in het begin van 1876 ook 
naar de Noord-Oostkust gedirigeerd werd, ter opsporing van 
de zeeroovers gesignaleerd door den gezagv^oerder van de West- 
Indian, had daarentegen eene geheel andere meening omtrent 
den aanslag op dit koopvaardijschip gepleegd. Hij beschouwde 
de kustbewoners niet als zoo geheel onschuldig aan dit feit, 
alsmede aan meerdere rooverijen in vereeniging met de Ba- 
djoa's Kobang. 

Hoe dit zi], het feit bestaat, dat de nu en dan voorkomende 
rooverijen op die kust den handel benadeelen, en mogten die 
al plaats hebben door Badjoa's Kobang of andere Soloksche 
zeeroovers, met of zonder medewerking der kustbewoners, 
dit is zeker, dat de aanvallen geschieden met zulke kleine 
praauwen, dat het voor oorlogs- en gouverncments-stoomsche- 



Digitized by 



Google 



479 

pen (He toch, bij die vaartuigjes vergeleken, altijd nog eeneu 
aanmerkelijken diepgang hebben, zeer moeijelijk is die kleine 
rooverijen te beletten, en deze alleen knnnen medewerken om 
ze te voorkomen. 

Wat echter betreft het eigenlijke zeerooversbedrijf met groote 
daartoe uitgeruste vaartuigen, die vroeger een groot gedeelte 
van den Indischen archipel onveilig maakten, dit is in 1876 
even als in de laatstvoorgaande jaren niet meer uitgeoefend 
geworden. 



Digitized by 



Google 



RECTIFICATIE 



Door eene vergissing is de uoot op blz. 70 blijven staan: 
deze dient te vervallen, daar het district Ngoenoet wel de- 
gelijk bestaat. 



Digitized by VjOOQIC 



IETS OVER ENDEH 



DOOK 

S. ItOOS- 



Op het eiland Mores, ook Mangand geheeten, is aan de 
Zuidkust tusschen 121<^ en 122<> O. L. een groote baai, een 
der schoonste van het eiland. 

Die baai, ten westen begrensd door het voorgebergte van den 
Goenoeng K^ en ten oosten door de landtong waarop de 
Goenoeng Api ligt, heeft in haar midden, op een paaï En- 
gebche mijlen van den wal, een klein eilandje, Noesa Endeh 
(Foeloe Endeh) geheeten. 

Naar dat eilandje heeft ook die baai den naam van Endihr 
baai gekregen. 

Dat wat bij overlevering van dat kleine eiland wordt ver- 
haald, komt nagenoeg op het volgende neder: 

Het kan nu omstreeks sapoeloe lapjnes (tien geslachten) zijn 
geleden, dat een jongman genaamd Boroe en eene jonge dochter 
Modo geheeten, op lontar-bladeren gezeten, uit den langit op 
Noesa Endeh nederdaalden. 

Hun nederkomen veroorzaakte een breeden en diepen kuil 
in den grond, die zich langzamerhand heeft gesloten, doch 
waarvan nog een kleine indruk bestaat, en op welke als hei- 
lig beschouwde plek nu nog elk jaar in de maand Augustus, 
den vermoedelijken tijd van het wonder, wordt geo£ferd. 

Boroe en Modo waren zeer schoon en de eerste menschen 
op dat eilandje; zij verwekten 5 kinderen, waaronder 8 doch- 
ters, van welke laatste éént als jong meisje, bij gelegenheid 
dat hare moeder haar wegens ongehoorzaamheid wilde bestraffion, 



Digitized by 



Google 



482 

door eeu wolk werd opgenomen en weggevoerd; men heeft 
haar nimmer terug gezien. 

De vier overgebleven kinderen zorgden voor de uitbreiding 
dier femilie. 

Hun voedsel bestond hoofdzakelijk uit visch en zij hadden 
léroha en vischtuig {boeboeis) tot het vangen daarvan. 

Op zekeren dag roeiden 3 mannen, Borokanda, Bako Ma- 
denga en Këto Koewa met hun béroh naar de plaats, in de 
onmiddelijke nabijheid van het groote land, alwaar zij den 
vorigen dag de boeboek hadden geplaatst. 

De vangst was bijzonder gelukkig en er was zelfe te veel 
visch om alles naar huis te brengen. De béroh werd daarom 
op het drooge gehaald en weldra zaten zij zich aan een gedeelte 
dier visch te goed te doen , toen zij plotseling tot hunne ver- 
bazing een man zagen , die over hunne verschijning niet minder 
was verwonderd en nog meer over hetgeen wat hij hen daar 
zag eten, iets wat hij vóór dien nog niet had gezien. 

Met zich zelf nog in tweestrijd of hij al of niet zal vlug- 
ten, wordt hij gerust gesteld door hen die ook van hunne 
zijde zich eindelijk meer op hun gemak beginnen te gevoelen 
en hem visch aanbieden. 

c 

Die man heette Amboe Ngobee , woonde in het gebergte 
Sadraga en was de Toewan tanah van een groot gedeelte van 
het land , waaronder ook de plaats waar zij zich toen bevonden. 

De slimheid zijner nieuwe kennissen en hunne hem betoonde 
gulheid beviel hem, daarom en ook om voor zijne dochter 
zulk een knap man te krijgen, die visch kon vangen, deed 
hij hun het voorstel hun klein eilandje te verlaten en op het 
grootere land te komen wonen, waar hij hun dan een stuk 
grond wilde afstaan. 

Hij bedong daarbij echter, dat zij hem daarvoor zouden 
betalen een grooten olifantstand en eene gouden ketting. 

Het eerste voorwerp moest dienen om de bóroh er over heen 
verder den wal op te doen glijden , de ketting om het vaartuig 
te trekken. 



Digitized by 



Google 



483 

Dat voorstel werd aangenomen en korten tijd daarna had men 
reeds boomen en ander overtollig hont weggekapt en in den 
hoek der baai, ten N. O. van het hiervorengenoemd eilandje, 
eenige huizen gebouwd en betrokken. 

Die landstreek, eerst Noa Boondja geheeten, werd toen 
naar het verlaten eilandje genoemd en kreeg den naam van 
Noa Endeh (Tanah Endeh). 

Een zoon van Roroe trouwde met de dochter van Amboe 

e 

Ngobee, terwijl eene dochter van dat paar iemand tot man 
kreeg, die van uit Modjopahit, gezeten op een Ngamboe-wal- 
visch (cachelot of potvisch?), te Endeh was aangekomen. 

Ook een Chinees, die als schipbreukeling op Noa Endeh 
teregt kwam, is daar gebleven en getrouwd met een meisje 

uit dat geslacht. Zoodat Boroe, Amboe Ngobee, de Modjopa- 
hitsche walvischberijder en een Chinees (van de twee laatsten is 
men de namen vergeten), als de vier stamvaders worden be- 
schouwd van het tegenwoordige Endeneesche geslacht. 

De geschiedenis zegt niet hoe men te Noesa Endeh aan den 
oliÊintstand en de gouden ketting is gekomen, welke hebben 
gediend om het verbond te sluiten; men behoeft dan ook niet 
alles te weten; doch dat die twee voorwerpen nu nog in een 
der bergnegorijen als heilige voorwerpen worden bewaard, daarop 
willen de Endenezen zweren en dit kan navraag lijden bij Kai 
Kembé , een toewan tanah, die in regte lijn afstamt van Amboe 

e 

Ngobee. 

Het rijk of landschap Endeh bestaat thans uit eene groote 
negorij, gelegen in eene schoone vlakte, welke wordt begrensd 
ten westen door de baai van Endeh, ten oosten door de Ipi- 
baai, ten noorden door het Endeh gebergte, ten zuiden door 
den tafelberg Poei of Goenoeng Medja , de Eoondja en de 
leja; de laatste is een vulkaan, ook bekend onder den naam 
van Goenoeng Api, en ligt het meest zuidelijk op de landtong, 
welke de grensscheiding uitmaakt tusschen de zooeven ver- 
melde twee baaijen. 



Digitized by 



Google 



484 

De negorij, gelegen in de onmiddeLijke nabijheid der Endeh- 
baai, loopt evenwijdig met het strand, waarvan zij door cactus 
en andere planten is gescheiden, ssoodat men van het strand 
nit de negorij niet kan zien. 

Op verschillende afstanden verleenen voetpaden, ter breedte 
van iets meer dan een vadem, toegang tot de verschillende 
kampongs, welke paden mede aan weerskanten met cactus- 
planten zijn begroeid. 

De negorij neemt eene belangrijke raimt<e in en is verdedd 
in een 20 tal kampongs, welke door lage steenen muren van 
elkander zijn gescheiden ; het geheel geeft aan den vreemdeling 
het idee van één zeer groot en uitgestrekt dorp, omdat men 
de tot een muur op elkad.r gestapelde steenen , welke de kam- 
pongs van elkander scheiden, passeert zonder het bijna te 
merken. 

De namen dezer kampongs zijn: 

Ai wani sapoe. 

Ai wani. 

Ai wani toonda. 

Wani wona. 

Amboonga. 

Onikota. 

Potoe. 

Benteng. 

Ambogaga. 

Kampong savoe. 

Pamo. 

Manoe bara. 

Amboe toonda. 

Boerèvè. 

Amboe wona. 

Amboe dai. 

Onë witoe. 

Koeraroe. 

Kiri mando. 



Digitized by 



Google 



485 

BA6 en 
Dan. 

Eenige jaren geleden deed de posthoader eene zoogenaamde 
voUcstelling houden; er waren toen een 700 tal huizen met 
aene bevolking, gelijk toen werd opgegeven, van 9000 zielen ; 
ik zeg //geHjk toen werd opgegeven", omdat men er nu voor 
uit is gekomen , dat men toen uit wantrouwen gemeend heeft 
liever niet de waarheid te moeten zeggen. 

Naar wat ik nu van den Badja en eenige andere Hoofden 
heb vernomen, zouden er thans van 14,000 tot 15,000 zielen 
zijn en ± 1000 huizen, wat wel digt bij de waarheid kan 
zijn , want niet alleen is het opvallend hoe overal levendigheid 
en bedrijvigheid heerscht, maar men verbaast zieh ook ab men 
overal honderden kinderen om zich heen ziet. 

De Endenees maakt dan ook door de talrijkheid zijner kin- 
deren een enorm verschil met den Soembanees, en op Endeh 
zijn vele ouders die 6, 7 en meer kinderen hebben. 

Het bestuur is in handen van een Hoofd, die den titel 

draagt van Ata Ngaee Badja , bijgestaan door een Badja Bitjara 

e 

en kampong-hoofden , welke laatsten kortweg Ata Ngaee wor- 
den genoemd. 

Yerder zijn er twee Imams (priesters) en een Sjahbandar of 
Sabandar; de laatste had in vroegere jaren het toezicht over 
de handels- vaartuigen , en zorgde er voor zich door iedere 
prauw goed te doen betalen. 

De Imam, de Sabandar en alle mannelijke personen, be- 

e 

hoorende tot de familie van eenig Ata Ngaee, worden mede 

e 

Ata Ngaee genoemd. 

e 

De Badja Bitjara , de regterhand van den Ata Ngaee Badja, 
is de persoon die alles bespreekt, en alles afhandelt: dus de 
zoogenaamde uitvoerende magt. 

Yolgens aloud gebruik wordt de Ata Ngaee Badja bij over- 
lijden opgevolgd door zijn oudsten zoon, en bij gebreke van 



Digitized by 



Google 



486 

dien door zijn ondsten broeder, wat mede het geval is met 
den Eadja Bitjara, den Sabandar, den Lnam en dekampong- 

e 

hoofden, Ata Ngaee's. 

Na het overlijden van den vorigen radja, genaamd Indre- 
déwa, werd het geheele bestnur opgedragen aan den Radja 
Bitjara genaamd Mandalangi, om reden de oudste zoon van 
Indredéwa toen nog een kind was. 

Die zoon is nu een jongeling van 17 & 18 jaar oud, hij 
heeft geheel het voorkomen van den domsten koeli, wat hij 
dan ook is en wel blijven zal, zoo lang als Mandalangi leeft. 

Men stelle zich echter van het bestuur op Endeh niet veel voor. 

Het is waar dat de Endenees, die meer dan eenig ander 
volk in den Timor-archipel van de buitenwereld heeft gezien, — 
immers hij gaat naar de Solor-eilanden , naar Koepang, Rotti, 
Savoe, Soemba, Bima, Siimbawa, Piedjoe, Java en Sins^apoer — 
meer begrip heeft van verschuldigde eer en onderdanigheid aan 
zijne hoofden dan eenig ander volk in dezen archipel, en dat 
ook de hoofden veel meer ontwikkeld zijn dan die van Soemba, 
Savoe , en andere eilanden van Timor , waardoor op Endeh dan 
ook oneindig veel meer begrip bestaat van wat bestuur mag 
heeten; toch laat dat bestuur nog veel te wenschen over, en 

e 

daarvan dragen juist de Ata Ngaee's (mindere hoofden) de 
schuld , omdat velen hunner (al durven zij er ook niet openlijk 
voor uitkomen) maar al te dikwijls zich als onafhankelijk van 

e 

den Ata Ngaee Radja beschouwen, wat zij b. v. toonen door 
aan zijnen wil niet te voldoen,. aan zijne oproeping dikwijls 
geen gevolg te geven en meer dergelijken, terwijl het dezen 
laatste aan magt en niet minder aan energie ontbreekt om zich 
te doen gelden; een en ander werkt natuurlijk op den kleinen 
man terug. 

Kleine straffen worden door de kampong-hoofden opgelegd. 
Bij zwaardere vergrijpen wordt de zaak voor den Radja en 
diens regterhand gebracht, die dan de hoofden verzamelt en 
raad doet houden over de opteleggen straf. 



Digitized by 



Google 



487 

Het stelen wordt gestraft met betaling van 15 maal de 
waarde van het gestelene; is de schuldige echter een familie- 

e 

lid of slaaf van een Ata Ngaee, en neemt deze er geen ge- 
noegen in, dan hangt de beslissing der zaak niet zelden af 
van zijne meerdere of mindere macht, want zonder de Ata 

e c 

Ngaeé's is de Ata Ngaee Eadja eigentlijk niet veel ; zoo gaat 
het met het uit den weg ruimen van vele zaken. 

e 

Elke Ata Ngaee heeft een zekere meestal door hem zelf ge- 
vormde magt, hoofdzakelijk uit slaven bestaande; naar gelang 
daarvan bepaalt zich gewoonlijk zijn aanzien of voornaamheid. 

Hij die dus sterk is, heeft meestal gelijk , althans hij wordt 
ontzien. 

Dit neemt echter niet weg dat iedereen weet dat er een Ata 

e 

Ngaee Badja is , aan wien men hormat. en gehoorzaamheid is 
verschuldigd en die men hem dan ook bewijst , zij het ook op • 
minder onderdanige of slaafsche wijze dan zulks te Piedjoe en 
elders westelijk wordt gezien. 

De Sabandar was in vroegere jaren iemand als zoodanig 
aangesteld om van alle binnenkomende prauwen opbrengsten 

e 

voor den Ata Ngaee Radja te hefiTen. 

Ging hij reeds in den beginne daarbij niet altoos eerlijk te 
werk , later , toen er een zwak man aan het hoofd der regering 
stond, durfde hij openlijk voor zijne handelingen uitkomen en 
behield de opbrengsten ten laatste geheel en al voor zich, 
zoodat de Radja alleen d<U kreeg wat deze en gene hem wilde 
geven, terwijl de Sabandar, geholpen door de Nederlandsche 
vlag, welke hij eigendunkelijk voor zijn huis had geplaatst, zich 
gezag aanmatigde en de gezagvoerders en opvarenden van han- 
delsprauwen door afpersingen veel deed lijden. Sedert is door 
meerder toezicht van ons bestuur aan die ergerlijke handelingen 
een einde gemaakt. 

Het is echter de gewoonte gebleven dat vele anachoda's uit 
eigen beweging hem nog eenige kleine opbrengsten doen, wat 



Digitized by 



Google 



488 



mede het geval is ten opzichte van den Ata Ngaee Badja, die 
volgens overoud gebruik van de in- en uitgevoerde artikelen 
een zek(Ky klein gedeelte bekomt, hetgeen met de boeten — 
welke trouwens niet dikwijls worden opgelegd — en de geschen- 
ken die de bergvolken soms doen, de voornaamste inkomsten 
van dezen uitmaakt. 

Den hoogsten persoon op Endeh noemt men Badja, daarop 
volgen de Badja Bitjara, de Toewan Tanah, de Sabandar en 

e 

de Imam , en na déze komen de Ata ^gaee of de adel, de 
Ana Xapo of de burgers en eindelijk de Ata O of slaven. 

e 

Het woord Ata Ngaee geeft iets voornaams te kennen, men 
noemt alleen aanzienlijke personen zoo, ook wil het zeggen 
//mijnheer", doch in iets hoogeren zin. 

De Badja wordt opgevolgd door zijn oudsten zoon, broeder 
of ander &milielid; geen ander mag Badja worden dan hij, die 
zoo nn mogelijk in den bloede verwant is aan hem dien hij 
opvolgt. 

Hetzelfde heeft ook plaats ten aanzien van den Badja Bitjara, 
den Toewan Tanah, den Sabandar en den Imam. 

Dat was hetgeen mij door verschillende personen werd op- 
gegeven, toen ik onderzoek deed naar de verdeeling in stam- 
men en geslachten, doch er is nog eene andere verdeeling en 
daarvoor heeft men de volgende namen: 

e e 

1®. Ata Ngaee, Ata Ngaee : dit zijn de voornaamste personen 

in het land , groote en kleine adel ; 

2®. Ana Mabo: gegoede burgers; 

3o. Ana Bata Orah, ook 
Ana ICapo of Marde- 

ka geheeten: vrije personen; 

4°. Ana Noa: kinderen verwekt door slaven en 

te Endeh geboren ten tijde dat 
hunne ouders reeds slaaf waren; 
zij zijn vrijer dan de slaven en kun- 
nen, wanneer zij met een Ana 



Digitized by 



Google 



489 

Bata Orah huwen, zelf Ana Bata 
Orah worden; 

5<>. Ata O: dit zijn de slaven, waaronder ook 

behooren hunne niet op Endeh 
geboren kinderen en ook die kin- 
deren die op Endeh zijn geboren 
toen hunne ouders nog vrij waren, 
doch die te gelijk met deze tot 
slaaf werden gemaakt. 
Uit het vorenstaande ziet men dus dat de kinderen te Endeh 

verwekt door slaven na den aanvang hunner slavernij, een 

trap hooger staan dan hunne ouders, en ook hooger dan hunne 

broeders en zusters die reeds waren geboren, v6ör dat zij met 

hunne ouders tot slaaf werden gemaakt. 
De Endenees zooals wij hem nu zien, is ontstaan uit een 

Vermenging van het volk van Endeh met dat van Soemba, 

Bima, Sumbawa, Piedjoe en Makassar. 

De Makassaarsche trekken komen het meest te voorschijn, 

en men tracht ook den Makassaar in kleeding en woning zoo 

veel mogelijk te volgen. 

Het is echter eene Makassaarsche tjpe van de gemeenste 

soort en die in alles bij den waren Makassaar ver ten achter 

staat. 

c 

De Ata Ngaee's maken over het algemeen eene gunstiger 
uitzondering. Zij willen gaarne weten dat eigenlijk zij alleen 
met hunne bloedverwanten de echte afstammelingen zijn van 
de hiervorengenoemde stamvaders, en zouden liefst willen be- 
weren dat ze in regte lijn afstammen van de zoo schbone 
Boroe en Modo, wat hon echter niet belet ook aan de drie 
andere stamvaders alle eer te geven, vooral aan den man uit 
Modjopahit, aan wiens rijpaard den walvisch (potvisch of 
cachelot) bij elke zich voordoende gel^enheid wordt geofferd. 

e 

Ik zag eens eenige Ata Ngaee's met een troep volgelingen 
vol spanning aan het strand staan, daar men had vernomen 



Digitized by 



Google 



^90 

dat in de baai een cachelot was te zien; het was echter een 
loos alarm en men ging onverrigter zake naar huis. 

De cachelot houdt zich meer op in de wateren der Solor- 
eilanden, alwaar het volk van Lamakéra eene tamelijke be- 
drevenheid toont in het vangen er van. 

In de Endeh-baai komt die visch slechts zeldzaam, doch 
als er een is te zien, dan komt ook al het volk uitloopen. 

Men gaat dan zoo digt mogelijk bij de zee, velen zeLEs gaan er 

e 

in staan, de Ata Ngaees brengen sirie, pinang, een kip, een geit, 
rijst enz., strekken de armen zoo ver mogelijk voor zich uit 
en roepen en schreeuwen dien visch aan bij hen te komen om 
hormat te ontvangen. 

De Endenees is middelmatig gebouwd en donker van kleur; 
zijne gelaatstrekken hebben weinig of niets aangenaams, zoodat 
de indruk dien hij verwekt, niet gunstig is. 

Ook zijn karakter spreekt niet in zijn voordeel. 

Hij is wantrouwend, sluw en nieuwsgierig, en toont onver- 
schilligheid voor smarten of ongelukken van anderen. 

Die laatste trek komt vooral te voorschijn in zijne zucht 
tot slavenhandel, waarover later zal gesproken worden. 

Hebben de mannen over het algemeen een wat men noemt 
gemeen uiterlijk, van de vrouwen mag dat niet worden gezegd: 
deze zien er dragelijk en soms zelfs lief uit , maar de laatsten 
krijgt de vreemdeling niet ligt te zien , omdat ze zorgvuldig 
worden bewaard; men moet met de familie bekend en een 
weinig vertrouwd zijn om de schoone meisjes te voorschijn te 
doen komen. 

Ik zag eens een aankomend en zeer blank meisje, dat naar 
men mij vertelde , in de laatste vijf jaren, overdag althans, 
niet buiten de ouderlijke woning was geweest. 

De kleeding van den voornamen Endenees bestaat uit een 
geruiten broek, dito sarong en hoofddoek, en een chitsen ka- 
baai, meestal van Makassaarsche kleur. 

Sarong, broek en hoofddoek zijn eigen weefsel. 

Zij die de reis naar Singapoer maken, zorgen er voor zich 



Digitized by 



Google 



491 

daar een zwart lakensch baisje, met goud of zilver gestikt, 
aan te schaffen, tegen den prijs yan f 25 tot ƒ 40, welk 
baisje bij feestelijke en bijzondere gelegenheden wordt gedra- 
gen; zijn ze aldus gekleed, dan dragen ze ook een kris. 

De mindere man is gewoonlijk gekleed met een groven sa- 
rong, zoo hoog mogelijk opgetrokken tot onder de armen, 
zoo dat alleen de armen en een klein gedeelte van het boven- 
lijf bloot zijn. 

Yerder draagt hij een geraiten hoofddoek, en als hij zich 
mooi maakt, gebruikt hij tevens een broek en bnisje, beide 
geruit of gestreept. 

De vrouwen dragen een door hen zeK geweven groven sa- 
rong en een kort baadje zonder mouwen , lie&t van effen rood 
katoen, wat de Makassaren te koop aanbrengen. 

Voorname vrouwen hebben fijner geweven sarongs, die van 
/ 12 tot / 15 kosten, en een kort baadje van zijde of an- 
dere kostbare stof; hare armen zijn immer bloot. 

Zeer grove gouden armbanden en dito oorknoppen zijn hunne 
sieraden. 

De vrouwen zijn ijverig; behalve het huiselijk werk is het 
bereiden van katoen tot garen en het weven van kleeding- 
stukken , niet voor eigen gebruik maar ook voor uitvoer , hare 
gewone bezigheid; duizenden sarongs, door haar geweven, wor- 
den naar het eiland Soemba uitgevoerd. 

De mannen zijn wel is waar niet lui, doch van landbouw 
wiUen ze niets weten , dat laten zij aan hunne slaven , aan het 
bergvolk, eu andere eilanders over, van welke laatsten de 
producten door handel in hun bezit komen. 

Handel is hun lievelingsbedrijf en de Endenezen zijn, althans 
voor dezen archipel, handelaren in den waren zin van het woord , 
waardoor ze ais van zelf ook zeevaarders zijn geworden. 

De heerendiensten strekken zich gewoonlijk niet verder uit 
dan tot het verleenen van hulp bij het zetten of verbouwen 
der huizen van de hoofden, en waaraan dan nog het meest 
door de slaven wordt gewerkt. 



Digitized by 



Google 



én 

Het zijn ook meestal alleen de slaven, waaronder in da 
eerste plaats die van Soemba, die iets aan den landbouTr doen, 
en ook dat is nog bijzonder weinig. 

De Endenezen wonen vrij goed; bnnne hnizen hebben veel 
overeenkomst met die der Boeginezen, zij zijn gebouwd op 
palen, welke laatsten niet in, maar — op groote platte stee- 
nen — op den grond staan. Buim, goed en gezond gebouwd, 
is de klapperboom er het hoofdbestanddeel van. 

Voor palen, balken als anderzins worden de oudste klapper* 
boomen gebezigd, boomen die reeds op dien leeftijd zijn, dat 
ze in de laatste jaren weinig vruchten hebben gedragen. 

Elapperbladeren dienen tot bedekking van het huis , terwijl 
tot vloer en omwanding bamboe wordt gebezigd ; hier en daar 
ziet men ook een woning met etn omwanding van ruw be- 
werkte planken. 

Even als op Soemba , is ook hier de stookplaats of keuken 
in huis, in sommige woningen zijn zel£si twee en drie stook- 
plaatsen. 

Het is blijkbaar dat de kampongs aanvankelijk met overleg 
zijn gebouwd, de huizen naast en over elkander staande, met 
een breede straat er tusschen; het toenemen van het getal 
huizen heeft echter veel van die regelmaat weggenomen , waar- 
door het thans een niet gemakkelijk werk is, het juiste aantal 
huizen te weten te komen. 

Wanneer een Europeaan te Endeh voor het eerst voet aan 
wal zet, en overal om zich heen in het mulle zand bewijzen 
van onzindelijkheid ziet of ruikt , dan is de indruk die hij van 
dit volk krijgt natuurlijk niet gunstig. 

Maar bij eene nadere beschouwing wijkt langzamerhand die 
eerst ontvangen indruk, en eindigt men met te erkennen dat 
Endeh een wezentlijk mooije negorij is, zooals er weinige 
in den Timor-archipel gevonden worden, en waar veel bedrij- 
vigheid en vrij wat minder armoede heerschen dan op vele 
plaatsen elders. 

Waarheid b het dat de zindelijkheid zeer veel te wenschen 



Digitized by 



Google 



493 

overlaat, en een groot ongerief is dat er geen rivieren in de 
nabijheid zijn en dos putten moeten voorzien in drink, kook-» 
bad- en waschwater. 

Aan de vischvangst wordt weinig gedaan, althans op verre 
na niet zooveel, als van een volk dat aan zee woont en er zich 
zoo op 't huis gevoelt, kan worden verwacht ; eene groote te- 
genstelling met de Solor-eilanden , welker bewoners, in het 
bezit van allerlei vischtuig, zich er zeer op toeleggen, en die 
er dan ook veel vruchten van plukken, niet alleen vooreigen 
gebruik, maar ook nog om te verkoopen aan de bergvolken 
en aan vreemde vaartuigen, die daar komen handel drijven. 

Men ziet in de baai van Endeh enkele personen in een 
sampan gezeten aan het hengelen, weder anderen werpen het 
net, waarbij kinderen de sampan besturen, doch verder strek- 
ken zich die werkzaamheden niet uit. 

Ook van den aanmaak van zout, waarop hij ab ruilmiddel 
tegen de door hem gewilde artikelen van de bergvolken zulke 
goede winsten heeft, wordt betrekkelijk weinig werk gemaakt; 
men maakt zout, doch op verre na niet voldoende, zoodat 
een groot gedeelte wordt gekocht van de Arabieren op Soemba 
en van de Makassaren en Solorezen. 

De Endenees is , wat zijn eten aangaat , zoo sober mogelijk : 
rijst of djagong, dan wel obi khadjoe (cassave) of half-oude 
klappers, en kan hij het krijgen een vischje er bij, ziedaar 
wat voor hem voldoende is en waarmee hij zich al heel ge- 
lukkig acht. 

Er zijn kippen, geiten, en bij de bergvolken varkens, kar- 
bouwen, en eenige schapen, doch al dat vleesch is te duur 
en maar luxe voor hem, die zoo gaarne wil sparen of beter 
gezegd geld wil maken, en dit laatste willen de Endenezen. 

Om geld bij een te zamelen is hij niet te lui; hij zal wel 
is waar met de handen er niet veel voor willen werken, noch 
zich als bediende willen verhuren, doch hij brengt zijn goed 
naar 't gebergte , ruilt en handelt , gaat ter zee , zeilt en , moet 
het zijn, roeit dagen achter een, om te komen waar hij 



Digitized by 



Google 



494 

weet dat zijn waar gewild is, loopt des noods uren ver, legt 
gedold aan den dag, leeft als de arme Chinees die voor het 
eerst uit China komt, en maakt geld. 

Vleesch wordt dus alleen door voorname Endenezen gegeten 
en ook voor hen is het volstrekt geen alledaagsche kost, ter- 
wijl het slagten van een karbouw slechts in bijzondere gevallen, 
b. V. bij feestelijke gelegenheden voorkomt, want zij hebben 
geen karbouwen en de bergvolken die ze wel hebben, zijn er 
duur mee. 

Kunnen de Endenezen ook geen rijst of djagong meer koo- 
pen, dan schiet hun veelal toch nog cassave ^obi khadjoe) 
over en in het ergste geval voeden zij zich met half oude 
klappers ; — van honger , zooals dat van tijd tot tijd op Soemba 
en dikwijls op Savoe en enkele andere plaatsen voorkomt, is 
op Endeh nooit of slechts hoogst zelden sprake. 

Slavenhandel was van af de vroegste tijden het gelief koosde 
bedrijf der Endenezen, welke gewoonte van kwaad tot erger 

ging. 

Koopen en verkoopen van slaven en, als de gelegenheid 
gunstig was, een ongelukkige met geweld wegvoeren en tot 
slaaf maken, was eindelijk een gewoon bedrijf voor henge- 
worden. 

Yaak gingen zij daarvoor naar Soemba , om daar in tijd van 
honger voor een paar zakjes padi een slaaf of slavin te koopen. 

Zij gaven dan aan den Soembanees voor een paar rijksdaal- 
ders klappers of padi op crediet, en als de tijd van betalen 
d^r was, werd bij onvermogen van den schuldenaar deze of 
iemand anders uit dat huis door het magts-vertoon van een 
3 of 4 tal geweren gedwongen den schuldeischer naar diens 
prauw en vervolgens naar Endeh of Piedjoe te volgen, om 
daar als slaaf verkocht te worden. 

01 dat lokte hen zoo aan en was hun eene aanleiding om 
den gewonen ruilhandel eindelijk als bijzaak en den slaven- 
handel als hoofdbedrijf uit te oefenen. 

Door gebrek aan stoomschepen was het een zeldzaamheid 



Digitized by 



Google 



495 

als in deze wateren zulk een vaartoig werd gezien en nog 
zeldzamer gebeurde het dat plaatsen zooals Endeh en Soemba 
er door werden bezocht. 

Geen wonder dus dat de Endenezen, de handen zoo geheel 
en al vrij hebbende, op grooten schaal slavenhandel dreven, en 
dit was het dan ook, naar ik meen, wat den Besident Gro- 
novius eenige jaren geleden aanleiding gaf, zich plotseling met 
eene kleine vloot voor de negorij Endeh te vertoonen. 

Volgens het verhaal mij door den Badja Mandalangi en ande- 
ren gedaan, werd de toenmalige Badja bij den Besident ontboden. 

Hij kwam echter niet aan boord, doch zond den imam met 
nog een paar volgelingen op verkenning uit. 

Toen de Besident ook aan dezen zijn verlangen te kennen 
gaf den Badja persoonlijk aan boord te zien , zond de imam de 
menschen die hij bij zich had weg , met de boodschap dat de 
Badja vooral niet moest komen. 

Yan boord uit kon men aan de bedrijvigheid aan wal mer- 
ken dat van toen af velen de vlugt namen. 

Eindelijk bood de imam aan zelf den Badja te halen, hij 
vertrok met den emstigen last den Badja aan boord te doen 
verschijnen , waartoe een ultimatum werd gestald, doch de Badja 
kwam niet en ook de imam bleef weg. 

Op den derden dag na aankomst van den Besident aldaar, 
na vergeefs op den Badja te hebben gewacht, verkondigden de 
kanonnen hoe ontevreden het Nederlandsch Indische Gk)uver- 
nement op Endeh was, en de negorij werd getuchtigd. 

De Endenezen erkennen volmondig, dat terwijl men wist 
dat Endeh behoorde onder den Besident van Thnor, de han- 
delingen van den Badja en Imam van dien aard waren, dat de 
ontvangen verschrikkelijke tuchtiging wezenlijk wel verdiend 
mocht heeten. 

Zij noemen die tuchtiging verschrikkelijk, omdat er geen 
huis was wat niet had geleden, en vele geheel en al waren 
verbrand; klapperboomen werden vernield, prauwen stuk ge- 
schoten en zelfs zijn er een paar menschen bij omgekomen. 



Digitized by 



Google 



496 

Een broeder vün den Sabandar die -— om aan de Endenezen 
te toonen hoe moedig hij was — aan ^t strand was gaan staan 
en met zijne wapens en met de vuist den Besident al schreeuwende 
dreigde, werd door een 24 ponds kogel letterlijk in tweeën 
geschoten. 

Tot in 't gebergte werden later kogels gevonden en nu nog 
verwondert men zich over de draagkracht der kanonnen van 
den /yToewan Besar." 

Even 24 9 kogel staat op een staak vóór de woning van 
den tegenwoordigen posthouder tot herinnering. 

Toen Radja Mandalangi mij die geschiedenis had verhaald, 
wees hij op dien kogel en zeide //djangan maïn gila sama 
//Ooebernament I '' en dat het gemeend is en de schrik er nog 
in zit, is genoegzaam gebleken. 

Immers, kwam na dien tijd een stoomschip vóór Endeh, 
dan beefde alles : de vrouwen en kinderen gingen op de vlugt, 
om door vele mannen te worden gevolgd. 

e 

Toen een 8 of 9 tal jaren geleden een der Ata Ngaee's, ge- 
naamd Kaij Matta, broeder van den tegenwoordigen radja, 
door den resident Esser te Endeh werd opgeeischt om hem 
naar Koepang te volgen , ten einde zich aldaar te verantwoor- 
den omtrent de door hein gepleegde ongeoorloofde handelingen 
ie Soemba, behoefde die resident niet lang te wachten; men 
kende den resident, die bij zijne ^roote humaniteit en bereid- 
willigheid om te helpen waar hij kon, strikt regtvaardig was, 
maar die ook fermiteit genoeg bezat om bij ongehoorzaamheid 
aan het Gouvernement den schuldige gevoelig te straffen. 

Ook was men de ontvangen tuchtiging van vroeger nog niet 
vergeten en men haastte zich Kaij Matta aan boord van het 
stoomschip te brengen, om aldaar vergiffenis te vragen. 

En diezelfde Kaij Matta was toen en is ook nu nog de 
invloedrijkste persoon en de orang brani op Endeh. 

Het is Kaij Matta zelf, die mij dit voorval heeft verhaald. 

Dat daarop de slavenhandel op Endeh zou hebben opge- 
houden, daarop zal wel niemand durven zweren, doch de 



Digitized by 



Google 



497 

plaatsing op Soemba van ambtenaren, nu meer dan zes jaren* 
geleden, en op Endeh van eenen posthouder, en eindelijk dat 
het rijk van Endeh, dat zulk een druk verkeer met Soemba 
heeft, onder het administratief beheer van den kontrolenr van 
Soemba is gebracht, dit alles heeft veel bijgedragen om den 
slavenhandel, zoo al niet geheel te doen ophouden, dan toch 
zeer zeker veel te verminderen. 

Wel wordt nog van tijd tot tijd steelsgewijze een slaaf van 
Soemba naar Endeh uitgevoerd, maar geheel is dit niet te 
voorkomen, omdat te Endeh en te Soemba het zeUbestuur aan 
de vorsten is overgelaten en wij dus niet anders dan raadge- 
vend tusschen beide mogen komen, waardoor men niet alles 
doen kan wat men wel zou willen. 

Er heeft echter te Endeh vooruitgang plaats, waartoe de 
geschiktheid van den heer de Erettes, een Ambonnees die sedert 
een paar jaren aldaar als posthouder geplaatst is, en die 
met radjas en volk aldaar vrij goed weet om te gaan, veel 
bijdraagt. 

Komt eens of twee malen per jaar een stoomschip te Endeh 
een bezoek brengen en gaat de op Soemba geplaatste ambtenaar 
van tijd tot tijd daar een inspectiereis maken, dan zal het 
niet zoo heel lang meer duren of de Endenezen zullen in ons 
vertrouwen beginnen te stellen, en ook wij zullen dan , naar het 
zich laat aanzien, de Endenezen gunstiger leeren beschouwen. 

Bij mijn verblijf onlangs op Endeh, heb ik met de hoof- 
den hier en daar uitstapjes gemaakt, met hen vertrouwelijk 
gesproken en daarbij gezien dat een groot gedeelte hunner 
in verstandelijke ontwikkeling boven al de hoofden in den 
Timor-archipel staan, waardoor ik grond heb voor de boven- 
vermelde overtuiging. 

Wanneer ik, naar wat de radja er mij van heeft verteld, 
de bevolking van Endeh thans op 14,000 zielen stel, dan 
geloof ik er niet ver af te zijn, als ik zeg dat 4000 hunner 
slaven zijn. 

Die slaven hebben het er echter niet zoo, als wij oug 



Digitized by 



Google 



498 

•het lot van een slaaf voorstellen: zoowel op Endeh als op 
Soemba heeft hij een zeer dragelijk lot — altoos als men in 
aanmerking neemt dat hij nu eenmaal slaaf is. 

Zijn werk wordt veelal aan zijn eigen oordeel overgelaten 
en met het weinige wat hij doet , is men gewoonlijk tevreden. 

Oude slaven met hun gezin, zij die b. v. door erfenis zijn 
verkregen, worden zeer ontzien, men beschouwt hen als ver- 
trouwelingen en noemt hen zelfs edie of iaee \dAé of kaka). 

Hoe dus het lot is van eenen slaaf die zijn heer heeft hel- 
pen geld verdienen, en die ook voor zich zelf zooveel heeft 
verworven dat hij zelf in het bezit is van slaven, is ligtelijk 
na te gaan. 

De slaaf helpt bij het bouwen van het huis zijns meesters, 
zamelt en droogt zijne klappers, verrigt nog andere kleine 
werkzaamheden, en als hij kan worden vertrouwd, volgt hij 
zijn heer op reis naar Singapoera; zie daar wat veelal hun 
werk is. 

Anderen houden zich bezig met huiselijke bezigheden , halen 
water en brandhout en weven sarongs. 

Hiermede zal ik van het onderwerp slavernij a&tappen. 

De wapens der Endenezeii bestaan in een smalle niet al te 
lange kléwang, pijl en boog, en Singapoersche geweren van 

e 

/ 8 ^L / 10 waarde; — de Ata Ngaee's dragen een kris, en 
als zij zich eenigzins veraf begeven, hebben zij een gevolg bij 
zich, dat voorzien is van geweren, kléwangs en pieken. 

e 

Onder de Ata Ngaee's zijn er die in het bezit zijn van zware 
en vrij deugdzame buksen; zij noemen zulk een buks trekol 
en koopen die te Singapoer voor ±: 100 rijksdaalders (de£n- 
denees en Soembanees spreekt en rekent immer bij rijksdaalders). 

Enkelen hunner weten met dat wapen vrij goed om te gaan, 
maar over het algemeen kan men van den Endenees niet zeg- 
gen dat hij in het handteeren van eenig wapen groote bedre- 
venheid heeft. 

Met een geweer bij zich, al is hij dan ook al geen schut- 



Digitized by 



Google 



499 

ter, gevoelt hij zich echter sterk, en op Soemba, alwaar 
de Endenezen zoo dikwijls als huarlingen een negri hebben 
belpen vernielen, heeten zij een gevaarlijke vijand. 

Aan klapperboomen is Endeh meer dan rijk: overal ziet men 
duizenden en nogmaals duizenden dier boomen; niet alleen 
voorziet die boom in een voornaam iets , n. 1. in het materiaal 
voor al de woningen dier groote negorij, maar de vruchten maken 
de eerste bron uit onder de middelen van bestaan voor de ge- 
heele bevolking. 

e 

Niet één Ata Ngaee is in staat te vertellen hoeveel hon- 
derden klapperboomen hij heeft; hij kan ze dan ook niet tel- 
len, omdat bij den aanplant geen regelmaat heerscht; doch 
niet alleen ieder groot persoon, maar ieder Endenees heeft 
klapperboomen. 

Zooals in mijne bijdrage tot de kennis der taal-, land- en 
volkenkunde van Soemba is gezegd, wrijft men zich daar het 
geheele ligchaam met het sap van fijn gekaauwde klapper, 
welke vrucht daar als het ware waschwater levert. 

De Endenees heeft dus in Soemba eene plaats, waar zijne 
klappers zeer gewild zijn. 

Om nu op een kleine prauw van 8, 4 of 6 koijangs zooveel 
mogelijk te laden, worden de oude klappers eerst in tweeën 
gedeeld , vervolgens in de zon gedroogd en dan boven een vuur 
gerookt; volgens bewering zou van de gerookte klappers meer 
olie worden verkregen dan van de versche, waarover ik geen 
bepaald oordeel durf vellen, doch wel kan ik zeggen dat de 
olie , gemaakt van gerookte klappers , dikker , geuriger en beter 
is, dan die welke van de versche klappers wordt bereid. 

Geregen aan rissen van 20 klappers, worden jaarlijks alleen 
naar Kambéra 4, 5 il 6 maal honderd duizend, en naar het 
geheel eiland Soemba meer dan een millioen klappers uitge- 
voerd. 

Maar de Endenees brengt ze ook naar de Solor-eilanden, naar 
Koepang, Botti, en Savoe, terwijl ook door deMakassaren en 
Piedjoerezen klappers en veel klapperolie meegenomen wordt. 



Digitized by 



Google 



500 

Neemt men na in aanmerking dat ieder hnis te Endeh 
klappers en klapper-olie Terbrnikt, dat de olie pOuds-gewijie 
wordt nitgevoerd, en datdoizenden Endeneden, berg- en atrand- 
bewonerSy al is er ook geen gi4>rek aan ander etenyOlkendag 
eenmaal zich voeden met half^nde klappers, dan kan men 
neb een denkbeeld vormen Tan den rijkdom aan klapperboo- 
men op Endeh en zou men dat land ten r^te het klapper- 
land kannen noemen. 

Kleine yaartnigen, zooals prauwen van 1, tot 15 è 20 ko- 
jangs, heeft Endeh vermoedelijk d: 80 ; zij worden gedeeltelijk 
door de Endenezen gemaakt, en gedeeltelijk gekocht van de 
llakassaren en Fiedjoerezen. 

De eigenaar van zulk een vaartuig verhuurt het voor eene 
reis tegen betaling van 1/10 van alles wat aan handelsartike- 
len wordt meenomen. 

Zij die naar Singapoera gaan om daar parangs, kruid, ge- 
weren « madapollam, rood katoen enz. te koopen, moeten van 
het kontant geld, wat zij daartoe meenemen, vooraf l/£0 deel 
betalen. 

Hij die zich in staat acht ab anachoda te fungeren, huurt 
met nog een 12, 15, of 20 tal Endehnezen, die gedurende 
de reis als matroos dienst doen, zulk een prauw ; ieder hunner 
neemt mee wat hij heeft of elders wil verkoopen, en moet 
zijn aandeel in de prauwhuur vooraf betalen, en vermits 
daarbij veel bedrog heerscht om een gedeelte der betaling te 
ontduiken — getuige de klagten die daaromtrent zoo menig- 
werf zijn ingekomen — zoo wordt immer veel minder opgegeven 
dan dat wat men meeneemt en kan de posthouder daardoor 
niet met juistheid weten wat uitgevoerd wordt. 

Ook gaan ze , nadat de pas reeds is ontvangen , meestal naar 
Noesa Endeh, om daar de lading zooveel mogelijk aan te 
vullen; dus buiten weten en tot nadeel van den eigenaar d^ 
prauw. 

Hoe ver dit bedrog gaat is mij onlangs gebleken met de 
opvarenden van eene prauw , die te Endeh betaald hadden voor 



Digitized by 



Google 



501 

8 snoeren Endenesohe kralen (moeti saki), terwijl zij teKam- 
béra 24 snoeren verkochten ; de snoer kost te Endeh ± / 75 
en wordt op Soemba voor 80 ii 100 rijksdaalders verkocht. 

In de laatste 3 maanden is, voor zooveel daarvan opgave 
werd gedaan, uitgevoerd: 

± 200,000 klappers ik ƒ 1 de 100 stuks, 

198 pikols klapperolie ad / 15,- 

1500 Endenesche sarongs .... ad // 2,- 

700 hoofddoeken ad // 0,25 

300 omslagdoeken ad // 0,50 

120 pikols kaneel ad // 7,50 

25 katti vogelnestjes ad // 12,50 

14 dito schildpad ad // 7,- 

128 snoeren moeti saki (Endenesche kra- 
len) No. 1, een waarde hebbende 
van/ 75, — en 
888 snoeren dito kralen No. 10, welke 
/ 2,50 per snoer kosten. 
Het vorenstaande is echter ver beneden het cijfer van wat 
wezenlijk is uitgevoerd, om redenen hiervoren vermeld. 

Yerder wordt bij duizenden zakken gedroogde pinang naar 
Soemba gebracht, zoo ook gedroogde obi khadjoe (cassave), 
gemoeti-touw en meer artikelen. 

De moeti saki, ook moeti tana geheeten, zijn kleine, vuil- 
geele kraaltjes en in den Timor-archipel zeer gewild. 

Ik zag onlangs den radja van Taimanoe (op Soemba) vijf 
halssnoeren van die kralen koopen voor vijf honderd rijks- 
daalders; de Endenezen koopen ze te Sika oostelijk en teKéo 
westelijk van Endeh. 

Naar zij zeggen komen die kraaltjes hier en daar te voor- 
schijn, als de alang-alang is verbrand. 

Als invoer gedurende de laatste zes maanden is den posi- 
houder opgegeven: 

868 geweren, 
93 pikols kruid, 



Digitized by 



Google 



502 

36950 Singapoersche parangs, 
225 bijlen, 
54 pikols koperdraad, 
78 ijzeren braadpannen, 
6 ton Boslemmer messen, 
9 pikols ivoor (olifantstanden) , 
600 rollen Madapollam, 
250 rollen ongebleekt katoen, 
570 rollen roodkatoen, 
50 rollen zwart katoen, ' 
20 rol keper, 
790 pikols rijst, 

1 bol opium en verder 
Makassaarsche sarongs, aardewerk, djagong [en eenige klei- 
nigheden, alles te zamen voor een waarde van / 67566, — 
hierbij zal een en ander ook wel niet nauwkeurig zijn opge- 
geven, omdat van eenige artikelen mede prauwhuur betaald 
moet worden. 

Gaat gedurende de reis de prauw verloren, dan moeten de 
huurders dezelve gezamenlijk vergoeden. 

De kampongs , of beter gezegd de geheele negorij der Ende- 
nezen, is omringd door cactus-planten; even als men van het 
strand door snudle wegen in de negorij komt, even zoo verlaat 
men die negorij , naar het oosten gaande, door zeer smalle paden, 
langs welke men in de klappertuinen komt. 

ledere kampong heeft daartoe haar eigen weg, welke paden, 
om beveiligd te zijn tegen verraderlijke invallen der bergvol- 
ken , zóó smal zijn , dat men er bijna niet anders dan bij dag 
kan doorkomen, althans als men niet met de cactus-planten 
in aanraking wil komen. 

Heeft men de negorij in oostelijke rigting verlaten, dan 
komt men in de vlakte van Endeh. 

De Endenezen hadden vroeger geen paarden; een jaar gele- 
den echter verzocht ik den posthouder zich een paard aan te 
schaffen, wat in het gebergte te krijgen is voor een Singapoersch 



Digitized by 



Google 



50S 

geweer, wat kruid en nog eenige kleinigheden, en dan den 
radja en andere hoofden het verzoek te doen dat voorbeeld te 
volgen, opdat ook zij zich gemakkelijker zonden kunnen be- 
wegen en verre uitstapjes makende, zoodoende hun eigen land 
beter zouden leeren kennen. 

Daaraan heeft men voldaan. Er zijn nu een 20 tal paarden , 

e 

eigendom van eenige Ata Ngaee's , die met hunne paardjes zeer 
in hun schik en er niet weinig trotsch op zijn; daardoor had 
ik gelegenheid vrij uitgestrekte uitstapjes te maken, in gezel- 
schap van den posthouder, den Radja en nog een 6 tal hoofden. 

Van de negorij door het midden der vlakte gaande, bereik- 
ten wij, na '/^ uur in versnelden stap te hebben gereden, de 
Ipi-baai. 

Er was geen andere weg dan langs en onder de met veel 
vruchten beladen klapperboomeu , een traject dat de vreemde- 
ling die er niet aan gewoon is, niet met heel veel gerustheid 
aflegt. 

De baai van Ipi mag een schoone baai heeten. 

Zij biedt in den westmouson een veilige ankerplaats aan 
voor vele prauwen, en misschien wel voor een 8 tal groote 
schepen, welke laatste, naar wat mij door de hoofden is ver- 
zekerd, daar op 15 h 20 vadem kunnen ankeren. 

In den noord-westelijken hoek loopt een snebtroomende, ta- 
melijk groote rivier uit, zij heet Nanga Dona en ontspringt 
uit het gebergte van Oedoe-moetoe. 

Op weg naar die rivier langs het strand rijdende, maakte 
ik kennis met het hoofd van Dona, den voomaamsten radja 
der berg-negorijen daar in de buurt. 

Die radja liep zóó regt op mij aan, alsof hij door mij heen 
of mij om ver wilde loopen, wat aanleiding gaf aan den hier- 
voren genoemde Kaij Matta om hem te zeggen op zij te gaan 
voor de kapal api ; toeri bleef hij staan en vroeg ^welke kapal 
api?'' //Wel, dezelfde die ons vroeger zoo geslagen heeft. 
Wij zijn nu zeer bevriend en daarom raad ik Dona aan om 
maar wel met ons te blijven." 



Digitized by 



Google 



504 

Men koek mij aan met groote oogen, den mond wagewijd 
open 9 en de radja van Dona l^e geen Inst meer aan den dag 
mij omver loopen. 

Zooals hiervoren gezegd, kunnen groote schepen in den west- 
moosson die baai veilig binnen loopen, zij zullen er drinkwa- 
ter vinden en ToIk Tan Endeh. 

Bij gebrek aan levensmiddelen kan de gezagvoerder zich die 
verschaffen van de Endenezen, wier negorij slechts een paar 
palen van daar verwijderd ligt, of van de omliggende berg- 
negorijen. 

Jaren geleden waren aan den oever der hiervorengenoemde 
rivier een paar Endenesche kampongs, maar oorlogen met de 
bergbewoners hebben hen zich doen aansluiten bij de groote 
n^orij aan de Endeh-baai. 

Nu is men wéér echter begonnen een paar huizen aan de 
Ipi-baai te bouwen. 

De vlakte van Endeh, of hoe men die uitgestrektheid wil 
noemen, schat ik op een omtrek van 11 il 12 palen. 

Zij maakt het voornaamste gedeelte uit van het landschap 
Endeh; duizenden en nogmaals duizenden klapperboomen ver- 
toonen zich allerwege aan het oog; djagong of andere tuintjes 
ziet men slechts hier en daar, want aan den landbouw wordt 
alleen door de slaven een weinig gedaan, daar men dit bedrijf 
liever overlaat aan de bergvolken, die dienaangaande minder 
traag zijn. 

Doch bewerkt de Endenees ook al niet den grond , onbenut 
laat hij dien toch niet liggen: klapperboomen die al wat oud 
zijn geworden, en wier opbrengst in het oogloopend vermin- 
dert, worden gekapt, en andere aangeplant; men ziet dan ook 
veel jongen aanplant, tot zelüs vrij hoog tegen de berghellin- 
gen, en in de laatste jaren zijn meerdere Endenezen in het bezit 
gekomen van klappertuinen op verder a^gel^en plaatsen, naast 
en tusschen verschillende bergnegorijen. 

Is de bodem der zooeven genoemde vlakte, welke aan zee 
en zoo veel lager ligt dan het omli^end land, ziltig en daaf - 



Digitized by 



Google 



505 

om bij uitnemendheid geschikt voor de klapperteelt, ook elders 
tot op uren ver van daar en in het gebergte zelfs ziet men 
duizenden klapperboomen. 

Maar ook voor andere cultuur is de grond geschikt, want 
de bodem, vooral van de omliggende bergnegorijen , is naar 
het mij toescheen met eene vrij dikke laag humus bedekt en 
zeer vruchtbaar , doch de Endenesche strand-bewoners bemoeijen 
zich uitsluitend met de klapperteelt en laten, zooak reeds meer- 
malen is gezegd, de andere cultuur, waaraan zoo veel meer 
werk is verbonden, over aan de berg volken. 

Het zijn dan ook laatstgenoemden die de strandbewoners 
de meeste levensmiddelen bezorgen; ik zag door hen te koop 
aanbrengen sirih, pinang, padi , djagong , cassave , pisang, laboe, 
bangkoan, djamboe, saprijke lemmetjes en groote, zeer zoete 
Chinas-appelen. 

Verder groeit op Endeh katoen, en is er geen gebrek aan 
bamboe. 

De mangga^s zijn er bijzonder aangenaam van smaak en er 
is zulk een overvloed van, dat als die vrucht tot rijpheid komt, 
de van de boomen gevallen vruchten bij honderden blijven 
liggen verrotten; ook aan ananas^n heeft Endeh overvloed, 
want er zijn uitgestrekte ananas-tuinen en vele paggers van 
die plant. 

Alhoewel het in het laatst van Junij was, zag alles er zoo 
frisch en groen uit , als op vele plaatsen elders in den Timor- 
archipel gedurende den westmouson. 

Er valt op Endeh dan ook een sterke dauw, en meer regen 
dan elders in de residentie Timor. 

In een der tuintjes van Amboetoonda, eene kampong 
aan 't strand, zag ik één koffieboom, de eenige welke was 
overgebleven van een twintigtal boomen, jaren geleden daar 
geplant. 

Hij wae al zeer oud, doch droeg nog vruchten. 
Ik heb den eigenaar gewezen hoe de grond om dien boom 
tot op een afstand van 8 voet moet worden schoongehouden, 

XXIV 21 



Digitized by 



Google 



506 

hem gezegd dat die boom hoogst waarschijnlijk de eenige kofBj- 
boom is op het geheele eiland , en hem beloofd dat zijn naam 
bij het Gouvernement zal bekend worden, als hij er toe overgaat 
de vruchten van dien boom voortaan te planten op een hoogte 
van ± 1000 voet boven de zee; hij vertelde mij zelf dat het 
hoog in 't gebergte bijzonder vruchtbaar was, en dat hij dat 
wel wil doen, als de kompanie dat zoo gaarne heeft. 

Als hij het doet is 't een wonder, want die man houdt 
meer van brandij dan van koffij. 

Behalve kippen en eenige geiten ziet men aan het strand 
geen andere dieren; in het gebergte echter zijn eenige negorijen 
in het bezit van paarden en schapen, en sommigen zelfs rijk 
aan karbouwen , welke laatste , naar wat mij werd gez^, niet 
goedkoop zijn, want voor een karbouw van middelmatige 
grootte vraagt men 40 rijksdaalders. 

De paarden, hoewel niet hoog, zijn uitmuntend voor borg- 
tochten , doch minder schoon dan die welke ik zag te Geliting 
aan de noordkust van Flores. 

Ik heb vernomen dat er n^orijen zijn, die in de laatste 
jaren zich meer toeleggen op de paardenteelt , in de hoop ze 
later aan de schepen te kunnen verkoopen. 

Waterleidingen, wegen en bruggen heb ik in de nabijheid 
der groote negorij Endeh niet gezien, en rivieren alleen de 
hiervoren vermelde Dona; verder af van de strand-negorij is 
het land rijker aan water. 

De bergvolken houden op vaste dagen markt, en hebben 
daartoe onderscheidene plaatsen, alwaar ook de Endenezen hunne 
waren gaan ruilen, doch aan het strand komen ze niet. 

De Badja had er wel ooren naar zelf een passer in het leven 
te roepen, doch in den eersten tijd zal er nog wel niets van 
komen, door oorlogen tusschen de bergnegorijen Onekoré en 
Manoen^oh, waarin ook de Endenezen zullen gewikkeld wor- 

e 

den en waartoe de Ata Ngaee Badja Mandalangi onwillekeurig 
aanleiding heeft gegeven. 

Geurende mijn verblijf te Endeh werd het mij dagelijks 



Digitized by 



Google 



507 

vrij lastig gemaakt om raad en holp ten einde die zaak uit de we- 
reld te maken ; doch gelijk het ook met vele Europeanen gaat, die 
raad vragen om dien niet op te volgen , zoo was het ook hier. 

Het behoefde den Badja niets meer te kosten dan het zen- 
den van een boodschap, waarbij hij naar regt en billijkheid 
deed uitkomen dat hij de zaak vroeger verkeerd had ingezien, 
en die boodschap van een klein geschenk vergezeld te doen 
gaan ; of wel — wat in deze aangelegenheid zeer goed kon ge- 
schieden — hij had er slechts genoegen in behoeven te nemen 
dat ik mij persoonlijk naar Manoenggoh begaf, en daar een 
paar geweerschoten loste, en men zou althans gedurende den 
eersten tijd gerust hebben kunnen zijn; doch ook de Endenees 
is niet vrij van valsche schaamte: het een nog het ander viel 
in Mandalangi^s smaak. 

Even als op eenige andere plaatsen in de fiesidentie Timor, 
bestaat ook hier het gebruik dat twisten tusschen verschillende 
negorijen onmiddelijk ophouden , zoodra de Toewan zich in eene 
dezer negorijen vertoond. 

Niet zelden is dat een groote en zeer hinderlijke teleurstel- 
ling, vooral voor die negorij die vermeent in haar regt te 
zijn, en bovendien het verlies van menschenlevens nog heeft 
te wreken, alvorens zij rekent — wat hare eer in die zaak be- 
treft — voor de tegenpartij niet onder te doen. 

Ambtenaren met bestuur belast in de Residentie Timor moe- 
ten in dergelijke gevallen niet te voorbarig handelen en vooral 
door verkeerd geplaatsten dienstijver zich niet laten verleiden 
een zaak tusschen de Badjas onderling tot de onze te maken, 
waardoor wel eens kans zou kunnen bestaan, dat zij zich zelf 
en zoodoende het Gouvernement in ongelegenheid brachten. 

In het landschap Endeh zijn thans twee personen die zich 
toewan tanah noemen, de een heet Kaij Kemboe en zegt in 
regte lijn af te stammen van den vroegeren toewan tanah Am- 

boe Ngobee, van wien op bladz. S is gesproken. 

Volgens hem zou het grootste gedeelte van den grond in 
de vlakte van Endeh hem toebehooren. 



Digitized by 



Google 



508 



Reeds sedert onheuchelijken tijd hebben vele Ata Ngaee's er 
gebruik van gemaakt en er klappers geplant, voor welk gebraik 
van den grond hem in vroegere jaren een zekere opbrengst in 
vruchten werd betaald; velen echter blijven tegenwoordig in 
het betalen dier opbrengst nalatig. 

De toewan tanah staat tegen over zoo velen alleen, en ge- 
voelt zich niet sterk genoeg om zijn goed regt te handhaven, 
wat zoolang zal duren totdat hij tot de uitvoering ovei^aat 
van dat middel waarmede hij reeds meermalen heeft gedreigd, 
n. 1. bergvolk te huren om de onwillige betalers ie beoorlogen, 
hunne klapperboomen uit te roeijen en een gedeelte van den 
grond als betaling voor die bewezen dienst aan dat bergvolk 
af te staan. 

De vrees echter dat hij dan door de Endenezen zal worden 
vermoord, heeft hem tot nu toe er van terug gehouden, en 
ik geloof dat dit zeer verstandig van hem is. 

Ook de sabandar noemt zich toewan tanah over de Groenoeng 
!Roondja. 

Hij zegt af te stammen van //orang-orang jang datang dari 
Room", die op den Goenoeng Roondja hebben gewoond ; meer 
weet hij van zijne Roomsche voorouders niet te vertellen en 
niemand met hem. 

Hiervoren is gezegd dat de Endeh-baai een der schoonste is 
van het geheele eiland. 

Hoeveel vaartuigen in die baai ten anker kunnen liggen, 
durf ik niet zeggen, waar is het dat er ruimte is voor een 
aantal groote schepen, welke in den oostmousson op 20, 18, 
15, 12 en 10 vadem kunnen ankeren. 

In den westmouson gaan vele prauwen ten anker in de baai 
van Noesa Endeh. Ook voor een paar groote schepen biedt 
die baai een veilige ankerplaats aan; althans als ik mag ge- 
looven wat de hoofden mij daarvan hebben verteld. 

Noesa of Poeloe Endeh, waarmee deze bescnrijving is aan- 
gevangen , werd bij afwisseling geheel of gedeeltelijk verlaten. 

Dat eilandje , zoo zeer nabij gelegen, werd immer beschouwd 



Digitized by 



Google 



509 

als een veilig toevlugtsoord voor de Endenezen, als zij in oor- 
logen waren gewikkeld onderling of met de bergvolken, en 
het hun al te benauwd werd gemaakt, zoodat het dan eens 
volkrijk mogt heeten en dan weder zeer schaarsch van volk 
was voorzien, al naar gelang der omstandigheden. 

Thans zijn er vermoedelijk een 60 tal huizen, en zouden er 
volgens ontvangen opgave een 1000 tal zielen verblijf houden. 

Het aantal klapperboomen , met den aanplant waarvan men 
zeer langzaam aan is voortgegaan, neemt meer en meer toe; 
van het aanplanten van obi khadjoe (cassave) , een der gewich- 
tigste voedingsmiddelen, wordt veel werk gemaakt; aan lang- 
werpige schijven gesneden en in de zon gedroogd, worden er 
jaarlijks duizenden zakken van uitgevoerd naar Endeh en Soemba. 

Ook wordt er een weinig djagong verbouwd en kalk gebrand. 

Vogelnestjes van zeer goede soort worden er ook gevonden, 
echter niet veel. 

Op dat eilandje ziet men nu nog de overblijfselen van een 
fortje, wat de Endenezen er aan herinnert dat zij het aaneen 
der voorzaten vau hunnen tegenwoordigen imam hebben te 
danken, dat zij thans Mahomedaan en niet Christen heeten 
te zijn. 

Immers 250 jaren of iets langer geleden, hebben zich op 
Noesa Endeh eenige Portugezen gevestigd en aldaar een fortje 
gebouwd. 

De baai van Noesa Endeh , gelegen aan de N. W. zijde, is 
dat gedeelte van het eilandje, wat het naast bij den vasten wal 
ligt van het grootere eiland Elores of Mangarai, en op dat 
eiland, juist tegenover de zooeven genoemde baai, was reeds 
in overouden tijd de groote negorij Noemba, met het volk 
van welke negorij de Portugezen, als zij het groote eiland 
bezochten, het eerst in aanraking moesten komen 

Die Portugezen kwamen in het bezit van eenige der schoonste 
vrouwen van Noemba, welke laatste tot het christendom wer- 
den bekeerd. 

Hun voorbeeld vond navolging bij anderen en langzamer- 



Digitized by 



Google 



510 

hand werd de geheele bevolking nit Noemba tot het christen- 
dom gebracht. 

Men was reeds begonnen ook het volk nit het landschap 
Endeh daartoe overtehalen, toen zich een man vertoonde die 
voor het Mahomedanisme ijverde. 

Die man was een Endenees , tijdelijk te Noesa Endeh woon- 
achtig; om gewichtige redenen moest hij dat eilandje verlaten, 
en de vlagt nemen naar de Solor-eilanden. 

Daar Mahomedaan geworden, keerde hij een paar jaren la- 
ter te Endeh als imam terog en het is door hem dat het volk 
van Endeh , toen — even als nn nog het bergvolk — heidensch, 
tot den Islam is overgehaald. 

Naar veler gevoelen zou die man daarom zijn geslaagd, 
omdat hij niet gelijk de christen-priester tegen den slaven- 
handel predikte, ook omdat het mogen hebben van niet meer 
dan 66ne vrouw hun wel wat weinig voorkwam. 

Waarom de Portugezen Noesa Endeh weder hebben verlaten, 
daaromtrent weet men niets met zekerheid te vertellen; men 
deukt dat de snelle uitbreiding van den Islam de reden kan 
geweest zijn, ook vermeenen de Endenezen te weten, dat die 
Portugezen de wijk hebben genomen naar het oostelijk gedeelte 
van Timor. 

De Endenesche hoofden, die met mij over Noemba spraken, 
vertelden dat daar twee R. K. kerken zijn geweest en er veel 
welvaart heeft geheerscht, doch konden niet nalaten op iet- 
wat spotachtige wijze er bij te voegen , dat zij nu medelijden 
hebben met het volk uit Noemba, omdat deze hun Toehan 
Déo in een kist hebben geborgen en nu geen Toehan Allah 
meer hebben. 

Dit noopte mij hen daarop ernstig te vragen, of het niet 
eerder is aantenemen dat het volk van Noemba, hoewel reeds 
zoo geruimeu tijd wat de godsdienst betreft aan zich zelf over- 
gelaten , juist door die handeling toont dat zij nog meer Christen 
is dan de Endenees Mahomedaan, welke laatste toch, in strijd 
met de leer vau Mahomed , zoo gaarne opium gebruikt en een 



Digitized by 



Google 



511 

glas brandy niet yersmaadt; dat dit mij trouwenfl niets ver- 
wonderde, omdat ik wist d^t de Endenezen den Islam van 
de Solor-eilanden hebben gehaald, alwaar men bijzonder goed 
op de hoogte is, wat mij voor een 8tal jaren was gebleken, 
toen bij gelegenheid van een besnijdenis-feest te Andanara, 
waarbij ook het volk van Trong tegenwoordig was , 200 kisten 
arak werden nitgeschonken en het volk dagen achtereen in 
dierlijken toestand verkeerde ; — en dat , als er al kwestie was 
van medelijden, men dat dan in de eerste plaats met de En- 
denezen moest hebben , die wel een Toehan Allah hebben , en 
toch zich zoo gaarne schnldig maken aan de onmenschelijke 
handeling van slavenhandel. 

Op het door hen mij daarop gedaan verzoek om niet. boos 
te zijn, gaf ik ten antwoord dat daartoe geen reden was, ook 
niet van hnnne zijde, en dat ik mij overtuigd hield dat zij 
dit zouden toonen door mij naar Noemba te vergezellen; zij 
beloofden dat en hebben woord gehouden. Hierachter zal over 
de reis naar Noemba gesproken worden. 

De leer van den Islam, waarmede men daar nu bijna 150 
jaren geleden is begonnen, bepaalt zich tot het landschap En- 
deh (de Berg-Endenezen zijn Heidenen), en men heeft van uit 
het landschap Endeh van uitbreiding dezer godsdienst tot dus 
ver weinig of geen werk gemaakt, wat dan ook minder van 
hen kon verwacht worden, omdat toch het volk van de Ma- 
homedaansche godsdienst weinig begrip had en van de priesters 
niet kon worden gezegd dat zij de anderen vooruit waren. 

Sedert een paar jaren heeft men dienaangaande verandering 
kunnen waarnemen, want de priesters, waaronder één die reeds 
meermalen op Java is geweest, trachten zich zelf meer te ont- 
wikkelen en, bijgestaan door een paar helpers die zij Goeroe's 
noemen , leggen zij zich ook meer toe om de jeugd te onder» 
wijzen. 

Er zijn twee tempels ; voor lederen tempel is een Imam en 
een paar Goeroe's. 

De Imam en eenigen zijner vrienden gaan dagelijks naarde 



Digitized by 



Google 



512 

missigit, doch des Trijdags wordt dat bidhuLs door meerdere 
belangstellenden bezocht. 

Dat de Imam met der tijd meer invloed zal krijgen is te 
voorzien , voor het oogenblik echter is zijn invloed niet grooter 

e 

dan die van een gewoon Ata Ngaee. 

De priesters hebben pranwen, verhuren die, handelen een 
weinig, en leven verder van wat zij krijgen bij gelegenheid 
van huwelijken en sterfgevallen, begrafenissen en besnijdenis, en 
van kleine boeten die zij wel eens wegens godsdienstzaken 
vermeenen te mogen opleggen. 

Bij het binnenkomen der baai is het de Hollandsche drie- 
kleur, welke u doet zien dat te Endeh een gouvernements- 
ambtenaar of beambte verblijf houdt. 

Het is eerst sedert een 8 tal jaren dat daar een posthoader 
werd geplaat-st, wien men gewoon is den titel van komman- 
dant te geven. 

Gevoelde hij er zich in den beginne zeer onaangenaam, 
omdat hij veel tegenwerking ondervond en de hoofden zelfs 
zoo ver gingen te trachten het bij den posthouder te koop 
aanbrengen van eetwaren te beletten, in de hoop dat het on- 
dragelijk verblijf aldaar de Regering zou noopen dien post 
weder in te trekken, thans is daar niet meer over te klagen, 
het tegendeel is waar, er heeft meer toenadering plaats en de 
hoofden schijnen hun belang te willen begrijpen. 

Zijn woning is van al de huizen het digst bij het strand. 
Vóór zijn huis gezeten heeft men een ruim en bij helder 
weder dikwijls een schoon gezicht over de baai, waarvan 
ook de Endenezen ruimschoots profiteren, want iederen ochtend 
reeds vóór het opgaan der zon komen zij bij groepjes de ne- 
gorij uitloopen en zich op hunne hurken zettende aan het 
strand plaats nemen. 

Al spoedig ziet men honderden menschen naast en door 
elkadr zitten, tot over een lengte van minstens 20 minaten 
gaans. 

Te oordeelen naar de wijze waarop zij — zoo mannen als 



Digitized by 



Google 



518 

-vTouWdQ — in honne sarongs zijn gedoken, welke hen van boven 
den schouder tot op den grond bedekken, zou men vlonder- 
stdlen dat zij de ochtendliicht wel wat koud Tinden. 

Dat schrikt hen echter niet af om eenigen tijd de firissehe 
lucht te blijven inademen, sehijnbaar de schoonheid der baai te 
bewonderen en in zee t« blijven zitten staren, alsof sdj van 
verre iete te wachten zijn. 

De een gaat weg, de ander komt, en tegen 7 unf in den 
morgen heeft het grootste gedeelte der bevolking een bezoek 
aan het strand gebracht , wat den vreemdeling onwiUekenrig 
doet denken dat de Endenees niet ongevoelig is voor het 
schoone der natuur; weldra echter komen zijne reukzenuwen 
hem waarschuwen dat eene andere behoefte dan die aan na- 
tuurschoon de bevolking zoo vroeg naar buiten gelokt heeft. 

Yan af de posthouders-woning langs het strand naar het 
zuiden gaande, komt men langs den berg Eoondja, die ge- 
legen is bij de tuinen, waar de meeste Soembasche slaven 
verblijf houden. 

Ook daar ziet men nog een aantal klapperboomen , doch 
verder zuidwaarts houdt eindelijk de plantengroei op. 

Hier komt men aan den Gh)enoeng Api , aan den voet waar- 
van het aantal uitgebrande groote steenen den bezoeker doet 
zien, hoe vreeselijk de leja kan werken. 

De leja, zooals de Goenoeng Api ook genoemd wordt, is 
voortdurend bezig groote kolommen rook omhoog te zenden. 

Zijne laatste uitbarsting, welke plaats had op 1 September 
1871 , was minder hevig dan een paar jaren te voren , toen 
een enorm aantal steenen in de negorij werden geslingerd en 
de posthouder genoodzaakt was, althans zich nergens veiliger 
achtte, dan onder eene omgekeerde prauw een groot gedeelte 
van den nacht door te brengen. 

Toch was die uitbarsting nog 'niets bij die, welke de ouden 
van dagen zich herinneren, toen de geheele negorij er ver- 
schrikkelijk onder heeft, geleden , toen de zee kookte en een 
groot aantal Endenezen, die in bérohs gezeten aan het visschen 



Digitized by 



Google 



514 

waren, zijn verdronken, wat naar gissing na een 40 tal jaren 
kan zijn geleden. 

De taal der Endenezen heeft die overeenkomst met de an- 
dere talen in den Timor-archipel , dat zij onbeschaafd en arm 
is; zij is daarbij niet aangenaam voor het gehoor, doch ge- 
makkelijk aan te leeren. 

Ook in een aantal berg-negorijen wordt Endeneesch gespro- 
ken, doch de strand-Endenezen maken aanspraak dat zij fijner 
dan de bergvolken spreken. 

De namen dier Berg negorijen zijn. 
Onékoré. 

e 

Manoe Ngoh-oh. 

Aréréké. 

Pandari. 

Watoe-rooga. 

Woro-waai. 

c 

Worisambi. 

c 

Ndatoe-wari. 

Watoe-taro. 

Dona. 

Woro-topo. 

Ngaroe-poro. 

Ndatoe-koh. 
Wawa-pahre. 

e 

Woro-nange. 

Woro-ohpoh. 

Wawo-pahoh. 

Woro-kahro. 

Kika-djéra. 

Worodja. 

Kori-bari. 

c 

Boomba. 
Watoe-sipi. 



Digitized by 



Google 



515 

Dowa-dëké eu 
Wawoe aré. 
Ook in de volgende, verderop aan het strand gelegen ne- 
gorijen, wordt Endoneesch gesproken. 
Als: 
Baraai. 
Noemba. 
Piengga-dwawa. 

e 

Wanga-panda. 

Maoe-noa. 

Tonggo. 

Manoera en eindelijk in de bergnegorij Bohka. 

Het volk van Bohka verkoopt dikwijls aan het strand arm- 
banden van tin vervaardigd , doch staat niet toe dat men hun 
negorij bezoekt. 

Of het der bevolking bewast is met welk doel men daar 
tin komt koopen , en of zij geen vreemdelingen op hun gebied 
willen toelaten, om zoo doende het opsporen van tin aan an- 
anderen te beletten? 't is mogelijk en zelfis zeer waarschijnlijk. 

Dat in den bodem te Bohka veel tinerts is, wordt door 
de Endenezen voor vrij zeker aangenomen ; doch uit vrees van 
vermoord te worden durven zij zich in de negorij aldaar niet 
wagen ; dit was dan ook de reden dat niemand mij , zelfs niet 
tegen goede betaling, derwaarts wilde vergezellen, zoodat ik, 
hoe ongaarne ook, van de reis naar Bohka moest afzien. 

Inmiddels is het mij bekend dat prauwen van Endeh, zoo 
ook Chinezen van Koepang en personen van andere plaatsen, 
daar van tijd tot tijd gaan handeldrijven ; dat wil zeggen zij 
komen ten anker te Waai-waroe of te Ai-méré en handelen 
aan het strand met het volk uit Mangarai en met. die uit 
het gebergte, welke laatste eene kleinigheid b.v. eenparangof 
een paar armbanden van tin vervaardigd, bij die handelaren 
te koop aanbrengen. 

Die armbanden zijn zwaar, grof, meer dan een hand breed 
en worden boven den elleboog gedragen. 



Digitized by 



Google 



516 

De op het eiland Soemba wonende Arabier Sjarif Abdnl 
Bachman is de man die, als hij zon willen, wel zon kannen 
slagen om te Bohka te komen en een onderzoek naar tin in 
te stellen, wat hem dan ook door de Begering is opgedragen ; 
jammer maar dat op dien man en op wat hij zegt zoo weinig 
is staat te maken, wat mij dan ook doet vreezen dat hij, inuner 
er om heen draaijende , het zoolang mogelijk zal uitstellen , 
omdat, zooals hij dat noemt, het zooveel //soesah^is; — vol- 
gens mijn gevoelen is het niet de //soesah'\ maar wel degelijk 
de Eohka-vrees en de Sjarif is niet oprecht genoeg om voor 
de waarheid nit te komen en daardoor gelegenheid te geven 
dat die maatregelen kuqnen worden genomen, welke noodig 
zijn. 

Bl acht het van groot belang te weten of te Bolika wezen- 
lijk tin is, en zoo ja, of er voldoende is om aan eene ontgin- 
ning te denken, daarom zal ik deze gewichtige aangelegen- 
heid niet nit het oog verliezen en hoop er later op terug te 
komen. 

De hiervoren vermelde negorijen worden bestuurd door zoo- 
genaamde op zich zelf staande hoofden. 

Die hoofden hebben hun rang verkr^en door erfopvolging 
van vader op zoon. 

Naar gelang zij brutaal zijn en zich sterk gevoelen, kunnen 
zij zich handhaven. 

De meesten hunner zijn van weinig beteekenis en van ge- 
ringe afkomst, slechts van zeer enkelen wordt gezegd, zooals 
van het hoofd van Dona, dat hij een voornaam persoon (radja) 
mag heeten. 

Ik heb eenige van deze negorijen bezocht, op weg waarheen 
ik meerdere snelvlietende beekjes moest passeren ; de grond is 
zeer vruchtbaar , en van den klapperboom wordt bijzonder veel 
werk gemaakt. 

Sommige negorijen tellen 60 è 70, andere meer huizem. 

De meeste hunner leven met elkaftr in vijandschap , wat dan 
ook wel de reden zal zijn geweest dat ik zelden berg-£nde- 



Digitized by 



Google 



517 

nezea ontmoette anders dan in troepjes van 6 i^ 8 man, die 
allen van geweren waren voorsden. 

Ook Noemba, gelegen aan de westelijke zijde der baai van 
Endeh , heb ik bezocht en ik zal van mijn uitstapje daarheen 
hier een en ander meddeelen. 

De kortste weg te land is dat men den loop der baai langs 
het strand volgt. 

De hoofden die mij op dat reisje vergezelden, wilden de 
negorij ingaan en een omweg nemen, wat zij ook bij vorige 
uitstapjes met mij hadden gedaan ; ditmaal was ik echter daartoe 
niet te bewegen, ik wilde het strand volgen en het scheen 
dat dit hen min of meer in verlegenheid bragt, althans te 
oordeelen naar de vragende wijze waarop zij mij en vervolgens 
elkander aankeken. 

Al spoedig werd mij de reden daarvan maar al te duidelijk, 
want ik behoefde niet ver te rijden of ik was omringd door de 
sporen van het ochtendbezoek der bevolking, voor het doel van 
welk bezoek ik, zooals boven vermeld, een oogenblik aan 
gevoel voor natuurschoon gedacht had. 

Naar het westen gaande, nadert men op ongeveer 3/4 uur 
gaans de aan het strand gelegen kampong Baraai. 

Op ongeveer 10 minuten v66r wij aan die kampong kwa- 
men, zagen wij voor ons uit twee goed gewapende berg-En- 
denezen van achter een groeten boom te voorschijn springen 
en met snelheid zich landwaarts in verwijderen; aan den voet 
van dien boom waren twee kuilen en was het duidelijk dat 
zij daarin hadden gezeten om te wachten tot dat iemand uit 
Baraai daar zou passeren en hem dan neer te schieten; want, 
zooab ik later vernam, waren het twee mannen uit een der 
berg-n^orijen, die met Baraai in oorlog zijn. 

Men vertelde in die kampong dat eenige dagen te voren 
een tiental van zulke vijanden des nachts heimelijk Baraai 
waren binnengedrongen, zij hadden onder de huizen zich ver- 
bergende op goed geluk hunne geweren in de hoogte a^e- 
schoten, in de hoop wel iemand te zullen treffen, en toen de 



Digitized by 



Google 



518 

vlugt genomen, waardoor dan ook één persoon nit die kam- 
pong werd gewond. 

Baraai is een groote kampong en staat onder het onmidde- 
lijk gezag van den Badja van Endeh, wat echter niet w^ 
neemt dat die kampong, welke met meerdere bergnegohjen 
in oorlog is, zichzelf maar moet redden. 

Er zijn hier een aantal schapen; overigens valt van die 
kampong niets bijzonders meé te deelen. 

Op reis naar Noemba kreeg ik den zoon mee van het hoofd 
van Baraai. 

Wij passeerden de rivier Nanga Ba, komende uit het gebergte 
Pamoh en iets verder op in de N. W. hoek der baai de rivier 
Nanga Kéo, welke afkomstig is uit den berg Kékadjohdoh. 

Ik zag hier uitgestrekte en prachtige plekken, overal be- 
plant met klapperboomeu. 

Door den hoogen waterstand moesten wij hjèt strand verlaten 
en het land dieper ingaan, waardoor de reis wel is waar veel 
langer duurde, doch daardoor had ik dan ook gelegenheid 
te zien dat de bodem zeer vruchtbaar is. 

Jammer dat de bevolking daar onder elk^r zoo in vijand- 
schap leeft — waardoor zij het anderen en zichzelf vrij lastig 
maakt ; van tijd tot tijd hoorde ik een geweerschot, als teeken 
dat men waakzaam was , en tevens voor anderen een waar- 
schuwing om op hun qui vive te zijn. 

In de nabijheid van Noemba passeerden wij de uit het ge- 
bergte Waroe Djawa komende kleine rivier Boonga. 

Van een der hoogste punten hadden wij een overheerlijk 
gezicht, zoowel aan de noordzijde over het land, wat in de 
maand Junij er groen en frisch uitzag, als aan den zuidkant 
over de baai in zee , en voor ons uit in de laagte op Noemba. 

Men had in die negorij ook ons opgemerkt, doch de om- 
standigheid dat wij allen te paard waren, een aldaar niet ge- 
woon verschijnsel, had het volk uit Noemba naar de wapens 
doen grijpen, en toen wij vóór die negorij kwamen, hoorden 
wij een zoowel angstig als oorlogzuchtig geschreeuw. 



Digitized by 



Google 



519 

Gelukkig snelde de gids , door mij uit Baraai meegenomen» 
vooruit om hen gerust te stellen; ik zeg gelukkig, omdat ik 
plotseling de ontdekking deed dat door de levende heg om de 
kampong twee geweren op mij waren aangelegd. 

In deze negorij was alles vol leven, nog altoos hoorde ik 
scheeuwen en zag vrouwen en kinderen vlugten, terwijl er 
misschien een SOtal mannen waren, die gedeeltelijk van ge- 
weren, gedeeltelijk van andere wapens waren voorzien. 

e 

De tegenwoordigheid van eenige hun bekende Ata Ngaee's 
nit Endeh stelde hen echter gerust en weldra waren de wa- 
pens in de huizen geborgen. 

Noemba is eene groote negorij, ik telde wel is waar niet 
meer dan 89 huizen, doch een groot gedeelte der bevolking 
was de negorij ontvlugt , en heeft de wijk naar de tuinen ge- 
nomen, waartoe aanleiding had gegeven het heerschen der 
pokken. 

Die ziekte, welke daar reeds geruimen tijd aan het woeden 
was, heeft veel menschenlevens gekost; ook dienzelfden dag 
was weder een man gestorven, doch men hoopte nu spoedig 
er van verlost te worden , want er waren nog slechts 8 lijders. 

Het hoofd van Noemba is een man van ±50 jaar oud, 
naar wat hij mij vertelde, zou zijn overgrootvader nog een kind 
zijn geweest, toen de Portugezen van daar zijn vertrokken. 

Nog lang na hun vertrek bleef het volk uit Noemba het 
christendom, hoe gebrekkig ook, belijden, doch toen de met 
de kerkelijke zaken bekende personen langzamerhand uitstier- 
ven en eindelijk de gemeente geheel aan zich zelve was over- 
gelaten, toen werd men onverschillig en gingen velen langza- 
merhand over tot den Islam, waartoe hun verkeer met de 
Endenezen het meest heeft bijgedragen. 

Het tegenwoordige hoofd van Noemba was de laatste uit 
zijne &milie, die nog christen was. 

Als jongeling heette hij Njo Jozé, doch hij werd op 14 
jarigen leeftijd Mahomedaan door toedoen van een Arabier 
Sech Bara en kreeg toen den naam van Oedjfó. 



Digitized by 



Google 



S£0 

Van het tegenwoordige volk te Noemba herinnerde sich 
niemand, in die negorij ooit een Europeaan te hebben geoen; 
men zeide verheugd te sdjn dat ik hen kwam bezoeken, en 
toonde dat door met spoed en op gulle wijee mij klappers, 
eijeren, rijst en een kip aan te bieden. 

De kip moest buiten de negorij aan het strand worden ge- 
slagt, als reden daarvan werd opgegeven dat de pokken dan 
spoedig zouden wijken. 

Reeds sedert onheuchelijken tijd staat op een der graven een 
groot houten kruis. 

Meermalen werd dat kruis door weer en wind omgeslagen, 
doch telkens met een soort van eerbied of vrees weder opgerigt 
ter plaatse waar het reeds zoo lang heeft gestaan. 

In de geheele negorij Noemba is nog één man die christen 
heet te zijn , hij is dan ook de eenige die varkensvleesch eet. 
Zijn naam is Domingus en hij is de bewaarder van de wei- 
nige overblijfselen der B. K. kerk aldaar. 

In het vorige jaar stond er nog een gedeelte van het geraamte 

eener kerk , alles was echter zoo vermolmd dat het eindelijk 

is ingestort; eenige stukken hout worden nog trouw bewaard. 

Domingus verstaat nog enkele Portugesche woorden. 

Hij bracht mij naar een klein huisje en toonde mij eenige 

beeldjes, welke in een kist door hem worden bewaard. 

Het Maria-bedd is van hout, doch het beeld van Christus 

aan het kruis en nog vier andere beeldjes van ivoor. 

Alles was vuil en zwart en de kist vol kakkerlakken. 

Toen ik Domingus daarop wees, werd de man zeer verlegen ; hij 

ontblootte zijn hoofd en stotterde woorden tot verontschuldiging. 

Toen ik hem vertelde dat het beter was dat hij mij die 

beelden meegaf, om ze aan een der B. K. geestelijken te 

zenden, omdat ik zeide te vermeenen dat na het overlijden 

van Domingus er veel slechter op gepast zou worden^ kreeg de 

man tranen in de oogen en verzocht mij dat toch niet te doen, 

want dat allen in de negorij er zich tegen zouden verzetten. 

Het laatste wil ik dan ook wel aannemen, want weet men 



Digitized by 



Google 



521 

te Noemba niets meer van het christendom, even weinig is 
men er op de hoogte van den Islam en velen hunner zouden 
zich verbeelden dat het wegdoen der heilige beelden ongeluk 
in de negorij zou aanbrengen. 

Domingus vertelde mij nog dat hij gewoon is eens per jaar 
een waskaars te branden, den dag waarop dat geschiedt noem- 
de hij //Pasko." 

Toen ik Noemba wilde verlaten , vroeg men naar mijn naam, 
en toen werd tot herinnering aan mijn bezoek aldaar, met de 
punt van een mes op een stuk lontarblad (het gewoon schrijf- 
papier aldaar) geschreven: 

^/De heer Boos van Soemba is bij ons geweest en heeft bij 
ons gegeten." 

Dat papier werd in het midden van het huis van Joz^ aan 
een der pilaren zoo hoog mogelijk bevestigd. 

Des avonds om 9 uur was ik te Endeh terug; wij hadden 
zoo wel heen als terug goed aangereden, en ik schat den af- 
gelegden weg naar Noemba en terug op 24 paal. 

Den dag daaropvolgende werd mij per sampan van Noemba 
een groot schaap gebracht , dat schaap zeide men had ik den 
vorigen dag te Noemba moeten eten, doch de schapen waren 
toen in de tuinen en daarom verzocht men mij het nu te wil- 
len aannemen. 

Alhoewel de strand-Endenezen , even als de bergvolken tot 
Endeh behoorende , zich door ruilhandel in. het bezit stellen 
van dat wat zij gaarne willen hebben, zoo is men daar toch 
vrij goed bekend met de waarde van het geld. 

Goud vooral ziet men daar gaarne, en niet zelden ontmoet 
men bergbewoners die, iets te koop aanbrengende , betaling in 
goud, hoe weinig dan ook , verlangen , tot het afwegen waarvan 
zij expresselijk schaal en gewicht bij zich dragen. 

Naar wat ik dan ook zoo dikwerf heb hooren beweren , 
moet vooral bij de bergvolken veel goud zijn; en niet alleen 
het van de strand-Endenezen afkomstige vervalschte, maar 
ook zeer zuiver goud. 



Digitized by 



Google 



52£ 

Meermalen zag ik mannen (berg-Endenezen) met groote 
gaten in de ooren, in ieder waarvan drie memoelies (gouden 
oorhangers) waren bevestigd, iedere memoelie een gewicht heb- 
bende van drie è vier 'S sterling. 

Het uiterlijk voorkomen en de gelaatstrekken van de berg- 
Endenezen over het algemeen bevallen ons beter dan van die 
aan het strand. 

Zij hebben niet zoo dat domme en toch schurkachtige in 
hun gezicht; ook zijn ze wat hun gestalte aangaat over het 
algemeen sterker. 

Ofschoon ook Endeh zijn deel heeft gehad van de pokken, 
welke in den Timor-archipel zoo sterk hebben geheerscht, is 
het klimaat aldaar als vrij gezond aan te merken; men be- 
weert dat het sterfte-getal door dat der geboorten verre wordt 
overtroffen, wat ik ook genegen ben te gelooven, want Endeh 
komt mij voor vrij volkrijk te zijn. 

De Endenezen drinken gaarne arak en nog liever brandij , 
doch zijn er niet aan verslaafd. 

Bij de hoofden vindt men het gebruik van opium, wat zij 
van de Boeginezen hebben overgenomen, gelijk ook het dob- 
belspel, en dat laatste is een kwaad waaraan een groot deel 
der verdere strand-bevolking, als de gelegenheid zich aanbiedt, 
gaarne toegeeft. 

Komt een Endenees bij zijn meerdere, dan neemt hij eene 
onderdanige houding aan; vermoedelijk hebben zij vroeger van 
anderen a%ezien het kruisvormig op de borst leggen der 
handen, en nu doet de Endenees iets wat daarop moet gelij- 
ken : hij legt n. 1. de armen over elkdar , en brengt de reg- 
terhand onder den linker schouder en de linkerhand onder den 
regter schouder, welke positie, hetzij staande of zittende, hij 
zoolang blijft bewaren als hij denkt door zijn meerdere te 
zullen worden toegesproken. 

Nationale spelen hebben de Endenezen aan het strand niet; 
wel de berg-Endenezen , waarvan ik mij een en ander heb 
laten vertellen, doch vermits ik geene gelegenheid had ze 



Digitized by 



Google 



523 

peraoonlijk bij te wonen , waag ik het niet er iets van meé te 
deelen. 

Vieren de strand^Endenezen feest, dan worden de bevriende 
bergvolken nitgenoodigd die feesten bij te wonen en ze met 
hunne spelen en dansen op te luisteren, zooookdeSoembasche 
skven', die dan hunne volkspelen ten beste geyen, waarvan 
men op Endeh zeer veel houdt. 

De Endenesche vrouwen houden veel van zingen en men 
vindt er verscheidene die uitmunten in het maken van pan- 
toens. 

Yan geboorten , besnijdenis , steri^vaUen en begrafenis valt 
niets bijzonders meé te deelen; eten en elkftar te eten ge- 
ven is het voornaamste, en in het bijeenbrengen van het 
daartoe noodige is de een den ander zoo veel mogelijk behulp- 
zaam. 

Huwelijken tusschen neef en nicht komen onder de voor- 
name Endenezen veel voor — n. 1. de zoon of dochter van een 
man met de dochter of zoon zijner eigene zuster ; kinderen van 
twee broeders of van twee zusters mogen niet met elkander 
trouwen. 

e 

Een Ata Ngaee vraagt voor zijn nog zeer jongen zoon de pas 
geboren dochter zijner zuster; is dat verzoek gunstig beant- 
woord, dan moet het huwelijk later ook volgen. 

Gaat het door toedoen van een der partijen niet door, dan 
geeft het tusschen die twee familien eene vijandschap, welke 
niet ligt wordt bijgelegd. 

Het huwelijk wordt voorafgegaan door feesten, bestaande in 
eten en drinken, slaan op de rabana, zingen, kaartspelen en 
nationale dansen, het laatste door de Soembasche slaven en 
Berg-Endenezen. 

Voor het eten wordt gezorgd door de ouders der bruid, die 
daarbij worden geholpen door de geheele kampong, waarin de 
bruid hare woonplaats heeft. 

Een gehuwd paar (een priok geheeten) moet te zamen een 



Digitized by 



Google 



zak rijst leveren. Ook is dit verplichtend voor een weduw- 
naar. Eene weduwe en zij die nog niet zijn gehuwd, zijn daar- 
van vrij. Vrienden en goede kennissen brengen geschenken aan. 

Verder wordt door iedereen , die het feest wil bijwonen, een 
geschenk in geld aangeboden. 

Al is het ook een slaaf, hij zal het huis niet binnen gaan 
zonder , zij het slechts één gulden , als geschenk aan te bieden. 

De huwelijksgift of bruidschat heet isie kawie en mag voor 
hem die zijn zoon wil laten trouwen, wezenlijk bezwarend 
heeten, niet alleen omdat hij den vader der bruid bij het 
trouwen overeenkomstig zijnen stand moet betalen, maar ook 
omdat hij in zekeren zin immer diens schuldenaar blijft, want 
bij iedere gelegenheid dat zijne hulp wordt ingeroepen, is hij 
verplicht den schoonvader van zijnen zoon met geld en goed 
bij te staan. 

In hoever daarvan wel eens misbruik wordt gemaakt, en of 
van de andere zijde aan die verplichting immer wordt voldaan, 
is een andere zanlc ; waar is het evenwel dat het verleenen der 
gevraagde hulp verplichtend is , en dat hij , die meer dan één 
zoon heeft uitgehuwelijkt en met de andere vaders wel wil 
blijven, dikwijls niet weinig onder den druk zit; desniette- 
genstaande heeft de Endenees, even als de Chinees, liever 
zoons dan dochters. 

De kampong waarin de vader van den bruidegom woont, 
moet in het betalen der me kawie helpen, door het leveren 
van een grooten olifantstand, soms een vadem lang en een 
zwaarte hebbende van 60 tot 80 katties; een katti heeft een 
waarde van f 5, — . Tot het bijeenbrengen der benoodigde som 
draagt ieder naar zijn vermogen een kleinigheid bij en alsdan 
gaat men er toe over dien tand bij een der Makassaren of in 
het gebergte te koopen (onder de bergvolken van Endeh zijn 
er velen die rijk zijn aan ivoor). 

Bij het trouwen wordt de isie kawie ^ voor een voornaam 
persoon bestaande in eenige olifantstanden , goudwerken, Moe- 
deren en geld, te zamen geschat op / 1000 ^ / 1200, 



Digitized by 



Google 



525 

te gelijk met den bruidegom uaar het huis der bruid ge- 
bracht. 

Al de leden der familie en vrienden volgen. 
Bij aankomst aldaar is het de priester die het huwelijk sluit, 
na afloop waarvan de jongetrouwden in ontvangst worden ge- 
nomen door eene wacht van 8 vrouwen. De oudste van deze 
heeft het gezag over de wacht. 

Nadat de jonggetrouwden hebben plaats genomen , de vrouw 
links van haren man, worden hunne pinken der regterhand 
door de oude vrouw (hoofd der wacht) in elkaar gelegd, als 
bewijs dat man en vrouw alsnu aan elkander zijn geketend. 

Na gedurende een uur aldus te hebben gezeten, wordt de 
keten los gemaakt. 

Nu wordt het eten voor al de gasten aangebracht, voor de 
twee nieuw getrouwden te zamen één bord rijst, één bord 
vleesch, enz. 

De hier voren vermelde vrouwelijke kommandante brengt de 
hand des bruidegoms bij het bord, laat hem een weinig rijst 
tusschen de vingers nemen en in den mond zijner vrouw 
stoppen ; daarna doet de jonge vrouw , op gelijke wijze gehol- 
pen , het zelfde voor haren man ; ook sirih en pinang steken 
zij elkander op dezelfde wijze in den mond. 

Die ceremonie heeft slechts éénmaal plaats en verder kan 
ieder zich zelf voeden , doch zij blijven te zamen van één bord 
eten, gedurende den tijd dat zij ten toon zijn gesteld, en dat 
zijn vier achtereenvolgende dagen en nachten , gedurende wel- 
ken tijd die plaats niet door beiden tegelijk mag worden ver- 
laten, gaat één hunner een oogenblik naar buiten, dan moet 
de andere binnen blijven. 

Des nachts slapen ze naast elk&ar, in gezelschap der wacht 
van 8 vrouwen, van welke immer twee waken dat de nieuw- 
getrouwden elkSAr niet te dicht naderen, zelfs niet eens 
kofisen. 

Is de vierde nacht om, dan volgt het baden, wat nog 
vooraf wordt gegaan door een pretje, daarin bestaande dat 



Digitized by 



Google 



526 

elkeen zijn best doet het nieuwe paar te werpen met modder 
en al wat maar vuil is; er is echter zooveel water aangebracht 
en twee oude vrouwen doen zóó haar best hun dat water op 
hoofd en ligchaam te gieten en hen te wrijven , dat zij spoedig 
schoon zijn en in staat om naar hartelust elk^r te kussea, of 
liever elk&ar te beruiken ; en daarmede zijn de feestelijkhe- 
den afgeloopen. 

Dat de bergbewoners vroeger zich zeer veel moesten laten 
welgevallen van de Endenezen, ja dat zij door deze werd^ 
onderdrukt, lag daaraan dat de laatsten zich door hunne 
vuurwapens zooveel sterker gevoelden. 

Nu echter de meeste bergbewoners in het bezit zijn van 
geweren 9 is ook de gulden tijd voor de Endenezen voorbij; 
de kansen zijn nu gelijk en bij een gelijk getal in het voor- 
deel van het bergvolk, want ik geloof dat de Berg-£ndenees 
in persoonlijken moed voor dien aan het strand niet behoeft 
onder te doen. 

Kan men overigens hun moed beoordeelen naar de wijze 
waarop de Endenezen bij onderlinge twisten gewoon zijn elkaar 
te beoorlogen, dan zij hier gezegd dat het de bergbewoners 
zijn, die daartoe worden gehuurd, en ik wil trachten zulk een 
oorlog hier te schetsen. 

Het hoofd van kampong A, in oorlog zijnde met kam- 
pong B, huurt een honderdtal mannen uit een der bergne- 
gorijen tegen betaling aan ieder van een geweer, een parang 
een sarong en een hoofddoek. 

Die soldaten houden verblijf en worden gevoed in de kam- 
pong van A; ieder huis krijgt een paar man ingekwartierd. 

De kampong wordt rondom nog meer gesloten dan zij reeds 
was en de ingangen dicht gemaakt. 

Men waakt nu tegen de aanvallen van B, die juist hetzelfde 
heeft gedaan als A. 

De Endenezen nu laten zich hooren : kanon en geweerschot^ 
zij het dan ook met los kruid, worden af en toe gedurende den 
geheelen dag door gelost; ook van tijd tot tijd 's nachts, om 



Digitized by 



Google 



5a7 

de anderen te waarschuwen: f/kom niet hier, want ik ben 
wakker." 

Zij verlaten de kampong niet en houden zich min of meer 
schuil, zonder te veel aan de eer te kort te doen. 

Het is dag; de door A gehuurde bergsoldaten worden er 
eens op uitgezonden om te zien of ze niet een paar kogels 
aan B kunnen kwijtraken of huizen aldaar in brand steken. 

B ziet hen aankomen, maar vechten in zijn kampong, zóó 
dicht bij hem, neen! dat is gevaarlijk; hij jaagt daarom zijne 
soldaten naar buiten en den vijand te gemoet. 

Gierende en van verre op elkallr schietende naderen de benden 
elkaftr, maar weldra gaat een der partijen of die welke het 
eerst heeft geschoten op de vlugt, want er is geen tijd meer 
om ai^ermaal te laden. 

Zij komen behouden aan den goed bewaakten ingang der 
kampong terug, en ook de anderen, hunne geweren a^escho- 
ten hebbende, achten het nu maar geraden in B van de ver- 
moeijenissen uit te rusten en zich met eten te versterken tegen 
een volgenden veldtocht. 

Die schermutselingen herhalen zich, van tijd tot tijd 
tracht men des nachts de vijandelijke kampong in brand te 
steken, doch men is daar waakzaam en de aanvallers worden 
verjaagd. 

EmdeUjk wordt door al dat schieten een bergman in dienst 
van A doodelijk getroffen en nu komen de weeën. ' 

A moet nu aan den vader of de moeder van den verslagene 
betalen: 

^2 thail goud voor de aijer mata, 
*/j id id voor de aijer soesoe, 
*/j id id voor de ingewanden; 
daarna komen nog de broeders en andere funilieleden , die 
ook wat willen hebben voor de ooren enz: 

Doch dit is nog geen betaling voor het verlies van dien 
man; neen, daarover begint men nu eerst te spreken; inen 
wordt het echter weldra eens, want A betaalt ter vervanging 



Digitized by 



Google 



528 

van den overledene een slaaf, l*/j thail gond , een gong en 
een geweer, en hiermede is deze zaak afgeloopen; wat een 
geluk voor A, dat hij maar één doode heeft. 

Maar de rampen houden voor hem nog niet op, want men 
heeft hem bericht dat B nog niemand heeft verloren en van 
af dat oogenblik houdt hij op zich te wasschen , te baden , 
zijn baard te scheren, zijn haar te kanunen, hij mag niet 
liggende slapen , moet dat zittende doen en daarbij een kléwang 
met de punt omhoog gedurende den geheelen nacht in de 
hand houden, en die treurtoestand blijft zóó lang aanhouden 
tot dat men voor vast en zeker heeft vernomen , dat ook van 
de tegenpartij één of meer menschen zijn gedood , — de schande 
voor A houdt dan op en hij behoeft niet meer te treuren. 

Heb ik daareven verteld wat A moest betalen vqpr een 
gesneuvelde, ook B moet voor dienzelfden man betalen en wel 
aan hem die aanspraak maakt hem te hebben gedood; daar 
er echter meer zijn die er aanspraak op maken, waardoor zelfs 
onderlinge vechtpartijen ontstaan en men onmogelijk kan weten 
wiens kogel heeft getroffen , want er zijn misschien 20 en meer 
schoten te gelijk gevallen, moet de kippedarm maar beslissen, 
wie eigenlijk de man is. 

Men slacht eene kip, onderzoekt de darmen en de persoon 
wordt aangewezen die betaling krijgt of wel de aanwijzing 
spreekt ten gunste van twee of drie personen te gelijk ; de 
anderen maken nu geen aanspraak meer en gaan achteruit. 

Hoe nu te beslissen tusschen de o verblijvenden? Ook 
daar weet men iets op: voor ieder hunner wordt een groote 
passo vol met water aangebracht, op een gegeven oogenblik 
steekt ieder zijn hoofd tot aan den nek toe in het water, en 
hij die het langst er in blijft heeft gelijk, en krijgt 272 thai^ 
goud en andere goederen, omdat hij den vijand zoo mooi 
heeft weten te treffen. 

Zulk een oorlog houdt eerst op, als eene der partijen de vlugt 
neemt of zich voor overwonnen verklaart, in welk geval voor 
iederen gehuurden bergsoldaat één thail goud aan de tegen- 



Digitized by 



Google 



529 

partij moet worden betaald : of wel — wat veelal gebeurt — de 
Radja komt tusschen beide, plant de vredevlag en laat de 
zaak door praters bijleggen. 

Ofechoon een thail goud aldaar hoofdzakelijk uit zilver be- 
staat , ^— van één *ffi sterling maken ze 4 ^ 5 thail goud — 
zoo is zulk een oorlog toch nog kostbaar genoeg en zitten ze 
niet zelden jaren daarna nog onder den druk er van. 

De haat, nijd, en oneenigheden tusschen de Endenezen 
onderling en tusschen deze er de bergbewoners is de hoofd- 
oorzaak, dat op Endeh niet zooveel welvaart heerscht, als anders 
wel het geval zou zijn, onder dat zoo zeer handeldrijvend en 
geldzoekend volk. 

Doch ook de volken uit de verschillende bergnegorijen zijn 
geene engelen onder elkilar. 

Ook zij leven voortdurend in vijandschap en voeren oorlog, 
waartoe de strijd om den grond niet zelden aanleiding geeft. 

De toestand van het grondbezit en het regt van eigendom 
op den grond is daar dan ook geheel anders dan op Soemba, 
waar iedere vreemdeling zich in het bezit kan stellen van grond, 
zonder veel kans te hebben, bemoeijelijkt te worden. 

Op Endeh zijn de grenscheidingen vrij nauwkeurig bepaald, 
dat wil zeggen , ieder wil met juistheid weten wat van hem 
is en daar gaat hij niet af; hij vecht zich liever arm, dan dat 
hij het zich laat afnemen. 

De Endenezen hebben een eigen letterschrift en maken dien- 
aangaande eene gunstige uitzondering op de andere volken in 
dezen archipel, die zich op zulk een teeken van wetenschap 
niet kunnen beroemen. 

Dat letterschrift heeft karakters , die even als onze letters van 
de linker naar de regter zijde worden geschreven ; een en ander 
is zoo gemakkelijk aan te leeren , dat hij , die éénmaal de 
namen der letters goed weet, ook lezen en schrijven kan. 

Zoo niet het meerendeel der Endenezen, dan toch een groot 
aantal hunner kunnen dat dan ook, vooral de vrouwen, die over 
het algemeen er nog meer in bedreven zijn dan de mannen. 

XXIV 22 



Digitized by 



Google 



530 

Vreemd echter is het dat niemand met de behoorlijke volg- 
orde der letters bekend is; als zij ze opnoemen begint de een 
met ha , een ander met a , weder een ander met/a , en noemt 
die letters op, die hem in het hoofd komen. 

Dat iedere letter, wat de volgorde betreft, hare plaatsJieeft, 
even als in het Maleisck en andere talen , waarop ik hen meer- 
malen heb gewezen, daarvan zagen zij Ap noodzakelijkheid 
eerst in , nadat ik hun had bewezen , dat onder een twaalftal 
personen niet één was, die alle letters kon opnoemen, zonder 
er eenige te vergeten. 

De letters zijn meer scherp of hoekig dan rond, wat mis- 
schien is toe te schrijven aan de omstandigheid dat het lontarblad 
als papier en een puntig houtje of wel de punt van een mes 
als pen dient. 

In het eerste vak der bijgevoegde tabel (*) wordt een over- 
zicht dezer letterteekens gegeven ; zij drukken elk eene geheele 
lettergreep uit en hebben in hunnen grondvorm de a als vokaal. 
De verdere vokalen zijn ee ^ o^.ie en oe^ en worden uitgedrukt 
door aan den grondvorm een haak links, een haak rechts, een 
stip boveUj of een stip onder toe te voegen , ten gevolge waar- 
van de a verdwijnt en door een der genoemde klinkers wordt 
vervangen. De .wijze waarop deze teekens worden gebruikt, is 
in het tweede vak der tabel door voorbeelden toegelicht. 

Een Endenees die een ander wil leereu lezen en schrijven, 
begint met bij iedere letter alle vier de teekens te plaatsen, 
wijst elk teeken met den vinger aan: eerst het linker «, dan 
het regter 0, vervolgens het bovenste i?, en eindelijk het on- 
derste oe, en zingt daarbij het volgende stukje, wat immer 
tot slot de drie klanken a, ie^ oe heeft. 



(*) In het handsclirift waren de letters en hunne Yerbindingen in den tekst 
opgenomen, maar om technische redenen is het noodzakelgk geweest ze in eene 
afzonderlijke tabel te verecnigen. De vormen zijn genomen naar het later te 
vermelden lontarblad, terw^l voor transcriptie en toelichting het handschrift ge- 
volgd is. Réd. 



Digitized by 



Google 



531 



a rsboekoe 


ee. 


a rohloh 


0. 


a raté 


ie. 


a rawa 


oe. 


a! ie! 


öe! 


ba raboekoe 


beo. 


ba rohloh 


bo. 


ba raté 


bie. 


ba rawa 


boe. 


ba! bic 


boe! 



bak raboekoe beeh. 

bak rphloh boh. 

bak raté bieh. 

bak rawa boeh. 

bah ! bieh ! boeh ! 

e e 

Tnia raboekoe mbee. 

e c 

mba rohloh mbo. 

mba raté mbie. 

mba rawa mboe. 

e e c 

mba! mbie! mboe! 

En zoo gaat het verder met al de letters. 
Uit het vorenstaande heeft men dus kunnen zien, hoe een- 
voudig dat schrift is, doch de Endenees weet niet hoe te 
handelen met woorden die eindigen met een medeklinker, en 
daardoor is zijn schrift onvolledig. 

Voor toewan schrijft hij toewa of toewana. 
» Sidin // // sidi of sidina. 
^ Abdoel // // Abadoe of Abadoela. 
a poekoel ff m poekoe of poekoela. 
// datang n ir data of datanga. 



Digitized by 



Google 



532 

Ik heb de lieden te Endeh en ook Sjarif en zijne Endenesche 
omgeving te Soemba aangeraden, onder die letter, welke ab 
uitgang of slot moet dienen, een kringetje te plaatsen (bikin 
mati) en dan die letter uit te spreken zonder de eindvokaal 
te laten hooreu. Of men dit echter zal navolgen, weet ik niet. 

Tk zal hierachter een woordenlijst en eenige zamenspraken 
laten volgen en daarmede mijne mededeelingen over de taal 
besluiten. 

Dat de bodem op Endeh vruchtbaar is, heb ik reeds gezegd. 

In het gebergte, ter hoogte van 1000 of meer voet, zou 
ik gaarne zien dat men tot het aanplanten van koffieboomea 
overging en dat zal men wel doen, als de posthouder zich 
moeite geeft en het volk begrijpelijk maakt wat de kofSe 
waard is. 

Wenschelijk zou het zijn, hen daartoe in de gelegenheid 
te stellen door het zenden van goede zaad-koffie; ook zou ik 
gaarne zien dat als geschenk aan den Radja van Endeh wer- 
den toegezonden een dekhengst en tien merriepaarden van 
Soemba, met bepaling dat gedurende de eerste tien jaren geen 
paarden daarvan mogen worden verkocht en die paarden immer 
het eigendom blijven van hem, die als Ead ja over Endeh regeert. 

De groote vlakte van Endeh heeft uitmuntende weidegronden 
en is dus voor paardenfokkerij zeer geschikt. 

Ik geloof dat zulk een geschenk, ter waarde van ƒ 500, 
door de Radjas en het volk met dankbaarheid zou worden ont- 
vangen. 

Na afloop van eene met de Hoofden gehouden vergadering, 
hoorde ik een pantoen zingen door de Endenesche vrouw Ka- 
djaldni. Op mijn verzoek werd die pontoen op lontarblad 
met de punt van een mes geschreven en de letters vervolgens 
Kwart gemaakt. (Het lontarblad en een mes zijn de gewone 
schrijfgereedschappen te Endeh). 

Een facsimile van die pantoen wordt gegeven in het derde 
vak der tabel , terwijl het volgende daarvan eene transcriptie is : 

Toeah wioh maih taoeh mohroh ngasi. 



Digitized by 



Google 













ay "^ 


^1 


mC 


ccy 


^ X 


• 


i/>£^ 


• 


i^y X 


rX 


P^ 


r^ 


^^ y/" 


ro 




oT 


'm^^ X 


• 


<j^> 


• 

O 


.aay / 


• 


^oe^ 


o 

• 


^ ^ 


N^l 


^^ 


' ^ n 


^ % ^ 


->T 


Se^ 


• 


^ay ^ <^ 


• 


^if^ 




7u/a' X. 


• 


«f«<^ 


-/v/s 




r:» 






• 




• 


/eJ. 


O 








^^^^ . 






^l^ \ 


■'>>':^ 








T -ooi 




A O 


f f/^'^V/' 


r.'v>ox or -^ 


>^eéi 


■<•<- 


>^ <^ r 


» 




A^ 










A r. 










. 




0f4^njü'J Jro t 


::z«y.vA..^^;..:-; 



Digitized by VjOOQIC 



Digitized by VjOOQIC 



583 



Sohdoh ata iigaée Radja na taoeh ndéna tauah. 

/ c c 

Nohtoh tanah ndenah mara maée ugéra^ 
Paih waroe ahroh ohroh djidjoh djadjoh. 

o cc 

Marah koepauiah ngesoe pienda-pienda. 

e 

Pienda pawee maée saili sarge. 

Takoe kita ata Éhudé ohroh mara reh 

Volgens algemeen gevoelen, wordt die pantoen in het En- 
deneesch schoon geheeten , doch men is niet in staat dezelve 
in een andere taal terug te geven , zonder er veel van verloren 
te doen gaan. 

De met de Endenesche taal goed bekende Arabier Sjarif 
Abdul Rachman en zijn zoon Oemar , welke laatste te Endeh is 
geboren, hebben de volgende vertaling er van geleverd: 

Toewan Soemba soeda datang, atoerannja betoel, bitjara 
bagoes sama Badja-radja sopaija tanah djadi baik ; kaloe kita 
orang sekaraug toëroet itoe pengadjaran nanti negri kita jang 
sekarang ada miskin, tiada boleh dapat tjelaka; sekarang kita 
orang jang soeda ada dibawah parentahnja kompanie pikir baik- 
baik, sopaija orang-orang tiada djadi trebang. 

Soetnba, October 1872. 



Digitized by 



Google 



WOORDENLIJST en ZAMENSPRAKM 

IN HET 

lOLLAlïDSCH M EIÏDEÏEESCI. 



In de Endenesctie taal valt de klemtoon op de 
voorlaatste lettergreep. 



aan 


séna 




aanbiJden 


basa doa 




aandeel 


bagi 




aandoen (een plaats) 


toeri 




aanduiden 


sëpoe 




aangenaam 


deie até 




aangezicht 


nia 




aanhalen (streelen) 


hohsoh 




aankijken 


tohroh 




aanklagen 


bana nia ata 


e 

ngaee 


aannemen 


simoh 




aanraken 


téli 




aanranden 


deo 




aansteken 


daki ira 




aanstonds 


serama 




aanzienlijk (veel) 


wohsoh 




aanzienlijk (persoon) 


ata méré 




aap 


róa 




aard (karakter) 


ate' 





Digitized by 



Google 



535 



aard (wijze, manier) 


roepa 


aardappel 


owi 


aardbeving 


apoe wéo 


aarde 


tanah 


acht 


e 

romboetoe 


achter 


ronggo 


achterhalen 


dekó 


achterlast 


toekaroh 


achtermiddag 


rerararé 


achttien 


c ^ 

semboeroe asa romboetoe 


adelijk 


biedja 


adem 


e 

ngaie 


ader 


oera 


afbreken 


saee 


a%ezant 


koeni 


afgunst 


e 

memboe 


afraden 


roeti 


afstammen 


rohé rohé 


alledagen 


néee rëra rëra 


alleen 


saiemoe, mésa 


alles 


mbëdjah 


als 


wangi 


altijd 


kére héboh, méma pa& 


ambachtsman 


e 

ata ngasoe 


ananas 


anana 


ander 


pesah 


anker 


watoe radjoh 


ankeren 


tiwa 


antwoord 


taroe 


arbeid 


ohroh këma 


arm 


miski 


arm (de) 


rima 



Digitized by 



Google 



536 



armband 


gëra 


asch 


awoe 


avond 


e 

koh mbé 


azijn 


niroe. 


baai (inham) 


rekoh 


baard 


koemi 


baden 


rioh 


bakken 


e 

rergoh, renda, 


balk 


c 

ngora 


bamboes 


aoe, pèri 


banneling 


ata poké imbé 


baren (kinderen) 


dadi ana 


bast 


oeie kadjoe 


bed (slaapplaats) 


ohroh éroe 


bederven 


réee 


bedoelen 


ngéré na 


bedriegen 


kéo kan 


beek 


nanga diki 


beenderen 


tohkoh 


beenen 


ah ie 


begieten 


rékah 


begin 


róee róee 


begraafplaats 


ree raté 


begraven 


tané 


begrijpen 


c 

mbéoh 


beitel 


taka 


bekommerd 


ate soesah 


bekomst 


mboh-oh 


bekwaam 


e 

ata mbéoh 


belasting 


béa 


beleedigen 


taoe méa 


beletten 


roeti 



Digitized by 



Google 



537 



beloonen 


baja 


beloven 


papa djadji 


beminnen 


nara deeie 


beneden 


réwana' 


benijden 


c 

memboe 


beproeven 


rapa 


bereiden 


nana moroh 


berg 


kéri 


bericht 


oe 


berouw 


mor^ 


beschaamd 


méa 


beschadigd 


réee 


beschonken 


e 

mboe 


beschuldigd 


pee tènie 


besmettelijk 


daki 


bespotten 


taoe méa 


betalen 


baja 


betel 


•méngi 


beter 


pahwee risi 


bevel 


parétah 


beven 


bidi 


bevolking 


ata raoné noea 


bewaken 


djaga 


bewaren 


moeie 


bewegen 


mékoh 


bezem 


ngoni 


bezitten (hebben) 


ratoe 


bezweren 


poré, djadji 


bidden 


rina doa 


bieden 


tawa 


bij 


sèna 


bij (honig) 


ëro 


bijaldien 


wangi 


biieen 


bo 



Digitized by 



Google 



538 



bijl 


taka 


bijna 


wè ee 


bijslapen 


papa dee ie 


bijstaan 


toeloe 


bijten 


kiki 


billen 


rohdéh 


binden 


riké 


binnen 


réonee 


bitter 


baie 


blaar 


boeri 


blauw 


mêta 


blad 


woenoe 


blaffen 


poroe 


blazen 


roepi 


blijk 


tanda 


blijven 


marrah 


bliksem 


kira 


blind 


gibé 


bloed 


ra 


bloedverwant 


sadji 


bloedzuiger 


maté 


bloei (welvaart) 


boree 


bloem 


woonga 


blusschen 


tau mata api,*pèra 


boete 


bahtoe 


bok 


roongo moesa 


bont (gevlekt) 


kérah 


boom 


poe oe 


boonen 


e 

mboe ee 


boos 


até tanggoh 


boot 


sapa 


bord 


bah 


borgen 


sahpoe 


borst 


soesoe 



Digitized by 



Google 



SS9 



bos 

bosch 

boven 

braken 

brand 

breed 

breken 

brengen 

brief 

broeder 

broek 

bron 

broodboom 

buffel 

buigen 

buik 

buisje 
buiten 
bundel 



oedjoe 

oné bennee 

rétawawo 

moetA 

moeee 

méré 

bia 

mèndi 

soerah 

arie kaee ata aki 

seraké 

oeroe ai 

poe oe karara 

kaomba 
djoekoe 
toeka 

e 

ramboe 

réronggoh 

katoe. 



citroen 

daad 

daar 

daarom 

dag (de) 

dagelijks 

dak 

dal (vallei) 

dalen 

dan 

dansen 

dapper 
darm 



ngaroe tèroh. 

ohroh kèmah 

rèraré, sèna 

ngéréna 

rèrah 

nèrara 

até 

rohwoh 

waoe 

waoemoeri 

tódja 

e 

mbani 
toekab 



Digitized by 



Google 



540 



dat 

dauw 

dekken 

delven 

dempen 

denken 

dertien 

dertig 

deur 

deze 

dezelfde 

die 

dief 

diep 

dik 

dikwijls 

dit 

djagong 

dobbelen 

doch (maar) 

dochter 

doctor 

doek 

doel (plan) 

doen 

dolk 

dom 

donderen 

donker 

dood 

doof 

doom 

dor 

dorp 



noré 

apoe 

toetoe 

kohwee 

botie 

piki 

semboeroe asa tarroe 

e 

mboeroe tarroe 
péré 
uah 

kahrina 
noré 

ata naka 
rèma 
kapah 
rètah 
nah 

oroh djawa 
éngé dohboh 
ngaie, kahri ngéré na 
ana ata fai 
ata mari 
kasa 
nara 
k^ma 
soendoe 

c o 

bodo, mbéembo 

e 

tègoe ndèroe, béroh 

mirah 

mata 

doka 

kahroh 

toeoe 

kapoh 



Digitized by 



Google 



541 



dorst 


moah 


draad 


réroe 


draaijen 


poré 


dragen 


waangga 


drek 


taie 


drie 


tarroe 


drinken 


minoe 


droevig 


soesah 


dronken 


e 

mboe 


droog 


toeoe 


droomen 


nipi 


droppel 


ndetti 


druipen (lekken) 


mohsoh 


drukken 


tinni 


duidelijk 


• dègah 


duif 


kohroh 


duim 


kanga méré 


duivel 


séta 


duizelig 


rigi 


duizend 


sariwoe 


duizendpoot 


nipa koewa 


dun 


nipi 


durven 


e 

mbani 


duur 


wèrie 


dwaas 


biengoe 


dwingen 


noka. 


eb 


matti maai 


echtgenoot (man) 


ata ahti 


echtgenoot (vrouw) 


ata fai 


eed 


djadji, póre 


eelt 


koemba 


een 


sa asa 


eend 


kapi 



Digitized by 



Google 



542 



eenmaal 

eenvoudig 

eenzaam 

eerst 

eeuwig 

effen 
ei 

eigenaar 
eiland 

einde 

eindigen 

elf 

elleboog 

en 

erkennen 

erwten 

eten 

etter 

europeaan 

eveneens 

fakkel 
familie 



fijn 

flikkeren 

fluisteren 

foei 

fokken 

foppen 

forsch 

fort 

fraai 

frisch 



sendaka 

n6a 

ie 

moeroe 

méwA paa, kéré héboh 

e e 

ndéna , nd^ttoe 

tëroh 

koh oh kahri 

noesa 

c 

mbedja 

doe oe 

semboeroe saasa 

sikoe 

na 

soHdoh moro 

e c 

mboko mboko 

kaa 

nana 

ata bara 

sama weeee, sama morga 

soa 

ari kaéé 

rgomah 

ahloe 

kirah 

ngaoe 

heh 

piara 

solidoh réwo 

tèngoh 

kottah 

sahré 

e 

ondah, nüigi 



Digitized by 



Google 



543 



gaan 



mbana 



gaar 


mboh toh 


gaarne 


dee-ie até 


gapen 


moa sohroh 


garen 


réroe 


garnalen 


koera 


gast 


ata maai 


gat 


e 

mbanga 


gauw 


rama 


gebak 


orohkah 


gebergte 


kéri 


gebeuren 


dadi 


gebieden 


parétah 


gebieder 


c 

ata ngaee ata paretah noea 


geboren 


dadi ana 


gebrek 


e 

mbapoe 


gebruik (gewoonte) 


ada 


gebruiken 


paké 


gedaan 


e 

mbedja ipelakh kama 


geduld 


sabab, nassie 


gedwee 


maoe 


geel 


koene 


geen 


iwa apa apa 


gehoorzaam 


déko ai ngasi 


geit 


rohngoh 


gek 


c 

mbiengoe 


geld 


oewah 


gelooven 


persaja 


geluid 


e 

sèroe, mboh 


gemakkelijk 


noa 


genegen 


dee-ie 


genoeg 


rgèna 




Digitizedby VjOC 



544 



gereedschap 


ohroh k^mmah tau 


geslacht 


koenoe woéé 


geurig 


mkngé 


geven 


pati 


geweer 


c 

mbèndi 


gewoon 


biasa 


gezant 


koeni, ohroh koeni 


gezond 


iwa roh 


gids 


c 

ata mbéo rara 


gierig 


tie-ie 


gij of u 


kaoe 


gisteren 


noemai 


glad 


masa 


God 


aiah 


goed 


pahwée 


goedkoop 


moera 


goK 


nga rga 


goud 


wéa 


graf 


raté 


gras 


koeroe 


graven 


koh-ée 


grijpen 


déo, podjo 


grijs 


oewa 


grijsaard 


c 

ata mboepoe 


groeijen 


e 
tAHlboO 


groen 


m^ttah 


grof 


oera méré 


groot 


méré 


grootvader 


amboe 


grootmoeder 


amboe ata fai 


gulzig 


kahra patangé 


haan 


manoe raroe 


haar 


foe 



Digitized by 



Google 



545 



hakken 


wéra 


hak- of kapmes 


topo 


halen 


mara 


half 


sè.tè.nga 


hals 


ngora, tangoe 


hamer 


pKssa 


hand 


rima 


handelen 


pésoe daga 


handelaar 


ata daga 


handtekening 


e 

tanda rima 


hangen 


téoh 


hard 


e 

tango • 


hars 


nana khadjoe 


hart 


até 


hartzeer 


até roh, até soesah 


haven . 


ohroh tiwa 


heden 


rarana 


heer 


c 

ata ngaéé 


heerschen 


tèké noea, paréhtah 


heet 


pètoe 


heg 


kopo, asa 


heilig 


bisa 


heksen 


pohroh 


helder 


dja 


helpen 


woea mèsoe, raka 


hemel 


soeroega 


hen (kip) 


manoe mètoe 


hengelen 


tanika 


hersenen 


ohtee 


hert 


roesah 


hier 


e 

ndia 


hij of zij 


kari 


hinken 


djéoh, djindé 



Digitized by 



Google 



546 



hoedanig 


roepa kari 


hoelang 


saapa ébo 


hoen 


manoe 


hoer 


ata fei ata taoe réwo 


hoest 


méké 


hond 


rakoh 


honderd 


sangasoe 


honger 


e 

mbapoe 


hoofd 


oeroe 


hoog 


c 

djanga (djangga) 


hooren 


rere 


hoorn • 


doeie 


hout 


khadjoe 


huichelen 


kéo kau, foenoe mboee< 


huid 


oe ie 


huilen 


rita 


huis 


saoh 


huren 


séwah 


hurken 


tigi rigi 


huwbaar (meisje) 


ata oh fai 


huwelijk 


nika kawie 


huwen 


nika 


ieder 


c 

mbêdja mbedja 


iemand 


sa iemoe 


iets 


apa apa 


ik 


djaoh 


immer 


saheeboh eeboh 


in 


réoné 


inboorling 


ata ngara noea 


indigo 


taroe 


indoen 


poesi tama 


inhalig 


ti 


inham 


rèkoh 



Digitized by 



Google 



547 



inhoud 


isi 


innen (ontvangen) 


simoh 


ivoor 


soe ee 


ja 


fcoh oh 


jaar 


iwah 


jagen 


tandoe 


jammer 


woea mèsoe 


jeuk 


katee 


jokken 


»• 
mbohdoh 


jong 


ngoera 


jongeling 


ata noea moeri 


jong meisje 


ata oh fai * 


juist 


moh roh 


kaal 


pogoe 


kaap 


ngaroe 


kaauwen 


ngadjoe 


kak 


ta-ie 


kakkerlak 


Fgie 


kalk 


oh ka 


kam 


keTcee 


kamer 


mbéki 


kaneel 


khadjoe mani 


kanon 


moeria 


kapok 


* c 

wonga mboa 


karbouw 


e 

kaamba 


kat 


éh óh 


katoen 


réroe 


keel 


ngora 


kennen 


e 

mbéoh 


keten 


rati 


keuken 


rapoe 



Digitized by 



Google 



548 



kies 

kijken 

kin 

kind 

kinderbaren 

kleeding 

klein 

knap 

knevels 

knie 

knijpen 

knippen 

koe 

kogel 

koken 

kokosnoot 

komen 

koning 

koningin 

koopen 
koorts 
koper 
koperdraad 

koralen 

kort 

koud 

krank 

kruit 

kruipen 

kuü 

kuiten 

kus (zoen) 

kussen (hoofd) 



mie wara 

toh roh 

wèrie 

ana 

dadi ana 

ohroh paké 

diki 

sia 

koemi kodjo 

e 

mboekoe 

koewie 

goeti 

sapi 

ana btindi 

poa nasoe 

nio 

maai 

radja 

e 

fai koö ata ngaee radja 

e 

mbiUtah 
pètoe 

permata', gërrah 
kawat 

e 

mboetoe 

boh koh 

kètéh 

roh 

aroh ohroh pasa 

raga 

ria 

taro mano 

piroe 

ranie 



Digitized by 



Google 



549 



kust of strand 


siengi ana 


kwaad (boos zijn) 


c 

mbani 


kwaad (slecht) 


reh èh 


kwellen 


djorgah 


kwetsen 


nèkah 


laag 


wènah 


laagwater 


mJttti toeoe 


laat 


rerah rare 


ladder 


tanggi 


lagchen 


tawa 


lam 


djéoh 


lang 


rewa % 


langs 


ré siengi 


langzaam 


mawé mawé 


lans 




toembah 


lanssteek 


c e 

sanga néee toembah 


laster 


kéo kaoe 


ledig 


panga 


leedwezen 


woea mësoe 


leelijk 


iwa saré 


leeren 


perah 


leggen 


e 

pambé, moeie 


lekker 


pawee 


lepel 


soeroe 


leven 


moeri 


licht 


dja 


lief 


mie 


liefde 


dee-ie atd 


liegen 


e 

mbohdoh, sohdoh réwoh 


ligchaam 


tamboh 


liggen 


éeroe 


liet 


féa 



Digitized by 



Google 



550 



likken 


raie 


limoen 


e 

ngaroe tèroh 


links (linker) 


c 

ngéoe 


lippen 


moemoe 


listig 


keo kaoe 


lokken 


badje 


lommer 


e 

niendi 


lood 


e 

mbara mité 


loopen (gaan) 


e 

mbaua 


loopen (vluchten) 


pdroe 


los 


e 

ohndah 


loslaten of losmaken 


werroe 


lui 


oera bahra 


luiaard 


ata oera bahra 


luis 


koetoè 


luisteren 


réré 


lust 


déie 


maag 


oeroe ate 


maagd 


ata oh fai 


maan 


woerah 


maand 


woerah 


maar 


kahri ugéré na 


mager 


noko 


mak 


maoe 


maken 


k^mma 


man 


ata aki 


mangga 


paoe 


mast 


mangoe 


mat 


te-eeh 


matroos 


sawie 


mededeelen 


soh doh 


medicijn 


woenoekhadjoe 



Digitized by 



Google 



551 



meenen 

meer 

meer (water) 

meest 

meisje 

melk 

mensch 

merrie 

mes 

meten 

middag 

mier 

mij of mijn 

misdrijf 

misschien 

misselijk 

mist 

modder 

moe 

moeder 

moedig 

mond 

mooi 

moord 

morgen 

mug 

muis 



kira kira 

rési 

aroh 

ata vési 

ana ata fai 

aee soesoe 

ata 

djara mSttoe 

pisoe 

ooekoe, rah kée 

rara rètoe 

mètoe 

dja oh 

sara 

takoe ratoe, ajée 

até réh 

aete apoe 

bètah 

moh 

iné . 

mbani 

wiwi 

saré 

mata senggah 

wai sia 

kepa 

téoe 



naaijen 

naakt 

naald 

'naam 

naar 

naarstig 

nabij 

nacht 



sati 

ówa 

raroe 

ngara 

véh 

boegoe 

wééh 

e 

kombée 



Digitized by 



Google 



552 



nadeel 
•nagels 
nalatenschap 
namiddag 

nat 
navel 
neef 
neen 



negentig 

negorij 

neiging 

nek 

nemen 

nergens 

neus 

nicht 

niemand 

niet 

niet^ 

nieuw 

nieuwsgierig 

niezen 

nijdig 

nijptang 

nijver 

nog 

nog niet 

nood 

noodig 

noodeloos 

noodloot 

nu 

nu en dan 
nuttig 



roegi 
koengoe 
nëpé 
rèrararé 

e 

mhasa 

poesé 

ané ata aii 

iwa 

tara asa 

e 

mboeroe tara j 

noea 

nawsoe 

poeoe tangoe 

mara 

mohroh amba 

iéroo 

ané ata fai 

ata iwa 

iwa apa apa 

iwa apa apa 

moeri 

ata nara réré 

fenah 

e 

até tangoh 
ngapé 



wan 

ra^e 

soesah 

nara 

iwa goena 

silaka 

na 

néee ndaka ndaka 
goena 



Digitized by 



Google 



558 



nutteloos 


iwa goena 


ochtend 


pod raée 


oester 


tiré 


oever 


résingi aee 


of 


rgoh 


oflferen 


pa & fambé 


olie 


rèngi 


omdat 


poe oe 


omdraaijen 


bare 


omhelzen 


kéoe 


omwinden 


wóee 


onaangenaam 


iwa deeie 


onbegrijpelijk 


iwa kira 


onbeschaamd 


iwa méa 


onbevreesd 


iwa takoe 


onder 


ré wenna 


onderdanig 


ada 


onderrigt 


toeloe pérah 


ondeugd 


réhéh 


ondeugend 


djorga 


ondiep 


sérah 


ongeduldig 


iwa saba 


onkosten 


e 

belaandja 


onmiddelijk 


serama 


onmin 


iwa papa moro até 


onmogelijk 


iwa dadi 


onrecht 


sara 


onrijp 


raee téa 


ontbieden 


nioe 


ontevreden 


atë iwa maro 


onthouden 


maee kèroh 


ontkennen 


iwa mefigakoe 


ontlasting 


e 

bana djaamba 


ontmoeten 


patéie 


XXIV 





Digitized by 



Google 



554 



ontnemen, ontroovcn 


mbooe, rapatangé 


ontvangen 


simoh 


ontwaken 


éroe taoh 


ontzag 


takoe 


onverhoeds 


gedoe 


onverschillig 


iwa padoeli 


onvoorzichtig 


iwa djaga 


onwillig 


baro, iwa déko 


oogst 


poeiesaee 


ook 


morga 


oom 


baba soesoe 


oor 


ieuga 


oorbeUen (oorringen) 


tiemboe, soewoh 


oorlog 


papa taoe 


oorsprong 


roee roee 


oorzaak 


poeoe 


oosten 


timoe 


op 


reta wawo 


opdat 


rohoh, mekó 


open 


kaie 


opeten 


c 

ka mbidjah 


opklimmen 


naie 


opletten 


djaga 


opligten 


réngi 


oprapen 


piri 


oproer 


ahoo, iedjoe 


opregt 


c 

toe oe mbëee 


opstaan 


toh-oh . 


opvouwen 


rèpéh 


opzettelijk 


nara méma 


oranje-appel 


9 

moendé mie 


order (bevel) 


parehtah 



Digitized by 



Google 



555 



oud 


mboepoe 


oaders 


iené baba 


over 


e 

nia ndaka 


overal 


giri 


overdekken 


até 


overlijden 


wèroe 


overmorgen 


wengi roea 


overspel 


përah 


overspringen 


modi 


overstrooming 


e 

aée mbëka 


overzijde 


wara sepapa 


paal 


rèké 


paard 


djara 


paardrijden 


saka djara 


paarl (parel) 


moetiara 


paarlemoer 


oeie moetiara 


pad (voetpad) 


rara 


padi 


pare oeie 


pantalon 


serakë 


papier 


kerta 




c 

mbëroe 


pees 


oera 


pellen 


wiendoe 


.peper' (spaansche) 


kohroh 


permissie 


ngaroh 


peuteren 


kohwee 


pijl 


véhéh 


Pij^ 


roh 


pinang 


ëhoe 


pink 


kanga diki 


pis 


aee siengie 


pisang 


moekoe 



Digitized by VjOOQIC 



566 



pistool 


mbindi iki 


pit 


e 

mboko 


plaats (plek) 


ohroh xnSrra 


plagen 


woree 


plan 


nara 


plank 


benga 


planten 


moera 


plat (vlak) 


e 

mbéna 


pligt 


toe oe mbee ee mbée ée 


plukken 


sowa, poe ie 


plunderen 


e 

mbooe 


poep 


taie 


poes 


ih oh 


pogen 


rapa 


pokken 


riee kahdjoe 


pokdalig 


pira riee kahdjoe 


pot 


anga 


praten 


ngasté 


priester 


ima 


prikken 


doesoe 


prins 


ana radja 


princes 


ana radja ata fei 


prijzen 


oe 


proberen 


rapa 


proeven 


rapa neee wiwi 


pronken 


gaa 


pruttelen 


c 

pèkoe ndangoe 


punt 


c 

sèpoe, roh mboh 


puntig 


e 

poh mboh 


put 


nakoe 


putten 


tékie 



Digitized by 



Google 



557 



raad (overleg) 


mbabo 


raadsvergadering 


papa kamee 


raak 


• e 

ngana 


raar (zeldzaam) 


e 

iwa mbaie 


raauw 


mètah 


raden (raadgeven) 


toeloe ngasi 


ram 


ramboa mosa 


ramp 


silaka 


rand 


résiengi 


ras 


asa 


rat 


teeoe 


redden 


ria 


reden (oorzaak) 


poeoe 


ree of reebok 


roesah 


reede (ankerplaats) 


ohroh tiwa 


reeds 


e 

mbidja 


regelen 


nana 


regen 


oera 


regeren 


paréhtah 


regt 


rata 


regterhand 


e 

rima ngana 


regtmatig 


ria 


regt5 


ngana 


regtspraak 


aingasi hoekoe 


regtnit 


moro 


rein 


masa 


reinigen 


taoe masa 


reizen 


c 

mbana 


rekenen 


kira 


reuk 


waoe 


ribben 


toko ronggo 


rif 


oeroe mètie 



Digitized by 



Google 



558 



rijden 


saka 


rijk 


baanda 


rijp 


téah 


rijst (in den bolster) 


are oeie, pare oeie 


rijst (ontbolsterd) 


aré isi 


rijst (gekookt) 


e 

are mboto 


rijstveld (laag) 


oema pare aee 


rijstveld (hoog) 


oema pare mara 


ring 


ngoeroe 


rivier 


nanga 


roeijeu 


wèsah 


roepen 


nioe 


rond 


moondah 


rondom 


giri 


rood 


toroh 


rook 


noe 


rookeii 


moesoe bako 


rooven 


e 

mbooe 


rots (klip) 


roesoe 


rotting 


oewa 


rug 


ronggoh 


miken 


ngoeroe 


ruilen 


ngéroe 


ruimte 


oonda 


rumoer 


iedjoe 


rust (vrede) 


ie 


rusten 


doeoe 


rustig 


séna 


ruw 


oera mété 


ruzie 


papa béo, papa popo 


sabel 


sepada 


sandelhout 


kadjoe ata 



Digitized by 



Google 



559 



sarong (mannen) 


roeka 


sarong (vroawen) 


rawo 


schaamdeel 




ohroh méa 


schaamte 




méa 


schaap 




ramboe 


schaar 




goeti 


schaarsch 




iwa mbaie 


schade 




roegi 


schaduw 




nénoe 


schaken (een 


meisje) 


paroe doko ata o&i 


scheef 




réko 


scheel 




siejoe 


schelden 




e 

mbatoe 


schelp 




e 

haie ndara 


schermen 




héngé néee mèno 


scherp 




réh-ee 


schertsen 




ngasie éngé 


scheuren 




wira 


schielijk 




lama 


schieten (met 


vuurwapen) 


rapa tanda 


schieten (met pijl en boog) 


rapa pana 


schil 




oe-ie 


schud 




giri 


schildpad 




kéra 


schillen 




wiendoe 


schimpen 




féré 


schip 




kapa 


schipper 




anakodah 


schoppen 




kendah 


schorpioen 




ahti 


schouder 




wara 


schreeuwen 




kerah, ohoe 


schreijeu 




rita 


schrijven 




toeli 



Digitized by 



Google 



560 



schrikken 


gedoe 


schuilen 


roko 


schuins 


kin 


schuit 


radjoh 


schuld (fout) 


sara 


schulden 


sèpoe 


sidderen 


bidi 


sirih (betel) 


mèngi 


siroop (stroop) 


aée gohla 


slaaf 


ata oh oh 


slaan 


poongga 


slaapplaats 


ohroh éroe 


slag (knal) 


e 

mboh 


slagten 


rohréh 


slang 


nipa 


slapen 


éroe 


slaperig 


rëngoe 


slavin 


ata oh oh ata &i 


slecht 


reh eh 


slechts 


toengga na 


sleutel 


ana koesie 


slijk 


bita 


slijm 


e 

ndSrah 


slijpen 


dahri 


slikken 


wèré 


slim (sluw) 


sia 


slingeren 


Téh 


sloep 


skoesi 


slot 


mbobo roongo 


sluiten 


réoe 


smaak 


rasa 


smal 


oné diki 


smeden 


tonggoh 


smelten 


rara 



Digitized by 



Google 



561 



smerig 


raki 


smid 


ata ngassoe soea 


snaar 


tari satoh 


snel 


rama 


snijden 


e 

ngetteh 


snorken 


e 

mbohroh 


snot 


benné 


snuiten 


poie woki 


Soemba 


wio 


solderen 


piedjó 


som 


djoemala 


somtijds 


e e 

ndaka ndaka 


soort 


roepa 


Spaansche peper 


kohroh 


spek 


isi wawi 


spel 


éhngé 


spenen 


werroe soesoe 


spiegel 


nénoe 


spijker 


pakoe 


spijs 


oroka 


spin 


g&rgia 


spinnen 


ohroh kèma gikrgia 


spinrag 


ohroh mèra 


spioneren 


kohdoh 


splinter 


ndoenoe 


spoed 


rama 


spook 


ata poro 


spotten 


ngasi réee 


spraak 


ngasi 


springen 


moedi 


sprinkhaan 


po-ie 


spuwen 


niroh 


staal 


soeanga 



Digitized by 



Google 



562 



staan 


dari 


staart 


éko 


stal 


kopoh djara 


stam 


poe oe 


stAmpen 


wadjoe 


stank 


waoe réee 


stapelen 


papa toenda 


steen 


watoe 


stefl 


kin 


steken 


sanggah 


stelen 


naka 


stellig 


têtoe 


stem 


sëroe 


ster 


e 

ndara 


sterk 


tanggoh 


sterven 


wai mata 


stevig 


nègi 


stijf 


toera 


stijfkop 


oeroe watoe 


stü 


hi ie 


stinken 


waoe réee 


stoel 


kedéra 


stof 


awoe 


stok 


ndSké 


stom 


ngoh ngoh 


stoomschip 


kapa api 


storm 


e 

mbata ngara 


storten 


rokah 


stout 


djarga 


straat (zee-engte) 


sala 


straks 


sèrama 


strand 


réh singi ana 


stranden 


réto 



Digitized by 



Google 



56S 



strelen 


badje 


streng 


ata tanggoh 


strik 


bob ée 


stroo 


koeroe toeoe 


strooijen 


wésa 


stroom 


raie 


strot 


e 

ngorah 


struik 


khadjoe kadjoe diki 


struikelen 


sidi, doeka 


stuipen 


toeka naké 


stuk (een) 


sepoie 


stuk (gebroken) 


mbia 


suiker 


gohla 


suikerriet 


tawoe 


taal 


ngasi 


tabak 


bako 


tabaksblad 


woenoe bako 


tachtig 


e • 

mboeroe roe amboetoe 


tafel 


médja 


tak 




ngaéi 


tam 


maoe 


tamelijk 




toenga 


tamarinde 


naangé 


tand 


ni-ie 


tasten 


rama 


taxeren 


poesi wërrie 


te 


na 


teder 


abkoe 


teef 


rokoh m&ttoe 


teeken 


taanda 


teen 


kahnga ie 


tegelijk 


sama sama 



Digitized by 



Google 



564 



tegenstreven 


lawa 


tegenwoordig 


na 


tegenzin 


ngaroe 


telkens 


sendaka sendaka 


tellen 


kirah 


tepel 


• 
mboko soesoe 


tergen 


géboh 


terstond 


na, serama 


terogbrengen 




mindi waroh 


teruggaan 


e 

mbana waroh 


thans 


na 


tien 


samboeroe 


tienmaal 


e 

ndaka samboeroe 


tijd 


wakatoe 


tijding 


réréoe 


tillen 


e 

reengi 


timmerman 


e 

ata ngasoe kahdjoe 


tin 


e 

mbra bara 


titel 


e 

ngéroc 


toebehooren 


koh oh 


toelaten 


m^o kan 


toen 


wakatoe na 


toereikend 


e 

toenga 


toespreken 


e 

mknga 


toestaan 


m^o kari 


toevallig 


oetoe ata 


toeval (ziekte) 


nia mira, gègi 


toevertrouwen 


ohroh persaija 


toezien 


tohroh 


tolk 


djoeroe-basa 



Digitized by 



Google 



565 



tong 


rèmah 


toonen (wijzen) 


pérah 


toom 


até tanggoh 


toorts 


isa 


toovenaar 


ata pohroh 


tot 


rgena sena 


touw 


tari 


traag 


oera bara 


trachten 


rapa 


tranen 


aée roe 


trap 


tangi 


trappen 


kènda 


treffen (raken) 


e 

kèna, ngena 


trekken 


hela 


treurig 


soesah até 


troep 


bo oe 


trom 


e 

raamba 


troosten 


rgéwo 


trotsch 


rèné 


trouwen (met eene vrouw) 


fai aki 


trouwen (met een man) 


ata fai wai aki 


tuin 


oema 


tuinman 


e 

ata ngasoe oema 


Turksche tarwe (maïs) 


oroh djawa 


tusschen 


ara 


twaalf 


sUmboeroe asa roewa 


twee 


asa roewa 


tweede 


ata asa roewa 


tweedragt 


papa popo 


tweelingen 


e 

ana ndowa 


tweemaal 


e 

ndaka roewa 


twijfelachtig 


iwa mohroh 



Digitized by 



Google 



twijfelen 



566 

até bidi 



twintig 


mboeroe loewa 


twisten 


papa sara, papa béo 


n 


kaoe 


nije 


somoe 


uit 


waoe 


uitbarsten (springen) 


e 

mbia 


uitblazen 


roepi api 


uitbreiden 


sérga 


uitbroeijen 


nèké 


uitdooven [(vuur) 


sawoe, pra 


uitdrukkelijk 


tètoe 


uitduiden 


pati mengerti 


uiterlijk 


roepa kan 


uitgaan (wandelen) 


e 

mbana héngé éngé 


uitgaan (het tuut) 


api mata 


uitgaven 


. blaandja 


uitgaven 


waoe wa 


uithollen 


koré banga 


uithouden 


taha 


uitkiezen 


e 

ngaré 


uitkomen (op hetzelfde) 


sama morga, sama i 


uitlagchen 


taoe tawa ata 


uitleggen 


pati mengerti 


uitplunderen 


mbo-oe 


uitschelden 


e 

mbatoe 


uitstaan (volhouden) 


taha 


uittrekken 


k^oe 


uitvlugt 


ngéré ata iwa 


uitwendig 


roepa reroenggo 


uitzenden 


koeni 


uitzoeken 


e 

ngaré 



Digitized by 



Google 



567 



Uitzuigen 


moesoe 


uw 


koh oh kaoe 


vaak (dikwijls) 


rëtah 


vaartuig 


radjoh 


vadem 


rapa 


vader 


baba 


vallei 


siengi kéri 


vallen 


e 

messoe, mboka 


vallende ziekte 


gëgi, nia mira 


valsch 


sara 


van 


réh 


vangen 


tèké 


varken 


wawi 


vatten 


padjo 


vechten 


papa taoe 


vee 


binata 


veel 


wohsoh 


veertien 


semboeroe asa woetoe 


veertig 


• 
mboeroe woetoe 


vegen 


ngoeni-ngoeni 


veinzen 


badje, woree 


velerlei 


roepa woh soh 


vellen (omhakkend 


pdka 


venster 


paté 


ver 


réoe 


veranderen 


e 

ngéroe 


verbannen 


• 
ata èmbé 


verbeelden 


nara 


verbergen 


roko 


verbieden 


maée ngaro, roeti 


verbinden (zich voor iets) 


e 

tangoh 


verblijden 


até ria, dee-ie 



Digitized by 



Google 



568 



verbod 


roeti 


verbond 


papa-djadji 


verbranden 


moe-ee 


verdeelen 


bagi 


verder 


réoe sohoh 


verdriet 


até tanggoh 


verdrijven 


taé 


verdrinken 


mata moroe 


verdwaald 


e 

mbana réwo, sara rara 


vereenigen 


papa ienggie, papa booe 


vergadering 


réora roka 


vergeefs 


iwa goena 


vergeten 


karroh 


vergeven 


pati apoh 


vergissen 


sara 


verhaal 


ngasi té-ie 


verhangen (zich) 


téo datoe tamboh 


verheugd 


dé-ie até 


verhuren 


• pati rargé 


verklagen 


e 

renia ata ngaee 


verklaren 


ai ngasi sasi 


verkoopen 


téka 


verkouden 


bahné 


verlangen 


c 

roera mboh 


verliefd 


até dee-ie 


verlies (schade) 


roegi 


verliezen (verspeeld) 


roegi hèngé 


verliezen (wegraken) 


pota 


verlof 


ngaroh 


vermaak 


hénge 


vermanen 


pérah 


vermengen 


papa rgaoe 


vermoeid 


moh 


vermoorden 


taae mata 



Digitized by 



Google 



569 



vernachten 


éroe 


vernemen (hooren) 


réré 


vernielen 


e 

taoe mbia, taoe réee 


veroordeelen 


pati hoekoe 


verordenen 


taoe moro 


veroveren 


e 

mbooe 


verraad 


dohraka 


verscheuren 


wirah 


verschuilen 


roko 


verschuldigd 


sèpoe 


verslaafd 


déko atë 


versmelten 


mbéré 


verspreid 


pakanggé 


verstaan 


mbéo 


verstandig 


c 

ata mbéo 


verstuikt 


rie-oe 


verstellen 


ngasi tee-ie 


vertoeven 


boesa, doe-oe 


vertrekken 


bana 


vertrouwen 


persaija 


vervelen 


ngaroe 


vervolgen (nazetten) 


deekoh 


vervolgens ' 


warie 


verw 


sah 


verwaarloozen 


iwa padoeli 


verwantschap 


asa 


verwarring 


hoeroe ara 


verwelken 


ah soh 


verwijlen 


eenga 


verwisselen 


e 

ngéroe 


verwittigen 


. sohdoh 


verwoed 


djorga 



Digitized by 



Google 



570 





verwoesten 


taoe réee 




verwonderd 


gedoe 




verzadigd 


e 

mboh oh 




verzekeren 


c 

toe-oe mbéee, taoe tètoe 




verzenden 


ngatoe 




verzoek 


rina 




verznimd 


karroh 




verzwijgen 


roko ai ngasi 




vet 


c 

ramboh 


r 


veulen 


ana djara 




vier 


asa woetoe 




vierkant 


wisoe 




viermaal 


e 

ndaka woetoe 




vijand 


rgoeta 




vijf 


asa rima 




vijftien 


semboeroe asa rima 




vijftig 


c 

mboeroe rima 




vijl] 


rohsoh 




villen 


wisi oeie 




vinden 


ngara 




vinger 


kanga 




visch 


ika 




visch vangen 


c 

ngaee ika 




vlag 


toetoenggo 




vlaggestok 


mangoe toetoenggo 




vlak 


e c 

ndéna, ndatoe 




vlakte 




tanah ndéna 




vlam 


rira 




vleermuis 


ngirgi 




vleesch 


isi 




vleijén 


btidjé 




vlerken, vleugels 


bèrré 



Digitized by 



Google 



571 



vHeg 


aré 


▼liegen 


woe 


vlijtig 


boegoe 


vloed 


aie naéé 


vloo 


koetoe rakoh 


ving 


rama 


vingten 


paroe 


voedsel 


ohroh ka 


voelen 


rama, rasa 


voet 


ha-ie 


voetpad 


rara-diki 


vogel 


naké 


vol 


c 

mbenoe 


voldaan 


pati pèkah 


voldoende 


pati toengga 


volgeling 


imoe 


volgen 


déko 


volharden 


taha 


volk 


manoesia 


volkrijk 


riewoe wohsoh, ata wohsoh 


volkstam 


asa 


vonk 


sarawoko 


vonnis 


hoekoe 


voogd 


oewakée 


vóór, vooraan 


rénia 


vooraf 


moeroe 


vooral 


maefi iwa 


voorbarig 


baai rama 


voorbedacht 


nara méma ^ 


voorbeeld 


sohtoh 


voordeel 


oetoe 


voorheen 


nanamboe 


vooronders 


amboe namboe 


voorschot 


pati oepa 


voortaan 


waoe moerie 



Digitized by 



Google 



572 



voorwaarde 


djadji 


voorzigtig 


djaga Ti&'Tii 


vorst (monarch) 


c 

ata ngaee radja 


vouwen 


rèpé 


vraag 


aré 


vragen 


rina 


vrede 


papa ri^ sadja 


vreemd 


koera 


vreemdeling 


ata maai moerie 


vrees 


takoe 


vrek 


tie-ie 


vreugde 


dee-ie até 


vriend 


ari kaee 


vriendelijk 


ahkoe 


vrij (persoon) 


maradéka 


vrijwillig 


uara 


vroedvrouw 


ata mari 


vroeg 


p6a p6a, p6a raée 


vrolijk 


deeie até 


vrouw 


ata fai 


vruchten 


e e 

mboko mboko 


vruchteloos 


e 

mbonggo réwo 


vuil 


e 

mbahkoe bènné, raki 


vuist 


c 

mboekoe kahpoh 


vullen 


poesi isi 


vuur 


api 


waar? 


e 

rikka amba 


waarlijk 


e e 

toe mbéee mbéee 


waarborg 


e 

tangoh 


waarde 


wJirrie 


waarheen 


rawa amba 



Digitized by 



Google 



573 



waarheid 


toe-oe mbéee 


waarmee 


néh éh 


waarom? 


poe-oe apa 


waarschijnlijk 


ajee 


waarschnwen 


sohdoh 


wacht 


ata djaga 


wachten 


napa 


walvisch 


amboe ngamboe 


wandelen 


e 

mbana héngé éngé 


wang 


pipi 


wanneer? 


wangi 


wanorde 


woh-ée wottee 


want 


poe-oe 


wantrouwen 


iwa persaija 


wapen 


m^noh 


warm 


piittoe 


wartaal 


ngasie iwa pawée 


wasschen 


soesi 


wat 


apa 


water 


aée 


wateren 


siengi 


waterleiding 


aée para 


wederom 


wari 


wedervinden 


ngara waroh 


weduwe 


fai waroe 


weduwnaar 


£ü mata, ata aki waroe 


week (zacht) 


ahkoe 


weeken 


dée 


weemoedig 


até djedo 


weenen 


rita 


weerlicht 


kirah 


weerspreken 


worée 


weerzin 


iwa déeie 


wees 


ana aroh 



Digitized by 



Google 



574 



weetniet (dom oor) 


ata mbémbo 


weg (vermist) 


pohtah 


weg (de) 


rara 


wegbergen 


moe-ie 


wegbrengen 


mindi 


wegens 


poe-oe 


weggaan 


c 

mbana 


weggooijen 


e 

poké éembée 


wegjagen 


ta-aa 


wegloopen 


paroe 


wegmaken 


k^Lmma poh tab 


wegnemen 


reenggi 


wegraken 


pohtah 


wegv^en 


e 

ngonie mbèdjah 


wegvoeren 


paroe doko 


wegwijzen 


péra rara 


wegwijzer 


ata péra rara 


Weiland 


e 

ndatoe 


weinig 


sadiki 


wekken 


rékoe 


wel (bron) 


mata koh aée 


welaan ! 


tob oh 


weldra 


tob oh rama 


weleer 


e 

wakatoe namboe 


wellevend 


e 

ada mbéo ada 


welligt 


ajée 


wellustig 


e 

roera mbob ata M 


welvaart 


ria p^ka 


wenden 


c 

baree, wée ngoh 


wenkbrauwen 


pakoe rémata 


wenken 


rangoe 



Digitized by 



Google 



575 



wennen 


biasa 


wenschen 


mété 


werken 


ksimma 


werkzaam 


boegoe 


werpen 


poké 


weten 


e 

mbéo 


weven 


sendah 


wezen (of zijn) 


dadi 


wij 


oeh kahmi 


wijd 


oondah 


wie 


sai 


wijken 


ngorée 


wijs 


e 

ata mbéo 


' wikkelen 


katoe 


wild 


c 

mbérah, djorga 


wildernis 


e 

mbennée 


willen 


nara 


willig 


neko 


wind (een) 


passoe 


wind • 


angi 


winst 


oetoe 


wisselen 


c 

ngéroe 


wit 


bara 


wol 


sambé 


wolk 


aée roema 


wond 


n^hka 


wonen 


mërah 


woning 


saoh 


woonplaats 


ohroh mèrab 


woord 


ai ugasi 


worden 


dadi 


worm 


wisé 


wortel 


kamoe 



Digitized by 



Google 



576 



woud 
wrijven 

wurgen 

ijver 
ijzer 

zaad 

zaag 
zaaijen 

zaak 

zacht 

zadel 

zak 

zamelen 

zamen 

zand 

zandbank 

zang 

zanger 

zeden 

zee 

zeef 

zeer (smart) 

zeeroover 

zeeziek 
zeggen 
zeil 
zeilen 

zeker 
zelden 
zelf 
zenden 



khadjoe ndoea 
kohsoh 

e 

kasée ngora 

boegoe 
soeah 

winie 

e 

kara mboro 
wésah 

e 

mbaboh 

ahkoe 

rapi djara 

rappoh 

booe 

sama sama 

ana 

e 

ana mbotoe 

lagoe 

ata péré 

ada 

rie rdmma, aee messie 

tapi, sisi 

roh 

pagorah, lanoe 

c 

mboe messie 
ngasi 
radja 
amboh 

e 

toe-oembéee 
sendaka-sendaka 



ngatoe 



Digitized by 



Google • 



577 



zenuwen 


oerah 


zerk 


watoe raté 


zes 


asa rima asa 


zestien 


semboeroe asa rinia i^a 


zestig 


e 

. mboeroe rima asa 


zetten 


moie 


zeven 


asa rima roewa 


zeventien 


semboeroe asa rima roewick 


zeventig 


e 

mboeroe rima roewa 


ziek 


roh 


ziel 


njawa 


zien 


té-ie, tohroh 


zij of haar 


kahri 


zij of hen 


kahri ata 


zijde (kant) 


réziengi 


zijde (stof) 


soetara 


zijn (van hem) 


koo kahri 


zilver 


wéa bara 


zingen 


sodah 


zinken 


marrée 


zinneloos 


mbiengoe 


zitplaats 


e 

ohroh ngaambé 


zitten 


e 

ngaambó 


zoeken 


e 

ngaée 


zoen 


piroe 


zoet 


mie 


zon 


rerah 


zonde 


dosa 


zonder 


iwa 


zóó 


ngérèna 


zoon 


ana ata aki 


zorg 


soesab 


XXIV 





24 



Digitized by 



Google 



578 



zout 






si-ée 


zoniachtig 






messie 


zuigen 






moesoe 


zuigen (aan 


de 


borst) 


moesoe aée soesoe 


znlk 






ngérèna 


zuster 






arie kaee ata £&i 


zuur 






niroe 


zwaar 






ndaté 


zwager 






éedjah 


zwak 






ahkoe 








doedoe api 


zwanger 






toetoe kah 


zwart 






mité 


zwavel 






mariera 


zweep 






oewa djara 


zweer 






e 

fosé, mboeroe 


zweet 






roenga 


zwellen 






e 

mboh woh 


zwemmen 






nangoe 


zweren (een 


eed 


doen) 


toerah djadji 


zweren (etteren) 




roa nana 


zwijgen 






ieh 


zwijn 






wawi. 



Ik. 

Gij of u. 
Hij of zij. 

Wij of ons. 

Gijlieden. 



BENIGE ZAMENSPEAKEN. 

djaoh. 
kaoe. 
' kari. 

e 

mbèdja kita 



mbèdja mioe 



Digitized by 



Google 



579 



Zijlieden. 

Hoe is üw naam? 

Waar woont gij? 

Wat komt gij hier doen? 

Goeden dag, mijnheer. 

Kom hier zitten. 

Wat wilt gij? 

Ik wil goederen verkoopen. 

Ik verzoek uwe hnlp. 

Die man heeft schuld aan mij. 

Hij wil mij niet betalen, 

Is dat waar? 

Ja mijnheer. 
Waarom? 
Ik heb geen geld. 
De volgende maand zal ik be- 
talen. 
Goed, ik zal wachten. 
Vergeet het niet. 
Neen. 

Hebt gij het gehoord? 
Ja. 

Van waar komt gij? 
Van Soemba. 

Welke goederen brengt gij? 
Ik breng veel goederen. 
Hebt gij al iets verkocht? 
Nog niet. 
Gij moet niet jokken. 

Verstaat gij mij? 

Ik durf niet. 
Hoe laat is het? 



ihhee 

kaoe ngara sai? 

saoh amba? 

kaoe maai taoe apa rèkèna? 

e 

tabee ata ngaee 

e e 

mai ndia ngaambé 

Kaoe nara apa? 

Nara iéka ngawoe. 

Djaoh rina toeloe. 

Kari sapoe neée djaóh. 

Kari bahroh baija néee djaóh. 

e 

Toe-oe mbéee? 

e 

Hoh-oh ata ngaee. 
Poe-oe apa? 
Djaóh oewa iwa. 

Napa woera ata pésa djaóh baija. 

Biah djaoh napa roa. 

Maee kikrroh. 

Iwa. 

Kaoe réré? 

Hoh-oh. 

Kaoe maai amba maai? 

Rau Wio. 

Mendi ngawoe apa? 

Djaoh mendi ngawoe wohsoh. 

Kaoe téka pakka apa-apa? 

Baée. 

Kaoe maée sohdoh réwo. 

e 

Kaoe mbéo né-ee djaoh? 

e 

Djaoh iwa mbani. 
Poekoe sa apa? 



Digitized by 



Google 



580 



Ik weet het niet. 

Ik ben dom. 

Dan moet gij leeren. 

Dat zal ik doen. 

Wat zegt hij? 

Welke taal spreekt hij? 

Ik versta hem niet. 

Zijt gij reeds te Eohka geweest? 
In de negorij niet, doch wel 

aan de ankerplaats. 
Hoe heet die ankerplaats? 
Een heet Waai-waroe en nog 

een Ai-méree. 



Wie is Bohka bekend? 
Slechts een man nit de negorij 

Noemba. 
Wie is dat? 
Hij haet Liedo. 
Kan hij mij in de negorij 

brengen? 
Neen! hij roept slechts de 

Badja. 
Hoeveel kinderen hebt gij? 

Drie mijnheer. 

Zijn ze allen reeds getrouwd ? 
Twee zijn nog ongetrouwd. 

Waar is de Biadja? 

Ik wéét het niet. 

Wie is Badja in deze negorij ? 



Djaoh iwa mbéo. 

e e 

Djaoh ata mbéembo. 

Kaoe pérah. 

Napa djaoh kèmma pérah. 

Kari ngasi apa? 

Ai ngasi apa kari sohdoh? 

e 

Djaoh iwa mbéo kahri. 

e 

Kaoe mbaua paka ré Bohka? 
Iwa bana ré noea kahri toengga 

ré laboea kahri. 
Apa ngara kahri ohroh laboe ana? 
Sa-asa ngara Waai-waroe néee 

sa-asa warie ngara kahri 

Aée-mèree. 

e 

8ai ata mbéo ré Bohka? 

Toengga sa imoe re Noemba. 

Sai ata? 

Ngara Liedo. 

Kari ngara morga mendi kita 

ré noea Bohka? 
Iwa! kahri toengga nieoe ata 

e 

ngaee Badja kahri. 
Imoe pira ana kaoe? 

e 

Imoe tarroe ata ngaee. 

e 

Apa nika mbèdja p^ka? 
Imoe roema raée nika. 

e 

Amba ata ngaee Badja? 

e 

Djaoh iwa mbéo. 

Sai ata dadi radja ré noea na? 



Digitized by 



Google 



581 



Ik zal het aan dien man vragen. 
Geeft mij eerst wat t€ eten. 

Ik heb honger. 

Sedert gisteren avond heb ik 

niets gegeten. 
Wacht, ik zal u onmiddelijk 

iets geven. 
"Wilt gij ook iets drinken? 

Hebt gij geen dorst? 

Ik heb pijn aan mijn voet. 

Hoe komt gij daaraan? 
Ik ben gevallen. 

Die twee kinderen hebben mijn 

paard doen schrikken. 
Zij zijn stout. 

Zij moeten straf hebben. 

Ik zal het hun vader zeggen. 

Dat behoeft niet 

Zij zijn nog jong en speelsch. 

Kom laat ons gaan. 

Waar zuUen wij gaan? 

Een weinig wandelen. 

Zijt gij dan niet vermoeid? 

Waarvan ? 

Ik heb nog niets gedaan. 

Ik geloof dat gij lui zijt. 

Wij mogen niet lui zijn. 

Weet gijlieden dat wel? 

Men moet vlijtig zijn. 
Dan verdient men geld. 



Djaoh nara arée réka rina. 
Fati ka moeroe roa re djaoh. 

e 

Djaoh mbapoe. 

Eéré noe mai réra rare djaoh 
iwa ka. 

Napa serama pati ka. 

Kaoe fonga morga minoe apa 



Kaoe iwa moah? 
Djaoh ha-ie roh. 

e c 

Ngana réamba? 
Djaoe mèssoe. 

e 

Ana ndia imoe roewataoo ge- 
doe djara djaoh. 
Abbee djorga. 

e 

Abbee ngésoe nara hoekoe. 

Napa djaoh sohdoh baba kan. 

Maeé 

Ana diki pa^ ratoe nara éengé. 

e 

Toh oh kita mbana. 

e e 

Mohroh amba kita mbana? 
Eéngé eéngée sidiki. 
Kaoe iwa moh? 
Moh réamba? • 

Djaoh iwa kilmma apa apa. 
Djaoh eh kaoe oera bara. 

c 

Mbëdja kita iwa dadi oera bara. 

e 

Apa mioe mbéo na? 

e 

Ata wai mbéo boegoe. 
Napa oetoe oewa. 



Digitized by 



Googie 



582 

Als ik veel geld heb ga ik Wangi kita oewa wohsoh napa 
trouwen. djaoh nika. 

Waarom nu niet? Poe-oe apa na iwa? 

Ik ben nog te arm, om dat Djaob rèra na miski wai iwa rina 
mooije meisje te vragen. ata bi saré. 

Haar vader verlangt een hooge Baba kari rina isi kawie kari 

e 

som als bruidschat. mbaai wohsoh. 

Zooveel heb ik nog niet bij Wohsoh ngéré na kami raëe 

elkaHr. ngara. 

Wat kost dat? Sa apa warri kari na? 

Zes rijksdaalders. Baki rima asa ringgi. 

e 

Dat is zeer duur. Na mbaie wèrie. 

Die Chinees verkoopt het veel Ata sina na téka wohsoh rési 

goedkooper. moera. 

Wanneer gaat gij weer naar Wangi kaoe ambo re Singga- 

Singgapore ? poera ? 

e 

Over vijf dagen. Baee kombé rima. 

Wat is uwe lading? Apa ohroh woea kaoe? 

15 koijangs kaneel. Samboeroe koija rima khadjoe 

mani. 
Wat is de prijs te Singgapore Khadjoe mani warri sa apa ré 

van de kaneel? Singgapoera? 

Ik geloof 5 rijksdaalders. Djaoh rasa baké rima ringgi. 



Digitized by 



Google 



DE KLOK OF KOHKOL 

VAN GALOEH 



DOOK 



^^^>^^s^^w^^%^ 



In 't moseam van het Genootschap van Kunsten en We- 
tenschappen bevindt zich onder de oudheden , uit Galoeh (Che- 
ribon) afkomstig, een inlandsche klok van brons, vandenzelf- 
den vorm ab de houten of bamboezen kohkols (^), na nog 
op Java in gebruik. 

Op die klok bevinden zich 2 inscripties , waarvan de Heer 
van der Chijs mij indertijd P. S. S. gaf, die ik op kleiner 
schaal hier in hout liet snijden en die hieronder volgen. 

No. 1 zit boven aan , om de klok heen , en de ontcijfering 
daarvan gaf mij minder moeite. 

Anders was het gesteld met no. 2, op zij van de spleet, 
welke zich in de klok bevindt. De lezing der 4 letters gaf 
mij heel wat hoofdbrekens. Zonder no. 1 zou ik zel& nu nog 
twijfelen aan de lezing , want de letters moeten gelezen worden 
van boven naar beneden en dan nog wel omgekeerd; denkelijk 
een abuis van den man, die den vorm maakte. 

No. 1 lees ik: J ^ ^ *-^ ; dit stelt het jaartal 

j Djanma ita sa rat. 

1111 (van Qaka) voor. 

I Madjakan. 



No. 2 lees ik: 



(*) Jar. toDgtong. 



Digitized by 



Google 



584 

De «• komt oyereen met de «« in djanma, evenzoo de «^ en 
•o, en de fm is overigens duidelijk genoeg; terwijl het geheel, 
anders gelezen dan omgekeerd, onleesbaar zon zijn. 

In dat //madjakan" zie ik eenouden vorm {*) van ngadjakan, 
//uitnoodigen'' (grondwoord adjak), dat wel past op een klok, die 
het volk, hetzij naar den tempel hetzij tot iets anders //op- 
roept." 

Welligt ook moet de eerste letter een « voorstellen, dat 
met het oog op vele oude vormen van die letter geheel niet on- 
mogelijk is (zie o. a. de koperen plaat van Madjapahit van 1316/8 
van 8aka, no. IV der P. S. 8.) en dan is de lezing nog ge- 
makkelijker. 

Moeijelijk te kraken noten zijn de inscripties, voorkomende op 
de spiegelhandvatsels (?) van brons , welke mede in \ mu- 
seum voorkomen en waarvan de Heer van der Chijs mij even- 
eens F. S. S. zond. 

Ofschoon ik enkele letters meen te herkennen, durf ik mij 
nogihaiis niet aan eene verklaring wagen. 

Denkelijk heeft een ander sterker kaken en daarom voeg ik 
de houtsneden der F. S. S. hierbij (zie B). 

Heel duidelijk waren de oude Javanen en Soendanezen niet 
met hun gefigureerde letters. Toch behoeft de hoop niet te 
worden opgegeven, ze eindelijk uit te vinden. 

Waspada, 2 Augustus 1877. 



(*) Het verbale praefiz ma komt in 't oud Soendaasch mfiermaleii toot, o. a. 
in maoedjar, thans nog nutdjar = zeggen. 



Digitized by 



Google 



A. 
1. 




*n^*^^ 



2, 




B. 





Digitized by VjOOQIC 



BESCHREVEN STEEN 

ÏÏIT DE AÏDEEIUÏG TASIKMAIAJA, 
EESIDEIÏTIE PEEAÏGEE, 

DOOR 
^. F. KC O Ij li E. 



Het Museum werd onlangs verrijkt met een beschreTen 
steen, door het bestuur te Tasikmalaja aan het licht gebngt 
en door den Resident der Preanger het Genootschap toegezonden. 

Een witte raaf mag men haast zeggen, want de Soendalanden 
zijn daar niet rijk aan. 

Een F. S. van deze inscriptie volgt hierachter. 

Ik lees ze als volgt: 

De letters zijn duidelijk, hetgeen de verklaring niet gemak- 
kelijker maakt , want in den 2^^ regel kan ik geen behoorlijken 
zin lezen en gissing of twijfel omtrent andere letters is haast 
buiten kwestie. 

1. Bah houd ik voor eene verkorting van Brahma. 

O is denkelijk ong (om), het bism'illah der Indiërs. 

Ooena (lees goena) 3, Apoe; 3 heeft waarschijnlijk betrek- 



Digitized by 



Google 



587 

king op de Indische Godenleer. De drie Yoortreffelijkheden 
(trigoena), de drie vuren (*). 

De regel, die nu volgt, is mij niet duidelijk. 

2. Bya vmng (wong) ga los ü êaka hola roe geeft geen 
verstaanbaren zin, althans zoover ik kan nagaan. 

S., Ma-tak di joejoe koe latari hyang poen is verstaanbaar 
en beteekent: <rdat het vervuld worde door de (vrouwelijke) 
Godheid" (»). 

Was mijn verwachting gespannen toen ik hoorde van een 
beschreven steen uit de Soendalanden en nog wel uit de buurt 
van het oude Galoeh en vleide ik mij , even als op de steenen 
te Kwali en Buiteuzorg, er een historisch feit op vermeld 
te vinden, mijn verwachting werd niet vervuld, want heel 
veel heeft de steen niet om 't lijf. 

Waspada, 9/10, 1877. 



O Ware goexui ?olgeiu de tjaudra-mgkala niet een plaatsTenranger vam 
het getal 3, dan zou ik in goe^a 3 apoej 8 eea jaarta l lesen en wel 1388. 
Dat gaat nn evenwel niet. 

O De vrouw van bafara Goeroe, batari Oema. 



Digitized by 



Google 






^2; 



I 






Digitized by 



Google 



AI.PHABETISCH-SYSTEMATISCHE 

INHOUDS-OPGAVE 

VAN 

DEEL Xm t/m. XXIV 

VAN HET 

TIJDSCHRirr VOOR INDISCHE TAAL-, LAND- EN 
VOLKENKUNDE 

DOOR 

Mr. J. A. VAN DER GHIJS (•). 



Alifoeroe. 

De vroegere regten en verpligtingen der vrije Alifoeroes van 
Noord-Selebes, door J. G. F. Riedel, XVII, 157. 

De grafteekenen der Alifoeroe in het district Tonsawang, door 
P. S. A. de Clercq, XXI, lOJl. 

Het afplatten van het voorhoofd bij de Alfoeren van de Mi- 
nahassa, door G. A. Wilken, XXI, 374. 

Iets over naamgeving en eigennamen bij de Alfoeren van de 
Minahassa, door G. A. WUken, XXII, 863. 
Zie ook: Boeroe ^ Cerarfiy Foêso. 
Ambon. 

Lijst der gouverneurs van Amboina, zoo ten tijde der Portu- 
gezen als onder de Nederlandsche heerschappij, met aan- 
teekeningen, loopende tot het jaar 1817, aangeboden door 
E. W. A. Ludeking , en door tusschenkomst van den Gou- 
verneur der Molukken aangevuld met eene lijst der Gou- 

(*) Eene dergelijke inhouds-opgave van de twaalf eente deelen is te vinden 
in deel XII, bladz. 596 Tig. 



Digitized by 



Google 



590 

vernenre van dat gewest, van 1817 tot op den tegenwoor- 
digen tijd. XIV, 524. 
Zie ook: Pèla. 
Amlitsbenamingen. 
Lijst van de voornaamste inlandsche ambtsbenamingen, door 
C. W. Walbeehm, XVI, 475. 
Anaohronisme, zie Java, 
Anambaa-eilanden. 
Aanteekeningen over de Anambas-, Natoena- en Tambelan- 
eüanden, door R. C. Kroesen, XXI, 235. 
Antikritiek, zie Soenda. 
Aroe-eüanden. 
Korte woordenlijst van de taal der Aroe- en Keij-eilanden, 

bijeenverzameld door H. C. van Eijbergen, XIV, 557. 
Verslag eener reis naar de Aroe- en Keij-eilanden in de maand 

Junij 1862, door H. C. van Eijbergen, XV, 220. 
Idem in de maanden April en Mei 1864, door denzelfden, 
XV, 29S. 
Algali. 
Een bevebchrift van den Sultan van Atjeh, door Mr. L. W. 

C. van den Berg, XXm, 113. 
Maleisch-Atjebsch woordenlijstje, XXIV, 337. 

Awoeh-Taroena. 
De nitbarsting van den Awoeh-Taroena in 1856. (Eene be- 
schrijving dezer gebeartenis in het Sangi-Siawoehsch dialect, 
met Nederduiteche vertaling) door J. G. F. Riedel, XVI, 91. 
Bagelen. 
Bagelen onder het bestuur van Soerakarta en Djokjokarta, door 

M. H. J. KoUmann, XIV, 852. 
Bene vraag, door K. F. HoUe, XVI, 377. 

Balannipa. 
Kaamsafleiding van van het rijk Balannipa in Mandar, door 
A. Ligtvoet, XXm, 40. 
BaU. 
Fragment van eene reisbeschrijving, door J. F. G. Bmmand» 
Xm, 362. 



Digitized by 



Google 



591 

Aanteekening nit eene Balische adversaria, door J. deYroom, 

XVm, 164. 
Balische spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen , 

door R. van Eek, XVm, 170; XXI, 1J12 en 377. 
Balineesche lontarbrieven , met vertaling en aanteekeningen, 

door J. de Vroom, XYHI, 221; XXI, 104. 
Het lot der vrouw op Bali, door E. van Eek, XVIIT, 870. 
De telwoorden in 't Balineesch, door J. de Vroom, XXI, 169. 
Trouwe liefde beloond ; een Balineescli verhaal door J. de Vroom, 

XXI, 328. 
Hi Lingga P'ta, Balineesch volksgedicht, door J. de Vroom, 

XXI, 408 en 584. 
Kerta-Sima of gemeente- en waterschaps-wetten op Bali , door 

R. van Eek en E. A. Liefrinck, XXIIi; 161. 

Zie ook: Bangli^ JDewa-danda^ Djembrana, Moêor- 
singgik. 
Balken, zie Bandfermasin. 
Banda. 
Vijf jaren op Banda (1683^-1688), door N. P. Van den 

Berg, XVin, 332. 
Ban^ermasin. 
Kort verhaal der bestaande volksoverleveringen, aangaande de 

kris Singkir en lans Kaliblah , beide wapens, welke behoord 

hebben tot de kroonsieraden van het vervallen verklaarde 

rijk van Bandjermasin , XIV, 501. 
Over de beschreven balken, afkomstig uit de troonzaal van 

den voormaligen kraton te Martapoera in Bandjermasin, 

door A. B. Cohen Stuart, XVII, 548. 
De vroegste geschiedenis van Bandjarmasin , door 'E^ S. A. 

Clercq, XXIV, 238. " 
Bangli. 
Nota betreffende den ekonomischen toestand van het rijk BanglT, 

eiland BaH, door F. A. Liefrinck, XXIV, 180. 
Baatam. 
Aanteekeningen op eene reis door het westelijk gedeelte van de 



Digitized by 



Google 



592 

residentie Bantam in het jaar 1828, door J. Th. 

Bik, XVI, 260. 
Naar aanleiding van een proclamatie van den Sultan van Ban- 
tam, door H. N. van der Tuuk, XXHI, 134. 
Baatik. 
Bantiksche legende ,. door J. G. F. Riedel, XVII, 258. 

Baroi. 
Baros, door G. J. J. Deutz, XXII, 156. 

Batak, 
Beis naar Si Goempoelon en Si Lindong in Maart en April 
1858. Bijdrage tot de kennis der Bataklanden door Mr. 
W. A. Hennij, XVI, 1. 
Beize in de Battaklanden in Dec. 1866 en Jan. 1867 , door 
J. A. M. van Cats baron de Raat, XXII, 164. 
Batavia. 
Bijdragen tot de geschiedenis der kerk van Batavia, door J. 

P. G. Brumund, XIII, 1. 
Idem , door J. Hageman Jcz. , XIV , 375. 
Beschrijving der Bataviasche jurisdictie en onderzoek naar de 
oorzaken der meerdere ongezondheid van Batavia en deszelfs 
rhee, door Dr. W. M. Keuchenius, XXII, 390. 
Een Smeekschrift van de Bataviasche burgerij, door N. P. 
Van den Berg, XXII, 532. 

Zie ook: Elberveld^ Oudheden ^ Bijêwijk. 
Batoe-toelis, zie Oudheden. 
Benkoelen, zie Oudheden. 
Berigt, zie Mcdagasy, 
BiUiton. 
Bijzonderheden over de Sekah-bevolking van Billiton, door 
Ch. M. G. A. M. Ecoma Verstege, XXIV, 201. 
Bima 
Aanteekeningen nopens eene reis naar Bima, Timor, de Mo- 
luksche eilanden, Menado en Oost-Java, gedaan in 1821 
en 1822 met den hoogleeraar C. G. C. Reinwardt, door 
J. Th. Bik, XIV, 125. 



Digitized by 



Google 



593 

BladYnlling. 
La Soctótó khédiviale de g^ographie, XXIII, 111. 
Blalanw) zie Kesam. 
BUda. 
Iets over de landstreek Blida, XIV, 554. 
BoalemOy zie Hohntalo, 

Boekaaudiging, zie Gericie, Java, MaleiscAe taal, Soenda, 
Boeooi. 
Het landschap Boeooi. Korte aanteekingen van J. G. F. 
Riedel, XVIII, 189. 
Boeren, zie Soenda. 
Boeroe. 
Woordenlijst van de taal der Alifoeren op het eiland Boeroe, 
benevens eenige grammaticale aanteekeningen omtrent die 
taalj door E. J. Jellesma, XXI, 295. 
Bola&ng-Mongondonw. 
Het landschap Bolaiing-Mongondouw , door J. G. F. Riedel, 

XIII, 266. 
De huizen in Bolaang-Mongondou , door F. S. A. de Clercq, 
XVIII, 282. 

Zie ook: Menado. 
Boma. 
Geschiedenis van Boma naar een Maleisch handschrift , door N. 
van der Tuuk, XXI, 91. 
Bone, zie Holontalo. 
Boni. 
Het leenvorst^ndom Boni, door J. A. Bakkers, XV, 1. 

Bomeo. 
Uittreksel uit een rapport van den kolonel. Resident der 
Zuider- en Ooster-afdeeling van Bomeo, van 80 September 
1868, XVI, 81. 

Zie ook : Bandjermasin , Dajak , Oroote-Dajak, Ka- 
poeaa, Koetei, Mcmtrado, Oudheden, Tadjau, Tanah- 
laoet, Tiwa, 
Bruidschat. 
Iets over den bruidschat bij eenige volken van den Indischen 
archipel, door A. Pruijs van der Hoeven, XVI, 277. 



Digitized by 



Google 



594 

Celebes. 

Nota betreffende het particulier landbezit op Celebes, doorJ. 

A. Bakkers, XVI, 816. 
Topografische schets van de berg-regentschappen der Noorder- 
districten van Celebes, door G. J. Gersen, XVI, 852. 

Zie ook: Alifoerae^ Balannipa^ Bonij Mandarai^ 
Menado^ Numismatiek ^ Omi-spel^ TaUo^ TondanOy 
Tooe-oensea. 
Ceram. 
Beschrijving van eenige gedeelten van Ceram, door H. von 

Eosenberg, XVI, 97. 
Geschiedkundige aanteekeningen omtrent de Noordkust van 
Ceram van af het jaar 1816 tot 1882, door H. G. van 
Eijbergen, XVH, 489. 
Kerkelijk rapport van den zendelingleeraar de Vries, XXII, 220. 
Eedformulier van de Alfoeren op Groot-Ceram, door ï. A. 
Nieuwenhuijzen , XXIII, 510. 

Zie ook: Kakian^ Nieuw- Ouifiea. 
Ceram-lant, zie Nieuw-Guinea, 
Ceylon. 
Lijst der Nederlandsche landvoogden van Ceylon door J. P. 
C. van der Mark, XIV, 184. 
China. 
Gtedsdienst en bijgeloof der Chinezen , door J. J. C. Francken, 

XIV, 88. 
Chinesche mouches, door G. Schlegèl, XIV, 569. 
Bijdrage tot de kennis der Chinesche geheime genootschappen, 

door M. Schaalje, XX, 1. 
De kleine voeten der vrouwen in China. Eene bijdrage tot 
de kennis der Chinesche gewoonten, door M. Schaalje, 
XX, 88. 

Zie ook: Java. 
Cohen Staart. 
In memoriam , door Mr. L. W. C. van den Berg, XXIII, 423. 
Conspiratie, zie Mberveld. 
Cransien, zie Ternate. 



Digitized by 



Google 



595 

Dajak. 

De Dajaks van Sidin, uittreksel nit eene reisbeschrijviug van 
den Adsistent-Besident G. Kater, van Fontianak naar 
Sidin, in April 1866, XVI, 183. 
Uitrusting van een Dajak ter Wester-afdeeling van Bomeo, die 
uit snellen gaat; beschrijving van Wan Masjehoer, djaksa 
te Sintang, vertaald door C. Kater, XXIV, 234. 

Zie ook: OrooU-Dajak ^ KapoeaSy Tadjau^ Tma. 
DeU. 
Vergelijking van den vrocgeren toestand van Deli , Serdang en 
Langkat met den tegenwoordigen , door J. A. M. van 
Cats baron de Eaat, XXIII, 20. 
Geographische en ethnographische gegevens betreffende het rijk 
van Deli, door E. A. Halewijn, XXIII, 147. 
Déwa-danda. 
HoUandsche vertaling van het kawi-wetboek Déwa-danda, door 
A. H. G. Blokzeijl, XVm, 295. 
Sjambrans. 
Aanteekeningen omtrent het rijk Djambrana (eiland Bali), door 
H. F. van Lier, XV, 273. 
Djokjokarta, zie Oudheden. 
Doho, zie Oudheden. 
DoraL 
Aanteekeningen gehouden op eene reis naar Dorei (Noord- 
Oostkust van Guinéa) in de maanden Junij , Julij, Augus- 
tus en September 1863, door Jhr. W. C. F. Goldman, 
XV, 475; XVI, 892. 
ElbenreléL 
De conspiratie van 1721, door Dr.L. W. G. deRoo,XV, 362. 
Inscriptie op den gedenksteen aan den weg van Jakatra, Ba- 
tavia, door A. B. C. S. XIX, 270. 
Endeh. 
Iets over Endeh, door S. Eoos, XXIV, 481. 

Engano. 
Het eiland Engano,. door J. Walland, XIV, 93. 
Verslag van eene reis naar het eiland Engano, XIX, 165. 



Digitized by 



Google 



596 

Errata. 
Errata en aanvullingen in deel XIV en XV. XV, tegenover 
bladz. 209. 

Formosa, zie Taijouan. 

FOMO. 

Korte beschrijving der fosso mahapansa, zooals die voorheen 
gevierd werd door de Alifoeroe in de Minahassa, door P. 
S. A. de Clercq, XIX, 546. 
Oalar, zie Navten. 
Galoeh. 
De klok of kohkol van Galoeh, door K. E. Holle, XXIV, 588. 
Geheime genootschappen, zie CHna. 
Genealogie, zie Ambony Ceylon^ Java, 
Genua. 
De Oost-Indische Compagnie der edelen van Genna (1648 — 
1649), door Mr. N. P. van den Berg, XXIV, 442. 
Geologie , . zie Awoelir-taroena, 
Gericke. 
Vervolg op Dr. J. E. C. Gtericke's Javaansch- Nederduitsch 
woordenboek, zamengesteld door P. Jansz. Boekbeoordee- 
ling door A. B. Cohen Staart, XIX, 296. 

Geschiedenis , zie Amhcni^ Anachronisme^ Bagélen^ Banda^ 
Bandjermasin ^ Batavia^ Ceram^ Ceylon^ Eïherveli^ 
Grissé^ Java^ Koepang ^ Madjapahit^ Madoera^ Ma- 
lakka. Mandaren, Maiaram, MenadOj Onderwijs , Pa- 
lembang, Treanger^ Savoe^ Sianiy Soenda, TallOy Ta- 
ijouan, Ternate, Timor, Totidano, Zeeroof. 
Goram, zie Nieuw- Ghii7iea. 
Grafteekenen, zie Alifoeroe, Tlwoekar. 
Griste. 
Historisch onderzoek naar de geestelijke en wereldlijke supre- 
matie van Grissé op Midden en Oost Java gedurende de 
16e en 17e eeuw, door J. A. B. Wiselius, XXIII, 458. 
Groote-Dajak. 
Bijdrage tot de kennis van de afdeeling Groote-Dajak, door 
H. W. C. Potthast, XIV, 324. 



Digitized by 



Google 



597 

Holontalo. 

De bekentenis van een Holontaloschen ponggoh, door J. G- 
F. Eiedei, XVH, 270. 

De landschappen Holontalo, Limoeto, Bone, Boalemo en Eai- 
tingola of AndagQe , geographische , statistische, historische 
en ethnographische aanteekeningen , door J. G. F. Biede!, 

XIX, 46. 

De pateda-hoelawa of de gouden armband, eene Holotalosche 
vertelling in het oorspronkelijke medegedeeld, vergezeld 
van e^e Nederlandsche vertaling en aanteekeningen, door 
J. G. F. Biedel, XXI, 209. 
In memoriam, zie Cohen Staart. 

Inflcriptiën, üe Hlbervdd^ Zontar-Aandêckri/ïen^ Oudheden. 
Jakatra. 
Een oud vuurwapen van Jakatra P, door A. B. Cohen Stuart, 

XX, 70. 

Zie ook: Elbervéld. 
Java. 
Namen der gewestelijke Europesche gezaghebbers, enz. op Java 
en Madura, door J. Hageman Jcz. , XHI, 227 en 557. 
Kolonisatie op Java, door D. W. Schiff, XVIl, 110. 
Geschiedenis van Java door J. Wolbers. Eerste deel. Boek^ 

aankondiging door A. B. Cohen Stuart, XIX, 154. 
Iets omtrent de betrekkingen der Chinezen met Java voor de 
komst der Europeanen aldaar , door Dr. G. Schlegel, XX, 9. 
Toelichting, door A. B. Cohen Stuart, XX, 151. 
Javaansche raadsels, medegedeeld door F. S. A. de Clercq, 

XX, 570. 
Jets over den oorsprong van het communaal landbezit op Java, 

door C. F. van Delden Laëme, XXII, 254. 
Een anachronisme, door J. Meinsma, XXTTT, 126. 

Zie ook : Bagelen , Bantam^ Batavia^ Bima, Elberveld^ 
Griêêe^ Jahxt/ta^ Jmrtcm^ Lop^tar-handeehriften^ Ma- 
djapakity Mataramy OudAeden^ PeAij Plaatenameny 
Preangevy Si/ngofama^ Soenda. 



Digitized by 



Google 



598 

Jayaaiisoli6 taal- éu letterkunde, zie BcuUam^ Bandjer^ 

moêin^ Gericie, Jaca^ Mataram, 
Joartam. 
Nasporingen omtrent Joartam en andere thans verdwenen plaat- 
sen in oostelijk Java, door J. Hageman Jcz. , XIY, 75. 
Joartan wedergevonden, door J. Hageman Jcz., XVII, 367. 

Johor. 
Spracbrudimente der orang-utan von Johor, von N. von Mi- 
klucho-Maclay, XXIII, 803. 
Kaart, zie Oudheden, 
Kadoe , // // 

Iets over het Ceramsche Kakian- verbond , door A. van Ekris» 
XVI, 290. 
Kalangers. 
De Kalangers, door G. Ketjen, met aanteekeningen door H. 
L. Ch. teM., XXIV, 421. 
Kalibali, zie Bafidjermadn. 
Kampar, zie PangkaUan, 
Kapoeas. 
Eapport van den Assistent-Resident O. Kater, aangaande eenen 
op de Boven-Kapoeas plaats gehad hebbenden sneltogt, 
ondernomen door eone bende Taman-Dajaks , in het voor- 
jaar van 1862, XVI, 253. 
Kattinggola, zie Holontalo, 
Kawi, zie Béwa-danduy Oudheden, 
Këbantenan, zie Oudheden, 
Kerkel^ke aangelegenheden, zie Batavia^ Ceram, 
Kert&-8im&, zie Bali. 
Kesam. 
Schets der Kesam, Semendo, Makakauw en Blalauw, door J. 
S. G. Gramberg, XV, 446. 
Key-eilanden , zie Aroe-eilanden, 
Koeboe. 
Woordenlijst, door J. H. Deibert XXI, 447. 



Digitized by 



Google 



599 

Aanteekeningen Tan H. N. van der Tank op Deibert's woor- 
denlijst, XXI, 458. 
Woordenlijst van J. M. van Berckel, houdende eenige verbe- 
teringen in de woordenlijst van J. H. Deibert , XXI, 464. 
Koepaog. 
-' Koepang omstreeks 1550 , door Mr. J. A. van der Chijs , 

xvm, 209. 

Zie ook: MaieiscAe taal. 
Ko6tei. 
Terslag van het verhandelde tot regeling der betrekkingen 
tosschen de Maleische en Boeginesche nederzettingen van 
de Koetei-rivier onder den vorigeu Sultan van Koetei» 
XXIV, 212. 

Kota-rosan, zie Oudheden. 
Kota-Pinaog. 
Eenige aanteekeningen, gehouden op een reisje naar en door 
de bovenstreken van Kota-Pinang, door W. J. Larive, 

XVIII, 240. 
Kotika. 

De Makassaarsche en Boeginesche Kotika's door Dr. B. F. 
Matthes, XVHI, 1. 

Kroonsieraden , zie Bandjernuuin. 
Kwali, zie Lontar-hatidèchriften. 
Lampong. 
Proeve van een vergelijkende woordenlijst van Lampongsche 

tongvallen, door H. N. van der Tuuk, XVII, 569. 
't Lampongsch en zijne tongvallen, door Dr. H. N. van der 

Tuuk, xvm, 118. 
Brieven van H. N. van der Tuuk, betrefiende het Lampongsch, 

XIX, 362. 

Landbezit, zie Celebes ^ Java. 

Langkat, zie Deli. 

Lematang, zie Oendang. 
^ Limoeto, zie Holontalo. 

Lombok. 
Schets van het eiland Lombok , door B. van Eek, XXII, 811. 



Digitized by 



Google 



600 

Lontar-haadsohrifteii. 

Vlugtig berigt omtrent eenige lontar-handschriften, afkomstig 
uit de Soenda-landen , met toepassing op de inscriptiën van 
KwaU, door K. F. Holle, XVI, 450. 
Zie ook: Bali, 
Ma4japahit. 
Eene episode uit de geschiedenis van Madjapahit, door F. S. 
• A. de Clercq, XXIV, 280. 

Madóera. 
Geschiedenis van het vorstenhuis van Madoera, uit het Ja- 
vaansch vertaald door Dr. W. Palmer van den Broek, 
XX, 241 en 471; XXII, 1 en 280; XXIV, 1. 
Tjareta brakaj. Proeve van Madoereesche spelling, door Dr. 
J. J. van Limburg Brouwer, XXIII, 318. 
Zie ook: Java. 
Makakauw, zie Kesam, 
Malagasy. 
Berigt, door A. B. Cohen Stuart, XV, 286. 
Een paar rectificaties, door A. B. Cohen Stuart, XVI, 189. 
Malagassisch en Javaansch, door J. Meinsma, XXIV, 348. 

Malakka. 
Twee belegeringen van Malakka (1756/57 en 1784), door E. 

Netscher, XIII, 285. 
Was Malakka tusschen 1795 en 1818 eene Nederlandsche of 
eene Britsche bezitting?, door E. Netscher, XVII, 68. 
Maleüche taal- en letterkunde. 
Een Maleisch handschrift met klankteekens , door A. B. Cohen 

Stuart, XIV, 189. 
Lijst van eenige, in 't Maleisch gebruikelijke woorden van 

Sanscrit-oorsprong, door H. von de Wall, XVI, 881. 
Eenige opmerkingen op drie kleine geschriften, waarmede de 
heer Klinkert als schrijver is opgetreden, door H. von de 
Wall, XIX, 305. 
Etymologie van ja-itoe^ isiiar, mèrbot en modmy door A. B. 
Cohen Stuart, XIX, 540. 



Digitized by 



Google 



601 

Boetbeoordeeling , door H. von de Wall, XTX, 565. 

Twee geschrifteu van den heer H. O- Klinkert, beoordeeld 

door fl. von de Wall, XX, 78. 
Lijstje van Rottinesche woorden , gebruikelijk in het Koc- 

pangsch Maleisch , door W. M. Donselaar, XX, 857. 
Woorden uit andere talen opgenomen in het Koepangsch Ma- 
leisch, door W. M. Donselaar, XX, 571. 
Eenige bijzonderheden over het Maleisch van Palembang, door 
P. S. A. de Clercq, XXIII, 517. 

Zie ook: Atjeh^ Boma^ MadjapaMt, Melanesie, Me- 
nangkabou^ Patidawas, 
Mandaren. 
De vestiging der Mandaren in de Tomini-landen , door J. 
G. F. Eiedel, XIX, 555. 
Mapalns. 
De Mapalus-vereenigingen in de Minahassa, XIII, 190. 
Martapoera, zie Bandjernumn. 
Kasorsinggih. 
Masorsinggih, eenige verspreide aanteekeningen over het bestaan 
en gebruik van eene hooge en eene lage taal in het Ba- 
lineesch, door J. de Vroom, XVIII, 310. 
ITataram. 
Piagem van den vorst, van Mataram, door K. F. Holle, 
XUI, 492. 
Melanesie. 
Einiges über die Dialecte der melanesischen Völkerschaften in 
der Maleischen Halbiusel, von N. von Miklucho-Maclay, 
XXm, 309. 
ITenado. 
Bijdrage tot de geschiedenis der zeeroverijen op de kusten der 
Minahassa (1776 en 1777), door J. G. F. Riedel, XIV, 
511. 
Het oppergezag der vorsten van Bolaang over de Minahassa, 

door J. G. r. Riedel, XVH, 505. 
De Minahasa in 1815. Bijdrage tot de kennis van Noord- 
Selebes, door J. G. F. Riedel, XVm, 458. 

XXIV 25 



Digitized by 



Google 



602 

Losse aanteekeningeu , door F. S. A. de Clercq, XX, 192. 

Zie ook : Alifoeroe , Awoeh-taroma , Bantik , Bima y 

Boeooly Bolaang-mongondomp^ Fosso^ Holontalo^ Man- 

daren^ idapal/uSy Ranojapo^ Sangi^ Tiwoekar^ Tooe- 

oen-hoeloey Tooe-oensea^ Tmiduno. ' 

Menangkabau. 

Tjoerito palasik. Proef van Menangkabau'sch dialect door J. 

J. van Limburg Brouwer, XXT, 288. 
Vijftig Menangkabausche pantoens met eene verklarende woor- 
denlijst, door L. K. Harmsen, XXI, 480. 
Menangkerbausch-Maleische raadsels, door L; K. Harmsen^ 

XXni, 258. 
Een Menangkarbousche heilige, door D. G«rth van Wijk, 
XXIV, 224. 

Mendoêt, zie Oudheden, 
Minahassa, zie Menado. 
Mindanao, 
Ein Beitrag zu der Kenntniss der Sprachen auf Mindanao , 
Solog nnd Sian, der Papuas der Astrolabe Bay auf Neu- 
Guinea, der Negritos der Philippinen, und einige Bemer- 
kungen über Herrn RiedeFs Uebersetzungen ins Tagalische 
und Ksayasche, von Dr. A. B. Meijer, XX, 441. 
Eine Correction zur Seite 459 von Theil XX, von N. von 
Maclay, XXI, 120. 
Molnkken. 
Voorloopige mededeelingen nopens reizen in den Molukschen 
archipel, door Dr. H. A. Bernstein , XIV, 399 ; XVII, 79. 
Montrado. 
Schets van Montrado in 1861, door M. von Faber, XIII, 457. 

Namen. 
Iets over namen en galars onder de Maleijers in de Padangsche 
bovenlanden, bepaaldelijk in noordelijk Agam, door G. 
Mansveld, XXIII, 442. • 

Zie ook: Alifoeroe^ Bagélen^ Bcdanipa^ Plaatanamefiy 
Singapama. 



Digitized by 



Google 



603 

Natoena-dilaiLcLeii, zie Afiambaê-eüanden. 
Niêaw-Guinêa. 
Beis naar de zuidwestkust van Nieuw-Guinea, de Goram- en 
Ceram-laut-eilanden en oostelijk Ceram, door P. van der 
' Crab, XIII, 531. 

Zie ook: Dorei^ Mmdanao^ Papoea. 
Numismatiek. 
Chronologische lijst van gedenk- en legpenningen , eereteekens, 
vrijmetselaars-, toegangs-, begrafenis-, brandspuit-, brui- 
lofts- en andere penningen, betrekking hebbende op de 
voormalige en tegenwoordige bezittingen der Nederlanders, 
beoosten de kaap de Goede Hoop, door J. S. van Coe- 
vorden, XIV, 24; XV, 209; XVI, 347, XIX, 358. 
Gouden medaille, vereerd aan den Sulthan van Ternate, door 

Mr. J. A